-ocr page 1-

Vak 134

! BEKNOPT

I

DOOK

?. II. HOS,

HA.Ml A \N I.K III.IKS IMM.I iKliK lil'Hl rKIl-iCMOOI. Tl: I iltf 1X1 NI i l'.N.

%

48

Adn'S'l'K DKUK.

MET PLATEN EN FIGUREN.

TE GRONINGEN BIJ J. H. WOLTERS, 1892.

-ocr page 2-

1

Vil i On?

liohr

I

ter I I /361'

'

BiU V 001

I

I)(

J

-

'

'

-ocr page 3-

NIEUWE UITGAVEN VAN J. B. WÖLTERS, TE GRONINGEN.

'rink, Wetten op Militie en Schutterij . . /quot;2,00

Ilt;. Schrijfboek van Nederland (in 16 kaarten) 0,10

k. Schrijfboek van Europa (in 10 kaarten) 0,10

; Werken, door Dr. A. do Jager .... 3,00 Issen, School-wandkaart van Friesland . . 12,00

;'i Nederlnnd voor lei en schrift 5e druk . 0,15

Van Duinen, Cours do Lecture. I —III a 1,25

■ Ons Vaderland...........0,25

A eh r ens. Miscellanea Critica.....quot; . 2,00

|\ohrens, Loctiones llorationae.....1,25

|.ker. Do kleine tajilgids. 6 stukjes . . a 0,25 j''.cr en J. Mulder, Aardrijksk. van Nederland •, Bartels, Het rekenen uit het hoofd . . fiBartels, Nederlandsche schoolliederen. I — |, 2 en 3 f 0,25, 4 en 5 /' 0,30, 6. 2e druk Beck en I3r. J. van Wageningen, Grieksche

3ii. 1-4.............a

•n Di'. v. Wageningen, Vocabularium. 1—4 a | en Van Goor, Duitsch leesboek. I. 5e druk en Van Goor, Duitsch leesboek. II. 3e druk n Van Goor,Duitsch leesboek. III. 2edruk | 3n Van Goor, Duitsch leesboek. IV, V a

iBe, Shorter works, 2 vols......

In Berg, Eerste teekenschriften. 1—0 . a lerg. Teekenschriften. 1—4 a f 0,15, 5—8

quot; • - - - ijliC 1..

ghuis, neknopt.o burgerlijke bouwkund

;,rgliuis. Water en burgerlijke bouwk. Geb. 25,00

mis. Het opstel voor de volksschool. 2e druk 0,50

huis. Schelpjes. I, II . . . . 5e druk a 0,25

huis, Vertelselh. voor school en huis. 2e dr. 1,50

luns en O. J. Quintus, Onze Moestuin . . 0,30

en Dijken, Uit vaders en grootvaders tijd 0,30

' Berg—Stomp, Het knipboek......0,00

Berg—Stomp, Vrouwel. Handwerken. 3e dr. 1,25

ipsma. Proeve van Plaatselijk reglement . 0,30

l-gsma. Onze kamerplanten......0,90

lassikale teekenmelhode in 00 platen. I . 4,00

'sikale teekenmethode in 40 platen. II . 3,00

inschriften bij bovenstaande. 1 —5 . i 0,20

I:

.enen naar de, natuur. I......2,90

f ug der vruchtsoorten. 3 stukken .... 2,25

a van midden-Nederl. letterk. All. 1—49 a 1,50

, quot;»or Nederlandsche Letterkunde. I —VI i 0,50 f Marwitz, Wandkaart voor Bijbelsche ge-

; met handleiding.........5,90

Marwitz, Schoolkaart van Palestina, inO

met handleiding..........3,90

k. Geschiedenis v.h. Nederl. volk. Dl. I geb. 4,00

Blok, De Jezuieten.........0.75

i, Zest ig jaartallen uit onze geschied. 4e dr. 0,075

|gt;i, Rekenopgaven voor kweekelingen . . 0,40

i. Beginselen der Fransche- taal. 3e druk 0,90

vi, Exercises de lecture. ... 2e druk 0,75

■ De Fransche taal. I........0,30

ma en P. van der Maen, Zuivelbereiding 1.00

!'.n Koenen, Taalstudie. 9e druk. 3dee,lena '.n Koenen, Taalstudie. 9e druk. 3dee,lena 1,25

linjssevain. De waarde der epigraphiek . 0,50

i. Beginselen der analytische meetkunde 1,00

i. Leerboek der plantkunde. . . . geb. 3,00

Teekenatlas van Nederland.....0,15

Teekenschrift........• • • W?

3,75 3,75 1,00 1,25 0,00 4,00 1,75 2,00 1,00 0,40 0,25 0.40 0,00 3,00 o.:gt;() 0,35 0,35

9,00 0,00 1,00

| Landen en Volken. Deel I—IV. Gob. a Leerboek der aardrijkskunde. 7e druk ^Beknopt leerboek der aardrijkskunde 8e dr. i Beknopt Leerb. d. Land-en Volkenkunde. ^ .eiddraad onderwijs aardrijkskunde. 2e dr. School-atlas der aarde . . .11e druk Atlas der geheele aarde in 00 kaarten . Natuur- en staatkundige atlas .... Aflas voor de volksschool . . 12e druk Aardrijkskunde voorde volksschool8e druk Nederland en zijne overz. bezittingen 3e dr.

■• De plaats der aardrijkskunde Platen voor aardrijkskunde . 12e druk 'Do globe. Aardrijkskundig schetsboek . k Kleine, atlas voor de volksschool. 4edruk j| lOersle atlas voor de volksschool. 5odruk r Schetsen uil, Nederland en Nederl. Indië ijSchoolplaten voor aanschouwelijk ondor-| ardrijkskunde, 1—13, niet handleiding . 0,75 Schoolkaart van Groningen in 0 bladen 10,00

■gt; Wereldkaart in 0 bladen......8,75

( Wandkaart van Midden-, West- en Zuid-t i 9 bladen, üifg. A met namen . . .

onder namen

Vieuwe atlas voor do volksschool

,! !«t en Hijkens, Schoolkaart van Oost-

.....2e- druk mot handleiding 15,50

na Bos, Landbouwdierkunde. 2 deelen 21,25

ma Bos, Insectenschade......2,50

i;ma Bos, Do vogels........0,30

ma Bos, Schetsen uit het dierenrijk. 2e dr. 0,30 ma Bos en Dr. 11. Bos, Dierkunde. 3e dr. 2,50 Zijlstra, Het rekenen. 1 en 2. 4e druk a 0,20

gt;'aii dr Scliool-liHKavrii

0,20 0,15

0,40

1.25 0,75 0,50 0,75 1,00 1,00 1,00 0,10 0,20 2,50

Boswijk en Zijlstra, Het rekenen. 3—8. 4e druk /0,25 Boswijk en Zilstra, Het rekenen. Voorl. 6e stukje. 0,20 Boswi k en Zi. Istra, Rekenkundige vraagstukken . 0,25 Boswi k en Zi Istra, Theorie der rekenkunde . . . 0,40

Boswi k en Z( Istra, Cijferoefeningen......0,20

1). Boswijk, Repetitieboek I—Hl .......a 0,30

II. Bonman, Opvoeding en onderwijs. I, Hle . . . 4,90 H. Bonman, Beknopte opvoedkunde v. d. lagere school 1,25 II. Bonman, Vormleer in de lagere school. 9o druk 1,80

H. Bonman, Vormleer in opgaven en oefen. 2 st. a 0,25 II. Bonman. Aanschouwelijk onderwijs. 12 pl. 3e druk 2,90 II. Bouman, Handleiding b. h. aansch.onderw. 5edr. 0,90 II. Bonman, liet gulden kinderboek. Geïllustreerd . 1,25 II. Bouman, Leesboekjes. 5 stukjes. 32e druk . a 0,25 II. Bouman, Eerste schooljaren. 0 stukjes. 7c druk iV 0,25 11. Bouman, Platen bij de Eerste schooljaren . . 2.90 II. Bouman, Handboek voor het leiden der oefeningen 0,75 11. Bouman, Do. paedagogie der lagere school. Geb. 1,50 L. Bouwman, Examen-opgaven v. hulponderwijzers . 0,40 L. Bouwman, Examen-opgaven v. hoofdonderwijzer 0,40 L. Bouwman, Examen-opgaven voor onderwijzers . 0,50 L. Bouwman Jz., Gonometrieen vlakke trigonometrie 0,90 Marius A. Brandts Buys, Twaalf kinderliederen . 0,65

A. Br. van Eikema, Mijn eersteen tweede boekje 4e dr. 0,25 .1. Brojwer, Het zinsverband.........0,00

B. van Bruggen, Stijloefeningen........0,75

B. Brngsma, Schetsen uit het natuurleven. 7e druk 0.30 B. Brugsma, Aansehouwingsonderwijs. 40 pl. 5e druk 4,90 lirugsma en Eldering,30 platen v.aanschouw.onderw. 3,90 K. ten Hrnggencate, Hoofdzaken d. Eng.gramm. 3e dr. 0,75 K. ten Bruggencate, De uitspraak v.h.Engelsch. 3e dr. 1,00 K. ten Hrnggencate, The, Chimes by Charles Dickens 0,00 K. ten Hrnggencate, The Cricket on the Hearth . 0,00

K. ten Bruggencate, A Christmas carol.....0,00

1). de Bruin Jr., Nieuw Leesboek I......0,25

P. Bruining, Schets der zede- en geloofsleer . . . 0,15 Dr. van Capello en Ekker, Ned.-Lat. woordenb. Geb. 4,90 Ten Cate en Van Milligen, Lager onderwijs. 3e druk 1,25 Ten Cate en A. Moens, De, wet op het lager onderwijs,

met aanteekeningen en bijlagen.....4e druk 4,50

I. .1. Blaupot ten Cate, Het domicilie van onderstand 1,00

Dr. T. Cannegieter, De zedelijkheid........1,90

Dr. T. Cannegieter, Kerk, kerkleer, kerkrecht . . . 0,50 I )r. T. Cannegieler,()biect . en subject, in de dogmatiek 0,50 Dr. T. Cannegieter, Dogmatische wetenschiip . . . 0,50

Dr. T. Cannegieter, Evangeliedienaar....... 0,50

Dr. J. ,1. Cornelissen, Libellis .locularis .....0,75

Dr. Coster en Opwyrda, Phiirm. Neerl. 4 deelen. . 36,75 Mr. Cremers, Aanteekeningen op tie Nederlandsche

wetboeken. (5 deelen met 21 vervolgen .... 107,50 Mr. W. C. I. .1. Cremers, De gemeentewet. 4e dr. Geb. 0,00 Mr. W. C. I. J. Cremers, Wetgeving op het notarisambt .............2e dr. geb. 2,50

Mr. W. C. I. .1. Cremers, Aanteeken. op de Grondwet 2,65 Nieuw Hijbelsch Dagschrift. 12 afleveringen per jaar 3,75 I'quot;. C. Delfos, Beginselen d. Scheikunde, met fig. 2e dr. 1,25 K. C. Delfos, Kennis der natuur. 2 stukjes. ... a 0,30 Mr. G. Dieplinis, Nederl. burgerlijk rog'. 13dln.3edr. 116,00 Mr. G. Diephuis, llandb. Ned. burg. regt. 3dln. 3edr. 15,00 Mr. G. Diephuis, I landelsregt. 3 doelen . .2e druk 15,00 Mr. G. Diephuis, De wet op het lager onderwijs. . 1,80 H. W. Dijken, Vlinders voor 'tjongevolkje. 5edruk 0,25 H. W. Dijken, Woorden en zinnen. 7 stukjes .... 0,45

H. W. Dijken, Natuurkennis...........

H. Dijkstra, Wegwijzer voor de Duitsche taal . . . H. C. P. Dirks, Lecture et recitation . . .2e druk Dittos—Wendol, Ziel- en redeneerkunde. . 2e druk

.1. Doornbos, Huisboek voor den landman.....

Douwes, Do kleine wekker. 3 stukjes. 3e druk a Douwesen Feith, Ned. kerkelijk wetboek. Geb. 2e dr.

.1. Douwes, De wijsgeer .1. F. L. Schroder.....

.1. Douwes, Gouden giinsje. Kinder-operette met zang E. Drenth, Zakwoordenboekje der muziek .

.1. L. Ph. Duiquot;

1,25 0,75 1,00 1,25 2,50 0,25

A. van Droogenbroeck, Zonnestralen. Geïll. 4e druk L. Ph. Duijser, Nederlandsche taaloefeningen. 2e dr. L. I'h. Duijser, Nederl. Stijloof. I, 11. . 2edr. a L. I'll. Duijser,Nederlandscho tanl. 3stukj. 3edr. a

Algem. geschiedenis. 2 din. 2e dr. a Leerboek der vaderl.geseh. 2 din. a ser. Overzicht v. d. Gesch. d. Ned. letterk. Duijser en Van Goor, Letterk. leesboek. I en H. 2e dr. a Duijser en Groeneveld, Nederl. lectuur I /quot;0,60, II .

P. van Duinen, Hecueil de traductions......

P. van Duinen, Hecueil de, phrases........1^25

C. F. v. Dnyl,Geschiedenis, 2 stukjee . 2e druk i'i 0,40 C. F. vanDuvl, Fransch lees-en vertaalboek. I /0,90,

11 /1,00, lil .................

C. F. van Duyl, Onze geschiedenis. I, H. .2e druk

C. F. van Duyl, Het juiste woord .......

C. !•'. van Duyl, Leerboek der Fransche taal. I . .

C. F. van Duyl, Fransche volksvertelsels.....

C. F. van Duyl, Mijn vaderland......4o druk

C. F. van Duyl, De eerste trap van het taalonderwijs.

0,30 0,50 1,00 1,25 3,90 0,20 3,75 3,00 0,30 0,00 1,25 0,35 0,75 0,50 0,90 0,90 1,50 1,25 0,75 0,50

Serie A.I—IV...........,0o druk «\

0,25

pri'Henl-i'xniipl.iirii ivr KenniHiirmiiitf; rtanviiigi'n.

L. IMi. Du. L. I'h. Dui


-ocr page 4-

C. F. vanDuyl, Deeerstetrap van het taalonderwijs.

Serie B. I —IV (Stijloefeningen). . . ,'2c druk iV f 0,25

C. F.vanDuyl, OefeningonlirtNederlandsel». 5edr. 0,50

C. h\ van Duyl, Langue t'ran^aise. leen 2epartie 0,50 C. V. van Duyl, Langue fran^aise. 3e, 4e en 5e partie A 0,75

C. I4, van Duyl, Nichten en neven........2,90

('. F. v. Duyl, Bcschjivlngsgeschlcdenis v. Nederland 2,25 Dr. Is. van Dijk, Verkeerd Bijbelgebruik.....0,00

.1. van Effen, I )e Holl. Speet.,bew. d. A. \V. Stell\v:igen 2,50

Dr. Engelbregt, Latijnsch woordenboek, (leb. 4e dr. 0,75

Mr. A.W. Engelen, Algeineenegeschied. 4dln. iledr. l:{,00

Mr. A. VV. Engelen, Tijdtafels der algem. geschiedenis 1,2 )

Dr. J. K. Euklaar, Eerste beginselen der scheikunde 0,75

Dr. J. E. Enklaar, Handleiding eerste begins, d. scheik. 0,40

Dr. van den Es, (irieksch woordenboek, (leb. 4e druk 0,75

Dr. van den Es, Ncderl.-Orieksche woordenlijst. 4e dr. 2,50

Dr. van den Es, Grieksche antiquiteiten. .lie druk 2,00

Dr. van don Es, Grieksche opstellen. 4 stukjes. In dr. a 1,25

Dr. v. d. Es, Grieksche en Komeinsche letterk. 'ie druk 3,75

Dr. van den Es, Grieksche spraakkunst. . 2o druk 3,75

Dr. van den Es, Grieksche buigingsleer......1,25

Dr. van den Es, Uittreksel Gr. en Kom. lett erkunde 0,50

Dr. van den Es, Studio Grieksche oudheid .... 0,50 K. L. Faisely, Cours pratique de langue francaise.

I /' 1,15, II....................0,00

K. L. Faisely, Cours pratiiiue de langue, i'raiu'aise.

I, II, 2e Se.-ie............. h 0,75

F. L. Falsely. Questionnaire............0.25

F. F. C. Fischer, Vocabularium..........0,75

Dr. C. M. Francken, Studie over taal-en letterkunde 0,2quot;)

Dr. C. M. Francken, De wet op het hooger onderwijs 0.50

Dr. C. M. Francken, Grieksche en Uomeinsche letterk. O/iO

Dr. C. M. Francken, Oratio de civitate Athenicnsi. 0,ÖÖ

Dr. C. M. Francken, Prometheus en Pandora . . . 0,50

Dr. C. M. Francken, Plauti Aulularia.......1,50

J. G. Frederiks, Oefeningen i. h. schrijven d. Ned. taal 0,00

Aimó Gautaey, La gerbe.............0,00

Mr. C. C. Gecrtsema, De /ijlvestenijen in Groningen 0,00

Mr. C. J. Geertsema, Ongebouwde èigendommeu . 0,00

W. v. Gelder, Schoolatlas v. Nederl. ()03t*indië. 3e dr. 2,50

W. van Gelder, Uit Indie de aarde rond. I. 4edruk O/iO

W. van Gelder, Uit Indië de aarde rond. II. 3edruk 0,50

VV. van Gelder, Kaart van .lava en Madoera . . . 1,00 I. van Gelaeren, Nederlandsche taal in de lagere school.

Ie stukje /quot;0,20, 2e en 3e stukje :'i /'0,25, 4e stukje 0,30

I. van Gelderen, De candidaat-hoofdonderwijzer . . 0,75

J. Geluk, Opvoedingsleer.........quot;. . . . 1,50

.1. Geluk, Woordenboek voor opvoeding en onderwijs 12,50

A. van Gestel, De justitia et lege civili......1,00

Gids voor den onderwijzer. I —VIII.......a 4,00

Dr. \V. Gleuns, Leerboek der meetkunde . 4e druk 1,25

Dr.W. Gleuns, Beschouwingen van het heelal. 2e druk 3,00

Dr.W. Gleuns,Wis- of sterrekundigo aardrijksk. 3e dr. 0,00

.1. J. A. Goeverneur, 140 kinderliederen . . 4e druk 1,25

J. .1. A. Goeverneur, Vijftig kinderspelen . 2e druk 0,50

.1. .1. A. Goeverneur, Fabelboek. 4 stukjes. 10e dr. a 0,25 J. J. A. Goeverneur, Nieuw fabelboek met gekleurde

platen. 4 deeltjes..........lüe druk i\ 0,00

J. J. A. Goeverneur, De keesiade.........0,50

A. \V. Gravelaar, Leerboek der rekenkunde. I. . . 0,75

A. VV. Gravelaar, Hekenkundige vraagstukken. . . 0,50

A. VV. Gravelaar, Hekenkundige vraagstukken. II . 0,50

N. L. W. A. Gravelaar, Vraagstukken. I: Planimetrie 0.50

N. L.VV. A. Gravelaar,Vraagstukken. 11; Stereometrie 0,50

N. L. W. A. Gravelaar, Leerboek der algebra, leged. 1,25

N. L.VV. A. Gravelaar, Grondbegins. der perspectief 0,00

N. L. VV. A. Gravelaar, Vraagst. b. h. Leerb. d. Alg. I 0,50

N. L. VV. A. Gravelaar, Leerboek der planimetrie . 1,25

T. Greidanus, Theorie der rekenkunde . . 2e druk i,50

T. Greidanus, Rekenvoorstellen......4e druk 1,25

T. Greidanus, Antwoorden op de rekenvoorstellen . 0,10

T. Greidanus, Leerboek der algebra. I en II. . . a 1,75 Van Grieken, Burgerlijke bouwkunde. 3 deelen . . 25,00

Dr. F. G. (Ironeman, Natuui'kundige vraagst. 3edr. 1,25 Dr. F. G. Groneman, Honderd vraagstukken ter

herhaling van de natuurkunde.....2e dmk 0,00

De Groot, Leopold en Hijkens, Nederl. letterk. Oo druk 3,80

Dr. ,1. II. Gunning.Illz., Het protestantsche Nederland 1,00

Dr. .1. 11. Gunning Jllz., Onze eeredienst.....1,00

Dr. J. II. Gunning Jllz., De chasidim.......1,25

Dr. J. 11.Gunning .Illz., Leven van II. VV. Witteveen 0 7'»

Dr. J. 11. Gunning Jllz., De blijv(!nde Heer daarboven (^OO

.1. H. A. Glinther, Leerboek d. lOngelsehe taal. 2e dr. 1,25

J.H. A.Günthei', A Handbook of the English Language 1,00

•Dr.A.llaiberstadt, Oefening in de Latijnsche vormleer 0,00

Dr. A. Halberstadt, Lhomond's Urbis romae 2e dr. 1,00

Dr. A. G. van Hamel, La chaire de Francais . . . 0,00

C. van Haren, Wet Vermogensbelasting .... 1.25

C. van Haren, Wet beroeps- (ai bedrijfsbel. All. 1 . 0/M)

T. Hazewinkel, Algem. en N'aderl. Geschied. .\ gel». 1,00

T. Hazewinkel, Algem. en Vaderl. Geschied. IS geb. 2,00

J. Heeringa Gz., Nederlandsche stijl. I eu 11 . . a 0,75

J. E. Helge, Schetsen van dieren. I . . . 18e druk 0,30

J. E. Helge, Schetsen van Dieren. 11......0,30

J. E. Helge, Schetsen van planten . , . 13e druk 0.30

J. E. Helge, Schetsen van planten. 11.....0,30

J. E. Helge, Schetsen van delfstollen . . 0e druk 0,30

J.E. Helge, Schetsen v. natuurversch. Ie en 2e st. 0e dr. i 0,30

J, E. Helge, De mensch.........5e druk 0,30

J. E. Helge, Het dierenrijk........2e druk /quot;0,30

J. E. Helge, Het plantenrijk...........0,30

J. E. Helge, De plant...............0,30

Dr.W. Ij. v. Holten, Kleine Nederl. spraakkunst. 5e dr. 1,00

Dr. VV. L. van Heiten, Vondels taal........3,75

Dr.W. L. v. Heiten, Bijdrage vaderlandsche taalstudie 0,00

Dr. W. fi. van Holten, Middelnederlandsche versbouw 1.00

Dr.W. L. v. Hellen, Middelnederlandsche spraakkunst 7,50

Dr. W. L. van Heiten, Van den Vos Beynaerde . . 3,00

('. I». ('. Herekenrath, Lefraneaisenseignéen franeais, I 0,30

S.G.Heringa, Aardrijkskundig woordenb. v. Nederland 2,00

II. Hermans en Dr. J.Woltjer, Historische atlas. 3e dr. 2,00

I). Hoekzema's Gleanings from English prose. 7e druk 1,75

I). Hoekzema's Gleanings from English poetry. 4edr. 1,75

1). Hoekzema, Matériaux biographiques . . 2o druk 0,75

A.E.C.Holfmann, Teekencursns v.d.lagere school.2 st.a O/K)

K. Hofkamp, Vertellingen v. een torenwachter. lOadr. 0,30

K. Hofkamp, Klokjes. Nieuwe vertellingen. 7ediMk. 0,2quot;)

Hofkampen Haarman,Schrijfcursus. 2stukj. 3edr.a 0,-5

G. Houigh, Hoogduitsch leesboek. I . . . . 5e druk 0,75 (!. Houigh, Hoogduitsch leesboek. II. . . . 3e druk 1,00 C. Houigh, Hoogduitsch leesboek, lil . . .2e druk 1,25 C. Houigh en G. J. Vos Az., Van eigen bodem. A. Uit

tweeërlei pen. Inleidende reeks. '—0. 8e druk a 0,30 ('. Honigh en G. J. Vos Az., Van eigen bodem. IÈ.

Uit veJerlei pen. Voorde lagere school. 1—0. 2e dr. a 0,25 (quot;. Honigh tin (1. J. Vos Az., Van eigen bodem.

Uit velerlei pen. Voor do lagere eu middelb. school.

1-3. lie druk. a /' 0,30. 4-0.....8e druk a 0,40

C. Honigh eu G. J. Vos Az, Van eigen bodem. C.

7e en 8o stukje. Slotbundel...........1,25

C. Honigh en (1. J. Vos Az., Liedeboek. I.....0,25

J.v.d.Hout euT.J.Tengeler, Aaut. o. d. studie d. rekenk. 0,00 C. Huygeus, Dichtwerken door Dr. J. A. Werp,

8 dlu. gebonden.............a 2,00

C. Huygeus, Zedepriuten door H. J. Eijmael . . . 1,25 Jaarboek der Groninger universiteit. I —IV . . . iV 1,00

11. Jacobs, Foutieve oplossingen.........0,25

11. Jacobs, Vragen met toelichtingen over de theorie

der rekenkunde................0,40

H.Jacobs, Voorbereiding voor het mondeling examen

van hoofdonderwijzer............0,50

Jacobs en Koenen, Nederl. spraakkunst. Gebonden 3,00

Dr. A. de Jager, Nieuwe taal- eu letteroefeningen . 1,00

J. G. Jeen, Verwarming er» ventilatie.......1,25

Dr. Jonckbloet, Nederl. letterkunde Gdln. Geb. 4e dr. 17,40

Dr. Jonckbloet, Bekn. gesch. d. Nederl. letterk. 3edr. 2,50

Dr. Jonckbloet, Beoefening d. Nederlandsche letterk. 0,00

Dr. Jonckbloet, Vanden Vos Ueinaerde......4,00

Dr. Jonckbloet, Etude sur le roman de Rénart . . 0,00

Dr. Jonckbloet, Gedenkboek d. Gron. hoogesch. Geb. 10,00

Kaart der Nederlanden, in 0 bladen.... 3e druk 10,00

D. Kanon, Uekenonderwijs. 4 stukjes......a 0,20

G. L. Kepper, Begeering van Willem lil . ... 37,50

Di'.P.J.vanKerckhoir/regenw.toestanil der scheikunde 0,00

Dr. P. J. van Kerckholf, Over chemische verbinding 0,00

A. J. Kikkerteu I. Bulk, Boekhouden v.bloemkweekers 0,00

M. J. Koenen, De Kleine Steller, 2 stukjes . . . a 0,15

M. J. Koenen, Het nieuwe taalboek. I—IV. 1e,11edr. a 0,20

M. J. Koenen, Het nieuwe taalboek. IV. 2e. 7e druk 0,20

M. J. Koenen, Het nieuwe taalboek. V, VI. 4e druk 0,50

M.J.Koenen,Voorlooper v. h. nieuwe taalboek. 4e druk 0,25

M. J. Koenen, Denkeu en schrijven. I —III. 2e druk a 0,20 M. J. Koenen, Denkeu en schrijven. IVenV. 3e druk iV 0,25

M. J. Koenen, Handleiding............0.50

M. J. Koenen, Een kleine sleutel.....2e druk 0,25

M.J. Koenen, Nederlandsch zakwoordenboekje. Gedr. 0,25

M. J. Koenen, Handleiding b. h. rekenen op rekenraam 0,50

M. J. Koenen, Bekenboek der aanvangsklasse . . . 0,20

M. J. Koenen, Hoofdrekencn. 2e afdeeliug.....0,20

M. .1. Koenen, Keur uit Staring..........1,00

M. J. Koenen, Bloemlez. uit Bilderdijk. 2 deelen a 1.25

M. J. Koenen, Nederlandsche spraakkunst.....1,50

M. J. Koenen, Practische stijlleer.........1,00

M. .1. Koenen, Proefsteen voor 't examen.....0,00

M. .1, Koenen, Kleine Nederlandsche spraakkunst . 0,50

M. J. Koenen, Tor herhaling...........0,00

M. J. Koenen, Korte lessen....... 2e druk 0,00

M. .1. Koenen, Nederlandsche Dictees. . 3e druk 0,00

M.J. Koenen,De hoofdzaken d. Nederlandsche spraakk. 0,35

M. J. Koenen, Oefenschool der spriakkunst . . 0,75 M. .1. Koenen, Grepen uit de Nederl. Spraakk. i ter persr)

M. J. Koenen en W. Westendorp, Taalonderwijs . 0,25

A. M. Kollewijn, Nederl. Bezittingen . . 4e druk 0,75

A. H. van der Kolff, Paedagogisch vragenboek . . 0,50

I)(! Kostschool, door een Kostschoolhouder.....0.50

VV. Kreling, Beginselen der meetkunde . . 0e druk 1,75

W. Kreling, Meetkundige werkstukken......0,00

VV. Kreling, Meetkundige vraagstukken......0,(50

K. W. Kri;ger, Grieksche spraakleer. 1,11. . . . 2,,)0 Dr. 10. F. Kruijf, Naamlijst der zendelingen in plano 0,25 Dr. !•:. 1'. Kruijf, Zeudelingsgenootschap . . ilci' p'-rsi''

Joh. A. Leopold, HochdeutscheSprachschule. 3ediuk 1,00 Joh. A. Leopold, Deutsches Lesebuch. I, H. 5edruk a 1,00

Joh. A. Leopold, Kleine Deutsche SprachschiUe . 1,25 Joh.A.enL.Leopold,Nederl.leesb. 1e,7e eu 8e st. 3e dr. a 0,35 Joh. A.enL.Leopold, Van de Schelde t.deVVeichsel..kiln. 18,00

Kath. Leopold, Tooneelstukjes voor de jeugd . . i 0,70

Kath. Leopold, Aanschouwingslessen......0,00


-ocr page 5-

/ 2,50 0,30 4,50 0,30 0,30 0,30 0.30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0,30 0.30 0,30 0,30 0,30 0,30

0.30 1 ,D0

1,D0 1,75 '1,25 0,(.l() 0,30 0,D0 1,25 1,25

1,25 0,75 0,50 0,75 2,50 5,50 8S,D5 (),()() 1,50 0,35 0,05 0,30 0.30

A 11 Ie druk A 22e di'uk A 20e druk A 23e druk A 14e druk A 10e druk A I7t; druk A lOe druk A Sc, druk l( '10e druk l( De druk U 8e druk De druk 7e druk 7»; druk 6o druk 3e druk 4e druk 4e druk 3e druk 3e druk

Serie

Serie

Mr. l'. W. A. Gort v. Mr. P. W. A. Gort v. Mr. 1*. W. A. Gort v. Mr. P. W. A. Gort v. Mr. W. II. de Sav. 1

0,30 0,30 0,30 0,30 0,quot;)0 2,D0 0,30 0,50 1,50 0,50 1,25 0,15 0,50

0.50,2,90 1,25 2,70 1,50 0,00

1,D0 O.'.K) O.OO 1,00

1,25

2,DO Ü,(W 0,00 0.7; gt;

0,75 0,75 0,50 0,00 1,25 1,50

1,00 0,50 0,(10 0,50 12,50

0,25 1,25 2,90 1,00 1,00

0,00 0,125

1 /25

Grieken en Komeiiu

Dr. J. G. Matthes, l.gt;e nieuwe richting. . . Ge druk Dr. .1. G. Matthes, Nederl. taal-en spelregels 4e druk Dr. J. G. Matthes, Uit. onze beste schrijvers 2e druk Dr. J. G. Matthes, Hr.indt's leven van P. C. Hooft Dr. U. A. Mees, Nieuwe denkb. op Natuurk. gebied

Dr. E. Mehler, Griekscho Syntaxis........

Dij.^A» J* Mertens, Eng. Spraakkunst I / 0,75,11 / 1,00,

Dr. A. J. Mertens, English Grammar . . . 2e druk Dr. A. J. Mertens, IJeknopte Eng. Spraakkunst , , Dr. A. J. Mertens, Inleiding Engelscho taal .... Dr. A. J. Mertens, Kransche spreekoefeningen . . . Dr. A. J. Mertens, Duitsche spreekoefeningen . . . Dr. A. J. Mertens, Eugelsclie spreekoefeningen . . Dr. 13. van der Meulen, Ons lager onderwijs , . .

Van der Meulen en Douwes, Het kompas.....

Dr. H. G. Micliaelis, Dloeml. Lat. prozaschrijvers . .1. H. Meijer, History of the English literature. . . Dr. H. W. Middendorp, De waarde van Koch's geneesmiddel tegen tuberculose............

Dr. II. W. Middendorp, Nadere mededeelingon . . Dr. H. \V. .Middendorp, Weitere Mittheilungen . . Dr.H. W.Middendorp, Tuborkelbac. bcstaiin nicl. I, 11 a John Stuart Mill, Staathuishoudkunde. 2 doelen . . G. van Milligen, Programma's voor de verschillende

akten lager onderwijs.............

G. van Milligen, Nederl. staatsburger , . . 3e druk

. G. van Milligen, lieroepskeuze......3e druk

G. van Milligen, Wiskundige Aardrijkskunde . . . (i. van Milligen, Methodiek voor de lagere school . W. H. G. Molkenboer, Teekenen in de lagere school. Handleiding voorden onderwijzer met80 pl. 2edruk W. B. G. Molkenboer, Teekenschrift v. d. leerl. 1 —51\ Mr. \V. Modderman, Hedendaagsche regtsgeleerdheid Mr. W. Modderman, Receptie voor het Kom. recht

L. Leopold, 7. Stofgoud . . .

L. Leopold, H. Monto steenen.

L. Leopold, 9. Uit onze gescli.

L. Leopold, 1. .Meiregen . .

L. Leopold, 2. Dauwdroppels.

L. Leopold, 3. Sneeuwvlokken L. Leopold, 4. Mosroosjes . .

L. Leopold, 5. Wildzang . .

Ij. Leopold, (». Klimop . . .

L. Leopold, 7. Stofgoud. . .

Ij. Leopold, 8. Bonte steenen.

L. Leopold, I. Meiregen. . .

L. Leopold, 2. Dauwdroppels.

L. Leopold, -3. Sneeuwvlokken L. Leopold, 4. Mosroosjes . .

M. en L. Leopold, lien sleutel, I (proza) Inl. lett. oe dr. M. en L. Leopold, lien sleutel, 11 (poëzie) Inl. lett. 3e dr. M. en L. Leopold, Oud en Nieuw. I, II. 2e druk a M. Leopold, Opvoeding in huis en school, (ie druk M. Leopold, I):! tolk, bloeml. ter vertaling. 4e druk

M. Leopold, Natuurgenot.........7e druk

J. J. Lagers, Duitsch leesboek..........

Dr. J. J. Le Koy, De metisclielijkebewegingstoestel Dr. J. .1. Le lloy. Grondstellingen der natuurkunde Dr. J. J. Le Koy, Natuurkennis van den gezonden

Louwerse, Alles zingt. Geïllustreerd. 2e dr. geb.

Louwerse, Geschiedenisversjes........

Louwerse, De kleine huisvriend. 10 deelen . . a

Louwerse, Uit den Franschen tijd.......

Louwerse, Uit ouden tijd ...........

Louwerse, Vier koningen...........

Louwerse, De wonderwereld. Sprookjes.....

Louwerse, Uit het jonge leven.........

Louwerse, Kinderlief. Kleine verhalen.....

Louwerse, Hijmpjes en vertellingen. 5 stukjes i\ en V. Leveling, Gedichten. Gebonden. 2e druk

G. W. Lovendaal, Lentedagen..........

G. W. Lovendaal, Aan moeders schoot. Mot platen

G. W. Lovendaal, Lied der liefde........

A. Lijsen, Micliiel Adriaansz. de Uuyter.....

A. Lijsen, Alicliiel Adriaansz. do Kuyter. Partituur, A. Lijsen, Miclnel Adriaansz. de Kuyter. Tekstboekje Dr. VV. G. v. Manen, Persoon 1. karakter der Godgel. Dr. W. G. v. Manen, Christelijke letterkunde . . , Dr. VV. G. v. Mangt;3M, liet Nieuwe Testament , . .

d. Linden, Zilvercrisis. . . . d. Linden, Muntpolitiek . . . d. Linden, De Malaise, . . . d. Linden, De liberale partij •liman. De Ned. staatswetten Mr. W. II. de Sav. Lohman, Het Staatsblad. F—Vl.ljS Mr. \V. 11. de Sav. Lohman, De prostitutie . . . .

L. Leopold, 1. Meiregen. L. Leopold, 2. Dauwdroppels. L. Leopold, 3. Sneeuwvlokken L. Leopold, 4. Mosroosjes . . L. Leopold, 5. Wildzang . . L. Leopold, 0. Klimop

Dr. Margadant, Gesch. der Dr. J. G. Matthes, Het boe

ni

L. Leopold, Nederlandsche schrijvers. Gebonden. . L. Leopold, Blaren van allerlei boomen . . 5e druk L. Leopold, Ned. letterk., met 36 portretten, '2e druk

Serie

Mr. W. Modderman, Pract. en theor. der rechtswetens. /0,00

Mr. W. Modderman, Handboek Kom. recht. I — IH. 112. 12,40

Mr. W. Modderman, bViedrich Garl ven Savigny , 0,40

Mr. W. Modderman, Wil of Vertrouwen......0,75

Mr. H. IC. Moltzer, Middelnederl. dramatische poezy 7,50

Mr. H. E. Moltzer, Anna Uoemers Visscher .... 0,40

Mr. H. li. Moltzer, Heiligerlee...........0.30

Mr. H. li. Moltzer, Studeeren...........0.25

Mr. II. li. Moltzer, Taalkunde...........0,50

Mr. II. li. Moltzer, Dilderdijk...........0,25

Mr. II. li. Moltzer, Shakspeare..........0,75

Mr. II. li. Moltzer, Hareniana...........1,50

Mr. II. li. Moltzer, Historische beoefening. Ned. taal (),'i0

Mr. H. li. Moltzer, De volksverb. in het rijk der taal 0.t»0

Mr. H. li. Moltzer, .Matthias de Vries......O.OO

.1. Mulder, Aanschouwelijk rekenen........0,75

.1. Mulder, Schriftelijk rekenen (l —100;......0,20

.1. Mulder, Kekenplaten. Per stel.........3,75

L. Mulder, Eerste onderr. in de Vad. Gesch. 0e druk 0,40

L. Mulder, Handl. tot de kennis der Vad. Gesch. 13e dr. 1,00

Ij. .Mulder, Deknopt handboek der Alg. Geschiedenis 1,00

L. Mulder, Handl. tot de kennis d. Alg. Gesch. I. lledr. 1,00

L. Mulder, Handl. tot de kennis d. Alg. Gesch. H.'Dedr. 1.00

Museum. Maaudbl. v. Philologie en Gesch., p.jaarg. 5,00

Nassau's Geschriften. 3 deelen...........15,00

Nassau'.1; Gedachten over opvoeding, door Steil wagen 0,00

Nassau, Nederl. Koloniën door Stellwagen .... 1,05

I). K. Nautn, Kepetitorium voor de Kransche letterk. 0,70

M. (r. van Neck, Preparatory English Prose . . . 0,00

M. G. van Neck, liasy English Prose . . . 2e druk 1,00

M. G. van Neck, Advanced English Prose . . . 1,25

Neérlands Plantentuin, door prof. Oudemans, 3 din. 27,00

Nederlandsche Flora door H. Witte. Gebonden . . 50,00

Nederlandsche Flora en Pomona. Gebonden .... 55,00

Nederlandsche Hoomgaard. 2 deelen. Gebonden . . 70,00

Niederliindische Obstgarten. 2 Biinde. Gebonden . . 70,00

J. D. van Noppen, Beknopt leerb. d. aardrijkskunde. 1,25

Nuiver en Keinders, Oude geschiedenis . . 4e druk 0,30

Nuiver en Keinders, Nieuwe geschiedenis . 5e druk 0,35

Nuiver en Keinders, Vaderl. geschiedenis . De druk 0,35

Nuiver en Keinders, Kleine Vaderl. geschied. 4e druk 0,30

Nuiver en Keinders, Nieuw honderdtal . . 3e druk 0,35

Nuiver en l{einders,Tijdrekenk.overz. vad. gesch.5e dr. 0,30

Nuiver en Keinders, Ons Vaderland. . . . 3e druk 0,75

Nuiver en Keinders, Oudheiden Middeleeuwen. 3edr. 0,30

Nuiver en Keinders, Tijdrekenk. overzicht. Alg. Gesch. 0,30

Mr. J. Domela Nieuwenhuis, Gevangenisstraf . . . 0,00

A. Nuyens, De Vogelwereld. Met 300 afbeeld. Geb. 48,00

.Mr. J. Oppenheim, Wol bij het oprichten van fabrieken 1,25

Mr. J. Oppenheim, Handboek Ned. Gemeenterecht. 1|5 0.75

Mr. J. Oppenheim, De volksregeering.......0,75

Mr. J. Oppenheim, De wet van.quot;) Mei 18S:)(Sb. no.48) 1,50

Jul. Oppenheim, De dubbele standaard......0,40

K. J. W. Ottolander, De beste vruchten......0,50

K. J. W. Ottolander, Handb. ooftboomteelt, met24pl. 2,50

Mr. A. Oudeman, Durgel. regtsvorder. 3 din. 4edruk 15,00

Mr. A. Oudeman, Strafvordering en strafrecht. . . 2,50

Mr. A. Oudeman, Groninger beklemregt. . 2e druk 2,00 A. A. v. Oijen, Wapenb. van Ned. familiën.3 din. Geb. 200,00

Van Pelt, liven of oneven. G stukjes a......0,25

Van Pelt, Handleiding rekenboek, liven of oneven . 0,50

Dr. (i. Penon, Bijdragen. Gesch. der Ned. letterkunde 5,70 Dr. G. Penon, Ned. dicht-en prozawerken I, III, IV,

V, VI. Ob..............i 2,00

Periodiek Woordenboek van administratieve en gerechtelijke beslissingen. 1840—1887.2edr.Gdln.Geb. 00,00

Periodiek Woordenboek, 182D—1802 .......a 5,00

Mr. P. Pot, Waarheid en bewijs in het burgerl. proces 0,50

Dr. (). Pitsch, Landbouw-onderwijs in Nederland . 0,00

J. Poortman, Vioolschool ........2e druk 3,75

II. dn Kaal', I'unt A van't programma van'texamen

in de paedagogiek.............o.oo

Mr. S. M. S. de Kanitz, Art. OS der grondwet . . . 1,00

(l. Keindrrs, Ned. landbouw en veeteelt. 3 din. 3e druk 14,00

(1. Keinders en J. Milal.z, Landbouwboekhouden. Geb. 1,50

W. Keinkingh, De Nederli'iidsche werkman .... 1,20

W. Keinkingh, In huis en hof.......2e druk 0,30

W. Keinkingh, N'Oetmiening ien'n jagtwaide. . . . 0,25 Dr. J. Keitsma en Dr. S. 1). van Veen, De handelingen der provinciale Synoden. Dl. I ... Geb. 5,50 Dr. J. Keitsma, Gesch. der gereformeerde kerk van

Nederland, gebonden............5,75

Kekenboek voor de volksschool, door .1. Th. Glosse, ' J. Kemper, A. G. W. Sehelfer, J. Temmink, G.

Tiemersma II/,. en A. Ufkes. 0 stukjes. 7edruk a 0,20 J. H. Kietstap, Wapenboek Nederl. adel. 2dln. (leb.200.00

J. \i. Kietstap, Wapens v. d. Nederl. adel.. . Geb. 8,00

.1. II. Kietstap, Aardrijkskundig Woordenboek . Geb. 2,00

M. Kobert, K'-eneil de traductions . . . 3e druk 0,75

M. Kobert, (Iraminaire Fran(;aise. . geb. 2e druk 2,00

G. M. Kobert, Questionnaire..........0,30

G. M. Kobert, lixercices sur la grammaire fran(;aise 1,00

G. M. Kobert, Tot eigen oefening............1,00

G. M. Kobert, Abrégé de la Grammaire Frangaise2e dr. 1,00

G. M. Kobert, lixercices sur l'abrègé......1,00

W. van Koekei, Vragen Wisk. Aardrijkskunde. 2edruk 0,25

Mr. Kogers, Staathuishoudk., door Mr. L. de Hartog 1,50

P. Koorda, Klankleer en hare practische toepassing 1,50

Mr. W. v. Kossem Bzn., üurgelijke rechtsvorder. all. 1 1,25

.

-ocr page 6-

]{. H. Hi. kens, De reiziger.........4e druk

I*. Hi kens. Schoolatlas van Nederland . 5e drnk H. H Hi kens. Kleine atlas van Nederlaiul. 10e drnk H. H. Hijkens. Kaart van l-'rankrijk in groot plano H. H. Hijkens, Opvoedkunde dei- lag. school. Gel). Oe dr. Hijkens en 13os, Aardrijkskunde in schetsen ....

I-', van Hijsens, Vaderlandsche geschiedoais. 4e drnk F. van Hijsens, Al^r. gesch. in heknopten vorm. 2e drnk F. van Hijsens, riesehiedenisdosVüdei-landa. Bedruk F. van I{ij sens, Algemeene riesehiedenis.....

F. van H'jsens, Leeshoek v. d. vadci'l. geschiedenis 0.30

1'. van Hnsens. Ilislorisrh Li-cslmck , gel).....1,50

Dr. M. Salverda, ri.mt- en (lici'kiiiido . . .So drnk .'5.7.') Dr. M. S:il'erda, Kennis der Natmir. 2 din. 2e dnik 10,00

Dr. M. Salverda, Een en aiidiü'.......2e drnk 0,30

J. C. Sander, Onze omgeving. Ie stukje . . 7e drnk J. C. Sander. Onze omgeving. 2e stukje . .Ge druk .1. C. Sander, Onze omgeving. 3—He stukje ... n

.f. O. Sander, De kleine llmnholdt.....5e druk

.1. C. Sander, De geschiedenis vim ons V:iderl. Jledr.

J. C. Sander, Muiten lOnropa.......2e druk

•T. Saniler, Schets uit het gr. hoek der gesch. 5e dr. Di. n\'. M. II. Slinger. Handhoek der olistetrie. lie druk H. Scheepstra en \V. Walstra, 20 Platen voor Aanschouw. onderwijs.............

Tl. Scheepsti M en W. Walstra. Iliindleid. hij de Hiaten H. Scheepstri' en W. W:ilstra. N:itlunkmide. voor de volksschool 1. 11 \. lil \. 11 It. Ml H met S gekleurde; platen en vele hontsnodüii. . . . a Ti. Schelts van Kloosterhnis, ICen toetssteen .... H. Schierhee'x, Se,hoolkaart v:in lOnropa . . 2t' druk 15.(10 11. Schi(M,heek, Nieuwe schoolk. van Nederland. 2e dr. 12,00 Schlez. Natiiurlijke leestoon, door Hrugsina. 10e druk Dr. J. O. Sehlimmer. Mandh. Hom. iint iqniteilen. 2e dr. Dr. J. O. Sehlimmer, Homeinsi-he antiquiteiten. 5e dr. Dr. .1. G. Sehlimmer, Oude Aardrijkskunde .... Dr. .1. G. Sehlimmer, Meerhoek deroudeAardriJk.sk.

Dr. G. J. Sehlimmer, Coniunctivus........

J. Schmal, De Nijverheid I..........0,35

De Schoolwereld. Her jaargang, franco per post . . 3,00

Dr. C. D. Schönfeld. Beknoptleerh.derplanim.3edr. I.00

1 )r.C. D.Schönfeld, Heknopt leerboek der stereometrie 1.(H)

Dr. C. 1). Schönfeld, Hlanimetrie en stereometrie . 0,00

Dr. C. D. Schönfeld, Vlakke en holv. trigonometrie 0,75

G. Schuitema. Formul. Aangiften sue. regten.2edi uk 1.50

K. Seipgens, Duitsche Grammatik.........1.00

Dr. A. Sihson, Megins. dei' landbouw scheikunde. 2edr. 2,50

Dr. A.Sihson, Knnstmeststoflen. dour Dr. van Hoijen 1,00

P. Joh. Smid. Handhoek der koffiekultuur.....1.75

Tl. Soeter en Th. Keizer, Ciymnastiek. Met 120 figuren 1,25

Spencers opvoeding, door A. Leopold . . .4e druk 2,50

.1. S. Speyer, Observationes et emendationes ... 1.50

T)r. C. H. Spi uvt, Kennis der levenlooze natuur. 2e dr. 1,25

11. P. Steenhuis, TjOeft den Heer! stiehtelijke liederen 0,00

.T. Steyns, Hractisch rekenboek. 2stukjes, a. . . . 0,20

Dr. G. C. Steynis, Hegrootingsludiën.......0,50

Dr. G. ('. Steynis, Godsdienst of humanisme . . . 0,25

Dr. G. Steynis, Bijzonder onderwijs.......0,25

A. W. Stellwagen, Atlas van Nederl. en O.-T.hezitt. 1,25

A. W. Stellwagen, Proza.........3e druk 2,50

A. W. Stellwagen, De levende taal .... -'ie druk 1,50

P. van Soeren, f.eerboek der perspectief. Met platen 1.00

Dr. Stoll. Griekscheeu Homeinschc mytliologie. 4e di1. 2,00

.T. Storm —Hobert, Fransche spreekoefeningen. 2e dr. 1.25

,T. Suringa, Een lauwerkrans...........0,75

.1. Suringa, Volkszangboekje........'«e druk 0.30

.T. Suringa, 2 en 3 stemmige volksliedjes . ... 0,30

ITélóne Swarth. Kindersprookjes. Mot plaatjes . . . 1,25

Mr. O. Q. van Swinderen, Wetboek van strafrecht 7,50 Dr. H. Symons, De ontwikkelingsgang der Germ.

mythologie...............0.00

Dr. B. Symons, Jacob Grimm...........0,(50

Dr. A. S. K. Talma, Met menscliolijk bewustzijn. . Mr. H. M. fl.Tellegen, Stnathuislioudkinide. 5e drnk Mr. B. D. 11. Teilegen, Stalil. I'lene toespraak . . . .Mr. B. M. 11. Tellegen, Miiitschland en Nederland . Mr. B. D. 11. Tellegen, Me wedergeb. van Nederland T. Tei-weiJ, NederlandsclK! spraakkunst . He drnk T. TerweiJ, Korte Nederlandschespraakkunst 7e drnk

T. Terweij, Oefeningen..........(ie druk

T. TerweiJ, Begins, der Nedeil. Spraakkunst. 3e drnk A. Teunisse, Mandwerken voor meisjes . . 5e druk G. Tiemersma, Taaloefeningen . . . . . 2o druk G. Tiemersma, 300 meetk. opg. voor ambaehtsscholen Tijdschrift voor paedagogiek. 1 'ie. jaargang , . a J. J. A. Valetun, Christelijk (lodsdienstonderwijs . Dr. J. J. A. Valeton, Schets der Hebr. spraakkunst Mr. M. C. Valeton, Oude geschiedenis. 1. 11 . . . a J. N. Valkhofï. Miotlonnaire Er.-floll. et Moll.-l'V. . N. van der N een. Hractiseh boekhouden

Mr.S. M.van Veen, Bijl). Geschiedenis. I (O.T.). 5edr.

Veen, Bub. Geschiedenis. 11 (N.T.).4e dr.

Van lloijen, De Strafwetgeving met betr. tot do

Kantongerechten................/6,25

Dr. If. h'ijkens, Do invloed v. de school en de leerm. 1,25 H. H. Rijkens, Aardrijkskunde van Nederland. 80 druk 1». Hijkeus, Mckn. aardrijksk. van Nederland. 7edrnk

1.25 0,(50 o.:i5 2,'.»() O/iO

•1,00 1,90 5,25

O:ao

1,75

1,75

0,20 0,25 0,30 0.20 0,30 0,30 0,30 7,50

H.00

I.00

0.30 0,50

0.25 3,00 1,75 2,00 1.25 0.50

Dr. S. M. van Veen, Het ware Socialisme...../quot;0,40

S. J. van Veen, Overzicht der Grieksche mythologie 0,(50

J. Versluys, Begins, der nieuwe meetkunde. 4de druk 0,(50

J. Versluys, Leerboek der vlakke meetkunde. 8e druk 1,25

Dr. E. Verwijs, Homan van Cassamus......1,50

Dr. E. Verwijs, Van vrouwen ende van minne. . . 3,00

G. J. Vos Az., f.e jeune rédacteur. 1 en 2. 2e dr. i\ 0,30 N. J. Visscher, Kaart van Gelderland, Drente en

Utrecht...................0,(50

W. P. do Vries, Aansehouwingsonderwijs.....0,00

G. P. Vroom, Handboek voor notarissen. Goh.. . . 1,00

K. A. Wagner's Bijbelsche verhalen. O. V. 17e druk 0,30

K. A. Wagner's Bijbelsche verhalen. N. V. 15e druk 0,30

11. H. Warmolts, Kerkbestuur en kerkelijk belieer 1,00

M. Weersma, Aanschouwelijke meetkunde .... 0,20

M. Weersma, Nieuw leesb. vooi*de Chr. school. 2st. s\ 0,25

W. J. Weudel, Nederlandsche letterkunde. 3e druk 1,00

W. ,1. Wemlel, Wenken ovej'opvoedingen onderwijs 0,75

Mr. H. Westerlntff, (ïeschiedenis van ons dijkwezen 4,50

11. Wieringa, Prosa und Poesie..........2.(X)

A. A. Wikman, Bekn. Gesch. van Noord-Nederland 1,50

Mr. (!. Wildehoer, Kauoii des Ouden Verbonds. 2e dr. 1,00

Mr. (!. Wildehoer, Letterk, des Ouden Verbonds.geb. 5,00

Mr. Jan te Winkel, Homan van Moriaen......3,00

Mr. Jan le Winkel, Aesopet.............

.1. I*'. W. Winterberg, Onderwijs in do vormleer . . W. 11. en M. B. Wisselink, Opgaven voor algebra,

3 stukjes...............0e drnk a

11. Witte, Plantkunde voorschool en huis. 3st. 7edr. a

11. Witte, Wandelingen in de natuur.......

Dr. van der Wi ek, Zielkunde I..........

Mr. van der Wi ck, Mr. Joh. Kinker. . . . 2e druk

Mr. van der Wi'ck, Toekomst der vrouw.....

Mr. van der Wick, Spinoza............

Mr. van der Wick, Met raadsel der ervaring . . .

Mr, van der Wi'ck, De schoolstrijd........

Mr. J. A.Wiinnè, Algem.gesch. 1.11,111. IV. Oedr. i\ Mr. J. A. Wi nne. Handhoek der algem. gesch. (5e dr, Mr. J. A. Wi'nne. Overzicht der algem. gesch. 12e dr. Mr. J. A. Wi ime. Geschied, van het vaderland. 7e dr. Mr. J. A. Wijnne, Bekn. gesch. van het vaderl. 10e dr. Mr. J. A. Wiinne. Geschiedenis van de Nederlanden. I Mr. J. A. Wi nne, Geschied, (verspr. en nieuweopst.) Mr. J. A. Winne, Gostersche volken en Griekenland Mr. J. A. W( nne, Historische waarheid ......

J. E. K. v.Wijnen. Stijloefening en zinsontleding. 2 st. a

J. E. K. van Wijneii, Aarde, zon en maan.....

II. K. v.d. Woerd, Introduction a la grammairefrauQ. Mr. J. Wolt Mr. J. Wolt Mr. J. Wolt Mr. J. W

1,50

0,00

0,75 0,30 0,30 4,00 2,00 0.(50 0,40 0,(50 0,00 2,00 3,00 1.00 3,00 1,00 4.00 3,75 4,50 0,50 0,30 0.75 1,25 1,25

Latijnsche oefeningen. Ie

er, Latijnsche oefeningen. 2e.....1,50

Latijnsche grammatica. . . 3e druk 3,00

......Grieksche grammatica......3,00

Mr. J. Woltjer, Me Grieksche onregelm. werkw. 2edr. 1,00

Mr. J. Woltjer, Serta llomana ........1,00

Mr. J. Woltjer, Oratia do summa philologia . . . . 0.00

(!. Wouters Jr., Vijf liederen v. gem. koor. Partituur 0.(50

('.. Wouters Jr., Vijf liederen. Stemmen .....0,40

J.Worp.Melodiönd.Evangelische gezangen. Geb. 3edr. 8,00

.1. Worp, Melod. v. d. vervolgbundel d. gez, Geb. 2e dr. 4,00

,(. Worp, Melodicn der psalmen......5e druk 4,00

.1. Worp. Zangboekjes. . . . 4 stukjes. 13e druk a 0,30

.I.Worp. I )e zingende kinderwereld. 5 stukjes. 10e dr. a 0,(55

J. Worp, Me zangschool. I. Canons........0,30

J. Worp, Liedjes voor twee stemmen ... 7e druk 0,30

,1. Worp. Wenken bij de zangboekjes . . . 2e druk 0,25

J. Worp, Me zingende kinderw. v. school en huis. 2e dr. 0,30

.1. Worp, Twintig driestemmige liederen . 4e druk 0,30

.1. Worp, Vee. tig tweestemmige liedjes . . 3e druk 0,40

.1. Worp. Mo —re—mi. Zangmethode. I. 11. 4edr. a 0,30

J. Worp, Twaalf volksliedjes met begeleiding . . . 0.25

J, Worp, Een lentedag..........7e druk 0,50

J. Worp, Een lentedag, met begeleiding .3e druk 1.25

J. Worp, Twintig liederen voor mannenkoor, bedruk 0,75

.I.Worp, Orgelmagazijn v. Protest, en H.-Kath. kerken 3,00

,1. Worp, Jan maat. Woorden van Mr. .1. P. Heije. 0,30

.1. Worp, Oefeningen v. stemvorming. 4 stemmen a 0.30

.1. Worp, Oefeningen voor twee stemmen.....0,50

.1. Worp, In de kinderkamer...........0.(55

.1. Worp, Honderd vijftig voorspelen . . . 3e druk 2,00

.1. Worp, Naspelen .'...............1,00

.1. Worp, Algemeene muziekleer.....4e druk 3,75

.1. Worp, Kleine muziekleer........4e druk 0,75

.1. Worp, Koren. Ie aflevering (Me Cort, Liedereu). 0,50

0,05

Worp,' Schoolliedjes..............0,25

.1. Worp, Practische orgelschool..........2,00

.1. Worp, Volksliedjes

0,25 0,50 1.25 0,25 0,75 1.50 1,00 0,80 0,50 0,75 0,(50 0.10 0.25

Worp, Onze nationale driekleur

Worp, Mo vacantio...............

Worp, Me vacantle, met begeleiding......

II. van der Woude, Uit de school voor de school . .1. van der Wonde. Plaat- en natuurteekenen . . .

Mr. A. van TJzendijk, Ovidius Elegiacus......

I'. f.. Zalm. Bijbelsche geschiedenissen. 51eduizend \lt;\ I.. Zalm, (leschiedenis der Christelijke kerk. 15e dr. Zakatlas der geheele wereld met beschr. tekst, . .

L. van Zanten. Algebra........ . . 2e druk

Zeeluier en Schavers, Beknopte theorie der algebra I. Zijlstra, Schrijfcursus in 11 cahiers . . 8u druk a J. G. Zijlstra, Meetkundig rekenboul;, I, 11 . . . .1


-ocr page 7-

BEKNOPT

fiUONINOHN lil.) .1. I!, WOl/rURS, 1892,

-ocr page 8-

I

Sloomdrukkerij van J. 15. Woltcrs.

I

/'

-ocr page 9-

r.EiucuT vooi; den achtsten druk.

r. K. HOS.

f)e ach tule druk k oimieim mnjviddiy mujemn. De om vaiuj run H geheel its vrijwel onteranderd gchleecn. De grootste cerand.eringen heejt hei hoojdetulc over algemeene aardrijkshunde ondergaan. Den collega's, die mij hunne opmerkingen zonden,, breng ik mijn Imrtclijkm donk; dit leerboek zij eerder hunne welwillende aandacht aanbevolen.

G KONING EN , NüV. ISOl.

-ocr page 10-

^ - - ■ •: - ■ ■

................:■• ■■• ....... •

mÊÊÊ

.....Éa#* » »

' ' ï)«

...... i N| • . ■ quot;'«iiBII

....... ■

~ ■ ■ ■...... ■s

l• - -........ ......-Mtiln-

•fggHW ■!.*»-gt;»!»

mimi

I

I -

.

__.

iMwMM

•.

-ocr page 11-

f N II O I I 1).

1)K AARDE.

Hl/,.

1. Oodannto, Grootte on I}owos;igt;iff 1.

2. Plaatsbepaling op Aarde . . 2. 8. Bestamldeelen der Aarde . . :i.

4. Verdeeling vnn Land en Water M.

5. De Wereldzeeën.....ii.

0. De Werelddeelen

7. Hoos on Laag.....

8. De Wateren van het Land.

9. De Dampkring.....

10. De MenHohenwereld


II. EUROPA

A. A l.OK.MI'.KN OVERZICHT.

11. Grenzen, Ligging.....19.

12. Omtrek ........ 19.

13. Hoogte.........20.

14. Water.........21.

15. Klimaat........21.

Ifi. Planton .... . 22.

17. Dieren.........28.

18. üevolking. ... . . 23.

B. liBSCHRl.IVINO.

a. Het Hoogland.

19. Het Bergland v. Middel-Europa 24.

20. De Berglanden der Zuidelijke

Schiereilanden......33.

21. De Britsclie Gebergten . . 35.

22. Het Skandinavisclie Bergland . 3tgt;.

23. De FinHche Rots-en Meervlakte 37.

24. De Oer Al . ......37.

25. Do Kaukaaus......37.

b. Hei Ladfflaiut. ' 2(5. Do Europeesche Laagvlakte . 38.

27. De kleinere laagvlakten . , . -fü.

o. De Wateren.

28. De Wateren van de RuasiBclie Vlakte.........42.

29. De Wateren v. Middel-Europa 43.

30. Da Wateren der schiereilanden

en eilanden.......47.

C. DK I.ANDION KN VOI.ivKX. 1. Het Kom'»/,-rij/:' Nederland.

31. Ligging, Omtrek, Eilanden . 49.

32. Hoogte. . . .....51.

33 Aard van den liodern 51.

34. Het Water.......54.

35. Het Polderland ...... 59.

3(gt;. Klimaat........61.

37. Bevolking........62.

38. Delfstoffen ...... (gt;3.

39. Landbouw ....... 64.

40. Veeteelt........64.

41. Handel.........65.

42. Njjverheid. , . .... 66.

43. Visschertj........68.

44. Middelen van Verkeer 68.

45. Regeering........70.

46. Onderwijs. . . 70.

47. Do Provinciën .... 71.

48. Noord- en Zuid-Holland en Zeeland........71.

49. Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijsel en Drente . 72.

50. Utrecht........73.

51. Groningen en Friesland , . 73.

52. Plaatsbeschrijving ... . 74.

53. Buitenlandsche bezittingen . 80.

11. Het Groothertogdom fjuxmnhury.

54. Luxemburg , . .... 80.

lil. Het Duitse.he liijk.

55. Het Duitsche Keizerrjjk. . .81.

56. Do staten van het Duitsehe Rijk 81,

57. Het Koninkrijk Pruisen . . . 82.

58. Het Koninkrijk Saksen . . . 87,

59. De kleine Noord- en Middel-duitsche staten ... .87.

60. De Zuidduitsche staten , 88.

61. Buitenlandsche bezittingen . . 89,

IV. 11rt Koninkrijk Helgië.

62. Ligging, Natuurl. gesteldheid. Bevolking, Voortbrengselen en Bezigheden.......89.

63. Verdeeling en Plaatsbeschrijv. 90.

V. De Reimbliek l''ragt;ikrijk.

64. Ligging, Natuurlijke gesteldheid en Klimaat . . .91.

65 Bevolking, Bozigheden, Voortbrengselen en Regeering . . 92.

66. Plaatsbeschrijving.....94.

67. Koloniën en Buitenlandsche Bezittingen.......95.


-ocr page 12-

lil/..

VI. Uv Republiek ZwiUevlarui.

^ (.)«. Iiigging, Nutuurl. gesteldheid, Klimaat, Uovolking;, Voort-brengselen en Bezigheden. . 'J5.

til). Jlegeering, Verdeeling, l'laats-

besehrjjving.......97.

VII. De Oostenr.-Homjaarschc Monarchie.

70. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, IClimaat......98.

71. Verdeeling, Kegeering, lie-volking, Voortbr., liezigh. . U8.

7•_,. l'laatsbeHchrijving .... 101.

VIII. Het Keizerrijk Rusland in Euruixi.

7;i. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat......lOü.

71. lievolking. Voortbrengselen,

Bezigheden, Kegeoring . . 10^!.

75. Plaatsbeschrijving .... 100.

IX. De Koninkrijken /weden en

Noonregen.

7lgt;. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat ...... 1U7

77. Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden, Kegeering. . . 107.

78. Haatsbesehnjving .... 109.

70. Spitsbergen..... HU.

X. Het Koninkrijk Denemarken,

IJ.ilanil en de Fiir-iier.

80. Denemarken......l'O.

81. De Fiir-öer.......I' 1-

82. IJsland........Hl-

III.

A. ALGEMEEN OVERZICHT.

100. Grenzen, ligging. . 1-7

101. Omtrek ... 127.

102. Hoogte ... . 128.

108. Hot Water.......1 -9-

104. 't Klimaat . ......129.

I0Ö. Planten . . . 1-9.

lOti. Dieren...... • 1^9.

107. De Bevolking.....• 130.

B. BESCIIlUJVIiNO.

a. Het Hoolt;ilurid.

108. liet Achteraziatische Hoogland 131.

109. Het Vooraziatisehe Hoogland 132.

110. Het Voorindische Hoogland eu

het Aehterindisohe Hoogland 133.

h. Het Laayland.

111. Het, Siberische en het Too-ransohe Laagland . . 133.

112. Mesopotamiö ...... 134.

113. Het Voorindische Laagland . 134.

114. De Chineesche Laagvlakte . 134.

Bl2.

§ 83. Buitenlandache bezittingen . 111.

XI. Het Koninkrijk Groot-Britannië en Ierland.

84. Ligging, Natuurljjke gesteldheid, Klimaat......111.

85. Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden, Kegeering. . .112.

8«. Plaatsbeschrijving ... 111.

87. Buitenlandsche bezittingen . 111).

XII. De Koninkrijken Spanje en l'urhii/al.

88. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat......117.

80. Bevolking, Voortbrengselen,

Bezigheden. Kegeering. .117. 'JO. Plaatsbeschrijving . . . .119.

01. Buitenlandache bezittingen . 110.

XIII. Hel Koninkrijk Italië.

02. Ligging, Natuurlijke gesteldheid , Klimaat......120.

03. Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden, Kegeering. . . 121.

94 Plaatsbeschrijving . . ■ • 121. 95. Buitenlandsche Bezitting . 123. XIV. De Staten van het Balkdn-SchiereUa nd.

9(3. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat......123.

97. Bevolking, Staten, Regeering,

Voortbrengselen, Bezigheden 124. 08. Plaatsbeschrijving .... 125. 99. Aziatisch en Air. Turkije. . 12(1.

L Z I K.

c. De Wateren.

115. Het Noordelijke IJszeegebied 134. 11lt;gt;. Het gebied van den örooten

Oceaan...... .135

117. Het gebied van den Indiachen Oceaan........

118. Het Middellandsche-Zeegebied 135.

119. De Steppenrivieren ... 135.

C. DE LANDEN ES VOLKEN. 1. West- of Voor-Azië.

120. Voor-Azië . 135.

121. Aziatisch Turkije . 136.

122. Arabiö........'37.

123. Perzië . ■ '37.

124. Afghanistan . . - • 138.

125. Beloedsjistan . 139.

II. Noordwest- en Noord-Azili.

126. Aziatisch Rusland . . 139. 127 Siberië.......'39.

128. Russisch Centraal-Azië 140.

129. Onafhankelijk Toeran . 140.


-ocr page 13-

Ulz.

II[. Centraal- en Ooat-Azië.

S 130. Het Cliineoache Kijk . . .141.

131. .Immn ........144,

IV. Zuid-Azië.

132. Zuid-Azië.......145.

133. Hritsch-Indiö......145.

134. Do staten van Achter-Aziö . 14«.

V. De Oostindische Archipel,

135. Ligging en Bestanddeelen . 149.

136. Bodem en Water .... 149.

137. Klimaat........149.

138. Voortbrengselen.....150.

Blz.

ij 139. Bevolking.......153.

140. Bozigheden......150.

141. Staatkundige verdeeling . . 1.58.

142. Bestuur en Verdeeling van Nederlaudscli Indië. . . . 158.

143. liet Cultuurstelsjl .... 159.

144. De Handelmaatschappij . . 160.

145. Soematra en omligg. eiiandon 100.

146. .lava en omligg. eilanden . 161.

147. Borneo........|(gt;5.

148. Selóbes........KiO.

149. De Kleine Öoenda Eilanden. 167.

150. Do .Molukken on de 1'apoe-soho Eilanden.....167,

151. Do Philippijnen.....107.


IV. A1'' RIKA,

A. ALGEMEEN OVHIiZICIIT.

152. Grenzen, Ligging .... Kis,

153. Omtrok, Hoogte .... 1(18.

154. 't Klimaat.......109.

155. Kivieren.......109.

156. Planton........169.

157. Dieren ... ... 170.

158. Bevolking . . .170.

li. BESCHRIJVING, a. He! Latid.

159. Afrika's Noordrand . 171. j

100. De Sahara. . .171.

101. De Zuidrand der Sahara. . 173. j

162. Hot Oostafrikaansche Hoogland .........[

163. Centraal-Afrika.....173.

164. Zuid-Afrika..... 173

'

b. He! Water.

105. Do Nijl.......174.

166. Het Atlantische gebied . . 171.

167. Het gebied van don Indischen Oceaan........175.

168. Hot Tsaad-Meor.....nu. j

C. Igt;E LANDEN EN VOLKEN. 1. Noord- en Noordoost- A friha.

169. Marokko.......170.

170. Algerië........176.

171. Tunis........]70.

172. Tripolis........170.

173. Het Egyptische gebied . 177.

174. Abessynië.......179.

II. De Sahara, Seiiet/amhiè', de Soedan, Guinea.

175. Do Sahara.......179.

170. Senogambië ...... 179.

177. De Soedan. . . ... 179.

178. Opper-üuinea . . . . 180.

III Zuid- A frika.

179. Neder-Ouinea. . . 180.

180. liet Kongogebied ... 180.

181. Britsch Z.-Af'r., Zuid-Afrik. Kepubl. en Oranjo-Vnjstaat 181.

182. Afrika's Oostkust ... 183.

IV. De Eilanden.

183. Do kleine eilanden. . 182.

184. Madagaskar......183.


V. AMERIKA.

A. ALGEMEEN OVERZICHT.

185.

Grenzen, Ligging . . . .

184.

186.

Omtrok......

184.

187.

Hoogte......

188.

Het Water ...

185.

189.

Klimaat.......

186.

190.

Planten ........

186.

191.

Dieren........

187.

192.

Bevolking ...

B. BESCIIRIJ VING.

Het Laai/land- en de Hoofdstroomen.

193.

Hot Laagl. v. Noord-Amerika

189.

194.

Het Laagl. v. Zuld-Amerika

191.

b. Het Hoor/land.

195. Het westelijke Hoogland van Noord-Amerika.....19,'i.

196. Hot Uoogl. v. Middel-Amorlka 194.

197. liet westelijke Hoogland van Zuid-Amerika.....ii»4.

198. De oostelijke Hooglanden van Zuid-Amerika ... , 195,

199. Het Alleghany-Oobergte . 195.

C. DE LANDEN EN VOLKEN. I. De Amerikaansche I'ooh/eieeslen.

200. Groenland.......190,

201 De l'ool-Archipel . , . . 196.


-ocr page 14-

151/..

19(i. l!)(i.

205. 205. 205.

205.

206. 206.

206. 207.

207. , 207. . 208. . 208.

208.

194. 198. 200. 201.

La-Plata

of de

20iJ. 203,

214.

U. HrUscli Nuord-Amerilca.

^ '202. Uuminiun ol Cuniida ' quot;iOii. New-Koundland . ■ . •

UI. De van Ameriha.

204. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat . . . ■ ■ •205. Bevolkiag, Voortbrengselen,

IJuzigbeden......

'206. Staatsregeling, Bestuur on Verdeeling.....' '

207. De Staten en hunne vooi-naamste Steden .

IV. L)» IUqgt;itliliek- Mijicu.

208. Spaansche invloeden

209. Mejico

V. Middel-Amerika. 210. Uritsch Honduras . •

VU. 'Zuid-Amerika. 218. De Vereenigde Staten van Columbia.......

214. Venezuela.......

215. Kucadór.......

216. Pei'ii. .....

217. Bolivia . • • ■ • ' '

218. Chili

219. Argentina Staten .....

220. Uruguay •

221. Paraguay . ■ ■ • •

222. Het Keizerrijk Brazilië

22a. Uuyana . • • • • •

224. De Falklandseilanden

225. Zuidiwollanden . •

Blz.

8 211. De Middelamerikaansche Ke-

publiekcn .....

V1. West-IndiÜ,

• •• »204 212. West-Indië......

VI. AUSÏHALIË.

A. AlittEMEEK OVEKZ1CI1T.

226. Gtrenzen, Bestandd., Ligging -O''-

15. HET VASTLAND AUSTUAI.li. EN DE OROOTE EILANDEN.

227. Natuurlijke gesteldheid en Klimaat van Australië . • ^ •

'■quot;SB Planten en Dieren . . • • • 229. Bevolking, Kolonisatie . ■

230. Staatk. toestand en Bezigli.

231. Plaatsbeschrijving . • • ■

232. Nieuw-Guinea, N.-Zeeland .

c. I'OLÏNESIE OE ÜUEAN1Ë,

233. Ligging, Natuurl. gesteldheid, Klimaat.....

234. Planten en Dieren . .

235. Bevolking, Verdeeling

213.

214.-214.

215. 215. 215.


VII. ALÖEMEENE AAIIDBIJKSKUNDK.

het dand.

236. De krachten, die doaardopp. hebben gevormd. . ■ •

237. Kilanden

238. luvl. v. d. bodemgesteldh. op de bevolking......

239. Kusten........

240. Ligging........

B. het water.

241. Rivieren en Meren .

219.

220.

221. 222. 223.

224.

225.

242. Do Zee . . •

A.

C. de dampkring.

243. De Warmte . • • • •

244. Luohtdrukking en \N itKlon

245. Moesons ■ • • • ' '

246. Land- en Zeewinden . .

247. Damp, Regen en Us • •

248. Klimaat.......

[). de bewoners.

249. De Plantenwereld . • •

250. De Dierenwereld

251. De Mensch . ■ • • ■

227.

228. 231. 233. 233.

, 236.

236. 238. 240.


DE AARDK ALS HEMELLICHAAM.

VUL

249.

250.

251.

252.

253.

254.

255.

256.

243.

243.

246.

247.

248.

249.

252.

253.

254.

255.

256.

Hemelbol . . ■ • ,; '. Punten, Lijnen en Vlakken bij den Hemelbol voorkomende. De Aardbol ...•■• Dagelijksche beweging aan den Homol . . • quot; ' ] Plaatsbepaling aan den Uemei

en op de Aarde.....

Gedaante dor Aarde . .

258. Dagelijksche beweg. (i. Aarde 259 Straalbreking en Schemermg

260. Jaarlijksche beweg. der /.on

261. Jaargetijden en LuchtHtrokon

262. Beweging d. Aarde om de /jon

263. De Maan.......

264. Eb en Vloed . . . ■

265. De Planeten......

T a b e 11 o n.

257.

-ocr page 15-

1. D E A A U I) E

§ 1. O/daanle, O rootle, en Beweging. Do oningewijde houdt do aarde voor eene schijf, aan welker rand de zon, do maan en do sterren op on onder gaan. Zoo was ook de wereldbeschouwing der geleerden in de oudheid. Aristoteles (384—322 v. 0.) was de eerste, die in de altijd boogvormige grens der aardschaduw bij eene maansverduistering een bewijs zag voor den bolvorm der aarde. De zeevaarder ziet eerst do toppen van 't gebergte on eerst later de kust, wanneer hij eon bergachtig land nadert; daarin zag Ptolemaeus (87—1G5 n. C.) een nieuw bewijs voor dezelfde zaak. En toen in 1522 do tochtgonooten van Magolhaens na volbrachte reis om de aarde in Portugal waren teruggekeerd, was het meest afdoende bewijs voor den bolvorm der aarde, voorzoover het in die tijdon kon worden bijgebracht, geleverd.

Onze aarde is, zooals latere waarnemingen hebben geloerd, oen bijna bolvormig lichaam met eene middellijn van ongeveer 12 700 KM. of 1720 G. M. De aardomtrek is dus 40 100 KM. of 5400 G. M. en de oppervlakte dei-aarde is vele millioenen KM'. Die groote getallen zouden ons in den waan kunnen brengen, dat de aarde een zeer groot hemellichaam is. Maar groot en klein zijn betrekkelijke begrippen. Vergelijken we de aarde met do voorwerpen onzer omgeving, dan schijnt zij verbazend groot; anders wordt het echter, wanneer we haar vergelijken met andere hemolliohamen, waarvan vele grooter zijn. Onze zon bijv. is 1 255 000 malen grooter. We doen echter voor het tegenwoordige het best, de aarde mot eene aardscho maat te meten, en dan blijkt ons, dat do oppervlakte der aarde 15 435 maal die van Nederland of 51'^ maal die van Europa bedraagt. En wat nu don omtrek der aarde betreft: een spoortrein, die in 1 uur tijds gemiddeld 4 G. M. allogt, zou, onophoudelijk met dezelfde snelheid voortgaande, wol 50 dagen on G uren noodig hebben om een' weg van 5400 G. M. af te leggen.

De aarde heeft tweeërlei beweging: 1. eene wenteling om hare as (aswenteling of rotatie — radbewoging), die in 24 uur plaats heeft, van 't W. door het Z. naar 't O. Aan deze beweging is de afwisseling van dag en nacht te danken. 2. Eene beweging om de zon (jaarlijkscho beweging of revolutie ~ omwenteling) in 3G5,/Ï dag, waardoor de jaargetijden worden veroorzaakt.

P. K. BOS, Delen. Aardr., 8c druk. I

-ocr page 16-

2

§ 2. Plmtsho,paling op Aarde,. Wanneer ik de plaats, waar een voorwerp zich bevindt, wil .aanduiden, dan doe ik dat altijd ten opzichte van een ander voorwerp. Zulk eene aanduiding is echter niet voldoende om de juiste plaats, waar een voorwerp zich bevindt, aan te wijzen. Laten we eens zien, hoe wij de plaats van een punt in een plat vlak nauwkeurig aanwijzen. Ik trek daartoe in een plat vlak eene rechte lijn, bijv. de lijn AB. In die lijn neem ik een standvastig punt O aan. De plaats van alle punten, onverschillig of zij onder dan of zij boven de lijn AB worden gegeven, kan ik nu bepalen ton opzichte van het punt O in de lijn AB. Ik wil bijv. de plaats van het punt C bepalen. Daartoe laat ik eene loodlijn CD uit C op AB neer. Meet ik nu den afstand van D tot O en dien van C tot D, dan weet ik de plaats van het punt 0: hot ligt 2.5 cM. boven de lijn AB en 4.1 cM. links van het punt O. Het punt E ligt 2.3 cM. beneden AB en 4.3 cM. rechts van het punt O.

c

É

De oppervlakte der aarde is die van een' bol. Otn de plaats van verschillende punten op de aardoppervlakte te bepalen, handelen we eigenlijk op dezelfde wijze, als we boven hebben gedaan. Nemen we eene globe voor ons, eene nabootsing van de aarde op zeer kleine schaal. De cirkel, die op de globe op gelijken afstand van de polen is getrokken (linie, evennachtslijn of aequutor genoemd), bewijst ons denzelfden dienst als straks de lijn AB: wij meten er op af, hoe ver de voet van eene loodlijn, uit het eene of andere punt op den cirkel neergelaten, van een standvastig punt in den aequator verwijderd is. Wat wij boven links en rechts noemden, heeten wij hier westelijk en oostelijk. Wij meten hier met het il;m deel van den aardomtrek of 1 graad (— 1°) en zijne onderdeelen: minuten of '/co graad (= 1') en seconden of '/go minuut (= 1quot;). Ligt eene plaats A bijv. 24 graden, 10 minuten en 7 seconden ten W. van het standvastige punt in den aequator, dan drukt men dit aldus uit: A ligt op 24° 10' en 7quot; WL. (—westerlengte). OL. — oosterlengte. Men telt de lengte tot 180°. — Den afstand van het punt tot den aequator, in graden en onderdeelen daarvan (gemeten langs de loodlijn), noemt men de breedte van dat punt. Men spreekt van noorderen zuiderbreedte. Een punt, 10° 12' 34quot; ten N. van den aequator gelegen.

-ocr page 17-

3

ligt op 10° 12' 34quot; NH. (— noorderbreedte). ZB. — zuiderbreedte. Men telt de breedte tot 90°. — Door lengte en breedte is de plaats van een punt op de aardoppervlakte volkomen bepaald.

De lijnen, in de aardoppervlakte loodrecht op den aequator staande, gaan tevens door do beide polen. Men noemt zo meridianen, lengte- of middagcirkels. Alle punten, in denzelfden lengtecirkel gelegen, liggen noordelijk (zuidelijk) van elkaar. Een der meridianen wordt als eerste of nulmeridiaan aangenomen, d. w. z. dat men dezen beschouwt als te gaan door wat boven „het standvastige puntquot; werd genoemd. Als eersten of nulmeridiaan noemt men aan dien van Greenwich, Parijs of Kerro. Op de meridianen meet men af, hoeveel N.- of ZB. eene plaats heeft.

Op de globe zien we ook lijnen evenwijdig aan den aequator getrokken, 't Zijn breedte- of parallelcirkels. Allo punten in denzelfden parallelcirkel liggen oostelijk (westelijk) van elkaar. Op de breedtecirkels meet men af, hoeveel O.- of WL. eene plaats heeft.

Is een afzonderlijk gedeelte van do aardoppervlakte in kaart gebracht, bijv. Nederland, dan ziet men de lengtocirkels of meridianen en de breedtecirkels of parallellen, daarop getrokken, natuurlijk eenigszins, soms veel anders dan op eene globe liet geval is; want eene kaart stelt een gedeelte van de aardoppervlakte voor, of wel de geheele aardoppervlakte, op een plat vlak. Op den rand der kaart staat aangegeven de hoeveelste lengte- of breedtegraad getrokken is. — Tusschen welke graden N.- of ZB. en O.- of WL. ligt Nederland?

§ 3. Bestanddedcn der Aarde. De aarde bestaat uit vier doelen, die, in het algemeen gesproken, concentrisch liggen:

1. de dampkring of atmospheer (Gr. atmös = damp, sphaira — kogel);

2. liet water;

3. de vaste aardkorst;

4. het binnenste der aarde.

§ 4. Verdeeling van Land en Water. Slechts voor ruim lji gedeelte van de aardoppervlakte komt het land boven het zeewater uit, en men is daarom gewoon te zeggen, dat de aardoppervlakte voor 3/4 uit water bestaat. Het land is zoodanig verdeeld, dat het noordelijk halfrond meer dan hot zuidelijk, het oostelijk meer dan het westelijk bevat. Europa behoort tot de groote landmassa, die op het oostelijk halfrond ligt, en vormt met de wereld-doelen Azië en Afrika één geheel: de zoogenaamde Oude Wereld. ïen ZO. daarvan-ligt Australië, dat met Amerika, 'twelk op het westelijk halfrond zich uitstrekt, de Nieuwe Wereld vormt, zoo geheeten, omdat deze deelen der aarde eerst later in de' wereldgeschiedenis en het wereldverkeer zijn opgetreden. Worden Europa's west- en Amcrika's oostkust door den betrekkelijk smallen Atlantischen oceaan gescheiden, tusschen Azië's oost- en Amerika's westkust strekt zich de breede Groote oceaan uit. De oostkust van Afrika en de westkust van 't vastland van Australië worden gescheiden door den Indischen oceaan. Naar 't N. wordt het land der aarde begrensd door de Noordelijke IJszee. In do Zuidelijke IJszee strekken zich rondom de zuidpool do weinig bekende Zuidpoollanden uit.

§ 5. Dc Wereldzeeën. De groote samenhangende watermassa der aarde

i*

-ocr page 18-

4

wordt gewoonlijk verdeeld in vijf oceanen: de Noordelijke IJszee, de Atlantische oceaan, de Groote oceaan, de Indische oceaan en de Zuidelijke IJszee.

De Noordelijke IJszee heeft hare zuidgrenzen in de noordkusten van Azië, Europa en Amerika, en voor 't overige in den noordpoolcirkel. Met den Grooten oceaan staat zij in gemeenschap door de Beringsstraat, met

den Atlantischen oceaan door eene breede ruimte tusschen Europa en Amerika.

Onderdeelen: in Europa de Witte zee; in Aziö de Karische zee en de Ob-monding. Den weg langs de noordkusten van Europa en Azië noemt men de Noordoostelijke doorvaart (naar Indië). Ten N. van Amerika noemt men de vele straten gezamenlijk do Noordwestelijke doorvaart (naar Indië en China), terwijl de Smith sont e. a. gezamenlijk de Noordelijke doorvaart (naar de nog steeds niet bereikte Noordpool) vormen. Verder zijn nog ten N. van Amerika de Baflinsbaai en straat Davis. Geene der drie „doorvaartenquot; is echter gebleken werkelijk eene doorvaart te zijn.

De Atlantische oceaan vormt eene breede straat tusschen Amerika aan de eene en Europa en Afrika aan de andere zijde. In 't Z. en in 't N. strekt deze oceaan zich tot de beide IJszeeën uit. De meridiaan van kaap Hoorn scheidt hem van den Grooten oceaan; die van kaap Agul-has vormt de grens tusschen den Atlantischen en den Indischen oceaan.

Langs de oostkusten treffen we de volgende deelen aan: de lersche zee, de Noordzee, de Oostzee, het Kanaal, de golf van Biskaje, de Middelland-sche zee en de golf van Guinea. Langs de westkusten; de Hudsonsbaai, de golf van St.-Laurens, de golf van Mejico en de Caribische zee.

De Groote oceaan heèft onder den aequiitor eene breedte van den halven aardomtrek. Naar 't N. wordt hij smaller en staat door de Beringsstraat met de Noordelijke IJszee in verbinding. De zuidgrens wordt gevormd door den zuidpoolcirkel; de meridiaan van kaap Hoorn scheidt hem van

-ocr page 19-

den Atlantischen oceaan, terwijl die van de Zuidkaap van Tasmanië hem van den Indischen oceaan scheidt.

Op de Arnerikaansciie kust vinden we do golf van Calilbmië en die van Panama; op de Aziatische kust: do Beringszee, do zeo van Ochotsk, de Japanscho zee, de Oostchineesche en do Zuidchineescho zoo en den Oost-indischen Archipel. Op do kusten van 't vastland Australië: do Carpentaria-golf, do Koraalzee en de Australische bocht.

In den Indischen oceaan, die door Azië, Afrika, 't vastland Australië' en de Zuidelijke IJszee wordt begrensd, vinden wo de volgende deelen: do straat van Mozambique, de Roodo en de Perzische zee en de golf van Bengalen.

In de Zuidelijke IJszee, dio tot grens hooft den zuidpoolcirkel, hoeft men, behalve vele eilanden, nog gedeelten van kusten ontdekt, die misschien tot een Zuid-Poolland behooren.

Vormden de oceanen vóór het begin der nieuwe geschiedenis schijnbaar onoverkomelijke hinderpalen voor hot verkeer, nu is dat geheel anders. Zeilschepen en stoombooton toch bevaren langs vaste wegen de zeeën. Natuurlijk wordt de Atlantische oceaan, en vooral hot noordelijke gedoelto daarvan, het drukst bevaren, daar aan weerszijden de beschaafdste deelen der aarde liggen. Uot zuidelijke deel van dezen oceaan is arm aan golven, 't Minst bezocht is de Zuidelijke Liszee, die dan ook het meest afgelegen is.

Als eene zee eene bocht in 't land maakt, noemt men die golf of baai; is de bocht slechts klein, dan heet zij inham; is zij daarentegen groot, dan draagt zij den naam van binnenzee. Is de baai lang en smal, dan heet ze zeearm. Zeearmen met hoogo steile kusten, zich herhaaldelijk zijwaarts vertakkende en ongeveer loodrecht op de richting van hot hoogland staande, noemt men fjorden. Zeer duidelijke voorbeelden leveren de westkusten van Noorwegen. Eene nauwte, die toegang verleent tot eene binnenzee, heet straat. Waar de zee zich tusschen twee landen of eilanden vernauwt, heet zij sont, kanaal, doorvaart, zeeëngte of ook wel straat. — Men zoeke voorbeelden van deze deelen der zee.

| In nieuweren tijd heeft men eene verdeeling van de samenhangende wereldzee gemaakt in: zelfstandige zeeën of oceanen (de Groote, de Atlantische en de Indische oceaan) en niet-zelfstandige zeeën, die weer worden verdeeld in middel land sche zeeën en rand zeeën. De eerste zijn: de (Romaansche) Middell. zee, do Amerikaansche Middoll. zee (golf van Mejico Caribische zee), de Austraal-Aziatische Middell. zee (Indische Archipel), de Arctische Middell. zee (Noordelijke IJszee); verder de Oostzee, de Roode zee, de Perzische zee en de Hudsonsbaai. Tot de randzeecn behooren o. a. de Noordzee, de Beringszee, de zee van Ochotsk, de Japansche, do Oostchineesche zee, de golf van Californië, de golf van Bengalen.]

De peilingen van de zee leverden in vroegeren tijd zeer weinig zekere uitkomsten, door de onvolkomen werktuigen. De peilingen van lateron tijd hebben geloerd, dat de zeebodem wel oneffenheden, soms zelfs zeer groote, vertoont, maar tevens, dat hij de plotselinge overgangen van hoog on laag, bij de zee ondiep en diep geheeten, niet vertoont, die wo bij de oppervlakte

-ocr page 20-

0

van liet land waarnemen. Meestal gaan do verschillen in diepte zaclit glooiend in elkaar over. Van onderzeesche bergen en dalen, in den zin zooals do phantasio der dichters ze schept, is geen sprake. Do grootste bekende diepte vindt men in den Grooten oceaan, ten O. van de Koerilen (8500 M ). Ter vergelijking moge dienen, dat de hoogste berg der aarde, de Mount Everest, 8840 M. hoog is. Het nauwkeurigst bekend van alle oceanen is de noordhelft van den Atlantischen oceaan, waar zeel vele peilingen zijn gedaan, om er telegraafkabels te kunnen leggen.

§ C. Dc Werclddcclen zijn eveneens vijf in getal: Europa, Azië) Afrika, Amerika en Australië. Twee daarvan. Europa en Azië, vertakken zich in 't Z. in drie schiereilanden; twee andere loopen naar 't Z. in eene spits uit, nl. Afrika en Amerika; het vijfde, Australië, bestaat uit

het kleinste der vastlanden (vroeger Nieuw-Hollmd, nu óók Australië genoemd) en eene menigte eilanden (Polynesië). Feitelijk verdient het vijfde werelddeel dezen naam niet, daar het geen geheel is. Afrika heeft, met Zuid-Amerika en 't vastland Australië, den meest massieven vorm, daar liet zeer weinig inhammen vertoont. Eene volkomen tegenstelling met Afrika vormt Europa, dat betrekkelijk de grootste kustlengte hoeft, een gevolg van de vele en diepe insnijdingen, die de zee in het land maakt, en van de vele eilanden, die hot heeft. Azië heeft veel overeenkomst met Europa, wat den bouw der leden betreft; maar de veel grootere oppervlakte van den romp maakt, dat de betrekkelijke lengte der kusten kleiner is dan bij

-ocr page 21-

7

Europa. Amerika bezit den slanksten vorm, tengevolge van zijne groote uitbreiding in de richting der nieridianeji. Eene smalle landengte vereonigt de beide deelen, waaruit dit werelddeel bestaat. Die verbinding staat echter ten opzichte van hot verkeer bijna gelijk met eene scheiding. Australië behoort, met Zuid-Amerika en Zuid-Afrika, tot de streken der aarde, die het verst van Europa verwijderd liggen. Dit nadeel wordt echter minder groot, naarmate het verkeer ter zee zich uitbreidt. Het meest afgelegen, liet armst aan voortbrengselen en, tengevolge van het koude klimaat, slechts ten deelo bereikbaar, zijn de Noord- en de Zuidpoolgewesten.

De lijn, waarlangs do zee het land bedekt, m. a. w. de lijn, waarlangs laud en zee elkander ontmoeten, heet kust. We onderscheiden hooge en lage of' steile en vlakke, verder ook gesloten en ingesneden kusten. Het lage

land vóór eene vlakke en lage kust, dat bij eb droog loopt, heet strand. Wanneer eene vlakke kust in zee vooruit steekt, dan noemen we dat vooruitstekende gedeelte een' hoek of eene landjuintj is liet echter steil en scherp vooruitstekend, dan spreken we van eene kaap. Groote in zee uitstekende stukken lands heeten schiereilanden. Is het uitstekende gedeelte smal en betrekkelijk lang, dan noemt men het eene landtong. Eene smalle strook lands, die twee grootere stukken verbindt, heet landengte. Zeer groote stukken land noemt men vastlanden, kleinere heeten eilanden. Eene groep van eilanden wordt wel archipel geheeten, hoewel hot woord eigenlijk „eilandenzeequot; beteekent.

Men spreekt bij een werelddeel van den romp en de loden. Deze laatste zijn de schiereilanden en de landtongen, die do bewoners des lands met

-ocr page 22-

8

do buitenwereld in betrekking kunnen brengen, ovenals de ledematen van 's menschen lichaam don mensch. Bij rijkdom aan leden bestaat dus, onder overigens gelijke omstandigheden, meer kans voor aanraking met de buitenwereld, dan bij armoede. Onder de werelddeelen is Europa or het best aan toe, als er sprake is van rijkdom aan leden, Afrika het slechtst.

§ 7. Hoog en Laay. 't Land kan laag of hoog, vlak of oneffen zijn. We kunnen dus hebben: laagvlakten, hoogvlakten, heuvellanden en bergstreken.

Hoo hoog eene vlakte zich boven den spiegel der zee moet verheffen, om hoogvlakte genoemd te worden, laat zich niet voor alle gevallen bepalen. In 't algemeen kan men zeggen, dat eene vlakte zich tot minstens 200 M. boven de zee moet verheffen, om den naam van hoogvlakte te kunnen dragen. Vormt eene landstreek echter een in ócne richting langzaam in hoogte toenemend geheel, dan blijft men ze laagvlakte noemen, ook d:ïn, wanneer ze zich tot ver boven 200 M. verheft. De vlakte van den Amazo-nonstroom bijv. blijft tot bijna aan den voet der Andes laagvlakte heeten, ofschoon ze in 't verre Westen eene hoogte van bijna 400 M. bereikt. Hoogvlakten worden door randgebergten omringd, of gaan trapsgewijze

als terrasla nden in de laagvlakte of het heuvelland over. Vlakten, die lager dan 't niveau der zee liggen, behouden den naam van laagvlakte. Zoo sommige gedeelten van Nederland en de streken ten NO. en ton N. van do Kaspische zee. Laagvlakten zijn evenmin altijd vlak als hoogvlakten, maar soms golvend, bijv. sommige streken van Gelderland en Utrecht. Verheft zich het land in eene gelede massa van aanzienlijke grootte en hoogte, dan spreekt men van een gebergte, verondersteld altijd, dat die massa óón geheel uitmaakt. De afzonderlijke gedeelten van een gebergte, door dalen gescheiden, noemt men bergen. Een berg kan echter ook alleen staan. Evenmin als men eene scherpe grens kan trekken tussehen hoog- en laagvlakten, kan men het tussehen bergen en heuvels. In een laagland zal men hoogten van 50 of 100 M. bergen noemen, terwijl in bergachtige landen nog hoogere verheffingen van den bodem den naam van heuvels dragen.

-ocr page 23-

op de volgende dingen: den kam, de toppen, de passen, de richting en de hoogte van 't gebergte. Onder kam verstaat men die lijn in een gebergte,

-ocr page 24-

10

langs welke de hoogste verheffingen zijn. Bestaat een gebergte uit parallel-loopende ketens, dan hoeft men met verschillende evenwijdige kammen te doen.

Langs den hoofdkam loopt dikwijls de waterscheiding, d. i. de grenslijn tusschcn verschillende stroomgebieden. Eene waterscheiding behoeft niet altijd over een' bergkam te loopen. Tegenover de toppen staan de passen, meestal smalle insnijdingen, die streken, welke anders door onoverklimbare bergketenen gescheiden zouden zijn, in gemeenschap met elkaar stellen. Ze

-ocr page 25-

11

luiniicn dus van groot belang voor 't volkenvorkocr zijn. Dalen zijn do ledige ruimten in do gebergten eu de heuvellandschappen. Zij slaan tot de bergen als laagvlakten tot de berglandschappen. Men onderscheidt lengteen dwarsdalen. De eerste loopen in do richting dor bergketens, do laatste staan min of meer loodrecht op de richting der keten. Naar do hoogte onderscheidt men voorbergen (tot 000 M. hoogte), middelgebergten (000—2000 M.) en hooggebergten. De hoogte vaneen' berg kan absoluut of volstrekt worden opgegeven (boven de oppervlakte der zee), öf relatief of betrekkelijk (ten opzichte van de omgeving).

§ 8. De Wateren van hel Land. Do zwaartekracht doet het waler op het land naar de laagste plaatsen stroomen. Waar dat aanhoudend gebeurt, zoodat eene blijvende bedding gevormd wordt, spreekt men van beken, rivieren of stroomen, naarmate de hoeveelheid water gering, grootcr of zeer groot is.- Rivierbeddingen, die alleen gedurende den regentijd water bevatten, noemt men in Arabië en Noord-Afrika wadi's, in Spanje ram-

bla's en in Zuid-Italiö fiumaren. De landstreek, die water levert aan eene rivier, heet rivier- of stroomgebied, en de som van allo stroomgebieden, die tot óóne zee behooren, wordt zeegebied geheeten^ Sommige rivieren stroomen in andere uit (rechter of linker bijrivieren); andere hebben een eigen mond in de zee of in een meer of moeras. Als ze in een meer of in een moeras uitstroomen, noemt men ze steppenrivieren.

De rivieren komen vaak uit wellen of bronnen voort. Ook ontstaan rivieren door het smelten van ijs (gletschers) op de hooge bergen. Door de gruole oneffenheden van den bodem wordt de snelheid van den stroom zeer groot en daarmede de kracht des waters. Stukken rots, die van do berghelling in de bedding van de beek of den bergstroom zijn neergevallen, worden langs don bodem medegesleept, gerold, langs elkaar geschuurd, afgeslepen om eindelijk in grind te veranderen, 't Afgoslepene wordt gruis en eindelijk zand, — wanneer de bestanddeelen daarvoor aanwezig zijn, klei —• en bezinkt, waar de rivier minder verval heeft. Wanneer het water vau

-ocr page 26-

13

eeno hoogte in de bedding af niet meer stroomt, maar valt, spreekt men van een' waterval. Hot gedeelte eener groolo rivier, dat nog het woeste, ongeregelde karakter van bergstroom heeft, heet haar bovenloop. Wordt zij wat rustiger en door meer toevloed broeder en dus beter bevaarbaar, is

zij de streek der middelgebergten binnengetreden, dan is zij haren middelloop begonnen. Verdwijnen de gebergten voorgoed en stroomt de rivier rustig door de laagvlakte, dan heeft zij haren benedenloop bereikt. Do

bovenloop van den Rijn gaat tot Bazel, de middelloop tot Bonn, waar de benedenloop begint. Eene rivier kan met één of met meer monden in zee loopen. Het land, dat tusschen de vertakkingen der rivier ligt en door de rivier zelve opgebouwd is, heet eene delta, naar de eilanden, die door de

-ocr page 27-

13

Nijlrnonden zijn gevormd, en die van de Grieken, naar de overeenkomst in vorm met hunne letter A, dien naam ontvingen. De delta's zijn ontstaan uit het slik, dat de rivieren lieten bezinken; ze zijn daarom vaak vruchtbaar, maar ook laag en daarom dikwijls moerassig.

Maar het water verzamelt zich ook soms in bekkens, die niet in onmiddellijke verbinding met de zee staan. Dit zijn meren. De meeste meren zijn met zoetwater gevuld. In West- en Middel-Azië en op de hoogvlakten in westelijk Amerika, in 't algemeen in streken zonder afstrooming naar

zee, vindt men zoutwater-meren, als: de Kaspische zee, het Aralmeer, de Doode zee en het Oroote Zoutmeer op het westelijke Noordamerikaansche hoogland.

§ 9. Dr Dampkring. Het buitenste bestanddeel der aarde, doorgaans omhulsel daarvan geheeten, is de dampkring of atmospheer, ook lucht genoemd. Deze is niet alleen onmisbaar voor het beslaan van al wat op aarde leeft, maar oefent ook door haar verschillenden toestand, wat warmte, vochtigheid en beweging betreft, dus door wat men klimaat of luchts-gesteldheid noemt, een grooten invloed op do aarde en hare bewoners uit.

De aarde ontvangt hare warmte van de zon. Ook de lucht wordt verwarmd, maar slechts zeer weinig direct, door de zonnestralen, welke er door gaan; de verwarming van de lucht geschiedt bijna geheel van do min of meer verwarmde aardoppervlakte uit, dus van onderen naar boven. Vandaar dat de luchttemperatuur lager wordt, naarmate men hooger boven den zeespiegel stijgt. Daar verder de temperatuur in de eerste plaats afhankelijk is van de grootte des hoeks, waaronder de zonnestralen de aardoppervlakte treffen, en deze hoek naar de polen kleiner wordt, zal over 't geheel de warmtegraad van de aequatoriale gewesten naar de polen toe afnemen- De punten, waar de sneeuw nooit geheel verdwijnt, zullen bijgevolg lager

-ocr page 28-

14

liggon, naarmato men de polen nadert. Do grens, boneden welke dit plaats heeft, noemt men de sneeuwgrens, en deze daalt van 5000 M. onder den aequator misschien tot aan de oppervlakte der zee aan de polen.

liet land neemt veel spoediger warmte op dan de zee, maar deze laatste behoudt de warmte langer. De lucht boven groote vastlanden wordt dus onder overigens gelijke omstandigheden in den zomer veel spoediger en veel meer verwarmd dan do lucht boven de zee; maar in den winter, als de tijd van de sterkste bestraling voorbij is, zal do zee, die dan warmer is dan het land, warmte afgeven aan de lucht, en deze verwarmde lucht zal de bewoners van het land ten goede komen, wanneer althans de heerschende winden landwaarts waaien. Een klimaat, dat op deze wijze onder den invloed der zee staat, heet zeeklimaat, waarvan het tegengestelde een vastlandsklimaat is. Warme zomers en koude, soms zelfs zeer koude winters (bijv. in Rusland en vooral in Siberië) zijn de hoofdkenmerken voor een vastlandsklimaat, terwijl landen mot een zeeklimaat, vergeleken met landstreken, die voor 't overige onder gelijke omstandigheden verkeeren, minder lieete zomers en veel minder koude winters hebben (bijv. Ierland, Engeland en ook, ofschoon reeds in mindere mate, Nederland).

De winden worden veroorzaakt door ongelijke luchtdrukking en deze is voor een groot deel het gevolg van de ongelijke verwarming dor lucht. Winden zijn luchtstroomingen. De hoofdwet voor deze stroomingen is de volgende: de lucht stroomt van plaatsen met hoogeren naar plaatsen met lageren druk.

De temperatuur der lucht en de richting der winden zijn van grooten invloed op de hoeveelheid waterdamp, die als regen, sneeuw, hagel, dauw of rijp neerslaat. Zooals eene eenvoudige waarneming ons leert, kan warme lucht veel meer waterdamp onzichtbaar bevatten dan koude lucht. Wanneer de winden van lagere breedten ons bereiken (meestal zuidwesten-of westenwinden), dan komen ze in koudere streken en zullen ons dus in vele gevallen niet alleen warmte, maar ook vochtigheid brengen. Do van hoogere breedten komende winden daarentegen komen gewoonlijk in steeds warmer wordende streken (meestal noorden-, noordoosten- of oostenwinden) en zullen bijgevolg gewoonlijk vooreerst koude, maar in de tweede plaats meestal droogte brengen. Maar de meerdere of mindere hoeveelheid neerslag, die de winden aanbrengen, hangt ook soms van andere omstandigheden af, bijv. of zo land- of zeewinden zijn, of ze over eene vlakte strijken en of ze tegen bergen opstijgen, die hooger en kouder zijn.

Op den plantengroei en de bebouwbaarheid van den bodem heeft het klimaat natuurlijk een zeer grooten invloed. Ten opzichte van den plantengroei onderscheidt men de oppervlakte der aarde in; 1. bosch-, bouwen weiland; 2. steppen; 3. woestijnen. De steppen zijn meestal met gras en enkele kruidachtige planten bedekt. Do zand- en zoutsteppen zijn veel armer aan plantengroei. De toendra's zijn mossteppen, ten N. van de boomgrens. De heidevelden van Middel-Europa dragen ook een steppenka-rakter. De woestijnen zijn zóo arm aan regen, dat ze, behalve in de oasen, waar bronnen zijn, bijna geen plantengroei vertoonen.

Met den aard van den plantengroei hangt nauw samen de bewoonbaarheid

-ocr page 29-

15

van öeno streek. Zoo zijn over 't pelieel de boven onder 1 genoemde landen het dichtst en door mensehen met vaste woonplaatsen bevolkt; de steppen dienen doorgaans aan zeer verspreid wonende zwervende herdersvolken tot woonplaats, en de eigenlijke woestijn is bijna geheel onbewoond; zij dient slechts als tijdelijke verblijfplaats van de karavanen en voor de roovers, die er op loeren.

§ 10. De, Menschenwerdd. Naar verschillende op den voorgrond tredende

eigenschappen verdeelt men de 1500 millioen menschen, die op aarde leven, in rassen. We laten hier volgen eene verdeeling in 0 rassen, en wol: 1. de Australiërs; 2. de Papoea's; 3. de Maleiers; 4. de Mongolen; 5. de Indianen;

C. de Dravida's; 7. de liottentotten en de Boschjesmannen* 8. de Negers, en 9. de Kaukasiërs of hot Middellandsche ras.

Tot de donkerkleurige Australiërs behooren tegenwoordig nog slechls

-ocr page 30-

16

de weinige inboorlingen van 't vastland Australië; er behoorden ook too de nu geheel uitgestorven inboorlingen van Tasmanië.

Tot de kroesharige Papoea's behooren de bewoners van Nieuw-Guinea,

van de oostelijke eilanden van den Oostindischen Archipel en van de westelijke Australische eilanden.

De Maleiers leven van Madagaskar tot de Sandwioh-eilanden, het talrijkst op de eilanden van don Oostindisc.hen Archipel en 't schiereiland Malaka. De Mongolen bewonen het grootste gedeelte van Azië, nl. Achter-Indië,

China, Korea, Japan, Siberië en Turkestan, en verder behooren er toe de in Europa wonende Turken, Hongaren, Finnen, Lappen en Samojeden. De meest ontwikkelde Mongoolsche stammen zijn de Chineezen en de Japanneezen. De eersten treffen we als landverhuizers aan in Achter-Indië, op de eilanden van den Indischen Archipel, in Australië, in Zuid- en Middel-Amerika en in Californië.

-ocr page 31-

17

De Indianen of Roodhuiden zijn de oorspronkelijke bewoners van Amerika. Zij zijn in Noord-Atnerika naar de binnenlanden teruggedrongen en nemen in aantal af; in Zuid-Amerika leven zij niet alleen in de binnenlanden, maar ook in do kuststreken, waar door vermenging met Spanjaarden vele kleurlingen zijn ontstaan. (De bewoners van Noord-Azië en noordelijk

Noord-Amerika worden wel onder den naam van Poolvolken tot één ras samengevat.)

De D ra v id a's bewonen het hoogland van Dekan en het eiland Ceylon.

De Hottentotten en de Boschjesmannen vinden we in 't Z. van Afrika.

De Negers bewonen Afrika van den zuidrand der Sahara tot het gebied der Hottentotten en Boschjesmannen en van den Atlantischen oceaan bijna tot den Indisehen oceaan. De slavenhandel heeft Negers naar Amerika overgebracht.

P. R. hos, Bcku. Aardr., 8e druk. 2

-ocr page 32-

18

Het Kaukasische of Middellandsche ras staat in oorspronkelijke!! aanleg bovenaan. Er behooren toe: de Haraieten, nl. de bewoners van Noord- en Noordoost-Afrika; de Semieten, nl. de Hebreeërs, de Arabieren en de Abessyniërs, en de Indo-Europeanen, waartoe behooren de bewoners van de öangesvlakte, de Zigeuners, de Perzen, de Koerden, de Armeniërs en bijna alle Europeanen. — De Europeesche Kaukasiër heeft zich naar alle oorden der aarde begeven, en overal treedt hij op als heerscher, meest in den goeden, soms ook in minder goeden zin des woords.

Van deze rassen zijn de Kaukasiërs (550 mill.), de Mongolen (550 mill.) en de Negers (130 mill.) het meest geschikt zich te verbreiden en aan ongunstige omstandigheden het hoofd te bieden. De Negers zijn bijzonder geschikt voor de tropische luchtstreek, de Mongolen voor de warm-gematigde en de Kaukasiërs voor de koel-gematigde zone. Do andere rassen nemen niet sterk in aantal toe, of verminderen zelfs.

-ocr page 33-

TI. EUROPA.

(Zonder Mnland en Novu-Zembla: 10 mill. KM- of 180 000 GM'J; 3.10 mill, inw.)

A. ALGEMEEN OVERZICHT.

§ 11. drenzen, Ligging. Europa is als 't ware een groot schiereiland van Azië; naar den oostkant hoeft het dan ook zijne eenige landgrens, die voor een gedeelte over den Oeral gordel) loopt. Dit gebergte vormt eene waterscheiding en ook, ten opzichte van een paar planten (eik en heide), eene natuurlijke grens. De staatkundige grens loopt evenwel voor een deel ten O. van 't gebergte, zoodat de bergbonwstreken van den Oeral met hare gezeten bevolking nog tot Europa behooren. — Zie voor do grenzen verder de kaart. Zoek tevens de uiterste punten van Europa en bepaal er de lengte en breedte van.

Europa ligt in de gematigde zone en te midden van de andere wereld-deelen. Afrika keert Europa zijne belangrijkste kusten toe (Egypte, Sues-kanaal) en de havenrijkste kust van 't belangrijkste gedeelte der Nieuwe Wereld (Vereenigde Staten van Amerika) is door het betrekkelijk smalle bed dos Atlantischen oceaans van Europa gescheiden. De Britsche eilanden liggen als een voorpost in dien druksten van alle oceanen, als beheerscher der zeeën. Naar 't N. heeft Europa slechts een klein gedeelte van zijne kusten gekeerd.

§ 12. Omtrek. Europa heeft veelvuldig en diep ingesneden kusten, dus een grooten rijkdom aan leden; 't is onder alle werelddeelen het meest toegankelijk voor het verkeer. — Zoek op de kaart de voornaamste schiereilanden, eilanden, kapen, zeeën, golven en straten.

De Atlantische oceaan vormt in Europa twee middellandsche zeeën, zooals men ze zou kunnen noemen: eene noordelijke en eene zuidelijke. De noordelijke, de Oostzee, staat door drie straten (Groote- en Kleine Belt en Sont) met eene randzee, de Noordzee, in gemeenschap. Veel belangrijker was en is nog in sommige opzichten de zuidelijke, de eigenlijke Middellandsche zee, die, door de straat van Gibraltar met den Oceaan verbonden, eveneens uit twee bekkens bestaat, welke bij Sicilië en Malta met elkaar in gemeenschap staan. Eigenlijk is er nog een derde (afgelegen) bekken, de Zwarte zee. Eene beschutte zee als de Middellandsche, met

2*

-ocr page 34-

20

vele golven, eilanden en havens, met vele landingsplaatsen en rustpunten dus, waar de schipper bij volle licht nooit de kust geheel uit het oog behoefde te verliezen, was juist geschikt als eerste oefenplaats voor de zeevarenden in de oudheid. Op deze zee ontmoetten Grieken en Romeinen de Semieten en de Hainieten van Azië en Afrika; hier werden handelsbetrekkingen aiingeknoopt, oorlogen gevoerd, volkplantingen gesticht; hier stond de wieg der Europeesche beschaving, hier de zetel van den wereldhandel in oudh-'ld en middeleeuwen. Eerst toen handel en zeevaart zich op den oceaan waagden, werd met de ontdekking van Amerika en van den zeeweg naar Oost-Indië deze zetel naar de westkusten van Europa overgebracht. In de laatste jaren hebben het Sueskanaal, in vereeniging met de versnelde gemeenschap over de Alpenpassen, het verkeer met Indië voor een deel weer naar de Middellandsche zee teruggebracht. — Tegenwoordig is echter de Noordzee met het Kanaal hot drukst bevaren gedeelte der oceanen.

§ 13. Hoogte. Heeft Europa een alles behalve eentonigen kustvorm, niet minder verscheidenheid biedt het aan in zijne hoogte. Alle soorten van geleding zijn aanwezig, zonder al te krasse tegenstellingen te vormen. Hoogvlakten, die doorgaans geen aangenaam klimaat bezitten, heeft Europa slechts weinige, laagvlakten echter des te meer. Het laagland, dat voor landbouw en handel meestal veel geschikter is dan het hoogland, neemt bijna s/3 van Europa in. Bijna geheel Oost-Europa wordt ingenomen door de groote Russische of Sarmafische vlakte, die zich ten W. van de Weichsel als de veel smallere Germaansche laagvlakte langs de Oost- en de Noordzee voortzet, om langs het Kanaal en den Atlantischen oceaan voort te loopen onder den naam van Franse lie laagvlakte. Van de Pyreneeën tot den Oera! loopt alzoo onder verschillende benamingen eóne onafgebrokene laagvlakte, die wel de Europeesche vlakte wordt geheeten. Tussohen den Oeral en de Kaspische zee is eene laagte, waardoor de gemeenschaps-weg loopt tusschen de Russische vlakte en de Middelaziatische steppen: de poort, waardoor van vroegsaf reeds Aziatische stammen — men denke vooral aan de groote volksverhuizing en aan de Mongolen — Europa zijn binnengestroomd. Naar 't ZW. hangt de Russische laagvlakte samen met de vruchtbare Walachijsche of Reneden-Donau-laagvlakte, en de IJzeren poort bij Orsowa stelt deze laatste in gemeenschap met de veerijke Hongaarsche vlakte.

Do kern van Europa's bergland maken de Alpen uit, waar zich drie groepen middelgebergten om uitstrekken: de Westelijke of Fransche, de Noordelijke of Duitsche en de Oostelijke of Hongaarsche. Alleen de Noordelijke middelgebergten hangen onmiddellijk met de Alpen samen, en wel door de Zwitsersch-Zwabisch-Beiersehe hoogvlakte. Van de Fransche middelgebergten zijn de Alpen gescheiden door het Rhone-dal, dat met zijne voortzetting, het dal der SaOne, tusschen Vogezen en Jura, bij Belfort en Bazel, naar de Bovenrijnsche laagvlakte leidt; zoo vormen Rhone en Rijn samen een belangrijken verkeersweg tusschen de Middellandsche en do Noordzee.

De drie zuidelijke schiereilanden bestaan grootendeels uit hoogland, en

-ocr page 35-

21

wel meestal uit bergland; het westelijke is echter voor een aanzienlijk deel hoogvlakte (Kastiliaansche hoogvlakte), liovemlien liggen nog afgezonderd: de Kaukasus, de Oeral en het S kan d i na v i sch bergland.

§ 14. Waicr. De verscheidenheid, die Europa ten opzichte van zijne hoogte kenmerkt, het gemis aan plotselinge overgangen van hoog- in laagland, do ligging en de omtrek van 't werelddeel, die maakt, dat bijna overal de vochtige westenwinden kunnen binnendringen, — dit alles heelt Europa vele bevaarbare rivieren bezorgd. Bovondien is 't een voordeel, dat de rivieren naar alle richtingen stroomen (twee hoofdrichtingen evenwel: eeno noordwestelijke en eene zuidoostelijke) en dat de waterscheidingen dikwijls door kanalen voor het verkeer kunnen worden opgeheven (Rhöne-Rijnkanaal, Donau-Mainkanaal en op vele plaatsen in Nederland).

De hoofds.troomen gaan van twee middelpunten uit: de Alpen en do Waldaï-hoogten in do Russische vlakte. Zoek de voornaamste rivieren van Europa op.

De meren van Europa kunnen we grootendeels tot twee groepen brengen: een krans van meren rondom de Oostzee en de nieren aan den noord- en den zuidvoet der Alpen.

§ 15. Kliniaal. Hoewel Europa, zoowel ten opzichte van de temperatuur als van de verdeeling dos regens, eeno gulden middelmaat en eene vrij groote gelijkmatigheid geniet, bestaan er tegenstellingen tusschen N. en Z. en O. en \V. Deze tegenstellingen oefenen natuurlijk invloed op de bezigheden der bevolking uit.

Alleen eene kleine strook langs de Noordelijke IJszee behoort tot de koude luchtstreek. In het overige deel is do tegenstelling tusschen O. en W. minstens even sterk als tusschen N. en Z. Oost-Europa toch heeft een vastlandsklimaat; West-Europa daarentegen geniet de voordeden van een zeeklimaat. Een paar cijfers voor de gemiddelde zomer- en wintertemperatuur van plaatsen, die beide op 56° NB. liggen, mogen dit verschil duidelijk maken:

Edinburg 14* gemidd. zomertemp., gemidd. wintertemp.

Moskou 19* » »quot; — 11° » »

De hoeveelheid neerslag uit den dampkring is het grootst aan do westkusten en in de bergstreken. Bij Bergen (Noorwegen) valt jaarlijks 184, in Christiania 59, in Stokholm 52, in Petersburg 42, in Kazan 135 en in Astrakan 12 cM. In Praag valt 47, in Rehberg (Bohemerwoud) 130 en op het Stilfserjoch 248 cM. jaarlijks.

Tusschen Zuid- en Middel-Europa bestaat niet alleen verschil in temperatuur, maar ook in den tijd, waarop de regen valt. Ten Z. van de Pyreneeën, de Alpen en den Balkan is de zomer het droogste jaargetijde; kunstmatige bevloeiing moet dan in het te kort aan water voorzien en in het uiterste Z. der drie schiereilanden het bijna geheel ontbrekende water aanvoeren en de gekweekte planten in 't loven houden. Daar die bevloeiing niet gemakkelijk over groote uitgestrektheden kan plaats grijpen, zal de landbouw zich slechts tot kleine ruimten bepalen, doch daar zal hij dan ook bloeien. De landbouw krijgt daar meer 't karakter van tuinbouw; men heeft geen stoommachines, zelfs geen ploegen noodig: 't land wordt met de

-ocr page 36-

spado bewerkt. Voorbeelden vinden we in de Spaansche Vega's of Iluerta's (Vega — oviw; Huerta — hortus = tuin). In Middel- en Noord-Europa valt de grootste hoeveelheid regen juist in den zomer, in sommige streken zelfs meer dan noodig is. Vandaar groote bebouwde perceelen, ploegen en stoommachines; vandaar ook geheele provincies, zelfs landen, waar landbouw en daarnaast veeteelt op uitgestrekte weiden de hoofdbezigheid is.

De warme Golfstroom, die langs Europa's westkusten strijkt, draagt indirect, door tusschenkomst van de heerschende westenwinden, aanzienlijk tot de verwarming van West-Europa bij.

Zooals wo reeds weten, nadert de sneeuwgrens de aardoppervlakte, naarmate de geographische breedte toeneemt. In de Sierra Nevada ligt de sneeuwgrens op 3400, in de West-Alpen op 2(500 en op Magerö (Noordkaap) op 700 M.

Veel ongunstiger zou Europa er aan toe zijn, als het den Golfstroom miste, als de oostenwinden de heerschende waren, als het zijn meeste hoogland in 't N. en O. had, als het langs zijne westkust eene hooge bergketen bezat, die den invloed der zee sterk beperkte, als het de vele diepe insnijdingen van den oceaan moest missen.

'/ § IC. Planten. De plantenwereld van eene streek is in hooge mate afhankelijk van het klimaat. In 't uiterste N. van Europa vinden we aan de IJszeekusten de toendra's of mossteppen, waarvan in den zomer slechts eene dunne laag ontdooit. De zuidgrens der toendra is do noprdgrens van den boomgroei.

Daarmede begint het tweede plantengebied, dat der wouden. In dit gebied waren vroeger de wouden veel algemeener dan tegenwoordig, zooals uit groote hoogevenen, uit plaatsnamen en uit berichten bij oude geschiedschrijvers blijkt. Waar de bevolking het minst dicht is, zijn de meeste wouden overgebleven: Rusland en Skandinavië zijn de houtrijkste landen van Europa; meer dan 30 0/0 van de oppervlakte is er met bosschen bedekt. Het gebied der wouden reikt in 't Z. tot de Pyreneeën, den zuid voet der Alpen, de kustgebergten van Dalmatië en den Balkan en is tevens het gebied der Europeesche korensoorten en weiden. In het noordelijke gedeelte van het gebied der wouden groeien vooral berken en dennen, en van de korensoorten worden gerst en haver gekweekt. Verder zuidelijk komen naast naaldhoutbosschen voor eiken, beuken, iepen en linden. Naast haver en gerst begint men rogge en tarwe te verbouwen; verder komen steeds meer ooftboornen, aardappelen, boekweit en in Rusland veel vlas en hennep. De wijnstok wordt in de westhelft van Europa door de koele zomers van het zeeklimaat, in de oosthelft door de koude winters van het vastlandsklimaat in zijne verspreiding naar het N. beperkt. Zijne noordgrens begint bij Nantes aan den Oceaan, gaat in Middel-Europa het verst naar het N. (Grünberg bij den Oder en Potsdam) en van daar af zuidoostwaarts, tot zij bij Astrakan de Kaspische zee bereikt. De kenmerkende korensoorten zijn in de zuidhelft van het Europeesche woudgebied tarwe en spelt, de kenmerkende boomen der vlakte eiken en kastanjes; het naaldhout heeft de wijk genomen naar de bergen.

Het derde plantengebied is dat der zuidelijke schiereiland tot de Pyreneeën

-ocr page 37-

23

den zuidvoet der Alpen en den Balkan. Dit is het gebied der altijd groene loofboomen, waar olijven, vijgen, oranjeapjiels, citroenen, watermeloenen, in 't kort de zoogenaamde zuidvruchten, belangrijke artikelen van uitvoer leveren. De wijnstok, de laurier, de oleander, de mirt, de cypres, de plataan en de kurkeik (deze laatste vooral in Spanje) behooren verder tot de kenmerkende planten. Naast tarwe verbouwt men mais en rijst, terwijl hier en daar katoen, suikerriet en dadelpalmen worden aangekweekt.

In 't ZO. van ons werelddeel dringt nog het Aziatische steppengebied binnen, het strekt zich in Europa uit van de Donaumonden at' door Zuiden Zuidoost-Europa heen. De plantengroei is hier zeer schraal en bestaat grooteudeels uit grassen, knolgewassen en enkele struiken. Hier is tevens het nomadengebied.

§ 17. Dieren. In een werelddeel, zoo dicht bevolkt als Europa, worden natuurlgk niet vele zoogenaamde wilde dieren meer gevonden: de gevaarlijke roof- zoowel als de jachtdieren verminderen voortdurend, 't Meest vindt men ze nog waar de meeste wouden zijn, dus in 't N. en het O., en in de hoogste, bijgevolg ook minder dichtbevolkte streken, in de hooggebergten. In de Alpen, de Pyreneeën en den Kauhasus bijv. leven nog de gems en de steenbok; de eigenlijke steenbok der Alpen is bijna uitgeroeid, tot op den Monte Rosa. In de middelgebergten zijn herten, reeën en wilde varkens nog niet zeldzaam, terwijl ze daarentegen in Nederland bijv. sedert den graventijd aanmerkelijk zijn verminderd. De los of lynx en de wilde kat, vroeger zeer algemeen in Europa, komen in de woudrijke streken nog voor; de eerste vooral in Noord-, de tweede in Middel- en Noord-Europa. De wolf behoort vooral te huis in Ilusland en Skandinavië; maar ook in do bergstreken van Middel-Europa is hij nog niet verdwenen. De bruine beer huist nog in de hooggebergten. De Noordafrikaansche aap leeft in Europa uitsluitend op de rots van Gibraltar.

Terwijl 't N. vele zwemvogels heeft (eidereend!), kunnen Middel- en Zuid-Europa vele zangvogels aanwijzen. De noordelijke zeeën hebben een grooten rijkdom aan visch; haring en kabeljauw zijn de meest voordeel aanbrengende; in de Middellandsche zee vangt men tonijnen.

Als huisdieren fokken de Samojeden en de Lappen in 't hooge N. het rendier; in Middel-Europa heeft men overal paarden, runderen, schapen, varkens en geiten; in het bergachtige Zuid-Europa treden de ezel en de muilezel meer op den voorgrond; Zuidoost-Europa, de overgang t«t Azië, kent den kameel.

§ 18. Bevolking. Bijna alle bewoners van Europa behooren tot de Indo-Europeanen, en wel hoofdzakelijk tot de volgende familiën; de G r i e k s c h - R o in a a n s c h e volken (in de drie zuidelij ke schiereilanden, en buitendien in Frankrijk, 't Z. van België, 't Z. en 't W. van Zwitserland, in Zevenbergen en in Roemenië); de Slavische volken (in 't O. van Europa: Rusland, Boelgarije, Servië, Bosnië, Montenegro, Dalmatië, het Z. van de üongaarsche monarchie, 't midden van Bohemen, in Moravië, een deel van Silezië, van Oost- en West-Pruisen, in Posen en in Polen); de Germaansche volken (in 't N., 't midden en 't W. van Europa: Skandinavië, Denemarken, Duitschland, Noord- en Middel-Zwitserland,

-ocr page 38-

24

Noord-Bolgië, Nederland, Engeland en IJsland), en de Keltische volken (alleen nog in uithoeken: Ierland, Noord-Schotland, Wales en Bretague). Do overige volken van Europa behooren tot het Mongoolsche ras; de Samojeden en do Lappen in 't N. van Rusland en Skandinaviö, de Finnen, de Magyaren in Hongarije en Zevenburgen en de Osmanen of de ïurksohe bevolking van Turkije. — Do bevolking van ons werelddeel is voor ruim 310/0 Germaansch, 31% Roraaansch en ruim 27 0/0 Slavisch.

Bijna de geheele bevolking van Europa heeft vaste woonplaatsen, waarmede gepaard gaan een rustig uitoefenen van landbouw, veeteelt, handel, nijverheid en mijnwezen en oene geregelde en vruchtbare beoefening van kunsten en wetenschappen. Europa is dan ook een ontw:kkeld werelddeel, dat de beschaving ook in andere werelddeelen zoekt aan te kweeken.

De bewoners van Europa zijn bijna allen Christenen, waarvan ijs Rooinsch-Katholieken, terwijl van de andere helft weer ruim '/g Protestantenen bijna Vj Grieksch-Katholieken zijn. De Romanen zijn meest Roomsch-Katholiek, de Germanen meest Protestantsch en de Slaven hoofdzakelijk Grieksch-Katholiek. Israelieten zijn overal verspreid, maar vooral in Polen en de vroeger Poolsche landen (ö'/j, millioen). Mohamedanen wonen in Turkije en Rusland (G1^ millioen).

Heeft geheel Europa gemiddeld eene dichtheid van bevolking van 34 per KM2 of 1870 per GM*, deze bevolking is zeer ongelijk verdeeld. Zeer in 't algemeen beschouwd, neemt de dichtheid van 't W. naar liet O. af. — Vergelijk de tabellen achterin.

Wat den staatkundigen toestand betreft, onderscheiden we zes groote mogendheden, nl. Rusland, het Duitsche rijk, do Oostonrijksch-Hongaarsche monarchie. Frankrijk, het Britsche rijk en Italië; verder ruim een 20tal staten, waaronder enkele miniatuurstaatjes;

B. B E S O H K IJ V 1 N G.

a. HET HOOGLAND.

§ 19. Ilrl bergland van Middel-Europa. Middel-Europa vertoont tusschen 20 en 45° 01 j. van Ferro of 2 en 27° OL. van Greenwich een rijk geleed bergland, waarvan de Alpen het hoogste gedeelte vormen, bij welk hooggebergte zich de Fransche, Duitsche en Hongaarsche middelgebergten aansluiten.

1. De Alpen vormen het indrukwekkendste en belangrijkste hooggebergte van Europa. Zij beslaan eene oppervlakte, gelijk aan 7,/2 maal die van Nederland. Ze vormen eene scheiding ten opzichte van de stroomgebieden, van de volksstammen (Romanen Z., Germanen N. en Slaven O.), de staten en de talen en ook eenigermate ten opzichte van het klimaat. Deze scheiding van landen en volken is echter niet absoluut; want geen ander hooggebergte is langs zoovele dalen en passen zoo gemakkelijk toegankelijk als de Alpen,

-ocr page 39-

25

en wat de natuur had aangeduid, werd door den inenseh verder voltooid, zoodat nu vele kunstwegen en tunnels het verkeer gemakkelijk maken. Hoog opgemetselde terrassen langs steile hellingen, of koene bruggen over diepe afgronden, soms lange tunnels door 't hart der rotsen moesten worden geschapen, om goede wegen te verkrijgen. Om den reiziger voor verwoestende lawinen te beschermen, moesten op sommige plaatsen lange galerijen worden gebouwd.

Naar de hoogte onderscheidt men Voor-, Middel- en Hoog-Alpen.

Do Voor-Alpen (G00—1800 M.) treft men 't meest aan op de noordzijde, wijl de helling daar minder steil is dan op de zuidzijde. De noordelijke voet rust op eene hoogvlakte, do zuidelijke daalt spoedig af tot in de Lombardijsche laagvlakte. De Voor-Alpen zijn rijkelijk met wouden, weiden en heldere meren voorzien, zoodat zo een vriendelijk karakter dragen, nog verhoogd door talrijke welvarende dorpen en stadjes. De hoogste woudgordel wordt gevormd door naaldhout. Op 1600 M. beginnen met de wouden de korenvelden en de steden en dorpen te verdwijnen.

De Middol-Alpen (tot 2700 M., op de zuidhelling ± 100 M. hooger), met hunne alpen of altnen (gras- en kruidenrijke weiden), zijn van Juni tot September ae verblijfplaats van vele kudden, die door „sennerquot; (herders), in „sennhüttenquot; (kleine houten hutten) wonende, worden gehoed. In feeste-lijken optocht worden de herders en herderinnen bergop gebracht en in den nazomer bergaf gehaald. In de hoogste deelen der Middel-Alpen behooren de steeds zeldzamer wordende eigenaardige alpendieren te huis; gems, steenbok, alponhaas en marmot.

De Hoog-Alpen steken met hunne woeste toppen en ruggen boven de sneeuwgrens uit en zijn dus overal met sneeuw bedekt, behalve daar, waar de helling zóó steil is, dat ze geene ligplaats aanbiedt. De benedenste deelen der sneeuwmassa's gaan in grofkorrelig sneeuwijs (firn) over, dat den oorsprong der lager dalwaarts schuivende gletschers vormt. Deze dalen als bevrozen rivieren tot 1300, ja tot 1000 M. boven de zee af tot te midden van groene weiden en bewoonde streken, waar ze het aanzijn geven aan troebele, onstuimige gletsclierbeken. Zijn de Hoog-Alpen van geen directe beteekenis voor planten, dieren en menschen, door den onuitputtelijken watervoorraad, dien ze in den vorm van sneeuw bezitten, zijn ze voor de lagere landen van hot hoogste belang.

Naar hunne geografische ligging verdeelt men de Alpen in quot;West-, Centraalen Oost-Alpen.

De West-Alpen loopen van den lagen pas van Altare (500 M.) af eerst langs de Middellandsche zee; ten N. van Nizza ongeveer wordt de hoofdrichting noordelijk. Zij nemen naar het N. in hoogte toe, tot ze in den Mont Blanc hunne grootste hoogte bereiken. In de Zee-Alpen brengt de druk begane Col-di-Tenda (1870 M.) de gemeenschap tot stand tusschen de Middellandsche zee en het westelijk einde der Po-vlakte (Nizza-Cüneo, Turijn). De Cottische Alpen met den Monte Viso (3800 M.) vormen het middelste gedeelte der West-Alpen. Bij het begin der Grauwe of Grajische Alpen verheft zich de Mont Cenis (8600 M.), over welks pas een kunstweg voert. Ten W. van dezen berg, door den Col-de-Frójus, brengt sedert 1871

-ocr page 40-

26

een 12 200 M. lantre hiniiel (16G0 M. hoog) de gemeenschap tot stand tusschen Fiankiijk en Italië (Lyon—Turijn). Do Mont Blanc (4800 M.) is tie hoogste top van eene kolossale gletscherrijke berggroep.

De Jlatterhom. (Een gezicht in het hooggebergte.)

De Centraal-Alpen loepen van 't W. naar 't O. Vooral dit gedeelte verschaft water aan vele rivieren; het wordt jaar op jaar door duizenden bezocht en bewonderd. De Centraal-Alpen bestaan grootendeels uit evenwijdige ketenen, zoodat ze rijk zijn aan lengtedalen. De Penninische

-ocr page 41-

Alpen zijn eene gewoldigo bergmassa, voor een groot deel mot eeuwige sneeuw en gletsohers bedekt. In 't W. leidt de pas van den Grooten St-Bernüard van het Rhöne- naar hot Dora-Baitea-dal (Zwitserland—Italië: Martigny—Aosta, Turijn); op de pashoogte staat het bekende klooster. Verder oostwaarts de Mat terhor n en de Monte Rosa (4CdO M.). Do Penninisohe Alpen eindigen met den Sim pion, welks pas door Napoleon 1 in een praohtigen kunstweg is herschapen, die van liet Rhone- naar het Tocc-dal leidt (Zwitserland—Italië: Brieg—Domo d'üssola, Milaan). Evenwijdig met de Penninisohe Alpen, en daarvan gescheiden door het Rhöne-dal, verheffen zich de even grootsche en gletschorrijko, doch meer bezochte Bern er Alpen, welker hoogste toppen in 't O. tot meer dan 40(10 M. stijgen (Jungfrau, Mönch, Eiger en Finsteraarhorn). Passen van belang vindt men er niet. De Vier w oud steden Alpen liggen links van de Reuss tot het Vierwoudstedenmeer. Bij Fluëlen begint de beroemde (jOthardweg, die, langs de Reuss gaande, tot bij do Oothardgroep zich uitstrekt, waar hij zich splitst in eenen, die naar de Rhone,.en eenen, die naar de Tessino gaat. Door een 14 !)00 M. langen tunnel (Geschenen—Airoio) heeft de kortste spoorverbinding tusschen Duitschland en Zwitserland met Italië (Bazel—Milaan) plaats. Oostelijk van de Gothardgroep onderscheidt men hoofdzakelijk de Adula Alpen, de Rhiltische Alpen (met do hooge on schoone Bern i nag roep) en de Alpen van Tirol, die in do glotscherrijke Oetzthalergroep hunne grootste hoogte bereiken. Op do grenzen van de Adula- en de Rhiltische Alpen vinden wij den belangrijken Spliigenpas (2100 M.), welke verbinding brengt tusschen het dal van den Achter-Rijn en Chiavenna en verder naar het Como Meer. Zuidwaarts verheffen zich de Or tier Alpen mot den 8900 M. hoogen Ortler. Bij den belangrijken Brennerpas (13G0 M.), waarover een spoorweg, die hot Inn- met het Etschdal verbindt (Oostenrijk—Italië: Innsbruck—Brixen), beginnen de Oost-Alpen.

—• De Oost-Alpen, van don Brenner tot de Hongaarsche laagvlakte, ver-toonen alleen in 't midden (Hohe Tauern met de Dreiherrenspitze en den Grossglockner, 3800 M.) een eigenlijk Alpenkarakter. Naar het O. nemen zij in hoogte af en worden minder woest; de dalen worden breeder en 't geheele gebergte verbreedt zich eenigszins waaiervormig naar den kant der Hongaarsche vlakte. Naar 't ZO. strekt zich tusschen de Julische Alpen on de Adriatische zee het 500 M. hooge en dorre Karstplateau uit, dat uit sterk verweerden kalksteen bestaat. Tusschen San en Drau loopen steeds lager wordende bergketenen naar het O., en in 't NO. eindigen de Oost-Alpen in het Weenerwoud. De spoorweg over den Sommering pas (tunnel: 8S0 M.) brengt de verbinding tot stand tusschen den Donau en de Adriatische zee (Weenen—Triest). In lateren tijd is nog een spoorweg aangelegd over den pas van Pontebba, die de kortste verbinding van Italië met Weenen vormt. De Oost-Alpen zijn veel rijker aan zout (Salzburger Alpen, Salzkammergut in de Oosten rij ksche Alpen; Kammergut = domeingoed) en metalen, dan de West- en de Centraal-Alpen.

2. De Westelijke of (hoofdzakelijk) Fransche middelgebergten hangen niet samen met de Alpen; het geheel helt naar 't O. steil, naar

-ocr page 42-

't W. langzaam af, zoodat het veel gelijkt op een golvend plateau, dat door diepo dalen doorsneden wordt. Door sommige dezer dalen stroomen rivieren naar 't W., door andere loopen de gemeenschapswegon tusschen het Atlantische- en het Middellandsche-zeegebied. Eigenlijk is alleen de noordhelft, ten N. van de laagte by St-Etienne, in 't bezit van deze laagten; het breede deel ten Z. van de Loire, het zoogenaamde Centrale hoogland van Frankrijk, heeft het ongeluk ze te missen.

De oostrand van het Centrale hoogland, in de zuidhelft Cevennes geheeten, is een grootendeels onvruchtbaar bergland. Naar 't N. volgt het hoogland van Gevaudan en Vivarais. Van hier uit gaat naar 't NW. het ruwe, vulkanische (uitgedoofde kraters en oude lavastroomen), met heide begroeide arme hoogland van Auvergne; naar 't N. het woudrijke Forez gebergte; naar 't NO. de oostelijke, vaak afgebroken rand van 't Fransche hoogland, bestaande uit: het gebergte van Lyonnais, de wijn rijke Cóte d'Or, het plateau van Langres en het plateau van Lotharingen, op welks oostelijken kant zich de woud- en wijnrijke Vogezen verheffen. Eene laagte tusschen de Vogezen en den Zwitserschen Jura (Bourgondische poort: vesting Belfort) brengt de verbinding tot stand tusschen de Boven-rijnsche laagvlakte en het Ehone-Saonegebied. Naar 't N. hangen de Fransche middelgebergten samen met de ruwe Ardennen, den vulkanischen Eifel (overeenkomst met het hoogland van Auvergne), de woudrijke Hunsrücke en de Haardt. Al deze gebergten hebben het karakter van hoogvlakte, met diep ingesneden dalen en steile oostelijke helling. In 't W. van de Fransche laagvlakte treffen we nog afgezonderd aan het ruwe, klovenrijke, schrale bergland van Bretagne met sterk verbrokkelde kusten, en het veel vriendelij ker en vruchtbaarder bergland van Nor mandie.

3. De Noordelijke of Duitsche middelgebergten hangen met de Centraal- en de Oost-Alpen samen. De voet der Alpen rust aan den noordkant op de Zwitsersch-Zwabisch-Beiersche hoogvlakte. De Zwitsersche hoogvlakte, tusschen het meer van Genève en het Bodenmeer, is een mooi en over 't geheel vruchtbaar heuvelland, dat naar den kant der Alpen spoedig een bergkarakter aanneemt. Aan do westzijde verheft zich de weinig vruchtbare Zwitsersche Jura, uit eene menigte evenwijdige ketenen bestaande. De Zwabisch-Beiersche hoogvlakte heeft een klimaat, 'twelk door hare hooge ligging dat van Noord-Duitschland nadert; aan wijnbouw wordt er dus weinig gedaan. De moerassen langs de niet best bevaarbare bijrivieren van den Donau zijn ten deele dichtgeslibde en drooggelegde meren; de weinige nog aanwezige meren zijn door moerassen omgeven: een begin van drooglegging. De Lech is de scheiding tusschen Zwaben en Beieren: verschillende benamingen voor „moerasquot; aan weerszijden van deze rivier, nl. „Moosquot; en „Kiedquot;. Langs den noordrand loopt op den linker Donau-oever het kale kalkplateau van den Zwabischen Jura, welks middelste gedeelte, Kauhe Alp geheeten, zeer onvruchtbaar is. Deze rug zet zich in een' boog naar 't N. voort als Frankische Jura, die den oostrand der Frankische hoogvlakte vormt. De laatste vertoont veel overeenkomst met de Beiersche hoogvlakte; waar echter rivieren zich door hare dalen winden, neemt de streek een veel vriendelijker karakter aan;

-ocr page 43-

29

vooral is dit het geval met het Neckardal. Oostelijk van den Frankischen Jura strekt zich de Opper-Paltz uit tot aan het woeste, eenzame Bohemer-woudyOp den westrand van de Frankische hoogvlakte verheft zich het boschrijke Zwarte woud, dat zyne steilste helling naar den kant der Bovenrijnsche laagvlakte keert. In 't Z. do Feldborg (1500 M.). De eenvoudige bewoners vinden hun bestaan grootendeels in houthakken, houthandel en klokkenmaken. Het Zwarte woud bereikt, evenals de Vogezen, in 't Z. zijne grootste hoogte. Op dit gebergte volgt naar 't N. het Neckarberg-land en daarop het Oden woud, langs welks westelijke helling de Berg-strasse beroemd is om hare wijn- en ooftteelt.

Verder den Rijn af naderen leisteongebergten de rivier zoozeer, dat er geen sprake meer kan zijn van eene vlakte, maar dat men hier en daar in het dal zelfs rotsen moest doorboren, om ruimte voor den spoorweg te verkrijgen. De westelijke (de Eifel, de Ardennen en de Hunsriicke) zijn reeds onder 2. besproken. De oostelijke zijn eveneens eigenlijk eene golvende hoogvlakte, door de zijrivieren van den Rijn in verschillende afdeelingen gescheiden. Zoo arm en eentonig de hoogvlakte der Rijnsche leisteengebergten is, zoo prachtig zijn doorgaans de dalen, vooral die van den Rijn, de Moezel en de Maas. Langs den noordrand (Ruhr, Maas—Sambre) vindt men steenkolen, aan den zuidoostkant mineraalwaterbronnen. Ten O. van den Rijn ligt vooreerst de Taunus, aan welks zuidelijken rand de badplaatsen Homburg eu quot;Wiesbaden liggen, terwijl op de zuidelijke helling, den Rheingau, heerlijke wijnbergen worden gevonden. Ten N. van de Lahn het arme Westerwoud, waar echter de pottenbakkersaarde velen eene bezigheid en een bestaan heeft geschonken in het bakken van kruiken, waarvan de naburige badplaatsen duizenden gebruiken ter verzending van mineraalwater. Naar 't NW. springt het vulkanische Zevengebergte tot vlak aan den Rijn vooruit. Ten N. van de Sieg het mineraalrijke en nijvere Sauerland (— Süderland, in tegenstelling met liet „Nordlandquot;, het vlakke noordelijke deel van Westfalen).

Ten O. van de zuidelijke helft der Leisteengebergten verheft zich liet Hessische bergland: de ruwe, arme vulkanische berggroepen Rhön en Vogelsgebergte en zuidelijk in eene Mainbocht de Spessart, het vaderland der grootste Duitsche eiken.

Noordelijker het Wezerbergland, waarvan eene keten, nl. het Wezer gebergte, een dwarsdal (Westfaalsche poort: voormalige vesting Minden) vertoont, waar de Wezer door stroomt. Ten ZW. hiervan het Teu to burgerwoud met zijne schoone beukenbossohen. Tusschen beide gebergten ligt eene vruchtbare vlakte, waar veel koren en vlas wordt verbouwd, de hoofdzetel van de Noordduitsche linnen- en garenfabrikatie (Bielefeld).

y^De Harz is het hoogste gebergte van Noord-Duitschland, welks hoogste top, de sagenrijke, met granietblokken bezaaide Broeken of Bloksberg (1140 M.), tot even boven de boomgrens reikt. Het noordwestelijke gedeelte, de ruwe Oberharz, is onvruchtbaar, maar heeft groote naaldhoutbosschen en rijke ijzer- en zilvermijnen; de ünterharz heeft een milder klimaat, is rijk aan beukenwouden, terwijl hier en daar aan landbouw wordt gedaan. Ten Z. strekt zich de Goldene Ane uit. De vruchtbare streek ten O. en ten

-ocr page 44-

30

-ocr page 45-

31

zuidvoet badplaatsen. Aan weerszijden van de rotspoort bij Totschen, aan de Elbe, het Elbe-Zandsteengebergte, een door water uitgeslepen en sterk verweerd hoogland, met allerlei grillige bergwanden en rotsgroepen (Saksisch Zwitserland), die bouwsteen leveren.

Onder Sudeten verstaan wij de gebergten, die van het Elbe-Zandsteen-gebergte tot aan den bovenloop der Oder naar 'tZO. loopen. Langs de laagte, waardoor de Oder stroomt (de Moravische poort), loopt het verkeer van de Donaustreken naar de Oostzee. De voornaamste deelen van de Sudeten zijn: het trotsche Reuzengebergte, welks hoogste top (Schneekoppe, 1G00 M.) de hoogste der Duitsche middelgebergten is; het lage Schweidnitzer bergland, waardoor een spoorweg, die Bohemen met Pruisisch Silezië verbindt, en het Gesenke, een golvend, meestal bebouwd bergland.

4. De Oostelijke of Hongaarsche middelgebergten worden

van de Alpen gescheiden door de Groote en de Kleine Hongaarsche laagvlakte en van de Noordelijke middelgebergten door de laagten, waardoor de March en de Oder stroomen.

Het westelijke deel der Oostelijke middelgebergten bestaat uit de Kleine Karpaten, de Beskiden (waarin de Jablunkapas de bergwerk stroken van het Hongaarsche Ertsgebergre met Silezië verbindt), den Ta tra (een steil uit de vlakte oprijzend gebergte, met enkele spitsen tot ruim 2G0U M.), het woudrijke Liptauer gebergte en het Hongaarsche Ertsgebergte. Tegenover de plaats, waar uitloopers van het laatstgenoemde gebergte den Donau het meest naderen (bij Waitzen), dringt het Ba kony woud (eikenwouden: varkensteelt) in de kniebocht der rivier op.

Het eenzame Karpatische Woudgebergte vormt het tweede gedeelte der Oostelijke middelgebergten. De meest gebruikte weg leidt van Munkacs (Moenkatsj) naar Lemberg.

Bij de Theisbronnen begint het hoogland van Zevenburgen met vele vruchtbare streken. Aan do zuid- en zuidoostzijde is het land omgeven door de ruwe, woudrijke Transsy 1 vaansche Alpen. Bij Orsowa breekt de Donau door de IJzeren poort, waar rotsen in de rivier en een snelle

-ocr page 46-

grenzen van Zevenburgen verheffen zich hoofdzakelijk van 't quot;W naar 't O. loopende bergketenen, die men samenvat onder den naam van Zeven-

-ocr page 47-

33

burgsch Ertsgebergte (rijk aan goud). De rivierdalen zijn hier de verkeerswegen met Hongarije.

Langs den noordrand der Karpaten (in Oalicië) wordt zeer veel steenzout gevonden, o. a. bij Wieliczka.

§ 20. De berglanden der zuidelijke schiereilanden.

1. Het Pyreneesch schiereiland bestaat grootendeels uit eene hoogvlakte, die aan drie zijden door randgebergten wordt omgeven. Het noordelijke randgebergte is het Cantabrisch-Asturisch gebergte, welks noordelijke helling rijk aan wouden, doch welks zuidelijke helling kaal is. Naar 't O. hangt dit gebergte door de woeste Baskische bergen samen met de Pyreneën, terwijl het naar 't quot;W. zich in eene menigte ketenen vertakt, waaraan wij den geineonschappelijken naam van Gali-cisch bergland geven. De oostrand der hoogvlakte verheft zich in een paar berggroepen, waarvan vooral de zuidelijke het aanzijn aan vele stroomon geeft, waarom het wel het Iberische Bronnenland wordt genoemd. Naar 't Z. wordt de hoogvlakte begrensd door de Sierra Morena (= zwart gebergte, — eigenlijk zwarte zaag, — naar de donkere dennenbosschen, die vroeger meer dan nu op de zuidhelling voorkwamen), die zich van de noordzijde nauwelijks als gebergte vertoont, maar van den zuidkant, van uit de Andalusische laagvlakte, door hare woestheid een grootschen indruk maakt. De hoogvlakte is grootendeels dor en boomloos. Er heerscht een vastlandsklimaat. De uitgestrekte heidevelden der hoogvlakte verschaffen voedsel aan eene menigte merino's, die in den winter naar de minder hooge dalen van Spaansch Estremadura trekken. Het Kastiliaansch scheidingsgebergte verdeelt de vlakte in eene noordelijke, de hoogvlakte van Oud-Kastiliö en Leon (800 M.), en eene zuidelijke, de hoogvlakte van Nieuw-Kastilië (G50 M.). — Ton NO. van de hoogvlakte strekt zich de Ebro- of Aragonsche laagvlakte uit, die door do Pyreneeën wordt afgesloten; ten Z. van de hoogvlakte vinden wij do Andalusische of Ouadalquivir-laagvlakte, die in 't Z. hare grens vindt in hot met het Kastiliaansche hoogland samenhangende bergland van Andalusië, waarvan het hoogste gedeelte Sierra Nevada, d. i. Sneeuwgebergte, (met den Mulahacén 3550 M.) heet. — De Pyreneeën bieden door hunno steile helling en hooge passen meer moeilijkheden aan 't verkeer dan de Alpen. Zij vertoonen tweo hoofdketens, eene westelijke, met de hoogste toppen (Maladetta 3400 M., Mont Perdu 3350 M.) en de meeste bosschen en weiden, en eene oostelijke, met meest kale toppen en vele holen on kloven. Aan den noordvoet liggen badplaatsen; voor 't overige zijn de Pyreneeën arm aan dorpen en steden. Alleen langs de uiteinden van 't gebergte loopen tot dusverre spoorwegen: Bayonne—San Sebastiaan en Per-pignan—Oerona.

2. Het Apennijnsch schiereiland wordt van 't N. naar 't Z. doorsneden door de Apennijnen, die, bij den pas van Altare beginnende, zich in 't midden van Italië verbreeden tot het ruwe holen- en woudrijke bergland der Abruzzi (Abroetsi), waarin de Gran Sasso (=; groote steen; 2900 M.) de grootste hoogte bereikt. Bij de straat van Messina eindigt het gebergte in Calabrië, om zich op Sicilië weder voort te zetten. Apulië wordt ingenomen

P. ii. hos, Bekn. Aardr., 80 druk. 3

-ocr page 48-

■54

door eeno hooge vlakte, waar veel aan schapenteelt wordt gedaan. Aan de westzijde der Apennijnen worden vele uitgedoofde vulkanen en andere sporen van vroegere vulkanische werking gevonden. Bij de golf van Napels verheft zich de vulkaan Vesuvius (1270 M.), omgeven door den mantelvormigen Monte Somma, uit de Catnpaansche vlakte. In 't O. van het vruchtbare Sicilië verrijst de voel hoogere vulkaan Etna (3320 M.), en tusachen beide de altijd werkende Stromboli op het gelijknamige eilandje. De kalkrijke Apennijnen hebben vele holen, die bij de ongunstige staatkundige en maatschappelijke toestanden, welke langen tijd in Italië bestonden, zeergeschikte verblijfplaatsen voor roovers opleverden, 't Oetal passen over het gebergte is gering; het meest vindt men ze nog in 't N.; die ten N. van Genua (Bocchettapas), die tusschen Bologna en het Arnodal en die tusschen Ancona en het Tiberdal.

3. De kleinere westhelft van het bergland in het zoogenaamde Balkanschiereiland vormt eene voortzetting van de kalkrijke Oostenrijksche Karst-gebergten. Evenals deze zijn ook gene sterk verweerde berglandschappen, waarbij de plateauvorm op den voorgrond treedt. Men vindt er vele holen, verdwijnende rivieren., meren, die soms overvuld zijn, dan weer in moerassen veranderen of zolfs geheel leegloopen. 't Zijn de woeste en ten deele nog woud rijke gebergten van Bosnië, Herzegöwina, Montenegro, Albanië en Griekenland. Onder de gebergten van de oosthelft des schiereilands noemen we vooreerst den Sjar-Dagh; verder den Balkan (= bergketen) of He mus, die verscheiden bruikbare passen heeft, o. a. den Sjibkapas. Ten Z. van den Balkan wordt de hoogvlakte van Sofia gevonden met den hoogen Vitosj (2330 M.). Tusschen het boschrijke Istrandsja- en het eveneens woudrijke, hoogere Rhodope-gebergte of Despoto-Dagh (= priester-gebergte, naar de vele kloosters op de lagere bergen) ligt het Thracische Bekken, het gebied der Maritza, dat in 't N. en 't W. zeer vruchtbaar, in 't Z. en 't ZO. evenwel eene steppe is. Van den Sjar-Dagh naar 't Z. wendt zich een gebergte, dat eerst Bor-Dagh en ten Z. van den bergknoop van Metzowo Pindus heet. Van dezen bergknoop gaat naar 'tO. de Voloetza, waarmede de beroemde Olympus (3000 M.) samenhangt. Tusschen dezen berg en den Ossa het zoo vaak bezongen dal Tempo. Ongeveer in 't midden van Livadiö (het oude Hellas) vinden we den Parnassus.^'t Midden van

-ocr page 49-

35

-ocr page 50-

BC

baarder en rijk aan kolen en ijzer (dichtere bevolking, land- en bergbonw en fabrieken). Ten O. van Liverpool verheft zich het Peakgebergte, een plateau met steile toppen. Langs de randen van 't gebergte liggen rijke kolen- en ijzergroeven. Dit gebergte is een onderdeel van het Penninische gebergte. In 't schiereiland Cumberland het Cnmbrische gebergte, dat vroeger veel graphiet leverde. Het Schotsche Grensgebergte wendt zijne minst steile helling naar de Schotsche laaglanden, die met hunne diep indringende fjorden aan weerszijden, hun vruchtbaren bodem en hunne rijke kool- en ijzermijnen, eene dichte bevolking bevatten. Het nu naar 't N. volgende woeste Schotsche hoogland bestaat uit het Grampiangebcrgte (iioogste top Ben Nevis, ruim 1300 M.) en het eenzame veen- en nevelrijke Caledonische gebergte, dat zich ten N. van de Glen More (— groote kloof) uitstrekt, waar het Caledonische Kanaal,

een samenstel van langwerpige meren, rivieren en kanalen, de oost- met de westkust verbindt. De Schotsche gebergten zetten zich voort op de Hebriden, onder welke hot eiland Staf fa met zijne Fingalsgrot (bazaltzuilen) wel het meest bekend is.

Ierland is in 't binnenland laag en vlak, rijk aan meren en op sommige plaatsen moerassig. Langs de randen liggen afzonderlijke berggroepen, waarvan vooral de Kerry-bergen bekend zijn om hunne sohoone natuur.

§ 22. Het Skandinavische bergland beslaat eene haast dubbel zoo groote oppervlakte als de Alpen, maar is veel minder hoog en strekt zich in eene andere hoofdrichting uit; bovendien verschilt het in karakter zeer veel van de Alpen, daar het niet, zooals deze, uit ketenen bestaat, maar een plateaukarakter heeft. De woeste hoogvlakte draagt op verscheiden plaatsen uitge-

-ocr page 51-

37

strekte sneeuwvelden, die gletschers naar de lager gelegen streken, soms zelfs tot bijna aan do kust afzenden. Een der grootste sneeuw- en ijsvelden, de Jostedalsbriie (brile = gletschor), strekt zich uit ten N. van de Sognefjord. De dalen hebben het voorkomen van kloven, die op ruwe wijze in de rotsen zijn uitgehouwen, slechts twee zijn geschikt als doorloopende verkeerswegen tusschen de west- en de oostkust: Drontheim—Christiania en het noordelijke eind der Drontheimer Fjord—Sundsvall. De hoogvlakten dragen in 't Z. den naam van heidi (= heiden), vidder (wicdh'er) (= wijde, groote velden) en fjelde (= rotsen); ten N. van de Drontheimer Fjord worden ze smaller en dragen den naam van kjölen (= kiel, nl. scheepskiel). Zoowel op do terrasvormig afhellende vlakten naar den kant van Zweden, als op de Noor-weegsche rotsvlakten liggen groote hoogevenen. De hoogte van 't Skandina-vische bergland neemt naar 't N. af. Het eindigt in 't N. op Magerö, in do 300 M. hooge Noordkaap. Verder naar 't Z. neemt de hoogte toe: Sulitelma (1880 M.), Sneohilttan (2300 M.), Skagstölstinderne (23G0 M.), Ytnesfjeld of Galdhöpig (2C00 M.). Van het O. naar 't W. neemt de hoogte toe: 't land heeft het voorkomen van eene golf, die van 't O. naar 't W. rolt en eindelijk in schuim uiteen spat. De rotsachtige westkust vertoont met hare tallooze diep indringende fjorden veel overeenkomst met Schotlands westkust. Langs Noorwegens kust, en ook op vele plaatsen langs de minder hooge kust van Zweden, liggen tallooze kleine rotseilanden (scheren). In 't N. vinden we do groep der Lof odd en.

§ 23. Dc Finsche rots- en meervlaklo is een granietplateau, welks laagten met water zijn gevuld, dat over den rand vloeit en de meren dus met elkander verbindt, als er veel sneeuw is gesmolten, 't Is een woest land, bedekt met grillig gezaaide rotsblokken, heidevelden en venen, afgewisseld door langgerekte, wonderlijk gevormde meren, mooie watervallen en slecht bevaarbare rivieren. De wouden zijn voor een groot deel uitgeroeid, 't Land levert ijzer.

§ 24. De Oeral (—z gordel) is een meridiaangebergte, dat zich in 't Z. vertakt en in de steppen verloopt. Het noordelijke gedeelte (Woeste Oeral) tot den oorsprong der Fetsjöra verheft zich te midden van de toendra. Alleen langs den voet staan dénnenbosschen. 't Gebergte zelf is kaal; do eenige planten zijn er mossen en korstmossen. Het middelste doel (Ertsrijke Oeral) tot de bron der Oefa is gemakkelijk over to trokken; aan den oostvoet liggen vele mijnen, die goud, platina, ijzer, koper en vele kostbare gesteenten leveren, o. a. malachiet. Het karakter van den Woudrijken Oeral, hot zuidelijke gedeelte, spreekt reeds uit den naam.

§ 25. Dc Kaukastis, oene natuurlijke grens tusschen Europa en Azië, is een woest en moeilijk toegankelijk gebergte. De hoogste top is de Elbroes (5000 M.). Langs den Kasbek (5000 M.) loopt do Darjalpas, de weg tusschen Trans- en Cis-Kaukasiö: Wladikaukas—Titlis. Geene plek in Europa bevat op eene gelijke oppervlakte zoo vele verschillende volksstammen als de Kaukasus, die door zijne ontoegankelijkheid oene geschikte vrijplaats aanbood voor vluchtelingen. Bij dit gebergte wordt tegenwoordig veel petroleum gewonnen.

-ocr page 52-

38

b. HET LAAGLAND.

§ 2G. De Enropeesche laagvlakte is ons reeds, wat haren omvang betreft, bekend. Het oostelijke deel ervan is de Russische of Sarinatische Vlakte.

1. Nergens in Europa heerscht de vlakte over eene zoo groote uitgestrektheid als in het O. tussehen de IJszee, de Oostzee, de Zwarte en de Kaspische zee. Toch biedt de groote Russische laagvlakte, zoowel ten opzichte van klimaat en plantengroei, als van hoogte, afwisselingen, ja tegenstellingen genoeg aan. De hoogste verschillen liggen echter binnen de grenzen van een twintigtal M. beneden en ruim 350 M. boven de zee. Het schraalbevolkte noorden, — de gebieden van de Petsjöra, de Dwina, het OnEga en het Laloga meer, — is langs de IJszee-oevers eene toendra-streek (door Samojeden bewoond); verder naar 't Z. zijn groote naaldhoutbosschen en langs de rivieren enkele landbouwstreken. Naar 't Z., van den Oeral tot aan eene lijn Kostroma—Wologda, grenst deze noordelijke laagvlakte aan den No ordru ss i schen 1 an drug. In de laagvlakte, die zich hiervan af naar 't W., tot aan de Oostzee, uitstrekt, dringt naar 't N. vooruit de Waldaï-hoogte. Hierdoor ontstaan als 't ware twee breede straten, ééne naar 't ZO. en het nijvere Centrale bekken, in welks westelijk deel Moskou ligt, en éêne naar 't ZW., waarin Novgorod aan het Ilmenmeer in vroegeren tijd reeds een belangrijk middelpunt voor den handel was. In Lijfland, Koerland en noordelijk Littauwen verheffen zich de Baltische hoogten. Naar 't ZO. hangt met de Waldaï-hoogte een Hauw oploopend plateau samen, dat het midden van Rusland inneemt. Uit is de zoogenaamde Duna-Donsche of de Centrale landrug, die in de streek van Koersk met eene vruchtbare aarde bedekt is. Dit korenrijke gebied der Zwarte Aarde strekt zich ter breedte van CO a 80 mijlen uit, van de hellingen der Karpaten tot aan de heuvels ten W. van den Oei al. Naar 't O. hangt de Centrale landrug samen met het lage plateau, dat door de Oka en aan twee zijden door de Wolga wordt begrensd en tot den Wolga-bergoever aanzwelt. De oostelijke Wolga-oever (Weide-oever) is laag en vlak en staat dikwijls onder water. Naar 't W. is de Centrale landrug verbonden met de Oppersilezisch-Poolsche hoogten, die met de Karpatische gebergten samenhangen. Ten Z. van den Westrussischen landrug liggen de groote, lage Rokitno moerassen in 't gebied van Pripets en Dnjepr. Rusland is bezig hier vreedzame veroveringen te maken, door 't graven van kanalen en den afvoer van water. Ten W. van den Dnjepr en ten Z. van de Rokitno-moerassen verheft zich weer een landrug, die naar 't W. zich bij de Karpaten aansluit. Het zuidelijke gedeelte van laatstbedoelden rug, zoowel als dat van den Centralen landrug en van de oostelijke voortzetting daarvan tot de Wolga, is steppengebied, dat naar 't Z. afbelt en ten N. van de Zwarte zee in de haast boomlooze Pontische steppen eindigt. In den winter zijn deze met sneeuw bedekt, in don herfst en het voorjaar grootendeels groen en in den zomer dor. Veeteelt is hier natuurlijk de hoofdbezigheid. Het ZO. van Rusland daalt in het Kaspische laagland tot beneden den spiegel der Zwarte zee. Het bestaat ten deele uit zoutsteppen

-ocr page 53-

39

en moet worden beschouwd als eene droog geworden zeebedding, waarvan het laagste deel, de Kaspische zee (welker sjiiegel 2(J meter beneden 't niveau der Zwarte zee ligt), nog met water bedekt is.

2. De Germaans oh e laagvlakte, van de Weiehsel tot do hoogten in Vlaanderen en Artois, wordt door de groote, vroeger slecht begaanbare venen bij de Eeins in Noordduitsche en Benedenrijnsche laagvlakte verdeeld. Op vier plaatsen dringt de laagvlakte in de üuitsche middelgebergten op: bij den Rijn, bij Munster, bij Leipzig en in Silezië. Die golven — om ze zoo eens te noemen — zijn natuurlijk van belang voor 't verkeer: Keulen, Munster, Leipzig en Breslau zijn er de groote handelssteden geworden. De vlakte wordt afgebroken door een Noordelijken en een Zuidelijken landrug. De eerste omgeeft de Oostzee onder de namen Sleeswijk-Holsteinsehen, Mecklenburgschen, Pommerschen en Pruisischen rug (of rneervlakte, om de vele groote en kleine meren) welke deelen door de dalen van Eider, Stecknitz, Oder en Weiehsel worden geseheiden. Do Zuidelijke rug begint als Lüneburger heide, zet zich in de Elbebocht bij Maagdeburg als Fliiming en verder oostelijk als do kolen- en ertsrijko Tarnowitzer hoogte voort tot in Rusland. De ruggen bestaan aan do oppervlakte meest uit zand.

Langs de Noordzeekusten strekt zich (alleen in Noord- en Zuid-Holland op 't vastland en voor 't overige op de Zeeuwsche en de Zuidhollandscho delta-eilanden en verder op de Nederlundsche, de Oostfriesche en do Noord-friesche Waddeneilanden) eene duinenrij uit, die zich op Jutlands westkust voortzet, om in kaap Skagen to eindigen. Daarachter liggen vruchtbare klei(marsch)grondén, die soms met laagveen bedekt zijn, en daarop volgen de hoogere en schralere zandgronden (geest). Zijn deze laatste slechts voor schapen- en bijenteelt, rogge en boekweit en schrale dennonbosschen geschikt, op de kleigronden bloeit de landbouw. In de goheele laagvlakte ontmoet het verkeer tegenwoordig bijna nergens groote hinderpalen, zoodat de handel, geholpen door de vele bevaarbare rivieren, do spoorwegen, de nabijheid van de zee en van het mineraalrijke middelgebergte, zich naar alle richtingen heeft ontwikkeld.

De Oostzeekusten zijn hooger dan de Noordzeekusten en behoeven bijna nergens door dijken te worden beschermd. Hier vinden wij de bekende haffen (welke?), dio zich mot do Wadden op de Noordzeekusten laten vergelijken.

Behalve klei, veen en zand komen in de Germaansche laagvlakte nog löss (— Limburgsche klei), leem, grind, zwerfblokken (— groote keien, zooals die onzer hunebedden) en bruinkool (vooral in de industriëele Leip-ziger bocht) voor.

3. Het Franscho laagland wordt door svaterscheidendo aanzwellingen des bodems in drie deelen verdeeld: do vruchtbare Seine-vlakte, die door hot heuvelland, dat den naam draagt van Wouden van Orleans, van de vruchtbare en zeer goed bebouwde Loire-vlakte wordt gescheiden, terwijl de schrale Gatine (— woestijn), sis voortzetting van het Hoogland van Auvergne, de zuidelijkste, de wijnrijke Garonne-vlakte aan de noordzijde begrenst. Ten W. van de eigenlijke Garonne-vlakte liggen de Landos (— heidevelden) van Gascogno en Guyenne, grootendocls zeer

-ocr page 54-

40

schrale, eentonige vlakten, die groote overeenkomst met onze heidevelden vertoonen. Waar men echter de oorbanken, die meestal dicht onder de oppervlakte liggen, verwijderd heeft, draagt de bodem reeds-groote bosschen. Bovendien heeft men op vele plaatsen den waterafvoer door 't graven van kanalen verbeterd, zoodat reeds nu de op stelten loopende herders niet meelde eenige bewoners zijn.

§ 27. Dr kleinere laagvlakten. 1. De lage streek tusschen de Pyreneën en de Cevennen, waar het Canal du Midi door is gegraven, verbindt de Fransche laagvlakte met de B e n e d e n - K h o n e - v 1 a k t e en het schilderachtige Rhönedal, welk laatste, zooals reeds is opgemerkt, met hetSaonedal, de Bourgondische poort, de Bovenrijnsche laagvlakte en het Rijndal tot in de Benedenrij nsche vlakte een allerbelangrijksten verkeersweg door

West-Europa vormt, waarvan de eindstations zijn Marseille en Amsterdam— Rotterdam.

Hangt de Europeesche vlakte dus in 't W. met een paar kleinere laagvlakten samen, ook hare oostelijke helft zet zich tot in het bergland voort. De Russische vlakte toch dringt in 't ZW. als Walachijsche of Beneden Donau-laagvlakte vooruit, 't Is eene voormalige golf, die door hetgeen de rivieren van de bergen afvoerden, is gevuld. De laagvlakte is vruchtbaar, maar eentonig; langs den Donau is zij op vele plaatsen moerassig. De nauwe, rotsachtige IJzeren poort leidt naar de Groote Hongaarsche laagvlakte, die door de poort bij Waitzen met de Kleine Hongaarsche laagvlakte samenhangt. Deze beide vlakten zijn dichtgeslibde meren, het soms verdwijnende Neusiedler meer en het Balaton of Plattenmeer zijn er de overblijfsels van. De Groote Hongaarsche vlakte bestaat voor een deel uit eentonige

-ocr page 55-

41

grassteppen (poesten), waarop groote kudden onder do hoede van de woeste zonen der steppe rondzwerven. Waar de kunst de natuur te hulp is gekomen, om de landerijen geregeld te bevloeien, leveren deze rijkelijk onze korensoorten, mais en tabak. Langs den Donau en do Tlieis is het land dikwijls moerassig; in andere streken vinden we onafzienbare heidevelden; b. v. bij Keekskemet (Kctsjkemct) en Debrecziu (Dobretsin). De Donau-eilanden Groot-en Klein-Schütt in de Kleine Hongaarsche vlakte en de streken ten W. van het Plattenmeer zijn buitengewoon vruchtbaar.

In liet N. hangt do Eussische vlakte samen met de strook vlakland langs Zwedens oostkust, die over 't geheel vruchtbaar is; hot vruchtbaarste gedeelte van Zweden is echter het schiereilandvormige Schonen (eigenlijk Skane, waarnaar het geheole schiereiland Skandinaviö is genoemd). Naar 't W. hangt de strook vlakland van Oost-Zweden samen door eene laagte, waarin het Mdlar-, het Hjelmar-, het Wetter- en het Wenermeer liggen, met de westkust. Ten Z. van deze laagte ligt het lage plateau van S m a I a n d.

2. Geheel afgescheiden van de Europeesche laagvlakte liggen de laagvlakten van de Britsche eilanden en van de drie zuidelijke schiereilanden.

Het oosten en het zuiden van Groot-Br i tan n iö is laagland, echter geene laagvlakte, zooals do Benedenrijnsche; want de rotsgrond komt hier en daar in heuvelrijen voor den dag. In 't Z. van Engeland loopon drie rijen krijtheuvels: de South Downs, de North Downs en de East Anglican heights. Deze drie heuvelrijen ontspringen uit eene golvende, hooge vlakte bij Salisbury. Eene vierde heuvelrij begint bij Bristol, vormt het Centrale tafelland en eindigt in de York Moors. Ten W. van deze laatste zet zich het laagland nog meer of min golvend en door het tafelland van Birmingham in twee doelen gescheiden, voort tot in de stroken van Liverpool en Manchester. Het gedeelte ten O. van de vierde heuvelrij is zeer vruchtbaar; dat ten W. er van bevat rijke stcenkoolbeddingon bij Birmingham en Manchester.

De dichtbevolkte Schotsche laaglanden zijn zeer vruchtbaar en rijk aan steenkool en ijzer.

Ierland is in 't midden laag en rijk aan meren, moerassen en venen; ook op vele bergen komen uitgestrekte venen voor. Ongeveer van de oppervlakte des eilands bestaat uit „bogsquot; (venen).

3. De Aragonsche of Ebro vlakte is grootendeels dor en deelt het klimaat der hoogvlakte; veel beter is het in La Rioja (— het rivierland) en langs het Keizerskanaal, De heete Andalusische of Guadalquivir-laagvlakte vertoont hare beroemde schoonheid en vruchtbaarheid alleen in 't voor- en in 't najaar; gedurende den haast regenloozen zomer dragen sommige deelen der vlakte een bepaald steppekarakter.

4. D vruchtbare, dichtbevolkte Po vlakte was eens, evenals de Walachijsche vlakte, eene golf; de grind en slib, door de rivieren van de Alpen en de Apennijnen aangevoerd, hebben de golf gevuld en bouwen nog steeds verder in zee vooruit.

De westkust van Italië is over 't geheel laag en op vele plaatsen zelfs moerassig: de Pontijnsche moerassen en de Maremmen.

-ocr page 56-

42

C. DE WATEREN.

§ 28. De xvalcrcn van dc Russische vlakte behooren voor een deel tot de gebieden van de IJs- en de Oostzee, gedeeltelijk tot de gebieden van de Zwarte en de Kaspische zee. De waarde der Russische rivieren voor den handel is niet geheel geSvenredigd aan do uitgebreidheid van hare gebieden, daar zij ten gevolge van het vastlandsklimaat een groot gedeelte van 't jaar zijn toegevroren; in 't Z. duurt de winterkoude wel niet zoo lang als in de Oost- en de IJszee-gebieden, doch hier lijden de rivieren door de schict-stroomen en watervallen, veroorzaakt door de zuidelijke plateau's. Natuurlijk voeren deze stroomen veel slib mee, dat de riviermonden doet verzanden. Bovendien monden de Russische rivieren uit in do afgelegen en onherbergzame IJszee of in binnenzeeën.

1. Tot het gebied der IJszee behooren:

De Petsjöra, welker mond in enkele gevallen zelfs des zomers niet open komt, en de Dwina, welker verzandende monding hoogstens van Mei tot het einde van October open is.

2. Naar de Oostzee;

De woeste afstroomingen der Finsche meren; do waterrijke Neva, vijf maanden lang met ijs bedekt, de afstrooming van het Ladoga meer (ruim zoo groot als half Nederland), dat door de Swir met het Onega meer in gemeenschap staat; de Du na, die eerst door den Westrussischen rug en later door do Baltische hoogten breekt en daardoor vele schietstroomen heeft; de Njemen, die aan hetzelfde euvel lijdt als de Duna.

3. Tot het Zwarte-zeegebied behooren:

De Dnjestr, die alleen bij hoogen waterstand goed bevaarbaar is; de Boeg, die voor 't verkeer al zeer weinig beteekent; de Dnjepr, die van den woudrijken voet der Waldaï hoogten komt, het water opneemt, dat de Pripet hem uit de Rokitno moerassen toevoert, en eindelijk met sterke schietstroomen door de steppen plateau's breekt; tegenwoordig is echter dit gedeelte van den stroom bevaarbaar gemaakt. De drie laatstgenoemde rivieren loopen in limans uit, die ongelukkig verzanden. De Don loopt evenwijdig met den Dnjepr, maar heeft geene schietstroomen; wel vormt hij eilanden en vele zandbanken; de monding in de zee van Azov verzandt.

4. In de Kaspische zee stroomen uit de weinig beteekenende grensrivier de Oeral en de grootste rivier van Europa, tevens de belangrijkste van Rusland, de Wolga, door de Russen „moedertjequot;, door do Tartaren „de vrijgevigequot; (om haren rijkdom aan visch) genoemd. Door kanalen staat de Wolga in verbinding met de Dwina, het Ladoga- en het Onega meer; hare groote bijrivieren (de Oka en de Kama) reiken ver naar het midden en het oosten. Op de Waldaï hoogte ontsprongen, wordt zij reeds bij Twer bevaarbaar, stroomt oostwaarts en van Kazan af zuidwaarts tusschen een hoogen, met berkenwouden gekroonden „bergoeverquot; en een vlakken „weideoeverquot; en wendt zich bij Tsaritsyn naar 't ZO., om onder voortdurende vertakking door de Kaspische laagte te stroomen. Bij Astrakan loopt de Wolga met eene menigte ondiepe monden in zee. Duizenden zeilschepen en meer dan

-ocr page 57-

43

500 stoorabooten bevaren deze rivier, die in weerwil van hare vele ondiepten gemeenschap brengt tussehen het hout- en pelsrijke noorden, het metaal rijke oosten, het industriëele en korenrijke midden en het vee- en zoutrijkezuiden.

In de Kaspische laagvlakte bereiken verscheiden riviertjes de zee niet, maar vele loopen in zoutmeren of moerassen; 't zijn steppenrivieren. Het bekendste zoutmeer is het Elton meer.

§ 29. De wateren van Middel-Europa ontspringen voor een deel op de Alpen, voor een deel op de middelgebergten. Die, welke op de Alpen ontspringen of er althans door bijrivieren water van ontvangen, zijn het regel-matigst van water voorzien, omdat ze door gletschers, maar uitsluitend door bronnen worden gevoed en niet uitsluitend afhankelijk zijn van den directen neerslag in haar gebied.

1. Het Oostzeegebied.

üe Weichsel ontspringt op de Beskiden; hare belangrijkste bijrivier is de Hoeg; aan den mond (Frisohes Haff en de Oostzee) heeft deltavorming plaats; de Nogat is do voornaamste arm. De rivier is waterrijk, maar vol ondiepten, 't Verkeer (afvoer van koren en hout) is zeer belangrijk.

De Oder komt uit een moeras in het Moravische Gesenke te voorschijn. Door do Moravische vallei loopt de verkeersweg tussehen Moravië en Silezië. Van de Sudeten ontvangt de Oder verscheiden bijrivieren (welke?); van liet oosten komt do lange Warthe, met ten deele moerassige oevers. Na veree-niging met de Netze (Bromberger kanaal) vloeit de Warthe door het Warthr-broekland naar de Oder. In liet vruchtbare Oderbroekiand verliep vroeger een deel van het water, tot op last van Frederik den Grooten do rivierloop geregeld werd. De Oder loopt uit in het Stettiner Haff, dat door drie monden (Peene, Swine en Divenow) in zee stroomt.

2. Het Noordzeegebied.

De Eider is door een kanaal met do Oostzee verbonden. De Elbe ontspringt uit eene moerassige grasvlakte op de helling van het Keuzengebergte en neemt door de Moldau en de Bger bijna al het water van Bohemen op. Nadat de rivier door hot Elbezandsteengebergte is gebroken (vesting König-stein), bereikt zij spoedig (bij Meissen) de laagvlakte. De Elbe heeft, behalve de reeds genoemde, nog vele bijrivieren: de Saaie, de vriendelijke rivier van Thiiringen, die, evenals de Eger, op het Fichtelgehergto ontspringt en do Unstrut (de Nijl van Thiiringen: — „Goldene Auequot;) tot linker bijrivier heeft; de Havel met hare bijrivier de Spree, die het moerassige Spreewoud vormt. Met een broeden mond stroomt de Elbe in de Noordzee.

De Wezer ontstaat uit de vereeniging van Werra (Thüringerwoud) en Fulda (Rhön) bij Mündon. Door de Westfaalsche poort betreedt de rivier de vlakte, waar zij de Aller ontvangt, om daarna met een broeden mond in zee te stroomen.

De Eems ontstaat in een broekland, aan don voet van het Teutoburger-woud, stroomt voor een deel door veenrijko streken en mondt in den Dollart uit.

De Rijn (Voor-Rijn) ontspringt op do St-Gothardgroep, neemt spoedig de Medels (verbasterd tot Middel-Rijn) op en vereenigt zich bij Reiohenau met den Achter-Rijn, die van den Rheinwaldhorn komt en door de Via Mala (— booze

-ocr page 58-

44

-ocr page 59-

46

-ocr page 60-

der Gironde in zee. De springvloed dringt met vreeselijk geweld verwoestend in de Oironde op. Het Canal du Midi is door de vlakte tusschen de Pyre-ne5ii eu de middelgebergten van de Garonne naar do Middellandsclie zoo gegraven. Het kanaal, dat van Tonlouse stroomop tot op eenige uren afstands van Bordeaux langs do rivier loopt, bewijst, dat de Garonne niet tot de best bevaarbare rivieren behoort.

5. Het Middellandsoho-zeegebied.

De Rhöne ontspringt aan den voet van den RliOnegletscher, ten W. van den St-Gothard, stroomt door een breed lengtedal , buigt bij Martigny naar 't NVV., zuivert haar water in het prachtige moor van Genove, ontvangt dadelijk daarna de sohuitnende Arve, die uit hot hooge dal van Chamounix is gekomen, baant zich met moeite een' weg door den Jura en bereikt eindelijk Lyon, waar ze tegen de Fransche middelgebergten stuit, de Saone opneemt en door een smal dal naar het Z. stroomt. De Rhöne behoudt hier nog haar onstuimig karakter, ontvangt van de Alpen toevloed door de Isère en tie Durance en begint kort daarna bij Aries hare delta, eene moerassige en ongezonde vlakte. Ten O. daarvan ligt eene door de Durance met steenon bezaaide vlakte, Crau geheeten.

De Po betreedt, kort nadat zij op de Monte Viso is ontsprongen, de Lombardijsche vlakte, maar blijft toch door een aantal bijrivieren over hare geheele lengte met de Alpen in gemeenschap. Van deze ontvangt zij o. a. de Ticino, die door het Lago Maggiore stroomt, de Adda (Como meer) en de Mincio (Garda meer). De Noorditaliaansche meren zijn beroemd om hunne schoonheid. Van de Apennijnen is de toevloed minder sterk. Zoowel de Po als ook de overige rivieren, die hier van de Alpen komen, — do grootste is de Etsch of de Adige, — zetten het werk der aanslibbing (de geheele Povlakte is eene dichtgeslibde voormalige golf) voort. De Podelta steekt het verst in zee vooruit. Langgerekte „lidiquot; (als 't ware verbrokkelde „nehrungenquot;) liggen ten N. van de Podelta voor de „lagunenquot; (ondiepe strandmeren, haften), terwijl daarachter moerassen liggen.

G. Het Zwarte-zeegebied.

Behalve de reeds genoemde Zuidrussische rivieren behoort lot het Zwarte-zeegebied het stroomgebied van den Donau. Deze rivier ontspringt op do oosthelling van 't Zwarte woud. Haar bovenloop, tot aan de Hongaarsche laagvlakte, vormt een zachten boog, die naar 't Z. geopend is. Van 't Z., van de Alpen dus, ontvangt zij hare meeste bijrivieren: de Hier, de Lech, de Isar en de Inn (alle meer of min onstuimig en met grindbanken). De Inn stroomt door het schoone Engadin en het Inndal, en betreedt beneden Kufstein (vesting) de hoogvlakte. Van 't N. komen Altmühl (Donau-Mainkanaal), Naab en Regen. Bij Regensburg bereikt de Donau zijn noordelijkste punt. Bij Passau naderen de bergen aan weerszijden de oevers en ze blijven de rivier insluiten met eenige uitzonderingen (als bij Linz) tot aan het bekken van Weenen, waar zij links de March ontvangt. Van de Hongaarsche poort (Kleine Karpaten—Leithagebergte) tot de IJzeren poort stroomt de Donau door de beide Hongaarsche laagvlakten (middelloop). In de Kleine Hongaarsche vlakte vormt hij de vruchtbare eilanden Groot-en Klein-Schütt. Na tusschen het lifikonywoud en de zuidelijkste uitloopers

-ocr page 61-

47

van het Hongaarsehe Ertsgeborgto te zijn doorgestroomd, betreedt de Donau de Oroote Hongaarsehe vlakte; hij wendt zich naar het zuiden en krijgt weldra moerassige oevers en een kronkelenden loop. In den middeiloop ontvangt hij zijne grootste bijrivieren: de kronkelende, vischrijko Theis (mot de Maros), en de tweelingstroomen Drau en Sau. De vlakke bekkens, waardoor de Donau achtereenvolgens stroomt, zijn naar de oostzijde door een' dam van gebergten gesloten, met uitzondering van eene opening, waar de rivier door stroomt. Deze vlakke bekkens zijn voormalige meerbeddingen. Door Servië stroomt de Morawa, welks dal reeds eeuwen lang een verkeersweg was. De rotsachtige, nauwe IJzeren poort is nog altijd eene geduchte hinderpaal voor 't verkeer en eene oorzaak van de jaarlijksche overstroomingeu van het laaggelegene Banaat. Men is nu echter begonnen do rivier hier beter bevaarbaar te maken. De benedenloop van den Donau is rustig. De Walacliijsche oever is laag en moerassig, de Boelgaarsehe daarentegen steil. De hooge steppen der Dobroedsja noodzaken de rivier eene noordelijke richting aan te nemen, waarna zij met eene moerassige delta in zee stroomt. Van hare drie mondingen is de Soelina wel niet de waterrijkste, maar de eenige, die te allen tijde bevaarbaar is, doordien zij door de „Donau-Com-missiequot; voortdurend in goeden toestand wordt gehouden.

De grootste rivier van Middel-Europa, haast tweemaal zoo lang als de Rijn, stroomt in eene bijna geslotene binnenzee uit, wat hare belangrijkheid voor 't verkeer natuurlijk zeer benadeelt.

§ 30. De wateren der schiereilanden en eilanden.

1. De rivieren van de zuidelijke schiereilanden lijden des zomers alle meer of min aan waterarmoede, terwijl plotselinge overatroomingen gedurende den tijd der winterregens niet tot de zeldzaamheden behooren.

De Spaansche rivieren zijn lang genoeg, maar door den geringen neerslag uit den dampkring op de dorre hoogvlakte hebben ze weinig water, terwijl ze bij het doorbreken der randgebergten stroomversnellingen vormen. De Guadiana maakt zelfs kort vóór hare monding een' waterval. Meestal hebben ze hooge, rotsachtige oevers. Do Minho en de Duero zijn de waterrijkste rivieren; de Taag heeft een bekkenvormigen mond; de mond der Guaüiana verzandt; de Guadalquivir is rijker aan water (Sierra Nevada) dan de beide voorgaande rivieren; zij besproeit de Andalusische Vlakte; de Ebro is de grootste rivier aan den Middellandschen-Zeekant (Keizerskanaal).

De rivieren van het Apennijnsch Schiereiland kunnen niet groot zijn. De belangrijkste loopen naar 't W.; 't zijn de Arno, de rivier van het liefelijke bekken van Florence, bij welks monding zich echter ongezonde maremmen uitstrekken, en de Tiber, welks monding door zandbanken is versperd. De Campagna di Roma, tegenwoordig ongezond en woest, was gedurende Romes bloeitijd dicht bevolkt. Bij de Volturno de zeer vruchtbare Campagna Félice (— gelukkige vlakte).

De rivieren van 't Balkanschiereiland zijn des zomers vaak bijna zonder water, terwijl hare overstroomingen des winters menigmaal verderfelijk worden. De voornaamste is de Maritza, verderde Vardaren de Strymon.

2. De rivieren der Britsche Eilanden zijn niet groot, maar waterrijk en in 't bezit van breede mondingen, waarin de vloed ver opdringt. Voor 't

-ocr page 62-

bijna geheel bevaarbaar, de llumber (vereenlging van Ouse en Trent), de Severn, de Clyde, en in Ierland de Shannon, de kalme af'strooming

-ocr page 63-

49

van versclieiden moren. De omstandigheid, dat do Engolsche gebergten vaak door laagten gescheiden en doorsneden zijn, heeft het graven van kanalen en de ontwikkeling van het binnenlandsch verkeer in de hand gewerkt.

3. Het waterrijke Skandinavië heeft vele langwerpige meren, die de laagste gedeelten der Zweedsche dalen vormen. Op do Noorweegsche westkust ligt voor de diep ingesneden dalen geen laagland, vandaar dat ze met zeewater zijn gevuld (fjorden). Do rivieren, die meest naar het O. stroomen, b. v. de Tornea of ïorne-elf, de Umea, de Angerman- en de Dal-elf (elf = rivier), vormen eerst bovengenoemde meren en strooraen dan met woeste vaart (stroomversnellingen en watervallen) naar zee. Onder de watervallen zijn er, die zelfs 500, ja ruim G00 M. hoog zijn. Dragen de Skandinaafsche rivieren zeer bij tot de schoonheid van het land, door bevaarbaarheid munten ze natuurlijk niet uit. Op de laagte in Zuid-Zweden, waarin het Millar-, het Hjel mar-, het quot;Wetter- en het Wener meer liggen, is reeds gewezen (§ 27, 1). De Klitr-elf verlaat hot Wenormeer als Gotha-olf (Trolhiitta-watervallen en -kanaal). In Noorwegen is de G1 o m m e n de voornaamste rivier.

C. DK LANDEN EN VOLKEN.

1. het koninkrijk nudeiiland.

(3.*! 000 KM2 uf 000 GM2; 4.,') mill, inwoners.)

§ 31. Ligging, Omtrek, Eilanden. Nederland neemt het grootste gedeelte der Benedenrijnsche laagvlakte in; het ligt vrijwel in 't midden van Europa's westen, tegenover 't zuidelijke gedeelte van Engeland.

Een enkele blik op de kaart is voldoende, om te doen opmerken, dat onmiddellijk aan de westkust van Holland en Zeeland geene groote plaatsen, zelfs geene middelmatige handelssteden liggen. De ondiepe zee, die vol zandbanken is, verhindert groote schepen deze kust te naderen. Alleen plaatsen, welker bewoners zich onmiddellijk met de zee, of wat zij oplevert, bezig-houden, kunnen er liggen, dus badplaatsen en visschersdorpen. Do westenwinden hebben van Galais tot kaap Skagen eene duinonreeks doen opstuiven, die bijna alleen door rivier- en kanaalmondingen en zeegaten is afgebroken. In ons land wordt de zacht gebogen kustlijn afgebroken door de Honto of de Wester-Schelde en de Ooster-Schelde, liet Brouwershavensche gat, liet Goedereesche gat en de Mond van de Maas, de monden van het Rottcr-damsche kanaal, van het Rijnkanaal bij Katwijk en van het Noordzeekanaal en de zeegaten tusschen de Waddeneilanden: het Marsdiep, het Eierlandsche gat (dichtgeslibd), het Vlie (vooral voor Harlingen van belang), het Ame-landsche gat (alleen voor kleine schepen geschikt), hetPinkegat, hetFriescho gat, de Lauwers en de Wester-Eems (tegenwoordig do handelsweg naar Groningen). De Westkappelsche dijk en de Hondsbossche zeewering vervangen op Walcheren en tusschen Petten en Kamperduin do weggeslagen duinen.

Van Helder af begint zich in de Zuiderzee en de Wadden de vernielende en tevens weer land vormende kracht der zee te vertoonon. De lage streken, r. ii. hos, Bekn. Aardr., 8e druk. •)

-ocr page 64-

50

waaruit het land, dat liet meer Plevo omgaf, heeft bestaan, zijn gedeeltelijk weggespoeld, en tegenwoordig kan alleen kunstmatige bescherming het water der zee en der rivieren beletten, het overgeblevene en door don mensch weer op het water veroverde lagere westelijke deel onzes lands te overstroomen. Dat hot westen van ons land die kunstmatige bescherming in hooge mate behoeft, blijkt al dadelijk, wanneer we weten, dat de laagste

ebstanden dor zee (0.82 M. beneden de gemiddelde oppervlakte der zee te IJmuiden) en de laagste rivierstanden nog hooger zijn dan de oppervlakte van het land. Bij stormvloed kan do zeo wel stijgen tot 3.5 M. boven den gemiddelden zeespiegel, en do rivier aan hot uiterste punt, van waar gevaar te duchten is, nl. te Amerongen, waar de Lekdijk Bovendams begint, tot 9 M. boven dat vlak. Op slechts vier plaatsen maakt de vaste, hooge kust

-ocr page 65-

51

dijken onnoodig: bij het Gaasterland, op de landpunt bij VollonhoTO, bij de kust van de Veluwe en bij die van het Gooiland. Behalve zeedijken hebben we ook nog dijken langs de meeste onzer rivieren. Dat die dijken zeer veel gold kosten, behoeft wel niet gezegd: alleen het onderhoud ervan kost jaarlijks ongeveer C mill, gulden. — In de Zuiderzee dragen verschillende deelen nog afzonderlijke namen: Hoornsche Hop, Val van Urk, de Meer of de Wieringer meer. Gouwzee.

De Wadden (van 't werkwoord „wadenquot;) beginnen bij Harlingon; 't zijn slijkerige landen of deelen der zee, die bij laagwater ton deele droogloopen en waardoor zich geulen winden, welke door stroomend water worden opengehouden en waarlangs, tusschon tonnen door, de schepen hun' weg moeten vinden.

De eilanden van Nederland kunnen we in drie groepen samenvatten: delta-eilanden, in het mondingsgebied van Rijn—Maas, Schelde en IJsel, Zuiderzee-eilanden en Wadden-eilanden. De laatste zijn niets anders dan do verbrokkelde hoogere, door duinen beschermde buitenrand der Wadden; de Zuiderzee-eilanden zijn stukken gronds, die overbleven, toen de Zuiderzee ontstond; één daarvan (het lage Schokland) wordt nog voortdurend met vernietiging bedreigd. Bovendien hebben we verscheiden waarden of riviereilanden. — Namen en ligging der eilanden?

§ 32. Hoogte. Nederland ligt laag. Het W. en het NW. zijn het laagst. Sommige gedeelten, als de Hollandsche droogmakerijen, liggen daar zelfs 4 a 5, ja G M. beneden A.P. (= Amsterdamsch peil), dat niet veel verschilt van de gemiddelde oppervlakte der zee.

Het O. en het ZO. zijn het hoogst; sommige heuvels in Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijsel dragen zelfs den naam van borgen; doch nimmer verheffen ze zich hooger dan tot ruim 200 M. -f- A.P. (de Bescheilberg en de Krikelenberg, ten Z. en ton N. van het Geuldal in 't Z. van Limburg). Bij Vaals is het hoogste punt 200, bij Valkenburg 1G0 M.; de St-Pietersberg is 123. Ook de Veluwe heeft punten van meer dan 100 M. aan te wijzen, als de Imbosch (bij Dieren) 110 M.

Waren er geen dijken, dan zou een eenigszins hooge vloed geheel Nederland onder water zetten ten N. en ten W. van eene lijn: Groningen— Leeuwarden—Hoeren veen—Steenwijk—Zwolle—Amersfoort—Utrecht—Gorin-chem—Bergen-op-Zoom—Antwerpen. Alleen de duinen en enkele andere hooge streken zouden als eilanden of als schiereilanden uit de wateren te voorschijn komen. (Zie do Hoogtekaart.) Vandaar dan ook, dat in den oudsten Graventijd en nog vroeger haast alleen melding wordt gemaakt, voorzoover de westhelft van ons land betreft, van plaatsen, die in de streek der duinen en der geestgronden liggen. Elders gelegen plaatsen, als Vlaardingen, Dordrecht, Leiden etc., die eveneens reeds vroeg worden genoemd, lagen op kunstmatige ophoogingen.

§ 38. Aard van den Bodem. Onze bodem bestaat bijna geheel uit grondsoorten , die ten tijde van 't verblijf der menschen op aarde of in de daaraan onmiddellijk voorafgaande periode zijn gevormd. Oudere, vastere gesteenten komen slechts bij uitzondering aan de oppervlakte, nl. in 't Z. van Limburg en in 't O. van Gelderland en Overijsel. Daar nu steenkolen en ertsen alleen

4*

-ocr page 66-

52

in sommige oudore gesteenten voorkomen, behoeft het ons niet te verwonderen , dat de eerste slechts in geringe hoeveelheid (bij Kerkrade), de tweede (wanneer wij liet ijzeroer fier beekbezinkingen buiten rekening laten) in 't geheel niet in ons land worden gevonden. Buiten de weinige bovenbedoelde oudere gronden komen in ons land diluviale en alluviale gronden voor. Tot de diluviale gronden, die 2/5 van de oppervlakte dos lands innemen, behooren zand (behalve de duinen en de zandstuivingen), grind, leem en Limburgsche klei.

De diluviale gronden vormen 't hoogste, vaak onelïene, golvende gedeelte van Nederland; zij beslaan met uitzondering van het hoogveen en de beekbezinkingen, die hier en daar de oppervlakte van het diluvium bedekken, de geheele hooge oost- en zuidoosthelft van ons vaderland. Slechts

-ocr page 67-

op ééno plaats (do poort tussohen de Kleefscho oji do Montlerlandseho borgen, waar de Rijn Nederland binnentreedt) bedekt de alluviale bodem (rivierklei) tot aan, ja over de oostgrens het diluvium. — in de grindgronden vindt men niet alleen grind, maar ook, vooral in 't N., keien, de grootste in Drente; in die provincie worden dan ook de hunebedden gevonden. De vruchtbare Limburgsche klei treffen we aan in 't heuvelachtige Z. van Limburg, zoodat dit afgelegen hoekje van ons vaderland tot zijne schoonste gedeelten behoort. Mot deze uitzondering zijn do diluviale gronden over 't geheel niet vruchtbaar.

De alluviale gronden, die meest op de westelijke helling van hot diluvium rusten en ^5 van den bodem innemen, bestaan uit die gronden, welke na het diluvium zijn ontstaan en waarvan wij de vorming nog tegenwoordig op grootere of kleinere schaal kunnen waarnemen. Tot het alluvium behooren de venen (laag- en hoogveen), de zee- en rivierklei, de beekbezinkingen, de duinen en de zandstuivingen (de laatste vooral op de Veluwe en in Noord-Brabant). Door het aanplanten van helm en dennen zoekt men het verwaaien van de duinen langs de zee alsmede van de landduinen (de zandstuivingen), tegen te gaan. Do kleigronden en de beekbezinkingen, die een vrij groot deel van het alluvium innemen, zijn over 't geheel vruchtbaar. In de beekbezinkingen wordt ijzeroer gevonden, dat meest naar Duitscliland en België wordt gezonden. Wordt het hoogveen in het O. van ons land op het diluvium aangetroffen, het laagveen beslaat groote oppervlakten in het W. en NWquot;., waar het meestal op zeeklei is gevormd in de vele meren en plassen, welke do lage westhelft van ons land achter de duinenrij bezat. Toen later de zee herhaaldelijk inbrak, werden vele laagveen streken weggeslagen. Zoo ontstonden 0. a. de Zuiderzee en de Wadden. De meeste en de groote plassen, die weer ontstonden door do uitbaggering en vergraving van laagveen, zijn in de eerste helft der 17e eeuw en in de laatst verloopen halve eeuw drooggemaakt. Het zijn de laaggelegen droogmakerijen of meerpolders. De banken, die zich aan de monden der rivieren en elders op onze kusten vormden, zijn de grondslag geweest van de tegenwoordige Zeeuwsche en Zuidhollandsche eilanden, van groote bedijkingen in 't N. van Noord-Holland en in Friesland en Groningen. Nog tegenwoordig gaat deze landwinning voort, en waar die gewenscht is, helpt de mensch menigmaal door zoogenaamde blikvangers of vangdijken (b. v. tusschen Ameland en den vasten wal) de aanslibbing bevorderen. De door aanslibbing ontstane gronden hoeten in Zeeland schorren, in Friesland en Groningen kwelders, zoolang ze nog onbedijkt zijn. Wanneer ze uitgestrekt en hoog genoeg zijn geworden en klei genoeg bevatten, worden ze ingedijkt. Ze zijn dan vruchtbare zeepolders geworden. Deze wijze van landwinning is reeds oud en wordt nog tegenwoordig toegepast.

Nog op vele andere wijzen heeft de Nederlander den bodem van zijn land veranderd.

Door bemesting is een onvruchtbare bodem soms goede bouwgrond geworden. Vele hoogvenen in Groningen en Drente, alsmede een groot gedeelte van de Peel, zijn vergraven en in vruchtbare bouwlanden veranderd. Bijna de helft van alle hoogveen in ons land is reeds vergraven. Wijl de

-ocr page 68-

54

oost hel ft van Nederland do hoogvenen bevat, moeten we daar natuurlijk do meeste (vaak welvarende) veenkoloniën zoeken; vooral vindon wij deze in de drie noordelijke provinciën: Groningen, Drente en Friesland. Maar ook Overijsel (de kolonie Dedemsvaart) en Noord-Brabant (Helenaveen in do Peel) kennen ze. — De geroemde vruchtbaarheid en vooral de bruikbaarheid van den grond heeft Nederland voor een groot deel aan zijne bewoners te danken. Zonder zijne dijken, die liet water afweren, zijne molens, die het opmalen, zijne kanalen, die liet daarna opnemen, en zijne sluizen, die het loozen, zou het vruchtbaarste deel des lands onbewoonbaar wezen. Dat '/s van Nederlands bodem woest ligt (daarom nog niet geheel ongebruikt), moet noodzakelijk geweten worden aan het gemeenschappelijk grondbezit op vele zandstreken en heidevelden en de schapenteelt aldaar, die ontginning van den grond onmogelijk maken. Mag Nederland trotsch wezen op zijne overwinningen, op het water behaald, in het beperken van de heerschappij der heideplant blijft er nog veel te doen.

§ 34. Hel Water. Ton opzichte van de hydrographischo gesteldheid bestaat Nederland uit twee zeer verschillende gedeelten. Do oostelijke, hoogste helft, in 't algemeen gesproken, de diluviale gronden met de ingesloten venen, beek- on rivierbezinkingen omvattende, heeft eone natuurlijke afwatering. Daar vloeit het neergevallen water, voorzoovor hot niet door verdamping of door opzuiging in den bodem verdwijnt, doordien de bodem helt, langs beken en kleine rivieren, langs greppels, slooten on kanalen naar de hoofdrivieren of ook rechtstreeks naar zee.

Geheel anders echter, tevens anders dan in de overige doelen der aardoppervlakte, is de hydrographischo gesteldheid van de w e stel ij ke lage helft onzes lands. Hiertoe behooren, op de duinstreken na, geheel Zeeland en Zuid-Holland, het NW. van Noord-Brabant, het W. van den Tieler- en den Bommolerwaard, het land van Kuilenburg, de westhelft van Utrecht tot op 1 a 2 uur afstands ten O. van den Vaartschen Rijn on de Vecht, Noord-Holland behalve het Gooi, hot \V. en 't N. wi Friesland en bijna geheel Groningen. Zooals reeds werd opgemerkt, ligt dit westelijke deel laag. Voorzoover do bodem uit zeeklei bestaat, is hij meer of minder ineengeklonken; do oudere kloibodem ligt zelfs bijna 2l/2 M. beneden den gewonen vloedstand, terwijl de droogmakerijen nog lager, zelfs tot 6 M. — A.P., liggen. De omschreven westhelft van Nederland is een gebied van kunstmatige waterloozing; alleen de hoogste doelen daarvan kunnen bij lage standen van de hoofdrivieren en van de zee hun water langs natuurlijken weg doen afvloeien. liet grootste gedeelte kan alleen door kunst worden drooggehouden. Hier is 't gebied van het Nederlandsche polderland. Eigenlijke rivieren, waarlangs het water naar zee stroomt, zijn er bijkans niet, buiten den Rijn en de Maas. De andere zoogenaamde rivieren zijn er meestal omkade of omdijkte groote bukken met stilstaand water, boezems genoemd, die aan het begin en aan 't eind, en meestal tusschenbeide ook nog, door sluizen zijn afgesloten; het water der omliggende landstreek moet er in omhoog-gebracht worden; de verschillende boezems hebben een eigen peil en worden door den mensch van elkaar afgesloten gehouden, of zij worden met elkaar in verbinding gebracht, zoodat afstrooming ontstaat, al naar de waterstand

-ocr page 69-

55

dat eischt. Iti het Nederlandsclie polderland is het water öf pokier-, öf boezemwater. De Zaan, het Spaarno, de Gouwe, de Holland se he IJ s e 1 boven den dam te Gouda (de IJsel beneden dien dam is nog rivier), de liotte enz. zijn alle ongeveer stilstaande wateren, die alleen dan eenige beweging hebben, als hun naar de eene of naar de andere richting water wordt afgetapt, 't Zijn alle boezems. Toch zijn er boezems, die veel op rivieren gelijken, doordien ze een gestadigen sterken watertoevoer van ééne zijde hebben, als de Vecht, die door eene sluis te Utrecht al hot water van den Krommen en den Vaartschen Rijn ontvangt en door de sluis te Muiden veel water kan loozon. Tengevolge hiervan heeft de Vecht bijkans altijd stroom in de richting naar Muiden. Do Oude liiju bestaat uit 5 bakken. De oostelijke, ter lengte van '/, uur, loost met het water van den Krommen en den Vaartschen Rijn op de Vecht; de tweede bak, ter lengte van 1 uur, loost bij Breukelen en Nieuwersluis op de Vecht; de derde kom, tot Harmolen, behoort tot Amstellands Boezem en loost op de Zuiderzee; de vierde, tot Bodegraven, doet haar water door eene sluis ailoopen naar do vijfde kom, die door de Katwijksche sluizen loost. Anders is het met den Krommen Rijn. Deze is door den rivierdijk bij Wijk-bij-Duur-stede afgesloten van den Rijn, waaruit echter door eene duikersluis, zoo noodig, water kan worden gelaten op den Krommen Rijn. Voor 't overige ontvangt deze laatste echter zijn water van de omgelegen landerijen en loopt in het Utrcchtsche stadswater uit. Om den waterstand te regelen, heeft men op een paar plaatsen er kunstmatige vernauwingen (stuwen) in gemaakt, zoodat men den Krommen Rijn eene rivier met stuwen zou kunnen noemen.

Door het polderland heen loopen, tusschen dijken door, onze groote rivieren, zoodat haar waterspiegel, vooral bij hoogen stand, ver boven het omgelegen land staat. Meestal heeft men de dijken op eenigen afstand van de zomerbedding aangelegd, om zoodoende beter eeno groote watermassa te kunnen bergen. Vaak liggen langs het rivierbed bij zomerstand zoogenaamde zomerkaden, die echter in den tijd van hoogen waterstand overstroomen. Het land tusschen eene zomerkade en don rivierdijk heet uiterwaard en wordt gebruikt als weiland of voor do teelt van teenwilgen.

De Schelde heeft een zoo broeden, trechtervormigen mond, n.1. de Hont of Wester-Sc hold e (de Ooster-Schelde is afgedamd), dat deze eigenlijk den naam van zeearm verdient; waarin de eb- en vloedstanden aanmerkelijk, n.1. 8.8—4.2 M. verschillen. Men zoeke do verschillende Zeeuwsche wateren en hunne namen op de kaart.

Waar de Rijn ons land binnenkomt, d. i. even boven Lobith, bedraagt zijn vermogen (d. i. de hoeveelheid water, die in 1 seconde voorbij zeker punt stroomt) bij middelbaren rivierstand 2330 M3, bij zeer hoogen stand wel lü en 12 000 M3, bij lagen stand echter maar 1750 M3 en nog minder. Bij Lobith ligt de Rijnspiegel 12 M. boven den eb-, 10.5 M. boven den vloedstand van den riviermond bij den Hoek van Holland, 't Verval van den Rijn en de stroomsnelheid nemen af, naarmate de rivier do zee nadert. Pannerdonsche kanaal—Neder-Rijn—Lok—Nieuwe Maas is eigenlijk ééne hoofdrivier, zoodat aan den Hoek van Holland een Rijn- en geen Maasmond

-ocr page 70-

56

ligt. Dat do Kromme Rijn, do Veclit, de Oude Rijn en do ïïollandsche IJsol vroeger belangrijke takken waren, blijkt uit de breode strookon rivierklei langs hunne oevers. Bij Pannerden verdeelt de Rijn zich in tweeën; 2/3 van het water gaat langs de Waal, '/s langs het Pannerdensche Kanaal, ook Rijn of Ned er-Rijn geheoten. Bij Westervoort splitst zich het water opnieuw; langs den Neder-Rijn gaan 2 deelen tegen l deel langs den Oelderschen IJsel. Langs Arnhem, Wageningen en Reenon loopt do Rijn naar Wijk-bij-Duurstede, waar hij den naam van Lek ontvangt; verder stroomt hij langs Kuilenburg, Vreeswijk, Vinnen en Schoonhoven, waarna hij iets boven Krimpen aan de Lok met den Noord in gemeenschap staat. Onder den naam van Nieuwe Maas zet de rivier haren weg voort, neemt even voorbij Krimpen aan den IJsel het water van den Hollandschen IJsel op, loopt langs Rotterdam, Delftshaven, Schiedam en Vlaardingen, van waar een deel van het water langs Maassluis door het Scheur en don Nieuwen Waterweg, een ander doel ten Z. van Rozenburg langs als Mond van de Maas (eigenlijk Rijnmond) in zee gaat. — Vóór Krimpen aan de Lek ontvangt de Rijn geene belangrijke hoeveelheid Nederlandsch water.

De Waal stoot bij Nijmegen tegen de heuvels van het Nederrijkswoud. Van Nijmegen stroomt de Waal westwaarts langs Tiel, buigt daar om naar het Z., is bij Heerewaarden onbodijkt en daardoor in de gelegenheid gestold, om bij zeer hoogen stand water te werpen op de Maas, die bij St-Andries door een kanaal met de Waal in gemeenschap stond, welk kanaal evenwel sedert 1856 door eene schutsluis is gesloten, zoodat deze verbinding tegenwoordig uitsluitend in 't belang der scheepvaart is. Langs Bommel stroomt de rivier nu westwaarts, om bij Loevestein links de Maas op te nemen en onder den naam van M er wede langs Woudrichem en Gorinchem tot Werkendam te stroomen, waar zij de helft van haar water door do Nieuwe Mor wede naar het Hollandsch Diep zendt. Bij Dordrecht neemt de Merwede den naam van Oude Maas aan; deze laatste zendt een deel van hour water langs de D o r d t s c h o Kil zuidwaarts naar het Hollandsch Diep. De Oude Maas loopt westwaarts en geeft, vóór zij met een gedeelte van het Nieuwe-Maaswater als Mond der Maas in zee stroomt, nog water af aan het Spui. — De Waal ontvangt zeer weinig water van Nederland schen bodem. De Merwe of Merwede ontvangt door middel van do Linge en vooral van het Kanaal van Steenenhoek al het water van Over- en Neder-Betuwe, de landen van Kuilenburg en Buren, den Tielerwaard en een doel der Vijfheerenlanden. De Noord krijgt het water van den polder van Papendrecht en een dool van liet water van den Alblassorwaard en van dat van IJselmonde. De Oude Maas neemt veel water op van IJselmonde, Beierland en Putton, terwijl verder Rozenburg, Putten en Voorne gedeeltelijk, op de Botlek (tusschen Rozenburg en Weiplaat) en de Brielscho Maas afwateren.

De IJ s e 1 is bij gewone waterstanden voor de scheepvaart geschikt en vermindert bij zeer hoogen stand liet gevaar van overstrooming voor don noneden-Rijn en de Lek. Het gedeelte van de rivier van Westervoort tot den Ouden IJsel bij Doesburg, de zoogenaamde Nieuwe IJsel, is waarschijnlijk door do Romeinen verbeterd. Aan zee vormt de IJsel eene delta;

-ocr page 71-

van de monden zijn echter alleen de Ketel en het Ganzediep voor de scheepvaart geschikt. De Ketel wordt tusschon twee lange hoofdei) in zee geleid. Doordien de IJseldelta, het Kamp ere iland, slechts omkaad is cu ze dus bij hooge rivierstanden wordt overstroomd, waarbij slib achterblijft, wordt hare vruchtbaarheid verhoogd.

De Maas heeft veel minder water doch nauwer bed en grooter verval dan de Rijn, zoodat de stroomsnelheid bij gene veel sneller kan toe- of afnemen dan bij dezen. Bij Maastricht beloopt do afvoer bij de laagste standen 45 M3, bij hooge standen meer dan 2000 M3 por seconde. Even boven Eisden treedt de Maas Nederland binnen. Hier ligt de rivierspiegel 43 M. boven den waterspiegel bij Woudrichem. Tot Roermond is 't verval zeer sterk; van daar tot Mook is 't minder sterk en van Mook af is het slechts gering te noemen. 'Vóór Grave stroomt hij zeer hooge standen een deel van het Maaswater over een on bedijkt godeolte op den linkeroever, den Beerschen overlaat, door het N. van Noord-Brabant; dat is de zoogenaamde Beersche Maas, welker water bij niet te hoogen stand der Maas op de Diezo kan komen. Van Grave af loopt de Maas verder langs Ravestein, Batenburg, Megen en 't fort St-Andries. (Vergelijk hetgeen hier en bij Heerewaarden reeds omtrent cene gemeenschap met de Waal is gezegd.) Bij Crèvocoeur en Bokhoven stroomt over een onbedijkt gedeelte bij zeer hoogen Maasstand water Noord-Brabant binnen, dat zich dan vereonigt met het ten Z. van 's-Herto-genbosch omgeloopen Beersche-Maaswater. Soms evenwel ontvangt de Bok-hovensche overlaat water van de Beersche Maas. Wanneer de Bokhovensche overlaat naar de zijde van N.-Brabant werkt, dan verlaat dit water alsmede dat, hetwelk ten Z. van 's-Hertogenbosch is omgeloopen, N.-Brabant weder over den Baardwijksehen overlaat tussehen de dijken door, die op eenigen afstand aan weerszijden van het Oude Maasje liggen. Bij Locvostcin heeft do vereeniging van de Maas en de Waal plaats, zoolang althans nog de verlegging van den Maasmond niet is voltooid; is deze gereed, dan zal de Maas bij Hedikhuizen door eene schutsluis worden afgesloten en van daar af, ongeveer het Oude Maasje volgend, eene nieuwe rivier met zware dijken ter weerszijden zijn gegraven. Daardoor zal de Waal niet meer zoo sterk worden opgezet bij ijsgang en zal de Maas sterker en gemakkelijker afstroomen. De Bokhovensche overlaat zal en de Beersche overlaat kan dan misschien worden gesloten.

De Maas ontvangt het water van verscheiden bijrivieren: de Jeker (links), de Geul, de Geleen, de Roer, de Niers (rechts) en de Neer (links). Verder ontvangt do Maas door drie Weteringen en door de Alphensche en Dreu-melsclie sluizen het water van het Rijk van Nijmegen en van Maas-en-Waal; bij de Blauwe sluis van een deel van noordwestelijk Noord-Brabant en bij Crèvecoeur al het water van het gebied van de Dommel en de A door middel van de Dieze, die tegenwoordig bij Den Bosch zoowel als bij Crèvecoeur door sluizen is afgesloten, dus een boezem is. Verder watert de geheele Bommelerwaard op de rivier af.

Onze groote rivieren zijn breed en hebben, vooral in hot laatste gedeelte van haren loop, weinig verval, terwijl de werking van den vloed vorstroomop wordt waargenomen (eerst vloedwater van uit zee en verderop opstuwing

-ocr page 72-

58

van het rivierwater), omstandighedon, die de bevaarbaarheid bevorderen; maar deze wordt bij den zoogeiiaamden Maasmond, de Lek en vele Zeeuwsche stroomen sterk benadeeld door de geringe diepte.

Daar de breedte der rivieren in den zomer en in den winter zeer ongelijk is, heeft men bij het bouwen der vaste bruggen, zooals Nederland sinds den tijd der spoorwegen er vele hoeft, met den winterstand rekening moeten

houden. Onze kunstigste brug is die bij Kuilenburg, met eene spanning van 150 M.; onze grootste, en tevens eene van de grootste der aarde, is die bij den Moerdijk. Het Hollandsch diep is hier bijna 1j3 uur gaans (2640 M.) breed; de vaste brug heeft echter eeue veel geringere lengte, nl. van 1400 M., daar aan weerszijden een steencn hoofd van G04 en eene draaibrug van 16 M. den afstand zoo aanzienlijk helpen verkorten. Behalve vaste bruggen dienen

-ocr page 73-

59

veer- en gierpouten en schipbruggen menigmaal als middelen, om over de groote rivieren to komen, alle overtochtsmiddelen, die bij ijsgang (kruien van hot ijs) kunnen worden weggenomen.

§ 35. ITcl Polderland, 't Werd reeds opgemerkt, dat zonder dijken alleen het hoogere oostelijke deel onzes lands en de duinstreek bewoonbaar zouden zijn. Daarom begon men (wanneer is niet met zekerheid aan te geven) kleine

gedeelten in de lage westhelft door kaden af te sluiten, waardoor de toevloed van water was belet en hot stuk land droog kon worden gehouden, wanneer men er slechts voor zorgde, het overtollige ingeregende en naar binnen gesijpelde water er uit te scheppen. Toen men na de uitvinding van de windwatermolens het lastige en tijdroovende uitscheppen kon laten varen, begon men allengs do omkado gedeelten grooter te nemen. Men noemde zo

-ocr page 74-

60

polders. Aohtoreenvolgons word het geheele lage westen, zoowel het veen als de rivierklei, op die wijze in polders verdeeld. De polders grenzen met hunne kaden onmiddellijk aan elkaar, of tusschen de kaden blijft slechts eenige ruimte over voor eene bedding, oorspronkelijk rivier of gegraven, waarin het polderwater wordt opgebracht.

Reeds vroeg begon men hier en daar het laagveen uit te baggeren, om er turf van te maken. Daardoor ontstonden plassen, die slechts geringe waarde bezaten. Men stelde daarom in lateren tijd als voorwaarde, bij de vergunning om venen uit te baggeren, de verplichting om den ontstanen pias droog te maken. Daartoe wierp men rondom het meer een' ringdijk op, waarvoor de grond werd verkregen uit de ringvaart, die men aan de buitenzijde van den ringdijk dolf. Men maalde nu het water uit den plas op in de ringvaart, die ook later als bak dienst bleef doen, waarin het overtollige water van het drooggemaakte meer werd opgemalen. Daar het laagveen ter dikte van 3.5 a 5 M. op zeeklei had gelegen, verkreeg men, na het droogmaken van de uitgeveende plassen, laaggelegen droogmakerijen of meerpolders, die meestal uit vruchtbare zeeklei bestonden, soms echter aan de randen (Haarlemmermeer), in enkele gevallen nog over bijkans de geheele oppervlakte (Diemermeer), met laagveen bedekt. Ook werden droogmakerijen verkregen door het droogmaken van oude bestaande meren en plassen of van plassen, die door vroegere verveningen reeds waren ontstaan. Zoo ontstonden b. v. do Haarlemmermeer-, de Zuidplaspolder, de Prins-Alexanderspolder en alle droogmakerijen ten N. van het IJ, als de Beemster, de Purmer etc. Gemiddeld ligt de bodem van deze droogmakerijen 4 a G M. — A.P. — Ten Z. van het LI worden do droogmakerijen hoofdzakelijk voor landbouw, ten N. van het IJ worden ze voornamelijk voor veeteelt gebruikt. De veenpolders worden meestal gebruikt als weiland; men noemt ze daarom ook koepolders; enkele gedeelten echter worden voor bijzondere teelten gebezigd, als voor vlasteelt (Krimpenerwaard), voor do teelt van groenten en druiven (Westland), voorboomkweekerij (Boskoop)en voor bessentcelt (Aalsmeer).

Hoe wordt nu het water, dat er meer valt dan er in denzelfden tijd kan verdampen, afgevoerd? Die afvoer, en bij overvloedige regens zelfs een krachtige afvoer, is noodig, zullen de polders niet tijdelijk onderloopen. Want terwijl elders het overtollige water voor een deel ten gevolge van de terreinshelling over den bodem langs de oppervlakte afloopt, en voor een grooter deel in den bodem wegzakt, tot het op die diepte komt, waar de grond met water is verzadigd en we dus het grondwater aantreffen, kan in het polderland van een afstroomen natuurlijk geen sprake zijn, terwijl er de laag grond, welke in de laaggelegen polders tusschen de oppervlakte en hot grondwater ligt, natuurlijk zeer dun is. Die laag bewijst elders uitstekende diensten als waterreservoir, terwijl ze in de polders spoedig is verzadigd, zoodat het water alras op het land komt, zoodat er waterbezwaar ontstaat. In droge tijden dreigt er natuurlijk spoedig watergebrek. Om grootere water-berging te verkrijgen, doorsnijdt men de polders door veie slooten.

Polders, die onmiddellijk aan de zee, aan zeeboezems tusschen de eilanden of aan de hoofdrivieren liggen, kunnen bij eb, wanneer de ebstand er althans laag genoeg is, door eene uitwateringsluis het overtollige water doen afvloeien.

-ocr page 75-

61

Waar dit niet kan geschieden, daar moot het polderwater omhooggebracht en uitgeworpen worden. Zooals we weten, deed men dat in den eersten tijd der polders door handenarbeid, later door windwatermolens, in de laatste jaren steeds meer door stoomgemalen. Het water, dat opgemalen is, moet nu echter worden afgevoerd. Ligt de polder onmiddellijk aan zee of aan oene hoofdrivier, dan wordt het water door het bemalingswerktuig meestal op eene kom, molenkolk of voorboezem geheeten, uitgeslagen, waaruit het water dan door eene uitwateringssluis op het buitenwater wordt geloosd. In enkele gevallen heeft het uitslaan van het water rechtstreeks op de zee of de hoofdrivier plaats. Voor polders, die verder van do zee of van de hoofdrivieren verwijderd liggen, wordt de zaak evenwel iets ingewikkelder. De riviertjes, die vroeger vrij door liet veenland liepen, werden bij don aanleg van de dijken natuurlijk door sluizen van het buitenwater afgesloten. Langs deze watertjes liepen de kaden der langsgelegen polders, welke laatste steeds dieper zakten en eindelijk zelfs 0.5 a 1.25 M. beneden den spiegel dier watertjes kwamen te liggen. In deze watertjes en in eveneens tusschen kaden gelegen kanalen slaan de polders hun water uit. Die wateren heeft men bij gedeelten afgesloten en van elkaar gescheiden. Men heeft alzoo verschillende bakken met stilstaand water verkregen, waarvan men don inhoud op een bepaald peil houdt. Zulk een' waterbak of ook een samenstel van bakken noemt men, zooals reeds in de vorige § werd gezegd, een' boezem. Op zulk een' boezem slaan meestal verscheiden polders hun water uit, dat er in wordt opgemalen. Uit de boezems wordt het water, zooals straks reeds werd aangewezen, op het buitenwater uitgebracht door uitwateringssluizen of door stoomgemalen.

Om in tijdelijk watergebrek in den zomer te voorzien, heeft men zoogenaamde inlaatduikers, welke het water, zoo noodig, uit den boezem of het buitenwater binnenlaten.

§ 36. Klimaat. Nederland heeft meer een zee- dan een vastlandsklimaat. De gemiddelde hoeveelheid regen per jaar bedraagt ongeveer 08 cM., en deze is over 't geheele jaar verdeeld, niet zoo regelmatig evenwel, of de verschillende maanden hebben er een verschillend aandeel in.

Ons land ligt in het gebied der vochtige westenwinden, d. w. z. dat deze er hot meest waaien. De zuidwesten- en zuidenwinden zijn meest vochtig en warm. De winden uit den noordhoek zijn koud en droog. Die, welke van het oosten komen, zijn droog; des winters zijn ze koud, des zomers heet. Dit verschil laat zich verklaren, als wij er aan denken, dat ze over landen zijn gewaaid, die eeu vastlandsklimaat hebben. Onze betrekkelijk zachte winters hebben we vooral daaraan te danken, dat gedurende dit jaargetijde de zuidwestenwinden doorgaand de overhand hebben.

Januari is hier overal de koudste, Juli overal de warmste maand. Voor 't geheele land kunnen we als gemiddeld laagste temperatuur 1°, als gemiddeld hoogste 18° en als gemiddelde jaartemperatuur 10° aannemen. Zelfs in ons kleine landje is duidelijk de invloed van de verschillende geografische breedte en van den verschillenden afstand van zee te zien. De gemiddelde jaartemperatuur toch neemt naar het zuiden steeds toe, en Don Helder en Vlissingen hebben een sterker uitkomend zeeklimaat dan Maastricht; voor

-ocr page 76-

62

W-P

-ocr page 77-

63

de betrekkelijke geeft het getal in betrekking tot de oppervlakte. Doorgaans geeft men het aantal inwoners op 1 KMS of op 1 GM2 op. In Nederland wonen 138 menschen per KM2. De betrekkelijke bevolking geeft gelegenheid tot vergelijking van de dichtheid van bevolking met andere landen. De dichtheid is afhankelijk van verschillende omstandigheden: van de vruchtbaarheid des bodems, 't klimaat, de ligging des lands, den rijkdom aan havens en de door dat alles in 't leven geroepen bezigheden en welvaart. In ons land is op het diluvium de bevolking minder dicht dan op 't alluvium. In landbouwende en veeteelt-uitoefenende streken is de bevolking uit den aard der zaak minder dicht dan in streken, waar de hoofdbezigheden handel en industrie zijn. In de eerste streken zullen meer dorpen, in de tweede meer steden liggen. In de woestliggende stroken wonen al zeer weinig menschen. Men zie verder de tabel voor Nederland achterin het werk en vergelijke de cijfers in de verschillende kolommen onderling.

Do Nederlander heeft zijn eigen land moeten scheppen; een moerassig, met wouden bedekt, voortdurend door zout- en zoetwater bedreigd hoekje der aarde is door hem bewoonbaar gemaakt niet alleen, maar veranderd in een welvarend land, dat tot ver over zijne grenzen zijne macht heeft uitgebreid over eene oppervlakte, die wel 50 maal de oppervlakte van den eigen bodem beslaat. De strijd, dien de Nederlander tegen de elementen en ook tegen menschenmacht had te strijden, heeft hem werkzaamheid, ernst, godsdienstzin, moed, volharding, liefde voor de vrijheid, geduld, kalmte en zin voor 't praetische geschonken. Maar alle deugd kan ondeugd worden bij overdrijving: de kalmte ontaardt soms in phlegma, de zin voor 't praetische helt wel eens over tot het prozaïsche, 't Onvriendelijke klimaat heeft den Nederlander huiselijk gemaakt. De in 't buitenland algemeen bekende zindelijkheid heeft hij zonder twijfel te danken aan den overvloed van slijk en water, die tot voortdurend schrobben, schuren en wasschen drongen. Dronkenschap mag met het volste recht de grootste ondeugd van het Neder-landsche volk worden genoemd. Het is zeer natuurlijk, dat op de eilanden de oude gebruiken en kleederdrachten het minst zijn veranderd.

§ 38. Uit het delfstoffcnrijk levert Nederland in de eerste plaats turf; verder mogen nog worden genoemd: steenkolen, grind, keien, klei, leem, ijzeroer, bouwsteen en schelpen. De vervening verschaft in zomer en herfst aan ± 30 000 menschen werk. Een deel van de turf wordt getrokken uit de lage venen in Friesland, noordwestelijk Overijsel, Utrecht en Holland; het overige komt van do hoogevenen van Drente, Groningen, Friesland, Overijsel en de Peel. De vervaardiging en verzending van geperste turf en turfstrooisel is in de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. — Bij Kerkradc wordt steenkool gedolven uit twee mijnen, die door Nederland aan Duitsche maatschappijen zijn afgestaan. De gezamenlijke jaarlijksche opbrengst bedraagt iets minder dan 80 000 ton (1 ton — 20 centenaar = 1000 kilogram). — Grind en keien bewijzen bij den aanleg van wegen en van zeeweringen goede diensten. — Klei en leem zijn onontbeerlijk voor de steenbakkerijen. — Uzeroer is een product van de groengronden of beekbezinkingen en wordt grootendeels naar Duitschland uitgevoerd. Zuid-Limburg levert in den St-Pietersberg en in het Geuldal krijtsteen, die als bouwsteen wordt

-ocr page 78-

04

gebruikt — Schelpen vinden we langs de Wadden en de Zuiderzee; waar we tevens kalkbranderijen aantreffen.

§ 39. Landbouw. Het 1/6 deel van Nederlands oppervlakte ligt woest, maar toch niet geheel ongebruikt. Als woeste gronden beschouwt men kwelders (die als weideplaatsen worden gebruikt), stranden, duinen (die op vele plaatsen met helm of dennen zijn beplant en soms goede aardappelen leveren), zandstuivingen, heidelanden (oogstvelden voor de bijen) en onvergraven hoogveen.

Voor landbouw is ruim '/4 van de oppervlakte des lands in gebruik. Op de klei (vooral in 't N. van Groningen en Friesland, in Zeeland, de Zuidhollandsche eilanden en droogmakerijen en de Betuwe, 't Z. van Limburg) is do landbouw meer ontwikkeld dan op het zand. Tarwe (hoofdzakelijk in Zeeland, Zuid-Holland en de Betuwe), gerst ('t meest in Groningen en Zeeland), haver (verreweg het meest in Groningen), koolzaad, erwten, boonen, aardappelen, vlas, meekrap (het laatste slechts weinig meer in Zeeland) en suikerpenen (meest in 't W. van Noord-Brabant, in Zeeland, in Gelderland en in Zuid-Holland) zijn de hoofdvoortbrengseleu op de klei. Op de schralere zandgronden vinden we vooral rogge ('t meest in Noord-Brabant), boekweit (die ook op de hoogevenen wordt gebouwd), spurrie en aardappelen. — Tabaksteelt werd vroeger meer dan thans uitgeoefend bij Nijkerk, Amersfoort, Keenen, Wageningen en op sommige plaatsen in de Betuwe. — Voor cichorei is Friesland de eerste provincie, voor hop zijn het Noord-Brabant en Gelderland; hennep wordt verbouwd in den Alblasser-en den Krimpenerwaard, de Vijfheerenlanden en den Loopikerwaard; artsenijgewassen bij Noordwijk.

Aan tuinbouw wordt natuurlijk vooral gedaan in den omtrek van groote steden. Tn enkele deelen heeft do warraoezerij zicli bijzonder ontwikkeld, zooals in het Westland; in do Streek, eene rij dorpen tusschen Enkhuizen en Hoorn; in de Langedijk, ten N. van Alkmaar; in don omtrek van Breda.— Ooft wordt voel gekweekt in de Betuwe (Tiel), Limburg, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland (Zuid-Beveland), De beroemde bloembollenteelt zetelt ten O. van de duinen van Leiden tot Uitgeest, 't meest in den omtrek van Haarlem. Boomkweekerijen vindt men bij Boskoop, Aalsmeer, Naarden, Bergum en Oudenbosch.

Bosschen bezat Nederland vroeger zeer vele; bewijzen daarvoor levert de geschiedenis en bovendien doen dat het kienhout der groote hoogvenen en de vele plaatsnamen, die met wold, woud, bosch of hout zijn samengesteld. De meeste bosschen vindt men nog op het diluvium; Gelderland is de boschrijkste provincie, Groningen de armste. Zie verder de tabel achterin dit boek. 't Meest vindt men donnenbosschen en akkermaalshout of eiken hakhout. — In Zeeland wordt veel iepenhout aangekweekt. Van de eikenschors wordt run gemaakt. Aan wilgen teenen en hoephout wordt jaarlijks eene betrekkelijk aanzienlijke hoeveelheid uitgevoerd; voor 't overige ontvangt Nederland zijn hout bijna uitsluitend uit het buitenland.

§ 40. Veeteelt. Als grasland is ruim '/s des lands in gebruik. We moeten de veeteelt op do lage en die op de hooge streken van elkander onderscheiden. De laatste is meest schapenteelt op de onverdeelde, hooge heide-

-ocr page 79-

05

gronden, waar onder toezicht van een' herder groote kudden rondzwerven. De eerste wordt liet meest in de lage veen- en kleistreken uitgeoefend. De tabel voor Nederland achterin het werk geeft aan, dat in Friesland, Noorden Zuid-Holland meer dan de helft dor oppervlakte voor wei- en hooiland wordt gebruikt. In die provinciën vinden we dan ook de voornaamste kaas-en botermarkten, als: Leeuwarden, Sneek, Hoorn, Alkmaar, Purmerend, Edam, Delft, Leiden, Gouda en Gorinchem.

Aan bijenteelt wordt het moest gedaan op de heidestrekon, waar menigmaal de boekweitvelden in de nabijheid zijn. In Venendaal is eene bijenmarkt. In den bloeitijd van het koolzaad bezoeken de bijenhouders met hunne korven de kleistreken.

§ 41. Handel. De waterrijkdom van ons land, het bezit van brcede riviermonden, de ligging tusschen andere, minder voor scheepvaart geschikto landen, de uitgestrekte overzeesche bezittingen, de zich ontwikkelende fabrieksindustrie, die in het eigen land de brand- en grondstoffen slechts in zeer onvoldoende mate vond, dat alles moest in Nederland een levendigon handel doen ontstaan. Daarbij kwamen nog de menigte kanalen en 't verschil in voortbrengselen en in welvaart op het alluvium en het diluvium, die den binnenlandse hen handel in de hand werkten. Deze laatste houdt zich vooral bezig met de voortbrengselen van 'tland, levensmiddelen, brandstoffen en grondstoffen voor fabrikaten. Dat die binnenlandsche handel nogal iets beteckent, bewijzen de vele drukbezochte week- en jaarmarkten en het drukke verkeer met vrachtwagens en vrachtschepen. Als voornaamste middelpunten voor het binnenlandsch verkeer dienen te worden genoemd: Groningen (middelpunt van het Noorden dos lands), Leeuwarden, Sneek, Meppel, Zwolle (de plaats, waar 't verkeer van N. en Z. elkander ontmoeten), Deventer, Arnhem, Nijmegen, Tiel, Utrecht (centrum des lands), Amsterdam, Zaandam, Alkmaar, Purmerend, Hoorn, Rotterdam, Dordrecht, Schiedam, Delft, Leiden, Goes, Middelburg, 's-ilertogenbosch, Tilburg, Breda, Maastricht, Roermond en Venloo.

Voor onzen buitenlandschen handel zijn Amsterdam en Rotterdam de hoofdmiddelpunten. Londen, Antwerpen, Hamburg en Bremen zijn aan do Noordzee hare gevaarlijkste en in vele opzichten reeds overmachtige mededingsters. Amsterdam heeft het meeste kapitaal, Rotterdam de meeste handelsdrukte. Door het opheffen van beperkende bepalingen ten opzichte van uit- en doorvoerrechten en door de verbetering van do middelen van verkeer, neemt onze handel nog in bloei toe, hoewel we reeds lang van de eerste plaats zijn verdrongen, die we in de 17e eeuw innamen. De voornaamste kracht van ons vaderland als handelsland schuilt in onze koloniën. Nederland is dicht bevolkt en heeft meer wei- dan bouwland; 't heeft weinig bosschon, bijna geen steenkool en ijzer, geen grondstof voor de katoen fabrieken; 't is dus niet te verwonderen, dat er veel koren en meel (Oost- en Zwarte zee en Vereenigdo Staten van Amerika; jaarl. te zamen voor 40 mill, gulden) en rijst (Oost-Indië; voor ongeveer 15 mill, gl.), veel timmerhout (Noorwegen, Zweden, Rusland en Duitschland; 15 mill, guldon), veel steenkool (Engeland en de Rliurstreek), veel ijzer (Engeland, Duitschland en Zweden), veel ruwe katoen en katoenen garens (Engeland)

p. r. hos, licku. Anrdr.y 80 druk. 5

-ocr page 80-

wordt ingevoerd. Onder de uitvoer-artikelen komen in de allereerste plaats in aanmerking de koloniale waren, en wel vooral koffie, suiker, tabak en tin; verder vee, boter, kaas, vlas, groenten, bloembollen en gedistilleerd.

De Neder 1 andscho Handelmaatschappij, in 1824 opgericht, heeft ten doel, de bevordering van handel en nijverheid in Nederland en zijne overzeesche bezittingen. De regeering heeft eene overeenkomst met haar gesloten, waarbij ze belast is met het overbrengen van producten uit Ttidiö naar Nederland, het vervoeren volgens bepaald tarief van personeel en materieel voor den kolonialen dienst en het verkoopen lüj publieke veilingen van de uit Indië aangevoerde goederen tegen vast commissie-loon.

De Nederlandsche Bank, in i814 opgericht, is eene crediet-instelling, welker hoofdzetel te Amsterdam is; bovendien heeft zij te Rotterdam eene bijbank en in elke provincie minstens één agentschap. Haar maatschappelijk kapitaal bedraagt IC millioen gulden en dient om de beweging en den omzet van het kapitaal te bevorderen. Zij geeft bankbiljetten uit, eigenlijk •schuldbekentenissen der bank, die het circuleeren van 't geld gemakkelijk maken en waarvoor de houder op alle werkdagen desverkiezende klinkende munt kan inwisselen, liovendien neemt zij gelden en geldswaardige papieren in bewaring, onder verplichting, de waarde op bepaalden tijd of te allen tijde weer uit te betalen; zij betaalt tegen zekere korting (disconto) wissels uit, vóór ze vervallen zijn, en leent geld op koopwaren, effecten en vasle goederen.

In de rijks-entrepots kunnen koopwaren worden opgeslagen, waarvan invoerrechten moeten worden geheven; zoolang nu de waren niet tot binnen-landsch verbruik worden verkocht of afgeleverd, behoeft de belasting niet te worden betaald.

§ 42. Nijverheid. Nederland kan geen eigenlijk industrie-land zijn; daartoe ontbreken twee belangrijke grondstoffen, nl. steenkool en ijzer, daartoe zijn snelstroomende beekjes, die den stoom als beweegkracht zouden kunnen vervangen, niet algemeen genoeg aanwezig, en nemen landbouw, veeteelt en handel te veel hoofden en handen in beslag. Toch is de nijverheid in de laatste jaren vrijwat toegenomen.

Nergens heeft Nederland meer het voorkomen van een fabrioksland, dan in Twente en Noord-Brabant, nl. in de Meierij en in Tilburg en omstreken. Hier is de mindere duurte der afgelegen diluviale gronden en vooral der werkkrachten don ondernemingsgeest te hulp gekomen. Hield men zich in Twente vroeger met de fabrikatie van linnen bezig, sedert 1830 hoeft do katoenindustrie de overhand. Schier alle plaatsen in Twente hebben calicot-fabrieken. Bijna het '/^ deel der bevolking bestaat er uit arbeiders in de fabrieken. Hoofdplaats voor de katoen fabrikatie is Enschedé. Do meeste katoenen stoffen worden uitgevoerd naar onze Oost; verder heeft er een belangrijke uitvoer plaats naar do westkust van Zuid-Afrika en het Kongo-gebiel. Rij sen verwerkt veel jute.

In Noord-Brabant wordt wol, vlas en katoen verwerkt. Tilburg is er de hoofdplaats voor wolverwerking. Eindhoven en omliggende dorpen leveren linnen, dat bovendien te Boxtel en bij Tilburg wordt gefabriceerd. Tilburg, Leiden en Vfuils fabriceeren laken.

-ocr page 81-

r.7

Tapijten leveren Deventer, Delft en 't Gooiland.

In de dorpen aan de Langstraat wordt veel gedaan aan leerlooierij 4ü0 leerlooierijen) en aan vervaardiging van schoenen en laarzen.

Waar scheepvaart is, vindt men scheepsbouw en wat daarmede in verband staat. Natuurlijk wordt de scheepsbouw bijna uitsluitend in 't lage gedeelte van ons land uitgeoefend. In 't bijzonder is de scheepsbouw gevestigd langs de Merwede, de Noord, de Nieuwe Maas, in de Zaanstreek en te Amsterdam. Waar scheepstimmerwerven worden gevonden, zijn houtzaagmolens, touw-slagerijen, zeildoekweverijen, ankersmedcrijen en mast- en blokmakerijen in de nabijheid.

De fabrikatie van sterkedranken en likeuren heeft nergens op grooter schaal plaats dan te Schiedam, Delftshaven, Botterdam en Amsterdam. Bierbrouwerijen treft men 't meest aan in Limburg, Noord-Brabant en Amsterdam.

Suikerraffinaderijen vindt men in de groote steden, zoutziederijen in plaatsen niet ver van zee, Wortelsuikerfabrieken zijn het meest in 't W. van N.-Brabant, waar de suikerpeen het meest wordt geteeld. Een' koren- of pelmolen vindt men haast bij ieder dorp; een grooter aantal wordt gevonden in de landbouwstreken. Bekend om hare houtzaagmolens zijn de Zaanstreek en Dordrecht. Olieslagerijen treft men aan in Groningen en Friesland, waar veel koolzaad wordt verbouwd, en vooral in de Zaanstreek.

Stoelen- en mattenvlechterij en hoepelmakerij wordt het meest uitgeoefend in lage streken, waar biezen worden gevonden: Kuilenburg, Vianen, Usel-stein. Vreeland, Jutfaas, Werkendam. In Genemuiden werden de benoodigde biezen van den Biesbosch aangevoerd; tegenwoordig echter zijn de ondiepe streken aan weerszijden van het Zwolsche diep met biezen beplant. Klompenmakerijen zijn vooral in de Graafschap Zutfen en Noord-Brabant te zoeken.

Kuiperijen vindt men meer dan elders daar, waar vaten noodig zijn, om er boter, haring of dranken in te verzenden.

Steen- en pannenbakkerijen zijn langs de groote rivieren (Usel, Waal, Kijn), in de zee-kleistreken ('t N. van Friesland en Groningen) en in 't O. van Gelderland en Overijsel (leem!) ontstaan. In Maastricht, Bergen-op-Zoom, Gouda en Delft zijn aardewerk-fabrieken; in Gouda pijpenbakkerijen.

Kalkbranderijen vindt men langs de Wadden en de Zuiderzee (schelpen): Zwartsluis en Kampen, in Friesland en Groningen; verder in de hoogveenstreken (turf). De turf dient ook tot brandstof in de glasblazerijen van de veenkoloniën Stadskanaal en Nieuw-Buinen. Maastricht, Leerdam en Dordrecht hebben groote glasfabrieken.

Ijzergieterijen vindt men te Deventer, Laag-Keppel, Ter Borg en Gen-dringen. Aan metaal-industrie wordt verder vooral gedaan te 's-Gravenhage, Amsterdam, Botterdam, Utrecht, Zwolle, Hengeloo en Haarlem. Delft heeft 's Bijks werkplaatsen voor oorlogsbehoeften.

Tabak en sigaren worden 't meest gefabriceerd te Amsterdam, Botterdam, Kampen, Eindhoven, Groningen, Arnhem en Wageningen.

Papierfabrikatie is niet zeldzaam op deVeluwe, waar het stroomend water der beekjes zoowel als de stoom als beweegkracht voor de raderen wordt gebruikt; do Zaanstreek en Maastricht hebben do grootste papierfabrieken. — Gouda, Amsterdam en Schiedam leveren stearinekaarsen.

5*

-ocr page 82-

68

Goud- en zilversmederijen zijn daar het meest, waar de welvaart het grootst is, dus in de alluviale streken (oorijzers!). Schoonhoven is bekend wegens zijne goud- en zilversmederijen. De stoom-goud- en zilverfabriek van de firma Van Kempen te Voorschoten. — De diamantslijperijen te Amsterdam verschaffen aan 3000 menschen work. — Rijtuigi'abrieken vindt men natuurlijk het meest in de hoofdstad, de hofstad en de stad der villa's (Amsterdam, 's-Gravenhage en Arnhem).

De garancinefabrieken van Zeeland zijn sterk achteruitgegaan, sedert het gebruik der aniline-vorfstoffen algemeen is geworden.

§ 43. De Visscherij op de binnenwateren wordt vooral op de Friesche meren uitgeoefend (paling). Zalm was vroeger zeer algemeen in de groote rivieren; in de laatste jaren is de zalmvangst door de kunstmatige visditeelt weer van meer belang geworden. Do haringvisscherij was vroeger van voel meer gewicht dan nu; Vlaardingen, Maassluis, Scheveningen en Katwijk hebben er het grootste aandeel in. De a bewoners van Urk, Marken en do

O) '

^3 Zuiderzeestadjes visschen meest op de 4 Zuiderzee. lerseke doet aan oesterteelt; 3 Bruinisse vangt veel mosselen; Bergen-? op-Zoom en Monnikendam brengen § ansjovis in den handel. E § 44. Middelen van verkeer. In ons 1 land had zich op de binnenwateren reeds een druk verkeer ontwikkeld, lang voordat er sprake was van goede wegen; en nog tegenwoordig, nu er zoo vele en goede wegen zijn, worden voor het goederenvervoer in vele gevallen de water- boven de landwegen verkozen. Nederland heeft vele vaarwaters, de meeste in de lagere streken, waar ze niet alleen als verkeerswegen, maar ook als onmisbare middelen van waterafvoer dienst doen. De kanalen der hoogere streken zijn geringer in aantal. De afwisselende hoogte van den bodem maakte vele sluizen noodig (ZuidWillemsvaart, Apeldoorn—Dierensche Kanaal, Noord Willemsvaart). In de veen streken heeft de vermeerderde afvoer van turf de uitbreiding van 't kanaalnet in de hand gewerkt, vooral in Drente, liet Merwedekanaal zal weldra de plaats

-ocr page 83-

60

vervangen van de Keulsche vaart. — Men ga de voornaamste waterwegen op do kaart na.

De belangrijkste kanalen van den laatston tijd zijn ongetwijlüld het Noordzeekanaa 1 en de Nieuwe Waterweg door don Hook van Holland.

Toen men in 't oerst dezer eouw de reis door de Zuiderzee to lang en het gebruik van scheopskameelen, om over do ondiepte der Pampus te komen, te lastig begon te vinden, werd de handel van Amsterdam met achteruitgang bedreigd. Men sloeg de handen aan quot;t werk, en in 1824 werd hot Noordhollandsch kanaal voor 't verkeer opengesteld. Maar op den duur bleek dit kanaal te lang en te smal te zijn, toen de toepassing van don stoom op de scheepvaart meer uitbreiding verkreeg. Men besloot Holland-op-zijn-Smalst door te graven, het IJ naar den kant der Zuiderzee door sluizen af te sluiten en het IJ gedeeltelijk droog te maken, waardoor voor Amsterdam eene directe kanaalverbinding niet de Noordzee zou worden geschapen. Op 1 Nov. 1876 word het Noordzeekanaal geopend. Voor den mond van het kanaal is in de Noordzee de haven van IJmuiden aangelegd. Deze wordt gevormd door twee in zee uitstekende havenhoofden (1530 M. lang), op welker uiteinden havenlichten aanwezig zijn. Wie de haven wil binnenkomen, moet zijne koers zoodanig nemen, dat twee achter elkander op de duinen opgerichte vuurtorens elkander bedekken. Aan weerszijden van de geul, die de verbinding vormt tusschen de haven en het kanaal, zijn kleinere havendammen aangebracht van 480 M. lengte, op welker uiteinden eveneens havenlichten staan. Zoowel in het W. als in 't O. heeft het Noordzeekanaal sluizen (Noordzeesluizen en Oranjesluizen), waardoor vloed en eb Amsterdam niet meer bereiken en een vast waterpeil vóór Amsterdam kan worden behouden.

Toen de verzandende Maasmond niet meer voldoende bleek te zijn als handelsweg van Rotterdam naar zee, werd 1827—29 het Voornsche kanaal gegraven, dat echter voor groote schepen niet bruikbaar is. Deze kwamen gewoonlijk het Brouwershavensche gat binnen, losten daar hunne lading in groote lichters, die dan door stoombooten door het Hollandsch diep, langs Dordrecht en door de Noord naar Rotterdam werden gesleept. Men heeft nu de Nieuwe Maas en iiet Scheur hier en daar verbreed e7i als voortzetting van het laatste water een kanaal door den Hoek van Holland gegraven. Dit is de Nieuwe Waterweg.

De zand-, klei- en veenwegen zijn grootendeels veranderd in kunstwegen: puin-, macadam-, grind- en straatwegen, die natuurlijk daar het meest worden gevonden, waar het verkeer het drukst is. De oudste straatweg van Nederland is de Biltstraat, van Utrecht naar de Bilt (1433). Het dichte net van kunstwegen voedt de hoofdaderen van het verkeer: de water- en de spoorwegen, aan welke laatste de Nederlanders minder behoefte meenden te hebben, omdat ze van de eerste overvloed hadden. Daarbij kwam de aarzeling, veroorzaakt door het vooruitzicht van vele groote en kostbare ijzeren bruggen te moeten bouwen. In 1830 word de eerste spoorweg in ons land (Amsterdam—Haarlem) geopend. Tn do laatste jaren is het eporennet in Nederland echter vrij wat dichter geworden. Utrecht is het middelpunt. —

-ocr page 84-

70

Men ga ae spoorwegen op de kaart na en lette vooral op de plaatsen, waar ze elkander kruisen eu waar ze zich bij andere in het buitonland aansluiten. — In de laatste jaren zijn door den aanleg van stoom- en paarden-tramwegen ook vele kleinere plaatsen in het bezit gekomen van gemakkelijke en goedkoope middelen van gemeenschap.

§ 45. Regeering. De regeeringsvorm in Nederland is constitutioneel-monarohaal. Do uitvoerende macht in den staat berust bij een onschend-baren Koning (Koningin), wiens Ministers verantwoordelijk zijn. De Koning draagt aan de Staten-Goneraal wetsontwerpen voor. Over de voorstellen, die hij aan do volksvertegenwoordiging wil doen, moet de Raad van State worden gehoord, een raadgevend lichaam, waarvan de leden door den Koning worden benoemd. De wetgevende macht berust bij den Koning en de vertegenwoordiging des lands, do Staton-Oeneraal (ie en 2e Kamer). De leden der 2e Kamer, ten getale van honderd, worden door de kiezers gekozen. Do leden der le Kamer worden, ten getale van vijftig, door de Provinciale Staten uit do hoogstaangeslagenen in de directe belastingen of uit bepaald aangewezen categoriën van personen, die een of meer hoogo en gewichtige betrekkingen bekleeden, gekozen. De 2e Kamer heeft liet recht, een wetsvoorstel aan te nemen of te verwerpen en ook er wijziging in te maken. Dit laatste recht (het recht van amendement) heeft de lo Kamer niet. Do 2e Kamer hoeft ook liet recht van initiatief, d. i. om zelve wetsvoorstellen in te dienen.

De vertegenwoordigingen der provinciën heeten Provinciale Staten, die van do gemeenten heeten Gemeenteraden. In de provinciën wordt do Koning door Commissarissen, in de gemeenten door Burgemeesters vertegenwoordigd. De Gedeputeerde Staten, uit en door de Provinciale Staten benoemd, hebben het dagelijksch bestuur en de uitvoering van zaken met den Commissaris in handen, terwijl in do gemeenten de Burgemeester en de Wethouders, welke laatste uit en door den Baad worden gekozen, het Dagelijksch Bestuur vormen.

Do rechterlijke macht zorgt voor het straffen van de overtreding der wetten. Het opperste gerechtshof is de Hooge Raad. Verder heeft men Gerechtshoven (vijf), Arrondissements-Rechtbanken en Kantongerechten.

§ 46. Onderwijs. Voor onderwijs wordt in ons land goed gezorgd, 't Lageronderwijs is het eigenlijke volksonderwijs. Do middelbare scholen worden verdeeld in burger avondscholen, hoogore burgerscholen met vijf-en mot driejarigen cursus, eeno Rijks landbouwschool (Wageningen) en eene polytechnische school (Delft). Hoogeronderwijs wordt gegeven aan do hooge-scholen te Leiden, Utrecht, Groningen en Amsterdam, en aan de gymnasia.

Onze betrekking tot Indië heeft twee inrichtingen voor Indische taal-, land- en volkenkunde (Leiden on Delft) in :t leven geroepen. To Utrecht is eene Rijks-veeartsenijschool. Te Groningen, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Deventer, Middelburg en Maastricht zijn Rijkskweekscholen voor onderwijzers. Haarlem, Arnhem en Groningen hebben kweekscholen voor onderwijzeressen; Amsterdam heeft er eene voor onderwijzers en onderwijzeressen. Breda heeft eene militaire academie, Willemsoord (bij Don Heldor) een instituut voor de marine, Amsterdam eene handelsschool, Enschedé eene industrie-school, Amsterdam en Leiden hebben kweekscholen voor de zeevaart,

-ocr page 85-

71

en zeeviuirlkuiuligo scholen worden bovemlien nog in vele plaat son gevonden. Kampen heeft oen instructie-bataljon.

Inrichtingen, waar onderwijs wordt gegeven aan doofstommen, zijn tc Groningen, Rotterdam en St.-Michielsgostcl; een instituut tot onderwijs voor blinden bezit Amsterdam; eene idiotenschool is in Den Haag opgericht. Hij Zutfen worden vanwege de vereeniging Nederlandsch Mettray verwaarloosde knapen opgeleid tot nuttige leden der maatschappij. Tc Zetten (in de Betuwe) zijn philantropische opvoedingsgestichten voor meisjes. De Maatschappij van Weldadigheid is nog in 't bezit van de koloniën Frederiks-, Willems- en Wilhelmina's-oord.

§ 47. De Provinciën. Nederland wordt verdeeld in 11 provinciën: Noord-Brabant, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen, Drente en Limburg. Maakten vroeger de provinciën, ieder afzonderlijk of ook soms voor een gedeelte gecombineerd, één geheel uit, en werden ze volgens bijzondere privilegiën en handvesten bestuurd, nog tegenwoordig, ofschoon voor do wet gelijk, zijn verschillende eigenaardigheden blijven bestaan. De verschillende grondsgesteldheid, do verschillende belangen en de omstandigheid, dat iedere provincie haar eigen burgerlijk bestuur heeft, hebben meegewerkt, om die eigenaardigheden te doen blijven. Iedere provincie is in een aantal gemeenten verdeeld.

§ 48. Noord- en Znid-IIoUnnd en Zeeland. Ieder buitenlander weet te spreken van 't koninkrijk Holland; de naam Nederland is niet algemeen gangbaar, — wel een bewijs, dat Holland, vroeger één gewest, het over-heerschende element uitmaakt. Nog tegenwoordig zijn de beide Hollanden de provinciën der groote steden en zijn ze het dichtst bevolkt. Handel, veeteelt, land- en tuinbouw, nijverheid, visscherij, al deze bezigheden worden in Holland op groote schaal uitgeoefend. Aan veeteelt wordt meer gedaan dan aan landbouw; do dichte bevolking, de groot® steden en de geschikte grond hebben op vele plaatsen van don tuinbouw eene winstgevende bezigheid gemaakt. De vele waterwerken, de menigte verkeerswegen, de drooggemaakte meren, — alles getuigt van een opgewekt leven en van ondernemingsgeest. Achter de in breedte afwisselende strook zandgrond dor duinen en geestgronden liggen de lage veen- en zeekleilandon, het gebied van polders en droogmakerijen, vroeger reeds beschouwd. De eilanden in 't gebied der zoogenaamde Maasmonden bestaan uit zeeklei, terwijl langs den noordkant der Merwede, langs Lek, Usel, Ouden Rijn en Vecht rivierklei wordt aangetroffen. Ten O. van de Vecht liggen de hoogo zand- en grind-gronden van het Gooi. Nog vaak hoort men historische namen voor afzonderlijke gedeelten der provinciën; West-Friesland niet Drechterland, het noordelijke gedeelte van Noord-Holland tot Alkmaar; Waterland, de streek der drooggemaakte meren ten N. van het voormalige IJ; Kennemerland, de streek der duinen en der geestgronden van Alkmaar tot Zuid-Holland; Amstelland (meest laagveen); 't Gooiland (grootendeels eene prachtige diluviale zandstreek). In Zuid-Holland zijn nog de volgende namen in gebruik: Rijnland, aan weerszijden van den Ouden Rijn; Delfland, 't ZW. (waartoe 't Westland); Schieland (ten O. van 't vorige); de Krimpenerwaard, tusschen Lek, Vlist, Usel en Nieuwe Maas; de Alblasserwaard, tusschen

-ocr page 86-

Lek on Merwede; ten O. daarvan de Yijfheerenlanden; verder liet Over-maassche of do Zuidholiandscho eilanden.

Heelt Holland zijne belangrijkheid grootendeels aan zijne ligging aan zee eu in 't gebied der Rijn- en Maasmonden te danken, ook Zeeland deelt eenigerinate in die gunstige ligging, ofschoon de menigte breedo, maar soms niet zeer diepe riviermonden een beletsel waren voor een snel en gemakkelijk verkeer, terwijl eene spoedige gemeenschap met het overige gedeelte des lands en mot hot buitenland eerst in den laatsten tijd tot stand is gekomen. Po buitenlandsche handel van deze laagliggende landbouwprovincio is vooral ton gevolge van verzanding van sommige vaarwaters achteruitgegaan. Sluis, Aardenburg, Oostburg, Biervliet, Hulst, Middelburg, Veere en Arnemuiden bloeiden vroeger door handel on scheepvaart. De bovengenoemde afgeslotenheid hoeft veroorzaakt, dat oude zeden eu gebruiken hier lang zijn bewaard.

§ 49. Noord-Brabant, Gelderland, Limburg, Overysel en Drente behooren grootendeels tot hot diluvium en vertoonen daardoor eenige overeenkomst. Alle vijf zijn eenigszins heuvelachtig; Drente 't minst. De golvende grond en de rijkdom aan bosschen maken, dat men in Gelderland de schoonste stroken van ons vaderland aantreft. Veen wordt in alle vijf provinciën gevonden, 't meest in Drente eu Overijsel, 't minst in Gelderland. Heeft Drente veenkoloniën, ook Overijsel heeft ze, en in de Peel is Helenaveen ontstaan. Heeft de klei langs de groote rivieren in Overijsel, Gelderland en Noord-Brabant rijke land- en tuinbouwstreken geschapen op do afhelling van het diluvium, in Drente ontbreken do groote stroomen en daarmede de klei. De groen gronden, die doorgaans de kleinere rivieren in haren loop vergezellen, bestaan in Drente hoofdzakelijk uit laagveen, in de overige lüer genoemde provinciën uit beekkloi. Op vele plaatsen wordt er ijzeroor uit gegraven. In Limburg, waar de Maas tusschen hooge oevers stroomt, is de strook rivierklei zeer smal. In 't Z. van Limburg liggen in de vruchtbare en schilderachtige streken vele plaatsen. Zandstuivingen komen voor in alle vijf provinciën, vooral op de Veluwe en in Noord-Brabant. Ten opzichte van do woeste gronden geeft de tabel achterin het werk opheldering. In tegenstelling met de Hollanden eu Zeeland, Groningen en Friesland en westelijk Utrecht, hebben deze hooggelegen provinciën een grootendeels natuurlijken waterafvoer. Limburg levert steenkolen, Drente turf eu keien. De fabrieksnijverheid heeft zich krachtig ontwikkeld in Overijsel en Noord-Brabant; ook in Limburg is zij nogal van beteekenis. Do handel van het diluviale gedeelte van Nederland is van veel minder belang dan die van 't alluviale gedeelte. Drente eu Limburg staan benedenaau. Zwolle, met het nijvere Twente als achterland, en waar de handel van liet N. dien van 't Z. ontmoet, en Arnhem, met Duitschland aan de eene, Amsterdam, Utrecht, Dordrecht eu Rotterdam aan de andere zijde, hebben een vrij belangrijken handel.

Nog in gebruik zijnde historische namen zijn in Noord-Brabant; de Meierij van 's-Hertogoubosch, waartoe het Peelland en hot Kemponland behooren; 'tLand van Altoua en van Heusden, noordelijk vau do Langstraat, eene rij dorpen tusschon 's-Hortogenbosch en Geertruidenberg; de Baronie van Breda. — In Gelderland: do Veluwe en do Veluwezoom (langs Rijn en

-ocr page 87-

73

IJsel); de Betuwe, tusschen Rijn eu Waal; de Tielerwaard, tusschen Waal eu Lingo van Tiel tot Gorkum; de Bommelerwaard, hot eiland tusschen Maas en Waal; 't Land van Maas en Waal, tusschen die twee rivieren, ton 0. van 't fort St.-Andries; het Rijk van Nijmegen; de Lijmers ton Z. van den Ouden IJsel, en de Graafschap Zutfen ten 0. van den IJsel. — in Overijsel: de kwartieren Vollenhoven, Salland en Twente. — In Drente: Zuidenveld (het 0.); de heerlijkheid Kocvorden; Oostermoor (ton NW. van Zuidenveld); het Dievorder dingspil (in 't ZW.; dingspil =r rechtsgebied); het Boiler dingspil ('t midden); het Rolder dingspil (Rolde en Assen), en Noordenveld (in 't NW.).

§ 50. Utrecht, in 't midden des lands gelegen, is half Geldorsch, half Zuidhollandsch; 't oostelijke gedeelte is eene voortzetting van de Veluwe, terwijl in 't NW. laagveen wordt aangetroffen met plassen (ten deele reeds weder drooggemaakt), die door uitbaggering zijn ontstaan, en in 'tZW. klei wordt gevonden. Tusschen den Heimonberg (ook Tafelberg of Grebscho borg geheeten) en den Wageningschen berg begint eene laagte, die zich op de grenzen van Utrecht en Gelderland naar 't N. uitstrekt en Geldersche vallei wordt genoemd. Hier is de Grebbe-linie, welke moet dienen om den vijand voorloopig op te houden. De Hollandsche Waterlinie, van Muiden tot Gorkum, wordt door eene rij van vestingen en forten verdedigd. Binnen deze ligt nog weer een kring van forten rondom Amsterdam. Ten W. van de Geldersche vallei loopt eene heuvelrij, die in 't Gooi eindigt. Voor den binnenlandschen handel is de ligging van Utrecht zeer gunstig.

§ 51. Groningen en Friesland. Overeenkomst in vorm en voorkomen der noordkust doet hier met recht besluiten tot de aanwezigheid van dezelfde grondsoort in het N. dezer provinciën, nl. zeeklei. Vindt men in Friesland veel laagveen, in Groningen is en wordt veel hoogveen vergraven. De Tabel laat zien, dat in Friesland meer aan veeteelt, in Groningen meer aan landbouw wordt gedaan. Sneek, Leeuwarden en Bolsward zijn de hoofdmarken voor de zuivelbereidingsproducten, en Harlingen voert vee uit, terwijl Groningen eene hoofdmarkt voor graan en koolzaad is. De woorden terp, wierde en wert komen in de plaatsnamen der heide noordelijke provinciën nogal eens voor; een bewijs, dat ze de streek der vluchtheuvels zijn. In de streek der Friesche nieren (eigenlijk geene meren meer. doch boezemwateren) wordt veel aan vischvangst gedaan. De van 't midden des lands verwijderde ligging heeft gemaakt, dat kunst- en spoorwegen, inweerwil van de bij uitstek vruchtbare kleistreken, eerst laat hier zijn aangelegd. De lang behouden eigenaardigheden en het hoekige in 't karakter van de Groningers en de Friezen zullen door het drukkere verkeer langzamerhand moeten verdwijnen.

Groningen is ontstaan uit de vereeniging van Groningen en Ommelanden. Tot het rechtsgebied der stad behoorden 't, Gorecht en het Oldambt. De Ommelanden werden gevormd door Hunsingoo, Fivolingoo en het Westerkwartier. Westerwolde, eene afzonderlijke heerlijkheid, behoorde aan de stad. —Friesland bestond uit Oostergoo, Westergoo en Zevenwouden, 't Eerste besloeg het NO., hot tweede het geheele W, en het laatste 't ZO. en 't Z.

-ocr page 88-

74

§ 52. Plnahheschrijvinff.

1. Noord-Holland (Holland = Holtlaml). Amsterdam (400 000 inw.), do hoofdstad des lands, ligt op eon moerassigpn veenbodem. Niettegenstaande

de schijnbaar ongunstige ligging aan het LI, is de stad reeds vroeg tot bloei gekomen. In 't midden van West-Europa aan een veiligen inham gelogen, trok Amsterdam in don tijd, toon do zeereizen veel langer duurden, den jiandel tot zich. Op eetie reis van eeuige maanden, ja van een jaar of nog

-ocr page 89-

75

langer, was de tijd, noodig um in lt;lc iuivon van Amsterdam te komen, niot te lang te noemen, daar de schepen er volkomen veilig waren. Buitendien was Amsterdam, en zij is het nog, de li ij n mond stad, die langs de Keulsche vaart (welke door het grootere Merwede kanaal zal worden vervangen) do waren naar Duitschland kon verzenden. De komst van vele rijke Antwerpenaren, en niet het minst de energie der Nederlanders, kwam de handelsstad ten bate. Toen later de reizen spoediger werden gedaan, zocht Amsterdam door het graven, eerst van 't Noordhollandsch kanaal en later van 'tNoord-zeekanaal met de haven van IJmuiden, in meer directe gemeenschap met do zee te komen. De stad wordt door vele kanalen doorsneden, die haar hot voorkomen van eene eilandenstad geven, ('t Noordsch Venetië.) Het Noordhollandsch kanaal, do Oranjesluizen (naar de Zuiderzee), de Keulsche vaart en het Noordzeekanaal, benevens 4 spoorwegen brengen de voornaamste verbindingen met de buitenwereld tot stand. De verkeerswegen, groote kapitalen, goede dokken, entrepots, vele pakhuizen, de Nederlandsche Bank, al deze zaken doen den handel voortdurend bloeien. Geldhandel, handel in koffie, suiker, thee, tabak, graan. Ook do nijverheid vindt hare beoefenaars: o. a. werktuigenfabrieken, suikerraffinaderijen, scheepstimmerwerven, meubelfabrieken, diamantslijperijen. Voor onderwijs wordt goed gezorgd: o. a. de gemeentelijke hoogeschool, de vrije universiteit, eene handelsschool, oene kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen, een blindeninstituut. Het Rijksmuseum bevat eene eenige verzameling van schilderijen onzer groote meesters. Do dierentuin, Natura Artis Magistra (— de natuur is de leermeesteres der kunsten), is eene der beroemdste van Europa. Do pleinen en kerken bevatten in vele gedenkteekenen menige herinnering aan Neerlands roemrijk verleden. Op den Dam staat het Paleis, vroeger hot Stadhuis; op hot Fredriksplein hot Paleis voor Volksvlijt. In het fraaie Vondelspark een standbeeld voor Neerlands grooten dichter.

In of bij het Gooiland: Muiden (Muiderslot), Weesp, Naar don (vesting), Hilversum (11 900 inw.; fabriek voor tapijten, vele buitens).

Bij den Haarlemmermeerpolder: Aalsmeer, tuinbouw en boomkweekerij.

In Konnomerland: Haarlem (52000 inw.), de hoofdstad van Noord-Holland, aan het Spaarne. De stad dankte vroeger het grootste deel harer welvaart aan de fabrieken, die echter, evenals de bevolking, in aantal zijn afgenomen. Eene katoenfabriek en eene lettergieterij zijn nog tegenwoordig van belang. De handel in landbouwproducten is toegenomen na liet droogmaken van de Haarlemmermeer. Teylers Museum. Paviljoen. De omstreken der stad zijn zeer mooi en doen veel aan bloembollenteelt. Zandvoort (zeebad en visschersdorp). Bloemendaal (krankzinnigengesticht Meerenberg en ruïne van Brederode). IJmuiden (nieuw gestichte havenplaats). He verwijk (vervoer van groenten naar Amsterdam). Uitgeest (bloementeelt).

In de Zaanstreek: Zaandam (14 500 inw., molens en fabrieken), Koog, Zaandijk, Wormorveer. Krommenie, Westzaan (molens, papier-, chocolade- en stijfselfabrieken).

In de streek der meerpolders: Broek (in Waterland; zindelijkheid), Purmerend (handel in kaas, vee en hout'). Rijp (vrij levendige binnen* landsche handel). Monnikendam met verzande haven, die evenwel vour

-ocr page 90-

76

vissehersschcpen toegankelijk is: ansjovis- en haringvangst, Edam (kaas-en houthandel).

Jn West-Friesland: Alkmaar (15 000 inw., grootste kaasmarkt van Nederland, veel vee en graan; ten N. van Alkmaar de tuinbouwstreek do Lange dijk), Sc hagen (veemarkten). Helder (23000 inw., vóór de opening van 't Noord zeekanaal de drukke voorhaven van Amsterdam, quot;erdedigingswerken; Instituut voor de Marine en droogdok te Willemsoord). Op 't schiereiland Drechterland Medemblik (achteruitgegaan, vroegere zetel der Friesche koningen), Enkhuizen (achteruitgegaan, vischvangst), Hoorn (11 000 inw.; belangrijke vee-, kaas- en groentemarkten; goud- en zilversmederijen). Tusschen Hoorn en Enkhuizen eene rij dorpen, de Streek geiieeten, waar veel aan tuinbouw wordt gedaan.

2. Zuid-Holland. Sporen we van Haarlem naar 't ZW., dan vinden we op de geestgronden of op den oostelijken rand daarvan: Hillegom (war-moezerij en bloementeelt). Noord wijk (teelt van geneeskrachtige kruiden). Leiden (40 000 inw.; beroemde Rijksuniversiteit; lakenfabrieken, die vroeger aanzienlijker waren dan nu; marktplaats voor eene menigte omliggende dorpen, vandaar vrij drukke markten voor de voortbrengselen van landbouw, veeteelt en tuinbouw). Bij Katwijk wordt het water van den Ouden Kijn door sluizen in zee gebracht. Aan den Ouden Rijn liggen verder Alfen en Woerden (het laatste een stadje met vele steen- en pannenbakkerijen).

Van Leiden naar 't ZW. voortsporende, komen we langs Voorschoten (stoomfabriek voor goud- en zilverwerken), 's-Gravenhage (156 000 inw., hoofd- en residentiestad, zetel van het rijksbestuur, eene mooie stad met schoone omstreken; het Mauritshuis bij het Binnenhof bevat eene verzameling schilderijen; de handel is niet geëvenredigd aan de grootte der stad; de nijverheid is er beter ontwikkeld; het Haagsche Bosch met het Huis ten Bosch). Ten W. het visschersdorp Scheveningen (druk bezocht zeebad).

De spoorweg brengt ons langs Delft (28 500 inw.; Polytechnische school. Instelling voor onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië, boter- en kaasmarkten, 's Rijks magazijnen en werkplaatsen voor krijgsbehoeften, begraafplaats van de leden van 't Koninklijke huis; aardewerkfabrieken) en Schiedam (25 600 inw.; 314 branderijen, invoer van keren en steenkool, uitvoer van gist en jenever) naar Rotterdam (200 000 .inw.). Gunstige ligging aan de breede Maas: verbinding met de zee langs 't Voornsche kanaal, maar nu korter langs den Nieuwen Waterweg; gemeenschap met binnen- en buitenland bovendien door 3 spoorwegen en door rivieren. De Boompjes, de nieuwe havenwerken op Feyenoord en 8 binnenhavens. Ruim 8/3 der handelsbeweging van Nederland, wat de tonnemaat der schepen betreft, concentreert zich te Rotterdam. De stad is bijzonder gunstig gelegen voor den doorvoer van Duitschland en België (de Maas is overbrugd voor den spoorweg) naar Engeland. De nijverheid is ook van veel belang: o. a. branderijen, metaalfabrieken, suikerraffinaderijen. Kralingen (14 500 inw.), onmiddellijk ten O. van Rotterdam, heeft mooie buitens. Tegenover Rotterdam ligt Feyenoord (fabriek van stoommachines en ijzeren stoombooten).

Ten W. van Rotterdam liggen aan de Maas: Delftshaven (tegenwoordig

-ocr page 91-

77

tot Rotterdam behooronde; de naam herinnert aan den vroegeren bloei van Delft als handelsstad), Vlaardingen (12 000 inw.) en Maassluis (haring-visscherij).

Aan den Usel: Gouda (1!)500 inw.; drukke kaashandel: Stolksnhe kaas, pijpenfabrieken, stearinekaarsenfabriek), ten N. Boskoop (boomkweekerij); Oudewater (kaas- en hennephandel).

Aan de Lek: Vianen en Schoonhoven (de laatste met zalmvisscherij en werkplaatsen voor goud en zilver).

Aan de Linge: Leerdam met paardenmarkten en glasblazerijen.

Aan de Merwede: Gorinchem of Gorkum (11500 inw.; handel in graan, vee en hennep); verder westelijk Giesendam, Sliedrecht, en bij de Noord Alblasserdam (Kinderdijk) — alle woonplaatsen van aannemers en polderlieden; verder vele scheepstimmerwerven.

Op de eilanden: Dordrecht (32 000 inw.; handelsstad, vroeger van moer belang dan tegenwoordig; toch nog aanzienlijke aanvoer van hout uit Duitschland; bovendien is de binnenlandsche handel van veel belang. Molens, touwslagerijen en metaal fabrieken). Ridderkerk (vlasserijen en scheepstimmerwerven), Oud-Beierland (aanzienlijk dorp), Hellevoet-sluis (oorlogshaven). Kriele (achteruitgegaan: verzanding van den Maasmond), Middelhar nis en Sommelsdijk (vischvangst).

3. Zeeland. Op Schouwen: Brouwershaven (de haven, waar de Hollandsche brouwers hun bier voor Zeeland aanvoerden; tegenwoordig oenc voorhaven voor de Maassteden, daar sommige groote zeeschepen hier hunne lading in lichterschepen lossen) en Zieriksee (de handel is achteruil-gegaan, zoo ook de garancinefabrikatie).

Op Duiveland: Bruinisse (voornaamste plaats voor de mosselvangst, veel vertier).

Op Tolen: Tol en (handel op Noord-Brabant; ansjovisvangst).

Op Zuid-Beveland: Goes, de welvarende marktplaats voor de landbouw-voortbrengselen van bloeiende dorpen als Kloetinge, 's-Heer-Arend s-kerke, Heinkenszand. Bij lerseke zijn oesterbanken.

Op het schoone en vruchtbare Walcheren: Middelburg (10 500 inw.; vroeger eene belangrijke koopstad, — het fraaie raadhuis herinnert aan dat bloeitijdperk, — bloeiende binnenlandsche handel in landbouwvoortbrengselen en nijverheid); Westkappel of Westkapelle (sterke zeedijk, welks onderhoud jaarlijks /quot;75 000 kost). Domburg (zeebad), Vlissingen (12 500 inw.; groote, nieuwe havenwerken, spoorwegverbinding, toenemende handel, die echter behoefte heeft aan meer kapitaal, om tot bloei te komen en met dien van Antwerpen te kunnen mededingen; standbeeld voor De Ruyter). Veere en Arnemuiden (beide sterk achteruitgegaan).

In Zeeuwsch Vlaanderen: Sluis (vóór de verzanding van het Zwin de haven van Brugge), Aardenburg, Oostburg en IJzendijke (welvarende landstadjes). Bres kens (haven, veer). Biervliet (Willem Beukelsz.), Ter neuzen, door een kanaal verbonden met Sas-van-Gent (Sas = waterloozing; vroeger was Sas-van-Gent de haven van Gent, nu ligt het een eind van den Braakman verwijderd; handel met Gent), Hulst (korenhandel).

4. Noord-Urabanl. Aan den spoorweg: Borgen-op-Zoom (12 000 inw.;

-ocr page 92-

78

handel in hout, schors en ansjovis), Rozen daal (kruispunt van de spoorwegen van Holland naar België en van Zeeland naar Duitschland; landbouw, handel en nijverheid), Breda (20 800 inw.; handel met België, bierbrouwerijen, Militaire Akademie, schoone omstreken: Prinsenhage), Tilburg (33 800 inw.; 150 wolfabrieken, verder vele leerlooierijen en fabrieken voor werktuigen). Boxtel (kruispunt voor spoorwegen, damastfabrieken), Schijn-del, St.-Oe denrode en Vee hel (klompenmakerijen, levendige dorpen), 11 den (aanzienlijke markten).

De hoofdstad 's-Hertogenbosch (27 000 inw.; drukke markten, aanzienlijke nijverheid; de schoone St.-Janskerk). Ten Z. het mooie dorp Vucht. Verder in de Meierij: St.-Mlchielsgèstel (doofstommen-instituut; gestel buurt), Eindhoven (in het stadje en de omstreken vele fabrieken voor linnen, damast, snuif, tabak en sigaren) en Helmond (linnen-, katoen- en wolfabrieken en ververijen).

Verder dienen nog te worden genoemd: Oudenbosch en Zevenbergen (beide met beetwortelsuiker-fabrieken). Moerdijk (grootste spoorwegbrug van Nederland), Geertrui den berg (fabrieken), Raamsdonk, Waspik, Kapelle, Waalwijk (dorpen aan do Langstraat met vele schoenmakerijen, leerlooierijen en hooibouw); Werkendam (aannemers en polderwerkers), Wou drie hem of Workum (visscherij), Heus den (enkele fabrieken). Oost er wijk (leerlooierijen en schoenmakerijen), Os (veemarkten), Grave, Xuik en Boxmeer (nijverheid).

5. Limburg. Maastricht (32 000 inw.; hoofdstad, mooie ligging aan den voet van den St.-Pietersberg; er is veel nijverheid: eene papierfabriek met OHO werklieden; fabriek van den heer Regout met 2400 arbeiders; de voorstad Wijk op den rechter oever). Meersen, Valkenburg, Gulpen, Vaals (lakenfabrieken), Kerkrade (kolenmijnen), Heerlen, Beek en Sittard (alle plaatsen in het heuvelachtige, schoone en vruchtbare Zuid-Limburg). Koermond (11 700 inw.; handel in landbouw voortbrengselen en fabrieken), Venloo (10 800 inw.; kruispunt van spoorwegen, de groote route Hamburg-Parijs loopt langs Venloo; levendige handel), Weerd (drukke markten). Gennep en Mook.

(3. Gelderland. Arnhem (50 000 inw.; hoofdstad met schoone omstreken, daarom druk bezocht; vele villa's in do nabijheid; het buitengoed Bronbeek is door Koning Willem IH geschonken en tot een verblijf voor invaliden van ons Indische leger ingericht). Hu is en (steenbakkerijen); langs den zuidelijken Veluwezoom in schoone omgeving liggen Oosterbeek, Renkum, Wageningen (tabaksbouw. Rijks landbouwschool, Oranje-Nassau-oord), Kuilenburg (stoelenmakerijen, kunstige spoorwegbrug), Zalt-Bommel (veemarkten), Ti el (graan- en ooftrnarkten, fabriek voor landbouwwerktuigen), Nijmegen (32000 inw.; op den noordelijken uithoek van eene strook hoogen grindgrond; oude stad, op heuvels gebouwd, na do ontmanteling en de tot stand gekomen spoorwegverbindingen snel aangegroeid; het Valkhof en de Heidensche kapel; mooie omstreken). Zevenaar (grensstation), Ter Borg (ijzergieterij), Doutichein (klompenmakerijen). Winterswijk (belangrijk fabrieksdorp), Groenloo, Borkeloo, Loohem en Zutfen (15Ü00 inw.; veel en toenemend verkeer, kruispunt van

-ocr page 93-

70

spoorwegen, brug over den IJsel); in de nabijheid Nederlandsch Mettray (eene inrichting ter opvoeding van verwaarloosde knapen); Bruin men, Dieren en Velp (mooie stroken op den Veluwerand langs den IJsel, niet vele buitens); Doosburg (handel in hout, boter en vee).

Op do Veluwe: Apeldoorn (groot, welvarend dorp met papierfabrieken en eene koperpletterij; in de nabijheid Het Loo). Langs den noordrand dor Veluwe: Nijkerk (handel in tabak, brandhout, schors en honig), Harderwijk (depót van koloniale troepen, visscherij en bokkingrookerij). El burg (bokkingrookerij) en Hat tem.

7. Utrecht. De hoofdstad Utrecht (85 000 inw.; middelpunt des lands; samenkomst van vele wegen; handel en fabrieken; hoogeschool; observatorium van 't Meteorologisch Instituut; Munt; veeartsenijschool; gesticht voor oog-lijders); Amersfoort (15 000 inw.; nijverheid; fabrieken voor zoogenaamd Amersfoortsch; tabaksbouw); Zeist (nijverheid, stichting van de Moravische broeders); Amerongen (handel in tabak en hout); Venen daal (katoenen wolfabrieken; bijenmarkt); Ree non en Wij k-bij-Duurst eile (oude stadjes); Vreeswijk (drukke scheepvaart); Jutfaas (steen-en pannenbakke-rijen); Uselstein (hoepelmakerij); Montfoort (veemarkten); M aars en, B reu kelen, L oen en en Vreeland zijn mooie dorpen aan de Vecht; Soest en Baarn (mooie streken); Soest dijk (Koninklijk lustslot).

8. Overijsel. Zwolle (20 000 inw.; de nette hoofdstad aan de samenkomst van water- en landwegen, drukke markten en meest binnenlandsche handel; nijverheid); Wije en Olst (mooie omstreken; varkenstoelt); Deventer (23 000 inw.; oude stad met eene ijzergieterij en eene tapijtweverij); Raalte, Nijverdal, Rijsen, Goor (drukke markten), Delden, Almeloo, Hengeloo, Enschedé, 01denzaal en Ootmarsum (alle fabrieksplaatsen, vooral katoenfabrieken); Friezenveen (vele Friezenveners hebben winkels in St.-Petersburg); Gramsbergen; Hardenberg; Zwartsluis (kalkbranderijen, turf handel); Gonemuiden (mattenmakerijen); 11 a s s e 11 (kalkbranderijen); Kampen (18 700 inw.; welvarende en rijke stad, in het bezit van 't Kampereiland, dat voor hooibouw in gebruik is; sigarenfabrieken, theologische school; instructie-bataljon); Vollenhoven (visscherij); B1 o k z ij 1 (markten en handel); K u i n r e.

i). Drente,. Assen (8000 inw.; de nog jonge, iu bloei toenemende hoofdstad met een museum van Drentsche oudheden); Norg (paardenmarkten); Veenhuizen (bedelaarsgestichten mot eenige nijverheid); Smilde (bloeiende veenkolonie); Beilen; II oog e veen (11000 inw.; aanzienlijke veenkolonie, do volkrijkste plaats van Drente, drukke scheepvaart); Mep pel (veel verkeer, handel in boter en vee); Koovorden (vroegere vesting); Dalen (mooie streek); Bmmeii, Borger, Gieten en Zuidlaren (op don Hondsrug, de streek dor hunebedden). Het best bewaarde hunebed is dat in de heide dicht aan don spoorweg , bij ïinaarloo, ten ZW. van Zuidlaron; het is wel niet hot grootste, maar het minst geschondene in Nederland. De grootste van de deksteenen is 2.1 M. lang. Het bestaat uit 11 steenon en is 5 M. lang en 2.5 M. breed. Bij de oostgrens de bloeiende veenkolonie N i o u w - B u i n o n (glasblazerijen).

10. Friesland. Leeuwarden (30 000 inw.; de netto hoofdstad met aan-

-ocr page 94-

zien lij ken boter- en gr.ianhandel); Franeker (planetarium van Eise Eisinga); tl ar li u gen (10 300 inw.; belangrijke haven: invoer van Noordsch hout, steenkool en katoen voor Twente; uitvoer van vee, boter, kaas en visch, vooral naar Engeland); Makkum, Workum, Hindeloopen en Stavoren (achteruitgegaan); Lemmer (vaart op Amsterdam); Koudum; Balk (in het bekoorlijke Gaasterland); Joure (Friesche klokken); IJ 1st (Friesche schaatsen); Sneek (11 300 inw.; veel handel in boter en kaas); Bolsward (boter handel); Heerenveen (drukke scheepvaart, in de nabijheid Oranjewoud); Gorredijk, Beetsterzwaag en Drachten (r-eer welvarende dorpen); Berg urn; Dokkum (oud stadje met handel in landbouwproducten); Vrouwen-, St-Anna- en S t-Jacob i-Faroe hie (welvarende landbouwdorpen in het Bildt).

11. Groningen. De welvarende hoofdstad Groningen (55 000 inw.; op het einde van den Hondsrug, veel handel in koren en koolzaad; de fabrieksnijverheid staat niet op denzolfden trap met don handel; hoogeschool, doofstommen-instituut), Appingedam (paardenmarkten); Delfzijl (haven, houthandel); Winschoten (handel). De veenkoloniën Hoogezand, Sap-pemeer, Zuidbroek, Veendam (10 G00 inw.), Wildervank, Oudeen Nieuwe-Pekela en Stadskanaal zijn alle zeer welvarende dorpen met landbouw, scheepvaart en nijverheid. Finster wol de. Beert a, Stedum, Loppersum (ooft), Bedum, Onderdendam, Uithuizen, Warfum, UI rum en Grijpskerk zijn alle welvarende landbouwdorpen; Zoutkamp is een visschersdorp.

§ 53. Buitenlandsche bezittingen. Nederland bezit meer of minder rechtstreeks bijna den geheelen Oosfindischen archipel en de westelijke helft van Nieuw-Guinea; bovendien de kolonie Suriname en van de Kleine Antillen de eilanden Curacao, Aruba, Bonaire, St-Eustatius, Saba en de zuidelijke helft van St-Martin.

II. HET GROOTHERTOGDOM LUXEMHÜRO.

(2600 KM2 ot' 47 GM2; 213 000 inwoners.)

§ 54. Luxemburg- (— Lützelburg, kleine burg). Dit landje, haast zoo groot als de provincie Drente, behoort bijna geheel tot het gebied van den Moezel en wel grootendeels tot het gebied van hare bijrivier, de Sure of Sauer. De rivierdalen zijn, evenals elders in het Lotharingsche en het Ardennen-plateau, diep ingesneden; de rivieren hebben weinig water en een woesten loop. De zuidelijke helft, die tot het Lotharingsche plateau behoort, draagt den naam van Bon Fays of Gutland. De Ardennen, in 'tN., worden hier Oesling geheeten. De wouden, die Luxemburg vroeger bedekten, zijn voor een groot deel verdwenen of hebben plaats gemaakt voor hakhout. Het „Gutlandquot; heeft, vooral in de rivierdalen, ooft- en wijnteelt. Aan veeteelt wordt veel gedaan. De bergbouw levert veel ijzer, 't meest langs de Fransche grens; ook vindt men in Luxemburg vele steengroeven.

Tussohen Nederland en Luxemburg bestond tot den dood van onzen koning Willem III eeno personeele unie. Do Luxemburgers zijn bijna allen

-ocr page 95-

81

Germanon. Roofstad is Luxemburg; de vroeger zoo buitengewoon sterke vesting is sedert 18G7, toon Luxemburg onzijdig verklaard werd, grooten-deels ontmanteld.

III. IIKT nUITSCHE RIJK.

(540 000 KM- of 9800 OM2; 40.8 milliocn inwonors.)

§ 55. Hel Duitsche keizeirijk bestaat in zijn tegenwoordigon vorm sedert 1871. Het strekt zich van don noordrand der Alpen tot de Noord- en do Oostzee, van de Rijnstreken tot over de Weichsel uit. —■ Grenzen?

Noordwestelijk Duitsohland heeft eon klimaat als Nederland, oostelijk en zuidelijk Duitsohland meer eon continentaal klimaat.

De bevolking van Duitsohland bestaat bijna geheel uit Germanen; in 't O. wonen gegermaniseerde Slaven en buitendien nog Slavische stammen, als Kaschuben, Masuren en Polen. De Duitscher vertoont veel overeenkomst in karakter met den Nederlander; hij is echter minder koel, meer „gemüÜichquot;. De bevolking is het dichtst langs den Rijn, den Neckar on do Ruhr, in Saksen, Thüringen en in de industriestreken bij het Reuzengebergte, 't Minst dicht bevolkt zijn de Noordelijke landrug en de Zwabisch-Beiersche hoogvlakte. In Noord-Duitschland is de bevolking voor 71 0/0 Protestantsch, in Znid-Duitschland voor 62 0/0 Katholiek.

't Geheele Duitsche rijk vormt é6n handelsgebied, één Tolverbond, waartoe ook Luxemburg behoort. Het Tolverbond maakt den handel gemakkelijk; vrij verkeer tusschen de verbonden staten, de aanneming van een gemeenschappelijk tarief en vrije uitoefening van handwerken en bedrijven in alle verbonden staten.

Sedert April 1871 vormen do Duitsche staten te zamen het Duitsche rijk, met den koning van Pruisen als Keizer. Bondsraad en Rijksdag hebben de wetgevende macht. De eerste, onder voorzitterschap van den door den Keizer benoemden Rijkskanselier, bestaat uit do vertegenwoordigers van de staten, die den Bond vormen. Do Rijksdag bestaat uit afgevaardigden, die door het volk worden gekozen en dus het geheele Duitsche volk vertegenwoordigen. De afzonderlijke staten hebben hunne eigen regeering. 't Zijn alle erfelijke, constitutioneelo monarchieën, met uitzondering van de drie vrije steden, die republieken vormen.

§ 5G. I)c staten van het Duitsche rijk zijn de volgende:

1. de koninkrijken Pruisen, Beieren, Saksen en Wurtemberg;

2. dc groothertogdommen Baden, Hessen, Mecklenburg—Schwerin, Mecklenburg—Strelitz, Saksen—Weimar en Oldenburg;

3. de hertogdommen Brunswijk, Saksen—Meiningen, Saksen—Altenburg, Saksen—Coburg—Gotha en Anhalt;

4. de vorstendommen Schwarzburg—Rudolstadt, Schwarzburg—Sonders-hausen, Waldeck, Reuss—Greiz, Reuss—Schlciz, Schaumburg—Lippe en Lippe—Detmold;

5. de vrije steden Hamburg, Bremen en Lübeck;

6. het rijksland Elzas—Lotharingen.

p. k. nos, Bekn. Aardr,, 80 druk. C

-ocr page 96-

82

§ 57. IIel koninkrijk Pruisen (348 000 KM2, 28.3 mill. inw.).

Pruisen is de eerste staat van Duitschlancl. Het ligt grootendeels in de vlakte, — alleen in 't ZW. wint het bergland het van de vlakte, — in en langs den noordrand der Noordelijke middelgebergten. Pruisen is in het bezit van den benedenloop der groote Middeleuropeesche rivieren, mot uitzondering van dien van den Donau on don Rijn. liet vormt nu een samenhangend gebied met eenige exclaves, waarvan do voornaamste zijn Hohenzollern, tot het Donaugebied behoorende, en het Jadegebied met de oorlogshaven Wilhelmshafen.

Pruisen is eene erfelijke, constitutioneele monarchie; de volksvertegenwoordiging bestaat uit twoe kamers: het Heerenhuis en hot Huis dei-Afgevaardigden.

Do staat is verdeeld in 12 provinciën: Oost-Pruisen, West-Pruisen, Brandenburg, Pommeren, Posen, Silezië, Saksen, Sleoswijk—Holstein, Hannover, Westf'alen, Hessen—Nassau en de Rijn-provincie, waartoe het district Sigmaringen (Hohenzollern) behoort.

a. O o s t - P r u i s e n is het vruchtbaarst in het N., ten O. van het Koer-sche haf en langs de Memel, en verder in het Pregelgebied. Langs de kusten van hot heuvelachtige Samland, „het Paradijs van Pruisenquot;, wordt barnsteen gevischt. Een vrij groot deel van den landrug is onvruchtbaar. Sedert de ontwikkeling in het land der Masuren is vooruitgegaan, is de opbrengst en de waarde der landerijen daar aanmerkelijk gestegen. Landbouw (rogge, haver en tarwe) en veeteelt (paarden) zijn, met een aanzienlijken handel, de hoofdbezigheden der bevolking.

Koningsbergen (150 000 inw.), met de voorhaven Pillau, heeft zeer belangrijken handel in koren en hout. Memel voert veel hout uit. Paarden-stoeterij in het dorp ïrakehnen.

h. West-Pruisen is zeer vruchtbaar in de lage Weichsoldelta, maar het grootste deel der provincie bestaat uit den onvruchtbaren landrug.

De ouderwetsche handelsstad Danzig (1 15 000 inw.) ligt in eene mooie, heuvelachtige en vruchtbare streek; voorhaven is Neufahrwasser, waar tegenover de vesting W e i c h s e 1 m ü n d e ligt. E1 b i n g heeft fabrieken en binnenlandschen handel in koren, hout en vee.

e. Brandenburg is over 't geheel zandig en onvruchtbaar, rijk aan meren en moerassen. Zeer vruchtbaar is het Oder-broekland. Hoofdbezigheden zijn handel, nijverheid en schapenteelt; de landbouw speelt eene ondergeschikte rol. In het moerassige Spreewoud leven de steeds in aantal afnemende Slavische Wenden.

Berlijn (1.3 mill, inw.), hoofd- en residentiestad, is tevens do hoofdstad van het Duitsche rijk en de zetel van zijn bestuur. De stad ligt in eene deels zandige, deels moerassige omgeving aan beide oevers van de Spree, midden in de Noordduitsche vlakte, in het kruispunt van land- en waterwegen en in het vereenigingspunt van zeer vele spoorwegen. Do staatkundige gebeurtenissen zijn van grooten invloed op do ontwikkeling van Berlijn geweest; want juist in de laatste jaren is de bevolking verbazend toegenomen: in 1858 had Berlijn nog slechts 458 000 inw. Uit de menigte gedenkteekenen ter eere van militaire vorsten en generalen, de groote kazernes en het

-ocr page 97-
-ocr page 98-

84

prachtige tuighuis blijkt het duidelijk, dat Berlijn de hoofdstad en het centrum van een militairen staat is. Vele oude, eerbiedwaardige gebouwen en nauwe, bochtige straten heeft Berlijn natuurlijk niet. De Berlijnsche beurs is de belangrijkste van Duitschland; voor wol is Berlijn de voornaamste markt van Europa. Onder de 2000 fabrieken moeten vooral die voor allerlei ijzerwaren worden genoemd. Inrichtingen voor onderwijs zijn er vele. — Potsdam is de stad van kazernen en soldaten. Frankfort (54 000 inw.) hoeft handel (missen) en nijverheid. Küstrin en Span dan zijn vestingen.

d. Pom meren heeft in het westelijke gedeelte diep ingesneden kusten; de westelijke helft, buiten 't gebied van den landrug, is veel vruchtbaarder dan de oostelijke; langs de kust vischvangst eu scheepsbouw. Tot Pommeren behoort het mooie, heuvelachtige eiland Rfigen. Pommeren heeft maar éóne belangrijke stad, nl. Stettin (100 000 inw.), met veel handel; voorhaven Swinemünde.

e. Posen is een deel van 't vroegere koninkrijk Polen; de plattelandsbevolking is dan ook nog grootendeels Poolsch. Posen (08 000 inw.) en Bromberg zijn de voornaamste steden; de laatste is er de belangrijkste handelsstad. Evenals in geheel Polen en de Poolsche landen wonen ook hier vele Israelieten.

f. Silezië wordt door het Oderdal in twee deelen verdeeld. De vlakte houdt zich 't meest bezig .net landbouw en veeteelt, terwijl het hoogland van Tarnowitz veel kolen, ijzer, zink en lood levert; dit Oppersilezische kolenbekken is het voornaamste van oostelijk Pruisen. Langs den voet van de Sudeten (kolen bij Waldenburg!) liggen vele industriesteden, waarvan Görlitz (5G 000inw.) de voornaamste is. Ete hoofdstad Breslau (300 000 inw.) is de tweede stad van Pruisen met bekende wolmarkten, veel handel en nijverheid.

g. Saksen is zeer onregelmatig van vorm en zeer ongelijk van bodem. In 't W. en ZW. is de provincie bergachtig (de Harz en de vruchtbare Goldene Aue). Over 't geheel is het land vruchtbaar, vooral langs de Saaie, den Unstrut en de Elbe; ten O. van deze laatste is echter de bodem zandig. Landbouw en veeteelt, bergbouw en zoutwinning.

Maagdenburg (114 000 inw.) ligt als kruispunt van spoorwegen zeer gunstig; handel en belangrijke nijverheid. Halle (— zoutstad; 82 000 inw.) levert bronzout. Erfurt (58 000 inw.) heeft tuinbouw en bloementeelt. Suhl fabriceert geweren.

h. Slees wijk—Holstein heeft in 't midden den onvruchtbaren landrug („Geestquot;), langs de westkust vruchtbare, door dijken beschermde kleigronden („die Marschquot;), waarvoor zich de Wadden uitstrekken, en langs de oostkust eveneens een vruchtbaren bodem. De hoogste gedeelten van de Wadden zijn de Noordfriesche waddeneilanden. De oostkust heeft diepe insnijdingen, die daar voor 't verkeer dienst doen als rivieren. Landbouw en veeteelt (veel vetweiderij op de Sleeswijksche marschgronden) zijn de hoofdbezigheden.

Altona (105 000 inw.) is eene belangrijke handelsstad, in de onmiddellijke nabijheid van Hamburg. Kiel (52 000 inw.) is eene oorlogshaven.

i. Hannover heeft landbouw en veeteelt in do kleistreken langs de kust, schapen- en bijenteelt op de Lüneburger heide, zeehandel in de steden

-ocr page 99-

85

aan de riviermonden en berg- en boschbouw in den Harz. De venen van Groningen, Drente en Overijsel hangen samen met de groote veenviakten in 't W. van Hannover, waar Papenburg de aanzienlijkste veenkolonie is. Hannover (140 000 inw.) aan de Leine, is mooi gebouwd; handel cn nijverheid. Osnabrück is eene nijvere stad met linnenhandel. Papenburg, Leer en Emden hebben levendigen handel. Wil helm shafen is eene oorlogshaven in het Jadegebied. In het bergachtige Z. ligt Goslar met zijn zilverrijken Rammelsberg, het mijnbouwende Clausthal en de universiteitsstad Göttingen.

k. West falen levert in het bergachtige Z., het Sauerland, veel steenkool on ijzer (Ruhr); daar zijn bergbouw en nijverheid de hoofdbezigheden. Tusschen den Haarstrang en de Lippe ligt de vruchtbare „Heilwegquot;. In 't NO., bij de grenzen van Lippe—Detmold, is de bodem zeer schraal; voor 't overige is hij over 't geheel vruchtbaar te noemen. .Men doet er veel aan varkensteelt (hammen). Munster is het punt, waar het verkeer in de Munstersche bocht samenkomt. Bielefeld heeft linnenhandel. Minden is eene voormalige vesting bij de Westfaalsche poort. Dortmund (78000 inw.) en Iserlohn zijn zeer nijvere steden.

I. Hessen—Nassau is zeer vruchtbaar in het Maindal (koren, ooft en wijn); de Rheingau is eene schoone wijnstreek; de bergstreken leveren veel mineraalwater en leien, ook ijzer en bruinkool. Cassel (58 000 inw.) is de hoofdstad; in de nabijheid de Wilhelmshöhe met prachtige parken en waterwerken. Ems is eene druk bezochte badplaats aan de Lahn; zoo ook Wiesbaden en Homburg aan den voet van den Taunus. Frankfort a/M. (rrovertochtsplaats der Franken; 155 000 inw.) is eene groote handelsstad; beroemde missen; lederhandel; geldmarkt; gunstige ligging aan 't noordelijke einde der Bovenrijnsche vlakte, aan den mond van Maingau en Wettcrau.

m. De Rijnprovincie is in het vlakke N. en in de rivierdalen vruchtbaar. De gebergten, vooral de Eifel, zijn onvruchtbaar. In de dalen van den Rijn en den Moezel wordt aan wijnbouw gedaan. Aan de Saar en aan de Ruhr vindt men veel kolen. De centra voor de levendige industrie zijn de Ruhr en de Wüpper en de streek langs Nederland en België. De hoofdader voor 't verkeer is de veel bezochte Rijn met zijn dubbelen spoorweg.

Keulen (160 000 inw.) is het middelpunt van de Rijnsche bocht. In de middeleeuwen was het de hoofdplaats van de Benedenrij nsche kerkprovincie en de stapelplaats van den handel van Nederland met West- en Zuid-Duitschland. Aan dien bloeitijd herinnert de prachtige dom. Na oen' tijd van verval is eene periode van welvaart gekomen: kruispunt van spoorwegen, handel en nijverheid. Dusseldorf (115 000 inw.) is de haven voor 't nijvere Wüppergebied, waar de dubbelstad Elberfeld—Bannen (210 000 inw.) met vele katoen-, linnen- en zijdefabrieken, en Solingen en Remscheid, beide met vele ijzer- en staalfabrieken, liggen. Ruhr or t heeft belangrijken kolenhandel; 't is de haven voor het industriëele Ruhrgebied, waarvan Essen (57 000 inw.), met zijne bergwerken en de grootsche fabrieken voor gietstaal en kanonnen van de lirma Krupp, de hoofdplaats is. Coblenz, met de bergvesting E hren b re i t s te i n, drijft aanzienlijken andel. Indo

-ocr page 100-
-ocr page 101-

westelijke industriestreek liggen Crofeld (00 000 inw.), met zijde- en Üuweelfabrieken, on Aken (95 000 inw.), met lakenfabrieken.

In 't district Sigmaringen bij Heehingen de burcht Hohenzollorn.

§ 58. Hel koninkrijk Saksen (15 000 KM2, 3.2 mill, inw.) is do belangrijkste van de kleinere Middelduitsche staten. Het N. is zeer vruchtbaar laagland; naar het Z. wordt de bodem hooger en onvruchtbaarder, doch levert als vergooding zeer veel kolen, ijzer, zilver, koper, tin en lood, zoodat zich op het ruwe Ertsgebergte belangrijke mijnontginning en nijverheid hebben ontwikkeld. Ook op de noordelijke helling van het Lausitzer bergland liggen vele industrieplaatsjes. Landbouw en veeteelt worden in Saksen met zeer goed gevolg uitgeoefend. De bevolking is zeer dicht en wel ontwikkeld; vele bergstreken lijden aan overbevolking, zoodat er menigmaal armoede heerscht. Saksen is het land der steden.

Dresden (245 000 inw.), de hoofdstad, aan weerszijden van de Elbe met rijke kunstverzamelingen. Meissen is eene oude stad met de oudste porseleinfabriek van Europa. Leipzig (170 000 inw.) ligt in eene vruchtbare streek, aan de samenkomst van verscheiden wegen; missen, boekhandel. In de omgeving zijn vaak slagen geleverd. Freiburg heeft eene nüjnbouw-academie en veel mijnontginning. Chemnitz (110 000 inw.) is do grootste fabrieksstad van Saksen; tevens vele mijnwerken. Annaberg heeft mijnontginning en kantknooperij.

§ 59. De kleine Noord- en MiddelduUsche staten.

a. Oldenburg is een landbouw- en veeteeltstaatje met weinig steden. Langs de zee en den Wezer klei, verder binnenwaarts incest veen en zand. Tot Oldenburg behooren do vorstendommen Lübeck en Birkenfeld; in hot laatste zijn agaatslijperijen. De hoofdstad Oldenburg heeft paardenmarkten.

h Do vrije steden zijn de laatste overblijfselen van de middelecuwsche Hanze.

Bremen (120 000 inw.), de tweede Duitsche zeehaven, veel handel op Amerika, vertrek van landverhuizers, invoer van tabak, katoen en petroleum. De groote zeeschepen blijven in Brem er haf en.

Het prachtige Hamburg (300 000 inw.) is do eerste handelsstad van Duitschland en van 't vastland; de beurs wordt dagelijks door 3 a 4000 kooplieden bezocht. Voorhaven is Cuxhaven.

Lübeck (55 000 inw.) is achteruitgegaan; toch is de handel op de Oostzee vrij aanzienlijk. Voorhaven ï r a v e m ü n d e.

c. De Mecklenburgen zijn vruchtbaar langs de zee; do merenrijke landrug is meestal minder vruchtbaar; sommige gedeelten er van zijn zelfs zoodanig met Skandinavische keien en grind bezaaid, dat ze voor landbouw geheel onbruikbaar zijn. Landbouw en veeteelt zijn do hoofdbezigheden, Schwerin, in eene aangename streek aan een meer, en Neustrelitz zijn de hoofdsteden,

d. Brunswijk bestaat uit een vlak noordelijk dool, waar landbouw op den voorgrond treedt, en twee zuidelijke stukken in 't gebied van den Harz, waar mijnontginning en veeteelt hoofdbezigheden zijn. Hoofdstad is het ouderwetsche Brunswijk (85 000 inw.).

-ocr page 102-

88

e. Anhalt wordt door do Elbe ca de Saaie doorstroomd, terwijl het weatelijke deel tot in den Harz reikt; hoofdstad is Dessau.

f. De vorstendommetjes Lippe—Dotmold, Schaumburg—Lippe en Waldeck zijn ware miniatuurstaatjes. Bij D et mold staat het reusachtige Hermans-beeld. In Waldeck zijn te noemen Arol son en do badplaats Pyrmont.

g. De Thiiringsche staten zijn voor de helft bouwland (Goldene Aue); industrie wordt veel uitgeoefend, vooral in Weimar en Renss. De levendige handel wordt krachtig gesteund door den Thüringschen spoorweg, waaraan liggen Weimar (de stad der groote dichters), Got ha (bet Geogralisch Instituut van Perthes) en Eisenach (Wartbnrg).

h. 't Noordelijke doel van 'tgroothertogdom Hessen wordt grootendeels door het Vogelsgobergte ingenomen; limgs den zuid westvoet daarvan strekt sich evenwel do vruchtbare Wetterau uit. Do zuidelijke helft is, vooral langs den wosb oet van 't Odenwoud, zeer vruchtbaar (ooft en wijn in de „Bergstrassequot;). Hier liggen Mainz ((iG 000 inw.), met handel, do hoofdstad Darmstadt en het aloude Worms (Oudduitscho heldensage).

§ 60. De Zuidduilsche staten.

a. Beieren (76 000 KM2, 5.4 mill, inw.) bestaat uit een klein westelijk deel (Rijn-Palts) en een grooter oostelijk. Hoofdbezigheden zijn landbouw en veeteelt; het hoogst staat de landbouw in de Rijn-Palts, waar ook, evenals in 't Maindal, aan wijnteelt wordt gedaan, '/g van 't land is met woud bedekt. Delfstoffen vindt men er weinig, o. a. bronzout in de Salzburger Alpen en lithografischen steen bij Solenhofen. De nijverheid staat achter bij die van vele andere Duitsche landen, maar zo gaat tegenwoordig krachtig vooruit: beroemde bierbrouwerijen, doch daarenboven katoen- en ijzerfabrieken. In weinig landen worden de schoone kunsten zoo gesteund door de regeering, als in Beieren.

München (260 000 inw.) aan den Isar is door Lodewijk I tot „het Duitsche Athenequot; geworden; vele kunstverzamelingen. De stad heeft laken-on machinefabrieken. De haven Lindau in het Bodenmeer is door een' spoorweg verbonden met de vroeger zoo belangrijke handelsstad Augsburg (65 000 imv.). In de kniebocht van don Donau ligt Rogensburg, dat na een langen tijd van verval nu weer vooruitgaat. Bij den mond der Inn ligt Passau in liefelijke omgeving. Het middeleeuwscho Neurenberg (115000 inw.) is na eeno periode van verval wel niet tot zijne vroegere grootheid teruggekeerd, maar neemt toch aanzienlijk in welvaart toe: metaalgieterij, machinefabrieken, fabrieken voor kinderspeelgoed en in do nabijheid de potloodfabriek van de firma A. W. Faber. Schwoinfurt heeft fabrieken (Schweinfurtor groen). In Rijn—Beieren ligt Spiers.

h. Wurtemborg (19 500 KM2, 2 mill, inw.) is in 't Z., vooral in de strook van de Rauhe Alp, onvruchtbaar. Het liefelijke Neckardal daarentegen is zeer vruchtbaar en dicht bevolkt. Nijverheid en handel nemen toe. Wurteinbergs steden liggen meest alle in 't wijnrijke Neckardal: Stuttgart (126 000 inw.), de hoofdstad, hoofdzetel van don Zuidduitschen boekhandel; Esslingen heeft eeno groote machinefabriek; Heilbronn heeft veel handel en fabrieken. Bij U1 m wordt do Donau bevaarbaar.

c. Baden (15 000 KM1, 1.6 mill, inw.) is vruchtbaar in de Bovenrijnsche

-ocr page 103-

89

vlakte en aan het Bodomneer (ooft-, wijn-, tabaks- en landbouw). Het schoone Zwarte woud is met dichte sparren- en dennenbosschen bezet (houthakkers, kolenbranders, houtvlotters, houtsnijders, uurwerkmakers). De meeste steden liggen aan den spoorweg, langs den voet van 't gebergte, waar schoone dalen op de vlakte uitmonden. Waar de Neckar in don Rijn stroomt, de belangrijke handelsstad Mannheim (CO 000 inw.); waar hij 't gebergte verlaat, da universiteitsstad Heidelberg in schoone omgeving. Verder Karlsruhe (GO000 inw.), de regelmatig gebouwde, in 1715 gestichte hoofdstad. Pforzheim is de belangrijkste fabrieksstad. Baden-Baden is eene beroemde badplaats. C ons tan z is achteruitgegaan.

d. Elzas—Lotharingen (14 500 KMS, l'/g mill, inw.) bestaat uit een deel van de vruchtbare Bovenrijnsche vlakte, den oosteiijken kant der woudrijke Vogezen en een gedeelte van de Lotharingsche hoogvlakte. Landbouw en voeteelt zijn naast handel, nijverheid en mijnwezen de bezigheden, Mühlhausen (70 000 inw.) is eene belangrijke fabrieksstad: spinnerijen, laken- en machinefabrieken. Straatsburg (112 000 inw., — beteekenisvan den naam der stad? — belangrijke handel). Bij Zabern of Saverne is een pas door do Vogezen, waardoor oen spoorweg en het Marne—Rijnkanaal (handelsweg Parijs—Weenen). Metz aan den Moezel is eene belangrijke vesting.

§ 01. Buitenlandsche hcxitlingcn. In Afrika: Kameroen, bezittingen op Zuid-Afrika's westkust en op Zuid-Afrika's oostkust. In Australië: do Marshalls-eilanden, Keizer-VVilhelmsland op Nieuw-Guinea, de Bismarck-Archipel en een deel der Salomonseilanden.

IV. HET KONINKRIJK BELGIË.

(29 500 KM?2 of 535 GM-, 6 milliocn inwoners.)

§ 02. Liijgiiuj, Natuurlijke gesteldheid, Bevolking, Voortbrengselen cn Bezigheden. België behoort gedeeltelijk tot het hoogland der Ardennon, gedeeltelijk tot de laags-lakte, Tusschen beide loopt ten N. van do Sambre en de Maas eene zacht golvende, met vruchtbare löss bedekte strook heuvelland , van oudsher de weg voor den handel zoowel als voor de legers, tusschen de ruwe, moeilijk begaanbare Ardennen en het vroeger moerassige Noord-België door. Hier was vaak het slagveld, waarop Germanen en Romanen elkander ontmoetten. In 't N. van Antwerpen en Limburg worden do onvruchtbare Kempen gevonden, die echter met ijver worden ontgonnen. In taal en afstamming zien we Belgiës karakter als overgangsland tusschen 't Germaansche Nederland en Duitschland aan de eene en 't Romaansche Frankrijk aan de andere zijde weerspiegelen. De grootste helft der bewoners zijn Vlamingen (in do vlakte), die Vlaamsch, do kleinste helft Walen (in 't bergland), die Fransch spreken. De ongelijkheid in taal en afstamming heeft nogal eens oneenigheid ten gevolge. De bevolking is Katholiek. Helgië is hot dichtst bevolkte land van Europa: de bevolking is hot minst dicht in Luxemburg, het dichtst in Oost-Vlaanderen. — Voor de grenzen zie men de kaart.

De oorzaken van Belgiës bloeiende nijverheid moeten hoofdzakelijk worden gezocht iu do volgende omstandigheden: do vroege ontwikkeling on welvaart

-ocr page 104-

90

van Vlaandoren in verband met do breedo monden van de Schelde en liet Zwin en do ligging in 't midden van West-Europa, de rijkdom aan steenkolen, de levendige en ondernemende geest van de Walen en de Vlamingen beiden, waarbij in lateren tijd nog kwamen: het dichte net van spoorwegen en de vrijzinnige staatsregeling. De Belgische steenkolen liggen in hot Sambro—Maasdal, vooral bij Bergen, Charleroi en Luik. België is het vijfde kolenland der aarde; het wordt alleen overtroffen door Engeland, de Ver-eenigde Staten, Duitschland en Frankrijk. Dat de ijzermijnen in de onmiddellijke nabijheid der kolenbeddingen liggen, is een groot voordeel; ook de provincie Luxemburg levert ijzer. Van Charleroi tot Luik is het Sambre— Maasdal bezaaid met ijzerfabrieken. Naast de ijzorindustrio staat de fabrikatie van katoenen, wollen en linnen stoffen en kant. België is de eerste nianu-factuurstaat van Europa. De Walen in 't bergland hebben zich hoofdzakelijk op do bewerking van ertsen en de vervaardiging van metaalwaren toegelegd, terwijl de Vlamingen in de vlakte reeds vroeg zich bezighielden met de fabrikatie van geweven stoffen.

Ofschoon de bodem voor een groot deel niet zeer vruchtbaar is, wordt hij toch met zorg bebouwd; door ingespannen arbeid zijn vooral do Vlaan-derens belangrijke gewesten geworden voor land- en tuinbouw en veeteelt. De handel, vooral de landhandel (vele spoorwegen), is zeer aanzienlijk.

Do regeeringsvorm is beperkt monarchaal. De kamers dragen den naam van Huis der Senatoren en dat der Afgevaardigden.

§ (53. Verdeeliny cn Plaatsbeschrijving. De grootendeels Vlaamsche provinciën zijn: West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Brabant en Limburg; de Waalsche: Henegouwen, Namen, Luik en Luxemburg.

België heeft vele steden en groote steedsche dorpen. Ze liggen meest in de gebieden van de Schelde (de rivier der vlakte, die voor België van meer belang is dan de Maas, omdat zij beter bevaarbaar en de mond dichter bij is) of van de Maas (de rivier van 't bergland). De steden van het eerste gebied zijn meest Vlaamsch, die van het tweede Waalsch. Aan de met duinen bezette kust liggen weinig plaatsen.

In 't schilderachtige Maasdal: Namen (waar de Sambre in de Maas valt; messenfabrieken), Seraing (ijzergieterijen en machinefabrieken in menigte) en Luik (14C 000 inw.; bij den mond der Ourthe; groote ijzerfabrieken). Aan de Sambre de vesting Charleroi (kolenmijnen en ijzerfabrieken). In het gebied dor Vesdre, rechter bijrivier van de Ourthe: Spa (badplaats) en Verviers (50 000 inw.; lakenfabrieken).

Aan de Schelde: Tour nay of Doornik (fabriek voor katoen waren), Gent (150 000 inw.; hoofdstad van Oost-Vlaanderen: manufactuurfabrikatie), Antwerpen (220 000 inw.; Belgiës voornaamste zeestad, levendige handel). Aan de Haine: Mons of Bergen (hoofdstad van Henegouwen te midden van rijke kolenmijnen). In 't midden des lands de hoofdstad Brussel (met de voorsteden ongeveer 500 000 inw.; kantfabrieken; de nienwe stad is prachtig gebouwd: Klein Parijs; in het oude gedeelte zijn de meeste fabrieken). Ten Z. van de stad Waterloo. Aan de Dijle: Leuven (bierbrouwerijen en lakenfabrieken, achteruitgegaan) en Mechelen (50 000 inw.; een kruispunt van spoorwegen; kantfabrieken). Hasselt aan de Demer.

-ocr page 105-

01

Aan de kust, die veel overeenkomst vertoont met de westkust van Holland, ligt de zeehaven en badplaats Os ten de.

Hoofdstad van West-Vlaanderen is Brugge, vóór de verzanding van liet Zwin, in de 14e eeuw, de havenstad van lielgic en de marktplaats van Noord-Europa voor de Indische waren. Eeno menigte gebouwen herinneren den vroegeren bloei. Nu telt de stad nog slechts 47 000 inwoners.

\ '

V. DE REPUBLIEK FRANKRIJK.

(530 000 KM- of GM2, .*38 milliuon inwoners.)

§ 64. Ligginij, XaluurUjhc gesteldheid, Klimaat. Naar de noordoostzijde ligt Frankrijk en daarmede de toegang tot Parijs geheel open; vandaar dat aan die grens eene rij vestingen ligt. Naar de overige kanten heeft Frankrijk

natuurlijke grenzen. Aan den oceaan zoowel als aan de Middellandsohe zee en het Kanaal en tevens in de buurt van meestal nijvere en handeldrijvende landen gelegen, deelt Frankrijk eenigszins de gunstige ligging zoowel van Engeland als van Italië. Zijn de kusten ook al op verrena niet overal even geschikt voor havens, — de duinkust van de heidevelden (Landes) in 'tZW. en de Rhone-delta, alsmede de west- en zuidwaarts daarvan gelegen kusten zijn dit wel liet minst, — Frankrijk hoeft verscheiden goede zeehavens, en de beste daarvan liggen in 't ZO. (Marseille en Toulon) en aan de monden van de Seine, de Loire en de Garonne.

Frankrijk behoort voor een klein deel (in. 't ZO.) tot het gebied dor West-Alpen, waar de Col di Tenda (Nizza—Turijn) en do pas van den Mont Cenis (Lyon—Isore-dal—Turijn) de voornaamste overgangen zijn naar

-ocr page 106-

92

Italië. Op de Zwitsersche grens loopt de Jura met zijne evenwijdige ketenen en zijne nijverheid. Naar 't N. volgt hierop de Bourgondische poort (vesting Belfort, Rlinue-Rijnkanaal), waarna de Lotharingsehe hoogvlakte zich verheft, welks oostrand tot de Vogezen aanzwelt. Daarmede zijn we gekomen bij de eigenlijke Fransche middelgebergten, die zich van 't W. uit als een schuins oploopend hoogland vertoonen, dat naar den kant der Rhöne steil daalt. Zoo wordt Frankrijk in twee deelen gescheiden; een grooter Atlantisch en een kleiner Middellandsche-zeegebied. De laagte tusschen de Pyreneën en de Ccvennen brengt de beide gebieden met elkaar in gemeenschap: Oanal du Midi. Maar ook in de noordhelft van het Fransche middelgebergte geven laagten zoowel aan spoorwegen als aan kanalen dikwijls gelegenheid om Oost- en West-Frankrijk met elkaar te verbinden: Canal du Centre, Canal Je Bourgogne. Aan 't binnenlandsch verkeer legt de bodem dus niet al te groote moeilijkheden in den weg. Het slechtst is het te dezen opzichte gesteld in het Centrale hoogland.

West-Frankrijk heeft een zeeklimaat. In 't hooggebergte is 't klimaat ruw. Provence kent bijna geen' winter.

§ 65. Bevolking, Bezigheden, Voortbrengselen, Regeering. De Franschman is levendig, voorkomend, gezellig, geestig, galant, lichtzinnig, opbruisend, roemzuchtig, geheel een man van de wereld, die graag schittert door vernuft. De bevolking is 't dichtst in de noordelijke, aan België grenzende industriestreken, langs het Kanaal, in en om Parijs en Lyon. De Katholieke godsdienst wordt algemeen beleden.

Van de kenmerkende voortbrengselen moeten in de eerste plaats genoemd worden wijn en ooft. Frankrijk is het eerste wijnland der aarde: Bordeaux-, Bourgogne- en Champagnewijnen. Normandiê levert zeer veel ooft- en vruchtenwijn; in 't Z. olijven, amandelen en kastanjes. In 't Rhóne-dal moerbeiboomen en zijderupsen. Landbouw en veeteelt zouden van meer belang kunnen zijn; korenbouw meer in 'tN. dan in 'tZ. Hoewel Frankrijk veel ijzer levert, zijn de ijzer- evenmin als de steenkolenmijnen in staat om in do groote behoefte van het land te voorzien. De voornaamste kolenbekkens vindt men bij Valenciennes (de voortzetting van het Belgische bekken), bij St-Etienne en bij Le Creusot.

Nijverheid en handel verheugen zich in een grooten bloei. De zin voor het sierlijke, die den Franschman kenmerkt, komt hem in de kunstindustrie bijzonder te stade. De voornaamste tak van nijverheid is de vervaardiging van geweven en gesponnen stoffen, waar zich meer dan 2 millioen menschen mee bezig houden; o. a. te Lyon (zijde), Rouen (katoen), Lille of Rijsel (wol en linnen). Parijs is bij uitnemendheid do fabrieksplaats voor allerlei voorwerpen van kunsten smaak. Ijzerwaren leveren Le Creusot en St-Etienne. Besanoon fabriceert horloges. Sèvres porselein. — Frankrijk is de tweede handelsstaat van Europa.

Frankrijk is eene republiek, waarin de regeering wordt uitgeoefend door de kamer der afgevaardigden (door 'tvolk gekozen, 1 op elke 100 000 inw.), den senaat (300 leden) en den president, die voor den tijd van 7 jaren door den senaat en de kamer van afgevaardigden wordt gekozen. De president kiest zijne verantwoordelijke ministers.

-ocr page 107-

93

Frankrijk wordt in 87 departomenten verdeeld. De namen van de deelen,

waaruit Frankrijk is ontstaan, als Normandië, Bretague, Vlaanderen, Champagne, Bourgondië, Provence etc., worden nog zeer veel gebruikt.

gt;

-ocr page 108-

04

3

§ 6G. Plaalsheschrijving. Par ij s (8^ mill, inw.), de prachtige hoofdstad on liet zwaartepunt van Frankrijk, waarop alle hoofdwegen uitloopen, is op beide oevers van de Seine gebouwd. Het oudste deel der stad (Citó) ligt op een eilandje in de rivier. Tn de plaats van de vroegere bolwerken zijn breede, met bootnenrijen beplante straten gekomen, boulevards geheeten, waar in den namiddag liet drukste loven heerscht. Do stad is rijk aan grootsche gebouwen: de Tuileriën werden in de communedagen van 1871 verwoest, maar het Louvre bevat nog zijne rijke kunstschatten; het Palais-Royal is nu voor winkels etc. in gebruik; de nieuwe Opera is een dei-kostbaarste gebouwen van den nieuweren tijd. Parijs is de eerste fabrieksstad van Frankrijk; de duizenden fabrieksarbeiders hebben meer dan eens hun aandeel gehad in de oproeren, die de stad hebben geteisterd. In den omtrek liggen Versailles (50000 inw.), mot zijne beroemde waterwerken, en Sèvres, met porseleinfabrieken. — Aan de Seine ligt verder Rouen (ruim 100 000 inw.) met groote katoenfabrieken. Havre (112 000 inw.) aan den breeden Seinemond, de invoerhaven van ruw katoen, de haven voor Parijs, plaats van vertrek voor landverhuizers, is de tweede handelshaven van Frankrijk.

In 't N. liggen: Galais (00000 inw.), met overvaart naar Engeland; Lille of Rijsel (188 000 inw.), de grootste fabrieksstad van 't N.; in de nabijheid de snel opgekomen fabriekssteden Houbaix (100 000 inw.) en Tourcoing (58 000 inw.). Sédan aan de Maas heeft fabrieken voor modestoffen. Nancy (80 000 inw.) aan de Meurthe is de hoofdstad van Franseh Lotharingen. Rheims (98 000 inw.) en Chalons s/M. zijn stapelplaatsen voor de Champagnewijnen.

In Normandië: Cherbourg, de sterke oorlogshaven tegenover Engeland.

Op Bretagnes sterk verbrokkelde westkust ligt de oorlogshaven Pi ros t (70 000 inw.). In westelijk Bretagne wonen do in aantal afnemende Bretons, de laatste afstammelingen van de oorspronkelijke, grootendeels Keltische bevolking van Frankrijk en van de over 't Kanaal gevluchte Keltische Britten.

In het Loiregebied vinden we St-Etienne (118 000 inw.) met kolenmijnen en groote ijzerfabrieken, Orleans ((gt;0 000 inw.) en Nantes (127 000 inw.), dat met zijne voorhaven St-Nazaire veel handel op Amerika drijft.

In do nabijheid van Tours (60000 inw.) ligt Mettray, eene landbouwkolonie voor verwaarloosde jongens, waarvan de bekende stichting bij Zutfen eene navolging is. ïe Limoges (08 000 inw.) zijn groote porselein- en aardewerk fabrieken.

Aan de Garonne ligt Toulouse (148 000 inw.) met handel en fabrieken; 't is hot punt van samenkomst voor de wegen, die zuidwestelijk en zuidoostelijk Frankrijk met elkander verbinden. Bordeaux (240 000 inw.) is eene mooie stad met zeer veel handel in wijn en brandewijn.

In 't ZW. het zeebad Biarritz, en aan den voet der Pyroneën eenige mooie badplaatsen, o. a. Pau.

Aan de Doubs ligt Besancon (57 000 inw.), de voornaamste fabrieksplaats van Frankrijk voor horloges. Bij de Saono en aan den voet van de Coted'Or ligt Dij on (00000 inw.), de hoofdstad van Bourgondië, eene stapelplaats voor den wijn en een tusscheuütation aan den handelsweg Parijs—Lyon.

-ocr page 109-

95

Waar de Safine in de Rhöne valt, ligt Lyon (400 000 inw.), de tweede stad van Frankrijk, de hoofdzetel voor do Fransche zijde- enfluweelfabrikatie. Verder stroomat' Avignon, eene ouderwetsche stad met zijdefabrieken. Westwaarts ligt Nttnes (70000 inw.), insgelijks met zijdefabrieken.

Aan de Middellandsche zee: Mónaco, een vorstendommetje met eenn speelbank; Nizza (77 000 inw.), evenals Mónaco, eene beroemde gezondheidsplaats; Toiilon (70000 inw.), eene oorlogshaven; Marseilie (37GOOO inw.), de eerste handelshaven en de derde stad van Frankrijk; voel handel met Algiers, Zuid-Europa en Indië; schoone omstreken.

ïot Frankrijk behoort het rotsachtige eiland Corsica, met de hoofdstad Ajaccio (Ajntsjo).

J; G7. Koloniën cm Buüenlandsohe bezittingen. In Afrika: Algerië, Senegambië, Fransch Kongo en Oaboen, 't eiland Reunion, do Komoren en Obok. Frankrijk oefent een protectoraat over Tunis en Madagaskar uit. — In Azië: Neder-Cochinchina en eenige punten in Voor-Indië. Cambodja en Annam staan onder Fransch protectoraat en Tonkin onder .administratief beheer van Frankrijk. — In Australië: Nieuw-Caledonië, de Marquesas en eenige der Gezelschapseilanden. — In Amerika: St-Pierre en Miquelon (bij New-Found land), Martinique, Guadeloupe, St-Barthélémy, een deel van St-Martin en Fransch Guyana of Cayenne.

VI. DK IlKl'ÜBLIEK ZWITSKUI.ANI).

(41 300 KM2 of TfiO GMJ, 2.9 millioun inwoners.)

§ CS. Ligging, Natnurljlce gesteldheid, Klimaat, Ikvolking, Voortbrengselen, Bezigheden. Do grenzen zijn meest natuurlijke. Welke? — Zwitserland behoort tot het gebied der Centraal-Alpen en tot dat der Zwitsersche hoogvlakte, op welks westelijken rand zich, nog binnen de grenzen, de Zwitsersche Jura verheft, die door zijne moelijk te gebruiken dwarsdalen zeer goed als grensgebergte geschikt is. Zwitserland behoort grootendeels tot het gebied van den Rijn (Aar met Reuss, Limmat); 't ZW. behoort tot het Rhonegebied (het mooie Rhönedal en 't meer van Genève); 't ZO. is het Donaugebied (Engadin), terwijl het kanton Tessino tot het Pogebied behoort.

De Alpen met hunne grootsche afmetingen, hunne gletschera en sneeuwvelden , hunne kloven en afgronden, hunne schoone bergmeren en hunne nimmer opdrogende bergstroomen en watervallen zijn wel het onvruchtbaarste, maar toch het beroemdste gedeelte van Zwitserland. Valt er de natuur bovenal te verwonderen, ook hetgeen de mensch er schiep trekt do oogen van den tourist tot zich, en hieronder zijn het vooral de wegen, die met overwinning van tallooze bezwaren over de passen zijn aangelegd. Tot do belangrijkste daarvan behoort de weg over den Simplonpas (2100 M.), door Napoleon I aangelegd; de weg heeft 613 bruggen, 7 galerijen en 20 vluchthuizen ter beschutting tegen lawinen en sneeuwjacht. Verder do weg over den St-Gothard (2100 M.), die zijn druk verkeer ton deele heeft moeten afstaan aan den kolossalen spoorweg, eene der belangrijkste overwinningen, die do

-ocr page 110-

96

mensch heeft behaald, (Grootste spoorwegtunnol der aarde; 14 900 M.) Eindelijk de Splügenpas.

't Klimaat is in zulk een bergland natuurlijk zeer ongelijk, al naar men zich hooger of lager bevindt. In de hooge bergstreken is 't ruw; in de

dalen die naar 't Z. open liggen, kan de temperatuur zeer hoog zijn. Er valt veel sneeuw en regen.

De meeste Zwitsers spreken Duitsch. Alleen het W. en Z\V. wordt door Franschen, 't Z. door Italianen bewoond. De bevolking is het dichtst op de hoogvlakte. De Zwitsers zijn echte bergbewoners: krachtig en moedig, vlijtig en vindingrijk, vol liefde voor hun land.

De landbouw wordt op de hoogvlakte en in sommige dalen uitgeoefend.

-ocr page 111-

97

maar levert niet genoeg voor de behoeften des lands. Wijnbouw in de meeste kantons. De bosschen geven aan velen werk. Het drukke bezoek van vreemdelingen verschaft menigeen een bestaan (hotelhouders, gidsen, etc.). Het herdersbedrijf houdt in do bergen duizenden bezig. (Uitvoer van kaas.) De nijverheid is zeer levendig; do geringe opbrengst des bodems noodzaakte den Zwitser tot de beoefening van handwerksnijverheid, die bij welslagen menigmaal in fabrieksnijverheid overging. Hot stroomend walor van beken en rivieren kwam de industrie to hulp, die vooral op de hoogvlakte en in den Jura zetelt. De grondstoffen worden meest ingevoerd; want liet mijnwezen heeft niet voel te beteekenen. De voornaamste takken van industrie zijn: fabrikatie van katoenen en zijdon stollen, uurwerken (Zwitserland is 't eerste land der aarde voor horloges), goud- en zilverwaren en beeldhouwwerk in hout (Berner Oberland). De drukke nijverheid, do behoofte aan koren en de ligging tusschen Duitschland en Italië doen den handel bloeien. Sedert de Gothardtunnel gereed is, leidt de kortste weg van Engeland en Nederland naar Indië door Zwitserland. — Voor onderwijs wordt veel zorg gedragen.

§ 00. Regeering, Verdeeling, Plaatsliesnhrijving. Zwitserland is eone republiek, bestaande uit 22 kantons, dio een' Bondsstaat vormen. Het opperste gezag wordt uitgeoefend door de Bondsvergadering, die uit den Nationalen en den Stondenraad bestaat. Do eerste is samengesteld uit leden, die in de kantons naar het zielental (1 op de 20 000) rechtstreeks worden gekozen. Do Stendenraad bestaat uit twee afgevaardigden uit ieder kanton en één uit ieder halfkanton. De Bondspresident wordt voor één jaar gekozen, leder kanton heeft zijn eigen bestuur.

Do Zwitsersche kantons kunnen we in 3 groepen verdoelen: 1. de hoofdzakelijk Duitscho kantons: Oraubundorland (half Romaansch), Qlarus, St-Oallen, Appenzell (verdeeld in 2 half kantons: App. Inner-Rhoden, geheel Katholiek, door herders bewoond, en App. Ausser-Rhoden, met eene nijvere Protestantsche bevolkingj, Thurgau, Schaffhausen, Zurich, Zug, Schwyz, Uri, Unterwalden (2 half kantons; Obwalden en Nid walden), Luzern (de laatste 4 zijn de Woudkantons), Aargau, Bazel (2 half kantons: Bazelland en Bazelstad), Solothurn, Bern on Freiburg; 2. de grootendeels Fransehe kantons: Neuchatel, Pays do Vaud of Waadtland, Oenève en Wallis; li. een Italiaansch kanton: Tessino.

De Zwitsersche plaatsen liggen moest op do vlakte on in de dalen, vooral waar deze op de vlakte uitmonden. Qroote steden vindt men in Zwitserland niet; de bevolking woont verspreid, zelfs in de industrie-streken.

Bern (50000 inw.), aan de Aar, midden op do hoogvlakte, is de bonds-stad. Oenève en Bazel zijn de beide poorten van gemeenschap met het buitenland. Oenève (52 000 inw., met de aangrenzende gemeenten 72 000 inw.), aan het prachtige meer, heeft schoone omstreken; er zijn, evenals in het mooi gelegen Lausanne, vele horlogefabrieken. Dezen tak van nijverheid treft men ook aan in La Chaux do Fonds en Le Locle. Bazel (70 000 inw.) is de voornaamste handelsstad. Zurich (28 000 inw., met de aangrenzende gemoenten 00 000 inw.) heeft handel en fabrieken en eene bekende polytechnische school. Bij Lauffon is de bekende waterval

p. r. hos, BeLn. Aardr,, 8e druk. 7

-ocr page 112-

98

van den Rijn. In Schaffliausen beginnen reeds de stroomversnellingen, waarvan men een druk gebruik heeft weten te maken om goedkoope beweegkracht voor vele fabrieken te verkrijgen. Rorschach, aan 't meer van Constanz, heeft de grootste graanmarkt van Zwitserland. Luzern, aan 't schoone Vierwoudstedenmeer, is een uitgangspunt voor touristen, evenals Interlaken tusschen do meren van Thun en Brienz. In het Rijndal ligt Chur, ton N. van den Splügenpas. Oostwaarts het hooge dal Da vós, het bekende herstellingsoord voor teringlijders.

V VIII. DK OOSTENKIJICSCII-IIONOAAUSCIIE MONABCIIIK

(622 000 KM! of 124 000 OM2; 39 millioeii inwoners.)

g 70. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat. De Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie is de Donaustaat bij uitnemendheid. Op den Donau loopen alle grooto verkeerswegen uit, en het dal van die rivier brengt de verbinding tusschen oost en west tot stand. Bij Passau treedt zij Oostenrijk binnen, en bij Presburg verlaat zij dat gedeelte der monarchie, 'twelk tot het gebied der Alpen en dat der Noordelijke middelgebergten behoort, om de oostelijke helft dor monarchie binnen te stroomen, die tot de Oostelijke middelgebergten en de Hongaarsche vlakten behoort. Bij Orsowa verlaat de Donau de monarchie door de enge, slecht bevaarbare IJzeren poort. Geen andere groote staat van Europa heeft zoo weinig zeegrenzen als Oostenrijk-Hongarije: alleen het schiereiland Istrië en het smalle Dalmatiö worden door de Adriatische zee bespoold. — O.-II. bestaat uit verschillende natuurlijke afdeelingen; een Alpengebied; een gebied der Boheemsche middelgebergten; het Marchgebied; do Karpatengebergten, aan welker noordvoet zich nog een klein deel van de Oosteuropeesche vlakte binnen de grenzen van Galicië uitstrekt; de Hongaarsche vlakten, en in het Z. eindelijk een gedeelte der Karstgebergten.

De natuurlijke en de staatkundige grenzen van Oostenrijk—Hongarije'?

De groote uitgestrektheid van Oostenrijk-Hongarije, de uiteenloopende grondsgesteldheid, de ligging op de grens van Middel- en Zuid- en van Middel- en Oost-Europa zijn oorzaak, dat, terwijl b. v. in noordwestelijk Oostenrijk een klimaat heerscht, 'twelk nog eenige overeenkomst vertoont met dat van West-Europa (doch meer een vastlandsklimaat), in 't Z. langs de kusten der Middellandsche zee reeds een veel wanner klimaat heerscht met droge zomers, 't Alpengebied vertoont natuurlijk sterke tegenstellingen in warmtegraad; er valt veel regen en sneeuw. Het kale Karstplateau vooral heeft een ruw klimaat. Het oostelijke deel der monarchie begint reeds het vastlandsklimaat van Europa te vertoonen, dat evenwel nog een weinig verzacht wordt door de woudrijko Karpaten. In de Groote Hongaarsche vlakte met hare steppen wisselt do temperatuur zeer sterk af.

71. Verdeeling, Begeering, Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden.

Oostenrijk-Hongarije is een tweelingstaat, bestaande uit het keizerrijk Oostenrij k en het kon ink rij k Hongarije.

liet eerste is samengesteld uit do volgende kroonlanden: het koninkrijk

-ocr page 113-

99

Bohemen, 't hertogdom Silezië, het markgraafschap Moravië, de aartshertogdommen Oostenrijk boven en Oostenrijk beneden de Enns, de hertogdommen Salzburg, Stiermarken, Karinthië en Krain, het vorstelijk graafschap Tirol met Vorarlberg, het Kustland, do koninkrijken Dalmatiê en Oalicië, het groothertogdom Krakau en het hertogdom Boekowina. Het tweede bestaat uit de volgende landen: het koninkrijk Hongarije, het grootvorstendom Zevenburgen en de koninkrijken Kroatië en Slavonië. De Militaire Grenzen zijn ingelijfd bij Hongarije, Kroatië en Slavonië. Tegenwoordig zijn de Turksche provinciën Bosnië en Herzcgnwina onder Oostenrijksch beheer.

Sedert 1807 vormen Oostenrijk en Hongarije twee verschillende staten met een gemeenschappelijk opperhoofd, gemeenschappelijke buitenlandsche aangelegenheden, financiën en oorlogswezen. In 't keizerrijk Oostenrijk draagt de vertegenwoordiging den naam van Rijksraad, bestaande uit het Heerenhuia en het Huis der Afgevaardigden. De verschillende kroonlanden hebben Landdagen.

In de Hongaarsche monarchie deelt de Koning de wetgevende macht met een' Rijksdag, die bestaat uit een Magnaten tafel en een Tafel van Afgevaardigden. Kroatië en Slavonië hebben samen een eigen Landdag en zenden eene deputatie naar den Rijksdag.

De bevolking van Oostenrijk-Hongarije is zeer gemengd en bestaat uit Slaven (bijna der geheele bevolking), Duitschers (ruim ,/4), Magyaren (ruim s/20), Romanen (bijna ljl0) en Israelieten ('/as)- ^ie verschillende bestanddeelen staan dikwijls vijandig tegenover elkander; vooral is dit het geval met de Slaven en de Duitschers. Een derde gedeelte der bevolking is Roomsch-Katholiek. (Voor de woonplaatsen dor verschillende stammen zie men de kaart.)

Over 't geheel bezit Oostenrijk-Hongarije vele hulpbronnen in zijn vruchtbaren, vaak kolen- en ertsrijken bodem. Niet overal echter wordt er dat gebruik van gemaakt, 'twelk men bij meer ontwikkeling en eensgezindheid en minder ongelijksoortige bevolking zou kunnen verwachten.

Het meeste bouw- en weiland vinden we in Gallië, Moravië en Bohemen; verder in de Kleine Hongaarsche vlakte, in de Groote Hongaarsche vlakte ten O. van de Theis, en in de dalen van Drau, Sau en Maros. Door 't geheele rijk worden onze korensoorten gekweekt; bovendien levert Hongarije nog mais, tabak en wijn. Hout leveren de Alpen, waar ze een gedeelte van de brandstof voor de ontginning der mijnen verschaffen 't Bakonywoud, Zevenburgen of Transsylvanië (sylva = woud), de Karpaten en de streken langs Drau en Sau. Aan veeteelt wordt vooral gedaan in de Alpen, in Bohemen, op de Hongaarsche poesten en in 't Bakonywoud. — Van delfstoffen is Oostenrijk-Hongarije ruim voorzien: steenkolen bij Pilsen, Praag, Fiinfkirchen (in Hongarije, ten W, van den Donau; deze kolen zijn voor de stoombootvaart op den Donau van belang); ijzer in Stiermarken en Bohemen; kwikzilver bij Idria; zilver in 't Hongaarsche Ertsgebergte en in Bohemen; goud in Zevenburgen en in 't Hongaarsche Ertsgebergte. Zoowel de hellingen der Karpaten als de Alpen (Salzburg en Opper-Oostenrijk) leveren zout.

Hoewel de Hongaarsche landen misschien evenveel delfstoffen bezitten als

1*

-ocr page 114-

100

de Oostenrijkscho, is hier de nijverheid veel beter ontwikkeld dan ginds. (Minder goede aanlog der Magyaren voor industrie, afgelegenheid van de oostelijke helft der monarchie en de minder dichte bevolking!) Boheraen,

Silezië, Moravië, Oostenrijk bonedon de l'Jnns en Stionnarken zijn de hoofdzetels der industrie. (Men spreekt wel van het industriëele Oostenrijk en het landbouw- en veeteelt-uitoefenende Hongarije.) Op don voorgrond treden de volgende takken van nijverheid: glasfabrikatie (Bohemen). wollen en katoenen

-ocr page 115-

101

stoffen-fabrikatio (Bohemen, Moravië, Silozië, Neder-Oostennjk), linneinvevenj (langs de Sudeten en do Karpaten), ijzerwaren (Nedor-O^e^n

Voor den 0-H. handel waren de rivierwegen, n.1. de Donau naai Zwarte zee en de Elbe naar Saksen, langen tijd de be|angr^f^

meer trekken echter de spoorwegen het verkeer tot zich, het mmst

die, welke tusschen Oostenrijk en Italië loopen over * verkeer

Semmering- en den Pontebba- of Pontafelpas. Voor het binnenlandsch verk squot;'opLrkelijk de verzending van ruwe en ^Kbewer te a db Wquot; producten van het O. naar 't W. en van fabrikaten m ^gekee^ noting;

§ 72. Plaatsbeschrijving. In Oostenrijk beneden de Enns 'S (met de voorstoden i.1 mill, inw.), de hoofdstad en het eeheele monarchie. Weenen ligt als eene Duitsche stad tussche . en Magyaarsche landen aan de samenkomst van drukke verkeerswegen.

Zeil.

r. ,ra u Mnrohveld en het Oder-dal, over den Semmering

r VeneUlS. H.mdel o„ .uivert.eid, kunsKE en ^teneetoppen

zj':ru vrooiyke

waarts ligt het nijvere Wiener-JNeustaax.

Enns vinden we Steier, met, vele ijzer- en staalfabneke . .

Het middelpunt „n Bohemen 1. het

LTL-ri :.t E,Tir

liggen tadplaat.cn: K.rlabad e„ T^1 \l's f J, „orden

is eene zeer belangrijke fabrieksstad. By i Hsen ^ o

de voornaamste stad. Oostelijk ligt Austeilitz.

-ocr page 116-

102

fn Salzburg Hal lei n (bronzout), de badplaats Gastein en het plaatsje Zeil aan een schoon bergmeer.

Het schoone Tirol heeft tot hoofdstad Innsbruck, aan het noordeinde van den spoorweg over den Brenner. Trente of ïrient, in het Etschdal, heeft zijdeteelt.

Tusschen Vorarlberg en Zwitserland ligt het vorstendommetje Liechtenstein.

Stiermarkens hoofdstad Gratz (100 000 inw.) heeft vele fabrieken en handel; do omstreken zijn schoon.

Karinthië is een land voor Alpenweiden, mijnwezen en metaalbewerking (ijzer en lood). Klagenfurt, de hoofdstad, is er tevens de meest indus-triëele stad.

Krain omvat een deel van den Karst. Hot is een arm land. Bij Adelsberg ligt het Zirknitzermeer, dat beurtelings droog loopt en met water gevuld is. Bij Idria zijn kwikmijnen.

In het Kustland de belangrijke handelsstad Triest (met de voorsteden 130 000 inw.), spoorwegverbinding met den Donau en uitgangspunt van de stoombootmaatschappij van den Oostenrijkschen Lloyd.

Do Dalmatische havens op de brokkelige kust hebben gebrek aan een rijk en gemakkelijk toegankelijk achterland. Zara is de hoofdstad.

In Galicië ligt Wieliczka (Wiulitsjku) met het bekende zoutbergwork bij Krakau (CC 000 inw.), waar de handel, evenals in Lemberg (110 000 inw.) en Brody, grootendeels in handen van Israelieten is.

De hoofdstad van het Hongaarsche rijk is de tweelingstad Boeda-Post (3C0 000 inw.). Boeda ligt op heuvels en is hoofdzakelijk Duitsch; Pest daarentegen, in de vlakte op den linkeroever, is Magyaarsch. In 't Hongaarsche Ertsgebergte liggen de bergwerksteden Schemnitz en Kremnitz (goud en zilver). De steden der Groote Hongaarsche vlakte zijn alle ver uit elkander gebouwd. De oorzaken van dit verschijnsel, dat men in bijna alle groote, weinig bevolkte vlakten aantreft, zijn ongetwijfeld daarin te zoeken, dat de overal haast gelijke vlakte geen punt aanbiedt, waar do menschen zich om do eene of andere reden om toe willen groepeeren; de lage prijzen der landerijen maakten den aankoop van groote stukken gronds mogelijk, en ieder wilde liefst langs den kortsten weg alle deolen van zijne bezitting kunnen bereiken; daarom bouwde hij zijn huis er midden op. Eerst langzamerhand vormen zich in dergelijke streken aantrekkingspunten, waar eene dichtere bevolking samenstroomt. Men heeft het verschijnsel ook, en zeker niet ten onrechte, in verband gebracht met de vroegere levenswijze der Magyaren in de Aziatische steppen. Debrcczin (Dobrctsin) met zijne groote jaarmarkten (50 000 inw.) ligt verspreid over eene oppervlakte van 15 of 18 GMS. In hoofdzaak op dezelfde wijze zijn gebouwd Szeged in (70 000 inw.), do tweede handelsstad van Hongarije, Maria-Theresiopol (00 000 inw.), Kecskemet (Ketsjkemct) en alle andere Hongaarsche boeren-stedon. De wijn van Tokaj is zeer bekend. Essek aan de Drau, Peter-war dein en Semlin aan den Donau, zijn vestingen tegen hot zuiden (aanvallen der Turken). Agram is do hoofdstad van Kroatië, Piume do zeehaven voor de Hongaarsche landen. De voornaamste stad van Zevenburgen is Kroonstad.

-ocr page 117-

103

In Bosnië en Herzcgówina, die door evenwijdige kalksteenketonen worden doorsneden, en door menschen van den Slavisolien stam bewoond, liggen Serajewo of Bosna-Seraj (= paleis aan de Bosna), eene stad van 50 000 in w., en M o s t a r.

vin. HET KEIZEIiriUK KUSLAN1) [N EUROPA.

(Met Polen, Finland en Kjuikasic: 5.86 mill. KM2, iiiirn 100 000 GMquot;:

ruim 100 mill, inw.)

§ 73. Ligging, Natimrlijke gesteldheid. Klimaat. Hot Russische rijk in Europa omvat in hoofdzaak de groote Russische laagvlakte van den Oeral tot de Weichsel en van den Kaukasus en de Zwarte zee tot do Noordelijke IJszee. — Do grenzen op do kaart na te gaan.

Rusland neemt het geheele O., d. i. meer dan de helft van Europa, in; het geheele Russische rijk is echter nog meer dan 2 maal zoo groot als ons werelddeel.

In 'tO. en in 'tZO. verheffen zich gebergten (do Oonil en de Kaukasus); in 't NW. is het Finsche rots- en merenplateau. Voor 't overige is Rusland eene groote laagvlakte, waarin verschillende breede, flauw oploopendo, lage ruggen de soms onvolkomene waterscheidingen vormen.

De Russische rivieren stroomen naar alle zijden, behalve naar het 0., en bewijzen goede diensten aan 't verkeer, die echter door do in § 28 vermelde omstandigheden zeer worden beperkt.

In geen land van Europa heerscht het vastlandsklimaat zoo sterk als in Rusland, wat zeer natuurlijk is, daar het ais oostelijkste land van Europa hot verst van den westelijken oceaan is gelegen, terwijl de oostgrenzen door het kolossale Aziatische vastland worden gevormd. In Moskou bedraagt het verschil tusschen de gemiddelde laagste en de gemiddelde hoogste temperatuur 30°. In de mossteppen der Samojeden ontdooit de bodem in den korten zomertijd slechts ten deele. Daar zijn de winters bijna regenloos. In 't midden valt de regen gedurende alle jaargetijden, liet meest echter in den zomer. In do Zuidrussische steppen heerschen naast heete, regenlooze zomers, ruwe en koude winters.

§ 74. Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden, Regeering. In Rusland is de bevolking nog ongclijksoortiger dan in Oostenrijk-Hongarije; maar do Slavische stam heeft in Rusland verreweg het overwicht. Rusland is dus veel meer eene ethnographische eenheid dan Oostenrijk-Hongarije, waartoe ook nog de omstandigheid medewerkt, dat meer dan 3li der geheele bevolking tot éóne kerk, de Grieksch-Katholieke nl., behoort. Do Russische Slaven zijn voor 't grootste gedeelte Groot-Russen, verder Klein-Russen en Wit-Russen. Bovendien zijn er nog Polen in 't W., die wel tot den Slavischen stam behooren, maar meest Roomsch-Katholiek zijn en zich altijd door woeligheid en oorlogzuchtigheid hebben onderscheidon. In don Kaukasus wonen de overblijfselen van vele volksstammen, die daar een geschikt toevluchtsoord vonden. De Oostzeeprovinciön worden bewoond door Littauwers, Letten en Esten en door een betrekkelijk gering aantal Duitschers. In Finland wonen de Mongoolsche Finnen en een klein getal Zweden. Tot de

-ocr page 118-

104

zuiver Mongoolsche volken in liusland behooren de Kalnmkken in 't ZO., de Tataren in den omtrek van Kazan en in de Krim en de Samojeden in 't N. In Polen en de vroeger Poolsche landen treft men vele Israelieten aan.

De bevolking woont zeer verspreid, vooral in 't N. en in 't ZO. Het dichtst is zij in de streek der Zwarte Aarde. De langdurige lijfeigenschap (in ISlil en 1SC3 opgeheven) heeft een slechten invloed op het karakter gehad, het volk ruw en sluw gemaakt en het zich doen overgeven aan dronkenschap. Ouder do goede eigenschappen van den „moesjikquot; (gemeene-man) moeten vriendelijkheid en goedaardigheid worden genoemd. Gebrek aan ontwikkeling is bij hem algemeen. Onder de hoogere standen is een goede verstandelijke aanleg volstrekt niet zeldzaam; eerlijkheid en liefde voor waarheid gaan daarmede lang niet altijd gepaard.

Ten opzichte van den plantengroei kunnen we Rusland in 4 gordels verdoelen, nl. de streek der toendra's, de mosvlakten, waar do Samojeden rendierteelt uitoefenen; de streek der groote wouden, waar vele wilde dieren zijn, van de toendra's tot aan den zuidrand van den Noordelijken landrug; de landbouwstreek van het midden, waar vooral de Zwarte Aarde, Polen en de Oekraïne door vruchtbaarheid uitmunten (koren, hennep en vlas), en de zuidelijke steppen, waar groote kudden rondzwerven.

Rusland is rijk aan delfstoffen. De Oeral levert een groot deel der metalei.; bij Perm, Moskou, aan do Donetz, en bij Novgorod worden kolen gevonden. Zout wordt in groote hoeveelheid gewonnen uit de steppenmeren (Elton-meer), in den Oeral en in Polen.

Rusland is geen industrieland. De gebrekkige middelen van verkeer zijn

-ocr page 119-

105

bij de verbazend groote afstanden en (in do Zuidrussische steppen) het gemis aan brandstollen, eene groote hinderpaal tegen de ontwikkeling van

dezen tak van be

staan , die, onder Peter den Orooten ontsproten, door zijne opvolgers meestal zorgvuldig

aangekweekt is. Moskou is 't middelpunt van de Russische iabriekstreek. 't Spoorwegnet wordt

sterk uitgebreid. Tengevolge van de groote afstanden en de minder goede geschiktheid der waterwegen zijn spoorwegen voor Kusland eene eerste behoefte. Rusland is, door

-ocr page 120-

100

de hoogste wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, zoowel in den Staat als in de Kerk. Hij wordt bijgestaan door drie raadgevende lichamen: den Rijksraad, de Heilige Synode en den Senaat; 't eerste voor zaken, de wetgeving, de financiën en do staatkundige aangelegenheden betreffende; het tweede in kerkelijke zaken, en het derde voor de rechtspleging.

§ 75. Plaalsheschrjving. De meeste plaatsen zullen we moeten zoeken •-TtT 't midden en aan do kusten der Zwarte en Oostzee. In 't midden, omdat de bodem daar het vruchtbaarst is en omdat in Rusland het binnenlandsche verkeer zich eerder moest ontwikkelen dan het buitenlandsche. De plaatsen aan de Oost- en Zwarte zee zijn als 't ware poorten van gemeenschap met Germaansch en met Romaansch Europa.

Aan de diep indringende Finscho golf en don mond der Neva ligt St-Potersburg (met do aangrenzende gemeenten 1 mill, inw.), de stichting van Peter den Grooten, de nieuwe hoofdstad en de voornaamste poort van gemeenschap met West-Europa. St-Petersburg is ruim en prachtig gebouwd; het is de eerste handels- en de tweede fabrieksstad des rijks. Voor do stad ligt op een eilandje hot sterke Kroonstad. Tegenwoordig is niet alleen Kroonstad, maar ook St-Petersburg toegankelijk voor groote schepen. In liet midden des lands ligt de oude hoofd-, de tweede handels-en de eerste fabrieksstad Moskou (750 000 inw.). Nergens in Rusland komen do tegenstellingen tusschen armoede en rijkdom, moderne beschaving en ouderwetsche ruwheid sterker uit dan hier, waar naast stoute paleizen arme houten huizen staan. Do verschillende denion, waaruit de stad bestaat, liggen ongeveer concentrisch rondom het Kremlin (~ kasteel), de oude tsarenburcht. Moskou is, evenals Kfjev aan den Dnjepr (165 000 inw.), eene heilige stad met vele kerken en kloosters. Kalóega heeft linnen- en andere fabrieken. Toela (64 000 inw.) heeft eene groote wapenfabriek. Twer, waar de Wolga bevaarbaar, en Rybinsk, aan het noordelijkste punt der Wolga, waar deze voor stoombooten bevaarbaar wordt, hebbenbeido veel binnenlandschen handel. Niezjni-Novgorod (66 000 inw.), aan de vereeni-ging van de Oka en de Wolga, heeft beroemde missen, waarop allerlei waren worden aangevoerd. Koopers en verkoopers zijn moest Russen; toch verschijnen er ook Mongolen uit Oost-Rusland, menschen uit de Kaukasuslanden en West-Azië, enkele Chineezen, Perzen en Indiërs. Kazan (140 000 inw.) is eene stapelplaats voor den handel van Siberië met Europeesch Rusland; de stad heeft een Oostersch voorkomen. Woronesj (56 000 inw.) heeft veel handel in koren en talk. Charkov (170000 inw.), de hoofdstad van Oekraïne, heeft beroemde missen: paarden- en wolhandel.

In 't grootvorstendom Finland, dat eigenlijk een afzonderlijke staat is, door eene reëele unie met Rusland verbonden, daar het ten. eeuwigen dage met Rusland moet vereenigd blijven, ligt de hoofd- en handelsstad Hels i ngfors.

In 'tN. is Archangel de belangrijkste haven. In 'tW. ligt Riga (175000 inw.) met zeer veel uitvoer van koren, hout en lijnzaad. Warschau (450000 inw.) is de hoofdstad van Polen. In het vruchtbare Bessarabië ligt het snel opgekomen Kiesjcncv (120 000 inw.).

-ocr page 121-

107

Aan de Zwarte zee is het nog jonge, snel gegroeide Odessa (240 000 inw.) de voornaamste stapelplaats en uitvoerhaven. Verder de oorlogsliavcn Nikolajev (07 000 inw,), en aan de zee van Azov do handelsplaats Taganrog (56 000 inw.). Aan de Kaspische zee ligt Astrakan (70000 inw.) met veel handel in visch en kaviaar, in de mijndistricten van den Oeral ligt Jekaterinenburg.

In Kaukasiö Wladikaukas (= heer van den Kaukasus), de vesting aan den noordvoet van den Darjal-pas; de naam dor stad wijst het doel aan, waarmee zij gesticht is. Ten Z. van 't gebergte Bakoe (petroleum en naphta), T if lis (00 000 inw.) met handel. Er i van in schoone omgeving, en Batoem, eene haven aan de Zwarte zee.

IX. 1)K KON1.NKKI.7KKN ZWKDKN KN NOORAVEGEN.

(Zweden 450 000 KM2 of 81)00 GM2, 4.7 rnillioon iinvoncrs.)

(Noorwegen .quot;320 000 KM2 of 5750 GM2., 1.0 milliocn inwoners.)

§ 70. Ligging, Natuurlijke gesieldheid, Klimaat. Europa's grootste schiereiland hangt met het NW. van Rusland (Lapland) samen. Voor liet overige heeft het zeegrenzen. Het wordt staatkundig in een kleiner westelijk ruw en bergachtig deel, Noorwegen, en een grooter oostelijk gedeelte. Zweden, gescheiden. Het laatste bestaat uit de oostelijke afhelling van het Skandinavische hoogland, eene strook laagland langs de Botnische golf, en een zuidelijk schiereilandvormig gedeelte, Gothland, dat van de grootere noordelijke helft is gescheiden door eone laagte, waarin groote meren liggen. Bijna 't geheele schiereiland is een plateaxivormig bergland, met woeste, kloofvormige dalen, waardoor naar het O. onstuimige rivieren stroomen, terwijl de diepste der westelijke dalen met zeewater zijn gevuld; de diep in Noorwegen opdringende fjorden, welke daar het gemis aan rivieren vergoeden.

De westkust hoeft een zeeklimaat en veel regen. De haven van Hammorfest vriest nooit dicht. De warme Golfstroom in verband met de hcerschendo westenwinden bezorgen Noorwegens kusten buitengewone zachte winters. De westenwinden worden op het hooge bergland echter sterk afgekoeld en staan er hunnen voorraad waterdamp in den vorm van sneeuw en regen grootendeels af, zoodat Zweden reeds een droger vastlandsklimaat heeft.

breedte gemidd. luagste temp. gemidd. hoogste temp. Bergen GOV NB. 0° 14.4°

Upsala 60° — 4.5° 16.1°.

Hammerfest hoeft eene gemiddelde laagste temperatuur van slechts 0.(3° lager dan Upsala, ofschoon het ruim 10° noordelijker ligt. In Bergen op do westkust valt jaarlijks gemiddeld 172, in Christiania 58, in Stokholm 52 cM. regen.

§ 77. Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden, Regeering. In overoude tijden werd een groot deel van Skandinavie bewoond door den Finschen stam der Lappen. Deze vormen nu het minst ontwikkelde, verarmde deel der bevolking in de ruwe berglanden van het N., waar ze zich met rendier-teelt bezighouden, en aan de noordkusten, waar ze meestal visschers zijn,

-ocr page 122-

108

De Lappon moesten plaats maken voor de Germanen, die nu het voornaamste element der bevolking zijn. De Noorweger is vrijheidlievend, eenvoudig, in zich zeiven gekeerd, moedig ter zee en te land. De Zweed heeft, vooral lichamelijk, vele eigenschappen melf don Noorweger gemeen, maar de Noorsche eenvoud bevalt hem niet. Hij is over 't geheel prachtlievend en ceremonious. Noorwegen is een democratisch land, een vrij volk van boeren, visschers en zeevaarders; zelfs heeft men er do adellijke titels afgeschaft: 't land heeft geene ruimte voor uitgestrekt grondbezit. In Zweden daarentegen, met zijne grootere vlakten, is de adel machtig; schitterende namen en titels zijn er zeer in aanzien. Do plattelandsbevolking in Zweden is op vele plaatsen verarmd en aan dronkenschap overgegeven.

De bevolking is over 'tgeheel schraal en 't minst dicht natuurlijk iu 'tN., in Finmarken, waar slechts 1 bewoner op 2 KM2 komt; het dichtst is zij in 't vruchtbare Z.: in Malmöhuus 77 per KM2. In Noorwegen leven 2i;i van de inwoners op de kusten en de eilanden.

De landbouw kan alleen in 't Z. (Gothland) van belang zijn; verder naar 't N. is de rotsachtige bodem en in Zweden ook de strenge on langdurige winterkoude oorzaak, dat deze bezigheid niet meer algemeen wordt uitgeoefend. Van Skandinaviës oppervlakte is maar 7 0/0 bouw- en 3 0/0 weiland, terwijl meer dan 30 0/0 met wouden, meest dennenbosschen, is bedekt. De uitvoer van hout is dan ook zeer aanzienlijk. Natuurlijk geven het houthakken, hot kolenbranden, de teerbereiding, het vervoer en het zagen van hout aan zoer velen oen bestaan. In het hooge N. verschaffen mos en schraal gras aan do rendieren een poover voedsel. De opbrengst aan voortreffelijk ijzer (Philipstad, ten N. van het Wenermeer, Danemora en Örebro) en koper (Falun in Zweden en Röraas in Noorwegen) is aanzienlijk. Zilver wordt gevonden bij Kongsberg in Noorwegen en bij Sala in Zweden. De Noorwegers zijn de beste zeelieden der aarde. Hunne voorouders, de „Vikingerquot;, leerden reeds op de rotsachtige kusten van hun land, tusschen de schoren en in de fjorden, door branding en maalstroomen, de gevaren der zee trotseeren, en nog tegenwoordig zijn er geen betere loodsen dan de Noorwcegsche. Merkwaardig mag het inderdaad heeten, dat het kleine Noorsche volk na Engeland en Amerika de aanzienlijkste handelsvloot der wereld bezit. De vischvangst is eene der belangrijkste bezigheden van Noorwegen. Langs het zuidelijkste deel der kust is haringvangst de hoofdbezigheid; in den Vestfjord on tusschen de Lofoden wordt veel kabeljauw gevangen, zoodat Noorwegen dan ook veel stokvisch en levertraan uitvoert. Aan de IJszeekusten wordt veel gedaan aan robbenvangst. Langs de geheele kust van Noorwegen is eene telegraaflijn gespannen, waarvan men zich bedient om de aankomst van vischscholen te berichten.

De fabrieksnijverheid beteekent niet veel. Steenkolen heeft Skandinavië bijna niet, maar overvloed van snelstroomend water, dat bij dichtere bevolking en betere verkeerswegen als beweegkracht voel belangrijker diensten zou kunnen bewijzen dan thans. De Zweedsche lucifers van Jönköping zijn bekend.

Noorwegen en Zweden hebben ieder een afzonderlijken regeeringsvorm doch een gemeenschappelijk koning. In Noorwegen bestaat eene haast

-ocr page 123-

109

repnblikeinsohe vrijheid; de volksvertegenwoordiging heet stór-thing (= groot gereclit), dat uit twee „thingsquot; bestaat. Tn Zweden bestaat de Rijksdag uit twee kamers, waarvan de eene geheel, de andere gedeeltelijk indirect wordt verkozen.

§ 78. Plaalshrschrijving. De voornaamste plaatsen van Skandinavië liggen aan de kusten en in de nabijheid van bergwerken. Tn de smalle dalen vindt men weinig dorpen; de gaarden (hofsteden) staan daar met hare bijgebouwen meestal zeer eenzaam.

n. Zweden. Stok holm (243 000 inw.) ligt zeer schoon aan den mond van het eilandrijke Malarmeer; hot is de eerste handelsstad des lands en heeft eene levendige industrie. Aan het andere einde van de meergenoemde laagte ligt Göteborg of Gothenburg (100 000 inw.), de tweede handels-

stad, met vele fabrieken. Malmö is Zwodens derde handelsstad. Norrköping is de voornaamste fabrieksstad van Zweden, vooral voor laken en katoen; men maakt er druk gebruik van het stroomende water als beweegkracht. Op het eiland Gothland ligt Wis by, dat vroeger eene belangrijke hanzcstad was. Karlskrona is eene sterke oorlogshaven. Up sa la tn Lund hebben hoogescholen. Hern fis and en Sundsvall voeren veel houi uit. Philip-stad, Danemora en Örebro leveren ijzer, Falun koper.

h. Noorwegen. Christian ia (met de voorsteden 130000 inw.) is schoon gelegen aan den diep binnendringenden fjord. Bergen is de voornaamste uitvoerplaats van visch. Drontheim was vroeger de hoofdstad en is nog de kroningsstad. Röraas hoeft kopermijnen. Behalve Christiania voeren Stavanger en andere havens in quot;t Z. veel hout uit. In alle kust-

-ocr page 124-

110

plaatsen ia de scheepsbouw zeer aanzienlijk. Hammerfest is de noordelijkste stad der aarde.

§ 70. Spitsbergen. Ten N. van Skandinavië ligt de in 1596 door Willem Barents ontdekte eilandengroep Spitsbergen, die onbewoond is en aan niemand behoort. In 1C19 vestigden de Nederlanders er eene kleine kolonie, die zij Smeerenburg noemden en waar de walvischvaarders traan kookten, ïoen de walvisch echter uit deze buurt was verdwenen, verviel het dorp.

X. HET KONINKRIJK DENEMAUKEN, IJSLAND EN DE EAR-ÖER.

(Denemarken 38 000 KM2 of 700 GM2, 2.1 millioon inwoners.)

(IJsland 105 000 KM2 of 18C0 GM2, 70 000 inwoners.)

§ 80. Denemarken ligt tusschen de Noord- en de Oostzee. Het is de brug tusschen Duitschland en Skandinavië. De Sont is de drukst bevaren verbinding tusschen.de Noord- en do Oostzee; zij zal echter in het Duitsehc Noord-Oostzeekanaal een geduchten mededinger krijgen, 't Landje bestaat uit het schiereiland Jutland met omliggende eilanden. Door Jutland loopt het uiteinde van den Noordduitschen landrug. Ten 0. van dien rug is de grond meestal vruchtbaar; de landrug bestaat grootendeels uit zand; de hoogste punten zijn de Ejersbavnehöj en de Himmelsberg, beide 180 M. Ook het land ten W. van den rug is niet zeer vruchtbaar; 't is meest zand en veen. Langs de westkust vinden we duinen, waarvoor zich gevaarlijke banken uitstrekken. Geen wonder dus, dat aan Jutlands westkust geene plaatsen liggen. De oostkust heeft daarentegen diepe insnijdingen, waaraan vele stadjes liggen. In 1825 brak de landengte door, die den Liimfjord van de Noordzee scheidde. Ten N. van den ondiepen Liimfjord strekt zich tot aan kaap Skagen eene zandige, dorre streek uit. Groote rivieren heeft Jutland natuurlijk niet; de grootste is de Guden A.

De Deensche eilanden bestaan hoofdzakelijk uit twee groepen: Funen met Arrö en Langeland, en Seeland (zeer vruchtbaar) met Amager (de moestuin van Kopenhagen), Laaland (vruchtbaar), Falster en Möen. Afgezonderd ligt het rotsachtige Bornholm.

De Denen zijn Germanen; ze zijn goed ontwikkeld. De bevolking is op de meeste eilanden dichter dan op Jutland.

Hoofdbezigheden zijn landbouw en veeteelt, die er beide op hoogen trap staan. De handel is van tamelijk veel belang; nijverheid wordt weinig uitgeoefend.

Denemarken is een constitutioneel koninkrijk. De volksvertegenwoordiging heet rijksraad en bestaat uit twee kamers („thingsquot;).

De ligging van de hoofdstad Kopenhagen (= koophaven; met de voorsteden 375 000 inw.) is hijzonder gunstig; daar, aan de Sont, waar tevens eene voortreffelijke haven is tusschen Amager en Seeland, concentreeren zich nog alle voordeelen van Denemarken als beheerscher van de toegangen tot de Noord- en de Oostzee. De schoon gebouwde stad, met hare universiteit en verzamelingen voor kunst en wetenschap, is de hoofdplaats van 't Skandi-navische Noorden. Te Blseneur werd vóór 1857 de Sonttol geheven.

-ocr page 125-

Ill

Op Funen Odense met eeuigen handel.

Aalborg, Aarhuus, Frederic!a en eenige andere stadjes langs Jutlands oostkust zijn weinig belangrijk.

§ 81. De Far- Oer (= schaapseilanden) behooren, evenals IJsland, aan Denemarken. Hoofdbezigheden zijn schapenteelt, visch- en vogelvangst en de verzameling van eiderdons.

§ 82. IJslands noordspitsen reiken tot den noordpoolcirkel, 't Is een bergachtig, vulkanisch eiland, welks binnenlanden eene hoogvlakte vormen van 700 M. hoog, eene sneeuw- en lavawoestijn, waarop zich vele „Jökulsquot; (= ijskegels, dus: met gletschers bedekte bergen) verheffen. Alleen enkele smalle kuststreken zijn bewoonbaar. Eene rij vulkanen strekt zich van don Hekla (1555 M.) tot den Krabla uit. De Hekla vooral is zeer gevreesd, daar zijne uitbarstingen reeds zoo vaak de weiden in zijne omgeving hebben verwoest. De geisers {— blazers) en de zwavelbronnen zijn ook van vulka-nischen oorsprong. Op IJsland liggen groote hoe veel lieden zwavel, die de moeite van uitvoer ongetwijfeld wel zouden beloonen. De vele fjorden vormen meestal goede havens, maar voor een druk verkeer levert IJsland geene producten genoeg. De Golfstroom, die de zuidkusten van het eiland bespeelt en het klimaat verzacht, werpt drijfhout op, dat aan den Mississippi is gegroeid: een belangrijk geschenk voor een land, dat zelf maar een paar soorten van dwergboompjes heeft.

IJsland is (in 874) van uit Noorwegen bevolkt. De Oudnoorsche lichaamsbouw, de sagen, de zeden en gewoonten bleven hier natuurlijk langer bestaan dan in het moederland. Inwendige verdeeldheid had het verlies van de vrijheid ten gevolge; in 1264 kwam IJsland aan Noorwegen en later met dit land aan Denemarken, waaraan het is blijven behooren, nadat in 1814 Noorwegen van Denemarken gescheiden is. Sedert 1874 heeft het meer of min een eigen bestuur. De Uslanders houden zich hoofdzakelijk met visch-vangst, veeteelt en vogelvangst (eiderdons) bezig. Landbouw kan er bijna niet worden uitgeoefend. De ongunstige omstandigheden, waarin de Uslanders verkeeren, hebben reeds eenige honderden genoopt tot landverhuizing naar Manitoba, in 't Z. van Britsch Noord-Amerika. De lange winter, die allen te huis houdt, bevordert den leeslust, en vandaar dat menigeen op dit eenzame eiland van meer zaken iets weet, dan men zou verwachten. In 't ZW. de kleine hoofdstad Eeikjavik met 2000 inw.

§ 83. Builenlandsche bezittingen heeft Denemarken in zijne koloniën op de kust van Groenland en in do Kleine Antillen St-Croix, St-Thoinas en St-Jan of St-John.

XI. MET KONINKRIJK O KOOT BUITANNIË EN IERI.ANJ).

(3ir) llilü KM- o(' f.720 OM'-; .18.5 millioun inwoneis.) « ƒ ^ i

§ 84. Ligging, Natuurlijke gesteldheid. Klimaat. Dit eilandenrijk ligt als een handelsvoorpost ten W. van Europa's vastland, in den Atlantischen oceaan voor den mond van de noordelijkste der beide groote binnenzeeën. Eene menigte kleine eilanden buiten rekening gelaten, bestaat het uit twee

-ocr page 126-

112

groote eilanden: Oroot-Britannië en Ierland, welke door de lersche zee, het George's- en het Noorderkanaal worden gescheiden. Het ligt in den drukst bevaren oceaan, in de onmiddellijke nabijheid van Europa's belangrijkste vastlandsstaten en tegenover de havenrijke oostkust van de belangrijke Vereenigde Staten van Amerika, die door cene stoomboot in ongeveer «we^

kunnen worden bereikt. De ligging mag dus zeer gunstig heeten, nu de moeilijkheden, die 't vorkeer ter zee opleverde, zijn overwonnen.

Oroot-Britannië is in 't Z. en 't O. laag, echter niet overal vlak, daar de rotsachtige ondergrond als heuvelrijen voor den dag komt. Het W. en 't N. wordt ingenomen door berggroepen, die onderling, zeer ten gerieve van 't verkeer, door laagten gescheiden zijn. In Schotland heelt het bergland de overhand op het laagland. Langs de westkust liggen do rotsachtige Hebriden ol' Westereilanden, terwijl noordelijk de Orkaden en de Shetlandseilanden worden gevonden. Bij Bngelands zuidkust ligt hot schoone eiland Wight, on in de lersche zee treffen we Anglesea en Man aan. De rivieren van Engeland hebben over 't geheel een korten loop, zijn goed bevaarbaar en hobben breede monden. Schotlands bergstroomen hebben een meer woest karakter.

Ierland is in 't midden vlak en rijk aan moerassige venen en meren. Op den rand liggen talrijke berggroepen.

Beide eilanden hebben een zeer gelukkigen kustvorm; de zee dringt vaak en diep het land in en vormt eene menigte goede havens.

't Geheele rijk geniet de voor- en nadeelen van een zeeklimaat: zachte winters, geene heote zomers, veel regen en nevel, vaak bewolkte lucht. Op de westkusten is, vooral omdat zich daar de meeste bergen verhellen, de hop veelheid regen aanzienlijk grooter dan in het O.

' § 85. Bevolking, Voortbrengsdm, Bezigheden, Bf,geering. Do bevolking behoort hoofdzakelijk tot den Germaanschen stam; zij is cone vermenging van Angel-Saksen, Deensche en Normandische Skandinaviërs. De Engelsche taal is ontstaan uit de vereeniging van Angelsaksische, dus Nederduitsche, en Skandinavische met Kransche (Normandische) elementen. De oorspronkelijke Keltische (Britsche) bewoners zijn in Wales en westelijk Ierland teruggedrongen, terwijl ook in de Schotscho hooglanden hot Keltische element (Pieten), ofschoon sterk met Skandinavischebestanddeelen vermengd, duidelijk te herkennen is. De oude Keltische taal maakt hier echter steeds meer plaats voor het Rngelsch.

Do Brit is werkzaam, degelijk, practisch en trotsch op zijne nationaliteit; hij houdt van krachtig voedsel en van lichaamsoefeningen en vermakelijkheden, waarbij kracht vereischt wordt. De Bergschotten zijn moedig en trotsch. De Ieren zijn luchthartig, maar arm; zij hebben hun bloeitijdperk overleefd en verkeeren in een' toestand van verval.

De rijke regenval bevordert den grasgroei; veeteelt is dan ook eene der hoofdbezigheden van Groot-Britannië. Ook de landbouw staat er op hoogen trap. De dichte bevolking vordert echter veel meer voedingsstoffen, dan het land kan voortbrengen; vandaar een reusachtige invoer van koren en veo en allerlei voedingstoffen. Daar slechts 3.2 0/0 van de oppervlakte des rijks met bosschen is bedekt, is het duidelijk, dat ook de invoer van houtenorm moet zijn. Groot-Britannië overtreft in rijkdom aan opbrengst van delfstoffen

-ocr page 127-

tin

alle landen der aarde. Steenkolen levert het jaarlijks bijna 2 centenaar op iederen menschelijken aardbewoner. De grootste kolenbekkens zijn in de

Schotsche Laaglanden, bij New-Castlo, in het Feakgeborgte en in 't Z. van Wales. Het ijzer wordt in Engeland meest dicht bij de kolenmijnen, p. r. bos, Bchi. Aardr., 8e druk. 8

-ocr page 128-

114

in 't N. en 't W. van Engeland en in de Schotsche Laaglanden (hier het meest), gevonden, en dit bevordert natuurlijk zeer de nijverheid. Zuid-Engeland levert ook veel tin en koper. De lersche venen worden tot turf vergraven.

Houden landbouw, veeteelt en mijnwezen vele handen en hoofden bezig, niet minder de nijverheid, die hoofdzakelijk in 't raidden en het noorden (Schotsche Laaglanden) zetelt, terwijl de landbouw meer in 't vlakke Z. en ZO. wordt uitgeoefend. Door de rijke voortbrengselen uit het delfstoffenrijk, den levendigen handel, den vlijt en den ondernemingsgeest van het Engelsche volk heeft de nijverheid in het liritscho rijk eene buitengewone hoogte bereikt. De eerste plaats nemen do katoen- en de metaalfabrieken in. Voor de katoenindustrie is de eerste plaats Manchester, met omliggende steden en dorpen; Liverpool is de hoofdhaven voor den invoer van ruwe katoen uit Amerika en Britsch Indiö. Do hoofdzetels voor de bewerking van ijzerwaren zijn Birmingham, Sheffield, Londen, eenlge plaatsen in Zuid-Wales (spoorstaven), Manchester en Woolwich (mot eene groote geschutgieterij). In Zuid-Wales wordt zeer veel koper verwerkt. De wollen- en linnenstoffenindustrie zetelt vooral in Leeds, Dundee en Belfast; de benoodigde wol wordt voor 't grootste deel ingevoerd uit Australië en do Kaapkolonie. Scheepsbouw wordt in alle groote havensteden uitgeoefend.

De Britsche handel is, in den volsten zin des woords, een wereldhandel. De vlijt en de ondernemingsgeest der bevolking worden krachtig gesteund door de voordeelige ligging tegenover het midden van Europa's westkust en tegenover de havenrijke oostkust van Amerika, de groote kustontwikkeling en den rijkdom aan natuurlijke havens, de menigte delfstoften, den vruchtbaren bodem, de levendige industrie, de inwendige geleding des lands, die geene groote moeilijkheden aan hot binnenlandsch verkeer in den weg legde, het gematigde klimaat en de vele koloniën. De voedingstoven nemen 45°/,,, de ruwe stoffen 30 0/0 van den geheolen invoer, de fabrikaten wel G1 0/n van den uitvoer in. Londen is de eerste handelsstad der aarde, en zoowel wat aantal als tonneninhoud van zeil- en stoomschepen betreft, staat de Britsche handelsvloot bovenaan, 't Getal kanalen, kunst- en spoorwegen is zeer groot.

Groot-Britannië is eene constitutioneele monarchie. De volksvertegenwoordiging, het Parlement, bestaat uit het Hooger- en het Lagerhuis. Ierland wordt door een' Stadhouder bestuurd. De Engelsche grondwet is de oudste der aarde.

§ 86. Plaatsbeschrijving.

a. Engeland. Londen is de volkrijkste stad der aarde. Londen telt 4.3 mill. inw. Tot hier dringt de vloed in den breeden Theemsmond op, die evenals het IJ eene veilige haven in 't midden van Europa's westen, bovendien tegenover de mondingen van den Rijn en de Schelde gelegen, aanbood, maar die gemakkelijker te genaken is dan Amsterdam oorspronkelijk was. De City, op den linker Theemsoever gelegen, is de zetel van den groothandel; 't is de stad van de Engelsche Bank, de groote handelshuizen en kantoren. Des daags is de drukte en 't gewoel hier verbazend; moer dan 1 millioen menschen krioelen in dezen bijenkorf, 's Avonds voeren

-ocr page 129-

115

treinen boven en onder den grond, stoombooten en rijtuigen de handelaren bij duizenden weer huiswaarts, daar de meeste kooplieden in andere deelen van Londen of daar buiten wonen. In de City vinden we ook de grijze Tower (= toren), de vroegere staatsgevangenis; tegenwoordig is 't een arsenaal van wapenen en foltertuigen en de bewaarplaats van de briilanten der kroon. In Westminster-abdij liggen Engelands grooto mannen begraven. Boven de huizenzee steekt de groote koepel van de St-Paulskerk uit. Van de vele merkwaardige gebouwen dienen hier nog te worden genoemd: de Nationale Galerij met hare grooto schilderijenverzameling en het Britscli Museum met oudheden, beeldhouwwerk en eene kolossale bibliotheek. Behalve de reeds genoemde City noemen we als deelen van Londen; het deftige

West-End, waar het Hof, de hooge adel en de Volksvertegenwoordiging zetelen; het East-end met zijne kolossale dokken; de industriewijken aan de noordoosten noordzijde van de City. Londen heeft moer het voorkomen van eene geheel met huizen bebouwde provincie, dan van eene stad. —

Greenwich is haast eene voorstad van Londen (observatorium). Woolwich hoeft eene groote geschutgieterij , een arsenaal en scheepstimmerwerven. Chatham is eene oorlogshaven. — Naar het W. Windsor mot een koninklijk kasteel. Naar 't ZW. Epsom met beroemde wedrennen. — Londen, Oxford en Cambridge hebben hoogescholen.

Aan de zuidkust: Dover met overvaart naar Calais; Brighton (120000 inw.), een zeebad; Portsmouth (140 000 inw.), do groote oorlogs- en handelshaven: reede van Spithead; Southampton (GO000 inw.), uitgangspunt voor stoombooten op buiteneuropoesehe havens; Plymouth (78 000 inw.), tweede oorlogshaven, belangrijke handelsstad.

Bij 't Verkeerde Kanaal de handels- en fabrieksstad Bristol (230 000 inw.). In Zuid-Wales: Merthyr-Tydfil (50000 inw.), in eene rijke kolen- en

8*

-ocr page 130-

110

ijzerstreek, en Swansea, eeno belangrijke havenstad mot groote smelte-rijen, vooral voor koper.

In de industrie-streken van Middel-Engeland: Birmingham (450 000 inw.) met kolossale fabrieken voor metaalwaren; Stoke upon Trent (150 000 inw.) met beroemde aardewerkfabrieken; Sheffield (327 000 inw.) met ijzer-industrie, vooral fabrieken voor messen, scharen, zeisen en vijlen; Manchester (met Salford (610 000 inw.), het middelpunt der Engelsche katoenindustrie; Liverpool (606 000 inw.), Engelands tweede handelsstad met reusachtige dokken, invoer van ruwe katoen, vertrek van landverhuizers; Leeds (357 000 inw.), middelpunt voor de fabrikatie van wollen stoffen. — York is eene oude stad met vele historische merkwaardigheden; de zetel van den tweeden aartsbisschop; Canterbury is die van den eersten.

Newcastle (160 000 inw.) en Sunderland (134 000 inw.) voeren veel steenkool uit. Huil aan den Humber (200 000 inw.) is de voornaamste plaats voor den handel met Skandinavië en de Oostzee. Yarmouth heeft veel haringvangst. Over Norwich (94 000 inw.) is de lakenfabrikatie uit Vlaanderen Engeland binnengekomen.

h. Schotland. De Schotsche plaatsen liggen meest in de Laaglanden en langs de oostkust. Bij de firth of Forth ligt de op heuvels gebouwde hoofdstad Edinburgh (267 000 inw.) met de havenstad Leith (GO 000 inw.). Aan de Clyde de eerste fabrieks- en handelsstad van Schotland, Glasgow (met de voorsteden (670 000 inw.). Aan den mond der rivier Greenock (70 000 inw.), haven voor Glasgow.

Langs de oostkust: Perth, de oude residentie der Schotsche koningen aan de Tay; Dundee (140 000 inw.) met jut ■ en linnenfabrieken en -handel en Aberdeen (100 000 inw.) met groote vischvangst.

c. Ierland. De lersche steden van beteekenis liggen natuurlijk aan de havenrijke kusten. Dublin, de mooie hoofdstad, met 350 000 inw. (politiedistrict) , op 't midden van de oostkust, tegenover Liverpool; de stad hoeft vrij wat binnenlandschen handel en verkeer met Engeland. Kingstown is de haven der hoofdstad. Belfast, eene welvarende fabrieks- en handelsstad met '200 000 inw., tegenover de flrth of Clyde. Op de westkust Gal way met handel op Amerika. Cork heeft groote slagerijen.

§ 87. Buitcnlandsche bezitHngm. Groot-Britannië bezit in Europa de bij Frankrijk liggende Normandischo eilanden, de overblijfselen van het land, dat vroeger Engeland en Frankrijk verbond, de rotsvesting Gibraltar en de dicht bevolkte Maltagroep (hoofdstad La Valetta). — In Azië: het Indo-Britsche rijk in Voor- en Achter-Indië, Ceylon, Hongkong, Noord-Börneo, Laboean, Aden en het eiland Perim, Cyprus, benevens eenige kleinere eilanden. — In Afrika: volkplantingen in Senegambië en Opper-Guinea, de eilanden Ascension, St.-Heleua, de Kaapkolonie en verdere bezittingen in Zuid-Afrika, het eiland Mauritius, de Amiranten, de Seychellen en Socótora, — In Australië: 't vastland Australië, ïasmanië, Nieuw-Zeeland en de Fidsji eilanden. — In Amerika: Britsch Amerika, Jamaika, de Bermudas eilanden, de Bahama eilanden, de meeste Kleine Antillen, Britsch Honduras, Britsch Guyana en de Falklandseilanden.

-ocr page 131-

117

XII. DE KONINKUIJKEN Sl'ANJE EN PORTUGAL. __^

(Spanje 500 Uüü KM- of UlOO (JM5; 17 inillioen inwoners.)

(l'oi'tugal 811 000 KM2 of 11)30 GM2; 4.3 inillioen inwoners.)

§ 88. Ligging, NaltiurUjkc gesteldheid, Kliniaal. Het Pyronooscho schier-eilaud lioeft eeuo Atlantische- en eene Middellanclsche-Zeezijde, evenals Frankrijk; maar dit voordeel gaat met eene minder gunstige ligging gepaard als uithoek van Europa, van Frankrijk gescheiden door do Pyreneeën. Bovendien heeft het een zeer eenvoudigen vorm (weinig golven), waardoor de voordeelen van een schiereiland bijna geheel verloren gaan. Het vertoont eenige overeenkomst met Afrika in kustvorm, klimaat en in 't Z. ook in planten- en dierenwereld. De Afrikaansehe Mooren staken de smalle straat van Gibraltar over, zoodat dan ook in historisch opzicht de betrekking tussohen Spanje en Afrika blijkt. De oostkust deed het schiereiland deelen in do geschiedenis der landen om de Middellandsche zee; do Atlantische zijde van Spanje en Portugal heeft het hare toegebracht aan de rol, die beide staten in de landen aan de overzijde van den Oceaan hebben gespeeld.

't Schiereiland bestaat hoofdzakelijk uit eene hoogvlakte, aan de noord- en de zuidzijde door een randgebergte begrensd. Langs twee rivieren dringen in 't N. en 't Z. twee laagvlakten naar binnen. De rivieren zijn weinig bevaarbaar.

De hoogvlakte heeft een vastlandsklimaat: zeer heete zomers en betrekkelijk koude winters; warme dagen en koele, zelfs koude nachten. Do heete „levechequot; maakt het landschap soms tot eene verschroeide steppe; de koude „gallegoquot; bezorgt de bewoners der hoogvlakte des winters menigmaal sneeuwjacht. Van 't klimaat van Madrid wordt gezegd; negen maanden winter en drie maanden hol. Den meesten neerslag ontvangen natuurlijk de borgrijke noord- en westkusten; de hoogvlakte en de oostkust zijn droog. Het zuiden en zuidoosten kent geen vier, maar slechts twee jaargetijden. De regen valt bijna uitsluitend in den winter.

§ 89. Bevolking, Voortbrengselen, Bezigheden, Regeering. De bevolking van 't Pyreneesch schiereiland bestaat uit verschillende elementen, die slechts vrij gebrekkig tot een geheel zijn samengesmolten. Van den ouden Iberischen stam zijn cie Basken in de noordelijke bergen nog de minst vermengde overblijfselen. De Iberiërs vermengden zich reeds vroeg met de Keltische stammen. Door de Romeinsche heerschappij werd de bevolking geromaniseerd. Later kwamen Germaansche stammen, o. a. Sneven, Vandalen en West-Gothen 't schiereiland binnen. In nog lateren tijd oefenden de Mooren een krachtigen invloed uit. De Joden, die in Spanje werden vervolgd, vonden in Portugal eene schuilplaats, tot ze ook daar werden verdreven. — De bevolking is over 't geheel weinig dicht. Onwetendheid en bijgeloovigheid gaan in Spanje gepaard met een sterk sprekend gevoel van eigenwaarde; ieder Kastiliaan is in eigen oogen een edelman. Stierengevechten behooren bij liet ridderlijke volk tot de meest geliefkoosde volksvermaken.

Een groot deel van 't schiereiland is onvruchtbaar, ten gevolge van de

-ocr page 132-

118

geringe regenhooveelheid. De goed bebouwde streken in het zuiden zijn meest kunstmatig bevochtigd (Moorsche waterleidingen) en leveren rijke oogsten. In de provinciën langs de Middellandsche zee treedt op den voorgrond de teelt van zuidvruchten en wijn (Malaga, Alicante, Jeres en Oporto). In

Kastilië vinden vele kudden merino's haar voedsel in streken, waar de bodem voor landbouw te schraal is. Het mijnwezen, in de oudheid van zoo groot belang, is na de ontdekking van 't goud- en zilverrijke Amerika verwaarloosd. Nu worden vele Spaansche mijnen door buitenlanders ontgonnen. Het

-ocr page 133-

115)

N. van Spanje bevat veel ijzer (Inj Bilbao); lt;le Sierra Nevada on de Sierra Morena leveren veel lood en zilver, Almadón (— de mijn) is eene vindplaats van kwik. De erg verwaarloosde nijverheid gaat in de laatste jaren aanzienlijk vooruit, vooral in Cataloniö, do eigenlijke nijverheidsstreek dos lands. Aan zijdeteelt wordt in Valencia, Murcia en Andalusiö gedaan. De handel, vooral die van Portugal, is bijna geheel in Engelsche handen.

't Schiereiland bevat drie staten: do koninkrijken Spanje en Portugal en de oude republiek Andorra in de Pyroneön. Zoowel in Spanje als in Portugal wordt de volksvertegenwoordiging „cortesquot; (— hofhoudingen) geheeten.

ij !)ü. Plaalsbcschrjving.

n. Spanje. De hoofdstad Madrid (470 000 iuw.) ligt in het midden des lands op de dorre hoogvlakte. Zuidwaarts do zomerresidentie Aranjuez. Toledo is do vervallen oude hoofdstad.

Op de Oudkastiliaanscho hoogvlakte lUirgos en Vallade lid, beide achteruitgegaan, ofschoon het laatste door fabrieken bogint to herleven. Santandór is de haven voor Oud-Kastilië. Ferról is eeno oorlogs-, (Jorunna eene handelshaven. Santiago, de hoofdstad van het bergachtige Galicië, is eene bedevaartplaats.

Zaragoza (92 000 inw.) is do voornaamste stad van het Ebrogebied. In Cataloniö ligt Barcelona (270 000 inw.), de eerste handels- en industriestad van Spanje; in de nabijheid verscheiden nijvere stadjes, als Réus, Mataro, O er ó na. Valencia (170 000 inw.) ligt in eene schoone en vruchtbare streek, die rijst levert. Alicanto is de haven voor Madrid. Murcia (08 000 inw.) doet aan zijdeteelt. Carthagena is eene oorlogshaven. A lm er la voert lood uit, Millaga (130 000 inw.) wijn en vijgen. Gibraltar is eeno sterke rotsvesting, die sedert 1704 aan Engeland behoort. Cadiz (02 000 inw.) had vroeger zeer veel handel op Spanjes Amerikaansche koloniën; met het verlies hiervan is ook de stad achteruitgegaan.

In Andalusiö: Córdoba (55 000 inw.), sedert den Moorschen tijd sterk achteruitgegaan; de moskee (nu christenkerk) wordt een meesterstuk van Moorsche bouwkunst genoemd; Granada (73 000 inw.), eveneens sterk achteruitgegaan, ligt in eene heerlijk schoone streek (ruïnen van het Alhambra); Se vil la (143 000 inw.) deelde met Cadiz het monopolie van den handel op Amerika; natuurlijk is ook voor haar een tijd van achteruitgang gekomen, maar in den laatsten tijd r.ijn handel en nijverheid (sigaren) weer tot bloei geraakt.

Op Majorca de stad Palma (CO 000 inw.).

h. Portugal. Lissabon (met do voorsteden (240 000 inw.), de hoofdstad, is mooi gebouwd en hooft oene uitmuntende haven en eene belangrijke ligging. Coimbra (veel regen) heeft eene hoogeschool. Oporto (ruim 100 000 inw.) heeft wijnhandel. Setübal dampt zeezout uit.

De Portugeezen beschouwen de A z o r e n als eene Europeesche provincie, zoo ook de Madoira-groop, waar vroeger veel wijn, nu suikerriet wordt verbouwd.

§ 91. Builenlandsche bcxillingm. Spanje bezit de Presidio's op Marokko's noordkust, de Kanarische eilanden, twee eilanden in de golf van Guinea, Cuba en Portorico in West-Indië, de Philippijnon in Üost-Indië en do

-ocr page 134-

120

Carolinon en Mariauen in Australië. — Vroeger had Spanje uitgestrekte koloniën in Middel- en Zuid-Amerika, waar tegenwoordig het Spaansch de landstaal is.

Portugal had vele bezittingen in Zuid-Azië en in Amerika Brazilië, 't Heeft nu nog: de bovengenoemde Azoren en de Madeira-groep, de Kaapverdsche eilanden, eenige volkplantingen in Senegambië, twee eilanden in de golf van Guinea; verder Angola, Benguela, Mozambique en Sofala in Zuid-Afrika; Ooa en Diu op do westkust van Voor-Indie, 't oostelijke deel van Timor, en Macao bij den mond der Kantonrivier.

XIII. UET KONINKRIJK ITALIË.

(288 0(10 KM2 otquot; 5380 GM2; 31 inilliocn inwoners.)

§ 92. Ligging, Naluurljke gesteldheid, Klimaat. Italië bestaat uit het Apennijnsche schiereiland en de Lombardijsche of Povlakte, die naar 't N. door de Alpen wordt omsloten. Die omsluiting staat echter niet, als bij de Pyreneën ten opzichte van Spanje, bijna gelijk met eene afsluiting, daar vele goede passen, waaronder nu zelfs eenige met spoorwegen, de verbinding met de buren tot stand brengen: de Mont-Cenistunnel, de St-Gothardtunnel, de Brennerpas, de Semmering en de Pontebba-pas. De toegang tot do Alpen is tengevolge van de steile helling naar den kant der Povlakte voor Italië moeilijker dan voor de westelijke of noordelijke buren; vandaar dat Italië het Alpengebied nooit heeft kunnen beschouwen als een voldoend bolwerk tegen de aanvallen van die zijden, te meer daar de sehoone en rijke Lombardijsche vlakte de noordelijke volken als een verlokkende buit moest voorkomen.

Het schiereiland deelt met Sicilië de Middellandsche zee in twee bekkens, en deze centrale ligging verschafte, met den oorspronkelijken aanleg der bevolking, Italië eene drievoudige wereldheerschappij: die van 't Romeinsche rijk, die van het Pausdom en die van een' wereldhandel gedurende de eeuwen, welke voorafgingen aan de ontdekking van Amerika en 't vinden van den zeeweg naar Oost-Indië. Toen werd het Iberisch schiereiland de opvolger van Italië. De renaissance van kunsten en wetenschappen begon in Italië en was andere landen ten voorbeeld, zoodat het ook in dit opzicht eene wereldheerschappij heeft uitgeoefend. Het Sueskanaal, in verbinding met de wogen door Mont-Cenis en St.-Gothard, de hereeniging van Italië onder een beter bestuur, geven het althans een deel van de oude belangrijkheid terug.

rTe eilanden, die rondom Italië liggen, behooren alle aan dit rijk, met uitzondering van Corsica, dat aan Frankrijk, en de Maltagroep, die aan Engeland behoort.

Ook wat het klimaat betreft, bestaat Italië uit twee deelen: 1. de Povlakte mot een vastlandsklimaat en onstuimige herfstregens.

gemiddelde

laagste temp. Turijn O.G10 Milaan 0.7° hoogste temp.

22.85° 23.8°

jaarl. hoeveelh. regen

80 cM. 98 cM.


-ocr page 135-

121

2. Het schiereiland, dat een aangenaam, warm zeeklimaat heeft. De regen valt hier gedurende den winter en in veel minder groote hoeveelheid dan in de laagvlakte. Palermo heeft eene gemiddelde laagste temperatuur van 11.2°, eene gemiddelde hoogste temperatuur van 25° en eene jaarlijksche regenhoeveelheid van 58 cM. De heete Sirocco bezorgt de bewoners van Zuid-Italiö en Sicilië soms onaangename dagen.

§ 93. Bevolkiny, Voortbrengselen, Bezigheden, licgeermg. Hoewel do bewoners van Italië allen liet Italiaansch spreken, hoewel ze door den inacli-tigen invloed van Rome allen zijn geromaniseerd, bestaan ze toch oorspronkelijk uit eene groote menigte stammen, als Liguriërs, Etrusken, Samnieten, Kelten, Grieken, Germaansche stammen. De Italiaan heeft zin voor 't schoone, en Italiës schoone natuur zoowel als zijne vele kunstschatten uit vroegeren tijd lokken menig kunstenaar uit noordelijker streken naar de oevers van Arno of Tiber. Met de volksontwikkeling is het vrij poover gesteld. Vlijt en zindelijkheid behooren niet tot de kenmerken van don Italiaan. De steden-rijke Povlakte is zeer dicht bevolkt.

Landbouw is in de vruchtbare, waterrijke Povlakte natuurlijk de hoofdbezigheid. Dijken moeten het land voor overstrooming in den herfst bewaren; bevloeiingskanalen maken in den drogen tijd den plantengroei mogelijk. Evenals in Spanje draagt de landbouw hier het karakter van tuinbouw. De laagste streken in de Povlakte leveren rijst. Wijnbouw vindt men door 't geheele land, zoo ook de teelt van olijven en andere zuidvruchten en de aankweeking van zijderupsen. In 't Z. en op Sicilië, waar kunstmatige bevloeiing des zomers voor den landbouw onontbeerlijk is, wordt ook eon weinig katoen verbouwd. Het delfstoifenrijk levert marmer bij Carrara, veel ijzer op Elba, zwavel in de vulkanische streken, zink op Sardinië bij Iglésias. De veeteelt is van belang in de bergen, in Apulië en in de moerassige streken aan de westkust. De nijverheid is sedert de middeleeuwen achteruitgegaan; in den laatsten tijd heeft men aan den voet dei-Alpen van het stroomende water als beweegkracht gebruik gemaakt en is de industrie weder den goeden kant uitgegaan. De belangrijkste tak van nijverheid is de zijdefabrikatie (Milaan is daarvoor de hoofdplaats). Verder moeten worden genoemd het stroovlechten in Toskane, de fabrieken voor ijzerwaren in verscheiden Lombardijsche steden, vooral in Brescia en Milaan, de aardewerkfabrieken in Emilia (Faënza, vandaar „fayencequot;), Toskane, Lombardije en Venetië; de glasfabrieken in Venetië en op het eiland Murano in de nabijheid.

Zooals in § 92 is opgemerkt, neemt de Italiaansche handel tegenwoordig in belangrijkheid toe.

Italië is een constitutioneele staat; het parlement bestaat uit den senaat en de kamer der volksafgevaardigden. Van het wereldlijk gebied des Pausen is niets overgebleven dan het Vatikaan. Het oude republiekje San Marino ligt op en om een' berg.

§ flC Plaatsbeschrijving. De steden liggen meest in de vlakten van Po, Arno en Tiber en langs do westkust.

In de Povlakte: Turijn (310 000 inw.), eene stad, die zich van do overige Italiaansche steden onderscheidt door hare rechte en breede straten; vereeni-

-ocr page 136-

122

-ocr page 137-

123

Aan en liij de westkust: Napels (517 000 inw.; heerlijke ligging aan de golf van Napels; veel handel). Aan den Tiber Rome (415000 inw.; de „eeuwige stadquot;, sedert 1870 de hoofdstad van het koninkrijk; eene menigte grootsche bouwvallen herinnert don bloeitijd van 't Romeinache rijk, toon Rome,'aan de grootste rivier van 't midden des schiereilands gelegen, liet middelpunt vormde van en heerschappij uitoefende over allo landen rondom de Middellandsche zee. Op het Vatikaan zetelt do Paus; do St.-Pietorskerk is de grootste christenkerk). — Verder aan de kust Livorno (100 000 inw.), met grooten handel, vooral op de Levant.

In het schoone Arnogebied : Florence (185 000 inw.; zijdeteelt, kunstverzamelingen) en Pi sa (50 000 inw., zeer achteruitgegaan).

Langs de kust: Carrara (marmer) en het trotsche Genua (210 000 inw.), amphitheatorsgewijze gebouwd in eene olijvonrijke streek; do stad drijft zeer grooten handel, die nog toeneemt sedert de opening van don Gothard-tunnel.

Op Sicilië: Messina (140 000 inw.; handel, sinaasappels); Palermo (2G7 000inw.; handelsstad met Oostersch voorkomen); Catan ia (J 1 (J 000 inw.; grootendeels uit lava opgebouwd).

Sardinië is sterk achteruitgegaan en hoeft geeno enkele belangrijke stad.

§ 95. Buitenlandschc hezilling. Italië heeft bezet de westkust der Roode zee van de baai van Assab tot aan Massaoea.

XIV. DE STATEN VAN HET liAUCANSCHIF.RKlLANl).

§ !)ü. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat. Het Balkanschiereiland vormt den overgang tot Voor-Azië, zooals het Pyreneesch schiereiland den overgang tot Afrika vormt. Het is buitengewoon rijk aan leden, vooral ten Z. van 40° NH., waar het oude Griekenland begon. — Grenzen?

De eilandenzwerm der Cycladen, die liet oude Griekenland aan do oostzijde omgeeft, was een geschikt hulpmiddel voor de zeevaarders van de reeds vroeg beschaafde landen van Voor-Azië en Noord-Afrika (Klein-Azië, Phenicië en Egypte), om Griekenland te naderen. Van daar uit ontving Griekenland zijne beschaving, die hier in eene vruchtbare aarde viel en hare zaden later naar liet O. en 't W. verspreidde. Maar het land ten N. van 40° NB., het meer continentale gedeelte, deelde slechts weinig in de voordeden dor Grieksche beschaving. Tot op den tegenwoordigen tijd verkeerde liet meer onder Aziatischen (Turkschen) dan onder Europeeschen invloed.

In 't NO. dringt de vruchtbare Walachijsche laagvlakte golfvormig binnen tusschen de Transsylvaansche Alpen en den Balkan. In de westhelft vinden we voortzettingen van de Karstgebergten. Van den Sjar dagh naar 't Z. strekt zich de Bor dagh uit, later Pindus geheeten. 't Schiereiland Morea, een bergachtig, rijk geleed hoogland, is door de lage landengte van Korintho met Livadië verbonden. De Balkan, de Vitosj en het Rhodopégebergte zijn de belangrijkste gebergten van de oosthelft des schiereilands.

Behalve de Donau en zijne bijrivieren in 't N., zijn de rivieren van 't schiereiland weinig geschikt voor verkeerswegen, daar zo des zomers soms bijna uitdrogen, des winters daarentegen tot onstuimige stroomen aanzwellen.

Het klimaat ten N. van den Balkan is dat van Zuid-Rusland; de herfst

-ocr page 138-

124

is er de regentijd, evenals in de Povlakte. Ten Z. van deu Balkan is het klimaat in de vlakte zeer aangenaam, behalve waar moerassen schadelijke uitwasemingen veroorzaken. In de hooge streken is do temperatuur natuurlijk aanzienlijk lager. Bijna overal is de zomer regenloos of althans arai aan regen.

§ 97. Bevolking, Staten, Ifogecring, Voortbrengselen, Bezigheden. Een land als hot Balkanschiereiland, met zoovele afgezonderde dalen en vlakten, daarbij gelegen in de onmiddellijke nabijheid van een ander werelddeel, moet wel eene groote verscheidenheid in bevolking kunnen aanwijzen. In 't NW. (Bosnië, Herzegówina, Montenegro en Servië) is de bevolking hoofdzakelijk Slavisch; in 'tNO. (Roemenië) wonen de Romaansche Roemeniërs; 't grootste deel van Boelgarije, Thracië en Macedonië wordt door Boelgaren bewoond; in Albanië vinden we de Albaneezen, terwijl Griekenland, het grootste deel van Epirus en Thessalië, de kuststreken van Macedonië en Thracië door Grieken worden bewoond. De Turken, van 1453 tot aan 1878, inweerwil van hun betrekkelijk gering aantal (l1^ mill.) het heerschende volk, wonen vooral in het ü. van Boelgarije, in den Despoto dagh en verder in de steden van Thracië en Macedonië. Alleen de weinige eensgezindheid, die er tusschen de verschillende volken van 't Balkanschiereiland bestond, verklaart de langdurige heerschappij en onderdrukking door de Turken, die het geheele land ongelukkig hebben gemaakt. De Grieken hebben nog vele eigenaardigheden van hunne beroemde voorvaderen behouden, maar de eeuwenlange onderdrukking en de vermenging met vreemde bestanddeelen hebben hen doen achteruitgaan. Toch openbaart zich in den jongsten tijd een krachtig streven naar vooruitgang, als in den aanleg van spoorwegen en het graven van een kanaal door de landengte van Korinthe. De Turken zijn Mohammedanen; de Grieken belijden den Grieksch-Katholieken godsdienst.

Het Balkanschiereiland bestaat tegenwoordig uit verscheiden staten, die gedeeltelijk in de laatste jaren zelfstandig zijn geworden, of op kosten van het steeds inkrimpende Europeesche Turkije hunne grenzen hebben uitgezet. In het NO. ligt het koninkrijk Roemenië, dat het vruchtbare Moldavië en Walachije, de steppen van de Dobroedsja en de moerassige Donaudelta omvat. Ten W. daarvan het koninkrijk Servië. Het vorstendom Montenegro is nu in het bezit van een klein kustgebied gekomen. Ten Z. van den Donau, en grootendeels ten N. van den Balkan, is een onafhankelijk vorstendom Boelgarije gevormd, dat evenwel onder Turksche souvereini-teit staat. Oost-Roemelië is nu bij Boelgarije gevoegd. Ten gevolge van de grensregeling tusschen Turkije en Griekenland is het oostelijke gedeelte van Epirus tot aan de Arta en het grootste deel van Thessalië (bijna het geheele Salambria-gebied) aan Griekenland gekomen. Europeesch Turkije is dus aanzienlijk kleiner geworden; want behalve de genoemde gedeelten, die het heeft moeten afstaan, zijn nog Bosnië en Herzegówina door Oostenrijk bezet. Sedert 187G is Turkije in naam eene constitutioneele monarchie. Turkijes monarch draagt den titel van Sultan of Padisjah. Griekenland is een constitutioneele staat.

Roemenië is een der rijkste korenlanden van Europa. De bewoners van de berglanden des schiereilands houden zich veel bezig met de veeteelt, vooral met de teelt van varkens en geiten, die groote schade berokkenen aan de

-ocr page 139-

125

bosschen. De vlakten ten Z. van den Balkan leveren zuidvruchten, rijst, mais, katoen (aan de Vardar) en rozen (rozenolie in de streken van Kazanlik). In Morea en op de Ionische eilanden legt men zich bijzonder toe op de aankweeking van krenten. Griekenland en de Cycladen leveren veel wijn. De Grieken zijn zeer goede zeelieden en sluwe handelaars. Mijnwezen en nijverheid worden nog te veel verwaarloosd.

§ 08. Plaatsbeschrijving.

a. Europeescli Turkije (165 000 KM8, 5.5 mill, inw.) omvat het land ten Z. van het Rhodopégebergte, het gebied van den benedenloop der Maritza, het schiereiland van Konstantinopel, Albanië, verder het ondo

Macedonië, een gedeelte van het oude ïhessalië en Epirus, bovendien liet eiland Kreta of Kandia.

Konstantinopel (87§lO$0 inw.) ligt schoon en gunstig in eene heuvelachtige streek aan den Bosporus, waar Europa en Azië elkander naderen en waar de handelswegen langs Turkijes oostkust, Klein-Aziës noord- en westkust en Roeraeliës zuidkust elkaar ontmoeten. In den laatsten tijd zijn Konstantinopel en Saloniki door spoorwegen met Middel- en West-Europa verbonden. Een gezicht van eene stoomboot af in den Gouden Hoorn, een arm die het land binnendringt te midden van het Serail, Stamboel (de Turksche naam van het eigenlijke Konstantinopel), Galata, Fera, kortom midden in

-ocr page 140-

126

Konstantinopel, is wonderbaar schoon, te meer, omdat men alleen het geheel, het uitwendige ziet. Uit de zee van huizen verheffen zich de koepels der moskeeën en de slanke minarets. Maar inwendig vertoont do stad de sterkste tegenstelling van beschaving en barbaarschheid, van rijkdom en armoede. In Pera en Galata wonen de Franken (= Westerlingen). Gallipoli is eene handelsstad. Adrianopel (70 000 inw.) is de eerste fabrieksstad van Europeesch Turkije met aanzienlijken handel. Saloniki (150000 inw.) is de tweede handelsstad. In den omtrek van Seres wordt aan katoen- en rijstbouw gedaan.

b. Boelgarije. De oude hoofdstad Tirnova, de nijvere en handeldrijvende tegenwoordige hoofdstad Sofia en de haven War na. De vestingen aan den Donau zijn ontmanteld, wat niet ten nadeele van hare handelsbelangen heeft gestrekt.

In Oost-Roemelië de hoofdstad Philippopel, Kazanlik (rozenolie) en de haven B o e r g a s.

c. Roemenië (130 000 KM2, 5.4 mill. inw.). De hoofdstad Boekarest (220 000 inw.) neemt steeds meer het voorkomen van eene Westersche stad aan. Jassy (90 000 inw.) drijft aanzienlijken handel. Galats (80 000 inw.) en Braïla zijn iianzionlijke havens voor den korenuitvoer.

d. Servië met de hoofdstad en belangrijke vesting Belgrado.

c. Montenegro is een woest bergland met geene enkele belangrijke plaats. Ce t tin je is tot dusver de zetel van den vorst.

/'. Griekenlands meeste steden hebben een meer roemrijk verleden dan een belangrijk heden. Athene, de hoofdstad (107 000 inw.), dankt haren roem aan vroegere eeuwen, waaraan nog talrijke overblijfselen herinneren. Patras is de belangrijkste handelsstad van Morea. In het nieuw verworvene gedeelte Larissa (met zijdefabrieken) aan de Salambria. Op het eiland Syra ligt Hermópolis, de voornaamste handelsstad.

§ 90. Aziatisch Turkije omvat een aanzienlijk deel van West-Azië, nl. Klein-Azië, Syrië, het Euphraat—Tigris-gebied, westelijk Arabië en het Sinaï-schiereiland. In Afrika strekt des Sultans macht zich meer in naam dan in werkelijkheid uit over Egypte en Tripolis.

-ocr page 141-

TT1. A Z I K.

(44.8 mill. KMquot;- ol'810000 OM-; 800 millio(Mi inwonors.)

A. A LGEM KEN () VEKZI CUT.

§ 100. Órenxm, Ligging. In 't N. on in 't 0. kan over do bogrenzing van Azië goono onzekorhoid bestaan (de Noordelijke Llszee en do Grooto oceaan), evenmin als naar het Z. (de Indische oceaan). Naar 't ZO. en naar 't W. evenwel zijn de natuurlijke grenzen niet zoo duidelijk. De Aziatische planten- en dierenwereld maakt op de oostelijke eilanden van den Oostindi-schen archipel langzamerhand plaats voor oene Australische Hora en fauna, en naar de zijde der Middellandsche zee springt de scheidingslijn tusschen de Aziatische en de Europeescho eilanden van den Griekschon archipel niet dadelijk in het oog. Tusschen de Zwarte en de Kaspische zee loopt de grens tusschen Russisch en Perzisch gebied grootendeels langs de Aras, bijrivier van de Koer, en naar de Turksche zijde over den Ararat en verder door het Armenische bergland. Naar den kant van Siberië en do Kirgiezen-steppen is de Oeral de natuurlijke grens; de staatkundige grens wordt echter doorgaans gedeeltelijk ten 0. daarvan getrokken.

Azië beslaat 1j3 gedeelte van al het land op aarde.

De uiterste punten van Aziës vastland zijn: kaap Tsjeljóeskin op 77S/30NB. in het N.; de Oostkaap op ISO1,^0 OL. van Greenwich ('iOS'^0 OL. van Ferro) in 't O.; kaap Boeroe, de zuidpunt van Malaka, op 1 'j^ NB. in 't Z., en kaap Baba in Klein-Azië op 2(5° OL. van Greenwich (433/40 OL. van Ferro).

§ 101. Omtrek. De omtrek van Azië is betrekkelijk minder rijk geleed dan die van Europa. De noordkust is afgelegen en een groot doel van 'tjaar met ijs bezet. Toch is de noordoostelijke doorvaart door Nordenskjöld volbracht en de breede mondingen van Ob en Jeniséi staan door de Karische zee reeds in eenige handelsbetrekking tot Europa. Het dubbeleiland Nova-Zembla wordt slechts in den zomer door pelsjagers bezocht en de eilandengroep Nieuw-Siberië door menschen, die ivoor (mammouthstandon) zoeken. De smalle Beringsstraat scheidt twee werelddoelen. Langs Aziës oostkust liggen vele boogvormige vulkanischo eilandenrijen, die met eenige schiereilanden vijf groote binnenzeeën afsluiten. Vooreerst de Boringszee, die door don boog der Alooeten en 't vulkanischo schiereiland Kamtsjatka wordt

-ocr page 142-

128

ingesloten. Vervolgens de zee van Ochotsk, waarvoor do Koerilen liggen. Daarna de Japansche zee, die door het eiland Sachalien (bijna schiereiland: ondiepe Tatarensont) en de belangrijke Japansche eilanden van den oceaan en door 't schiereiland Korea van de Chineesche Oostzee wordt gescheiden, wolke laatste naar het O. door de Lioe-Kioe-eilanden wordt begrensd en bij het eiland Formoza eindigt, waar ze door de straat Foekian met de Chineesche Zuidzee in gemeenschap staat. Deze wordt door de eilanden van den belangrijken Oostindischen archipel begrensd en is door eenige straten, o, a. de straat van Malaka en de Soendastraat, met den Indischen oceaan verbonden, die als golf van Hengalen tusschen Voor- en Achter-Indië binnendringt, als golf van Manaar en Palkstraat het vruchtbare eiland Ceylon van 't vastland scheidt, en als Arabische zee tusschen Voor-Indië en Arabië eene breede, opene binnenzee vormt, die door straat Ormoes met de Perzische golf en door den Bab-el-Mandeb {— tranenpoort) met de Roode zee in gemeenschap staat. In 't W. vormen het schiereiland Klein-Azië en dé Sporaden eene brug naar Europa.

§ 102. Hoogte. Van Klein-Aziës westkust tot aan den (Irooten oceaan strekt zich een groot hoogland uit, dat door ketenen in verschillende gedeelten wordt gescheiden en op welks randen zich ketenen en terrasvormig afdalende berglanden verhelfen. Bovendien hebben we meer of minder afzonderlijke hooglanden te onderscheiden, die soms door laagvlakten (op de schiereilanden) of zeeën (op de eilanden) van 't groote hoogland zijn gescheiden.

Het groote Aziatische hoogland bestaat uit twee hooglanden: het Voor-aziatische en het Achteraziatische hoogland, die daar, waar de Amoe en de Indus het hoogland verlaten, door den Hindoe-koe (—Indisch gebergte) met elkander verbonden zijn. Deze betrekkelijk smalle verbinding der reusachtige hoogvlakten is de eenige plaats, waar Noord- en Zuid-Azië niet elkander in gemeenschap staan; hier trokken de Mongolen veroverend het schoone Voorindische laagland binnen. Oost-Azië is van West-Azië gescheiden door het geweldige hoogland en alleen in tijden van overbevolking en oorlog stroomden de Oostaziatische stammen door de dalen van Dzjoen-garijo naar Tocran en van daar naar Europa en Voor-Azië. De kern der beide grooto hooglanden bestaat uit woestijnen. Het Daoerisch Alpenland en de Altaï vormen den noordelijken, het hoogland van Pamir vormt den westelijken, de hooge Himalaja den zuidelijken rand van het Achteraziatische hoogland. Naar het 0. daalt het in de terrasvormige berglanden van Mant-sjoerije (met vele breede, lago dalen) en China af. Het kleinere en lagere Vooraziatische hoogland bestaat uit het hoogland van Iran, het Armenische bergland, dat naar 't N. met den Kaukasus samenhangt, en hetKleinaziatische hoogland. Voor den noordelijken rand van het Achteraziatische hoogland strekt zich onder verschuilende namen een bergland uit tot in Kamtsjatka. Naar 't ZO. hangt het bergland van Achter-Indië met het groote hoogland samen. Geheel afgescheiden vinden we het Voorindische hoogland, waarvan do zuidelijke driehoek hoogvlakte van Dekan heet. Met het Vooraziatische hoogland hangt door middel van het Syrische hoogland het Arabische hoogland samen. Op de grens van Europa vinden we den Oeral.

Langs de IJszee strekt zich de naar 't O. smaller wordende Siberische

-ocr page 143-

m

laagvlakte uit, die iu 't ZW. met hot laagland van Toeran samenhangt. Tusscheu Arabiê en het Vooraziatisclie hoogland ligt de Syrisch-Arabische laagvlakte met het Mesopotamia van Tigris en Euphraat. Hot Voorindischo laagland schoiilt het Voorindischo hoogland van do groote hoogvlakte. De Achterindische rivieren stroomen door dalen, dio zich bij do mondingen tot vlakten verbroeden. In 't O. van China vinden wo in do vruchtbare Chineesche laagvlakte het zichtbare aanslibbingsproduct van Uoang-ho en Jang-tse-kiang.

§ 103. Water. Tengevolge van de centraio ligging van't hoogland stroomen de rivieren van Azië naar alle windstreken. Een dikwijls in Azië voorkomend verschijnsel zijn de tweelingstroomen, als Ob en Jenisóï, Hoang-ho en Jang-tse-kiang, Ganges en Brahmapootra, Tigris en Euphraat. Verder diont to worden opgemerkt, dat Azië groote gebieden bezit, die geene afstrooining naar sseo hebben, maar welker waterloopen in 'tzand verdwijnen, moerassen of meren vormen. We vinden dergelijke steppenrivioren 't meest in do westelijke helft van hot Achteraziatische hoogland en op hot plateau van Iran.

§ 104. Klimaal. Ligt Europa bijna geheel in do gematigde zone, Azië slechts voor :i/Él, daar '/« val1 ^it werelddeel in do heote, '/« iquot; de koude luchtstreek ligt. Do meer massieve vorm van Azië, de groote uitgestrektheid van 't W. naar het O. in verband mot de omstandigheid, dat liet in de gematigde zone niet of althans weinig door do zee wordt bespeeld, en verder de aanwezigheid van groote hoogvlakten, bezorgen hot werelddeel oen vastlandsklimaat, dat in strengheid van 't \V. naar het O. toeneemt. Bij do Lena vinden we 't gebied van de grootste koude. De zuid- en oostrand van Azië met do eilanden van don Indischen archipel liggen in 't gebied der moesons, winden die hot eéne halfjaar van hot land naar zee, het andere halfjaar in tegengestelde richting waaien. Do Gobi, de Perzische en do Arabische woestijnen bohooren tot do streken, die zeer arm aan regen zijn.

§ 105, Planten. Eon zoo groot werelddeel, met zoo uitoenloopend klimaat en afwisseling in hoogte, moet natuurlijk een grooten rijkdom aan planton-vormen bezitten. Vooral is Azië rijk aan planten, die den monsch nuttig kunnen zijn en behulpzaam waren bij zijne ontwikkeling, on die van hier uit over andere werelddeelen zijn verbreid. Langs de Llszeekuston strekt zich de toendra uit, die geheel overeenkomt niet de Europoesche. Hierop volgen naar 't Z. groote wouden; eerst dennen, later ook loofhout. Waar dit laatste zich vertoont, begint op beschutte plaatsen ook reeds de landbouw. De noordelijke randgebergten der Achteraziatische hoogvlakte zijn rijk aan naaldhout, terwijl in velo dalen de landbouw bloeit, vooral in het Amoer-gebied. De steppen van Toeran zijn door kunstmatige bovloeiing in sommige streken tot rijke landbouwdistricten gemaakt. In de westelijke helft der woestijn Gobi, die aan de randen een steppenkarakter vertoont, vindt men oasen, waar o. a. katoen, koren en wijn worden gekweekt. De oostelijke Gobi is dor en onvruchtbaar. Het Chineesche lössgebied in de streek van Hoang-ho en Wéi-ho, en de Chineesche laagvlakte zijn zeer vruchtbaar. Het vroeger zoo vruchtbare Klein-Azië levert nog koren, tabak, katoen en zuidvruchten, maar is, evenals geheel Voor-Azië, ook door het onbedachtzaam uitroeien van wouden sterk in productiviteit afgenomen. De kers, de kastanje en de druif hebben in Voor-Azië hun vaderland. Overal waar in Voor-Azië geene rivier

P. it. hos, Beku. Aardr. y 8(» druk. 9

-ocr page 144-

130

in voldoende mate den grond bevochtigt, moet, evenals in Zuid-Europa, kunstmatige bevloeiing plaats hebben. Mesopotamië en de Voorindische laagvlakte leveren een dubbelen oogst; gedurende den regentijd worden rijst, mais, gierst, katoen en indigo gekweekt; gedurende den winter Europeesche groenten en korensoorten. Voor-Indiö levert veel opium. Tibet is door zijne hoogte meer voor veeteelt dan voor landbouw geschikt. Zuid-China verbouwt rijst, katoen en thee. Het tropische gebied levert in Voor- en Achter-Indië en in den Indischen Archipel zeer rijke producten: rijst, sago, kokospalmen, broodbooraen, koffie, specerijen, suiker, katoen, thee, tabak, bamboes, nuttige houtsoorten, enz. Deze kostbare voortbrengselen maakten Indië reeds van oudsher tot eene begeerlijke buit voor vreemde Aziaten en Europeanen. In de oostelijke helft van den Indischen Archipel krijgt, zooals reeds werd opgemerkt, de flora een Australisch karakter.

§ 10G. Dieren. Azië is het vaderland van bijna alle dieren, die door den mensch zijn getemd. Hot N. heeft het rendier en eene menigte pels-dieren, beide van groot belang voor de bewoners en van grooten invloed op de geschiedenis van Noord-Azië. De verovering van Siberië door de Russen was als 't ware óóne groote pelsdierenjacht. Do steppen en woestijnen van Turkestan en het Aziatische hoogland zijn natuurlijk arm aan wilde dieren; schapen, koeien, paarden en kameelen zijn er reeds sinds eeuwen inheemsch. Voor-Azië is het vaderland van den kameel, die reeds zeer vroeg is getemd en tegenwoordig in alle werelddeelen is ingevoerd. Misschien is het paard het eerst getemd door Mongolenstammen van Middel-Azië, maar wien ook de eer van deze groote overwinning moge toekomen, het paard is voor den Aziatischen steppenbewoner nog altijd een onmisbaar dier. Groote kudden van wilde of verwilderde paarden zwerven nog tegenwoordig in Middel-Azië rond. Op de hellingen van den Himiilaja in 't wild en in Tibet en Mongolië als last- en rijdier leeft de yak, wiens tijnharige staart de beroemde zoogenaamde „paardestaartenquot; der Oostersche legeraanvoerders levert. In het hoogland van Kasjmier en Tibet, ook nog tot in de Kirgiezenlanden, leeft de kasjmiergeit, die de wol voor de kostbare kasjmiershawls levert. In China is de zijderups, nu naar zoovele landen overgebracht, van groot belang; niet alleen toch dat de zijdefabrikatie aan velen een bestaan verschaft, maar door den zijdehandel kwamen de westelijke landen het eerst met China in aanraking. Is Indië rijk aan planten, wat de dieren aangaat moet het eveneens tot de rijkste deelen der aarde worden gerekend. Onder de roofdieren staat de tijger vooraan, die zijne rooftochten tot den Altai uitstrekt, maar wiens hoofdgebied Voor-Indië is, waar enkele streken door hem haast onbewoonbaar zijn. De Aziatische olifant, met den woesten rhinoceros het grootste Aziatische zoogdier, wordt reeds sinds overoude tijden getemd. Indië en de Oostindische Archipel schijnen 't vaderland van de kippensoorten te zijn. Op Borneo en Soemutra leeft de orang-oetang. Op de oostelijke eilanden van den Indischen Archipel verschijnen reeds de Australische buideldieren en papegaaien.

§ 107. De Bevolking van Azië omvat meer dan de helft van de bewoners der geheele aardoppervlakte. Zij behoort tot het Mongoolse he ras in 't midden, 't O. en 't N.; het Kaukasische ras in 't W. en in 't Z.; de

-ocr page 145-

131

Dra vi da's op het hoogland van Dekan en op Ceylon, en de Ma lel er s op 't schiereiland Malaka en den Oostladisohen Archipel, in welks oostelijk gedeelte Papoea's wonen. Hoewel hot getal Europeanen in Azië nauwelijks 7 tnillioen bedraagt, beheerschen zij bijna de helft van 'tgeheele werelddeel en meer dan '/s van de bevolking.

Het Christendom wordt in Azië nog weinig beleden (15 mill.?). Orootere vorderingen heeft de Islilm gemaakt: bijna geheel Voor-Azië is Mohamme-daansch, bovendien nog Toeran, de Indische Archipel en een deel van de bevolking der Britsche bezittingen, in 't geheel misschien 80 millioen. Alle andere Aziaten belijden het Hrahmaïsme, het Boedhisme of het Sjamanisme.

». BESCHRIJVING.

(l. HET HOOOI.AND.

§ 108. IIcl Achlpraxialische hoogland bestaat tilt een noordelijk bekken, door de Chineezen Han-hai (— uitgedroogde zee) genoemd, en oen zuidelijk gedeelte, het ïibetaansche hoogland. Het Han-hai, grootendeels een vroegere zeebodem, nu eene met zout doortrokken steppe, wordt in 't W. ingesloten tusschen den Tién-sjan (=Horaelsch gebergte) en den Kwen-lun en begint in 't W. aan de oostelijke afhelling van het dorre hoogland van Pamir, waarover van oudsher belangrijke verkeerswegen tusschen Oost- en West-Toeran loopen. In het O. eindigt hot Han-hai aan den voet van het Khingan gebergte, dat het van Mantsjoerije scheidt. Naar het NW. zet dit bekken zich, lager wordende, voort in Dzj oengarije, do groote poort, waardoor de Oostaziaten naar het W. trokken, tusschen de oostelijke ketenen van den Tién-sjan en den ertsrijken Altaiquot;. De westelijke helft van het Han-hai is het bekken van den Tarim, die in het Lob-nor uitloopt. De oostelijke helft is het eigenlijke gebied van den Gobi of Sjamo (—zandzee); deze is niet overal eene woestijn in den eigenlijken zjn des woords, wijl hier en daar nog zooveel gras groeit, dat nomaden er voedsel voor hun vee vinden. Door eenige passen in den steilen oostrand der hoogvlakte leiden wegen van uit de Chineesche laagvlakte naar Siberië. Om zich tegen de aanvallen der woeste stammen, die van deze passen gebruik maakten, te beschutten, bouwden de Chineezen den kolossalen Chineeschen muur.

De Tibetaanse he hoogvlakte is de grootste hoogvlakte van die hoogte op aarde. In liet O. kan men haar beschouwen als zich uit te strekken tot den Jun-ling. Alleen het midden schijnt grootendeels vlak te zijn. In de noordelijke, weinig bewoonde helft liggen groote zoutmeren, bedevaartplaatsen der Tibetanen. In 't W. verheit het hoogland zich zelfs tot vlakten van 5000 M. Oost-Tibet is een woest bergland, waar de ketenen van Achter-Indië beginnen. Der noordrand is de hooge Kwen-lun, die eene grootere kamhoogte schijnt te hebben dan de Himalaja, welke den zuidrand vormt. Eene der noordwestelijkste ketenen van don Himalaja draagt den naam van Karakoroem (met den Dapsang, 8000 M., naar de hoogte waarschijnlijk

-ocr page 146-

132

-ocr page 147-

133

daiir door den Kaiberpas naar Voor-Indië) samen met het Achterazjatische. We merken hier vooreerst op het hoogland van Iran, dat aan de oostzijde door de Soli ra anketen (met vele passen naar Afghanistan), aan den noordkant door voortzettingen van den Hindoekoe en ten Z. van de Kaspische zee door den hoogen Elboers wordt begrensd. Naar het Z. daalt het hoogland in terrasgebergten naar zee af, die zich op den westrand als gebergten van Koerdistan voortzetten. Het hoogland van Iran is in 't binnenland voor een vrij groot gedeelte zoutsteppe en wordt door bergketenen in vele afdeelingen gescheiden. Langs de randgebergten vindt men evenwel vele vruchtbare streken. In 't NW. voeren van Tebris passen door het Armenische hoogland (hoogste top de Ararat, 5170 M.) naar Rusland en de Zwarte zee. De oostrand van het Kleinaziatische hoogland zwelt aan tot Anti-Taurus, die zich ten W. van de Cilicische passen (970 M., de eenige verbinding tusschen Klein-Azië en Syrië) langs Klein-Aziës zuidrand als Taurus voortzet. Klein-Azië is in 't binnenland grootendeels steppenland (veel schapenteelt), met enkele meer bevloeide bouwlanden. Naar 't W. wordt het land lager en vormen bergketenen lengtedalen, waardoor bochtige rivieren naar zee stroomen.

De Syrische hoogvlakte, waarop de Libanon en de Anti-Libanon zich verhellen, verbindt het Arabische hoogland met het Voor-aziatische. Tusschen den Libanon en den Anti-Libanon en verder zuidwaarts tot do golf van Akaba strekt zich een kloofvonnig dal uit, in welks laagste gedeelte de snelstroomende Jordaan, die in de Doode zee uitloopt (400 M. beneden den Middellandsche-zeespiegel). Het hoogland ten W. der kloof eindigt op het Sinaï-schiereiland, dat len O. daarvan helt onder den naam van Syrische woestijn naar den Euphraat af.

Arabië is grootendeels een woest hoogland, een nomadenland, de woonplaats der Bedoeïnen.

§ 110. Tiet Voorindi.schf en hH AchterindiscJie. hoogland. Het Voorindischo hoogland bestaat uit liet plateau van Dekan, dat op den westrand de West-Ghats (Ghats = wegen, naar de vele passen), op den oostrand do lagere Oost-Ghats draagt. Langs de noordzijde strijkt het lage, klovenrijke Vind li ij a-gebergte, ten N. waarvan nog het plateau van Mal va.

Het Achterindische bergland bestaat uit eenige meridiaangebergten, die in oostelijk Tibet schijnen te wortelen en onderling door lengtedalen worden gescheiden.

De meeste eilanden van Azië zijn bergachtig.

b. HET LAAGLAND.

§ 111. Hel Siberische, en hei Toeransche laaylmid. Het Siberische laagland neemt naar het O. in breedte af. In 't N. is dit laagland geheel toendra, van het Samojeden- tot het Tsjoektsjen-schiereiland. Daarop volgt de gordel der wouden, die zeer rijk is aan pelsdieron en waar hier en daar aan landbouw wordt gedaan. Naar 't Z. worden de landbouwstreken steeds talrijker, tot ten Z. van Tobolsk eene strook bouwland volgt van 50 G. M. breed. Door deze landbouwstreek loopt ook de Siberische handelsweg tusschen de beide nüjngebieden van don Altaï en den Oeral. Ten Z. hiervan

-ocr page 148-

134

begint op SOquot; NJ3. de Kirgiezensteppe, die des zomers met welig gras is bedekt, 011 nog verder zuidwaarts strekt zich het laagland van Toenin uit, grootendeels eene steppe, die zelfs gedeeltelijk een woestijnkarakter draagt. Waar de bodem voldoende wordt bevochtigd door rivieren of kanalen, komen rijke landbouwstreken voor. Tusschen het Aralmeer en de Kaspische zee verheft zich het woeste, weinig hooge Oest-Oert-plateau, ten W. waarvan de Kaspische laagvlakte, die, evenals de Kaspische zee, beneden den spiegel der Zwarte zee ligt. (De Kaspische-zeespiegel ligt 26 M. beneden den spiegel der Zwarte zee.)

§ 112. liet Mcsopotamic van Tigris en Euphraat is tegenwoordig een steppengebied, nu de kanalen dichtgespoeld, dichtgestoven en vervallen zijn. Wanneer mettertijd misschien een spoorweg door dit gebied den weg naar Indiö zal aanwijzen, dan zullen in de streken van het oude Assyrië en Babylonië nieuwe steden tot bloei kunnen komen.

§ 113. Jld Voorindisckc laayUnid bestaat uit twee deolen: een westelijk, dat tot het Indusgebied behoort (met uitzondering van het vruchtbare Paudsjaab of Vijfstroomenland eene steppen- en woestijnstreek: Thoer of Thar), en een oostelijk, nl. het dichtbevolkte Gangesgebied, dat zeer vruchtbaar is. De Gangesdelta is zeer vochtig en ongezond; hier is het vaderland der cholera, die door de Mohammedaansche pelgrims naar Mekka en van daar naar Afrika, Voor-Azië en Europa wordt overgebracht. De zuidelijke rand dei-delta is met dichte wouden bezet, het toevluchtsoord van den koningstijg™,

g 114. De Ckiuceschc laagvlakte is een aanspoelingsproduct der beide Chineesche tweelingstroomen. Zij is waarschijnlijk het dichtstbevolkte gebied der aarde. De werkzaamheid der Chineezen heeft er vele kanalen gegraven, o. a. het Keizerskanaal, dat zoo lang is als de Elbe, maar in do laatste jaren, nu zeeroovers de zee niet meer zoo onveilig maken als vroeger, gedeeltelijk is vervallen en nog slechts voor den handel tusschen de aangelegen plaatsen onderling van belang is.

C. - DE WATEKEN.

§ 115. Tot het Noordelijke-IJsxccrjcbird behooren de Ob, de Jenisói en de Lena. Do Siberische rivieren zijn in verschillende opzichten van groot belang. Jaarlijks zwemmen groote scholen visschen uit de zee de stroomen op om kuit te schieten en verschalïen aan de menschen, die ten N. van het landbouwgebied leven, een middel van bestaan; men kan daar op bepaalde tijden spreken van vischoogsten. Stroomaf voeren deze rivieren veel hout, dat als drijfhout de bewoners van de boomlooze IJszeekusten ten goede komt. Voor den binnenlandschen handel zijn ze van groot belang, en op de üb en de Jeniséi begint zich reeds een vrij levendige handel op Europa te ontwikkelen, waarvoor men nu een' geschikten weg over het Oeralgebergte tracht aan te wijzen, omdat de Karische zee toch niet iederen zomer voor de scheepvaart geschikt is gebleken. De Ob en de Irtlsj stroomen vereenigd in den wijden Obboezem uit. De Jeniséi neemt door do Boven-Toengoeska het water van het groote bergmeer Baikal (= het rijke meer, ruim zoo groot als Nederland) op. De Lena stroomt door de koudste deelen van Siberië

-ocr page 149-

135

en is dus voor 't verkeer vau veel minder belang dan de beide andere.

§ 116. Url gebied van dm Grootcn oceaan. De A moer mondt uit in de ondiepe Tatarensont; daarom verlaat de handelsweg de rivier bij Mariinsk, om overland naar Alexandrovsk te gaan. In China treffen we den slecht bevaarbaren Hoang-ho of de Gele rivier (hot water is door de löss-slib geel gekleurd), die herhaaldelijk hare bedding hoeft verlegd en hot grootste doel van de Chineesche laagvlakte heeft geschapen, en don goed bevaarbaren Jang-tse-kiang aan. In Achter-lndiö de Mekong of Kambodsja.

§ 117. Hel gebied van den Indiachcn oceaan. Do 1 ra wadi is de stroom van Birma of Barma. De Brahmapoetra ontspringt op de Tibetaansche hoogvlakte, niet ver van de bronnen van den Indus en den Sadlatsj. Do heilige Ganges verlaat bij Hardwar (bedevaartplaats, waar jaarlijks honderdduizenden pelgrims zich in het water der rivier baden, tevens handelsplaats) het bergland, om de vruchtbare vlakte door te stroomen, wordt na de vereeniging met de Dzjoemna zeer belangrijk voor het verkeer en vloeit na de samen-strooming met de Brahmapoetra met vele mondingen in zee. De Indus stroomt, evenals de Brahmapoetra, eerst langs den noordvoet van den Himti-laja, breekt dan door 't gebergte, neemt den Kaboel rechts en den Sadlatsj (Pandsjaab) links op en begint bij Haiderabad eene delta te vormen. De trage Euphraat ontspringt op het Armenische hoogland, de snelle Tigris op den zuidrand daarvan. Ze sluiten het in de oudheid zoo rijk gekanaliseerde, vruchtbare en dichtbevolkte Mesopotamiö (= land tusschen de rivieren) in en stroomen vereenigd als Sjat-el-Arab in de Perzische golf.

§ 118. Hei Midddlandsche-xeegebied bevat slechts kleinere stroomen: op de westkust van Klein-Azië o. a. den bochtigen Meander, terwijl op de noordkust de Kizil Irmak, de Halys der ouden, uitmondt, een echte plateau-stroom, die voor 't verkeer van weinig belang is.

§ 119. De sleppenrivieren. Op het Achteraziatische hoogland is de Tarim de grootste steppenrivier; hij loopt uit in het Lob-nor. Op do westelijke holling van 't hoogland stroomt de Ili naar het Balkasjmeer. Het Aral-meer (74 M. boven den zeespiegel) ontvangt slechts een deel van het water van den Amoe en de Syr; een aanzienlijk gedeelte toch wordt dooide aanwonende volken langs kanalen afgeleid, om er de velden mee te bevloeien. Do Hiimend eindigt in 't moeras Hamoen. De Jordaan stroomt met snellen loop door de bovengenoemde laagte naar het laagste gedeelte daarvan, de zoutrijke, 400 M. beneden den Middellandschon-zeespiegel gelegen Doode zee. In het binnenland van Arabie treft men slechts wadi's aan.

C. LANDEN EN VOLKEN.

I. WEST- OF V00II-AZ1Ë.

§ 120. Voor-Azië, omvat de landen, waar in de oudheid de rijken der Assyriërs, der Babyloniërs, der Perzen en der Macedoniërs elkander opvolgden: de voorhof van Azië, die naar Europa leidt; de landen, waar de vorm der oppervlakte en die van den omtrok beide een' overgang tot

-ocr page 150-

136

liet lijnor gelode Europa vortooneu, wijl do hoogvlakte er veel kleinere afmetingen aanneemt ou door bergland en laagvlakte wordt afgewisseld en de zee herhaaldelijk diep in het land dringt; de landen, waar in de oudheid de Europeesche Grieken koloniën vestigden en van waar uit tegen hot einde dor middeleeuwen de Aziatische Turkenstam naar Europa overstak; do landen, van waar uit het Jodendom en het Christendom zich over de goheele aarde hebben verbreid en waar beido het veld hebben moeten ruimen voor de leer van den Koran. Er zijn tijden geweest, waarin Voor-Azië door de meest ontwikkelde volken van hun' tijd werd bewoond, waarin de prachtigste paleizen den vorston van machtige rijken tot woonplaats dienden, kolossale beelden breedo straten en pleinen versierden en de vlakten van Mesopotamie en Klein-Azië met den rijksten plantengroei waren bedekt. Doch van Babyion, Ninivé en Seleucia zijn slechts puinhoopen meer over, en de waterleidingen zijn vervallen en verstopt; wilde dieren huizen in de ruïnen, en de vruchtbare vlakten zijn grootendeels in kale steppen veranderd. Vreesdijke oorlogen hebben het land verwoest en de inwoners verdreven; het centrum der beschaving is reeds lang naar het W. verschoven. Maar ook voor Voor-Azië zal een betere tijd kunnen aanbreken, wanneer het n.1. nog eens weer don handel tusschen het rijke Indië en het beschaafde Europa door zijn gebied mocht zien gaan; het zal dan geen langzame karavaan-bandel zijn, maar als de Bosporus zal zijn overbrugd, zal één spoorwog West-Europa mot Voor- en Zuid-Azië verbinden en nieuwe handelssteden zullen verrijzen aan don eeuwenouden overlandweg. Eeeds hooft Engeland een station (Cyprus) gekozen tor bewaking van dien weg, waarbij het zoo groot belang zal hebben; doch wanneer die zegenrijke tijd voor dit deel der aarde zal aanbreken, laat zich nog niet bepalen.

121. Aziatisch Turkije (1 890 000 KM2, 16 mill, inw.) omvat Klein-Azië, Turksch Armenië en Koerdistan, do provincie Bagdad (het oude Mesopotamie), Syrië en de westkust van Arabië.

Klein-Azië of Anadolië, zoo groot als Frankrijk, is schraal bevolkt; hot dichtst is de bevolking in do westelijke kuststreek, de Levant. De Osmanen vormen ongelukkig het hoofdbestanddeel der bevolking; in 't W. wonen Grieken, die met de Armeniërs den handel in handen hebben. De voornaamste stad is Smyrna (180 000 inw., voor de helft Grieken), met aanzienlijken handel, o. a. in zuidvruchten en tapijten. Het schilderachtige Broes sa werd in 1855 door eene aardbeving verwoest. Ten N. van Kjoe-tahija liggen meerschuimgroevon. Skootari is de Aziatische voorstad van Konstantinopel. Op de noordkust is Tarabison of Trebizonde do belangrijkste handelsstad.

Turksch Armenië en Koerdistan hebben eene bonte bevolking: Armeniërs, Osmanen en Koerden, en in 't Z. Arabieren. Erzeróem (60000 inw.), op een plateau, is een kruispunt van wegen. Diarbekr ligt op den hoogen rechter Tigrisoever.

De vlakte van Euphraat en Tigris wordt hoofdzakelijk door Arabieren bewoond. Aan den Euphraat ligt tegenwoordig geene enkele belangrijke plaats (do ruïnen van Babyion). Aan den Tigris Mos oei, waar vroeger mouseline werd geweven, in de nabijheid van de ruïnen van Ninivé. De

-ocr page 151-

wmmmi

v,-

137

hoofdstad Bagdad (100 000 inw.), vroeger eene praclitige, volkrijke stad, is acliteruitgegaan,

Syrië omvat ook hot oude Palestina en Phe-nicië. De Libanon wordt bewoond door de christen-seoto der Maronieten en de hun vijandige moham-medaansch-christenseete dor Drusen. Hal eb of Aleppo, met 110 000 inw., is eene handels-en industriestad. Damascus (150 000 inw.) is, ofschoon niet meer wat het vroeger was, nog altijd oeno belangrijke handelsstad aan de samenkomst van vele karavaanwegen, li e i r o e t (85 000 inw.) is de haven voor Damascus. Jeruzalem ligt op eene 800 M. hooge kalkvlakte, de bewoners zijn voor de helft Israelieten.

In Arabic bezitten de Turken Hedsjas en Jemen met de heilige steden Mekka en Medina, de bedevaartplaatsen der Mohammedanen.

g 122. Arabic heeft een heet vastlandsklimaat; het wordt bewoond door volo mohammedaansche Bedoeïnenstammen, die bekend zijn om hunne gastvrijheid zoowel als om hunne roofzucht. De handel is er natuurlijk karavaanhandel; do geringe nijverheid is er handwerksindustrie. De voornaamste voortbrengselen zijn kameelen en voortreffelijke paarden, verder dadels, harsen en koflie. In 't binnenland het rijk Nedsjed met de hoofdstad Riad. Aan de oostkust het rijk Oman met de handelsstad Maskate. Bij de Bahrein eilanden wordt veel aan parelvisscherij gedaan. In Hadramaut op de zuidkust hebben de Engelschen eene landtong, waarop de stad Aden ligt, een belangrijk kolenstation voor 't verkeer tussehen Bombay en Sues. Ook-het eiland Perim in Bab-el-Mandeb is in het bezit der Engelschen.

§ 123. Perxië wordt door Sjiieten bewoond, die reeds eeuwenlang vijandig staan tegenover de rondom wonende Soenitische Turken, wat tot voortdurende oorlogen aanleiding geeft. De Perzen zijn listige kooplieden (karavaanhandel); de industrie is er uitsluitend handwerksnijverheid gebleven: tapijten en zijden stoffen. Het woeste, regenarme binnenland wordt door nomaden bewoond; de noordelijko en westelijke streken aan den voet van 't gebergte zijn het rijkst aan water, het best bebouwd en bevolkt. Do Sjach heeft despotische macht. Hoofdstad is Teheran (210 000 inw.), het kruispunt van vele wegen; des zomers is do stad zeer ongezond, zoodat zij door de aanzienlijken dan ook alleen des winters wordt bewoond. De oude hoofdstad Isfahan (00 000 inw.) Avas vroeger veel aanzienlijker. In schoone

-ocr page 152-

138

omgeving in 't ZW. ligt Sjiras mot rozentuinen en wijngaarden. De

voornaamste handelsstad is Tebris (180 000 inw.) in 't NW.

§ 124. Afghanisldn is door zijne ligging tussclien Engelseh en Russisch gebied en door het bezit van do passen van Baraian on Kaboel van groot

-ocr page 153-

139

belang. De jongste oorlog kan dit, met nog zoovele utulero gebeurtenissen in vroegeren tijd, bewijzen. De beroemde stad Kaboel heeft nauwe en vuile straten; 't is een punt van samenkomst voor karavanen. Kandahar is nog slechts eene schaduw van wat liet vroeger was. H e r a t is vaak belegerd en verwoest; 't is dus niet te verwonderen, dat de stad voor een deel uit bouwvallen bestaat; zij heeft veel handel en nijverheid.

§ 125, Bcloedsjistdn of Baloclsjistan is tegenwoordig afhankelijk van Mnge-land; de Khau van Kei at is in naam do beheerschor des lands, maar de meeste der roofzuchtige stammen, die in voortdurende oorlogen met elkander leven, zijn zoo goed als onafhankelijk.

11, NOOKUWEST- EN NOOKD-AZIK

§ 126. Aziaiuiüh Rusland bestaat uit Kaukasië en Kussisch Armenië, die reeds bij Europa zijn beschouwd, Siberië en Russisch Centraal-Azië. Het beslaat eene gezamenlijke oppervlakte van bijna 17 mill, KM2, met eene bevolking van 17 millioen,

§ 127. Siberië. Sedert vóór 300 jaar do kozakkenhoofdman Jermak over den Oeral trok, en de stad Sibir (vandaar do naam Siberië) aan de Irtysj (waar nu Tobolsk staat) was ingenomen, zijn do Kussen, aangelokt dooide pelsdieren, steeds verder naar het O, voortgedrongen. Uit de jachtstations en blokhuizen zijn do Siberische steden ontstaan. Evenwel zijn op vorrena niet alle kolonisten hier vrijwillig naar toe gegaan; vele misdadigers, staatkundige en andere, werden en worden naar Siberië gezonden. Waren hot eerst bijna uitsluitend de pelsdieren on de mammouthstanden, die do Kussen aanlokten, later waren het daarnaast ook de ertsen van den Altaï en Trans-Baikalië en de ontwikkeling van den Kussisch-Chineeschen handel, alsmede in het Z, de opbrengsten van den landbouw en do groote wouden. Tegenwoordig wonen in Siberië ruim 4 millioen Russen, meest in eene 30 tot 50 G, M, breede strook in hot Z, en verder langs de rivieren. Do inboorlingen nemen af in aantal. Vooral de noordelijke jagers- en visscheróvolkon en de rendiernomaden, zooals de Saraojeden en de Ostjaken, de Toongoozen,

do Kamtsjadalen en do Tsjoektsjen, verminderen in aantal. Meer onvermengd en onverzwakt blijven de J a k o e t e n, aan weerszijden van de Lena, die in deze weinig herbergzame streken paarden- en rundorteelt, ja zelfs

landbouw hebben ingevoerd.

T o b ó 1 s k is oen

middelpunt voor den pelshandol; Tjoemen is eene handelsstad bij dp

-ocr page 154-

140

Euroiieesche grens; Barnaul ligt to midden van bergwerken; Tomsk is do woonplaats van vele rijke eigenaars van mijnon. Deze plaatsen liggen in West-Siberië. Kiachta is eeno grens- en handelsplaats voor ivoor. In Trans-Baikalië ligt Nertsjinsk to midden van eene mijnstreek. In het Amoer-gebied is de voornaamste handelsplaats, tevens oorlogshaven, Wladiwóstok (= heer van het Oosten). Nikolajevsk aan den ondiepen Amoermond is van minder belang. Op het schiereiland Kamtsjatka de haven Petropaulovsk.

§ 128. Russisch Centraal-Azië wordt in het N. door de Kirgiozen (— woestijnbewoners) bewoond, het rijkste en talrijkste nomadenvolk van Azië, welks vele stammen mot kudden van schapen, paarden, kamoelen, runderen en geiten onophoudelijk van de eene weideplaats naar de andere trekken. Ze zijn misschien ten getale van l'/g millioen. Om de Kirgiezen in toom te houden, hebben de Russen tusschen de rivier de Oeral en den

Irtysj eene rij van vestingen gebouwd; de grootste daarvan is Omsk. Semi-palatinsk is eene der zuidelijkste sterkten. Ten Z, hiervan is het grootste deel van West-Toeran, hoofdzakelijk door Turksche stammen bewoond, door Rusland onderworpen. Zoo ook een deel van Dzjoengarije, in welk doortochtsland een mengelmoes van stammen woont. De voornaamste steden zijn hier: het oude Tasjkend (120000 inw.), het middelpunt van het Russische gouvernement Turkestan; Samarkand, eens de residentie van' Timoer, voor kort eene stad van leemen hutten. De Transkaspische spoorweg, dien de Russen hier hebben aangelegd, heeft echter een belangrijken invloed op deze streken. Nu reeds b.v. ontvangen de Russische fabrieken een deel van het benoodigde ruwe katoen uit Turkestan.

§ 129. Onafhankelijk Toerdn, steeds kleiner geworden door de verove-

-ocr page 155-

141

ringen der Russen, is de woonplaats van volo fanatieke Moharamedanen-stammen. Do klian van Kliiwa en de emier van Boekharije hebben althans

nog eenig gozag over liunne roofzuchtige onderdanen. De stad B o e k h a r a (70 000 inw.) is oen zetel van Mohammedaanscho geleerdheid on dweepzucht

en tevens het vereenigingspunt voor karavanen uit Indië (over Kaboel en Balkh) en China (over Kasjgar) naar Siberië (over Khokand) en Rusland (over Khiwa en Orenburg).

*iii.

centiiaai,- en oost-azie.

§ 130. Hel Ghinccseho, rijk (111/.j mill. KM*, 400 mill, inw., waarvan wel 380 mill, in het eigenlijke China, dat 4 mill. KM2 groot is), grootor on inweerwil van zijne woestijnen meer bevolkt dan geheel Europa, is een der oudste en vroegst beschaafde staten van de aarde. Van uit het vruchtbare gebied van den Hoang-ho breidden de Chincezen zich over de vlakte en Zuid-China uit. Om eeno boschenning te vindon tegon de invallen der ruwe Mongoolsche stammen, werd do groote Chinoesche muur gebouwd (212 v. C.). Nadat echter de Mantsjoes in 1044 China haddon veroverd, lag de muur binnen do rijksgrenzen.

i

-ocr page 156-

142

De Mantsjoes namen de Ohineesohe beschaving over, en hunne dynastie, nog tegenwoordig aan het roer, onderwierp de Centraalaziatische gebieden: Mongolië, Tibet, Oost-Toeriin en Dzjoengarije.

De Chineezen onderscheiden zich door groote werkzaamheid en gehecht-lieid aan oude gewoonten. Deze eigenschappen hebben hun gelegenheid

gegeven, zich rustig toe te leggen op wat ze hadden leeren verrichten; vandaar dat zij het in 't bewerken van sommige dingen, als porselein, zijden stoifen, lakwerk, snijwerk in hout en ivoor, papier, voorwerpen uit bamboes, tot eene groote hoogte hebben gebracht. De afgeslotenheid van hun land en de veel geringere ontwikkeling van de hen omgevende volken hebben het zelfgenoegzame, dat den Chinees kenmerkt, sterk bevorderd.

-ocr page 157-

143

C

Bovendien zijn de Chineezen spaarzaam, maar ook sluw en geneigd fot bedrog en samenzwering. In het lössgebied, waar de uitgeholde en soms met gevels voorziene lösswanden duizenden bij duizenden tot woonplaats verstrekken, en vooral in de laagvlakte langs de door het löss-slib gekleurde Gele zee, benevens in de kuststreken van Zuid-China heerscht de kwaal van overbevolking, zoodat dan ook duizenden Chineezen gaan verhuizen naar Amerika, Achter-Indië en den Indischen Archipel, om als bergwerkers, goud-

wassohers en koelies uene zekere som te verdienen, die hen in staat stelt om naar hun vaderland terug te keeren en daar onbekommerd te leven. Ook naar Mongolië en Mantsjoerije gaan velen verhuizen. De Chinees is in de eerste plaats landbouwer; hij gebruikt ieder plekje en leidt het water daarheen, waar 't hein dienstig voorkomt; in de rivieren der laagvlakte legt hij zelfs tuinen aan op vlotten. Rijst, ooft, thee, katoen, suiker, rhabarber en kamfer zijn de voornaamste voortbrengselen. Het bamboes speelt bij de vervaardiging

-ocr page 158-

144

van allerlei meubelen en gereedschappen eene groote rol. Uit het dierenrijk is de zijderups zonder twijfel een van de belangrijkste producten. Aan delfstoffen is China rijk (groote kolenbeddingen, goud, koper, tin, kwikzilver, ijzer); maar do ontginning der mijnen staat nog op zeer lagen trap, daar de stoomkracht eerst in den laatsten tijd door de Clüneezen word toegepast. In de laagvlakte maken rivieren en kanalen een druk verkeer mogelijk, maar in de berglanden is het mot de wegen nog slecht gesteld. Nu steeds meer havens voor 't verkeer met Europeanen worden geopend, worden do rivieren door stoombootcn bevaren en wordt het land bereisd door Europeesche kooplieden, zendelingen en ontdekkingsreizigers, die over 't algemeen door het volk beter worden bejegend dan door de mandarijnen. Onder de uitvoerartikelen nomen thee en zijde de eerste plaatsen in; sedert de openstelling van Chineesche havens is do uitvoer langs de overlandwegen sterk afgenomen.

Het eigenlijke China is rijk aan steden. Peking (—noordelijke residentie) bestaat uit eene Tataren- o(' Mantsjoes-stad en eene Chineezen-stad. Het aantal inwoners wordt geschat op 1 mill, of zelfs nog meer, tegenwoordig evenwel op '/2 millioen. China's hoofdstad heeft moest huizen van ééne verdieping en vele tuinen. De handel van Tientsin (950 000 inw.) heeft zich in den laatsten tijd sterk ontwikkeld. Sjanghai (375 000 inw.), bij den mond van den Jang-tse-kiang, is de handelsstad, waar de meeste Europeanen zijn gevestigd, hoewol andere steden, o. a. Han-kau (900 000 inw.) aan den Jang-tse-kiang in do thoe-districten, vrijwat van Sjanghai's handel tot zicli hebben getrokken. Nanking (= zuidelijke residentie, 450 000 inw.), de stad van wetenschap en nijverheid, heeft in de burgeroorlogen veel geledon. Van uit Amoy (9GOOO inw.) worden vele koelies verscheept; invoer van opium. Kanton met ruim 1 'j2 mill, inw., heeft veel van zijne vroegere belangrijkheid verloren. In de nabijheid de Portugeesche bezitting Macao (verscheping van koelies), die verre achterstaat bij hetBritscheeiland Hongkong met do hoofdstad Victoria (190 000 inw., bloeiende handel).

De hoofdstad van het nu grootondeels door Chineezen gekoloniseerde Mantsjoerije is Moekden, tegenwoordig Sjin-jang geheeten (170000 inw.'?)

Door Mongolië loopt over Öerga en Malmatsjin de kortste weg naar Siberië en Rusland.

Ili of Koeldsja, dat nu weer aan China behoort, is eene belangrijke handelsstad in Dzjoengarije.

Tibet is dun bevolkt. Lhassa is de zetel van den Dalai-Lama, don paus der Boedhistische wereld.

In Oost-Turkestan liggen do handelsplaatsen J ark and, met meer dan 100 000 inw., en Kasjgar, met 80 000 inw.

Korea, vóór eenige jaren een vazalstaat van China, is nu zelfstandig.

§ 131. Japan (380 000 KM2, 4ü mill, inw.), is, even als Groot-Britannië, een eilandenrijk; Jeso, Hondo of Honsioe (in Europa meest geheeten met den eigenlijken naam van 't geheele eilandenrijk, nl. Nippón), Sikokoe en Kioesioe zijn de voornaamste eilanden. Bovendien behooren er toe de Lioe-Kioe- of Rioe-Kioe-eilanden en de Koerilen. Het land is zeer goed bebouwd; rijst, thee en katoen zijn de hoofdvoortbrengselen. Verscheidene takken van nijverheid bloeien reeds sedert lang, vooral het weven van zijden en katoenen

-ocr page 159-

145

stoffen, het verlakken en het vervaardigen van papier en kunstig koperwerk. De handel is zeer levendig en wordt bevorderd door goede wegen, telegrafen, spoorwegen en een goed ingericht postwezen. Sedert de laatste jaren zijn alle groote havens voor 't verkeer met de vreemdelingen geopend.

De Japaneezen hebben veel van de Chineesche beschaving overgenomen, zonder echter dat voorbeeld slaafsch na te volgen. In den laatsten tijd worden door den Mikado krachtige pogingen aangewend, om de Europeesche beschaving op zijde te streven; pogingen, die zonder twijfel op den duur een gunstigen invloed zullen moeten uitoefenen, maar elkander te snel zijn opgevolgd, om de geheele Japansche maatschappij dadelijk in den grond te hervormen.

Op Jezo vinden we de haven Hakodate.

Op Hondo de hoofdstad Tokio, vroeger Jedo geheeten (1.3 mill, inw.), Jokohama (120000 inw., de voornaamste stad voor 't verkeer met het

Japansche burgerfamilie;, liet middagmaal gebruikende.

buitenland); Ozaka (440 000 inw., haven van Kioto); Kioto (275000 inw., de zetel der Japansche geleerdiieid).

Op Kioesioe de haven van Nagasaki, waarbij liet den Nederlanders welbekende zeer kleine eilandje Deciraa.

IV. ZUID-AZIË.

§ 182. Zuid-Axië bestaat uit Voor- en Achter-Indiö en de eilanden van don Indischen Archipel. Staatkundig onderscheiden we de Britsche bezittingen in Voor- en Achter-Indië en bijgelegen landen, de onafhankelijke staten in Voor- en Achter-Indiö, Nederlandsch Oost-lndië, de onafhankelijke gebieden in den Indischen Archipel, en Fransche, Spaansche en Portugeesche bezittingen.

§ 133. Britsch Indïé omvat een groot gedeelte van Voor-Indië (gedeeltelijk beschermde staten); vorder staan nog onder Engelsch gezag: Ceylon, r. K. nes, Bekn. Aardr., 8c. druk. 10

-ocr page 160-

146

de gt; Lakkadiven, de Malediven, de Andanmnen (strafkolonie voor nief-Engelsclie onderdanen), do Nicobaren, Britsch Banna, de Straits Settlements en Singapoer, terwijl ook hot voormalige onafhankelijke rijk Banna, sedert 1885, onder don naam Opper-Barma, aan Engeland behoort. De onmiddellijke bezittingen van Engeland in Indië beslaan eener oppervlakte van bijna 3 mill. KM2 mot ruim 200 mill. inw., terwijl voor de beschermde staten ruim 1.2 mill. KM2 met meer dan 50 mill. inw. wordt opgegeven. Van deze 250 (eigenlijk wel 255) mill, zijn slechts 150000 Europeanen, waarvan 12000 Engelsche ambtenaren, die alzoo eene bevolking van 255 mill, moeten besturen. De bevolking bestaat uit Hindoes, die tot den Aziatischen tak van 't Kaukasische ras behooren, en Dravida's, die oen gedeelte van de Dekansche hoogvlakte bewonen. Beiden belijden den Brahma-dienst (kastenverdeeling), terwijl slechts ruim 50 mill. Mohammedanen zijn. Op Ceylon, evenals ten N. van den Himalaja, heeft hot Boedhisme een toevluchtsoord gevonden.

Do gunstige ligging, de rijkdom aan water en aan kostbare voortbrengselen lokten reeds vroeg vreemde veroveraars, in 't eerst der 16'' eeuw üaber, die in Delhi den zetel van het groote Mongoolsche rijk vestigde; dan de Portugeezen, de Nederlanders en eindelijk de Engelsche Oostindische compagnie, die langzamerhand haar gebied uitbreidde, tot ze na 1858 hare rechten aan de Engelsche kroon afstond. Sedert 1877 draagt de Koningiii van Engeland den titel van Keizerin van Indië; zij wordt in Indië door een' Onderkoning vertegenwoordigd.

Onder de voortbrengselen neemt rijst, het hoofdvoedsel der bevolking, de eerste plaats in; verder tarwe, opium, indigo, katoen, thee, koffie, suiker en kaneel. Dekan levert diamanten, maar grooter voordeel zullen in do toekomst de kolenlagen opleveren. Dieren- en plantenwereld zijn hier beide sterk ontwikkeld; de Gangesdelta en de Tarai zijn de verblijfplaatsen van tijgers, luipaarden en slangen, terwijl bijna alle rivieren door krokodillen onveilig worden gemaakt; de groote wouden zijn rijk aan allerlei houtsoorten. De olifant bewijst als huisdier uitstekende diensten. Landbouw is de hoofdbezigheid ; de nijverheid, hoewel ze zich in de steden beter begint te ontwikkelen, treedt daarbij geheel op den achtergrond; bij de overbevolking in de geheele Gangesvlakte behoeft het dus niet te verwonderen, dat ten gevolge van het uitblijven van den regen hongersnood moet ontstaan. Hetzelfde geldt van de boven beschouwde dichtbevolkte provinciën van China.

De grootste en de meeste steden liggen natuurlijk in de Gangesvlakte. In de oostelijke helft van den Himalaja ligt do staat Boetan, in 't midden Nepal, beide nog onafhankelijk. In 't NW. de hooggelegen beschermde staat Kasjmier met gelijknamige hoofdstad (130000 inw.), ook Srinagore geheeten, met sjaalfabrieken.

In het Pandsjaab Lahóre (150000 inw.), eene belangrijke handelsstad, en Amritsar (150000 inw.), aan den handelsweg (nu spoorweg) van Voor-ludië naar Afghanistan.

In het landschap Sindh de handelsstad Karatsji.

In 't vruchtbare Hindostan Delhi (170000 inw.), dat zijn grootsten bloei bereikte, toen het de zetel van den Grooten Mogol was, met vele merkwaardige paleizen en bouwvallen. Laknau (2C0000 inw.), de hoofdstad

-ocr page 161-

147

van het in 1856 ingelijfde gebied van Oude of Audh. Allahabad 148000 inw.) is eene belangrijke vesting. Benares (200000 inw.) is de zetel van Brahniaansche geleerdheid en de drukst bezochte bedevaartplaats van 't Gangesgebied. Pat na (170000 inw.) is eene belangrijke handelsstad voor rijst en opium.

In Bengalen vinden wij do hoofdstad Calcutta, deGanges-mondingsstad (met de voorsteden 700000 inw.), het eindpunt van den groeten spoorweg, waaraan haast alle groutc steden in het Indus- en hot Ganges-gebied liggen; de stad drijft een groeten handel.

Op de westkust van Dekan is Bombay (770000 inw.), eng en onregel-

10*

-ocr page 162-

148

matig gebouwd, do grootste handelsstad; veel uitvoer van katoen en katoennijverheid. Vooral sedert don aanleg van spoorwegen in Dekan en de opening van het Sueskanaal is Bombay groot geworden. Op de oostkust Madras (400000 inw.), handelsstad met slechte maar nu door kunst verbeterde haven: gunstige ligging tegenover Achter-Indië en den Indischen Archipel.

Op het rijke eiland Coylon (kaneel, kol'lie, kokosolie, parels) de hoofdstad Colombo (100 000 inw.) en Point de Galle (Galle = rots), de aanlegplaats der stoombooten.

Britsch Barma is voor Voor-Iudië een koren- en hout magazijn en het doel van vele landverhuizers uit do dichtbevolkte öangesvlakte. Van Akyab tot de Saloeën-monding liggen vele havens, die rijst uitvoeren. De hoofdstad is Rang oen (13!) 000 inw.).

Frankrijk bezit in Voor-Indië enkele punten (Mahé, Carical, Pondicherry, Janaon en Tsjandernagore). Portugal heeft er nog slechts Goa en Diu.

§ 134. De staten van Achter-Indié. Achter-Indië heeft eene rijke geleding, een vruchtbaren bodem en eene gunstige ligging voor den handel. Dit alles lokte de Europeanen aan, inweerwil van het minder voor hen geschikte klimaat. Nederlands bezittingen op 't schiereiland Malaka zijn overgegaan in handen van de Engelschen, die tegenwoordig buitendien de geheelo westkust van Achter-Indië alsook Barma in bezit hebben, terwijl de Franschen zich hebben gevestigd in het O. en ZO. 't Geheele schiereiland bestaat uit vier, door bergketenen gescheiden dalen, waardoor rivieren stroomen. De moerassige dalen zijn zeer geschikt voor den rijstbouw, terwijl de bergen met weelderige bosschen zijn bedekt. De olifant neemt onder de huisdieren eene eerste plaats in. Ofschoon in de laatste jaren onze kennis van deze streken vooral door het zoeken naar goede handelswegen langs de rivierdalen naar China is vooruitgegaan, is zij nog tamelijk onvolledig.

't Rijk Annam, dat sinds 1884 onder Fransch protectoraat staat, bestaat uit het dichtbevolkte gebied van Tonking en de smalle kuststrook van Cochin-China. Hoofdstad van Tonking is Hanoï (150000 inw.) Hue op de oostkust. Neder-Cochin-China, met de hoofdstad Saigon (uitvoer van rijst, katoen en tabak), behoort aan Frankrijk, terwijl het rijk Kambodsja onder Fransch protectoraat staat.

't Onafhankelijke rijk Siam, aan weerszijden van den Menam, heeft tot hoofdstad Bangkok (3- a 400000 inw., levendige handel op China, Singa-poer en Batavia).

Barma, sedert 1885 Engelsch, als Opper-Barma, is het land van den bevaarbaren Irawadi. De oude hoofdstad Awa en Amerapoera, dat Awa als hoofdstad opvolgde, zijn vervallen. Daar het nog door Engelsche stoombooten kon worden bereikt, had de vorst zijn' zetel nog verder stroomop verlegd naar Man dal é (100000 inw.).

Op de kusten van Malaka hebben de Engelschen enkele punten (Straits Settlements) mot tingroeven en getah-pertsjaboomen.

Bij de zuidpunt van 't schiereiland ligt op een eiland de belangrijke handelsstad Singapoer (100000 inw.), het middelpunt voor 't verkeer tusschen China, Japan, Indië en Australië. De bevolking is er zeer gemengd; 3/5 daarvan bestaat uit Chineezen.

-ocr page 163-

149

V. DE OOSTINUISCIIE ABCHIPEL.

§ 135. lAgging cn Beslanddcdcn. ïusschen twee vastlanden on tusscben twee oceanen ligt de Oostindische Archipel, in de nabijheid van landen, die eone eeuwenoude beschaving bezitten (Voor-Indië en China) zoowel als van streken, waar de ontwikkeling van jongen datum is (de Engelscho koloniën in Australië). Dat deze ligging van invloed in geweest op do ontwikkelingsgeschiedenis van den Indischen Archipel, zullen we zien. In den vorm van een kwadrant ligt deze oilandenwereld tusschen 20° NB. en 11° ZB. en tusschen 95 en 135° OL. v. Gr. Zo is groot genoeg, om eeno zelfstandige wereld te vormen: het lind en het water ie gezamenlijk zoo groot als J/j van Europa. Do oppervlakte van alle eilanden des Archipels bedraagt 4 maal die van Frankrijk. quot;\Vg kunnen de eilanden in 7 groepen verdoelen: de vier Groote Soenda-eilanden, Soematra, Java, Borneo en Selóbes, elk met de eilanden diecr omheen liggen; do Kleine Soenda-eilanden; do Mol ukken en de Philip pijnen. Java is bijna 4 maal, Selébes ö'/j maal, Soematra 13 maal en Borneo 22 maal zoo groot als Nederland.

De kleine oostelijke (Australische) helft, nl. de eilanden in de nabijheid van Nieuw-Guinea, wordt, even als dit eiland zelf, bewoond door Papoea's, terwijl de groote westelijke (Aziatische) helft door Maleiers wordt bewoond. Tusschen beide gedeelten, op de Molukken, vindt men menschen, die een' overgang schijnen te vormen tusschen de twee rassen.

§ 13G. Bodem cn Water. De vorm der grootere eilanden is meestal langwerpig; bij een enkel, Borneo, massief, bij eonige, zooals Selóbos, Halemahóra en Soembawa, sterk ingesneden. Sommige kleine eilanden beslaan uit een' vulkaan met eene smalle strook vlak land. Andere hebben hun ontstaan of eene vergrooting aan koraalvorming te danken. De aangeslibde en de door verweering der rotsen ontstane gronden zijn zeer vruchtbaar. De bodem is voor een vrij groot deel zijn ontstaan verschuldigd aan vulkanische werking. In 't N. van Soematra begint eene vulkanenrij, die zich over Java, Bali, Lombok, Soembawa, Flores, de Zuidwester-eilanden, Banda, Ambon, Batjan, Makijan, Tidore, Ternate en Halemahóra naar Morotai voortzet. Ook op Noord-Selóbes begint een vulkanengordel, die over Siauw en Groot-Sangi naar de Philippljnen voortloopt. In 't geheel telt de Indische Archipel misschien wel 150 vulkanen, waarvan bijna 1/1 op Java. Behalve in uitbarstingen openbaart het vulkanische karakter van vele eilanden zich ook in aardbevingen.

Met uitzondering van op sommige kleine eilanden ontbreken de rivieren nergens. De kleine rivieren evenwel lijden, zij 't ook in mindere mate dan elders in de heete zone, aan geheele of gedeeltelijke uitdroging gedurende het droge jaargetijde. Gedurende den regentijd richten de rivieren dikwijls bandjirs of hevige en plotselinge overstroomingen aan. Alleen de grootere rivieren zijn voortdurend van eeno voldoende hoeveelheid water voorzien. Dikwijls vormen ze bij do monding eene delta.

§ 137. Klimaat. Het klimaat van den Indischen Archipel verschilt van

-ocr page 164-

150

het onze «iet alleen door eene hoogere temperatuur, maar ook daardoor, dat men er slechts twee jaargetijden kent; den goeden of drogen en den kwaden of natten moeson. Evenwel, zonder den „kwadenquot; moeson zou het met den plantengroei slecht gesteld zijn; want in den goeden moeson regent het al heel weinig. Gredurende den drogen moeson waaien oosten-, gedurende don natten moeson westenwinden. In 't algemeen gesproken kan men zeggen, dat de droge moeson ten N. van den evenaar van November tot Maart, de natte moeson van April tot October heerseht; terwijl het ten Z. van den aequator juist andersom is. In den tijd van overgang tussehen den oost- en den westmoeson, de kentering, heerseht er zeer ongestadig weder; soms woeden dan geweldige orkanen. Over 't geheel is de westhelft van den Archipel vochtiger dan de oostheft. De jaargetijden verschillen hier, evenals iu alle gewesten, die onder of dichtbij den aquator liggen, weinig dan elkander in warmtegraad; 't verschil in temperatuur van dag en nacht is menigmaal grooter dan dat van de warmste en de koudste maand. Te Batavia is de gemiddelde jaartemperatuur 26'/g0, te Pudang 25°, te Pontiïiuak 26'/90, op het plateau van Toba IS'/squot;. 't Gemiddelde verschil tussehen de warmste (April) en de koudste (Januari) maand te Batavia is slechts 1.17°. Ia Manilla, dat op 14NB. ligt, dus aanzienlijk verder van de linie verwijderd, is dit verschil 4®. De lengte der dagen verschilt natuurlijk ook slechts weinig. De hilte wordt aan de kusten vrij wat gematigd door de dagelijks waaiende zeewinden en in de binnenlanden door de grootere hoogte van den bodem.

§ 138. Voortbrengselen. In een nauw verband met hot verschil in regen-hoeveelheid in de west- en de oosthelft van den Indischen Archipel staat het verschil in de plantenwereld. De eilanden van den Oostindischen Archipel zijn haast alle in 't bezit van een weelderigen plantengroei. Waar de hand des mensohen of een boschbrand niet heeft ingewerkt, verheffen zich bijna overal wouden, in de vlakten zoowel als op de bergen; en waar ze zijn gelicht, zonder dat de landerijen bebouwd zijn geworden, heeft het hooge alang-gras spoedig hunne plaats ingenomen. Timor en al de kleinere eilanden, die het omringen, en in minderen graad ook Flóres, Soembawa, Lombok en Bali, kennen echter dien groeten rijkdom aan wouden niet. Ze hebben een schraleren boomgroei, die sterk Australië herinnert. Op de eilanden tussehen Timor en Java is 't land dikwijls dichter begroeid, maar doornige en stekelige boomen hebben er de overhand. Zelden bereiken zij eene aanzienlijke hoogte, en gedurende het droge seizoen verliezen ze bijna geheel en al hunne bladeren, zoodat de grond onder hen verschroeit en een sterk contrast met de vochtige donkere, altijdgroene bosschen der andere eilanden ontstaat.

Ook ten opzichte van de dierenwereld verschillen de westelijke en de oostelijke helft van den Archipel. De oostelijke helft toch vertoont eene fauna, welke overeenkomst heeft met die van Australië en Nieuw-Ouinea. Zoowel in 't ontbreken van vele diervormen, die wel in de westelijke helft voorkomen, maar niet in de oostelijke en ook niet op Australië en Nieuw-Guinea, als in de aanwezigheid van dieren, welke kenmerkend zijn voor Nieuw-Guinea en Australië, b. v. paradijsvogels, lori's en buideldieren, is deze overeenkomst ten duidelijkste merkbaar.

-ocr page 165-

151

Van de voor den mensoh nuttige dieren noemen we do inhoemsche runderen (bantengs), vooral op Java, Bali en Borneo; den karbouw of buffel, die evenmin als de paarden, schapen en geiten inheemsch is; den olifant op Soematra; do salanganen of klipzwaluwon, dio de eetbare vogelnestjes bouwen, en de tripang of zeekomkommer (soorten van eetbare holotlmriën).

Onder de rijke voortbrengselen uit het plantenrijk dient vooral te worden genoemd de rijst, die bij voorkeur en in groote hoeveelheid wordt gekweekt in de westelijke helft der Soenda-eilanden. De sawahs (natte rijstvelden) worden kunstmatig onder water gezet. Rijst is op de westelijke Soenda-eilanden het hoofdvoedsel der bevolking. De koffie wordt in groote hoeveelheid aangekweekt, vooral op Java, Soematra en Selébes. In één jaar levert onze Oost soms wel l1^ millioen pikol koffie (1 pikol = Gl8/4 KG.). Suikerriet wordt ook zeer veel gekweekt, vooral op Java's noordkust. De thee uit China, de kina uit Zuid-Amerika, de tabak uit Amerika overgebracht, worden op Java, de laatste ook op Soematra, op Noord-Börneo en op de Philippijnen, met goed

Koftio. Thee.

gevolg verbouwd. Peper wordt op do Groote Soenda-ei landen en in den Archipel van Eiouw in groote hoeveelheid aangekweekt. Kruidnagelen en muskaatnoten behooren op de Molukken te huis. Gember leveren Java, Soematra on de Molukken. Do gambirplant wordt vooral op het eiland Bintang en in de Padangsche Bovenlanden geteeld. Hare bladeren worden gebruikt om er do bétel- of aréka-noot in te wikkelen, dio door de inboorlingen wordt gekauwd. Van de pahnensoorten zijn de voornaamste do sagopalm, die in do oostelijke helft van Insulinde in zijn merg den inboorlingen hun' hoofdschotel verschaft, do nuttige kokospalm {— klapper) en do bételpalm. Nauw verwant met do palmen zijn de pandanon. Eucalypton on acacia's kenmerken de zuidoostelijke eilanden. De waringins of Indische vijgeboomon vormen door hunne luchtwortels nieuwe stammen; door do Hindoes, en nu nog door de Maleische bewoners van Insulinde, wordt deze boom, dio bijna altijd het dorpsplein versiert, als heilig beschouwd. Het sandelhout leverteene roode, j.jt kurkuma eeno gele, do drakenbloedboom cene roodo, do indigoplant eeno blauwe

-ocr page 166-

152

verfstof. Het djati-hout is bekend om zijne deugdelijkheid. Van den bamboes wordt het uitgebreidste gebruik gemaakt.

Ofschoon op vele plaatsen in onze Oost ertsen zijn aangetroffen, is de voorraad meestal gering; zoo zullen liet goud van Soematra en Borneo's westkust, het koper van Soematra en Timor, het ijzer en de diamanten van

sm

Borneo wel altijd van ondergeschikt belang blijven. De groote rijkdommen aan mineralen van den Indischen Archipel bepalen zich hoofdzakelijk tot het tinerts van Bangka on Belitoeng eu de groote kolenvelden op Soematra's Westkust (Ombilienveld) en op Borneo. De Oranje-Nassaumiju bij Pengaron is verlaten. Zout werd vroeger algemeen door uitdamping van zeewater ver-

in rr .r.Jf

-ocr page 167-

153

-ocr page 168-

154

lippen zijn breed, maar welbesneden; de kin is rond en goed gevormd. De Maleier is in zich zeiven gekeerd, weinig vatbaar voor levendige indrukken, bedaehtzaam en schroomvallig. In zijn spreken is hij langzaam en bedaard. Iemand voor den gek te houden of te plagen is geheel in strijd met zijne geaardheid; want hij is fijngevoelig op hot, punt van beleefde vormen. Toch kunnen al die eigenschappen gepaard gaan met eene meedoogenlooze wreedheid en eene verachting voor 't leven, die de schaduwzijde van 't karakter

der Maleiers uitmaken. Vooral wanneer 't fanatisme hen verblindt of het „amtioenschuivenquot; hen zinneloos heeft gemaakt, kent hunne woestheid geen grenzen (amok-maken). Ofschoon het onder deze volken, vooral op Java, niet geheel aan voorbeelden van hoogere ontwikkeling en zucht naar kennis ontbreekt , moet toch worden, erkend, dat de Maleische stam de meeste elementen van beschaving van Hindoes, Arabieren en Europeanen heeft ontvangen.

Van de Hindoes ontvingen de Maleiers de eerste beschaving, waarschijnlijk reeds kort na 't begin onzer jaartelling. Zee- en landhandel werden door hen in 'tleven geroepen. Van hen leerden ze den rijstbouw, die nog tegenwoordig als een meter van beschaving in deze eilandenwereld kan worden beschouwd. Want waar de beschaving meer doordringt, daar legt men rijstvelden aan en treedt do veel gemakkelijker en eenvoudiger sagobouw op den achtergrond. Uit nog vele andere zaken, niet het minst uit overblijfselen van tempels en beelden, spreekt de beschavende invloed der Hindoes, die den inboorlingen niets opdrongen en juist daardoor beschaving en godsdienst des te gemakkelijker ingang doden vinden. Maar in de 14® eeuw

-ocr page 169-

begon de prediking en do verbreiding van den Islam. Overal werd met gewold het Mohammedanisme ingevoerd, zoodat het Hindoeïsme zich slechts hier en daar staande hield; op IJali bestaan nog tegenwoordig de kasten-— V- ...........- verdeeling en do verbranding

van lijken en tegenwoordige Maleiors is do sche, althans uiterlijke vormen schuilen nog vele

sche en Ilindoesche elementen in den godsdienst der bevolking.

De Papóea's hebben eeno roetachtig bruine, soms bijna zwarte kleur. Ze zijn grooter en sterker gebouwd dan de Maleiers. Het haar is bijzonder ontwikkeld en groeit in den vorm van oen dichten, kroezen raagbol. Het voorhoofd is platachtig ; de wenkbrauwen treden sterk naar voren; de neus is groot en een weinig gebogen. Terwijl de Maleier zijne gemoedsaandoeningen verbergt, als 't ware mee te koop. De Papóea's bewonen Nieuw-Guinea en omliggende eilanden. De Timoreezen vertoonen vrij-wat overeenkomst met de Papóea's. Behalve de genoemde volken, die min of moer als inboorlingen kunnen worden beschouwd, houden zich op vele eilanden oen groot aantal vreemdelingen op, onder welke de Chinoezen en de Arabieren do belangrijkste zijn. De werkzame, zuinige en slimme Chineezen houden zich bezig met arbeid in de mijnen, goudwasschon , ambachten, fabrieksarbeid, handel en het pachten van belastingen of monopoliën. Do Arabieren zijn veelal handelaren of priesters.

weduwen. Do godsdienst der Mohanuuedaan-voorzoover do betreft; er oud-heiden-

-ocr page 170-

156

-ocr page 171-

157

bemest worden. Het hoogst staat echter de rijstbouw op de sawa lis, rijstvelden , die kunstmatig onder water worden gezet. Het water dor stroompjes wordt door stevige dammen gedwongen een anderen koers te nomen on in een kanaal of slokkan te vloeien, dat de landbouwer naar zijne velden gegraven heeft, en van waar uit het de sawahs bevloeit. De rijst kan op eene hoogte van G00, ja soms van 1000 meter nog gedijen. Om nu het water eenigen tijd op de akkers te doen blijven, zonder dat bij het afstroo-men de teelaarde wordt weggespoeld, worden de akkers torrasgewijze tegen de bergon opgelegd en wel zoodanig, dat iedere akker bijna horizontaal ligt en door dijkjes is omringd. De korrels worden op kweekbeddingen gezaaid; de jonge plantjes worden vervolgens uitgetrokken en op de sawahs overgeplant, die onder water worden gezet en alleen om de 3 of 4 dagen een' dag moeten droog liggen. Zoodra de halmen geelachtig beginnen te worden, mogen de sawahs niet meer onder water staan. Do oogst oischt vele handen en veel tijd, daar iedere halm afzonderlijk meteen rijstmesje wordt afgesneden.

Op de Molukken wordt de plaats der rijst als voedingsmiddel ingenomen door de sago, het merg van den sago-palm. De boom wordt omgehouwen en in tweeën gezaagd, zoodat men twee halve cilinders verkrijgt. Het merg wordt er uit genomen en vervolgens op verschillende wijzen bereid, zeer eenvoudig o. a. op Seram, met Halemahéra het voornaamste sago-eiland. Het merg wordt gekneusd en tot een grof poeder geklopt door middel van oen' stok, in welks dikste einde een stuk kwarts is bevestigd. De stukken worden in manden gedragen naar het waschwerktuig, dat uit eene bladscheede van den sagopalm bestaat. Het merg wordt nu in hot eene einde van die bladscheede gelegd; er wordt water op gegoten en alles wordt geperst en tegen eene zeef gedrukt, die uit het vezelachtige bekleedsel der bladsteelen van oen jongen klapperboom is gemaakt, totdat het meel in het water fijn is verdeeld en door de zeef vloeit, terwijl do vezels achterblijven. In het

-ocr page 172-

158

gedeelte van de bladsoheede aan den anderen kant der zeef is eene grootere diepte, waarin het meel bezinkt, terwijl het water uit den trog loopt.

Behalve mot den verbouw van rijst en sago houden de inlanders zich bozig met de aankweeking van de in g 138 genoemde producten, hoofdzakelijk voor de Europeesche markt.

Hoewel de Maleier meestal onmiddellijk voor eigen onderhoud moet zorgen, en dus van arbeidsverdeeling, zooals wij die kennen, weinig sprake is, heeft hij toch een goeden aanleg voor verschillende handwerken, waarbij hem de lenige armen en vingers bijzonder te stade komen. In het weven en verven (batikken) van katoenen stollen, het bewerken van goud- en zilverdraad, het vervaardigen van vlechtwerk, van gouden, ivoren en houten sieradiën, het smeden van allerlei wapens en in den scheepsbouw zijn vele Maleiers zeer bedreven. De nijverste streken zijn Java, Pelombang enMang-kasar. De Europeanen hebben er vele suikerfabrieken, terwijl de Chineezen zich als gevaarlijke mededingers van de inlandsche nijverheid doen kennen.

§ 141. Staatkundige, Verdeeling. Slechts een klein gedeelte van den Indischen Archipel is onafhankelijk van Europeesche mogendheden. Noordelijk Borneo stond geheel onder den onafhankelijken sultan van Broenei, die het noordelijke gedeelte van zijn gebied aan eene maatschappij van Engelsche kooplieden heeft afgestaan, zoodat zijn rijk aanmerkelijk is geslonken. De sultan van Soeloe voegde daarbij zijne bezittingen op de haven-rijke noordoostkust van Borneo. Sera wak, op de noordwestkust van Borneo, staat onder Brooke, een' radjah van Engelsche afkomst, en is in de laatste jaren vrijwat naar den kant van Broenei uitgebreid. Nu oefent Engeland een protectoraat over Noord-Borneo, Broenei en Serawak uit. Aan Spanje behooren de Fhilippijnen, Palawan en de Soeloe-eilanden; Engeland heeft het kolenrijke eiland Laboean in bezit genomen; Portugal gebiedt over het oostelijk gedeelte van Timor en over 't eiland Kambing. 't Overige behoort, met westelijk Nieuw-Guinea, meer of minder rechtstreeks aan Nederland. Nederlandsch Indië, Onze Oost en In sulinde (= eilandenrijk) zijn de meest gebruikelijke namen voor do uitgestrekte bezittingen, die Nederland in dit deel der aarde heeft.

§ 142. Bestuur m Verdeeling van Nederlandsch Indië. De Koningin (Koning) van Nederland heeft het opperbestuur van Nederlandsch Indië; zij wordt er vertegenwoordigd dooreen' Gouverneur-Generaal, bijgestaan door den Raad van Indië. Do Minister van Koloniën is namens de Koningin belast met het toezicht; maar de regiementon op het beleid der Kegooring en de begrooting worden door de Wet vastgesteld.

In geheel Nederlandsch Indië rust het burgerlijk bestuur op het beginsel, de inlandsche bevolking zooveel mogelijk te laten onder de onmiddellijke leiding harer eigen hoofden, die van regeeringswege worden aangesteld of erkend, 't Hoofdbestuur is aan Europeesche beambten opgedragen, doch alle overheidspersonen van minderen rang worden gekozen uit de aanzienlijke inboorlingen. De afzonderlijke landschappen of gewesten, in welke Nederlandsch Indië verdeeld is, worden beheerd door Europeesche ambtenaren, den titel voerende van gouverneur, resident of adsistent-resident. Elke residentie op Java (Batavia, Madoera en de vorstenlanden uitgezonderd)

-ocr page 173-

150

bestaat uit «én of meer regentschappen, wier hoofden, regenten genaamd, inlanders zijn en meestal van hoogadellijke, soms van vorstelijke afkomst. De regenten zijn de schakel, die het Europecsch bestuur inet hetInlandsche verbindt, en oefenen hot onmiddellijk bestuur uit over de inlandsche bevolking in hun gewest. De regentschappen op Java zijn verdeeld in districten, wier hoofden meestal den titel van wedono of demang voeren. Ieder dorp of dessa heeft oen hoofd, dat door de bevolking uit de aanzienlijkste ingezetenen gekozen wordt. De kampongs of wijken, waaruit eene negorij of hoofdplaats bestaat, hebben mede oen eigen gekozen hoofd.

Nederlandsch Oost-Indiö wordt staatkundig verdeeld in;

't gouvernement van Soematra's Westkust, \

bestaande uit de residentiön Tapanooli,

Pildangsche Bene den land en en Pil-dangsche Bovenlanden;

de residentie Beng koelen;

de residentie Lampongsche districten;

de residentie P e 1 è m b a n g;

de residentie Oostkust van Soemiitra;

het gouvernement Atjehen onderhoorighedon;

de residentie Riouw en onder hoo rig heden;

de residentie Bangka;

de adsistent-residentie Belitoeng;

de residentie Westerafdeeling;

de residentie Zuider- en Oosterafdeeli ng;

't gouvernement van Selóbes en onderhoorighedon;

de residentie Menildo;

de residentie Ter na te;

de residentie Ambon;

de residentie T i m o r ;

de residentie Bali en Lombok.

Java met omliggende eilanden wordt verdeeld in de volgende resident iën: Bantam, Batavia, Krawang, Tjirebon, Preanger He gent-se hap pen, ïegal, Pekalóngan, Sema.rang, Banjoemas, Ba-gelen, Kedoe, Djogjakarta, Soerakarta (do beide laatste zijn de zoogenaamde Vorstenlanden) Djepara, Rembang, Soerabaja, Madi-oen, Kediri, Pasoeroean, Probolinggo, Bosoeki en Madoera.

§ 143. liet Guliuurslelsd. Volgens de adat (= oud gebruik) is op Java de vorst eigenaar van deu grond, dien hij tegen een zeker aandeel in de opbrengst aan zijne onderdanen ten gebruike afstaat. Onder de Oostindisehe Compagnie, die zich in de plaats der vorston stelde, moesten de inboorlingen een gedeelte der voortbrengselen tegen een lagen prijs aan haar afleveren. Onder de Engelschen (1811) trad het landrentcnstelsel voor het monopoliestelsel der Compagnie in de plaats. Handel en landbouw werden vrij verklaard, doch daarvoor moest iedere dessa eone zekere belasting betalen, voor welker verdeeling de hoofden moesten zorgen en voor welker betaling zij aansprakelijk waren. Toen in 181G Java aan Nederland terugkwam, bleef hot land-

Soemi'itra met omliggende eilanden.

Borneo met omliggende eilanden.

Selóbes met omliggende eilanden, de Molukken en de Kleine Soenda-eilanden.

-ocr page 174-

160

rontenstelsel van kracht. In den financieelen nood van 1830 nam men zijne toevlucht tot hot cultuurstelsel van graaf Van den Bosch. Mon wilde daardoor den landbouw zooveel mogelijk richten op Üe voortbrenging van producten, die oone aanzienlijke winst voor het moederland afwerpen. Er werd bepaald, dat oeno dessa, welke het '!s deel harer rijstvelden afzonderde voor de teelt van een gewas, dat geschikt was voor de Europeesche markt en niet meer arbeid vorderde dan do rijstbouw, vrij zou zijn van de betaling der landrente. Nu behoort het cultuurstelsel nagenoeg geheel tot de geschiedenis.

§ 144. Jh Handel maatschappij. Men zie hieromtrent onder Nederland. De groote veiligen worden te Amsterdam en Rotterdam gehouden, kleinere ook te Middelburg, Dordrecht en Schiedam. De Handelmaatschappij stolt het vervoer van producten naar het moederland bij inschrijving open voor alle geschikte Nederlandsche schepen.

§ 145. Soemdlra en omliggende eilanden. De westkust van Soematra, van Koningspunt tot den Vlakken Hoek, is vrij steil en wol voorzien van havens; gedurende den westmoeaon moeten de schepen echter vaak achter een of ander eiland gaan ankeren. De zee ten O. van Soematra is door aanslibbing meestal zoo ondiep, dat alleen kleinere vaartuigen de kust kunnen naderen. De westelijke helling der hoofdketen, die langs de westkust loopt en met dichte wouden is bezet, is meestal steil, terwijl de oostelijke langzaam daalt en hooglanden vormt, van welke de voornaamste zijn 't plateau van Toba in do Bataklanden en 't plateau van Agam in de Padangsche Bovenlanden. Boekit Barisan (= bergketen) is de gemeenschappelijke naam, dien men aan het westelijke bergland van Soematra geeft. De hoogste toppen zijn de Merapi, de Piek van Indrapoera ofdeGoonoeng Korintji (3700 M.) en de Dempó. De grootste rivieren loopen naar 'tO.: de Moesi of rivier van Pelèmbang, de Djambi of de Batang Hari, de Indragiri, de

Kam par en de Siak. Van de meren noemen we het meer van Toba en dat van Singkilrah. Het eiland is zeer vruchtbaar en nauwkeuriger ontdekking en onderzoek in de hoogste mate waard; aan voortbrengselen toch is het zeer rijk. Men noemt de Molukken wel de eilanden van 't verleden, .lava

-ocr page 175-

161

het eiland van het heden, Soemiitra dat van de toekomst. De hoofdproducten van SoeuiiUra zijn peper, koffie (in de Padaugsche Bovenlanden), kamfer, 'getah-pertsja, katoen, ivoor en goud; binnen kort zeker ook eene aanzienlijke hoeveelheid steenkool (Obilien-veld ten O. van't meer van Singkiira). De bevolking wordt geschat op 4.5 mill. In het noordelijke binnenland wonen do Bataks of Batta's, die genoegzaam buiten den invloed der Hindoes zijn gebleven.

Langs de westkust noemen we de volgende plaatsen: Singkel, Sibóga, Natal, Padang en Bengkoolen, alle handelsplaatsen; Padang is de hoofdmarkt van 't goud op Soemiitra; koffieveilingen.

In de Pamp;iangsche Bovenlanden Fort de Koek of Boek it ïinggi (= hooge berg) op een' heuvel in 't vruchtbare plateau van Agam. Zuid-westwaarts Padang-Pandjaug bij de zoogenaamde „Kloofquot;, waardoor de hoofdverkeersweg tusschen de Bovenlanden en de kust loopt.

Aan de Lampèngbaai Telök-Betóeng, hoofdplaats van de Lampungsche Districten, gedeeltelijk verwoest bij de laatste uitbarsting van den Krakatau.

Aan de IVIoesi Pelombang (50 000 inw.), eene stad voor handel en hand-werksnijverheid, die uit eene aaneenschakeling van kampongs bestaat. De huizen staan meest op palen en de bevolking woont voor een deel op vlotten.

Op een eilandje aan de oostkust Bengkalis. Verder noordelijk de plantagekolonie Deli met tabaksbouw. Hoofdplaats van de residentie Soematra's Oostkust is Me dan.

In 't i\. van Soemiitra ligt het vroeger onafhankelijke rijk Atjeh, dat nu bij het Nederlandsche gebied is ingelijfd. De vroegere kraton van den Sultan is in eene vesting, Kota Radja (— koningsfort), veranderd. Ten NW. van Atjeh-hoofd ligt Poeloe Bras, een eiland mot een' vuurtoren. De Atjehneezen roofden vroeger bewoners van het eiland Ni as, die ze dwongen om in hunne pepertuinen te werken.

De residentie Riouw bestaat uit de eilandengroepen van Riouw, Lingga en eenige andere; het rijk Indragiri wordt als een leen van den sultan van Lingga tot de residentie Riouw gerekend. Hoofdvoortbrengsel van deze eilanden is peper. Singapoer heeft den handel van de vrijhaven Riouw tot zich getrokken en is de hoofdmarkt voor de omliggende eilanden geworden.

Verder naar 't Z. liggen de tinrijke eilanden Bangka (tusschen 230 en 250 tinmijnen) en Bi 11 it on of Belitoeng (ruim 100 mijnen); hot eerste met de stad Men tok of Muntök. Do tinmijnen op Bangka worden van regeeringswege door Cliineesclio maatschappijen bewerkt, terwijl op Belitoeng de ontginning der mijnen in handen van do Belitoeiig-maatschappij is.

§ 140. Java en omliggende eilanden. Ten opzichte van do hoogte valt er een kenmerkend verschil tusschen West- en Oost-Java op te merken. De westelijke helft bestaat uit een massief bergland, waarvan een groot aantal vulkanen de hoogste toppen vormen, een bergland, dat wel hier en daar grootore of kleinere plateau's vormt en elders door diepe dalen is doorgroefd, maar dat nergens door tnsschenliggende laagvlakten wordt afgewisseld. De plateau's van Bandoeng en van üaroot worden door eene menigte ketenen ingesloten. Aan den noordvoet van het bergland strekt zich eene breede zoom alluvium tot aan de kust uit Eigenlijk beperkt zich de breede alluviale strook alleen tot de Soendalanden, d. i. oostelijk tot de Tji Losari

i'. u. uos, Bekn. Aanlr., 8o druk. 11

-ocr page 176-

162

en de Tji Tandoej. Van hier tot eene lijn, die van 'tN. naar 't Z. over den Merilpi en don Meraboe wordt getrokken, vinden we ook in 't Z. van Java laaglanden. Hot smalle midden des eilands bestaat dus uit eeu bergland, waarin daar, waar do residentiën Banjoemas, Pekalongan, Semilrang, Kedoe en Bagelen aan elkaar grenzen, het hoogland van Diëng, met den Prahoe wordt gevonden. Dit bergland wordt zoowel aan de noord- als aan de zuidzijde grootendeels door een smallen alluvialen gordel omges'en. Ten 0. van Merbaboe en Merilpi begint do eigenaardige torreinfortnatie van Oost-Java. Hier zijn de vulkanen minder talrijk en meer op zich zeiven staande. Zij vormen afzonderlijke groepen, door breede dalen en vlakten gescheiden, waardoor de grootore rivieren des eilands gelegenheid vinden zich te kronkelen. De gebergten treden hier dichter aan de zuidkust dan in Middel-Java, en de alluviale zoom langs de noordkust is hier minder regelmatig gevormd. Drie kalksteenketenen loopen hier van 't W. naar 't O.

Bestaat er tusschen West- en Oost-Java verschil, wat betreft de meer of minder samenhangende verheffing des bodems, ook in andere opzichten bestaat er onderscheid tusschen West- en Oost-Java. De westelijke helft des eilands is vochtiger, meer in overeenstemming met het klimaat van Soematra, de oostelijke helft droger en vertoont meer overeenkomst met het klimaat van Timor. Ook ten opzichte van de geaardheid des bodems en van den plantengroei bestaan er tegenstellingen. Het westen heeft over 't geheel vruchtbaarder grond en natuurlijk weelderiger plantengroei. In 't westen dichte loofboomwouden, in 't oosten meer naaldhout. In dePreanger-regent-schappen veel koffie; in 't oosten meer suikerriet, indigo en tabak. Op het verschil in bevolking tusschen West- en Oost-Java zal beneden worden gewezen.

De lengteas van Java, van do Peperbaai naar Banjoewangi, loopt nagenoeg over eenige der voornaamste vulkanen des eilands; de Salak, de Gedé, de Goentoer, de Slamat, de Soembing, de Merbaboe, de Lawoe, de Wilis, de Tengger, de Jang en de Rawoeng. Een weinig ten N. van die lijn liggen de Tjeremai en de Ardjoeno, en een weinig ten Z. de Merapi, de Kelóet en do Semóroe (3670 M.).

De grootste rivieren van Java stroomen naar de noordkust, het zijn: de Liwong, de Taroem, de Manoek, do Losari, de Bengawan of. rivier van Solo en de Brantas of rivier vau Kediri. Naar 't Z. stroomen de Tandoej en de Serajoe.

De bevolking is op Java en Madoera (132 000 KM' of 2400 GM1) zeer dicht: ze bedraagt 22.8 mill, waarvan buiten het leger slechts 42 300 Europeanen zijn. De Soendaneezen, die weinig onder den invloed der Hindoes hebben gestaan, zijn meer boersch en eenvoudig dan de eigenlijke Javanen. Hunne huizen zijn, evenals bij de volken van liet Maleische ras over 't algemeen, op palen gebouwd. Zij wonen ten W. van de Losari, terwijl de oostelijke helft van Java wordt bewoond door Javanen en Madoereezen, welke laatsten bekend zijn om hunne krijgshaftigheid. De huizen der Javanen zijn niet op palen gebouwd. Bij de Soendaneezen was particulier grondbezit vrij algemeen, terwijl gemeenschappelijk grondbezit bij de Javanen aigemeen voorkomt. Het voornaamste kleedingstuk is de „sarongquot;, die ongeveer den vorm heeft van een Europeeschen vrouwenrok.

-ocr page 177-

165

In do heerlijke hooggelegen Preangor regentschappen de steden Bandoeng (hoofdstad), Graróet, Sóeraedang en Tjandjoer, alle in mooie omgevingen.

Aan de zuidkust de havensteden Patjltan en Telatjap.

Op Madoera Pemakasan (hoofdstad) en Soeinenep.

§ 147. Borneo. De kusten van Borneo zijn, vooral aan de west- en de zuidzijde, laag en moerassig en, ook aan de riviermonden, met zandbanken bezet. De massieve vorm des eilands heeft armoede aan baaien ten gevolge. Van het in 't midden gelegen hoogland loopen ketenen naar de kusten, zonder dat evenwel in het binnenland eene bepaalde bergknoop schijnt te worden gevormd; het binnenland is echter nog slechts weinig bekend. In 't N. verheft zich als hoogste top do Kinibaloe (3200 M.). Langs sommige rivieren liggen groote, vruchtbare vlakten, die in den regentijd door de rivieren en aan de kusten dagelijks door de zee worden overstroomd. De grootste rivieren zijn: de Kapoeas, die met verschillende monden in zee loopt, waarvan één den naam van rivier van Pontianak draagt; de Barito, Bandjar of rivier van Bandjerraasin; de Mahakam of rivier van Koetei; alle drie rivieren, die in lengte ongeveer met den Rijn overeen zullen komen.

Bórneo is rijk aan voortbrengselen: sago, kamfer, getah-pertsja, ijzer, kolen, goud en diamanten. Van het woud rijke binnenland, waar de orang-oetang leeft, is nog weinig bekend.

Voorzoover de binnenlanden betreft, wordt do bevolking gewoonlijk onder den naam Dajaks samengevat, 't Zijn monschen, dié hun bestaan vinden in landbouw, visscherij, jacht, het bewerken van ijzer en ruilhandel met de kustbewoners. Zij stellen eene eer in het koppensnellen. Hunne woningen staan op hooge palen en zijn voor vele familiën ingericht, zoodat een dorp soms bestaat uit één of twee huizen, die door eene hooge heining van palissaden zijn omgeven.

Aan de rivier van dien naam ligt Sambas, eene plaats met misschien 10000 inw. Verder naar 't Z. Montrado met bijna geheel Chineesche

-ocr page 178-

106

-ocr page 179-

167

bevolking; hoofdvoortbrengsel is koffie) wordt goncemd. Do gewesten rondom de golf van Toraaiki behooren tot de residentie ïernate, terwijl het ge-heele westen en zuiden des eilands wordt ingenomen door het gouvernement van Selébes, waartoe ook behooren Soeinbawaen de westelijke helft van Flores.

In 't 7j. wonen Mangkasaren en Boegineezen, in 't binnenland en in de Minahasa Alfoeren, aan de kusten eigenlijke Maleiers.

We noemen de volgende plaatsen: Menado (20000 inw.; belangrijke handelsplaats) en Gorontalo in 't N. In 't Z. Mangkasar (20000 inw.) met aanzienlijken handel; Mangkasar-olie; de Mangkasaarsche paarden worden voor de beste van den Indischen archipel gehouden.

§ 14ü. Dc Kleine. Socnda-eilanden liggen in eene rij, van het dichtbevolkte IJali tot Timor. Ze zijn alle vulkanisch; de hoogste toppen zijn de Piek van Bali (3200 M.) en de nog hoogere Piek van Lombok. Een der hoofdvoortbrengselen van Timor is was; de plantengroei is er schraal en eentonig; hier groeit het sandelhout; Koepang is de hoofdstad van het Nederland sche gedeelte. De uitbarsting van den Tambóra op Soembawa in 1815, waarbij il3 van den berg instortte, is zeker wel eene van de geweldigste, die ooit hebben plaats gehad. Flores is in het binnenland nog groo-tendeels onbekend. Op Bali bestaat nog de kastenvordeeling van de Hindoes; de lijken worden er verbrand, en het verbranden der weduwen schijnt, in-weerwil van het verbod der Nederlandsche regeering, nog niet geheel te hebben opgehouden.

§ 150. De Molukkeu cn de Papoesche eilanden. De Molukken hebben even als Timor een droog klimaat, waardoor de bodem niet zeer geschikt is voor graanbouw, maar des te beter voor specerijenteelt. Deze specerijen waren het, die de Portugeezen en na hen de Nederlanders naar den Indischen archipel lokten. Het hoofd voedsel der inboorlingen is sago. De sagopalm groeit hier overal, maar het meest op Se ram. Ten W. van Djilólo of Halemahéra liggen Ternate en Tidore, weinig meer dan twee vulkanen, maar zeer bekend in de geschiedenis onzer Oostindische Compagnie. Ambon met bijgelegen eilandjes zijn de kruidnagel-eilanden bij uitnemendheid. De vulkanische Ban da-ei landen zijn de hoofdzetel voor de muskaatnoten-cultuur. Op Banda de Ooenoeng Api (= vuurberg).

Op de Ar oe-ei land en leven verschillende soorten van paradijsvogels. Op het eilandje Wammer ligt de haven Dobo, waar de Boegineezen en de Chineezen met hunne vaartuigen allerlei handelsartikelen aanvoeren. Zoo eenzaam Dobo in gewone tijden is, zoo overbevolkt is het gedurende den markttijd.

§ 151. De Philippijnen, eene Spaansche bezitting, leveren veel rijst, tabak, suikerriet, indigo. De hoofdstad Manila, op het grootste vulkanische eiland Lu zón, telt 180000 inw.

-ocr page 180-

1Y. A F \\ 1 K A.

(30 mill. KM'-' of .VU) (UIU (!M-, aOO nullioen imvoneis.)

A. ALGKMKKN OVEltZlCIl'l'.

§ 152. Grenzen, Ligging. Afrika wordt van Europa door de Middel-landsche zee en de 3 uur breede straat van Gibraltar gescheiden. De 22 uur breeds landengte van Sues verbindt het met Azië, waarvan het voor hot overige door de Roode zee en den Indisohen oceaan gescheiden wordt. De geheele westzijde grenst aan den Atlantischen oceaan. De uiterste punten van Afrika zijn: kaap Blanco op ST1/.,0 NB., kaap Agulhas op bijna 35° ZB., kaap Verde op 17'j0 WL. v. Gr. (Vio0 0Ij. v. F.) en kaap Guardafui op 51'/4° OL. v. Gr. (69° OL. v. F.). Eigenlijk ligt ras (= hoofd, dus gelijk-beteekenend met kaap) Hafoen, een aan 't continent verbonden eiland, iets iets oostelijker. De grootste lengte bedraagt iets meer dan do grootste breedte. Van alle werelddeelen ligt van Afrika betrekkelijk .'t grootste deel tusschen de keerkringen: bijna 4/.. Slechts een klein gedeelte van do kust ligt tegenover Azië, een klein gedeelte ook maar tegenover Europa. De kusten van de zuidspits schijnen zich van Azië en Amerika te verwijderen; Afrika ton Z. van de Silhara ligt eenzaam en vroeger ook onbezocht te midden van de oceanen. In do laatste jaren is echter de belangstelling in dit werelddeel zoodanig toegenomen, dat tusschen verscheiden Europeesche mogendheden een wedstrijd is ontstaan in de kolonisatie en de inbezit neming van het Zwarte werelddeel.

§ 153. Omtrek, Hoogte. De omtrek van Afrika is zeer eenvoudig: in hoofdzaak bestaat het ■werelddeel uit een trapezium met een gelijkbeenigen driehoek, welks tophoek naar 't Z. is gekeerd. Op de noordkust vinden we twee bochten, de Kleine en de Groote Syrte of de golf van Gabes en die van Sydra; op de westkust vormt de rechthoekige golf van Guinea eon paar vlakke bochten. Die eenvoudige, weinig ingesneden omtrek kon de bewoners natuurlijk weinig behulpzaam zijn in hunne ontwikkeling. Bij de armoede aan golven komt nog die aan eilanden. Aan de noordkust liggen geene; in den Atlantischen oceaan vinden we uitsluitend vulkanische eilanden, nl. de Azoren, Madeira, de Kanarische eilanden, de Kaapverdsche eilanden, de ■ Guinea-eilanden en de verder verwijderde St.-Helena en Ascension. In den Indischen oceaan het groote Madagaskar, dat door de straat van Mozambique

-ocr page 181-

169

van 't continent goscheiden is, de vulkanische Maskarenen on Comoren, de koraaleilanden Amiranten en Scychellen, on Socótora.

Ook ten opzichte van de verscheidenheid in hoogte is Afrika niet met Europa en Azië te vergelijken. Ontdekkingsreizen hebben geleerd, dat het land niet zoo eentonig vlak is, als men vroeger meende; dat ook de Sahara b. v. hare bergen heelt; maar zij hebben tevens bewezen, dat in geen ander werelddeel het hoogland, en nog wel de hoogvlakte, zulk eene ruime plaats inneemt. Op weinige uitzonderingen na toch treffen we in 't binnenland hoogland aan, dat terrasvormig tot aan de kust afdaalt. Waar langs de kust eene strook laagland wordt gevonden, daar is zij meestal moerassig en, onder medewerking van de hooge temperatuur, dikwijls ongezond voor den blanke, wien in allen gevalle voorzichtigheid zeer is aan te bevelen.

§ 154. H Klimaat. Afrika is door zijne ligging en zijn'vorm het warmste werelddeel; do hoogste temperatuur vinden we in den Soedan, ten N. van (ïsn aequator. Dn Atlaslanden en hot zuidwestelijke gedeelte van 't Kaapland hebben winterregens, evenals Zuid-Europa; de Atlaslanden ontvangen hunne grootste regenhoeveelheid van November tot Februari; in het Kaapland valt de meeste regen van Mei tot Augustus. De Sahara en de Kalahari woestijn zijn bijna regenloos, en vooral in de eerste komen, ten gevolge van de onbewolkte lucht, koele, zelfs koude nachten na heete dagen. Heete winden, als de Harmdttan, de Samoen en de Khamsien, voeren woestijnzand mede en maken daardoor den toestand nog ondragelijker. Tusschen 18° N.- en 20° ZB. ligt hot gebied der tropische regens; daar heeft men dus een nat en een droog jaargetijde, het eerste ten Z. van den aequutor van October tot April, en ten N. van den aequator van April tot October. Door do geweldige regens zwellen de rivieren, die in deze streken ontspringen, aan en overstroomen. Daar de Afrikaansche bergen over 't geheel niet zeer hoog zijn, komt de eeuwige sneeuw maar zelden voor. Op denKilima-Ndzjaroligt de sneeuwgrens op 5000 M,, in hot Abessynische bergland op 4300 M. hoogte.

§ 155. Rivieren. In nauw verband met den vorm van Afrika's oppervlakte en met het klimaat staan het aantal en het karakter der rivieren. In de woestijnen en steppen van het binnenland ontspringen geene voortdurend waterhoudende rivieren; men vindt er wadi's en steppenrivieren. In do tropische gewesten, waar veel regen valt, ontspringen groote stroomen (Nijl, Niger, Kongo en Zambezi); maar de omstandigheid, dat de hooglanden terrasgewijze soms haast onmiddellijk tot aan de kust afdalen, bezorgt aan de Afrikaansche rivieren een korten benedenloop. De terrassen noodzaken de rivieren watervallen te vormen, zoodat zelfs de groote rivieren opverrena niet gelijk kunnen worden gesteld met de rivieren van andere werelddeelen, wat betreft den dienst, welken zij als verkeerswegen bewijzen. Verder dragen de waterarmoede eu de overvloed van water, waaraan de meeste Afrikaansche rivieren lijden (droog en nat jaargetijde) en de vaak ongezonde delta's, alsmede de zandbanken voor vele mondingen niet bij tot de geschiktheid voor 't verkeer.

§ 156. Planten. De groote tegenstellingen, die Alïika's plantenwereld vertoont, zijn gevolgen van de verdeeling des regens en de bevochtiging door rivieren. Het Altasgebied vertoont veel overeenkomsc met Zuid-Europa; de

-ocr page 182-

170

dadelpalm troedt er echter moer op den voorgrond. Beneden-Egypte is eeue landbouwstreek zonder boaschen. Het geheele Nijldal is eigenlijk eene langgerekte oase, waar katoen, de Europeesohe korensoorten, mais en negerkoren worden gekweekt. Do Sahara is een gebied, dat, arm aan planten, de echte Afrikaansche plantenwereld van de Zuideuropeesche scheidt. In de oasen groeien dadelpalmen. Ten Z. van de woestijn vinden we o. a. den doempalm, don oliepalm en den apenbroodbootn. Zuid-Afrika wordt gekenmerkt door vele heidesoorten, waaronder zijn die tot bootnen opgroeien, verder door bolgewassen en wolfsmelksoorten. Maar door Europeeschen invloed heeft de plantenwereld in hot Kaapland een geheel ander karakter gekregen: vele Zuideuropeesche, Indische en Chineesche planten gedijen er zeer goed.

§ 157. Dieren. Ook de fauna van Afrika ten N. van de Sahara komt of liever kwam overeen met die van Zuid-Europa; de leeuw van Barbarije en de gestreepte hyena toch zijn hier eerst in historischen tijd uitgeroeid. De aap van de rots van Gibraltar is dezelfde, die in Barbarije leeft. Des winters is Noord-Afrika de woonplaats van vele Middeleuropeesche trekvogels. De Sahara is zeer arm aan dieren. Aan den rand leven de snelle struisvogel en de vlugge antilope. De „leeuw der woestijnquot; komt midden in de woestijn zelve om licht te begrijpen redenen nooit voor. De uit Azië reeds vroeg ingevoerde kameel verdient den naam van „schip der woestijnquot; ten volle. Opper-Guinea en de Hooge Soedan zijn de woonplaats van vele apen, o. a. ook van den sjimpansé en den gorilla. De termieten, die woningen bouwen zoo groot als hutten, behooren ook hier te huis. De groote dikhuiden, olifant, neushoorn en nijlpaard, leven hier zoowel als in Zuid-Afrika, dat bovendien de woonplaats is van giraffen, antilopen en zebra's. Het Kaapland is eene der eerste wollanden der aarde geworden. De tsetse-vlieg, wier steek voor paarden en runderen doodelijk is, beperkt de veeteelt in Zuid-Afrika binnen zekere grenzen. Nog een ander insect, de sprinkhaan nl., speelt in een groot deel van Afrika eene belangrijke rol. Do overtocht over do rivieren wordt gevaarlijk gemaakt door de vraatzuchtige krokodillen.

§ 158. Bevolking. De bewoners van Noord-Afrika tot aan den zuidrand der Sahara, met inbegrip van Abessynië en het Somali-schioreiland, worden tot het Kaukasische ras gerekend; 't zijn de Berbers der Atlaslanden; do Moeren, Toearegs en donkerkleurige Tibboes der Sahara; de Kopten en de Fellahs (plattelandsbewoners) van Egypte; de Abessyniërs, de Galla's en de Somali's. Met Bel;id-es-Soedan (■= land der Zwarten, gewoonlijk de Soedan genoemd) begint het Negergebied; daar, in den Soedan, wonen de eigenlijke Negers; verder zuidelijk zijn het Bantoe-Negers, waartoe o. a. worden gebracht de Kaffers. In en op de grenzen van de Kalahari-woestijn treffen we de uitstervende Hottentotten en Bosehjesmannen aan, terwijl in het Kaapland, de Zuidafrikaansche republiek en Oranje-vrijstaat Engelschen en afstammelingen van Nederlanders zich hebben gevestigd.

Ofschoon in verreweg het grootste deel van Afrika de bevolking niet is geteld, maar geschat, kan toch met vrij groote zekerheid worden aangenomen, dat het in de nabijheid van den evenaar het dichtst is bevolkt. De zuidgrens van den Mohammedaanschen godsdienst valt in den Soedan iets zuidelijker dan de noordgrens der Negers. Zuid-Afrika's vele volksstammen

-ocr page 183-

171

belijden velerlei heidensche godsdiensten (fetisjdienst). Het Christendom heerscht alleen in 't Kaapland, de Zuidafrikaansche republiek, Oranje-Vrijstaat, in Abessynië en in hot oosten van Madagaskar.

De slavenhandel heeft eou uiterst nadeeligon invloed op do maatschappelijke toestanden der negerstaten. Wel bestond hij roods in overoude tijden, maar de vraag naar slaven in de kuststreken en naar buiten Afrika gelegen landen heeft het zoover gebracht, dat onophoudelijk oorlogen werden gevoerd, dat geheele stammen van hunne woonplaatsen werden verdreven, voortdurend gevaar voor leven en bezitting bestond en familie en staat zedelijk verwilderden. Miliioenen Negers werden aan hun werelddeel ontnomen en nog veel meer kwamen om, vóór hunne motgezellen in het slavenschip werden gepakt. In deze eeuw is dat veel beter geworden dooide afschaffing van de slavernij in Amerika en ook door de Engelsche kruisers, die de kusten van Afrika bewaakten. Nu de Christenen de slavernij hebben afgeschaft en haar tegengaan, zijn 't hot Mohammedaansche NO. en N. van Afrika on Arabiö, die slaven vragen. Wel is de slavenmarkt te Zanzibar gesloten en hoeft men in Egypte beproefd dezen handel te onderdrukken, maar dit heeft alleen ten gevolge gehad, dat de handelaars andere wegen zochten.

1$. BESCHRM V ING.

a. HET LAND.

§ 159. Afrika's noordrand bestaat uit een westelijk en een oostelijk deel. Het eerste is het Barbarij sche hoogland, waarop zich de Atlas verheft. Op de smalle, weinig vruchtbare kuststreek volgt het vruchtbaarder Tel, de landbouwstreek van den Kleinen Atlas, vervolgens het steppengebied van het alfa-gras, dan het Tel van den Hoogen Atlas en eindelijk eene streek zandduinen en stuifzand, die den overgang tot de eigenlijke woestijn vormt. Het oostelijkste deel van deze overgangsstrook ligt gedeeltelijk beneden den zeespiegel; het is de streek der Sjots, die in eene ondiepe binnenzee zou worden veranderd, zoo groot als half Nederland, wanneer de hoogte naar de zijde van de golf van Gabes werd doorgegraven.

De oostelijke helft is het weidenrijke plateau van Bar ka, dat in ouden tijd door G-riekscho kolonisten betrekkelijk dicht bevolkt was. Ten Z. daarvan liggen in eene laagte beneden den zeespiegel verscheiden oasen (o. a. de oase Siwah of van Jupiter Amnion), die aan do karavanen van Egypte naar Tripolis den weg wijzen.

§ 1G0. De Sahara, zoo groot als 2/s van Europa, is de grootste woestijn der wereld. Zij vertoont twee hoofdvormen; dien van steen- of rotswoestijn (Hammada) en dien van zandwoestijn (el Erg of Areg). Het westelijke deel der Sahara is eene laagvlakte, die arm aan oasen is; het zand stuift steeds verder in zee op en vormt er gevaarlijke zandbanken. Het middelste deel is een plateau met talrijke boomlooze berggroepen bezet, zoo hoog als de Europeesche middelgebergten. Naar 't N. dringt de woestijn als Hammada

-ocr page 184-

172

van Tripolis tot bijna aan de Middellandsche zee vooruit. Ten Z. daarvan ligt de oasengroep van Fezzan. Het oostelijke deel heet Libysche woestijn,

die begrensd wordt door het vruchtbare Mjldal, als 'tware óóne lange oase, die de Libysche woestijn van hot Arabische woestijnplateau scheidt. — Het

-ocr page 185-

173

zout, dat op volo plaatsen in de Sitliara wordt gevonden, is een belangrijk uitvoerartikel naar den Soedan, die arm aan zout is. Gelukkig, dat de woestijn bij haren onvruchtbaren bodem, haar heet klimaat, hare heote winden en hare zandstormen, ook hare oasen heeft, waar het in den grond verborgen en soms opborrelende water vruchtbaarheid schenkt, en planten, vooral dadelpalmen, ontkiemen, die het mogelijk maken voor mensch en dier, daar te leven. De oasen zijn de stations voor do karavanen.

§ 161. De. zuidrand der Sahara bestaat uit don Hoogen en den Lagen Soedan. Do eerste is het gebied van Senegal, Gambia en Niger (= rivier), met den woudrijken Kong (=: gebergte). Het midden van don Lagen Soedan wordt ingenomen door het ondiepe Tsaad-meer, in welks omtrok verscheiden dichtbevolkte negerstaten liggen.

§ 1G2. Het Oostafrikaanschc hoogland. Het midden hiervan is het Abes-synische hoogland, dat aan de oostzijde door een zeer steil hoog gebergte wordt begrensd, zoodat het naar dien kant het voorkomen van eeno rotsvesting heeft. Abessynie bestaat uit grasrijke hoogvlakten, waarin de rivieren zich diepe dalen hebben uitgeslepen, die met hunne steile wanden grooto hinderpalen voor 't vorkeer zijn. Op de hoogvlakten verheffen zich kleine plateau's met zoo steile randen, dat ze menigmaal alleen mot behulp van ladders te beklimmen zijn; natuurlijk zijn sommige daarvan door do bevolking als vesting of toevluchtsoord uitgekozen.

Naar 't N. loopt het Abessynische hoogland uit in het Arabi sche woestijnplateau, een niet zeer hoog, maar woest land, dat naar den Nijl toe afholt.

Naar 't Z. zet zich van Abessynië af een hoogland voort tot aan het Niassa-moer. De hoogste toppen, die zich hierop verheffen, tevens de hoogste van Afrika, zijn de Kónia (5500 M.) en de Kilima-Ndzjaro (5700M.). Oostwaarts strekt zich het plateau van de Somalilanden uit. Westwaarts ligt een hoogland, waarvan het Victoria-Nianza het midden vormt.

§ 103. Centraal-Afrika is in 't N. nog grootendeels onbekend. Langs de westkust loopen van het vulkanische Kameroen gebergte af randge-gebergten. De zuidelijke helft wordt ingenomen door het reusachtige stroomgebied van den Kongo, dat grootendeels vruchtbaar is.

§ 164. Zuid-Afrika rekenen we naar 't N. begrensd door eene lijn, die van Benguela uit oostwaarts gaat tot 30° OL v. Gr. en van daar noord-oostwaarts tot Kiloa. Naar 't Z. daalt het hoogland in drie breede met randgebergten bezette terrassen af. Het laagste zuidelijke terras langs de kust heeft een gezond klimaat en op vele plaatsen vruchtbaren grond. Aan de noordzijde der steile Zwarte bergen strekt zich het tweede terras uit, de Karroo (= hard), in hot droge jaargetijde eene woestijn, in den regentijd daarentegen met bloemen en gras bedekt en dan bezocht door grooto kudden tam vee, door antilopen en leeuwen. Hierop volgt naar 't N. een randgebergte, dat Nieuweveldsbergen en verder oostelijk Drakengebergte heet. Ten N. en W. van deze bergen vindon we het eigenlijke hoogland van Zuid-Afrika, dat ton N. van do Oranjerivier in de Kalahari een woestijnkarakter, beter gezegd een woest steppenkaraktor, aanneemt. TenN. hiervan verzamelt zich hot water in het Ngami-meer. Naar het O. stroomt de Zambezi, die door de Loepata-engte het hoogland verlaat.

-ocr page 186-

174

h. HET WATER.

§ llia. De Nijl. Het algomeen karakter der Alrikaansche rivieren is reeds in § 154 aangegeven. Op de noordkust stroomt sleclits ééne groote

rivier uit, maar die ééne is de Nijl, aan welks oevers de beschaving reeds liare tempelen had gesticht, eeuwen vóór dat het raadsel van zijn'oorsprong

-ocr page 187-

175

was opgelost. De Nijl ontstaat uit het Victoria-Nianza (missolüen tweemaal zoo groot als Nederland), dat door verschillende rivieren (o. a. den Alexandra-Nijl) wordt gevoed. Watervallen vormende, bereikt de stroom hot Albert-Nianza, maakt opnieuw watervallen en stroomversnellingen, stroomt dan door moerassige wouden, neemt den Bahr el Gliazal en vervolgens den Sobat op en wendt zich daarna onder den naam van Witten Nijl of Bahr-el-Abiad noordwaarts. Bij Khartóem nemen zijne troebele wateren het heldere water op van den Blauwen Nijl of Bahr-el-Asrek, die op het hoogland van Abessynië ontspringt. In Nubië, waar de Nijl de Atbara opneemt, vormt hij nog vele stroornversnollingen, die de scheepvaart lastig en in het droge jaargetijde onmogelijk maken. Bij Assoean ia de laatste stroomversnelling, en daar betreedt de Nijl dan ook het Egypte der oudheid, waar de stroom geene enkele bijrivier meer opneemt. Het hoogstens 4 uur breede Nijldal heeft zijne vruchtbaarheid uitsluitend aan de aanslibbingen van den Nijl te danken, en die vruchtbaarheid wordt onderhouden door de jaarlijks wederkeerende overstroomingen. liet mondingsgebied is eene weidenrijke delta met groote strandmeren. De beide hoofdmonden gaan langs Damiëtte en Rosette.

§ 1GG. Het Atlantisnhe gebied. Do rivieren van Senegambië ontspringen op den westrand van den Hoogen Soedan, verlaten dezen in wilden loop en stroomen vervolgens door een vruchtbaar laagland, 't Zijn de Senegal en de Gambia.

Do Niger ontspringt op het Kong, stroomt onder den naam van Djoliba in een grooten boog tot aan den rand der woestijn en vormt hier een belangrijken verkeersweg. Nadat hij zich zuidoostwaarts heeft gebogen, wordt zijne bedding rotsachtig, maar de rivier blijft bevaarbaar, neemt de Binoewé op, die een hoogst belangrijke verkeersweg naar Centraal-Afrika kauworden, en vormt bij haren mond eene groote woudrijke, maar ongezonde delta, liniaal zoo groot als Nederland.

De kleinere Ogowé heeft eene waterrijke monding.

De Kongo is eerst door de reizen van Livingstone, Cameron en Stanley bekend geworden als een van de grootste en waterrijkste stroomen der aarde. Hij komt als Loeilpoela uit het Bangwoolo-meer. vormt verscheiden aanzienlijke waterbekkens, ontvangt water uit het groote Tanga-Njika, stroomt als Loeülaba naar 't N., vormt onder den aequator watervallen, buigt om naar 't W. en ZW. en breekt, opnieuw watervallen vormende, door de randgebergten, om eeu zoo breeden en krachtigen stroom zoetwater in den oceaan uit te stooten, dat drijvende stukken bamboes mijlen ver in zee den zoetwaterstroom aanwijzen.

De Oranje rivier, met de Vaal als bijrivier, is in den regentijd waterrijk; de breede monding verzandt.

§ 107. Naar den Indischen oceaan stroomen de Limpopo of Krokodillen-rivier en de Zambezi. Deze vormt vele watervallen, waarvan de meest grootsche is de door Livingstone ontdekte Victoria-waterval. Do majestueuze Zambezi stroomt rustig en met weinig verval. Eenige met palmen gesierde eilandjes vertoonen zich aan het oog; een daarvan verdeelt don stroom in twee armen ter breedte van 1700 en 500 meter. Eensklaps mist het water

-ocr page 188-

176

zijn' bodera en stort zich in eene spleet van 10G meter diepte en nauwelijks 25 meter breedte. Eenige dampkolommen, van onderen wit, boven in donkere wolken overgaande, verheffen zich tot eene verbazende hoogte. Het water heeft zich een smal Ion en bochtigon uitweg door het bazaltgesteente gebaand. Waar do rivier hot bergland voorgoed verlaat, breekt zij door do Loepilta-engte. De Sjire voert haar het water van het diepe Njassa-mcer toe.

§ 1GS. Hel Tsaad-meer. In den Lagen Soediln vinden we het ondiepe, door moerassen omgeven Tsaad-meer, waarin de Sjari uitmondt. In den regentijd staan de moerassen grootendeels onder water en bij zoor hoogen waterstand stroomt een gedeelte van het water door don Bahr-el-Ghazal naar het laaggelegene land Bodelé.

C. n E L AND K N IC N V O L K E N.

\

I. NOOUD- EN NOORDOOST-AF11IKA.

§ U!9. Marokko wordt door den Atlas in een grootendeels vruchtbaar noordwestelijk en een veel grootor onvruchtbaar zuidoostelijk deel gescheiden. Do maatschappelijke toestanden zijn er zeer slecht. De regeering is despotisch en de bevolking bestaat bijna uitsluitend uit dweepzieke muzelmannen. De binnenlandsche handel is van weinig beteekenis, en de buitenlandscho is meest in handen van Engelschen en Joden. Aan do noordkust bezit Spanje eenige weinig belangrijke steden, waarvan Cet'ita de voornaamste is. Op den noord westhoek ligt Tanger (Tund^jeer), do belangrijkste haven, In't binnenland Fes (150000 inw.), zetel van nijverheid en van Moharamedaanscho geleerdheid; Marokko, aan den voet van den Atlas, en de oasen T a f i 1 e t en ïoeat met handel op don Soedan.

§ 170. Algerië, vroeger de machtigste dor Harbarijsche zeerooverstaten, is sedert 1830 eene Fransche kolonie. Door 't boren van Artesische putten hebben de Franschen op den rand der woestijn kunstmatige oasen doen ontstaan. Algiers (75000 inw.), met handel op Marseille, en Oran (77000 inw.) zijn de voornaamste plaatsen. De vruchtbare Metidsja-vlakte verbouwt groenten, die naar Europa worden uitgevoerd. In de Algerijnsche Sahara ligt Wargla, hot vereenigingspunt voor karavaanwegen.

§ 171. Tunis betaalde sedert 1871 geene schatting meer aan Turkije. Sedert 1881 staat het onder Fransch protectoraat. De aanzienlijke handel van de hoofdstad Tunis (135000 inw.), met de haven Ooletta, is meest in handen van vreemdelingen. Van het oude Karthago zijn nog enkele overblijfselen aanwezig.

§ 172. Tripolis, met Fezzan en Barka, heoft slechts weinig bruikbaren grond, maar is van meer belang als ingangspooit naar den Lagen Soedan. Het land staat onder Turksche opperheerschappij. De hoofdstad Tripolis is het eindpunt van den karavaanweg naar hot Tsaad-meer. Moerzoek is rijk door den slavenhandel.

-ocr page 189-

177

§ 173. Hel Egyplischc gebied is een scbiitplichtige vazalstaat van Turkije; maar in werkelijkheid is des Kliedives afhankelijkheid van den Turkschen sultan niet groot. Het eigenlijke Egyptische gebied strekt 'dch tegenwoordig uit tot Wadi Haifa bij de tweede stroomversnelling en omvat buiten het Nijldal en de delta nog het ten O. van dat deel des Nijls gelegen bergland tot de Roode zee, de oasen van de Lybische woestijn, de landengte van

Sues, het Sinaï-schiereiland en het noordelijk deel van de Arabische zijde der Roode-zeekust. De geregelde overstrooraingen van den Nijl, die een vruchtbaar slib achterlieten, en de gunstige ligging ten opzichte van Azië en Europa waren oorzaken van den vroegen bloei van Egypte en doen het tegenwoordig den eersten rang onder alle Afrikaansche staten innemen, 't Spreekt vanzelf, dat landbouw de hoofdbezigheid der bevolking is. Toch p. r. hos, Beknopte Anrdr,, 80 druk. 12

-ocr page 190-

178

zijn do Fellahs (de plattelandsbewoners) niet welvarend, daar ze slechts daglooners zijn op hot land, dat hun ter bebouwing is aangewezen. De Khedive is eigenaar van den grond, en Egypte is nog niet bevrijd van het despotisme, dat reeds in de oudheid het volk drukte en waarvan de piramiden de reusachtige getuigen zijn. Do opbrengst aan katoen, met den Amerikaanschen burgeroorlog het belangrijkste uitvoerartikel geworden, neemt tegenwoordig steeds toe. — Het Sueskanaal, in 18C9 geopend, heeft den handel op Indië in hoofdzaak weer gebracht op den weg, dien hij volgde vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indië, maar in de plaats van de Arabische zeilschepen en de karavanen is het stoonschip gekomen. Om de hooge tollen en de moeilijkheden, verbonden aan de vaart van zeilschepen op de Roode zee, wordt voor de reis naar Indië bijna alleen door stoombooten gebruik gemaakt. Toch neemt het gebruik, dat van het Sueskanaal wordt gemaakt, voortdurend toe; in 1874/75 ging nog slechts 29 0/0 van alle waren uit Indië naar Europa en Egypte door het Sueskanaal; in 1878/79 daarentegen reeds Gd'/g 0'o, on sedert is het aantal schepen, dat van het Sueskanaal gebruik maakt, meer dan verdubbeld. Eene reis per stoomboot van Nederland naar onze Oost duurt kweken, terwijl een zeilschip om de Kaap soms meer, soms minder dan 100 dagen noodig heeft. Dat het kanaal in de eerste plaats van liet hoogste belang is voor Engeland, Nederland en Frankrijk, behoeft wel geen betoog, evenmin als dat de Zuideuropeesche handelssteden (Marseille, Genua, Napels, Venetië, Triest) er bij profiteeren. Waar de Nijl zich splitst, niet ver van het oude Memphis, ligt de tegenwoordige hoofdstad des lands, Kaïro (370000 inw.), een zetel voor handel zoowel als voor wetenschap; spoorwegverbinding met Alexandrië en Sues; op eenigen afstand liggen de oudste piramiden. Door Alexander gesticht, om de verschillende volken, die rondom do Middellandsche zee woonden, met elkaar in aanraking te brengen, mocht Alexandrië (227000 inw.) zich in de oudheid in grooten bloei verheugen. Gedurende de middeleeuwen echter begon haar luister te tanen, en na de ontdekking van den zeeweg

naar Indië werd haar verval nog grooter. Alexandrië gaat in den laatsten tijd wed^r vooruit en vertoont nu, even als Kaïro, een ten deele Oostersch, ten deele Westersch karakter. Rosette ligt aan den westelijken Nijlmond. Een paar uur van den oostelijken Nijlmond ligt Damiëtte, het middelpunt voor den rijstbouw en eene levendige handelsstad. Aan de uiteinden van het Sueskanaal liggen Port-Said en, in woeste omgeving. Sues.

Ten Z. van Kaïro zijn haast alle plaatsen van beteekenis in het smalle Nijldal te zoeken.

JJcwoncr van J igio.

Nu is Sioet de voornaamste stapelplaats van Opper-Egypte voor de voortbrengselen des bodems. Verder stroomop liggen de reusachtige ruïnen van het homierdpoortige Thebe. Kosseir, aan de Roode zee, voert koren uit naar Arabië en is de haven, waar zich de bede-

-ocr page 191-

m

vaartgangers naar Mokka inschepen. Bij de Nubischc grenzen Assoean. Aan de vereeniging van Witten en Blauwen Nijl ligt Khartóem met handel in ivoor (ter sluik nog in slaven); de bevolking is een mengelmoes van Afrikanen en Europeanen. — Do jongste gobeurtenisson hebben de aequato-riale gewesten van het Nijlgebied aan Egypte ontrukt. Aan de Roode zee ligt de Fransche bezitting O b o k; de kuststreek ten N. daarvan, van A s s a b tot voorbij Massaoea is door Italië bezet.

§ 174. Abessynië, het Afrikaansche Zwitserland, is een zeer oud rijk, dat echter sedert den oorlog met Engeland (18C8) in een verwarden toestand verkeert. Ten gevolge van verdragen, gesloten in 1880, worden de buiten-landsche aangelegenheden van Abessynië door Italië behartigd. Do bevolking heet tot het christendom te behooren, maar is ruw. In het landschap Tigre ligt de oude hoofdstad Axoem. De zetel van den Negus (= keizer) is van Go n d a r verlegd naar Debra Tab or.

II. DE sXlIARA, SENEGAMBIE, DE SOEDAN, OPPER-GUINEA.

§ 175. De Sahara wordt slechts hier en daar bewoond door stammen, die zich ten deele in de oasen ophouden. De oasonbewoner moet zuinig zijn op den vruchtbaren grond; daarom bouwt hij zijne woonplaatsen meestal op den rand der woestijn. Eene oasenstad ziet er met hare overdekte straten recht somber uit. 't Grootste deel dor bevolking bestaat uit nomaden, die nu eens als gidsen den karavanen den weg wijzen, dan weer in 'tberooven van reizigers of kooplieden geen bezwaar zien. Van eigenlijke staten kan hier natuurlijk geen sprake zijn. Bijna onbewoond zijn El Dzjoef in 't W. en de Libysche woestijn in 't O. In 't \V. wonen Moorcn, in 't midden Toearegs en in het O. Tibboes. De dadelpalm der oasen levert het hoofdbestanddeel van het voedsel. Dadels en zout zijn de voornaamste handelsartikelen, die op de markten in den Soedan tegen andere waren worden verruild. Een paar van do belangrijkste handelswegen door do woestijn zijn de volgende: van Talilet (Marokko en Algerië) over Toeat naar Timboektoe; van Rhadames (Tunis en Tripolis) naar Toeat en Timboektoe; van Ghat of Rhat over Agades naar Sókoto en Kano; van Moerzoek (Fezzan en Tripolis) naar Koeka.

§ 176. Semgambië wordt door Negers bewoond. De Fransehen hebben er koloniën, o. a. St-Louis aan den Senegal, terwijl de Engelschen zich aan de Gambia, de Portugeezen zich aan den Rio Grande hebben gevestigd; Bathurst is de voornaamste Engelsche volkplanting. Karavanen van den Niger bereiken hier de kuat en ruilen ivoor en goud tegen Europeesche waren in.

§ 177. De Soedan strekt zich uit van Abessynië tot Senegambië en bestaat uit den West-, Middel- en Gost-Soedan. De West-Soedati wordt bewoond en ten deele beheerscht door de Fellata, hier de verbreiders van den Islam. De bevolking is er zeer dicht. De Middel-Soedan heeft gedeeltelijk ook nog eene dichte bevolking in de talrijke Negerstaten. De Oost-Soedi'in behoorde aan Egypte.

De voornaamste steden in den West-of Hoogen-Soedan zijn Timboektoe

12*

-ocr page 192-

ISO

met do havenstad Kabara, waar de Niger het meest de woestijn nadert, liet uitgangspunt van eenige karavanenwegen; Sókoto (handel en nijverheid) ; I\ a n o on J a k o b a,

In den waterrijken Middel- of Lagen-Soedan troITen we verscheiden Negerstaten aan, o. a. Hornoo, een vruchtbaar land met dichte bevolking (hoofdstad Koe ka, diciitbij het Tsaad-meer), Bagirmi, en op de grens van den Oost-Soedan Wadaï met Mohammedaansche bevolking.

§ 178. Opper- Guinea is do streek ten Z. van den Kong van de Sierra-Leone-kust tot de golf van Biafra. Men onderscheidt op deze meestal ongezonde kusten de volgende deelen. De Sierra-Leone-kust, die in handen der Engelschen is; hoofdstad is Freetown, depót van de door Engelsche kruisers bevrijde Negerslaven. Op de Peperkust (zoo geheeten naar het paradijszaad, eene naar peper smakende specerij) iigt de in 1882 door Noordamerikanen gestichte Negerrepubliek Liberia; hoofdstad is Monrovia. Verder volgen de Ivoor-, de Ooud- en de Slavenkust. Uitvoer van slaven heeft hier echter niet meer plaats. De Engelschon hebben het grootste deel van de kuststreken in bezit, ook het tot 1872 aan Nederland behoo-rende Blmina. Lagos (87(100 inw.) is hier de voornaamste haven. Van de Negerstaten, die binnenslands liggen, is hot despotisch geregeerde Dahomé met de hoofdstad Abomé de bekendste. Do uitvoer van palmolie op de Slavenkust en de Nigerdelta neemt voortdurend toe. Do Duitschers zijn in het bezit van Kameroen.

III. ZUID-AFRIKA.

§ 17fl. Neder-Guinea strekt zich langs de westkust uit van den evenaar tot kaap Negro. Aan do baai van Biafra hebben de Duitschers het reeds genoemde Kameroen in bezit genomen. Naar het Z. volgt hierop Fransch Kongo. Aan weerszijden van de Kongomonding bezit de Rotterdamsche Afrikaansche Uandelsvereeniging ruim een twintigtal factorijen, waarvan de voornaamste te Banana. Hier reikt de Kongostaat tot aan de kust. Zuidwaarts volgen de Portugeesche kuststreken Angola en Benguela. De gemeenschap met de binnenlanden is nog hoogst gebrekkig; stofgoud, ivoor etc. moeten door slaven naar de havens worden gebracht.

§ 180. Hel Kongogebied is in do laatste jaren meer bekend geworden. Uit de tochten van Livingstone, Cameron, Stanley e. a. blijkt, dat hot land ■ over 't geheel vruchtbaar en rijk aan producten uit het planten-, dieren-en delfstoffenrijk is, die nu nog slechts voor een onbeteokenend klein deel door do Negers naar do kust worden gebracht. Do blanken, die het vertrouwen der inboorlingen, door den gewetenloozen slavenhandel, dien Portugeezen en Arabieren hier dreven, zeer geschokt, weten te winnen, zullen hier een rijk handelsgebied vinden, dat het aanleggen van betere verkeerswegen en de aanschaffing van meer geschikt vervoermiddelen ten volle waard is. Suikerriet, katoen, palmolie, koffie, tabak, houtsoorten, rijst, tarwe, negerkoren, mais, caoutchouc, ivoor, was, ijzer, koper en goud worden hier, maar in zeer ongelijke hoeveelheden, gevonden. In 1885 is de Kongostaat

-ocr page 193-

181

gevestigd, half zoo groot als Europeeseh Rusland. Souverein van dezen zoogenaamden staat is de Koning van IMgië.

181. Britsch Zuid-Afrika, Zuid-Afrikaan.schc Ilepnbliek en Oranje-Vrijstaat. Britsch Zuid-AI'rika bestaat uit liet Kaapland, Basoeto-land, Natal

en eenige nieuw aangeworven streken ten N. van de Oranje rivier. Ten N. van Natal ligt Zoeloeland, nu eveneens Britsch, het tooneel van zoovele gevechten tusschen de Engelschen en de krijgshaftige Zoeloe-Kaffers.

Toen de Nederlanders in 1052 zich aan de Kaap vestigden, leefde daar

-ocr page 194-

182

een herdersvolk, Hotten totten geheeten, die door de Nederlanders en later door do Engelschen werden teruggedrongen in de binnenlanden, zoodat ze tegenwoordig ten Z. van do Oranje rivier bijna geheel zijn verjaagd. De Boschj esmannen vormen met de Hottentotten waarschijnlijk één ras. 't Is een arm jagersvolk, dat naar de woeste steppen en de gebergten is verjaagd en nu door de schrale en onzekere opbrengst van jacht en roof zijn leven moet rekken. Boschjesmannen zoowol als Hottentotten hebben

eene kleine gestalte, eene gele of geelbruine huid, die spoedig rimpelig wordt, en haar, dat in bundeltjes over 't hoofd verspreid is.

't Kaapland is voor een deel zeer vruchtbaar en heeft een aangenaam klimaat. Hoewel de landbouw niet verwaarloosd wordt, is veeteelt (schapen: uitvoer van wol; struisvogels: handel in struisveeren) de hoofdbezigheid. De diamantvelden, die voor eenige jaren zijn ontdekt, hebben eene menigte men-schen getrokken, 't Kaapland is oorspronkelijk eene Nederlandsche kolonie. Het heeft thans een eigen parlement.

In den omtrek van de hoofdstad Kaapstad, aan den voet van den Tafelberg, wordt aan wijnbouw gedaan; de stad voert wijn uit en is een station voor de naar en van Indië gaande schepen. Port-Elisabeth heeft bloeienden handel, uitvoer van wol. In Natal de hoofdstad Pieter-M a rits-burg en de bloeiende haven d'ürban.

Niet tevreden met het Engelsche bestuur, verlieten sommige Kaapsche boeren hunne woonplaatsen en vestigden ten N. van de Oranje rivier den O ran je-Vrij staat. Later scheidde zich hiervan een deel af, en zoo ontstond ten N. van de Vaalrivier Transvaal, dat, na eene kortstondige Engelsche overheersching, als Zuidafrikaansche republiek weer eene zelfstandige positie heeft weten te verkrijgen. De beide zoogenaamde boerenrepublieken hebben dezelfde voortbrengselen als de Kaapkolonie; de opbrengst aan goud

-ocr page 195-

183

is niet onaanzienlijk. In Oranje-Vrijstaat de stad Bloemfontein, in de Zuidafrikaansehe republiek Potchef'stroom en Pretoria.

De westkust van Zuid-Afrika van de Cuneue tot de Oranje rivier is, met uitzondering van de Walvischbaai (Britsch), door Duitschland in bezit genomen.

§ 182. Afrika'a oostkust behoort voor een deel (Sofi'ila en Mozambique) aan Portugal. Het binnenland beeft veel geleden door do razzia's of slavenjachten. De voornaamste handelsstad in liet Portugeescho gebied is Mozambique. De stad ligt, even als Zanzibar (800U0 inw.), de belangrijkste handelsstad op Afrik's oostkust, op een kusteiland, omdat de kust zelve moerasig en ongezond is. De stroken ten O. van de groote meren tusschen kaap Delgado en don aequator behooren voor do zuidhelft aan Duitschland, voor de noordhelft aan Engeland. De stad Zanzibar is in Engelsche handen.

IV. 1)K EILANDEN.

§ 183. Ik, kleine eilanden in don Atlantischen'^fceakrKwaren, met uitzondering van de Kanarische eilanden, vóór de ontdekking der Europeanen, alle onbewoond. De A z or en en Madeira worden door Portugal als provincies van dit land beschouwd. Madeira levert, nadat de wijnbouw door de druivenziekte bijna geheel is verdwenen, suikerriet; 't is door zijn gezond klimaat een herstellingsoord geworden. De Kanarische eilanden (Spaansch) waren bij de ontdekking bewoond door Goeantsjen, naar men meent een Berberstam. Ferro en Teneriffe (met de Piek van Teneriffe) zijn wel de meest bekende eilanden van deze groep. De K a u p v e r d s c li e eilanden (Portugeesch). De Guinea-eilanden St-Thomé en Principe zijn Portugeesch, Fern an do-Po en Annobon Spaansch. St-Helena (belangrijk station en kolendepót) on Ascension zijn Engolsch.

In den Indischen oceaa;i ontwikkelen zich het Fransche Reunion en het Engelsehe Mauritius zeer krachtig door de steeds toenemende opbrengst aan suikerriet. De stad Port Louis op Mauritius heeft ruim 00000 inw.

§ 184. Madagaskar is zoo groot als Duitschland; het wordt door den snellen Mozambique stroom van 't vasteland gescheiden. Het binnenland is, evenals de westkust, droog en dor. In 't W. wonen menschen, wier voorouders waarschijnlijk uit Afrika als slaven door Arabieren hierheen zijn gevoerd. De oosthelft des eilands wordt door stammen bewoond, die tot het Maleische ras behooren. Ook de dierenwereld op Madagaskar vertoont overeenkomst met die van Indië. Antananarivo, de hoofdstad (80000 inw.), is de belangrijkste plaats van het eiland, dat tegenwoordig onder Fransch protectoraat staat.

-ocr page 196-

V. A M E R J K A.

(Zuiider du 1'uollimdcti: 38.4 mill. KM3 uf 700 000 GM2; niim 100 mill, inwoners).

(Do I'oul-Archipel; 1.3 mill. KM2, 23 600 OM2.).

(Groenluiid; 2.2 mill. KM2, 10 U00 GM2.).

A. ALGEMEEN OVERZICHT.

§ 185. Orenzeu, Lig ging. Amerika strekt zich in de lengte uit van kaap Hoorn (óG0 ZB.) tot 83° NB. Het ligt dus in alle zonen, behalve in de zuidelijke koude. Do westkust nadert Azië tot op korten afstand (de Berings-straat is maar 92 KM. breed), doch verwijdert zich naar 't Z. steeds verder van Aziës ooskust. De afstand van de westkust van Ierland tot New-Foundland bedraagt 3330 KM.; Noorwegen en Groenland liggen 2500 KM. van elkaar verwijderd, kaap San Roque en Sierra Leone ongeveer dubbel zoo ver. Op alle andere plaatsen is de breedte van den Atlautischen oceaan grooter, nergens editor zoo groot, dat hij het karakter van breede straat verliest. De Groote oceaan evenwel heeft onder den aequator eene breedte die bijna den hal ven aardomtrek beslaat.

Eene van 't 0. binnendringende zee, de Caribische zee en de golf van Mejico, naar 't 0. afgesloten door de Antillen en de Baharaa-oilanden, scheidt het werelddeel in twee bijna oven groote helften (Noord- en Zuid-Amerika), die door Middel-Amorika en de landengte van Panama zijn verbonden. Beide hoofddoelen hebben den vorm van een' driehoek, die in beide gevallen met eene der zijden naar 't N. is gekeerd, 't Midden van New-Foundland ligt op dezelfde breedte als Parijs; New-York ongeveer op dezelfde breedte als Rome; de Mississippidelta ligt even noordelijk als do Nijldelta, de La Plata-monding als kaap de Goede Hoop. Noord-Amerika's oostkust ligt grootendeels tegenover Europa, zijne westkust tegenover Japan, China en Insulinde; Zuid-Amerika heeft tot oostelijken overzeeschen buur Afrika, terwijl op grooten afstand aan de overzijde van den ürooten oceaan 't vastland Australië en Nieuw-Zeoland liggen.

§ 180. Omtrek. De oostzijde van Amerika is veel rijker aan schiereilanden, eilanden en golven dan de westzijde. Bovendien verkeert de oostkust over 't geheel in gunstiger omstandigheden dan de westkust, omdat langs de hoewel steile en gedeeltelijk havenrijke westkust een bijna onafgebroken hooggebergte loopt, waarachter groote hoogvlakten, terwijl de laagvlakten van do oostzijde toegankelijk zijn, en eindelijk ligt de oostkust op niet al te grooteu afstand van Europa, van waar uit Amerika dan ook zijne blanke

-ocr page 197-

185

bewoners en zijne moderne beschaving kreeg, terwijl do westkust door don breoden Groeten oceaan van Azië en Australië wordt gesclieiden. Do westkust heeft alleen Aljaska on Californië als schiereilanden on in 't N. en 't Z. slechts eilanden, die onmiddellijk langs do kust liggen. Alleen de Aleoeten iu 't N. vormen eene brug naar do minder herbergzame deden van Noord-Aziö. De oostkust daarentegen heeft verscheiden schiereilanden: Labradór, Nieuw-Brunswijk met Nieuw-Sohotland, Florida en Yucatan, terwijl Groenland, New-Foundland en de Antillen meer of minder belangrijke voorposten naar den kant van Europa zijn. Naar 't N. heeft Amerika eene weinig beteekenende eilandenwerold, terwijl Vuurland met omliggende eilanden een niet zeer belangrijken voorpost naar 't Z. vormt. In 't N. van Noord-Amerika dringt op de breedte van de Oostzee de wijde Hudsonsbaai binnen, die evenwel door het koude klimaat en de geslotenheid naar 't Z. voor 't verkeer niet veel beteekent. Noord-Amerika is rijker geleed dan Zuid-Amerika. Bij Middel-Amerika naderen de beide oceanen elkander zeer dicht. Sedert verscheiden jaren reeds brengt hier een korte spoorweg de verbinding tusschen oost- en westkust tot stand, terwijl men bezig is met een interoceanisch kanaal door de landengte van Panama te graven.

§ 187. Hoogte. Niet alleen ten opzichte van zijn horizontalen vonu biedt Amerika eene tegenstelling aan met de Oude Wereld, maar ook wat betreft de groepeering van hoog- en laagland. Vindon we bij Azië en Europa het hoogland als eene soort van vesting binnen in het land, terwijl de lagere berglanden en de laagvlakten zich daaromtoe groepeeren, en vinden we in Afrika een voorbeeld van een werelddeel, dat bijna geheel uit hoogland bestaat, — in Amerika ligt het laagland in 't midden. Van do Noordelijke IJszee tot de zuidpunt strekt zich midden door het werelddeel, alleen afgebroken door de golf van Mejico en de Caribische zee, wel geene laagvlakte in den eigenlijken zin des woords uit, maar bijna overal blijft de bodem toch beneden 300 M. en nergens verheffen zich eigenlijke gebergten. Aan de westzijde van deze groote vlakte verheft zich een groot, onafgebroken hoogland, dat in N.-Amerika zijne grootste breedte bereikt, waar het Rotsgebergte zijn' oostrand vormt, en dat in Z.-Amerika onder den naam van Cordillera's (— ketenen) bekend is. Aan de oostzijde vinden we vijf minder hooge hooglanden: het steen plateau van Labradór, het Alleghan y-gebergte, de gebergten der Westindische eilanden, het bergland van Guyana en het Braziliaanse he bergland.

§ 188. Hel Water. De liggiiif van hoog- en laagland moet natuurlijk van invloed zijn op do richting en de grootte der rivieren. De groote rivieren stroomen, met uitzondering van de Mackenzie, die het water van vele noordelijke meren naar de Noordelijke IJszee voert, naar den Atlantischen oceaan. Het water van do groote Canadasche meren stroomt door don St-Laurens naar zee. De Mississippi mot zijne groote bijrivieren is de levensader voor het midden van Noord-Amerika. In Zuid-Amerika onderscheiden we drie groote stroomgebieden: dat van den Orinco, dat van den Amazonenstroom en dat van de La Plata. Amerika is het werelddeel der reuzenstroomen en der groote meren. Tevens onderscheidt het zich nog hierdoor, dat de waterscheidingen vaak zeer laag zijn of zelfs ontbreken (Bifurcatie). Van de Afrikaansche

-ocr page 198-

186

rivieren verschillen de Amorikaunsche door een grooten, zeer bevaarbaren benedenloop. De oppervlakte, die haar water niet naar zee afzendt, is lang zoo groot niet als in do Oude Wereld.

§ 189. Klimaat. Tengevolge van Amerika's groote lengte heeft het eene quot;jfrootere verscheidenheid van klimaat dan de andere werokkleelon. Het noordelijkste gedeelte behoort tot het poolgebied, dat zich hier veel verder naar 't Z. uitstrekt dan in Europa, tengevolge van de omstandigheid, dat het werelddeel voor de westenwinden door hot hooge lïotsgebergte is afgesloten, terwijl hot naar het N. en NO. geheel open ligt. Vandaar dat op de westkust van Boothia Felix de poolexpeditie van Franklin kon verongelukken, terwijl op dezelfde breedte op Noorwegens westkust nog landbouw kan worden uitgeoefend. Hoston, op dezelfde breedte met Rome gelegen, heeft eene jaartemperatuur van '/^0 lager dan Groningen. Tengevolge van de ligging aan de oostzijde des vastlands hebben de Vereenigde Staten van Amerika een vastlandsklimaat, dus warme zomers en koude winters; de eerste zijn oorzaak, dat het zomerkoren nogal tamelijk ver noordwaarts kan worden verbouwd: tarwe en mais worden met goed gevolg aangekweekt bij het Manitoba meer, op de breedte van Groningen. Gerst wordt nog noordelijker verbouwd. De westrand van de Vereenigde Staten en Britsch Noord-Amerika evenwel, die onder den invloed staat van de zuidwestenwinden en van eene warme strooming, heeft een zeeklimaat.

breedte

gem. zomertemp.

wintertemp.

Fort Vancouver a.

d. Columbia 46°

18.9°

3.3°

Quebec

40° 19'

19.3°

— 12.3°

San Francisco

37° 48'

1-* O

O

9.8°

St-Louis

r-

CO

O

OO CO

25.9°

0.1°

Washington

38° 54'

ro

O

-f- 0.4°.

De hoogvlakte tusschen de Sierra Nevada en het Rotsgebergte is, doordien deze hooge randgebergten de dampen tegenhouden, arm aan regen. Het tropische gedeelte van Amerika heeft een even hoogen warmtegraad als andere tropische gewesten der aarde. Natuurlijk neemt de temperatuur met de toenemende hoogte af. Aan de lage, moerassige kusten benadeelen schadelijke uitdampingen de gezondheid (gele koorts). In de heete zone is in Z.-Amerika de oostzijde van de Andes de regenzijde; in de Amazonenvlakte regent het met geringe tusschenpoozen bijna 't geheele jaar; de westkant van de Andes is in het tropische Z.-Amerika droog, zóó zelfs, dat het Ataeama plateau bijna regenloos is. Ten Z. van de tropische gewesten is de westhelling van de Andes de regenzijde, terwijl hier aan den oostkant van't gebergte steppen (Pampa's) worden gevonden. Vuurland heeft do breedte van Nederland en zachte winters; de zomerwarmte blijft vet» beneden die van onze streken. Langs de westkust gaat hier een koude stroom, die verlagend op de temperatuur werkt.

§ 190. Planten. De plantenwereld der Amerikaansche koude zone komt met die der Aziatische en Europeesche in hoofdzaak overeen. De eenige boomen zijn er dwergwilgen, dwergberken en dwergdennen. Verder naar 't Z., ten Z. van de Hudsonsbaai, in 't gebied van de Columbia en ten O. van den Mississippi, strekken zich groote wouden uit. Op de westhellingen

-ocr page 199-

187

van de Sierra Nedava treffen we de reusachtige mammouthsboomen aan. In Middel-Amerika en Brazilië prijken verschillende palmensoorten in volle pracht. Ten W. van den Mississippi, in de Llano's van den Orinoco en de Parapa's van de La Plata, komen do boomen slechts bij uitzondering voor; deze steppen zijn, voorzoover do mensch ze niet in cultuur heeft gebracht, met lang gras bedekt. De wouden van liet Amazonengebied, deSelva's, zijn menigmaal haast ondoordringbaar.

De mais is de eenige korensoort, die Amerika bij zijne ontdekking bezat; waar zij werd gekweekt (in Mejico en Peru), vond men eene hoogere beschaving. Later zijn al onjjo korensoorten benevens de rijst ingevoerd, en zóó goed zijn ze in haar nieuw vaderland tehuis, dat ze nu een der voornaamste artikelen van uitvoer zijn. Mais, aardappelen, tabak en de kinaboom zijn de vier voornaamste planten, die Amerika in ruil kon geven tegen de vele nuttige planten, welke de Oude quot;Wereld haar schonk. Het in Amerika ingevoerde suikerriet levert tegenwotirdig in West-Indië, het zuidelijke Mis-sissippi-gebied, Guyana en Brazilië belangrijke opbrengsten. Het vaderland van den cacaoboom is noordelijk Zuid-Amerika, van waar hij is overgeplant naar de Antillen en Mejico. De ingevoerde koffieboom levert allerbelangrijkste bijdragen tot het wereldverkeer; Brazilië voert eene hoeveelheid koffie uit, die bijna van alle in den wereldhandel gebrachte koffie der aarde bedraagt; verder leveren Venezuela, de Antillen en Middel-Amerika aanzienlijke hoeveelheden. Do Vereenigde Staten van Amerika brengen bijna 4/5 van alle katoen voort. Canada en de Vereenigde Staten leveren veel timmerhout. Middel- en Zuid-Amerika mahonihout en verfhouten.

§ 191. Dieren. Amerika was oorspronkelijk arm aan melkgevende herkauwers en over 't geheel aan dieren, die tot huisdier konden worden getemd; een gevolg daarvan was, dat de meeste Indianen-stammen jagers en vissehers zijn gebleven en de bevolking alleen op de westelijke hoogvlakten, waar de lama te huis behoorde, tot staten-vormende landbouwers is opgeklommen. In 't N. leeft het rendier, dat hier echter niet, als in de Oude Wereld, wordt getemd; verder de ijsbeer, de bever en langs de kusten van Aljaska de zeeotter, welks kostbare pels de Russen over de Beringsstraat lokte. In de Prairiën van den Mississippi leefde vroeger de bison in groote kudden; tegenwoordig ia hij echter door de landverhuizers en de spoorwegen tot zeer kleine gebieden beperkt, zoodat hij reeds op enkele honderdtallen na is uitgestorven. In het tropische Amerika, met uitzondering van de westelijke hooglanden, leven de tapir, de jagoear en de poema, de kleinere vertegenwoordigers van den olifant, den tijger en den leeuw. De tropische wouden zijn rijk aan grijpstaartige apen en kleurenrijke vogels. De wereld der kruipende dieren is talrijk vertegenwoordigd door reusachtige schildpadden, kaaimans en slangen. De sidderaal van den Orinoco geniet eene algemeene bekendheid, 't Behoeft niet te verwonderen, dat, bij den wcligen plantengroei van tropisch Amerika, de insectenwereld zich buitengewoon ontwikkeld heeft. Op de westelijke hoogvlakten bewijst de lama den dienst van schaap en kameel. In de Noordamerikaansche Prairiën, maar vooral in de Pampa's en de Llano's van Zuid-Amerika, zwerven de nakomelingen van do ingevoerde paarden en runderen in groote kudden, ten deele verwilderd rond. De grootste rijkdom

-ocr page 200-

188

in ongunstige omstandigheden gebracht (spoorwegen, — vuurwater); hunne jachtvelden worden steeds kleiner en hun ondergang schijnt zeker. Op de hoogvlakten van Mejico tot het ïiticaca meer leefden, zooals reeds is opgemerkt, ten tijde van de verovering der Spanjaarden, stammen, die eene vrij

-ocr page 201-

ISO

hoogf) beschaving bezaten, zooals kan blijkon uit hunne geschiedenis, uit hun hieroglyphonschrift, uit de overblijfselen van groote wegen, die met veel scherpzinnigheid waren aangelegd, en uit do ruïnen van groote bouwwerken. De komst der Spanjaarden vernietigde die oude beschaving, en de taal der inboorlingen heelt grootendeels het veld moeten ruimen voor het Spaansch; toch behoort het grootste deel der bevolking in Mejico, Middel-Amerika, Ecuadór, Peru en Bolivia nog tot den Indianenstam. Na 1492 kwamen van over den oceaan achtereenvolgens verschillende volken. In Noord-Amerika. vestigden zich hoofdzakelijk Germanen (meestal Engelschen), die er land-bouw-koloniön stichtten of (in het noorden) jacht op pelsdieren maakten. Middel- en Zuld-Amerika kregen eene Romaansche bevolking (Spanjaarden en Portugeezen en in lateren tijd ook Italianen), die zich tot hoofddoel hadden gesteld het zoeken naar edele metalen. Voor het ontginnen der mijnen en het werken op de plantages in de tropische gewesten werden sedert 1517 Negerslaven uit Afrika ingevoerd, die nu echter vrij zijn verklaard, doch, althans in den eersten tijd, ongelukkig genoeg, meestal vrij-wezen, als gelijkbeteekenend met nietsdoen beschouwden. Uit de vermenging van blanken met Indianen en Negers zijn mulatten, mestiezen, zambo's en andere kleurlingen ontstaan, vooral in Middel- en Zuid-Amerika, en daar deze door de blanken met eene zekere minachting worden bejegend, terwijl ze zich zeiven ver boven de Negers en de Roodhuiden verheven achten, nemen ze eene eigenaardige plaats in. Ze schuwen meestal geene middelen om geld en macht te verkrijgen en worden daardoor voor de Romaansche blanken meermalen gevaarlijk. Deze laatste heeten, voorzoover ze in Amerika geboren zijn, creolen, welk woord gevormd is van 't Spaansche woord cria, d.i. gebroed. Een nieuw element der bevolking zijn de Chineezen, die Oali-fornië, aangelokt door het goud, West-Indiö en Spaansch Zuid-Amerika meestal als koelies zijn binnengestroomd.

Van het geheele getal bewoners van Amerika (ruim 100 mill.) zijn 54 u/n Blanken, 10 0/0 Indianen, 14 0/0 kleurlingen van Blanke en Indiaansche ouders, 21 quot;Z,, Negers en Mulatten. Verder zijn er koelies uit China en Britsch-Indië.

li. li ESC M RI.I VI NO.

a. HET LAAGLAND EN DE IIOOFDSTROOMEN.

§ 193. liet laagland rau Noord- A me,r ilea. De Pool vlak te omgeeft de Hudsonsbaai in een grooten boog; zij is zeer rijk aan water, dat zich ton deele in meren heeft verzameld. Do noordelijke ligging, open voor noordenen noordoostenwinden, maakt de streek slechts voor een klein gedeelte voor landbouw geschikt. Do golvende, rotsachtige bodem veroorzaakt dikwijls stroomversnellingen, waar de booten uit hot water moeten worden genomen.

-ocr page 202-

190

(Portages of draagplaatsen.) De geringe hoogte der waterscheidingen doet dikwijls bifurcatie ontstaan. De Mackenzie voert het water van't Groote Berenmeer, 'tGroote Slaven-meer en het Athabasca-raeer mede naar de IJszee. Eene geringe aanzwelling van den bodem scheidt de Poolvlakte in de westhelft van de Mississippi-vlakte, in de oosthelft van de streek der Canadasche meren: Boven-meer (21(,2 maal zoo groot als Nederland), Michigan-, Huron-, Erie- en Ontario-me er (tusschen de beide laatste de breede, ruim 50 M. hooge Niagara-waterval). De St-Laurensstroom voert

het water van dit groote merengebied door een breeden mond, die tot aan Quebec voor de grootste zeeschepen bevaarbaar is, naar de St-Laurensbaai.

De zuidhelft van het Noordamerikaansche laagland wordt gevormd door de Mississippi-vlakte. Do Mississippi komt te voorschijn uit het kleine Itasca-meer (512 M. hoog) en wordt reeds bij St.-Paul bevaarbaar voor stoombooten. Bij St-Louis neemt hij den grooteren Missouri op, die grootendeels door grasrijke Prairiën stroomt. De bovenloop van den Missouri en van de meeste zijner uit het Rotsgebergte komende bijrivieren stroomt, even als die van den Arkansas en de Roode rivier, door cannons, d. z. zeer smalle, spleetvormige dalen, die door het water zijn uitgewasschen, en welker wanden tot eenige honderden meter hoogte bijna loodrecht oprijzen. Van'tO. komen de Illinois en de Ohio; de laatste komt van de Alleghanies en stroomt door eene kolen- en metaalrijke streek. De Mississippi stroomt in zijnen middel- en benedenloop tusschen lage, moerassige oevers; de Mississippi-vlakte was oorspronkelijk voor een groot deel een prairiëngebied met lang

-ocr page 203-

191

gras. De reusachtige delta is grootendeels moerassig, gedeeltelijk echter reeds bedijkt en in vruchtbaar bouwland veranderd. Het zuidelijke deel ervan is eene lange, smalle landtong, die 80 KM, in zee vooruitspringt en zich aan het einde in drie takken verdeelt, door iedere van welke eene of twee mondingen (passen) stroomen. — Naar 't ZO. hangt de Mississippi-vlakte samen ■iet de vruchtbare kustvlakte, die zich tot in het moerassige en plassenrijke

orida en langs een deel der oostkust voortzet.

§ 194. Het. laagland van Zuid-Amerika bestaat hoofdzakelijk uit drie bekkens: dat van den Orinoco, dat van den Amazonen stroom en dat van de La Plata. De waterrijke Orinoco stroomt langs den noordrand van het bergstelsel van Guyana. De Cassiquiare zendt water naar den Rio Negro, zoowel als naar den Orinoco (bifurcatie). De Llano's van het Orinccobekken zijn groote grassteppen met slechts weinig boomen, die in de laatste jaren evenwel in aantal toenemen.

De reiziger, die het aan planten overrijke kustgebergte van Venezuela heeft verlaten, staat eensklaps aan den rand van eene bijna boomlooze steppe. Geen heuvel, geene rots verheft zich in de onmetelijke ruimte. Dood en stijf ligt de steppe voor hem, het gemoed met het gevoel der oneindigheid vervullende. Overal is men op de groote vlakte begonnen veeteelt uit te oefenen. Dagreizen ver van elkander verwijderd liggen enkele, met runderhuiden bedekte, uit riet en riemen gevlochten hutten, de woningen der llanero's of herders, een dapper, gehard slag van menschen, zeer goede ruiters, die in de bevrijdingsoorlogen de schrik der Spanjaarden waren. Tallooze scharen verwilderde runderen, paarden en muilezels zwerven inde steppen rond. — Als onder den invloed der loodrechte zonnestralen het gras tot stof verkruimeld is, splijt de hard geworden bodem. Vliegen nu wervelwinden over de vlakte, dan levert zij een buitengewoon schouwspel op. Als trechtervormige wolken, die met de spitsen naar de aarde zijn gekeerd, stijgt het zand op. Een droefgeestig, bijna strookleurig, flauw licht daalt van het uitspansel, dat nu laag bij de aarde schijnt te hangen, neer op de verdorde landstreek. De horizon schijnt naderbij te komen. De steppe wordt kleiner, en benauwder ook wordt het den reiziger te moede. Het heete stof, dat, in de lucht zweeft , vermeerdert de hitte. Geene verkoeling, maar nieuwe warmte voert de oostenwind aan, die over den reeds lang verhitten bodem is gewaaid. De poelen en moerassen, die door eenige geel gebleekte waaierpalmen tegen verdamping werden beschermd, verdwijnen langzamerhand. In 't ijzige Noorden verstijven de dieren door de koude in een' winterslaap; hier sluimeren onbewegelijk de krokodil en de reuzenslang in den nu uitge-droogden leembodem. Overal dorheid, overal dood, In donkere stofwolken gehuld, door honger en dorst gekweld, dwalen paarden en runderen rond, deze dof loeiende, gene mot uitgestrekten hals tegen den wind insnuivende om door den scherpen reuk zoo mogelijk een nog niet geheel uitgedroogden poel te ontdekken.

Begint eindelijk na lange droogte de weldadige regentijd, dan verandert plotseling het voorkomen der steppe. Do kleur des hemels wordt lichter. Als een verwijderd gebergte verschijnt een enkel wolkje in 't zuiden, loodrecht opstijgende boven den horizon. Als nevelen breiden zich langzamerhand de

-ocr page 204-
-ocr page 205-

103

van planten. Paarden en runderen grazen, waar zo voor eenige dagen bijna versinaclilteu. la 't koog opschietende gras loert de schoongevlekte jagoear. Soms ziet men, zoo verhalen de inboorlingen, aan den oever der moerassen den vochtig geworden leemgrond zich langzaam en stuksgewijze naar boven bewogen en eeue reusachtige waterslang ol' een gepantserde krokodil stijgt nit den bodem te voorschijn, uit den zomerslaap gewekt door de eerste regenbui. De rivieren zwellen, en do dieren, welke voorkort door de droogte werden bedreigd, moeten nu voor het water vluchten. Een deel der steppe is veranderd in een meer. Üe paarden en runderen waden naar de hoogste plekken en moeten zich tevreden stellen met do bovenste puntjes van het lango gras. Nu worden de krokodil en de sidderaal hunne vijanden. Zelfs de jagoear, vroeger de koning dor steppe, moet menigmaal een' kamp op leven of dood strijden met den gedrochtelijken krokodil.

Het gebied van den Amazonenstroom is ruim zoo groot als Euro-peosch. Rusland. Als Marannon in de Andes ontsprongen, bereikt hij reeds na den Pongo (= poort) de Manseriche de vlakte. De reusachtige stroom heeft zeer weinig verval; sedert eenige jaren wordt hij dan ook tot in Peru door stoombooten bevaren, maar nog zijn aan zijne oevers slechts enkele weinig belangrijke steden ontstaan. Van het iST. komt de Kio Negro {= zwarte rivier, omdat zij door dichte wouden stroomt); van het Z. is de Madeira (— woudstroom) de grootste bijrivier. De zuidelijke monding, de Para, wordt voor de scheepvaart gebruikt. De Solva's wouden) langs de rivieren van dit gebied hebben nergens op aarde hunne weerga, of het moest zijn in ons prachtig Insulinde. Planten, tot geheel verschillende familiën behoorende, wassen hier naast, door en op elkander. Lianen omslingeren de stammen en takken en maken hot don grijpstaartigen apen gemakkelijk, van den oenen boom in don anderen te komen. Orchideeën mot prachtige bloemen hebben door hare wortels de sappen weten te zuigen uit de reusachtige boomen. Hoomenvarens en palmen, in velerlei vorm, wedijveren met elkaar in sierlijkheid. De bodem is bedekt mot, ja bestaat voor een deel uit omgestorte boomstammen, afgevallen takken, blaren, bloemen en vruchten. Wio zich een' weg wil banen door zulk een woud, kan met behulp van de bijl slechts langzaam vooruit komen; want het pad moet soms letterlijk worden uitgehouwen.

De vlakten van den Kio de la Plata en van Patagonië strekken zich tot aan straat Maghelaens uit. In 't N., in de Pampa's (— vlakten), wisselen uitgestrekte grasvlakten, die groote runderkuddon tot weiden dienen, af met zoutrijke en woeste gebieden. Naar 't Z. worden de vlakten steeds armer aan planten, en in Patagonië vertoonen alleen de diep ingesneden rivierdalen eenigen plantengroei. De Parana noemt hot water van den Paraguay en den Uruguay op en de gezamenlijke watersehat stort zich in eene golf uit, die liio de la Plata wordt genoemd.

b. HET UOOGliANl).

§ 195. Hel westelijke hoogland van Noord-Amerika is eene breede strook, van den noordpoolcirkel tot aan de golf van ïohuantepéc. Op den oostrand p. u. lïus, Behi. Aardr., 8e druk. 13

-ocr page 206-

194

orviin vovlieft zich liot Rotsgebergte mot zoor koogo pitssen; do oudsfo Paciflc-spoorweg is over den Evans-pas gelogd (2520 M.). De hoogste top is de Mount Hooker (4900 M.). Ten W. van het Rotsgebergte strekken zich tot aan 48° NB. groote hoogvlakten uit, die grootendeels steppen zijn en in 't Z., bij den benedenloop van den Colorado, hier en daar het karakter van woestijn aannemen. Op deze hoogvlakten loopt het water samen in ondiepe zoutmeren, waarvan het Groote Zoutmeer op het plateau van (Itah het grootste is. De Columbia, en de Colorado, do eenige rivieren van belang, die hier naar den Grooten Oceaan stroomen, vormen watervallen en stroomversnellingen en de tweede heelt ontoegankelijke cannons in den bodem uitgeslepen. De stofgoud medevoerende Frasersrivier is weinig belangrijker voor de scheepvaart. De westrand van het hoogland wordt in Californië door een laag kustgebergte gevormd, ton O. waarvan de hooge Sierra Nevada met hare prachtige dalen den Paciflc-spoorweg noodzaakt over den 2200 11. hoogen Truckee-pas te gaan. Verder noordelijk het Cascaden gebergte en vervolgens de Noo rdamerikaansche Zee-Alpen. De kustketenen zetten zich op de eilanden langs de bochtenrijke westkust voort. In het N. verheffen zich de Fairweather- of Mooiweerberg (4700 M.), de Eliasberg (5950 M.?) en do Wrang el berg (0100 M.?), misschien de hoogste top van Noord-Amerika.

Ten Z. van het nu beschouwde gebied vindon we een hoogland, waardoor de zilverrijke Sierra Mad re loopt. Langs den oostrand stroomt de Rio Grande del Nor te naar de golf van Mejico. Het zuidelijkste gedeelte van het Noordamerikaansche hoogland is het plateau van Anahuac, waardoor op 19° NB. eene rij vulkanen van 't \V. naar t O. loopt (hoogste toppen; de piek van Orizaba ot de Citlaltepetl, 5450 M., en de Popocatepetl, 5420 M.).

§ 19G. Het hoogland van Middel-Amerika. De Cordillera's (— ketenen) van Middel-Amerika beginnen bij do laagte ten N. van de golf van Tehuantepèc; zij loepen langs de zuidkust; aan hun'noord voet strekken zich plateau's uit, terwijl op den zuidrand eene rij vulkanen do zichtbare bewijzen zijn van de vulkanische krachten, die hier sterk werken. Op de landengte van Panama vinden we een lagen uitlooper van de Zuidamerikaansche Cordillera's.

§ 197. Het westelijke hoogland van Zuid-Amerika bestaat uit ketenen, die op geringon afstand van de westkust loopen en eenige hoogvlakten insluiten, die echter ten opzichte van het geheele werelddeel slechts van geringe uitgebreidheid zijn. In 't N. bestaan de Cordillera's van Columbia uit drie ketenen, waattusschen de krokodillenrijke Magdalena met hare bijrivier de Cauca stroomt. De Cordillera's van Eucadór vormen twee vul-kanenrijke ketenen (Cotopaji 5940 M., C hi mbo ra zo 0300 M.), die een smal hoogland insluiten. Hierop volgen de Cordillera's van Peru, door welker lengtedal de bovenloop van den Amazonas stroomt. Verder naar 't Z. vormen de Cordillera's van Peru en Bolivia eene hoogvlakte met het 3900 M. hoog gelegene Titicaca meer. De oostelijke keten bevat als hoogste toppen den Sorata (7500 M.) enden Illimani (7300 M.). De naam van Cordillera's de los Andes is afkomstig van den naam Andes (= het Oosten), die

-ocr page 207-

105

oorspronkelijk werd gegeven aan do ketenen ton O. van Cuzco, de oude stad der Inca's; nu wordt de naam voor het gohoele gebergte van straat Maghelaens tot Panama gebruikt. Op do Oordillóra's van Peru en Bolivia volgt naar 't Z. ééno hoofdketen, ten W. van welke de woestijn van A tacama. Sedert hier rijke salpetorvolden, koper- en zilverlagen zijn ontdekt, heeft ook deze dorre streek menschen aangelokt. Ongeveer onder den zuiderkeerkring beginnen de Oordillóra's van Chili (hoogste top: Aconcagua G830 M.). Do lagere Oordillóra's von Patagonië reiken tot aan de fjordenrijke westkust, waar voor langs eene rij eilanden, die als de overblijfselen van eene lagere kustketen zijn te beschouwen.

In 't N. van Zuid-Amerika, bij den Magdalenamond, verheft zich geïsoleerd de kleine steile berggroep Sierra de Santa Marta. Ten O. van het zoogenaamde Maracaïbo-meer loepen een paar ketenen, bekend onder den naam van kustgeborgte of Cordillera van Venezuela.

§ 198. De oostelijke hooglanden van Zuid-Amerika kunnen worden samengevat in twee berglanden: hot bergland van Guyana, een laag plateau, waarop zich niet zeer hooge ketenen verheffen, en hot Braziliaanscho bergland, dat in het O. hooger is dan de weinig bekende westhelft. In het brongebied van den San Francisco, op de plateau van Minas Geraes (verkorting van M. G. dos Oatagua's — algemeene mijnon der Cata-gua's, een Indianenstam) on in de gebergten van Matto Grosso vindt men diamanten en goud.

§ 10!). liet Alleghany-gebergte, in liet U. van Noord-Amerika, vormt een zelfstandig bergstelsel met vele longtedalon. Verscheiden rivieren banen zich een' weg door korto dwarsdalen naar de oostkust. Ten N. van New-York wordt het afgebroken door een spleetvormig dal, waardoor de Hudson stroomt, die door kanalen mot hot Erie-meer on den St-Laurens in gemeenschap staat, 't Gebergte is rijk aan kolen en ijzer.

C. LAND E N EN VOLKEN.

1. DE AMKRIKA ANSCUE l'OOLOEWESTUN.

§ 200. Oroenland is in het binnenland eene ijs- en sneeuwwoestijn, misschien eene ganscho archipel, waarvan de eilanden door diepe fjorden en straten van elkaar zijn gescheiden, maar door een groot, zwaar ijsdek met elkander verbonden. Kolossale gletschers schuiven af tot in zee en breken daar af tot ijsbergen. De kuststreken, vooral de westelijke, worden bewoond door Eskimo's, die in visclivangst en robbenslag hun onderhoud viiulen. Groenland is eene Deensche bezitting. De meesto plaatsen op do westkust waren oorspronkelijk Noorweegsclie, Deonsclie en llernhuUorsche zendingsposten, die in den korten zomer Buropeesche walvischvaarders en schepen voor den robbenslag zien binnenloopen.

m*

-ocr page 208-

100

§ 201. Dn Pool-Archipel is bijna onbewoond; hij bostaat uit eene menigte eilanden, die tot Britscli Noord-Amerika worden gerekend. De Noordwestelijke doorvaart, in 1850—54 door Mac Clnre ontdekt, is voor de scheepvaart van geen belang vanwege hot vele ijs.

II. BKITSCH NOOBn-AMEKIKA.

(7.9 mill. KM2, ICO 000 GM2; 4.5 milaocn inwoners).

§ 202. Dominion of Canada. Het gebied van Canada omvat tegenwoordig geheel Britsch Noord-Amerika, met uitzondering van New-Foundland. Het bestaat uit; 1. de provincie Ontario of Opper-Canada, welker zuidelijkste deel, tusschen de groote meren, veel koren en petroleum levert. Do bevolking bestaat bijna geheel uit Engelsehen en is grootendeels protestantsoh. Hoofdstad is Ottawa, tevens zetel van de regeering der geheele Dominion en van den Engelsehen gouverneur. Toronto (167 000 inw.) is eene belangrijke haven aan het Ontario-meer. — 2. Quebec of Beneden-Canada werd oorspronkelijk door Fransciien gekoloniseenl, die het in 17G3 aan Engeland moesten afstaan. De bevolking spreekt nog ten deele Fransch en is grootendeels katholiek. In 't Z. is de landbouw van beteekenis; 'tN. heeft onmetelijke wouden. Hout, potasch en producten van de veeteelt zijn de belangrijkste uitvoerartikelen. De hoofdstad is Quebec (G2 000 inw.), maar de grootste stad aan de samenkomst van belangrijke waterwegenis Montreal (200000 inw.). 3. Nieuw-Brunswijk met de haven St-John aan de Pundy-baai. — 4. Nieuw-Schotland met de haven Halifax: belangrijke stoomvaart op Europa, uitvoer van kolen, zout, visch en hout. Op hot eiland Cap Breton worden kolen gevonden. — 5. Prins-Eduards-eiland. — G. De Hudsonsbaai-landen behoorden tot 1858 aan de Hudsonsbaai-Compagnie, die er kleine forten had gesticht, waar de inboorlingen pelzen kwamen verruilen tegen geweren, kruid, kogels enz. De Europeesche trappers (:= vallenzetters) zwerven hier rond, maar brengen den Indianen geene beschaving, daar ze zelf bij hunne ruwe leefwijze half verwilderd zijn. Labrador is in 't midden onbewoond; langs de noordkust wonen Eskimo's. — 7. Manitoba is door de volharding van Mennonieten in een bewoonbaar land herschapen, waar land- en tuinbouw en veeteelt worden uitgeoefend. In de laatste jaren hebben zich hier IJslanders gevestigd. — 7. Britsch Columbia heeft zijn bestaan als afzonderlijke provincie te danken aan de ontdekking van goudvelden aan de Frasersrivier.

§ 203. New-Foundland behoorde tot in'1713 als Terre-Neuve aan Frankrijk. De Bank van New-Foundland is eene der belangrijkste plaatsen voor visch-vangst op aarde (kabeljauw). De hoofdstad is St-John. In de Trinity-baai eindigt de telegraafkabel, die bij Valentia in Ierland begint.

De eilandjes St-Pierre en Miquelon zijn als stations voor de visschersvloot aan Frankrijk gebleven.

Da eenzame groep der Bermuda's (de noordelijkste koraaleilanden der aarde: Golfstroom!) is een belangrijk punt voor de Engelsche marine.

-ocr page 209-

107

UI. DE VKRKENlöDE STATEN VAi*r AMERIKA.

(9.2 mill. KM2 uf 170 000 GM.2; 62.5 milluion irwuiiers).

§ 204. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat. Doze grootste en belangrijkste staat van geheel Amerika, zoo groot als Europa, verminderd met het Pyreneesch-schiereiland, strekt zich, even als Britsch-Amerika, over de geheele breedte van Noord-Amerika uit, maar geniet do voordeelen van eene zuidelijker ligging. In het Z. reiken de Veroenigde Staten tot aan de golf van Mejico, in hot N. tot aan de Canadasche meren. De naar Europa gekeerde oostkusten zijn zeer havenrijk; de westkust is niet zoo rijk aan golven, maar heeft toch eenige voortreffelijke havens, vóór alle de groote baai van San Francisco, en in 't NW. de Pugetsound. Naar Europa keert de Hepubliek hare havenrijkste kust, daar is de oceaaii het smalst; geen wonder dus, dat het van daar uit gekoloniseerd werd en zijne beschaving ontving. Het afgezonderd gelegen Aljaska neemt ongeveer ' van de oppervlakte der V. S. in.

De grootendeels lage oostelijke kuststrook wordt naar Z. breeder en eindigt in Florida. Vele dwarsdalen door do Alleghanies maken den toegang tot het bekken van den Mississippi gemakkelijk, cn ten W. van dit uitgestrekte bekken verheft zich het groote westelijke hoogland. De V. S. bestaan dus ten opzichte van do orograflsche gesteldheid van 't O. naar het W. uit vier strooken, die, zooals reeds is gebleken, ieder een afzonderlijk karakter bezitten. De oostelijke kuststrook en de oostelijke Alleghanies zenden hun water naar den Atlantischen oceaan; het Mississippibekken wordt door den „Vader der stroomonquot; tot één groot handelsgebied verbonden, dat zijn water naar de golf van Mejico zendt; het westelijke hoogland is gedeeltelijk een steppen- en woestijngebied, maar heeft in de Columbia en den Colorado nog enkele, hoewol gebrekkige natuurlijke afvoerwegen naar den Grooten oceaan.

' Terwijl de Oude Wereld in de warme zone zeer breed is, is Noord-Araerika in dien gordel zeer smal; ten Z. van de V. S., die zich tot bijna aan don kreeftskeerkring uitstrekken, vindon we dus geen groote landmassa's, die den invloed van een breeden poolgordel in Britsch Noord-Amerika eeni-gormater zouden kunnen cotnpenseoren. De oostkusten van Noord-Amerika hebben, wat hot klimaat betreft, vrijwat overeenkomst met de oostkusten van Azië; in beide gevallen toch vinden we in 't Z. (kusten van de golf van Mejico on West-Indië — Zuid-China en Indische archipel) tropische warmte en vochtigheid, terwijl Noord-China en het Amoorgebied met Labradór on Canada een vastlandsklimaat gemeen hebben. In algemoene trekken vertoont de westkust van Noord-Amerika overeenkomst in klimaat met de westkust van Europa, zoowel wat temperatuur als wat regenhoe-veelhoid betreft. Maar roods dicht bij de westkust verheft zich het uitgestrekte hoogland, dat grootendeels oen regenarm gebied niet een vastlandsklimaat is. Het vastlandsklimaat met zijn groot verschil tusschen winter en zomor-temperatuur heeft in de V. S. dus verreweg de overhand op het zeeklimaat; doch daarmede gaat in de oosthelft gepaard eono vrij groote hoeveelheid

-ocr page 210-

108

regen, door oosten- en zuidenwinden aangevoerd, waardoor het karakter van vastlandsklimaat eenigermate wordt getemperd. Het vlakke Mississippi-bekken begint reeds op ongeveer 75° WL. v. F. te deelen in de armoede aan regen van het westelijke hoogland; in de „Llano estacadoquot; verkrijgt de steppe bijna een woestijnkarakter. Natuurlijk is de hoeveelheid neerslag grooter in de gebergten.

§ 205. Bevolking, Voortbrangsehn, Bezigheden. De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, zijn over den Mississippi teruggedrongen en nemen voortdurend in aantal af; men schat hun getal op 200 000, waarvan 30 000 in Aljaska. Het heerschende ras is het blanke; noofdzakelijk zijn het Engel-schen en hunne nakomelingen, de rusteloos werkzame, praetische Yankees. Buiten Engeland hebben Duitsehland en Ierland, en vervolgens Nederland, Skandinaviê, ja alle landen van Europa, bijdragen geleverd tot de bonte bevolking van de V. S. Do 58 000 Nederlanders wonen 't meest in Michigan en Wisconsin, verder in do stad Chicago. Eenige familienamen en namen van plaatsen en rivieren in den staal New-York herinneren nog aan de Neder-landsche heerschappij in de l?'- eeuw. De vroeger Negerslaven en hunne afstammelingen zijn in 1802 vrij verklaard en hebben dezelfde rechten als de blanken. Vooral in Oalifornië zijn vele werkzame, zuinige en winzuchtige Chineezen als goudgravers binnengekomen.

Geen staat ter wereld is zoo snel tot eene hooge ontwikkeling gekomen als de V. S. Ze hebben zich op 't gebied van landbouw, handel en nijverheid in een betrekkelijk klein aantal jaren tot eene zoo groote hoogte weten op te werken, dat ze de meeste Europeesche staten in de schaduw stellen, ja zelfs de meest bevoorrechte in sommige opzichten overtreffen. Maar niet in alle deelen van den grooten staat is de ontwikkeling gelijkelijk doorgedrongen. Het westen en het midden staan in dit opzicht bij het oosten ten achteren. Het natuurlijke gevolg hiervan is, dat van het W. en het midden naar 't O. een stroom van ruwe producten vloeit, terwijl het evenwicht wordt hersteld door een' stroom van fabrikaten, die in omgekeerde richting zich beweegt. In Europa is het juist andersom; men denke slechts aan de fabrieksstaten van West-Europa en het aan ruwe en halfbewerkte producten zoo rijke Rusland. — Behalve in enkele gedeelten van de noordoostelijke staten is de bevolking nergens dicht te noemen, zoodat de V. S. nog altijd voor werkzame Europeanen, uit overbevolkte streken komende, een ruim veld aanbieden.

Landbouw is nog altijd de hoofdbezigheid van de jonge republiek. Natuurlijk zijn de producten ten gevolge van de groote uitgebreidheid des lands, het verschil in klimaat en in grondsgesteldheid, zeer verschillend. In de zuidelijke staten staat de plantage-landbouw op den voorgrond; deze heeft door de afschaffing van do slavernij geleden, maar heeft zich in de laatste jaren grootendeels hersteld. Katoen, het hoofdproduct, wordt in 'tZO. tot 35° NB, verbouwd, en heeft de burgeroorlog ook eene vermindering in de productie ten gevolge gehad, in de laatste jaren is de opbrengst weder aanzienlijk toegenomen, zoodat Britsch Indië, dat voor eenige jaren oen geduchte mededinger op do katoenmarkt dreigde te worden, aan Amerika in 't geheel geene ongerustheid meer veroorzaakt. Rijst wordt hoofdzakelijk in Noord- en

-ocr page 211-

109

Zuid-Carolina, Goorgiö en Louisiana verbouwd. Suikerriet gedijt tot 33° NB. De afschaffing der slavernij heeft eene «terke vermindering van do suiker-voortbrenging ten gevolge gehad; in de laatste jaren is er evenwel weer vooruitgang merkbaar, vooral in Louisiana en zuidelijk Tojas. Tabak wordt vooral geweekt in Virginië, Kentucky en Maryland. Do hoofd voortbrengselen der noordelijke staten en gebieden zijn: mais (tusschen den Mississippi en den Atlantischen oceaan), do overige korensoorten (in zeer groote hoeveelheid in de noordelijke staten en in Californiê), hennep en vlas, benevens andere Europeesche veldvruchten en ooftsoorten. L)e V. S. hebben in de laatste jaren Rusland, dat totdusverro do grootste korenprodueont was, overvleugeld, vooral ten gevolge van de toenemende ontginning der vruchtbare westelijke staten en gebieden en door de verbazend aangroeiende middelen van verkeer, die den landbouwers een snel en goedkoop vervoer verzekeren. De wouden nemen nog zeer groote oppervlakten in, vooral in de noordelijke en de middelste staten ten O. van den Mississippi on in Californiê. De uitvoer van hout is zeer aanzienlijk en de uitroeiing van bosschen ton behoove van 't gebruik, zoowel als het verbranden van wouden om den grond maar spoedig te kunnen bebouwen, heeft op zoo groote schaal plaats, dat sommige doelen der Voreenigdo Staten reeds met houtarmoede worden bedreigd.

De Europeesche huisdieren gedijen in de Nieuwe Wereld zeer goed. Het varken wordt in do wouden en op de weiden van Ohio, Indiana, Jowa en Illinois in grooten getale aangefokt. Cincinnati on Chicago zijn de grootste markt- en slachtplaatsen van varkens. Ofschoon het getal schapen zeer groot is, is het niet voldoende om aan de behoefte aan wol te voldoen. Ruiulereu worden in massa's aangekweekt en zwerven ook verwilderd op de prairiën rond. Paarden vindt men vooral in do middelste, ezels en muildieren in do zuidelijke staten. In 't N. levert de jacht op pelsdieren (bevers, vossen en beren) goede resultaten. De bison is bijna uitgeroeid. Duizenden schepen uit de noordelijke staten gaan uit op do vangst van makreel en' kabeljauw.

Ook de rijkdom aan voortbrengselen uit het delfstoffenrijk is zeer groot. Californiê is het bekende goudland, Nevada de rijkste zilverstaat. Kwikzilver wordt in groote hoeveelheid gevonden in Californiê. Ook lood, zink en koper komen in massa voor. Uzer treft men in bijna alle staten aan, 't meest echtequot; in Pennsylvanië, Wisconsin, Michigan en Missouri. Bijna overal ligt dit metaal dicht aan de oppervlakte. De meeste ijzerlagen worden gevonden bij de kolengebieden, die ten westen van de Al loghanies en verder op verscheiden plaatsen in de Mississippi-vlakte zich uitstrekken. De opbrengst aan kolen is verbazend groot en neemt steeds toe. In Pennsylvanië, Ohio en Wyoming wordt petroleum in overvloed gevonden.

^ Sinds ruim vijftig jaar is men begonnen, zich met kracht op verschillende takken van nijverheid toe te leggen. Binnen eenige jaren reeds streefden de V. S. Engeland op zijde. Alle voorwaarden voor eene snelle en krachtige ontwikkeling zijn dan ook aanwezig: overvloed van grondstoffen en brandstof, eene uitgebreide toepassing van den stoom als beweegkracht, middelen van gemeenschap, kapitalen en een stoute ondernemingsgeest. De noordoostelijke staten zijn de hoofdzetels voor de nijverheid. Lowell is de voornaamste plaats voor katoenindustrie. Lowell, Philadelphia, New-York en Boston zijn de

-ocr page 212-

200

hoofdplaatsen voor de wolindustrie. Ijzerfabrieken vindt men 't meest in Pennsylvania. Leder wordt het meest bewerkt in New-York.

De rijkdom aan voortbrengselen en fabrikaten, de gunstige ligging, liet dichte spoorwegnet in de oosthelft der republiek en de ondernemingsgeest dor Yankees hebben de V. S. tot de tweede handelsmogendheid der aarde gemaakt. De Mississippi wijst den handelsweg naar 't Z.; de Canadasehe meren en de St-Laurens, Amerika's hoofdstroom tot op korten afstand naderende, vormen oen' handelsweg naar 't 0. Natuurlijk is de oosthelft van de Republiek, de naar Europa gekeerde zijde, die de meeste havens aanbiedt, het best van verkeerswegen voorzien. De V. S. hebben tegenwoordig niet minder dan 200000 KM. spoorweglengte tegen geheel Europa 190 000 KM. Do oost- en de westhelft der Unie worden samengehouden door de ijzeren banden der spoorwegen; niet minder dan 6 spoorwegen, waarvan slechts één in Canada, verbinden de oost- mot de westkust van N.-Amerika. Hoofduitgangspunten voor deze verbindingen zijn aan de oostkust New-York, aan de westkust San Francisco.

De groote rijkdom aan voedingstoffon, grondstoffen en fabrikaten heeft in verband met de toenemende gemakkelijkheid en snelheid van verkeer, de V. S. reeds tot leverancier van hot veel dichter bevolkte Europa gemaakt.

§ 200. Slaatsregeling, Bestuur en Verdeeling. De V. S. vormen eene democratische republiek, die uit een bond van staten is samengesteld. Hot bondsbestuur bestaat uit een wetgevend (Congres) en een uitvoerend bestanddeel (President), 't Congres is samengesteld uit den Senaat en het Huis der Afgevaardigden. Het laatste bestaat uit afgevaardigden der staten en der georganiseerde territoriën (op iedere 30000 inwoners één afgevaardigde). De afgevaardigde van een territorium neemt deel aan de discussies, maar heeft geen stemrecht. Geen huidkleur, ras of vroegere toestand van dienstbaarheid kan sedert 1870 reden zijn tot onthouding van het stemrecht. Door de wetgevende macht van iederen staat worden twee leden voor den Senaat verkozen. De President wordt bij meerderheid van stemmen voor den tijd van vier jaar gekozen door kiezers. De burgers van eiken staat benoemen zoovele kiezers, als die staat leden zendt naar het Congres; de verkiezing van den President, en ook van den Vice-President, die ambtshalve voorzitter is van den Senaat, heeft dus indirect door het volk plaats. Do President kan worden ontzet van zijne waardigheid. Hij heeft ongeveer dezelfde rechten als een grondwettig vorst; zonder toestemming van den Senaat of van 2/3 der leden mag hij evenwel geen beambten benoemen en geen verdragen teekenen. Slechts éénnmaal kan hij zijne bekrachtiging van een wetsontwerp, dat door beide huizen van 't Congres is aangenomen, weigeren; stemmen daarna nogmaals *js der Congresleden er vóór, dan is het voorstel tot wet verheven.

De afzonderlijke staten zijn alleen in zooverre niet onbeperkt in hunne macht, als zo niet in tegenspraak met de Grondwet der Unie mogen komen. Het bestuur der staten is op dezelfde leest geschoeid als dat der Unie; zij hebben een Congres en een' Gouverneur.

De 48 staten en gebieden der V. S. (Aljaska medegoteld zijn er 49) kunnen naar de voortbrengselen en de hoofd bezigheden in de volgende groepen worden verdeeld:

-ocr page 213-

201

n 10

v o

L K

I N

G :

Opper

1 N

i'KO

C K N '1' K N

S 'C A ï E N 0 11 0 E 1' K N.

vlakte in

® t-

*

KM2.

absolute.

s

U

Qj

— S

_a tc

£ S

rt ID

t-4

jS

s

bc

O ^ ^ O-

3 woudstaten......

134 000

1 370 000

10

lOo

__

_

_

7 industriestaten.....

308 000

16 160000

52

08

2

7 landbomvstaten.....

1 OOG 000

16 650 000

16

98

2

16 plantagesfaton.....

2 330 000

22 230000

ü

07

33

15 westel. staten eu territoriën

4 049 000

5 600 00O

1.2

92

2

2

3

Afgezonderd li^t nog tiet gebied Aljaska, dat in 1807 van Rusland is gekocht.

In den Grooten oceaan hebben do V. S. verscheiden guano-eilanden, -X. Amerikaansch Polynesië geheeten, in bezit genomen.

§ 207. De Staten rn hunne voornaamste Sleden. Ue steden der groote Republiek zijn niet in don loop der eeuwen geworden, maar meestal naar een bepaald plan gebouwd, vandaar hare regelmatigheid, hare rechte en breede straten, hare vele parken, althans in de groote steden. De Amerikanen noemen te recht de parken de longen der steden. Vele steden der V. S. zijn mot verbazingwekkende snelheid opgewassen. De meeste groote steden liggen in de noordelijke staten; de rijke winsten, die de slavenarbeid in do plantersstaten van het zuiden afwierp voor enkelen, werkten de gemakzucht in do hand en deze bemoeilijkte het ontstaan en het snel opgroeien van belangrijke middelpunten voor allesoverwinnende handel eu nijverheid. Na den burgeroorlog zijn de toestanden in het zuiden langzamerhand beter geworden; maar de talrijke, vaak luie Negers hinderen nog menige zuidelijke stad geducht in hare ontwikkeling. In 't Z. zijn slechts enkele groote steden, en in 't verre westen hebben zich in de laatste jaren eenige belangrijke middelpunten voor 't verkeer ontwikkeld.

De 3 woudstaten (Maine, New-Hampshire en Vermont) liggen in het uiterste NO. Ze hebben groote weiden en wouden.

Do 7 industrie- en handelsstaten (Massachusetts, Rhode Island, Connecticut, New-York, Pennsylvanië, New-Jersey en Delaware) liggen ten Z. daarvan. De nabijheid der Alleghany-kolenvelden hebben er de fabrieks industrie tot levendige ontwikkeling gebracht: katoen, metaal- en lederindustrie. üe havenrijkdom der kust, de gemakkelijke gemeenschap met het binnenland, vooral met de landbomvstaten, en de ligging tegenover Europa hebben daarbij deze staten gemaakt tot den hoofdzetel van den handel op den Atlantischen oceaan, Vandaar hier de dichtste bevolking en de meeste groote steden.

Boston, het uitgangspunt van den bevrijdingsoorlog, de grootste stad van Nieuw-Engeland, tweede handelsstad der V. S., drijft veel handel met Europa en Indië en oefent veel nijverheid uit (417 000 inw.). Ten N. van Boston Lowell, met katoenfabrieken. New-York (l.G mill, inw., in 1800 nog slechts 60500), is na Londen de belangrijkste handelsstad der aarde.

-ocr page 214-

202

hquot;t vereenigingspunt voor vele verkeerswegen eti de starl, waar de meeste landverhuizers aankomen. Eene kettingsbrug verbindt New-York (vroeger als Nieuw-Amsterdam eene Nederlandsche bezitting) met Brooklyn (930000 inw.), vroeger Breukelen. Aan het Erie meer Buffalo (250000 inw.), eene belangrijke handels- en fabrieksstad. Philadelphia (1 mill, inw.), de eerste fabrieksstad der V. S., heeft vele metaal fabrieken en veel handel, vooral boekhandel; inrichtingen voor wetenschap en voor weldadigheid. Pittsburg (250000 inw.) aan den Ohio, ligt midden in de kolen-en ijzergewesten en bij de rijke petrolemnbronnen; 'tis eenegrooteijzer-fabrieksstad.

De Ui plantagestaten liggen voor een goed deel aan den Oceaan of aan do golf van Mejico; ook liet hondsdistrict Columbia is er onder gerekend. Het warme klimaat, de rijke watervoorraad en de groote ruimte, welke de vlakte hier inneemt, hebben liet plantagewezen in 't leven geroepen, waarbij vroeger Negerslaven werden gebruikt. In de noordelijke van deze staten wordt meest tabak, in de zuidelijke meer suikerriet, maar vooral katoen verbouwd. In de moerassige streken verbouwt men rijst. Het aantal groote steden is er, zooals reeds werd opgemerkt, minder groot danin'tN. Baltimore heeft drukken handel in tabak, meel, oesters; in 1729 stond hier nog maar één blokhuis, in 1775 had de plaats nog geen 0000 inw., en nu telt ze reeds 500 000 inw. Washington (230000 inw.) is do hoofdstad der Republiek met het Kapitool, waar het Congres vergadert, en het Wittehuis, de woning van den President. Charleston heeft uitvoer van katoen en rijst. New-Orleans (240000 inw.), bij 't begin van de Missis-sippi-delta in eene ongezonde streek gelegen, is de uit- en invoerhaven van 't Mississippi-gebied; uitvoer van katoen, meel en tnais. Aan den Ohio Louisville (125 000 inw.). Dichtbij de vereeniging van den Missouri met den Mississippi St-Louis (450000 inw.), oorspronkelijk slechts een station voor pelshandelaars, nu de voornaamste handelsstad van't Mississippi-gebied met veel nijverheid.

De 7 landbouwstaten liggen ten N. van den Missouri en den Ohio en aan de Canadasche meren. Ze brengen mais en tarwe in overvloed voort. Hier is het gebied, dat tegenwoordig de meeste immigranten trekt. Van veel meer belang dan het kolengebied van Illinois zijn hier de koper- en lood-raijnen aan het Boveu-meer. Do hoofdkorenmarkt van dit gebied is Chicago (1.1 mill, inw.), do grootste handelsplaats aan het Michigan-meer, het punt waar de handel van den geheelen omtrek zich concentreert, eene plaats, die vóór 50 jaar eerst tot stad werd verheven, de grootste koren- en veemarkt der aarde. Milwaukee (240000 inw.) is eene spoedig tot bloei gekomen handelsstad. Detroit (197000 inw.) heeft handel met Canada; Cleveland (248 000 inw.) is eene handelsstad aan het Eric-meer. f' i n c. i n a t i (300 000 inw.) heeft zeer belangrijke industrie en handel in meel, sterkedranken en ijzerwaren; jaarlijks worden er honderdduizenden varkens geslacht.

De 15 staten en gebieden van het Westen omvatten grootendeels prairiën, oerwoudenquot; en woestenijen. De kolonisatie van deze streken is nauwelijks begonnen. Do edele metalen hebben hier eerst sedert 1850 kolonisten getrokken, maar grootere voordeelen dan het winnen van goud en zilver begint reeds de landbouw af te werpen. In Colorado, dat rijk aan metalen

-ocr page 215-

203

is, do snel opgekomen stad Denver. In het gebied Utah de Groote Zou tra eer stad of Ni en w-Jer u zal em , do hoofdzetel van do Mormonen. Californië is tot bloei gekomen sedert het midden dezer eeuw, toen er goud werd ontdekt. Later is de bodem met goed gevolg bebouwd, zoodat do opbrengst aan koron en wijn reeds aanzienlijk is. Do handel wordt bijna alleen over San Francisco gedreven, oene stad, die hare opkomst aan het goud te danken heeft. Ofschoon nog jong, telt ze nu reeds 235 000 inw. De handel met Azië en Australië en ook die met de oostelijke staten is zeer aanzienlijk. — In het afgelegen Aljaska de haven Sitka.

IV. DE IUCPTTBL1EK ME.IICO.

(1.9 mill. KM2 ut' 85 000 GM2; 11.6 milliocn inwoners.)

g 208. Spaavsche invloeden. Met Mejico zijn we het voormalige Spaansch Amerika genaderd, waar over 't geheel de staatkundige en maatschappelijke toestanden ongunstig zijn. Do oorzaken daarvan moeten voor een groot deel aan de vroegere Spaansche heerschappij worden geweten, die zich als eenie: doel stelde de exploitatie van de koloniën ten behoeve van het moederland. De Spanjaarden veroverden het land, dwongen de inboorlingen, hun de goud- en zilvermijnen aan te wijzen en daarin ten behoeve van den vreemdeling te werken, voerden later Negerslaven in en meenden op deze wijze en door een drukkend monopolie hun doel het best te bereiken. De inboorlingen werden dus niet, zooals in de Vereenigde Staten, verdreven, maar bleven als een onderdrukt ras, welks ontwikkeling geheel werd verwaarloosd, te midden van de gehate Creolen leven. Do gevolgen bleven niet uit. De ontevredenheid nam toe; de onderdrukten stonden op en wierpen liet gehate juk van hunne schouders, maar wisten, in het eerst van deze eeuw, toen ze vrij waren geworden, van hunne nieuwe positie niet het rechte gebruik te maken. Woelingen on opstanden, weinig ontwikkeling, slechte verkeerswegen en geringe vooruitgang zijn in Mejico, Middel-Amerka en do Zuid-amerikaansche republieken bijna algemeene verschijnselen. Spanjes heerschappij heeft zich slechts met moeite tot heden kunnen staande houden op de twee Westindische eilanden Cuba en Portorico. Behalve in de geschetste toestanden is de Spaansche invloed nog duidelijk te merken aan vele gebruiken, aan den godsdienst, de taal en aan de namen van vele steden.

§ 209. Mejico bestaat uit drie deelen: de heete, moerassige, ongezonde kuststrooken (gele koortsen); het gematigde, hooger en meer binnenwaarts liggende gedeelte, dat van de republiek inneemt, en de nog hooger in 't midden liggende koele hoogvlakte. Mejico behoort tot de meest gezegende landen der aarde, wat natuurvoortbrengselen aangaat. Maar de woelingen, waaraan deze republiek ten prooi is, en de geringe ontwikkeling der bewoners zijn oorzaken, dat slechts voor een klein gedeelte die schatten worden gebruikt. Toch gedijen er naast de voortbrengselen uit de tropische gewesten, als vanielje, cacao, suiker, katoen, mahonie- en ebbenhout, ten gevolge van de ongelijke hoogte des bodems, de Etiropeesche koren soorten, de peulvruchten, de tabak, de agave, do aardappel eu de druif uitstekend. Op de

-ocr page 216-

204

teolt van de cochenille legt men zich met vlijt toe. Mejico is misschien het zilverrijkste land der aarde; ook levert het zeer veel goud; do meeste mijnen vindt men op het plateau van Anahuac. De binnenlandsche handel wordt zeer bemoeilijkt door slechte wegen en onveiligheid. Do ligging van Mejico aan twee oceanen is zeer gunstig voor den buitenlanrlschen handel, die evenwel grootendeels in handen van buitenlanders is. Aan do oostkust liggen de havens Vera-Cruz (uitvoer van zilver) en Tam pi co (uitvoer van voortbrengselen uit het planten- en dierenrijk). Op de hoogvlakte liggen mijn-bouwplaatsen, als Potosi en Guanajuato. Mejico, de hoofdstad, heeft 330 000 inw. La Puobla (80 000 inw.) is de voornaamste industriestad. Aan de westkust do havens Tehuantepéc en Acapulco.

V. MIDDEL-AMERIKA.

§ 210. Britsch Honduras is door Engeland bezet om den rijkdom aan edele houtsoorten en verfhout. De hoofdstad Belize ligt in eene ongezonde streek.

§ 211. De Middelamerikaansoha republieken vormen het verbindende lid tusschen Noord- en Zuid-Amerika. De ligging daar, waar de Oroote en de Atlantische oceaan elkander tot op korten afstand naderen, is zeer gunstig. Do rijkdom aan voortbrengselen is zeer Kroot: indigo, cochenille, kostbare houtsoorten, als mahonie- en campöche-hout. Toch konden welvaart en ontwikkeling voel grooter zijn. De oostkust is zeer ongezond. Vulkanische uitbarstingen en verwoestende aardbevingen komen gedurig voor, zoodat Middel-Amerika dan ook wel de (slingerende) hangmat wordt genoemd. De grootste stad is Nieuw-Guatemala.

VI. WEST-INDIË.

§ 212. West-Indi'ó bestaat uit drie groepen: de aan Engeland behoorende B aha ma-eilanden (lage koraaleilanden), de Groote Antillen en do Kleine Antillen. Het hoofdvoortbrengsel dezer vruchtbare eilanden is suiker; verder veel koffie, tabak en katoen. Onder de plagen, waardoor deze anders rijk gezegende eilanden worden bezocht, komen vooral in aanmerking de gele koorts en vreeselijke orkanen. De gunstige ligging en de rijke voortbrengselen zijn oorzaken, dat de voornaamste zeevarende mogendheden van Europa hier bezittingen hebben.

Cuba en Portorico behooren aan Spanje. Cuba, de parel der Antillen, wordt verwaarloosd. Het belangrijkste voortbrengsel is suiker; Cuba is verreweg het eerste land der aarde voor rietsuiker. Daarop volgt tabak (Havana-sigaren); van minder belang is de koffie. Onder de delfstoffen staat hot koper in de eerste rij; de opbrengst noemt echter af. De ertsen worden naar Engeland gezonden, om daar te worden uitgesmolten. Havana, do hoofdstad met 200000 inw., heeft eene voortreffelijke haven. — Portorico brengt voort: tabak, suiker, koffie en katoen. De hoofdplaats is San Juan do Portorico.

Het eiland Haïti was de eerste Europeesche kolonie in Amerika. Het eiland bestaat nu uit twee republieken: Santo Dom i ngo, de grooto oostelijke helft, grootendeels door Mulatten bewoond, mot de hoofdstad Santo Domingo,

-ocr page 217-

20ö

en Haïti, hot kleinere westelijke gedeelte, eene negerropiibliek, die in den laatsten tijd vooruitgaat, met de hoofdstad Port au Prince.

Jamaika behoort aan Engeland en levert vooral suiker en kol'lie. Uitgevoerd worden suiker, kol'lie on rum. De hoofdstad is Kingston.

De ten 0. van Portorico liggende Virginisohe eilanden behooren meest alle aan Engeland. De voornaamste der Engelsche Kleine Antillen (uitvoer van suiker, cacao en arrowroot) zijn: Barbados, St-Vincent, Grenada, Tabago en Trinidad.

De Pransche Kleine Antillen (suiker en koffie) zijn: St-Martin (voor een gedeelte Nederlandsch), (hiadaloupe, Marie Galante, Martinique en St-Barthelémy.

Het aan Nederland behoorende gouvernement Curasao bestaat uit de eilanden boven don wind Saba, St-Eustatius en een gedeelte van St-Martin, en de eilanden beneden den wind Bonaire, Curacao en Aruba.

Denemarken bezit St-Thomas, St-Croix en St-Jan.

VII. Z DID-AMERIKA.

§ 213. üe Vereenigde Stalen van Columbia liggen aan twee oceanen en zijn daarbij in 't bezit van de landengte, die de twee helften des werelddeels verbindt en de twee belangrijkste oceanen scheidt. De Panama-spoorweg (van Colon of Aspinwall naar Panama) maakt de overtocht m '6 a 4 uren mogelijk. Er wordt nu een interoceanisch kanaal door de landengte gegraven (de Lesseps). 't Land is rijk aan edele metalen en steenkolen. De hoofdstad is Bogota.

§ 214. Venezuela bestaat van het N. naar het Z. uit eene bergachtige kuststreek, het gebied der Llano's en dat der groote wouden langs den Orinoco. De belangrijkste producten zijn koffie, cacao, tabak, katoen en metalen. Hoofdstad is Caracas met een aangenaam klimaat. De haven La Guaïra voert veel koffie uit. Ten Z. van 't gebergte ligt Var in as met tabaksbouw.

§ 215. Ecuador onder den aequator gelegen, omvat het schoonste gedeelte der Andes, waar zich reusachtige toppen verheffen, als de Chimhorazo en de Antisana. De hooge Andesdalen hebben een aangenaam klimaat en zijn natuurlijk veel dichter bevolkt dan do heete kuststreek, 't Land levert kinabast, vooral bij Loja; verder veel cacao. De voornaamste haven is Guaja-quil. De hoofdplaats Quito ligt even ten Z. van den aequator 2850 M. hoog aan den voet van den Pichincha.

§ 216. Peru is bijna geheel hoogland; de Andesketenen met tusschen-gelegon hoogvlakten en hooge dalen scheiden de heete, dorre kuststreek van de woudrijke oostelijke vlakten. Om de moeilijkheden, diode bergachtige grondsgesteldheid aan het verkeer in den weg legt, te vermindc^n, is een spoorweg gebouwd van de kust over het gebergte naar Puno aan het 3900 M. hoog gelegen Titicaca meer; het hoogste punt van dien kolossalen weg ligt 4580 meter boven de zee. Een spoorweg van Lima, eveneens naar het oosten, overschrijdt het gebergte op eene hoogte van 4770 meter. Deze spoorwegen zullen van grooter belang worden, wanneer ze oostwaarts tot naar de bijrivieren van den Amazonenstroom zullen zijn voortgezet en de staatkundige toestanden minder te wenschen overlaten. Om eenig denkbeeld van den reus-achtigen spoorwegbouw in Peru te geven, volgen hier eenige getallen ter

-ocr page 218-

20«

vergelijking; 't hoogste punt van den Semraering-spoorweg is 881 meter, van den St-Gothardtuanei 1137, van den Mont-Genistiumel 1135, van den Brenner-spoorweg 1307, van den Pacilic-spoorweg 2521 meter boven de zee; de Mont-Blanc is 4810 meter lioog. Peru leverde vroeger veel meer edele metalen dan tegenwoordig; de opbrengst aan zilver gaat evenwel in do laatste jaren weer vooruit: de mijnen van Pasuo. De guano-lagen op de Clüneha eilanden beginnen uitgeput te raken. Uit liet dierenrijk zijn do woldieren belangrijk, evenals op meer hoogvlakten liet geval is, nl.de lama's, alpaca's en vicuna's. Hoofdstad is Lima (lÜÜOOO inw.), door Pizarro gesticht; verder de haven Callao.

§ 217. Bolivia bestaat bijna geheel uit bergland; de toppen bereiken er eene groote hoogte (Illiniani en Sorata). Geen land was onder de Spaausohe heerschappij rijker aan zilver en goud dan Bolivia; de zilvermijnen van Potosi waren wereldberoemd. Hoofdstad is La Paz ten ZO. van het Titicaca meer. Het kustgebied van Bolivia is aan Chili gekomen.

§ 218. Chüi is een smal kustland, dat rijk is aan allerlei voortbrengselen: metalen, koren, vee. 't Klimaat is aangenaam en gezond, de kusten zijn rijk aan havens, het hooggebergte op de oostgrens beschut tegen vijandelijke invallen. De bevolking bestaat voor een groot deel uit nakomelingen der Spanjaarden en andere, later geïmmigreerde vreemdelingen en kleurlingen; het Negerelement ontbreekt bijna geheel. Al deze dingen maken, dat Chili onder alle vroegere Spaansche koloniën bovenaan staat, wat ontwikkeling en werkzaamheid zijner bewoners en tot voor korten tijd ook wat ordo in den staat betreft. Valparaiso (100000 inw.), de voornaamste haven, is door een' spoorweg verbonden met de hoofdstad San .Tago (190 000 inw.), die snel in bloei toeneemt. De haven Cob ij a is overvleugeld door Antof'a-gasta, dat de uitvoerplaats is geworden voor het zilver en het koper van de Caracoles-mijnen in de woestijn Atacama, en van het salpeter, dateven-eens in Atacama wordt gevonden. Chili's gebied is in den laatsten tijd aanzienlijk uitgebreid, zoowel doordien het, zooals reeds werd vermeld, in het bezit is gekomen van Bolivia's kustgebied, als doordat het de westkust van Patagonië, de landstreken langs straat Maghelaens en de groote westhelft van Vuurland heeft genomen.

§ 219. Argentina of da La-Plata-sialan. Voor deze republiek, dio aan vele woelingen heeft geleden, schijnt een betere tijd te zijn aangebroken, vooral ten gevolge van do immigratie van Italianen en Spanjaarden. De allerlaatste tijden zijn trouwens weer minder gunstig. In de Pampa's is veeteelt de hoofdbezigheid. Vleesch, vet, huiden, vleeschextract en wol zijn de voornaamste artikelen van uitvoer. Do hoofdstad Buenos Aires (500000 inw.) aan do La Plata hoeft vele slagerijen, uitvoer van producten der veeteelten invoer van Europeesche fabriekgoederen; vorkeer mot Nederland. Eene aanwinst, wat de grootte van den staat betreft, is geheel Patagonië ten O. van de Cordillera's en de kleine oosthelf't van Vuurland, alles vóór eenige jaren in bezit genomen. De verspreide bevolking van Patagonië bestaat hoofdzakelijk van jacht en veeteelt. Do kusten worden door walvisch- en robbenjagers bezocht. De Pesjereos, de ruwe bewoners van Vuurland, staan zoowel lichamelijk als geestelijk zeer laag.

-ocr page 219-

207

§ 220. Ook in Uruguay is vooteolt do hoofdbozighoid. Do hoofdstad Montevideo (175000 inw.) is de voomaaiusto handelsplaats; uitvoer van gedroogd vleesch, huiden, talk, vleeschextract etc.

§ 221. Paraguay oefent naast veeteelt ook landbouw en mijnwezen uit: groote rijkdom aan ijzer. Door oen bloedigen oorlog met Argentina en Brazilië is het land verarmd en de bevolking geducht verminderd. Paraguay-theo of maté, d. i. eene soort van hulst, en tabak zijn de voornaamste artikelen van uitvoer. Hoofdstad is A s u c i ó n.

§ 222. De republiek Bmxilië (8.8 mill. K.M2 of 150 000 GMquot;; 14 mill, inw.) was tot voorkort de eenig-e monarchie van goheol Amerika; zooals uit de opgave van oppervlakte en bevolking kan blijken, ia het ongeveer zoo groot als Europa, verminderd met de drie zuidelijke schiereilanden en IJsland, terwijl het ruim driemaal zooveel inwoners heeft als Nederland. Het omvat het Braziliaansche bergland, langs welks oost- en noordrand en in welks diamanten goudrijke gedeelten de Europeesche bevolking woont, en verder bijna do geheele Amazonenvlakte, die grootendeels met wouden bedekt is, waarin Indianenstammen rondzwerven. Evenals in Argentina en Chili wijst liet aanleggen van spoorwegen, natuurlijk van de voornaamste havens uit, op vooruitgang. Bijna geen land der aarde is zoo rijk aan voortbrengselen als deze voormalige Portugeesche kolonie. Het land lijdt nog onder de gevolgen van den slavenhandel on don slavenarbeid, hoewel de slavernij afgeschaft is. Het aantal blanken beloopt ongeveer 4 millioen. Onder de Indianenstammen

staan de Bo to koeden op den laagsten trap. Do mandioccawortel, waarvan het meel onder den naam tapiocco (arrowroot) in den handel komt, noemt onder do voedingsplanten eeno eerste plaats in. Mais en rijst worden ook veel verbouwd. Het belangrijkste uitvoerartikel is zonder twijfel de koffie, waarvan Brazilië ongeveer evenveel levert als allo andere kofüolandon dor aarde te zamen. Verder mag nog de opbrengst aan suiker, katoen, cacao, tabak en verfhout (naar hot roode verfhout kroeg hot land zijn' naam: lira z a = glooiende kool) belangrijk worden genoemd. Kudden verwilderde paarden en runderen zwerven in de zuidelijke vlakten om. Van belang is de vangst van schildpadden. Aan diamanten is do bodem rijk; ijzer en kooi zijn ook voorhanden. In de laatste jaren gaat Brazilië vooruit; maar de nijverheid beteekent nog weinig; de handel bepaalt zich grootendeels tot do kusten; de wogen zijn nog menigmaal onveilig, en het muildier is in 't binnenland bijna het oenigo middel van vervoer. In den laatster), tijd wordt do Amazononstroom ook door stoom-booten bevaren. — Vergelijk het Amazonen- mot hot Mississippigobied.

De voornaamste plaatsen zijn: Por nam bu co of Fernambuco (190 000 inw.), derde handelsstad, uitvoer van verfhout; Bahïa (80000 inw.), uitvoer van tabak, tweede handelsstad, aan de groote en veilige Allerheiligenbaai; do hoofdstad R i o Janeiro (500 000 inw.), de grootste en eerste handelsstad, aan eene aan alle zijden beschutte baai; uitvoer van koffie en diamanthandel;

-ocr page 220-

208

Rio Grande do Sul of San Pedro, uitvoerplaats van huiden en vleesch. Jn 't binnenland Diamantina (diamanten).

§ 223. Guyana is grootendeels met wouden bedekt, vooral in'tZ., waar volgens de label „El Doradoquot; de Goudkoning) leeft. Engeland bezit de westelijke helft, terwijl de oostelijke aan Nederland en Frankrijk behoort. Aan de kust en langs den oever der rivieren zijn door Engelschen, Nederlanders en Franschen suiker-, koffie-, katoen-, cacao- en tabaksplantages aangelegd. De bevolking bestaat uit Europeanen en hunne afstammelingen. Indianen, Negers, Kleurlingen, Chineesche en Indische koelies. De lage en vaak moerassige kuststreken zijn met mangrove-bosschen bedekt. Verder binnenwaarts wordt de bodem hooger; het Z. is een bergland. De alluviale kuststreek is zeer vruchtbaar; zand- en schulpritsen, evenwijdig met de kust loopende, wijzen de plaatsen van voormalige stranden aan. In de groote bosschen vindt men op vele plaatsen moerassen, die in den drogen tijd uitdrogen. Langs de kust liggen groote modder- en zandbanken. Hoofdplaats van 't Engelsche gedeelte is Georgetown; van 't Nederlandsche gedeelte (Suriname) is 't Paramaribo aan de Suriname; van 't Fransche deel Cayenne, een berucht verbanningsoord. Gayenne-peper. — In de laatste jaren wordt uit Guyana goud uitgevoerd. Jammer maar, dat, voorzoover Nederlandsch Guyana betreft, de zich steeds uitbreidende exploitatie der goudvelden meer in handen is van Amerikanen, Franschen, Engelschen, Duitschers en Portugeezen, dan van Nederlanders. Tot heden is er voor ruim 10 mill, gulden goud uit Suriname uitgevoerd. Hot klimaat in do Nederlandsche kolonie Suriname is volstrekt niet zoo ongezond als dikwijls wordt beweerd. Het aantal cacao-plantages neemt gedurende de laatste jaren sterk toe. De slaven zijn na de afschaffing der slavernij door Chineesche en Indische koelies vervangen. Suriname wordt bestuurd door een'Gouverneur, bijgestaan wordt door een' Raad van Bestuur. Het Surinaamsche volk wordt vertegenwoordigd door de Koloniale Staten, welke gekozen worden door do schatplichtige ingezetenen, die 25 jaar oud zijn en minstens 40 gulden directe belasting betalen. Op de 200 kiezers wordt één lid gekozen. De Gouverneur en de Koloniale Staten hebben de wetgevende, de Gouverneur heeft de uitvoerende macht. Door de wetgevende macht in Nederland kunnen ook wetten voor de Kolonie worden gemaakt. Geene wet of koloniale verordening is voor de Kolonie van kracht, die niet door den Koning (de Koningin) van Nederland is goedgekeurd.

§ 224. Do Falklandscilanden zijn door de Engelschen bezet, om er een station te hebben voor de walvisschen- en robben jagers en voor schepen, die den weg om kaap Hoorn volgen.

§ 225. 0»i da Zuidpdèl schijnt zich een land uit te strekken, waarop zich hooge bergen verheffen. De daarvoor liggende eilanden, als de Zuid-Shetland-eilanden, de Zuid-Orkaden en Zuid-Georgië, zijn de woonplaatsen van tallooze scharen pinguïns, walrussen en zeehonden.

/ 0 ___

f

/ '

/? /v

-ocr page 221-

v. a u s t r a l 1 k en p o i. y s 1 ë.

(Austmliö mot do grootc eilanden: 8.8 KM2, 100 0(10 CJM2; i . ....

/li • ... .I mill, inwoners).

(Polynesie: 175000 KM2, 3200 CJM2; I

A. ALGEMEEN OVEIIZICirr.

§ 22G. Oren zen, Beslanddeelen, Liyging. Australië beteekent Zuidland en heelt zijn' naam te danken aan de in de 1G* oetiw bij do Europeesche zeevaarders heerschende meening, dat de op het zuidelijke halfrond ontdekte eilanden deelon zouden zijn van één groot vastland, „terra auatralisquot;, 'twelk men zich rondom de zuidpool dacht. In 't N. strekt zich het gebied, dat mot don naam Australië en Polynesië wordt bestempeld, uit tot den noorder keerkring (Sandwich-eilanden), in 't Z. tot 50° ZB. (Maequarie-eilanden), in 't W. tot 130° OL. van F. (westkust van 't vastland Australië); in 't O. tot 91° WL. van F. (Paascheiland). Nog oostelijker ligt het onbewoonde Sala y Gomez. Het vijfde werelddeel bestaat uit een vastland, tegenwoordig Australië geheeten (do naam Nieuw-Holland is in onbruik geraakt); drie grooteeilanden: Nieuw-Guinea, Tasmanië en het dubbeleiland Nieuw-Z oei and; verder eene menigte kleinere eilanden en eilandengroepen, die wel onder de namen Australische eilanden wereld, Oceanië of Polynesië worden samengevat.

De afgezonderde ligging in don grootsten der oceanen en de groote ver-splintoriug werkten natuurlijk zeer ongunstig op de ontwikkeling der inboorlingen, terwijl ook de late ontdekking daaraan moet worden toegeschreven. Australië toch is hot laatst van alle werelddeelon ontdekt; slechts de poolgewesten zijn nog later aan hot licht gekomen. Hoewel de stoombootvaart tegenwoordig de afstanden verbazend doet inkrimpen, duurt eene reis van Marseille naar Sydney over Sues toch nog altijd 46 dagen. In 78 dagen kan men de reis per zeilscliip van Liverpool naar Melbourne maken om kaap de Goede Hoop. Van groot belang voor de rechtstrecksche stoombootverbinding van West-Europa met Australië zal het kanaal door do landengte van Panama kunnen worden.

14

-ocr page 222-

210

U. HET VASTLAND AUSTRALIË EN DE GllOOTE Hl LA ND EN.

(7.7 mill. KM2, 140000 GM1.)

§ 227. Natuurlijke gesteldheid en klimaat van Australië. Bij de afgezonderde ligging komen voor Australië nog meer ongunstige omstandigheden. De omtrek van 't vastland toch is zeer weinig ingesneden; groote golven heeft het slechts twee: de Carpentaria-golf in 't N. en de Australische bocht in 't Z. 't Noordelijkste punt is kaap York op 11° ZB. Van daar tot kaap Sandy is de woudrijke kust van goede havens voorzien , die echter zeer moeilijk te genaken zijn, omdat zich hier inde Koraalzee eene rij van koraalriffen ongeveer evenwijdig met de kust uitstrekt (Groot Barrière rif), üe riffen zetten zich westwaarts in de Torres straat voort, die Nieuw-Gkiinea van Australië scheidt.

Bij kaap Sandy gaat do meestal steile, havenrijke kust eerst zuidelijk en vervolgens zuidwestelijk, om bij kaap tlowe eene nog meer westelijke richting aan te nemen tot kaap Wilson. Aan de Bass straat vinden we de ruime Port Philip. Tusschen kaap Otway en kaap Leeuwin is de zuidkust, mot uitzondering van do St-Vincent- en de Spencer-golf, arm aan havens, 't Zuidelijke deel der westkust heeft nogal eenigo havens; verder noordelijk echter is zij vlak en zandig. In 't NW. is de kust rijk aan inhammen en havens, maar te gelijk ook aan klippen.

De berglanden liggen hoofdzakelijk langs de kusten en vormen geen samenhangend geheel, maar zijn door gedeelten van het centrale vlakland, die zich daartusschen uitstrekken, in groepen verdeeld. Meestal zijn 't hoogvlakten, waarop zich bergketenen verheffen. Ze zijn vaak bedekt met niet zeer dichte wouden, zonder kreupelgewas, terwijl de grond onder de boomen mei gras is begroeid, wat zeer voordeelig is voor de uitoefening der veeteelt. De rivierdalen in de gebergten zijn meestal vruchtbaar. De hoogste gebergten zijn in 't ZO.: de Australische Alpen, de Blauwe bergen en de Liverpool-bergen. De hoogste toppen gaan niet veel boven 2000 meter. Het bouwland is in Australië ongeveer verspreid als de oasen in eene woestijn; bijna nergens vindt men groote uitgestrektheden, die voor den landbouw geschikt zijn.

Het binnenland is slechts ten deele bekend. De ontdekkingsreizen, die ondernomen zijn of nog worden om nieuwe weidelanden te vinden of met een zuiver wetenschappelijk doel, gaan met groote moeilijkheden gepaard.

Het binnenland bestaat grootendeels uit woestenijen. Wel trekt het sterk verhitte binnenland dos zomers (dus in onzen winter) lucht tot zich van alle zijden en van den Omringenden oceaan, maar de toestroomende lucht, zoowel als de zuidoostpassaat, geven hare dampen bijna geheel af aan den buitenkant dor randgebergten; de overblijvende worden boven het binnenland zoo sterk verhit, dat de kans op regen hier slechts zeer gering is. Daardoor komt het, dat het binnenland geene afstrooming naar zee heeft, zoodat do bodem op sommige plaatsen veel zouten bevat. Een hoofdkaraktertrek van Australiës klimaat is onbestendigheid. Bronnen ontbreken in 't binnenland geheel. De bodem wordt bij langdurige droogte steenhard, en valt er soms regen, dan

-ocr page 223-

211

zijn 't meestal plasregens, die den harden grond spoedig in een moeras veranderen. Vandaar 't verschijnsel, dat de eene reiziger moerassen of stroomende watertjes vond op plaatsen, die door een ander als droog waren beschreven. Voor landbouw zijn de meeste streken geheel ongeschikt; hoogstens langs de rivieren kan veeteelt en op enkele plaatsen landbouw worden uitgeoefend. Zelfs de inboorlingen, die op zeer lagen trap staan en zich met weinig vergenoegen, kunnen op verscheiden plaatsen in deze vlakten niet leven. Daarbij komt nog, dat de rivieren, die van de randgebergten afkomen en door de laagvlakte stroomen, zeer onvolkomen ontwikkeld zijn. Bij het geringe aantal bronnen moeten ze haar water hoofdzakelijk ontvangen van de regenbuien, zoodat ze dan ook alleen, nadat er regen is gevallen, rivieren kunnen heeten. Na langdurige droogte blijven er alleen eenige plassen over; soms zelfs wijst eene laagte de plaats aan, waar de rivier stroomde. Niet zelden verspreidt zich het water op zeer vlakke plaatsen over eene grootere oppervlakte en vormt een meer, dat, wijl de bodem veel zout bevat en er geene afstrooming naar zee bestaat, meestal ziltig water heeft. Zoo het Torrens-, hot Eyre-, het Gairdner, het Amadeus-meer. De rivieren in Australië kunnen nooit worden, wat ze elders zijn; verkeerswegen en banen, langs welke de ontwikkeling haar pad kiest. Zelfs de Murray en de Murrumbidgi, die in hun' loop door hot laagland altijd en overal water bevatten, zijn voor de scheepvaart toch nog maar van geringe beteeken ia. Op verkeerswegen te water zal Australië alzoo nimme'- linnen rekenen; de natuur dwingt het tot het gebruiken van gemeenschapsu.iddelen te land, en zonder twijfel zullen de spoorwegen daarom voor dit land van groote beteekenis worden.

§ 228. Planten en D-ieren. De flora van Australië is over 't geheel vrij eentonig. De steppen en woestijnen zijn of plantenloos of met een ondoordringbaar struikgewas (scrub) of mot stekelige grassen bedekt. In de weiden staan enkele boomen of boomgroepen verspreid, zoodat men dan ook spreekt van Australische woud-savanen. Zelfs in de bosschen staan de boomen vaak verspreid, behalve langs de rivieren, waar accasia's en eucalypten soms ondoordringbare wouden vormen. De boomen hebben meestal naaldvormige, leerachtige bladen en geven weinig schaduw. In 'tN. vinden we palmen en pandanen, maar toch vertoonen de wouden nergens het volle, welige karakter van westelijk Insulinde en Zuid-Azië. De oorspronkelijke flora bevatte weinig nuttige planten; sedert de komst der Europeanen evenwel zijn onze koren-en ooftsoorten er met goed gevolg aangekweekt. In Queensland worden katoen en suikerriet verbouwd.

Ook de dierenwereld heeft veel eigenaardigs. Buideldieren, waaronder vooral de kengoeroe, zijn er talrijk. liet vogelbekdier is algemeen bekend. Onder de vogels merken we den casuarisachtigen emoe op. Groote roofdieren komen niet voor; de dingo, de Australische hond, wordt soms lastig voor do groote schapen kudden. Uerkau wende dieren, die wij als huisdieren gebruiken, ontbraken bij de komst der Europeanen bijna geheel; toen ze werden ingevoerd, bleek het, dat ze er heel goed tierden. Tegenwoordig wijken, althans in de kuststreken, do fauna zoowel als do flora sterk af van de oorspronkelijke, iets wat wo ook in Europa opmerken; maar do verandering is ginds voel sneller geschied dan hier. Veeteelt is nu in Australië eene der voornaamste

14*

-ocr page 224-

212

bezigheden, terwijl de uitvoer van wol en vleesch voortdurend toeneemt. In de laatste jaren is ook de kameel ingevoerd, die goede diensten kan bewijzen bij het reizen door de woestijnen der binnenlanden.

-ocr page 225-

218

lingon van Australië is in sterlie mate afhankelijk van het voedsel, dat zij kunnen krijgen. Langs de kusten en aan de rivieren, waar meer voedsel is dan in de droge binnenlanden, zijn de Australiërs grooter en krachtiger gebouwd; maar over 't geheel bereiken zij de gemiddelde grootte dor blanken niet. De ledematen zijn zeer mager, doch de buik hooft, ton gevolge van het slechte on niet goed verdeelde voedsel, een grooten omvang. Do huid is meestal koffiebruin, zelden zwart. Het voedsel van de inboorlingen bestaat in de binnenlanden uit alles wat maar eetbaar is in den ruimsten zin. Hunne woningen zijn holen, holle boomstammen of zeer eenvoudige hutton van boomschors. Waarschijnlijk zouden de Australiërs niet zoo laag ontwikkeld zijn gebleven, als zij het geluk hadden gehad te leven in een land, dat hun eenige nuttige planten, meer wild en enkele huisdieren kon aanbieden. De inboorlingen tier kuststreken voeden zich dan ook beter en maken betere woningen. liet aantal Australiërs noemt steeds af; de tot hetzelfde ras behoorendo Tasmaniërs zijn reeds uitgestorven.

Hot aantal Europeanen, meest van Engelschen oorsprong, neemt belangrijk toe. Eerst werden, in 't laatst der vorige eeuw, sommige deelen van Australië door Engeland als strafkolonie gebruikt. Later volgden ook vrijwillige kolonisten; maar de stroom vloeide slechts langzaam, en de groote afstand van het moederland bracht de koloniën soms in groote moeilijkheden. In't midden dozer eeuw werd er goud ontdekt, en deze gebeurtenis lokte duizenden van wijd en zijd aan. Men hield op godoporteerden te zenden, en de koloniën wiesen snel. De Engelschen vormen hot hoofdbestanddeel der bevolking; vorder vindt men or Chineezen, die zich meest met mijnontginning bezig houden,

§ 230. Staatkundige toestand r.n Bezigheden. Australië en Tasmanië bestaan uit de G van elkander onafhankelijke koloniën, die aan Engeland behooren : Nieuw-Zuid-Wales , Victoria, Zuid-Australië, West-Australië, Queensland en Tasmanië. Het bestuur is in alle op dezelfde leest geschoeid.

Een gouverneur, door de Engelsche kroon benoemd, kiest een wetgevenden raad, terwijl de wetgevende vergadering door 't volk wordt gekozen. Alleen wanneer de in de koloniën gegeven wetten met de in Engeland bestaande mochten strijden, beperkt het moederland het recht van zelfregeering.

De Australische kolonisten leven voor 't grootste deel verspreid op het land: een gevolg daarvan is, dat veeteelt do hoofdbezigheid is; landbouw kan om vroeger opgegeven redenen slechts hier en daar worden uitgeoefend. Alleen in Zuid-Australië kan do landbouw eeno hoofdbezigheid worden genoemd. Grootero plaatsen zijn ontstaan in de mijndistricten en door den handel. Onder de ingevoerde dieren is het schaap van 't grootste belang; het hoeft Australië tot het eerste wolland dor aarde gemaakt. Ook het rundvee, do paarden en de varkens gedijen or goed; de uitvoer van vleesch in bussen neemt echter in do laatste jaren niet toe. Het goud, waaraan Australië zijne snelle opkomst te danken heeft, is nog tegenwoordig een belangrijk artikel van uitvoer, vooral in Victoria en verder in Queensland, Nieuw-Zuid-Wales, Zuid-Australië en Tasmanië. Van 1850 tot 1860 voerde Victoria jaarlijks gemiddeld voor 10.0 millioen pond sterling goud uit; sedert is de opbrengst echter afgenomen, zoodat de uitvoer in 1877 ruim 4.4, in 1882 nog bijna 3.7 millioen pond sterling beliep. Sedert de

-ocr page 226-

214

ontdekking der goudvelden tot het einde van 1883 beliep de waarde van het goud, dat alleen uit Victoria ongemunt werd uitgevoerd en in die kolonie word gemunt, de kolossale som van 20.57 mill, pond sterling. De goudproductie van geheel Australië (Nieuw-Zeeland en ïastnanië meegerekend) mag voor 1851—einde 1882 opruim 30 inillioen worden gerakend. Aankoper zijn Australië, N.-Z.-Wales en Queensland rijk. N.-Z.-Wales en Queensland hebben groote kolenvelden. Dal mijnontginning in Australië eene belangrijke bezigheid is, spreekt dus vanzelf. De nijverheid heeft zich snel ontwikkeld, maar is nog in hare kindsheid. De handel bloeit en concentreert zich hoofdzakelijk in Sydney, Melbourne, Adelaide en Geelong. In korten tijd is voor den handel zeer veel gedaan, vooral door 't aanleggen van spoorwegen en het spannen van telegraaflijnen. Tusschen 't Z. en ZO. van Australië en 't NW. (Pahuerston aan Port Darwin) bestaat telegrafische gemeenschap. Door een onderzeeschen kabel is Palmerston verbonden met Koepang op Timor en verder met Banjoewangi, waar hij aan het Javaansche telegraaflijnen net aansluit.

§ 231. Plaatsbeschrijving. In Nieuw-Zuid-Wales: Sydney (370000 inw.) aan Port Jackson, de belangrijkste handelsplaats met een geheel Europeesch voorkomen. Noordelijker New-Castle in een steenkolengebied.

Victoria is de dichtstbevolkte kolonie. Melbourne, waar in 1835 de eerste tenten werden opgeslagen, heeft reeds 440000 inw. en voert veel goud, wol, talk, vleesch en wijn uit. Geelong ligt aau Port Philip en is door een' spoorweg met Melbourne verbonden. Noordelijk liggen Sandhurst en Ballarat, middelpunten voor het gouddel ven.

In Zuid-Australië; Adelaide (120000 inw.), uitvoer van koperertsen.

West-Australië is nog slechts voor een klein gedeelte bewoond eh ontgonnen. Perth aan de Zwanenrivier.

Op de kusten van Noord-Australië, dat met Alexandra-land voorloopig onder het bestuur van Zuid-Australië staat, wordt tripang gevischt.

In Queensland, dat zich snel ontwikkelt, sedert men de gevaren van de koraalriilen langs de kust heeft leeren vermijden, de stad Brisbane. Hoofdproducten zijn suiker en katoen, naast metalen. De goudvelden in 't N. lokken niet alleen blanken, maar ook groote scharen Chineezen.

Tasmanië, dat vóór 1854, toen het eene strafkolonie was, den naam Van-Diemensland droeg, is vruchtbaar en heeft goede havens. Behalve de producten van den landbouw en de veeteelt levert het tin. De hoofdstad Hobarttown of Hobart wordt dikwijls door walvischvaarders bezocht.

§ 232. Nimio- Quima is in het binnenland nog maar weinig bekend. De lage, meest moerassige kusten waren op sommige plaatsen groote hinderpalen voor de reizigers, wijl de schadelijke uitdampingen koortsen veroo-zaken. In de laatste jaren is er evenwel veel gedaan voor de ontdekking van dit grootste eiland der aarde (790000 KM2 of 14 300 GM2). De plantengroei is zeer weelderig. In 't O. verheft zich het hooge O wen-Sta n ley-Gebergte. De Nederlanders bezitten de westelijke helft des eilands, de Engelschen het zuidoostelijke, de Duitschers het noordoostelijke doel, het zoogenaamde Keizer-Wilhelmsland.

Nieuw-Zealand bestaat uit een Noord- en een Zuid-eiland, door de Cook's-

-ocr page 227-

215

straat gesehoidoii. De eilanden zijn bergachtig, vruchtbaar, waterrijk en gezond. Vooral het Noord-eiland is zeer vulkanisch. De voornaamste voortbrengselen zijn tegenwoordig Nieuwzeelandsch vlas, tarwe, gerst, wijn, hoppe en dennehout. De veeteelt houdt zich vooral niet schapen en varkens bezig. Het delfstoiïenrijk levert goud en enkele andere metalen. De Maori's (de inboorlingen) sterven langzamerhand uit; toch zijn ze niet ontbloot van goeden aanleg. Enkelen van hen hebben zitting in het Parlement. Nieuw-Zeeland is eene Engelsche bezitting.

C. POLYNESIE OF OCEANIÊ.

§ 233. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Klimaat. Polynesië of Oceanië ligt tusschen de keerkringen. Naar de ligging onderscheidt men wel, trouwens vrij willekeurig, eene Binnen- en eeue Buitenrij. Beter gemotiveerd en op verschil in voorkomen zoowel als in oorsprong berustende, is eene verdeeling in hooge en lage eilanden. De eerste zijn meest van vulkanischen oorsprong, de tweede zijn door koraaldieren opgebouwd. (Parasietische eilanden. Zie § 237.)

De eilanden liggen haast alle in de heete zone, maar de hitte wordt door den oceaan getemperd, zoodat vele eilanden een eeuwigdurenden zomer hebben. Daar ze in do droge passaatzone liggen, hebben vele lage eilanden, die geen bergen bezitten, waartegen de dampen zich kunnen verdichten, van droogte te lijden. Geen enkele berg verheft zich tot boven de sneeuwgrens; de hooge toppen van Hawaii zijn evenwel een groot deel des jaars met sneeuw bedekt (Manna Kea = witte berg).

§ 234. Planten en Dieren. Over 't geheel neemt naar het O. het aantal plantensoorten af. De westelijkste eilanden' hebben vele soorten gemeen met het vastland Australië. Op vele kleine eilanden leveren tie kokospalm en do broodboom hot hoofdvoedsel; bovendien worden yamswortels en bataten veel gebruikt. De Sandwich eilanden leveren eene aanzienlijke hoeveelheid suikerriet.

Evenals bij de planten het geval is, neemt ook bij de dierenwereld van hot \V. naar het O. het aantal soorten af. Vele Europeesche dieren, vooral paarden en runderen, zijn op de meeste eilanden ingevoerd. Op vele eilanden is de vischvangst eene hoofdbron van bestaan.

§ 235. Bevolking, Verdeeling. De bewoners van de westelijke eilanden behooren tot het Papoesche of Melanesische ras; ze zijn donker van kleur; daarom worden Nieuw-Guinoa en de kleinere door Papoea's bewoonde eilanden wol samengevat onder den naam van Melanesië (= het door Zwarten bewoonde eilandengebied). De Melanesische eilanden zijn: de Bismarck-Archipel (Duitsch), de Salomonseilanden, de Nieuwe Hebriden en Nieuw-Caledonië. Het laatste is een Fransch verbanningsoord.

De eilandengroepen, welker Papoeaansche bevolking zich meer of minder met de oostwaarts wonende Polynesiërs heeft vermengd, waarvan zij de

-ocr page 228-

210

beschaving overnamen, noemt men gezamenlijk Micronesië. Daartoe behooren o. a. de Fidsji eilanden (Engelsch), de Marianen of Ladronen en de Carolinen (beide Spaansch).

Do Polynesiërs (= bewoners der vele eilanden) vormen de oostelijke afdeeling van hot Maleische ras. Het voorkomen der verselüllendo stammen is zeer uiteenloopend. Toch bewijzen vele dingen hunne gemeenschappelijke

Taboe beteekent merk, teeke-?, en beduidt, „taboequot; is, moet worden beschouwd als door de geesten in bezit genomen en bewaakt en niet mag worden ontheiligd door aanraking met iets, dat niet taboe is. Do vorsten, do priesters en de adel, dio het recht hadden alles wat hun goeddocht „taboequot; te verklaren, maakten daarvan dikwijls gebruik. Overal treft men het gebruik van hot tatoeëeren aan. Verder vindt men bij vele stammen het kauibalismus. Hunne booten zijn doorgaans zeer lang en smal, daar ze uit een' boomstam zijn gemaakt, en inweerwil van de eenvoudige werktuigen, die hun ton dienste stonden, ontmoet men menigmaal wezenlijk sierlijk werk. Maar de Polynesiërs en de Micronesiërs zijn dooide natuur schraal bedeeld; nuttige planten en dieren bezaten zij op hunne afgelegene woonplaatsen slechts weinig. Dat ze voor ontwikkeling geschikt zijn, bewijzen vooral de Maori's, de

bewoners van Nieuw-Zeeland. Sedert een vijftigtal jaren zijn de toestanden in den Groeten oceaan evenwel veel veranderd. De cachelot of potvisch, zoo gezocht om zijne tanden, de spermaceti, den amber en den traan, en later de guano of vogelmest op vele eenzame eilanden, lokten Eugolschen, Franschen en Noordamerikanen naar dezen afgelegen hoek der aarde. Op de walvischvaarders en guano-handelaars volgden de zendelingen, die op vele eilanden bereidwillige hoorders vonden. Maar met Europeosche beschaving en godsdienst kwamen ook do nadeelen van de plotseling veranderde toestanden. Bedwelmende dranken, Europeosche hebzucht, ontevredenheid en moedeloosheid der inboorlingen tegenover eene ontwikkeling, die zooveel van de hunne verschilde, — deze en andere oorzaken doen de Polynesiërs en de Micronesiërs in aantal afnemen. De voornaamste Polynesische eilandengroepen zijn de Vriendschaps-, do Samoa-

afkomst, o. a. het taboe, dat het voorwerp, hetwelk

-ocr page 229-

217

-ocr page 230-

218

De Cre7-olsehapseilanden stonden onder Fransch protectoraat, tot ze in 1880 aan Frankrijk overgingen. Door hunne ligging schijnen ze bestemd om een belangrijk handelsstation te worden tusschen Zuid-Amerika en de Australische koloniën. Het grootste dezer eilanden, Tahiti of Otaheite, is een van de schoonste eilanden der aarde.

De Viti- of Fidsj i-ei landen zijn om hunne ligging tusschen Sydney en de Sandwich-eilanden zoowel als om hun vruchtbaren bodem van belang. Katoen wordt er met goed gevolg aangekweekt. De inboorlingen zijn de meest ontwikkelden van het Papoesche ras. Zij bouwen schepen van zelfs 118 voet lengte en versieren ze met hunne primitieve werktuigen rijkelijk niet snijwerk. Sedert 1874 behooren de Fidsji-eilanden aan Engeland.

Sedert 1853 is Nieuw-Caledonië eene Fransche strafkolonie.

-ocr page 231-

VII. AL (1 K M K E N 10 A AR 1) \\ IJ K S K IJ iN IJ E

A. HET LAND.

§ 23C. Dn krachten, die de aardoppervlakte hebben gevormd. Volgens eene tegenwoordig vrij algemeen aangenomen hypothese moet de aarde worden beschouwd als een nevelbol te zijn geweest, die door voortdurende uitstraling van warmte in een gloeiend vloeibaar lichaam is overgegaan; van dit laatste is de buitenste korst eindelijk door warmteverlies vast geworden. Bij voortgaande uitstraling moet de kern nog voortgaan met af te koelen. Hierdoor wordt hij kleiner en de omhullende aardkorst werd te ruim. Nu ontstond, evenals bij de schil van een uitdrogenden appel een zijdelingsche druk der aardkorst-deelen, die zich bij den appel moest uiten in een samenschrompelen der schil en bij de aardkorst door plooiingen, verzakkingen en opschuivingen. De uitstulpingen en opschuivingen werden de hoogten, de instul-pingen en verzakkingen de laagten op de aardoppervlakte. Waar groote deelen der aardkorst in do diepte zijn verzonken, verzamelde zich het water tot oceanen en zeeën. Waar hooge deelen bleven staan, zijn hooglanden. Waar een terrein is gevouwen, is een ketengebergte met bergketenen en dalen ontstaan. Waar een deel van een hoogland verzakte, zoodat nog slechts gedeelten bleven staan, zijn de hellingen, waarlangs de verzakking vaak trapsgewijze, plaats had, meestal vrij steil. Men noemt de pilaren, die zijn blijven staan, in zulk een geval horsten. Zoo is het hoogland weggezakt, waar nu de Bovenrijnsche laagvlakte is; Vogezen en Zwartewoud zijn de horsten ter wederzijde.

Waar verglijding heeft plaats gehad, was de gelegenheid voor de gloeiend vloeibare stoffen (lava) uit het binnenste der aarde, om door de spankracht der oververhitte dampen naar buiten te worden geperst, het best aanwezig. De gesteenten, die op deze wijze langs scheuren en spleten naar boven zijn gedrongen, zijn van vulkanischen oorsprong. Voor een deel zijn ze in kegelvorm opgehoopt (vulkanen), voor een ander deel hebben ze zich op de aardoppervlakte uitgebreid als lavavlakten (Abessynisch hoogland). De meeste vulkanen en vulkanische gesteenten vindt men langs den rand van oceanen en zeeën of van oude, nu reeds weder, tengevolge van voortgezette verschuivingen en vouwingen in do aardkorst, in land veranderde zeeën. (Verspreiding van de vulkanen op aarde.) Men onderscheidt nog werkzame en rustende, ook uitgedoofde vulkanen.

-ocr page 232-

220

De zoo door vouwiugen en verschuivingen en door vulkanische werkingen gevormde aardoppervlakte werd door do werkingen van lucht on water verder gemodelleerd.

Afwisselende temporatuur, vooral wanneer deze dikwijls afwisselt om en bij hot vriespunt van water, heeft oen grooten invloed gehad. In spleten binnengedrongen water zet zich bij bevriezing uit en doet do hardste rotsen verder splijten. Wanneer do spleten elkander kruisen, verbrokkelt hot gesteente. Do zuurstof en het koolzuur van hot water werken daarbij chemisch op do rotsen, doon zo verweeren, maken zo ruw van oppervlakte en geven zoowol hot water als do plantenwortels gelegenheid om binnen te dringen on hot vernielingswerk voort to zetten. Afstroomond regen- on smeltwater voeren do verbrokkelde en verweerde rotsdceltjos omlaag en de rivieren sleopen of rollen ze vorder mede of houden do lij nero doelen zwevend in den stroom. Het water en do daardoor meegevoerde vaste stoffen schuren langs de steenbrokken, die van de berghellingen in den stroom zijn gevallen en slijpen niet alleen de stroombedding, maar ook deeltjes van do rotsblokken af. Do grovere doelen (keien, daarna grind) bezinken op daarvoor geschikte plokken het eerst; de fijnere doelen (zand, klei) worden vorder stroomaf, ja tot in zee gevoerd, waar ze de grondstof leveren voor de landtongen (nehrungen, lidi), die voor de haffen of lagunen liggen, alsmede voor do delta's.

Niet alleen stroomend water (rivieren en afvloeiend regen-en smeltwater), maar ook stroomende lucht (wind) heeft tot do vervorming der aardoppervlakte bijgedragen. Men denko slechts aan do duinen en de zandstuivingen en aan het (löss Limburgsche klei),

Nergens op aarde vertoont zich de oppervlakte, zoo als zij door de vouwingen en verglijdingen (dislocaties) werd gevormd. Overal hebben lucht, water en plantengroei hun' invloed doen gelden, om niet eens te sproken van den invloed dien de dieren (b.v. in oude en jongere koraalriffen) en de mensch op dio oppervlakte hebben gehad. Menigmaal zijn zelfs die invloeden zoo krachtig geweest, dat vlakten zijn gevormd, waar de dislocaties een berglandschap hadden gevormd, of ook omgekeerd do uitslijpende werking van het water een hoogvlakte-terrein (b.v. Abessynië) in een berglandschap heeft herschapen.

§ 237. Eilanden. Het land op aarde (1/,4 der oppervlakte) vertoont zich als vastland, maar ook als eilanden. Men kan de eilanden in drie groepen onderscheiden. Vooreerst die, welke door positieve nivoauverandering (d.i. eene verschuiving van de kustlijn ton koste van het land) of door golfslag, moest door beide gezamenlijk, van doelen eens vastlands tot eilanden geworden zijn, afgescheiden leden dus als 't ware van het vastland. Zulke eilanden zijn de eilandenguirlandos langs Azië's oostkust, de Oostindische Archipel, Nieuw-Guinea, Nieuw-Caledoniö, Nieuw-Zeoland, Groot-Britannië en Ierland, Sardinië, Corsica, Sicilië, de Amerikaanscho Pool-Archipel, Madagaskar, Ceylon, Tasmanië, do eilanden langs de fjordenkust van Skan-dinavië, die bij Klein-Azië's westkust, die bij de Dalmatische kust, die van de Egeescho zee.

In de tweede plaats eilanden, die op een bestaanden bodem öf door vul-

-ocr page 233-

221

kanische werking (b.v. Goenoeng Api in den Indischon Archipel), óf door koraaldieren zijn opgebouwd. Beide soorten te zamen noemt men parasietische eilanden. De koraaleilanden komen alleen in de zeeën der heete zone voor.

In de derde plaats onderscheiden wij de aansiibbingseilandeu, die uitsluitend in de nabijheid der kust liggen.

Slechts ongeveer 7.5 0/0 van al het land op aarde zijn eilanden.

Meestal behooren dichtbij de kust gelegen eilanden staatkundig aan den naast bijgelegen staat. Grootere eilanden of eilandengroepen vormen dikwijls oen zelfstandigen staat; die in de tropische gewesten zijn meestal plantagekoloniën van Europeesche staten geworden. Voorbeelden van een en ander? — Menigmaal houden ten gevolge van don staat van afzondering oude gebruiken en kleederdrachten zich, vooral op kleine eilanden, langer staande dan op 't vastland. Voorbeelden.

§ 238. Invloed van de bodemgesteldheid op de bevolking. De vertikale geleding der landen is van zeer grooten invloed op de ontwikkeling der volken. Groote hoogvlakten en hooge bergketenen werkten nadeelig op het verkeer en de ontwikkeling. Vergelijk te dezen opzichte het massieve hoogland van Achter-Azië en zijne hooge randgebergten met het veel fijner gelede Middel-Europa. Langs de laagvlakten en de dalen beweegt zich het vriendschappelijke zoowel als het vijandelijke verkeer; daar zijn zoowel de voornaamste handelswegen als de heirbanen voor do legers, de handelssteden zoowel als de slagvelden. (Voorbeelden!) 't Verkeer vermijdt evenals het stroomende water de hoogten. Daarmede en met de grootere moeilijkheden, die de gebergten den landbouw en de uitoefening van zoo menigerlei bedrijf in den weg stellen door geringere vruchtbaarheid en de grootere oneffenheid des bodems, alsmede de lagere temperatuur, staan in verband de minder dichte bevolking der bergstreken en de mindere ontwikkeling van vele bergbewoners. Vergelijk b. v. de laagvlakten van Hoang-Ho en Jang-tse-Kiang, Euphraat en Tigris, Nijl, waar reeds vroeg eene dichte bevolking woonde en aanzienlijke beschaving bestond, met de hooglanden van Achter-Azië; vergelijk ook de Alpen met do Povlakte, de Leisteen-gebergten aan den Rijn met het Rijndal. Waar evenwel do laagvlakten moerassig zijn, kan slechts eene schrale bevolking worden verwacht. Berglanden werden dikwijls de toevluchtsplaatsen van verjaagde stammen; de Kelten in de Sehotsche Hooglanden, Wales, West-Ierland en Bregtagne; de Basken in de Pyreneeën. Waar bergengten toegang geven tot een ander land, zijn vaak vestingen gesticht: Belfort, Kufstein, Künigstein. Waarom? Waar dalen op eene vlakte uitmonden (aan den westvoet van het Zwarte woud in de Bovenrijnsche laagvlakte, aan den voet van den Harz, en waar de Alpendalen op de Zwitsersche hoogvlakte uitloopen b. v.), ontluikt ten gevolge van het oponthoud , veroorzaakt door het omladen van vrachten etc. doorgaans een levendig verkeer, ten gevolge waarvan daar dikwijls plaatsen ontstaan. Aan den voet van sommige gebergten, vooral als daar tevens vulkanische werkingen hebben plaats gehad, liggen badplaatsen, zooals bij don Taunus (Wiesbaden , Homburg, Ems etc.), het Ertsgebergte (Teplitz, Karlsbad).

Zelfs een betrekkelijk gering verschil in hoogte kan, wanneer verschil in vorming daarmede gepaard gaat, vrij groote gevolgen hebben. Denken we

-ocr page 234-

222

slechts aan de bewoners van het lage alluviale en die van het hoogero diluviale Nederland. Verschil in hoogte wordt vaak veroorzaakt door verschil in geologische vorming. Deze heeft verschil iu bestanddeelen van den bodem ten gevolge. En wat de bodem aanbiedt of wat hij den bewoner onthoudt, heeft een machtigen invloed op de bevolking. Zoo deed de formatie van ZO.-Australië goud verwachten. De uitkomst beschaamde die verwachting niet, en 't goud werd de hoofdoorzaak van den snellen hloei des nieuwen werelddeels. Goud, zilver en petroleum hebben in Amerika eene dichte bevolking gelokt naar eenzame streken, en steden te voorschijn geroepen, waar jagende Indianen de eenige quot;bewoners waren. De omstreken van het Hoheemache Ertsgebergte danken hare dichte en nijvere bevolking alleen aan den inineralenrijkdom. Zoo kunnen zelfs bergstreken, ofschoon ze over 't geheel minder rijk aan groote steden zijn dan de laagvlakten, toch bij groot en rijkdom aan mineralen eene menigte industrie- en mijnplaatsen in 't leven roepen, 't Zal den lezer gemakkelijk vallen, meer voorbeelden te vinden. Maar ook wat de bodem den mensch onthoudt, kan sterken invloed uitoefenen, zooals dadelijk in 't oog valt, als we onzen blik naar sommige vulkanische berggroepen richten, waar, zooals op het hoogland van Auvergne, den Eifel, den Röhn en 't Vogelsgebergte eene verspreide bevolking haar poover bestaan ternauwernood kan vinden. Dat vette kleilanden en schrale zandgronden op de bewoners een duidelijk waarneembaren invloed uitoefenen, hebben we reeds bij Nederland gezien. Vergelijk b, v. ook het Nijldal met de Sahara, de vruchtbare Beauce bij Orleans met de onvruchtbare Sologne.

§ 239. Kusten. Letten we op het vertikaal-profiel der kusten, dan kan men onderscheiden: steile kusten, waarbij eene hooge rotskust onmiddellijk door eene diepe zee wordt begrensd; strandkusten met daarachter gelegen steilen rand, en zachtglooiende kusten, waarbij een vlak land onmerkbaar in een flauwhellenden zeebodem overgaat,

Eenige belangrijke kustvormen zijn do volgende, Fjordkusten inot steile wanden, waar de fjorden als diepe dalen ver in hot land opdringen en waarbij de inhammen ongeveer loodrecht staan op de richting van het hoogland (Noorweegsche, Oroenlandsche, Nieuwzeelaiulsche fjorden). De laatste omstandigheid bemoeilijkt zeer de gemeenschap van de kustbewoners met het achterland, Riaskusten met wel fjordachtige inhammen, doch waarbij deze laatste evenwijdig loopen met do richting der bergketenen, zoodat do ria zich geheel voordoet als een onder water gelegen deel van een lengtedal. Voorbeelden geeft de kust van Galicië in 't NW, van Spanje, Klein-Azië's westkust, China's kust ten Z, van de Jang-tse-Kiangrnonding, Dc rias hebben gemakkclijko gemeenschap met het achterland. Lagune-kusten, waar lagunen van de opene zee meer of min zijn gescheiden door meest mot duinen bezette kustdammen.

Do vorm en de geaardheid der kusten kan een sterkon invloed uitoefenen op de aanwononde volken. Meer nog dan do lengte der kust komt daarbij do rijkdom aan havens en de toegankelijkheid van het achterland in aanmerking, Vele havens maken levendig verkeer en snelle ontwikkeling mogelijk; weinig havens — geringe wrijving van gedachten en uitwisseling van

-ocr page 235-

223

producten, langzame vooruitgang. Vergelijk 1). v. Engeland met Arabië, Europa met Afrika.

§ 240. Ligging. De ligging van een land kan evenzeer grooten invloed op zijne bewoners uitoefenen. Vooreerst komt in aanmerking de geographische breedte, waarop het land ligt. Hiervan zijn voor oen groot doel do warmtegraad en de ijstoestanden afhankelijk. In de tweede plaats moeten wij letten op do ligging ten opzichte van andere landen. Afgelegenheid van een land heeft ook op volken met goeden aanleg dezen invloed, dat zij hun eene eigenaardige, zelfstandige, meestal eenzijdige ontwikkeling heelt doen verkrijgen. Voorbeelden leveren China en het oude Palestina. Bij volken met geringeren aanleg heeft afgelegenheid dos lands ongunstiger gevolgen. Zij laat hen bijna geheel zonder vreemde hulp en veroordeelde hen soms tot eeuwenlange barbaarschheid (Centraal-Afrika). Eene gunstige ligging ten opzichte van de nabijzijnde en de meer verwijderde omgeving kan zeer voordeelig werken. Door haar hoofdzakelijk gelukte het Rome, in 't raidden van het bokken der Middell. zee gelegen, heerschappij te voeren over alle landen rondom die zee. Door die gunstige ligging, in verband mot andere voordeelige omstandighedenquot;, is het Britsche rijk beheerseher der oceanen geworden. Door haar vooral kregen do Nederlanden de vrachtvaart in handen, die zoo groote voonleelen, ook voor 't vervolg, afwierp. Door haar kon het Iberisch schiereiland in Indië en Amerika langen tijd den schepter zwaaien on kon Karei V over een land gebieden, waarin de zon niet onderging.

Maar, evenals hot individu, heeft ook een volk eene zekere geschiktheid noodig, om de gaven, door de natuur geboden, te kunnen gebruiken. Van den anderen kant moeten ook de omstandigheden buiten het volk zoodanig zijn, dat van de voordeelen, die de ligging en do geloding aanbieden, gebruik kan worden gemaakt. Om slechts iets te noemen; in den tijd van Cesar waren do ligging en de havenrijkdom van Engeland ongeveer zoo als die nu zijn, terwijl do steenkoollagen en ertsen in don bodem aanwezig waren evenals thans; doch de ontwikkeling van de bewoners noch die der omgelegen landen waren van dien aard, dat een levendige handel en eene bloeiende industrie konden ontstaan. Do negoutiende-eeuwsehe industrie kon slechts in do negentiende eeuw bloeien, en de oceaanvaart zich niet ontwikkelen vóór de oceaan was ontdekt. Do gunsten, die hot oude Rome genoot door zijne ligging, werden in lateren tijd door de veranderde omstandigheden weggenomen, hoewel de ligging natuurlijk onveranderd bleef. Den lezer zal het niet moeilijk vallen meer voorbeelden te vinden, die hem tot liet besluit zullen doen komen, dat het onmogelijk is, enkel uit do ligging en den omtrek van oen land te besluiten tot zijne meerdere of mindere belangrijkheid voor 't vorkeer. Do opmerkingen, hier gemaakt, zullen hem blijken van kracht te zijn overal, waar sprake is van den invloed, dien het land op zijne bewoners uitoefent.

-ocr page 236-

224

B. HET WAT EE.

§ 241. Rivieren en Meren. Vergel. § 8. — Aan den bovenloop eener rivier liggen natuurlijk minder en dan nog kleinere plaatsen dan aan den middel- en den benedenloop. Eene stad toch ontstaat licht aan eene rivier, als daarop handel kan worden gedreven: handelsbelangen zijn de oorzaak van 't ontstaan van vele steden. Aan den benedenloop liggen meestal meer en grootere steden dan aan den middelloop. Daar toch is de zee in de nabijheid en werkt de vloed mede om de zeeschepen stroomop te voeren. (De steden aan de Engelsche riviermonden, Rotterdam, Bremen, Hamburg, Kouen.) Waar het mondingsgebied eener rivier zeer laag of' moerassig is, ontstond niet aan, maar dichtbij den mond eene handelsstad: Marseille, Venetië. Bijzonder gunstig is de gelegenheid voor 't ontstaan eener handelsstad daar, waar de stroom eene bijrivier opneemt, of waar hij een' arm afzendt. Waarom? Voorbeelden!

Do rivieren met hare meestal vruchtbare dalen zijn de beddingen, waarlangs 't verkeer stroomt, de plaats waar de meeste steden en dorpen liggen, de meeste wegen loopen, de drukste werkzaamheid, do hoogste ontwikkeling en de dichtste bevolking met de grootste welvaart hand in hand gaan. Onstuimige stroomen evenwel, rivieren met vole grindbanken of met moerassige oevers, vormen natuurlijke grenzen, vooral dan, als de bewoners nog op een lagen trap van ontwikkeling staan. Soms kan de oude toestand nog lang in oen eonigszins anderen vorm blijven voortleven. Zoo scheidt do bovenloop van den Rijn nog Zwitserland van Tirol en Duitschland; deLech (die hare troebele wateren niet zuivert in een meer, doch als weinig bevaarbare, aan grindbanken rijke rivier de hoogvlakte doorstroomt) scheidt den Zwabischen en don Beierschen stam; de Jlincio met hare moerassige oevers scheidde Lombardije en Venetië. (Meer voorbeelden!)

Rivieren, die op lage gebergten in streken, waar slechts gedurende een deel des jaars regen valt, ontspringen, lijden aan waterarmoede (de Spaansche en de Australische rivieren). In de heete gewesten gebeurt hot, dat het rivierbed alleen nu en dan water bevat; zulke droge rivierbeddingen heeten wadi en komen b. v. in do Sahara en in Arabië voor.

Waar eene breede rivier eene laagte ontmoet, vult ze die en stroomt daarna over de laagste plaats van den rand weder verder; er is een meer met zichtbare toe- en afstrooming gevormd (meer van Geneve, Bodenmeer etc.). Verbreidt zich hot water eener rivier in eene laagte over eene zoo groote uitgestrektheid, dat de verdamping evenveel bedraagt als de toevoer,- dan is een moer met zichtbaren toevoer en zonder zichtbaren afvoer ontstaan: Doode zee, Aralmoer. Wordt eone laagte door bronnen meer dan gevuld, dan wordt een meer zonder zichtbaren toevoer en met zichtbaren afvoer gevormd, terwijl men spreekt van een meer zonder zichtbaren toe-en afvoer, wanneer het regenwater zich verzamelt in eene laagte, waarvan do bodem het water niet doorlaat, of ook in kraters.

Ook onderscheidt men de meren in zoet- en zoutwatermeren. De laatste vindt men vooral in West- en Middel-Azië en in 't ZO. van Europa. (Aral-

-ocr page 237-

225

meer, Kaspische zee, Doode zee, Eltomneer). Buitendien o. a. in Noord-Araerika: 't Groote Zoutmeer in Utah en in de binnenlanden van Australië. In alle meren met zichtbaren toevoer doch zonder zichtbaren afvoer hoopen zich de zouten, in alle water aanwezig, op, zoodat op den langen duur zulk een meer zoutwater moet krijgen. Alle dergelijke meren hebben dan ook meer of minder zout water. Men vindt ze bijgevolg in die deelen der aarde, waar geene afstrooming naar de oceanen bestaat.

De bergmeren met zichtbaren toe- en afvoer zijn zuiveringbekksns voor de bergstroomen: de meren der Zwitsersche hoogvlakte en van Noord-Italië. Het gevolg daarvan is, dat de meren zeiven dichtslibben. De Zuidduitsche hoogvlakte geeft voorbeelden. Voorbeelden van gedeeltelijke diohtslibbing geeft ons ook de kaart van Zwitserland. (Meer van Genève, Bodenmeer Lage Maggiore). De meren van Thun en Brienz zijn nu gescheiden door eene vlakte van jongen datum; oorspronkelijk was hier één meer, dat door den bergstroom Lutschine in 't midden werd gedempt. Aan de van alle zijden beschutte oevers der schoone Zwitsersche meren, waarheen de rivierdalen de natuurlijke verkeerswegen vormden, ontwikkelde de beschaving zich reeds vroeg (paalwoningen); nog tegenwoordig liggen er vele en welvarende steden. (Voorheelden!) Vaak ligt aan het uiteinde van een langwerpig meer eene han-West tl,. JBrifi - delsstad : station voor

s /oommj de schippers. (Genève,

Zürich, Gonstanz, Chicago).

§ 242. De Zee. De oceanen en zeeën zijn door dislocaties ontstaan. De kusten zijn door golfslag en aanslibbing dikwijls sterk geïnfluenceerd. Voor eene verdeeling zie men pag. 5. De oceanen hebben stroomingen, die hoofdzakelijk door de winden worden veroorzaakt. In den Atlanti-schen, zoowel als in den Grooten oceaan vloeit aan weerszijden van den aequator en tusschen do keerkringen eene breede strooming naar 't W. Tusschen die beide aequatoriale stroomingen is een smalle gordel, waar het water zich in tegengestelde richting beweegt (aequatoriale tegenstrooming). De noordelijke acquato-1'. K. lios, Beknopte Aardr., 8« druk. 13

-ocr page 238-

226

riale stroom staat in den Indischen oceaan, die naai' 't N. is afgesloten, onder den invloed dor moesons, zoodat do stroomen hier bij halfjaarlijksehe perioden van richting veranderen. De aeqnatoriale stroomen gaan westelijk, tot ze op kusten stoeten, die hen meer of minder de richting der meridianen doen aannemen. Op 't noordelijke zoowel als 't zuidelijke halfrond buigen zo dan onder den 408tlt;m breedtegraad ongeveer om naar 't O., om, samen met eene Wes te 1 ij ke Driftstrooming, opnieuw den oceaan over to steken en zich weer met de aequatoriale strooming te vereenigen. In den Atlantischen oceaan draagt deze oostelijke strooming op het noordelijk halfrond den naam van F1 oridastroom; in den Orooten oceaan wordt zij, op het noordelijke halfrond, Koero Siwo of Zwarte stroom geheeten. In de oceanen worden alzoo kringloopen gevormd.

Slechts een doel van de aequatoriale strooming is teruggekeerd. Ben ander gedeelte gaat op het noordelijke halfrond in noordoostelijke richting naar de Noordelijke Poolzee, terwijl op het zuidelijke halfrond in zuidelijke richting stroomen zich naar do Zuidelijke IJszee begeven. Den stroom, die in den Atlantischen oceaan naar 't NO. gaat, noemt men Golfstroom. Naar 't Z. in den Atlantischen oceaan gaat de Braziliaanse he stroom.

De nu beschouwde stroomingen voeren warm water, dat evenwel, wanneer het als afgekoelde terugkeerende stroom van hoogere naar lagere breedten gaat, zich aan de kustbewoners als koude stroom voordoet.

Op drie plaatsen stroomt het koude water van 't N. den Atlantischen oceaan binnen: ten O. van New-Foundland, waar de koude stroom, uit straat Davis komende, ten deele onder den Golfstroom duikt, ten deele langs Noord-Amerika's oostkust stroomt; ton O. van Groenland, en bij het Bereneiland. Van 't Z. komt do koude Kaap-Hoornstroom binnen. Langs Afrika's westkust komt de Benguolastroom binnen, om de Zuidelijke Aequatoriale strooming te voeden. Langs Zuid-Amerika's westkust treedt de koude Perüstroom den Groeten oceaan binnen, terwijl langs Australiës westkust de wateren van den Indischen oceaan gevoed worden door den kouden Westau stral i schen stroom. — Met behulp van de schematische voorstelling op de vorige bladzijde is de kaart der oceanische stroomen in den »Schoolatlasquot; gemakkelijk te verstaan.

Van de zeestroomingen maakt de mensch gebruikt bij de scheepvaart. Dat zo de snelheid van do vaart zeer kunnen bevorderen of belemmeren, is duidelijk. Zoo kan een zeilschip, geholpen door de snelle zuidelijke aequatoriale strooming, in 5 dagen eene reis van Suriname naar Jamaica volbrengen, terwijl men voor dezelfde reis in omgekeerde richting in 4 a 8 weken noodig heeft.

quot; Niet alleen op den handel oefenen de zeestroomen hun' invloed uit. Het klimaat der landen, die aan zee gelegen zijn, is in vele opzichten afhankelijk van de zeestroomingen. Zonder den warmen Golfstroom in verband met de heerschende westenwinden zou noordwestelijk Europa veel minder bewoonbaar zijn, en mèt den kouden l'oolstroom is Labradór, ofschoon op gelijke breedte liggende met Groot-Britannic en Zuid-Skandimivië, een onherbergzaam land. Terwijl in Tromsö (in Nooiwegen) een gymnasium is, verongelukte do poolexpeditie van Franklin op dezelfde breedte bij Boothia

-ocr page 239-

227

Felix. Terwijl in 't Z. van 't schiereiland Aljaska, waarlangs de wanne Zwarte stroom strijkt, soms colibri's verdwalen, heeft de noordkust van datzelfde schiereiland tengevolge van een kouden stroom (en van hare ligging op 't N.) bijna eene pool-fauna.

De zee bovat water, dat versohilleiulo zouten heeft opgelost. Is zij voor volken, die op een lagen trap van ontwikkeling staan, eene scheiding, tegenwoordig is zij, vooral op hot noordelijk halfrond, een middel ter verbinding van volken eu staten, een dooi' den handel druk bezocht gebied geworden. Onderzeesche telegraafkabels maken eene directe mededecling van gedachten mogelijk, en van handelswegen tor zee spreekt men, alsof het vaste banen waren, waarop men haast evenmin tor rechter- of linkerzijde afwijkt als op een' spoorweg. Die zeewegen zijn door de natuur voorgeschreven; want de mensch vindt in stroomingen van ludit en zee krachtige bondgenooten, als hij met haar wil medegaan.

C. DE DAMl'KW1NG.

g 243. De Warmte. Do aarde is omgeven door een luchthulsel, dat ijler wordt, naarmate we ons verder van do aarde verwijderen. In do benedenste luchtlagen, dampkring geheeten, vinden verschijnselen plaats, die een gewiehtigen invloed op de aarde en hare bewoners uitoefenen, en waarbij we ons dus een oogenlijk moeten ophouden.

Vooreerst moeten we spreken over do warmte. Dezo kan door verschillende oorzaken worden opgewekt, van welke de voornaamste is de uitstraling der zon. De verwarming van oen of ander deel der aardoppervlakte is afhankelijk van den hoek, waaronder do zonnestralen daarop vallen (hoe meer die hoek 90° nadert, des te grooter is de warmte) en van de lengte der dagen (dus van den tijd, gedurende welken de zou achtereenvolgens boven den horizon blijft). Van de verwarming dor aardoppervlakte is die der daarboven gelogen luchtlagen een gevolg; want de lucht wordt van de aarde uit, dus van onderen naar boven, verwarmd. De plaatsen, tusschon de keerkringen gelegen, die alle twee maal per jaar de zou in het toppunt hebben, ontvangen de meeste warmte; zij liggen in de heete luchtstreek. Do plaatsen. gelegen tusschon een' keerkring en een' poolcirkel, liggen in eeno der beide gematigde luchtstreken, en de gewesten, die door de poolcirkels worden ingesloten , liggen in de koude luchtstreken. Deze wiskundige zonen, zooals men ze wel noemt, komen echter niet overeen met de werkelijke. De temperatuur toch hangt niet alleen van de geographischo breedte eenor plaats af.

Vele omstandigheden oefenen er buitendien invloed op uit, als: de hoogte en do gesteldheid dos bodems, de richting dor gebergten, de ligging ton opzichte van de zoo, do windrichting. Een droge, vaste bodem neemt wel tweemaal zoo spoedig de warmte op als het water, terwijl daarentegen het water de warmte langer behoudt dan hot land. Een kale, onbegroeide bodem straalt de warmte veel spoediger uit dan een land, dat met planton bedekt is. De hooggelegene landen zijn koeler dan de laaggelegene. Over don bescher-

15*

-ocr page 240-

228

menden of don afwerenden invloed, dien bergketenen kunnen uitoefenen, is reeds dikwijls gesproken. Do ligging ten opzichte van de zeo in verband met de richting der heerschende winden bezorgt het land een vastlauds- of een zeeklimaat. (Vergelijk § 9).

Lijnen, getrokken over plaatsen, die dezelfde gemiddelde temperatuur zouden hebben, wanneer ze alle in het zeevlak lagen, heeton isothermen (— lijnen van gelijke warmte). Men onderscheidt isothermen voor Iw* jaar en isothermen voor de maand. Ga op de kaart den loop van eenige der isothermen na en verklaar eenige der afwijkingen, die deze van de parallellen vertoonen.

§ 244. Luchtdrukicing en Winden. De luchtdrukking wordt gemeten door den barometer. Hoe hooger men zich boven het niveau der zee verheft, des te minder hoog is de luchtkolom, des te geringer zal ook de drukking zijn, die zij uitoefent, des te meer zal het kwik in den barometer dalen. Daar voor het afnemen van de luchtdrukking met de hoogte eene formule is gevonden, maakt men van den barometer ook gebruik als hoogtemeter.

Beginnen we met te veronderstellen, dat de aardoppervlakte overal gelijkelijk werd verwarmd. De luchttemperatuur zou overal op punten, ouderling even-

hoog gelegen, gelijk zijn; de vlakken van gelijken luchtdruk zouden ten opzichte van elkaar liggen als vlakken van concentrische bollen, welker gemeenschappelijk middelpunt zou zijn liet centrum der aarde.

Laten we nu echter veronderstellen, dat de aequatoriale gordel sterker wordt verwarmd dan de andere deelen der aardoppervlakte. De lucht van den aequatorialen gordel wordt ijl; do luchtlaagjes zetten zich uit, de benedenste schuiven de bovengelegene naar boven.

Zoolang er niets anders gebeurt, blijft do barometerstand op den bodem van den aequatorialen luchtgordel onveranderd; doch daar de vlakken van gelijke drukking op lagere breedten meer zijn gerezen, dan op hoogere breedten, is de barometerstand op een of ander punt van den aequatorialen luchtgordel hoog boven de aardoppervlakte hooger dan te voren, dus ook hooger dan op een even hooggelegen punt buiten den aequatorialen gordel. Het evenwicht in de hoogere luchtlagen is verbroken. Er ontstaat eene luchtstrooming (wind) in de hoogere luchtlagen van den aequator naar hoogere breedten.

Nu daalt de barometer op den bodem van den aequatorialen luchtgordel. De aequatoriale windstiltengordel of gordel van opstijgende lucht is een gordel met lagen barometerstand. De barometerstand zal hier laag blijven, omdat de oorzaak voor de afstrooming in de hoogere lagen, nl. de hooge temperatuur van dit deel der aardoppervlakte, voortdurend werkt. Er moet toe-strooming komen (langs de aardoppervlakte) van plaatsen met hoogere drukking.

De boven uit den aequatorialen gordel wegstroomende lucht moet do aardoppervlakte weer bereiken, omdat zij daar boven geene ruimte meer vindt, wijl de aardomtrek naar hoogere breedten toe kleiner wordt. Op circa 80° N.-

-ocr page 241-

220

en ZB. bereikt de bovonstroom de aardoppervlakte weder. De gordels van voortdurend van bovenaf instroomende lucht (eveneens windstiltengordels) rebben een hoog en barometerstand. Van deze windstiltengordels met hoogen barometerstand stroomt voortdurend (beneden) lucht weg naar plaatsen met lageren barometerstand; zoowel naar die op lagere, als naar die op hoogere breedten gelegen.

De benedenstroom van den windstiltengordel met hoogen luchtdruk naar den windstiltengordel met lagen barometerstand waait voortdurend.

Tusschen den 308teu breedtegraad en den aeqnator heerschen voortdurend een bovenstroom van lagere naar hoogere on een benedenstroom van hoogere naar lagere breedten. (Passaat en Anti-passaat).

In de poolgewesten heerscht lage temperatuur en dus hooge barometerstand.

Tusschen 30° en de poolgewesten zijn lagere barometerstanden. Er is evenwel geen bepaalde gordel van lagen barometerstand, als aan don aeqnator. Er zijn minima van luchtdruk, die zich verplaatsen en in hunne verspreiding vooral worden geïnfluenceerd door de verdeeling van land en water in verband met zomer-en wintertemperatunr. In't algemeen gesproken,

liggen do minima van luchtdruk hier des ^ zomers natuurlijk boven de vastlanden, des winters boven de oceanen. Deze gordel is dus die van de veranderlijke winden. — 30°NH We onderscheiden derhalve:

a. Een smallen aequatorialen gordel der windstilten (doldrum) met lagen barometerstand. Hier heerschen windstilten of zwakke veranderlijke winden.

h. De twee gordels der windstilten op ongeveer 30° breedte (de zoogenaamde paar-den-breedten of paarden-passaat in den Atlan-tischen oceaan), met hoogen barometerstand.

* //' Ook hier heerschen windstilten en zwakke

veranderlijke winden.

c. De twee passaat-gordels ter weerszijden van den aequatorialen windstiltengordel tot aan de „paarden-breedtenquot;. Dit zijn de gordels met bestendige winden: boven- en benedenstroom of anti-passaat en passaat. (Het bestaan van de antipassaten is bewezen door de richting, waarin daar de hoogste wolken drijven, door de richting, waarin de rook vaan der hoogste vulkanen waait, de verspreiding van vulkanische asch schijnbaar tegen den wind in, en door rechtstreeksche waarneming op hooge bergen).

(I. De gebieden der veranderlijke winden naar de poolzijde van den windstiltengordel der keerkringen. In deze gebieden is geen gordel met lagen barometerstand, maar ontstaan zich voortbewegende cirkel- of ellipsvormige minima van luchtdruk (cyklonen), waaruit de lucht wegstroomt, terwijl beneden van alle zijden lucht toestroomt. Waar de hoven uit eene cykloon weggestroomde lucht in een cirkel- of ellipsvormig gebied neerdaalt, om langs de aardoppervlakte naar alle zijden weg te stroomen, daar ontstaat een gebied van hoogen luchtdruk, een gebied met een maximum, eene an ti - cykloon.

-ocr page 242-

230

Diiar volgens hot oorato gedeelte van de wet van Buys-Bal lot de wind stroomt van plaatsen met hoogeu naar plaatsen met lagen barometerstand, komen cyklonen nooit alleen maar altijd in gezelschap van anti-eyklonen voor, zoodat eone voortdurende uitwisseling van lucht plaats heeft.

De passaten zijn eigenlijk ook cyklonen, doch onderscheiden zich van de gewone cyklonen in zooverre, als de depressie er niet het middelpunt van eene cirkel- of ellipsvormige ruimte is, doch in de lengte is uitgerekt. Vandaar dat bij de passaten do lucht dan ook niet van alle, maar slechts van tweo zijden komt toestroomen. De gebieden met hoogen barometerstand om en bij don 30stim breedtegraad zijn anti-cyklonen.

Eene depressie blijft bestaan, zoolang de afstrooming boven aanhoudt.

Nu komen do wijzigende invloeden aan do beurt. Vooreerst de dagelijksche beweging der aarde. Volgons het tweede gedeelte van de wot van Buys-Ikllot wijkt de lucht op haren weg naar het minimum toe af op het noordelijke halfrond naar rechts, op hot zuidelijke naar links. Door de inertie der luchtdeeltjes worden b.v. de passaten op het noordelijke halfrond in plaats van noordenwinden noordoosten, — de anti-passaten niet zuiden- maat zuidwestenwinden. Op hot zuidelijke halfrond waait een zuidoosten passaat en een noordwesten antipassaat.

In de tweede plaats oefent de wisselende declinatie der zon, een gevolg van de jaarlijksche beweging der aarde, in verband met de helling der aardas op het vlak van do ecliptica, een wijzigenden invloed uit, en wel op de plaats der windgordels.

Mot de declinatie der zon verschuift do gordel'der grootste warmte, in ons voorjaar en zomer naar 't noorden, in onzen herfst en winter naar't zuiden. Met die verschuiving verplaatsen zich in gelijken zin de windgordels. Maar deze verplaatsing geschiedt niet overal gelijkmatig. Voor de voorstelling zal het evenwel 't best zijn, zich eerst die verplaatsing gelijkmatig voor te stellen. Daarbij zal liet blijken, dat sommige streken tweemaal per jaar in den aequatorialen windstiltengordel zullen vallen, en tevens, dat zoowel op het noordelijke als op het zuidelijke halfrond een gedeelte van 't gebied dor veranderlijke winden gedurende den zomertijd in den passaatgordel zal vallen. Dezen gordel, die nl. alleen gedurende den zomer (op 't zuidelijke halfrond dus gedurende onzen winter) tot hot gebied dor passaten behoort, noemt men de subtropische of halftropischo zone. In werkelijkheid gaat do verschuiving dor wind- en windstiltengordels echter niet zoo regelmatig.

In Maart, wanneer de luchttemperatuur boven don oceaan op het noordelijke halfrond het laagst is, reikt de noordelijke passaatzone op den Antlan-tischen oceaan gemiddeld tot 20° NB., in September, den tijd van de hoogste luchttemperatuur boven de zee, gemiddeld tot 35° NB. Maar van deze gemiddelden wijken de uiterste noordelijke grenzen aanzienlijk af. Het gebied van den noordoostpassaat reikt boven den Atlantischen oceaan des zomers in 't \V. tot 32°, in 't O. tot 30° NB. Do passaten, over 't geheel geen krachtige winden, waaien hot regelmatigst boven de oceanen; boven en in de nabijheid van de landen worden zo dikwijls in hun' loop gestoord door gebergten en door üe tegenstellingen in luchttemperatuur boven land en zee. Door deze laatste worden de moesons veroorzaakt.

-ocr page 243-

231

§ 245. Moesons. Het bost zijn do moesous (rr: jaargetijden, jaargetijde-winden) van Voor-Jndië bekend. Eene verklaring van deze eigenaardige winden wordt daarom beter aan do resultaten van de waarnemingen in Britsch-, dan aan do minder voldoende en volledige in Noderlandsch Indië vastgeknoopt, waar bovendien de verdeeling van land en water minder regelmatig is.

Gedurende don tijd van de zuidordeclinatie der zon neemt do luchtdruk-king naar den aequator toe af, waardoor eene luclitstrooming van het land naar de zee ontstaat. Deze wind lieel't zijn' oorsprong in het N. van Voor-Indië en stroomt met geringe snelheid als noordwestenwind door de Ganges-vlakte naar de goll' van Bengalen, als noordoostenwind naar de westhelft van den Indischen oceaan. Deze wipd is weinig krachtig en reikt hoogstens tot 2100 meter; tengevolge daarvan is hij dan ook in zijne richting afhankelijk van het terrein: het plateau van Malva doet hom aan weerszijden twee verschillende richtingen inslaan (noordwesten- en noordoostenwind). Eerst ten Z. van het Vindhya gebergte begint do eigenlijke noordoostmoeson.

De noordoostmoeson (noordwest in de Gangesvlakte) is niet, zooals vroeger altijd werd aangenomen, de noordoost-passaat. Daartegen spreekt reeds de temperatuur van Hindostiin, dat aanmerkelijk warmer is dan China op dezelfde breedte, waar de Centraalaziatische luchtstroom wèl waait. Bovendien laat zich ook reeds vooruit veronderstellen, dat een gebergte van 4800 nieter gemiddelde hoogte, als de Himalaja, de wegstrooming van lucht naar Indië wel moet verhinderen; 'tis immers bekend, dat de passaat een zwakke wind is, die nergens tot zulk eene hoogte reikt. Mogelijk is het echter, dat eene geringe hoeveelheid koude passaatlucht om do beide uiteinden van den Himalaja hun een' weg naar 't Z. vindt.

De waarnemingen hebben niet alleen geleerd, dat do noordoostmoeson tot hoogstens 2100 meter reikt, maar ook, dat daarboven eene zuidelijke anti-moeson — de (primaire) afstrooming (zie § 242) van de aequator-gewesten — waait. In het boven-öangesdal en in de Pandsjaab bereikt deze bovenstroom de aardoppervlakte en brengt daar vrij regelmatige winterregens. Een andere tak komt aan op de zuidhelling van den Himalaja, komt ook in Tibet en voorziet de Centraalaziatische hooggebergten van sneeuw. Terwijl deze bovenstroom vochtig is, moet de noordoostmoeson, omdat hij van hoogerebreedten komt, natuurlijk droog zijn. De tijd van den noordoostmoeson (noordwest in de Gangesvlakte) is iu Voor-Indië dus het droge jaargetijde, de droge moeson (ons winterhalfjaar).

In (onze) lente neemt met de noorderdeclinatie der zon de temperatuur iu Britsch Indië snel toe en daarmede ook de uitzetting der lucht. Minima van luchtdrukking ontstaan nu in noordelijk Dekan en Beneden-Assam, zoodat aan de oostkust, in de Gangesdelta en iu Arakan reeds de zuidenwinden beginnen te waaien, terwijl op de westkust nog de noordelijke stroom heerscht. Met de zon (of beter: achter de zon aan) schuift ook het minimum noordwaarts, en in Juni bereikt het zijne grootste geografische breedte. Nu waait do vochtige zuidmoeson tot aan de sneeuwvelden van den Himalaja en daar overheen tot in Tibet, westelijk tot aan de uiterste grenzen van de Pandsjaab. Met twee armen waait hij van de Perzische zee en de Bengaalsche golf naar Noord-Tndië en stroomt dalop, terwijl de

-ocr page 244-

0^9

-wintermoeson dalafwaarts stroomde. Naar de kusten neemt de snelheid van dezen zuidwestmoeson (in de Gangesvlakte zuidoost) toe; van Juni tot September neemt hij in kracht af. De zuidwestmoeson is veel meer constant en veel sterker, ook reikt hij veel hooger dan de noordoostmoeson. De zuidwestmoeson is niets anders dan de voortzetting van den zuidoostpassaat van het zuidelijke halfrond, die op het noordelijke halfrond natuurlijk zich naar het noordoosten moet ombuigen en een vochtige zuidwestenwind moet worden (natte moes on in ons zomerhalfjaar).

De grootere kracht van den zuidwestmoeson blijkt o. a. hieruit, dat, terwijl in Zuid-Indie gedurende onzen winter de zee- en landwinden elkaar in den loop van een etmaal geregeld afwisselen, in den zomer (zuidwestmoeson) de dagelijksche landwinden zich niet kunnen doen gelden; het eenige wat de landwinden te Bombay kunnen doen, is, dat ze des morgens de kracht van den zuidwestmoeson een weinig temperen.

In October verandert de windrichting zeer snel; de noordoostmoeson herneemt zijne heerschappij en daarmede is de droge moeson weder begonnen.

Achter-Indië behoort eveneens tot het moesongebied: te Bangkok heerscht van October tot Januari de noordmoeson, van Februari tot September de zuid-moeson. Waarschijnlijk zal in Achter-Indië de lucht evenzoo als in Voor-Indië achtereenvolgens dalop- en dalafwaarts stroomen als in noordelijk Voor-Indië.

De Indische oceaan heeft, ten gevolge van zijne uitgestrekte en hooge landgrenzen aan de noordzijde, eene eigenaardige wind verdeeling. Vooreerst toch ontbreekt hier de noordelijke zone der westenwinden. Verder wordt, zooals we bij Voor-Indië reeds zagen, gedurende ons zomerhalfjaar de noordelijke passaat opgeheven en stroomt de zuidelijke passaat op het noordelijke halfrond over, waarbij hij zich naar het NO. ombuigt en dus zuidwestmoeson wordt. In ons winterhalfjaar waait de noordoostenwind tot op het zuidelijke halfrond (tot ongeveer 10° ZB.) en verandert daarbij zijne richting ten gevolge van de aswenteling der aarde en wordt noordwesten-, ja westenwind. In de nabijheid van Afrika blijft ook op het zuidelijke halfrond , ten gevolge van de sterke verwarming van Zuid-Afrika — we spreken van ons winterhalfjaar! — in weerwil van de rotatie, de richting onveranderd, dus NO. Deze noordoostmoeson is hier natuurlijk tevens regenwind. Eerst ten Z. van deze zone vinden we in den Indischen oceaan de normale windzonen : eene passaat-zone en een' gordel met hoofdzakelijk westenwinden.

Ook op de Philippijnen, de Soenda-eilanden en de Molukken heerschen de moesons.

De Soenda-eilanden liggen midden in de Indische en in de Australische moesons. In onzen winter ligt het minimum van luchtdrukking voor de westelijke eilanden in het ZO., boven het sterk verhitte vastland Australië. Volgens de wet van Buys Ballot moet naar dat minimum van alle kanten lucht toestroomen, daarbij op het zuidelijke halfrond afwijkende naar links. Bijgevolg zal de droge noordoostpassaat, van het noordelijke halfrond opliet zuidelijke halfrond overgaande, in de westelijke helft van Insulinde (Zuid-Soematra, Java, Zuid-Börneo) in westen-, zuidwesten- en zuidenwinden veranderen. Deze zullen, als komende van lagere breedten, regen brengen, (Natte moesons.) Verder oostelijk echter zal do wind uit dezelfde oorzaken

-ocr page 245-

238

(het minimum ligt in 't Z.) eon noordwestmoeson zijn (Molukkon). In onzen zomer heerscht in de zuidhelft van Insulinde de zuidoostpassaat (droge moeson), die op het noordelijke halfrond in zuidwestmoeson (natte raoeson) verandert en over Noord-Soematra, Noord-Bórneo, Noord-Selóbes, de noordelijke Molukken en de Philippijnen waait.

Den tijd van overgang van den eenen moeson in den anderen noemt men in onze Oost kentering (=: omkeering); deze wordt gekenmerkt door veranderlijke winden, zware onweders en stormen; de laatste onder den naam van taifoen het meest en hot gevaarlijkst in de Chineesche zee.

De Aziatische inoesons strekken zich langs Aziës oostkust tot zelfs 00° NB. uit.

§ 24G. Land- en Zeewinden zijn als 't ware dagelijksche moesons. Des daags doet de sterkere verwarming van het land een' bovenstroom naar de zee toe ontstaan, terwijl de koelere zeelucht als benedenstroom (zeewind) naar het land stroomt, waar eene lagere drukking is ontstaan. Des nachts geschiedt het omgekeerd, omdat dan de zee warmer is dan het snel afkoelende land. Dan stroomt beneden de koele landlucht naar zee (landwind) i omdat inj de hoogere luchtlagen een stroom in tegengestelde richting afvloeit*

Land- en zeewinden komen overal op aarde voor. In de heete gewesten is de zeewind vooral aan lage kusten een zogen, daar hij verfrissching aanbrengt en de miasmen verstrooit.

§ 247. Damp, Regen en Uk. Het water op aarde volbrengt een einde-loozen kringloop. Van den vasten gaat het in den vloeibaren, van dezen in den damptoestand over, om daarna weder den weg in omgekeerde richting

-ocr page 246-

2^2

wintermoeson dalafwaarts stroomde. Naar de kusten neemt de snelheid van dezen zuidwestmoeson (in de Gangesvlakte zuidoost) toe; van Juni tot September neemt hij in kracht af. De zuidwestmoeson is veel meer constant en veel sterker, ook reikt hij veel hooger dan de noordoostmoeson. Do zuidwestmoeson is niets anders dan de voortzetting van den zuidoostpassaat van het zuidelijke halfrond, die op het noordelijke halfrond natuurlijk zich naar het noordoosten moet ombuigen en een vochtige zuidwestenwind moet worden (natte moeson in ons zomerhalfjaar).

De grootero kracht van den zuidwestmoeson blijkt o. a. hieruit, dat, terwijl in Zuid-IndiS gedurende onzen winter de zee- en landwinden elkaar in den loop van een etmaal geregeld afwisselen, in den zomer (zuidwestmoeson) de dagelijksche landwinden zich niet kunnen doen gelden; het eenige wat de landwinden te Bombay kunnen doen, is, dat ze des morgens de kracht van den zuidwestmoeson een weinig temperen.

In October verandert de windrichting zeer snel; de noordoostmoeson herneemt zijne heerschappij en daarmede is de droge moeson weder begonnen.

Achter- Indië behoort eveneens tot het moesongebied: te Bangkok heerscht van October tot Januari de noordraoeson, van Februari tot September de zuid-moeson. Waarschijnlijk zal in Achter-Indië de lucht evenzoo als in Voor-Indië achtereenvolgens dalop- en dalafwaarts stroomen als in noordelijk Voor-Indië.

De Indische oceaan heeft, ten gevolge van zijne uitgestrekte en hooge landgrenzen aan de noordzijde, eene eigenaardige windverdeeling. Vooreerst toch ontbreekt hier de noordelijke zone der westenwinden. Verder wordt, zooals we bij Voor-Indië reeds zagen, gedurende ons zomerhalfjaar de noordelijke passaat opgeheven en stroomt de zuidelijke passaat op het noordelijke halfrond over, waarbij hij zich naar het NO. ombuigt en dus zuidwestmoeson wordt. In ons winterhalfjaar waait de noordoostenwind tot op het zuidelijke halfrond (tot ongeveer 10° ZB.) en verandert daarbij zijne richting ten gevolge van de aswenteling der aarde en wordt noordwesten-, ja westenwind. In de nabijheid van Afrika blijft ook op het zuidelijke halfrond, ten gevolge van de sterke verwarming van Zuid-Afrika— we spreken van ons winterhalfjaar! — in weerwil van de rotatie, de richting onveranderd, dus NO. Deze noordoostmoeson is hier natuurlijk tevens regenwind. Eerst ten Z. van deze zone vinden we in den Indischen oceaan de normale windzonen: eene passaat-zone en een'gordel met hoofdzakelijk westenwinden.

Ook op de Philippijnen, de Soenda-eilanden en de Molukken heerschen de moesons.

De Soenda-eilanden liggen midden in de Indische en in de Australische moesons. In onzen winter ligt hot minimum van luchtdrukking voor de westelijke eilanden in het ZO., boven het sterk verhitte vastland Australië. Volgens de wet van Buys Ballot moet naar dat minimum van alle kanten lucht toestroomen, daarbij op het zuidelijke halfrond afwijkende naar links. Bijgevolg zal de droge noordoostpassaat, van het noordelijke halfrond opliet zuidelijke halfrond overgaande, in de westelijke helft van Insulinde (Zuid-Soematra, Java, Zuid-Borneo) in westen-, zuidwesten- en zuidenwinden veranderen. Deze zullen, als komende van lagere breedten, regen brengen, (Natte moesons.) Verder oostelijk echter zal de wind uit dezelfde oorzaken

-ocr page 247-

233

(het minimum ligt in 't Z.) eon noordwestinoeson zijn (Molukkon). In onzen zomer heorscht in de zuidhelft van Insulinde de zuidoostpassaat (droge moeson), die op het. noordelijke halfrond in zuidwestmoeson (natte moeson) verandert en over Noord-Soematra, Noord-Borneo, Noord-Selébes, de noordelijke Molukken en de Philippijnen waait.

Den tijd van overgang van den eenen moeson in den anderen noemt men in onze Oost kentering (=: omkeering); deze wordt gekenmerkt door veranderlijke winden, zware onweders en stormen; de laatste onder den naam van taifoen het moest en het gevaarlijkst in de Chineesehe zee. j De Aziatische inoeaons strekken zich langs Azios oostkust tot zelfs

60° NB. uit.

§ 24G. Land- en Zeewinden zijn als 't ware dagelijksche moesons. Des daags doet de sterkere verwarming van het land een' bovenstroom naar de zee toe ontstaan, terwijl de koelere zeelucht als benedenstroom (zeewind) naar het land stroomt, waar eene lagere drukking is ontstaan. Des nachts geschiedt het omgekeerd, omdat dan de zee warmer is dan het snel afkoelende land. Dan stroomt beneden de koele landlucht naar zee (landwind) i omdat inj de hoogere luchtlagen een stroom in tegengestelde richting afvloeit»

Land- en zeewinden komen overal op aarde voor. In de heete gewesten is ■de zeewind vooral aan lage kusten een zegen, daar hij verfrissching aanbrengt en de miasmen verstrooit.

§ 247. Damp, Regen en IJs. Het water op aarde volbrengt een einde-loozen kringloop. Van den vasten gaat het in den vloeibaren, van dezen in den damptoestand over, om daarna weder den weg in omgekeerde richting

-ocr page 248-

234

to volbrengen. Ju don vasten toestand van ijs en sneeuw treffen wij het water in de koude en de gematigde luchtstreken gedurende een grooter of kleiner gedeelte des jaars aan; op hooge bergen komt het soms, ook in de heete zone, niet anders dan in den vorm van sneeuw voor, nl. boven de sneeuwgrens. (Zie § 9), Uit de stroken der eeuwige sneeuw schuiven langs uiet te steile hellingen, door do dalen half ontdooide en weer tot ijs bevroren sneeuwmassa's, gletschers, ten gevolge van den druk, dien de sneeuw-deeltjes op elkander uitoefenen, naar beneder. Zeer langzaam dalen die gletschers naar beneden, waar ze afsmelten en het aanzijn e;even aan troebele, onstuimige gletscherbeken, die de in en op de ijsmassa's medegevoerde verweerde rotsdeelen meesleuren, om ze, althans ten deele, in de bergmeren te laten bezinken. In den winter dringen de gletschers natuurlijk tot lager in de dalen dan des zomers, wanneer de grootere warmte ze sneller doet smelten.

Ciletscliers, die naar de kust schuiven, breken aan den voet der bergen al' en drijven in zee rond als ijsbergen, welke, door poolstroomen naar warmere stroken gevoerd, smelten. In eene vroegere periode, toon de temperatuur van het noordelijke halfrond lager was, was een goed deel van Noord- en Middel-Europa met gletschers bedekt , die in Nederland en Noord-Dnitschland steen- en leemmassa's hebben aangevoerd. De keien, waaruit de hunebedden bestaan, zijn afkomstig uit Skandinavië.

Zijn de poolstreken een groot deel van 't jaar onder sneeuw en ijs begraven, in de heete zone behooren deze tot de zeldzaamheden, zoodat de inboorlingen dier gewesten de met eeuwige sneeuw bedekte hooge bergtoppen soms voor zilver houden.

Van groot belang in do huishouding der natuur is hot water in de vormen van damp en regen.

Damp, laag hangende, heet nevel; hooger zwevende heet hij wolken. Eene bewolkte lucht bemoeilijkt de uitstraling van warmte, zoodat dan ook in onze vochtige streken 't verschil tusschen dag- en nachttemperatuur lang zoo groot niet is als b. v. in de Sahara, waar op heete dagen soms koude nachten volgen. Bij eene heldere lucht vriest het in den winter ook meestal meer dan wanneer de lucht bewolkt is.

Bij verdamping wordt warmte gebonden, die bij verdichting van damp tot regen weer vrij wordt. Vandaar dat men vaak eene verhooging van temperatuur waarneemt na eene regenbui.

Aan wat omtrent den damp is opgemerkt moet voor een groot deel de gunstige invloed worden toegeschreven, dien de Golfstroom op het klimaat van West-Europa uitoefent. De westenwinden toch voeren de dampen, welke boven dien warmen stroom zweven, naar het land en bezorgen ons vaak eene grijze lucht, die met hare talrijke dampblaasjes de felle hitte des daags afweert en de uitstraling des nachts bemoeilijkt; terwijl ze ons overvloedig regen bezorgt. Bij de condensatie van damp tot regen wordt, zooals reeds is gezegd, warmte vrij. Bovendien houdt de warme stroom de ijsbergen, die van 't N. komen, van Europa's kusten verwijderd. Op die wijze verklaren wij in hoofdzaak do uitdrukking: de Golfstroom verhoogt de temperatuur van West-Europa.

-ocr page 249-

285

Do rogon in zoer onregelmatig over do aardo verileold, zoowel waf betreft do hoeveelheid als den tijd, waarop hij valt.

Voor de hoeveelheid regen op sommige plaatsen zie men do Tabel. De hoeveelheid regen en de verdeeling daarvan over de verschillende streken der aarde zijn van zeer groot belang; want in rechtstreekseh verband daarmede staat de meerdere of mindere vruchtbaarheid en bewoonbaarheid. W o e s t ij n e n toeh vinden we alleen daar, waar geen of bijna geen regen valt; steppen alleen in die streken der aarde, waar regen alleen gedurende één jaargetijde valt en dus uitsluitend planten kunnen groeien, die in een niet spoedig ver-drogenden wortelstok (sommige grassen) of in hare schubben of rokken (bolgewassen) een wapen tegen het uitdrogen hebben ontvangen.

De hoeveelheid regen hangt van verschillende oorzaken af: windrichting, ligging ten opzichte van de zee, richting der gebergten, temperatuur, hoogte, geographische breedte enz. Op 't noordelijke halfrond van 't N. naar 't Z. en op 't zuidelijke halfrond van 't Z. naar 't N. waniende winden zijn betrekkelijk droog, omdat ze voortdurend in streken met hoogere temporatuur komen, dus relatief droger worden; ze verdichten hunne dampen natuurlijk het meest, waar zij gebergten ontmoeten, omdat die veel warmte uitstralen en dus kouder zijn dan de omgeving. Bergen zijn dan ook dikwijls met wolken omkranst, en aan den voet van gebergten valt dikwijls veel regen. De noordoost- zoowel als de zuidoostpassaat is droog, maar de zuidwestenwind van 't noordelijke en de noordwestenwind van 't zuidelijke halfrond zijn, voor de landen, die aan den westkant der werelddeelen liggen, vochtig. In den smallen gordel der windstilten valt zeer veel regen gedurende hot geheelo jaar. De voortdurend opstijgende warme en vochtige lucht is daarvan de oorzaak. Daar over 't geheel de temperatuur naar de polen afneemt en minder warme lucht ook minder waterdamp kan bevatten, zal over 't algemeen de hoeveelheid regen naar de polen moeten afnemen. De aanwezigheid van bergketenen en andere omstandigheden kunnen daarin evenwel plaatselijk verandering brengen.

De streken op aarde, waar de grootste hoeveelheid regen valt, zijn de gordel der windstilten, het Oostindische moeson-gebied, de westelijke bergrand van 't Pyreneesche schiereiland, de zuidvoet der Alpen, de westkust van Schotland en Noorwegen, de kust van Noordwestelijk Amerika, de westkust van l'atagoniö en Nieuw-Zeeland. In de gematigde zonen is de regenhoeveelheid aan de westkust der vastlanden alzoo 't grootst (de westenwinden hebben do overhand) en naar :t binnenland neemt zij over 't geheel af.

Streken, die arm aan regen of' bijna regenloos zijn, treffen we in de Oude Wereld meer aan dan in de Nieuwe. Oorzaken? Vooreerst de rij van woestijnen en steppen, die in Noord-Afrika met do Sahara begint, zich in Arabië, Syrië, Mesopofamië, Per zie, rondom de Kaspische zee, het Aral meer en het Balkasj-ineer voortzettende. Overal waar zich gebergten verheffen in dit gebied, is de hoeveelheid regen grooter. Naar 't NO. sluiten zich bij dit gebied aan de regenarme streken van Oost-Tocran en de Gobi. Ook in Zuid-Afrika vinden we een gebied, dat arm is aan regen: do Kalahari. In Noord-Amerika is het Iwogland, ingesloten door het Rotsgebergte en de westelijke kustketenen, arm aan regen; hier vindt men de zoogenaamd^

-ocr page 250-

230

Amorikaanscho woestijn, het plateau van Utah. Tn Zuid-Amerika behoort de kustzoom van Zuid-Peru en Noord-Clüli tot do regenarme streken: woestijn Atacama. Ook de binnenlanden van Australië behooren tot de regenarme gebieden.

§ 248. Klimaat. Alle veranderingen van den dampkring vat men samen onder den naam van klimaat. Die veranderingen zijn de gevolgen van oorzaken, welke voor een deel in den dampkring zelf moeten worden gezocht (samenstelling van de lucht, drukking, vochtigheid, verdichting van dampen, electriciteit), voor een deel in zon en maan (warmte en licht), voor een deel in de aarde (hoogte, gesteldheid, vochtigheid, aard van den bodem, richting van de gebergten en dalen, ligging ten opzichte van de zee, meer of mindere rijkdom aan planten). Over vastlandsklimaat en zeeklimaat is in § 0 reeds het noodige medegedeeld. Voorbeelden van landen met een zeeklimaat vinden we in de westranden der werelddeelen, voorzoover de gematigde zone betreft. Waar echter op betrekkelijk geringen afstand van zee eene hoogvlakte zich verheft, zooals in Spanje 't geval is, begint het klimaat reeds droger en 't verschil tusschen hoogste en laagste temperatuur grooter te worden. Op de Kastiliaansche hoogvlakte sneeuwt het soms en de Spanjaarden zeggen, dat zij te Madrid 9 maanden winter en 3 maanden hel hebben. Hoe verder men zich van de westkusten verwijdert, des te meer krijgt het klimaat het karakter van een vastlandsklimaat: Rusland, Middel-Azië. In weerwil van de nabijheid der zee heerscht aan do oostkusten der werelddeelen in de gematigde zonen een klimaat, dat vaak vastlandsklimaat moet worden genoemd. Oorzaak: de heerschende westenwinden.

't Klimaat is van zeer grooten invloed op de planten-, dieren- en men-schenwereld. lerlands en Engelands groene weiden met haar heerlijk vee, Noorwegens wouden, Spanjes armoede aan bevaarbare rivieren, de rijstbouw in de waterrijke Po-vlakte aan den voet der Alpen, het aanwezig zijn van steppen in Zuidoost-Europa en Middel-Azië, van woestijnen in Arabië en Noord-Afrika, 't ontbreken van deze laatste in Europa, de onbewoonbaarheid der hooge bergen, de kwistige rijkdom aan wouden, waarmede de streek der windstilten is getooid, de pelsdieren in do noordelijke streken, 't verschil tusschen don landbouw in Middel- en dien in Zuid-Europa, de schrale bevolking der koude gewesten, — deze en nog vele andere verschijnselen op aarde zijn in de eerste plaats van 't klimaat afhankelijk.

n. DE BEWONERS.

§ 249. Dc Plantemvereld oefent op den mensch en zijne woonplaats geen geringen invloed uit. Hare erflatingen uit vroegeren tijd, in den vorm van veen, bruin- of steenkool tot ons gekomen, worden met dankbaarheid in ontvangst genomen en verwarmen onze vertrekken of dienen tot brandstof in onze fabrieken, om nog niet eens te reppen van don dienst,

-ocr page 251-

•287

welken zij aan 't verkeer bewijzen. (Locomotieven en stoombooten! De vruchtbare humus of teelaarde is hare vormiug aan planten verschuldigd. De duinen worden door de helmplant tegen verstuiving beschermd, en de mangrove's aan de kusten van vele eilanden van Insulinde bevorderen sterk de aanslibbing. We kunnen iets dergelijks zien aan onze kwelders, waar zulte of zeeasster en zeekraal de slib van 't bij eb afstroomende zeewater tegenhouden.

Ook op 't klimaat is de invloed der planten duidelijk waar te nemen. Wouden maken het klimaat van een land koeler en vochtiger en breken de kracht van den wind. Streken, die alle woud missen, steppen en woestijnen, nemen de zonnewarmte spoedig op en stralen ze ook weer spoedig uit, hebben dus eene sterk afwisselende temperatuur. Wouden regelen ook den waterstand, en waar men ze onvoorzichtig genoeg op al te groote schaal heeft uitgeroeid, zooals in Zuid-Frankrijk, do Karst, Dalmatië, Syrië, Palestina en Noord-Afrika, daar openbaren zicli de schadelijke gevolgen in nu eens zeer lagen, dan weei zeer hoogen waterstand, ja in gebrek aan water en in overstroomingen.

Voor de dierenwereld zijn de planten van 't hoogste belang, omdat ze haar voor een goed deel voedsel verschaffen. En 't is zeker niet te veel beweerd, dat zonder bepaalde planten sommige insecten niet zouden bestaan. Waar zich, zooals in de Amerikaansche wouden, de plantengroei zoo krachtig heeft ontwikkeld, is de rijkdom aan insecten verbazend groot. Maar dieren, welke niet kunnen vliegen of klimmen, zullen we in die ondoordringbare wouden niet veel aantreffen; we vinden deze meer in grasrijke streken, die meestal met kleinere en minder dichte wouden afwisselen. De grasetende zoogdieren, waaruit de -nensch zijne huisdieren hoofdzakelijk heeft gekozen, die hem konden voeden en kleeden, lasten konden dragen en den ploeg trekken, zijn voor 's menschen ontwikkeling van 't hoogste belang. De Oude Wereld had, zooals we weten, in dit opzicht op de Nieuwe veel vooruit.

De plantenwereld werkt voordeelig of nadeelig op de ontwikkeling des menschen. Een overgroote rijkdom aan eetbare vruchten zoowel als een armelijke plantengroei werken schadelijk op's menschen beschaving. De eerste maakt hem vaak lui, afkeerig van inspanning; de tweede laat hem geen' tijd over om zijn' geest te ontwikkelen. De gematigde zonen zijn daarom over 't geheel over de ontwikkeling van 's menschen geest, den rechtstreek-schen invloed van 'tklimaat nog buiten rekening gelaten, het best geschikt. Europa is in dezen er het best aan toe, daar het, wat bodem en klimaat betreft, met zeer gunstig gevolg nuttige gewassen uit andere streken dor aarde kan opnemen.

Onder de planten, die den mensch behulpzaam zijn geweest in zijne ontwikkeling, staan de koronsoorten bovenaan. Deze eenjarige planten, die gezaaid moeten worden, dwongen den mensch tot geregeld terugkeerende werkzaamheid, tot landbouw, waarmee gewoonlijk gepaard gaan; vaste woonplaatsen, dichtere bevolking, de vorming van staten en verdeeling van den arbeid. Buiten de grenzen dor korensooi ten leven slechts visschers, jagers of rendierherders. Voorbeelden van den gunstigen invloed der korensoorten levert de geschiedenis in menigte: do oude staten in 't Mesopotamiö van

-ocr page 252-

238

Euphraat en Tigris, de vroege ontwikkeling van Cliina (rijst in de laagvlakte), van Egypte, van Poru eti Mejico (mais); de rijkdom aan rogge, haver, gerst en tarwe in ons werelddeel, de gierst van Noord-Afïika en Voor-Azië, het negerkoren vau den Soedan, — al voorbeelden genoeg om de belangrijkheid der korensoorten voor 's menschen ontwikkeling aan te toonen.

Voorbeelden van andere planten, die den mensch gewichtige diensten hebben bewezen en nog bewijzen, zijn er in overvloed. Denken we slechts aan den aardappel, die naast het brood het hoofdvoedsel van een groot deel der menschen uitmaakt, aan de palmsoorten, die hutbedekking, voedsel, olie, touw enz. leveren. Zonder den kokospalm en den broodboom zouden vele eilanden in den Grooten oceaan onbewoond zijn; de sagopalm levert het dagelijksch voedsel voor de bevolking van oostelijk Insulinde; de olie van eene Alnkaansche palmsoort is een zoo belangrijk handelsartikel, dat men reeds heeft voorgesteld den naam van Slavenkust te veranderen in dien van Oliekust.

Do wouden van Skandinavië hebben een belangrijk aandeel in den handel van dit schiereiland, en zonder den rijkdom aan bosschen, waarop de Oost-Alpen trotsch mogen zijn, zouden de mijnen van Tirol en Stiermarken zeker niet zoo spoedig zijn ontgonnen, 't Katoen van Amerika, ludië en Egypte behoeft slechts te worden genoemd om ons te doen denken aan do belangrijke bijdragen, die dit product levert tot don wereldhandel en de nijverheid. Het linnen is sinds overoude tijden in gebruik en verschaft bezigheid en kleeding aan duizenden. De kofie van Brazilië, van Arabië en Indië, de thee van China, wolk een' invloed hebben ze ook ver buiten de landen, waar ze groeien, op den handel en 't genot der menschen! Welk eene rol speelt niet de wijn van Frankrijk, Zuid-Europa, Hongarije, het Kaapland op het wereldtooneel, en de tabak van do Vereenigde Staten, Middel- en Zuid-Amerika, de Antillen en Insulinde, de olijf van Zuid-Europa (Genua, Marseille en oud-Athene), de opium'van üost-lndië, iiet suikerriet van Oost- en West-Indië en de Vereenigde Staten van Amerika, do banaan van Zuid-Amerika en Oost-lndië!

Ook op de verspreiding der menschen over de aarde hadden sommige gewassen een krachtigen invloed. Het verfhout van Brazilië lokte de Por-tugeezen, het mahoniehout van Belize de Engelschen. De tekhout-bosschen van Arakan, Pegoe en Tenasserim trokken de Engelschen, de rijke specerijen van Oost-lndië de Portugeezen en de Nederlanders. Willen we letton op de gevolgen, ze zijn buitengewoon groot: de wereldhandel werd door 't vinden van den zeeweg naar Oost-lndië verplaatst, de Italiaansche handelssteden daalden, die van 't Pyreneesch schiereiland stegen. Maar we gaan verder. De gunstige uitslag, waarmede de aankweeking van tabak in Virginië werd bekroond, was de oorzaak van do opkomst der tegenwoordige Vereenigde Slaton. Aan de tabak hoofdzakelijk hebben deze hunne Engelsche bevolking te danken. De suikerriet-plantages droegen niet weinig tot bevordering van den slavenhandel bij. Waar de Negers vrij zijn, is de opbrengst van suiker sterk afgenomen, en om in het gebrek aan arbeiders te voorzien, is men Chineesche en Indische koelies gaan invoeren.

§ 250. De, Dierenwereld laat zich evenmin onbetuigd in den invloed op

-ocr page 253-

230

den mensch en zijne woonplaats. Zoo ergens, dan spreekt de maelit van liet kleine in de kalksteen- en krijtgebergten en de koraalriffen en koraaleilanden, die hun' oorsprong aan milliarden kleine diertjes te danken hebben.

Oefent de plantenwereld op de dierenwereld invloed uit, ook de dieren laten hun' invloed gelden op de planten, o, a. in de verspreiding van zaden door vogels.

De mensch heeft onder de dieren zijne vrienden en zijne vijanden. Onder deze vrienden zijn de nuttigste die, welke hij tot huisdieren heeft getemd. Reeds vestigden wij er de aandacht op, dat de Oude Wereld ten opzichte van de grasetende zoogdieren oorspronkelijk beter was uitgerust dan do Nieuwe. De bewoners der Oude Wereld hebben de hoogere ontwikkeling, die zij ten tijde van Columbus hadden, voor een deel aan 't bezit van het rund, het paard en het schaap te danken. De lama, die op de koelere hoogvlakten der Andes leeft, heeft naast de maisplant een niet onbelangrijk aandeel in de hoogere beschaving, waardoor zich de bevolking van Peru en Mejico van de jagersvolken der Amerikaansche steppen onderscheidde. Toen in Afrika de kameel werd ingevoerd ten tijde der Ptolomeën, was dit voordat land en dien tijd eene gebeurtenis van evenveel belang als in onze eeuw de uitvinding der spoorwegen. Zonder den kameel toch bestond voor de beschaafde wereld Zuid-Afrika niet; raèt dat „schip der woestijnquot; was het mogelijk de Sahara door te trekken. De poolstreken zouden zonder het rendier onnoemelijk veel missen. In de Oude Wereld, waar men het getemd heeft, wordt het als trekdier gebruikt en levert het kleeding en voedsel; in de Nieuwe Wereld heeft men het niet getemd. De Noordaineri-kaansche bewoners der poolstreken zijn dan ook veel armer en woester dan de Aziatische. De Indische olifant wordt getemd en als lastdier gebruikt; de Afrikaansche niet, wat niet weinig ertoe bijdraagt om de afgeslotenheid van Afrika te vermeerderen. Een diertje, dat door zijn weefsel een belangrijken invloed heeft uitgeoefend, is de zijderups; China, Zuid-Frankrijk, Spanje en Italië.

Ook de roofdieren kunnen een goeden invloed op 's menschen ontwikkeling uitoefenen, wanneer ze nl. niet in te grooten getale voorkomen. De strijd toch, waartoe ze don mensch uitlokkon, scherpt zijn verstand en doet hem op middelen bedacht zijn om zich zeiven, zijne huisdieren en het wild, dat hij als voedsel gebruikt, tegen aanvallen te beschermen, 't Was dan ook een groot nadoel voor de oorspronkelijke bewoners van Australië, dat dit werelddeel geen groote roofdieren bezit.

Hebben sommige planten als lokmiddelen gewerkt bij de verspreiding van den mensch op de aarde, hetzelfde merken we op bij sommige dieren.

De bevers, die in de Hudsonsrivier hunne woningen bouwden, lokten de Nederlanders uit, zich op het eiland Manhattan te vestigen, waarNieuw-Amsterdam, later New-York, ontstond. Deze en andere pelsdieren waren het, die de Engelschen naar de Uudsonsbaai-landen trokken. De pelsdieren deden Rusland zijne veroveringen uitstrekken over geheel Siberië, en de zeeotter met zijne kostbare vacht lokte hen tot over de Beringsstraat naar Aljaska, dat, nu liet dier daar sterk is verminderd, aan do Veieenigde Staten van Amerika is verkocht. De kabeljauwvangst deed de Franschen

-ocr page 254-

240

bezit nemen van St-Pierre en Miquelon en bracht hen alzoo in de nabijheid van den St-Lauronsstroora, dien zij opvoeren om zich in Canada te vestigen. De potvisch, welke vooral in de aequatoriale gewesten van den Grooten oceaan leeft, was het, die Europeanen en Amerikanen naar deze afgelegen gewesten lokte. De potvischvaarder baande den weg voor den zendeling en den veroveraar, en als nu steden tot bloei komen en christenkerken worden opgericht, waar nog voor korten tijd menschen werden geofferd, dan moeten we erkennen, dat zonder de aanwezigheid van den potvisch of cachelot in het tropische deel van den Grooten oceaan stellig niet zoo spoedig die groote veranderingen zouden hebben plaatsgevonden. De walvischvangst en de robbenslag voerden de Europeanen naar de uiterste einden der aarde, en sommige bezittingen der Europeanen in of bij die koude gewesten zijn weinig meer dan stations voor de visschers: Groenland, de Falklandseilandeu.

§ 251. De Mensch. Herhaaldelijk reeds is er gesproken over den invloed, dien de aarde, het water, do dampkring, de planten en de dieren op de ontwikkeling des menschen hebben. Hoe meer die ontwikkeling toeneemt, des te meer weet de mensch van de hem omringende natuur partij te trekken. Hij weet de schadelijke invloeden steeds meer af te wenden en de gunstige te zijnen voordeele te gebruiken. Zelfs weet hij den tegenstand, hem dooide natuur geboden, vaak te overwinnen. Wij zagen er reeds eenige voorbeelden van. In enkele trekken zullen we nog even den invloed nagaan, dien de mensch op de natuur heeft uitgeoefend.

Waar de zee vroeger de landen scheidde, is zij nu vaak eene verbinding geworden ten gevolge van de hooge vlucht, die de stoombootvaart in de laatste jaren heeft genomen. Eilanden, nabij het land gelegen, worden soms door bruggen daarmede verbonden (Anglesea); zelfs heeft men het plan opgevat, Frankrijk en Engeland door een onderzeeschen tunnel te vereenigen. De aarde wordt in zekeren zin kleiner ten gevolge van de versnelde middelen van gemeenschap. Wie vroeger een uitstapje langs den Rijn en naar den Harz maakte, kou reeds voor bereisd doorgaan, en wie zijne tochten tot Zwitserland uitstrekte, had veel gezien. Thans gaat menigeen de wonderen van het Amerikaansche Rotsgebergte aanschouwen, of men geeft gehoor aan eene uitnoodiging, om eene reis mee te maken naar Rio de Janeiro en de binnenlanden van Brazilië; men schaft zich een reishandboek aan voor Egypte en Nubië om een kijkje in Afrika te nemen, of gaat een pleiziertóchtje naar de Noordelijke IJszee doen. In 80 dagen kan eene reis rondom de aarde worden volbracht. Van Londen uitgaande, kunnen we gedeeltelijk per spoor, gedeeltelijk per stoomboot in 9 dagen New-York bereiken, van waar we in 7 dagen naar San Francisco kunnen sporen. De pakketboot brengt ons in 22 dagen naar Jokohama, van daar in 0 dagen naar Hongkong en verder in 13 dagen naar Calcutta. De reis van daar naar Bombay eischt per spoor 3 dagen; de afstand van Bombay naar Sues wordt per stoomboot in 13 dagen afgelegd en van daar over Brindisi en door den Mont-Fréjustunnel naar Londen terug worden 7 dagen gerekend. — Telegraaflijnen over land en over den bodem der zeeën brengen in een oogwenk 's menschen gedachten van het eene einde der aarde tot het andere over.

-ocr page 255-

241

Zooveel vermag de menschel ij ke geest, wanneer hij, geleerd door de natuur, zich aan hare schadelijke invloeden hoeft weten te onttrokken en hare krachten heelt loeren aanwenden tot eigen voordeel.

Dat de mensch op den omtrok der landen zijn' invloed kan doen gelden, leert Nederland ons zoo duidelijk, dat wij 't onnoodig achten ons hierbij op te houden. Polder bij polder toch verkondigt luide de overwinningen, die de mensch op het water behaalde, en misschien zal Nederland met enkele jaren, na de droogmaking der Zuiderzee, eone provincie meer tellen.

's Menschen hand werkt ook in op de agronomische waarde van den bodem; dat loeren ons onze bouwgronden, die op verrena niet meer zijn wat ze waren, en onder deze wel niet het minst do veenkoloniën en de streken, waar men aan kloidelven doet.

Zeeën verbinden, gebergten scheiden, 't Laatste is slechts ten deele meer waar, nu op vele plaatsen prachtige wegen over de bergpassen zijn aangelegd (Alpenpassen, Darialpas) en tunnels eone reohtstreeksche verbinding tusschen anders gescheiden staten in 't leven hebben geroepen, of spoorstaven over de bergen zijn geslagen. (Do reuzenarbeid in Peril, waar een spoorweg tot eone absolute hoogte, bijna zoo groot als de Mont-Blanc-top, is gelegd!) Zoo heeft de mensch ook de verticale geleding van zijne woonplaats aan zijn' invloed onderworpen.

Waar men het noodig achtte, zijn de rivieren uit hare beddingen geleid, en kanalen voeren het water daarheen, waar de mensch dat wil, 'tzij om het overtollige water af te voeren, of om den handel te bevorderen, of om den bodem te bevochtigen. (Nederland, Egypte, China!) Geheele plassen zijn drooggemalen (Hollandsche meerpolders), moerassige kuststreken voor veeteelt en landbouw geschikt gemaakt, stroomen overbrugd. Zoo iemand, dan heeft de Nederlander reden om trotsch te zijn op de overwinningen, door hem in den loop der eeuwen op het zoet- en het zoutwater behaald.

's Menschen invloed op 't klimaat is gering en bepaalt zich hoofdzakelijk tot het aanplanten en uitroeien van bosschen, die invloed op de temperatuur en de hoeveelheid water uitoefenen. Buitendien kan hij door het droogmaken van moerassen, poelen en meren de vochtigheid van den dampkring verminderen.

Veel grooter is de invloed van den mensch op de plantenwereld. Waaide bevolking het dichtst is, zal meestal de plantenwereld het minst oorspronkelijk zijn; men zal er tot zekere hoogte eene kunstmatige Hora aantreffen. De groote wouden, die ton tijde van de oude Germanen Nederland en Duitschland bedekten, zijn grootendeels verdwenen en hebben plaats gemaakt voor uitgestrekte weiden en eene menigte nuttige gewassen, die voor een deel zelfs in andere werelddeelen te huis behooren. De mensch verspreidt de planten over de aarde om er zijn voordeel mee te doen; soms echter gebeurt eene overplaatsing zonder dat hij die hoeft gewild. Vele onkruiden, b. v. de waterpest, welke laatste zeer lastige plant uit Amerika is overgebracht; de weegbree, die door de Roodhuiden „voetstap van den blanken manquot; wordt genoemd, omdat zij zich overal vertoont, waar de blanken zich vestigen.

Ook op de dierenwereld is 's menschen invloed zeer groot. Denken we p, r. bos, Bekn. Aardr., Sa druk. 1G

-ocr page 256-

242

slechts aau het uitroeien van den bever in onze streken (Beverwijk), aan het afnemen van 't wild, het verdwijnen van den zeeotter in Aljaska, vau pen steenbok in de Alpen, van den bison in Amerika, van den leeuw in Zuid-Europa. Waar de beschaafde mensch kwam, voerde hij zijne huisdieren in, en in dit opzicht hebben Amerika en Australië veel aan Europa te danken. Waar de dichtheid van bevolking toeneemt, worden de roofdieren uitgeroeid, en waar, zooals in het Mesopotamië van Tigris en Euphraat, de bevolking in aantal is afgenomen, vermeerdert het wilde gedierte.

We hebben eenige invloeden nagegaan en aangeduid, waaraan de mensch in den loop der tijden was blootgesteld of die hij op zijne omgeving uitoefende. Daarmede is echter niet gezegd, dat de menschelijke ontwikkeling geheel afhankelijk is van 's menschen omgeving; integendeel: oorspronkelijke aanleg is zonder twijfel van niet minder belang dan de invloed der woonplaats. Donk u Oud-Griekenland bewoond door Australiërs of Rome door Papóea's, en 't zal u onmogelijk zijn, u een bloeitijdperk der Grieken of eene wereldheerschappij der Romeinen voor te stellen. In hoeverre nu dat, wat wij oorspronkelijken aanleg noemen, weder ten deele een gevolg is van vroegere invloeden, van woonplaats en geschiedenis, is moeilijk uit te maken. Maar denk u de steppen van Zuid-Amerika bewoond door de oude Grieken en vraag u dan af, of eene ontwikkeling als de hunne daar had kunnen plaats vinden, of zij, wier beschaving uit de zee was geboren, daar hadden kunnen worden, wat zij in hun Griekenland zijn geweest! Die wisselwerking tusschen het land met zijne voortbrengselen, zijn klimaat, zijne ligging, en zijne bewoners na te gaan, is niet eene van de minst belangrijke bezigheden van den beoefenaar dor aardrijkskunde.

-ocr page 257-

YIII. DE A AR,DE ALS HEMELLICHAAM.

§ 252. Hemelbol. Wanneer wij ons op eene plaats bevinden, waar het uitzicht nergens belemmerd wordt, dan vertoont zich de onmetelijke ruimte boven ons als een ontzaglijk groote halve bol, in welks middelpunt ons oog zich bevindt. Zon, maan en sterren schijnen aan het oppervlak van dien bol bevestigd te zijn, ofschoon ze in werkelijkheid op geheel verschillende afstanden van ons zijn geplaatst. Daar het oog het middelpunt van dien bol is, bestaat er voor iederen waarnemer op verschillende plaatsen der aarde eigenlijk een verschillende hemelbol. Daarom neemt men een' hemelbol aan, waarvan het middelpunt niet is het oog van den waarnemer, maar het middelpunt der aarde. Den straal neemt men willekeurig, maar in elk geval zóó groot, dat onze afstanden op aarde er bij in 't niet verzinken. De betrekkelijk geringe afmeting van den straal der aarde ten opzichte van den straal des hemelbols maakt echter, dat deze denkbeeldige hemelbol niet van dien, welken men meent waar te nemen, verschilt. De plaats der verschillende hemellichamen aan het oppervlak van den aangenomen bol wordt aangewezen door de punten, waar de verbindingslijnen van het middelpunt der aarde met die hemellichamen het boloppervlak snijden. (Men hoede zich, de grootte van den hemelbol af te meten naar de voorstelling, die eene bewolkte lucht er van geeft. Waarom?)

§ 253. Punten, Lijnen en Vlakken, bij den Hemelbol voorkomende. Bij eene oppervlakkige kortstondige beschouwing van den hemelbol schijnt deze stil te staan. Plaatst men zich echter op een' avond zóó, dat men den bovenkant van een dak, de spits van oen' toren of iets dergelijks juist met eene ster laat samenvallen en keert men na een of twee uren naar hetzelfde punt van waarneming terug, dan zal men opmerken, dat de ster zich heeft verplaatst. Ook de andere sterren hebben zich verplaatst, maar zij blijven toch ten opzichte van elkaar dezelfde punten innemen, zoodat wij tot het besluit komen, dat de geheele hemelbol zich beweegt. Na ongeveer 24 uren evenwel hebben alle sterren weer dezelfde plaats bereikt. Daaruit leiden wij de gevolgtrekking af, dat de hemelbol draait. Bij eene zeer aandachtige beschouwing van den sterrenhemel zal men op ons noorder halfrond eene ster vinden, die zich niet beweegt. (Eigenlijk is dit niet volkomen juist; want die eene ster beschrijft nog een Cirkeltje.) De dichtbij haar geplaatste sterren schijnen cirkeltjes om haar te beschrijven, ééns in ieder etmaal. De hemelbol draait dus om eene as, die door genoemde ster (de Poolster) en het

16*

-ocr page 258-

244

De bovenstaande figuur stelt voor de doorsnede van de aarde, van een waargenomen en den aangenomen hemelbol; M middelpunt der aarde; O oogpunt; S' plaats aan den hemelbol van ecne ster die zich in 5 bevindt. De afmetingen der aarde zijn in verhouding tot de geheele figuur veel te groot geteckend.

-ocr page 259-

245

hemelbol de schijnbare horizon. Dozo is een kleine cirkel, maar verschilt zeer weinig van een grooten, daar de afstand oM heel gering is.

Schijnbare horizon en meridiaan snijden elkaar in twee punten, die men noord- en zuidpunt noemt naar de pool, die hot dichtstbij gelegen is. Op een' afstand van 90° van deze punten liggen in den schijnbaren horizon oost- en westpunt. Willekeurige vlakken, door de wereldas gebracht, snijden den hemelbol volgens grootecirkels, declinatiecirkels genoemd. De meridiaan is dus ook een declinatiecirkel. Willekeurige vlakken, loodrecht op de wereldas gebracht, snijden don hemelbol volgens kleine cirkels, parallelcirkels genoemd.

/,

De hock van do wereldas met den schijnbaren horizon heet poolshoogte. Een vasten stand, onafhankelijk van de plaats, waar men zich op aarde bevindt, hebben dus; de wereldas met hare beide polen, de aequiitor, de parallelcirkels en de declinatiecirkels.

Met de plaats op de aarde veranderen: verticaal met zenith en nadir, ware en schijnbare horizon met noord-, zuid-, oost- en westpunt, en de poolshoogte.

Dc groote cirkel in het vlak van teekening is de meridiaan. M middelpunt der aarde; o oogpunt; P en P' noord- en zuidpool; Z en N zenith en nadir; SWN'O schijnbare horizon; JU li' ware horiron; ALU aequktor; N' en S noord- en zuidpunt; O en W oost- en westpunt; PDP' declinatiecirkel; KL'K' parallelcirkel; L PMil poolshoogte, gewoonlijk gemeten door L PoY, daar men oP en MP voor alle plaatsen der aarde wel evenwijdig kan nemen; oM is evenals in de vorige figuur veel te groot geteekend.

-ocr page 260-

Bovenstaande figuur is eene doorsnede van den hemel- en den aardbol; de laatste weer veel te groot. M middelpunt; PP' wereldas; pj/ aardas; Zy verticaal; o oogpunt; t tegenpunt daarvan; ////' ware horizon; ■SA' schijnbare horizon; AQ en aq hemel- en aardaequfitor; lJQ,P' meridiaan van den hemel, /«/// van de aarde; PDP' declinatie-cirkel, overeenkomende met pdp' aardmeridiaan; KK' parallelcirkel van den hemel, overeenkomende met kk' van de aarde.

-ocr page 261-

247

De lijnen on vlakken, die totnogtoe behandeld zijn, kan men niet direct waarnemen. Eene lijn op aarde, welke men direct kan zien, is de kim of gezichteinder, in 't dagelijksch leven ook wol horizon genoemd, maar wèl te onderscheiden zoowel van den schijnbaren als van den waren horizon, welko beide lijnen aan don hemelbol zijn. Waar geen voorworpen het uitzicht belemmeren, vertoont zich een gedeelte der aardoppervlakte aan ons oog als een cirkel, in welks middelpunt wij ons bevinden en welks omtrek daar wordt gevonden, waar het hemelgewelf op de aarde schijnt te rusten. Die omtrek heet de kim. Het is de bolvorm der aarde, welke ons belet, tot in het oneindige door te zien, ook wanneer wij ons b. v. op zee bevinden. Daar ons oog zich nl. altijd iots boven do aardoppervlakte bevindt, b. v. in O, zullen wij een gedeelte van het boloppervlak kunnen overzien, waarvan de grens zal worden gevormd door de raakpunten der raaklijnen, uit ons oog aan dien bol getrokken. Komt men hooger, b. v. in (7, dan kunnen wij eene grootere oppervlakte overzien, zooals uit onderstaande figuur blijkt. De top

van een hoog voorwerp

£1,1* vogt;*■ itvn nc/iyu o_;.i_'n /-////ff _______ dat ons nadert, b. v.

de mast van een schip, of dat wij naderen, is eerder zichtbaar dan de voet. Waarom'? Verplaatsen we ons, dan verplaatst zich tevens onze kim; voorwerpen, die zichtbaar waren, verdwijnen en nieuwe voorwerpen komen binnen het bereik van onze oogen.

g 255. Dagdijksche beweging aan den hemd. Wij hebben gezien (§ 253), dat in ongeveer 24 uren de sterren den loop in haren parallelcirkel om de wereldas volbrengen. Maar ook de zon en de maan doen evenzoo. Een gedeelte van den boog, dien zon, maan en sterren beschrijven, ligt boven, een ander gedeelte beneden den schijnbaren horizon, of, wat in de toepassing meestal bijna op 'tzelfde neerkomt, boven of beneden de kim. Er zijn echter ook sterren, die nooitamp;beneden, en ook, die nooit boven den schijnbaren horizon van de eene of andere plaats komen. Welke? Het deel van den boog, dat boven den schijnbaren horizon ligt, heet dagboog, het deel, dat er beneden ligt, nachtboog.

De zon komt eiken morgen in do ooststreek op en gaat in ons halfrond door het zuiden juist om 12 uur des middags, om in de weststreek des avonds onder te gaan. In het zuiden heeft de zon den hoogsten stand; men zegt dan, dat zij culmineert. Zij is dan juist in den meridiaan, zooals de figuur op blz. 245 aanwijst, wanneer men de zon den parallelcirkel KIJK laat doorloopen. Ook de maan en de sterren komen aan de oostzijde op, culmineeren en gaan aan de westzijde onder; echter ieder op zijn eigen tijd. De duur van onzen dag wordt bepaald door den tijd, gedurende welken de zon boven den horizon is, do middag door hot tijdstip der culminatie, de middernacht door het tijdstip, waarop de zon het diepst onder den horizon is, wat plaats heeft in het noorden in den meridiaan (in K' bij de figuur op blz. 246).

(ten av/iyu den acamp;ifn

0' haren hovi.zon 0 btii'tni hor 12o//. /-

Kim

vuji 0

Kim

vanü'

-ocr page 262-

248

De poolshoogte verandert naar de plaats, waar men zich bevindt. Op 90° NB., d. w. z. aan do noordpool der aarde, is de poolshoogte ook 90° en de noordpool des hemels valt dus samen met het zenith, de verticaal met dè wereldas en de aequator met den waren horizon. Voor den denkbeeldigen poolbewoner zullen de sterren zich dus evenwijdig aan don horizon moeten bewegen. De helft van den hemelbol zal dus voor hem altijd boven, do andere helft altijd beneden den horizon blijven. (Evenwijdige stand).

Voor hem, die onder den aequator woont, liggen de polen des homels in den horizon en staat de aequator, die door het zenith gaat, loodrecht op den horizon. De parallelcirkels, die de hemellichamen beschrijven, zullen dus voor de helft beneden, voor de helft boven den horizon vallen. Alle sterren zullen voor den bewoner van den aequator op- en ondergaan. (Loodrechte stand).

Voor de bewoners van de streken tusschen den aequator en de polen heeft de wereldas een schuinen stand ten opzichte van den horizon; de loopbanen der hemellichamen staan dus ook schuin. Een deel der sterren zal altijd boven den horizon blijven, een ander deel zal op- en ondergaan en een deel zal zich nooit vertoonen. (Schuine stand). Dit geval komt natuurlijk verreweg het meest voor, o. a. in Nederland.

§ 256. Plaatshepaling aan den Hemel en op de Aarde. Do op den hemelbol getrokken cirkels geven ons een middel aan de hand, een punt aan den hemel te bepalen. Men behoeft daarvoor slechts op den declinatiecirkel dier plaats het aantal graden af te meten, dat zij van den aequator verwijderd is. Men telt van den aequator af naar de polen toe van 0° tot 90° en noemt deze grootheid noorder- of zuiderdeclinatie. Om verder den stand van den declinatiecirkel te bepalen, telt men op den aequator van af het voorjaarspunt, een punt dat men altijd kan terugvinden, in tegengestelden zin met de dagelijkse he beweging van den hemelbol tot aan het snijpunt met den declinatiecirkel. Deze grootheid, die tusschen 0° en 3G0o kan variëeren, heet rechte opklimming.

Evenzoo bepaalt men de ligging van een punt op aarde. De no order- of zuiderbreedte (zie § 258) komt overeen met do declinatie. Eene grootheid, die met de rechte opklimming overeenkomt, is de lengte, welke op den aardaequator wordt geteld van een bepaald punt af, nl. van dat punt, waar de eerste meridiaan den aeqnator snijdt. Als eersten meridiaan neemt men veelal aan dien van Greenwich, van Parijs of van b'erro. Men onderscheidt wester- en oosterlengte en telt dus aan beide zijden van den eersten meridiaan van 0° tot 180°.

Ferro ligt op 20° WL. van Parijs; Greenwich ligt op 2° 20' 28quot; WL. van Parijs. (Vergelijk bij deze § de figuur op blz. 2). Daar het op iedere plaats 12 uur is, wanneer de zon zich in den meridiaan dier plaats bevindt en de zon gelijkmatig in 24 uur haren parallelcirkel beschrijft, is het verschil in lengte evenredig met het verschil in tijd. Een uur verschil in tijd geeft Y'jquot; — 15° verschil in lengte. Een graad lengteverschil geeft dus 4 minuten tijdsverschil.

Als wij naar hot westen reizen, dan zal ons horloge steeds meer vóór-loopen; gaan wij naar hot oosten, dan zal het steeds meer achterblijven.

-ocr page 263-

219

Bij eeiic reis in westelijke richting om de aarde hebben wij daarom, wanneer wij ons horloge gedurig met don tijd gelijk zotten, op zijn minst 79, bij eene reis in oostelijke richting 81 dagen noodig; lieten wij evenwel onze uurwerken ongestoord loopen, dan zou ons blijken, dat de reis in 80dagen was volbracht. (Zie § 249).

§ 257. Gedaante der Aarde. Ofschoon de aarde zich aan ons als een plak vlak voordoet, kunnen wij toch gemakkelijk zien, dat zij een gebogen oppervlak bezit, en wel aan de volgende verschijnselen:

1. Het bestaan van eene kim of een' gezichteinder.

2. Het grooter worden van die kim, naarmate de waarnemer een hooger standpunt inneemt.

3. De wijze, waarop men zich verwijderende voorwerpen ziet verdwijnen, nl. eerst het benedenste en daarna het bovenste gedeelte.

4. De reizen, die men rondom de aarde heeft volbracht. Altijd is men op het punt van uitgang teruggekomen en nergens heeft men hoeken aan de aarde ontmoet.

Dat de aarde een bijna bolvormig lichaam is, blijkt uit het volgende:

1. De altijd ronde vorm van de kim.

2. Het verschil in tijd tussehen plaatsen, die O. en W. van elkaar liggen in verband met de standsverandering van den sterrenhemel, als men naar 't N. of naar 't Z. reist.

3. De ronde vorm van de schaduw der aarde, die zich bij eene maan-eclips op de maan afteekent. (Zie § 267).

Door andere, meer nauwkeurige waarnemingen en berekeningen is gebleken, dat de aarde geen volkomen bol is, maar dat de aardas een weinig korter is dan de diameter van den aequator; zij staan misschien tot elkaar als 298 : 299.

§ 258. Dageljksche beweging der Aarde. Wanneer wij met den spoortrein aan een station aankomen op het oogenblik, dat daar juist een trein vertrekt, kunnen wij niet het oogenblik waarnemen, waarop onze trein stilstaat, terwijl de trein naast ons doorgaat, tenzij wij het voelen of over den anderen trein heen een stilstaand punt kunnen zien. Wij ineenen nog vooruit te gaan, wanneer wij reeds lang stilstaan. Evenzoo is het met den hemel en met de aarde. Wij kunnen niet uit bloote waarneming der beweging beslissen, of die beweging behoort bij den hemelbol, zooals wij totnogtoe aannamen, dan wel bij de aarde. De hemelbol draait voor ons van 't O. naar 't W., boven den horizon langs; do aarde zal dus, indien zij het is die draait, zich van 't W. naar 't 0. moeten bewegen, ook in 24 uur. Deze laatste onderstelling heeft veol voor zich, wanneer men bedenkt, dat onze hemelbol niet werkelijk bestaat, dat do hemellichamen op zeer verschillenden afstand zijn geplaatst en in denzelfden tijd de omwenteling schijnen te volbrengen, en dat de aarde zoo verbazend klein is, in vergelijking met de andere lichamen. Buitendien zou het grootste gedeelte der hemellichamen zich om eene onstoffelijke wereldas moeten bewegen, wat op natuurkundige gronden slecht valt aan te nemen.

Gronden voor de aswenteling of rotatie der aarde zijn nog de volgende:

De afgeplatte vorm der aarde. De aarde toch is geen volkomen bol, maar is naar de polen afgeplat, een verschijnsel, dat zich geheel laat verklaren

-ocr page 264-

250

door aan to nemen, dat de aarde vroeger oen week lichaam was, 'twelk door de aswenteling den tegenwoordigen vorm heeft verkregen. Tengevolge van die aswenteling kregen de deelen, die 't verst van de omwentelingsas verwijderd waren, eene grootere zoogenoemde middelpuntvliedende kracht.

Een gevolg van den afgeplatten vorm der aarde is, dat een zeker lichaam aan den aequator minder moet wegen dat aan de pool en dat oen secondeslinger aan den aequator korter moet zijn dan aan de pool, daar de aantrekkingskracht der aarde zich hier sterker openbaart dan ginds en de slingertijd langer is, naarmate de slinger langer en de aantrekkingskracht kleiner is.

De afwijking van een vallend lichaam. Een lichaam, dat van eene groote hoogte valt, wijkt een weinig oostelijk van de verticaal af. 't Verschijnsel Iaat zich volkomen verklaren door de rotatie der aarde: 't is een gevolg van de grootere snelheid, waarmede het lichaam zich van het W. naar het O. beweegt op het punt, waar men het laat vallen, daar het vallende lichaam ten gevolge van de intertie die grootere snolheid niet dadelijk verliest.

Do slingerproeven- van Foucault leveren een sprekend bewijs voor de aswenteling der aarde. Wanneer een slinger zich volkomen vrij beweegt, dan blijft hij standvastig in hetzelfde vak slingeren. Zulk een vrij opgehangen slinger zal evenwel van slingorvlak schijnen te veranderen; op onze breedte bedraagt die schijnbare afwijking 12° in het uur. Telkens als men die proef met do vereischto voorzorgen neemt, krijgt men dezelfde uitkomsten, die zich niet anders laten verklaren, dan door aan te nemen, dat de aarde draait. Aan de polen zal hot slingorvlak achtereenvolgens met alle meridianen samenvallen en do afwijking per uur Y',,00 — 15° bodragen.

De overeenkomst mot andore hemellichamen. Op sommige hemellichamen toch ziet men vlekken, die zich in bepaalde tijden voortbewegen, waaruit we tot eene aswenteling kunnen besluiten.

Ook in de richting der winden vindt men bewijzen voor de rotatie der aardo; daar de luchtstroomen op het noordelijke halfrond naar rechts, op hot zuidelijke naar links afwijken.

De afwisseling van nacht en dag en de regelmatige beweging dor hemellichamen laten zich, uitgaande van wat wij nu als waar aannamen, — eene wenteling der aarde om hare as in 24 uur, — zeer goed verklaren. Nacht is het, als dat gedeelte der aardoppervlakte, waar wij wonen, van de zon is afgewend; dag is het, als onze woonplaats naar de zon is toegekeerd. Wij ontvangen hot licht van de zon, en de aarde is dus een donkere bol.

§ 259. Straalbreking an Schemering. In den dampkring worden de lichtstralen gebroken, en daar wij nu een voorwerp altijd zien in de richting van de lichtstraal, die ons oog bereikt, zullen wij de hemellichamen niet zien op do plaats, welke zij in de ruimte innemen, maar iets hooger boven don horizon. Aan don horizon bedraagt dit verschil zooveel, dat, als wij den onderrand dnr zon de kim zien aanraken, dit hemellichaam in werkelijkheid reeds juist beneden den gezichteinder is. Naar hot zenith neemt de straalbreking af on in het zenith is zij 0. Door de straalbreking laat zich ook de gedrukte vorm van zon en maan verklaren, als deze opkomen of ondergaan.

De schemering wordt veroorzaakt door terugkaatsing van het zonlicht door

-ocr page 265-

251

den dampkring, die zich hooger bevindt dan de aardoppervlakte en dus nog verlicht wordt, als de zon reeds beneden de kim is. (Vergelijk de figuur op blz. 247.)

De sterrenkundige schemering duurt tot do zon 18° beneden de kim is gedaald (geteld langs den declinatiecirkel, niet langs den parallelcirkel dei-zon). De burgerlijke schemering duurt zoo lang als men vóór zonsop- of na zonsondergang nog zonder kunstlicht kan zien. De schemering duurt het kortst in de heete gewesten, waar de dagboog der zon loodrecht ol' bijna loodrecht op den horizon staat; langer daarentegen op onze breedte, waar het in de kortste nachten, als de zon (90° — 53°) — 23l/2 = 13middernachtsdiepte bereik, niet donker wordt; het langst in de poolstreken, waaide langdurige schemering den naren langen nacht aanmerkelijk verkort.

Straalbreking en reflectie wijzigen alzoo de in de vorige en volgende § § besproken verschijnselen.

§ 260. Jaarljksche beweging der Zon. Wij hebben allen wel opgemerkt, dat in den zomer de dag meer, in den winter minder dan de helft van het etmaal inneemt. De 218t0 Juni is bekend als de langste, de 218,0 December als de kortste dag van 't jaar. De zon komt in den zomer ten noorden van het oostpunt op en gaat ten noorden van het westpunt onder. Daaruit volgt, dat de zon zich ten noorden van den aequator moet bevinden. In den winter komt zij bezuiden het oogpunt op en gaat bezuiden het westpunt onder. Dan moet de zon zich ten zuiden van den aequator bevinden. Op 21 Maart (ongeveer) en 23 September (ongeveer) bevindt zij zich juist in den aoquiitor, zooals blijkt uit de opkomst en den ondergang juist in oost- en westpunt. De declinatie der zon verandert dus met eene periode van een jaar.

Wanneer wij bij den ondergang der zon naar eenige sterren zien, wier loopbanen ongeveer met de zonnebaan samenvallen en die juist dan culmi-neeren, dan zien wij de helft van den boog, dien zij boven den horizon beschrijven, tusschen haar en de zon liggen. Herhalen wij onze waarneming na eenige dagen, dan zullen wij zien, dat de afstand tusschen die sterren en de zon kleiner is geworden. Eindelijk wordt die afstand 0; dan gaat de zon nog verder en na een jaar is zij de sterren weer tot op de helft van haren dagboog genaderd. De rechte opklimming der zon verandert dus ook met eene periode van een jaar.

De zon beschrijft alzoo jaarlijks eene baan aan den hemel, in tegengestelden zin met de dagelijksche beweging van den hemelbol, dus in denzelfden zin met de aswenteling der aarde. Die baan, de zonneweg of ecliptica genoemd, is een groote cirkel, welks vlak een' hoek van 23I/2 met het vlak van den aequator maakt en die den aequator snijdt in het voorjaars- en het najaarsnacht evenings punt, waarin zich de zon op 21 Maart en 23 September ongeveer bevindt. Deze punten worden ook wel kortweg het voorjaars- en het najaarspunt genoemd (Zie § 256).

Daar de zon voor haar dagelijkschen omloop om de aarde ongeveer 4 minuten meer noodig heeft dan de sterren, zoo is een zonnedag 4 minuten langer dan een sterredag. Een jaar tolt ± 365 zonnedagen en SGO sterre-dagen (eigenlijk 365 dagen, 5 uren, 48 minuten, 45 seconden zonnedagen). Een uurwerk, dat van do eene culminatie eener ster tot do volgende op

-ocr page 266-

252

dezelfde plaats, 24 uren tijdsverloop aanwijst, is naar den sterrentijd geregeld. Een uurwerk, dat van den middag, wanneer de zon culmineert, tot middernacht, wanneer zij onder den horizon culmineert, 12 uren, en van middernacht tot den volgenden middag weer 12 uren aanwijst, is naar den zonnetijd geregeld.

§ 261. Jaargetijden en Luchtstreken. Stond do aardas loodrecht op hot vlak der ecliptica, dan zouden de vlakken van ecliptica en aequator samenvallen, daar beide in hetzelfde punt (middelpunt der aarde) op dezelfde lijn loodrecht staan. Dag en nacht zouden dan altijd en overal even lang zijn, want de aequator, waarin zich de zon dan zou bevinden, wordt als groote cirkel door een anderen grooten cirkel, nl. den waren horizon, steeds midden

door gedeeld '). De aardas wijkt echter 23'/j0 van de loodrechte richting af en dus maakt de ecliptica ook met den aequator een' hoek van 231/2°. In nevenstaande figuur, in het vlak van den meridiaan gelegen, is, als gewoonlijk, PP' de wereldas, ZN de verticaal, JIH' de ware horizon, AQ de aequator en EC de ecliptica. Is de zon nu bij hare jaarlijksche beweging in E, dan zal zij bij

de dagelijksche beweging den parallelcirkel EK beschrijven, waarvan het grootste deel boven den horizon ligt. De dag is dan voor den bewoner van het noordelijke halfrond het langst, voor dien van 't zuidelijke het kortst. Tevens komt voor het noordelijke halfrond de zon het hoogst boven den horizon, nl. in E, wat grootere warmte ten gevolge heeft (21 Juni), Op don 21 December is de zon in C en heeft juist het omgekeerde plaats. Op den 21 Maart en 23 September beschrijft de zon juist den aequator. — Hiermee is het lengen en korten der dagen en bijgevolg do afwisseling der jaargetijden verklaard.

Was !_ AMZ (— [_ l'MA — poolshoogte) = 2r!1;20, dan zou het punt E in Z komen te liggen en dus eens in 't jaar de cirkel ZN worden beschreven, derhalve de zon in 't zenith komen. Op 231/S10 van den aardaequator vindt men dus ter weerszijden een' cirkel, keerkring genoemd, waar de zon voor de

') Ofschoon men cigonlijk het vlak van den kimcirkcl moot nemen, verschilt flit zoo weinig van het vlak van den waren horizon, dat men ze wel mag verwisselen.

-ocr page 267-

253

aardbewoners eons per jaar in 't zenith staat. Wat gobenrt or aan de linie-zelve on wal zon er gebeuren, indien do hook A Mil' =z 23'/2° en dus de poolshoogte GC1/^0 was?

Tengevolge van deze helling der aardas op de ecliptica zijn er op aarde verschillende luchtstreken ot' zonen op te merken. Tusschen do keerkringen ligt de heete of' verzengde luchtstreek, waar de zon tweemaal 's jaars door het zenith gaat. Op 00'/2° geografische breedte vindt men de poolcirkels, waar de zon eenmaal 's jaars de 24 uur geheel boven den horizon doorbrengt. Tnsschen de poolcirkels en de keerkringen liirgen de noordelijke en de zuidelijke gematigde luchtstreken. Door de poolcirkels worden de noordelijke en de zuidelijke koude luchtstreken ingesloten. Aan de polen is de zon een halfjaar boven en een halfjaar beneden den horizon. Maar straalbreking en schemering hebben op hooge geografische breedten grooten invloed op de lengte van den dag.

§ 202. Beweging der Aarde om de Zon. Ofschoon nu de zon jaarlijks een' cirkel om de aarde schijnt te beschrijven, mag men daaruit nog niet besluiten, dat de zon zich beweegt, en de aarde stilstaat. Tot op Copernicus (geb. in 1473) huldigde men het meer of minder gewijzigde stelsel van Ptolomaeus (130 na O.), waarbij werd geleerd, dat de aarde stilstaat en de Maan, Mer-curius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus zich om haar bewegen. Maar alleen de geringe grootte van de aarde in vergelijking met de zon doet ons reeds de waarschijnlijkheid inzien van wat Copernicus beweerde,

nl. dat de aarde zich met de overige planeten om de zon beweegt. Die

waarschijnlijkheid wordt

zekerheid, wanneer wij door sterrenkundigen hooren verzekeren, dat alle verschijnselen

bij de beweging der hemellichamen aan het hemelgewelf zich volkomen laten verklaren, als men aanneemt, dat do zon het middelpunt vormt van ons planetenstelsel en dat alle planeten zich om haar bewegen. De aarde beschrijft in een jaar eene baan van ongeveer 130 millioen geografische mijlen (waarbij hare aa steeds aan zich zelve evenwijdig blijft, — zie de figuur), en op dien weg neemt ze haren dampkring ten gevolge van de werking der

Bovenstiiando figuur stolt den loop der siardo om dn zon voor: ygt;// aardus; aq' acquator ; /, zon. Men wachto zich, deze ollips, niets anders dan een cirkel in perspectief, voor de werkelijke elliptische loopbaan te houden.

-ocr page 268-

254

zwaartekracht mee. De aarde heeft dus eene dubbele beweging: zij beweegt zich in een jaar om de zon en wentelt in denzelfden zin zich te gelijk voortdurend om hare as, en wel ieder etmaal één' keer.

De aarde beweegt zich evenmin als de andere planeten in een volkomen cirkel. Eigenlijk is de baan eene ellips, waarvan het eene brandpunt zich in het midden der zon bevindt. F..;n gevolg daarvan is, dat de aarde niet altijd even snel loopt, of dat de zon zich voor ons niet altijd even snel beweegt. Daaruit volgt, dat een uurwerk, naar waren zonnetijd geregeld, soms iels sneller, dan weer iets langzamer zou moeten loopen. Onze uurwerken zijn daarom naar den middelbaren zonnetijd geregeld, d. w. z. ze geven in een jaar evenveel gelijke etmalen, als de ware zonnetijd er ongelijke telt.

§ 263. De Maan. Ook de maan beweegt zich met den geheelen hemelbol om de wereldas. Ook zij blijft, evenals de zon, bij de sterren ten achteren, maar veel meer: gemiddeld ruim 3/4 uur per etmaal. Na bijna eene maand lieeft zij weer de vorige plaats ingenomen. Daaruit volgt, dat de maan een' cirkel om de aarde moet beschrijven in ongeveer eene maand. Het vlak van dieii cirkel maakt een kleinen hoek met het vlak van de ecliptica.

Wij zien de maan niet altijd gelijk. Soms zien wij de geheele schijf verlicht, soms de helft, soms slechts een sikkelvormig deel, soms niets. Dit komt, doordien de maan een donker lichaam is, dat zijn licht van de zou krijgt. Keert de maan ons nu de verlichte helft toe, m. a. w. is het volle maan, dan moet zij tegenover de zon staan en dus om 12 uur des nachts cul-mineeren in 't zuiden. Nu blijft de maan bij de zon achter; spoedig culmineert zij te 6 uur 's morgens en keert ons dan slechts de helft van 't verlichte gedeelte toe (laatste kwartier). Vervolgens culmineert zij gelijktijdig met de zon en keert ons dan de donkere zijde toe (nieuwe maan). Eindelijk komt de zon nog meer vooruit, zoodat de maan 6 uur 's avonds culmineert (eerste kwartier). Tusschen deze vier hoofdtoestanden, schijngestalten of phases genoemd, liggen natuurlijk alle overgangstoestanden. Bij eerste kwartier heeft de maan ongeveer den vorm van eene D, bij laatste kwartier dien van het spiegelbeeld ervan.

Wij zien wel eens, dat de maan eene ster bedekt, maar het omgekeerde geval komt nooit voor. De maan is dus dichter bij de aarde dan de sterren. Ook zien wij het licht der zon wel eens verduisterd door de maan, doch nooit het omgekeerde, waaruit volgt, dat de maan ook dichter bij de iiarde is dan de zon. Werkelijk is ook de maan slechts ± 60, de zon meer dan 23 000 aardstralen van ons verwijderd.

De maan draait om de aarde en wordt door deze meegenomen op hare reis om de zon. Het kan gebeuren, dat de maan tusschen de aarde en de zon treedt en het licht van de zon onderschept. Dan spreken wij van eene zonsverduistering of zoneclips. Ook kan het gebeuren, dat de maan in de schaduwzijde treedt van de aarde, m. a. w. dat de aarde zich plaatst tusschen zon en maan en het licht voor de maan onderschept. Dan heeft men eene maansverduistering of maaneclips. De cirkelvormige doorsnede van den schaduwkegel der aarde hebben wij als een bewijs voor haren bolvorm leeren kennen (§ 257, 3). Dat niet bij iedere nieuwe of volle maan zons- of maansverduistering plaats heeft, isquot;hot gevolg van de in 't begin

-ocr page 269-

255

dezer § vermelde omstandigheid, dat het vlak van de maanbaan met hot vlak der ecliptica oen kleinen hoek maakt.

De maan hoeft slechts ^ van hot volume dor aarde.

§ 204. Eh en Vloed is een verschijnsel, dat we aan onze kusten en in onze riviermonden kunnen waarnemen. Tweemaal in de 24 uur rijst het water en tweemaal daalt het weer; tweemaal in het etmaal zien we aan den voet der duinen het water met iedere volgende golf hooger stijgen, om, nadat het zijn hoogsten stand heeft bereikt, telkens weer zich verder terug te trekken, tot eene breede zandstrook aan den westvoet der duinen is drooggeloopen. De oorzaak van deze verschijnselen moet in de aantrekkingskracht van zon en maan worden gezocht. De deelen der aardoppervlakte, die naar de maan toegekeerd zijn, worden sterker, — die van dit hemellichaam 't meest verwijderde deelen minder aterk aangetrokken dan het middelpunt der aarde. Ware de aarde een lichaam, geheel met zee bedekt, dan zon zij dus een langwerpigen vorm krijgen. De meest van het middelpunt verwijderde deelen zouden dan met het middelpunt van aarde on maan ongeveer in eene lijn liggen. Daar zou dan vloed zijn, en op de plaatsen op gelijken afstand daarvan verwijderd, zouden we eb hebben.

Ook de zon veroorzaakt eb en vloed; maar ofschoon hare aantrekkingskracht zooveel grooter is dan die der maan, zullen de verschijnselen, door haar bij het water veroorzaakt, veel zwakker zijn. De oorzaak tocli van eb en vloed ligt in het verschil in kracht, waarmede onderscheidene punten van de oppervlakte worden aangetrokken. De aantrekkingskracht neemt af in omgekeerde reden van de vierkanten der afstanden, en tengevolge van de grootere nabijheid der maan is het verschil in afstand tusschen: 't middelpunt der aarde en dat der maan

en een punt op de aardoppervlakte en 't middelpunt der maan betrekkelijk veel grooter dan 't verschil in afstand tusschen:

't middelpunt der aarde en dat der zon

en een punt op de aardoppervlakte en 't middelpunt der zon.

Tengevolge daarvan zijn de getijden, door do maan veroorzaakt, veel sterker dan die, door de zon in 't leven geroepen. De werking der zon versterkt of verzwakt die der maan. Bij nieuwe en volle maan, als zon en maan samenwerken, heeft men springvloed (hoogo en krachtige vloed) en de laagste eb. Bij eerste en laatste kwartier evenwel werken zon en maan elkander tegen; vandaar wat men het doode getijde noemt.

Daar de maan in bijna 25 uur zich schijnbaar van 't O. naar 't W. om de aarde beweegt, zullen alle punten der aardoppervlakte om do 121/g uur ongeveer vloed hebben.

Maar niet de geheele oppervlakte der aarde is met water bedekt. De eilanden en vastlanden bemoeilijken de vloedgolf in haren loop en maken, dat de vloed later komt dan het oogenblik, waarop de maan door den meridiaan gaat. De lia ven tijd, d. i, het tijdpunt, waarop de vloed op het hoogst stijgt bij springtij, ia niet voor alle kusten gelijk.

Do getijden werken zeer gunstig, ze openen de gelegenheid, om op bepaalde uren vele havens en riviermonden op te varen of te verlaten. Hot hoogst rijst do vloed, waar hij enge baaien binnendringt: in do Kundy baai

-ocr page 270-

256

(oostkust van Noord-Amerika) bijna 20 M. Bij St-Malo is 't verschil tus-sclien oh en vlood ruim 15 M. Oroote binnenzeeën, die slechts door eene nauwe straat mot den oceaan zijn verbonden, ondervinden den invloed dei-getijden maar in geringe mate; in de MMdellandsche zee is een vloed van 2 M. eene zeldzaamheid, en in do Zwarte zee wordt geen eb en vloed waargenomen.

§ 2C5. De Planeten bewegen zich in den omtrek van ellipsen, waarvan het ééne brandpunt zich in 't middelpunt der zon bevindt, rondom dit hemellichaam. Zij ontvangen van hun gemeenschappelijk middelpunt licht en warmte. Do tegenwoordig bekende planeten zijn, in volgorde van de zon uitgaande: Mercurius, Venus, Aarde, Mars, de Asteroïden, Jupiter, Satur-nus, Uranus en Neptunus. Ons zonnestelsel is slechts eene kleine groep hemellichamen, die waarschijnlijk met vele andere een groot sterrenstelsel vormen, waartoe ook de melkweg wordt gerekend, dien wij in heldere nachten als een bleeken gordel zich aan den hemel zien uitstrekken. Misschien zijn er nog meer dergelijke sterrenstelsels.

Zoo is de aarde dus een bijna ondenkbaar klein bestanddeel van den kosmos, van het onbegrensde heelal.

-ocr page 271-

T)Y

I) llt;; W E R E T.

■: k L !•; N.

Gl üotto in duizend (IM2,

Urootto in mill, KM2.

Bevolking in millioenen

WKKKI.DDEKI.HN.

Europa (zond. Ual. on N. Zenihla) 1S5

Azië......................SIO

Afrika....................542

Australië..................I(i8

Amerika (zonder (iroenland on don

Pool-Archipel)..............700

Poolgewesten................82

10.2 44.8 29.4 !l

38.4 4.5

:);«) 800 200 4.2

100

N E I) K II LA N I).

I'HOVINt'IKN.

Qroningen . Friesland , Ürento . . Overjjsel Gelderland Utrecht. . Noord-Holland Zuid-Holland . Zeeland. . . Noord-Brabant Limburg . ,

Nederland .

15 15

54 34 24

y

13

4 6 28

O c

5 -S)

21 «/„26 «/„ 34 70 Ü.9 «/„0.7 70 6.8 «/„ 1.2 quot;/„ 4 548 860 138 33 000

ü/0 52 7„2Ó »/0|l.5 700-3%

n 15 „ (gt;0 „ 0.7 n 0 3 »

„ 13 1} 2o „ 0.5 „ 0.1 ,7

„ 18 33 „ 0.3 „ 0.1 „

„ 25 „ 28 „ 1.2 „ 1.1 „

„ 18 (j 50 „ 0.7 „ 1. i „

„ 14 „ 5G „ 0.8 „ 0.6 „

„ 22 „ 54 „ 1.5 „ 1.0 „

„ 59 „ 21 „ 0 7 „ 1.0 „

„ 28 „ 23 „ 0 8 „ 0.3 „

„ 11 „ 12 „ 1.1 „ 3 0 „

I ^ ) c

. O

.i I

• -U »0

-r ^ p g ï O

S gif

'O p

0.5% 1.2 quot;/o

2.1 n 0.7 „

3.7 „ 0.4 „

5 4 „ 0.9 „

14.4 „ 1.1 „

10.2 „ 1.9 „

9 ■' O .1

» -■ f

3.3 „ 1.8 „

1.1 „ 1.3 „

11 0 „ 1,0 „ 13.2 „ 0.7 „

tp %gt; UIL.

?o§

® c s

cfl .a o co o w

277 000 121

337 (gt;00 101

131 000 49

297 000 89

515 000 101

222 400 KiO

831 000 300

958 000 317

201 000 112

§ 14 300 100

262 800 119

o

0

Ld

2 300

3 320 2 600 3 345 5 080

1 380

2 770

3 020

1 785 5 130

2 200


p. k. uos, Bnkn. Aanlr., 8«; druk.

mÊÊm

-ocr page 272-

258

E U 11 O P A.

I, A N I) E N.

Nederland.........

Zwitserland........

Liechtenstein........

Oostenrijk-Hongurijo.....

Duitschland........

Luxemburg.........

Frankrijk.........

Monaco..........

België..........

Rusland.........

Finland..........

Noorwegen........

Zweden..........

Denemarken (zonder IJsland en de

19

29 25

17

15

38

81

39

Grootte

Grootte

Absolute

CO

in

in duizend

bevolking

O W

O

in duizend

amp; -

OM5.

KM5.

tallen.

S a-

M O

600

33

4 548

138

750

41.3

2 934

71

3

0.16

9.5

51

11 300

625

38 000

61

9 800

540

46 857

87

47

2.6

213

82

529

38 219

72

0.3

0.02

13

: —

535

29.5

6 094

207

90 800

5000

93 700

18

6 800

374

2 300

7

5 780

323

1 978

6

8 040

450

4 770

11

Bosch.

;.9 »/„


690

38

2 172

57

5

1 900

105

69

0.7

0

Oroot-Britannië en Ierland . . .

5 720

315

35 241

112

2.4

Engeland met Wales ....

2 740

150

26 000

172

1 430

79

3 700

47

1 530

84

5 160

61

Spanje (zonder do Kanarische oil.)

9 090

492

16 945

34

8.9

Portugal (zond. Azoren en Madeira)

1 630

89

4 307

48

7

289

30 947

104

16.9

1.12

0.06

7.8

133

165

5 575

34

Boolgarije (met Ooat-lioomeliö)

1 820

100

3 154

31

Roemenië.........

2 360

130

5 376

41

14

880

49

2 000

43

170

9

236

26

Bosnië en Ilerzogówina ....

1 100

01

1 504

25

940

65

2 187

34

18

-ocr page 273-

25!)

VOORNAAMSTE BUlTENEUI'.OPEKSr.lll-: BEZITTINGEN EN PROTECTORATEN.

Bevolking Inwoners

in millioonen. op 1 KM'.

Urootte in duizend 1CM1

11 E /, I T T I N O li N.

473 3 Ö05 12518

7.2

5.3 4.3

17

1.5 0.4

li u s s i » c h e:

Kaukasië.....

ItuasiBoh Centraal-Aziü Siberië ......

4 GtiO 8 70'i 8 217 I 268

279.3 6.8 4.1 4.7

60 0.8 0.5 3.5

Britsche:

In Azië.......

In Amerika......

In Australië en Polynesië . In Afrika.......

F r a n s c li o:

478 1 Ui 592 OÜ 100 275 'Jü

3.8 1.5 5.0 1 9

8 13 9 32

38

18

Algerië......

Tunis (protectoraat Madagascar „ Cochincliina .... Cambodsja „

Aunam ,,

Tonkin

22.8 8.4

132 1 728

173

13 84 19

U'J

y.igt; 294

1.5 Ü.8

5.6

Noderlandscho:

Java en Madoera......

Overige Oostindische bezittingen .

Spaanse he:

Cuba..........

Portorico.........

Philippijnen........

E E N 1 G E L E N G T E M A T E iN.

Russische werst toise

Engelsche yard Parljsche voet Engelscho „ Kijnlnndscho „ = 1.067 „

1 Franscho lieue mnrino 5.555 kilom.

= 1.949 nieter. = 0.915 „ = 0.325 „ = 0.305 „ = 0 314 „


1

graad v/d evenaar — 15 geogr. mijlen.

1 geogralische mijl — 1 uur 20min gaans.

1 uur gaans ~ 5.555 kilometer.

1 Javaansohe paal ~ 1.507 „

1 Eng. zeernjjl =1.855 „

1 Engelscho mijl zz 1.609 j,

1 Kransche lieue rr 4.452 ,,

-ocr page 274-

260

T E

M

1' E 11

A T

U Iquot; I

R.

s

Temperatuur

in graden Celsius

1' 1, A A T S.

Breedte.

'Z £

fc-S

gedurende

Ver

o 2 o c

het

de koudste

do warmste

schil.

jaar.

maand.

maand.

Quito.....

0

14'

z.

2 914

15.6

Juli

14.8

Maart

16.3

1.5

Singnpoer .

r

17'

N.

26.9

Jan.

25.7

Juli

27.6

1.9

(Jondokoró

4quot;

55'

W

465

26.5

Aug.

24.3

Febr.

30.3

6.0

Pnraraaribo

45'

21

26 6

Jan.

25.4

Sept.

28 6

2.8

Batavia ....

1 1'

z.

7

25.8

Jan.

25.1

Mei

26.3

1.2

Koeka in Soedan .

liiJ

to'

N.

276

28.7

Dec

22.2

April

33.5

11.3

Manilla ...

14J

36

»

26.1

J an.

24.1

Mei

28.1

4.0

Mejico ....

10°

26'

W

2 272

16.6

Jan.

12.3

Juni

19.7

7.4

Calcutta . . .

22°

33'

r)

26.2

Jan.

19.8

Mei

30.0

10.2

Rio Janeiro .

22°

54'

z.

64

23.8

Juli

19 5

Febr.

26.6

7.1

Hongkong . . .

22°

56'

N.

22.8

Febr.

15 5

Juli

28.6

13.1

New-Orleans .

29

57'

19.8

Jan.

12.4

Juli

26.9

14.5

29°

58'

Y)

— 1

20,8

Febr.

13.1

Juli

28.4

15 3

Funolial (Madeira).

32°

44'

n

18.8

Maart

16.0

Aug.

22.6

6.6

Valparaiso

33quot;

2'

/.

14.5

Aug.

12.2

Febr.

17.2

5.0

Bagdad ...

33quot;

21'

X.

— j

23 3

Jan.

9.7

Juli

34.9

25.2

Sydney.....

33°

52

z.

47

17.2

Juli

1 1.3

Jan.

22.2

10.9

Kaapstad ....

33°

56'

w

16 7

Juli

12.5

Jan.

20.9

8.4

San Francisco .

37°

48'

N.

46

12.7

Jan.

9.8

Sept.

14.6

4.8

Athene.....

37

54'

113

18.2

Jan.

8 5

Juli

28.2

19.7

St-Louis ....

38°

37'

1)

137

13.1

Jan.

0.1

Juli

25.9

25.8

Washington . . .

38quot;

54'

D

24

12.3

Jan.

0.4

Juli

24.1

23 7

57'

11

11.8

Jan.

—4.6

Juli

26.1

30 7

Madrid.....

40

25'

V

630

14.3

Jan.

7 0

Aug.

24.9

17 9

Astrakan ....

4tjquot;

20'

n

9.5

J an.

—6.4

J uli

24.5

30,9

Quebec.....

4tr

49'

»

31

4.6

Jan.

-12.3

Juli

19.3

31,6

W eenon ....

48

13'

194

10.0

Jan.

— 1.7

Juli

20.6

22.3

Parijs.....

48

50'

10.8

Jan.

1,9

Juli

18.7

16.8

Lamberg ....

49'

50

295

8.0

Jan.

—3.8

Juli

19.5

23.3

Londen (Qreenw.) .

51quot;

28'

n

50

9.5

Jan.

2.8

Juli

16.7

13.9

Warschau ...

52-

13'

ii

131

7.4

J an.

— 4.4

Juli

18.1

22 5

Irkoetsk ....

52

16'

ii

382

— 0.5

Jan.

-21.2

Juli

18.5

39.7

Amsterdam . .

52°

23'

ii

~

9.9

Jan.

0.7

Aug.

18.5

17.8

Burnaoel ....

53°

20'

ii

122

—03

Jan.

-19.8

Juli

19.1

38.9

Dublin.....

53

21'

ygt;

10.1

Jan.

5.1

Juli

15.8

10.7

Sitka.....

57

3

n

6.2

Jan.

0.0

Aug.

13.2

13 2

Naïn (Labrador)

57

10'

ii

—3.8

Jan.

—20.6

Aug.

9.9

30.5

St-Petersburg . .

59-

56'

n

3 6

Jan.

— 9.4

Juli

17.5

26.9

Bergen.....

()0J

24'

rgt;

6.9

Febr.

U.0

Juli

14.4

14.4

Jakoetsk ....

62°

1'

ii

87

— 10.9

Jan.

—40 8

Juli

17.4

58 2

llaniraorfest . .

70

40'

ii

1.8

Jan.

— 5.2

Juli

11,3

16.4

llensolaarhaven . .

(Groenland)

78-

37'

ii

1 —

— 19.5

Mrt.

—38.0

Juli

3.4

41.1

-ocr page 275-

261

(i E M J D D E L ü llt;: ,1A A li LIJK SCI IK 110 EVKELIIEID Rl'lGEN.

i' i- a a t s. Centimotor,

Amsterdam............07

Brussel..............71

Hannover..........57

Hlokaberg .... 167

Berlijn..............59

Breslau..............56

Straatsburg..........67

Parijs..............58

Lyon................78

Bordeaux ... 66

Manchestor............quot;JO

Londen..............61

Dublin..............69

Seathwnite(\vestk. v.Scbotl.) 361

Edinburg............59

Christiania............58

Borgen..............172

St-Petersburg..........42

Kjjev................49

Kazan..............35

Odessa..............36

Astrakan ... . . 12

Barnaoel . . ... -'3

Woenen..............59

Praag..............47

liocda-Pest............53

Laibach..............142

Triöst..............111

Fiume..............153

Home..............80

Palermo..............58

Athene..............39

Milaan..............97

Madrid..............38

Valladolid............39

Lissabon............73

Oporto..............152

r i, a a T s. Centimeter.

Ziirich..............110

Bregenz..............155

Salzburg............ll(i

Tolmezzo............244

Lugano..............157

Algiers..............79

Sues................3

Kaapstad ..........61

Tokio . ..........177

Peking........61

Jeruzalem............49

Perth..............78

Sydney..............129

Adelaide .... . 54

New-York............120

St-Louis............95

San Francisco .... 60

Sitka................225

New-Orleans..........121

Rio Janeiro..........121

Asuncion............208

Cordova (Zuid-Amerika) . igt;9

Mendoza (Zuid-Amerika) . 20

Buenos Aires..........87

Copiapo..............0.8

Serena..............4

Valparaiso . . . . 34

Valdivia..............227

Oerrapoenjie (V.-Indie) . 1253

Paramaribo..........362

Cayenne..............330

Sierra Leone..........320

Havana..............232

Singapoer ... . . 228

Calcutta..............'07

Tahiti..............121


-ocr page 276-

A A II D 11 J.I K S K U N J) K.

R. van Assen, Wandkaart van Friesland, in 9 bladen f 12,00 Atlas van Nederland voor lei en schrift . 5e druk- 0,15 J. D. Bakker en J. Mulder, Aardrijksk. van Nederl. - 0,20 P. R. Bos, Landen en Volken der gek. aarde, 4 dl.geb. a - 3,75 P. R. Bos, Leerboek der aardrijksk., geb. 6e druk- 3,75 P. R. Bos, Beknopt leerb. der aardrijksk. 8e druk- 1,90 1'. R. Bos, Leiddraad onderwijs aardrijksk. 2e druk- 0,90 P. R. Bos, School-Atlas der geheele Aarde 10e druk - 4,00 P. R. Bos, Atlas der geheele aarde, ie all. . . .- 0,60 P. R. Bos, Atlas der geheele aarde in 60 kaarten.- 1,75

P. R. Bos, Eerste teekenalias........-0,15

P. R. Bos, Eerste teekenschrift........- 0,05

P. R. Bos, Natuur- en staatkundige atlas . . . .- 2,90 P. R. Bos, Atlas voor de Volksschool . 11e druk- 1.00 P. R. Bos, Nieuwe atlas voor de Volksschool . 1,00 P. R. Bos, Aardrijksk. voor de volkssch. 8e druk- 0,40 P. R. Bos, Nederland en zijne Overz. bezitt. 3e druk- 0.25 P. R. Bos, De plaats der aardrijkskunde . . . .- 0,40 P. R. Bos, Platen voor Aardrijkskunde . 11e druk- 0,60 1'. R. Bos, De Globe, Aardrijksk. schetsboek, gel).- 3,00 P. R. Bos, Kleine Atlas voor de Volkssch. 4e druk- 0,50 P. R; Bos, Eerste Atlas voor de Volkssch. 5e druk - 0,35 P. R'. Bos, Schetsen uit Nederland en Nederl.-Indie - 0,35 P. R. Bos, Schoolplaten voor Aardrijksk. onderwijs- 9,75 P. R. Bos, Schoolkaart van Groningen in 9 bladen - 10,00

P. R. Bos, Wereldkaart in 9 bladen.....- 8,75

P. R. Bos, Wandk. v. Middel- en Zuid-Europa, in 9 bi. - 9,00 P. R. Bos, W. van Gelder en R. R. Rijkens, Schoolk. van Nederl. O.-I., in 10 bl. m. handl. 2e herziene druk - 15,50 W. van Gelder, Atlas van N. O.-Indië 2e druk - 2,50 W. van Gelder, Uit Indië de aarde rond 1 3e druk- 0.40 W. van Gelder, Uit Indie de aarde rond 11 2e druk - 0,50 W. van Gelder, Kaart van Java en Madoera, in omslag - 1,00 J B. Rietstap, Aardrijkskundig woordenboek van Nederland en zijne koloniën gebonden.....- 2.90

R. R. Rijkens, Aardrijkskunde van Nederl. Bedruk- 1,25 R. R. Rijkens, Bekn. aardrijksk. van Nederl. 7e druk - 0,60 R. R. Rijkens, Schoolatlas van Nederland 6edruk- 2,90 R. R. Rijkens, Kleine Atlas van Nederland 10edruk - 0,40 R. R. Rijkens, Kaart van Frankrijk in groot plano - 1,90 Rijkens en Bos, Aardrijksk. in schetsen en beelden • 5,25 H. Schierbeek, Schoolkaart van Europa . 2e druk - 15,00 II. Schierbeek, Schoolkaart van Nederland 2e druk - 12,00 A. \V. Steil wagen, Atlas v. Nederland en zijneO.-l. bez. - 1,25 N. J. Visscher, Schoolkaart van Gelderland . . .- 0,60 N. J. Visscher, Schoolkaart van Drente .... - 0,60 N. J. Visscher, Schoolkaart van Utrecht . . . .- 0,60 Zakatlas der geh. wereld, met statist, opgaven . . - 0,50

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

-ocr page 277-

■V

GESCHIED E NIS.

Bleeker en Marwitz, Wandkaart voor Bijbelsche Geschiedenis, in 6 bladen met handleiding.....f 5,90

Bleeker en Marwitz, Schoolkaart van Palestina, in 6 bladen met handleiding.......... - 3,90

Dr. P. J. Blok, De slag op de Mookerheide . . 0,50 Dr. P. |. Blok, De Geschiedenis van het Nederlandsche

volk, deel l.............- 4-5°

j. H. Blum, Zestig jaart. uit onze Gesch 3e druk - 0,07' Dr. U. Ph. Boissevain, De waarde der Epigraphiek - 0,50 Bijdragen tot gesch. der prov. Groningen, 10 dln. - 39,00 C. F. van Duyl, Algemcene geschiedenis, deel 1 3,75 C. F. van Duyl, Geschiedenis zonder gesch. T 2e dr.- 0,35 C. F. van Duyl, Onze Geschiedenis 1, II. 2e druk- 0,75 C. F. van Duyl, Mijn Vaderland ... 3e druk - 0,25 C. F. van Duyl, Beschavingsgesch. van Nederland - 2,25 J. L. Ph. Duijser, Beknopt leerboek der Algemeene Geschiedenis I: Oude geschiedenis en middeleeuwen - 0,90 J. L. Ph. Duijser, Beknopt leerboek der Algemeene Geschiedenis II: Nieuwe en nieuwste geschiedenis .- 0,90 j. L. Pli. Duijser, Bekn. Leerb. der Vaderl. Gesch. I a - 0,90 J. L. Ph. Duijser, Beknopt Leerboek der Vaderlandsche Geschiedenis II: Nieuwe en nieuwste geschiedenis - 0,90 Mr. A. W. Engelen, Algem. gesch., 4 dln. 3e druk-13,00 Mr. A. W. Engelen, Tijdtafels der algemeene gesch. • 1,25 H. Hermans en Dr. J. Woltjer, Hist, altas 3e druk - 2,90 Dr. W. J. A. Jonckbloet, Gedenkboek der Groninger Hoo-

geschool, gebonden...........-10,90

Jaarboek der Groninger Rijks Universiteit, 11 dln. a- 1,90 G. L. Kepper, Regeering van Koning Willem 111, met

10 eisen, folio............■ 37gt;50

A. M. Kollewijn, Gesch. der Nederl. bezitt. 3e druk - 0,75

P. Louwerse, Geschiedenisversjes.......- 0,35

Dr. Margadant, Gesch. der Grieken en Romeinen.- 1,25 Lod. Mulder, Eerste onderricht in de Vaderlandsche Geschiedenis ...........5e druk - 0,40

Lod. Mulder, Handleiding tot de kennis der Vaderlandsche

Geschiedenis.........14e druk- 1,90

Lod. Mulder, Beknopt Handboek der Algem. Gesch. - 1,90 Lod. Mulder, Handleiding tot de kennis der Algemeene

Geschiedenis, I........10e druk- 1,90

Lod. Mulder, Handleiding tot de kennis der Algemeene

Geschiedenis, IT........10e druk- 1,90

A. NuiverenO. J. Reinders, Ons Vaderland 3e druk - 0,715 Nuiver en Reinders, Oudh. en Middeleeuwen 5c druk - 0,30 Nuiver en Reinders, Nieuwe geschiedenis . 5edruk- 0,35

UITGAVEN VAN .1. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

i

-ocr page 278-

GESCHIEDENIS.

Nuiver en Reinders, Vaderlandsclie jjesch.. Se druk f oj Nuiver en Reinders, Kleine vaderl. ^escli.. 4e diuk - 0. Nuiver en Reinders, Nieuw Honderdtal . 2e druk - o Nuiver en Reinders, Tijdrekenkundig overzicht der Vaii landsehe Geschiedenis met aanteekeningen 4e druk - o. Nuiver en Reinders, Tijdrekenkundig overzicht hii

Algcmeene Gescliiedenis.........-

Nuiver en Reinders, Tijdrekenkundig overzicht I)

Vaderlandsclie Geschiedenis.....8e druk - o.

Dr. H. Oort, Atlas voor Hijbelsche en Kerkelijke Gescliii

denis, 54 kaarten...........- 2,y

A. A. van Oyen, Stam- en Wapenlioek van Aanzienlijk Nederlandsche Familifin, 3 deelen, gebonden . - 200,oc J. B. Rietstap, Wapenboek van den Ncderlandschen Adel.

2 deelen, gebonden.........-200,0c

J. I». Rietstap, De wapens van den vroegeren en tegen-woordigen Nederlandsehen Adel, gebonden . . - 8,00 F. van Kijsens, Vaderlandsclie Geschiedenis 3e druk - 0,30 F. van Kijsens, Algem. Gesch. in bek. vorm 2e druk - 0,30 F. van Rijsens, Geschiedenis des Vaderlands 2e druk - 1,75 F. van Rijsens, Leesb. over de Gesch. des Vaderlands - 0,30 J. C. Sander, De Gesch. van ons Vaderland 3e druk - 0,30 J. C. Sander, Schetsen uit het groote boek der geschiedenis .............5e druk - 0,30

J. Suringa, Een lauwerkrans.....2e druk- 0,75

Mr li. D. II. Tellegen , De wederge!) van Nederland - 2,50 Dr. M. A. Valeton, Mandb. der Oude Gesch., I; De Grieken tot en met Alexander den Groote, met kaart- 1,90 Dr. M. A. Valeton, Handboek der Oude Geschiedenis, II:

De Romeinen, met kaart.........- 1,90

A. A. Wikman, Bekn. gesch. van Noord-Nederland - 1,50 Dr. J. A. Wijnne, Algemeene geschiedenis, 19c druk - 2,90 Dr. J. A. Wijnne, Algemeene geschiedenis, II 7e druk - 2,90 Dr. J. A. Wijnne, Algemeene geschiedenis, lil 7e druk - 2,90 Dr. J. A. Wijnne, Algemeene geschiedenis, IV 7edruk- 2,90 Dr. J. A. Wijnne, Handboek der Algem. gesch. 6e druk - 3,90 Dr.J. A. Wijnne, Overz. der Algem. gesch. 12e druk- 1,90 Dr. J. A. Wijnne, Gesch. van het vaderland 7edruk- 3,90 Dr. ƒ. A. Wijnne, Bekn. Gesch. v. h. vaderland 10e druk - 1,90 Dr.J. A. Wijnne, Geschiedenis van de Nederlanden, 1 - 4,90 Dr.J. A. Wijnne, Geschiedenis (verspreide opst.). .- 3,75 Qr.J. A Wijnne, Oostersche volken en Griekenland- 4,50

Dr. J. A. Wijnne, Historische waarheid.....- 0,50

Dr. J. A. Wijnne, Wet op het Hooger Onderwijs en de Algemeene Geschiedenis.........- 0,40

UITGAVEN VAN J. li. VVOI.TICHS TE GIION1NGEN.

-ocr page 279-
-ocr page 280-

\\ II'ken \ nu r. U. HOS.

I),. 1,011.1™ en Volki'tl .I.t ficlicrl.' ;i:inligt;, in lm......................

1,1,11 t.i.j.'onwooi'iliK'.'ii Ini'slmul. I liinillmok vu ir lunil- i'ii villtcikunil.', di'i'l I, li. lil. IV, guboniii'ii . ... i\ 1'

Lrri'h i.'li ili'i'iKil'iirijkskiliHlr llli'l .\U:is, fid). . («I'' cli'iillt; quot; ;!-7'1

liokii'i|it Iw.i'hüük ili'i' aiu'iiri.ikskumii........... tli'iik - 1,'.IÜ

Lci.liiniiui iii.i Ih'I nmlüi'wijs i.i cl,'iKiniiiJkskiiiiili' 'iiieiiiuk - 0.1(1

Si'iiool-AIlas dor goiiooic AuriU'. ...... If,,ll il.ii.\ 1'

Atlas di'!' .........Ir itill'dr. 1,' all...........

Alias dia' LTi'lici'lit iiat'di' in «) ...................-

. . . ■ ii. r.

h'crslo ........................

i r. .... - 0.0 .

Kci'slc .......................,.....

N:iUim' cm sl:i:ilkiiiilt;li.uv .................quot; ' v

Atliis voor di' Vi»1Ilt;ksc1i'ii.1.........'I1'1'

AanlnJUsk. v. .Ie volkss.-li....! i;. kn:..-!.-:, en plMlon 8slr.lr. - O/K»

Ncdcrlaiid en zij ik1 Over ■(•csclic hczilliii.uen . . 3.l(' druk - 0,2 •

Do plaals dor aanlrijksknmlc............quot; 1 quot;quot;quot;1

Platou v«i(ir Aiinliijksknndo........' quot; (^'''

•IsliMck. ^i'ImukIoii. . . • -

Kloini' Atlas V...... dl' Vidkssi'liM.il......'idi' druk - IV1'1

V'jOrsii' Atlas \'')iir ,ii* ......................... duik -

Si'lii'lsi'i, nil Ni'di't'land im \i'di'riilliiisi'li-indii'.....- 'iquot;1'

Hj Si'li.i„i|ilai™ vonr Aardrijksk............... ..... m. Ilaiidi. - '.I.Ta

Sri............ van (irnnin^rn in '1 ..............quot; 'lgt;'quot;11

W'i'ri'ldkaart in 11 ....................- ■ gt;

.Votkcc Atlas vipar ili' .............. in ................ l'lati'il. - 1,1*1

Wandkaart van Middel- nn y,nid-l'an'ii|ia in II bladen . . - 11,«) /akal las dia' frciicidn aarde, met statistieke npKaVen nver alle

, ....... , .......- tl.êO

larKUMi dor ................

p. li. Mus, W. van (leider en !!. li. Hijkens. ........Ikanrt van

Xedel. Onst-indië. in bl bladen met bandl. . 2de druk - bi..i()

r. II. Hos, W. van Celder en li. li. Hijkens, Kaart van .lava,

De (J lol ie . AardrijUskmidi;-:' scl

/ i i. i, n .... 2de druk - 5,00 in » huiden.............

l itKavm van .1. U. WOLTKUS tv