ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

%z'Slt;rf.

'tquot;:MipSS'S's;'S#

ï

it-:--:J «•■ ■

$.-r

Pfs-r-! ;

■

, 'S-1; v??.- .

iH

8#''vv, -fe®

it'-''- ■ I

■fe', ■

.,?: 7:/..'w *-'r';?: .e' '■ '■,' lt;■ J•'

W:

v/ v.- -7quot; .gt;v

■

'A.;^

• ••• - ^

3\/

V

C--5,

'S^Jr-

0^'-

ij-'-'öfe

■r'U-.-v -'JfX-

ocr page 5
ocr page 6

GARCIA MORENO.

ocr page 7

Lezingen, Verhalen en Voorbeelden

UIT HET PRANSCH VERTAALD

DOOR

M. P, A. OOMS, f)i K. Pr, eo Kap,

/a '. f 5

Moog ook heel de aard tot puin en asch verkeeren: Pal staat de man van deugd, van moed en eere.

KERKELIJK GOEDGEKEURD.

AMSTERDAM,

G. B O R G. 1891.

ocr page 8
ocr page 9

Waar zoovele schrijvers, als handlangers van Satan, in onze. dagen er op uit .zijn, de jongelingschap stelselmatig te bederven, door het geloof en hef zedelijk gevoel te ondermijnen, daar ziet men met groote ingenomenheid een verdediger der waarheid en der eer optreden. Vooral dan wanneer deze strijder Gods de juiste middelen weet te kiezen, om-de jeugd te verheffen en waarlijk groot te maken. Voor onzen schrijver is het geloof de grondslag tot het vormen van deugdzame, wetenschappelijke en heldhaftige mannen. Het geloof kweekt mannen van eer en karakter. Het geloof maakt de deugd heldhaftig, de wetenschap minder hooc/-hartig en de eer fier en ridderlijk. Het geloof verheft den menseh hoven zich zei ven; neiging en smaak laten het (die-daag se] te en zelfs het middelmatige verre achter zich.

/eer menschkundig versterkt schrijver zijne stellingen door sprekende voorheelden uit het leven van heilige en beroemde mannen. Allereerst, en zeer terecht, wijst hij op de heiligen, die als zoovele lichtbakens het duistere levenspad de) menschheid verlichten. In hunne deugd geene (/eveinsd-heid, in hunne wetenschap geene opgeblazenheid, in hunne

ocr page 10

eer yeene vooroordeelen. Zij vragen achting en eerbied, waardeering en bewondering en dwingen tot navolging.

Vervolgens laat hij groote en beroemde mannen handelend en sprekend optreden, altijd waardig en edel, verheven en verheffend. Het is geen vermoeiende reeks van aanhalingen, maar bij elke verhandeling slechts enkele zeer toepasselijke gezegden of voorvallen. Het zijn de kostbare specerijen, die de weltoebereide spijs, bij zoo hoffelijke aanbieding, des te aantrekkelijker maken. En wanneer die feestdisch is af-geloopen, gevoelt men zich zeer voldaan, maar niet verzadigd. Tehuis gekomen, aan het einde van het boek, ziet men de inhouds-opgave nog eens aandachtig en met bizonder welgevallen na, als de kostbare menu, u ier goede gaven men genoten heeft. En men wordt aanstonds opgewekt het werk nog eens te lezen en te herlezen. En bij dat herlezen rijpte bij mij cd meer en meer het plan, onze jongelingschap in de gelegenheid te stellen met dit keurige werk kennis te maken, vast overtuigd dat door eene aandachtige lezing vele jongelingen zullen behoed worden voor lichtzinnigheid en halfslachtigheid, en, versterkt in hun geloof en deugd, zullen opgroeien tot degelijke mannen, mannen van karakter, mannen die tot welzijn strekken en tot sieraad tevens van kerk en maatschappij.

DE VERTALER.

Amsterdam, Driekoningendag, 1891.

ocr page 11

MANNEN VAN KARAKTER.

Eerste Lezing: DE GODSVRUCHT.

ISTE VEKHANDELINO :

De kenmerken der godsvrucht van den christen jongeling.

f godsvrucbt ondersteunt, bewaart en verheft

Cg))j den Christel ij ken jongeling. Door haar en door 73 haar alleen, kan de jongeling zijne ziel zuiver, zijn hart moedig, zijne gedachte verheven bewaren, te raidden van allerlei bekoringen, die zijnen twintigjarigen leeftijd bestormen.

Mijne waarde vrienden zegt het mij: hebt gij ooit op uwen weg een dezer jongelingen ontmoet, die aan alle volmaaktlieid van geest en manieren de verhevenheid van gedachte en van uitdrukking paarde; zegt het mij : of die jongeling niet waarlijk godvruchtig was? Hebt

ocr page 12

6

gij hem niet dikwerf tot de H. Tafel zien naderen, waar hij het geheim vond van zijnen brandenden en weg-slependen ijver? Zijt gij geen getuigen geweest van zijne pogingen om de zielen tot God terug te brengen, die zich van Hem verwijderd hadden.

Het is omdat de godsvrucht alles is voor den mensch, alles op zijn twintigste, alles op zijn zestigste jaar, alles bij het begin, alles bij het einde. Pietas ad omnia utilis („de godsvrucht is tot alles dienstigquot;,) zegt de Apostel. Wij gaan twintig verhandelingen schrijven over de deugden van den christen jongeling. Evenwel kunnen wij aanstonds verklaren: deze twintig verhandelingen kunnen tot één enkel worden teruggebracht: liever nog: zij zijn vervat in één woord: de godsvrucht.

Waar zal dan de jongeling een steunpunt vinden, bewogen als hij wordt door allerlei hartstochten, links en rechts geslingerd, opgewerkt door den eene, tegengewerkt door den andere, de jongeling die te strijden heeft met vijanden van buiten en meer nog met vijanden van binnen, beurtelings aangevallen door het gezicht en het gehoor; slachtoffer van eene maatschappij die alles aanwendt om hem te bederven; die daarvoor werkelijk alles gebruikt of liever misbruikt, de pers, de photo-graphie, de muziek, den schouwburg en de school, alsof zij gemaakt ware om hare leden te vermoorden en niet om haar te redden, ik vraag het u, mijne waarde vrienden, waar zal de jongeling een steunpunt vinden, tenzij in de godsvrucht?

Neen, men beklaagt den jongeling niet genoeg, die op achttien of twintigjarigen leeftijd, in eene groote stad

ocr page 13

7

komt, om er zijn ambacht te leeien of zijne studiën in het recht, de geneeskunde of de letteren te voltooien! De moeders beseffen maar half aan welke gevaren hare geliefde kinderen zijn blootgesteld! Zij hebben ongetwijfeld wel een geheim voorgevoel, dat haar voor het gevaar waarschuwt en haar beangst en bekommerd doet neerknielen aan den voet des kruises. Maar indien zij alles wisten! indien zij konden begrijpen wat de menschen beproeven om de jeugdige zielen te verderven, hoe zouden zij weenen, hoe zouden zij beven, hoe zouden zij bidden.

Alle jongelingen van twintig jaren, die te midden der maatschappij komen, loopen gevaar te bezwijken. Het is bijna een wonder dat er eenige staande blijven; aarzelen wij niet het te zeggen ten troost aan de moeders en ten steun van de onderwijzers op christelijke scholen, in het heilige werk der eerste opvoeding; indien zij staande blijven, danken zij zulks aan hunne godsvrucht.

Toen Ampère in 1804, op negen-en-twintigjarigen leeftijd, als onderwijzer te Parijs kwam, had hij een oprecht en levendig geloof. Zijne moeder, eene eenvoudige vrouw, uit het dorp Poleymieux bij Lyon, had hem voorbeeldig opgevoed.

Maar op dit gevaarlijk tijdstip zijns levens kwam hij in aanraking met de Société philosophique te Auteuil; daar maakte hij kennis met Cabanis, berucht wegens zijne materialistische stellingen in geneeskunde en wijsbegeerte, en met Tracy, den leerling van Condillac, schrijver van de grondbeginselen der begripsleer. In dit gevaarlijk gezelschap deed de studie der bovennatuur-

ocr page 14

8

kunde, een groot gevaar wanneer de voorafgaande studie der godgeleerdheid ontbreekt, den gast van den jeugdigen professor in de ontleedkunde aan de polytechnische school afdwalen. Ampère vergat voor het eerst den weg naar de kerk, en het volgende jaar schreef zijn vriend Brédin: „het is wel altijd die goede Ampère, maar hij is veranderd. Het vorige jaar was hij christen, nu is het slechts een geniequot;.

Ampère keerde eerst eenige jaren later tot het geloof en de beoefening der godsvrucht terug, na ernstige studiën over het christendom en na pijnlijke beproevingen, die God hem overzond.

Dat hij tot God terugkeerde, was hij verschuldigd aan de zuiverheid zijner zeden, die hij onveranderd bewaarde, en aan de eenvoudige en diepe godsvrucht zijner eerste jeugd, aan de goede opvoeding zijner vrome moeder.

Ozanam bewaarde zich zeiven volmaakter en krachtiger, dank zijner bewonderenswaardige godsvrucht en de werken, waaraan hij zijno ledige uren wijdde. God zegende en bewaarde de zuiverheid, het verstand en de krachten van den jeugdigen stichter der conferentie van den H. Vincentius a Paulo; en denzelfden zegen en bewaring ondervinden altijd degenen, die niet vreezen den armen te helpen en de krachten hunner ziel ten dienste van den werkman te stellen.

De godsvrucht van den christelijken jongeling heeft verschillende eigenschappen, zij is te gelijk teeder, vertrouwend en beminnelijk.

Laat mij, mijne vrienden, mijne gedachten meer uitwerken- Ik zeide zoo even, dat de godsvrucht van den

ocr page 15

9

jongeling eene teedere godsvrucht is, en dat laat zich begrijpen. In verschillende opzichten is de christen jonge-.ling werkelijk nog een kind. Hij heeft de beproevingen des levens nog niet doorstaan. God, dien hij met ijver aanroept, herinnert hem zijnen vader, zijne moeder, het gezin, dat hij zoo even heeft verlaten, om zich in de wereld te begeven. Opgevoerd door zijn gebed ziet hij dat alles te gelijk als in eene enkele lichtstraal. Hij bidt tot God zooals hij tot zijne moeder bad, zonder twijfel met meer eerbied en met meer innigheid, maar met eene gelijke teederheid. Hij vleid zich aan Gods hart zooals hij zich weleer aan den vaderlijken boezem vleidde, en het beeld van den H. Joannes, rustend aan de borst van Jesus, is het geliefkoosde en volmaakte beeld tevens van den christen jongeling, hulp en bescherming zoekend bij den hemelschen Vriend der menschheid.

Wie kan zeggen wat er omgaat tusschen God in de hooge hemelen, omringd van zijn hemelsch hof en den jongeling, geknield in eene kerk te Parijs of in eene provinciestad, zich zeiven vergetend in de verheven vurigheid van zijn gebed? Welk geheimzinnig onderhoud! Wat zoete wisseling van liefde en vertrouwen eenerzijds, van goedheid en goddelijke teederheid anderzijds! Na die uitboezemingen gevoelt de jongeling zich sterk en krachtig, zijn ijver is aangewakkerd, hij weet wat hij wil, moedig stapt hij voorwaarts, gelijk een reus om zijnen weg te bewandelen. Een heilige gloed gaat van hem uit. De christelijke vreugde, die zijne ziel doorstroomt, prijkt op zijn gelaat tegelijk met de overtuiging des verstands en de vastberadenheid van wil. Deze jongeling

ocr page 16

10

kan op zijnen levensweg moeilijke beproevingen ondervinden, hij raag genoodzaakt zijn menig liarden strijd te voeren; maar zijt er zeker van, hij zal overwinnen. Ik heb er gezien die bij het verlaten van de kerk of de kapel, waarheen hunne godsvrucht hen gevoerd had, tranen in de oogen hadden, welke zij vluchtig trachtten weg te wisschen.

Maar dat waren geen tranen van droefheid. Dat waren tranen opgewekt door eene zoete en innige ontroering. Men zou meenen dat deze jeugdige christenen zoo even hunne moeder vaarwel gezegd en omhelsd hadden. En zeker het was wel hunne werkelijke moeder, de moeder van alle kinderen van Christus, de H. Katholieke Kerk, die zij hunnen groet hadden gebracht en die hen had gezegend. Om den indruk te kunnen beoordeelen, die het aanschouwen van deze eenvoudige uitingen van godsvrucht in Gods huis op eene ziel maken, is het genoeg de ontmoeting van die twee groote mannen te verhalen, waarvan wij zoo even gewag maakten: Ozanam en Ampère.

Eens trad Ozanam, gedrukt door moedeloosheid, die zijne grootste beproeving was, de kerk van „Saint Etienne du Montquot; binnen. Aan den voet van het altaar kwam hij den moed putten, die hem ontbrak, en die nooit geweigerd wordt door Dengene, die gezegd heeft: „Komt tot mij, gij allen, die gebukt gaat onder den last des levens, en Ik zal u verlichtenquot;. Dan ziet, in een verwijderden hoek, onder de godvruchtige vrouwen, lag een man geknield, die met de diepste golsvrucht bad. Ozanam had hen} erkend. Het was Ampère,

ocr page 17

11

Ampère, de beroemdste geleerde der wereld geworden, het groote genie, dat de theorie van de krachten der electriciteit ontdekt, en zijne plaats had ingenomen naast (Ersted, Kepler en Newton in de erkentelijkheid en de bewondering der menschen.

De aanblik van dezen man, daar neergeknield, deed Ozanam bloozen over zijn gebrek aan moed; en het geloof, waarop Ampère roem droeg, kwam hem sterken.

De godsvrucht van den christen jongeling moet vertrouwend zijn; waarom zou God zijne kinderen niet verhoeren, die beseffend dat zij den vaderlijken steun missen, zich bevend in zijne armen werpen.

Vreest niet jonge lieden, gij zult niet verlaten worden, gij zult nooit alleen zijn. Hoe groot uw gevaren ook zijn, hoe zwaar uw strijd en uwe beproevingen ook mogen wezen. God zal altijd met u zijn om u te helpen, en gij zult overwinnaars blijven. Herinnert u dat schoone woord van den generaal de Sonis, dat evenzeer op het burgerlijke als op het militaire leven van toepassing is: „Wanneer men God in het hart draagt, geeft men zich nooit gewonnenquot;.

Gij kent allen, zonder twijfel, het bewonderenswaardige leven van don Garcia Moreno, den beroemden president van Ecuador, die na eene jeugd, geheel gewijd aan de godsvrucht en den arbeid, genoeg moed, kennis en kracht bezat om zijn vaderland te verheffen, hetzelve tot de Kerk terug te brengen, het te ontrukken aan de vrijmetselarij, en het de eer, den vrede en de christelijke beschaving terug te geven.

Hij stierf Ja, vermoord door de sectarissen in het jaar

ocr page 18

12

1875, maar hij zal eeuwig leven in de herinnering van zijn volk en van de Kerk.

Welnu, wilt gij weten, waar Garcia Moreno het geheim vond van zijne wilskracht en van zijne christelijke stoutmoedigheid: het was in zijne bewonderenswaardige en bestendige godsvrucht. Ondanks zijne menigvuldige bezigheden, zegt ons zijn geschiedschrijver, wijdde hij eiken dag een half uur aan de overweging van Gods wet, naar het voorbeeld van den koninklijken profeet David. De woorden van het H. Evangelie waren gewoonlijk het onderwerp van zijn gebed. Hij kende de Navolging van Christus van buiten. Hij was gewoon met zijn geliefkoosd woord te antwoorden: „God sterft nietquot;. Zelfs in het kamp of op reis knielde hij in de een of andere hut, te midden der bosschen, en bad er met zijn adjudant den rozenkrans. Een geleerd professor schreef: „indien gij hem hadt kunnen zien met zijne hooge gestalte, zijne scherp geteekende trekken, zijne krijgshaftige houding; indien gij evenals wij op zijn gelaat hadt kunnen lezen: het levendige geloof, de vurige godsvrucht, waarvan zijne ziel doordrongen was, dan zoudt gij den eerbied begrijpen, die zich van een ieder meester maakte, in de tegenwoordigheid van dezen man Godsquot;.

Ten laatste zij uwe godsvrucht beminnelijk, mijne waarde vrienden. Doet den godsdienst liefhebben door uw openhartig en rondborstig gedrag. De christelijke jongeling kent die stroefheid, die droefgeestigheid niet, evenmin als dat zwaarmoedig uiterlijk en die toon van overdreven gestrengheid, die kenmerken zijn van hui-ehelaars, van ijdelen en van hen die reeds half bedorven

ocr page 19

13

zijn. Hij draagt het hoofd rechtop, zijn oog is open, zijne houding fier, geheel zijn persoon heeft iets eerlijks, iets vastberadens wat rechtstreeks tot het hart doordringt.

Verneemt de beschrijving van een bewonderenswaardig christen jongeling, den zoon van eenen werkman, den H. Joannes .Berchmans, die op twintigjarigen leeftijd aan het Romeinsch College overleed. Begaafd met alle uiterlijke voordeelen, die een jongeling kan wenschen, met eene zachtmoedigheid en eene zedigheid, die zijne schoonheid verhoogden, aangenaam in den omgang, met eene goedhartigheid, die nooit in zwakheid ontaardde, was hij de roem zijner meesters en de trots zijner makkers. Al zijne medeleerlingen beminden en eerbiedigden hem, ofschoon hij, volgens hunne opvatting, de zoo licht gehekelde fout beging, regelmatiger te leven dan een hunner. Men verbeeldt zich dat godsvrucht onafscheidelijk is van ik weet niet welk een stuurschen toon en van onwelvoegelijke linksheid, die men in de wereld bijna niet vergeeft.

Het geheele uiterlijk van den H. Joannes Berchmans kwam tegen deze verkeerde opvatting in verzet; hij de heiligste der leerlingen, was ook de voorkomendste, de beminnelijkste en het best op de hoogte van de eischen der burgerlijke beleefdheid.

Bezit eene dergelijke godsvrucht, mijne waarde vrienden, vergezeld van alle deugdzame werken door de Kerk aangeprezen, en gij zult werkelijk christen jongelingen zijn. Uw leven is in uwe hand, zooals uwe jeugd is, zal ook uw rijpere leeftijd zijn.

De jongeling die zich zeiven zuiver en onbedorven

ocr page 20

u

bewaard heeft van zestien tot twintig jaar, zal latei-een moedig man, een waardig burger en een voorbeeldig christen wezen. God wil het zoo, en het is God, die ter zelfde tijd aan den jongeling alle noodige genaden verleent, om tot het einde toe, zijne edele en moeilijke loopbaan te voltooien.

2de verhandeling:

De H. Maagd Maria en de christen jongeling.

De godsvrucht van den christen jongeling, welker volstrekte noodzakelijkheid wij hebben aangetoond, kan slechts onder ééne voorwaarde blijven voortduren: dat nl. de jongeling trouw zij in zijne liefde tot de H. Maagd Maria.

Mijne waarde vrienden, niemand uwer zal zich daarover verwonderen, want Maria, de onbevlekte Moedermaagd, de goede Moeder van onzen Verlosser, vervult in de bovennatuurlijke orde dezelfde plaats, die de moeder in het huisgezin inneemt. Wanneer het kind bevreesd is, neemt het niet zijne eerste toevlucht tot den vader, zijne bedeesdheid weerhoudt het. Naar zijne moeder steekt het zijne armpjes uit, en het is niet gerust, zijne tranen zijn niet eerder gestild, zijn hartje klopt eerst dan bedaarder als het zijn hoofdje heeft verborgen aan den boezem zijner moeder. Daarin is de jeugd gelijk aan de kindsheid. De jongeling, die beducht is voor zijne zuiverheid; die zijn geloof voelt wankelen, of ziet dat

ocr page 21

15

hem eenig gevaar dreigt, spoedt zich tot Maria, en vindt in hare armen teederheid en bescherming. Zijne hoop wordt nooit bedrogen. Maria heeft de jongelingschap lief; Zij is haar moeder en haar bewaakster, en wie zich smeekend aan hare voeten heeft neergeworpen,, is altijd bemoedigd en gesterkt opgestaan.

De godsvrucht van den christelijken jongeling moet derhalve aan Maria toevertrouwd worden, wil zij innig zijn, en in staat om weerstand te bieden. Welk een verheven plaats bekleedt de H. Maagd in het plan der goddelijke Voorzienigheid. Door Maria verheft de mensch zich tot God; door Haar durft hij de oogen op te slaan tot den Almachtige; door Haar kan hij vertrouwen; daarom ook begrijpt men de treffende bede, die het menschdom sinds negentien eeuwen ten hemel zendt: „Ave Mariaquot;.

Gedurende den verschrikkelijken nacht van den 2iequot; op den 3lt;len December van het jaar 1870, toen de gekwetsten, met sneeuw bedekt, op de vlakte van Loigny lagen, zeide de generaal de Sonis, die zelf gewond was, aan zijne stervende soldaten, die hem om troost smeekten : „Denkt aan Maria, uwe Moeder staat op den drempel der eeuwigheid om vertrouwen in te boezemen aan hen, die hem moeten overschrijdenquot;.

De pauselijke zouaven hadden eene bizondere godsvrucht jegens de H. Maagd. De aalmoezenier Mgr. Daniel had in het regiment eene congregatie opgericht, wier leden de kern der troepen uitmaakten; zij bewaarden den moed en de geestdrift, die helden kweekt. Zij waren, zooals het steeds geschiedt, te gelijk de dappersten en de vroomsten.

ocr page 22

16

Men kent den moed waarmede sommige jonge lieden, in de moeilijke omstandigheden, waarin zij geplaatst waren, hunne godsvrucht jegens Maria getoond hebbén.

Wie kent dezen trek van Quatrebarbes niet, die op de school van Saint-Cyr was, toen deze slechts weinig christenen telde?

Eens dat de afdeeling op de plaats was opgesteld, trad een laaghartige spotter uit de gelederen en riep: „Wien behoort deze rozenkrans, dien ik heden morgen gevonden hebquot; ? Men verwachtte eenerzijds een schaterlach, anderzijds een laf stilzwijgen.

Quatrebarbes steeds waardig en eenvoudig, stak verheugd zijne hand uit. „Aan mijquot;, zegt hij, „het is de rozenkrans mijner eerste H. Communie, en ik bedank u dat gij hem bewaard hebtquot;. Men lachte noch spotte. Er waren slechts meer of minder openlijke uitdrukkingen van bewondering voor zulk een zeldzamen moed.

De jongeling heeft behoefte aan iemand, dien hij geheel zijn vertrouwen schenken kan, aan wien hij alles kan openbaren, zelfs wat er in de geheimste schuilhoeken van zijn hart omgaat — en die getrouwe en medelijdende vertrouwelinge zal de goede Maagd Maria zijn. Jongeling boezemt uw achttienjarige leeftijd u vrees in, voelt gij de driften van uwe vurige jeugd in u gisten, vlucht tot Maria, zij zal uwe gegronde vrees doen bedaren, en u eene weldadige kalmte schenken.

Hoe groot is het getal dergenen, die Maria tegen eigen hartstocht heeft behoed en gerustgesteld te midden der duizende gevaren, die men op twintigjarigen leeftijd beloopt.

ocr page 23

17

Bezoekt Saint Sulpice te Parijs, midden in het latijnsch kwartier, wacht er eeaige oogenblikken bij het altaar van de H. Maagd, en gij zult er weldra een of anderen jongeling gewaar worden, die met rassche schreden en zijne boeken onder den arm nadert; hij knielt godvruchtig in eene zijbeuk, bedekt zijn gelaat met zijne handenen stort zijn hart aan het onbevlekte hart van Maria uit.

Zijn gebed zal niet altijd lang zijn, de jongeling heeft plichten, die zijnen tijd beperken, lessen, colleges of herhalingen; maar het zal vurig enteeder zijn. Hoe zoet is het te bidden in die kapel der H. Maagd in Saint Sulpice! De stilte is er geheimzinnig; het licht, dat uit de hoogte op het beeld der H. Maagd nedervalt, is zacht, en Maria schijnt zoo goed en minzaam voor den christe-lijken jongeling. Koevele jongelingen hebben hier hun wankelend geloof opnieuw bevestigd; hoeveel anderen hebben hier hunne bedreigde zuiverheid gered! Hoe velen hebben hier gebeden voor vrienden in gevaar; hier het geheim van iiun welslagen gevonden; hier jubelkreten van dankbaarheid geuit.

O Maria, Gij waart de bewaarster van alle geheimen dier christelijke jongelingen, en Gij verleendet hun overvloedig de genade uwer liefde.

De jeugdige Berchmans had een groot en kinderlijk vertrouwen op Maria. Hij bad tot Haar met eene godsvrucht die ieder trof die hem zag, en het was niet zonder reden, dat men van hem zeide, dat hij slechts in de wereld was gekomen om de godsvrucht tot Maria uit te breiden. Hij herhaalde dikwijls dat hij zijne opvoeding en het slagen in zijne studiën aan Haar ver-

2

ocr page 24

18

schuldigd was. De beroemde pater Cepari, zijn levensbeschrijver, verhaalt ons, dat zijne teederheid voor de Moeder Gods zijnen ijver evenaarde; hij noemde Haar zijne moeder en sprak dien naam zoo liefdevol uit, dat de H. Franciscus de Borgia er bizonder door getroffen werd.

Onder de teekenen van eerbied, waarmede de heilige novice Haar zijne toewijding bewees, is een der merkwaardigste, dat hij zich, alvorens iets te beginnen, wendde naar de een of andere kerk, Maria meer bizonder toegewijd, om Haar de taak op te dragen, die hij ging verrichten.

Vandaar de gewoonte onder de novicen der Societeit, die zij te Rome zoo nauwgezet volgen, zich, des morgens als zij opstaan, en des avonds eer zij zich ter ruste begeven, te wenden naar de kerk van de H. Maria de Meerdere, en de H. Maagd te groeten door diep te buigen, om haren zegen te vragen over al hunne handelingen, en Haar te bidden hen gedurende den slaap te beschermen.

Ook voegt de geachte schrijver er bij, sprekende ovelden H. Stanislaus: .„Memand was schooner dan hij, en men zeide van zijne schoonheid, wat de H. Ambrosius schreef over die der H. Maagd, dat zij de begeerte op. wekte zuiver te leven, en dat het genoeg was Haar te zien, om verlost te worden van onzuivere bekoringenquot;.

Nog een anderen niet minder gewichtigen dienst bewijst de H. Maagd aan de christelijke jongelingschap.

Dikwerf heeft de jongeling in den grond zijns harten de hoogste illusies voor de toekomst; militaire of burgerlijke, ridderlijke of heldhaftige, dikwijls gegrond op

ocr page 25

19

eene al te oppervlakkigs levensbeschouwing; maar van eene hoogheid en eenen adel, die zonder twijfel een christelijken oorsprong hebben. Die illusies, waarover men nooit moet glimlachen, durft de jongeling aan niemand toevertrouwen, nauwelijks aan zijne moeder, want hij vreest belachelijk te schijnen, hij houdt die grenzelooze en machtige wenschen zijner ziel voor zich.

Maar ten laatste benevelen die sprongen zijner verbeelding zijn verstand, hij lijdt onbeschrijfelijk veel, het leven wordt hem te benauwd, eene zekere vrees van ontmoediging maakt zich van hem meester, en wat doet hij? Hij gaat tot Maria en zegt Haar alles, alles, zelfs zijne vreemdste droomen, zijne buitensporigste lucht-kasteelen, wat ook, hij zegt alles, want voor zijne weldoenster heeft hij niets te verbergen. En wanneer hij uit den grond zijns harten heeft gebeden, wanneer hij zijn voorhoofd, zoo even nog betrokken, ten hemel heft, is de jongeling getroost, hij heeft zijn vertrouwen terug bekomen; hij gevoelt zich verlicht, hij heeft vleugelen, en soms zoude hij ten hemel willen vliegen, als zijn lichaam hem niet aan de aarde geketend hield.

O wonderbare en weldoende macht van de H. Maagd, wie heeft haar niet, ten minste een enkele maal, in zijn leven ondervonden!

Wij hebben eenen jongeling gekend, wiens ziel eveneens met schoone droomen der jeugd vervuld was. Te midden eener onverschillige omgeving geplaatst, verflauwde hij. Eens ging hij met zijne moeder bidden in eene kapel der H. Maagd; hij schreef heimelijk op de muur: „O Maria, laat mij uw ridder wordenquot;. Daarop

ocr page 26

20

gaat hij heen. Later is het leven voor hem gekomen, en Maria heeft de smeekbede van den jongen christen verhoord, zooals die beden in onze dagen verhoord kunnen worden.

Gaat dan tot Maria, jongelieden, en Zij zal uwe begeerten richten naar het goede. Uwe tijdelijke wenschen zullen wellicht geen van alle worden bevredigd; maar voor ééne zaak zal de Moeder Gods zorgen, dat gij namelijk christelijk zult leven en sterven.

De vereering van Maria was de roem en de grootheid der Middeleeuwen. De letterkunde van dien tijd is rijk aan legenden, die van de vurigste liefde tot Maria en van het onbeperkste vertrouwen op Haar getuigen.

En in onze dagen zien wij niet minder gebeuren, tot zelfs in het protestantsche Engeland, waar in Londens hoofdkerk, het monument der voortreffelijkste mannen, in de oude abdij van Westminster, hare beeltenis prijkt.

3de verhandeling:

Het H. Hart van Jesus.

Wilt gij, mijne vrienden, (Jat uwe godsvrucht innig en vruchtbaar zij, dat gij gelijkt op dien krachtigen grond, waarop de eik bloeit, vertrouwt haar dan zonder aarzelen aan het H. Hart van Jesus.

Dat Hart „hetwelk den mensch zoozeer heeft bemindquot; zal u tot apostel maken; dat Hart, hetwelk zoo dikwijls heeft vergeven, zal u medelijdend en edelmoedig maken ;

ocr page 27

21

dat Hart, hetwelk op Golgotha doorboord werd door de lans van eenen soldaat, en welks wond het water en bloed liet vloeien, die de Kerk hebben gevormd, dat Hart zal uw leven en uwe werken vruchtbaar maken.

Zijt innig overtuigd dat gij in niets zult slagen, al bezat gij alle talenten en alle wetenschappen, zonder de genade Gods. Die genade moet gij op uwen leeftijd, bij het begin uwer loopbaan vragen, en wanneer gij haar gaat vragen aan het H. Hart, zijt gij zeker haar te zullen verkrijgen.

Zijt gij niet getroffen door die algemeene beweging? Alle katholieke volken hebben zich achtereenvolgens gewijd aan het H. Hart. De geheele Kerk is onder de bescherming van dit aanbiddelijk Hart geplaatst. Volgt de volkeren, de bisschoppen en de pausen na, en wijdt uwe jeugd aan den dienst der goddelijke liefde.

Welke heilzame lessen geeft de geschiedenis van Frankrijk onder dit opzicht; die vaderlandsche bodem schijnt eene bizondere liefde van het H. Hart waardig te zijn. Eeuwen lang was de kennis en de liefde van Jesus' Hart het uitsluitende voorrecht van enkele heilige zielen; maar sedert de Heer zich verwaardigde de zalige Maria Margareta met zijne verschijningen en openbaringen te begunstigen, vond de geheele Kerk een nieuwe bron van kracht, van leven en zegepraal.

Frankrijk scheen in onzen tijd reddeloos verloren. De twijfelzucht en het zedenbederf hadden het den doodsteek toegebracht; maar ziet, de generaals hebben hunne soldaten geschaard onder het vaandel vau het H. Hart, en de volksvertegenwoordigers hebben gestemd voor de

ocr page 28

oprichting van de Basiliek van het H. Hart op den Montmartre. Ondanks duizende moeilijkheden werd die trotsche tempel gebouwd, en hij draagt het waardige opschrift : Sacratissimo Cordi Jesu, Gallia poenitens et devota.

Dan, mijne waarde vrienden! terwijl de wensch van het vaderland in dien tempelbouw vervuld werd, verhief zich ook het bewustzijn der fransche jongelingschap. Deze nieuwe tempel nam hen in zijne muren op. Laat vrij de twintigste eeuw aanbreken, de jeugdige Franschen zullen van hun vaderland, toegewijd aan het H. Hart, een edelmoedig land, een eerbiedwaardige natie maken.

Beweegredenen in overvloed voor den jongen man het H. Hart aan te roepen, en zich aan hetzelve weg te schenken: bovennatuurlijke beweegredenen, motieven van dankbaarheid jegens de Kerk en het vaderland. Al wie opgaat tot het H. Hart, keert gesterkt weder. Al wie zich aan het H. Hart wegschenkt, zal de geheimen van het apostolaat ontdekken. Al wie het H. Hart teeder-lijk bemint, zal daar vlammen van liefde putten.

Herinnert u, mijne waarde vrienden! de voorspelling van den H. Remigius, gedaan bij het begin van onze geschiedenis, eene belofte en eene waarschuwing tevens. Het feit had plaats eenige maanden na den slag bij Tolbiac. Het was Kerstnacht van het jaar 496. Koning Clovis en Koningin Clotilde, de geestelijkheid en de hofbeambten lagen geknield in de kathedraal te Rheims, voor het altaar der allerheiligste Maagd. Er heerschte eene diepe stilte, alle harten waren bewogen; immers het gold den plechtigen doop der geheele fransche natie. Eensklaps verspreidt zich in het heiligdom een geheim-

ocr page 29

23

zinnig licht, waarop de H. Remigius zich tot den Koning begaf: „Sire,'' zoo sprak hij, „uwe nakomelingschap zal dit koninkrijk met waardigheid besturen. Zij zal de heilige Kerk verheerlijken en de romeinsche heerschappij erven. Zij zal voorspoed hebben zoolang zij den weg der waarheid en der deugd bewandelt. Maar het verval zal komen met het binnensluipen van het ongeloof en het zedenbederf'. Plechtige en behartigenswaardige woorden, door de geschiedenis opgeteekend en in den loop dei-tijden vervuld. Laten wij, mijne jeugdige vrienden, de dagen van verval, door den H. Remigius voorspeld, verre uit ons geheugen verbannen. Het woord van den grooten heiligen bisschop is vooral tot u gericht. Het staat aan u het katholieke Frankrijk terug te brengen tot het geloof dier glorievolle dagen van Tolbiac, en voor uw vaderland een nieuw tijdperk te scheppen van zedelijken vooruitgang en bloei.

Om dat doel te bereiken uwer godsvrucht, zedelijke verheffing en vaderlandsliefde zoo waardig, moet gij, dooide tusschenkomst van Maria, kracht putten in het H. Hart van Jesus.

Vele anderen hebben zulks voor u gedaan. Een enkel voorbeeld, wat nog versch in het geheugen ligt, zal u overtuigen:

Gij weet hoe het regiment pauselijke zoaaven, die keurbende van vrij willigers, in den oorlog met Pruisen, het geheim zij ner dapperheid vond in de devotie tot het H. Hart.

Om drie uur in den nacht van den lsten December ontving generaal de Sonis van den hoofdgeneraal bevel, zich zoo spoedig mogelijk met al zijne troepen te begeven

ocr page 30

24

naar Patay. „Wij vertrokken onmiddellijk, zoo verhaalt hij zelf. Het was een lange marsch. Reeds was de zon aan het dalen, toen wij ons doel nog niet bereikt hadden. De nacht was helder en het vroor zeer sterk. De weg was overal met sneeuw bedekt. De stijgbeugels vroren aan onze voeten vast. Wij stapten af. Zoo kon men zich ook gemakkelijker onderhonden. Hoe het kwam weet ik niet, maar ik beklaagde mij bij Charette dat onze standaard mij niet beviel. Er stond ja, een godsdienstig teeken op, een kruis, maar zoo klein en zoo slecht uitgevoerd, dat ik het niet kon verdragen. Daarop zeide Charette mij: „ik zal er in voorzienquot;. En hij schonk mij tot standaard eene banier, waarop de eerwaarde Zusters van Paray-le Monial een afbeelding van bet H. Hart geborduurd haddenquot;.

Onzen sergeant de Verthamon, door Charette het kind van het H. Hart genoemd, omdat hij tot tweemalen toe de toewijding van het zouaven-regiment aan het Goddelijk Hart had voorgeslagen, werd de benijdenswaardige taak opgedragen dat vaandel in het vuur te brengen. Den volgenden dag, drie uur in den morgen, bereidden zich officieren en soldaten tot den strijd, door het H. Misoffer bij te wonen, waaronder allen communiceerden. Weinige oogenblikken later werd slag geleverd over de gansche linie, en voor het eerst werd de banier van het H. Hart op het oorlogsveld ontplooid, onder daverende toejuiching van het geheele regiment. Tegen den avond moesten de fransche troepen wijken. In galop komt generaal de Sonis aanrijden: „Toonen wequot;, roept hij uit, „wat christenen en mannen van moed eu karakter vermogenquot;,

ocr page 31

25

Op dat heldenwoord, schieten de zouaven vooruit en het H. Hart voert hen tot het bloedig offer van hun leven.

Bewonderenswaardige aanval, op een afstand van 1500 meters trekken zevenhonderd scherpschutters tegen den vijand op als gingen zij naar eene parade! De vijand wijkt voor zulk een heldenmoed en verlaat zijne stelling, de zouaven rukken voort tot zij door een geweldig en verpletterend geweervuur uit een naburig bosch getroffen worden. De generaal de Sonis wordt door een kogel, die zijne knie verbrijzelt, getroffen, twee honderd zijner dapperen vallen aan zijne zijde, bij de banier, die hunne aanvoerders, Verthamon, Ferdinand en Jacobus de Bouillé van hand tot hand overgeven; de gedunde rijen der zouaven trekken altijd voorwaarts, jagen de Pruisen voor zich uit en verschansen zich in Loigny, en generaal Treshow moet zijne laatste reserve in het veld brengen, en alle troepen, die in den omtrek strijden, bijeenroepen, om de rest van dit gewijde bataljon naar Villours terug te drijven. De slag van Loigny was verloren; maar nimmer heeft de moed, gesteund door het geloof, den franschen naam grooter glorie verworven.

Na zulke feiten mag men vrijelijk beweren: temidden onzer nederlagen hebben wij het aan het H. Hart te danken dat de eer van ons vaderland gehandhaafd werd, en dat de bloem van Frankrijk den palm der onsterfelijke glorie verwierf. Te sneuvelen onder de plooien van de banier van het H. Hart staat gelijk met het hooge voorrecht, wat den beminden leerling, den heiligen apostel Joannes ten deel viel.

Uit dankbaarheid voor zooveel zegeningen zien we,

ocr page 32

26

eenige maanden na den strijd, de overgeblevene soldaten van het regiment in de nederige kapel van het seminarie te Rennes bijeenvergaderd. Daar voor het Allerheiligste Sacrament voltrekt generaal de Charette de plechtige opdracht aan het H. Hart, door den jeugdigen graaf de Verthamon zoo vurig begeerd: „bij deze banier, gepurperd door het bloed onzer dierbaarste slachtoffers, draag ik, generaal baron de Charette, de pauselijke zou-aven aan het H. Hart op, en uit aller naam bid en bezweer ik uit geheel mijn ziel: „Hart van Jesus, red ons Frankrijkquot;.

Mogen, mijne waarde vrienden, zulke tafereelen uwe harten ontvlammen en ontsteken van eene vurige liefde tot het H. Hart. Wanneer de geheele fransche jongelingschap beantwoordt aan dien vurigen wensch van het kind van het H. Hart, dan zal de bede van Charette verhoord worden, en Frankrijk gered zijn.

4üe verhandeling: De beschermheiligen van het vaderland.

De jeugdige katholiek heeft zijn vaderland lief. Bij hem moet men de ware, oprechte en onbaatzuchtige vaderlandsliefde zoeken. De geschiedenis bewijst het overvloedig, getuigen het niet, zoowel de christelijke legioenen, die zich lieten slachten door de barbaren, ter wille van het oude Rome, dat evenwel ten tijde den van vrede, door hen verworven, de volgelingen van den

ocr page 33

27

Christus vervolgde, als de pauselijke zouaven in den fransch-duitschen oorlog, die goed en bloed voor het vaderland veil hadden.

Zulke herinneringen moeten den christen jongeling dierbaar zijn; hij moet die zorgvuldig in zijn geheugen prenten, want voor hem zijn het bronnen van recht-matigen trots.

Door toe te nemen in godsvrucht, neemt men ook toe in liefde tot zijn vaderland. Om die reden richten de jeugdige katholieken hunne gebeden tot de heiligen van hunnen geboortegrond, en plaatsen zij zich onder hunne bescherming.

Zijn die heiligen niet waarlijk ons aller voorouders?

Zij vervullen in onze geschiedboeken dezelfde plaats van onze groote voorouders in de familie-overlevering.

Gelukkig de gezinnen, die onder vroegere geslachten helden tellen, die het geloof gediend hebben, en zich beroemd maakten in den strijd voor het vaderland.

De naneef zal, als hij hunne levensbeschrijving leest, in zijn hart de begeerte voelen ontwaken hunne deugden na te volgen; hij zal, wanneer hij niet ontaard is, zeggen: „ik wil evenals mijne voorvaders dapper en vroom zijnquot;.

Gelukkiger nog het volk, dat onder zijn burgers mannen telt, die God zoo trouw dienden, die de christelijke deugden zoo heldhaftig beoefenden, dat de Kerk hun hoofd sierde met de kroon der heiligen, en hen ten voorbeeld stelde aan toekomstige geslachten.

De schat hunner deugden behoort ongetwijfeld aan geheel het menschdom, maar bizonder aan bet volk waaruit zij gesproten zijn, Er is iets gemeenschappelijks.

ocr page 34

28

in het bloed, in het karakter, in de eigenaardigheden van het volk; en het komt mij voor, dat de jongeling vooral de deugden beoefent van den heilige, wiens geestelijken zoon hij zich eenigennate kan beschouwen.

(Wanneer bijna alle landen op hunne heiligen roemen, ook ons vaderland staat daarbij niet ten achter.

Holland was een vruchtbaar veld en van het begin onzer geschiedenis tot heden toe, kunnen wij talrijke voorbeelden van de zuiverste en bewonderenswaardigste deugden aanhalen.

De eerste heiligen waren martelaren, en geven ons een voorbeeld van getrouwheid aan het geloof tot den dood toe. Anderen di agen de kroon van het apostolaat; het zijn een H. Willibrordus en een H. Bavo, die Holland christelijk hebben gemaakt. Wederom anderen hebben in de middeneeuwen of nog later geleefd, en blinken in onze geschiedenis als toonbeelden van deugd, van geleerdheid en van toewijding.

Elk Nederlander kent de roemrijke martelaren van Gorcum, die op het veld van den Briel, het geloof in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, en hunne verknochtheid aan den H. Stoel met hun bloed bezegelden.

Onze vaderlandsche heiligen legden de grondslagen van het oude Holland, en verzekeren ook de beste hoop voor het nieuwe)

Van al die heiligen zal de jongeling naar zijn aard en zijne neigingen, er een kiezen, wiens deugden hem het meest zullen innemen, hij zal dien met meer godsvrucht aanroepen, om de kracht te verkrijgen zijn voorbeeld na te volgen.

ocr page 35

S9

Voor de fransche jongelingschap wensch ik een heilige aan te bevelen, die boven allen nitschittert in onze vaderlandsche geschiedenis, den ridderlijken Koning, den H. Lodewijk IX, die van zich zeiven kon getuigen: „ik ben de goede sergeant van onzen Heer Jesus Christusquot;. Hij is het volmaakte toonbeeld voor alle jongelieden. Onze goede H. Lodewijk bezat alle deugden, welke de jeugd tot sieraad strekken: hij was vroom en dapper, terwijl zijne ziel blaakte van ijver vooralle goede zaken en heldhaftige ondernemingen. Verwinnaar of verwonnen, in voor- en tegenspoed, altijd was hij de beminde en geëerde Koning! Hoe was Frankrijk aan hem verknocht! Een bewijs dat het hart van Frankrijk groot en edelmoedig is en den held weet te waardeeren, die zulke goede eigenschappen bezit. Op zijnen koninklijken ring had deze uitstekende vorst laten graveeren: „God, Frankrijk en Margareta. Ken buiten dezen ring geene liefdequot;. Prent dit, mijne waarde vrienden, diep in uw geheugen. Bemint God gelijk de H. Lodewijk, die ter bevrijding van het H. Graf twee kruistochten heeft ondernomen, en die onder de muren van Tunis gestorven is ter verdediging van het Kruis. Bemint Frankrijk gelijk de H. Lodewijk, die slechts leefde voor het heil van zijn volk, en ons in zijn bewonderenswaardig werk „Livre des Métiersquot;, zijne ziel uitstort, vervuld van liefde voor den werkman.

Bemint eindelijk uwe huisgenooten gelijk de H. Lodewijk zijne christelijke gade beminde, die God hem geschonken had om de onberispelijkheid en de zuiverheid zijner jeugdige jaren te beloonen. Leest en herleest het

ocr page 36

30

leven van den H. Lodewijk, en wordt evenals bij, mannen van karakter, ridders van het recht en de eer.

Wenden wij eindelijk onzen blik tot de hoogste hemelen, en roepen wij met vertrouwen den H. Aartsengel Michael, het hoofd der hemelsche heerscharen, aan. Men verhaalt dat op bet uur, waarop de kruisvaarders Jerusalem bestormden, bet uur waarop in alle kerken der christenheid de Angelus werd geluid, dat toen Godfried van Bouillon boven de wallen een ridder gewaar werd' die met getrokken zwaard de kruisvaarders scheen aan te moedigen, die reeds terugdeinsden.

Moge de H. Michael thans evenzeer onzen ijver opwekken gelijk hij toen den moed der kruisvaarders aanwakkerde. Nooit hebben wij zijne hulp dringender noodig gehad, nu de karakters verdwijnen en heldendeugd eene zeldzaamheid geworden is.

Jonge lieden zoo zijn de heiligen tot wie gij moet bidden.

Om uwen ijver niet te laten verflauwen, moet gij eiken dag als het ware een geestelijk bad van geloof en vaderlandsliefde nemen, door eenige oogenblikken uwe gedachten te richten op de machtige beschermers van uw land, en door te overwegen wat zij gedaan hebben voor de Kerk en voor den grond die u voedt, zult gij God beter leeren beminnen, beter leeren dienen.

ocr page 37

Tweede Lezing: HET ONDERWIJS.

1ste verhandeling:

Het onderwijs van den christelijken jongeling in het algemeen.

is dringend noodzakelijk dat de christelijke ^/^ rjongeling onderwezen wordt, want hij is belast

4 met de eer der Kerk en den goeden naam zijner leermeesters, die meer dan ooit worden aangevallen.

Het is noodig dat hij onderwijs ontvangt, daar hij in geen enkelen stand iets van beteekenis zal worden, zonder een degelijk en uitgebreid onderricht.

Het is noodig dat hij leert, want alleen het onderwijs zal hem in staat stellen de Kerk en zijn land van dienst te zijn. De ridder heeft zijn degen, de jongeling zijne wetenschap. De wapens zijn verschillend, maar het doel is hetzelfde.

Drie groote beginselen derhalve moeten den jongeling

ocr page 38

32

tot een voortdurenden arbeid aansporen: zijn persoonlijk belang, de eer en de christelijke vaderlandsliefde.

Op de eerste plaats de eer. Men weet dat er tallooze aanvallen op de Kerk worden gedaan, in naam van eene voorgewende wetenschap, die hare leer en hare eeredienst zal verzwakken, zooals men met drieste grootspraak voorgeeft.

De aanbidders van het menschelijk verstand hebben overal naar bewijsgronden gezocht om de Kerk aan te vallen. Verdrongen uit de geschiedenis, waarin zij leugen op leugen stapelden, hebben zij zich geworpen op sommige ontdekkingen van den nieuweren tijd en vooral op die der natuurkundige wetenschappen; en zij gaan steeds voort onder allerlei vormen in hunne tijdschriften hunne pijlen op ons geloof af te schieten, ofschoon zij dikwerf zelfs met elkander in strijd zijn.

In dit geval moeten zij over ons, katholieken, sprekende, niet kunnen zeggen: „zij zijn niet op de hoogte, zij weten nietsquot;.

Integendeel, jonge lieden moeten op de hoogte blijven van de groote uitvindingen van onzen tijd, zij moeten de bewijsvoeringen op geschiedkundig en wetenschappelijk gebied volgen, die steeds uitvallen in het voordeel van den godsdienst. Zij moeten zich beijveren hunne taal goed te schrijven en goed te spreken, ten einde zoo noodig hunne tegenstanders te woord te kunnen staan, die beweren dat geloof en wetenschap niet te zamen kunnen gaan. Dan zal men van hen zeggen: „zij hebben kennis en hunne meesters hebben hen goed onderwezenquot;.

Dat zal eene drievoudige eer en een drievoudig voor-

ocr page 39

33

deel zijn: èn voor de katholieke jongelingschap èn voor het katholieke onderwijs èn voor de Katholieke Kerk.

Het persoonlijk belang vordert dat de jongeling voor geen moeite terugdeinst om de meest mogelijke kennis te verkrijgen. De mensch heeft alleen waarde naar de mate zijner ontwikkeling. Hij staat als op eene balans waarvan de eene schaal des te hooger gaat naar gelang de andere zwaarder belast wordt met het edel gewicht der wetenschap. (De mensch is zooveel waard als hij weet).

Dat de jongeling zijne roeping voor de toekomst dan wel begrijpe in een tijd van beroering als de onze.

Het leven kan hem in vele onverwachte omstandigheden plaatsen, waarin hij zal schitteren en nut zal stichten als hij bekwaam is; doch waarin hij kwaad zal bewerken als hij onwetend is.

De maatschappij, tegenwoordig aan zoovele gevaren blootgesteld, roept hare edelste zonen op; en de volksvertegenwoordiging, alsmede de katholieke inrichtingen moeten degelijk onderwezen christenen onder hunne leden tellen.

Neemt den raad ter harte, jongelieden, dien Gesar gaf aan zijne soldaten, in den strijd tegen Pompejus: „mikt op het hoofdquot;, streeft naar het volmaakte, verschaft uw luiheid geen voorwendsels, zegt niet: „ik heb geen hooge verlangens, ik begeer slechts een bescheiden werkkringquot;.

Dat is lafhartigheid, bedekt door valsche nederigheid.

En daar er christelijk bloed in uwe aderen vloeit, moet gij trachten invloed en gezag in uw land te verkrijgen.

Zijt er van overtuigd, om dat doel te bereiken moet

3

ocr page 40

34

gij kennis hebben, want uwe tegenstanders bezitten die, en weest er zeker van, zij zullen u op elk gebied aanvallen.

Gij moet hen kunnen beantwoorden in woord en schrift, in vergaderingen en iu geschriften, en niet alleen moet gij u kunnen verdedigen, maar ook aanvallender wij ze te werk kunnen gaan, wat in onzen tijd dikwerf te veel verzuimd wordt.

Volgt in dit opzicht de heiligen na, die altijd het voorbeeld gaven van liefde voor de deugd en voor den arbeid.

Volgt, al is het van verre, hunne jeugd aan de studie gewijd.

Een schrijver over den H. Joannes Berchmans verhaalt ons, dat deze jongeling dikwerf, gezeten op zijn legerstede, geheele nachten in de studie doorbracht. Hij was nog slechts een maand aan het Romeinsch College, toen hij de eerste prijzen verwierf.

De gelukzalige de la Salie bezat eene uitgebreide kennis, men roemde zoowel zijne wijsgeerige als zijne godgeleerde bekwaamheden. Maar dit is niet alles. In den stand waarin God u plaatste, in de loopbaan, die gij u gekozen hebt, kunt gij niet vooruitkomen, zonder onderwezen te zijn.

Gedeeltelijk onderricht, zult gij spoedig ontdekken, waar gij moet stil houden. Zeker zult gij eenigen opgang maken in de eerste jaren, wanneer wat algemeene kennis en wat goede wil voldoende zijn; maar weldra zal men van u iets grooters vergen, en als gij daartoe in staat zijt, zal men van u nog meer eischen.

Dan zult gij u zien overvleugelen door hen, die in

ocr page 41

35

den beginne, noch uwen aanleg, noch zelfs uwen goeden wil bezaten.

Hoe mistroostig zal zich b. v. een officier gevoelen, die zijn leven voor zijn vaderland veil heeft, en in zijn jeugd droomde van de drie sterren, het onderscheidings-teeken van divisie-generaal, als hij ziet dat zoovelen zijner makkers aan de krijgsschool hem voorbijstreven, dat zij achtereenvolgens regimenten, brigades, divisiën en legerkorpsen aanvoeren, terwijl hij, eenvoudig door laugduri-gen diensttijd, aan het hoofd van zija bataljon is gekomen. Officieren, wien een dergelijk ongelukkig lot treft, verontschuldigen zich met te zeggen: „de reden is, dat wij geen oorlog hebben gevoerdquot;.

Zij bedriegen zich zeiven. De studie en de arbeid, meer nog dan de oorlog, doen een officier opklimmen. Altijd zal het voor een ieder duidelijk zijn, hoe veel beter een officier is, die de krijgskunde, de geschiedenis, de veldtochten van groote krijgslieden en de militaire administratie heeft bestudeerd.

Waaraan dankt de generaal de Miribel zijn geluk en zijn grooten roem anders, dan aan zijne grondige kennis van ons plan van mobilisatie.

Weet ge niet, dat Bonaparte op twintigjarigen leeftijd dag en nacht arbeidde, dat hij op de kaart prins Euge-nius voet voor voet volgde in zijn veldtochten, vooral dien, welke eindigde met den slag van Peterwardein, en dien hij schitterend noemde.

Wat een verdriet en wat een schaamte zal een rechterlijk ambtenaar gevoelen, die, bij gebrek aan de noodigekennis, nimmer werd benoemd tot voorzitter eener rechtbank.

ocr page 42

36

Wat eene teleurstelling voor een landeigenaar, die niets weet van eene geraeentebegrooting of van administratie, en die zelfs niet in staat is, zijne diensten als burgemeester zijner gemeente te verleeren.

Hoe veel spijt zullen een advocaat, een architect, een werkgever hebben, die in hnnne jeugd niet werkten; die al hunne vakgenooten zien vooruitgaan en zich van alles meester maken. Want nooit haalt men den tijd in, verloren in die jaren waarin het verstand gemakkelijk begrijpt en het geheugen het geleerde goed onthoudt.

Mijne jeugdige vrienden! bespaart u zei ven deze vernederingen, wier bitterheid gij later zult gevoelen, als gij gehuwd zult zijn, en zelf de zorg over kinderen draagt. En om u zeiven dit alles te besparen, om u voor te bereiden op een waardig en nuttig leven, op een slagen in uwe loopbaan, moet gij leeren, veel leeren, gestadig leeren.

Eens dat generaal Lamoricière bij Pius IX was, om Z. H. eenige mededeelingen te doen omtrent zijn klein legerkorps, haalde de Paus eenige woorden van den II_ Augustinus aan. De generaal voltooide den volzin. De Paus gaf zijne verwondering te kennen. Een oogenblik later haalde hij een tekst van den H. Ireneus aan, dien Lamoricière eveneens voortzette. „Mijn waarde generaalquot;, zeide Pius, waar hebt gij uwe kennis van de kerkvaders opgedaanquot;.

„In Afrika, in het kamp, H. Vader. Een soldaat kan niet altijd vechten, en ik heb de H. Vaders met liefde gelezen. Zij hebben mij geleerd, dat de grootste roem daarin bestaat, voor Christus overwonnen te wordenquot;-

ocr page 43

37

Dit edele antwoord herinnert ons aan den brief van Montcalm, dien held van Fransch Canada, aan zijn vader, dien hij tot hem richtte, op zijn vier en twintigste jaar, uit het kamp van Otrebach;

„Ik leer Duitsch, en ik lees meer Grieksch, in mijne eenzaamheid, dan in de laatste drie of vier jaarquot;. Zeker kan men zeggen, dat hij de knapste officier, de grootste veldheer is, die hart en geest geopend heeft voor alle schoonheden der menschelijke wetenschap.

Maar er is nog een derde reden om uwe jeugd nuttig te besteden, om uwe kennis te vermeerderen, en die reden zal een gunstigen invloed op uw gemoed uitoefenen, namelijk; uwe christelijke vaderlandsliefde.

Welke plaats gij in de maatschappij ook inneemt, uw land heeft u daarin noodig, en zonder wel onderwezen te zijn, kunt gij het geen nuttige diensten bewijzen. Wij zullen, om onze gedachte beter uit te drukken, eene kleine vertelling van de duizend en tweede nacht verzinnen. Uw leven zal u in de volksvertegenwoordiging brengen, wellicht wordt gij minister, (men heeft het er van meer gezien).

Nu is het oogenblik daar, dat gij voor uw land iets goels kunt doen, dat gij eene gelukkige wijziging kunt brengen in slechte wetten, dat gij een maatregel kunt nemen in het belang der goede zaak.

Maar gij weet niet genoeg, gij durft niet, uwe goede voornemens zijn als het ware gekluisterd, en gij verliest uwe positie, zoo niet met schande, ten minste met een bitter leedwezen, dat gij niets hebt kunnen uitrichten voor datgene, wat u zoo na aan het hart lag. Zeker heeft

ocr page 44

38

men zulke voorbeelden gezien. Ziet dat ongeluk, zeker een der grootsten, te voorkomen en weest ijverig om eenmaal uw vaderland van dienst te kunnen zijn.

Gelooft mij, de vlijtige jongeling zal slagen. Misscliien zullen hem beproevingen en tegenspoeden treffen; liet hindert niet, hij zal slagen.

Men zal uit nijd, wellicht tegen hem samenspannen ; hij zal toch vooruit komen.

Mogelijk zullen ziekten, tegenspoed of ongelukken hem een tijdlang ophouden; het komt er niet op aan, hij zal zijn doel bereiken.

De ondervinding heeft, steeds zonder uitzondering, dezen regel bevestigd.

Men ziet somtijds ja, trage menschen eensklaps in den geest vallen, en schijnbaar op weg eer en macht te verwerven. Gelooft het niet, het zijn dwaallichten.

Zij schitteren een oogenblik en verdwijnen; de wind, die ze medevoert is nog sneller, dan die ze voortbracht.

Jongelingen! vreest dus niets, maar werkt, doch overhaast u niet. Het is volstrekt onnoodig de gelegenheid te zoeken, om door woord of schrift uw talent te laten schitteren ; om een middel te vinden spoediger te slagen, die tijd en gelegenheid zullen spoedig aanbreken.

Hoe eenvoudiger, ingetogener en werkzamer gij zijt, zooveel te eerder zal men tot u komen. Men heeft mannen gezien, waarvan de menigte niets wilde weten toen zij tot haar kwamen, die niet wisten, hoe zij op hun beurt de menigte zouden ontvluchten, toen zij hare gunsten niet meer zochten.

ocr page 45

39

De tijd zal komen, waarop men uwe kennis waar-deeren en uwe hulp zal inroepen.

Dan, en het zal altijd vroeg genoeg zijn, zyt gij zeker van uwe positie; maar dan ook zult gij uwe werkzame jeugd zegenen, die u de middelen verschafte om goed te doen.

Don Garcia Moreno is een merkwaardig voorbeeld van alles, wat ik heb aangevoerd.

Geboren in eene republiek, had hij, van zijne geboorte af, niets, wat zijne medeburgers op hem de aandacht deed vestigen, zelfs geen fortuin.

Maar hij kon werken met volharding.

Toen hij in 185i in Parijs studeerde, schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik werk zestien uren daags, en als de dag acht en veertig uren had, zou ik er zonder aarzelen veertig met mijne boeken doorbrengen.

Men verhaalt, dat hij niet meer rookte oin den tijd te besparen, dien hij noodig had om zijne sigaren aan te steken, en dat hij zijn hoofd ten halve liet kaal scheeren om op die wijze zijns studeerkamer niet te kunnen verlaten.

Veuillot zegt van hem: „Op vreemden bodem, alleen en onbekend, maar gesteund door zijn geloof en zijn groote ziel, vormde hij zich tot staatsman, wanneer dit lag in de plannen der Voorzienigheid. Hij begreep, dat hij veel moest kennen om een volk te kunnen regeeren, dat, al hoewel christelijk van oorspong, op het punt stond tot de barbaarschheid terug keeren. In zijn land teruggekeerd, wist hij waar hij den waren roem, de ware kracht en de ware werklieden van God moest vindenquot;.

ocr page 46

40

Toen hij later in 1861 gekozen werd tot president dei-republiek Ecuador, was Garcia Moreno gereed.

Gedurende zijn vijftienjarige regeering, tot eene schandelijke moord in 1875 een eind aan zijn leven maakte, wist hij zijn land groot te maken, de betrekking tusschen de Kerk en den staat te herstellen, en een beroemd concordaat met den H. Stoel te sluiten. Hij kon de staats-universiteit opheffen, het onderwijs op zijne ware en breede grondslagen vestigen, nieuwe inrichtingen openen, die hij aan de Jezuïeten toevertrouwde. Hij stichtte het internationale observatorium te Quito, en verschafte zelf de noodige instrumenten, Hij wist talrijke leerlingen te vinden, en hunne leermeesters aan te moedigen. Hij liet in geheel Ecuador wegen aan leggen, verrijkte de gasthuizen, vermeerderde het aantal missiën, verdubbelde de staatsinkomsten, en kon der negentiende eeuw het grootsche schouwspel aanbieden van een christelijk volk in zijn volle ontwikkeling. Mijne waarde vrienden! aan den arbeid, door God gezegend, dankte don Garcia zijnen roem. Moge dit voorbeeld nooit uit uw geheugen gewischt worden.

2de verhandeling:

De plichten van staat.

De christelijke jongeling die van begeerte brandt, om de Kerk, zijn vaderland en het huisgezin te dienen, dat hij later zal vormen, heeft bij het begin van zijn leven, waarin hij rustig de bouwstoffen voor zijne kennis ver-

ocr page 47

41

gadert, nauwlettend toe te zien ora twee even gevaarlijke klippen te ontwijken, nl. de oppervlakkigheid en de eenzijdigheid.

Diegenen welke oppervlakkig worden, leggen zich, zonder orde of regel, op allerlei studiën toe. Zij volgen 's morgens een les in de natuurwetenschappen en beoefenen 's avonds de fraaie letteren; terwijl zij in hunne achtermiddagen de plaag zijn van onze bewaarders van bibliotheken.

Door op deze dwaze wijze rond te dolen op het uitgestrekte veld van menschelijke wetenschap, door voor elk studievak een voorbijgaande neiging te koesteren, meer dan voor degelijken arbeid, kan de geest wel iets schitterends verkrijgen, maar zij loopt gevaar te pralen zonder werkelijk nut, zonder waar voordeel.

De bij zet zich eveneens op verschillende bloemen neder, doch zij heeft een vast doel, nl. geduldig honig te verzamelen.

Niet zoo doet de jongeling, die van bloem tot bloem voortgaat om er slechts de geuren van te genieten.

Men ziet verscheidene menschen, die alles gezien en alles gelezen hebben, die aan alles iets gedaan hebben en die over alles meespreken; maar zij zijn niet onderwezen en blijven onbekwaam om anderen te onderwijzen. Zij gelijken op reizigers, die op hunne snelle zwerftochten over de geheele wereld, zoovele landen vluchtig gezien hebben, dat zij niet in staat zijn éen er van behoorlijk te beschrijven.

De andere even gevaarlijke fout bestaat hierin: dat men zich zoodanig op éen vak toelegt, dat men oogeq iioch opren voor iets anders heeft.

ocr page 48

42

Door zieh zoo terug te trekken vermindert men de vermogens van zijnen geest. Ook in dit geval mist men zijn doel.

De eene vloog te hoog, de andere blijft te laag bij den grond.

Zeker heeft men specialiteiten noodig, die de wetenschap, waaraan zij hun leven gewijd hebben, met eor uitbreiden.

Maar de beroemdsten en nnttigsten zijn zij, die evenals Ampère, alles weten te waardeeren, wat God schoon, goed of grootsch geschapen heeft; die een open hart hebben voor de schoonheden van de dichtkunst, van de geschiedenis en schoone kunsten, zoowel als voor die der natuurlijke wetenschappen.

Hoe dan kan men dit dubbel gevaar ontwijken?

Het middel is zeer eenvoudig: men vervnlle do plichten van zijnen staat. De H. Aloysius van Gonzaga placht te zeggen, dat zijn vader, de markies, hem deze les had gegeven: „wanneer iemand een staat kiest, moet hij dien zoo nauwgezet mogelijk beleven, en zijn gedrag zal spoedig aantoonen, hoezeer hij van dat beginsel doordrongen is; daar hij er zich zijn leven lang op zal toeleggen, met den meest mogehjken ijver die deugden te verwerven, welke tot zijnen staat behooren.

De plichten van staat omvatten alle verplichtingen, die men op zich neemt, bij het kiezen eener loopbaan.

Dat zijn de dagelijksche plichten, de plichten van zijn beroep, even gebiedend op zijn vijftiende en twintigste als op zijn veertigste jaar; zoowel op de lagere

ocr page 49

43

en op de hoogere school als in de uitoefening van zijn ambt.

Studeert gij in de geneeskunde: volgt do lessen uwei-professoren, legt u op tie kliniek toe, bezoekt de gasthuizen, en wijdt eenige uren daags aan de studie van die werken, welke meer bizonder de edele loopbaan behandelen, die gij gekozen hebt.

Studeert gij in de rechten: bezoekt dan ijverig de gerechtshoven en de pleidooien, weest de vriend van Cujas en Papinianus, leest aandachtig de wetboeken, verheft uwen geest tot de wijsbegeerte van het recht, en denkt aan uwe examens. Studeert gij in de letteren: vervult zorgvuldig uwe plichten en laat het grieksch, het latijn en de vergelijkende taalstudie voor U geen geheimen hebben. Bestudeert gij de wijsbegeerte; de redekunst of minder hooge wetenschappen; volgt aandachtig uwe lessen, en laat u leiden door den onderwijzer, dien God u schonk.

Werkelijk heeft uw leermeester, onder welken naa,ra men hem ook moge aanduiden, eene verhevene roeping, omdat hij in uwen geest de kennis moet inplanten, in den loop der eeuwen verkregen; hij neemt de plaats in van uwen vader, en zijn gezag moet u heilig zijn, omdat het van God uitgaat.

Toen de pauselijke zouaven ten strijde trokken was hunne leus: „plicht voor alles en altijdquot;.

Laat ook dat onze leus zijn in nederiger werkkring.

In de plichten van zijnen staat vindt de mensch eene afdoende openbaring van Gods wil ten zijnen opzichte. Deze grootsche gedachte zal aan de geringste zaken gene hoogere waarde geven.

ocr page 50

44

De plicht van staat, beschouwd in het licht des ge-loofs, zal ons dierbaar worden, zoo zelfs dat wij er ons niet van kunnen scheiden.

Door zoo zijn plicht te begrijpen en te beoefenen, loopt de jongeling geen gevaar van te dwalen, en is hij zeker dat hij nut zal stichten; want als hij voldaan heeft aan alle noodige verplichtingen, zal zijn geweten hem toestaan zijn hart ook voor andere schoonheden te openen, die hij op zijn levenspad zal aantreffen. Dan zal hij geen gevaar loopen eene bijzaak met de hoofdzaak te verwarren.

Den christelijken jongeling zal deze waarheid zoo helder zijn, dat hij zelfs voor goede werken geen tijd besteedt, welken hij hoog noodig heeft voor de plichten van zijnen staat-

Maar God, die zich zeiven belast met don tijd te verdeelen van zijne getrouwe dienaren om denzei ven voor hen vruchtbaar te maken, zal ook zorgen voor uren en gelegenheden aan Hem toegewijd.

De plichten van staat, zoo klein in de jeugd, worden dikwerf zoo groot en zoo talrijk naarmate men in jaren toeneemt, dat men er zonder de goddelijke hulp onder zoude bezwijken. Maar deze hulp ontbreekt nooit.

Ik heb een geloovig man gekend, die overladen met bezigheden, ze in allen eenvoud des morgens aan God opdroeg, en Hem om de genade bad, ze dien dag goed te volbrengen. God verhoorde Hem dagelijks, men zou gezegd hebben dat Hij zijn werkkracht verdubbelde, dat Hij de dagen van dezen christen verlengde, om hem jn staat te stellen alles wól te volbrengen, dat Hij zij-

ocr page 51

non engel zond, opdat hem niets uit de gedachte zoude gaan.

De dood vond hem, bezig met een zijner dierbaarste plichten, een plicht van het apostolaat, hij onderbrak dien te midden van een volzin; hij ging in den hemel het werk voltooien, dat hij hier beneden begonnen was.

De plichten van staat zijn allen menschen opgelegd. Die dezelve niet vervult is verloren.

Al heeft iemand de schitterendste gaven des geestes, als hij zich niet toelegt op de studie der toekomst, in zijn loopbaan zal hij achterblijven, en zijn levensdoel missen.

Ieder die bezorgd is voor de waardigheid en voor de vruchtbaarheid van zijn leven, moet voor alles de plichten van zijnen staat behartigen.

Beschouwt den koopman of den fabriekant, zij gunnen zich geen rust of ontspanning, zij nemen geen boek voor uitspanning ter hand, dan alleen des avonds, wanneer kantoor of werkplaats gesloten en de werklieden vertrokken zijn, of ook op de Zondagen en feestdagen, welke de Kerk, (door eene weldaad, die men al te zeer vergeet), van de vestiging des Christendoms, heeft gesteld als rustpunten in de beslommeringen van den arbeid.

Is dat ook niet het geval met den officier, die niet voor zich zelf kan werken of zijne geschiedkundige studiën voortzetten, voor en aleer zijne manschap rust heeft.

Uw plicht voor alles jonge lieden, en daarna, als uw geweten voldaan is, de algemeene studiën, opdat gij u tenminste eenige voorstelling kunt maken van

ocr page 52

46

de groote vraagstukken, die het menschdom bewegen.

Op die wijze zult gij noch warhoofden noch slaven der gewoonte worden, en in welken stand gij door God ook geplaatst wordt, gij zult altijd geachte mannen wezen.

Mijne jeugdige vrienden! gebruikt vooral uw verstand, uw geest moet behagen scheppen in al wat schoon is, zonder iets met opzet te verwerpen; maar denkt vooral aan de loopbaan, u gewezen door de gaven uws geesten en door de overlevering uwer familie; vervult getrouw de plichten van uwen staat.

Dit had Ampère zoo goed begrepen, toen hij tot zich zeiven deze schoone vermaning richtte, die beschouwd kan worden als een kort overzicht van zijn leven: „Werk in den geest van gebed. Bestudeer de zaken dezer wereld, dat is uw plicht, maar richt er slechts een oog op, het andere oog zij gericht op het eeuwige licht. Hoort naar de geleerden, maar hoort hen slechts met een oor, het andere oor zij steeds gereed om naar de stem van uwen hemelschen Vriend te luisterenquot;.

3de vkrhandeling :

De christelijke dichtkunst en de schoone kunsten.

De christen-jongeling versiert zijne ziel met de schoonheden der dichtkunst, en opent zijn hart voor de wonderen der schoone kunsten. Niets grootsch hier beneden zij hem vreemd, en zijn geheugen zij gelijk aan eene gouden vaas, die geleidelijk alle schatten der Kerk in zich opneemt.

De groote verdienste van de dichtkunst ligt daarin,

ocr page 53

47

dat zij, behalve door het liefelijke van de maat, dat haar eigen is, de ziel verheft tot God, die haar oorsprong is. Zij beweegt zachtkens, maar niet alleen dat, zij ontroert, zij sleept mede en hare macht is zoo groot, dat zij menschen en volkeren tot groote daden kan opvoeren. Zoodra de mensch boven het aardsche verheven is, zingt hij: krijgszuchtige of vreedzame gezangen, liederen van lof of van liefde voor de scheppingen Gods; en de dichtkunst is de uitdrukking van zijne ingenomenheid. Waarom dan zou de christelijke jongeling er geen hart voor hebben? De H. Joannes Berchmans beminde de dichtkunst en vervaardigde, als student, in zijnen vrijen tijd, latijn-sche verzen op den H. naam van Jesus.

De H Theresia bracht somwijlen hare gezelinnen in vervoering door hare lofgezangen, als haar hart zich uitstortte in onweerstaanbare ontboezeming.

Er was geen beter dichter dan de H. Franciscus, die, op zijne tochten door Italië, de zon, de vogelen en alle schoone scheppingen Gods bezong.

Wat is de oorzaak, dat in de laatste jaren de dichtkunst zoo achteruit is gegaan'? De eerste schuld ligt helaas aan de dichtkunst zelve, die hare blanke vleuge. len besmet had in het slijk der menschelijke hartstochten, en die hare roeping niet langer begreep. Er worden nog verzen gemaakt, ja, doch de poëzie ontbreekt.

Maar de Muse wil hare vlucht hernemen, en wanneer er een waar dichter op staat, dan zult ge zien, met welke toejuiching de wereld hem zal begroeten.

Ongelukkig zijn tijden van beroering niet gunstig voor dichters; de vogel zwijgt als hij voor zijn klein gezin

ocr page 54

48

vrees koestert; de mensch zingt niet wanneer zijn godsdienst, zijn vaderland en zijn gezin in gevaar verkeeren.

Hebt de dichtkunst lief jongelingen! maar alleen de ware, die slechts bezield wordt door edele gevoelens. Hieromtrent zal uwe godsvrucht u niet misleiden, en hoe meer gij het genot smaakt van de verheven zangen van het christelijk epos, zooveel te meer zult gij de onzuivere scheppingen ver van u afwijzen, die uwen geest zouden bederven.

Het christendom komt de eer toe de vier reuzen der dichtkunst te hebben voortgebracht: Dante, Tasso, Cor-neille en Racine. Deze vier mannen zijn de roem der christelijke beschaving en zij zullen voor altijd bewijzen, al kwamen er na hen geen anderen, dat het katholieke geloof de oorsprong van het genie is.

Ja, jonge lieden, leest Dante; nooit zijn er dergelijke zangen van andere menschenlijke lippen gevloeid. Daarin zult gij den edelen christen, in al zijne heerlijkheid zien, en wanneer gij de „divina comediaquot; zult bestudeerd hebben, zal elke kritiek, gericht tegen de overgeleverde leer der Kerk, u nietswaardig toeschijnen.

De eeuw en de meesters, die Dante vormden, hebben sinds lang de zaak van het christelijk onderricht bepleit en gewonnen; en de wereld zal vergaan, zonder dat de Revolutie een Dante heeft voortgebracht.

Leest Tasso en zijn „Jerusalem verlostquot;; dat is het groote, het ware heldendicht, daar wordt de dichtkunst tot haar ware doel aangewend, om namelijk de edele daden onzer voorouders te vereeuwigen en ter navolging voor te stellen.

ocr page 55

49

De helden van Homerus hebben slechts eene voorbijgaande schoonheid, zij zijn geboren en gestorven in de verbeelding van eenen mensch, hunne ruwe hartstochten zullen nooit strekken tot onderlicht der jeugd. Verre van dat. De helden van Tasso daarentegen hebben geleefd en der Kerk en Europa gediend, en daarin ligt de hoogere waarde van den christelijken dichter. Het waren helden die tijdens hun leven de wereld gered hebben, die na hun dood nog spreken van toewijding aan het geloof, en, dank zij hem, die hen bezongen heeft, onzen ijver en onze toewijding blijven opwekken.

Ten laatste leest Corneille en Racine. De schrijvers van de Polyencte en van de Athaliè zijn twee onsterfelijke geesten, en de verheven schoonheden waarvan hunne werken overvloeien, worden door den jongeling niet genoeg begrepen. De geest des Christendoms heeft hunne schoonste bladzijden bezield, die geest zal zoowel hunne eeuwige roem blijven als die van het vaderland.

Het lezen van deze vier groote dichters en hunne meesterstukkeu, die wij aanstipten, zal voor den geest een ruimer gezichtskring openen, zonder een oogenblik af te wijken van den weg, ons door het christelijk geloof aangewezen. Wij zouden evenwel niet gaarne alle schoonheden der christelijke dichtkunst willen beperken tot de werken van Dante, Tasso, Corneille en Eacine.

Wat vooral der vurige jeugd behaagt, en wat wij niet stilzwijgend voorbij willen gaan, zijn de oude fransche heldendichten en vooral het heldendicht van Roland, waarin in vlammende trekken de figuur verschijnt van

4

ocr page 56

50

den grooten keizer, en dat bezield wordt door christelijk geloof en vaderlandsliefde.

Door het lezen van deze heldhaftige zangen, waarin onze vaderen geheel hun hart hebben uitgestort, wordt de ziel veredeld, en hecht zij zich sterker aan Kerk en vaderland.

Men moet verder ook de schoonheden der oude schrijvers niet uitsluiten, en de christelijke jongeling zal zelfs, meer dan zij die er hunne eenige goden van gemaakt hebben, de grieksche en latijnsche dichters en prozaschrijvers willen kennen; want zijn geloof zal hem verheffen boven de fabelen van het heidendom en hem de meerderheid toonen van de christelijke dichtkunst boven die van den bewonderenswaardigen heiden.

Dat hij daarin het voorbeeld volge der Kerkvaders, die de oude schrijvers grootendeels zeer grondig verstonden.

Hetzelfde gevoel zal hem, voorgelicht door een bekwaam meester, de vele schoonheden laten waardeeren in de werken van vreemde dichters, en onder het lezen van deze schrijvers van gemengd genie, zal hij gemakkelijk de goddelijke vonk ontdekken, waarvan de mensch zoo dikwerf een verderfelijk gebruik heeft gemaakt.

Maar niet alleen dat: na de groote dichters en schrijvers te hebben gelezen, waarop de menschheid zich met recht beroemt, moet de christelijke jongeling al zijn vrijen tijd gebruiken, om de christelijke schoonheidsleer, de bouwkunst, de schilder- en beeldhouwkunst te be-studeeren.

Mets van wat schoon en goed is mag den christen

ocr page 57

51

jongeling vreemd blijven. De H. Joannes Berchmans, dat heerlijke voorbeeld van geheel de christen jongelingschap, droeg vooral zorg zijnen geest voor alle zuivere schoonheden geopend te houden. De grootste en meest gegronde genietingen des geestes zijn hem voorbehouden, die de werken kan waardeeren en bewonderen van de verschillende stijlen onzer hoofdkerken en onzer openbare gebouwen, opgericht in de eeuwen van geloof, door de vroomheid en de wetenschap onzer vaderen. De aanblik alleen eener hoofdkerk verdedigt het christendom tegen dwaze aanvallen en versterkt het geloof.

Beziet die prachtige gewelven, wandelt onder die kruis- of spitsbogen, beschouwt die rozetten, die wonderwerken van steen, die tintelende kerkvensters, en berekent dan hoeveel christelijk geloof, hoeveel toewijding en wetenschap, hoeveel kunstenaars en werklieden er noodig waren; wat al tijd en geld het koste, en hoe rustig de maatschappelijke toestand moest zijn, om zulk een tempel onzen Heer Jezus Christus ter eer te stichten. Wanneer men u later zal tegenwerpen, dat de christelijke tijden der middeleeuwen, tijdperken van duisternis en onwetendheid waren, weet gij wat gij zult antwoorden: duizend jaar later zullen de gothieke hoofdkerken aan onze naneven nog getuigenis afleggen van de beschaving en de wetenschap onzer vaderen:

Duizend jaar later zal er niets meer overblijven van de luchtige bouwwerken der negentiende eeuw; behalve misschien de basiliek van de nationale gelofte op den top van den Montmartre, omdat de Kerk er de hand in gehad heeft, en omdat de Kerk dezelfde is ten allen tijde.

ocr page 58

52

Zooals de christen jongeling de bouwkunst zal kennen, zal hij ook, ten minste door beschrijving en afbeelding, iets moeten weten van de voornaamste overblijfselen der christelijke schilder- en beeldhouwkunst.

Hij zal gaarne het ontstaan, de ontwikkeling en den bloeitijd nagaan, van die roemrijke scholen, die een Raphael en een Michel Angelo hebben gevormd, en hij zal trotsch zijn op zijn godsdienst, om al die meesterstukken, die zooveel onsterfelijke meesters hun vaderland hebben nagelaten.

Voor wie oogen heeft, bevatten de Madonna's van Raphael, de Mozes van Michel Angelo, de Sint Pieter te Rome of de Notre Dame van Parijs, elk een schitterend bewijs voor den goddelijken oorsprong van het christendom.

Want valsche godsdiensten bepaalden er zich toe, öf de verbeelding te treffen door bergen van steen, zooals de godsdienst der egyptische, assyrische en Indische oudheid; öf om het oog te bekoren door schoonelijnen, zooals het grieksche heidendom.

Maar de ware godsdienst alleen heeft hare tempels dat zamenhangend geheel kunnen geven, dat rijzige dat ten hemel wijst, die verrukkelijke versiering door schilderen beeldhouwwerk en die diepe en godsdienstige majesteit, die het gebed ontlokt aan de lippen van den mensch, en het brengt voor den troon van God.

Neen jongelieden, ik moet het u zeggen, gij zult nooit de mannen worden, die wij wenschen, dat gij eens wezen zult, als gij ongevoelig blijft voor de schoonheden der christelijke kunsten, als gij een hoofdkerk, een schilderij of een beeld van een onzer meesters kunt voorbijgaan,

ocr page 59

53

zonder dat uw oog schittert van verrukking en uw hart trilt van vervoering. Ook de muziek en vooral de gre-goriaansche zang, die zoo grootsch klinkt in onze kerken, zal uwe harten doen kloppen, en in u het vuur der liefde tot God ontsteken.

In een woord, niets zal uwer aandacht onwaardig zijn, wat strekt om het geloof meer luister bij te zetten, en terwijl gij zoo langzamerhand alle bloemen plukt, die de Kerk in hare gaarde kweekt, zult gij denken aan die verblijven des hemels, waar wij eens, in het genot der volmaakte schoonheid, het eeuwig Alleluja zullen zingen.

4dj!: verhandeling.

De wetenschappen.

Een luidruchtige en onvolledige wetenschap wil het stellen buiten God; legt u op de wetenschap toe, mijne vrienden, en brengt haar op nieuw in den dienst des Heeren.

Neemt ten dien opzichte den raad ter harte van den Kardinaal Pecci, thans onzen roemrijk regeerenden Paus Leo XIII en herleest zijne brieven „over de Kerk en de beschavingquot;, uitgegeven in het jaar 1877. De beschaving, zegt hij, is de dochter der Kerk, en hij moedigt hare vorderingen aan en zegent ze.

Ziet hier zijne eigene woorden: „Het zou onzinnig zijn te ontkennen, dat de wetenschap, door dagelijksche studie en door grondige proeven, vele natuurkrachten

ocr page 60

54

bedwongen heeft, die tot nog toe voor den mensch onbekend of niet onder zijn bereik gebracht waren, en dat zij, door die krachten aan te wenden ten dienste der nijverheid, door middel van betere werktuigen, de productie vlugger en de voorwerpen minder duur heeft gemaakt en daar door het voldoen aan behoeften en het bestaan der kleine verbruikers heeft vergemakkelijkt. Niets beter dan die ontdekkingen; maar de ongeloovigen hebben gemeend, uit die vreedzame en eervolle overwinningen der wetenschap, wapenen te kunnen smeden tegen de Kerk, alsof zij hadden plaats gehad, tegen haar zin en ondanks hare stellingenquot;.

„Men zou moeilijk een kinderachtiger en ingebeelder beschuldiging kunnen bedenken. Indien er een middel bestaat het tijdelijk kwaad te doen ophouden en toekomstige gevaren af te wenden, dan kan dit alleen door trouw te zijn aan de wetten van God en van zijne Kerk, moedig getoond door gehoorzaamheid en dooi' voorbeelden van een christelijk levenquot;.

Deze regelen schrijven aan alle katholieken hun plicht voor. Zij verwelkomen, met den Kardinaal Pecci, de groote ontdekkingen der natuurkundige en natuurlijke wetenschappen; zij brengen met hem hulde aan den goddelijken Schepper van het heelal; eindelijk nemen zij met hem aan, dat de nieuwere ontdekkingen, willen zij vrede en liefde stichten in de wereld van den arbeid, zich niet kunnen los maken van de wetten der christelijke liefde en der rechtvaardigheid.

De burggraaf de Melun placht te zeggen: „ik geloof, als men de letter van het Evangelie opvolgde, dat men

ocr page 61

niet alleen naar den hemel zoude gaan, maar dat men tevens het gelukkigste zou zijn op deze wereld.

Niets juister dan dat, en onder dezen eenvoudigen vorm uitte hij eene grootsche gedachte.

Derhalve mijne vrienden ligt er een ruim veld voor u open, waar uw geloof en uwe werkzaamheid te zamen kunnen gaan. Wat zult gij der Kerk goede diensten bewijzen, als gij katholieke geleerden wordt, want in dat opzicht moet gij ver, zeer ver willen gaan. Gij moet niet tevreden zijn met halve wetenschap. „Geen onvolledige, nuttelooze of valsche begrippenquot;, zeide Garcia Moreno.

Gij weet dat er geen verschil van meening kan bestaan tusschen godsdienst en wetenschap; bewijst dus, dat dit verschil niet alleen niet bestaat, maar dat er integendeel de innigste samenhang is tusschen de leerstellige waarheden, sinds achttien eeuwen door het christendom verkondigd, en de ontdekkingen, voortgesproten uit het wetenschappelijk onderzoek, wonderlijke overeenstemming, die, op het oogenblik, dat zij voor een ieder duidelijk wordt, het wetenschappelijk vernuft van Ampère ten volle zal verheerlijken.

Door op die wijze te werken, en zoodoende de christelijke oplossing van groote vraagstukken der natuurkundige wereld bekend te maken, zult gij het verstand van velen verlichten, en menigeen tot het geloof terug brengen.

Gij zult als het ware een apostel der wetenschap worden. En zou deze schoone rol u niet toelachen?

Zooeven haalde ik een gezegde van Garcia Moreno aan, den grooten christen, die in zijn leven werken en

ocr page 62

daden liet samengaan, en die, zooals Louis Veuillot later zegt: „Een man was van Jezus Christus in het openbare leven, een man Gods, edel, sterk en bekwaam genoeg om te volharden in zijn voornemen: de man te zijn van zijn tijd; om daarin de wetenschap te vestigen, er de zeden van aan te nemen, er de wetten en gebruiken van te kennen en te volgen, en desniettemin steeds juist en nauwgezet een man te zijn volgens het Evangelie'quot;.

Dat, mijne waarde vrienden, moet 'uw ideaal zijn: namelijk man van zijn tijd en man Gods te wezen. Als dan de wetenschap uw staat is, als gij studeert voor het licenciaat of voor den doctorsgraad in de wiskunstige, natuurkundige of natuurlijke wetenschappen, hoe moeten dan de aangevoerde redenen u aansporen, om de geheimen der natuur uit te vorschen.

Volgt verdsr het spoor door christelijke geleerden, zooals Arago, Levurièr, Secchi, Cuvier, Biot, Cauchy, Ampère en anderen reeds betreden, en tracht u vol vreugde te onderrichten: want al wat gij voortbrengt, zal de kroon versieren van uwe moeder de H. Kerk, en zal hun het zwijgen opleggen, die haar en hare kinderen lasteren. Dat is een ridderschap even edel, als die der vervlogen eeuwen, en door u aan haren dienst te wijden, zult gij het schoonste loon en de gelukkigste uren uws levens vinden.

Of indien uw staat u brengt tot rechtsgeleerde of letterkundige studiën, verzuimt daarom toch niet op de hoogte te blijven van de voornaamste nieuwere ontdekkingen. Dat de nieuwste toepassingen der electriciteit

ocr page 63

57

en van het dierlijk magnétisme u bekend zijn. Gij weet welke wonderlijke uitvinding ik bedoel. Wat zou men denken van eenen jongeling, die niets wist van den telephoon of van den phonograaf ? Wat zou men zeggen van hen, die onverschillig de schepping beschouwen, zonder somwijlen acht te slaan op de wonderlijke verschijnselen, die onder hun oog voorvallen, zonder te trachten zich eenig begrip althans te vormen van die groote spelingen der natuur, die door de geologen worden aangeduid als oude en actueele verschijnselen, zonder te trachten enkele geheimen van het plantaardig en dierlijk leven te doorgronden?

Wat zou men zeggen van hem, die volstrekt niets wist van de ongehoorde vorderingen der tegenwoordige scheikunde? Wat zou men eindelijk zeggen van den jeugdigen officier, die hoegenaamd geen prijs stelde op de studie der nieuwe ontploffingsmiddelen, en die nauwelijks, hetzij door de dagbladen, hetzij door gesprekken met zijne makkers, het meliniet of het dynamiet bij naam kende.

Neen, zoo mag men zich den christelijken jongeling niet voorstellen, zelfs niet als God hem eenig en alleen bestemd heeft voor de studie der fraaie letteren.

Het is niet noodig dat hij alles weet, maar hij moet voor niets onverschillig zijn, dat is reeds voldoende; want wanneer hij een eenigszins ruimen blik heeft, zal hij zeker belang stellen in wetenschappelijke ontdekkingen.

De goddelijke Voorzienigheid heeft ons te midden van het wonderlijke geplaatst. Wij worden van alle zijden door het wonderlijke omringd, wij weten niet wat het

ocr page 64

58

leven is, en kennen de groote krachten dei' natuur evenmin.

Hetzij wij onze oogen ten hemel heffen, of onzen blik op de aarde vestigen, overal vinden wij niets dan geheimen.

Waarom zouden wij dan niet, uit een gevoel van eerbied voor den goddelijken Schepper, trachten een tip van dien sluier op te lichten? Door zoo te werken, volgens de wet ons voorgeschreven van het begin der wereld af, vervullen wij onzen plicht, en hebben wij de groote eer, voor een uiterst gering deel, te hebben medegewerkt aan het verhevene werk van den Almachtige, door het te laten kennen aan hen, die onwetend waren. Mijne vrienden, hebt dus de wetenschap lief, dezen door hunne roeping, genen door hunnen plicht als christen. Door zulk eene lust voor de studie te toonen, zult gij den ongeloovigen bewijzen, dat wij katholieken voorstanders zijn van de verlichting.

5de verhandeling.

Het godsdienstig onderricht.

Wij hebben u tot hiertoe getoond, hoe de christelijke jongeling in het algemeen moest onderricht zijn; wat de plichten van zijnen staat en wat de bijkomende kundigheden waren.

Maar, mijne vrienden, ik bid en smeek u, voegt bij dit onderricht, noodig voor de 'wereld, een grondig godsdienstig onderricht, dat voor uw eigen persoon volstrekt

ocr page 65

59

noodzakelijk is. Eene zeer grondige studie van den katholieken godsdienst, van zijne dogmas en van zijnen eeredienst zal ook u een bron zijn van een krachtig geloof, de noodzakelijke aanvulling uwer klassieke studiën en de onvermijdelijke grondslag voor het apostolaat.

Al hadt gij overigens alle eigenschappen van den christelijken jongeling, maar gij hadt ongelukkigerwijs uw godsdienstig onderricht verwaarloosd, dan zoudt gij het doel uwer jeugd gemist hebben, en uw leven, uw zedelijk gezag, ja uwe zaligheid zelfs zouden gevaar loopen. Bedenkt eens wat kracht een jongeling put uit de grondige kennis der geloofswaarheden, in de bekoringen, die hij zal moeten doorstaan. Telkens zal hij ze voor zijnen geest terug roepen, en daaruit nieuwe kracht putten. Ontmoet hij op zijnen weg eenige hindernis, een of andere moeilijkheid, dan gaat hij naar het arsenaal, waar hij zich wapenen gesmeed heeft, sterker dan het best bereide staal, en spoedig zal hij zijnen tegenstander tot zwijgen brengen.

Ondervindt hij zelf somtijds oogenblikken van matheid, van angst, van zedelijke hulpeloosheid, zooals een ieder uwer die ondervonden heeft, dan helpt en sterkt hij zich zeiven door opnieuw in zijnen geest die wonderbare bewijsvoeringen na te gaan, die hij in zijne jeugd verzameld en zich voor altijd ingeprent heeft. Hij die de wetten Gods kent is sterk. Vergeefs zal Satan zich tegen hem aangorden. Het schild der geloofskennis, dat zijne ziel dekt, is eene der beschuttingen, die de hel het meest ducht. Wat zoudt gij overigens weten, wanneer de onderrichtingen van den godsdienst u onbekend

ocr page 66

60

waren? Waartoe zou uwe wetenscliap, uwe letterkunde dienen, als gij de kennis mistet, die u tot God moet geleiden? Waarom zijn wij hier op aarde? Om Gods Paradijs te veroveren.

Geleiden de dichtkunst, de wetenschap en de fraaie letteren alleen er heen?

Volstrekt niet. Men moet haar derhalve datgene verstrekken, zonder het welke zij volstrekt nutteloos en zelfs gevaarlijk zouden zijn, omdat zij slechts een be-driegelijken spiegel zouden vormen.

Gij moet ze vergezeld laten gaan door het voornaamste onderricht, het eenig noodzakelijke, het godsdienstig onderricht, dat van den hemel komt, en alleen op de aarde nederdaalt om ons te omvatten, en ons terug te voeren tot onzen goddelijken oorsprong.

Eens dat een candidaat voor den doctorstitel de vragen der examinatoren zeer voldoende had beantwoord, zeide hem de president Garcia Moreno: „Gij kent uw recht goed, mijnheer, maar kent gij ook uwen catechismus? Om recht te spreken moet een overheidspersoon voor alles de wet Gods kennen.quot; En toen hij den student ondervroeg, moest deze het antwoord schuldig blijven. „Mijnheerquot;, zeide Garcia Moreno ernstig, „gij hebt uwen doctorstitel, maar gij zult geene betrekking bekomen, voor gij uwen catechismus kent. Begeeft u tot de Franciskanen om dien te leerenquot;.

Waarde vrienden, verliest deze oorspronkelijke waarheden nooit uit het oog, en tracht, in navolging van alle ware christenen en bizonder van den H. Paulus, Jezus den gekruiste te kennen. Wanneer gij eenigen tijd

ocr page 67

61

vertoefd hebt op den berg van Calvarië, en gij daar het geheim des kruises hebt leeren kennen, dan zult ge voor altijd sterk zijn, en niets meer te vreezen hebben. Dan zal de wetenschap voor u geen gevaren meer opleveren, en zult ge met vreugde, in elke uitvinding, in elk nieuw meesterstuk, de weldaden begroeten van uwen geliefden Verlosser.

Het apostolaat eindelijk, waaraan gij u zult wijden, en welks behoorlijkheid en nuttigheid wij zoo aanstonds zullen nagaan, zal geen kracht hebben, en bizonder in gevaar gebracht worden, als gij geen kennis van den godsdienst bezit. Vergeefs zult gij u lang beijverd hebben eene ziel te winnen, als die u op eens ontgaat bij het stellen eener vraag, die gij niet kunt beantwoorden, of erger nog, die gij slecht beantwoordt.

Dan zullen al uwe gedane moeiten verloren zijn, want de menschel ij ke geest houdt van eene gezonde redeneering, en wanneer hij die niet op zijnen weg ontmoet, wendt hij zich af, om nooit meer terug te keeren. Het kwaad, dat gij dan der Kerk en het geloof zult hebben berokkend, door een fout uwer jeugd, zal onherstelbaar zijn, en gij zult er u nooit over kannen troosten. Maar is godsdienstig onderricht niet vooral noodig voor u zeiven, voor uwe geestelijke bekoringen? Misschien gelooft gij, dat gij niet zult bezwijken, omdat gij getrouw uwe plichten van christelijke godsvrucht vervult, en somwijlen zoudt gij geneigd zijn den phariseër van het Evangelie na te zeggen: „Heer ik dank u, dat ik niet ben als zooveel anderenquot;. Wacht slechts! Satan, die rondloopt, en over uwen hoogmoed lacht, weet zeer goed

ocr page 68

62

waarin gij zwak zijt. Weldra zal hij bij u een of anderen gevaarlijken twijfel laten ontstaan tegen de leerstukken der Roomsche Kerk. Uwe onwetendheid zal het gevaar niet kunnen ontgaan. Gij zult u verontrusten, gij zult beginnen te twijfelen, en door deze open bres zullen alle andere hartstochten binnen dringen. Hoe velen dier onwetende hoovaardigen heeft de Kerk niet gekend, die.....

Maar laten wij daarover zwijgen, en dergelijke treurige ergernissen liever niet in het geheugen terug roepen.

Door zich te beijveren eene grondige godsdienstige kennis te verkrijgen, zal de christelijke jongeling op rijpen leeftijd dit gevaar weten te vermijden.

De studie van den godsdienst ging overigens vroeger vóór al het andere. Met hem begon en eindigde men. In de eerste eeuwen der Kerk, ten tijde der catacomben, leerde men elk onderricht van den godsdienst grondig kennen, en wist bijna iedereen de Epistelen en Evangeliën van buiten.

De H. Augustinus en Tertullianus gaven ons hier omtrent nuttige wenken. Duizende leeken volgden, later in de middeleeuwen, de lessen der doctoren in de god geleerdheid, zooals die van den H. Thomas en den H. Bonaventura, en schaamden zich niet de gewichtigste vraagstukken der godsdienstige wetenschap te bestudee-ren. Zoo bleef het tot het einde der zeventiende eeuw, en eerst in de achttiende, bij het naderen der omwenteling, zien wij dien dorst naar kennis ophouden, die vroeger in het christelijk huisgezin bestond.

Hoe is dit alles thans veranderd. Men heeft, uit haat tegen de Kerk, het godsdienstonderwijs geschrapt van

ocr page 69

63

de officieele roosters van werkzaamheden op alle openbare scholen en instellingen van onderwijs.

Het leerplan zalfs der vrije scholen en college's let dikwerf te weinig op dit onderlijs; lietzy ten gevolge der algeraeene sleur, hetzij door de omslachtige voorbereiding voor de examens; men besteedt aan het godsdienstig onderricht nauwelijks een of twee uur per week.

Aldus wordt het kind en de jongeling eerst beroofd van God en daarna, bijna hopeloos, overgegeven aan eene halve wetenschap vol gevaren. In deze omstandigheden moet ge met kracht op nieuw beginnen en den verloren tijd inhalen.

Mijne vrienden, besteedt een groot deel van uwen tijd aan de studie of aan eene herhaling van uw godsdienstig onderricht, dit zult gij nooit betreuren, integendeel dikwerf zult ge er u zeiven in latere dagen geluk mede wenschen. Gij zult uw doel bereiken, hetzij door lessen, hetzij door lezen, gepaard met persoonlijken arbeid.

Gelukkig de jongelingen, die als studenten eener katholieke hoogcschool, de lessen kunnen volgen van de faculteit der Godgeleerdheid, van het natuurlijk of kerkelijk recht. Zij zijn bevoorrechten, zij hebben ter hunner beschikking zoowel geleerde lessen als bekwame meesters, om hen in hunne nasporingen voor te lichten. Als zij geene buitengewone kennis verkrijgen, zijn zij niet getrouw aan hunne plichten, en doof voor de stem des gewetens.

Anderen zullen arbeiden in den familiekring, onder eene bekwame leiding, die steeds op hunne vragen zal willen antwoorden, en spoedig zal hun ordelijke en wel-

ocr page 70

64

gekozene lectuur hen beschutten voor elke verrassing en overrompeling.

Gelukkig zullen zij nooit die schoone werken missen, die juist geschreven zijn voor den jongeling, die dorst naar kennis en wetenschap.

Hoe meer de kennis van den Christus geweerd wordt uit het staatsonderwijs, zooveel te meer zal de edelmoedige en ridderlijke geest van den christelijken jongeling die opvorderen. God zal hem er voor beloonen door zijn apostolaat vruchtbaar te maken.

Men heeft mannen gezien, die de gevolgen hunner nalatigheid trachten te bedekken, door te zeggen: „wat verlangt ge van mij, ik ben geen godgeleerdequot;. Jongelieden, weet het wel! niemand heeft het recht zoo te spreken. Ieder christen moet godgeleerde zijn, zoodanig, dat zijne gedachten en zijne woorden steeds geheel overeenstemmen met de leerstellingen des Pausen, en dank zij het onderricht der Kerk en der bewonderenswaardige pogingen der geestelijkheid, kan een ieder die kennis verkrijgen.

De mannen die, hetzij in onzen tijd, hetzij in vroegere eeuwen, het meest hebben geschitterd als dichters, kunstenaars of geleerden, zij allen hadden immer een grondige godgeleerde kennis. Zij kenden alles wat de mensch weet van de goddelijke wetenschap, hetzij door zijne eigen rede, hetzij door de voorlichting der H. Kerk.

Wilt gij een merkwaardig voorbeeld? Dan te, de beroemde Florentijn, de grootste der dichters, was een diepzinnig godgeleerde, en zijne Divina Comedia'vloeit over van de verlichtste leeringen en van de schitterend-

ocr page 71

65

ste overwegingen. De kennis van God, de studie van Jesus Christus en de overweging der goddelijke geheimen, verlichten hen, die zich daarop toeleggen meer dan eenig ander mensch, ja zij verlichten tot zelfs het genie.

Ode verhandeling.

De Kerkelijke geschiedenis.

Wij gaan nu spreken over eene even genotvolle als nuttige studie, opdat wij alles zouden gezegd hebben over het onderricht, zooals men dat gaarne bij den chris-telijken jongeling aantreft, n.1. die der Kerkelijke geschiedenis.

Mijne waarde vrienden, laat mij hier met een voorbeeld beginnen.

Iemand van ongeveer gelijken leeftijd als gij, getroffen door het heerlijk verleden van zijn land, legde zich van ganscher harte toe op de geschiedenis van Frankrijk. Hoe meer hij studeerde, hoe meer zijn christelijk hart behoefte had aan eene breedere studie, die meer bizon-der belangwekkend was voor het geloof.

Wat, sprak hij bij zich zeiven, ik zoude al onze koningen en al onze oorkonden haarfijn kennen, zonder een flauw begrip te hebben van de geschiedenis der Kerk, die niet anders is, dan het leven onzes Heeren, voortgezet in figuurlijken zin gedurende de eeuwen?

Getroffen door deze gedachte en getrouw aan de ingeving, die hij ontving, begon hij zonder dralen aan

5

ocr page 72

66

de algemeene geschiedenis van den eerwaarden heer Darras, wier talrijke deelen, wel verre van hem af te schrikken, zoowel het genoegen als de bezigheid van zijne vrije uren werden.

God zegende deze poging en deze vrijwillige en manhaftige studie was het begin van een leven van toewijding aan de Kerk en aan het heil der zielen. Garcia Moreno had de groote Kerkgeschiedenis van Rohrbacher driemaal gelezen.

Mijne jeugdige vrienden, ik heb zelf zulke zoete herinneringen uit dezen tijd, dien ik in mijne jeugd doorbracht met het lezen dier geschiedenis, dat ik het mij zou verwijten, als ik er u niet over onderhield.

Denkt er aan, de jaarboeken der Kerk te doorloopen, dat is het leven uwer moeder nagaan. Welke lezing kan heerlijker zijn voor een kind? De eerste vrucht, die gij uit eoiio dergelijke lezing zult trekken, zal eene eerbiedige en teedere gehechtheid zijn aan de Pausen, wier groote verdiensten gij dan zult leeren waardeeren.

Deze weldaad nu is eene der grootste, die uwe ziel kan ontvangen, en zij zal een beslissenden invloed op uw leven uitoefenen.

In welken staat gij ook door God geplaatst wordt, gij zult de handelingen der Pausen moeten verdedigen en voor hunne vrijheid strijden; en de kennis van de wijze waarop de opperpriesters hebben gewerkt voorde menschheid, sedert de vestiging van het Christendom, zal u die verdediging en dien strijd gemakkelijk maken.

La Moricière heeft het in eene gedenkwaardige dagorder gezegd: „Evenals eertijds de Islam, bedreigt thans

ocr page 73

67

de Revolutie Europa; en nu evenals vroeger is de zaak des Pausen, de zaak der beschaving en van de vrijheid der wereldquot;.

Er is niets te vreezen voor eenen mensch, die. den Paus liefheeft.

Het is mogelijk dat hij eenigen tijd afdwaalt, maar zijne verlichte liefde voor den H. Stoel zal hem altijd in den schoot der Kerk terugvoeren.

Indien de geschiedenis der Kerk en diensvolgens de verschillende prerogatieven der Pausen bestudeerd en gekend werden, zouden er geene ketterijen geweest zijn; het protestantismus zou gestorven zijn met den oproe-rigen monnik, en vele uitmuntende Katholieken zouden minder in hun geloof zijn geschokt.

Wat waren het gelukkige tijden, die eeuwen waarin de beschermende daad des Pausen en zijne goddelijke zending onder de natiën, door volken en vorsten met dankbaarheid erkend werden, eeuwen van het pauselijk scheidsgerecht, waarin de Kerk elk oogenblik de ooi-logen voorkwam, die op het punt stonden uit te breken; eeuwen waarin de Paus als aller vader optrad, en waarin de machtigste vorsten, door tusschenkomst der Kerk, werden genoodzaakt de regelen der zedeleer in acht te nemen, en de vrijheid hunner onderdanen te eerbiedigen.

Dat is nog niet alles. De geschiedenis der Kerk is de algemeene geschiedenis. Zij loopt zoodanig door de bizon-dere geschiedenis van alle landen, zonder onderscheid, heen, dat men door haar te kennen tevens alle andere kent; zoodat uwe kennis, na die lezing, veel grooter en duidelijker is. Hierbij is nog een grooter belang in het

ocr page 74

68

spel, door de studie der algeraeene geschiedenis, in verband met die der Kerk, en door die te beschouwen uit het oogpunt van de ontwikkeling van het Christendom, zal men opnieuw een blik leeren slaan op zichzelven en op zijn land, en eene menigte lichtvaardige oordeelvellingen leeren verbeteren, die men lichtzinnig aangeleerd had op de school, toen men uitsluitend de vaderlandsche geschiedenis beoefende.

Dan begint men sommige vorsten minder te achten, die als geliefde helden van den eeredienst der menschelijke rede, onder het voorwendsel van zich te ontslaan van eene lastige voogdij, den weldadigen invloed der Pausen verlamd, de Kerk geketend en met behulp der wetgevers, op hunne volkeren, die alsdan zonder verdedigers waren, het meest hatelijke despotisme hebben toegepast. Dan ook verkrijgt men geleidelijk, een klaarder inzicht in de algemeene staatkunde der regeeringen, en wordt men rechtvaardiger jegens enkele mannen, die de ongewijde geschiedenis verafschuwt, maar die desniettemin uitstekende dienaars waren van den godsdienst, d. w. z. van de zaak van God.

Jongelingen, gij die de gerechtigheid zoekt en bemint, in de geschiedenis der Kerk zult gij haar voor allen en voor alles vinden, en gij zult u volijverig op die studie toeleggen, die uw hart en uw verstand tevens zal bekoren. Gij zult er nog iets anders vinden, de nuttigste van alle kundigheden. Gij zult er inderdaad in zien dat, onder den invloed van den H. Geest, volgens de geschiktheid der volkeren, het geloof van rijk tot rijk gaat, en dat het altijd de zegeningen van tijdelijke wel-

ocr page 75

69

vaart en zedelijke grootheid medebrengt; evenals een rijke reiziger, die op zijne verschillende tochten achtereenvolgens de herbergiers verrijkt, die hem herbergen. Zoo iets is wel in staat onze aandacht te wekken, en de kerkelijke geschiedenis bevat op dit punt zoo vele treffende voorbeelden, dat het voor den jongeling hoog noodig is die te onthouden. Laat ons verder gaan.

De jaarboeken der Kerken vormen een der hechtste steunpunten van het Katholieke geloof. Wanneer wij van den eenen kant zien, hoe het scheepje van Petrus gedurende achttien eeuwen alle stormen heeft doorstaan, de heidensche vervolgingen, de ketterijen, de scheuringen, de geweldenarijen van Koningen en Keizers en de kwellingen der nieuwere tijden; en wanneer wij dan, van den anderen kant tot de wetenschap komen, hoe de Pausen, te midden van die gedurige en verschrikkelijke schokken, tienmaal de wereld gered hebben uit de bar-baarschheid, in die groote veldslagen, die met den slag bij de brug Milvius begonnen en met den slag bij Peter-warende eindigden, dan zal de jongeling verrukt en verbaasd staan. Dan zal hij zich uit den grond zijns harten en voor altijd gehecht voelen aan die Kerk, zoo zichtbaar door God beschermd; en aan het Pausdom, waaraan wij allen zoowel als de volkeren leven, verlichting en beschaving te danken hebben.

Zeker zullen zoovele beweegredenen van bovennatuurlijken of natuurlijken oorsprong reeds voldoende zijn den christelijken jongeling aan te sporen tot eene ijverige studie der kerkelijke geschiedenis, en toch bestaat er nog eene laatste, die men niet moet voorbij zien.

ocr page 76

70

Terwijl gij zoo geleidelijk alle eeuwen doorloopt, zult gij mijne jonge vrienden, de heilige mannen en vrouwen, en vooral de Kerkvaders leeren kennen. Bovendien zult gij hun leven, hunne voornaamste deugden kennen; hun invloed op de zielen en op de ontwikkeling der christelijke beschaving zal u niet onbekend blijven, en gij kunt ze naar hunne verdiensten in uw geheugen prenten.

Die heerlijke rij van de edelste kinderen der Kerk, van allen, zoowel mannen als vrouwen, die haar gediend hebben, die geestelijke orden hebben gesticht, die nu nog bestaan, en die als de baanbrekers der voorhoede het spoor getrokken hebben, waar langs de dankbare menschheid opgaat naar God, zij zal uwe kennis versieren, uwen geest verruimen, en u vleugelen geven, om gemakkelijker ten hemel te stijgen.

Door zulk eene studie zullen de bekoringen tegen het geloof geheel verzwakt worden; gij zult gelijk zijn aan een goed gewapend soldaat, en het heerlijk gevolg van al die krachten, zoo geduldig door uwe studiën verkregen, zal eene innige liefde zijn voor de Kerk en eene vurige begeerte hare belangen te behartigen.

ocr page 77

Derde Lezing: DE MOED.

Isïe verhandeling:

De moed van den christelijken jongeling.

(e moed is de schoonste eigenschap van den christelijken jongeling; hij doet hem God beminnen en den mensch achten; hij verzekert hem het behoud en de versterking van zijn geloof, eindelijk geeft hij hem in de maatschappij de meest eervolle en de meest benijdenswaardige plaats.

De moed openbaart zich op velerlei wijzen, in het godsdienstige, in het burgerlijke en in het militaire leven; achtereenvolgens zullen wij daarover spreken.

De christelijke jongeling bezit dien in elk geval, omdat hij gegrond is op het geloof, dat hem de hinderpalen doet verachten, die van den kant der menschen voortkomen: zooals bespotting en onrecht, beproevingen en gevaren, waarin het er op aankomt zich van zijnen plicht te kwijten.

Elke moed heeft het zelfde kenteeken: de ware moed is eenvoudig. Hij die zich moet opwinden, die als het

ocr page 78

72

ware een aanloop moet nemen, om iets tot stand te brengen, heeft inderdaad geen moed.

Hij alleen is werkelijk een moedig mensch, die onder alle omstandigheden, met eenvoud en onverstoorbare kalmte, zonder inspanning en zonder zwakheid, ten allen tijde zijn God, zijne beginselen en zijn vaandel verdedigt.

Arthur de Chalus zeide aan hen, die hem geluk wenschten: „mijne daad is eenvoudig, ik begrijp uwe verwondering nietquot;.

De meeste helden zouden antwoorden zooals hij.

O jonge lie.len weest moedig, ik bid het u, voor uwen naam en voor uwe belangen.

Ik behoef u niet te zeggen, hoe gij, zonder het te weten, de aandacht van het algemeen op u zult vestigen, door het moedige in uw gedrag, in uwe daden, zoo gij waarde hecht aan de openbare achting en haar op prijs stelt. Zelfs uwe tegenstanders zullen u eerbiedigen, gedwongen worden u te beminnen.

Maar gij hecht nog meer aan de achting van God, en gij zult door den hemel geacht worden, en uw leven zal gezegend zijn, wanneer gij God belijdt te midden der gevaren uwer jeugd.

Zooveel gewicht hechtte onze Heer Jezus Christus aan eene openbare en vrije belijdenis van het geloof, dat Hij zelf gezegd heeft: „die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, en die Mij verloochenen zal voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de Hemelen isquot;. (Matth. X, 32, 33.)

Als er nog iets noodig was, om u tot moed aan te

ocr page 79

73

sporen, zou ik zeggen: „men zal niets tot stand brengen, als men niet moedig voor zijne denkbeelden en genegen heden uitkomtquot;.

Vroeg of laat zult gij moeten strijden, om u een plaats in het volle licht te veroveren, en als gij dan valt, valt gij voor altijd in het lage duister. Maar dan ook zult gij werkelijk geen christen jongeling meer zijn.

De moed is in onzen tijd zoo zeldzaam geworden, dat men onophoudelijk hoort herhalen, dat men geene karakters meer aantreft; dat men geen menschen meer vindt, die steeds flink getrouw zijn aan hunne beginselen.

Voor den mannenmoed onzer voorvaderen is eene zwakheid en algemeene verwijfdheid der zielen in de plaats getreden. Men durft zijn God, zijn geloof, zijne meesters, zijne vrienden niet meer te verdedigen; men bestrijdt ze wel is waar niet, om zich niet op eene of andere wijze in de waagschaal te stellen of zich in de toekomst moeilijkheden op den hals te halen, maar men zwijgt of lacht, en dat zwijgen en dat lachen is elk op zich zelve reeds eene laaghartige overgave.

Laat ons met alle kracht tegen deze strekking, die geheel gekant is tegen de oude eigenschap van ons volk, ten strijde trekken. Ik weet niet of het waar is, dat er onder ons geene karakters meer bestaan; maar als dat zoo is, dan ligt de oorzaak hierin, dat het geloof onder ons kwijnt.

Wij van onzen kant zullen zoodoende bijdragen tot de zedelijke verheffing van ons land, en wij zullen zielen winnen voor de Kerk, omdat de moed eene onweerstaanbare bekoorlijkheid en aantrekkelijkheid bezit,

ocr page 80

74

2de verhandeling.

De moed in zake van godsdienst.

De ware moed wordt vooral getoond door de getrouwe plichtsvervulling van een christelijk leven.

George d'Héliand schreef aan zijne moeder: „ik zal tevreden zijn en geene vrees koesteren, als ik mijn geweten steeds zoo zuiver kan bewaren, als ik het tot nu toe gedaan hebquot;.

Het schijnt zoo gemakkelijk: christelijk te leven als men christen is. Evenwel moet de jongeling, om dat doel te bereiken, een geduchten strijd voeren tegen een verschrikkelijken wel bekenden vijand, te weten het menschelijk opzicht.

Het menschelijk opzicht is de eerbied voor menschelijke instellingen, hooger geplaatst dan het ontzag voor de wetten Gods.

Al wie zich aan zijn wet onderwerpt, gehoorzaamt, onder alle omstandigheden, eerder aan de menschen dan aan God. Laaghartig buigt hij het hoofd voor alle voor-oordeelen; uit vreeze zich belachelijk te maken wordt hij de slaaf van de vrijdenkers; uit zwakheid verraadt hij al wat hem dierbaar is.

Zeer groot is het getal dergenen, die slaven zijn van het menschelijk opzicht. Niemand wil het bekennen, maar iedereen onderwerpt zich aan die heerschappij, en men kan zich niets voorstellen dat edeler is, dan een christelijk jongeling, die moediger dan het meerendeel zijner medeleerlingen, te midden van al die neerhangende hoofden, hcst zijne fler durft op te heffen.

ocr page 81

75

Stoort u niet, jonge lieden, aan het menschelijk opzicht. Dat is de eerste slag, dien gij bij het begin van uw leven hebt te leveren, en wint gij dien, dan zult gij ook alle andere winnen.

Wat komt het er op aan, of men u bespot, of dat men u aanvalt! Verdedigt u, of gaat ernstig verder. In den grond van hun hart zullen de spotters zeker spoedig aan uwe zijde staan.

Men overwint het menschelijk opzicht spoediger dan gij denkt; het is voldoende dat men het aandurft, om het op de vlucht te drijven. Het menschelijk opzicht is een lafaard, die slechts onze verachting verdient. Verbant het zonder vrees, en gij kunt er zeker van zijn, dat zelfs diegenen, welke u zullen uitlachen, uwe wilskracht zullen bewonderen en uwe vriendschap zullen trachten te verwerven. Want niets trekt meer aan dan de jongeling, die overal en onder alle omstandigheden, den godsdienst verdedigt, waar hij wordt aangevallen, en die niet instemt met dat glimlachen of dat zwijgend toestemmen, dat niets anders is dan verraad jegens de waarheid.

Toen eens, bij gelegenheid dat men bij de poorten der stad een kruis wilde oprichten, de predikant, in de volle hoofdkerk van Quito, eenige mannen van goeden wil verzocht hetzelve te willen dragen, stapte de president Garcia Moreno, gevolgd door al zijne ministers, het eerst van zijnen zetel, en eischte de eer om dezen heerlijken last op zijne schouderen te nemen, en doorliep daarmede alle straten der hoofdstad. Het was eene heerlijke processie, en niemand waagde het hierover het

ocr page 82

76

hoofd van den staat te gispen of te beleedigen, omdat hij het volk zulk een heerlijk voorbeeld gaf.

Ach, mijne waarde vrienden, wanneer zal Frankrijk een zoodanig schouwspel beleven, wanneer zullen wij het hoofd van den staat het kruis van den goddelijken Verlosser op zijne schouderen zien dragen, en openlijk het heilig geloof belijden. Frankrijk ware gered, het zoude groot zijn en sterk. Dan zouden wij de ware weerwraak hebben; die namelijk ons vadei land opnieuw stelde aan de spits der volkeren, door christelijke deugden, door zedelijken moed, door de eer.

Wanneer men de vorming van het karakter bij den mensch bestudeert, bemerkt men dat dit geschiedt door daden van wilskracht, en dat zij alleen het doel bereiken, die niet bevreesd zijn zich zeiven geweld aan te doen. Van zijne jeugd af had Garcia Moreno besloten eenen moed te verwerven tegen elke beproeving bestand, om een strijd op leven en dood te voeren tegen de vrees, die in en buiten hem bestond. Zijn levensbeschrijver verhaalt ons, dat hij zoo onversaagd wilde worden, dat niets hem vervaard kon maken, noch de grootheid van een ernstig gevaar, noch zelfs de plotselinge verschijning van den dood. En aangezien de natuur, in dergelijke gevallen, plotselinge aandoeningen teweeg brengt, die de wil niet kan beheerschen, trachtte hij zich tegen deze onverwachte indrukken te vermannen, door zich met het gevaar vertrouwd te maken. Eens dat liij, met een boek in de hand, buiten wandelde, stond hij voor een grooten rotsblok, waardoor een natuurlijk gewelf gevormd werd, waar de zonnestralen niet konden binnendringen.

ocr page 83

77

Terwijl hij van deze beschutting gebruik maakte om een oogenblik te rusten, zonder evenwel zijne lectuur te staken, bemerkte hij dat de reusachtige steenklomp boven hem bijna geheel los was van zijn voetstuk, en hem bij de geringste beweging in zijnen val kon verpletteren. Als door een veer bewogen, ontvluchtte hij deze gevaarlijke grot. Maar beschaamd dat hij aan de vrees had toegegeven, gaat hij aanstonds weder onder de wankelende rots zitten, en blijft er een geheel uur. Om de natuur aan zijnen wil te onderwerpen, gaat hij verscheidene dagen achtereen daar ter zelfde plaatse eenigen tijd zitten lezen.

Een man van dien stempel deinst natuurlijk niet terug voor den dolk van den moordenaar of voor de woede van eene vergadering.

Niet iedereen bezit zoodanige wilskracht. Zij was ongetwijfeld noodig voor den man van staal, die zijn land moest hervormen, die man van ijzer waarvan Horatius spreekt:

Justum ac tenacem propositi virum Moog ook heel de aard iu puiu eu Etsi fractus illabitur orbis I [ascli verkeeren;

Impavidum ferient ruina;.quot; Pal staat de man van deugd, van

[moed en eere.

Maar ieder onze!- moet die, al is het dan ook in eenig-zins mindere mate, trachten te bereiken.

De werkelijk christelijke jongeling kent noch schuldige zwakheden, noch een in slaap sussen van zijn geweten.

Hij gaat recht op zijn doel af, en stoort zich, als het op het vervullen zijner godsdienstplichten aankomt, even-

ocr page 84

78

min aan het oordeel der onverschilligen als aan dat der goddel oozen.

De kalme sterkte is het geheim van het verwonderlijk zedelijk gezag, dat hij op twintigjarigen leeftijd bezit. Hij bepaalt er zich niet toe overal de geboden van God en van de Kerk te eerbiedigen; hij gaat nog verder, en toont, zoo dikwerf hij kan, openlijk zijn geloof door zijne daden. Men kan moeilijk nagaan hoe vruchtbaar een dergelijk apostolaat is. _

Belangrijk is hetgeen dequot; jongeling, die zoo handelt, zonder grootspraak en zonder zwakheid, met waardigheid en eenvoud, teweeg brengt, en wat niet alleen hem zeiven, maar met hem alle christenen eer aandoet. Nog op twee andere wijzen toont zich de moed in geloofszaken. Ten eerste moet de christelijke jongeling nooit aarzelen zijn geloof te belijden of te verdedigen, zoo dikwijls zulks gevorderd wordt, moet hij zeggen wat hij is en wat hij denkt, en hij mag het nooit ontveinzen. Hij moet van geen enkele dubbelzinnigheid gebruik maken om het zwijgen te bewaren, en hij moet zich onthouden van dien flauwen glimlach, die den ondervrager in den waan brengt, dat hij den godsdienst eveneens veracht, of zich niet stoort aan de voorschriften der Kerk.

Er zijn omstandigheden waarin het zwijgen alleen voor hem reeds eene laagheid is, en deze laagheid moet de christelijke jongeling nooit begaan. Hij moet zachtzinnig maar met klem die godvruchtige mannen verdedigen, wier deugden men bespot en die hij kent: hij moet de lasteringen aan de kaak stellen en de lichtvaardige oordeelvellingen ontzenuwen. Hg moet er zijne

ocr page 85

vreugde en zijn eer in stellen den Paus, zijn bisschop, de geestelijke orden of de voorschriften der Kerk nooit te laten aanvallen, zonder die te verdedigen. Dat men van hem, evenals van den H. Joannes Berchraans, getuige: „Joannes zal doof zijn aan dat oorquot;!

De vriendelijkheid zijner woorden en het aantrekkelijke van zijn karakter zullen der waarheid de overwinning verzekeren, zoo niet oogenblikkelijk, dan toch zeker bij nadere overweging.

Waarom het te verbloemen: de meeste menschen denken niet na en hechten nog minder aan hetgeen zij in het gesprek zeggen; en dikwerf is een woord, eene redeneering voldoende om hun verstand te verlichten, mits dit woord, die redeneering met kalmte geuit worde. De waarheid, die met eene vernedering gepaard gaat, neemt de mensch zoo moeilijk aan.

De christelijke jongeling vervult nog een derden plicht, als hij moedig de geschiedenis der Kerk verdedigt.

Daar hij weet dat de Kerk zijne moeder is, en de europeesche beschaving aan haar alles verschuldigd is, moet hij steeds optreden om hare instellingen, hare daden of hare groote mannen te verdedigen.

Geen edeler houding overigens voor een man, omdat zij een bewijs is zoowel van een door onderricht verlicht verstand, als van een gemoed, dat genoten weldaden weet te waardeeren. Wanneer men hem de kleingeestige lasteringen der school van Voltaire zal voorleggen, moet de jongeling die afwijzen, niet met afkeer, maar met kracht, gesteund door bewijzen. In hem vinde de verbasterde geschiedenis, de valsche sprookjes of het ver-

ocr page 86

80

zwijgen van feiten, een onvervaard tegenstander, en nooit moet hij een leugen betrappen, zonder dien te ontmaskeren.

Jongelingen, gij moet u tijdig op dezen heerlijken werkkring voorbereiden, daarom keurig leeren schrijven en onberispelijk leeren spreken.

Tegenwoordig moet elkeen, maar vooral ieder christen, eenigszins schrijver en redenaar zijn.

Gij zult de Kerk niet alleen te verdedigen hebben in de samenleving, gij zult wellicht voor haar moeten strijden in het openbaar, in de pers, mogelijk voor de rechtbank, misschien zelfs in de Wetgevende Vergadering.

Bereidt n nu reeds, in uwe conferenties en in uwe vergaderingen, op dien strijd der toekomst voor. Nog eens, vreest daar niet voor het menschelijk opzicht of voor de spotternij. Men leert bij zijn eerste optreden niet spreken, en de beste redenaars zijn zij, die zich langzaam geoefend hebben.

Weet ten minste uwe gedachten duidelijk voor te dragen, en uwe bewijsgronden helder uiteen te zetten, ten einde later, in dienst der Kerk, die wapenen te kunnen gebruiken, die gij u zeiven vervaardigd hebt, evenals de jeugdige officier, die den degen leert hanteeren^ om hem in de dagen van strijd te gebruiken ten dienste van het vaderland.

Dit dan zijn, om het nog eens te herhalen, de drie wijzen, waarop zich de moed openbaart in zake van godsdienst! in het vervullen van de plichten van een christelijk leven; in de belijdenis en de verdediging van zijne overtuiging, en in de geschiedkundige verdediging

ocr page 87

81

van de daden der Kerk en van hare zonen. De jongeling, die op deze drie punten moedig is, en daarbij de zedigheid en de nederigheid bezit, die het sieraad zijn van alle deugden, zal de eer uitmaken van zijne familie, en hij zal in de wereld eene eervolle plaats innemen.

Men kan hem de schoonste toekomst voorspellen, want God zal zijn leven zegenen ; en het is troostend en verkwikkend voor het gemoed te denken, dat het getal dezer jongelingen onder ons zal toenemen.

3de veriiandeunü.

De burgerlijke moed.

Mijne jeugdige vrienden, als gij achting voorn zeiven koestert, als gij eenig eergevoel bezit, als gij uw land liefhebt, toont dan burgerlijken moed. Op die wijze ontgaat gij de bitterste verwijten van uw geweten, verkrijgt gij de openbare achting, en wordt gij de meest krachtige hoop van elk christelijk volk.

De burgerlijke moed is de trouw vereenigd met de wilskracht; trouw aan recht en rechtvaardigheid, aan zwakken en verdrukten, aan zijne overtuigingen, aan zijne vrienden en aan zijne meesters. De kalme en standvastige wilskracht, steeds gesterkt door de godsvrucht, vindt woorden en daden om van die getrouwheid blijk te geven.

Deze soort van moed ondervindt eigenaardige moeilijkheden.

Hij moet zich in de meest voorkomende gevallen des

6

ocr page 88

levens, om zoo te zeggen, koud toonen. Men heeft, bij de gewone beoefening er van, nocli de opwekking noch den wedijver van den militairen moed, en hij wordt niet gesteund door de hoop op openbare hulde of eer, noch door het vooruitzicht van onderscheiding of toekomstige belooning.

Alles blijft tusschen God en den mensch; de mensch die zijn plicht doet. God die het ziet. Zonder twijfel is dit de oorzaak, dat men den burgerlijken moed in onze dagen zoo zeldzaam aantreft. De zwakke godsvrucht van onze geslachten is niet in staat om hen te bemoedigen. Men zwijgt onder voorwendsel van eene geveinsde zachtmoedigheid, van eene overdrevene liefde voor den vrede, of van eene valsche goedertierenheid, en laat alles wat men vereert, allen die men liefheeft, vertrappen door lieden, die men in den grond zijns harten veracht. Hoeveel te eerder moest men zich zeiven verachten? En toch zoodanige zwakheid en lafheid berokkent onberekenbaar kwaad aan de Kerk, aan het vaderland, aan het christelijk onderwijs, aan alle verhevene zaken waaraan men zich heeft toegewijd.

In elk geval schaadt men zich zeiven het meest, want ons zedelijk gezag wordt geschokt; en van het oogenblik af dat men aan zijne plicht is te kort geschoten, wordt men gerekend tot die lieden, wier oordeel en beslissing geen. gezag meer heeft.

Niet aldus handelt de christelijke jongeling. Bij den eersten aanval, hoe onverwacht ook, trilt hij. Men ziet hem het hoofd opheffen. Hij luistert en de wijze waaröp hij hoort is reeds een begin van wederlegging. Hij neemt

ocr page 89

83

vervolgens het woord en antwoordt met kracht en beslistheid op elke lastering, op elk valsch oordeel, op alle dwalingen, die hij heeft hooren uiten. Bij zijne verdediging van recht en waarheid gaat eene trilling door zijne hoorders. Zijn tegenstander is het mogelijk niet met hem eens, wellicht hoort hij kreten aanheffen, om hein te overschreeuwen; maar geen enkele van hen, die hem hoorden, die niet bij zich zeiven zegt: „Datis een dapper man, wiens vriend ik gaarne wezen wil; dat is een Katholiek van den echten stempel, die zich zeiven en de zijnen weet te verdedigenquot;.

Op jeugdigen leeftijd zeide La Moricière reeds: „ik geloof dat ik te kort kom aan hetgeen ik mij zeiven verschuldigd ben, als ik mijne zienswijze verberg; het is eene laagheid zijne gedachten te verbergen; dat is zeker het ergste van allesquot;.

De christen bepaalt zich niet enkel tot spreken, als somwijlen het recht en de rechtvaardigheid klaarblijkelijk worden geschonden, als er een onmiskenbare aanval wordt gedaan op zaken, die ons heilig en dierbaar zijn, dan handelt hij, en dan toont zich de burgerlijke moed, schitterend en in het helderste licht.

Frankrijk heeft er onlangs een gedenkwaardig voorbeeld van gezien. Zoodra de rechterlijke ambtenaren zagen, dat de regeering van plan was de geestelijke orden uit hunne kloosters te verdrijven en op die wijze de eerste vrijheden van beschaafde volkeren te schenden, hebben zij niet geaarzeld.

Zij hebben eervol hunne zetels verlaten, en onder de toejuiching van het christelijk deel der natie, vrijwillig

ocr page 90

84

hun ontslag genomen, liever dan te gehoorzamen aan bevelen, die tegen hun geweten streden. Ook het katholieke Duitschland heeft een schoon voorbeeld van burgerlijken moed gegeven, door weerstand te bieden aan de verdrukking van den Kuituurkamp, onder eene ijzeren regeering. God beeft de volhardende wilskracht van die moedige kampvechters gezegend; na eenen strijd van tien jaren zijn de nationaal-liberalen overwonnen, en de Kerk heeft den grootsten roem verkregen door eene vervolging, die haar, naar men zeide, ten ondergang moest brengen. Mijne jeugdige vrienden volgt dergelijke voorbeelden na.

Dat uw moed altijd grooter zij dan die der onrecht-vaardigen of van het tijdelijk geweld, en hecht immer meer aan uwe eer dan aan uwen stand. Weest evenmin bevreesd voor de menigte. Vreest niet voor de menschen, vreest God alleen, en gaat uws weegs. Het gebeurt soms dat de menschen zich door eene voorbijgaande dwaling laten medesleepen, en aan de opwelling en den hartstocht van het oogenblik gehoorzamen.

Dan zult gij rondom u woedende kreten hooren. Laat er u niet door vervaren. Denkt aan den Christus, die op Zijnen weg naar den Calvarieberg, door het volk beleedigd werd, en weest naar Zijn voorbeeld kalm en sterk.

Wederstaat der menigte, en verkondigt haar de waarheid. Men schat den invloed van de waarheid op het gemoed te gering. Dezelfde menigte, die zooeven onbeschroomd de vrijheid schond, of de gerechtigheid verried, zult gij weldra op hare schreden zien terugkeeren en hulde brengen aan uwe houding.

ocr page 91

85

Zijt eveneens getrouw aan uwe overtuiging, gegrond op ernstige studie, en weet dezelve in alle omstandigheden te verdedigen.

Gij moogt niet behooren onder het getal dier naamchristenen, die vol vrees op de vlucht slaan, zoodra de vijand verschijnt; dat men op u niet kunne toepassen, wat men eens heeft durven zeggen: „Jegens de Katholieken kan men zich alles veroorlovenquot;.

Is die tijd er ooit geweest? — dat hij nooit terugkeere!

Vormt u zeiven tot strijders voor alles wat u dierbaar is, en wijkt nooit voor hen, die zich daaraan vergrijpen. Gij zult verbaasd staan over den geringen moed, die gij bij uwen tegenstander aantreft; en weldra zal uw jeugdige moed, die u in den beginne eeuige inspanning gekost heeft, u even gemakkelijk als dierbaar zijn.

Nog eischt de burgerlijke moed dat gij getrouw zijt aan de meesters, die uwe kindsheid geleid en uwe jeugd onderwezen hebben.

'Men vergeet deze diensten te spoedig, maar die zwakheid van ziel moet gij niet hebben. Gij moet even dapper zijn in de dankbaarheid, in den eerbied en in de liefde, als gij het waart in de verdediging van uw geloof en van uwe beginselen.

Herinnert u de gedegenheid, die uwe onderwijzers voor u koesterden en nog koesteren, de lessen die zij u gaven, de moeite die zij zich hebben getroost, om mannen en helden van u te maken, en vergeet nooit dat zij de plaats uwer ouders bij u vervuld hebben.

Tracht uwe achting voor hen bij elke gelegenheid te toonen, hen met al uwe kracht bij te staan, en ver-

ocr page 92

86

dedigfc het college, de faculteit of de school, die u in uwe jeugdige jaren beschutte, tegen alle onrechtvaardige aanvallen.

De Heilige Berchmans was zoo gehecht aan zijne leermeesters en bewaarde van hen zulk eene eerbiedige herinnering, dat hij op zijn sterfbed nog dacht aan allen, die hem in zijne kindsheid onderwezen hadden, en beloofde voor hen te bidden, als hij eenmaal in den hemel zou zijn gekomen.

Weest eindelijk innig getrouw aan uwe vrienden.

Begrijpt toch jongelingen hoe kostbaar de christelijke vriendschap is. Tot troost der stervelingen heeft God deze bloem uit den hemel afgezonden. Hare geur is zoet en hare weldaden zijn onuitsprekelijk. In krachtige harten verdubbelt zij den ijver; zij brengt vrede aan zwakke of vermoeide zielen. Die haar gekend heeft, weet geen woorden om haar te bezingen. Onder de jeugd is haar hoogste doel, het behoud der christelijke deugden te vergemakkelijken en de jonge lieden door ouderlingen steun te helpen, ongerept en zuiver te leven te midden van bekoringen en beproevingen.

Geen schooner verbond, dan hetgeen Joannes Berchmans sloot met zijne vrienden van het noviciaat te Mechelen, Jozef van Schurch en Joannes van der Vloet.

Deze vrome novicen waren overeengekomen, eiken dag, onder de H. Mis, voor elkander den Gever aller goede gaven te vragen: eene engelachtige zuiverheid, eene voortdurende getrouwheid aan hunne roeping, en de genade eenmaal waardige arbeiders te worden in de Societeit van Jezus.

ocr page 93

87

Met die raeening moesten zij elke eerste H. Communie van de maand opdragen. Indien een van hen kwam te sterven, waren de beide anderen verplicht twaalfmaal de H. Offerande der Mis voor de rust zijner ziel op te dragen, of een gelijk getal rozenhoedjes te bidden, indien zij nog geen priesters waren.

Zijnerzijds moest de overledene, zoodra hij voor Gods aanschijn zou zijn gekomen, voor de anderen de zoo begeerde drievoudige gunst afsmeeken.

Zijn levensbeschrijver voegt er bij : als men de kracht dezer gebeden, volgens het gedrag van Berchmans moet beoordeelen, dan kan men zeggen, dat eene bede zelden vollediger verhoord werd.

Dat, mijne waarde vrienden, is de christelijke vriendschap, de vriendschap getrouw tot en na den dood. Wanneer de vriendschap slechts eene bekoorlijkheid des levens is, verdwijnt zij spoedig; wil zij tegelijkertijd eene bekoorlijkheid en een kostbare schat zijn, dan moet zij op God steunen, en tot haren goddelijken oorsprong terug voeren.

De vriendschap, die er bestond tusschen den H. Basilius en den H. Gregorius van Nazianze, beiden studenten te Athene, kan allen jongelingen tot voorbeeld strekken.

De H. Gregorius heeft er ons een heerlijk beeld van nagelaten:

Hij schreef: „wij hadden beiden hetzelfde doel, wij zochten denzelfden schat, de deugd, en wij poogden onze vriendschap eeuwig te maken, door ons op de eeuwigheid voor te bereiden. Te Athene kenden wij slechts twee wegen, den weg naar de kerk en den weg naar

ocr page 94

88

de openbare scholen. De overigen kenden wij nietquot;. Als gij het geluk hebt zulke vrienden te bezitten, hecht u dan steeds innig aan hen, en als gij hen in uwe tegen-wooidigheid onrechtvaardig hoort lasteren, bewaart dan geen goedkeurend stilzwijgen. Dat is het laatste blijk van burgerlijken moed, en vooral niet het geringste.

In een woord, mijne waarde vrienden, woest dapperen, ridders zonder vrees of blaam, gewapend ter verdediging der waarheid en der mannen, die haar vertegenwoordigen.

Dat uw moed ernstig en kalm zij, dat hij voor geen hinderpaal terugdeinze, en weest niet bevreesd dat dit edel gedrag uwe belangen zal schaden.

Integendeel zij zullen er door gebaat worden, en uw moed zal u bemind maken, terwijl tegelijk de godsdienst om u aantrekkelijk, bemind ja onweerstaanbaar wordt.

4de veehandeling.

De moed van den krijgsman.

Mijne vrienden, de titel van deze verhandeling zoude die onzer vaderlandsche geschiedenis kunnen zijn.

Wij hebben, Gode zij dank, onze geschiedboeken slechts na te slaan, om op elke bladzijde, gedenkwaardige voorbeelden van moed te vinden, en een der jongste en schitterendste bewijzen is de bewonderenswaardige aanval van het zouaven-regiment te Loigny, waarover ik u reeds gesproken heb.

Wij kunnen het op dit oogenblik niet vergeten. Ofschoon hij de nederlaag niet kon voorkomen, doet hij

ocr page 95

89

toch, en wel voor altijd, bet Fransche bloed eer aan. Do moed van den soldaat hangt niet af van den uitslag van het gevecht, hij is even bewonderenswaardig bij den overwonnene als bij den overwinnaar, en dikwerf heelt de verslagene, verpletterd door de overmacht, alleen aanspraak op den palm van den heldenmoed. In de algemeene geschiedenis is Leonidas bij de Thermopylae groot gebleven; Xerxes is er slechts bekend door zijn hoogmoed en zijne schande. De moed zóó opgevat kan men noemen: de verachting des doods voor eenerechtvaardige zaak.

Daarom is hij na de godsvrucht, die zijn grondslag is, het schoonste sieraad van den mensch. Wanneer de mensch het dierbaarste, wat hij bezit, zijn leven wegschenkt, brengt hij het grootste offer, dat men van hem kan vergen, en hij staat daar voor ons als een held.

La Rochefoucauld heeft gezegd : „Dewijl de ware moed bestaat in de zielskracht, zich boven de aandoeningen te verheffen, veroorzaakt door het gevaar, vormt het vrije gebruik der rede, in die verhevene oogenblikken, heldenquot;.

Men streed eens op de oevers van de Marne bij Parijs. Het gevecht was verwoed, de kogels floten van alle kanten, de vlakte lag bezaaid met gewonden. Daar liep echter een man, met de toga opgenomen, van den eenen naar den anderen en verstrekte hier eenige droppels water, legde daar een verband, bracht overal den verheven troost van den godsdienst. Op eens rijdt hem generaal Drouot in draf voorbij: „Wat doet gij daarquot;, roept hij hem toe, „keer terug naar de achterhoede, gij zult getroffen wordenquot;,

ocr page 96

De aangesprokene heft het hoofd op, lacht minzaam en antwoordt: „ik vrees den dood niet, generaal! laat mij mijn plicht doen bij de stervendenquot;. Dat was Broeder Philippus, de algemeene overste der Broeders, dat was de held van moed en van geloof. Mijne waarde vrienden, moge dit voorbeeld in uwe harten eene heilige geestdrift ontsteken, en gij zult, in die beslissende oogenblikken, die wellicht aanstaande zijn, uw plicht jegens uw land weten te vervullen, evenals Broeder Philippus. Uit God zult gij uwe kracht putten, want men schat het tijdelijke leven gering, als men uitzicht heeft op het eeuwige.

Vraagt gij naar de oorzaken van het vuur, dat in het oog van den soldaat schittert tijdens den strijd, dan kunnen wij er verscheidene vinden, die wij evenwel in deze twee kunnen samenvatten: de liefde voor God en de liefde voor het vaderland. De liefde voor God, want al wie voor eene rechtvaardige zaak strijdt, strijdt voor God zelf; en een eeuwig loon is hem toegezegd, die als verdediger van het recht, sneuvelt op het slagveld.

Luitenant Dufournel zeide tot de zouaven: „mannen, nu komt het er op aan te sterven: in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot;.

En voor het gevecht met de Pruisen te Champagné, ontbloot de GeofïVe zijn hoofd en bidt, ten aanhoore van allen, het Onze Vader, en de geheele compagnie antwoordt.

Het geweervuur begint. De Geoffre wordt een dei-eersten doodelijk getroffen; een kogel doorboordt het hoofd, dat zooeven ontbloot werd om den wil Gods te begroeten.

ocr page 97

91

Wat kan hij te vreezen hebben, die God lief heeft, als hij in het vuur gaat, die zich zeiven aan den Heer heeft weggeschonken, die gebiecht en gecommuniceerd heeft, die den Heer der heerscharen in zijn hart draagt.

Welke gevaren zal degene niet gering schatten, wiens geweten geheel opgaat in zijnen heiligen plicht, die zich zei ven voor deze keuze stelt: of door God en de men-schen geprezen te worden, als hij het leven behoudt, of naar den hemel te gaan, als hij het leven verliest?

Kalm en onversaagd blijft hij onder een kogelregen, het kanonvuur zal hem het hoofd niet doen buigen, omdat zijn moed met een gulden keten geklonken is aan de goddelijke rots, die door niets geschokt wordt.

Op den morgen van een gevecht, zeide Charette tot zijne officieren: „Mijne Heeren! gaat daar heen, waar ik vandaan kom; gaat in den biechtstoel moed putten voor den strijdquot;.

De vermaarde Cathelineau had, om zijne Vendeörs aan te vuren, afbeeldingen van het H. Hart onder hen uitgereikt, die zij voor het eerst op hunne borst droegen; en hij bad met hen den rozenkrans, toen hij aan het hoofd zijner boeren tegen geoefende soldaten optrok. De verwonderlijke moed van generaal de Sonis had dezelfde bron, daags voor den slag van Solferino schreef hij: „Toen wij op onze verkenningstochten door vlekken en dorpen trokken, bemerkten wij eensklaps een kerktoren. Ik gaf commando; afstijgen! daar is de Meester! Wij stegen af en traden de kerk binnen, wij verzochten eenen priester ons de H. Communie te geven. Daarna vertrokken wij aanstonds, wij hadden geen tijd te verliezen.

ocr page 98

Onderweg en wel te paard deden wij onze dankzeggingquot;.

Het godsdienstig gevoel heeft alle groote krijgslieden aangevuurd en gesteund, en het is hier de plaats ora nog eeus te herhalen: „de godsvrucht is tot alles dienstigquot;.

Het volk dat ongodsdienstig wordt, vervalt tegelijkertijd tot lafheid en vrees. Het vreest den dood, de nederlaag; het weifelt en deinst terug en wordt, in minder dan eene halve eeuw, de speelbal van andere natiën.

Christelijke jongelingen, als gij ooit tot den strijd geroepen wordt, moet gij moedig en dapper zijn. Gij moet even dapper zijn als uwe krijgsmakkers in het jaar 1870 en, als het noodig is, moet gij, evenals zij, zonder angst of vrees uw leven geven; omdat gij God lief hebt en omdat gij weet dat u, na een dergelijken dood, een eindeloos en heerlijk leven wacht.

Ook uit vaderlandsliefde moet gij dapper zijn. Zij is de tweede bron van dapperheid. Zij ontsteekt grootsche zielen en vuurt ze tot den strijd aan. Malebranche zeide: „men moet christen en Franschman zijnquot;. Het is zoet voor het vaderland te sterven, omdat zulks het groote gezin is, waarin God ons liet geboren worden, welk gezin men met zijn laatsten druppel bloed moet verdedigen. Het is zoet te strijden met het doel den vijand ver over de geschonden grenzen terug te drijven. Het is vleiend zich den gewapenden beschermer te gevoelen van zoovele moeders, echtgenooten en kinderen, ja van geheel een beangstigd volk. De oorlog is zeker een rampzalige geesel der menschheid, een der gruwelijkste gevolgen van de erfzonde; maar de goede God heeft er een schitterend licht, eeae wegsleepende aantrekkelijkheid

ocr page 99

93

aan verbonden in den krijgsroem en de onsterfelijke lauweren van het oorlogsveld.

„Ik sterf tevredenquot;, herbaalde Arthur de Chains glimlachend. „Kalm en met vreugde verlaat ik bet levenquot;, zeide Joseph Guérin, de jeugdige en heilige pauselijke zouaaf. „Sinds lang heb ik God mijn leven opgedragen. Benijdt mijn geluk en troost mijne moederquot;.

Bezield door dezelfde geestdrift achtten die moeders zich gelukkig, die hare zonen zoo eervol hadden zien sterven. Mevrouw d'Heliand hief een „Te Deumquot; aan, toen zij het bericht ontving, dat haar zoon op het veld van eer gesneuveld was. Mevrouw de Pimodan verneemt den dood van baren echtgenoot, gesneuveld te Castel-fidardo, bij de verdediging van den H. Stoel. Zij neemt baar vierjarigen zoon in de armen en roept uit; „Ook gij zult soldaat des Pausen wordenquot;.

De ware bronnen der dapperheid vindt men dus in de liefde tot God en in de liefde tot het vaderland. Tallooze voorbeelden bewijzen het. Niet zonder ontroering konden wij, nog kortelings, het verhaal der groote wapenfeiten van den admiraal Courbet herlezen; bij is zeker ook het volmaakte beeld van den christen en van den vaderlander. Met den kreet; „Leve Frankrijkquot;, trekken de troepen in den stormpas voorbij den-heuvel, waarop zich de admiraal bevindt, en van waar hij hen begroet met eene aandoening, die bij niet kan bedwingen.

„Trekt ten strijd, matrozen, turco's, soldaten. De aanvoerder, dien gij begroet onder het kanongebulder, zal er even spoedig zijn als gij. Daar kunt gij staat op maken, en — dat zegt u allesquot;.

ocr page 100

94

Maar behalve deze hoofdoorzaken, de liefde tot God en het vaderland, zijn er nog andere, krachtige beweegredenen. De zucht naar het krijgsleven heeft te allen tijde, vooral in ons schoon Frankrijk, edelmoedige harten doen trillen.

Onze geschiedenis levert tal van schitterende veldslagen, die, Gode zij dank, meestal geleverd werden voor de verdediging van de Kerk en der edelste beginselen. Tolbiac, Poitiers, Pavia, Jeruzalem, Eouvines, la Man-sourali, Rocroy, Fontenoy, Navarin, Algiers, Castelfidardo, Mentana. Deze veldslagen zijn een roem voor ons geslacht: sommige hebben de vrijheid der Kerk gered en Europa verlost; andere werden geleverd om de onschendbaarheid van ons grondgebied te handhaven; wederom andere hebben het licht der beschaving onder de barbaren gebracht, terwijl ten laatste enkele strekten om het geschonden recht te wreken.

Het heeft ons land nooit aan krijgslieden ontbroken, om dergelijke oorlogen te voeren. Eerst waren het de troepen van Austrasië, die Karei Martel volgden, en de paladijnen van Karei den Grooten, die elk jaar Europa doortrokken, en die op elk hunner rustplaatsen het kruis plantten.

Later kwam de ridderschap met hare krijgshelden; de ridderschap wier scboone hoedanigheden te lang miskend zijn geweest, en die haar degen alleen ten dienste der zwakheid had gesteld. In onzen tijd is voor ieder soldaat de eervolle ridderrol bewaard; de moed heeft zijn gebied vergroot, maar hij heeft niets verloren in krach t of in zuiverheid.

ocr page 101

95

Hetzelfde bloed stroomde zoowel te Loigny als te Bouvines; en wat voor den Paus vergoten werd inden slag van Mentana, verschilt niets met het bloed, hetwelk vloeide te Poitiers of te la Mansourah. Bloed van Franschen, bloed van helden, bloed gestort voor de gerechtigheid, en een onuitputtelijke bron van roem.

Men begrijpt derhalve dat de fransche jongelingschap te allen tijde tot den strijd werd getrokken, door de liefde tot den krijgsmansstand, door de zucht tot het gevecht, door de begeerte, zich door dappere daden beroemd te maken in de oogen zijner medeburgers. Zulk een ijver is even edel als billijk.

Men ziet gaarne in eenen jongeling, die zucht om roem te verwerven op het oorlogsveld, dat hij welgevallig den kruitdamp opsnuift, dat hij trilt bij het gedonder van het geschut, dat hij met geestdrift deelneemt aan de bestorming van eene veste of van de vijandelijke gelederen. Jongelingen, wanneer gij den krijgsmansstand kiest, of tot den dienst van uw land wordt opgeroepen, gaat in het vuur; strijdt dapper. God moge uwen degen zegenen. Frankrijk heeft nooit grooter behoefte aan uw dapperheid gehad. Houdt dit steeds voor oogen opdat uw moed niet verzwakke in dagen van lusteloosheid en van afwachting: nooit heeft aan een geslacht van mannen de gelegenheid ontbroken, om van zijne heldhaftigheid blijk te geven,

Deze gelegenheid zal zich vroeg of laat aan u voordoen. Zorgt slechts dat zij u niet ontsnapt, als zij zich voordoet. Let wel op. Elke eeuw heeft haar heldendicht gehad. Verscheidene hadden er twee of drie. Het geslacht

ocr page 102

96

dat u voorafging heeft in de jaren 1860 en 1870 den Paus kunnen dienen; om zich daarna te kwijten aan de verdediging des vaderlands. Dezelfde jongeling heeft deel kunnen nemen aan twee groote militaire gebeurtenissen ; hij heeft kunnen strijden bij Mentana en bij Patay.

Het leven van Charette omsluit beide tijdperken van roem, en wie weet wat ons nog in de toekomst is weggelegd.

Zij die met bitterheid zeggen dat er in onze dagen geen gelegenheid is om geestdrift en toewijding aan grootsche zaken te toonen, sluiten de oogen om deze duidelijke waarheden niet te zien. Zelfs zij die klagen, konden verscheidene malen gesneuveld zijn voor de meest heilige, voor de meest geestdriftwekkende belangen, die, als ik het zoo eens mag uitdrukken, ooit voorkwamen, en wie anders spreken ontmoedigen de jongelingschap.

Mijne jeugdige vrienden, luistert niet naar die vrijwillige twijfelaars, die ons hart zouden willen verdorren en de geestdrift uitblusschen, die in u blaakt; luistert veeleer naar helden, die u toespreken: hoort gij niet in de verte het gebulder van het kanon ? De lucht is drukkend. Zware wolken drijven aan den gezichteinder, en gij weet het, als de dampkring met electriciteit is overladen, moet ten laatste de bliksem flikkeren. Zoo zal het ook gaan met de volkeren. Zij kunnen niet voortdurend tot de tanden gewapend staan en zoo zich zeiven ten ondergang brengen zonder te oorlogen. Eicht uw blik zuidelijker; onze H. Vader de Paus zit gevangen te Rome. Oogenschijnlijk is het bloed, op de slagvelden

ocr page 103

9v

van Castelfidardo en Montana nutteloos vergoten. Maar zoudt gLj raeenen dat God zijn laatste woord gesproken had; dat het geweld, de ruwe kracht, de boosheid altijd zullen overwinnen? Gelooft gij dat het werk van Garibaldi, voor altijd dat van La Moricière zal verdringen?

Let wel op, er zijn groote dingen op komst. Ik weet niet wanneer het uur zal slaan. Ik weet niet door wien gij geroepen zult worden. Of het zal zijn door den Paus, bedreigd in zijn laatste schuilplaats, of door het vaderland, opnieuw en ditmaal aangevallen in zijn bestaan. Maar wat ik weet en waar ik van overtuigd ben is, dat gij geroepen zult worden, dat voor u het uur zal slaan, martelaren te worden voor Christus of voor Frankrijk. En ik kan geen jongeling zien, zonder bij mij zei ven te zeggen: „Deze zal getuige zijn van ongehoorde veldslagen. Moge hij er een eervol deel aan nemenquot;.

7

ocr page 104

Vierde Lezing: DE VERDIENSTE.

1ste verhandeling: Het ware begrip van de verdienste.

A

A^jiets is aantrekkelijker dan de aanblik van eenen verdienstelijken jongeling. Zijn aanblik alleen doet alle edele gevoelens trillen; met welgevallen rust op hem bet oog, en men voelt zich tot hem aangetrokken, voor men zijn inborst zelfs nog kent.

De ware verdienste is een der deugdelijkste wapenen van het apostolaat, en hij die er zich van bedient ten goede, oefent op zijne omgeving eenen weldadigen en vruchtbaren invloed uit. „Niets schoonerquot;, zegt Pater van der Speeten, „dan het beeld, hetwelk de tijdgenooten van den heiligen jongeling Berchmans ons schetsen, op zijn twintigste levensjaarquot;. Begaafd met alle uiterlijke bekoorlijkheden, die een jonge man kan wenschen, met eene zachtzinnigheid en zedigheid, die zijne schoonheid

ocr page 105

ö§

verhoogden, aangenaam in den omgang, goedhartig ofschoon nooit zwak, was bij de roem zijner leermeesters en de trots zijner makkers. Hij behoorde niet tot die zonderlinge karakters, die meenen niet deugdzaam te kunnen zijn zonder tevens afgetrokken stroef te wezen, en die, door de strenge en onaangename wijze, waarop zij de deugd beoefenen, haar meer achteruitzetten dan bevorderen. De godsvrucht scheen in dezen vroolijken, oprechten en beminnelijken jongeling zoo vol aantrekkelijkheid, dat men achting en genegenheid voor haar opvatte, zoo dikwijls men hem slechts aanzag.

Een der getuigen van zijn proces tot zaligverklaring zeide: „zijn gelaat alleen gaf een soort van geestelijke blijdschap aan hen, die van nature of om eene of andere bizondere reden, droefgeestig of zwaarmoedig waren. „I)e glimlach om zijne lippenquot;, zeide op zijn beurt de beroemde pater Hoschius, „bewees den vrede zijner ziel en de gerustheid van zijn gewetenquot;.

Dit aangename beeld herinnert ons een beroemd en volkomen juist woord van den H. Franciscus van Sales; „Een treurende heilige is een treurige heiligequot;.

Inderdaad, is niet de belofte van het eeuwige leven, een onuitputtelijke bron van christelijke blijdschap, die over het gelaat van den katholiek ligt uitgespreid.

De aanblik van den H. Aloysius van Gonzaga bracht denzelfden indruk teweeg als die van den H. Joannes Berchmans. Hooren wij pater Cepari, zijn levensbeschrijver:

De II. Ambrosius zeide: „er is niets aangenamer dan een rechtvaardig mensch te zien, want het gezicht der rechtvaardigen is voor de meeste menschen eene les,

ocr page 106

100

en voor de volmaakten een bron van troost en van vreugdequot;. Dit was de indruk die het beschouwen van Aloysius te weeg bracht, zoodat hij waar maakte wat de H. Ambrosius verder zegt, dat de blik van den rechtvaardige geneest en dat zijn oogopslag eene zekere deugdzaamheid mededeelt aan hen, die haar oprecht wenschen te aanschouwenquot;.

Met deze woorden spreekt dezelfde schrijver over den H. Stanislaus Kostka, „weinigen waren schooner dan hij, en men zeide van zijne schoonheid, hetgeen de H. Ambrosius getuigt van die der H. Maagd, dat zij de begeerte opwekte kuisch te leven en dat het voldoende was hem aan te zien, om van alle onzuivere bekoringen verlost te worden. Hoe minder hij aan de menschen trachtte te behagen, des te bevalliger deed hij hetgeen hij verlichtte. Hij was zachtzinnig en innemend, maar had tegelijk iets ernstigs over zich, dat eerbied afdwong.

Om het verwijt te ontgaan, dat wij slechts voorbeelden van den eersten rang aanhalen, moeten wij aanstippen, wat pater Olivaint schreef over pater Xaverius de Ravignan:

„Men kon zich geen wenschelijker type van eenen jongen man denken, dan dezen vier en twintig jarigen overheidspersoon, die na een schitterend begin zijn ontslag nam. Zijn gelaat was bizonder sprekend, zijn voorhoofd edel, hij bezat eene onberispelijke netheid en sierlijkheid, eene volmaakte wellevendheid en iets, wat moeilijk is weer te geven, maar dat het kenmerk is van een edel karakter, van een groot verstand, van een zuiver en liefdevol hartquot;.

ocr page 107

lül

Schetsen wij nog liet beeld van Garcia Moreno op zijn twintigste levensjaar. Zijne ziel teekende zich op zijn gelaat. Hij had eene regelmatige houding, vol uitdrukking. In zijne groote zwarte oogen schitterde de gloed van zijnen geest, en zijn breed voorhoofd toonde eene losheid en vrijmoedigheid, die elkeen innam, en aller harten veroverde.

Mijne jeugdige vrienden, gij zult mij ten goede houden, dat ik zooveel voorbeelden aanhaal, omdat zij dienen, om mijne denkbeelden duidelijk te maken, over eene zaak die moeilijk is te bepalen en te omschrijven. Evenwel spijt het mij levendig, dat ik voor u niet het beeld kan teekenen, van dien grooten, rechtschapen man, die zich alleen bedient van de onvergelijkelijke verdienste, die God hem heeft geschonken, om de jeugd van Frankrijk en al zijn tijdgenooten mede te sleepeu in edelmoedige gevechten. Maar hij leeft, hij heeft een afschuw van vleierij en ik mag u alleen laten raden en gissen naar dien verheven vriend, wiens naam mijne pen bezielt, terwijl ik dit hoofdstuk, ja mijn geheele boek schrijf.

Wat dan is het geheim van die geheimzinnige en machtige aantrekkingskracht, die men verdienste noemt, en die haren invloed op alle menschen laat gelden?

Spoedig zult gij het begrijpen.

De verdienste is een zichtbaar uitvloeisel van de deugd, eene weerkaatsing van de schoonheid der ziel, wier hoedanigheden op het gelaat te lezen zijn. De gelaatstrekken, de regelmaat doen weinig ter zake; alles huist inwendig.

Het is zooals de H. Schrift zegt: „De mensch doet

ocr page 108

102

zich kennen door zich te vertoonen, en de gevoelens van zijn hart op zijn gelaat te laten lezenquot;.

De kleeding, de lach en de gang van den mensch zeggen wie en wat hij is. Het latijn is nog kernachtiger :

Ex visu cognoscitur vir, ct ab occursu faciei cognoscitur scusatus. Amictus corporis, ct risusdeutium, et ingressus homiuis cuuntiaut do illo. (Eccli XIX. 20. 27.)

Men kent den man aan edele ma-[niereu:

Zijn blik alleen doet elk zijn wijs-[heid vieren.

Zijn kleed, zijn gulle laeli, zijn licre [gailg

Getuigen voor zijn stand eu Imogen [rang.

Evenals da onkuische jongeling, onder schijn of gemaaktheid, de ondeugden kan bedekken, die zijne ziel beroeren, en zijn gelaat iets afstootends geven, ofschoon de natuur hem zelfs met schoonheid en kracht bedeeld heeft, evenzoo kost het den jeugdigen christen geene moeite te schijnen, wat hij is: aantrekkelijk en verdienstelijk.

Het gelaat is de spiegel der ziel; als de ziel schoon is, zal haar beeld het ook zijn, welke lijst de spiegel ook hebbe; is de ziel misvormd en leelijk, dan zal ook het beeld misvormd en leelijk zijn, want de spiegel bezit de eigenschap, om de voorwerpen, die zij weerkaatst, naar het leven schoon of afschuwelijk weer te geven. Als dat derhalve zoo is, en zulks lijdt geen twijfel, daar de dagelijksche ondervinding hierover overtuigend en onweerlegbaar is, kan de verdienste het deel zijn van allen, van vorsten zooals de H. Aloysius, van edellieden zooals Stanislaus Kostka, van zonen van landlieden en werklieden zooals Joannes Berchmans.

ocr page 109

103

Hoe dikwerf hebt gij niet in onze achoone christelijke landstreken van het westen van Frankrijk aankomende landlieden uit de Vendée ontmoet, op wier gelaat zich eene bizondere onderscheiding afteekende, waarover men zich verwondert en verbaasd staat, als men de reden daarvan niet weet op te sporen, als men de bron niet kent. Maar wanneer men hen tot de H. Tafel heeft zien naderen, dan kent men de bron van den glans, die uit hunne blikken straalt en van de hartelijkheid van hunnen lach. Mijne jeugdige vrienden bedriegt er u niet in. Verdienste beteekent overwicht. Overwicht van de deugd op de ondeugd; van de edele gevoelens der ziel over de lage hartstochten. De verdienstelijke jongeling is een jonge man, die zich van anderen onderscheidt door zijne eigenschappen van hart en geest. De verdienste veronderstelt den wensch naar het goede, het schoone, het ware, het zuivere, naar God, den Vader en Vriend aller deugden.

Deze voortdurende begeerte teekent zich op het gelaat af, ja is zelfs merkbaar in houding en voorkomen; en men zou zeggen, dat de goddelijke vlam, die in de ziel brandt, haar gloed werpt om het voorhoofd van den christelijken jongeling.

De verdienste veronderstelt ook kennis. Wij hebben het reeds gezegd, de christelijke jongeling zou onvolmaakt zijn, als hij ongeletterd en niet wetenschappelijk was. Zijne verdienste zou eveneens onvolkomen zijn, en in gevaar gebracht worden; onvolkomen: omdat zij op een of ander gebied, in plaats van overwicht te hebben, zwak zou zijn; in gevaar verkeeren: omdat de gods-

ocr page 110

104

vrucht overhelt tot dwaling, wanneer zij niet versterkt wordt door de wetenschap.

Daarom ook werkten de patroon-heiligen der christelijke jeugd met ijver, en alle verdienstelijke mannen zijn, door alle eeuwen heen, voorbeelden geweest van aanhoudende en wakkere werkzaamheid.

Mijne jeugdige vrienden, maakt u zeiven dan verdienstelijk.

Doet zulks om de Kerk, ter wille uwer ouders en meesters, om allen eer aan te doen; doet het voor u zeiven, opdat gij de achting en de genegenheid der menschen moogt winnen, en hen daardoor gemakkelijker wel kunt doen. Weest deugdzaam, en blijft eenvoudig, dan zult gij verdienstelijke mannen worden. Zoekt de verdienste niet daarin, waarin zij niet bestaat, in fijne kleederen, of in het najagen der modes. De ware verdienste heeft geen grootere vijandin dan de gemaaktheid. Christelijke jongelingen, blijft christen, en gij zult van zelf zonder moeite verdienstelijke jongelingen worden. Treedt dan moedig het levenspad op, en vreest niet; als gij kuisch zijt, zal de H. Maagd, die u liefheeft, haar reinen en heerlijken beschermmantel over u uitspreiden, die onzichtbaar en toch te bemerken, allen, die met u in aanraking komen, zal bekoren.

De verdienste is, na alles wat wij gezegd hebben, eene kostelijke gave, die God schenkt, aan wie haar verdient. Er zijn echter enkele uiterlijke kenteekenen, die de christelijke jongeling, reeds verdienstelijk uit zich zeiven, niet moet vervvaarloozen, en waarover wij in de volgende verhandeling zullen spreken.

ocr page 111

105

2lgt;e verhandeling:

De drievoudige verdienste van den christelijken jongeling: gedrag, taal en verstand.

De verdienste van den christelijken jongeling toont zich uitwendig op drie zoo belangrijke manieren, dat wij gelooven elk afzonderlijk te moeten behandelen.

De eerste wijze omvat alles, wat in verband staat met de houding, de handelingen en den goeden toon. Zij vindt haren oorsprong in die oude beroemde fransche wellevendheid, eertijds zoo vermaard aan alle hoven van Europa, en die ons eene wel verdiende onderscheiding verwierf.

Op het eerste oog onderscheidde men toen den Fransch-man, te midden eener belangrijke menigte, door den hoffelijken eerbied, dien hij toonde voor achtenswaardige menschen, en het was een zedelijk genot, dat zeer op prijs werd gesteld, om te spreken met eenen man, van wien men nooit eene tekortkoming in oordeel of manieren had te vreezen. Hoe gaarne maakte ik het u duidelijk, hoe kostbaar de welvoegelijkheid is. Zij is de zoete band des levens, die twisten voorkomt, waar zij op het punt staan uit te breken; zij verzacht de bitterheid der uitdrukkingen, die uit het vergramd gemoed oprijzen; zij houdt rekening met belangen, leeftijd en standen, en onderhoudt in onze zoo verdeelde, zoo geschokte maatschappij, vriendelijke betrekkingen tusschen de leden der familiën en bij vrienden.

De welvoegelijkheid is de groote hefboom der opvoeding; zij bekoort den ouderdom, en lacht de mannen

ocr page 112

106

van rijpen leeftijd toe, die nooit ongevoelig zijn voor bewijzen van eerbied.

Zij is zelfs nuttig bij den aanvang van het leven, bij het kind, bij den jongeling aan den hniselijken haard, waar zij de hechtste steunpilaar is der christelijke liefde; eindelijk zij is gewild overal en in alle omstandigheden.

De heidenen reeds wisten de wel voegelijkheid op prijs te stellen, en onderscheidden haar van de beuzelachtigheid of de smakelooze behaagzucht. Twee grijsaards uit Lace-demonië traden eens een schouwburg van Athene binnen, te midden eener voorstelling, en toen zij het oog lieten gaan over het onmetelijke amphitheater, zagen zij slechts één jongeling, die bij hun binnentreden opstond: „deze behoort tot de jeugd van Spartaquot;, zeiden zij. Zij hadden zich niet bedrogen; de Spartaansche opvoeding droeg de grootste zorg voor de wellevendheid; die van Athene was sedert Alcibiades ontaard.

Het christendom veredelde de wellevendheid door haar te verbinden aan den eerbied, verschuldigd aan de dienaren des Heeren en aan de vereering der martelaren.

De ware christen is noodzakelijk een beschaafd man. In de middeleeuwen was de ridderschap de hoogeschool der welvoegelijkheid, de jonge ridder werd het volmaakte beeld van den verdienstelijken jongeling. Men veihaa.lt van den H. Lodewijk, dat hij, op zijn twintigste jaar, zoo eerbiedig en beschaafd was, dat hij reeds aller harten innam, en van verre zijne heerlijke regeering voorbereidde. Later had Lodewijk XIV hetzelfde voorrecht. Hij was altijd en overal beleefd; niet alleen de voorname heeren Of dames van zijn hof hadden recht op zijne beleefdheden.

ocr page 113

107

maar ook do arme grijsaard en de nederige vrouw van den werkman. Hij vorderde de wellevendheid van zijne omgeving, maar, ten einde zijne vordering met recht streng te kunnen handhaven, was hij zelf een toonbeeld van wellevendheid, en Frankrijk dankt een deel van zijnen roem aan de overleveringen van zijn hof.

Ongelukkigerwijs is in onzen tijd de wellevendheid sterk gedaald. De oorzaak van deze vermindering, die ik niet wil overdrijven, maar die onbetwistbaar is, ligt in de miskenning der maatschappelijke rangen, alsmede in bet verdwijnen van den eerbied. Hoe kan men wellevend zijn, als men geen eerbied beeft? Er is van de wellevendheid weinig meer overgebleven dan eenige gebruiken van de uiterste alledaagschheid, waarvan men zich, helaas, veel te gemakkelijk afmaakt, enelkoogen-blik wordt men geërgerd en bedroefd, bij den aanblik, van jongelieden, die op straat of zelfs in huis, ten opzichte van de meest eerbiedwaardige personen, van hunne moeders of zusters, hunne meesters of vrienden, de allereerste beginselen der wellevendheid veronachtzamen.

De wellevendheid is eene der weldaden van de eerste opvoeding; daarom kan men de aandacht van de gezinnen nooit genoeg op dit punt vestigen. Men weet bij ondervinding dat, met uitzondering van het onderwijs, de opvoeding weinig gevormd kan worden, als zij in de eerste jaren verwaarloosd is. Het onbeschaafde kind loopt groot gevaar zich op twintigjarigen leeftijd niet meer te kunnen beschaven, en zijn geheele leven moet het boeten voor de nalatigheid zijner ouders. Men moet evenwel erkennen, dat er moeilijkheden zijn, die de

ocr page 114

108

cliristelijke jongeling te boven kan komen door zorgvuldigheid en oplettendheid.

Veel zal zijne deugd aanvullen, wat hem ontbreekt, en wellicht door de genade Gods alles.

Daar hij weet dat zijn lichaam de tempel is van den II. Geest, en daar hij ter school is geweest bij den eerbied, door het bestudeeren der kerkelijke geschiedenis en wetenschap, zal hij eene wellevendheid verkrijgen, die zijn persoonlijk bezit zal zijn, en die des te aangenamer zal wezen, naai' gelang zij de vrucht is van arbeid en nadenken.

Mijne jeugdige vrienden, geeft acht op u zei ven, en bewaakt zorgvuldig uw gedrag; weest niet alledaagsch in uwe spreekwijze, noch laag, maar wendt u in uwe gezegden geleidelijk die stootende manieren af, die ergerlijke verzuimen en die demagogische onverschilligheid, die den eerbied ondermijnt, de wellevendheid doodt, en de verdienste vernietigt, streeft er naar, ik bid er u om, in uw welbegrepen eigenbelang; want de verdienstelijke jongeling heeft zooveel overwicht over de anderen en heeft zooveel voor, dat hij dezen invloed niet gering mag schatten, dien hij met weinig moeite kan verkrijgen en vermeerderen.

De tweede wijze, waardoor zich de verdienste uit, is de taal. Treurige gebruiken, gedragen door den steeds klimmenden golf der democratie, hebben zich bij ons ingedrongen.

Jongelieden (en wellicht ook mannen) maken met eene ongeloofelijke schaamteloosheid gebruik van onkuische of ten minste van zoodanige woorden, die ten minste

ocr page 115

109

zeer ongepast of dubbelzinnig zijn. Helaas! deze taal bepaalt zich niet tot de straat of het café, zij is zelfs in. de huiskamer doorgedrongen, waar zij tegelijk den stand, de goede smaak, de maatschappelijke gebruiken en de deugd treft; zij is overal zoo doorgedrongen, dat kuische ooren haar ternauwernood kunnen ontvluchten. Men verneemt haar voor de eerste maal met een wel-gevalligen lach, die reeds een bewijs levert van geheime medeplichtigheid, vervolgens neemt men er deel aan, men windt zich zeiven op, en voortgedreven door dezen lagen wedijver, bereikt men eene hoogte of liever eene diepte van dwaasheid en van ongezonde taal, die men moeilijk kan weergeven.

Bezitten wij dan geen fijnheid van gevoel of scherpte van geest meer, dat wij op deze wijze moeten afdwalen? Hebben wij den zin der woorden, het begrip der zuiverheid verloren? Hebben wij zoo weinig achting voor ons zei ven en voor anderen? Kennen wij het liefelijke genoegen van het aangename, geestige en nuttige gesprek niet meer, dat de vreugde was onzer voorouders?

Het getuigenis moet mij van de lippen: de jongeling die zich aan deze verderfelijke taal van grofheid overgeeft, loopt in elk geval een drievoudig gevaar. Vooreerst maakt hij zich die bizondere uitdrukkingen zóó eigen, dat het hem schier onmogelijk zal worden ze af te leeren, en dat het gewone spraakgebruik voor hem voortaan vreemd zal zijn.

Men heeft mij een voorbeeld aangehaald, dat onder een geslacht van studenten berucht is gebleven.

Een jonge man was spreker in een dier disputen van

ocr page 116

110

studenten in de rechten, waar men zich onderling oefent voor de praktijk als advocaat. De toehoorders waren zeer oplettend, want hun vriend stond bekend als een flink student, en de verwachting zijner welsprekendheid was hoog gestemd. Midden in zijne rede verliest hij eensklaps den draad der bewijsvoering, en om zich uit die ongelegenheid te redden, bezigt hij een van die wonderlijke gezegden, die hem eene tweede natuur geworden waren, en die alleen, naar zijne meening, zijne gedachte juist uitdrukte. Er ging in de zaal één kreet op, een dolle vlaag van vroolijkheid, en de arme in de war geraakte jonge man keerde teleurgesteld naar zijne plaats.

Die avond heeft hem ongelukkig gemaakt. Aanstonds zeide hij het spreken in het openbaar vaarwel, hij verliet het beroep, dat hij lief had, de studie waarvoor hij zich niet berekend achtte, en hij is in het leven niet geslaagd. Hij heeft zijne carrière gemist.

Het tweede gevaar is, geweerd te worden in die werkelijk uitgelezene omgeving, die er zorg voor draagt deze taal te hooren noch te bewonderen. De jongeling, die behagen schept in grove taal, en er een gedurig gebruik van maakt, snijdt zich zeiven den toegang tot zekere gezelschappen af, tot zekere werkkringen waar men streng acht geeft op eene zeer fijne taal; of wel hij loopt gevaar onverwachts een woord te laten ontglippen, dat iemand zekerder afmaakt dan de kogel.

In de laatste jaren heeft de Kamer van afgevaardigden vele voorbeelden gegeven, die ons walgen en het stuit ons tegen de borst er melding van te maken.

Het derde gevaar eindelijk is hierin gelegen, dat men

ocr page 117

Ill

zich zelven in verdenking brengt, en verlaagt in de schatting zijner hoorders, door het gebruik van uitdrukkingen, die naar het schijnt slechts gebezigd kunnen worden door eenen bedorven jongeling. Er zijn evenwel ook christelijke jongelieden die ze helaas dikwerf gebruiken.

AVaartoe dient het zich zelven zoo te benadeelen? Waarom is men zijn eigen vijand? Dat men zich toch wel wachte; door eene slechte gedachte van de deugd te geven, berokkent de jongeling schade aan den godsdienst, dien hij lief heeft, en dien hij vrijmoedig en openlijk belijdt; hij schendt zijn apostolaat, hij brengt zijne familie en zijne leermeesters in opspraak, en neemt tegenover de menschen en tegenover God grooter verantwoordelijkheid op zich, dan hij zich misschien bewust is.

Met vreugde lezen wij in de treffende schets van Pater Billot over Bernard Veuillot, op negentienjarigen leeftijd overleden aan de school te Kantelberg, dat de deugd van dezen jongeling zich uitte in zijne woorden, die altijd onberispelijk waren, en dat niemand ooit uit zijnen mond het minst gewaagde gezegde vernam. Eene dergelijke lofprijzing is niet alledaagsch, en toont de zeldzame hoedanigheden, die de vreugde der Kerk zouden geweest zijn, ais de dagen van Bernard Veuillot niet geteld waren geweest in de raadsbesluiten der Voorzienigheid.

De derde verdienste ten laatste, is het verstand. Deze is verreweg de gewichtigste van alle, daar de beide andere in deze haar oorsprong vinden. Wie geen behagen schept in lage dingen, maar zonder moeite en eenvoudig weet op te klimmen van de geringste zaak

ocr page 118

112

tot God, den oorsprong van alles, heeft een voortreffelijk verstand; hij ziet God in alles en door alles; hij houdt zich met geestdrift bezig met vraagstukken, die de menschheid in spanning houden, en die de belangen raken van God, van het vaderland, van het huisgezin, van het rechtvaardige en het ware; hij is gevoelig voor alles wat edel en goed is, on hij is even geschikt voor geestdrift als voor toewijding.

Deze voortreffelijkheid van het verstand, die niets anders is dan de adel der ziel, doet den jongeling van zelve alles vluchten, wat laag en gemeen is, zij doet hem laffe en schandelijke daden afwijzen, zij leert hem op het eerste gezicht onderscheiden wat onedel en den mensch onwaardig is. Hij weet zich vrienden te verwerven, die denken evenals hij, en die alleen behagen scheppen in de beschouwing van datgene wat waarlijk schoon is.

Wilt gij weten waartoe de voortreffelijkheid van het verstand den christelijken jongeling voert, en waartoe een onderhoud met vrienden over geestelijke zaken kan leiden? Leert dan het volgende verhaal uit de jeugd van Garcia Moreno: „Garcia Morenoquot;, zoo schrijft pater Berthe, „wandelde eens met eenige landgenooten, bannelingen zooals hij, in de tuinen van het Luxemburg; hunne godsdienstige gevoelens verschilden met de zijne.

Weldra liep het gesprek over eenen ongelukkige, die verhard in zijne goddeloosheid, bij het naderen van den dood, de laatste H. Sacramenten had geweigerd. Eenigen hunner, godloochenende zwetsers, vonden die daad onberispelijk, want zeiden zij, die persoon heeft eigenlijk

ocr page 119

krachtens zijne overtuiging en zijne vrijheid partij gekozen.

Daartegen beweerde Garcia Moreno: „moge het gemis aan godsdienst zich gemakkelijk verklaren bij het leven, door menschelijke lichtzinnigheid en door zaken, die de aandacht afleiden; de ongodsdienstigheid bij het sterven is werkelijk monsterachtigquot;.

Zijne tegenstanders namen nu het katholicisme onder handen, herhaalden opnieuw alle tegenwerpingen door het ongeloof tegen onze leerstellingen uitgedacht; maar ook op dit terrein bemerkten zij spoedig, dat zij met iemand te doen hadden, sterker dan zij. Met zijn levendig geloof en zijne onbarmhartige logica, vernietigde hij hunne ijdele spitsvondigheden; terwijl hij geleidelijk meer bezield werd, bewees hij hun vervolgens niet alleen de waarheid, maar ook de verhevene grootheid en de voorbeeldige schoonheid der christelijke geheimen, en zulks met eene geestdrift en eene wijsheid en wegsleependheid, dat een zijner hoorders, om eene wending aan het gesprek te geven, eenigszins op den man af, brutaalweg zeide; „Waarde vriend, gij spreekt zeer goed, maar het komt mij voor dat gij u, aan den godsdienst, dien gij als zoo schoon aanprijst, al weinig gelegen laat liggen. Hoelang is het geleden dat gij gebiecht hebtquot;?

Deze opmerking, die doel trof, deed den weisprekenden verdediger eensklaps zwijgen. Beschaamd boog hij even het hoofd, en zag toen den vrager in de oogen: „Gij hebt mij geantwoord met een persoonlijk argument, dat u heden uitmuntend kan schijnen, maar dat u morgen, op mijn woord van eer, niets meer baten zal'quot;.

Oogenblikkelijk verliet hij de wandelplaats, ter prooi

8

ocr page 120

114

aan eene levendige ontroering. Op zijne kamer teruggekeerd, overdacht hij een tijdlang, de jaren die verloopen waren sinds den dag, waarop hij zich vol ijver aan God wijdde, aan de voeten van den bisschop van Guayaquil. God had hem niet tot den dienst van het altaar geroepen, maar had Hij hem daarom ontslagen van de verplichting Hem uit geheel zijn hart te beminnen? Met een diep berouw knielt hij op zijne kamer neder en bidt lang, en nog dienzelfden avond gaat hij biechten bij den eersten priester, dien hij in de kerk aantreft. Den volgenden dag naderde hij tot de H. Tafel en dankte God, die hem had doen blozen over zijne nalatigheid en zijne lauwheid.

Van toen af hernam hij zijne goede gewoonten van godsvrucht, om ze nooit meer te verzuimen.

■o^oSSoooo

ocr page 121

Vijfde Lezing: DE EER.

ISTE VERHANDELING: Het begrip der eer.

eer is eene der innemendste eigenschappen rg))] van den cliristelijken jongeling. Geacbt en (j bemind door een ieder, geeft zij aan zijn leven eene ongeëvenaarde waardigheid. — Wat is de eer? Het is het recht, dat iemand zich verworven heeft op den eerbied, de achting en het vertrouwen van anderen.

Dus is de eer eene overwinning, en eene der grootste, die men kan behalen, omdat zij eene zege is in de zedelijke orde, waarin zware strijd gevoerd wordt tegen eenen innerlijken vijand en ter eere Gods.

Laat ons verder zien. Op welke gronden berust de eer? Zij berust op de edelste deugden der ziel, op de openhartigheid, de rechtschapenheid, de getrouwheid aan het gegeven woord en aan het geweten, de rechtvaardigheid in voornemens en in daden, en ten laatste op

ocr page 122

116

de oprechtheid in zijne woorden. Ddt vormt den man van eer!

Er is geen schoonere noch noodzakelijkere eerzucht, dan te trachten een man van eer te worden, een man waarop men zich verlaten kan.

Die geen eergevoel heeft, is den naam van christen jongeling onwaardig.

Alle deugden, die wij zoo even opnoemden, als de bronnen van de eer, kunnen tot eene enkele worden teruggebracht nl. de rechtschapenheid. Deze is als een pantser van gehard staal, hetwelk de ziel ontoegankelijk maakt voor verraad, voor lafheid, voor leugentaal en eerlooze daden.

Hoe voortreffelijk: een rechtschapen onderdaan en degelijk krijgsman te zijn, altijd getrouw aan het bevel van zijnen meerdere, steeds gereed te gaan waar hij gezonden wordt, bereid te sneuvelen voor de eer, zonder ooit te morren, te weifelen of te veinzen. Zeker hoofdofficier zeide: „ik heb den generaal de Sonis gezien, dat is de eer in persoonquot;. En Hendrik IV schreef aan een zijner veldheeren: „van dienaars zooals gij, acht ik zelfs de geringste daden hoogquot;. Wat is de rechtschapenheid eene bewonderenswaardige deugd in eenen koopman, die noch zijn medekooplieden, noch zijne verbruikers bedriegt, en aan wien de kwade trouw in zaken, of laakbare handelingen in de concurrentie onbekend zijn. Wat is rechtvaardigheid en oprechtheid een schoone en zeldzame eigenschap voor den staatsman, die zijner partij getrouw blijft, en die in het openbaar slechts over datgene spreekt of schrijft, wat hij nuttig acht voor zijn vaderland.

ocr page 123

117

O zoete en heerlijke oprechtheid bij eenen vriend, die trouw blijft aan zijne vrienden, en wel verre van hen te bedriegen, nooit de waarheid ontveinst; maar alle pogingen aanwendt om ze goed, vroom en getrouw te maken jegens God, zooals plicht en overtuiging van hem vorderen.

„Er zijnquot;, schreef de generaal de La Moricière, „banden, die men niet mag verbreken, zedelijke verbintenissen waaraan men nimmer te kort mag schieten. Ik begrijp dat men het vreemd vindt, dat iemand zich aan iets hecht in onzen tijd van bandeloosheid, waarin niemand zich aan iets stoort. Mogelijk drijft men uit een staatkundig oogpunt zijne zaken verkeerd; maar zijn al die lieden der moeite waard, dat men zijn gedrag regelt naar hunne grillen, of liever naar hunne booze hartstochtenquot;?

En later kon hij, na een leven van de grootste trouw aan dit beginsel, uitroepen: „Met dezen troost kan ik sterven, dat ik mijn plicht heb vervuld en mijne eer gered in de betrekking, die mij was toevertrouwd. Dit zal mij in staat stellen geheel de wereld in het dal van Josaphat in het aangezicht te zienquot;.

„De pauselijke vrijwilligers hebben getuigd voor de eer van ons volkquot;, zeide Mgr. Dupanloup, „zij hebben bewezen dat Frankrijk, in een deel harer zonen, nog steeds is het land van Karei den Grooten en van den H. Lodewijk; dat het land, hetwelk eertijds zijne dapperste ridders zond om te sterven voor het graf van Christus, al dat edelmoedige bloed nog niet heeft vergoten, maar dat er nog genoeg over is, om te storten op het graf der Apostelen; dat het hart van Frankrijk,

ocr page 124

118

als men liet niet verstikt, maai- der natuur haren loop laat, altijd vurig klopt voor de belangen der Katholieke Kerk. Dat hebben zij bewezen, en daarom beschouw ik hen niet alleen als martelaren voor de Kerk en voor het recht, maar ook als martelaren voor de eer van Frankrijkquot;.

Het zaad van de eer is over de geheele wereld verspreid. Het komt niet altijd tot grooten bloei, maar het wast overal. Elk mensch, elk gezin, elke vereeniging heeft hare eer te bewaren. De wet van de eer is voor alle denkende wezens bindend. God zelf heeft Zijne eer, die Hij ons voor eenen tijd heeft willen toevertrouwen, en wier bewaarders en wrekers wij hier op aarde moeten zijn.

Mijne vrienden, laten wij te zamen alle omstandigheden nog eens nagaan, en gij zult zien dat ik u niet bedrogen heb.

Vooreerst heeft de mensch zijne persoonlijke eer, die hij zuiver en ongeschonden moet bewaren, zoowel tegenover God, als tegenover de menschen. Wij weten ontwijfelbaar zeker dat niemand God kan bedriegen, maar er bestaan menschen, zoo verslaafd aan leugen en bedrog, dat zij den hemel pogen te misleiden door eene voorgewende godsvrucht, of door uiterlijke ken teekenen van een geloof, dat zij in den grond huns harten missen. Ten opzichte van hun evennaaste, is hun huichelarij nog grooter, en het is hun een genoegen de onnoozelen op te sommen, die in hunne strikken gevangen zijn. Maar eindelijk worden hunne kwade praktijken ontdekt en zij kwijnen weg in oneer en schande.

ocr page 125

119

Beschouwt den eerloozen mensch. Zijn gang is weifelend, zijn oogopslag gluiperig, hij zoekt de schaduw, alsof hij het licht der zon vreesde. De lach op zijne lippen is gemaakt en gemeten, hij is steeds dezelfde en heeft al zijne oorspronkelijkheid verloren. Ook zijn spraak is gemaakt en gezocht, en de woorden, gewoon aan de leugentaal, worden kunstmatig gesproken. Alles indien mensch is valsch: de gang, het woord, de blik, de lach; en onwillekeurig wenden rechtschapen en edele zielen zich van hem af.

Beschouwt daarentegen den man van eer. Noch zijne houding, noch zijne woorden, noch zijne bewegingen zijn gemaakt. Hij gaat en staat, spreekt en handelt onvoorbereid, volgens de aandrift zijner gedachten. De oprechtheid is op zijn gelaat te lezen, de rechtschapenheid tooit zijn voorhoofd als het ware met eene kroon, die eerbied afdwingt en genegenheid vordert. In zijn gezelschap leeft men in vrede, want men weet, dat hij geen verraad zal plegen, dat hij geen geheim zal openbaren, dat hij zijne vrienden en zijn vaandel zal verdedigen, en men kan de zekerheid van zijnen omgang vergelijken bij die granietrotsen, waarop men rustig en lustig voortgaat, overtuigd dat de golven haar niet zullen omverwerpen.

Ook de familie heeft hare eigene eer, waardoor de leden in zekeren zin voor elkander aansprakelijk zijn. De eer der familie, de eer van den naam veroorzaakt dikwerf de edelste daden.

„Vaderquot;, schreef een der zouaven in het jaar 1864, „ik weet wat ik mijnen naam schuldig ben, ik spreek er u borg voor dat ik het nooit zal vergetenquot;. Een

ocr page 126

120

ander jongeling, Alfred de la Barre, schreef insgelijks bij zijn vertrek naar Rome: „mijn besluit is niet lichtvaardig genomen, zes maanden van overweging hebben het gerijpt, het steunt op hechte grondslagen, die door mijne familie-overleveringen slechts zijn gesterkt; deze zijn: mijn geloof en mijn titel van edelmanquot;.

Het staat zoo vast dat de familie-eer geen vaag begrip is, dat men ouders van edele afkomst, van verdriet heeft zien wegkwijnen, als zij vernamen, dateenhunner kinderen een schandvlek had geworpen op hun alouden naam, dien zij met zooveel trots droegen; eene familie, die aldus in hare eer wordt getroffen, herstelt zich daarvan eerst na lange jaren. Vooral in onze veldtochten, waarin een naam langzaam gewonnen wordt en even langzaam wordt vergeten, ontkomen de onteerde familiën niet aan de openbare verachting, en alleen heldhaftige deugden, gedurende een kwart of somtijds een halve eeuw, kunnen die verlorene eer herwinnen. Er zijn twee geslachten noodig om de vlek uit te wisschen door één enkel persoon veroorzaakt.

Niet minder kostbaar is de eer van vereenigingen, omdat zij alle leden om ééne gedachte te zamen bindt, en door dien band hen allen aansprakelijk stelt voor de daden van elk afzonderlijk.

Te recht stelt men er in het algemeen hoogen prijs op.

Mijne vrienden, als gij eenmaal grondig kennis gemaakt hebt met de werklieden-vereenigingen tot wederzijdsche ondersteuning, met gilden of andere, dan zult gij ondervinden hoezeer de werkman op zijne eer gesteld is, en met welke onbarmhartige strengheid zij die leden ver-

ocr page 127

121

mijden of uitstooten, welke aan hunne eer te kort schoten. Eens zeide een hunner: „Wij moeten voor onze vereeniging nog meer eergevoel bezitten dan voor ons zeiven, wij moeten haar vaandel hoog houden en fier zijn op ons lidmaatschapquot;.

Moet ik u herinneren hoe grootsch de opvatting is van officieren, van soldaten en van zeelieden op het punt van de eer van hun leger, van hun regiment of van hef schip waartoe zij behooren ?

Hoe heerlijk is dat eergevoel, waardoor ieder soldaat goed en bloed veil heeft om het vaandel te behouden, dat in de handen van den vijand dreigt te vallen?

Welke beweegreden, na de begeerte om God te behagen, is er machtiger dan de eer, om in de harten van officieren en soldaten den dorst naar roem en de liefde tot het vaderland aan te wakkeren?

Do jonge Theodoor Wibaux vertolkte de overtuiging van eiken ecliten Franschman, toen hij zijnen vader schreef; „Wat er ook gebeure! mijn degen zal nooit bezoedeld worden; altijd zal hij ten dienste staan van het goed recht en de rechtvaardigheid, waar deze mijne verdediging inroepenquot;.

De oude Montluc zeide: „mijne ziel behoort aan God, mijn degen aan den Koning, maar mijne eer behoort mijquot;.

Ook de Kerk heeft hare eer, die men, in tegenwoordigheid van den christelijken jongeling, nooit straffeloos aanrandt. De eer van de Kerk bestaat in de eer der Pausen, van het episcopaat, van de geestelijkheid en de eer van alle instellingen, door de Katholieke Kerk in het leven geroepen, en niets moet ons nader aan

ocr page 128

122

het hart liggen, clan de verdediging van die eer, telkenmale als zij door logentaal, laster of dwaling wordt aangevallen.

Ten laatste de eer des vaderlands. De eer van Frankrijk! Hoe hoog stond die eertijds aangeschreven, toen de naam van Franschman hetzelfde beteekende als rechtschapenheid, toen hare legers slechts optrokken ten dienste van het goede, toen ons stoffelijk en zedelijk overwicht zoo groot was, dat er zonder de toestemming onzer Koningen geen schot gelost werd in Europa.

De omwenteling heeft haar door hare instellingen in verval gebracht, evenals door hare daden, die geheel Europa het onderste boven keerden, en die er naar streefden, de macht en het voordeel in de plaats van recht en rechtvaardigheid te stellen; maar zij heeft, Gode zij dank, de eer niet vernietigd. Neen nog is de eer van Frankrijk eene grootsche zaak, voor een edel doel vloeit nog steeds het Fransche bloed en zal het blijven vloeien; te Castelfidardo en te Montana heeft evenveel en misschien meer Fransch bloed gestroomd, dan van alle andere volkeren te zamen.

Ondanks de misstappen en dwalingen onzer regeering, getuigt de Fransche naam, aan de oevers van de Levant en zelfs in het verre Oosten, voor het beste en dapperste onder de Europeesche volkeren.

Heeft ons vaandel moeten wijken voor het Duitsche — het is niet geheel zonder roem geweken. Zelfs de vijand moest zulks erkennen, en de kreet die hem ontsnapte bij den aanval te Reischoffen, is voor de geschiedenis niet verloren. Nog is de eer van Frankrijk even ongerept

ocr page 129

123

als na Pavia. Jongelingen gedraagt u als destijds Frans I, laat de oer u even dierbaar zijn als uw leven.

Maar ik heb u gezegd dat God zelf geene uitzondering wilde maken op de algemeene wet, en Hij ons Zijne eer heeft toevertrouwd. Zeker, mijne vrienden, hebt gij de zorg voor de eer Gods, in dien zin, dat gij op de allereerste plaats de goddelijke voorschriften en waarheden, het christendom, den godsdienst, de plechtigheden van den eeredienst en de dogma's waaraan wij alles verschuldigd zijn, moet verdedigen tegen eiken aanval en tegen elke bespotting.

Vervolgens moet gij de eer Gods handhaven door uwe deugd ongeschonden te bewaren, want zoo dikwerf gij uwe ziel besmet en eenige zonde bedrijft, wordt de godsdienst getroffen, worden uwe broeders geërgerd.

Ten laatste moet gij voor de eer van God strijden, door krachtig partij te kiezen voor die mannen, die de zaak Gods hier op aarde vertegenwoordigen, en hen in gesprekken niet laten beleedigen of belasteren, maar hen aanstonds verdedigen. In deze drie opzichten berust Gods eer in uwe handen; maar deze verantwoordelijkheid, die voor u zonder hulp verpletterend zoude zijn, moet u niet afschrikken, overtuigd als gij zijt, dat de genade van God met u is. En gij zijt alvermogend door Dengene, die u versterkt.

Uit hetgeen vooraf is gegaan, moeten wij alleen nog deze gevolgtrekking maken:

Als in werkelijkheid elk vrij en denkend wezen zijne eer heeft; als het begrip van eer een van de meest verspreide op aarde is; als de eer invloed uitoefent zoo-

ocr page 130

124

wel op personen als op familiën, op vereenigingen en volkeren, weest er dan zeker van, mijne vrienden, dat elk uwer, gedurende geheel zijn leven, lang of kort, rustig of bewogen, beheerscht zal worden door die groote en algemeene wet.

Neemt dan op dit oogenblik het besluit nooit van het pad der eer af te wijken. Weest standvastig, eerlijk, oprecht, vol liefde voor de waarheid, vijanden van de leugen, besliste tegenstanders van zwakheid en lafheid. Toont karakter, laat u geen vrees aanjagen door lieden, die luid en onbeschaamd tegen de waarheid te velde trekken. Gaat uwen weg, verontrust u niet over het geschreeuw der menigte, blijft getrouw aan uw geloof, opdat men van u getuige, wanneer gij in 't openbaar verschijnt;

Ziet gij die christelijke jongelingen? Groet hen met eerbied; het zijn mannen van eer, op wier woord men zich veilig kan verlaten, want zij zijn openhartig in hunne gesprekken, eerlijk in hunne handelingen, en zij kennen geen verraad, zij hebben karakter!

2 de verhandeling.

Het gewicht en het nut der eer.

Door de eer te omschrijven, en hare gronden te be-studeeren, heb ik u reeds aangetoond welke voorname plaats zij in de wereld inneemt.

Maar wanneer wij verder gaan, en de ware opvatting van de eer vrij maken van alle belemmering, dan begrijpt

ocr page 131

125

men beter welke waarde zij heeft in het goddelijk plan, en hoe nuttig zij is voor de menschheid.

Tot meerdere duidelijkheid willen wij ons van eene vergelijking bedienen. De eer is als het ware een keten waarmede God, zonder evenwel den vrijen wil te beperken, den mensch aan de deugd heeft willen verbinden.

Maar, zal men vragen: „is de eer dan een ketenquot;? Ja, zeker, en gij mijne jeugdige vrienden, die getuigen waart dat velen uwer makkers somtijds tot het kwaad overhelden, maar aan den rand des afgronds werden teruggehouden uit vrees hunne eer of die hunner familie of van hunnen naam te bevlekken, gij weet zulks zeer goed.

Nogmaals gij weet het wel, want gij hebt vaak hooren spreken over die edele grijsaards, welke liever wilden sterven dan de eer van hun leven te verraden.

Dusdanig is de band der eer, en gij ziet dat zij door God als een kostbaar geschenk aan de menschheid is gegeven, om de neiging tot het kwaad te bestrijden door eenen krachtigen drang naar het goede.

Zoude men niet blind moeten zijn, om de goedheid der Voorzienigheid niet op te merken, en om de waarde niet te schatten van de genaden, waarmede ons leven vervuld wordt?

Daaruit kan men zien hoe belangrijk de eer is. De eer is een recht op achting en eerbied, gegrond op de zedelijke waarde en diensvolgens op de deugd, boven alles op de gerechtigheid jegens zijnen naaste in den maatschappelijken omgang.

En aangezien de maatschappelijke omgang grooten-deels plaats heeft door het woord, schat men de eer

ocr page 132

126

vooral in de oprechtheid der gesprokken, in dogetrouwheid aan de beloften, in het houden van den eed.

Maar daarin ligt niets uitsluitends, en in haar volmaakt begrip behelst en veronderstelt de eer in den mensch, de onschendbaarheid des gewetens, en verwekt zij bij anderen die achting, welke eerbied afdwingt en spot en hoon buitensluit.

Het recht op achting, gegrond op de onschendbaarheid van het geweten, is tegelijkertijd de belooning voor getrouwe plichtsbetrachting en de steun voor den mensch, om zijn plicht te vervullen.

Zoo voert ons de eer tot God, haren oorsprong, en de christelijke jongeling moet haar bij God gaan zoeken. Er bestaat eene valsche eer, die de wereld somtijds eergevoel noemt, dat is eene geheel menschelijke opvatting of liever een strik des duivels, gespannen om het begrip der ware eer te vernietigen, en haar den heilzamen invloed op de harten te ontnemen. Over die valsche eer willen wij niet spreken. De christelijke jongeling zal haar gemakkelijk daaraan kennen dat zij het schenden van een der wetten van God en van de Kerk na zich sleept, en dit noodlottig teeken, dat teeken der hel, zal voldoende zijn om er hem afkeerig van te maken.

De eervolle jongeling wordt geacht, geëerbiedigd en bemind. Hij wordt geacht door zijne meesters en door zijne makkers, want niets is meer waard dan een man waarop men kan vertrouwen en aan wien men alles kan mededeelen of alles kan vragen, zonder vrees voor misbruik of verraad.

ocr page 133

127

Mannen van karakter zijn zeldzaam geworden, en wanneer een overheidspersoon iemand van eer vindt met een vrij en openhartig gemoed, een vriend dei-waarheid, dan haast hij zich dien persoon aan zich te verbinden, en hij draagt hem de belangrijkste betrekkingen op, de posten jan vertrouwen.

Want het gaat daar mede in de maatschappij als in het leger. Het is niet aan den eersten soldaat den besten, dat een veldheer zal gebieden: „Plaats n aan dat bruggehoofd; gij zult daar blijven, gij zult er desnoods sneuvelen, en wij zullen er overtrekkenquot;.

Zulks gelast hij den man van moed, den dapperen, wiens antwoord vooruit bekend is: „gij kunt er u op verlaten, generaalquot;!

Aldus heeft men in de maatschappij alleen vertrouwen in de eer, en het is alleen de eer, die antwoordt op de voorstellingen van den heldenmoed.

Daarom wordt een jonge man van eer door allen geëerbiedigd, en verkrijgt hij spoedig een zeer groeten zedelijken invloed over allen, die hem omringen, want men buigt altijd voor hem, die der dwaling het hoofd durft te bieden, en moedig en openhartig voor zijne overtuiging uitkomt. Verscheidene malen is het mij overkomen, dat ik getuige was van zulk een voortreffelijk schouwspel, dat een openhartig, moedig en oprecht jongeling, somtijds klein van gestalte maar groot van geest, het hoofd bood aan diegenen zijner makkers, die zich met dwaling ophielden, en nooit een valsch of lichtvaardig oordeel liet uiten zonder het te verbeteren, en na zeer korten tijd een aan merkel ijken invloed op

ocr page 134

128

zijne medeleerlingen uitoefende. Zoo groot is de invloed der rechtschapenheid!

Ten laatste de rechtschapen jongeling wordt bemind, waarom ook zou men hem niet liefhebben?

Is men niet verzekerd dat men onder alle omstandigheden door hem zal verdedigd worden?

Weet men niet dat zijne vriendschap standvastig, zijn woord rondborstig, zijne toewijding edelmoedig zal zijn, hetzij tegenwoordig of afwezig, zoowel innerlijk als uiterlijk? Reeds uit eigenbelang of uit dankbaarheid zou men zich aan hem hechten.

Maar meer en beter verdiensten verkrijgt de rechtschapen jongeling.

Hij wordt bemind om zich zeiven, om de buitengewone bekoorlijkheid, die van zijnen persoon uitgaat, om den glans op zijn voorhoofd, om de aantrekkelijkheid van zijn gelaat, om zijn gullen lach en om zijnen geest, dien men als het ware doorschouwt.

Dat doet den jongeling geliefd zijn, en geeft hem zulk een benijdenswaardigen invloed. Men zou altijd bij hem willen zijn, en steeds verlaat men hem tegen zijn zin.

Gelukkige jongelingen, die er in geslaagd zijn zooveel invloed, zooveel aantrekkelijkheid, zooveel vriendschap te verkrijgen!

Gelukkig de gezinnen en de meesters, die hen gevormd hebben!

Gelukkig eindelijk de landen, die zulke jongelingen in groote getallen bezitten!

Want met mannen van karakter en eer kweekt men groote volkeren.

ocr page 135

129

3de verhandeling.

De ridderlijke geest.

Het besef der eer heeft den ridderlijken geest in het leven geroepen, dat wil zeggen de geestdrift voor een edel doel, de toewijding aan de misdeelden in dit leven.

Er is een tijd geweest dat geheel het christelijke Europa bezield werd door een ridderlijken geest, de tijd van de ridderschap en de kruistochten, de tijd waarin de jongeling, als hij het leven intrad, nederknielde om God slechts ééne genade te vragen: dapper voor het goede te strijden.

In dien tijd was alles edel. Het was edel te strijden voor de zwakken, de verdrukten, de gevangenen; te strijden om het graf van Christus te bevrijden, om de ketterijen uit te roeien, om de Kerk te verdedigen, was nog edeler. Zeker men moest zich nog wel bedroeven over de hartstochten van sommige vorsten, over de geweldenarijen van roovers, over de zelfzucht van hovelingen ; toen zoowel als nu waren er smarten en tranen. Maar men vond vele harten vol geestdrift, vol geloof, vol ijver, en een geest van jeugdige dapperheid bezielde de wereld. De ridderschap was niets anders, dan de schoone boom uit die pit gesproten. Men kan gerust zeggen, dat zij in den schoot der Kerk ontsproot, en gedurende vele eeuwen schonk zij den volkeren onvergelijkelijke kracht en vreugde, tot eindelijk het eigenbelang optrad, en alles verstijfde.

Ach nooit zal de wereld begrijpen, welke schatten van beschaving, van zedelijke grootheid, van rechtvaar-

9

ocr page 136

130

digheid en schoonheid het christendom cian de volkeren kan verleeaen, als zij het zijnen invloed niet ontnemen.

Men vindt nu en dan in de geschiedenis een tijdperk van bloei, dat zijnen naam ontleent aan eene regeering, zooals die van een Karei den Grooten, van den H. Lo-dewijk en den H. Hendrik; maar dat zijn slechts enkele lichtstralen, die weldra voor de duisternis moeten wijken, omdat de menschen bedorven, ijverzuchtig, hoogmoedig en laf zijn.

Maar wanneer de godsdienst vrij haren invloed op den mensch kon uitoefenen, en hen naar hare beginselen vormen; als het der Kerk gegeven was de zedenleer, door haar onderwezen, en de gevoelens, die zij tracht in te boezemen, toe te passen, dan zou de wereld te schoon, het leven te kort, de menschheid te gelukkig zijn.

Ofschoon de riddertijd sinds lang voorbij is, en die maatschappelijke instelling nooit meer zoo kan herrijzen gelijk zij eertijds bestond, is, God zij dank, het gevoel van ridderlijkheid onder ons nooit uitgedoofd. De Katholieke Kerk heeft dien schat getrouw bewaard, en nog hebben de volkeren, die aan hare inspraken gehoor geven, van tijd tot tijd edele neigingen, die hen tot grootsche daden aansporen voor het algemeene welzijn der menschheid. Altijd levend en altijd vruchtbaar hebben ook de reguliere en seculiere geestelijkheid, de geestelijke zusters, de missionarissen, dien geest van toewijding bewaard, die hen bezielt, in hun vaderland, in hunne pastoriën, in hunne kloosters, in hunne gasthuizen en scholen of in de vreemde missiën, op alle stranden van het Westen of van het verre Oosten.

ocr page 137

131

De Katholieken hebben in hun hart dien gloed, die van elk hunner een apostel maakt, en die hunne liefde onderhoudt voor den dienst der Kerk en voor de verzorging der armen. Vallen wij alzoo onzen tijd niet hard. Wij hebben in onze eeuw vele van die jeugdige ridders voor recht en rechtvaardigheid aangetroffen, steeds bereid te strijden ter verdediging der zwakken, en de ongerechtigen te weerstaan. Zij hadden een ridderlijken geest, de jongelingen, die in het jaar 1860 aan de roepstem van Pius IX, van La Moricière en van Charette gehoor gaven, en de zee en de Alpen overtrokken, om de zaak des H. Vaders te steunen! Ook die jongelingen en die grijsaards hadden een ridderlijken geest, die op twintig en zestigjarigen leeftijd, de eersten nog baardeloos, de laatsten met zilverwitte haren, de handen in een sloegen, om in het jaar 1870 de intrekkende Pruisen terugte drijven, en den vaderlandschen bodem te zuiveren! Zij waren door den riddergeest bezield, die jeugdige officieren, die na hunne krijgsgevangenschap eene edele genegenheid opvatten voor de werklieden, bedrogen door de omwenteling, en die de stichters werden van de katholieke werklieden-vereenigingen, ten einde den werkmansstand terug te brengen in den schoot der Kerk, en door haar tot het geluk!

Eere zij daarom aan die moedigen, aan die dapperen, aan die ridders van onzen tijd, die niet lafhartig aan hunnen tijd wanhoopten, maar aan den dienst van God, van hun vaderland en van de lijdenden, hun leven en hun bloed hebben gewijd, en ons het heerlijke voorbeeld hunner toewijding hebben nagelaten!

ocr page 138

132

Jongelingen, mijne waarde vrienden! volgt het pad, dat zij u gebaand hebben, en doet als zij, en vertrekt, en aarzelt niet als de zaak, die zij gediend hebben, nogmaals uwe hulp noodig heeft!

Maar ik moet duidelijker zijn.

Het is niet voldoende u te zeggen: bezit een ridderlijken geest, bemint al wat edel is, weest mannen van karakter; wij moeten u ook op die edele zaken zelve wijzen, en de toewijding, waarmede uw hart vervuld is, op een bepaald doel africhten.

Deze moeilijkheid was aan de oude ridders onbekend. In hunnen tijd toch waren de staatsinstellingen niet zoo nauwkeurig geregeld; dewijl het maatschappelijk leven eenigszins aan zich zelven werd overgelaten, waren er overal daden van laagheid en ruw geweld genoeg, die door de .ridders zonder rust of genade vervolgd werden. Ook bestond er een aanhoudende, eenigszins persoonlijke en toch algemeene, strijd tegen den Turk, die den ijver van krachtvolle zielen aanwakkerde. Zich tot ridder laten slaan, was de belofte afleggen: te strijden voor bekende en bepaalde doeleinden.

In onzen tijd, waarin de openbare macht alle roove-rijen onderdrukt, en waarin niemand het recht heeft zich zelven recht te verschaffen, en zelf de taak op zich te nemen, die aan den rechter toekomt, bestaat zulks niet meer.

Wie tegenwoordig helder de oorzaken wil kennen, die de toewijding tot werken aansporen, en den ridderlijken geest een arbeidsveld aanwijzen, behoeft geen langdurig maar toch noodzakelijk eenig nadenken. Overi-

ocr page 139

133

gens is aarzelen onmogelijk. Onze eeuw kent twee groote slachtoffers: de Kerk en den arbeider.

Allereerst de Kerk, die nu, gelijk in de treurigste tijden harer geschiedenis, vervolgd wordt, niet alleen in Rome, maar in alle landen, waar zij het mikpunt is van den blinden haat van hen, die het lot der volkeren besturen. Haar hoofd is beroofd van zijne staten, hij zit gevangen, en zijne werkelijke en zedelijke gevangenschap is veel harder en brengt veel meer gevaren van allerlei aard mede, dan men meestal gelieft te gelooven. Men drijft de kinderen naar scholen, waaruit men God heeft verbannen ; de openbare eeredienst wordt aan banden gelegd, de processiën verboden; de kloosterlingen zijn verjaagd, hunne kapellen gesloten; men heeft wetten uitgevaardigd noodlottig voor de opleiding der geestelijkheid, men ziet het plan der vrijmetselarij duidelijk uiteengezet: God verbannen uit Frankrijk, God verbannen uit het land van den H. Lodewijk! (Geen God, en geene overheid).

Christelijke jongelingen hoort gij dien kreet van overmoed en van woede? Ach dat gij, die geboren zijt tegen het einde der negentiende eeuw, om deel te nemen aan zulke moeilijke en zoo langdurige worstelingen, dat gij uwen ridderlijken geest den vrijen teugel kondet laten vieren, en u geheel en al wijden aan den dienst der Kerk, van hare priesters, kloosterlingen en onderwijzers! offert u zeiven op ten einde met al uwe krachten hen bij te staan, die den grooten strijd voeren!

Insgelijks biedt de zaak der arbeiders een ruim veld voor uwe toewijding. Ziet scherp toe in de wereld en luistert: hoort gij die woeste kreten, dat gemor der

ocr page 140

134

werkstakingen, die dwaze redevoeringen tegen de maatschappelijke orde! Vreest niet, behartigt de zaak der arbeiders, en doet niet zoo als zij, die moedwillig oog en oor sluiten.

Wat ziet gij? Eene menigte onbeschaafde gezinnen, opeengehoopt, aan duizend ontberingen ter prooi, aan welke boven alles het geloof aan God ontbreekt. Zij gelooven aan niets meer, noch aan den hemel noch aan de hel; dat de aarde eene plaats van beproeving voor allen is, willen zij niet erkennen; zij verbeelden zich dat de rijken gelukkig zijn door hunnen rijkdom; zij kennen de vreugden van het paradijs niet meer, aan hen toegezegd die rechtvaardig zijn geweest; en hier op aarde eischen zij hun aandeel in het genot en den wellust! Was het gevaar voor de algemeene beschaving grooter toen het romeinsche rijk streed tegen de barbaren ? Men mag er aan twijfelen. In elk geval, wordt, aan alle jongelieden, die een hart, eer en geloof hebben, een groote plicht opgelegd. Zij moeten zich in dien grooten hedendaagschen strijd mengen, en de zaak van God dienen, te midden der arbeiders; maar om dat te doen, moeten zij eerst den arbeider lief hebben.

Ja, mijne jeugdige vrienden! ik trek geen enkel woord terug, ik herhaal ze integendeel. Zeker, om ten dienste van het sociale vraagstuk nuttig te zijn, om in uw leven wèl te doen, om van uwen ridderlijken geest blijk te geven, moet gij hart hebben voor den arbeider, gij moet tot hem gaan, en niet alleen tot hem gaan enkel uit plichtbesef, maar tot hem gaan uit genegenheid. Ik verzeker u dat de arbeider uwen eerbied en liefde

ocr page 141

135

waardig is. Hij is een groot kind, eene eeuw lang, toen wij nog ver van hem stonden, bedrogen door de volgelingen der goddeloosheid; maar hij is goed, edelmoedig en dankbaar, hij heeft geestdrift en een warm hart. Zijt daar niet verbaasd over. Gij weet niet hoe vroom, hoe moedig, hoe kna,p de arbeider was voor het jaar 1789, en hoe getrouw aan God en den Koning! Maar de omwenteling heeft hem van ons gescheiden; hij heeft een oogenblik gewankeld en is toen naar links gevallen, waar hij niets heeft gevonden dan droefheid, lijden en toorn. Zijn wij van zijnen val niet eenigszins de schuld ? Heeft niet onze zelfzucht ons te lang van den arbeider verwijderd gehouden? Hebben wij niet als onverschillig toeschouwer, zijne arme ziel laten verwoesten en dooden door de vijanden des geloofs?

Ach, mijne jeugdige vrienden, haasten wij ons dat verzuim in te halen, haasten wij ons de plaats der oproerstokers en van de verspreiders van het ongeloof in te nemen in het gezin van den arbeider; haasten wij ons zoovele verlorene zielen te redden, en aan Europa eene verschrikkelijke en dreigende ramp te besparen. De weg, die betreden moet worden, is Gode zij dank aangewezen. De Kerk werkt sinds meer dan eene halve eeuw met eene bewonderenswaardige volharding en ijver. Allereerst zijn de conferentiën van den H. Vincentius a Paulo opgericht, om de zolderkamer van den arbeider te betreden. Wordt lid van die vereeniging.

Vervolgens zijn er instellingen ontstaan, om de kinderen des volks op te nemen en te bewaren. Neemt deel aan die instellingen, en begeeft u onder de kinderen des volks.

ocr page 142

136

En ten laatste een werk, dat ten doel heeft den volwassen arbeiders de hand te reiken, om voor hen eene vereeniging te openen, om hen te vereenigen in corpo-ratiën, waar de werkman zijn gelijken vindt en tevens zijne vrienden, en die het geloof hernieuwen of vermeerderen. Jongelingen laat u, wat ik u bidden mag, inschrijven als lid van het werk der Katholieke Kringen, en neemt deel aan dien nieuwen kruistocht, waartoe de Paus en de bisschoppen u uitnoodigen.

In een plaatselijk bestuur heb ik verscheidene christelijke jongelingen deel zien nemen aan de bezigheden dier vereeniging: eenigen behoorden tot de afdeeling onderwijs, en vormden of leidden conferentiën van arbeiders ; anderen gaven godsdienstig onderricht aan de kinderen der openbare scholen, en hielpen de geestelijkheid in hare grootsche en moeilijke taak; wederom anderen eindelijlc waren secretarissen van afdeelingen, en maakten de notulen op der vergaderingen, hetgeen de arbeiders hun gaarne toevertrouwden.

Die toewijding en die werkzaamheid heb ik van nabij gadegeslagen, en ik kan u verzekeren, dat mijn hart dikwerf diep geroerd werd, door den ridderlijken geest van deze jeugdige apostelen van Christus, zoo dat men zijnen jeugdigen leeftijd noch eervoller noch christelijkei-kan besteden.

Mijne waarde vrienden, tot die doeleinden besteedt de christelijke jongeling de krachten van zijne ziel en zijn lichaam, en God schenkt hem daarvoor het geestelijk genot, dat de vroegere ridder smaakte, als hij een gevangene verlost, of een ongelukkige getroost had. Begrijpt

ocr page 143

137

het wel! het is inderdaad altijd werken voor Christus, zoowel gedurende de kruistochten als nu het werken voor den arbeider; want het is de Zaligmaker, die voorbijgaat iu den werkman, die zijn werk verlaat, bleek en afgemat door vermoeienis, na een bijna onafgebroken arbeid van twaalf uren; het is de Zaligmaker, die in onze nieuwere maatschappij evenals in Judea rondgaat, en een beroep doet op uwe toewijding. Jongelieden zegt nooit, zooals ik zoo dikwerf hoorde herhalen: „er is in onze eeuw niets te doenquot;, als gij u aan niets wijdt, is de oorzaak hierin te zoeken, dat gij niet weet, waaraan gij u moet wijden. Alles is er te doen, en de edelste doeleinden zoowel als het bitterste lijden doen tegelijk een beroep op de ridderlijke neigingen, die zoo gemakkelijk in uw hart opwellen. Verre van u die zelfzucht, die laffe traagheid, verre van u die onverschilligheid; moogt gij, aangespoord door de toewijding, de vleugelen uwer jeugd uitslaaa en daar optreden, waar God u roept voor de verdediging der Kerk en het heil der volkeren!

ocr page 144

Zesde Lezing: DE VADERLANDSLIEFDE,

n de voorgaande hoofdstukken hebben wij zoo dikwerf gesproken over de vaderlandsliefde, dat ïfjf het overbodig zoude zijn nogmaals op dit onderwerp terug te komen, als ik er niet op stond duidelijk to omschrijven, wat de juiste aard moet zijn van de liefde tot het vaderland bij den christelijken jongeling. De ware vaderlandsliefde gelijkt inderdaad niets op die gewone munt, waarvan men in onze dagen zooveel misbruik maakt.

Zij is die blinde dweepzucht niet, die alleen in stoffelijke overwinningen en veroveringen behagen schept, en geen acht slaat op zedelijke grootheid; voor wie de regeering van Gesar alleen daarom roemvol was, omdat hij in zijne veldtochten geen nederlagen heeft gekend, en die van eenen H. Lodewijk ongelukkig, omdat hij meer dan eens overwonnen werd; die op dusdanige wijze de lessen der geschiedenis op zijde schuift, en het goddelijk plan van het lot der volkeren vervalscht,

ocr page 145

139

Zij bestaat evenmin in dien kleingeestigen en woesten haat van den vreemdeling, die sinds de hervorming en de omwenteling Europa onteert, en tusschen de volkeren zulke slagboomen opricht, dat men zelfs in vollen vrede niet meer van het eene naar het andere land zal kunnen trekken zonder reispas.

Het christendom der middeleeuwen vatte de zelfstandigheid der volkeren zoo niet op. Men voerde toen evenals nu oorlogen; maar na den oorlog leefden overwinnaars. en overwonnenen als broeders; zij gingen vrij met elkander om, zooveel als de verkeermiddelen dit toelieten; zij huldigden de heerschappij van recht en rechtvaardigheid; zij onderwierpen zich in elk twijfelachtig geval aan de uitspraak der Pausen; zij waren steeds bereid te zamen tegen den gemeenschappelijken vijand, den Islam, op te trekken, omdat zij overtuigd waren, dat zij allen leden van dezelfde familie, kinderen van Christus waren. Niet alzoo is het in onze dagen, en de vaderlandsliefde van onzen tijd heeft meer dan een trek met de barbaarschheid gemeen. Geheel anders is de vaderlandsliefde van den christelijken jongeling. Hij wil de werkelijke grootheid van zijn land, eene zedelijke, voortgebracht door al wat eervol is, en den krijgsroem wordt daarin slechts een deel toegekend.

Voor alles wenscht de jeugdige Fransche Katholiek dat Frankrijk een Katholiek land zij, waarin de zielen beter dan in eenig ander land hun eeuwig doel kunnen bereiken.

Dat is de eerste, de dierbaarste en de vurigste zijner wenschen-

ocr page 146

uo

Om dit doel te bereiken, verlangt hij dat de Katholieke Kerk en de Staat in volmaakte overeenstemming leven; dat de instellingen en de wetten van de eerste door den tweeden geëerbiedigd en gesteund worden; dat de godsdienst van de eene grens des lands tot de andere geëerd wordt; en gaarne zoude hij met Garcia Moreno uitroepen: „vrijheid voor allen en voor alles, behalve voor het kwade en de kwadenquot;!

Zijne gedachte wordt het beste uitgedrukt door dezen volzin van den graaf de Chambord, dien Mgr. Freppel onlangs met lof, voor geheel zijne geestelijkheid aanhaalde : „volledige vrijheid voor de Kerk in alle geestelijke zaken, algeheele onafhankelijkheid voor den Staat in zuiver tijdelijke aangelegenheden, volledige overeenstemming tusschen beiden in gemengde zaken; dit zijn de beginselen die tegenwoordig meer dan ooit ia den boezem der christelijke volkeren, den werkkring van beide machten moeten regelen, voor het welzijn van den godsdienst en voor het geluk der volkerenquot;.

Voor den christelijken jongeling is dit het juiste teeken van de vaderlandsliefde. Ja, jongelingen, bemint uw land en weet het lief te hebben. Weest niet tevreden voor uw land de overwinning en de orde te verlangen. Wilt gij eene schoone wraak voor de ongelukken, die ons getroffen hebben: zoekt haar dan vooral in de christelijke deugden, in de beschaving, in de oprechtheid, in de ridderlijke toewijding aan al wat edel is, in de herleving van de letteren en schoone kunsten; en gebruikt al uwen invloed, al uwe krachten, al uwen vrijen tijd, om ruimschoots over uw land het katholieke onderwijs

ocr page 147

141

en de liefde tot de Kerk te verspreiden, die andermaal van Frankrijk zullen maken, wat het vroeger was: de edelste natie der wereld.

Door zoo te handelen zult gij toonen dat gij de ware vaderlandsliefde bezit, en dat gij werkelijk de belanglooze vrienden van uw land zijt.

Maar dit is niet alles. De christelijke jongeling kent alle soorten van vaderlandsliefde en geen enkele harer uitingen is hem vreemd.

Ziet hem op het slagveld! Zonder voorbehoud heeft hij zijn bloed veil ter verdediging van zijn vaderland. Een edel vuur schittert in zijn oog. Hij draagt het hoofd omhoog, en heeft een glimlach op de lippen, hij zal zelfs niet zeggen zooals die dappere van Castelfidardo: „Wij vreezen alleen bevreesd te zijnquot;! Voor zulk eene vrees is hij niet vatbaar, omdat hij op God vertrouwt, en zich aan het H. Hart heeft toegewijd, en daaraan het alge-heele offer van zijn leven heeft opgedragen.

Met gloeiende geestdrift, die aller bewondering wekt, trekken zulke helden ten strijde. Hoe dikwerf hebben de christelijke legioenen een dergelijk schouwspel aangeboden! Drie generaals begeerden in het jaar 1870 op één tijdstip de vrijwilligers van het westen! de een voor het oosterleger, de tweede voor dat van Mans, de derde te Orleans; de laatste verkreeg het opperbevel, en het is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij niet genoeg gesteund werden, en één tegen honderd stonden, dat zij op bet bergvlak van Loigny de overwinning niet behaalden.

De vaderlandsliefde in het burgerlijke ontbreekt den

ocr page 148

142

christelijken jongeling evenmin. Ziet hem deelnemen aan den strijd tegen hen, die zijn land ten verderve voeren! Onbekend zijn hem de laffe plichtplegingen, de schuldige zwakheden, de ergerlijke vriendschap tegenover de. vijanden van zijn geloof en . van zijn vaderland. Die vijanden bestrijdt hij met open vizier, moedig, zonder aarzelen, en in alle omstandigheden, met eene wilskracht, die zijne volmaakte hoffelijkheid doet uitkomen; en zelfs zijne tegenstanders getuigen, vol eerbied voor zijnen moed, dat hij een man is vol van eer en vrijmoedigheid, met wien het een genoegen is te strijden.

Wilt gij ten laatste de ware vaderlandsliefde zien in al hare grootheid, zooals zij beoefend wordt door de kinderen der Kerk; slaat dan een blik naar Oost of West, ziet daar den missionaris, die rondgaat om zielen te winnen, of de liefdezuster, die een heiden verzorgt in de hospitalen. De meesten zijn Franschen. Dit weten de inboorlingen, en ondanks de ongelukken van Frankrijk, beminnen en achten zij dit land, dat hen onophoudelijk zijne edelste kinderen toezendt.

Op de fransche spreekgestoelten heeft men het dikwerf gezegd, en zelfs onze tegenstanders hebben het erkend: „als Frankrijk nog eenigen invloed in de wereld heeft, is zij dat verschuldigd aan hen, die den roem van zijne toewijding en naastenliefde in den vreemde brengen'quot;.

Als al onze medeburgers den adel en het nut van eene dergelijke vaderlandsliefde begrepen, dan voorzeker was Frankrijk gered.

Jongelingen! bezit die liefde tot uw vaderland en eischt voor uw land eene grootheid, gegrond op de gerechtig-

ocr page 149

143

heid en op,de eer. Welke aanbiedingen menu ook doet, wijkt op dit gebied nooit, en volgt steeds uwen weg, door altijd eenig en alleen naar het werkelijke welzijn van uw vaderland te streven.

Gij zult menig harden strijd moeten voeren, zware offers moeten brengen, somwijlen, ten minste voor een tijd, met eenigen uwer vrienden moeten breken, om die baan af te leggen, en tot het einde te volharden; maar gij zult, zelfs door hen die uwe denkbeelden niet deelen, geacht worden, en te gelijk zult gij daardoor ook het aanzien en het gezag der Kerk verheffen. Hebben wij niet meer dan eens door de republikeinsche bladen, o. a. door de Repiiblique Frangaise, hulde zien brengen aan Mgr. Freppel, en voor hem de diepste bewondering hooren betuigen ?

Wij behoeven ons over die bekentenis niet te verwonderen. Gode zij dank wordt onder ons Franschen de vaderlandsliefde nog op hare juiste waarde geschat; de harten worden door hare ware grootheid en hare eeuwige grondslagen niet bedrogen, en zoodra wij iemand zien, die slechts bewogen wordt door de begeerte zijn land wel te doen, zijn wij aanstonds bereid hem te beminnen, en ons aan hem te hechten.

Voor de toekomst van ons volk is dit het groote redmiddel. De vaderlandsliefde zal ons genoegzaam aansporen het land op te heffen; maar onder voorwaarde, dat in de ziel van de jeugd van Frankrijk deze hartstocht steeds eene christelijke vaderlandsliefde zij.

ocr page 150

Zevende Lezing: HET APOSTOLAAT.

1ste verhandeling:

De geest van het apostolaat.

ik niet zonder ontroering kan spreken: nl. de geest van het apostolaat. De geest van het apostolaat is de beoefening van de deugd der naastenliefde, die reeds zekeren graad bereikt heeft; en voor hem, die zich aan de werken van het apostolaat wijdt, dient zij, om alle andere deugden sterker en heerlijker te maken.

O mijne waarde vrienden, die ik liefheb, niet alleen om de bizondere aantrekkelijkheid en bekoorlijkheid van uwen leeftijd, maar vooral omdat gij eens geroepen zult worden aan de Kerk en ons geliefd vaderland wel te doen, kent gij iets zoeter dan eenen mensch wel te doen, hem beter te maken, zijne ziel tot de kennis en de eerbiediging der waarheid terug te voeren?

r bestaat eene deugd die zoowel het cement als de kroon is van alle andere en waarover

ocr page 151

145

Toen de H. Dominicus twintig jaren oud was, en aan de universiteit van Palenira studeerde, vernam hij eens, dat een jongeling, dien hij lief had, door de Mooren gevankelijk was weggevoerd, en dat zijne ziel gevaar liep. Hij aarzelde niet; hij vertrok, en stond op het punt zich als slaaf te verkoopen, om zelf de losprijs van den gevangene te zijn.

Mijne waarde vrienden, onthoudt die edelmoedige daad, begrijpt er de grootheid van, en weest ook bereid u op te offeren voor alle werken, voor alle vermoeienissen van het apostolaat, ten einde de eer en de vreugde te hebben, dat gij eene ziel gered hebt. God zal uw leven zegenen, en indien de beproevingen u niet gespaard blijven, zult gij ten minste de vreugde des gewetens hebben, die alle voldoening te boven gaat.

Maar, behalve dat de uitoefening van het apostolaat voor edelmoedige harten eene heilige plicht en eene gebiedende behoefte is, heeft zij nog een tweevoudig nut, hetzij handelend of lijdend.

In de eerste plaats is zij nuttig voor den jeugdigen apostel, die zich beijvert weldaden rondom zich te verspreiden. Wij hebben haar het cement van alle andere deugden genoemd: zij is het inderdaad, want de jonge man die een weldadigen invloed wil uitoefenen op zijne omgeving, moet in hooge mate alle zedelijke eigenschappen bezitten, die den invloed in het leven roepen en rechtvaardigen. Hij moet er persoonlijk een levend voorbeeld van zijn.

Meer dan iemand anders is hij verplicht op zich zeiven te letten, niet alleen om acht te slaan op zijne daden,

10

ocr page 152

146

maar zelfs op zijne woorden, om alles te vermijden, wat zijn naaste kan kwetsen, om tegelijkertijd goed en standvastig, zachtmoedig en geduldig, sterk en volhardend te zijn. In een woord, hij zij bij elke vordering, bij elke inspanning, bij overwinning of nederlaag, een volmaakt toonbeeld voor den christelijken jongeling.

Om mijne gedachte beter uit te drukken, veroorlove men mij een voorbeeld. Evenals de leermeester zich zeiven al onderwijzende onderricht, omdat hij verplicht is, wil hij geen onvolledig onderwijs geven, honderdmaal meer te weten dan hetgeen hij leeraart, evenzoo is de jeugdige apostel verplicht, als hij anderen wel wil doen, om aanhoudend beter te worden; want wil hij eenige vrucht inoogsten van zijnen arbeid, dan moet zijn gedrag steeds meer en meer lof en eerbied afdwingen. Zoo verbetert men zich zeiven terwijl men anderen beter maakt. Welk eene zoete wet der natuur, die men dagelijks aanschouwt. Goddelijke drang, die de gemeenschap van het menschelijk geslacht bewijst, en die het loon der naastenliefde is! Schoone vrucht, die men zoo gaarne door den christelijken jongeling ziet plukken!

Garcia Moreno werd door het vuur van het apostolaat verteerd. Zijn ijver deed hem de vernuftigste middelen aan de hand, om voor Jesus Christus eene ziel te winnen. Hij had te Quito eenen vriend, wiens karakter, wiens goede hoedanigheden en ook wiens gewaardeerde diensten hij hoogachtte, want dikwerf vond hij bij hem den geldelijken steun, benoodigd voor zijne grootsche ondernemingen. Deze vriend ging naar de H. Mis, ondersteunde de armen, woonde zelfs de geestelijke oefeningen bij;

ocr page 153

147

maar bleef door eene langdurige gewoonte verwijderd van de H. Sacramenten. Zonder ooit iets anders dan vage beloften te verkrijgen, verweet Garcia Moreno hem deze ongerijmdheid.

Nu bestaat te Quito de godvruchtige gewoonte, dat de geloovigen, tegen het einde der Meimaand, aan de Moeder Gods, hunne gemaakte voornemens op schrift als een bloemruiker aanbieclen.

Tegen het einde der maand vroeg Garcia Moreno zijnen vriend of hij zijn ruiker aan Maria geofferd had.

Deze begreep de toespeling, en wilde er zich afmaken: „Wacht evenquot;, zeide Garcia, „ik heb haar ook een ruiker geofferd, en even als altijd, moet gij die betalenquot;. „Gij weet dat mijne beurs altijd voor u open staatquot;, antwoordde zijn vriend, in de meening dat de president op nieuw geld noodig had voor de een of andere gift. „Kan ik op u rekenenquot;? „Zekerquot;. „Welnu ik heb aan de H. Maagd beloofd, dat gij op den laatsten dag der Meimaand zoudt communiceeren; gij ziet dat ik zonder u mijn ruiker niet kan aanbiedenquot;. De arme vriend aldus in het nauw gebracht, zeide dat de president zonderlinge denkbeelden had, en dat eene dergelijke gewichtige gebeurtenis eene degelijke voorbereiding vorderde. „Daaromquot;, antwoordde Garcia, „heb ik u vooruit gewaarschuwdquot;. Getroffen door deze zorg voor zijne ziel, trok de vriend zich eenige dagen in eene volstrekte eenzaamheid terug, en tegen het einde der Meimaand zag men hem met den president tot de H. Tafel naderen, hetgeen iedereen verheugde.

In zulke gevallen sprong het edele hart van Garcia

ocr page 154

U8

Moreno van vreugde op. Dan zou men hem hebben aangezien voor den vader, die zijn verloren kind terugvindt.

Evenzoo was liet wanneer de dagbladen eenig feit meldden over den vooruitgang van den godsdienst. Hij schreef in bet jaar 1874, „eere zij God en der Kerk, voor de talrijke bekeeringen, die onder onze dwalende broeders plaats vinden, vooral die van lord Ripon, lord Grey, en van Hare Majesteit de Koningin-moeder van Beieren. Zulke voorbeelden kunnen niet nalaten een grooten indruk te maken op het gemoed van alle goed-geloovige protestantenquot;.

Al had de geest van het apostolaat alleen dit nut, dat hij ons beter maakt, dan reeds zou hij boven alles kostbaar en hoogst behartigenswaardig zijn.

Maar hij heeft nog een ander groot nut, als men hem beschouwt ten opzichte van hen, die er het voorwerp van zijn.

Inderdaad bewijst hij een onmetelijken dienst aan al die ongelukkigen, welke dikwijls, zonder te weten wat zij doen of waar heen zij gaan, zonder nadenken, zonder bidden, zonder den moed om krachtig te strijden tegen de bekoringen waaronder zij bezwijken, de deugd mismoedig prijsgeven, een bitter vaarwel zeggen aan de zuiverheid hunner jeugd, en zich door hunne hartstochten laten medesleepen. Het is hun zeker gemakkelijker gehoor te geven aan de hartelijke pogingen van eenen makker, van eenen vriend, van eenen gelijke, dan aan die van eenen meerdere, hoe geliefd en geëerbiedigd hij overigens ook zijn moge; want in het tweede geval moeten zij hunne eigenliefde overwinnen, eene moeilijke

ocr page 155

149

overwinning, en moeten zij dien hardnckkigen hoogmoed ten onder brengen.

Ik heb zulke arme kinderen gekend, die de vermaningen van hunne ouders en meesters moedwillig in den wind sloegen, en die op eens op den goeden weg terugkeerden, omdat zij op hun pad eenen christelijken vriend hadden ontmoet: eene onschatbare weldaad, eene goddelijke genade, die niet aan allen geschonken wordt.

„Wij waren elkanders engelbewaal•ders',, zeide de Mélun, als hij van zijnen broeder en van zich zei ven sprak.

Terugkomende op de kracht van verstandige raadgevingen van eenen jeugdigen apostel, komt men ongemerkt zonder eenige inspanning terug tot de deugd, die er noodig is, om zich zeiven te overwinnen. Dit is de tweede nuttige zijde van het apostolaat. Indien wij meer in bizonderheden wilden treden, zou het ons gemakkelijk vallen aan te toonen, dat de geest van het apostolaat over de geheele maatschappij zijne weldaden verspreidt, die niet tot het goede kan worden teruggebracht zonder de onophoudelijke werkzaamheid van de christelijke jongelingschap. Frankrijk zoude hopeloos verloren zijn als zijne jeugd niet ijverde tegen de twijfelzucht van vroegere geslachten, of zich niet in grooten getale te weêr stelde tegen de geweldige of trouwelooze handelingen der vijanden Gods. De Kerk zelfs heeft de medewerking van al hare kinderen noodig om de aanvallen harer tegenstanders te wederstaan. en in haren schoot vindt men de apostelen, die zijn opgestaan om haar te verdedigen, en vooral haar onderwijs te beschermen. Van do Kerk zelve ontvangen wij die bezielende

ocr page 156

150

vonk, welke, als wij getrouw onzen godsdienst beleven, van elk onzer een apostel kan maken.

Hij die werkelijk bemint wordt een apostel.

Mijne waanJfTvrienden! neemt dan het besluit apostelen van het goede te worden; laat uwe jeugd niet voorbijgaan, zonder dat gij deze belofte hebt afgelegd!

Ziet eens om u heen; ziet hoeveel boosdoeners, hoeveel apostelen des kwaads er zijn, die helaas door de wereld worden gezocht en toegejuicht, die de wereld door hare vleierijen aanmoedigt, en waarvan zij zich de laffe medeplichtige maakt! Zooveel menschen, die het kwaad, de dwaling, de ondeugd, den godsdiensthaat of de onverschilligheid niet alleen voortplanten, maar die de deugd aan allen moeilijk maken, die in hun midden verkeeren. Zooveel menschen die slechts één doel schijnen te hebben: den hemel te ontvolken ten bate der hel, en hun land ten ondergang te voeren. Bestrijdt hunnen verderfelijken invloed! Werkt hunne daden tegen, ontrukt hun de prooi, die zij belagen, en overwint het kwaad door het goed.

2de verhandeling:

De geest van het apostolaat ten opzichte zijner kameraden.

Mijne jeugdige vrienden, er bestaat een bizonder apostolaat, waartoe ik u vooral wil aansporen, omdat het jongelieden van gelijken leeftijd als gij raakt: dat is het apostolaat onder uwe makkers.

Bij het lager of hooger onderwijs is niets heerlijker,

ocr page 157

151

noch noodzakelijker voor de school en voor de universiteit.

Zeer dikwijls heeft Harrael gezegd: „Niets evenaart het apostolaat onder gelijken. Het apostolaat van den arbeider is honderdmaal vruchtbaarder dan dat van den werkgeverquot;. Misschien is Harmei te nederig, en houdt hij te weinig rekening met den grooten en onbereken-baren invloed, dien hij zelf op de arbeiders van zijne fabriek heeft uitgeoefend; maar de stelling is ontegenzeggelijk waar.

Na dit voorop gezet te hebben, kent gij uwen plicht: indien gij in uw hart werkelijk naastenliefde koestert, zult gij niet aarzelen bij uwe vrienden handelend op te treden. Toen de H. Joannes Berchmans in een moeilijk apostolaat onder zijne vrienden wilde slagen, begon hij met zich af te zonderen, en tot hunne engelbewaarders te bidden.

Dat is de ware liefde: die niet enkel het zijne, maar zich zeiven geeft; die zich daarin openbaart, dat men zijne ziel aan anderen mededeelt; de liefde, die de buitengewone eer bezit een werkdadig deel te zijn van het werk des goddelijken Verlossers, die ons hier op aarde het volmaakte voorbeeld van het apostolaat heeft nagelaten.

Na de opgezette stelling komt de praktijk, en dan eerst doen zich de moeilijkheden voor. Daarover wil ik u slechts een tweetal algemeene raadgevingen voorleggen, want een ieder moet, naar omstandigheden, over de onderdeelen oordeelen, na den raad van zijn leidsman te hebben ingewonnen.

De eerste raad, dien ik geven moet, is: bezit eene

ocr page 158

152

\

christelijke onverschrokkenheid. Zeker gij moet onverschrokken zijn, om uwe kameraden te redden. Denkt er onophoudelijk aan dat de hemel er mede gemoeid is. Gij zult nooit iets uitlichten als gij alleen op de hinderpalen let. Bij eiken stap zult gij opgehouden worden. Weest moediger. Gij zult u meer moeten te weer stellen naarmate gij ziet dat het kwaad grooter of de kans van slagen geringer is. Gij weet dat men niet leert zwemmen zonder te water te gaan. Doet eveneens. Gij hebt een makker, die zijn verderf te gemoet gaat, die zich beroemt op het kwaad, dat hij doet, die een hoogen toon voert, die omringd wordt door vleiers en lage medeplichtigen, dien kameraad moet gij uitkiezen. Richt een kort gebed tot den H. Geest, neemt een oogenblik van eenzaamheid waar, en gaat tot dien jongeling.

Zegt hem: mijn vriend, eertijds waart gij zoo goed en zoo braaf, het doet mij leed dat ik u van gedrag zie veranderen, dat gij u zeiven in het ongeluk stort! Wellicht zal de jonkman gramstorig worden of spotten met uwen ijver. Schrikt niet terug, luistert niet naar hem, spreekt nog eenige goede woorden, doet nog een laatste en krachtig beroep, dat gij voor God overwogen, gebeden en gesmeekt hebt, en gaat dan heen. Gij kunt zeker zijn, dat gij doel hebt getroffen, en dat gij recht op het hart zijt afgegaan. Het is mogelijk dat uw kameraad u heeft afgewezen; het kan gebeuren zelfs, dat hij in het eerst den uiterlijken schijn van zijne misdaden overdrijft ; maar langzamerhand zal de genade Gods in hem werken, hij zal u eerbiedigen, hij zal u liefhebben, men zal hem, tot veler verwondering, bereid vinden u

ocr page 159

153

te verdedigen als gij aangevallen wordt. De gedachte aan zijne kindsheid, aan zijne ouders, aan zijne eerste H. Communie zal hem geen rust laten; die enkele woorden, die gij tot hem gesproken hebt, zullen hem voor den geest komen, en ergens op eene eenzame plaats zal die jongeling tot u komen, u de hand drukken en zeggen: Gij zijt goed, gij bemint mij meer dan de anderen,.....gij hebt mij gered!

Ziet hier het apostolaat van den H. Aloysius van Gonzaga: Als deze engelachtige jongeling bemerkte, dat iemand op de school geestelijke hulp noodig had, verzuimde hij niets, om zich aan hem te hechten; en vele dagen, ja zelfs verscheidene weken bracht hij met hem de uren van uitspanning door, zonder er zich aan te storen, wat men er van mocht denken of zeggen. Wanneer hij meende dezen makker tot dien trap van deugd of van volmaaktheid gebracht te hebben, dien hij wenschte, dan verminderde hij geleidelijk den omgang, terwijl hij zeide, dat hij voor de algemeene stichting zich niet mocht afzonderen; hij spoorde hem aan eene goede keuze onder zijne makkers te doen, en wees hem er eenigen in het bizonder aan. Bovendien droeg hij zorg de anderen te waarschuwen, dat zij de gelegenheden zouden zoeken, om zich met hem bezig te houden, omdat hij goede voornemens gemaakt had. Als hij aldus den eenen gered had, zocht hij wederom een anderen. Door dergelijke middelen slaagde hij er in velen te winnen; hij wist in weinige weken, zelfs in de onverschilligsten, een goddelijk vuur te ontsteken, en geheel het Eomeinsch College in de hoogste achting en de grootste gunst te brengen,

ocr page 160

154

Dit is de voortdurende geschiedenis van het apostolaat onder de vrienden der jeugd, en geene vreugde is te vergelijken bij die van den jeugdigen apostel, die zich bewust is eeuen dwalenden op den goeden weg te hebben teruggebracht. Zelfs als zijne poging schipbreuk mocht lijden, dan nog blijven er voor hem geestelijke genietingen des gewetens weggelegd, een onbeschrijfelijk genot, een voorsmaak van den hemel.

Mijn tweede raad is: hebt een onuitputtelijk geduld en eene taaie volharding. Het gebeurt dikwerf dat het apostolaat niets schijnt uit te werken, zooals ik te voren aantoonde. Dan heeft de jeugdige apostel te doen met eene ziel, die zweeft tusschen goed en kwaad, en beurtelings valt en opstaat, die nu eens verwonderlijk tot het goede terugkeert, om spoedig weer dieper in zonde terug te vallen. Een woord, ééne aansporing, ééne herinnering is voor die zielen onvoldoende. Voor dezulken wordt eene langzame en volhardende arbeid gevorderd, die voorzichtig en boven alles teergevoelig zijn moet, dio zich noch door nederlagen noch door huichelarij laat afschrikken, en die geduldig het oogenblik of het uur afwacht, waarop God dat geweten voor goed wakker schudt. Dat uur zal altijd slaan. Het is voldoende aandachtig te luisteren of het slaat, en te letten op het hart, dat er gebruik van moet maken.

Mijne jeugdige vrienden! het apostolaat, dat gij op die wijze beoefent, zal heerlijke vruchten voortbrengen. Voor u zeiven en voor uwe vrienden zal het vruchtbaar zijn, en het zal voor uw leven wonderbare zegeningen boeiden. Maar zonder vele en vaak moeilijke offere

ocr page 161

155

zult gij uw doel niet bereiken, en uwe ziel moet daarop voorbereid zijn. In verscheidene gevallen zult gij genoodzaakt zijn, ten einde eene ziel te redden, die gij hebt uitgekozen, de makker, de vertrouwde en in zekere mate, de vriend te worden van iemand, voor wien gij overigens slechts eene matige achting koestert. Door zóó te doen zult gij in den beginne uwe werkelijke vrienden somtijds bedroeven, en min of meer van u vervreemden, hen namelijk die met u één van hart zijn, maar die het doel nog niet begrijpen, dat gij wilt bereiken. Zet evenwel uw werk voort, en houdt niet op Gods hulp in te roepen, met eene nederigheid geëvenredigd aan uwen ijver, en blijft rustig. De dag zal aanbreken waarop die taak vervuld zal zijn, en waarop gij, vrijer en gelukkiger dan ooit, terug kunt keeren tot uwe deugdzame en getrouwe vrienden, u door den hemel geschonken, om ze nooit weêr te verlaten.

Bovendien moet gij het beoogde doel nooit voorbij streven.

Het is goed, dat de liefde voor de ziel van uwe makkers, die in gevaar zijn, u somtijds in hun midden brengt, om hun bewijzen van vriendschap te geven; maar zijt op uwe hoede, dat gij niet met hen verloren gaat. Gaat met hen tot den rand van den afgrond, maar op eene wijze, dat gij er zelf niet in stort met degenen, die gij er van terug wildet houden. Er bestaat eene overmoedige liefde. Ik heb een jongeling gekend, die, uit vrees dat een zijner oudste en beste vrienden geheel zou verzinken in de zonde, meermalen in de week met hem naar den schouwburg ging. Voorzeker de bedoeling

ocr page 162

156

was goed, maar hoe gevaarlijk was een dergelijk besluit! De verleidende duivel der begeerlijkheid kon elk oogen-blik de ziel van dien jeugdigen apostel binnensluipen, door het gezicht, door het gehoor, geholpen door de weelderige maat der muziek, door de romantische voorstelling of door de slechte raadgevingen van hem, dien hij van het kwaad wilde terughouden.

In dergelijke gevallen komt de goede God zonder twijfel hen te hulp, wier bedoelingen rechtvaardig en zuiver zijn ; maar hier, mijne jeugdige vrienden! kan ik slechts herhalen, wat Chateaubriand schreef aan den onervaren Ozanam, toen hij te Parijs kwam:

„Ik bezweer u, mijnheer, volg den goeden raad uwer moeder op; in den schouwburg zult gij niets winnen, en gij kunt er alles verliezenquot;. Mijne vrienden! uw apostolaat zij dus op dit punt voorzichtig, maar het hebbe alleen de noodzakelijke omzichtigheid, overigens zij het vol moed en kracht.

Uw geweten zal u den weg wijzen, dien gij moet bewandelen, en het zal u terzelfdertijd beloonen, boven en behalve hetgeen gij kunt verwachten voor al het goede, dat gij gesticht zult hebben.

3üe verhandeling:

Het apostolaat in de werken.

Jongelieden vermoeden het goed niet, dat zij door christelijke liefdewerken kunnen tot stand brengen. Men durft alles te doen en alles te ondernemen op dien ge-

ocr page 163

157

lukkigen leeftijd, waarop de zon des levens wolkeloos opgaat, waarin de lucht helder is, wanneer de blik ver reikt over lachende beemden, het vertrouwen op de toekomst onbeperkt is, en het voorbehoud van hoop en geestdrift nog onbekend is; op den leeftijd, die geen vreezen of terugdeinzen kent.

Niets kan een denkbeeld geven van den invloed, dien een vroom, goed onderwezen christelijk jongeling uitoefent op het kind van den arbeider. Men ziet aanstonds, dat hij aan de kleinen met vreugde welkom is, wanneer hij de een of andere inrichting binnentreedt met een gullen lach op de lippen, met zijne zedige en tevens losse manieren, zijn vrijen oogopslag en zijne minzame toespraak. Zij weten dat zij in hem werkelijk een getrouwen vriend bezitten, op wiens toewijding en genegenheid zij altijd kunnen rekenen. Hem eerbiedigen, hem beminnen zij, en zij zijn bereid zijne raadgevingen op te volgen. In dien jeugdigen apostel vindt het hoofd dei-inrichting zijn beste en krachtigste hulp.

Die inrichtingen voor de jeugd bloeien het meest, waar de geestelijkheid door eenige jeugdige leeken, vol ijver en toewijding, wordt bijgestaan.

De meeste jongelieden vermoeden ongelukkigerwijze niet welk heil hunne tegenwoordigheid onder arbeiders en hunne zonen kan stichten. Indien zij het wisten, zouden zij er zich toe aanbieden, want het apostolaat is zoet. Zij worden, door ik weet niet welken schroom, weerhouden den drempel dier inrichtingen te overschrijden, en den bestuurders hunne diensten aan te bieden. Vreezen zij wellicht dat zij er zich niet goed van zullen

ocr page 164

158

kwijten en voor onhandig zullen doorgaan? Of wel vreezen zij, door op die wijze den weg der toewijding of der opoffering in te slaan, dat zij zich in het vervolg ook meer op de deugd moeten toeleggen? Ik weet het niet! Maar zeker is het aantal dergenen, die zich vastberaden op den weg des apostolaats begeven nog altijd veel te gering.

Wanneer de jongelingen de geschiedenis der Fransche jeugd van de XIX eeuw kenden, dan zouden zij meer vertrouwen in zich zeiven stellen. Deze geschiedenis is eene der belangrijkste en daarom tegelijk zeer behartigenswaardig. Overzien wij vluchtig de voornaamste feiten. De Fransche jeugd geboren omstreeks het jaar 1790 was gedurende de revolutie geheel verstoken van geestelijke leiding, zij groeide door en door ongodsdienstig op. De verschijning van Chateaubriand's „Geest des Christendomsquot; opende haar voor het eerst weer de oogen; vervolgens brachten de plotselinge en ontzettend groote rampen in het jaar 1815 tot nadenken. Er kwam een begin van reactie, en de Restauratie zag jeugdige dichters hunne beste krachten inspannen om God, de ziel en de schoonheden van den godsdienst te bezingen.

Al deze voorbeelden van terugkeer tot God waren slechts persoonlijke uitingen, en konden den vloed van goddeloosheid, die in Frankrijk heerschte, nog niet stuiten.

Montalembert verhaalt ons dat de aanwezigheid van eenen man in eene kerk in het jaar 1825 evenveel verwondering wekte, als het bezoek van een christen reiziger in eene Oostersche moskee, en dat men in goed geregelde scholen ternauwernood één christelijken

ocr page 165

159

jongeling op de twintig aantrof! Aan het college van de H. Barbara, tegenwoordig het lyceum Rollin, aldus verhaalt de Mélun, dat destijds onder de leiding van geestelijken stond, werd het bestaan van God als onderwerp van bespreking opgegeven aan studenten in de wijsbegeerte. Ten einde de sprekers meer vrijheid te laten, verzocht men den surveillant heen te gaan. De bespreking was levendig en diepzinnig, en toen men tot stemmen overging, verkreeg het bestaan van God de meerderheid van ééne stem. Hij voegt er bij: „ik stemde voor den goeden Godquot;.

Zóó was de godsdienst aan de staatsscholen gedurende de laatste jaren der Restauratie.

Op eens wordt men eene andere richting gewaar, wier herkomst men niet bepaald kan aangeven, en als eene ingeving en opwekking van den H. Geest moet beschouwen. Enkele jongelieden schroomden niet voor hun katholiek geloof uit te komen, en zich door het onderwijs aan het apostolaat te wijden.

Montalembert en Lacordaire staan aan de spits. De moed waarmede zij tegen de omwenteling strijden, en de wilskracht die zij aan den dag leggen, door zich van den oproerigen de la Mennais af te scheiden, vestigt de aandacht van Frankrijk op deze twee helden. Op hunne roepstem ontwaakt de christelijke jeugd uit haren lang-durigen slaap; zij slaat de handen uit, en brengt weldra wonderen te weeg.

In Mei van het jaar 1833 scharen zich zeven jongelieden rondom Ozanam, en stichten de eerste conferentie van den H. Vincentius a Paulo. Slechts één van deze

ocr page 166

160

acht oprichters was ouder dan twintig jaar! In alle groote steden waren drie jaren later conferentiën opgericht, en het liefdewerk overschreed de grenzen van het vaderland, vestigde zich te Rome onder het oog van den Paus, die het voor het eerst zijnen zegen gaf, en verspreidde zich vervolgens over de geheéle wereld.

Bijna op denzelfden tijd stichtte de Mélun, daarin krachtig bijgestaan door zuster Rosalia en Mevr. Swet-chine, de groote liefdewerken van het genootschap dei-vrienden van de kindsheid, het liefdewerk voor arme zieken, de instelling der barmhartigheid, en boven alles het St. Nicolaasgesticht voor leerlingen. Jeugdige priesters brachten de oude geestelijke orden tot nieuwen bloei, of richtten nieuwe congregatiën op.

Al deze jeugdige krachten vonden spoedig een ruimen werkkring, en beijverden zich de vrijheid van het onderwijs te veroveren, en zulks met eene toewijding en eenen moed, die alleen te waardeeren en te schatten was door hen, die het geluk hadden er getuige van te zijn. Die pogingen werden met den gewenschten uitslag bekroond, en eenmaal dien goeden weg ingeslagen, stond men niet meer stil.

Na het jaar 1850 begreep de katholieke jongelingschap dat zij pogingen moest aanwenden, om de arbeiders te winnen, ten einde hen tot de Kerk terug te brengen; daarom stichtte zij vereenigingen, waar de kinderen des volks toevlucht en bescherming vonden. In weinige jaren werd de schepping van dergelijke vereenigingen zoo algemeen verspreid, dat men een bizonder bestuur vormen moest, namelijk; het Centraal Bestuur, onder voor-

ocr page 167

161

zitterschap van den goeden en heiligen Mgr. de Ségur, om de katholieke liefdewerken te regelen, en hun eene meer samenwerkende kracht te geven door jaarlijksche bijeenkomsten.

Daarop volgt een bewonderenswaardig tijdperk in de geschiedenis der Fransche jeugd, waarvan ook de Hol-landsche zich een deel der eer kan toerekenen; nl. de verdediging van de tijdelijke macht des pausen; toen Pius IX z. g. door de la Moricière, Pimodan en Charette zijne zonen ter hulp riep. Met geestdrift stroomen van alle kanten jongelieden naar Rome, en vergieten voor de verdediging van den H. Vader edelmoedig hun bloed.

Nog onlangs herlas ik de gedenkschriften van het regiment pauselijke zouaven, en beschouwde de beeltenis van die helden, op de slagvelden van Castelfldardo en van Mentana gesneuveld voor den Paus. Allen of bijna allen zijn het jongelingen van twintig jaar, die vol vertrouwen het leven ingingen, zonen van edellieden en arbeiders, die hand aan hand den dood te gemoet snellen, broeders door geestdrift en door toewijding, en ik voelde tranen in mijne oogen opwellen, bij het aanschouwen van zoovele bloemen, die voor haar tijd verwelkt waren ■ bij het zien van die gelaatstrekken, waaruit godsvrucht en een hoog eergevoel spraken, zeide ik bij mij zeiven: „Ziedaar den christelijken jongeling in al zijne grootheid en in al zijne schoonheidquot;!

Wij schreven het jaar 1870 toen eensklaps vreeselijke rampspoeden ons land teisterden, en ons den steeds gapenden afgrond voor onze voeten toonden.

Nogmaals bewees de jeugd van Frankrijk, gedurende

11

ocr page 168

162

dezen verschrikkelijken oorlog, dat haar vaderlandsliefde even vurig was als voorheen, en de veldslagen van Orleans, van Loigny, van Mans en zooveel anderen toonden haar bereid om te sneuvelen voor het edelste doel: de zaak Gods. Evenwel kon zooveel heldenmoed Gods rechtvaardigheid niet bevredigen, en weldra deed de Commune de schillen van de oogen vallen, en toonde den treurigen toestand der arbeidersklasse. Er was geen tijd meer om te wachten tot de liefdewerken er in geslaagd zouden zijn geleidelijk de opkomende geslachten van het volk te bekeeren; men moest zich te midden van het volk werpen en het bewijzen dat het dwaalde. Jeugdige officieren bezaten dien moed en dat stoute vertrouwen. Zij grepen naar het kruis, zij ontplooiden de vaan van het H. Hart, en wierpen zich, evenals de Machabeërs, zonder op het getal te letten, in het heetste van den strijd.

De werklieden-vereenigingen waren ontstaan, en de katholieke jongelingschap vond nieuw voedsel voor zijnen ijver. Die vereenigingen hebben sinds getoond wat men kon verwachten van dien nieuwen tak ontsproten aan den immer jeugdigen en altijd krachtigen stam der Kerk.

En nu tegen het einde der eeuw oordeele men over het behaalde voordeel. In het jaar 1820 was het onverschilligheid en goddeloosheid; in liet jaar 1889, hondeid jaar na de Revolutie, zien wij eene bewonderenswaardige uiting van de kracht van den katholieken geest. Hetzelfde Frankrijk, dat de Kerk vervolgde en de geestelijken verbande, dat Europa bedierf, de handelstoestand in beroering bracht, en aan alle wetten van God verzaakte;

ocr page 169

163

datzelfde Frankrijk is ook de werkelijke geboortegrond zoowel van de christelijke liefdewerken als van de geestelijke orden; en de voornaamste beweegkracht van dien verwonderlijken terugkeer in minder dan eene eeuw tot stand gekomen, en die ons allen moed voor de toekomst geeft, was: de katholieke jongelingschap.

Denkt niet, jongelieden, dat ik u de geschiedenis van de jeugd dezer eeuw verhaald heb om u mede te deelen dat uwe voorgangers alles verricht hebben, en dat gij op de door hen geplukte lauweren kunt uitrusten. Dat zou geheel en al strijden tegen hetgeen ik wil bewijzen. Vooreerst wil ik een beroep doen op uw eergevoel: gij moet onderhouden en ontwikkelen hetgeen uwe kameraden vóór u met zooveel inapanning gesticht hebben, namelijk die conferenties, die gestichten, die ver-eenigingen. Voor u is dat een eerste en heilige plicht. Gelooft dan niet dat alles geëindigd is. Integendeel, de strijd is feller dan ooit, en de geest der omwenteling tracht met verdubbelde inspanning ons de behaalde overwinningen te ontrukken.

Met geweld ontneemt hij ons de zielen van de kinderen des volks, en beschermt zooveel hij kan de loochening van God.

Zijn haat tegen de Kerk kent als grenzen alléén de muren vroeger door de Katholieken opgetrokken. Spoedt u daarheen, en houdt evenals de soldaten van Nehemias, in de eene hand het zwaard en in de andere den troffel.

5

dezen om op te bouwen, genen om te verdedigen. Mijne waarde vrienden, gaat aan uwe liefdewerken. Ik zeg aan um liefdewerken, omdat zij door overlevering de

ocr page 170

164

uwe zijn. Dat men u bij de bestuurders van gestichten aantreffe; dat men u vinde in de conferenties van den H. Vincentius, die u de armen zullen leeren kennen, in de vereenigingen, waar gij den fabrieksarbeider den grooten onterfde, den arme van de XIXlle eeuw kunt vinden; in de bonden waar gij het heerlijk schouwspel kunt genieten van den eerlijken en christelijken werkman, en waar gij de maatschappij weer tot kracht ziet komen volgens de instellingen van het christendom. Gaat waar God u roept, na er uwe voorgangers geroepen te hebben; en waar gij den troost des harten zult vinden, dien uwe voorgangers er vonden: de onvergelijkelijke genoegens der naastenliefde.

4de verhandeling.

Het apostolaat in en buiten de familie.

Het apostolaat in de familie! Mij dunkt, mijne waarde vrienden, ik hoor een uitroep van verbazing uwerzijds tegen den titel van deze verhandeling. Hoe! zult gij zeggen, hoe kunnen wij het apostolaat uitoefenen in de gezinnen, die ons tot christenen gevormd hebben?

Mijn antwoord zal zeer eenvoudig zijn. Ja, gij dankt alles aan uwe ouders. Door hen is in uwe reine ziel voor het eerst den naam van God en van Jesus geprent. Terecht zeide de Mélun: „in den huiselijken kring zijt gij geboren, daar zijt gij opgegroeid, daar werdt gij het eerst geliefkoosd, daar leerdet gij het eerste bidden; die huiselijke kring bezit eene macht, die door het

ocr page 171

165

bewogen leven van de scholen en het college wel verlamd maar niet vernietigd kan worden. Het is als een grondslag van graniet, die tijdelijk onder zand en stof kan worden begraven, maar zoodra dit alles door den wind wordt weggevaagd, opnieuw blijkt een onwrikbare rots te zijnquot;. Maar juist omdat gij alles aan den huiselijken kring verschuldigd zijt, dwingt een ernstige plicht van dankbaarheid en van teederheid u, iets terug te geven van hetgeen gij ontvangen hebt.

Vormt u daarover geene dwaze denkbeelden. Veel kunt gij voor uwe familie doen, en met vrucht kan uw apostolaat daar werkzaam zijn. Er zijn weinige familiën, waarin niet een of ander lid zich van God heeft afgekeerd, en uit kracht van den innigen band, die in het goddelijk plan alle leden van dezelfde familie vereenigt, moet dat lid u dierbaarder zijn dan elk ander buiten die familie. Niet slechts de naastenliefde maar ook de titel van naastbestaande gebiedt u zijne ziel te winnen: „Indien iemand niet bezorgd is voor de zijnen en bovenal voor de leden van zijne familie, zoodanige heeft het geloof verzaakt, en is erger dan een ongeloovigequot;.

Mijne waarde vrienden, moge God u het verdriet besparen dat een vader uw geloof niet deelt, of zijne plichten jegens God en de Kerk verwaarloost. Die smart moet wreed zijn voor het hart van den christelijken jongeling, terwijl zij tevens een gedurig gevaar oplevert voor zijn eigen val. Sinds de hoogere standen der maatschappij tot het christendom terugkeeren, worden die gevallen, Gode zij dank, zeldzamer. Desniettemin ontmoet men nog dikwerf genoeg jongelieden, die in de liefde tot

ocr page 172

166

Jesus en Maria zijn opgevoed dooi' eene moeder of door christelijke onderwijzers, maar wier vader onverschillig ja somtijds vijandig is tegenover de waarheden des geloofs.

Dan wordt uw rol in het huisgezin groot en gewichtig. Gij moet die welbeminde ziel geweld aandoen, haar tot eiken prijs aan God teruggeven. Gij moet haar met teedere zorgen omringen. Gij moet haar omzichtig naderen. Gij moet langzamerhand uw doel bereiken zonder ooit aan den kinderlijken eerbied te kort te doen. Gij moet krachtig en teeder, geduldig en sterk tegelijk zijn. Met blijdschap moet gij elk offer uwer eigenliefde, elk onverdiend verwijt aanvaarden, en bovendien moet gij zoo voorzichtig zijn dat, buiten uwe moeder, niemand kan denken dat er een strijd bestaat, niet tusschen uwen vader en u, maar zelfs niet tusschen u en den vijand van alle goed, die de ziel uws vaders in zijne macht heeft.

En als dan het oogenblik der overwinning daar is, als eindelijk uw vader, verlicht door uw voorbeeld, door uwe teedere aanmaningen, door de gebeden en de deugden uwer moeder, door de genade Gods, die bij hem gewerkt heeft, tot God terugkeert, en met u tot de H. Tafel nadert — welk een dag van vreugde, van genot en van dankbaarheid jegens God!

Ik heb, en dit is eene der zoetste herinneringen mijner jeugd, ik heb twee broeders gekend, die getracht hebben hunnen vader tot God terug te brengen. In die onderneming werden zij slechts geholpen door de gebeden hunner moeder, want helaas meermalen was de arme vrouw door haren man teruggestooten, en zij had hare laatste hoop gevestigd op de handeling van hare beide

ocr page 173

167

zonen, die zij met de tranen barer ziel had opgevoed. Van verre en gedurende vele jaren volgde ik het geheimzinnig drama, welks aandoenlijke ontknooping ik vermoedde; en eindelijk zag ik op eenen vacantiedag, vader, moeder en de beide zonen gezamenlijk de H. Communie ontvangen uit de hand van eenen uitstekenden priester, die aan de bekeering de laatste hand had gelegd. Alle vier zagen zij er uit alsof zij naar den hemel gingen! De beide jongelingen straalden van vreugde, de vader was verzonken in stille vervoering over het nieuwe vaderland dat zich voor hem opende, en de moeder stortte tranen, maar het waren tranen van vreugde.

Dergelijke pogingen zult gij, mijne vrienden, niet dikwijls hebben aan te wenden; uwe vaders zijn christenen, en zij bezitten dien keten van katholieke overleveringen, die uwe familiën tot hooge eer verstrekt.

Maar hoe dikwijls zult gij eenen broeder aantreffen, die lauw en onverschillig wordt, of die zicïï, zijne afkomst vergetend, overgeeft aan zijne hartstochten! Dan is het de taak der broederliefde om aanstonds dit noodzakelijke apostolaat te beginnen, met hetzelfde geduld en even ijverig alsof het eenen vader gold. De vriendschap eens broeders is werkelijk eene gave Gods, en men moet hem niet verliezen zonder alle moeiten te doen om hem te redden. De wijze waarop de Mélun zijnen broeder tot God terugbracht is een treffend voorbeeld van datgene wat gij in een dergelijk geval moet doen. Op bijna dertigjarigen leeftijd had deze jonge man voor zijne familie nog die kinderlijke liefde, die alleen bij zuivere harten wordt aangetroffen. De vriendschap voor zijnen

ocr page 174

168

broeder werd vergald dooi' treurige gedachten. Deze broeder, de onafscheidelijke gezel zijns levens, die spoedig zijn deelgenoot en zijn mededinger zou worden in de werken des geloofs, ondervond toen eene storing in zijne godsdienstige overtuiging. Niet ongerept had hij de polytechnische school en het brandpunt der vrijdenkerij van de militaire jongelingschap doorloopen.

„Hij hadquot;, zegt de Mélun zelf, „reeds uit het ouderlijke huis gedachten en stellingen medegebracht, waaruit besprekingen voortvloeiden, die mijne moeder bedroefden, want zij vreesde dat het geloof harer kinderen reddeloos verloren ging. Ik troostte haar zoo goed mogelijk, en verzekerde haar dat de rijpere leeftijd, de ondervinding en goede voorbeelden deze verdwaalde schapen naar den schaapstal zouden terugvoerenquot;.

De Mélun droeg tot dien terugkeer ruimschoots het zijne bij. Hij had Mevr. Swetchine tot deelgenoote in zijne geheime bemoeiingen. Haar vertrouwde hij zijne vertroostingen toe. In October van het jaar 1836 schreef hij: „ik heb hier mijnen goeden broeder teruggevonden. Ik herhaal hein uwe goede raadgevingen, en samen doen wij ons voordeel met uwe woorden. Het is voortreffelijk om te zien hoe deze ziel door de waarheid hervormd wordt. Na de laatste grenzen der dwaling te hebben verlaten, heeft hij, beschermd door zijn onderricht en zijne opvoeding, den weg bewandeld die tot God terugvoert, eerst onzeker rondtastende, bij elke schrede wankelend en terugschrikkende voor eiken hinderpaal, maar zijn tred is vaster geworden, de dikke duisternis is opgeklaard en van hem weggegaan. De woestijn heeft

ocr page 175

169

voor hem hare dorheid, haar brandenden dorst, haar oogenblikken van gemor, haar Philistijnen en Amaleciton; maar ook het Evangelie met zijn manna, zijn H. Augus-tinus, zijn bron van levend water, en nu zingt hij den lofzang der verlossing. Zoo is het mij gegeven in een ander ik alle beloften van het Evangelie te zien voltrekken in deze daad van genade, in die overgang van gestadige rusteloosheid tot den vrede, van het lijden tot het hoogste goed, van den twijfel tot het geloof. Dergelijke feiten zijn als wonderen. Ik word niet moede er u over te spreken, omdat ik nooit schooner voorbeeld van menschelijke wedergeboorte, door het geloof aan Jesus Christus, gezien hebquot;. Het verschaft een waar genoegen de apostolische zending van de Mélun te zien beginnen met de ziel van zijnen broeder.

Men zou vele dergelijke voorbeelden kunnen aanhalen, want onder de christelijke jongelingschap zijn de overwinningen van het geloof en van de liefde talrijk; maar het zij ons genoeg te zeggen, dat een jongeling, die zóó zijn werkkring opvat, den gelukkigsten invloed op de zijnen zal uitoefenen.

Er is nog een andere vorm van het apostolaat, insgelijks zeer wel geschikt om een moedigen jongeling op te wekken; het apostolaat hetwelk de wereld zelve met hare dwaasheden tot arbeidsveld heeft, de wereld die de ernstigste belangen oppervlakkig behandelt, die eene onverwinnelijke neiging heeft met heilige zaken den spot te drijven, en wier rampzalige invloed alle wilskracht vernietigt, de deugd uitput, het krachtigste geduld vei-, zwakt, en het apostolaat ontmoedigt.

ocr page 176

170

Men kan zich niet voorstellen wat de jongeling in zulk een kring uitwerkt als hij getrouw aan het geloof weet te blijven, als hij zonder gemaaktheid maar met eerbied over den godsdienst, de geestelijkheid en den eeredienst spreekt, als hij de spotters te woord staat, de zwakken ondersteunt, de lafhartigen moed inspreekt, en als hij zoo eenvoudig mogelijk zijn geloof toont dooide goede werken, die de Kerk aanbeveelt. Spoedig verkrijgt hij eenen verwonderlijken invloed, langzamerhand breidt zijn gezag zich uit, hij heeft het genoegen vele dierbare vrienden te verwerven, en als hij maar eenigszins onderwezen, beminnelijk en geacht is, neemt hij in de wereld eene benijdbare en heilzame plaats in.

Nogmaals zal het leven van de Mélun ons een treffend voorbeeld geven van het goed, dat een jongeling in de gezelschappen kan stichten. In het jaar 1835 verscheen de Mélun dikwijls in de Parijsche salons. Beurtelings zag men hem bij de hertogin de Damas, bij Mevr. de Rauzan, bij Mevr. de Circourt en andere. Men zou kunnen zeggen dat hij te veel in de wereld verkeerde en er te veel tijd aan besteedde, als hij er niet zooveel goeds had uitgewerkt, niet alleen door zijnen grooten natuurlijken aanleg maar ook door zijne altijd verhevene en christelijke gesprekken. Bij Mevr. Swetchine ontmoette hij eens op een avond een jeugdigen secretaris van het Russische gezantschap, die door zijne innemende persoonlijkheid, door zijn groot en levendig verstand, den grootsten opgang in de politieke kringen en indehooge wereld maakte. Niemand twijfelde er aan of zulk een veelzijdige aanleg zoude hem tot de hoogste plaatsen

ocr page 177

171

in de diplomatie en in het bestuur van zijn vaderland brengen. De Mélun knoopte kennis met hem aan en had met vorst Gagarin, zoo heette de jonge Rus, dikwerf een onderhoud waarbij hij niet schroomde de verhevenste vraagstukken der wijsbegeerte en der naastenliefde te behandelen. Op eens verneemt men tot ieders verwondering dat de jonge Gagarin 1) Katholiek is geworden. Niet lang daarna hoort men dat hij in de Societeit van Jesus was getreden, en de Mélun ontving van den jeugdigen novice van St. Acheul eenen brief, waarin wij deze heerlijke regelen lezen: „Ik voldoe aan eene behoefte mijns harten door u te zeggen, dat uwe gesprekken, meer dan gij misschien vermoedt, er toe hebben bijgedragen den weg te volgen, waarop God mij geleid heeft. Uwe ernstige bedenkingen, zoo wel doordacht, zoo geheel doortrokken van den geest des geloofs, hebben mij aangegrepen en op mijnen geest eenen weldadigen invloed uitgeoefend. Met blijdschap maak ik van de gelegenheid gebruik, die mij tot nu toe ontbrak, om u mijne erkentelijkheid te betuigenquot;.

Wie zal ooit de groote en innige vreugde begrijpen, die de jonge apostel genoten heeft bij het ontvangen van dezen brief. Dat is eene dier hemelsche vreugden, die alle begrip te boven gaan.

Maar om vurig en volhardend te zijn heeft het apostolaat eenen geest noodig, die het verlevendigt en steunt; om werkdadig en werkelijk christelijk te zijn, behoeft het een zuiver oogmerk en een welgeregelde handeling.

1

Prins Gagarin komt voor in do „Vijf Levcnsschctseuquot; door W. v. Nicuwenbott'. Amsterdam ü. Borg.

ocr page 178

172

De ziel van het apostolaat is de geestdrift; het richtsnoer van het christelijke oogmerk is de nederigheid.

Daarover nog twee verhandelingen, waarmede wij onzen gedachtengang en ons geheele werk besluiten.

5de verhandelino :

De geestdrift.

De geestdrift is de kroon van het apostolaat. Zij verheft de ziel zoozeer boven het aardsche, dat zij bij elke onderneming alle moeilijkheden wegneemt, en aan hem, die brandt van begeerte tot God te gaan en anderen met zich te voeren, alle mogelijke wegen aanwijst.

De geestdrift is een ijver, die ontstaat uit de volheid der overtuiging en uit eene groote liefde voor een edel doel.

Geestdrift te hebben staat gelijk met zich twee blanke vleugelen aan te hechten, waarmede men als de duif opstijgt boven het stof om ten hemel te vliegen.

Die vol geestdrift is stoort zich inderdaad niet aan aardsche tegenspoeden. Altijd is zijn geest vervuld met zijne verhevene zending. Hij beschouwt zich zei ven als een pachter van den Christus, en hij geeft zich slechts moeite om den oogst, die aan zijne zorgen is toevertrouwd, te verzamelen, en in de voorraadschuren voor zijnen Meester op te bergen.

Gelukkig alwie in den grond zijns harten dat goddelijke vuur der geestdrift voelde ontvonken, die het bovennatuurlijke leven onderhoudt, en bewonderenswaardige opwekkingen ten goede voortbrengt. Zoolang dat vuur brandt, zullen zijne godsvrucht, zijne zuiverheid en zijne eeiquot; schitteren met levendigen glans, en zullen de be-

ocr page 179

173

koringen alle uitwerking missen. Zulk een vuur nadert de duivel niet.

Mijne jeugdige vrienden, zijt vol van geestdrift! Beschouwt haar als de kroon van alle deugden, waarover wij u spraken, en die uw voorhoofd moeten sieren ! Inderdaad, zonder geestdrift verflauwt de moed spoedig en wordt de krachtigste wil verzwakt. Daarentegen groeien de goede voornemens der ziel gestadig door de geestdrift.

Wat is het geheim van die grijsaards, die zelfs in den avond des levens nog jeugdig zijn gebleven, en nog spreken over strijd en over hoop?

Wie ondersteunt die jeugdige studenten, omringd dooide verleiding der ondeugden, in aanraking gebracht met elk maatschappelijk bederf, en die desniettemin met vasten tred voortgaan op het pad der deugd? Wie sterkt die vaders en moeders van huisgezinnen, die nog onvermoeid schijnen, en nog van geen rust spreken, nadat zij getobd en gezwoegd hebben om in hun dagelijksch onderhoud te voorzien, en hunne kinderen op te voeden ?

Wie onderhoudt dat krijgsvuur in de harten van die oude reeds vergrijsde soldaten, wier moed echter met de jaren nog schijnt toe te nemen ?

Ten laatste, wie steunt do menschen in 's werelds strijd tusschen goed en kwaad, en weerhoudt de wereld om weg te zinken in het slijk der hartstochten?

Mijne waarde vrienden! het is de geestdrift, de christelijke geestdrift, die de geduldige verwachting staande houdt, en den geest verruimt; de geestdrift, die de zielen ontvlamt, en zuivert, en haar als heldere vlammen tot God opvoert! Jongelieden, weest ook voor uw vaderland

ocr page 180

174

vol geestdrift. Gij zijt het aan uw land verschuldigd. Door de geestdrift werd Frankrijk het land der kruistochten, dat van Bouvines, van de Ligua in haren besten tijd, het land van Lodewijk XIV in zijne jeugd.

Vol verbazing zagen de andere natiën naar Frankrijk.

Zij begrepen niets van die edelmoedige en onbaatzuchtige aandrift, die ten doel had het graf van Christus te bevrijden, de zwakken te beschermen, en de godsdienstige waarheden te verdedigen.

Er was geestdrift en zielskracht noodig om zijn bloed te Jerusalem of te Castelfldardo te vergieten. Nooit zal het koele verstand, dat redeneert en het voor en tegen van eene beslissing weegt, den mensch of de volkeren tot daden voeren, die de menschheid groot en edel maken. De geestdrift geeft, maar verkoopt zich niet. Zij alleen doet wonderen, en verheft den mensch in eigen oog! Zij is die aandrang des harten, welke zich onder de goddelijke ingeving wijdt aan eene groote zaak, en het hart heeft beweegredenen, die het verstand niet kent.

Die geestdrift deed Theodoor Wibaux, daags na den slag van Monte Libretti, uitroepen: „Een marsch van acht dagen, bij het vervolgen van eenen vijand, die vlucht naarmate men nadert, en dan zich eensklaps tegenover dien vijand te bevinden: is het dan niet natuurlijk, dat men commando geeft: „Vooruit! valt aanquot;! zonder zelfs op het getal of het geschut te letten, dat de vijand in het veld brengtquot;. Als men tegenover zulk een heldenmoed staat, is het dan niet armzalig het hoe of wat te beredeneeren? God wilde een zuiver offer, eene bloem te meer om zijn Paradijs te versieren.

ocr page 181

Dat is geestdrift, die zich verheft boven kleingeestige berekeningen of persoonlijke vrees, boven den engen kring, waarin zich de meeste menschen bewegen, en waarover de ïocqneville op reeds bejaarden leeftijd schreef:

„De kleine, weeke en onvruchtbare hartstochten, die ik rondom mij aan het werk zie, zouden mij in het leger drijven als ik jonger of naar de trappisten als ik vromer wasquot;.

Alie edelmoedige zielen voelen behoefte aan die geestdrift, welke hen boven de laagheden dezer aarde verheft. „Wij vergaan door de middelmatigheidquot;, riep La Moricière, „daarom werk ik met al de kracht die in mij is, om langzamerhand elke waarheid terug te winnen, zooals ik vroeger eene militaire stelling na heeten strijd veroverd heb. Alle mannen van karakter moeten den blik omhoog slaan! Verachten wij de dingen dezer aarde als nietswaardige ellendigheden. Houden wij ons bezig met hemelsche zaken, die alleen heilig en eerbiedwaardig zijn. Daar vindt men de hoogste gerechtigheid, de opperste goedheid, het volmaakste gelukquot;!

En gehoor gevende aan dezelfde christelijke inblazing, die hij in zijne ziel gevoelde, schreef de jeugdige Bernard Veuillot in zijne geheime gedenkschriften: „Niets middelmatigs in mij, in den dienst van alles wat edel en groot is, en waaraan ik mij wil wijden; in zulk eene taak niets middelmatigsquot;.

Mijne jeugdige vrienden, weest voor u zei ven vol geestdrift. Opent vooral uwe harten voor dat goddelijk vuur, hetwelk over de aarde gaat om eene rustplaats te zoeken. Hebt edele zaken vurig lief, uwe ouders, uwe

ocr page 182

176

familie-overleveringen, uwe onderwijzers, uwe vrienden; wijdt u aan het welzijn der werklieden en der armen; zijt moedige apostelen van de geheele waarheid; sluit u nauw aan de Kerk, strijdt voor God, en weest er zeker van dat gij op zestigjarigen leeftijd evenals nu, altijd jeugdig, altijd vol vuur voor het goede, vol moed en vol van hoop zult wezen.

6de veehandeling:

De nederigheid van den christelijken jongeling.

Alvorens afscheid van u te nemen, mijne waarde vrienden, wensch ik u nog een enkel hoogst belangrijk woord toe te voegen, moge dit laatste woord tot den grond uws harten doordringen.

Ik heb u voorgehouden dat, wildet gij beantwoorden aan de bewonderenswaardige type van den christelijken jongeling, gij godvruchtig en onderwezen, mannen van eer en van verdienste, degelijke burgers en apostelen van het goede moest zijn.

Welnu, al wat ik heb aanbevolen zoude nutteloos zijn, en verdiende uitgewischt te worden, als ik daar niet aan toevoegde, dat elk dezer deugden haren grond en hare kroon moet vinden in de nederigheid.

Maar boven alles wil ik u deze bewonderenswaardige deugd aanbevelen met het oog op het apostolaat. Be-hartïgt, beharligt dre^ê^ welkeNjle groote Meester van het apostolaat voor alles aan zijne leerlingen gaf, en die men niet kan vergeten zonder op te houden christen

ocr page 183

177

te zijn. „Leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hartequot;.

Laat ons vooral nederig zijn!

Neemt u zorgvuldig in acht voor de persoonlijke ijdel-heid, die zoo beleedigend en zoo valsch is, en die een verdorrenden invloed op u zei ven en op anderen uitoefent. Kent gij iets onaangenamer, en toch helaas niets algemeener, dan een ijdel jongmensch? Kent gij iets wat de sympathie meer afstoot, dan die zekere toon van aanmatiging en de dwaze eigendunk van lieden, die vol zijn van zich zei ven ? Verscheidene jongelieden heh ik ontmoet, die eenige dier deugden bezaten, waarover wij gesproken hebben; maar van wie men zich onwillekeurig afwendde, omdat zij niet bescheiden waren, omdat zij op hunne verdiensten groot gingen, of minstens omdat men bemerkte, dat zij ze niet verborgen; en ten laatste kwamen zij er toe meer kwaad dan goed te stichten.

De jongeling, die zich op zijne deugd laat voorstaan, loopt groot gevaar haar te verliezen. Hij bezit niet meer dan noodig is om er zich uitwendig mede te tooien. Innerlijk is hij ledig.

Verregaande hoogmoed of kleingeestige ijdelheid brengen inderdaad dezelfde verwoestingen te weeg. Er is slechts verschil in snelheid. Evenals de wormen, ontsieren, bederven en vernietigen zij.

Daarentegen worden alle zaken door de nederigheid versierd. Zij maakT'de deugd grooter en aantrekkelijker. Hij alleen is waarlijk groot die nederig is, en men kan zich op iemands verdiensten slechts dan verlaten, als

12

ocr page 184

178

zij op de nederigheid gegrond zijn, volgens difc schoone woord van de H. Schrift: „Do nederigheid gaat den roem voorafquot;.

Mijne jeugdige vrienden, laat ons derhalve nederig zijn; plaatst u zeiven op den achtergrond; denkt niet aan u zeiven; dat de nederigheid uwe kroon zij. Staat mij toe dit boekje te besluiten met een laatste voorbeeld van christelijke nederigheid, dat het beeld van den christelijken jongeling moet voltooien:

In het jaar 1758 behaalde de markies de Montcalm eene schitterende overwinning op de Engelschen te Carillon, die de Britsche troepen ver van Fransch Canada verdreef. Deze overwinning had ons leger in geestdrift ontstoken, en de troepen zoowel als de kolonisten verhieven hunnen generaal in de wolken. Twee dagen na den slag liet Montcalm op eene verhevenheid, die de vlakte beheerschte, een houten kruis planten, en zelve gaf hij daarvoor dit schoone opschrift:

./Quid dux? Quid miles? Quid strata iugeutia ligua?

En liguum! Eu victor! Deus hie, Deus ipse triumphat! Waartoe een generaal, soldaten of verschanste kampementen?

Dit is het verwinnend hout. God is het, God zelve die hier heeft

[gezegevierd.

Nooit was Montcalm grooter dan op dien dag.

Zijne christelijke nederigheid heeft hem tot een held gemaakt, en zijne nagedachtenis is groot onder ons.

Mijne waarde vrienden, Iaat ons dat voorbeeld navolgen, vernederen wij ons, opdat ons vaderland zich moge verheffen, opdat de nederlagen in overwinningen mogen

ocr page 185

179

veranderen, opdat ons vaandel opnieuw roem mogs verwerven; heften wij het kruis hoog boven onze hoofden, en zeggen wij met Montcalm:

„Deus, Deus ipse triumphatquot;. „Door God en door God alleen willen wij de overwinning en onze zaligheid verwervenquot;.

ocr page 186

VERBETERINGEN.

Biz.

6 staat: opgewerkt, lees.

opgewekt.

5?

8

, den armen,

55

de armen.

5?

9

, vleid en vleidde.

55

vlijt en vlijde.

??

11

, bloozen,

5?

blozen.

)ï

li

, terzelfde tijd,

15

te zelfder tijd.

22

, duizende,

15

duizenden.

,5

26

, ten tijde den van.

55

ten tijde van den.

ï?

28

, middeneeuwen,

55

middeleeuwen.

35

, officieren wien.

55

officieren wie.

38

, een der grootsten,

55

een der grootste.

55

89

, terugkeeren.

5?

terug te keeren.

55

43

, ten zijnen opzichte,

55

te zijnen opzichte.

55

45

, fabriekant.

55

fabrikant.

55

-16

, de gaven uws geesten.

55

de gaven uws geestes.

55

47

, gezelinnen,

5 J

gezellinnen.

55

52

, zamenhangend,

55

samenhangend.

53

, ten dien opzichte,

55

te dien opzichte.

62

, duizende.

55

duizenden.

55

63

, ter hunner beschikking.

55

te hunner beschikking.

55

67

, zedeleer,

55

zedenleer.

55

72

, ten allen lijde.

55

te allen tijde.

55

77

, eenigzins,

55

eenigszins.

ocr page 187

INHOUD.

Bldz.

Aan den Lezer...............3

EERSTE XjEZIIlSrO-.

DE GODSVRUCHT.

Eerste Verhandeling. — De kenmerken der godsvrucht van

den christen jongeling............5

Tweede Verhandeling. — De H. Maagd Maria en de christen

jongeling................li

Derde Verhandeling. — Het H. Hart van Jesus . ... 20 Vierde Verhandeling. —■ De Beschermheiligen van het vaderland................26

31

iO

-i6 53 58 65

HET ONDEKRICHT.

Eerste Verhandeling. —• Het onderwijs van den christe-

lijken jongeling in het algemeen........

Tweede Verhandeling. — De plichten van staat . . . . Derde Verhandeling. — De christelijke dichtkunst en de

schoone kimsten..............

Vierde Verhandeling. — De wetenschappen.....

Vijfde Verhandeling. — Het godsdienstig onderricht. . . Zesde Verhandeling. —• De Kerkelijke geschiedenis . . .

DE MOED.

Eerste Verhandeling. — De moed van den christelijken

jongeling................71

Tweede Verhandeling. — De moed in zake van godsdienst. 74

ocr page 188

182

Bldz.

Derde Verhandeling. — De burgerlijke moed ..... 81 Vierde Verhandeling. -— De moed van den krijgsman . . 88

DE VERDIENSTE.

Eerste Verhandeling. — Het ware begrip van de verdienste. 98 Tweede Verhandeling. — De drievoudige verdienste van den christelijken jongeling: gedrag, taal en verstand. . 105

DE EER.

Eerste Verhandeling. — Het begrip der eer.....115

Tweede Verhandeling. —■ Het gewicht en het nut der eer. 121-Derde Verhandeling. — De ridderlijke geest.....129

RESIDE: XjEJSliTGJ-.

DE VADERSLANDSLIEFDE.

Een Verhandeling. — De vaderlandsliefde......138

i_iE!z:i3srlt;3-.

HET APOSTOLAAT.

Eerste Verhandeling. — De geest van het apostolaat . . 114 Tweede Verhandeling. -— De geest van het apostolaat

ten opzichte zijner kameraden.........150

Derde Verhandeling. — Het apostolaat in de werken . . 156 Vierde Verhandeling. -—■ Het apostolaat in en buiten de

familie.................164

Vijfde Verhandeling. — De geestdrift........172

Zesde Verhandeling. -— De nederigheid van den christelijken jongeling..............176

ocr page 189
ocr page 190

IMPRIMATUR.

Amstelodami, F. T. H. van Ogtrop,

die 5 Aprilis 1891. (2em.

ocr page 191
ocr page 192
ocr page 193
ocr page 194

dwWïiSMfei «ii* :.v.- - ,■■... : •

~ ■gt;■ -r. ^ 3