ocr page 1

■i^^ J J * K . -*.% 1 ^r:/l'lt;.w^

'*$*amp; */s 'k ^iMc 't,■ ''■ ^

f ni* ï gt;.- ..lt; ' ry^-JSjé' .. •«.

^ jlV^J

.VA- i t?

V

% _ ^ /■** jttquot;'gt; *•■ #'

lt;3r^vV# gt;nkgt; H

*\Ï£X * Xi$

■gt;lt;/ -ife'i^r^

f tik F fs vV Jrfquot;

L ^ '■ '-' gt; ?UT\ V '

x',aè ^'v ^ nt. '*quot;■- ^

jlr'-vr

•^4^ 'quot;J^^'y.'^v

y^quot; f ■' -

gt;v7 —

rgt; .

• v. gt; JF

^ r'4isr\ /r

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

A'ac'^ne Provincie KaUloog

Minde rbroedersklolt;«ter

Alverna Gld

ocr page 5

7s

2e Zegen van het icijden

DOOR

COZF^iE^ZÉSB,

lt;£ib van Se oFzanscfic tlcaSamp;mie.

Infirmitas haec non est ad mortem, sed pro gloria Dei.

S. Joan. XI, 4.

Naar de 62ste Uitgave uit het Fransch vertaald

DOOR

E. v. V. T. V.

T os.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2299196 6

ocr page 6
ocr page 7

en

aan mijn yobviucfiticfen en cjtelccz5cii vtiutu den Eerwaarden Heer Abbé oBouqnel,

GlaImoczciH-cz aan Set jCuccutn van ben c6. J^obamp;wijh, éboHCtaiz-cfzojzaoi in bi (Lamp;colccfiscfic j^ctcit licit.

In Christo Patri,

Filius.

Cf/et.J F. C.

ocr page 8
ocr page 9

INLEIDING.

Na eene geregelde opvolging van ernstige ongesteldheden, welke mij tot tweemaal toe in gevaar van sterven brachten, ben ik in den loop van het vorig jaar weer tot de Katholieke kerk teruggekeerd; ik had haar sedert mijne prille jeugd verlaten en .... hoe ver ligt die reeds achter mij !

Ik schreef daarna artikels in een weekblad, dat te Parijs werd uitgegeven, en behandelde verschillende onderwerpen, naar eigen fantasie. Tijdens mijne lang. durige ziekte en ondanks vreeselijk lijden, bleef ik toch medewerken aan het //Journalquot; en de meeste mijner kronieken van het jaar 1897 schreef ik met koortsachtige hand, de elleboog in het kussen, in de ongemakkelijke houding van een bedlegerige, door zwachtels omwonden, als een mummie uit het oude Egypte.

De welwillendheid, waarmede het publiek deze opstellen ontving, moet niet aan verdiensten — aangenomen dat ze die bezaten — maar meer aan openhartigheid worden toegeschreven. Sedert vijf jaren deelde ik er in mede, wat ik dacht en gevoelde en dat met eene volstrekte vrijmoedigheid, hetgeen mijne vrienden zelfs

ocr page 10

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

vermetel vonden. De invloed der nieuwe gewaarwordingen, welke mijn hart troffen op het gevaarlijkste oogenhlik mijner ziekte, en er sedert dien geheel in doordrongen, moest zich natuurlijk in deze losse geschriften doen gevoelen.

Eenige personen, wier oordeel ik op prijs stel, raden mij nu aan de bladzijden te verzamelen, waarop ik aan mijne lezers mijnen terugkeer tot God heb meegedeeld. Zoo ontstond dit kleine boek. Men gelieve daarin noch ontwerp, noch compositie te zoeken, het is slechts een verzameling van courantenartikelen; ik hoop echter dat het boekje een weinig sympathie zal wekken in de zielen rler Christenen en wellicht niet onnuttig zal zijn aan hen, — zij zijn velen — die het geloof der kinderjaren laten te loor gaan en dat op lateren leeftijd betreuren, zonder evenwel den moed te hebben aan God de innerlijke kracht te vragen het terug te krijgen.

Ik begin dit boek met de eenvoudige mededeeling van de zedelijke omwenteling, die in mij heeft plaats gevonden, en wel voornamelijk ter wille van die verwarde geesten, voor wie de twijfel niet het zachte kussen is, waarvan Montaigne spreekt, en die om zoo te zeggen de grens van het ongeloof tot het geloof niet kunnen overschrijden. Ik verkeerde langen tijd in denzelfden toestand als zij, heb aan hetzelfde euvel geleden, en bied hun mijn geneesmiddel aan.

Ik genoot eene christelijke opvoeding en na mijne eerste H. Communie heb ik verscheidene jaren lang mijne

ocr page 11

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

godsdienstplichten met een ongekunstelden ijver waargenomen. Ik wil het eerlijk zeggen : de crisis dei-jonge jaren en de schaamte zekere bekentenissen af te leggen, waren oorzaak, dat ik mijne godvruchtige gewoonten liet varen. Vele menschen, die in dit geval verkeeren, zouden, als zij eerlijk waren, moeten bekennen, dat zij het meest van den godsdienst werden verwijderd door de strenge regels, welke deze den zinnen stelt en dat zij later aan de rede en aan de wetenschap bovennatuurkundige bewijsgronden hebben gevraagd, die hun zouden veroorloven onbekommerd voort te leven. Ten minste zoo ging het mij. Uit valsche schaamte hield ik op mijn godsdienst waar te nemen ; al het kwaad vindt zijn oorsprong in deze eerste overtreding van de nederigheid, welke mij toeschijnt de noodzakelijkste aller deugden te zijn.

Dat eenmaal gewaagd, ging ik door met het lezen van vele boeken, het luisteren naar vele gesprekken, het aanschouwen van vele voorbeelden, bestemd om mij tot de overtuiging te brengen, dat het niet meer dan billijk is, dat de mensch aan zijnen hoogmoed en aan zijne zinnelijkheid gehoorzaamt; ik werd al spoedig onverschillig voor elk godsdienstig vooroordeel. Men ziet het, mijn geval is zeer alledaagsch. Het was de gewone desertie van den soldaat, die de krijgstucht moede is. Ik haatte niet de vlag, waaronder ik had gediend; ik had haar verlaten en vergeten, ziedaar alles!

Nu ik het geloof teruggevonden heb, vraag ik mij

7

ocr page 12

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

zelfs af, of ik het ooit geheel had verloren. Men kan in mijne geschriften eenige verdachte bladzijden vinden, — ik verloochen en verfoei ze — waarin ik met dwaze lichtzinnigheid en somtijds zelfs met schuldige stoutmoedigheid over godsdienstige zaken heb gesproken; men zal er te vergeefs eene godslastering in zoeken.

Wanneer ik bij toeval eene kerk betrad, hield de eerbied mij aan den drempel gekluisterd en vergezelde mij voor het altaar. De ceremonies van den godsdienst hebben mij altijd gevoelig aangedaan door hun eerbiedwaardig karakter van oudheid, hun overeenstemmende praal, hunne plechtige en bezielende poëzie. Ik heb mijn vinger nooit met het koude wijwater bevochtigd, of ik gevoelde eene zonderlinge rilling — wellicht die van het verwijt.

Ja, hoe meer ik er over nadenk, des te meer geloof ik, dat er altijd een weinig christelijk geloof op den bodem mijns harten heeft gesluimerd. Er was ongetwijfeld een spoor daarvan te vinden in de onderwerping, waarmede ik altijd in de wederwaardigheden des levens heb berust. Het is waar, sedert geruimen tijd rangschikt men mij onder hen, die men gewoon is //gelukkigquot; te noemen, maar mijne jeugd was zeer hard. Ik heb armoede, bijna gebrek gekend, zonder nog te gewagen van andere ontberingen. Nooit heb ik een kreet van opstand geuit.

Beati mites heeft Christus in de bergrede gezegd. Inderdaad, ik heb dat geluk gehad op den avond van

8

ocr page 13

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

mijn leven. God heeft een straal ran Zijne barmhartigheid op mij laten nedervallen en mij den troost van het gebed en het geloof teruggegeven, niettegenstaande ik in dagen van voorspoed de gunsten had misbruikt, waarmede ik was overladen.

Deze bekeering — om het bij zijn waren naam te noemen — was ongetwijfeld vlug in zijn werk gegaan, maar toch niet onverwachts of als gevolg van buitengewone omstandigheden. Ik moet haar aan de goddelijke genade toeschrijven; wanneer ik mijnen zedelijken toestand vergelijk bij dien van slechts eenige maanden geleden, dan sta ik verstomd over eene dergelijke verandering, die mij wonderdadig voorkomt. De weldaad, die ik er van inoogst, is onder een ieders bereik. Om die te verkrijgen behoeft men het slechts te vragen met een nederig en onderworpen hart.

9

Hoewel ik slechts een dichter, een schrijver, was en mijn geestelijk leven bijna geheel werd ingenomen door den letterkundigen arbeid en de zorg voor mijne kunst, werd ik toch, evenals elk mensch die doordenkt, nu en dan gekweld door de schrikwekkende mysterie, welke ons omringt, en ik vroeg mij af: //Waartoe dient het leven ? Waartoe de dood ?quot; en vooral: //Waarom moet men lijden ? Waarvoor dienen tranen ?quot; Men weet het, voor deze geduchte problemata heeft het menschelijk vernuft slechts onzekere oplossingen gevonden, welke dan nog in tegenspraak met elkander zijn. Geen enkele heeft mij voldaan. Ik heb vooral een afkeer gehad van

f Bibiiotiieci

ocr page 14

10 DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

die stellingen, waarin het geloof in eenen God, die ons ziet en oordeelt, en onze verantwoordelijkheid na dit leven, wordt weggecijferd. Voor het tooneel van zooveel ongerechtigheid komt mij de veronderstelling; dat het goed en kwaad, dat de mensch bedrijft, slechts belooning vindt op aarde, ongerijmd voor.

Met andere woorden, ik heb altijd behoefte gehad aan God.

Het minst, wat men voor het inwendig leven doen kan, is wel : gelooven in God en in eene verantwoordelijke ziel. Hoe koud en middelmatig het godsdienstig gevoel in dit opzicht ook zij, het is voldoende om vele menschen staande te houden in de vervulling hunner noodzakelijke plichten.

Leven voor de eer is eene schoone verdienste, wanneer men de zoon is van eerlijke lieden en in de kinderjaren niets dan goede voorbeelden heeft gezien ! Mijn geweten werd, vooral sedert eenige jaren, veeleischender. Telkens als ik aan mijn uiteinde dacht en beproefde mij zeiven te oordeelen, evenals God dat eenmaal doen zal, dan was ik niet tevreden over dat onderzoek. Wanneer ik mijn verleden overschouwde, steeg het bloed mij naar het hoofd — ik gevoelde den druk van een zwaren schuldenlast. Ik was te zwak en te laf om van gedrag te veranderen, maar ik herhaal het, geloof mij, in mijn hart was ik Christen en Katholiek, in gedachte verwekte ik menigmaal een akte van berouw en elk sterfgeval, waaraan geen woord van bekentenis en vergeving

ocr page 15

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

was voorafgegaan, scheen mij verschrikkelijk toe.

De God van genade en goedheid had meer voor mij weggelegd dan een overhaast en sidderend berouw in de laatste oogenblikken des levens.

Om den winter te ontvluchten bevond ik mij in Januari 1897 te Pau ; ik was sedert verscheidene maanden lijdende en moest onverhoeds mijnen chirurgijn uit Parijs laten komen en een geduchte operatie ondergaan. Ik gaf mij volkomen rekenschap van het gevaar, dat mij bedreigde, en verzocht zelfs aan de uitmuntende Dominicanes, die bij mij waakte — en die ik in dit boek nog herdenk — een biechtvader te halen, in geval mijn toestand mocht verergeren. Mijn vriend, Dr Duchastelet, redde mij het leven en ik dacht verder aan niets dan aan een spoedig en algeheel herstel, dat mij was beloofd.

De waarschuwing was duidelijk, maar ze werd niet gehoord; op dit oogenblik beef ik bij de gedachte aan mijne schuldige onverschilligheid en aan mijne dwaze lichtzinnigheid. Ik heb het hoofdstuk ,/ Klokken an Seringen quot; in dit werk geplaatst om te doen zien, hoe diep de vergetelheid van het geloof op dat tijdstip in mijn hart zetelde. Ik schreef het verscheidene weken na mijne terugkomst te Parijs, maar verkeerde nog onder den indruk van het langziekige van de herstellingsperiode. Door het te lezen zal men zien, dat ik verleden jaar Paschen nog langs een kerk kon loopen zonder zelfs de begeerte in mij te voelen opkomen er in te gaan, dat deed ik, die een jaar later op hetzelfde tijdstip nederig

11

ocr page 16

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

de H. Communie ontving, zooals het elk Christen betaamt.

De verbetering van mijn lichamelijken toestand was van korten duur. In 't begin van de maand Juni was ik nogmaals op den rand des doods gebracht door eene nieuwe, ditmaal nog erger, operatie. Deze instorting doemde mij geruimen tijd tot smartvolle rust. Ik beleefde verschrikkelijke dagen en toen begon mijn geest zich met ernstige gedachten bezig te houden. Ik had met angstvallige gestrengheid mijn geweten onderzocht en walgde — ik had een afschuw van mij zeiven — ditmaal kwam er een priester, dezelfde, aan wien dit boekje is gewijd.

Ik kende hem al lang, maar weinig. Ik had hem bij vrienden ontmoet en was destijds getroffen door zijne buitengewone zachtheid en door zijn zeldzaam vernuft. Hij is nu mijn raadgever en intieme zielverzorger, mijn vader in Jezus Christus, een van die menschen, dien ik het meest liefheb op aarde. Ik beleed mijne zonden onder tranen van oprecht berouw, ontving de absolutie en gevoelde mij onuitsprekelijk verlicht. Toen de Abbé er echter over sprak mij de H. Hostie te brengen, aarzelde ik geheel onthutst en gevoelde mij dat Sacrament onwaardig. Er was geen direct doodsgevaar en daarom drong de dienaar Gods er niet verder op aan. //Bid maar en lees het Evangeliequot;, zeide hij.

Weken en maanden bracht ik te bed en op mijn kamer door en gedurende dien tijd heb ik met het

£

12

ocr page 17

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Evangelie geleefd ; elke regel van het heilig boek begon langzamerhand leven voor mij te krijgen en bevestigde in mij de overtuiging, dat het waarheid sprak. .Ta, in elk woord van het Evangelie heb ik de waarheid zien schitteren als een ster, voelen kloppen als een hart. Zou ik voortaan niet aan wonderen en mysteriën ge-looven, nu er in mij zulk een diepe en geheimzinnige verandering heeft plaats gevonden ? Mijne zkl was blind voor het licht des geloofs en zij ziet het nu in al zijn glans; zij was doof voor het woord Gods en hoort het nu aan met een overredend, zalig zielsgevoel; zij was verlamd door onverschilligheid en neemt nu haar vlucht ten hemel; de onreine duivelen, die haar rust verstoorden en in wier bezit zij was, zijn er voor altijd uit verdreven!

Gij haalt er uwe schouders voor op, gij hoogmoedigen, opgeblazen door ijdele wetenschap. Wat geef ik daarom ? Ik zal u zelfs niet om de verklaring vragen, hoe het komt, dat het woord van een nederigen handwerksman uit Galilea, door Hem aan eenige arme lieden toevertrouwd met bevel het aan alle volkeren te verkondigen, na verloop van negentien eeuwen nog overal roemvol weerklinkt op die plaatsen, waar de mensch geen barbaar meer is. Hetzelfde woord, door mij gehoord en begrepen in dagen van smart, bezat de wonderbare deugd mijn lijden te leeren liefhebben, dat is alles wat ik weet. Ik heb mijn proef doorstaan, verzwakt naar het lichaam, gedoemd wellicht levenslang de slavernij te torsen van

13

ocr page 18

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

een lastig gebrek. Mijn hart is echter niet alleen met gelatenheid onderworpen, maar vervuld van kalmte en moed, omdat ik het Evangelie heb gelezen er. daarover heb gemediteerd. Geen twee jaar geleden begon ik, hoewel nog gezond, de eerste aanvallen van den ouderdom te gevoelen; met schrik zag ik den ouden dag, den eenzamen ouden dag, gevolgd door verdriet, afkeer en berouw, naderen. Op dit oogenblik ga ik vóór den tijd gebukt onder den last der jaren, maar ik draag dien opgewekt, wat zeg ik, bijna met vreugde, want al vraag ik niet om smarten of den dood, ik heb er ten minste geen vrees meer voor; in het Evangelie leerde ik de kunst om te lijden en te sterven.

Voor het weinige goede, dat ik in den loop mijns levens volbracht — want slecht was ik niet — heeft God mij met eene heerlijke edelmoedigheid beloond, door in mij de kiem van onschuld en openhartigheid te sparen, die ik er nu weer in voel opkomen. Dat heeft mij in staat gesteld het Evangelie te lezen en te herlezen, zooals het behoort, dat is met hart en ziel, mente cordis sui, zooals de H. Lucas het uitdrukt. Om mijne godsdienstige opvoeding te hernieuwen, heb ik, bijna een jaar lang, nog vele andere schoone en ernstige boeken gelezen; de Heiligen en geleerden hebben mij de geheimen ontsluierd en hebben mij voorgelicht in de diepte met den dubbelen fakkel der wetenschap en der rede. Zeker is het, dat deze studies mij zeer nuttig zijn geweest en niet minder was het onderricht van den

14

ocr page 19

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

goeden en geleerden priester, die mij de eeuwige waarheden op nieuw in herinnering bracht. Ik moet echter bekennen, dat ik geen hoofd had voor theologie. Nederig en onwetend heb ik zelfs niet beproefd in de verborgenheden van de geloofsleer door te dringen; ik heb vooral in het Evangelie gelezen ên vurig gebeden tot God, dat Hij mij moge schenken de gehoorzaamheid der armen van geest. Christus heeft gezegd : //Laat de kleinen tot mij komen, hun behoort het Hemelrijkquot;. Ik heb mij gelijk gesteld aan die kleine kinderen. Ik heb het Goddelijk Woord gehoord, even eenvoudig van harte als de visschers van het meer Tiberias, tot wie Jezus op de golvenspraak, gezeten op de voorsteven van een schuit. Een hevig verlangen dreef mij naar God. Ik heb geen weerstand geboden, ik heb mij laten leiden, in één woord ik heb gehoorzaamd en nu smaak ik de geneugten der gehoorzaamheid.

Omstreeks het einde van October werd mijne verzoening met God bepaald en bezegeld, het was bij de nadering van het zoo treffend gedachtenisfeest der Dooden. Vol geloof en onderwerping ontving ik toen het heilige Sacrament des altaars, terwijl ik mij bij die groote daad in gedachte vereenigde met de dierbare afgestorvenen, die mij in het eeuwig leven wachten.

z/Niets schijnt in u veranderd te zijn na de bekeeringquot; werd mij door enkelen met een ongeloovig lachje gezegd.

Hierin vinden zij een bewijs te meer, dat de menschen elkander niet kunnen doorgronden, want ik voor mij weet wel, dat ik geheel veranderd ben. Het is duidelijk

15

ocr page 20

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

dat mijn uiterlijk leven niet merkbaar is gewijzigd door een morgen- en avondgebed, door op Zon- en feestdagen ter kerke te gaan, en mijne godsdienstplichten waar te nemen.

Op mijn voorhoofd leest men blijkbaar noch de hervormingen, die ik in gedachten en werken volbracht, noch den weerstand, dien ik nu bied aan de bekoringen, waarvoor ik eertijds zou bezweken zijn. Toch is dit de zuivere waarheid.

Achterna beschouwt, verwondert het mij niets, dat men mij niet veranderd vindt, want mijne vorderingen in het Christelijk leven, dat is in de zedelijke volmaaktheid, zijn nog gering. Intnsschen ben ik zoo gestreng mogelijk voor mij zeiven. Hen, die ik liefhad, bemin ik nog meer en op eene andere wijze dan te voren, en ik doe aanhoudende pogingen om liefdadiger en beter te worden. Ja, niettegenstaande de talrijke afwijkingen in gedrag en — waar ik mij met meer droefheid van beschuldig — niettegenstaande eenige laatste aanvallen van twijfel en koelheid van hart, ben ik minder misnoegd dan voorheen ; wanneer ik denk aan de droeve dagen welke ik nog te leven heb en aan den dood, die ophanden is, dan ondervind ik zeer dikwijls een aangenaam gevoel, dat mij verbaast.

Deze innerlijke vrede wordt slechts verkregen door de bewonderenswaardige godsdiensttucht, door het gewetensonderzoek en het gebed. Ik beleef geene betere oogenblikken dan die, waarin ik mij wend tot God en

16

ocr page 21

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Hem het berouw mijner zonden uit het verleden en mijnen goeden wil voor de toekomst betoon ; waarin ik Hem den vrede vraag, dien Hij ons in het leven hiernamaals heeft beloofd en waarvan Zijne genade ons een heerlijken voorsmaak geeft op aarde. Ja, er bestaan geen schooner uren, dan die, waarin men bidt, waarin men zich begeeft in tegenwoordigheid van God ! Honderdmaal gezegend zij derhalve het lijden, dat mij bracht tot Hem. Nu ken ik Hem — den Onkenbare! Het Evangelie heeft het mij geopenbaard. Hij is de vader, Hij is mijn vader! Ik kan ongedwongen met Hem spreken en Hij hoort mij aan met teederheid !

De verstrooide bladen, welke ik nu verzamel, verdienen, hetzij nogmaals gezegd, niet den naam van boek; ze zijn door mij geschreven tijdens de innerlijke crisis, waar ik in 't kort over sprak. Het is mij bekend, dat hun openhartige toon reeds onder het uitgeven menig hart getroffen heeft en enkele zielen terugbracht tot het Kruis, zoolang door hen verlaten. Ik ben daar trotsch op geweest, maar verwonderd heeft het mij niet, want velen worden in den tegenwoordigen tijd aangetrokken door de open armen van het Kruis, omdat zij afkeerig zijn van het zegevierend materialismus en zich bedrogen gevoelen door zooveel andere wijsgeerige leerstellingen, die wel is waar wat wijsheid en waarheid kunnen bevatten, maar waarvan de beste slechts goed is voor een kleine elite. De meesten blijven echter staan op den drempel der kerk, omdat ze weerhouden worden door

IT

2

ocr page 22

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

18

een overblijfsel van slecht geplaatsten hoogmoed. Mogen zij in deze bladzijden zien, hoe gelukkig ik ben er over heen te zijn getreden en mogen eenige van deze twijfelaars door mijn voorbeeld en door mijn akte van geloof worden meegesleept.

ocr page 23

I.

JIlokken en |Sepvingen.

ocr page 24
ocr page 25

Klokken en Seringen.

Paaschklokken ! Paascliklokken ! Wat klinken Uw tonen droefgeestig door de April lucht! Kleurlooze Seringen der buitenwijken, waarom stort ge zooveel hartzeer en heimwee op den eenzamen voorbijganger uit ?

Hij telt dan de jaren, de talrijke jaren, dat hij, o paaschklokken. Uwe schrille en heldere tonen hoorde op een dergelijken dag, in hetzelfde schitterende hemelblauw, waarin nog geen enkele zwaluw zweefde. Hij telt de jaren, de talrijke jaren, dat hij uw geur inademde o schrale seringen van Parijs, toen hij langs het traliewerk der tuinen liep, of langs de muren wandelde, waarover uwe bloeiende trossen hingen.

En zwaar valt hem op het hart de sombere gedachte; //Alweer een lente doorleefd!quot;

Hij herinnert zich zijn jeugd, toen gij, klokken en seringen, hem tot vreugde stemden en hij op uwe tonen en uw geur plotseling als overstroomd werd door een onbestemd, maar heerlijk, gevoel van hoop.

Zijn jeugd ! Wat ligt ze ver en wat was ze kort! Zij heeft voor hem geduurd, zoolang hij eiken morgen bij zijn ontwaken vroeg : //Welk geluk is heden voor mij weggelegd ?quot; .... want, dat is wel de jeugd : de ver-

ocr page 26

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

wachting van geluk — van volstrekt, geheel, ongerijmd geluk. //Morgen zal ik de vrouw ontmoeten, wier glimlach mij een eeuwig paradijs zai openen .... Morgen zal de oorlog uitbreken, waarin ik de ridderlijke en overwinnende held zal worden, aan wien smeekend de sleutels der stad zullen worden gebracht .... Morgen zal ik het plan ontwerpen en de eerste verzen schrijven van een drama of gedicht, dat mij onsterfelijk zal maken \quot;

Liefde, roem, genie ! Hij, die niet van u heeft gedroomd, wat zeg ik ? die niet vurig en dwaas naar u heeft verlangd, kan hij er zich op beroepen jong geweest te zijn ?

De reeds bejaarde voorbijganger, aangedaan door het gelui der klokken, of gestreeld door den vluchtigen geur der seringen, herinnert zich zijn korte jeugd. Zij lag reeds verre achter hem, toen de dag aanbrak, waarop hij de middelmatigheid van het leven erkende, waarop hij tot de ontdekking kwam, dat alleen het verlangen naar geluk goed is, dat elk genot gevolgd wordt door bitterheid en afkeer, dat het doel zonder ophouden wijkt voor de poging het te bereiken. Zijn jeugd nam een einde, toen hij op een droeven morgen ontwaakte zonder verhevene en buitengewone verwachtingen; toen hij de bladzijden, den avond te voren geschreven, te koud en te gering vond voor zijn droom; toen hij de kleine hagedis, — den verontrustenden indringer van spot en verraad — waarvan Henri Heine gewaagt, zag stuiptrekken in het zonnige hoekje.

Toch scheen het leven hem nog smakelijk toe, maar

22

ocr page 27

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

als een vracht door de Septemberzon verwarmd. Zij was onherroepelijk verloren de frischheid van ziel, die de gewaarwordingen doet zijn gelijk kersen, aan den tak geplukt, onder den boom gegeten, op den vroegen morgen nog beslagen door den adem van den nacht.

Soms kwam hij in verzet — hij was verontwaardigd, dat het vermogen van hoop en zinsbegoocheling zoo spoedig verzwakt; om hem te troosten keerde met eiken herfst een weinigje jeugd in hem terug, in kleine onverwachte vlagen, in plotselinge aanvallen. Het was in ochtenden als deze, omstreeks Paschen, wanneer in den tuin de seringen aangenaam ontluiken, gelijktijdig met de violieren en de tulpen, de zware klokken als gevangen monsters in de doorzichtige klokkentorens bengelden en hun ernstig geroep wijd en zijd weerklonk. Dan schepte hij weer moed om te leven, hij begon weer een weinig te gelooven aan roem en geluk. //Beminquot; ! fluisterden de teedere bloemen hem in en liet heldhaftig metaal zeide hem : //Werk \quot;

Als de beste van zijn verleden roept hij zich die levendige en frissche feestmorgens voor den geest. Toen niet kouwelijk zijnde, was de noord-oosten wind hem niet onaangenaam en hinderde het hem niet, dat de ijle voorjaarslucht hem in 't gezicht sneed en zijne kleederen verwarde.

Het was vooral op de breede boulevard vóór de kerk, dat die dartele wind honderden guitenstreken uitvoerde, zich blijkbaar bij voorkeur oefende op de menschen, die

23

ocr page 28

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

naar de kerk gingen, of er uit terugkeerden. Wanneer het troepje weesmeisjes aankwam, door religieusen vergezeld, deed hij de zwarte manteltjes en de blauwe linten der mutsen wapperen en vermaakte zich met de kappen der zusters in groote witte vlinders te veranderen. Onbarmhartig schudde hij bloemen en veeren op de hoofden der elegante kerkbezoeksters. Vervolgens verwarde hij de magere beenen van eenen ouden geestelijke in de plooien van zijn priesterkleed en dwong den armen man de hand aan zijn ouden hoed te houden; hij dreef zelfs de onwelvoegelijkheid zoo ver, dat hij de rokken van een in 'rouw zijnde vrome plaagde ; belemmerd door haar paraplu, haar ridicule, en haar met prentjes overvuld gebedenboek, draaide het arme mensch, geërgerd en verbijsterd, om haar as, en kon er niet in slagen hare povere kuiten te verbergen.

Plotseling bemerkte onze grappenmaker in een huis aan de overzijde een slecht vastgemaakt zonneblind, snel liep hij er heen, en deed het tegen den muur klepperen. Daarna had hij het gemund op de helmen van twee dragonders, hij beijvert zich het zwarte paardenhaar uit elkaar te stuwen en in de oogen der twee krijgslieden te slingeren. Eindelijk ontdekte hij in de foule den eersten stroohoed van het seizoen op het hoofd van een dikbuikig burgerman. Klets! onzacht ontbloot hij het hoofd van den dikken papa en dwingt hem, hijgend als een zeehond, en de oogen vol stof, zijn hoofdtooisel, dat als een hoepel Voor hem uitrolt, na te loopen.

24

ocr page 29

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

En in die Paaschmorgens was het niet de wind alleen, die zoo goed geluimd was. Alles ademde blijheid. De Hemel was onbewolkt en de vrouwen hadden iets gelukkigs in den blik; het blauw van het firmament zag men ook in de oogen der blondines. En het groen ! O, het frissche, het teedere, het lichte, het overheerlijke groen ! Gelijk een onbestemde rook, aarzelend, drijvend, onbepaald, begon het te voorschijn te komen op de geraamten van de laat bloeiende boomen. Op andere piepte liet al uit de knoppen in kleine lichte blaadjes — zoo jeugdig ! — met iets verbaasd en verrukt als het kindergelaat.

Er waren vooral seringen. De sering, een struik, welke op dien tijd van 't jaar om zoo te zeggen bladerloos is, maar zich plotseling vertoont als een vuurwerk van bloemen. Overal waren seringen, in vazen op de vensterbanken, in bosjes gebonden in de uitstalling van de fruitverkoopster, of in het wagentje van de koopvrouw langs het trottoir. De voorbijgaande vrouwen droegen met beide handen een grooten bouquet en de paarden van de huurrijtuigen waren getooid met een klein takje, aan het hoofdstel vastgehecht. Wanneer men een beetje dieper in het stadsgebied doordrong, hingen de trossen bloemen over en op alle omheiningen. O, de sering, welke het eerst en nauwelijks veertien dagen bloeit, is wel de bloem en het zinnebeeld van den Parijzenaar, den bewoner van de groote stad, koortsig, ongeduldig, -an begeerig voortgestuwd naar bezit en genot.

25

ocr page 30

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

De eenzame wandelaar roept zijn vervlogen jaren voor den geest. Hoe bedwelmde dat alles hem ; die plagende wind, het jeugdige blauw, die ontluikende vroege bloemen, dat nieuwe groen, en in de lucht het welluidend gebengel der Paaschklokken boven de vroolijke en zonnige menigte! Hoe hernieuwde dat alles nog kortelings zijn jeugd !

Helaas ! Zou het nu voor goed uit zijn ? Nu zwak en ziekelijk, bij het minste koude noord-westen windje rillend, bedwelmen de seringen hem niet meer, het luchtconcert hindert hem. Is hij het wel, de verliefde en de dichter (dit komt eigentlijk op hetzelfde neer); hij, die vroeger een zoen over had voor elke bloem; hij, bij wien elke rhythmus dadelijk duizend liederen wekte. Is hij het wel, die onverschillig kan blijven voor een geur of harmonie ? O ! Wat een wreede gedachte ! Is het waarlijk met hem gedaan en zal hij dan nimmer meer de bekoringen kennen van het leven en van de natuur ?

Op dit oogenblik ontdekte hij in de lange laan, waarin hij zich al drentelend ophield, eenige passen vóór hem uit, een jongen man en jonge vrouw, gezeten op een bank in de zachte zon, welke het teedere groen beschijnt. Het was een gezin uit de armste klasse van werklieden, want, hoewel het een groote feestdag was, draagt de vrouw geen hoed en niets over de japon — en welk een japon ! — de man heeft zijn tricot en zijn werkbuis aangehouden. Dicht naast haar, in het kleine mandenwagentje, waarin een jonggeboren kind

26

ocr page 31

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

rust, heeft de vrouw een tak seringen gelegd en de kleine, die zoo juist ontwaakt, zet groote oogen op voor dat wonder, en instinktmalig strekt het de kleine, poezelige handjes naar de bloemen uit. Het oudste staat bij den man op schoot, 't is op zijn hoogst twee jaar, en het kind, dat de klokken van de naburige kerk hoort luiden, heeft schik in de mooie muziek en beweegt het hoofd bij elke tinteling van 't metaal. Dan bekijken de echtelieden beurtelings hunne twee kinderen met een vader- en moederoog en zwijgend zien ze elkaar langen tijd glimlachend aan. — O ! met den bleeken glimlach der ongelukkigen — maar met een glimlach, waarin toch op dit oogen blik voor deze twee ootmoe-digen een weinig vreugde en liefde doorschemert.

O ! hoe schaamt de in gedachten verzonken wandelaar zich nu over zijn zelfzuchtig en misplaatst verdriet van zoo even ! Wat komt het er op aan, dat hij veroudert en de lente hem hoe langer hoe minder krachten schenkt ! Ontluikt Aprilseringen ! Luidt met alle macht Alleluja-klokken ! Bloei, lente, gij rijkdom der armen ! Wees gezegend door alle ongelukkigen en door dezen versleten man, wiens hart gij verwarmdet door het te verteederen voor het geluk van anderen !

22 April 1897.

27

ocr page 32
ocr page 33

II.

ocr page 34

■

■

ocr page 35

Jan K 1 a a s s e n.

De kwaal, waar ik op dit oogenblik nog tegen vecht, overviel mij het eerst te Pan in de maand Februari van dit jaar.

O! Ik zal haar lang in herinnering houden die kamer in het „Hotel de Francequot;, met het uitzicht op dat schitterende panorama der Pyreneëen; ik installeerde mij met zooveel vreugde en eenige dagen later lag ik te rillen en te klappertanden onder de dekens, met een kwaadaardig zweet overdekt, terwijl ik mijne brandende vingers voelde beven tusschen de weldoende handen van de ziekenzuster, die, ongerust, aan mijn hoofdeinde stond. Ja, met schrik denk ik nog aan die bloemtakken op het behang; in half ijlenden toestand zag ik ze den vorm aannemen van oude Romeinsche soldatenkoppen (waarom Romeinsche soldaten ?), die hunne zware wenkbrauwen half optrokken en mij somber aankeken met hunne witte, blinde oogen; treurig en afschuwelijk leelijk waren zij onder den helm met stormketting.

Maar ook de ochtenden waren vreeselijk, vooral wanneer de nachten slapeloos werden doorgebracht.

„Hoe laat is het, zuster ?quot;

ocr page 36

DE ZEGEN VAN HET LiJDEN.

— Het is juist zeven uur geslagen, meneer. —

De vleugels van de nonnenkap hadden bewogen achter in den grooten stoel, waarin de zuster een weinig gesluimerd had.

„Het moet dag zijnquot;, zeide zij.

Zij stond op en in haren goedigen blik, voor een oogenblik op mij gevestigd, meende ik een medelijden te bespeuren, dat mij pijn deed. Zij ging toen naar het venster, bij den schijn van het nachtlicht, als een wit spook met een zware lichaamsgestalte, en opende ineens de gordijnen. Te midden van de grauwe wolken van een regenachtigen morgen, zag men hier en daar eenige hoekjes sneeuw op de bergen; de Hemel geleek op bundels besmeurde watten.

Neen ! Ik zal nimmer de angst en de benauwdheid vergeten, welke ik, als zieke, bij het ontwaken heb uitgestaan in dat gelegenheidsverblijf, zoo ver van alle geliefden verwijderd !

Ik wilde nu echter de minst treurige mijner toenmalige herinneringen vertellen.

Sedert de eerste huivering zijn nu twee weken ver-loopen. Het insnijmes van den chirurgijn heeft mij gered — tot er een nieuw ongeval opdaagt. Ik lig altijd nog te bed en ben wel zwak, maar kalmer, zonder de minste koorts. De afschuwelijke helmen der Ro-meinsche legioenen op het behang zijn weer bouquetten bloemen geworden. Het is in den namiddag. Het is mooi weer, en het zachte klimaat van Bearn laat het

32

ocr page 37

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

open venster toe. Wanneer ik een oogenblik de oogen opsla uit het boek, dat ik lees met de elleboog in 't kussen, dan is het om een gedeelte van de Pyreneëen-keten en de pic van Ossau te bewonderen, wier witte kruinen, licht purper getind, tegen het frissche hemelblauw afsteken. Welk een kalmte ! Ik hooi- de gesprekken der wandelaars en de vroolijke stemmen der kinderen, die op de breede boulevard vóór het hotel spelen, tot mij opstijgen, als een verward geraas. De Dominicanes zit nog altijd bij mijn bed, maar ik stoor en verstrooi haar niet meer elke minuut in 't gebed.

Bij het leven daar buiten voegt zich plotseling het schrille geluid van een klokje, dat men in beweging brengt.

z/Aha! zuster Séraphique, het is vier uur .... Jan Klaassen gaat zijne voorstelling geven.quot;

Zuster Séraphique en ik zijn nu een paai' vrienden. Het is een uitstekend meisje, blijkbaar van nederige afkomst, van een niet te bepalen leeftijd — misschien 40 jaar ond —■ volstrekt niet mooi; in de witte kap ziet het gezicht er opgezet uit, maar haar ordekleed draagt zij met waardigheid en zij is o zoo zacht! Alles in haar is zacht; blik, gebaar en stem, niettegenstaande het accent. In 't begin van mijne ziekte was zij nog al stil; daarna boezemde ik haar vertrouwen in, en zonder te beseffen dat zij bewonderenswaardig is, vertelt zij mij haar leven van toewijding en voortdurende eentonige naastenliefde.

33

ocr page 38

DE ZEGEN VAN HET LIJDEÏJ.

Verre zijt gij, geestelijke hatelijkheden en wreede woorden uit de Parijsche samenleving, waarin een afwezige door zijne kameraden wordt afgebroken en de wereldsche vrouwen hunne afwezige zuster over den hekel halen. Zou ik het durven zeggen ? Ik betreur u geenszins, smakelijke en vergiftigde gesprekken, en ik ben zeer tevreden met de kleine verhalen van de goede zuster; ze kunnen de verveling van eenen herstellende verdrijven; er is daarin slechts sprake van zorgen aan zieken gewijd en het is alsof er een geur van wierook en carbolzuur uit opstijgt. Gij verwekt een zenuwachtig spotlachje, aardige, ondeugende salongeestigheden, maar welke bekoring en welke bevrediging vindt men in de gesprekken, die voortkomen uit een zuiver en eenvoudig hart!

Wanneer Jan Klaassen zijn heesche stem liet hooren, was het voor mij een amusement — op dit, oogenblik heb ik er geen — te zien, hoe de zuster haren rozenkrans in den zak stak, in haast de een of ander gewijde medaille zoende, naar het venster ging en daar, half verscholen achter het gordijn, heerlijk genoot van de vertooning.

Het is alles wat de goede zuster ooit op tooneelgebied heeft gekend en zal kennen, dat is zeker; maar de ziel van het heilige meisje is ook even eenvoudig als die van het Kinderauditorium vóór de poppenkast; terwijl zij een kleur krijgt van pleizier, de handen bij tijden voor het gezicht houdt om de vroolijkheid te verbergen.

34

ocr page 39

DE ZEGEN VAN IIEï LIJDEN.

welke haar wel wat onvoegzaam voorkomt, begint ze te lachen — de ingetogen en vriendelijke zuster; zij lacht naar hartelust over alle onvoegzaamheden van het kereltje uit Lyon.

Ik hoor van uit mijn bed slechts zeer verward het versleten orgaan van Jan Klaassen, zijne uitbarstingen van vreugde na elke nieuwe misdaad en het droge geluid van stokslagen op de houten koppen; maar ik keu dan ook de platte en wilde vertooning, welke, ouwederstaanbaar, de lachlust opwekt, niet alleen van de kleintjes, op de banken gezeten, maar ook van de leegloopers, in groepen aan gene zijde van het touw geschaard.

Het is en blijft altijd dezelfde aardigheid. De vrouw van Jan Klaassen verwijt hem een luiaard en dronkaard te zijn, en Jan Klaassen frommelt haar muts in elkaar met de punt van zijn knuppel. De portier vertoont zich met een kwitantie voor huur in de hand, en Jan Klaassen,. die juist bezig is zijn meubilair door het raam te verhuizen, zet hem den waterpot op het hoofd. De eigenaar springt in de bres, en Jan Klaassen geeft hem een pak slaag. Een korps maréchausseés snelt toe en Jan Klaassen vermoordt die krijgslieden. De menschelijke gerechtigheid is onmachtig tegen dezen ontembaren kwaaddoener. Wanneer de magistraat in toog en zwarten rok verschijnt, slaat Jan Klaassen hem onmeedoogend ter neer met den omgekeerden kant van zijn knuppel, en zaagt hem den hals af op den rand

35

ocr page 40

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

van het toon eel. Zelfs de beul en de duivel in eigen persoon kunnen het niet klaar spelen met den misdadiger. Hij hangt den beul op aan zijn eigen galg, brengt den duivel met zijn eigen gaffel om hals. En al die gruwelen begaat Jan Klaassen te midden der kreten van uitbundige vroolijkheid, terwijl hij proest, zijn schouders schudt, en zijn zegevierend gelach laat weerklinken. O ! wat een booswicht!

Welk een aard van verdorvenheid gist er toch in de meuschelijke ziel, dat een dergelijk tooneel, waarop alle slechte neigingen voor den dag komen, zulk een machtig en zeker komiek bevatten kan, en zulk een aantrekkelijke uitspanning is, juist voor de onschuldigen — voor de kinderen, die het kwaad nog niet kennen, en voor deze dienstmaagd des Heeren, die, zooveel als dit mogelijk is, de zedelijke volmaaktheid nadert.

Met leedwezen stel ik mij die vraag, terwijl zuster Séraphique na het einde der voorstelling haar post bij het venster verlaat en, een weinig verlegen, mijn bed nadert.

z/Wat is die Jan Klaassen toch een slecht sujet!quot;

zeide zij. ,/Wat een schurk ! Wat een losbol!.....Die

slaat en doodt nu toch iedereen !..... Hoe is het

mogelijk, dat men de kinderen met zulke slechte zaken

amuseert?..... Wat mij betreft, ik schaam mij over

dat genotquot;.....

— Te meer, omdat ge het uur van meditatie erdoor vergeten hebt, zuster, voegde ik er vriendschappelijk bij om haar te plagen.

36

ocr page 41

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

De zuster gaat weer vlug zitten, neemt rozenkrans en kerkboek ter hand, en verdwijnt onder haar groote muts. Ai-me zuster! Zij maakt een gewetenszaak van haar verstrooiing van daareven en, ik zou het durven wedden, morgen zal zij zich in den biechtstoel beschuldigen naar Jan Klaassen gekeken te hebben en daar vermaak in te hebben geschept.

Stel u gerust, zuster. De fout is verschoonbaar. En toch heeft het mij verwonderd, dat gij, wiens leven uit gehoorzaamheid en zachtheid bestaat, u een oogenblik hebt vermaakt met de lage handelingen van den mensch, zooals hij eigentlijk van nature is, en zooals hij zich plotseling kan vertoonen, wanneer hij zijne hartstochten niet meer meester is, dat wil zeggen : als een prikkelbaar, redeloos dier, tot het dolst verzet en tot de ergste wreedheden in staat.

In nwe onwetendheid hebt ge om Jan Klaassen gelachen, maar, ik ben er zeker van, ge zoudt bittere tranen storten over andere poppen, die ge niet kent, over de speelpoppen in de maatschappij, die huichel-achtiger, maar niet minder ondeugend, niet minder schandelijk zijn. De menschen ontdoen zich niet met stokslagen van hunne vijanden; zij gebruiken wapenen, welke veel gevaarlijker en verraderlijker zijn. Velen aarzelen niet geweldenaars en beulen te worden om aan eigen voordeel en aan hoogmoed te voldoen.

Hoe meer ik er over nadenk, des te meer vermeen ik, dat het niet onnuttig is, dat het godvruchtige meisje

37

ocr page 42

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

een zwak oogenhlik heeft gehad, dat zij die caricatuur van een' misdadiger heeft gezien en om hem heeft gelachen. Zij zal zich daarvan een verwijt maken, zal in ijver verdubbelen, en zal beter dan te voren den geest van hare roeping — voor anderen te boeten — begrijpen. Want, wat de geleerden er ook van mogen zeggen, het Christelijk geloof is een verheven gevoel, zelfs boven dat der gerechtigheid staande; het eischt: dat, de gebeden en de goede werken van hen, die onschuldig en zuiver zijn van harte, de slechte gesprekken, de lage en schandelijke daden, en zelfs de misdaden der boozen, in de oogen van God zullen verzachten en vrijkoopen.

19 Augustus J897.

38

ocr page 43

III.

)uut\ j3r\ooD,

ocr page 44
ocr page 45

Duur Brood.

Duur brood !..... Gebrek!..... Deze droevige

woorden hoort men van alle kanten uitspreken en verspreiden een diepe ontroering, want niemand blijft onverschillig bij dit dreigend nieuws. De eerlijke menschen hebben er hinder van en de ergste eigenbelangzoekers worden er door opgeschrikt. Sommigen gevoelen medelijden, anderen zijn bezorgd, allen zijn verontrust. De quaestie over den prijs van het brood is waarlijk de eenige, welke wij niet tot den volgenden dag kunnen uitstellen door te zeggen : „Dat zal later wel terecht komenquot;, gelijk wij dat met zoovele andere vraagstukken doen, welke onze aandacht vorderen. De neiging alles van de beste zijde te beschouwen en de zucht alles op de lange baan te schuiven, welke dikwijls niets anders zijn dan huichelachtige uitingen van koelheid en ongevoeligheid des harten, zijn hier volstrekt verboden. De honger duldt geen uitstel. Er is hooge nood voor leege magen. Op het schrikwekkend oogenblik, dat de mageren beginnen te schreeuwen om brood, zijn de vetten wel gedwongen zich te herinneren, dat de uitge-hongerden klaar staan om te bijten, wanneer zij niets te eten hebben.

ocr page 46

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Dat men zich in acht neme! De prijs van het brood is de thermometer, welke den graad van geduld der armen aangeeft. Evenals op de zuil van een steenen brug de peilschaal eener rivier en de data van vermaarde overstroomingen zijn aangeteekend, zoo kan men ook op het witte aanplakbiljet van den bakker noteeren, wanneer de toorn der behoeftigen begint over te loopen.

Het onheil breekt uit. Men heeft den prijs van het brood opgeslagen en ongetwijfeld zal men morgen genoodzaakt zijn het nogmaals te doen.

In een groot gedeelte van Frankrijk is de oogst gelijk nul; alles is door stormen vernield, neergeveld, bedorven, en in de streken, welke de hagel gespaard heeft, is het nog een slecht jaar, een jaar van middelmatige korenaren en schrale schoven. Wij gebruiken jaarlijks honderd twintig millioen H.L. koren. Volgens de gunstigste berekeningen komen wij 30 millioen te kort.

Wij komen derhalve voor een netelig vraagstuk te staan : Wij moeten ons stelsel van inkomende rechten handhaven, hetgeen bijna onmogelijk schijnt, want dat zou het brood na een korte wijl te duur en, wat nog erger is, te schaarsch maken, — of wij moeten onze havens openzetten voor de lage graanprijzen van Amerika, en dat is de ondergang van de landbouwers. Nu spreek ik nog niet eens van een ander, nog vreeslijker gevaar, dat is van de speculatie in granen, van den opkoop, welken de conventie vroeger moest bestraffen als een hoofdmisdrijf, maar welken de tegenwoordige wetten

42

ocr page 47

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

alleen maar vervolgen en bestraffen (en dan nog maar licht!) als er een vereeniging van opkoopers in 't spel is, en dat is moeilijk te bewijzen. Wanneer de opkoop (en dit is, helaas! maar al te waarschijnlijk) de tegenwoordige crisis nog ingewikkelder maakt en verergert, dan is alles te vreezen, zelfs de hongersnood en zijne verschrikkelijke gevolgen.

Drommels ! Ik hoor de zoetsappige stem van menschen, die altijd door geruststellen : //Men overdrijft. Men maakt een valsch alarm. Er is geen gevaar in de hut. Het is niet de eerste maal, dat het brood 5 stuivers het pond kost. Een stuiver meer, het beteekent zoo weinig. Neemt bovendien het brood in onze dagen zulk een plaats in het budget der werklieden in ? Een zekere welgesteldheid heeft zich in den werkenden stand verspreid. Vertoon mij eens een werkman, die niet alle dagen vleesch eet? enz. enz.quot;

Zou men niet meenen die oude dame van het oude regime te hooren, die, toen men in hare tegenwoordigheid zeide, dat de armen gebrek hadden aan brood, uitriep: //Welnu, laten ze gebak eten!quot;

Personen, die met dergelijke verzachtende redeneeringen aankomen, hebben in den regel vaste goederen, soliede interesten, of een goede betrekking. Zij zijn gekleed in ontzagwekkende jassen, houden zich met Staathuishoudkunde bezig en draaien u aanstonds een octavo-boekdeel overladen van cijfers onder den neus, dat u zonneklaar bewijst, dat de armen ongelijk hebben

4a

ocr page 48

DE ZEGEN VAK HET LIJDEN.

en dat, als zij armoedig blijven, zij dat ook wel willen.

Dat zijn vreeselijke menschen. Beproef het niet hun te weerleggen : dat, als de meeste werklieden zich inderdaad met vleesch voeden om tegen vermoeienis bestand te zijn, men bij hen op tafel toch minder lamsbouten en ossenhazen zal aantreffen dan dikke soepen, waarin de lepel recht overeind blijft staan, en schotels met aardappelen; dat er een groot aantal arme oude lieden, weduwen met vele kinderen, alleen werkende vrouwen met sober loon bestaan, bij wie het brood de hoofdvoeding uitmaakt, die zich slechts de weelde veroorloven van spek en salade; dat een stuiver een stuiver is; dat 5 centimes brood per pond en per dag 18 francs uitmaken bij het einde van het jaar en dat 5 of 6 maal 18 francs (en in vele huisgezinnen eet meu dagelijks 5 of 6 pond brood) een zorgwekkend totaal bedraagt voor kleine beurzen. Waag het niet met dergelijke afgrijselijkheden aan te komen bij een Staathuishoudkundige, gewapend met tabels en met een statistiek vol transporten en accolades. Hij zou zich boos maken en antwoorden, dat gij er geen verstand van hebt; hij zou u behandelen als iemand die sentimenteel en misschien wel socialist is.

Intusschen, het feit is er. Het brood is duur, en wanneer wij er niet spoedig toe besluiten een bres te maken in dien Chineeschen muur, waarin wij ons door beschermende rechten hebben opgesloten, dan zal de prijs van het brood het volgende jaar winter nog meer

44

ocr page 49

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

stijgen. Deze laatste veronderstelling is niet aannemelijk, want er zou een publiek gevaar door ontstaan. Zeker, men zal er toe over moeten gaan, ten minste voor het oogenblik, de inkomende rechten op vreemde granen te verminderen, hetgeen betreurenswaardig is en een zeer gevoeligen slag zal toebrengen aan den Franschen landbouw, die reeds zoo zwaar getroffen is. Het is echter noodig.

Helaas! Wat is de wereld toch onverstandig. Het is duidelijk, dat de vrijhandel een zaak der toekomst is en, ondanks alles, moeten wij hopen, dat de volkeren vroeg of laat de formule van den Parijschen straatjongen zullen aannemen om hunne Staathuishoudkundige betrekkingen te regelen; deze formule luidt: //Geef mij wat van hetgeen gij hebt, ik zal u geven van hetgeen ik hebquot;. In afwachting daarvan zijn zij nog maar aan wilde concurrentie, aan meedoogenlooze worsteling bezig Zij beoorlogen elkaar minder met kanonnen (al gaan ze ook door zich te ruineeren met het aanmaken daarvan), maar zij wikkelen zich in een hardnekkigen tarievenstrijd. De tolbeambte is de eenigste soldaat, die zijn nut heeft in dezen tijd van nuttelooze wapening. Zonder de wetten van Méline, welke men bij slot van rekening op prijs moet stellen (want ons land is in 't geval van wettige zelfverdediging), zouden de Vereenigde Staten ons met graan mitrailleeren; zij zouden ons bombardeeren met zakken meel, onze boeren tot den hongerdood brengen door Frankrijk met graan te overladen, en ons dooden met levensmiddelen.

45

ocr page 50

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Er valt niets tegen te zeggen. De menschheid is nog al dom.

Hoe het zij, wij worden er toe gedwongen. Laten wij er ons bij neerleggen en onze grenzen half open zetten voor het graan van Amerika en Australië. Maar let wel op! Als wij brood van 4 stuivers het pond aan de armen willen geven, moeten wij voor de opkoopers op onze hoede zijn.

Hier komt de leer om alles van de beste zijde te beschouwen weer opnieuw tusschenbeide : //Hoe kunt ge zoo iets zeggen en welke afschuwelijke herinneringen wekt ge op? Terwijl ik naar u luister, vermeen ik de hoofden van Foulon en Bertier te zien voorbij komen, hoog op de punten van pieken geplaatst, met een bloedende strooien prop tusschen de tanden. Is het mogelijk brood op te koopen, in onzen tijd, met die

gemakkelijke wijze van vervoer ?..... Gij wilt

lachen.....Er zijn geen opkoopers meer.....quot;

Pardon, mijn waarde Heer, er bestaan er nog wel. Met millioenen kan men alles dwingen, en het winstbejag is grenzeloos. Onder de wereldburgers van Parijs kent gij, even goed als ik, verscheidene kolossale fortuinen, welke nog niet lang geleden schandelijke afmetingen hebben aangenomen, en welke geen anderen oorsprong hebben dan de speculatie in graangewassen. Gij zoudt zonder gewetensbezwaar die mannen kunnen noemen, want zij worden in de beste gezelschappen met onderscheiding ontvangen en omringd; gij zelf zijt zeer

46

ocr page 51

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

gevleid heu de hand te mogen drukken, als ge hen op de beurs of in de club ontmoet.

Het optimisme zal nu wel wat boos worden, want ik beleedig daar het eeuwige afgodsbeeld, het gouden kalf.

//Welnu, waar schuilt bij slot van rekening het kwaad? Sedert wanneer is het den kooplieden verboden een voorraad van de een of andere waar op te doen en dien slechts te verkoopen, als zij haren hoogsten koers bereikt heeft? Wat verwijt gij eindelijk aan die million-nairs? Dat zij gespeeld hebben? Het is geen misdaad gewonnen te hebben. Het is een kansrekening. Wat zou volgens u de vrijheid van koophandel worden?. ..

En zoo vervolgens.

Ik heb slechts te antwoorden, dat van alle agiotage, diegene het afschuwelijkst is, welke gedreven wordt met de voeding der armen, en dat het hatelijk is een individu te zien, verrijkt door de ellende van allen. Weet gij wat er geschieden moet, opdat die opkooper van graan een koning worde van Parijs; opdat hij een vorstelijk paleis en een weelderige equipage bezitte; opdat hij in hetzelfde jaar gedurende de hondsdagen een verblijf aan zee, in den herfst zijne jachtgoederen en in den winter zijn villa in het Zuiden bewone ? Daarvoor moeten duizenden werklieden, als zij zich naaide werf begeven, slechts een onvoldoend broodje onder den arm meenemen ; daarvoor moeten de arme vrouwen een te dunne boterham in het mandje van de naar

47

ocr page 52

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

school gaande kleinen doen; daarvoor moeten de door ontberingen uitgeputte moeders slechts een halve leege borst aan hun schreienden en zwakken zuigeling bieden; in één woord daarvoor moet een geheel volk hongerlijden.

Neen, neen, het koren is geen koopwaar, een waar zooals een ander, en de onverlaat, die, door ik weet niet welken eerloozen handel, den prijs van het koren en van de tarwe deed stijgen en de koper-groene stuivers der armen in baar goud heeft omgezet, zon verdienen, dat elk stuk brood, dat hij in den mond steekt, een walgelijken en bitteren smaak kreeg, den smaak van bloed en tranen !

Het dagelijksch brood ! Wat is het een schande voor onze hoovaardige beschaving, dat menschelijke schepsels er een enkelen dag gebrek aan kunnen hebben !

Panem nostrum quotidianum! Dat schoone gebed heb ik wat dikwijls herhaald in al deze dagen, want tijdens mijne langdurige ziekte, ben ik teruggekeerd tot het „oude liedquot;, zooals M. Jaurès zegt. Niet alleen bekoort het met een oneindige zachtheid hem die lijdt, maar het geeft ook moed en kracht. Dat bewonderenswaardige ,,Paterquot; bevat alles, zelfs de oplossing van het sociale vraagstuk.

Panem quotidianum Ja, dat is alles, wat de mensch aan het leven moest vragen en er van moest verwachten. Indien wij ons de onderrichting beter herinnerden, bijna twee duizend jaar geleden in de Bergrede gegeven

48

ocr page 53

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

indien wij elkander wezenlijk beminden, zooals Jezus het wilde, dan zouden wij allen het dagelijksch brood hebben en we zouden heel wat dichter bij het rijk der gerechtigheid, bij het rijk Gods zijn.

26 Augustus 1897.

49

4

ocr page 54
ocr page 55

IV.

|ST ROOM.

ocr page 56
ocr page 57

De Stroom.

Het voetpad, dat te midden van beuken en berken naar omlaag voert, wordt plotseling breeder, halverwege den met hout begroeiden heuvel, en het dikke tapijt van doode bladeren van den vorigen herfst buigt onder den voetstap van den wandelaar. De zoom van het woud is zeker niet verre. Het is al niet meer het terrein vol stof, waarop de roos en de droge heide bloeien; het is niet meer het ernstige en zwijgende woud. Welke plotselinge frischheid! Men gaat het teedere groene kreupelhout in. Onder het dooreengemengd loof staat het onkruid weliger, het fluweelachtige mos veelvuldiger en dikker; hier en daar ronden zich de ongezond - bleeke champignons. Wat een vogelenzang en vleugelgetril in het meer begroeid gedeelte! Hier moet water zijn, dat is zeker.

Stil! Een wolk heeft de zon omfloersd. Bastaard-nachtegalen en vinken zwijgen voor een oogenblik. Hoort ge niet dat frissche geluid, dat heldere gemurmel ? Kruipt onder het hout door. Past op de takken! Weest voorzichtig niet op den sponsachtigen bodem uitteglijden. Luistert. Bij dezen groenachtigen steenhoop suist de wilde kers. Eu ziet ge niet daar verderop dat smalle, helder-

ocr page 58

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

zilveren lint, dat kronkelt en Voortsnelt als een verschrikte adder?

Nu zijt ^e er ... . Dat is de bron.

Dit zuivere ijskoude water, waarmee men de holte van de hand vult, en dat men inzwelgt met het overheerlijke gevoel van //onschuldquot; te drinken, zal in weinige dagen den Atlantischen Oceaan bereiken en zich vermengen met de zware en zouten golven van een wijden riviermond. Het zal spoelen tegen de baken, welke met hunne dikke vermiljoenachtig geverfde olijven de klippen van de ree aangeven; het zal met kleine golfjes klotsen tégen de door schelpwerk bevuilde zijden van de groote //cargo-boats//, die aan de monding van de groote rivier voor anker liggen.

Wat was dat draadje water, dat zulk een grooten weg gaat afleggen en zich, helaas ! onder de reis gaat bederven, toch uitmuntend bij zijn vertrek! Het is het zinnebeeld van zuiverheid. Wie onzer is op onze wandelingen door het woud niet onder den invloed gekomen eener betoovering, toen hij eenige oogenblikken verwijlde bij de bron, waaraan hij zijn dorst had gelescht ? Heeft men daar niet, bekoord door haar gebabbel en in bewondering voor haren doorzichtigen glans, onwillekeurig gedroomd van jeugd en zuiverheid?

Naar de kust afdalend en in zijn vlucht, als een kruipend dier onder 't gras, heeft het beekje intusschen andere beekjes opgenomen en zich met onzichtbare bronnen vergroot. Nu is het in de diepte van een klein

54

ocr page 59

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

dal en voegt zich daar Daar de vredige kronkelingen. Wat is het water nog zwak in zijn loop ! Een plank is voldoende ora er over te komen, en bij droge zomers ziet men op sommige plaatsen slechts slijk en steenen op den bodem liggen. De onderaardsche wateren gaan er toch heimelijk heen. Het loopt nu door vette weiden. De wilgenboom groeit op zijn oevers en de oude stammen, in dubbele rij geplant, steken hun bleek loof omhoog. Nu en dan gaat een koe uit de naburige weiden, lomp en onhandig in het stroomend water, drinkt er, en na haar druipenden muil te hebben opgelicht, kijkt zij verwonderd naar den horizon.

Slechts eenige mijlen verder, bij den kruisweg van drie valleien, die hunnen vloeibaren cijns opbrengen, gaat het nederige beekje over in een kleine rivier. De aardrijkskunde heeft haar reeds den naam van rivier gegeven, den beroemden naam dien zij zal houden om de ontzagwekkende zeebooten te dragen en weerstand te bieden aan het onstuimige geweld van het getij. Zij is nog maar een aankomende rivier, die de oude steenen bruggen met een enkelen boog kunnen overspannen, en die haar landelijke bevalligheid behoudt. Zij loopt langzaam odner de olmen en populieren door, wier takken zijn saamgevlochten; de ijsvogel, die wegvliegt, doet een blauwen weerschijn glijden over het kalme water, somber geworden door zijn diepe slingeringen. In de lente is het een concert zonder einde in de struiken langs de beide oevers; de hemelblauwe insekten (schoen-

ocr page 60

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

lappers), bij groepen op het riet gezeten, zien er uit als muzieknoten, waarvan alle gevleugelde virtuozen hun gezang aflezen.

Op de jeugdige, nauwelijks bevaarbare rivier is het zeer stil. Hoogstens ziet men in de verte eeu schuitje, aan een boomstam vastgehecht, en daarin een katoenen wambuis, de punt van een grijzen baard onder een strooien hoed, een lange hengelroede, en, aan het einde van de lijn, een kleinen drijver — de eenigste roodc noot in al dat groen ! — welke zich heel zachtjes tusschen de groote bladeren der waterlelies beweegt.

De kleine rivier wordt echter snel volwassen en haar watermassa, altijd rijkelijker, begint haar nuttig werk te doen. Wanneer zij langs een dorp komt, hoort zij het lachend gebabbel van de waschvrouwen met hunne bloote armen en het regelmatig leven van de linnenkloppers — zij neemt de bonte zeepbellen mee. Haar eerste werk behoudt een onschuldig en herderlijk karakter. Met een soort van gelukkige welwillendheid treedt zij den moleii-loop binnen, werpt zich op het zware scheprad om het te doen draaien ; valt als waterval, vroolijk kokend, naar omlaag en vermaakt zich door de behaagzieke eenden-schaar heen en weer te laten wiegelen op haar golven, na den val zoo verontrust.

Plotseling, bij de kromming van een heuveltje, ontvangt zij haar eersten toevloed van water. Nu wordt zij tweemaal zoo breed en tweemaal zoo diep, en verdient „rivierquot; genoemd te worden. Zij stroomt kalm en werkzaam

56

ocr page 61

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

voort, want van nu af aan wordt zij bevaarbaar voor schepen. Op haar steile oevers, langs de trillende populieren, trekken de jaagpaarden met volle inspanning de ledige transportschepen tegen den stroom op, en op de hel geverfde sloepen, welke stroomaf gaan, zingen de schippers. Zij stroomt verder, maakt sierlijke krommingen, wordt somtijds ingesloten door de met vijgen beplante heuveltjes en houdt nu en dan op om haar gemak te nemen op de weiden. Langs hare vruchtbare oevers vermenigvuldigen de dorpen zich en de klokkentorens, stil als oudemannetjes, zien haar voorbijgaan.

Zij vervolgt haren weg. Zij verzwelgt een rivier, daarna nog een. Verderop, daar, waar het schaduwbeeld van den sluiswachter zich tegen de lucht afspiegelt, verrijkt een kanaal haar met zijn gevangen vloed. Zij stroomt verder de edele rivier. Zij loopt door beroemde steden. In haar vaart, belemmerd door schipbruggen en allerlei soort van vaartuigen, loopt ze met meer onstuimigheid tusschen de geschiedkundige oude steenen door, slaat al brommend onder tegen de schelklinkende bogen van de monumentale bruggen, en boven over de kaden, vol menschen en geraas, werpen de doorzichtige torenspitsen der oude kerken hun trillenden weerschijn op de golven.

Vervolgens werpt zij zich opnieuw in het vrije veld en vertoont haar spiegel aan alle tooverspel van de lucht. Onder het blakende zomerlicht schittert ze van vonken. De dageraad bestrooit haar met rozen, de ondergaande zon vult haar met topazen en hoogroode robijnen, en in

57

ocr page 62

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

de blauwe nachten schijnt ze een betooverenden droom te vervolgen in den droefgeestigen maneschijn.

De rivier heeft nu al haar kracht en al haar majesteit. Maar wat is er van het heldere en zuivere water van haar bron geworden P

Van af het eerste waschhuis, waarvan zij het vuile schuim heeft meegenomen, was elke aanraking met den menscli haar een verontreiniging. Hoevele riolen hebben zich in hare golven van slijk en krengen ontlast! De fabrieken der buitenwijken, wier hooge steenen schoorsteenen zich aan den waterkant verheffen, hebben langzaam en aanhoudend beken van vergift op baar afgezonden. Aan oude goudstukken, aan. oude kleiuooden, aan verroeste wapenen, welke zij in het voorbijgaan opgroef uit haar slib, heeft zij de sporen herkend van moorden, verscheidene eeuwen oud. Ongelukkigen hebben zich 's nachts van af eenzame bruggen voor altijd in de donkere diepten gestort; de moordenaars hebben haar de bloedende lichamen hunner slachtoffers toegeworpen. Somtijds, als gevoelde zij een lust tot braken, heeft zij de afschuwelijkste en meest bedorven overblijfselen op het gras aan den oever uitgeworpen. Zij is echter voor altijd besmet en, evenals het geweten van een misdadiger, draagt zij, met eenige onbekende en verlóren schatten, ontucht, schande, wanboop en misdaad in haar schoot!

Eindelijk heeft de stroom zijn loop volbracht. Ziedaar de wijde mond ; hij strekt zich zoover uit, dat de schepen, die voor anker liggen bij den onbepaalden en afgelegen

58

ocr page 63

59

wal; schepen, die de reis om de wereld hebben gedaan, of de zeeën hebben doorkliefd om indigo te halen onder de gloeiende zon; schepen, wier harde voorstevens de ijsvelden hebben verbrijzeld, te midden van afschuwelijke duisternis; de ranke driemasters ; de sterke stoombooten enz. gelijken heel in de verte op broze notenschalen, met spinnenwebben getuigd. De laatste boei is nu voorbij en op de grijze kust zijn de heele kleine witte tortelduiven der vuurtorens nog met moeite te zien. De groote vloei-bare massa, welke het getij beurtelings afstoot en tot zich trekt, rijst nu eens omhoog met kleine golven, verbitterd door den strijd, en ijlt dan weer met de snelheid van een stortvloed vooruit. In het breede van den stroom, waar de wind een verward gehuil aanheft, komen de diepe witgekuifde golven aangesneld; zij maken den mistigen horizon onzichtbaar; groote zeemeeuwen zweven als engelen boven den stroom, schrille kreten aanheffend — zij schijnen de droevige boden te zijn van den afgrond, die hem gaat verslinden.

Ik ken een ziel, aan dien stroom gelijk. Zij stort zich ook in zee, zij zal weldra te gronde gaan. Evenals hij, gevoelt zij zich bezwaard over haar verleden, nu zij den afgrond nadert; zij is diepzinnig en bitter, — diepzinnig als het geheugen, bitter als de ondervinding. Zij over-schouwt haar leven, dat bij slot van rekening vreedzaam en eerder weldadig was. En toch, hoevele smetten heeft

ocr page 64

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

die arme ziel op haar levenspad ontvangen, en voor altijd meegenomen ! Voor het stroomende water en voor den mensch, die door het leven gaat, bestaat er maar een oogenblik van volstrekte zuiverheid: de bron en de kindsheid. Evenals de stroom onreinheden en lijken voortrolt en verbergt in zijn modderige bedding, zoo is ook de ziel — zelfs bij de minst schuldigen — met schandelijke geheimen gevuld.

In deze wereld zuiver te blijven, dat is eene onmogelijke en wanhopende poging, het weder te worden in een nieuw leven, welk een ideaal, welk een verheven hoop ! De stroom door de zee met zwaar gereutel verzwolgen, zal zich zuiveren in het zout van den onme-telijken Oceaan. Arme ziel, verwelkt door het bestaan en diep geschokt op den drempel van de groote mysterie, gij ook durft droomen van onsterfelijke onschuld, niet waar ? Daarom denkt gij op dit oogenblik aan al die oude klokken van kerken en Kathedralen, welke de stroom in zijn golven heeft weerkaatst, en welke gij zoo dikwijls ontmoet hebt op uwen levensweg, zonder aan hun plechtig geroep te gehoorzamen. Daarom beantwoordt gij eindelijk het signaal dier oude steenen torenspitsen, die u met vertrouwen den Hemel wijzen en u aansporen tot gebed en geloof.

2 September 1897.

GO

ocr page 65

V.

FSCHEIDSGF^OET AAN MIJN HUIS.

ocr page 66

*

. ,

r

■

ocr page 67

Afscheidsgroet aan mijn huis.

Ik beken het, een aanval van droefgeestigheid overviel mij, toen mijn chirurgijn en vriend Dr. Duchastelet — die mij, dit zij tusschen haakjes gezegd, sedert het. begin van het jaar tweemaal het leven heeft gered — mij mededeelde, dat ik voortaan iemand zou zijn, die in het oog gehouden moest worden, zich in veel moest ontzien, vele voorzorgen moest in acht nemen, onbekwaam was om b.v. op het eerste signaal in een trein te springen en van Pontius naar Pilatus, van de Oudinot- naar de Mandresstraat te loopen, dat ik mij gedurende de laatste zomers had aangewend.

Een straatslijper, dien men voorschrijft zooveel mogelijk zijne kamer te houden ; iemand, die gewoon is rond te zwerven in Parijs, en gedoemd wordt stil te leven en huiselijk te zijn, kan niet aanstonds van een vroolijk humeur wezen. Daarbij komt, dat het eerste gevolg van die geneeskundige ukaze hierin bestond, dat ik mij moest ontdoen van het nederig, maar zeer bevallig, landelijk toevluchtsoord, waar ik, oude stedeling, sedert eenige jaren een olm van een lindeboom, en de korte rolslag van een weduwaal van het gezang van een bastaardnachtegaal met zwarten kop leerde onderscheiden.

ocr page 68

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Den volgenden dag was ik wel wat verdrietig, toen ik met den notaris van Bninoy sprak en, ingevolge diens wijze raadgevingen, den tekst van het aanplakbiljet en den daturn van toewijzing vasistelde. Geloof mij echter, ik heb in mijn binnenste niets gemeen met den wilden burger van Gavarnie, die van bewondering gapend voor „zijn muurquot; staat en ongetwijfeld van plan is dien met wolfsstrikken en glasscherven te versieren, want ik heb mij snel genoeg gewend aan de gedachte, dat mijn huis binnen weinige weken het eigendom van een ander zou zijn, en dat ik aan onroerend goed niets meer zou bezitten, dan het smalle, rechthoekige terrein, aan .het kerkhof Montparnasse gelegen, waar ik tegen het einde van Juli jongstleden domicilie moest nemen.

Het instinct var) eigenaar heb ik maar weinig, dat is zeker. In tegenwoordigheid van de buitenwereld ben ik altijd van gevoelen, dat zien hebben is en ik blijf immer geneigd de schoonheden der natuur evengoed te genieten van den openbaren weg, als te midden van een Hectare grond, door eigen penningen verkregen en tegen eiken inval beveiligd, minder door afsluitingen, dan wel door de bedreiging met dwangarbeid.

Het zou evenwel een dwaling zijn te veronderstellen, dat ik niet van mijn landelijk logies hield en het niet zonder spijt en droefgeestigheid verliet, hoewel de gevoelens, die mij hoe langer hoe meer bezielen, voortaan eiken afstand minder moeilijk maken.

De verplichting zijn ouderlijke woning ie moeten

64

ocr page 69

DE ZEGEN VAN HET UJDEN

vevkoopen moet wreed zijn, en ik kan mij geen smartvoller scheiding denken. Zeker, het moet een afschuwelijk verdriet zijn: voor de laatste maal te dwalen in de schaduw der' oude boomen, door uwen grootvader gepoot; bij vertrek een roos te plukken — om in het kerkboek zijner moeder te laten drogen — van den struik, dooide vereerde handen der arme vrouw in uw bijzijn vaak gesnoeid; op te staan — om er nimmer meer in plaats te nemen — uit den in het hoekje van den haard geplaatsten armstoel, waarin eertijds uw vader in de lange Octobermaanden een dutje deed; met den rondgaanden afscheidsblik de kamers te bezoeken, gemeubeld met bedden en wiegen, welke u den dood en de geboorte van zoovele geliefden in herinnering brengen; de deur der huiskamer te sluiten, wetende dat zij voortaan slechts zal worden geopend door een vreemdeling — die deur, waar op verschillende tijdstippen uwer jeugd uw lengte met potlood staat aangeteekend; de muren vaarwel te zeggen, waar uwe souvenirs dieper zijn ingegroeid dan de stevige wortels van het klimop; de bloemen te verlaten, die u in hun geur een weinig van de ziel der geliefde afgestorvenen schijnen terug te geven; men doorleeft alsdan een van die uren van doodstrijd, waarin de mensch gevoelt hoeveel diepte en waarheid er is in het „sunt lacryma rerumquot; van den dichter.

Ik heb dat harteleed niet gekend. Mijne arme ouders bewoonden, als werkzame bijen van de groote stad, achtereenvolgens eenige van die bijenkorven, zooals de

5

ocr page 70

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

huizen te Parijs zijn. Zij moesten dikwijls verhuizen en, al hetgeen ik van hen over heb, zijn —- wel nederige reliquieën — twee of drie zeer oude meubelen, uit de verhuizingen gespaard. De vergelijking tusschen de afscheidstranen, over den huiselijken haard gestort, en de geringe smart zich te zien verkleinen door de weerhanen van een dak af te staan, waaronder men eenige mooie zomers heeft geleefd, zou onzinnig en zelfs belee-digend zijn. Toch bestaat er overeenkomst tusschen beide gevoelens.

Ja, ik laat in dat aardige „Fraizièrequot; wel een stuk van mijn leven achter. Ik had gedacht, dat ik mij dit kleine park, dat er uitzag als een hoekje van Trianon — als belooning voor het velé werken — wel kon veroorloven ; die groote boomen, waaronder een gevleugeld orkest in de maanden Mei en Juni de heerlijkste concerten gaf; die smalle lanen, welke ik zoo gaarne doorslenterde, bij het vallen van den avond, onder het genot van resedageur; dien uitgestrekten moestuin, waarin het zware fruit in de gouden lentedagen de takken deed kraken en de druif zich verguldt langs de muren, te midden van bestoven en roestige bladeren; die rijen van hoogstammige rozen, waar men in het seizoen een wedstrijd heeft tusschen al die schoone „koninginnenquot;.

Die voorwerpen waren mij dierbaar. Ik had ze in het Toorbijgaan bezield met mijne droomen, ik had ze veel gegeven van mijn hart. Ik moet van dat alles scheiden. Een dom ziektegeval verplicht mij voortaan in de nabijheid

66

ocr page 71

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

te leven van zekere hulp; mijne anjelieren en bastaard-nachtegalen bevinden zich te ver van het iusnijmes.

Een ander zal er bezit van nemen. Ik hoop dat hij er zich aan zal hechten; dat hij er zich misschien deze illusie van zal maken: dat de bloemen, die de wandelingen eens dichters balsemden, een fijneren geur zullen uitwasemen; dat de vogels, die zongen om hem te bekoren, nog welluidender liederen zullen vinden. Ik wensch den nieuwen eigenaar van la Fraizière van harte geluk met zijn bezit. Ik wensch dat de lommerrijke plekjes nog frisscher, de grasperken groener, de vruchten saprijker, de bloembedden kleuriger en welriekender voor hem zullen zijn. Ik wensch vooral, dat hij het oude verblijf zal lief krijgen. Ik beloof hem echter geen bezoek.

Want ik beken mijne zwakheid. Ik zou kwaad zijn, als de nieuwe eigenaar in mijn bijzijn mijn oude kapel van vinken en meerlen zou hooren en den geur van mijn harem van „Madame Bérardquot; en van „la Gloire de Dyonquot; zou inademen. Ik zou daardoor als het ware een soort van ijverzucht gevoelen en mij een keer te meer bedroeven over de onverschilligheid der natuur, door te constatee-ren, dat de vogels, evenals de hofdichters, zingen voor Avie ook en de rozen voor den eerste den beste een aan-genamen geur verspreiden.

Nog eens, ik wensch mijn onbekenden opvolger alle mogelijk geluk. Moge het lachende hoofd van den jeugdigen Faun, in liet bladerenprieel, vanaf zijn pleisterzuil, hem ontvangen met een gastvrijen glimlach; en, daar de

67

ocr page 72

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

regen van dezen treurigen zomer zeker kwaad gedaan zal hebben aan het marmer van den kleinen zonnewijzer, midden in den moestuin, en de wat al te wijsgeerige en treurige inscriptie: Ultima latet (het laatste unr is ons niet bekend), welke men er op leest, nagenoeg zal hebben nitgewischt, raad ik den nieuwen eigenaar haar te vervangen door deze: Hor as non numero nisi serenas (ik tel slechts de schoone uren) — dit is een nauwkeurige uitdrukking mijner wenschen in zijn belang.

Moge het geluk wonen op la Fraizière ! Maar ik zal den ingang niet meer voorbij loopen, waarover een vlierboom zijne raketten van witte bloemen laat hangen. Deze gesloten deur zou trouwens voor mij het vijandelijk en geheimzinnig gelaat eener vrouw hebben, die men vroeger beminde en aan den arm van een ander ontmoet ; als ik het verlaten huis terug zag, zou ik niet kunnen nalaten het zoo grievend vers te mompelen uit: De droefheid van Olympio:

„Mijn huis ziet mij aan en kent mij niet meer.quot;

En toch zal ik nimmer geheel en al vreemdeling worden van het oude verblijf; want iets — meer en beter dan een souvenir — blijft achter op de plaats, waar wij even hebben halt gehouden, welke wij hebben lief gehad.

Moge het aan mijne verbeeldingskracht worden toegestaan te onderzoeken welke indrukken er zijn achtergelaten door den eersten bewoner, die zich vestigde in dit beminnelijk hoekje der natuur, en na te gaan welke voetsporen men er nog langen tijd zal vinden van hem, die het nu verlaat.

C8

ocr page 73

(gt;9

Toen ik voor het eerst de. Meimaand op la Fraizière doorbracht, gevoelde ik een groote vreugde bij de aangename ontdekking, dat mijn tuin vol nachtegalen was, die overheerlijk zongen. Oude landlieden hadden mij verteld, dat er vroeger, vóór 1830, nog niets bestond dan een klein huisje en een groepje hoornen, die het eigendom waren van eenen uitmuntenden violist, voormalig orkestmeester van de opera.

Ik begrijp niet, hoe ik er toe kom, in gedachte den virtuoos en de zangvogels met elkaar samen te brengen. Ik verzon een portret van den goeden sukkel, gekleed volgens de mode van zijn tijd, korte broek, schoenen met gespen, geprangt in zijn witte das, driemaal om den hals gedraaid, en in den hoogen kraag van zijn jas a la Goethe; ik stelde mij hem voor, gezeten in zijn huis, bij een openraam, uitziende in het groen, de stradivarius tegen den schouder, terwijl hij de verveling zijner eenzaamheid verdrijft door zijn voormalig succes op de concerten voor den geest te halen en met bewonderenswaardige meesterschap een moeilijk stuk te spelen, waarvoor veel techniek en muzikale kennis worden vereischt, b.v. — de heerlijke variaties op de aria van de „Carnaval de Venisequot;.

Toen viel mij de dwaze gedachte in, dat de nachtegalen, in hun eigenliefde gekrenkt, door een geest van naijver gedreven, aan den ouden kunstenaar hadden willen bewijzen, dat zij even sterk waren als hij ; dat hun gezang dat van zijne viool evenaarde; dat zij in staat waren met hun keel de wonderen te hernieuwen, eertijds door

ocr page 74

70

den beroemden Paganini op de vierde snaar volvoerd; dat zij in dieri muzikalen strijd met meer stoutmoedigheid eu vlugheid een macht van tonen hadden ten ge-hoore gebracht; gemakkelijker hun stilzwijgen verbroken, hunne teedere modulaties verdubbeld, hunne verliefde zuchten hadden verlengd.

Ongetwijfeld begreep ik, dat de oude orkestmeester sedert lang gestorven was en de talrijke vogelgeslachten verdwenen waren. Wat komt het er op aan ! Ik wilde gelooven, dat in mijne lindeboomen de traditie was bewaard gebleven, dat de kleinen, nauwlijks uit den dop, eene uitmuntende muzikale opvoeding ontvingen, en ik rechtvaardigde daardoor mijn beweren (een eigenaar waardig), dat ik nachtegalen in mijn tuin had, die beter zongen dan andere.

Ik ben er van overtuigd, dat er in de nestjes op la Fraizière nog steeds sprake is van den ouden violist. Wat mij betreft, ik heb er mijn verblijf gekenmerkt door, zooveel in mijn vermogen was, de schoone roos (van donker (luweelachtig purper en. fijnen geur) te vermenigvuldigen, waaraan een tuinminnaar de vriendelijkheid gehad heeft mijn naam te schenken.

lu de bloemen, die ik liefhad, blijft iets van mijn ziel achter; in de takken, waarin de vleugelen trillen, is ook iets van de ziel des kunstenaars, die de vogels naijverig maakte, en in de heerlijke lentemorgens zullen de glorie en de schoonheid van de roos des (lichters dooi'deze buitengewone nachtegalen, achterkleinzonen van de mede-

ocr page 75

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

71

dingers van den ouden musicus, geroemd worden in verliefd gezang.

19 September 1897.

ocr page 76
ocr page 77

VI.

I SSI O NARISSEN.

fA

ocr page 78
ocr page 79

M i s s i o ii ti rissen.

Een jongeling, dien ik hartelijk liefheb, en die, gehoor gevend aan een onweerstaanbare roeping, besloten is weldra priester te worden bij de Vreemde Missiën, heeft mij op het oogenblik, dat hij werd gewijd en zijn laatste gelofte aflegde, een brief geschreven, die mij zeer heeft ontroerd. Dat godvruchtige kind (ik heb zelden een ziel gezien, zoo enthusiast en zoo zuiver) schriift mij, dat hij

O T , . .

voor mij zal bidden, wanneer hij over eenige dagen, op 't oogenblik van zijnen geheimzinnigen ondertrouw als nederig en zwak slachtoffer, uitgestrekt zal liggen op de vloersteenen van de kerk; in da f uur, dat over zijn leven beslist, vraagt hij mij een souvenir in ruil.

Ik zal dat uur niet afwachten om voor een ieder en met luider stemme openlijk uit te roepen, in hoeverre mijn jeugdige vriend mij benijdenswaardig voorkomt in den ijver en in de oprechtheid van zijn geloof. Want zelfs in de oogen van den ongeloovige, — wanneer ik dit woord gebruik, spreek ik Goddank niet over mij zeiven — zelfs in de oogen van den ongeloovige, zeg ik, is de missionaris bewonderenswaardig.

Inderdaad, hij neemt niet alleen, in al zijn strengheid, den regel aan, welke aan priesters en religieusen wordt

ocr page 80

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

opgelegd, maar hij verlaat zijn land, zijne ouders, allen, die hem dierbaar zijn, zonder hoop van wederzien. Hij gaat voor altijd leven in een noodlottig klimaat, te midden van harbaarsche en wreede volken. Alleen en weerloos vertoont hij zich aan hen, slechts begeleid door zijn engelbewaarder en alleen maar gewapend met zijn moed en met het Evangelie. Tot deze wilden, die beven van schrik voor dreigende afgodsbeelden, spreekt hij van eenen God van liefde, die wil dat men Hem aanbidt in geest en in waarheid. Hij wil de christelijke zedeleer, welke de slechte neigingen beteugelt, onderwijzen aan deze wezens, alleen door lusten geregeerd; hij wil hun nieuwe deugden inprenten, waarvan hij overigens het voorbeeld geeft. Een geest van strijd en haat is de normale toestand dezer ongehikkigen ; de missionaris eischt dat zij hunnen vijanden zullen vergeven en begint hun te zeggen : ,/Vrede zij u \quot; Hun eerste doen en laten bestaat in diefstal en roof; de missionaris beveelt hun weldadig te zijn en de goederen dezer wereld te verachten. Zij leven in een bijna beestachtige gemeenschap; de missionaris noodigt hen uit tot de eerbare vreugde van het huisgezin. Zij maken slaven van de overwonnenen en drijven handel in menschenvleesch; de missionaris verklaart hun, dat alle menschen broeders zijn in Jezus-Christus en gelast hun uitdrukkelijk ketens en kluisters te verbreken.

Wat al gevaren voor dien priester, zoo zacht, die tegenover de afgrijselijke wapenen, bij eiken voetstap op hem gericht, slechts zijn kruisbeeld kan stellen. Dikwijls

76

ocr page 81

D£ ZEGEN VAN HET LIJDEN.

valt hij onder het moordend staal, zelfs nog vóór hij een enkele bekeering kon doen. Hij heeft echter sedert lang het offer van zijn leven gebracht en zich met gelatenheid onderworpen aan de folteringen en aan den dood. Wat zeg ik ? Hij wenscht en hoopt dien glorievollen dood te sterven; hij neemt hem met geestvervoering aan, overtuigd dat het bloed van den martelaar vruch-baarder is voor een goddeloozen bodem, dnn zelfs de wateren des doopsels, en dat de naam van den God, Wiens geloof hij in zijne martelingen belijdt, niet vergeten zal worden door de beulen, die verschrikt zijn door zijn heldenmoed en die hij al stervende zegent.

Ja, zelfs hij, die afvallig is voor zijn geheel volgend leven, zelfs hij, die geen hoop heeft — wanneer hij ten minste het gevoel voor grootheid nog in zich omdraagt

— kan den missionaris zijn ontroering niet verbergen en hem zijn eerbied niet onthouden.

Ik vind die priesters van de Vreemde Missiën in liet, meest afgelegen plekje van mijn geheugen terug; want in dien hoek van de voorstad Saint-Germain, waar ik

— nu bijna 56 jaar geleden — geboren ben, en waar ik op dit oogenblik nog woon, komt men hen dikwijls tegen op de breede trottoirs van de straat Sèvres, of te midden van het gedrang in de Racstraat.

Toen ik klein was, wekten zij in de hoogste mate mijne kinderlijke nieuwsgierigheid. Ik vond in hen zoo weinig overeenkomst met andere geestelijken. Hun bronskleurig uiterlijk, hun lange baard, hun levendige en

77

ocr page 82

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

onverschrokken gang, welke het priesterkleed deed klepperen, iets manhaftigs en om zoo te zeggen iets krijgshaftigs in hun geheele voorkomen, dat alles vervulde mij met verbazing. Eenigen — men weet dat zij in verafgelegen Missiën dikwijls gewichtige diensten aan Frankrijk bewijzen — waren gedecoreerd als soldaten.

Somtijds zag ik een ouden bisschop, met de groene en gouden lis om den Romeinschen hoed en het herderlijk kruis, glinsterend in de zilveren golvingen van een aartsvaderlijken baard, uit het rijtuig komen bijeen huis, dat er uitzag als een pastorie en door de geweldige verbouwingen van „le bon Marchéquot; reeds lang verdwenen is. De goede lieden van die' wijk spraken met eerbied den naam uit van den vreemden kerkvoogd en van zijn diocees, bij de zwarten in het duistere Afrika, of bij de gelen in het hartje van het schrikwekkende Azië.

Scholier als ik was, dacht ik, bij het zien van deze Missionarissen, aan de uitgestrekte zeeën en aan de wonderbare landen, in mijn atlas aangegeven ; ik droomde van lange overvaarten ter zee, van schipbreuken bij onbekende eilanden, van buitengewone lotgevallen bij de wilden, gewapend met een knods en getooid met een diadeem van veeren, zooals men ze bij de pluimballen van het raketspel aantreft.

De goede Vaders vermoeden het niet, maar omstreeks mijn 12® jaar hebben ze mij in verbeelding twintig soorten van bestaan doen leven, gelijk aan dat van Robinsin Crusoe, van kapitein Coolz, enz.

*78

ocr page 83

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Ik heb deze priesters, die mij langen tijd toeschenen als baadden zij zich in de poëzie mijner kinderlijke souvenirs, kort geleden van nabij gezien in een der plechtig-ste uren van hun geestelijk leven; een hunner leerlingen, de voortreffelijke jongeling, van wien ik zooeven sprak, had mij de aandoenlijke ceremonie laten bijwonen van een vertrek van Missionarissen.

Ik zal niet beproeven er een beschrijving van te geven, nadat Louis Veuillof het deed ; ik kan mijne lezers slechts verwijzen naar de zeer schoone bladzijden over dat onderwerp in Cd et la. Het zij mij echter vergund hier mijn indruk neer te schrijven — een van de scherpste, welke ooit mijn hart bewogen heeft.

Het was eerst ia den ontredderden tuin onder een mistige herfstlucht. De hooge vensters der oude gebouwen — edel verblijf in den stijl van het oude Frankrijk — schenen naar de priesters en leeken te kijken, die op het appèl van een groote Chineesche klok, op het barbaarsche en zwakke geluid van de gong-gong, zich haastten de rechte lanen, met palm omzoomd, te verlaten. In een hoek van den tuin verhief zich het beeld van de H. Maagd, stralend te midden der gouden druppels van talrijke kaarsen, daarvoor waren de tien vertrekken den, in gebed verzonken.

Van verre zag ik hunne ruggen en schouders, welke spoedig zouden worden neergedrukt door zooveel vermoeienis; hunne nekken waren gebogen, als offerden zij die reeds aan het zwaard des beuls. Geknield zongen zij de liefelijke litanieën, en het „Ora pro nobisquot; werd

79

ocr page 84

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

staande door de aanwezigen geantwoord. Maar toen zij de Koningin der Apostelen, de Koningin der Martelaren, de Koningin der Belijders, aanriepen, knielden allen op de afgevallen bladeren ; ik voelde een heilige rilling gaan over deze menigte en door mijn hart. Ja, nit terugwerkende kracht en nit sympathie voor deze jongelieden, die zich aan den dood wijdden, gevoelden wij iets van den doodgangst, welke Jezus terneer drukte op den vóóravond van Zijn lijden, in den tragischen nacht, onder de duistere olijven.

Toch was het aandoenlijkste en plechtigste oogenblik nog niet daar.

Bij het einde van de litanie volgden wij de vertrek-kenden in de kapel, die koud en zonder verzieringen is. Sober en streng was ook het woord van den overste,, die in naam van de geheele congregatie voor altijd hier op aarde afscheid van hen nam. In zeldzaam kernachtige bewoordingen drukte hij op dit afscheid, den reizigers herhalende, dat zij zonder hoop op terugkeer vertrokken, dat zij voor altijd hun vaderland en hunne familie verlieten, en de scheiding beslist, volkomen, en volstrekt was. In de stalles en in de tribunes van de kerk waren de ouders van de jonge Missionarissen. Dezen hoorden, in staande bonding, onbewegelijk, de oogen neergeslagen, de armen met manmoedige geestdrift over de borst gekruist, zonder één zucht, zonder zelfs de oogleden te bewegen, naar den redenaar, die altijd het afscheidswoord herhaalde en hun onophoudelijk herinnerde, dat het offer onherstelbaar was.

80

ocr page 85

DE ZEGEN VAX HET LIJDEN.

Het was heel eenvoudig, en.....vreeselijk.

Toen de supérieur zijn aanspraak geëindigd had, plaatsten zich allen op één lijn vóór het altaar. Daar stonden ze vol jeugd en kracht; ze schenen het bloedbad af te wachten. Dadelijk dacht ik aan de gijzelaars van de Commune, die front maakten voor een peloton Fédéralisten.

Toen begon het aandoenlijkste oogenblik der indrukwekkende plechtigheid. Alle aanwezigen defileerden beurt om beurt voor de Missionarissen, hen eerst op de voeten en daarna op het gezicht kussende — op de voeten om hen voorspoedige reis en ruimen oogst van zielen bij de ongeloovigen toe te wenschen; op de beide wangen ten teeken van broederlijke teederheid en eeuwig vaarwel.

Ik was vergezeld van een'jongen dichter — een mijner vrienden — wij aarzelden geen van beiden het kerkge-bruik te volgen, want zij, die een weinig ideaal in de ziel hebben, buigen het hoofd zonder moeite voor hetgeen waarlijk groot is; beiden hadden wij de tranen in de oogen, toen wij die palakijnen van den Christus, die zwervende ridders van het geloof omarmd hadden; zij drukten ons met een gelukkigen glimlach aan het hart en bevalen zich aan in onze gebeden.

Mijne gebeden ! op uw beurt vraagt ge ze mij, dierbaar kind, dat u door eeuwige geloften aan den dienst van God gaat wijden en dat ik het volgende jaar, wanneer ik er nog ben, in de kerk der Missiën zal gaan omarmen !

Mijne gebeden ! Sedert geruimen tijd had ik ze vergeten

KI

6

ocr page 86

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

en er zijn vele maanden van ziekte en lijden noodig geweest om ze opnieuw te stamelen, om met weerzin alle oude raadselen, die voor mijn geest kwamen, terug te drijven en in overgroote liefde de handen uit te strekken naar eenen Hemelschen Vader, aan Wiens ondoor-grondelijken wil ik mij voortaan met gehoorzaamheid wil onderwerpen. Maar, helaas! ondanks alle pogingen om mijn hart met nederig vertrouwen te bezielen, ben ik bestemd, ik voel het, nog veel door twijfel te lijden en menigmaal zal ik het eminente woord, dat Pascal aan God zelf durft ontleenen, moeten herhalen :

„Gij zoudt mij niet zoeken, indien gij mij niet reeds gevonden hadt.quot;

Mijne gebeden ! De uwen heb ik noodig, onverschrokken en godvruchtig kind, de uwen en die uwer vrienden in de Vreemde Missiën, van die bewonderenswaardige Christenen, die uit de navolging van het leven van Jezus bij voorkeur Zijn lijden en Zijnen dood gekozen hebben en die ik — in een onvergetelijk uur — geschaard zag voor het altaar, in de houding van slachtoffers, gereed den Kruisdood te sterven, de handen geopend aangeboden voor de spijkers van den beul en de zijden voor de lans van den hoofdman.

23 September 1897.

Hi

ocr page 87

'oyen de Wolken.

• f ll

ocr page 88
ocr page 89

Boveii de Wolken.

Het is al vrij wat jaren geleden, dat ik, in den loop van een buitengewoon mistige Januarimaand, eenige weken te Genève moest doorbrengen.

In den winter en bij een treurigen en somberen hemel vertoont het calvinistisch Rome zijn wezenlijk uiterlijk; men kent het niet door het in het mooie seizoen vluchtig te bezoeken, zooals de toeristen dat doen. Welke herinneringen behouden zij er inderdaad van ? De decoratie zonder weerga van het meer en van de bergen, de weelderige hotels op de kaden, de elegante magazijnen van de „Coratteriequot;, het cosmopolitisch gekweel van de passagiers op de aanlegplaatsen van de boot naar Lausanne. Ziedaar zoo wat alles. De nagedachtenis van Calvijn heeft niets aantrekkelijks. Weinige menschen komen in verzoeking, in de stegen van de oude stad en onder de kruisbogen van Sint Pieter, de sporen van den vreese-lijken sectaris op te zoeken. De reiziger neemt van Genève slechts den oppervlakkigen indruk mee, dat het een rijke en mooie stad is, gelegen in een grootsch en bekoorlijk. landschap.

Om de koude maar verheven poëzie van de oude Citadel van de Reformatie te gevoelen, moet men er

ocr page 90

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

in het hartje van den winter zijn, wanneer de strengheid van temperatuur overeenkomt met de plaatselijke zeden en wanneer de Noordenwind blaast, zoo scherp als een schrijver over betwiste leerstukken. Het meer van Genève verbergt zich in den mist, alsof zijn wellustig blauw de eerbaarheid der Hugenoten vreesde te beleedigen, en de geraamten der boomen zijn even droog als een predikatie. Dan is het oogenblik daar, dat ge de donkere en vochtige straten van de hooge stad moet beklimmen. Er bestaan daar kleine, eenzame plaatsen, waar een blader-looze olm boven een oude steenen trap uitsteekt; zonder veel verbeeldingskracht kan men zich voorstellen Calvijn te zien verschijnen in rok en zwarte mnts, terwijl hij een grooten bijbel met slot onder den zeer mageren arm houdt en in zijn puntbaard den een of anderen vloek tegen de vrijgeesten en ketters mompelt.

In die sombere wijk bevindt zich ook de Grangesstraat, de voorstad Saint-Germain van Genève, waar de zeer rijke en zeer godvruchtige ,,momiersquot; wonen, die het geheele jaar door bidden en sparen.

Wanneer men daarna afdaalt in het nieuwe gedeelte der stad en zich in de bedrijvige foule mengt der handelsstraten, vindt men op veler gelaat hetzelfde karakter van stuursche deftigheid. De vrouwen, ingestopt in bont-werk en sluiers, willen het laten voorkomen, alsof hunne, schoonheid aanstoot geeft, en op den drempel van de Beurs merkt men heeren op, die er ernstig en ingetogen uitzien — het zijn bankiers, die onder elkaar over den koers van

86

ocr page 91

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

den dag spreken, maar die men gaarne zon houden voor geleerde doctoren in uitlegkunde, bezig aan de vertolking van den een of anderen gewijden tekst.

Moge de goede bewoners van Genève mij de onschuldige guiterij van deze vluchtige schets vergeven. Ik zal de hartelijke ontvangst niet vergeten, welke mij eertijds te beurt viel, toen ik hun mijne verzen kwam reciteeren; evenmin als de mij dierbare sympathie, welke ik van hen mocht ondervinden. Wie zou trouwens de gastvrije en leergierige stad niet achten en bewonderen, de stad van vernuft en vrijheid, het natuurlijke toevluchtsoord van zoovele bannelingen !

De burgers van Genève zullen echter moeten toegeven, dat de winter streng is aan de oevers van het meer. Mijne rilling en physieke benauwdheid waren dus te verontschuldigen, toen ik op dien morgen in Januari, bij mijn ontwaken, door de ruiten van mijn venster een atmosfeer van wanhoop en zelfmoord, een afschuwelijken mist waarnam, die den rook deed proeven, en tot in mijne kamers doordrong.

Ineens kwam de vriend, wiens gast ik was, mijne kamer binnen en zei vroolijk ;

„Wilt ge de zon zien ?quot;

Ik dacht eerst aan een misplaatste aardigheid. Maar neen. Niets was eenvoudiger. Men behoefde slechts een rijtuig te nemen, zich tot een zekere hoogte, aan de zijde van de Salève, te laten brengen en te voet eenige bergen te bestijgen, dan zou men boven den mist komen — men zou de zon en den blauwen Hemel zien.

87

ocr page 92

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Laat ons eerlijk zijn. Ziedaar een genoegen, dat men zich in het midden van den winter niet zou kunnen verschaften te Parijs, en zelfs niet te Montmartre, boven van de torens van de Sacrè-Coeur.

Zooals gij denken kunt, nam ik het verleidend voorstel met vreugde aan en een half uur later waren wij gezeten in een zeer gemakkelijken landauer; een ondoorschijnende wasem besloeg de ramen en sloot ons van de buitenwereld af.

Wij reden vrij lang, eerst in draf, toen in stap, zonder iels van het bergopgaan te bemerken, dan liet aantrekken van de paarden, dat men binnen in het rijtuig zoo goed voelt. Toen wij ophielden, stegen wij uit, midden in een wolk.

Het was nijpend kond. Men zag geen tien passen voor zich uit. Daarbij kwam, dat men naar den grond moest zien om niet in wagensporen en half bevroren slijk te struikelen. Rechts en links verhieven zich boomstammen, losjes gedoezeld, en als ingewikkeld door watten. Ofschoon ik in dien tijd een stevig lt;voetganger was — helaas! dat kan ik nu niet meer zeggen — viel het klimmen mij toch zwaar. Het zweet brak ons uit onder de overjassen; wij hijgden en, mijn metgezel en ik, bliezen uit mond en neusgaten driedubbele kolommen rook, die zich aanstonds verstrooiden en zich bij den mist voegden. Op den stok geleund en langzaam met den verlengden pas van den Alpenbeklimmer voortgaande, kwamen wij toch vooruit en van lieverlede stegen wij

«8

ocr page 93

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

in den witten damp. Hij werd eindelijk minder dicht en nam een lichte rozentint aan, een soort voorgevoel van de zon. Het doel naderde. Ka konden wij het natte gras der hellingen, de wormstrepige schors der eiken en het altijd groene kreupelhout onderscheiden. Voor ons uit kwamen ten laatste de toppen der dennen uit den mist voor den dag, en een feeder, blauw, uitmuntend licht verspreidde zich boven ons hoofd.

Het was de Hemel. Wij waren boven de wolken.

Ik zou honderd jaar kunnen worden — hetgeen ik niet wensch en dat trouwens onzinnig en ergerlijk zou zijn — zonder de vreugde, de betoovering, de geestvervoering te vergeten, welke mij toen overweldigden en bezielden voor het wonderbare schouwspel.

Wij bevonden ons op de punt van een soort voorgebergte en aan alle zijden strekte zich uit en ontwikkelde zich voor onze oogen : een onmetelijke golf, melkwit van kleur — het was de wolk, die wij waren doorgekomen; in 't midden daarvan lagen Genève en het meer. Uit die dampige zee stegen kreten, geroep, het geratel van rijtuigen, somtijds het scherpe gefluit van de locomotief, al het leven eener groote stad omhoog. Daar heb ik gedroomd van de geheimzinnige „Atlantisquot;, en ik herinnerde mij de legende van de stad „Isquot;, welke door de golven van Morbihan verzwolgen werd en waarvan de angstige zeelieden nog de klokken meenen te hooren.

Tegenover ons, en om zoo te zeggen op den anderen oever, dook de Juraketen uit de geheel witte wolken op.

89

ocr page 94

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

terwijl de melkachtige Oceaan zich aan den horizon verloor en door ongevoelige schakeeringen ineensmolt met het bleeke azuur des Hemels. Somtijds kwam er een meeuw van het meer Léman uit den mistigen afgrond voor den dag, vloog een paar minuten met uitgestrekte vleugelen in het volle licht, om zich daarna weer met een schrillen kreet in de wolk te storten, als wilde zij den spot drijven met de bewoners van de groote stad, die in de diepte van den afgrond kropen; niets was tooverachtiger dan die witte zee, waar de vogels onophoudelijk in- en uitvlogen. Boven al deze wonderen stond zegevierend, midden aan den Hemel, een heldere en koude winterzon; in de verte verspreidde zij 'over de besneeuwde bergtoppen een licht paarsen schijn, heerlijk van tint; om ons henen deed zij het natte gras schitteren als edelgesteente.

Ja, ik zal ze mij altijd herinneren, mijne heerlijke hartklopping, mijn diepen zucht van geestdrift, toen ik, na dien moeilijken tocht door den duisteren en ongezonden mist, plotseling voor die prachtige tooverij dei-natuur stond en geheel verblind werd door zooveel pracht en zooveel zuiverheid !

Waarom vervolgt mij heden met zooveel volharding het souvenir uit het verre verleden van deze bewonderenswaardige gewaarwording, wellicht eenig in mijn leven ?

Ach ! het komt, omdat ik vreeselijk geleden heb, omdat ik alle dagen nog lichamelijk lijd; het is omdat nu voor

90

ocr page 95

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

mij de winter van het leven, de ouderdom en zijne gebreken daar zijn. Niet lang geleden nog maakte die achteruitgang mij wanhopig en ik stikte in den mist van duisternis. Gelukkig heeft de hand van een' vaderlijken en godvruchtigen vriend zich toen naar mij uitgestrekt; hij heeft met een standvastige goedheid bevolen, dat ik mij op weg zou begeven en op zou klimmen naar liet licht. Hoe gelukkig ben ik in het diepst van mijn hart een weinig van mijne ziel en van mijne kindergebeden terug gevonden te hebben ! O ! hoe zoet is het nederig, ge-trouwvol en gehoorzaam te zijn ! Nauwelijks heb ik de eerste etappe beklommen en reeds verdwijnt de mist van hoogmoed en onreinheid, die den rechten weg voor mij verborgen hield.

Hooger nog mijn ziel ! Altijd hooger! Boven alles wat wij van den Hemel zien ! Welk souvenir heb ik zooeven herdacht ? Op den berg klom ik slechts naar de zon. Thans ga ik opwaarts naar een aan niets te vergelijken licht; want, volgens het schoone woord van Michael An-gelo, is de zon slechts de schaduw van God.

28 October 1897.

ocr page 96
ocr page 97
ocr page 98
ocr page 99

Kinderlijk Souvenir.

Toen ik gisteren beproefde een weinig orde te brengen in de prullekraam mijner bibliotheek, vond ik liet oude boek terug, waaruit mijne moeder mij had leeren lezen.

Dat boekdeel — het Leven van den H. Lodewijk — uitgegeven bij den aanvang der Restauratie en ruw ingebonden in schapenleder, werd haar als prijs gegeven, toen zij nog op school ging. Dit souvenir uit mijne kindsheid was ook getuige van de hare. Ik doorloop de gele bladen, waarvan ik — hoe langzaam en met hoeveel ia-spanning ! — de woorden leerde spellen, die zij mij met de punt van haar breinaald aanwees, en ineens valt het mij in, dat over deze zelfde bladzijden, zeer lang geleden, het leergierige hoofd van een klein meisje zat gebogen, en dat kleine meisje mijne moeder was.

Hoe vreemd ! Deze gedachte, dat mijne moeder eenmaal kind geweest is, komt voor het eerst van mijn leven in mij op en verrast mij minstens evenzeer, als zij mij ontroert.

Mijne moeder liep naar de veertig, toen zij mij het leven schonk. Men heeft mij verzekerd, dat zij er in haar jeugd frisch en opvallend uitzag, maar het eenige portret, dat van haar bestaat, werd weinige jaren voor

ocr page 100

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

haar dood genomen en, zoover als mijn geheugen reikt, droeg dat lieve gezicht al de sporen van ouderdom. Zouden zij, die hunne moeder jong en schoon hebben gekend, een bijzonder genot gevoelen door zich haar aldus voor te stellen ? Ik weet het niet. Volgens mij zijn diegenen bevoorrecht wier eerste blikken een over hun wieg gebogen voorhoofd zagen, waarop de stempel van levensmoeheid was gedrukt, en die hunne moeder altijd oud hebben gekend. Het aandenken, dat zij van haar bewaren, is zoo niet dierbaarder, althans heiliger, en, wat de grijsheid voor eerbiedwaardigs heeft, voegt zich bij de grootheid van het moederschap.

Dat ondeugende oude boek, dat mijne moeder gebruikte om mij de zoo moeilijke kunst van lezen te leeren; dat boek, dat zij in haar schooljeugd al bezat, brengt mij dus op de gedachte, dat zij een klein meisje is geweest. Ik kan mij echter hare spelen en haren kinderarbeid niet voorstellen, evenmin als hare jongemeisjesdroomen, of hare vreugde toen zij beminde echtgenoote werd. Ik wil in haar slechts mijn mama, mijn oude mama zien.

Het schijnt mij toe, alsof ik te kort kom aan het 4de gebod : „Eert vader en moeder, enz.quot; en alsof er een, weinig van den teederen eerbied zou verloren gaan, waarmede mijne gedachte het dierbare beeld mijner moeder omhult, indien ik mij haar een enkel oogenblik buiten de moederlijke werkzaamheden voorstelde, zonder de eerste grijze haren en zonder de weinige rimpels, die zij al had, toen ik nog heel klein was.

96

ocr page 101

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Er zou een uitmuntende en vloeiende pen (die ik niet heb) noodig zijn, men zou luchtvormige woorden moeten kiezen om dit godvruchtig en naijverig gevoel, die teergevoelige angstvalligheid, deze schakeering van ziel uit te drukken. Ik kan er geen beter denkbeeld van geven, dan door het in herinr 0ring brengen van het zoo aandoenlijk en diep geheim van het Christelijk geloot', dat de Moeder van Jezus met een idealistische zuiverheid omgeeft.

Ja, in de oogen van hem, wiens hart waarlijk kinderlijk is, is zijn moeder onbevlekt.

Bovendien, 't is immers heel natuurlijk, dat ik mij haar, voor w^e ik steeds een kind was, slechts voorstel onder de wezensstrekken eener moeder. Toen zij stierf, was zij een-en-zeventig, en ik drie-en-dertig. Ik was derhalve een man, — een man, die geleefd, gewerkt, genoten, geleden, meer dan twintigmaal door de vlammen van den hartstocht is gegaan; een man, wel is waar getrouw gebleven aan zijne voornaamste plichten, maar, helaas, schuldig aan tal van gebreken en ... . zonder onschuld. Voorzeker moeder wist het. Zij kende de pogingen, die ik aangewend had om moed te scheppen, mijne zwakheden om die te verontschuldigen; zij had deelgenomen aan mijne genoegens en mij getroost in de uren van angst. Wanneer zij met haar mannelijk verstand, haar gezond en juist oordeel, tot mij sprak als tot een man; wanneer ik haar om raad vroeg; of wanneer ik slechts haar liefde noodig had, werd ik — welk eene

97

7

ocr page 102

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

bewonderenswaardige begoocheling! — haar kind, haar arm klein kind !

Ik herinner me niet alleen de oogenblikken, waarin ik, bezwijkend onder het lijden, slechts steun vond in de armen mijner moeder, en mijne brandende tranen aan haar wang afdroogde, maar ook den tijd, dat zij mij op de armen droeg. Neen, nog in den gewonen loop des levens, in duizenden dagelijksche nietigheden behandelde mijn voortreffelijke moeder mij evenals in mijne eerste levensjaren; zij bracht mij op ongekunstelde wijze de begane onvoorzichtigheid en onhandigheid onder'toog.

„Wees voorzichtig onder aan de trap .... Pas op en vat geen kou .... Ik ben er zeker van, dat ge uw zakdoek weer vergeten hebt . . . .quot;

Ik beklaag hen, die deze kinderachtige aanbevelingen met ongeduld, zonder verteederden glimlach, ontvangen. Ze hebben mij altijd ontroerd tot in het diepst van mijn hart. Trouwens ik beu misschien meer dan een ander hel voorwerp van die kleine zorgen geweest, want in mijn jeugd was ik bij herhaling ernstig ongesteld en moeder behandelde mij dan niet als een kind, maar als een ziek kind.

Op een zekeren winter zonden de geneesheeren mij naar het Zuiden, maar na eenige maanden afwezigheid, vond ik moeder zoo veranderd, dat ik het volgende jaar, Vioewel nog ziek zijnde, te Parijs bleef en er tijdens het slechte seizoen leefde als een gevangene. Moeder, die reeds zwak en afgevallen was, verliet om zoo te zeggen mijn kamer niet.

98

ocr page 103

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Het zij mij vergund hier een heel oud tienregelig vers over te schrijven. Ik lees mijne verzen nooit over, maar deze blijven voor immer in mijn geheugen gegrift. Zij brengen mij zulke aangename uren in herinnering, uren van volmaakt welzijn, in een atmosfeer van moederlijke teederheid.

J'écris pres de la lampe. II fait bon. Rien ne bouge.

Toute petite, en noir, dans le grand fauteuil rouge, Tranquille auprès du feu, ma vieille mere est la.

Elle songe sans doute au mal qui m'exila.

Loin d'elle, l'autre liiver, mais sans trop d'épouvante;

Car je suis sage et reste au logis, quand il vente.

Et puis, se souvenant qu'en octobre la nuit Peut fraichir, vivement et sans faire de bruit,

Elle met une büclie au foyer plein de Hammes.

Ma mère, sois bénie entre tóutes les femmes !

99

Zooeven mompelde ik dit vers, terwijl ik het boek doorbladerde, waarin moeder mij de letters aanwees — ik zocht en zoende te gelijkertijd de sporen harer vingers. En toch, hoeveel angst, hoeveel verdriet heb ik die bewonderenswaardige vrouw aangedaan ! Zij heeft, Gode zij dank, nooit een enkele minuut aan mijnen eerbied en aan mijne liefde kunnen twijfelen, maar men is jong.

Ik zit te schrijven bij de lamp. Het is aangenaam en stil. ilijn oude moeder is er ook. Heel klein, in het zwart, in haar grooten rooden armstoel, zit ze rustig bij het vuur. Ongetwijfeld denkt zij aan de kwaal, die maakte ik verleden winter afwezig was. Jlaar zonder angst, want ik ben verstandig en blijf in huis als het waait-Het valt haar daarna in, dat de Octobernaeht wel frisch kan zijn, en vlug, zonder geruisch, werpt ze een talhout op den gloeienden haard. Moeder, wees gezegend onder alle vrouwen!

ocr page 104

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

men werpt zicli in den maalstroom van het leven, door den scherpen wind der begeerte voortgestuwd, en men vergeet dat er hij den huiselijken haard eene arme oude moeder zit, die te veel wordt alleen gelaten. — O ! zij is vol eindelooze toegeeflijkheid en durft haren grooten zoon nauwlijks een gering verwijt toevoegen, maar zij maakt zich ongerust over de gevaren, waarin hij verkeert; zij lijdt, wanneer zij ziet, dat hij zijne openhartigheid en zuiverheid verliest — en , . . . weent.

Moge deze bladzijde onder de oogen komen van menig jongeling, en hem weerhouden aan den rand des ver-derfs! Indien hij wist, hoe bitter het is.voor de ziel om later, in den avond des levens, te moeten denken, dat men geen slecht mensch is geweest, dat men zich wezenlijk niets te verwijten heeft, maar dat men toch zijn moeder heeft doen weenen !

Het is nu meer dan twintig jaar geleden, dat de mijne overleden is, en ik had toch wel een waar kinderhart, want op dien dag is er iets heerlijks in mij uitgedoofd, sedert dien tijd heb ik mij niet jong meer gevoeld.

Ik heb de nagedachtenis mijner moeder nooit zoo dikwijls aangeroepen als tijdens die ziekte en die lange periode van beterschap, die mij met zulke ernstige overdenkingen hebben bezield. Onder het stamelen der gebeden, van moeder in de kinderjaren geleerd, heeft mijne ziel, na verloop van vele jaren, beproefd zich tot God te verheffen. In de hoop mijn moeder weer te zien, wil ik gelooven aan het Eeuwig Leven. O ! Wat heb ik

100

ocr page 105

DE ZEGEN VAK HET LIJDEN.

vooral dien dag aan moeder gedacht, toen ik — om de belooning te verdienen haar in den Hemel terug te zien — het voornemen maakte in de toekomst zuiverder te zullen droomen en beter te zullen leven.

Jezus, die Zijne Moeder heeft doen zegevieren, naast Hem, in Zijn goddelijk Koninkrijk, zal het gebed zegenen van een zoon en van een Christen.

101

Geheimzinnig Vaderland ! Zetel der Rechtvaardigen ! Roemvolle haard van licht en liefde ! Men beweert dat het grenzenlooze en volmaakte geluk, dat den uitverkorenen is weggelegd, aan ons zwak begrip te boven gaat! Maar hec wil mij, armen zondaar, met mijn nederig verstand, voorkomen, alsof ik al een voorsmaak heb gehad van het Paradijs, toen ik, o heilige moeder en goede voedster ! nog een onschuldig kindje was en insliep met de armen om uw hals.

11 November 1897.

ocr page 106
ocr page 107

ff

ty: |l

IX.

.1 i i

l

AAR, DIE .BAD,

]: • {: M :

ocr page 108
ocr page 109

Voor Haar, die bad.

In de meeste kerken van Parijs zijn er, behalve op plechtige feestdagen, weinig menschen in de Hoogmis. Zij wordt vroeg gelezen en de Parijzenaars staan laat op; zij dnurt lang en de Parijzenaars hebben het druk. En dan, wat de vrouwen aangaat, laten wij een grooten hinderpaal niet vergeten — het toilet. De goede God is redelijk; Hij kan niet vorderen, dat Mevrouw's morgens om 9 uur gereed is.

Op de gewone Zondagen en zelfs in de meest bezochte parochiën zijn de aanwezigen om deze verschillende redenen over het algemeen niet talrijk. Na half elf, voor de late H. Missen, haast de menigte zich ter kerk. Behalve een vrij dichte groep om den preekstoel zijn er echter op dat oogenblik heele rijen stoelen leeg en men zou gemakkelijk de dun bezaaide geloovigen kunnen tellen.

Voor drie of vier oude kerkmeesters, die zitten te dutten in hun eigen bank; voor eenige dozijnen vromen en dienstboden; voor de zusters en hunne kleine weeskinderen, wier ronde mutsen krullen; voor de armen, die met de pet onder den arm achter in het schip van de kerk staan, wordt het goddelijk offer met al zijn luister opgedragen ; de priester en de twee diakenen, in rijk

ocr page 110

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

versierde kleederen, voeren voor het altaar de gebaren en kerkelijke evoluties uit; de stemmen der zangers en koorknapen doen het schelklinkende gewelf weergalmen met de grootsche liturgische gezangen; het groote orgel wordt gevoelig, bromt, weent, droomt en zucht bij afwisseling, en stort in breede golven gebed en verrukking over alle gebogen hoofden uit.

Op een dergelijken Zondag woonde ik de Hoogmis bij. Het is nog niet lang geleden. Het was in de maand September van dit jaar. Op dien tijd van het jaar is de voorstad Saint-Germain nagenoeg verlaten. De burgers zijn nog niet van het platteland of van de zeebaden teruggekeerd, en in de hooge huizen openen slechts een of twee van de vijf verdiepingen hunne blinden. Wat de aristocratische verblijven aangaat, die zijn alle gesloten. De eigenaren jagen, zij zijn buiten op hunne kas-teelen; aan de deur van de oude woningen raakt niemand meer aan den ring, dien een leeuwenkop in zijn bronzen kaken houdt.

De afwezigheid van al deze personen doet zich in de Hoogmis gevoelen. Niemand bezet de plaatsen met de koperen naambordjes — Mevrouw de Markiezin hier. Mevrouw de Hertogin daar — en de gecapitonneerde bidstoelen. Niets dan burgermenschen, winkeliers en bedienden.

Op dien Zondag spreidde de kerk geen mindere pracht van ceremonies ten toon, want, wat men ook zeggen moge, zij is de groote school van gelijkheid. Wanneer

106

ocr page 111

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

de wilde democraat, die droomt van gelijkheid en broederschap, een armen bloedverwant ontvangt, steekt hij toch de lusters van zijn salon niet aan en gaat niet naaiden kelder om een mand ouden wijn te halen. Depriester ontvangt altijd de geloovigen, al zijn ze nog zoo eenvoudig, met al de weelde, waarover hij beschikken kan, als waren zij geliefde broeders.

Ik was daar en bad. Helaas! om goed te bidden, om niet alleen met de lippen, maar ook met geheel mijn hart te bidden, moet ik mij moeite geveri. Het laatste overblijfsel van geloof, dat ik meende voor altijd verloren te hebben, en dat mij door het lijden is teruggegeven, is zoo gering en zwak. Het is als een stuk zwart afgebrand en bijna uitgedoofd hout, waar slechts enkele vonken over heen glijden en dat ik krachtig moet aanblazen. In de woestijn van mijn ziel, uitgedroogd door een geheel leven van onverschilligheid, moet ik bij eiken stap het onkruid uittrekken van loochening en twijfelzucht. Gelukkig ontwellen er nog tranen aan mijne oogen ! Zij drenken dezen dorren bodem en reeds zie ik het groene koren der hoop uitspruiten !

Ik bad dus, zoo goed ik kon, toen ik, eenige schreden van mij af, een vrouw bemerkte, die was neergeknield.

De ellebogen op den bidstoel geleund, de kin op de saamgevouwen en ingekrompen handen, zat zij daar in de oude en traditioneele houding der aanbidding; haar profiel was zoo onbewegelijk, als ware zij op het paneel

107

ocr page 112

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

van een Triptyque (*) geschilderd, of ingesloten in het lood van een raam. Zij was niet heel jong — 30 jaar en meer —, zonder schoonheid, — maar welke zachtheid en zuiverheid in dat magere gelaat! — het was eene van die werksters van Parijs, die zooveel smaak hebben en wier eenvoudigst toilet toch een beetje kunst verraadt. Hare handschoenen waren schoon, haar katoenen japonnetje zat goed ; de linten van den hoed waren aardig geschikt. Echter geen greintje behaagzucht. De instinktmatige sierlijkheid van mijn buurvrouw — met zoo weinig kosten verkregen — werd ten overvloede nog verzacht door zedigheid en volmaakte welvoegelijk-heid. Men begreep dat het arme meisje zich zoo goed mogelijk had gekleed, alleen uit beleefdheid voor den goeden God, omdat het Zondag was en omdat zij naaide H. Mis ging.

Hoe vurig bad zij ! Zij maakte geen enkele beweging; maar haar hoofd was een weinig achterovergebogen, haar blik gevestigd op 't altaar, hare lippen half geopend om doortocht te verleenen aan de vrome strooming, die welde uit haar hart; alles in haar drukte de verheffing der ziel uit naar den eindeloozen horizon.

Wat vroeg zij aan God ? Het dagelijksch brood, niets meer; ik ben er zeker van. Want zij smeekte niet, zij aanbad slechts en haar sprakeloos gebed was belangeloos, evenals alles, wat de ware liefde inboezemt.

(') Schilderijen uit 3 stukken bestaande, waarvan de twee uiterste, 'dichtgeslagen, het middelste bedekken (Vert.).

108

ocr page 113

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Toch was zij arm, dat is zeker, want zij droeg geen enkel kleinood, en waarschijnlijk was haar leven ook eenzaam, want zij ging alleen ter kerke. Zeker een oude juffrouw. In gedachte zag ik haar den geheelen dag aan naaiwerk bezig, op een hooge verdieping, met het uitzicht op een' treurigen horizon van daken en schoorsteenen. Daar zij niet mooi en den leeftijd van romantische droomen voorbij was, kon zij er niet aan denken, dat een gelukkig huwelijk verandering in haren toestand zou brengen ; zij kon slechts een beredeneerde genegenheid verwachten. Ja, dat was het. Een bestaan, te vergelijken bij een zonnewijzer in een mistig land, nauwelijks eenige heldere uren. Het verleden vol rouw, evenals voor allen ; het tegenwoordige dot' en middelmatig, en de zekerheid van een eentonige toekomst. Voor haar zou het een gebeurtenis zijn op Palmzondag den gewijden palmtak te hernieuwen.

Wat bad zij ! En wat was zij gelukkig te kunnen bidden ! Ik kon mijne oogen niet afwenden van dat magere en fijne profiel, dat de geheimzinnige verrukking als het ware onbewegelijk maakte en versteende; noch van dien mond, half geopend door den zwakken en heerlijken glimlach der vervoering.

Wat bad zij ! Neen, zij vroeg niets. Zij had al sedert lang, met een volkomen berusting, haar leven van ellende en arbeid aangenomen.

Neen, Neen! Zij vroeg niets voor deze wereld! Maar met een verheven vertrouwen en bewonderenswaardige

109

ocr page 114

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

hoop der eenvoudige zielen, was zij zeker van een beter leven en van een eeuwig geluk; zij genoot er nu reeds van, terwijl hare ziel opging in harmonie met de doordringende orgelmuziek en zich uitstortte in den geur van den bedwelmenden rook der wierookvaten !

Geloof der nederigen ! Laatste schat van vertroosting voor de beklagenswaardige menschheid ! quot;Wat zijn zij, die u bestrijden en u uitroeien misdadig en schuldig, en, hoe was ik zelf? ik, die mij meer dan eene bladzijde te verwijten heb, gedicteerd door spotternij en hoogmoed!

Ik heb juist met bittere droefheid het nieuwe geschrift van een' beroemden leeraar in de anarchie gelezen. Na een bijtende satire (altijd gemakkelijk en honderdmaal toegepast) voorspelt deze geleerde, revolutionnaire theoreticus — voor welke verre toekomst en ten koste van welke bloedige stuiptrekkingen ! — de toekomst van een socialen staat, waarin allen naar billijkheid voedsel zullen ontvangen voor lichaam en geest — brood en wetenschap, en gelukkig zullen zijn, voor zoover men dat zijn kan met het lijden en den dood voor oogen. Het is een ideaal (betrekkelijk) tot welks zegepraal wij zonder, twijfel allen zouden moeten bijdragen.

Milliarden menschen hebben echter geleefd zonder er den dageraad van te vermoeden en andere milliarden menschen zullen het ongetwijfeld nog langen tijd verwachten, ten prooi aan een ongeduldige woede. Want slechts met een ontmoedigende langzaamheid gaat de

110

ocr page 115

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN. 111

voortgang naar dat ideaal in vervulling en op het oogen-Ijlik ziet men nog niet duidelijk, in welk opzicht de moderne proletariër veel minder ongelukkig is dan de slaaf uit den ouden tijd.

Intusschen vermeerdert het aantal zelfmoorden onophoudelijk, kreten van wanhoop weerklinken van alle kanten en de vrees om te leven heeft zich hij alle denkende menschen nooit meer geopenbaard dan nu.

Velen zullen dan ook hun toevlucht zoeken aan de voeten van den Christus, want Hij tenminste maakt ons inschikkelijk voor verdriet en wijst ons aan gene zijde van het graf de hoop van waarheid, geluk en rechtvaardigheid. Wat mij betreft, om het geloof in al zijn volledigheid te herwinnen, zooals het mij in de wieg gegeven werd, doe ik mijn best de onschuld mijner kinderjaren terug te vinden en u na te volgen, arme dochter des Volks, eenvoudige Christin, u, o, zuster! die met zooveel vuur bad in de half verlaten kerk, u, die ik benijdde en die mij een voorbeeld gaf.

25 Nov. 1897.

ocr page 116
ocr page 117

X.

ElZER LUKE

K

ERSTAA.IS

(liill.)

ocr page 118
ocr page 119

Keizerlijk Kerstmis.

1811.

Wij zijn in den vooravond van Kerstmis 1811 en sedert 10 uur in den avond werkt Napolion alleen in zijn studeerkamer in het paleis der Tuüerieen.

Het ruime vertrek is bijna geheel duister. Flauw glinsteren hier en daar eenige vergulde voorwerpen in de schaduw. De lijst van een onzichtbaar schilderij, de twee leeuwenkoppen, die de armen van een leuningstoel versieren, een zware eikel aan een gordijn. Onder hun metalen kappen verlichten de waskaarsen van twee kroonkandelaars slechts de breede tafel, met atlassen en dikke, in groen marokijn gebonden, en met de N en de Kroon gestempelde, registers overladen.

Al sedert twee uren werkt de Meester; hij buigt het geduchte voorhoofd, waar een zwarte haarlok over hangt, dat voorhoofd zwaar van denkbeelden, zwaar als de wereld, wier verovering hij overpeinst, over de aardrijkskundige kaarten en over de sitnatiestaten zijner legers.

De geopende atlas stelt een kaart van Azië voor, en de hand des Keizers — zenuwachtig, vrouwelijk, bekoorlijk — zoekt langzaam met den wijsvinger, onder.

ocr page 120

DE ZEGEN V4N HET LIJDEN.

heel onder op de kaart, dwars door Perzië, een' weg naar Hindostan.

Ja, de beide Indien! Over land? Waarom niet? Omdat zijn zeemacht overwonnen en vernietigd is, blijft den overwinnaar slechts dien weg over, onder de palmen der fabelachtige wouden, gevolgd door zijne arenden, waarvan het goud schittert tusschen het staal der bajonetten. Hij zal Engeland in zijn hartader treffen, dat is te zeggen, in zijne koloniën, in zijn schat.

Hij bezit reeds de grootheid van Cezar en van Karei den Groote, hij verlangt nog die van Alexander. Zonder verbazing droomt hij dit. Hij kent liet Oosten reeds. Hij heeft er een onsterfelijke legende achtergelaten. De Nijl zag hem eens als een mageren langharigen generaal, op een dromedaris gezeten. Aan de oevers van de Ganges zal de oliphant van Pyrrhus noodig zijn voor den zwaren Keizer in zijn grijzen overjas. Hij weet hoe men de volkeren inpakt en dweepziek maakt. Hij zal daar ginds soldaten werven met bronskleurig gelaat en witte neteldoekschen tulbanden ; hij zal radja's, blinkend van edelgesteente, aan zijn staf voegen; hij zal de monsterachtige afgodsbeelden, die de tien armen boven hunne diamanten mijters verheffen, over zijn toekomst ondervragen, omdat, eertijds in Egypte, de granieten Sphynx met het stompneuzig aangezicht, waarvoor hij, met de handen op zijn kromme sabel geleund, stond te droomen, hem haar geheim niet heeft verraden.

Keizer van Europa! Sultan van Azië! Ziedaar de twee

116

ocr page 121

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

ee nitre titels, die men op aijn mausoleum zal hij telen.

Er is echter een hinderpaal .... Het onmetelijk Rusland 1

Daar hij echter de weifelende vriendschap van Alexander niet. heeft kunnen verwerven, zal hij hem overwinnen. En de kleine hand des Keizers doorbladert gretig de dikke, groene hoekdeelen en de lijsten, die hem het effectief van het enorme leger, dat optrekt naar de Niemen, tot op een enkelen man nauwkeurig aangeven. Ja, hij zal den autocraat van het Noorden overwinnen en den Czaar met zijne horden wilde ruiterij, als vazal, meeslepen naar de verovering van het Oosten.

Keizer van Europa ! Sultan van Azië ! Het meesterwerk gaat zijn begeerte en zijn genie niet te boven. En, als zijn wonderbaar Keizerrijk eenmaal gesticht is, bestaat er geen kans, dat het onder zijne luitenants zal verdeeld worden, gelijk dat van den Macedoniër. Sedert 20 Maart heeft Napolion een' zoon, een' erfgenaam van zijnen roem en van zijn macht, en bij de gedachte aan het kind, dat zoo dicht bij hem slaapt in het stille paleis, vertrekken de lippen des Keizers zich tot een fraaien glimlach.

Eensklaps licht hij het hoofd op met een beweging van verwondering. Van waar dat vreemd en zwaar gemompel, dat doordringt in zijn kabinet, zoo goed gesloten en van zulke zware neerhangende gordijnen voorzien? Het schijnt alsof alle gouden bijen, op de zijden behangsels geborduurd, beginnen te brommen. De Keizer luis-

117

ocr page 122

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

tert met meer aandacht en onderscheidt in dat leven de 'trillingen van het staal.

„0, Ja.....Kerstmis.....De nachtmis.quot;

Het zijn inderdaad de klokken van alle kerken van Parijs, die de geboorte van Jezus aankondigen — de klokken, die Bonaparte eertijds in de klokketorens heeft hersteld, toen hij als consul-vredebrenger zoovele vijan-diggezinde broeders in Frankrijk heeft verzoend.

Hoe vaak zijn ze niet te zijner eere in beweging gebracht voor het heerlijke Te Deuni ! En hoe werden ze een keer te meer in menigte geluid op den geboortedag van den Koning van Rome; op den gedenkwaardiger! datum, toen de Hemel een' zoon schonk aan den held, en daardoor in eenstemmigheid met hem scheen te leven, de wettigheid van zijn meesterwerk erkende en er den duur van beloofde !

Toch klingelen ze dezen avond even vroolijk en zegevierend als voor Austerlitz en Wagram; zij luiden in den kouden en helderen nacht voor het nederig Kind, voor den Zoon des timmermans, heel lang geleden in een stal op stroo geboren, terwijl geheimzinnige stemmen onder het ruime sterrendak: „Eere zij God en vrede op aarde !quot; psalmen.

De Keizer hoort de Kerstmisklokken. Hij droomt; hij herinnert zich zijn duistere en wilde kindsheid; de nachtmis van zijn oom, aartsdiaken in de Kathedraal te Ajaccio; de terugkomst van het talrijk gezin in de oude woning, getuige van zooveel armoede, moedig door-

118

ocr page 123

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

staan ; de schoonheid der bejaarde dame — zijn moeder, die voorzat aan liet sober ontbijt, uit kastagnes bestaande. Zijn zoon, de zoon van den overwinnenden Keizer en van de Aartshertogin van Oostenrijk, zal die ellende niet kennen, zal meester over de wereld zijn.

En daar buiten, in den ijskouden nacht, daar luiden de klokken nog altijd voor Kerstmis.

De knorrepot vóór den ingang der Tuilerieën, met zijn muts van haar, die met groote woedende schreden op en neer loopt voor zijn schilderhuis om zijne voeten te warmen, herinnert zich misschien in dit oogenblik het een of ander gebed of gezang, dat hij vroeger in zijn dorp op de knieën zijner moeder van buiten heeft geleerd, en glimlacht met teederheid onder zijn ruwen knevel, als hij denkt aan het kind Jezus m de Kribbe. De Keizer zelf hoort niet het vroom geroep der klokken; hij denkt slechts aan zijn zoon en ineens wordt hij door een onweerstaanbare begeerte gedreven hem te zien.

Hij staat op en klapt in de handen. Aanstonds gaat. er een deur open, verborgen in 't behang. Roustan verschijnt. Op een teeken van zijn meester, neemt hij een der candelabers, en de Keizer, in de eenzame gangen voorgelicht door den getrouwen Mammeluk, begeeft zich regelrecht naar den kleinen Koning, treedt het vertrek binnen, zendt de voedster en de vrouwen, die plotseling ontwaken, met een wenk uit de Kamer, en blijft staan voor de wieg van den wonderbaren eerstgeborene.

119

ocr page 124

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

De Koning van Rome is in diepen slaap. In het heldere wit van het linnengoed en van de kanten, waarover het groote lint van het Legioen van eer hangt, vertoonen zich het kleine gelaat met de gesloten oogen, half in het hoofdkussen gedompeld en één van de heele kleine, poezelige, bewonderenswaardige handjes, op het dek gelegen; ze vormen twee vleeschkleurige vlekken. Over deze reinheid, deze zuiverheid, deze onschuld van een kind, dat in de wieg ligt, loopt het breede lint van scharlaken zijde als een beek van bloed, als een bloedstroom, dien men gaat verspreiden, in de hoop dat dit nog zoo teere hoofd eenmaal de zwaarste kroon zal dragen en dat deze kleine hand, nu nog tenger en fraai gelijk een bloem, later een geheelen bundel schepters zal grijpen.

Napolion beschouwt zijn' zoon. Hij droomt — en nimmer zal de menschelijke hoogmoed een hart zoo heerlijk streelen — dat de hooge hofdignitarissen; dat zijne veldheer en, beroemder dan de helden van Homerus; dat zijne ministers en senatoren, in goud behangen, bevend van eerbied, buigen voor deze wieg, en dat de Jaco-bijnen, zeiven renegaten, de oude Koningsmoorders, die nu het keizerlijk livrei dragen, nauwelijks naar de gunst durven dingen voor een zoen op deze kinderhand.

De Keizer droomt en in het verward rumoer dei-klokken, die de nachtmis luiden, meent hij den gelijk-matigen pas der troepen en het gerol van caissons te hooren, daar ginds op de bevrozen wegen van Duitsch-

120

ocr page 125

DE ZEGEN VAN HEÏ LIJDEN.

land en Polen. Door vaderlijke eerzucht verblind, denkt hij meer dan ooit aan het groote leger en aan de verovering van Rusland en de beide Indien; hij zweert alle tronen van de oude wereld aan zijn' erfgenaam te zullen nalaten. Hij heeft hem al de stad van den H. Petrus bij wijze van rammelaar gegeven, de nieuwgeborene zal ook weldra andere heilige steden onder zijn speelgoed zien.

Emir van Mekka ! Radja van Benares! Ziedaar titels, een Koning van Rome waardig.

Ach ! Waarom zijn de vrouwen van Frankrijk niet vruchtbaarder ? Waarom heeft de onoverwinnelijke veldheer geen millioen, geen twee millioen soldaten onder zijn bevelen ? Het groote heelal, de wereldglobe zou hij in zijn kleine hand stellen !

Hij blijft doof voor de heilige klokken en droomt,, zonder een enkele gedachte over te hebben voor Hem, die heerscht in het Hemelrijk en die de grootste rijken als mierenhoopen beschouwt. Hij droomt, zonder in de toekomst zijn onmetelijk leger begraven te zien in de sneeuw van de Beresina; zonder het laatste zegeteeken van zijne arenden door het Engelsch schrootvuur met het geheiligd Bataljon van Waterloo te zien weggevaagd; zonder in het midden van den Oceaan de rots te zien, waar hem de martelingen van Prometheus wachten; zonder vooral in het park van Schönbrünn, onder een najaarshemel, dien bieeken en treurigen jongeling te zien, met een Oostenrijksch ordeteeken op zijn witte

121

ocr page 126

122

iiniibrin, hoestend onder het loopen op de afgevallen bladeren.

En, terwijl de Keizer zijn monsterachtige hersenschim vervolgt, zich de regeering van zijn zoon en diens opvolgers over het groote heelal voorstelt en zelfs veronderstelt, dat hij — Napolion — na verloop van tijden en legenden, een fabelachtige mythe, een nieuwe Mars, een Zonnegod, zegepralend met zijn twaalf maarschalken in het midden van den Dierenriem, zal zijn — luiden de klokken nog altijd lustig, zegevierend, met geweld, ter eere van het arme kleine Kind, dat te Bethlehem geboren werd en 19 eeuwen geleden werkelijk de wereld overwon, niet met bloed en overwinningen, maar met het Woord van liefde en vrede; zij luiden ter eere van het Kind, dat in alle eeuwen der eeuwen over alle zielen heerschen zal.

'23 December 1897.

ocr page 127

XL

A AR.

ET

'Beste

ocr page 128
ocr page 129

Het beste jaar.

Nog eenige malen gaat de wijzer op de wijzerplaat van de pendule rond en dan eindigt dit jaar, dat ik bijna geheel in lijden doorbracht, waarin ik den dood van nabij beschouwde en aan welks einde ik mij in een staat van physieke minderheid bevind, die mij de komst van den ouden dag aankondigt.

Achter de koude ruiten van mijn venster, waarop de witte arabesken, die de ijskoude nacht er op teekende, nauwelijks gesmolten zijn, noodigt de sombere Decem-berhemel mij uit tot ernstige herinneringen.

Wat een jaar ! Ik verplaats mij in gedachte te Pau, in Januari van het vorig jaar, daarna te Mandres in de Junimaand.

Tweemalen strekte ik mij op de operatietafels uit, omringd door dokters, in witte voorschoot, met ernstige gezichten. Ik ademde den hartomkeerenden reuk van chloroform in en, voor dat ik buiten kennis raakte, hoorde ik in mijn hersenen een geluid van hamergeklop uit de verte. Tweemalen bracht men mij, als een be-weginglooze massa, geschud door de schokken der wagons, heen en weer geslingerd op de veeren van den ambulancewagen, naar mijne woning te Parijs terug.

ocr page 130

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Hoe lang heb ik met een pijnlijke onbewegelijkheid op den rug moeten liggen ? Het derde van dit gehate jaar. O! dien doordringenden stank der antiseptica! Die eindelooze nachten van slapeloosheid en nachtmerrie !

Er is een uur, dat mij afschuwelijk voorkomt in mijne herinnering.

Door het open raam van mijn folterkamer, dringt de loome, kleverige, verpletterende warmte van een morgen in de hondsdagen. Ik heb den geheelen nacht de koorts gehad en kan niet meer. Ik ben aan dien graad van vermoeienis, van afneming van krachten, gekomen, waarop men van alles afstand doet, waarop men er in toestemt te sterven. Mijne oude zuster is er en ziet mij aan, terwijl zij een hartverscheurende poging doet mij toe te lachen; ik zie hare vingers een weinig beven op de ijzeren staaf aan het voeteinde van mijn ledikant; aan mijn hoofdeinde zit een andere vrouw, eene dierbare vriendin, gebogen over de hand, die ik haar Iaat; zij drukt er hare lippen op, die branden en gezwollen zijn van het weenen.

O! dat. oogenblik kan ik mij niet herinneren zonder te huiveren; het was in den loop van mijne langdurige ziekte dat, waarin ik mij het ongelukkigst voelde; aan de physieke smart moet men zich wel onderwerpen, naar den dood verlangt men bij groote pijn. De gedachte echter, dat men door te lijden zeer doet aan hen, die men lief heeft en ons wederkeerig beminnen, en dat ons heengaan hen tot wanhoop brengt, is onver-

126

ocr page 131

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

dragelijk. Ik ken de twee harten, die dien dag bij mijn lijdenssponde bloedden, ik ben zeker van hen; toen ik mij verloren waande, vroeg ik mij angstig alquot;, wat er van hen zon worden; die geliefde harten slaan slechts voor mij en, niettegenstaande mijne neerslachtigheid, zocht ik eenige zachte woorden voor de twee arme vrouwen, om hen een weinig aan de gedachte van mijn' dood te gewennen, terwijl ik hun zeide, het in alle gevallen mijn schuld niet was, indien ik stierf, en er hun bijna vergiffenis om vroeg.

Ja, 1897 was wel wreed voor mij.

Was het niet, vraag ik mij af, het slechtste jaar van geheel mijn leven ?

Geenszins, o mijn God, het was het beste jaar!

Want een van Uwe priesters is gekomen en heeft mij eenvoudig Uw Kruis getoond; hij heeft mij Uw verheven leer in herinnering gebracht; dat het lijden niet te vermijden is, dat men het lijden van anderen zooveel mogelijk moet verlichten, maar het persoonlijk zonder klagen moet aanvaarden. Van toen af heb ik, gesterkt door Uw' genade en Uw voorbeeld, mijn lijden gedragen niet alleen met moed, maar ook met ik weet niet welke innerlijke zelfvoldoening; terwijl ik mij herinnerde, dat ik een „gelukkigequot; geweest was, dat ik veel meer genoten en veel minder geleden had dan zooveel anderen en het dus ook rechtvaardig was, dat het . evenwicht zich kon herstellen. Het onmiddellijk gevaar geweken zijnde, dankte ik U, o God, voor het

127

ocr page 132

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

verleende uitstel, maar ik berust reeds van te voren in alle wederwaardigheden, die voor mij zijn weggelegd; ik ben gelukkig, dat weldra mijn persoon niet meer zal getuigen van onrechtvaardigbeid dei- natuur en van ongelijke verdeeling van de dingen dezer wereld, terwijl ik tenslotte de boop koester niet te zullen sterven, voor dat ik mijn volle deel in het ongeluk heb gehad.

Ziedaar eenige gevoelens, waar vele tijdgenooten zonder twijfel de schouders voor zullen ophalen, want ik hoor slechts stemmen, die om geluk schreeuwen, en van alle kanten dringt de volgende kreet tot mij door:

„Het leven! Wij vragen voor allen het recht om te leven, om geheel te leven. Wij verlangen bet geheele leven, met al zijn genot en al zijne vreugde, de volkomen ontspanning van het individu.quot;

Verre van mij de gedachte de pogingen te willen ontmoedigen van hen, die de levensvoorwaarden dragelijk maken voor allen en er van droomen de ellende en de ontwetendbeid te verminderen, zóo niet te vernietigen. Maar kan men te goedertrouw dit gezegde uitspreken, dat voor een ieder, die geen kind meer is, een spotternij schijnt te zijn; „de vreugde om te leven ?quot;

Waar moeten wij die werkelijk zoeken? In de zinnen? Maar elke wellust, die bovendien onmiddellijk wordt gestraft door een zekere treurigheid, is een schrede naar onzen ondergang. In het verstand ? Maar de wetenschap is ook bedriegelijk en kan zich vergelijken bij een onoverkomelijke bergketen, waar de reiziger van eiken

128

ocr page 133

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

top, dien hij met moeite bestijgt, aan zijn voeten nog dieper afgronden en nog ontoegankelijker kruinen ontwaart.

In het leven — hard voor velen, middelmatig voor het meerendeel, voor enkele bevoorrechten maar met eenige schoone dagen bezaaid — bestaat er waarlijk slechts één geluk en ééne vreugde: liefhebben. Maar het gebrekkige, in de menschelijke natuur bestaat hierin, dat wij slechts liefhebben, dat is slechts aan anderen liefde schenken, in de hoop van wederliefde. Niets is echter zeldzamer dan een gevoel, dat geheel wordt gedeeld en hij, die liefheeft tot zelfopoffering toe, ontmoet dikwijls maar onverschilligheid en somtijds ondankbaarheid en verraad — zoodat het gevoel dat onze beste verwachtingen bezielt, bijna altijd de bron is van onze ergste teleurstellingen en van ons bitterst verdriet.

Wat er aan te doen ?

Ook hier heeft het Christendom — evenals voor het lijden — de oplossing gevonden. Zeker het beveelt ons lief te hebben. Wat zeg ik? Het is de grootste school van broederschap, die de wereld ooit heeft gekend, want het beveelt, dat wij onze naasten zullen beminnen gelijk ons zeiven. — Maar het verlangt dat wij moeten liefhebben zonder wederliefde te vorderen, met een volkomen belangeloosheid, welnu — zooals het volk zich ongekunsteld en grondig uitdrukt — laat ons beminnen uit liefde Gods.

Weten te lijden! Weten lief te hebben! Ziedaar het

129

9

ocr page 134

DE ZEGEN VAN HEï LIJDEN.

kostbare geheim, dat ik tijdens mijne ongesteldheid in liet Evangelie heb gevonden; ziedaar waarom Ik op oudejaarsavond, bij het afscheidnemen vt'.n het afgeloo-pen jaar, dat mij nog vrij zwak achterlaat en veroordeelt tot lastige zorgen, luide verklaar, dat het oude jaar, meer dan alle andere levensjaren, genadig en weldadig voor mij is geweest.

Ach ! Welk een dageraad van vrede en goedheid zou er verschijnen op aarde, als de ongelukkigen beter wisten te lijden en de gelukkigen beter wisten lief te hebben ! Zij, die aan geen wonderen gelooven, moeten dit tenminste wenschen. Is het echter geoorloofd te hopen? Mag men op eenige gunstige voorteekens vertrouwen? Bijvoorbeeld op dien godsdienstigen adem, waarvan de nieuwste werken van enkele schrijvers zijn doordrongen en dien ik in de verstrooide bladen van de pers terugvind ? Of wel op de duidelijke ongerustheid der vijanden Gods, die in onze dagen zeiven ontsteld zijn over de gevolgen van hun noodlottig werk ? Ach! Moge de Zaaier van de parabel toch komen, moge hij het zaad van berusting en christelijke solidariteit met volle handen uitstrooien over deze moderne, maar treurige en bouwvallige, maatschappij, waarin wij in de hoogere standen zooveel verdorvenheid en koelheid van hart en in de lagere standen zooveel verzet en wanhoop aantreffen !

Welk een edele taak — en hoe roemvol ! — zou het voor een jongen, met genie begaafden, dichter zijn,

130

ocr page 135

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

zich te doen kennen als een nieuwe Chateaubriand, als de voorbode van de wederopkomst des geloofs! Helaas! Ik kan dien wensch slechts uiten, ik ben een arme afgeleefde, die het Kruis omarmt, gelijk een schipbreukeling de reddingsplank omknelt.

Met droefheid beschouw ik mijn verscheurde ziel, terwijl ik mij schaam zulk een ellendig geschenk aan God te bieden. Ik stel echter vertrouwen in deze gedachte: dat Zijne barmhartigheid gelijk is aan de vindingrijke liefdadigheid Zijner bewonderenswaardige dienstmaagden — de Zusterkens der Armen — die de afgeleefde grijsaards kleeden met eenige afgedragen kleederen en voeden met het overschot der keukens.

Gezegend zij derhalve het afgeloopen jaar, want liet was voor mij het jaar van beproeving, het jaar van genade, waarin ik de overblijfsels van mijn hart heb kunnen verzamelen, waarin ik weer de wierookkorrel des gebeds heb ontstoken in de uit stukken saamge-stelde vaas.

30 December 1897.

131

ocr page 136
ocr page 137

'f-

XII.

.EN O AMENSPRAAK VAN IJOODEN.

f3'

P'

ocr page 138
ocr page 139

Een Samenspraak van Dooden

Toen men de kisten weer dichtgeschroefd en de graven weer gesloten had, toen de bedienaren, geleerden, verslaggevers en photografen vertrokken waren, toen de onderaardsche begraafplaats in het Panthéon eindelijk verlaten was, werden de schimmen van Voltaire en van Jean-Jacques Rousseau, die op onzichtbare wijze waren tegenwoordig geweest bij de schending hunner graven, eensklaps zichtbaar.

' Het is gebruik onder schimmen slechts dan een men-schelijke gedaante aan te nemen, als zij zich buiten onze tegenwoordigheid bevinden, want ze zijn niet gesteld op het gezelschap van dikke personages van vleesch en been, zooals wij zijn. Hieruit laat het zich verklaren, tusschen haakjes, waarom de spiritisten er nooit in zijn geslaagd — tenminste voor zoover ik weet — een wezenlijke schim, een echt spook op te roepen, zooals ik die vroeger in het theater du Chatelet, in een melodrama uit het Engelsch heb gezien. Ik verzeker u, dat waren afschuwwekkende spoken, die door iemand uit het stuk met een degen werden doorstoken, zonder dat ze het minste teeken van ontroering gaven. Vandaar mijn wantrouwen tegen onze goochelaars in ge-

ocr page 140

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

kleede jas, die met al hun tooverkunst het niet zoover kunnen brengen als een eenvoudig machinist met behulp van eenige spiegels, kunstig geplaatst.

In de kelders van het Panthéon was het weer stil en eenzaam geworden, Voltaire en Rousseau — „levende en ontastbare spokenquot; zooals het vroeger op het aanplakbiljet voor „le Secret de Miss Aurorequot; vernield stond — verschenen voor hun eigen graf, in de kleeding hunner laatste levensjaren. De Patriarch van Ferney was gemakkelijk te herkennen aan zijn stok, zijn pruik, zijn notenkrakersprofiel, en aan een paar scheenbeenen met zijden kousen, die voor beenen dienst deden. Wat den beroemden bewoner van Genève betreft, hij was gekleed in een Armenisch kostuum, — in een Turksch opperkleed en met een muts van „mama-mouchiquot; — dat hem in de straten van het oude Parijs een succès bezorgde, even groot als dat van onzen Muzulmanschen afgevaardigde.

136

De beide wijsgeeren herkenden elkaar bij den eersten oogopslag en, wat nog merkwaardiger was, hunne blikken flikkerden niet aanstonds van haat en woede. Onder de vele uitmuntende uitwerkselen heeft de dood dit goede, dat zij de ergste vijanden verzoent, zelfs de geletterden, en dat de mannen van de pen aan gene zijde van den Cocytus ^ een wapenstilstand sluiten tegen kleingeestig getwist en lage ijverzucht, die hen

') Een stroom der Onderwereld, een arm van de Styx (vert.).

ocr page 141

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

tijdens het leven in een bespottelijk daglicht stellen en zelfs dikwijls onteeren.

Met eene geheele aristocratische bevalligheid naderde de schepper van Candide den schrijver van de Confessions, hij haalde uit den zak van zijn geborduurd vest een snuifdoos te voorschijn, rijk aan diamanten en versierd met het miniatuurportret van den Koning van Pruisen en reikte ze aan Rousseau over, die er, zonder afkeurend gebaar, een snuifje Macouba 3) uitnam en dat luid opsnoof.

Toen zij zich plotseling herinnerden, wat ze hadden gezien, drukten de beide schimmen, ieder op haar manier, door haar gelaat de gevoelens uit, die hen bezielden. Voltaire begon afschuwelijk te glimlachen — die vermaarden glimlach werd gebeeldhouwd door Houdon en bezongen door Alfred de Musset — en Rousseau grijnsde met zijn onderlip en pruilde als de grootste menschenhater.

Mijn waarde Jean-Jacques, zoo begon de oude Arouet, 3) gij moet toegeven, dat wij eene onedele plechtigheid hebben bijgewoond.

— Zeker, hernam Rousseau .... Een tooneel om het hart van een gevoelig mensch te doen walgen.

— En onze tegenwoordige bewonderaars zijn lomperds, antwoordde Voltaire. Om goed te bewijzen dat

-) Uitmuntende tabak van het eiland Martinique, welke naar rozen en viooltjes rook (vert.).

:') Familienaam van Voltaire (vert.).

137

ocr page 142

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Lodewijk XVIII .... een fijn geletterde, als het u belieft, een dichter uit mijn school .... Kent gij het hoffelijk vierregelig vers door hem op den waaier van Marie-Antoinette geschreven ? . . . .

Au milieu des chaleurs extremes,

Heureux d'amuser vos loisirs,

Je ne veux appeler vers vous que les zéphirs; Les amours y viendront d'eux-mêmes. ')

Aardig, vindt ge niet ? . . . . om dan te bewijzen dat Lodewijk XVIII er in had toegestemd, dat onze graven geschonden en onze asch verstrooid werd, zijn de dwazen van daareven een legende komen uitwisschen, die hun dierbaar was; zij hebben de Restauratie en de Jezuïeten van een groote zonde vrijgesproken en een bladzijde verscheurd van Victor Hugo, onzen buurman in dit gebouw ....

— Zooveel te erger, vervolgde de wijsgeer uit Genève, omdat onze leerlingen, wat eerbied voor graven aangaat, in hun verleden enkele droevige souvenirs bezitten ....

— Ja, onderbrak Voltaire, terwijl hij peinzend naar zijn kin greep, de plundering van de Basiliek van Saint-Denis, de schending der graven, het in de riolen werpen van de beenderen der Koningen van Frankrijk!.... Met name van Lodewijk XIV, wiens lofrede ik geschreven heb en van Hendrik IV, wiens roem ik in een

') Gelukkig uwe uitspanningsuren te veraangenamen.

Roep ik, te midden van de vreeselijkste warmte.

De Zephyrs voor u aan.

De minnarijen komen van zeilquot;.

138

ocr page 143

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

heel vers verkondigd heb en die, onder ons gezegd, niet is wat ik van hem .... Ja, het is duidelijk, dat het volk dien dag verachtelijk is geweest en zijn wreeden

aard, zijn instinkt van jakhals heeft vertoond.....

Maar aan wien de fout ? Waart gij het niet, die het eerst aan het volk heht gezegd, dat het oppermachtig was ? Hebt ge alle ophelderingen en alle verontschuldigingen ten gunste van de buitensporigheden van het gepeupel niet daardoor vooruit vergund ?

— Geen verwijten, Voltaire! Gij zijt evenzeer verantwoordelijk voor deze gruwelen als ik. Ik heb eene onmogelijke hersenschim nagejaagd en op de wolken gebouwd, gij, gij waart de onvermoeibare vernieler van het ideaal en van den eerbied. De algemeene opinie vergist zich niet, wanneer zij onze beide namen samenvoegt en ons, vóór alle anderen, rangschikt onder de aanleggers van die Revolutie, die, men kan het zeggen, aan de wereld de uitbarsting van de menschelijke ondeugd heeft vertoond en wier resultaten, eerst zoo dweepzuchtig bewonderd, heden ten dage betwistbare weldaden schijnen te zijn .... En toch droomde ik slechts van gerechtigheid, van aller geluk .... Kon ik dergelijke misdaden voorzien ? Kon ik voorzien, dat ik, iemand aanhoudend tot tranen toe bewogen, de vreedzame wandelaar, de vriend van de natuur, de melkdrin-ker, al die steenen harten en al die bloeddrinkers in het leven zou roepen, en dat Robespierre, mijn afschuwelijke leerling. Frankrijk met schavotten bedekken zou.

139

ocr page 144

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

omdat ik in naam van het sociaal verdrag de wettigheid van de doodstraf had geproclameerd ?.. . . Ach, somtijds verbeeld ik mij duizenden doodvonnissen te hebben onderteekend op den dag, dat ik deze noodlottige bladzijden schreef.

— Compere Jean-Jacques, zeide op zijn beurt de magere grijsaard, die niet meer glimlachte, als het u troosten kan, weet dan, dat ik ook dikwijls twijfel aan de voortreffelijkheid van mijn werk. Het is wel de afspiegeling mijner eeuw, zoo lichtzinnig en bedorven, welke al schertsend voor de eerste maal zulke harde woorden sprak. Waarlijk ik ben bang even vermetel te zijn geweest als de leerling van den goochelaar, die het woord kende om den duivel uit een distilleerketel te laten komen, maar die de kabbalistische formule had vergeten om er hem weer in te krijgen; den dag, waarop ik de vermoorde priesters zag, en een publieke vrouw als godin der rede werd aanbeden in de volle Kathedraal van Parijs, vroeg ik mij ernstig af, of mijne goede tijdgenooten wel gelijk hadden gehad door mijne vlagen van onbeschaamdheid en goddeloosheid hartelijk toe te juichen, en of het niet beter ware geweest om al de onbehoorlijke taal van den Dictionnaire jphilosophique voor mijn eigen te bewaren.

— Jean-Jacques hernam, als men nog kon zeggen, dat de Omwenteling als een storm is voorbijgegaan, dat de Hemel daarna is opgeklaard en dat orde en vrede gevolgd zijn op zoovele afschuwelijke stuiptrekkingen»

140

ocr page 145

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Maar niets van dat alles. Sedert dat tijdstip blijven alle beschaafde naties in een staat van altijddurende wanorde. Schrikwekkende oorlogen zijn uitgebroken, men heeft legers tegen elkander aangevoerd, zooals men er geen meer gezien had na de invallen der Barbaren en in het oogenblik, waarop wij spreken, is geheel Europa bezig kanonnen te gieten, gepantserde schepen aan te maken, zich in den wapenhandel te oefenen .... Helaas ! ik die voor het menschdom droomde van de naderende komst van een Gouden Eeuw, van een herderlijk Paradijs, waar de onschuldige jeugd in een kring zou staan en liederen zou zingen uit de „Devin du Villagequot; en waar de geleerde grijsaards aan plantenkunde zouden doen.

— Wat zal ik u zeggen ? zuchtte Voltaire. Ge moet gelooven dat de schimmen slechts onsterfelijk zijn om eindelijk hunne laatste illusies te verliezen .... Laten wij ons geweten nog verder onderzoeken .... Wat denkt ge, als het u belieft, van de fameuse zegepralen der Revolutie ? Bijvoorbeeld van de burgerlijke gelijkheid? — .... dat zij in de wetten, maar niet in de zeden bestaat; dat de aristocratie van geboorte, die zonder twijfel aanleiding gaf tot grove misbruiken, vervangen is door die van het geld, die een nog schandelijker ongelijkheid in het leven roept; dat het voldoende is een blik te slaan op de moderne wereld om te zien, dat men spoedig de zegepraal kan verwachten van de eenige aristocratie, die dooi- een ieder erkend moest zijn — die van verdienste en deugd.

141

ocr page 146

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

— En wat is uwe meening omtrent de onderwerping van de Kerk aan de civiele maatschappij ?

— Ik verklaar dat daar een soort van ofïïcieele god-loochening uit ontstaan is, hetgeen zelfs beklagenswaardig zon voorkomen aan mijn „Vicaire Savoyardquot; . . . Wij zijn immers wel alleen, niet waar ? en hier is geen gemeenteraadslid, die onze graven zou ontheiligen, als hij ons hoorde, en ditmaal ons gebeente zou begraven in het een of ander verdacht terrein .... Welnu! ik zal u zachtjes vertellen, sedert men met alle mogelijke middelen het godsdienstig geloof in het Fransche volk heeft uitgedoofd, is het veel zedeloozer en ongelukkiger.

— Toen zeide Voltaire: er blijft ons nog over de voordeelen te onderzoeken van de vrijheid van drukpers en dat gaat mij aan, want ik ben in zekeren zin de vader van het journalisme. De pers gelijkt op mijn werk, dat ik heden streng beoordeel. Ik heb er alles in gezegd en vooral heb ik er mij dikwijls in tegen gesproken. Men vindt hier en daar een blad, waarop waarheid en gerechtigheid beven, maar men kan er ook een merkwaardige verzameling beleedigingen, leugens en ontuchtigheden uit halen.

-— Vriend Voltaire, gij hebt tijdens uw geheele leven verdraagzaamheid gepreekt .... Welnu! verneem, dat men gepasseerden zomer het Kruis heeft verleend aan een burgemeester, die een processie van communiekinderen door de marechaussees had uiteengedreven . ... Wat zegt ge daarvan ?

142

ocr page 147

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

— Kameraad Rousseau, gij liet u veel voorstaan op zedelijk gebied en gij wildet de hertoginnen, met fal-bala's aan, er toe brengen hunne kinderen zelf te voeden .... Wel! weet dan, dat wij nu schoone feministen hebben, die ruw, en zwart op wit, verklaren, dat de natuurlijke voeding moet beschouwd worden als een overblijfsel uit barbaarsche tijden .... Hoe staat u dat aan?

Hier keken de beide philosofen elkaar eens veelbe-teekenend aan, daarna riepen ze om beurten:

— O Rousseau, zou de Revolutie, die wij hebben voorbereid, niet bij geval bankroet zijn gegaan ?

— O Voltaire, zou de verklaring van de Rechten van den Mensch, die men uit onze werken heeft geput, geen misleiding wezen ?

— Wat nog het ergst is, hernam de verdediger van Galas, ^ het is niet dat wij —- beter onderrichten schimmen als wij zijn — dergelijke vragen stellen in dit eenzaam gewelf, maar het is, omdat vele verstandige menschen, ingenomen met volstrekte rechtvaardigheid, die vragen gebiedend tot zich zeiven richten, in wanhoop vervallen, walgen van alle middelmatige en ontwijkende oplossingen, die de staatkundigen hun voorstellen, en vierkant tot de anarchie besluiten.

') Koopman van Toulouse, geboren in 1698, valschelijk beschuldigd zijn zoon gedood te hebben om te voorkomen, dat hij het protestantisme zou afzweren; hij werd in 17(52, bij vonnis van het Parlement, veroordeeld om geradbraakt te worden, in 1765 gerehabiliteerd na de beroemde en hartroerende pleidooien van Voltaire.

(Vert.).

143

ocr page 148

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

144

— Aan wien zegt ge het ? vervolgde de oud-minnaar van Mevrouw de Warens. Ik heb er verdriet genoeg van, want in mijne geschriften hebben de menschen, waarover ge spreekt, argumenten gevonden. Heb ik op een goeden dag niet de schoone paradox verkondigd, dat elke maatschappij slecht is, omdat zij op het wederrechtelijk bezit van eenigen en op de laagheid van anderen gegrondvest is ? Door mijne hersenschimmen op te geven, ondervind ik nu de smart te zien, hoe de ongeduldigste anarchisten de lont van hun bom aansteken met een bladzijde, gescheurd uit het Contrat Social!

Voltaire en Rousseau zouden hunne samenspraak ongetwijfeld nog lang vervolgd hebben, ware het niet, dat in de verte het geluid van voetstappen in den grafkelder weerklonk. Het was een der grafschenders, die zijn paraplu had vergeten en met een' bewaker terug kwam om ze te halen. En daar de reine geesten, zooals wij het boven gezegd hebben, er niet van houden om zich in te laten met eenvoudige stervelingen, zoo gingen de beide schimmen in een ondeelbaar oogenblik in dampvormigen toestand over en verdwenen, als bij tooverij.

6 Januari 1898.

ocr page 149

XIIT.

PiS fi. y INCENTIUS

/ / /

A j3 AULO.

ocr page 150
ocr page 151

De H. Vincentiiis a Paulo.

Evenals men de atmosfeer van een kamer zuivert door suiker te branden, zoo konden wij ook wel eens op een ander onderwerp overgaan — want wij zijn op het oogenblik wezenlijk volgepropt met geweldige en hatelijke zaken, zelfs tot walgens toe -— willen wij eens over een braaf mensch spreken ?

Het boek ,,Saint Vincent de Ptndquot;, dat de Heer Emanuel de Broglie pas in het licht heeft gegeven, verschaft ons juist de gelegenheid daartoe.

Er bestaan reeds, dat begrijpt ge wel, talrijke en belangrijke werken over dezen bewonderenswaardigen dienaar van God en de armen ; men zou er verscheidene planken van een bibliotheek mee kunnen vullen. Toch heeft de Heer Emanuel de Broglie het niet onnuttig geacht over dit schoone onderwerp een eenvoudig, kort en bondig, maai- roerend verhaal te schrijven, en daarin is hij volkomen geslaagd. Zijn klein boekdeel — dat men bij den uitgever Victor Lecoffre vindt — bezit deze oorspronkelijkheid, dat het zich onder een heel zuiveren en deftigen vorm tot allen, tot het groote publiek wendt. Het is rechtstreeks voor het volk, dat deze geschiedenis van zijn grooten vriend bestemd is.

Laten wij het met vreugde constateeren. Niettegenstaande alles, wat men heeft kunnen doen om aan de

ocr page 152

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

menigte minachting voor den godsdienst en haat voor zijne bedienaren in te prenten, is de H. Vincentius a Paulo altijd een volksvriend gebleven. De mannen in kielen blijven getrouw aan dien goeden heer in priesterrok ; de schaamtelooze leeglooper, die het gekras van een kraai nabootst, als hij voorbij een priester gaat, zal zich een oogenblik later verteederen, wanneer hij voor een uitdragerswinkel de plaat ontdekt, waarop de H. Vincentius a Paulo is voorgesteld in een straat van Parijs, in een hevige sneeuwbui, terwijl hij een verlaten kind in een pand van zijn mantel draagt en zich reeds bukt om een tweede in een hoek van een muur op te nemen.

Het is helaas maar al te gemakkelijk den geest van het volk te doen afdwalen; het is gelukkig moeilijker zijn hart geheel te bederven. Waarom is het niet mogelijk dit nieuwe leven van den H. Vincentius a Paulo onder de oogen van alle noodlijdenden te brengen ? Zij zouden, ik geloof het zeker, in dit kleine boekje de nooit vervulde belofte, waarmede hunne eerzuchtige vleiers hen in slaap wiegen, leeren vergelijken met de soliede en duurzame weldaden, die zij den grooten Christen te danken hebben.

Deze weldaden zijn zoo talrijk als verschillend, men kan gerust verzekeren, dat men na den H. Vincentius a Paulo niets nieuws heeft uitgevonden op het gebied van liefdadige instellingen.

Daar zal ik eenige bewijzen van geven.

148

ocr page 153

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Wij zijn, en terecht, trotsch op onze liefdadigheid het verstrekken van nachtlogies, dat, zooals men weet, pas in het leven is geroepen en, ik voeg er bij, nog zeer onvoldoende ontwikkeld is, want de ongelukkigen, die geen nachtverblijf hebben, bezitten in het enorme Parijs nog maar zeer weinig schuilplaatsen, in zeer excentrieke buurten gelegen. Welnu, Vincentius a Paulo had niet alleen in de hoofdstad, maar in verschillende provinciesteden toevluchtsoorden voor passanten geopend; men gaf hun daar avondeten en nachtlogies, en den volgenden morgen : „twee stuivers om hun weg te vervolgen.quot;

Verbeeld u nu niet, dat ons liefdadig werkverschaffen van gisteren dateert.

Telkens als Vincentius a Paulo een van deze huizen, die hij „liefdehuizenquot; noemt, in functie stelt, geeft hij den raad de gezonde armen, die nog kunnen wei-ken, met zorg te scheiden van de gebrekkigen, die er ongeschikt voor zijn; maar hij wil dat men er werkplaatsen zal openen, waar de kinderen, de herstellenden, en zelfs de gezonden, een gemakkelijke bezigheid kunnen vinden en den kost kunnen verdienen.

Verneemt nog, menschlievende tijdgenooten, dat de H. Vincentius a Paulo lang tooi- u de spaarzame for-nuisen ontstak. En gij „Blauwmanteltjequot; weet, dat gij niet de eerste zijt geweest, die soep uitdeelde.

Bovendien, men weet niet, wat men in de daargestelde en voorgenomen werken van den H. Vincentius a Paulo

149

ocr page 154

DE ZEÜEN VAN HET LIJDEN.

het meest moet bewonderen, de vurige liefdadigheid, waarvan het ontwerp doordrongen is, of het praktisch genie, dat bij hun reglement voorzit.

Wil men een voorbeeld? Wanneer er een schandelijk misbruik bestaat, dan is het zeker het exploiteeren van kinderen; het is genoeg bekend, dat de leerlingen en de jonge bedienden, die al groote diensten bewijzen, bij zekere industrieelen en bij zekere koophandelaren verscheidene jaren lang een denkbeeldig salaris genieten. De Staat heeft handwerksscholen opgericht om dit misbruik te bestrijden, maar, behalve eenige bevoorrechten, moeten de kinderen er kostgeld betalen.

In de werkplaatsen van den H. Vincentius a Paulo was het vraagstuk broederlijk opgelost. De leerlingen werden gratis onderhouden en onderricht, op ééne voorwaarde: zij verbonden zich, zoodra zij hun ambacht kenden, op hunne beurt kosteloos onderricht te geven aan de arme kinderen, die hen zouden vervangen.

Deze wijze van gastvrijheid en werkverschaffing heeft den stichter niet overleefd; de liefdadigheid heeft twee honderd jaren gewacht, alvorens haar weer op bescheiden wijze en met een middelmatig succes in praktijk te brengen. Zij maakte trouwens slechts een gering deel uit van de wonderbare ondernemingen van dien grijsaard, die met een versleten soutane en een ouden hoed voorbij kwam, maai' door allen eerbiedig werd gegroet en gezegend.

Inderdaad, de „goede meneer Vincentius,quot; zoo weinig indrukwekkend van uiterlijk en zoo landelijk van zeden.

150

ocr page 155

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN-

had meer dan de helft van zijn lang leven — hij stierf 84 jaar oud — iets van een alvermogend minister van liefdadigheid in Frankrijk. Hij gaf bevelen aan scharen van priesters en religiensen. Hij gaf millioenen uit en bouwde ontzagwekkende gebouwen, zooals „la Salpê-trièrequot; en „les Incurablesquot;. In persoon of in gedachte was hij overal tegenwoordig, waar men armen ondersteunde, weezen en pasgeboren vondelingen verzorgde, zieken verpleegde, kinderen onderwees, gevangenen vertroostte, gekken bewaakte, in één woord overal, waar men weldeed.

Voor zijn léger van weldadigheid had hij niet alleen de Koningin, de aanzienlijken en het geheele hof aangeworven, maar ook de menschen uit de buitenwijken en van het platteland. Aan den een vroeg hij om goud, aan den ander om zijn goeden wil. Om zijne dames van weldadigheid bij hun bezoek aan ongelukkigen te helpen, nam hij op zekeren dag eenige buitenmeisjes, eenige dienstboden met een christelijk hart in dienst, dat was het begin van de stichting van de heilige en bewonderenswaardige familie der „Grijze Zusters,quot; die ten getale van twintig duizend over de geheele wereld verspreid zijn.

Zijn werkkring strekte zich over het geheele koninkrijk uit. Op het eerste appel nam hij zijn ouden reismantel op om in een afgelegen provincie een missie te preeken voor boeren, of om een tuchthuis te bezoeken. Brak er een oorlog uit, die rouw en ellende verspreidde,

151

ocr page 156

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

dan was hij het die hulp vond en uitdeelde. En niet deze ■wonderbare taak van liefdadigheid was zijn ijver nog niet tevreden. Hij stond aan het hoofd van da wederopkomst des Geloofs, die de zeventiende eeuw verheerlijkte. Hij stichtte met den Heer Oilier ^ de seminariën, en, alleen, dat der Missiën, terwijl hij zijne Lazaristen 1) door geheel Frankrijk en tot in Barbarije zond, om, zooals men toen zeide, den Ongeloovigen het woord Gods te brengen.

Dit alles werd gedaan met een goed humeur en met eene heerlijke zedigheid en eenvoudigheid.

Deze leider van zoovele werken en van zoovele zielen, dit opperhoofd, overladen met beslommeringen en bezigheden, in één woord deze groote persoonlijkheid, die door Koningen en eerste ministers geraadpleegd werd, vergat nooit, dat het de edelste plicht des priesters is armen te dienen en die „lijdende ledematenquot; van Jezus Christus met eigen handen te verzorgen; hij hield ook altijd voor oogen, dat de nederigheid een der treffendste Christelijke deugden is. Na het verlaten van een aristocratisch gezelschap, waaraan hij zijne vondelingen had gerecommandeerd, ging Vincentius a Paulo naar een der afschuwelijke gevangenissen van dien tijd om de aan ketenen geklonken galeiboeven te bezoeken, niet alleen om hen aan te sporen tot berusting, maar om hun physiek lijden te verlichten; hij dreef de goedheid zoover,

152

1

) Missionarissen van de Congregatie van den H. Lazarus (Vert.).

ocr page 157

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

153

dat hij het ongedierte van hun lijf verwijderde. En in zijn huis van Sint Lazarus, waar hij stil levende priesters herbergde, heeft men hein, misschien in den morgen van denzelfden dag, dat hij in de Louvre moest zitting nemen in den Raad der Regentes, de schoenen zien poetsen van zijn gasten, omdat er geen bedienden genoeg waren.

Ik weet wel, dat wij dat alles als „leekquot; beschouwden en dat zoodanige daden, goed voor een' heilige, meer verwondering dan bewondering zullen wekken bij de besten onzer, wier godsvrucht lauw en voorbijgaand, wier zedigheid zelden van zuiver allooi is. Wat'doet het er toe, men kan het niet genoeg herhalen, op het gebied van liefdadigheid is alleen maar de christelijke liefdadigheid solied en degelijk; ik dank den Heer Emanuel de Broglie voor eenige goede uren, in het gezelschap van den H. Vincentius a Paulo doorgebracht, want die man is belangwekkender dan de schoone dame van zekeren leeftijd, die, als zij eenige bedden in een hospitaal gesticht heeft, gedecoreerd wil worden als een oud gediende, en belangwekkender dan de bankier-milliardair, die maar een order op de Beurs heeft te geven, om een monsterachtige winst in zijn zak te steken, en die, als hij uit voorzichtigheid een gift aan de armen geeft, het openlijk in de dagbladen vermeldt.

13 Januari 1898.

ocr page 158
ocr page 159

XIV.

'^ET FEEST VAN

/

jJeanne d'^rc.

ocr page 160
ocr page 161

Het feest Areiii Jeanne d'Are.

Wij zullen dus een feest van Jeanne d'Arc hebben; — is het wel zeker ? — ik hoor spreken van een periodiek en officieel feest; de kerk van Frankrijk heeft al hij herhaling de gedachtenis van de heldin geëerd door prachtige en treffende ceremoniën.

Daar er geen sprake van kan zijn — zonder onver-dragelijk belachelijk te worden — in de goede Lotha-rinlt;ische, „door de Engelschen te Rouaan verbrandquot;, een leek te zien, zoo zullen de feesten te gelijkertijd vaderlandslievend en godsdienstig zijn. Zonder twijfel zal er 's morgens een solemn eele mis in de Notre-Dame en 's avonds — de gekozen datum is in Mei — zullen de geloovigen, nadat zij de lofliederen van de H. Maagd gezongen hebben, (waaraan een mooi gebed voor Jeanne zal worden toegevoegd) naar het vuurwerk gaan kijken.

Wij moeten ons verheugen in deze gelukkige overeenstemming. Wij zijn niet dikwijls in de gelegenheid al onze landgenooten door eenzelfde gevoel beheerscht te zien, en is er één zielroerender en dieper dan onze teedere vereering voor Jeanne d'Arc ?

Eerlijk gezegd is het een. eeredienst, dien wij gewijd hebben aan de nederige boerin van Domrémy, die

ocr page 162

DE ZEGEN VAM HET LIJDEN

geknield in den boomgaard van haar ouderlijk huis, in de schaduw van den kerktoren, dacht aan de groote godsvrucht, die er toen in het koninkrijk Frankrijk bestond, en het oor leende aan de geheimzinnige stemmen, die haar boodschapten, dat God haar had verkoren om de overweldigers te verjagen. Voor ons is zij het symbool van de onomstootelijke hoop op de bepaalde zegepraal des vaderlands; hoe ongelukkiger en droeviger wij in ons volksleven zijn, des te dierbaarder wordt ons de gedachtenis aan Jeanne (l'Arc.

Wij doorleven wel leelijke en donkere tijden. Zevenen-twintig jaar geleden overwonnen, na een tegenstand, die eervol en hardnekkig, maar — laten wij het maar eerlijk bekennen — weinig roemvol was, zijn wij uit de wreedc beproeving niet beter en wijzer te voorschijn gekomen, dan men wel had kunnen hopen. Niet alleen hebben we niet de minste moeite gedaan ons verloren grondgebied te herwinnen, maar in ons land, dat kleiner geworden is en in verdediging berust, hebben wij niet eens welvaart, orde en eendracht kunnen vestigen. Ik heb de vaste overtuiging, dat de toekomst zeer streng zal oordeelen over deze kwart eeuw onzer geschiedenis, waarin slechts zoovele onvruchtbare woorden weerklonken. Het huidige uur is buitengewoon droevig; elk mensch, de naam van Franschman waardig, schrikt op dit oogenblik voor het schouwspel van broederlijke on-eenigheid, dat ons voor morgen bedreigt met een socialen ondergang; een ieder denkt aan onze vijanden.

158

ocr page 163

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

die zich verheugen, en aan onzen eenigert bondgenoot, die zich wellicht verontrust en het vertrouwen verliest.

In onzen doodsangst hernemen we toch een weinig moed, wanneer wij de blikken naar het verleden richten en ons herinneren, dat ons land veel erger angsten heeft gekend; het is ons een troost op den bodem van de bloedige duisternissen der 15de eeuw, in een Frankrijk, uitgeput door invallen en honderdjarigen krijg, het zuivere en stralende gelaat van de Maagd te zien opdagen, die slechts haar flikkerenden degen te zwaaien had om de vijanden te verblinden en te doen beven, de overwinning in onze gelederen te herstellen en te bestendigen. Wanneer men den beklagenswaardigen staat van het koninkrijk beschouwt op bet oogenblik van de verschijning van Jeanne d'Arc; wanneer men constateert, dat weinige jaren later, aan het einde van de regeering van Karei VII, de Engelschen in Frankrijk slechts de vesting Calais overhielden, dan staat men versteld van bewondering en weigert aan de ergste pessimisten het recht te wanhopen over een land, waarin een dusdanig wonder heeft kunnen plaats grijpen.

Ik heb het woord gesproken en houd het vol, want in de geschiedenis van geen enkel volk bestaat iets dergelijks.

Ik herlees in Michelet — die volstrekt niet verdacht wordt van mysticisme — het verhaal van dit wonderbaar avontuur en hoe meer ik er over nadenk, des te meer ontdek ik een bovennatuurlijke tusschenkomst.

159'

ocr page 164

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Een wonder! Nog niet lang geleden zou ik, dit woord uitsprekende, dwaselijk de schouders hebben opgehaald. Omdat ik nooit met eigen oogen een wonder had zien gebeuren, ontkende ik alles, met verachting van deze hoofdwaarheid: dat als er een God is —en aan Zijn bestaan heb ik nooit getwijfeld — als er een Almachtig God is. Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Hij dan .boven de natuurlijke wereld. Zijn werk, staat, en niets Hem onmogelijk is. Nu heeft mijn hoogmoed de wapens neergelegd. Eens heb ik den adem des doods op mijn voorhoofd gevoeld, toen zijn de afschrik van het niet en de behoefte aan een eeuwig leven in mij ontwaakt. Toen heb ik het Evangelie gelezen, zooals het behoort gelezen te worden, met een eenvoudig en getrouwvol hart; op elke bladzijde en in elk woord van het verheven hoek heb ik de waarheid zien uitblinken. Thans geloof ik vastelijk aan deze wonderen, die bovendien door de Evangelisten zijn verteld, beschreven en getuigd, en dat met een zekerheid en een nauwkeurigheid, tot in bijzonderheden toe, waaruit de duidelijkste en volmaakste oprechtheid blijkt.

Ja, Jezus heeft den dooven het gehoor, den blinden het gezicht, den lammen de beweging, den dooden het leven teruggeven. Tijdens Zijn korten doorgang in deze wereld, heeft Hij deze wondervolle weldaden kwistig verspreid, om te bewijzen dat Hij de zoon van den levenden God was, en om den godsdienst te stichten, die sedert negentien honderd jaren den zielevrede schenkt

160

ocr page 165

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

aan alle menschen van goeden wil. Dit geloof in Jezus Christus, dat ik teruggevonden heb — want mijne jeugd was christelijk — wil ik behouden en het voortaan on p-houdelijk vermeerderen, voortdurend, geduldig, zonder mij in zwakke uren te ontmoedigen. Indien ik soms wankel en bang ben, zooals de H. Petrus, toen hij- op de golven liep. Gij, o Heer, ziet dat ik U gehoorzaam en Gij zijt daar om mij te ondersteunen!

Deze wonderbare kracht, die van den persoon van Jezus uitging, toen Hij in ons midden was, heeft Hij aan Zijne leerlingen meegedeeld. Hij kan haar altijd aan Zijne uitverkorenen verleenen, ongetwijfeld in een mindere, maar toch bovennatuurlijke proportie; ik geloof in de zending en in de handelingen van Jeanne d'Arc het teeken van deze meerdere macht te herkennen.

Wat de vrijdenkers van de hospitalen en de wijsgeeren der kliniek er ook van denken, er is hier geen sprake van een zenuwziekte. Alle woorden van Jeanne, die ons zijn overgebracht, ademen het vurigste medelijden, maar zijn ook doordrongen van uitmuntend gezond verstand, van een volmaakt vernuft. In haar is niets van een geestenzienster, zij heeft verschijningen en hoort stemmen, maar „Meneer St. Michaelquot; en „Mevrouw St. Margarethaquot; spreken haar aan in een zeer duidelijke taal, geven haar stellige orders : haar land en familie verlaten, naar den Dauphin gaan, Orleans bevrijden, den Koning naar Reims geleiden, en hem daar laten huldigen. En deze onmogelijke, onzinnige onderne-

11

161

ocr page 166

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

ming, — wanneer men denkt, wat het arme kind is — heeft zij ten uitvoer gebracht met eene volharding en een' moed, die waarlijk bovenmenschelijk zijn.

Zekere daden van de Maagd komen stellig mirakelen nabij. Zij gaat regelrecht naar den Koning, dien zij nooit gezien heeft en .die verborgen is in een foule van drie honderd edellieden. Zij beveelt dat men een degen voor haar zal halen, verstopt onder het altaar van een kerk, en in een land, dat zij niet kent. Zij openbaart bovendien haar voorzeggingsgave. Niet alleen voorzegt zij den goeden uitslag harer zending, maar toen men verlangde, dat zij na de wijding den krijg bleef voortzetten, stemt zij daar slechts met weerzin in toe — want hare „stemmenquot; hebben haar slechts bevolen den Koning te doen inhuldigen — zij voorziet van toen af de ongelukken, die haar bedreigen, en maakt haren aanstaanden dood bekend.

Ongeloovigen, die bij het enkele woord „wonderquot; glimlachen, weet wel dat het geheele leven van Jeanne d'Arc één wonder is.

Bovendien is haar heiligheid, om zoo te zeggen, aanstekelijk. De veldheeren, die naast haar strijden, Dunois, Xaintrailles, la Hire, bloeddorstige, roofzieke en ongebonden mannen worden goed, godvruchtig en kuisch door met haar in aanraking te komen, en met hunne ruwe soldaten is het evenzoo.

Ik hoop dat het geen gebrek aan eerbied voor de H. Schrift is, dat men elk oogenblik aan haar herinnerd wordt, onder het lezen van het leven van Jeanne d'Arc.

1(32

ocr page 167

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Als God haar de verschrikkelijke zending oplegt, gehoorzaamt zij dadelijk, zonder aarzelen, zooals Maria aan den Engel Gabriel. Zij ook schijnt te zeggen: Ecee ancilla Domini. Door de spitsvondige godgeleerden, die in haar een toovenares vreesden te zien, te Poitiers ondervraagd, heeft zij een antwoord voor de meest ingewikkelde en gevaarlijkste vragen; op haar beurt beschaamt zij de doctoren, evenals de jongeling van Nazareth in het Sanhédrin. Als zij met haar stok het gemeene volk, dat het leger volgt, verjaagt, herken ik het gebaar van Jezus, die den dunnen lederen riem liet neerkomen op de wisselaars en op de kooplieden in vee en duiven, die zich op onbetamelijke wijze hadden geïnstalleerd binnen de omheining van den tempel.

Hoe zou het mogelijk zijn de tooneelen van liet lijden niet te gedenken, bij de gevangenschap, het proces, en de terechtstelling van Jeanne ? Zij ook is verkocht en verloochend. Evenals in de hand van Judas, heeft- het o-oud van Winchester o-eklonken in de hand van den

o ^

Sire de Ligny, die over haar beschikt als over zijn' krijgsgevangene en die, door haar aan den Hertog van Bourgondië af te staan, haar in werkelijkheid aan de Engelschen levert; het is Koning Karei, aan wien zij een koninkrijk teruggegeven heeft, die door een laagheid, even schuldig als die van Petrus bij de lijfwacht in het huis des hoogepriesters, de oogen afwendt, en haar niet meer schijnt te kennen, als zij in gevaar van sterven is.

Zullen wij haar op alle statiën van haren Cal var ie-

163

ocr page 168

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

berg volgen ? Schijnt de Bisschop van Beauvais u minder afschuwelijk toe dan Caiphas ? . . . .

Maar staan wij niet langer stil bij de misdaad van Rouaan, zij is helaas! een schande voor twee groote naties ; want Engeland begin haar trouweloos en wreedaardig, maar de Koning van Frankrijk was er aan medeplichtig door zijne ondankbaarheid, en de dikke zwarte rookkolom, die den 30sten Mei 1431 van de plaats „du vieux Marchéquot; opsteeg, bevlekte gelijktijdig de „luipaardenquot; en de „leliesquot;.

Een feest voor Jeanne d'Arc! Zeker, wij juichen het toe.

Op dien dag, onder den lentehemel, zal het volk zich verheugen en met trots gedenken, dat eenzelfde bloed als het zijne door de aderen van de zuivere, de onverschrokken herderin van Domrémy stroomde.

Het leger zal het geweer presenteeren voor het standbeeld van de Maagd in kuras en de vaandels zullen buigen voor het beeld van het jonge meisje, dat op achttienjarigen leeftijd gestorven is en haar bevrijdend banier zoo dapper droeg en zoo hoog plantte.

164

Wat ons. Christenen, aangaat, wij zullen neerknielen voor het Kruis, dat het godvruchtige slachtoffer met zooveel vuur op den brandstapel omhelsde; wij zullen aan Jeanne, Maagd, heilige en martelares, vragen God te bidden voor de grootheid en den roem van Frankrijk!.

3 Februari 1898.

ocr page 169

XV

pEWIJDE ASCH

ocr page 170
ocr page 171

Gewijde asch.

Nadat Hamlet op het kerkhof te Elseneur onder den uitroep van ba! den schedel van den armen Yorrik had neergeworpen, vervolgde hij den loop zijner sombere gedachten en in verbeelding spoorde hij het stof op van Alexander den Groote, tot hij het vond in den vorm van de stop van een spongat.

„Zie hier, zeide hij tot Horatio, wat er van ons wordt: Alexander stierf; Alexander werd begraven; Alexander keerde weder tot stof; het stof is aarde; van aarde krijgen wij leem; en waarom zou men niet met dat leem, waarin hij veranderd was, het gat van een bierton stoppen ?

De groote Caesar dood, en weer tot stol' verteerd.

Wordt licht voor 't tochtgat leem, waar men den wind mee keert. O, dat hetzelfde stof, dat werelden vereeren.

De wanden dekken moet om winterstorm te weren!quot;

Deze gedachten, die Shakespeare aan den droefgees-tigen Prins van Denemarken ontleent, behooren tot dezulken, die men zich op den eersten dag van de Vasten mag herinneren, want alsdan maakt de priester een kruis met asch op het voorhoofd van alle geloovigen zeggende : „Gedenk, o mensch, dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeerenquot;.

ocr page 172

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Een plechtigheid van bewonderenswaardige zinnebeeldige beteekenis, zooals trouwens alle ceremonies in de H. Kerk ! Haar doei is niet alleen ons te herinneren, dat het leven kort, de dood aanstaande is, dat het weinige, dat van ons over zal blijven, al waren we ook beroemde overwinnaars en machtige keizers, misschien eens zal dienen om een scheur in een' muur, of het spongat van een ton, te stoppen, — maar ook dat het nuttig is deze alledaagsche waarheid te herhalen en heilzaam ze te overdenken. De asch, op het hoofd van den Christen gestrooid, heeft een andere beteekenis. Zij beveelt hem nederig te zijn, wanneer hij denkt aan de verdiensten, die hij misschien heeft; aan de plaats, hoe eervol ook, die hij in de wereld bekleedt; zelfs aan de goede daden, die hij heeft kunnen doen. Zij verlangt ook, dat hij het bedreven kwaad herstelle, of tenminste, indien de font onherstelbaar is, haar bitterlijk en met alle krachten zijner ziel betreure.

Zelfs buiten het godsdienstig gevoel, zelfs voor hem, die van het graf slechts een algeheele vernietiging verwacht, zijn de nederigheid en het berouw twee schoone gesteltenissen der ziel. Want, als men niet leeft gelijk een redeloos dier, alleen om aan zijn lusten te voldoen, verlangt de mensch van zichzelven een zedelijken vooruitgang, en wenscht wijzer en beter te worden. Hij verbeeldt zich altijd daarin te slagen; het is een pretensie van oude lieden te zeggen, dat zij onderwezen en volmaakt werden door de ondervinding.

168

ocr page 173

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Zoo troosten zij zich — weinig en slecht — over hun physiek verval en wenschen zich geluk met de heerschappij, die zij over hunne hartstochten gekregen hebben, wanneer zij — men moet het wel zeggen — slechts overwonnen zijn door hunne afmattende gevoeligheid. Met één woord, eigenliefde en ijdelheid nemen bij de besten onzer met de jaren af en het leed over de slechte daden, waaraan wij ons schuldig maakten, vermeerdert.

Wantrouw den mensch, die op rijpen leeftijd onophoudelijk herhaalt: „Ik kan het hoofd hoog dragen . .. Ik heb mij niets te verwijten.quot; Het is mogelijk, dat hij altijd voldaan heett aan de wetten van eerlijkheid en zelfs aan die van eer, zooals de maatschappij ze heeft vastgesteld. Maar voor zijn innerlijk geweten liegt hij, of minstens openbaart hij met een beklagenswaardige onkunde van zich zeiven, een ziel, ontbloot van angstvalligheid, en een hart zonder fijngevoeligheid, zonder ware goedheid.

Want niemand onzer heeft het recht het hoofd met zooveel fierheid op te heffen, en zich onberispelijk te verklaren. Niemand onzer kan zijn verleden beschouwen zonder er veel ongelijk jegens anderen en vele tekortkomingen van plicht in te ontdekken. Allen hebben wij grove fouten begaan, zoo niet door boosheid, ten minste door eigenliefde, door bewondering en liefde voor onze geliefde persoonlijkheid. Ja, allen, zelfs de zuiver-sten — en het zijn de laatsten, die het meest te lijden hebben van deze lastige herinneringen.

169

ocr page 174

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Zoowel in de oogen van den geloovige, die door een grootsche verwachting wordt gesteund, als in die van den ongeloovige — ik bedoel hem, voor wien het zedelijk leven bestaat — heeft deze ceremonie met gewijde asch een diepen zin; zij brengt den mensch in herinnering, dat de dood hem onophoudelijk bedreigt, dat hij dikwijls zijn geweten moet onderzoeken en zich moet oordeelen met nederigheid, met gestrengheid, met een geest van boetvaardigheid en herstel.

De nederigheid is een groote, een zeer groote deugd. Zij alleen is in staat de afstanden weder saamtevoegen, die de natuur en de wetten aan de menschen onderling hebben gesteld, want zij bezielt de meerderen met zachtheid en liefdadigheid, de minderen met eerbied en gehoorzaamheid. Zij alleen kan de onvermijdelijke ongerechtigheden des levens en der maatschappij verzachten en lichter maken; bij de sterken de neiging tot tyrannie en bij de zwakken de aandrift tot verzet onderdrukken. Maar wat worden ze zeldzaam, de nederigen van hart! En wat is het treurig in onze dagen de onvruchtbare en ellendige zegepraal van hoogmoed en nijd bij te wonen, die de onzinnige gelijkheid van bezit voor allen eischt. •

De volstrekte gelijkheid bestaat, helaas, maar in den dood. Wanneer ik het zoo bedriegelijk woord „gelijkheidquot; aan den gevel onzer monumenten zie, dan kom ik er toe de sombere wijsheid der Middeleeuwen te betreuren,, die een geraamte, op de viool spelend met_een dijbeen als

170

ocr page 175

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

stok, op de muren schilderde en den gekroonden vorst, den pans met zijne tiara, den veldheer met alle stukken gewapend, de schoone dame in haar spiegel glimlachend, den doctor met zware boeken beladen, den boer met bijl en schop, den werkman met zijn hamer op den schouder, en den in lompen gekleeden bedelaar met moeite op zijn krukken gaande, naar denzelfden afgrond voerde.

Ja, een moderne „Doodendans,quot; een „farandole 1) macabre,quot; quot;) naar den tegenwoordigen smaak, zon niet nutteloos zijn en ons een weinig doen nadenken over eenige onzer hersenschimmen en ijdelheden. Ik vrees er sterk voor, dat zij niet de kunstwaarde zou hebben van het fresco door Hans Holbein in het klooster der Dominicanen te Bazel geschilderd, maar om ons schadeloos te stellen, zonden wij het wijsgeerige beeld kunnen vermenigvuldigen met behulp van openlijke aanplakking en veelkleurigen druk.

Kan men zich geen compositie met levendige kleuren en beknopte teekening voorstellen, aangeplakt op alle muren van Parijs, waarop men den dood zou zien, sierlijk en mager, met zijn kalen schedel en holle oogen, zijn stijven neus en zijn ribben „en brandebourgs,quot;

') Farandole — provinciedans, waarbij de dames elkaar aan de hand houden. (Vert.).

') Danse macabre — doodendans. In de Middeleeuwen was liet een helsche dans (geschilderd ol' gebeeldhouwd), waaraan dooden van alle standen' en leeftijden deelnamen — Koningen en onderdanen, rijken en armen, grijsaards en kinderen. Het was een allegorische voorstelling. De dood dirigeerde den dans en bediende zich vrcn een skelet, dat op de viool speelde met een been als strijkstok. (Vert.).

171

ocr page 176

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

terwijl hij op een scheenbeen blaast als op een fluit, en de vertegenwoordigers der hedendaagsche maatschappij naar het graf en de eeuwige vergetelheid geleidt? Zoudt ge Rothschild en zijn milliard; Eifel en zijn toren j een proletariër met de courant, die hem voor morgen het einde zijner ellende belooft; een afgevaardigde zijn check zwaaiend; een anarchist met bom en kiel — en zelfs een lid van de Academie, in den rok, met groene palmen geborduurd, met zijn goedaardig zwaard en zijne volledige werken, in verscheidene deelen onder den arm dragend, in dien treurigen stoet niet gemakkelijk herkennen ?

Maar ik heb ongelijk te gekscheren op den dag, die ons tot strenge gedachten noodigt en bovendien hebben wij niet iets beters dan den Doodendans — een vogelverschrikker, die wat kinderachtig is — om ons te herinneren van hoe weinig waarde 's menschen leven en werken zijn ? Hebben wij niet het feest, zoo indrukwekkend in zijn treurigen eenvoud, dat de Kerk op Woensdag na Quinquagesima viert?

In een volkswijk, in een Kerk van de voorstad, in een van de vroegmissen, waarin slechts zeer arme lieden komen, zou ik een man uit onzen tijd, een' ongeloovige —- bijna allen zijn het, helaas ! — in wien ik een wezenlijke liefde voor het volk bevroedde, willen brengen om de aschkruisjes te zien uitdeelen.

Onder het gewelf — flauwtjes verlicht door de kaarsen van het altaar — zou hij slechts weinigen en menschen

172

ocr page 177

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

uit de laagste klasse vinden, want onder de arbeidersklasse zijn ze te tellen, diegenen, aan wie men de vertroostingen van het gebed nog niet beeft ontroofd. Het bescheiden auditorium zou bestaan uit werksters, dienstboden naast hun mand geknield, eenige oude lieden en vier of vijf handwerkslieden, die er landelijk uitzien, kortelings uit hun dorp zijn gekomen en den dienst, met een zak gereedscbappen aan de voeten, bijwonen.

De vriend van den werkman zou in hen de zacbt-moedigen, de eenvoudigen, de //armen van geestquot;, de uitverkorenen van Jezus herkennen, voor wie Hij in Zijn koninkrijk een plaats heeft uitgezocht, beloofd en bewaard. De toeschouwer zou bewogen zijn. Wanneer hij die asch op hun voorhoofd zou zien drukken, die volgens bet woord van Hamlet misschien een atoom van Alexander of van Caesar bevat en in zeker opzicht het beeld van zoovele beschaafde geslachten, van zoovele verdwenen volkeren vertegenwoordigt, zou hij zich herinneren, dat de geschiedenis slechts een lange smartkreet is, dat het lot der zwakken en geringen, overal en altijd, met moeite valt te dragen, en zij nooit betere verlichting in hun lijden hebben gevonden dan door de oogen naar den Hemel op te slaan.

In deze godsdienstige atmosfeer, voor deze arme lieden in gebed verzonken, zou de ongeloovige, dunkt me, tot zich zeiven zeggen, dat de bestrijding van het geloof bij denede-rigen een dwaasheid en een misdaad zou zijn, want door het geloof beminnen zij elkander en hopen zij op een'

173

ocr page 178

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Vader in den Hemel. Hij zou denken aan het Evangelie, aan dat boek, eenig in de wereld, dat de ziel van het heelal veranderd, sedert negentien eeuwen de zuiverste deugden ingegeven, aan ontelbare Christenen den vrede des harten geschonken heeft. En dan — wie weet ? — Wanneer hij het wonderbare werk beschouwt van Hem, die op den berg heeft gesproken en stieif aan het Kruis; wanneer hij zich overtuigde dat de mond, die zoovele eeuwige waarheden openbaarde, niet heeft kunnen liegen, dan zou hij gelooven in Jezus Christus, den Zoon van den Almachtigen God, van God in Wiens oogen de planeten en sterren minder zijn dan de korrels dezer stof, dooiden priester verdeeld; dan zou hij gelooven in den Eeuwigen Meester, die van uit de eindelooze mysterie over het stof van werelden en over de asch van zonnen gebiedt !

24 Februari 1898.

174

ocr page 179

XVI.

NG VAN DEN HRISTELIJKEN pEEST.

ocr page 180
ocr page 181

HerleTing \an den Christelijken Geest.

Vele verstandige personen walgen van het grove realisme der moderne wereld en komen ten slotte in verzot tegen hun eigen rede, die de grenzen van de mysterie slechts verwijden en onbepaald verschuiven kan, zonder het ooit te bereiken en te doorgronden ; zij gevoelen behoefte aan ideaal en geloof, en keeren uit eigen beweging, vrijwillig, tot den godsdienst van Jezus, tot Zijn verheven zedeleer en de versterkende beoefening daarvan terug, dat is een feit, dat niet meer te loochenen valt.

Een mijner vrienden, een begaafd dichter, wiens hersenen gevuld zijn met bovennatuurlijke droomen, en die een geloofsleer voor zich zei ven heeft gemaakt — een soort boeddhaïsmus, voor zoover ik heb kunnen begrijpen — bekende mij kort geleden zijn wijsgeerige nederlaag.

„Ja, zeide hij mij, tien jaren van mijn leven heb ik zoek gebracht om mij zeiven te overtuigen, dat alles maar zinsbegoocheling en nietigheid is en mijn stelsel beviel mij wonderwel.... Maar toen mijn dochtertje op zekeren dag ernstig ongesteld werd, heb ik heel eenvoudig een goeden God, een Hemelschen Vader aan-

12

ocr page 182

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

geroepen, die haar voor nüj kon behouden in deze wereld, ot' die haar ten minste in een andere wereld aan mij kon teruggeven.quot;

Van nu af aan beschouw ik hem als een afgericht en aanstaand rekruut van het groote huisgezin van Christus. En vele anderen zullen er in wederkeeren. Want het echte atheïsmus moet zich met gelatenheid onderwerpen. Men begint te deserteeren uit die scholen van logentaal, waar men niets vindt voor het hart. Men ziet eindelijk in, dat zij bezig zijn Frankrijk te bevolken met hoog-moedigen en wanhopenden; van alle zijden ontwaren wij schitterende teekens, die de voorzegging wettigen van een zegevierende opkomst van het Christelijk bewustzijn.

Het is b. v. wel meer dan een aanwijzing en een verschijnsel, het is — laten wij het ronduit zeggen — een akte van geloof, die gij eenige dagen geleden hebt kunnen vinden in de woorden, door den Heer Ferdinand Brunetière te Besanfon geuit. Ik gebruik niet het woord „redevoeringquot;, want het was maar een vrij korte „speechquot;, tot een weinig talrijk publiek gericht. Maar het is onmogelijk om meer te zeggen in zoo weinig woorden.

Na de ontbinding te hebben geconstateerd van die platte wijsbegeerte „natuurlijke godsdienstquot; genoemd ; na vastgesteld te hebben, dat men een godsdienst niet van zijn bovennatuurlijks, zijn geloolsleer en zijn tucht kan ontdoen; na deze duidelijke waarheid in herinnering te hebben gebracht, dat, hetgeen ons aan deugd

178

ocr page 183

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

overblijft door erfenis of opvoeding, aan het christendom te danken is, heeft de ferme redenaar bij alle wijsgee-rige en zedelijke redenen, die ons tot het geloof brengen, een vaderlandslievende reden gevoegd, door zeer juist op te merken, dat de belangen van den Roomsch-Katholieken godsdienst en van Frankrijk over de ge-heele wereld ten nauwste verbonden, of beter gezegd, dezelfde zijn.

Het is te betreuren, dat wij, afgeleid door de schandalen, (in zeker opzicht periodiek) die ons bedroeven, niet meer aandacht gewijd hebben aan deze redevoering — een waar model van korte en kernachtige welsprekendheid. Alles wijst bovendien aan, dat de Heer Brunetière het plan, op deze schoone bladzijde geschetst, weldra zal ontwikkelen en ons over dit onderwerp de een of andere meesterlijke studie zal geven.

Maar al moge deze verbeterde Christen, de Heer Brunetière, door de kracht en de methode van zijne redeneering misschien bestemd zijn om op ernstige en verstandige lieden den invloed te oefenen van een Bonald, toch zullen de denkers, die voor alles met de kunst zijn ingenomen — zij zijn in onze dagen zeer talrijk — omringd en doordrongen blijven van een godsdienstige atmosfeer, zoodra zij het oneindig belangwekkende en — ik haast mij het er bij te voegen — het zeer oprechte boek van J. K. Huijsmans; „la Cathedralequot; gelezen hebben.

Indien elke weg naar Rome voert, zooals het spreek-

179

ocr page 184

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

woord zegt, dat hier zijn juiste toepassing vindt, dan heeft Huijsmans zeker den langsten weg genomen. Eenige jaren geleden heeft een ongezonde bekoring hem de geheimzinnige schanddaden van het satanisme doen bestudeeren, en door „La-basquot; en „En routequot; achter elkaar te lezen, zou men geneigd zijn — wanneer men niet wist, dat het eerste van deze twee verhalen geheel denkbeeldig is — te gelooven, dat Durtal, dat is te zeggen Huijsmans, bij het uitgaan van deze of gene zwarte Mis, zijn toevlucht nam bij de Trappisten. Een waarheid is het, dat deze onverbeterlijke versmader, deze man, in alle dingen zoo moeilijk te voldoen, even goed op het gebied van schrijfwijze als op dat van kookkunst zoover kwam, dat hij een walg van zichzelven had. Dit dikwijls met een' openhartigen nadruk geuite gevoel moest eindelijk, in een teergevoelig geweten, den vorm van berouw aannemen. Hij, die berouw heeft, gevoelt behoefte aan vergiffenis en er bestaat maar één rechterstoel, waar de toegevendheid eindeloos, de kwijtschelding volmaakt is, dat is de biechtstoel. Durtal, deed boetvaardigheid — in „En routequot; zult gij over dit keerpunt der ziel bladzijden van een eigenaardige en doordringende ontroering vinden — en ... . voortaan was hij Christen.

Terwijl hij zijn gebed deed is deze Christen, die een zeldzaam kunstenaar en wijsgeer blijft, in verrukking geraakt over de Kathedraal te Chartres. Vandaar zijn nieuw boek, dat bijna geheel gewijd is aan de verheer-

180

ocr page 185

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

lijkina; dier wonderbare kerk, liier door de meest buitengewone verbeeldingsgrillen verheerlijkt, daar beschreven met de kleingeestige nauwkeurigheid van een gids.

De „Cathédralequot; is thans in ieders handen en in dit werk, ben ik niet belast met de letterkundige critiek. Het is dus niet aan mij een meening uit te spreken, of de beoordeelaars, die aan Huijsmans enkele woorden en zekere vergelijkingen verweten, als zouden deze te veel aan zijne oude natuurkundige werken doen herinneren, en die hem berispten, dat hij in zijn boekdeel alle zonderlingheden zijner geheimzinnige bibliotheek had neergelegd, billijk waren of niet.

Wij wisten wel welk een geheel bijzonder kunstenaar Huijsmans is, tegelijk alledaagsch en geraffineerd, gaarne een ruw woord in een kiescbe gedachte mengend, groot navorscher van oude boeken, waarin men wonderlijkheden ontdekt, en nooit schromende te kwetsen, mits hij maar verbazing wekke. Zullen wij dan nimmer de goede gewoonte aannemen een' schrijver te nemen gelijk hij is, wanneer wij in hem een origineele geaardheid en een verheven talent erkennen ?

Bovendien zullen zelfs de strengsten zich onthouden van veroordeeling der weinige wat al te sterke eigenzinnigheden, welke de „Cathédralequot; ontsieren, wanneer zij er zoovele waarlijk mooie dingen in vinden over de Middeleeuwsche kunst, de gothische bouwkunde, de geschilderde kerkramen, de kerken der eerste eeuwen de gewijde muziek, en ook zoovele innerlijke tafereelen

181

ocr page 186

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

van uitmuntend geloot', zoovele voorstellingen in het volle licht der heerlijkste schilderachtigheid. Ik beveel u voornamelijk de stille Mis in de crypte aan. Dat is een meesterwerkje.

Maar laten wij de letterkunde terzijde.

Huijsmans ontroert mij, wanneer hij menschelijk is, dat wil zeggen, wanneer hij — de bekeerling, die tot op rijpen leeftijd bijna uitsluitend voor de zinnen heeft geleefd— en zijne gedachten alleen maar voor moeilijke en vermakelijke lettergymnastie gebruikte — lijdt door de moeite, die het hem kost zich een innerlijk leven te scheppen; zoo ook wanneer hij in scherpe openhartige tonen het weinige vuur van zijn godsvrucht en zijn koelheid van hart in 't gebed betreurt.

Dan herinner ik mij het vreeselijke woord: „God spuwt de lauwen uitquot;.

Want ik ken dergelijk lijden, gerechte straf voor hen, die slechts te laat schrikken voor de leegte hunner ziel, en er met angst eenige overblijfselen van hoop en geloof in zoeken om die zorgvuldig te vergaderen. Helaas, van den beginne af aan, hebben wij ons van het Kruis verwijderd; gedurende de hitte van den dag hebben wij ver van 't Kruis geleefd en slechts tegen den avond wordt zijn schaduw langer en komen wij in zijn bereik. Het oogenblik is ons ongetwijfeld gunstig, want alles gaat ons ontbreken. Dan keeren wij terug naar dat beschermend Kruis, met een gebaar van angst omhelzen wij het, en trachten te bidden. Maar wij hebben niet

182

ocr page 187

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

ongestraft jaren lang in onverschilligheid voor eeuwige zaken doorgebracht en het schijnt ons toe, als verwelkten de heerlijke gebeden onzer kinderjaren, wanneer zij onze onreine lippen ontvlieden.

Moed geschept, mijn beste Huijsmans! Gij hebt ergens gezegd niet de humoristische wending, die u eigen is; „God moet niet lastig zijn, om zich tevreden te stellen met lieden als ik \quot; En met mij dan! zal ik er bij voegen. Ik heb over die woorden hooren spotten; ik vind ze daarentegen treffend. En toch, ze zijn te ontmoedigend, men moet niet zou spreken. Het is een gebrek aan vertrouwen en het geheele Evangelie komt er tegen op. Herinner u de Samaritiaansche vrouw, Maria Magdalena, de arbeiders in den wijnberg, den verloren zoon, het verdwaalde schaap, de voorkeur aan den berouwhebbende boven hem, die volhardt.

Laten wij daarom bidden, zonder ooit te twijfelen aan de onuitputtelijke barmhartigheid. Hoe dor onze gebeden ook mogen wezen, zij hebben toch verdiensten. Zijn wij al niet bevrijd van vele laagheden en verdorvenheden, die ons aankleefden ? Gevoelen wij ons niet minder onrechtvaardig, gelatener, nederiger en vooral liefdadiger ?

Waar heb ik onlangs onder de kwaadaardigheden, aan uw adres gericht (waarvan ik echter mijn deel neem) gelezen, dat men onzen zieletoestand slechts als „la fatigue de vieux-garyons blasésquot; beschouwt? Vooreerst, waarom niet ? Het is zoo kwaad niet goed te eindigen;

183

ocr page 188

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

wat mij betreft, ik ken niets zoo onbetamelijk en zo6 belachelijk als een „lionquot; met grijze haren. De menschen van de 17de eeuw — ge hebt ongelijk hen op lichtzinnige wijze te behandelen, mijn waarde Huijsmans, want het waren goede christenen — hadden de verstandige gewoonte zich op den avond van hun leven af te zonderen van de wereld en, gelijk zij zeiden, een ruimte te stellen tusschen het leven en den dood; zij wijdden hunne laatste levensjaren aan de Eeuwigheid. Er bestaat geen waardiger einde. Hebben wij niet het recht hen na te volgen ?

En toch is er iets anders, geloof mij. Er is een adem gegaan — Spiritus fiat ulri vult — en er zijn godsdienstige woorden gevloeid van lippen, van waar men niet verwacht had ze te hooren. De arme Verlaine is begonnen. Herinner u de bewonderenswaardige klachten van berouw, die in „Sagessequot; voorkomen. Later hebt ge tiwe twee goede (P1) en zeldzame boeken geschreven. Ook ik,'in wiens werk en verleden niets stichtelijks is, voeg op mijn beurt mijnearmzalige bijdrage bij dit christelijk pogen. De Heer Brunetière stelt zich in beweging, langs een anderen weg, maar naar hetzelfde doel, en ik veronderstel, dat men in hem toch wel geen dichter en neurasthenicus zal willen zien.

Ik vraag het aan alle eerlijke lieden. Is het feit niet opmerkelijk —en kan men er slechts een toevallige gebeurtenis in zien? —dat verscheidene leeken —

t1) Hier veroorloof ik mij een groot vraagteeken te plaatsen. (Vert.).

184

ocr page 189

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

J85

schrijvers, die geheel en al onafhankelijk en belangeloos zijn, want van hun handelen kunnen zij slechts bespotting en beleediging verwachten, aldus openlijk hun terugkeer tot het godsdienstig geloof belijden ? Te midden van de overblijfselen, door de gevoelige, wijs-geerige, staatkundige, en sociale bankbreuk van de laatste droevige jaren dezer eeuw opeengehoopt, staat het Geloof nog pal, gelijk de indrukwekkende kathedralen, die sedert zoovele eeuwen stevig op hun grondvesten rusten en de onwrikbare kracht van het Christendom, de duurzaamheid der Kerk getuigen. Is dit ook niet een openlijk bewijs ?

10 Maart 1898.

ocr page 190
ocr page 191

XVII

INDSHEID EN jjrEBED.

ocr page 192
ocr page 193

Kindsheid en gebed.

Ik heb onlangs het bezoek gehad van den zoon vaneen mijner beste en oudste vrienden; hij had kort geleden het seminarie Saint-Sulpice verlaten en was nu als kapelaan in een zeer arme parochie onzer Parijsche voorsteden geplaatst.

De jonge priester, blakend van ijver, wenschte zich geluk aldus te midden van het volk, in de volle ellende,quot; te zijn aangesteld, zeker zijnde er meer dan elders de gelegenheid te hebben zijn bediening van troost en liefdadigheid te kunnen uitoefenen en vast besloten alles in het werk te stellen om zooveel mogelijk zielen te werven voor God; maar den dag volgende op zijn in functietreden kon hij zich zijne uiterst moeilijke taak niet meer ontveinzen. Hij heeft mij o.a. deze betreurenswaardige bekentenis gedaan. Slechts een derde gedeelte van de kinderen uit zijne parochie was gedoopt en een nog geringer getal bezocht den Catechismus en ontving wat godsdienstonderwijs.

Men behoeft zich dus geen illusies te maken. Weldra zullen er in dat gedeelte van het Christelijk Frankrijk — zooais op zooveel andere, helaas ! — geen Christenen meer zijn.

ocr page 194

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Zij, die zich met den naam van vrijdenkers betitelen, — zeker uit spotternij, want hunne onverdraagzaamheid, is befaamd — kunnen trotsch zijn op dat resultaat, in 20 jaren behaald. Want als mijn geheugen mij niet bedriegt, zijn er nauwlijks 20 jaren verloopen, dat het Kruisbeeld voor goed uit het „schoolmaterieel,quot; zooals ik weet niet meer welke dikke gemeenteraadsmuts het liefelijk uitdrukte, werd verbannen; men vervangt het -— ten minste ik veronderstel het — door een plaat van maten en gewichten, een vrij overtollig voorwerp, want, onder ons gezegd, de kleine kinderen uit de voorsteden zullen wel bestemd zijn te vroeg en te goed te weten, wat een liter is.

Wat de catechismus betreft, het is u niet onbekend, dat men zulk een monument van dweepzucht en bijgeloof uit de school heeft gebannen; dat men in plaats van dat dompertje, waarin slechts sprake is van deugden beoefenen en plichten vervullen, kleine handboeken heeft verspreid, waarin men den jeugdigen burgers, die nog niet alleen hun zakdoek kunnen gebruiken en waarvan enkelen nog broeken dragen, die van achteren worden vastgemaakt en waar dikwijls een stukje hemd uit komt kijken, vooral over hunne rechten spreekt.

Uit nieuwsgierigheid heb ik eenige van die boekjes doorbladerd; zij bevelen zich in 't algemeen aan door hunne uitstekende beuzelachtigheid.

In een dezer heb ik onder een afbeelding, waar men een mooien meneer in zijn tilbury ziet rijden voorbij

190

ocr page 195

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

een goeden ouden sukkel, die bezig is den weg te bestraten, de volgende legende gelezen: „Voor het algemeen stemrecht is de heer X , hoe vermogend ook, de gelijke van den wegwerkerquot;.

Deze opvatting van zaken heeft mij doen nadenken, want ik weet heel goed, dat wanneer beiden op hun manier gestemd zullen hebben, de meneer uit de tilbury zal blijven genieten van zijn groot fortuin en de straat-werker keien zal breken als tevoren; ik vraag mij af, of de catechismus de waarheid niet meer nabij komt — de arme oude catechismus, die ook wel meneer X . . . . en den straatwerker als gelijken voorden dood beschouwt, maar den eerste beveelt weldadiger te zijn en den andere te berusten, bij den een de zelfzucht en hoogmoed, bij den ander het verzet en den nijd bestrijdt en op deze wijze in deze wereld een weinig geluk en recht herstelt, in afwachting van meer vreugde hiernamaals.

Deze overwegingen zullen, naar ik vrees, kwetsend en schandelijk toeschijnen aan de afgevaardigden uit de verschillende kantons, die jacht maken op den catechismus in den lessenaar der leerlingen, als ware het een onkuisch boek; die allen, als vrijmetselaars, de „acaciaquot; kennen en „het licht van de 3de verdiepingquot; hebben gezien en blijkbaar beter ingelicht zijn omtrent het geheim des levens en de bestemming der menschelijke ziel, dan nederige Christenen. Maar aangezien de woede dezer eigenzinnige inquisiteurs mij geen vrees aanjaagt, weet ik niet wat mij zou kunnen beletten de verwoestingen

191

ocr page 196

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

aan den fla^ te brengen, die het leeken-onderwijs (zoogenaamd neutraal, maar in werkelijkheid vijandig aan elke christelijke gedachte) reeds in de volksklasse heeft aangericht.

Deze verwoestingen zijn afschuwelijk en de inlichtingen, welke mijn vriend, de jonge kapelaan, mij gaf, doen beven. Ja, het is afschuwelijk te denken, dat in een van de ellendigste voorsteden van Parijs, in dat middelpunt, waaide weldaden van den godsdienst het meest noodig zouden zijn, een derde der kinderen zelfs den naam van God niet kent en nooit gebeden heeft.

Is er onder alle tooneelen, die het menschdom te aanschouwen geeft, wel één, liefelijker, zachter en aandoenlijker dan een biddend kind ? De moeder heeft het op haar schoot doen knielen, houdt het in haar armen, en vouwt de kleine handjes in de hare. Zij laat de woorden van een kort gebed één voor één herhalen — wanneer het heel klein is, slechts eenige woorden b.v. den naïven uitroep: „Mijn God, ik geef U mijn hart lquot; en, wanneer het iets grooter is, den bewonde-renswaardigen tekst van het „Onze Vader,quot; of het heerlijke gebed : „Wees gegroet, Maria !quot;

Is liet morgen, dan kijkt het kind naar den blauwen Hemel en dan aanschouwen zich deze twee zuiveren. Is het avond bij de bedekte lamp in een warme en stille kamer? Dan schijnt het mij toe, dat een engel onbeweegelijk achter het wit der gordijnen staat en luistert om in het Paradijs getuigenis te

192

ocr page 197

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

gaan afleggen van deze heerlijke geloofsbelijdenis.

Het kind begrijpt wel is waar nog niet de heilige woorden, die het uitspreekt, maar het weet, dat zijne moeder gelukkig is, wanneer zij ze hoort herhalen; liet kijkt haar aan en ziet haar glimlachen; het gevoelt dat zij het meer liefkoost, en bij dat kloppend hart, bij dien trillenden boezem, in deze atmosfeer, aan dezen haard van liefde en godsvrucht, ontwaakt een godsdienstige neiging in het kind. Wat de gelukkige moeder aangaat, het beste oogenblik van haar leven is dat, waarop zij haar half naakt kind, dat de handjes vouwt en liefelijk in zijn hemdje knielt, aan den goeden God aanbiedt. Welk een genot! Zij bidt met hem, voor hem en door hem !

Het gevoel van eerbiedige vrees, dat de grootheid Gods ons soms ingeeft, ondervindt zij niet in dit oogenblik. Zij is vol onderwerping en vertrouwen. Zij is zeker dat God de wenschen, door een zoo zuiveren mond tot Hem gericht, zal verhooren; zij twijfelt er niet aan, of Hij, die de oneindige Kracht en de volstrekte Kennis is, zal getroffen zijn door zooveel onschuld en zwakheid. En dan, daar boven in den Hemel zetelt een Moeder, de H. Maagd, die de bron is van alle genade en die zal weten te verkrijgen, wat een andere moeder door het stamelen van haar kind verzoekt!

Ja! Gij zijt aangenaam aan God en gij neemt een grootsche vlucht naar Zijne glorie, gebeden aller Christenen ! Liturgische hymnen door priesters gezongen;

13

193

ocr page 198

D£ ZEGEN VAN HET LIJDEN.

gezangen in alle talen met volle stem door de vergaderde geloovigen aangeheven ; harmonisch stormgeluid der groote orgels, dat het schip der Kathedralen in trilling brengt; scharen bedevaartgangers, die de echo's der bergen wekken, op marsch naar het een of ander heiligdom; vroom gesnik der bedroefden bij de graven; smartvolle klachten van berouwvolle zielen; vurige woorden van de religieus of van den monnik, in verrukking in hun cel; ja, gij stijgt tot aan den troon des Almachtigen ! Maar, vóór alles, is Hij de Vader, en in het onmetelijke en eeuwige geraas van stemmen, die Hem lofzingen en belijden, hoort Hij ook teederlijk, ik ben er zeker van, de oprechte en bijna onbewuste gebeden der kleine kinderen, aan een verward vogel-gek weel gelijk.

De mensch, die in zijne kindsheid wist te bidden, zal het nimmer vergeten. De hartstochten en de worstelingen des levens, het verzet van verstand en zinnen, kunnen hem tot twijfel en ongeloof brengen, wat zeg ik? — tot de ergste overmaat van loochening en godslastering. Een spoor van geloof uit zijne eerste levensjaren blijft altijd achter op den bodem van zijn hart, evenals de letterteekens van het oude handschrift op het perkamenten manuscript. Laat de groote smart, de diepe droefheid komen — physiek of moreel. O! Wat zal hij zich aanstonds het lang geleden uur herinneren, waarin hij, in zijn wieg geknield, bij zijn wang het warme gelaat zijner moeder voelde, die hem het en het

194

ocr page 199

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

■„Avequot; leerde. En dan zal hij bijna altijd tot inkeer komen, met beide handen zal hij zich het gelaat bedekken en den kreet, slaken, die natuurlijk opwelt uit het binnenste van 's menschen hart: „Mijn God, Ontferm U mijner!quot;

Voor eene ziel, die schipbreuk heeft geleden, is deze kreet — ik weeter over mee te praten — de vuurtoren, die licht geeft in de duisternis : het is de haven, het. is de zaligheid !

Ik ben werkelijk vergramd op de booswichten, die in een aanval van onverklaarbare krankzinnigheid he-Averen, -—■ zij hebben zei ven het woord verzonnen — Frankrijk te „ontchristenenquot;. Zij zullen er zeker niet in slagen. Het is de bestemming der Kerk altijd te moeten strijden op aarde; hare tijdperken van vooruitgang en verval zijn slechts bewegingen van eb en vloed, en op dit oogenblik gevoelen wij dat het getij opkomt. Maar bestaat er waarlijk een slechter daad dan het volk te berooven van geloof en gebed ? Immers geloof en gebed zijn gemakkelijk voor deze nederigen, voor deze eenvoudiger! van hart — het is zelfs een hunner voorrechten — en zij vinden er, beter dan wij, (want bij ons ontkiemt altijd bet. kruid van hoogmoed) een bewonderenswaardig reisgeld voor de harde reis des levens in. Helaas ! in onze dagen is er een zeer groot kwaad gewrocht, dat dagelijks toeneemt; men voedt geslachten van ongelukkigen voor ons op, die zich zullen bewegen tusschen het verzet en den wanhoop.

195

ocr page 200

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

Wat! Zonden wij ons niet ongerust maken over zuJk een toekomst ? Zouden wij vooral niet verontwaardigd zijn Lij de gedachte, dat zij, die aan dit noodlottig werk meewerken, zelfs niet allen te goeder trouw zijn ; dat zulk een burger-staatkundige, gereed voor alles te stemmen wat men wil om God uit school te bannen, zich zou verbazen, dat zijne „damequot; en zijne „demoisellequot; geen godsdienst hadden ?

Moge liet feit, dat ik hem heden aanduid — deze ontelbare ongedoopte kinderen, zonder zweem van godsdienstige gedachte — dien man een weinig tot inkeer brengen; wanneer hij zich op zekeren avond in zijn huiselijken kring, betrapt op een verteedering voor het schouwspel — altijd heerlijk en bekoorlijk — dat zijne vrouw aan zijn laatstgeborene het een of ander kindergebed leert, moge hij dan kleuren over zijn huichelarij en er met afschuw aan denken, dat hij het brood dei-ziel, dat hij den zijnen verleent, aan arme lieden ontrukt.

24 Maart 1898.

196

ocr page 201

XVIII

ERTROUWEN EN ELIJDENIS.

ocr page 202
ocr page 203

Vertrouwen en Belijdenis,

Door den eersten zin dezer „Confessionsquot; te schrijven : „begin ik een ondernemino; zonder weerga, wier uitvoering geen navolging zal vindenquot;. Jean-Jacques Rousseau heeft getoond — men kan liet zeggen — een vergeetachtig geschiedschrijver en slecht profeet te zijn geweest. Want iedereen weet, dat de boeteling zich in de eerste tijden der Kerk met luider stemme voor de vergaderde geloovigen beschuldigde, en het is ook bekend, dat sedert het geduchte boek van den wijsgeer van Genève verscheen, vele schrijvers niet aarzelden de meest onbescheiden belijdenissen betreffende hun privaat leven en hunne inwendige gevoelens aan het publiek toe te vertrouwen.

Haasten wij ons er bij te voegen, dat van alle omwentelingen, door het genie van Rousseau in de staatkunde en in de zeden teweeggebracht, deze ten minste eenige schoone vruchten heeft gedragen. De letterkunde werd er door hernieuwd en liet beroep op de openhartigheid heeft ons meesterstukken bezorgd. Inderdaad, geen enkel geschrift is indrukwekkender, hartstochtwek-kender en heeft meer levensvatbaarheid dan dat, waarin een mensch van goede trouw zijn binnenste openbaart

ocr page 204

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

en zich vertoont gelijk hij is. Bovendien slaagt hij er niet gemakkelijk in. Tnsschen het hoofd, dat alles voor den geest haalt, en de hand, die de pen hanteert en het souvenir moet vaststellen, bestaat een bijna niet te overkomen ruimte, waar de eigenliefde en de schande waken. Wacht u voor belijdenissen in druk. In 't algemeen kan men er op toepassen, wat wel eens geestig gezegd is van zekere vertalingen : „Ce sont de belles infidèles !quot; Het portret, dat de schilder van zich zeiven maakt, is altijd te fraai.

Wat had de christen uit de heldentijden daarentegen éen moed noodig om voor zijne broeders neerteknielen, nederig zijne misslagen te bekennen en er vergeving voor te vragen! Laten wij hef zachtjes zeggen. Het was te mooi. Wij zijn niet meer in de catacomben van Rome, en de Kerk heeft wijselijk gehandeld de geheime belijdenis in te voeren ; van hem, die haar ontvangt, een volstrekte geheimhouding te eisehen, en een priester te plaatsen in de schaduw van den biechtstoel.

Voor een ieder, die naar zedelijke volmaaktheid streeft, is het gewetensonderzoek een behoefte. Toen iemand, in ik weet niet welke comedie, de flauwe aardigheid zeide; „Ik ga alleen maar naar menschen, die ik achtquot;, antwoordde een geestig iemand : „Wanneer men slechts naar personen gaat, die men acht, zon men bijna naar niemand kunnen gaan en er zouden zelfs dagen zijn, dat men niet bij zijn eigen kon t'hnis komenquot;. Er ligt eene onbetwistbare waarheid in deze fijnescherts. Wanneer

200

ocr page 205

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

wij — wij doen Uet allen van tijd tot tijd — de balans van het leven opmaken, ontdekken wij zonder moeite — en ik spreek van de minst slechten onder ons — vele gedachten, niet weinig woorden en een zeker aantal daden, waar wij verre van trotsch op zijn. Wanneer wij denken aan het weinige goed, dat wij hehhen gedaan, kunnen w-ij niet alleen dikwijls tot ons zeiven zeggen, Diem perdicli, gelijk Titus, maar wij herinneren ons ook vele woorden en vele daden, waarover wij klagend het hoofd buigen. Zelfs buiten elk godsdienstig gevoel geeft deze zedelijke rekenplichtigheid uitmuntende resultaten. De mensch, die zich dagelijks zonder zwakheid onderzoekt, en een streng oordeel over zich zeiven velt, wordt spoedig beter.

Het onderzoek is evenwel niet voldoende en, na het gedaan te hebben, is het een ware noodzakelijkheid, ten minste voor de meesten onzer, den staat van ons binnenste te openbaren. Men heeft groot ongelijk gehad te spotten met de tragische vertrouwelingen. In zekere ernstige en smartvolle uren des levens is het bepaald noodig, dat wij ons uitstorten aan het hart van een „Ai-batequot; of van een „Theramènequot;. Wij spreken tot hem in gewoon proza, in «taanden en geineenzamen schrijftrant en niet in prachtige Alexandrijnen, ziedaar het geheele onderscheid. De verstandigsten — en dat zijn zij nog niet altijd door aldus te handelen—openen hun hart slechts voor een vriend, wiens geheimhouding zij op proef stelden, maar er zijn er ook, die er niet

201

ocr page 206

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

tegen opzien hunne zedelijke geheimen aan den eerste den beste toe te vertrouwen, zoo zeer heeft de mensche-lijke natuur behoefte aan mededeelzaamheid.

Hoe komt het echter, dat deze vertrouwelijke mede-deelingen ons bijna nooit verlichten? Ach! Het komt, omdat de mensch bestaat uit tegenstrijdigheden; zelfs op het oogenblik dat een machtige aandrift hem aanzet alles geheel vrijmoedig te openbaren, gevoelt hij zich weerhouden en wordt hij door een gevoel van vrees en schaamte in tegenovergestelde richting geleid. Het komt, omdat wij, zelfs aan den gevoeligsten en zekersten makker, maar een verdraaide en onvolkomen waarheid spreken, terwijl wij zorgdragen geen enkele omstandigheid te vergeten, die in ons voordeel zou kunnen zijn, of die ons zou kunnen verontschuldigen. Op een gegeven oogenblik wordt ons de druk van een misslag te-zwaar. Wij vragen aan een' hartelijken vertrouwde een oogenblik den last te deelen. Hij luistert naar ons met toegevendheid en vertroost ons. Waar zou het voor dienen, dat wij, hem verlatende, het besef hadden iets van onze boosheid te hebben verborgen gehouden? Wij zijn er maar treuriger en beschaamder om en hebben een verwijt te meer — dat van een' vriend bedrogen te hebben.

Deze soort van belijdenissen gelijken op schrijvers, die, zooals ik boven zeide, controle vragen.

Gij herinnert u de schoone bladzijden, waarop Rousseau zich in treffende berouwvolle klanken beschuldigt in

202

ocr page 207

DE ZEGEN VAN HET LUDEM.

zijne kindsheid, als lakei van Mevrouw de Vercellis, aan eene jeugdige dienstbode de schuld te hebben gegeven van een diefstal, dien hij bedreef. Welnu, de vijanden van den wijsgeer hebben sedert het verschijnen van zijn boek beweerd, dat het geen lint zonder waarde betrof, maar wel een zilveren lepel. Ik wil er niets van gelooven, want het gedeelte der „Confessionsquot; vibreert van smart en openhartigheid; strikt genomen zon de fout er trouwens niet door veranderen. Maar, indien Jean-Jacques in zijn verhaal den lepel heeft vervangen door het lint, zou men daarin slechts een bewijs zien van de wonderlijkheid van geest, allen menschen eigen, om een misdaad slechts te bekennen onder alle soorten van verzachtende omstandigheden en vergoelijkingen.

Ik herhaal het, zoo gaat het zelfs in bijna alle vertrouwelijke mededeelingen. Men zegt niet de harde waarheid, men noemt de dingen niet bij hun naam. Zeer zelden zal iemand in eigen woorden tot een ander zeggen: „Ik ben niet eerlijk geweest! .... Ik heb mijn vriend verraden ! . . . . Ik ben ondankbaar geweest! .... Ik ben slecht geweest! .... Ik ben laag geweest! . . . .

Hier komen de kracht en de grootheid van de christelijke belijdenis voor den dag.

Ongelukkige, die wankelt onder het drukkende gewicht uwer slechte souvenirs, nader en leg elk menschelijk opzicht af. Vrees niet afschuw te wekken of walging

203

ocr page 208

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

in te boezemen aan een' onbekende, aan den anoniemus, dien gij uw vertrouwen schenkt. Om uw gebeim te bewaren zijn ten overvloede zijne lippen gesloten door het geheiligd zegel. Hij, die n in deze kluis boort, onderscheidt zelfs niet uw aangezicht; hij zal u niet zien blozen. Spreek! Beken hem al uwe schanddaden ! Hij zal u met vaderlijke toegeeflijkheid antwoorden, en u slechts spreken van barmhartigheid en vergeving. Hij zal natuurlijk verlangen, dat gij bet bedreven kwaad herstelt, maar wanneer het te laat is, wanneer het niet meer mogelijk is, zal hij zich tevreden stellen met een uitstorting des harten, met een waar berouw uwerzijds. Daarna zal hij u als eenige en zachte straf de verplichting opleggen uwe ziel met schoone gebeden te versieren; hij zal de hand tot uw voorhoofd opheffen, eenige latijnsche woorden spreken en .... gij kunt u verwijderen, vertroost, ontslagen van zonden, met eene ziel zoo licht, als werd zij door engelenvleugels voortgedreven!

Gij zult mij met een smartkreet antwoorden, dat men voor dat alles niet twijfelen mag aan de deugdelijkheid van het Sacrament, dat men gelooven moet!

Oud kind der beschaafde wereld! Is dat dan zoo moeilijk? Gevoelt ge dan niet een enkelen droppel christenbloed in uw binnenste branden ? Van dat bloed, dat sedert eeuwen door de aderen van uw geslacht vloeit? Hoort ge niet altijd het miraculeuse woord weerklinken, dat de oude wereld van haar bederf beeft genezen en de wreedheid der barbaren heeft getemd? Hebt ge dan

204

ocr page 209

DE ZEGEN VAN HET LIJDEN.

het Evangelie niet gelezen en overdacht, het eenige boek, waarin men een antwoord vindt op alle angsten der ziel ?

Arm mensch ! Luister niet naar hen, die u zeggen dat het geloof dood is en het menschdom zich een eeuw geleden, dat is gisteren, heeft vrijgemaakt van zijn verleden. Om de nieuwe wet af te kondigen — ik neem aan dat er een poging naar beter inzit — moest men Frankrijk bedekken met schavotten. Europa met bloed bevlekken door langdurige oorlogen, maar de klachten der lijdenden heeft men tot nu toe niet kunnen stillen. Jezus Christus heeft integendeel, om de goddelijke gedachte te doen zegevieren. Zijn goddelijk bloed gegeven en Hij heeft de straf der misdadigers willen ondergaan. Zijn werk is nog ongeschonden, na negentien honderd jaren, en overal waar gij minder slechte en minder ongelukkige menschen ontmoet; overal waar een weinig rechtvaardigheid en goedheid klopt — let maar op ! — daar ziet gij de gedachtenis zweven, die de Godmensch ons van Zijn leven hier op aarde achterliet; daar ziet gij Zijn heilig Kruishout rijzen.

Arme zondaar! Ik ben geruimen tijd in uwe omstandigheden geweest, O, Broeder ! Ik was niet minder schuldig dan gij. De huichelachtige Pharizeër heeft alleen maar de onbeschaamdheid te zeggen : „Ik ben zuiver! en Joseph de Maistre heeft gelijk, zelfs het geweten van een eerlijk man is nog iets afschuwelijks. Ik was erg ellendig, evenals gij, en uit natuurlijke aandrift zocht ik een vertrouwde vol goedertierenheid en teederheid. Dien heb ik gevonden.

20»

ocr page 210

dp: zegen vak het lijden.

20«

Doe als ik. Heropen uw Evangelie en keer terug tot het Kruis. Vertoon u, ontdaan van allen hoogmoed, voor den rechterstoel, door Jezus ingesteld ; daar zetelt eene barmhartigheid, die onze verhevenste droomen van gerechtigheid overtreft. Gisteren hebben wij nog verbaasd gestaan over het medelijdend optreden der overheidspersonen, die. een arnu; vrouw verontschuldigden, omdat zij een stuk brood voor haar kind had geroofd. De plaatsbekleeder Gods, die u wacht in den biechtstoel, vraagt u slechts eenige tranen om alle smetten uwer ziel te reinigen; want hij ontleent zijne macht aan den Meester, oneindig goed, die op den Calvarieberg vergiftenis schonk aan den berouwvollen booswicht en hem daarenboven den heerlijken weg opende naar het Paradijs en naar het Eeuwig leven.

31 Maart 1898.

EINDE.

ocr page 211

INHOUDSTAFEL.

Blaüz.

Inleiding...............5.

1. Klokken en Seringen........21.

2. Jan Klaassen...........31.

'S. Duur brood............41.

4. De Stroom............53-

5. Afscheidsgroet aan mijn huis......63-

6. Missionarissen........., . 75.

7. Boven de Wolken..........85.

8. Kinderlijk Souvenir.........95-

}). Voor haar, die bad.........105.

10. Keizerlijk Kerstmis (1811).......115.

11. Het beste jaar...........125.

12. Een Samenspraak van Dooden.....135.

13. De H. Vincentius a Paulo......147.

14. Het feest van Jeanne d'Arc......157.

15. Gewijde asch...............187.

16. Herleving van den christelijken geest . . 177.

17. Kindsheid en gebed ........189.

18. Vertrouwen en belijdenis.......1!)!),

ocr page 212
ocr page 213

ERRATA.

Op bladz. 15, regel 12 van boven, staat: ,/golven-spraakquot; ■— lees : golven sprak. // // 36, regel 5 van onder, staat: ? — lees : ! // f 37, „ 12 „ boven, „ : ,/eigentlijkquot;

— lees : eigenlijk.

// // 54, regel 11 van onder, slaat: ,/onzequot; — lees : zijne.

// // 57, regel 3 van boven, staat: //inspannigquot;

— lees ; inspanning.

// // fiO, regel 12 van boven, staat: //stroom

doorquot; — lees: sti-oom, door. // // 75, regel 9 van boven, staat: ,/ondertrouw

als — lees : ondertrouw, als. // n 97, regel 11 van onder, staat: //is gegaan

— lees : was gegaan.

// // 121, regel 3 van boven, staat: ,/liidiënquot; — lees : Indien.

// // 128, regel 10 van onder, staat://Ontwetend-

heidquot; — lees : onwetendheid. // // 205, regel 5 van onder, staat: zuiver! — lees : zuiver !quot;.

ocr page 214
ocr page 215
ocr page 216

I ÉfSSr' Ml

EMaMi

■

» V ■

miïjm ■ ■

ocr page 217
ocr page 218