, j»gt; us.,,,, â r.. -
T^ 'SH Is. i
quot;-â 5- ^ 74a
fo
annnnnnnisi
.................
(Slem ?e vtijamp;Uvniyc iedew c'cz, QZtcdctduHac fv-ltamp;ivozmde Sc meen tc.
Met ruim 1700 handteekeningen voorzien, is in Februari jl. het navolgend adres, door Prof. Van Manen opgesteld, aan den Kerkeraad onzer gemeente toegezonden:
Aan den Kerkeraad der Ned.-Herv.
Gemeente te Leiden.
])e ondergeteekenden, leden der Nederduitseh-Hervormde Gemeente te Leiden, nemen de vrijheid het volgende onder uw aandacht te brengen en te verzoeken.
Met Dr. H. Gr. Hagen, die tegen 1° Mei a. s. zijn eervol ontslag als predikant gevraagd en verkregen heeft, ontvalt aan de gemeente haar laatst overgebleven herder en leeraar van vrijzinnige richting. Velen hebben reeds, met het oog daarop en de miskenning hunner rechten als vrijzinnigen, voor het lidmaatschap van de gemeente bedankt. Het is te vreezen, dat anderen eerlang hun voorbeeld zullen volgen, tenzij er verandering kome in den voor hen onhoudbaren toestand. Daarom willen ondergeteekenden het nog eenmaal duidelijk uitspreken voor u, en door u voor de machthebbende meerderheid, hoe groot de verantwoordelijkheid is, die zij op zich laadt door haar hardnekkig vasthouden aan de sedert jaren gevolgde gedragslijn van uitsluitend zorgen voor de eigen belangen, met volkomen miskenning van die der minderheid, vertegenwoordigd door hen. Aan haar de schuld, indien straks by vernieuwing een aanzienlijk aantal personen, en onder hen niet weinigen die behooren tot de meest ontwikkelde en gegoede loden der gemeente, zich genoopt ziet haar te verlaten, zoodat zij meer en meer, stollelijk en gecstelyk, een kommerlijk bestaan tegemoet gaat.
Ondergeteekenden richten nog eenmaal tot u de ernstige bede : gebruik uw invloed om het Kiescollege te bewegen, in dc vacaturc-haoen te voorzien door het benoemen van een predikant in diens geest, d. i. van
4
vrijzinnige richting. Wees niet langer eenzijdig in de vervulling van uw plicht, door alleen te zorgen voor uw geestverwanten, en u niet te bekommeren om de godsdienstige belangen van anderen, die evenzeer be-hooren tot de gemeente, waarvan het bestuur aan u is opgedragen.
Verlaat het heillooze standpunt der leerstellige overtuiging, van waar liet niet mogelijk is, oog en hart te hebben voor de behoeften van andersdenkenden. En plaats u op dat der verkregen rechten van ver-schillendo partijen of richtingen.
Zie af van den zondigen waan dat üw opvatting van de godsdienstige waarheid u zou noodzaken, onrecht te plegen of te helpen plegen jegens een groot aantal personen, wier belangen te behartigen mede uw roeping is.
Zoek niet langer alleen rechtzinnig te zijn in de leer, maar ook in liet leven, door u niet te verzetten tegen het werk des Heiligen Geestes in de gemeente, zichtbaar in de voortdurende vernieuwing en ontwikkeling der leerstellige overtuiging by vele harer leden, zij het ook buiten den kring uwer geestverwanten. Bovenal, door niet stelselmatig aan anderen te onthouden wat hun toekomt.
Indien gij geloof hebt, toon uw geloof, door te buigen voor een staat van zaken in de gemeente, dien gy niet gewenscht hebt en dien wij niet begeerlijk achten, maar dien God heeft doen worden, voor een goed deel buiten ons om. Aanvaard dien toestand, met de daaruit voortvloeiende verplichting om ondergeteekenden en hun geestverwanten niet slechts te dulden, en. goed genoeg te achten om mede de lasten der gemeente te dragen, maar ook als andersdenkende broeders behulpzaam te zijn in de behartiging hunner godsdienstige belangen.
Indien gy geloof hebt, toon uw geloof, door te vertrouwen op de macht der waarheid, die voor haar triomf geen behoefte heeft aan de onrechtplegende handreiking van tijdelijk machthebbende menschen. Geef en help geven aan anderen, vrijzinnige medeleden der gemeente, wat zy niet zonder schade, d. i. tevens: niet zonder schade voor de aan uw zorg toevertrouwde gemeente, kunnen missen.
Meent gy, in alle bescheidenheid, krachtens uw leerstellige overtuiging, ondergeteekenden en hun geestverwanten te moeten houden voor gevaarlijke ketters, voor grooter zondaren dan gy zijt, voor het onkruid op den akker der gemeente; zij bly ven u toeroepen: indien gy geloof hebt, toon uw geloof, door de zifting van het koorn en de verzameling van het kaf ter verbranding over te laten aan den Heer des oogstes, en u te durven betoonen kinderen van Hem, die Zijn zon doet opgaan
5
over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onreuht-vaardigen.
Zijn geest verlichte uw geest, en zij u genadig in het zoeken en volbrengen van uw plicht tegenover de geheele gemeente.
(was geteekend) H. (Jout.
W. C. va.n Mankn. W. H. Kostkhs. C. Goekoop Az.
Leiden, 2'J; Februari 1897. P. H. Rokssinoii.
N. de Zwart. J. 1'. Düyverman.
enz. enz.
OnlangH is hierop het onderstaand antwoord ontvangen. Hoewel de Ker-keraad de beleefdheid heeft gehad, het voor alle leden der gemeente beschikbaar te stellen, is het, daar wellicht niet ieder die dit geschriftje leest het by de hand heeft, doelmatig het af te drukken. De cijfers voor eiken nieuwen regel heb ik er bijgevoegd, opdat men myne verwijzingen naar dit stuk gemakkelijk zou kunnen vinden.
Aan de Heeren W. C. van Manen, H. Oort, m wcdeondcrteel-enuars van het hij den Kerke-raad dor Hervormde Gemeente Iv Leiden ingediend adres.
Myne Heeren,
(1) De Kerkeraad der Nederd. Hervormde Grcmeente alhier heeft gemeend, in antwoord op uw verzoek, U het volgende te moeten berichten:
(2) Gij vraagt den Kerkeraad: âgebruik uwen invloed om het Kiescollege te bewegen, in de vacature-Hagen te voorzien door het benoemen van eenen predikant in diens geest, d. i. van vrijzinnige richtingquot;.
(3) Gevolg gevende aan uw verzoek, zou de Kerkeraad het Kiescollege moeten aanraden, eenen predikant te beroepen, die niet gelooft, dat het lijden en sterven van Jezus Christus noodig was tot zaligheid van zondaren; die niet gelooft, dat .lezus Christus lichamelijk uit de dooden is opgestaan, noch lichamelijk ten hemel is gevaren; die niet gelooft, dat Jezus Christus esnmaal zichtbaar zal wederkomen om te oordeelen de
6
levenden en de dooden ; al hetwelk een vrijzinnige erkent niet te gelooven.
(4) Mag zoodanig verzoek den Kerkoraad gedaan worden door hen, die als leden der gemeente beleden hebben te gelooven: âin God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest?quot; Wat beteekent deze belijdenis, wanneer verloochend wordt, hetgeen de grondslag der zaligheid is, dat Jezus Christus overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking? (Rom. 4:25).
(5) Mag de Kerkeraad, wiens roeping het is, naar Gods Woord zich te gedragen, op uw verzoek ingaan?
(6) Zouden de godsdienstige belangen der gemeente waarlijk recht behartigd worden, wanneer de Kerkeraad eene richting hielp bevorderen, welke, aan het gezag der H. Schrift zich onttrekkend, eigen inzicht en eigen verstand hooger gezag toekent?
(7) Wat weten wij van God, van Christus, van den Heiligen Geest; wat van de betrekking van God tot den mensch, of wat van de toekomst des menschen, zonder de Heilige Schrift? Staat niet de vrijzinnige richting bekend als eene zoodanige, welke niets aanneemt dan hetgeen met de rede des menschen in overeenstemming is? Zulk eene richting te helpen bevorderen verbiedt de H. Schrift, die ook den Kerkeraad zijne roeping duidelijk voorschrijft.
(8) De Schrift leert, dat alle leeringen, welke in strijd zyn met hetgeen God, zoowel door Mozes en de Profeten, als door de Evangelisten en Apostelen heeft geopenbaard, ten hoogste verderfelijk zijn voor een iegelijk.
(9) Niet dat de Kerkeraad hot voldoende zou achten, rechtzinnig te zijn in de leer. Immers de Schrift, waarop hij zich beroept, leert uitdrukkelijk, dat het niet genoeg is alleen hoorders des Woords te zijn. Maar waar zij integendeel eischt, dat wij daders des Woords zullen zijn, hoe kunt gij dan van ons eene daad vragen, waarbij het bevel der Schrift met de voeten zou worden getreden ?
(10) lieeds daarom zou de Kerkeraad op uw verzoek afwijzend hebben te beschikken, doch hij wenscht TJ nog te doen opmerken, dat inwilliging daarvan handhaving zou zijn van do leervrijheid, welke volgens de belijdenis der Hervormde Kerk en volgens art. 11 van het Alg. Regl. geen recht van bestaan heeft in onze Kerk.
(11) Het mag U niet onbekend zijn, dat het hoofddoel van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn, o. a. moet zijn; âhandhaving harer leerquot;. En wat wij onder deze woorden hebhen te verstaan, is op de vergadering der Algem. Synode ten jare
7
1871; duidelijk genoeg uitgesproken (Zie Handelingen der Synode van liet jaar 1874, blz. 140, 141). Komen er in andere reglementen bepalingen voor, waaraan de zoogenaamde vrijzinnigen een vermeend recht ontieenen, tot toelating of' dulding hunner leeringen in de Hervormde Kerk, zoo zij opgemerkt, dat geene bepalingen in strijd mogen zijn met genoemd artikel.
(12) Bovendien, hoe zou de Kerkeraad uw verzoek mogen inwilligen, als hij acht geeft op hetgeen de predikanten bij de toelating tot de evangeliebediening hebben beloofd, alsmede op hetgeen do ouderlingen en diakenen bij de aanvaarding van hun ambt hebben beleden, o. a dat zy de Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments houden voorliet eenige Woord van God en do volkomene leer der zaligheid en alle leeringen verwerpen welke daartegen strijden!quot;
(13) In plaats nu dat afwijzing vau uw verzoek miskenning is van zoogenaamde ârechten der vrijzinnigenquot;, zou inwilliging daarvan eenvoudig handhaven zijn van een onrecht, dat de godsdienstige belangen der gemeente ten hoogste zou schaden. Want, als voorzien moet worden in eene predikants-vacature, draagt de Kerkeraad alleen dan recht zorg voor de godsdienstige belangen van al de leden der gemeente, wanneer hy helpt beroepen eenen predikant die zich het Evangelie van Jezus Christus, naar de Apostolische leer, niet schaamt.
(14) Dat de Kerkeraad de vrijzinnigen niet voor grooter zondaren dan zichzelven heeft te houden, aanvaardt hij gereedelijk, Hy wenscht gedachtig te zijn aan het antwoord, hetwelk ('hristu.s weleer heeft gegeven aan de Saddueeën, de vrijzinnigen onder de Joden, die o. a. de opstanding der dooden loochenden, als Hy zeide: âgy dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Godsquot; (Matth. 22 ; 29).
(15) De Kerkeraad mag dit antwoord niet besluiten zonder ü, leden der gemeente, met allen ernst te vermanen, om die meeningen, welke alleen op eigen inzicht berusten, te verlaten en ter harte te nemen hetgeen de Schrift getuigt. Gaat niet voort, indien de zaligheid uwei-zielen U lief is, in de miskenning van het groote geschenk, hetwelk God door Zich te openbaren in Zijn Woord, ons geschonken heeft; want tevergeefs leert de Schrift niet, dat verwerping van Gods Woord gepaard gaat met tijdelijke en eeuwige straf. Zult gij eigen inzicht blijven stellen boven hetgeen de H. Schrift leert en liever willen spreken van een duister onzeker, waar ons een duidelijk getuigenis gegeven is aangaande God en de eeuwige dingen ?
(16) De Schrift is niet onwaar, omdat zij veel behelst hetwelk met
8
des menschen meening in strijd is, maar zij getuigt dienaangaande: âde natuurlijke raensoh begrijpt niet de dingen die des Geesten Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden wordenquot; (1 Cor. 2 : 14).
(17) Geve God, dat gy van uwen dwaalweg terugkeert en U bekeert tot dien God, die Zich in Zyn Woord volkomenlijk heeft geopenbaard; dan zult gy niet langer datgeen, wat de vrijzinnige richting leert, werk des Heiligen Geestes noemen, maar integendeel zien, uit welken geest hare leeringen zyn.
(18) Mocht gij echter, hetwelk wij niet wenschen, toch volharden in uwe meeningen en U genoopt zien de gemeente te verlaten, wijl de Kerkeraad uw verzoek niet mag inwilligen, de Kerkeraad zal uw heengaan hebben te betreuren, wegens uwe volharding in eenen heil-loozen weg, maar niet omdat hij vreest, dat met uw heengaan de gemeente stoffelijk en geestelijk een kommervol bestaan zou tegemoet gaan. Want wij mogen wel vragen, of dan de vruchten der vrijzinnige richting zoowel stoffelijk als geestelijk van welvaart getuigen.
(19) Wy besluiten met dit getuigenis: de Heilige Schrift kan niet gebroken worden, zij behoudt ondanks allerlei miskenning, hare heerlijkheid en kracht, want het Woord Gods blijft in der eeuwigheid.
(20) Met het oog op dit Woord, beveelt de Kerkeraad zich en de gemeente aan Hem, wien alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde en die gezegd heeft: âde hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaanquot;.
Namen* den Kerkeraad voornoemd, (was geteekend) J. J. van dee Lip,
L e i d e n, Mei 1897. h. t, Praeses,
C. Haetwigsen Ju.,
h. t. Scriba.
Ik meen dat mijn plicht, als Voorzitter der Commissie die de belangen der vrijzinnigen in onze gemeente behartigt, meebrengt dat ik naar aanleiding hiervan eenige regelen tot u richt, èn tot toelichting, en tot herinnering aan de gedragslijn die wij thans hebben te volgen.
Eene toelichting is vooral noodig omdat eenige uitdrukkingen in liet stuk van den kerkeraad de goede trouw der vrijzinnige gemeenteleden en predikanten in verdenking zouden kunnen brengen.
Immers, om met de predikanten te beginnen, de kerkeraad sclirijft (12),
lt; $
9
dat hij ons verzoek niet mag inwilligen, âals hij acht geeft op hetgeen de predikanten bij de toelating tot de Evangeliebediening hebben beloofd, alsmede op hetgeen de ouderlingen en diakenen by de aanvaarding van hun ambt hebben beleden, o.a. dat zij de Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments houden voor het eenige woord van God en alle leeringen verwerpen welke daarmede Htrijden.quot; Nu is het duidelijk, dat de vrijzinnige predikanten die Schriften niet voor het woord Grods, laat staan voor het eenige, houden. Indien zij aan eene belijdenis als de bovenstaande gebonden zijn, dan handelen zij inderdaad oneerlijk met predikanten in de N. H. Kerk te blijven. Maar hebben zij inderdaad zoo iets beloofd ? Neen. Die belijdenis toch staat wel in de vragen na welker beantwoording predikanten, ouderlingen en diakenen bevestigd worden; welke vragen opgegeven zijn in de hiertoe strekkende formulieren; maar deze formulieren behooren tot de âLiturgie der Hervormde Kerk in Nederlandquot;, waarvan vele dealen geheel in onbruik zijn geraakt â of hoort men wel eens een predikant de gebeden voor en na de godsdienstoefening doen die daarin zijn voorgeschreven? âen in welker gebruik de kerkelijke reglementen elk predikant volkomen vrijlaten. Immers, art. 22 van het Reglement voor de Kerkeraden schrijft voor: âBij de leiding der openbare godsdienstoefeningen gaan zij (de predikanten), zoowel in het algemeen, als in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van den Heidelbergschen Catechismus, de liturgische schriften, de vragen bij de voorbereiding tot het avondmaal, de psalmen en gezangen, naar eigen oordeel te rade met de godsdienstige behoeften hunner gemeenten.quot; De predikanten zijn in al die dingen zoo vrij, dat zij, zooals het volgend artikel uitdrukkelijk zegt, alleen zooveel noodig in overleg met den Kerkeraad handelen. Daar nu een predikant van vrijzinnige zienswijze de vragen van het formulier niet in goeden gemoede met ja zou kunnen beantwoorden, laat hij zich nooit bevestigen door een predikant die die vragen zou doen, en doet zelf die vragen nooit.
Wat betreft âhetgeen de predikanten bij de toelating tot de Evangeliebediening hebben beloofdquot;, deze belofte is in den loop des tijds aamuerkelijk gewijzigd. Tot 1883 toe werd eene verklaring afgelegd die tamelijk rechtzinnig luidde, hoewel zy by lange na niet zóo leerstellig was als de ruim twee eeuwen oude van het formulier; maar in 1883 is zij geheel vervallen en vervangen door eene belofte, die in 1887 opnieuw is veranderd; zoodat zij thans behelst, dat de aanstaande predikant âmet ijver en trouw in de openbare evangeliebediening zal werk-
10
O
zaam zijn, om overeenkomstig de beginselen en het karakter van ile Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigenquot; enz. De uitdrukkingen zijn opzettelijk zoo rekkelijk gemaakt, dat mannen van de meest uiteenloopende zienswijzen ze kunnen beamen. Er is dus geen sprake van, dat een predikant van vrijzinnige zienswijze tegenwoordig niet met zijne denkbeelden als eerlijk man zijn ambt zou kunnen bekleeden.
Eenigszins anders staat het met de gemeenteleden. Van hen heet het in het stuk van den Kerkeraad (4), dat zij door een vrijzinnig predikant te vragen metterdaad verloochenen de belijdenis die zij hebben afgelegd: âin God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels onderaarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest.quot; Klaar is het, dat deze belijdenis niet strookt met den inhoud der prediking die wij thans begeeren. Zijn wij dus, als lidmaten der Kerk, aan die belijdenis gebonden, dan handelen wij hiermee niet eerlijk. Die belijdenis nu is de inhoud der eerste vraag welke, volgens het Reglement op het godsdienstonderwijs, aan hen die leden der gemeente willen worden bij de openlijke bevestiging moeten gedaan worden, en die door rechtzinnige predikanten gewoonlijk worden gedaan. Vrijzinnige doen ze niet, wijzigen ze of vervangen ze door andere, en hebben hiertoe recht; want sedert 1880 luidt het artikel: âDe bevestiging der lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde godsdienstoefening, by welke hun de volgende vragen, althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte, ter beantwoording worden voorgesteld.quot; Dit is zeker rekkelijk genoeg. Men kan licht gissen, waarom de Synode, in plaats van de vragen uit het reglement weg te nemen, ze behield met zulk een toevoegsel, dat volle vrijheid laat er naar eigen oordeel mede te handelen. Over die zaak is hevig gestreden. De rechtzinnigen wilden ze houden en verplicht maken; de vrijzinnigen ze verwijderen; de Kerk sloeg een middenweg in. Hebben de bejaarderen onder ons die vragen bevestigend beantwoord, omdat zij het er destijds mee eens waren, of niet geleerd hadden elk woord van zulke vragen te wikken en te wegen â en zoo ging het vroeger schier altijd; men hield zich onwillekeurig aan âden geest en de hoofdzaakquot; â zij behoeven zich er nu niet bezwaard over te maken, of zij met hunne vrijzinnige zienswijze wel in die Kerk behooren. Die Kerk heeft in hare reglementen steeds meer vrijheid gelaten; zoodat zelfs uitdrukkelijk wordt bepaald (Regl. godsdienstonderwijs, art. 38), dat bij de aanneming van lidmaten geen bezwaren tegen de geloofsovertuiging, of geloofsformuleering, der aanne-
$
11
melingen grond tot afwijzing opleveren, indien zij slechts bereid zijn op de vragen die hun volgens art. 39 zullen gedaan worden bevestigend te antwoorden. Daar nu aan elk predikant het recht wordt gegeven, zijne aannemelingen zelf te bevestigen, werd daarmede elks vrijheid genoegzaam gewaarborgd.
De Kerkeraad meent verder ons te moeten herinneren (11), dat het de plicht is van allen die eene kerkelijke betrekking bekleeden o. a. de leer te handhaven, en schrijft: âWat wij onder die woorden (handhaving der leer) hebben te verstaan is op de vergadering der Algemeene Synode ten jare 1874 duidelijk genoeg uitgesproken (Ziet Handelingen der Synode van 1874 bl. 140, 141).quot; De argelooze lezer die die âHandelingenquot; niet kent maakt hieruit licht op, dat de Synode toen eene oliicicele verklaring heeft gegeven, wat onder âde handhaving der leerquot; verstaan moet worden. Maar dit is geenszins het geval. Die bladzyden maken een deel uit van een zeer breed rapport, uitgebracht naar aanleiding ran een paar verzoeken om die woorden âhandhaving der leerquot; te verwijderen uit art. 11 van het Algemeen lieglement. Hier komt âde handhaving der leerquot; voor onder de plichten die op allo leden van een kerkelijk bestuur rusten, en in dat rapport wordt uiteengezet, wat onder âde leer der Nquot;. H. Kerkquot; te verstaan is, namelijk de inhoud van de drie zoogenaamde âformulieren van eenigheidquot;, den Heidelbergschcn Catechismus, de Geloofsbelijdenis en de Leerregelen van Dordrecht. Daarna wordt betoogd dat die leer niet gehandhaafd kan worden, omdat verreweg het grootste deel van de leden der Kerk die leer niet meer belijdt; ja, ook zeer velen van hen die rechtzinnig heeten er van afwijken; zoodat eigenlijk, op betrekkelijk weinig uitzonderingen na, niemand ze meer belijdt. Na dit rapport gehoord te hebben, heeft de Synode toen het voorstel om de woorden âde handhaving der leerquot; in art. 11 Algemeen Reglement door andere te vervangen, die minder aanleiding tot twist zouden geven, met groote meerderheid van stemmen aangenomen. Toch zijn ze ten slotte er in blijven staan, hoewel als doode letter, omdat ze met al de bijzondere reglementen in strijd zijn. Dit erkent ook de Kerkeraad in de woorden (11): âKomen in andere reglementen bepalingen voor waaraan de zoogenaamd vrijzinnigen een vermeend recht ont-leenen tot toelating of dulding hunner leeringen in de Hervormde Kerk, zoo zij opgemerkt, dat geene bepalingen in strijd mogen zijn met genoemd artikel.quot; Of zij het niet moge n zijn, is juist de vraag. Het feit is, dat geen reglement meer eischt dan het vasthouden aan âden geest en de hoofdzaak der belijdenisquot;; wat groote vrijheid laat en
12
eigenlijk ook is in den geest der opstellers van art. 11. Waartoe het leiden nou, indien men werkelijk âde leerquot;, d. i. dan den inhoud der drie belijdenisschriften, handhaafde en diensvolgens alle lidmaten verwijderde die ze niet aannemen, is niet licht na te rekenen. Immers, van die drie geschriften kennen de ouderen onder u den Catechismus min of meer, de jongeren kennen dien zeker zeer gebrekkig. Of de rechtzinnige gemeenteleden er mede vertrouwd zijn, is de vraag. Van de twee andere geschriften hebben de meesten uwer waarschijnlijk nooit iets gezien; zij weten wellicht niet eens, waar men ze zoeken moet. Zouden de rechtzinnige gemeenteleden er wel in tehuis zijn'{ Zouden zelfs de leden des Kerkeraads ze kennen ? Men moet het hopen; anders is hun eisch van âhandhaving der leerquot; op zijn zachtst gezegd niet betamelijk. Verwondert u evenwel niet, wanneer het u by navraag bleek dat zij ze nooit gezien hebben.
De Kerk heeft in al haar reglementen eene groote mate van vrijheid in belijdenis gegeven, de leervrijheid die feitelijk bestaat heeft zij steeds gehandhaafd, en do Kerkeraad mag dus niet ontkennen, dat wij met onze zienswijze recht hebben leden der N. H. Kerk te zijn. Wij zijn het langs wettigen weg gewordeto en kunnen, zoolang wy ons behoor-lyk gedragen, niet van ons lidmaatschap beroofd worden.
Van dit ons recht moeten wij ons duidelyk bewust zijn; omdat het, al hebben wy de waarheid aan onze zyde, toch ongeoorloofd zou zyn in een kerkgenootschap te blijven, indien wij eene belijdenis hadden die in strijd was met die welke het eischt van zijn leden. Maar nu dit ons recht zeer vaststaat, nu komen wy ook met te grooter vrymoedig-heid op voor onze zienswijze, waar die verschilt van die des Kerkeraads. Nu is de eenige vraag, wie de waarheid aan zijne zijde heeft.
De Kerkeraad heeft zware grieven tegen ons, en het is natuurlijk ondoenlijk, in een kort bestek die volledig te bespreken. Een enkol woord slechts er over. Ons wordt vooral te laste gelegd onze houding tegenover den Bybel. Natuurlijk. De beteekenis van den Bijbel is het groote strijdpunt in het Protestantisme van de laatste halve eeuw. Wij onderwerpen ons oordeel niet â heet het hier â aan de uitspraken der âHeilige Schriftquot;; wij nemen niet aan wat met onze rede in strijd is; wij volgen eigen meening, ook waar die ver afwijkt van die des Bijbels (6, 7, 12, 15, 17, 19). Dit is volkomen waar. Ten dezen doen wij wat ieder denkend mensch doet, wat ook de reehtzin-nigen doen. Ook zij toch nemen den Bijbel niet in zijn geheel aan. Ge-
13
steld dat zij hem in zijn geheel kennen, wat zeker bij zeor velen het geval niet is, dan beschouwen zij tonh de gansche zoogenaamd Mozaïsche wet als voor zich niet geldig, achten die dus niet het woord (ïods te zijn. En zou wel een hunner aan alle wonderverhalen van O. en N. T. gelooven? Beamen zij alle redeneeringen vnn I'aulus en erkennen zij de kleurige tafreelen van het boek der Openbaring voor ware voorspellingen der toekomst? Geen enkel verstandig mensch gelooft tegenwoordig meer aan het duizendjarig rijk. In het laatste jaar wordt onder de rechtzinnige predikanten over de beteekenis van den Bijbel en de aannemelijkheid van zijn inhoud zoo heftig gestreden, dat wanneer de orthodoxe gemeenteleden daarvan ernstig kennis namen zij zeer vreemd zouden opzien. Maar deze dingen gaan ons weinig aan. De leden van den Kerkeraad moeten het zeiven verantwoorden, wanneer zij weigeren op onze wenschen acht te slaan om iets waaraan zij zeiven â gesteld dat het eene zonde mag heeten â schuldig zijn, al is het dan in geringer mate. Niet wij zijn hunne rechters. En dat te minder omdat hunne afwijkingen van Kerkleer en Bijbel veel minder groot zijn dan die welke wij ons veroorlooven. Wij moeten in hunne oogen wel gevaarlijke ketters zijn; want de Bijbelsche voorstellingen en overleveringen die wij voor onwaar houden schijnen de hoofdzaak der Christelijke leer te raken. Wij toch loochenen, zooals de Kerkeraad schrijft (3), âdat het lijden en sterven van Jezus Christus noodig was tot zaligheid van zondaren, dat Jezus Christus lichamelijk uit de dooden is opgestaan en lichamelijk ten hemel is gevaren, dat hij eenmaal zichtbaar zal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden.quot; Volkomen waar; en er kan gemakkelijk heel wat aan toegevoegd worden.
En toch laat het stuk van â¢den Kerkeraad ons geen recht weervaren. Want wie het leest krijgt den indruk dat wij lichtvaardig die eeuwenlang erkende waarheden loochenen, eigen meeningen die ons niet verder brengen dan tot âeen duister onzekerquot; aanhangen, in plaats van nederig aan te nemen de Sehrift, âwaarin ons een duidelijk getuigenis aangaande God en de eeuwige dingen gegeven isquot; (15). Welnu, dit is zoo niet. Wij tasten volstrekt niet in een âonzeker duisterquot; aangaande God en de goddelijke dingen, maar weten wat ons van God, ook door middel van onze rede en ons gemoed, uit onze levenservaringen en door tus-schenkomst van andere menschen, geopenbaard is. Ouder hen van wie wij veel geleerd hebben en voortdurend veel leeren nemen de schrijvers van ettelijke Bijbelboeken, vooral in het N. ï., eene groote plaats in. De heerlijke waarheden die wy gaarne âhet Evangelie van Jezusquot;
14
noemen, liet Evangelie van Gods vaderliefde voor ons en voor alle mensehen, is den bejaarderen onder ons, die min of meer rechtzinnig zijn opgevoed, dierbaarder, troostrijker en versterkende!1 geworden toen wij het ontdaan hebben van de gebrekkige vormen waarin de oudste Christengemeenten, die Jezns' woorden slecht begrepen hebben en niet in staat waren zijn beeld rein over te leveren, het hadden gehuld. Ontdaan van den zinnelijken praal van wonderen, opstanding en hemelvaart, werd het Christusbeeld schooner voor ons. Wanneer wij predikanten van onze zienswijze begeeren, dan doen wij het niet omdat zij sommige Bijbelsche voorstellingen ontkennen, maar omdat wij van hen eene evangelieprediking verwachten mogen zonder de bijmengselen van verouderde denkbeelden, waardoor het Evangelie ontluisterd wordt. Wij begeeren die prediking in het belang van onze jongelieden, voor wie het Evangelie in den ouden vorm onaannemelijk is. Menigeen verwerpt het of haalt er de schouders voor op omdat hij het alleen kent in een kleed van denkbeelden en verhalen, hem voorgehouden als onmisbaar, die hij niet voor waar kan houden. Velen hunner lijden daardoor groote schade aan hun zedelijk en godsdienstig leven. Voor onze kinderen verlangen wij godsdienstonderwijs in vrijzinnigen geest, omdat dit ernstiger, dieper, meer waar zijn kan dan wat een rechtzinnige kan schenken.
De Kerkeraad eindigt met eene ernstige vermaning. Indien onzer zielen zaligheid ons lief is, moeten wy Grods groot geschenk, Grods openbaring in Zijn Woord, niet miskennen; want de Schrift leert niet tevergeefs, dat verwerping van Gods Woord gepaard gaat met tijdelijke en eeuwige straf (15). Eene vermaning die zoo wordt aangedrongen laat ons zeer koud. Met zulke groote woorden laten wij ons niet bang maken. Wij vertrouwen, dat de kerkeraadsleden zeiven niet gelooven wat zij neerschreven. Zij zijn te verstandig en, in den grond van hun hart, te Christelijk om te meenen dat God iemand ziek of arm zal maken en ter helle veroordeelen omdat hij vrije meeningen over den Bijbel koestert en niet aan de waarheid van een wonderverhaal gelooft. Dat zeggen zij wel, omdat het in een paar, op den klank af aangehaalde, teksten staat; maar zij weten zeiven wel dat die mensehen Gods beste en gehoorzaamste kinderen zyn die Hem en hunne naasten het meest liefhebben. De tekst uit 1 Cor. 2 : 14, dien zij tegen ons aanhalen (1G), zouden wij met meer recht op hen kunnen toepassen; maar waartoe zouden zulke verwijten dienen? Wij vrijzinnigen âstaan of vallen voor onzen eigen Heerquot;, en op ons rust de dure plicht om naar het licht dat ons gegeven is te wandelen, en te zorgen dat God en zijn dienst niet door
15
ons in minachting komt, integendeel God ook door onzen wandel verheerlijkt wordt.
Met een en ander heb ik u, vrijzinnige leden der Gemeente, niets nieuws gezegd; maar het is goed dat wij het elkander herinneren, opdat wy goed weten mogen, hoe wij staan tegenover de aanmatiging van den Kerkeraad, die onze godsdienstige belangen voor niets acht, meenende zóó, als kinderen des lichts, duisterlingen te weren.
Ten slotte nog een antwoord op de vraag, wat ons nu te doen staat. Hierin kan ik zeer kort zijn en heb ik slechts te herhalen wat in onze bijeenkomst in Februari is gezegd. Wy moeten beginnen met af te wachten, wat het lot zal zijn van het voorstel der Synode van 189G betreffende de rechten der minderheden. Wordt dit wet, dan kunnen wij een eigen kring vormen, die het recht zal hebben in de eerstvolgende vacature zelf een predikant te verkiezen. Dit voorstel komt in Augustus in behandeling. Wordt het verworpen, dan is het vooreerst, waarschijn-lyk voorgoed, van de baan. Wordt het aangenomen, dan moet het nog ónderworpen worden aan de stemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen, die de zaak in November beslissen. Welke die beslissing ook zijn zal, als zy er is, zullen wy hebben te handelen en hoop ik u weder tot eene samenkomst op te roepen. Er is geen enkele reden waarom wij vóór dien tijd een stap van beteekenis zouden doen, met name ons lidmaatschap van de gemeente opzeggen. Of wij dan tot dien tyd toe werkeloos mogen blijven? Men kan dit meenen. Immers, voor het godsdienstonderwijs onzer kinderen is behoorlijk gezorgd; godsdienstoefeningen door predikanten onzer zienswijze geleid ontbreken in onze woonplaats niet; wat wij niet in onze gemeente kunnen vinden zoeken wij daarbuiten. Het schijnt dus dat wij rustig het najaar kunnen afwachten. En toch â is het wellicht raadzaam, dat wij reeds spoedig eens samenkomen en samenspreken over maatregelen die wij kunnen nemen om te voldoen aan onze godsdienstige behoeften? Wat wij ook doen of nalaten, wij sterken ons in de overtuiging, dat âhet woord Gods blijft in der eeuwigheidquot; (Jez. 40:8). Dit beteekent niet, wat de Kerkeraad, op een dwaalspoor gebracht door 1 Petr. 1: 25, er in vindt (19): dat de Heilige Schrift altijd haar heerlykheid en kracht zal behouden; maar dat Gods beloften niet feilen. En tot Zyne beloften behoort ook: Groot is de waarheid, en zij zal haar macht toonen.
Leiden, 19 Mei 1897.
'.'» gt; 1» ^ jj«» quot;^jsgt; ^ â -gt; ⢠â » â *? gt;â - ïgt; gt; 2J
.,â gt; . gt; 'gt; i. quot;3^ gt; â » gt; i3g
»â â jgt;;iquot;gt;-^.5rg^-gt; ^ »gt;_3
⺠quot;3» ^ ^.' ' 2*^3
â â¢, 5» ~aagt;» gt; gt;' -gt;'â 'y sp ^X,
mgt;: itii» gt;.gt;i9j ^ â » ^ gt; ;. Zgt; â Q»'- . g» j
gt; i» jgt; 3gt; gt; lt;gt;gt; 'J
» : .* 5ji 1gt; gt; â â¢.gt;â .^â .^«7 ⢠â .)-' gt;
te » »gt;-» »^ *__â â *' â¢' ' 5*-. â¢â â gt; gt; gt;
^ â gt;» 3 ~gt;ylgt;-üa7gt;ft-
2sgt; gt; ^ jgt; jgt; â
^gt; gt;J»Zgt; jgt; :-gt; ,.J .-' r^
3gt; gt; -3? ;.-gt;£â¢.-v^»- quot;ïTte , j
gt; Wt â i* ~
gt; 'gt;â¢gt; .
lt;gt;â¢gt; ;gt;
â¢â gt; - gt;
s gt;gt;I 7gt;5l
â¢gt; gt;^ a;. â 'â gt; V
igt; ' gt; â «quot;v ^ gt; gt; gt; .
;gt;_ ' » H ;gt; . . gt; gt; â *« ^ â¢'â¢â gt;
gt; â â gt; ,f. % â -gt; i ,.gt;gt; ' gt;. ^ t- -3
^ gt; gt;»' Jgt; â
~3gt; »quot;gt;IZgt; . .2gt; gt; » /gt;.
2gt; gt; -gt;. â » gt; *5
' Zgt; ^ gt;Tgt;
gt; gt;gt;3lgt;
r2»gt;zgt;
gt;. â â zgt;
gt; ' gt;xgt;
gt; gt;
rgt; Igt; gt; gt;
gt; Igt;
gt;
' , gt; gt;gt; gt; gt;
⺠O Jgt;
ggt; â gt;
⢠*0 )gt;
-' gt; â¢gt;
» ; gt; ⢠:
!5gt; ^ =
.gt;^ .gt;â
Jgt; ⢠-'gt; â¢gt;»â . gt; '
gt; gt; :-
'gt; gt; ^ gt;â -J
:3gt; ⢠-,1,
-gt; gt;
Jgt;gt; j» '
^
;gt;gt; gt; gt;â ^
gt;gt;gt;
^gt; gt;gt; gt; gt;gt;
^gt;Xgt; gt; gt; gt;
gt;
gt;
gt; ' gt; »gt;
gt; J gt;
gt; gt;gt;
* gt; gt;
2gt; gt;. gt; gt; gt; gt;
_â gt; gt; gt; gt;)
c»
::»
amp;
»gt;
3- ,
i»! gt;
ïii ifcgt;|
gt; -^.-^ gt;» gt; quot;SB
gt; gt; V» ^
gt; gt; gt; ;=gt; .J3^ gt; 3 pw
) gt; Jgt; )]gt; ^
gt; gt; gt; v 23^ .2gt; gt; . ^
gt; â j tj* gt; gt; v
gt; â
.- jgt; gt; i^ gt; gt;gt; ^
» gt; gt; _3^ gt;jgt;
» ^ gt;J2gt; â âa
gt; â ' '1* gt;gt;â gt; quot;
â » » ,?⢠gt;gt;gt;
gt; 'i yjgt; -gt;- £gt;
^ ^ /gt;gt; gt; ^gt;. ^ gt; gt; 3gt;' ^ gt; gt;gt;
te » - 'Sj».,.,f j» ; gt;â gt; ,
â âºgt; gt; gt;Jgt;- gt; gt;3
R» - »⢠â »
^_gt; gt; T3*...' 2»
gt; !
1 ^ '»
';^ 2gt; ^ ^ ' Sik
^ ^ ^ gt; -gt; 3gt; gt; Jgt; OTv
» .i» gt; 3gt;^*
quot;gt;â gt; ' J* gt;gt; ^
2gt;' -gt; 1 gt; gt; gt;gt;%
gt; ^gt; - gt;x^
gt; gt; ^ X..gt; ^
gt; gt;^gt; gt; igt; ^
gt; gt; Jgt; ^
gt; gt;,jgt; -J
' » gt;â *â 3 Mgt;
^ gt;Cgt; gt;.gt;
gt; igt;. ^ gt;-;3gt; -=d
gt; gt; gt;o7Sgt;
gt; gt; ;» gt; o ^
â â gt; .gt;'j* gt; :2gt; quot;
^ 2gt; gt; 0 gt;/gt;igt; - .. ~
1gt; gt;Zgt; . gt;quot; !gt; â =
igt;» '
SK»'
ï»; â
PS»' ï ^gt;.
.^1
3^1 m.\
'Mi'
t ^
fe'jii 1 'â m
I
RT .gt; I »⢠gt; I
quot;tKia â Jvtor
fegt;
m.
â »gt;3l i»tgt;| üwl l»gt;
If ft' Ã' h k:
w'j igj»
'_£gt; Pgt;gt; » ,
gt; â gt;
âgt;
r* * , gt;âºgt;
Jgt; 0 gt; v .-^ gt; ⢠»» gt; Jgt; V .
R. gt;'» 3gt; ^ j
K - gt;»-gt; i» â » j ^ ;â¢.» ⢠_gt;» ^gt; JSgt; *â gt; gt; » ' gt; :gt;'â¢â gt; » gt; -^ Mgt;gt;'.' ' J)» ) Jgt; igt; gt; »gt; »gt; _3gt; »,gt; I3gt; j«gt; K» .quot;» ïgt; J2gt; » jgt; XW» gt;⢠-gt; J»
» gt;gt; 3gt;gt;
» ' gt;' gt; ^gt; 'gt; gt;gt;
Egt; gt;⢠gt; ^1^ -gt;gt; gt;-gt;gt;
3^ ⢠gt; gt;J3» igt;»gt;
» gt;gt; gt;gt; 'gt;igt; ^ quot;-gt;-gt; O» !gt;-gt;gt;
Z^» gt;sgt;:igt; â » â ;gt;gt; .2gt;ilgt; »ozgt; gt;gt;.Lgt;' .gt;gt;i.jgt; â¡5f- gt;gt;gt;.^ » ^ gt;
â gt;gt; Igt; gt;gt;-»gt;.
;gt; gt; £gt;â quot;» lt;gt; »gt;
gt;gt;_£gt;i^gt; ' aT^ gt;gt; irjfc
Tgt; !n.Jgt; »
Jgt; quot;gt; 'â gt;
y 3gt; Egt; gt;â
:gt; quot; -gt; gt;.gt; gt; gt; â gt; gt; gt; «
gt; gt; » gt; t3^
' gt; gt;gt; . £gt; gt;
gt; gt; i» gt;-. 06
gt; ⢠gt;. J» .-..v-S*
gt; ⢠gt;_Z» j gt; gt;gt;;-*5^
J» â¢gt;£» gt; 5^*
,gt;V 3 . ,gt;_^jg
i ^ 4iigt;o
gt; gt;.1* gt; ⢠^ ^
» gt;gt; ^
» gt; gt;0
» gt;' gt; gt; gt;/;33
^ _gt;gt;O»-
J ^ ^
3» gt; gt;
» rgt;-gt; gt; gt; , 't quot;gt; gt;gt; gt; gt; â¢
⢠gt; gt; »
â gt; 3^ gt; Jgt;
gt; gt; gt;
⺠gt; gt; gt; gt; » gt;
gt; gt;
3£gt;
gt; gt; V gt; gt;
jgt; :gt;
gt; -gt;
gt; ü
gt;
Jgt; r»
gt; -£gt; gt;
jgt; ^
â 3b »T-w â¢a» »
J- ^
gt;Jgt; ⺠3gt;
â¢sifi amp;*{;,â
' .mti
â â â gt; ⢠gt; ;gt; gt; gt; , t
gt;-: /gt; gt; gt; » .. ' â¢â » i)X ) gt; gt; gt; , » gt; gt; gt; . gt;3^gt;
⺠gt;: jgt; '^» J» J .j â¢
te gt; ⢠gt; gt; » gt;. gt;
» ..gt; -gt; 3 gt; Jgt; gt; te gt; gt; ;gt; ⦠gt; .
te gt; .gt; 3» gt; gt; gt;
I» gt; gt; -Zgt; gt; /gt; gt;â¢.
)gt;.)
lam jgt; gt;gt;gt; »0
3p» 5 gt;gt;gt; » i
.:^te gt; j igt; gt; -gt; gt;. 5 » â gt;gt;'â » ^gt;0 '35gt; gt; gt;jgt;o
j -.gt;gt; â gt;gt;gt; gt; Z3te gt; ^ » gt; )- gt; .
gt; ~Egt; gt; ^ gt; 0 ,
gt;jgt; -â ;:gt; gt; gt;3 -
â¢. jgt;
gt;gt; gt;gt;* »gt;gt; ^ * gt; gt;/gt;
â Igt; gt;'gt;gt; ygt; gt;y)
.^ gt; gt; » » J , gt;
^gt; ]gt;gt;» J» gt; gt; gt;
» V gt;
gt; â¢)â¢gt;gt; ^ gt;) 3
â :gt; â â gt;» .J» â gt;,gt; 5 .gt;Jgt;'igt;.gt; gt; gt; Jgt;
â gt; » VJ» T» gt; --jquot;
Jgt; gt;-gt;gt;gt; gt;gt; gt; gt; ^ â gt; quot;».gt; ' gt;gt; gt; gt; gt;
' gt; -' gt; gt; gt;gt; gt; gt; ^
â .Lgt; '.jgt;gt; jgt; gt; gt; -jT
â ? 5 gt; gt; gt;
â gt; gt; :gt; gt; ^
.gt;gt;-^gt;gt; _gt; 4» 'â^
* gt; gt;gt;»
- ^gt; gt;»gt; ' /quot;'r
â gt; 5 ^ -gt;-â gt;» . ~
' :; -
gt; ' ' j .jt» , â
â i ' â ' ? ^ ⢠-
-gt;quot; ^ «-=35: - . ^
gt; gt; : ^ » -
* .1? 2L^ .^üüuJa-.-«
» gt;â '»quot;a» â¢quot;gt; » -
IpPfö' Jgt; â Jgt;}.IZ*A»Xgt;
]»gt; / ...,3» - gt; ._gt;gt;
»gt;â gt;gt;^3» â
,gt;â gt;
. Jgt;-' .-Zgt; â¢Â» gt; Jgt;
quot;3»»^ gt; gt; ' 3 ;gt;,gt;
quot;Sa o ^ ⢠a»»
gt;Jgt; gt; 'Zgt; a» gt; :gt; .:j» â 3gt; gt; gt; » -gt; Ai J» 5gt; gt; gt; ^- » gt; gt; ^ jd» ' gt; -» » afc
»â gt; â 'gt;,»â * 'gt;3gt; J»
jgt; gt; y â .J» »
Xgt; ' !Zgt; â » gt;^gt;
gt; â â gt;.. 3gt; Agt; :iBfc
gt; gt; ^gt; 1quot; -gt; gt;
gt; t gt; . ^ ïgt; Vgt; gt; gt; 3*^
» 'â¦gt;
gt; quot;' â Jtgt;:- gt; » 'J
» .zm'
» n» -â¢gt; O»
*» ' -» -gt; V
3» :^5». â gt; ⢠quot;gt; '^z
»gt; --yw»gt; ^y, ugt; â -*5
:gt; !gt;.â ..;â¢'gt;gt;gt; gt; gt; gt; â quot;
gt; â â â â gt; gt; ^ quot;
-gt; . 'gt; -â gt; quot;
a» 3^» â¢'⢠-â ' ' ^ gt; quot;gt; .gt; gt; gt;
-ja»' gt;
gt;gt;?
gt;» â i» !amp;)â¢gt;gt;⢠» â¢
:s~3»5a iagt; â'â¢
» â gt;;'â
^ ' gt; ⢠3
i- gt;'
:gt; rgt; gt;v^
â gt;-.â '..1 ' ⢠gt; - gt;;
gt; ^
gt; -Jv
gt; â¢gt; : W
gt; ⢠â gt;quot;:«
.gt;» quot;gt;1
gt; O*
gt; gt;.^1 Jgt; gt; gt; I .gt; gt; 3 J .gt; . gt; gt; .
.gt; ,gt;-.gt; â â¢* gt; gt;
-⢠'.gt;*â â gt; gt; .gt;
^ â¢gt;« ;'.â gt; ^
gt; gt; ' gt; #
' ^ v.»*
J ^.»s
â ' 3 o»,
. â â gt;
4 i gt; .gt;^1
â â¢;.tesgt; !^gt;'1
.ïüxv 5 gt; â ' â n
. â'SSO .»i , .iâ¢gt;⢠gt; â gt;.quot;.j ⺠lt;gt; .. ^ gt;1 gt; gt;-) gt;
» ,, gt;â '.gt; â gt;. .: T - J â ,.gt;
te ' v; 5 ;gt;S 3te gt; _gt; ~gt; ra
. » gt; â 4 ^te gt;. gt; gt; gt;- â¢gt;.
!»gt; T3|
1» tgt;
Dgt; 13 . »gt; gt; â â¢Â»gt; ia i »3 gt; ;igt;
i