VAN
Art. 8 Wetboiik van Sli-alVcrlit.
Academisch Proefschrift
li;k vkrkki.k iJ n(i van 1»kn (ill a ad van
Doctor in
\ W IM- I \ 1 \ i:i:HTKI l \ W \Mgt; ! I.KhAM
fM' t:i-i/A(J VAN 1gt;MN KK» T* '1; .M Alt; iM l-'U
B, J., STOKVIS,
f-fOOv.l I ⢠L KAAK' IN DE F A C. IL T R11quot; DliK ji [â ' . . 1-. L- .KHNDJquot;,
IN HET OPENBAAR TC VLRDtDiGLN
OP DON DEHDAG L)KN 7' â¢) U LI I89L'
dos namiddags tou 4 nro
IN IIK'I' L: N: IVKli.slTKI TS(I Kl'.i )r\\
â
|
, \ - ' \ ' ' : ⢠â â i %ï: -r'; ;quot; â¢: 'r.-.-' â . 1 â . i ⢠â¢. 7 â , ⢠â ; gt;⢠â¢: V â â -lt;$Â¥?':* ': '⢠â â |
|
Ã.IÃl
. -
/lt;Pc-i
DE VOLKENRECHTELIJKE UITZONDERINGEN
VAN
Art. 8 Wetboek Tan Strafrecht.
Academisch Proefschrift
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
Doctor in de Rechtswetenschap,
AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM
OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS
Dquot; B. J. STOKVIS,
^OOGLEERAAR IN DE f ACULTE1T DER pENEESKUNDE,
IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN
OP DONDERDAG DEN 7quot; JU LI 1892
des namiddags ten 4 ure
IN HET UNIVERSITEITSGEBOUW
GEBOREN TE VESSEM.
AMSTEBDA M,
j. H. DE W 1 T
ISOS.
INHOUD.
Bi, adz.
Hoofdstuk I. Arl. 8 Wetboek van Strafrecht ... I Hoofdstuk II. liet karakter tier volkenrechtelijke uit-zonderingen op de bepalingen van Arl.
2-7 Wetb. van Strafrecht.....18
Hoofdstuk III. Gezanten..........59
Hoofdstuk IV. Consuls..........125
Hoofdstuk V. Souvereinen.........144
Hoofdstuk VI. De Paus en de Pauselijke gezanten. . 171
Hoofdstuk VII. Schepen..........199
Hoofdstuk VIII. Legerafdeelingen........281
Aanhang...............505
Hoofdstuk I.
ART. 8. WETBOEK VAN STRAFRECHT.
Gold in de Germaansche wereld gedurende de eerste periode der Frankische heerschappij het stamrecht van den dader, sints de 9e eeuw begon de huldiging van het territorialiteits-beginsel door te dringen. Aan den rechter van een staat werd het strafrecht van dien staat ter handhaving toevertrouwd. Ieder, die binnen de grenzen van een staat een delict beging, werd onderworpen geacht aan het strafrecht van dien staat, onverschillig tot welke nationaliteit hij behoorde. Onbetwist is thans het beginsel, dat iedere staat, krachtens eigen souvereiniteit, ten aanzien van het strafrecht, voorschriften kan geven, verbindend voor iedereen, die zich op zijn gebied bevindt.
De coëxistentie der verschillende staten bracht hen herhaaldelijk in aanraking met elkander en uit dat verkeer ontwikkelde zich door gewoonte een samenstel van rechtsregelen, die met het oog op de bevordering en de zekevheid van dat internationale verkeer, aan de verschillende staten eene beperking hunner absolute souvereiniteitsrechten oplegden. Naarmate de beschaving toenam, de betrekkingen der volkeren onderling vriendschappelijker en menigvuldiger werden, kwamen ook die regelen meer tot ontwikkeling en ontstond er een, te voren onbekend, onderdeel dei-rechtswetenschap â het volkenrecht. â Dat volken-
- 2 -
recht â hoofdzakelijk gewoonterecht - erkende gevallen, waarin het den staat niet geoorloofd was, delicten op zijn territoor gepleegd, te vervolgen en te bestraffen. Het verplichtte den staat in die gevallen de vervolging en bestraffing aan eenen anderen staat over te laten. Het waren uitzonderingen op het territorialiteitsbeginsel.
De ontwikkeling van het volkenrecht heeft intus-schen niet stil gestaan; vooral in deze eeuw is groote vooruitgang te bespeuren. Doch al heeft het volkenrecht hier en daar een schriftelijken vorm aangenomen, hoofdzakelijk is het ook thans, evenals vroeger, gewoonterecht.
De Nederlandsche strafwet gever, krachtens eigen souvereiniteit, vrijelijk de grenzen stellende voor de Ontstaan van art. 8 werking zijner wetten, had echter rekening te houden strafr' met, en zijnen rechters eerbied te gelasten voor het
volkenrecht, bepaaldelijk met het oog op art. 3 der wet, houdende algemeene bepalingen van wetgeving voor het Koninkrijk, door welk artikel alle kracht ontzegd wordt aan de gewoonte, tenzij de wet er naar verwijst.
Hij stelde dus dezen regel in art. 8 Wetboek van Strafrecht:
De toepasselijkheid der artikelen 2 â 7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.
âIn eene volledige regeling van de heerschappij der Nederlandsche strafwet â zeide de Memorie van Toelichting â mag eene wettelijke erkenning van Mem. van Toei. het volkenrechtelijk beginsel van exterritorialiteit niet ontbreken. Gewoonte geeft geen recht, dan alleen wanneer de wet daarop verwijst. Deze regel geldt ook voor volkenrechtelijke gewoonten, hoe oud en algemeen erkend dan ook. Beperking van de algemeene voor-
- 3 -
schriften over bet plaatselijk gebied der Nederlandscbe strafwet en de personen aan hare heerschappij onderworpen door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend, kan den rechter alleen vrijstaan uit kracht van eene uitdrukkelijke wetsbepaling.quot; ') Bij het ontwerpen van zoodanige bepaling kon tweëerlei weg worden ingeslagen. De nederlandscbe wetgever kon, gelijk ait. 4 van het Saksische strafwetboek van 1855, trach- Tweeërlei weg mogelijk, ten de bepaalde uitzonderingen op te sommen, of wel met art. 12 van het Beiersche strafwetboek van 1862, in het algemeen naar die uitzonderingen verwijzen. Door den eersten weg in te slaan, kon de wetgever de taak des rechters zeer veel verlichten, door hem te ontslaan van het lastige onderzoek, wat het ongeco-difleeerde volkenrecht al dan niet medebrengt; hij liep dan echter gevaar onvolledig te zijn in de opsomming aw- en nadeeieni der uitzonderingen, hetgeen den staat bij toepassing van het artikel aan internationale moeielijkheden en verwikkelingen met andere staten zou bloot stellen.
âEen beginsel van volkenrecht, zegt de Memorie van Toelichting, is niet wél vatbaar voor eenzijdige regeling. Codificatie kan hier alleen het gevolg zijn van internationale regeling. Zoolang deze ontbreekt, moet men den rechter niet binden door beperkende voorschriften, maar hem geheel vrijlaten in het onderzoek,
wat het ongecodificeerde volkenrecht medebrengt.quot; De laatste weg scheen den wetgever daarom verkieselijker en werd ook door art. 8 ingeslagen. 1) Doch al kan men, om de opgenoemde gronden, niet anders dan
1
) Het stelsel der Nederlandsche strafwet is aangenomen in de Wetboeken van Lnzern § 2 in fine, Zurich § 3 in fine. Zoo ook reeds het Crim. Wetb. van 1809, art. 2.
- 4
instemmen, met de goedkeuring, die het stelsel der regeering, zoowel van de zijde van den Raad van State, als van de beide kamers -ten deel viel, men mag van den anderen kant het oog niet sluiten voor de moeielijkheden, waarin de rechter geplaatst wordt hij het onderzoek naar hetgeen al dan niet volkenrechtelijk is. Hoe moeielijk is het niet, vast te stellen of iets gewoonte-rechtelijk i is ? En wat waarborgt ons de vermijdingquot; van internationale verwikkelingen, als het twijfelachtig is, of een bbepaald ^geval 'in het volkenrecht is erkend en het derhalve nog meer aan twijfel onderhevig is, of de betreffende staat eene hem ongunstige beslissing onzer rechters als juist zal erkennen. Dit gevaar was echter in nog veel hoogere mate aan het andere stelsel verbonden, waarbij de rechter wellicht, bij onvolledige opsomming^ der uitzonderingen, gedwongen zou zijn, gebonden door den duidelijk uitgesproken wil des wetgevers, een vonnis te vellen volkomen in strijd met het volkenrecht. Het stelsel van art. 8 heeft bovendien nog dit voordeel, dat het steeds op de hoogte blijft van het volkenrecht, welke ook de wijzigingen mogen zijn, die er in de toekomst in aangebracht zullen worden.
Terstond doet zich nu de vraag voor: wat is te verstaan onder âhet volkenrecht'' waarnaar art. 8 verwijst? Welke zijn de bronnen van dat recht? Waar is het te vinden?
Tal van definities van volkenrecht zijn door de schrijvers gegeven. Allen laten het standpunt doorschemeren waarop de schrijver stond en houden rekening met hetgeen hij als bronnen van het volkenrecht beschouwde. Grotins meent, dat het volkenrecht, dat recht is, hetwelk zijne verbindende kracht dankt aan den wil van alle of^een groot aantal van staten
- 5 -
en dat zich openbaart door het gebruik en de meeningen der geleerden.1) Vattel noemt volkenrecht: âle droit qui a lieu entre les nations ou états et les obligations qui répondent a ce droit.quot; *)
Pinheiro-Ferreira noemt het; âl'ensemble des droits et des devoirs qui existent^ entre les états en dehors de la force et indépendamment de toute légis-lation;quot; 2) Bello : âla collection des^lois ou régies générales de conduite que les nations doivent observer entre elles dans l'intérèt de leur sécurité et de leur bien-être commun;quot; 3) Wheaton noemt het volkenrecht; âl'ensemble des régies de conduite que la raison déduit, comme étant conforme a la justice, de la nature, de la société qui existent parmi les nations indé-pendantes, en y admettant toutefois ces définitionsou modifications, qui peuvent être établies par 1'usage et le consenternent général.quot;4) âLe droit international, (zegt -Kent) e'est ce code d'instruction publique, qui déflnit les droits et present les devoirs des peuples dans leurs relations entre eux, suivant les usages généraux des nations.quot;5) In denzelfden geest Travers-Twiss en Hal leek.6) âVölkerrecht, (zegt Bluntschli) ist die
1
Grotius: de jure belli ac pacis I. 1 § 14 n'. 1â2.
2
') Piukeiro-Ferreira: Cours de droit public int. et externe. T. II. Part I. Sect. 2. Art. 1. § 1.
3
*) Bello; Princ. de droit des geus. Prél. 1.
4
II § 1. Definities zijn verder gegeven door Renault Intr. a 1'étude du droit intern, blz. 4; Fiore: Nouveau droit intern, public. T. I. blz. 55. (Ed. par Pradier-Podere); Carnazza-Amaré: traite de droit int. public en temps de paix, (traduction de Montarani Révest T. 1. blz. 52; KI ü b e r: Völkerr. I § 1; Heffter; Droit intern. I § 1; Ortolan: regies intern, et dipl. de la mer. I. Cbap. 4; F r a n c k ; in Dictionnaire général de la politique de Maurice Block Vee Droit des gens; F o e 1 i x :
5
6) Kent: Comm. sur le droit américain. 1 § 1.
6
'j_T r a v e r s - T w i s s : The^law of nationsquot;;'!! a 1 l e e k ; Int. Law, Cb.
_ 6 -
anerkannte Weltordnung, welche die verschiedenen Staaten zu einer menschlichenRechtsgenossenschaft ver-bindet und auch dei: Angehörigen der verschiedenen Staaten einen gemeinsamen Rechtsschutz gewahrt für ihre allgemein menschlichen und internationalen Rechte.quot;
Behoudens hetgeen omtrent den rechtstoestand van den Paus zal worden opgemerkt, is het volkenrecht het samenstel der rechtsvoorschriften die de verhouding tus-schen de staten regelen, aldus mag men het wel deflniee-ren. Alle schrijvers stemmen hierin overeen, dat de Staten de subjecten van het volkenrecht zijn: de staat als zoodanig, heeft rechten en verplichtingen. Zijn nu alle staten subjecten van het volkenrecht? Verscheidene schrijvers spreken van een âEuropeesch volkenrechtquot; (o. a. Neumann).1) Pradier Fodéré heeft als titel voor zijn groot werk: âtraité de droit international public Europeen Gebied van het volken, âet Americain.quot; F. v o ii Ma r t e u s noemt zijn werk.,quot;Vol-kerrecht der eivilisirtenNationenquot;Bluntschli, Weer anderen spreken van een âChristlichesVölkerrecht.quot;
âDas moderne Völkerrecht, (zegt F. v o n Martens) ist ein Produkt des Culturlebens und Rechtsbewusst-seins der Nationen Europaischer Civilisation. Wie die Geschichte der internationalen Beziehungen beweist, sind die gemeinsamen socialen Aufgaben, denen die Staaten lm Verkehr nachstreben, und die gleichartigen sittlichen wie rechtlichen Anschauungen â diese unerlasslichen Voraussetzungen je der internationalen Rechtsordnung â zu erst in Europa entstanden, bis
traité de droit int. privé. Cliap. I. Introd. n*. 1 ; Masse: Droit comm. dans see rapports avee le droit des gens etc. Tit. II. ehap. 1 n*. 35 vlg.; Calvo: Droit intern. I. Livrc 1 Sect I Ed. 18S0 pag. 115; Funck Brentano et Albert So rel; Précis du droit des gens biz. 3; Pr a-dier Fodéré: traité de Droit Intern, public I§1; Neumann: Gruudriss biz. 3 ; P. von Martens; Volkerrecht I § 40.
') Ook H e f f t e r.
- 7 -
hierzu jedoch noch lange nicht in allen Staaten der Erdkugel in 's Lehen aufgenommen. Demnach be-schrankt sich das Geltungsgebiet des Völkerrechts anch nur auf diejenige Völker, 'welche die elementaren Grundsatze der europiiischen Cultur anerkennen und also des Namens gesitteter Nationen würdig sind.
Die eigenthümlichen socialen und staatlichen Zu-stande, in deneu sowohl die tnuhamedanischen Yölker-schaften als auch die heidnischen und wilden Stamme leben, gewahren absolut keine Möglichkeit, beim Verkehr mit diesen uncultivirten oder halb cultivirten Nationalitaten das Völkerrecht in Anwendung zu bringen. Die internationalen Beziehungen wurzeln in der Ides der Gemeinschaft, welche ohne tiefere, die Völket' verbindende Solidaritat der Interessen, ohne Gemeinsamkeit der Bestrebungen ganz undenkbar ist. Die muhamedanischen dagegen werden ausschlieslich nach dem, allen andersglaubigen Nationalitaten gegen-über feindseligen, intoleranten Koran regiert. Und was die barbarischen Stamme betrift, so empfinden sie nicht nur kein Bedürfniss nach internationalem Verkehr, sondern haben meistentheils, nicht einmal eine feste gesellschaftliche Organisation, ja kaum be-stimmte territoriale Grenzen. Trotzdem ware die Annahme falsch, alsob die thatsachlich unterhalten Beziehungen zwischen civilisirten und uncivilisirten Vólkern überhaupt ganz ohne jede rechtliche Bestim mbarkeit seien.quot;....
En verder heet het:...... âwir wollen nicht damit
sagen, dass das Völkerrecht sich in exclusiver Weise auf Christliche Grundanschauungen stütze und auch nur für die Beziehungen derjenigen Nationen, die sich zum ChristeiiLhum bekennen, giltig sei. Gewiss nicht, denn es kann recht wohl anerkannt und befolgt werden, un-abhangig von dem im Lande horrschenden religiösen
- 8 -
Glauben. Unerlasslich jedoch bleibt, dass die Völker......
hinsichtlich der vernunftigen Ziele des menschlichen Daseins und des Berufes der Staaten gerade die Ansichten theilen, welche die uralte Cultur der civilisirten Nationen Europa's zu Tage gefordert hat.quot; 1)
Bluntschli geeft aan het Volkenrecht een veel uitgebreider gebied, als hij zegt: âSo weit das Recht der Mensch-heit reicht, so weit reicht das Völkerrecht.quot; 2)
De uitdrukking, Europeesch of Christelijk volkenrecht is stellig te beperkt, wanneer men daarmede wil uitdrukken dat niet Europeesche of niet Christelijke stalen buiten het gebied van het volkenrecht zouden zijn gesloten. Wie zal kunnen beweren, dat de Ver-eenigde Staten van Noord-America, om een voorbeeld te noemen, niet ^evengoed als Europeesche staten aanspraak hebben op de bescherming van het volkenrecht ? Is niet in 1856 bij het tractaat van Parijs de Porte opgenomen in het âEuropaische Staaten-Concert ?quot;
De grens door von Martens getrokken is te eng, die van Bluntschli te uitgebreid. Al valt het niet te loochenen, dat wilde horden niet op den zelfden voet kunnen behandeld worden, als de staten van het geciviliseerde Europa, Van den anderen kant zou men te ver gaan, eenvoudig de musulmansche of andere landen, die niet op dezelfde hoogte der beschaving staan als de quot;christelijke staten van het volkenrecht uit te sluiten. Het gaat niet aan met von Martens te beweren, dat diequot; uitsluiting reeds daaruit blijkt, dat de grootmachten, ofschoon âdie Gleichberechti-gung der Hohen Porte mit den übrigen Europaischen Regierungenquot; uitsprekende, niettemin het verzoek om
1
') F. v o n Martens; I j 4],
2
) Bluutschli: Das moderne Völkerrecht der civil. Staten § 8.
- 9 -
opheffing der consulaire jurisdictie en der Capitularia van de hand wezen.
Al schijnen deze onvereenigbaar met de souvereini-teit der geciviliseerde staten zooals von Martens het uitdrukt, bewijst dit dan, dat Turkije niet subject is van het volkenrecht ? Is de exterritorialiteit van gezanten enz, waarvan in dit werk sprake zal zijn, niet even zeer een inbreuk op de souvereiniteit van iederen staat ? Wie zal daaruit echter afleiden, dat staten, die zulk een inbreuk toestaan, geen leden zijn der âVölkergemeinschaftquot; ? Hadden in vroegere eeuwen de consuls in Europa niet even uitgebreide rechtsmacht als thans in de Barbarijsche staten? Wie zal op dezen grond beweren, dat alle toenmalige .staten geen subjecten van het volkenrecht waren?
Alsof eene inkorting van de souvereiniteit de hoedanigheid van rechtssubject deed verliezen! Berusten die voorrechten der consuls niet juist op Capitulation, en wat zijn die Capitulation anders dan overeenkomsten van het volkenrecht ? Heeft Turkije niet eeuwenlang reeds verdragen gesloten met andere staten en diplomatieke betrekkingen met hen onderhouden ? V o n Martens kan dit niet ontkennen en om de verbindbaarheid dezer verdragen staande te houden, beroept hij zich op de âVorschriften des natürlichen Rechtsquot;, dat niet met het positieve volkenrecht identisch is. Hiermee staat de schrijver, al wil hij het niet bekennen, weer op het standpunt van Hugo de Groot, die tusschen jus naturale gentium en jus gentium voluntarium onderscheidt. Wat zou dat ânatürliches Recht,'' waarvan hij spreekt,r anders kunnen zijn dan Volkenrecht ? Door dit toe te geven breekt hij echter af, wat hij te voren heeft opgebouwd.
De practijk helt zeer zeker over tot de leer van
â 10 â
B1 u n t s ch 1 i. Plegen niet gezanten gezonden te worden naar en ontvangen te worden van het Hemelsche Rijk, Perzie en tal van andere staten, die von Martens wel niet tot de staten zal rekenen, âwelche eine gleichequot; of althans âeine annaherend gleich hohe Culturstufe erreicht habenquot;, als de staten van West-Europa.
Principieel moet m. i. aangenomen worden, dat geen enkele staat van het volkenrecht is uitgesloten. Eene feitelijke uitsluiting kan alleen het gevolg zijn van isolatie. Zoodra een staat met anderen diplomatieke betrekkingen aanknoopt, genieten zijne vertegenwoordigers dezelfde rechten, als die van andere staten. Voor het door ons te behandelen onderwerp is de vraag naar den omvang van het gebied van het volkenrecht van weinig practisch belang en daarom gaan wij er hier niet dieper op in. In de afzonderlijke hoofdstukken zal telkens worden aangegeven, wat als volkenrechte-lijk erkend te beschouwen is, wanneer de vraag zich voordoet of een bepaalde staat of eene categorie van staten als subject van het volkenrecht zijn aan te merken.
Bronnen. Als bronnen van het volkenrecht vindt men ver
meld tractaten, gewoonten en de juris auctores. ')
De tractaten zijn volkenrechtelijke overeenkomsten
Tractaten. tusschen twee staten. Ze zijn alleen verbindend voor
de contracteerende partijen. Desniettemin zijn zij voor de kennis van het volkenrecht van zeer groot belang Meermalen worden zij gesloten tusschen tal van staten en worden daarin algemeene beginselen uitgesproken, die de contracteerende partijen voortaan als volkenrechtelijk erkend zullen beschouwen, terwijl aan alle
^Pradier-Fodere: I § 25â35; Bluntschli: § 12 vlg.; Heffter: § 8; Neumann; § 2; F. van Martens; I f 43; Pliillimore: Int. Law. I. III. 27â33.
- 11 -
staten de toetreding wordt opengesteld. Ik wil hier slechts herinneren aan de declaratie van Parijs van 16 April 1856, waarbij de kaapvaart werd afgeschaft; de conventie van Genève van 23 Augustus 1864, omtrent de behandeling van gewonden; de declaratie van St. Petersburg van é/16 November 1868, over'het gebruik van ontplofbare kogels enz. En zelfs ook dan, wanneer de tractaten niet zulk eene algemeene strekking hebben, zijn zij voor het volkenrecht van het hoogste belang. âII n'est pas rare, en etfet, qu'ils ré-pètent ou qu'ils aflïrment les régies ou principes du droit international généralement reconnus; qu'ils ferment des exceptions amp; ce droit, et se présentent alors comme des lois particulières entre les parties con-tractantes, lois dont il est utile d'étudier les anté-cédents et de suivre les résultats; qui expliquent les principes du droit international sur les points dont le ^ens est obscur ou indéterminé. Quelquefois aussi ils supposent des régies, ils disent quelles régies on devra ap-
pliquer dans des cas analogues.....II est évident qu'une
série de traités résolvant d'une maniére uniforme une question identique peut ètre considérée comme traduisant l'opinion mème des nations sur la matiére.quot; ^ Renault stelt de beteekenis der tractaten in een helder daglicht als hij zegt: âOu peut comparer entre eux les traités relatifs a un même objefc, pour en faire ressortir les ressem-blances et les differences; on arrive par la a constater le droit commun des rapports internationaux d'un Etat donné, puis même d'un certain nombre d'Etats. Ainsi, en prenant les divers traités de commerce et de navigation conclus par la France, on extraira les régies générales observées par elles dans ses rapports avec des
^Pradier-Fodere: 1$ 27.
- 12 -
Etats, quels qu'ils soient; il y aura sur des points de détail des differences qui tiennent a des circonstances particulières. Ce travail peut être fait, non seulement pour un état déterminé, mais pour un ensemble d'états unis par des rapports réguliers anciens. Les traités ten-dent a s'uniformiser de plus en plus, par ce que chacun s'approprie les améliorations réalisées d'ailleurs. Si nous prenons, par exemple, les différents traités conclus par les états de 1'Europe et de 1'Amérique sur la ma-tière de 1'extradition, on trouvera sans doute des dif-férences tenant notamment aux différences des légis-lations criminelles, mais aussi des régies identiques qui forment un fonds commun, de sorte qu'il sera possible d'édifler une théorie de droit international positif sur 1'extradition.quot; 1)
Het behoeft nauwelijks afzonderlijke vermelding, dat de tractaten met omzichtigheid behooren geraadpleegd te worden, wanneer men een onderzoek instelt naar hetgeen volkenrecht is. Het mag nimmer uit het oog worden verloren, dat de tractaten hunne rechtskracht en geldigheid danken aan den vrijen wil der contrac-teerende partijen quot;en dat die wil kan veranderen ; dat zij slechts verbindend zijn voor de partijen, die het tractaat hebben gesloten of daartoe zijn toegetreden en dat in vele gevallen de wil is beinvloed geworden door de overmacht van een anderen staat.
Gewoonten. De tweede bron, de gewoonte, is evenzeer met om
zichtigheid te raadplegen en niet gemakkelijk toegankelijk. Welke moeielijkheden levert het niet op, te beslissen of er in een bepaalden zin eene gewoonte bestaat? Hoe moeielijk is het niet te onderscheiden, vooral ten aanzien van het onderwerp, wat ons zal
t) Renault: Introd. a Tetude du droit intern, blz. 39.
- 13 -
bezig houden, of een ^ gebmikl een uitvloeisel is der rechtsopvatting, of wel eene uiting der comitas gentium, een bewijs van eerbied, eene hoffelijkheid? Al ziet men dat vorsten, die afstand hebben gedaan van den troon, toch met vorstelijke eerbewijzen ontvangen worden, mag men dan besluiten, dat zij er volkenrechtelijk aanspraak op hebben, of moet men het gebruik, waarop gewezen [wordt, als eene hoffelijkheid beschouwen? En hoevele voorbeelden zijn wel noodig om een gewoonterecht te vestigen? Zal men in het volkenrecht, waar de voorbeelden veel schaarscher zijn,
eene even groote frequentia actuum mogen eischen als in het privaatrecht?
âUn usage non équivoque et constant des nations et de leurs gouvernements prouve un accord tacite,
qui vaut comme un accord expres 1).quot; De verbindende kracht dei' gewoonte ligt in de wilsovereenstemming tusschen de verschillende volkeren. De gewoonte is in het volkenrecht de voornaamste bron; er is geen wetgever in het volkenrecht, die boven de staten staat en den staten zijne wetten kan voorschrijven: het tractatenrecht, het gezantschapsrecht, het recht der souvereinen, het oorlogsrecht en tal van andere hoogst belangrijke onderdeelen van het volkenrecht zijn uitsluitend de vrucht van en berusten geheel op gewoonten.
Die gewoonten openbaren zich zeer dikwijls in de nationale wetgevingen, waar de volkenrechtelijke, ge- Wetgevingen, woonterechtelijke voorschriften tot geschreven en nationaal recht zijn gemaakt. Ook in de rechtspraak in Rechtspraak, een bepaald land. 'Door sommige schrijvers worden de rechtspraak en de inwendige wetgeving als afzonder-
') Pradier-Fodere; I § 28.
- 14 -
lijke bronnen van het volkenrecht [opgenoemd. Het spreekt echter van zelf dat de wetgeving slechts nationale bepalingen kan vaststellen: dat de nationale rechters geen rechters zijn van het volkenrecht. Echter zijn beide voor het volkenrecht niet zonder gewicht, omdat zich daarin de opvatting van een voorschrift afspiegelt. Ook hier is de^ grootste omzichtigheid voorgeschreven. Eén land kan geen volkenrecht creëeren en de uitspraken van locale rechters staan steeds onder het vermoeden van partijdigheid of patriotismus. De zoogenaamde gemengde rechtbanken bieden in dit opzicht meer waarborg aan en hun oordeel heelt grootere autoriteit. â Zoo is ook veel gewicht toe te kennen aan de scheidsrechtelyjke uitspraken, zooals wij daarvan in het volkenrecht tal van voorbeelden aantreffen. Deze constitueeren echter geen recht, doch strekken slechts tot erkenning of toepassing van bestaande rechtsregelen en hebben derhalve slechts waarde voor zoover zij aan dat doel beantwoorden. â
Gezag der achrijvcr». Een andere bron is eindelijk het gezag der schrijvers.
âIn keinem Gebiet, zegt Neumann, macht sich der rechtsbildende Einfluss der Wissenschaft entscheidender geltend als in dem des Völkerrechtes, im Verhaltnisse unabhangiger Staaten, die keine gesetzgebende Gewalt, keinen Richter, über sich anerkennen. Die Stelle einer zwischen Völker mangelnden, nie möglichen Codex juris gentium, eines internationalen Gesetzbuches, vertreten einerseits die Gewohnheit, andererseits die auf die Praxis veredelend, lauternd einwirkende Wissenschaft. Die grossen Lehrer des Völkerrechtes, von Hugo Grotius bis auf unsere Zeit herab, sind mehr als blosz theoretischen Auto-ritaten. Ihre Ansichten, Aussprüche der höchsten Rechts-anschauung ihrer Zeit, sind in die Vertrage und Gebrauche, in die internationale Praxis eingedrungen. Diese geistige
- 15 -
Macht, welche in der Wissenschaft des Völkerrechtes, ihrer Lehre, Verhreitung und Verbindung mit der Praxis liegt, ist doppelt heilsam und ehrwürdig in einer Sphare, wo nur zu oft Willkür und physische Prapotenz nach der Herrschaft strebt. Selbst der übermuthigste Erobe rer zollt, wie der Heuchler der Tugend, demquot; Völker-rechte seinen Tribut, wenn er sich bemüht seine Ge-waltschritte durch Argumente der Völkerrechtslehrer zu rechtfertigen.quot; ')
De genoemde rechtsbron is echter de onzekerste van allen. Laat de gewoonte als bron ons dikwijls in den steek, hetzij door ongelijkheid der besliste gevallen, hetzij door gebrek aan de vereischte ' veelvuldigheid, de schrijvers verwarren meermalen hetgeen recht is, met wat zij als zoodanig wenschen: dikwijls zelfs geven zij alleen dit laatste, en dat heeft slechts waarde in zoover de practijk met hunne redeneeringen kan meegaan. Het is de taak der schrijvers in de zichzelve herhaaldelijk tegensprekende praktijk der staten, de regels op te sporen, die, zoo al niet algemeen opgevolgd, dan ten minste gewoonlijk worden nageleefd: de trac-taten te raadplegen, ze te verzamelen, te groepeeren en te vergelijken : de gebeurtenissen te onderzoeken, hun karakter te bepalen, de antecedenten in herinnering te brengen enquot; de waarschijnlijke quot;gevolgen daarvan in het licht te stellen ; de algemeene beginselen te formuleeren met de gevolgtrekkingen, die er uit voortvloeien. 1) Bij het raadplegen hunner 'schriften moet men steeds in het oog houden, dat hun werk slechts menschenwerk is; dat de schrijvers kunnen gedwaald hebben, dat zij partijdig kunnen zijn. Als burgers van een bepaald land zijn zij soms niet vrij te pleiten
1
) Vergel Pradier-Fodere: 1$ 33.
-le
vari nationale vooroordeelen of te ver gedreven pa triotismus. enz. 1)
âLes écrits des publicistes, zoo resumeert Pradier-Fodéré, leurs opinions, leurs consultations'n'ont d'im-portance, comme source du droit international, que dans la proportion de la valeur personelle, scientifique et morale, de celui de qui ces écrits émanent. Au reste, il faut reconnaïtre que les hommes d'états contemporains se soucient peu de l'opinion et des formules des publicistes, quels qu'ils soient; il règne même dans les sphères officielles un dédain superbe pour tout ce qui est scientifique et les penseurs sont bien prés d'être relégués au rang des idéologues. Cette disposition futile est trés regrettable a tous les points de vue, et les eftets ne s'en font que trop sentir. Les meilleurs hemmes pratiques seraient ceux qui emprunteraient a la théorie son flambeau pour verser la lumière sur les faits.quot;
Uit deze onzekere en gevaarlijke bronnen zal de kennis van het volkenrecht geput moeten worden.
Codificatie. Eene codificatie van het volkenrecht bestaat nog
1) Men zie hierover Pradier- Fodéré I § 33, die over de waarde der schrijvers als autoriteiten in het volkenrecht allerbelangrijkste wenken geeft. «Je ne saurais,quot; zoo zegt hij in den geciteerden paragraaf, «passer sous silence la haute et legitime autorité qui s'attache aux travaux de ce remar-quahle Tnstitut de droit international, de cette célèbre association scientifique, dont le but est, saus caractère officiel de favoriser le progrès du droit international en s'eflbrcant de devenir 1'organe de la conscience juridique du monde civilisé; de formuler les principes généraux de la science, ainsi que les regies qni en dérivent et d'en répandre la connaissance, de donner son concours a toute tentative sérieuse et progressive du droit international de poursuivre la consécration officielle des principes qui auront étc reconnns comme étant en harmonie avec les besoins des sociétés modernes; d'exami-ner les difficultés qui viendraient a se produire dans Tinterprétation ou l'application du droit, et d'émettre au besoin des avis juridiques motives dans des cas douteux ou controversés; de contribuer par des publications, par l'enseignement public et par tous les autres moyens, au triomphe des principes de justice et d'humanité qui doivent régir les relations des peuples entre eux.quot;
- 17 -
niet. Wel wordt de behoefte daaraan levendig gevoeld en hebben tal van schrijvers reeds beproefd het bestaande volkenrecht te codiflceeren, ^ doch hun arbeid mist het officieele karakter en heeft slechts wetenschappelijke waarde.
Het gemis eener codificatie leidt in zeer vele gevallen tot rechts onzekerheid en menigmaal zal bij de behandeling eener strijdvraag wegens gemis aan antecedenten of tegenstrijdigheid der gegeven beslissingen of gewoonten het ânon liquetquot; moeten uitgesproken worden,
') O. a. Bentham, Katschenowski, D o m i n - P c t r u s h e-v e e z , B 1 u n t s c li 1 i, L i e b e r , Dudley-Field. Vergel. F. v o n Martens I § 44.
Hoofdstuk II.
HET KARAKTER DER VOLKENRECHTELIJKE UITZONDERINGEN OP DE BEPALINGEN VAN ART. 2â7 WETR. VAN STRAFRECHT.
In de artt. 2-7 van ons strafwetboek wordt de omvang van de werking der Nederlandsche strafwet ten aanzien van de plaats geregeld. De Nederlandsche strafwet is niet alleen toepasselijk op ieder, die zich binnen het rijk in Europa, of daarbuiten, aan boord van een Nederlandsch vaartuig, aan eenig strafbaar feit schuldig maakt, maar ook bij die delicten in het buitenland gepleegd, waarbij de aard van het strafbaar feit of de nationaliteit van den dader den Neder-landschen wetgever aanleiding gaven zijne strafwet toepasselijk te verklaren volgens de bepalingen van art. 4, 5, 6 en 7 strafwetboek.
Op de artt. 2-7, m. a. w. op den omvang van de werking der Nederlandsche strafwet ten aanzien van de plaats, worden in art. 3 volkenrechtelijke uitzonderingen erkend.
Personen en 2aken * In het volkenrech.t wordt aan eenige personen en recht beLhermd1- zaken op bijzondere wijze zelfstandigheid tegenover vreemde staten gewaarborgd. Het zijn namelijk, die personen, welke in het volkenrechtelijk verkeer optreden, als handelend namens, of vertegenwoordigend eenen staat, en als zoodanig binnen het gebied van eenen Eeeiitsgroud. anderen staat vertoevende. Het zijn, om het zoo eens
uit te drukken, de organen voor het volkenrechtelijk
verkeer; de vertegenwoordigers, de verpersoonlijking van de subjecten van dat recht, die als' zoodanig op bijzondere voorrechten en bescherming aanspraak kunnen maken. In deze categorie kunnen in aanmerking komen, en zullen in de volgende hoofdstukken afzonderlijk behandeld worden : de gezanten en de souve-reinen met hunne familie en gevolg, de consuls en de vreemde legerafdeelingen.
Tot de zaken hierboven bedoeld, behooren de oorlogsschepen, de schepen bestemd tot het vervoeren van gezanten en souvereinen enz. *) Deze vertegenwoordigen als het ware, een deel van het grondgebied van den staat, waartoe zij behooren, vormen een voortzetting van het territoor.
Wij willen hier niet vooruitloopen op hetgeen in de volgende hoofdstukken zal gezegd worden: daar zal voor iedere groep afzonderlijk de rechtsgrond en de omvang der volkenrechtelijke privileges worden aangegeven. In dit hoofdstuk zal het algemeen karakter der privileges worden besproken. Daarbij zullen de gezanten, bij wie de voorrechten het eerst tot ontwikkeling kwamen en door de schrijvers het meest zijn uitgewerkt, als typen gelden van de geprivilegieerde personen, en de oorlogsschepen om gelijke redenen als typen van de geprivilegieerde zaken. In het algemeen kan dit worden opgemerkt: de Staat stelt krachtens eigen souvereini-teit zijne wetten, geldende voor alle personen en zaken, die zich binnen zijn territoor bevinden : alles binnen de grenzen van zijn gebied is aan zi/jne jurisdictie onderworpen ; hier treedt echter het volkenrecht ten behoeve zijner beschermde personen en zaken
') Een analogon met oorlogssclicpen ia gecreëerd door de Italiaausche waarborgeuwet van 13 Mei 1871: nl. het Vatieaan (Vergel. G e f f c k e n ; die Vülkerr. Stellung des Papstes blz. 36).
- 20 -
tusschenbeide en onttrekt hen aan de jurisdictie van het land huns verblijfs. Als rechtsgrond kan in het algemeen worden aangegeven, dat de geprivilegieerde personen en zaken de vertegenwoordigers van de souvereiniteit van een vreemden staat, diens verpersoonlijking zijn : dat alle staten, als subjecten van het volkenrecht, gelijke rechten hebben en zijn âpares inter sequot;; dat volgens den regel: âpar in parem, non habet potestatemquot;, de eene staat geene jurisdictie over den anderen kan uitoefenen en dat dus ook volgens dit beginsel, de personen of zaken, die als de verte-genwoorcligers of de verpersoonlijking van een vreemden staat zijn te beschouwen, moeten onttrokken zijn aan de jurisdictie van den staat, waar zij zich bevinden.
Het privilegium van den gezant, zooals dat reeds van de oudste tijden der geschiedenis af, erkend werd, bestond in zijne onschendbaarheid: men liet hem vrij en ongedeerd naar de zijnen terugkeeren. Vroegtijdig reeds waren daarmee religieuse voorstellingen verbonden, men vindt meestal het woord sacer naast inviolabilis gebezigd. De gezant werd onder bijzondere bescherming der goden geplaatst: de onmacht van het recht moest vergoed worden door de vrees voor hoogere machten. Vooral, toen de vaste (jezantschappen op waren gekomen, was eene bijzondere bescherming van het volkenrecht noodig om den gezant te beveiligen tegen den moedwil eener hem vijandig gezinde regeering. En die bescherming scheen niet voldoende te zijn, of aan de regeering van het land waar de gezant zijne functies moest uitoefenen, moest elk voorwendsel ontnomen zijn, om zich van den persoon des gezants meester te maken of tegen hem te ageeren. Zelfs in geval er werkelijk overtredingen van de strafwetten hadden plaats gehad, mocht de staat, wiens wetten geschonden
Gezanten nis typen dev volkenrechtelijk beschermde personen.
Oorsprong der bescherming.
- 21 -
waren, niet bevoegd zijn tegen hem eene vervolging in te stellen. De voorrechten brachten eene beperking mêe van het beginsel, dat aan iederen souverein gezag Jm-idiscke construc-toekomt over alle personen, binnen zijn gebied vertoe- tlL der pnulegie8' vende. Om de privileges te verklaren heeft men zich bediend van de fictie der exterritorialiteit. Het vaderschap dezer fictie moet aan Hugo de Groot wor-vóór de Groot, den toegeschreven. De schrijvers vóór hem baseeren hunne beschouwingen op het Romeinsche recht. Dat recht kende aan de lerjati het voorrecht toe, ingeval eene vordering tegen hen werd ingesteld, gegrond op eene overeenkomst door hen aangegaan vóór het be-kleeden hunner betrekking, verwijzing te vragen naaiden rechter hunner woonplaats. Aangesproken wordende,
waren zij verplicht voor den rechter te verschijnen,
doch konden zich alsdan op hun voorrecht beroepen,
mits cautie stellende later te zullen verschijnen. Van eene fictie was hier dus geen sprake De Groot legde daarvoor den grondslag in de volgende uit
spraak.....âquare, omnino ita censeo placuisse gen-
tibus ut communis mos, qui quemvis in alieno terri-
torio existentem, ejus loci territorio subjicit, excep-
tionem pateretur in legatis, ut qui sicut fictione
quadam habentur pro personis mittentium, ita etiam Extemtoriaiiteits-
fictione simili constitueren tur quasi extra territorium, flctlequot;
unde et civili jure populi, apud quem vivunt, non
tenenturquot; 1). De Groot verkondigde eene nieuwe leer,
die met terzijdestelling van het Romeinsche recht
twee voorrechten der gezanten : onschendbaarheid en
exterritorialiteit, aanneemt. Op deze basis is door alle
latere schrijvers voortgebouwd. In plaats van positief
1
G r o t i u s, II. 18 § '1 u0 5.
- 22 -
te beredeneeren, welke bijzondere voorrechten den Onschendbaarheid en gezanten toekomen, stellen zij de onschendbaarheid en extemfouniiteit. exterritorialiteit voorop, en deduceeren daaruit de verschillende privileges. Voert het consequent doorgevoerde beginsel hen echter tot niet gewilde gevolgtrekkingen, dan doen zij een beroep op de omstandigheid, dat de uitoefening van het ambt van den gezant zulk een voorrecht niet vordert, of dat het in de praktijk niet is erkend Omtrent hetgeen onder onschendbaarheid en exterritorialiteit is te verstaan, heerscht geen eenstemmigheid: het zelfde privilegie wordt door dezen schrijver uit het eerste, bij genen uit het laatste afgeleid; bij dezen schrijver treedt het laatste, bij genen het eerste op den voorgrond. Volgens de Groot geeft de onschendbaarheid van den gezant hem een recht op eeue geprivilegieerde rechtspraak. Bijnkershoek noemt dit gevoelen onjuist en meent dat de onschendbaarheid alleen medebrengt een recht op eene bijzondere en krachtige bescherming van het staatsgezag tegen aanranding door particulieren. Volgens E1 u n t s c li 1 i2) brengt de onschendbaarheid mee, dat de staat zich te onthouden heeft van iedere daad van geweld tegenover den vreemden gezant, en hem bovendien moet beschermen tegen alle dusdanige handelingen, welke hem van de zijde der ingezetenen bedreigen. Hartman n 8) noemt als gevolg der exterritorialiteit: âder Gesandte wird der Hoheit des
Empfangstaates nicht unterworfen......Der Gesandte
ist dagegen verpflichtet, seinerseits diese Hoheit zu achten, nichts dieselbe beeintrachtigendes zu unter-
'j Van R o ij e n blz. 33 vlg.
Jiluntsclili: Völkerreoht § 192.
3) Hart ma nn: Inst, des prakt Viilkerrechts in Friedenszeiten blz. 101.
- 23 -
nehmen oder seitens der von ihm abhangige Personen zu zulassen.quot; Het niet onderworpen zijn aan het staatsgezag komt dus daar op neer, dat geen dwang tegen den gezant kan uitgeoefend worden, dat hij onschendbaar is.
Heffter1) zegt: â1'exterritorialité est une immunité de droit public, dont jouissent certaines personnes, immunité, qui a pour objet de les exempter des pouvoirs de 1'Etat dans lequel elles résident effectivementquot;.... En de onschendbaaarheid âimpose au gouvernement, lorsqu'une fois il a reconnu un ministre étranger en sa qualité de mandataire de son souverain, le devoir non seulement de s'abstenir lui même de tout acte qui serait contraire a l'inviolabilité attachée a la per-sonne du ministre, mais encore de réprimer sévèrement toute atteinte matérielle ou morale qu'elle poun'ait subir sur son territoire, L'offense commise envers un ministre étranger constitue une offense envers son propre gouvernement.quot; Waarin moet die âexemption des pouvoirs de l'étatquot; anders in bestaan, dan hierin, dat de staat zich moet onthouden van iedere daad âcontraire a l'inviolabilité du ministre ?quot;
Verwarring derhalve der begrippen onschendbaarheid en exterritorialiteit. Klüber 2) bezigt beide uitdrukkingen als synonima naast elkander als hij zegt: âII est en sa qualité de ministre affranchi de la souveraineté et de la domination du gouvernement du pays. Cette exemption s'appelle 1'exterritorialité ou l'indépendance du ministre.quot; Heffter de rechten opsommende uit de exterritorialiteit voortvloeiende, noemt daaronder in de eerste plaats het recht op onschendbaarheid.
!) Heffter; Droit. Int. f§ 42 en 204. Klüber: Droit des geus § 204.
- 24 -
Hartmann meent dat de exterritorialiteit uit de onschendbaarheid voortspruit. Evenzoo oordeelt Calvo als hij zegt: âau fond l'exterritorialité est la conséquence et non le principe de l'inviolabilité,quot; ofschoon dezelfde schrijver op eene andere plaats vermeldt: âtoutes les
faveurs exceptionelles..... dérivent de deux droits
fondamentaux: de l'inviolabilité personnelle et de l'ex-territorialité.quot; 1) F. von Martens 2) neemt als rechtequot; der gezanten aan: âdie Unverletzbarkeit und die Exterritorialiteit.quot; Als uitvloeisel van de Exterritorialiteit noemt hij op âdie Befreiung von der Stxafge-richtsbarkeitquot; en laat er bijna onmiddelijk op volgen : âDie Exemtion des Gesandten von der Strafgerichts-barkeit ist eine logische Consequenz ihrer Unverletzbarkeit .....Kraft ihrer Unverletzbarkeit unterliegen
die Gesandten principiell ohne Einschrankung keinerlei Straf-jurisdiction des beschickten Staates.quot;
Omtrent het wezen der zaak zelve, namelijk over de verschillende privileges bestaat in beginsel tusschen de schrijvers volkomen eenstemmigheid. Allen, bijna zonder uitzondering, zijn van oordeel, dat aan den persoon, de woning, den staatswagen, enz. van den gezant onschendbaarheid toekomt. Verder verleenen zij den gezant exemptie van de plaatselijke rechtspraak, zoowel in civilibus, als in criminalibus; een beperkte rechtspraak over zijn gevolg; vrijstelling van accijnsen en invoerrechten en andere belastingen (dit alles echter eenigzins beperkt) en eindelijk het kapelrecht.
De dooreenmengeling van de begrippen onschendbaarheid en exterritorialiteit toont ons aan, dat deze uitdrukkingen gebezigd worden om een en dezelfde
1
) Calvo: Droit int. § 571. 551.
2
j F. von Martens II § 11. 13.
- 25 -
zaak uit te drukken. Eene consequente doorvoering,
tot in de uiterste gevolgtrekkingen, is door geen enkel schrijver over volkenrecht verdedigd. Die uiterste consequenties, die het beginsel noodwendig mee zou moeten brengen, werden uitdrukkelijk verworpen, meestal door een beroep op de in tegenovergestelden zin gevestigde praktijk In den bloeitijd der vaste gezantschappen,
ziet men de hoofden daarvan aanspraak maken op de bui-tensporigste voorrechten, zich baseerende op de fictie der exterritorialiteit.' De âfranchise des quartiersquot; e. a. (
hingen met de exterritorialiteit ten nauwste samen.
Wij zien gezanten rechten v/ndiceeren, onvereenigbaar met de waardigheid van den staat. Sully, de gezant van Hendrik IV te Londen, vroeg een beul te leen om het vonnis te voltrekken, waarbij hij een edelman van zijn gevolg ter dood had veroordeeld. Kimmer echter heeft de praktijk den gezanten zulke buitensporige voorrechten toegestaan.
De regel, dat de gezant exterritoriaal is, moet Exterritorialiteit is
slechts beeldspraak.
slechts beschouwd worden, als een regula juris, waaronder men do verschillende voorrechten heeft willen samenvatten: het is, zooals Ulpianus zegt een regel âquae rem, quae est, breviter enarrat.quot; Volkomen kan ik mij vereenigen met de conclusie, waartoe de heer van Royen komt in het bovenaangehaalde proefschrift:.. âde fictie, dat men den gezant denkt, zijnde of wonende buiten het land, waar hij werkzaam is, is niet de grond, niet de bron van privileges, maar slechts een aanschouwelyk beeld van zijne onafhankelijke positie in het vreemde land. Evenmin nu, als het geoorloofd is uit den regel tot het recht te komen, zal men tot grondslag van beschouwingen mogen nemen^iets, wat slechts beeldspraak is. Het beeld is goed getroffen : het brengt ons als met één trek in een oogenblik de betrekking voor den
- 26 -
geest, waarin de geëximeerde persoon tot het vreemde staatsgezag staat, maar het is, alsof het juist doordat het zoo treffend en gelijkend is, wat al te sterk op de verbeelding van menigeen kan inwerken en hen wat fictie is, doet aanzien voor werkelijkheid.quot; ') Vattel, zoo voegt hij er bij, laat de gezanten in de gevallen, waar zulks kan, dagvaarden, zooals men afwezigen dagvaardt, omdat zij worden beschouwd niet in het land te zijn. Eerst aan het slot van zijn werk, waar hij vreest, dat het volhouden van de vergelijking zou kunnen strekken tot verdediging van wat de hertog van Sully te Londen had gedaan, daar heet het: âet si 1'ambassadeur est réputé hors du territoire, aussi bien que sa maison et son hotel, ce n'est qu'une fagon d'exprimer son indépendance et tous les droits nécessaires au légitime succès de l'ambassadeur.quot; Zelfs vo n Martens die uitdrukkelijk verklaart: âzur Erklarung des Rechts der Exterritorialitat hat man die Fiction zur Hilfe genommen, als befanden sich die Souve-raine â (en van de gezanten geldt volkomen hetzelfde) â selbst wahrend des Aufenthaltes im fremden doch noch auf ihr eigenen Territorium. Diese Fiction darf nur als ein bildlicher Ausdruck für die Ausnah-mestellung, deren sich die Herrscher auch im Auslande erfreuen, aufgefasst werden und nicht als Grund des Exterritorialitatsrechts, das einzig und allein im Interesse des internationalen Verkehrs begründet istquot; 2), vervalt in dezelfde fout als de meeste andere schrijvers, het deduceeren der privileges van de gezanten uit hunne onschendbaarheid en exterritorialiteit. De fictie der exterritorialiteit streng doorgevoerd
') V a n R o ij e n : do fictie der Ext. blz. 49. a) F. v o n Martens I. § 82.
- 27 -
leidt tot de zonderlingste en door niemand aanvaarde gevolgtrekkingen. Moet de persoon, die het voorrecht van exterritorialiteit geniet, geacht worden werkelijk niet in het land aanwezig te zijn, dan kan hij niet onderworpen zijn aan de strafwetten van dat land en evenmin aan de politievoorschriften. Alle zijne handelingen, hoe misdadig ook in zich, zullen volkomen geoor-loofd zijn, als ze in zijn vaderland niet strafbaar zijn gesteld.
Uitdrukkelijk maken de schrijvers eene uitzondering strafwetten en politie voor do politievoorschriften, waaraan de exterritoriale voorschriften, persoon wèl gebonden zou zijn. Men ziet niet over het hoofd, dat zulks met de fictie der exterritorialiteit moeielijk is te rijmen : hoe toch kan iemand gehouden zijn de politievoorschriften na te leven van eene plaats waar hij geacht wordt niet aanwezig te zijn? Men tracht de üctie te redden door aldus te redeneeren: het zich houden aan de politievoorschriften is eene voorwaarde aan de toelating van den gezant gesteld. Alles laat zich echter geheel natuurlijk verklaren, als men aan de üctie dei-ex te rritorialiteit slechts de beteekenis hecht van een regula juris, van eene beeldspraak: iets dat geen bron van rechten is. Men behoeft dan niet zijne toevlucht te nemen tot de veronderstelde stilzwijgend bedongen voorwaarde. Hoe vreemd, dat de staat als voorwaarde zou stellen, dat de exterritoriale persoon zijne politievoorschriften niet overtrede, doch zich om een vergrijp tegen zijne strafwetten, om misdrijven tegen de veiligheid van den staat of den vorst niet zou bekommeren!
Hierover zijn alle schrijvers het eens, dat de gezant noch bij overtreding van politievoorschriften, noch bij vergrijpen tegen de strafwetten in engeren zin, gerechtelijk vervolgd kan worden. ^ âWenn (zoo zegt Go tt-
^ H e f f t e r $ 215 ; K 1 ü b e r; Eur. Völk. § 209 ; Oppenlieira1
- 28 -
schalk der Gesandte eine Befreiung von der Juridic-tion in dem besendeten Staate geniesst, so ist damit die Befreiung von der Polizeigewalt als einer niedriger, nur in dem Interesse jener geübten Thatigkeit von selbst ge-geben. Es giebt jedoch diese Exemtion dem Gesandten nicht A\e positive Befugniss den Vorschriften der Polizei-obrigkeiten entgegen zu handeln, sondern nur das negaMve Recht von der executiven Thatigkeit der Polizeibehörden nicht betroffen zu werden. In dem er in Folge seiner Uuverletzbarkeit deren Macht besonders zu seinem Schutze in Anspruch nimrat, hat er auch die Anord-nungen und Sicherheitsmassregeln anzuerkennen und zu befolgen. So wenig ihm die Exterritorialitat die Befugniss giebt Verbrechen in dem Gebiete des besendeten Staates zu begehen, ebensowenig verleiht sie ihm das Recht die Polizeiordnungen zu übertreten. Hat nicht destoweniger eine Uebertretung statt gefun-den, so ist er durch sein Privileg allerdings geschützt. Praventivmassregeln zu treffen steht aber auch gegen ihn den Polizeibehörden zu, soferne sie nur mit dei-der Unverletzbarkeit geschuldeten Achtung vorgeht.quot;
Strafwetten en politievoorschriften staan op ééne lijn: beide moet de exterritoriale persoon obser-veeren, doch noch bij de eene, noch bij de andere is strafrechtelijke vervolging van een inbreuk daarop toegelaten. Niemand die er aan zal denken, dat de gezant gestraft zou kunnen worden voor eene overtreding van eene plaatselijke verordening, terwijl de locale rechter zijne incompetentie zou moeten uitspre-
Volker. X, § 7 ; Vcrgel. F. de Martens: Droit des gens par Piiilieiro Ferreira VII, 5, § 218; Calvo 1 § 526 en vlg. ; Vattel IV, 92; M i-r u s s ; § 351 ; Blunts chli § 137.
') Gottschalk; Extcrr. der Ges, biz. 6i.
29 -
ken bij eene vervolging voor de zwaarste misdrijven. Har burger stelt de zaak aldus voor. Politie voorschriften quot;staan in zulk een nauw verband met de toestanden en inrichtingen van het land, gewest of plaats, waar ze gelden, dat voorschriften van een vreemden staat daar niet zouden kunnen gelden. In het land, dat den gezant zendt, kan men hem geen voorschriften geven en er blijft dus niets anders over dan de in het land geldende voorschriften ook voorde aanwezige gezanten verbindend te verklaren. Deze verbindende kracht kan als van zelf sprekend en door stilzwijgende overeenkomst geacht worden door den gezant aangenomen te zijn. 't Is, meent Harburger, eene stilzwijgende delegatie van wetgeving. ^ Deze voorstelling komt mij onjuist voor. Het land, dat â exterritorialiteit voor zijne gezanten eischt, kan niet stilzwijgend geacht worden den vreemden staat gemachtigd te hebben politie voorschriften te geven voor de gezanten. En aangenomen dat zulks wèl het geval was, waarom dan wel machtiging om voorschriften te geven, doch niet om de sanctie te stellen ? Als de staat gemachtigd is om voorschriften te geven, moet hij dan ook niet geacht worden gemachtigd te zijn, die voorschriften door straf te handhaven ? Anders toch is de machtiging niet doeltreffend. De staat die den gezant heeft benoemd zal meestal geen straf uit kunnen spreken voor de politie-overtredingen door den gezant gepleegd ; in zijn vaderland toch wordt de gezant beoordeeld volgens de wetten van dat land en in die wetten mist men de politievoorschriften van den staat, waar de overtreding plaats greep. De Duitsche wetb. v. bevatgeen voorschriften dat het in den Haag verboden is straat A. of B. van de Oostzijde in te rijden. â
'j Harburger: blz. 203.
- 30 -
strafrecht, sanctie en De onderscheiding door bijna alle schrijvers gemaakt, feitelijkehandhaviiig. |-ugsc]ien politievoorschriften en strafwetten, heeft m.
i. voornamelijk haren grond in de ivvjze van handhaving. De eigenlijke strafwet wordt gehandhaafd door het stellen van straffen op het begaan van daarin verboden handelingen. Deze wijze van handhaving komt ook wel bij politievoorschriften vóór, doch treedt daar geheel op den achtergrond. Niettemin is de naleving dier voorschriften in de meeste gevallen op niet minder doeltreffende wijze verzekerd nl. door feitelijken dwang. quot;Worden vele reglementen niet gehandhaafd ofschoon elke strafrechtelijke sanctie ontbreekt? Als een voorschrift gebiedt op eene bepaalde plaats tol te betelen, dan behoeft de tolgaarder den tolboom niet te openen, vóór aan dat voorschrift voldaan is, ook al is het wachtende rijtuig dat van een gezant. Voor den politie-rechtelijken dwang, moet ook de gezant zwichten, mits die dwang geen inbreuk make op de onschendbaarheid van zijn persoon, gevolg, rijtuig enz. Voorbeelden daarvan zijn te over. Ik herinner hier slechts aan de handelwijze van Frankrijk tegenover den Hessischen gezant von Wrech, die te Parijs schulden had gemaakt en weigerde deze te betalen. Door zijne regeering terug geroepen, wilde hij vertrekken, doch de Fransche regeering weigerde hem zijne paspoorten,quot; met het gevolg, dat von Wrech zich wel genoodzaakt zag in Parijs te blijven tot zijne crediteuren voldaan waren.
De voorschriften in de strafv:elten voorkomende zijn in den regel weinig geschikt om feitelijk gehandhaafd te worden. Doch is feitelijke handhaving mogelijk, dan lijdt het m. i. geen twijfel, of deze zal tegen den gezant toegepast mogen worden. Om een voorbeeld te geven: ons land beschouwt duel als een misdrijf; stel dat zich in ons land gezanten bevinden van een
â 31 â
staat, die het duel niet als strafbaar feit beschouwt; zou dan onze staat maar toe moeten zien, wanneer die personen een kwestie van eer âa la pointe de l'épéequot; wilden uitmaken ? Zou een volkenrechtelijke regel onze regeering in den weg staan, wanneer zij de voltrekking van dat strafbaar feit wilde verhinderen, altijd met inachtneming van de onschendbaarheid van den persoon des gezants ?
Er valt nog op een ander punt van verschil tus-schen de eigenlijke strafwetten en de politievoorschrif-ten te wijzen. De eerste zullen in den regel slechts zulke feiten strafbaar stellen, welke in ieder land van de beschaafde wereld als ongeoorloofd zijn gequalifi-ceerd en strafbaar gesteld. De laatste echter hangen nauw samen met de zeden en gewoonten, de toestanden en inrichtingen van een bepaald land, of gewest, ja van een bepaalde gemeente : ze verschillen in ieder land en iedere plaats. Wanneer de gezant derhalve een feit pleegt, door de strafwet van het land zijns ver-blijfs verboden, dan zal in den regel in zijn vaderland dat zelfde feit ook strafbaar zijn gesteld. Meestal zal dan op hem de strafwet zijns vaderlands toepasselijk zijn, terwijl politieovertredingen van den gezant in den regel straffeloos zullen blijven. â
Holtzendorff1) verkondigt de leer, dat de gezanten wèl âeximirt sind von der Polizei â nicht von der Wohlfahrtsverordnungen.'' Waarom tusschen deze moet onderscheiden worden, voegt hij niet toe. Aan beide is de gezant onderworpen, doch bij overtreding kan hij niet strafrechtelijk vervolgd worden.
De voorrechten der gezanten ten aanzien van het strafrecht bestaan eenvoudig daarin, dat geene strafver-
Holtzendorff; Lex. v. Ext.
â 32 â
volging tegen hen is toegelaten. Dat de gezant geacht wordt zijn land niet verlaten te hebben, gaat niet op: 't is slechts beeldspraak. 1) Werd de fictie werkelijk doorgevoerd, dan zouden ook de volgende consequenties aangenomen moeten worden. Het door den gezant gepleegde feit zou moeten beoordeeld worden naar de wetten van zijn land: stellen deze wetten het feit strafbaar dan is het een delict, in het omgekeerde geval zou de gepleegde handeling geoorloofd moeten zijn, ook al stelt de wet van het land, waar de gezant verblijft, het strafbaar, immers de gezant wordt geacht zijn vaderland niet verlaten te hebben : het gepleegde delict moet geacht worden begaan te zijn in zijn vaderland. De ingezetenen, deelnemende aan een delict van den gezant, zouden derhalve straffeloos moeten zijn, ingeval de staat, waartoe de gezant behoort, in het feit geen delict ziet: ze hebben deelgenomen aan een niet strafbaar feit. En voor het geval, dat de vreemde staat het gepleegde feit wèl als misdrijf aanmerkt, zullen de ingezetenen, die den gezant als medeplichtigen ter zijde stonden, als medeplichtigen aan een in het buitenland gepleegd misdrijf moeten beschouwd worden en slechts in de gevallen, dat buitenlandsch gepleegde delicten door de nationale wetten strafbaar gesteld zijn, kunnen vervolgd worden. Niemand echter die deze conclusies durft aanvaarden.
De fictie der exterritorialiteit zou daarenboven den gezant al heel onvoldoende beschermen. De gezant,
') Vergel. Holtzendorff: HandLuch des Volkerrechts III § 163. Die Fiction ist nicht Imclistablicli zu nehmen . .. der Gesandte ist verpüichtet
die Gesetzen zu beobachten.........die Exterritoriuliüit bedeutet einfach.
eine Ausnabme von dem sonst unbedingten Grundsatz der Gebietsbolieit, wonach alle Personen nnd Sachen, die sicli auf dem Gebiet eines Staates beluiden, seiner Gericbtsbarkeit unterworfen sind.
- 33 -
een misdrijf plegende, zou geacht worden zijn land niet verlaten te hebben, buitenslands een straf baai-feit gepleegd te hebben. Doch als de volkenrechtelijke bescherming geene andere strekking had, dan te lin-geeren, dat de gezant steeds binnen he': grondgebied van den zendenden Staat heeft vertoefd, dan zou die bescherming weinig waarde hebben, in een land, dat buitenslands begane delicten strafbaar stelt. Men zou dan den gezant, zonder eenige schennis der fictie kunnen vervolgen, als hebbende in het buitenland gedelin-queerd. De strekking der volkenrechtelijke privileges is echter eene geheel andere, eene veel krachtigere. De gezant is niet onttrokken aan de wetten des lands:
hij mag van de gastvrijheid hem verleend, van zijne bevoorrechte positie geen misbruik maken, geen feiten plegen, die de wetten des lands strafbaar stellen: vindt echter niettemin een vergrijp plaats, dan is hij in het land van zijn verblijf niet strafrechtelijk vervolgbaar.
Onder de zaken, waarover de volkenrechtelijke bescherming, waarvan in dit werk sprake is, zich uit- Oorlogsschepen, strekt, bekleeden de oorlogsschepen de voornaamste plaats. Het oorlogsschip is territoor, zoo leest men bij de schrijvers over volkenrecht. S ch m a 1 z, Lam pr e d i,
Azuni en ook Pradier-Fodéré komen hiertegen op.1) Pinheiro-Ferreira noemt de exterritoriali-teits-fictie âchimérique et dénuée de raisonquot; 2Ortolan3) meent, dat de gelijkstelling van een oor-
3
1
') Schmalz: Dr. des geus Eur. VIII. 2; L a m p r e d i: Du comm.
des neutres en temps de paix I § 10; Azuni: Dr. mar. de 1'Rur. UI. 7 § 2 ; Pradier-Podere; V § 2403.
2
J Pinheiro-Ferreira; Cours de droit public II 18 § 50.
3
) Ortolan; Régies int. et dipl. de la mer II Chap. 10. Zie W. A.
Reiger: Over deu volkenrecht, regel; schip is territoor (Gron. 1865) en R. G. Philips ou: Over deu volkenr. regel: schip is territoor. (Utrecht 1864); Vergel. Casaregis; discursus legales de commercio. Rome 171'J blz. 136.
logsschip met het grondgebied van den staat, waartoe het behoort slechts eene fictie is, dat het niet waar is, dat een schip grondgebied van den staat is, en dat feiten aan boord gepleegd op diens territoor zijn begaan : dat het adagium : âhet oorlogsschip is exterritoriaal,quot; slechts beeldspraak is. âCette phrase,quot; meent hij, âne signifie autre chose, si ce n'est qu'il faut se comporter partout, pouv les faits qui se passent et pour les personnes qui se trouvent a bord des na-vires de guerre, comme si ces faits s'étaient passés, ou comme si ces personnes se trouvaient sur le territoire de la nation a laquelle appartienneijt ces navires. Puisque cela est vrai et juste, puisque le navire de guerre, d'après le droit international positif, d'accord avec la raison, est un espace qui, quoique mobile, est soumis partout, de même que le territoire, a la sou-veraineté de son pays, et a cette seule souveraineté, pourquoi repousser une expression figurée qui n'énonce rien autre chose que cette assimilation ? Elle l'énonce d'une manière, plus vive, plus brève, plus pittores-que: tant mieux, les paroles les plus brèves sont les meilleures. Elle l'énonce de manière a la faire com-prendre par tous, hommes du peuple, ou hommes de science, matelots ou officiers; tant mieux, car se faire comprendre de chacun est un immense avantage. Enfin, elle attache au navire l'idée même du sol de la patrie, elle confond, elle identifie l'un avec l'autre: elle enracine au coeur du marin le sentiment instinctif que le navire c'est le pays. Si cette locution n'était pas en usage, si elle n'était pas devenue vulgaire chez toutes les nations, il faudrait l'inventer.quot; Pra-dier-Fodéré teekent hiertegen protest aan. Onjuiste uitdrukkingen mag men uiet bestendigen, meent hij, maar moet men integendeel, ook als zij in het dage-
- 35 -
lijksch leven reeds burgerrecht hebben verkregen, bestrijden. Het schip in eene vreemde haven zou in ieder geval een territoor zijn, dat in allerlei opzichten aan de locale wetten is onderworpen, daar het de toestemming der locale regeoring behoeft, om binnen te mogen loopen, daar het zich aan de plaatselijke rechtsvoorschriften moet houden, de havenreglementen betrekking hebbende op ligplaats, signalen, quarantaine, enz. moet in acht nemen. De grond der privileges aan de oorlogsschepen toegekend, is, meent Pradier-Fodéré, niet het beginsel: het schip is territoor, doch de omstandigheid, dat het schip deel uitmaakt van de strijdkrachten, dat de gezagvoerder ambtenaar is van den staat. De privileges berusten op stilzwijgende toestemming. ')
Wat er ook van zij, dit staat vast, dat het privilege door het volkenrecht aan oorlogsschepen toegekend eene plaatselijke strekking heeft.
Zooals in het hoofdstuk over oorlogsschepen handelende zal blijken, zijn de personen aan boord beschermd omdat en zoolang zij zich aan boord bevinden : al wie zich aan boord bevindt, onverschillig tot welke nationaliteit hij behoort, of om welke reden hij aldaar vertoeft, is, zoolang, hij zich daar bevindt, onderworpen aan de wetten van het land, waartoe het schip behoort. Een delict aan boord van een oorlogsschip ge-
') T. E. Holland zegt in de Revue de droit Int. itfrs blz. 171 vlg.: wCeux qui out ecrit sur le droit international out avancé dans les termes les plus clairs, qu'on doit regarder les na vires de guerre comrac faisant partie du territoire de l'état, doni. ils portent le pavilion, cornme des forteresses mobiles. Devons-nous accepter cette declaration d'une manière absolue avec toutes les consequences logiques, ou bien n'est-elle vraie que sous certaines réserves? Cette question a été examinée li fond il y a deux ans par une
commission royalequot;.....Het rapport luidde: wqu'un navire de guerre qui
entre i1ans les eaux d'une puissance amie est considéré par la pratique générale des nations comme exempt en these générale de la juridiction des autorités locales et qu'il en est en même temps, en tlièse générale dans Tobliga-tion internationale de respecter la loi locale.quot;
pleegd wordt geacht te zijn begaan op het territoor van den staat, wiens vlag het schip voert. De politie of de justitieele autoriteiten mogen zonder de toestemming van den commandant het dek van het schip niet betreden m. a. w. het schip, als zoodanig, is onttrokken aan de rechtsmacht der locale regeering. Het schip wordt fictione beschouwd [alsquot;o territoor van den staat, waartoe het behoort. Evenals in volle zee alle schepen territoor zijn, eene voortzetting van het gebied van het land, waartoe zij behooren, zoo blijven de oorlogsschepen deze] eigenschap behouden, ook dan, wanneer zij de havens of territoriale wateren van een anderen staat binnenloopen. In het hoofdstuk handelende over schepen zal uitvoerig besproken worden, hoe het beginsel âhet oorlogsschip is territoorquot; te rijmen is met de gehoudenheid van het schip de havenreglementen enz. in acht te nemen.
Art. 8 van:;het Strafwetboek is geheel in overeenstemming met het volkenrecht. De uitzonderingen van dat recht worden door ons artikel erkend en tot nationaal recht gemaakt, maar verder gaat 'het artikel niet. Het zijn dus alleen uitzonderingen op de werking der strafwet. Alles echter wat daarbuiten valt, ligt buiten art. 8. Politierechtelijke dwang, veiligheidsmaatregelen dooiden staat genomen enz., die, zooals later zal betoogd worden tegen de âexterritorialequot; personen zijn toegelaten, worden door ons art. 8 niet verhinderd.
Hoewel het woord âstrafwetquot; in artt. 2-7 in alge-meenen zin voor ieder wettelijk geldend, publiek rechtelijk voorschrift van strafrechtelijken aard gehouden kan worden, zijn toch, zij het dan ook ten overvloede, door art. 91 Wetb. van St,r. de bepalingen van artt. 1-8 uitdrukkelijk toepasselijk verklaard, op feiten, waarop door andere wetten of verordeningen, straf is gesteld.
- 37 -
Volgens ons positief recht is het derhalve aan geen twijfel onderhevig, dat politievoorschriften op denzelfden voet zijn te behandelen als de strafwet in engeren zin. De persoon, die niet kan vervolgd worden voor eene overtreding der strafwet, kan zulks evenmin voor eene overtreding van politievoorschriften. Van politierechtelijken dwang wordt hier echter, evenmin als bij de strafwet gewag gemaakt.
De uitzonderingen van het volkenrecht worden ill Uitzonderingen iu vol-hun volsten omvang erkend, doordat art. 8 uitzonde- len omvang Clkequot;a-ringen toelaat op alle artikelen, die de werking der strafwet ten aanzien der plaats regelen.
De uitzonderingen op art. 2 zijn natuurlijk de voornaamste en practisch het meest voorkomende nl. voor het geval, dat personen, in het genot der exterritorialiteit in ons land strafbare feiten plegen ; of dat een delict gepleegd wordt op een vaartuig, hetwelk in ons land, toch niet tot ons territoor behoort. De geprivilegieerde personen zijn evenmin strafrechtelijk vervolgbaar, wanneer zij huiten ons grondgebied, doch aan boord van een Nederlandsch vaartuig een delict begaan (art. 3).
Evenmin zijn de personen, die hier te lande exterritorialiteit genieten, doch zich b.v. tijdelijk niet op ons grondgebied bevinden, strafbaar volgens de Neder-landsche wet, als zij in het buitenland eene der in art. 4 opgenoemde handelingen plegen, (art. 3).
Art. 5 zou b.v. dan uitzondering lijden, als een Nederlander in dienst van een hier te lande geaccredi-teerden vreemden gezant of van een hier vertoevenden vreemden souverein in liet buitenland een delict pleegde (art. 5).
Eene uitzondering op Art. 6 is mogelijk, als de in Nederland geaccrediteerde gezant, tevens Nederlandsch
- 38 -
ambtenaar, als zoodanig in het buitenland eene werkzaamheid te verrichten heeft en daarbij een ambts-misdrijf van Bk. II Tit. XXVIII begaat (Art. 6).
Eene uitzondering op Art. 7 is nauwelijks denkbaar. Men zou zich echter kunnen voorstellen een Neder-landsch schip door een vreemden souverein voor zijn overtocht gebezigd en dus internationaal niet meer als Nederlandsch schip beschouwd, doch volgens onze scheep vaar twetge ving die nationaliteit niet verliezend.
Hoofdstuk III.^
GEZANTEN.
Het kan ons niet bevreemden, dat van alle onder-deelen van het volkenrecht het gezantschapsrecht het oudste en meest ontwikkelde is en dat dit onderdeel juist daarom door de schrijvers met groote voorliefde en in vergelijking met andere deelen der volkenrechtswetenschap zeer gedetailleerd is behandeld. Immers,
zoodra de volkeren hun standpunt-van isolatie verlie- ontstaau van het ten, de eischen van het verkeer de noodzakelijkheid zaiitsdiaPsrei111 aantoonden betrekkingen aan te knoopen met naburige volkeren, deed zich de behoefte gevoelen aan rechtsvoorschriften, waardoor de veiligheid en onafhankelijkheid werd verzekerd van de personen door of van wege den eenen staat ter behartiging zijner belangen en tot onderhandeling naar eenen naburigen staat gezonden. In de oudste tijden der geschiedenis vindt GescMedcnis. men reeds gewag gemaakt van gezanten: bij de Israëlieten (Mozes IV, cap. 21 v. 21), bij de Chineezen en bij de Indische vorsten vóór onze jaartelling en eveneens bij de Egyptenaren. 2)
De grieken hadden ; Alexander de Groote ont
ving te Babyion gezanten uit alle toen bekende deelen der wereld. De Romeinen hadden hun collegium Fe-tialium. De groote ontwikkeling van het gezantschaps-
gt;) Over de volgorde der hoofdstukken zie men Hoofdstuk V noot 1. i) Alt; Gesandtschaftsrecht blz. 7.
- 40 -
recht valt echter samen met het ontstaan der zoogenaam. de vaste missies, eene instelling den volkeren der oudheid ten eenenmale onbekend, en wier oorsprong is te zoeken op het einde der 15® eeuw. Lang duurde het eer de instelling overal ingang had gevonden en zelfs tot op het einde der vorige eeuw heeft Rusland steeds beslist geweigerd vaste missies te ontvangen. ^ Gezanten (legati, ministres publics, envoyés, agents Definitie diploraatiques, ou politiques, agents de relations exté-
rieures, Gesandte) zijn die personen, welke met geloofsbrieven of volmachten voorzien, door den eenen souvereinen staat ter behartiging zijner belangen aan den anderen staat worden gezonden. Meestal heeft de gezant tot opdracht belangen van zijn staat of diens ingezetenen te behartigen, doch men kent ook zoogenaamde ceremonieel gezantschappen : gezantschappen gezonden om een staat te vertegenwoordigen bij de troonsbestijging van een vreemden vorst enz. : gezantschappen gezonden alleen âder völkerrechtUchen Cour-toisiewegen.quot; 2)
Bij de schrijvers over volkenrecht vindt men onderscheid tusschen actief en passief gezantschaps-recht; onder het eerste wordt dan verstaan het recht gezanten te zenden, onder het laatste het recht gezanten te ontvangen. Praktisch is de onderscheiding echter van geen gewicht, daar degene die het eene heeft, ook het andere recht bezit.s) Gezantschapsrecht
Fr. v o n Martens, Völkerrecht Band II. blz. 19 vlg.
-) Verg. Alt §y;Bielfeld, Tustitutious politiques II. chap. IX § 1: W i c q u e f o r t, l'Arab. I sect. I (p. 2) ; G e u t i li s , de legot 1; J o. Georgië K u 1 p i s, de legat. cap. I. $ 2 ; N e u m a u n , Grundriss des Europ. Volken*. § 53; F. v o u Martens, 11 blz. 11 vlg.; He ff ter, Droit Int. de l'Eur. § 198.
3j K 1 ii b e r en M i r u s s mcenen dat afhankelijke staten niet altijd het passieve gezantschapsrecht hebben. ;;13ut, zegt Phillimore, Int. Law
- 4:1 -
hebben slechts de onafhankelijke staten. âLe droit d'en- Actief en passief ge-voyer des ambassadeurs,quot; zegt de Wicquefort, âest la plus /aquot;t6( ha,,siec:ilt' illustre marque de souveraineté.quot; Oudere schrijvers kennen het gezantschapsrecht toe aan den vorst, o. a.
de Wicquefort en Moser. De laatste echter noemt reeds den staat naast den vorst als hij zegt: âAlle grosze, undbhdngige Hernn und Staaten haben das Ge-sandtschaftsrecht nach allen Graden und unbeschrankt2).
Thans wordt algemeen het gezantschapsrecht toegekend aan de staten, als subjecten van het volkenrecht en wieheeftgeznntsciirms-de vorst, de drager der souvereiniteit van den staat, lecl't:'
het hoofd der uitvoerende macht, oefent in naam van den staat het gezantschapsrecht uit. Wat nu is in het volkenrecht te verstaan onder staat? Tallooze pogingen zijn door den schrijver over staats- en volkenrecht gewaagd om eene definitie te geven van den staat:
doch tot nog toe zonder bevredigend resultaat. Bekend is de uitspraak van Hegel: âSchwer ist es die Natur wat is een staat? zu begreifen, aber unendlich berber noch den Stat zu fassen.'' Voor het volkenrecht kan men zich echter neerleggen bij de uitspraak van Phillimore; âa state may be defined to be a people permanently occupying a fixed territory (certam sedem), bound together bij common laws, habits, and customs into one body politic, exercising through the medium of an organised government, independent sovereignity and control over
- 42 -
all persons and things within its boundaries, capable of making war and peace and of entering into all international relations with the communities of the globe. It is a sound general principle and one to be laid down at the threshold of the science, of which we are treating, that international law has no concern with the form, character or power of the constitution or government of a State, with the religion of its inhabitants, the extent of its domain or the importance of its position or influence in the common wealth of nations. Russia and Geneve have equal rightsquot;.1) Men kan niet als staten beschouwen wilde horden of horden die geen vast grondgebied bewonen. Zoo worden de Indianenstammen, noch door Ameri-kaansche. noch door Europeesche mogendheden als staten erkend. 2) Evenmin kunnen zich als staten doen gelden âall associations of men united for the accomplishment of immoral ends (sceleris causa), such as piratical hordes, althoug they may have aflxed abode and call themselves by the name of States. 3) Reeds Cicero zeide: Populus autem non omnis ho-rainum coetus, quoquo modo congregatus, sed coetus multitudinis juris consensu et utilitatis communione
sociatus.....Neque esset unum vinculum juris nec
concensus ac societas coetus quod est populus.''
De regeeringsvorm doet voor het begrip staat niets ter zake of de staat republiek of monarchie, of de monarchie erfelijk is of door keuze bepaald wordt, is
1
*) Phillimore: Comm. III. 1. § 63 ; Cf. Travers T w i s s , Int. Law § 184; Beach Lawrence, Comm. 1, 160 vlg.
2
) Lawrence: I.* 265.
3
) Phillimore: III. I. § 64* Blunt, schli: Völkerr. § 20. Grotius: de jure belli ac pacis II, 18 § 2 n' 3 : Piratae et latrcnes, qui civitatem non faciunt jure gentium nisi non possunt. Lawrence, I. 162 vlg. meent dat nomadenvolkeren wèl een staat kunnen vormen.
- 43 -
eene vraag van het staatsrecht. De Maltheser ridderorde vormde eertijds een staat en ten onrechte weigerden de Staten van Holland een gezant van de Maltheser ridders te ontvangen. *)
Alleen Souvereine staten hebben gezantschapsrecht nl. qui sui juris et sumrai imperii compotes sunt inter se1). De Martens meent dat het kenmerk der Sou-vereiniteit van den staat juist daarin is gelegen, âque l'état dans ce qui touche a sa constitution et a son gouvernement civil, n'ait de droit, h recevoir des lois d'aucun étranger. 2) De zoogenaamde half souvereine Haifsouvereine staten, staten hebben geen gezantschapsrecht. Ze worden naar buiten vertegenwoordigd door hun suzerein. Met toestemming echter van dezen kunnen zegezanten zenden.
De Barbarijsche staten Tunis en Tripoli staan onder de suzereiniteit van de Porte. Europeesche staten hebben hen echter wel eens behandeld alsof ze souvereine staten waren. 3j
In den Statenbond (thans tot de geschiedenis beboerende) heeft zoowel het geheel, als ieder staat die deel uitmaakt van den bond,gezantschapsrecht. Bij den bondstaat Statenbond en bond-
stamp;tCD
kan dit eveneens het geval zijn. In het Duitsche rijk hebben thans nog de bijzondere staten gezantschapsrecht.De nauwere vereeniging der staten tot den bond behoorende schijnt echter meeste brengen, dat slechts de bond als geheel zich kan laten vertegenwoordigen. Aldus is het opge-
1
G r o t i u s : IL 18. § 2 n' 1 ; Cf. Bluntsehli: § 160.
2
) G. F. de Martens: Droit des gens VII. I. § 187; Cf. Lawrence: I. 223.
3
') Vergelijke hierover Pliillimore, III. 1. § 68 vlg. Sints 1881 heeft de verhouding van Tunis tot Frankrijk in die tot de Porte wel verandering gebracht, maar een souvereine staat is Tunis in geen geval.
- 44 -
vat in de laatste bondsakte der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Men kan echter niet zeggen, dat het vormen van een bondstaat per se voor de toetredende staten verlies van het gezantschapsrecht meebrengt. De bondsakte zal in elk gegeven geval beslissend zijn. It may be argued, zegt Phillimore, that the sovereignity of each state is not impained because it has entered into certain voluntary engagements with its neighbours, anymore than the independance of an individual is forfeited by his having entered into a voluntary engagement with another individual But this must after all depend both in the case of the state and of the individual very much upon the character and nature of the engagements, however voluntary contracted. The question can only be answered by reference to the terms and conditions of the union by which the different states are bound together. ^ Unie. Bij de personeele Unie bestaan twee staten en ieder
van beide kan zijne souvereiniteitsrechten uitoefenen. Zoo had voor den dood van Willem III èn Nederland èn Luxemburg gezantschapsrecht. Op verzoek echter . der Luxemburgsche aan de Nederlandsche regeering werd aan onzen gezant toegestaan de belangen van Luxemburg mede te behartigen. Bij de reëele Unie daarentegen vormen de deelen slechts één staat en heeft alleen het geheel, als zoodanig recht zich naar buiten te doen vertegenwoordigen.2)
vice-Koningen, Gou-quot; Verschillende schrijvers kennen aan vice-koningen, vemeurs. gouverneurs van provinciën, stadhouders enz. gezant-
Phillimore: VI. 2. § 116; J3 1 u n t s c h 1 i : § 160 ; F. v o n Martens: 11. § 7; Pradier-Fodere: Droit Int. public. Tome 111 § 1242 sqq.
2) F. v o n Martens: 11 § 7 ; B 1 p n t s c li 1 i : §§ 70â75. H e f f -ter: § 20.
- 45 -
schapsrecht toe.1) De koloniën vormen echter geen staat op zich: ze zijn deelen van den moederstaat en daarom is de vertegenwoordiger van den laatste ook tegelijk vertegenwoordiger van de koloniën. Maar,
zoo zegt terecht v o n Martens 2) âmitunter brin-gen besondere örtliche Umstande es mit sich dass den Statthaltern entfernter Provinzen oder Colonien, quot;die selbstandige Ausübung des activen Gesandtschaftsrechts übertragen werden muss.''
Als voorbeelden hiervan kan men wijzen op den vice-koning van Engelsch-Indie, on den Generaal-Gouver-nenr van Turkestan. De staat heeft het gezantschaps-recht en draagt de uitoefening daarvan op aanl wien hij verkiest. Regelmatig zal het de monarch zijn of de President eener republiek ; bij minderjarigheid van den vorst de regent. Het kan ook zijn dat de benoeming der gezanten is opgedragen aan den Minister van Buitenlandsche zaken. Zoo werden de Zweedsche gezanten gedurende de minderjarigheid van Koningin Christina door den Kanselier' Oxenstjerna benoemd.
Richelieu aanvankelijk weigerende Hugo de Groot,
door Oxenstjerna als gezant van Zweden benoemd,
als zoodanig te erkennen, moest ten slotte toegeven,
dat de benoeming regelmatig was geschied. 3)
Het Staatsrecht van den staat die gezanten zendt, Wie 0,;fent sezant-
sehapsrecht uit ?
is beslissend voor de vraag, wien het benoemingsrecht toekomt: daarin zal eveneens tde oplossing te zoeken zijn van de vraag, of onderkoningen, stadhouders enz.
1
') O a. Wicquefort; l'ainb. I. 2. p. 34 : [P li i 11 i m o r e : VI. 2 | 128; Mosev: IV. 1. §,6; Bluutschli: ^ 161.
2
F. von Martens: II § 7; Cf P r a d i e r - P o d e re: III § 1243.
3
) P h i 11 i in o r e : VI. 2. § 127 ; F. de Martens; II § 7.
- 46 -
bevoegd zijn gezanten te benoemen. ^ Insgelijks moet het staatsrecht antwoord geven op de vraag, of wanneer de benoeming van gezanten aan den vorst is opgedragen, deze die bevoegheid mag delegeeren aan onderkoningen of gouverneurs, of wel aan de hoofden van legerafdeelingen.
Burgeroorlog of usur- Groote moeielijkheden levert de vraag op, wie ge-
patie.
zantschapsrecht mag uitoefenen ingeval van burger-oorlog of usurpatie. In bellis civilibus, zegt d e Groot, necessitas interdeum locum huic peil facit extra regulam: puta cum ita divisus est populus in partes quasi aequales ut dubium sit ab utra parte stet jus imperii; aut cum jure admodum controversie de regni successione duo concertant nam hoe eventu gens una pro tempore quasi duae gent es habetur. 2) De Groot schijnt aan beide partijen het jus lega-tionis toe te willen kennen. Bijnkershoek meent dat âscissa in factiones republica, penes quam stet rei agendi potestas, nee aliorum desideratur concensus, haec sola recte legatos mittit. s) Doch als het nu eens niet uit is te maken wie het hoogste gezag in handen heeft? De opmerking van Phillimore komt mij zeer gegrond voor, dat, namelijk, de bepalingen van het volkenrecht niet het oog hebben op gevallen van burgeroorlog. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat oproerige onderdanen niet van het jus legationis kunnen gebruik maken bij hunne onderhandelingen met hun vorst, daar hun de grondslag voor dat recht ontbreekt. Op dezen grond houdenèn Bijnkershoek
') Vattel; le droit des gena, IV. 5. p. 127 zegt: âles vice-rois agissent par autorité du souverain qu'ils représentent et dont ils exereent les droits.quot; lu gelijken ziu G. F. de Martens: Droit Int. VII. § 187. Grotius: 11. 18. § 2 n' 3.
s) Bijnkershoek: Quaest. II. 3.
- 47 -
èn Wicquefort staande, dat Philips II zich aan geene schending van het volkenrecht schuldig maakte, toen hij den edelman de Montigny en den graaf van Bergen op Zoom, door de opgestane Nederlandsche gewesten als gezanten naar Spanje gezonden liet ter dood brengen. ^ Nevertheless, zoo besluit Ph illimore, when rebellion has grown from the members, who partake in it, the severity of the struggle and other causes into the terrible magnitude of a civil war the emissaries of both parties have been considered entitled to the privilege of ambassadors so far as their personal safety is concerned. . . Peace and order under these circumstances can only be restored, the shedding of blood can only be strayed through the medium of negotiation; negotiation must be carried on through negotiators and negotiators cannot act unless their personal security be cpiaranted so far as the state herself in which the rebellion has broken out, is concerned, it must always be a question of circumstances and incapable of definition before hand, when the citizen is to be considered as entitled to the privilege of an enemy, rather than the punishment of a rebel. Derde staten, die zich van elke inmenging in de inwendige aangelegenheden van een anderen staat hebben te onthouden, zullen den uitslag van den strijd behooren af te wachten en het zal voor hen meer eene vraag van politiek en utiliteit dan van volkenrecht zijn, of en van welke partij zij gezanten willen aannemen. Het volkenrecht geeft m. i. in deze zaak geene regelen ter oplossing aan de hand. Jure bestaat er zoolang de strijd voortduurt slechts een staat, doch wie feitelijk de souvereine-teitsrechten uitoefent, is in dubio; en kan alleen dooide omstandigheden uitgewezen worden. â
--
^ P hill i move: IT. 2. § 130; Bijnkershoek: Quaest. II. 3.
- 48 -
Eveneens zal in geval van usurpatie alles aankomen op de omstandigheden van het bepaalde geval. Wie heeft het jus legationis, de oorspronkelijke regee-ring of de usurpator? Volgens de Wicquefort heeft zoowel de eene als de andere gezantschapsrecht, doch voor den usurpator zal het, naar hij meent-, lastig zijn zijne gezanten als zoodanig, le doen erkennen. Gelukt het hem echter, welnu, les princes a qui on envoie des ministres n'ont pas coutume d'examiner les titres qu'ils emploient, ils se contentent d'en considérer la puissance et la possession, bien que sans la consideration de l'intérest, ils ne se pressent pas trop de recon-noistre l'usurpateur. Lorsque l'intérest s'y rencontre les princes ne font point de difflcultés de recevoir ses ambassadeurs de tons ceux qui leur en veulent envoyer. S'il suffit que le prince qui veut faire reconnoistre ses ambassadeurs soit en possession de la Souveraineté, on peut conclure, que celui qui étant chassé par une force majeure, ou que le soulèvement de ses sujets a contraint de s'éloigner, retient la possession jusqu'ü ce que par un traité formel il ait renoncé aux pais qui ont été conquis, on que le succes ait justiüé les armes de ses sujets, il retient aussi le droit d'am-bassade, puisque la Souveraineté lui demeure. ^ B ij n-kershoek kent den usurpator gezantschapsrecht toe: prima fere fundamenta imperiorum sunt turbae et factiones. 1j
Zooals ik boven reeds opmerkte komt het jus legationis toe aan den Staat en degene welke de uitvoerende macht in handen heeft, oefent het recht uit in
1
) Bijnkerslioek; (Juaest. II. 3; Cf. Pradier-Foderé: III § 1245 sqq.
â 49 â
naam van den staat. Hieruit volgt dat slechts één van beide, of wel de primitieve regeering, of wel de usurpator gezanten kan zenden. De staat zou inconsequent handelen door van beiden terzelfder tijd gezanten aan te nemen, daar het recht van den een de ontkenning van dat des anderen in zich sluit. Nochthans levert de geschiedenis voorbeelden op dat naast den gezant van den usurpator, die van den vorst werd toegelaten. 1)
Een vorst die afstand gedaan heeft van de regeering of van den troon is gestooten, heeft geen gezant-schapsrecht meer. âCelui qui abdique ou résigne, zegt Wie que fort, ne retient point la Souveraineté; en renonqant, il renonce a tons les droits qui en dé-pendent.... les droits de Souveraineté sont insépa-rables de celui qui la possède.quot; 2)
Na de terechtstelling van den Bisschop van Leslie, gezant van Koningin Maria Stuart aan het hof van Koningin Elisabeth droeg deze aan de bekwaamste juristen op de beantwoording van verschillende vragen van het volkenrecht, waaronder ook deze: of eene vorstin, die van den troon was gestooten, nog gezanten kon benoemen. Eenstemmig luidde het antwoord neen, mits de onttrooning âlawfullyquot; was geschied. Deze bijvoeging is echter onjuist. Of de usurpatie al dan niet wettig is, is eene vraag, onttrokken aan het oordeel van den vreemden
!) F. v o n M a r t e n s : 11. § 7 ; «Tm Princip besitzt tlas aotivc Gesaiult-schaftsrecht weder der blosse ïheil eines Staates, solange er noch im Kampfe um seinc UnabhangiglceU begrid'en, noch der Usurpator, so lange seine Oewalt problematisch ist. Bis zuin Ausgange des Kamnfes ist die Inneliabung dieses Rcehts eiue rein tbatsiicliliclie Frage, die nielit anders als auf Grund einer uuparteiisehe Priifung der dureb die Usurpation der Gevvalt oder dei. Biir-gerkrieg gesebaft'en Sacblage gelost werden darf.quot; Cf. Ook B 1 u n t s e h 1 i; § 28â38.
W1 c q u e f o r t: 1'amb. I. 2 p. 32; Cf. Ph ill i more: VI. 2 § 124 ; F. v o u Martens: 11. § 7.
_ 50 -
staat, die zich niet mag begeven in een onderzoek naar hetgeen de inwendige aangelegenheden van eenen anderen staat meebrengen. quot;Wat hij kan en mag verlangen is het feitelijke bezit der Sonvereiniteit. 1) De geschiedenis bevat tal van voorbeelden, dat in dezen zin is beslist. Cardinaal Mazarin weigerde in 1659 beslist den gezant van Karei Stuart te ontvangen, en nam dien van Cromwell aan. Nadat Engeland het ééne Koningrijk Italië had erkend, gaf Lord Russell den Napelschen gezant te Londen kennis, dat bij alle diplomatisch verkeer met hem afbrak. Pruissen, echter liet bij de kroning van Wilhelm I den vertegenwoordiger van Victor Emmanuel toe naast dien van Ferdinand II, ofschoon het Koningrijk der beide Sicilien facto had opgehouden te bestaan.
Napoleon I antwoordde terecht aan den Russischen Keizer, die weigerde hem als Keizer der Franschen te erkennen âqu'il n'en avait pas plus besoin que le soleil.quot; Evenmin als het voor eenen nieuwen staat noodig is als zoodanig door andere staten erkend te worden, evenmin behoeft de usurpator om als hoofd der regeering van een land aangezien te worden bevorens eene uitdrukkelijke verklaring daaromtrent van andere regeeringen. â
VcrpUchting gezanten Betwist is tusschen de schrijvers over volkenrecht aan te nemen. ^ vl.aag 0f een staat verplicht is gezanten aan te nemen. De Groot meent dat men vaste gezantschappen mag weigeren, want âquibus quam non sit opus, docet mos antiquus, cui illae ignoratae.quot; Andere gezantschappen echter ânon omnes admitti jubet jus gentium, sed vetat sine causa rejici.quot; 'J) Enkelen der moderne
') Vattel: IV. 5 pag. 129.
Gvotins: H. 18 § S n- 1â2.
- 51 -
schrijvers over volkenrecht (o. a. de Martens en Bluntschli) verdedigen de meening van de Groot en verkondigen de leer dat de staat slechts dan als hij eene reden voor weigering heeft, zich van het ontvangen van den gezant mag verschoonen. De meeste schrijvers echter, en daaronder ook de Wicquefort, de groote voorvechter der rechten van de gezanten, ontkennen de verplichting van een staat gezanten aan te nemen. ') De staat, aldus redeneeren zij, is Sonverein op zijn territoor en is stricto jure, tenzij bij tractaat dnartoe verbonden, niet verplicht gezanten op zijn grondgebied toe te laten, en kan, zoo hij ze ontvangt, zoodanige voorwaarden stellen aan hunne toelating, als hij in zijn belang noodig acht. Wat er ook van zij, dit is zeker, dat geen beschaafde staat van zijn strictum jus gebruik zal maken en dat door anders te handelen de staat zich buiten de rechtsge-gemeenschap zou plaatsen en wederom het standpunt van isolatie gaan innemen, door de geciviliseerde volkeren sints lang verlaten.
Verschillende redenen van weigering van een bepaald persoon als gezant worden opgegeven. Het eigenlijke doel van het gezantschap, het onderhouden der vriendschappelijke betrekkingen tusschen de staten en de onmiddelijke, uit zijne hooge positie voortspruitende, omgang van den gezant met den vorst of den vertegenwoordiger der staatsmacht van het' land, waar hij zijne waardigheid bekleeden zal, nopen den zendenden staat tot de grootste zorgvuldigheid
') Wicquefort: mém. p. 98 vlg. ; B ij n k e r s h o e k : du Juge Comp. XIX. § 7; Calvo: Droit Int. I. piig. 458; Kliiber: § 176; Twiss; §§ 184, 185; 13 ij n k e i's li o e k : Quaest. II. 5; Phi 1 li-move : VI. 2. § 13£ ; AH: pag. 49 vlg.; Pradier-Foderc: III § 1254. Daarautegen Bluntschli: § 103; F. von Martens, II § 7.
- 52 -
in de keuze van den persoon, wil het doel van de missie bereikt worden, 't Is daarom gewoonte geworden bij de vreemde regeering confidentieel te informeeren of de persoon, dien men wenscht te benoemen, eene persona grata is. Meestal weigert de staat eigen onderdanen als gezanten van een anderen staat te accrediteeren, om dat er licht een conflict kan ontstaan tussclien zijne plichten als onderdaan en de previlegies den gezanten toegekend, die, zegt Phülimore, juist gegrond zijn op de veronderstelling, dat de drager onderdaan is van den staat, die hem als gezant zendt. ^
Eveneens plegen de staten te weigeren misdadigers of tot zware straffen veroordeelden of personen, die zich vijandig gezind hebben betoond tegenover den staat, waar ze hunne functies moeten uitoefenen; 2) vroeger weigerde de Paus steeds Cardinalen als gezanten aan te nemen, daar dezen ex officio zitting hebben in het Heilig College. Of vrouwen gezanten kunnen zijn, daarover zijn de schrijvers het oneens. Martens meent ja, Phülimore neen. Bynkershoek wijdt er in zijne Questiones Juris publici een geheel hoofdstuk aan. 3)
Klassen va» gezanten. Oudtijds onderscheidde men de gezanten niet in klassen. Men kende toen slechts Jegati (Botschafter, ambassadeur). Dit bleef zoo tot aan het ontstaan dei-vaste gezantschappen. Bij de opkomst dezer instel-
') Phillimore: VI. 2 § 135. In 186S zond China een oiiderdaau der Vereenigde Staten als gezant naar Washington, doch de Amerikaansche regeering weigerde beslist hem anders toe te laten dans als Commissar's, zonder aanspraak op de volkenrechtelijke privilegies
a) P. von Martens; II § 8; Phillimore. VI. 2. § 13C; Bluntsehli: § 164.; Bijnkershoek. Qnaest. II. 3. noemt voor-heelden op uit de praktijk.
3) Phillimore: VI. 2. § 136; Bluntsehli: ? 165; F- ven Martens: 11 8; Cf. Wie que fort: 1'Amh. I. 9. pag. 89.
ling kwamen naast de ambassadeurs, residenten, chargés d'affaires en anderen voor, welke allen als offi-ciëele representanten hunner vorsten werden erkend. Steeds heerschte er strijd over punten van ceremonieel en ten einde hierin te voorzien en voor de toekomst geschillen van dien aard te voorkomen, werd door het Reglement van Weenen van 1815 eene rangverdeeling in drie klassen aangenomen. Door het protokol van Aken van 1818 werd nog eene klasse toegevoegd, zoodat thans de verdeeling der gezanten in klassen is als volgt:
I*te Klasse: les ambassadeurs, legate ou nonces. 11quot; Klasse: envoyés ordinaires et extraordinair es, ministres plènipotentiaires, internonces.
lil» Klasse: ministres residents.
IV Klasse: chargés d'affaires ou chargés des affaires. 1)
Deze verdeeling is van geen invloed op de voorrechten der gezanten : ze heeft alleen betrekking op het ceremonineel. Vroeger werd wel eens aangenomen dat alleen gezanten der hoogste klasse aanspraak konden maken op de volkenrechtelijke privelegien. Zoo besliste het Hof van Justitie in Holland in het jaar 1644 dat het edict der Staten alleen het oog had op de gezanten der hoogste klasse. Later echter kwam het Hof terug op deze beslissing en kende de privelegien toe ook aan de gezanten van lager klassen.2) Bynkershoek en Wie que fort pleitten steeds voor uitbreiding der priveleges. De titel, zoo zeiden zij, doet niets ter zake. Bynkershoek wijst er op, dat te zijnen tijde de Duitsche Keizer gezanten zond onder
1
*) F. v o ii Martens: II. § 9.
2
) quot;Wicquefort: TAmb. I. 27. pag. 385.
- 54 -
den titel van âcommissarissenquot; doch dat deze niettemin aanspraak hadden op de priveleges der gezanten.J) Keciitsgrond der privi- In het voorgaand hoofdstuk werd reeds aangestipt, lesie11quot; dat, zoover wij kunnen opklimmen in de geschiedenis
der menschheid, sints de oudste tijden, waaruit berichten tot ons zijn gekomen over het verkeer tusschen de verschillende volkeren, aan de voor dat verkeer gehezigde personen, aan de gezanten, eene bevoorrechte plaats is ingeruimd. En al kunnen wij verschillende gevallen in de geschiedenis aanstippen, waar de hartstochten of welke redenen ook eene afwijking van het algemeen erkend gebruik medebrachten, het beginsel als zoodanig bleef in den loop der eeuwen onveranderd en met het beginsel bleven het de daaruit afgeleide gevolgtrekkingen. Zelfs de Turken hebben het beginsel erkend en zijn er slechts in enkele gevallen en dan niet dan aarzelend toe overgegaan gezanten gevangen te nemen, meestal zich verschuilend achter het voorwendsel, dat zulks voor de veiligheid der gezanten zeiven noodzakelijk was. â Bij alle volkeren vindt men schending van gezanten als een zwaar misdrijf aangemerkt en op de strengste wijze bestraft.
Eertijds werd veelal de meening verkondigd, dat reeds het Romeinsche recht over de gezanten bepalingen bevatte, in hooge mate afwijkende van de gewone rechtsbeginselen. Deze leer bleek echter bij nader onderzoek den toets der kritiek niet te kunnen doorstaan. Eene nauwkeurigere ontleding der plaatsen der Romeinsche rechtsgeleerden en eene toetsing van hun invloed aan de berichten der geschiedschrijvers bracht
') Wicquefort: l'arnb. I. 27. pag 411, en mémoires p. 52; Bijo-keraiioek: traité du juge comp. XIII § 4' Hij voegt nog toe: »11 y a d'autres qui ne sont envoyez que pour exécuter quelque commission partica-Hère et ceux-ci ne jouissent nullement du droit des ambassadeurs.quot;
- 55 -
aan het licht, dat de bedoelde uitspraken het oog hadden op de afgevaardigden van de munlclpla, naaide hoofdstad van het rijk gezonden, alzoo niet op gezanten in den eigenlijken zin van het woord nl. die personen welke door den eenen staat aan den anderen, alzoo tusschen op dezelfde lijn staande subjecten van het volkenrecht gezonden worden. ^
Op den weg van het gewoonterecht kwam de bevoorrechte plaats door de gezanten ingenomen tot ontwikkeling en nam langzamerhand al meer en meer in gewicht toe, naar mate de voor eene bepaalde opdracht gezonden gezanten plaats maakten voor vaste missles, medebrengende een vast verblijf van het gezantschap op het territoor van den ontvangenden staat.
Over den grondslag, de uitbreiding en omvang der gezantschapspriveleges loopen de gevoelens der schrijvers nog al uiteen.
Slechts zeer weinigen ontkennen ten eenemale het bestaan der volkenrechterlljke priveleges, en met de opnoeming van de Vera, Henricus de Coccejl, Samuel de Coccejl, Wolff en Pinheiro-Fer rei ra zijn de voornaamste woordvoerders dezer leer opgesomd. Voor den lateren tijd moet men Helle daaraan nog toevoegen. De eersten gronden hunne meening op de uitspraken der Romeinsche juristen en verliezen dus met de nieuwere en juist gebleken opvatting dier vermeende beslissingen den grondslag zeiven van hunne leer. Helle, â op wiens leer later zal teruggekomen worden âmeent wel wat te optimistisch 3), dat de eertijds bestaande gronden voor de
') Harburger: blz. IT^.
2) In het proces tegen den granf van Arnim, die na den oorlog van 1870 bekleed was geweest met den gewichtigen post van Botschaflcr van het
- 56 -
toekenning der priveleges bij den vooruitgang dei-beschaving hebben opgehouden te bestaan, en dat met het verdwijnen van den grondslag ook het daarop opgetrokken gebouw is in elkaar gezakt. In den nieu-weren tijd gaan er vele stemmen op (o. a. L a u r e n t en de Martens) voor inkrimping van den omvang der priveleges, zooals die in de praktijk zich heeft ontwikkeld, doch hunne leer kan geene genade vinden in de oogen van de mannen der praktijk. âDie grosse Mehrzahl der Schriftsteller und Staatsmanner hinge-gen hat sich der Ueberzeugung nicht erwehren können, dass iür die Stellung und die A.ufgabe der Ge-sandten eine ziemlich hochgradige Unabhangigkeit von der Staatsgewalt ihres Bestimmungsortes essentiell und unentbehrlich sei.quot;') Het schijnt met de taak dei-gezanten niet wel vereenigbaar, dat zij aan een ander
Duitsclie Kijk te Parijs en die iu 1871- te Berlijn tereclitstond, wegens eene aanklacht in die hoedanigheid zich wederrechtelijk oorkonden (Erlassc) toe te hebben geeigeud, vindt men o. a het volgende vermeld. De Rijkskanselier had er zich over uit gelaten, dat er in Europa natiën (nl. de Fransche) waren, die niet als eene beschaafde maar als een wilde moesten worden behandeld en welken men geen gezant, maar een barbaar moest zenden. (Pro-cesz Arnim: Stenogr. Bericht. Berl. 187-t blz. 210). In een brief van 22 Jan. 1873 schreef von Arnim : «Mocht ooit nog eens een nieuwe oorlog tus-schen Duitschland en Frankrijk uitbreken, waarin Duitschland ten tweede male de overwinning behaalde, zoo behoorde in het nieuwe vredesverdrag aan de Duitschers eene geëximeerde stelling en eene eigen rechtspraak te worden verzekerd.quot; Zou H e 1 i e meenen, dut er geen behoefte bestond aan bijzondere bescherming dooi het volkenrecht, voor den vertegenwoordiger van het gehate land ?
1) Har burger: der strafr. Begriff. Inland pag. 174; Cf.
Pradier-Fodéré: 111 § 1381. Pinheiro-Ferreira spreekt aldus: /,charge de Tirnportante mission de mettre un terme aux desastres de la guerre, ou du soiu non moins important de maintenir la paix eutre les deux etats Penvoye est naturellement en tmtte aux intrigues et aux embuches des parties intéressées a la continuation de la guerre ou u l'interruption de la bonne intelligence qui existe entre les deux nations. II y a toujours en outre dans tous les pays, un certain nombre d'hommes prévenus contre tous Ijs
57 -
staatsgezag zouden onderworpen zijn: zij vertegenwoordigen den Souverein, de verpersoonlijking van den staat ten aanzien van de buiten wereld, en die souverein geniet volkomen onafhankelijkheid. De waardigheid van den souverein, dien zij vertegenwoordigen duldt geene onderwerping aan het vreemde staatsgezag. De gezant behoort alleen aan zijn souverein rekenschap schuldig te zijn van zijne daden. Ook zouden de gezanten in de vervulling hunner beroepsplichten zeer belemmerd, in hunne vrijheid van beweging en handeling zeer beperkt zijn, als zij, in geval van een werkelijk of vermeend vergrijp tegen de rechtsorde van den staat, of tegen de belangen der regeering, met welke zij in opdracht hunner Committenten te onderhandelen hebben, door deze evenzeer als hare eigen onderdanen ter verantwoording opgeroepen konden worden. Hoe is het met de waardigheid der gezanten overeeen te brengen, dat zij onder zekere omstandig-
étrangers en general, mais partieulièrement contre les membres dn corps diplomatique, qn'ils considèrent comme autant de gens payes pour travailler eontre les interets du pays ou ils sont envoyés. II fallait done que la loi des nations entourat d'une protection toute particuliere les agents diplomatiques. C'est en consequence de ces previsions qu'on a admis au nombre des principes du droit des gens positif, en Europe, rimmunité de la personne et de la demeure, ainsi que des équipages et des effets de rambassadeur. Quant a l immunité de la personne, chacun en apei^oit aisément la raison, car sans une pleiue sureté et liberté individuelle, il lui serait impossible d'atteindre le but de sa mission . . La sureté personnelle de rambassadeur n'est pas le seul objet pour lequel on ail a craindre des atteiutes de la part, soit du gouvernement, soit des parties au milieu desquels il se trouve, sans autre protection que celle du droit des nations. Les papiers de la mission sont un objet d'une trop haute importance pour qu'il soit permis de penser que les personues iutéressées a faire échouer la négotiation négligeront d'employer tons les moyens imagiuables pour s'en emparer, n'iinporte sous quel pré-texte, pourvuque Ton puisse trouver un motif plausible poiir y parvenir etc. Mille occasions pourraient se trouver d'accomplir, sans le moindre risque d'etre convaincu, un aussi eoupable dessein.'
- 58 -
heden gedwongen zouden kunnen worden zich aan de bevelen te onderwerpen van de laagst in rang zijnde ambtenaren der locale regeering ? Wie waarborgt den gezanten voor de mogelijkheid, dat de regeering te eeniger tijd met staatkundige oogmerken er toe overgaat onder eenig voorwendsel van inbreuk op de rechtsorde of veiligheid van den staat, de woning van den gezant binnen te dringen, de gezantschapspapieren te doorzoeken of in beslag te nemen en zich zelfs van den persoon des gezants meester te maken ? ^ âSi le droit Ca-non,zoo mocht deWicquefort met recht vragen, ex-empte recclésiastique de la juridiction ordinaire ; si un soldat en prenant service s'assujettit a une justice étran-gère, même dans lepays de sa naissance ; et si un écolier de Salamanque, qui aurait fait un meurtre dans Madrid ou ailleurs peut demander son renvoi devant le juge de l'université; le droit des gens que Ton peut appe-ler le privilège des Privilèges doit exempter le ministro public de la justice du lieu de sa résidence. Tous les souverains Tont ainsi entendu et tous les princes qui ont eu la imputation d'etre sages et prudents ont confirmé cette vérité par leur exemple.quot; 2) Was ooit het âprivilegium revocandi domumquot; gegrond, dan was het juist ten aanzien van de gezanten. Het belang van den zendenden staat schijnt zulks gebiedend te eischen.
Het voorrecht der gezanten waarop wij hier het oog hebben is de zoogenaamde exterritorialiteit, zooals zij in het 11® Hoofdstuk is omschreven: ze is eene fictie, dienende om de uitzonderingen van het volkenrecht in het rechtssysteem op te nemen: ze is slechts beeldspraak.
') Harburger: blz. 175; Calvo; § 514. *) Wicquefort; l'Amb. I. 27 blz. 390; Cf. Calvo; § 514.
- 59 -
Wordt door de schrijvers bijna eenstemmig de ex- omvang der pnv. territorialiteit der gezanten ten aanzien van het strafrecht aangenomen, minder eenstemmigheid heerscht er over den omvang van het privilegie, met name daarover of het geldt voor alle misdrijven van welken aard ook, of wel uitzondering lijdt ten aanzien dei-zwaarste delicten. Gentilis, Mar se la er, Barbey-rac en Merlin ') willen den gezant voor misdrijven tegen den staat bij welken hij geaccrediteerd is, onderwerpen aan de locale jurisdictie; Thomasius en He lie bepleiten zulks voor alle zware misdrijven. 1) De bevoorrechte positie, zoo redeneeren deze schrijvers, die de gezant inneemt berust op eene stilzwijgende overeenkomst tusschen de verschillende staten,
met de eveneens stilzwijgende voorwaarde, dat de gezant zich behoorlijk gedrage. Door nu te handelen in strijd met de voorwaarde, berooft de gezant zich zelt van zijne voorrechten, doordat de basis, waarop ze gegrondvest zijn,
wegzinkt. Hiertegenover kan men opmerken,dat de voorrechten van het volkenrecht niet in het persoonlijk belang van den gezant, maar in dat van den zendenden staat zijn opgesteld en dat derhalve aan den gezant niet het recht kan verleend worden een privilege te doen ophouden, dat niet aan hem persoonlijk is verleend.
Daarenboven bevat de redeneering eene petitie prin-cipii. Immers bij de beantwoording der vraag of de uitoefening der gezantschappelijke functies en de den gezanten toegekende privileges zich verzetten tegen eene strafvervolging, door de justitieele autoriteiten van
1
) Thomasius: Inst. per. div. 1. 3. c. 9 § 51 vlg.; Helie: § 128.
Ten onrechte wordt Vattel door Harburger ook bij dezen opgenoemd. Vattel laat bij zware delicten alleen arrestatie, geen bestraffing toe (Vattel IV. 7).
- 60 -
den ontvangenden staat voor delicten door den gezant op diens territoor gepleegd, kan men niet anders dan tot een ontkennend antwoord geraken, als men uitgaat van de stelling, dat de gezant door het plegen van een delict de voorrechten, hem toegekend, verliest en dat de betreffende staten te voren stilzwijgend zijn overeengekomen, dat verlies te verbinden aan en te beschouwen als een gevolg van het gepleegde delict. Wat er overigens van de zoogenaamde stilzwijgende voorwaarde aan is, daaromtrent geven de tal-looze voorbeelden in de geschiedenis vermeld opheldering en wel alle in dien zin, dat de volkeren nimmer aan het plegen van een strafbaar feit het verlies der waardigheid van gezant als gevolg hebben verbonden. Ook al zou het waar zijn, dat Philips II van Spanje werkelijk naar aanleiding van verschillende gebeurtenissen te Madrid de hem toegedichte circulaire aan de verschillende vorsten van Europa heeft gericht, inhoudende, dat hij ten aanzien der gezanten van vreemde mogendheden te Madrid geen exterritorialiteit zou toestaan en eveneens aan de respectievelijke vorsten jurisdictie over zijne eigene gezanten toekende, dan bewijst dit juist dat het tegenovergestelde de regel en in overeenstemming met de heerschende rechtsopvatting was. We vinden dan ook in de geschiedenis geen melding gemaakt, dat Philips het in zijne circulaire uitgesproken gevoelen in toepassing heeft gebracht; wel wordt ons daarentegen vermeld, dat dezelfde Philips II zich zeer verstoord betoonde, toen Koningin Elisabeth zijne gezanten Bernardinus de Mendoza en Alvarez de Quadra wegens samenzwering niet eens bestrafte, maar slechts het verblijf binnen haar gebied deed ontzeggen. Volgens de hem toegedichte circulaire zou Elisabeth veel verder hebben kunnen gaan en de delin-
queerende gezanten aan eene strafvervolging hebben kunnen onderwerpen. ')
Bestraffing, zoo motiveert Hel ie zijne meening, der op zijn gebied begane delicten is voor iederen staat van bet hoogste belang. Doch dat belang is zeer verschillend bij eene geringe overtreding en een zwaar misdrijf, een âattentatquot;, dat het bestaan van den staat, of het leven van den vorst in gevaar brengt. De zelfstandigheid en onafhankelijkheid van den gezant schijnt te eischen, dat de locale jurisdictie gesuspendeerd worde bij kleinere delicten, zonder dat daaruit eenig gevaar ontstaat voor de zekerheid van den staat. Doch als de gezant zich schuldig maakt aan zware vergrijpen, het volk opruit, en samenzweringen smeedt, dan moet het belang der rechtsorde overwegend zijn. âEitle Unterscheidung! öb ein Privatverbrechen oder Staatsverbrechen!quot;, zoo roept G-ottschalk uit. Wird man nichtjeder Zeit wenn man den Gesandten bestra-fen will, ein Staatsverbrechen behaupten und ist das nicht bij dem öffentlichen Character, den er tragt, ein Leichtes? Wer wird entscheiden ob das Verbrechen gegenden Staat gerichtet ist? Gibt man nur in einem einigen Punkt dem besendeten Staat das Recht eine Gerichtsbarkeit zu üben, so ist es leicht daraus ein System roher Willkür zu schaffen, das der Politik in ergiebiger Weise eine Ausbeute liefern kann. Hat der Gesandte ernstlich die Existenz des besendeten Staates bedroht, warum will sich dieser hinter dem Deckmantel einer unrechtmassiggeübten Strafjustizbergen? Warum will er auf dem Spruch der Richter warten ? Vim vi repellere licet 1 Es ist ein Zeichen von Engherzigkeit und Furcht, wenn der Staat durch den Spruch seiner Richter
H a r b u r g e i1; p. 179.
- 62 -
ein Verfahren rechtfertigen will, von dem er wiss, dass die Nothwendigkeit ihn dazu gezwungen hat ? Da ist Ge-walt am Platz; und diese mag er an wenden, wenn es anders seine Sicherkeit erheischt. Nothwehr ist stets erlaubt und gegen diese hilft kein Privileg, keine Ex-territorialilat.quot; ')
Met grond kan men beweren, dat het doel der exterritorialiteit slechts zeer gebrekkig en ten deele zou bereikt worden, door de onttrekking aan de strafjuris-dictie van den staat in eenig opzicht te beperken. Doet men ten aanzien van het absolute beginsel der exterritorialiteit eenige concessie, dan zal het den staat, zoo dikwijls zijne belangen van het oogenblik schijnen mede te brengen de werkzaamheden en het doen en laten van een gezant te bewaken, licht vallen een reden te vinden om hem in de uitoefening zijner func-
') Gottschalk: Ext. der Ges. p. 5 5 vlg.; Cf. W i c q u e f o r t; l'arab. 1. 2/ p. 391 : «On ne peut pas nier, que les ambassadeurs qui se fout auteurs ou complices de trahisous, qui menacent d'un peril éminent la vie du prince, aupres duquel ils resident ou l'etat d'une revolution inevitable ou apparente sortent de la sphere de leurs fonctions et que n'estant ni ennemis ouverU, ni espions lionorables, mais traitres dont on ne peut se garder, ils violent le droit des geus et ne doivent plus jouir du privilege du caractère. Ce qui eat aussi indubitable, comme il est incertain, non comment le prince offense peut, mais comment il en doit user. Scavoir, s'il doit punir le traistre lui mesme, ou s il doit encore considérer en sa personne celle du prince qui Temploie. Les princes a qui il reste un grain d'honneur ne soufFrent point qu'on outrage leur ministre, pour quelque cause ou sous quelque prétexte que ce soit, paree qu'ils jugent qu'on leur doit ce respect que de leur laisser la connaissance et le cliatiment des crimes de leurs ministres et qu'on s'en doit plaindre a eux, afin qu'en faisant justice ils puissent donner satisfaction au prince qui la leur peut demander. En quoi il y a d'autant plus d'appa-rence de raison que si on laisse aux princes la liberté de procéder contrc rambassadeur qui négocie avee eux pour quelque cause ou sous quelque couleur que ce soit, la personne de Tambassadeur ne sera jamais en sécurité parceque ceux qui voudront s'en défaire ne manqueront jamais de prétexte ; par ce moven le prince qui ne peut protéger sou ministre contre toute sorte d'insultes ne, pourra jamais être bien servi.quot;
- 63 -
ties te belemmeren. Het enkel voorgewende vermoeden zich aan eenig delict schuldig te hebben gemaakt, zou den staat het middel aan de hand geven, den gezant van zijne voornaamste voorrechten, de bescherming van het volkenrecht te berooven.
Bij consequente doorvoering van het beginsel der exterritorialiteit, zoo voert men aan, geeft men de zekerheid en veiligheid van den staat en diens opperhoofd prijs voor de veiligheid van den gezant, daar wel de staat en de vorst door den gezant en niet omgekeerd de gezant door de regeering kan bedreigd worden. Ook deze redeneering treft geen doel. Immers hier wor. den tegenover elkaar gesteld de feitelijke mogelijkheid onrecht te plegen en de wettelijke bevoegdheid, resp. onbevoegdheid, eene op zich zelve geoorloofde handeling te verrichten en worden aldus twee ongelijksoortige grootheden op ééne lijn gesteld. De vraag is niet wat men onrechtmatig kan doen, maar wat men rechtmatig mag doen. Daarenboven berust de redeneering op eene onjuiste opvatting der Exterritorialiteit, eene verwarring van straffeloosheid en onttrekking aan de jurisdictie van een bepaalden staat. Het beginsel der exterritorialiteit leidt er niet toe den gezant aan elke bestraffing te onttrekken, het onttrekt hem alleen aan de strafvervolging van den staat, waar hij geaccrediteerd is. De staat die den gezant gezonden heeft, is niet alleen bevoegd, maar tegenover den beleedigden staat verplicht het misdrijf van zijn vertegenwoordiger te vervolgen en te bestraffen volgens zijn strafrecht. De ontvangende staat is juist daardoor verzekerd tegen misdrijven van hen, die op het voorrecht van exterritorialiteit aanspraak kunnen maken, dat dezen in het land, dat hen zond, bloot staan aan eene strafvervolging. ^ Het valt niet
) Har burger: blz. 180.
te ontkennen, dat op strafvervolging van den zendenden staat, niet wèl kan gerekend worden, wanneer de gezant op aandringen zijner regeering een misdrijf heeft gepleegd. Daarom verleent P i n h e i r o â F e r r e i r a in dit geval den staat, waar het feit is gepleegd, uitdrukkelijk de bevoegdheid den dader te bestraffen, Miruss en Hub er pleitten ook hier voor consequente doorvoering van het exterritorialiteitsbeginsel. ^ Als het eenmaal tusschen staten zoover is gekomen, dat van de gezanten, die onder schijn van vriendschap het land hebben betreden, wordt gebruik gemaakt om den gastvrijen staat te benadeelen, dan mag men aannemen, dat tusschen deze staten een zoo diepe klove is ontstaan, dat een oorlog tusschen beide onvermijdelijk is en dat de vraag of de gezant strafrechtelijk vervolgbaar is in den beleedigden staat, geheel op den achtergrond treedt. De consequentie van het beginsel vordert echter ook in dit geval den gezant aan de vervolging der locale autoriteiten te onttrekken.1)
Fiore wil de gezanten alleen aan de strafrechterlijke jurisdictie van den Staat, waar zij hunne functies uitoefen onttrekken voor â délits commis dans I'exercise de lews fonctions.quot; 2) Voor zoover mij bekend is, staat hij met deze leer geheel geïsoleerd. En dat behoeft ons niet te verwonderen. Ik zou geneigd zijn hier te vragen of het plegen van delicten niet schier altijd zal vallen buiten âVexercise de leurs fonctions,quot;
1
) Aldus Miruss 1. c. ; Bij nicer stock: le juge Comp. XVII §10; Ook Pascal, deMarselacr, H o t m a n , A n t. d c V e r a , Peek li offer, Huber, S. van Groene wegen, Hort, de Callières, Barbeyrac, Har burger p. 180.
2
) P a s q. Fiore: Droit Int. 1. § 2G.
- 65 -
of het moest juist zijn in het zoo even vermelde geval, dat de regeering den gezant gelast heeft een misdrijf te plegen. En zoo er ergens grond bestaat om op het privilege der gezanten eene uitzondering toe te laten, dan zou het juist zijn in het vermelde geval. Fiore, pleitende voor inkrimping der privilegien, kan echter onmogelijk de voorrechten toe hebben willen kennen in die gevallen, waar juist alles schijnt te pleiten voor onderwerping van den gezant aan de locale jurisdictie en waar slechts eene consequente, tot het uiterste door gevoerde toepassing van het door hem aangevallen beginsel, den gezant kan dekken. â Behalve de weinige schrijvers, (waarvan de voor-naamsten geciteerd zijn), die pleiten voor beperking van het exterritorialiteitsrecht, wier getal zich verliest bij het groote aantal hunner tegenstanders en wier gezag door dat hunner antagonisten wordt in de schaduw gesteld, argumenteert de groote menigte dei-schrijvers, met den vader van de wetenschap van het volkenrecht aan het hoofd, voor consequente toepassing van het exterritorialiteitsbeginsel. De Groot, na erop gewezen te hebben dat men zich ten zijnen tijde zoowel voor het vóór als voor het tegen op voorbeelden uit de geschiedenis kon beroepen besluit aldus : âquare si tale sit delictum, (pod contemni posse videatur, aut dissimulandum erit, aut e linibus jubendus excedere legatus .... Si crimen sit atrocius et ad publicum malum spectans, mittendus erit legatus ad eum qui misit cum postulate ut eum puniat aut dedat....quot; l)
) G r o t i u s : II. 18. § 4 n* 5 ; Cf. B ij n k c r s h o e k : le juge comp. XVII. § 10 ; Moser: IV. 15 §§ 7â8, en IV. 22 §§ 5, 8, 9 ; K1 ü b e r : § 211 ; Wicquefort 1 c.; Oppenheim: X. § 7 ; Calvo: § 514 vlg.; G. F. d e Martens: VII 5. § 218; Twiss: §158; quot;Wheat on: II. 188 vlg.; Phillimore: VI. 7. §§ 155â
Dit is ook thans nog de leer van het volkenrecht. En moest de Groot voor zijn tijd nog getuigen, dat de frequentia actuum voor eene gewoonte gevergd, wellicht door voorbeelden van het tegendeel onderbroken, nog ontbrak, thans kan men geheel beslist zeggen, dat de praktijk van het volkenrecht de leer van de Groot heeft gehuldigd. Haast zonder uitzondering is in de eeuwen na hem het onbeperkte beginsel van exterritorialiteit der gezanten gehuldigd. Tal van voorbeelden levert de geschiedenis op, waar de vorst, tegen wiens leven of wiens regeering een gezant samenzweringen op touw had gezet, zich vergenoegde den gevaarlijken gast het grondgebied zijner staten te ontzeggen en zich te beklagen bij de regeering, die den gezant had gezonden. Van algemeene bekendheid zijn de gevallen van Antonio del Giudice, hertog van Giovenarzo prins van Ce 11 amare, gezant van Spanje aan het hof van Frankrijk, die eene samenzwering had gesmeed tegen de Fransche regeering; van den markies de Botta, gezant van Maria Theresia aan het hof te Sint Petersburg ; even bekend is de samenzwering van Don Alfonso de Cueva, markies vanBed-mar, gezant van Philips III, tegen de Venetiaansche republiek ; bekend ook het reeds geciteerde geval van Bernadin de Mendoza1) en Alvarez de Quadra, en van den Bisschop Leslei van Ross: in alle deze gevallen werd het privilege der gezanten
159; Alt § 88; Gottschalk: p. 55 vlg. ; H a r b u r g e r : blz. 180; P radier -F odé ré: III § 1J-OO ; H e f f t e r : § 214; Blunt-s c h 1 i: § 196 ; F. v o n Martens: II § 13; V a 11 e 1: IV. 7 pag. 142.
*) Van dezen gezant verhaalt ons W icquefort in zijne mémoires (blz. 140J, dut er geen intrigue was tegen de rust van het Koninkrijk, noch eene zamenzwering tegen het leven der vorstin, of hij was er de aanlegger van of één van de voornaamste medeplichtigen.
- 67 -
geëerbiedigd en zag de beleedigde staat of vorst af van eene strafrechtelijke vervolging tegen den gezant. En, zoo mag men Wicquefort 1) wel nazeggen, als de gezant zelfs voor de misdrijven tegen den staat niet vervolgbaar is, dan kan hij het stellig niet zijn voor andere misdrijven. Als er dan ook ergens in het volkenrecht van eenstemmigheid in de praktijk sprake kan zijn, dan is het voorzeker omtrent de hier behandelde vraag.2)
De exterritorialiteit der gezanten brengt echter niet mee, dat de staat zelfs niet het recht van noodweer zou hebben. Integendeel mag de regeering alle zeker-heidsraaatregelen nemen, die zij voor de veiligheid van den staat noodig acht. Slechts het recht van strafvervolging tegen den gezant, niet het recht van noodweer, is door het privilege van exterritorialiteit vervallen. 3) Op het recht van zelfverdediging doelde reeds de Groot als hij zegt: âAliquoties hum ana jura omnia ita sunt comparata ut non obligent in summa necessitate, id de hoc quoque praecepto sauctimoniae legatorum obtinebit .... Multo minus in loco, tempore ac modo sumendae poenae, sed in praecautione
1
gt;) T/Amb. I. 27 pag. 393,
2
*) Voorbeelden uit de volkenrechtelijke praktijk vindt men opgenoemd bij Wicquefort: TAmb., P h i 11 i m o r c : VI. 7. §§ 160 -171 en 13« d e Martens; Causes célèbres du Droit des geus en Nouvelles causes (te samen 7 deelen).
3
j Wicquefort: l'Amb. I. 29 pag. 435 ; B ij n k e r s li o c k ; XVI. §17; Vattel: IV. 7. § 99 ; Martens: (Verge) § 218; Kliiber: § 211; Wheaton: III. 1. § 15; O p p e n h e i m : X. 7 ; G. F. d e Martens (Pinheiro-Ferreira): VII. 5. § 21 6â218 ; P h i 11 iquot; more: VI. 7. § 171 ; F o e 1 i x : Dr. Int. n' 576 ; H e f f t e r : §§ 42» 206, 214; Ch. de Martens: Guide § 27; M i r u s s : §§ 349, 350 j B e r n e r : Wirkungskreis § 50; Calvo. I. § 523 ; B 1 u n t s c li 1 i ; §§ 142, 144, 210; Kent: blz. 130; Holtzendorff: Encykl. § 50: Gottschalk: blz. 55; Alt: § 88.
- 68 -
gravis mali praesertim publici, quaere ut obviam eatur eminenti periculo. Si alia nulla est ratio idonea et retineri et interrogari legati poterunt.quot; ^
Geznut, oiuieniann van jn regei 7j?l\ (je gezant onderdaan zijn van den
den staat, waav Inj do j
vertoeft. staat, die hem zendt: doch het kan ook voorkomen,
dat de staat er toe overgaat een onderdaan van het land zelf als gezant te accrediteeren. Betwist is het voor dit geval, of de gezant-onderdaan aanspraak kan maken op onttrekking aan de strafrechtelijke jurisdictie. Beantwoorden sommige schrijvers 1) de vraag in bevestigenden zin, anderen 2) verdedigen hét tegenovergesteld gevoelen, terwijl eene derde opinie, het midden houdende tusschen deze beide uitersten, in beginsel toegeeft, dat de hoedanigheid van onderdaan met het genot der exterritorialiteits privilegiën niet vereenigbaar is, doch in de toelating en aanneming van een onderdaan als gezant een stilzwijgen-den afstand ziet van de zijde der regeering van hare souvereiniteitsrechten over hare onderdanen. *)
De regel, dat ieder, aie zich op het territoor van een staat bevindt, onderworpen is aan diens wetten, moet, indien hij zelfs op tijdelijk vertoevenden toepasselijk is, zeer zeker gelden voor hen, die hunne vaste woonplaats hebben binnen dat gebied en eene
1
s) W i c q h e f o r t: l'Anib 1 ; P i n h e i r o - P e r r e i r a (bij de Martens) Vil. 5. § 218; Te mme: Lehrbuch § 23.
2
3) H u b e r : § 28 ; Oppeuheim; X. 7 ; Lawrence; 111. 427; Bijnkerslioek: XII. §2; G. F. de Martens; VIT. 5 § 216; KI iib er: §5 183. 210, 211 ; Heffter; §214.
3
111 « 1463 ; Harburger: 184 vlg.; Cf. D. Gerichtsverf. Gesetz. § 18:
_ 69 -
uitzondering op dien .regel kan slechts door gewichtige argumenten gerechtvaardigd worden. Het gaat niet op met Wicquefort en anderen in het aannemen van eene staatsbetrekking en in het bijzonder van een gezantschapspost, door eene buitenlandsche regeering aangeboden, eene uitzondering op den regel toe te laten: in het enkele feit der aanneming, onverschillig of de regeering wiens onderdaan de benoemde is, zich er tegen verzet of ze goedkeurt, eene onttrekking te zien aan het gezag van diens vaderland. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat zulks in het moderne recht alleen daar kan plaats hebben, waar wettelijke bepalingen de meening van Wicquefort tot nationaal recht hebben verheven.
Heerscht er van den anderen kant tamelijk wel overeenstemming hierover, dat de gezant niet wèl zijne functies kan uitoefenen, tenzij hem de algemeen erkende voorrechten van het volkenrecht worden toegestaan, dan mag ook aangenomen worden, dat de regeering, die haar eigen onderdaan als gezant eener vreemde mogendheid aanneemt, hem die privileges wil verleenen, die voor de behoorlijke waarneming zijner betrekking noodzakelijk zijn en zonder welke de waardigheid, die hij bekleedt, veel zou verliezen van het aanzien en den glans, die de vertegenwoordigers der souvereine staten moet omringen: de staat behoort hun alle die rechten te verleenen, die hun de uitoefening hunner functies vergemakkelijken kunnen, zonder dat daardoor zijne eigene belangen benadeeld worden. quot;Wanneer nu iemand wordt benoemd als gezant eener vreemde mogendheid, nadat eerst door deze aan onze regeering inlichtingen zijn gevraagd of de toekomstige titularis een âpersona grataquot; is, en onze regeering volkomen bekend met
â 70 â
de omstandigheid, dat het betreft een harer eigen onderdanen, desniettemin in bevestigenden zin antwoordt, dan is het niet te gewaagd te veronderstellen, dat zij ook den gezant de voorrechten der diplomatische agenten wil toekennen en voor den duur der missie afstand wil doen van de rechten, uit het onderdaanschap voortspruitende. Natuurlijk kan ook de staat, die den gezant benoemt, uit eigen beweging afstand doen van de volkenrechtelijke privileges of de ontvangende staat, bevoegd voorwaarden te stellen aan de toelating van een bepaald persoon als gezant, zich uitdrukkelijk hebben voorbehouden, dat den diplomaat niet de privileges zullen verleend worden, die aan vertegenwoordigers van vreemde mogendheden, onderdanen van den zendenden staat, plegen verleend te worden. Moet de gezant onderdaan blijven van den ontvangenden staa,t, dan, zoo zegt Gott-schalk te recht, âwird das ganze Verhaltnisz ein überhaupt unmoralisches und unsittliches. Man denke sich die Lage eines solchen Gesandten, der zwei Herren dient, dem einen als Unterthan, dem anderen als Beamter. Kommen zwischen den absendenden und besendeten Staate ernstliche Collisionen vor, so ist für ihn ein Treubruch auf dem einen oder der anderen Seite un-vermeidlich. Dieses wird natürlich sonst dadurch auf-gehoben, dass der besendete Staat bei der Annahme des Unterthanen als Vertreters einer fremden Macht sich ausdrücklich der Jurisdiction über denselben be-giebt. Ohne dies aber hat der besendete Staat durch die Annahme stillschweigend die Verpflichtung über-nommen selbst bei einem Einschreiten gegen den Gesandten das Interesse des auswartigen Staates mög-lichst zu wahren.'' 1)
1
j Gottschalk: blz. 53.
- 71 -
Hub er en Oppenheim willen in het geval, dat ons hier bezighoudt, de privilegien der gezanten beperken in dien zin, dat zij slechts wat de uitoefening hunner ambtsbezigheden betreft exterritorialiteit zullen genieten. Men kan tegen deze 5leer'aanvoeren, dat de grens tusschen handelingen, die als ambtsbezigheden of het gevolg daarvan te beschouwen zijn en daden, die daar niet onder zijn te brengen, dikwijls moeielijk zal te trekken zijn en dat bovendien liet privilege, zoo beperkt opgevat, niet aan zijuj doel zal beantwoorden. Vroeger is reeds gewezen op het gevaar aan de onderscheiding verbonden. De ontvangende staat zou, ging de leer van Huber en Oppenheim op, de macht in handen hebben, het exterritorialiteits-privilege naar willekeur werkeloos te maken, door voor te geven, dat het betreft eene daad, niet in den ambtelijken werkkring vallende. En zal dit van een strafbaar feit niet altoos kunnen gezegd worden ?
Deze en soortgelijke overwegingen moeten er ons toe leiden de bovengestelde vraag te beantwoorden in den geest van de meerderheid der schrijvers en zooals de volkenrechtelijk practijk, waaraan het hoogste gezag is toe te kennen, haar pleegt op te lossen. Wèl zijn de voorbeelden, dat een onderdaan niet als gezant eener vreemde mogendheid werd aangenomen, of de regeering hem slechts toe wilde laten onder de voorwaarde, dat hij afzag van de volkenrechtelijke privileges, talrijk. Doch juist de weigering van een zoodanigen gezant, gegrond op de vrees van collisie tusschen de privileges van het volkenrecht en de verplichtingen door 's lands wetten opgelegd, bewijst het bewustzijn, dat ook aan den gezant-onderdaan dezelfde privileges toekomen. En datzelfde rechtsbewustzijn spreekt in die gevallen, waar de regeering
- 72 -
uitdrukkelijk den afstand der privileges als voorwaarde aan de toelating verbond.
Meermalen is in civilibus door de rechtscolleges in de verschillende landen geoordeeld, dat tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen, de gezant aan de jurisdictie van den staat, waar hij zijne waardigheid bekleedt, is onttrokken. ^
Familie en Gevolg. Om het doel der exterritorialiteit, de volkomen onafhankelijkheid van den gezant, te bereiken en elke inmenging der locale autoriteiten in de aangelegenheden van het gezantschap voor goed den pas af te snijden, is dit privilege uitgebreid op zijne geheele omgeving, zijne familie, het gezantschapspersoneel, ja zelfs zijne bedienden. âComités quoque et vasalegato-rum, zegt de Groot, sui generis sanctimoniam habent. .... Itaque, si quid comités gravius deliquerint, pos-tulari ab legato poterit, ut eos dedat. Vi enim abstra-hendi non sunt.quot; 2) Bijnkershoek hiertegen opmerkende, dat de gezant niet het recht kan hebben leden van zijn gevolg, die niet hij, maar zijn Souverein heeft gekozen, uit te leveren, zegt: âles domestiques ou ceux de la suite d'un ambassadeur reconnaissent la même jurisdiction que celui-ci et point d'autre.quot; 3) Hij vermeldt ons, dat reeds ten zijnen tijde de exterritorialiteit dei-bedienden en gevolg van den gezant erkend en door de praktijk gehuldigd werd. Hij deelt ons verder mee, hoe bij vredesonderhandelingen (o. a. bij den vrede van Munster en van Nijmegen) de gezanten in het belang der orde overeenkwamen ten aanzien hunner bedienden afstand te doen van het recht van exterritorialiteit.
^ Pradier-Fodere: 111. § 1449. Grotins: II. 18 § 8 n' 1. Bijnkershoek: tr. du juge eomp. XX § 1.
- 73 -
De ondervinding bij vroegere vredesonderhandelingen opgedaan, had de noodzakelijkheid van dezen maatregel aangetoond. Bij dergelijke vredesonderhandelingen, die meestal langen tijd duurden, waren vele gezanten met een talrijk gevolg en vele bedienden gedurende gerui-men tijd in dezelfde stad aanwezig. Het was toen gebleken, dat de bedienden dikwijls, steunende op hunne volkenrechtelijke privileges, overmoedig werden, zich aan allerlei euveldaden schuldig maakten en gevechten tusschen de bedienden der verschillende gezantschappen aan de orde van den dag waren en de veiligheid der gezanten zeiven in gevaar brachten.
De volkenrechtelijke praktijk is op den ten tijde van Bijnkershoek ingeslagen weg blijven voortgaan en de schrijvers over volkenrecht hebben zich aangesloten bij de leer der exterritorialiteit van gevolg en bedienden, door de twee groote Hollandsche rechtsgeleerden gepredikt. ^ Groote eenstemmigheid heerscht er ten aanzien van dit punt. Zelfs degenen die in beginsel de exterritorialiteit der bedienden bestrijden (zoo als Marquardsen en Bern er) moeten toegeven dat ze gewoonterechtelijk is erkend f de talrijke en eenstemmige beslissingen der rechtscolleges en autoriteiten dwongen hen wel tot die erkenning.
Gr. F. de Martens onderscheidt of het delict in of buiten het gezantschapshotel is gepleegd, 2) en
Vattel: IV, 9 ; Moser: IV. 19 § 2â5, eu IV. 7 § 2â5; K 1 ii-b e r: § 191; Oppenheim: X. 7â8; Piuheiro-Ferreira (bij de Martens) VII. 9 § 235 ; T w i s s : § 158 ; C a 1 v o : $ 52), 514-, 534; Phi 11 i more: VI. 6 § 153; F. vou Martens: II. § 16; Gottschalk: blz. 35 vlg. ; Alt: §§118 en 119; Bluntschli: § 147 vlg. ; Merlin: Rep. v. ministre publ. ^ Harburger: blz. 187 ; Pradier-Fodere: III § 1467 vlg. ; H e f f t e r : § 221 ; H o 11 z e n-d o r f f: liCX. v. Ext. Als voorbeeld van het tegenovergestelde is aan te merken de ter dood veroordeeling van Dom Pantaleon S a, broeder van den Portugeeschen gezant te Londen. (Martens, Causes Cel. I blz. 435).
2) G. F. de Martens: VU. 5 § 219.
-Ti
meent dat in het laatste geval de exterritorialiteit niet geheel vaststaat. Het feit, dat het misdrijf in het gezantschapshotel is gepleegd, zou dan alleen van invloed kunnen zijn, als het hotel territoor is. Daar dit echter, zooals later zal betoogd worden, niet het geval is, kan de omstandigheid, dat het strafbaar feit in het hotel is gepleegd, van geen invloed zijn.
PasqualeFioreenEspersonen ook Laurent1) pleiten voor onderwerping der bedienden aan de locale jurisdictie. Ze gronden hunne meening daarop, dat de locale autoriteiten kennis moeten nemen van de delicten op haar territoor gepleegd. âL'indépendance d'un ministre public sera-t-elle en danger, sa parole sera-t-elle enchainée, zoo vraagt de thans overleden Belgische professor, parcequ'un coquin de valet sera livré aux tribunaux du pays dont il a violé les lois?quot; Daargelaten de vraag, of wel anders dan bij absolute doorvoering van het beginsel der exterritorialiteit ook ten aanzien van gevolg en bedienden, de onafhankelijkheid en de belangen der missies genoegzaam zijn gewaarborgd en of niet het ingrijpen der locale autoriteiten bij delicten van personen tot het personeel der gezanten behoorende tot misbruiken aanleiding zou kunnen geven, wordt aan deze nieuwere theorien ten aanzien van het jus constitutum den genadeslag toegebracht door het feit, waarop terecht door Pradier-Fodéré wordt gewezen : âla pratique des états n'a pas encore donné raison a la doctrine italienne et beige qui vient d'être citée. L'usage moderne est favorable a l'exten-sion de 1'immunité de la juridiction criminelle aux domestiques et geus de la suite de l'agent diplomatique. . 2)
') Pasq. Fiore: I. 1. nquot; 29 ; Es per sou; Diritto diplomatico nquot; 292, 294; La ar ent: Droit int. III. p. 163 sqq.
s) Pradier-Fodéré, III $ 1471.
- 75 -
Doch hoe te beslissen ingeval de persoon, in dienst Ais onderdanen in dienst
zijn van een vreeraden
van den gezant, onderdaan is van den staat, waar de gezant?
gezant is geaccrediteerd? G-ottschalk, met een beroep op Hélie en Heffter aarzelt geen oogenblik te verklaren: âDass indess in dem Falie, wo der Domestik Unterthan des besendeten Staates ist die Befreiung nicht stattfindet, darüber ist die Theorie und auch die neuere Praxis einig.quot; l) Daargelaten dat het beroep op Heffter, die juist het tegenovergestelde leert, geheel ten onrechte geschiedt, heb ik van die eenstemmigheid der theorie voor het gevoelen van Grottschalk weinig kunnen bespeuren. Als er eenstemmigheid heerscht, is het juist in den tegenovergestel-den zin. Wicquefort weifelt geen oogenblik ook hier exterritorialiteit toe te kennen. Het feit, dat de Souverein zijne onderdanen toestaat bij den vreemden gezant in dienst te treden, sluit, meent hij, in zich de toestemming, dat gedurende den tijd van den dienst de verplichtingen als onderdaan zullen geschorst worden. Bijnkershoek stemt hiermee in,
er bijvoegende, dat de knecht steeds de jurisdictie van zijn heer volgt. 2) Deze gronden kunnen in het mo-
') Gotts chalk; blz. 60; Helie II § 128, Heffter § 221. In de door mij geconsulteerde fransche uitgave van Heffter Ie droit. Int de rEurope, vertaald door J. Berg son, 3' ed. Parijs en Berlijn, 1873 lec» ik in j 221 ; âTontes les personnes qui viennent d'etre indiquées, (gevolg en bedienden) jouissent de la protection spéciale du droit international et ne sent point soumises aux lois et ;l la juridiction du territoire, oii ils resident,
fors mêmc qu'elles seraient sujeis de ce territoire..... C'est un principe
genéralement admis dans Ia pratique moderne des étatsquot;. En dan volgt eene opsomming van de wetgevingen van verschillende landen, waar zulks uitdrukkelijk is bepaald, terwijl in eene noot met aanhaling van verschillende schrijvers wordt gezegd ; «les principaux publicistes s'accordent sur ce point quot; Verder wordt verwezeu naar beslissingen in dien geest in de praktijk voorgekomen. Van de leer, die Gottschalk hem aanwrijft, heb ik in deze passage weinig kunnen bespeuren.
Wicquefort 1, 27 pag. 422 ; Bijnkersbock traite XV, 5-7.
derne recht zeer zeker niet meer gelden. De in dienst-treding is een zuiver privaatrechtelijk contract: iets dat geheel buiten den Souverein omgaat, en waarvan hem geen kennis wordt gegeven. En het beginsel dat de knecht de jurisdictie van zijn heer volgt, is in het moderne recht evenmin erkend. Tal van schrijvers ') verkondigen dezelfde leer, al is het op andere grondslagen, terwijl Pradier-Fodéré ten aanzien van de praktijk getuigt: âl'usage moderne est favorable a l'ex-tension de l'immunité de la juridiction criminelle aux domestiques et gens de la suite de l'agent diplomatique, lors même qu'ils seraient citoyens de 1'état oü le ministre public est accrédité.quot;
Het valt niet te loochenen dat het eenigszins vreemd voorkomt, dat tengevolge van eene privaatrechtelijke overeenkomst, wat het in dienst treden bij den gezant toch is, de onderdaan wordt onttrokken aan de jurisdictie van zijn vaderland. Doch dit gevolg is nu eenmaal door het volkenrecht verbonden aan de in diensttreding bij den gezant. Wie twijfelt er aan, dat een vreemdeling op ons gebied vertoevende aan onze wetten is onderworpen ? En toch maakt men geen bezwaar ten zijnen aanzien exterritorialiteit aan te nemen als diezelfde persoon in dienst treedt bij een gezant. Dus ook hier is de onttrekking aan de staats-souvereiniteit het gevolg van een privaatrechtelijk contract, van de omstandigheid, dat de eene partij een exterritoriaal persoon is. De gronden, die pleiten voor uitbreiding der exterritorialiteit op het geheele
â¢) H e f f t e r $ 221; Pradier-Fodéré III § U71 ; Merlin: Sect. V. § 2 sqq. Dalloz: Diet. v. Agent dip].; Ward, Inquiry II, pag. 553 sqq. F. vu n Martens 11 $ 10 ; H arbu rg er, 1S8 ; BI u n tsehl i § -212 ; A 11 « 118.
- 77 -
gevolg van den gezant, gelden evenzeer, ja wellicht nog in hoogere mate voor het geval dat een onderdaan van den staat, waar de gezant geaccrediteerd is, zich in het gevolg bevindt. âWenn man nicht auf die mit der gesandtschafftlichen Immunitat verbundenen weitge-henden Vortheile verzichten will, so erübrigt lediglich, auch diese unerwünschte, aber unvermeidliche Konse-quenz derselben hinzunehmen. G-iebt es ja doch auch Mittel und Wege, um in eljenso einfacher Weise den fraglichen Unterthan wiederum dem Grerichtszwange seiner vaterlandischen Gerichte zu unterwerfen, sei es, dass man den Gesand ten veranlasst, ihn aus seinem Dienste zu entlassen, sei es, dass falls dieses nicht ange-hen sollte, auf das den Bedienstetem nur im Interesse des Gesandten eingeraumte Privilegium von dem Letzteren Verzicht geleistet wird. Dadurch, dass für beide Alternativen die Entscheidung in der Hand des Gesandten liegt und ihm so die Möglichkeit verbleibt zu prüfen, ob von einer derselben und von welcher ohne Beeintrachtigung seiner Stellung und der ihm anver-trauten Interessen Gebrauch gemacht werden könne, ist seine Exemtion jeglicher Gefahrdung entrückt.quot; ^
Men mag niet uit het oog verliezen, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen het hier behandelde geval en het geval, dat de gezant zelf onderdaan is van den staat, waar hij zijne betrekking bekleedt. In het laatste geval mag met grond in de aanneming van den gezant als zoodanig een stilzwijgende afstand van de souvereiniteitsrechten van den ontvangenden staat verondersteld worden; de indiensttreding bij den gezant berust echter op eene privaatrechtelijke overeenkomst, waarvan de locale regeering onkundig is
*) H a r b ii r g e r blz. 188.
- 78 -
en van stilzwijgende toestemming kan dus geen sprake zijn. En al moet men het Phillimore toegeven, dat het privilege van exterritorialiteit juist uitgaat van de veronderstelling, dat de bezitter van het voorrecht geen onderdaan is van den staal, binnen wiens gebied hij zich ophoudt, toch zal men met het oog daarop, dat aan het geheele gevolg exterritorialiteit is toegekend en dat iedere beperking, in welken zin dan ook, de onafhankelijkheid van den gezant tegenover de regeering in gevaar kan brengen, niet anders kunnen dan zich aansluiten bij de meening van de meerderheid der schrijvers, die juist het tegenovergestelde gevoelen dan dat, wat Gottsch alk hen doet zeggen, verdedigen. Die meening kan zich bovendien beroepen op huldiging door de praktijk. ')
wie behoove» tot het Tot het gevolg van den gezant behooren in de eerste plaats zijne gemalin, zijne kinderen en andere verwanten, die zich bij hem bevinden. Vervolgens het zoogenaamde gezantschapspersoneel nh Secretarissen, Gezantschapsraden, Gezantschapsattachés, Tolken (Doll-metscher), Kanselieren, Cansellisten, Klerken, Commiezen, Fourieren, Herauten, Betaalmeesters, Courieren, Kanselarijbedienden , Predikanten of Aalmoezeniers} Gezantschapsarts, Gezantschaps-cavalieren, Pages, Edel-knapen, Gezantschapsmaarschalken en Gezantschapsstalmeesters enz. Vervolgens al die personen, die de gezant in dienst heeft genomen voor zijne private behoeften zooals zijn lijfarts, zijn particuliere secretaris.
') D'6 AUgem. preuss. Gerechtsordnuns I 2 § 67 maakte geen ondereeheid tusschen eigen en vreemde onderdanen. Zoo ook in Engeland eene Act of Parlement van 1789 ; in Frankrijk een decreet van II Dec. 1789 ; in de Vereenigde Staten een Congresakte van 1790, en in Denemarken eene Koninklijke ordonnantie van 8 Oct. 1708. Cf. de Martens: Causes célèbres. Cf. D. Gerichts-verf. Ges. J 19.
- 79 -
zijn huisonderwijzer, zijne huisbedienden, hofmeester, livreibedienden, stalknechts, pikeurs, kamerdienaren, portiers, koetsiers, koks enz. ^ Sommige schrijvers noemen de courieren op onder de leden van het gevolg, anderen verleenen hun nog eens uitdrukkelijk het privilege der exterritorialiteit. 1)
Al de opgenoemde personen staan onder de b escher-ming van het volkenrecht en daar het privilegie persoonlijk is wordt het genoten onverschillig of de geprivilegieerde personen al dan niet bij den gezant inwonen. 2)
Treedt een zoon des gezants in vreemden staatsdienst, dan spreekt het wel van zelf dat de exterritorialiteit voor hem ophoudt en eveneens voor de dochter, die een huwelijk sluit met een onderdaan van den staat waar de gezant is geaccrediteerd. 3) En volkomen hetzelfde zal moeten gelden, wanneer de familieleden van den gezant klaarblijkelijk niet meer tot zijn gevolg behooren, maar zich veeleer in het buitenland hebben gevestigd. Vereischte voor het genot der volkenrechtelijke privileges is, dat de persoon, die er aanspraak op maakt, behoort tot het gevolg. En dit zal dikwijls uit omstandigheden moeten worden opgemaakt. Zoo kan geen exterritorialiteit toegekend worden aan personen, die gedurende eenigen tijd de gasten zijn van den gezant. De graad van
1
) M o s e r XV11I, 5 § 10, en IV, 28 § 5-9 ; K1 ü b e r, § 190 ; W h e a-ton II 2, blz. 417- Calvo I, 572 ; G. P. de Martens VII, 13, § 250; Bluntsclili § 1^8; A 11 $§ 124-129 5 Neumann § 56.
2
j In dien zin het Arrest van de Cour Royale de Paris in 1841 gewezen in de zaak der Baronnes de Pappenhei m. Zie P h i 11 i m o r e : Appendix VII no. 2. Gottschalk blz. 36.
3
) Gottschalk blz. 36.
- 80 -
bloedverwantschap doet niets ter zake. Ook verre verwanten, mits ze slechts tot het gevolg van den gezant behooren, kunnen met evenveel grond, als de gemalin en de kinderen, zich op privileges van het volkenrecht beroepen. ')
Stellig moet men weigeren immuniteit toe te kennen âaux individus qui s'adjoignent a une mission par goüt ou dans l'espoir de faire un gain, qui n'y occupent aucune fonction et n'y sont chargés d'aucun service, ainsi qu'aux personnes qui, tout en se préten-dant au service du ministre public sont en réalité indépendantes de lui et ne lui sont adjointes a aucun titre.quot; 2) Bluntschli gaat nog een stap verder en sluit van het privilege uit: âsolche welche nur sum Scheine in ein Dienstverhaltniss eintreten, in Wahr-heit aber von dem Gesanten unabhiingig und nicht der Gesantschaft beigeordnet sind.quot; En op eene andere plaats: âDer Exterritoriale darf nicht sein Ausnahme-recht dazu misbrauchen, um Personen, welche im Lande gerichtlich oder polizeilich verfolgt werden, durch Aufnahme in sein Gefolge der einheimischen Gerichts-oder Polizeigewalt zu entziehen. Ueberhaupt ist das Privilegium im Sinn des guten Glaubens zu interpre-tiren.quot; Ik kan mij met deze stelling geheel vereenigen . mits daarmede slechts bedoeld worde, dat zij een verbod bevat voor den gezant om delinquenten in zijn gevolg op te nemen en alzoo aan de locale
^ Gottschalk pag. 36 ; Heffter§ 221.
*) P radier-F odé ré III § 1468, Cf. Bluntschli § 213 en 146. Bluntsclili vermeldt, lioe een muzikant, om aan de vervolgingen zijner crediteuren te ontkomen, zich liet opnemen als choorzanger der kapel van de Beijersche legatie, docli hoe de Engelsche rechtbanken deze opneming als illusoor beschouwden. Vergelijke gevallen van denzelfdeu aard bij W i 1 d-m a n n I, 124, Cf. Arrest, Cour de Cassation en France van 13 Oct. 1865 (Sirey 1866, 1, blz. 34).
- SI -
jurisdictie te onttrekken. Men mag daaruit echter niet de meening destilleeren, dat, wanneer de gezant niettemin een misdadiger of een door zijne crediteuren vervolgden schuldenaar in dienst heeft genomen, de volkenrechtelijke privileges voor dien bediende niet zouden .
gelden. De vraag, van welker beantwoording het al of niet toekennen der privileges afhangt, is slechts deze: behoort de persoon in kwestie tot het gevolg van den gezant? Alle andere vragen zijn ter zake niet dienende. En moge ook de toekenning der volkenrechtelijke privileges, tot abnormaliteiten leidei),
der regeering staan middelen in overvloed ten dienste,
om den gezant, die opzettelijk personen als de hier bedoelden in dienst neemt en aldus van zijne bevoorrechte positie partij trekkende zijne voorrechten misbruikt, tot zijn plicht te doen brengen. Doch rechtens kan dit slechts langs den diplomatieken weg, niet door de bedienden in casu te behandelen, alsof ze niet tot het gevolg van den gezant behoorden. Hierbij moet tevens opgemerkt worden, dat niet iedereen, die eenige werkzaamheden of dienstverrichtingen voor den gezant doet, als zijn bediende en dus tot zijn gevolg behoorende, kan worden aangemerkt. Behoort de huisonderwijzer van den gezant tot zijn gevolg, de man die zijne kinderen enkele lessen komt geven, zal met genen niet op eene lijn geplaatst kunnen worden. Wie als bedienden of leden van het gevolg te beschouwen zijn, zal,
zooals Bluntschli opmerkt, ânach guten Glaubenquot;
moeten beoordeeld worden.
Om alle conflicten ten aanzien hiervan te voorko-lieteekenisderovel'teleg-
gen lijst van leden van
men, is bij vele regeeringen de heilzame maatregel zijn gevolg, in zwang, dat de gezant een lijst moet overleggen van de personen tot zijn gevolg behoorende en kennis moet geven aan de regeering van de veranderingen, die ge-
_ 82 -
durende den loop der missie daarin worden aangebracht. Bijnkershoek vermeldt het als ten zijnen tijde reeds vrij algemeen gebruikelijk De beteekenis dezer lijst kan, voor die landen, waar zij gebruikelijk is, geen andere dan deze zijn, dat de gezant geen aanspraak kan maken op exterritorialiteit voor leden van zijn gevolg, dan voor de personen op die lijst voorkomende. Verzuimt de gezant sommige personen op te geven, of eventueele wijzigingen ter kennis van de regeering te brengen,dan heelt hij het alleen aan zich zelf te wijten, dat die personen geen aanspraak kunnen doen gelden op exterritorialiteit; hij draagt dan de gevolgen zijner eigene nalatigheid, behoudens natuurlijk zijn recht alsnog die wijzigingen te doen aanbrengen.
Gezantschapshötei. Niet alleen over den gezant en zijn gevolg, maar
ook over de plaats van hun gewoon verblijf, het gezantschapshotel, strekt het volkenrecht zijne bijzondere bescherming uit. De omstandigheid, dat het hotel het gewoon verblijf is der exterritoriale personen, dat zich in het hotel de gezantschapspapieren bevinden, rechtvaardigt die bijzondere bescherming volkomen. Het volkenrecht moet er voor waken, dat de locale autoriteiten geen voorwendsel kunnen vinden om ongestraft het hotel binnen te dringen en de papieren van den gezant te doorzoeken. In vroegere eeuwen had de praktijk aan de volkenrechtelijke bescherming der woning van den gezant zulk eene uitbreiding gegeven, dat het gezantschapshotel beschouwd werd als een asyl. âLe droit d'asile d'autrefois, zegt Pradi e r-Fodéré, on pouvait le définir ainsi; le droit d'accovder protection centre la police ou la justice du pays a des personnes n'appartenant pas a la suite des mi-nistres, et qui étant prévenues de crimes, s'étaient
') Bijnkershoek, traité XV. § 9.
- 83 -
réfugiées dans les hotels des agents diplomatiques.quot; ^ Nergens echter had het asylrecht zulk een omvang aangenomenals te Madrid en vooral te Rome, waar niet alleen het gezantschapshotel, maar geheele stadswijken in den omtrek van het hotel aan de locale jurisdictie onttrokken waren. âCe privilege,zegt Pradier-Fodéré, rendait la moitié de Rome un asyle sur a tous les crimes.quot; 2) Bekend is de hardnekkige strijd tusschen Lodewijk XIV en Paus Innocentius XI over de afschaffing van die zoogenaamde âfranchise des quar-tiersquot; gevoerd. 8)
De Groot spreekt reeds over het asylrecht als niet meer volkenrechtelijk. âIpse autem legatus.... an jus asyli in domo sua pro quibusvis eo confn-gientihus habet. ex concessione pendet ejus, apud quem agit. Istud enim juris gentium non est.quot; In gelijken zin spreekt BijnkershoekenWicquefort. Moser} die in het begin der 18® eeuw schreef memoreert het echter nog als een twistvraag. 4) Is het buiten twijfel, dat het asylrecht in Europa thans reeds lang tot het verleden behoort, 5) in de staten van Amerika is nog
') Pradier-Fodéré III § 1420.
Pvadier-Fodére 11T. § 1425.
3) Nadat vroegere Pausen te vergeefs op afschaffing hadden aangedrongeu, wist Innocentius XI van de voornaamste mogendheden den afstand van dit eiorbitant recht te verkrijgen. Alleen Lodewijk XIV weigerde hardnekkig het voorbeeld der andere mogendheden te volgen cn zond deu markies d e L a v a r d i n als gezant naar Home, geescorteerd door 400 soldaten, 4Ã0 vrijwilligers en 200 gewapende livreibedienden. Deze bezetten het hotel en de stadswijken en ook eene kerk in Rome. Eerst na deu dood van Innocentius XI in. 1689 liet Frankrijk zijne aanspraken varen. â Cf. P r a d i e r-F o d e r é III § 1425 ; F. v o n Martens II § 12.
4) G r o t i u s II, 18, § 8 n* 2 ; Wicquefort 1'amb I, 28 blz. 414 ; B ij n k e r s h o e k, traité XXI § 4; Moser IV, 19 § 5.
5) G. F. de Martens VII, 5 § 220; Kliiberf 208; Philli-m ore VI, 8 § 214; Calvo §§ 525, 534; T w i s s § 201 ; F io r e I 5 27 ; Alt § 65â70 ; Gottschalk pag. 67 vlg.; Bluntschli §§ 150, 15S, 200; Harburger blz. 189 vlg.; F. von Martens 11 ^ 12; Pradier-Podéré III § 1422; H e ff t e r § 212 : Vattel IV 9, § 118; Bulraerincq; das Asylrecht (Dorpat 1853).
- 84 -
in deze eeuw de vraag herhaaldelijk ter sprake gekomen. ^
Algemeen wordt èn door de praktijk, èn door de schrijvers aangenomen, dat de locale autoriteiten zeer beperkt zijn in hunne bevoegdheid om in het gezantschapshö.-tel ambtelijke handelingen te verrichten. Over de grenzen dier bevoegdheden loopen de meeningen zeer uiteen, doch het onderzoek daarnaar ligt buiten het bestek van dit werk. Sommige schrijvers zijn echter zoover gegaan het hotel van den gezant exterritoriaal te verklaren, vooral indien het eigendom is van den staat, dien de gezant vertegenwoordigt. âDas Wohnhaus des Gesandten, wenn es dem Staate des Gesandten wie z. B. der Palazzo cli Venezia in Kom, Oesterreich gehort, ist in jeder Beziehung exterritorialquot;, meent Neumann2)
Moet dit in dien zin worden opgevat, dat de woning van den gezant te beschouwen is als een stuk van het territoor van de vreemde mogendheid? Moeten delicten in het hotel gepleegd beschouwd worden als buitenslands, op vreemd territoor te zijn geschied ? Zijn de strafbare feiten, binnen de muren der woning van den gezant voorgevallen, onttrokken aan de jurisdictie van het land, waar het huis is gelegen ? âHatte die Exemtion, zegt Harburger, wirklich eine reale und nicht vielmehr eine persönliche Tendenz, so raus-ste die Thütigkeit der Landesgerichte auch daim aus-geschlossen sein, wenn Personen, die mit der Ga-sandtschaft in keinem Zusammenhango stehen,also insbe-
*) De uitvoerige diseussien hierovf-.r in Je javen 1805 en volgende zijn te viudeu bij P r a d i e r - F o d é r e III §§ H22-1424.^eii dtiizelfden schrijver in le Cours de droit diplomatique chap. XII, Tome li, pag. 86 sqq.
N e u m a u ii § 02.
- 85 -
sondere Angehörige des fraglichenLandesselbst,innerhalb des Hotels delinquiren.quot; ') Deze logische gevolgtrekking kan men niet ontwijken, als men aanneemt dat het hotel vreemd territoor is. Geen der schrijvers,die van exterritorialiteit van het gezantschapshotel spreken, is echter zoover durven gaan in dit geval de locale rechters incompetent te verkiaven. Integendeel nemen de meesten slechts exterritorialiteit aan in dien zin, dat de locale autoriteiten tegen den wil van den gezant diens woning niet mogen betreden.
âDie Exterritorialitat ist eine persönliche Eigenschaft; eine raumliche Grundlage darf ihr nicht gegeben werden. Mcht der, Aufenthalt des Gesandten und des Personals in dem Hotel verleiht den Personen das Privileg der Exemtion ; vielmehr weüjene Personen sich daselsbt aufhalten, ist das Hotel auch eximirt. Das Asyl-recht ist jetzt vollstandig abgeschafi't.quot; 1)
In het volkenrecht is, meer of min beperkt, het beginsel erkend, dat het den organen der politie en justitie niet geoorloofd is, zonder uitdrukkelijke toestemming van den gezant, diens woning te betreden en ei ambtshandelingen te verrichten, en de schrijvers hebben dit aldus geformuleerd, dat het gezantschapshotel te beschouwen is als een deel van het territoor des lands, waartoe het gezantschap behoort. âAllein in dieser Fassung, zegt Har burg er, ist das wirklich Ver-meinte, die wahre Sachlage ebenso für das formelle, wie für das materielle Strafrecht zu allgemein ausge-drückt und darum zu weit gehenden Schlussfolgerun-gen ausgesetzt.quot; 8) Immers het gezantschapshotel is niet als zoodanig, maar slechts in zoover het ter verzeke-
1
-) Gottschalk blz. 68.
- 86 -
ring van de onschendbaarheid van den gezant, zijn gevolg en de gezantschapsarchieven noodzakelijk is, onttrokken aan de souvereiniteit der locale regeering-Was werkelijk het hotel vreemd territoor, dan zou ieder die in het hotel een strafbaar feit beging, onverschillig welke de nationaliteit van den dader zij, en of hij al dan niet tot het gevolg behoorde, of hij met of tegen den wil van den gezant zich in diens woning bevond, niet door de autoriteiten van den locus delicti (in den niet gefingeerdeii zin) kunnen vervolgd worden. Ten tijde dat de âfranchise des qtlt; ar tiers' erkend was, weifelde men niet, die conclusie te aanvaarden. In dien tijd zouden de gezanten krachtig geprotesteerd en schending van het volkenrecht beweerd hebben, indien de politie of justitie van het land, waar het hotel zich bevond, het hadden durven wagen zich competent te verklaren ten aanzien van de beoordeeling van het geval, dat een boosdoener, onderdaan van het land, met geweld de woning van den gezant was binnengedrongen en een aanslag op diens leven had gepleegd, onverschillig of de misdadiger in of buiten het hotel was gearresteerd. En dat protest zou gemotiveerd zijn geweest; werkelijk zou door de inmenging der plaatselijke autoriteiten in casu schending van het volkenrecht hebben plaats gehad. En ook thans zal men tot hetzelfde resultaat moeten geraken, als men aanneemt dat het hotel territoor is. Zelfs het verouderde, exorbitante asylrecht zal men in zooverre moeten erkennen^ als het den locale organen der politie of justitie niet vergund is een misdadiger, die in het gezant' schapshotel is gevlucht en dien de gezant weigert over te leveren, aldaar te doen arresteeren. Gaat de stelling op, dan kan de justitie zich op geene andere wijze van den delinquent meester maken, dan langs den omslachtigen weg der uitlevering.
_ 87 -
Geen schrijver heeft deze conclusies, die voor de hand lagen, durven trekken. âHet hotel is territoorquot; moet veeleer beschouwd worden als een adagium juris, waaronder men de regelen der volkenrechtelijke bescherming van het gezantschapshotel heeft willen samenvatten. Men dacht er niet aan de verregaande conclusies te trekken, die in dat adagium, zoo absoluut gesteld, lagen opgesloten. De geprivilegieerde toe-' stand van het hotel, voor welks juridische constructie men zich bediende van de fictie der exterritorialiteit, berust juist daarop, dat het hotel de gewone verblijfplaats is van den gezant en zijn gevolg en dat zich aldaar het gezantschapsarchief bevindt; de voorrechten strekken zich dan ook zoo ver en niet verder uit, dan deze omstandigheden schijnen te vergen. âWenn nun auch, zoo merkt Har burg er aan, der gewnhn-liche Sprachgebrauch sich in dieser Eichtung der bild-hchen Ausdrucksweise bedient, das Gesandtschaftshotel sei ein Gebietstheil des Yaterlandes der Mission, so ist dies lediglich oine Uebertragung der Exterritoria-litatsflction von dem Personal der Gesandtschaft auf ihr Hotel, ohne dass daraus mit Fug irgend welche rechtliche Konsequenzen gezogen werden dürften, noch jemals gezogen worden waren.quot; ^
Har burger wijst er op, hoe eene privaatrechtelijke overeenkomst van koop of huur, â wat de koop of huur van een huis als gezantschapshotel ongetwijfeld is,â ging de bestreden stelling op, in staat zou zijn een deel van het gebied van een staat tot territoor van eene vreemde mogendheid te maken: eene enclave
â¢) Harburger blz. 193.
- 88 -
te creëeren midden in den staat. Zeker is dit âzum mindesten abnormquot;, doch hetzelfde kan gezegd worden van de indiensttreding van een onderdaan bij een gezant eener vreemde mogendheid. Daar heeft, ook volgens H a r b u r g e r, een privaatrechtelijk contract volkenrechtelijke gevolgen, voortvloeiende uit de omstandigheid dat de huurder der diensten een onder de â¢hoede van het volkenrecht staande persoonlijkheid is ; en wel dit gevolg, dat degene die zijne diensten aan den gezant verhuurt, onttrokken wordt aan de jurisdictie van het land van zijn verblijf.
Eischte in het laatste geval het volkenrecht, dat ter wille van hoogere belangen over die abnormaliteit worde heengestapt, ten aanzien van het gezantschapshotel is dit geheel anders. Daar bestaan geen volkenrechtelijke belangen, die de onttrekking van het hotel aan de jurisdictie van den staat in dien omvang eischen, als in de meervermelde stelling ligt opgesloten. De onafhankelijkheid van den gezant, de belangen der diplomatie vergen niet, dat ieder delict in het gezantschapshctel gepleegd aan de locale jurisdictie onttrokken zij. Wat belang kan de vreemde staat hebben bij de berechting van een delict, in een vreemd land in het hotel zijner legatie gepleegd, als de dader niet behoort tot het gevolg van den gezant? Het belang van den staat brengt alleen mee, dat de gezant en zijn gevolg aan de vreemde jurisdictie zullen onttrokken zijn en het volkenrecht voorziet daarin op onbekrompen wijze, terwijl ook het hotel onder zijne bijzondere hoede is geplaatst. Doch èn schrijvers èn praktijk zijn het er over eens, dat het hotel niet als vreemd territoor kan beschouwd worden in dien zin, dat strafbare feiten, aldaar begaan, zelfs door personen, buiten alle verband met de legatie staande, als delicten gepleegd op het gebied
van den staat, wiens gezantschapshotel het betreft, zouden moeten worden beschouwd.l)
In het jaar 1867 heeft zich te Parijs de hier behandelde vraag in zuiveren vorm voorgedaan in het volgende geval. Den 24 April van dat jaar vervoegde zich een russisch onderdaan, Nikitschenkow geheeten, aan het gebouw der legatie van zijn land met het verzoek hem de noodige middelen te verschaffen tot terugkeer naar zijn vaderland. Toen zijn verzoek afgewezen werd, loste hij een schot op den gezantschapssecretaris Balsch en ook op twee andere personen, die op diens hulpgeroep kwamen toesnellen. De door het gezantschap gerequireerde fransche politie maakte zich van den dader meester en zette hem achter slot en grendel. Nu ontstond de vraag, of de delinquent voor de fransche of voor de russische rechtbanken zou moeten terechtstaan. De russische regeering hield oorspronkelijk de competentie harer rechters staande, op grond dat het misdrijf in het hotel der russische ambassade was gepleegd en dat daarenboven beide partijen, aanvaller en aangevallene, russische onderdanen waren. De fransche regeering betoogde, dat de exterritorialiteit van het gezantschapshotel niet aldus mocht worden opgevat, alsof zij zich uitstrekte over alle personen, die daar een delict pleegden en dat bovendien de fransche autoriteiten, die op het onmiddelijk aanzoek der russische ambassade het vooronderzoek geleid hadden, ook als competent beschouwd moesten worden de zaak te berechten. Het kabinet van St. Petersburg vereenigde zich met de inzichten der fransche regeering, en behield zich het recht
^ Cf. Erkenntuiss des Reichsgericlits von 26 Nov. 1880 (Entsch. in Stvaf-sachen III blz. 70. Ruslaud heeft langen tijd Log het asylrecht aan de woningen der gezanten toegekend. Zie F. von Martens 11 § 12.
- 90 -
voor ten aanzien van het hotel der fransche ambassade te St. Petersburg evenzoo te handelen in de toekomst. Dientengevolge werd het proces tegen Nikit-schenkow te Parijs behandeld en de beklaagde volgens de fransche wetten tot dwangarbeid veroordeeld. *) De fransche regeering, wier raeening door Rusland ten slotte als juist werd erkend, plaatste zich op het zuivere volkenrechtelijke standpunt dooide exterritorialiteit van het gezantschapshotel in den zeer beperkten zin op te vatten.
De omstandigheid dat het gezantschapshotel eigendom is van den zendenden staat, kan evenmin ter zake doen, als het voor de souvereiniteit van den staat over zijn gebied iets afdoet, of de eigenaar van perceel A. een privaatpersoon of een corporatie, een inlander of een vreemdeling, een onderdaan of een vreemde staat is. Neumann in de geciteerde uitspraak legt vooral gewicht op de omstandigheid, dat de staat eigenaar is van het hotel zijner legatie. De staat kan door aankoop van grond binnen het gebied van een anderen staat, zijn territoor niet uitbreiden. De territoriale jurisdictie is iets, geheel onafhankelijk van de vraag wie eigenaar is van den grond. Al wisselen de eigenaren, het territoor in staats- en volkenrechtelijken zin blijft steeds hetzelfde. Dat territoor wordt bepaald door natuurlijke of kunstmatige grenzen, zooals die historisch vastgesteld of door tractaten aangewezen zijn en alles, wat binnen die grenzen ligt is onderworpen aan de jurisdictie van den staat, onverschillig wie eigenaar is, en of de staat zich al dan niet een dominium eminens op den grond heeft voorbehouden. Op dat territoor is de staat souverein. âLes droits de souve-
') Zie F. von Martens II § 12.
- 91 -
raineté territoriale, zegt F i o r e, sur toutes les parties de son territoire sont inviolables et absolus et ne sauraient être diminués pour faire prévaloir un privi-lège.quot; ^ Eene uitzondering op den regel althans kan niet gelden, tenzij ze uitdrukkelijk is erkend en dat kan niet geacht worden voort te vloeien uit den aankoop van een huis door een vreemden staat. Neumann ver zuimt voor zijne houtweg uitgesproken stelling, die toch alleszins bewijs noodig heeft, eenige bewijsgronden aantevoeren. Engeland, dat een dominium eminens van den staat erkent op den grond, heeft door eene wet den toestand van het hotel der Duitsche legatie geregeld, toen Pruissen een huis in Londen had aangekocht voor woning van den gezant. Doch nooit heeft de Engelsche regeering er aan gedacht, dat huis tot Pruissisch territoor te verklaren en aldus midden in Londen eene enclave te creëeren, onderworpen aan het gezag en de wetten van een vreemden staat. 8j
Welke houding de Italiaansche regeering aanneemt ten aanzien van het Palazzo di Venezia te Rome, waarvan Neumann spreekt, is mij niet bekend. Doch ook al zou Italië ⢠het huis der Oostenrijksche legatie als Oostenrijksch territoor beschouwen, dan nog kan het beginsel, âhet hotel van den gezant is vreemd territoorquot;, niet volkenrechtelijk erkend heeten. Veeleer moet een geval, als wat N e u m a n n op het oog heeft, eene uitzondering genoemd worden, en kan slechts daardoor verklaard worden, dat het berust op verkregen rechten, of op eene bijzondere concessie van de regeering des staats, in wiens gebied het huis gelegen is. Hetzelfde, wat de Groot van het asyl-
') F i o r e : I. § 27.
1
- 92 -
recht zegt, zal hierop toepasselijk zijn, nl. ^ex con-cessione pendet ejus ;ipud quem agit (legatus): istudenim juris gentium non est.quot; Eene erkenning van het hotel als territoor, moet er toe leiden het asylrecht opnieuw te erkennen. Evenals de politie of justitie van een land een misdadiger, die over de grenzen vlucht, niet verder kan achtervolgen en niet dan langs den weg der uitlevering kan trachten in handen te krijgen, evenzoo zou een delinquent die het huis van een gezant kon bereiken, zoolang hij zich daar bevond, tegen alle vervolgingen beveiligd zijn : ook hier zouden de justitieele autoriteiten den omslachtigen weg dei-uitlevering moeten bewandelen, onbevoegd als ze zijn op een vreemd territoor eene ambtelijke handeling te verrichten.
In de practijk wordt het echter niet erkend. En evenmin als het hotel als vreemd territoor wordt aangemerkt, evenmin geschiedt zulks ten aanzien van de rijtuigen van den gezant, welke op gelijke wijze, als zijne woning onder de bescherming van het volkenrecht staan. l)
De bovenbesproken privileges worden toegekend aan alle gezanten, onverschillig tot welke klasse zij behooren, of welken titel zij voeren.2) De Martens stelt ten onrechte, âceux, qui n'ont que le seul titre de conseiller de iégation et de résidentquot; gelijk met agenten, die de volkenrechtelijke privileges niet genieten. Finheiro-Ferreira in zijne uitgave van het werk van de Martens, mocht met grond op deze passage
') Hcffter: j 212; Blantsclili M 152 en 201. ') Wloquefort; l'Amb. 1, 27 blz, 411 ; B ij n k e r s h o e k XII § 4; V a 11 e 1 IV, 5 blz. 132 ; K i ü b c r § 203 ; F. v o n M a r t e n s II § 9; Alt§ 58; Phillimore VI, 6, ^ 153; Har burger blz. 171 vlg.; Holtzendorff: Lex. v. Ext.
- 93 -
aanmerken : âil y a ici une grave erreur : les résidents sont les chefs de mission du 2* et 3e ordre.quot; 1).
Het spreekt van zelf, dat de persoon, gezonden door iemand, die geen gezantschapsrecht bezit, nooit aan- Vereischten. spraak kan maken op de privileges den gezanten toekomende. Om deze reden kan de boodschapper van een vasal aan zijn suzerein geen aanspraak maken op exterritorialiteit, tenzij de vasal tevens souverein is van een anderen staat en als zoodanig het gezant-schapsrecht uitoefent. 2).
Dat afgevaardigden van provinciën, steden of corporaties geen gezanten zijn in den zin van het volkenrecht, behoeft thans nauwelijks meer vermelding. 3)
Om aanspraak te maken op de privileges van het volkenrecht moet de gezant de hoedanigheid, welke Geheime jjezanten. hem daarop recht geeft, doen blijken. Oudere schrijvers maken afzonderlijk gewag van geheime gezanten en ontzeggen dezen de voorrechten der exterritorialiteit, *)
en zulks met recht: want niet alleen, dat een dergelijke gezant wellicht buiten weten van den souverein diens gebied heeft betreden en juist door zijne hoedanigheid geheim te houden, moet geacht worden niet als gezant behandeld te willen worden, maar bovendien is de staat, die misschien geheel absoluut,
maar stellig in bepaalde gevallen, als hij reden daartoe meent te hebben, bevoegd is een gezant te weigeren, niet verplicht een vreemdeling, die buiten zijn weten zijn gebied heeft betreden, het voorrecht der
1
') G. F. dc Martens (Pinlieivo-FejTeira) VII, I, § I9G.
2
Wicqucfort: l'Amb. I, 2, blz. 23.
3
) Wicqucfort: PAmb. I, 27 blz. 408 ; C a 1 v o I, 564 ; N e u-m a u ii § 54.
- 94 -
exterritorialiteit toe te kennen. â De staat kan immers gebruik maken van zijn recht aan de toelating van den gezant zekere voorwaarden te verbinden ^ bv. den afstand van de voorrechten der exter-ritorialen. â Slechts dan, wanneer de gezant, zonder dat aan zijne toelating dergelijke voorwaarden zijn gesteld, als zoodanig door de regeering, bij welke hij zijne functies moet uitoefenen, is toegelaten, heeft hij aanspraak op de bescherming van het volkenrecht. Gewoonterechtelijk is de volgende wijze van accrediteering van een gezant in zwang gekomen. Na confidentieel ingewonnen berichten omtrent de denkwijze dei-vreemde regeering over den candidaat, wordt haar diens benoeming aangekondigd met verzoek om uitreiking van een pas: den benoemde wordt een geloofsbrief en volmacht ter hand gesteld. *) De geloofsbrief is een schrijven van den eenen souverein (resp. hoofd der uitvoerende macht) aan den anderen gericht en den gezant ter overreiking ter hand gesteld, bevattende de mededeeling, dat de met name genoemde drager van het geschrift tot gezant is benoemd, met verzoek hem als zoodanig aan te nemen en aan hetgeen hij zeggen zal geloof te hechten. 3) De gezant reikt den
^ Terecht wijst Wicquefort in zijne Mémoires pag. 23, er op, dat er geen schending van het volkenrecht plaats greep, toen de gezant Mr. Sas op last van het Hof van Justitie gevangen werd genomen, daar Mr. Sas geaccrediteerd was onder de voorwaarde, dat hij niet op meer privileges aanspraak zou maken als andere advocaten van zijne woonplaats.
2) Legitimatie der Pauselijke Legati en Nuntii geschiedt door Bullen, die hun tevens tot volmacht strekken. Alt § 44.
A11 § 44 vlg. ; Pradier-Fodere 111 § 1317 en 1318. «Les chargés d'affaires étant accrédités seulement par le ministre des atfaires étrangères auprès du gouvernement du pays, oü ils sont envoyés, sout por-teurs d'une lettre pour le ministre des affaires étrangères de ce pays, signée de la main du ministre des relations extérieures dont ils relèvent. Cette lettre est une véritable lettre de créauce 5 il y est exprimé que le chargé
- 95 -
vorst dien geloofsbrief over bij zijne eerste audientie.
(De chargés d'affaires reiken hun geloofsbrief over aan den Minister van Buitenlandsche zaken). Door de aanneming van den geloofsbrief wordt de gezant plechtig als zoodanig erkend. âL'ambassadeur, zegtWicque-f o r t in zijne mémoires, ne peut pas jouir du béné-flce du droit des gens, s'il n'est admis, recu etrecon-nu pour tel par le prince a qui son maitre 1'envoie.
Comme d'un cöté il est nécessaire qu'il ait des lettres de créance qui fassent connaitre sa qualité, aussi faut-il de 1'autre, qu'il soit recu et agréé par celui a qui il est envoyé, paree que sans cela il n'a pas le caractère de ministre public et on n'est pas obligé de le consi-dérer autrement que comme une personne particuliere et ordinaire, a qui le droit des gens ne donne pas une protection publique.quot; Door het overreiken en de aanneming van den geloofsbrief grijpt op plechtige wijze de aanvaarding van het ambt plaats, en F. v o n Begin der priv. Martens meent, dat de privileges een aanvang nemen bij dezen âwirklichen Arntscmtritt.quot; Hij velt echter zelf het oordeel over zijne leer door toe te voegen, dat de praktijk den gezanten de volkenrechtelijke privileges terstond bij het betreden van het territoor verleent. En die leer door de praktijk gehul-
(Tallaires a recu la mission di- vemettre au iniuUti'e des alFaircs étrangères du pays ou il est envoyé wles préseutes lettres de créanee, a l'eftet d'etre
accrédité eomme chargé d'affaires auprès du gouvernement de.....quot; Hel'1-
ter se trompe étrangemeut a eet égard: il dit, en efl'et, eeci : //Les agents diplomatiques de troisième elasse ne i^oiveut pas de lettres de eréances: ils sont aeerédités directement par leur miuistre chargés des affaires étrau-eeres auprès de sou collègue a rétrauger.quot; (He ff ter §210). Si Heff-t e r entend par les ageuis diplomatiques de troisième elasse les résidents, rerreur est manifeste ; s'il ne vise que les chargés d'affaires, il y a deux erreurs, car les chargés d'affaires sont les mi nistres de la quatrième elasse et car ils reijoivent une lettre de créance.quot;
,/) F. von Martens: II § lü.
- 96 -
(ïigd, raag zich zich ook verheugen in den steun dor mannen der wetenschap, ') en zulks terecht. Het volkenrecht immers behoort den gezant, die op weg is. reeds te beschermen als hij naar het hof reist van den vorst, bij wien hij geaccrediteerd is. Hij is dan reeds zooals Bluntschli zegt âdesirjnirter Gesanter.'' Ja hij is nog meer dan dat. Immers zoodra de gezant het territoor betreedt van den staat âprévenu de sa missionquot; zooals K1 ü b e r t. a. p. zegt, heeft die staat, door de benoeming van den voorgedragen persoon goed te keuren en hem reispassen uit te reiken met vermelding van zijne kwaliteit, den gezant reeds als zoodanig erkend. Zulk een persoon kan niet meer op eene lijn geplaatst worden met een gewoon reiziger of vreemdeling, maar heeft aanspraak op de bijzondere bescherming van het volkenrecht. De exterritorialiteit berust op stilzwijgende overeenkomst, op een afstand van zijne souvereiniteitsrechten van de zijde van den ontvangenden staat en die stilzwijgende afstand mag wel geacht worden gelegen te zijn in de verstrekking van den pas, die. de hoedanigheid vermeldt, waarin de gezant zal komen. De erkenning van het gezantschappelijk karakter heeft reeds plaats gehad door de goedkeuring der benoeming.
Al volgt de offlcieele en âfeierlichequot; erkenning eerst later in eene plechtige audientie, feitelijk heeft ze reeds plaats gevonden. Men zou het kunnen vergelijken met de officieele erkenning van een nieuwen staat, langen
') G. F. d c Martens VU, 5 § 314; T w i s 3 { 200 ; C a 1 v o § 514; Phillimore VI 6 § 153; Holtzendorff Lex. v. Ext.; H e f f t e r, § 210; K 1 ü b e r, § 204; Gottschalk blz 77: Pradier-Fodere 111 § 1335 ; B 1 u ii t s c li 1 i § 186; Kent's Intern. Law ed. by Abdy blz. 130; Neumann § 61, Vatte 1 IV § 83; Bello: Pvinc. de dereelio intern, blz. 280.
- 97 -
tijd nadat de feitelijke erkenning heeft plaats gegrepen.'' Die Reception des Gesandten, zegt Gottschalk, durch den Souveran ist mehr eine solemne Förmlich-keit, welche auf die Feststellung des ausseren Cha-rakters hinzieht. Thatsachlich gilt der Gesandte als solcher, sobald die besendete Regierung Kunde von seiner Ernennung erlialten und nicht die Zurückwei-sung der designirten Person erklart; in der Nicht-zurückweisung wiixl die Erklarung der Annahme pra-sumirt. Dazu kommt, dass es in der heutigen Praxis, zu einer Zurückweisung der ernannten Person nicht leicht kommt, da man vorher sich informirt, ob die in Aussicht genommene Person der zu besendenden Regierung nicht als persona ingrata erscheint. Diese Erwagungen und die Billigkeitsrücksicht, für den Ge-sandten wahrend der kurzen Frist, die gewühnlich zwischen der Ankunft und der Empfangnahme liegt, nicht ein anderes Recht gelten zu lassen, als nach dieser Zeit, führen dazu, den Beginn der Exterritori-alitat auf den Moment zu verlegen, wo der Gesandte in das Land des besendeten Staates eintritt. Von ilie-sem Augenblick an geniesst er das Recht der Extern-torialitat in dem ganzen Bereiche des besendeten Staates.quot; 1)
Bovendien bestaan de rechtsgronden, waarop de exterritorialiteit der gezanten rust, van het oogenblik af aan, dat de gezant het gebied der vreemde mogendheid heeft betreden. De gezant, in het bezit dei-gewichtigste staatspapieren, kan zich terstond reeds bij het overschrijden der grenzen niet eene doorzoeking door de grensbeambten laten welgevallen. De souverein, die den gezant heeft gezonden, kan niet dulden, dat zijn vertegenwoordiger aan eene andere jurisdictie dan de
') Gottschalk blz. 77.
- 98 -
zijne onderworpen zij: dit zou niet strooken met zijne waardigheid, allerminst nu de vreemde regeering van de komst en hoedanigheid van den gezant is verwittigd. De zendende souverein heeft alle reden om er op te rekenen, dat zijn gezant exterritorialiteit zal ge. nieten, daar de vreemde mogendheid de keuze van den persoon des gezants heeft goedgekeurd.
De leer der praktijk en der groote meerderheid van schrijvers komt mij daarom zeer rationeel voor, en wat ten aanzien van de behandelde vraag rechtens is, kan niet wél in twijfel worden getrokken. Degenen, die in principe eene tegenovergestelde meening huldigen, moeten toegeven, dat de praktijk met de grootste eenstemmigheid eene andere meening volgt en daardoor is jure constituto de vraag reeds beslist. â
Wanneer zich echter het geval zou voor doen, dat bij de benoeming niet de usantieele weg werd gevolgd en de tot gezant benoemde persoon buiten voorkennis der vreemde regeering haar grondgebied betreedt, dan zal, stricto jure, de gezant niet eerder aanspraak kunnen maken op volkenrechtelijke privileges voor hij in zijne hoedaningheid door de regeering is erkend. Noch-thans kunnen we op.verschillende voorbeelden wijzen, uit de geschiedenis der diplomatie, waar des niettegen; staande op vrijzinniger wijze is gehandeld. 1) De aureool van heiligheid, die de gezanten steeds van de oudste tijden der geschiedenis af aan omgeven heeft, boezemde de regeeringen in voorkomende gevallen het hoogste ontzag is: het eeuwenoude beginsel der onschendbaarheid van den gezant, dat bij elke daad van machtsuitoefening of jurisdictie over den gezant, zijn dreigenden arm scheen op te heffen, deed steeds de regeeringen
1
de M a rt e ii s ; Causes cel. I 428 ^
â 99 â
van die daden terugdeinzen en zelfs daar, waar het jus strictum een uitoefening van jurisdictie scheen toe te laten, weerhield haar de eerbied voor den persoon des gezants en den souverein, dien hij vertegenwoor digde, en de vrees van wellicht de perken des rechts te overschrijden. Overal in de geschiedenis der gezantschappen ontdekt men de waarheid der uitspraak van Pradier-Fodéré: â l'usage est favorable d I'extension des privileges d'imraunite de la juridiction criminelle.quot;
Om op exterritorialiteit aanspraak te kunnen maken behoort de gezant zich als zoodanig te legiti-meeren en dit zal hij doen door het vertoonen van zijn pas of van zijn geloofsbrief. Zoo lang hij incognito wil blijven, geniet hij niet de privileges der gezanten: hij is echter elk oogenblik in staat zich in het bezit te stellen dier voorrechten, door zijne hoedanigheid kenbaar te maken. 1)
De exterritiorialiteit wordt den gezanten toegekendEinae delquot; pl'iv-gedurende den geheelen loop der missie, en principieel zou zij derhalve bij het einde der missie moeten ophouden. Het einde der missies heeft plaats: 1® door het verloop van den termijn, voor welken het gezantschap is opgedragen (bij gezantschappen ad interim);
2« door het volbrengen van de bepaalde opdracht b.v. het complimenteeren van den vreemden vorst bij zijne troonsbestijging, het aanbieden van verontschuldigingen,
enz.; 3° In geval van oorlog tusschen de beide staten;
4° als de gezant weigert het diplomatisch verkeer voort te zetten, als hem bijvoorbeeld eene beleediging is toegevoegd of de verlangde satisfactie geweigerd wordt;
5o als de regeering de terugroeping van den gezant vordert; 6° als de gezant zijn ontslag vraagt, of zijne
1
PhilHmoi-e VT, 6, § (53.
- 100 -
regeering hem terugroept; 7° door den dood van den gezant; 8° bij terugzending van den gezant; 9° door dood, troonsafstand, of onttroning van den vorst, die den gezant heeft gezonden, of bij wien de gezant geaccrediteerd is; 10° door het te niet gaan van den staat. â De missie wordt somtijds geschorst door het opkomen van incidenten gedurende den loop der missie, die het voortzetten daarvan moeielijk maken b.v. het uitbreken eener revolutie; het ontstaan van ernstige conflicten tusschen de beiden staten enz. Ook wordt het geval onder n0 9 vermeld door sommige schrijvers (o. a. Alt) als schorsing aangemerkt. 1) Praktijk en schrijvers zijn er haast eenstemmig over, dat de privileges der gezanten niet terstond met het eindigen der missie ophouden.2) B e r n e r, die een tegenovergesteld gevoelen verdedigt, staat met zijne meening vrijwel alleen. 3) Mos er, ons vermeldende,dat het in zijnen tijd eene twist-
1
F. v o n Martens; II § 17 ; A 11; § 179 vis; ; Phillimorc, VI, 11, § 240; Blnutschli § 227-240; P r a di e r - Fo d é re 111 § 1515-1536.
2
) m So lauge eiue neue Begkubigung oder Bevollmiichtignng derselber von oder bei den Nachfolger der Regierurg nielit statt gefunden, kann der Ge-sandte nicht beanspruehcn, dass fdie Kegierung) ibm die gesandtschaftliche Vorrechte einrilume, docli dauert wahrend der Suspension die TJnverlehhar/ceit unter allen Urastiinden fort, wie dies audi beim Ende der Gesandtschaft mindestens fiir so lange Zeit der Fall ist, als der Gesandte bedarf ura das freinde Staatsgebiet bequem zn verlassen. In der Praxis fiihrt man indessen fort den diplomatisclien Vertreter als solclien zn behaudeln, so bald man nu? rtmiebmen kann, dass die Unterbrechung der Gesandtsehaftlicben Functioned von nicht langer Dauer sein werde.quot; Alt 181. Cf. Vattel: IV, 9, blz. 161 ; G. F. d e M ar t e n s VII, 5, § 214; T w i s s J 200; C a 1 v o f514; Phillitnore VI, 6, §153; Blnutschli: § 143; Holtzendorf; Les. v. Ext ; F. von Martens 11, § 17; AVicquefort: I, 30, blz. 443; Heffter: § 210, 224 ; Pradier-Fodérc 111 § 1586 ; G o 11-schalk blz. 80 ; M i r u s s § 366 ; K1 ii her § 228 ; W h e a t o n III, 1, §23; Belle p. 283 sqq.
3
) B e r ii e r, blz. 211.
- 101 -
vraag was, hoelang na den dood van den gezant de privileges bleven voortduren voor de weduwe, kinderen en gevolg, erkende het bestaan van den volkenrechtelijken regel, dat de voorrechten nog eenigen tijd blijven voortduren na het eindigen der missie. Voor onzen tijd mocht Pradier-Fodéré met grond verklaren: âque I'inviolabilité duministre public doit ètre garantie aussi bien au depart qu'a l'amvée, c'est une règle qui est, de nos jours, devenue un axiome de droit international. Le caractère public de l'agent diplomatique ne cesse tout d'un coup, ni par la suspension, ni même par la fin de sa mission. . . Tant que le terme fixé pour le départ du ministre public n'est pas expiré, aucun acte de souveraineté ou de juridiction n'est admissible a son égard, pas plus que pendant la durée de l'exercice de ses fonctions.quot;
Voor de oplossing door de praktijk aan de vraag gegeven, pleiten zeer goede gronden. Bij schorsing van het ambt vervalt wel de geloofsbrief van den gezant, maar desniettemin blijft hij als zoodanig erkend. Door het vervallen van zijn geloofsbrief is hij wel verhinderd in de uitoefening zijner functies, doch daarom wordt hij niet beroofd van zijne privileges: integendeel hij blijft in het genot der exterritorialiteit in afwachting eener definitieve regeling. Ook bij definitief ophouden der missie, houdt de bescherming van het volkenrecht niet op. De gronden, waarop den gezant exterritorialiteit is toegekend, blijven hunne volle kracht behouden, zoolang de gezant zich op het gebied van den vreemden staat bevindt.
Alt schijnt in de §§ 181 en 184 de voorrechten te willen beperken tot de â Unverletzliclikeüquot; ; in § 189, waar hij na den dood van den gezant de privilegies laat voortduren voor de weduwe en het gevolg, maakt
- 102
hij die restrictie niet. De onderscheiding door A 11 gemaakt, en waarvoor hij verzuimt bewijsgronden aan te voeren, komt mij ongemotiveerd voor en zeer zeker bestaat er geen grond, om bij den dood van den gezant aan de weduwe meer voorrechten te verleenen, dan aan den gezant zeiven na zijne terugroeping. De onderscheiding wordt door andere schrijvers niet gemaakt. F. von Martens noemt de exterritorialiteit een gevolg der onschendbaarheid. Wordt dus den gezant het eene toegekend, dan moeten hem ook die voorrechten, welke het gevolg daarvan zijn, toegestaan worden 1) en in de praktijk zijn nergens sporen te vinden van inkrimping der voorrechten.
Niet alleen bij vriendschappelijke verhoudingen, maar ook in het geval van oorlog wordt algemeen de voortduring der exterritorialiteit na het eindigen der missie aangenomen. 2)
Hoelang de privileges nog blijven voortduren, daar-
1
) Alt beschouwt echter wUnverletzlichkeitquot; en »Extcrritorialitat'' als twee begrippen, zonder ecnig causaal verband met elkander. Zie A11 § 54 vlg. en § 63 vlg. De meening van v o n Martens komt mij juister voor.
2
) Vat tel IV, 9, blz. 161; Wicquefort: Tarnb I, 30 blz. 445 ; M o s e r IV, 15 § 7 ; K1 ü b e r §§ 203-245 ; P h i 11 i m o r e VI, 6, § 153; Pradier-Podëre 111. ^ 1389.
- 103 -
voor is in het voikenrecht geen bepaalde termijn gesteld. Minstens moet de termijn zoo ruim zijn, dat den gezant een behoorlijke tijd is gelaten om het territoor van den staat te kunnen verlaten. Om dus alle moeielijkheden te vermijden, zal, wanneer de gezant zijn vertrek blijft uitstellen, hem een bepaalde termijn moeten gesteld worden, binnen welken hij het gebied moet hebben verlaten en na afloop waarvan hij geen aanspraak meer zal kunnen maken op de volkenrechtelijke privilegien. In de praktijk, vooral bij het uitbreken van een oorlog tusschen den zendenden en ontvangenden staat, pleegt dit regelmatig plaats te hebben.
Na den dood van den gezant pleegt men aan zijne Dood van den gezant, weduwe, kinderen en gevolg, nog eenigen tijd de exterritorialiteit toe te staan. Ook hier zal het van het uiterste belang zijn een bepaalden termijn vast te stellen.
Ofschoon voor de weduwe en kinderen van den gezant, de rechtsgronden, die pleiten voor verlenging van den duur der voorrechten, niet zoo klemmend zijn, aarzelt de praktijk niet de verlenging toe te staan. ^ Immers de weduwe van den gezant zal de gezantschapspapieren overgeven aan dengene, die bij afwezigheid des gezants hem vervangen moet, en mogen er voor het gevolg even goed na den dood van den gezant
') G. F. de Martens VII, 10 § 224; Moser IV, 25 § 29 ; Alt § 180 ; P r a d i e r - F o d e r'e 111 § 1527 ; G o t ts c h a 1 k blz. 80 ; K 1 ü-b e t § 230 ; M o s h a rn m, Europ. Ges. Rccht, § 253 ; S e h m a 1 z, Europ. Volk. Ill, blz. 126; Schmclziug, Gmudriss 11 § 365 ; C h. de Marlens: Guide dipl. I, § 75; AVlieaton 1, 3. 1, § 24 ; H e f f t e r § 225 : Ges snor; 111 pag. 40; Miruss § 237. Vergelijke ook Job. Aug, Heuss, Teutaclie Staatskanzlei TJlm 1783-1801, Squot;, 41 Bd Bd I# blz. 276-294: Litteratuur te vinden bij Alt § 189. OokNeumann § 66: Leyser: Médit. V, spéc. 671; Engelb recht, Observ. Select, foreus. Spéc. 4.
- 104 -
rechtsgronden bestaan voor onttrekking aan de locale jurisdictie, krachtig kunnen die gronden ten aanzien der weduwe, kinderen en bedienden niet genoemd worden.
Het privilege der weduwe, kinderen of leden van het gevolg houdt voor ieder terstond op, zoodra blijkt, dat zij zich blijvend in het vreemde land vestigen. Dit kan bv. daaruit blijken, dat een zoon van den gezant, in den staatsdienst treedt van het land van zijn verblijf, of de weduwe van den gezant in het vreemde land een huwelijk aangaat. Voor den bediende, die uit den dienst treedt, houdt natuurlijk onmiddelijk de exterritorialiteit op. Tal van vragen doen zich hier aan ons voor. Het privelege duurt voort voor de weduwe en het gevolg: valt hier onder ook de bediende, na den dood des gezants in dienst genomen ? Moet het geval, dat de missie eindigt door den dood van den gezant, ten aanzien der hier gestelde vraag, op dezelfde lijn geplaatst worden, als het geval, dat de missie op eene andere wijze eindigt? Maakt het in dit verband wellicht ook onderscheid of de nieuwe bediende inlander of vreemdeling is? Als de weduwe terstond bij het overlijden van den gezant verklaart voortdurend te willen blijven wonen, houden voor haar de volkenrechtelijke privilegien op; doch volgen de kinderen en bedienden hierin hei lot hunner moeder en mees-teresse, of genieten degenen, die naar hun vaderland terug willen keeren nog gedurende den te stellen termijn de voorrechten der exterritorialiteit? Is er ten dezen niet te onderscheiden tusschen het gezantsctiaps-personeel en de bedienden van den gezant qua privaat persoon?
Op deze en dergelijke vragen meer geven noch de praktijk, noch de schrijvers eenig antwoord. Men zal
- 105 -
ze derhalve naar de algemeen erkeade beginselen moeten oplossen. Vooreerst is algemeen erkend, dat de gezant zelf of een lid van het gevolg na het ophouden der missie afstand kan doen van de privilegiën, vóór de termijn, tot vertrek gesteld, verstreken is; dat zelfs door het ondubbelzinnig gebleken voornemen zich blijvend :n het land te vestigen, de voorrechten terstond ophouden. Ieder persoon van het gevolg zal dus voor zich persoonlijk de privilegien kunnen verliezen. De privilegien zijn den gezant verleend, en alleen terwille van hem ook aan de leden van zijn gevolg. Het spreekt dus van zelf dat de bedienden niet op exterritorialiteit aanspraak kunnen maken, als hun meester van het voorrecht heeft afstand gedaan. Dit zelfde kan natuurlijk niet gezegd worden van de personen der legatie, die door den souverein zelf zijn benoemd en die derhalve niet tot den gezant staan als partij in een privaatrechtelijk contract. Deze zijn ambtenaren in dienst van den souverein en hun ambt staat of valt niet met dat van hun superieur. Voor deze moet m. i. bij het eindigen der missie, de vraag of de privilegien nog voortduren, afzonderlijk onderzocht worden, en het feit dat hun vroegere hiërarchisch meerdere in den dienst van den staat is getreden, of zich blijvend in het land gevestigd heeft, kan bij de beantwoording van geen invloed zijn. Eindigt de missie anders dan door dood van den gezant, dan zou ik meenen, dat ook de bedienden, na dat tijdstip in dienst genomen, exterritorialiteit genieten. Immers de privilegien der gezanten vangen aan bij het betreden van het gebied en eindigen eerst bij het verlaten daarvan. Gedurende dien geheelen termijn geldt het privilege in zijn vollen omvang. Alle bedienden, wanneer ook in dienst genomen, deelen in het voorrecht der exterritoriali-
- 106 -
teit. ^ De bediende geniet het privilege, omdat hij in dienst is van een gezant. Wanneer echter de weduwe van een gezant na den dood van haar echtgenoot een bediende in dienst neemt, kan deze geen aanspraak maken op exterritorialiteit. Wel blijft, als uitzondei ing, de exterritorialiteit voortduren voor de weduwe, kinderen en ge ooi ff van den gezant; doch geene nieuwe privilegien kunnen meer gevestigd worden. De voortduring der exterritorialiteit is eene uitzondering en derhalve strictae interpretationis. De weduwe, kinderen, enz. genieten exterritorialiteit, omdat zij behoorden tot het gevolg van den gezant: doch de nieuwe bediende kan zich daar niet op beroepen. De rechtsgrond die continuatie der voorrechten vergt voor weduwe en gevolg van den gezant, bestaat voor hem niet.
Zooals wij vroeger betoogden worden de bedienden, onderdanen van het land, op denzelfden voet behandeld als de leden van het gevolg, die vreemdelingen zijn en hetzelfde zal dus hier moeten gelden.
Als de weduwe of het hoofd des gezins na den dood des gezants afstand doet van de privilegien, dan zal men wèl moeten aannemen, dat dit ook geldt voor de bedienden en ondergeschikten. Het gaat niet aan de privilegien in dat geval voor hen te laten voortduren, ofschoon het niet te ontkennen valt, dat de verhouding der bedienden tot den gezant en hunne verhouding tot het hoofd des gezins na diens dood, uit een volkenrechtelijk oogpunt bezien, geheel verschilt. De bedienden genieten bij het leven van den gezant exterritorialiteit, omdat zij behooren tot zijn gevolg; na zijn dood, niet omdat zij behooren tot het gevolg van de weduwe (dan zou-
') Natuurlijk mits aan de regeeriug kennis daarvan zij gegeven, als zulks gebruikelijk is, op dc wijze boveii bcsclireveu.
107 -
den later in dienst genomen hetzelfde voorrecht moeten genieten), doch omdat hua vroegere meester gezant was. Doet de gezant afstand van zijne privilegien, dan geldt dit ook voor hen, die ter wille van hem dezelfde voorrechten genieten: doch de weduwe en de bedienden staan in dit opzicht gelijk, dat ze beiden hun recht daaraan ontleenen, dat ze behoorden tot het gevolg van den gezant. Niettemin schijnt het volkenrecht juist ter eere van de familie des overleden ge-zants eene uitzondering gemaakt te hebben en zal men aan de bedienden geene volkenrechtelijke privilegien toe kunnen kennen, waarvan hunne meesteres het bezit verloren heeft.
Herhaaldelijk is reeds gesproken van afstand der Afstand van de priv. privilegien : doch kan de gezant werkelijk afstand doen van het voorrecht der exterritorialiteit?
Oppenheim antwoordt hierop zonder aarzelen ja: immers, zoo redeneert hij, het is een privilegium enhet hangt af van dengene, aan wien het is toegekend, of hij er al dan niet gebruik van zal maken: âbeneficium non obtrudüur.quot; Pinheiro Ferreira vertegenwoordigt de tegenovergestelde leer, terwijl Wicquefort, Vatte 1,
G. F. de Martens, Twiss, Holtzendorff. Alt,
Har burger, Gottschalk en vele anderen de meening huldigen, dat de gezant slechts met toestemming van zijn souverein afstand kan doen van zijne voorrechten. *) Sommige schrijvers laten in civilibus wel.
') Op p e li h e i m X. § 7 ; Pinheiro -F err. bij de Martens V. 210 ; B ij ii k e r s h o e k XXI11 § 7 ; Wicquefort. Mém, pag 39 ; V a t te 1: IV. 7 § 111 5 G. F. d c M a r t e ii s, V. 216; T w i s s § 201 ; H o 11 z c n-d o r f f: Lex. v. Ext.; Alt. § 85 H a r b u r g e r blz. 182 ; Gottschalk blz. 62 ; C a 1 v o § 523 ;Moshamm§ 182; Villefort: Priv. dipl. blz 139; quot;Wheaton 111. 1, § 16 Phillimore: VI, 8 $ 186; Bluutschli § 214; Holtzondorff: Lehrb. des Völkerr. III § 163-
- 108 -
in criminalibus geen afstand der privilegien toe. ') De volkenrechtelijke privilegien, zoo zegt Twiss, zijn eerder in het belang van den staat, dan in dat van den gezant, verleend. Doch dit toegevende, zal men zich wel moeten aansluiten bij de opmerking van B1 u n ts c h li (t. a. p.): âIn wie fern hier der Gesandte die Vorschriften und Instructionen des Absendestats gehorig beachtet habe, ist eine Frage des Stats-, nicht des Vol-kerrechts welche in den Bereich der Verantwortlichkeit fallt, die der Gesandte seiner Regierung schuldet. In dei-Regel darf der Gesandte mit Rücksicht auf seine Völ-kerrechtliche Stellung und Aufgabe weder für sich, noch für die jenigen Personen welche mit den öftent-lichen Geschaften des Amtes bekannt sind, auf die Befreiung von der einheimischen Strafgerichtsbarkeit verzichten und darf weder sich, noch solchen Personen zum Schaden seiner Stellung und seiner Amts-thatigkeit dieser Gerichtsbarkeit freiwillig unterwerfen.quot; Intusschen is in de praktijk wel eens beslist, dat de exterritorialen niet van hunne voorrechten afstand kunnen doen. 2) Zeker is het dat ten aanzien van het gezantschapspersoneel de gezant geen afstand kan doen voor die personen, die niet door hem, maar
') Zoo B ij u k e r s h o e k t. a. p. âII ue peut reuoucer saus la partici-pation de son prince car pourquoi les privileges des ambassadeurs ont-ils ete établis, si cc n'est afin que les ambassadeurs pussent être plus utiles a leur prince, et qn'il n'y cut rien qui leur et rambassadeur causa de rempèchemcnt dans les fonctions de leur emploi ? Ces privileges regardent done plus Pinturêt dn prince,que celui de rambassadeur et l'ambassadeur peut bien y renoncer a son prejudice, mais non pas au prejudice, de son maitre. En matière de crime un ambassadeur ne peui jamais renoncer « son privilege. .... a consulter la raison. Mais je n'ai pas eu main assez d'exemplcs ii détemiuer quot;quelque chose la dessus.quot; Verder beroept Bijukershoek zieb op Kom. Recht (1. XXIV § D. de judic.)
2) «Les persoimes qui jouisseut des immunites ne peuvent pas y renoncer.quot; Aldus beslist door la Cour Royale dc Paris in het jaar 1841 in de iaak der Bquot;quot;quot; de Pappenheim (Philimor e: Appendix VII n. 3).
- 109 -
door zijn souverein zijn benoemd en die slechts als ambt-naren zijne hiërarchisch ondergeschikten zijn. ^Wellicht heeft Blnntschli alleen de bedienden van den gezant op het oog of de door hem zelf benoemdeledenvanzijngevolg, als hij zegt: âEs steht den Exterritorialen frei, ihr Gefolge der ortspolizeilichen und gerichtlichen Autoritat ebenso unterzuordneu, wie die andern Bewohner des Ortes es sind.. .. Wenn die Gefolgsleute des Exterritorialen Unterthanen des einheimischen States selber sind, so werden sie gewöhnlich dessen Jurisdiction unterstellt. Es kann das aber mibedenklich anch auf Angehörige des States, den der Exterritoriale reprasentirt ausgedehnt werden, sobald dieser es zweckmassigfindet, denn sie ha-ben alle kein persönliches. sondern nur ein abgeleites Recht auf Exterritorialitat.quot; 1)Doch toegegeven dat het recht van het gevolg âein abgeleites'' is, dan volgt daaruit wèl, dat het gevolg dat recht niet kan genieten, als degene van wien het af wordt geleid, zulks niet bezit, maaier volgt nog niet uit, dat het den gezant vrijstaat voor een zijner bedienden afstand te doen der privilegien. De afstand door den bediende zelf gedaan is zonder de toestemming van den gezang krachteloos, daar de voorrechten niet terwille van den bediende, maar ter wille van den gezant toegekend worden. s)
Voorbeelden uit de praktijk, dat een gezant (uitgenomen het geval, dat de staat den afstand der privilegien als voorwaarde stelde voor zijne toelating) in criminalibus van zijne voorrechten afstand deed, zijn mij niet bekend. Evenmin voorbeelden dat zulks geschiedde door leden zijner familie of van het officieele
1
) Bluntsclilij 149.
- 110 -
personeel. Daarentegen vindt men talrijke voorbeelden in de geschiedenis vermeld, dat de gezanten hunne bedienden onderwierpen aan de locale jurisdictie. ')
Als eene bediende een strafbaar feit pleegt, zal de gezant den delinquent uit zijn dienst ontslaan : van dat oogenblik af, valt hij onder het bereik der jurisdictie van het land van zijn verblijf. Doch het delict moet beoordeeld worden naar het oogenblik van de daad en toen was de dader nog in het genot der exterritorialiteit. De praktijk neemt echter aan, dat de gezant het recht heeft afstand te doen van het privilege en wel met eene terugwerkende kracht. Van uitlevering, als de bediende zich nog in het hotel des gezants bevindt kan geen sprake zijn : het hotel is geen territoor. De door den gezant verrichte handeling, als hij den dader doet aanhouden en in handen der politie stellen, kan niet uitlevering genoemd worden, in de rechtskundige beteekenis van het woord ; het is slechts een overlevering van den dader aan de politie. 1) Doordat de gezant zijne beschermende hand van den bediende terugtrekt, wordt de locale rechter, door niets meer weerhouden, competent. Het kan niet geloochend worden, dat het in de handen van den gezant berust, te beslissen, of de dader van een straf-
1
) Uitlevering komt slechts daar te pas, waar een delinquent zich bevindt op het territoor vau een anderen staat, dan dien waar hij het deliet pleegde, en derhalve de autoriteiten van den locus delicti de hulp moeten inroepen der autoriteiten van het land, waar zich de dader ophoudt, ten einde hem in handen tc kunnen krijgen. Iets dergelijks vindt niet plaats als de gezant een misdadiger, die in zijn hotel vlucht, doet grijpen en in handen der politie stelt. De bedenking van Harburger blz. 182 noot 20a geopperd: wOb angesichts des modernen Verbotes der Auslieferung eiguer Uuterthauen ein soldier Verzicht noch zulassig sei, liisst sieh fiir die jenigen Staten, in deren Recht sich dasselbe findet, zum mindesten bezweifeln,quot; heel't derhalve geen reden van bestaan.
â Ill â
baar feit naar het recht van de plaats der handeling of dat van het land des gezants zal beoordeeld worden. Doch in de omstandigheid, dat twee landen zich competent verklaren een strafbaar feit te beoordeelen is niets abnormaals te zien. Ons Art. 5 strafrecht erkent uitdrukkelijk de mogeliikheid daarvan. m .
Te metgaan van een staat.
Ten slotte zij nog de aandacht gevestigd op een geval, waar naar mrjne meening terstond met het ophouden der missie de privileges van den gezant een einde zullen moeten nemen. Ik bedoel het geval, dat de staat,
wiens missie het betreft ophoudt te bestaan. Met het te niet gaan van den staat, vervalt natuurlijk ook de missie : den gezant wordt daardoor zijne hoedanigheid ontnomen. Bij terugroeping of zelfs uitzetting van den gezant, kan de staat wel de uitoefening van zijn ambt doen ophouden, maar hij kan hem niet zijne hoedanigheid ontnemen. ^ In het onderhavig geval echter heeft juist dit laatste plaats. De ex-gezant vertegenwoordigt geen staat, geen souverein meer. En evenmin als zijn meester na het te niet gaan van zijn staat aanspraak kan maken op exterritorialiteit, evenmin kan het de gezant.
Toen Lord Russell, na erkenning van het eene Koninkrijk Italië, alle diplomatisch verkeer afbrak met den gezant van Ferdinand II, ex-koning van Napels, waren tegelijk alle privileges voor den gewezen gezant vervallen : zijne hoedanigheid van gezant had opgehouden te bestaan door het verdwijnen van den staat, en van de
souvereiniteit, die hij vertegenwoordigde. Landen vm doortrek
Tot dusver hebben wij slechts het oog gehad op de verhouding van den gezant tot de jurisdictie van het land, waar hij geaccrediteerd is. Het kan echter voor-
*) Wicquefort: l'Amb. ï, 27 blz. 405.
- 112 -
komen, dat e gezant om zijne bestemmingsplaats te bereiken h territoor van een derden staat moet betreden, en rijst terstond de vraag, of de voorrechten, die 1 onderwerp der bovenstaande beschouwingen uitmaak.en, ook hier voor hem gelden. Heeft, zoo wordt gev oi Jijk de vraag gesteld, de gezant recht van exterrito io iceit in de landen van doortrek? De eenstemmigheid Ier schrijvers bij de beantwoording dezer vraag laai wel wat te wenschen over. Wic-quefort. Bij nk ershoek, Vattel, Oppenheim, Wheaton, Calv ,, Berner, Heffter, Bello, Gott-schalk en tal vsn andere schrijvers ontzeggen den gezant alle aanspr? ak op exterritorialiteit in het land dat hij passeeran .roet. ^ Zij gronden hunne meening daarop, dat de itaac, bij wien de gezant niet geaccrediteerd is, niet -7er Jicht is hem als zoodanig te erkennen en privileges toe ce staan : dat slechts tusschen den zendenden en dei ontvangenden staat gezantschappe-lijke betrekkingen ontstaan. Het ontbreekt hun niet aan voorbeelden ai ó de geschiedenis ter staving hunner meening. Ik hw iner slechts aan de arrestatie van den maarschalk ^e Be lie-Isle in 1744; van den graaf van Wai nsleben in 1763; van den baron de Görtz. 1) A. lere schrijvers verdedigen het tegenovergestelde gr'V len, althans voor hot geval, waaraan d e G r o o i ds dacht, dat de gezant met toestemming en voork* van den derden staat diens gebied
1
) Cf. Martens, Causes cél. I, 97, II, blz. 1 en 428; Pliil lira ore, VI, 7, § 173.
- 113 -
betreedt. ') Het is aan geen redelijken twijfel onderhevig, dat een staat, die niet verplicht is een gezant te ontvangen, of den geaccrediteerden gezant, mits uitdrukkelijk daaromtrent bedingen zijn gemaakt, de volkenrechtelijke privileges toe te staan, dat die staat, souverein op zijn territoor, zich er tegen kan verzetten, dat de gezant zijn gebied betreedt en allerminst verplicht is hem bij het passeeren van zijn territoor exterritorialiteit toe te kennen. Kan, zooals wij zagen, de gezant aan hem zeiven gezonden, zich niet op exterritorialiteit beroepen, tenzij hij als zoodanig door hem is erkend, stellig kan een gezant aan een derde mogendheid gezonden, en buiten zijn voorkennis zijn territoor passeerende, niet op meer rechten aanspraak maken. Tot dusverre zal iedereen het met Bijnkershoek en zijne volgelingen eens moeten zijn. Doch de gestelde vraag, doet zich in een geheel ander licht voor, als de gezant aan de regeering van het land, welks gebied hij doortrekken wil, kennis heeft gegeven van zijn voornemen en van de hoedanigheid, waarin hij zal komen) en de regeering niet alleen zich tegen dat voornemen niet verzet, maar den gezant zelfs reispassen, die zijne kwaliteit vermelden, heeft doen terhand stellen. Wanneer de gezanten zich aldus legitimeeren, verschijnen zij als vertegenwoordigers van hun souverein. Dikwijls wordt de gezant gebezigd om belangrijke instructies over te brengen aan den gezant van zijn souverein bij het hof van het land, dat hij pas-
') G i* o t i ii 3 11: 18 § 5 n' l : //Nou pertinet ergo haec lex ad eos per quorum liues, non accepta venia, transeunt legati.... «Cf. KI üb e r § 204; T w i s s § 205 ; Bluntschli: § 186 ; Phillimore: VI, 7, § 174; F. v o n Martens II § 10; Neumann § 61; Alt § 44 ; H a r b u i-ger: 204; Kent's Int. Law by Abdy, blz. 130; Te mme: Lehrbucb § 30.
8
- 114 -
seeren moet, en doorzoeking zijner papieren of verhindering in zijne vrijheid van beweging zou de hem toevertrouwde aangelegenheden in gevaar kunnen brengen. Mag uit het vragen en uitreiken van een pas, de hoedanigheid en de hooge waardigheid van den reiziger vermeldende, niet een stilzwijgende verleening dei-volkenrechtelijke privileges gezien worden?'Mag men niet aannemen, dat de reispas vooral daartoe dient om den gezant tot legitimatiebewijs zijner hoedanigheid te strekken, vooral in den tegenwoordigen tijd, nu in de beschaafde landen den reizigers geene moeielijkheden of hindernissen in den weg worden gelegd en het gebruik van reispassen haast niet voorkomt? En als de courieren, mits voorzien van behoorlijke passen, ook in derde landen volkenrechtelijke privileges genieten, moet dit dan niet a fortiori ten aanzien der gezanten gelden ? â
Reeds de ordonnantie der Staten van Holland van 1679 strekte hare bescherming uit over de gezanten, die het land passeerden. B ij n k e r s h o e k, die de duidelijke woorden âhier te lande komende, resideerende of passeerendequot; trachtte te verwringen en met j zijn systeem overeen te brengen, is door latere schrijvers weerlegd. ^
De voorbeelden, waarop quot;de schrijvers, die de meening van Bij nker shoek jaijn toegedaan, zich beroepen, bewijzen voor het meerendeel niets, daar de regeering die hare jurisdictie over hen uitoefende, hare handelwijze rechtvaardigde door een beroep op het ontbreken harer toestemming om haar gebied te pas-seeren en op het ontbreken van reispassen. 1)
1
) H e f f t e r § 207 verwijst, naar een geval, waar een gezant op het gebied van een derden staat strafrechtelijk is vervolgd: op de geciteerde plaats bij de Martens: Causes cel. heb ik echter te vergeefs daarnaar gezocht
- 115 -
âIn der That, zoo verklaart von Martens, wird gegenwartig die Unverletzbarkeit der diplomatischen Agenten liberal], wo sie sich auch auf halten mogen, respectirt. Nur bleibt zu beachten, dass eine derartige Ausdehnung des Geltungsbereiches der Gesandten-rechte duruhaus von dein guten Willen der Regie-rungen und insbesondere der örtlichen Justizbehör-den abhangt, weil eine Rechtspflicht in dieser Hinsicht nicht existirt. Ein diplomat!scher Agent hat diesen Beruf und die aus demselben fliessenden ausserordent-lichen Privilegien immer nur auf dem Territorium des-jenigen Staates, der Ihn als Vertreter eines auswarti-gen Staates bei sich aufgenommen hat.quot; ')
Deze laatste regelen zijn moeielijk met het begin overeen te brengen. Immers door de erkenning, dat de praktijk de gezanten overal, ook in de landen van doortrek, de exterritorialiteit toestaat, erkent bij het gewoonterecht, dat In deze beslissend moet zijn. Daarenboven zou men kunnen vragen, of uit het verleenen der passen de door von Marten s bedoelde âgute Wille der Eegierungquot; niet blijkt.
In 1840 besliste âle tribunal civil de la Seine,quot; dat in Frankrijk ook de aldaar passeerende gezanten exterritorialiteit genieten; 1) doch bij deze uitspraak gold het meer eene interpretatie van een artikel van nationaal recht, dan toepassing van een regel van het volkenrecht.
1
) ,/M. Beyley, agent des Btats-Ijnis prés du gouvernement Sarde, non accrédite eu France, traversa le territoire Francais pour se rendre a son poste. 11 y fut arrête, mais puis mis en liberté. Le décret du 13 Veutose An II, qui consacre 1'inviolabilitc des agents diplomatiques s'applique a tons les agents diplomatiques sans distinction, alors même qu'il a'agit d'uu agent diplomatique non accrédité en France et qui traverse le territoire pour se rendre a son poste.quot; P h i 11 i m o r e : Appendix Vil.
- 116 -
In den pas wordt meestal een termijn uitgedrukt. De beteekenis hiervan kan m. i. geen andere zijn, dan dat na afloop daarvan de exterritorialiteit voor den gezant zal ophouden, ook al heeft de gezant in dien tijd het gebied nog niet verlaten. Is de gezant met toestemming van den souverein in het land gekomen en drukt de pas geen termijn uit, dan zal hem, zoo hij zijne reis noodeloos vertraagt, alsnog een termijn moeten gesteld worden. Wanneer de gezant naar zijn land terugkeert, zal hij opnieuw den derden staat om passen moeten verzoeken. Aan de weduwe en het gevolg van een overleden gezant, zullen in de landen van doortrek de volkenrechtelijke privileges wel niet toegestaan worden. Zij vertegenwoordigt geen souverein, en de toegestane verlenging in den staat, waar de overleden gezant geaccrediteerd was, is eene uitzondering, en mag dus niet uitgebreid worden.
Het komt ook voor, dat in den pas een bepaalde weg door het land wordt voorgeschreven. Het volgen van dien weg moet dan beschouwd worden als eene voorwaarde aan de verleende toestemming verbonden, en ieder opzettelijke afwijking van de vermelde route zal het verlies der volkenrechtelijke privileges ten gevolge hebben, â indien althans de afwijking niet door overmacht is veroorzaakt. â
Gezanten naar een cou- De gezanten door den staat naar een diplomatiek congres gezonden, zijn eigenlijk geen gezanten van den eenen souverein, aan den anderen gezonden : doch ze genieten desniettemin dezelfde voorrechten als de gewone gezanten. Ze zijn exterritoriaal in het land hunner bestemming, ofschoon ze daar niet geaccrediteerd zijn. Daarvoor heerscht bij alle schrijvers, ook die in andere gevallen in de landen van doortrek den gezanten dat voorrecht ontzeggen, volkomen een-
- 117 -
stemmigheid. ') 2'oo werd op het congres te Frankfort aan de Main, dat deel uitmaakte van den Duitschen Bond aan de afgevaardigden der vreemde mogendheden voor het geheele gebied van den Bond exterritorialiteit toegestaan. â
We moeten ten slotte nog de aandacht vestigen op twee groepen van personen in het volkenrecht voorkomende, die veel overeenkomst hebben met de gezanten en dientengevolge wel eens met hen op eene lijn worden geplaatst, nl. de Agenten en Commissarissen.â
Wicquefhrt spreekt van âCommissaires que les souve-AâPUtel, el) (;0.âmi3. rains envoient a leurs sujets et qui ne sont pas du s:u'i3s(lquot;
nombre de ceux qui jouissent des prérogatives du droit des gens,quot; en hij haalt ook voorbeelden aan van Com-missairssen âpour accommoder des différents.quot;
Bynkershoek spreekt van gezanten, die de Duit-sche Keizer zond onder den titel van Commissarissen, en die stellig aanspraak konden maken op exterritorialiteit. â Commissarissen, zooals zij in het tegenwoordige volkenrecht bekend zijn, zijn personen, meestal door den minister van Buitenlandsche Zaken (en niet dooiden souverein zelf) benoemd, belast met eene opdracht op een bepaalde plaats met commissarissen van een anderen staat eene niet diplomatieke taak te volbrengen bv. regeling der grens, deeling eener gemeenschappelijke zaak, uitvoering geven aan bepaalde artikelen van een
l) AVicquefor t, Mém. blz. 320 ; O p p e u h e i m X, § 7 ; P h i 11 i more VI, 7, § 17-i ; G. F. d c M a r t e n s VI I, 1, § 186 ; Cf H o 11. zendorff: liaudbucli des Völkerrechts II § 122, die pleit voor uitbrei-ziug der privileges op commissarissen, gedclegueerden naar een post- spoor-, weg- of telegraafcoüventie enz. Dit kan echter niet gezegd worden volkenrechtelijk erkend te zijn.
a) Wicquefort: Mém. p. 214.
- 118 -
tractaat, behartiging van de belangen van den staat bij de autoriteiten van een ander land. ^
De agenten waren reeds vroegtijdig in de geschiedenis bekend ; ze werden gebezigd voor private aangelegenheden van den staat of van den souverein. 1) Soms onderhielden vereenigingen van kooplieden een agent bij een hof. 2) Ook worden wel eens agenten gebezigd in een staat, die nog niet door alle mogendheden is erkend, in plaats van een gezant. De agent krijgt dan wel een gezantschapstitel bv. Resident, maar hij krijgt geen geloofsbrief.
De agenten worden thans onderscheiden in émis-saires caches ou secrets (geheime agenten) en agenten in engeren zin. De eerste werken in het geheim en zijn bij de regeering noch gelegitimeerd, noch geaccrediteerd, ja de regeering is soms niet eens bekend met hun verblijf. Dat deze op geene privileges aanspraak kunnen maken, behoeft wel geen betoog. Wel te onderscheiden van deze zijn de zoogenaamde âenvoyés conüden-tiels (negotiateurs secrets)quot; : het zijn personen wel bij de regeering geaccrediteerd en voorzien van eene opdracht om met haar te onderhandelen, echter alles in het geheim. Soms is hun de hoedanigheid van gezant verleend, doch daar maken zij eerst gebruik van als
1
) In een privilegie van Koning Dugobert aan den Bisschop van Trier vindt men reeds gewag gemaakt van het zenden van agenten.
2
s) De te Bayonne en Bordeaux wonende Joden hadden in 1767 een agent aa» het Fransche hof. Zie A 11 § 20. Deze schrijver haalt een decreet aan van de Staten van Holland van 29 Maart 1651 waarin de agenten worden opgenoemd onder de door het volkenrecht beschermde personen. Onder agenten waren hier echter te verstaan, zooals W i c q u e f o r t opmerkt, de geaccrediteerde gezanten, die soms van hun souverein den titel nageniquot; ontvingen.
- 119 -
de stand van zaken daartoe gunstig schijnt. Zoodra zij dan hun geloofsbrief over hebben gereikt, zijn zij werkelijke gezanten en genieten alle den gezanten toekomende voorrechten
De agenten worden evenals de commissarissen meestal niet onmiddelijk door den souverein, maar door zijn minister van buitenlandsche zaken benoem 1. Zij worden gebezigd tot het negotieeren eener leening, tot het tot stand brengen van een huwelijk enz.
Noch de commissarissen, noch de agenten zijn bij de vreemde regeering als zoodanig geaccrediteerd : zij zijn niet voorzien van geloofsbrieven, zooals de gezanten.
Alle schrijvers en ook de praktijk zijn het er over eens dat deze personen geen aanspraak kunnen maken op het recht van exterritorialiteit, 2) tenzij zij tevens als diplomatiek agent geaccrediteerd zijn, iets wat slechts zelden voorkomt.
âFalls sie als bevollmachtigte Reprasentanten ihrer Staaten auftreten, zegt von Martens, geniessen sie wahrend der Dauer ihrer Mission die Hechte der diplomatischen Agenten, so z. B. die Mitglieder Internationalen Congresse oder Conferenzen. Anderen De-legirten. Agenten, Commissairen aber, selbst wenn sie an internationalen Versammlungen theilnehmen soll-ten, kommen solche Vorrechte nicht zu. Auch son-stige Beamte, die mit irgend einem Special Auftrag in's Ausland geschickt werden, besitzen den Re-presentativ-Charakter nicht, noch weniger die ge-
Op dit geval heeft P h ill i more VJ, ü § 215 het oog.
Wicquefort: Mém, blz. 225; Bijnkei'shoek; Traité X11J, I 4 ; K1 ü b e r § 171 ; O p p e n h e i m X, S ; G. F. d e M a r t e n a VI, 1, § 196 ; Neumann; $ 54 : Phillimore VI, 9 § 215 ; A 11 § 20 ; 3qq.; F. von Martens: II, §5; Hef ft er § 222 ; C a 1 v o I, 564gt; i Bluntschli § 241 vlg.; P r a d i e r - F o d e r e III § 1264; Vattel IV, 75; Mos er: Beitrilge IV, blz. 530 ; M e r 1 i n : I nquot; 5 in fine.
â 120 â
heirnen Agenten. Was die Militdr Bevollmcichtigten betrift, so können sie allerdings die gleichen Vor-rechte, wie die diplomatischen Vertreterbeanspruchen, falls sie zum Gesandtschaftspersonal gehören oder in der Eigenschaft persönlicher Reprasentanten ihrer Monarchen bij dem fremden Hofe accreditirt sind.quot; ')
is dc staal na het op- Kan onze staat zich een delict, gedurende het ge-not ^61' exterritorialiteitsrechten door een exterritoriale
durende het genot persoon gepleegd, aantrekken, nadat het voorrecht een
daarvan begaan, te 1 ' '
berechten ? einde heeft genomen ? Het gaat niet aan te zeggen
dat het delict niet op ons territoor is gepleegd. De fictie der exterritorialiteit onttrekt niet den locus delicti commissi aan onze jurisdictie, doch alleen den dader: op diens handelingen is het recht van zijn vaderland toepasselijk. Het gevolg hiervan zal zijn dat vele overtredingen ongestraft zullen blijven, daar in het vaderland van den gezant, de handelingen, die hier eene overtreding opleveren, niet strafbaar zijn. Ja zelfs b;j de zwaarste misdrijven kan straffeloosheid voorkomen, wanneer de gezant onderdaan is van een derden staat en deze derde staat in zijne wetgeving eene bepaling mist als ons art. 5 Strafrecht. Dan immers is de gezant, die zijn geboortegrond betreden heeft buiten het bereik van onze justitie en eveneens van die van den zendenden
^ F. v o ii Martens TT § 5. Csilvo wijst op het geval, «du charge d'affaires (capoukiaya) que le prince de lloumanie entrctieut auprès de la Porte ottomane, son suzerain, et qui aux termes dc l'Art. ü du traité, signe a Paris, du 19 Aout 1858 est autorisé a veiller a Constantinople aux affaires conccrnant les principeautés unies dc Moldavië et de Volacliie. Bien que place sous la protection du droit des gens eet agent n'cst cependant admis par le gouvernement Ottoman ni sur le pied, ui avec le caractère public des charges d'affaires d'un état indépendant. 11 en est de même des agents que le prince de lloumanie envoie ou entrctieut auprès des diverses cours étran-gères : ils n'y sont agrees qu'a titre officieux et ne sont pas considérés comme faisant partie du corps diplomatique, proprement dit.,, (C n 1 v o ï, 56 i).
- 121 -
staat, terwijl de derde staat zich het delict niet kan aantrekken en eigen onderdanen niet uitlevert. Bij eigen onderdanen, die men als gezant zou aannemen onder toekenning der privileges van het volkenrecht, doet zich het geval zeer sterk sprekend voor. Stel een gezant, in dit geval verkeerende, pleegt hier een misdrijf; de vreemde regeering roept hem terug en doet zijne missie eindigen. Doch de ex-gezant weigert ons grondgebied te verlaten. AAs onderdaan van den staat kan hij niet worden uitgeleverd en de exterritorialiteit beveiligt hem tegen onze jurisdictie. ^ Algemeen is in het volkenrecht erkend, dat de gezant later niet meer vervolgbaar is voor feiten, gedurende het genot der exterritorialiteit gepleegd. âNach dem G-rundsatze der Exterritorialitat, zegt A11, waren sie von der gesetzgebende Gewalt des fremden Staates nicht abhangig. Es flndet keine Verfolgung wegen früher daselbst begangener Verbrechen statt.'' 1) Ik zie slechts één expedient, dat in het hier gestelde geval aangewend zal kunnen worden, opdat de exterritorialiteit van den gezant niet leide tot straffeloosheid nl. dit. De regeer!ng kan den zendenden souverein verzoeken afstand te doen van de privileges van den gezant en wel een afstand met terugwerkende kracht, zooals we dat reeds vermeldden bij den gezant ten aanzien zijner delinqueerende bedienden. De vorst, wiens ontrouwe gezant zich onttrekt aan de verantwoording, waartoe hij hem heeft opgeroepen, zal wellicht tegen dit verzoek geen bezwaar hebben. Naar mijne meening
1
Alt § 184; Heffter § 226; Gottschalk blz. 80; C a Iv o I, § 466 ; Whe a t o n 111. 1, § 23 ; Mi rus s j 370; V at te 1 IV. { 125 ;
- 122 -
kan de vorst voor zijn gezant afstand doen der privileges, evenals de gezant het slechts met diens toestemming, kan doen. Want meer ter wille van dengene, die den gezant heeft gezonden, dan om den gezant zelf, zijn de privilegien van het volkenrecht verleend.
Derde stalen. De in dit _hoofdstuk besproken immuniteit van den
gezant geldt tegenover de wetgeving van het land, waar hij geaccrediteerd is of van het land van doortrek ; niet tegenover de wetgevingen van andere landen: zoodat de Portngeesche gezant te Madrid, b. v. buiten Nederland tegen Nederland conspiree-rende en later (anders dan als gezant) hier te lande aanwezig, krachtens Art. 4 Wtb. van Sr. zou kunnen worden vervolgd. Eveneens zou die gezant strafbaar zijn volgens onze wet, als hij hier te lande vertoevende of reizende een strafbaar feit beging.
Verjaring. Men vindt wel eens de vraag gesteld, of de verja
ring doorloopt tegen den gezant voor den duur der missie. Voor het privaatrecht is deze vraag natuurlijk van meer gewicht dan voor het strafrecht en de schrijvers, die ze opwerpen, hebben slechts daarop het oog. Ten aanzien van het strafrecht valt jure nostra de beantwoording niet moeielijk. Stellig loopt de verjaring van een delict door. Ons Art. 8 strafwetboek heeft hetgeen het volkenrecht daaromtrent mag bepalen, niet tot nationaal recht gemaakt, daar de verjaring niet behandeld is in de Art. 2 â 7, waarop de wet volkenrechtelijke uitzonderingen toelaat.
Hoofdstuk IV.
CONSULS.
Het onderzoek naar de voorrechten der organen van het volkenrechtelijk verkeer, wier naam boven dit hoofdstuk is geplaatst, sluit zich als vanzelf aan bij dat van de privilegien, den gezanten toegestaan. Beiden, zoo consuls als gezanten, zijn ambtenaren, door den staat aangesteld, om hunne functies bij een vreemde mogendheid uit te oefenen; beiden zijn organen van het volkenrechtelijk verkeer en staan als zoodanig onder diens bijzondere hoede. Talrijk zijn de punten van overeenkomst tusschen beide : de O u s s y noemt het consulaatwezen âla soeur jumelle de la diplomatie''; Teniet noemt de Consuls âles ambassadeurs du commerce'' en in eene circulaire van 1814 had de Minister van Marine in Frankrijk gezegd: âles fonctions consulaires sont diplomatiques''. Met het oog hierop, en in aanmerking nemende, dat vooral in den laatsten tijd de ambtelijke werkkring der consuls zich steeds heeft uitgebreid en in gewicht is toegenomen, kan men zich gemakkelijk verklaren, dat langzamerhand de vraag.is gerezen, of niet de consuls ook aanspraak konden maken op de voorrechten der gezanten en of het consulaatwezen niet werkelijk tot de diplomatie moest gerekend worden. Verschillende schrijvers, waaronder de Cussy, hebben niet geaarzeld de vraag bevestigend te beantwoorden. Alvorens wij overgaan tot een onderzoek naar de grondslagen, waarop deze meening steunt, mag een vluchtige blik op de geschiedenis van het
- 124 -
consulaatwezen niet ontbreken, daar juist de geschiedenis over het te behandelen vraagstuk veel licht kan ontsteken.
Verschil tussciieu con- De consuls, zooals wij die thans kennen, zijn handelsagenten door een souvereinen staat in buitenlandsche handelsplaatsen, en voornamelijk in zeehavens, aangesteld en onderhouden, om zijne handelsbelangen te behartigen en te waken voor de voorrechten aan zijne onderdanen toegekend. ^ Doen zich de gezanten vooral voor als âde bewaarders van den vredequot; en als vertegenwoordigers der staatkundige belangen der volkeren, de consuls hebben vooral tot taak voorde sociale en finantieele belangen der staten en hunner in het buitenland vertoevende onderdanen te zorgen.
De naam âConsulquot; heeft in den loop der eeuwen verschillende beteekenissen gehad. 2)
Doch de oorsprong van wat thans het consulaatwezen heet, is in de middeleeuwen te zoeken. De kruistochten hadden ten gevolge, dat tusschen de Christenen Mahomedaansche landen handelsbetrekkingen werden aangeknoopt. Met de legers der kruisvaarders trokken ook kooplieden naar het Oosten. In de veroverde landen werden factorijen opgericht en deze bleven naar den middeleeuwschen rechtsregel onder-
Oorsprong en geselileden is van het consulaatwezen.
') Alt § 26; F. von Martens II ^ 18.
2) In het oude Rome heetten de beide jaarlijks gekozen magistraten nconsulesquot;. Na de splitsing van het Romeinsche Rijk werd de titel dooi* de Bizantijnsche keizers behouden en ook door de Koningen der Franken en door Italiaansche vorsten aangenomen. Tegen de 10* eeuw kwam de aaquot;m in onbruik. We vinden daarna de benaming weer terug bij de magistraten van onafhankelijke Italiaansche en naderhand ook bij die van Fransche steden en eindelijk vinden wij in Spaansche en Italiannsche steden de handelsrechters, die uit het midden der stadsregeenng (consules) gekozen werden, ook consuls genoemd. En het kan ons niet verwonderen dat, op het einde der vorige eeuw, toen de republikeicsche geest in Frankrijk de instellingen van het oude Home wilde overnemen, toen men zich Brutus en Manlius noemde, de drie hoogste magistraatspersonen consuls genoemd werden.
suis en gezanten.
- 125 -
worpen aan de wetten van haar vaderland. In Zuid-Europa ontwikkelden zich onder in den invloed van het internationale verkeer tusschen de handelsplaatsen gelijksoortige gewoonten en rechtsregelen als in het Oosten. In de handelssteden van Spanje, Italië en Frankrijk werden door de kooplieden uit hun midden bijzondere rechters gekozen, onder den naam van consuls, om de tusschen hen ontstane geschillen te heslissen. Deze instelling werd overgeplant naar de in het Oosten gestichte factorijen. Hier werden ook consuls gekozen, die tevens als hoofden werden erkend van de tot de factorij behoorende personen.
Toen de Mahomedanen weer meester werden van de door de Kruisridders veroverde gewesten, kwam er echter in den toestand der factorijen weinig verandering. De Mahomedanen waren over het algemeen de christen factorijen niet vijandig gezind en ter meerdere beveiliging nog sloten de handelssteden en staten verdragen (capitulation) met den sultan.
In de 14® eeuw werd de instelling der consuls naar West-Europa overgebracht. In 1402 waren reeds te Londen Italiaansche consuls. Reeds vroeger waren in ons land Italiaansche consuls en in de 15e eeuw begon Engeland o. a. in ons land consuls te benoemen. De Hansaste-den benoemden in alle steden, waar ze factorijen hadden âAldermanner''. De Hollandsche kooplieden hadden in vreemde handelsplaatsen hunne zoogenaamde nJus-conservadoresquot;. ^ Alle deze personen hadden veel overeenkomst met de consuls; ze werden echter niet door de regeering benoemd. Ook in West-Europa hadden de eonsuls rechtspraak.
') Volgens Alt § 25, noot 4, bestaan deze titularissen ten huidigen dage nog in Holland en zijn zij aldaar de rechters hunner landgenooten in de handelsplaatsen, waar zij gevestigd zijn! 1!?
- 126 -
Toen het Oosten definitief onder de macht der Turken kwam â hetgeen in de 15* eeuw is geschied â ontstond voor de Europeesche staten meer en meer de noodzakelijkheid door tractaten met de veroveraars de rechten hunner consuls te verzekeren. Rechtspraak en exterritorialiteit was het voornaamste doel der Capi-tulatien.
Consuls in het Oosten. Een diepingrijpend verschil begint zich nu te openbaren tusschen de consuls in het Oosten en de consuls in Europa. De consuls in de âechelles du Levantquot; ^ hebben allen, zonder uitzondering, rechtspraak over hunne landge-nooten, en noch zij, noch hunne nationalen zijn onderworpen aan de muzelmansche wetten. Aan de consuls worden rechten toegekend, bijna geheel overeenkomende met die der gezanten, ja zelfs nog uitgebreider bevoegdheden. Ze hebben recht van private godsdienstuitoefening; hun huis is een asyl voor misdadigers, althans die niet Mahomedaan zijn. In civilibus zijn de consuls rechters in eerste instantie. Van hen is beroep op eene hoogere instantie in het vaderland van den consul. De consul heeft ook in strafzaken een beperkte rechtspraak over zijne nationalen; is bij zwaardere misdrijven rechter van instructie; hij kan den delinquent doen arres-teeren en opzenden naar het vaderland. Over het exterritorialiteitsrecht van de consuls in deze landen, zijn alle schrijvers het eens. 2)
') ii én a ge; Diction, etymol. 1694., blz. 266: wOn appelle echelles les ports de mer du Levant, ou il y a commerce. Et on les appelle de la sorte u cause que Ton y descend pour y faire embarquer les marchandiscs. Les Latins so sont servis de âScalaquot; en la même signification. Encore aujourd'hui a Coustantinople on appelle echelles les différents endroits ou Ton s'em-barque.quot; Cf. 1. 7 dc aquaeduct. Cad. XI, 43. Cujacius in zijn Comirentaar Ad libros Ires post. Cod. Tome III ed. 1595. Francof. blz. 372 heeft eene noot tot opheldering van het woord wscalaquot; dat volgens hem «zeehavenquot; be-teekeut. Zie Alt § 31 noot 4.
2) Wicquefort: l'Amb.
Oppenheim VIII § 5 ; B ij n k e r s h o e k : X. § 6 ; K 1 ü b e r § 173
- 127 -
G-eheel anders dan in het Oosten is de ontwikkeling van het consulaatwezen in Europa. Tot in de lle eeuw waren Europeanen slechts onderworpen aan de wetten van hun vaderland. De consuls genoten alom de voorrechten thans den gezanten toegekend.
Daarin kwam echter verandering en deze was reeds vóór het midden der 17® eeuw bewerkt. Eene groote verandering had plaats gegrepen in den wereldhandel,
en de internationale betrekkingen in het algemeen. De vaste gezantschappen waren opgekomen en maakten deel uit van het Europeesche volkenrecht. Nationale onafhankeliikheid was het ideaal waarnaar gestreefd werd en de civiele en strafrechtspraak der consuls was hiermee niet wèl overeen te brengen. Het stijgen van het peil der beschaving; het vaststellen van locale rechtsregelen en het codificeeren der bestaande bepalingen maakten de rechtspraak der consuls minder noodzakelijk en alom in de Christenstaten van Europa ging de rechtsmacht der consuls over in de handen der territoriale rechters, ^ terwijl reeds lang het beginsel was doorgedrongen, dat ieder, die zich op het grondgebied bevond, onderworpen was aan de wetten van dat land.
De groote meerderheid der schrijvers ontzeggen den zijn de consul* di-consuls het diplomatiek karakter en ontkennen hun :igequot;tei1 ? recht op exterritorialiteit.2) De tegenovergestelde opinie
M o s e r IV. 27 ; V a 11 e 1 II. 2 ; G. F. d e M a r t e u s IV. 3 ; L a w-i' e u ce IV. § 24â27 ; de C u s s y : phases et causes cél. du Droit mar. II. Cap. 30 vlg.; Twiss § 206; Calvo I. 618â621; P li i 11 i in o r e; VII. 5. § 272 ; Holtzendorff Lex. v. Ext. ; F. von Martens 11 § 24; Neumann biz 158 ; Bluu tsch 1 i § 269 ; Alt § 31; Pradler-Foderc IV. § 2122 vlg; Heffter § 245. Har burger blz. 160 en vele anderen.
l) Phil li more Vil, 2 « 246.
~) ^ a 11 e 1 II, 2, blz. 121; Bijnkershoek X 5-6 * Lawrence IV, § 24-27 ; Klüber § 173; Twiss 1, § 200; Neumann blz. 158;
- 128 -
wordt verdedigd door Steek, Pi nh eir o - F e rreira, de Clercq en Vallat, Mos er en vooral door de C u s s y. âLes consuls, zoo spreekt de laatst genoemde schrijver, envoy és et entretenus 'par les souver ains qui les ont institués, sont ministres publics ; leur refuser aujourd'hui ce caractère et les jouissances des im-munités et prérogatives dérivant de cette qualité est un acte contraire a la logique, a la raison, au service, a l'intérêt des nations. Un consul envoyé doit jouir de l'inviolabilité et de rindépendance, car tout agent politique est la parole de son gouvernement qui ne doit agir ni parler par le ministère d'un homme qui aurait a craindre. A une époque oü la qualité de ministro public était contestée aux consuls par le plus grand nombre des publicistos, ainsi que par tons les états, les atteintes dont ils ont été l'objet de la part des autorités du pays oü ils exerq-aient leurs fonctions, sont cependant rarement restées im-punies. Wicquefort qui de tous les publicistes s'est montré le moins disposé ;\ reconnaltre aux consuls le
caractère public...... fournit deux exemples remar-
quables d'atteintes portées au caractère consulaire, qui ont été sulvis de réparations de la part des autorités qui se les étaient permises .... Le Dey d'Alger a perdu ses états pour avoir insulté le consul général du roi de France ^
âLes ministres diplomatiques, zegt Pinheiro-Fer. rei ra, wiens redeneering we hier in haar geheel weer-
G. F. Je Martens TV, 3 § 148; Alt § 29; Holtzenilovff Lex v. Ext. ; P h i 11 i m o r e VII, 2, § 240 ; C a 1 v o 1, 597 ; F. v o a M a r-t e ii s II § 22; (W h e a t o n eu Wicquefort) Attlmayr I blz. 273 Bluntselili § 267 ; H a r b n r g e r blz. IfiB vlg. ; P r a d i e r - F o-d c ré IV, § 2111.
Je C lissy II chap. 10.
- 129 -
geven, daar hij de voornaamste voorvechter is van de hier vermelde leer, les ministres diplomatiques ne sont que des agents publics auprès des gouvernements étran-gers. Si done les consuls se trouvent dans ce dernier cas, ils ne peuvent qu'appartenir au nombre des ministres diplomatiques. Dans leur origine, les consuls n'ont été que de simples fondés de pouvoirs établis par la prévoyance des negotiants pour surveiller et défendre les intéréts de leur commerce dans les pays étran-gers. En cette qualité, quelques étendues que fussent la sphère de leurs attributions et l'influence qu'en s'en acquittant ils exercaient sur les intéréts publics, ils ne pouvaient étre considérés comme des agents ou ministres publics, puisqu'ils ne tenaient pas leur mandat de la nation, mais seulement d'une fraction plus ou moins considérable de la nation. Mais lorsque dans la suite, ces agents, au lieu de ne représenter que le commerce de telle ou telle place, devinrent les représentants du commerce national; dos que ce ne furent plus les corporations du commerce, mais les gouvernements, qui les nommèrent, et qu'ils furent chargés de protéger auprès les autorités du pays, non seulement les intéréts des individus, qui se voudraient servir de leur entremise, mais aussi les intéréts de l'état lui-même, dans une latitude plus ou moins considérable, selon le degré de conüance qui leur était accordé par le gouvernement, les consuls ont dü ètre considérés dés ce moment comme des agents publics auprès des gouvernements étrangers, ou agents diplomatiques, quoique d'un ordre inférieur a ceux qui, dans le but aussi de veiller sur les intéréts publics, étaient accrédités auprès des autorités supérieures du gouvernement du pays ou ils étaient appelés a exer-cer leurs tonctions. Mais de même que les chargés
9
- 130 -
d'affaires ne sont pas moins agents diplomatiques que les envoyés paree qu'ils ne sont accrédités, qu'auprès du ministre d'état, tandis que ceux-ci le sont auprès du Souverain, les consuls ne sauraient être exclus du corps diplomatique, c'est-a-dire du nombre des agents diplomatiques auprès des gouvernements étrangers, parce-qu'ils ne sont accrédités qu'auprès des agents du gouvernement d'un ordre inférieur a celui du ministre. Mais ce n'est pas encore tout ce qui concourt a faire regarder les consuls, dans l'état actuel des choses, comme des membres effectifs du corps diplomatique; car il est aujourd'hui généralement regu, qua les consuls soient chargés par leur gouvernement de se présenter au ministre des affaires étrangères du pays oü ils résident, en l'absence toutefois du ministre accrédité, afin de solliciter en faveur des intéréts non compris dans le ressort des autorités subalternes, d'y demander des decisions sur des points en dehors du droit civil et uniquement du ressort du droit des nations; partout enfin on a autorisé les consuls donner des passeports aux in-dividus de leur nation dans les cas désignés dans leurs instructions ou règlements. En quoi peut-on done distinguer les consuls des agents diplomatiques du troisième ordre, si ce n'est en ce que la loi ne les appelle a en exercer les fonctions qu'en l'absence de ceux qui en auraient été expresssément chargés. Mais, de même que l'envoyé résidant a une cour ne cesse pas d'être un agent diplomatique, lorsque, par 1'ar-rivée d'un envoyé extraordinaire de son gouvernement, il n'est appelé a reprendre l'exercice de ses fonctions qu'au départ ou en l'absence de ce dernier, de même la clause éventuelle qui limite l'époque a laquelle les consuls peuvent exercer les fonctions diplomatiques ne portent aucune atteinte a la réalité du caractère
- 131 -
qui résulte du droit de les exercer en temps et lieu. C'est uue grave méprise.. .. de refuser aux consuls le caractère diplomatique, paree que le diplome de leur charge n'est pas expédié sous la forme de lettres de créance mais de lettres patentes ou .. . de lettres de provision ayant besoin d'un exequatur ou confirmation du Souverain du pays oü lis out a exercer leurs fonctions. Cette diversité, quant a la ferme des diplömes, ne peut établir qu'une difference spécifique entre les consuls et les autres agents diplomatiques, mais elle ne saurait les exclure de leur corps; de même que la différence entre les diplömes, qui accré-ditent les ambassadeurs, les envoyés et les chargés d'affaires, ne fait que les partager en trois différents ordres du corps diplomatique, sans qu'on en puisse induire que les derniers n'appartiennent pas, aussi bien que les premiers, a ce même corps. Ce n'est pas la forme, mais les clauses des lettres patentes accordées aux consuls qui peuvent établir une différence essentielle entre eux et les autres agents du même gouvernement en pays étranger, et non pas ces lettres patentes elles seules, mais combinées avec d'autres autorisations que le gouvernement peut leur avoir accordées au moyen d'autres titres, tels que leurs instructions spéciales, ou même celles, qui se trouveront consignées en général dans les règlements consulaires de leur pays, ou bien des lettres de créance auprès du ministre des affaires étrangères du pays oü ils vont résider aün de pouvoir y exercer au besoin les fonctions de chargés d'affaires.quot;
De aangehaalde schrijver voegt er nog bij, dat de consuls evenzeer als de gezanten de toestemming der regeering behoeven om hunne functies uit te oefenen. âCar l'ambassadeur, et en général tout agent étran-
- 132 -
ger a besoin de ce consentement, corame cela est évident de soi-même; et bien souvent on a vu des diplomates de tous les ordres êtve forcés de se retirer, ou paree qu'on ne les avait pas admis ou paree que le gouvernement du pays ne eroyalt plus convenable de leur permettre de continuer a exercer auprès de lui les fonetions dont, au reste, ils s'ac-quittaient au gré de leurs gouvernements. La forme des lettres patentes et 1'apposition de Vnxéqvcdur n'ont aucun rapport au earactère diplomatique du eonsul; de même que ees formalités ne eontribuent pas ^ le lui conférer, elles ne sauraient empêcher qu'il n'en soit investi; leur but est de lui fournir un titre qui constate auprès des autorités ad-ministratives et judieiaires du pays sa eapacité eomme fondé de pouvoirs pour ester légitimement devant elles dans les affaires de leur compétenee qui exige-ront la présenee de ces fondés de pouvoirs des parties, qui, par l'entremise du gouvernement sent cen-sées les avoir autorisé a y représenter leurs intéréts.quot; 1) Het mag inderdaad niet over het hoofd gezien worden, dat de menigte ambtelijke bezigheden, die de consuls te verrichten hebben bij en naast de taak waartoe zij eigenlijk zijn bestemd, het bevorderen en beschermen van handels- en scheepvaartsbelangen, hen tot de gewichtigste staatsorganen met betrekking tot het buitenland maken ; veel gewichtiger is thans hunne taak dan ze vroegere eeuwen was. Het kan niet geloochend worden, dat de den consuls opgelegde taak en het behartigen der hun toevertrouwde belangen, door hunne afhankelijkheid van de locale autoriteiten zeer zou kunnen belemmerd worden. De ambtelijke bezigheden der consuls zullen hen meermalen
1
) P i ii li e i i* o-f e rr e i r a bij de Martens IV, 3, §§ 147-148.
- 133 -
in betrekking brengen mot de organen der vreemde regeering en meermalen zal het voorkomen, dat de belangen, waarvoor de consnl optreedt, niet in harmonie zijn met die van den staat, waar hij zijne functies uitoefent: dat de denkbeelden en plannen dier regeering met die des consuls in botsing komen en de vraag is dan niet ongegrond, of de consuls niet eene meer onafhankelijke positie moesten innemen met betrekking tot de locale autoriteiten ; of zij niet voorrechten moesten genieten, analoog aan die der gezanten.
Nochthans wordt den consuls door de praktijk en door de groote meerderheid der schrijvers de exterritorialiteit der gezanten ontzegd en worden zij buiten het corps diplomatique gesloten. De argumenten der schrijvers voor hunne meening aangevoerd zijn echter niet altijd even steekhoudende. Phillimore1) noemt de volgende gronden op, waarom de consuls niet tot de gezanten worden gerekend.
1° Zij zijn niet voorzien van geloofsbrieven, maar Punten van verschil slechts van eene aanstelling (lettre de provision.) Ilnt-n⢠consuls en gc'
2° Zij zijn bestemd om te waken voor de commer-cieele rechten en privilegien van hunne natie.
3° Zij kunnen hunne betrekking niet aanvaarden zonder toestemming van en bekrachtiging door de regeering, binnen wier gebied zij hunne functies moeten uitoefenen. Het exequatur kan ook door den souverein worden ingetrokken.
4° Zij zijn onderworpen aan de civiele en strafrechtelijke jurisdictie van den staat waar zij vertoeven.
5° Zij moeten belastingen betalen.
6° Zelden hebben zij kapelrecht.
t) Phillimore: VII, 3, § 246, vol. II, bl. 263 vlgg.
- 134 -
7o Zij hebben geen aanspraak op eenig ceremonieel of eerbewijzen. Zij mogen alleen het wapen van hun land boven hunne deur doen aanbrengen.
Het eerste argument, dat de consul geen geloofsbrief, maar slechts een aanstelling ontvangt, is voldoende door Pinheiro-Ferreira weerlegd. Ook bij de diplomatieke agenten is de geloofsbrief niet uniform; bij de chargés d'affaires is hij geadresseerd, niet aan den vreemden souverein zelf, maar aan den Minister van buitenland-sche zaken: doch niettemin worden deze toch tot de diplomatieke agenten gerekend. Daarenboven kan het verschil in de wijze van aanstelling slechts van beteekenis zijn voor hunne onderlinge rangregeling en niet voor hunne rechten.
De wijze van aanstelling der consuls wijkt daarom af van die der gezanten, omdat de taak der consuls zich bepaalt tot het verkeer met hunne nationalen en de autoriteiten van de hoofdplaatsen van den staat, waar zij hun ambt uitoefenen. â De wijze van aanstelling kan derhalve een geheele uitsluiting buiten het corps diplomatique niet rechtvaardigen.
Het tweede argument, dat de consul, ofschoon handelende namens den staat, slechts private belangen zou te behartigen hebben, gaat evenmin op. Ook de gezanten hebben dikwijls ten gunste van private personen hunne tusschenkomst te verleenen. De consuls hebben daarenboven zoo vaak en op zoo menigvuldige wijze de belangen van den geheelen staat te behartigen, dat de gevallen, waarin zij slechts ten gunste van particulieren hebben op te treden, of hunne land-genooten ondersteuning moeten verleenen, bijna op den achtergrond worden geschoven.
Het vierde argument treft nog veel minder doel. Ook een gezant kan zijne functies niet uitoefenen zon-
- 135 -
der toestemming van den sonverein ; een staat kan weigeren een gezant aan te nemen. De staat kan het exequatur van den consul intrekken ; maar hij kan eveneens den gezant beletten zijne functies verder uit te oefenen, door alle diplomatisch verkeer met hem af te breken : zelfs kan hij den gezant het grondgebied ontzeggen.
De overige argumenten kunnen wij aldus samen vatten, dat de practijk den consuls de privilegien dei-gezanten niet toekent. Wat daarvan aan is zal later besproken worden.
De rechtsgronden, die pleiten voor de privilegien der gezanten bestaan ook, zij het dan in mindere mate, voor de consuls en daarom zou eene gelijk behande-deling van beiden noodzakelijk schijnen. In zooverre is dit beginsel tot toepassing gekomen, dat in tal van verdragen de onschendbaarheid der consulaatspapieren is gesanctioneerd en dat alom, waar een dergelijke bepaling niet tot jus scriptum is gemaakt, op het verkrijgen dier onschendbaarheid wordt aangedrongen. Daarenboven wordt meermalen den consuls eene zekere persoonlijke immuniteit verzekerd, doordat zij in verschillende landen slechts voor zware delicten in arrest kunnen genomen worden. In Amerika heeft men de aangelegenheden, waarbij consuls zijn betrokken (evenals zulks ten aanzien van gezanten is bepaald) aan de jurisdictie der bijzondere staten onttrokken en gebracht bij de Bondsrechtbanken.
De oudere en toon aangevende schrijvers o. a. Wic-q u e f o r t en B y n k e r s h o e k, die zich tegen de voorrechten aan de consuls te verleenen verklaarden, kenden slechts het consulaatwezen, zooals dat ten hunnen tijde bestond. Toen bestonden er nog alleen consules electi. Kooplieden op eene handelsplaats ge-
- 136 -
vestigd, werden tot consuls benoemd; deze beschouwden het ambt als eene nevenbetrekking naast hunne handelszaken. Men benoemde de consuls bij voorkeur uit landgenooten, daar ter plaatse gevestigd, doch ook wel uit onderdanen van vreemde staten, ja zelfs van het land van vestiging zelf. Sedert het begin dezer eeuw heeft echter door de ordonnanties van 15 Dec. 1815, 11 Juni 1816 en 20 Aug. 1833 het instituut der consules missi zich in Frankrijk ontwikkeld en heeft dit in vele landen navolging gevonden. Frankrijk verbiedt al zijne consules missi direct of indirect handel te drijven en beschouwt hen geheel als staatsambtenaren. De beroepsconsuls zijn bijna zonder uitzondering onderdanen van den staat, die hen aanstelt en, geheel anders dan bij de consules electi, bestaan bij hen niet die gronden, welke pleiten voor tijdelijke of voortdurende onderwerping aan de jurisdictie van den staat, waar zij in functie zijn, althans weinig meer grond dan ten aanzien der diplomatieke agenten. De rechtsregelen, die in vroegere eeuwen omtrent de positie der consuls golden, kunnen bij de fundamen-teele veranderingen, die in het consulaatwezen hebben plaats gegrepen, niet meer aangevoerd worden: de oude gronden berusten op toestanden, die bij de consuls van vele staten, bij hunne tegenwoordige organisatie, niet meer of althans geheel gewijzigd voortbestaan. Hebben niet alle landen het voorbeeld van Frankrijk gevolgd, tcch heeft de groote meerderheid van staten althans een gemengd systeem in toepassing gebracht door op de voornaamste plaatsen consules missi aan te stellen, en op andere handelsplaatsen de instelling der consules electi te behouden. Alom valt het streven op te merken het aantal dezer laatsten te verminderen, ja ten slotte geheel te doen verdwijnen en, zoo het slechts met het
- 137 -
flnantieel belang van den staat is overeen te brengen,
door consuls missi te vervangen.
Naar mate het getal der beroepsconsuls toeneemt,
openbaart zich bij deze hoe langer hoe meer het streven naar gelijkstelling met andere staatsambtenaren in het buitenland en met name met de diplomatieke agenten. En, het moet gezegd worden, ongemotiveerd kan dit streven niet genoemd worden.
Neemt men de positie der consuls in aanmerking,
dan zou het aanbeveling verdienen, den consules missi althans, dezelfde voorrechten als den gezanten en in het bijzonder exterritorialiteit te veiieenen. Voor de consules electi is dit echter niet doenlijk, daar hun ambt slechts nevenbetrekking, de handel hoofdzaak is en blijft, en de consules electi bovendien in de meeste gevallen onderdanen zijn van den staat, waar ze hun ambt moeten bekleeden.
Thans echter staan de consules missi ten aanzien der privilegien op eene lijn met de consules electi: ze kunnen geen aanspraak maken op extgrritorialiteit. Ook de meeste theoretici, die op wijziging aandringen, geven jure constitute toe, dat de consuls zich niet op de privilegien der gezanten kunnen beroepen. De praktijk is bijna eenstemmig in dezen zin, P hi 1 limor e gaf ongetwijfeld het standpunt aan van het moderne volken -recht, toen hij leerde, dat de consul onderworpen is aan de locale jurisdictie en geen aanspraak heeft op eenig ceremonieel. De weinige afwijkingen, in de prak-
Standpunt der volken-
tijk voorgekomen, moeten ongetwijfeld als uitzonderin- recht. praktijk, gen beschouwd worden. âA la prétention des Provin-ces-Unies, citée par d'Avaux, zegt Pradi er-F o dér é,
ou peut opposer le refus par le sénat de la république de Gênes de reconnaïtre comme ministres publics les consuls des Etats-Géneraux de la Hollande; aux arti-
- 138 -
cles du Traité de 1667 entre 1'Espagne et l'Angleterre et du traité de 1714 entre l'Espagae et les Provinces-Unies des Pays-Bas, on peut opposer les articles 2 et 6 de la convention conclue a la Haye, le 8 Juin 1855, entre la France et les Pays-Bas sur les droits et privilèges des consuls dans les colonies respectives.quot; ') Talrijk zijn de conventies en verdragen, waarbij den consuls de privilegien der gezanten ontzegd worden. P h i 11 i m o r e noemt 38 tractaten op van de Ver-eenigde Staten van America met Europeesche of Ame-rikaansche staten en 33 tractaten tusschen Europeesche staten onderling vóór het jaar 1864, waar geen sprake is van toekenning der exterritorialiteit aan de consuls. s) Het eenige wat den consuls is toegestaan in sommige dezer tractaten is de vrijdom van arrest, doch nooit voor misdrijven. âToutes les républiques de TAmérique du sud, zegt C a 1 v o, se sont ralliées a la doctrine de Wheaton (geen exterritorialiteit voor de consuls) qui a prévalu dans quelques uns des différents survenus entre les républiques et les nations de 1'Europe.... A défaut de stipulations conventionelles.... il faut renoncer k chercher.... des privilèges que Is droit des gens n'a pas consacrés. Ce qui nous con-firme d'ailleurs dans cette manière de voir, c'est que plusieurs puissances, notamment l'Angleterre et la France sont allées au devant de teute difficulté a eet égard en revêtant leurs consuls dans certaines contrées d'un véritable caractère diplomatique, c'est a dire en les accréditant en même temps par des lettres spé-ciales en qualité d'agent diplomatique ou de chargé d'affaires.quot; 1)
1
C al v o : I, 595.
- 139 -
De consuls in dienst van het Vereenigde Koninkrijk en de vreemde consuls te Londen genieten geen enkel voorrecht; ze worden evenmin in hunne offi-cieele hoedanigheid bij openbare feestelijkheden ge-noodigd en nog minder bij feesten aan het hof. Het zelfde is het geval met de consuls in Rusland. ^
De instructie voor de Grieksche consuls van 1/13 Januari 1834 ontzegt den consuls de exemptie aan de locale jurisdictie. In art. IV § 21 van het Consulair-reglement der Vereenigde Staten, wordt aan de consuls, behalve in het Oosten, exterritorialiteit ontzegd. In het Duitsche Gerichtsverfassungsgesetz (§ 21) worden alle in Duitschland resideerende consuls van vreemde mogendheden, onverschillig of ze al dan niet handelszaken drijven, aan de jurisdictie van den staat, waar zij hun ambt bekleeden, onderworpen. Duitschland laat omgekeerd ook aan andere staten, voor zoover niet uitdrukkelijk het tegendeel is overeengekomen, de jurisdictie over zijne consuls over.
In onze consulaire conventie met Oostenrijk van 15 Mei 1856 (Art. 2) wordt het beginsel uitdrukkelijk gesanctionneerd, dat de consuls, zoo in civilibus als in criminalibus onderworpen zullen zijn aan de jurisdictie van het land, waar zij resideeren.
⢠, Talrijk zijn de voorbeelden, dat bij verwikkelingen de consul niet als diplomatiek agent is erkend en hem alle aanspraak op exterritorialiteit is ontzegd.
De gouverneur van Gadix had den consul der Vereenigde Provinciën in arrest genomen, en deze beklaagden zich hierover bij het hof te Madrid, alsof het volkenrecht door de handelwijze van den genoemden
') Pm dier- F odé ré IV, § 2112.
- 140 -
gouverneur was geschonden. Hare bemoeiing was echter vruchteloos. Eveneens mislukten bare pogingen om voor haar consul te Genua de rechten der gezanten te verkrijgen. De senaat der republiek antwoordde, dat de consul niet als diplomatiek agent beschouwd kon worden.
In 1842 bevestigde âla cour royale de Parisquot; een vonnis van âle tribunal de la Seine'' in de zaak van Carlier d'Albaunza, Markies de la Fuente Hermosa. De zaak was deze. De markies was Spanjaard van geboorte, doch had reeds een tiental jaren te Parijs gewoond. In 1840 was hij door de republiek Uraguay tot Consul Generaal benoemd, maar het exequatur der Fransche regeering was nog niet verkregen. Door een schuldeischer in rechten aangesproken, wierp hij als exceptie op zijn diplomatische hoedanigheid. De fransche rechtbanken beslisten echter, dat een consul geen diplomatische missie heeft en geen aanspraak kan maken op de privilegien aan de gezanten toegekend, onder welke omstandigheden ook, en dat dit nog te meer moest gelden nu de consul niet eens het exequatur had verkregen '). In 1843 gaf het hof van Aix inde zaak van den consul Solier de volgende beslissing :
âAttendu, que si les ambassadeurs sont indépen-dants de 1'autorité souveraine du pays dans lequel ils exercent leur ministère, ce privilege n'est pas applicable aux consuls ;
Que ceux-ci ne sont que des agents commerciaux ; que si les lois de police et de sécurité obligent en général tous ceux qui habitent le territoire francais, il en résulte que l'étranger qui se trouve même casuel-lement sur ce territoire, doit concourir de tous les moyens a faciliter l'exercice de la justice criminelle;
') P li i 11 i m o r e VII, 4 § 263.
- 141 -
Attendu que si la convention diplomatique dont le consul d'Espagne se prévaut pour être dispensé de venir déposer devant la cour était sans inconvénient pour le temps oü elle fut faite, alors que la procédure criminelle était secrète, elle est inapplicable aujour-d'hui, oü d'après le droit public qui nous régit, les débats sont publics et oü les témoins sont tenus de déposer oralement devant le jury;
Muis attendu que le consul est étranger, qu'il a pu ignorer l'économie et le mécanisme de la procédure criminelle francaise et qu'il y a de la bonne foi dans sou refus,
La cour déclare n'y avoir lieu a condamner M. Soller a l'amende.quot;
In 1737 werd de volgende zaak gebracht voor den Lord Chancellor Talbot: Barbuit had een aanstelling als âAgent of Commercequot; van den Koning van Pruis-sen van 1717 : hij maakte aanspraak op de privileges der gezanten om vrij te zijn van de inbeslagneming zijner goederen voor schulden, die hij als koopman had aangegaan. Talbot verklaarde echter zijn beroep op de exterritorialiteit ongegrond. In gelijken zin werd geoordeeld in de zaak F r i q u e t versus Bath in 1764; in de zaak Heath field v. Glefton in 1767; Clarke v. C r e t i c o in 1808 ; Viveath v.Becker in 1814. Het Engelsche Prijsgericht besliste in denzelfden zin in 1800 in de zaak van âThe Indian Chief.quot;
Ook de Amerikaansche rechtscolleges en prijsge-rechten zijn eenstemmig in het ontzeggen der gezant-schapsprivilegien aan de consuls. Het zou niet moeielijk vallen deze voorbeelden met tal van anderen te vermeerderen. Ik meen hier te mogen volstaan met eene verwijzing naar Phillimore VIL 4 § 264â270;
- 142 -
Cal vol 597 vlg.; Dalloz XII 279 vgl.;Féraud-G i r a u d II. 24 sqq.; W h e a t o n-L a w r e n c e blz. 433; Erkentniss vom 13 Sept. 1855: (Justiz-Minist. Blatt pag. 320 ;) de Arresten van het hof van Appel van het eiland Reunion van 30 Aug. 1849, te vinden bij de Clercq en Vallat blz. 549 ; de C u s s y Phases etc. II blz. 329 vlg.
De arresten van âla cour de Parisquot; van 25 Aug. 1842; van âla cour de Rennesquot; van 25 Juli 1849; van âla cour de Parisquot; van 28 Juni 1883 en van 8 Jan. 1886, allen in denzelfden zin, zijn te vinden bij Pradier-Fodéré : IV, § 2110.
Er zijn in de praktijk wel eenige voorbeelden aan te wijzen, waar den consuls eenigszins de privilegien der gezanten zijn ingeruimd. Zoo is o. a. in hettrac-taat tusschen Spanje en Rusland van 1876 in art. 2 bepaald, dat de consuls slechts gevangen genomen zullen kunnen worden voor misdrijven, wier kennisneming aan de jury is voorbehouden Verschillende vonnissen worden door de Cv.ssy en zijne medestanders aangehaald om te bewijzen, dat de praktijk de consuls als diplomatieke agenten beschouwt. Doch men mag met Pradier-Fodéré welzeggen: âQuant k la jurisprudence , on ne peut guère citer de déci-sions judiciaires qui aient formellement déclaré que les consuls soient des agents diplomatiques, des ministres publics. Le Baron de Cussy cite, il est vrai, un jugement rendu le 14 Mai 1813 par le tribunal civil de la Seine dans l'affaire do la succession de Mme Labensky, dontle mari avait été consul général de Russie, et aux termes de laquelle sentence: âen qualité de consul de Russie, M. Labensky avait droit de jouir des avantages
2) F. v o n M a r t e n s II § 22.
- 143 -
des ministres d'une puissance étrangère.quot; Mais ce jugement, comme tous ceux qui ont été rendus depuis, plus ou moins dans le même sens, avaient plutöt en vue les immunités diplomatiques que le caractère de ministre public. ... La fonction publique, le caractère public, voila ce que, sinon les diverges décisions judiciaires, du moins la plupart des arrêtés ont généralement confondu avec le caractère diplomatique. Or, le caractère public des consuls n'a jamais été contesté.quot; *)
Jure constitute kan het niet betwijfeld worden, dat de consuls geen exterritorialiteit genieten, tenzij deze hun krachtens uitdrukkelijk beding toekomt. Het behoeft nauwelijks afzonderlijke vermelding, dat de consuls dat voorrecht wèl genieten, indien zij tevens als diplomatische agenten zijn geaccrediteerd; in dit geval komt hun natuurlijk in hunne laatst vermelde hoedanigheid exterritorialiteit toe.
») Pr a cl i er-F 0.1 ére IV § 2109.
Hoofdstuk V.
SOUVEREINEN. gt;)
Evenals aan de gezanten wordt ook aan de souve-reinen exterritorialiteit toegekend. In principe vindt deze stelling thans bi] geen schrijver over volkenrecht eenige bestrijding. Eenige schrijvers vóór Bijnkershoek nl. Buck, Daniel Moller, Rich, Zouch pleitten voor behandeling van den vreemden souverein op denzelfden voet als een privaat persoon. Hunne leer heeft bij de latere schrijvers geen weerklank gevonden. 1)
1
) B ij n k er s h o e k, traité III § 13, 14-18; V a 11 e 1 IV, 7 blz. 150; M o s e r II, 4 p. 284 ;OppenheimX7; G. P. de M a r t e n s: V, § 172; ïwiss§ 158; Wheatou: II, 2, blz. 188; Lawrence IV, blz. 329 vlg.; Calvo I, 11. j 503 vlg.; P h i 11 i m o r e III, 19 § 341; F. v o n M a r t e n s 1 § 80 vlg.; Holtzendorff; Lex. v. Exterr.; Har burger: blz. 204 vlg.; Neumann blz. 38; Heffter § 48; Tittmann die strafrechtsptlege in Volk.-Rücksicht blz. 11: Jarcke: Handb. des Strafr. § 49 ; ï e m m e § 23 ; B e i' n c r § 49 ; K 1 ü b e r § 49 en 58; Schwartze Comment, blz. G'3; Bluntschli §§ 129 vlg; v. Bar: Strafr. § 145 ; S t e n g 1 e i n Comm. li' 1 blz. 432 ; M a r q u a r d-s e u blz. 212; Meyer § 22; Golddammer: Arehiv.-15* 15 blz. 800; B i s h o p I § 93 ; Piittlingen: §§ 55 en 16 5 ⢠F o e 1 i x Nquot; 570 ; P-r a d 1 e r-F o d é r e 111: § I5G9 vlg-
- 145 -
De souvereiniteit in het volkenrecht is een begrip geheel afgescheiden van het gelijknamige begrip in het staatsrecht. Welke sonvereiniteitstheorie een staat huldigt â souvereiniteit van den staat, van het volk of van den vorst â is eene vraag van het staatsrecht van lederen bepaalden staat. Het volkenrecht regelt de verhoudingen tusschen de subjecten van dat recht, de souvereine staten en noemt den vorst, als drager der souvereiniteit van den staat, Souverein. âIn monarchistischen Staten ist der Monarch im Al- Wie i3 Souverein. leinbesitze der Souveranitat, ohne Unterschied, ob die monarchistische Gewalt ihm unbeschrilnkt zusteht,
oder Stande, Yolksvertreter, bei der Ausübung gewisser Souveranitatsrechte, zumal der Gesetzgebung zur Mitwirkung berufen sind, die wohl eine Beschriln-kung, aber keine Theilung der begrifflich untheilbaren Souveranitat involvirt. ').
Als rechtsgrond der volkenrechtelijke privilegien ge- Rechtsgrond der priv. ven verschillende schrijvers op, dat het niet met de waardigheid van den souverein zou zijn overeen te brengen, als hij onderworpen was aan eene vreemde jurisdictie. 1) Anderen zoeken het daaruit te verklaren,
dat de souverein den staat vertegenwoordigt. 2) Bijn-kershoek tracht het aldus te verklaren: âSi les ambassadeurs qui représentant la personne de leur prince, ne sont pas soumis a la juridiction des puissances auprès desquelles ils sont en ambassade,.. .
pour fait de crimes, dirons-nous, que le prince lui-même dolt reconnaitre ca tribunal ? Ce que la raison et le consentement de tous les peuples ont établi a
10
1
«) Heffter § 111.
2
) W h e a t o u II, 2, blz. 188 jPliillimore: III, 19, § 341.
- 146 -
l'égard des ambassadeurs, paree qu'ils représentent leurs princes et qu'ils exécutent ses ordres auprès de la puissance, a qui ils sont envoyés, le refuserons-nous au prince lui-même qui vient en personne et qui veut peut-être négocier lui seul les affaires? Le prince n'est-il pas plus respectable que les ambassadeurs ? Ou bien, dirons-nous, que si l'ambassadeur a ici plus de privilèges, e'est par cela même qu'il a un maïtre dont il représente la personne et devant les tribunaux duquel on peut le convenir, au lieu qu'il n'y a aucun supérieur qui puisse faire raison aux intéressés des sujets de plainte qu'ils out contre le prince. ^ Gr. F. d e M a r-t e n s stemt hiermede in, doch Pinheiro-Ferreira meent dat de redeneering niet op gaat: âLes immuni-tés des ambassadeurs dérivent du caractère dont-ils sont revêtus, c'est-a-dire de la mission dont ils sont chargés.quot; De voorrechten der souvereinen, meent hij, kunnen slechts verklaard worden uit den eerbied, dien men aan hunne hooge waardigheid verschuldigd is.8) Dit schijnt wel de voornaamste grond te zijn voor de verleening der privilegien aan de souvereinen. Men beschouwt in den vorst meer den staat, dien hij vertegenwoordigt, dan zijn'persoon zelf. âL'honneur et l'indépendance des nations sont affectés par la manière dont on traite leurs Souverains, zoo mag men C a 1 v o wel na zeggen. Le Souverain représente la nation a l'extérieur.'' 3) De vorst vertegenwoordigt zijn volk, zijn staat; en de
') Bijnkershoek III § li.
5) Pinheiro-Ferreira bij de Martens V § 172.
') C a 1 v o T, 11, s 505. Cf. L a w r e n e e IV, 331 ; PhillimoreVI 1 § 101 ; H a r b u r g e r biz. 20E ; F. von MartensIfSO: âDer Piirst ist der Jiöchste Reprilsentaiit seines Volkes in allen answilrtigen Ange-Jegcnlieitcn nnd in dieser Eigenseliaft erfrent er sieli einer bestimmten internationalen Stellung, die ilim nielit versagt werden darf.quot;
- 147 -
onafhankelijkheid die den volkeren en staten toekomt,
is als van zelf overgedragen op hun zichtbaar opperhoofd, hun natuurlijken vertegenwoordiger. Ook doet zich hier de gelijkheid der staten en der souvereinen onder elkander gelden en het adagium : âpar in parem,
non habet jurisdictionem.quot;
Van souvereinen sprekende, dachten de meeste schrijvers over volkenrecht alleen aan de meest voorkomende en door zijne waardigheid het meest in het oog loopende verschijning der souvereiniteit: den erfe-lijken monarch. Toch heeft men de privilegien niet zoozeer willen beperken. Latere schrijvers noemen uitdrukkelijk naast den monarch andere souvereinen op.
Gr. F. de Martens spreekt van âtêtes couronnées et autres Princes régnants.quot; Calvo stelt met den monarch op eene lijn het hoofd der uitvoerende macht.
Hij noemt ook den President eener republiek souve-rein en voegt nog toe: âla Souveraineté peut «tre confiée a plusieurs personnes, comme aux consuls Rome.quot; 1)
Heeft de president eener republiek ook recht op de president m.er repu-privilegien der souvereinen? I,liek-
Calvo en Gr. F. de Martens antwoorden onvoorwaardelijk ja. Phil li more voegt echter toe: âwhen he represents the republic,quot; en in gelijken zin beslissen vele schrijvers met hem. De presidenten van republieken nemen in het internationale verkeer eene geheel andere plaats in dan de monarchen, 't Is wel waar, dat alle staten, onverschillig welkequot; hun regeerings-vorm is, in het volkenrecht gelijk zijn en van dit standpunt uit zou men kunnen meenen, dat ook aan de hoofden van republikeinsche regeeringen dezelfde volkenrechtelijke pri-
1
G. F. de Mar tens V J 172 ; Cal vo : I, 11, § 504 ; Pliill i.
ra o r e VI, T § 102.
- 148 -
vilegien moeten toekomen als aan de monarchen, en op dezen grond beantwoorden vele juristen de vraag in dezen zin. Doch wat theoretisch schijnt gerechtvaardigd te zijn, wordt door de praktijk niet alom gehuldigd en de gronden, die voor die afwijking pleiten, zijn niet van gewicht ontbloot. De president immers eener republiek is volgens de staatsregeling het hoofd der uitvoerende macht, echter niet, zooals de monarch, de verpersoonlijking van de souvereiniteit, die eerder bij het volk te zoeken is. De president doet zich meer voor als eerste ambtenaar der republiek. De presidenten gelden slechts als vertegenwoordigers hunner natie binnen de grenzen van hun wettelijk mandaat. Daarom worden zij ook niet tot de âfamiliequot; der souvereinen gerekend en worden hun eenige eererechten, den vorsten toekomende, niet verleend. De president eener republiek wordt gekozen, soms slechts voor een beperkt aantal jaren, na afloop waarvan hij weer geheel terug treedt in het private leven. De glans en het aanzien, die den monarch, door het erfelijke zijner hooge positie, omringen, ontbreekt bij den president eener republiek. De monarch is meestal de afstammeling uit een oud en roemvol geslacht, een geslacht bekend in de geschiedenis, en dat aan de natie groote en beroemde mannen heeft opgeleverd. Zijn stamhuis is als het ware één met de natie; beider geschiedenissen zijn ten nauwste met elkaar verbonden en dooréén gevlochten : zijn stamhuis heeft de lotgevallen der natie gevolgd en lief en leed met haar gedeeld. Bij den president eener republiek is van dit alles niets te bespeuren. Het zou echter niet aangaan hem geheel als privaat-persoon te beschouwen, hem minder rechten te verleenen, dan de door hem benoemde, hem ondergeschikte gezanten. Voor den tijd, dat hij het presidentschap bekleedt, treedt hij op als hoofd derütvoe-
- 149 -
rende macht, als vertegenwoordiger der staatseenheid tegenover het buitenland en in deze hoedanigheid moeten hem dus ook de volkenrechtelijke privilegien toekomen. Ik meen mij daarom te moeten vereenigen met de leer, die zich in den steun mag verheugen van Phillimore, Bluntschli, de Martens, P r a d i e r-F o d é r é e. a. ^ en welke door dezen laatsten aldus wordt geformuleerd: âUn président de république en voyage jouit-il aussi du hénélice de 1'exterritorialitó?quot;
â¢) Phillimore VI, 1 § 102 ^ F. von Martens I § 80 ; P rati i e r-F o d é r é III 6 ! 577 ; Bluntschli § 126 Die Frage, ob dein jeweiligen Statshaupt auch persönliche Souveriinitiit zukommc oder uieht, ist zuniiehst wieder eine Frage des Statsreehts, nicht des Völkerreclits. In der Regel wird diese Frage in den hentigen Monarchien bejaht nr.d in den heu-tigen Republilcen verneint. Der Fiirst wird als eine Sonveriine Person be-traelitet, der Republikanische Prasident nicht. Das war nicht immer so. Die alt-römisehcn Consuln guiten nicht minder als Sonveriine Personen, als die Könige der andern Völker * und zwisehen den erbliehen Reiehsfiirsten und dem gewahlten Dogen der Republik Venedig wurde in dieser Hinsicht kein Untersehied gemacht. Dei* Grund, weshalb die hentigen Republiken ihren Regierungen diese persönliche Eigenschaften abspreehen, ist der, sie wollen dieselben fortwiihrend daran erinnern, dass ihre Gewalt eine abgeleitete, keine nrspriingliche sei, wiihrend die nionarehischen Völker es lieben, die Hoheit des States in der Majestat des Monarchen persönlieh dar zn stellen.
§ 128: Wenn gleich der Prasident einer Republik nicht als Souveriin gilt, so kommen ihm den noch, insofern er als Reprasentant seines States erscheint alle diejenigen Rechte zu, welclie dem Souveranen Repriisentante eines States gebühren. In wie fern er den Stat repriisentirt, ist in ihm das Recht des States zu ehren, den er darstellt. â
§ 134 : Wenn der Prasident einer Republik in fremden Lande reist, so wird er in der Regel als Privatperson betrachtet und behandelt. Insofern er aber daselbst a's Reprasentant seines Slates auftritt, hat er dieselbe Jiefreiung von der fremden Statsgewalt anzusprechen. wie ein Souveriin im tramden Lande. Regel und Ausnahme drehen sich um, je nachdem dem Statshaupt persönliche Souverainitiit oder nur representative Darstellung der Statssouve-rainitiit zugeschrieben wird. In der Monarchie ist die sonveriine Erscheinung die Regel, die Erscheinung als Privatpersone die Ausnahme. In der Republik ist diese die Regel und jene die Ausnahme. Der Untersehied der mo-narchisehen und republikanischen Verfassung begriindet keinen Untersehied in den Rechten und Pllichten des völkerrechtlichen Verkehrs, der durch die Statshaupter vermittelt wird.quot;
- 150 -
II faut distinguer. S'il se présente comme président de la république, s'il agit en qualité de représentant de l'état, il peut exiger d'etre, selon 1'expression auto-cratique de Bluntschli, placé au dessus des lois du pays oü il se trouve, au mème titre qu'un mo-narque; mais s'il ne se declare pas en cette qualité, il est, dans la règle, considéré et traité eomme un simple citoyen. Cette distinction est fondée sar ce que dans les monarchies, conformément a la théorie féodale, il est de règle que le monarque est la sou-veraineté personnifiée et qu'il n'est simple citoyen qu'exceptionnellement, tandis que dans les républiques c'est l'inverse; le président n'est dans la règle qu'un simple citoyen. C'est la théorie des républiques qui est la bonne.quot;
Praktisch zal er tusschen deze leer en die van Calvo, Gr. F. de Martens, Neumann, Heffter e. a., die volkomen gelijkstelling van den monarch met den president eener republiek prediken in zake exterritorialiteit, geen verschil bestaan, daar de president voor het geval hij zijne kwaliteit niet bekend maakt, zal moeten geacht worden incognito te reizen. Het vertegenwoordigen van den staat, waarop door Bluntschli c. s. de nadruk wordt gelegd, zal wel daarin moeten bestaan, dat de president openlijk als zoodanig en niet als privaatpersoon optreedt. Stellig mag men de beperking niet in dien zin opvatten, alsof de President eener republiek slechts in dat schier nooit voorkomende geval exterritorialiteit zou genieten, als hij in het vreemde land kwam om zelf datgene te verrichten, wat hij anders aan zijne gezanten overlaat. Zulk eene beperking lag geenszins in de bedoeling der geciteerde schrijvers en zou praktisch met eene absolute ontkenning der privilegien
- 151 -
voor de presidenten van republieken volkomen gelijk staan.
In geval het uitvoerend gezag aan meerdere personen zou opgedragen zijn, zou geen van dezen aanspraak kunnen maken op exterritorialiteit in een vreemd land, daar alsdan de moreele persoon, het college met de uitvoerende macht belast, souverein is, en niet ieder der leden, waaruit het college bestaat.
De familieleden van den souverein, de prinsen en Prinsen. zelfs de troonopvolger kunnen geen aanspraak maken op de privilegien der souvereinen. Voor den troonopvolger wordt hierop wel eens een uitzondering gemaakt door sommige schrijvers (o. a. T w i s s en P h i 11 i m o r e)
en in de praktijk zijn hun werkelijk wel eens de voorrechten der exterritorialiteit toegestaan. Dit moet echter meer als eene bijzondere concessie van de zijde van den staat,
dan als een regel van het volkenrecht beschouwd worden. De troonopvolger is geen souverein ; hij heeft geen recht op den troon, slechts eene verwachting. Stricto jure vallen hem dus geene volkenrechtelijke privilegien ten deel. Dit is het gevoelen der meerderheid van de schrijvers over volkenrecht. ^
Voor den regent, mederegent (Reichsverweser), Regent. schijnt eene uitzondering gemaakt te moeten worden. Ofschoon geen souverein, schijnt men hem toch gedurende het regentschap gelijke rechten te moeten toekennen. Al handelt hij namens den souverein, feitelijk oefent hij diens macht uit. Aan den prins-gemaal, die niet tevens mede-regent is,komtstricto jure geen exterritorialiteit toe.1)
1
) Neumann § 16; Holtzendorff Lex. v. Ext.; H e f f t e r § 56; Bljuntschli § 154; P radier -F odé ré III § 1576.
- 152 -
Het valt niet te ontkennen dat de praktijk zeer gunstig gestemd schijnt voor uitbreiding der privilegien tot op de leden der vorstelijke families; het schijnt niet wel overeen te brengen met het aanzien en den eerbied hun verschuldigd, ze te onderwerpen aan de locale autoriteiten. Het behoeft evenmin betoog, dat ingeval een lid van het vorstelijk huis van een groote mogendheid in een klein land, waar hij reist, een misdrijf zou plegen, dit land er niet toe zal durven overgaan den prins op denzelfden voet te behandelen, als den eersten den besten booswicht, die hetzelfde delict zou plegen. Gelukkig ontbreken de voorbeelden en antecedenten, ver-eischt om een gewoonterecht te constitueeren. Het is nauwelijks denkbaar, dat een prins de gastvrijheid van het land, waar hij reist, zou misbruiken, door er misdrijven te plegen. Doch zou zulks bij hooge uitzondering voorkomen, dan is het meer dan waarschijnlijk, dat geen beschaafde staat van zijn strictum jus gebruik zal maken, en den prins de vernedering zal doen ondergaan, als een gewone boosdoener vervolgd en gevonnisd te worden.
Souverein zijn alleen de hoofden van onafhankelijke, souvereine staten. Souverein en onderdaan zijn twee incompatibele begrippen. Degene, die een suzerein boven zich erkent, de vasal, is niet souverein. De hoofden der Barbarijsche Staten, Tunis en Tripoli, die de Su-Hoofden van niet Sou- zereiniteit van de Porte erkennen, kunnen geen, aan-vereme staten. spraak maken op de privilegien der Souvereinen. Wanneer deze vorsten Europa bezoeken, plegen ze ook niet ontvangen te worden als souvereinen. Alleen Frankrijk heeft hierop wel eens uitzondering gemaakt: doch dit moet meer als blijk van welwillendheid, dan als eene volkenrechtelijke verplichting beschouwd worden.
Ten aanzien van den Khedive van Egypte, die de
- 153 -
suzereiniteit van de Porte erkent, is de vraag, of hij souverein is in de beteekenis, die het volkenrecht daaraan hecht, door het Hoog Gerechtshof van Admiraliteit te Londen beslist, en wel in ontkennenden zin. Het betrof een proces over de aanvaring van een handelsschip van den Khedive en een Nederlandsch vaartuig. PMllimore, rechter in dat college, had in eene studie de geschiedenis van Egypte van af het jaar 638 tot den modernen tijd uit een gezet en het resultaat der doorwrochte studie was, dat de Khedive geene der attributen der souvereiniteit heeft, behalve de erfelijkheid: het egyptische leger is deel van het turk-sche; de tractaten van den Sultan verbinden ook Egijpte: de Khedive heeft geen gezantschapsrecht enz. In 1873 was de Khedive door de Britsche regeering niet als regeerend vorst erkend, maar als erfelijk gouverneur van Egijpte, onder suzereiniteit van den Sultan van Turkije.
Als een staat met zijne naburen verdragen aangaat, verliest hij daardoor zijne souvereiniteit nog niet en zijn hoofd blijft souverein, ook al is de verbinding der staten eene blijvende. Zoo zijn de vorsten der Duitsche staten ongetwijfeld souvereinen, al vormt ook hun staat een deel van het Duitsche Rijk. De beantwoording der vraag of een staat souverein is, beslist ook of het hoofd van dien staat aanspraak heeft op de voorrechten der souvereinen.
Hoofden van stammen, die niet als staten zijn erkend, genieten in een vreemd land geen exterritorialiteit.
Overigens doet het voor de hier behandelde vraag niets ter zake, hoe de souverein gekozen wordt: of de monarchie erfelijk is, en op welke wijze ze dat is, dan wel op de vorst zijne waardigheid aan keuze ontleent. De regeeringsvorm is eene vraag van staatsrecht. Een
- 154 -
Oostersche vorst heeft even goed aanspraak op exterritorialiteit als de erfelijke Europeesche monarch. A lleen is vereischte dat de staat, wiens vorst het betreft, deel uitmaakt van de volkenrechtsgemeenschap. Doch het is ondenkbaar, dat de vorst ingeval zulks niet het geval is, in Europa zal gaan reizen. M. i. is het aan geen redelijken twijfel onderhevig, dat bv. aan den Schab van Perzie op zijne reizen door Europa exterritorialiteit toekomt.
Verlies Jer Souv. Met het verlies der souvereiniteit gaan ook de daar
mee verbonden rechten te niet. De vorst, die afstand van den troon gedaan heeft, of zijne kroon verloren heeft kan geen aanspraak maken op exterritorialiteit. 1) In geval van onttroning meent Phillimore, dat de privilegien alleen ophouden âif he has lawfally been deposed.'' Deze bijvoeging is echter onjuist: het komt alleen op het feit zelf aan. âEine solche fürstliche Per-sönlichkeit wird nicht Reprasentant ihres Volkes, zoo zegt de Martens t. a. p., ihr Willen nicht Willen des States sein.quot;
Men mag ook hier wederon niet verzuimen er op te wijzen, dat de praktijk niettemin aan den ex-souve-rein, hetzij uit bijzondoren eerbied voor zijne vroegere waardigheid, hetzij uit deelneming in zijne lotgevallen, de voorrechten, waarop hij eertijds aanspraak kon maken, blijft verleenen: dit moet echter als eene bijzondere concessie van den betreffenden staat beschouwd worden: een rechtsplicht bestaat daartoe niet. De geschiedenis levert tal van voorbeelden, dat aan vorsten nadat zij afstand hadden gedaan van den
gt;) Neumann § 17 ; C a 1 v o I, i 1 § 513 ; F. v o n Martens I § 81; Har burger blz. 206; Holtzendor Jf. Lex. v, Ext. 5 B 1 u u t-s c li 1 i § 130 ;'Phillimore VI, 1, § 113 P r a d i e r ⢠F 0 d e r e III § 1575.
- 155 -
troon, de koninklijke eerbewijzen werden toegestaan. Christina van Zweden eischte gedurende haar verblijf in Frankrijk niet alleen exterritorialiteitsrecht, maar zelfs jurisdictie over haar gevolg ; l) ook aan Koning Stanislas Lescinski (1709-1766) werd exterritorialiteit toegekend. Andere vorsten daarentegen trokken zich geheel in het private leven terug. Zoo Koning Karei IV van Spanje sedert het jaar 1808 ; Gustaaf IV van Zweden en eindelijk Koning Lodewijk van Holland.
Bij usurpatie of burgeroorlog kan het moeielijk zijn om uit te maken, wie als souverein is te beschouwen: de usurpator of de vroegere vorst, en of deze laatste geacht kan worden in het bezit te zijn der feitelijke nog macht. Volgens het beginsel van non-interventie zijn derde staten verplicht zich te onthouden van elke inmenging in de inwendige aangelegenheden van een anderen staat. Ze zullen den uitslag van den strijd moeten afwachten. Zegeviert eene partij, dan is daardoor van zelf de vraag, wie als vertegenwoordiger van den staat op kan treden, opgelost. Derde staten zijn niet bevoegd als rechters op te treden over de vraag, of de onttroning of usurpatie al dan niet rechtmatig is geschied. Voor het volkenrecht komt, zooals we reeds meer gelegenheid vonden om op te merken, alleen de feitelijke toestand in aanmerking. Degene die feitelijk de macht in handen heeft, is ook de vertegenwoordiger van den staat naar buiten. Vereischte is, dat de regeering door haar eigen volk ondubbelzinnig is erkend. Meestal zal deze erkenning zich daarin openbaren, dat
^ Toen zij den Markies de Monaldeschi op haar kasteel te Fontainebleau, in 1657 ter dood veroordeelde eu door hare bedieuden deed executeereu, liet de Pransche regeering haar liet grondgebied ontzeggen. De regeering had echter veel verder kunnen gaan, zonder eenige schending van het volkenrecht, daar Christina geen regeerende vorstin meer was.
- 156 -
het volk zich aan het gezag van den betreffenden persoon onderwerpt. Het kan echter ook plaats vinden door eene formeele erkenning z. a. door het âsuffrage universal.quot;
De vorst, die feitelijk in het bezit is der souverei-niteit en als zoodanig door zijn volk is erkend, geniet de volkenrechtelijke privilegien. 1) Wie zou durven beweren, dat Napoleon I minder recht had op exterritorialiteit, dan de vorst, in wiens familie eeuwen lang het Koningschap van vader op zoon is overgeërfd?
Evenals ten aanzien van de gezanten is betoogd, zou de staat stricto jure voorwaarden kunnen stellen voor de toelating van den vreemden souverein op zijn territoor. Er zijn in de geschiedenis wel voorbeelden vermeld, dat den souverein het territoor van een staat werd ontzegd. Zoo verbood Hendrik IV den Hertog Karel-Emmanuel van Savoye het verblijf in Frankrijk.
Het privilege der exterritorialiteit berust op stilzwijgende toestemming van den betreffenden staat en deze toestemming wordt geacht aanwezig te zijn, zoo de staat zich tegen het vertoeven van den vorst op zijn gebied niet uitdrukkelijk verzet.2) Voor het genot der privilegien is het onverschillig, of de souverein slechts door den staat reist of er eenigen tijd vertoeft.3) Vercischtcn voor het Om op de privilegien van het volkenrecht aanspraak genot d i iiiv- ]iuniien maken) jg dug het volgende vereischt:
1° dat de souverein regeerend vorst is, of als zoodanig door de regeering van den staat, waar hij ver-
') Heffter § 49.
2) Lawrence IV, 328.
3) H a r b u r g e r: blz. 206.
- 157 -
toeft, is erkend. Die erkenning behoeft echter geene formeele te zijn.
2° dat den souverein de toegang tot het gebied niet uitdrukkelijk verboden zij. Heeft zulks wel plaats gehad, dan kan er van stilzwijgende toestemming geen sprake meer zijn en vervalt dus het privilege der exterritorialiteit met het wegzinken van den bodem, waarop het rust. 2)
âlis est nécessaire, zegt Pradier-Fadéré t. a. p., de demander préalablement 1'autorisation d'entrer sur le territoire : autorisation qui est rarement refusée, et qui, pour ce qui concerne les formes, se dissimule sous les manifestations de la courtoisie. La demande elle-même se produit habituellement d'une manière officieuse : c'est l'expression d'un désir, la manifestation d'une intention, l'annonce d'un projet, etc.
Mais le souverain qui entre dans un pays sans permission peut-il y être arrèté ? Vattel en repousse avec raison l'idée. Sur quelle raison, demande-t-il, pourrait On fonder une pareille violence ? Quand le Cardinal de Richelieu fit arrêter le prince Palatin Charles Louis, qui avait entrepris de traverser la France incognito, il allégua, qu'il n'était permis è aucun prince étranger de passer par le royaume sans passe-ports ; mais il ajouta de meilleures raisons prises des desseins du prince Palatin sur Brisach et sur les autres places laissées par le due Bernard de Saxe-Weymar, et auxquelles la France prétendait avoir plus de droit que personne, parceque ces conquêtes avaient été faites
«j F. v o ii Martens I §82; G. F. de Martens; V, § 172; Pliil-1 i m o r e VI, 1, § 104 ; B 1 u n t s c li 1 i § 130 ; P r a d i e r - F o d « r é III § 1575; Har burger: blz. 206.
â¢) F. v o n Martens I § 82 ; Phillimore 111 19 § 341 : H e f f-ter § 53; Bluntschli § 130; Pradier-Fodere III, § 1575 ;
- 158 -
avec son argent. Vattel reconnait pourtant que le souverain étranger doit avertir de sa venue, s'il désire qu'on lui rende ce qui lui est dü. âII est vrai, dit-il, qu'il sera prudent a lui de demander des passeports, pour oter è, la mauvaise volonté tout prétexte et toute espérance de couvrir l'injustice et la violence sous quelques raisons spécieuses. Je conviens encore, que la presence d'un souverain étranger peut tirer k con-séquences dans certaines occasions, pour peu que les temps soient soupqonneux, et son voyage suspect, et alors le prince ne doit pas I'entreprendre sans l'agré-ment de celui chez qui il veut aller. Cette question est oiseuse. II est certain qu'un prince en voyage ne jouira pas de l'exterritorialité dans le pays étranger sur le territoire duquel il lui sera interdit de se transporter, mais de pareilles interdictions sont tout a fait exception-nelles et si les rois et autres chefs d'états demandent aujourd'hui l'autorisation d'entrer sur un territoire étranger, c'est surtout pour s'assurer un traitement honoriflque conforme a leur rang. De nos jours les grands chemins sont ouverts aux rois et aux princes comme aux particuliers.quot; Voor één geval zal, dunkt mij zulks niet opgaan, nl. als de betreffende staten met elkander in oorlog zijn. De stilzwijgende toestemming kan dan niet verondersteld worden.1) Praktisch zal het geval zich wel niet voordoen. Bevindt zich de vorst bij het uitbreken van een oorlog op vreemd grondgebied, dan zal hem een behoorlijke termijn moeten gelaten worden om het gebied te verlaten en totdat hij de grenzen heeft overgeschreden of de termijn is verloopen, zal hem exterritorialiteit moeten toegekend worden.
â¢) F. vun Martens I § 82; Calvo I, 11, § 507; Bluntschli § 130.
- 159 -
3°. De souverein heeft geen aanspraak op dit recht van exterritorialiteit, als hij door incognito te reizen of zich in het land op te houden te kennen geeft, als privaat-persoon behandeld te willen worden. ^ De vorst, die incognito reist, ontdoet zich als het ware incognitc. tijdelijk van zijn titel en waardigheid. De souverein behoudt echter, volgens het algemeen gevoelen, de bevoegdheid het incognito op te heffen en alsdan aanspraak te maken op exterritorialiteit.2) Het is bekend, dat zich in den lateren tijd dit geval heeft voorgedaan. Toen een Europeesch vorst zich eens als privaatpersoon te Vivey aan het meer van Genève ophield, werd hij wegens eene geringe overtreding tot eene geldboete veroordeeld: de invordering der boete bleef echter achterwege, zoodra hij officieel zijne waardigheid had bekend gemaakt. 3)-
In het enkele feit, dat de souverein huiten weten van den vreemden staat, diens gebied betreden heeft, mag men nog geen afstand zien van de volkenrechtelijke privilegien, indien naderhand de vorst van zijne voorrechten gebruik wil maken. De vorst moet ten allen tijde bevoegd zijn, zijn incognito op te heffen. Het komt in beschaafde landen niet voor, dat een vreemden souverein de toestemming geweigerd wordt binnen het territoor te reizen of te vertoeven en zelfs, zonder dat de reis is aangekondigd, mag men aannemen, dat ieder staat aan de reizende souvereinen exterritorialiteit wil verleenen. Den staat staan middelen genoeg ten dienste om den vorst, die van de gastvrijheid en
*) F. v o u M ar t e n s I § 82 ; C a 1 v o I, 11 « 513 ; Neumann §
15 ; P li i 1 li m o r e VI, 1, § 104 ; G. F. de M a vt en s V § 172 ; H ar-burger blz. 207 ; P r a d i e r - F o d é r é III § 1575.
'2) V a 11 c 1IV, 7, blz. 150; Bluutschli § 133. P r a d i e r-F o d é r é. III § 1575.
3) F. v o n Martens I § 82.
- 160 -
van zijne privilegien misbruik zou maken, tot de rede terug te brengen.
Verschillende schrijvers ontzeggen exterritorialiteit aan den souverein, die heimelijk het gebied van den staat heeft betreden ') en wel met een vijandige bedoeling : om onlusten te verwekken, samenzweringen op touw te zetten enz. Het geval is nauwelijks denkbaar en zou het voorkomen, dan nog zou de waardigheid van den souverein moeten in het oog worden gehouden. Den staat staan alle middelen van zelfverdediging ten dienste, en hij behoeft niet zijne toevlucht te nemen tot eene strafvervolging.
4° De souverein verliest zijn recht op exterritorialiteit door er uitdrukkelijk afstand van te doen. Dit zal wel.nooit voorkomen, 't Is niet met de waardigheid van den souverein over een1 te brengen, dat hij zich onderwerpt aan de jurisdictie van den. vreemden staat, althans in criminalibus, en zich eene bestraffing laat welgevallen. 2)
Souv. in vreemden 5quot; Hoe staat het met het voorrecht der exterrito-9taaldienst. rialiteit, als de souverein in het vreemde land een
ambt bekleedt of zich aldaar in krijgsdienst bevindt? Op dit geval heeft waarschijnlijk Lawrence het oog, als hij zegt; âOn ne peut pas même intenter un procés contre un Souverain sujet de notre pays.quot; âSujet en Souverainquot; zijn contradictoire begrippen. Men kan slechts het eene of het andere zijn: niet beiden tegelijk. 3)
G. F. de Martens, F. de Martens, Pradier-Fodéré en anderen meenen, dat de souverein in dit geval geen aanspraak kan maken op exterritorialiteit. 4)
gt;) Phillimore VI, 1, § 104; G. F. de Martens V § 172.
2 Har burger blz. 206 ; Cnlvo I. 11, § 513; Heffter: § 55.
3; Lawrence III blz, 421.
4j G. F. de Martens V § 172 ; F. v o n Martens I § 82 ; P radier-Foil ure III § 1575 ; Harburg er: blz. 20G.
- 161 -
Holtzendorff, Berner, Marquardsen, Op-penheim, P hi 11 i more e. a. slechts ten aanzien van zijn ambt aan de locale jurisdictie onderworpen is. ') Het geval doet zich in de praktijk herhaaldelijk voor. Verschillende Duitsche vorsten zijn in Pruissisohen staats- of krijgsdienst: in Amerika zijn enkele presidenten van republieken in krijgsdienst van eene naburige republiek. De generaal Prado, president van Peru, was generaal in het leger van Chili.
De ondergeschiktheid van den souverein, vooral in krijgsdienst, aan zijne superieuren in rang, schijnt niet wel overeen te brengen met zijne onttrekking aan de jurisdictie. De nauwere betrekking, waarin hij ten gevolge van zijn ambt met de organen van den staat en met diens onderdanen komt, schijnen te eischen, dat de exterritorialiteit voor hem ophoude. Een conflict tusschen de staatsrechtelijke ambtsplichten en de volkenrechtelijke onschendbaarheid is licht mogelijk. Moet nu de souverein geheel en al of slechts relatief aan de jurisdictie des staats onderworpen worden geacht? Harburger meent, dat het laatste âohne Unzu-kümmlichkeiten nicht durchführbar sei, da die Schei-dung zwischen dienstlichen und auszerdienstlichen Handlungen nicht immer gerade leicht ist.quot; Dit bezwaar schijnt zeer overdreven. Men mag aannemen, dat de souverein, door bij den vreemden staat in dienst te treden, zich âquoad hocquot; aan diens jurisdictie heeft willen onderwerpen, doch ik- zou niet zoover durven gaan hem geheel als privaat persoon te beschouwen. Wat er echter van zij, dit is zeker dat het den souverein ten allen tijde vrij staat zijn ambt
Holtzendorff: Lex. v. Ext.; Marquardsen; Berner § 49 ; Phillimore VI, 1, § 104 ; H e f f t e r § 53; Bluutsclili§ 130â132.
11
- 162 -
neer te leggen, evenals de staat hem steeds zijn ontslag kan geven, en dat de souverein door aldus te handelen en zich op zijne volkenrechtelijke privilegien te beroepen, elke strafvervolging, tegen hem ingesteld, kan afweren. *)
De onderwerping aan de locale jurisdictie en de afstand der exterritorialiteit heeft natuurlijk alleen betrekking op den staat, in wiens dienst de souverein zich bevindt.
De souverein is niet vervolgbaar wegens misdrijven: doch zelfverdediging en zekerheidsmaatregelen zijn wel toegelaten. âSi un prince, zegt Bynkershoek, agissant en vrai briguand, ne respecte ni la vie, ni le bien, ni l'honneur de tous ceux, qu'il lui prend fantaisie d'in-sulter; s'il porte partout Thorreur et l'effroi, comine ferait un ennemi dans une ville prise d'assaut, il est certainement permis de se saisir de sa personne et peut-être de le faire mourir. Que si l'on en vient jusqu'è lui öter la vie, je voudrais, que ce fut dans une espèce de mêlée plutöt que par une procédure judiciaire quot; 2) Deze laatste aarzelend uitgesproken mee-ning kan niet juist genoemd worden. Nimmer is de vorst strafrechtelijk vervolgbaar. âLes faits, (zegt C a 1 v o) auxquels nous venons de faire allusion constituent des anomalies tellement rares et dont l'histoire offre si peu d'exemples, qu'il est pour ainsi dire impossible de les soumettre è, des régies fixes et l'on peut dès lors s'en tenir- au principe absolu de l'exempticn de toute jurisdiction répressive k l'égard des Souverains qui franchissent les limites de leur territoire.''s)
'j Bluntschli { 132 ; V a ttol IV, 7 § 108.
aj B ij n k e r s h o e k: tmité lil $ 18.
8) Cal v o I, 11 § 507. Cf. Lawrence IV 328 ; G. F. de Martens V § 172; Phillimore VI, 1, § 105; Holtzendorff: Lex. v. Ext.; F. von Martens I § 82 ; H a r b n r g e r biz 207; P r a d i e r-
- 163 -
Wanneer een misdrijf voorkomt, dan zullen tusschen de betreffende staten diplomatieke onderhandelingen beginnen en zal de zaak ten slotte geschikt en den belee-digden staat genoegdoening worden gegeven, en, zoo dit niet geschiedt, zal wellicht een oorlog het gevolg er van zijn; â doch nimmer mag de staat een strafvervolging tegen den souverein instellen. De veroor.
deeling en executie van Maria Stuart en Konradijn zijn slechts te beschouwen als uitingen van politieke wraak en mogen hier niet als voorbeelden worden aangehaald, evenmin als de handelwijze van Hendrik VII tegenover Robert, koning van Napels.1)
De privilegien nemen een aanvang, zoodra de vorst het Aanvang cn einde der territoor betreedt, en eindigen met het verlaten daarvan.2) 1)nv'
Wanneer den vorst het grondgebied wordt ontzegd, zal hem evenals bij de gezanten een bekwamen termijn moeten gelaten worden om te vertrekken met dezelfde gevolgen als ten hunnen aanzien is besproken. Bij onttroning of afstand van den troon houdt do souvereiniteit van den vorst onmiddellijk op en vervallen dus stricto jure alle daarmee verbonden voorrechten. De staat behoeft den vreemden vorst, die in dit geval verkeert, geen oogenblik langer exterritorialiteit te verleenen en hem
F o dér é III § 1575: wOu nc peut couccvoir, dc nos jours, im princc sc comportant en vrai briguund dans un pays étranger cm il voyage; mais il peut se faire, qu'il y mène mie vie licencieusc et scandalcusc, qu'il s'y livre a des machinations politiques, qu'il y traine des complots. Dans ces cas ex-ccptionnclles et rares, nul ne contestera au gouvernement dc ce pays 1c droit dc prendre des mesures dc sécuritc dcvcnues necessaires, dc s'emparcr meme dc la personne du souverain délinquant, dc 1'expulscr, mais on n'ira pas au-dela. Unc procedure criminellc, instruitc contrc lui cntraincrait, d'aillcurs, plus d'embarras et de dilTicultés politiques que sou expulsion.quot; â Vergel. ook Vat tel IV, 7 § 108.
Hef ft er § 53.
Hcffter § 54.
â 164 â
evenmin een termijn te stellen om zijn gebied te verlaten.
Wanneer het omgekeerde geval zich voordoet, dat een lid der koninklijke familie in het buitenland vertoevende, in zijn vaderland tot den troon wordt geroepen, geniet hij van dat oogenblik af aan, exterritorialiteit; Van dat oogenblik af is de vroegere pretendent werkelijk als souverein te beschouwen, al heeft ook de inhuldiging nog niet plaats gehad. De omstandigheid, dat hij als privaat persoon het grondgebied heeft betreden, verzet er zich niet tegen, dat hem thans exterritorialiteit wordt verleend. Men mag aannemen, dat iedere beschaafde staat aan vreemde sou-vereinen exterritorialiteit inruimt, ook al is de komst van den souverein niet te voren aangekondigd. ^
Evenals bij de gezanten genieten ook de den souverein begeleidende familieleden en het gevolg exterritorialiteit. Deze stelling kan zich nochtans niet verheugen in algemeene erkenning door de schrijvers over volkenrecht. F. von Martens ontzegt de volkenrechtelijke privilegien niet alleen aan de gemalin en den troonopvolger, wanneer dezen zelfstandig in den vreemde optreden, maar ook wanneer ze zich in het gevolg van den reizenden souverein bevinden. En zoo voegt hij toe: âUm so weniger noch dürfen die zur Suite eines Souverans gehörigen Personen für sich Exter-ritorialitat beanspruchen. In Theorie und Praxis aber waltet Unsicherheit darüber, in welchem Verhaltniss die-se Personen wahrend der Anwesenheid auf fremdem Territorium zu ihren Fürsten stehen, und namentlich, ob
^ Wijlen oiizc koning Willem III was op reis in Seliotlaud, toen hem onverwaelits het bericht bereikte van het overlijden zijns vaders, waardoor hij tot een troon werd geroepen.
- 165 â
diesem nicht die eigene Exterritorialitat, zugleich gewisse Befugnisse iiber die Mitglieder seines Gfefolges verleihe.quot; ^ De meeste schrijvers zijn het echter met deze uitspraak niet eens. Het schijnt eene anomalie, dat de minste en eenvoudigste bediende van den gezant aanspraak zou kunnen maken op exterritorialiteit en dat de grootwaardigheidsbekleeders van den staat, die den vorst op zijne reis vergezellen, onderworpen zouden zijn, aan de locale jurisdictie ! Mag men het niet stilzwijgend overeengekomen achten, dat de staat, die zich niet verzet tegen het verblijf van den vorst, zoowel aan zijne familie als aan zijn gevolg exterritorialiteit verleenen wil ? Zal in de praktijk wel ooit anders gehandeld worden? Op voorbeelden van het tegendeel kan van Martens zich zeker niet beroepen. Overal zien wij in de praktijk de voorrechten der souverei-nen veel verder uitgebreid, dan stricto jure door het volkenrecht geeischt wordt. Het kan ook zijn, dat de vorst persoonlijk over gewichtige aangelegenheden komt onderhandelen, en zou hij zelf en zijn gevolg nu minder voorrechten genieten, dan zijn gezant? Wanneer hij zelf datgene verricht, wat hij anders aan zijn dienaar overlaat, zal hij dan zelf geen aanspraak kunnen maken op de privilegien, die den laatsten wèl worden toegestaan? Dat de praktijk ooit anders gehandeld heeft, daarvan blijkt niets: eerder het tegendeel. En men mag met de meeste schrijvers aannemen, dat volkenrechtelijk het beginsel is erkend, dat de familieleden en het gevolg van den souverein in het vreemde
') F. v o n Martens I § 83, In gelijken zin ten onzent van Deinze. Heemskerk en Polenaar: Strafrecht, merken echter op dat door anderen aan de familie en gevolg van den sonverein exterritorialiteit wordt toegekend.
- 166 -
land in diens volkenrechtelijke privilegien deelen. ^
Wanneer een sonverein in het buitenland vertoeft, Toegevoegde adjudanten worden hem door de regeering van het land adjudanten (meestal hooggeplaatste officieren) toegevoegd. Deze kunnen natuurlijk geen aanspraak maken op exterritorialiteit en worden ook niet tot het eigenlijke gevolg van den souverein gerekend.
De leden van het gevolg hebben natuurlijk geen recht op exterritorialiteit, als de souverein zelf daarop geen aanspraak maakt, door bv. incognito te reizen. Voor de twistvragen, dio zich bij de souvereinen kun. nen voordoen, ten aanzien van zijn gevolg, het huis of hotel, waar hij zijn intrek heeft genomen, en dergelijke meer, zal men op analoge wijze moeten beslissen, als ten aanzien der gezanten en wij kunnen hier volstaan met daarnaar te verwijzen. Daar uit den aard dei-zaak het verblijf der vorsten in het buitenland veel minder voorkomt, dan dat der gezanten, en conflicten met de locale autoriteiten bij de souvereinen haast nooit zijn voorgekomen, kan men zich ter staving van deze of gene meening niet beroepen op antecedenten uit de praktijk. Eenmaal echter aangenomen, dat zoowel de souvereinen als de gezanten exterritoriale personen zijn, zullen ook de gevolgen, uit de exterritorialiteit voortvloeiende, voor beiden dezelfde moeten zijn. Zoo er al van grootere uitbreiding der voorrechten bij de souvereinen geen sprake kan zijn, aan inkrimping kan, met het oog op hunne hooge positie veel minder nog gedacht worden, wil men het verwijt ontgaan.
') Holtzendorff Lex. v. Ext.; H a r b u r g c r : blz. 208 ; H e f f-ter § 55; Bluntschli: § 145; Phillimore VT, 1, § 104 ; G. P. de Martens V blz. 172; Neumann § 15;Pradicr-Fodere III § 1574..
- 167 -
aan den dienaar meer rechten toe te kennen dan aan zijn meester.
Om de privilegien te genieten moet de souverein zich als zoodanig kunnen legitimeeren. In de praktijk zal dit geen moeielijkheden opleveren, daar de vorst,
tenzij hij incognito reist, aanspraak heeft met de den souvereinen toekomende eerbewijzen ontvangen te worden. En ook al heeft hij zijne komst niet aangekondigd, over zijne hoedanigheid zal niet licht een gegronde twijfel kunnen bestaan, dien de vorst niet terstond in staat is op te heffen.
Ten slotte doet zich deze vraag nog voor: Is door i» door m-t. 8 de Koning
⢠rNi n i I i , . . buiten liet bereik on-
art. 8 btrafrecht onze regeerende vorst in ons eigen Zei-strafwet geplaatst? land aan het bereik der strafwet onttrokken ? m. a. w.
verklaart het volkenrecht den koning ook onschendbaar en als boven de wetten staande van zijn eigen land ?
Calvo meent dat het volkenrecht zich hierover verklaart : de vorst, zegt hij, is overal onschendbaar,
zoowel in zijne eigene als in vreemde staten.') Dit komt mij echter onjuist voor. Har burg er geeft,
m. i. het juiste standpunt aan, als hij zegt: âEs ist ein unbestrittener Grundsatz des neueren Staatsrechts,
dass der Souveran auf dem Gebiete des Strafrechts keiner Gerichtsbarkeit unterworfen und somit für seine demselben angehörenden Handlungen innerhalb seines Territoriums unverantwortlich ist. Auch in das Völ-kerrecht hat diese Anschauung Eingang gefunden und wurde hier in der Weise adoptirt, dass den Souve-ranen, welche in das Gebiet eines fkemden Staatss kommen, dortselbst Befreiung von dem Jurisdiktions-zwange gewahrt wird.quot; ')
'j C a 1 v o I, 9, § 505. 2) Harburger: blz. 205.
- 168 -
De onschendbaarheid van den vorst binnen zijn eigen gebied is eene vraag van staatsrecht: het volkenrecht komt eerst dan ter sprake, wanneer de vorst op het gebied eener andere mogendheid ver toeft. Het volkenrecht regelt alleen de verhoudingen tusschen de verschillende staten: de innerlijke aangelegenheden en de inrichting van een bepaalden staat vallen niet onder zijn bereik.
Met de toestanden van een bepaalden staat houdt het volkenrecht zich slechts in zoover bezig, dat het het feitelijk bestaande als zoodanig erkent, doch zelf stelt het voor die toestanden geen regels. â Het volkenrecht onttrekt den souverein aan de jurisdictie van het vreemde land, doch hoe het in den eigen staat daarmee gesteld is, daarover bewaart het volkenrecht een diep stilzwijgen: dat moet ieder staat voor zich regelen. Als ons land dus bepalingen vaststelt, zooals art. 161 Grondwet van 1848 en art. 4. 1° B. Rv. en vele staten evenzoo handelen, dan zijn ze hierdoor geenszins in strijd met het volkenrecht. Ze maken veeleer slechts gebruik van eene onbetwistbare bevoegdheid. De terechtstelling van Lodewijk XVI was, hoe scherp men deze daad ook moge veroordeelen, geen vergrijp tegen het volkenrecht.
Of onze vorst aan de Nederlandsche 'strafwet is onttrokken, daarover ontsteekt het volkenrecht (en dientengevolge ook art. 8 Strafrecht) geen licht. De oplossing der vraag zal moeten gezocht worden in ons Staatsrecht. En eenmaal de vraag gesteld, mag eene kleine uitweiding buiten mijn onderwerp, een uitstapje op het gebied van ons staatsrecht te dezer plaatse niet ongepast heeten. Wat is er ten onzent aan van het beginsel door Har burg er gequalifieerd als âein unbestrittener Grundsatz des neueren Staatsrechtesquot; ?
- 169 -
Onze blik richt zich terstond op art. 54 der Grondwet; âde Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.quot; Uit dit artikel hebben verschillende schrijvers de strafrechtelijke onverantwoordelijkheid des Konings willen destilleeren. Terecht wordt echter door Mr. B u ij s betoogd, dat dit artikel alleen ziet op de onverantwoordelijkheid van den Koning voor regeeringsdaden en âzeker heeft ons artikel de toepasselijkheid (der] strafwet) niet willen buiten sluiten, zooals reeds voldoende blijkt uit de woorden, welke onmiddellijk volgen. Indien de Koninklijke onschendbaarheid ook het strafrecht omvatte, dan zou zich ook daarover de ministerieele verantwoordelijkheid moeten uitstrekken en zeker niemand, die aan iets dergelijks denkt.quot; Ons positief staatsrecht bevat dus geen onttrekking van den Koning aan de strafwet. Integendeel de Koning blijft âals privaat-persoon gebonden aan de wetten...quot;1) En zou de Koning aan de burgerlijke wet wel gebonden zijn, doch de strafwet naar willekeur mogen overtreden? De Koning is er wèl aan gebonden, doch âtoepassing van de strafwet op den Koning zou feitelijk onmogelijk zijn.quot; Dat in naam des Konings recht wordt gesproken, mag geen argument heeten voor het bestreden gevoelen. In naam des Konings is alleen eene formule: 't is een eererecht van den Koning. In civilibus wordt evenzeer in naam des Konings recht gesproken, hetgeen echter niet belet, dat eene civiele actie tegen hem wordt ingesteld.2)
1
) Buys: de Grondwet I blz. 190. In tegenovergestelden zin Mr. Heemskerk: Praktijk 1, blz. 46.
Vergelijke over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van den Koning. Mr. G. A. van Hamel: Inl. tot de studie van het Nederl. Strafr. Dl. I blz. 159.
2
) Dat de veroordeeling niet ten zijnen name geschiedt, doet weinig ter zake : feitelijk is toch de Koning partij in het geding.
â 170 â
Een ander argument voor de stelling, dat de Koning buiten strafrechtelijke verantwoordelijkheid staat, is het feit, dat de wet voor hem geen rechter aanwijst. Voor de ministers is de Hooge Raad als rechter aangewezen : doch eene dergelijke bepaling mist men ten aanzien van den Koning, welke derhalve, ware hij strafrechtelijk verantwoordelijk, voor de gewone rechtbanken zou terechtstaan.
Ofschoon er in ons recht geen positief voorschrift is te vinden, dat voor delicta communia, 1) de strafrechtelijke verantwoordelijkheid des Konings uitsluit, mag men met Mr. Gr. A. van Hamel t. a. pl. wel besluiten: âBij de erkenning der onmogelijkheid dat een vervolgde of gestrafte de kroon drage, legt het recht zich neder, quot;vertrouwend dat de vorst in onderworpenheid aan de wet zijne onderdanen voorga.quot;
^ Ten aanzien van regeerinyshandelinyen sluit Art. 54 Grondwet dc verantwoordelijkheid des Konings uit.
Hoofdstuk VI.
DE PAUS EN DE PAUSELIJKE GEZANTEN.
Nadat de Paus in 1870 zijne wereldlijke macht had verloren, de Kerkelijke Staat had opgehouden te bestaan en bij het Koningrijk Italië was ingelijfd, is door enkele schrijvers, voornamelijk Italiaansche, de vraag opgeworpen en in bevestigenden zin beantwoord, of met het te niet gaan der wereldlijke macht niet ook de souvereiniteit en het daarmêe verbonden gezant-schapsrecht van den Paus had opgehouden te bestaan.
De weinige juristen, die deze meening huldigen, beroepen zich daarop, dat de souvereiniteit alleen toekomt Gronden waarop aan aan de hoofden van onafhankelijke staten ; dat den schapsmht quot;wordt onttroonden vorst met het verlies der Kroon ook de ontzegd.
rechten der souvereinen ontvallen: dat bij usurpatie de usurpator als souverein is aan te merken, dat aan dezen en niet aan den onttroonden vorst gezantschaps-recht toekomt, 't Zou hun niet moeielijk vallen in de geschiedenis tal van voorbeelden aan te wijzen, dat gezanten van don onttroonden vorst geweigerd, die van den usurpator aangenomen werden. En wanneer den onttroonden vorst desniettemin de eerbewijzen aan souvereinen toekomende, zijn toegestaan,
was dit meer als eene hoffelijkheid te beschouwen :
het geschiedde meer uit eerbied voor de voormalige hooge positie van den vorst, dan alsof het door het strictum jus geboden was. Toen Christina van Zweden gedurende haar verblijf in Frankrijk den markies van
- 172 -
Monaldeschi ter dood veroordeelde en deed executee-ren, liet de Fransche regeering haar het verblijf binnen het fransche grondgebied ontzeggen: alle schrijvers zijn het er echter over eens, dat de regeering veel verder had kunnen gaan, dan zij deed, daar Christina feitelijk niet meer in het bezit was der Souvereiniteit.
Of eene onttroning al dan niet rechtmatig is, daarin hebben andere staten, volgens het beginsel van noninterventie, niet te treden: het komt enkel en alleen op de feitelijke toestanden aan. Met het verlies van den troon, gaan de souvereiniteit en alle daaruit voortvloeiende rechten en privilegien te loor, onverschillig of het verlies vrijwillig, als door afstand van den troon, dan wel tegen den wil van den vorst, door usurpatie of anderszins, heeft plaats gevonden, onverschillig ook, of het rechtmatig of onrechtmatig geschiedde.
Aldus redeneerende komen de schrijvers, wier meening hier besproken zal worden, tot het resultaat, dat de Paus met het verlies zijner staten ook de souvereiniteit en het gezantschapsrecht heeft verloren. Zij zien echter over het hoofd, of althans leggen er geen nadruk op, dat de Paus in zich twee hoedanigheden vereenigde : vorst van den Kerkelijken Staat en hoofd der Koomsch-Catholieke Kerk. Door de gebeurtenissen van 1870 heeft de eerstgenoemde hoedanigheid feitelijk opgehouden te bestaan: de tweede echter heeft; geene verandering ondergaan. Was de Paus alleen in de eerste hoedanigheid souverein en had hij alleen als wereldlijk vorst gezantschapsrecht, dan zou men het den Italiaanschen publicisten, toe moeten geven, dat met het de fado ophouden dier hoedanigheid ook de daaruit voortvloeiende rechten op zouden hebben gehouden. Wel verbenen ook de bedoelde schrijvers,
â 173 â
den Paus Souvereiniteit en gezantschapsrecht, doch Waarborgeuwet. alleen met het oog op de Italiaansche wet van 13 Mei 1871, de zoogenaamde âwaarhorgenwet.quot; ^
Deze wet verklaart in art. 1 den persoon des Pausen heilig en onschendbaar. Beleediging van den Paus zal op eene lijn gesteld worden met beleediging van den persoon des Konings (art. 2.). Aan den Paus worden de eerbewijzen der souvereinen toegestaan en tevens het behoud zijner lijfwacht (art. 3). De plaats van zijn verblijf is onttrokken aan de jurisdictie der Italiaansche ambtenaren (art. 7 en 8). De gezanten van den Paus en de gezanten der vreemde mogend-lieden bij den Paus genieten de privilegien der diplomatieke agenten (art. 11). De Paus behoudt zijne eigen Post en Telegraaf en de vrije correspondentie met de Bisschoppen der Katholieke wereld. (Art. 12) enz. â
De meeste Italiaansche schrijvers plaatsen zich op het standpunt dezer wet, die tot tal van twistvragen aanleiding geeft. Sommigen betoogen, dat het Vaticaan niet tot het Italiaansche grondgebied behoort, anderen verdedigen het tegenovergesteld gevoelen; sommigen meenen dat de Paus niet, anderen dat hij wèl bevoegd is zijne eigen rechters aan te stellen; eenigen meenen,
dat de Paus in elk opzicht zijne âSouveraineté politiquequot; heeft behouden, anderen dat de hem toegekende souvereiniteit slechts is âune Souveraineté cVhonneurquot;
en weer anderen, dat zij noch uitsluitend het eene,
noch alleen het andere is. Sommigen beweren, dat de Italiaansche regeering tegenover andere staten voor de handelingen van den Paus aansprakelijk is enz. enz.1)
1
) Cf. B o nghi: Nnova Antologia 1° Jan. 1883 blz. 106: E. Brusa;
La juridiction du Vatican, in de Revue de droit int. 1883 blz. 113â145 ;
E d o a r d o Soderini: La Sovranita del papa presa ad esame in occa-sione della vertenza Theodoli-Martinucci: 1882. Uittreksel uit de Rassegna italiana.
- 174 -
Wij zullen de schrijvers niet volgen bij hun onderzoek dezer twistvragen, die uit den tekst der waar-borgenwet voortspruiten. Naar onze meening behooren wij bij de beantwoording der vraag, of de Paus ge-zantschapsrecht heeft en souverein is, de waarborgen-wet, van hoeveel gewicht deze wet ook zij, buiten aanmerking te laten. De waarborgenwet immers is eene éénzijdige wilsuiting der Italiaansche regeering : het is eene Italiaansche wet1) (art. 19 der wet). Eenzijdig door de Italiaansche regeering vastgesteld, kan zij door haar op dezelfde wijze worden gewijzigd of afgeschaft. Is de souvereiniteit van den Paus en zijn gezantschapsrecht een privilegium door haar gecreëerd dan kan zij dat voorrecht ook, zoodra het haar goeddunkt, doen ophouden. De waarborgenwet is geen internationale overeenkomst, het is geen trac-taat tusschen den Paus en de Italiaansche regeering gesloten: 't is eene nationale wet, die kan veranderd worden op dezelfde wijze als zij is vastgesteld en door dezelfde wetgevende macht, die haar heeft uitgevaardigd. De in art. 4 der wet toegekende jaarlijksche dotatie moet zelfs ieder jaar bij de begrooting in de Kamers in stemming worden gebracht.2) âL'opinion (zegt Brusa), qui prévaut généralementet presque absolument en Italië, eest que la loi des garanties est un acte interne de la monarchie italienne et non pas un acte international. II aurait pu être international, dit Bonghi, mais le Pape ne l'a pas
') Geffcken meent; âdie Regierung hat dasselbe irn Parlament als ein Verfassungsgesetz erklüvt uud iu dei' feierlicheii Form eines Statutarisclien Gesetzcs promulgirt.quot; Geffekeu: die Volken*.Stelluug desPapstes blz. 19.
') Geffekeu; die VölkeiTechtlieht: Stelluug des Papstes blz. 31. Dit werk is eeu wSeparal-Ausgabequot; uil Fr. vou HuitzendoiiVs: 1 iaiidbifli des Völkerrechts.
- 175 -
voulu.... N'ayant pas aliéné sa liberté par un concordat, le législateur italien pourra toujours combler sans difficulté les lacunes, et lorsqu'il se décidera a reviser sa loi, 11 ne négllgera pas de prévolr les cas oü les actes politiques du Pape irresponsable cause-raient a l'Italie de graves embarras, soit dans sa politique intérieure, soit dans sa politique extérieure . ... ^ Le pape est inviolable, mais c'est en vertu d'une loi nationale; il a le droit de légation, mais c'est en vertu d'une loi nationale; 11 jouit de rimmunité de résidence etc., mais encore un coup c'est en vertu d'une loi d'un état particulier et non pas en vertu du droit international.'' *) Stellig, Italië alleen kan geen volkenrecht creëeren, maar evenmin kan de Italiaansche regeering volkenrecM afschaffen. Overweging verdient dus de vraag, of de Paus zijn gezantschapsrecht dankt aan de waarborgenwet; overweging verdient de uitspraak van G e ff c k e n : âWas der Papst mit dem Kirchenstat verlor, ist die weltliche Herrschaft; seine Souveranitat ist nur eine rein persönliche geworden ; diese hat ihm das Garantie-gesetz nicht gegében, son-
') Br us a; Revue du droit intern. 1S83 blz. 126 eu blz. 120â121. Niettemin meent deze schrijver op blz. 118â119: MLc pape, par la loi ita-lienne qui 1'assimile aux souverains, se trouve élevé a, un Stat d'iudepen-danee et d'irresponsabilité que ne comporte pas la souveraineté politique réelle. 11 u'a a eompter ni avee le droit politique, ni avec le droit international. 11 n'a plus a craindre d'etre détroné, ni par une insurrection de ses sujets ni par la guerre étrangèrequot;'. Hij verzuimt echter er bij le voegen dat, ging de door hem voorgestane leer op, de Paus geen oogenblik zeker zou zijn van zijne geprivilegieerde positie, die hij te danken heeft aan een privilegium eener hem vijandig gezinde en wantrouwende regeering ; dat de intrekking der privileges den Paus steeds als een zwaard van Damocles boven het hoofd moet hangen ! Omtrent de uitvoering der waarborgenwet, zie men G effeken blz. 27â44.
2) Brusa. blz. 133 sq. Hoe de sehrijver dit kan rijmen met zijne uitspraak, eenige regels verder op blz. 134 . «Ie droit de légation n'est eer-tainement pas une creation de la loi italienne,quot; is mij niet duidelijk.
- 176 -
dern belassen.quot;'') Zou Italië door gezanten van of aan den Paus strafrechtelijk te vervolgen slechts een nationale wet schenden of tevens ook het volkenrecht ?
De Paus heeft (luu talis Op de redeneering der meeste schrijvers, die den
gezantsoliapsvenlit.
Paus net gezantschapsrecht ontzeggen, is de uitspraak van Arntz toepasselijk als hij zich hij de beoordeeling der brochure van Léopold Wilbaux; âLa Position Internationale du Papequot; aldus uitlaat: âPour établir sa these, l'auteur fait un syllogisme trés simple: les états Souverains seuls, dit-il, ont le droit d'en voyer et de recevoir des ministres publics, or depuis l'incorporation des Etats de l'Eglise au territoire ita-lien, le Pape a cesséd'être un Souverain; done il ne peut plus envoyer et recevoir des ambassadeurs. Nous avouons qu'il ne valait pas la peine d'écrire 87 pages pour prouver l'exactitude de ce syllogisme qui a été imprimé nombre de fois depuis 1870. Mais neus pou-vons répondre: Jsfego majorem. Ce ne sont pas quel-ques formules générales et abstraites qui ont créé le droit international ou en lesquelles on puisse le résu-mer. Le droit des gens a pour principale source l'his-toire, l'usage et la pratique des nations civilisées.
Or, depuis l'origine des légations permanentes les Papes ont toujours envoyé et recu des agents diploma-tiques. Ce n'était pas en sa qualité de petit prince italien, dont les états étaient relativement peu importants, mais en sa qualité de Chef de l'Eglise Catholique, que le Pape envoyait des nonces et recevait des ambassadeurs de premier rang, que des honneurs extraordinaires lui étaient rendus et que les puissances ccncluaient des traités et des concordats avec lui. Et même après l'incorporation des états pontiücaux au royaume d'Italie
â¢) Geffcken: blz. 36.
- 177 -
le droit de légation a continué d'etre reconnu au Pape
par un grand nombre d'états.........Done ce
droit de légation n'appartient pas exclusivement aux états souverains et la these fondamentale de la brochure de M. Wilbaux est entièrement erronéequot;.1)
Eeuwenlang is aan de Pausen in het volkenrecht eene bevoorrechte plaats ingeruimd: de Pausen, als hoofden der Eoorasche Kerk waren niet alleen vóór de Reformatie in hoog aanzien, maar ook, nadat een groot gedeelte der vroegere geloovigen zich hadden afgescheiden van den H. Stoel en den Paus niet langer als hun zichtbaar Opperhoofd beschouwden, bleven de Pausen de schitterende plaats innemen, die zij eertijds bekleedden. âDie Gewalt der Komische Pilpste, zoo zegt von Martens, steilte sich als eine Macht dar, mit welcher die Staaten nothwendiger
Weise rechnen mussten......Aus historisch en
Gründen hat die Römische Kirche von jeher eine, im Vergleich zu den andren Christlichen Kirchen ganz eigenthümliche internationale Stellung eingenommen. Ihre hochbedeutsame und sogensreiche Rolle wahrend der Völkerwanderung und des ganzen Mittelalters; die stattliche Reihe kluger und kraftvoller Persönlich-keiten, die an ihrer Spitze standen ; ihre innere Organisation endlich bewirkten es, dass sie schon frühzeitig auch als politische Institution mit dem A nspruch auf Weltherrschaft hervortrat. quot;2)
Die macht was groot, niet alleen in de middeleeuwen, toen de vorsten de suprematie der Pausen erkenden, toen de Pausen de Roomsche Keizers kroonden, maar ook in den tegenwoordigen tijd, nu het een onloochen-
12
1
) llevue de dvoit inlcni. 1879 blz. 059 sq.
2
*) P. von Martens: II § 30.
- 178 -
baar feit is, dat het kinderlijk geloof der middeleeuwen bij een groot gedeelte der maatschappij is verflauwd, zal geen enkele staat het als een onverschillig en onbeteekend feit beschouwen, wat er van uit het Vaticaan wordt gesproken.
Waren in vroegere eeuwen de vorsten, die den strijd met Rome aan durfden binden, genoodzaakt vroeg of laat voor de macht der Pausen te bukken, ook in la-teren tijd, zelfs in onze éeuw, kan men op dergelijke feiten wijzen. Werd in vroegere eeuwen den Paus het scheidsgerecht der volkeren in handen gesteld, ook de geschiedenis der 19e eeuw bevat voorbeelden daarvan en behoeft het ons te verwonderen, dat schrijvers, die een rechter ter beslissing van internationale conflicten willen aanwijzen, terstond het oog laten vallen op den Paus ?
Eertijds maakte de Paus aanspraak op de jurisdictie over alle volkeren der aarde. Alexander VI verdeelde in 1493 de nieuw ontdekte wereld tusschen de kronen van Portugal en Castilie. Paus Julius II schonk in 1512 het koningrijk Navarra aan Ferdinand van Ara-gon, daar Jean d'Abbret zich met Lodewijk XI van Frankrijk tegen den Paus gekeerd had. *) Moest de hardnekkige strijd tusschen Lodewijk XIV en den Paus over de âfranchise des quartiersquot; te Rome ten slotte niet in het voordeel van dezen laatsten uit. vallen? Vanwaar die groote macht? Was het in zijne hoedanigheid van klein italiaansch vorst, of als hoofd der Catholieke Kerk, dat de Paus dit hooge aanzien genoot? Was het zijne wereldlijke of zijne geestelijke macht die hier in aanmerking kwam ?
') Philliinore; III, 12 § 23] ; F. v o n Martens I § 90 un § 97. E. Nya: Le di'oit iutcvu. et la papeaute, iu de Revue de droit iiiteru. 1878, blz. 519.
- 179 -
Vreesde Napoleon I de legers van het kleine Italiaan sche vorstendom, of de macht van den Paus als zoodanig, toen hij zijne diplomaten gelastte, den Paus te beschouwen alsof hij een leger van 100.000 man tot zijne beschikking had ? ^
Wie zal met het antwoord op deze vragen maar een oogenblik weifelen ?
Brusa meent echter dat de Paus nooit gezantschaps-recht heeft gehad in zijne hoedanigheid van hoofd der Catholieke Kerk. âLa lol italienne, zoo zegt hij, 1) n'a certainement pu enlever au Pape sa position historique dans ses relations avec le monde politique : elle ne l'a Meening van Brusa. même pas voulu. Mais, comma chef de l'Eglise Ro-maine, le Pape n'a jamais eu a jouir d'une protection spéciale du droit international, ou, s'il en a réel-lement joui, ce n'est pas la faute d'un seul pays, de l'Italie en particulier, si depuis 1871 il n'en jouit plus.quot; Brusa twijfelt blijkbaar zelf aan zijne boutweg uitgesproken stelling, dat de Paus nooit als zoodanig gezantschapsrecht heeft gehad. Of zou Brusa meenen dat de gezanten van den Paus, de nuntii, op volkenrechtelijke privilegien aanspraak konden maken, die den Paus,2hun meester, niet toekwamen ?. .. . â Aucune nation catholique n'a revendiqué sérieusement une position pareille pour le Pape.quot; s) Brusa zal hierme-
1
*) Brusa; llevue 1883 blz. 132 sq.
2
van welken Souverein ook. Het is in het besef daarvan, dat de Italiaansehe
- 180 -
de toch niet willen zeggen, dat door de non-interventie der Catholieke Staten de privilegien van het volkenrecht zijn vervallen. Zou Brusa meenen, dat de mogendheden, die gezanten bij den Paus onderhouden, lijdelijk zouden toezien, indien de Italiaansche regeering hunne gezanten bij den Paus anders bejegende dan de gezanten aan het Italiaansche Hof, ook al he. sloot de italiaansche regeering de wet van 13 Mei 1871 in te trekken ? De mogendheden zullen niet protesteeren zoolang Italië ten aanzien hunner gezanten het volkenrecht niet schendt. Of Italië den gezanten de volkenrechtelijke privilegien verleent met hot oog op het volkenrecht, dan wol met het oog op eene nationale wet, die het volkenrecht heeft opgenomen, is voor buitenlandsche mogendheden een onverschillig feit. . . . .âComme chef d'état, le Pape en jouissait avant 1870 ainsi que les autres Souverains. - L'annexion de Rome a la monarchie italienne ne lui a laissé d'autre position politique qu'une position nationale, et dans le domain spirituel elle lui a reconnu la situation a laquelle sa qualité de Souverain ecclésiastique lui donnait droitquot;...
Als die âqualité de Souverain ecclésiastiquequot; den Paus nu eens gezantschapsrecht gaf? ...
âA ce point de vue, le comité international de la Croix-Rouge pour les blessés en guerre pourrait bien mieux être élevé a la hauteur d'un contractant de droit des gens pour la creation d'une servitude juris gentium en sa faveurquot; ....
regeering de zg. wet van garantien gemaakt heeft en liet blijkt ook uit alle diplomatieke stukken, dat steeds door alle regeeringen is aangedrongen op hot waarborgen van de meest mogelijke vrijheid van den Paus.quot; (Handelingen der 2* Kamer 1871-72 blz. 218. Cf. Omtrent Engelauds politiek beleid in de Ilomeinsehe quaestie: Phil li more: Part. VJ11 Chap. 10, § 440, vol. 11 blz. 501.
- 181 -
De vraag is echter niet wat wenschelijk is of zou kunnen zijn, maar wat werkelijk is. âLe droit des gens, zoo zeg ik Arntz na, a pour principale source l'histoire, 1'usage et la pratique des nations civilisées.quot; 1) âDie überans tiohe Stellung des römisch-katholi-schen Kirchenhauptes überragt weit die der übrigen christlichen Patriarchen oder irgend eiues Oberpries-ters irgend einer anderen Religionsgemeinschaft. Sie hat audi insofern einen völkerrechtlichen Charakter, als sie durch den Gebrauch der Völker (usus gentium) allgemein anerkannt wird.quot; 2j
We zullen Brusa niet volgen bij zijne vergelijking van het Pausdom en de Vereeniging van het Roode Kruis en zijn betoog, waarbij hij telkens uitgaat van de stelling, die juist bewezen moet worden, niet weerleggen. Slechts dit nog zij vermeld. Op blz. 133 ontleent de schrijver een argument tegen de volkenrechtelijke positie van den Paus uit de rechtskracht der Concordaten ; âAprès l'annexion de Rome c\ 1'Italie, le Pape n'était plus qu'un chef d'Eglise et il ne pouvait conclure que des concordats ou traités sur des matières religieuses. Ces conventions ne sont placées sous le controle du droit international que pour la part de l'Etat; 1'Etat a tons les moyens autorisés par le droit et peut même recourir a la violence, tandis que l'Eglise ne possède que des moyens spirituels dont l'usage ne peut pas être contrólé par le droit des gens, sinon par la politique des Etats.quot;
Heeft de Kerk niet evengoed als de Staat âtous les moyens autorisés par le droit?'' En is de mogelijkheid van handhaving door geweld van wapenen een essentieel bestanddeel van de overeenkomst ? Is
1
) Arutz. Revue de droit intern. 1879 blz. 659.
2
) Bluntschli: Kleine Sehriften 11 blz. 250.
- 182 -
physisch geweld machtiger dan zedelijke kracht ? Alsof het Pausdom zijne macht vóór 1870 dankte aan het bezit van het strookje gronds, wat Kerkelijke Staat heette; alsof het zijne kracht ontleende aan de legermacht van dat staatje !
Bluntschli1) behandelt de vraag of de concordaten Mecning van Biuntschii. binnen het gebied van het volkenrecht vallen, of de Paus Souverein is in den zin van het volkenrecht.
Vooropstellende, dat het volkenrecht alleen met staten als subjecten van dat recht te maken heeft, dat een volkenrechtelijk tractaat alleen kan bestaan tusschen twee staten, kan hij niet anders dan tot de conclusie komen, dat de concordaten geene tractaten in den eigenlijken zin zijn, daar de Roomsche Kerk, wat wel geen betoog behoefde, geen Staat is in de gewone beteekenis van het woord. âDie Staten haben verhandelt und Vereinbarungen getroffen mit frem-clen Machten, obwohl diese keine fremden Staten
sind.......Die Kirche est kein Staat, und der
Papst kein Statshaupt.....Ihre Concordate mit den
Staten sind keine wirklichen Statenvertrage des Völ-kerrechts.... Aber auf der anderen Seite sind doch analoge Verhaltnisse und Beziehungen mit den völ-kerrechtlichen Ordnungen nicht zu bestreiten.
Die universelle römische Kirche und das Papstthum stehen doch den einzelnen Staten als Personen gegen-über, welche eine selfstandige Stellung und Autori-tat und eine geschichtliche Erhabenheit behaupten, die der statlichen ebenbürtig erscheint. Wenn auch der Papst, seitdem er den Kirchenstat verloren bat, keine Staatsgewalt, Souveriinetilt hat und daher kein wirklicher Souverain ist noch sein kann, zo überragt
',) Bluutschli: Kleine Schriften II blz. Si? vlgg.
- 183 -
doch die hohe Kirchenwüvde, die ihm zukommt, an Glanz und an Bedeutung viele Kronen fürstlicher Souverane. Die Konkordate sind zwar keine Staten-vertriige.... aber sie tragen doch die Form der völ-kerrecMlichen Ver trage an sich und haben um dess willen etwas ahliches mit den Staten vertragen. Sie sind immer gemeinsame und wechselseitige Willens-erklarungen zweier wesentlich selbstandiger hnch-ster Personen über ihre Beziehungen zu einander. .... In allen diesen Beziehungen liegt nicht eine ein-fache Anwendung des Völkerrechtes, wohl aber eine analoge Ausdelmung des Völkerrechtes vor auf Ver-haltnisse, die mit den eigentlich völkerrechtlichen eine Aenlichkeit haben und verwandt sind. Es entstehen so quasiâvölkerreehtliche Yerhaltnisse und Kegeln; und dem eigentlichen Jus gentium richt sich ein Jus gentium utile an.
Der Komische Papst, obwohl kein statlicher Souve-rain mehr, wird heute noch in dem persönlichen Ver-kehre mit Souveranen als Haupt der Römisch-Katho-lischen Kirche, wie ein Souverain betrachtet und behandelt. Er geniesst königliche Ehren und es werden ihm bereitwillig Immuniteit und Exterritorialiteit, wie einem Souverain zugestanden. Diese Auszeichnung wird ihm zu Theil nicht blosz von Seiten der katholischen Souverainen, sondern wesentlich ebenso von seiten der protestantischen und griechischâkatholischen Kaiser und Könige, obwohl lelztere jede kirchliche Autoritat des Papstes über sich bestreiten und verneinen. Sie erklart sich daher weder ausdem Glauben an diePiipste, noch aus einer statlichen Macht derselben, sondern aus-schliesslich aus dem Respekte vor einer weltgeschichtli-chen Institution und ihrer fortwirkenden Geistesmacht über eine universelle Kirche, und eine viel grössere
- 184 -
Zahl von Millionen röraisch-katholischen Massen als die meisten Grossmachte Unterthanen zahlen,
Diese überaus hohe Stellung des römisch-katholischen Kirchenhauptes.... hat auch insofern einen volleer-reclitlichen Charakter, als sie durch den Gebrauch der Völker allgemein anerkannt wird.... Ebenso beruht das papstliche Gesantenrecht, so wohl das aktive, in dem der Papst seine bevollmachtigten Legati a latere, Nuntii und Internuntii auch an fremde Staten sendet, als das passive, indem er Gesante der Staten im Vatikan empfangt, auf demselben völkerrecMlichen Grande, wie die quasi-souveraine Stellung des Papstes selbst.quot;
Wij zullen over hetgeen Bluntschli betoogt niet uitweiden. Ten aanzien der vraag, welke wij ons ter beantwoording hebben gesteld, is het onverschillig of de Concordaten beheerscht worden door het eigenlijke jus gentium of wel door het jus gentium utile, of de Paus quasi-souverein is al dan niet en of zijn gezantschapsrecht berust op het strictum jus gentium of op eene analogische uitbreiding daarvan. Zooveel is zeker en behoeft geen betoog, dat de Roomsche Kerk geen staat (in den gewonen zin des woords), dat de Paus thans geen wereldlijk vorst is, dat de Concordaten geen tractaten tusschen twee staten zijn. 't Valt niet te ontkennen, dat de Roomsche Kerk eene instelling is eenig in haa.r soort; dat naast haar geen andere godsdienstige instelling een gelijke plaats in het internationale recht heeft ingenomen. âAus historischen Gründen, zegt von Martens, hat die römische Kirche eine ganz eigen-thümliche internationale Stellung eingenommenquot; ') Ze is eene âwellgeschichtliche Institutionquot;, die als eene
^ F. von Martens: § 30.
- 185 -
met de staten âebenburtigequot; macht in het volkenrechtelijk verkeer optreedt. Aan geene andere instelling is dit voorrecht te beurt gevallen. Juist echter door het exeptioneele hiervan valt het den theoretici met gemakkelijk de verhouding dier instelling tot het volkenrecht onder algemeene begrippen te trekken.
Definieert men het volkenrecht als het recht tus-schen Staten dan valt de verhouding der Kerk buiten dat gebied.
Daarom heb ik ook, in verband met de definitie door mij gegeven in Hoofdstuk I, op het voetspoor van alle schrijvers, welke niettegenstaande hunne definitie van volkenrecht er zich tegen verzet, niet aarzelen de concordaten enz. te bespreken, als vallende onder het bereik van het volkenrecht gemeend de Souvereiniteit van den Paus en de rechten zijner gezanten in de hoofdstukken III en V buiten bespreking te moeten laten en er hier een afzonderlijk hoofdstuk aan te moeten wijden.
De praktijk, minder schroomvallig dan de theoretici heeft zich weinig bekommerd om abstracte begrippen en wie zal de waarheid betwijfelen der uitspraak van Arntz: âCe ne sont pas quelques formules générales et abstraites qui out créé le droit international ou en lesquelles on puisse le résumer. Le droit des gens a pour principale source l'histoire, l'usage et la pratique des nations civilisées.quot; 1)
Yele schrijvers vóór 1870 kennen den Paus als zoodanig uitdrukkelijk gezantschapsrecht toe.
Vattel zegt: âAlle grosse unabhangige Hernn und Staten haben das Gesandtschaftsrecht nach allen Graden und unbeschrankt. Audi der Römische Papst,
1
) Arntz, in de llevue de droit intern. 1871) blz. 659.
- 186 -
absonderlich in Ansehung derer der Romisch-Catholischen Religion zugethanen gecrönten Hilupter und Staaten.quot;1) De Paus heeft als zoodanig steeds gezanten gezon-uitoefening van het ge- den. Zijne gezanten vertegenwoordigden hem niet als /quot;Hsihapsieeiit. vorst Yan Kerkelijken Staat, maar als hoofd der
Catholieke Kerk. De voornaamste verriehting der pauselijke gezanten in diplomatieke aangelegenheden was het sluiten van concordaten en deze betreffen alleen den Staat en den jPaus in zijne hoedanigheid van hoofd der Roomsche Kerk.
Weinige zijn de tractaten door de pauselijke gezanten met andere staten, gesloten over aangelegenheden van den Kerkelijken Staat; dergelijke overeenkomsten bestonden alleen tusschen de pauselijke en naburige staten ; nimmer echter vinden wij verdragen vermeld door den Paus gesloten met de ver verwijderde staten, waarheen hij zijne gezanten zond.
De gezanten van den Paus worden onderscheiden in legati a latere, legati missi of nuntii en legati nati. 2) De legati a latere zijn Cardinalen en met de meest uitgebreide macht bekleed. Het zijn gezanten van den eersten rang.
De legati missi of nuntii zijn pauselijke gezanten, gezonden ter uitvoering eener bepaalde opdracht en wier bevoegdheid beperkt is door hunne geloofsbrieven. Zij heeten Nuntii apostolici, wanneer .zij als residee-rende gezanten bij vreemde hoven zijn geaccrediteerd.
De Nuntii zijn gezanten van den tweeden rang, doch zij zijn somtijds bekleed âcum potestate Legati a latere.quot;
') Vattel: Versucli iles neuesten Eur. Volk. 1777. IV, Cap 1, $ 4. quot;) Phillimore: VIII, 10 § 435â438; Alt; § 13; Ernest NysJ Le droit intern, et la papeanté in de Kevue de droit intern. 1878 blz. 515 vlg«
- 187 -
Internuntii zijn die gezanten, welke slechts voor-loopig zijn geaccrediteerd, of die resideeren in een gewest, waar de souverein niet tegenwoordig is. Het zijn gezanten van den derden rang. Voor het behandelen van zaken van minder gewicht worden Ablegati gezonden.
De titel Legatus natus werd gegeven aan bepaalde buitenlandsche waardigheidsbekleeders, aan wier zetel of kroon de bevoegdheid en de waardigheid van legatus was verleend. Zoo de Aartsbisschoppen van Rheims, Bordeaux en Lyon in Frankrijk, van Canterbury en York in Engeland, van Toledo en Tarragona in Spanje; van Salzburg, Keulen en Praag in Duitschland en Oostenrijk; van Pisa in Italië; de kronen van Hongarije en der beide Sicilien apostolica regni Siciliae Legatie.
De legati nati waren geen gezanten in den eigenlijken zin.
De legati a latere hadden alleen tot taak het behartigen der belangen van de Kerk en de nuntii meestal ook. Slechts zelden stond de taak der laatsten in eenig verband met de belangen van den Kerkelijken Staat of deszelfs onderdanen. ^
Niettegenstaande de taak der legati zich uitsluitend en die der nuntii zich hoofdzakelijk bepaalde tot het behartigen van kerkelijke aangelegenheden, de legati en nuntii derhalve te beschouwen zijn als gezanten
^ P h i 11 i m o r e : VIII, 10 § 437j Geffcken: blz. 27. B 1 u n t-s c h 1 i, Kleine Schriften II blz. 250 sq. zegt: «Schon im Mittelalter waren die eigentliehen Legati des Papstes an die versehiedenen Hole wcsentlich kirchliche Bevollmiiehtigte der Piipste und halten fast niehts zu thuu für den Kirehenstaat. Die Nuntii und Internuntii hatten zugleieh eine kirchliche und cine politische Bedeutung. Die erstere war aber meistens die wiehtigere, die Ileprilsentation des Kirchenstates von geringer Bedeutung. Heute sind alle Gesante des Papstes 7iur kirchliche^ gar nichi- mehr statliehe Gesante.'
- 188 -
door den Paus qua talis gezonden, heeft geen enkele schrijver vóór 1870 en evenmin de praktijk geaarzeld de legati en nuntii te rangschikken onder de eerste klasse van gezanten.1) En is hierin na'70 verandering gekomen? âNichtbegründet dürftees sein, zegt Geff-cken, wennv. Holtzendorff und Esperson an-nehmen, das den papstlichen Gesandten nach Aufhören der weltlichen Herrschaft nicht mehr die besonderen Auszeichnungen gebührten, die ihnen bis dahin einge-rilumt sind. Den Legaten und Nun tien is der Vortritt vor anderen Botschaftern nicht aus Rücksicht auf die ehemalige Territorialhoheit zugestanden. AVie die Ptipste nicht als Staats-oberhaupter sondern als Kirchenhaup-ter den ersten Platz in der Gesellschaft der Souve-rane verlangten, sothaten sie dies auch von jeher fürihre Vertreter, die sie nicht als Fürsten der Kirchenstates, sondern als überhaupt der katholischen Kirche entsand-ten.quot;2} Weke reden zou er bestaan om den nuntii en legati den rang te ontzeggen, hun door het Reglement van Weenen van 1815 toegekend? Zoowel vóór als na'70 waren zij gezanten, belast met kerkelijke aangelegenheden : het behartigen van staatsbelangen behoorde niet tot hunne taak.
En welke is de houding der mogendheden na 1S70 geweest ?
Volkenrechtelijke prak- De meeste mogendheden, die vóór '70 een gezant tijk na 1870. bij het Vaticaan onderhielden, zijn voortblijven gaan in het onderhouden van diplomatieke betrekkingen met den Paus. Thans hebben de volgende staten nog hunne vertegenwoordigers bij den H. Stoel : Oostenrijk, Hon-'
') Alt: § 11, 13 en 15. De internuntii worden tot de tweede klasse van gezanten gerekend. H e f f t e r; § 208.
2) Geffeken; blz. 27.
- 189 -
garije, Spanje, Frankrijk, Portugal (allen een âambassadeurquot;); Beijeren, Belgie, Bolivia, Brazilië, Ecuador,
Chili, Guatemala, Monaco, Nicaragua, Peru en San Salvador. (Deze staten zijn vertegenwoordigd door een âministre plénipotentiaire.quot;) Duitschland onderhoudt bij het Vaticaan een gezantschapskanselier. ^ Ons land was het eerste, dat na '70 zijn gezantschapspost bij het Vaticaan ophief. Eene lange discussie ontspon zich in de Kamers bij de behandeling der begrooting voor het dienstjaar 1872 over het al of niet wenschelijke van het behoud van een gezantschap bij den H. Stoel. De regeering was voor behoud en had een post daarvoor op de be- Opheffing van ons. gc-grooting uitgetrokken. De Heer Dumbar stelde toen quot; quot;
een amendement voor, strekkende om den post te doen vervallen, hetwelk ten slotte door de meerderheid werd aangenomen.1) Ofschoon over en weer wel eens argumenten werden gebezigd, die met de z;aak zelve in weinig verband stonden, en vele leden niet aan de verzoeking konden weerstaan en zich een uitstapje veroorloofden buiten hun onderwerp, waarbij dan meestal de godsdienstige gezindheid van den spreker even om het hoekje kwam kijken, liep het debat voornamelijk daarover, of het wenschelijk was dat Nederland de eerste was, die zijne gezanten bij den Paus terugtrok, of de beslissing niet voorbarig was en of men door aldus te handelen de gewelddaden der Italiaansche regeering niet goedkeurde. Tal van andere vragen werden nog in het debat getrokken o. a. of Nederland er wel voordeel bij had den gezantschapspost te behouden.
1
) Handelingen 1871-7^ blz. 115 vlg.
- 190 -
De Heer Dumbar lichtte zijn amendement toe door er op te 'wijzen, dat de Paus zijne wereldlijke macht had verloren en derhalve slechts kerkelijk Opperhoofd meer was, dat in Nederland, waar scheiding van Kerk en Staat is aangenomen âeen diplomatieke missiequot; bij een zoodanig opperhoofd niet wel bestaanhaar, ja haast eene ongerijmdheid is.1) Verschillende sprekers, die het amendement ondersteunden, o. a. de heer C r e m e r s en ook de heer Storm van 's G r a-venzande, die om andere redenen tegen het amendement stemde) gingen van het beginsel uit, dat, zooals de heer Cremers het formuleerde âmet de wereldlijke macht van den Paus ook alle eigentlijk gezegde diplomatieke betrekkingen vervallenquot; waren *) Terecht sprak de heer de Biebers tein: âde paus is niet teruggebracht tot privaat persoon; zelfs het Italiaansche gouvernement, dat hem beroofde, erkent hem als vorst met gezantschapsrecht. Wij weten dat de gezanten te Rome steeds geaccrediteerd waren bij den Paus als hoofd der geheele Catholiciteit en niet als vorst van een kleinen staat, waarbij nochj zuivere politieke, noch handelsbelangen bestonden, waardoor
') Handelingen der 2' Kamer 1871-72 blz. 115 vlg.
2) Handelingen blz. 217-220. De heer Cremers motiveerde zijne mee-ning door het bezigen van het gewone syllogismus, waarvan A r n t z zegt uego majorem. Niet zeer consequent sprak dezelfde heer op blz. 246 ; âDe geachte spreker uit Maastricht (de heer de Bieberstein) verlangt volkomen vrijheid voor het opperhoofd der Catholieke Kerk. Ook ik verlang dit. Hij meent, dat het Opperhoofd souvereine rechten hebben moet. Ik keur dit volkomen goed . , . . De Nederlaudsche Regeering kan zeer goed sonve. reine rechten van den Paus erkennen en daartegen zal ook niemand opkomen â (met bescheidenheid zij hier gevraagd, wat de heer Cremers op Idz. 217 jan wèl bedoelde ?) â maar daartoe is het volstrekt niet noodig, dat de missie te Rome blijve bestaan. Wanneer het toch noodig was, dat eene regeering een gezant had, bij ieder, wiens souvereine rechten zij erkent, dan moesten wij gezanten hebben bij alle mogendheden en alle mogecdhede i bij ons en dat is niet het geval.quot;
- 191 -
een gezantschap noodig was. *) Met grond mocht de heer van Lynden van Sandenburg den voorsteller van het amendement toeroepen : âVerklaar mij het feit, dat terwijl vroeger missies zijn opgeheven, zooals te Munchen, te Stuttgart, te Napels, men de missie te Eome heeft behouden ? Was dat, omdat er met den Kerkejjken Staat of met het hoofd van dien staat als wereldlijk vorst zooveel punten van aanraking met Nederland waren ? En indien de geachte voorsteller met mij de vraag ontkennend moet beantwoorden, vraag ik wat er blijft van de stelling: de toestand is gewijzigd, de ratio van voor eenigen tijd om een gezant te Eome te laten, bestaat thans niet meerquot; 1) Het wekt daarom eenigszins bevreemding, als wij den heer Dumb ar in de zitting vau 17 November niettegenstaande al het gesprokene hooren beweren : âHet beginsel, dat ik voorop zette, dat de Paus zijne wereldlijke rnacht heeft verloren, en dat daarom een diplomatiek agent bij den Paus geen raison d'etre meerheeft, is eigenlijk door niemand tegengesproken, althans door niemand wederlegd. quot;2)
De opgegeven gezantschapspost is sedert niet meer hersteld. Nederland erkent echter ook het gezant-schapsrecht van den Paus, daar aan het Hof in den Haag een internuntius apostolicus is geaccrediteerd.
De praktijk der volkeren gaat derhalve voort den Paus het actieve, zoowel als het passieve gezant-schapsrecht toe te kennen en aan de pauselijke gezanten denzelfden rang, dien zij vroeger bekleedden, te verleenen.
1
Handelingen blz. 244.
2
j Handelingen blz. 251.
- 190 -
De Heer Dumbar lichtte zijn amendement toe door er op te wijzen, dat de Paus zijne wereldlijke macht had verloren en derhalve slechts kerkelijk Opperhoofd meer was, dat in Nederland, waar scheiding van Kerk en Staal, is aangenomen âeen diplomatieke missiequot; bij een zoodanig opperhoofd niet wel bestaanbaar, ja haast eene ongerijmdheid is.1) Verschillende sprekers, die het amendement ondersteunden, o. a. de heer C r e m e r s en ook de heer Storm van 's Gr r a-venzande, die om andere redenen tegen het amendement stemde) gingen van het beginsel uit, dat, zooals de heer Cremers het formuleerde âmet de wereldlijke macht van den Paus ook alle eigentlijk gezegde diplomatieke betrekkingen vervallenquot; waren *) Terecht sprak de heer de Bieberstein: âde paus is niet teruggebracht tot privaat persoon; zelfs het Italiaansche gouvernement, dat hem beroofde, erkent hem als vorst met gezantschapsrecht. Wij weten dat de gezanten te Rome steeds geaccrediteerd waren bij den Paus als hoofd der geheele Catholiciteit en niet als vorst van een kleinen staat, waarbij noch] zuivere politieke, noch handelsbelangen bestonden, waardoor
') Handelingen der 2' Kamer 1871-72 blz. 115 vlg.
quot;') Handelingen blz. 217-220. De heer Cremers motiveerde zijne meening door het bezigen van het gewone syllogismus, waarvan A r n t z zegt nego majorem. Niet zeer consequent sprak dezelfde beer op blz. 24o ; âDe geachte spreker uit Maastricht (de beer de Bieberstein) verlangt volkomen vrijheid voor het opperhoofd der Catholieke Kerk. Ook ik verlang dit. Hij meent, dat het Opperhoofd souvereine rechten hebben moet. Ik keur dit volkomen goed ., . . De Nederlaudsche Regeering kan zeer goed sonve. reine rechten van den Paus erkennen en daartegen zal ook niemand opkomen â (met bescheidenheid zij bier gevraagd, wat de heer Cremers op blz. 217 jan wèl bedoelde ?) â maar daartoe is het volstrekt niet noodig, dat de missie te Rome blijve bestaan. Wanneer het toch noodig wns, dat eene regeering een gezant had, bij ieder, wiens souvereine rechten zij erkent, dan moesten wij gezanten hebben bij alle mogendheden en alle mogeu lhede i bij ons en dat is niet het geval.quot;
- 191 -
een gezantschap noodig was.1) Met grond mocht de heer van Lynden van San denburg den voorsteller van het amendement toeroepen : âVerklaar mij het feit, dat terwijl vroeger missies zijn opgeheven, zooals te Munchen, te Stuttgart, te Napels, men de missie te Kome heeft behouden ? Was dat, omdat er met den Kerke'ij ken Staat of met het hoofd van dien staat als wereldlijk vorst zooveel punten van aanraking met Nederland waren ? En indien de geachte voorsteller met mij de vraag ontkennend moet beantwoorden, vraag ik wat er blijft van de stelling: de toestand is gewijzigd, de ratio van voor eenigen tijd om een gezant te Rome te laten, bestaat thans niet meerquot; 2) Het wekt daarom eenigszins bevreemding, als wij den heer Dumbar in de zitting van 17 November niettegenstaande al het gesprokene hooren beweren : âHet beginsel, dat ik voorop zette, dat de Paus zijne wereldlijke macht heeft verloren, en dat daarom een diplomatiek agent bij den Paus geen raison d'etre meer heeft, is eigenlijk door niemand tegengesproken, althans door niemand wederlegd. quot;s)
De opgegeven gezantschapspost is sedert niet meer hersteld. Nederland erkent echter ook het gezant-schapsrecht van den Paus, daar aan het Hof in den Haag een internuntius apostolicus is geaccrediteerd.
De praktijk der volkeren gaat derhalve voort den Paus het actieve, zoowel als het passieve gezant-schapsrecht toe te kennen en aan de pauselijke gezanten denzelfden rang, dien zij vroeger bekleedden, te verleenen.
Handelingen blz. 215. Handelingen blz. 244. 3j Handelingen blz. 251.
- .192 -
âWenn noch immer, zegt Bluntschli, nacli den Vorschriften des Wiener Kon gr esses über die Rang-stufen der Gesandten die papstlichen Nuntii auf der höchsten Stufe der Botschafter, die Internuntii auf der zweit-obersten Stufe der bevollmachtigten Gesanten stehen, so erklart sich diess theilweise aus derUeber-lieferung der Sitte, theilweise aber hat die fortgesetzte Uebung denselben Grund wie die Fortdauer souvera-ner Ehren des Papstes selbst d. h. in dem universel-len Charakter und der hohen Würde des Papstthumes und seiner Vertreter.quot; ^
In de praktijk wordt den pauselijken gezanten dooide andere gezanten evenals vroeger de voorrang toegestaan. âNur solche Staten, zegt Ge ff eken, kön-nen also den Legaten und Nuntien den Vortritt wei-gern, welche sich wie die Verein. Staaten darauf be-rufen können, dasz sie jenem Reglement (nl. het Reglement van Weenen van 1815, hetwelk bepaalde: âLe présent reglement n'apportera aucune innovation re-lativementaux représentants du Papequot;) nicht beigetreten sind, thatsachlich aber hat seit dem Sturz der loeltlichen HerrscUaft noch nie eine solche Weigerung seitens eines andern Botschafters statigefunden. quot;2)
') Bluutschli: Kleine Schriften, TI. blz. 251. Blunischli maakt eene vergelijking tusselien de pauselijke Legati en nuntii en de gezanten, door een Sla al gezonden. Dat er onderscheid bestaat behoefde wel geen betooii» Voorop stellende dat «der eigentliche Gesan'envcrkchr zngleich Volker-recht und Völkerpflicht ist; und kein Stat sich deraselben zu entziehen be-reehtigt istquot;, komt hij tot de conclusie, dat de staat wel verplicht is gezanten van den staat te ontvangen, niet echter die van den Paus, en dat de staat aan de ontvangst der laatsten voorwaarden raag verbind.'n. Wanneer men, met ons, de «rrondstelling, waarvan Bluntschli uitgaat, ir twijfel trekt cu meent dat de staat, souverein binnen zijn gebied, stricto jure niet verplicht is gezanten toe te laten, dan zal men ten aanzien der Pauselijke gezanten hetzelfde moeten aannemen en met Bluntschli den staat bevoegd moeten verklaren voorwaarden te stellen aan de ontvangst van legati of nuntii of hen absolute te weigeren.
2) Geffcken: blz. 27.
- 193 -
Steeds worden de pauselijke gezanten als leden van het corps diplomatique aangemerkt: bij alle fees-lijke gelegenheden, waar het corps diplomatique officieel vertegenwoordigd is, worden ook de pauselijke legati en nuntii genoodigd.
De vraag of de pauselijke gezanten als âagents diplomatiquesquot; te beschouwen zijn, is, wel is waar niet uitdrukkelijk, maar toch implicite opgelost in Zuid-Amerika. Het geschiedde in de volgende aangelegenheid, ons door Pradier-Fodéré meegedeeld.1)
De H. Stoel had Mgr. Maria Moncenni, aartsbisschop Van Heliopolis geaccrediteerd als apostolisch gedelegeerde en bevolmachtigd minister bij eenige republieken van Zuid-Amerika en het Corps diplomatique bij de regeering van Chili had dezen pauselijken gezant tot deken gekozen. De bultenlandsche gezanten te Lima resideerende, volgden dit voorbeeld en erkenden dus het diplomatisch karakter van den pauselijken gezant. De leden van het corps diplomatique te Lima hadden den 22 April 1878 eene vergadering belegd ten huize van den gezant van Chili, die tot dusverre wegens anciënniteit hun deken was geweest. Het doel der bijeenkomst was te beraadslagen over de vraag of niet het decanaat aan Mgr. Moncenni moest verleend worden. De meerderheid omhelsde de meening, dat men aan den gezant van den H. Stoel niet den voorrang behoorde toe te kennen boven andere bevolmachtigde ministers of buitengewone gezanten, die zich op anciënniteit konden beroepen; de leden van het corps diplomatique schortten echter hunne beslissing op met het oog op het overlijden van Pius IX. Zij meenden, dat het overlijden van den Paus en de benoeming van een
13
1
Pradier-Fodéré: III § 1200.
- 194 -
opvolger de functies van Mgr. Moncenni deden ophouden en dat er derhalve geen aanleiding bestond om te beraadslagen over eene vraag van rang, welke er van uitging, dat de titularis zijne diplomatieke functies uitoefende. De gezant van Chili ontving de opdracht zich bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken van Peru te vergewissen, of Mgr. Moncenni opnieuw bij de Peruaansche regeering was geaccrediteerd en in welke hoedanigheid. In eene tweede bijeenkomst, den 12 Juli van hetzelfde jaar gehouden, deelde de gezant van Chili aan zijne collega's mede, welke stappen hij gedaan had bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken en welke inlichtingen hij had ingewonnen. Het bleek, dat de nieuwbenoemde Paus Leo XIII wilde, dat Mgr. Moncenni in dezelfde hoedanigheid als te voren zijne functies bij de Peruaansche regeering bleef uitoefenen. De gezant van Chili stelde aan zijne collega's voor, do vraag naar de offlcieele hoedanigheid der gezanten van den H. Stoel na het ophouden der wereldlijke macht van den Paus geheel buiten bespreking te laten en er uitsluitend over te beraadslagen of zij aan Mgr. Moncemi, apostolisch gezant en be-volmachtigd minister het recht toekenden als deken van het corps diplomatique op te treden. De gezanten van Bolivia, Chili, Ecuador, Groot-Brittanje, Honduras en Italië antwoordden in ontkennenden, de gezanten van de Argentijnsche Republiek, van Frankrijk en van San-Salvador in bevestigenden zin. Daar de vraag aldus bij meerderheid van stemmen in ontkennenden zin was opgelost, besloot de gezant van Chili, welke in het decanaat was gehandhaafd, uit eerbied en hoffelijkheid ten aanzien van den H. Stoel en diens waardigen vertegenwoordiger te Lima, aan Mgr. Moncenni den voorrang te verleenen. Dit besluit vond algemeen bij-
- 195 -
val, doch de meerderheid drong erop aan, dat het besluit van het corps diplomatique ten aanzien dei-rechtsvraag in een prooes-verbaal zou geconstateerd worden, ten einde te voorkomen, dat de vrijwillige afstand van den voorrang door den gezant van Chili verleend en door zijne collega's goedgekeurd latei-niet als een antecedent zou beschouwd worden. De Duitsche gezant en die der Vereenigde Staten hebben geen deel genomen aan de bijeenkomst, doch de laatstgenoemde heeft aan de genomen beslissing zijne goedkeuring verleend.
Bij de beraadslaging is het diplomatisch karakter der pauselijke gezanten geen oogenblik in discussie geweest.
De beslissing van het rechtsgeschil over den voorrang is juist, daar art. 4 van het Reglement van Weenen, luidende : âle présent règlement n'ap-portera aucune innovation relativement aux re-présentants du pape,quot; moet geïnterpreteerd worden als handhavende den status quo d. w. z. handhavende den voorrang der nuntii, want deze alleen genoten den voorrang. En Mgr. Moncenni was geen nuntius ^
't Is mij niet bekend, dat er na 1870 voorvallen hebben plaats gehad, waarbij de exterritorialiteitsrech-ten der pauselijke gezanten en hun gevolg ter sprake zijn gekomen ; nog minder die van den Paus zelf,
') Le scrupule, (zegt Pradier-Foderé 111 § 1260) qui avail fatt inteiTomprc la deliberation, lors de la conférence du 22 avril 1878, n'était nnllemeiit fondé; il n'y avait pas lieu d'attendre que Mgr. Moncenni eut été maintenu dans 1'exercicc de ses fonctions, puisqn'ii est de principe que le Saiut-Siége, oü reside le pouvoir, ue meurt pas, et que c'est le Saiut-Sicge qui accrédite par l'organc du pape; par conséquent Ie changement du Souverain Pontile n'emporte point de renouvellement des pouvoirs des ageuts du Saint-Siége.quot;
- 196 -
welke na 1870 hetVaticaan niet meer verlaten heeft, 't Is onwaarschijnlijk, dat de Paus er toe zal besluiten, in het buitenland te reizen of verblijf te houden; in. dit geval echter zal men hem de souvereiniteitsrech-ten niet kunnen weigeren en hem evenmin de onttrekking aan de locale jurisdictie kunnen ontzeggen. Het zou niet aangaan den Paus de privileges te onthouden, die aan zijne dienaren, de gezanten, worden toegestaan.
Kechteri. beslissingen. j n ^wee rechtsgedingen na 1870 is de vraag, of de Paus souverein is, aan het oordeel der rechters onderworpen geworden ; in het eene voor de Italiaansche, in het andere voorde Fransche rechtbanken. De vraag is door de eerste ontkennend, door de laatste bevestigend beantwoord.
De zaak aan het oordeel der Italiaansche rechters onderworpen was de volgende : Martinucci, tijdelijk als architect der pauselijke paleizen werkzaam geweest, werd in Maart 1879 ontslagen en vorderde daarop van den pauselijken Majordomus, Mgr. Theodoli, ruim 15.000 Lires voor de inrichting en leiding der brandweer van het Vaticaan, en van den pauselijken Staatssecretaris, Mgr. Jacobini, ruim 17.000 Lires voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden ter gelegenheid van het conclave en andere diensten, door hem als architect van het Vaticaan verricht. ^ In Juli 1882 daagde Martinucci Mgr. Theodoli en Z. Eminentie Car-dinaal Jacobini voor de civiele en correctioneele rechtbank van Rome tot betaling van genoemde sommen. De rechtbank verwierp bij vonnis van 16 Aug. 1882, zoowel de exceptie van incompetentie door de gedaagden
2) Brusa; Revue de Druit intern. 1883. blz. 114 ; Geffckeu: blz. 35.
- 197 -
voorgesteld, als het door den eischer gevraagde getuigenverhoor, ten einde bepaalde punten door getuigenbewijs te staven. Bij gebrek aan bewijs werd den eischer zijne vordering ontzegd. Het Hof van Appel bevestigde dit vonnis in alle opzichten bij arrest van 9 November 1882.
De redeneering, waarop het vonnis is gebaseerd. Iaat zich in het kort aldus samenvatten. De Paus heeft door de inlijving van den Kerkelijken Staat bij het koninkrijk Italië zijne vroegere politieke souvereiniteit verloren en heeft dus geene jurisdictie meer in zake wereldlijk publiek- of privaatrecht. De Waarborgen wet, welke hem ter uitoefening zijne kerkelijke waardigheid, persoonlijke immuniteiten verleende, heeft hem slechts eene eeresouvereiniteit (sovranita onorifica) gelaten. De italiaansche rechters zijn derhalve competent te oor-deelen over âinteressi civili in confronto di colui che sovrintende ai civili ed economici rapporti dell' azien-da pontificia.'' Men mag het vonnis niet verwarren met de ten uitoverleggiug daarvan, welke verhinderd kan worden door een feitelijk beletsel, wat zich met het oog op die eeresouvereiniteit niet uit den weg laat ruimen.
âLes tribunaux du royaume, zoo drukt Br us a het uit, sont done pourvus, d'après les arrets de première et de seconde instance, de la juridiction nécessaire pour connaitre des faits et actes du pape ou de ses ministres résidant au Vatican, lors même que ces faits ou actes se sont produits au Vatican même.quot; l)
Het vonnis der italiaansche rechtscolleges wordt
') Brusa in de Revue de droit iutem 1883 blz. 115. N.-mr aanleiding der vordering van Mavtinucci benoemde Paus Leo XUl dooreen âuio/u propriaquot; vau 25 .Mei 1882 in het Vatieaan twee reehterlijke eominissies, beiden uit drie door bem benoemde prelaten bestaande. Dit gaf Brusa aanleiding totket sehrijven van »La juridiction du Vatieanquot; in de Revue van 1883.
- 198 -
door vele schrijvers ten heftigste bestreden,') niet alleen van het standpunt van het volkenrecht, maar ook met het oog op de bepalingen der Waarborgen-wet, waarop de rechters uitsluitend het oog hadden gericht.
In zooverre het vonnis te beschouwen is als eene toepassing of interpretatie eener nationale wet, nl. de wet van 13 Mei 1871, heeft het ten aanzien van dit onderwerp weinig waarde en wij zullen derhalve over de juridische constructie ervan in geen nader onderzoek treden.
Het fransche vonnis, waarbij de souvereiniteit van den Paus ter sprake is gekomen, is een vonnis dei-rechtbank van Montdidier van 4 Februari van dit jaar in een erfenis-rechtsgeding tusschen den Paus en de erfgenamen van de markiezin De Plessis-Bellière, welke haar vermogen aan den Paus had vermaakt. âBij dit vonnis wordt de rechtsbevoegdheid van den H. Stoel erkend en verklaard, dat de Paus, zelfs na de gebeurtenissen van 1870 niet opgehouden heeft souverein te zijn. Hij is dus bevoegd erfmakingen in Frankrijk te aanvaarden op dezelfde voorwaarden als andere vreemde souve-reinen, behoudens de toestemming van de Fransche regeering. 1)
1
] Nieuws van den Dag, van 6 Febr. 1892, 3' blad; Algemeen Handelsblad van 11 Febr. 1892, 2° Blad.
Hoofdstuk VII
SCHEPEN.
Wanneer de schepen, hunne bestemming volgend, vrijheid dei- open zee de eindelooze golven der zee doorklieven, bewegen zij zich meestal gedurende langen tijd in streken, die niet aan eenig staatsgezag onderworpen zijn. Sedert de vrijheid der zee een onbetwiste grondstelling van het volkenrecht is geworden, is geen staat bevoegd, de uitsluitende heerschappij te eischen over andere deelen der zee, dan die onmiddellijk zijne kusten bespoelen.
De thans als onbetwist gequaliflceerde leer, is het in vroegere eeuwen allerminst geweest. quot;Wel heeft zich nimmer eene natie opgeworpen, als âdomina maris'',
zooals de Eomeinen zich âtotius terrae dominiquot; noemden, doch steeds zijn er vroeger volkeren geweest,
die een gedeelte der vrije zee aan dat begrip wilden onttrekken en zich daarop eene heerschappij, die alle andere naties uitsloot, aanmatigden. Bekend zijn in de oude geschiedenis de pretenties der Carthagers en dei-Romeinen. En in de middeleeuwen deden machtige han-delsstaten gelijksoortige aanspraken gelden. Portugal noemde zich beheerscher van den Atlantischen Oceaan.
Het langste echter heeft het ter zee machtige Engeland het begrip der vrijheid van de zee trachten in te korten. Het eerste boek, dat stelselmatig de vrijheid der zee verdedigde, was dat van onzen beroemden land-
- 200 -
genoot Hugo de Groot: âdo mari libero.quot; Ter weerlegging hiervan schreef de Engelschman S e 1 d e n zijn werk : âde mari clauso.''Al valt het niet te ontkennen, dat dit laatste werk een meesterlijk pleidooi is voor de verdedigde stelling, en in vele opzichten wetenschappelijk boven dat van de G-r oo t staat, toch zegevierde de opinie van dezen laatste en werd zij in de praktijk algemeen erkend. ^ Wat onder de open zee, die aan nie-
^ quot;Waarop berust het beginsel ; de open zee is vrij ? //Die Antworten auf diese Frage suchen es in sehr verschiedeuer Weise zu reehtfertigen. Einigc Schriftsteller meinen, das Meer, als Element, könne nicht der exclnsiven Herrschaft irgend jemands unterworfen sein und bilde schon seinem natür-lichen Wesen nach und vou Natur ein Gemeingut aller Völker. Andere wieder weisen namentlich auf die Unmöglichkeit das ofiFene Meer zu besiedeln und die Grenzen der Staaten auf demselbeu genau zu fixiren, hin. üiese Erklarungsversuche sind indessen allzumal wenig iiberzeugend. Bei der hohen Entwickelung der modernen Kriegstechnik und Vertheidigungskunst imter-liegt es gar keinem Zweifel, dass auch umfassende Partien der Meere, ja selbst der Oceaue von den Staten faktisch occupirt gehalten werdeü können. Perner steht nichts dem entgegen, dass, weun die Besitzergreifung einmal realisirt ist, auch die Grcuzen dersclbcr uicht minder genau, als die trockeuen Grenzlinien gezogen werden können. Als der alleinige Rechts-grund der Freiheit des ofleuen Meeres ist die üneutbehrliehkeit derselben zu Entwickelung der Internationalen Unternehmungen uid Geschafte zu statuiren. Das Princip der Meeresfreiheit lliesst ans der Indentitiit und Solidaritat der Interessen saramtlicher Nationen. Nicht die Natur hat es geschaffen, sondern vielmehr die allen Vólkern geworden Erkentuiss, dass das Meer ein Band der Verbindung zwischen ihnen Allen ist ; dass von seiner Freiheit ihre Wohlfahrt, ihre Kraftentfaltung, ihre gesammte Stel-lung als Glieder der Volkergcsellschaft abhangt. Das ist es, weshalb ieder Angriff auf unveriiusserliche Hechte der Völker, ein Verbrechen gegen allen Staten ist, und die allgemeinc Gegenwehr der Letzteren gegen eine solche llechtsverletzung vollkommen legal erscheint. Die modernen Juristen und Gesetzgebungen erkennen einstimmig an, dass das Meer frei sei und kein Volk Eigenthum daran haben könne. Heutzutage gelten nicht uur die Oceane, sondern auch ihre an das offene Meer stossende Partien fiir frei, und allgemein zugiinglich, selbst weun sic von dem Gebiete eines Stac.tes ein-gesclilossen sind. Einige praktisch concedirte Modifikationen dieses Prineips lassen sich nur aus dem Sicherheitsbedürfniss des . Küstenlandes reehtfertigen, Nach modernen Anschauungen ist es mithin unzulassig die Territorial-hoheit des Staates über die angreuzende Meere so weit hin auszudehnen,
- 201 -
raands gezag onderworpen is, moet verstaan worden, is het gemakkelijkst negatief te bepalen nl. alle deelen der zee, die niet aan het gezag van een bepaalden staat onderworpen zijn. Want ontkennen de schrijvers de mogelijkheid de open zee te beheerschen, omdat occupatie daarvan niet mogelijk is, van den anderen kant komen allen tot de slo'tsom, dat bepaalde deelen der zee zeer wèl onder de uitsluitende heerschappij van een enkelen staat kunnen staan ; zelfs de grootste verdediger der vrijheid van de zee, Hugo de Grroot, Jaat zich in dezen zin uit: âvidetur imperium in maris portionem acquiri posse ratione personarum et ratione rei.. quot;Welke nu die deelen zijn, waarover de heerschappij aan een bepaalden staat toekomt, behooren wij hier te onderzoeken. Algemeen wordt door de praktijk en door de schrijvers over volkenrecht aangenomen, dat binnenzeeën en kustzeeën onderworpen zijn aan het staatsgezag van het betreffende land. Doch al heerscht er volkomen eenstemmigheid ten aanzien van het beginsel zelf, in de toepassing valt niet op zooveel eenstemmigheid te wijzen. De meeningen loepen vooral daarover uiteen, wat te verstaan is onder de kustzee: hoever het gebied zich uitstrekt, waarover de staat gezag heeft. G- r o t i-u s meent dat de kustzee zich zoover uitstrekt, als van het land af kan verdedigd worden. Bijnkers-hoek drukt zich aldus uit: âterrae potestas flnitur ubi finitur armorum vis.quot; Valin meent dat de kustzee zich uitstrekt zoover totdat men geen grond
diiss den betrcffenden Wasserllachcn der Charakter des otFenen Meeres entzo-gen werden wiirde. Von diesein Gesichtspunkte aus entbehrten die Praten-sioneu Schwedens auf die Ostsee, die als eine Verbindung mit dem Oceon stehend, für immer allen Staten frei zuganglich bleiben mnsz, eines zurei-
chenden Grundes..... I nbegriindet sind die Aspirationen der Englander
iib er ibre Küstengewüsser (narrow seas).quot; F. von Martens I § 97.
- 202 -
meer peilen kan. Dit beginsel ontsnapt aan iedere toepassing. Want wat is eigenlijk âle fond de la merquot; waarvan hij spreekt? quot;Welke is de minimum diepte, die bij steile kusten voor afbakening tot maatstaf zal moeten genomen worden ?
In sommige kustzeeën is de diepzee eerst op 40 mijlen afstand van het strand te vinden,bij andere vlak bij de kust. Dit stelsel zou derhalve alle uniformiteit missen : het zou nu eens leiden tot buitensporige uitbreiding dei-kustzee, dan weer tot te groote inkrimping van het begrip, om aan het doel, waartoe den staat over de kustzee gezag wordt toegekend, te beantwoorden. ') R e ij n e v a 1 breidt de kustzee uit, âa tout ce que peut embrasser la vue k partir des cótes, c-a-d. jusqu'a l'horizon réel.quot; Deze grens is evenzeer onaannemelijk, daar hier alles zou afhangen van de physieke en ma-terieele gesteldheid, waarin zich de waarnemer bevindt. 8) Calvo spreekt aldus: âLa nature des choses veut, que le droit s'étend jusqu'au point oü son existence se justifie et qu'il s'arrête la oü cessent la crainte d'un danger sérieux, l'utilité pratique et la possi-
bilité de faire sentir Taction défensive.....La mer
territoriale ne peut comprendre 1'espace susceptible d'etre défendu k partir de la terre ferme ou de servir de champ d'attaque contre la cóte environnante.quot; Hij werkt dit beginsel door de Groot en B ij n k e r s h o e k verkondigd, aldus uit: âon a généralement donné a eet espace une étendue de 3 milles. C'est une règle abso-lue, qui doit être observée et respectée toutes les fois, que les traités n'en ont pas établie d'autres .... Deux ou plusieurs nations sont libres de modifier conventio-
') Aangehaald bij Calvo: Droit int. 1. 315. «) Idem.
- 203 -
nellement le principe, de le retreindre ou de l'eten. dre, maïs ce sont des positions qui les lient entre alles dans lenrs relations réciproques et qu'elles ne puissent imposer a d'autres états.'' ')
De regel, door de genoemde Hollandsche rechtsgeleerden aangegeven, is bij alle latere schrijvers het leidende beginsel gebleven. Geen occupatie, geen bezit, dan hetgeen geoccupeerd is, hetgeen van de kust uit kan verdedigd worden. Doch hoe dit beginsel in toepassing te brengen ? Daarvoor hebben vele schrijvers o. a. Kluber, Oppenheim, Hübner, Vatte 1, Galliani, Az uni1) de grootste draagwijdte van het geschut als maatstaf aangenomen. Andere nemen een bepaalden afstand aan : Bald us, 40 mijlen van de kust. Zoo ook Boden en Targa; Loccenius twee dagreizen : weer anderen 100 mijlen van de kust. 2) De moderne schrijvers nemen bijna eenstemmig den afstand van 3 Engelsche zeemijlen als maatstaf aan.3) Inderdaad is de draagwijdte van het geschut een zeer onvaste en onzekere maatstaf. Naar de draagwijdte van welk geschut moet de afstand berekend worden ? Van het grootste geschut, dat een bepaalde staat heeft? Van het geschut, dat zich werkelijk op de kust-batterijen bevindt ? of van het geschut, dat ergens b.v. bij eene andere natie bestaat ? Uniformiteit van regeling zou anders niet te verkrijgen zijn, terwijl ook omgekeerd bij iedere aanschaffing van verder dragend
1
') Azuni: Droit, marit. de TEurope. T. I. Chap. 2, Art. 2.
2
) Te vinden bij Azuni: T. I, Chap 2, Art. 2.
3
) Hautefeuille: Droit malquot;. Titre I, seet, 1 , Attlmaijr: Seerecht I, § l;Phillimore: III, 8, vol, L, § 19S ; H e ff t er § 75 ; Bluntsehli § 302 ; de Cuasy F. von Martens I § 99; Lawrence, Pradier-Fodere II lt; 633;
- 204 -
geschut het staatsgebied aan de zeezijde wordt uitgebreid. De steeds vooruitgaande ontwikkeling in de verbeteringen van het artilleriegeschut, maken de grenslijn onvast en steeds verder zeewaarts teruggeschoven.1) Men mag wel als volkenrechtelijk erkend aannemen, dat de kustzee zich 3 Engelsche zeemijlen ver uitstrekt. In tal van tractaten en wetgevingen is deze grens aangenomen. 2) âDie Mehrheit des dies bezüglichen Staatsvertrage, zegt von Martens, wie auch die Ma-joritat der Volkenrechtsschriftsteller nimmt als aus-serste Grenze des Küstenmeeres eine Linie an, die man in einer Distanz von 3 Englischen Meilen langs der Maximalgrenze des üfers wahrend der Ebbe gezogen denkt. Diese Begrenzung ist neuerdings auch von der Gesetzgebung einiger west-Europaeischen Staaten recipirt worden. So beschrankt eine eng-lische âTerritorial. Waters Jurisdiction act.'' van 1878 die Ufer - Jurisdiction des Königveiches auf eine Ent-fernung von 3 englische Meilen.quot; 3)
De berekening dezer drie zeemijlen geschiedt van af het strand bij laag water en onder zeemijlen worden algemeen verstaan Engelsche mijlen van 60 in den graad. Algemeen is de berekening bij Engelsche mijlen gebruikelijk en men mag veronderstellen dat de schrijvers, die zonder nadere aanduiding van 3 mijlen spreken, engelsche mijlen bedoelen. In de traktaten en ook bij vele schrijvers is dit uitdrukkelijk vermeld 4J Attlmayr meent als uitgangspunt aan âdie Grenz-linie der Schifïbarkeit für grössere Fahrzeuge. Die Tie-
1
) Zie noot blz. 245
2
Men zie de C u s s y I, II § 40 die een opsomming daarvan geeft.
3
) F. von Martens I § 99.
Dezelfde afstand is aangenomen in de wet van 15 Juni 1883 Stbl. 73.
4
) Zoo o. a. in de bovengemelde wet tot bekrachtiging van de internationale overeenkomst regelende de politie der visscherij in de Noordzee.
- 205 -
fenlinie langs des Ufers wo die Schiffbarkeit für die Schiffe weiter Fahrt beginnt, meent hij, markirt daher auch die Grenze der Territorial Gewassern gegen die Landseite. Das seichte Wasser innerhalb der be-sagten Linie ist wie festes Territorium zu betrachten,
denn es kann ohne besondere Schwierigkeiten zur Anlage permanenter Vertheidigungsobjecte geeignet gemacht werdenquot; ^ Dit laatste bewijst zeer zeker niets. Wat vermag de menschelijke arbeid al niet ?
Is de zee niet meer zee, als menschelijke krachten haar af kunnen dammen en een gedeelte droogleggen?
Wat is bovendien de grens door Attlmayr aangegeven ? Wat zijn âgrüssere Fahrzeuge ?quot; Waar begint de âTiefenlinie ?quot;
Moet deze grens bij zacht glooiende kusten niet tot groote onzekerheid aanleiding geven ? De meening van Attlmayr vindt geen steun noch in de praktijk, noch bij de schrijvers, die bijna eenstemmig het strand bij laag water als uitgangspunt aannemen. 1)
Onbetwist is de stelling, dat binnenzeëen, havens Binnenzeeën, enz. tot het territoor van den staat behooren. De staten, in vroegere eeuwen steeds belust de uitsluitende heerschappij over gedeelten der open zee tot zich te trekken, konden aan derde staten niet het recht ontzeggen geheel door hun landgebied omsloten zeeën als territoor te beschouwen. 2) Als voorbeeld van eene binnenzee Wordt door de meeste schrijvers de Zuiderzee genoemd.
Hautefeuille geeft deze definitie van eene binnenzee.
1
) Pradier-Fodéré II § 633.
2
3) K 1 ü b e i-, t. a. pl.; T w i s s, t. a. pi. O p p e n li e i m : t. a. pi.;
A z u n i, t. a. pl, H a u t e f e u i 11 e t. a. pl. Heffter§ 6. P h i II i-more, t. a. pl. ; F. vou Martens: I, § 100.
- 206 -
âMers fermées sont... les portions de la mer s'avan. f-ant profondément dans les terres et ne communiquant avec les parties libres que par un détroit assez reserré pour être commandé par les forces des deux rives. II faut de plus pour qu'une mer soit reéllement fermée que tous ses rivages et les deux cötes de son entrée soient soumis au même souverain. Lorsque ces deux conditions sont réunies une pareille mer, quelque soit son étendue, est reputée territoriale : elle est la proprié-té exclusive de la nation qui règne sur ses rives. Mais du moment oü le littoral appartient a plusieurs souverains, aucun d'eux, pas même le propriétaire des deux bords du détroit, n'a le pouvoir de fermer lo passage.quot; ^
Grotius stelt als eisch voor binnenzee, dat zij ânon ita magna sit, ut non cum terris comparata por-tio earum videri possit.quot; Gr. F. de Martens wil, dat het gedeelte, dat de binnenzee met de open zee verbindt, zoo smal zij, dat het de dubbele draagwijdte van het geschut niet overschrijdt. Terecht keurt P h i 1-limore deze beide beperkingen af. De beperking van de Groot is daarenbo ven zeer vaag. Het komt er alleen op aan, of de natie, die de omliggende landstreken bezit,
- 207 -
feitelijk de macht heeft de alleenheerschappij over het omsloten zeegebied voor zich te eischen. Niet alleen heeft de volkenrechtelijke praktijk de eigenlijke binnenzeeën als territoor aangemerkt, maar het begrip zelfs uitgebreid tot de zoogenaamde ânarrow seasquot;,
waarvan de âzeeën tusschen Engeland, Schotland en Ierland een voorbeeld opleveren.Het volkenrecht neemt aan,
dat alle zeeën, niet dienende voor het internationaal verkeer, ouder de uitsluitende heerschappij van den be-treffenden staat staan.
Ook golven en baaien zijn deel van het territoor van een staat. Volgens algemeen aangenomen beginsel is de lijn tusschen de twee meest vooruitstekende punten van het land de grenslijn van de golf of baai. ^
De opgenoemde gedeelten der zee, staan evenals 8taftec^enetUtoriaie het landgebied, onder het imperium van den staat. wa*mm-âKraft seiner Autoritat über die Küstengewasser un-terwirft der Uferstaat seinen Gesetzen, Gerichten und Verfügungen, alles was sich in diesem Bereich befin-det, und ereignet. Alle Zoll-und Polizeiverordnungen die der Staat erlasst, sind für die in dieses Gebiet kommenden Auslander verbindlich ; ihre in den Hafen dieses States begangenen Delicto werden nach seinen Gesetzen verfolgt und bestraft. Alle von ihnen unter einander oder mit Inlandern wahrend des Aufenthalts in den staatlichen Gewassern eingegangene Rechtsge-schafte competiren principiell den örtlichen Gerichten â
kurz, für die Subjecte und ihre Rechtsverhaltnisse sind die Gezetzen des Staates ganz ebenso verbindlich, wie überhaupt alle Landesgesetzen für sammtliche Auslander, die sich auf seinem Gebiet beflnden.quot; 2) - Deze
') Vergelijke Art. 2 der conventie goedgekeurd door de wet van 15 Juni 1883 Stbl. 73.
') F. von Martens I § 99.
- 208 -
uitspraak van von Martens is de logische gevolgtrekking uit het erkende imperium van den staat over de territoriale wateren. Zoover als zijn imperium gaat, zoover ook strekt zijne jurisdictie zich uit. Pasquale Fiore kan zich echter met deze conclusie niet vereenigen. âSi l'on donnait la mème extension a la juridiction pénale, il s'en suivrait que la loi pénale de l'état limitrophe devrait être applicable amp; tous les navires étrangers qui tra ver sent les eaux comprises dans la frontière maritime de eet état, ce qui n'aurait au-cune raison d'etre. Le besoin de la protection juridi-que ou de l'ordre intérieur qui sert a justiüer la pu-nition de l'individu, qui, en portant atteinte k un droit sauvegardé par la loi, alarme les citoyens hon-nêtes et trouble l'ordre social, ne se rencontre pas dans le cas oü il s'agit de délits qui en raison de la distance de la cöte oü ils ont été commis, n'ont pu causer aucune alarme. II nous paraltrait dès lors a propos de consacrer la regie que dans le cas oü un délit aurait été commis sur les eaux territoriales d'un état mais è, une distance sufflsante pour exclure toute pos-sibilité pour les habitants de la cöte d'etre témoins oculaires du fait repréhensible, ce délit relativement a la répression, devrait être considéré comme commis en pleine mer. Dès lors 1'autorité de police de l'état limitrophe s'étendrait certainement sur les ports, sulles plages, sur les parties de la mer contigues au rivage, sur lesquelles il serait possible de discerner de la plage les faits délictueux de facon èi pouvoir en témoigner. Les délits commis hors de ces limites devraient être considérés, relativement aux conséquences pénales, comme commis en pleine mer.'' i)
') P a 3 q. Fiore; traité de droit penal iut. I, 1, § 11.
- 209 -
Fiore schijnt meer het oog gehad te hebben op het jus constituendum, dan op het jus constitutum. Voor dit laatste kan zijne opinie zeer zeker niet gelden. Principieel moet Fiore toegeven, dat de staat wel jurisdictie heeft over de territoriale wateren. Hij wil echter het aantal der gevallen, waarin de staat zich zal inlaten met feiten aan boord gepleegd,inkrimpen. Hij wil daartoe voor de strafrechtelijke jurisdictie van den oeverstaat een grens stellen, die echter niet van onzekerheid is vrij te pleiten. Wat toch is een âdistance suffisante,quot; waarop hij doelt? Waarom voor de strafrechtelijke jurisdictie eene engere grens stellen dan voor het imperium van den staat? Welke zoo gewichtige reden kan er bestaan om eene grens te stellen, afwijkende van die door het volkenrecht algemeen erkend? Waarom aanleiding geven tot verwikkelingen, wellicht ook tot straffeloosheid van feiten aan boord gepleegd tusschen de volkenrechtelijke en de door Fiore aanbevolen grens? Buitenlandsche schepen, zoo zal men zeggen, naar een vreemd land zeilende en op die reis onze territoriale wateren aandoende, verstoren onze rechtsorde niet, wanneer aan boord een delict wordt gepleegd. Vooreerst zij opgemerkt, dat de vaart thans zelden door de territoriale wateren geschiedt, maar door de volle zee, vooral nu de scheepsbouwkunst belangrijke vorderingen heeft gemaakt en de nautische kennis vermeerderd, de nautische instrumenten verbeterd zijn. Doch, zoo onze staat niets van het delict merkt, zal het, juist omdat het onbekend is, ook onver-volgd blijven. Dit behoeft daarom geen reden te zijn om de competentie van onzen staat uit te sluiten. Onze staat kan zich het feit aantrekken, als het hem bekend wordt, doch daarmee is niet gezegd, dat hij alleen, met uitsluiting van ieder andere staat, daartoe
- 210 -
bevoegd is. Wanneer twee onderdanen van een nabu-rigen staat een afgelegen hoekje aan deze zijde onzer grenzen uitkiezen, en daar, zonder dat iemand er iets van merkt, dnelleeren en zich daarna weer verwijderen , zal dan onze staat daarom incompetent zijn over dat feit te oordeelen ? Zal zijne jurisdictie zijn gesloten, âparee qu'il n'alarme pas les citoyens hon-nêtes?quot; De meening van Fiore vindt geen steun bij andere schrijvers en evenmin in de praktijk van het volkenrecht. Nergens vindt men naast de volkenrechtelijke grens gewag gemaakt van eene afzonderlijke jurisdictie-grens.
Zou men het watergebied van een staat in zee moeten afbakenen, dan zou men eene onregelmatige gebroken, en aan de kustlijn gelijkvormige, en daarmee paralel loopende, lijn verkrijgen. Het kan wel zijn, dat het zeer moeilijk is juist daardoor van een gegeven punt te zeggen, of het zich al dan niet binnen de territoriale wateren bevindt.
P r a d i e r-F o d é r é zegt daarom het volgende: â Com-me les cötes de la mer ne présentent pas une ligne droite et régulière, mais sont au contraire presque toujours coupés de baies, de caps etc., Ie domaine maritime ne peut être mesuré de chacun des points du rivage; mais dans la pratique on est convenu de tirer sur mer une ligne Active h. la distance conve-nable des cotes, et qui doit être considérée comme la frontière maritime. Les navires qui se trouvent entre cette ligne, dite ligne de respect, et la terre, sont dits être dans les eaux de l'état dont cette ligne imaginaire limite les droits de propriété, de souveraineté et de juridiction.quot; ^ Als men met deze meening meegaat is
l) Pradier-Fodéré II § 1)34.
- 211 -
wederom de grens aan groote onvastheid prijs gegeven.
Waar toch moet die âligne de respectquot; getrokken worden? Het is niet wèl mogelijk eene rechte lijn als grens aan te nemen, indien de kust niet eveneens eene rechte lijn vormt, wil niet de afstand op sommige plaatsen te groot, op andere weer te gering zijn. M. i.
kan de regelmatigheid der grenslijn geen reden zijn om af te wijken van den gestelden regel, te meer nog daar een geheel rechte grenslijn wel nimmer te verkrijgen zal zijn. Ook te land vormt de grenslijn soms de grilligste tochten en evenmin als hier, is voor de zeezijde eene afwijking gerechtvaardigd.
De gedeelten der zee nu, â en wel de grootste gedeelten â die niet vallen onder de territoriale wateren, worden als open zee aangemerkt. Deze staat open voorde scheepvaart van iedereen: iedereen mag er visschen enz ; niemand kan er eenig gezag uitoefenen : 't is een quot;So,,ip i3 tei,ritoovquot; territorium nullius.
Alles wat zich daar ter plaatse bevindt, bevindt zich op een territoor, aan niemands gezag onderworpen. Eene groote leemte ontstaat hierdoor in het e strafrecht. Wanneer aan boord van een schip in volle |
zee een delict gepleegd wordt, geschiedt dit op een aan niemands gezag onderworpen, gebied. Moet zulk een delict nu straffeloos blijven ? Om de consequen.
ties, die het begrip âterritorium nulliusquot; met zich brengt, te voorkomen, hebben reeds sinds eeuwen de beschaafde naties zich bediend van een rechtsüctie:
âSchip is territoor.quot; De beteekenis dezer fictie is deze,
dat het schip ten aanzien van voorvallen aan boord in volle zee, wordt geacht nooit het territoor van den staat,
waar het thuis behoort, te hebben verlaten; het schip wordt beschouwd als een drijvend territoor, als een voortzetting van het territoor van den betreffenden staat.
- 212 -
Door deze fictie wordt geen inbreuk gemaakt op de erkende vrijheid van de zee. De staat, wiens schip zich op een gegeven oogenblik in volle zee bevindt, matigt zich geen gezag aan over een deel der open zee. Alleen utilitatis causa beschouwt hij zijn schip, als zijn territoor ten aanzien der aan boord voorgekomen handelingen en voorvallen.
Alleen ten dezen aanzien wil hij het schip beschouwen als had het nooit zijn gebied verlaten. Van collisie met de rechten van andere staten kan geen sprake zijn, daar zich de staat geen rechten aanmatigt op het territorium nullius. De fictie, dat het schip territoor is maakt even weinig inbreuk op de vrijheid der zee, als het feit, dat schip A zich niet juist daar ter plaatse kan bevinden, waar schip B zich bevindt ? Of zal men er een inbreuk op de vrijheid der zee in zien, als een schip de zee doorklieft en de ruimte door dit schip ingenomen natuurlijk niet meer open staat voor een ander schip ?
Is de scheepvaart^daarom niet meer vrij ? Is een andere staat in eenig recht verkort, als een staat zijne schepen in volle zee als zijn voortgezet territoor beschouwt ? Steeds verder zeilend, beslaat het schip slechts een oogenblik een gedeelte, een punt der onmetelijke zee: de ruimte door het schip ingenomen verliest zich in de eindelooze grootheid der wereldzee. En die ruimte wordt niet eens voortdurend, maar slechts tijdelijk ingenomen en straks sluiten zich de golven achter het schip, niets, dan gedurende een korte poos een streep wit schuim, achterlatende van de momentane inbeslagneming van dat stipje der onmetelijke zee.
Zoowel in de praktijk als door de schrijvers is het adagium: âschip is territoorquot; erkend; welteverstaan voor schepen in volle zee : schepen, zich bevindende
â 213 â
op een territorium nullius. Tot dusver niet de minste moeielijkheid: tot hiertoe heerscht er volkomen eenstemmigheid.
Maar wat, zoodra de schepen de volle zee verlaten, de territoriale wateren of havens van een staat aandoen? Is dan het adagium: âschip is territoorquot; nog doorvoerhaar ? Zijn feiten aan boord van een schip, in dit geval verkeerende, nog onderworpen aan de jurisdictie van den staat waartoe het behoort, of is nu wellicht de staat, wiens territoriale wateren het geldt,
bevoegd, zijne jurisdictie te doen gelden? m. a. w.
moet de volkenrechtelijke fictie ophouden zoodra het schip de open zee verlaat? Omtrent deze vraag heerscht geen volkomen overeenstemming. Er zijn schrijvers,
die het adagium : âschip is territoorquot; steeds willen doorvoeren, onverschillig waar zich het schip bevindt. Anderen wederom willen het beginsel eenigszins beperken}
terwijl weer een derde categorie van schrijvers meent een onderscheid te moeten maken tusschen private en publieke, tusschen oorlogsschepen en handelsvaartuigen.
De laatstgenoemde groep van schrijvers is verreweg de talrijkste. De terminologie, waarvan zij zich bij het onderscheiding dei-maken van eene onderscheiding bedienen, is echter niet sdleIquot;:quot;'
altijd even juist. Sommigen onderscheiden tusschen koopvaardij- en oorlogsschepen. Deze indeeling dei-zeeschepen is onvolledig. Er zijn vaartuigen, die noch onder de eene, noch onder de andere groep vallen en hoe dan met het oog op het onderhavige vraagstuk ten aanzien van dezen te beslissen ? Ik behoef slechts te wijzen op pleiziervaartuigen, op schepen uitsluitend bestemd tot het afhalen van vreemde vorsten of gezanten : zelfs de visschersvaartuigen zijn moeielijk onder een der beide afdeelingen te groepeeren. Het vei'-
- 214 -
wijt van onvolledigheid kan niet tegengeworpen worden aan hen die onderscheiden tusschen schepen, aan den staat toebehoorende, eenerzijds en alle andere vaartuigen anderzijds. Doch is zij bruikbaar voor de hier te behandelen vraag ? Bij de onderscheiding hadden de schrijvers vooral het oog op oorlogsschepen : de schepen, eigendom van den staat zijn meestal oorlogsvaartuigen. Doch wanneer een staat goedvindt zelf koopvaardijschepen in de vaart te brengen b. v. tot vervoer der voor zijne rekening gecultiveerde gewassen of der voortbrengselen der staatsmijnen, zal dan de omstandigheid, dat niet een particulier, maar de staat eigenaar is van het vaartuig, grond opleveren om dit op eenen anderen voet te behandelen dan ieder ander koopvaardijschip?
We vinden nog eene onderscheiding vermeld tusschen private en publieke schepen : onder deze laatsten moeten die schepen worden verstaan, die een publiekrechtelijk karakter dragen, hetzij door het schip zelf, hetzij door de bestemming. Aan de laatste categorie wordt dan exterritorialiteit toegekend, aan de eerste niet.
Al is de terminologie der schrijvers niet altijd even correct, omtrent de zaak zelve heerscht in het alge. meen tamelijk veel overeenstemming. Gemakshalve zullen wij met de meeste schrijvers blijven spreken van oorlogsschepen en koopvaardijschepen. Daarmee zijn dan de voornaamste en meest voorkomende onder-afdeelingen van de beide groepen, waarvan de eene wel, de andere niet als territoor moet beschouwd worden, opgenoemd. Voor de schepen, niet-onder deze tweeledige onderscheiding vallende, zal afzónderlijk onderzocht worden, met welke van beiden ze moeten gelijk gesteld worden.
Volkomen eenstemmigheid heerscht er, zoowel bij
â 215 â
de schrijvers, als in de praktijk, daarover, dat het Ooviogsschepen. vreemde oorlogsschip als vreemd territoor is te beschouwen, onverschillig of het zich in volle zee of in territoriale wateren of havens bevindt.
Wat is een oorlogsschip ? In de praktijk zal de vraag wel tot geen moeielijkheden aanleiding geven. Doch in theorie is het niet zoo gemakkelijk te zeggen, wat een oorlogsschip van een ander vaartuig onderscheidt.
Is het de bestemming van het schip ? Of is het voeren van de oorlogsvlag beslissend ? Of moet meer op de bewapening en bemanning gelet worden?
Ortolan zegt: âles preuves de la nationalité et du caractère d'un batiment de guerre sont dans le pavilion et dans la flamme, qu'il fait battre h sa corne et au haut de ses mats; dans l'attestation de son commandant, donnée au besoin sur sa parole d'honneur. Le pavilion et la flamme sont les indices visibles, mais dans certains cas, on n'est tenu d'y ajou-ter foi que lorsqu'ils ont été appuyés d'un coup de canon (qu'on appelle coup d'assurance ou de salut.quot;1)
Calvo meent dat de verklaring van den Commandant van elk ander bewijs verschoont. 2) De meeste schrijvers hebben hierbij het oog op een oorlogsschip in volle zee, dat het recht heeft elk onderzoek te weigeren en dat op bovengemelde wijze zijne hoedanigheid moet legitimeeren. Zal hetzelfde ook moeten gelden in de territoriale wateren en de havens van een staat? Het voeren van de oorlogsvlag kan alleen niet beslissend zijn. Iedere staat immers bepaalt, welke schepen bevoegd zijn zijne handels-of oorlogsvlag te voeren.
âDarf ein Staat, zoo vraagt von Martens, einem und dem-
!) Ortolau: Dr. raai'. II, 10, blz. 208.
') Calvo I, 467. Cf. P h i 11 i m o r e 111, 19 § 350.
- 216 -
selben Fahrzeug bald unter der Handelsflagge, bald unter der Kriegsflagge zu lahren gestatten ? Dieses in praxi bestrittene Recht, ist principiell gewiss un-zweifelhaft vorhanden : doch fordert schon eine gewisse Anstandtspflicht, dass keine Regierung damit Missbrauch treibe.'' ')
De door een staat eenzijdig gegeven toestemming om zijne oorlogsvlag te voeren, kan een schip nog niet tot oorlogsschip, in den zin van het volkenrecht, stempelen. Herhaaldelijk wordt de bevoegdheid om de oorlogsvlag te voeren, gegeven aan schepen, die geen eigenlijke oorlogsschepen zijn. Zoo verleent Rusland die toestemming aan de schepen der âvrijwillige vloot,u wanneer ze door den staat gebezigd worden tot het vervoer van misdadigers. Ook âles navires marchands apprêtés specialement et entretenus pour le transport des troupes, de vivres, ou de rechanges ou d'autres objets appartenant au gouvernement et commandés par
des officiers de la marine militaire..... ont droit k
arborer le pavilion et la flamme de guerre.quot; 3) Eindelijk zijn meestal ook een gansche groep van vaartuigen gerechtigd de oorlogsvlag te voeren nl. de kaperschepen. Toch zijn deze niet als eigenlijke oorlogsschepen te beschouwen.
Oorlogsschepen zijn slechts die vaartuigen, in dienst en voor rekening en risico van den staat varende, die wel altijd eigendom van don staat zullen zijn, gerechtigd de oorlogsvlag te voeren, bemand door militairen en deeluitmakende van de strijdkrachten van den staat.
Rechisgroiid. Als rechtsgrond voor de onttrekking van het oor
logsschip aan de jurisdictie van den staat, binnen
,) F. v o n Martens: II § 56. 2) C a I v o t. a. pl.
217 â
wiens territoriale wateren het zich bevindt, wordt door Ortolan opgegeven: âLe navire de guerre, portant en son sein une partie de la puissance publi-que de l'état, auquel il appartient, un corps organisé de fonctionnaires et d'agents de cette puissance, dans l'ordre administratif et dans 1'ordre militaire, soumettre le navire et le corps organisé qu'il porte, aux lois et a l'autorité du pays, dans les eaux duquel il entre, ce serait vraiment soumettre 1'une de ces puissances a l'autre; ce serait vouloir rendre impossible les relations maritimes d'une nation a l'autre par batiments de l'état. II faut ou renoncer h ces relations, ou les admettre avec les conditions indispensables pour main-tenir a chaque état souverain son indépendance.quot; ') Dit laatste is stellig wel wat overdreven. Waarom zouden alle relaties onmogelijk zijn, zonder toekenning der exterritorialiteit? Het volkenrechtelijk privilege is aan de oorlogsschepen verleend, omdat zij zijn âune souveraineté ambulantequot; zooals d e C u ss y het uitdrukt,8) omdat zij den staat als het ware vertegenwoordigen.s)
â¢) Ortolan 11 10, blz. 215.
2) de C u s sy I, 2, § 60.
3) Calvo I, 377. In een vonnis van het Hoog Gerechtshof iu de Veree-nigde Staten van N. Amerika spreekt D r. Story aldus zijne meening uit: i, 1 n the case of the Exchange, the grounds of the exemption of public ships were fully discussed and expounded. It was there shown, that it was not founded upon any notion that the foreign Sovereign had an absolute right! hi virtue of its sovereignty, to an exemption of his property from the loca^ jurisdiction of another sovereign, when it came within his territory; for that would be to give him Sovereign power beyond the limits of his own empire. But it stands upon principles of public comity and convenience and arises from the presumed consent or licence of nations, that foreign public ships, coming in their ports, and demeaning themselves according to law, and in friendly manner, shall be exempt from the local jurisdiction. But aa such consent and licence is implied only from the general usage of nations it may bewith drawn upon notice at any time, without just offence ; and 1f, afterwards, such public ships come into our ports, they are amenable
- 218 -
Hetzelfde beginsel, dat bij de toekenning der privilegiën aan de souvereinen voorzit, komt ook hier tot uitdrukking. Het zou tegen de waardigheid van den staat indruischen, als het oorlogsschip aan het locaal gezag van den vreemden staat onderworpen was.
Het volkenrechtelijk privilege was eerst waarschijnlijk slechts eene uiting van de comitas gentium. Bij d e Groot en Bijnkershoek vindt men nog geen gewag gemaakt dat oorlogsschepen als territoor zouden moeten beschouwd worden, in de havens van een anderen staat.
to our laws, in the same manner as other vesseis. To be sure, a foreign Sovereign cannot be compelled to appear in our courts, or be made liable to their judgment, so long as he remains in his own dominions; for the Sovereignty of each is bounded bij territorial limits. If, however, he comes personnally within our limits, although he generally enjoys a personal immunity, he may become liable to judicial process in the same way, and under the same circumstances, as the public ships of the nation. But there is nothing in the Law of Nations which forbids a foreign Sovereign, either on account of the dignity of his station, or the nature of his prerogative, from voluntarily becoming a party to a sut in the tribunals of another country, or from asserting there any personal, or proprietary, or Sovereign rights, which may be properly recognized and enforced by such tribunals. It is a mere matter of his own good will and pleasure; ai d if he happens to hold a private domain within another territory, it may be, that he cannot obtain full redress for any injury to it, cxcept through the instrumentality of its Courts of Justice. It may therefore be justly laid down as a general proposition, that all persons aud property within the territorial jurisdiction of a Sovereign, are amenable to the jurisdiction of himself or his Courts ; and that the exceptions to this rule are such only as, by common usage and public policy, have been allowed, in order to preserve the peace and harmony of nations, and to regulate their intercourse in a manner, best suited to their dignity and rights. It would, indeed, be strange, if y. licence, implied by law from the general practice of nations, for the purposes of peace, should be construed as a licence to do wrong to the nation itself, and justify the breach of all those obligations which good faith and friendship, by the same, implication, impose upon those who seek an asylum in our ports.quot; Cf. Philliraore III, 19 j 345 ; Mr. Reiger: Schip is terr. biz. 237 vlg.
- 219 -
Algemeen is thans aangenomen dat de havens van een staat openstaan voor oorlogsschepen. De staat mag echter voorwaarden stellen. Hij mag bepalen, dat de oorlogsschepen slechts tot een beperkt aantal in dezelfde haven mogen binnenloopen. Verder mag hij alle maatregelen nemen, die hij met het oog op eigen veiligheid en rust van de haven noodzakelijk acht.
Een staat is souverein op zijn territoor en mag ook aan de oorlogsschepen absolute het binnenloopen zijner havens ontzeggen en zeer zeker ook aan de toelating zekere voorwaarden verbinden. Evenmin als een staat verplicht is, tenzij door tractaat er toe verbonden, een gezant te ontvangen of hem exterritorialiteit toe te kennen, evenmin bestaat voor hem de verplichting, oorlogsschepen in zijne havens toe te laten of aan deze schepen bijzondere privilegien in te ruimen. Doch evenals zulks ten aanzien der gezanten en vreemde souvereinen het geval is, wordt de staat geacht stilzwijgend zijne toestemming gegeven te hebben, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaard heeft.quot; Unquestionably, zegt Phillimore, in the case of the 'oreign ship of war, of the foreign sovereign and ambassador, every state, which has not formally notified its departure from this usage of the civilised world is under a tacit convention to accord this privilege to the foreign ship of war lying in its har hours.quot;1)
De voorrechten der oorlogsschepen worden ook toegekend aan handelsschepen in dienst van den staat
2) Phillimore til, 19 § 344.. Cf. Lawrence IV, 351 vlg. C u s s y I, 2, § 60 ; K 1 ii b e r § 186 ; Hautefeuille IV, 2, § 2 T w i s s IT § 219; W h e a t o n 11. 2, blz. 197 5 C a 1 v o 1, 385 en f 542 F. von Martens II § 56; Attlrnayr I $ 5.
- 220 -
voor militaire doeleinden. âLes vaisseaux specialement Staatsschepen. apprêtés êi des transports de troupes, de vivres, de
rechanges ou autres objets appartenant au gouvernement et commandés par des capitaines au long cours
ou enseignes militaires.....ont droit aux pérogatives
et aux immunités des autres batiraents de l'état.quot; Ongeveer in dezelfde bewoordingen drukt Calvo zich uit.1) Hij voegt alleen toe: âl'usage autrefois fréquent tend a se restreindre ; les grandes puissances ayant des batiments construits et arraés ad hoe.quot; F. von Martens laat zich aldus uit: âEndlich haben alle Han-delsschiffe, welche in Regierungsdienste genommen worden sind z.b. behufs Transportes von Truppen, das Recht die Kriegsflagge zu führen. So lange diese Fahr-zeuge Auftrage der Regierung besorgen, haben sie dieselbe Vorrechte wie Kriegsschiffe ... Neuerdings ist wieder-holt die Frage aufgeworfen worden, welchen Charakter die Schiffe der Russischen âFreiwilligen Flottequot; trügen. Sie sind Privatschiffe, werden aber nicht selten von der Regierung zum Transport von Rekruten, auch der nach Sachaline bestimmten Straflinge, u. s. w. engagirt. So langesie infolge einesderartigen Auftrages in Special-dienst eines Verwaltungsressorts stehen, gebührt ihnen der Charakter von Staatsschiffen und das Recht die Russische Kriegsflagge zu führen; mit Beëndigung ihrer Auftrage jedoch, sind sie wieder nichts als gewöhnliche Handels-schiffe.quot;2) Herhaaldelijk spreekt von Martens en ook andere schrijvers van âStaatsschiffequot; aan welken de privilegiën der oorlogsschepen zouden toekomen.Gaarne wil-
gt;) Ortolan II, 10 blz. 208; Calvo I, 469. De wgouverneraents-8chepen,, in Nederlandscli-Indië, bestemd tot vervoer van troepen of overbrengen van den Gouverneur-Generaal enz. zijn voorbeelden van âStaatsschi/Jequot; 2) F. von Martens II § 56.
- 221 -
len wij met deze uitdrukking vrede hebben, mits er niet onder verstaan worde, schepen, den staat in eigendom toebehoorende, maar wel schepen in dienst van den staat, afgezien van de vraag, wie privaat-rechtelijk de eigenaar ervan is. Het schijnt ook de bedoeling der schrijvers te zijn,wanneer ze spreken van âStaatsscMffe,quot;
daarmee te willen uitdrukken, schepen voor staatsdoeleinden gebezigd, schepen in dienst van den staat qua talis, en niet van den staat als particulier. Wat reden zou er kunnen bestaan, om de schepen, die de staat als particulier, als handelsman tot vervoer b.v.
van producten uit de koloniën, bezigt, op een anderen voet te behandelen als de schepen aan een zijner onderdanen toekomende ? Zulke schepen kunnen niet gezegd worden den staat te vertegenwoordigen, een âdrijvende Souvereiniteitquot; te zijn. Een oorlogsschip zal die hoedanigheid niet verliezen, door de omstandigheid,
dat een particulier (stel dat zulks voorkwam) privaatrechtelijk eigenaar er van was. Waren de schepen,
die Duitschland van zijne onderdanen in huur nam,
optuigde, bemande en tot oorlogsschepen inrichtte, door het feit dat de staat niet eigenaar was, geen oorlogsschepen ? Doet de vraag naar het privaatrechtelijk eigendom niets af bij de beantwoording der vraag, of een vaartuig oorlogsschip is, omgekeerd kan de omstandigheid, dat de staat eigenaar is van een koopvaardijschip,
dat schip geen aanspraak geven op volkenrechtelijke privilegien. Waar de staat als particulier optreedt,
heeft hij ook niet meer rechten dan deze.
Naast de evenbedoelde schepen, in dienst van den staat, worden ten aanzien van de privilegien van het volkenrecht nog met oorlogsschepen gelijk gesteld , Schepen bestemd voor schepen die een vreemden monarch of gezant aan ^ vequot;quot;.^!c'ilu va0quot; boord hebben. F. von Martens stelt zonder eenige be- gezant.
- 222 -
perking âHandelsschiffe die einen auslandischen Monarchen oder den Reprasentanten eines Solchen an Bord habenquot; met oorlogsschepen gelijk. ^ Deze schepen, zegt hij, genieten exterritorialiteit.
Verschillende schrijvers stemmen hiermee in o. a. Harburger, Calvo etc. 1) Toch is het twijfelachtig of de meening van de Martens niet eenige beperking noo-dig heeft. Juister komt mij de meening voor van Holtzendorff, die met een beroep op Heffter en Mar-quardsen, deze leer verkondigt: âG-leich in Plechten, als die Kriegsschiffe, stehen die zur Beförderung von Souveranen und Gesandten ausschlieszlich benutzten Schiffe.quot; 2)
Bij Heffter § 79 vind ik echter, als niet onderworpen aan de locale jurisdictie, in n0 I vermeld ; âLes navires qui portent des souverains étrangers ou leurs représen-tants, ou qui sont affectés exclusivement au service de ces personnes.quot; Heffter moet dus eerder gerekend worden als een voorstander der leer van d e Martens, daar hij beide gevallen, dat een schip wèl en dat het niet uitsluitend ten dienste van den sou-verein staat, naast elkaar opnoemt.
Bluntschli 3) meent, dat in geval een gezant of souverein zich op reis bedient van een gewoon vaartuig, slechts dat gedeelte exterritoriaal is, wat door hem en zijn gevolg is ingenomen. M. i. kan het niet als volkenrechtelijk erkend beschouwd worden, dat het feit, dat een vorst of gezant zich aan boord van een vaartuig, bevindt, dit vaartuig onttrekt aan de jurisdictie van
1
) Har burg er blz. 115. Calvo I, 377.
2
) Holtzendorff. Lex. v. Ext. Heffter § 79.
3
) Bluntschli §321.
â 223 â
den staat, in wiens wateren het zijn anker heeft geworpen. Slechts dan, wanneer het schip, waarop zich deze exterritoriale personen bevinden, slechts voor staatsdoeleinden wordt gebezigd, kan het juist om deze reden met oorlogsschepen op eene lijn worden gesteld. De bestemming van het schip moet den doorslag geven. Het gaat naar mijne meening niet aan, het passagiersschip of handelsvaartuig, waarop een souverein of vorst, naast andere passagiers heeft plaats genomen, daardoor onttrokken te achten aan de jurisdictie van den staat, waartoe het schip anders in volle zee zou behooren, en tevens aan de jurisdictie van het land in wiens wateren het zijn anker zal werpen.
Slechts dan, wanneer het schip uitsluitend voor het vervoer van den bepaalden gezant of souverein bestemd is, kan men zeggen, dat het volkenrecht aan het schip exterritorialiteit verleent in vreemde wateren. Ook de opinie van Bluntschli, dat ten minste die gedeelten, die door den vorst of gezant en hun gevolg zijn ingenomen, exterritoriaal zouden zijn, kan ik niet deelen. De personen zelf zijn natuurlijk exterritoriaal, doch niet de plaats, waar zij zich bevinden. In het volkenrecht is niet erkend, dat een gedeelte van het schip exterritoriaal zoude zijn. De meening van Bluntschli is een compromis. De conclusie, dat door het plaatsnemen van een gezant aan boord van een vaartuig, het geheele schip met alle passagiers aan boord exterritoriaal zouden worden) niet durvende trekken, en evenmin den gezant van alle privilegien ten aanzien van de plaats, waar hij zich bevindt, willende ontblooten, nu de gezant heeft plaats genomen op een vaartuig, niet uitsluitend tot zijn dienst bestemd, wilde men althans de ruimte door hem en zijn gevolg ingenomen, exterritoriaal verklaren. Van
_ 224 â
een gedeeltelijke exterritorialiteit van een schip is echter in het volkenrecht niets hekend. Zoo niet het géheele schip vreemd territoor is, dan is het ook onderworpen aan de locale jurisdictie. De ge. zant en zijn gevolg zijn exterritoriaal, omdat hun privilege persoonlijk is. Doch evenmin, als het hotel, de plaats van het voortdurend verblijf der exterritorialen, door deze omstandigheid vreemd territoor wordt, evenmin wordt het de plaats van hun tijdelijk verblijf, het schip waarmee zij de reis maken. Wanneer het volkenrecht schepen, uitsluitend bestemd om souvereinen of gezanten te vervoeren, met oorlogsschepen gelijkstelt, is dit om de bestemming van het schip tot staatsaangelegenheden. De bestemming van het schip moet naar mijne meening den doorslag geven. Deze, en niet de omstandigheid, dat zich een exterritoriaal persoon aan boord bevindt, is beslissend voor het al dan niet genieten der volkenrechtelijke privilegien. Het schip, bestemd voor den dienst van souvereinen of gezanten, zal ook dan exterritorialiteit genieten, wanneer dezen zich niet aan boord bevinden, maar omgekeerd kan het enkele plaatsnemen van een exterritoriaal persoon op een passagierschip noch het geheele, noch een gedeelte van het schip aan de locale jurisdictie onttrekken. Wel zou ik Bluntschli toe kunnen geven, dat de plaats op een schip, door den gezant en zijn gevolg ingenomen, op bijzondere wijze door het volkenrecht beschermd wordt; dat het aan de locale autoriteiten niet geoorloofd kan zijn de hutten en bagage der souvereinen en gezanten te doorzoeken m. a. w. dat aan de plaats, waar zij tijdelijk vertoeven, dezelfde privilegien worden verleend, als aan de plaats van hun voortdurend verblijf; doch daarmee is nog niet gezegd, dat het eene of het andere territoor is van den staat, wiens souverein of gezant het betreft.
- 22B -
Moet aan de pleiziervaartuigen van souvereinen hetzelfde voorrecht worden toegekend als aan oorlogsschepen ? Of deze schepen al dan niet bevoegd zijn de krijgsvlag te voeren, is eene vraag, die m. i. geheel buiten aanmerking moet blijven, daar dit gehee! afhangt van de eenzijdige regeling van iederen staat, en daar het voeren van een vlag de hoedanigheid van een schip niet bepaalt.
Het voeren van een bepaalde vlag stelt slechts een vermoeden: in een ander verband, nl. bij het buit-recht, wordt de beteekenis van het voeren eener vlag uitvoerig door de schrijvers over volkenrecht behandeld en eenstemmig wordt aangenomen, dat de vlag niet beslissend is voor de nationaliteit of hoedanigheid van het schip. Ware het anders, dan zou iedere staat bij machte zijn. door van zijn âprincipiell unbestritte-nes Rechtquot; gebruik te maken, aan al de handelsschepen zijner onderdanen de hoedanigheid van oorlogsschepen kunnen verleenen en daarmee de aan die hoedanigheid verbonden exterritorialiteit in vreemde wateren en havens.
Als de souverein aan boord is van zijn vaartuig zal men niet anders kunnen dan aan dit schip exterritorialiteit toekennen. Doch wanneer dit niet het geval is? Men kan niet zeggen, dat het pleiziervaartuig van den vorst, den souverein en nog minder, dat het den staat vertegenwoordigt. De equipage aan boord zullen geen militairen zijn, doch personen, tusschen wien en den souverein slechts eene civielrechtelijke verhouding bestaat. De bemanning wordt bezoldigd, niet uit de staatskas, maar uit de privaat-kas van den vorst.
Toch zou ik meenen, dat deze schepen, wanneer ze uitsluitend voor den dienst van souvereinen bestemd zijn, exterritorialiteit moeten genieten, ook al wordt
13
- 226 -
het schip wel eens gebezigd, niet voor eene reis van den souverein zelf, maar bijvoorbeeld voor de reis van een lid zijner familie. De âVictoria and Albertquot; do âHohenzollernquot; zullen ook dan exterritorialiteit genieten, wanneer zich de souvereinen, aan wien ze toekomen, niet aan bourd bevinden.
Wat hier van de pleiziervaartnigen der vorsten gezegd is, moet nog in hoogere mate gelden, wanneer het betreffende schip aan den staat toekomt, doch ten dienste is van den vorst; wanneer dus het schip, als het ware, kroondomein is.
De leden der vorstelijke familie genieten niet de voorrechten der souvereinen en voor hunne schepen, kunnen zij, evenmin als voor zich zeiven, op eenige volkenrechtelijke privilegien aanspraak maken.
Volledigheidshalve zij hier nog vermeld, wat de Poitschepe». Mar ten s meedeelt omtrent postschepen ; âAuf Grund
Internationaler Vertrage werden Postdampfschiffe den Kriegsschiffen gleichgestellt; so sind z. B. nach einem Englisch-Belgischen Vertrage von 1876 die Postdampfer, welche die Linie Dover-Ostende befahren, von der Ge-richtsbarkeit des Uferstaates eximirt. Eine gleiche Convention besteht zwischen Italien und Frankreich.quot;') Von Martens kan hier zeker niet bedoeld hebben, dat in het algemeen postschepen met oorlogsschepen gelijk; zijn te stellen. Dat staten eene dergelijke bepaling bij tractaat kunnen treffen, is buiten eenigen -twijfel en behoefde nauwelijks afzonderlijk vernield te worden. Doch die regeling geldt alleen tusschen de contracteerende staten, derde staten zijn er niet door gebonden. Algemeen is de gelijkstelling der postschepen
⢠F. von Martens II § 56. Verg. Mr. Reiger: blz. 295 over pakketbooten.
- 227 -
met oorlogsschepen zeker niet aangenomen en of ze de jure constituendo, althans in alle consequenties van dien, aanbeveling verdient, mag betwijfeld worden. De enkele voorbeelden door von Martens opgenoemd, kunnen nog geene frequentia actuum constitueeren. Do gelijkstelling met oorlogsschepen heeft daarenboven meer het oog op de postschepen in volle zee, het voorkomen van oponthoud en vertraging door het in oorlogstijd bestaande onderzoekingsrecht, dan wel op het exterritorialiteitsrecht in de havens en wateren van een vreemden staat. Het moge voor het snelle brievenvervoer wenschelijk zijn, dat de postschepen op een anderen voet worden behandeld dan de gewone koopvaardijschepen, de uitgebreide voorrechten der oorlogsschepen zijn ter bereiking van dat doel niet vereischt en volkenrechtelijk ongetwijfeld niet erkend. Onderwerping aan de locale jurisdictie is de regel; exterritorialiteit de uitzondering. En de bepaald erkende uitzonderingen, mogen naar den welbekenden rechtsregel niet worden uitgebreid. ')
Bij verschillende schrijvers vindt men, naast de oorlogsschepen, afzonderlijk gewag gemaakt van âgeioa-pende koopvaardijschepenquot;, (vaisseaux de guerre ou
^ Pradier-Fodere V § 2416 meent dat de hier vermelde gelijkstelling slechts op conventioneel recht kan rusten. Hij vermeldt eene post-conventie van Frankrijk en Sardinië te Parijs gesloten den 4 Sept. 1860 en een geval dat zich heeft voorgedaan in 1863.
L'Anvis, een fransche pakketboot, had de roovers Cipriano, la Gala Papa, d'Avanzo en Samo aan boord, welke roovers vervolgd werden door de Ita-liaansche regeering. L'Auvis ankerde te Genua ; de Fransche consul deed aan boord een onderzoek instellen en stelde de roovers in handen der locale autoriteiten. De Fransche regeering echter eischte hen op, met het oog op de conventie van 1860. De Italiaansche regeering deed toen de roovers naar Marseille opzenden : daar namen de Fransche autoriteiten hen over en vervolgens werden zij, langs den weg der uitlevering, weer aan de Italiaansche politie overgeleverd.
- 228 -
armés,. zegt Calvo) en deze worden met eerstgenoem-den op dezelfde lijn geplaatst.
Eene nadere omschrijving van die âgewapende schepen'* wordt dus niet gegeven. Wellicht worden er onder verstaan koopvaardijschepen, die door den staat ter aanvulling zijner oorlogsvloot worden aangekocht of althans in dienst genomen en bewapend. Is dit de beteekenis der gebezigde uitdrukking, dan behoeft het geen betoog, dat deze schepen in de voorrechten der oorlogsschepen deelen, daar ze in werkelijkheid oorlogsschepen zijn. De omstandigheid, dat de staat ze wellicht, niet in eigendom, maar slechts in beheer bezit, doet voor de hoedanigheid van het schip niets ter zake.
Wanneer echter particulieren er toe overgaan een schip te bewapenen, om eventueele aanvallen van zeeroovers of kapers af te kunnen slaan, dan kan aan zulk een schip daarom nog niet de qualiteit van oorlogsschip en de privilegien dezer vaartuigen worden toegestaan. Het schip blijft niettegenstaande de bewapening, âPrivatschiffquot; en geen enkele grond is aanwezig, om op deze schepen de voorrechten van het volkenrecht, toepasselijk te verklaren. â Of zouden de schrijvers wellicht met de benaming âvaisseaux armésquot; het oog gehad hebben op kaperschepen? âKaperschiffe, Kaporsoiiepen. zegt Attlmaijer, sind solche Schiffe, welche â Eigen-
thum von Unterthanen eines kriegführenden Staates â mit Wissen und Ermachtigung des letzteren, und in Folge eines, von der Regierung ausgestellten, in die. sem Sinne lautenden Patentes, Kaperbriefes (Marke-briefes), von den erwahnten Unterthanen kriegsmassig-ausgerüstet und in See entsendet werden zu dem Zwecke, um unter der Autoritat des betreffenden Gou-vernements dem feindlichen Seehandel durch Wegnahme
- 229 -
von Schiff unci Gut zu schaden und nach Massgabe der eigenen Krafte auch auf feindliche Eriegsschiffe Jagd zu machen.quot; ^
Door de declaratie van Parijs, waarbij de kaapvaart is afgeschaft heeft het onderzoek naar de vraag of de kaperschepen met oorlogsschepen gelijk zijn te stellen, veel van haar practisch gewicht verloren. Echter hebben niet alle staten de declaratie onderteekend en het is niet onwaarschijnlijk, dat bij een eventueelen oorlog tusschen twee staten, waarvan de eene wèl, de andere niet tot de Parijsche declaratie is toegetreden, de eerstgenoemde staat desniettemin, wanneer de andere tot het uitgeven van kaperbrieven overgaat, bij wijze van repressalia hetzelfde zal doen. De gestelde vraag is derhalve niet slechts van theoretisch belang, maar ook nog van practisch, actueel gewicht.
De kaapvaart wordt, zooals uit de definitie blijkt, door particulieren, niet door den staat, uitgeoefend : ze geschiedt voor rekening en risico der particuliere ondernemingen. Om nu bij het buitmaken niet als zeeroovers beschouwd te worden, moet de kaper voorzien zijn van een kaperbrief (lettre de commission, lettre de marque), uitgereikt van wege eene regeering, voor welke uitreiking de staat zich meestal een aandeel in den te maken buit bedingt.
Deze âcommissiequot; geeft den kaper het recht de krijgs-vlag te voeren, van den staat, die ze uitreikte. De kapers maken geen deel uit van de oorlogsvloot. De schepen zijn niet bemand door militairen in dienst van den staat. De equipage wordt bezoldigd door de reederij, die de schepen uitgerust heeft. De kaapvaart geschiedt voor hare risico. Dit is het kenmerkend onderscheid tussclieu den kaper en het oorlogsschip. Toen Duitsch-
*) At tl may r 1 chap. 11.
- 230 -
land, wegens te geringen omvang zijner oorlogsvloot in 1870, koopvaardijschepen van Duitsche onderdanen in dienst nam, bemande en wapende, werden deze koopvaardijschepen daardoor oorlogsschepen. Het was geen bedekt uitoefenen der kaapvaart, zooals hun van de zijde hunner vijanden werd tegengeworpen. Terecht werd er van Duitsche zijde op gewezen, dat de in dienst genomen schepen deel uitmaakten van de Duitsche oorlogsvloot: dat de schepen voor rekening en risico van den staat in de vaart werden gebracht.
Moet nu het kaperschip ten aanzien der exterrito-i ialiteit als oorlogsschip beschouwd worden ?
Al kan men de kaperschepen niet geheel en al beschouwen als deel uitmakende van de oorlogsvloot van een bepaalden staat, eenigszins dragen zij echter wel het karakter van krijgsschepen : zeker kan men ze niet als gewone koopvaardijschepen beschouwen. De kaper vaart op naam en gezag van den staat, die hem tot de kaapvaart machtigde. In naam van dien staat, doch voor eigen rekening, pleegt hij daden van geweld, voert hij oorlog tegen schepen en goederen van den vijandelijken staat. De kapers worden juist gebezigd als aanvulling en uitbreiding van de oorlogsvloot. In dezen zin schijnt dus gelijkstelling met oorlogsschepen gemotiveerd. Yan den anderen kant echter mag niet uit het oog worden verloren, dat de kaapvaart is en blijft eene onderneming van particulieren, niet van den staat; dat de exterritorialiteit der oorlogsschepen, eene uitzondering is, door het gebruik toegestaan, doch juist, omdat ze uitzondering is, niet mag wordon uitgebreid. Daï de kaperschepen eenige overeenkomst vertoonen met oorlogsschepen, wettigt daarom nog niet de gelijke be handeling, te meer daar er in het wezen der zaak een diep ingrijpend onderscheid tusschen beide bestaat.
- 231 -
Eerbiediging van de vreemde souvereiniteil, die niet kan dulden, dat een gedeelte van hare krijgsmacht aan eene andere dan hare jurisdictie onderworpen zij, is de voornaamste grond der exterritorialiteit der oorlogsschepen ; deze kan niet aangevoerd worden ten aanzien der kaperschepen, die toch moeielijk gezegd kunnen worden den staat te vertegenwoordigen. Ze zijn niet bemand door een korps militairen, een deel dei' levende strijdkrachten van een staat, maar door gepatenteerde roovers, door menschen in den regel niet handelende uit plichtbesef of' vaderlandsliefde, maar uit winstbejag. Ze genieten niet het aanzien der oorlogsschepen en dat terecht. Heeft de declaratie van Parijs de kaapvaart niet als een vlek in het oorlogsrecht van onzen tijd gekwalificeerd ? En verdient ze niet ten volle de afkeuring van alle schrijvers ? Is het overdreven de kaapvaart als een overblijfsel uit de barbaarsche tijden, toen men ook strandrecht kende, te beschouwen, haar te noemen eene instelling, onzer beschaving onwaardig, een âgediplomeerde rooverij ?quot; Do exterritorialiteit dei' oorlogsschepen is oorspronkelijk uit âcomitasquot; ontstaan zooals Phillimore opmerkt. Doch zal er ook een staat gevonden zijn, die meende dezelfde comitas tegenover âroovers'' in acht te moeten nemen ? Kan men uit de toestemming van een staat aan de kapers om zijne havens binnen te loopen, afleiden, dat deze hun tevens exterritorialiteit toekent, zoo als dit bij oorlogsschepen het geval is ? De kaperschepen zijn reeds uit den aard der zaak voor den staat, wiens havens zij binnenloopen, lastige en gevaarlijke gasten, daar ze den neutralen staat ligt in internationale moeielijkheden en verwikkelingen met den vijandelijken staat kunnen betrekken: allicht loopt de neu-trale staat gevaar in de verdenking te geraken de
- 232 -
neutraliteit te hebben geschonden, door niet de noodige aandacht daaraan te besteden, dat zijne havens niet door de kapers tot uitgangspunt van krijgsoperatien worden gekozen, of dat hij het buitmaken en het verkoopen van den buit heeft bevorderd of vergemakkelijkt. De staat, die slechts noode en met tegenzin deze gevaarlijke bezoekers in zijne havens duldt, kan niet geacht worden hun daarenboven nog voorrechten toe te willen staan. Meestal wordt den kapers, tenzij ingeval van nood of avarij, de toegang tot de havens ontzegd.
Er zijn niettemin eenige schrijvers, die aan de kaperschepen de voorrechten der oorlogsschepen willen toekennen o. a. Imbart-Latour, Pistoye et Du-verdy. Per els en La wren ce. ^ Deze laatste schrij-ver citeert een vonnis van het Hoog Gerechtshof van Frankrijk van 1816, waarbij is uitgesproken: ,^'exemption des batiments de guerre s'applique aux vaisseaux armés en course, appartenant a des individus.quot;
De groote meerderheid van schrijvers noemen de kaperschepen echter niet op onder het getal dergenen, die exterritorialiteit genieten en de praktijk schijnt hun minder dan ooit te voren ongunstig gezind 2). In stede van den kapers voorrechten in te ruimen, schijnen de staten geneigd, de geheele, onze eeuw onteerende instelling, uit te roeien. Fradier-Fodéré, t. a. pl., wijst er op, dat de Vereenigde Staten geene oorlogsvloot bezitten. âPeut-être, zegt hij, faudrait-il faire une exception en faveur, par exemple, des navires armés en course par les Etats-Unis d'Amérique. On sait en effet que lorsque la grande république américaine se
') Imbart-Latour: La mer terr. blz. 291. Pistoye et Duverdy: Traité des prises mar. 1859. Tome I blz. 23 vlg. Per els; T)r. mar. int. traduction d'Arendt, blz. 131 ; Lawrence lit blz. 435,
'â ') P r a d i e r - F o d é r é : V § 2414.
- 233 -
met en guerre, elle s'appuye sur sa marine marchande.
Or, dans ce cas devrait-on considérer comme n'étant que des corsaires les navires de la marine marchande américaine, si facilement transformaties en navires de guerre, pour redevenir, après le rétablissement de la paix, des navires de commerce ? J'eslime qu'il faudra distin-guer entre les navires de commerce américains, ceux qui feront la course avec des lettres de marque et ceux, qui, appartenant amp; la marine marchande, auront été, pour les besoins du moment, transformés en batiments de guerre, et feront la guerre maritime comme tels.quot; Deze uitspraak komt mij juist voor.
Immers , doordat de staat, zo© als in 1870 Duitsch-land deed, handelsschepen in dienst neemt, en voor eigen rekening en risico bemant en bewapent, worden deze schepen, werkelijke oorlogsschepen en hebben als zoodanig aanspraak op de volkenrechtelijke privilegien.
Geeft echter de Amerikaansche republiek kaperbrieven uit, dan zijn die schepen stellig als kaperschepen te beschouwen, zonder eenige volkenrechtelijke privilegien.
Met een enkel woord zij hier nog gewag gemaakt van de luxe treinen van vorstelijke personen, die wel Luxe treiucu. eens, even als hunne schepen, als onder de volkenrechtelijke exterritorialiteit vallende, worden beschouwd.
Men zou kunnen vragen of wat voor het vervoer ter zee geldt, ook niet van kracht moet zijn bij het vervoer te land. Moet de vorstelijke trein niet op gelijken voet behandeld worden, als de vorstelijke boot ? Tusschen beiden bestaan vele punten van overeenkomst: beiden dienen ze voor de reis van den souverein en de grond die bestaat voor de exterritorialiteit van het vorstelijke schip, zou men ook aan kunnen voeren voor zijn luxe trein of zijn rijtuig. Door analogische uitbreiding van de exterritorialiteit der schepen,
- 234 -
zou men er dus toe kunnen komen, ook den koninklijken trein of het rijtuig exterritoriaal te verklaren. Niettemin moet hier anders beslist worden. Analogische uitbreiding is hier, waar het eene uitzondering geldt op den alge-meenen regel, dat alles wat zich binnen het staatsge-bied bevindt, onderworpen is aan de jurisdictie van dien staat, niet geoorloofd. De souverein of gezant is exterritoriaal, maar daarom is ditzelfde nog niet het geval met zijn gewoon verblijf, veel minder met de trein of het rijtuig, waarin hij zich bevindt. Aan voorbeelden uit de praktijk, die eene afwijking van den regel inhouden, ontbreekt het geheel en al. Daarenboven kan men, hetgeen ter zee geldt, niet maar zoo op analogische toestanden te land toepasselijk verklaren. In het algemeen gelden ter zee zeer bijzondere en afwijkende bepalingen. Het zeerecht vormt, als het ware, een afzonderlijk deel van het volkenrecht, geheel los van het recht te land geldende.
De practisch meest gewichtige categorie van schepen zijn de koopvaardijschepen. Of voor dezen het Koopvaardijschepen, adagium: âschip is territoorquot; ook geldt, wanneer zij zich in de territoriale wateren van een anderen staat bevinden, daarover heerscht bij de schrijvers minder eenstemmigheid dan in de praktijk. Gemakshalve spi eken wij hier alleen van koopvaardijschepen omdat deze verreweg de talrijkste groep vormen der vaartuigen, niet begrepen onder de reeds behandelde categorien. Wat van de koopvaardijschepen gezegd wordt, zal ook gelden voor visschersvaartuigen, pleiziervaartuigen van particulieren enz., die vreemde havens bezoeken.
Er zijn schrijvers, die pleiten voor volkomen gelijke behandeling van koopvaardij- en oorlogsschepen ; anderen willen de eerstgenoemde de voorrechten der oorlogsschepen toekennen, doch in meer beperkte mate; weer
- 235 -
anderen ijveren voor gelijke behandeling van beide groepen onder zekere omstandigheden. Verreweg de meerderheid der schrijvers echter, betogen, dat de handelsschepen geheel onderworpen zijn aan de locale jurisdictie.
De aanhangers der eerste opinie hechten zich aan het adagium: âSchip is territoor.quot; In de belangrijke Nederland-sche disseraties'van Philipson en Reiger : over den volkenrechtelijken regel : âSchip is territoor,quot; wordt ten duidelijkste aangetoond . dat dit adagium, zoo absoluut als het daar is uitgedrukt, niet is erkend. Schip is territoor : dit geldt wel ten aanzien van het recht van iederen staat; het geldt eveneens wanneer het schip zich in volle zee, op een territorium nullius beweegt, maar het adagium kan geen inbreuk maken op het souvereiniteitsrecht van iederen staat over alley, wat zich binnen zijn territoor bevindt. De eigen staat blijft het schip steeds als sign territoor beschouwen, ten aanzien van geboorten, overlijden enz. De eigen staat verklaart zijne nationale bepalingen toepasselijk op alle voorvallen, aan boord van het vaartuig voorkomende. Doch dit gaat het volkenrecht niet aan. Voor het volkenrecht is het niet de vraag, hoe de eigen staat zijn schip beschouwt, maar hoe andere staten er over denken, wanneer het schip hunne territoriale wateren aandoet. Geen enkele staat heefter belang bij, dat het adagium in zijne consequenties worde doorgevoerd. Voor het schip in volle zee voorziet de geciteerde rechtsregel in eene groote leemte; voor het schip in territoriale wateren komt hij in botsing met het âHoheitsrechtquot; van den betreffenden staat. In territoriale wateren heeft er collisie plaats tusschen twee souvereini-teiten, die van den staat, waartoe het scliip behoort en die van het land, binnen wiens gebied het vaartuig
- 236 -
zich bevindt: de eerste grondt zich op eene fictie, de laatste op de werkelijkheid. - Bij oorlogsschepen praevaleert, ter wille van den eerbeid aan de krijgsmacht verschuldigd, de fictieve souvereiniteit; bij handelsschepen de werkelijke souvereiniteit. At tl may r geeft het onderscheid bij de behandeling van koopvaardij- en oorlogsschepen aldus aan: âDie Commandanten der Kriegsschiffe sind Functionare des Staates, dessen Flagge sie führen; Agenten seiner Executive, in gewissen Beziehungen selbst seiner richterlichen Gewalt; die Bemannung der Kriegsschiffe bildet einen Theil der Kriegsmacht des Staates; das Schift selbst stellt eiue schwimmende Feste, und als Eigenthum des Staates und als unter direkter Herrschafft dessel-ben stehend â so zu sagen â ein Stück seines Territoriums dar. Hieraus folgt dass jede Beschrankung des Kommandanten oder irgend eines Angehnrigeu eines Kriegsschiffes in seinem dienstlichen oder auszerdienst-lichen Verhalten in irgend einer Action innerhalb eines Kriegsschiffes und der zu demselben gehörigen Theile (Boote), jede Einmischung in irgend einer Angelegen-heit, oder irgend einem Ereignisz, welches an Bord desselben sich zutragt, und um so mehr jedes gewalt-same Eindringen an Bord eine Verletzung der Souve-raniteitsrechte des Staates ist, dem das betreffende Kriegsschiff angehört.
Jeder derartige Eingriff ist sonach als der Arersuch einer Unterwerfung eines Theiles der Knegsmacht des Staates unter die Autoritat eines Fremden zu betrachten und jeder Verkehr zwischen den Staaten mittelst Kriegsschiffe ware hienach unmöglich Die in Folge der All-gemeinhoit dieser Anschauung jedem Kriegsschiffe allei Orten zuerkannte, und daher auch in die Bestimmung-en des positiven Völkerrechtes aulgenomuiene Be-
- 237 -
fugniss des Commandanten eines Kriegsschiffes, jede wie immer geartete Einflusznahme eines fremden Staat es auf seine inneren Angelegenheiten und auf das, was sich au Bord zutragt, hintanzuhalten, heisst das Recht der Exterritorialitat, und dieses bleibt dem Kriegsschiffe eigen, nicht nur auf hoher See, sondern auch in dem Bereiche der Territorial-Grewasser eines
fremden Staates. ......
Der Schiffscommandant ist als': solcher nur der E.e-gierung seines Staates Rechenschaft schuldig und hat sich keinem fremden Richterspruche zu unterwerfen. Wenn man in Vergleiche'zum' Kriegsschiffe das Ver-haltniss 'in Betracht zieht, in welchem das Handelsschiff gegenüber fremden Behörden sich beflndet, so stellt sich dieses ganz anders dar. Das Handelsschiff ist nicht Eigenthum der Staates, sondern gehort Privaten ; Capitan und Bemannung sind keine Func-tionare des Staates, sondern Bediensteten von Privaten ; der Zweck ihrer Anwesenheit isti keinerlei Mission seitens einer Regierung, sondern ist der Handel, ein A.uftrag von Privaten, kurz jederzeit ein Privat-Geschaft. Wenn daher auch ein Unterschied be-steht zwischen einem gewöhnlichen Reisendeund einem Handelsschiffe, insoferne letzteres einen Verein von Menschen enthalt der nach den Gesetzen des Staates organisirt und geregelt ist, dem es angehört â insoferne seine Bemannung unter der Controle dieses Staates angeworben und der Capitan von diesen als solcher anerkannt und bevollmachtigt ist, wahrend der einzelne Reisende in keiner direkten Beziehung zur Regierung seines Staates' steht, so bietet das Handelsschiff keine oder doch nur eine schwache Garantie fur Aufrecht-haltung der Ordnung, da ihm jeder öffentliche Cha-
- 238 -
racter fehlt, und seine Beziehungen nach Aussen durchaus privater Natur sind.quot; 1)
De groote meerderheid der schrijvers, en daaronder de meest gezaghebbende, verdedigen, daarom de opinie, dat het handelsschip geheel en al onderworpen is aan de jurisdictie van den staat, in wiens havens het zijn anker heeft geworpen. 2j
Tusschen deze beide uiterste opinies staan tal van anderen : zoo de meening van Fiere: âRelativement aux délits commis dans les ports et sur les eaux voi-sines de la cóte ... on a discuté longuement sur le point de savoir s'il (le vaisseau) conserve sa territorialité même dans le cas oii il se trouve dans un port étran-ger. Certains auteurs l'ont uié, surtout pour les navires marchands, pour le motif que ces navires sont soumis a la souveraineté locale, qui s'etend sur le port et qu'en disant qu'ils conservent leur territorialité on devrait aussi supposer qu'ils restent sous l'empire de la souveraineté nationale et que dès lors on arriverait a admettre l'exercice simultané des droits de deux souverainetés dans un même lieu. Si les auteurs ont ensuite accepté le principe contraire pour les navires de guerre, e'est que ces batiments représentent di-rectement la souveraineté et sont d'un commun accord
1
) Attlmayr: T, 5.
2
) Ortolan.
de C n s s y.
K1 ü b e r.
G. de Martens.
T w i s s.
W h e a t o n. Lawrence.
C a 1 v o.
Phillimore.
P r a d i e r-F o d é r é. F. v. Martens 1I§ 56.
- 239 -
exempts de la juridiction civile et criminelle du pays oü ils ont jeté l'ancre. II nous semble qu'en adoptant I'opinion admise par tous les auteurs sans exception, que les navires marchands en pleine mer font partie du territoire de I'Etat aaquel ils appartiennent, on ne devrait pas considérer une telle prérogative comme perdue pour eux, sitöt qu'ils entrent dans les eaux territoriales d'un état, ou jettent l'ancre dans un port, d'autant plus que le conflit entre les deux souveraine-tés est plutot apparent que réel.quot; ^ Dat bij het overschrijden der territoriale grenzen de privilegien ophouden is zeer natuurlijk : zoolang het schip zich bewoog op een territorium nullius, kon de staat, aan wiens onderdanen het behoorde, zich tegen elke inmenging van een vreemden staat verzetten : doch zoodra het schip het territoor van een staat binnenloopt, wordt de stand der zaak eene geheel andere. In volle zee heeft geen staat er belang bi] zich te verzetten tegen het adagium: âschip is territoorquot;; integendeel. Beschouwde de staat het schip niet als zijn voortgezet territoor, wie zou dan gerechtigd zijn voorschriften te geven, geldende op een territorium nullius ? Deed de eigen staat het niet, dan zou het schip een drijvend eiland zijn, aan niemands gezag onderworpen, zonder wetten : aan boord zonden ongestraft alle wandaden gepleegd kunnen worden : want wie zou bevoegd zijn zich al rechter op te werpen en straffen uit te spreken ?
Tot welk een toestand van anarchie zou dit leiden? En ook tegenover andere schepen, die men op dat territorium nullius aantrof, zouden straffeloos alle wandaden gepleegd kunnen worden, indien alle staten er evenzoo over dachten. Niemand zou rechter in die zaken kun-
F i o re : I. 1. { 12.
- 240 -
nen zijn, daar het niet op zijn territoor was voorgevallen. Om in eene leemte te voorzien, was eene fictie: âschip is territoor,quot; dringend noodzakelijk, doch wel te verstaan slechts zoolang het schip in volle zee is. Passeert het de grenslijn der territoriale wateren, dan krijgt de zaak een geheel ander aanzien; dan bestaat er geen reden meer voor de fictie. Het schip bevindt zich dan op het gebied van een souvereine staat, bevoegd om alle delicten binnen zijn gebied gepleegd, te straffen. Hij alleen heeft jurisdictie binnen dat gebied en een andere staat kan, tegen zijn wil, daar geene voorschriften geven.
âOn pent, zoo gaat Fiore voort, considérer Ie navire dans son individualité pris isolément et abstraction faite, de tout ce qui l'entoure, ou bien le considérer dans ses rapports extérieurs avec les personnes et les choses qui se trouvent sur les eaux territoriales. Sous le premier point de vue, il reste toujours soumis a la Souveraineté nationale, qui par ses lois régit les personnes qui y sont em-barquées, règle les actes faits a bord et pourvoit au maintien de la discipline, tout aussi bien qu'a la repression des délits qui ont été commis a bord.quot;
Ongetwijfeld kan de eigen staat bepalingen maken en doet hij dit ook omtrent de tucht aan boord van schepen : omtrent den Burgelijken Stand, omtrent strafbare feiten aan boord gepleegd. Maar de vraag is hier, of de staat, binnen wiens wateren h^t schip zich begeven heeft, geen gezag heeft over het schip, of het, doordat de staat waartoe het schip behoort, bepalingen heeft gemaakt, onttrokken is aan de jurisdictie van de plaats waar het zich bevindt. Is de staat verplicht een inbreuk te dulden op zijne souvereiniteitsrechten ?
Moet hij dulden, dat een derde staat binnen zijn gebied wetten stelt ?
- 241 -
âSous le .second point de vue au contraire le navire se trouve soumis a la souverainete territoriale qui régit par ses lois tous les rapports extérieurs des bati-ments, qui entrent dans los eaux territoriales de la même fafjon qu'elle exerce son empire sur toutes les per-sonnes et sur toutes les choses qui se trouvent sur le territoire qui lui est soumis. Dès lors le droit du souverain territorial ne peut être étendu jusqu'au point de lui attribuer la faculté de s'ingérer dans les affaires intérieures du navire.... (Waarom niet, als het toch
vaststaat dat de staat souverein is op zijn gebied?)......
exepté dans le cas de necessité absolut dans l'intérêt de la sécurité et de la tranquillité du port.'' Doch dit is niet consequent. Is het schip territoor, dan kan nooit de vreemde staat gerechtigd zijn, zich te mengen in de aangelegenheden op dat territoor voorvallende. Zijn gezag is uitgesloten op het territoor van een anderen staat. Maar, zal men zeggen, de eigen veiligheid vergt, dat de staat ingrijpe. Zelfbehoud is de eerste wet van den staat. Deze eigen veiligheid kan eischen, dat de stoornis worde belet, dat het schip, dat de veiligheid in gevaar brengt, worde verwijderd; dat de misdadigers wellicht gevat en in bewaring gehouden worden. Maar niet, dat de staat zich competent verklare over het misdrijf te oordeelen : waarom zou hij dit niet over kunnen laten aan den staat, op wiens territoor, volgens de leer van Fiore het strafbaar feit heeft plaats gevonden ? De staat mag uit zelfbehoud handelen, maar hij mag de grenzen van het zelfbehoud niet overschrijden : âPar contre il serait daugereux et peu convenable qu'un vaisseau marchand qui entrerait dans les eaux territoriales d'un état ne soit pas soumis a sa jurisdiction pour tous les actes et les rapports extérieurs. En effet les lois de police et de süreté publique obli-
10
- 242 -
gent tous ceux qui, même fortui temen t, se trouvent sur le territoire soumis amp; la juridiction de l'état.quot; Maar het schip was immers, zoo leerde Fiore, territoor ; dus geen deel van het gebied van den staat, waar het zich bevindt. Hoe kan een staat er aanspraak op maken, politievoorschriften te geven, die moeten
gelden op het gebied van een anderen staat ?.....
âCette doctrine est si conforme a la vérité que les navires de guerre, quoique non assujettis h la juridiction territoriale, paree qu'ils représentent l'état, auquel ils appartiennent, et paree qu'en raison de leur destination, ils n'ont guère de rapports extérieurs; lors-qu'ils sont forcés d'avoir de tels rapports, deviennent soumis a cette même juridiction. C'est pour cela qu'ils sont astrients a observer les règlements sanitaires et les lois relatives au lieu et è, la distance du mouillage, au mode de chargement et du déchar-gement des munitions et a d'autres matières analogues.'' Zonderlinge redeneering! De oorlogsschepen zijn, zoowel als andere schepen gehouden, de politie voorschriften na te leven : volkomen juist. Doch mogen strafrechtelijke bepalingen dan wèl overtreden worden ? Wordt er een misdrijf gepleegd aan boord van een oorlogsschip, dan zal de locale rechter zich van kennisneming moeten onthouden; maar Fiore zal toch wel niet willen leeren, dat het anders zal zijn, wanneer het geldt de overtreding van een po-litievoorschrift. De staat zal, wanneer de sanitaire maatregelen niet opgevolgd worden, den toegang tot zijne havens verbieden; en, zoo noodig, de nadering met geweld tegen gaan. De staat, zoo zagen wij reeds, mag praeventiet optreden. Alleen door eene onjuiste opvatting van het recht van exterritorialiteit komt Fiore tot de zonderlinge redeneering, als zou reeds
- 243 -
in de behandeling der oorlogsschepen, de door hem voorgestane opinie doorstralen.
Hautefeuille verkondigt dezelfde leer als Fiore: âle batiment.... est une partie flottante du terri-toire; les hommes, qui l'habitent n'ont pas quitté le sol de la patrie.... moins qn'il n'y ait pas de relation avec le territoire étranger. . . . Dès qu'il entre dans un port il est saisi par la juridiction étrangère. . mais le fait commis a bord par un francais on une autre personne embarquée en dehors de toute relation avec le pays étranger et ceux qui l'habitent, est commis sur une portion du territoire Francais c. a. d. en France . . .quot; 1) Ja, zoo beschouwt Frankrijk het feit aan boord van een fransch schip voorgevallen: doch hoe moeten andere naties het fransche schip beschouwen dat in hunne havens het anker werpt ?
V o n Martens gaat niet zoo ver als hij zegt: âIn den Hafen und Eigengewassern eines fremden Staates jedoch sind principiell nur die Kauffahrteischiffe in allen Stücken den Gesetzen und Behörden des Landes un-tergeben .... Indessen erstreckt sich der Satz .. .. nicht auf solche Schifïe, welche nur am Ufer, wenn gleich innerhalb des Küstengewiissers, vorüberfahren. Damit sie sich der fremden Obrigkeit competiren, ist stets erforderlich dass sie mehr oder weniger lange Zeit in den Eigengewassern des Staates anhalten oder verweilen. â Eine andere Regel stellt die Englische âTerritorial waters Jurisdiction act*' von 1878 auf. Dieses Gesetz, das die Ausdehnung des Englischen Küs-tenmeeres auf 3 Meilen fixirte, verordnete, dass alle Vorfalle, die sich innerhalb dieses Raumes abspielen, von Englischen Behörden und nach Englischen Gesetzen
1
Haute feuillel 4. 1. blz. 59.
- 240 -
nen zijn, daar het niet op zijn territoor was voorgevallen. Om in eene leemte te voorzien, was eene fictie: âschip is territoor,quot; dringend noodzakelijk, doch wel te verstaan slechts zoolang het schip in volle zee is. Passeert het de grenslijn der territoriale wateren, dan krijgt de zaak een geheel ander aanzien; dan bestaat er geen reden meer voor de fictie. Het schip bevindt zich dan op het gebied van een souvereine staat, bevoegd om alle delicten binnen zijn gebied gepleegd, te straffen. Hij alleen heeft jurisdictie binnen dat gebied en een andere staat kan, tegen zijn wil, daar geene voorschriften geven.
âOn peut, zoo gaat Fiore voort, considérer Ie navire dans son individualité pris isolément et abstraction faite, de tout ce qui l'entoure, ou bien le considérer dans ses rapports extérieurs avec les personnes et les choses qui se trouvent sur les eaux territoriales. Sous le premier point de vue, il reste toujours soumis a la Souveraineté nationale, qui par ses lois régit les personnes qui y sont em-barquées, règle les actes faits a bord et pourvoit au maintien de la discipline, tout aussi bien qu'è, la répression des délits qui ont été commis ^ bord.quot;
Ongetwijfeld kan de eigen staat bepalingen maken en doet hij dit ook omtrent de tucht aan boord van schepen : omtrent den Burgelijken Stand, omtrent strafbare feiten aan boord gepleegd. Maar de vraag is hier, of de staat, binnen wiens wateren het schip zich begeven heeft, geen gezag heeft over het schip, of het, doordat de staat waartoe het schip behoort, bepalingen heeft gemaakt, onttrokken is aan de jurisdictie van de plaats waar het zich bevindt. Is de staat verplicht een inbreuk te dulden op zijne souvereiniteitsrechten?
Moet hij dulden, dat een derde staat binnen zijn gebied wetten stelt?
- 241 -
âSous le .second point de vue au contraire le navire se trouve soumis a la souverainete territoriale qui régit par ses lois tous les rapports extérieurs des bati-ments, qui ontrent dans los eaux territoriales de la merne facon qu'elle exerce son empire sur toutes les person nes et sur toutes les choses qui se trouvent sur le territoire qui lui est soumis. Dès lors le droit du souverain territorial ne peut être étendu jusqu'au point de lui attribuer la faculté de s'ingérer dans les affaires intérieures du navire.... (Waarom niet, als het toch
vaststaat dat de staat souverein is op zijn gebied?)......
exepté dans le cas de necessité absolut dans l'intérêt de la sécurité et de la tranquillité du port.'' Doch dit is niet consequent. Is het schip territoor, dan kan nooit de vreemde staat gerechtigd zijn, zich te mengen in de aangelegenheden op dat territoor voorvallende. Zijn gezag is uitgesloten op het territoor van een anderen staat. Maar, zal men zeggen, de eigen veiligheid vergt, dat de staat ingrijpe. Zelfbehoud is de eerste wet van den staat. Deze eigen veiligheid kan eischen, dat de stoornis worde belet, dat het schip, dat de veiligheid in gevaar brengt, worde verwijderd; dat de misdadigers wellicht gevat en in bewaring gehouden worden. Maar niet, dat de staat zich competent verklare over hst misdrijf te oordeelen : waarom zou hij dit niet over kunnen laten aan den staaf, op wiens territoor, volgons de leer van Fiore het straf baar feit heeft plaats gevonden ? De staat mag uit zelfbehoud handelen, maar hij mag de grenzen van het zelfbehoud niet overschrijden : âPar contre il serait dangereux et pen conveuable qu'un vaisseau marchand qui entrerait dans les eaux territoriales d'un état ne soit pas soumis a sa jurisdiction pour tous les actes et les rapports extérieurs. En effet les lois de police et de süreté publique obli-
10
- 242 -
gent tous ceux qui, même fortui temen t, se trouvent sur le territoire soumis amp; la juridiction de 1'état.quot; Maar het schip was immers, zoo leerde Fiore, territoor ; dus geen deel van het gebied van den staat, waar het zich bevindt. Hoe kan een staat er aanspraak op maken, politievoorschriften te geven, die moeten
gelden op het gebied van een anderen staat ?.....
âCette doctrine est si conforme a la vérité que les navires de guerre, quoique non assujettis h la juridiction territoriale, paree qu'ils représentent l'état, auquel ils appartiennent, et paree qu'en raison de leur destination, ils n'ont guère de rapports extérieurs; lors-qu'ils sont forcés d'avoir de tels rapports, deviennent soumis a cette même juridiction. C'est pour cela qu'ils sont astrients a observer les règlements sanitaires et les lois relatives au lieu et è, la distance du mouillage, au mode de chargement et du déchar-gement des munitions et a d'autres matières analogues.'' Zonderlinge redeneering! De oorlogsschepen zijn, zoowel als andere schepen gehouden, de politie voorschriften na te leven : volkomen juist. Doch mogen strafrechtelijke bepalingen dan wèl overtreden worden ? Wordt er een misdrijf gepleegd aan boord van een oorlogsschip, dan zal de locale rechter zich van kennisneming moeten onthouden; maar Fiore zal toch wel niet willen leeren, dat het anders zal zijn, wanneer het geldt de overtreding van een po-litievoorschrift. De staat zal, wanneer de sanitaire maatregelen niet opgevolgd worden, den toegang tot zijne havens verbieden; en, zoo noodig, de nadering met geweld tegen gaan. De staat, zoo zagen wij reeds, mag praeventiet optreden. Alleen door eene onjuiste opvatting van het recht van exterritorialiteit komt Fiore tot de zonderlinge redeneering, als zou reeds
in de behandeling der oorlogsschepen, de door hem voorgestane opinie doorstralen.
Hautefeuille verkondigt dezelfde leer als Fiore: âle batiment.... est une partie flofctante du terri-toire; les hommes, qui l'habitent n'ont pas quitté le sol de la patrie .... a moins qn'il n'y ait pas de relation avec le territoire étranger.. . . Dès qu'il entre dans un port 11 est saisi paria juridiction étrangère. . mals le fait commis a bord par un francais ou une autre personne embarquée en dehors de toute relation avec le pays étranger et ceux qui l'habitent, est commis sur une portion du territoire Francais c. a. d. en France . . .quot; l) Ja, zoo beschouwt Frankrijk het feit aan boord van een fransch schip voorgevallen: doch hoe moeten andere naties het fransche schip beschouwen dat in hunne havens het anker werpt ?
V o n Martens gaat niet zoo ver als hij zegt: âIn den Hafen und Eigengewassern eines fremden Staates jedoch sind principiell nur die Kautfahrteischiffe in allen Stücken den Gesetzen und Behörden des Landes un-tergeben .... Indessen erstreckt sich der Satz . . . . nicht auf solche Schift'e, welche nur am Ufer, wenn gleich innerhalb des Küste n ge wasser h, vorüber/akren. Damit sle sich der fremden Obrigkeit competiren, ist stets erforderlich dass sie mehr oder weniger lange Zeit in den Eigengewassern des Staates anhalten oder verweilen. â Eine andere Regel stellt die Englische âTerritorial waters Jurisdiction act*' von 1878 auf. Dieses Gesetz, das die Ausdehnung des Englischen Kus-tenmeeres auf 8 Meilen fixirte, verordnete, dass alle Vorfalle, die sich innerhalb dieses Raumes abspielen, von Englischen Behörden und nach Englischen Gesetzen
') Hautefeuille I 4. 1. blz. 59.
- 244 -
zu judiciren seien. Indessen raotiviren Souveranitat und Sicherheit des Staates schwerlich eine derartige ka-tegorische Vorschrift.quot; 1)
Principieel, zoo geeft de Martens toe, is de staat bevoegd jurisdictie uit te oefenen ovev alle schepen, die in zijne territoriale wateren vertoeven, onverschillig of hun verblijf kort of lang duurt, of zelfs dat zij slechts voorbijvaren. Toch wil hij voor dit laatste geval eene uitzondering maken. De motiveering dier meening is zeer zwak. âErtorderlich isf', zoo meent hij, de schepen althans eenigen tijd in de territoriale wateren vertoeven. Hoelang dat moet zijn, wordt ons niet gezegd : en toch dringt zich die vraag terstond aan ons op, daar een voorbijvarend schip ook eenigen tijd in de territoriale wateren vertoeft. Wellicht bedoelt von Martens, dat het schip in de territoriale wateren moet ankeren : hij vergeet echter er bij te voegen, op welken grond, dit vereischte âertorderlich'' is. De vraag is alleen : bevindt zich het schip op het territoor van den staat ? Zoo ja, dan valt het ook onder diens jurisdictie en wel juist zoolang als het zich binnen dat territoor bevindt; hoelang het schip er vertoeft is eene vraag, die geheel buiten rekening behoort te blijven.
Evenals een vreemdeling, in het buitenland eene reis vervolgende, een oogenblik over de grenzen ons gebied betreedt en daar een delict pleegt, niettegenstaande hij slechts momentaan en âvorübergehendquot; ons territoor heeft betreden, onder onze jurisdictie valt, eveneens zal hetgeen aan boord van een door ons gebied vorüberfahrendquot; schip, voorvalt onder het bereik van onze wetten vallen. Souvereiniteit en veiligheid van den staat kunnen, zoo meent von Martens, moeie-
*) F. v o n Martens: 11. $ 56.
- 245 -
lijk eene bepaling als de engelsche rechtvaardigen. Dit argument treft geen doel. De veiligheid van den staat is een der rechtsgronden, die er toe hebben geleid den staat jurisdictie te geven over een deel der kustzee en derwille van de veiligheid van den staat is dat gedeelte bepaald op een afstand van 3 zeemijlen, daar het geschut gerekend wordt niet verder te kunnen dragen. 1) Eenmaal de grens aangegeven, is de staat ook sonverein over alles wat zich binnen die grens bevindt: tot aan die grenslijn strekt zich zijn imperium uit: tot zoover zijn zijne wetten geldende. De reden, waarom de aan boord van een door de territoriale wateren voorbijvarend schip gepleegde delicten, onder de jurisdictie van den oeverstaat vallen, is niet, dat de veiligheid van den staat eischt, dat het feit door hem en niet door een anderen staat berecht worde, maar dat het feit binnen zijn territoor is geschied. De staat heeft een volkomen, onbeperkt imperium over de kustzee. De meening van de Martens wordt ook voorgestaan door Bluntschli. 2) De meening dezer schrijvers hangt ten nauwste samen met hunne opvatting der âHoheitquot; van den staat over de kustzee, welke zij, ter wille van het belang der scheepvaart, binnen de engst mogelijke grenzen willen beperken.
Attlmayr, een voorstander van de leer, dat handelsschepen, in alles aan de locale jurisdictie onderworpen zijn, verkondigt eene stelling, die moeielijk met zijn leer is te rijmen. Sprekende van het geval dat
'j Bij de groote ontwikkeling van het artillerie-wezen, is deze berekening te klein geworden. Men vervaardigt thans geschut, dat tot 5 zeemijlen draagt. En wie zal het voorspellen, wat de toekomst ons nog op dit gebied zal leveren?
Bluntschli $ 323.
- 246 -
in volle zee op een schip een misdrijf is gepleegd, en dit schip landt in de haven van een staat, die zooals Oostenrijk, ook feiten buiten zijn gebied door vreemdelingen gepleegd, strafbaar stelt, zegt hij dat arrestatie van dien man aan boord van het schip niet geoorloofd is, als het een oorlogsschip is en vervolgt dan aldus: âDas Gleiche musz aber aucb für einen Kauf-fahrer Geltung haben, so lange die betreffenden Individuen sich an Bord desselben befinden; denn jeden Versuch der Local-Behörden, sich der Verbrecher an Bord zu bemachtigen, würde in diesem Falie als eine Verletzung der Rechte des Staates erscbeinen, dem das Schilï ange-hört, da Vergehen und Verbrechen an Bord eines Schiffes auf hober See begangen, als auf seinem Territorium verübt, anzusehen sind, dem nach auch seiner Jurisdiction unterliegen.'' Eenige regels verder kent Attlmayr den oeverstaat wèl bet bestraffingsrecht toe, als de individuen aan land zijn gestapt. ^ Waarom niet als ze zich aan boord van het handelsschip bevinden, indien toch, wat Attlmayr staande houdt, het handelsschip geen territoor is? De redeneering is daarenboven gebrekkig. De oeverstaat ontkent niet, dat het delict in volle zee voorgekomen, is geschied op het territoor van den staat, waartoe het schip behoort: we gingen immers juist van de veronderstelling uit, dat de oeverstaat feiten straft huiten zijn gebied, door vreemdelingen gepleegd. Is dit een strafrechtelijke regel, die inbreuk maakt op da rechten van andere staten, dan behoorde Attlmayr ons dit te bewijzen, en in dat geval zou in het wezen dei-zaak geene verandering zijn gebracht, als de delinquenten niet aan boord, maar aan wal werden gearresteerd. Waar-
') Attlmayr; 1 j 5.
- 247 -
om dan in hel eerste geval wèl, in het laatste niet, van inbreuk op het volkenrecht gewag gemaakt?
In de praktijk is de leer van Fiore en Haute-fenille tot uitdrukking gekomen in het bekende avis du conseil d'état van 20 November 1806. Door de Fransche overheersching is dit avis in tal van landen ingevoerd en executoor verklaard. Ook bij ons heeft Avis â /an 1806. het gegolden en is pas bij de invoering van het tegenwoordig Wetboek van Strafrecht ingetrokken. Het avis du conseil d'état, thans nog in Frankrijk geldende,
bepaalt, dat de locale autoriteiten zich slechts dan met de aangelegenheden aan boord van vreemde schepen voorkomende, mogen inlaten, als hare hulp wordt ingeroepen of de rust der haven in gevaar wordt gebracht. Het avis is dikwijls in de Fransche jurisprudentie toegepast geworden. Onder alle arresten en vonnissen verdient vooral het arrest van het Hof van Cassatie van 25 Febr. 1859 de aandacht, daar het avis door dit arrest interpretatief wordt uitgebreid. Het arrest vermeldt namelijk naast de opsomming der gevallen,
waarin de territoriale rechtsmacht mag kennis nemen van feiten, voorgekomen aan boord van vreemde handelsschepen, zelfs tusschen personen tot de equipage behoorende ouderling, het geval, dat het gepleegde misdrijf zoo zwaar is, dat geen enkele geciviliseerde staat het ongestraft kan laten.
Het avis da conseil d'état was niet onrechtmatig ten aanzien van Frankrijk ; immers Frankrijk, souve-rein binnen zijn gebied, kon aan zijne rechters al dan niet de kennisneming van sommige feiten opleggen.
Het stond Frankrijk vrij, te bepalen, dat zijne rechters zich zouden moeten onthouden van, en vreemde consuls competent zouden zijn voor, de kennisneming van delicten aan boord van schepen in Frankrijk gepleegd-
- 248 -
Doch Frankrijk kon aan zijne consuls in het buitenland geene rechtspraak opdragen over delicten aan boord van Fransche schepen in de havens van vreemde mogendheden gepleegd m. a. w. Frankrijk was niet bevoegd van vreemde staten eene wederkeerige concessie van het recht van souvereiniteit te eischen. Langzamerhand is men gaan inzien, dat de leer van het avis du conseil d'état inbreuk maakt op de souvereiniteitsrechten van iederen slaat en dat eene regeling, als het avis voorstaat, slechts dan kan gelden wanneer de naties, welke het betreft haar bij overeenkomst hebben gesanctioneerd. Het denkbeeld, waarvan het avis uitgaat, dat het tegen de souvereiniteit van den staat zou strijden, als de autoriteiten van de plaats, waar het schip voor anker ligt, zich in de inwendige aangelegenheden van het schip mengden, is onjuist en, zoodra het adagium: âschip is territoor'' in twijfel wordt getrokken, vervalt ook de grondslag, waarop het stelsel van het avis is opgebouwd. Strijdt het niet veel meer tegen de souvereiniteit van een staat, als hij binnen zijn territoor een enclave, aan een anderen slaat toekomende, moet erkennen? Niettemin vindt men in tal van tractaten het standpunt van het avis ingenomen. Zoo in het tractaat van Handel en Vriendschap tusschen Oostenrijk en de Argentijnsche Republiek van 27 Oct. 1870 (Art. 19); in het handelstractaat van Oostenriik en Chili van 14 Juni 1870 (Art. 13); in het consulair verdrag tusschen Oostenrijk en Frankrijk van 11 Dec. 1866 (Art 11); in de conventie van Frankrijk en Rusland van 1 April 1874 (Art. 11); in de consulaire conventies van Frankrijk met Griekenland van 7 Jan. 1876 (Art. 21); mot Salvador van 5 Juni 1878 (Art. 21); met Sardinië van 4 Febr. 1852 (Art. 8); met Italië van 26 Juli 1862 (Art. 13);
- 249 -
met Portugal van 11 Juli 1866 (Art. 12); met Venuzuela van 25 Maart 1843 (Art. 24); met Ecuador van 6 Juni 1843 (Art. 28); in het tractaat van Handel en Vriendschap van Frankrijk met de republiek Guatémala van 8 Maart 1848 (Art. 23); met de republiek Honduras van 22 Febr. 1856 (Art. 23); met de republiek San Salvador van 2 Jan. 1858 (Art. 27); met de republiek Nicaragua van 11 April 1859 (Art. 28) ; met Peru van 9 Maart 1861 (Art. 81) enz. ^
A1 is het avis in tal van tractaten tot uitdrukking gekomen, toch kan zijne leer niet als volkenrechtelijk erkend beschouwd worden. Engeland en Noord-Amerika hebben zich steeds op het juiste standpunt geplaatst en hebben steeds de uitsluitende heerschappij en jurisdictie gevergd over alle voorvallen, binnen hunne territoriale wateren geschied.
Nimmer hebben zij bij tractaten of consulaire Conventies eenigen inbreuk op dit beginsel toe willen staan, doch omgekeerd hebben zij er ook niet op aangedrongen, dat aan hunne Consuls in buitenlandsche havens jurisdictie over feiten aan boord hunner schepen gepleegd, zou worden toegekend. Het beginsel der âTerritorial waters jurisdiction Act'' is volkomen in overeenstemming met het volkenrecht.
De talrijke conventies, waarin het fransche stelsel is opgenomen, bewijzen reeds, dat het zonder uitdrukkelijke overeenkomst, niet zou gelden. Algemeen zijn de meest gezaghebbende schrijvers het daarover eens. Het avis had als Fransche wet kracht gekregen en was bij de overheersching in tal van landen ingevoerd; doch Frankrijk alleen kan nog geen volkenrecht creëeren en twee der groote staten, Engeland on de Vereenigde
â¢) P r a d i e r - F o d e r é: V § 3427.
- 250 -
Staten, hebben steed« geweigerd aan het Fransche stelsel hun zegel te hechten. De onderscheiding die het Fransche avis maakt, heeft met het wezen van het delict absoluut niets te maken. Het is eene willekeurige onderscheiding, die slechts kan berusten op uitdrukkelijke bepalingen. F. von Marten s geeft het ware standpunt van het volkenrecht aan, als hii zegt: âHandelsschiffe sind in fremden Hafen den Landes-gesetzen Unterthan und haben sich allen Anordnungen der Hafenbehörden zu unterwerfen. Dies die allgemeine Regel. Wenn aber auf Grunrl von Consular-,Handels-,oder Schiffahrtstractaten dem Capitan oder zustandigen Consul in gewissen Fallen eine Disciplinargewalt über die Equipage des Kauffahrers eingeraumt wird, so ist diese Befügniss anzusehen als eine Concession sei-tens der auswartigen Macht, nicht aber als ein Recht, das etwa au sich bestande, und schon aus der Stel-lung, die ein Handelsfahrzeug im Auslande einzu-nehmen hat, flösse. Eben deswegen sind die Bestim mungen der Conventionen und Gesetzen in betreft.der Exemtion mancher Delicte, die auf Handelsschiffen in auslandischen Hafen begangen worden, von der ört-lichen Gerichtsbarkeit in restrictiver Weise zu inter-pretiren. Jedwede auf einem Kauffahrteischifïe began-gene That, die den Frieden und die Sicherheit im Hafen verletzt, kann seitens der Ortsbehörden ver-folgt werden. Die Entscheidung in dieser Frage gebührt einzig der Regierung des Staates in welchem sich das Schiff befindet.quot; l)
Zelfs de Fransche rechtbanken hebben het beginsel der restrictive interpretatie aangenomen, daarmee in principe de onderwerping erkende van het handels-
') F. von Martens 11. ( 50.
- 251 -
schip aan het staatsgezag van de plaats, waai' liet zich bevindt.
Tal van rechterlijke uitspraken hebben het engelsche standpunt ingenomen. Ik wil hier slechts meedeelen eene scheidsrechteliike uitspraak van zeer jongen datum, die ons door d e Martens wordt vermeld : Het âPeruaansche schvpâMariaLuzquot; liep in 1872, raeteeneladingChineesche koelies aanboord, eene japansche haven binnen. Eenige der koelies sprongen over boord in zee en zwommen naar een in de nabijheid voor anker liggend Engelsch oorlogsschip. De commandant van het oorlogsschip deed de aandacht der Japansche regeering hierop vestigen, daar het niet onwaarschijnlijk was, dat zich op het Peruaansche schip koelies bevonden, die dooi' geweld of bedrog in slavernij waren gebracht en nu tegen hunnen wil vervoerd werden De Japansche autoriteiten traden nu tusschen beide, en stoorden zich niet aau het protest van den scheepsgezagvoerder, die zich beriep op de exterritorialiteit van zijn schip. De Japansche regeering bood den Chinezen aan op een Amerikaansch schip van Shanghai naar hun vaderland terug te kee-ren. De Peruaansche regeering bestreed harerzijds de wettigheid van handelwijze der Japansche regeering. Beide staten kwamen overeen de vraag te onderwerpen aan de scheidsrechtelijke uitspraak van den Rus-sischen Keizer. Deze uitspraak volgde in het jaar 1875 van uit Ems, en luidde, dat de gewraakte stappen der Japansche Regeering volkomen in overeenstemming waren met het volkenrecht, daar handelsschepen, gedurende hun verblijf in vreemde havens, onderworpen zijn aan het gezag en de jurisdictie van den staat, waar zij vertoeven.
Zijn zelfs in niet christelijke landen, in het Oosten, waar in den regel èn de consuls èn zelfs de vreemde-
- 252 -
lingen, niet aan de jurisdictie der inlandsche rechters onderworpen zijn, waar het exterritoraliteits privilege den grootst mogelijken omvang heeft verkregen, de handelsschepen aan het plaatselijk gezag onderworpen, hoeveel te meer moet dit dan niet gelden in de beschaafde landen, met name in de staten van Europa. De door den Tsar aller Russen verkondigde leer bevat stellig het huidige volkenrecht en het valt niet te betwijfelen, dat wanneer zich in een Europeescbe haven een dergelijk feit zou voordoen of een misdrijf aan boord zou worden gepleegd, in gelijken zin zou worden beslist, uitgenomen in Frankrijk, of wanneer het be-ti eft een schip van het een land, met wien de staat eene de Fransche leer huldigende overeenkomst heeft gesloten. Onderwerping aan de âStaatshoheitquot; is de regel ; exterritorialiteit de uitzondering. ^ Het is nauwelijks denkbaar, dat een staat in Europa er aanleiding in zou vinden te protesteeren tegen de handelwijze eener vreemde mogendheid, wegens het feit, dat deze zich competent verklaarde te oordeelen over een voorval aan boord van een schip in hare havens.
Maar, zoo kan men zeggen, als het delict aan boord gepleegd wordt, wordt de rechtsorde van den havenstaat niet verstoord. Doch de staat heeft nu eenmaal afgekondigd, welke feiten, binnen zijn gebied gepleegd, hij beschouwt als wèl de rechtsorde verstorende en daarover is hij een vreemden staat geen verantwoording schuldig ; valt de gepleegde handeling in de termen van hetgeen de staat als een vergrijp tegen zijne
') De wel kau aan eigen rechters onthouding van kenuisne.uing bij misdrijven op eigen gebied vom'sctirijven en hunne inmenging gelaslen bij misdrijven op vreemd territoor doch op eigen schepen gepleegd. Ue staat echter dien het aangaat, behoeft dit laatste slechts dan toetcstaan, wanneer er tusschcn hen eene overeenkomst dienaangaande bestaat.
- 253 -
rechtsorde beschouwt, dan is het slechts de vraag, of het feit op zijn gebied is voorgevallen en alle ver.
dere overwegingen, of er in concrete stoornis der rechts.
orde heeft plaats gehad, behooren buiten aanmerking te blijven.
Bovendien, als het vergrijp zich niet naar buiten openbaart, dan zal het juist hierom, ook al deelt men niet de zienswijze van het Fransche avis, onvervolgd blijven.
Door de eventueele ingrijping der locale autoriteiten te bestrijden, heeft men reeds de mogelijkheid erkend, dat het binnen boords gepleegde feit, zich naar buiten openbaart : hoe zouden anders de autoriteiten er kennis van kunnen dragen ?
Welke reden kan er voor een bepaalden staat bestaan, om te vergen, dat de delicten aan boord zijner schepen in buitenlandsche havens, alleen aan zijne jurisdictie onderworpen zullen zijn ? Waar zal het delict beter beoordeeld kunnen worden, dan juist ter plaatse,
waar het geschied is?
Op het forum delicti commissi zijn de getuigen, Waaromzoudenkoop-
, j , vaardijachepen, âten-i-
de bewijsstukken enz. aanwezig: alles wat de ken-toorquot; moeten zijn ? nisneming en vervolging gemakkelijker maakt. Waarom dan de rechters van den locus delicti incompetent verklaren ? De vervolging daar ter plaatse, zal men meenen, zal de scheepvaart en den handel hinderlijk zijn : het vertrek der schepen zal belet worden, zoolang de vervolgingen het onderzoek voortduurt; de equipage zal gedagvaard en opgeroepen worden; in éen woord de scheepvaart zal er door belemmerd en vertraagd worden. Dat zulks kan geschieden, valt niet te loochenen : doch deze bezwaren zijn stellig geene rechtsgronden en het valt wel te betwijfelen of ze in den regel zoo zwaar zullen wegen. In ieder geval zullen gebeurtenissen, als waarop de aandacht wordt gevestigd, uitzonderingen blijven :
- 254 -
de vervolging in het vreemde land zal spoediger af kunnen loopen, daar de indrukken nog versch, getuigen, bewijsstukken enz. ter plaatse aanwezig zijn, spoediger in ieder geval, dan in het vaderland zelf; en zal de vervolging daar ter plaatse de scheepvaart niet evenzeer hinderlijk kunnen zijn?, te meer vertraging veroorzaken, omdat het tijdstip der berechting zooveel verder van het oogenblik van het plegen der daad is verwijderd en de behandeling daardoor langduriger en moeielijker zal wezen ? En als men dit als grond aanneemt der door ons bestreden zienswijze, zou men dan niet eerder moeten pleiten voor onttrekking, niet van het schip, maar van de equipage, aan de jurisdictie van den havenstaat? Er is echter niemand, die zóóver wil gaan, de locale rechters incompetent te verklaren voor misdrijven ook buiten boord door personen, tot de equipage van een vreemd schip behoorende, gepleegd.
De staat, zoo wordt wel eens beweerd, stelt geen genoegzaam vertrouwen in de strafrechtspleging van vreemde staten. Dit wantrouwen is ten aanzien dei-beschaafde Europeesche staten niet bijzonder gemotiveerd. En zelfs al zou er voor dat wantrouwen grond bestaan, dan nog is een inbreuk op de souvereiniteit van iederen staat daardoor niet gerechtvaardigd. Of zal men beweren, dat een Europeaan, onderdaan van een staat die met een Oostersche mogendheid geen capitularia heeft gesloten, in dat land reizende en aldaar een misdrijf plegende, niet onderworpen is aan de jurisdictie der locale rechters, op grond dat de Oostersche rechtspleging niet beantwoordt aan de inzichten van het beschaafde Europa ? Niemand die het zal beweren. Maar moet dan de onbetrouwbaarheid der rechters wèl een argument zijn voor de excemp-tie van handelsschepen ?
- 255 -
De door de Martens verkondigde leer, die der En. gelsche en Amerikaansche practijk en die ook behalve door Frankrijk door schier alle landen wordt toegepast, wordt voorgestaan door B1 u n t s c h 1 i, P h i 1-limore. Travers Twiss, Wheaton, Lawrence,
Calvo, H oltze n d orff, Attlraayr, de Cussy,
Klüber, Pradier-Fodéré, Har burger e. a.
Oppervlakkig beschouwd schijnt ons Wetboek van An- 8en3,w, v.Sr. Strafrecht zich aan eene inconsequentie schuldig te maken. In Art. 8 plaatst het zich op het standpunt van het volkenrecht, doch in Art. 3 is het adagium ;
âschip is territoor''in al zijne consequenties gehuldigd.
Immers het plaatst onder het bereik der Nederland-sche strafwet âieder (ook vreemdelingen), die zich huiten het Rijk in Europa (dus zoowel in vreemde havens of territoriale wateren, als in volle zee), aan boord van een Nederlandsch vaartuig aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.quot; Correcter kon het adagium ten aanzien van het strafrecht niet uitgedrukt worden. En toch is de inconsequentie slechts schijnbaar en is de bepaling van art. 3 zeer goed te verdedigen. Ja, veel meer zelfs, voorziet zij juist door hare algemeenheid, in eene leemte. Voor de Nederlandsche schepen in volle zee is ze, zooals we reeds uitvoerig hebben besproken, noodzakelijk, maar behoorde ze niet tot âschepen in volle zeequot;
beperkt te blijven? Nederland verklaart zijne strafwet verbindend voor gehéel zijn gebied : ook voor vreemde handelsschepen in zijne havens of territoriale wateren;
erkent dus voor vreemde schepen den regel: âSchip is territoor,quot; niet, doch voert dien regel voor eigen sche-
Bluntschli § 319; Phillimore III 19 § 351; W h e a t o n; Travers Twiss; H o 11 z e u d o r f f: Lex, v. Ext.; A 111 m a y r; 1 $ 5; Pradier-Fodéré: V § 2439 ; O r t o 1 a u II 13 blz. 381 ; H a r b u r-burger blz. 122 vlg.; Hef ft er § 79.
â 256 â
pen wèl door. Te recht is art. 3 zeer algemeen geformuleerd. Onze wetgever had liet oog op die landen, waar het avis du conseil d'état geldende is en voor die landen voorziet art. 3 in eene leemte. Want ware dit artikel niet zoo algemeen geformuleerd, dan zou een delict, gepleegd aan boord van een Nederlandsch vaartuig, in de haven van een land, dat de leer van het avis huldigt, straffeloos moeten blijven. ') Het avis verbiedt de locale autoriteiten van het feit kennis te nemen, en de Nederlandsche rechter zou, bestond art. 3 niet, zich eveneens moeten onthouden, daar het een feit geldt, niet op ons grondgebied gepleegd. â Nu het artikel aldus is geredigeerd, zal het herhaaldelijk voorkomen, dat èn de Nederlandsche, èn de locale rechters competent zijn ; doch wat schaadt zulks? Dat twee staten eenzelfde misdrijf met straf bedreigen, daarvan zijn tal van voorbeelden. De Nederlander, die in Duitschland een moord pleegt, is niet alleen in Duitschland strafbaar, maai' ook in ons land volgens Art. 5 n0 2.
Bovendien Art. 3 pretendeert geenszins de inmenging van buitenlandsche autoriteiten uit te willen sluiten. De Nederlandsche wetgever kon geen volken-rech-telijke regelen opstellen, maar wat hij wèl kon en ook deed, was het bepalen over welke feiten hij den Ne-derlandschen rechter competent zou verklaren. Of behalve de Nederlandsche, nog een ander rechter tot kennisneming bevoegd is, daarover laat Art. 3. zich niet uit. Het artikel maakt derhalve geen inbreuk op de beginselen van het volkenrecht; op de aan iederen staat binnen zijn gebied toegekende onbeperkte sou-vereiniteit, evenmin als art. 5. 2e. de andere staten in
l) Geateld, dat liet feit uiet viel onder art. 5 of onder art. 4 Strafr.
- 257 -
hunne souvereiniteitsrechton verkort. Slechts clan zou er inbreuk op het volkenrecht te constateeren zijn, als ons Art. den Nederlandschen rechter uitsluitend bevoegd verklaarde, elke bemoeiing van den vreemden staat buiten te sluiten.
Alvorens den omvang der privilegien van de oorlogsschepen en daarmee gelijk gestelden te bespreken,
moeten we nog wijzen op een geval, waarin enkele schrijvers, de koopvaardijschepen op gelijken voet willen behandelen als de oorlogsschepen, hun met name exterritorialiteit willen verleenen. Holt zen-dor ff drukt het aldus uit: âWieder ihrem Willen anlandende Handelssclüffe sind exterritorial, in so weit sie eine wirkliche Noth dazu zwang. ') Von Kal- Schepen dooi-«doige-ten bom met beroep op de praxis, zoo voegt Hollt- bhinSopTndr zen dor ff toe, spreekt dit tegen. En m. i. te recht.
De vraag immers, welke de reden is, waarom men het gebied van een staat betreedt, kan weinig ter zake doen bij het onderzoek naar het al of niet onderworpen zijn aan diens wetten. Wie zich op het territoor bevindt, staat onder de bescherming, maar ook tevens onder het gezag van den staat ; welke ook de beweegreden was, die tot een verblijf op dat territoor noopte, en zelfs al was dat verblijf tegen den wil van den vertoevende. Souvereiniteit van den staat is de regel ; onttrekking aan zijne rechtsmacht de uitzondering. Voor het aannemen der door Heffter en Holltzendorff vermelde uitzondering, bestaat noch eenige rechtsgrond, noch de erkenning door de schrijvers of de praktijk. Heffte ren Holltzendor ff slaan met hunne opinie geheel geïsoleerd.
Het privilege aan de oorlogsschepen en daarmee ge-
') Holltzendor ff; Lex. v. Ext.; Cf. Heffter § 79.
17
- 258 -
lijk gestelde vaartuigen verleend, wordt door de schrijvers over volkenrecht, exterritorialiteit genoemd. Voor deze schepen blijft het adagium: âschip is territoor,quot; voor alle schepen in volle zee geldend, ook van kracht, wanneer zij zich in de territoriale wateren van een anderen staat bevinden. Het oorlogsschip, waar omvang der priviiegien. het zich ook moge bevinden, moot beschouwd worden als het voortgezet territoor van den staat, waartoe het behoort. Alleen die staat is bevoegd voorschriften , te geven, geldende aan boord van het oorlogsschip ; alles wat aan boord voorvalt moet beschouwd worden, als zijnde geschied op het territoor van den staat, wiens vlag het schip voert.
De locale autoriteiten zijn niet bevoegd, tegen den wil van den commandant, het schip te betreden. Dit alles zijn de consequenties van het beginsel, dat schip territoor is. Deze consequenties worden dan ook dooide meeste en gezaghebbendste schrijvers aanvaard.
De Cussy breidt de exterritorialiteit der oorlogsschepen uit, tot alles wat zich binnen de draagwijdte van het geschut bevindt. âUn vaisseau de guerre en pleine mer emporte avec lui sur l'océan une souveraineté ambulatoire, incontestable, . . . une atmosphère propre qui a pour mesure la portée de sas canons et si un navire se réfugié dans ce rayon, il sera a l'abri des poursuites de l'agresseur, comme s'il était dans une rade ou dans un port neutre.quot;') Deze exorbitante uitbreiding van het exterritorialiteitsrecht, vindt men alleen bij de Cussy en alle schrijvers hebben ten heftigste togen deze opvatting gestreden. âEs ware zegt H a r b u r g e r, für den Betrieb der Schiöahrt im höchsten Grade beschwerlich und vertrüge sich auch
*) d e C u s s y I. 2. § 60,
- 259 -
durcliaus nicht mit der für die gauze Menschheit bestehnden Gemeinschaftlichkeit des Meeres als Ver kehrstrasse, wenn jedes dieselbe benutzende Fahrzeug den Anspruch erheben dürite, in einem nach Kano-nensctiussweite bemessenen Umkreise allein zq sein, oder wenigstens ausschlieslich bindende Anordnungen zu treffen. Wie gefahilich dies übrigens auch für die Erhaltung des Friedens unter den Nationen sein könnte, bedarf wohl kaum der Andeutung, geschweige denn einer, weiteren Darlegung. Aber nicht allein aus prak-' tischen, sondern auch aus theoretischen Grimden ist gegen eine derartige Theorie Front zu machen. Es spricht gegen sie vor Allem der Urnstand,dass ein Ausnahmerecht in Frage steht, und darum der Satz : âJus singulare non est producendum ad consequentiasquot; ihr hindernd in den Weg tritt. Nur behufs der Ermöglichung einer rechtli-chen Qualiflcirung und Behandlung von bestimmte Vorfallen wird ausnahmsweise ein ausserhalb des Staatsgebietes liegender Ort fictiv als innerhalb dessel-ben liegend und zu ihm gehöiig angesehen. Es ver-steht sich daher von selbst, dass einer solchen An-nahme keine so weittragende Bedeutung beigelegt werden kann, dass unter Berufung auf sie alle nur möglichen auftauchenden Fragen ebenso gelost werden dürften, als handelte es sich urn Vorgange innerhalb oder in nachster Nahe des Vaterlandes des Schiffes.quot;')
Bovendien mag niet over het hoofd gezien worden, dat het gelden van het nationale recht en de competentie der vaderlandsche rechters slechts subsidiair is en alleen daarom toekomt, omdat andere rechtsvoorschriften en andere rechters ontbreken. Wanneer
') Harburger blz. 111 vlg.
- 260 -
nu twee schepen van verschillende nationaliteit elkander op zee ontmoeten, brengt ieder hunner zijn nationaal recht mede, en is dit voor ieder hunner het geldende recht. Er bestaat hier geene leemte, die voorziening eischt; integendeel zou iedere gezagsuitoefening een inbreuk maken op de souvereiniteits-rechten van het vaderland van het andere schip.
De heerschappij van de wetten en het staatsgezag van het vaderland van het schip is geene blijvende, ' doch eene voorbijgaande, die slechts betrekking heeft op het oogenblik dat het schip zich op eene bepaalde plaats bevindt. En niets staat volkenrechtelijk in den weg, dat een oogenblik later een ander schip op de zelfde plaats komt en de ingenomen ruimte tot een deel van zyjn vaderland maakt.
Voor het schip in de vaart bestaat geen enkeleder beweegredenen, die voorzitten bij het verleenen aan den staat eener heerschappij over de territoriale wateren. De enkele feitelijke mogelijkheid, binnen zekeren afstand, daden van geweld of van verdediging uit te kunnen voeren, motiveert nog niet de Cussy's opinie, om het schip te maken tot een âMittelpunkt einer Sphare der ünnahbarheit.quot; 1) De Cussy's meening, die zelfs voor het schip in volle zee onaannemelijk is, kan nog minder gelden voor het oorlogsschip in de territoriale wateren van een vreemden staat. Dan toch zou iedere haven door het binnenloopen van eer. oorlogsschip vreemd territoor worden. En wat zou het zijn, als oorlogsschepen van verschillende naties in de. zelfde haven voor anker lagen ?2) Wat al collisies tusschen
1
*) H a r b u r g e r blz. 113.
2
) Hautefeuille I. 1. blz. 25: wün publiciste moderne pretend que le domain naval, acquis par le vaissseau de guerre, s'étend tout autour de lui jusqu'a la portee du canon, de telle sorte que si le vaisseau est neutra
die verschillende souvereiniteiten zouden er dan niet plaats hebben!
Harburger oppert de praktisch zeker weinig gewichtige vraag, wat, bij het voorvallen van een strafbaar feit aan boord, als plaats der handeling is te beschouwen, het schip zelf, of wel de plaats, waar het zich bevindt. âGenau betrachtet ist aber nicht das Fahrzeug der wirkliche Ort einer Handlung. Das Schiftquot;, auf seiner nassen Bahn weiter eilend, verandert ja von Moment zu Moment seinen Standort und bleibt auch in der möglich weitesten Entfernung von dem Punkte der Erdoberflache, an welohem es sich zu irgend einer Zeit einmal befand, immer dasselbe. Das Schift' ist nur das Gefahrte, auf welchem eine Handlung, ein Verbrechen vor sich geht. Und ebensowenig man bei Verübung einer Delictes in einer Karosse oder in einen Eisenbahnzuge die Behauptung aufstellen wird, es sei jener â oder dieser der Ort der That, kann man ein Gleiches auch nicht rücksichtlich eines grosseren Vehikels, eines Schiftës sagen. Der Ort der That ist vielmehr diejenige Stelle der Erdoberflache, jeder Punkt im Meere, an welchem sich das Fahrzeug im Momente der Verübung der strafbaren Handlung befand. Wird nun
tout acte hostile sera defeudu dans cette espèce d'atmosphère neutraliaee par la presence d'un batiment neutre L'auteur pense que Ton doit interpréter dans ce sens le grand nombre de traités, qui out stipule, que les batiments de guerre des deux parties devraient accordcr leur protection réciproque aux navires marcliands, par eux rencontrés. Je nie formellernent la possibilitc de donner une pareille valeur aux traités dont parle eet auteur. D'ailleurs l'ad-mission d'une pareille extension du domain naval serait fort dangereuse: elle augmenterait considérablement la puissance déja si formidable des belligérants aux dépens de la navigation des peuples neutres. II pourrait même arriver qu'un peuple pacifique aurait la puissance de paralyser le droit de Tun des belligérants en accordant le convoi de ses batiments de guerre aux navires de Tautre. Jamais pareil droit n'a existé ; il est impossible de le faire re-sulter des traités existants.quot; Cf. Ook A 111 m a y r 1 § 13.
- 262 -
das Schift' als Fortsetzung des Gebietes seines Hei-math Staates, alle rechtling relevanten Voigange auf demselben als im Inlande angetreten, angesehen und nach dem Rechte des Inlandes beurtheilt, so ist dies im letzten Resultate weiter nichts, als dass solchen Falies immer diejenige Stelle des Meeres als Inland behandelt wird, an welcher sich das Schiff gerade am kritischen Augenblicke befand. ')
In het volkenrecht is alleen de exterritorialiteit van het schip erkend; niet van de plaats waar het zich bevindt. Alleen het schip, maar niet de ruimte onder en boven het schip is onttrokken aan de locale sou-vereiniteit. Wat buiten boord geschiedt, valt voor op het territoor van den havenstaat, al zou dit ook in de onmiddellijke nabijheid of onder het schip voorvallen. *)
Wanneer genieten de Wanneer de staat niet uitdrukkelijk het tegendeel ooriogsseiiepen volk. pn-verllt;]aa).d ]ieeft_ genieten de oorlogsschepen in zijne
wateren exterritorialiteit en tot dusver heeft geen enkele staat ooit van dit, zijn strictum jus, gebruik gemaakt. Wanneer een oorlogsschip niettegenstaande het verbod van den staat eene haven binnenloopt, en zich in de haven vijandelijk gedraagt, verliest het dan daardoor het genot der exterritorialiteit? Zeker is de staat, souverein op zijn territoor, gerechtigd voor eigen behoud te zorgen; zijne onafhankelijkheid te handhaven : geweld tegenover geweld te plaatsen. Ongetwijfeld mag hij alle hem ten dienste
') Harburger: blz. 109 vlg.
2) Men denke bv. aau bet mogelijk geval van een «misdrijf op deu bodem der zee.quot; De omstaiidigbeid, dat een vreemd oorlogsacbip zich aan de oppervlakte bevond boven den locus delicti, maak! niet dat het feit moet be-scbouwd worden als gepleegd op bet gebied van den staat, waartoe het oorlogsschip behoort.
- 263 -
staande middelen aanwenden om het schip, dat tegen zijn verbod wil binnenloopen, den toegang tot zijn gebied te beletten. Het oorlogsschip pleegt eene onrechtmatige daad, die den staat verplicht, voldoening en eerherstel te geven aan de beleedigde natiën. Doch geniet een dergelijk oorlogsschip niettemin exterritorialiteit ? De staat die het schip den toegang tot zijn gebied ontzegt, kan niet geacht worden, stilzwijgend zijne toestemming gegeven te hebben, tot onttrekking aan zijn gezag. De onrechtmatige daad, zoo redeneert men, kan nooit de grondslag zijn van een privilegium. â Toch gaat deze redeneering niet op. De uitgesproken stelling : eene onrechtmatige daad kan nooit voor een privilegium den grondslag leggen, is onjuist. Opstand, rebellie tegen den wettigen souverein is zeker een onrechtmatige daad. Niettemin is algemeen erkend dat de opstandelingen onder zekere voorwaarden recht hebben als oorlogvoerende partij behandeld te worden; dat voor hen het privilegium van het oorlogsrecht geldt; dat hunne handelingen, als het dooden hunner tegenstanders in het gevecht, het vernielen van voorwerpen hunner vijanden, niet als moord, roof enz. moeten beschouwd worden , maar volgens het oorlogsrecht moeten worden beoordeeld. Pleegt het schip daden van geweld, dan zullen deze volgens het oorlogsrecht moeten behandeld worden ; den staat staan alle middelen van tegenweer ten dienste, die hij noodzakelijk acht. Ik zou hier echter hetzelfde willen betoogen, als wat geldt voor vijandelijke legerafdeelingen die een land binnenrukken. Evenmin als deze onderworpen zijn aan het gezag van den staat, wiens gebied zij betreden, niettegenstaande zulks tegen zijn wil geschiedt, evenmin kan m. i. een vijandelijkheden jiegend oorlogsschip aan de locale jurisdictie onderworpen zijn. Noch thans
- 264 -
ineenen verschillende schrijvers, dat de volkenrechtelijke privilegien ophouden, door het zich vijandig gedragen van de oorlogsschepen. l) Calvo deelt een arrest mêe van het Hof van Cassatie te Parijs van het jaar 1832, waarbij werd aangenomen, dat de privilegien eindigen, zoodra het schip vijandelijkheden pleegt.
De staat, die bevoegd is voorwaarden te stellen voor de toelating van oorlogsschepen, en den afstand der privilegien als zoodanige voorwaarde te bepalen, kan ook de eenmaal verleende voorrechten wederom intrekken. De staat kan het eenmaal toegelaten oorlogsschip dwingen zijn gebied te verlaten ; hij kan voor een voortgezet verblijf in zijne havens de onderwerping onder zijne wetten als eisch opstellen. De privilegien berusten op stilzwijgende toestemming ; ze mochten derhalve een einde nemen, als de grondslag, waarop zij rusten, wegvalt. Alleen zal het oorlogsschip kunnen vorderen, dat, wanneer hem het langer verblijf wordt ontzegd, de privilegien niet terstond ophouden, maar dat een bekwame termijn worde gelaten om zich buiten de territoriale wateren te verwijderen, iir analogie van hetgeen ten aanzien der vorsten en gezanten gebruikelijk is.
Door het uitbreken van een oorlog houdt de exterritorialiteit der oorlogsschepen in de vreemde havens niet op. Wel zal de staat het oorlogsschip terstond het verblijf binnen zijn gebied ontzeggen, en als het schip vijandelijkheden pleegt, volgens oorlogsrecht kunnen behandelen, doch de exterritorialiteit wordt door den oorlog m. i. niet opgeheven. Het valt echter niet te ontkennen, dat de verschillende hier behandelde gevallen
x) Lawrence IV. 328; Fi o r e I. 1. § 15; Calvo § 543.
â 265 â
zoo exceptioneel zijn, en dat het volkenrecht zich met deze zoo weinig bezighoudt, dat het moeielijk is voor deze eeuige regels vast te stellen. Het oorlogsrecht, de feitelijke machtsontwikkeling, het geweld tegenover geweld zal zóózeer op den voorgrond treden, dat de vragen omtrent jurisdictie geheel voorbij worden ge. zien. De praktijk levert ten dezen aanzien niet genoeg antecedenten, om voor de toekomst daaruit eenige leidende beginselen aan de hand te doen. Men zal zich dus wel moeten aansluiten bij het uit den aard der zaak voortvloeiend beginsel, dat de rechters van het aangevallen of overwonnen land geen jurisdictie kunnen uitoefenen over de zegevierende of het land binnendringende troepen - afdeelingen of dealen der gewapende macht van den vijandelijken staat.
Een delict aan boord van een oorlogsschip, in eene buitenlandsche haven gepleegd, valt onder de jurisdictie van den staat, wiens vlag het schip voert, daar het geldt een delict, op diens territoor voorgevallen, onverschillig of het een zuiver militair- of een gemeen delict is. ') F. v o n Martens erkent dat de exterritorialiteit der oorlogsschepen in de praktijk zoo consequent wordt doorgevoerd, dat strafbare feiten, aan boord van een in een buitenlandsche haven liggend oorlogsschip begaan, uitsluitend tot de competentie van dien staat behooren, wiens vlag het schip voert.
âWeder die Polizei, noch die Justizbehörden des Uferstaates sind befugt, das Verdeck eines Kriegs-schiffes zu betreten. Folglich besitzen Kriegsschiffe im fremden Hafen nicht nur Exterritorialitat, sondern auch Asylrecht.quot;') Deze uitspraak is te meer gewich-
*) A 111 m a y r I § 5 onderscheidt tusschea deze twee categorien, doch komt voor beiden tot dezelfde slotsom. Hoe zou het ook anders kunnen als werkelijk het oorlogsschip territoor is ?
2) F. von M a r t e u s : 11 § 56.
- 266 -
tig, nu zij voortvloeit uit den mond van een schrijver, die over het algemeen, de uitbreiding der volkenrechtelijke privilegien niet gunstig is gezind en op vele plaatsen, niettegenstaande de constant in den geest der uitbreiding gevestigde praktijk, de uitbreiding niet als volkenrechtelijk erkend wil beschouwen, maar als uitingen van de comitas gentium.
Dat asylrecht is juist de consequentie van den regel! âSchip is territoor.quot; Dat asylrecht wil von Martens echter beperkt zien ; het heeft, meent hij âseine vernünftige Grenzen, über welche hinaus es zum Missbrauch wird.Eskann überhaupt nicht weiter gehen, als das den G-esandten-| wohnungen zugeschriebenes analoge Recht.quot; Deze zienswijze, zoo voegt von Martens in een noot toe, wordt dooide meeste schrijvers niet gedeeld. Door de geciteerde âconsequente toepassing inde praktijkquot; heeft de Martens zelf reeds het oordeel over zijne leer uitgesproken. De door de Martens gewraakte leer der meerderheid der schrijvers, is de ware: het is de noodzakelijke consequentie van het onbetwiste beginsel, dat het oorlogsschip territoor is. De vergelijking van het; oorlogsschip met het gezantschapshotel faalt ten eenenmale, daar het oorlogsschip wel territoor is, het gezantschaps-botel echter niet. Juist te dezer reden bestaat voor het oorlogsschip het asylrecht in zijn vollen omvang, en is ten aanzien van het gezantschapshotel dat privilege te recht afgeschaft.
Nog verder dwaalt von Martens van den rechten weg af, als hij voortgaat: âEbensowenig existirt ein Rechtsgrund, weshalb in allen Fallen, die auf Kriegs-schiffen verübten Vergehen den Ortsbehörden entzogeu sein sollten. Zugestanden, das Commandeur nnd Equipage von der örtlichen Gerichtsbarkeit zu eximiren , sind, worauf hin aber sollte man dieses Privilegium
- 267 -
wohl auf andere nicht zur Manschaft gehorige Individuen ausdehnen dürfen ; z. B. auf Landeseinwohner, welche an Bord des Kriegsschiffes delinquirt haben ? Ganz unbegrenzt verstanden, ist die Exterriotorialitat des Kriegsschiffes der eigenen Sicherheit derselben kaum, mit den Rechten und der Würde des Uferstaa-tesaber jedenfallsgar nicht vereinbar.quot;Ditlaatste schijnt zeer overdreven en daarenboven aan twijfel onderhevig-Is exterritorialiteit wel over een te brengen met de waardigheid van den oeverstaat, moet de consequente doorvoering van dat begrip het dan ook niet zijn ? De rechtsgrond, die volgens de Martens niet bestaat, is niet raoeielijk aan te geven ; de rechtsgrond is eenvoudig deze, dat het schip territoor is, en dat voor territoor de nationale wetten gelden omtrent alle feiten, daar begaan, ^ De exterritorialiteit der oorlogsschepen is, zegt Ti diss : âa total exemption from the laws of Territory.quot; Attlmayr in principe hiermee overeenstemmend, meent, dat wanneer dader en benadeelde onderdanen zijn van den staat, in wiens havens het schip geankerd is, de kommandant de kennisneming van het debat aan de locale autoriteiten behoort over te laten, daar het onder gewone omstandigheden, tusschen geciviliseerde staten, niet passend zou zijn, dat de vertegenwoordiger dei' uitvoerende macht, eene bevriende natie, de misdadigers aan de justitie van hun land zou onttrekken en dat, van den anderen kant, niemand er belang bij kan hebben, zich met de misdadigers van vreemde staten bezig te houden. Attlmayr
') Cf. T wiss § 158; Ortolan II. 10 blz. 301; Calvo I 383 ; PhiUimoic III 19 § 344-: Fiore I « 16-17; Attlmayr'I § 5. Fiore vermeldt eene circulaire van lt;ion Minister van Italië van 21 .Tan. 1865, waarin uitdrnkkrlijk verboden wordt, misdadigers, die aan boord vhii vreemde oorlogsschepen vluchten, te arresteeren.
- 268 -
heeft niet willen uitdrukken, dat de commandant tot die overgave van den misdadiger aan de locale politie, verplicht zou zijn ; hij geeft alleen aan, wat waarschijnlijk in voorkomende gevallen zal geschieden. In geen geval heeft genoemde schrijver willen toegeven, dat de politieambtenaren een delinquent aan boord zouden mogen arresteeren, want onmiddellijk laat hij, op de boven gememoreerde uitspraak volgen: âAus demGrund-satze der Exterritorialitat ergibt sich ferner, dass 'kei-nerlei Behörde des Ortes, wo das Kriegsschift' sich be-tindet, ein Recht hat, an Bord desselben irgend einen Akt der Jurisdiction vor zu nehmen. öelbst dann, wenn Angehörige des Kriegsschiffes â sei es des Stabes oder der Mannschaft oder Passagiere â sich am Lande einer gesetzwidriger Handlung schuldig machen, sich aber der Arrestation am Lande entziehen und an Bord oder in ein Boot, welches zum Kriegsschiffe gehort, (denn von den Booten gilt dasselbe wie von den Kriegsschiften selbst), bleibt den Local-Bchörder nichts weiter ubrig als â wenn statt haft deren Auslieferung, oder doch deren Bestrafung zu verlangen.quot; Deze laaste zinsnede vooral, die men schier bij alle schrijvers over volkenrecht terugvindt, bewijst ten duidelijkste hoe consequent het beginsel, schip is territoor, wordt doorgevoerd. En nog consequenter dan dooi' de schrijvers geschiedt zulks door de praktijk. Eene inmenging in de aangelegenheden van een handelsschip, het arresteeren van een zoodanig vaartuig, heeft, herhaaldelijk, hoewel niet met grond, protesten uitgelokt van den staat, wiens schip het betrof, en tot internationale verwikkelingen aanleiding gegeven; a fortiori zal dus eene dergelijke gezaguitoefening aan boord van een oorlogsschip niet geduld worden.
Met het schip zelf worden gelijk gesteld, en zijn
- 269 -
dus eveneens exterritoriaal, de daarbij behooreiide i
booten en accessoria. *) De booten, sloepen enz. zijn Booten pdz. , de pertinentia van het oorlogsschip en volgen aldus de lotgevallen en den rechtstoestand der hoofdzaak.
Men heeft de vraag opgeworpen, of de leden der equipage van een exterritoriaal schip, buiten boord een straf- Equipage buiten boord baar feit plegende, zich op het volkenrechtelijk priviquot;
lege kunnen beroepen ? Terecht wordt dit door de schrijvers ontkend. Immers het schip geniet exterritorialiteit, niet de equipage als zoodanig. Hier geldt juist het omgekeerde van- wat ten aanzien der gezanten en van het gezantschapshotel gezegd is. Het gevolg en de bedienden van den gezant genieten exterritorialiteit, niet omdat en zoolang zij zich in het gezantschapshotel bevinden, maar alom, waar zij ook vertoeven ; terwijl iemand, niet tot het gevolg behoorende, zich op geen volkenrechtelijk privilege kan beroepen, door de omstandigheid dat hij zich in de woning van den gezant bevindt ; bij de gezanten is het privilege persoonlijk.
Bij de oorlogsschepen daarentegen draagt het een locaal karakter; al degenen, die zich binnen de geprivilegieerde ruimte bevinden, genieten de volkenrechtelijke privilegien.
Ortolan formuleert het aldus : âSi c'est a terre en pays étranger, que des individus quels-qu'ils soient,
appartenant aux états-majors ou aux équipages des batiments de guerre ou passagers bord de ces bati-ments, se rendent coupables d'infractions aux lois de ce pays, nul doute, que les autorités locales, n'aient le droit de s'en emparer tant qu'ils sont amp; terre, et de les livrer aux tribunaux de leur nation pour être fugés et punis suivant ces lois. Seulement les commandants
1) A 111 m a y r : T § 5 ; C a 1 v o : I, 11, § 546 5 H a r b u r g e r bli. 109; P h 111 i m o i* e Til, 19 § 346, Ortolan I, 10 blz. 302.
- 270 -
doivent être informés de ces airestations et de motifs qui y ont donné lieu.quot; (Stellig zal dit steeds geschieden , doch of kennisgeving eene volkenrechtelijke verplichting is, mag betwijfeld worden).,, et c'est alors le cas pour eux ou pour les agents diplomatiques ou consulaires de faire... toutes les démarches nécessaires, soit pour obtenir que les personnes inculpées leur soient rendues, soit du moins pour veiller a la manière dont elles seront traitées et jugées. Si les coupables parviennent a rallier leur bord avant d'avoir été saisis, les autorités du pays n'ont pas le droit de les y arrêter.quot; 1)
Pradier-Fodéré, de vraag behandelende of de equipage, buiten boord een delict plegende, exterritorialiteit geniet, onderscheidt tusschen drie gevallen :
1° het geval, dat personen, tot de equipage van het oorlogsschip behoorende, aan wal zijn gegaan om te verrichten, wat tot hun dienst behoort en zij een strafbaar feit begaan, hun door hun superieuren geboden ;
2° het geval, dat zij ter wille van hun dierst aan land zijn gegaan, maar de bevelen van den gezagvoerder niet hebben opgevolgd :
3° Als zij, zonder dat hun dienst zulks vorderde, aan land zijn gegaan.
In het eerste geval is de gezagvoerder aansprakelijk. De locale autoriteiten, meent Pradier-Fodéré, mogen den delinquent niet aan hunne jurisdictie onderwerpen.
Ze mogen hem echter wel arresteeren en de noo-dige maatregelen nemen om herhaling of rustverstoring te voorkomen doch zij moeten hem aan den gezagvoerder overleveren om volgens de wetten van hun
1
} Ortolan II. 10 blz. 301. In gelijken zin Phil li more 111, 19^ J 346 *, Attlmayr I § 5.
- 271
land of de disciplinaire voorschriften gestraft te worden. In het tweede geval neemt Pradier-Fodéré de competentie aan der locale rechters, doch volgens algemeen gebruik, meent hij, dat ook in dit geval de dader aan den commandant van het oorlogsschip ter bestraffing zal overgeleverd worden. In het derde geval zijn ongetwijfeld de locale rechters competent. Een geval van dezen aard deed zich in 1867 voor. Den 20 Jan. van dat jaar, waren eenige matrozen van het Engelsche oorlogsschip The Pearl, dat in de haven van Saïgnon (Cochin-China) voor anker lag, in dronkenschap bezig, de rust te verstoren voor een bierhuis, op weinig afstand van de plaats, waar het korvet geankerd lag. De politie arresteerde een der matrozen, doch deze verzette zich en bracht den beambte verschillende steken toe. In eerste instantie werd de matroos veroordeeld wegens rebellie, in hooger beroep echter vrijgesproken, als zijnde de locale rechters incompetent. Dit laatste vonnis werd echter door het Hof van Cassatie vernietigd en de locale rechters 'werden competent verklaard. â Dezelfde leer is gehuldigd in de arbitrale uitspraak van Leopold I, Koning van Belgie, in het geschil tusschen de Engelsche en Braziliaansche regeering omtrent de arrestatie van drie Engelschen, tot de equipage behoorende van het fregat Ja Forte,quot; dat te Rio-Janeiro voor anker lag, en die in dronkenschap een Braziliaanschen politiepost hadden aangevallen. lj
Over het eerste geval, door Pradier-Fodéré vermeld, dat de matroos handelt op bevel zijner superieuren, zal nog nader gesproken worden. Voor de twee andere gevallen erkent ook Pradier-Fodéré de competentie der locale autoriteiten.
Har burger meent, dat in volle zee, de feiten,
') Zie Pradier-Fodéré V § 240S.
- 272 -
Misdrijven in nabijheid die door lede n dev bemanning, buiten boord, b. v. inde gepieegdl0gS9ChCpCn nabijhei(l van het schip zwemmende, worden gepleegd?
ook onder de jurisdictie vallen van den staat, wiens vlag het schip voert. Hij motiveert dit gevoelen, door er op te wijzen, dat er anders geen staat zou zijn die competent was, en dat de bedoelde personen tot de equipage behooren en dat de korte duur hunner afwezigheid van het vaartuig, dat hunne gewone verblijfplaats is, in hunne juridische positie geen verandering kan brengen. ')
Ditzelfde kan in territoriale wateren niet gelden. Alles wat zich buiten boord bevindt, is onderworpen aan de locale jurisdictie. De nabijheid van het oorlogsschip, tot welks bemanning de delinquent behoort, kan hierin geen verandering brengen.
De equipage van een schip, aan boord waarvan zich een souverein bevindt, geniet als zoodanig geen exterritorialiteit, daar de bemanning niet kan gezegd worden tot het gevolg van den souverein te behooren.
Buit «emaakte sche- Strekt de exterritorialiteit zich ook uit over de door pen' de oorlogsschepen opgebrachte en buitgemaakte schepen ?
Calvo meent dat een onderscheid moet gemaakt worden of het buit maken terecht of ten onrechte geschied is: ârexterritorialité ne s'étend ni aux mar-chandises, ni aux navires, capturés en violation de la neutralité du pays, oü les prises sont emmenées.quot; 3) Hij grondt deze meening op een vonnis van het Hoog Gerechtshof in de Vereenigde Staten, in zake het schip âLa Santissima Trinidadquot;, waarvan de lading was genomen in volle zee, door schepen, voorzien van een kaapbrief van de vereenigde provinciën van Rio de la Plata, ten tijde van den onafhankelijkheidsoor-
') Harburger: blz. 109.
tj Calvo: § 546. Cf. P h i 11 i m o r e : 111, 19 § 349.
- 273 -
log uitgereikt; maar welke schepen in de havens der Yereenigde Staten bewapend waren.
Dezelfde leer wordt door Phillimore voorgestaan, die verschillende uitspraken van Amerikaansche rechtscolleges citeert. M. i. zijn die uitspraken juist, doch op een anderen grond, nl. dat aan, de door kapers opgebrachte schepen, geen exterritorialiteit toekomt, daar de kapers zelf dit privilege niet genieten. Voor door oorlogsschepen buitgemaakte en opgebrachte vaartuigen zal m. i. evenmin exterritorialiteit toekomen. Aan de oorlogsschepen alleen, is in het volkenrecht een privilege toegekend. De omstandigheid, dat een vaartuig door een schip, dat exterritorialiteit geniet, wordt opgebracht, kan daaraan geen privilegien ver-leenen. Het opgebrachte schip is geen accessoor van het oorlogsschip. De exterritorialiteit der schepen is de uitzondering en dus strictae interpretationis. Daarenboven wordt door het opbrengen nog niet uitgemaakt, of het schip eigendom zal worden van den nemer. Daarover zal veel later eerst een prijsgerecht moeten beslissen. â Anders zal beslist moeten worden, in geval het genomen schip een oorlogsschip is: een in een gevecht veroverd schip. Door de verovering wordt het schip deel van het territoor van den overwinnaar, evenals zijne eigen schepen dat zijn.
Het genomen koopvaardijschip behoudt zijne hoedanigheid van privaatschip en deelt daarom niet in de voorrechten der publieke schepen ; het veroverde oorlogsschip behoudt zijn publiek rechtelijk karakter; in zijne hoedanigheid komt geene verandering, doordat het uit den dienst en het eigendom van den eenen staat, door de lotgevallen des oorlogs, in die van een anderen staat, overgaat. Ook na de verovering blijft het schip, oorlogsschip.
18
- 274 -
Bij verschillende schrijvers vindt men naast de leer, dat oorlogsschepen niet- onderworpen zijn aan de strafwetten van het land, waar ze voor anker liggen. Politie reglementen, afzonderlijk gewag gemaakt van politievoorschriften en sanitaire verordeningen. Reeds wezen wij hierop, bij de behandeling der leer van Fiore; en de zonderlinge gevolgtrekkingen, die door dezen schrijver uit de verplichting der oorlogsschepen, om zich aan de politievoorschriften te houden, werden afgeleid. â
Door de meeste schrijvers wordt deze verplichting om de sanitaire- en politie-voorschriften te observeeren als een voorwaarde door den staat aan de toelating der oorlogsschepen gesteld, gekwalificeerd. âIm Seege-biet, einer anderen Staates, zegt Oppenh eim, unter-wirft sich das Schiff nach aussen gewissen, zum voraus bestimmten â nicht Gesetzen â sondern â Bedin-gungen z. B. der Hafenordnung, Schiffsgrusz.quot; â âLes épreuves sanitaires, n'étant que des précautions hygié-niques, des conditions parfaitement licites, m;'.ses c\ l'ad-mission des navires, ne peuvent être considérées comme portant atteinte au droit d'exterritorialité.quot; s) Het valt niet te betwijfelen, dat iedere staat voor zijn gebied sanitaire voorschriften mag geven, ten einde besmetting te voorkomen, haven reglementen mag vaststellen, ten einde ordeverstoring en ongelukken te voorkomen. De staat is voor eigen veiligheid verplicht, zulks te doen en het doel zou slechts ten deole bereikt worden, indien dergelijke voorschriften niet door alle schepen werden in acht genomen. Van die voorschriften, van
«; Ortolan: II, 10, blz. 218 ; de C u s s y ; I, 2 ^ 60 ; C a 1 v o : § 545 ; Heffter: $ 76; A 111 m a y r ; I § 1 ; O p p a n h e i m: VIII § B; Holtzendorff. Lex. v. Ext.
*) C a 1 v o § 545.
- 275 -
wier naleving wellicht duizenden menschenlevens afhangen, kan of mag de staat, geen enkel vaartuig ontslaan; eigen behoud is hier de gebiedende wet voor den staat. Doch hoe dit overeen te brengen met de exterritorialiteit der oorlogsschepen? Hoe het uit te leggen, dat de staat, op het territoor van een anderen staat, voorschriften geeft? De meeste schrijvers hebben ter verklaring hiervan, deze voorschriften als voorwaarden beschouwd voor de toelating, en ongetwijfeld is de staat, souverein binnen zijn gebied, bevoegd, voorwaarden te stellen. Vooral de sanitaire maatregelen kunnen uit dit oogpunt beschouwd worden. Een schip, uit zee komende, wordt niet toegelaten, vóórdat de locale autoriteiten zich hebben overtuigd, dat geene besmetting aan boord aanwezig is, vóórdat het schip de voorgeschreven quarantaine ondergaan heeft. In dit geval springt het conditioneele der toelating terstond in het oog, doch ook van de havenreglementen enz. kan hetzelfde gezegd worden. De voorschriften om des nachts, bepaalde, op eene nauwkeurig voorgeschreven wijze aangebrachte lichten te branden, ten einde aanvaringen en ongelukken te voorkomen, het ankeren op eene aangewezen plaats en dergelijke voorschriften meer, kunnen zeer goed als voorwaarden aan de toelating gesteld beschouwd worden.
Ze raken het algemeen belang, zoowel van het oorlogsschip zelf, als van andere schepen, en geen schip zal er belang bij hebben, zich aan de naleving ervan te onttrekken. Het schip is territoor, doch een territoor van zeer bijzonderen aard: een verplaatsbaar territoor. Vele der voorschriften in havenreglementen, zijn strict genomen, niet verbindend op het territoor: de voorschriften betreffen het vaarwater, de haven: het zijn reglementen voor de vaart door dit watergebied.
- 276 -
en het oorlogsschip, als geheel, het drijvende territoor, als zoodanig, behoort die voorschriften, ia het algemeen belang gegeven, te onderhouden. Het zijn veiligheidsmaatregelen van den staat en daartoe is de staat tegenover exterritorialen even goed, als tegenover ieder ander, bevoegd. Deze voorschriften zullen door politie-rechteliiken dwang gehandhaafd kunnen worden. Algemeen is erkend, dat ook oorlogsschepen zich aan de politievoorschriften moeten houden, doch het staat even vast, dat bij overtreding, geen strafvervolging is toegelaten. Of zou men willen beweren, dat de Commandant van een oorlogsschip niet, voor een moord aan boord van zijn schip gepleegd, voor de locale rechters mag terechtstaan, wel echter, voor een gering verzuim, in strijd met een havenreglement? Eene strafvervolging zou inbreuk maken op de volkenrechtelijke privilegien. Er is echter geen collisie met deze voorrechten, als de staat weigert een oorlogsschip toe te laten, dat zich niet aan de quarantaine maatregelen wil onderwerpen. Als de Commandant van een oorlogsschip geen genoegen wil nemen met de legplaats dooide havenautoriteiten voor zijn' schip aangewezen, vergrijpen dezen zich niet tegen het volkenrecht, als ze het onwillige schip het verder verblijf binnen de haven ontzeggen. Nimmer echter zullen zij, ter handhaving hunner voorschriften tegen den wil van den Commandant het schip mogen betreden om daar een ambtshandeling te verrichten. â
De privilegien van het volkenrecht berusten, zoo als we meermalen opmerkten, op de stilzwijgende toestemming van den staat, wiens havens en territoriale wateren het geldt. Die stilzwijgende toestemming kan niet verder gaan, dan met zijn eigen veiligheid is overeen te brengen. En juist bij de voorschriften, waarvan
- 277 -
hier sprake is, staan de grootste belangen op het spel.
Van het opvolgen van een klein voorschrift, hangt soms het leven van vele personen af. Een gering verzuim kan millioenen schade ten gevolge hebben. â Het behoeft ons daarom niet te verwonderen, dat praktijk en schrijvers eenstemmig zijn in de meening,
dat ook de oorlogsschepen zich aan de sanitaire en politievoorschriften moeten houden. âDe juridische constructie dezer onderwerping, niettegenstaande het schip territoor is, heeft de aandacht der schrijvers getrokken en algemeen beschouwt men de bedoelde voorschriften, als voorwaarden, voor de toelating gesteld.
Wat voor ons onderwerp van belang is, en hetgeen niet betwist wordt, is dit, dat ingeval van overtreding geene strafvervolging voor de locale rechters kan worden ingesteld. â
Door art. 91 van ons Wetboek van Strafrecht, zijn op de bepalingen van andere wetten of verordeningen, die straffen bedreigen, de beginselen van art. 8 toepasselijk verklaard ; zóodat, ook de strafwettelijke positie onzer havenreglementen enz. in harmonie is gesteld met het volkenrecht, â
De vraag doet zich ten slotte voor, of door art. 8 de competentie der Nederlandsche rechters is uitgesloten voor feiten, aan boord van een vreemd oorlogsschip begaan; maar behoorende tot die, welke, ook wanneer zij in het buitenland zijn gepleegd, naar de Nederlandsche wet kunnen worden berecht. Oppervlakkig beschouwd, zou men geneigd zijn de vraag bevestigend te beantwoorden. Immers art. 8, de vol- Art- 8 Sr-kenrechtelijke uitzonderingen in de nationale wetgeving opnemende, verklaart het oorlogsschip tot vreemd territoor. En art. 5 no. 2 of art. 4, zal men zeggem moeten buiten toepassing blijven, daar deze artikelen in art. 8 zijn opgenoemd.
- 278 -
Misschien is dit ook de bedoeling geweest van den Nederlandschen wetgever, toen hij in art. 8 naar de artt. 4 en 5 verwees. Stellig zijn thans de vreemdelingen, die aan boord van een vreemd oorlogsschip in onze havens een strafbaar feit plegen, wat -wel valt onder art. 4, niet strafbaar volgens onze wet, daar het delict niet op ons territoor is gepleegd. Maar hoe te beslissen, als de dader een Nederlander is, of wanneer het strafbaar feit een der in art. 4 genoemde misdrijven is? Het is aan geen redelijken twijfel onderhevig, dat de staat, wiens oorlogsschip het betreft, zich het misdrijf kan aantrekken en dat onze politie niet bevoegd is den delinquent aan boord van het schip in arrest te nemen. Maar als de dader eens aan land kwam en daar in handen onzer justitie viel ? Zal dan ons art. 8 verhinderend tusschen beide treden? Daartoe zou in het. volkenrecht erkend moeten zijn, dat voor feiten, aan boord van het oorlogsschip gepleegd, alleen de staat, wiens vlag het voert, tot kennisneming bevoegd is. Dit kan m. i. niet geacht worden het geval te zijn. Wel spreken verschillende schrijvers zich in dezen zin uit, doch blijkbaar geven zij zich hierbij niet nauwkeurig rekenschap van hunne woorden, en hebben daarbij het geval op het oog, dat de staat alleen feiten op zijn territoor gepleegd, strafbaar stelt: ze willen dan te kennen geven, dat de staat, in wiens havens het schip ligt, een feit, aan boord daarvan geschied, niet als op zijn territoor voorgevallen, mag beschouwen. ^ Het handelsschip in volle zee, is evengoed territoor als het oorlogsschip in territoriale wateren : A111 m a y r aarzelt echter geen oogenblik, den staat competent te verklaren ten aan-
F. von Martens I, j 56.
- 279 -
zien van feiten, aan boord van het vreemde schip in volle zee gepleegd, indien de dader naderhand aan land wordt gearresteerd. Handelsschepen en oorlogsschepen in volle zee, genieten volkomen dezelfde behandeling : beide zijn territoor. ^ Het volkenrecht erkent het oorlogsschip als territoor, tniÃt al de consequenties van dat begrip. Een feit, aan boord begaan, is op vreemd territoor geschied. De vraag is nu slechts, of het een inbreuk is op het volkenrecht, als een staat in zijne wetgeving feiten strafbaar stelt, huiten zijn eigen territoor gepleegd. Onze wetgeving en tal van anderen staan op het standpunt, dat het volkenrecht zich daar niet tegen verzet (getuige art. 4 en 5. 2° Straf. Wetb.) Een feit, gepleegd op het werkelijk territoor eener vreemde mogendheid, te midden van haar land, mag onze rechter zich aantrekken, en zou hij zich dan incompetent moeten verklaren voor het feit, vallende onder Art. 4 of 5 n» 2, gepleegd, niet op een vast grondgebied, maar op een drijvend, een gefingeerd territoor, gepleegd te midden van ons eigen land ?
Moet het gefingeerde territoor dan meer rechten hebben dan het werkelijk territoor ? Ging de bestreden meening op, dan zou er eene groote leemte kunnen ontstaan. Stel, een Nederlander komt aan boord van een vreemd oorlogsschip, in een onzer havens liggende: hij doodt iemand der equipage en springt over boord. Voor onze rechters gebracht, zou de delinquent zich met goed gevolg op art. 8 kunnen beroepen : de Ne-derlandsche rechter zou zich incompetent moeten verklaren. De staat op wiens oorlogsschip de moord gepleegd werd, is competent ; hij kan den dader straffen.....maar hoe hem in banden te krijgen ? Nederland levert eigen onderdanen niet uit.
tj Attlmayr I § 5.
- 280 -
Wanneer hij derhalve slechts zorgt, het Nederland-sche grondgebied niet te verlaten, behoeft hij den wre-kenden arm der gerechtigheid niet te vreezen. â Naar de door mij voorgestane opinie zal in het gegeven geval art. 5 2° toepasselijk zijn: het oorlogsschip is gefingeerd territoor van de vreemde mogendheid, dat evenals het werkelijke territoor, onder de wetten en het gezag van dat land staat. Degene, die aan boord een strafbaar feit begaat, wordt beschouwd, dit gepleegd te hebben op het grondgebied der vreemde mogendheid. Het schip in onze havens is als âAuslandquot; aan te merken.â
Hoofdstuk viii.
VREEMDE LEGER\FDEELINGE i\.
Meermalen voeren de lotgevallen des oorlogs het leger buiten de grenzen van het vaderland en de vraag doet zich dan terstond voor, onder wiens jurisdictie de militairen staan. Ook in vredestijd, brengen de bijzondere omstandigheden, aan den soldatenstand eigen,
het mee, dat overal speciale militaire rechtscolleges,
ook in het vaderland, zijn ingesteld. Zou dit wel anders kunnen zijn, indien het leger buiten de grenzen van het vaderland vertoeft ? Bij de beantwoording der vraag, die thans aan onze aandacht is onderworpen,
moeten wij verschillende gevallen onderscheiden. Het kan zijn, dat het land, waar het leger vertoeft, het vijandelijke land is; het kan zijn, dat het een bevriend of ten minste neutraal land is; dat de passage, met of zonder toestemming der regeering van het betreffende land geschiedt, terwijl ten slotte nog te denken is aan het geval, dat het land, door een vijandelijk leger bezet wordt gehouden. â
Doet een vijandelijk leger een inval in een land, dan Bij inval.
kan natuurlijk van onderwerping van dit leger aan de locale jurisdictie geen sprake zijn. âUnterthanen des besieg-ten Staates zu richtern, über Angehörige des siegenden Heeres sitzen, hiesse die bestehenden Machtverhalt-nisse ignoriren und geradezu umkehren. ... Es ist darum Sache der Heeresieitung, welche die bisher massgebende Autoritat verdrangt und ihre, resp. ihres
- 282 -
Heiraathstaates Macht an deren Stelle gesetzt hat, für einen Ersatz derselben. .. . Sorge zu tragen.quot; l) Zelfs als onder gewone omstandigheden, de bevoegdheid dei-militaire rechters tot militaire delicten beperkt was, zou in dit geval eene uitbreiding hunner competentie voor alle strafbare feiten der soldaten moeten plaats hebben. In zulke tijdsomstandigheden vorderen de hooge eischen der tucht en der orde, dat de organen der rechtspleging met de uitgebreidste bevoegdheden zijn toegerust. De militaire rafters oefenen dan in het vreemde land de bevoegdheden van hun eigen staat uit. â De omstandigheden brengen het mêe, dat de voorheen op het gebied, waar zich het leger thans bevindt, geldende rechtsvoorschriften niet kunnen gelden voor, en toegepast worden op de tot het leger behoorende personen, afgezien nog van de omstandigheid, dat deze voorschriften door de overwonnenen opgesteld, voorde overwinnaars niet verbindend kunnen zijn. â âFolgen auf diese Weise, zegt Harburger, dem Heere Gerechte und Recht des Vaterlandes, unter Verdran-
â¢metL__________âââ---
gung der vorgefundenen gleichartigen Institutionen, so verbleibt der Soldat, wo auch immer die Fahnen des Heeres wehen, unter der Herrschaft der Vaterlandi-schen Souveranitat. Für die Beurtheilung von recht-lich bedeutsamen Vorgange, bei welchen Angehörige des Heeres eine aktive Holle spielen, kann es darum keinen Unterschied begründen, oh die Armee sich in fremdem oder in Heimath-lande befindet.quot; 2) De soldaat wordt geacht zijn vaderland niet verlaten te hebben. Dit is vooral van gewicht, wanneer de berechting niet terstond in het vijandelijke land, waar het leger zich
') Harburger; blz. 126 vlg. *) Har burger: blz. 128.
- 283 -
bevindt, plaats grijpt, maar eerst na den terugkee;
naar het vaderland. ^
Wanneer een vijandelijk leger een gedeelte van het land bezette, beschouwde men dit oudtijds als eene privaatrechtelijke inbezitneming. Het volkomenste, best gegronde eigendom in het Romeinsche recht was dat,
van die zaken, die in den oorlog waren verkregen. Van den grond werd de staat eigenaar. Dit is zoo gebleven tot in de middeleeuwen en de theorie van de privaatrechtelijke bezitverkrijging bij bezetting van een grond- Occupatie, gebied, wordt nog verdedigd door de Groot, Byn-kershoek en Vatte 1. In het begin dezer eeuw ontstond de meening, dat bezetting alleen een dominum, een publiekrechtelijk eigendom gaf. Deze opinie is uiteengezet door Gr. F. de Martens. In de revolutie-oorlogen werd occupatie als verovering beschouwd. Travers-Twiss stelt het nog aldus voor. Bij KI ü-b e r zien we het keerpunt: hij maakt onderscheid tusschen verovering facto, en verovering jure (als de occupatie geschiedt door die partij, welke een recht-matigen grond heeft tot oorlogvoeren). Klüber wil echter, dat de occupant in het laatste geval niet terstond over de veroverde gewesten beschikke, maar dat hij wachte, totdat de vrede is gesloten. De derde theorie is geformuleerd door Heffter, welke hierin door Phi 11 imore is gevolgd. Zoolang de vijand nog niet totaal is gedebelleerd, kan het krijgsgeluk nog keeren. De verovering is slechts voorloopig. Hierbij zou men
â ') In verschillende wetgevingen is dit uitdrukkelijk vermeld. O. a. in art 3 der Fransche wetten van 22 Sept. en 29 Oct. 1790 ; Art. 1 en 9 der wet van 13 Brumaire, An V ; Art. 62 Code de Just. mil. pour 1'armée de terre van 9 Juni 1857 ; in apSpov 49 van de Grieksclie wet van 19 Me' 1860; â¢jójiu- Tzzpi rye arpartcuT'.xriS izo'.vtxfjs vo/ioSeaiaz; in de Ita-liaanscie wet: Art. 3 en 576, codice per 1'exercito del regno d'ltalia van 28 Nov. 1869; in Art. 7 lleichs-Militür-Straf-Gesetzbuch van 20 Juni 1872i
- 284 -
steeds moeten aannemen, dat de vijand de bedoeling heeft eene verovering te maken: doch hieraan denkt hij meestal niet eens. Toen Duitschland in 1870 een groot gedeelte van Frankrijk bezet hield, dacht het allerminst aan eene vergrooting van zijn gebied met al de bezette landstreken. Daarom is de vierde opinie de juiste, die slechts in de occupatie een dwangmiddel ziet. Of de vijand eene verovering heeft willen maken, zal eerst bij het sluiten van den vrede blijken. Deze vierde theorie wordt verdedigd door de latere schrijvers, o. a. Lönig, Hall, von Martens e. a. Tusschen den occupant en de bewoners van het bezette grondgebied, ontstaat niet de verhouding van onderdaanschap, maar van feitelijke overhear,sching. Ze zijn en blijven onderdanen van den staat, wiens gebied geoccupeerd is, maar zij moeten bukken voor de macht van den occupant. Deze zal in het belang der orde en ten einde geen anarchie te crëeeren de geldende wetten laten voortbestaan, voor zoover het met zijne belangen overeen is te brengen. Zoo zal de occupant de uitoefening der staatsrechtelijke bevoegdheden: het deelnemen aan verkiezingen voor het geheele rijk en dergelijke meer, beperken, zoo niet geheel verbieden. De occupant is bevoegd de wetten te wijzigen voor den duur der occupatie. Het strafrecht zal in den regel worden verscherpt en de berechting opgedragen worden aan militaire rechtbanken. â
âEine feindliche Besetzung, zegt van Martens, stellt sich als ein Factum dar, kraft dessen eine â die inlandische â Staatsgewalt ihren ?latz einer anderen â der auslandischen â abtritt. Auf einem und demselben Territorium können unmöglich zwei souverane Gewalten gleichzeitig existiren. Folglich hat die eine Gewalt in die Rechte der andern zu treten,
- 285 -
und an deren Stelle einzurücken. Diese neue Gewalt 1st die des feindliches Staates, dessen Trappen das betreffende Gebiet besetzt halten. Vermög/ der Occu- Jamp; pation entstehen also gewisse Rechtsverhaltnisse zwi-schen den Befehlshabern, resp. der 'Regierung der In-vasionstruppen auf der einen und Allem, was inner-halb des occupirten Gebietes verhanden ist, auf dei-
anderen Seite......Die Occupation als ein vorüber-
gehender Zustand darf keine wesmtliche Veranderungen in den Rechtseinrichtungen des besetzten Gebietes hervorrufen..........Da sie (nl. de vijandelijke macht) eine blosz vorübergehende Autoritat besitzt, so hat die feindliche Militair Gewalt princi-piell alle bestellende örtliche Einrichtungen und Ci-vil-und Strafgesetze intact zu lassen. Wenngleich also die Rechtszustande aufrecht zu erhalten ver-ptlichtet, musz sie doch immer vor Allem für ihre eigene Sicherheit Sorge tragen. Es werden daher die Landesgesetzen und Institutionen soweit zu functio-niren fortfahren, als dies wahrend der Occupation thatsachlich moglich ist und keine dringende Notli-wendigkeit deren Suspension oder wesentliche Aende-rung erheischt. Sc ist der Feind insbesondere befugt eigene Kriegsgerichte in 's Leben zu rufen, wenn er findet, dass die bestellende Strafgesetze und Gerichte die Ordnung im besetzten Geblete und die Sicherheit der Besatzungstruppen nicht genügend gewahrleisten.quot; ') Ten aanzien van het strafrecht zal de occupant stellig van zijne bevoegdheid gebruik maken en eenige artikelen afschaffen, terwijl hij nieuwe zal opstellen of de bestaande verscherpen, in zake oproer, spion-
F. von Martens: II §§ 117â118. Cf. Bluntsclili §§ 539, 540, 541â544-, 547 ; Art. 18 der door Lieber opgestelde Amerikaansciie krijgsartikeleii.
- 286 -
neering, beschadiging van bruggen of telegraphen enz.
Wanneer nu een inwoner zich vergrepen heeft aan een der, door de vijandelijke autoriteiten in het belang hunner eigen veiligheid opgestelde regelen, doch de berechting niet is afgeloopen voor het einde der occupatie, is dan de eigen staat bevoegd het delict te vervolgen ? Het zou zeker wreed en onnatuurlijk zijn, dat de staat zijn onderdanen, die wellicht uit vaderlandsliefde, hun eigen veiligheid, hun leven misschien, in de weegschaal plaatsende, eene bepaling hebben geschonden door den vijand ter wille zijner eigen veiligheid en, om den staat zooveel mogelijk nadeel te berokkenen, opgesteld, ging bestraffen. Doch stricto jure, wat is dan rechtens ? De voorschriften, door den vijand gegeven, waren verbindend voor den duur der occupatie. Na afloop daarvan vervallen ze echter weder en vangen de voorheen op het grondgebied geldende voorschriften aan, te werken. De wetgeving is dan veranderd en volgens ons positief recht (Art. 1. 2° Str. Wtb.) zal de door den vijand als delict gekwalificeerde handeling ongestraft blijven. Voor gemeene delicten echter, gedurende de occupatie gepleegd, zal de staat wèl competent zijn, zoodra de feitelijke schorsing zijner macht heeft opgehouden; hij zal de gemeene delicten, die de occupant niet heeft doen berichten, aan kunnen trekken.
Hij is echter niet competent voor delicten door personen, tot het occupatieleger behoorende, gepleegd. ySTog in sterkere mate dan bij een vijandelijken inval ïn het land, gelden bij de bezetting van een grondgebied de redenen, die de personen tot het leger behoorende, onttrekken aan de jurisdictie van het land, waar zij zich ophouden. In een geheel ander licht doet zich de vraag voor of hetzelfde ook moet gelden, wanneer het land, waar de legerafdeeling zich
- 287 -
bevindt, niet het vijandelijke, maar een bevriend of ten minste een neutraal land is. Het staat vast, dat de vijand niet zonder toestemming der regeering zijne troepen door een neutraal land mag doen doortrekken. Eene gewichtige vraag, doch buiten dit bestek liggende, is deze, in hoeverre de neutrale staat zonder schending zijner neutraliteit, zijne toestemming tot den doortocht van troepen mag verleenen. Zonder toestemming der regeering is de doortocht een schending van het grondgebied, een inbreuk op de souvereiniteit van don staat, eene onrechtmatige daad. 't Is eene handeling, die de neutrale staat bevoegd, ja zelfs verplicht is, wil hij niet den schijn op zich nemen, de passage oogluikend toe te laten en aldus zijne neutraliteit te schenden, met alle mogelijke, hem ten dienste staande, middelen en krachten te verhinderen.
Verschillende schrijvers kennen alleen exterritorialiteit toe aan het leger, dat met toestemming der regeering het land betreedt. âLa permission doit avoir été régulièrement sollicitée et accordée ; sans cela c'est une violation du territoire, un acte d'hostilité qui ne saurait créer aucun droit, aucun privilege au dehors de ceux qui confère k. l'ennemi une guerre ouverte-
ment déclaréequot;......, zegt Calvo. Hij voegt nog
toe : âLorsque le passage de la frontière, est le résul-tat de circonstances de force majeure et conserve un caractère innocent, l'Etat ofïensé rentre aussitöt dans le plein exercise de sa souveraineté et de sa juridic-tion; il ne manquerait done ül aucun de voir international en faisant arrèter et désarmer les troupes étran-gères qui foulent indüment son sol et en reclamant du chef de eet envahissement une légitime répara-tion.quot;1) In den zelfden zin spreken von Martens,
lt; Calvo § 547.
- 288 -
Phillimore, Twiss, Wheaton en tal van andere schrijvers, i)
Ten aanzien der zaak zelve bestaat echter weinig verschil in gevoelen, 't Is meer een verschil in schijn als in werkelijkheid. Oppenheim zegt: âunhedingt exterritorial ist das Heer im fremden Lande, nicht blosz im feindlichen Lande, sondern anch wo es durchzieht.quot; 1) Holtzendorff merkt hier op aan; âdas Heer im Feindeslande ist nicht exterritorial, wie Oppenheim meint, es wird nach Kriegsrecht heur-theiltquot;.2) Naar welk krijgsrecht? Natuurlijk naar dat van zijn vaderland en wat is dit anders, dan dat de jurisdictie van het land, waartoe het leger behoort, en niet die van den staat, binnen wiens quot;grenzen het vertoeft, toepasselijk is. Wat is dit anders dan exterritorialiteit ? Of bedoelt v o n Holtzendorff met â Knegsgerichtquot; het volkenrechtelijk, het oorlogsrecht? Dit recht, dat de feitelijke toestanden erkent, kan toch niet bepalen, dat de overwonnene over den overwinnaar jurisdictie uitoefene! Is de onderscheiding, door Holtzendorff gemaakt, wel iets anders dan een verschil in woorden? En het âKriegsrecht'' erkent zulks dan geen exterritorialiteit ? Hetzelfde wat gezegd wordt van het vijandelijke land, kan ook gezegd worden van het land, waardoor een leger zonder bekomen toestemming doortrekt. Alle schrijvers zijn het er over eens, dat de regeering dergelijke troepen mag, ja moet ontwapenen. Zoodra de troepen een neutraal gebied betreden, zijn zij beveiligd tegen verdere aanvallen van den vijand, doch ze zijn tevens verplicht de wapens af te leggen. De staat wiens ge-
1
) Oppenheim YIII § 5.
2
) Holtzendorff: Lex. v. Ext.
- 289 -
bied ze betreden hebben, moet ze tot aan het einde van den oorlog interneeren. Dit zal zeer zeker met vluchtende troepen geschieden, doch wanneer een leger, willens en wetens, op bevel zijner hoofden, een neutraal gebied betreedt, hetzij omdat dit de kortste weg is om op de bestemmingsplaats te komen, of omdat het ter uitvoering eener krijgsoperatie noodzakelijk is, dan pleegt dit leger eene onrechtmatige daad, hetgeen met vluchtende troepen niet het geval is. Het aldus binnendringende leger zal zich niet laten ontwapenen: zich met geweld daartegen verzetten. Het is dus een leger, dat vijandelijkheden pleegt, daden van geweld; en zulk een leger kan niet meer als een bevriend leger beschouwd worden, maar is in alle opzichten een vijandelijk leger. Het betreden van het territoor, willens en wetens, tegen den wil van den souverein, is een inbreuk op de souvereiniteit van den staat, een daad van geweld, die volgens het oorlogsrecht moet beoordeeld worden. De stelling, waarvan vele schrijvers uitgaan, dat eene onrechtmatige daad nooit de grondslag kan zijn van een privi-iegium, is geheel onjuist. Meermalen is reeds daarop gewezen. â
Dat vluchtende troepen, die in het neutrale land eene veilige schuilplaats zoeken en de wapenen neder-leggen, aan de jurisdictie van dat land onderworpen zijn, behoeft wel geen betoog. Verzet zich het leger echter tegen de ontwapening, wat wel steeds het geval zal zijn, als, willens en wetens, de neutraliteit van een territoor geschonden wordt, dan moet zulk een leger als exterritoriaal beschouwd worden, krachtens oorlogsrecht.
âBilden nicht, zegt Har burger, die Erfolge der Waft'en den Rechtstitel daftir, dass ein Heer oder ein
19
- 290 -
Heerestheil in fremdem Lande weilt oder durch dasselbe zieht, sondern ist hiezu die Ermachtigung der zustandi-gen Staatsgewalt ertheilt worden, so liegt in dem hiedurch begründeten vertragsmassigen oder vertrags ahnlichen Verhaltniss von Souverain zu Souverain die Rechtfertigung far die Einraumung einer Ausnahme-stellung.quot; 1) Het leger is als het ware de vertegenwoordiger der souvereiniteit van den staat en kan evenmin als deze aan eens anders gezag onderworpen zijn. âL'état, zegt Fiore, existe moralement la, ou se trouve la force militaire qui le représente.quot; 2)
Het exterritorialiteits-privilege is een persoonlijk voorrecht: het is niet aan eene bepaalde plaats vei-bonden. Von Bar3) meent, dat vergrijpen van een militair tegen kameraden, tegen de krijgstucht of tegen hun vaderland, naar bun nationaal recht moeten beoordeeld worden, alle anderen echter naar het recht van het land, waar het leger zich bevindt; met name delicten tegen personen, niet tot het leger beboerende of die de openbare orde of rust in gevaar brengen. Voor de laatste categorie zouden de locale rechters competent zijn. Terecht zegt Harburger, dat de door von Bar opgestelde regel niets anders is dan de overdraging van het beginsel, door het avis du conseil d'état van 1806 ten aanzien van delicten aanboord van handelsschepen in Fransche havens gepleegd, gehuldigd op de eveneens, zonder vijandelijke bedoelingen, in eer-land vertoevende vreemde legerafdeeling. De leer van het avis du conseil d'état vond zelfs geen genade voor de gevallen waarvoor zij gepredikt werd; veel
1
v. Bar § 145.
- 291 -
minder nog kan het daarin aangenomen beginsel als algemeen erkend, op analoge gevallen toepasselijk geacht worden. âDie hier in 'sAuge gefassten Personen, Kategorien, lassen sich schon deshalb nicht nach derartigen Gesichtspnnkten beurtheilen, weil es sich dort um Private handelt, hier aber Personen in Frage stehen, welche sich im Dienste und als Mandatare ihres Vaterlandes in der Fremde aufhalten sollen und wollen durchaus Regeln des Schifffahrtverkehres bei-gezogen werden, so können aus diesem Grimde doch nur jene in Frage kommen, welche in Bezug auf die Kriegsschiflfe gelten.quot; ')
Von Bar legt bij zijne leer den nadruk daarop, dat de tot het leger behoorende personen niet aan eene plaatselijke grens gebonden zijn. Dit is echter van geen belang. De exterritorialiteit berust niet op het beginsel, dat de door het leger ingenomen ruimte een deel is van het grondgebied van den vreemden staat, maar op de omstandigheid, dat de dader van het strafbaar feit, behoort tot de gewapende macht, lid is van de daaraan verbonden vertegenwoordiging van het vaderland. â Het privilege heeft eene persoonlijke, geene plaatselijke strekking, evenals zulks met de gezanten en hun gevolg het geval is.
âDer Umstand allein, zoo zegt Har burger verder omtrent de leer van von Bar, dass die von ibm der vaterlandischen Jurisdiktion unterworfenen Handlun-gen âvorzugsweise der innereu Discipl^nquot; anheim fallen, kaum gewiss nicht genügen, um die Militar-personen für gewisse Delikte dem Rechte und Gerichte des Thatortes zu entziehen. Die Rücksicht hierauf vermögte lediglich, einen Rechtstitel \ ür eine Disciplinirung neben der rechtlichen Straffolge zu gewahren.
') Har burger; blz. 132.
- 292 -
Sin cl ja doch die MUitarstrafgesetze nicht in erster Linie bestimmt, als Mittel zur Aufrechthaltung dei Mannszucht zu dienen. Sie beziehen sich vielmeln zu nachst auf die besonderen Berufspflichten der Angehnri-gen des Soldatenstandes, sis statuiren die besonderen De-likte und die besonderen Qualitaten der gemeinen Delikte, deren Scbaffung mit Rücksicbt auf den Stand des Thateis und die Umstande, unter welcben eine That vor sich geht, erforderlich ist. Und wie die Kriminelle Bestrafung eines Beambten wegen eines sog. Amtsverbrechens der Disciplinirung desselben immerhin noch Raum lasst, so ist dies auch bei den militarischen Delikten nicht anders. Wenn die MUitarstrafgesetze und die sog. Kriegsgesetze zugleich für die Forderung der Disci-plin dienlich sind, so ist dies nicht eine ihnen wesent-liche, naturnothwendige, sondern eine mehr zufaÃige Folge, darum aber auch nicht geeignet eine massge-bende Norm für die Auswahl des anzuwendenden Rechts zu begründen. Hiefür können lediglich die Be-dürfnisse, wie solche durch die besonderen Yerhalt-nisse hervorgerufen werden, und die Gründe, welche zur Postulirung einer Ausnahmestellung führen entscheidend sein. *) Fiore schijnt aan het privilege een plaatselijke basis te willen geven, door te onderscheiden tusscben delicten gepleegd, âau dedansquot; en âau dehors dit périmètre des opérations d'une arméequot;, 2) echter wil hij
') H a v 1) urge r ; blz. 133.
Fiore I, 1, i 30. âPour ce qui est des delits puvement militairen et des délits de di'oit eommun cominis dans le périmètre des opérations du corps d'armée par des individus qui en font partie, la juridiction de 1 état auquel 1'arme'e appartient, devrait prévaloir. Tin effet l'état existe moralement lii, oii se trouve la foree militaire, qui le représente et dès lors on peut eon-sidérer eomme se passant sur son territoire tout ce qui a lieu ia oii son armée est cantonnce Quant anx délits commis au dehors du périmHre des opérations de 1'armée, soit par des soldats contre lenrs compagnons d'avmes
- 293 -
niet zoover gaan om alles wat binnen dien âpérimetrequot; ligt tot vreemd territoor te verklaren, zoo, dat ook delicten door personen niet tot het leger behoorende, mits binnen de gestelde grens begaan, aan de jurisdictie van het land, waar het leger vertoeft, onttrokken zouden zijn. Fiore heeft zich duidelijk er over uitgesproken, dat die exemptie alleen geldt voor âles individus, qui font partie de 1'armée.quot; Aan den âpérimètre des operationsquot; kan derhalve, omdat het privilege niet plaatselijk is begrensd, maar een persoonlijk voorrecht is, weinig gewicht worden gehecht. Onjuist komt mij de mee-ning van Fiore voor, dat een soldaat die buiten âle périmètre des opérationsquot; een delict zou begaan hebben, aan de locale jurisdictie zou onderworpen zijn.
soit par des soldata contre des habitants, la juridiction temtoriale de l'elat ue saurait etre contestée. En eft'et on ne saurait supposcr que le souverain qui a donué la faeulté de passer sur son territoire a une armee etrangère, alt tacitement renonce par le fait a toute juridiction pénale sur les soldats qui la composent, quand ils se rendront coupables de délits sur sou territoire. Ou peut done supposer que le soldat qui a coramis un délit, rejoigue son corps, avant de tomber au pouvoir de la juridiction territoriale. Si dans ce cas 1'auto rité militaire jugeait préférable de déférerle délit au conseil de guerre, il ne serait pas opportun de dcmander la remise du prévenu. On doit en eflet considércr comme suffisante pour sauvegarder les intéréts de la société, une répression immédiate et plus rijroureuse que celle qui serait l'oeuvre de la juridiction territoriale. â Si au contraire, le soldat qui aurait commis un délit de droit commun dans le périmètre, occu-péc par l'armée, se réfugierait sur le territoire de l'état ct était réclamé par l'autorité militaire pour etre jugé par le conseil de guerre, 11 devrait être livré. Bien plus a notre sens : ânous croyons que ce ne serait pas le cas de considércr cette remise comme une extradition, si 1'arrcstation était opéréc immédiatement dans la localité même ou le corps d'armée est cantonnc même en dehors du périmètre, qu'elle occupe. Une telle remise devrait plutot être considérée comme un acte de police, basé sur la présoraption que le Souverain qui a accordé le passage, a entendu en même temps assurer le respect des lois qui out pour objet le maintien de la discipline et n'a pas voulu que les soldats fusseut distraits de leur juges naturels. Mais dans le cas oü le soldat se rétugierait dans rintérieur de l'état, il ne devrait être livré qu'en suite d'une demande réguliere d extradition. Le cas s'est présen-
- 294 -
Stel, een soldaat verlaat tijdelijk zijn post, verwijdert zich van het leger, zonder het voornemen te hebben te deserteeren, en pleegt een delict. Zouden nu de militaire rechtbanken incompetent zijn ? En zouden de locale rechters zich het misdrijf aan mogen trekken op den door Fiore aangewezen grond? Fiore aarzelt geen oogenblik in bevestigenden zin te antwoorden, ofschoon hij moet toegeven, dat er voor de competentie der militaire rechters, ook wel iets te zeggen valt, vooral als de delinquent zich weer bij zijn corps gevoegd heeft. De gronden, waarop hij zijne meening steunt, zijn weinig afdoende. Uit de toestemming tot doortocht, kan niet afgeleid worden, meent Fiore dat de staat, die vergunning gaf, daardoor alleen van elke strafrechtelijke jurisdictie over de soldaten afstand heeft willen doen. Waarom in sommige gevallen wèl, in anderen niet? Die afstand voor alle gevallen is m. i. stilzwijgend in de toestemming opgesloten, daar het privilege een persoonlijk karakter draagt.
Wel echter moet dit vereischte gesteld worden, dat
té cn Italië en 1865, époque ou un corps d'iivmée francais oecupait le ter-ritoire Remain. Un sergent, apres avoir commis un vol et un faux cn écri-ture publifiue, deserta et se refugia sur le territoire Italien. Le gouvernement Fran9ais demanda l'cxtradition de eet individu, qui fut accordée et motivée de la manière suivante : âBicn qu'a rencontre du sergent S. il n\ ait pas eu de procédure commencée cu France, toutefois il se trouve mis en accusation par 1'autorité compétente et selon les lois de son pays précisément comme si cette accusation avait été émise sur le sol francais. Et en effet contre lui a été laucé uu mandat d'arrêt par l'oificier rapporteur du conseil de guerre dc l'arméc Imperiale d'oceupatiou a Home, conseil dout les juge. meats sont soumis a l'appréciation de la Cour de Cassation fran^aisc, ii 1'égal de tous ceux des autres conseils de guerre et des autres tribunaux de l'Empire Francais, (quot;est pourquoi on ne saurait refuser 1'extradition de S.... pour la scule consideration, que le document dont résulte l'inculpation mise a sa charge, n'a pas été malériellemenl rédigé sur le sol francais.quot;
- 295 -
de delinquent deel uitraake van het leger. Wanneer
dit feitelijk niet meer het geval is heeft hij m. i. geen
aanspraak meer op de privilegien. Als een soldaat
gedeserteerd is en naderhand in het vreemde land
een misdrijf begaat, kan hij zich voor dit laatste niet
op exterritorialiteit beroepen en is de locale regeering
m. i. alleszins competent de feiten te berechten, door
een persoon begaan, die facto heeft opgehouden tot
het leger te behooren. â
De exterritorialiteit komt toe aan personen die tot
het leger behooren; âqui composent l'année ou se
trouvent dans ces rangsquot;, zegt C a 1 v o. i)
Het leger omvat in de eerste plaats de officieren
en de manschappen, maar vervolgens ook al diegene,
welke, zooals von Martens het uitdrukt, tot de wie behooren tot hei
leger9
gewapende staatsmacht behooren, behalve de strijdende militairen van allerlei rangen en corpsen. Von Martens noemt als zoodanigen op:
âMancherlei nicht mitkampfende Personen, Beamte der Intendantur-Verwaltung, Militar-Beamte beim Heere im Felde, Aertze u. s. w. Zu der namlichen Kate-gorie von Personen, die mit znr Armee, wenn-gleich nicht zum Kampfpersonal gehören, hat man ferner die Lieferanten aller möglichen Gegenstande,
die Marketender, und die mit Erlaubniss des Ober-commandos den Heeren folgenden Zeitungs-correspon-denten enz. 1) Verder aalmoezeniers, geestelijken, hospitaal personeel enz. Al deze personen worden voor oorlogs doeleinden gebezigd; ze loopen alle gevaren des oorlogs en mogen krijgsgevangen genomen worden,
met uitzondering van het hospitaal personeel (volgens
1
) F. von Martens: II, § 112. Cf. Bluntsclili § 595.
- 296 -
de Conventie van Genève). Dit laatste behoort echter daarom niet minder tot het leger.
Al deze personen moeten in het vijandelijke land geacht worden, hun vaderland niet te hebben verlaten. In bevriende staten echter, meent H a r b u r g e r een onderscheid te moeten maken tusschen de eigenlijke militairen en.....âdie übrigen Angehörigen des
Heeres, ins besondere die den Tross bildenden Civil-personen.quot; ') Deze laatsten acht hij onderworpen aan de jurisdictie van het land, dat de toestemming tot den doortocht verleende. âEs untersteht wahrend eines Krieges Alles, was der Fahne folgt, dem heimathli-chen Rechte und Gerichte des Heeres nur dan, wenn das letztere sich in Feindesland befindet. Nur die auf solchem Gebiete verübten Delikte von Angehörigen der Armee werden ohne Unterschied, ob diese Glieder der bewaffneten Macht sind oder nur in einem loseren Verbande mit derselben stehen, als im Inlande began-gen erachtet.
Innerhalb befreundeter Staaten aber, macht sich ein tiefgehender Unterschied zwischen der Beurtheilung der Militarpersonen und der sonstigen Angehörigen des Heeres geltend. In Gemassheit desselben gelten nur die Handlungen der Ersteren, nicht aber auch jene der Letzteren für das heimathliche Recht als im Inlande erfolgt.quot; Har burger grondt zijne meening vooral daarop, dat de laatste groep van personen, in het eigen land niet aan de jurisdictie der militaire rechters onderworpen zijn. Nochthans komt mij deze reden niet overwegend voor. Men mag niet uit het oog verliezen, dat de verhouding va.n het leger in het vaderland eene geheel andere is, dan die in het vijandelijk of in het neutrale land: dat de tce-
^ Harburger blz. 136.
- 297 -
stand in oorlogstijd een geheel andere is, dan in vredestijd. In het vijandelijk land worden de personen, door Har burger van de privilegien uitgesloten, wèl geacht tot het leger te behooren, en onderwor. pen aan de jurisdictie van het vaderland. Waarom ze daar wèl tot het leger rekenen, en niet in het neutrale land? Zij behooren zeer zeker bij het leger en moeten daarom ook aanspraak hebben op de volkenrechtelijke privilegien. Het leger met al de daartoe behoorende personen vormt als het ware éen geheel. De personen, tot den tros van het leger behoorende hebben even gewichtige diensten te praesteeren als de strijdende militairen. Zonder hen zou het leger niet compleet zijn, zij zorgen voor de behoeften, de instandhouding van alles, wat voor de strijdende manschappen noodig is. Verschillende personen, die in het vaderland gemist kunnen worden, zijn onontbeerlijk voor het leger in het vijandelijke land of in het vreemde land. De tros van het leger vormt als het ware een onmisbaar accessorium, een pertinentie (om het zoo eens uit te drukken) van het eigenlijke leger. De toestemming tot doortocht, die het verleenen van exterritorialiteit involveert, bevat ook de toekenning van dat voorrecht voor alle personen, wie die toestemming geldt en deze omvat ongetwijfeld het geheele leger, met alle personen, daartoe behoorende.
Eenig verband met het leger zal echter vereischt zijn. Zoo zullen schrijvers, geneesheeren enz., die louter met het oog op eigen voordeel, of van op de slagvelden ondervinding op te doen, of om welke reden dan ook, het leger volgen, zonder daarmede in eenig verband te staan, geen aanspraak hebben op het voorrecht der exterritorialiteit.
In het Zwitsersche en Oostenrijksche militaire recht
- 298 -
te geen verschil gemaakt of het leger zich in het viiandelijke of in het neutrale land bevindt. In het Fransche en Dnitsche recht wordt slechts over het hier ter sprake gebrachte geval gezwegen. ^
Krijgsgevangenen zijn aan dezelfde jurisdictie onderworpen, als het leger dat hen gevangen houdt, zelfs dan, wanneer dit in hun eigen vaderland plaats vindt. De krijgsgevangen worden, zooals H a r b u r-g e r het uitdrukt, eene âPertinenzquot; van het leger. 1) In verschillende militaire wetgevingen, is het uitdrukkelijk bepaald, dat de militaire rechtbanken jurisdictie zullen hebben over de krijgsgevangenen. 2)
Wat van het landleger geldt, moet ook voor het leger ter zee geldende zijn, zoodra dezelfde vereisch-ten aanwezig zijn, die voor de privilegien van het eerstgenoemde noodig zijn. 3) Wanneer echter oorlogsschepen eene vreemde haven binnenloopen, wat hun steeds geoorloofd is, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald, geniet dit schip, zooals in het vorige hoofdstuk werd betoogd, exterritorialiteit. De personen tot de bemanning behoorende, evenwel slechts zoolang, en omdat zij zich aan boord bevinden van een schip,
1
) Har burger: blz, 134.
2
) § 158. R. M. St. G. B.; Art. 1 lett. k. van liet Zwitsersche Mil. Strafwetb.; Art. 4, Oostenrijksoh «Publikations patcntesquot; op bet Strafwetb. van 15 Jan. 1855 en § 2 van het Patent van 22 Deo. 1851 ; Art. 56 en 62 van het Fransche wetboek, en apdpov 43â49 van het Grieksche militair-strafwetb.
3
) Art. 327. Cod. pen. per Texercito del regno d'ltalia.
- 299 -
dat als vreemd territoor wordt beschouwd, wanneer zij evenwel aanland een delict plegen, zijn zij onderworpen aan de locale jurisdictie. Een oorlogsschip en de bemanning daarvan vallen niet in de termen der legerafdeelingen, waarvan hier sprake is. Voor hunne komst is geen uitdrukkelijke toestemming der regeering noodig : het binnenloopen van een oorlogsschip in eene buitenlandsche haven is geen schending der neutraliteit of van het territoor van den staat.
Voor dit geval zijn geheel bijzondere regels, die wij in het vorig hoofdstuk trachtten uiteen te zetten, toepasselijk. Wanneer zich echter het geval zou voordoen, dat de marinesoldaten met toestemming dei-vreemde regeering in een zijner havens ontscheept werden, om vervolgens als een afdeeling van het leger door zijn grondgebied zich naar de plaats hunner bestemming te begeven, dan zou natuurlijk voor hen hetzelfde moeten gelden, wat in dit hoofdstuk is uiteengezet. Op dit geval ziet ook H a r b u r g e r. Praktisch zal het echter wèl zelden voorkomen, daar de marinesoldaten de bestemming hebben, op het schip te blijven.
âDie Marine Soldaten unterstehen darum nicht nur mit Rücksicht auf dieses ihr Dienstverhaltniss, sondern auch weil sie sich auf einem unter der Flagge des Heimathstaates segelnden Kriegsschiffe befinden, in Feindes und Freundesland demselben Rechte, als ob sie sich innerhalb der Vaterlandischen Gewasser auf-hielten.quot; 2)
Gewoonlijk zullen de troepen, voor wier doortocht toestemming wordt verleend, tot het eigenlijke leger behooren. Doch van alle andere wettige combattanten
!) Harburger: blz. 140 vlg. a) Harburger: blz, 141.
- 300 -
(Landstorm, lévée en masse enz.) zal hetzelfde moeten gelden.
Ten slotte zij in dit verband nog melding gemaakt van het geval, dat een miltair in opdracht van zijne superieuren, eene daad verricht, door den staat, op wiens territoor ze geschiedt, als onrechtmatig beschouwd: is in dat geval de militair volgens de wetten van dat land strafrechtelijk daarvoor verantwoordelijk ?
Het zou hard zijn, dat een ondergeschikte tot stipte gehoorzaamheid, misschien op straffe des doods, gehouden, voor een handeling, door zijne superieuren bevolen, van welke handeling hij het onrechtmatige niet kan of niet mag beoordeelen, waarbij hij als het ware slechts de manus ministra is, strafbaar zou zijn. In de praktijk is het geval voorgekomen. In 1840 namen Engel schen in opdracht van hunne regeering in de Amerikaan-sche wateren een schip, onder voorwendsel, dat het was gebezigd tot het vervoer van amunitie. Zijn deze personen, zoo rees de vraag, in Amerika, strafbaar wegens diefstal, moord enz ?Torsyth, in eene nota, meende ja,want, zoo redeneerde hij, de daad was onrechtmatig en kon dus geen privilegium creëeren.1) Terecht echter schreef W e fa-ster hiertegen; âC'est un principe de droit public, sanc-tionné par l'usage de toutes les nations civilisées, qu'un individu faisant partie d'une force publique et agissant d'après l'autorité da son gouvernement, ne peut être rendu responsable comme un particulier qui empiète sur les terres d'autrui, ni comme un malfaiteur agissant isolément. Le gouvernement des Etats Unis n'entend pas dis-cuter ce principe. Si l'attaque, contre Ja Caroline^' a été injustifiable, ainsi que l'a déclaré ce gouvernement, c'est le droit des gens qui a été violé, et
Lawrence: III biz. 431,
- 301 -
la réparation qu'il faut chercher, est celle qui est autorisée dans des cas de cette nature par les dispositions de ce code. (nl. van het volkenrecht). Mais, que le procés soit criminel, soit civil, il faut admettre pour justification valide, qu'il a été commis en vertu d'une autorité pubiique et d'après les ordres de supérieurs autorisés: s'il en était autrement les particuliers pour-raient être rendus responsables pour les dommages résultant des actes du gouvernement ou mème pour les opérations d'une guerre pubiique.quot; In deze uitspraak is het juiste standpunt van het volkenrecht aangegeven. Op het individu, van wien hier sprake is, is het oorlogsrecht toepasselijk : hij kan krijgsgevangen genomen, doch niet als misdadiger in de gevangenis geworpen worden: de bepalingen van moord en doodslag zijn niet toepasselijk op den soldaat, die op bevel zijner officieren, zijne tegenstanders heeft gedood. De beleedigde staat moet zich tot bekoming van voldoening tot de regeering van den staat, in wiens dienst de militair de gewraakte daden van geweld pleegde, wenden, doch hij mag zich niet aan den dader zelf houden, die in deze slechts man us ministra was, die gehoorzaamde aan een bevel, waarvan hij de rechtmatigheid niet kon of mocht beoordeelen.
AANHANG,
AANHANG.
Loi du Royaume d'Italie
RELATIVE aux garanties accordées au Pape et au Saint Siége, selon Ie texte frangais, imprimé a Florence.
Victor Emmanuel II, par la grace de Dieu et la volante de la nation, Roi d'Italie,
Le Sénat et la Chambre des Députés ont approuvé.
Nous avons sanctionné et nous promulguons ce qui suit:
TITRE 1.
PREROGATIVES DU PAPE ET DU SAINT SIÃGE.
Art. I.
La personne du Pape est sacrée et inviolable.
Art. 2.
Tout attentat contra la personne du Pape et toute provocation a commettre eet attentat sont passibles des peines établies pour l'attentat contre la personne du Roi et pour la provocation a le commettre.
Les offenses et les injures publiques, commises directement contre la personne du Pape, par des paroles, des faits, ou par les mojens, indiqués dans l'article 5 de la loi sur Ia presse, sont passible a l'article 19 de cette loi.
â 306 â
Ces délits sont (Taction publique et du ressort de la Cour d'assises.
La discussion sur les matières religieuses est entièrement libre.
Art. 3.
Le Gouvernement Italien rend au Pape, dans toutel'éten-due du Royaume, les honneurs souverains ; il lui conserve les préséances d'honneur qui lui sont reconnues par les souverains catholiques.
Le Pape a la faculté de tenir le nombre accoutumé de gardes, attachés a sa personne, et préposés a la conservation des palais, sans prejudice des obligations et des devoirs que les lois en vigueur leur imposent.
Art. 4.
Est conservée en faveur du Saint-Siége la dotation de 3.225.000 francs de rente annuelle.
II est entendu qu'avec cette somme égale, a celle qui est inscrite au budget romain sous les titres : «Sacri palazzi apos-tolici, Sacro collegio, Congregazioni ecclesiastiche, Segretaria di Stato ed Or dine diplomatico all'ester oquot; il sera subvenu au trai-tement du Pape et aux divers besoins ecclésiastiques du Saint-Siége, a l'entretien ordinaire et extraordinaire et a la conservation des palais apostoliques et de leurs dépendances, aux honoraires, retraites et pensions des gardes dont il est question dans l'article précédent et des attachés a la cour pontificale, aux dépenses éventuelles, ainsi qu'a l'entretien ordinaire et a la conservation des Musées annexes et de la Bibliothèque, et aux honoraires, émoluments et pensions des personnes, employées a eet objet.
La dotation ci-dessus sera inscrite au Grand Livre de la dette publique, sous forme de rente perpétuelle et inaliéna-ble au nom du Saint-Siége. Pendant la vacance du Saint-Siége, on continuera a la payer pour subvenir a tons les besoins particuliers de l'Eglise romaine dans eet intervalle.
Elle demeurera exempte de toute espèce d'impót ou charge gouvernementale, communale ou provinciale; elle ne pourra pas ètre diminuée, mème dans le cas oü le gouvernement Italien se résoudrait plus tard a prendre a sa charge, la dépense concernant les Musées et la Bibliothèque.
- 307 -
Art. 5.
Le I ape, outre la dotation établie dans 1'article précédent continue a jouir des palais apostoliques du Vatican et de Latran, avec tons les édifices, jardins et terrains qui sont annexes et en dependent, ainsi que de la maison de campagne de Gastel Gandollo, avec toutes sas appartenances et dépendances.
Ces palais, la maison de campagne et les annexes, ainsi que les Musées, la Bibliothèque et les collections d'art et d archéologie qui y sont renfermées, sont inaliónables, exempts de tout impót ou charge, et soustraits a Fexpropriation pour cause d'utilité publique.
Art. 6.
Durant la vacance du Sainte Siége, aucune autorité judi-ciaire ou politique, ne pourra, pour quelque raison que ce soit, empécher ou limiter la liberté personelle des Cardinaux.
Le Gouvernement se charge d'empècher qu'aucune violence extérieure ne vienne troubler les réunions du Conclave et des Concils oecuméniques.
Aet. 7.
Aucun officier de l'autorité publique, aucun agent de la force publique ne peut, dans l'exercise des fonctions inhérentes, a sa charge s'introduire dans les palais et les lieux de residence habituelle ou temporaire du Pape, ni dans eeux oü se trouveraient réunis un Conclave ou un Coucile oecuménique, s il n y a été autorisé par !e Pape, par le Conclave ou le Concile.
Art. 8.
II est défendu de procéder a des visites ou perquisitions dans les bureaux des administrations et des congrégations pontificales, revétues d'attributions purement spirituelles, et d opérer la saisie de leurs papiers, documents, livres ou régistres.
Art. 9.
Le Pape est entiérement libre d'accomplir toutes les fonctions de son ministère spiritual, et de faire afflcher tous les actes qui en émanent aux portes dos basiliques et des églises de Rome.
- 308 â
Art. 10.
Les ecclésiastiques qui, par leur emploi, out une part a Rome aux actes du ministère spirituel du Saint-Siége, ne seront soumis, a cause de ses actes, a aucune vexation, investigation ou controle de la part de l'autorité publique.
Toute personne étrangère,. investie d'une charge ecclésias-tique a Rome, jouira des garanties personnelles dóvolues aux citoyens italiens en vertu des lois du Royaume.
Art. 11.
Les Représentants des Gouvernements étrangers pres Sa Sainteté jouissent dans le Royaume de toutes les prerogatives et immunités qui appartiennent aux agents diploma-tiques, en vertu du droit international. Seront étendues aux oil'enses dirigées contre eux les sanctions pénale, pour les offenses envers les Représentants des Puissances étrangères pres le Gouvernement Italien.
Les prérogatives et les immunités d'usage d'après le droit international seront assurées, dans le territoire du Royaume, aux Représentants de Sa Sainteté prés des Gouvernements étrangers, lorsqu'ils se rendent au lieu de leur mission, et en reviennent.
Art. 12.
Le Pape correspond librement avec l'Episcopat et avec tout le monde Catholique, sans la moindre ingérence de la part du Gouvernement Italien.
Dans ce but, il lui est accordé faculté d'établir dans le Vatican, ou dans toute autre residence, des bureaux de poste et de télégraphe, desservis par des employés de son choix.
Le bureau de poste pontifical pourra correspondre direc-tement par paquets clos avec les bureaux de poste des administrations étrangères ou remettre ses correspondances aux bureaux Italiens. Dans les deux oas, le transport des dépêches ou des correspondances munies du timbre du bureau pontifical, sera exempt de toute taxe ou dépensc sur ie territoire Italien.
Les courriers expédiés au nom du Pape sont assimilés dans le Royaume aux courriers de cabinet des Gouvernements étrangers.
- 309 -
Le bureau télégraphique pontifical sera relié au réseau télógraplmjue du Royanme aux frais de l'Etat.
Les télégrammes transmis par ce bureau avee la qualification authentiipióe de pontificii, seront recus et expédiés avec les prerogatives établies pour les télégrammes d'état^ et exempts de toute taxe dans le Royaume.
Les télégrammes du Pape, et les télégrammes signés par son ordre et qui, munis du timbre du Saint Siège, seront présentés a un bureau télégraphique quelconque du Rojaume jouiront des mèmes avantages.
Les télégrammes adressés au Pape seront exempts des taxes que paient les destinataires.
Art. 13.
Dans la ville de Rome et dans les six diacèses suburbicu-laires, les Séminaires, les Académies, les Colléges et les autres Institutions catholiques fondés pour l'éducation et l'instruction des ecclésiastiques, continueront a dépendre uniquement du Saint-Siège, sans aucune ingórence de la part des autorités seolaires du Royaume.
TITRE IL
RAPPORTS DE L'ÃTAT ET DE L'ÃGLISE.
Art. 14.
Toute restriction ;\ l'exercise du droit de réunion de la part des membres du clergé catholique est abolie.
Art. 15.
Le Gouvernument renonce au droit de Legazia apostolique en Sicile, et, pour tout le Royaume, au droit de nomination ou de proposition dans la collation ⢠des bénéfices majeurs.
Les évêques ne seront point requis de préter serment au Roi.
Les bénéfices majeurs et mineurs ne peuvent ètre conférés qu'a des citoyens du Royaume, sauf dans la ville de Rome et dans les diocèses suburbiculaires. Rien n'est innové dans la collation des bénéfices de patronage royal.
â 310 â
Art. 16.
Sont abolis Vexequatur et le placet royal et toute autre forme de consentement gouvernemental pour la publication et l'exécution des actes de l'autorité ecelésiastique.
Toutefois, tant qu'il n'aura pas été pourvu différemment par la lei spéciale dont il est question a l'artiele 18, les actes de ces autorités, en ce qui concerne la destination des biens ecclésiastiques et la collation des benefices majeurs et mineurs, sauf, ceux de la ville de Rome et des diocèses suburbiculaires, restent soumis a Vexeqnatur et au placet du Roi.
Sont maintenues les dispositions des lois civiles relative-ment a la création et aux modes d'existence des établissc-ments ecclésiastiques et a l'aliénation de leurs biens.
Art. 17.
En matière spirituelle et disciplinaire, la réclamauon ou l'appel contre les actes des autorités ecclésiastiques ne sont pas admis, et il n'est pas reconnu ni accordé pour ce,3 actes d'exécution par contrainte.
La connaissance des effets juridiques, soit de ces actes, soit de tout autre acte de ces autorités, appartient a la juri-diction civile.
Cependant ces actes sont dénués d'effet s'ils sont contraires aux lois de l'Etat ou a l'ordre public, s'ils lèvent les droits des particuliers, et sont soumis aux lois pénales, s'ils constituent un délit.
Art. 18.
Une loi ultérieure pourvoira a la reorganisation, a la conservation et a l'administration des propriétés ecclésiastiques dans le Rovaume.
Art. 19.
Toute disposition actuellement en vigueur cesse d'avoir son effet en toutes les matières qui foment l'objet de la présente loi en tant qu'elle lui serait contraire.
Nous ordonnons que la présente loi, munie du sceau de l'Etat, soit insérée dans le Recueil (Meiel des lois et des
- 311 -
déerets du Royaume d'Italie, et mandons a qui il appartient de l'observer et de la faire observer comme loi de l'Etat.
Donnée a Turin, Ie 13 mai 1871.
Sigué: VICTOR-EMMANUEL.
Contre-signé; G. Lanza,
E. Visconti-Venosta, Giovanni ue FALf:o,
Quintino Sella,
C. Correnti,
C. Ricotti,
G. Acton,
Castagnola,
G. Gadda.
|
Op biz. 46, |
regel |
10, |
staat |
winterde umquot; |
men leze |
«interdumquot; | ||
|
w |
n |
46, |
u |
10, |
ii |
«periquot; |
a a |
«juriquot; |
|
n |
ii |
52, |
ii |
29, |
ii |
«dansquot; |
II ii |
«danquot; |
|
V |
n |
53, |
ii |
20, |
ii |
wceremonineelquot; |
a a |
«ceremonieelquot; |
|
ti |
u |
55, |
ii |
20, |
II |
;/ volkenrechterlijkequot; |
ii n |
«volken rechtelijkequot; |
|
n |
ii |
64, |
ii |
22, |
ii |
w uitoefenquot; |
li ii |
« uitoefenenquot; |
|
ti |
ii |
66, |
ii |
23, |
ii |
«Fliili psquot; |
li li |
«Philipsquot; |
|
n |
ii |
96, |
ii |
1, |
v |
«zich zichquot; |
ii ii |
«zichquot; |
|
ii |
II |
1Ã9, |
noot |
8, |
ii |
«zijnequot; |
li ii |
whunm'quot; |
|
» |
135, |
regel |
1*, |
staat |
gelijkquot; |
lees |
âgelijkequot; | |
|
ii |
ii |
137, |
n |
ii |
«consulsquot; |
ii ii |
wconsulesquot; | |
|
rgt; |
1' |
144, |
ii |
5, |
â |
«Rich, Zouchquot; |
a ii |
«Rich-Zouchquot; |
|
ii |
gt;1 |
144, |
a |
7, |
vau noot 2 staat nstrafveclitspllegequot; |
men leze «Straf- | ||
|
rechtpflegequot; | ||||||||
|
ii |
II |
154, |
H |
15, |
ii |
âlawfallyquot; |
ii |
,,lawfullyquot; |
|
ii |
II |
155, |
ii |
13, |
leze |
men «geacht kan worden nog in het bezit te zijn | ||
|
der feitelijke machtquot; | ||||||||
|
n |
ff |
157, |
ii |
9, |
staat |
«Pradier-Fadéréquot; |
men leze |
«Pradier-Fodéré'' |
|
ii |
ii |
16!, |
quot; |
2, |
achter |
' we a.quot; tusschen te |
voegen |
«dat hijquot; |
|
* |
1' |
165, |
ii |
15, |
staat |
âvan Martensquot; |
lees |
nvon Martensquot; |
|
ir |
ii |
178, |
a |
4, |
n |
âonbeteekendquot; |
a |
âonbeteekenend' ⢠|
|
1» |
1S2, |
19, |
,, |
nestquot; |
V |
âistquot; | ||
|
v |
.. |
183, |
» |
6, |
â |
,,ahlichesquot; |
rahnliches,, | |
|
*1 |
»1 |
» |
gt;. |
14, |
â |
..aenlichkeitquot; |
1* |
âAehnlichkeitquot; |
|
» |
.. |
184, |
» |
4, |
V |
âvolkerquot; |
v |
,,völker-quot; |
|
V |
n |
187. |
15, |
âapostolica regni euz .. |
quot; tusschen haakjes plaatsen | |||
|
M |
n |
190, |
.. |
15, |
» |
,,diequot; |
,, |
â(diequot; |
|
» |
quot; |
191, |
n |
22, |
ii |
,opgegevenquot; |
ii . |
âopgehevenquot; |
|
II |
quot; |
197, |
ii |
12, |
a |
âzijnequot; |
ii |
zijne quot; |
|
r |
202, |
â |
23, |
achtei |
: âcomprendrequot; in te |
lasschea |
iiququot; | |
|
n |
1» |
203, |
ii |
1, |
staat |
âretreindrequot; |
â restreindrequot; | |
|
n |
â¢Â» |
211, |
it |
11, |
ii |
âtochtenquot; |
ii |
âbochtenquot; |
|
V |
quot; |
216, |
â¢â¢ |
5. |
âA.n3taudtspflichtquot; |
ii âAnstandspflichtquot; | ||
|
217. |
noot |
3, |
vege! |
5, staat ârightlquot; lees |
,,rightquot; |
|
â |
1* |
6, â âlocaquot; â |
âlocalquot; | ||
|
â |
14, â âbewith, drawnquot; â |
âbe withdrawn' | |||
|
218, |
n |
n |
x, ,, âvesseisquot; â |
âvesselsquot; | |
|
,, |
if |
v 10, ,,Sut |
âSuitquot; | ||
|
220, |
vege] |
21, |
staat |
âSachaliaequot; n |
âSachalimquot; |
|
225, |
,, |
19, |
â |
kunnenquot; n |
âtequot; |
|
227. |
noot rege |
5 staat â1'Au visquot; ,, |
âl'Aunisquot; | ||
|
â |
i» |
V |
7 v |
â | |
|
228. regel 12, |
staat |
âbeheerquot; â |
âhuurquot; | ||
|
â¢Â» |
17, |
â |
âkanquot; â |
âkunnenquot; | |
|
,, |
26, |
i» |
, Atlmayerquot; ,, |
âAttlmayrquot; | |
|
229, |
32, |
n |
âharequot; â |
âhaarquot; | |
|
232, |
4, |
âdat hijquot; weg te laten. | |||
|
232, |
â |
5i |
âheeftquot; â |
âte hebbenquot; | |
|
n |
T |
22, |
11 |
âminderquot; â |
âmeerquot; |
|
236, |
25. |
» |
âSouveraniteits rechte' |
âSouveianitats-rechtequot; | |
|
237, |
â |
4, |
ii |
v.auquot; â |
âanquot; |
|
240, |
f) |
8, |
i» |
âSouvereinequot; ,, |
âSouvereinenquot; |
|
241, |
â |
12, |
i» |
âabsolutquot; ,, |
,,absoluequot; |
|
250, |
â |
15, |
â |
âBefügnissquot; â |
Befügnissquot; |
|
252, |
W |
13, hetquot; |
,,weglaten | ||
|
253, |
,, |
11, |
,, |
âbooi'dsquot; â |
âboordquot; |
|
257, |
quot; |
0 1 15, |
»» |
âte15 âKaltenboniquot; ,, |
âwildequot; âKaltenboniquot; |
|
25Ã, |
II |
2. |
staat |
,,bestehndeuquot; v |
âbesteh endenquot; |
|
260, |
,, |
18, |
,, |
âeenerquot; â |
âvan e3ne1' |
|
262, |
- |
2, 3, |
'⦠|
ârechtlingquot; â âangetretenquot; â |
ârechtlichquot; âeinget;cetenquot; |
|
264, |
16, |
i» |
âmoohtenquot; â |
âmoetenquot; | |
|
266, |
Æ/ |
32, |
ii |
âdasquot; f, |
âdassquot; |
|
267, |
ri |
4, |
ii |
âExterriotovialitatquot; â |
âExterritorialitat |
|
,, |
22, |
,, |
debatquot; â |
âdelictquot; | |
|
268, |
ii |
19, |
ii |
v,Behördei*., â |
âBehördenquot; |
|
gt;» |
20, |
i» |
âwenn statt haftquot; â |
âwen statthaft â | |
|
,, |
li |
21, |
ii |
âlaastequot; » |
âlaatstequot; |
|
269, |
V |
31, |
»i |
âfuge'squot; â |
»juge'squot; |
|
270, |
,, |
29, |
â |
âhem,, ,, |
âhenquot; |
|
,, |
31, |
ii |
ii ii |
â | |
|
272, |
J» |
31, |
ii |
âkaapbrief'' ,, |
âkaperbrief,, |
|
273, |
8, |
ii |
âVoorquot; â |
âAanquot; | |
|
274. |
» |
14, |
ii |
âeinerquot; » |
âeinesquot; |
|
278, |
ii |
5, |
ii |
âwelquot; |
ânietquot; |
|
279, |
ii |
6, |
ii |
ânietquot; ii |
âmetquot; |
|
281, |
1* |
22, |
,i |
ârichternquot; u |
âRichternquot; |
|
» |
ii |
23, |
a |
âsitzeiiquot; a |
âsetzenquot; |
|
282, |
n |
20, |
ii |
âGerechtequot; « |
,,Ger^chte,* |
283, regel 13, staat âdominumquot; ;/ (noot staat »vofio óeaiazquot;
284, regel 28, staat âvanquot;
285, w 3, ;/ âVermögquot;
286, h 25, a âBerichtenquot; 288, â 17, t, âKriegsgerichtquot; 291, â 8. âaufhalten sollenquot;
⢠n 2f, âkaumquot; 298, noot 3, â âdpdpov
lees
âdominiumquot; yiVOfio iïercgquot; âvonquot; âVermögequot; âberechtenquot; âKrie^sreclitquot; âaufhalten. Sollenquot;
âkannquot; âdpftpovquot;
STELLINGEN.
STELLINGEN,
i.
De Nederlandsclie rechter mag zijne uitspraak niet doen rusten op een beginsel van volkenrecht, wanneer het niet door eenig tractaat voor Nederland is verbindend verklaard of door eenige wettelijke bepaling is bekrachtigd.
II.
Het vereischte der koninklijke goedkeuring bij het oprichten van naamlooze vennootschappen behoorde uit ons recht te verdwijnen.
III.
Lijfsdwang behoort te worden afgeschaft.
IV.
De eed behoort uit ons recht te verdwijnen.
IV
V.
De militair, die niiuderjarig is in dienst getreden, heeft, meerderjarig geworden, zijn domicilie daar ter plaatse, waar hij in garnizoen ligt.
VI.
Vruchten, welke bij de ontbinding des huwelijks te velde staan, behooren niet tot de ge-meenschap van winst en verlies.
VII.
De door de wet geroepen, doch bij testament ingestelde erfgenaam, kan, na verwerping, niet meer als⢠erfgenaam ab intestato optreden.
VIII.
Afzonderlijke eigendom van verschillende verdiepingen van een buis zou strijdig zijn met Art. 626 al. 1 B. W.
IX.
De eigenaar der onverdeelde helft in een heerlijk jachtrecbt kan tegenover dengene, die met vergunning der eigenaars van den grond jaagt, voor de actie van Art. 1401 B. W. volstaan met het bewijs van zijn onverdeeld aandeel in het jachtrecbt.
De eigenaars van den grond treden niet in het
genot der onverdeelde helft, waarvan de eigendom niet kan bewezen worden.
X.
Eene bepaling in bet pactum de compromit-tendo om toekomstige geschillen aan hoee scheidsmannen ter beslissing op te dragen, is nietig.
XI.
Het geven van een sententia declaratoria behoort tot de werkzaamheid des rechters.
XII.
Een vreemdeling kan van een ander vreemdeling de cautio judicatum solvi eischen.
XIII.
De rechtsbetrekking tusschen commissionair om committent is huur van diensten.
XIV.
Het ware wenschelijk de onderscheiding tusschen moord en doodslag uit het strafrecht te doen vervallen.
XV.
Invoering der voorwaardelijke veroordeeling is wenschelijk.
VI
XVI.
De straf van verbanning is tegenover politieke misdadigers niet in alle omstandigheden af te keuren.
XVII.
Uitlokking is niet strafbaar, indien zij niet is gevolgd door bet strafbare feit, waartoe is uitgelokt, ol' strafbare poging daartoe.
XVIII.
Bij schending van den huisvrede is noodweer toegelaten.
XIX.
Toestemming van den mishandelde heft de strafbaarheid van liet feit niet op.
XX.
Wegneming van een aan een ander beboorend voorwerp, niet om het te behouden, maaralleen om in de gevangenis een onderkomen te vinden, valt onder Art. 310 Wtb. v. Strafr.
XXI.
Art. 132 v. Strafv. schrijft niet voor, dat de beklaagde, in preventieve hechtenis, tegen zijn wil.
â VII â
door een toegevoegden raadsman moet verdedigd worden.
XXII.
De Grondwet laat uitlevering van Nederlanders toe.
I , â .
-
I I
â
'â¢'à \ ..lV
' - quot;r.» _ . J,, ⢠'
â '⢠,
.... ,.quot; .- v
â¢'â 'â¢.I'
â¢' â 1 ; . ;â quot;â 'â :â â quot; â â¢'⢠⢠⢠' â¢' ⢠- . -
â
-
', - X .. .
-!â¢..; r