ocr page 1

Vak 91

'

/

ocr page 2

1

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HET LEVEN quot;

van den

HEILIGEN JÖAIES BERCHMANS.

NAAR HET LATIJN

van

R HERMAN HUGO, s. j.

VENLO, ö. MOSMANS Senior 1898,

VIJFDE UITGAVE.

ocr page 6

I M P RIM A T U R.

H a r 1 e m i, 27 Martii 1878.

J. A. van dkn Akker, Lib. Cens.

REIMPRIMATUR.

Buscoduci, 28 Junii 1888.

J. J. Vehsteuiien, Rector

ad hoc delegatus.

REIMPRIMATUR.

Euraemundae, 6 Martii 1898.

Du. P. Mannens, Librorum Censor.

ocr page 7

HOOFDSTUK I.

Geboorte en ouders van Joannes. — Zijn inborst. — Eerste H. Communie. — IJver en gehoorzaamheid. — In 't College te Mechelen. — Zijn gedrag aldaar. — In de congregatie van O. L. V. — Zijne oefeningen van godsvrucht. — Zijne roeping tot den kloosterstaat — Wat hij deed om zijne roeping te kennen.

oannes Bekchmans werd te Diest, een Belgisch stadje, op Zaterdag den 13 Maart 1599 geboren. Zijne ouders waren uit den fatsoenlijken burgerstand, en rijker in deugden en hemelsche gaven dan in vergankelijke schatten en rijkdommen. Van hunne vijf kinderen, van welke vier zonen en eene dochter, was Joannes het oudste. Zijne moeder, Elisabeth van Hove, ontsliep in den Heer, na een smartelijk zevenjarig lijden met het grootste geduld verdragen te hebben, den 30 Nov. 1617, tegen welken tijd Joannes als novice bij de Jesuïeten te Mechelen werd opgeleid. Na den dood zijner echtgenoote, ging zijn vader zich insgelijks op de studie toeleggen te Leuven; weldra werd hij priester gewijd, en klom zelfs op tot de waardigheid van ka-

ocr page 8

nunnik aan de S. Sulpitius-kerk te Diest. Men verhaalt van Joannes, tot bewijs zyner uitmuntende inborst, dat hij in zijne kindsheid nooit geweend heeft; dat hij nooit tot zijne moeder of anderen, die hem opvoedden, een hard woord heeft gesproken, en altijd even voorkomend was jegens allen.

Van jongsaf zonden zijne ouders hem ter school, opdat hy daar zoude onderwezen worden in de eerste beginselen der taal, gelyk hij te huis het onderwijs aangaande den godsdienst en de christelijke deugden uit den mond en het voorbeeld zijner ouders ontving. Hij was zeven jaren oud, toen zijne grootmoeder bemerkte, dat hy 's ochtends veel vroeger zijne slaapstede verliet. Op hare vraag, waarom hij zoo bezorgd was, antwoordde hy, dat hij voor het naar school gaan, twee of drie heilige missen diende, om Gods zegen over zijne studie af te smeeken. Na schooltijd, wanneer de deur van zijn vaderlijk huis op zijn kloppen niet spoedig genoeg geopend werd, gaf hij zyn ongeduld niet lucht in herhaald schreeuwen en kloppen, maar begaf zich bedaard in de naburige kerk, ten einde eenen Rozenkrans te bidden. Tijdens de ziekte zijner moedor gaf de negenjarige knaap haar zooveel troost door zijne zoete, liefdevolle woorden en opwekkingen, dat de omstanders er herhaaldelijk door getroffen werden. Op zijn tiende jaar lag er zulk een lieftalligheid in zijn wezen, straalde er zulk een aantrekkelykheid uit zijn blik, zijne houding, taal en gewoonten, dat verschillende aanzienlijke lieden hem in den kring hunner familie wilden opnemen.

ocr page 9

Aan een ander leermeester toevertrouwd, maakte hij thans zulke vorderingen in zijn studie, dat hij weldra zijne gelijken voorbijstreefde, en eene plaats kon innemen naast hen, die hem in ouderdom en kennis vooruit waren. Het was hem genoeg, eene zaak eenmaal gehoord of gelezen te hebben, om ze niet meer te vergeten.

De leermeester vereerde hem deswege als een wonder, en stelde hem den anderen ten voorbeeld. Op zekeren dag had hij zijn vader zulk een lof over hem gesproken, dat de goede man, van vreugde dronken, Joannes een priesterlijk kleed schonk (hetwelk deze reeds lang gewenscht had), en hem voorstelde aan den Eerw. Heer Petrus Emmericus van de orde der Premonstratensers, die toen ter tijd pastoor was van de O. L. Vrouwekerk te Diest, en aan zijn huis verschillende jongelieden opleidde. Met hen leefde Joannes gedurende drie jaren. Toen reeds zag men in den knaap die liefde tot de eenzaamheid; niet zelden onttrok hij zich aan het spel zijner medeleerlingen, om te gaan lezen of bidden, zoodat zijne oversten hem vaak in den kring zijner spelende makkers moesten terugvoeren, opdat zijn geest zich niet door die aanhoudende studie en gebed zou overspannen. En toch waren zyne makkers niet gebelgd over die handelwijze, integendeel, zij eerden zijne deugd, en meenden, dat hij zich alleen van hen afzonderde, om beter aan zijne heiliging te kunnen arbeiden.

Op zijn elfde jaar begon Joannes te denken aan de eerste H. Communie. Na rijp beraad begaf hy zich naar zijn Overste om zich voor te bereiden. De waar-

ocr page 10

6

dige man was niet weinig getroffen door de hemelsche onschuld en kinderlijke eenvoudigheid van den jeugdigen Joannes, zijne ziel was nog vrij van alle zonden. En dat kleed der onschuld, hetwelk hij in het Doopsel ontvangen had, behield hij onbesmet tot den laatsten dag zijns levens. Hij zelf heeft dat getuigenis schriftelijk achtergelaten met de woorden: „God heeft mij Christen gemaakt, een medegezel van Jesus, zyn vriend, zijn bruidegom. Hij heeft mij bewaard, vrij van de smet der doodzonden.' 1)

Hierin moet ook de oorzaak gezocht worden van de gevoelloosheid, die hij ondervond bij de overweging zijner eigene zonden. O gelukkige jongeling, die het gebouw der deugden hadt opgetrokken op den grondslag der onschuld, om vervolgens, langs verschillende trappen, tot zulk eene verhevenheid en volmaking op te klimmen!

Na gebiecht te hebben, ontving hij de H. Communie uit de handen van zyn geestelijken leidsman, die beweerde, dat er op dat oogenblik iets meer dan mensche-lijks lag in de houding en het gelaat van den jongeling. Van dien tyd af biechtte hij elke week, en ontving om de veertien dagen het Brood des levens. Daar lag op dien kinderlijken leeftijd iets ernstigs in zijn doen en laten, dat met zijne jeugd niet overeenkwam. Zoo spaarzaam was hij in zijne woorden, dat hij niet sprak dan om te antwoorden, en dan nog met de grootste bescheidenheid.

1

Fecit Christianum, socium Jesu, amicum, sponsum, conservavit sine peccato mortali.

ocr page 11

7

Op eene tooneelvoorstelling, waarin de geschiedenis van Suzanna werd opgevoerd, speelde hy de rol van den grijzen Daniël met zulk eene treffende overeenkomst, dat aan het geklap en de bewondering der toeschouwers geen einde kwam. Zijne makkers beminden hem, ja, lieten zich zelfs door hem leiden en vermanen, alsof hij alle macht over hen in handen had. Nooit verscheen hij in tegenwoordigheid van een priester met gedekten hoofde: zoodanig was zijn eerbied en zijne onderdanigheid jegens den geestelijken staat.

Zoolang hij als kind in het vaderiyk huis leefde, was hij niet tevreden, wanneer er geen boek ter lezing op tafel lag. Daarom ook was het hem een genot, wanneer zijne makkers aan tafel zaten, hun iets te kunnen voorlezen uit de H. Schrift, het Lijden van Christus of de Levens der Heiligen. Wanneer hij at, was hij zoodanig bezig in den geest, dat zijne medeleerlingen hem uit scherts den bijnaam van .Vreemde' gaven; in eten en drinken was hy uiterst sober.

Het was de gewoonte in huis, dat de leerlingen eiken avond in tegenwoordigheid van den Overste gezamenlijk eenige gebeden verrichtten, en na den zegen van den Overste gevraagd te hebben, zich ter ruste begaven. Joannes evenwel werd niet zelden gekleed op het bed gevonden, ten einde in stilte langer te kunnen bidden.

In dien tijd brandde hij vooral van liefde tot de Allerheiligste Maagd, en zoo dikwijls hij met zijn Overste naar Scherpenheuvel ging om haar te groeten, legde hy het uur gaans af, in stilte mediteerende of den Ro-

ocr page 12

8

zenkrans biddende. Dikwijls vond men zijn ontbijt in een hoek van het huis, om aldus de bezorgdheid van zijn Overste te verschalken. Wij laten hier het oordeel volgen, door zijn Overste, den Eerwaarden Heer Petrus Emmericus, over hem gegeven.

„Hij bezat, zegt hij, zulk eene buitengewone onschuld en zuiverheid van hart, dat hij zelfs den naam niet kende van de ondeugden, waartoe zyn leeftijd zoo licht overhelt. Ook vluchtte hij als de pest den omgang van diegenen, die lichtzinnig waren, opdat zijne ziel doorniet de minste vlek zou bezoedeld worden. quot;Wanneer de klas ten einde was, begaf hij zich tot de studie. Nergens was hij meer dan in de kerk, nergens minder dan buiten. De H. Maagd scheen hem, uit belooning van de liefde die hij haar schonk, wederkeerig onder hare bijzondere bescherming te hebben opgenomen.

„Toen hij de eerste Latijnsche verzen begon samen te stellen, vroeg hij, of het hem geoorloofd was, naar willekeur z^Jn stof te kiezen: en hij vervaardigde een gedicht op den Naam van Jesus, waarin zulk eene teederheid van gevoelens lag opgesloten, dat men meende, dat hy in gezelschap van Jesus geweest was.'

Uit het bovenstaande kan men gemakkelijk opmaken, welke verwachtingen men omtrent den jongen Joannes koesterde. Evenwel, by gebrek aan middelen konden zijn ouders verdere studies niet meer bekostigen ; deswege legde zijn vader hem in bijzijn der moeder het plan bloot van hem een of ander handwerk te laten aanleeren. Door die tijding, welke zijn plannen

ocr page 13

9

geheel verijdelde, ter neer geslagen, wierp hij zich aan de voeten zijner ouders, hen biddende en smeekende met opgeheven handen, dat zij hem tot den priesterlijken staat zouden laten opleiden; en, daar hij begreep dat hij daartoe niet zonder middelen kon geraken, beloofde hij hun, zich met water en brood tevreden te stellen, mits men hem niet van zijn voornemen zoude afbrengen. De vader was diep getroffen door die standvastigheid, en na weinige dagen werd hij, door bemiddeling van den deken van Diest, naar Mechelen gezonden, waar de hoogeerw. heer Freimont, kanunnik aan de Metropolitaankerk, hem liefderijk ontving en als zoon behandelde.

Dat geschiedde in den jare 1613, toen Joannes zyn veertiende jaar nog niet bereikt had. Eenigen tijd volgde hij de humaniora aan het oude College dier stad, totdat hij, niet zonder Gods byzondere voorbeschikking (gelijk hij zelf zegt), overging naar het Gymnasium der Societeit, hetwelk toen werd opgericht. Na volbracht examen, werd hij bekwaam geoordeeld en Ingeschreven voor de Rhetorica.

Hier vooral gaf hij zich geheel en al over aan zijne zucht naar wetenschap. Kon hij in het vaderlijke huis niet dan met een boek in de hand aan tafel zitten, hier bracht hij geheele nachten in de studie door. Daarenboven vereerden allen in hem eene byzondere aantrekkelijkheid in den omgang, zoodat de edelste jongelieden zich niet ontzagen, met hem vriendschap aan te knoopen. Wanneer somtijds onder hen een min-

ocr page 14

10

der zedige taal gevoerd werd, zweeg men aanstonds bij zijne nadering, opdat hij zich niet, vol schaamte, van hen zou verwijderen. Hetzelfde verhaalt men van den H. Bernardinus van Senen.

Bij zijne intrede in het College der Societeit, stelde Joannes alles in het werk om opgenomen te worden in de Congregatie der Allerh. Maagd. Zijne poging werd met algemeene goedkeuring aangenomen en toegejuicht. Als congreganist gaf de jongeling aan allen het voorbeeld van zachtmoedigheid, ijver en godsvrucht. Eiken Zaterdag vastte hij ter eere van de H. Maagd. Den tyd, die hem overschoot na de studie, bracht hij door in het gebed. Elke hoek van het huis strekte hem tot gebedzaal; meer dan eens vonden hem de dienstboden na middernacht op den grond geknield bidden, en na het gebed op den grond slapen. Eiken Vrijdag bad hij blootsvoets den Kruisweg, ter eere van het bitter Lyden onzes Heeren.

Een zijner medeleerlingen te Mechelen, die naderhand in de orde der Premonstratensers is getreden, bewaarde van hem als een relikwie, eene hymne, beginnende met de woorden ,Salve Keginaquot;, door Joannes zelf in verzen geschreven.

De hoogeerwaarde Heer Preimont verhaalt van hem het volgende: Op zekeren dag, omtrent Pinksteren, ging hy (Freimont) met Joannes een bezoek brengen aan O. L. V. van Scherpenheuvel. Op hunne terugreis, daar zij den weg naar Aerschot niet kenden, namen zij een gids en vervolgens een anderen, die hen beiden

ocr page 15

11

verlieten, wegens de slechte betaling; zij dwaalden derhalve door de bosschen, die de struikroovers onveilig maakten. Daarbij kwam nog een hevig onweder, dat de dwalenden geheel ter neder sloeg.

Na aldus eenige uren door het woud gedwaald te hebben, bereikten zij een voetpad, zoo smal, dat het paard er ternauwernood door kon. De kanunnik steeg af, liet Joannes het paard bestijgen, en volgde zelf te voet. In den angst van het gevaar, beval de kanunnik zich aan de hoede van den beschermengel van Joannes. En ziet, o wonder! nauwelijks had hij eenige gebeden gestort, of een vreesolijke donderslag rolt door het luchtruim, met zulk een geweld, dat de hemel scheen in te storten. Vol vrees voor den verblindenden bliksem, wendt hij de oogen ten hemel en roept Gods hulp in. Op dat oogenblik zag hij eene landvrouw op eene vooruitstekende rots, die weldra in eene zonderlinge gedaante voor de voeten van Joannes wentelde, hem met brandende oogen aanstaarde, en met overhaasting de vlucht nam.

Plotseling hield het onweder op, en in de verte ontwaarden zij de spits van den toren, het doel hunner reis. Toen zij daar aankwamen, vernamen zij, dat niet ver van daar eene toovenaarster woonde, die door hare bezweringen zulk een storm verwekken kon. Nu twijfelde de kanunnik niet langer, of Joannes' beschermengel had de boosdoenster voor de voeten van den jongeling neergestort, om daardoor te kennen te geven, dat zij hunne redding aan Joannes' verdiensten te danken hadden.

ocr page 16

12

Van dag tot dag werd hij welbehagelijker in de oogen van God, en het was onmogelijk dat de Voorzienigheid zulk eene lelie te midden der doornen kon laten wegkwijnen. Zij stortte daarom in zijn hart een afkeer van de wereld en een bijzondere voorliefde voor den klooster-staat. De vrome jongeling, wel verre van dien inner-lijken aandrang tegen te werken, voedde hem meer en meer in zijn hart, bijzonder door het lezen der brieven van den H. Hieronymus en het leven van den H. Aloysius van Gonzaga.

Om des te zekerder mede te werken met den wil des Allerhoogsten, deed hij vooral drie zaken: hij vermeerderde zijne gebeden, verdubbelde de kastijdingen zyns lichaams en het ontvangen der H. Communie; ten tweede verdeelde hij de vijf en twintig gulden, die hij bezat, en gaf een gedeelte aan de armen, voor een ander liet hij missen lezen te Leuven aan een altaar van O. L. V., terwijl hij het derde naar Scherpenheuvel zond, om den bijstand der Allerheiligste Maagd af te smeeken. Eindelijk, ten derde, legde hij zijne roeping bloot aan zijnen biechtvader, diens hulp en leiding verzoekende. Do uitslag was naar wensch; God riep hem tot den kloosterstaat.

Thans was hij zeventien en een half jaar oud, en besloot hij zijne ouders met zijn besluit schriftelijk bekend te maken, er bij voegende, dat hij reeds eene belofte gedaan had, om bij dat besluit te blijven. Die brief was onderteekend: „De zoon van Jesus Christus en uw Joannes.quot; Die onverhoopte tijding viel zwaar op

ocr page 17

13

het beminnende ouderenhart, dat in dien zoon alle hoop gesteld had. Zij verkregen van de paters Capucij-nen, dat deze de roeping van Joannes zouden onderzoeken; de jongeling begaf er zich heen, en keerde terug met den gelukwensch der paters over zijne standvastigheid. Een ander religieus van zijn familie, die hem van zijn voornemen wilde afbrengen, bracht hij tot bij de deur des huizes, en zeide hem: „Ziedaar, Pater, als gij niets anders wilt, daar is de deur; ga van waar gij gekomen zyt.quot;

ocr page 18

HOOFDSTUK II.

Intrede in de Societeit van Jesus, — Noviciaat. — Devotie tot het Allerh. Sacrament. — Drievoudige gelofte. — Gelofte van zuiverheid van af zijne jeugd. — Gehoorzaamheid. — Bewonderenswaardige zuiverheid. — Versterving. — Zielenijver. — Getuigenis van den novicen-meester. — Een ander getuigenis.

A aldus met bijna hardnekkige standvastigheid alle moeielijkheden te hebben verwonnen, trad hij, op Zaterdag den 24 Sept. 1616, te Mechelen in het novicaat der Societeit van Jesus.

Omtrent denzelfden tijd werd een ander jongeling als novice aangenomen, die eens op weg tot Joannes zeide: „O, mijn broeder, mochten w;] eens te zamen in den hemel zijn, gelijk wij thans in eene en dezelfde geestelijke familie leven, om God op aarde te dienen!quot; Die woorden kwamen voort uit eene bijzondere achting en genegenheid voor den engelachtigen jongeling. Inderdaad, van af zijne intrede in het klooster gaf hij uitstekende bewijzen van zijne onschuld, zachtmoedig-

ocr page 19

15

hei(J en wijsheid; zoodat de novicenmeester hem voor anderen als voorbeeld stelde, 't Was de gewoonte, dat een van de novicen als hoofd werd aangesteld, om de anderen, wat de uiterlijke tucht en dagelijksche bezigheden aanging, te leiden. Dat ambt werd Joannes opgedragen en, hoe moeilijk ook, verwierf hij zich de liefde en achting van de meer dan honderd novicen, die onder hem hadden gestaan. Zelfs later, wanneer men een zijner opvolgers lof wilde toezwaaien, zeide men; ^Het schijnt een andere Berchmans te wezen.quot; Eens vertelde een zijner medenovicen in zijn bijzijn, om hem schaamrood te doen worden, dat op denzelfden tijd, toen de heilige Maagd mirakelen begon te werken in Scherpenheuvel, te Diest een engel in men-schengedaante verschenen was; en hij wees met den vinger op Joannes, die in al zijn doen en laten een engel was.

Zijn geheele wezen ademde reinheid en vreugde, zoodat èenigen hem schertsenderwijze den heiligen Hilarius, anderen den H. Laetus noemden, welke namen in het Nederlandsch beteekenen; Blijmoedige. Zijn grootste genoegen bestond in het dragen van versleten en verstelde kleederen, in openbare berispingen, in het doen van den meest onaanzienlijken arbeid en in het kastijden van zijn lichaam. Op zijn verlangen werd hij onophoudelijk bespied door vier zijner medeleerlingen, die hem op zijne minste fouten en gebreken moesten opmerkzaam maken. Een hunner wees hem eens op eene zeer lichte overtreding, en verkreeg daar-

ocr page 20

16

voor uit dankbaarheid van den jongeling de som van 3 kronen. Door die belooning aangelokt, gaf de andere zich alle moeite hem nogmaals te betrappen, hetgeen evenwel niet meer gelukte.

Opmerkelijk is, wat in dit opzicht de novicenmeester van hem verhaalt. Toen hij namelijk zag, dat Joannes zich zoo gaarne in 't openbaar onmeedoogend berispt zag, gebood hij aan alle novicen hem een briefje af te geven, waarop al de gebreken van Joannes stonden op-geteekend. De briefjes opende hij in tegenwoordigheid van allen, en ziet, geen enkel bevatte eenige opmerking over eene of andere fout. Wat loftuitingen zouden er niet gekomen zijn, indien de novicen in last hadden gehad, de deugden van Joannes op te sommen.

Dat vooral wekte natuurlijk de bewondering dei-Paters, te meer omdat het getal der novicen zoo groot was, en ten andere omdat de nieuwelingen in hun eersten ijver het geringste opmerken. Daarop namen eenige Paters de taak op zich, Joannes in al zijne handelingen na te gaan, om te zien, of zij geen gebrek in hem bespeuren, of geene deugd in hem missen zouden. En, o wonder, zijne handelingen waren rein en zonder fouten, en er was geene deugd waarin hij niet uitblonk.

Gedurende zijn noviciaat ging hij dagelijks zeven maal het Allerheiligste Sacrament bezoeken. En dan zat hij daar, geknield, met de oogen zacht gesloten, de handen op de borst, het lichaam onbewegelijk, en een hemelschen glimlach op ae lippen. Dan drongen

ocr page 21

17

de anderen zich rondom hem, in de hoop, een vonkje zijner liefde, een weinigje van zijn ijver te ontvangen. Drie zaken placht hij van God te vragen voor zich en voor zyne makkers: eene engelachtige zuiverheid, de volharding in hunne roeping, cn de genade, eens bekwame werktuigen te worden in Gods handen.

Van hem vind ik opgeteekend, dat hij na het eerste jaar van zijn noviciaat eene drievoudige gelofte deed, ten einde zich zoodoende inniger aan God te verbinden. Met eenigen zyner medenovicen was hij overeengekomen, immer over de H. Maagd te spreken.

De nederigste gedachten koesterde hij van zich zeiven. Toen men hem vroeg, of hij niet bekoord werd door de zucht naar ijdele glorie, antwoordde hij: „Met Gods genade vrees ik dat ondier niet.quot; De deugd van gehoorzaamheid had hij inzonderheid lief; en daarom juist droeg hij den H. Ignatius eene groote liefde toe, omdat deze zulk een heerlijken brief over die deugd geschreven had. Daarenboven was hij van oordeel, dat men in de kleinste zaken met de meeste nauwkeurigheid moest gehoorzamen, om daardoor aan de Oversten te toonen, op hoeveel prijs hunne bevelen gesteld werden.

Eens sprak hij binnen het College met eenen vreemde, toen een andere tot hem kwam met hetzelfde doel. „Ga eerst den Rector verlof vragen,quot; zeide Joannes, „en dan zal ik u spreken.quot; Wanneer hij ziek was, stond hij nochtans, alleen uit gehoorzaamheid, op het bepaalde uur op, en ging vervolgens wanneer het noodzakelijk

J. Berchmans. 2

ocr page 22

18

was, met verlof des Oversten, weder naar bed. Eens ondervraagd zijnde, op welke manier de regel van het stilzwijgen volmaakt kon onderhouden worden, gaf hij ten antwoord: „Ik handel op de volgende wijze: Indien ik op weg iemand ontmoet, groet ik hem beleefdelijk; heeft hij mij noodig, dan stel ik mij nederig ten zijnen dienste; ondervraagt hij mij, dan antwoord ik meteen enkel woord, en wacht mij wel, er iets overbodigs aan toe te voegen.quot; Het was bij hem gewoonte geworden, in allen, die hij ontmoette, hun bewaarengelen te groeten, of ook wel voor hen te bidden; zijn groet was alsdan zedig en beleefd, terwijl hij uit eerbetoon altijd eenige ruimte openliet tusschen hem en den voorbijganger.

In geheel zijn leven heeft hij nooit eenige handeling, beweging, teeken of woord tegen de engelachtige deugd van zuiverheid gedaan. Was hij steeds goedig en lui-mig in den omgang, in dit opzicht was hij uiterst streng. Zijne heldere oogen schoten stralen, die de aanschouwers tot kuischheid aanzetten, en hun liefde tot die deugd inboezemden.

Tegen drie ondeugden vooral, zeide hij, heeft de Religieus te strijden: tegen de lauwheid, den hoogmoed en de onmatigheid. De eerste moet door den ijver, de tweede door vernederingen, en de derde door soberheid overwonnen worden.

Het is onmogelijk te zeggen, hoe sober Joannes was in het gebruiken van spijs en drank. Nooit dacht hij aan het eten, vóódat het teeken daartoe gegeven was. Ook bevestigde hij, dat men door oefening met

ocr page 23

19

verloop van tijd de onthouding kon aanleeren; en dat hij, om zich niet te verslaven aan de gewoonte van te ontbijten, van het begin van zijn noviciaat eiken ochtend een weinig van de voorgezette spijs had achtergelaten, om aldus den eetlust langzamerhand daaraan te gewennen, en tot den maaltijd te kunnen verschuiven ; dat hij zoodoende geleerd had, zich te onthouden.

Hij kon niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat een kloosterling, die verwijderd leeft van alle aanlokselen der zonde, en bovendien geharnast is met verschillende hulpmiddelen daartegen, nog in eenige zonde kon vallen. De slaperigheid, waaraan hij somwijlen onder het hooren eener predikatie onderhevig was, trachtte hij te verdrijven door zich de lippen tot bloedens toe te bijten; en aldus overwon hij de natuur, en gewende zich aan waken en aan oplettendheid. Met hetzelfde middel genas hij verschillende anderen.

Gaarne sprak hij van de missiën der Societeit in Japan en China. Als er desaangaande nieuwstijdingen aankwamen, haastte hij zich, die het eerst aan zijne medeleerlingen te kunnen verhalen. Schoon met bezigheden overladen, had hij nochtans tijdens zijn noviciaat de Fransche taal, waarvan hy te voren niets kende, zoo goed aangeleerd, dat hij meermalen in de eetzaal in die taal het woord voerde. Zyn doel daarbij was, naar zijn zeggen, om aldus beter aan de plichten van zijn staat te voldoen, opdat geen enkele ziel schade zoude lijden door zijne onwetendheid in eene taal, die in geheel België zooveel gesproken werd.

ocr page 24

20

Hij had eens van af de tribune met zooveel geestdrift en vuur den lof van den H. Aloysius verkondigd, dat de Overste vreesde voor zijne gezondheid.

Aan de landlieden verklaarde hij den catechismus, en hij deed dit met zooveel bevalligheid, dat zij hem liever dan hun pastoor hoorden; en toen hij eens aan eenige boerenknapen den Rozenkrans had leeren bidden, zag hij hen later achter eene heg, met het opzeggen dier gebeden bezig. Op een anderen keer begeleidde een troep kinderen hem tot aan het klooster, tot niet geringe vreugde en bewondering der toeschouwende Paters.

In één woord, na een tweejarig noviciaat, had hij zich bij zijne Oversten, bij de novicen, bij de andere Paters en broeders, den naam van Engel der plaats waardig gemaakt. Allen zochten zijn gezelschap; allen beminden hem. Eenigen der novicen bekenden, dat zij, door hem te aanschouwen alleen, tot deugd en godsvrucht werden aangewakkerd. En inderdaad, daar lag iets in zijne blikken, zijn gelaat en zijn geheele persoon, dat meer eigen scheen aan hemellingen dan aan een sterveling.

De tijd was daar, waarop Joannes zijne geloften zou afleggen. Voor den raad der Paters werd hij niet alleen waardig en bekwaam geoordeeld, maar ook nog met loftuitingen overladen. En hij, om zijn offer aangenamer te doen zijn aan God, schreef een brief aan zijn vader, die reeds, gelijk we boven zeiden, priester was, en vroeg hem, dat hij in de kerk van Scherpenheuvel drie heilige

ocr page 25

21

missen zou lezen ter eere van den H. Geest; alsmede, dat hij door Maria's voorspraak Gods zegen over hem zoude afsmeeken. Want, zeide hij, is het billijk, dat de ouders zich verheugen over hunne kinderen, wanneer zij den luister van hun huis verhoogen, hoeveel te meer moeten zij zich verheugen over de waardigheid van een kind, wiens ziel door eene heilige gelofte verbonden is aan Jesus Christus, den Koning der hemelen.

Eenige dagen later, den 25 September 1618, legde hij zijne geloften af voor den novicenmeester P. Wilhelmus Bauters, des ochtends onder de H. Mis in tegenwoordigheid van het Allerheiligste Sacrament, en versterkte zich vervolgens met het Brood der Engelen,

Hoe innig zijn omgang met God was, blijkt alleen daaruit, dat hem geen vergunning verleend werd, om zich in de geestelijke eenzaamheid af te zonderen, zooals het anders voor het afleggen der kloostergeloften placht te geschieden.

Wij laten hier eenige uitreksels volgen uit brieven, door bovengenoemden Pater Bauters over Joannes Berch-mans geschreven:

„Wat ik schrijf, heb ik gedeeltelik zelf opgemerkt, gedeeltelijk van anderen vernomen. Toen ik hem bij zijne intrede in de Societeit, op last des Oversten onderzocht, meende ik bij den eersten oogslag een engel in menschelijke gedaante voor mij te zien; dat hij ook werkelijk bleek te zijn, toen ik zijn hart meer doorgrondde. Hij was de onschuld zelve, een voorbeeld van

ocr page 26

22

zedigheid, en lief in den omgang. Onderdanig aan zijne oversten, standvastig in het volbrengen van eens begonnen zaken, overgegeven aan het gebed, werd hij dikwijls door God op bijzondere wijze verlicht. Hij ademde niets dan Gods glorie. Ziedaar mijn oprecht getuigenis.

Leuven, 10 November 1621.quot;

In een anderen brief aan den schrijver eener levensgeschiedenis schrijft hij het volgende:

,0, hoe aangenaam was mij die lezing. In den geest zag ik nog den engelachtigen jongeling voor mij, tusschen de meer dan honderd novicen in het novicaat teMechelen. Al die trekken uit dat heilige leven, al die goede werken, die mij zoo vaak tot verrukking hebben opgevoerd, herleefden voor mijne verbeelding, en spoorden mij en mijne onderhoorigen aan, hem na te volgen, en God in zijn dienaar te loven.

„Ik ben het der waarheid schuldig, te bekennen, dat, ofschoon mij door mijne oversten de taak was opgedragen, hem te leiden en te onderwijzen, ik hem steeds met innerlyke bewondering heb aanschouwd, en telken dage van den Heer onzen God de genade afbad, van hem, indien ik hem niet kon evenaren, ten minste te kunnen navolgen........

„Ik voel mij gedrongen, te gelooven, dat h\j in de wieg reeds uitverkoren was tot een ongeschonden tempel van den H. Geest......

ocr page 27

23

„Zoolang hij in België was, gaf hy aan allen het volmaakte voorbeeld van alle deugden; hij was een spiegel van gehoorzaamheid. Naar wat ik van hem zelf gehoord, of in hem zelf gezien heb, heb ik altijd geloofd, en geloof ik ook nog, dat hij steeds beantwoord heeft aan de genade zijner roeping, en dat hij onder ons het heiligste leefde. Het getuigenis van allen, die met hem geleefd, en die hem gekend hebben, is eenparig dit: „Hij heeft in ons midden een engelachtig leven geleid, én door zijne groote zuiverheid, én door zijne bescheidenheid in den omgang, én door zijne bevalligheid in zijne handelingen, én door zijne zachtmoedigheid, én door zijne gehoorzaamheid, én door zijn ijver en godsvrucht in den dienst van God. Hij was gelijk aan een engel, die immer staat voor den troon der Allerhoogsten.

„In 't kort: Gods zegen rustte op zijn hoofd ; de Heer had hem onder alle vleesch uitverkoren, en hem een levenswet en tuchtregelen voorgeschreven; Hij heeft hem omgord met den gordel der gerechtigheid, hem leidende in de nauwkeurige naleving van den kloosterregel; en daarna heeft Hij hem verheerlijkt, en heilig gemaakt, en de kroon der glorie op het hoofd gedrukt.

Leuven, 16 April 1624,quot;

Wij hebben het leven van Joannes in België afgehandeld, en gaan thans over tot zijn leven te Rome.

ocr page 28

HOOFDSTUK III.

Vertrek naar Rome. — De geur zijner heiligheid verspreidt zich op zijne reis. — Aankomst en verblijf te Lorette. — In het College to Rome. — Studio dor Wijsbegeerte. — Zijne volmaaktheid in alles. — Verschillende gebeurtenissen.

et noviciaat volbracht hebbende, werd Joannes tot Pater Carolus Scribani, die in dien tijd Provinciaal der Orde was te Antwerpen, gezonden, om door dezen onderhouden te worden over het volbrengen zijner theologische studiën te Kome Door zijn overste naar Diest gezonden, ten einde zijn vader vaarwel te zeggen, hoorde hij reeds te Mechelen diens overlijden en begrafenis. Diep getroffen door die tijding, riep hij uit: „Zoo zal ik dan met meer waarheid kunnen zeggen: „Onze Vader, die in de hemelen zijt.quot; Vervolgens zijne broeders en zusters en alle andere zaken aan de zorg van voogden, en aan die van den hoogw. heer kanunnik Freimont toevertrouwende, keerde hij naar Antwerpen terug.

Van daar vertrok hij naar Rome, den 24 October 1618, in gezelschap van Rartholomaeus Penneman, een

ocr page 29

25

jongeling rijk begaafd naar geest en hart, die insgelijks voor zijne theologische studiën naar Rome gezonden werd.

Het verwonderde Joannes, dat hij naar Rome in zulk eene beroemde Academie der Societeit gezonden werd, daar hij niet begrijpen kon, waardoor hij zulk eene weldaad verdiend had. Niettemin verheugde hij zich bij de gedachte aan al, wat hij het geluk zou hebben, daar te aanschouwen: Vooreerst Christus' stedehouder op aarde en het Hoofd der katholieke Kerk ; den Generaal-Overste zij ner Orde; zooveel heilige plaatsen en overblijfselen der Heiligen ; de gedenk-teekenen van de Prinsen der Apostelen, en zooveel meer, dat goed doet aan het hart van den Christen, Zijne reis maakte hij over Parys en Lyon; en, ofschoon hij op de verschillende plaatsen, die hij doortrok, slechts één nacht vertoefde, schitterde zijne deugd nochtans zoo helder, dat uit verschillende plaatsen brieven van lof over den jongeling te Rome aankwamen.

Daags voor Kerstmis kwamen zij te Lorette, en bezochten dat Heiligdom, waarin ;het Goddelijk Woord de menschelijke natuur heeft aangenomen. Ofschoon vermoeid van de reis, en zwak bovendien van gestel, wilde Joannes echter bij den ochtenddienst tegenwoordig wezen, die met de diepste godsvrucht en de grootste pracht in de kerk van Lorette verricht werd. En hij was er tegenwoordig, immer geknield, met de oogen neergeslagen, het lichaam onbewegelijk, met zooveel ingetogenheid en aandacht, dat aller oogen op hem

ocr page 30

26

gevestigd waren, en men hem vol bewondering met den vinger aanwees. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, meenden eenigen in hem een vorstenzoon te zien, die (gelijk het wel meermalen gebeurde) om de heilige kapel te bezoeken, andere kleederen aangetrokken en een anderen naam aangenomen had.

Na het morgengebed hoorde hij in die genaden-rijke kapel de heilige Mis, en ontving er de H. Communie. Twee dagen bleef hij daar, omdat hij zijn hart niet kon verzadigen aan den aanblik van het heiligdom. Vervolgens zetten zij hunne reis voort, en bereikten de Eeuwige Stad op het einde van December, waar zij door den Generaal-Overste, P. Mutius Vitellescus, vriendelijk werden ontvangen.

Hier werd Joannes eene plaats aangewezen tusschen zijne nieuwe medeleerlingen, en verkreeg hy tot leermeester P. Pranciscus Piccolomini, die de wijsbegeerte doceerde. Slecht twee en twintig maanden mocht de jongeling het gezelschap zijner nieuwe leergenooten genieten; nog negen maanden leefde hij in gezelschap der oudere leerlingen, tot hij door eene ziekte uit hun midden werd weggerukt. Gedurende dien tijd maakte hij zulke vorderingen op den weg der volmaaktheid, dat allen getuigden, in hem een jongeling te zien van buitengewone en uitstekende heiligheid.

En inderdaad, wanneer Joannes alleen in onschuld of eenige andere deugd hadde uitgeblonken, dan hadde hij misschien zijn gelijke gevonden in de Societeit. Maar dat hij én door onschuld van leven, én in alle andere

ocr page 31

27

deugden uitblonk, daardoor verwierf hij zich ieders eerbied en bewondering. Door de hulp van Gods genade en een aanhoudenden ijver had hij die deugden tot zulk een verheven trap van volmaaktheid weten op te voeren. O, indien zij, die zijne uiterlijke handelingen aanzagen, hadden kunnen doordringen tot die innerlijke deugden, waaruit die handelingen voortkwamen, welk een dunk zouden zij hebben opgevat van 's jongelings deugd en heiligheid! O gelukkig hij, in wiens ziel God zijn welbehagen genomen had! Gelukzalige jongeling, wien God zulke voorrechten geschonken had, als Hij eertijds gaf aan Adam, toen Hij hem plaatste in dien gelukkigen staat van hemelsche onschuld!

Joannes dan studeerde de wijsbegeerte aanhetRomein-sche College, waar verschillende Oversten nauwlettend acht gaven op de stipte vervulling der regelen en voorschriften. Met de meeste zorg werden de kleinste vlekken, de lichtste fouten aangeteekend, die zij ontwaarden, hoofdzakelijk in die jongelingen, welke meer in 't oog werden gehouden, teneinde hen te doen volharden. En toch, geen enkele Overste, noch mindere, noch leermeester, noch medeleerling of kamergenoot; geen enkele van die hem zagen en gemeenzaam met hem omgingen, heeft ooit de minste onvolmaaktheid, de lichtste fout in hem gezien, of zelfs een onbescheiden woord van hem gehoord. Niemand zag hem ooit de blikken hooger opslaan, dan paste: niemand zag hem ooit, óf uit menschelijk opzicht, óf uit onachtzaamheid, de grenzen van het geringste verbod overtreden; niemand

ocr page 32

28

zag hem ooit een enkel oogenblik nutteloos of in leegheid doorbrengen. In één woord, niemand zag hem ooit de minste fout begaan.

O, als reeds eene enkele deugd, tot volmaaktheid opgevoerd, den mensch de bewondering en navolging van anderen waardig maakt, hoe groot moet dan niet de bewondering en eerbied geweest zijn voor dien jongeling, die zoovele uitstekende deugden in zich ver-eenigde, en tot volmaaktheid opvoerde!

Wij zullen hier twee getuigenissen aanhalen van Paters, die op het einde zijns leven de gidsen waren van zijn geestelijk leven. Het eerste is dat van P. Joannes Bap-tista Ceccotti, die het geluk had, gedurende twee jaren zijn geestelijke leidsman te wezen.

„Om te voldoen aan den wil mijner Oversten, kan ik van Joannes, wat zijn inwendige aangaat, getuigen, dat ik nooit een ziel heb gevonden, reiner en zuiverder dan de zijne, hoewel ik er, door mijn ambt, ontelbare onder mijne leiding heb gehad. Het heeft mij altijd toegeschenen, dat die ziel iets boven andere voorhad. Zijne zonden waren uit natuur slechts dagelijksch, en dan nog zulke, die over 't algemeen niet kunnen vermeden worden, en die in de grootste heiligen uit zwakheid der bedorven natuur gevonden worden. Wat meer is, van dien aard van zonden heeft hij er maar weinige, en dan nog nooit wetens en willens bedreven . . . .

„Van zijne gebreken had hij de klaarste kennis. Zijn geweten was zeer teeder, doch niet beangstigd of scrupuleus................

ocr page 33

29

„Wat over de volmaaktheid geleerd werd, prentte hij niet alleen in zijn geest, maar volgde het werkelijk op. Toen ik eens, uit voorschrift des regels, onze leerlingen moest onderhouden over het geestelijk leven, teruggebracht tot eenige hoofddeugden, ving onze Joannes mijne woorden met zooveel leergierigheid en ijver op, dat ik niet wist, welke volmaaktheid ik nog in hem te wenschen had...............

„Ik kan dit met meer zekerheid getuigen, daar ik langen tijd met hem heb omgegaan, en in hem een schat van hemelsche deugden ontdekte, waarvan die ziel vervuld was, waarin ik nooit eenige ongeregelde neiging of drift heb kunnen ontdekken.

„Zijne medeleerlingen en leeraars vereerden hem als een engel des hemels; hij zelf was zoo eenvoudig, dat hij nooit aan iemand eenig gebrek of onvolmaaktheid opmerkte.................

Aldus meen ik der waarheid recht te doen.

„Joannes Baptista Ceccotti.quot;

Een ander getuigenis is dat van P. Thomas Massucci, die zijn geestelijke leidsman was in het laatste jaar zijns levens, 1621, van het begin van Januari tot den 31 Augustus, den dag waarop hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselde:

„Steunende op de ondervinding, welke ik gedurende dien tijd van hem heb opgedaan, meen ik met zekerheid het volgende te kunnen getuigen: 1° Dat ik nooit

ocr page 34

30

een jongeling gekend heb na den engelachtigen Aloy-sius van Gonzaga (met wien ik geleefd, en zelfs het laatste jaar van zijn leven in 't Romeinsch College gemeenzaam omgegaan heb), die vlekkeloozer van levenswandel, reiner van geweten, en hooger in volmaaktheid was dan onze Joannes.

„2° Dat hij zich voorgenomen had, om zijn doel als religieus te bereiken, in alle deugden uit te blinken, en alle mogelijke vorderingen te maken in de studie; dat hij dat alles deed tot eer van God en heil der zielen, en tot beantwoording aan de genade en den geest zijner roeping.

,3° Dat hij tot bereiking van dit doel, als algemeen middel gebruikte, het getrouw naleven onzer regels: in welk opzicht hij, zonder eenige angstvalligheid, zeer stipt te werk ging, en geen enkelen wetens en willens heeft overtreden..............

,4° In het opvolgen der drievoudige gelofte was hij zoo omzichtig, dat hij in dit punt niets kon vinden, om er zich van te beschuldigen. De zuiverheid inzonderheid heeft hij zoo ongeschonden bewaard, dat ik geloof, dat hij nooit door eene beweging of voorstelling aan die deugd tegenstrijdig, is verontrust geweest

„5° Uit de dagelijksche meditatie trok hij zooveel voordeel, dat ik (in acht genomen het licht van zijn geest en de liefde van zijn hart, die hem van 's mor-

ocr page 35

31

gens tot 's avonds leidden in het naleven der regels, en het beoefenen van alle deugden) steeds geloofd heb, dat hij in de genade bevestigd was, d. i., dat hij op zulke wijze door de genade werd geholpen en voorgelicht, dat het hem onmogelijk werd, door een aanmerkelijke fout van den weg af te wijken; in welken staat hij volhardde tot het uiteinde zijns levens.quot;'

Het getuigenis van P. Franciscus Piccolomini, zijn leermeester, vinde hier ook nog eene plaats:

„.......Gedurende de drie jaren, dat

hij de wijsbegeerte studeerde, en met mij in hetzelfde College vertoefde, kwam hij dagelijks eens of meermalen op mijne kamer; maar nooit of nimmer, hetzij in 't openbaar, hetzij in de eenzaamheid, heb ik in hem de minste fout opgemerkt; integendeel, steeds heb ik in hem do grootste bescheidenheid in houding, gelaat en gebaren bewonderd.

„Vervolgens heb ik nooit iemand gezien, die zoo gedurig, gemakkelijk en als vanzelf met hemelsche zaken en Gods tegenwoordigheid bezig kon zijn, en tegelijkertijd met alle aandacht andere zaken verrichten. . .

„Ten derde, ik heb nooit iemand van zijn leeftijd gekend, die zoo vol was van verhevene gedachten, en met zulk eene kennis van God begaafd; die daarenboven met zulk een gemak de volmaaktheid beoefende.

„Ten vierde, hij toonde zich niet alleen volhardend in een eens begonnen zaak, maar dacht steeds nieuwe uit, om vooruitgang te maken; zoodanig dat, toen

ocr page 36

32

hij mij eens vertelde wat hij deed van den vroegen morgen af, en hoeveel nieuws hij had bijgeleerd, ik hem ronduit verklaarde, dat hij niet meer op die wijze

moest voortgaan..............quot;

Wij zouden nog verschillende getuigenissen kunnen aanhalen, die het bewijs geven van Joannes' uitstekende deugd en heiligheid; doch, daar het getuigenis van twee geleerde en deugdzame mannen, gelijk boven zijn aangehaald, voldoende blijkt, zullen wij van de andere afzien.

ocr page 37

HOOFDSTUK IV.

Hoe hij tot de volmaaktheid kwam. — Zijn voornemen van nooit een regel te overtreden. — De liefde voor de orderegelen. — Zijne engelachtige zuiverheid. — De vier middelen, die hij aanwendde, om die deugd te bewaren. — Twee voorrechten, welke hij tot belooning voor zijne zuiverheid ontving, één in zijn leven en één na zijn dood. — Zyn aanblik alleen wekt liefde op voor die deugd.

vhwif ELLICHT vraa8t hier iemand, langs welken we^ en ^001^ we^e middelen Joannes op V 'V' dien leeftijd, tot zulk een hoogen trap van

volmaaktheid geraakte. Hierop antwoorden wij met dezelfde woorden, die Christus tot Joannes den Dooper sprak toen deze weigerde Hem te doopen: „Aldus betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen 1);quot; en wij zeggen, dat deze jongeling alle gerechtigheid vervuld heeft. Inderdaad, voor zoover het de menschelijke natuur mogelijk is, heeft hij alles gedaan, wat hij wist, dat op het pad der deugd kon gedaan worden; geen enkel deed der volmaaktheid (wat hij door Gods hulp

3

1

Matth. III. 15. J. Berchmans.

ocr page 38

34

kon bereiken) heeft hij verwaarloosd. Op het eens ingeslagen pad der volmaking is hij nooit een stap teruggetreden, nooit stil blijven staan, nooit vermoeid geworden; immer schreed hij voort, van het goede in het betere, van de volmaking in eene meerdere volmaking.

Op den hechten grondslag van dc onschuld des Doopsels had hij dat heerlijk gebouw der deugden opgetrokken. Van dien tijd af had hij het vaste voornemen gemaakt, nooit de minste dagelijksche zonde te bedrijven. Dat voornemen bezat hij schriftelijk aldus: „iteyer duizendmaal sterven, dan de minste zonde te begaan. Met den meesten vjver zal ik mij steeds trachten te onthouden van alle dagelijksche zonde. Vit alle kracht zal ik steeds de minste onvolmaaktheid vermijden. Liever sterven, dan een enkelen regel te overtreden. Eerder de gezondheid verliezen, dan den minsten regel te overschrijden.quot;

Een der Paters, een man van uitstekende geleerdheid, en bewonderaar van 's jongelings volmaaktheid, nam de taak op zich, zeer naarstig te onderzoeken, of hij geen gebrek in hem bespeuren kon, hetzij in het spreken of handelen of redetwisten. Maar nooit mocht het hem gelukken, de minste fout, zelfs niet tegen de wellevendheid, in hem te ontdekken.

Nooit behoefden de Oversten hem op deze of gene zaak opmerkzaam te maken, nooit te vermanen. Nooit ging hij uit het gezelschap, of hij moest verlof hebben. Nooit weigerde hij iets te doen, wat hem werd opgedragen. Nooit sprak hij met een oudere, toen hij nog

ocr page 39

35

onder de jongere leerlingen vertoeven moest; en nooit met een jongere, toen hij onder de oudere geplaatst was, zonder verlof des Oversten.

Reeds had hij de samenleving der jongelieden verlaten, toen eens een Belgisch Pater met een Belgisch jongeling sprak, die eertijds in België met Joannes in het noviciaat, en thans in de Societeit te Rome was; toevallig ging Joannes hen voorbij, en de Pater hem ziende, riep hem, ten einde eenige woorden in het bijzijn des anderen met hem te spreken. De gehoorzame jongeling evenwel, gedachtig aan den regel, die hem verbood te spreken, verzocht den Pater, dat hij den andere zoude wegzenden, belovende hem dan te woord te zullen staan. Door een ander priester ondervraagd, waarom hij niet gesproken had met een oude kennis uit zijn noviciaat, antwoordde hij: ,Omdat ik opgehouden heb met hem te leven, en den ouderen het gesprek met jongeren verboden is.quot;

Hij placht dikwijls al schertsend te zeggen, dat het wenschelijk ware, aanstonds na eenen bedreven misstap door de Oversten gestraft te worden, omdat men dan zekerder was, met zijn Overste in vrede te blijven.

Bij verandering in den toestand van zaken, zijn de Oversten gewoon nieuwe verordeningen uit te vaardigen, en die in de eetzaal af te kondigen. Joannes nu bezat een boekje, waarin alles was vervat, wat gedurende den tijd, dat hij in 't Romeinsch College verbleef, was afgekondigd; dat boekje gebruikte hij om zich des te beter te herinneren aan de afgekondigde verordeningen. Daar-

ocr page 40

36

uit ziet men duidelijk, met hoeveel beleid hij de regels naleefde. Onder de principen, die hij zich gesteld had, was ook dit: nIk haat als de pest de dispensatie in het nakomen der reglementen.'' Ook wilde hij nimmer een of ander voorrecht hebben, of vrijheid van handelen in deze of gene zaak: „Ik zal niet licht,quot; zeide hij, „een algemeen verlof vragen in eenige zaak.quot;

Op den feestdag van den H. Ignatius, den stichter zijner orde, keerde hij na de H. Mis naar het College terug, toen hem een zijner makkers vroeg, welke gunst hy van den Heilige had afgesmeekt. „Ik heb gebeden,quot; zeide hij, „in de Societeit te mogen sterven, zonder een enkelen regel te hebben overtreden.quot; O, het verheugde hem blijkbaar, wanneer hij na tafel al die Paters en Broeders in den tuin of elders zag wandelen en praten; en wanneer dan, bij den eersten klank der bel, allen zwegen, de woorden zelfs op de helft afbraken, en in stilte naar hunne cellen gingen!

Doch met hoeveel liefde hy het reglement naleefde, kan men hieruit opmaken, dat hij eiken avond, wanneer hij zich te slapen legde, het boek der Regels met bijzondere godsvrucht onder zijn hoofd plaatste, en vervolgens geruster scheen in te slapen. Tydens zijne ziekte moest men hem datzelfde boek brengen, en het hem in handen geven.

Was Joannes op zijne hoede tegen elke overtreding der Regels, hoeveel te meer was hij het niet tegen de minste vlek, die zyne kuischheid zou kunnen ontsieren. Steeds verfoeide en verafschuwde hij de kleinste

ocr page 41

37

onvolmaaktheid, die strijdig was met de engelachtige deugd, zooals: den lust naar uitgezochte spijzen en gulzigheid, de lichtzinnigheid in het gebruik der oogen, en wat dies meer zij. Ziehier zijne woorden: „In eeuwigheid zal ik alle onvolmaaktheden haten en verfoeien, die strijden met de zuiverheid, zooals de neiging tot spijzen, en de zorgeloosheid in het bewaken der oogen zoowel binnen als buiten; want de onzuivere is slechter dan alle duivelen.''

Om derhalve zijne zuiverheid te bewaren, was hij een vijand van alle onmatigheid, welke hij de vijandin der kuischheid en het verderf voor het gebed en de overweging noemde. Hij kon het in brave menschen niet goedkeuren, wanneer zij op het eten bedacht waren, en hij hen meermalen over spijs en drank hoorde spreken. „De gulzigheid,quot; zegt hy, „bestaat in een ongeregelde zucht naar spijs, welke zucht zich te kennen geeft door gedachten en woorden over het eten, door eene verachting van de algemeene, eenen trek naar uitgezochte spijzen, door eene ongepaste manier van ze te gebruiken, als bijv. met te groote begeerlijkheid.quot;

Hij 'zelf kon er nooit toe gebracht worden, iets meer te eten, dan hij gewoon was, zelfs niet als zijne gezondheid het vorderde. In zijne jongelingsjaren, toen zijn lichaam meer voedsel noodig had tot zijnen groei, beschuldigde hij zich vaak van onmatigheid, niet begrijpende, dat hier de natuur hare eischen deed, en hare rechten vorderde.

Met zijne oogen had hij een verbond aangegaan, van ze nooit op te slaan van den grond, dan wanneer

ocr page 42

38

eenige reden of noodzakelijkheid het vereischte. Deswege zag hij diegenen niet aan, met wie hij sprak, tenzij in het begin om hen te kennen. Ging hij echter naar de cel zijns meesters, die reeds wist, dat hij komen zou, dan trad hij altijd binnen met neergeslagen oogen. De mensch is van natuur zoo gesteld, dat hij bij elk ongewoon geluid het hoofd omwendt, om te zien, vanwaar dat geluid komt. Bij Joannes was dat niet het geval. Met opzet hieven soms eenige jongelingen een luid geschreeuw aan, om hem te doen opzien; maar het gelukte hun nooit. Toen hem eens zijn kamergenoot vroeg, hoe hij altijd zoo ingetogen kon zijn, antwoordde hij: „Men moet waken over zijn hart, en dat kan men niet zonder te waken over zyne oogen.quot;

Hij veroorloofde zich niet het gezicht van personen; doch wat meer is, het zien, het aanschouwen van alle merkwaardigheden had hij zich ontzegd. Eens werd hij naar een Seminarie gezonden, om tegenwoordig te zijn bij een tooneelvoorstelling. Hij voldeed aan het bevel, maar bleef met de grootste ingetogenheid en zedigheid op zijne plaats zitten, zonder de oogen op te slaan. Een adellijk toeschouwer, die den jongeling met bewondering gadesloeg, fluisterde zijn buurman in het oor: „Voorzeker, die Pater is een Heilige.quot;

Nooit kon men van hem verkrijgen, dat hij de heerlijke tuinen en wijngaarden, die te Rome der bewondering waardig zijn, ging aanschouwen. Zelfs schonk hy niet etn blik aan die geestelijke optochten, die dikwijls te Rome gehouden werden bij het onthalen van nieuwe

ocr page 43

39

kardinalen, vorsten of gezanten; en wanneer hij toevallig zulk een stoet ontmoette, ging hij voorbij met gesloten oogen. Toen de nieuwgekozen Paus Gregorius XV in optocht langs het klooster trok, zaten de kloosterlingen, waai'onder Joannes, aan de deur geknield, om den zegen te ontvangen. Naderhand vroeg hem iemand, of die prachtige stoet hem bevallen had; waarop hy antwoordde: „Ik heb hem niet gezien, wijl diegenen, welke voor mij zaten, mij het gezicht benamen.quot; Inderdaad, in plaats van zijne aandacht te schenken aan die pracht, had hij ze geschonken aan het gebed.

Bij het bezoek eens Kardinaals aan het Romeinsch College, was aan Joannes onder meerdere jongelingen, die elk in hunne taal het woord moesten voeren, de taak opgedragen, dat te doen in het Nederlandsch. Toen hij zijne rede geëindigd had, vroeg hij of men hem niet noodig had in de keuken; en bij een ontkennend antwoord, begaf hij zich aanstonds naar de kerk om te bidden.

Daar had hij zich een hoekje uitgekozen, waar hij zijne ziel kon lucht geven in het gebed: daar zat hij gedurende de geheele Vespers met neergeslagen oogen en onbewegelijk geknield. Zeker edelman uit Genua beschouwde den jongeling met innige voldoening, en sprak aldus tot een der Paters :

,Waarom, Pater meent gij, dat ik hier gekomen ben 1quot; — „Wel,quot; antwoordde de andere, „om de Vespers bij te wonen.' — „En om dien jongeling te zien,quot; hernam de Genuees, „die op eiken feestdag hier komt, en

ocr page 44

40

op die plaats zit te bidden met zooveel zedigheid, dat hij de oogen niet opslaat. Ik heb zulk eene uitmuntende gedachte van hem, dat ik in hem een Heilige meen te zien; want terwijl ik in de kerk dezen zie opletten op de muziek, genen zie rondzien, anderen praten, bidi die jongeling zoo zedig, zoo rustig, dat hij mij toeschijnt, heilig te wezen.' Anderen zeiden, dat een engel met menschelijke leden niet zediger kon zijn.

Toen hij op het einde zijner (theologische) studiën zijne theses moest verdedigen, stonden eenigen op den drempel, om hem op den leerstoel te zien staan: fluisterend staken zij de hoofden te zamen, cn zeiden: „Ziet, de Zedige Pater zal zijne theses verdedigen, zonder dat het ons zal vergund zyn, een enkel oogenblik hem te aanschouwen!'

Door deze hulpmiddelen was Joannes gekomen tot die uitstekende zedigheid, en tot die heerschappij over zijne oogen. Met niet minder ijver beheerschte hij al zijne overige ledematen, en veroorloofde hun geene beweging, die slechts eenigszins tegen de welvoegelijkheid streed; zoodat het geen wonder was, dat hij ook in dit opzicht voor allen een voorwerp van bewondering was.

Een ander middel om zijne engelachtige zuiverheid te bewaren, bestond in het vluchten van alle gemeenzaamheid.

„Met niemand wil ik gemeenzaam zijn,quot; zeide hij, meenende door de gemeenzaamheid aan den eerbied, dien hy anderen schuldig was, te kort te doen. Het reglement verbood den een den anderen aan te raken;

ocr page 45

41

waarom Joannes zich tot regel gesteld had: „Als iemand mij tegen den regel, al is het maar uit scherts, aanraakt, zal ik hem aan den Overste bekend maken.'' Uit de werken van den H. Bonaventura 1) had hij zich de regels opgeschreven, waardoor men de slechte vriendschappen van de andere kan onderscheiden: ge-heele uren en dagen doorbrengen in het gesprek, dat in den beginne goed, langzamerhand ijdel en zelfs lichtzinnig wordt; zijne geneigdheid voor elkander uitdrukken; elkander kleine geschenken geven; niet lang de afwezigheid van den vriend kunnen verdragen; beangstigd zijn wanneer men niet spoedig tijding van hem krijgt; kwaad worden, wanneer een derde in het gezelschap binnensluipt enz.; waarbij Joannes een ander teeken voegde, namelijk: wanneer de eene vriend den anderen gelegenheid geeft tot het overtreden van een regel of het begaan van een misstap.

Door die aanhoudende zorg, welke Joannes besteedde aan het bewaken van zijn lichaam met al zijne ledematen, had hij van God een bijzonder voorrecht verkregen: dat hij gedurende zyn geheele leven geen enkele bekoring heeft gehad tegen de zuiverheid. Op een dag, dat hu sprak over de voorrechten der Allerheiligste Maagd, zeide hij: „Door Gods hulp en den bijstand der H. Maagd heb ik nooit, zoover ik weet, eene bekoring gehad tegen de zuiverheid; maar ik verafschuw alles, wat aan die deugd tegenstrijdig is.quot;

1

Do Profeet u Kelig. lib. 2, cap. 27.

ocr page 46

42

Zoo zuiver als die ziel was, zoo zuiver was ook het lichaam; hetgeen hy aan de hulp der Allerh, Maagd toeschreef, onder wier bescherming hij waakte en sliep.

Tot belooning voor die engelachtige zuiverheid, had hij van den Hemel twee voorrechten verkregen, één in zijn leven, en één na zijn dood. O welk een geluk moet het voor hem geweest zijn, gedurende zijn leven, door zijn aanblik, door zijne tegenwoordigheid alleen de liefde tot die deugd in de harten van anderen te ontsteken! niet weinigen hielden hem dan ook reeds voor heilig, en baden God door zijne verdiensten. Anderen riepen uit: „Gelukkig gij, die als een Engel uit den hemel op aarde zijt neergedaald, om ons het voorbeeld te geven van alle christelijke deugden!quot; en dan weenden zij, getroffen door dien aanblik, en in liefde tot de zuiverheid ontstoken.

Een ander voorrecht, hetwelk hij na zijn dood scheen te genieten, was die macht, waardoor hij velen, die hem in den strijd tegen de onzuiverheid aanriepen, te hulp kwam, en hen over de bekoringen deed zegevieren. Inderdaad wendden zich menschen van beider geslacht, in het gevaar, met liefde en vertrouwen tot Joannes, en vonden in zijne hulp aanstonds een geneesmiddel tegen de bekoringen. Uit dankbaarheid werden er dan door de geholpenen ex-voto's opgehangen aan zyn grafzerk, die den jongeling nog meer de liefde en den eerbied der menschen verwierven. Men ziet dus, dat de H. Maagd haar geliefden dienaar en zoon niet alleen in zijn leven met

ocr page 47

43

voorrechten heeft begiftigd, maar hem zelfs na zijn dood met wonderen heeft versierd, tot stichting en nut der geloovigen, en tot zijne verheerlijking voor de ge-heele wereld.

ocr page 48

HOOFDSTUK V.

De middelen, welke Joannes gebruikte om alle fouten te vermijden. — Zijn inborst. — Zijne geregelde levenswijze. — De bewaking zijner tong. — Gewetensonderzoek. — Zijne afzondering op een dag van elke maand.

m zyne onschuld tegen alle vlekken te behoeden, had Joannes, behalve de bijzondere hulp van God, nog vijf andere middelen; en die zijn: een goede inborst en natuur, een geregelde levenswijs, de bewaking zijner tong, het gewetensonderzoek, en de zorg over de belangen zijner ziel.

Het is altijd goed, een geschikte natuur te hebben, goed van inborst te zijn; maar bijzonder om zijn leven naar de deugd te regelen, en zich goede zeden te vormen.

De oorzaken immers, waarom de eene mensch lichter in zonden valt dan de andere, waarom de eene meer tot deze, een andere meer tot gene ondeugd overhelt, moeten dikwijls gezocht worden in de samenstelling van het lichaam, in de ongelijke mengeling van verschillende vochten, die het menschelijk lichaam

ocr page 49

45

bevat. — Doch de hemel en de elementen, de natuur en de genade schenen samengewerkt te hebben, om het lichaam van Joannes te vormen met zulk eene regelmaat, dat geen enkel deeltje in dat geheel eene verkeerde verhouding teweegbracht.

Wijl nu de aandoeningen der ziel natuurlijk gewijzigd worden door den bouw van het lichaam, en hare wernkigen daarvan afhangen, zoolang namelyk als lichaam en ziel vereenigd zyn, volgt daaruit, dat de aandoeningen en bewegingen der ziel in het heerlijkste verband staan, wanneer het lichaam insgelijks de kenteekenen draagt van eene innerlijke harmonische samenvoeging. Het viel daarom den jongeling niet moeielijk om, gesteund door Gods genade en zijne eigene waakzaamheid, zyne rede en zijn hart te bewaren voor alles, wat stoornis daarin kon teweegbrengen. Daarom had hij zijn vleesch aan den geest, het lichaam aan de ziel, zijne zinnen en begeerlijkheden aan de rede, en de rede aan God onderworpen: daarom genoot hij voortdurend den innerlijken vrede, die van God komt, en dien de wereld niet geven kan.

Vandaar die sieraden des jongelings, welke in hem uitblonken, en vooral die levendigheid, die rust der ziele, gepaard met dien innerlyken vrede, welke steeds uit zijne oogen straalde en op zijn aangezicht te lezen stond. Vreugde toekende zijn gelaat; een zoete glimlach speelde om zijne lippen. Droefgeestigheid kende hij niet; ten minste, hij wist niet, haar ooit ondervonden te hebben. En dan die overvloed van geestelijke vreugde, waardoor

ocr page 50

46

de Heiligen zich zoozeer onderscheiden! O, dat was een teeken van zijne gewetenszuiverheid, van zijne verachting van al het vergankelijke, van een volslagen gebrek aan zinnelijke lusten, van zijne heerschappij over geheel zijn lichaam! Toen reeds had de gelukkige jongeling een voorsmaak van die eeuwige gelukzaligheid, waartoe hi] door God was voorbestemd.

Een ander middel was zijn eens vastgestelde levtnsregel, waarvan hij nimmer afweek. Alle half jaren (gedurende de driedaagsche retraite, die gehouden werd om de kloostergeloften te vernieuwen) verdeelde hij zich den tijd, de dagen en uren bepalende, waarop hij deze of gene zaken zoude verrichten. En dien'regel leefde hij standvastig na. quot;Wanneer er nochtans, wegens andere bezigheden of verandering van woonplaats, eene verandering noodzakelijk was, werd natuurlijk ook eene wijziging gebracht in zijn levensregel.

Gebeurde het nu somwijlen, dat eene zaak spoediger verricht was, dan de tijd dien hij daarvoor bepaald had, dan hield hij zich bezig met te overleggen hoe de volgende het beste tot stand te brengen, zoodat hij nooit iets deed, zonder vooraf rijpelijk overlegd te hebben. Ja, zijne voorzorg in dit opzicht strekte zich uit tot de schijnbaar nietigste zaken; zoo dacht hij b. v. na over de manier van ter ruste gaan, over zijne houding in het bed en bij het opstaan; ook de antwoorden, welke hij in dit of dat geval geven zoude, overwoog hij, zoodat hij nooit iets uit onbezonnenheid zeide, en aldus zich nooit iets

ocr page 51

47

te verwyten had. „Nooit,quot; zeide hij, „zal ik iels zeggen, zonder daarover te hebben nagedacht, en alvorens het aan God te hebben aanbevolen, opdat ik niets zegge, wat Hem onbehagelijk zij.quot;

Een derde middel was de waakzaamheid over zijn tong. De meeste zonden worden juist door dat lidmaat bedreven, en daarom wordt hij niet ten onrechte volmaakt geheeten, die niet zondigt door zijne tong. Joannes was uiterst omzichtig hieromtrent; nooit kwam er een woord over zijne lippen, dat niet noodzakelijk, dat nutteloos, of tegen de welvoegelijkheid was. Uit die spaarzaamheid in woorden volgt vanzelf, dat wat hij zeide, wel doordacht was. Nooit heeft men hem betrapt op een overtreding van den regel op het stilzwijgen ; nooit zelfs maakte hij gebruik van de gelegenheid om te spreken, wanneer daartoe in het College een klein verlof gegeven werd. Het is daarom des te meer te verwonderen, dat hij in tamelijk korten tijd, met zooveel juistheid het Italiaansch aanleerde, dat hij zelfs de moeielijkste klanken met vrij veel gemak uitsprak.

Een zijner medeleerlingen, Nicolaus Radkai, die met hem zeer ingenomen was, had van de oversten verlof gekregen, met hem alle zaken en aangelegenheden te mogen bespreken, ten einde zijn raad in te winnen. Nu gebeurde het niet zelden, dat hij naar des jonge-lings cel ging, wanneer het tijd van zwijgen was; doch deze zond hem dan, na zoo weinig mogelijk woorden gewisseld te hebben, weder heen; was de zaak uit-

ocr page 52

48

voeriger, dan stelde hij ze uit, tot de tijd van spreken weder daar was. Ook kwam hem eens te Rome een pater opzoeken, met wien hij te Lorette kennis gemaakt had. Toen deze te lang bleef praten, zeide de jongeling: .Eerwaarde, ik kan nu niet spreken, daar het tijd van zwijgen is. Op uw verlangen zal ik nochtans verlof gaan vragen aan pater overste.' Hij ging, en keerde terug, tot groote vreugde en voldoening des paters, die zeer gesticht was door die buitengewone gehoorzaamheid.

Buiten het College sprak hij nooit op bezochte plaatsen; en wanneer hem op weg iemand tegenkwam, brak hij aanstonds het gesprek af, om het later weder op te vatten. Op den tijd, dat het geoorloofd was, te spreken, sprak hij nooit anders dan over God en heilige zaken; en daarin scheen hij het grootste genoegen, den grootsten troost te vinden. Dan ook vloeiden de woorden met zooveel gevoel en zalving van zijne lippen, dat de ernstigste paters er door getroffen en in liefde ontstoken werden, meer nog dan door het gebed en andere geestelijke oefeningen.

Wanneer hij somtijds sprak met jongeren, of met diegenen, die nog in lagere studies waren, dan sprak hij over die zaken met zooveel zoetheid, dat zij met diep ontzag naar hem luisterden. Bestond zijn gezelschap uit ouderen, dan wist hij het gesprek eene andere wending te geven, om het op eene stof te brengen, welke meer met hunne behoeften overeenkwam.

Na tafel wandelden eens twee professoren in den

ocr page 53

49

tuin, toen zij Joannes van verre zagen aankomen. Aanstonds veinsden zij over oorlogstijdingen te praten. Joannes evenwel wandelde met hen, maar zwijgende, met de handen op de borst, en de oogen neergeslagen. Bij dat gezicht konden zij een glimlach niet bedwingen, en bekenden hem openlijk, slechts uit scherts het gesprek op dat onderwerp gebracht te hebben; oogenblikkelijk ook gingen z\] voort met te spreken over geestelijke zaken.

Hier moeten wij melding maken van twee dingen, die door zijn ijver tot stand kwamen. Het eerste bestond hierin. Van zijne oversten had hij verlof verkregen, om onder zijne makkers als het ware een klein disputeer-college op te richten over geesteljjke zaken, hetwelk hij geestelijke gesprekken van den wijngaard noemde. Op bepaalden tyd en uur kwamen zij te zamen in een of andere zaal. Een van hen stelde dan eene deugd voor, die, na met meerderheid van stemmen te zijn aangenomen, in eene volgende bijeenkomst besproken werd. In de eerste vergadering werd gehandeld over de broederlijke liefde, de zedigheid, de nederigheid, de bewaking der zintuigen, de zelfverloochening, het gebed, de verduldigheid, de geestelijke vreugde. Dan werd aan een onder hen de last opgedragen, deze of gene deugd te verklaren, daarbij aan te geven of zij ook door eenigen regel of door een bijzonder bevel der oversten werd bevolen. Een ander legde vervolgens de inwendige of uitwendige handelingen bloot, waardoor die deugd kon worden uitgeoefend. Deze haalde do beweegredenen aan, die

J. Berchmans. 4

ocr page 54

50

tot die deugd aanspoorden. Gene somde middelen op, waardoor die deugd kon verkregen worden. Weer een andere haalde voorbeelden aan van heiligen, die in deze of gene deugd bijzonder uitblonken. Ieder bereidde zich gedurende de week op het verhandelen eener deugd voor: en dan kwamen zij te zamen in den wijngaard op een vrijen dag, om het voorgestelde kort en eenvoudig na te gaan en te bespreken. Op het einde dei-vergadering was het aan eenen van hen geoorloofd, over de verhandelde deugd vragen te stellen; nadat die waren beantwoord, begon men op dezelfde wijze over de te vluchten tegenovergestelde ondeugden.

Die instelling bleef bestaan, ook na den dood van Joannes, en bloeit nog voort. Haar doel was alleen gelegen in eene wederzijdsche aanwakkering tot de deugd, en vermijding van de zonde. De godvruchtige jongeling schreef alles op, wat er in zijn tijd werd verhandeld.

Het tweede bestond in het lezen van de Instellingen, regels, annalen en geschiedenis zijner orde. En die las hij met een tweeledig doel, én om ze te kennen, én om ze na te volgen. Veel beloofde hy zich uit die studie; want toen gedurende zijne ziekte een Poolsch jongeling, Nicolao Grodeski, hem vroeg, op welke wijze men den vrijen tijd het beste kon doorbrengen, gaf hij ten antwoord: , Wilt ge met gemak en met nut over geestelijke zaken spreken, lees dan onop-houdelyk de Geschiedenis en de annalen onzer orde: deze immers moeten allen meer behagen, allen meer

ocr page 55

51

bijzonder aangaan. Wat mij betreft, ik heb mij daarvan eene verzameling gemaakt, zoodat wij over geene zaken spreken konden, of ik haalde er voorbeelden over aan uit onze eigene Societeit.quot;

Bovendien had hij zich een lijst opgemaakt van alle martelaren en heiligen der orde, wier jaardag hij steeds vierde onder den tijd der uitspanning. Hij was zoo bedreven in de kennis van den oorsprong, den vooruitgang en den algemeenen toestand der Societeit, dat hij ze niet alleen scheen gelezen, maar zelf geschreven te hebben. De geleerdste Paters, P. Franc. Piccolomini, P. Gabr. Venustus en anderen, verzekeren, dat zij nooit iemand gevonden hebben, die óf meer kennis van die zaken had, óf met meer gevoel daarover kon spreken.

Een vierde hulpmiddel, om zich zeiven steeds ongeschonden te bewaren, was de gewoonte om zijn geweten te onderzoeken; hetgeen door den H. Ignatius noodzakelijk geacht wordt voor allen, die tot volmaaktheid willen geraken. De oefening, welke wij algemeen gewetensonderzoek noemen, deed hij tweemaal daags met de overige leerlingen der Societeit. Een bijzonder onderzoek stelde hy dagelijks in op een vastgesteld uur, tenzij plaats en omstandigheden hem dwongen, dat uur te veranderen. Een maand vóór zijn overlyden verklaarde hij, nooit één van dat drievoudig gewetensonderzoek achterwege te hebben gelaten.

Toen hij eens terugkeerde van eene predikatie, dooiden Generaal-Overste gehouden, sprak hij zijn motge-

ocr page 56

52

zei aldus aan: „Wij konden onderweg ons geweten wel onderzoeken; want in het college zal het teeken daarvoor reeds gegeven zijn.quot;—Op een vrijen dag in de week wandelde hij omtrent etenstijd met een zijner medebroeders in den wijngaard, toen hij dacht dat het de gewone tijd van zijn gewetensonderzoek was. „Broeder,quot; zeide hij, „op dit uur ben ik gewoon, mijn geweten te onderzoeken,quot; en meteen was hij verdwenen om te doen wat hij gezegd had.

Hij was van gevoelen, dat er geen beter middel bestond om de ondeugden uit te roeien en de deugden aan te werven, dan het bijzonder gewetensonderzoek. Hij putte daaruit een volmaakte kennis van zich zelf; hij merkte al zijne gedachten, ook de geringste, op ; hij kende al zijne neigingen, en wat dies meer zij. Is het niet te verwonderen, dat zoo iemand niet door scrupulen gekweld werd? en toch zeide hij: „Ik'herin-ner me niet, gedurende mijn geheel loven, scrupulen gehad te hebben.quot;

Om nu in die dagelijksche oefeningen niet te verflauwen, had de vrome jongeling een ander middel uitgedacht, waardoor hij zijn eersten ijver bleef bewaren.

Met verlof der oversten namelijk, mocht hij zich elke maand één dag afzonderen. Dien dag kwam hij niet buiten zijne cel, en sprak hij met niemand ; dat was zijne maan-delijksche retraite. Buiten de vier uren, die hij dan aan de meditatie wijdde, gebruikte hij den geheelen dag om de zaken van zijn geweten te onderzoeken en te regelen.

Ziedaar langs welken weg Joannes, en door welke

ocr page 57

53

middelen hij de ondeugden uitroeide en de fouten vermeed. Thans staat ons te beschouwen, hoe hij het andere gedeelte der heiligheid volbracht volgens de woorden van David: „Houd af van het kwaad, en doe het goede.quot; 1)

1

Declina a malo et fac bonitatom.

ocr page 58

HOOFDSTUK VI.

Joannes' hoogachting voor de Societeit van Jesus. — Zijne liefde voor dezelve en voor al hare leden. — Zijne liefde voor de werkbroeders. — Zijne genegenheid voor de zieken. — Zijn haat voor al wat zonderling was. — Zijn gedrag bij het spel.

ooreerst zullen we hier nagaan, met welk een diepen eerbied, met welk een kinderlijke liefde Joannes bezield was voor zijne Orde. Van haar sprak hij als van iets goddelijks, met ernst en waardigheid. Hij placht haar „de heilige Societeit,' „de Societeit der liefde,quot; „een goddelijk werk,quot; „zijne moederquot; te noemen. Het leven in haar noemde hij eene gelijkenis van het leven van Christus op de aarde; voor hem was de Societeit een der schitterendste orden, die in de Kerk bloeien, en ofschoon hij de Societeit van Jesus als zoo iets heerlyks, zoo iets eerbiedwaardigs beschouwde, sprak hij nochtans met zooveel ontzag van de andere geestelijke orden, dat de leden dier orde het niet met meer warmte konden doen dan hij.

Die hoogachting zijner Orde bracht bij hem de heer-

ocr page 59

55

lijkste uitwerkselen voort. Hier komt op de eerste plaats die innige, teedere liefde voor haar, die hij zyne Moeder noemde. Tot welk eene groote weldaad h\j het zich rekende, tot die orde te behooren en haar kleed te dragen, blijkt hieruit, dat hy eiken ochtend, alvorens de toga aan te trekken, dezelve met teederheid kuste „verheugd (zooals hij zeide) zich weer te kunnen be-kleeden met het kleed van Christus.quot; Die liefde tot de Societeit en hare kleeding behield hij onverminderd tot zijn laatsten ademtocht, zoodat hij zelfs vroeg, in dat kleed te mogen sterven.

Het spreekt vanzelf, dat zulk een liefde en achting zijne rust en zijn geluk in die orde verzekerden; hetgeen hij uitdrukte door de volgende woorden: „Ik kef uiterst tevreden in mijn staat en gevoel dikwijls een hevige teederheid jegens de Societeit,quot; en op een andere plaats : „ik leef zeer tevreden, nooit, God zij dank, ben ik bekoord geworden, en in het laatste halfjaar voelde ik meer liefde tot de Societeit dan vroeger.quot;

Geliik hij de Moeder liefhad, zoo beminde en vereerde hij ook al haar zonen en al wat haar toebehoorde. quot;Wie eens zijn overste geweest was, beminde hij voortdurend, alsof hij nog steeds onder zijn gezag stond. De priesters stonden bij hem in zulk eene vereering, dat hij in hunne tegenwoordigheid slechts zeer weinig en dan nog zeer schuchter sprak. Wanneer hij met hen wandelde, ging hij steeds een weinig achter hen, om niet met hen gelijk te schijnen. Ontmoette hij in het huis een priester, dan ging hij een weinig ter zijde,

ocr page 60

56

ontblootte en boog het hoofd, liet hem voorbijgaan, en ging dan zijns weegs. Dien eerbied had hij niet alleen voor de priesters, maar voor allen, ook de minste leden der Societeit.

Hij had eene bijzondere genegenheid voor de werk-broeders, met welke hij gaarne omging. Wanneer het tijd van spreken was, begaf hij zich naar hen toe, alsof hij met hen, naar de eenvoudigheid en reinheid zijns harten, beter over geestelijke zaken kon spreken, en de gevoelens in de meditatie opgedaan, met meer vrucht kon overgieten. Zoo dikwijls hij hen van verre zag, groette hij met ontdekten hoofde, ook al werd hij door hen niet opgemerkt. Wat hen betreft, zij hadden en voedden de heerlijkste gedachten van den onschul-digen en heiligen jongeling, en noodigden hem uit, met hen te komen praten en hen te onderwijzen. Verkregen zij op feestdagen verlof om uit te gaan, dan vroegen zij steeds Joannes tot leidsman. De jongeling, van zyne cel geroepen, gehoorzaamde met de grootste bereidwilligheid en de oprechtste liefde: onderweg sprak hij niet dan over goddelijke zaken.

Eens zag hij, onder den tijd van uitspanning, een broeder alleen staan. „Pater,quot; zeide hij tot zijnjnetge-zel, „laten we tot dien goeden broeder gaan, die daar alleen staat.quot; Op een anderen keer zag hij twee broeders te zamen, die met werken bezig waren; aanstonds verliet hij het gezelschap zijner makkers, om hen te gaan helpen. Onmogelijk te zeggen, met welk een liefde hij hen verzorgde, wanneer zij ziek waren. Meer

ocr page 61

I

57

malen per dag bezocht hij hen, troostte hen met hemelsche woorden, haalde voor hen in de brandende hitte der middagzon versch en frisch water, wiesch hun de handen en het aangezicht: zoodat hij, hun het lichaam verkoelende met water, hun de ziel deed ontbranden door zijne vurige liefde.

Eiken Vrijdag vertelde hy hun de preek, die hij gehoord had; dagelijks verhaalde hij hun de eene of andere geschiedenis der Allerheiligste Maagd. Zoodra het uur omtrent daar was, zeiden ze reeds met blydschap: „Weldra zal Joannes hier zijn om ons voorbeelden te vertellen.quot;

Eiken dag bezocht hij alle zieken, troostte allen, maar vooral diegenen, welke minder bezocht werden, en meer troost noodig hadden. Kwam hij aan eene kamer, waarin hij meerdere bezoekers bespeurde, dan ging hij onmiddellijk tot een andere, die verlaten was. Als het somtijds verboden was, wegens besmettelijke ziekten het hospitaal te bezoeken, dan ondervroeg hij met alle naarstigheid den ziekenoppasser, hoe allen en ieder in het bijzonder het maakten.

Die naastenliefde bezielde hem niet alleen jegens de zieken, ook anderen was hy gaarne van dienst. Wanneer de Overste niet wist, wien mede te geven aan hen, die verlangden uit te gaan, dan was Joannes altijd zijne toevlucht, en deze was immer bereid.

Van deze bereidwilligheid maakten de Oversten meermalen gebruik, toen Joannes het niet meer zoo druk had met zijne philosophische disputaties. Eens

ocr page 62

58

was hij drie of viermalen op een heeten zomerdag uit geweest, toen een makker hem uit medelijden zei-de: „Ik bid u, broeder, zie toch wat ge doet, om niet door onvoorzichtigheid te zondigen; die hitte kon u ziek maken.quot; Doch de jongeling antwoordde glimlachend: „Och broeder laat de voorzichtigheid aan de Oversten, ik heb slechts te gehoorzamen.quot;

Op zekeren feestdag moest een student in de middaghitte uitgaan. Na veel twijfeling werd Joannes eindelijk weder als leidsman medegegeven. Toen men hem op zijn cel ging roepen, was hij bezig den rozenkrans te bidden. Nochtans was hij onmiddellijk gereed, om in al die hitte den andere naar het klooster der Karthui-zers, dat op een grooten afstand lag van het Romeinsch College, te begeleiden. Daar aangekomen, werd Joannes in een afzonderlijk vertrek gelaten, terwijl de prior met Joannes' medegezel een gesprek had. Toen beiden het klooster verlieten, vroeg Joannes aan zijn gezel: „Gij meent, broeder, dat ik niet weet wat innerlijk in u plaats had? Welnu, ik weet het geheel en al. Gij wilt aan uwe roeping vaarwel zeggen; maar dat zal niet geschieden, ik zal voor u bidden, opdat gij daartoe niet komen moogt.' — Bij die woorden stond de andere verstomd. Hij was met den Overste overeengekomen, dat deze weldra met den Rector van het College over die zaken zou komen handelen, en verzocht derhalve, om gedurende dien tijd niet in het College tegenwoordig te zijn, aan Joannes, met hem in de na-bijzijnde kerk te gaan, ten einde eene voorlezing te

ocr page 63

59

hooren uit de heilige Schrift. Joannes begreep dat voorwendsel en antwoordde; „Neen, wij moeten naar huis gaan.quot; In het College teruggekeerd, begaf de vrome jongeling zich aanstonds tot een zijner Oversten, welken hij met die zaak bekend maakte. Deze ontbood den andere bij zich, troostte hem, bracht hem zijne dwaling onder de oogen, als zijnde slechts eene bekoring, en behield hem voor de Societeit; dezelfde jongeling werd naderhand een ijverig werkman in den wijngaard des Heeren.

Joannes was niet een van diegenen, die de heiligheid zoeken in buitengewone zaken. Hij deed niets buiten het voorgeschrevene, maar dat ook deed hij met alle volmaaktheid. „Mijne boete,quot; zeide hij, „is het dagelvjksch leven.quot; Alle zonderlingheid haatte hij als de pest; „Ik volg in alles den gewonen regel, en haat alle gemaaktheidquot; was een zijner stelregels. Hij zag wel in, „dat de zonderlingheid eene vijandin is der liefde, en dat het algemeene leven niet alleen het veiligste, maar ook het zekerste middel is om heilig te worden, zonder gevaar voor ijdele glorie.quot;

Bovendien placht hij te zeggen, dat iedereen moet weten, hoe zich te regelen naar diegenen met wie hij leeft, en dat die deugd eigen moest zijn aan de leden eener Societeit, die alleen één doel voor oogen hebben, namelijk datgene te werden, wat de H. Paulus was, en wat hij aldus uitdrukt; „Ik hen alles voor allen ge-icorden, om allen zalig te maken.quot;

In dien geest leefde Joannes te midden zijner huis-

ocr page 64

60

genooten. Hij deed alles mede volgens de eens bestaande gewoonte. Ofschoon geen liefhebber van het spel, en meer geneigd tot het bespreken van nuttige onderwerpen, voldeed hij niettemin gaarne aan de uitnoodi-ging zijner makkers, om met hen te spelen, wanneer de tijd daartoe was aangewezen. Nooit evenwel maakte hij een aanvang, alvorens het kruisteeken gemaakt te hebben; welke oefening al zij ne handelingen voorafging. In het spel zelf was hij niet uitgelaten, zooals dat gewoonlijk geschiedt. Werd hü overwonnen, dan gaf hij aanstonds den prijs aan den overwinnaar; en die prijs bestond in het geknield bidden der Engelsche Groetenis. Was hij overwinnaar, dan slaakte hij geen kreten van luidruchtige vreugde, en bespotte de overwonnenen niet. Door die omstandigheden veredelde hij zelfs het spel, en verloor aldus geen oogenblik, zonder daaruit voedsel voor zijn geestelyk leven te trekken.

Misschien zullen velen het hier aangehaalde als beuzelachtigheden aanzien, en het onwaardig oordeelen, eene plaats in te nemen onder de bladzijden eener ernstige geschiedenis. Voor hen zijn deze bladzijden niet geschreven. Doch zy, die eene ware achting gevoelen voor het geestelijke en het kloosterleven, zullen in die weinige voorbeelden zooveel edelsteenen aanschouwen, die schitteren in de kroon van den godvruchtigen jongeling; zij zullen daaruit hun voordeel trekken, en trachten te doen zooals hij deed.

Drie zaken zullen wij nu achtereenvolgens behandelen. Eerstens, met hoeveel ijver hij zich toelegde op de

ocr page 65

61

studie der wetenschappen. Vervolgens, welke deugden hij vooral ten toon spreidde in het dagelyksche leven, en eindelijk, hoe hij geheel overgegeven was aan vroomheid en godsvrucht.

ocr page 66

HOOFDSTUK VIL

Zijne liefde en eerbied voor de professoren. — IJver voor do studie. — Hij laat geen oogenblik verloren gaan. — Zijne zedigheid in tegenwoordigheid der professoren. — Zijn examen in de wijsbegeerte. — Voorbereiding tot hot openbaar verdedigen zijner philosophische theses.

e Rome had Joannes drie leermeesters, een voor de wijsbegeerte, die hem gedurende drie jaren logica, physica en metaphysica onderwees: een voor de wiskunde, die hij tegelijk met de physica studeerde; en een voor de ethica of zedenleer, die hij met de methaphysica aanleerde. *) Die leermeesters beminde en hoogachtte hij bijzonder, en dagelijks dacht hy aan hen in zijn gebed.

Over de gave van zijn verstand en zijne wijze van studeeren, bericht ons pater Piccolomini het volgende :

„Joannes was begaafd met een uitstekenden geest, die veel verhevens bevatte. Zijn yver en viyt waren zoo groot, dat ik geloof, in hem een onovertrefbaar

*) P. Fr. Piccolomini, P. Horatius Grassi en P. Tarquinius Galluzzi.

ocr page 67

63

voorbeeld daarvan gezien te hebben; zelfs herinner ik mij niet, ooit daarin zyn gelijke gevonden te hebben. Dan trachtte hij zich nog in alle mogelijke zaken, ook die hem misschien nooit van nut konden wezen, te bekwamen, daar hij meende, dat een lid der Societeit een halve wereld in zich moest kunnen bevatten. Daarom spaarde hij geene moeite, om talen, wetenschappen en andere nuttige zaken aan te leeren. Daarenboven hield hij zich in zijne studie zoo sterk aan de oordeelvellingen en raadgevingen zijner leeraars, dat hij nooit iets op eigen gezag deed, en hen in alles van zijn werken rekening gaf met de meeste achting en de grootste eerbetuiging.quot;

In zijn gebed, in zijne meditatie en in zijne geestelijke afzondering nam hij de besluiten over de te ondernemen studie. Ziehier zijne woorden: „Ik ben in de Orde getreden, niet om mijn tijd in ledigheid door te brengen, maar om te werken. De ketters wenden zooveel pogingen aan tegen Christus; zoudt gij dan geen moeite aanwenden om Christus te verdedigen? De wereldsche menschen stellen alles in het werk tot het vergaderen van ijdele glorie; zoudt gij dan ook niet begeerig zijn naar die goddelijke glorie ? Leg u dus met allen ijver toe op de studie; laat geen oogenblik verloren gaan, en schrijf alles op, wat gij der noteering waardig acht.quot;

En dat deed hij. In de klas had hij steeds zijn schrijfgereedschap bij zich. Met de diepste stilte luisterde hij naar de antwoorden en de beweeggronden, alsmede de

ocr page 68

64

bewysstukken, die werden aangevoerd. Viel hem iets moeielijk te begrijpen, dan luisterde hij met nog meer aandacht, en teekende de verklaring in 't kort op.

De leer van zijn meester ging hem boven alles; die leer verdedigde hij, en hij kon niet lijden, dat ze werd aangevallen, zoodal men dikwijls in tegenwoordigheid van den jongeling schertsenderwijze die leer tegensprak, ten einde hem te dwingen haar te verdedigen.

Hij studeerde staande. De twijfels, die bij hem opkwamen, schreef hij op, om ze den leeraar voor te stellen. Kwam er iets dubbelzinnigs voor, dat hij niet vermocht te ontleden, dan nam hij zijne toevlucht tot het gebed, en sprak tot God in dezer voege: Heer, Gij weet, dat ik deze zaak zonder uwe bijzondere hulp niet begrijpen kan; ik bid U, help mij. Geef, o mijn God, dat uwe wijsheid met mij zij, en met mij werke; open mijn verstand voor deze zaak. Den tijd, voor de studie aangewezen, gebruikte hij ook daartoe, tenzij hoofdpijn zijn ijver tegenwerkte: dan hield hij zich bezig met eene geestelijke lezing of met het bidden van don rozenkrans.

Wanneer hij den leeraar zijne twyfelingen voorstelde, gebruikte hy altijd de latijnsche taal. Was hem de zaak na eene eerste uitlegging nog niet duidelijk, dan antwoordde hij openhartig en eenvoudig: „In waarheid, Pater, ik begrijp het nog niet.quot; Ook gebeurde het somwijlen, dat zijne moeielijkheid opgelost was, maar dat eene nieuwe moeielijkheid voor hem daaruit voortsproot. Dan vroeg hij nogmaals, maar altijd in dien zin, dat

ocr page 69

65

hij niet den schyn kon hebben, het gevoelen des meesters tegen te spreken.

Eenigen tijd vóór den aanvang der klas verliet hij zijn kamer om in de kerk een groet te brengen aan het Allerheiligste Sacrament; doch zoodra hy de bel hoorde, stond hij op, spoedde zich naar de deur, en wachtte daar zijne medeleerlingen af. Voor en na de klas nam hij het stiptste stilzwijgenjn acht. Nooit klaagde hij over de snelheid van het dicteeren der Professors; maar ook nooit wendde hij de oogen van zijne bezigheid af. Wanneer hij gedurende de klas iemand zag praten of rumoer maken, dan gaf hij door zijn gelaat alleen zijne ontevredenheid te kennen, en vermaande hij de plich-tigen door een enkelen wenk.

Na het, eindigen der les herhaalde hij die, naar oude gewoonte, gedurende een half uur met eenige adellijke jongelieden; het was bewonderenswaardig, om te zien met welk eene onderdanigheid zij dan naar hem luisterden en hem vereerden. Zoodra de bepaalde tijd verstreken was, stond hij op, zonder zelfs op een gedane vraag antwoord te geven, en begaf zich naar zijne cel. Zoo strikt gehoorzaamde hij aan den regel.

Eindelijk kwam de tijd, dat hij een examen over de geheele Philosophie zou moeten ondergaan. De dag was bepaald op den 19 Maart 1621, feestdag van den H. Jozef. Zijne voorbereiding heeft hij aldus opgeschreven: „De beschermheilige van dit examen zal wezen de H. Jozef, de bemiddelaarster de H. Maagd Maria. Met dat doel zal ik me éénmaal geeselen, mij in de eetzaal

J. Berclimans. 5

ocr page 70

66

eenige boete of kastijding opleggen, den Rozenkrans bidden, en den zegen vragen van den Eerw. Pater Rector. Als het gelukkig uitvalt, zal ik drie Rozenkransen bidden ter eere van den H. Jozef enz. Morgenvroeg zal ik deze of gene stof doorloopen, en zoo de H. Maagd en de H. Jozef mij helpen om alles na te zien, zal ik te hunner eere die of die devotie verrichten. In het examen zelf zal ik levendig wezen, en steeds klaar antwoorden met de formulen: „Ik ontken, geef toe, onderscheid, verklaar.quot; In mijne uitleggingen zal ik klaar en bondig zijn. Op uitvoerige redenen zal ik niet antwoorden, dan nadat ze door my of door den meester in 't kort zullen zijn samengevat.quot; Tot alle kleinigheden bereidde hij zich dus voor. Geen wonder derhalve, dat de examinatoren hem na volbracht examen op allerlei loftuigingen onthaalden, en hem aanmaanden in 't openbaar de theses uit de geheele Philosophie te verdedigen.

Tot die moeielijke taak bereidde hij zich met dezelfde zorg en denzelfden ijver voor als tot het vorige examen. Eéne zaak voegde hij er nog bij, waaruit gemakkelijk op te maken is hoe vreemd zijn hart was aan alle ijdele glorie, en hoe brandend voor de eer van God: hij raadpleegde namelijk zijn biechtvader, of het met Gods eer strookte, dat hij zijne philosophische theses openlijk verdedigde. Deze evenwel stelde hem tevreden, zoodat de verdediging zijner theses plaats had in 't openbaar den 8 Juli 1621, met zooveel geleerdheid als zedigheid, zoodat hij zich de hoogachting en den lof verwierf van allen, die hem hoorden.

ocr page 71

HOOFDSTUK VUL

Zijn dagolijksohe bezigheden. — Hij wordt belast met de taak, de dienstboden te leiden in het geestelijke leven. — Zijne kamer en hare armoede. — Zijn ontwaken. — Liefde voor hot meest onaanzienlijke handwerk. — Zijn zorg in het rein houden en ontsteken der lampen. — Zijne nederigheid.

volmaaktheid hij de dagelijksche bezigheden

hans zullen wij beschouwen, met welk eene

verrichtte. Zijnen Oversten was hij onderdanig

en gehoorzaam in den hoogsten graad, wijl hij in hen, als plaatsbekleeders van Christus, een goddelijk gezag erkende. Niet alleen hunne bevelen, maar ook hun gevoelen verdedigde hij bij de anderen. Hun legde hij openhartig zijn geweten bloot, trouw en eenvoudig, als een kind tegenover zijne ouders. „Tegenover mijne Oversten en geestelijke Vaders, zeide hij, zal ik trachten steeds zuiver en oprecht te wezen, als het helderste water.quot; Hij gevoelde van geen enkele eenigen afkeer : wat meer is, nooit kwam bij hem eene gedachte op tegen een Overste, of tegen diens bevelen en oordeelen.

Drie zaken vooral, zeide hij, gaven hem veel troost

ocr page 72

68

in dit leven, ten eerste, dat hij de leliebloem der kuisch-heid voortdurend ongeschonden bewaard had, ten tweede, dat hij nooit wetens en willens eenige dagelijksche zonde had bedreven, en eindelijk, dat hij het geluk had, steeds met zijne Oversten, als met God zelf, te kunnen handelen over het inwendige van zijn gemoed.

Wanneer hij des morgens de H. Mis moest dienen, stortte hij by het in- en uitgaan der sacristie een kort gebed; moest hij, b. v. bij het dienen eener Hoogmis, eenigen tijd in de sacristie verwijlen, dan zocht hij daar een hoekje op, om in stilte aan zijn rozenkrans te bidden, eene geestelijke lezing te doen, of de Psalmen op te zeggen.

Wanneer hij met iemand ergens heen werd gezonden, ondervroeg hij onderweg zijn gezel, of de te verhandelen zaak veel tijd vorderde; zich daarnaar regelende, begaf hij zich naar de naastbij zijnde kerk, en bad daar totdat de tijd bijna verloopen was. Vervolgens begaf hij zich weder naar zijne plaats, alwaar hij lezende of biddende den terugkeerende afwachtte.

Aan Joannes was door de Oversten de last opgedragen, om de dienstboden van het College in het geestelijke leven te leiden. Van dien last kweet hij zich meesterlik. Hij waakte over hen, onderwees hen in datgene, wat voor het eeuwige geluk noodzakelijk is; droeg zorg dat zy meermalen te biechten gingen, en dat zij ten minste eens in de maand gezamenlijk onder de H. Mis van den Pater Overste tot de H. Tafel naderden.

ocr page 73

69

Met zijn kamergenoot verstond hij zich allerbest. Wanneer deze soms door eenige ziekte was aangevallen, spreidde Joannes hem alle twee of drie dagen het bed, en deed alle diensten voor hem. De vriende-lijkheid des jongelings trok de overige jongelieden zoodanig aan, dat iedereen gaarne bij hem op de kamer was. Als nu de Overste somwijlen een jongeling, die met Joannes had samengewoond, eene andere kamer aanwees, dan was deze zoo bedroefd, en smeekte zoolang, dat men hem zijn oud verblijf behouden liet. Bij Joannes, zeide men, ontving men als vanzelf eene onweerstaanbare liefde tot de deugd; by hem op de kanier brandde het hart, als bij het zien van een Engel. En toch schitterde deze kamer als 't ware van eenvoud en armoede; daar vond men geen boek of iets dergelijks, dat niet noodzakelijk was; zelfs eenig schrijfgereedschap, dat overbodig was, bracht hij terug naar den meester.

Toen hy uit België te Rome aankwam, bezat hij eene ceinture, die hem fraaier toescheen dan de overige hij nam daarvoor eene andere van minder waarde, en gaf de zijne aan den bewaarder der kleederen. Zoo ook stond hij verschillende heerlijke beelden af, die hij uit Belgie had medegebracht; eenige daarvan behield hij evenwel, namelijk die, waarop de namen stonden van diegenen, Nfjelke 2ich in zyn gebed aanbevolen. Wat hij overigens of uit België of van zijne stadgenootenten geschenke ontving, bood hij den Rector aan, en was deze afwezig, dan plaatste hij het voor de deur zijner kamer.

ocr page 74

70

Eens zeide hij met eene zeldzame zielevreugde, dat hij met Gods genade niets bezat, zelfs geen papieren bidprentje; en dat hij wat hij had, aanstonds aan den Overste zou brengen. En in waarheid, hy bezat ook niets, maar hij wenschte ook niets te bezitten; zijn hart was geheel vervreemd van het stoffelijke; het was niet gehecht aan de zaken dezer aarde. Het leefde alleen voor God, en in God bestond zijn rijkdom, zijn geluk.

O, de kloosterlijke armoede stond zoo hoog aangeschreven in dat hart! Met alles wat het tevreden. Neen, de vrome jongeling klaagde niet, dat hem het een of ander niet voldoende was: slechts het onontbeerlijke vroeg hij. Toen hij eens terugkeerde van eene boodschap, die hij gedaan had bij den Kardinaal Bellarmi-nus, vroeg men hem, of hij niets ten geschenke had ontvangen, waarop hi] antwoordde; „Neen, en als hij mij iets had aangeboden, zou ik het niet hebben aangenomen.quot; Dat antwoord werd den Kardinaal overgebracht, die met blijdschap uitriep: „Zoo deed ook de heilige Aloysius, die waarlijk arm wilde wezen, en niets wilde bezitten.quot; Een klein onaanzienlijk Christus-beeldje, uit ruw hout vervaardigd, met hoegenaamd geene versierselen, en zwart gekleurd, was zijn eenige schat. Daarvoor zat hij te bidden. Tijdens zijne ziekte en zijn doodsstrijd, hing er aan den wand bij zijne legerstede een papieren beeltenis van de H. Maagd, met het Kindje Jesus op den arm. Zijn houten rozenkrans was versleten en niet meer in zijn geheel; toch weigerde hij een nieuwe, zeggende dien niet noodig te hebben, zoo-

ocr page 75

71

lang hij den oude nog bezat. Gaarne nam hij versleten zaken aan, die hij ontving als aalmoezen.

De zaken, die hem tot gebruik gegeven waren, zelfs de meest versletene en oudste dingen, bewaarde hij met de grootste zorg, zeggende, dat wij gelijk moeten zijn aan standbeelden, welken het onverschillig is, of zij met oude of met nieuwe kleederen worden omhangen. Alle huisraad hield hij ongemeen zuiver, niet uit zucht naar opschik, maar uit gehoorzaamheid aan den regel, die de reinheid aan iedereen en in alles voorschrijft. Hij verliet nooit zijne kamer, zonder alles in orde geplaatst te hebben.

Bij het eerste teeken des morgens verliet hij het bed, met de woorden: „Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal?quot; alsof de Heer hem geroepen had. Daarna kleedde hij zich, en wanneer de knecht, licht brengende, hem groette : „Gode zij dank,quot; dan antwoordde hjj met aandoening : „Ja, Gode zij dank!quot;

Het onaangenaamste werk te verrichten, was zijne geliefkoosde bezigheid. Zoo placht hij eiken Zaterdag in de keuken 's morgens en 's avonds de borden te wasschen. Zoo was het hem een genoegen, de anderen aan tafel te kunnen bedienen. Toen hij eens daarover berispt werd, wijl het verboden was, meermalen te dienen dan ieders beurt hem aanwees, sprak hij geen woord tegen, en berustte bij die berisping.

Hem was bovendien het ambt opgedragen, hetwelk eertijds de H. Aloysius in het Eomeinsch College vervulde, namelijk de verzorging der lampen in de portalen en

ocr page 76

72

galeryen. Alleen reeds uit eerbied voor den H. Aloysius was deze post hem dierbaar, en volbracht hij hem met de grootste nauwgezetheid. Eiken dag onderzocht en reinigde hij alle lampen en lantaarnen, en nooit ging hij uit, alvorens dat gedaan te hebben.

In 't kort, al zijne medebroeders, al zijne minderen bewees hij alle mogelijke eer; hij deed alles, om het hun te vergemakkelijken. In 't studeeren, op de wandeling, waar hij ging of stond, overal en altijd liet hij zijnen metgezel de eereplaats; allen vereerde hy, alsof zij zijne meesters waren. „Ik zal my jegens al mvjne broeders als een slaaf, als een nederige dienaar gedragenquot;, was een zijner stelregels.

Vandaar, dat velen zijner metgezellen en huisgenooten niet zelden beschaamd waren, wanneer zij zagen, dat hij hen met zooveel eerbied behandelde; te meer, daar zij zagen, dat die handelwijze niet uit eene gemaakte hoffelijkheid, maar uit eene waarachtige nederigheid voortkwam. Niettemin gaf hij hun nooit eenigen eervollen titel, tenzij dien van vriend of broeder. De Paters en Meesters, gelijk wij gezien hebben, sprak hij aan met den titel, die hun toekwam. Nooit wenschte hij zijne medeleerlingen geluk met een examen, eene disputatie, eene predikatie of iets dergelijks, en de reden die hij daarvoor aangaf, was deze; wanneer hij het eenigen deed, waren anderen niet tevreden, omdat zij dan daarin een teeken van kwaadwilligheid zouden zien; daarom deed hij het niemand, om alle gevaar van vleierij te vermijden.

ocr page 77

73

Steeds ontdekte hij het eerste het hoofd om anderen te groeten, en dat alleen uit een gevoel van kinderlijken eenvoud en ware nederigheid, welke tweevoudige deugd zulke diepe wortels geschoten had in het zuivere hart van den engelachtigen jongeling.

ocr page 78

HOOFDSTUK IX.

Joannes' godsvrucht on liefde tot het gebod. — Zijne verstervingen. — Vereeniging met God in het gebed. — Mistroostigheid. — Voortdurende zielevrede. — Godsvrucht tot het H. Sacrament. — Voorbereiding tot de H. Communie.

h blijft ons nu nog over, te spreken over de godsvrucht van Joannes en zijne liefde tot het gebed. Die twee zaken zouden we in één woord kunnen samenvatten door te zeggen; hij deed alles met volmaaktheid: doch laten wij hier liever in eenige byzonderheden treden.

Al wat de jongeling maar dacht, dat hem nuttig kon wezen in 't geestelijk leven, stond bij hem in hooge waarde, daar hij van gevoelen was, dat natuurgaven en wetenschappen in een man, wien het geestelijke leven ontbreekt, gelijk zijn aan een ontbloot zwaard in de hand eens waanzinnigen; en dat een Keligieus, die het geestelijke leven leeft, een nuttiger lid is der Societeit, dan een man met uitstekende kennissen, en die dat leven mist.

Drie of hoogstens vier malen in de week geeselde hy zich. Bij grootere feesten trok hij bovendien het

ocr page 79

75

haren boetekleed aan; dit laatste evenwel minder, daar het hem om der gezondheidswille verboden was.

Behalve Vrijdags, wanneer het vasten in de Societeit ^ verplichtend was, vastte hij Zaterdags ter eere van de

H. Maagd.

In alles vond hij stof van kastijding zijns lichaams. Zoo gebruikte hij b. v. nooit een rugsteun, wanneer hij zat; nooit een steun voor zijne armen, wanneer hij geknield was.

Dagelijks las hij een half uur in een godvruchtig boek, en van den tijd, die des avonds voor de geestelijke lezing bestemd was, liet hij geen oogenblik verloren gaan.

Op den vrijen dag van elke week las hij een uur in het gulden boekje van Thomas a Kempis: De navolging van Christus. Onder de groote vacantie besteedde hij er dien tyd dagelyks aan.

quot;Wanneer hij tot de H. Tafel genaderd was, hield hij zich den geheelen vóórmiddag bezig met eene lezing uit de H. Vaders. Den tijd, welke hem restte buiten zijne studie en bezigheden, bracht hij door in het gebed of in de geestelijke lezing. ♦ Hij was steeds gereed, wanneer het hem gevraagd

werd, om voor anderen te bidden; van zijnen kant beval hij zich ook aan in het gebed van anderen. Om drie zaken vooral moest men voor hem bidden: eene uitstekende heiligheid, eene groote geleerdheid en een sterke gezondheid; de eerste had hij volstrekt noodig, de twee andere alleen, wanneer het kon zijn tot meerdere eer van God.

ocr page 80

76

Als hij bad, bestond er tusschen God en hem eene voortdurende vereeniging, die ook na het gebed bleef voortduren. In Gods tegenwoordigheid wandelde hij, en niets ondernam hij, alvorens daarover met de goddelijke Majesteit beraadslaagd te hebben. Vandaar die gerustheid in het bidden, die opvoering van den geest, die verwijdering van alle verstrooidheid. Nooit legde hij zich ter ruste, dan na het onderwerp van de meditatie van den volgenden morgen, in 't kort samengevat, gelezen te hebben.

Zoodra hij het bed had verlaten, wierp hij zich op het houten kruisbeeldje, waarvan wij boven reeds spraken, en drukte er met vurige verzuchtingen eenige kussen op. Onder het aankleeden wekte hij in zijn hart gevoelens van liefde op. Tweemaal gebeurde het, dat Joannes, in den waan, dat zijn kamergenoot nog sliep, of de kamer verlaten had, met luider stemme en innige godsvrucht eenige korte teksten uit de H. Schrift en andere gebeden begon op te zeggen. Toen hij de aanwezigheid des anderen bemerkte, overdekte een maagdelijk rood zijn gelaat, en bedwong hij zijne stem. Anders was hij gewoon, zoodra hij het bed verliet, op zijne knieèn te vallen, in welke houding hij alsdan een half kwartier zitten bleef, in zulk eene vervoering van geest, dat hij den geheelen nacht scheen gebeden te hebben. Zyne verzuchtingen waren zoo vurig, en soms onwillekeurig met zoo luider stemme geuit, dat zijn kamergenoot er niet zelden door gewekt werd. Meermalen werd hij bespied door zijne makkers, die getuigen

ocr page 81

77

dat zijn gelaat somwijlen met zulk een glans overto-gen was, dat het niet ongelijk scheen aan dat van een Seraphijn. Tegen het einde zijner meditatie kuste hij hartstochtelijk het beeld der Moedermaagd, terwijl een hemelsche glimlach om zyne lippen speelde.

Zoohaast hij het teeken hoorde, dat het einde der meditatie aankondigde, stond hij op, ging naar zijne tafel, en noteerde in 'tkort zijne voornemens met de beweegredenen voor hunne nakoming.

En toch, die ziel zoo aanhoudend bezig met God en de H. Maagd, die ziel, zoo dikwijls overvloeiend van hemelsche geneugten, was niet vrij van mistroostigheid en dorheid. In die oogenblikken wendde hij zich nog met meer vuur tot het gebed; dan beoefende hij de deugd met onwrikbare standvastigheid: dan trachtte hij zich op te wekken door heilige gesprekken; dan riep hij tot God met eene teedere liefde: „Geef mij uwe heilzame vreugde, o Heer. Zend uw licht uit, en uwe waarheid.quot;1) En dan kwam troost van boven; dan ontbrandde weder dat hart, en de vreugde daalde daarin neder.

Het Allerheiligste Sacrament was een bijzonder voorwerp zijner liefde en vereering. Vijf, zes, tot zevenmaal toe daags bracht hij daaraan een bezoek. Het valt dus licht te begrijpen, met welk een ongeloofelijken ijver hij zich tot het ontvangen der H. Communie voorbereidde. Zoo vaak hij zich versterkt had met die spijs

1

Redde mihi laetitiam salutaris tui. Emitte lucem tuam, et veritatem tuam.

ocr page 82

78

der Engelen, gevoelde hij een nieuwe kracht, een nieuwen geest, een nieuwen ijver; en, wanneer hü gedurende de week niet den een of anderen dag de H. Communie ontving, gevoelde hij in de laatste dagen een zekeren honger, die alleen aan de Tafel des Heeren kon gestild worden. Met welk een heilig verlangen hunkerde hij naar het oogenblik, dat zijn God opnieuw bezit zoude nemen van zijn hart! Eiken Zondag en bij elk feest voldeed hy aan dat verlangen; en wanneer somtijds een feest op Zondag viel, dan zeide hij met zekere smart; „Deze week heb ik zulk een gastmaal schade gehad.*

Wanneer hem op feestdagen of in tijd van uitspanning bevolen werd, voor zijne gezondheid te gaan wandelen, dan placht hij steeds verschillende kerken te bezoeken. Daar stortte hij dan zijn hart uit voor het Allerheiligste Sacrament, met zooveel liefde, met zooveel ingetogenheid, met zulk eene geestvervoering, dat hij niet bemerkte, wanneer zijn makker opstond om uit te gaan, zoodat deze dikwijls van den drempel der kerk moest terugkeeren, om hem te halen; dan nog was hij vaak zoo innig met God bezig, dat hij hem hoorde noch zag, en hy bij zyn voornaam moest geroepen worden om te ontwaken.

ocr page 83

HOOFDSTUK X.

Devotie tot de H. Maagd Maria. — Het bidden van den Rozenkrans. — Zijne oefeningen van godsvrucht gedurende de vacan-tie. — Zijne vereoring van andere Heiligen.— Verlangen naar den dood. De eerste verschijnselen zijner ziekte.

et eene innige en kinderlijke liefde, met eene geheel bijzondere devotie vereerde hij de Moeder Gods; zoodat hij op deze

wereld scheen te zijn, om hare eer te vermeerderen. Bij elke gelegenheid sprak hij haar lof; bij al zijne makkers voedde hij een bijzondere liefde tot haar. Den avond vóór zijn dood vroeg hem iemand, welk het krachtigste en voornaamste middel was, om tot de volmaaktheid in het kloosterleven te geraken, en hij antwoordde: „Liefde en godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd.quot; Met een onwankelbaar vertrouwen noemde hij haar zijne Moeder. „Gij, Maagd Maria, mijn Moeder, zijt de patronesse der heiligheid, der gezondheid en dor wetenschappen,quot; zeide hij.

Onder zijne makkers was het hem een genoegen, van haar te kunnen spreken, en voorbeelden van hare

ocr page 84

80

vereering, van hare bescherming, van hare wonderen te kunnen aanhalen. Alvorens de uitspanningen te genieten, bezocht hij hare kapel, en begaf zich dan te midden zijner metgezellen. Dat had hij gemeen met den H. Bernardinus van Senen, die in zijne jeugd insgelijks een voorliefde had voor een Lieve-Vrouwebeeldje, dat in een van de poorten der stad stond. Beider spreekwijze luidde aldus: „Als ik Maria bemin, ben ik zeker van mün heil en van mijne volharding in de Orde; dan kan ik van God verkrijgen, wat ik verlang, en zal als 't ware almachtig wezen.quot; Niets komt dan ook herhaaldelijker voor in de geschriften van Joannes, dan voornemens om de H. Maagd te vereeren, te beminnen en te dienen. „Men moet een toevluchtsoord hebben, zeide hij, waarin men zich by eene voorkomende noodzakelijkheid kan terugtrekken. En daar is geen veiliger te vinden dan de H. Wonden van Christus en de mantel van Maria.quot; Dagelijks bad hij een Rozenhoedje teharer eere, nu geknield, dan staande, dan zittende, nu weer wandelende; maar altijd met zulk eene ingetogenheid, dat hij de groeten der voorbijgangers niet bemerkte.

Als het geoorloofd was uit te gaan, bezocht hij, zoo mogelijk, zeven kerken, die aan de H. Maagd waren toegewijd. Gedurende den dag verrichte hi] verschillende oefeningen uit godsvrucht tot haar, en herhaaldelijk vernieuwde hij zijn voornemen: „Ik wil Maria beminnen.quot; 1) Daar was voornamelijk één tijd in het jaar, welken hij geheel en al scheen

1

lo voglio amare Maria.

ocr page 85

81

toegewijd te hebben aan de vereering der H. Maagd; die tijd was de groote vacantie. Dan ging hij naar Prascati, een dorp bij Rome, in de wijngaarden. Gedurende den geheele weg daarheen deed hij niets anders, dan over haar denken, met anderen over haar spreken of hare Litanie bidden. Te Frascati zelf, wanneer hy in het gezelschap der anderen ging wandelen, bad hij den Rozenkrans of andere gebeden; was er een geleerd priester aanwezig, dan vroeg hi) dien de uitlegging van een psalm uit het Officie van O. L. V., ten einde aldus een gesprek over de H. Maagd langer te kunnen rekken. Ontmoette hij een meer dan gewoon beminnaar der Moedermaagd, dan ontstond er niet zelden, tot zijn genoegen, een tweestrijd, wie van beiden haar de meeste en passendste titels geven zou, hy of de andere. Dan zocht hij de schoonste uit en vond er in zulk eene menigte, dat de anderen zwegen, nu hij de zijne vermenigvuldigde met zulk een gemak en zulk eene vruchtbaarheid, dat eerder de tijd dan de menigte hem te kort schoot.

Als een getrouw strijder in het leger van Maria was hij gewoon, des avonds, wanneer hij ter ruste ging, den Rozenkrans rondom zijn arm te winden; op het laatste van zijn leven droeg hij hem om den hals. Over de maagdelijkheid van Maria sprak hij met zooveel geestdrift, dat hij de toehoorders godsvrucht en liefde tot haar inboezemde. Des Zaterdags, gelijk we reeds zagen, vastte hij te harer eere, terwijl hij zich dien dag meer andere verstervingen oplegde.

J. Berchmans. 6

ocr page 86

82

Hij had zich door eene gelofte verbonden, dat het eerste boek, wat hy ooit zoude uitgeven, zou handelen over de Onbevlekte Ontvangenis. In 't laatste jaar zijns levens schreef hij het volgende in tegenwoordigheid van 't H. Sacrament:

„Ik, Joannes Berchmans, de onwaardigste zoon der Societeit van Jesus, beloof aan U en aan Uw zoon, die hier wezenlijk en waarachtig tegenwoordig is in het H. Sacrament, dat ik steeds een warm voorstander en verdediger zal wezen van uwe Onbevlekte Ontvangenis, tenzij de Kerk het anders moge bepalen.

Joannes Beechmans.quot;

Over de Onbevlekte Ontvangenis had hij de verhe-venste gedachten; ook sprak hij er dikwerf van. Alvorens aan tafel te gaan, bad hij vol godsvrucht een „Wees gegroet,' ter eere van de Onbevlekte Ontvangenis. In één woord, een zijner stelregels was; „Ik zal niet rusten, voordat ik een teedere en zoete liefde zal verkregen hebben jegens rnijjne Moeder Maria.quot;

Uit die liefde jegens de H. Maagd vloeide eene bijzondere godsvrucht voort tot hare moeder, de H. Anna; maar voornamelijk tot haar bruidegom en den Voedstervader van haren Zoon, den heiligen Jozef. Van dezen laatste had hij al de weldaden en wonderen, aan zijne vereerders gedaan, uit verschillende boeken bijeenverzameld, verzekerend, dat hij altijd verkregen had, wat hij van hem vroeg, van den tyd afaan, dat hij hem

ocr page 87

83

tot zijn beschermer had uitgekozen. Onder de andere Heiligen vereerde hij nog bijzonderlyk den heiligen Engelbewaarder, dén H. Joannes Ev., den H. Ignatius en den H. Franciscus Xaverius, welke toen nog niet heilig verklaard waren, alsmede de twee heilige jongelingen Aloysius en Stanislaus.

Als Ordebroeder droeg hij den gelukzaligen Aloysius van Gonzaga eene grootere liefde toe. Nooit kwam hij in de kerk, om een bezoek te brengen aan het H. Sacrament, of hij begaf zich insgelijks in de kapel van den H. Aloysius, om diens overblijfselen te vereeren. Zijn grootste ijver bestond in het gelijkvormig worden aan dien engelachtigen jongeling. En inderdaad, niet alleen geestelijken, maar ook leeken verzekeren, dat hij een sprekend beeld was van den H. Aloysius, en dat zij in hem een anderen Aloysius meenden te aanschouwen. Toen den 15 Juni 1620 de overblijfselen van dien Heilige van uit de kapel van O. L. V. in eene hem toegewijde kapel werden overgebracht, had Joannes eene plaats tusschen de biddende Paters en Broeders. By die gelegenheid fluisterde Pater Jacobus Croce, de Ita-liaansche assistent, aan Pater Theodorus Buseus, den Duitschen assistent, in de ooren: „Die daar schijnt mij toe, een tweede Aloysius te zijn.'

Van dag tot dag maakte de gelukkige jongeling voortgang in de deugd, dagelijks werd hij volmaakter, door eene bijzondere voorbeschikking van God, die hem welhaast van de aarde zoude opnemen. In het laatste jaar zijns levens, 1620, legde hij zich inzonderheid toe op

ocr page 88

84

de deugd van nederigheid, terwijl hij zeide: Ik héb het gezegd; nu begin ik.quot; 1)

Eens sprak hij met een ernstig Pater over de ziele-rust, waarin de Religieuzen meestal sterven, toen de Pater, na verschillende voorbeelden te hebben aangehaald van hen, welke hij in het Romeinsch College had zien verscheiden, daar bijvoegde : „Ik bid God, mijn Broeder, dat mijne ziel den dood der rechtvaardigen sterven moge.quot; Joannes zag hem daarop van ter zijde aan, en antwoordde eerbiedig, maar met zekere waardigheid : „Zeker, Eerwaarde, maar laten we vooraf zeggen : dat mijne ziel het leven der rechtvaardigen leve; om dan ook te kunnen zeggen : dat mijne ziel den dood der rechtvaardigen sterve.'

Eén maand vóór zijn dood verklaarde hij onbewimpeld aan een Pater, welk een tegenzin hij had in al het vergankelijke dezer aarde, en hoe verzadigd hij was van het tegenwoordige leven. Hij voegde daarbij, dat hij zonder droefheid zou sterven, wanneer het God mocht behagen, hem in het andere leven te roepen. Eenige dagen later legde hij aan een professor van 't College zijn vurig verlangen bloot om te sterven en met God vereenigd te worden. Op de vraag, of hij dan geheel klaar was om voor Gods rechterstoel te verschijnen, antwoordde hij: „Werd het aan mijn wensch overgelaten, voorwaarden te stellen, dan zou ik verkiezen, eerst eenige dagen in geestelijke oefenin-

1

Dixi, nunc coepi.

ocr page 89

85

gen door te brengen; werd mij dit evenwel geweigerd, dan zou ik nochtans gaarne sterven.quot;

De laatste dagen zijns levens leefde hij lichamelijk onder de stervelingen, maar zijne ziel zweefde in den hemel. Herhaaldelijk lagen de woorden van den Apostel op zyne lippen: ,Ik verlang ontbonden te worden, en ik kwijn weg van liefde.quot; 1)

De goddelijke Goedheid gaf eindelijk gehoor aan deze smeekgebeden. Hij gevoelde, de gelukkige jongeling, dat zijne aardsche loopbaan weldra ten einde zou wezen, en dat God hem weldra tot zich zou roepen. Dat verklaarde hij aan Pater Franciscus Piccolomini, zijn leermeester in de wijsbegeerte. Zalig voorgevoel, dat op den 13 Augustus 1621 werd verwezenlykt!

1

Cupio dissolvi et amoro langueo.

ocr page 90

HOOFDSTUK XL

Begin der ziekte. —. Koorts. — Toeneming der ziekte. — Hij ia gereed te sterven. — Blijdschap van |Joannes bij liet vernemen van de tijding, dat zijn dood aanstaande was — Zijn testament. — De laatste HH. Sacramenten.

en 5 Augustus, feestdag van O. L. V. Ter Sneeuw, gevoelde Joannes eene lichte ongesteldheid, welke hij niet achtte en voor welke

hy zijne gewone -wandeling niet achterwege liet, ofschoon hij nochtans weigerde naar de kerk van Maria Major te gaan, wegens den buitengewonen toeloop van volk, dien een kloosterling, naar zijn zeggen, steeds vluchten moet.

Den volgenden dag werd hij door den leermeester naar het Grieksche College gezonden, om daar de disputaties over de wijsbegeerte bij te wonen. Daar werden hem de eerste vraagstukken voorgelegd, in plaats van zekeren Doctor, die tegen zijne belofte was weggebleven. Hij sprak daar met zooveel juistheid, met zooveel verstand en kennis van zaken, dat men hem een geheel uur tot spreken toestond, alleen om het

ocr page 91

87

genot te hebben van hem te hooren. En, hetzij hij zich te hevig had opgewekt in zijne rede, hetzij hij eene verhitting had opgedaan op dien heeten zomerdag, hetzij het zaad der ziekte begon te ontkiemen, den daarop-volgenden nacht werd hij door eene koorts overvallen, en kon hij geene rust genieten.

Toen hij den volgenden morgen ondervond, dat de ziekte was toegenomen en hij zwakker van krachten was, achtte hy het noodzakelijk zijn toestand bekend te maken. De Overste zond hem aanstonds naar de ziekenzaal, alwaar de oppasser hem te kennen gaf, dat hij onmiddellijk naar bed moest gaan. Gevraagd zijnde, wat er zoude gebeuren, antwoordde hij opgeruimd : „Al wat God belieft; wij zyn in zijne handen.quot;

Juist trad nu Pater Piccolomini binnen, dien Joannes met een blij gelaat groette, zeggende; ,Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet wanneer het tijd is.quot; Den nacht bracht hij weer onrustig door. Des anderen daags, 's Zondags, ontving hij met de grootste godsvrucht en aandoening de H. Communie; hij wilde uit het bed gaan en op den grond knielen, hetgeen hem evenwel niet werd toegelaten. Na de H. Communie wachtte hij de komst van den geneesheer af, dien geheelen dag was hij als gewoonlijk rustig; hij bracht hem door met te spreken over God en geestelijke zaken.

Ofschoon de bezoekers, voor 't gevaar van besmetting, hem niet te dicht mochten naderen, vermaande Joannes hen ook nog daaromtrent. Tegen den avond nam de ziekte toe, zij matte den jongeling den geheelen nacht

ocr page 92

88

af, zonder hem een oogenblik rust te gunnen. Den volgenden dag, Maandag, werd hem door den geneesheer eene medicijn voorgeschreven, welke hij zonder aarzelen innam, terwijl hij den aanwezigen priester verzocht, de gebeden te zeggen, die voor en na het eten gebeden werden. Het overige van den dag was hij zeer onrustig, en op het gewone uur greep hem de koorts nog heviger aan.

Tot nog toe was de ziekte, volgens oordeel van den geneesheer, zonder gevaar, ofschoon er een longontsteking uit ontstaan kon. Den volgenden nacht echter namen zijne krachten zeer af, en op het feest van den H. Laurentius was hij zoo verzwakt, dat hij elke vijftien minuten eene versterking noodig had. Niettemin ontving hy zijne bezoekers met eene gerustheid, die geene ziekte veronderstelde. Dinsdag 's nachts vroeg hem de Rector, of hem ook iets leed zou doen, wanneer liet God mocht behagen hem tot zich te roepen. „Neen, Eerwaarde,quot; zeide hij, „tenzij de vrees, dat misschien de band kan verbroken worden tusschen de Belgische en de Romeinsche Ordesprovincie, wanneer de Belgische Paters vernemen, dat ik en mijn metgezel hier gestorven zijn; zij zullen misschien vreezen, in 't vervolg nog Belgen hierheen te zenden, en dan zou langzamerhand die uitmuntende verbinding, die der Societeit zoo eigen is, ophouden. Mocht het God echter behagen, dat ik sterf, het zij zoo; Hij weet wat het beste is. Wat mij betreft, ik berust in den goddelijken wil, en als ik mijn verlangen en mijne neiging raad-

ocr page 93

89

pleeg, dan zou ik liever van hier willen gaan, dan blijven.quot;

De Rector bewonderde die gemoedsgesteldheid van Joannes, en zou niet gaarne beroofd worden van zulk een uitmuntend voorbeeld voor zijn College. Hij beval de twee ziekenoppassers bij hem te waken. Omtrent middernacht begon de jongeling over God te spreken, daar hij toch niet slapen kon. Een oppasser voelde hem den pols, en daar hij nauwelijks zijne slagen voelde, zeide hij: „Heeft Pater Rector u niets gezegd? want het schijnt mij zaak te wezen, dat gij morgen vroeg communiceerdet!quot; — „De communie als laatste Teerspijze?quot; vroeg Joannes. — „Ja, was het antwoord; want ik heb geene hoop meer.quot;

Door die tijding verrukt, sloeg de jongeling zijne armen om den hals van den oppasser; deze integendeel begon zoo schrikkelijk te weenen en te snikken, dat Joannes hem troostte en opbeurde met de woorden; „Wel broeder, laten we vroolijk zijn! in waarheid, gij hadt mij geen blijder tijding, geen grooter vreugde kunnen brengen.quot; Daarna het Christusbeeld in zijne handen nemende, zeide hij; „Heer, Gij weet, dat Gy het eenigste goed zijt, wat ik op deze wereld bezat en nog bezit; verlaat my dus niet, o Heer Jesus.'

Dergelijke gebeden lispelde hij aanhoudend met zulk eene aandoening en aanwending van krachten, dat men vreesde voor eene al te groote vermoeidheid, doch hij verzekerde, dat hij juist daardoor opgebeurd en gesterkt werd. Daarna beval hij den oppasser het volgende te schrijven:

ocr page 94

90

„Ik vraag vergiffenis aan mijn goeden Vader, den Generaal-Overste, en het doet mij leed, zulk een onwaardige zoon der Societeit te zijn geweest. Eveneens zeg ik dank aan mijne goede moeder, de Societeit van Jesus, voor de overgroote weldaden, welke zij my, onwaardige, bewezen heeft. Ik zeg dank aan den Eerw. Pater Hector, aan mijne leermeesters P. Franciscus Piccolomini, P. Tarquinius Galuzzi en P. Horatius Grassi, voor al de moeite, die zij voor mij gedaan hebben. Ik zeg dank aan de Oversten en Broeders ziekenoppassers voor hunne welwillendheid jegens mij. Ik zeg dank aan al diegenen, die mij gedurende den korten tijd mijner ziekte bezocht hebben. Ik verlang, dat mijn bed op den vloer worde uitgespreid, wanneer ik de H. Communie zal ontvangen, en dat daarbij al mijne nieuwe broeders in 't College tegenwoordig zijn. Daar ik allen niet omhelzen kan, verzoek ik Pater Rector iemand in mijne plaats te stellen, die alle Paters en Broeders volgens den regel der Societeit om-helze. Ik wensch te sterven in mijn ordekleed.quot; Dat testament moest aan den Rector worden ter hand gesteld.

In den nacht van Dinsdag op Woensdag, omstreeks twee uren na middernacht, verlangde hij den Rector te spreken. Deze kwam, en vond Joannes in gereedheid voor de reis naar de eeuwigheid. Nadat de Jongeling langen tijd met hem over de zaken zijner ziel had gesproken, sprak hij zijne biecht, ten einde des morgens de laatste HH. Sacramenten te ontvangen.

ocr page 95

91

Terwijl zij nog samen bezig waren, bracht de oppasser bovengenoemden brief aan den Hector, die alles toestond, wat de jongeling eenigszins tot troost kon verstrekken. Ten einde de nieuwe collegiales te doen aanwezig zijn bij de bediening van Joannes, belastte hij iemand met de taak, hen onmiddellijk bij het opstaan, in de kerk te doen vergaderen, om de H. Communie te begeleiden. Middelerwijl maakte de jongeling zich gereed, en verzocht den oppasser hem de voeten te wasschen, daar hij weldra het H. Oliesel zou ontvangen. Bij het ontwaken werden de studenten door de onverwachte tijding, dat Joannes de Sacramenten der stervenden ging ontvangen, als door den bliksem getroffen. Allen weenden, en haastten zich om nog intijds tegenwoordig te zijn.

Pater Cornelius a Lapide stond aan de zijde van den jongeling. Op zijne vraag, of er niets was, hetwelk hem ongerust maakte, antwoordde hij: „In 't geheel niets.' Daar lag de jongeling met zijne legerstede op den grond, gelijk aan een Engel; aanhoudend lispelden zijne lippen de namen van Jesus en Maria, onderbroken door vurige verzuchtingen. De omstanders snikten luide. Tegen half vijf ure bracht de Rector, omstuwd door eene menigte Paters en Broeders, en in bijzijn van alle nieuwe studenten, de H. Teerspijze. Geleund op twee medebroeders, knielde de vrome jongeling en toen de priester de H. Hostie tusschen zijne vingeren hield, riep hij uit: „Ik betuig, dat dit waarachtig de Zoon van den Almachtigen Vader en van de Allerheiligste

ocr page 96

92

Maagd is. Ik betuig, dat ik wil leven en sterven als een waar zoon van onze Heilige Moeder de Roomsch-Katholieke en Apostolische Kerk. Ik betuig, te willen leven en sterven, als een waar zcon van de Heilige Maagd Maria. Ik betuig, te willen leven en sterven als een waar zoon der Societeit.quot; Daarna ontving hij de H. Communie met zulk eene heiligheid, dat allen tranen stortten. Joannes boog het hoofd, kruiste de armen over de borst, en overlaadde zijn hemelschen Gast inwendig met blijken van liefde, die Hij hem spoedig zou wedergeven. Dien dag werd, behalve de gewone Doctor van het huis. Doctor Angelus Bagnarea geroepen, die door het gezicht van den jongeling bewogen werd, en uitriep: ,'t Is een tweede Aloysius. Zalig gij, die zoo gauw tot den dood zijt voorbereid. Iedereen is dat geluk niet gegeven.quot;

Na de H. Communie ontving hij het H. Oliesel; gedurende deze handeling brak alles uit in geween, zelfs de Rector voelde dat zijne stem bewogen en afgebroken werd. De vrome jongeling alleen was rustig, zijn geest was geheel gesteld op het H. Sacrament, en, terwijl de anderen niet spreken konden, antwoordde hij bijna alleen en met zachte stemme op de gebeden des priesters.

Nu volgde er een hartroerend schouwspel, dat wij niet zullen beschrijven, maar zullen overlaten aan de verbeelding der lezers. Joannes namelijk omhelsde allen, die in het vertrek aanwezig waren. En onder die omhelzing sprak hij met hen, ontving hunne smeekingen,

ocr page 97

93

dat hij voor hen zoude bidden in den hemel, en beval hun met een heiligen eenvoud verschillende deugden ter beoefening aan. Het laatste omhelsde hij Pater Horatius Grassi, een zijner leermeesters. „Pater,quot; zeide hij, „van nacht heb ik aan uwe goedheid jegens my gedacht. Ik dank u voor al uwe moeite en opoffering.' Bü deze woorden wierp de Professor zich weenende voor hem op de knieën, vroeg hem vergeving, dat hij hem niet met genoeg liefde bejegend had, en smeekte hem, dat hij voor hem de gave des gebeds in den hemel zou verkrijgen.

Joannes' nederigheid leed door die vernedering van een priester, die voor hem geknield lag; met eene angstige bezorgdheid smeekte hy hem op te staan, belovende, bij God te zullen doen, wat hij hem gevraagd had.

ocr page 98

HOOFDSTUK XII.

Joannes kent de handelingen van den Rector als door goddelijke ingeving. — Zielerust. — Toeloop van bezoekers. — Zijne raadgevingen. — Voorzegging van zijn eigen overlijden. — Aanvallen des duivels. — Verlies van het spraakvermogen— Oogenblikken vóór zijn dood. — Zijn afsterven.

NTUsscHEN ging de Rector de H. Mis lezen, en Joannes wendde zich tot Pater Franciscus Piccolomini met de woorden: „Pater Rector strijdt voor mij, als een andere Jacob.quot; Weldra bleek het, dat hij de waarheid had gesproken, want toen de Rector, geheel onbewust van het gezegde van Joannes, na de H, Mis terugkeerde, wendde hij zich tot Joannes, zeggende: „Ik heb mij bij den Heer beklaagd, broeder Joannes, dat Hij u zoo vroegtijdig van ons schijnt weg te willen nemen.quot; De jongeling glimlachte, sloeg de oogen neder, en gaf geen antwoord. Dien dag herhaalde hij verschillende malen aan denzelfden Pater: „Pater Rector strijdt voor mij, maar hij zal niet overwinnen. Ik vrees, dat Pater Rector den Goddelijken wil weerstreeft.quot; Die woorden werden aan den Overste terug-

ocr page 99

95

verteld, en het werd bevonden, dat zij met de waarheid overeenkwamen.

Denzelfden dag ontving Joannes een bezoek van den Generaal-Overste der Orde, dien hij voor zijn sterfuur had laten ontbieden, zoowel om hem dank te zeggen, als om hem vergeving te vragen. De Generaal vond niets te vergeven, gaf hem den zegen, en besproeide hem met gewyd water. Voortdurend was zijne kamer vol van Broeders en Paters, die hij met de grootste minzaamheid ontving. Toen hij alle medicijnen en speceryen zag, welke door de geneesheeren waren voorgeschreven, zeide hij tot een der Paters: ,Mijne ziekte is kostbaar,* en toen deze hem antwoordde, dat alles geschiedde volgens de gewone liefdadigheid der Societeit, was hij gerust. Den nacht van Woensdag op Donderdag wilden allen by hem waken, zoodat de Rector eenigen uitverkoos, en de anderen beval ter ruste te gaan.

De ziekte benam den jongeling de rust des lichaams, maar geenszins de rust der ziel, die met haar God bezig was. Gevraagd, waarom hij zoo zuchtte, antwoordde hij:- „Ik dank God voor de weldaad mijner roeping.quot; Daarop vroeg hem een priester, of hij niet wenschte, dat men hem iets voorlas. „Ja,quot; zeide hij, „het hoofdstuk over den dood van den zaligen Aloysius.quot; Toen men las, dat die jongeling bij het vernemen van de tijding zijns doods den lofzang „Te Deum laudamusquot; aanhief, trachtte hij desgelijks te doen, en verzocht de anderen, hem te helpen.

ocr page 100

96

Toen de oppasser hem naderde, om den pols te voelen, vroeg Joannes, of hy dacht dat het goed ging: en hij kreeg ten antwoord: „Wij naderen het einde.quot; Daarop nam hij het kruisbeeld, den Rozenkrans en het boek der Regelen in zijne handen, en zeide met een opgeruimd gelaat en waardige stem: „Dit zijn mijne drie dierbaarste zaken; met hen zal ik gaarne sterven.quot; Vervolgens zoende hij ze, en legde ze op zijne borst.

Het overige van den nacht bracht hij door met het opzeggen van spreuken en het bidden van psalmen. Zeer vroeg in den ochtend riep hij den zieken-oppasser, en zeide hem: „Pater Rector strijdt voor mij uit al zijne krachten, opdat de Heer mij moge behouden tot welzijn der Provincie; ik geloof evenwel, dat zijne pogingen nutteloos zullen wezen.quot; Weinig tijd daarna kwam de Rector zelf, en zeide: „Broeder Joannes, in het bidden van 't officie las ik deze schoone woorden, die op u toepasselijk zijn: „„Mijn kind, wil niet vreezen, wijl ik met u ben, zegt de Heer. Als gij door het vuur zult gaan, zal de vlam u niet deren en de reuk van hel vuur zal niet zijn in u. Ik zal u verlossen uit de handen der boozen, en u losrukken uit de handen der sterken.quot;quot; Ik geloof, dat die voorzegging in u gaat bewaarheid worden.' — „Dat hoop ik,quot; antwoordde Joannes, „dooide verdiensten der H. Maagd.' Zulke gevoelens herhaalde hij meermalen, alsook deze: „Verlaat mij niet, Maria, stel mijne hoop niet teleur: ik ben immers uw zoon, en gij weet, dat ik het u gezworen heb.'

In den vroegen morgen van Donderdag was de mare

ocr page 101

97

verspreid, dat Joannes zijn dood klaarder had voorspeld. Op dat gerucht ontstond er een groote toeloop zoowel van ordebroeders als van vrienden. Onder deze was ook de zoon van hertog d'Acquasparta, Angelus Cesi, die zulk een hooge gedachte had van Joannes' heiligheid, dat hij dikwijls in den tuin van het College kwam om hem te zien en hem te hooren; nu wilde hij hem ook zien op zijn sterfbed. Getroffen door die buitengewone zielerust en die vroolijkheid, welke op het gelaat des lijders verspreid lag, beval hij zich aan in zijne gebeden, en ging heen met het gevoelen, een engel gezien te hebben, die voor geen lijden of dood vatbaar was.

Later keerden de geneesheeren terug en vonden hem verzwakt. De jongeling dankte hen, en zeide tot een van hen: „Wij vertrekken, mijnheer, wij gaan heen.quot; — „Waarheen?quot; was de vraag des anderen. — „Naaiden hemel,quot; was het antwoord.

Daar die aanhoudende bezoeken Joannes vermoeiden, gebood de Overste, dat men hem alleen zou laten. Maar Joannes, die groepen van Paters en Broeders ziende, vroeg verlof dat allen afzonderlijk bij hem zouden worden toegelaten, omdat hij wel wist, dat dit zijn laatste gesprek met hen zou wezen. Nu werden allen een voor een in zijne tegenwoordigheid gebracht; allen omhelsde hij, hij gaf hun moed, ontving hunne smeekingen om voor hen te bidden, en gaf hun heilzame raadgevingen. Bovenal beval hij hun drie zaken aan: de godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd, de liefde tot het gebed, welke hij den rechtsten weg noemde der

J. Berohmans. 7

ocr page 102

98

vereeniging met God, en de stipte naleving der Regels.

Anderen gaf hij eenige raadgevingen, welke meer bijzonder met hun inwendigen toestand in betrekking stonden, zoodat zij verstomd waren over de juistheid, waarmede hij de geheimen van hun hart bekend maakte, die zij meenden, dat God alleen wist. Aan zjjn meester verzocht hij, de godsvrucht tot de Moedermaagd in de harten zijner leerlingen in te prenten. Een anderen Pater bad hij, dat hij zijne pen zoude richten tegen Calvijn. Een predikant vermaande hy, dat hij van den stoel der waarheid de Onbevlekte Ontvangenis zou verdedigen, zoolang de Kerk dat toeliet. Een Duitsch priester verzocht hij, dat hij zich een waardig zoon der Societeit zou toonen door het verdedigen der Roomsche Kerk tegen de aanvallen der ketters in het Noorden.

Het zou ons te ver leiden, indien we hier de ge-heele rij van bezoekers moesten nagaan, aan wie Joannes zijne raadgevingen uitdeelde. Dat alleen zij hier nog gezegd, dat de jongeling, ofschoon altijd nederig en voorkomend, en met vromen eerbied bezield jegens zijne minderen zoowel als jegens zijne meerderen, bij deze gelegenheid met zulk eene vrijmoedigheid sprak, alsof hij de machthebbende was, „tanquam auctoritatem habens.quot; Zeker is het, dat in zijne taal zulk een ernst en waardigheid lag. dat elkeen inzag uit welke bron die moest voortkomen, namelijk, dat hy zoozeer niet sprak, maar God door hem.

Het laatste werd een Hongaarsch jongeling toegelaten.

ocr page 103

met name Nicolaus Radkai, Joannes' medeleerling en bijzondere vrlend. Op uitdrukkelijk verlangen des lijders kwam deze het laatste, opdat hij zich met hem iets langer zou kunnen ophouden. Allen verlieten het vertrek, en toen de twee jongelingen alleen waren, omhelsden zij elkander, terwijl Joannes zeide: „Voor de laatste maal zeg ik u vaarwel, mijn broeder; ik zal u in dit leven niet meer toespreken. Gij weet, dat ik u op aarde bemind heb, ik zal u blijven beminnen in den hemel.quot;

Bij deze woorden barstte de andere in tranen los, en zich op de knieën werpende, riep hij uit: „Indien gij mij verlaat, verzoek ik u voor mij te bidden tot de H. Maagd, opdat zij mij de hulp verleene, die gij weet, dat ik tot mijne volmaking en mijn eeuwig heil noodig heb; vooral evenwel, dat ik eene echte zoon der Socie-teit mag zijn, en dat zij mij als dusdanig erkenne.*

„Gaarne, mijn broeder, — gaf Joannes ten antwoord als met eene vaderlijke liefde, — wat gij vraagt, zal ik voor u verkrijgen, en nog bovendien den geest van gebed en van versterving.quot; — Daarop vroeg de andere; „Zeg, Joannes, gelooft ge, morgen te zullen sterven?quot;

— „Morgenochtend, geloof ik,quot; was het antwoord. —

— „Zou ik daar niet bij tegenwoordig kunnen zijn?'

— „Ik zal er voor zorgen.' — „Wanneer gij mij verlaat, Joannes, geef me dan, bid ik u, den laatsten zegen.quot;

— In den beginne wilde de nederige jongeling daartoe niet overgaan, doch ten laatste overwonnen door de onweerstaanbare klachten en smeekingen van zijn vriend,

ocr page 104

100

hief hij de hand op, glimlachte en zegende hem tweemaal met een innige liefde. Daarna ging de andere heen, het hart vol weemoed, maar ook vol troost.

Op het zien van dien ongewonen toeloop, niet alleen van broeders maar ook van priesters, die zich voor Joannes op de knieën wierpen, en zijn zegen vroegen, hegon de Rector te vreezen voor den duivel der ijdele glorie, die misschien aldus het hart des stervenden kon binnensluipen. Hij verwijderde dus allen uit het ver-vertrek, en sprak Joannes aldus toe: „Broeder, de duivel zou u op dit oogenblik met eene tweevoudige bekoring kunnen aanvallen, namelijk met eene bekoring tegen het geloof, en eene bekoring van ijdele glorie. Houd dus moed en strijd krachtdadig tegen beide.quot; — „Gode zij dank. Eerwaarde Vader,quot; antwoordde de jongeling, „tegen de bekoringen omtrent het geloof meen ik genoeg gewapend te zijn; tegen de aanvallen van ijdele glorie, indien zij mochten komen, heeft mij de Prefect der geestelijke zaken genoegzaam versterkt.quot;

Tegen den avond, by het kleppen der Angelusklok, smeekte hij Pater Joannes Gaudt, die aan zijn bed stond, den nacht bij hem door te brengen, wijl hij een voorgevoel had van aankomende bekoringen. „Dezen nacht,quot; zeide hij, „geldt het 't gewichtigste van de zaak.quot; En zich tot zijn oppasser wendende: „Dezen nacht zal ik strijden.quot; En tot een anderen priester : „Ik zal dezen nacht te strijden hebben.quot; Daarop zag hij een jongeling, G. Van Aelst, welke met hem in België in 't noviciaat was geweest: „Ik beveel u,quot; zeide hij, „aan den zaligen

ocr page 105

101

Aloysius.quot; En toen die jongeling hem vroeg: „Gaat gij aldus gaarne heen?quot; gaf hij ten antwoord: „Morgen, geloof ik, zal ik sterven.quot;

Omstreeks negen uren in den avond waren de gangen en de vertrekken der oppassers gevuld met priesters en andere personen; elkeen haastte zich om in de laatste uren aanwezig te zijn. Men kon hen maar niet tot heengaan bewegen, en toen de Rector hun beval ter ruste te gaan, moest hij er de belofte bijvoegen van allen aanstonds te wekken, wanneer het uiteinde nabij was. Bij het uitgaan zeide een professor: „Broeder Joannes, wacht mijne terugkomst af, en vertrek niet in mijne afwezigheid— waarop hij antwoordde: „Geen nood! Uw Eerwaarde zal mijn vertrek bijwonen.quot;

Sommigen maakten uit den aard der ziekte op, dat Joannes sprekende sterven zoude; dit hoorde de jongeling, en zeide: „Zoo zal het geschieden; ik heb aan God gevraagd, of te sterven op het slagveld, bezig met de soldaten te helpen, welke in Belgio tegen de ketters strijden, of te sterven op mijne sponde, sprekende en bij volle verstand; ik twijfel er niet aan, dit laatste is mij door God toegestaan.quot;

Dien nacht bleven er drie Belgische Paters bij hem. waken, Marcus van Doorne, Joannes Gaudt en Philip-pus Alegambe. Om tien uur zeide hij : „Ik zou willen, dat men de gebeden der stervenden bad, opdat later de geschikte tijd niet ontbreke.quot; Dat gebeurde, en toen men in de Litanie aan de orde der Belijders was, wilde hij, dat men er de namen der heiligen van zijn Orde

ocr page 106

102

zou bijvoegen, namelijk van den HH. Ignatius en Xaverius, den zaligen Aloysius, Stanislaus en Franciscus Borgia, alsmede van den Pater Josef Anchieta en van Alphonsus Eodriguez. Nadat die gebeden geëindigd waren, trachtte hij een weinig te sluimeren; doch, daar dit hem niet mocht gelukken, keerde hij zich om, en begon met eene heldere en kalme stem den lofzang „Ave maris stellaquot; te zingen. Vervolgens begon een der Paters, ten einde eenige acten van godsvrucht bij hem op te wekken, hem in het Latijn aldus toe te spreken: „Nu vooral moet ge Christus en de H. Maagd beminnen; die gij in uw leven bemind hebt, zult ge ook beminnen in uw dood.quot; Onmiddellijk antwoordde hij : „Die ik getracht heb te beminnen in mijn leven, zal ik beminnen in mijn dood.quot; De Pater hernam: ,En beiden zult gij beminnen in eeuwigheid.quot; — „Dat hoop ik,' zeide de jongeling. - „En als gij duizend harten hadt, Joannes, zoudt gij dan Maria niet met duizend harten beminnen ?quot; — „Ja, dat zou ik, met duizend harten.quot;

Met deze en dergelijke gesprekken was het middernacht geworden. En met dit uur kwam de ure des strijds. Eensklaps werpt de jongeling zich om ; zijn gelaat is ontrust; zijne oogen staren strak naar den hemel, en met bevende lippen begon hij het volgende uit te spreken: „Neen, mijn God, dat zal ik niet doen! Ik zal u niet beleedigen! Maria, neen, nooit zal ik uw Zoon vergrammen. Ga weg van mij. Liever duizendmaal sterven, tienduizend-, honderdduizendmaal.quot; In de aangrenzende vertrekken had men zijne stem gehoord, en

ocr page 107

103

men snelde toe, om hem gerust te stellen. Weldra wendde hij zich tot den duivel en zeide : „Ga weg van mij, satan; ik vrees u niet.quot; De omstanders knielden en baden, en besproeiden Joannes, het bed, en de kamer met gewijd water. Hij zelf omhelsde het Christusbeeld, den rozenkrans, het boek der Regelen en de relikwieën, die hij bij zich had, drukte die aan zijn hart, en riep vol moed: „Dit zijn mijne wapenen.quot;

Toen de strijd ten einde was, begon Pater Petrus Gravita de Litanie te psahnodiëeren, waarin Joannes hem gedurig in denzelfden toon volgde. Aan het Agnus Dei gekomen, en het Paree ei Domine, hield Joannes even op, sloeg de oogen op het kruis, en herhaalde met een levendig gevoel van liefde menigmaal: „Paree Domine, Paree Domine, Paree Domine.quot; 1)

Daarop werd hij zoo zwak, dat men den Rector moest gaan roepen. Deze hield hem eenige spreuken voor, welke de jongeling nazegde. Eenige oogenblikken later had hij het spraakvermogen zoodanig verloren, dat hij geen woord meer kon uiten.

Nu traden allen de kamer binnen, knielden neder om zijne legerstede, en begonnen te bidden. Joannes lag daar achterover, de blikken gericht op het kruisbeeld, den rozenkrans en het boek, welke drie zaken hij voortdurend in de handen hield; overigens lag hij daar stom en sprakeloos, terwijl zijne oogleden alleen zich bewogen. Vier uren duurde die toestand, totdat

1

Spaar, Heer.

ocr page 108

104

hij aan een Pater, die hem vroeg, of hij niets verlangde, antwoordde met zeer flauwe stem: „Ik wilde kunnen spreken.quot; De Pater vermaande hem vervolgens, den naam van Jesus ten minste met het hart, zoo hij het niet kon met den mond, uit te spreken. Joannes deed een poging, en weldra sprak hij verschillende malen dien naam uit. Daarmede kwam het spraakvermogen terug. De Rector, welke van twee tot zes uren in den nacht aan zijne zijde had gestaan, zeide hem eindelijk: „Joannes, het is tijd voor de H. Mis. Zorg, dat gij niet sterft, maar wacht mijne terugkomst af.quot; De jongeling beloofde dat.

Nauwelijks was de H. Mis begonnen, of een nieuwe worsteling ving aan tusschen den vijand der menschen en den vromen jongeling. Afgebroken, onsamenhangende woorden, als: „Neen, dat deed ik niet vrijwillig,quot; kwamen onophoudelijk over zijne lippen. Zijn leermeester, die wel begreep, dat het een aanval des duivels was, sprak hem aanstonds toe met de woorden: „Joannes, let op mij, en zeg niets anders na, dan wat ik u voorzeg. Zeg: Ik geloof, o Heer; ik hoop, o Heer; ik bemin, o Heer.quot; De jongeling evenwel scheen hem niet te begrijpen. Met opgeheven hand en verwilderden blik herhaalde hij dezelfde woorden: „Ik heb dat niet vrijwillig gedaan.quot; Dan verhief de Pater zijne stem, en zeide met kracht: „Joannes, tot nu toe luis-terdet gij naar mijne woorden; welaan dan, geef er ook nu gehoor aan, en let alleen op de woorden, die ik u zeg.quot; Plotseling, o wonder! kwam de rust weder

ocr page 109

105

in het gemoed van den heiligen jongeling, en begon hij met een kalme stem en opgeruimd gelaat te bidden.

Daarna gaf Joannes den wil te kennen om den Rector te roepen. Deze had juist de H. Mis geëindigd, en kwam onmiddellijk. Bij zyn aankomst gaf de jongeling teekenen van blijdschap, daar hij de hem opgelegde taak volbracht had, namelijk van te wachten tot de terugkomst des Rectors. Op zijn verlangen begon men daarna de Litanie van alle Heiligen te bidden, die hij hardop medebad. Vervolgens bad een ander priester de Litanie van O. L. V., welke hij eveneens volgde. Aan de woorden gekomen: Heilige Maagd der maagden, Moeder der zuiverheid, Koningin der maagden, lichtte hij het hoofd op uit het kussen, en maakte een buiging voor het beeld der H. Maagd, terwijl zijne blikken met eene diepe uitdrukking van liefde daarop gevestigd bleven.

Aldus stierf de gelukkige jongeling om halfnegen uren op Vrijdag, den 13 Augustus 1621, in den ouderdom van 22 jaren en 5 maanden. Met de oogen op het kruis, den rozenkrans en het boek der Regels, en op de lippen de namen van Jesus en Maria, steeg zijne heilige ziel ten hemel, op aarde achterlatende het voorbeeld harer deugden, en den troost van haar kostbaren dood.

ocr page 110

HOOFDSTUK XIII.

Joannes' gestalte. — Droef heid bij zijn dood onder leerlingen en Professoren. — Getuigenis van Pater Didacus Seco. — Verspreiding van het gerucht zijns overlijdens. — Lijkdienst en gebeurtenissen daarbij. — Toeloop van volk — Begrafenis — Heiligverklaring.

was Joannes overleden, of de

natuurlijke kleur keerde terug op zijn aangezicht, zoodat hij meer gelijk scheen aan

een levende, die zacht en rustig insluimert, dan aan een doode. Die schijn bleef evenwel niet lang bestaan, en weldra toonde de bleekheid van zijn gelaat aan, dat de schoonheid zijns lichaams een prooi was geworden van den dood.

Joannes was van middelbare gestalte, volbloedig van gestel, gezond van leden en met een engelachtig lichaam. Zijne gelaatskleur bestond uit het blanke der lelie, gemengd met het roode der roos. Zijn voorhoofd was groot, boven de zware wenkbrauwen, die zijn scherpe en schitterende oogen overschaduwden. De lippen waren klein, maar vuurrood; de arendsneus wel

ocr page 111

107

gevormd, het haar blond. Zijne handen rustten steeds op zijne borst. Zijn gang was noch langzaam, noch overhaastig, maar altijd vrij zwaar. De goheele houding van zijn lichaam was zoo zedig, dat de aanschouwers er door getroffen en gesticht werden. Men kan zeggen, dat het lichaam, hetwelk God aan die ziel geschonken had, met die ziel in schoonheid wedijverde, en dat „rfe vorm van het lichaam de weerschijn was van den geestquot; zooals de H. Ambrosius van de H. Maagd zegt.

'b Is gebruikelijk in de Societeit, met de bel een teeken te geven, zoodra een der leden den geest heeft gegeven, opdat z\i, die dat teeken hooren, aanstonds kunnen bidden voor de rust zijner ziel. Dat geschiedde eveneens bij den dood van Joannes, maar het is ons onmogelijk, te zeggen welk eene beweging dat telken bij deze gelegenheid teweegbrach!',. Van alle kanten stroomde men toe, om de handen te kussen van den heiligen jongeling, en zich in zijne gebeden aan te bevelen.

Reeds drie dagen vóór zijn dood had men van zijn kamer de beelden weggenomen, waarvoor hij gewoon was te bidden, alsmede den geesel en wat er meer van dien aard aanwezig was. Zijne onderkleederen, bovenge-waad, schoenen enz. werden als relikwieën medegenomen. En dat deden niet alleen de jongere studenten, maar zelfs de ernstigste Paters en Professoren, welke als een bijzondere gunst het een of ander verlangden wat hij in zijn leven gebruikt had.

Toen het teeken van Joannes' dood werd gegeven, bevonden Professoren en studenten zich in de klas.

ocr page 112

108

Eensklaps barstten allen uit in geween, daar zij het zalige uiteinde van hun makker niet mochten bijwonen. Pater Didacus Seco, die toen de theologie doceerde, kon zijne tranen niet bedwingen, en deelde aan zijne toehoorders de oorzaak zijner smart mede. Bij zijn vertrek uit Rome liet hij het volgende getuigenis over den engelach-tigen jongeling achter, dat wij evenwel om zijne lengte slechts in hoofdzaak zullen wedergeven.

„Ik Didacus Seco, Priester van de Societeit van Jesus, getuig, in het Romeinschq College dierzelfde Societeit, op vertrouwelijken voet te zijn omgegaan met Broeder Joannes Berchinans, Belg van geboorte, een student uitmuntende door een vlekkelooze onschuld van leven, reinheid van ziel en aantrekkelijkheid van zeden. Wegens die bijzondere gave zeide ik dikwijls, dat hij was een waar Dienaar en Zoon van de H. Maagd, tot wie hij een brandende godsvrucht bezat. Tijdens zijne ziekte zeide ik aan Pater Marcus van Doorne, dat de vrome jongeling waarschijnlijk niet door de ziekte zou sterven, maar dooide liefde tot de Moeder Gods, die haar kuischen en beminden dienaar in den hemel bij zich wilde hebben. Na zijn dood kon ik mij niet overtuigen, dat die ziel gebeden en misoffers zou noodig hebben; en evenmin twijfel ik er aan, dat God haar niet met de hemelsche glorie beloond heeft. Indien ik over al zijne deugden in het bijzonder wilde uitweiden, zou ik veel kunnen getuigen van hem, dien ik als een voorbeeld beschouwde. Dit weinige zij genoeg tot eer van God, tot lof van onzen heiligen en onschuldigen broeder, en tot ons aller aanmoediging.'

ocr page 113

109

Weldra was de mare over den dood van Joannes door de geheele stad verspreid; en het deed vele hooggeplaatste personen leed, niet van zijne ziekte gehoord en zijne heiligheid gezien te hebben. Onder deze was Kardinaal Bellarminus, die bij het vernemen dier tijding tranen stortte, en het betreurde, niet vertrouwelijker met hem te zijn omgegaan, hem niet bezocht te hebben, om zich in zijne gebeden aan te bevelen.

De Rector, wel voorziende wat er zoude gebeuren, belegde een raad van Paters, om hunnen raad in te winnen, wat er met het lichaam moest gedaan worden. Eenstemmig werd er besloten, dat zijn portret door een of ander schilder zou wordengemaakt; vervolgens, dat zijn lijk op eene afgescheiden plaats zou begraven worden, opdat men de beenderen gemakkelijk zou onderscheiden, wanneer het God mocht behagen hem door mirakelen te verheerlijken; en eindelijk, dat tijdens den lijkdienst de Paters vier aan vier de wacht zouden houden om de baar, ten einde het toedringen van 't volk te verhinderen. Dat alles geschiedde, gelijk het besloten was. Het lijk werd in de kerk gedragen en op de baar gezet, terwijl de deuren tot aan het begin der plechtigheden gesloten bleven. Ondertusschen kwamen professoren, paters en novicen het lijk vereeren, en hunne rozenkransen daaraan strijken. De menigte had zich door een zijdeur toegang weten te verschaffen en in één oogwenk waren nu de bloemen, waarmede het lijk bestrooid was, weggenomen. Eveneens ontnam men hem het kruisbeeldje en den rozenkrans, welke

ocr page 114

110

hij in de handen hield, alsmede hoofddeksel en schoeisel. De rozenkrans werd meermalen weggenomen, terwijl men telkens een anderen daarvoor in de plaats legde.

Toen alles in gereedheid was, ontsloot men de poorten des tempels, en als een onstuimige zee sloeg de volksmenigte naar binnen. In den beginne heerschte er diepe rust; doch toen men begon met zijne handen te kussen en rozenkransen aan te strijken, kon men zijne kleederen nauwelijks voor verscheuring behoeden. De volksmenigte wies intusschen steeds aan; en de vier Paters waren niet meer bestand tegen den aan-dringenden stroom; zij moesten wijken.

Na het einde der plechtigheden, moest men het lichaam in de sacristie brengen; het was bijna geheel uitgekleed. Sommigen brachten geheele bundels rozenkransen, anderen ringen, om aan de vingers te dragen. Zoo groot was de toeloop, dat men verschillende malen genoodzaakt was door de smeekingen van voorname mannen, om het lijk weder in de kerk ten toon te stellen.

Op het gerucht, dat de begrafenis dien avond zou plaats hebben, verzochten vele hooggeplaatste personen, dat men die plechtigheid tot den volgenden dag zou uitstellen, wijl zij vurig wenschten, het lijk van den heiligen jongeling eens te zien. Aan dat verlangen werd voldaan. Gedurende den nacht nam men zijn gelaat af in gips, en werd het lichaam onderzocht, waarin men evenwel geen spoor van eenige ziekte kon

ocr page 115

Ill

waarnemen, tenzij eene geringe ontsteking aan de long en aan de milt.

Het hart werd uitgenomen, bewaard, en eenige maanden later naar België overgebracht. Men was nieuwsgierig te weten, of die zachtmoedigheid, die lijdzaamheid, waardoor Joannes had uitgemunt, voortsproot uit de gesteltenis zijns lichaams. De geneesheer zocht derhalve naar de gal, maar vond slechts zulk eene kleine hoeveelheid, dat er bijna geen teeken van gal aanwezig was.

Daarna werd het lijk opnieuw gekleed, en op de baar geplaatst. Den volgenden dag, zynde het vigilie van de Ten-Hemel-Opneming van Maria (Zaterdag) kwam er zulk eene menigte van achtenswaardige mannen, als bisschoppen, stadsraden,; grooten enz. om te zien, dat men de teraardebestelling voor den avond nog niet kon verrichten. Toen weder bemerkte men, dat niet alleen stukken van zijne kleederen, maar zelfs nagelen en haar, en een teen van zijn voet waren afgesneden en als relikwieën medegenomen.

Eindelijk werd Zaterdag avond het dierbare overschot in de houten kist gelegd, en van een opschrift in lood voorzien, waarna het in een graf in de Kapel van den H. Aloysius werd bijgezet; van daar werd het naderhand overgebracht naar de Kapel van 't H. Kruis, waarin vroeger het lijk van den H. Aloysius eenige jaren gerust had.

Het duurde niet lang of de geloovigen bezochten in menigte zijn graf, om daar hulp en troost te vin-

ocr page 116

112

den in nood en tegenspoed. Eiken morgen kwamen godsdienstige mannen en vrouwen dat graf bestrooien met bloemen en welriekende kruiden. Achtingswaardige mannen ontzagen zich niet, te knielen op het gesteente en te bidden, en eerbiedig den grond te kussen, die den Heilige dekte. Anderen brachten tot dank voor verkregen weldaden ex-voto's, welke zij aan de wanden der Kapel ophingen, of op het graf neerlegden. Niet zelden zelfs ontstak men kaarsen te zijner eere.

Zoo verheerlijkte God zijnen dienaar, die Hem in het leven verheerlijkt had, voor het oog der wereld. En wie zegt ons hoeveel wonderen van bekeeringen hij na zijn dood gewrocht heeft, die in zijn leven door zijn aanblik alleen zoovelen tot een deugdzaam leven aanspoorde,, en in allen de liefde tot de deugd deed ontvlammen?

Zijn naam was weldra bekend door geheel Rome, en de geest zijner heiligheid vervulde de Eeuwige Stad. Thans noemt heel Europa dien naam met achting en eerbied, en vereert de jeugd in hem een heiligen Beschermer in den Hemel.

Het behaagde Z. H. Leo XIII den Zaligen Joannes Berchmans in den loop van het jaar 1888 onder het getal der Heiligen te plaatsen, bepalende, dat zijn feestdag den 13 Augustus in de Kerk zou gevierd worden.

EINDE.

ocr page 117
ocr page 118
ocr page 119
ocr page 120

.