32.
Tot nagedachtenis van
Win lp. GHELffi VAN B MEN,
Protonotarius Apostolicus a. i. p.,
Proost van het Kathedraal Kapittel van Breda,
Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw.
in____-
L
$c y \ wcovb
TER PLECHTIGE UITVAART
dc ^K.cip.cf'Vicin Kei(^cmiixciiic ic CZ^lo-cv-cix c^espto-dcn,
öm IG'quot; ittnart tÃ96,
f l P0
door
PSTAKEN v
PRESIDENT
/
/
1
IIOKMA. M.J.CdUl'MANS,
Tot nagedachtenis van
rm m. coru m der veeken,
Protonotarius Apostolicus a. i. p.,
Proost van het Kathedraal Kapittel van Breda,
Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw.
amp;C M WCCtb TER PLECHTIGE UITVAART
m dc CpCavc/v-aiz dei c5c r.z inax ic ic v* taden
öcn 10'quot; ill aart IJj'JG,
noou
j). jj. jhïoPST AKEN,
PHESJDENT
V7X9
5/^.
IMPRIMI POTEST.
Datum Breda;, hac die 16a Martii 1896.
f DP. IjETJTBIT, Ep. Bred.
Mihi... vivere Christus est, et morl lucrum.
Voor my.... is het leven Christus, en het sterven een gewin.
Philipp. 1, 21.
iZ^/o-o^cetwaatcZc en cD cctcawaatdc CÌtcn /
s^cacamp;ic cfflamp;cdv-ciuna.nien cnUxicr.dcn van den Sehcutden 2) o-actc ! 2)ict£ata cSeminai isicn â
Een gewin is het sterven voor een ieder, wien het leven Christus is geweest, wiens levensdoel en levensregel alleen Christus, wiens leven algeheel aan Christus was toegewijd. Hem toch is het sterven het einde van vreezen en van beven, van afmattenden arbeid, van lijden en van strijd, en het begin van zoete zekerheid, van einde-looze rust, genieting en zegepraal.
Grooter wordt dat gewin, naarmate het leven een getrouwer afspiegeling van Christus^ leven en inniger met Christus vereenigd was; naarmate het verlangen om ontbonden te worden en met Christus te zijn, langer en vuriger gekoesterd werd; naarmate ook het sterven het einde bracht van bitterder beproeving en van zwaarder kruis.
Gij hebt hieruit reeds besloten. Monseigneur en Geachte Toehoorders, welk een gewin het sterven bezorgen kwam aan den heiligen Priester, wiens lijkbaar wij eerbiedig en treurend omgeven; aan hem die op zoo voortreffelijke wijze in beoefening bracht dat woord, in deze plaats zoo dikwijls door hem verkondigd: Sacerdos alter Christus, een priester behoort een andere Christus te zijn; aan hem, die. als een dorstig hert naar de frissche waterbron, smachtte naar de komst
â 6 â
van zijnen God; aan hem eindelijk, die het met zoo volle recht den
blinden Tobias kon nazeggen: Expedit.......... mihi mori magis quam
vivere, het is mij beter te sterven dan te leven. (Tob. III, 6.)
Geroepen door de omstandigheden, om bij deze treurige plechtigheid het woord te voeren, heb ik gemeend, het meest te handelen in den geest en overeenkomstig het karakter van den grooten, maar eenvoudigen Doode, indien ik, met terzijdestelling eener vormelijke lijkrede, mij tot eene zeer eenvoudige en zoo getrouw mogelijke herinnering aan zijn persoon en aan zijn leven, met name aan het laatste tijdperk zijns levens bepaalde; en ik deed dit te eerder, omdat zoodoende wellicht beter dan door beschouwing en lofspraak onze stichting voedsel ontvangen, en ook daaruit overvloedig blijken zou, met hoeveel waarheid dit woord op den dierbaren Overledene werd toegepast: Mihi vivere Christus est et mori lucrum.
Monseigneur Cornelius van der Veeken, Oud-Professor en President van dit Seminarie, Oud-Vicaris-Generaal van dit Bisdom, Proost van het Kathedraal Kapittel van Breda, Protonotarius apos-tolicus a. i. p.. Ridder iu de Orde van den Nederlandschen Leeuw, ging bij zijnen God het loon van zijn vlekkeloos en werkzaam leven, van zijne langdurige beproeving ontvangen in den ouderdom van ruim 76 jaren.
Met hem verdwijnt een der meest voortreffelijken uit de rij van Breda's Geestelijkheid.
In hom ontvalt aan zijne geachte Familie een dierbaar en belangstellend Bloedverwant, aan zijn Doorluchtigen Bisschop daarenboven een beproefd, ondervindingrijk Raadsman, een machtige steun.
Over hem treurt geheel Breda als over een Priester, die zich voor het geheele Bisdom verdiensten vergaderde als slechts zeer weinigen; als over een Vader, die de moesten onzer opleidde tot het II. Priesterschap; als over een Vriend, wiens ruim vriendenhart warm klopte voor ons allen in 't algemeen en voor ieder onzer in 't bijzonder.
Wie Monseigneur Van der Veeken wel geweest is?
Een edel mensch, â een degelijk geleerde, â een voorbeeldig Priester bovenal.
Is het niet waar, dat do hooge adeldom van zijn karakter en zijn hart van louter goud hem de achting en de lielde verwierven van allen, die met hem in aanraking kwamen?
Is het niet waar, dat hij beschikte over een schat van geleerdheid en wetenschap, welke verbazing zou hebben gewekt, indien men niet hadde geweten, met wat taaie vlijt die schat was vergaard, bewaard en tot het einde van zijn leven vermeerderd?
Maar vooral, staat hij daar niet voor onzen geest als de heilige Priester, versierd met eene kroon van priesterlijke deugden, die hem kronen tot den Man Gods, den Man naar Gods hart? InvenL... virum secundum cor meum, qui faciei omnes voluntates meas, Ik
heb..... een man naar mijn har! gevonden, die in alles mijnen wil
doen zal. (Act. III, 13.)
Gij allen noemt de voornaamste onder die deugden:
een geloof, eenvoudig als van een kind en weldadig stralend door al zijne werken;
eene liefde, die dat leven bewaarde zonder vlek, die den last van den drukkendsten arbeid nooit gevoelde, en die uit dat hart naar buiten sloeg in de vlam van de teederste godsvrucht en een geest van gebed, die heilige afgunst wekte;
eene voorzichtigheid, die al zijne gangen bestuurde en voortdurend de wacht hield aan zijne lippen;
eene zedige ingetogenheid, die bij den eersten oogopslag den waren Priester aanwees;
eene versterving, die bij het naderend einde met geweld moest worden ingetoomd;
een standvastigen ijver voor zijne dagtaak, die hem in vroeger jaren tot een voortdurend otï'er maakte van zijn plicht, in het laatste tijdperk zijns levens tot een vrijwilligen slaaf van zijn vrij verkozen dagregel;
een eerbied voor zijne Geestelijke Overheid, die U telkenmale stichtte;
eene liefde voor de H Kerk, voor Breda's Kerk vooral, die hare belangen tot zijne eerste en voornaamste belangen maakte, en die bij voorbaat zijn zedelijken en stoffelijken steun verzekerde aan ieder goed werk, dat hij steunen kon;
â 8 â
eene milddadigheid, die met milde handen van haar goud uitdeelde en de armoede in de omstreken heete tranen om zijn heengaan schreien doet;
eindelijk eene onderwerping aan Gods ondoorgrondelijke beschikkingen en eene lijdzaamheid onder zijn kruis, de onderwerping van een blinden Tobias waardig;
en alle deze en zoo vele andere deugden en hoedanigheden en begaafdheden beschenen en geadeld door den liefelijken glans van den meest bescheiden eenvoud, de kenmerkende deugd van dit toonbeeld eens Priesters, een eenvoud en eene bescheidenheid die Mgr. Van deh Veeken stempelden tot een der meest beminnelijke persoonlijkheden, die men op zijn levensweg ontmoeten mag.
Deze man, met eere overladen, tot hooge plaats en waardigheid geroepen, tot aller verwondering door God voor nog niet hooger bestemd, was en bleef de bescheidenheid en de eenvoud in eigen persoon; niet minder eenvoudig van harte, dan eenvoudig in geheel zijne uitwendige verschijning: minzaam en vriendelijk jegens allen, jegens groot en klein, jegens arm en rijk, jegens geestelijk en leek, voor een ieder toegankelijk, voor een ieder zich gevend zonder onderscheid.
Deze blinde man, het helderziend en lichtend oog van een geheel Bisdom, de vraagbaak van honderden, de raadsman van vier opeenvolgende Bisschoppen, wel verre van icder oogenblik met zijne raadgevingen gereed te zijn, wel verre van ze ooit aan iemand op te dringen, was zoo bescheiden, dat in den regel een zoete drang op hem moest worden geoefend, om den ingeroepen raad over zijne lippen te krijgen.
Het kon natuurlijk niet in mijn plan liggen. Mgr. en G. T., U, in de korte oogenblikken waarover ik beschikken mag, het leven van dezen vir simplex et rectus ac timens Deum, van dezen eenvoudig en en rechtschapen en godvreezenden man (Jon I, 1), in zijne verschillende tijdperken uitvoerig voor de herinnering te roepen: dat leven, niet ongelijk aan een zegenrijken lentedag, liefelijk glanzend in zijn opgang, hot al bestralend en bevruchtend op zijn middag, en stil wegzinkend in een vloed van purper en rood, hier het zinnebeeld van beproeving en van smart.
Wij gewagen daarom slechts in 't voorbijgaan van zijne jeugd en voorbereiding tot het II. Priesterschap, toen de Jongeling en jeugdige Leviet â zeggen zijne tijdgenooten â wel immer behoorde tot de besten onder dubbel opzicht van wetenschap en deugd, maar zijne toekomstige grootheid geheel schuilging achter den stillen en eenigszins schuchteren eenvoud, die hem toen reeds kenmerkte: een knop die, eenmaal bloem geworden, meer zou geven, dan hij beloofd had, â een zeldzaam verschijnsel in het monschelijk bestaan.
Eveneens stippen wij slechts even aan zijne zevenjarige cura animarum, toen de jeugdige Priester â ik weet het van zeer nabij â reeds die rijpe wijsheid en behoedzame voorzichtigheid aan den dag logde, welke hem later aller harten openen, aller vertrouwen veroveren zou.
Met een enkel woord slechts vermelden wij de juist zeven jaren van zijn Professoraat, jaren vruchtbaar voor hem zelvon, vruchtbaar vooral voor dit Seminarie, door zijn woekeren met den tijd, door zijne ijverige en nauwgezette plichtsbetrachting, door het aantrekkelijke van zijn voorbeeld, door zijne bij uitstek nuttige lessen, die, eenvoudig en ongezocht, uitmuntten door zaakrijkheid, door prak-tischen zin en praktische opmerkingen en raadgevingen.
Ja. wij bepalen ons zelts tot een betrekkelijk zeer kort woord over dat heerlijk Presidentschap van ruim vijl en twintig jaren. Slechts even merken wij aan, hoe de eerste helft van dat bestuur kwam openbaren, wat verbazende werkkracht er huisde in den schijnbaar niet sterken man, die letterlijk den arbeid van drie personen had te verrichten. Leeraar in de Moraal, met het tijdelijk en geestelijk bestuur van het Seminarie belast, was President Van dek Veeken daarbij de druk gehoorde en algemeen bekende Raadsman der twee Bisschoppen, die het Seminarie destijds mocht huisvesten, en viel hem de zeker zeer hooge, maar niet minder tijdroovende eer te beurt, door de meesten der talloozen die kwamen tot hunnen Bisschop, te worden bezocht en geraadpleegd. Was het vooral in dien tijd, dat hij zich deed kennen als dien ieder oogenblik toe-gankelijkon en gastvrijen man, die hij immer gebleven is?
Uit diezelfde jaren vermelden wij eveneens slechts in 't voorbijgaan het werkzaam deel, door President Van der Veeken genomen
â 10 â
aan het Provinciaal Concilie, te 's Hertogenbosch, aan de Bredasche Synode, hier in het Seminarie gebonden, welke laatste vooral door hem werd voorbereid en geleid, aan welks Statuten hij meer dan iemand arbeid en zorgen te koste legde.
Helaas! dat ik me zelfs het genot ontzeggen moet, hier in 't openbaar den cijns van dankbare piëteit te brengen aan den President mijner Seminarie-jaren! Hoe gaarne riep ik in deze plaats nog eenmaal zijne beeltenis op! hoe hij daar stond aan het altaar, hoe hij voor ons bad, boe hij tot ons sprak. Hoe gaarne herinnerde ik aan dat woord zoo eenvoudig, zoo helder, zoo wijs, zoo vol van zalving, zacht en weldadig als de morgendauw nedervallend op den bodem der ziel! Hoe gaarne stelde ik in het licht, hoe zijn voorbeeld bevestigde, wat zijn woord ons verkondigde; op hoe verheven wijze onze President van zich waar maakte dat woord uit het Pontificale Romanum: Eluceat in eis totius forma justitice, dat in hen alle deugd in de hoogste volmaaktheid uitschittere, en hoe wij, bij het lezen van St. Ambrosius' woord: Sanctorum vita cceteris norma, vivendi est, het leven der heiligen is voor de overigen de regel waarnaar zij het hunne behoorm in te riehtm, zoo gaarne het leven van onzen volijverigen en innig godvruebtigen President tot voorbeeld namen.
Dat alles echter worde, â zeker tot teleurstelling van velen, â zoo goed als geheel ter zijde gelaten. En het moge mij vergund zijn, toe te geven aan een drang mijns harten en alleen een oogenbhk bij het laatste tijdperk van dat rijke leven stil te staan; en U den afgetreden President, den eervol ontslagen Vicaris-Generaal, afgetreden en ontslagen niettegenstaande den aandrang van het Doorluchtig Hoofd dezes Bisdoms, U, zeg ik. Mijnheer oen Proost te schetsen, zooals wij het voorrecht hadden, hem dagelijks van nabij gade te slaan. â Een schouwspel, het oog der Engelen waardig!
Daar hij van zijne kinderjaren af altijd God gevreesd en zijne geboden onderhouden had, zoo zegt ons het Boek Tobias, loerd hij niet ontevreden tegen God, omdat de beproeving der blindheid, hem overkwam. Maar hij bleef onverwrikt in de vreeze Gods, God, dankend al de dagen zijns levens. (Ton. II, 13â14.) Hoe treffend zijn deze woorden van toepassing op den heiligen Blinde, dien het Sein'-
â 14 â
narie zoo lang bezitten mocht! Door God geslagen en beproefd, is hij door God Zijner waardig bevonden (Sap. III, 5); en gedurende dertien jaren rondtastend in een stikdonkeren nacht, is hij voor ons geworden eene brandende en lichtende lamp, lucema ardem et lucens (Joa. V, 35), stil flikkerend hier in Gods heiligdom, ardens charitate, lucens exemplo, brandend door liefde, lichtend door voorbeeld, (Estius in diff. Script, loc.)
Daar beschuldigt mij niemand van overdrijving. Mgr. en G. T., wanneer ik zeg, dat het leven van den blinden Proost een verheven toonbeeld van een priesterlijk leven en de waardige kroon op geheel dat waardige leven geweest is. In drie woorden wordt dat leven saamgevat: een leven van studie, een.leven van godsvrucht, een leven van heldhaftig onderworpen lijdzaamheid.
Een leven van studie.
De studielust, â neen! meer dan dat, â een onleschbaar dorsten naar wetenschap, een der geheel dit bestaan kenmerkende eigenschappen, verloochende zich ook niet â en toch, hoe natuurlijk ware dit geweest! â onder het verdriet der werkeloosheid, waartoe de ongelukkige Blinde zich zag gedoemd, en onder de drukkende zwaarte van zijn kruis.
Getuigt het, gij, Dierbare Seminaristen, en gij. Waarde Professoren, die, een gebruik getrouw van bijna vijf en twintig jaren, met zooveel liefde uwe leesbeurt bij den dierbaren Ontslapene ver-vuldet! Een liefdedienst, onschatbaar voor hem in waarde, eene verlichting van zijn kruis, waardoor gij U zijn eeuwigen dank verzekerd hebt.
Hoe verlangend werd daar dag op dag naar die vastgeregelde uren uitgezien! Hoe werd daar gezorgd, dat geen deeltje der goede gave verloren ging!
Wat daar gelezen werd? Wat daar werd opgenomen en gewikt en verwerkt door dat helder en fijn verstand? Wat daar werd opgeborgen in de schatkamer van dat verbazingwekkend geheugen? Eene opsomming zou U doen duizelen. Niet enkel de tijdingen en vragen van den dag. niet slechts verschillende Hollandsche, Fransche en Latijnsche Tijdschriften op verschillend gebied, maar ook tal van klassieke Handboeken, verscheidene zelfs meermalen, maar ook bijna
â 12 -
al de nieuwe klassieke Werken van Godgeleerdheid, in de laatste vijf en twintig jaren verschenen, maar ook, behalve vele andere Werken van kerkelijke en profane Historie, twee van de meest uitvoerige Geschiedenissen der Kerk, maar ook Werken als de Summa Thoologica Si. Thomac, welke minstens tweemaal, als de Opera omnia Si. Thomse, 32 lijvige deelen, welke voor het grootste gedeelte werden doorgemaakt. En, dat hooren lezen inderdaad, zooals reeds werd opgemerkt, ook verstaan en onthouden was â ik spreek niet van den allerlaatsten tijd â het bleek o. a. zoo menigmaal, wanneer-zijn raad werd ingeroepen, of wanneer de een of andere practische quaestie werd te sprake gebracht, en Mijnheer de Proost wist te zeggen, niet slechts welk gevoelen door de oudere, maar ook dooide verschillende nieuwere Schrijvers op godgeleerd gebied werd aangekleefd.
Wat kostte het hem â een oiler dat echter gaarne om wille der naastenliefde en gastvrijheid werd gebracht â wanneer zijne kostbare leesuren soms op andere wijze werden in beslag genomen! Met wat spijt zag hij telkens de dagen der verschillende Vacantiën naderen, welke hem voor geruimen tijd van zijne dierbare boeken gingen scheiden! En hoe werd dan in dat dikwijls onvermijdelijk eentonig leven dat pijnlijk gemis verzoet door nog veelvuldiger gebeden, door nog langduriger overwegingen dan tijdens de maanden van het studiejaar! Want was dat leven een leven van onverdroten studie, niet minder is het een leven geweest van voorbeeldige godsvrucht.
Mgr. Van der Veeken was een innig godvruchtig Priester, een Priester die veel bad, en wie hem bidden zag, tot bidden opwekte. In het bijzonder muntte hij uit door vurige liefde jegens het Hoogheilig Geheim onzer Altaren, jegens den Lijdenden Zaligmaker, en door kinderlijke devotie tot de Allerheiligste Moeder Gods.
Geen dag in dat leven werd de Morgen-meditatie verzuimd, welke 's avonds te voren immer werd voorgelezen. Geen dag bleef het Bezoek bij het H. Sacrament achterwege. Was er in hot Seminarie gelegenheid, dan woonde Mijnheer de Proost /onder uitzondering tot op het laatst zijns levens toe iederen avond het H. Lof bij. lederen Vrijdag, iederen dag van. den H, Vasten-tijd mediteerde
â 13 â
hij geknield in zijne kamer over het Lijden des Heeren; lederen dag der verschillende Vacanties volgde hij hier in de kapel den Zaligmaker op zijn Lijdensweg; en wie zegt ons, hoeveel malen iederen dag de hem zoo dierbare Rozenkrans werd rondgebeden ? Onnoodig te zeggen, dat geen enkelen dag het opdragen der H. Mis werd nagelaten, ook dan niet, wanneer onpasselijkheid daartoe aanspoorde, ook niet in de laatste weken, toen het hem, ach! dikwijls zooveel kostte, en hij wankelend aan het altaar stond; en toen hem den 5en Februari 1.1. de HH. Sacramenten der stervenden waren toegediend, zat de doodzwakke Lijder den volgenden morgen te vijf uur weder in zijn kapelletje, om daar, als naar gewoonte, na drie kwartier uurs van gebed en meditatie, â thans voor de laatste maal, â het goddelijk Olïer op te dragen.
Wilt gij weten, hoe Mijnheer de Proost bad?
Ziot, te kwart vóór twaalf hebt gij hem ten geleide gestrekt naar de kapel, om het H. Sacrament te gaan aanbidden. Ziet hem daar achter op den hoek der laatste bank in zijne gewone houding neergeknield: met opzet iederen steun vermijdend, dan den rand der harde kniebank, het bleek en ingevallen gelaat rustend op de vermagerde gevouwen handen. Gij zijt naast hem gezeten; onwillekeurig ziet gij naar hem, en â de lippen die zoo vurig bidden, de liefdezuchten, die herhaaldelijk ontsnappen aan zijne borst, de innige godsvrucht, die uitstraalt van geheel zijn wezen, zij doen U verzuchten : Och! dat ik bidden kon zooals hij!
Wilt gij weten, hoe Mijnheer de Proost mediteerde?
Op een vacantie-dag bevindt gij U in den namiddag te half vijf hier in de kapel. Daar opent zich stil en langzaam de deur, daar treedt de Blinde alleen het Heiligdom binnen, naar zijn weg zoekend en tastend met zijn wandelstok, zoekend Dengene, Dien zijne ziel bemint (Cant. Ill, 2). Hij komt om zijnen Jesus te aanbidden in het H. Tabernakel, om daarna denzelfden God te volgen op den H. Ki Tiisweg. Daar knielt hij neder aan de le Statie, â een uur later en soms meer zal hij de 14° hebben bereikt. Gij houdt uw adem in, gij verlustigt U eenige oogenblikken in dat tooneel, dat zich door geen pen beschrijven laat; gij slaat hem gade, gij hoort hem, en â de kapel verlatend noemt gij een indruk mede, die nooit
â 44 â
uitgewiseht, ecnc stichting, die te vergeefs elders gezocht wordt: Lucerna ardens et lucem!
Was het niet in die godsvrucht, was het niet in die gestadige overweging van 's Heeren Lijden, dat de blinde grijsaard de kracht putte, om bij het dragen van zijn kruis immer meer gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Goddelijken Meester?
Non est contristatus contra Detim, quad plaga ccecitatis evenerit ei; hij werd niet ontevreden tegen God, omdat de beproeving der blindheid hem overkwam. (Tob. 11, 43).
Plaga ccecitatis! Mijn God! welk eene plaag! welk eene bezoeking! Wie zegt ons, wat zij moet geweest zijn voor den man, dien zij kwam treffen reeds op die jaren? Wat zij moet geweest zijn voor den werkzamen ijveraar, die van geen rusten wist en wien door die beproeving alle werk uit de handen werd geslagen? Ach! wat bittere tranen er stroomden uit die ongelukkige oogen de eerste maal dat hem, bij het dreigend naderen van den blinden nacht, hier in 't openbaar vóór zijne Seminaristen het woord had begeven! Wat hartverscheurende jammerklachten er ontsnapten aan zijnen mond, toen de geneesheer vóór hem trad met het woord, harder dan een doodvonnis: ^Monseigneur, uwe kwaal is ongeneeslijkquot;. Klachten en tranen, hartverscheurend en bitter, maar de eerste en de laatste tevens! Want bij het opgaan van zijn smartelijken lijdensweg, een langen, langen weg van dertien lange jaren, bereid den kelk te drinken, dien de Vader hem gaf (Joa. XVIII, 44), zou hij daarbij, als zijn Goddelijk Toonbeeld, zwijgen als een lam en als een stomme den mond niet opmen: Quasi agnus obmutescet et simt nmtus non aperiens os suum. (Is. LUI, 7 en Ps. XXXVII, 44.)
Zegt het mij, gij allen die den zoo bitter beproefde in de jaren zijner blindheid hebt gekend, zegt het mij, vernaamt gij uit dien mond ooit een woord, om zich te beklagen over zijn kruis? Om anderen de zwaarte van zijn ongeluk te doen beseffen? Wat zeg ik? Vermeed hij niet zorgvuldig en als stelselmatig, wees hij niet met opzet af ieder gesprek over, ja iedere toespeling op zijne beproeving? Was het de naleving eener gelofte? Mijn God! wat daar noodig was aan zielskracht en aan deugd, aan onderwerping en aan geduld om haar gestand te doen! met name in de laatste jaren, toen zich
â 15 â
bij 't smartelijk gemis van ieder straaltje lichts kwam voegen tie zwakte, de hulpbehoevendheid van den ouderdom, het knagend wee der vreeselijke ziekte, welke hem langzaam sloopte, en vooral de ondraaglijk brandende pijn, die hem het ééne overgelaten, van alle licht verstoken, maar doodzieke oog herhaaldelijk deed lijden! ü! wat treffende waarheid verkondigt het bidprentje in deze woorden: Daarom liet God hem deze beproeving overkomen, opdat aan het nageslacht hel voorbeeld van zijn geduld zou worden gegeven, evenals dat van den heiligen Joh. (Tob. II, 12.) En hoe dringt zich, ook bij een slechts vluchtigen terugblik op dat voorbeeldeloos leven, dit ander troostvol woord op de lippen: Omdat gij aangenaam waart aan God, was het noodzakelijk, dat gij door lijden beproefd werdt (Tob. XII, 12). Want goud en zilver worden gelouterd in het vuur, maar mensdien aan God welgevallig in den smeltoven der beproeving (Eccli. II, 5).
Kon het zijn, Mgr. en G. T., dat na zulk een leven, aan Christus alleen gewijd, met Christus alleen geleefd, kon het zijn, dat vreeze en angst sloegen om dat hart, toen de tijding kwam van het nabij-zijnd einde? Kon het zijn, dat woorden van troost en opwekkingen tot vertrouwen aldus schreiende werden beantwoord: »0! ik sterf gaarne, maar hoe zal het met mij afloopen?quot; En toen daarop werd gezegd: »Maar, Mijnheer de Proost, gij vreezen? gij, die immer een ieder tot stichting hebt verstrekt?quot; toen riep hij in diepe vernedering uit: »Als de menschen mij beter hadden gekend, dan zouden ze in mij niet gesticht geweest zijn.quot;
Daar trad tot zijn stervenden Vriend Hij Die gebiedt aan stormen en zee, Hij Die eenmaal sprak: Ego sum, nolite timere. Ik ben het, vreest niet (Lcc. XXIV, 3li), en ook hier ontstond eene groote kalmte. Sinds dien geen angst, geen vreeze meer; maar dagen en weken van kalrn vertrouwen, van heilige verzuchtingen, van brandend zielsverlangen naar de komst van zijnen God. Ach! dagen tevens van ellenden en van smarten, van stikkende benauwdheid, van ver-schroeienden dorst! maar ellenden en smarten gedragen met onver-winbaar geduld, zonder het uiten eener enkele klacht, deze ééne al te bezorgde uitgezonderd: »Och! als ik maar geduldig genoeg lijden en maar beter bidden kon!quot; â totdat het eindelijk, eindelijk was volbracht, en een zachte cn kalme dood het gewin bracht vat; een beter leven.
â 16 â
Zoo, Mgr. en G. T., is deze afgestreden lijder het huis zijner eeuwigheid ingegaan, om zich voor immer te gaan verblijden met hen, die hier in tranen hebben gezaaid (Ps. CXXV, 5), Zoo heeft deze trouwe werkman Gods den rijkdom van zijn gewonnen oogst reeds aan den Heer aller oogsten aangeboden: euntes ibant et flebant mittentes semina sua; venientes autem venimt cum exsultatione portantes manipulos mos; al gaande en weenende zaaiden zij hun zaad; maar met gejuich zullen zij komen dragende hunne garven. (Ps. CXXV, 6)
En thans â is het ons niet, als vernamen wij daarboven zijn blijde gejuich: Unum scio, quia ccecus cum essem, modo video! Eéne zaak weet ik, dat ik blind was, en thans zie! (Joa. IX, 2;)). De nacht is voorbijgegaan, de dag, de dag der eeuwigheid is aangebroken. (Rom. XIII, 12)! Allen traan zal God afwisschen van mijne oog en, en geen smart zal langer mijn deel zijn (Apoc. XXI, 4.) En geen nacht zal er nog voor mij wezen; en lamplicht noch zon zal ik behoeven; leant de Heere God zal mij verlichten en met Hem zal ik heerschen in de eeuwigheid der eeuwigheden (Apoc. XXII, 5).
Welaan! wij juichen, wij jubelen met U! Neon! wij benijden het U niet, dat eindelijk het uur der bevrijding was geslagen! Wij jubelen en juichen: want, zijt gij ook van ons heengegaan, wij weten, dat wie ons zoozeer beminde en zooveel voor ons bad hier op aarde, daarboven, als een andere ünias, zijn volk, zijne kinderen niet vergeten zal.
En intusschen blijven wij, de waarheden van ons H. Geloof indachtig, den Troon van den Almachtigen God, den Barmhartige maar tevens den Rechtvaardige, den Algoede, maar ook den driewerf Heilige, naderen met de bede der H. Kerk: Aanvaard, o Heer! onze smeekingen voor de ziel van uwen dienaar Counelius, opdat, mochten nog enkele vlekken der aardse!ie besmetting op hem kleven, deze door uwe barmhartigheid vergeven en uitgewischt worden. Door Christus onzen Heer. Amen.
â
_
quot;
-