• ci/y / a i ULCuyrt/yi,
i ULcljyri
M ARIALIEDEREN
Vale 87
%Vi
Wijlen Mgr. P. van der PLOEG,
\VAN ZANGWIJZEN VOORZIEN
M. J. A. LANS,
l'astoor te Schiedam,
W. P. H. JANSEN,
Leeraar aan hot Seminarie Ilageveld te Voorhout.
DERDE UITGAVE.
LEIDEN, J. W. VAN LEEUWEN,
Uitgever en Antiq. Boekh., Hoogewoerd 89.
1891.
IMPRIMATUR.
Datum riARLEMt CASrAR
die 19 Apiilis 1SS7. Episc. liarlemen.
'Het auteursrecht is verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (.Staatsblad nquot;. 124).
VOORBERICHT.
De Marialiederen, bijeengezameld uit de „Gezangen voor de Meimaandquot; van P. v. d. Ploeg, verschijnen in deze uitgave voorzien van zangwijzen. Later zullen de andere liederen van denzelfden dichter, ter eere van den Zaligmaker, verschillende Heiligen, enz., op dezelfde wijze verschijnen. De bedoeling van de verzamelaars dezer melodieën is geweest, de schoone liederen van v. d. P. te doen zingen op melodieën, die meer passend, meer waardig, cn vooral: meer geschikt zijn voor een gansche \0Ws7nenigie. Nadere toelichting hieromtrent kan men vinden in de Mei-aflevering van het St.-Gregorius■ Blad dezes jaais.t1)
Van deze zelfde liederen is bij den uitgever van dit boekje een partituur verschenen; daarin zal men een gedeelte der liederen vinden éénstemmig met orgelbegeleiding, een ander gedeelte in vierstemmige bewerking, welke tegelijkertijd voor orgelbegeleiding dient, als het lied éénstemmig gezongen wordt. Die orgelbegeleiding — en geen andere — worde bij het zingen gebruikt.
Bij het gebruik van dit boekje maken de verzamelaars opmerkzaam op het volgende :
1°. Voor het gemak der zangers zijn de melodieën (met uitzondering van die welke slechts één kruis of mol b aan den sleutel hebben) gezet in de toonladder van c.
f1) Jaargang 1887.
2°. Achter de meeste liederen vindt men aangegeven hoevele maten men na iedere strophe moet rusten. Dit is aangeduid door een dwarsstreep , waarboven een cijfer het aantal maten rust
aangeeft, gedurende welke de orgelist een klein tusschenspel speelt.
3°. Om door een gelijktijdig ademhalen het gelijkzingen te bevorderen, vindt men tusschen de noten hier en daar, gewoonlijk
op het einde van een versregel, ademhalingsstreepjes ïErzEEEE*
4°. De verzamelaars vonden het doelmatiger om alle strophen van de verschillende liederen onder de melodie te plaatsen, en niet — zooals meermalen geschiedt — alleen de eerste strophe. Men lette dus bij het zingen voortdurend op de cijfertjes die vóór iederen regel van den tekst geplaatst zijn. Bijvoorbeeld in lied n0. i: wil men van dat lied de eerste strophe zingen, dan beginne men onder den eersten notenbalk met den regel waarvoor het cijfer i staat; is die regel afgezongen, dan springe men terstond over naar den tweeden notenbalk en zinge daar eveneens den regel waarvoor de i staat; is ook die regel afgezongen, dan zinge men onder den derden notenbalk den regel, waarvoorde i staat, en zoo verder. Op dezelfde wijze handele men met de tweede strophe, de derde, enz.
5°. In een aanhangsel zijn enkele latijnsche gezangen opgenomen, die in een Maria-lof of in Congregatiën het meest kunnen voorkomen.
Daar deze Marialiederen vooral ook in de Meimaand dienst kunnen doen, worden hierbij nog de aflaten opgegeven, welke door Paus Pius VII, 18 Juni 1822, verleend zijn aan degenen die de Meimaand godvruchtig vieren ; zij zijn overgenomen uit het Voorbericht van de Gezangen voor de Meimaand:
I. een aflaat van driehonderd dagen voor eiken dag dier maand aan alle geloovigen, die de H. Maagd dan, hetzij in 't openbaar
of in 't bijzonder, door eerbiedige huldebewijzingen, vrome gebedsoefeningen en andere akten van deugd vereeren;
2, een volle aflaat in den looJgt; der maand, op een dag naar verkiezing, mits men dan de gewone voorwaarden van rouwmoedige biecht, Communie en gebed naar de meeiüng van Z. li. den Paus volbrengt.
Bij bijzondere vergunning van Paus Pius IX, van 8 Augustus 1S59, kan men dien vollen aflaat ook op den eersten dag der maand Juni verdienen. Deze en ook de volgende aflaten kunnen aan de Overledenen worden toegevoegd {Raccolta).
Vroeger reeds, den 16 Januari 1817, heeft Paus Plus VII, om de geloovigen tot het zingen van geestelijke liederen op te we1 • ken en het gebruik van gevaarlijke wereldsche liederen tegen te gaan, deze aflaten verleend :
1. een aflaat van één jaar, welken men zoo dikwijls verdienen kan, als men het zingen van geestelijke liederen bevordert;
2. een aflaat van honderd dagen aan diegenen welke, ten minste met een rouwmoedig hart/ die vrome oefening bevorderen;
3. een vollen aflaat ééns in de maand aan diegenen, welke die vrome oefening in den loop der maand bevorderd en beoefend hebben. Men verdient dezen aflaat op den dag, dat men rouwmoedig te biecht, en te Communie gaat, en bidt naar de meening van Z. H. den Paus. —
Mogen deze gezangen veel bijdragen tot verheerlijking van de verheven Moeder des Heeren en tot opwekking harer kinderen 1
|
Seminarie Hageveld, Feest van Maiia-Boodschap, 1887. |
M. J. A. Lans, Pr. W. P. H. Jansen, Pr. |
VOORBERICHT VOOR DE TWEEDE UITGAVE.
Dat de eerste uitgave van deze Marialiederen in het tijdsverloop van enkele maanden uitverkocht zou zijn, is een uitkomst die de verzamelaars niet hadden kunnen verwachten; het is zeker reden genoeg om ook deze tweede uitgave met vertrouwen de wereld in te zenden.
Enkele fouten die nog in de eerste editie waren ingeslopen zijn in deze uitgave zooveel mogelijk verbeterd; in het bijzonder maken wij opmerkzaam op de wijziging welke No. 59 ondergaan heeft.
September 1887. M. J. A. L.
W. P. H. J,
BIJ DE DERDE UITGAVE.
Aan deze derde uitgave is toegevoegd de oude melodie van het Slabat Mater, die geheel achteraan, achter het aanhangsel geplaatst is. Ook hebben de verzamelaars een alphabetische lijst der liederen, tot grooter gemak der zangers, in deze uitgave opgenomen. Overigens is niets veranderd.
Maart 1891. L—J.
INHOUD.
Bludz
1. Jubellied aan Maria, Onbevlekt Ontvangen..........i
2. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria..............2
3. De geboorte van Maria..........................4
4. Maria's Opdracht in den Tempel..................5
5. Loflied aan Maria..............................7
6 Maria-Bezoek..................................9
7. Liefdezucht tot Jesus en zijn H. Moeder............10
8. De vlucht naar Egypte..........................11
9. Het Gebed te Nazareth..........................13
10. Smeekzang tot de Moeder der Zeven Smarten. . . , 14
11. Maria onder het Kruis..........................16
12. Stabat Mater....................................17
13. Lofzang ter eere van het H. en O. Hart van Maria
I. Vóór Jesus' lijden......................19
II. Bij Jesus' lijden........................20
III. Na Jesus' lijden.......................21
14. Maria's gebed in de Opperzaal....................22
15. Maria-Tenhemelopneming........................24
16. Maria-Tenhemelopneming........, . . . 25
17. Feestlied op Maria-Tenhemelopneming..............26
18. Lied op den Naam van Maria....................28
19. De Vijftien Geheimen van den Rozenkrans.
I. De Vijf Blijde Geheimen..............29
II. De Vijf Droevige Geheimen..............30
III. De Vijf Glorierijke Geheimen............31
IV. Gebed................................32
ïnhdud.
Bladz.
20. De XV Geheimen van den Rozenkrans,
11. De Vijf Droevige Geheimen .... 35
111. De Vijl Glorierijke Geheimen .... 36
21. Ave Maris Stella Bij alle feestgelegenheden . . 38
22. Ave Regina Coelorum......... . 39
23. Regina Coeli..............40
24. Alma Redemi'TOius Mater........ . 40
25. Salve Regina................
26. Meimaandzang...................... 42
27. Meimaandlied..............43
28. Avondgroet aan Maria...........44
29. Avondzang...............45
30. Het Lieve-Vrouwe-beeld..........46
31. Het H. Huisgezin : Jesus, Maria, Jozef.....48
32. Maria, Toevlucht der Zondaren . ......49
33-. Maria Wees gegroet..............51
34. O Moeder Gods! — Gebed om troost en volharding. 53
35. Liefde tot Maria.............56
36. Liefdegroet aan de H. Maagd en Moeder Gods . . 56
37. Hulde en bede aan Maria. ........58
38. Uitnoodiging tot den lof van Maria......61
39. Loflied aan de H. Maagd Maria........64
40. Aan Maria eer! . ............65
41. Ter eere van Maria.......... 66
42. Litanie-lied van Onze Lieve Vrouw.......68
43. Klaaglied...............7c
44. Maria, Troosteresse............72
45. Smeeklied tot Maria, om een zalig leven en sterven , 74
46. Litaniezang tot Maria om een zaligen dood, ... 78
47. Smeeklied tot Maria voor de Overledenen , . . . Si
inhoud.
Bladz.
48. Lof, Dank en Opdracht aan Maria's Moedei hart . . 85
49. Gezang na de Opdracht...........86
50. Danklied...............SS
51. Toewijding aan Maria, op den dag der H. Commu
52. De Onbevlekte Maagd...........91
53. Lofprijzing van Maria, Onbevlekte Maagd en Moeder
54. Angelus Domini ..............95
55. Het Wees Gegroet..............
56. Zie, ik kom !..............q6
57- Nieuw Meilied.
58. Oud Lied van het Rozenkransje........99
59. Kind'ren van Maria............101
60. Meimaand-bede om een zalig sterven......103
61. Smeeklied t.o?' Maria om de bekeering van ons Vader
land ...................
62. Danklied aan Maria............106
AANHANGSEL.
Adoro te devote................108
Canticum Magnificat, Tonus V.......110-111
Ps 116. Laudate Dominum, Tonus V.....110-111
Canticum Magnificat, Tonus VUT......112113
Ps 116. Laudate Dominum, Tonus VIH . , . jt2-I!3
Litaniae B. M. V.................114
Vóór den Zegen met het Allerheiligste......116
Stabat Mater.........• • . , . Ii7
ALPHABETISCHE LIJST.
BI adz.
Adoro te devote....................10^
Als van doodsgewaad omtogen..............io3
De uitverkoren Moedermaagd..............................91
Gegroet, gij sterre van het meer!..........................3^
Gegroet, o Hemelkoningin!................................39
Gezant aan Maria........................................93
God en Heer! wil U ontfermen...............
Gods moeder, 's hemels Koninginne........................9
Gods ongeschapen Zoon..................................1J
Gods Vaderoog sloeg de aarde ga..........................33
Groote Koningin der heemlen..............................49
Heuvels, bosschen, veld en dalen..................4o
Hier zijn we allen vreemdelingen..........................7°
Hoor, o zoete! onze groete..............................10
Ja! 'k voel in mij Maria's liefde leven....... ... 55
Jub'lend wil ik u bezingen................................7
Juicht, juicht met ons, o hemelingen........................86
Juich, Moeder! juich, uw Zoon regeert....................36
Kind'ren van Maria!..................101
Komt! heffen wij een loflied aan..........................5^
Komt, spoedt u! komt Maria prijzen........................61
Laat mij nog een lofzang wekken..........................2
alphabetische lijst.
Bladz.
Laat nu de aarde op blijden toon............. 19
Laudate Dominum, omnes gentes 5e toon.......110 -111
„ lt;gt; „ „ 8e toon.......112—113
Lieve Moeder van den Heer!............... I
Litaniae B. M. V.....................114
Magnificat 5e toon.................110 —m
„ 8e toon.................112 -113
Maria's beeld te midden......'......................44
Maria eer!..............................................65
Maria 'k zie uw Zoon aan 't bloedig kruishout hangen .... 16
Maria, Moeder van Gods Zoon............................25
Maria's naam die 't hart verblijdt..........................28
Maria! Wees gegroet!....................................51
Minlijk lichtend van den hooge............................45
Moeder des Heeren!......................................72
Moeder Gods! Zie op ons neer............................89
Moeder! waar mijn blikken zweven........................96
't Moeder-Gods beeld trekt de blikken......................46
Naast het kruis met schreiende oogen........17 en 117
O beeld van 't reinste leven..............................66
O droeve Moeder! vol van smart..........................30
O gij droevigste aller vrouwen......■................14
O gij, uw glorie ingegaan................................32
O Hemelkoningin!......................................64
O Maagd! o schoonheid nooit volprezen....................85
O Moeder Gods, o reinste Maagd..........................53
O Moedermaagd! wat is 't ons zoet............104
Ootmoedig vallen we u te voeten..........................74
O zie Gods Zoon, Zijn Moeder, Voedstervader..............11
ALPHABETISCHE LIJS1
Rozenkransjen ! u zij lof!.......
Stabat Mater............
Tantum ergo.......... . .
Toen nu 't Woord in uwen schoot . .
Uit de diepe boetekolken......
U Jozef; wijd ik mijnen zang.....
Verblijd U, 's hemels Koningin . . . . Verheug u, na die lange smart . . . . Verheven Moeder uit wier schoot . . .
quot;Waar in 't god'lijk Liefdemaal . . . . Wat ster verschijnt aan 's hemels bogen
Wat zonnige dreven.........
Weer dan is de Meimaand henen . . . Weer in jeugdig maagdlijk leven . . . .
Wees gegroet, o Koninginne!.....
Wees gegroet op kindertoon.....
Wees Maria! wees gegroet......
Wees, wees ons genadig Heer! . . . . Wie is er Moeder! die het meldt . . . Wie is het die den heil'gen drempel . . Wie, wie zie ik opwaarts zweven? . . .
Wij bidden u te gader........
Wij groeten u, o reine Maagd! . . . . Wij groeten u, o zuivere Maagd I . . . Wonder van gloriepracht.......
Zie, daar klimt naar d' eeretroon . . . Zie, Moeder! ons hier saamvergaard , .
1. JUBELLIED AAN MARIA
Onbevlekt ontvangen,
Een kleine terts hooger, in es.
i i-j
Lie - ve Moe - der van den Heer!
't Heeft reeds't wij - de we • reld-rond,
Neen, dat lof - lied zwijgt niet meer:
En we voe - gen dank en beê
Zon - ne - zui - v're Moe - der-maagd!
M. J. A. Lans, Pr.
I
itü
^3
zsiz
1. om uw ze - tel drin-gen, I,aat uw kind'-ren u ter
2. schep-pend, o - ver ldon-ken,'tWoord door Pi - us' mond ver-
3.'s we - relds ver-ste pa - len, Zul - len met het heraelsch
4. blij • de feest-ge - zan - gen; Wie, wie dankt niet met ons
5. glo - rie u ge - ge - ven, Hoor ook wat ons hart u
EÏÈE
IIM
't Ziel - ver - ruk - kend feest - lied zin - gen; En uw kind' - ren, vreug - de - dron - ken, Al uw kind' - ren 't luid her - ha - len, Voor al 'theil door u ont - van • gen, Dat we na een schuld' - loos le - ven
1.
2. 3*
4-
5-
eer kond; heer meè vraagt:
2
|
I. 't Moet weer - klin - ken 5. Jub' - len op uw 3. 't Woord van 't za - lig 4. In het za - lig |
5. Eeu - wig jub' - len luid en ' blij : feest - ge - tij: ju - bel - tij : ju - bel - tij : aan uw zij' : 8 ;$^=yEÊEEEÊE}E4-EEl-§E^.=| |
=3 Moe - der, Moe - der, Moe - der, Moe - der, Moe - der. |
0—c^z=:j-t—
zzidz: gijl gij ! gij ! gij' gij!
vlekt vlekt vlekt vlekt vlekt
Tusschensjpel.
be be be be be ■
zijt zijt zijt zijt zijt
1.
2.
3-
4-5
on on on on
DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MARIA.
M. J. A Lans, Pr.
^£l3sgls3F=iH
Laat mij nog een k)f - zang wek - ken, Schoon - ste !
U mocht nooit het von - nis tref - fen, Dat er
Haar zou de^eeuw ge Geest om - zwe - ven. En zijn
Sa - tan sloeg in nieu - we woe ■ de, Toen hij
Een kleine terts hooger, in es.
m—
God van ein - de • loos ont • fer - men! Zie ons
—m
|
1. wie de he - mei mint; 2. kleeft aan 't aardsch ge - slacht: 3. Bruid mocht niet be - vlekt, 4. 't vreemd ge - heim - nis zag, 5. aan met va - der - oog; |
Blan - ke le - lie zon - der God wil-de^u den vloek ont-In wie Hij den God van En zijn ne - der - laag ver-Wil voor Sa - tan ons be- |
3
|
h 0 1 1 i I |
1 i- |
-T—i q | ||
|
--- |
- lt;=■—=)- |
ï-®—ÉH | ||
1. vlek • ken, E.o - ze die geen weêr - ga vindt; Hel - d're
2. hef - fen, Die ons doemt in Sa - tans macht. Hij, die
3. 't le - ven Eens het aard - sche le - ven wekt. God - de-
4. moed - de Uit Ma - ri - a's wor-dings-dag Was hij
5. scher - men, Die ons vaak aan U ont - toog; En Gij,
1. ster aan 's he - mels kim - men, Smet - te - loo - ze mor - gen-
2. vóór al le^eeuw re - geer - de, Heer van le - ven is en
3. lijk, Drie - ëe - nig we - zen! Va - der, Zoon, en Heil' - ge
4. nim - mer nog ge - we - ken, Greep hij 't kie-mend le - ven
5. Moe - der vol ge - na - de! Die de hel - slang hebt ver-
1. g?oorl Laat mijn zang - toon tot u klim - men. Bloem van
2. dood, Hij was 't die zijn Moe-der eer - de. Toen zij
3. Geest! Eeu - wig zij de gunst ge - pre - zen, Die Gij
4. aan: Hier, hier is zijn macht be - zwe - ken, Hier hem
5. plet, Vraag, dat ons geen zon ■ de scha - de, Maagd! ont-
cd-
maag - den koor.
An - na's schoot, kind be - weest. buit ont - gaan. vrij van smet.
1. Ju - da's
2. werd in
3. aan dit
4. de^eer-ste
5. van - gen
Tusschtnspel,
4
3. DE GEBOORTE VAN MARIA.
Mohr : Jubilate no. 102, gewijzigd.
Wat ster ver - schijnt aan 's he - mels bo - gen, Wat
Reeds lacht het mor - gen - rood ons te - gen, En
Een ju - bel - toon dringt door de gra - ven. Een
Ook wij, wij knie - len dan - kend ne - der Om
=3
=«■
1. stra - len scheenT - ren in 't ver - schiet! Zoo zacht een
2. kon - digt met zijn vriend' lijk licht De heil - zon
3. licht - straal door der doo - den nacht; Straks valt de
4. u - we wieg, o hei - lig kind! Uw le - ven
1. licht rees voor on - ze^oo - gen In heel den loop der
2. aan, die, op - ge - - ste - - gen. De nacht vaagt voor haar
3. boei der ker - ker - - sla - ven, En uit is 't met de
4. brengt ons 't le - ven we - der; Hém baart gebons, die den
£
LIS
zl:
—I—5—
1. eeu - wen niet. Is 't licht, zoo blij - demons toe - ge-
2. aan - ge - zicht. Ja, za - li-gebaar - de! stem uw
3. hel - le - macht! Blij juicht het koor der he - mel-
4. dood ver - wint. Laat, laat ons God een - stem - mig
TH*;
:$
it
1. blon-ken, De ster - re niet van Jes - se's spruit? Is
2. zan - gen, Zij kwam, zij kwam, de He - mei-maagd! Door
3. lin - gen. En de^Eng'len-schaar ziet vol van min Op
4. prij - zen, Het heil - uur on - - zer red - ding slaat: Ma-
-4=
TJ*
s
» .
1. daar geen zang ons toe - -ge - klon - ken, Aan de^uit-ver-
2. wie wij 's Va-ders Zoon ont - van - gen, Het Lam, dat
3. 't kind - je neêr, dat zij reeds zin - gen Als hun -ne^en
4. ri - - a leeft! de Zon gaat rij - zen, Wees wel - kom,
Eenigen
4. MARIA'S OPDRACHT IN DEN TEMPEL.
Zangwijze als no. 3.
1. Wie is het, die den heil'- gen drem-pel Zoo blij te
2. Hoe lief-lijk, Heer! is u - we wo ning. Zoo roept ze^in
3. Daar schenkt zij Hem haar len - - te - da - gen, Door'swe-relds
4. O dat ook wij ons jeug - dig le - ven, Met dequot;uitver-
tl
SsI=E=ééS
1. moe - de bin - nen - treedt ? Wie 't min - lijk kind, dat in den
2. ziels-ver - ruk - king uit; Gij zijt mijn Schep per, Gij mijn
3. blik-ken niet be - spied, Maar God heeft in zijn Biuid be-
4. ko - ren Moe-der - maagd. Ge - heel aan God ten of - fer
=jr-
Wat En Een Om
een
- zon de
- ven
6
=3=:$=i;D —
1. tem - pel Den Heer haar jeug - dig le - ven geeft? Het
2. Ko - ning: Neem mij voor eeu - wig tot uw Bruid! En
3. ha - gen, Die Hem de rein - ste lief - de biedt; Zoo
4. ge - ven, En im - mer doen wat Hém be - haagt. Ma-
| ||||||||
|
1. is de Maagd, door God ver - ko - ren, Van al - le 2. Hem ge - wijd is 't een-zaam le - - ven Der vlek-ke- 3. staat in de^een - zaam - heid der da - - len, Ver-bor-gen 4. ri - -a! die in 't hoog-ste lij - - den U trouw be- |
Allen.
m
1. hoo - ren. En al - ge - heel en voor al - tijd. Refrein. O
2. stre - ven, Dan al te doen wat Hem be • haagt. O
3. pra - len, En beurt haar blan - ken kelk om - hoog. O
4. wij - den, Hem ge - ven wat Hem toe - be - hoort. O
p-t——t—|—
7
I-Ci
1. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he-den Ge-
2. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge-
3. rukt op ziet; Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge-
4. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge-
imiiü
i
heel heel heel heel
1.
2.
3-
4-
aan aan aan aan
Hem ten Hem ten Hem ten H em ten
-Vu# of - fer of - fer of - fer of - fer
bied'. Tusschienspel.
bied'.
bied'.
bied'.
5. LOFLIED AAN MARIA.
Trierer Gesangbuch, 1695.
-U—1_#---1|-
1. Jub'-lend wil ik u be - zin - gen, Moe - der-maagd! die
2.'t Vloekwoord op ons uit - ge-spro-ken, Kle-vend aan den
3. 's Hee - ren En - gel werd ge - 7,on - den, Die van vrucht-baar
4. Dan wat zang komt hier te sta - de, Meldt Ma - ri — a's
BTiEE*
5. Déir is 't, dat ze~in lief - de - smar - te 't Of - fer van haar
op uw troon schoot der vrouw, licht om - huid, lief - de - vuur : Je - sus deelt,
SI
In het hoogst der he - mei - krin - gen Werd voor u al - - leen ver - bro - ken, U de boodschap kwam ver - kon - den, Hoog-sta lief - de der ge - na - de, En Hij aan haar moe - der - har - te
qrzzi::
•— —*-lt;-«—A - •
- —
Zijt ge - ze - ten naast uw Zoon; Dequot; Eng len, om u In wie God eens wo - nen zou; Vóór die heil - zon Die 't er - bar - mings - pl m vei' - vult; Ja, de he - mei Hoog-sle lief - - - de der na-tuur!... Neen, geen tong heeft Ons als kind' - - ren aan - be - veelt; Moe - der dan, door
s—* - t— *r
1. op - ge - - va - ren Blij - ven met ver - rukt ge - moed
2. op ging va - ren, Schoot, voor'swe-relds wach-tend oog,
3. hu\vde~aan de~aar-de: Hij, dien gij in Beth-l'ems stal
4. dit ver - mo - gen: Christ' nen! zoo gij 't wilt ver-staan,
5. God ge - - ge - ven! Bid voor ons, bid u - wen Zoon,
;ci
1. In het diep ge - heim - nis sta - ren Van U bei - der
2. Vlek-loos uit den nacht der ja - ren U - we mor-gen-
3. Zon - der pijn of smar - te baar - de. Was de Schep-per
4. Wendt dan naar het kruis u-we^oo-gen, En ziet daar die
ié
i.
2.
3-
4-
5-
ZIZ
5. Dat hij eens in 't eeu - wig le - ven Ons zijn heer-lijk-
sr-É—j=5:-:
Tusschenspel.
lief - de-gloed. ster om-hoog. van 't heel-al! Moe - der aan ! . .. heid ver-toon'.
9
6. MARIA-BEZOEK.
W. P. II. Jansen, Pr.
iü
is:
i
1-
|
Gods Moe - der, he - mels Nauw komt ze^er groe • tend Drie maan - den wijdt er O gunst - be - zoek ! op Ach, dat uw Zoon van |
Ko - - ning - in - ne, IJlt in - - - ge - tre - den, Of in 't ver - bor - gen Ma-ha - - - re schre - de Droeg zon - d ^ons hei - lig', Ons |
|
in haar teed'-re ha - re nicht voelt ri - a ha - re ze^ook haar Je - sus naas - ten |
da's ren - ler-relds - ge- huis voor al - le kwaad be |
• mm - ne schre • den zor - gen me - de, - vei - lig', |
Naar Ju -Het nad' Aan 't al -En 's we -Ons ze - • |
|
En o - ver 't hoog ge-Voelt zich van heil - ge-O lief - de!~o toonbeeldI Be scherm - ster, Moe - der O dan, - dat is ons |
|
—cJ —•— |
p * : | |||
|
P F ld |
quot; Iquot; T |
—I--1- |
|
I. |
berg |
-te he - nen |
om ned' |
-rig |
dienst-b're hulp |
te |
|
2. |
na |
door-dron-gen |
Haar kind. |
van |
blijd-schap op dient!... en Eng' |
ge- |
|
3- |
ons |
ge - ge-ven |
Ma - ri - |
- a |
- len | |
|
4. |
ons |
ge - ge - ven |
Ach, in |
dit |
kom - mer - vol |
- le |
|
5. |
zoet |
ver-trouwen,- |
Gaan we eens,Ge |
- ze - gendste al |
- Ier | |
10
7. LIEFDEZUCHT TOT JESUS EN ZIJNE H. MOEDER.
W. P. H. Jansen, Pr.
Hoor, o Wil ge O die Laat ons En hem En dan
Zoe - te ! hen - gen, Zon - ne!
sa - men, druk - ken slui - ten
|
i | ||||
|
=1 f : |
1 a |
p r | ||
|
1- y-£3--^- |
--9^m—\ |
on - ze groe - te, die we^u,
dat we bren-gen, Ro-zen-
Lief-de - bron-ne! Die gij
naar be - - ta - men, Ro-zen met ver — ruk - ken. En Hem
al - les bui - ten, Om met
|
lie - ve krans en als uw ' vlech - ten wie - gen Hem al - |
Moe - der! biên ; lof - ge - dicht; God be - mint, tot een kroon, aan de borst. - leen te zijn ; |
Toon ons, Geef, o 't Hart, zoo |
ar - men, wa - ken, Rei - ne! lou - ter lee - ne ge - ven |
|
_p—- -L |
---|--(— | |||
|
-c—r^- |
c-J ^ ' |
Lil |
Kind - je Voor uw god - lijk aan uw Kind - je Kin - de-
ons uw rust-plaats ons uw wij - den klei - ne aan dat
dat
1. toch er - bar-men, Laat, laat
2. 't har - te ma - ken Tot een klei - ne, Geef ook
't ou - ter 't Was - licht, éé - ne, Lie - ve, le - ven Al - les
tl
1. zien Tusschenspel.
2. Wicht.
5. dorst.
8. DE VLUCHT NAAR EGYPTE.
W. F. H. Jansen, Pr. iüüüü
O zie Gods Zoon, zijn Moe - der, Voed - ster-
Zij spoe - den voort langs duist' - re, vreem - de
Zij spoe - den heen naar 't land hun aan - - ge-
Maar is uw Kind dan daar 't ge - vaar ont-
Moet 's Va - ders Zoon met d1 af - gods - die - naar
5=1-
;^f=f=s=?=^
1. va - der, Te mid - der - nacht als vluch - te - lin - gen
2. we - gen. Om 't god - lijk Kind te^ont-voe - ren aan den 3 we - zen, Dat Is - reis God en Is - reis kind' - ren
4. we - ken. Waar eens zijn volk de sla - ven - boei - en
5. Ie - ven, Die voor zijn oog een schand - ge-drocht aan-
iPsmg
gt;—l=ïl_
--f=S
/-V-
Hoe blikt zij om, of daar geen vij - and Wat angst-kreet is daar süld' - rend op - ge-Ach wat ge - kerm is ginds weer op - ge-Waar men nog éér dan nu in Beth-lems
1. gaan !
2. moord
3. haat ; ..
4. droeq; ?
5. bidt?
Of
wil Hij daar zijn' Va - der glo - rie
12
-5-ï
Die Moe-der, die haar ja - gend hart hoort ! O Moe-der! hebt gij 'tklaag-ge - schrei ge-re - zen! Vlucht, Moe-der! vlucht: het bloe - dig moord-staal stre - ken, Den zuig'-ling bij het eer - ste licht ver-ge - ven, Waar 't schul-dig volk in die - pen doods-nacht
1. slaan. Tusschensptl.
2. hoord ?...
3- gaat!...
4. sloeg?
5. zit ?...
—*-» -
EËrEzïz
na - der'.
tt:
ste
gen
»—H
EE'—iT—
is zijn bal - ling-schap op -ling bij 'tzon - dig hei - lig-woon is u op aard' ver-
6. zwer- ven, Ge - heim - vol
7. Ie - ven, Als vreem - de
8. lee - ren: Geen vas - te
9. va - der! Voer om uw vlucht, on-schul-dig Huis - ge-
'Jr.
O VluchtMing Gods! o A - dam gij moest O juich! nu wordt de vrij - heid ons her-
8. leend; Wie God be - hoort zal tot Hem we - der
zin ! En bal - ling - schap, ons, bal - lin - gen, U
;1:
6. aard'!
7. dom :
9-
'3
mm
6. ster - ven, O bal - ling! voor uw E - den vlamt het
7. ge - ven: Als Is - rel eens, roept God zijn' Zoon weèr-
8. kee - ren: Maar't Gods-ge - zin wordt in Gods huis ver-
9. na - der, En eens bij U de va - der - wo - ning
Ëj^EEÊ|p
fi
=»:
6. zwaard!
7. om!...
8. eend.
9. in!
TusschensJ)el.
9. HET GEBED TE NAZARETH.
Psalteriolum 1642.
|
fes C~1 |
-di |
ZB ■ —h-- | ||
|
—S- |
--1-s--0 J.-- jé - |
---ik—1--- |
t t- |
i
on - ge-scha-pen Zoon, Ge - daald van d'eeuw-gen ha - ren Zoon en Heer, Knielt ook Ma - ri - a God! welk een ge - zicht!... Het hei - ligst Drie - tal
|
dan, wat gaat hier om, Moe - der, Va - der, Kind, werp mij aan hun zij' bed ge Om 't won - der-zoet |
In 't ar - me hei - lig-Be - min-nend en be-Om hén; neem ook van In 't ar - me Na - za- |
|
troon, ligt hier neêr j En Jo - ligt, Die Moe dom Hier biedt mind! Brengt U mij En heel reth. Zie wel ——•-—#-j--• zÖz:t:==5z=iiz=?z:: |
te Na - za - reth sef aan hun zij* ■der. Va - der. Zoon! het nieuw Ge - zin voor ?t eerst op aard' mijn huis - ge - zin, ge - val - lig, Heer! |
i=3=E3i ge-knield in ziels-ge-Voegt er zijn smeeking Aan - biddend voor uw U 't of ■ fer zij - ner Een glo-rie U-wer Het of - fer on-zer Op al de mijnen |
14
iHüüiülü
3. troon!..,
5. waard.
TusschensJgt;el,
7. neèr.
10. SMEEKZANG TOT DE MOEDER DER ZEVEN SMARTEN.
Salzburger Gesangbuch 1781.
Een toon hoog er, in d.
m
3:
--J — 4
O gij, droe - vig-ste^al - Ier vrou-wen! Laat ons, Moe - der !
1.
2. 3«
4.
5.
6.
Hoor, ach hoor ons om de smar - te. Die
Hoor, ach hoor ons om de smar - te, Die
Hoor, ach hoor ons om de smar - te. Die
u ging door
u ging door
u ging door
u ging door
u ging door
-3-
5/—•—w—lt; '
1. vol ver - trou - wen En vol deer - nis tot u gaan;
2.'t moe-der - har - - te. Bij het woord van Si - me - on;
3.'t moe-der - har - - te, Toen gij Beth - lem om den dood
4. 't moe-der - har - - te Bij 't ver - lie - zen van uw Kind;
5. 't moe-der • har - - te, Toen geuw Zoon ter dood zaagt gaan,
6.'t moe-der - har - - te. Toen gij met uw Zoon ge - wond,
15
Ê|am=^3=l=3=3i{=3=3=3=p5
1. Ziet gebons met uw smart be - wo - gen, Heb met ons ook
2. Hoe doorgriefde^u't vrees-lijk lij - den, Dat uw Je - sus 3 Van zijn wicht-jes hoor - de ker - men, En gij met uw
4. Dat geheerst na drie lan - ge da - gen, Na veel vra - gen,
5. En Hem on - der't kruis-hout hij - gend. Af - ge - mar - teld
6. Mét Hem al zijn pij - nen lij - dend. En den wree - den
Tusschen ■
me - de - doo - gen, Hoor, ach hoor uw kind - ren aan! spel. door moest strij-den, Eer Hij dood en hel ver - won. Kindjequot;in de^ar-men Igt;e - vend naar E - gyp - te vloodt. en veel kla - gen, In den tem - pel we - - der-vindt, ne - der - zij - gend 't Smart'-lijk oog op u zaagt slaan, dood-kamp strij-dend, On - der 'tbloe-dig kruis-hout stondt.
Hoor, ach hoor ons om de smar - te, Die u ging door
Hoor, ach hoor ons om de smar - te, Die u ging door
Moe - der dan der Ze - ven Smar-ten, Trou-we troost der
Ach, dat ik ge - ne - zing von - de Van de won - de
Ach! dat mij uw beê ver - wer - ve, Dat ik le - ve.
-C
m
■cd-
was vol-bracht.
7.'t moe-der - har - - te. Toen, als al - - les
8. 'c moe-der - har - -te, Toen ge^uw' Zoon, in 't graf ge - leid,
9. droe-ve har - - ten. Sta, o sta uw kind'-ren bij,
10. mij - ner zon - - de. Die ik pleeg-de keer op keer;
11. dat ik ster - - ve In de lief - de van uw Zoon;
1
.«—m- ^
, Gij uw'Zoon, van t kruis ge - no - men, In u-we ar - men . Aan u-we~oo - gen heel ont - to - gen, Diep - be - wo - gen . Dat we dra - gen al de da - gen 's Le - vens pla - gen , Voer, o Moe - der van er - bar-men! Voer mij in de . Dat ik, ze - gen - rijk - ste Vrou-we! Eens uw heer-lijk-
rq—Hz
# Tusschen-
. neêr zaagt ko-men, Toen aan al uw kind'- ren dacht! spel, . neêr-ge - bo-gen, Een-zaam, Moe-der! hebt be-schreid. , zon-der kla-gen, Leer ons lij - den zoo als gij. . broe-der - ar - men Van uw lie - ven Je - sus weêr.
. heid aan - schou-we, Waar gij . ze - telt naast zijn troon.
EE^Üz
„O Vrou-we, Toen, Moe-der! Wil, Moe-der!
11. MAEIA OM DER HET KRUIS.
W. P. H. Jansen, Pr. üüü
Ma - ri - a ! 'k Zie uw Zoon aan 't bloe-dig kruis-hout
Zie uw Zoon! o Zoon, zie u - we hebt gij ons tot kind'-ren aan - ge-bij uw Zoon voor ons ge - nd ver-
ÜHii
ES
-3:
ban - gen, U ze - ven - maal ge - wond, aan zij - ne voe-ten Moe der!quot; Zoo sprak Hij, en zijn oog daalt zeeg'-nendop ons no - men, O draag met ons Hem op, wat Hem ons har - te wer - ven; Ons troos - ten in den nood, ons ster - ken in den
:EE~ï!f3
li
X-'-
staan; Gij zijt daar om zijn blik, zijn zuch - ten op te
neêr; U, Moe-der! gaf Hij ons, zich zei - ven ons tot
biedt; Zie dui - zen - den tot u, bij dui - zend-tal-len
strijd, En in ons ster - vens - uur, denk, hoege^uw kind zaagt
17
1. van-gen: Zie, Moe-der! naar uw Kind, Hij ziet u ster-vend
2. Broe-der, He--laas.' wat ge - ven wij voor zóó-veel lief-de
3. stroo-men. Ver - smaad, o teed'-re Maagd! ons al - Ier be - de
4. ster-ven. Ma - ri - - a! toon ons dan, dat ge~on-ze Moe-der
—=az;
mm
TussckensJgt;el.
12. STABAT MATER.
W. P. H. Jansen, Pr.
cd*-
Naast het kruis met schrei - en-de~oo-gen, Stond de Moe - der, O hoe droef, hoe vol van rou - we. Was die Ze - gen-Wie die hier niet schrei - en zou - de. Die het grie - vend Voor de zon-den van de zij - nen, Zag zij Je - sus Geef, o Moe-der! bron van lief - de. Dat ik voe - le
i
SE
diep - be - wo - gen. Daar de Zoon te ster • ven hing,
rijk ■ ste Vrou - we Om Gods Één - ge - bo - ren Zoon.
leed aanschouw - de. Dat Ma - ri - a's ziel verscheurt?
zoo in pij - nen En in wree - de gee - sel - straf;
wat u grief - de. Dat ik met u me - de-klaag'; p—
I---^4—rH-C3-^
En haar door het zuch-tend har - te, O - ver-stelpt van Ach hoe streed zij I ach, hoe kreet zij, En wat fol - te-Wie kan zon - der meê te wee - nen, Chris - tus' Moe-der Zag haar lie - ven Zoon zoo lij - den, Heel al - leen den Dat mij 't hart ont - gloei' van bin - nen In mijn God en
18
mm
Tusschen-
wee en smar - te, 't Ze - ven - vou - dig slagzwaard ging. sjgt;el, rin-gen leed zij Bij't aan-schou-wen van dien hoon! hoo - ren ste - nen, Daar zij met haar Zoon hier treurt ? doodkamp strij-den, Tot Hij zij - nen geest her - gaf.
Heer te min-nen, Dat ik Hem al - leen be - haag'.
7
8
9
io
ÜÜ
Heil'-ge Moe - der ! wil mij hoo - ren! Met de won - den Mocht ik Ida - gen al mijn da - gen, En zijn pla - gen Maagd der maag-den ! nooit vol - pre - zen, Wil nu niet mij Laat mij, in zijn kruis ver - slon - den, Laat zijn won-den Maak, dat mij het kruis be - wa - re, Dat dan Chris - tus'
6. mij door - bo - ren, Die Hij aan het kruis - hout leed /
7. waar-lijk dra - gen Tot mijn jong- ste ster - venssmart;
8. te - gen we - zen, Laat mij treu - ren aan uw zij';
9. mij door-won - den Om de lief - de voor uw Zoon; 10. dood mij spa - re, Dat Hij mij ge - né. be-wijz'
Ü
1.
2. 3-4. 5-
-l=-
IC;—
Ach, dat ik de Met u on - der 't kruis te Laat mij al de wree-de pla - gen En den dood van Dan, in we - der - lief de~ont-sto- ken, Wor-de ik door u En als 't li-chaam eens zal ster - ven, Doe mij dan de
Tusschen-
6. Zoon doorwoel - de, Toen Hij ster - vend voor mij streed. s£el.
7. mij ver - ee - nen. Dat ver - langt mijn zuch - tend hart.
8. Chris-tus dra - gen, Laat mij ster - ven zoo - als Hij.
9. voor -ge -spro - ken, Moe-der ! voor zijn rech - ter-troon. 10. glo - rie er - ven Van het he - melsch Pa - ra - dijs.
ü
tl
6,
7.
8. 9-10.
pijn ge - voel - de, Die uw' lie - ven wee-nen, Met uw rou - we
19
13. LOFZANG,
TER EERE VAN HET H. EN 0. HART VAN MARIA.
I.
Vóór Jesus' Lijden.
Een kleine terts hooyer, in es.
jl
|
I. |
Laat |
nu |
denaard' op |
blij - |
den |
toon |
't Dui |
zend- |
|
2. |
Spie - |
gel, |
gij ! van |
Go - |
des |
macht, |
Die |
'voor |
|
3- |
Vlek |
loos |
Hart! wie |
zal |
uw |
lof, |
Wie* |
uw |
|
4- |
Voor |
het |
mach - tig |
zon - |
ne - |
licht |
Wijkt |
de |
|
s- |
Rei - |
ner |
dan ooit |
sneeuw |
vlok |
viel, |
Waar |
dig |
1. stem - mig feest-lied zin-gen, Reeds weêr-klinkt om 's Hee-ren
2. de^erf-smet u be - vei-ligd, En u on - der 't aardsch ge-
3. za - lig - heid be - zin-gen! DeEng'-len van het he-melsch
4. stil - - le star-ren - luis - ter; Maar de zon haalt 't aan-ge-
Zangwijze als no. i.
5. hier haar God te^aan-schou-wen, Was de ne - de - ri - ge
Si
|
troon 'tLof - ge - zang slacht Zich ten woon |
hof Spre - ken in zicht En haar stra -ziel Der ge - ze -der he - - me - lin - gen; tent heeft ge - hei - ligd; hun hoo - - ge krin - gen, len weg in 't duis - ter gend - ste^al - Ier vrou - wen |
lil
|
1.'tRuisch' der 2. Hei - lig 3. Neen, zij 4. Voor de |
Moe - der van dom van Gods spre - ken nim glo - rie van Op die schoon-heid zag |
den Heer, ge - nd, mer uit, vde Maagd, de H eer |
En haar Tem - pel Wat dit Die aan 't Van zijn |
20
8
S
|
I. |
hei |
- lig |
Hart |
ter |
eer! |
|
2. |
zon |
- der |
we - |
der - |
ga! |
|
3. |
hei • |
■ lig |
hart |
om - |
sluit. |
|
4- |
hart |
van |
God |
be - |
haagt. |
|
5- |
hoo |
- gen |
ze |
- tel |
neêr. |
Tus5chensJgt;el,
II.
Bij Jesus' dijden.
m
1. Toen nu 't Woord in u - wen schoot, Moe - der-
2. Hoe was toen uw Hart ver - heugd, En in
3. U door - grief - de wond bij wond Door ge-
4. Uit dat li - chaam, zoo ver-scheurd, Vloeit een
5. Ach! droog ha - re tra - nen af, K-ijs, o
1. maagd! was neêr - ge - ko-men, En, be - reid ten of - fer-
2. lief - de - vuur ver - slon - den. Want gij droegt der heem'-len
3. heel uw lij - dend le - ven; Maar toen ge~on-der 't kruis-hout
4. bloed-stroom voor haar ne - der; Wie, wie is er die niet
5. Ko - ning van het le • ven! Rijs weêr uit het duis - ter
I
|
1. |
dood, |
Knechts |
Re - |
stalt |
had |
aan - |
-ge - |
no - |
men, |
|
2. |
vreugd; |
Maar, |
0 |
Moe - |
der! |
eens |
ook |
wond |
- den |
|
3. |
stondt, |
En |
uw' |
Zoon |
den |
geest |
zaagt |
ge - |
ven |
|
4- |
treurt |
Met |
een |
Moe - |
- der - |
hart, |
zoo |
tee |
der: |
|
5- |
graf; |
En, |
van |
glo - |
rie - |
licht |
om - |
ge - |
ven, |
|
I. |
O wat |
hebt gemeen |
lief - |
- de - |
gloed |
In |
uw |
|
2. |
Al de |
schich - ten |
van |
de |
smart |
Uw |
be- |
|
3. |
En een |
speer zijn |
zij' |
door |
- stak, |
Ach I |
wie |
|
4. |
Maat - loos |
als de^on- |
meet |
- b're |
zee, |
Is |
Ma- |
|
5. |
Troos-te^uw |
aan — ge |
zicht |
de |
smart |
Van |
't ge- |
8
|
^ 0 |
: -j £ : |
1. Moe - der - hart ge - voed! Tusschensjgt;el.
2. min - nend Moe - der - hart.
3. meldt, hoe 't Hart u brak.
4. ri - a's boe • zem - wee.
5. bro - ken Moe - der - hart.
III.
Na Jesus' lijden.
|
ü 3 1 | ||||
|
l 1 i | ||||
|
—1---—— |
-^-m— |
Wees, Ma - ri - - a! wees ge - troost: Lang zal
Daar, daar ziet zij reeds haar God, Haar be-
Rust - loos zucht haar min - nend Hart, Nu ze~op
Als het maagd'-lijk was voor 'tvuur, Voel - de
Hei - lig Har - te! vrij van smet, Troost voor
i-l—s—ë :T—
i
amp;
1. 'tlij - dens-uur niet we-zen; Eer de der - de mor-gen
2. min - den Zoon ge - na - ken. En een na - me - loos ge-
3. aard' nog moet ver - wij - len ; O zij wil van lief - de-
4. zij haar hart ver - te - ren, En ver - smacht naar't za - lig
5. wie op u ver - trou-wen. Hoor ons kin - der - lijk ge-
22
ÊÖ^-EEÉEfe
1. bloost, Ziet ge~uw' Zoon, uit 't graf ge - re - zen,
2. not Voelt zij nu haar hart door - bla - ken
3. smart Op - waarts naar haar Je - sus ij - len,
4. uur, Dat de stem haar roep' des Hee - ren;
5. bed, O ge - - ze - gend-ste'al - Ier vrou - wen!
Li
ü
t-
-■3r-
-P
1. Vrij van smart en vrij van smaad,
2. Tot Hij, in tri - - umf ge - keerd,
3. Die in 's Va - ders heer - lijk - heid
4. Toen kwam Je - - sus haar te moet,
5. Vraag nu, vraag van 't god - lijk Lam,
In 't on-Aan des Reeds haar En zij Dat zijn
8
IÖZ
licht - ge - waad. zij' re - geert, toe - - be - reidt. lief - - de - gloed.
sterf - lijk Va - ders ze - - tel stierf van
Tusschensjfel.
liefde ons hart ont - vlamm'.
14. MARIA'S GEBED IN DE OPPERZAAL.
W. P. H. Jansen, Pr,
|
Een kleine terts hoog er, in es. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
^3
zziij-izz
■V
i. Zoon in uit - gaat klom ten
Zich Bei Aan Wat Laat
fer-den
2.
3-
4-
5.
6.
7-
des Va - ders
wat zijn les - ze
de^op - per - zaal door 't heel - al, he - mei weêr een - zaam M oe - der - hart! naar haar Zoon om - hoog, heer - lijkt, eens be - bloed ! , of - - fer van den Zoon :
Ddt doet al - -Ein - de - - loo - -
ten of -
der Geest,
ge - - bed, het op
4
|
nr 1 | ||
|
. t |
--1 |
1. spij - ze gaf: TusschensJgt;el,
2. Troos - ter, af.
3. rech - ter - hand;
4. of - - fe - rand !. .,
5. won ■ den gaan;
6. haar ver - staan !...
7. lief - de - daad!
~C3~ ook het loon: Moe - der, Bruid, Brui - de - gom troost de smart
Bei - der Die haar Daalt er Van haar Ruischt der „Kom, o
Ein ■ 't Is
Nog Zij ■ Lof ■ Maar
de - loos is een Doch - ter,
een wijl: de ne lief - de ge - zang van 't he - melsch heer zij bidt met Je - sus' Kerk:
-P
=3=
i-t-
0--0—
Kerk zich blijft niet trouw be-fluist' - ren he - mel-- lij - • ke
_ _ --é—
8. Lief-de^is 't in Per - soon, Die der
9. lief - de * smar - ten uit: Neen, zij
10. o • - ver 't hei - - lig - dom, Naar 't ge
11. een - zaam Moe - der - hart; 't Hoort zijn
12. Moe - der-maagd ter eer. Door de
13. kom! vol - trek uw werk. God - de ■
i|=j=3=I=j;
24
iHi
8. ge - ven gaat.
9. on - ver - hoord.
10. lof - te - woord.
11. „Zie ik kom!quot;
12. za - len om;
13. Brui - de - - gom !quot;
TusschensJjel.
15. MARIA-TENHEMELOPNEMING.
Een kleine terts hooger, in es.
Zangwijze als no. 2.
iü
1. Wie, wie zie ik op - waarts zwe
2. 't Ts de Maagd van God ver - - ko
3. Blij dan zij haar lof
4. O dat we^im-mer met ver
=1:-4-
Van het Door der Van ge-
ven, ren,
ge - - zon - gen!
- trou - wen, Tn het rij - zen Om de
5. Lui - de moet ons lied dan
rj=i|r|-g
3-lt;jj—^—-J=l—e
1. zon - ne licht om-vloeid, Van een kroon - ge - stern-te~om
2. va - d'ren stem voor - zeid. Die uit Da - vids stam ge-
3. slach - te tot ge - slacht Wor - de door on - tel - b're
4. Ie - ven, in den dood, Op - waarts naar Ma - ri - a
5. glo - rie die haar kroont, Lui - de Je - sus' lief - de
| ||||||
|
1. ge - ven, Dal haar om het voor - hoofd gloeit? Eng'- len 2. bo • ren, Eeu - wen zuch-tend was ver - beid ; Zij, na 3. ton - gen 's We relds dank haar toe - ge - bracht: Zij, zij 4. schou-wen, Die haar kind'-ren nooit ver - stoot; Waar Gods 5. prij - zen. Die on - ein-dig haar be - loont. He - den |
25
|
-1 |
J A |
-.i . | ||
|
^-1-—u |
L—J-i-J-- |
1. dar - te - len en sprei - en E - dens bloe - men voor haar
2. zoo - veel ban - ge ja - ren, Zij moest in een her - der-
3. is het, die aan de^aar-de Heil en vre - de we-der-
4. Eng' - len neêr - ge - bo - gen Staan om d'eeuw-gen gl gt; - rie-
5. dan met de^Eng'-len-krin - gen Jui - chen wij, ver - voti'd van
üüii
i
p
1. voet, Waar zij on - der 'tblij ge
2. stal, 't Wich - tje door een won - der
3. gaf: Want het Wich - tje, dat zij
4. troon, Deelt zij Je - sus* rijks - ver - mo
5. min; Maar, nog aard-sche ban - ne - lin - gen. Roe-pen
lei - en naar haar
ba - ren, Dat de
baar - de, Sloog ons
gen, En be-
%
--
1. Wel - be - min - de spoedt.
2. God was van 't heel - al.
3. Sa - tans kluis-ters af.
4. veelt ze^ons aan haar Zoon.
5. wequot;ook haar voor-spraak in.
Mi
id—
TusschensJ)el,
16. MARIA-TENHEMELOPNEMING.
|
M. J. A. Lans, Pr. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
26
|
-n—3-f-: |
r - ' fi | |
|
P * J •' L |
1--C-3 |
: 1. ' 1 U |
1. he - den op naar 's he - mels troon; God zond zij-ne^Eng'-len
2. rukt den o - - pen he - mel in; Daar komt met heel een
3. ziet Hem, ha - ren Zoon en God; Elk - aar zien Zoon en
4. Je - sus' hand de heem* - len door; Een maag-de - lij - ke
5. niet de vol - heid al - Ier vreugd! Zij ze - telt op den
6. Moe - der ook van 't aardsch ge - zin ; Zoo klimm' tot haar ons
tot haar af, Om haar te wek - ken uit het graf. Tusschen-. Eng'- len-stoet, De Zoon zijn Moe-der in't ge - moet. sjgt;el. . Moe-der aan: En zwij-gend ble - ven de^Eng'len staan!..,
. ster - ren-krans Staat om haar hoofd in stil - len glans.
ee - re-troon, Naast Je - sus, ha - ren God en Zoon. , smee-kend lied : Ver-geet ons, u - we kind'-ren, niet.
17. FEESTLIED OP MARIA-TENHEMELOP-NEMING.
W. P. H. Jansen, Pr.
Een toon lager, in bes.
naar d'ee - re - troon Naast haar Zoon, en lof - trom - pet! Vrij van smet
Zie, daar klimt Steekt ba - zuin Strooit hier E - dens bloe - men uit Voor de Bruid Stemt voor's he - mels Ko - ning - in 'tFeest-lied in, Breidt uw gul - den vleu - gel - slag Op deez' dag Maar daar treedt Gods eeuw' - ge Zoon Van zijn troon,
In de hoog - ste he - mei - za - len. 's Hee - ren Moe - der;
27
1. Eng*-len! spoedt Haar te moet, om haar jubelend in te
2. maag-den - schoot, Die den dood En de hel-slang heeft ver-
3. is ge - weest Van den Geest, En des Va - ders Zoon mocht
4. lof - ge - schal, Vad'-ren - tal I Laat de stem der eeu - wen-
5.^ god-lijk Lam Staat in vlam. Ju - belt meê, gij. Se - ra-6 min - lijk - heid Hij haar leidt Door de hoog-ste he - mel-
9
10
11
12
isii
|
I. |
ha - |
- len. Tusschtnspel, |
|
2. |
won |
- nen. |
|
3. |
ba - |
- ren. |
|
4- |
hoo |
- ren. |
|
5. |
fij - |
- nen ! |
|
6. |
za - |
- len. |
-\=
Stem - men, har - pen, al - les zwijgt. Waar zij stijgt, Zacht kwam om haar aan - ge - zicht 't Zon - ne • licht. En zij draagt de ster - ren - kroon. Die de Zoon En de Geest om - straalt zijn Bruid: Toen is luid Laat ook on - ze ze - - ge - toon Tot uw troon, Zie, o Moe - der van den Heer! Op ons neêr;
7. Om haar glo - rie aan te sta - ren; En ver • rukt nog
8. Als een glo - rie toe - ge • gle - den; En de maag-de-
9. Haar ver - eerde^als Rijks-vor-stin - ne ; Haar aanschouw-de
10. Weêr der Eng'-len zang ge - ste - gen, Die zij dankt met
11. Glo - rie - rij - ke Moe-der! rij - zen; Laat ook ons, ont-
12. Toon uw kind'-ren me - de-doo - gen, Dat welaan't eind der
2S
in
7.zoekt haar't oog.Waar ze^omhoogTot haar troon is op- - ge-
8. lij - ke maan Ging er staan, Ten scha - bel voor ha - re
9. van om - hoog 's Va-ders oog Met ee- ne^on - be schrijfb' - re
10. zoe - ten lach ; Sinds deez' dag Lacht ze^inglo - rie ons ook
11. gloeid van min, Ko - ning - in ! Met het he - mei - koor u
12. pel-grims-baan Tot u gaan En uw glo - rie schou-wen
m
mm
7. va - ren. TusschensJgt;el,
10. te - - gen.
11. prij - zen.
--U'
18. LIED OP DEN NAAM YAN MARIA.
Psalteriolum 1642.
it
-f-
|
Ma - ri - a's Ach! bij uw Roep ik tot u in In al - len nood, tot Ach ze - gen dan deez' die - der naam, moe - |
't hart ver - blijdt, Zij ■ naam zoo zoet, Wij ziels - ver - - driet. Neen, in den dood, Weer-kin - der - • schaar. Hier |
| ||||||||||
|
1. dit ons dank-baar lied ge - wijd; haar moe-der-naam zoo 2. bid - den u, dat gebons be - hoedt; Gij, die de hei-slang 3. Moe-der! gij ver-stoot mij niet; Hebt gij van ons uw 4. klinkt uw naam, zoo zoet, zoo groot: Wie weet niet dat gij 5. bid-dend bij uw feest-al - taar; Aan u die al - Ier |
29
=t:
|
2. hebt ver - plet, Gij zijt het, 3. naam ver - staan. Gij ziet ons 4. 't kind aan-schouwt. Dat op uw 5. Moe - der zijt, Wier zoe - te f. zoet, zoo groot, Is ons een troost in al - len nood, Ts |
die door uw ge - bed, Ma-uit den he - mei aan. En moe der-naam ver-trouwt, Naast naam ons hart ver - blijdt. Zij |
6
| ||||||||||
|
1. ons een kracht tot in den dood. TusschensJgt;el* 2. ri - a! u - we kind'- ren redt. 3. on - ge - troost laat gebons niet gaan. 4. God op u zijn ho - pe bouwt. 5. dit ons dank-baar lied ge - wijd. |
19. DE VIJFTIEN GEHEIMEN VAN DEN ROZENKRANS.
I.
Be vijf Blijde Geheimen.
Gesangbuch v. Leisentritt, 1584.
Een kleine terts lager, in a.
|
Eenigen. Allen. | ||||||||
|
Wij groe - tèn u, o rei - ne Maagd! O Ko-ningin, o
1. Ge^ont-vingt in u des Vaders Zoon, O Ko-ningin, o
2. Gij gingt een lan-gen weg te voet, O Ko - ning-in, o
3. Gij hebt den Red der de • zer aard', O Ko-ningin, o
4. Oot - moe - dig naar Gods huis ge - gaan, O Ko-ningin, o
5. Drie da - gentroktgij zoe-kend rond, O Ko-ningin, o
3°
Eenigen.
Ko-nii?g-in ! Gij die uw' Scliep - per hebt be - haagd, O
1. Ko-ning in! Hij daal- dequot;in u van 's he • mels troon, O
2. Ko-ning-in! En hebt uw blij - de Nicht be - groet, O
3. Ko-ningin! Te Beth'- lem in een stal ge - baard, O
4. Ko-ning-in! Boodt gij uw Zoon ten of - fer aan, O
5. Ko-ning-in! Eer gij uw Je - sus we - der-vondt, O
|
Ko |
- ning - |
in |
Ma ■ |
• ri - |
a |
|
i.'Ko |
- ning - |
in |
Ma ■ |
• n - |
a |
|
2. Ko |
- ning • |
in |
Ma • |
■ n - |
a |
|
3.K0 |
- ning - |
m |
Ma • |
■ n - |
a |
|
4. Ko |
- ning - |
in |
Ma - |
n - |
a |
|
5.K0 |
- ning - |
in |
Ma ■ |
• n - |
a |
II.
De vijf Droevige Geheimen.
Allen.
|
i—d—r: |
=1 | |
|
L-c,- |
■ i -1 |
O O O O O O
Moe - der, een een een op een
1.
2.
3-
4-
5-
Allen.
droe - ve Moe - der ! welk Moe - der ! welk Moe - der ! welk Moe - der - hart, Moe - der! welk
vol van smart! zie - le - wee; fol - te - ring: pijn en hoon; nieuw door - boord ! mar - te - ling: Eenigen,
|
0 |
Ko |
-ning - |
in, |
0 |
Ko |
- ning |
- in! . |
Wat die - pe | |
|
i |
0 |
Ko |
-ning - |
m, |
0 |
Ko |
- ning |
- in! |
Bij't bloedzweet |
|
2 |
0 |
Ko |
- ning - |
in, |
0 |
Ko |
- nmg |
- in ! |
Bij Je - sus' |
|
3 |
0 |
Ko |
-ning - |
in. |
0 |
Ko |
■ nmg |
■ in ! |
Uw Je - sus |
|
4 |
0 |
Ko |
- nmg - |
m, |
0 |
Ko |
• nmg |
- in ! |
Uw Je - sus |
|
s |
0 |
Ko |
-ning - |
in, |
0 |
Ko |
- nmg |
- in ! |
Toen Hij aan |
31
Allen.
mm
won - de droeg uw hart, O Ko - ning - in Ma-
1. in Geth - se - ma - né, Ü Ko - ning - in Ma-
2. wree - de gee - se - ling, O Ko - ning - in Ma-
3. draagt een door - nen kroon, O Ko - ning - in Ma-
ri - - - a! Tusschenspel.
ri - - - a !
iiüüi
III.
De vijf Glorierijke Geheimen.
|
Een toon hoog er, in d. Eenigen. Dillinger Gesangbuch. 1675. Allen. | ||||||||
| ||||||||
|
Ver - heug u! zen |
___---
Ko - ning - in ! Ver - rukt de
Ko - ning - in! Ma - ri - a
Ko - ning - in ' Waar Hij een
Ko - ning - in! Die met zijn
Ko - ning - in ! En jui - chend
Ko - ning - in ! Nu heerscht gij
1. Ver - re - zen is
2. Uw Zoon ging in
3. Toen is zijn Geest
4. Uw Zoon zendt u
5. Uw Zoon geeft u
iüüli
Ko - ning - in.
O O O O O O
die des zijn op een de
lan - ge smart, le - vens Heer, heer - lijk - heid, aard' ge - daald, En - gel - rij, glo - rie-kroon, Eenigen.
lüiiir
r _ in I _ vil
m
-3-
-t:
in, in, in/ in, in.
o o
O O
Allen.
;--ni
—--1— _-_=,-I--1—4.—,--1- —--1—
-Ö-
vreugd uw Moe - der hart, O Ko - ning - in
1. ziet haar Je - sus weer O Ko - ning - in
2. plaats ons toe - - be - reidt, O Ko - ning - in
3. licht Gods Kerk be - straalt, O Ko - ning - in
4. voert ze u aan zijn zij', O Ko - ning - in
mmmmmm
-S3-
Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-
5. op uw he - - mei - troon, O Ko - ning - in
8
üii
|
* |
-s- | |
|
n - - |
- a! | |
|
I. |
n - - |
- a ! |
|
2. |
n - - |
- a ! |
|
3- |
n - - |
- a! |
|
4- |
n - - |
- a! |
|
5. |
n - - |
- a |
IV.
Gebed.
Mohr. Cantate no. I, Allen.
Eenigen.
i
fc7
Ü
|
I. |
O |
Gij! |
uw |
glo - |
rie |
in - ge - gaan, |
O |
Ko-ning-in, |
0 |
|
2. |
Bid |
voor |
de |
Kerk, |
voor |
Je - sus' Bruid, |
O |
Kó-ning-in, |
0 |
|
Bid |
voor |
't be |
min - |
de Hoofd der Kerk, |
O |
Ko-ning-in, |
0 | ||
|
4- |
Bid, |
dat |
uw |
Zoon |
de |
Her - der-schaar. |
O |
Ko-ning-in, |
0 |
|
s. |
Bid, |
dat |
hun |
kud - |
de |
tot hun vreugd O |
Ko-ning in, |
0 | |
|
6. |
Bid, |
dat |
geen |
Chris |
ten |
Vorst of Staat, |
O |
Ko-ning-in, |
0 |
|
7. 8. |
Weer |
, Moe-der! |
al - |
le |
zon-de^en straf. |
O |
Ko-ning-in, |
0 | |
|
Bid, |
bid |
voor |
ons |
in |
al - len nood, |
O |
Ko-ning-in, |
0 | |
33
Eeniqen.
Allen.
3SEE
lüi
-$0
;l;
ÉlËÉËi
|
1. Ko-ning-in! Hoor 't smee 2. Ko-ning-in! Straal' 4. Ko-ning-in! In zij - Je - zijn bloei 't heil al -blijf |
ken u - wer kind' - ren aan, O ne glo - rie in haar uit, O sus hem ver • lich-tequot; en sterk' O ge-trou wen dienst be ■ waar', O - en, groei-en in de deugd, O van Kerk of zie - len schaad', O le gee - seis van ons af, O ons bij tot in den dood, O 5 |
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
Ko - ning - in Ma - ri
zaziq:
Tusschenspel,
a ! a I
- a I
20. DE XV GEHEIMEN VAN DEN ROZENKEANS.
W. P. H. Jansen, Pr.
I.
De vijf Blijde Geheimen.
Een toon hooger, in d. Eenigen.
|
Gods va - - der - oog sloeg de aar - (!e _—t--«-H Een | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3
34
~ ^
t=^z
En - gel daalt met spoed: „V^ees,quot; sprak hij , „o gij
1. 's Hee - ren wil be - haagt: Of zij stemt in, - en
2. tot haar Nicht ge - gaan, Om
3. baart zij 'tgod - lijk Kind, Dat
4. Sa - lems tem - pel - steê: „Laat
5. ri - a nu ge^uw Kind, Zoo
Allen
vol ge - nd. Ma - ri - - a! wees ge
't eeu - wig Woord Nam 't vleesch aan uit de
nood het vroeg. Aan ha - re zij' te
heir aan - bad. En zij in doe - ken
on, „o Heer! Uw die - naar gaan in
zoo - veel smart, In 's Hee - ren tem - pel
die - nend waar de mét haar 't he - melsch nu,quot; sprak Si - me-lang ge - zocht met
gij ! vol moe - dergij 1 vol moe - dergij ! vol moe - dergij ! vol moe - dergij ! vol moe - dergij ! vol moe - der-
|
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood, | ||
|
I. |
min - |
ne. |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood. |
1. |
|
2. |
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood. |
2. |
|
3- |
min - |
ne. |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
• len |
nood. |
3. |
|
4- |
min - |
ne^ |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood, |
4. |
|
5- |
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood, |
5. |
35
|
-#-F-1-- ure-- den dood, Ma den dood, Ma den dood, Ma den dood, Ma den dood, Ma den dood, Ma In In In In In In |
N=i ri - a! Tusschensjpel. |
II.
De Vyf Droevige Geheimen.
Een toon hooger, in d. Eenigen
ztz
Wie is er, Moe - - der! die het meldt, Hoe
1. Gij zaagt den Heer, Geth - se - ma - - né! Be-
2. Mijn Je - sus! ach, wat fol - te - ring!... 'k Zie
3. Nu mengt de moed - - wil pijn en hoon Wreed-
4. Mijn Je - sus sleept, be - dekt met bloed, Zijn
5. Hij sterft, aan't smart - - lijk kruis ge - hecht; Zijn
ci~~'
7t zwaard door Si - me-'t Bloed, dat de^angst Hem strie - men van de vlecht de beul een on - zer draagt niet toen is 't zwaard, zoo Allen.
u het har - te brak, Toen
1. droefd tot in den dood; Hoe
2. die - pe wond bij wond. De
3. aar-dig on - der - een: Ruw
4. kruis naar Gol - go - tha; Wie
5. Moe-der ziet het aan!... Ach,
röE
|
on voor ■ speld, U ze - ven -stor - ten deê, Op de~aar-de gee - se - ling, Die Gij voor door - nen kroon Om 's Hee - ren wel - ge - moed Voort-aan zijn lang voor - zegd, Diep door haar werf door - stak. Mane - der - - vloot. Ma-mij door - stondt. Ma-hoofd nog heen! Ma-kruis Hem na. Ma-ziel ge - gaan!... Ma- |
36
|
T' -v 1 1 |
t « 11,31 N T q |
|
S—*—-H |
|
ne! a, a, a, a, a, n ri ri |
gij! vol moe - dergij ! vol moe - dergij ! vol moe - dergij ! vol moe - dergij ! vol moe - der- |
Sta Sta Sta Sta Sta Sta
bij bij bij bij bij bij
ons ons ons ons ons ons
in in in in
4
In den dood, Ma - ri - a! TusschensJgt;el.
III.
De Vijf Glorierijke Geheimen.
=1-
—t-
:=q-
rtzzzrzü
uw Zoon fe - geert In is op - ge - - staan. En ster - ren - baan. Een be - den Geest, Die lief - de slierft, Schond ei - gen Zoon Ge-
Juich, Moe - der! juich,
Een toon hooger, in d. Eenigen.
êS
37
3
op - per - heer-schap - pij: Uw droefheid is in
1. leeft nu voor al - - tijd! O dood! gij jaagt geen
2. Eng'-len - paar daalt neêr, En kon-digt d'elf a-
3. licht en krach - ten geeft; De^a - post' - len tui - gen 't
4. Hij u 't rijks - ge - bied, Dat ge^in uw mart' - laar-
5. kroond tot Ko - ning - in, En schit-tert naast zijn
iq—
=jtt
!§===?=■
Allen.
m
vreugd ver - keerd, Gij heerscht nu
1. vrees meer aan: Uw prik - kei
2. post' - len aan : „Zoo keert Hij
3. on - be - vreesd, Dat Je - sus
4. schap ver - wierft. En thans met Hem
5. glo - rie - troon, Voor u - we moe
|
--T |
, quot;ï |
1 | |||||||||
|
J—-T. |
quot;M | ||||||||||
|
-•- |
é |
j—1 |
-0- | ||||||||
|
t ! | |||||||||||
|
ri |
- a, |
Ko |
- ning |
- in |
- ne! |
O |
«ij |
vol |
moe |
der- | |
|
I. |
n |
- a, |
Ko |
• ning |
- in |
- ne ! |
0 |
gij |
vol |
moe |
der- |
|
2. |
n |
- a. |
Ko |
- nmg |
- in |
- ne! |
O |
SM |
vol |
moe |
der- |
|
3- |
n |
- a. |
Ko |
-ning |
- in |
- ne ! |
0 |
S'i |
vol |
moe |
der- |
|
4- |
n |
- a, |
Ko |
- ning |
- in |
- ne! |
O |
s'i |
vol |
moe |
der- |
|
5- |
n |
- a. |
Ko |
- ning |
- in |
- ne! |
O |
g'j |
vol |
moe |
der- |
-0-
In
En
Een
Die
honk
Ge-
Sta Sta Sta Sta Sta Sta
bij bij bij bij bij bij
ons ons ons ons ons ons
|
-p= |
|
3»
5^=1
Tusschensjpel.
21. AVE MARIS STELLA
BIJ ALLE FEESTGELEGENHEDEN.
Mainzer Cantional 1762.
mmi
1.
4-
5.
6.
7.
baan, eer.
le - vens lof en
Be-Met
rei - ne Va - der
Zij
Ge - groet gij, Ster - re van het meer! Ver-
Wat Ga - bri - el u heeft ver - kond, Neem
Wil zon - daars van hun boei ont - slaan, Breng
O toon ons, dat gij Moe - der zijt, Dat
Der Maag-den zon - der - lin - ge bloem, Zacht-
Ver - leen een
God den
|
d J J | ||||
|
(Q—^-* |
—mr - j—*— |
—J—J— _j— |
L j - 1 |
-—j f |
|
--- |
—1 |
-Sr—9--0- |
1. he - ven Moe - der van den Heer, En al - toos
2. 't A • ve van zijn eng' • len - mond ; Keer E - va s
3. voor de blin - den 't heil - licht aan, Ver - drijf ons
4. Hij, die zich uw Zoon be - - lijdt, Door u eens
5. moe • di - - ge! der zach - ten
6. vei - lig 't pad waar - - op we
7. Chris-tus, d'al - Ier - -hoog-sten
roem, Ik bid, dat gaan, Op - dal wij. Heer; Zij de~ei-gen
39
|
Q gt; | ||||
|
Ar-*=gt;--#-- |
—ö—j— |
; d j-: | ||
|
—^ * |
—CS---— |
|
l. |
Maagd |
gij, |
He- |
mei |
poort! Die ons 5t ver - |
- bei |
- de |
|
2. |
naam |
ten |
ze - |
gen |
- groet, Dat gebons in |
vre |
de |
|
3- |
kwaad |
met |
al - |
le |
straf. Smeek al het |
goe |
de |
|
4- |
tot |
ons |
heil |
ge - |
baard, Door u ook |
ons |
ge |
|
5. |
ge^on |
- ze |
schuld-boei |
slaakt, Zacht - moe - dig |
ons |
en | |
|
6. |
Je - |
sus |
ziend', |
ver - |
heugd Te zaam steeds |
jui - |
chen |
|
7. |
roem |
den |
Geest |
be |
reid. Den Drie éé - |
ne eer |
in |
i^üüiéii
1. heil be - schoort. Tusschensfiel.
2. vest en hoedt.
3. voor ons af.
4. bed aan - vaard'.
5. zui - ver maakt.
6. in zijn vreugd.
7. eeu - wig - heid.
Jubilate no, 69. Allen.
22. AVE REGINA COELORUM.
Een toon lager, in bes. Eenigen.
-:e3E
-f-
IC
1. Ge - groet, o He-mel - ko - ning - in!
2. Heil u, o spruit! o zaal' - ge schoot!
3. Wees, glo-rie - rij - ke Maagd! ver- blijd,
4. Ge - groet, o gij, zoo vol van eer!
A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a.
40
Eenigen.
Allen.
üi
;fe
£5tEt
I ^
«—•—p=: it=t=±zz:
1. Ge - groet, der En - ge - len vor-stin! A-ve Ma - ri - a.
2. Waar - uit der we - reld 't licht ontsproot. A-veMa-ri-a.
3. Die on - der al - len 't schoon - ste zijt. A-ve Ma - ri - a.
4. En bid voor ons bij God den Heer. A-veMa-ri-a.
23. REGINA COELI.
|
Een toon lager, in bes. Eenigen. |
Zangwijze als no. 22. Allen. |
1. Ver - blijd u,'s he-mels Ko - ning - in! Al - le - lu-ja!
2. Stond, naarzijn woord, weêr op uit 'tgraf, Al - le - lu-ja!
3. De Heer ver-rees: o wees ver - blijd, Al - le - lu-ja!
|
Eenigen. -S j. Want dien gij dro egt vol moe - der-min, 2. Bid God ge - na - de voor ons af. 3. Ma • ri - a! die zijn Moe - der zijt. zr |
Allen. m Al - le - lu - ja ! Al - le - lu - ja! Al - le - lu-ja! |
24. ALMA REDEMPTORIS MATER.
Zangwijze als no. 22.
Een 'toon lager in bes. Eenigen.
Allen.
I
-t—: O-ra pro no bis. O ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis.
Ver - he - ven moe-der! uit wier schoot Gij, He mel poort! die o - - pen staat. Breng 't val-lend volk,dat op wil staan, Die, waar na - tuur ver - baasd op staart, Gij, Maagd, zoo vóór als na dien stond, En zie, o Moe-der van den Heer!
41
Eenigen.
1. Ons al - Ier Za - lig - ma
2. Gij, Zee ster die ons niet
3. Breng gij het u - wen bij
4. Uw heil'-gen Schepper hebt
5. Neem 't A-ve van des En - gels mond,
Allen.
-----li
- w--------1—,-J
ker sproot; O-ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis. O-ra pro no bis. O-ra pro no-bis. O-ra pro no-bis. O-ra pro no-bis.
ver - laat stand aan ge - baard;
6. Ont - fer-mend op ons, zon - daars, neêr.
25. SALVE REGINA.
W. P. H. Jansen, Pr.
—— 1
1. Wees ge - groet, o Ko - ning - in - ne ! Moe - der,
2. 't Is tot u dan, dat wij vluch-ten, On - der
3. O clan nu, wil voor ons spre - ken, 't Goe - dig
4. En na dit ons bal-lings - le - ven. Toon ons
5. O dan Moe-der vol ont - fer - ming. Toon ons
r=H
gij vol teed' - re min - ne, Gij ons le - ven,
tra - nen en veel zuch - ten. Tot u rijst ons
oog slaan op ons smee - ken. Gij, die al - tijd
Je - sus, hoog - ver - he - ven, Heil' - ge vrucht van
kind' - ren, uw be - scher - ming, O gij Maagd! zoo
|
y 1_pzs_m__ |
1 |
1 |
i—1 A | |
|
fel—t---1— |
1 r |
|
ri - - a! wees geaard - sche tra - nen-van barm - har - tig-ons bij on - zen f |
Wees, Ma In dit Moe - der Toon hem
Wees, Ma - ri - a! wees ge-
hoop, zoo zoet,
42
ÜHÜ
-Ml
|
1. groet; Bid voor ons, Ma 2. dal; Bid voor ons, Ma 3. held! Bid voor ons, Ma 4. dood; Bid voor ons, Ma 5. groet; Bid voor ons, Ma a! TusschensJgt;el. n ri |
a! a! a 1 a! |
26. MEIMAANDZANG.
C. Jaspers.
|
Een kleine terts lager, in a. | ||||||||||
| ||||||||||
|
1. Weêr in jeug - dig, maagd'-lijk le - ven Prijkt de^ont- 2. In de heil - ge tem - pel - ko - ren Biedt zij 5. Maar die bloe -men, hoe zij pra - len In de 4. O dat bij dit nieu - we le - ven, Vlek - ke- |
1=
1. lo - ken moe - der-aard'; Met de geu - ren, die er
2. d'eer - sten bruids - tooi aan : Met die Moe - der, rein ge-•3. fris - sche feest - gier-land; Maar die lich -ten, hoe zij 4. loo - ze He - mei-bruid! Mij een lief - de werd ge-
1. zwe - ven, Met de schat - ten die zij baart. Met haar
2. bo - ren. Die ge^in't loo - ver - groen ziet staan En in
3. stra - len In de geur'-ge lust - wa - rand; 't Kan bij
4. ge - ven, Als uw maagd'-lijk hart om - sluit: Rein zou
43
ï=3
1. zang en zon - - ne - dre - ven. Schijnt zij E - dens
2. maag -den - lich - ten glo - ren, Is het heil ons
3. 't maagd lijk hart niet ha - len, Dat van heil' - ge
4. ^ Mei - lied tot u zwe-ven Met der Eng'-len
^—0—I----c
iüüi
1. len - - te - gaard, Tusschenspel,
2. op - - ge - gaan.
3. lief - de brandt.
4. harp - ge - luid.
27. MEIMAANDLTED.
W. P. H. Jansen, Pr.
mi
-1---w--
|
• veis, bos -■ jes! met de Moe ■ der Ju -van eeu ■ - be - vlekt in 's he -de^en he -len, Vloe-den! wilt den ter Van uw zil - ver-ne, Zingt de Maagd en |
- len Was zij ned'-rig - ren Zal van wond'ren ven Heeft zij vlek-loos len. Spreidt zij ha - re der Van uw Schep-per lieu ■ Beek -Zingt On • Zij, 'tOn Nu, Aar - schen, veld en da • het zacht ge-kla • der, Ko - ning-in -da's maag den - tal wig uit - ver - ko -Ont - van - gen le -mels wij - de zamel! zingt de Moe |
lof her - ha - len, En dén luis - ter niet té ma - len hel - der wa - ter, Vo - gel - koor! met zoet ge-scha - ter, Rijks-vor-stin - - ne. Zingt de trou - we Kruis-hel-din - ne, bo - ven al - len, En met eind'-loos wel - ge - val - len, luis - ter glo - ren, Haar is 't moe - der - schap be-scho - ren weêr - ge - ge - ven. En door al - le deugd ver - he - ven: glo-rie - stra - len. Wat kan bij de Moe - der ha - len, en Be - hoe - der. Mijn Ver - los - ser en mijn Broe - der.
44
|
1. Dien Ma - ri - a's naam om ■ 2. Roept Ma - ri - a's glo - rie 3. Die haar Kind ten of - fer 4. Zag God op Ma - ri - a 5. Van Gods Één - ge - bo - ren 6. Naar haar of - fer is haar 7. Wie een Zoon, die God is, 8. Zingt de glo - rie waar ze^in |
sluit. TusscheuspeL uit. gaf. af. Zoon. loon. kroont? troont! |
28. AV01S1DGR0ET AAN MARIA.
|
Melodie uit de i6e eeuw. | ||||||||
| ||||||||
|
1. Ma - ri-a's beeld, te mid - den Van vroo - lijk flikk'-rend 2. Komt, nóg een kin - der - be - de Ma - ri - a toe - ge- 3. Wij bid - den u te ga - der Bij 't ein - de van deez' 4. Be-vei-lig u - we kind'- ren, O Moe-der! de - zen | ||||||||
h--
-0-
1. licht, Het noodt ons, hier te bid -
2. bracht! En dan in 's Hee - ren vre -
3. dag; Vraag, Moe-der! on - zen Va - -
4. nacht; Dan
zal geen kwaad ons hind' - - ren.
m
1. al - taar, haar ge - sticht. Komt laat ons tot haar
2. slaap weêr in - ge - wacht Ge - rust en wel te
3. wa - kend oog ons zag. Dat Hij ons kwaad ver-
4. is ons sla - pen zacht; Dan ziet gebons mor-gen
- den. Bij 't - - de Den
- der. Wiens Dan
45
mmmi
Hi
it
1. ij - len, Lof - zin ■ gend daar ver-wij - len, Ma-ri - a. Ma-
2. moe - de, Ver-trou - wend op haar hoe - de, Ma-ri - a, Ma-
3. schoo - ne, Het goe-demons een-maal loo - ne, Ma-ri - a, Ma-
4. we - der, O Moe - der, goed en tee - der! Ma-ri - a, Ma-
6
5=t=*-
1. ri - a, Moe - der ! ze - gen ons. Ttisschensjiel.
2. ri - a, Moe - der! ze - gen ons.
3. ri - a, Moe - der! bid voor ons.
4. ri - a, Moe - der ! wees ge - groet.
29. AVONDZANG.
W. P. H. Jansen, Pr.
-t—i
1. Min ■ lijk - lich - tend van den hoo-gen, Diep in't blauw van
2. Dooft de vreug-de - zon haar stra-len, Zien wij d'a-vond
3. Zal het laat - ste licht ons stra - len, 's Le -yens a - vond
| ||||
|
1. Goe - dige~a-vond - ster ! ons aan: Vriend'-lijk straalt gij 2. Trou - we Ster! gij toont uw licht: 't Is ons in ons 3. He - mei-ster! blijf voor ons staan; In den doodsnacht |
46
| ||||||||
|
1. al - tijd ne - der, Of'teen blik is, zoet en tee - der, 2. pel-grims - le - ven, Van den lij - dens - nacht om - ge - ven, 3. vol ver-schrik-ken, Wil ons, Moe-der! met uw blik-ken, |
1. Dien een Moe - der al - tijd we - der Op ons kin - der-
2. Als een straal, die uit komt zwe - ven Van Ma - ri - a's
3. Vol van liefdeken licht, ver-kwik-ken: Wenk ons, tot u
1. tal laat gaan. Tusschens-bel.
2. aan - ge - zicht.
3. op te gaan!
30. HET LIEVE-VEOUWE-BEELD.
Strassburg: Gesangbuch 1789.
Een toon hooger, in d.
=—*=1
1. 't Moe - der - godsbeeld trekt de blik - ken Van der vrou-wen
2. Met het Kind- jen op ha - re^ar-men, Ziet zij ons zoo
3. Met de bloe-sems op de koo - nen, Na - dert haar'tver-
4. Wat er in dien blik mag stra - len Van 't on -schul - dig
5. Lang ligt zij daar neêr - ge - bo - gen, Ziet het Kind, de
E3
1. vroom ge-slacht; Wie ook vond er geen ver-kwik - ken
2. min - lijk aan: Neen, die Moe - der van er-bar - men
3. la - ten kind: „Wil,quot; zoo bidt zij, „'t wees-je too - nen,
4. maag - de - lijn, 't Is met woor - den niet te ma - len:
5. Mo-e - der aan: „Leid mij,quot; zucht zij diep be-wo - gen,
47
3^
3ee
|
1. In de be - den 2. Liet niet on - ge • 3. „Dat ze^in u een 4. 't Moet een teed' - re 5. „Op een veil' - ge |
daar ge - bracht. TusschenspeL troost ons gaan. Moe - der vindt.quot; be - de zijn. Ie - vens - baan.quot; |
EÈEEI
3
Sta - tig knielt een moe - der ne - der, 't Ziels-ver-trou-wen Lang-zaam komt zij toe - ge -tre-den, 't Hei-lig was-licht Van haar treur - ge-waad om-han-gen, Komt de droe-ve Niet ver-geefs heeft zij ge - be - den, Niet ver-geefs hier Min'-lijk beeld der Lie - ve-Vrou-we! Al-Ier har - te
6
7
8
9 10
=!•
£53
——c:
i
6. op 't ge - laat: quot;Wis - selt blik - ken lang en tee - der,
7. in de hand, Gind - sche vrou - we, die daar he - den
8. we -duw-vrouw: Tra - nen stroo-men van haar wan - gen
9. hulp ver - beid; Ook Ma - ri - a heeft ge - le - den 10. trekt gij aan: Moe-der! wie op u ver-trou-we
8
i=i?E=lf=i
Si
=353= ' 9 -1
6. Die een moe - der slechts ver • staat. TusschemJgt;el.
7. 't Dankbaar moe - der - of - fer brandt.
8. Troost hier zoekt zij in haar rouw.
9. Een -zaam aan het graf ge-schreid ! . . . 10. Zal niet troost'-loos van u gaan.
mÊÊÊÊÊÊk
48
31. HET H. HUISGEZIN: JESUS, MARIA, JOSEF.
Seraph: Lustgarten 1635. gewijzigd.
1. U, Jo - sef! wijd ik mij - nen zang, Ma - ri -a zing ik
2. Was ooit ge - zin zoo goed en groot, En te-vens in zoo
3. Was ooit ge - zin op heel de-ze^aard'Zoo hei-lig, zoo ver-
4. Was ooit op aar-de^een huis - ge - zin, Zoo mild, zoo vol van
-m—g-3-
-x--*—*-
1. Ie - vens-lang; U Je - sus! mij - nen God en Heer, Ge-
2. diep een nood. Als 't al - Ier - hei - ligst Huis-ge - zin ? Dat
3. ee - rens-waard? Het hoofd ge - bo - gen in het stof, Zing
4. men - schen-min? Ik werp mij dan, mijii Goden Heer! Voor
Allen.
----:----— --j---
1. velaar - de quot;en he - mei eind* - loos eer. O Hei-lig Huis-ge-
2. stort ons troost bij 'tlij - den in. O Hei-lig Huis-ge-
3. ik dit Hei • lig Drie - tal lof. O Hei lig Huis-ge-
Eenigen.
4. U ten dank-baar of - - fer neêr. O Hei-lig Huis-ge-
m
|
1. zin! Ik eer er Jo - sef in; 2. zin ! Ik eer er Jo - sef in ; 3. zin ! Ik eer er Jo - sef in ; 4. zin ! Ik eer er Jo - sef in ; |
Ik eer Ma - ri - a, Moe- der- Ik eer Ma - ri - a, Moe- der- Ik eer Ma - ri - a, Moe- der- Ik eer Ma - ri • a, Moe- der- |
ü
|
T. maagd, Ik aan - bid uw Kind, 2. maagd. Ik aan - bid uw Kind, 3. maagd, Ik aan - bid uw Kind, 4. maagd, Ik aan - bid uw Kind, En En En En |
Dat ons teêr be-mint, Dat ons teêr be-mint. Dat ons teêr be-mint^ Dat ons teêr be-mint, |
49
6
|
-3=^--' — en - kei en - kei en - kei en - kei 3- 4- |
;fÜ we - der - lief we - der - lief we - der - lief - de we - der - lief - de i^3:I^E=i= Tussckenstel, de de |
vraagt, vraagt, vraagt, vraagt. |
32. MARIA, TOEVLUCHT DER ZONDAREN.
Een toon lager, in bes.
3S
=1=
:|=P
Herold's Gcsangbuch i8oS.
=g=|=E=Ë=g
Groo - te Ko - ning - in der heem'-len! Hoog ge - ze - ten
Wie heeft im - mer u ge - be - den, En is troost-loos
Zij, ja! heeft voor quot;u ge - spro - ken, Zij, zij heelt uw
Gij, die u-we^on - tel - b're zon - den Klimmen deedt met
Werp u, zon-daar! in ha - re~ar- men; Zij, uw toe - vlucht
=t-
1. op uw troon, waar on - tel - bare~Eng'-len weem'-len
2. heen - ge-gaan? Wie ver - eer - de~u hier -1: c - ne - den,
3. ziel ge - red; Ligt uw sla - ven - juk ver - bro - ken,
4. dag en uur, Eeu - wig waart gij reeds ver - slon -den
5. bij den Heer, Zij, een Moe - der vol er - bar-men.
r^±:
1. Voor het aan - schijn van uw Zoon: Laat ons't eer - ge-
2. En gij hoor - det hem niet aan ? Vro-men! wilt het
3. Zon-daar! 'tis door haar ge - bed. Nim-mer, neen! heeft
4. Door het wre - kend hel - le - vuur: Maar uw Moe - der
5. Ziet goed-gun - stig op u neêr. Kunt gij nog haar
5o
stoel - te na - ken, Waar u 't eeu - wig lof - lied rijst;
lui - de tui - gen, Van uw wieg door haar be waakt; ze^af - ge - we - zen Wie bij haar zijn toe-vlucht zocht; bleef nog spre - ken, Keerde^uw na - de • ren - de siraf: hulp ver - sma - den, Die zij tel - kens u weer biedt?
| ||||||
|
1. Laat ons hart de zoet -heid sma - ken, Dat het ook uw 2. Wilt uw dank-b're knie - ën bui - gen, Zondaars! door haar 3. Hoe-veel be - den tot haar re ■ zen,'t Blonk te meer wat 4. Wil dan om haar voorspraak smee-ken, En ge - na daalt 5. Zon-daar, zon-daar! laat u ra - den, En ver - stoot haar |
P—t:—t—t:=lE-
i. lief - de prijst. Tusschenspel.
2« V1quot;ij • ge - maakt.
3. zij ver - mocht.
4. op u af.
5. lief - de niet.
-t
«—»
6. Wil haar droe - ve klach-ten hoo - ren, Hoe zij min - lijk
7. Was die troost mij bij - ge - ble - ven: Dat zijn dood het
8. Zóó, vol tee - der me - de - doo - gen, Zóó, met u - we
9. Moe-der ! ja, 'k wil de^u- we we-zen, 'k Heb ge - zegd en
=^±:
-1-
6. tot u spreekt: „Kind! zult gij mij'thart door - bo - ren,
7. heil ver-wierf. Gij wilt mij dien troost niet ge - ven,
8. ziel be - gaan, Zóó, met lief • de - stra • len-de 00 - gen,
9. keer nu weer; Doet mijn zon - den - tal mij vree - zen,
5'
6. Dat voor lang van wee - dom breekt? 't Zwaard ging door de
7. Zoo Hij vruchtloos voor u stierf; Hoor dan, zon daar!
8. Spreekt u u - we Moe - der aan. Zal die taal uw
9. Gij be - veelt mij aan den Heer. Zie hier ben ik,
on - der 't kruis-hout stond, we - der tot uw Heer!
ü!Ê=Ë!I
6. ziel mij he - nen, Toen ik
7. hoor mijn smee - ken; O keer
8. hart niet win - nen, Datge^uw zon - dig le - ven haat:
9. diep mis - da - dig, Maar ver - mor - zeld van be-rouw:
-t-
6. En mijn ster - vend Kind zag wee - nen, Gansch van hoofd tot
7.'kZal als Moe-der voor u spre-ken. Hij dan wordt uw
8. Enge uw'Je - sus gaat be - min-nen, En Hem nim-mer-
9. Ach ! maak mij uw Zoon ge - na - dig. Hem nu zweer ik
isii
6. voet door-wond. Tusschenspel.
7. Va - der weêr.quot; —
8. meer ver - laat ? .,.
9. eeu -wig trouw.
Allen.
X-
ge-
33. MARIA WEES GEGROET.
W. P. H. Jansen, Tr.
:j=a-
Ma - ri - a! wees ge - groet, Ma - ri - a! wees
52
1. Ge - - groet een twee - - de maal, Nog
2. Ge — groet on - - ein - - dig - maal, Door
3. Van el - - ken Se - - ra - fijn. Van
4. Van heel het Eng' - len - koor, Het
5. En met het he - - mei - hof, Paar*
Ma - ri - a ! wees ge- groet, Ma
Allen.
1. dui • zend dui-zend maal.
2. al - - le tong en taal.
3. el - ken Che - m - bijn.
4. klink'den he - mei door;
5. heel de-ze^aard' haar lof:
groet.
|
f-êT u 6. 7. 8. 9- 10. 11. En Van De Met Roep Dan al haar stem - - ge - luid al - - le stroom - ge - bied, wij - de we - - reld - zee al dat lof - - ge - zang, ik in al - - len nood, eens in 's he - mels woon. Twee —— --1- 5=6 pr I |
*dEE3 1 Roe-Weer-H er-Roep In 't Juich |
51
Mien.
fr=7
Ma - ri - a ! wees ge-groet, Ma-
I
_ w 1
6. po on-ver - poosd het uit:
7. klink' het zoe - te lied :
8. haal van reê tot reê :
9. ik mijn le - ven lang:
10. uur nog van mijn dood:
11. ik na - bij uw troon:
^—r——#——f—cd—
ri - a! wees ge - groet.
34. O MOEDER GODS.
gebed om troost en volharding.
W. P. H. Jansen, Pr.
|
Een toon lager, in bes. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
------- | ||||||||
|
i * | ||||||||
|
y-v _ ___ |
1 | |||||||
|
1 |
't voor-beeld |
on |
- zer |
vad' - - |
- ren. |
Zoo |
ko - |
men |
|
2. |
111 WIJ |
u |
zien |
stra - - |
- len. |
Een |
troost |
blik |
|
3- |
wij hier |
ban |
-ne |
- lin - - |
gen, |
En |
zien |
ge- |
|
4- |
on - zer |
u |
er - |
- bar - - |
men! |
O |
Moe - |
der, |
|
5- |
briescht om |
on |
- ze |
schre - |
den; |
Maar, |
als |
wel- |
54
t==t=:—'
I wij, daar 't u be - haagt, Uw' ze - tel bid-dend
2. van uw aan - ge - zicht Op u - we kind' - ren
3. sta;'ig, van al - len kant, Den vij - and ons be-
4. die geen kind ver - stoot. Wij vluch - ten in u-
5. eer, zal hem uw voet Den hel - schen kop ver-
ren. Tusschenspel, len.
eeu -wig heil be-wij ge - na ver-
lÜiÜÜ
nad' - - • da - - -sprin - - - - gen. we ar - — - men. tre - - - - - den.
m
|
6. |
zij |
mijn |
lief |
- de |
win - |
- - ne; |
Ach! dat |
zij |
|
7- |
ik |
miin |
VI] |
- and |
me - |
- - de; |
Het vleesch |
be- |
|
8. |
dag |
aan |
dag |
te |
ster - |
- - ken, |
Dat wij. |
het |
|
9- |
Je |
sus' |
lief |
- de |
ster - |
- - ven. |
En in |
dat |
6. nooit uw kind ver - leid'. En 'k Je - sus trouw he-
7. dreigt mij tel —ken stond, Hoe zei - den smaak ik
8. oog op 't he - melsch loon, Ons
9. uur; sta dan ons bij, Dat
55
üüii
min ----- ne. TusschensJgt;el% vre ----- de! wer ----- ken. wer ----- ven.
35. LIEFDE TOT MARIA.
M. J. A. Lans, Pr.
|
■jf-fe-yv-- |
--Jl—---(,_1- | |
|
h 5 •—*- - 3 |
1. Ja! 'k voel in mij Ma - ri - a's lief - de le - ven, 't Is
2. Neen,'k zoek geen heil in ijd'- le schijn-ver - ma - ken, In
3. Komt 's we-relds glans, of vlei - taal mij be - ko - ren, Lokt
4. Of als ik zucht bij droe - ve jam - mer-sla - gen, En
5. Wat dan ver - kee - re-in 'sle-vens wis - sel-krin-gen, 't Zij
1. mij zoo zoet, te zin-gen van haar lof; O kon ik haar zoo
2. wuft ge - not, ge - lijk de we - reM biedt; Mag ik hier slechts Ma-
3. zij mij aan met haar betoov'-rend goed; Dan rui-sche mij Ma-
4. stil mijn leed in'twee-nend hart om-sluit, Een Moe-der heb ik
5. 't vluch-tend uur mij vreugd of lij - den bied': Het blijft mij zoet, Ma-
6. 7-
8.
| ||||||
|
1. groot een glo - rie ge - ven, Als de^Eng'-len - schaar in't 2. ri - a's lief - de sma - ken, 'k Ben rijk ge - noeg, o 3. ri - a's naam in de^oo-ren, Die lief - - de - klank is 4. die haar kind hoort kla-gen, Ik spreek haar naam, en 5. ri - a's lof te zin-gen, Wel - za - - lig hij, die | ||||||
56
36. LIEFDEGROET AAN DE H. MAAGD EN MOEDER GODS.
Melodie uit de 15e eeuw.
|
Een toon hooger, in d. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1. wie ons't heil-licht is ge-daagd; Wij groe - ten u op
2. he - mei - geur, der maag-den roem! Als kris - tal - lijn, zoo
3. 't eeu- wig WToord is neêr - ge-daald, Die door zijn Geest de
4. wat er op-stond uit den nacht. 1 Toeft ooit de waar-heid
5. Moe - der - beê aan God be- haagt; Die al - ver - win-nend
6. komst heel denaarde heeft ver heugd, Ont - vang uit kin - der-
7. ons ten eind' toe heeft be - mind, Dat in den smar - te-
8. schiit'-rend in den zon - ne - gloor, Door god - de - lij - ke
57
zizzz
■ -0-
Moe - der van Gods een; - gen Zoon! Tus-smet - te - loo - ze heil - fon-tein ! schenspel. Kerk steeds tri - om-feert.
blijft haar god - lijk Hoofd !
trou - we toe-vlucht zijt.
on - zen lief - de-groet.
it-
u - wen troon. O , schitt'-rend rein, O . waar-heid leert! En in zijn , haar ont-roofd. Want Je - sus in den strijd, Der Kerk een . lijk ge-moed, O Moe-der! , lijk-sten dood Voor ons zijn . hand ge-sticht, Waar al - le
laat - ste bloed ver-goot. wa - penmacht voor zwicht.
Ê-EMeeee?
- ke van
• - mei - poor
- gen - ster
- vlucht der
van 't Chris
- der! met Gods Doch
zacht, ziel! - zin, be - - gaan, uw troon !
Na Die Gij Hoor Gij
het Nieuw Ver
- te ! rijk en
- re ! lief - - lijk ver - lo - - ren
- te - lijk ge ons lot
- ter
- bond! Op schoon, Door
op
|
zX 3 Moe-der van Gods eeuw'-gen Zoon! Gij, Bruid van God den 6 i-:T |
u is mij - ne hoop u kwam dequot;on-ge - scha ■ zulk een eeu- wen - lan -jam-mer - lijk van God al - Ier Heil'-gen Ko-de^u ge - ge - ven kind' ge-grond; De Se - ra - fij - nen pen Zoon, Hij, 't eeu- wig Woord, Hij gen nacht* Gij kon-digt 't blij - de ver-viel, O Troos-te - res in ning- in ! Ach toon in on - zen -ren aan; Uw Zoon heeft on - ze |
firn
. daal - den neêr Om 't gul - den Huis van d' Op- per-heer. Tusschen-.werd uw Kind, Zoo tee-der heeft Hij ons bemind! spel. . heil-licht aan, Dat voor het aard - rijk op zal gaan. . al - len nood ! Gij redt ons uit den eeuw'gen dood. . jong-sten strijd, Dat gij ons al - Ier Moe-der zijt!
. schuld ge- boet. Wees, goe- de Moe • der ! wees ge-groet. . Heil'-gen Geest! Die vóór en na zijt Maagd ge-weest!
---jé-3-
58
37. HULDE EN BEDE AAN MARIA.
W. P. H. Jansen, Pr.
quot;=^fè=3=|=3izzz:^
—*--*-*—i
Komt! hef - fen wij een lof - - lied aan, Luid
Dat on - ze lof u niet mis - haag', O
Uw oot ■ moed was zoo ga - de - loos, Zoo
In woe - de sloeg de~ont - roer - de hel Om
Hoe lief - lijk klonk der Eng' ■ len toon Voor
Wij roe - pen nog met heel de Kerk Door
I=t-
L-1:=
1. klimm' het op van denaard', Tot voor den troon, waar
2. He - mei - ko - ning - in ! Al is de toon van
3. min - lijk in Gods oog, Dat u zijn Zoon tot
4. 't heil van ons ge - slacht, Toen u de^Aarts-en - gel
5. de^eer-ste maal op aard', Toen gij, o zuiv' - re
6. de^eeu-wen heen u aan: Heeft Je - sus 'teer-ste
:È
1. de^Eng -len staan, 't Zij met hun lied ge — paard. Wij
2. 't stof te laag, Hij dring' ten he - mei in. Wat
3. Moe-der koos En neêr-kwam van om - - hoog; O
4. Ga - bri - - ël De he - mei - bood-schap bracht. Hoe
5. Ma.igdi Gods Zoon In Beth'-lem hebt ge - - baard; Het
beê ge - - daan? Ach,
6. won - der - werk Niet op
den
zin - gen sterv'-ling,
op
die zoo Mor - gen - ster der Sa - tan dreig' bij
toon van 't stof, En knie - len voor u véél ver-mocht. Wat haalt er bij u-za - lig - heid! Hij daal-de^op aar-de el - ken tred. Wij vree - zen hem niet he - mei-koor juich-te^in ons lot En daal-de^om'tkrib-je zie be - scher-mend van om - hoog Hier op uw kind*-ren
-tz
59
:üE!E3-
1. neêr, Wij staam'-len dank - baar u - - wen lof, O
2. wegeer? Nook is uw hulp ver - geefs ge - zocht! O
3. neêr, De Red - der, eeu - wen - lang ver - beid, O
4. meer: Uw Zoon heeft hem den kop ver - plet, O
m
m
li
ES
2. Moe - der van
3. Moe - der van
4. Moe - der van
Tusschenspel.
ra-t-
|
Toen Je - sus Uw Moe - der Ach Moe - der Wan - neer be Als 't al - be Be - - vei - lig |
aan het kruis - hout hing, Ons is zij, Chris - ten - schaar! Die van barm - har - tig - heid! Ont- hoef-te^ons dreigt of drukt, Of slis - send sterf - uur slaat, En on - ze le - vens - baan, En |
|
7. 't eeu - wig heil ver - wierf, 8. u ge-trouw be - mint; 9. trek uw hulp ons niet; 10. ramp bij ramp ons slaat ; 11. 's le - vens licht ver - dwijnt 12. waak aan on - ze zij'j |
pg Gaf Hij u aan zijn Zeg, zeg in al - le Ais ons de we - reld Als wat we' ook po - gen Voor de'eeu - wig -heid, die Hoor Moe -der! hoor uw |
6 o
7. lie - ve • ling, Eer Hij voor al - len
8. ziels - ge - vaar: Ach Moe - der! hoor uw
9. lokt en vleit En gij ons wank' - len 10. wreed mis - lukt, Ons al - le hoop ver
aan blijf
11. o - pen - gaat En
12. kind' - ren aan En
de ziel ver - schijnt: Ach, ons al - tijd bij. Wat
7. werdt zijn moe-der, hij uw kind, Wij dee - len in die
8. lie - ve Moe-der, vol ge - nét! Zie op uw kind'-ren
9. Sa - tan ons zijn strik- ken zet, Door wel - lust goud of
10. ons de-ze~aard'geen troost meer biedt. Zie gij dan op ons
11. dat ik dan mijn bre-kend oog, Mijn Moe - der ! tot u
12. lot ons in dit le - ven beid', U zin - gen wij ter
m -4 i m
En ons hebt gij als hem be - mind, O
Uw lief - de heeft geen we - der - gd, O
Ach, dat uw voor-spraak ons dan redd1, O
En wei - ger ons uw hulp toch niet, O
Uw zoe - ten blik ont - moe - te~om-hoog, O
U zin - gen \ve~eens in eeu - wig - heid, O
mi
8
E (q)—•--*—• —*—
Heer! Heer! Heer I Heer! Heer! Heer !
Tusschensjpel
7. Moe - der.
8. Moe - der
9. Moe - der
10. Moe - der
11. Moe - der
12. Moe - der
6i
3S. UITNOODIGING TOT DEN LOF VAN MARfA.
W. P. H. Jansi n, Tr.
-t^=
|
I. |
is |
zoo |
groot! |
Met |
|
2. |
is |
zoo |
goed! |
En |
|
3- |
le - - |
- • lie |
krans : |
Eens |
|
4. |
haar |
ge |
wijd; |
Vrij |
|
5- |
haar |
ter |
eer; |
't Wordt |
|
6. |
de - - |
- ze |
Maagd : |
Zij |
Komt, spoedt u! komt Ma - ri - a prij - zen: Zij Ont - lokt uw speel - tuig zoe - te klan - ken: Zij Vlecht, maag - den! om Ma - ri - a te-ee - ren, Een O moe - deis! reeds uw zui - ge - lin - gen Zijn Gij, va - ders! hoe ver - moeid van't zwoe - gen, Zingt O jong'-ling I wijd uw schoon-ste ja - ren Aan
stem en snaar hrar laat uw stem haar mo- ge^uw le - lie-moogt gij ha - re of - fe - rand en redt u - we^onschuM
—|~p
den dood. ge - moed. mei - glans, al - tijd. gij meer ? het vraagt.
5£=*r=|—j-7—gt*
zin - gend dan - ken^ Met blij
zorg be - zin - gen: Zij waakt
ziels - ge - noe - gen : Wat wilt
Eeni'jev.
uit ge - va - ren, Zoo gij Allen.
==£:£=
Broe - ders. Zus - ters ! zwijgt nu
Broe - ders. Zus - ters ! zwijgt nu
Broe - ders, Zus - teis ! zwijgt nu
Broe - ders, Zus - ters ! zwijgt nu
Broe - ders, Zus - ters ! zwijgt nu
Broe - ders, Zus - ters! zwijgt nu
niet, niet, niet, niet, niet, niet,
62
*
1. lied, Wees ge - groet, Ma - ri
2. lied. Wees ge - groet, Ma - ri
3. lied. Wees ge - groet. Ma - ri
4. lied, Wees ge - groet, Ma - ri
5. lied. Wees ge - groet, Ma - ri
a I a! a!
a! a I
6. lied, Wees ge - groet, Ma - ri
Eenigen.. Éiggii
Wan - neer de scha - pen vei - lig gra • zen In
En, scheep'ling! komt na't storm - ge - kla - ter De
Wan - neer de dag-toorts met haar stra - len In
En spreidt de zon in 't hee - te Zui - den Haar
Maar zinkt het licht naar de~a - vond - lan - den En
Wij op de • ze aar- de vreem - de - lin - gen, Gaan
her - der vrij, voor hoe tot be - de-haar uw die haar
=t
it
Dan moet de Be - zing dan hoo - re, moet de dan tot leidt ons,
63
iLjj, 1 l3=E3dramp;^f^4^F==4
*t lof - lied bla - zen Op zijn schal - mei.
lucht en wa - ter, Ma - ri - - - a's eer.
hdar drie ma - len Het A - - - ve klimt.
klok weêr lui - dfen Ten en - - - gel - groet.
hart en han - den: Groot is haar macht.
7
8
9 10 11 12
lief • de zin - gen, Naar 't va - • - der - oord.
Allen.
iirs
irj-
-(=-
ztzz
|
7. |
Broe ■ |
ders, |
Zus - |
ters! |
zwijgt |
nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- |
|
8. |
Broe • |
ders, |
Zus - |
ters ! |
zwijgt |
nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- |
|
9- |
Broe ■ |
ders, |
Zus - |
ters ! |
zwijgt |
nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- |
|
10. |
Broe ■ |
ders, |
Zus - |
ters ! |
zwijgt |
nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- |
|
11. |
Broe ■ |
ders. |
Zus - |
ters ! |
zwijgt |
nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- |
|
12. |
Broe • |
ders, |
Zus - |
ters ! |
zwijgt |
nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- |
|
V |
--——i—1— |
, -l |
-- | ||||||
|
4 -rq |
-f=gt;— r |
rrn t' |
:TH | ||||||
|
W cd H - |
—1—w •1 * | ||||||||
|
7. |
- a's |
groot heid |
niet, |
Maar |
ver - |
heft |
haar |
in |
uw |
|
8. |
- a's |
groot-heid |
niet, |
Maar |
ver - |
heft |
haar |
in |
uw |
|
9- |
- a's |
groot-heid |
niet, |
Maar |
ver - |
heft |
haar |
in |
uw |
|
10. |
- a's |
groot-heid |
niet. |
Maar |
ver - |
heft |
haar |
m |
uw |
|
11. |
- a's |
groot-heid |
niet. |
Maar |
ver - |
heft |
haar |
111 |
uw |
|
12. |
- a's |
groot-heid |
niet. |
Maar |
ver - |
heft |
haar |
in |
uw |
a! a ! a! a! a I
ó4
39. LOFLIED AAN DE H. MAAGD MARIA.
Fr. Witt, gewijzigd.
Eenigen.
|
amp;-rr , |
;-d—^-3- |
' ' f - - -I | |
|
1-2—quot;—t—t- |
— 1--F-0-#— f_E—t—C—ö |
1. O He - mei - ko - ning - in ! Ik zing met hart en
2. De hel • macht stond ont - steld, Toen u Gods En-gel
3. Daar - om zong luid en blijd, De Kerk ten al - len
4. Ja, Moe der van Gods Zoon! Wie juicht niet opdien
5. En wij in 't aard-sche stof. Wij zin - gen tot uw 64 En luid in al - len nood, Roep ik tot in den 7. En ster vend bidt uw kind. Dat eeu - wig u be-
Allen.
|
1. zin: Ge - groet zijt gij Ma 2. meldt: Ge-groet zijt gij Ma 3. tijd : Ge - groet zijt gij Ma 4. toon; Ge-groet zijt gij Ma 5. lof: Ge-groet zijt gij Ma • 6. dood : Ge - groet zijt gij Ma • 7. mint: Ge - groet zijt gij Ma ■ |
a ! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Ma ri - a! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Mali - a ! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Marl - a ! Ge - groet zijt gij Ma- |
Eenigen.
|
--1—ï--4--1----3--1— —o--—---—; • _ f 117 _i. V •! 1 Tl _ • , 1 quot;IJ TA ^ | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
65
|
Allen. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
v S--1-- |
---1— | ||||||||
|
• |
—#— | ||||||||
|
1 |
p | ||||||||
|
i |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
gÜ |
Ma |
ri - |
a ! |
|
2 |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
gij |
Ma |
n |
a ! |
|
3 |
n - |
a ! |
Ge - |
groet |
zijt |
gü |
Ma |
n - |
a ! |
|
4 |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
gy |
Ma |
n - |
a! |
|
5 |
n - |
a ! |
Ge - |
groet |
zijt |
g1) |
Ma |
n - |
a ! |
|
6 |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
gu |
Ma |
n - |
a! |
|
7 |
n - |
a 1 |
Ge - |
groet |
zijt |
gy |
Ma |
n - |
a I |
40. AAN MARIA EER!
W. P. H. Jansen, Pr.
Een toon lager, in bes. Eenigen.
S:
i^cn:
ter der-ver-de
Ma Ma Ma Ma
1.
2.
3.
4.
li
—»-4—»-1—1=-
meng'-len Zich in dat hart, van al - le smet-ten
66
1. vrij ! Ma - ri - a eer! u Ko - ning - in der
2. Bruid; Ma - ri - a eer! de toe - vlucht dn - zer
3. graf; En zou ik eens geen dank-baar kind meer
4. ducht; De laat - ste klank, die van mijn lip - pen
;Ët=t='=^l
1. Eng'- len! U, vol ge - nd! u, Moe - der, zin - gen
2. zie - len: Door ha - re hand stort God zijn gun -sten
3. hee - ten : Breek lie - ver dan, o God I mijn da - gen
4. zwe - ve, Zij, Moe • der! nog een teed' - re lief - de-Allen.
3EË
rpsz
quot;1. wij. Ma - ri - a, Moe-der! Ach, hoor uw kind;
2. uit. Ma - rl - a, Moe - der! Ach, hoor uw kind;
3. af. Ma - ri - a, Moe - der! Ach, hoor uw kind;
4. zucht. Ma - ri - a, Moe - der 1 Ach, hoor uw kind;
8
1. Eer aan Ma - ri - a! Die ons zoo teêr be - mint. TttssckensJ)el.
2. Eer aan Ma - ri - a! Die ons zoo teêr be - mint.
3. Eer aan Ma - ri - a! Die ons zoo teêr be - mint.
4. Eer aan Ma - ri - a! Die ons zoo teêr be - mint.
41. TER EERE VAN MARIA.
Eenigm. Herold's Gesangbuch. 1808.
1. O beeld van
2. O J0 - zefs
3. Ach, was ik
4. 'k Zou met uw
5. He - - laas! hoe
6. Maar 5k wil mij
-t=.
$
i
r^-cr
-\r.
|
't rein |
- ste |
le - - |
ven, |
Ma- |
|
Bruid, |
mijn |
Moe - |
der! |
Mijn |
|
rem |
van |
zon - |
den, |
O |
|
trou |
we |
scha - |
ren. |
En |
|
muet |
ik |
kla - |
gen, |
Dat |
|
al |
le |
da - |
gen, |
Mijn |
67
—Cr
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Allen. |
|
1. ge - ven, Gij deelt uw 2. Broe-der, Die nooit uw 3. kon-den Ge - lijk het 4. pa - ren, En jub'-len |
5. ha - gen, Als ik het gun-sten uit. Ach, dat ik u be- beê ver-smaadt.Ach, dat ik u be- u be - haagt. Ach, dat ik u be- vu - rig wensch. Ach, dat ik u be- 6. dra - gen, En die - nen mij - nen Heer. Ach, dat 'ik u be- |
ÜÊI=e=I
:=^=i=t=
tzïlzr:
|
min - ne, min - ne, min - ne, min - ne, min - ne, min - ne. |
blijd-schap en in blijd-schap en in blijd schap en in blijd-schap en in blijd-schap en in blijd-schap en in smart smart smart smart smart smart |
Druk diep mijn Ko-ning- Druk diep mijn Ko-ning- Druk diep mijn Ko-ning- Druk diep mijn Ko ning- Druk diep mijn Ko-ning- Druk diep mijn Ko-ning- In In In In In In |
rs_
üülli
Tn5schensj)el.
|
tquot; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
68
13-14. IS-16. 17-18.
19
20.
21.
22. 23-
24.
25.
26.
27.
28.
29.
42. LITANIE-LIED VAN ONZE LIEVE VROUW
God! wil God! wil Één - ge-so - nen Moe- dei-
en Heer! wil U ont - fer - men, en Heer! o wil ons hoo - ren, der, God! op 's he - mels troo - ne, -geGeest, God! hoog-ge - pre - zen, Ma - ri - a 1 hoog in ee - re, der maag- den I uit - ge - le - zen, gij Moe - der der ge - na - de, der gij, en Maagd ge - ble - ven, ten tem - pel Gods ge- hei - ligd, ste, won - der - vol - le Moe - der, ze Maagd, en hoog te prij - zen, in moe - der - lijk ver- mo - gen,
-tr-
Om Gods Moe- der Wie geen erf- smet Hebt gij Je - sus En voor al - le Van den Schep-per Lof en eer moet Zacht en trouw in
Chris-tus, Chris-tus, Go- des Drie Per Heil'-ge
M. J. A. Lans, Pr,
|
Allen. 1. U ont - fer - men, Heer! wil ons ge 2. ons ver - hoo - ren. Heer! wil ons ge 3. bo - ren Zo - ne! Heer! ont-ferm U 4. één in we - zen! Heer! ont- ferm U 5. van den Hee - re, O Ma - ri - a! 6. eens te we - zen. O Ma - ri - a! 7. im - mer schaad - de. O Ma - ri - a ! 8. ons ge - ge - ven. O Ma - ri - a! 9. smet be - vei • ligd. O Ma - ri - a! 10. en Be - hoe - der. O Ma - ri - a ! 11. tot u rij - zen. O Ma - ri - a! 12. me - de - doo - gen. O Ma - ri - a 1 13. 14. IS- 16. 17. 18. 19. 20 21. 22, 23 24 25. 20. 27. 28. zijn. zijn. ons. ons. ons. ons. ons. ons. ons. ons. ons. ons. |
- na - dig -na - dig o - ver o - ver bid voor bid voor bid voor bid voor bid voor bid voor bid voor bid voor |
29
69
Eenigen.
men, Vreugd is ons door - ren, Wie kan waar- dig
- den, Ro - ze vol ver-
- ken, El - pen to - ren, -ning, Bonds-ark zij - ner
- ter. Mor - gen - ster na -den. Toe-vlucht voor wie ven. Hulp voor al wie gen, Gij, der Vad'- ren ten. En A - post'- len ren. Maag-den- en Be--gen. Laat uw voorspraak -de Van den eer - sten
• den Wij den Ro - zenden, Door uw kruis, uw den, Door uw dood en ven, Wil ons on • ze
Rei - ne Vat, vol Vat van Da- vids Gul - den Deu - re Gij, ons Troos- te Ko- ning Ko- ning Ko- ning Ko- ning Ko- ning Ko- ning God-lijk God-lijk God-lijk
spie - gel al - Ier vro van den Geest des Ilee
godsvrucht, geur van E to - ren, ze - ge - tee huis en 's Hee- ren wo tot des he-mels luis heil bij klankteken won-
- res van al - le droe-
- in der Eng'- len - ran-
- in - ne der Pro - fe -
- in der Mar - te - la -
- in van al - le Heil'
- in - ne ! wie de zon •
- in! als bij ons strij -
Lam! dat neemt de zon -
Lam! wil ons be - vrij -
Lam! ons heil en le -
|
Allen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
70
43. KLAAGLIED.
M. J. A. Lans, Pr.
quot;cdzz:
|
-p=- | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
__I____
—cd--
1, van ons va - der - oord, En door 's le - vens
2. biedt de - ze^aar - de niet; Zuch • tend on - der 5. 's le - vens droe - ven nacht, Zon - der la - - fe-
4. de^aard-sche boei - en af!... 't Le - ven heeft hun
lüilP
;=zsz ~t=
Hl
5. me - nig hulp-loos kind; Ach, zijn zuch - ten
EgsefiSi
|
wis - sel - krin - gen plaag bij pla - gen, nis te vin - den, ziel ge - von - den, en zijn kla - gen |
Trek - ken wij naar de^oe - vers Blik - ken we^in een zwart ver-Al - tijd wee - nend door - ge-'t Li-chaam toeft het in zijn O - ver - stormt de wil - de |
IÊS
Waar de vreug - de - - bron - nen sprin - gen
Of ons oog er de^oe - vers da - gen,
Heil hun, zoo slechts bij 't ont - bin - den
Wij, hoe krank aan ve - - le won - den,
Mooor' den zwer - ver de^och-tend da - gen.
-ö-
It—
1. voort,
2. schiet,
3. bracht;
4. graf:
5. wind;
7
1. En het zaal' - gend licht ont - gloort.
2. D'eeuw'-gen mor - gen scheem'-ren ziet.
3. 't He - melsch licht hun te - gen - lacht.
4. Voe - ren nog den pel - grims - staf.
5. Dat hij ras de zij - nen vind'.
TusschensJ)el.
|
— Ach, hoe quot;Wij, wat Ach, dat Held1 - re |
ve - len schuld ook van aan wij. Ster |
fEPrE^E |
die er ons be -schuld ont -'s he - mels zwer • ven la - de, - he - ven, tin - nen, |
ïcÉ3 En door Val - len En ge-Ga ons, |
|
v i-1--r- | |||||||||
|
—i-- |
— | ||||||||
|
VI1; c—: C_J |
lt;=* | ||||||||
|
6. |
Sa - |
tans |
list |
ver - |
strikt. |
't Zoe |
te |
licht |
der |
|
7- |
u. |
0 |
God! |
te |
voet; |
U, |
0 |
Moe |
der |
|
8. |
voed |
door |
't le - |
vend |
Brood, |
Moe - |
dig |
naar |
den |
|
9- |
ban |
ne - |
- lin - |
gen, |
voor, |
EH |
be - |
straal |
ons |
| ||||||||||
|
6. heem'-len der - ven, 7. vol ge - - na - de! 8. he - mei stre - ven, 9. hart en zin - nen, Wie geen boe - te - traan ver- Bren - gen we^on - zen dankb'-ren Dien uw Zoon voor ons ont- Dat wij, de^aard-sche stor • men |
{=±==£1—t-E--
in 't ho - pe - loo - - ze ster - ven uw vriend-lijk oog ons ga - de, aan 't eind van 't vreemd'-lings - le - ven, der - land der rus - te win - nen,
i3z :=t= En Sla En 't Va
6. kwikt,
7. groet;
8. sloot,
9. door,
8
|
—-lt;=1-*—J- 6. 't Wach tend 7. Dat den 8. Rus - te 9. Waar ons |
•i |
—c^' ver - schrikt! pen doet. den dood. ont - gloor'. |
êsü Tusschenspel, |
44. MARIA, THOOSÏERESSE.
Een toon lager, in bes. Allen.
Refrein. I. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,
2. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,
3 Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver • ee - ren,
4. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,
W. P. H. Jansen, Pr.
|
dxz: te troost voor 't hart te troost voor 't hart te troost voor 't hart te troost voor 't hart smart; smart; smart; smart: in in in |
| ||||||||
|
1. lij - den, Is uw ver - blij - den, O Moe - der! gij zoo 2. lij - den, Is uw ver - blij - den, O Moe-der ï gij zoo 3. lij - den, Is uw ver - blij - den, O Moe - der! gij zoo 4. lij - den, Is uw ver - blij - den, O Moe-der! gij zoo |
73
Eenigen.
il::
=3—
:=qz --0-
ü
|
2. goed, zoo zoet! 3. goed, zoo zoet! 4. goed, zoo zoet! |
Gij schenkt ver - kwik - king aan de Uw teed' - re hand droogt on - ze |
i=m
1. zie - len, Die tot u roe - pen in den nood;
2. tra - nen, Uw zoe - te stem ver - zacht ons wee;
3. doo - gen, Is met ons al - Ier leed be - gaan;
4. tref - fen, Ik wijd ze^aan u, mijn Moe - der! toe;
| ||||||||||
|
1. Gij pleit voor wie in zon - den vie - len En redt hen 2. Wie zich het diepst ver - la • ten wa - nen, Gij zijt hun 3. Gij ziet ons met ver - blij - den-de^oo -gen, In le - ven 4. Ik zal tot u mijn blik ver - hef - fen, En blijf in |
Allen.
wmmim
|
I. |
van |
den |
eeuw' - |
gen |
dood. Refr., |
•Moe- der |
des |
€71%. |
|
2. |
bij |
met |
u - |
we |
beê. |
Moe- der |
des |
enz. |
|
3quot; |
en |
in |
ster - |
ven |
aan.. |
Moe-der |
des |
enz. |
|
4. |
smart |
nog |
blij |
te |
moe. |
Moe-der |
des |
enz. |
74
45. SMEEKLIED TOT MARTA, OM EEN ZALIG LEVEN EN STERVEN.
Eenigen. W. P. H. Jansen, Pr.
3=3 ^=Z=t=l
|
I. |
Oot |
moe - dig |
val |
- len |
we u |
te |
voe - |
ten, |
O |
|
2. |
Wij |
bid - den |
met |
be |
- WO |
een |
har - |
ten. |
O |
|
3- |
Wil |
ons uw |
trou |
- wen |
bij - |
stand |
ge - |
ven, |
O |
|
4- |
Wij |
bid - den |
u, |
wil |
u |
ont |
fer - |
men, |
O |
|
S. |
Ach |
bid, dat |
Te |
sus |
on - |
ze |
zon - |
den, |
O |
|
6. |
Dat |
we^al-tijd |
om |
ver |
ge - |
ving |
zuch |
ten, |
O |
|
7. |
En |
zijn we in |
zie |
- le - |
smart |
of |
iij. |
den. |
O |
|
8. |
Naakt |
eens voor |
ons |
het |
uur |
van |
schei - |
den. |
O |
|
lm |
—tquot; — |
1-^- |
--m— |
—t |
--1--1 | |||||
|
j—t—f |
mpn |
— P— |
#—m— |
-*-*—f-J | ||||||
|
V / |
1 1 1 |
r A- |
1 ^ I 1 | |||||||
|
•J I. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
in ! |
Ge |
doog, dat | |
|
2. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
- in! |
Ge |
- |
denk ons |
|
3. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
-in ! |
Zoo |
- |
lang we^in |
|
4- |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
- in ! |
Wil |
ons, 't zij | |
|
5- |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
- in! |
Ons |
kwijt-schei- | |
|
6. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
-in! |
En |
zorg - zaam | |
|
7. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- nmg |
-in! |
Wil |
gij ons | |
|
8. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
- ning |
- in! |
Ach, |
help ons | |
te*
van
van van van van van van van
ü uw uw uw uw uw uw uw uw
ÉE!
tö--
-•—
rtr
^—»—
lip
1. we u eer - bie - dig groe - ten, Als kind' - ren
2. om uw Ze - ven Smar - ten, Als kind'-ren 3 bal - ling- schap hier le - ven, Wij, kind'- ren
4. rijk of arm, be - scher - men, Als kind'- ren
5. de^om zijn dier - b're won - den, Als kind'-ren
6. al - le zon - den vluch - ten, Als kind'- ren
7. met uw troost ver - blij - den, Als kind'-ren
8. tot den dood be - rei - den. Ons. kind'- ren
75
Allen.
|
I. |
huis |
- ge - |
zm.J?efr. |
.Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
2. |
huis |
■ ge - |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
3- |
huis |
- ge - |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
4. |
huis |
- ge - |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
5. |
huis |
■ ge • |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
6. |
huis |
• ge - |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
7. |
huis |
- ge - |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
8. |
huis |
• ge - |
zin. |
Zoo |
wij |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
BS^^3EÈ=3:
|
i. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed' |
- re |
Maagd ! üw |
|
2, haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken. |
Gij, |
teed' |
- re |
Maagd ! Uw |
|
3. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken. |
Gij, |
teed7 |
- re |
Maagd! Uw |
|
4. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed' |
• re |
M aagd! Uw |
|
5. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed' |
- re |
Maagd ! Uw |
|
6. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed* |
- re |
Maagd ! Uw |
|
7. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed' |
- re |
Maagd ! Uw |
|
8. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken. |
Gij, |
teed' |
- re |
Maagd! Uw |
|
4Lff H J 1 V ; U e . ■ | ||
|
(ft)—^^—j-— |
• M t M | |
|
zal 't schen - ken zal 't schen - ken zal 't schen - ken zal 't schen - ken zal 't schen - ken zal 't schen - ken zal 't schen - ken zal 't schen - ken Wat Wat Wat Wat Wat Wat Wat Wat |
Zoon Zoon Zoon Zoon Zoon Zoon Zoon Zoon |
vraagt, En 't vraagt, En 't vraagt. En 't vraagt. En 't vraagt, En 't vraagt, En 't vraagt, En 't vraagt. En 't |
76
mmmmmmu
klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt.
tot tot tot tot tot tot tot tot
|
M Eenigen. lÜHiÜ | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ftt:
|
He - mei - ko - ning - in ! H e - mei - ko - ning - in ! He • mei - ko - ning - in ! goe - de goe - de goe - de goe- de goe - de goe - de goe - de Laat Laat Van Ach! Als Bij Met H e - mei - ko - ning - in ! He - mei - ko - ning - in! He - mei - ko - ning - in! He - mei - ko - ning - in! |
u - wen al - le |
|
C13-
|
1- t-» hulp er - lan - gen, Als kind'-ren stem - me hoo - ren, Ons, kind'-ren glo - rie - le - ven, Ons, kind'-ren Je - sus lei - den, Als kind'-ren on - zer da - gen, Ons, kind'-ren on - zen Broe - der. Als kind'-ren • gen u lo - ven, Wij, kind'-ren |
77
Allen.
|
smee-ken Wat God be- |
—ei
voor ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd! Uw
Gij, teed' - re Maagd ! Uw
Gij, teed' - re Maagd I Uw
Gij, teed' - re Maagd! Uw
Gij, teed' - re Maagd ! Uw
Gij, teed' - re Maagd ! Uw
Gij, teed' - re Maagd! Uw
h
i
:t=
15. haagt; Wil
voor ons spre - ken,
voor ons spre - ken,
voor ons spre - ken,
voor ons spre - ken,
voor ons spre - ken,
voor ons spre- ken,
gij gij gij gij gij gij gij
gequot;
gc-
ge-ge-ge* ge-
zal 't schen -zal 't schen -zal 't schen -zal 't schen -zal 't schen -zal 't schen -zal 't schen -
-t:
Hem vraagt. Hem vraagt, Hem vraagt, Hem vraagt, Hem vraagt, Hem vraagt, Hem vraagt.
En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind
ztzzz
15. den - ken. Dat tot u
klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt.
7»
46. LITANIE-ZANG TOT MAEIA OM EEN ZALIGEN DOOD.
W. P. H. Jansen, Pr.
Een kleine terts hooger, in es.
;3::
|
Wees, wees Va - der! Geest van On - be -Als het Als de Als het Als ons ons ge -in dien licht en vlek - te li - chaam ziel reeds bloed ons half - ge ---sc: #—4-——4 — |
- na - dig Heer! jong-sten strijd, lief-de^en kracht! Moe - der - maagd! zich ont - bindt, in 't ver - schiet reeds ver - stijft, - bro - ken oog |
Groo - te Wil U Hei - lig Strek ik Door de God haar Macht-loos Zich nog |
—d-Jzd
1
:
|
God van dood en le - ven! on - - zer dan ont - fer-men; en drie - - ee - - nig - Wezen! mij op 't sterf - bed ne-der, lan - ge. ban - ge smar-te, Rech - ter ziet ge - - na-ken, on - - ze han - den be - ven, vest op Je - sus' won-den, |
Als ik re-ken-Chris-tus, God! wil Oor-sprong, Ein - de, O mijn Moe-derI O - pen dan uw Laat, laat zij de Zij die troost ons Daar ver - ge - ving |
|
1. schap moet ge - ven, 2. ons be - scher-men, 3. nooit vol - pre-zen 1 4. goed en tee - der, 5. moe - der - har - te 6. gunst dan sma-ken, 7. don ge - - ge - ven, 8. zoekt der zon-den,
|
Die voor Troost ons Geef ons Voor de Dat gij Moe - der! |
ons in Voer dien smeek-blik |
we - der-stor - ven ster - vens-hart u u be-bij - stand bij ons naar om- |
79
zg—f:
|
na - dig Heer l jong-sien strijd, lief-de^en kracht I Moe-der - maagd i schuil-plaats vind', bang ver - schiet, reeds ver - stijft, • bro - ken oog. |
|
1. Wees ons dan ge 2. Sterk ons in dien 3. Geest van licht, van 4. Sta ons bij, o 5. Dat zij daar een 6. Moe-der! in dat 7. Als het bloed ons 8. Van het half - ge |
-O- -c-. - na - dig Heer! jong-sten strijd. lief-de^en kracht! Moe-der - maagd! schuil-plaats vind', bang ver - schiet, reeds ver - stijft. - bro - ken oog. |
4 Tusscjunsjpel, |
%
trj-
=1-
----4-—lt;=3---
q. Moe - der van barni - har - tig - heid! Als gij
10. Als de le - vens - kleur ver - dwijnt. Ons het
11. Als voor 't laatst des vij-ands macht Ons te
12. Als mij de^eeu-vvig - heid ver - schijnt, In het
1 j. Staat mijn ziel voor Gods ge - richt. Om Hem
14. God - lijk Lam! barm - har - tig Heer! Laat in
1 v God - lijk Lam! barm - har - tig Heer! Laat uw
16. God - lijk Lam! barm - har - tig Heer! Gij, ge-
Ef==S=i
So
|
-4.-»—- van mijn dood-zweet fel - Ier 00 -van on bitt' 3=d- 9- 10. 11. 12. 13. 14. IS- l6. gen dit • ze - re kruist vooi |
-0^B- - quot; ff vee - ge lip - pen uit komt bre-ken, komt ont - roe-ren, blik van schei-den, aard - sche le - ven ster - vens-schrik-ken dood en lij - den on - ze zon den, |
: —lt;j—g—^ Nog uw teed'-ren Moe-der! ach! wil Ons tot wan-hoop Moe-der! wil mijn Stren-ge re - ken-Laat uw zoen-bloed Ons in 't ster-vens-Ach, ver - berg ons |
9. naam hoort glip-pen:
10. voor ons spre-ken,
11. wil ver - voeren,
12. ziel ver - bei-den,
13. schap te ge - ven,
14. ons ver - kwik-ken;
15. uur ver - blij-den,
16. in uw won-den,
hulp uur schrik haar aan -op op schuld
be-ver-ver-ver-
ge-
ors ons niet
| ||||||
|
Ach, wees Als dit Dat uw tot mijn vrees -lijk blik den |
Als 't heel - al voor Treed dan voor zijn Da-le~één drup - pel Zie ge - na - dig Ach, ge - denk mijn
|
9. reid, 10. schijnt, 11. zacht', 12. dwijnt, 13. zicht, |
Moe - der En het Moe- der! O dat Spreek voor Spaar dan, Ach, ver -Maar ont -van barm |
gij dan mij in spaar ons, |
G5—#— —ö —- - har - tig - heid I ons ver - dwijnt, ster-vens - nacht, haar vei - schijnt! 't bang ge - richt, zon-daars. Heer! dan, o Heer! on - zer. Heer! |
4
8i
F—— f
-1-
9. Moe - der van barm - har - tig - heid!
10. En het licht voor ons ver-dwijnt.
11. Moe - der! van dien ster-vens - nacht.
12. O dat gij dan haar ver - schijnt!
13. Spreek voor mij in 't bang ge - richt.
14. Spaar dan, spaar ons. zon-daars, Heer!
15. Ach, ver-hoor ons dan, o Heer!
16. Maar ont-ferm U on - zer Heer!
ÜÊ
Uit zijn le - ven Hoe de wroe - ging God toch. God al-Rust-loos roe - pen
47. SMEEKLIED TOT MARIA VOOR DE OVERLEDENEN.
W. P. H. Jansen, Pr.
Eenigen.
-t-
-=l—cd—
Uit de die - pe boe-te - kol-leen Dringt de wee-klacht Aan des le-vens leed ont - he-ven, Is aan 'tli-chaam Uit Gods a - de - ming ont - spro-ten,
Wat al smart de ziel ook dra - ge,
Hoe door-fol-terd ook van bin nen,
Of zij zuch-ten, smee-ken, ker-men,
Tusschensjpel.
rpsn:
-t
-pix-
-t-
|
1. naar de wol - ken 2. rust ge - ge - ven; 3. voort-ge - vlo - ten, 4. rust - loos kna - ge: 5. léén be - min- nen 6. om ont - fer-men, |
Al der doo-den, Maar de ziel! zij Is voor haar geen Ver-re van haar En Hem der-ven !... Neen ! het baat bij die dit uur rust niet eer heil - ge - not God te zijn, wat ge-mis!.,. Gods ge - mis, 6 |
82
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Allen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Moe - der Moe - dei-Moe - der Moe - der Moe - der Moe - der |
— ^r—9-—t=P= der der der der der der En En En En En En ge - na - de ! ge - na - de! ge - na - de! ge - na - de ! ge - na - de! ' ge - na - de! |
|
hun smart'-lijk hun smart'-lijk hun smart'-lijk hun smart'-lijk hun smart'-lijk hun smart'-lijk |
Sla Sla Sla Sla Sla Sla |
Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten |
|
toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn. In In In In In In |
—ö— ---- i amp; |
«3
i|=fe!
Ü
Bid voor hen, Ma
Bid voor hen, Ma
Bid voor hen, Ma
Bid voor hen. Ma
Bid voor hen, Ma
Bid voor hen. Ma
a! a! a! a!
n ri ri
|
Eenigen. |^J=W=| 7. Zij dan, in hun 8. Zij, ach! die zoo 9. Wil, ge-na-dig 10. Laat hen die toch 11. Geef hun, die in 12. Nogeens, voor U |
on - ver - mo-gen, droe-vig kla - gen, God! ver - ge - ven U be - min-den, ker - ker-nach-ten neêr-ge - bo - gen, •cd—p—fquot;' |
Kla-gen ons met 't Zijn on-ze^ou-ders, Wat zij te - gen Laat hen nu ont-Naar uw va - der-Smee-ken we^U: Heb |
|
7. smee-ken-de^oo gen: 8. kind'-ren, ma - gen, 9. U mis - dre - ven, 10. fer - ming vin - den: 11. blik ver-smach-ten, 12. me - de - doo - gen! |
„Wist gij, die op 't Is een ziel, -ach Ein - dig, ein - dig Om het lij - den Geef hun in uw Voer hen uit den aar - de zijt, wat ver-wijt !-hun - ne straf, van uw Zoon, aan - ge-zicht lan - gen nacht |
-P5-
icdj
|
7. „Wist gij, wat een 8. Die door ons die 9. Wisch hun laat - ste 10. Geef hun 't lang-ver 11. De^eeuw'ge rust en |
12. In de glo - rie ziel hier lijdt!quot; Heer! ont - ferm U smar - ten lijdt!quot; Heer ! ont - ferm U smet - ten af: Heer ! ont - ferm U • bei - de loon : Heer ! ont - ferm U |
84
|
Allen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(J.....| , J |
lil t t i 1 | |
|
I I I 'I . . I I | ||
|
f-=^ * ^ -J i J J | ||
|
7- |
Sla |
hun smart'-lijk hun smart'-lijk hun smart'-lijk |
zuch-ten |
ga |
- de. |
Ach, wil |
hun ten |
|
8. |
Sla |
zuch-ten |
ga |
- de, |
Ach, wil |
hun ten | |
|
9- |
Sla |
zuch-ten |
ga ga |
- de. |
Ach, wil |
hun ten | |
|
IQ. |
Sla |
hun smart'-lijk hun smart'-lijk hun smart'-lijk |
zuch-ten |
- de. |
Ach, wil |
hun ten | |
|
II. |
Sla |
zuch-ten |
ga |
- de. |
Ach, wil |
hun ten | |
|
12, |
Sla |
zuch-ten |
ga |
- de. |
Ach, wil |
hun ten |
|
—i—i--r | ||||||||
|
—cj- |
1 1 J 1 | |||||||
|
C3 |
C3 | |||||||
|
7. |
toe |
- vlucht zijn. |
In |
hun |
on - |
uit - |
spreek-b're |
pijn; |
|
8. |
toe |
- vlucht zijn. |
In |
hun |
on - |
uit - |
spreek-b're |
p'jn; |
|
9- |
toe |
■ vlucht zijn, |
In |
hun |
on - |
uit - |
spreek-b're |
pijn: |
|
10. |
toe |
- vlucht zijn, |
In |
hun |
on - |
uit - |
spreek-b're |
p'jn; |
|
li. |
toe |
- vlucht zijn. |
In |
hun |
on - |
uit - |
spreek-b're |
pijn: |
|
12. |
toe |
- vlucht zijn, |
In |
hun |
on - |
uit - |
spreek-b're |
pijn: |
1
Bid voor hen. Ma - ri • a!
Bid voor hen. Ma - ri - a!
$
«5
48. LOF, DANK EN OPDRACHT AAN MARIA'S MOEDERHART.
W. P. H. Jansen, Pr,
-t-
1. ^5 Maagd, o schoon-heid nooit vol - pre - zen!
2. Wij der - ven in het aard - sche duis - ter 't Ge-
3. Ach, kon - den on - ze kin - der - klan - ken U
4. Zie, Moe - der, al - tijd goed en tee - der! O
5. Dan spann' de we - reld vrij haar strik - ken, Dan
6. Met u dan zul - len wij ver - win - nen, Wij
o
—fs—
1. Moe - der van't on - ein - dig We - zen ! Wat luis - ter
2. not nog van uw he - mei - luis - ter, Maar sma - ken.
3. voor de^on - tel - b're ga - ven dan - ken. Ons toe - ge-
4. zie met wel - be - ha - gen ne - der Op 't of - fer
5. dreig' de hel ons met haar schrik - ken. Wat vij - and
6. blij - ven eeu- wig u be - min - nen, En zien u
|
p—•- |
H H |
^'.ji J ^ |
--f' #—Fquot; -s----1-- |
|
W—1--1— |
l- |
1. schit - tert van uw troon; De Se - raf, aan zich zelf ont-
2. toch uw lief - de - gloed ; De Se - raf zin-g^uw heer- lijk-
3. vloeid door u - we hand : Ont-vang voor al die ze - ge-
4. van ons kin - der - hart; O moog' het im- mer 't u - we
5. on - ze ziel be - strijd'; Wij we-ten, wij, op wie wij
6. op uw glo • rie - troon ; Dan zul - len met de he - mel-
1. to - gen. Juicht, voor uw glo-rie neêr - ge - bo gen: O
2. he - den. Wij dan, wij jui-chen hier - he - ne - den ; O
3. nin - gen, Ma - ri - a ! van uw gun - ste - lin - gen, Hun
4. we - zen. Geen on- heil is ons dan te vree - zen: Wij
5. ho - pen, Uw moe-der - hart staat voor ons o - pen, O
6. krin - gen, Ook wij, o Moe-der ! eeu - wig zin - gen: Wat
Een toon lager, in bes.
86
6
|
1. Ko - ning - in ! wat 2. Moe - der - maagd! wat 3. hart ten eeu - wig 4. zijn ge - troost in S- gij, die on • ze 6. zijt gij goed, wat |
iUÜMIi -tzz zijt gij schoon. Tusschenspel, zij' gij goed- lief - de - pand. al - le smart. toe - vlucht zijt! zijt gij schoon I |
49. GEZANG NA DE OPDRACHT.
Zangwijze als no, 3.
li
Juicht, juicht met ons, o he - mei - lin - gen ! vfij
Zij heeft ons Je - sus, on - zen Broe- der, Uit
Zij is 't, die thans met wa • ken- dequot;oo - gen Ons
Zij is het, die in ziels - ge - va - ren Ons
Haar naam dan le - ve~in al - Ier har - te. En
O gij, om wie wij hier ver - g4 • ren, O
i
3=1=
Ma - ri - a toe - ge - wijd; Haar al • taar blij-ven - de - lij - ken schoot ge - baard ; Zij, als Gods Dochter, slaat van haar glo • rie - troon ; Wat zou haar be - de met moe - der - lij - ke hand; De Zee - ster, die op Ier hart zij haar ge - wijd; Het blaak' van liefde-in ons op het pad der deugd, Tot-dat wij met de
-(=gt;-
1. wij om - rin - gen: Zij zal ons ster - ken in den
2. Bruid en Moe - der. Van al - le zon - de - smet be-
3. niet ver - mo - gen Bij Je - sus, ha - ren God en
4. 's le - vens ba - ren Ons wenkt naar 't he- melsch va - der-
5. vreugd en smar - te: Ze^is on • ze Moe - der voor al-
6. zaal' - ge scha - ren U zien in ein - de - loo - ze
S7
-cdzznit
|
1. strijd. O 2. waard! O 3. Zoon ? O 4. land. O 5. tijd! O 6. vreugd! O |
üg lig za - lig za - lig za - lig za • za -za - |
m
|
I. |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
- ge |
- wijd! Laat |
ons |
ver- |
|
2. |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
- ge |
- wijd! Laat |
ons |
ver- |
|
3- |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
- ge |
- wijd! Laat |
ons |
ver- |
|
4. |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
- ge |
- wijd! Laat |
ons |
ver- |
|
5- |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
- ge |
- wijd! Laat |
ons |
ver- |
|
6. |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
quot; ge |
- wijd! Laat |
ons |
ver- |
a zin - gen : Ze^is on - ze Moe - der
a zin - gen : Ze^is on - ze Moe - der
a zin - gen : Ze^is on - ze Moe - der
a zin - gen : Ze^is on - ze Moe - der
a zin - gen : Ze^is on - ze Moe - der
a zin - gen : Ze is on - ze Moe - der
4
ÜÜ
voor al - tijd! Tusschenspel.
voor al - tijd I
88
50. DANKLIED.
W. P. H. Jansen, Pr.
Een toon hooger, in d.
i
|
Weêr dan is de Met de blij - de Bij de lich ■ ten, U dan eer en |
Mei-maand he - nen En haar laat - ste he - mel-krin-gen Moch-ten wij haar die er glo - ren, Bij de ko - ren, dank ge - ge - ven, U dan zij ons Zóó dan. Moe-der, nooit vol-pre-zen! Zul - len we' ceu-wig |
■gt;—
V—•-»
1. licht ver - sche - nen : Laat ons, trou - we kin - der-schaar!
2. lief - de zin - gen, Eén van hart en één van min,
3. die we hoo - ren O - ver heel de jui - chen-de~aard',
4. gan - sche le - ven En ons ster - ven toe - ge - wijd,
5. dequot;u- wen we - zen. Zien we~uw Zoon in 't eeu - wig licht,
i
i
|
1. Om Ma - ri - a's 2. Als één en - kei 3. Waar de he - mei |
4. U, die on - ze 5 Aan - ge • zicht aan feest - al - taar, huis - ge - zin ; zich aan paart; Toe-vlucht zijt! aan - ge - zicht; |
Laat ons met ver-Als van zóó - veel Bij de bloe • men Zóó dan, lief - de-Zien wij al zijn |
8Q
m
|
1. Maar geen dui - zend - stem-mig lied 2. Tot de Moe-der van den Heer: 3. Aan den heil'-gen he - mei-boog, 4. 't Hem en u ge - wijd ge - zin 5. Jui - chen we'eeuwig: „Dank en eer |
Meldt het heil aan £n zijn gun - sten Klimme'ook on - ze 't Ein - de - loo - ze Aan de Moe - der |
51. TOEWIJDING AAN MARIA OP DEN DAG DER H. COMMUNIE.
Een kleine terts hooger, in es.
--_ - : -#--1-----1--v --a--^
1. Moe - der Gods! zie op ons neêr: He - den,
2. Gij die u met ons ver - blijdt, Help ons
3. Wij nu op deez' groo-ten dag, Dat uw
4. Maar zoo zwak is on - ze deugd, 't Le - ven
5. U dan wijdt zich 't dank-baar kind, U voor
6. Toon, dat gequot;on-ze Moe-der zijt! 0
Zangwijze als no. 46.
|
rJ- —Jz | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
go
ii
zM-tz
lp
!i@=^
|
1. Zoon ont - van - gen, 2. kin • der - klan- ken I 3. heel ons le - ven, 4. ons be - wa - ren, 5. wel - be - ha - gen, 6. Je - sus spre-ken, |
3EB
i
Ep
Moe - der Gods! zie op ons neêr,
Gij die u met ons ver - blijdt.
Moe - der! op deez' groo - ten dag,
Want zoo zwak is on - ze deugd,
U dan wijdt zich 't dank - baar kind.
Toon, dat ge^on - ze Moe - der zijt!
4
li
|
Gods ! zie u met op deez' zwak is Moe • der Gij die Moe • der Want zoo U dan Toon, dat wijdt ge quot;on |
op ons neêr, ons ver • blijdt. groo - ten dag. on - ze deugd. Tusschenspel, zich 't dank - baar - ze Moe - der kind. zijt! |
9
52. DE ONBEVLEKTE MAAGD.
(NAAR EEN SYR1ESCH DICHTER.}
Naar het oude „Pucr nobis nasciturquot;
i
mü
li De^uit-ver - ko - ren Moe - der - maagd,
2. Zij ge - viel Hem, toen Hij kwam
3. 't Hoog - ste top - punt van ge - nd
4. Ned' - rig, recht van zin en geest,
5. Was er rei - ner maagd wel - eer
6. Had de Heer één vlek • je maar
In ons Om met Is wel Zui - ver Op deez* Op haar Door uw
7. Maagd en Moe - der, vrij van smet!
~cz
|
; qéquot; |
0 |
1 | ||
|
p-- fJ |
f=t— | |||
|
—1--1~ |
P |
1--1~4---^5!— |
|
1. |
lied |
ver - |
he - |
ven. |
Heeft het hoogst |
aan God be- |
|
2. |
ons |
te |
we - |
- zen; |
Moe - der werd |
zij van het |
|
3. |
God |
te |
ba ■ |
- ren : |
Zij dan, zon - |
der we • der- |
|
4- |
bo - |
ven |
al - |
len. |
Is Ma - ri - |
a 't Huis ge- |
|
s. |
aard' |
ge - |
von - |
- den : |
Aan Ma - ri - |
a had de |
|
6. |
ziel |
zien |
kle - |
ven : |
Een dan zon - |
der smet voor- |
|
7- |
God |
ver - |
ko - |
- ren. |
Wil het lof - |
en dank- ge- |
ifcii
|
1 |
hangd, |
Om haar |
hei - lig |
le - |
ven. Tusscliensjgt;el. |
|
2. |
Lam, |
Moe - der. |
nooit vol |
pre - |
zen. |
|
3* |
g^. |
Is niet |
te^e - ve |
na - |
ren. |
|
4. |
weest |
Naar Gods |
wel - ge |
val - |
len. |
|
s. |
Heer |
D' En- gel |
niet ge - |
zon - |
den. |
|
6. |
waar |
Had Hij |
zoo ver |
he - |
ven. |
|
7. |
bed |
Van uw |
kind'- ren |
hoo - |
ren. |
92
53. LOFPRIJZING VAN MARIA, ONBEVLEKTE MAAGD EN MOEDER GODS.
(van den kardinaal-aartsbisschop j. von geissel.)
Corner's geistl, Nachtigall 1676.
Èis=i
I. Won - der van glo - rie - pracht! Won - der van
2 Schuld' - loos ge - bo • re - ne, Ee - nig • ver-
3. Gij trouw - ge - ble - ve - ne, En hoog - ver-
4. Gij, uw God ba - ren - de, Voe - dend be-
5. Al - tijd zacht - moe - di - ge, Min - lij- ke~en
ntrrlEEErS—I
1. moe-der-macht! Liefd'-rij-keraan-min - ni - ge, he - mei - sche
2. ko - re - ne, Gij, tot Gods Doch - ter en Moe - der en
3. he - ve - ne, Gij, on - ze Leid-Ster! gij licht op ons
4. wa - ren - de, Moe- der in vreug- den en smar- ten zoo
5. goe • di - ge Moe- der van God, van ge - na - de ver-
-T-
|
1. Vrouw! Wie ik 2. Bruid! In al 3. neêr; Glo - ries 4. rijk, Was er |
5. ' vuld: Wil ach ten eeuw'- gen tijd Uit heel mijn de maag-den - rij. Blonk niet de |
TEW
1. hart mij wijd; Wie ik en li-chaam en ziel toe - ver-
2. rein-ste'~als gij; Zelf koos de Heer u ten tem - pel zich
3. he - me - len U als het naast bij den troon van uw
4. dul - di - ge Schuld'-loo - ze Moe-der | in lij - den ge-
5. kon - di - gen. Na - mens uw Zoon, de ver - ge - ving der
93
| ||||||||||||||
|
1. trouw: Goed, bloed en le - ven Wil ik u ge - ven; 2. uit; Gij vlek - ke • loo - ze Le - lie en Ro - ze, 3. Heer; Gij, door uw zoet - heid, Toon-beeld van goed - heid, 4. lijk ? Gij, uit - ge • le - zen, Za - lig ge - pre - zen 5. schuld; Wil bij 't ver - schei - den, Wil ons ge - lei - den; |
|
¥8 a H ^ |
---i-#-^-- | ||
|
^ 1 |
l—cdr—J |
1. Al wat ik heb en ben, geef ik u nu,
2. Pronk de - zer aar - de en der he - me - len - kroon! 3 „Moe - der der lief-de~en ge - na - dequot;~is uw lof;
4. Moe - der en Maagd! ge - heel zui - ver van smet,
5. Pleit bij des Rech - ters zoo vrees' - lij - ken troon,
8
-t:
m
1.'k Geef het vol vreug-de, Ma - ri - a! aan u. Tttsscktnsjiel.
2. He-me) en aard'biên u hul-de~op uw troon.
3. Zóó groet u dequot;aar-dequot;en het he - mei - sche hof.
4. Gij zijt de Moe - der, die zon - da - ren redt.
5. Pleit voor ons, Moe- der! bij Je-sus, uw Zoon.
54. ANGELUS DOMINI.
(de engel des heeren.)
Eenigen.
Naar Hsndel.
01
- zant aan Ma - ri - a is de~En-gel gesprak : „Zie de dienst-maagd des Hee - ren, zij vleesch is ge - wor - den het Woord, God de gij voor ons bid - den, die God hebt ge-
Ge Zij En Wil
1.
2.
3-
4-
94
Tf r
1. weest; En zij heeft ont - van - gen van den Heil'-gen
2. hoort; Het mo - ge ge - schie-den aan mij naar uw
3. Zoon, En nam in ons mid - den zijn blij - ven - de
4. baard, Zoo wor - den wij Chris - tus' be - lof - ten eens
Allen.
i
|
1. Geest. .. —________Ge - groet, ge 2. woord.quot; Ge - groet, ge 3. woon. Ge - groet, ge 4. waard. Ge - groet, ge |
ri - a! ge - groet; Gegroet, Ma - ri-a! ge - groet; Gegroet, Ma - ri-a! ge - groet; Gegroet, Ma - ri-a! ge - groet; Ge- groet, Ma ri - a! ge - groet; Ge- |
m
|
1. groet, ge 2. groet, ge 3. groet, ge Ma Ma Ma groet, groet, groet. 4, groet, ge - groet. Ma - ri - a! ge - groet. |
ri - a! ge - groet, ri - a! ge - groet, ri-a! ge - groet. |
55. HET WEES GEGROET.
Zangwijze als no. 1.
Een kleine terts hooger, in es.
1. Wees ge - groet op kin - der - toon, Wees ge-
2. Al - le gunst vondt gij bij God, Al - ie
3. Mét u is uw God en Heer! Wie zou
4. Wie zal ons uw heil' - ge jeugd, Wie ge-
5. Ja, dat mij uw God en Zoon, Al - Ier
6. Lie - ve Moe-der! o mijn vreugd! Bid voor
95
ipil
1. groet, Ma - ri - a! Moe-der Yan Gods Eén - ge - bo - ren
2. vol - heid van ge - na-den; Ach, zij ook zijn gunst-ge-
3. u geen glo - rie ge-ven? O mocht ik ook Hem ter
4. ze - gend-ste^al-ler vrou-wen! Vol ge - na - de^en vol van
5. Za - lig - ma-ker, ze-gen'! Stroom zijn lief-de^en gunst-be-
6. mij, en bid voor al - len, Die door gods-vrucht, rei - ne
1. Zoon, On - zen mensch • ge - wor - den Broe - der;
2. not Mij ten troost op 'sle - vens pa - den,
3. eer, Al - tijd in zijn lief - de le - ven!
4. deugd. Al uw heer - lijk - heid ont - vou - wen ?
5. toon Op uw smeek - ge - - bed mij te - gen!
wel - ge - val - len;
6. deugd.
Stre • ven naar
-t-Hz
zijt, mij, mij, mij, mij, nood.
U Dat Dat Dat Dat En
zij ik dit ook uw in 't
voor voor voor
Moe - der bid voor bid bid bid al - len
ook mijn lied ge -Hem ge - val - lig al mijn stre - ven ik ge - ze - gend Zoon mijn Je - sus uur van on - zen
wijd! zij. zij. zij. zij. dood.
96
56. ZIE, IK KOM!
C. Jaspers.
'0-
(meilied.)
Een kleine terts lager, in a.
ÜIÊairi
|
1. Moe-der! waar mijn 2. Is 't uw stem, o 3. Zou dan ddar de 4. Is Ma - ri - a 5. Zien wij haar thans zijn de |
hlik - ken zwe - ven, 'k Zie lie - - ve Moe- der! Of Zoon niet we - zen Waar zoo ver - he - ven Door tot ons tre - den In |
1. huis en hei - lig - dom Maagd'-lijk licht en jeug- dig
2. uw be - min - den Zoon? Hij toch. Hij werd ons ten
3. lie - ve Moe - der is? Komt Hij ons van schuld ge-
4. lief - de van haar Zoon .• Ons ook heeft Hij haar ge-
5. me - nig hei - lig • dom: Brengt, o kind'- ren! brengt uw
| ||||||||||||||||
|
1. Ie - ven,'k Zie uw beel - te - nis al - om Van veel 2. broe-der. Toen Hij, da - lend van zijn troon,'5 Le-vens 3. ne - zen,'t Lichtweêr zijn in duis - ter - nis. Dat wij, 4. ge - ven Aan de zij - de van zijn troon; Ons te 5. , be - den. Brengt uw hul - de van al - om : Je - sus' | ||||||||||||||||
i=^=gsi^i=g=£
|
I. |
keur |
- ge - |
bloem ■ |
■ te om |
-ge - |
ven, 't Is |
als |
suist |
er: |
|
2. |
Oor- |
-sprong |
en |
Be - |
hoe - |
der, Hier |
door |
u |
eens |
|
3- |
uit |
ons |
graf |
ver - |
re - |
zen, 't Le |
- ven |
vin - |
den |
|
4. |
hel |
- pen |
al |
ons |
le - |
ven, Is |
haar |
zoet - |
ste |
|
5. |
stem |
dan |
suist |
nog |
he - |
den : „Zie, |
uw |
Moe - |
der 1 |
97
|
I. |
„Zie, |
Ik |
kom!quot; |
|
2. |
nam |
zijn |
woon. |
|
3. |
aan |
zijn |
Disch ? |
|
4- |
moe |
- der |
• loon. |
|
5. |
zie, |
Ik |
kom!quot; |
57. NIEUW MEI-LIED.
I.
Hulde aan Maria.
Zangwijze als no. 54,
Eenigen.
13=-
:|
1.
2.
3.
4.
s.
amp;
Wat zon - ni - ge dre - ven! wat lief' - lijk a-
Wat licht- gloed en kleu - ren ver - ruk - ken ons
Die bloe - men, die luis - ter, en wat er hier
Uw lof - lied zal rij - zen, 'tzal^ Moe - der! uw
God en
De Heer toch der hee - ren,
|
1. |
zuur! |
Wat |
bloei-end |
her - |
le - ven van |
heel |
de |
na- |
|
2. |
oog! |
Als |
wie- rook |
gaan |
/an - gen en duis ter: 't gaat |
geu • |
ren |
om- |
|
3- |
prijkt, |
Het |
keert in |
het |
op |
en |
be- | |
|
4- |
macht |
En |
za - lig |
u |
prij- zen door |
al - |
le |
ge- |
|
5. |
Zoon, |
Wil |
eeu - wig |
u |
ee - ren, uw |
lief - |
de |
ten |
93
|
Allen. | ||||||||||||
| ||||||||||||
|
1. tuur!'t Roept, Moe-der! nu, het roept uw Ge - zin, Tot 2. hoog. Uw kin - der - schaar, die feest-ge - tij viert, Heeft 3.^ wij kt, O Maagd! uw kroon, uw glo - rie en eer,'t Blijft 4. slacht. Als de^aar - de zwijgt, de he - mei toch niet; Daar 5. loon. Hoor, Moe - der ! hoor, daar gebons zoo be • mint, Uit | ||||||||||||
| ||||||||
|
1. u, tot u, 2. uw al - taar 3. als de troon 4. stijgt, daar stijgt vol min. ge - sierd. |
II.
voor ons zoo en beelt' - nis en 't woord var den u 't ein - de - loos
Heer. lied. kind.
«J.'she - mels koor, 't u smee - ken - de
Bede aan Maria.
|
te ga - der, o Moe-der! de Ko - ren, hier strij - den, ons le - ven . |
^üpyüii |
6. Kerk! Dat God on- zen Va-der. Paus Le - o ver-
7. ferm', Als Her - der en Hoe - der, de zij - nen be-
8. aard', En óns ook nu hoo - ren, hier om u ver-
9. uur, En al wie nog lij - den in 't lou - te - rend 10, deugd;'t Zij Je • sus ge - ge - ven, in lij - den en
99
|
gt;3: f-y-- Pi - us gev' ons bij God gij toch nu God be - haagt, ons tot u, 7 8 9 lo |
HSül ver - krijgt wat gij vraagt, de zon - da - ren redd'. -tr$=ri |
58. OUD LIED VAN HET ROZENKRANSJE.
Zangwijze als no. 17.
i=T-=f=]=£ --——t/— ——
Ro - zen - krans jen! u zij lof, Uit den hof E - del kroon - tje, dat er staat Voor sie - raad Al - Ier - lief - ste roos - plant- soen, Al - tijd groen, Krans - je dat u zoo be - haagt, Moe - der maagd! Psal - ter - tje ! gij maakt be - vreesd 'sBoo-zen geest, Kos - te - lijk - ste ke - ten - tjen, Dat ik ken,
#—'--0-------*-quot;-A
^^^y H-4--p-F-»-F—4-—K-H p H-J
1. Van den he - mei neêr - ge - zon - den, Van ver- schei-den
2. Op het hoofd van Gods Vrien-din - ne; Gul - den kro - ne,
3. En gij draagt sneeuw-wit - te ro - zen; Op elk blaad-je
4. Waar men tus - schen vijf ro - bij - nen Van ons Hee - ren
5. Die eer Sa - ül kwam be - sprin-gen, Als hij hoort de
6. Be - ter was er nooit te vin - den, Om den boo - zen
Een toon lager in bes.
100
|
bloemp - jes schoon, be -kroont be-kwaam ge - bed, te taal and fel die zeer Gods zoe vij - |
Als een kroon, Wel En ver-schoont 's Hoo ■ Staat de naam Van Won - der - net, Ziet Me - nig - maal Van Van de hel Krach ge - vloch - ten gen he - mels Ma - ri - a uw fris- sche 'tA - ve Ma-■ te - loos en |
iüüPii
1. en ge - bon - den. Tusschenspel.
2. Ko - ning - in - - ne.
3 uit - ver - ko - zen.
4. roos - jes sclüj - nen ').
5. ri - a zin - gen.
6. vast te bin - den.
1) Ue vijf Ouze Vaders eu de tieu Wees gegroeteu.
101
-t-
-/—i
|
7. vaar - dig vat 8. weg en tijd, 9. al - te - met 10. zoe - ten schoot 11. ik nu dien, |
Go - li - ath Zijt gij mij een Die 'k ver - slijt Met te le - zen Ten ge - bed, Of voor een god- In den dood, Daar ik nim - mer Mo - ge zien, In het eeu - wig |
liüüüiljf:
i
m
7. Da - vids - slin - ger. Tusschensjtel.
8. en te pei - zen.
9. vruch - tig boek - je.
10. van moet schei - den.
11. le - ven. A - men.
59. KIND'EEN VAN MARIA.
=t=S=
|
1. baan, |
Heft |
nu |
't Al - |
le |
lu - |
- ja |
|
2. baan. |
Heft |
nu |
't Al - |
le |
lu - |
quot; la |
|
3. baan. |
Heft |
nu |
't Al - |
le |
lu - |
- ia |
|
4, baan, |
Heft |
nu |
't Al - |
le |
lu - |
- ia |
|
5. baan, |
Heft |
nu |
't Al - |
le |
lu - |
quot; ja |
I02
-p-r—r-:
J—
=0
|
1. Heft uw 2. Heft uw 3. Heft uw 4. Heft uw 5. Heft uw |
lof - lied lof - lied lof - lied aan. lof - lied aan. lof - lied aan. aan. aan. |
| ||||||||||||
|
1. Daalt zijn lief - de^en vre - - de Tn de har - ten 2. Ons blijft zij be - wa - - ren Met haar moe - der- 3. En ons 't eeu - wig le - - ven Door zijn dood ver- 4. Nooit, neen, zon - der ze - - gen Laat zij haar ge- 5. Breng ons, bij ?t ver - schei - - den, Tot uw God en |
mm
Tusschenspel.
1.
2.
3-
4-
5-
neer. blik. wierf, zin. Zoon.
I03
60. MEIMAAND-BEDE OM EEN ZALIG STERVEN.
Zangwijze als no. 10.
9 *--——J j
Als van doods-ge-waad om - to - gen, Lag heel de^aar-de * Is de wet, aan denaard'ge - ge - ven: Uit den dood brengt Slaat uw dank baar oog dit ga - de, Zie in 't rijk ook Zie slechts't toon beeld ons ge - ge - ven Op den berg, waar Ging ook, Moe-der!'t zwaard der smar - te U niet ze - ven-Daar, Ma - ri - a' Kruis hel - din - ne! Weidt gij 'she-mels O wil ons, die dag aan da - gen Vol ver - trou • wen
|
HF—! -^Tt |
—----- |
t—, ti |
|
t# * j iTs, • i |
fcrtrramp;j |
♦—j J i |
1. voor on - ze^oo - gen In den lan - gen win - ter - nacht;
2. zij het ie - - ven, Uit den nacht den mor-gen voort;
3. der ge - na - - de, Hoe een zelf • de won - d're wet
4. dood en le - - ven Stre - den om de ze - ge-kroon:
5. werf door'1 har - te. Toen gij bij zijn kruis-hout stondt?
6. Ko-ning - in - ne, Werd die glo - rie u ver - leend,
7. van u vra - gen, Dat gebons helpt in al - len nood,
=^EJee^«^
•-ë
1. 'tWas of al - le licht en luis- ter Weg-zonk in een
2. Hoort nu dui - zend stem-men rij - zen, Die 't ver-jeüg-digd
3. Ons, ge - val - len ster - ve - lin - gen, Weêr voor'she-mels
4. Hij ver - won, wiens smaad en iij - den Ons van d'eeuw' gen 5.. Toen gij daar wat Hij ge - le - den En in 't ster - ven
6. Die u, voor uw moe-der - lij - den. Nu in'thoog-ste
7. Moe - der! wil in 't uur van 't ster - ven 't Za- lig le - ven
Een toon hooger, in d.
=1=
104
|
—----—--- | ||
|
-W * * * • 4 .....k t —*- |
—•-*---14 |
1 -j |
1. eind'-loos duis-ter, Dat geen blij - den mor- gen bracht. Tus-
2. Ie - ven prij - zen In ver - ruk-kend lof - ak-koord. schen-
3. glo- rie - krin - gen Uit den dood ten le - ven redt. sjgt;el
4. dood be - vrij d-de, Gods in 't graf ge - slo - ten Zoon!
5. heeft door-stre-den, Met Hem voel - det en ver-wont?
6. ziels-ver • blij - den Met uw God en Zoon ver - eent.
7. ons ver - wer - ven, Dat er op- gaat uit den dood.
61. SMEEKLIED OM DE BEKEERING VAN ONS VADERLAND.
W. P H. Jansen, Pr.
1. O Moe - der - maagd! wat is 't ons zoet, Te
2. Ge - denk niet, Moe - der! wat al smaad U
3. O Moe - der van barm - har - tig - heid! Ge-
4. Ge - denk, hoe Je - sus' dier - b're Bruid, Zijn
5. Gij, die zoo ve - len hebt ge - red7 Voer;
|
Ü 1. zin - gen tot uw lof; 2. hier is toe - ge-bracht: 3. denk het bij den Heer, 4. Kerk, door u be - mind, 5. om uw moe - der - naam, |
E3lt;gz±5EÉ==ï:t=*——d Wat vreugd voor 't kin - der-Is toch niet veel bij Wat glo - rie hier u U toe - zingt, datge~eeuw Voer al - len hier, door |
I
ü
IDS
j'
-A—i—:
1. lijk ge - moed, En voor des he - mels hof. Ach!
2. ve - Ier kwaad, Wat hun - ne schuld ver - zacht ? Is
3. werd be - reid, En op • rijst meer ■ en meer; Klonk
4. in, eeuw uit. De ket - te - rij ver - wint; O
5. uw ge - bed. Tot éé - ne kud - de saam; O
—t-
1. hoe ver - langt de lief - de - brand, Die on - ze
2. door uw Zoon, ook hun ten zoen. De smeek-beê
3. niet wel - eer uw naam al - om Door al - le
4. vraag dan, dat wie hier ook dwaal', Door Gods ge-
5. geef aan al - len, zoo - als wij, Te zin • gen
|
1. ziel ver - slindt, 2. niet ge - schied: 3. stad en veld ? 4. nd ver - licht, 5. tot uw lof, |
Dat ge^in ons dier • baar Va - der- „Ver - geef hun, Va - der! - wat zij Wordt nu in huis en hei - lig- |
1
.namp;r.
1. land Door a/ - /en werdt be - mind.
2. doen, Ach neen! zij we • ten 't niet.quot;
3. dom Niet luid uw lof ver • meld?
4. straal Tot u, o Moe-der! richt'.
5. tij, En dan in 'she - mels hof.
Tnsschensfel,
7*
10amp;
62. DANKLIED AAN MARIA!
Theodotus' Paradijs 1621.
Een kleine terts hooger, in es.
Êfl
-A
Zie, Gij, O Gij O Laat Maar
En Cij
1.
2.
3-
4-
5.
6.
7.
ons hoop Gods tent, ■ in bijn hoort
Moe - der!
on - ze Moe - der zijt de Ko - ning Che - m -toch, gij
mü
en
en al - to os Maagd! Gij
waar God in rust! Mijn
van 's he - mels hof! Gods
en Se - ra - fijn De
ons kin - der - lied, En
hier saam - ver - gadrd toe - ver - laat!
msti
i
d=:
-cd-*—
1. voor uw troon ge - knield. Den dank, die al - Ier
2. u - wen lie - ven Zoon, Dat Hij ons zijn ge-
3. Roos! der maag-den bloem, Gij 'swe-relds vreugd en
4. al - Ier toe-vlucht zijt, Is ook uw kin - der-
5. de - zer heil' - ge steê. Wij zin- gen met hun
6. val - len voor u neêr, O Moe - der van den
7. aan uw lie - ven Zoon: Gij zijt zoo • dicht toch
|
t- 1 - , 'F—1 I |
8 ---ks—l--- -1 - | |
1. hart be - zielt. Tussc/iensJgt;el.
2. nd be - toon'.
3. 'she - mels roeml
4. schaar ver - blijd.
5. Ko - ren meê.
6. Op - per - heer!...
7. bij zijn troon.
io8
AANHANGSEL.
ADORO TE DEVOTE.
Een kleine terts hooyer, in es.
-lt;=2--^-c?-
1. Ad - ó - ro te, (3e - vó - te la - tens Dé - - i - tas,
2. Vf - sus, ta - cois, gu - stus in te fal - - li - tur,
3. In cru - ce ia - té - bat so - la Dé - - i - tas:
4. Pla - gas, sic - ut Tho - mas, non in - tü - - e - or,
5. O me - mo - ri - a - le mor - tis Dó - mi - ni,
6. Pi - e Pel - li - ca - ne. Je - su Dó - mi - ne,
7. Je - su, quem ve - ld - tum nunc ad - spi - - ci - o.
S
-j—i-
1. quae sub his fi - gü - ris ve - re ld - - ti - tas;
2. sed au - di - tu so - lo tu - to cré - - di-tur;
3. at hic la - tet si - mul et hu - md - - ni • tas:
4. De - um ta - men me - um te con - fi - - te - or:
5. pa - nis vi - vus vi - tam prae-stans hó - - mi - ni:
6. me im - mün - dum mun - da tu - o sdn - - gui - ne;
7. o - ro G. - at il - lud quod tam si - - ti - o;
=1=:=3
-lt;=gt;-
1. ti - bi se cor me - um to - tum sub • ji - cit;
2. ere - do quid - quid di - xit De - i Fi - li - us;
3. am - bo ta - men ere - dens at - que cón - fi - tens,
4. fac me ti - bi sem - per ma - gis cré - de - re,
5. prde - sta me - ae men - ti de te vi - ve - re,
6. cu - jus u - na stil - la sal - vum fd - ce - re, 7 ut te re - ve - Id - ta cer-nens fd - ci - ea
100
ii
1. qui-a te con - tém plans to-turn dé ■ fi - cit,
2. nil hoc ver-bo ve - ri - ta-tis vé - ri - us.
3. pe- to quod pe - ti - vit la - tro poé - ni- tens.f
4. in te spera ha - bé - re te di - li - ge - re. gt; A - ve
5. et te il - li sem-per dul - ce sa - pe - re.
6. to-tum mundum quit ab o - mni scé - le - re.
7. vi- su sim be - i - tus tu - ae gló - ri - ae.
Je • su, Pa - stor fi - dé - li - um, ad - - an • ge
^-^-lt;3- -g- -g- ^ -gD-
fi - dem ó -mni- um in te ere - dén - ti- um. A - men.
C A N TI C U M
To
m^s?-=Ê=^=
I. Ma-gnf - fi - cat* dnima me -
|
2. |
Et |
ex |
sultdvit spfritus....... |
me- |
us* |
|
3- |
Qui |
- a |
respéxit | humilitatem andllae . |
su- |
ae :* |
|
4. |
Qui |
- a |
fecit mihi magna qui potens |
Est :* | |
|
5- |
Et |
mi |
sericórdia ejus | a progénie in pro- |
géni- |
es* |
|
6. |
Fe - |
cit |
poténtiam | in brdchio..... |
su- |
0 :* |
|
7- |
i)e- |
pó - |
suit 1 poténtes de...... . |
se- |
de.* |
|
8. |
E - |
su - |
riéntes | implévit....... |
bo- |
nis:* |
|
9- |
Sus |
ce - |
pit Israël püerum...... |
su- |
um * |
|
10. |
Sic - |
ut |
locütus est 1 ad patres . . . , . |
no- |
Sll OP, * |
|
11. |
Gló |
ri - |
a Patri, et......... |
Fili- |
0.* |
|
12. |
Sic - |
ut |
erat in principio, j et nunc et |
sem- |
per,* |
PS. nfi. LAUD ATE D O MI
To
-GD-
it;
jus : O,* per,
t. Lau-da - te Dóminum, omnes........| gen-
2. Quóniam confirmata est super nos ] misericórdia e-
3. Gloria Patri, et..........Fili-
4. Sicut erat in principio, | et nunc, et . • . ' sern-
Do - mi
MAGNIFICAT.
.v u s V.
|
2. in Deo salu- - -- -- -- -- - 3. ecce enim ex hoc bedtam me dicent omnes gene- 4. et sanctum............ 5-tiquot; -............. 6. dispérsit supérbos | mente....... 7. et exal - -- -- -- -- - - 8. et di vit es | dimi - -- -- -- - 9. recordatus | miseri --------- 1 o. Abraham, | et sémini é------- 11. et Spi- - -- -- -- -- -- - 12. et in saécula saecu - -- -- -- - ül 0. nes. jus. um. 1. miles, nes. ae. cula. cto. men. |
|
NUM OMNES GENTES. N ü S V.
|
1. lauddte eum..... 2. et véritas Dómini | manet 3. et Spi -..... 4. et in saécula saecu - - |
|
|
■y--:--—r-:---------—=---- | |||||
|
vy a 1 1 | |||||
|
2. |
Et |
ex |
me- |
us* | |
|
3- |
Qui |
- a |
respéxit 1 humilitdtem ancillae. . . |
su- |
ae :* |
|
4. |
Qui |
- a |
fecit mihi magna, qui potens. . . |
Est :* | |
|
5- |
Et |
mi |
sericórdia ejus | a progénie in pro - - |
géni- |
es* |
|
6. |
Ke- |
cit |
poténtiam | in brdchio...... |
su- |
0 :* |
|
7- |
De- |
po- |
se- |
de,* | |
|
8. |
E - |
su - |
bo- |
nis :* | |
|
9- |
Sus- |
cé - |
pit Israël püerum...... . |
su- |
um,* |
|
10. |
Sic - |
ut |
no- |
stros * | |
|
11. |
G1Ó- |
ri - |
a Patri, et......... |
Fili- |
0,* |
|
12. |
Sic - |
ut |
erat in principio, | et nunc, et. . . |
sem- |
per* |
Ps. 116. LAUD ATE DO Ml
To
1. Lau - di - te Dóminum, omnes....... I gen-lles:*
2. Quóniam confirmata est super nos' misericórdia. e- jus:*
3. Gloria Patri et..........Fili-| o,*
4. Sicut erat in piincfpio, I et nunc et . , . 1 sem-lper,*
CANTICUM
To
quot;3
MAGNIFICAT. NUS VIII.
3. ecce euim ex hoc IbeAlam me dicent omnes gene- ra-
5. timén - -- -- -- -- -- -- ti-
6. dispérsit supérbos | mente.......cor-
7. et exal - - - - - - - - - - - - - ta-
8. et divites dimi - -- .- •- ..-sit
10. Abraham, | et sémini e- ------- jus
M To
|
n |
me- |
0. |
|
ti |
Ó- |
nes. |
|
men |
e- |
jus. |
|
bus |
e- |
um. |
|
dis |
su- |
i. |
|
vit |
hümi- |
les. |
|
in- |
a- |
nes. |
|
ae |
su- |
rie. |
|
in |
saecu- |
la. |
|
i |
San- |
cto. |
|
rum. |
A- |
men |
11.etSpiii- - -- -- -- -- -- - tu-gt; 2. et in saécula saecu - - -- -- -- - ló-
Ml To
NUM OMNES GENTES.
NUS VIII.
ZT—
|
1. laudate eum..... 2. et véritas Dómini | manet . 3. et Spiri....... 4. et in saccula saecu - - • |
|
J
A
114
LITANIAE B. M. V.
Een toon hooger, in g.
S
e-J m~
-ö-
13
Ky - ri - e e - léi-son. Chri-ste e - léi- son. Ky - ri - e e - léi-son.
li
_
ex - du - di ■
Chri - ste
au - di - nos Chri • ste
—
!_5d_. :-ö—Mz
Pater de .... coe - lis De - us, mi- se - ré - re no - bis.
Fili, Redémptor mun - di De - us, mi- se - ré - re no - bis.
Spiritus.....san - cte De - us^ mi- se - ré - re no - bis.
Sancta Trinitas . . u - nus De - us, mi- se - ré - re no - bis.
|
Sancta |
Ma - |
rf - - |
a, |
|
Sancta |
Dei |
Géni - |
trix, |
|
Sancta |
Virgo . |
virgi • |
num, |
|
Mater |
Chri - |
sti, | |
|
Mater |
divinae |
grati - |
ae, |
|
Mater |
pu ■ - |
rissi - |
ma, |
|
Mater |
ca - - |
stfssi - |
ma, |
|
Mater |
invio - |
- la - |
ta, |
|
Mater |
inteme - |
- ra - |
ta, |
|
Mater |
a- - |
mabi - |
lis, |
|
Mater |
ad mi |
rabi - |
lis. |
|
Mater |
Crea |
- tó - |
ris, |
|
Mater |
Salva - |
- tó - |
ris, |
|
Virgo |
pruden- |
tissi - |
ma, |
|
Virgo |
vene - |
- ran - |
da, |
|
Virgo |
praedi - |
- can - |
da, |
|
Virgo |
. |
. po - |
tens. |
|
Virgo |
. . . |
. cle - |
mens, |
|
Virgo fi • • |
- de - |
lis. | |
7? ra - s O - ra pro no
- bis.
quot;5
=1=
:fe=Ö-
es—lt;=?-
sti ■ én ti • d -rd -ó( my
tiae,
- tiae, tiae,
le, bile,
• stica, dica,
- rum, rum,
- tyrum.
- rum, -ginum. mnium.
- pta, - rii,
O - ra pro no - bis.
bur
ar coe ti
mó tó ctó
no ló chd td ló Mdr so Vir ó -cé sd
Spéculum ju - -- -- -Sedes sapi -------
Causa nostrae lae- - - - -Vas spirit u -------
Vas hono -------
Vas insigne devoti - - - -
Rosa , . . ......
Tunis Da -------
Tunis e- - -- -- --
Domus.........
Foéderis.......
Janua .........
Stella matu- ------
Salus in fir - ------
Refügium pecca - - - - -Consoldlrix affli - - - - -Auxilium Chrislia- - - - -Regfna Ange ------
Regina Patriar- - -Regina Prophe- - - - - -Regma Aposto - - - - -
Regina........
Regina Confes- - - - - -
Regina........
Regina Sanctórum.....
Regina sine labe originéli con-Regina sacratissimi Ro - -
|
j. A - gnus De - 2. A - gnus De - |
3. A - gnus De -i, qui tol - lis pec - ca - ta mun - di, i, qui tol - lis pec - ca - ta mun - di, i, qui tol - lis pec - cd - ta mun - di, |
116
*
—^—j ff o—j^—lt;=y—J—j--
Chri - ste au - di nos. Chri - ste ex - aü - di nos.
i
Ky - ri - e e - léi - son. Chri - ste e - léi - son.
-c=j—lt;=gt;-
Ky
-! c? erzo—
e - - ie - • • ■ i - son.
VOOR DEN ZEGEN MET HET ALLERHEILIGSTE.
i
i
cd-
—c-
1. Tan-tum er - go Sa - era-mén - tum ve - ne-ré-mur cér-nu - i:
2, Ge - ni - tó - ri, Ge - ni - tó • que laus et ju - bi - la - tl - o :
1. et an • ti-quum do - cu - mén-tum no • vo ce - dat ri - tu - i:
2. sa-lus, ho- nor, vir- tus quo-que sit, et be - ne- di cti - o :
|
1. praé - |
2. Pro -stet fi - des ce - dén - ti tum que sup ab |
ple - mén u - tro |
----S3-C3-^—d-
1. sén - su - um de - fé - ctu - i.
2. com- par sit lau - dd - ti - o.
ö-
A - men.
ii7
SïABAT MATER
Oude Melodie.
1—^ —gj—f-^
1. Naast het kruis met schrei-en-de^oo-gen Stond de Moe - der,
2. En haar door het zuch tend har - te, O - ver-stelpt van
3. O hoe droef, hoe vol van rou - we. Was die ze - gen -
4. Ach, hoe streed zij, ach, hoe kreet zij, En wat fol - te •-
5. Wie, die hier niet schrei en zou - de, Die het grie - vend
6. Wie kan, zon - der meê te wee - nen, Chris-tus' Moe - der
7. Voor de zon den van de zij - nen. Zag zij Je - sus
8. Zag haar lie - ven Zoon hier lij - den, Heel al - leen den
9. Geef, o Moe-der! bron van lief - de, Dat ik voe - le 10. Dat mij 't hart ont -gloei' van bin - nen, In mijn God en
1. diep be • wo - gen. Daar de Zoon te ster - ven hing;
2. wee en smar-te, 'tZe-ven-vou - dig slag-zwaard ging.
3. rijk - ste vrou-we Om Gods Eén - ge - bo - ren Zoon.
4. rin - gen leed zij Bij 't aan schou-wen van dien hoon!
5. leed aan - schouw-de, Dat Ma - ri - a's ziel ver-scheurt?
6. hoo - ren ste - nen, Daar zij met haar Zoon hier treurt?
7. zoo in pij - nen En in wree - de gee - sel - straf;
8. dood-kamp strij-den, Tot Hij Zij - nen geest her - gaf.
9. wat u grief - de, Dat ik met u me - de • klaag'; 10. Heer te min-nen, Dat ik Hem al - - leen be - haag'.
11. Heil' - ge moe der! wil mij hoo-ren! Met de won - den
12. Ach, dat ik de pijn ge - voel ■ de. Die uw' lie - ven
13. Mocht ik kla - gen al mijn da - gen, En zijn pla - gen
14. Met u on - der't kruis te wee - nen, Met uw rou - we
15. Maagd der maag-den! nooit vol - pre - zen, Wril nu niet mij
16. Laat mij al de wree - de pla - gen En den dood van
17. Laat mij, in zijn kruis ver - slon - den. Laat zijn won - den
18. Dan, in we - der -lief de^ont sto - ken, Wor-deikdoor u
19. Maak, dat mij het kruis be - wa - re. Dat dan Chris-tus'
20. En als 't li - chaam eens zal ster - ven. Doe mij dan de
118
11. mij door - bo - ren, Die Hij aan het kruis - hout leed;
12. Zoon door-woel - de, Toen Hij ster - vend voor mij streed.
13. waar - lijk dra - gen Tot mijn jong - ste ster - vens - smart.
14. mij ver - ee - nen, Dat ver - langt mijn wee - nend hart. I5* te - gen we- zen, Laat mij treu - ren aan uw zij';
16. Chris - tus dra-gen, Laat mij ster - ven zoo - als Hij,
17. mij door - won-den, Om de lief - de van uw Zoon.
18. voor - ge - spro - ken, Moe-der! van zijn rech - ter - troon.
19. dood mij spa - re, Dat Hij mij ge - na be - wijz'.
20. glo - rie er - ven Van het he - melsch Pa - ra - dijs.
■
■
MAR! A LIEDEREN
Wijlen Mgr. P. van der PLOEG,
V A N Z A N G Wl,1Z i-; N VO O RZ [ E N
4
-i
gt;lt;
.3
M. J. A. LANS,
P.u-t-M.r te Si-liiou iT}i,
W, P. H. J A N s E N .
Le-'. u itn hot Sominnri.' lla^e^oM te Voorl.o'it-
DERDE UITGAVE.
■ U. p
L E 1 D E N ,
J VV. V A X LEE U W E N ,
fititevr-nAntiq, Boelii ,Hoogewoer(!89i
1891.
TZ1ZJ2