OPLEIDING
TOT RECHT VERSTAND DER SCHRIFT,
VOOR
E | N V O U D I ü E N,
GODS WOORD ONDERZOEKEN.
DOOR
DR. H. F. KOHLBRÃGGE,
in leven Predikant bij de Nederlandsch-Gereformeerde Gemrente te Elberfeld.
'ï'win;!)!-: igt;ïi! K.
C0.
AMSTERDAM.
SCHEFFER amp;
1893.
GUNNING 6 M
12
OPLEIEINEr TOT SECHT TEESTMD BEE SCIEIÃT.
GUNNING txamp;n
OPLEIDING
TOT RECHT VERSTAND DER SCHRIFT,
VOOR
EENVOUDIGE N,
GODS WOORD ONDERZOEKEN.
DOOR
DR. H. F. KOHLBRUGGE,
in leven Predikant bij de Nederlandsch-Gerefonneerde Gemeente te Elberfeld.
r\Ai:i:igt;i: ORTIK.
VERBUM JEHOVA ^ MAKJET IN STERNUM, jgy
AMSTERDAM,
SC HEFFER amp; C\
1893.
:' / L: -ji i £11
iï C : i T
,lt;l.. r\o'
u
Uitgegeven vanwege de Maatschappij tot uitgave van Gereformeerde geschriften.
y O O R B i : E l C H T.
Allen, wier lust is in de rechten en inzettingen des Heeren, zullen zicli zeker verblijden over eene nieuwe uitgave van liet reeds lang uitverkochte, maar nog steeds gevraagde boekje, dat in 1845 bij J. G. Beoese te Utrecht verscheen onder den titel: .Opleiding tot recht verstand der Schrift, voor een-voudigen, die Gods Woord onderzoeken. Door H. F. Kohlbrügge, Doctor in de Godgeleerdheidquot;.
De uitleggingen van Schriftuurplaatsen en de onderwijzingen in den weg der zaligheid, in deze .Opleidingquot;' gegeven, zijn meerendeels fragmenten van Brieven aan vrienden, ter beantwoording van bepaalde vragen, en wel op eenige uitzonderingen na alle uit de jaren 1848 en 184-!-.
De oude uitgave is in hoofdzaak onveranderd gebleven. De hier en daar aangebrachte wijzigingen betreffen alleen den vorm. Zoo veel mogelijk is de tegenwoordige taal en spelling gevolgd. Op enkele plaatsen is een woord tusschen haakjes ingevoegd tot opheldering van de door den sclirijver gebezigde uitdrukking. Bovendien is het geheel met eenige aanteeke-ningen vermeerderd. Waar iets veranderd of toegevoegd werd, geschiedde dit alleen, ten einde het den lezer gemakkelijker te maken.
Yinde ook de nieuwe uitgave van dit hoogst belangrijke en
voohhehicht.
uitnemende geschrift onder den zegen des Heeren eene plaats in menig huisgezin. Opene liet de oogen voor den rijkdom van Gods Getuigenis; sterke en bevestige liet veler hart in de leer, die naar de Godzaligheid is; en diene het allen, die den Bijbel onderzoeken, tot recht verstand der Heilige Schriften, die ons wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof, hetwelk in Christus Jesus is. Vooral in onze dagen, waarin zooveel verwarring gesticht wordt door allerlei wind van leer, door allerlei leeringen, die geboden van menschen zijn, zullen de eenvoudigen, die de zaken zien, zoo als zij zijn, uit deze bladen sterkte en troost kunnen putten in den strijd voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
Amsteedam, December 1892.
INHOUD.
Blad;-.
]ste Brief aan Timotheüs 3 ; IG...........1_ o.
Evangelie van Lukas ]0 : 22............0_11.
Evangelie van Johannes 12 : 44, 45..........11_12.
Brief aan de Colossensen 2 : 14...........12_14.
Brief aan de Romeinen 5:5............ 14.
Brief aan de Eomeinen 3 : 31............15â10.
Evangelie van Johannes 15 ; 5â7 en 10........16â18.
Evangelie van Johannes 15 : 2, 3..........18â19.
Evangelie van Mattheüs 11 : 3, 7, 8.........19â23.
Brief aan do Hebreën 9 : 14............23_25.
Isto Brief aan de Gorinthiërs 1 : 30 ....................25â27.
lste Brief aan de Gorinthiërs 3 : 21â23 ................27â29.
Brief aan de Colossensen 2:9...........29_31.
Brief aan de Galaten 4 : 22â25 ......................32_34.
Evangelie van Johannes 17 : 22........... 35.
Evangelie van Johannes 3 : 34 en Evangelie van Mattheüs
12 : 28 .................... 36.
2de Boek der Koningen 2 : 9, 10a..........37ân.
lste Boek van Samuël 18 : 1 vv............41â45.
lste Boek van Samuël 23 : 6 ............ 45.
Handelingen der Apostelen 3 : 19â21..................46â48.
Brief aan Tit,us 3 : 14............... 49.
Openbaring van Johannes, Hoofdstuk 20. Het duizendjarig
rijk..........................................49â54.
Psalm 0 ........................................54â55.
Evangelie van Lukas 13 : 16 ........................55â58.
Spreuken van Salomo 24 : 11, 12 ....................58â59.
Evangelie van Mattheüs, Hoofdstuk 12. Op den Sabbat! . 59â(52.
Evangelie van Lukas 15 : 7.............(52â63.
Evangelie van Markus 8 ; 34, 38......................64â65.
i. N h o i: I).
Profetieën van Maleachi 4 : ......
Brief van Jakobus 4:5.......
Brief van Jakobus 4:11......
Genesis 4 : 7...........
Brief van Judas, Vers 6. . . . ⢠⢠â¢
2de Brief aan do Corintbiërs 5 : 1â4 . .
Brief aan de Colossenson 'J : ......
Brief aan do Hebroën 1:0.....
2de Brief aan do Corintbiërs 8 : 13 . .
2lt;ie Brief aan de Corintbiërs 3 : 10 . .
2lt;ie Brief aan de Corintbiërs 3 : 18 . .
Boek der Ivronieken *gt;2 : 2-). ⢠gt;1 .
Evangelie van Jobannes 21 : 15â17 . .
Psalm 22 : 17..........
2'ie Boek der Koningen 13 : 14 . . . .
2ae Boek der Koningen 13 : 21 . . ⢠â¢
Brief aan de Hebreen 10 : 36 . . . â
Brief aan de Hebreën 11 : 39, 40 . .
1ste Brief aan de Corintbiërs 4 : 10a .
1ste Brief aan do Corintbiërs 12 : 23, 24
Prediker 11 : ...........
Prediker 7 : 10, 17........
Psalm 109 : Sb.........
2de Boek van Samuël 19 : 23 . . â
Evangelie van Luk as 9 : 54, in verbanc
der Koningen 1 : 9â15.....
_ 2de Boek der Koningen 13 : 19 . . .
Brief aan de Hebreën 13 : 8â15 . .
Iets over Geloof. 2de Brief aan de Tbessalonicensen 3 : 2b
Boek
met 2de
102âlOS.
103â104. 105â114. 115â125.
1 Timotheüs 3 : 16.
God is geopenbaard in het vleescli. r)
Geef mij een woord des levens te midden van mijnen dood, â oen woord, omtrent hetwelk mijne oogen een rustpunt hebhen en mijne handen een tastbaar houvast, â een woord in al de ijdelheid, vergankelijkheid, nietigheid en bitterheid van al wat ik zie en wat mij omgeeft, â een woord, waarop ik mij geheel kan nederleggen en sterven eu zinken in de groeve, in de volle bewustheid, dat toch de dood mij niet kan houden, dat toch de duivel mij niet meer in zijne macht heeft. Geef mij een woord, dat ik de oogen opsla tot mijnen God en Formeerder, met rust, met blijdschap, een woord, dat mij uit Zijn anders onzienlijk aangezicht zegt: âIk ben uw God, Arrees niet. Ik heb u verlost, gij zijt Mijne! Geef mij een woord, waardoor al mijne zonden, mijne ellende en mijn niets-zijn, te gelijk met al de bergen van zwarigheden, uit mijne verlorenheid geboren, van mij afgenomen zijn, en ik mij opgenomen gevoel in de ingewanden mijns Gods en Zaligmakers. Geef mij een woord, dat den zwaren steen mijns jammers van mijn hart afgenomen hebbe, dat ik vrij ademe en wandelingen hebbe onder degenen, die voor des Heeren aangezicht staan, terwijl ik nog hier ben. Geef mij een woord van levende hope en waarachtige vertroosting, dat ik God zie en leve, en mij eeuwig verheuge in Zijne zaligheid!
Het Woord des levens, hoe is het tot ons gekomen ? Het leven, hoe is het openbaar geworden ?
In v 1 e esch e is Hij openbaar geworden. Hij, Dien de hemelen der hemelen niet bevatten kunnen.
Gods aangezicht te aanschouwen in gerechtigheid, dat is
^ Naar den grondtekst: ©go? êtpavspuS/v èv trzfxi â God is opesbaar
GEWOEDKK IN VLE33SCIIE.
2
eeuwig zalig leven. Gods aangezicht te zien, dat is eeuwige blijdscliap, waarvoor alle droefheid, smart en grielquot; moeten wijken. Hem te zien gelijk Hij is, grooter heil is er niet. Maar dat aangezicht Gods, â verborgen is het voor ons geweest, toen wij vervreemd waren geworden van Zijn leven, en toen wij moedwillig uitgegaan waren uit het zijn bij Hem in Zijne heerlijkheid. Wie kan het als zoodanig verdragen ? Wie kan God zien met een deksel op het hart ? Wie kan God zien eu levend blijven, stof zijnde en asch, zondaar zijnde en zonde van het hoofd tot de voeten en tot in het binnenste merg en gebeente en tot in het innigste wezen? Hoe kan God.
O O O 7
dat reine, heilige Wezen, Zich in Zijne grootheid, in Zijne Majesteit, in Zijne heiligheid aan ons openbaren, zonder dat wij zouden verteerd worden eu omkomen in dien heiligen gloed, of zonder dat wij zouden wegzinken in een âwee mijquot; en vergaan ? Verborgen is God, en Hij moet Zich verborgen houden en kan Zich niet openbaar laten worden, omdat geen eeuwige Geest het stof kan naderen, en geen stof den eeuwigen Geest, of één van beiden moet te niet. â Hoe kan de eeuwige heiligheid openbaar worden aan de ongerechtigheid, hoe de haat tegen de ongerechtigheid aan de vijandschap tegen de eeuwige gerechtigheid ?
God is in den hemel, en niemand heeft Hem ooit gezien, gehoord, of met de handen getast. â Wij gaan hier heen als in eene schaduw en als in een droombeeld; de wolken hebben zich nooit geopend, dat men God gezien heeft zooals Hij is, maar het gevoel van smart, van ellende, van leed, maar het bang-, het versaagd-zijn, dat ervaren wij; een luid trompetgeschal of eene daverende, hemel en aarde doordringende muziek, donderende of machtige, hoorbare stemmen: .zoo is het'quot;, â âdat is de wegquot;, â âIk ben u genadigquot;, â âgij komt bij Mij en Ik ben bij uquot;, â en âgij zult eeuwig bij Mij zijnquot;, vernemen wij zoo niet met ons lichamelijk oor; dat verborgene, dat onbekende Gods, dat niet luidbare, dat stil zijn, dat zwijgen Gods, hoe kan het vaak benauwen! â dat gevoel.
wie en wat wij zijn, dat gevoel van alleen, van als verlaten te zijn, van als weezen hier te staan, hoe kan het vaak drukken ; maar bovenal ons vleesch-zijn, onze zonden, onze ongerechtigheden, onze verlorenheid, â¢â hoe, w ij b ij God? hoe gaarne had men er zekerheid van! Zoo Hij maar eens uit den hemel kwame en met mij sprak, een ja of neen, een zoo of zoo, dan .. .maar nu !
Dat is het geheim der godzaligheid: God te kennen, z o o a 1 s H ij Z i c h a 11 e e n t e k e n n e n g e-geven heeft. Vleesch zoekt grootheid, pracht, majesteit, kracht, geweld en altijd zekerheid op gronden van eigen werk, gepaard met openbaringen uit de bovenwereld of met een zich verheffen toe en indringen in die wereld. Wien het om God en om Zijne Wet te doen is, die heeft eenen anderen geest; daar leeft de vraag: hoe wordt God weder tot God, hoe krijgt Hij Zijne eer terug, hoe komt Zijne Wet weder overeind, hoe is het toch met de zonde, en waar blijft de zonde, hoe doe ik den wille Gods, hoe heb ik gegronde hope, hoe weet ik dat al deze dingen zoo zijn ?
Zoo ik mijzelven 02) den troon Gods gezet heb, heb ik Hem als God verloochend en Hem met mijn doen tot niet-God gemaakt. Zoo ik zelf mij door wantrouwen in het ongeluk gestort heb, heb ik Hem van de eer beroofd, die Hij in Zijn maaksel had, en Hem verklaard voor niet waarachtig, dus voor oneerlijk. Zoo ik op de gehoorzaamheid, die ik Hem als mijnen Schepper verschuldigd was, geene acht heb geslagen, heb ik Zijne goede en heilige Wet tegen den grond geworpen. Zoo ik om ijdel genot den stand versmaadde en er roekeloos uitging, waarin Hij mij uit louter lust om mij heerlijk te hebben schiep, zoo hen ik met al mijn zijn en denken en doen zonde geworden, en is de zoude (of ik het erken of niet erken) mijn element. Zoo ik Gods element volstrekt niet meer ken, omdat ik van niets idee heb, dan van en overeenkomstig mijn element, waarin ik nu ben, zoo is het mij onmogelijk, eenigszins idee te hebben van den wille Gods, veel
4
minder van zijne uitvoering. Zoo ik dezen wil niet doe, wat hope zou er zijn van ooit weder tot Hem te komen ? Zoo ik niet tot Hem gekomen ben, wat blijft er mij over dan eeuwige duisternis? â Zoo is liet; en wat is er nu gebeurd bij dezen schrikkelijken toestand ? Heeft iemand God gesproken, God gehoord. God gezien, zoodat hij ons met zekerheid zeggen kan, hoe wij tot God staan, hoe God over ons denkt, waarmede God tevreden is, wat Hij wil, dat wij doen of niet doen zullen, waarin Hij welbehagen heeft? â en of er in dezen onzen toestand gegronde zekerheid is, dat er hier reeds vrede is bij God, zoodat er niets tusschen ligt, en gegronde zekerheid, dat wij altoos bij Hem zijn zullen ? Antwoord: Ja! Zijne Profeten en Apostelen zeggen het ons, en dat is in een kort summier door een' hunner alzoo uitgedrukt : God is openbaau geworden in vleescue.
o
Wij zoeken God te zien en te kennen in het tegenovergestelde van hetgeen wij zijn, bijv. wij zoeken God te zien en te kennen in de heiligheid, en willen daarom eerst de onheiligheid weg hebben. Wij zoeken God te kennen in hetgeen Hij is.
God heeft Zich openbaar gemaakt in hetgeen wij zijn, dus in het tegenovergestelde van hetgeen Hij is.
Wij willen als geesten God kennen, li e t Woord daarentegen werd v 1 e e s c h.
De vraag is: kan in hetgeen geheel tegen God overstaat en tegen God in is, de heilige God Zich bevinden?
Kan de volzaligheid zich bevinden, waar het rijk en de macht des duivels is? kan de zaligheid zich bevinden, waar verdoemenis is? eeuwig leven in eeuwigen dood, eene vol-slagene gerechtigheid in ongerechtigheid, een volkomen doen van den geheelen omvang der Wet, naar haren diepsten zin en innigsten geest, te midden van de zonde? de volmaaktheid in de volslagenste ellende, de aanbrenging van zegen, als men met den vloek omgeven is, eene overwinning van alles in de volslagenste onmacht, een alles uitrichtende wil, waar
men zelf in eenen toestand is van geheel tegen dien wil te zijn? â kan een eeuwig Heerlijke een ellendige worden, en te raidden van ellende, in die ellende een heil teweegbrengen, dat te midden van de ellende over die ellende triomfeert, en liaar, schoon zij voor het oog blijft, inderdaad zoodanig te niet maakt, dat er in der waarheid alleen heil overblijft? â Ja, zegt de Schrift, dat heeft God gedaan, en als zoodanig is Hij openbaar geworden. In vleesche heeft Hij Zich bevonden, in vleesche heeft Hij Zich te zien gegeven, in vleesche heeft Hij Zich te kennen gegeven, in vleesche zijnde heelt Hij Zich verklaard aan ons, Wie Hij is, heelt Zich te verstaan quot;â esreven, te hooren en als met de handen te tasten.
O O 7
Dien grooten ruil heeft God gedaan, dat Hij in onzen toestand was, en, in onzen toestand zijnde. Zich heeft kenbaar gemaakt op zoodanige wijze, als met onzen toestand overeenkomstig was. â God heeft Zich m dezen onzen toestand niet openbaar gemaakt, zooals Hij onbegrijpelijk boven ons verheven en voor alle schepsel onbevattelijk is, maar zóó, dat allen, die Hem kennen, er eenen eeuwigen troost van hebben, nml. in Zijne gerechtigheid, wijsheid en goedertierenheid, in al de ingewanden Zijner eeuwige ontfermingen. .God was in Ghristo eene wereld met Zichzelven uitwisselendequot; '), heet het. Daar was geloof zonder bewijs, zonder waarschijnlijkheid. Hij volvoerde Zijne Wet, schoon alles schreeuwde, dat Hij wetteloos was. Hij bracht het onmogelijke tot stand, schoon alles Hem buiten de macht stelde. In bet kort. Hij vernietigde Zichzelven en ging zoo tot in de hoogste hemelen door. Als zonde bracht Hij eene eeuwige gerechtigheid aan, en maakte â ons gerechtigheid in Hem, als vloek bracht Hij eeuwige zegeningen teweeg. Wij zeiden, dat wij rechtvaardig waren, en sloegen Hem in dezen onzen waan tweemaal dood; evenwel. Hij verrees, en Hij roept: Toch ben Ik uw leven, erkent Mij,
') 2 Cor. 5 : 19. Zoo naar den grondtekst. Statenvert.; âGod was in Christus do wereld met Zichzelven verzoenendequot;.
ü
ontvangt Mijnen Geest te uwer belioiulenis, Ik lieb u alles kwijtgescholden, eu denk er niet meer aan. â Zóó is God openbaar geworden.
Ik stamel er wat van; ofschoon wij in vleesch zijn, is ons, den geloovenden, niets onmogelijk; juist in het ellendige is het Goddelijke openbaar geworden; juist in het ellendige wordt het nog openbaar; wie eerst het ellendige wil weg hebben, komt noch tot liet Goddelijke, noch tot de eeuwige heerlijkheid.
Ev. Lukas 10 : 22.
Alle dingen z ij n M ij van M ij n e n V a d o r overgegeven; en niemand weet. Wie de Zoon is, dan de Vader; en Wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren. ')
Zoo sprak onze Heere Jesus Christus in vleesche zijnde, en zoo is het nog waarachtig. Wie wist het toen, Wie de Zoon was, dan de Vader! â Was er dan iemand, die begrip van Hem had, toen Hij onder de menschen was, in gelaat als een ander mensch bevonden, gekleed zijnde en Zich voedende als alle andere menschen? â Wij zagen Hem, maar daar was geene gedaante of heerlijkheid voor onze oogen in Hem; integendeel, velen hadden naar het gezicht veel boven Hem vooruit! â Wie zag in dat vleesch God geopenbaard? Wie zag er in de eeuwige liefde? Wie kende het, dat die Mensch, Jesus, was de eeuwige ingewanden, de eeuwige barmhartigheden, de eeuwige ontfermingen over vleesch? Hij, tot Wiens schoot Hij was1), kende
1
) Zoo naar den grondtekst (Joh. 1 : IS): ó wv rav xóAttov toZ FlaTfó^.
7
alleen Wie Hij was. De Heere verheugt er Zich in, dat niemand wist, Wie Hij, do Zoon, was, omdat, als niemand het kende, een ieder overschieten moest en het bekennen: ook ik kende Hem niet; â en dat het dus alleen het doen, het werk des Vaders was, dat Hij in vleesche was ; â en dat alzoo alle schepsel overschoot; â en het rondom alleen liefde was uit God, door God, tot God den Vader; â of wie kent. Wie de Uitvoerder en Aanbrenger en Daarstcller is dei-eeuwige liefde tot al wat verloren was ? Wie het afschijnsel dier liefde is ? â wie kent, wat de eenige personeele uiting dei-liefde en der ingewanden is, dan Hij, uit Wien de liefde, die ingewanden in en tot en over vleesch gekomen zijn, en wie weet, Wie Hij is, uit Wien dat Woord vol van genade en heerlijkheid is, dan dat eeuwig levende Woord Zelf, dat Woord van heil en leven en zaligheid en vertroosting en terechtzet-ting van het verlorene in volle gerechtigheid ? Wie kent. Wie de Vader is, dan hij, over wien die teedere ingewanden, dat volzalige en volheerlijke Woord, die Geliefde des Vaders, Zich personeel gelieft uit te breiden, en in wien het Hom behaagt in te dalen? In dien tijd zeide dat Woord: Men zal Mij als den Zoon moeten erkennen, en Ik zal het moeten geopenbaard hebben, zoo men het kennen wil, zonder welk kennen geen leven is. Heden zegt het nog: Men zal zich-zelven moeten erkennen vleesch te zijn, en Mij moeten erkennen als in vleesche gekomen, om door Mij, Die in vleesche gekomen ben, geopenbaard gekregen te hebben, Wie Hij is, Die Mij zond, Die geboren ben van eene vrouw; â- en dat eeuwige Woord, hetwelk naar God toe is, wil het openbaren aan eenen iegelijk, die, in zichzelven verloren zijnde. Hem als in vleesche gekomen erkent. Hij, Die uit eeuwige, vrije, ongehoudene liefde, uit rechtvaardige beweegredenen, die geheel in Zjjn Wezen liggen, Zijne ingewanden. Zijn eigen heilig Kind in vleesche liet zijn, en alzoo door onzen dood en door onze verlorenheid heen Hem met ons weder tot Zich nam, en ons in Hem aannam als zonen en dochteren, Hij is het, tot Wien
8
wij schreeuwen in Geest; .Abba, de Vader!quot;quot; â God, Die Geest is, kan Zich niet anders aan ons, die vleesch zijn#liiid-baar maken, dan in en door het Woord, en alleen in en uit dat Woord is de kennisse Zijns Naams.
Men zal zichzelven moeten erkennen vleesch te zijn, om door Hem, Die in vleesche gekomen is, geopenbaard gekregen te hebben. Wie Hij is. Die Hem zond, Die geboren is van eene vrouw.
Laat mij dit nader ontwikkelen !
Ik ben in eenen zekeren toestand van nameloos ongeluk gekomen, omdat ik geene acht gegeven heb op de goede woorden van mijnen Heer, Die mij alles zoo uitdrukkelijk voorgezegd had.
Ik heb dien Heer ook te schande gemaakt, Die wel op Zichzelven gelukkig was, maar toch alleen gelukkig wilde wezen in mijn geluk.
Hij moet weder gelukkig worden en Zijn krediet terug hebben, en ook Zijn schepsel weder hebben, dat Hij eens zoo heerlijk in Zijn geluk gelukkig gesteld had.
Ik zelf moet Hem weder tot dat geluk brengen. Hem dat krediet wedergeven, en zelf weder zoo bij Hem wezen, dat het alles nog heerlijker is dan te voren.
Dat moet ik doen, zoo eischt het recht het, want ik heb alles omgestooten; en ik verlang het ook te doen, mijnen Heer weder tot mijnen Heer te maken, want Hij verdient het, en ik ben van alles de schuld.
Maar dat heeft mij nu radeloos gemaakt, dat ik het niet alleen niet kan, maar dat al mijne pogingen de eer van mijnen Heer nog meer te niet maken. Zoo erken ik, niet alleen dat ik alles bedorven heb, maar ook dat ik des te meer verloren ben.
In dien toestand ontwaar ik Eén, Die voor het oog er even-
9
zoo uitziet als ik. gekleed is als ik, eet als ik, en al dezellde gewaarwordingen heeft als ik.
Deze spreekt mij het eerst aan, en ik ga met Hem aan het spreken, en wat hoor ik: Hij zegt, dat Hij in alles aan mij gelijk geworden is, Hij verstaat al mijne radeloosheid, en ;s Zelf radeloos, verstaat al mijne bekommeringen, en is Zelf bekommerd; .ja Hij is alles duizendmaal duizendmaal erger, en Hij zegt, dat Hij hier niet altijd is geweest, maar dat Hij hier is gekomen, in even dienzelfden toestand, waarin ik ben, en dat Hij mijnen geheelen toestand up Zich genomen heeft, en dat Hij in mijnen toestand gedaan heeft, wat mij onmogelijk was, â en dat Hij zulks niet uit Zichzelven gedaan heeft, maar dat dit alles alzoo beraamd is, uit liefde, tot mijn geluk, reeds voordat ik nog uit het geluk, dat ik slechts als het eenige kende, was uitgevallen.
Ik vraag Hem, hoe Hij dan hier gekomen is; en Hjj zegt mij: Uit even datzelfde schepsel, door hetwelk de overtreding is ingevoerd, (Gal. 4 : 4), â want daarmede is de kracht en de wil en de geschiktheid en het verstand ter zijde gezet, en triomfeert de genade door de zonde en zwakheid heen.
Dat Woord, hetwelk God eenmaal liet luid worden, toen Hij hemel en aarde schiep, â dat Woord, hetwelk God liet luid worden, toen Hij al de tronen en vorstendommen en overheden in de hemelen rondom Zich henen zette, â dat Woord, waarin Hij ook ons formeerde, â dat Woord was Hijzelf, Zijns Zelfs uiting. (Joh. 1 : 1.)
God is te groot voor stof en kan Zichzelven niet luid)mar maken aan iets, dat iets anders zou zijn dan Hij. Toen Hij het besluit nam, Zichzelven luidbaar te maken, en hemel en aarde te scheppen, was het eene daad van goedheid en barmhartigheid en voor ons onbegrijpelijke liefde in Hem. Hij maakte Zich luidbaar; uit Hem, uit Zijne ingewanden.
li)
kwamen Zijne ingewanden in eenen schreeuw liervoort. Zijn Woord kwam uit Hem en stelde alles daar. Wat is bij ons ons ander ik? â een vader verstaat liet: zijn kind, zijn zoon; flauwe uitdrukking van hetgeen in God is, en toch, God heeft het er in afgespiegeld, â en dat Woord, waarin alles eens is geschapen, dat Woord kwam in de herschepping nog wondervoller uit God uit; Het kwam, en Het was van boven en van beneden, â dat Woord lag ondereen moederhart, eerst een zaadje, toen een ongevormde klomp, en kwam na negen maanden dragens uit den schoot der maagd, een teeder kind, groeide op, was een jongeling, werd een man, en was gansch in onzen toestand; en in onzen toestand heeft Hij, niettegenstaande dien toestand, Gode geloofd, en Zich gehouden aan Zijne genade, trots zonde, dood en duivel, trots alle berooving en ontbering van hetgeen God is, trots alle genadeloosheid; niettegenstaande God Hem behandelde als goddelooze, heeft Hij aan de genade vastgehouden; vastgehouden: Hij daar is Mijn Vader, Ik ben Zijn Kind, Ik ben de Zoon, Ik ben daar, Ik leef, en weest niet bang, Mijne broeders. Ik voer er u allen door; â â was dat Woord niet naar God henen? of waar was het den Heere anders om te doen, dan dat de God en Vader van onzen Heere Jesus Christus groot gemaakt werd in de verlossing der zielen, zoo-als de Gemeente juicht: âGij hebt ons Gode gekocht met Uw bloedquot; (Openb. ö : 9.); en wat Hij leeft, dat leeft Hij Gode, want dat God weder geëerd en tot God gemaakt, en als God erkend werd, daarom is het onzen Heere Jesus te doen geweest; en hoe wordt God anders tot God gemaakt, dan dat het eeuwig heilig recht Hem geworde. Die ons niet anders heeft kunnen zalig maken, dan naar eeuwig heilig recht; en dat is bij God recht, dat men Hem geloove, al zeggen alle duivelen en alle afgoden: Neen! â Gods âJaquot; is sterker, machtiger en blijft -Jaquot;.
Hij, Die aan des Vaders Rechterhand zit, onze Heere Jesus Christus, wil Zich alzoo gekend hebben, zooals Hij, voor ons
11
in vleesche, niettegenstannde vleescli en dood en duivel en zonde, ons er door gevoerd heeft; dat wij Hem alzoo erkennen, met in al onzen nood, onze zonde en ellende, en wat ons ook âneenquot; tegenschreeuwt, te zeggen: toch is het zoo! en er ons aan vasthouden, dat Hij in onzen toestand ons gewrocht heef! tot eenen volkomen' mensch, voor Zijnen Vader, in Zichzelven, en dat Hij nu in heerlijkheid ons als zoodanigen in des Vaders liefde en in Zijne genade handhaaft, en ons bij Zich heeft genomen, en dat wij naar des Vaders wil hij Hem zijn en Zijne heerlijkheid zien, niettegenstaande het zichtbare van onzen nog tegenwoordigen toestand dat alles logen heet.
Hij, onze Heere, geeft Zich zoo te verstaan: ten eerste in Zijne woorden, die door Zijne Profeten en Apostelen en heiligen zijn uitgedrukt, en vervolgens nog op eene wijze, die wijzelven niet gewaar worden, dan in de uitwerkingen, door Zijnen Geest.
Schoon wij den Heere kennen aan de Rechterhand des Vaders, en onszelven aldaar in Hem en met Hem, en Hem in den Vader, zoo kennen wij Hem aldaar toch niet anders, dan naar het feit, dat Hij hier eens voor ons stierf aan het kruis, en zoo dan kennen wij Hem, als Die leeft in eeuwigheid en de sleutelen draagt der hel en des doods.
i
Op dat feit ruste onze ziel, en van dat feit op God, Die Hem voor ons tot zonde maakte, opdat wij mochten geworden zijn gerechtigheid Gods in Hem, â dat feit kan duivel of dood of zonde of wereld niet ongeschied maken.
Ev. Johannes 12 : 44, 45.
En Je sus riep en zei de: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezon-
12
(Ilmi lieett; en die Mij ziet, die ziet Dengene, die Mij gezonden heeft.
Wie was Hij dan ? W as Hij niet uit God uitgegaan ? Gods, des Heeren, eigen liarte-Kind. Gods eigene ingewanden en liet binnenste, innigste wezen van de uitbreiding van Gods barm-liartigheden over al wat verloren was? Was Hij niet Gods VV oord. dat God gegenereerd, gebaard had als met eenen schreeuw naar ons toe: Ik ben uw heil? Was Hij niet de afglanzing (het afschijnsel) der heerlijkheid, eener heerlijkheid, die ons niet eeuwige goedertierenheid in zich opnam, op een oogen-blik toen zij ons kon verpletteren? Was en is Hjj niet het karakter (het uitgedrukte beeld) der zelfstandigheid Gods ? Hoe, als gij uwen zoon, uwe ingewanden, zendt tot eenen ellendige, die uwen naam heeft te gronde gericht, is het voor dien, in zijnen nood, geen groote troost, te hooren, dat die zoon niet om zichzelven komt, dat hij zichzelven niet opdringt, zichzelven niet telt, dat hij zegt; ik wil geenen dank of eer of groot making; het is mij alleen om den vader te doen en om u tot hem te brengen; kent gij hem niet, beeft gij voor hem, zie dan mij aan, en, mij beschouwende, ziet gij in des vaders eigen hart, gij ziet hem uit mij, want hij spreekt door mij, doordat ik onder u ben, doordat ik tot u spreek, doordat ik onder u zijne werken doe? Zeker, men verstaat het niet, zoo men in eenen Christus gelooft. Dien men met dat geloof tegen God inzet, om zichzelven staande te houden ten koste van de gerechtigheid.
Colossensen 2 : 14.
Uitgewischt hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik,
13
eenigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende.
Het handschrift is de Wet der twee tafelen of de Tien Geboden. ïviet de Wet op ziclizelve beschouwd, zooals zij uit Gods harte gekomen, en met Zijnen vinger op steenen geschreven is, tot eene uitdrukking van hetgeen de Heere op de harten van mensclienkinderen geschreven had, maar zooals zij door leerstellingen (Statenvert. ; inzettingen) van vleesch, verstaan en bepaald en uitgelegd werd Door leerstellingen was zij tegen ons, tegen Joden en Heidenen. Want zoodra als de mensch met zijne leerstellingen de Wet tot een handschrift maakt, zoo heeft hij hetzelve dadelijk tegen zich; dat handschrift nu is als zoodanig uitgewischt. Om die uitdrukking goed te vatten, moet gij u een tafeltje voorstellen, zooals onze leien zijn, en dat tafeltje met was bestreken.; in die was trok men met eene stift letteren, en schreef zoo wat men wilde ; met liet andere einde van de stift, waaraan een plaatje was, wreef men over de was heen, en zoo werd ten deele of geheel uitgewischt, wat men in die was geschreven had. Nu noemt de Apostel de Wet zulk een handschrift, als die door menschenvonden en leeringen, door afdoeningen en bijvoegselen en allerlei over- en weer-wrijvingen van wijsheid des vleesches geworden was, wat zij oorspronkelijk niet was, en dus een handschrift, dat tegen ons was; dat nu heeft de Heere uitgewischt, dat handschrift, dat ons in den w eg stond (zoo staat er in het Grieksch, en niet zooals het vertaald is: hetwelk, zeg ik, eenigerwijze ons tegen was), heeft Hij uit het midden weggedaan, hetzelve gehecht hebbende aan het kruis; daar heeft de Heere al die geleerdheid en wijsheid uitgekleed en al die machten over de conscientiën in het openbaar ten spot gemaakt en aangewezen wat zij waren, toen Hij op dat kruis over dezelve getriomfeerd heeft.
14
Het spreekt vanzelf, dat God de Wet aan het kruis niet anders nemen kon of kan, dan zooals vleescli dezelve heeft uitgelegd en begrijpt, zoolang de wereld staat en staan zal.
Romeinen 5 : 5.
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.
Do liefde, waarvan hier gesproken wordt, bestaat niet in eenige gewaarwordingen van bijzondere verbreking, verteede-ring of iets van dien aard, die heden zijn en morgen niet zijn, en waarop men niet vertrouwen mag; het is de liefde Gods tot ons, welke in onze harten door den ons gegeven' Heiligen Geest uitgegoten is geworden. Die liefde is er dus altijd aanwezig, en zij is oorzaak, dat onze verwachting (hoop) op Hem in al onze verdrukkingen, nooden en ellenden niet beschaamt.
Tot het blijven onder Zijne genade (tot geduld, tot lijdzaamheid) worden wij genoopt door allerlei verdrukking; dat blijven werkt bevinding van het alleen proefhoudende der gerechtigheid ; die bevinding werkt verwachting (hoop) van en op Hem ; die verwachting stelt ons in ons roemen van Zijnen Naam, van Zijne genade, liefde, waarheid, gerechtigheid en trouw niet te leur, beschaamt ons niet, want deze Zijne liefde heeft ons zoo vervuld, dat wij ons door het zichtbare niet laten aftrekken van Zijne waarheid, noch het gewonnen geven, maar staan blijven in de verwachting, totdat Hij dezelve met Zijne uitkomsten en verlossingen heeft gekroond.
ItOMEINEN 3 : 31.
Doen wij dan de Wet te niet door het geloof? dat zij verre; maar wij bevestigen de Wet.
Doen wij dan de Wet te niet, als wij geloof prediken, inscherpen, en als wij gelooven ? Neen geenszins, maar wij zetten daarmede eene door alle vleesch krachteloos gemaakte,
O '
geschondene en in het stof getrapte Wet overeind, opdat zij daar sta in hare heerlijkheid en eeuwig-heilig sieraad, hetwelk zij heeft, en opdat wij der dingen, die zij wil, in waarheid deelachtig zijn.
Vleesch zegt : Al wat de Heere gesproken heeft zullen wij doen, en zoekt nu verstand en kracht en wil, om het te doen, en denkt de omstandigheden, die in den weg zijn, eenmaal te boven te zullen komen, maar telkens komt de begeerlijkheid, en werpt alles weder omver; en omdat het er niet komt, werpt het de schuld op God; en omdat het de begeerlijkheid liever heeft, veracht het de Wet, en heeft dus noch verstand, noch wil, om te doen, zooals het gerechtigheid is in de oogen Gods; wie dus behouden zal worden, moet van de werken der Wet af, om de Wet te verstaan, zooals zij niet eene wet des vleesches, maar des Geestes is, om haar te verstaan en te doen naar haren innigsten, waarachtigen wil en bedoeling. Wij breken het onverstand af, dat men omtrent de Wet heeft, maar wij breken de Wet niet af; wij zetten haar rechte verstand, zooals zij wil verstaan zijn, overeind, en dat komt hierop neder, dat wij God gelooven, dat wij krediet voor Hem hebben, want dat het er wezen moet, wat de Wet wil; maar dat wij. reeds lang vóórdat de Wet door Mozes gegeven was als zoodanig, krachteloos, ongeschikt, onbekwaam geworden zijn om haar te volbrengen, en dat wij van goed of kwaad niet eens idee hebben. Dat alzoo alleen dan, als wij ons, zooals wij ons bevinden en hoe wij ons ook bevinden, gelooven in Hem, Die den goddelooze rechtvaar-
16
cligt, dit geloof' ons toegerekend wordt als de vervulling van hetgeen de Wet waarlijk wil. Want dat is des Heeren 1e-deneering : die menscli gelooft, dus houd Ik hem en zijn doen voor ccoed en recht. â Zulk eene prediking zet de AVet in hare kracht, elke andere doet haar te niet. Twee dingen moet gijzelt' tusschen dit korte bestek zetten: dat Jesus Christus de in vleesch gekomene is ; en dat ik, zoo mijn fortuin in uwe hand is, en ik in uwe zorg met hetzelve gelukkig ben, en ik zelf er niets, niets geen verstand van heb, alsdan mijne zaken met de hoogste wijsheid zal besteld hebben, als ik mij ouder uwe verzorging zetten laat. Zegt men: ja, wie heeft dat geloof? ik antwoord: ieder houdt een gesticht van liefdadigheid voor eene heerlijke zaak, maar de wees zonder dak, en de arme oude zonder steun, ja, die hebben het genot er van.
Begin maar eens waarachtig met Gods AVet te doen, en gij zult eindigen met gelooven.
Ev. Johannes 15: 5 â 7 en 10.
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in Hem, die draagt veel vrucht: want zonder Mij kunt gij niets doen. Zoo iemand in Mij niet blijft, die is buitengew orpen, gehj-kerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. Indien gij in Mij blijft, en Mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt, zulc gij begeeren, en het zal u geschieden. â Indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Z ijne liefde.
Hoe zal ik dat met andere woorden wedergeven? Ga voor
17
eenen wijnstok staan, en vraag uzelven, dien bescliouwencle : wat is het voornaamste van den wijnstok ? â ten eerste hijzelf. en dan de vrucht, veel druiven! welk eene glorie ! â en nu die ranken of rankjes, wat hebben zij te beduiden, wat zijn zij in tel ? De hoofdzaak is en blijft de wijnstok en de vrucht (de veelheid van druiven). De hoofdzaak onze Heere â en (wij zetten de Wet overeind door geloof) de wille Gods, Zijne Wet. Xu, als de ranken niet in den wijnstok blijven, dan mogen zij dragen wat zij willen, maar druiven komen er zeker niet aan. .Eene iegelijke rank, in Mij geene vrucht dragende, neemt Mijn Vader weg.quot; âIn Mij blijvenquot;' verwisselt de Heere met âin Zijne liefde blijvenquot;; en, zegt de Heere, gij zult in Mijne liefde blijven, zoo gij Mijne geboden bewaart; gij bewaart Mijne geboden, zoo gij in Mij aan elkander vasthoudt, tegen de wereld in.
Wij blijven in Hem, zoo wij, erkennende, dat wij vleesch zijn, volharden te gelooven.quot; dat Hij de in vleesch gekomene is, Wiens Naam is Zaligmaker, de Gezalfde, om onze zonden weg te nemen, gelijk Hij die ook gedragen heeft op het hout: opdat wij, van de zonde afgekomen zijnde, der gerechtigheid leven zouden. Wij blijven in Hem, zoo wij aan deze goede belijdenis vasthouden, en als wij zoo in Hem blijven, dan blijven ook Zijne woorden in ons, en dat zijn woorden des eeuwigen levens. Wij blijven in Zijne liefde, zoo wij deze Zijne groote liefde, waardoor Hij was, wat wij zijn. opdat wij zijn zouden, waar Hij is, en waardoor Hij Zijne ziel voor ons in den dood gaf, door onze groote en zware ellendigheid niet in twijfel trekken, maar veelmeer ons aan dezelve vasthouden, of van dezelve bekennen, dat zij ons omgeeft en bedekt en ons in zich gesloten (opgenomen) heeft: gesloten heeft in eeuwige ingewanden en vrijwilligheid, en ons alzoo gezet heeft in Zich in heerlijkheid aan de Rechterhand des Vaders; in die liefde blijven wij, zoo wij doen. wat Hij gezegd heeft; en dat heeft Hij gezegd, dat Hij ons wil hebben in de wereld, gelijk Hij is, en niet alleen wil hebben, maar ons er ook zoo gezet heeft,
2
18
dat wij. tegen de wereld in, met en jegens elkander zijn, in het groote en het kleine; gelijk Hij niet en jegens ons is, en gelijk Hij niet en jegens Zijnen Vader was. Eéne wet, één zin, één geest, ééne lijn, â ééne wijze van doen. Daar is het niet: eerst ik, dan gij, maar gij en des Heer en Woord!
Ev. Johannes 15 : 2, 3.
Alle rank. die in Mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg. â Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
Opdat de Apostelen, die altijd hij zulke woorden, als Vers 2, zichzelven veroordeelden, dit niet zóó zouden opnemen, als zeide de Heere: gij moet derhalve nog gereinigd worden, zoo zegt Hij in Zijne goedheid en liefde: gijlieden zijt aireede rein, om het woord, dat Ik tot u gezegd heb. Dat woord staat Hoofdst. 13 : 10. (âJesus zeide tot hem: Die gewasschen is, heeft niet van noode, dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen.quot;quot;) .Toen Ik u de voeten gewasschen heb, heb ik Mijzei ven in die handeling, heb Ik al Mijne heerlijkheid. Mijn Meester-zijn, Mijn uw-Heer-zijn (en denk nu verder zoo hoog als gij kunt) over u uitgegoten, uitgestort; Ik was in die handeling, in dat water, in die handen, die uwe voeten wieschen, in dien linnen doek, waarmede Ik dezelve afdroogde, en daar Ik Mijzelven alzoo over u uitgoot, was dit âMij in de onreinste handeling te begevenquot;' geene ijdele daad, maar deze Mijne liefde, waarmede Ik voor u afdaalde in de diepste diepte van eenen slavendienst, heeft u in reinheid Mijner liefde gesteld; dat heb Ik toen gezegd, en omdat Ik liet u gezegd heb, zijt gij het aireede.quot;
Gij ziet dus, wat de voetwassching (Joh. 13) heteekende. In een land, waar men slechts voetzolen droeg, en waaide wegen en straten der steden niet geplaveid waren, zoo-
19
als bij ons, had men altijd of zeer bestovene of dik met slijk bedekte voeten; kwam men in een huis, zoo legde men zich op lage divans neder; de eerste plichtpleging bestond daarin, dat eenige slaven of één slaaf met een bekken kwam en knielend de voeten wiesch; de heer wierp zijne losgemaakte voetzool over het hoofd van den slaaf heen. Vergelijk daarbij de uitdrukking in Ps. 60 en Ps. 108: .Over Edom werp ik mijnen schoen.quot; Die handeling was dus nog geringer, dan dat men bij ons iemands voetschoeisel reinigt. Dit is het doen des Heeren onzes Gods. en desgenen, die den Geest Christi heeft; het was op eene andere wijze eene en dezelfde daad, als liet leven voor de Zijnen te laten, en indien het leven, hoeveel te meer dan de andere dingen, zooals eer, goed. gemak en alles wat ons het naaste ligt. Het is geene Hernhuttersche of Hongaarsch-Oostenrijksche ceremonie. Het is het overgeven van zijne ziel voor eenen ander, â in welke daad dan ook. â in de liefde Christi.
Ev. Maïtheüs 11 : 3, 7, 8.
Vers 3. En Joh annex z e i d e tot Hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij eenen anderen?
Vers 7, 8. Als nu dezen heengingen, heeft Je sus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder 1) ewogen wordt ? Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Eenen mensch met zachte kleederen bekleed? Ziet, die zachte kleederen dragen, zijn in der koningen huizen.
Dat heeft men te allen tijde gezien, dat alle mogelijke menschenprofeten van allerlei leer, kleur, fatsoen en sekte vele aanhangers gehad hebben, dat daarentegen de Profeten
20
Gods. nadat men hen eenen tijd had aangehoord, schier van allen verworpen zijn : dat verder allen hopen te komen tot de zaligheid Gods, zoolang liet niet op hun eigen ik aankomt, maar dat daar, waar de waarheid Gods komt, ieder op zijnen eigenen weg ziet, en dien ook gaat. Dat de menschen den raad Gods. tegen zichzelven in, altijd door verwerpen, dat smart hen, die dien raad verkondigen, tot in de ziel, en maakt, dat zijzelven. daar zij niets zien. dan dat alles moedwillig in den dood en in het verderf loopt, wankelmoedig worden, en zeiven beginnen te vragen, wat er dan van al de beloften Gods zij. De tijd der vervulling Avas het brandpunt en de samenvloeiing van al de goede woorden Gods. Hoe veel had Johannes zien opgaan, toen hij aan de Jordaan predikte, hoe o-ino' alles met hem onder, toen hij om eene overspeelster in
O O 1
de gevangenis lag. Hijzelf, schoon bij het goede getuigenis had afgelegd, had toch in zijn eigen gemoed vele verwachtingen. die anders lagen, dan Gods weg is, verwachtingen, die uiterlijke waren; daarom liet hij ook zijne discipelen vasten en leerde hen bidden, even als de Farizeën. nog steeds meenende, schoon hij anders predikte, dat de uitwendige Israëlietische kerkstaat, in een daarmede verbonden geestelijk, zichtbaar koninkrijk, heden of morgen, tot stand zou komen ; toen hij nu van dat alles niets ontwaarde, veeleer zichzelven verlaten en in de gevangenis zag, was hij met den persoon in de war ; hij wist niet meer, of het Die nu was, en had vergeten, wat hijzelf van Hem getuigd had. Men kan zich dit moeilijk verklaren, als men niet de ledigheid van zijn eigen hart omtrent al hetgeen Gods is, en zijn eigen onverstand bi; al wat men gisteren nog ervoer, met opmerkzaamheid en in verbrijzeling heeft waargenomen. De woorden des Heeren, Vers 6: , Zalig is hij, die aan Mij niet geërgerd wordtquot;, bewijzen genoegzaam, dat .Tohamies zich aan Hem geërgerd, d. i. Hem niet voor den rechte gehouden had, omdat het niet zoo ging, als hij zich had voorgesteld. Dat het ook met Maria, de moeder van Jesus, niet anders gegaan is, blijkt uit Mark.
21
⢠! : 31, waar men duidelijk ziet, dat de bezorgdheid van Jesus' nabestaanden (Vers 21) ook bij haar bekommering verwekt had, zoodat zij met hare kinderen was komen zien, hoe haar Zoon het toch had; er blijkt ook uit, dat zij haren Zoon niet eens in Zijne prediking gevolgd heeft. â Verder ziet men het ook uit Luk. 2 : -18 en 50. Men zou vragen, hoe is het mogelijk, als men Matth. 1 : 21 enz. gelezen heeft. â Maar wat onthouden wij dan van de duidelijkste woorden en vertroostingen des Heeren, van de krachtigste onderwijzingen des Engels? Is niet telkens bij ons beschaamdheid des aau-gezichts, is Hij niet telkens, allen morgen, de Eerste? of was Abraham sterker ? of had David de belofte en zijnen Jedid-Jah als wezenlijk voor zijne oogen, toen hij, vluchtende voor Absalom, zeide; .Zoo de Heere lust aan mij heeftquot;, of....? Maar genoeg, die in zijne verwarring vraagt, den Heere vraagt: âAls het zoo is, waarom is het mij dan zoo?quot; â ontvangt licht, en de weg tot den troon der genade, de barmhartigheid is eeuwig versch, alle dagen nieuw.
Vers 7 zegt Jesus, dat Johannes zulk eeu riet geweest is, als wij dan inderdaad zijn; en gelukzalig, die het van zich-zelven bekent, â hij zal een boom zijn, die niet ontworteld wordt. De Heere zeide zulks tot terechtwijzing der schare, want dat is gewoonlijk de denkwijze van allen, die niet willen weten, dat zij menschen zijn, maar zich als Gode gelijk wanen, dat hij, die der waarheid een getuige is, vertooningen moet maken, anders dan die, welke getuigen van eigene armoede en van den rijkdom van Gods barmhartigheden, eu van de genade Jesu Christi over zijne armoede en ellende heen. .Toen Paulus de broeders zag, greep hij moedquot;, zegt de Schrift (Hand. 28 : 15).
Fit Vers 7 en 8 blijkt, hoe de mensch gewoonlijk is; uit Vers 8, dat men van zoo iemand gewoonlijk denkt, dat hij
22
rijk is, en wel zeer rijk, ja zelfs altijd rijk genoeg, eti dat hij in sierlijke kleederen gedost is (daarom siert men diens geestelijkheid ook min of meer op); men denkt namelijk: God is rijk genoeg, dus ook Zijne ambassadeurs, en zij behoeven eigenlijk niet te eten of te drinken, het zijn geene menschen, zij eten toch altijd hemelspijs, drinken godenwijn, en zijn gekleed in purperen wolken, die rondom den troon van zulk eenen grooten Koning drijven, â maar och arme! men wil het nu eenmaal zoo, en heeft Grode tonnen schats aan wijn in de kelders van den tempel, inmiddels is wat ediks genoeg voor den waarachtigen Getuige, Die dood was, en ziet, Hij leeft, en leeft tot in alle eeuwigheid, maar hier gunt men Hem het hemd zonder naad nog niet, dat is nog te kostelijk, en men dobbelt er om. Zoo de Heer, zoo Zijn dienaar.
Vers 9. .Maar wat zijt gij uitgegaan, om eenen Profeet te zien?quot; Ja, het ware te wenschen, dat gij het gedaan hadt, maar, of gij het met die meening gedaan hebt of niet, dat was hij en wel de grootste, want zulk eenen werkkring, als hij (zie Mal. 4), heeft er nog geen één gehad; en toch, â opdat gij u ook niet verontschuldigt met te zeggen; Nu ja, dan een Profeet, dat was dan wat bijzonders, eene bijzondere genade, maar wij, min bevoorrechten, â : Voorwaar, zeg Ik u, die Johannes heeft duizenden heerlijkheden gezien, die na hem niet meer gezien zullen worden; en hij, die nog minder uiterlijk blijk voor zijn getuigen en sïelooven zal hebben, dan Johannes had. en evenwel aan
O
het nochtans l) vasthoudt, zal grooter wezen dan hij. Want zoo is het in het Kijk der genade: hoe minder gezicht, hoe meer wezenlijkheid (realiteit); hoe zwakker, zoo veel te machtiger; hoe meer niets-hebbende, hoe meer alles-hebbende; hoe meer ontledigd, des te voller: hoe meer alles hier gelogen schijnt, des te waarachtiger; hoe meer uit zichzelven
') Hab. 3:18. Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal......zoo zal
ik nochtans in ilen Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.quot;
uit, des te meer vervuld met alle volheid Gods. Dat is eene bestendige vermenigvuldiging uit de volheid, hij bestendige aftrekking : hoe meer nullen aan de eene zijde, des te meer millioenen als er de Eén voorkomt. Vers 11. Ziet dus niet op leeraars alleen: en wel hem, die met zulk rekenen niet spot. Dit geldt den een en den ander: de b linden zien, de 1 a m m e n gaan, de melaatschen worden rein, de d o o v e n hooren, de d o o d e n staan op, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.
Hebeeën 9 : 14.
Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe consciëntie reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen?
Door den eeuwigen Geest. Er staat in het Grieksch âdoor eeuwigen Geestvl), dat is: door Geest, Die eeuwig is; het woord Geest staat tegenover het temporaire, het tijdelijke, het er tusschen gekomene van de Wet. zooals Paulus zegt tot de Romeinen, Hoofdst. 5 : 20: Doch (de) Wet is er bij ingekomen, of nevens ingekomen, en tot de Galaten, Hoofdst. 3 :17, dat de 430 jaren na de belofte gewordene Wet de belofte niet krachteloos (heer-af) maakt; dus dat de belofte hare lieer-schappij behield, want dat zij, zonder eenige tusschenkomst, direct van God aan Abraham gegeven was. Dat eeuwige staat dus tegenover het tijdelijke van de Wet, en Geest staat tegenover de W et, zooals de mensch haar verkeerd
') O; six ttvsv^zto; ciiuviov suvtov... cuz. Het lidwoord wordt gemist.
21
opvat, en die hij in eigene hand nemen wil, zeggende, zonder zich te kennen, noch te erkennen wie hij is: âAl wat de Heere zegt, zullen wij doenquot;. Tegenover het woord Wet, zooals die alle vleesch veroordeelt, terwijl alle vleesch tegen God in is, staat in de Schrift het woord Geest (Zie Rom. 8 : 1, 2; Gal. 5 : 16, 17, 18, 22, 25; 4 : 29; Rom. 8 : 14; 2 Cor. 3 : 3, 6;, 7, 8, 17, 18). In 2 Cor. 3 : 9 wordt dat woord Geest verwisseld niet gerechtig hei d. En zoo is het dan de Wet Gods, in den zin zooals de Heere die in de hand neemt, Zijn wil; zooals Hij het bij Zichzelven en in Zichzelven en tot Zichzelven tot onze levendmaking en heerlijkmaking gesteld heeft in Christo Jesu, van voor de grondlegging der wereld: die wil heet op andere plaatsen ook raad, ook welbehagen, ook wijsheid, ook ingewanden, ook verstand. In het kort, het drukt alles uit, wat de Heere in Ps. 40 : 7â11 en Jes. G : 1-3 Zelf zegt. Het is dus niet de Heilige Geest, in een afgetrokken denkbeeld, en toch de Heilige Geest, als uitdrukking van het uitgaan Gods uit God, van alles wat uit God, uit den Vader, is uitgegaan van leven, van licht, van waarheid, van gerechtigheid, van een verstaan en daarstellen van al wat de eigenlijke meening, wil en bedoeling der Wet is, opdat wij er leven, troost en weide in hebben, â en dat altemaal heet Geest in de Schrift, want het zijn geene ideeën, maar het is leven, uit het binnenste van de wijsheid en de ingewanden en het harte Gods uitgaande en zich mededeelende; en wat zoo uit God is uitgaande, dat is Geest, is ook de Heilige Geest, is God; en door dien Geest, Welken Christus in Zich had, heeft Hij Zich Gode onstraffelijk doen naderen; door eeuwige gerechtigheid, op eeuwige barmhartigheden gegrond, te handhaven met overgeving van Zichzelven, heeft Hij in volmaaktheid de Wet gedaan, en zet der Wet de kroon op. Als Hij dan de Wet, door Zichzelven over te geven, zoo heeft gedaan, gelijk het naar eeuwigen Geest verstaan werd, en als Hij het niet naar eigen' wil, maar door dien eeuwigen Geest gedaan
25
heeft, zal dan niet Zijn eigen hartebloed, zal dan niet het door Hem gedaan-zijn van die Wet, u eene goede consciëntie tot God geven? Zult gij dan uwe consciëntie nog langer laten bezwaren met werken van: ik moet toch nog dit, nog dat doen, ik moet toch nog zóó of zóó wezen? Zie, door den arbeid Zijner ziele, door Zijn volmaakt werk, heeft die Volmaakte alles dood, ijdel en vruchteloos gemaakt, wat Hij niet Zelf gedaan heeft. Wees dan dood voor die doode werken en erken Zijn doen, hetwelk alles leven is, â- alzoo zult gij eenen levenden God dienen, en geenen dooden, want dezen dient men, als men zjjne consciëntie belast houdt met werken, die geene vrucht hebben, maar overbodig en dus verwerpelijk en van geener waarde zijn door Zijns Zelfsovergave.
1 Coeinthe 1 ; 30.
Lit Hem zijt gij in Christus Jesus, Die ons ge-worden is wijsheid van God, i'//.1) rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.
Uit Hem. Alle vleesch hebbe niet geroemd voor Zijn aangezicht, met allen roem is het uit. Wie heeft Hem wat toegebracht, zoo zal het hem vergolden worden. Die van zonde niet geweten heeft, heeft Hij zonde in onze plaats gemaakt (daar w ij zonde waren), opdat wij zouden geworden zijn gerechtigheid Gods in Hem. Wildet gij derhalve naar gerechtigheid, naar heiliging, naar losmaking en losgemaakt-zijn trachten, en die met eenig doen van uwen kant er bij, hoe gering ook, zoeken te bewerkstelligen, gij zoudt dwaas zijn en Gods doen voor niet gedaan verklaren, want dat alles, wat gij zoudt zoeken, gerechtigheid enz. zijt gij; gij zijt het, zeg ik, zoo gewis als dit Evangelie der genade gewis is. Wie is uw Maker, Die u zoo gemaakt heeft? uw Vader, Die
') lu den grondtekst staat liet woordje âenquot; niet.
2«
ii alzoo gegenereerd heeft? Hij, God Zelf. Wat kind kan bij den Vader uitwerken, dat liet zichzelven ontvange, bare, grootmake, kleede. onderwijze, opvoede, dat het recht van lijf en leden, sierlijk gekleed, waarachtig van gevoelens zij, en dat het door alles heen gedragen worde ? Is dat kind niet uit den Vader, en is het niet uit den Vader al wat het is? Alzoo ook gij. uit God zijt gij gerechtigheid, zoodat gij zóó iu Gods oogen zijt, als Hij het voor goed en recht houdt; heiliging zijt gij, zoodat geene Wet tegen u is, en er geene begenadiging en vrucht des Geestes ontbreekt; los en vrijgemaakt zijt gij, zoodat niets u van Zijne liefde scheiden, geen verderf u houden kan; en dat zijt gij in Christo Jesu, den eenigen Mensch, Die de genade heeft, den van God gezalfde boven Zijne niede-genooten, den Zijn volk van hunne zonden zaligmakende. Die Zich niet schaamt, menschen Zijne broederen te noemen, in vereeniging alzoo, in gemeenschap, in verbinding met Hem, welke gemeenschap niet wij gemaakt of begonnen hebben, maar Hijzelf heeft van Gods wege ons gelieven te erkennen als been van Zijn been en vleesch van Zijn vleesch, ons, die Hij in Zich heeft opgenomen, toen Hij in vleesche gekomen is.
In Christ o Jesu zijt gij het, want gij zijt het niet op uzelven Dit zegt de Apostel, opdat men zich niet stoote aan hetgeen men ziet, en aan al hetgeen, met het doel, dat wij de genade niet vasthouden, er volslagen tegen in werkt, omdat die genade alle heerschappij der zonde te niet maakt; de Apostel zegt liet, opdat men, men hebbe gezondigd of welgedaan, rechtuit tot het harte Gods ga, en opzie tot de Rechterhand der Majesteit, en erkenne den Heere onze Gerechtigheid, Die ons, die gelooven, aldaar bij Zich heeft. -Deze Heere is ons geworden wijsheid; toen wij dood waren in onze zonden en in onzen valschen godsdienst, kenden wij Hem als zoodanig niet, en toch is Hij het ons geworden : wijsheid (zoo als Vers 21â25). Hij is onze wijsheid en ons wijsheid genoeg, â sik heb voorgenomenquot;, zegtdeApos-
27
tel, ,onder u niets te weten tlan Jesus Christus, en dat wel dien opgehangenen (gekruisigden)quot;, â tegen alle Joodsche, Cmeksche en allerlei monnikenwijslieid of godsdienstige eigenwijsheid van het altijd tegen de genade Jesu Christi met werken revolteerende (opstaande) vleesch.
Notre théologie Est courte, simple, unie,
C'est Christ, le seul Sauveur.
Et Sa grace adorable Est pour uti miserable Le plus parfait système des moeurs,
Car Dien en est l'Auteur.
Wijsheid van amp;ode, tegen alle wijsheid in, die van men-schen, van wat slag van eigenwillige geestelijkheid ook, komt; deze hunne wijsheid is dwaasheid en vervloekt bij al hun beweren, dat zij het van den Heere hebben, of dat het zoo of zoo Gode betamende is. Deze wijsheid Christus is u van God Zeiven geworden. Zie Col. 1 : 14â20.
I CouiNTiiE 3 : 21â23.
Niemand dan roeme op menschen, want alles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos. hetzij Céfas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe. Doch gij zijt Christi, en Christus is G o ds.
Wanneer gij uitgehongerd, vermagerd, naakt en uitgeschud zijt, wanneer gij zonder dak en zonder uitzicht zijt, en gij daar ligt in uw bloed op den weg, zult gij er dan over twisten. wie van de uitgezondenen des Konings de beste is ? Als zij niet voor zich, maar voor u voortbrengen uit de schatten des Konings: zalf voor de wonden, eene in het leven terug-
brengende verkwikking, zachte kleederen, den gemakkolijksten wagen; ais zjj allen u geleid liebben in het paleis des Konings langs de heirbaan, zult gij dan partij maken voor dezen of voor dien V zijt gij niet koningskinderen, erfgenamen Gods en medeërfgenamen Christi 'r1 Wat zijn zij dan, voor zoover zij n geleid hebben? worden zij niet gebruikt, om u te dienen? en als zij door den Heer der Heeren, Wiens kinderen gij zijt, in uwen dienst gesteld worden, zijn zij dan niet uwe ? Moet gij u dan door hoogmoedige overleggingen en uit meuschenbe-hagerij, in knechtschap laten brengen, met te zeggen: âIk ben van Petrus, ik van Paulus, ik van Apollos, ik van Christusquot;'? Zijt gij zoon. dan ook erfgenaam ; zijt gij erfgenaam, zoo hebt gij alles in uwe hand, in uw eigendom. Maakt gebruik van den dienaar, hij heete dan Paulus of Apollos of Cefas, dat hij u de schatkameren, wapeuvertrekken en wijnkelders van uws Vaders huis opensluite, en u geve en voorzette, wat gij behoeft: zij zijn de uwen, â zult gij wat 0111 de wereld doen ? Laat de wereld voor u buigen, gij zijt er lieer van! Zal die of die u wat leven toebrengen ? Gij hebt het. Zal deze of die u nog een preservatief tegen den dood bereiden ? Gij hebt hein onder uwe voeten, zijnde achter de eeuwige deuren van des Konings overwinning, en gij sterft niet meer. Zal deze of die, meer dan gene, u heul voor heden of waarborg voor de toekomst verschaffen ? Gij zijt in het huis des almachtigen en eeuwigen Vaders, om te gebieden over het heden, en de toekomst te zetten naar den wensch van uw hart. Daar dan alles het uwe is, zoo laat u door niets of niemand onder het juk brengen, om partij te maken met vleesch of voor vleesch, wat naam het ook drage; maar bedenk veeleer, dat gij Christi zijt, alzoo Zijn duur gekocht eigendom, om naar Zijnen wil te wandelen en niet naar den wil der menschen, en, opdat gij, roepende: âJa, Christi, Christi!quot; ook Dezen niet als een partijhoofd opwerpt tegen de barmhartigheden in, waarin [opgenoimn | gij in het huis zijt, zoo weet : Christus is Gods. Welgelukzalig hij, wien de Heere toelaat.
29
te naderen tot Zijne voorhoven, te wonen in Zijn paleis, te eten en te drinken van het goede en van de heiligheid van Zijn huis; â⢠zijne groote, aangeborene, zware ellendigheid belet hem, te denken aan eenige partij makerij, en erkennende met lofzegging, uit Wien hij in Christo Jesu is, zingt hij: âEn onze Koning is van Isrels God gegevenquot;.
COLOSSENSEN 2 : fl.
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Philosophie was in den geest der ouden nimmer dat, wat men zich later heeft willen diets maken, maar de studie of werkzaamheid der theorie en praktijk van den geest, om een verondersteld geestelijk deel in den mensch zooveel mogelijk in zielsoefeningen te doen naderen en op te voeren tot de volmaaktheid van het ideaal van het Goddelijke, en het daartoe vervuld te krijgen met die volheid van deugden of met die volheid van de Godheid, waardoor men Gode op het hoogst gelijk werd en dus eens als een metgezel met God of met de hoogste geesten zijn kon. De hoogere leer of beoefenings-leer bestond derhalve in allerlei handleiding tot hemelschen of engelachtigen wandel. Natuurlijk, men nam aan, dat de engelen met de Godheid verkeerden ; en dat, hoe meer men naar het patroon van den dichtst bij de Godheid zijnden engel was, men ook des te dichter bij God was.
Het ergste was, dat telkens â daar God de Heere mensclien menschen maakte, en de mensch nu eenmaal, opdat hij alleen der barmhartigheid leve en een voorwerp der ontferming zij. aan de ijdelheid onderworpen is. â het lichamelijke zijne rechten liet gelden tegen zulke verdraaide opkweeking en zulke miskenning, als het van den hoogmoedigen en door den duivel
80
opgeblazenquot; geest moest ondervinden. Die beoefeningsleer of zielsoefening of geestvolmakingsleer nu wierp de schuld, dat zij met Sisyphus') den steen, die haar altijd weder opnieuw ontglipte, telkens weder tegen den berg opwerken moest, niet op zich; neen, maar zij wierp ze op de stof, op het lichaam, en deed nu haar best, om dagelijks, met tehulproeping en inspanning van alle kracht, dat lichaam met zijne werkingen te kwellen, en, zoo men zeide, te dooden.
Het moet u niet verwonderen, dat al die Gemeenten, aan welke de Apostel schreef, vooral die der Romeinen en der Colossensen, deze philosophic, die den mensch naar zijnen anti-goddelijken godsdienstigen zin en aanleg geheel eigen is, als een neven-element bij de waarheid Christi weder opgenomen hadden. Zien wij slechts om ons heen !
Die philosophic was niet alleen Heidensch, maar ook bij de Joden aangenomen als het hoofdbestanddeel der leer, en heeft ook steeds op de Christenen haren invloed uitgeoefend.
De woorden, waarvan zich derhalve de Apostel hier en ook elders, bijv. Rom. 6, bedient, waren bij hen bekende termen; en hij bedient er zich van, om hen weder tot de eenvoudigheid der waarheid terug te brengen, hen terecht te zetten. .De geheele volheid der Godheidquot; beteekent dientengevolge niet âde geheele Godheid, namelijk des Zoons, met alle Zijne eigenschappenquot;', zooals het de Statenbijbel in de kantteekeningen verklaart; maar de Apostel wil dit zeggen : Al wat gij zoekt, waar gij naar jaagt en streeft, om geheel vol te zijn van God, dat is er alreeds : gij zegt: âDat moet ik hebben, dat moet er in mij wezen, dat moet ik in mij zoeken te krijgen al meer en meer: dat al de kamers, dat het geheele huis mijns harten er vol van geworden zijquot; ; ik zeg u : neen, daar komt nimmer iets van ; niet in u, maar in Hem, in Christus, het Hoofd aller dingen ! en daar is het niet: een weinig bij weinig.
') De Grieksclie fabelieer verhaalt omtreut Sisyphus, dat deze, wijl hij liet geheim der godeu verraadde, veroordeeld werd, om in de onderwereld eenen steen tegen eenen berg op to werken, die er telkens weder afrolde.
geen allengs meer, geen allengs wat gevorderd, geen allengs wat meer vol, maar: dat woont alles bijeen in Hem, (zie ook Hoofdst. 1 : 19 l;, laat daar weg des Vaders,) daar is het in alle volheid aanwezig, zoodat er niets aan ontbreekt, voor alles overvloedig genoegzaam. Dewijl gij dan Christus Jesus den Heere aangenomen hebt, wandelt in Hem, blijft in Hem, houdt u aan Hem, zonder u wat aan te matigen of in te beelden, als een mensch, als een niets, als een geheel verlorene; in Hem zijt gij vervuld : vol gemaakt met al de volheid der Godheid, dat is van hetgeen Goddelijk, Gode waardig, Gode overeenkomstig is. Alhoewel niet ziende, is hij zalig, die geloofd heeft.
Dat nu de Apostel zegt lichamelijk, slaat op de beweringen, welke zij aangaande het lichaam hadden; het wil niet zeggen: persoonlijk of wezenlijk of waarachtig lijk; maar de Apostel legt in een figuurlijk bijwoord hier het geheele geheim der godzaligheid open: de geheele daad Gods, om zondaren zalig te maken, â dat geheele feit, dat eens geschied, en als een eeuwig geldend en blijvend feit te erkennen is, namelijk, dat Jesus Christus is de in vleesche gekomene, en dat God in vleesche openbaar geworden is. Ditzelfde lichamelijk drukt hij in meerdere woorden uit Vers 11â14 en Vers 20 van dit Hoofdstuk. Zie verder Hoofdst. 3 : 1, vooral Hoofdst. 1 : 22. Vergelijk Hom. 6 : 5, (3 en Col. 3 : 9. 10.
Als gij het bovenstaande begrijpt, is u de geheele Brief aan de Colossensen duidelijk, en gij hebt eenen schat van vertroosting.
Hoofdst. 3 : 5 leest gij âdoodtquot;, en in de kantteekening : doodt meer en meer. Het Grieksch zegt: Nexfua-xTs âhebt laten verstorven zjjn, d. i. het leven is er uit, hebt het daarbij laten blijven.
l) Want het is [des Vaders\ welbehagen geweest, dat in Hern al de volheid wonen zon.
32
Galaten 4 : 22â25.
Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, eenen uit de dienstmaagd, en eenen uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis. Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben: want deze zijn de twee verbonden: het eene van den berg Sina, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar; want dit, namelijk Agar, is 8ina, een berg in Arabië, en komt overeen met Jerusalem, dat nu is, e'ii dienst-
c
baar is met hare kinderen.
De Apostel zegt, dat die dingen eene andere beduiding hebben, d. w. z. in die gebeurtenis, dat Abraham Hagar nam, ziet gij dezelfde werkzaamheid, welke gij onverstandig omtrent de Wet beoogt; er ligt in het bijzondere datgene in, wat ten opzichte van het geheel geschiedt.
Sinaï wordt hier genomen als de berg, niet zooals de Heere dien wilde aangemerkt hebben, namelijk als Zijnen berg, waarvan Hijzelf tot het volk zou nederdalen met al Zijne volheid van genade en waarheid, om Zijnen tabernakel te nemen bij mensshen, en Zelf onder hen te wonen in het midden hunner onreinigheden, en hen te heiligen door Zijne tegenwoordigheid aldaar en Zijn in-zijn in hen, â maar als de berg, zooals de mensch in zijnen hoogmoed en zijne verkeerdheid tegen God in dien beschouwde. Daar, aan Sinaï, of rondom en omtrent Sinaï, heeft het zich in het groot herhaald, wat eens in het paradijs in het groot geschiedde. En telkens en bij elk individu, waar zich dat evenzoo weder herbaalt, is het Sinaï, is het die berg in Arabië, dat is: in eene steenachtige, dorre en onvruchtbare plaats.
Abraham had de belofte: âin uwen zadequot;; hij dacht, dat hij die belofte tot wezenlijkheid brengen moest. De belofte
33
gold hem en zijne wettige, hem van God gegevene huisvroaw. A1 was er dan nu liij haar onvruchtbaarheid, al naderde hij ook voor zichzelven meer en meer tot de onmogelijkheid van vrucht te zullen hebben, dan nog had hij zich aan de belofte, aan het Woord alleen moeten honden. Want in dat Woord was eens hemel en aarde gemaakt, en alles zeer goed daargesteld. Aan dat Woord moest hij de berekening en de uitvoering overgelaten hebben, ofschoon het ook bij hem, naar het gezicht, naar de ondervinding alles tegenstrijdig was. Dat deed hij niet, maar door het onvruchtbaar middel zelf, op hetwelk toch het Woord rustte, laat hij er zich toe brengen, om een middel te kiezen, dat de zichtbare vruchtbaarheid zou hebben, en er kwam ook vrucht, ontvangen zelfs of geboren in den schoot van Sara, op wier knieën Hagar, als op eenen open stoel, van die vrucht ontbonden werd.
Zoo is het voortbrengsel van alle leer en zelfoefening, die allen mogelijken schijn en de gedaante heeft van uit eene dubbele waarheid te wezen.
Wat was nu dat geheele doen van den vader der geloovi-geu ? (Ik spreek zoo, waar Abraham hooggesteld wordt, maar Christus de Heere versmaad, en het bloed des Nieuwen Testaments voor onvolledig geacht wordt.) Hij koos Sinaï, toen hij Hagar nevens Sara nam. Hij meende, dat hij tegen dien berg oj) moest, waarvan God gezegd had: Blijf beneden. Ik kom tot u. Maar ach! het was in een dor land, woest en onvruchtbaar, dat is Arabië. hetwelk beteekent: woestheid, ledigheid, berooving.
Ja, was die geheele vruchtbaarheid geene onvruchtbaarheid ? Immers die vrucht, die uit de belofte zou komen en in de belofte was, éér Abraham was. kwam uit die geheele werkzaamheid omtrent Hagar niet voort. Die daad van Abraham was naar de letter, naar het gezicht, naar de persoon, werkzaamheid omtrent eene dienstmaagd, welke Hagar heette, â maar de bron van die daad, die daad dus naar de onzichtbare waarheid, naar den Geest, naar het oordeel Gods, was werk-
3
u
zaamheid omtrent Sinaï, omtrent don berg van des Heeren heiligheid, zooals hij dien in ongeloof en hardigheid des harten aanzag. Natuurlijk was dat Hagar niet de letterlijke berg, maar het doen, maar de drijfveer van dat doen was juist dat, hetgeen later omtrent dien berg gebeurd is, en het een met het ander drukte uit: de gezamenlijke openbaring van liet streven der geesten van alle vleesch door alle tijden heen.
Wij westerlingen zouden zeggen: de werkzaamheid van Abraham omtrent de belofte, toen hij Hagar nam, was evenzoo als de werkzaamheid van de Israëlieten omtrent de belofte, toen dezen bij Sinaï waren en zeiden: .Alles, wat de Heere zegt, zullen wij doenquot;, â en zooals toen de werkzaamheid van de Israëlieten was, zoo is ook die van het tegenwoordige Christendom of van bet tegenwoordige volk Gods, of met andere v/oorden: Hagar, Sinaï en het tegenwoordige volk Gods, in hetgeen dit volk zich als middel en wezen voorstelt, komen volmaakt overeen, â het is hetzelfde, of gij dit of dat neemt. Maar meer zooals de zaak ligt, drukt zich de Schrift uit: Hagar is Sinaï, en de vrucht, die er van komt, is knechtschap en loondienst; en dat geprezene Jerusalem, waar alles meent nabij God te zijn en denken zou in liet verderf te loo-pen, zoo het er niet in woonde, ligt onder denzelfden gang als Sinaï; bij haar, bij alles wat zij voortbracht, is geene vraag eener goede consciëntie tot God door de opstanding Jesu Christ! uit dooden; maar dat geprezene Jerusalem moeteven-als Hagar het huis verlaten en verlaat het ook, terwijl het onzichtbare, dat boven is, schoon onvruchtbaar, schoon eenzaam zittende, schoon geenen man hebbende, nochtans kindereu heeft als sterren aan den hemel.
Ev. Johannes 17 : 22.
Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als wij één zijn.
De Middelaar Gods en der menschen, op Zich genomen hebbende, in de wereld des aardrijks, die gegrondvest stond te worden, den Naam uit te roepen, den Naam des Vaders bekend te maken, den wille Gods te doen, zoo kwam op Mem, in die betrekking, de heerlijkheid Gods, de heerlijkheid der liefde en des eeuwigen welbehagens, gelijk die van Ahasveros op Mor-dechaï, om een zwak beeld te gebruiken ; en die heerlijkheid, welke Hij ontving, heeft Hij ons. Zijnen heiligen en geloovigen en getuigen medegedeeld, nadat Hij ons gesteld heeft, om in den Name Jesu Christi aflaat van zonden uit te roepen, om te prediken het heil onzes Gods; die heerlijkheid brengt ons door allen tegenstand heen en houdt ons overeind bij het dragen van den smaad en de litteekenen Christi, maar wij zien die heerlijkheid niet, welke op ons ligt, welke ons van onzen Heere gegeven is, maar als wij inzien, waar Hij is, dan zien wij ook in, waar w ij zijn, namelijk aan de Rechterhand der Majesteit, en dan zien wij niet de heerlijkheid, die Hij ons gaf, maar Zijne heerlijkheid, en dat geeft ons rijken en heerlijken troost in al onze verdrukkingen.
Eene arme, in gemeenschap van alles verbonden met eenen rijke en goedertierene, heeft wat hij heeft, want hij gaf het haar; maar staat zij op hare plaats, dan ziet zij niet wat zij van hem heeft, maar zij ziet hem en wat hij heeft, en dat is het, wat haar bemoedigt in hetgeen zij doet, en zooals zjj alles te boven komt als haars mans kroon.
(Zie Jes. 40 : 5 ; 4G : 13 ; 60 : 1; GG : 18, 5 ; 45 ; 25 ; 47 : 4 ; 38 : 21* , 17.)
36
Ev. Johannes 3 : 34.
Want Dien G od gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods, want God geeft Hem denGeest niet ra e t ra a t e.
Ev. Mattheüs 12 : 28.
Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u ge-k o ra e n.
De Heeke Jesus machtig door den Heiligen Geest.
Daar onze Heere Jesus Zich in de dagen Zijns vleesches had vernietigd 1), om, schoon Hij was de: âIk benquot; in den hemel 2), om onzentwil niets te wezen, niets te willen, niets te weten, niets te kunnen, opdat de wil Zijns Vaders door Hem gedaan werd, zoo wist Hij door den Geest, Die op Hem was, alles, kon alles, vermocht alles, was alles, en wilde niets, dan wat goed was. Zoo wij wat zijn, willen, weten, kunnen of vermogen, wij, die door Hem in God gelooven, of zoo de heiligen en Profeten wat waren, wisten of vermochten, het is alles Zijn gewrocht. Zijn werk, het is alles door Zijnen Geest; en dit is dan het geloof in Zijnen Naam.
Dit onderscheid moeten wij goed vasthouden.
1
') Alzoo schrijft Paulus iu zijneu Brief aan dc ïilippcuscn, lloofdst.
2
-) J)e Heere Jesus zegt tot Nicodemus (Joh. 3 ; 13): //En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel ncdergekomen is, namelijk de Zoon des mensehen, Die in den hemel is,quot; â Gr. ó £v fv tü o-jfava d. i. woordelijk; de Zijnde in den hemel.
37
2 Koningen 2 : !), 10a.
Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Eliza: Begeer, wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Eliza zeide: Dat toch twee deelen van uwen Geest oj) mjj zijn. En hij zeide: Grij hebt eene harde zaak begeerd.
Wat zegt Eliza? Zegt liij: des Heeren Geest? Uw Geest, zegt hij. Was dat niet des Heeren Geest? Ja, maar niet zóó, alsof Elia een steen of stok was; die man had eenen geest, met welken de Geest Gods getuigde, dat hij een kind Gods was. Elia's geest was met God; God weder tot God te maken, Zijne Wet en Getuigenis tegen den afval te handhaven, en de afgoden te schande te maken, dat was zijn geest. Hij en alle vleesch uit den weg en niets, â God de Heere alléén God, alléén alles, dat was zijn geest.
Aan den Heere hield hij zich, en had Diens partij gekozen, gelijk Henoch, en daar hij zijne eigene ziel verloren had, overwon hem hetgeen voor oogon was niet, en was het hem
O O
niet in den weg; waar het Gods Wet en Getuigenis gold, daar werd hij over alles heengezet, zoo was zijn geest. Van dien geest wenschte zich Eliza twee deelen. Wat zou hij vragen? Uw Geest, zoo bloot weg? Het ware van de eene zijde hoogmoed geweest, zich in dien stand en op die plaats te stellen, waarop do Heere Elia gesteld had, en waarop geen andere ooit staan kon of mocht; van de andere zijde ware het eene verheffing van stof, aarde en assche geweest, want zoodanig en niet anders kende zich Elia, en Elia had hem misschien gezegd: Wat begeert gij van mij aarden vat, ga tot de verkoopers om olie, anders bobben wij beiden niet genoeg! Maar met te zeggen: âtwee deelenquot; erkende Eliza den Oorsprong, waaruit die Goost was, welken Elia had, uit welken Oorsprong Geestes genoeg van den een op den
38
ander kan overvloeien, zooals er van Mozes' geest op de zeventig oudsten overging, zonder dat daarom Mozes' geest ophield. â Evenwel vraagde Eliza eene zware zaak van Elia, omdat liij zoo weinig vroeg. Wie zoo iets vraagt, vrage zevenvoudig, want van eenen rijken en onmetelijke schatten be-zittendcn vriend krijgt gij gemakkelijker duizend gulden dan tien gulden; in het laatste geval denkt hij, dat gij voor het overige u zeiven helpen kunt, in liet eerste dat gij in grooten nood zijt. Onze Heere is een groot Koning, en Hij zegt: ,Bidt wat gij wilt, en het zal u gegeven wordenquot;'. Zoo zeide Hij tot David: Ik had u dat alles gegeven, en zoo gij er niet mede tevreden waart, of nog niet genoeg hadt, hadt gij Mij mogen vragen. Ook was het daarom, dat Eliza toornig werd, toen koning .Teas slechts driemaal met de pijlen op den grond sloeg. (2 Kon. 13 : 18, 19.)
Verder was de vraag voor Elia zwaar, 9 omdat Eliza even denzelfden geest vanzelf had kunnen hebben, welken Elia hadquot;, want waarom, zoo kon Elia vragen, zulk een groot denkbeeld van mij gevormd ? Zoo gij, daar ik ben als gij, niet zijt als ik, is het uwe eigene schuld, gij kunt dat zevenvoudig hebben. Daarom zegt Paulus: ,Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat ik een voorbeeld zijn zou dengenen, die in Zijnen Naam geloovenquot;. Hoe een voorbeeld? Wel, indien mij, die mij zoo tegen Hem verzet heb, zulk eene genade is geschied, wat genade is er dan niet voor degenen, die zich niet zoo tegen Hem aangekant hebben! Het kan niet erger dan erg.
Ook was de zaak daarom zwaar, omdat Eliza dien geest van Elia voor iets anders hield, dan waarvoor deze denzelven wilde gehouden hebben. Die geest van Elia was als een mosterdzaad, daarom waren noch Baal, noch Achab, noch de Syriërs tegen hem bestand, maar Eliza dacht er te veel, en dus te weinig van; hij dacht er in dien zin van, zooals des Heeren jongeren zeiden : âVermeerder ons het geloovequot;. (Luk. 17 : 5.)
Evenwel Eliza, hij mocht staan, waar hij ook staan mocht.
39
wiis een trouwe broeder, en was bij Elia gebleven in zijne uiterste verzoekingen; daarom heelt hij ontvangen wat hij gevraagd heeft, zooals ook de jongeren des Heeren op den vijftigsten dag.
Maar die opgenomen mantel, dat alléén staan van Eliza voor de Jordaan, waar hij door moest, en zijn roepen: âWaar is de Heere, de God van Elia zegt wat, ja zegt alles. Daar, vóór dien vloed, vóór die diepe wateren, trad bij Eliza in het leven, wat Paulus zegt: âGij zijtmet Christus begraven door den doop in den doodquot;. Had Elia dan niet gezegd: âAls gij mij zult zien, als ik van bij n weggenomen word, zal het ii geschiedenquot;? Eliza zag het, dus nu kon hij weten, dat hij het gevraagde had. En evenwel, daar staat hij, zonder bewustheid er van, en hij kan met het ontvangene niets uitrichten, hij heeft ook geenen moed om, ofschoon hij er nu de man toe geworden was, met een woord de Jordaan te gebieden. Juist nu, nu hij alles heeft, vermag hij niets. Dat was daar, vóór dat diepe en groote water, eene hellevaart, een verdrinken en ondergedompeld worden van Eliza in zijne verlorenheid. Maar in deze zijne verlorenheid en in dit tot-niets-geworden-zijn, met alles, wat hij ontvangen heeft, schreeuwt hij: âWaar is Jehova, de God van Elia?quot; Ik vermag niet en moet toch, 1:1 ij moet het doen. Is het met Hem uit, omdat het met mij uit is? is Jehova dan niet de waarachtige God der waarheid? is mijn belijden van Hem dan niet de ware godsdienst?
In zijn schreeuwen openbaart hij, hoe hot vleesch tegen den Geest begeert, zijne radeloosheid en wanhoop des twijfels; in zijn opvangen van Elia's mantel en in het slaan met den-zelven, hoe de Geest tegen het vleesch begeert, zijn geloof en erkennen van zijn niet, en van den Heere, en dat Hjj het is, met Wien Elia was. Die met Elia was, en dat Die is.
40
Alzoo sloeg liij er zich door; liij sloeg met een wonder ding, dat het water naar zich toe scheen te moeten halen, en juist voor dat vloden de wateren weg.
De rede zon zeggen: Eliza had naar het veer kunnen gaan, en zich zoo naar Jericho kunnen laten overzetten: maar vleesch begrijpt niet, dat des Heeren gang zoo was, dat Eliza daar pont noch roeischuit hebben kon, ten einde Eliza van zichzelven en van het zichtbare af te hebben, opdat hij zijne hoop en zijn heil alleen stelde 02) en in den Onzienlijke en alleen Wezenlijke.
Beschouw Eliza aan de Jordaan goed, en gij ziet, hoe geloof werkt en hoe het gesteld is. Angst, benauwdheid, vrees, versagen, ondergang, verzinken in de diepte zijner verlorenheid, en bij dat alles niet aarzelen door ongeloof, maar ingemachtigd (bekrachtigd) worden in geloof, â niet aanzien den vloed en de kolk, waarvoor men beeft, maar Gode de eere geven : â het water toch slaan, er doorheen! met een middel, eene zaak, een woord, dat juist het omgekeerde zal voortbrengen in de hand van elk, die niet verloren is, wien het niet te doen is om des Heeren recht, waarheid, Woord en trouw! Want niet voor zichzelven had Eliza begeerd : maar hij had gevraagd ) om te profetee-ren en te getuigen in Elia's geest in tweeledige mate. En hem is gegeven boven bidden en denken, gelijk de profetenzonen van hem getuigd hebben : De Geest van Elia is op hem.
O ingewanden van barmhartigheid Gods! hoe koninklijk werd hij van de Majesteit des Heeren bedeeld ! Hij ontving vijf deelen meer dan hij vraagde, want terwijl hij vroeg, overschatte hij de parel naar het verstand, dat hij van de edel-steenen aan de kroon des grooten Konings had, en schatte ze toch verre beneden hare eigenlijke waarde Hij kreeg, wat Elia
') Zie do kautteekouing der Statenoverzetting. Kaar liet Hebreeuwsch had Eliza gevraagd: Dat toch eeu 111 oud [sprekende mond â is eene bekende bewoording of courante uitdrukking] van twee [verdubbeling] in of' vau uwen geest op of aan mij zij: d. w. z. om te mogen profetee-ren en getuigen met tweemaal zooveel macht.
41
had, meer kon hem niet gegeven worden, minder gaf hen; de Heere niet, en kon ook niet. Hij werd, wat Eiia was, een drager van des Heeren Woord. Het getuigenis ging van Elia op hem over, en zoo is geen Profeet of Apostel des Heeren meer of minder, dan een ander Profeet of Apostel des Heeren, en kan het niet zijn, omdat wat zij profeteeren en prediken en getuigen, des Heeren Woord eu getuigenis is. En toch, een iegelijk in zijne orde.
1 Samuel 13 ; 1 vv.
Saul was één jaar in z ijne r egeering ge weest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël.....
Ik zie uit 1 Sam. 13 niets anders, dan dat de Heilige Geest betuigd heeft, hoe snel Said heeft laten varen, wat hij ontvangen had. Een van der jeugd af hij ons ingeprent vooroordeel ten gunste van David en tegen Saul maakt, dat men ook hier de Wet en de Profeten ontbindt; dat men zichzelven streelt met een : ik ben toch Saul niet; en dat wij alzoo op de getrouwe en niet minder verschrikkelijke waarschuwing, welke ons de Heilige Geest tot onzer zielen zaligheid doet toekomen, als ook op Zijn onderwijs ten dezen, volstrekt geene acht geven, als raakte het ons niet. Saul was geen usurpateur (overweldiger), gelijk men meestal denkt, hem zettende tegenover David (alsof hij, als usurpateur, eenen rechtmatig gezalfde als eenen usurpateur vervolgde), â neen, maar een van God verkozen, hoog begenadigd man, een vorst en gezalfde Gods, als hoedanig David hem ook altijd heeft erkend. De Heilige Geest heeft het ons aangetoond in de geschiedenis van dien wedstrijd tusschen twaalf voor Isboseth en twaalf voor David, hoe er aan de eene noch aan de andere zijde op zich zelve zoo volstrekt niets was, wat God voor den een meer dan voor den ander zou bewegen, of dat op
Zijn doen ingewerkt zou hebben, â zij vielen te zamen, staat er 2 Sam. 2 :16. O, indien zelfs toen nog Isboseth (schand-man) Gode de eere gegeven had, zoo ware liet huis Sauls in heerlijkheid gebleven; en o, indien Saul niet tot de too-veres gegaan ware, maar van Hem gevraagd had. Wiens Naam is: âGeef u aan Mij over, zooals gij zijt, en bevind wie Ik ben (Jehova)quot;, hij ware niet gevallen op Gilboa, en God zou zijn rijk niet gewend hebben tot David, den zoon van Isaï. (Zie 1 Kron. 10 ; 14.) Het is ook daarom, datdeHeere eens.tot David zeide: âIk heb u van achter de schaapskooien genomen, en heb uwen naam gemaakt als die van de grooten der aardequot;; en wederom: âIk gaf u het huis van uwen heer, en de vrouwen van uwen heerquot;.
Neen, Saul was, ook nadat Samuël gesproken had: âGod heeft het rijk van u genomen en het aan uwen naaste, aan iemand naar Zijn hart, gegevenquot;, geen usurpateur, op geenerlei wijze. Integendeel, hij was en bleef de rechtmatige, van God gezalfde koning.
Dat God echter David, tegenover Saul, zalven liet, geschiedde uit eeuwige, brandende, vlammende liefde, zooals die in God is, en deze heeft geene rust dag noch nacht, zij laat zich niet iets in den weg leggen of door iets ophouden, en moet uit haren aard voorwaarts; en dat deze stroom alsnu David in zich opnam, geschiedde om Saul tot jaloerschheid te verwekken, opdat hij daardoor in al zijne nieren en oude liefde zou geprikkeld en gestoken zijn, om tot Dien weder te keeren, AVien hij den rug had toegewend.
Saul staat hier tegenover David, gelijk de Joden tegenover de volken of niet-Joden. (Zie Rom. 9 en 11.)
Op de vraag, wat er dan van David geworden ware, zoo Saul zich aan de gerechtigheid had onderworpen, geelt do Schrift geen bepaald antwoord. In des Heeren ingewanden ware ruimte genoeg, dat zich de een en de ander verheugde. Het Getuigenis luidt altijd slechts dus: âZij zullen aankomen van oosten en westen, en aanzitten met Abraham, Izak en
13
Jakob, maar de kinderen dos Koninkrijks, verwerpende den raad Gods tegen zichzelven, worden uitgestootenquot;. (Vergeï. Rom. 11 : 38.)
Het is daarom ook niet goed, te zeggen, dat Saul als het ware zonder eeiiige zijner verdiensten en waardigheid op den troon gezeten heeft. Want dat is juist het wonderbare van Grods gerechtigheid, waarmede Hij aller menschen gerechtigheid beschaamt en tot stof maakt, dat juist dun, als Zijn volk Hem en Zijnen Profeet verwerpt, op zijn minst door aan des Profeten zonen eenen aanstoot te nemen (1 Sam. 8 : 5), Hij hun dan nog deze zonde niet toerekent, neen, maar hun eenen koning geeft, zooals God en ook God alleen eenen koning geven kon. Het was een koning, op wien niets tc zeggen viel, een volmaakt koning, want hij was schoon, hoog van gestalte, billijk, toegevend, zich niets aanmatigend, gering in eigene oogen ; op éénen dag gaf hem God een ander hart, werd hij tot eenen anderen man, en kwamen al die teekenen te gelijk, plotseling, en werd de Geest Gods over hem vaardig. Onder de Profeten was hij den Heere uitzinnig (I Sam. 19:23, 24), zich ontblootende meer nog dan David voor de ark. En de wijze, waarop hij bekeerd werd, maakte een rumoer door het geheele land, zoodat zelfs den fijnsten zifter de mond gestopt werd (1 Sam. 10 : 12), gelijk men later ook wel gezegd heeft, dat een Saulus wel een Paulus worden kan. Belialskinderen noemt de Heilige Geest de zoodanigen, die hem niet erkennen wilden (1 Sam. 10 : 27). Een gejuich Gods ging er om zijnentwil in Israël oj), en eene buitenmatige vreugde, zoodat ook Samuël zelf van God mee voortgedreven werd. om het koningschap te bevestigen als een nieuw schepsel in Christus. Hoe voortreffelijk gedraagt zich Saul in zijn eerste jaar. Zie Hoofdst. 10 : 27; 11 : 7, vooral Vers 13. En zijn de geweldige trekken van leven, hetwelk in hem heeft geworsteld, niet zichtbaar genoeg, juist in zijn gedrag jegens David, als Saul ontwapend ligt; en is het niet openbaar genoeg uit al het lijden van David, als
44
deze, zoo eenzaam en verlaten van allen, vanwege gerechtigheid, er zich met eigene vuist onder den schijn van ongerechtigheid moet doorslaan, hoe toenmaals elkeen het met Saul gehouden heeft en zich evenals Saul en met Saul in God gesterkt heeft, om den zwaar bedrukten David aan zichzelven over te laten?
Gelijk de grootmoedigheid van eenen leeuw is onder de dieren, gelijk de grootmoedigheid van eenen vorst is onder zijne ontevredene en ondankbare onderdanen, zoo en nog geheel anders is de grootmoedigheid Gods onder de geesten; de grootmoedigheid van Hem, Die een God der geesten van alle vleesch is. Samuëls leed dragen (1 Sam. 15 : 11 en 35) en Davids klaagzang over Saul (2 Sam. 1 : 17 vv.) was uit den Heiligen Geest, gelijk Jeremia's klaaglied over Jerusalem, en gelijk de tranen van onzen Heere Jesus, toen Hij weenende uitriep: âOch, dat gij nog in dezen tijd mocht bedenken, wat tot uwen vrede dientquot;. Het was daarmede, gelijk geschreven staat Kom. 9 : 2, 3. Zeker is het, dat David gaarne gestorven ware, zoo slechts Saul in de liefde Gods gebleven ware, waarin hij zoo treffelijk had aangevangen; even zoo zeker, als dat Saul niet geoordeeld is als usurpateur, noch die, welke in het ambt Gods zijn, waar zij de liefde der waarheid verworpen hebben, als usurpateurs zullen verworpen worden, maar als dezulken, die, Gods zijnde, de liefde verlieten, daar zij beproefden, Gods gerechtigheid in te snoeren en zelf iets te zijn en zelf iets te hebben.
Eerst later kwam het aan het licht, dat David naar de belofte was, en hij ontving de belofte eerst, toen hij reeds rust had van zijne vijanden, en in deze rust en heerlijkheid Gode een huis bouwen wilde ; en dit ging nog in eenen weg, waarin hij tot eenen zondaar werd, zoo als hij zich nimmer te voren gekend had. Hetgeen Saul in David erkende, was meer datgene, wat iedereen, die zich zonder liefde of gerechtigheid in de genade handhaven wil, zeer goed gewaar wordt tegenover zulk eenen, die niets heeft dan den Heere der heerlijkheid,
niets dan God, maar ook God, â hij weet wel, dat zulk etn evenwel regeeren zal naar Gods regeering der genade, welke zich der ellendigen, verworpenen en in het woeste gedrevenen ontfermt, en zich hunner aanneemt, opdat het voornemen blijve, zooals het is naar de verkiezing Gods, Die datgene verkiest, wat de menschen verwerpen.
1 Samuël 23 : G.
En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met den efod in zijne hand.
In den efod was d'P^aïs tastbare samenzetting van volkomen Licht en volkomen Recht (Urim en Thunnnim), en de efod kwam als zoodanig tot David, omdat hij door Saul en Israël uitgestooten was uit het erfdeel des Heeren, en men tot hem gezegd had: Ga henen en dien andere goden. Saul en het volk behielden God en Zijnen dienst, Zijne ark en woning, derhalve moest de arme verstootene David ook iets hebben, daarom kreeg hij den efod met de ürimen Thum-mim, en had het zoo eigenlijk alleen. Saul evenwel en Israël zouden Urim en Thummim behouden en gehad hebben, zoo zij aan David liefde, trouwe en dankbaarheid bewezen hadden, daarvoor dat deze voor hen Goliath had durven aanvallen, of bijaldien Saul hem weder tot zich genomen had, 1 Sam. 26 :25; maar Saul en Israël hebben gemeend, dat zij in het volkomen licht waren en volkomen recht deden. Zij hebben derhalve geene behoefte gevoeld aan Urim en Thummim, maar gedacht, dat zij er zonder dat wel komen zouden.
4G
Handelingen dee Apostelen 3 : 19â21.
Betert u clan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewiscli t worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn voor liet aangezicht des Heer en, en Hij gezonden zal hebben .lesus Christus, Die u te voren gepredikt is; Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond al Zijner heilige Profeten van alle eeuw.
Als gij Vers 2(3 niet Vers 20 vergelijkt, dan ziet gij, dat de Apostel in Vers 26 zegt: ,God heeft Zijn Kind Jesus gezondenquot;; en als gij daar leest: âGod opgewekt hebbendequot; (of: nadat God Hem opgewekt heeft), dan moet liet u vanzelf duidelijk wezen, dat dit gezonden hebben moet verstaan worden na de opwekking of na de opstanding geschied te zijn; dat het dus geen zenden is in vleesche, waar de Apostel van spreekt, maar een zenden in het Woord, in de verkondiging.
Als gij de laatste woorden van Vers 21: âHetgeen God gesproken heeft door den mond al Zijner heilige Profetenquot;, vergelijkt met de woorden van Vers 24: âZij hebben deze dagen te voren aangekondigdquot;, dan is het uitgemaakt, dat de Apostel Vers 21 niet spreekt van toekomende tijden, maar van den tijd, waarin dat geslacht leefde, tot hetwelk hij sprak.
Als gij het woord wederoprichting (het Grieksche y.7v:y.'j.rc/,cTu.Gi.q â¢) zegt nog iets anders, evenwel, ik laat de vertaling gelden,) vergelijkt met Hand. 15 : 1G: âNa dezen zal Ik wederkeeren, en wederopbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is
') Het is kennelijk, dat hot recht overeind gezet zijn van dien kreupele den Apostel op dit woord apokatastasis bracht.
47
wederopbouwen, en Ik zal denzelven wederopriclitenquot;, â dan ziet gij mede, dat er op dien tijd gedoeld is geworden, en dat die wederoprichting er toen was. Dit blijkt ook uit Hoofdst. 3 : 18: ,Hij heeft het aldus in vervulling gebrachtquot;. Want dit: ,dat de Gezalfde geleden heeftquot;, kan men toch niet zoo naakt verstaan, maar in al zijnen omvang.
De zin van Vers 19 â 23 komt dus hierop neder: âGij hebt tegen God en Zijnen Gezalfde gewoed. Ik heb u voorgehouden, dat gij zoo uw heil verwerpen en God den rug toegekeerd hebt. God evenwel, Die wist wat maaksel gij zijt, heeft desniettegenstaande Zijn heil voor u vastgesteld, en laat u genade en het ware Koninkrijk, zooals Hij dat vanouds door Zijne Profeten heeft laten verkondigen, maar dat gij verkeerd begrepen hebt, aanzeggen; hebt dan nu uwe harde gedachten en uwen verkeerden zin afgelegd, en keert Hem het aangezicht toe, ten einde zoo uwe zonden van tegenstand en moord en doodslag, die gij aan den Heere hebt begaan, voor Zijn aangezicht mogen uitgedelgd wezen, en er zoo dan mogen gekomen zijn tijden van verademing van des Heeren aanlt;);ezicht. Daar is over u quot;roote toom, en de grimmig-
O O ' O O
lieid staat te ontbranden over een volk, dat zich zoo tegen zijnen God heeft aangekant, maar maakt vrede met Hem, dat er vrede zij, dat er niets in den weg zij, dat er aan dat âZijn bloed kome over onsquot; niet gedacht worde, als wanneer dan nog tijden van verkoeling, van verkwikking, van ademschepping van onder den zwaren last van Gods toorn, van des Heeren aangezicht mogen gekomen zijn. Want die staan er te komen, die staan voor de deur, de hemel wil openscheuren, en Gods vriendelijk aangezicht op u schijnen, zoo gij vrede met Hem maakt, zoo uw tegenstand weggedaan is: en moge Hij dan gezonden hebben den u te voren gepredikten Jesus Christus. God heeft u Dien gezonden, nadat Hij Hem heeft opgewekt. Hij heeft Zijn Kind Jesus gezonden in de verkondiging, in het getuigenis, dat wij getuigen, dat weerloos Kind, Hetwelk gij hebt doodgeslagen,
48
Hetwelk gij met de Wet vervloekt en verworpen hebt; dat Kind zegent u daarentegen, zegent u daarin. dat Hij eenen iegelijk van u afkeert van uwe boosheden. Maar of Hij u nu al gezonden is, Hij zal u toch als niet u gezonden blijven, zoo gij u niet bekeerd liebt; maar hebt uwen onwil afgelegd, dan, â ziet Hij staat voor de deur! â dan moge Hij u gezonden wezen; dan kome dat heil ook over u, dan moge de vrucht, de waarheid, de zegening van hetgeen er geschied en vervuld is â Jesus Christus â uw deel zijn. Want daartoe heeft Hem de hemel moeten omvatten, opdat Hij daar zitte ter Rechterhand der heerlijkheid tot aan (de) tijden, dat dit alles zijn beslag gekregen heeft, wat God vanouds heeft gesproken dooiden mond al Zijner Profeten, en, als die tijden eens voorbij mochten gegaan zijn, waar, waar zult gij dan u verbergen, zoo gij u nu niet in alles aan Hem onderwerpt! Weet toch wat Mozes gezegd heeft, neemt vooral die woorden ter harte: .Het zal zijn, dat alle ziel, die dien Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volkquot;'.
Als de Apostel Vers 21 zegt: .Welken de hemel moet ontvangen hebbenquot;, geeft hij de reden op, weshalve de wrake nog niet is uitgebroken, gelijk elders geschreven staat: , Voorts wacht Hij, totdat Zijne vijanden gesteld worden tot eene voetbank Zijner voetenquot;, Hebr. 10 : 13. â Men vat meestal Vers 20 en 21 in verband verkeerd op; vandaar die droomen van een duizendjarig rijk, of van iets wat nog komen moet, en men zet dat z en de n in de toekomst, ofschoon er Vers 2(5 staat: âGod heeft Hem u gezonden, nadat hij Hem heeft opgewektquot;. De wagen en, waarop Hij Hem zond, waren de Apostelen in Zijn getuigenis, en Zijn Geest.
Israël heeft alles, wat God aan hetzelve beloofd heeft, gehad. De Heere is Zijn Woord nagekomen. Maar Israel heeft het niet aangenomen. Evenwel zijn er van Israël, die Hem aangenomen hebben; zoo zijn dan dezen voor het Israël gekomen met des Heeren volken. (Hom. 11 : 26.)
4!)
Titus 3 : 14.
En dat ook de onzen leeren, goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.
Werk en tot noodig gebruik zijn noch werken der liefde zoogenaamd, noch werken der handen tot onderhoud, maar werken, waar men wat aan heeft, die in het dagelijksch leven te pas komen. Zoodanig een werk was bijv. hetgeen in het onderricht, wie onze naaste is, (Luk. 10 : 25 vv.) voorgesteld wordt: een Samaritaan behandelt eenen gewonden en door roovers uitgestroopten Jood met de uiterste zorgvuldigheid, terwijl een priester en een Leviet er voorbijgaan, bezig met werken van inwendig zich Godvruchtig te maken, waaraan God noch de menschen iets hadden. (Jes. 1 :13, 17.) Werken, waar God en menschen wat aan hebben, hebben nooit een godsdienstig vertoon of uiterlijk, en wie ze doet trekt daartoe geen gewaad aan. Het zijn degelijke werken van gerechtigheid en gezond verstand, hoewel meestal een tijd lang miskend.
Openb. Johannes 20.
HET DUIZENDJARIG RIJK.
Dat is het, waarin men zich met eere zoekt te redden, als men zich niet aan Gods wil onderwerpt, om werken tot noodzakelijk gebruik te doen, maar zich inwendig Godvruchtig wil maken, en telkens door den zeer gewonen en platten levens-trein, waarin alles aan de ijdelheid is onderworpen geworden, uit zijn denkbeeldig hemelsch standpunt uitgebotst wordt, â dan zulk een rijk, ecu Godsrijk op aarde, dat komen moet; zonderling vagevuur!
50
, Jungius verrekende zich, niettegenstaande hij er eene openbaring van had; Bengels 1830 ging voorbij, het 1844 dei nieuweren verstreek mede; de Pils de 1 Honnne stieif jong; maar toch .... Christus de Heer is nog niet recht Koning, maar zal het nog eens in volle waarheid worden. Het moet nog eerst ééne kudde en één Herder worden. Do kennis Grods moet nog eerst de aarde bedekken, als de wateien den bodem der zee. Dat heerlijk Godsrijk is er nog niet, de -loden moeten nog eerst bekeerd worden. Of er moet nog eerst
een Elias komen, of.....quot;
Zoo hebben oudere theologanten gedacht, zoo ook nieuwere. Zoo reeds dachten eenigen in de eerste Christen-eeuw, geleid door iemand, die zeide, dat hij het van Johannes den Apostel zelf gehoord had. En zoo was on is men even ver als de Joden: terwijl zij den Christus Gods in hun midden hadden, zeiden zij: Onderzoekt en ziet, dat er nooit een Profeet uit Galilea is opgestaan, van waar Hij is. (Joh. 7 : 52.) Verder verleid door hun eigen onverstand en hunne liefde tot het zichtbare, verklaarden zij de Profeten tot hun eigen verderf, droomende tot op dezen dag van een rijk, dat nimmer beloofd is. Zoudt gij ook doen als de Joden, en de stemmen der Profeten tot uw eigen nadeel verdraaien en op de
toekomst schuiven?
Zoo staat er geschreven: âHeden, heden, zoo gij Zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten nietquot;. â âImmers zijt gij gekomen tot eene stad eens levenden Gods, tot een boven-hemelsch Jerusalem, tot duizendtallen van engelen, tot eene lofzeggende verzameling en Kerk van eerstgeborenen, in de hemelen aangeschreven, tot eenen Rechter aller. God, en tot geesten van rechtvaardigen, die volmaakt gemaakt zijn, en tot eenen Middelaar des Nieuwen Verbonds, Jesus, en tot een bloed van besprenging, sprekende machtiger dingen dan dat van Abel. Ziet toe!quot; (Hebr. 12:22â25.)
De geheele Brief van Paulus aan de Hebreen roept, vermaant, predikt u, bidt, dreigt, smeekt n, dondert u m het
51
oor : Geen uitstel, geene genade, tenzij gij u aan de genade onderworpen liebt; zoo als gij zijt, en die erkent als over u verschenen, hoe gij ook zijt! Geen uitstel van beter maken, van zich anders te bevinden, van zicli daartoe geschikt te maken, van zoeken naar hebbelijkheden, ontvangbaarheid, gestalte, gedaante, gesteldheid! Aan de genade u onderworpen, of geene genade; in dat bloed des Nieuwen Verbonds vol-komene afwassching, volkomene reiniging, of geene, in bet geheel geene ; want dat bloed steekt al den zonden, verkeerden wegen en het vasthouden aan zichzelven, en allen uitvluchten van âik kan nietquot;, en âik deug er niet toequot;, en âlaat mij dan eerst dit of dat doen en afwachtenquot; in eens de levensader af, en het is sterven om te leven, of eeuwige dood. Kiest!
Gij zelf moet het weten: óf volkomene verlossing van zonden en van alle kwaad, óf een zich voortslepen in ketenen en verstrikkingen der slavernij van het zichtbare. Do genade is geene plank in de groote zee, waarop wij groote menschen drijven mogen ; maar zij is zelve eene groote zee van algenoeg-zaamheid; daarin! zonder plank; sla tot splinters die plank van ijdele hoop der zelfredding! in die zee in, in de armen van 'sHeeren goedertierenheden in! die het diepst onder gaat, vindt zich uit de diepte het eerst opgehaald, het hoogst gezet. O, wij muggen op dat water! de genade is geene plank, maar een heerlijke, koninklijke, van alles wel voorziene bodem, het rijkste koopmansschip, het machtigste oorlogsvaartuig ; de genade is eene rots, die niet wankelt, â daarheen! Doch waartoe hier beeldspraak ? Spreekt dat bloed onzes Heeren Jesu Christi. niet genoeg tot u, zeggen u de ingewanden van eeuwige barmhartigheden over stof, aarde en assclie niet genoeg, is u niet genoeg de stem d?s Geestes en der Bruid: Kom! ? Ik zal u gaarne alle bedenkingen trachten weg te nemen, die bij u op dit stuk zullen opkomen, ik zelf heb er voor gestaan, heb het geloofd, had het tot een vol systeem, maar toen ik de gerechtigheid Gods, toen ik het Lam, Dat de zonde der wereld beeft weggedragen, aan
52
's Vaders Rechterhand zag, en ik neergeworpen werd met al mijn doen, toen verdwenen al die ijdele denkbeelden, die uitvindingen en leerin^eu des onverstands, die wandel als van handelaars, die zich langs oneerlijke wegen zoeken staande te houden.
Want alzoo, met zulke leeringen, zoekt de mensch zich staande te houden, cn te blijven smaken de genieting van de zonde dor tegenwoordige wereld ; maar wat anders zoekt hij, die gewaar wordt wat Gods Woord hem gebiedt, hij, bij wien het een strijd als op leven en dood is, dat hij overeenkomstig het Woord Gods zij. Zet de Wet Gods niet op zijde met een eigengemaakt evangelie. Dat Boek der Openbaring kan onmogelijk oorspronkelijk zoo onverstaanbaar geweest zijn, als het sedert geworden is.
Hoe hebt gij niet zoo veel gezond verstand, om te zien, dat, als gij het ééne letterlijk opvat, gij het andere ook letterlijk moet opvatten ? Heeft dan de stad Gods eenen muur van steenen uit steengroeven? Is die muur op letterlijk 144 ellen gemetenV Is die stad letterlijk een kubiek? Was er dan een letterlijke smid, die de keten en den sleutel maakte? Duizend jaren letterlijk, dan ook de keten letterlijk, dan ook een letterlijke draak !
Laat het u voor ditmaal genoeg zijn, dat duizend jaren een getal is van volkomen standhouden, van volkomene heerschappij en van volstrekte macht. Zoo hebt gij âde hoofdmannen van duizend bij de kinderen Israelsquot; en âde afdee-lingen in duizendtallenquot; letterlijk ; en figuurlijk : , Eén zal er duizend jagenquot;, en: âDe Heere komt met Zijne veel duizendmaal duizendenquot;. Ook is het een ronde tijd, een volkomen tijdperk van volharding, al duurde liet ook maar één dag. of één jaar, of twee en een half jaar,'t is al hetzelfde. De kinderen Israels hebben nog geen duizend jaren met hunnen God als koningen geheerscht. Van Egypte tot Babel zijn slechts 903 jaar. Denkt gij, dat de Apostel dit niet heeft opgemerkt? âZij, die in het Woord der waarheid blijven, die bij het eeuwig
Evangelie volharden, zullen er tocli gevonden worden, â wil de Apostel zeggen, â zij zullen met Christus regeeren duizend jaren, dat is: zij zullen met Hem volharden als deelge-nooten in Zijne verdrukking, in Zijn Koninkrijk en Zijne lijdzaamheid. Zij zullen zoo met het getuigenis volharden, regeeren, dat op allen wederstand beslag zal gelegd worden, zoodat zich alle vijanden der genade, met hunnen aanvoerder, den duivel, gebonden zullen gevoelenquot;. Die keten is Gods Woord; die sleutel is de uitsluiting, waarmede allen buiten het Evangelie gesloten worden, die het tegenstaan; die sterke engel is een eenvoudig getuige des Woords; de eerste opstanding is het zich te zamen verheugen in dat Woord en in deszelfs loop en macht; de tweede dood is het doorgevloeid-zijn van degenen, die vroeger bekeerd zijn, maar die zich aan de genade hebben gestooten, en er werken als van Wet bij ingevoerd hebben, â die vloeien door, zoo zij zich niet onderwerpen. âEr zal weder een tijd komen, dat dat Woord weggaat, dan zal alles, wat nog de genade tegenstaat, opnieuw den aanval beproeven en de overgeblevenen in de genade aanvallen, maar hun doen en hun werk zal ten vure zijn.quot; Die Openbaring ontving Johannes en gaf ze tot zijnen en der getrouwen troost; zij hebben dien tijd gehad en gezien, en dergelijke dingen herhalen zich overal, waar het Woord gepredikt wordt; die n i e u w e h e m e 1 en nieuwe aarde. Hoofdstuk 21, is niet de hemel in de toekomst, maar is de Gemeente Gods ; en als gij op het 4d° Vers van dat Hoofdstuk en op het 2de Vers van Hoofdstuk 22 met aandacht let, dan ziet gij, dat in dien nieuwen hemel en op die nieuwe aarde genezing en vertroosting is. Kom er mee in wonen! de poorten worden des daags niet gesloten; en laat varen wat u tegenhoudt en wat niet mede in wil, en zeg aan de leugenaars, gifmengers en vrees-achtigen, dat zij buitengesloten zijn; alleen hij, die waarachtig op de borst slaat en zegt; .God, heb mij zondaar vroolijk gemaaktquot;, ziet dat Rijk, hetwelk is, eu is in dat Kijk,
54
hetwelk komt; die zich niet aan de genade onderwerpen wil, omdat hij wel weet, dat het dan uit is met de heerschappij der zonde, voedt zich met ongezonde woorden van allerlei ketterij, dat ook een werk des vleesches is.
Wie de zoete regeering der genade kent, leeft in dat duizendjarig Rijk, hetwelk die nog verwachten, welke hunne conscientiën niet gereinigd hebben van doode werken, en daarom niet in de rust Gods zijn ingegaan. Evenwel zult gij weten, dat liet Koninkrijk Gods tot u gekomen is, zeideonze Heere tot degenen, die, Hem hoorende, zich van de waarheid des Woords ontsloegen, hetwelk zoo luide in hun binnenste sprak: -Het is erquot;.
Psalm (3.
Psalm 6 is geen boetpsalm, waarvoor hij altijd gehouden is ; het is ook niet uit gevoel van b ij z o n d e r e zonde, dat David zoo spreekt, maar hij was in grooten nood der ziele, verslagen en diep bedroefd vanwege allerlei miskenning van zijn gedrag, dat tegenover degenen, die hem miskenden en het verkeerd uitlegden, gerechtigheid was; daarbij kwam een afgetobd zijn van al de moeiten dezes levens, zoodat hij niet meer kon, hoe ridderlijk hij zich tot hiertoe er ook had doorgeslagen ; allerlei aanvechtingen en bestrijdingen hadden hem afgemat, en de ongerechtige beweringen dergenen, die zeiden, dat zij wat waren, en die hem van alle kanten neder-drukten en hem over het hoofd gingen, hadden hem allen levensmoed in God als uitgedoofd. In zulk eenen toestand krijgt de blijdschap in God, de vrijmoedigheid tot Hem, mede eenen knak; het gevoel, wat en wie men op zichzelven is en wat men wel verdiend heeft, overmeestert den mensch daarbij ook grootelijks, gelijk wij hier bij David kunnen opmerken, zoodat juist de liefde, en het gevoel van onwaardigheid, en de
55
zichtbare nood, en het gedrag dergenen, die de gerechtigheid niet kenden, op hem zoodanig inwerkten, dat hij niet kon begrijpen, waarom God al deze dingen over hem toeliet. Evenwel begreep hij, dat er genoeg was, indien Zich ook God tegen hem wilde stellen. Hij bidt daarom, dat God dit niet doen moge, maar Zich veelmeer over hem, zondaar, ontferme; want dat hij anders moest bezwijken, hetgeen hein op zichzelf wél was, maar dat hij dan Gods lof niet vertellen kon onder de levenden; dat God toch Zijne trouw aan hem mocht bewijzen, hem niet gram zijn. zooals zijne vijanden hem gram waren, die vijanden van alle gerechtigheid, en liefdelooze beoordeelaars ; want dat hij nu nachten achtereen van droefheid lag te schreeuwen op zijn leger. Midden in die zicleklacht en uitstorting voor God van hetgeen hem op zijn hart ligt, geett hem de Geest nieuwen moed, zoodat hij in God door alles heenbreekt en van overwinning zingt en van beschaming van allen, die dat tegenstaan, wat bij God recht is.
Ev. Lükas 13 : lü.
En deze, die e e n e dochter Abrahams i s, welke d e S a t a n, ziet, nu achttien jaren g e-b o n d e n had, moest die niet 1 o s g e m a a kt wo r-d e n v a n d e z e n b a n d , op d e n d a g des S a b I) a t s V
Gij vraagt, in welken zin dit âdochter Abrahamsquot; hier moet genomen worden. In dien zin, waarin de Farizeën met dat woord dweepten; verder noemde de Heere haar zoo, om haar te stellen tegenover ossen en ezels ; omdat zij van Abrahams afkomst was; om de beloften aan Abraham gedaan, en om de tegenstanders tot overtuiging te brengen, of ten minste tegen hen het recht te handhaven.
Menigmaal wordt in de Schrift de waarde van eenen mensch
56
boven die der beesten gesteld, bijv.: âZorgt niet, gij gaat vele musschen te bovenquot;. (Mattli. 10 : 31.) Zoo ook: âZorgt ook God voor de ossen?quot; (1 Cor. 9 : 9) d. i. zeide God het om de ossen alleen, of is zoodanig bevel niet veeleer gegeven op grond, dat men in de eerste plaats zoo zou handelen omtrent den mensch, bepaaldelijk omtrent eenen onderwijzer in het Woord, dien Paulus met eenen dorschenden os vergelijkt. Hoe dikwerf' heeft de Heere gezegd: G ij zult immers op den Sabbat een beest helpen, dat omkomen zon, hoeveel te meer dan eenen mensch, en hoeveel te meer nog, indien zulk een mensch tot u in bijzondere betrekking staat.
Het beste slag menschen of de vromen van dien tijd (want de oprechten, die op de vertroosting Israels wachtten, waren, zooals dit steeds gaat, niet gekend), noemden zich Farizeën, die zich van de wereld hadden afgescheiden, en alles deden en er alles voor gaven, om den alouden dienst Gods, Zijne wetten en instellingen en leer te handhaven, en die daarbij, op grond van hunne Schrift, waarin zij van de Schriftgeleerden onderricht ontvingen, hunne hoop op eindelijke tebovenkoming van alle verkeerdheid stelden in de verwachting van den Christus, zoowel voor zichzelven als voor het geheele land en volk, als Die hun de oude Godsregeering, met teniet-making van alle vijanden, in nooit gekenden glans zou terugbrengen.
Het sprak vanzelf, dat zij de beloften aan Abraham, en hunnen oorsprong uit hem, en bijgevolg hun erfrecht op de beloften overal hoog stelden, en zich, als zoodanig, als kinderen van het Rijk Gods aanzagen, handhavende daarbij de Wet van Mozes, om het bij God ontbrekende aan te vullen, en om door gestadige bekeering tot die Wet en door onderhouding van hare voorschriften, waarvan zij meenden den rechten zin duidelijker gemaakt te hebben, de bannen af te wenden, de oude toegenegenheid Gods zich opnieuw te verwerven, en de toekomst van het beloofde Rijk Gods en der Christus-regeering (het Koninkrijk der hemelen) te verhaasten.
57
Dut zij, ))ij zulke gevoelens, die zij toenmaals voor de echte, zuivere en alleen zaligmakende leer hielden, zich aan eenen Man in hun midden moesten ergeren, Die daarvoor niet den minsten eerbied betoonde, maar Die, met opzettelijke boosheid (naar liniine gedachten), aan dezelve, en dus ook aan hunne toekomstige redding van land en kerk, allen afbreuk deed, en Die al hunne schoone, met moeite tot die hoogte gebrachte en verder te brengen zaken evenzoo roekeloos overhoop wierp, als zij ze met vasten en bidden en onthouding en opoffering hadden tot stand gebracht, is uit de Evangeliën zichtbaar genoeg.
Maar zij waren dan nu die mannen ; dus tast die Man van ergernis en aanstoot bij bunne eigene gevoelens hen in het hart: Gij zijt dan Abrahams kinderen, hebt dan recht op alles, wat er aan vast is, gij bindt daaraan al uwe verwachting voor de toekomst, en zoo is u dan alles, wat van Abraham is, dierbaar; welaan, dat spreek Ik u voor ditmaal eens niet tegen, het komt u toe, zoo staat de zaak van Gods wege ; maar, is dan deze vrouw niet ook van Abraham, is zij niet eene Jodin, gelijk gij allen Joden en Jodinnen zijt; waar zijt gij dan met uwen ijver, wat is er dan van al uw roemen; wat is dat dan voor een godsdienst, dien gij weder overeind wilt hebben? Is dat dan ijver, is dat liefde, is dat dankbaarheid aan God en uwen Abraham, is dat liefde voor uwe Wet, dat gij het onbetamelijk vindt, dat eene zijner dochters op den Sabbat losgemaakt zij van eenen boozen geest der krankheid, en dat gij het wel betamelijk, ja plichtmatig vindt, op dien dag eenen ezel of os van de krib los te maken, om dien te drenken ?
Met te zeggen, dat de duivel haar gebonden had, houdt de Heere hun hunne quasi-Godsvrucht en schijn heiligheid te meer voor. Vooreerst, omdat zij het er voor hielden, dat alle kwaad, ramp, ongeluk en ziekte van booze geesten kwam, dat ook zij dus die vrouw niet anders, dan als van den duivel gebonden en gansch gekromd, aanzagen, en dat zij derhalve
58
Viiu de schreeuwende noodzakeljikheid, dat die vrouw genezen werd, moesten overtuigd zijn, veelmeer dan dat men eenen os of' ezel naar de bron leidde; ja, dat zij er van overtuigd moesten zijn, dat zulk genezen een Goddelijk werk moest zijn, dat God toch op den Sabbat wel Zijn werk werken, en Hij, Jesus, op den Sabbat zulk een werk Gods wel doen mag.
Bij de ontdekking hunner huichelarij was het te gelijk eene bestraffing, dat zij haar niet genezen hadden, daar zij en hunne zendelingen toch anders wel duivelen uitdreven, dat dus hun geheele godsdienst op quasi-heiligheid en quasi-gees-telijkheid, op gierigheid en eigenbelang en onbarmhartigheid jegens den mensch uitliep.
Die vrouw heeft eerst waarlijk getoond, dat zij eene dochter Abrahams was, na hare genezing, toen zij God verheerlijkte; overigens moet men de lijn tusschen waarlijk of niet waarlijk, naar vleesch of niet naar vleesch, niet te scherp trekken.
Spkeuken 24 : 11, 12.
Red degenen, die tek dood ueükepen zijn-: want zij wankelen ter dooding, zoo gij u onthoudt. Wanneer gij zegt; Zie, wij weten dat niet, zal Hij niet. Die de harten weegt, dat merken? en Die uwe ziel gadeslaat, zal IIij het niet weten? want Hij zal den mensch vergelden naar zijn werk.
Met de ter dood g eg rep en en worden dezulken bedoeld, die in schrikkelijken nood, verdrukking, armoede, ellende, benauwdheid, twijfel en aanvechting zijn. In de kantteekening staat: Ps. 82 ; 4 (,Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddeloozen handquot;); voeg er bij wat Jakobus en Johannes in hunne Brieven zeggen van eenen
59
broeder gebrek to zien lijden. Het zijn altijd dezulken, die schreeuwen in hunne ellende en niet weten van waar heil zal komen; zij zijn op hot punt van om te komen, of te bezwijken; zoo is onder anderen ook iemand, die onder den last van zware zonden ligt, (ik spreek hier op de gewone manier, want wie heeft begrip van de eigenlijke gruwelen ?) â hij stikt bijna van weedom, droefheid en radeloosheid, hij kruipt voor God, maar liet is aan den dag gekomen, en allen roepen : âWijk van mij, want anders zou men denken, dat ik ook zoo een wasquot;. Is die man of vrouw nu oprecht, zoo steke men de band uit, richte hem op en verbinde hem met alle trouw; wat ook allen er van zeggen, - die mensch is een ter dood gegrepene. De reinste is de barmbartigste, de troostrijkste, de hulpvaardigste, de trouwste. [De Farizeër gaat den Samaritaan voorbij met een opengeslagen gebedenboek in de hand.]
Ev. Mattheüs 12.
OP HEN SABBAT!
Het komt mij voor, dat de Farizeën van den Heere en van Zijne Apostelen wilden, dat zij op den Sabbat zoodanig verdiept zouden wezen in geestelijke stemming en in geestelijke overwegingen, dat zij ten minste op een uur, waarop men niet gewoon was voedsel te nemen, aan geen eten moesten denken. Dat zoo ongepast, misschien terwijl de Meester sprak, plukken en vooral fiks tusschen de handen wrijven en als opknabbelen van korenaren, had voor iemand, die aan den rustdag niet dood was, om in waarheid rustdag te hebben, iets gemeens, iets aanstootelijks, iets onheiligs, iets.... hoe zal ik het noemen ?
David? Ja, wat moest die arme doen? Saul was immers een ijverig man in de dingen der Wet. David heeft geijverd
60
voor den Heer der slagorden Israels; hij heeft den volke het heil aangebracht, is reeds van God gezalfd tot Israels koning, maar omdat zijne werken in God gedaan waren, moest hij vluchten ; geen menseh, geen mensch ter wereld van al liet vrome volk, van den koning af tot den minsten eerzamen burger, die hem kent, helpt of ondersteunt hem; zelfs Jonathan heeft er niet aan gedacht, dat een mensch toch ten minste brood moet eten, zal hij in het leven blijven. Daar gaat hij, die verlosser Israels, zonder eten !ââNu, o Farizeër, dien houdt gij toch voor een rechtvaardig man, waar men hem toen niet voor hield, en dat deed hij wel, hij nam de toon-brooden, die geen mensch, behalve de priester, eten mag; dat was dan, als gij onbevooroordeeld dacht, een ander schenden van het heilige, naar uwe opvatting van hetgeen heilig is ; en is dat in uwe oogen goed, weet dan toch, dat het in Gods oogen goed is, wat Mijne discipelen doen, wat Ik hun niet ontzeg, wat dus zoo goed is, als of Ik het deed.quot;
De overeenkomst van den Heere en Zijne discipelen met David lag niet in het eten, maar in de gevoelens en in de toepassing van en omtrent hetgeen heilig of onheilig is ; en de gevoelens van David en den Heere, en die van de Farizeën waren verschillend, omtrent het staan en gaan voor Gods aangezicht in het algemeen, en in het bijzonder op den Sabbat; het eten gaf aanleiding tot het openbaar worden van die tegenovergestelde gevoelens, en de Farizeën berispten het eten niet als een werk, dat op den Sabbat gedaan werd, maar als een bewijs, zooals het hun voorkwam, van ongeestelijkheid, onaandachtigheid, niet voegende op zulk eenen heiligen dag.
De Zoon des menschen, niet: de Zoon van God, Heer van den Sabbat, vraagt gij ? Ja, de Zoon des menschen noemt Zich den Heer, daar Hij zoodanig een was; vooreerst een zoon van eene vrouw, niet voor Zichzelven maar voor den mensch in de wereld gekomen; niet door God maar door eenen mensch ontvangen en geboren, door Zijne moeder in betrekking staande tot den mensch, gezamenlijk genomen, afkom-
61
stig van wat menscli was ; in dat afkomstig zijn, in dat Kind-, dat Zoon-zijn van den menscli, lag het doen van Gods wil, lag liet in Zich en aan Zich cn op Zich genomen hebben van alles, wat de mensch op zich droeg, lag het zijn van hetgeen de menscli is. Zoo lag in die woorden , Zoon des menschenquot; de verklaring: Ik neb den mensch uit zijnen toestand in Mij-zelven uitgezet, en Mij in zijnen toestand ingezet. Ik heb zijnen toestand op Mij genomen ; de openbaring lag er in, dat Hij allen last van 's menschen schuld op Zich droeg, dien wegnam; en hem, in wiens plaats Hij verklaarde te zijn, in eere, rust en vrijheid zette. Evenals een zoon, die, mondig zijnde, in het openbaar verklaart een zoon te zijn van dien ofquot; dien. en in des vaders plaats alles afdoet, wat den vader overstelpt en in onherstelbare ellende heeft gedompeld. De Heere uit den hemel zeide er mede, dat Adam (als gevallen hoofd der menschheid) Zijn vader en Hij deszelfs Zoon Was; Hij zet er dien uit in Zich, eu Zich in de plaats van hem, in al des menschen ellendigheid.
Zoo zijnde, dat doende, doet Hij den wil Zijns Vaders in do hemelen. Zijns Gods; dien wil doende, laat Hij Zich (alleen gebonden in den wil Zijns Vaders, in en met den Vader) niet binden door menschelijke geboden en schrikkelijke, ijselijke, afgodische gevoelens van heiligheid, maar Hij wandelt in de vrijheid. Zoo doende den wil Desgenen, Die Hem gezonden heeft, is hij Heer van alles, ook van den Sabbat.
En nu, van welke vrijheid bedient Hij Zich dan hier? Van de wet der noodzakelijkheid: de jongeren hebben honger, dus eten zij, en wrijven van honger en niet uit verveling de aren eerst goed uit de hulsels, en vergenoegen zich zoo met eenen rauwen kost, dien een ander toch altijd nog eerst roostte.
Ik kan dit niet lezen zonder te denken : Wonderlijk men-schengeslacht! IJveren voor de waarheid, alles er zoo wat aan geven, om hunnen schoonen godsdienst staande te houden, zooveel pounds for the high Father in God, zoo vorstelijk eene opbrengst voor Annas en Kajafas, voor de geheele
G2
priesterschaar en voor den tempel, en dagelijks zuchten en sloven en loopen om het vervallene overeind te hebben, â en de Waarheid en het Leven met Zijne weinigen is in hun midden, en moet den honger stillen met rauwe korenaren, en dan daarenboven Zich laten welgevallen, dat Hij uit dien hoofde als onheilig, als wereldsch beoordeeld wordt, ja Hij moet Zicli zelfs verdedigen, omdat Hij eet.
Ev. Lukas 15 : 7.
Ik zeg u li eden, dat er al zoo blijdschap zal zijn in den hemel over één en zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben.
Hier worden onder die de bekeering niet van noode hebben dezulken verstaan, die me enen, dat zij die niet behoeven, en bekeering moet hier in het volle verstand des woords genomen worden, zooals: .Tenzij gij weder geboren (of vannieuws) geboren wordtquot;. De moeilijkheid van dergelijke uitdrukkingen, zooals ook van: âdie niet verloren zijnquot;, en van: .Kind, al het Mijne is het uwequot; (Luk. 15 : 31), ligt bij den mensch, zoo genegen, alles in zekere systemen te schroeven, terwijl het Woord Gods vrij is en zich van uitdrukkingen bedient als deze: âDe kinderen des Kon ink rijks zullen buitengesloten wordenquot; (Matth. 8 : 12), en bij Ezechiël: âIndien de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, aan al zijne gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal niet gedacht wordenquot;. (Hoofdst. 18 : 24.) Dit is nu alles zoo te verstaan, dat God wel degelijk aan die menschen alles gedaan heeft, dat zij in dat Woord, dat tot hen gekomen is, al datgene hebben, wat de Heere zegt, dat zij hebben, zooals: âZoon, al het Mijne
63
is het uwequot;; maar dat die mensclien zich verharden in de genade, tegen de genade; dat zij tegen de bestrafting in, die uit harmhartiglieid geschiedt, opdat zij van hunnen ondergang afgedreven en in den waren weg geleid worden, zichzelven willen laten gelden met een : âDat heeft geen gevaar, want dat en dat heeft God aan mij gedaan, en Hij, Die het goede werk in mij begonnen heeft, zal het ook voortzetten, derhalve. ...quot;
Men begrijpt dan niet, dat Koninklijke genade wel degelijk genade des Konings is, van den Koning afdalende, om den Koning te kennen, Hem te eeren en Zijnen wil te doen; dien wil niet doende, maar eigen wil en weg verkiezende, is het eene oproerige sluitrede te zeggen: âDe Koning kan mij niet verwerpen, dan zou Hij Zijn mij eens gegeven Koninklijk woord brekenquot;; en de gevolgtrekking: âHet was geene ware genade van den Koning aan dien of dien, want de Koning heeft hem laten ombrengenquot;, is eene ware heiligschennis, en is eene schuld en vlek werpen op de goedertierenheid des Konings.
Zoo denk ik over de zaak. De beloften tot al, wat Gode behaaglijk is, zijn er en liggen in de kennisse des Heeren en Zijner genade, en wie zich door het Woord laat onderwijzen, in plaats van in hoogmoed zich met ontvangene genade er er tegen te verheffen, die zal zich rijkelijk zien ingezet, geleid en gehouden in al wat Gode welbehagelijk is, in al wat wel luidt. En het komt er op aan, waar men quot;s Heeren Woord of Zijn Getuigenis hoort, te vragen: âWat zegt Hij daar?quot; zich dat aan te trekken, en zich te buigen onder genade, die alle vleesch met zijne aanmatiging wegwerpt, ten einde in genade te zetten; en zoo is dan dit: die me enen de bekeering niet te behoeven, tegen de gewone uitvluchtquot;: O dat heeft die en die gemeend, dat bij het was; maar ik.....!
64
Ev. Markus 8 ; 34, 38.
Vers 34. En tot Zich geroepen li el) bende de schare met Zijne discipelen, zei de Hij tot hen: Zoo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
Vers 38. Want zoo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des men-schen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.
Vat de woorden des He eren; âdie verloochene zichzelvenquot;, niet op in eenen monniksgeest, noch zooals de Mystieken dit gedaan hebben; bij vergelijking ziet gij de meening er van uit de volgende woorden: âWant wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en boos
geslacht, diens.....quot;. Dat geslacht was een vroom geslacht,
dat veel van verkiezing of genade sprak, maar als door werken toch behoudenis zocht, en daarom een leven, waarin zij geheel recht gezet konden zijn voor God, het leven Christi, de rechtvaardigmaking des levens verwierp. Het was overspelig, omdat het deed als eene vrouw, die zich met anderen afgeeft, en zich bij haren man voordoet, alsof zij alles voor hem is. Zoo beweerde dat volk alles zuiver voor den Heere te zijn, en intusschen deed het wat het wilde, onder voorwendsel van zondigheid, zwakheid, en van zulk een groot geloof niet te hebben. Het deed alsof het zeer voor de Wet was, en onder de hand zette het de Wet onder allerlei drogredenen ter zijde, waar geloof, onderwerping aan Gods Woord, â al scheen het ook, dat alle menschelijk uitzicht daarbij verdween, â te pas kwam. Boos of zondig was het, omdat het zich in zulk eenen stand allerlei moeite en verdriet op den hals haalde, waar het vrij had kunnen ademen en alles goeds hebben.
G5
Het kruis, waarvan de Heere Vers 34 spreekt, was de smaad, de schande, die men van zulk een volk bij de handhaving des Evangelies of' bij de volharding in de goede belijdenis te wachten had. Toen hier de Spaansche Bloedraad heerschte, zou ik het in goed Hollandsch dus vertaald hebben: âdie zette zijne kettermuts op'', en zoo mag het altijd wel verklaard worden; jammer genoeg tegenover dezulken, van wie men recht had, betere dingen te verwachten.
Maar nu, dat zichzelven verloochenen, wat is het anders, dan zich er geheel aan te geven, met al zijne uitzichten, verstand hebben, goed mensch zijn, vroom zijn, geacht zijn, en er rustig voor uit te komen: zoo sta ik bij God, en zoo is het ook voor u, o mensch, wie gjj zijt; en alzoo op Gods bestellingen en bij de bevelen Zijns heils te blijven staan, hoe ellendig, hoe zwak, hoe bevende, hoe sidderende ook in zichzelven, inmiddels al door zijne toevlucht nemende in al het bang- en versaagd-zijn tot den levenden God en onzichtbaren Koning des hemels en der aarde, tot den eenigen Ontfermer en Belooner in het openbaar, wat tegenstand men ook van buiten of van binnen moge ondervinden. Dat wij er ons doorslaan met Gods gebod, hetwelk is leven, vrede en alle genoegzaamheid tot alles, moge er bij ons ook kracht noch macht, noch bevoegdheid, noch geschiktheid zijn, â dat is zelfverloochening. Zoo geeft een mensch zichzelven er aan, houdt zich voor niets en kent alleen het Woord van Hem, Die hemel en aarde gemaakt heeft, in Wien alleen ook al zijn heil en eer en hulpe is.
66
Maleaciii 4 ; 6.
En hij zal hot hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hunne v a deren.
Het voornaamwoord h i j te dezer plaatse ziet op Johannes den Dooper. De harten dor vaderen worden tot de kinderen wedergehracht of bekeerd, wanneer zij, die aan de voorvaderlijke overleveringen gehecht waren, één geloof deelachtig worden met diegenen, die, ofschoon uit hunnen schoot voortgekomen, die overleveringen er aan gegeven hebben, en de nieuwe leer (de leere Christi) hebben aangenomen; der kinderen hart wordt wedergehracht of bekeerd tot hunne vaderen, wanneer zij, die zich als ongehoorzame kinderen tegen het getuigenis van de Wet en de Profeten (het eeuwig Evangelie) gedragen, daarvan terugkeeren, en, bedacht zijnde op hun eeuwig heil, de stijfzinnigheid afleggen, en datgene omhelzen, wat alle Profeten en waarachtige rechtvaardigen van ouds her bedachtzaam omhelsd en betuigd hebben. Zie van het laatste lid do verklaring Luk. 1 : 17. 'j
Jakoüus 4:5.
Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: Do Geest, Die in ons woont, heoft Die lust tot n ij d i g h e i d ?
De zin dezer woorden komt hierop neder: Wat leert u de
') Luk. ] ; 17: //En hij zal voor Hem heengaan in den geest en de kracht van Elias, om te bekceren do harten der vaderen tot de kinderen, eti de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om don Hcerc te bereiden eeu toegerust volkquot;.
07
Geest, Die in u is, Welken gij van God hebt, aangaande de gezindheid Gods en Zijne wijze van doen ? Is de Heere jaloerscli, als eeu Zijner scliepseleu wat heeft? Is Hij daar nijdig over, of zoekt Hij niet veeleer alles, wat er nog aan den overvloed mocht ontbreken, toe te voegen, overvloedig te geven boven hetgeen Hij gegeven heeft, en alle bij mogelijkheid bestaande of opkomende ellende uit den weg te ruimen? Is het Hem niet eene blijdschap, dat het den armen en ellendigen wel gaat, dat Zijne rechtvaardigen het goed hebben, dat hun vrede zij als de zandsteentjes aan de zee? Is Hij dan nijdig, als zij met al het kostelijke en heerlijke van Hem aangedaan en rijk versierd zijn als eene bruid? of is het niet veeleer zóó, dat Hij Zijne gunstbewijzen en goedertierenheid en lust in hen steeds met nieuwe genade vermeerdert, terwijl Hij de tranen afdroogt, alle zorgen wegneemt, met overstelpende, koninklijke, dronken makende mildheid? Leert u de Geest, Die in u is, dit niet, geeft Die u dat niet te verstaan, te ervaren, en zult gij u dan anders gedragen jegens uwen naaste ? Zult gij dan uwe gierigheid en al uwe verkeerde neigingen daartegenin zetten, en er naar jagen, dat gij het maar goed hebt, en er niet liever eeniglijk op uit zijn, dat uw naaste het goed hebbe ? Zult gij uzelven tot de wereld, tot het heelal maken, en uwen naaste tot een zijstuk of bijzaak, u alzoo boven hem verheffende, in plaats van den broeder boven het eigen leven te stellen ? God wederstaat den hoovaardige ; maar die in den Heere aller dienaar is, tot hun geluk en opdat zij het goed hebben, zonder iets voor zichzelven te zoeken, dien zal de Heere verhoogen en ten hoogste groot maken in zulk eenen zaligen dienst en strijd Gods.
C8
Jakobüs 4 : 11.
Broeders! spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de Wet en oordeelt de Wet. Indien gij nu de Wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der Wet, maar een rechter.
Wet is hier de betrekkelijke stand en ordening, waarin God degenen, die Zijnen Naam aanroepen, doet leven en zich bewegen, en welke goed is in Zijne oogen. Wie meent, dat daaraan wat verholpen moet worden, die doe het met de daad, met liefde, naar zijn vermogen, zonder er zich meesterachtig tusschen te plaatsen, die ga er mede onder zitten en verhelpe zoo, maar zette er zich niet boven, en trappe zoo den hulpbehoevende niet; doch wie het bij bedillen en praten laat, en in tusschen op den broeder en diens gedragingen dit en dat toch meent te moeten aanmerken, die bedilt die ordening Gods, en wie de Wet bedilt is toch wel geen Wetlievend onderdaan ; veeleer verheft hij zich in zijne wijsheid en in eigendunk boven den Maker en Gever van die Wet.
Genesis 4 : 7.
Is er niet, indien gij wel doet, verhooging? en zoo gij niet wel doet, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heerschen.
Het ligt in het gemoed van eenen iegelijk, die de schuld bij de zonde zoekt en niet bij zichzelven, den dader, dat hij de zonde als een groot beest aanziet, hetwelk gedurig op de loer ligt, om hem in zijne klauwen te vatten; dat hij daarom
09
alles moet doen, om zich voor God zóó te houden, dat God op hem niets aan te merken hebhe, en dat hij bij aan var: g of voortgang, door het doen van het goede en het toenemen daarin, die zonde, althans naar dezen onvolkomen staat, meester zij geworden. De Kenner der harten nu spreekt vleesch aan naar het bedenken des vleesches, juist in die oogenblik-ken, als dat bedenken het meest als vijandschap tegen de gerechtigheid uitkomt, opdat immers vleesch tot inkeer kome, zich verfoeie, zich gewillig onderworpe aan Geest en aan die gerechtigheid, welke het tot een toonbeeld voor oogen heeft, â zooals Kaïn Abel had, â om den weg te verstaan, lief te krijgen en te bewandelen, welke die der gerechtigheid Gods is.
Judas, Veks G.
En de engelen, die hun beginsel niet bewaard heb!)en, maar hunne eigene woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des grooten d a g s in et eeuwige b a n den onder de duisternis bewaar d.
Gij doet mij eene vraag: hoe de zonde in den hemel kon wezen, daar er engelen zijn, die gezondigd hebben, en duivelen zijn geworden? Op deze vraag heb ik daarom acht geslagen, omdat ik de roerselen gevoel, waaruit dezelve voorkomt. Zal ik die vraag beantwoorden ten genoege van het vleesche-lijk verstand, dan zeg ik, dat er niets volstrekt goed is, dan God. De engelen zijn niet volstrekt goed, omdat zij niet God zijn. De hemel en de aarde en alles, wat God gemaakt heeft, ziet, dat was zeer goed; en de mensch is ook recht en goed geschapen; maar daarom zijn zij niet volstrekt goed, want dan moesten de schepselen God zijn. Alles is door God goed geschapen, maar omdat het geschapene niet God is, bestond
70
du mogelijkheid, dat geesten, d. i. de engelen, niet goed bleven, omdat zij niet volstrekt goed, niet eeuwig waren; want zij waren schepselen, en alles wat niet eeuwig is, wat niet God Zelf is, is aan verandering onderworpen. Alle verandering nu van iets, dat goed gemaakt is, is kwaad. â Zouden nu die engelen voor die verandering bewaard blijven, zoo moesten zij eene voorwaarde, eene wet, eene ordening hebben, om te blijven, waar zij waren, d. i. bij God, en dus goed; die ordening bestond daarin, dat zij gehoorzaam, onderworpen aan God waren, op Zijn Woord pasten. Zijne wacht waarnamen, hunne woonstede, hunne behuizing behielden. Zoo maakte de hemel de engelen niet gelukkig, maar dat zij bij God bleven, in de wacht, in de gehoorzaamheid, waarin God hen geschapen had, dat maakte hen gelukkig. .De hemel kon hen niet voor zonde bewaren. God schiep hen in dien stand en stelde hen onder de voorwaarde, dat zij bij God bleven, dat zij hun beginsel, waaruit zij waren, getrouw aankleefden; dat zij de heerschappij, die God hun had gegeven, uitoefenden onder God, eu niet naast God of boven God. Die voorwaarde alleen kon hen bewaren, dat zij in dien staat, waarin God hen goed gesteld had, ook goed bleven. Er was voor hengeen ander goed, dan het blijven in die voorwaarde, d. i. onder God in hunne heerschappij; en geen ander kwaad, dan die voorwaarde te overtreden door hunne eigene heerschappij te verlaten, en in de heerschappij van God te willen indringen. Die voorwaarde konden zij overtreden, omdat zij niet volstrekt goed, omdat zij niet eeuwig, niet God waren. Vele engelen hebben die voorwaarde overtreden, vele zijn er in gebleven. Die er niet in gebleven zijn, zijn van Gods aangezicht weggeworpen, in de eeuwige duisternis. Zij hebben daar hunne geestelijkheid, hun verstand behouden; maar omdat zij van God af zijn, kunnen zij er niets mede doen en doen er ook niets mede, dan lietgeen tegen God in is. Vraagt nu iemand: Ja, maar waarom heeft God het toegelaten? ik antwoord: God heeft niets toegelaten, maar alles gemaakt om Zijns Zells
71
wil. ook den goclclelooze tot rlen clag des kwaads, ook de kwade engelen tot dien dag. Vraagt iemand: Ligt dan de oorzaak in God? ik antwoord: Neen, want had God de engelen volstrekt goed willen maken, Hij had Zich van Zijn eigen Wezen moeten ontdoen, en God blijft God; Hij alleen Die Hij is, en niemand nevens Hem. Hij heeft de engelen goed geschapen, niet zooals God goed is, maar zooals Zijn schepsel goed is, en jn dat goed-zijn konden zij alleen blijven, als zij bleven in dien staat van heerschappij, waarin God hen gesteld had, als zij bleven in Zijn woord: Heerscht in Mij te dienen, onder Mij. En zoo kon do zonde in den hemel ontstaan, omdat God de engelen geschapen had in de voorwaarde van Zijn bevel; gingen zij daaruit, zoo ontstond door die ongehoorzaamheid in den hemel de zonde, en moesten de ongehoorzamen er uit.
En evenals het met de engelen gegaan is, of met de duivelen, zoo is het ook gegaan met den mensch, die is ook goed en recht gemaakt, en de aarde enz. was ook goed: maar omdat de mensch niet eeuwig, niet God, niet volstrekt goed is, moest hij, om goed te blijven, zich onthouden van te willen weten wat goed of kwaad is, en God daarvoor laten zorgen, eu moest hij doen wat God hem gezegd had, dat is : wel leven met zijne vrouw, van alles eten wat God hem gegeven had, en het paradijs, den lusthof, bebouwen en bewaren, heerschen over al het gedierte, en kinderen telen. â Ook bjj overtrad die voorwaarde, dat bevel, bleef niet daarin, waarin God hem gesteld had, geloofde den duivel, dat God baatzuchtige redenen had, om hem onder Zich te houden, en zoo kwam (niet w a s, maar k w a m) door de ongehoorzaamheid van éénen de zonde in de wereld, en de aarde, die goed gemaakt was, werd, zoowel als de baarmoeder van Eva, van God vervloekt en niet smarten en kloppingen geslagen (ingebonden). Gij ziet hieruit, hoe het het eerst bij de engelen in den hemel, waar alles goed was, en toen bij den mensch up aarde, waar alles goed was, is toegegaan.
72
Ik ken maar één goed, dat naar Gods Wet is; dat is : te blijven in Zijn Woord, er gebeure wat er gebeure ; en maar één kwaad of zonde, dat is : van dat Woord weinig of veel af' te gaan.
2 Cükinïiie 5 : 1â4.
W ant wij weten, dat, zoo ons aardsclie huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eenwig, in de hemelen; want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden; zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.
Het gebod Gods is het eeuwige leven; dat is Gods wil, dat wij dat leven hebben, en dat leven is in Zijnen Zoon ; die den Zoon heeft, heeft het eeuwige leven.
In het leven en in heerlijkheid Gods was Adam ; uit dat leven ging hij uit, en hij zag, dat hij naakt was. Nu is dat leven in den Zoon. Die den Zoon heeft, heeft hot; hij is derhalve, schoon naakt als Adam, evenwel toch niet naakt, maar in het geloove Christi bedekt en overdekt met 's Hoeren ingewanden, goedertierenheden, trouw en ontferming. â Dat hij dat is, ziet hij niet, terwijl hij zoo daarheen gaat; en toch gaat hij daarheen, bedekt in geloove, d. i. in het in den Heere voor waar, gewis en waarachtig houden, dat het zoo is; want het is het woord diens Gods, Die niet liegen kan, onzes Gods, Die Zich der ellendigen ontfermd heeft met groote ont-fermingen; evenwel werkt en woelt en woedt met alle macht
73
tegen dat geloove in al wat onder onze zinnen valt, wat tastbaar en zichtbaar is, en laat ons onophoudelijk onze naaktheid gevoelen, opdat wij, door het zichtbare, dat samenspant met do onzichtbare geestelijke machten, ternedergeworpen zijnde, zouden opgeven het nochtans van het geloove, en alzoo doen wat Adam deed en wat onze aard is: de eeuwige ordening der volzaligheid Gods omkeeren. De groote vraag, die daarbij in de ziel opkomt, is: of hetgeen men nu gelooft ook eens in werkelijkheid zoo zijn zal. Wij, die de heiligheid en heerlijkheid van Gods ordeningen en het waarachtige er van hebben leeren kennen, en daartegenover wat een mensch, buiten die ordeningen zich gezet hebbende, is, houden aan Gods ordeningen vast, bewaren ze, bewaren Zijn gebod, het eeuwige leven; wij letten niet op hetgeen wij zien, het is ons om dat ééne te doen, dat wij zoo lang aan dat gebod vasthouden, totdat het geopenbaard zal zijn, dat het het leven was, waaraan wij ons hielden, en totdat dat leven zal hebben te niet gemaakt en verslonden alle bewering van liet zichtbare en het geheel zal beschaamd hebben. In Hem (in Christus Jesus) zijn wij volgemaakt (zoo lees, en niet volmaakt). Aan dit eeuwig Evangelie, dat wij in Hem volgemaakt zijn, houden wij vast, tegen alle philosophic en beweringen van onze en aller inenschen rede en zedeleeringen in. Daartegen komt van de andere zijde de Booze met alles, wat vleesch is en wat lichamelijk en zichtbaar is, op; opdat wij dat âin Hem, in Hem, in Hemquot;, verloochenen, halveeren, uit het oog verliezen, er aan geven. Maar zullen wij H e m verloochenen ? Hem, in Wien wij volgemaakt zijn? Moeten wijniet eens voor Zijnen rechterstoel openbaar worden ? Zal het dan hetzelfde zijn, waartoe wij het lichaam, waarin wij zijn, gebezigd hebben, of tot den dienst der afgoderij, of daartoe, dat wij het gehouden hebben onder Zijne machtige en eeuwige genade ? of wij het geschikt hebben naar den wil der men-schen, of tot verbreiding en lofzegging en betuiging van Zijnen wil? Wat zal al de verdrukking tegen Zijn Woord in? haast
74
is zij voorbij ; zij is niet te achten bij het tot overdrijvens toe to overdrijven.') eeuwig gewicht der heerlijkheid; de verdrukking maakt die heerlijkheid juist zoo overheerlijk. Zal die heerlijkheid eens geopenbaard worden ? Ja. Wij achten hierin niet op hetgeen wij zien. Gods Woord blijft tot in eeuwigheid. Maar is dat dan vast en zeker, wat wij verwachten ? is zij stellig, die heerlijkheid? Ja, het is geene inbeelding. Wij weten het, dat, als dit zichtbare, tijdelijke en vergankelijke, dit losmakelijke [liet aardsclie huis dezes tabernakels â ti èz-r/eioc shix roV s-^youij, waarin wij ons bevinden, gelijk een reiziger, een gast en vreemdeling zich in eene tent bevindt, evenals zulk eene teut zal losgemaakt (y.zrx.Auj-y:), opgebroken en ineengerold worden, dat wij dan een vast verblijf uit God hebben (lees uit God â oV/.olo^ ; dat dan alles uit Hem,
Zijne ingewanden, genade, welbehagen, goedertierenheden, lust in ons, eeuwig en liefelijk wezen iiit Hem, â ons opnemen, overstroomen, omgeven, overdekken zal, en er ons in zal zetten als in eene tot nog toe ongeziene behuizing en bekleeding van eeuwige blijdschap voor Hem. Wij weten, dat wij dit hebben, want dit rust op Zijne eeuwige trouw, is niet afhankelijk van liet zichtbare, en menschen hebben liet niet gemaakt.
Dat eeuwig heerlijk wezen bjj den Heere, wat is dat anders, dan de eeuwige bekrooning der gerechtigheid, dan de plechtige openbaarmaking, dat onze werken in God gedaan waren, wat anders dan het vernemen van de zalige toeroeping: âKomt, gij gezegenden des Vaders, beërft liet Koninkrijk, dat u bereid was van den beginnequot; ? Ziet, allo dingen zijn nieuw, en alles is van God recht gezet, en zooals wij recht gezet zijn in Christus Jesus, zoo gaat het er ons om, dat wij ons
') 2 Cor. 4 : 17, IS ; «Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons ecu gausch zeer uitnemend ecu wigge wie Ut dor heerlijkheid, â Gr. y.zÃ7 ÃTfpjSoAijy VTrzfjSofav xiiüviov fiafo; Utifs, â ilewijl wij niet aanmerken do dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet: want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwigquot;.
75
Gode, in dat recht-gezet-zijn, liandliaven; dat wij liet gebod, hetwelk het eeuwige leven is, voor Hem onstrafl'elijk bewaren ; het gaat ons om de volkomene uitkomst, om de reeds voor ons weggelegde kroon, dewijl wij weten, dat die voor ons bereid is, daar dit onze lust is, dat Gods raad met ons uitgediend hebbe, volkomen zijn beslag hebbe, en dat Zijn wil in Christus .lesus door ons gedaan bevonden worde ; dewijl wij echter tevens weten, hoe zwaar de strijd hier is, zoo zuchten en stenen wij tegen de macht en den wederstand van al het zichtbare en tastbare en van alles wat hier op de wereld is in, van harte verlangende en met al wat in ons is er oj) uit zijnde, dat wij dat zegekleed over ons heen aangetrokken, aangedaan hebben (to oixttr^fiov to ovpavoü èTrsvSCa-xa-öxi è7ri7rozov-jTss). En zouden wij daar niet op uit zijn, daar wij voor Christus en Zijne heilige engelen zullen bevonden worden als de zoodanigen, die niet gelijk Adam en gelijk alle vleesch om zichtbaar, vergankelijk en ijdel genot, ons ontbloot hebben van den wille Gods en van het gebod des levens, maar als die gewandeld hebben in goede werken, welke God voorbereid heeft, daar Hij ons in dezelve geschapen heeft in Christus Jesus ? Het is dan ook daarom, dat wij, die in deze tent van het zichtbare en vergankelijke ons bevinden, zoo bezwaard zijnde stenen ; want alles komt tegen ons op, opdat wij niet volharden en onze kleederen niet bewaren. Zoo stenen en zuchten wij, hoe dan ook bezwaard door dien tegenstand, tegen al dien tegenstand en tegenweer in, en willen daarin geen en kamp geven, ons niet ontslaan van het doen der geboden Gods en van het getuigenis Jesu; maar houden en stellen er ons wederkeerig tegen in, opdat wij, het geloove behouden hebbende, ons, in dien dag, mogen aantrekken de kleederen der overwinninu' en dei kroonino-. en alzoo ten volle
c5 O â
en ten einde toe mogen gedaan hebben den wille Gods in Christus Jesus, bewaard mogen hebben het yebod des levens.
O O
Dan zal duivel, dood en al het zichtbare, wat tegen het gedaan hebben van Gods wil en tegen Zijne ordinantie in is.
70
door dat leven beschaamd, tot leugenaar gemaakt en als verzwolgen worden; en opdat dit kome en alzoo de eeuwige Koning heerlijkheid ontvange, daarom willen wij niet anders.
Die ons nu juist hiertoe, dat wij dat zegekleed ^ ons eenmaal aandoen, dat wij den wille Gods ten einde toe gedaan hebben, en in Zijne ordinantiën gebleven zijn, ten volle als Zijn meesterwerk heeft vervaardigd, is God, de Almachtige, Waarachtige en Getrouwe, op Wien wij staat kunnen maken, en Die geen werk maken kan, dat aan zijn doel, waartoe Hij het maakte, niet zou beantwoorden. Het is Dezelfde, Die ons den godspenning des Geestes (tov zpfzlimx rov ttvsc^to:) liBeft gegeven, waaraan wij weten, dat wij in Zijnen zaligen dienst zijn. Daarom al door voortgearbeid, en dat zeer goed wetende, dat, zoolang wij in dit lichaam en zichtbare leven zijn, wij nog niet bij den Heere zijn (en zoolang wij niets zien dan wat tegen ons is, en al wat voor ons is, niet zien, wat blijft ons daar over, dan aan des Heeren Woord ons te houden, totdat wij zien aangezicht tot aangezicht ?), zoo houden wij ons, hoe ook bezwaard, aan Hem, en zullen het niet opgeven, zoolang wij hier zijn, en hebben evenwel nog meer begeerte, verlangen en behagen, dat hetgeen wij in dit zichtbare te doen hebben volbracht zij, en dat wij binnentrekken naar den Heere toe (èvsyirfirai z-pi; tov kvpiov â Statenvert.: bij den Heere in te wonen), als die Zijn werk gedaan hebben. En omdat het ons daarom gaat, dat Zijn wil geschied zij, achten wij het lief'eljjk, om, hetzij wij voor Zijnen troon komen, hetzij wij hier in Zijne zending zijn, zoo te wezen, dat Hij lust aan ons hebbe.
') liet Griekscii heeft niet: ontkleed of overkleed te worden, maar Vers 2; ous overkleed te hebben â èTrevlitrx.tr'ïjc/.i â , Vers 4: wij willen onszelven niet ontkleed, maar onszelven overkleed hebben â cv BéXafte-j èx.l-u7x,lt;7)3y.i, uxa itrevlcaxttzzi.
77
Colossensen 2 : G.
Gelijk gij dan Christus Jesus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzoo in Hem.
De nadruk ligt op de woorden in Hem, en niet op wandelt. De zin is: Dewijl gij Christus Jesus, den Heere, hebt aangenomen, zoo zjj uwe gelieele wijze van zijn en denken, van doen en laten alleen tot Hem bepaald. Toen gij ons Woord hebt aangenomen, hebt gij Hem aangenomen, zooals gij al de volheid en genoegzaamheid in Hem zaagt en Hem voor den volkomen Zaligmaker erkendet. Gij hebt toen aan niets gedacht dan aan Hem, zooals Hij is de Gezalfde, Die het u aan geen gezalfd-zijn zou laten ontbreken. Gij hebt u toen aan Zijne bewaring overgegeven als Zijn duur gekocht eigendom, en Hem gehuldigd als den Heere. Daar gij dan dit gedaan hebt, zoo bekommert u niet over al die vreemde bestanddeelen van eigenwillige geestelijkheid, waaraan gij toen niet dacht, toen gij Hem aannaamt. Laat u al die bijleer niet opdringen, die gij toen niet bij Hem gehoord hebt. Laat u niet overheerschen, noch uit het spoor brengen door schijnredenen van een dienen, dat God niet heeft bevolen, en waar God ook niets van weet. Wandelt in Hem: laat Hij uw element blijven, waarin gij u beweegt met geheel uw verstand en hart, met al uwe overleggingen en gedachten, met al uwe gevoelens en nooden. Blijft in Zijne gemeenschap, in het Woord Zijner genade!
7S
Heueeën 1 : G. ')
En nis 11 ij wederom don Eerstgeborene in-brengt in de wereld, zegt Hij: En d fit fille Engelen Gods Hem aanbidden.
Gij vraagt, wat dit âwederomquot; beteekent? Wederom behoort bier bij inleiden of inbrengen. De Apostel wilde zeggen, dat de Eerstgeborene des Vaders menigmaal door God in de wereld was ingebracht. Dit inleiden of' inbrengen geschiedt in de verkondiging des Woords. Zoo had de Heilige Geest den Eerstgeborene in de wereld ingebracht door Nathan den Profeet, in de aankondiging, die wij lezen 2 Sam. 7 : 12 â 14; zoo ook door David in het getuigenis en in de prediking, die Avij vinden in Psalm 2. En wederom had God Hem ingebracht in de wereld, toen de woorden van Psalm 97, welken Psalm de Apostel hier aanhaalt, aan het volk verkondigd werden.
Zoo is Hij dan ook in de wereld ingekomen in die verkondiging, en in de woorden van die verkondiging sprak Hij; in dien zin staat er Hebr. 10 : 5: .daarom, komende in de wereld, zegt Hij. . . .quot;.
Op dezelfde wijze wordt de Heere al door in de wereld ingebracht, en komt Hij in de wereld, als het Evangelie Zijner genade verkondigd wordt. Waar dat Woord komt, daar komt Hij; waar dat Woord gehoord wordt, daar wordt Hij gehoord ; waar dat Woord wordt aangenomen, daar wordt Hij aangenomen. W ie dat Woord ontvangt, die ontvangt Hem; wie in dat Woord is, is in Christus. In wien dat Woord is, in dien is Hij. Zoo ook blijft diegene in Hem, die in dat Woord blijft.
') Vergel. Brieven van Dr. II. F. Kolilbrügge, uitgegeven door I)r. Ed. Uölil (Utrecht 1S77) pag. 215.
79
2 Cokintiie ?gt; : 13. ')
En a oen niet, gelijkerwijs Mozes, die een flekscl op zijn aangezicht leide, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.
Als de kinderen Israels op het einde, d. i. op liet doel der Wet, hetwelk Christus is, sterk gezien hadden, dan hadden zij gezegd: Nu zien wij het, deze geheele bediening is slechts eene opleiding tot eenc betere hoop, en als die gekomen is, dan is deze bediening te niet. Zij zouden dit niet hun verstand, met hun onbesneden hart doorzien hebben, en, als zij achter het geheim geweest waren, dan hadden zij én de Wet veracht én den Gezalfde als niets geacht.
A\ie zal het Woord des levens, der genade, der zaligheid hoogschatten, zoo hij niet van zijnen dood al de smart gevoelt, en wie zal daar smart van hebben, of zijnen dood, de grootheid zijner ellende erkennen, zoo hij geen diep besef heeft van de onschendbare majesteit van des Heeren Wet, en van het schrikkelijke zijner aanmatigingen tegen den alleen heiligen God! Als Paulus nu zegt, dat hij niet doet als Mozes, dan zegt hij, dat hij daarom met hen vrijuit spreekt, en hun het volle Evangelie voorhoudt, omdat hij met reden van hen kon en mocht verwachten, dat zij zoodanig verootmoedigd voor God wai-en, en zulk eene kennis van do Wet hadden, om niet geene vooroordeelen behept te wezen tegen datgene, wat levend maakte. Mozes had niet zulk eene Gemeente voor zich, als de Corinthische zijn kon.
') Vcrgcl. Kolilbriigge, Brieven enz. pag. 203.
80
2 Coeinthe 3 : 16. ^
D o c li zoo wanneer het tot den H e e r e z n, 1 b e k e e v d zijn, zoo wordt liet deksel weggenomen.
De Apostel zegt hier niet, dat het gebeuren zal; maar: zoo wanneer het zich tot den Heere moge bekeerd h e b b e n. Het drukt den wensch uit, dat Israël dit mocht doen, en geeft de stellige verzekering, dat er bij den Heere niets in den weg is. De Heilige Geest laat het overigens te zeer gevoelen, dat Hij die zoogenaamde nationale bekeering niet verwacht, als Hij (Jer. 3 : 14) zegt: .Ik zal u aannemen- één uit eene stad, en twee uit een geslachtquot;. Hij sluit niet uit, maar waar Hijquot; ziet, dat men weigert, zegt Hij in lankmoedigheid : Komt! al is het ook slechts één, of al zijn het slechts twee, dan zullen die twee het Jerusalem uitmaken, en met den naam van Zion genoemd zijn. Daarom zal hij, die geroepen wordt, om ook onder Joden te arbeiden, hun hunne ongelijkvormigheid aan Gods Wet verkondigen, en hun die gerechtigheid voorhouden, welke bij God gerechtigheid is. Hij zal hen niet streelen met de hoop op eene toekomst, die reeds lang verwezenlijkt is.
2 Coeinthe 3 : 18. ')
En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, v a n h e e r 1 ij k h e i d t o t h e e r 1 ij k-heid, als van des Heeren Geest.
Als ik met gedekt aangezicht voor eenen spiegel sta, zie ik niets; met ongedekt aangezicht zie ik het beeld van mijzelven.
') Vergel. Koldbrügge, Brieven enz. pag. 204.
81
Is iemand met zichzelven ingenomen, dan wordt naar dat beek1 van hemzelven hij zelf van gedaante verwisseld, van schoonheid tot schoonheid, natuurlijk in zijne eigene schatting. Ons spiegelende in de heerlijkheid des Heeren, zien wij niet ons eigen gelaat, maar wij nemen in en door het Woord de uitdrukking waar, en bekomen den indruk van Zijn goedertieren en vriendelijk aangezicht. Met ons eigen aangeboren aangezicht is het uit. Zijn gelaat is ons gelaat. Wat nu het beeld van ons aangezicht anders in eenen spiegel is, dat is vergelijkenderwijze de uitdrukking, de openbaring in Zijn Woord van Zijne groote barmhartigheid, ontferming, liefde en genade, waarin wij ons terugvinden, als wij er in zien. Xaar die barmhartigheid. genade en ontferming worden wij, hoe meer wij er ons in spiegelen, hoe meer wij er in zien, van gedaante verwisseld, d. i. wij zinken te meer met het onze weg, en gaan in die barmhartigheid op, zoodat wij al meer ervaren van de genade, die over ons is, zooals dan de Heere, Die Geest is, de van vleesch, van het zichtbare donker gewordene oogen opent, opdat de hier niets ziende en niets vermogende of hebbende zich in Zijne heerlijkheid zie.
2 Kuonieken 32 : 25. 31.
V ers 25. M aar J e h i z k i a deed g e e n e verge 1-d i n g, n a a r d e wel d a a d, a a n h e m g e s c h i e d, d e-w ij 1 z ij n h a r t v e r h e v e n w e r d ; d a a r o m w e r d over he m en over J u d a en Jerusalem e e n e groote toornigheid.
V ers. 31. Maar het is alzo o, als de gezanten der vorsten v an Babel, die tot hem g e z o n d e n hadden, o m te vragen na a r dat w o n d e r t e e k e n, dat in het land g e s c h i e d w a s, b ij h e m w a r e n,
G
verliet hem Go d, o m hem te verzoeke n, o m t e weten al wat in z ij n hart was.
Dewijl zijn hart veeheven weed.
Dit doelt op het geval met de Babyloniërs. Die in eigen oogen klein is, diens hart is verheven in den H e e r e, hij staat allen vijanden der gerechtigheid te hoog in zijne nederigheid, en acht het geringe, dat hij heeft, grooter en hooger dan den overvloed veler goddeloozen. Trouwens hij is er ook veel machtiger in, hij kan er veel meer mede doen, hij heeft een bestendig goed en heil bij zijnen God. Maar hij, wiens hart verheven wordt, verheft zich boven zijnen God en het Woord, in zijne oogen wordt God en hetgeen Die hem gaf. klein, en de overvloed der goddeloozen wordt in zijne oogen zoo groot, dat bij er zich geheel naar schikt. Hij, wiens harte in den levenden God verheven is, schikt zich niet naar het Eabel der ijdelheid, want zijn hart is niet verheven. Juist het besef, wie hij is in zichzelven, doet hem alzoo op zijnen God rusten en in Hem zich beroemen.
God verliet Hiskia. Versta dit zoo; God liet voor eenen tijd Hiskia alleen zijnen weg gaan; dit deed God op die wijze, dat Jesaia, de Profeet, hem minder bezocht en hem minder mededeelde, omdat Hiskia God, d. w. z. den Profeet, in wien Gods Woord was, minder vraagde, meenende, dat hij reeds werkelijk met Jesaia gelijk stond, of nog wel-iets meer was.
O m hem te verzoeken (beproeven), d. i. om hem eens op de proef te stellen, of hij dan inderdaad zulk een man in den Gezalfde was geworden.
Om te weten, â God wist het niet, omdat de Heere in den Profeet was, en daar die er voor zichzelven geene bepaalde rekenschap van geven, noch er oordeel over vellen wilde, wilde de Heere dat ook niet: Hij wilde in dit geval niet meer bepaald weten, dan Zijn Profeet wist, en er dien de zekerheid van geven.
83
Al wat in z ij n li a r t w a s, d. i. of' Hiskia bij de eerste zich opdoende gelegenheid, zooals zulk eene gevaarlijke ambassade van Babel was, zich dan werkelijk zoo zou gedragen, dat daaruit bleek, dat hij zulk een volkomen man in den Gezalfde was. De uitkomst heeft Hiskia geleerd, en is ook ons tot eene leer, om bij Gods Woord te blijven, en daarop alleen acht te geven. Het diepst besef van oogenblikkelijk gevaar buiten het Woord, en van eigene ellende zonder dit Woord, maakt, dat men het erkent.
Ev. Johannes 21 : 15â17.
Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jesus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeitle tot Hem: Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijne lammeren! Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, Gij weet. dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijne schapen! Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? en zeide tot Hem: Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb. Je sus zeide tot hem: Weid Mijne schapen!
De Heere heeft Petrus niet tot driemaal toe gevraagd, of hij hem liefhad. Petrus had gedacht, dat hij meer liefde tot den Heere had, dan de andere discipelen; daarom had hij gezegd : , Ofschoon zij ook allen U verloochenen, zoo zal ik U toch geenszins verloochenenquot;. Uit gebrek aan kennis van de liefde Gods en des naasten had hij den Heere tegengesproken,
84
en boven de anderen wat bijzonders van zich gedacht. Hij had nu door de ondervinding geleerd, hoe slecht het bij eenen mensch, bij alle welgemeendheid ook, omtrent de liefde Gods gesteld is. Niet voor grooten en machtigen was hij bezweken, maar voor iemand, dien men in elke andere omstandigheid volstrekt niet ontzien zou. Hij had nu geleerd, dat het den mensch, wat hij ook van zich moge denken, eene volslageue onmogelijkheid is, als zijn i k er bij in gevaar zou komen, zijnen Heere en God te belijden, zelfs voor dien, die van den fferinö'sten stand is. Zonder zulke kennis van zichzelven
o o
kan men wel wat durven uit eigenwilligheid, om omver te werpen, maar niet sterk en moedig blijven voor de gerechtigheid in dien God, Die leeft.
Intusschen kon Petrus, ook na de ondervinding, die hij met zooveel smart had opgedaan, niet zoo op eens ten volle overtuigd wezen, dat hij van zichzelven niets anders, dan wat menschelijk Avas, te verwachten had, en dat hij alleen in Gods ontferming Gods raad zou dienen. Het was daarom, dat de Heere het in Zijne wijsheid noodig keurde, voordat Hij henen-ging, aan Petrus op eens alle gedachten van zichzelven te benemen ; en na hem van alles ontbloot te hebben, hem geheel te bemoedigen in de liefde Gods en in Zijne genade, door hem bekend te maken, dat Hij hem aanstelde tot eenen herder Zijner schapen en hoeder Zijner lammeren, niet als eenen; die wat bijzonders was, maar als eenen, die nu geheel ontledigd, juist zóó alleen van barmhartigheid zou te getuigen hebben.
Te dien einde vraagt hem de Heere, daarop doelende, dat Petrus zich boven de anderen verheven had: ,Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen ?quot; ') en de Heere wees op Zijne leerlingen, die om Hem heen stonden.
Wat zou Petrus nu zeggen? zijn roem was uit. Hoe, liever hebben ? Ja, mocht hij den Heere liefhebben! hoe waardig
lj GrondtekstSiwwv 'IövS, v.yu.Trcf.c, roi/rwv-
85
was Hij het ! Petrus gevoelde, lioe onvergelijkelijk verheven de Heere was, en op welken afstand hij zich van Dezen bevond ! Ach, wat had hij liefgehad, wat had hij lief? Zijne verkeerdheid gevoelt hij te diep; maar toch, waar zal hij heen? er is toch niemand als Hij; ach. Gij kent mij, zegt hij, er is niets in mij Uwer waardig, dat U omvatten kan; neen, er is in mij geene liefde tot U ; hoeveel te minder meer liefde dan de anderen tot ü hebben, â en toch, ja, Gij zijt het, G ij weet, dat ik va n IJ hou d. !)
De Heere doet, alsof Hij daar geene acht op gaf: meer lief, dan de anderen, hebt gij Mij dan niet; gij erkent dan, dat gij niet beter zijt dan elk ander, maar hebt g ij M ij lief?1) De vraag, zoo gesteld, benam aan Petrus den meer in-nigen zin, dien hij gaarne achter zijn antwoord zich vergund zag. Evenwel, hoe ook geschokt, hij herhaalt zijn eens gegeven gezegde : Ja toch, Heere, G ij weet, dat ik van ü houd. 3)
Om nu Petrus in eens van alle goede meening van zich-zelven, waarachter hij zich nog zou kunnen verbergen, te ontdoen, spreekt de Heere voor de derde maal niet meer van liefhebben, maar keert Zich tot hem met deze vraag; Houdt g ij van M ij ? 2) Eu omdat de Heere hem voor de derde maal zulk eene vraag gedaan had, werd Petrus zoo treurig. Treurig, zooals iemand treurig wordt, als hem het zijne bij de hand afbreekt, treurig, omdat het bij hem niet was, wat er naar des Heeren Wet bij hem behoorde te wezen. Maar deze zijne droefheid naar God is hem en ons heilzaam geweest, en zijn derde antwoord bewijst zijn geloof, waarmede hij zich voor den Heere blootlegt, zooals hij is, zonder Hem iets te willen verbergen. Zijne betrekking op Hem, hoe
1
) Grondtekst: Na/, K-JfiE, uii oïsx;, oti CpiAà as.
2
) Grondtekst : 'iwvS, ipiXsts pz.
86
die dan ook was, kon liij voor Hem niet verloochenen, en zoo volhardt hij in de liefde, juist nu hij de kennis heeft en het diepste gevoel van in zich geene liefde te hebben. Liefhebben â kyy.TTxv â geschiedt met zelfverloochening, het van iemand houden ââ 0lt;Af7v â is niet zónder zelfzucht.
Dat Petrus' naam, â Simon, zoon van Jonasquot;, hier driemaal herhaald wordt, is niet zonder beteekenis: in den naam S i m o n, d. i. God heeft verhoord, lag de gebedsverhooring, en in den naam Jon a, d. i. duive, des discipels zwakheid.
Psalm 22 : 17.
W a n t honden hebben M ij omsingeld, e e n e vergadering der boosdoeners heeft M ij omgeven; z ij he b b e n M ij n e ha n den e n M ij n e v o e-t e n doorgraven.
Dit â z ij h ebbe n M ij n e h a n den en M ij n e v o e t e n doorgravenquot; schijnt bij den eersten oogopslag minder te voegen bij de woorden : w a n t honden h e b b e n M ij o m-s i n g e 1 d; dan, hoe treffend wordt het verband, als men bedenkt, dat werkelijk de Oostersche herdershonden vooral op de handpalmen en voeten aanvallen, en die letterlijk doorboren of doorgraven. Treffend is het ook, dat dergelijke honden eens de handpalmen en voeten van Jezabel onaangeroerd lieten liggen (zie 2 Kon. 9 ; 35); dit was geheel tegen hunne wijze van doen, en daarom zooveel te meer bewijs voor de waarheid van het Woord Gods.
2 Koningen 13 : 14.
â¢
E 1 i s a nu was krank geweest van zijne krank-h e i cl, van dewelke h ij stierf; e n Jo as, de koning van Israël, was tot he m a 1' g e k o ra en, en ha d geweend over z ij n aangezicht, en gezegd: M ij n v a d e r, m ij n vader! wagen Israels en z ij n e r u i-teren!
W a g e n Israels en z ij n e ruitere n, is zooveel als strijdkracht des volks, dat van den Heere gezegend is, maar nu in ellende nederligt, doorbreker als met tienduizenden, over-hoopwerper van zijne vijanden.
Wagens en ruiters waren in dien tijd de hoofdzakelijke krijgsmacht; die wagens waren met scherpe zwaarden in den vorm van zeisen voorzien, en richtten daarom onder de vijanden eene deerlijke slachting aan. Wij lezen in het Boek Josua, Hoofdstuk 17 : 16â18, en in dat der Richteren, Hoofdstuk4, hoezeer de Israëlieten voor zulke wagens bevreesd waren, en dat en h o e het toen vooral op de ruiterij aankwam, is genoeg bekend. Elisa nu was als een wagen, zooveel als alle wagens, figuurlijk gesproken, en zooveel als alle ruiters dei-Israëlieten, of liever, die alle waren niets, en hij was die alle : Elisa's geheele geschiedenis bevestigt het, dat hij, gelijk eens Elia, zulk een man was. (Zie 2 Kon. 6 : 11â23.) Als die weggenomen waren, wat bleef er dan staan? Zij hebben heir-legers op de vlucht gebracht, zij, die geloofd hebben. (Zie Hebr. 11 ; 34.)
88
2 Koningen 13 : 21.
En li e fc geschiedde, als z ij e e n e n man begroeven, dat z ij, ziet, e e n e bende zagen; zoo wierpen z ij den man in het graf' van E 1 i s a ; ex toen de man daak inkwam, en het gebeente van ElISA aanroerde, weed hij levend, en rees op zijne voeten.
Waarom? zou men kunnen vragen; om eene zekere heiligheid van Elisa's gebeente ? Dat toch wel niet. Ach, altoos heiligheid bij de menschen gezocht; wat zullen de menschen helpen ? God alleen is heilig, en heilig Zijn Woord ! Daar lag het gebeente van Elisa! Wat had die Profeet niet al gezegd, toen hij leefde! Hoe had hij hun de goedertierenheid Gods voorgehouden, maar ook hoe hunnen ondergang, zoo zij daarop geene acht gaven! Hij was miskend, en lag nu in de rust, en de vijand, hoe drong hij hen, terwijl zij eenen man begraven wilden. Uit angst werpen zij hunnen doode op Elisa's gebeente, en die doode verrijst. Konden zij krachtiger prediking ontvangen dan deze : ,0 Mijn volk, keer tot Mij terug, erken Mijn Woord, dat Ik door Mijne Profeten tot u gesproken heb: zie uit deze verrijzenis, dat Mijne Rechterhand niet verkort is, om u in een oogenblik te doen verrijzen boven al de macht en verdrukking uwer vijanden, en u te zetten uit dezen uwen dood in leven en in vrijheidquot; ?
Hebeeën 10 : 36.
Want g ij hebt 1 ij d z a a m h e i d v a n n o o d e ; o p-d a t g ij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.1)
Om volstandig te blijven tot den einde toe, d. i. om den
') Grondtekst; 7v« .... xoft'itrvtrXs rijv cTrxy/eXizv â opdat gij de beloftenis moogt weggedragen hebben.
wille Gods ten einde toe te doen, heeft men dien vorm, die eigenschap, werking of vrucht des geloofs noodig, welke lijdzaamheid, hopen, verwachten genaamd wordt; in het zich vrijmoedig aan den Heere houden ligt deze hoop, deze lijdzaamheid (Col. 1 : 23), welke de heuglijke openbaring ten gevolge heeft, dat wij de beloftenis hebben weggedragen, d. i. dat wij Christi en Zijner weldaden en heerlijkheid deelachtig waren en eeuwig zjjn, ofschoon ons de wereld voor uitvaagsel hield. Staat in de hope der heerlijkheid, u houdende aan den Onzichtbare en Waarachtige te midden van alle ellende en verdrukking, opdat gij, alzoo volhardende ten einde toe, mede de heerlijke blijken moogt dragen, dat gij erfgenamen waart der beloftenis: âIn uwen zarlequot;, en gezegenden met den geloo-vigen Abraham.
Hebheën 1 I : 39, 40.
£ n deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen: alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat z ij z o n d e r o n s n i e t z o u-d e n volmaakt worde n.1)
Hoe hebben de geloovigen vóór de vervulling des tijds de beloftenis niet verkregen? Overweeg eens 1 Petr. 1 : 10 â 12, en vergelijk bij die woorden Ef. 1 : 9, 10 en Col. 1 : 19 â 21. Het Testament was gemaakt. Gal. 3 : 17. Abraham en al de geloovigen stonden er in: de beloftenis en de beloftenissen waren er in opgeteekend; dat had nu de Heere aan Abraham
1
) Grondtekst: 'iva ftti xufïs {iftSv TeheiuïySamp;i â opdat zij zouder ons niet voleind zouden zijn.
90
en die uit den geloove Abrahams waren bekend gemaakt, dat zij in Zijn Testament stonden. De Wet kwam tusschenbeide, maar dat zij zoo! God is altijd Dezelfde, Hij is één (Gral. 3 ; 20), Hij kon Zijn Testament niet veranderen, en bet zaad Abrahams, Zijne kinderen, er niet uitsluiten. Wat moest dan nu de Wet? Openbaar maken moest zij de heerlijkheid van Gods Testament, waardoor Hij in Christus diegenen tot Zijne kinderen heeft aangenomen, wier oorsprong de Wet als Amorietisch en Hethietisch aangeeft, Ez. 16 : 3, Deut. 20 : 5. Maar de Testamentmaker moest toch eerst sterven, en ook moest het aan de volken openbaar gemaakt worden, dat zij met Abraham mede in het Testament stonden ; die tijd was nog niet ten volle daar, zoo waren dan de geloovigen des Ouden Verbonds wel kinderen en erfgenamen, en heer van alles, maar toch dienstbaar onder de eerste beginselen der wereld, d. i. onder die beginselen, volgens welke God toen de dingen gezet had. In dien zin waren zij niet voleind, d i. niet tot het doel gekomen, dat God met het geheel had. Maar de volheid des tijds is daar, Gal. 4 ; 4. Er heeft een sterven plaats, en nu eerst komen de oudere broeders en zusters met de jongere aan de volle erfenis. Dat het nu wat beters is, eene erfenis te verkrijgen, dan ze nog te moeten verwachten, weet elk een, die onder armoedige en zwakke omstandigheden verkeert. Een beeld van de geheele zaak, hoewel in eenen anderen zin. vinden wij Openb. G : 11; en dat dit alles aan hunnen bijzonderen geluksstaat niets afdeed, maar dezen naderhand wel verhoogde, zien wij uit Hand. 15 : 10, 11, Ef. 3 : 10 en de lofzangen in het Boek der Openbaring.
W elke dagen moeten die dagen van des Heeren geboorte, kruisdood, verrijzenis en hemelvaart in den hemel geweest zijn voor de geloovigen des Ouden Verbonds, toen God ook daar alles weder in Christus in het recht zette, tot Hemzelven. Welk een eeuwig gejuich moet er toen eenen aanvang genomen hebben, over zulk een welbehagen! Was er dan vroeger onvolkomenheid in den hemel of onvolkomenheid in hun verkeer
91
rondom den troon ? Neen. maar in Gods raad is eeno altijd verhoogde stof van genieting Zijner zaligheid.
1 Corixthe 4 : 10°.
Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar gij z i j t w ij z e n in Christus.
Dat is: opdat niemand den Heere iets zal te wijten hebben, alsof het aan Hem lag, en, met het doel, dat wij u vervuld mochten stellen, en in behoudenis, in Christus, laten wij het ons, terwijl wij het Evangelie verkondigen, aanleunen, alsof wij in de practijk en in de kennis, in de leer en in de Godzaligheid op verre na niet van dat gehalte waren, als die apostelen, die zichzelven opgeworpen hebben: wij doen zulks, opdat niemand ons verheffe. Wij zijn daarom met opzet eenvoudig en zonder vertoon van iets bijzonders, opdat Christus in Zijn Woord in u regeere. Gij zijt vroeden, wijzen, kloeken, gij kunt alles bezien, doorzien, beoordeelen, evenwel dat zijt gij in Christus, zoo gij het zijt, en dat gij zoo vroed zijt, dat hebt gij juist aan onze dwaasheid te danken; gij kunt dus zeiven beoordeelen. wat gij doet, als gij ons ter zijde, en die grootsprekende apostelen op den stoel zet. Wij zijn zwakken, ja wat kunnen wij bij die grootsprekende voorgangers, die bij alles van genadekracht roemen, en die alles kunnen! Juist door u zulk eene zwakheid, zooals die bij ons is, bij uzelven te ontdekken, opdat die roemt, in den Heere zich beroeme, is u sterkte toegedeeld, juist daarin hebt gij gezonde armen gekregen tot alle goed werk. Ziet nu toe, wat gij doet, als gij ons ter zijde zet, en u van hen, die de Heere u niet zond, in geestelijke oefening laat onderwijzen! Wij zijn veracht, ongeëerd, niemand heeft ons zoo lief als zichzelven, bij niemand vinden wij blijvende waardeering, overal vinden wij
spoedig eene geslotene deur en tegenstand, onze leer vindt geene aanneming, geene hoorders, geene volgelingen, is te diep ofte hoog, te alledaagsch of te zwaar om te verstaan, te wettisch of te zeer tegen de Wet, te ver getrokken, of te strijdig met de alge-meene leer, zooals die van ouds her hekend en beleden is. In-tusschen, in dat kwaad gerucht zijn wij gehleven, wij hebben het niet willen wegnemen, maar wij hebben met het Evangelie volgehouden. Wij hebben u daardoor zulk eene kennis dei-waarheid en der verborgenheden toegebracht, dat zelfs de voornaamsten der geoefenden in den weg Gods, zooals zij zich voordoen, voor u achting moeten hebben, en wij hadden dat wel anders kunnen doen; wij hadden verstand, geleerdheid, geestelijk vernuft, geestelijke spelingen, welsprekendheid aan den dag kunnen leggen; wij hadden ons krachtig kunnen toonen; kracht hadden wij kunnen ontwikkelen, dat elk gezucht had: Ach, bidt voor ons! Wij hadden, door ons zoo te gedragen, ons eenen naam kunnen maken, dat iedereen tegen ons opgezien, ons de voeten gekust, ons zijn goud en zilver gebracht had; wij hadden dit kunnen doen in eenen wettigen weg, want onze bediening ware er heerlijk genoeg toe, maar wij hebben dat niet gedaan; om Christi wille gedroegen wij ons juist op tegenovergestelde wijze, opdat gij zijn zoudt, wat wij konden zijn; ware het anders, deden wij als die leeraars, tegen welke gij nu opziet, dan waren wij wel, gelijk zij, in groot aanzien bij u gekomen, maar wat ware er van u geworden ? Nu daarentegen hebben wij de ellendigheid gekozen, om alzoo u de heerlijkheid deelachtig te doen zijn. Bewijst ons daarvoor ten minste, meer vragen wij niet, uwe liefde en trouw, door te blijven in hetgeen gij van ons geleerd hebt.
1 Corinthe 12 : 23, 24.
En die ons dunken de minst eerl ij keieden des lichaam s te z ij n, denzelven doen w ij o v e r-vloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering; doch onze sierlijke hebben het niet van n o o d e ; maar God heeft bet lichaam a 1 z o o samengevoegd, gevende overvloediger eer a a n b e t g e e n g e-b r e k aan dezelve heeft. 1)
Het is bier zóó, daar weder anders te verstaan, naar de verschillende kleederdrachten en lichaamsopsieringen der verschillende volken, deels gebezigd om de schoonheid van sommige lichaamsdeelen te verboogen, of de mindere â welgevormdheid daarvan te verbergen, of er zoodoende schoonheid aan te geven.
De Apostel zegt, boe bet daaromtrent over het algemeen gaat, en bij trekt er deze leer uit: dat men diegenen het meest achte, en alles voor hen aanlegge, welke men in de Gemeente gewoonlijk over den schouder pleegt aan te zien, omdat zij het een of bet ander niet hebben of niet kunnen, wat deze of die ontvangen heeft, en alzoo doen kan. De liefde doet als de ware moeders, die zich met de zwakste, de krankste kinderen bet meest bezighouden, en voor dezen uit den aard der zaak de meeste zorg hebben en altoos over hen waken. Zoo vereischt een pasgeboren kind of zuige-
') Aldus luidt ouze Statenvertaling. Dr. Kohlbrügge vertaalde: //En die dcelen des licbaams, die ons voorkomen, minder sierlijk te zijn, omhangen wij met te meer sieraad, en onze onsierlijke deelen Lebben zooveel te meer opsiering, onze sierlijke doelen behoeven dit niet; God dan heeft het lichaam te zamen gezet, in dier voege, dat Hij te meerder sieraad heeft gegeven aan dat deel, hetwelk bij liet andere te kort komt.
94
ling meer zorg clan een opgesclioten jongen. Daarom volgt er ook Hoofdstuk 13: Zoo ik geene liefde had, ware ik niets.
Prediker 11 : 9.
V e r b 1 ij d u, o jongeling! in uwe jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwe r jongelingschap, ex wakdel in de wegen uws harten, en in de aanschouwing uwer o o g e n ; m a a r weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het g e r i c h t.
Het komt mij voor, dat dit âen wandel in de wegen uws harte nquot; noch in ironie gezegd is, noch op dien vermanenden toon tot vroomheid van leven, dien men er veelal in zoekt. De mensch meent gewoonlijk, dat het hem en anderen tot plicht is opgelegd, om, zoo hij bij God komen zal, zekere plooi aan te nemen van houding, gebaren, gebruiken, en ik weet niet welke dingen al zich te ontzeggen en er zich van te onthouden, ten einde een vroom binnenste te hebben. Naar zulke gevoelens is vooral de jeugd een zeer zondige leeftijd ; men bestraft den jongeling, omdat hij niet is als een oud man, en de jonge dochter, omdat zij niet is als hare grootmoeder of oudtante. Zulk eene strekking evenwel van eigenwillige geestelijkheid, waaruit toch niets goeds voortkomt, en welke op eenen geheel anderen grond rust, dan de stemmigheid der kinderen, welke de Apostel Paulus beveelt, is lijnrecht tegen des Heeren Woord.
Des Heeren Woord wil, dat Zijn schepsel zich verheuge en blijde zij voor des Heeren aangezicht, in welken stand, leeftijd of betrekking het zich bevinde. (Zie Pred. 9 : 7â9.)
Daarentegen wil de duivel droefgeestigheid, zuur zien, ach's en och's, waar dit geen pas geeft, kerk- en kloosterheiligheid,
dat men zich anders voordoe, dan liet hart gestemd is. De jeugd is als de lente, en de vernieler van alle mensclielijk geluk en zoetheid des levens leert, de lieve lentebloemen te vertrappen, de meien af te stroopen, â de jongste non, de jongste monnik is hem het aangenaamst.
Meen niet, dat die duivelsche leer van onthouding ten tijde van Salomo niet zoowel in zwang was als nu. Maar anders leert de koninklijke Prediker: .Geniet het levenquot;, zegt hij, ,gij jongeling, jonge dochter, wees blijde in uwe jeugd, uw hart doe zich te goed in uwe dagen, waarin het jonge bloed, met frischheid u doorvloeiende, u tot vroolijkheid stemt. Zooals uw hart verlangt, zóó doe, en wat gij gaarne ziet, sluit uwe oogen niet daarvoor.quot; De jeugd moet vroolijk wezen. (En wie prijst niet zelfs eenen vroolijken ouderdom ?) âMaar zie toe, hoe gij dat doet, aangezien gij van alles verantwoording hebt te geven. Sta derhalve, waar gij behoort; wat niet uit geloove is, is zonde. Vrees God, opdat het genot, hetwelk gij van uwe jeugd hebt gehad, u niet ter veroordeeling zij. Vrees God, en verblijd u in Zijne vreeze. Laat u die blijdschap des harten niet verstoren, noch die blijdschap uwer jeugd. Weer daarom dat hartzeer van u af, dat onheil, die kwelling, en dat âliebe K r e u dat menigeen uwer zich op den hals haalt, door zich te onderwerpen aan dingen, die God niet heeft geboden, want de jeugd en de jonkheid gaan ras voorbij.
Die ras voorbijgaande, het geheele levensjaar door goeddoende, liefelijke lente niet te genieten, gelijk God wil, is eene schrikkelijke ondankbaarheid, nog gruwelijker, zoo men dan, bij dorren zomer en stormachtigen herfst, God en de natuur aanklaagt. Men heeft het zichzelven te wijten
Het is in het gewone leven reeds zonde, bloemen te laten verflensen, ooft te laten verrotten, en elke gave, die van Boven is, ongebruikt te laten verderven; hoeveel te meer is het zonde, Gods goedertierenheid te veronachtzamen, gelijk Achaz deed (zie Jes. 7 ; 12), die uit louter vroomheid tot Gods Profeet durfde zeggen, dat deze hem wilde verleiden.
96
om God te verzoeken met een teeken te vragen, juist toen de barmhartigheden des Heeren hem dat teeken aanboden, opdat hij goedsmoeds zou wezen, en zijnen ijdelen treurdienst vaarwelzeggen.
Alleen de jongeling en de jongedochter, die dit verstaan; zullen in waarheid stemmig wezen, en weten, welke de begeerlijkheden der jeugd zijn, die men te vlieden heeft. Het gaat hier om het h o e, maar vleesch denkt: God vreezen en vroolijk wezen, paart zich niet; ik zal het vroolijk-wezen derhalve nalaten, en steken mij in een heilig kleed, in een celletje of klooster, dan kan God mij ten minste niet straffen, dat ik te vroolijk of dartel was. Zoo betrekt men dan het aangezicht als een pot.
Ofschoon deze verklaring schier nog vreemder klinkt dan Pred. 9 : 7â9, zoo is zij toch waar. Ach dat monnikengeloof, dat men toen reeds den jongens inboezemde, om hen, iri den waan, dat de kinderen zóó Gode behaagden, gerust aan den Moloch te kunnen opofferen, tot verzoening van eigen misbruikten en moedwillig verspilden bloesem !
Een kind loopt in zijne eenvoudigheid daarheen. Het vraagt niet: Is dat goed, of kwaad ? De vader neemt het kind elk bijzonder ding, dat het zou kunnen schaden, uit de hand, of zegt: Laat dat staan. Wie in geloof wandelt, zit niet met dobbelsteenen, om hoog of laag te werpen, of iets goed of kwaad zal wezen ; hij plukt de bloemen, die zijn oog bevallen, hij gaat door de beemden, die zijn hart aantrekken. Zoo wil het de Heere ook. Die Zelf een kind voor ons geworden is (ik spreek figuurlijk. Hij is den broederen in alles gelijk geworden). Hij Zelf past onophoudelijk op Zijne kinderen. De waarschuwing heeft betrekking op het hoe en het w a n-n e e r. Het veinzend hart vraagt altijd : Zou het ook kwaad wezen? en ;:egt: Ik zou het wel gaarne doen, maar het mocht
97
niet goed zijn, en hunkert intussclien naar de toelating. Van zulk een leelijk doen, van zulk een eigenwillig zicli onthouden van alle schepsel Gods, dat aireede goed is, met dankzegging genoten zijnde, maant de Prediker af.
Prediker 7 : 16, 17.
Weestniet al te rechtvaardig.....
.....W e e s t niet al te slecht.
Ik verklaar dit uit Vers 20, op deze wijs ; Ofschoon de mensch zijne hoop als mensch alleen zou gezet hebben oj) den levenden God, en zou vasthouden aan Zijne barmhartigheden, zoekt hij evenwel eenen grond in zyn doen en laten. Hij is er bijgevolg op uit, zooals hij zich diets maakt, om alles zóó te doen, dat hij toch immers in alles een heilige zij, op wien geen vlekje door God kan aangewezen worden. Zoo is het derhalve met het zedelijk gevoel van alle vleesch gesteld, onder anderen in het lezen van de Schrift. Het stelt zich de menschqn Gods als heiligen voor naar zedelijke begrippen, die onbestaanbaar zijn met Gods weg en regeering. Het maakt bijgevolg óf groote oogen, als het de menschen Gods wat menschelijk is ziet doen, wat toch niet één beter doet, óf het geeft er eenen glimp aan. Wat nu over het algemeen geldt, geldt dan ook van dezulken, die overigens de waarheid liefhebben. Altijd komt er de heiligheid, neuswijsheid of dwaasheid des menschen by, en de mensch overdrijft het najagen van gerechtigheid aan de eene zijde, waarvoor God hem geenen dank weet, en menschen nog minder, â of hij laat het aan de andere zijde glippen, en wijkt, waar hij zou blijven staan, omdat hij recht heeft, en zoo toont hij dan geen karakter of gevoel van eigen waarde en eer te hebben. Het is moeilijk, dit iemand te verstaan te geven. Het verkeerd zedelijk
98
gevoel, dat de duivel aan ieder menscli, gelijk aan de gelieele maatschappij, als met de moedermelk ingeeft, zal zich hier altijd verzetten tegen dien handel en wandel, die recht is in des Heeren oogen.
In het Boek Job, Hoofdstuk 12, ziet gij verscheidene daden van dien mensch Gods verkeerd beoordeeld. Intusschen ware hij al te rechtvaardig geweest, bijaldien hij die broederen, die moeden, die hongerigen, die weduwen, die in Elifaz' oogen zoo veel hulp verdienden, in hunne verkeerde wegen met zijn goed gesterkt had, en hij ware al te goddeloos, al te slecht geweest, bijaldien hij het zijnen vrienden had toegegeven, dat hij om zonden in zulk lijden was. Zoo was onze Heere niet al te rechtvaardig, want Hij maakte Zich uit het midden der menschen uit, ontweek hen gedurig en liet hen er voor zitten,- zoo dikwerf Hij slechts kon, en Hij was niet al te slecht, als zij Zijn karakter en woorden te na kwamen, maar dan zette Hij Zijn aangezicht tegen hen als een keisteen.
Die al te rechtvaardig is, wil het recht er door hebben als een haarklover, en die al te slecht is, laat zich en het recht vertrappen, uit weekheid, uit zwakheid, hij heeft eene wreede goedheid, die zich en anderen in het verderf brengt. En beide is men uit zucht, om menschen te behagen, helaas! ten koste van den mensch, die naar Gods beeld geschapen is. Zoo leert het de eigenliefde, om Gode, zoo men meent, welgevallig te wezen, een goed mensch te wezen, vroom te wezen, nut te stichten en dei-gelijke. Het komt alles voort uit gebrek aan kennis van Gods Wet, omdat men die niet in zijne ingewanden heeft.
Wie al te goddeloos, al te slecht is, laat zich van eene Hagar en van haren zoon bespotten in hetgeen men van den Heere heeft (vergel. Gen. 21 : 9, 10), en wie al te rechtvaardig is, zal noch met Thamar maken, dat zij den zegen hebbe (Gen. 38), noch met Ruth zich in alles schikken om den Losser, noch met Rachab alles doen, om zelve aan een verderf te ontkomen, dat niet meer te stuiten was (Jos. 6). Hij zal niet met David
99
eenen Husaï in den raad brengen (2 Sam. 15 : 34), niet de toonbrooden nemen tot stilling van zijnen honger, niet het zwaard Goliaths tot zijne zelfverdediging (1 Sam. 21). Hij zal niet met Abraham of met Izak zeggen : .Zij is mijne zusterquot; (Gen. 12 : 13 ; 20 ; 12 ; 20 : 7), noch met Jakob maken, dat hij de eerstgeboorte en den zege krijge (zie Gen. 25 : 29 vv. en Hoofdst 27).
Wie al te goddeloos of slecht is, vaart niet met Jakob tegen Laban uit, als deze huiszoeking bij hem gedaan heeft (zie Gen. 31 : 30), legt niet met David de Ammonieten onder zagen (2 Sam. 12 ; 31), en durft, gelijk Saul, niet oogen-blikkelijk aan het werk, als hij niet eerst God gevraagd heeft, schoon hij toch God niet vraagt, en wie al te rechtvaardig is, meent met Saul voor zich en anderen eigenmachtig te moeten offeren, in stede van op God te wachten (1 Sam. 13). Wie al te slecht is, zoekt het âlieve kruisquot; overal, en buigt zich uit moedeloosheid, gelijk de Mystieken deden, onder eene ge-dwongene zelfverloochening; wie al te rechtvaardig is, worstelt altijd tegen Gods raad en trouw in, en kan niet begrijpen, dat het niet is desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt.
Wie in de gerechtigheid wandelt, kan hier wat geven, daar wat nemen, hier wat over zijnen kant laten gaan, daar wederom zich niet laten wegwerpen. Hier rechtvaardig, waar men de rechtvaardigheid er onder hebben wil; daar, in schijn, ja soms inderdaad, goddeloos, waar de rechtvaardigheid goddeloosheid wezen zou. Niet al te, is het oude spreekwoord, en het is een bekend gezegde : Ik laat mij niet trappen. Wat was er van David geworden, zoo Husaï niet tegen Achitofels raad gestemd had! ?
Zoo veel is zeker, dat die God vreest, in alles weet hoe te moeten handelen. Het wordt hem gegeven. Paulus besneed Timotheüs (Hand. 16 : 3), maar Titus besneed hij niet, toen men er wat in zocht (Gal. 2 : 3, 4). Eerst liet hij zich geeselen, toen men buiten allen vorm van recht trad, maar toen men hem door gerechtsdienaars uit de stad wilde brengen,
100
zeide hi] : âNiet alzoo, maar dat zij zei ven komen'quot; (Hand. 16 : 37). Toen hij zag, dat men hem voor eenen ander hield, dan hij was, en hem daarom rechtens wilde geeselen, kwam hij dit voor, en was dus niet te slecht, en wederom was hij eens niet te rechtvaardig, om eenen raad, tegen hem belegd, te verstrikken in hun eigen net van godsdienstige gevoelens. (Zie Hand. 23 ; 6.)
Wie den Geest Christi heeft, die ontgaat het een en het ander, hij wandelt m i d d e n in de paden des rechts. Zulk een wijze heeft, hoe ook partijgodsdienst of farizesche Godsvrucht hem beoordeelen moge, den lof, dat de wijsheid den wijze versterkt, meer dan tien heerschappers, die in eene stad zijn. (Pred. 7 : 9). Wil men overigens alles zoo haarfijn drijven, âals hatten es die Tauben er les enquot;, zoo als dan alle partijgodsdienst, â naar die voorgeeft: uit vrees van tegen God te zondigen, â alles drijft, zoo wete men, dat er Vers 20 staat, dat er geen mensch op aarde zóó rechtvaardig is, dat hij niet zondigt, terwijl hij goeddoet. Alle verkeerd zedelijk gevoel keert dit om, en leert, dat een mensch op aarde wel rechtvaardig is, als hij maar goeddoet, terwijl hij zondigt. In dat gevoel hebben de Jezuiëten hunnen steun.
Psalm 109 : 8b.
E en ander neme z ij n a m b t.
Joab was jegens David, wat Judas Iskariot jegens den Heere was. Tegen Joab zijn de gebeden, welke tegen Judas zijn.
Al te rechtvaardig, vroom, wijs eu begenadigd in eigen oogen, het zyne zoekende, en niet wat zijns konings was, of dat, wat des konings was. zoekende om zijn eigen, had ook hij, ofschoon zeer voor de Wet zijnde, vergeten, wat het zwaarste der Wet is.
101
Schoon liij van den Geest beter overtuigd werd, liield hij evenwel zich voor vol, en David voor half. En zulk vroom slag van menschen en van ijveraars voor het goede, met hunne halve begrippen van heiligheid, staan altijd de liefde en de waarheid voor, als zij wat vinden kunnen tegen dien, wiens doen in God hen bestraft, dat zij niet rechtvaardig zijn. Altijd oogmerken voor zichzelven hebbende, of zich wrekende bij teleurstelling dier oogmerken, en zich voor goed wetende in te dringen en noodzakelijk te maken, eerbiedigen of kennen zij geene Wet, dan voor zooverre zij hunne inzichten er mede hebben, om er hun eigen kwaad mede goed te maken. Dat is de mensch der zonde, die geene majesteit of heerlijkheid ontziet, maar zich verheft als een god in den tempel Gods. (Zie 2 Thess. 2 ; 3, 4.)
2 Samuel 19 : 23.
En de koning z e i d e tot S i m e ï : G ij zult niet sterven; en de koning zwoer hem.
Dat heeft de koning gemeend, en het was hem voor ditmaal vergeven. Maar om nu niet te zeggen, dat Simeï het reeds in het vorderen van den eed aan den dag heeft gelegd, hij zal het in vervolg van tijd herhaalde malen aan den dag gelegd hebben, dat hij bukte voor de noodzakelijkheid, en dat hij een wolf in schaapskleederen was. Derhalve moest David (zie 1 Kon. 2 : 8, 9) op het einde zijner dagen op die dubbele majesteitsschennis terugkomen, wilde hij niet al te rechtvaardig zijn, en het rijk van zijnen jeugdigen zoon niet aan nog wat ergers blootstellen. Voorts heeft David de straf zelve aan den Heiligen Geest overgelaten, zoódat Simeï nog altijd in vrede, overvloed en heerlijkheid in de stad des grooten
102
Konings had kunnen sterven, zoo hij waarachtig berouw had gehad, zoo hij genade erkend, en des Konings, d. i. des Heeren Woord gesteld had boven de gierigheid.
Ev. Lukas 9 : 54.
Als nu Z ij n e discipelen. Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere! wilt Gij, dat w ij zeggen, dat vuur van den hemel neder dale, en dezen verslinde, g e 1 ij k o o k E li a s g e d a a n heeft?
2 Koningen 1 : 9 â 15.
Eu h ij zond tot he m e e n e n hoofdman van vijftig met zijne vijftigen. Enalshijtothem opkwam, (want ziet, h ij zat op de hoogte eens bergs), zoo sprak h ij tot hem: Gij man Gods! â de koning zegt: Kom a f. M a a r E1 i a antwoordde en sprak tot den hoofdman van v ij f t i g e n : Indien ik dan e e n m a n G o d s b e n, z o o d a 1 e v u u r van den hemel, e u v e r t e r e u en uwe v rj f t i g e n...
Vuur van den hemel.
Als men gelooft, gelijk die hoofdmannen, welke Israëlieten waren, het omtrent Elia geloofden, dat men eenen man Gods voor zich heeft, en men dan toch meent, met zulk eenen man, in wien Gods Woord is, dat is dus met God Zeiven zoo te kunnen handelen, als de liefde tot het zichtbare, tot den loon der ongerechtigheid, tot eene vergankelijke betrekking en het genot daarvan, het meent te kunnen doen, en dan nog te kunnen zeggen: âGij man Godsquot;, dan moet men ondervinden,
103
dat God Zich niet laat bespotten; zulk een spotten moest ten gevolge hebben, dat de Heilige Geest in vuur op hen en hunne mannen nederkwam, en hen verteerde; gelijk Dezelve onder anderen ook Ananias en kort daarop Saffira doodde. (Zie Hand. 5.)
Met die beide discipelen, die vuur van den hemel wilden, was het dus gesteld : Zij wilden, dat men den Heere zoo op eens erkennen zou. Zij ijverden voor Hem. zonder Hemzelven anders dan naar vleesch te kennen. Zij kenden Hem zeiven niet, zoo als zij behoorden, omdat zij zichzelven nog niet kenden zoo als zij waren, weshalve zij ook lang daarna nog niet konden begrijpen, dat zij zich allen aan Hem zouden ergeren en van Hem vlieden. Ook nog op het allerlaatste, toen Hij ten hemel stond opgenomen te worden, toonden zij, hoe zij nog alles verkeerd verstonden. Zij nu, die Hem nog niet erkenden, zoo als het behoorde, wilden wraak genomen hebben op diegenen, die Hem niet wilden aannemen. Zeker, daarin bewezen zij, dat zij niet wisten, van welken geest zij toen nog waren. Maar de Heere had geduld met Zijne jongeren, en lankmoedigheid over de Samaritanen, en was hun genadig, gelijk Elisa den Syriërs, dien doodvijanden van Israël. (Zie 2 Kon. 6 : 22.)
2 Koningen 13 : 19.
Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide:Gijzoudt v i j f- o f z e s m a a 1 g e-slagen hebben; dan zoudtgij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan.
Koning Joas maakte het als eens Elisa, en Elisa eens als die koning. De koning was in de ziel bedroefd en weende
104
bitter, dat hij op het punt was van Elisa te verliezen. Nu had hij niets meer. Zoo ook Elisa, toen Elia van hem genomen werd. God, ja â maar Die zat zoo hoog! Ontdaan van alles stonden zij daar, en evenwel, hoe ook verschillende, zij waren menschen, zij beleden hunnen nood, maar zoo als menschen dien belijden: de grond van herstel en van zich er door te redden is, naar des menschen waan, min of meer in den mensch. Als nu God den mensch in het hart geeft, zijne ellende bloot te leggen, hetwelk de Heere in Zijne rijke ontferming doet, om hem geheel te genezen en in heerlijkheid te stellen, is het dan te verwonderen, dat de Heere verdrietig wordt, en dit door Zijne Profeten laat gevoelen, wanneer de mensch uit Zijn magazijn in scliijnootmoed een kleed kiest, dat te kort schiet, om zijne naaktheid te dekken ? Is dat niet zwaar en eene harde zaak voor den mildsten gever, dat iemand, die in nood is, van hem wat vraagt, waarmede de gever den vrager slechts half geholpen ziet ?
Wanneer een koning liet uitroepen of het tot eene wen gemaakt had : O alle gij, die geen geld hebt, komt en haalt uit 's land kas zoo veel, als gij behoeft! dan zouden er geweldenaars komen en nemen met geweld, meer dan zij behoefden ; en omtrent de schatten Gods, opengesteld voor onze peillooze ellende en voor onzen bij ons onherstelbaren nood, heeft men bij alle klacht over behoefte, zoo weinig vragens-lust, en beschikt over eenen tros druiven uit des Heeren wijngaard, als had men zelf allerlei edele wijnstokken.
De laaf'nis staat gereed, â Waar is het dorsten leed ?
105
Hebreêx 13 : 8-^-15.
Vers 8. Jesus Christ us is gis te ren en heden Dezelfde, en in der eeuwigheid. (9) Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leeringen: want h e t i s g o e d, d a t h e t h a r t g e-sterkt worde door genade, niet door s p ij z e n, door welke g e e n e nuttigheid bekomen he b-h e n, die daarin gewandeld hebben. (10) Wij hebben een altaar, van hetwelk g e e n e macht hebben te eten, die den tabernakel dienen. (11) Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hoogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. (12) Daarom heeft ook Jesus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. (13) Zoo laat ons dan tot H e m u i t-g a a n buiten de legerplaats, Z ij n e smaadheid dragende. (14) W a n t w ij h ebben hier g e e n e b 1 ij-v e n d e stad, maar wij zoeken de toekomende. (15) Laat ons dan door Hem altijd Go de opofferen eene offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Z ij n e n Naam b e 1 ij d e n.
Vers 8 in verband tot Vers 7.
Daar gij den uitgang van den wandel uwer voorgangers aanschouwt, die tot u het Woord Gods gesproken hebben, volgt dat geloof na. Wat hebben zij geloofd, waaraan hebben zij zich gehouden, wat hebben zij verkondigd, wat heeft op den uitgang van hunnen wandel de kroon gezet, wie heeft het tot dien uitgang geleid ? Dat eene, en die Eene, Die is, en Die was, en Die komt ; en dat blijft, wat ook vergaat, â wat en Wien wij ook alleen onder u hebben willen weten, en
IOC)
kennen, en verkondigd hebben, en van Wien wij spreken: J e s u s Christus, gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid. Aan deze leer geene verandering, gisteren was zij waar, heden is zij waar, en waar blijft zij tot in alle geslachten. Deze verkondiging schikt of voegt zich niet naaide mode of den smaak van menschenkinderen; gelijk gij u daar gisteren op verliet, zoo verlaat u daarop heden, en in der eeuwigheid is Hij Dezelfde, en met Hem kunt gij niet bedrogen uitkomen, maar gij zult Hem zien, gelijk Hij is.
Jesus Messias. Ja, die Man, Die onder ons rondging, en overal goeddeed. Die Zich wonderbaarlijk ontfermde over allerlei ellende. Die alle ellendigen tot Zich riep, die Man van smarte en van smaadheid. Die al onze ellende gedragen heeft, die Zoon van Maria, een volslagen Mensch, zoo als wij menschen zijn, die Mensch in onze plaats, Die Zich niet eens eenen mensch, maar 's menschen Zoon noemde, en met die benaming ons met al het onze. met al wat des menschen is en wat mensch is, uit schuld en zonde, uit vloek en dood heeft uitgezet in Zich, en Zich in des menschen plaats gezet, en in Zich heeft opgenomen den mensch met zonde, vloek, dood en verdoemenis, en zóó Gode Zich overgaf in den dood des kruises, die Mensch Jesus is Messias, de Gezalfde, Hij alleen. In Hem al de volheid, en het welbehagen is in Hem. Bedenkt alles te zamen, zoo gij kunt, wat naar God moge wezen, wat overeenkomstig Zijne Wet moge zijn, vat al uwe ellendigheden te zamen, zoo gij er begrip van hebt, en, wat u moge ontzinken, ontbreken, ontvallen, stelt u bij de eeuwigblijvende, heilige, goede, onschendbare Wet Gods, gevoelt u rondom beladen, belast, beangst, gekneld, â vraagt: âWaar blijft de Wet, waar de zonde ? waar is gerechtigheid voor mij, wat is de grond, om te bestaan voor Hem, Die Zich met vleesch niet kan inlaten, en voor Wien vleesch siddert en beeftquot;, en ziet aan en erkent dien Mensch Jesus, en wat men u ook anders predike, laat u niet afbrengen van deze eenige vastigheid; Zijn Naam is Jesus, d. i. Zijn volk van hunne zonden behou-
107
dende, dat hunne zonden hen niet verderven ; Zijn Naam is Messias, d. i. Gezalfde : en zoo is op Hem de volheid van alles, wat heilig en alleen goed en recht en gerechtigheid is, en van alles, wat aan de Wet beantwoordt, en uit Hem is, gelijk als uit den Vader uitgaande, die Geest, Die over allen, welke in Hem blijven, zich aan Hem houden, en Hem erkennen, de volle gunst Gods uitstort, als niet eenen milden regen, zoodat Hij hen in die gunst doet leven en wreide vinden in al de ruimte der ingewanden en der liefde en der gerechtigheden Gods des Vaders.
Zoo is het, zoo was het. zoo zul het de proef doorstaan. Hij is Dezelfde, en Zijne jaren nemen geen einde, zooals de jaren der goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, of gelijk de namen dier valsche profeten, die in de ongerechtigheid en ontucht en gierigheid hunner leerlingen en volgelingen omkomen, nadat zij er velen van den weg der gerechtigheid hebben afgetrokken.
Vers 9.
Laat u van dezulken niet mede afrukken; het verdriete u niet, dat ik u nog als voor jaren altijd Denzelfde predik, â het is u ter bevestiging. Laat u niet omvoeren hierheen, daarheen, niet medesleepen door al die verschillende leeringen van : .Hier een weinig, daar een weinigquot;, niet medesleepen door al die kunstig ineengezette en hooggeschilderde, oogverblindende, hartinnemende, fijne weefsels van menschelijke voordrachten, gelijk de menigte zich laat rondleiden van kerk tot kerk, van bijeenkomst tot bijeenkomst, waar hier een nieuwe, daar een nieuwe, hier een vreemde, daar een vreemde in allerlei verscheidenheid en vreemdheid van voorstelling u wil leeren, hoe men tot rust of tot Godzaligheid komt, hoe men zich heiligt, of op wat zelfgemaakten grond de goede werken groeien. Blijft op dien eenen grond, dien ik gelegd heb, en staat gij daarop nog niet vast, maar zijt gij wankelende, en nog met
108
uw hart overhellende tot Evangeliepredikers, die de Wet te niet maken, of tot wetleeraars, die niet weten, wat zij zeggen of wat zij bevestigen, dan zeker is het goed, en schoon, en loffelijk, dat ulieder hart gesterkt worde, dat het vast en onbeweeglijk zij, opdat het zich niet alleen goede rekenschap geven kunne, dat het wete. waarop het zich verlaat, maar dat het ook onbeweeglijk zij, en door geen ding om te stooten (en wiens hart behoeft niet voortdurend zulk eene versterking en bevestiging ?). Maar dat bevestigd worden en bevestigd wezen, dat vast en onwrikbaar staan, dat goede consciëntie tot God hebben geschiedt door genade, want dat geeft goeden moed, dat gij weet, dat gij eenen genadigen God hebt. Wiens liefde zonde, dood en duivel heeft te niet gedaan, en Die u boven dat alles heeft heengezet in den Geliefde in Zijnen schoot, aan Zijn harte, aan Zijne Rechterhand, Wiens liefde grooter is dan alle vijandschap, dan alle tegenstand, dan alle vloek, dan alle verdoemenis, dan alle zonden. Die genade doet het harte opspringen in God, en vroolijk zijn in eene goede en eeuwige vertroosting des Heiligen Geestes, want om Zijnentwil heeft Hij al onze ongerechtigheden uit-gedelgd; en dit is het Woord Zijner barmhartigheden, dit Ziju Verbond, waarin Hij ons opnam : Ik zal hunnen ongerechtigheden genadig zijn, ik zal hen daartegenin vroolijk maken, en Mij in hen verheugen, en aan hunne zonden en aan hunne wetteloosheden zal Ik volstrekt niet meer denken. Zulk eene genade verruimt het hart, en zulk eene gerechtigheid, die bij God gerechtigheid is, bevestigt, versterkt het, maakt liet onbeweeglijk, daar kome men niet tusschen met een .Raak niet, of smaak nietquot;, met een: âMaar hierquot;, meteen: âMaar daarquot;, met een: âMaar dan moet er dit toch nog bij, of dat toch nog bij ; maar er wordt toch dit nog toe of dat nog toe geëischt; maar zonder dit of dat zult gij er toch niet komen!quot; Waar het om niet is, geldt geen werk van mens chenh an den, al ware het ook een stofje. En wie vraagt, waar Wet en waar zonde blijven, wie geen leven vindt in
109
eigene hand, wie geen werk kent ot' heeft, die wil van niets weten dan van God den lleere, hoe Die tot eere komt, en van Zijne Wet, hoe die volbracht zij en gedaan worde, ei; hij prijst daarom alleen de liefde Gods en de genade Jesu Christi; dat zijn de offeranden, die hij brengt, dat is de dank, dien hij betaalt, dat is de heiliging, die hij najaagt.
In Hem gevonden te zijn, dat is zijne vastigheid, in Hem, den Mensch Christus Jesus (Filipp. 3 : 9), Die al wat verloren was in Zich opgenomen en Zich met hen gezet heeft ter Rechterhand der Majesteit, alwaar wij in Hem met alle geestelijke zegeningen gezegend zijn van den God en Vader onzes Heeren Jesu Christi, zoodat er in Zijne gunst, waarin wij staan, ons niets zal ontbreken van hetgeen in Geest goed, waarachtig, loffelijk en rechtvaardig is, daar zul geene Wet iets tegen hebben.
.In mens chen welbehagenquot;, zong de menigte der hemelsche heirscharen, en loofde alzoo God. Wij hebben de genade niet bewerkt, niet teweeggebracht, wij hebben de genade niet geschapen of over ons gebracht door eenige daad van onze zijde, maar lang vóór wij er waren, was zij er, en zjj was er bij den Heere, toen wij nog vijanden waren, en de gedachten Zijns vredes waren over ons, toen wij nog tegenover Hem stonden, en nu, waar Hij Zijnen eigenen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken ? Daarom dan, alzoo wij een onbeweeglijk Koninkrijk verkregen hebben, laat ons de genade (vast-)houden, en door deze God welbehaaglijk dienen met eerbiedigheid en vreeze (Hebr. 12 : 28); met eerbiedigheid, d. i. met zoodanig ontzag, waarbij wij beseffen, dat bij ons de beschaamdheid des aangezichts is, maar bij den Heere de goedertierenheid, waardoor Hij ons de zonde niet toerekent; en met vreeze, d. i. dat wij beseffen, dat wij met werk. met een : âDit nogquot;, een : âDat nogquot;, met een: âRaak niet, en smaak nietquot;, om de genade ons te willen verzekeren, den rechtvaardigen toorn Gods over ons zouden halen, en het ons geen nut zou doen. Want waarlijk, allen, die daarin
110
gewandeld hebben, dat zij de Wet er hebben willen bijzetten, om zich in de genade te bevestigen, hebben daarvan geen nut gehad ; zij hebben geene gerechtigheid kunnen tot stand brengen, maar zij hebben met hunne gierigheid en verdrukkingen, waarmede zij weduwen en weezen en ellendigen onder schijn van hulji of recht verdrukten, en met hunne hoererijen hunne eigene beweringen en zichzelven te schande gemaakt; en die medezoo geloopen hebben, maar nog intijds zich hebben bekeerd van hunne vrome goddeloosheden en goddelooze vroomheid, hebben dit ook bekend, dat het wandelen in zulke dingen ten verderve leidt en den dood vruchten draagt.
Vers 10.
Of wat wil men met dat zich heiligen en rein en zuiver houden door dit of dat niet aau te raken, of' te smaken, en door zoo als een priesterlijk volk zich eene priesterlijke reinheid en heiligheid aan te huichelen naar menschengeboden ? Zijn al die voorschriften, die in Mozes' Wet zijn. wat anders dan figuren, al te zamen predikende en voorhoudende Dien, in Wien ons alle gerechtigheden zijn. Dien, in Wien wij gesteld zijn heilig en onberispelijk voor den Vader ? Ontbreekt ons dan iets van datgene, wat de Geest met die figuren wilde ? Xeen, wij eten niets onreins, wij zijn dat priesterlijke volk, waarvan Mozes spreekt, en de vuurofferen der liefde Gods zijn onze spijze; van dat altaar, hetwelk is Jesus Messias, het Lam voor ons geslacht, eten wij en worden verzadigd, en gestild wordt de hongerige ziele, etende van die eenige daarbrenging, welke Mozes alleen bedoeld heeft, en niets onreins, niets wat niet die nadering tot God is, komt in onzen mond. Van dat altaar kunnen die niet eten. welke den tabernakel dienen, die bezig zijn om God te naderen in eene nadering, welke niet meer is de nadering Christi, want dewijl zij zich bevinden in den tabernakel, in den dienst Gods, welke een einde nam, toen H ij kwam. Die daardoor was afgeschaduwd, zoo bevinden
Ill
zij zich niet op de rechte plaats, want daar, waar zij dienen, staat het altaar der nadering tot God niet meer, neen, dat altaar, Jesus Messias, is niet in den te niet gedanen tabernakel, dat altaar, waarop en waarvan alleen volheid van spijze is voor elke hongerige ziel, staat ergens anders ; zoekt dat altaar, waarvan wij weide vinden en overvloed hebben, niet meer in dien tempel, â dat altaar staat op eene plaats, waar alleen de in het woeste gedrevene ziel het vindt, de ontroostbare, de hongerende en dorstende naar gerechtigheid, de ziel, die niet zoekt, dat haar de hand gevuld worde met den loon der ongerechtigheid, maar die zoekende is den levenden God.
Vers 11.
Of waar bleven de lichamen dier dieren, welker bloed in betrekking tot (voor de) zonde in het heilige werd ingebracht door den hoogepriester ? werden zij niet buiten de legerplaats verbrand ? Heeft God de Heere dit zonder beteekenis zoo verordend, of heeft de Heilige Geest daarmede niets beduid? Dit immers heeft de Heilige Geest daarmede willen beduiden: dat de geheelheid, de volkomenheid, het beslag krijgen dei-zaak niet eens in het heiligdom geschiedde. Het bloed der dieren, ja, dat werd er, en dat voor de zonde, door den hooge-priester ingebracht; maar zou de zaak haar volle beslag krijgen, dan moest het schepsel, dat tegen God was opgestaan, en God te niet gemaakt had, op zyne beurt door het vuur te niet gemaakt worden, opdat God alzoo weder tot God worden, opdat Hij alleen God blijven, en opdat Hem niets in den weg staan zou, om eene geheel nieuwe, naar Zijn ooi'deel alleen heilige schepping in het aanzijn te roepen tot lof der heerlijkheid Zijner genade. Zoo ziet gij dan, dat al het heilige en het heiligen, dat gij zoekt, niet eens ter rechter plaatse is; dat God toen alreeds heeft aangetoond, dat men den vorm niet moet nemen voor het wezen, noch de letter voor den geest, en dat het waarachtig naar den wille Gods zijn niet ligt in
112
de dingen, in welke gij het zoekt, noch ter plaatse is, waaide groote menigte heenloopt, en waarheen ook uwe harten hunkeren, want indien daar ter plaatse de zaak haar beslag had gekregen, dan zou Hij, Die gezegd heeft: .De hemel is Mijn troon, en de aarde de voetbank Mijner voeten'quot; (Jes. 66 : 1), het verbranden buiten de legerplaats niet verordend hebben.
Vers 12.
Daarom ook heeft Jesus, â ziet! ligt niet in dien Naam, âHij zal Zijn volk behouden van hunne zondenquot;, reeds de verkondiging, dat Hij alles heeft uitgericht, en dat alle bijwerk, alle werk van onze zijde niet te pas komt? â daarom ook heeft Jesus, opdat Hij als de waarachtige Hoogepriester het volk Zijner erve door de uitstorting van Zijne eigene ziel, door de vernietiging van Zichzelven in het vuur van Gods heiligheden, geheel en al zoo zou gesteld hebben, dat zij in Gods heerlijkheid in- en opgingen en in de volmaaktste betrekking tot God zouden gekomen zijn, zoodat er niets meer te doen overbleef, â niet in het heilige, niet in den tempel, neen, maar, als een onheilige, en ketter, en kwaaddoener, en als een afbreker van Gods tempel, en versmader van Zijne Wet en instellingen, buiten de poort, dus buiten de stad Gods, geleden en als het ware verbranden laten Zijn lichaam, terwijl Hij met Zijn bloed niet in een vleeschelijk heiligdom, maar tot in de hemelen doorgegaan is; en gelijk Hij in die verbranding ons in Zich had, zoo heeft Hij ook uit Zijne assche, verstrooid in alle vier winden, van den Vader opgewekt, ons medegenomen in dat eeuwige leven, waarin alles heilig, heilig is, vanwege de alles overwonnen hebbende Liefde.
Vers 13.
Wat doen wij dan daar, waar Hij niet is, waar Jesus niet is, waar men dus niet van zijne zonden behouden wordt?
11:'.
Gelijk Hij is, laat ons ook zyn in de wereld ! Laat ons uitgaan tot Hem buiten de legerplaats, buiten die plaats, waar al het volk legert, dat in gedachten, en in overleggingen, en in werken, en in strevingen God wil dienen, en intusschen niet als éénige oorzaak des heils, en grond der vastigheid dat bloed wil laten gelden, dat spreekt, maar Hem tot bijoorzaak der zaligheid maakt, Die zegt: In Mij zult gij uwe vrucht zien. In die legerplaats zijn louter dezulken, die eene gedaante hebben van Godzaligheid, maar die derzelver kracht verloochenen. Vreest hunne smadingen niet, alsof gij buiten waart, want gelijk Hij buiten den wijngaard geworpen, en daar gedood is, maar leeft, en op u Zijne heerlijkheid gelegd heeft, zoo draagt de smaadheid, waarmede zij Hem smaden, want uw loon is groot in de hemelen.
Vers 14.
Want dat blijft hier zoo niet, en het duurt niet altijd. Zoo wij hier altijd hadden te leven, dan zeker ware het niet uit te houden, en zoo die heerlijke tempel, waaruit de heerlijkheid Gods is uitgegaan, na nog lang op den drempel gestaan te hebben, altijd bleve, dan zou men nog wat toegeven, om er stil en gerust en geacht in te mogen leven, en er bestaan en doorkomen onder te hebben. Maar dat gaat hier voorbij, het ontzinkt alles, het wordt overhoop geworpen, het gaat ten vure al wat ten vure bearbeid is. Wat is een godsdienst zonder den levenden God, â wat een cederen tempel, als de hooge cederen omvallen, en alleen het gekrookte riet staan blijft, â wat eene 'priesterschaar, die den eenigen Hooge-priester ontzielt, â wat eene wetleering of heiligingsleer, waarbij men de Wet naar eigene hand zet, en er zoo veel aan toe- of afdoet, als met de lusten en begeerlijkheden, en met het doorkomen door de wereld strookt, â wat een evanarelie.
7 O
dat men tot een masker en mantel maakt, terwijl men weigert te hooren de stem van het alleen in heiligheid zettende bloed? â
s
114
't Gaat alles daarheen, een oogenblik. en daar ligt het lijk, en gevallen is de boom, waar men zoo tegen opzag, met al wat er aan hangt! O hoe vele malen ging en gaat hier die stad, die schoone stad Gods, gelijk zij zich noemt, in vlammen op! â Wat hebben wij hier? eene woestijn, een moerbeidal, en eene stad zoeken wij, waarheen niemand ons den weg weet te wijzen, want zoo wij vragen, wijst ons alle vleesch naar die stad, die voor oogen is, en noemt die Jerusalem; â zoo moeten wij dan alleen zoeken, en vragen, en opsporen, tot wij gevonden hebben, gelijk wij voor haar gevonden, zijn, de stad, waar wij gewis zullen binnenkomen; liet is ons alles tegen, en wij zijn dolende slachtschapen, niemand wil mede, alles zegt, dat wij dwalen, maar wij weten, dat zij er is, dat zij komt, die stad, dat zij komen zal ons te gemoet. (Openb. 3 : 12; 21 : 2.) Wie is die stad, die stad der heiligheid en der heerlijkheid, dat Zion des levenden Gods? Zullen wij ze vinden? het gaat niet op het onzekere. Zij is er, zij is aanstaande, de heerlijkheid Gods; maar eng is de poort, en nauw is de weg, en evenwel leidt zij ten leven: die zoekt, die vindt, die klopt, dien wordt opengedaan. Ach, hebt geen zoet gezicht of vergankelijk kortstondig genot, of geld, of zoogenaamden vrede of leven in de hand liever dan Hem, â zegt dat vaarwel, en laat los, en gaat voort, recht voor u heen; de verstandelooste zal niet dwalen, neen, hij zal niet dwalen, wien het alleen om God te doen is.
Vers 15.
Looft God door Hem, dat is het eenige wapen, looft God door Hem, dat is de eenige daarbrenging, die op de reis staande houdt, en de eenige vrucht, die welgevallig is, âbelijdt Zijnen Naam, en de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge : Kom ! En die dorst heeft, kome! De Heere is aldaar. (Ezech. 48 : 35.)
115
IETS OVER GELOOF.
2 Thessalonicensen 3 ; 2b. 1)
Het g e 1 o o f i s niet aller.
De rechtvaardige uit geloof zal leven, heeft de Apostel gezegd.
Intusschen is geloof bij velen een ding apart, eene hoofdparel onder de parelen, een middel, eene hand, een hefboom, een iets, waarmede men wat doet, of waarop, waarmede, waardoor men in den hemel komen zal.
In de Schrift is het de onderhouding van Gods geboden. 2)
Bij het eerste moet gij noodzakelijk telkens door uzelven en door anderen, bekenden en vreemden, het spoor bijster worden, en gij komt zoo nooit tot rust.
Bij het laatste schreeuwen lusten, begeerten, geld, goed, gemak, eer, belang, schijnzedigheid, godsdienstigheid en vrede, zoogenaamde broederlijke en algemeene liefde, schreeuwt al het zichtbare tegen u in, en gij zelf er tegen in en tegen God in. Wie zich evenwel nu zóó aan het Woord, aan de genade, aan de waarheid en de barmhartigheden van den alleen Heilige en alleen Rechtvaardige in alle smeekingen houdt, die zal leeren, hoe geloof de onderhouding van Gods geboden is, hij zal verstaan, wat zonde is, wat onzes Heeren Jesu Christi genade is, en verzegelen zal hij, dat God waarachtig is.
') Deze stukken zijn antwoorden op verschillende tot Dr. Kohlbriigge gerichte vragen; zij dragen dientengevolge een individueel karakter.
-) 1 Cor. 7 :19 : âDe besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.quot;
116
Ik heb niet beweerd, dat wij door het geloof Gods geboden onderhouden, of door het geloof in Gods geboden wandelen, neen, maar het wandelen in Gods geboden, dat is geloof. Dit zij gezegd tegen het te kooj) dragen van Gods Woord, vermengd met eene Pythagorische heiligmaking en volmaak-baarheidsleer.
Wat recht is bij God, moet in ons vervuld wezen. Wat de Wet zegt, moet er bij ons zijn, niet een bespreken, niet een beschouwen, maar een doen van wat God zegt.
Nu, hoe, wat is de weg ? Rom. 6, daar heb ik het oog op.
Als Gods Geest jegens u goed is, maar uw geest bij Hem niet op rust is vanwege zelfbeschuldiging van onlouterheid [onwaarachtigheid, onoprechtheicV], dan sluit gij immers uzelven het hart toe, zoodat gij de blijde vrucht niet geniet, waarmede Hij wilde, dat gij zoudt verzadigd zijn!
Zoo staat de zaak bij den Heere. Is Israël naar den vleesche niet met genade en weldaden en uitkomsten en goedertierenheden des Heeren overladen geworden ? Roept Mozes het hun niet toe, dat zij tegen den Heere getuigen zouden, of er een rotssteen was, gelijk Hij ? Zegt hij het niet: âUwe kleederen zijn niet verouderd, en uwe schoenen niet versleten op al dezen langen weg, dien gij gegaan zijtquot; ?
Waarom had dan de Heere in het meerendeel van hen geen behagen, daar Hij hun toch gezegd had : âIk ben de Heere, uw Godquot; ?
Had Hij hen niet uit het diensthuis uitgeleid ? Waarom vielen zij evenwel in de woestijn ?
Aanziet de goedertierenheid en de gestrengheid.
Wat beduidt al dat roepen om den Geest, dat gij zoo menig-werf herhaalt ? Weet gij wel, dat gij daarmede de schuld op God werpt, als ware het door gebrek aan Zijnen Geest, dat uw hart niet recht is voor den Heere ?
117
De Heilige Geest is God. Heb een hart tot God, en gij zult vol des Heiligen Geestes zijn, en de Geest der heerlijkheid zal op u rusten.
De zaligheid in de vergeving der zonde ? Ja, dat is zalig, dat ons de zonden zijn kwijtgescholden in Zijnen Naam. Ja, dat is zalig, als ik aan u een millioen schuldig ben, en niets, volstrekt niets heb, dat gij mij alles, alles kwijtscheldt; ja, als gij mij van alles hadt ontslagen, dat zou mij eens voor al zóó doen zijn, dat ik als aan uwe voeten lag, met bedekt aangezicht en met een vroolijk hart, maar ik zou nog eene hoogere zaligheid kennen, nml. dat gij leefdet, en dat uw woord geschiedde. Wij hebben geene macht of kracht van noode, om den wille Gods te doen, want Zijn Woord is het, dat hemel en aarde schept; daaraan ons onderworpen, daaraan ons gehouden, en Hij zal het maken.
Of de Persoon des Heeren de grond is ? vraagt gij. De grond ? Neen, bijaldien dit met vrees voor God gezegd wordt, want dan heet het: ,Christus is Godsquot;; ja, in dien zin, waarin de Apostel zegt: , Eenen anderen grond kan niemand leggen, dan die er gelegd is : Jesus de Christusquot;'. Hij is het Hoofd, de Zoon, de eenige Mensch in genade, Jesus de Gezalfde in vleesche gekomen. God met ons, door dien Eenen zullen de velen tot rechtvaardigen gesteld worden. Nog eens : God met ons. Hij vereenigt Zich met stof, aarde en assche, daarvan wil Hij weten, daarmede Zich vergezelschappen. De Schrift spreekt van gemeenschap hebben met den Vader en den Zoon, en niet van het leggen van eenen persoon tot grond van onze daden. Waar die gemeenschap is, â en die
118
is daar, waar men zich aan liet Woord onderwerpt. â daar is Hij de rijke Goedaanbrenger, en het gaat er alles goed, en de begenadigde, de getrouwde heeft geen idee meer van zich-zelve of van haar doen. Hij is het. Hij is.
Vloeit daar gehoorzaamheid uit voort ? Ziet, waarom moet daaruit wat voortvloeien ? Het is, alsof eene bruid eene huwelijksvoorwaarde begeert, waarbij haar kinderen verzekerd worden. Wij zouden ons over zulk eene aanmatiging schamen, er zij geene sprake van. Zonderlinge twist: -Gij zijt rijk, Bruidegom, maar zult Gij mij wel van alles voorzien Vquot;
Wat is uit onszelven, wat uit Gods Geest of uit geloof? Laat die vraag niet in uw hart opkomen, maar verwerp die deeling. Een geheel, een mensch, stof, aarde en assche, en een G o d, rijk in ontferming over dien mensch, bij dien mensch, in dien mensch wonende en wandelende naar Zijn Woord, en dien mensch sturende, leidende, en houdende in Zijne waarheid ; een mensch, die kracht heeft afgelegd en Gods macht erkent, een worm onder de bescherming des Allerhoogsten, een mensch, een zondaar, en niets anders of meer, bedekt met de genade Christi. Sta ik gezond ? vraagt gij; vraag; Ben ik het? Wat zegt het Woord? Er is eene belofte, die bewaarheid wordt: â Geen inwoner van diezelve stad zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal ontslag van ongerechtigheid hebbenquot;. (Jes. 33 : 24.)
Geloof is het zwaarste en hoogste van de Wet, en daarom het den mensch onmogelijkste, ondoenlijkste, onverdraaglijkste. Hoe dit te verstaan ? Hoe ? â wel, wie wil door anderen en door zichzelven voor onverstandig gehouden worden ? wie staan zonder tegenweer, en als het ware ontbloot van alle
119
bewijs voor hetgeen hij doet en beweert? Gelooven zonder eenig bewijs naar buiten! â De Heere schaamt Zich eens menschen niet, maar elk mensch schaamt zich des Heeren Wet en Getuigenis voor zichzelven en bij anderen. B;j den smaad Christi, bij de ergernis des kruises heeft de mensch altijd eene gewaarwording, zooals men heeft, wanneer men droomt, dat men onder de menschen moet, en men zich ongekleed voelt. In allen gevalle God rondom voor een eerlijk man te houden naar het diepste verstand der Wet, dat vermocht slechts een Eenige. Wél hem, die, vooral op het stuk van geloof, Gods ontferming alleen verheft.
Het geloof is geene afgetrokkene hebbelijkheid. Een in zichzelven goddelooze houdt God den Heere alleen voor vroom, voor rechtvaardig, voor heilig, voor goed, voor wijs, voor almachtig, voor waar, â of hij doet het niet; doet hij het niet, zooals wij het niet doen, laat hij dit liever erkennen, dat is beter, dan te zeggen : ,Vermeerder ons het geloofquot; ; en als dan de Heere tot ons zegt: âZoo gij kunt geloovenquot;, dat wij dan, door den nood geperst, het voor Hem belijden : âIk geloof, â ik geloof niet'1 : met andere woorden, dat het hart schreeuwe ; âIk geloof, help mijne ongeloovigheidquot;. Zoo veroordeelen wij in het voornaamste stuk onszelven en geven Gode recht, en rechtvaardigen Zijne gerechtigheid. Dit tot antwoord op de gewone uitvlucht : met het geloof ziet het er slecht bij mij uit, dit gevoel ik gedurig.
Waarom ontbreken de eerste beginselen, zcodat hoofd en hart verward zijn V Men laat zich binden in de ijdelheid, en evenwel men evangeliseert. Men acht zich verzekerd van de genade, en heeft intusschen geene rust, maar geeft een ont-
J 20
wijkend antwoord op de vraag eener goede consciëntie tot God. De Wet is uitgedrukt in tien woorden, zooals: Gij zult niet stelen, gij zult niet liegen, enz., en toch overal werken des ongeloofs. men weet liet, maar maakt zich diets, dat God zoo iets niet ziet. Zonder geld kan men toch niet eten, zijnen stand en zijne eer niet ophouden: als ik om den wille daarvan of om deze of gene betrekking niet zoo of zoo doe, dan heb ik niet, wat toch noodzakelijk beantwoordt aan mijne behoeften ; zoo redeneert liet hart, kunstelt er eenen goeden schi jn om heen, maakt het zelfs tot eene deugd, of tot iets, dat hem opgelegd is, of daar hij toch zoo niet uit kan, en denkt nu gewaande zonden uit, om de stem te verdooven, die den niensch zijnen rechten plicht voorhoudt. Inmiddels is men min of meer godsdienstig, ijverig, wettisch, evangelisch, kerksch, separatistisch, al naar zijne gesteldheid, en alleen om het geweten te stillen.
Op deze en andere omwegen komt men niet in overeenkomst met Gods Wet, komt men niet tot geloof, al kon men er eenen catechismus over schrijven. De reiziger, die op eenen zijweg is afgedwaald, behoudt zijne taal; zijne reismiddelen moge hij ook behouden, ook zijne organen om te eten en te drinken, â maar hij is niet op den weg, en ook dat maakt zijnen weg niet tot den goeden weg, dat de zon hem beschijnt en de regen Gods hem verkwikt!
.Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagenquot;, dit is Gods woord, en de onderwerping daaraan, het doen dienovereenkomstig is geloof. De gedachte ; âJa, zoo stipt, .. . waar zou ik dan van leven ?quot; voedt den dief en den doorbrenger, die, al is het na jaren, het in onrecht verzamelde wegrooft of verslindt. Hier is de keus tusschen de inkomsten en den schijnbaren ondergang van zich en zijn gezin. âGij zult niet begeerenquot;, zegt Gods Woord, en hierbij hebbe men Gods Wet boven eigen behoud en boven het zichtbare gesteld; hier moge men dan dien vreeselijken strijd ervaren tusschen genot en gebod ; wien het er om te doen is, dat God God.
121
en Zijn Woord Zijn Woord blijve, die zal zich bij zulke worsteling om gerechtigheid beschenen en bestraald zien van Gods vriendelijk aangezicht in het Lam, Dat de zonde dei-wereld wegdroeg. In zulk eenen en in eiken weg, want ieder weet, waar hem de schoen wringt, zal de mensch, die God en Zijn gebod boven zich en boven het zichtbare komt te stellen, gewaar worden, hoe koninklijk God beloont, en hoe vorsteJijk en trouw Hij er door helpt. Overigens zijn er geene regels voor te schrijven van doen of van laten, eenen rechtvaardige uit geloot' is alles verstaanbaar, zonder die rechtvaardigheid is alle betrachting van wet en gebod zoo strafbaar in de beweegredenen, waarom men dezelve betracht, als het niet achten van dezelve strafbaar is. De voorstanders der monnikengerech-tigheid, zooals Antonius, Augustinus, Hieronymus enz., en de voorstanders van dat geloof vol onrust, dat niet in Gods Wet opgaat, geven ten laatste elkander toch de hand.
Ofschoon alles u toeroept: âWat zoudt g ij bidden !'' â bidt, en u zal gegeven worden; ofschoon alles u met verwijtingen overlaadt: dat gij nu verloren zijt, â zoekt, en gij zult vinden ; ofschoon alles u toeschreeuwt; , Het is nu voor u gesloten !quot;â-klopt, en u zal opengedaan worden ! Ik vraag niet, of gjj u van de wellusten dezes levens wilt laten ontslaan, u daarvan wilt losmaken, â huichelarij, zoo wij ons voorstellen dit wezenlijk te willen, zonde heeft haar doen lief. God vraagt, of gij u aan Zijne en onder Zijne Wet wilt laten binden, of gij u daaraan van harte onderwerpt, niet om ze zelf te doen, maar om hare rechtvaardiging l) in u vervuld te hebben, niet in den zin van eene quasi-Christelijke zedeleer, maar in den zin Gods. des Heeren. Dat is geloof: afstand doen van het vermeten om engelen of wat bijzonders te wezen, erkennen,
') Hare rechtvaardiging, zoodat niets meer u verdoemen kan, maar het recht der quot;Wet in u vervuld zij (verge!. Rom. 8 : 4).
122
dat God God is, en wij, de schapen Zijner weide, menschen, en dat wij dan zóó Hem alleen blijven aanhangen en Zijn doen vermelden, zooals Hij ons gerechtigheid heeft doen worden in den Gezalfde.
Zoo men God gelooft, is er geene rust nacht noch dag, voordat men Gode geloovig geworden is. Zoo men van harte de dingen Gods als waarachtig erkent, en des Heeren Woord tegen zicli laat staan, en het voor geen spel houdt, maar voor hetgeen het is, dan zal men zich geene rust laten, voordat, zooals de Apostel Petrus het uitdrukt, de dag zij aangebroken en de Morgenster opgegaan zij in het hart (2 Petr. 1 : 19), of voordat men de bewustheid hebbe, dat men in Geest is en niet in vleesch, of, dat men zich met zijn hart verlate op den levenden God in het aangezicht van Jesus Christus. Het hart nu wordt bevestigd door genade, â gereinigd door geloof.
Voorts bestaat de zaak der rust niet daarin, dat ik geloof, of het mij opdring, dat Christus voor m i j gestorven is, maar dat ik daar, waar mijn heilige plicht mij roept, en waartoe die mij roept, naar het gezond menschenverstand, of wilt gij liever, naar de prikkeling des Geestes, Welke in ons zegt: âDit ligt zóó, dit is zóó, zóó spreekt Gods Woord, derhalve valt dit of dat te doenquot;, de hand aan den ploeg sla, â en bij de onmogelijkheid mijnerzijds om het ten uitvoer te brengen, worstelingen Gods worstel, totdat Die mij er door geholpen hebbe. In dien weg leert men de gangen Gods, de gangen Zijns heiligdoms; voor hen, die het zichtbare op het oog hebben, zijn zij niet goed duidelijk te maken, want, waar geene behoefte naar recht is, wat begrip kan daar wezen van dingen, die op Gods recht en Wet gegrond zijn ? Duister zijn die zaken niet, maar de mensch is duister, â het oog zoo schaars eenvoudig, â en de kinderkens ! ! als de vader met hen op het ijs gaat, dan vragen zij niet, of het houden kan, en als men zegt: âDien weg op!quot; dan gaan zij. Zij matigen het zich
niet aan, dat zij kinderkens zijn. Zoo zij zicli kinderen noemen, dan doen zij liet, omdat zij het zijn, en altoos in huishoudelijke betrekking, altoos ten opzichte van vader en moeder, of omdat zij zoo klein zijn.
Ons geloof is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft, zoo staat er in het Grieksch, 1 Joh. 5: 4.1) âIkheb de wereld overwonnenquot;, zegt onze Heere.
Houd gij u aan het eenvoudige getuigenis der waarheid, en leg u niet op het overwinnen toe, dan zal uw geloof overwonnen hebben, voordat gij aan den slag komt.
Wat het is, den Zone Gods te hebben, 1 Joh. 5 : 12 wordt opgehelderd uit Hoofdstuk 1 : 3 2). Maar de bestendige bewustheid daarvan ? -â Gij hebt de bewustheid van familie te hebben. Altijd ? en overal ? Wordt die bewustheid dan niet dikwerf door allerlei voorwerpen of door aandoeningen verdrongen ? Denkt gij er altijd aan, als gij bij anderen zijt ? Gaat daarbij niet veel als werktuiglijk toe, dat gij eerst zoudt gevoelen bij gemis ? . Wie in de leere Christi blijft, heeft beiden, den Vader en den Zoonquot;', zegt Johannes (2 Joh. vs 9.) Meer valt er niet van te zeggen. De bewustheid er van komt op in de aanvechting, de blijken er van ziet men na hoogen nood, en de gewaarwordingen er van zijn, in dien nood, onder het bidden, nog sterker dan de gewaarwordingen er van na dien nood. Verder gaat het ook daar als werktuiglijk. Waar water in den bak is, komt het op, als men aan den slinger
1
Joh. 5 ; 12 : âDie den Zoon heeft, die heeft het leven ; die den
2
) 1 Joh. 1:3: //Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijnen Zoon Jesus Christus.quot;
124
trekt, en er staat altijd water in den zuiger, dat dan ook bewogen wordt, â en het hart is niet lek, als men in de gezonde leer blijft.
Die gezonde leer nu is het Getuigenis Gods. Wat getuigt God dan ? Dat Hij ons eeuwig leven gegeven heeft. (1 Joh. 5 : 11.) ') Waar is dat leven ? In Zijnen Zoon. Gij ziet, dat wie de gezonde leer heeft, het leven heeft, en gij ziet, waar dat leven is. Wie de gezonde leer heeft, heeft dit alles, en de houders daarvan, (d. i. die ze bewaren), behooren tot die wij.2) Voor zooverre gij u dan op die gezonde leer verlaat en daarbij blijft, behoort gij tot die wij. Waarheid in Jesus is geene beschouwing maar wezenlijkheid, maar des Onzichtbaren openbaring in vlee die. en berekend voor vleesch. en vleesch berekend voor deze openbaring, omdat het vleesch is.
Wie het levende Woord heeft, heeft in datzelve eeuwig leven, hetwelk is in den Zone Gods, Die het leven en de onverderfelijkheid heeft teweeggebracht. Wiens scepter een scepter is van rechtmatigheid, en Die de gerechtigheid liefheeft.3)
, Heeft dan het individueel geloof geen ander standpunt dan het objectieve Woord?quot; Zóó gevraagd, neen. Kunt gij dat niet als mensch gevoelen, dat gij God boven u hebt ? Spreekt dat niet in uw binnenste, dat Hij leeft, ja, spreekt Hij niet in uw binnenste, dat Hij in u is, en nabij u? Is dan het Woord des geloofs, de zaak des geloofs niet in uwen mond en in uw hart? Staat dat niet geschreven Rom. 10 : 8? Is er bij het staren op het ijle geene hoop daarboven, daarboven geen levend God en getrouw Ontfermer en waarachtig Behouder der zielen ?
') 1 Joh. 5 ; 11: //En dit is de getuigenis, namelijk dat ous God liet eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijnen Zoon.quot;
2) Dit en het vo'gende »wijquot; ziet ongetwijfeld op het //Onsquot; in 1 Joh. 5:11. :') Vergel. Kohlhriigge, Brieven enz., pag. 225 en 226.
âBen ik er in?quot; vraagt gij. â Moet het feit dan nog gebeuren ? Is het geen feit, dat God Zijnen Zoon gezonden heeft, geboren van eene vrouw ? Is het geen feit, dat God alzoo eene wereld heeft liefgehad, dat Hij Zijnen Alleengeborene gaf?
Is het geen feit, dat Christus Jesus in de wereld is gekomen, om zondaren gered te hebben? Is het geen feit, dat de Heere gezeten is ter Rechterhand der Majesteit ? Is het geen feit, dat Hij Zijnen Geest heeft uitgestort over alle vleesch ? Zijn het geene feiten: dat onophoudelijk beloonen, waarmede de God en Vader onzes Heeren Jesu Christi beloont allen, die Hem in het verborgene zoeken ? âMaar ik ?quot; Weg met i k, â Hu.
3Hoe ontdoe ik mij van die stemmen?'' Geef ze gelijk! âIk ben het niet waard, ik ben er onbevoegd toe.'quot; Maar, wie gij zijt en of gij er zijt, wat vraagt gij daarnaar. Is Hij er, of is Hij er niet ? Is Hij in vleesche gekomen, of niet ? Is Hij niet door de hemelen doorgegaan, zit Hij niet daar, de Bron en Schenker en Uitdeeler van allen Geest, en heil, en leven, en genade ? Heeft Hij niet alles onder Zijne voeten onderworpen ? Vraag, met de hand op het hart, op grond van Gods Woord, of deze dingen zoo niet zijn? en bekommer u niet verder. Die Hem vasthoudt met voorbijgaan van zich-zelven, heeft God lief en zijnen naaste, hij gaat recht voor zich heen, zijne hoop, troost en Wet is de God zijns levens, deze is onze God, de God Jakobs.
Het onzichtbare merk aan, en gij hebt op aarde ruimte en vrijheid, en vrijheid en ruimte van handelen, en, te midden van een krom en verdraaid geslacht, zult gij schijnen als een licht in de wereld. ')
') Vergel. Kohlbnigge, Brieven enz., pag. 210 en 211.
TEKSTREGISTER.
(De bier met vette cijfers aangeduide teksten zijn die, welke aan het hoofd der verschillende stukken staan.)
|
Genesis. Bldz. 4:7........68 12 : 13........99 20 : 12........99 21 : 9, 10.......98 25 ; 29 vv........99 126 : 7........99 27.........99 31 : 36........99 38.........98 Denteronomiuin. 26 : 5........90 Josua. 6.........98 17 : 16-18......87 Riehteren. A.........87 I Samuël. 8:5........43 10 : 12........43 10 : 27........43 11 : 7........43 11 ; 13........43 1 3.........99 13 ; 1 vv........41 15 : 11, 35......44 19 : 23, 24 ............43 21.........99 23 ; 6........45 26 : 25................45 II Samuël. 1 : 17 vv........44 2 : 16.......,42 7 : 12â14......78 12 : 31........99 15 : 34........99 19 ; 23........101 |
I Koningen. Bldz. 2 : 8, 9.......101 II Koningen. 1 : 9â15.......102 2 : 9, 10a......37 6 : 11â23......87 6 : 22........103 9 : 35........86 13 : 14........87 13 : 18, 19......38 13 ; 19..............103 13 : 21........88 I Kronieken. 10 : 14........42 II Kronieken. 32 ; 25, 31.......81 Job. 12.........98 Psalmen. 2.........78 6.........54 22 ; 17........86 40 : 7â11.......24 60 . . .......19 82 : 4........58 97.........78 10 8.........19 109 ; 8ft.......100 -----7-- Prediker. 7:9. , 7 : 16, 17 7 ; 20 . , 9 : 7â9 II ; 9 . , Spreuken. . 58 . 100 . 97 97, 100 94, 96 . 94 |
127
|
Jesaia. |
Bldz. |
Joliainies. |
Bldz. |
|
1 : 13, 17. . , . |
... 49 |
... 9 | |
|
6:1-3. . . |
24 |
1 : 18..... |
... 6 |
|
7 : 12..... |
... 95 |
3 : 13..... |
... 36 |
|
33 ; 24 ..... |
. . .118 |
3 : 34..... |
... 36 |
|
38 : 21a. 17 . . . |
. 35 |
... 50 | |
|
40 : 5..... |
. 35 |
12 : 44, 45. . . . |
... 11 |
|
... 35 |
13 ; 10 ..... |
... IS | |
|
. 35 |
15 ; 2. 3 . . . . |
... 18 | |
|
47 ; 4..... |
... 35 |
15 : 5â7 en 10 . |
... 16 |
|
60 : 1..... |
... 35 | ||
|
66 : 1..... |
... 112 |
21 ; 15â17 . . . |
... 83 |
|
66 ; 18, 5 . . . . |
... 35 |
llaudelin^en. | |
|
Jeremia. |
3 : 18..... |
... 47 | |
|
3 : 14..... |
... 80 |
3 ; 19-21 . . . |
... 46 . . . 103 ... 90 |
|
Ezechiël. |
15 : 10, 11. . . . | ||
|
16 : 3..... |
. . . 90 |
... 46 | |
|
18 : 24 . . . . |
... 62 |
16 ; 3..... |
... 99 |
|
48 : 35 ..... |
. . 114 |
16 ; 37 ..... |
. . .100 |
|
Habakuk. |
23 : 6..... |
... 100 | |
|
3 : 18..... |
02 |
28 ; 15 ..... |
... 21 |
|
Maleachi. |
Romeinen. | ||
|
4...... |
... 22 |
3 : 31..... | |
|
4:6..... |
... 66 |
5:5..... |
... 14 |
|
Mattheüs. |
5 : 20..... 6...... |
... 23 . 30. 116 | |
|
1 : 21..... |
... 21 |
6 : 5, 6 . |
... 31 |
|
8 : 12..... |
... 62 |
8 : 1, 2 . . . . |
... 24 |
|
10 : 31 ..... |
... 56 |
8:4..... |
. . .121 |
|
11 : 3, 7, 8 . . |
... 19 |
8 : 14..... |
... 24 |
|
12...... |
... 59 |
9...... |
... 42 |
|
12 : 28 ..... |
... 36 |
9 : 2, 3 . . . . |
... 44 |
|
Markus. |
10 : 8..... |
. . .124 | |
|
3 : 31..... |
... 21 |
11...... |
... 42 |
|
8 : 34, 38. . . . |
... 64 |
11 : 26 ..... |
... 48 |
|
Lnkas. |
11 : 33 ..... |
... 43 | |
|
1 : 17..... |
... 66 |
I Corlntlien. | |
|
2 : 48, 50. . . . |
... 21 |
1 : 21-25 . . . |
... 26 |
|
9 : 54..... |
. . .102 | ||
|
10 ; 22 ..... |
... 6 |
3 : 21-23 . . . |
... 27 |
|
10 : 25 vv.. . . |
... 49 |
4 : 10a . . . . |
... 91 |
|
13 ; 16. . . . |
7 : 19..... |
. . .115 | |
|
1amp; ; 7 . . . . |
... 62 |
9:9..... |
... 56 |
|
15 : 31 . . . . |
... 62 |
12 : 23, 24 . . . |
... 93 |
|
17 : 5 . . . . |
... 38 |
13...... |
... 94 |
28
|
II Corinthen. Bldz. 3 : 3, 6, 7, 8, 17, 18 ... 24 3:9........24 3 : 13........79 3 : 16........80 3 : 18........80 4 : 17, 18......74 a : 1â4.......72 5 ; 19........5 Galaten. 2 ; 3, 4.......99 3 : 17.......23, 89 3 ; 20........90 4:4.......9, 90 4 : 22â25 ............32 4 : 29........24 5 : 16, 17, 18, 22, 25 . . . 24 Efezen. 1 : 9, 10.......89 3 : 10........90 Filippensen. 2 : 5 vv........3(5 3:9........109 Colossensen. 1 : 14â20.......27 1 : 19........31 1 : 19â21.......89 1 : 22........31 1 : 23........89 2:6........77 2 : »........29 2 : 11â14......31 2 : 14........12 2 : 20........31 3:1........31 3:5........31 3 : 9, 10.......31 II Thessalonicensen. 2 : 3, 4.......101 3 : 2amp;........115 I Timothelis. 3 : 16........1 |
Titns. Bldz. 3 : 14........49 Hebreen. 1:6........78 9 : 14........23 10 : 5........78 10 : 13........48 10 : 36........88 11 : 34........87 11 : 39, 40..............89 12 : 22â25..............50 12 : 28........109 13 ; 8-15.......105 Jakobus. 4:5........66 4 : 11........68 I Petrus. I : 10-12......89 II Petrus. 1 : 19........122 I Johannes. 1:3........123 5:4........123 5:11........124 5 : 12........123 II Johannes. Vers 9........123 Judas. Vers 6........69 Openbaring. 3 : 12........114 5:9........10 6:11........90 2 0.........49 2 1.........53 21 : 2........114 21 : 4....... . 53 22 : 2........53 |