m
ECCE HOMO.
OVERWEGINGEN over het bitter dijden en .Sterven des Heeren,
gevolgd door
OEFENINGEN eji GEBEDEN.
pEN fl. JK. j^RIESTER.
Christus heelt voor ons geleden, u een voorbeeld achterlatend, opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen. (I Petb. IT, 21.)
AMSTERDAM,
G. B O R G,
1895.
IMPRIMATUR.
H. J. H. RUSCHEBLATT.
Lihr. Cr,ns.
Amstelodami, 19 December 1894.
INHOUD.
BLADZ.
1ste Overwoging. Jesus wordt door Judas voor dertig
zilverlingen verkocht...... 1
2de â Jesus neemt afscheid van zijne heilige Moeder.......... 9
3de â Jesus houdt het laatste avondmaal
met zijne leerlingen......16
4cie â Dankzegging des Heeren na het
laatste avondmaal.......24
ode â Jesus wascht de voeten zijner
apostelen . ...........32
6de â De instelling van het allerheiligst
Sacrament des Altaars.....39
7de n De liefde van Jesus bij de instelling
van het allerheiligst Sacrament. 45 8ste â Welke wederliefde Jesus in zijn al
lerheiligst Sacrament van ons
vraagt.............53
9de â Jesus gaat naar den Olijfberg . . 62
10de n Jesus verwijdert zich van zijne
leerlingen............ 69
11de â Het gebed van Jesus in den Olijfhof. 77
12de â Het gebed van Jesus in den Olijfhof.
(Vervolg).........quot;... 83
13de â De doodsangst van Jesus in den
Olijfhof............89
14de â De doodsangst van Jesus in den
Olijfhof (Vervólg).......95
15de â Jesus wordt door een Engel versterkt .............103
16de â Jesus gaat zijne vijanden te gemoet.
Het verraad van Judas.....111
17de â Het verraad van Judas (Vervolg) . 121
18de â Jesus werpt door een enkel vsroord
zgne vijanden ter aarde . . . .130 19cle â De gevangenneming van Christus. 138
20ste â De vlucht der apostelen.....146
21ste â Jesus wordt heengeleid naar Annas
en Kaïphas..........155
INHOUD.
BLADZ.
22ste Overweging. Kaïphas ondervraagt Jesus over
zijne leerlingen en zijne leer. . 166 23ste â Jesus ontvangt een kaakslag van
een dienaar des Hoogepriesters. 176 24ste â Kaïplias zoekt naar eene aanleiding
om het doodvonnis over den Heer
te kunnen uitspreken......187
25ste â ' De verloochening van Petrus. . . 198
26ste â De boetvaardigheid van Petrus. . 211
27ste â De bespotting in het huis van
Kaïphas............221
28ste â Jesus wordt ten tweede male door
den Joodschen Raad ter dood
veroordeeld..........230
29ste â Rampzalig uiteinde van Judas . . 242
30ste â Het ryk van Jesus Christus. . . . 253
31ste â Pilatus zendt Jesus naar Herodes. 262
32ste â Jesus wordt bespot aan het hof
van Herodes..........274
33ste â Jesus wordt achter Barrabas
gesteld.............285
34ste â Pilatus beproeft nogmaals Jesus
te redden...........295
35ste â De geeseling van Christus .... 306
36ste â Jesus wordt met doornen gekroond. 320
37ste â Jesus wordt in zijn koningschap
bespot.............330
38ste â Pilatus toont Jesus aan het volk . 342
39ste â De Joden eischen Jesus' kruisdood. 350
40ste â Jesus wordt door Pilatus ter dood
veroordeeld..........360
41ste â Jesus neemt het kruis op zijne
schouders . . .........370
42ste â Jesus draagt zyn kruis naar Kal-
varië..............382
438te â Jesus wordt aan het kruis gehecht
en aan zijn kruis bespot.... 399 44ste â Jesus hangt en sterft aan het
kruis.............415
Gebeden onder de H. Mis..............433
Litanie van het lijdea van onzen Heer Jesus Christus . 458
Psalm Miserere...................463
Kruisweg-oefening.................468
Lofzang âStabat Materquot;...............492
Gebed tot den gekruisten Jesus...........496
IV
EERSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT DOOR JUDAS VOOR DERTIG ZILVERLINGEN VERKOCHT.
Onder de leerlingen des Heeren was er een, die belast was met het bewaren der liefdegiften, waarvan onze goddelijke Verlosser met zijne apostelen leefde en aalmoezen uitdeelde onder de armen. Deze apostel was Judas Iskariotli. Maar de ongelukkige misbruikte op schandelijke wijs, het vertrouwen dat hem geschonken was, door zich een deel dier giften, waarover hij het beheer had, toe te eigenen. Wel verre van die verkeerde neiging te bestrijden, greep Judas elke gelegenheid aan, om dien verfoeilijken hartstocht in te willigen en van lieverlede had eene onverzadelijke hebzucht zich meester gemaakt van zijn hart. Intusschen had de hooge Raad besloten Jesus gevangen te nemen en ter dood te brengen. Ook Judas was dit besluit ter oore gekomen en nu gaf de duivel hem
1
2
het afschuwelijk denkbeeld in, om voor geld zijn dienst aan 's Heeren vijanden aan te bieden. In het geheim meldde hij zich dan bij de opperpriesters aan, maakte hen met zijn voornemen bekend en vroeg; âWat wilt gij mij geven, en ik zal Hem aan u overleverenquot;. Men kwam met hem overeen voor dertig zilverlingen, eene som, die volgens de Joodsche wet voor een slaaf betaald werd ; en van toen af zocht Judas naar eene gunstige gelegenheid, om zijn helsch opzet te volvoeren.
I. Overweeg op de eerste plaats de waarde van Dengene, die hier op zulk eene laaghartige wijs wordt verkocht, 't Is Jesus Christus, de eeniggeboren Zoon des Vaders, de Schepper van hemel en aarde, de Koning der eeuwige glorie. Niet tevreden met zich als 't ware vernietigd te hebben bij zijne menschwording, wil de Zoon Gods als de geringste, als de laagste en verachtelijkste der menschen, als een slaaf worden behandeld en verkocht. Zoo diep, zoo onuitsprekelijk diep wilde Jesus zich vernederen, om ons te leeren de deugd van ootmoed lief te hebben en te beoefenen. Onderzoek u zeiven en vraag u af, of gij u, naar het voorbeeld van den allerootmoedigsten Jesus, met eene bijzondere voorliefde op deze deugd toelegt. Koestert gij slechts nederige gedachten van u zeiven ? Gaat gij nimmer groot op d e goederen én gaven, door God u geschonken ?
Vlucht gij den lof der menschen ? Acht gij u nimmer beleedigd door de vernederingen, die anderen u aandoen ? Zijt gij er innig van overtuigd, dat de nederigheid de wortel en grondslag is aller deugden ; en dat zonder haar geen oprechte deugd, geen waarachtig streven naar de christelijke volmaaktheid mogelijk is ? Helaas, moet gij niet erkennen, dat gij daarentegen er immer op uit waart ii zeiven te verheffen en dat het u pijnlijk viel ook maar de geringste verongelijking te moeten verduren ? Ach; schaam u dan over uw verderfelijken hoogmoed, waarvoor de Heer des hemels zich aan de diepste vernederingen wilde onderwerpen. Smeek God, dat Hij een ootmoedig, een nederig hart in u scheppe en leg u met allen ijver toe op de beoefening dezer beminnelijke deugd. Overweeg ook met welk een onvergelijkelijk geduld Jesus het verraad van zijn apostel verdraagt. De liefderijke Verlosser verstoot den trouwe-loozen leerling niet. spreekt hem geen bittere woorden toe, verwijt hem zijne laaghartige handelwijs niet, ontneemt hem niet het apostel-ambt, dat hij zich zoo onwaardig toonde ; maar Hij gaat voort hem met hemel-sche zachtmoedigheid te behandelen, en beproeft alles om den diep gezonken apostel tot inkeer te brengen. Ach welk een verschil tusschen de handelwijs van uwen Verlosser en de uwe! Welk een ongeduld toont gij niet, zoodra iets niet met uwe gemoedsstem-
4
ming strookt of iemand uwen wil weder-streeft. Zelfs de kleinste gebreken van uw naaste kunt gij niet met zachtmoedigheid verdragen en Jesus verdraagt den trouwe-loozen en verraderlijken Judas. Hoe spoedig gevoelt gij u beleedigd, indien iemand u een woord toespreekt, dat uwe eigenliefde kwetst, of zoo men nalaat u de achting te betoonen, waarop gij meent recht te hebben. Verootmoedig u dan voor G-od en erken, dat gij tot nog toe slechts weinig er naar gestreefd hebt u aan den diep vernederden Jesus gelijkvormig te maken; smeek Hem om vergiffenis en vergeef voortaan van ganscher harte aan allen, die u beleedigen.
Voornemen. Met geduld en zonder klagen zal ik elke beleediging verduren ; al het lijden, dat men mij zal aandoen, zal ik met weldaden trachten te vergelden, want ziedaar de eenige wraak die den Christen betaamt.
II. Overweeg door wien Christus verraden werd. 't Was een zijner beminde leerlingen, met wien Hij gedurende drie jaren in allerinnigste gemeenschap geleefd had; dien Hij met weldaden overladen en tot het apostelambt verheven had; een leerling, aan wien Hij op meer bijzondere wijs zijn vertrouwen had geschonken, dien Hij niet de heerlijkste genade verrijkt, mot zijn goddelijke wondermacht bekleed had, dien Hij had uitverkoren en voorbestemd tot priester in zijne Kerk, aan wien Hij bij gevolg de verheven taak
5
had opgedragen, door woord en voorbeeld de volken voor zijn goddelijke leer te winnen. En ach, dezelfde leerling, die zoo hoog was verheven, wien zulke heerlijke voorrechten waren geschonken, verloor zijne heilige roeping zóózeer uit het oog, dat hij den liefdevollen Meester, van wien hij niets dan goedheid had ondervonden, voor eenige geldstukken aan zijne vijanden overleverde. O leer hier uit dien diepen, uit dien schromelijken val van Judas, hoezeer gij Gods genaden noodig hebt, en hoe gij God dagelijks vurig moet bidden om de gave der volharding. Immers de trouwelooze apostel leidde in den aanvang van zijne opname onder 'sHeeren leerlingen waarschijnlijk een heilig leven ; en toch ofschoon hij in do school van den heiligsten aller leermeesters, van den Zoon Gods was opgevoed, volhardde hij niet in de deugd. O hoeveel, meer reden hebt gij dan niet u zeiven te mistrouwen en uwe zwakheid en ellende te duchten. Smeek God om de genade in de trouwe vervulling uwer plichten en in zijne heilige liefde tot uwen dood toe te mogen volharden. Vergeet nimmer, hoeveel genade gij ook van den hemel mocht ontvangen hebben en met welke gunsten gij ook bevoorrecht zijt, dat gij zwak blijft en hulpbehoevend, dat 's menschen hart van zijne jeugd af ten kwade is geneigd. Gij zijt slechts stof en asch, een nietige aardworm, een bloem, die opschiet aan den weg en zoo spoedig
6
onder den voet van den voorbijganger ligt vertreden. Ach, hoe menigmaal reeds werd gij ten val gebracht en hoe licht kunt gij wederom Gods genade verliezen, indien Hij u niet ondersteunt met zijn hemelsche kracht. Blijf dan in angst en vrees aan uwe zaligheid arbeiden; waak en bid, zoo gij uwen goddelijken Meester immer getrouw wilt blijven. Smeek God vurig, dat Hij u voor herval behoede en in zijne heilige liefde beves-tige.
Voorna ni en: Dagelijks zal ik God bidden om de gave der volharding, die slechts do vrucht is van eene bijzondere genade en van een aanhoudend en ootmoedig gebed.
III. Overweeg in welk een gevaarlijken toestand de mensch zich bevindt, die eene zondige begeerte, een ongeregeld verlangen, dat in hem opkomt, niet aanstonds bestrijdt. Ook de kleinere zondige neigingen ontaarden spoedig in een hevigen hartstocht, zoo men zich de gewoonte heeft eigen gemaakt er steeds voldoening aan te schenken; en een hartstocht, die niet wordt bestreden en onderdrukt, schiet met den dag dieper wortel in het hart; hij verblindt den mensch, die er het slachtoffer van is, eischt voortdurend meerder en grooter offers, houdt den wil in ijzeren boeien als gekluisterd en voert den mensch ten slotte onfeilbaar zijn eeuwig verderf te gemoet. Onderzoek u ernstig en vraag u af, of ook gij niet door een verderfelijken
7
hartstocht wordt beheerscht, of ook gij uwen Verlosser niet reeds verkocht hebt, en wel voor een veel geringer prijs, dan Judas, wiens misdaad gij zoozeer verfoeit. Ach, door aan uwe toomelooze verbeelding den vrijen teugel te vieren, door uwe ongeregelde begeerten cn zondige neigingen te bevredigen, hebt ook gij den Zoon Gods verkocht; aan een kortstondig, aan een schandelijk genot wellicht, gaaft gij de voorkeur boven Jesus. O betreur en verfoei uwe snoode handelwijs, beween uwe zonden en leg er u ernstig op toe uw hoofdgebrek te leeren kennen en in het vervolg elke verkeerde neiging, zoodra gij haar bij u zeiven bespeurt, terstond in uw hart uit te roeien.
V o o r n e m e n. Met alle kracht zal ik mij toeleggen op het uitroeien der ongeregelde neiging, die in mij de heerschende is ; en de verkeerde gewoonten, die ik mij eigen maakte, zal ik met rusteloozen ijver bestrijden.
GEBED.
Beminjielijke Jesus, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen ü, ik ben niet meer waardig uw kind genoemd te worden. Helaas! ook ik verliet uwen dienst, ik versmaadde uwe liefde, en verkocht haar voor een kortstondig genot, dat ik in de voldoening mijner zondige hartstochten meende te zullen vinden en ach, niet ééns maar zoovele ontelbare malen was de wereld getuige van de ont-
8
eerende beleediging, die ik U hiermede heb aangedaan. Maar ben ik diep gevallen, heb ik zwaar misdreven in uwe oogen, o toch stortte ik mij nog niet geheel in dien jammerlijken afgrond, waarin uw trouwelooze apostel zich nederwierp. Neen, althans hierin volgde ik hem niet, dat ik zou wanhopen aan uwe eindelooze goedheid en barmhartigheid. Neen, o mijn Jesus, ik ken de liefde van uw goddelijk Hart, die onuitsprekelijke liefde, die ook een Judas in genade zou hebben aangenomen, indien hij berouwvol tot ü ware teruggekeerd. Verleen mij dan vergiffenis, o mijn God, en schenk mij de genade om in het vervolg mijne hartstochten te bestrijden, alle ongeregelde neigingen in mij uit te roeien en een deugdzaam en godvruchtig leven voor u te leiden. Geef, dierbare Jesus, dat ik van den rechten weg nimmer meer afwijke, maar dien blijve bewandelen alle de dagen mijns levens. Want ach, wat zou het mij baten, tot U te zijn teruggekeerd, zoo ik niet tot mijn laatste stond in uwe liefde mocht volharden. Help mij dan. Heer Jesus, opdat ik niet meer in de zonde hervalle en door de stipte volbrenging uwer geboden dagelijks meer en meer aan ü moge behagen.
Heilige Maria, liefdevolle Moeder en toevlucht der zondaren, aan uwe hoede beveel ik mijne ziel en mijn lichaam; gewaardig U mij aan alle gevaren te ontrukken, en tegen
9
den boozen vijand te beschermen, opdat ik in Gods liefde volharde in leven en in sterven. Amen.
TWEEDE OVERWEGING.
JESÃS NEEMT AFSCHEID VAN ZIJNE HEILIGE MOEDER.
Stellen wij ons het nederig huis voor, waar Maria verbleef en waarheen onze goddelijke Verlosser voor de laatste maal zijne schreden richtte, om afscheid te nemen van zijne heilige Moeder. Nog eenmaal mocht Maria zich verheugen in het bijzijn van haren goddelijken Zoon, nog eenmaal dat aanminnig gelaat aanschouwen, waarop hare blikken zoo dikwerf met onuitsprekelijke teederheid en stille vreugde hadden gerust. In dat laatste samenzijn openbaarde Jesus haar, dat de voorspelling van den grijzen Simeon weldra in al hare verschrikkelijkheid zou vervuld en haar moederlijk hart met een zwaard van droefheid zou doorboord worden: maar ook tevens sprak Hij haar van de blijdschap, die hare ziel zou overstelpen, zoodra Hij het groote werk der verlossing met zijn dood zou bekroond hebben. Dan nam hij vol kinderlijke liefde van haar afscheid, dankte haar voor de teedere zorgen, die zij Hem van zijne kindsheid af
10
had bewezen, en troostte haar in hare smarten met de belofte, dat Hij vol heerlijkheid uit zijn graf zou opstaan en verrijzen. Stellen wij ons ook voor, hoe Maria zich in haar antwoord volkomen onderwierp aan de beschikkingen der goddelijke Voorzienigheid en den wil des hemelschen Vaders, hoe zij haar goddelijken Zoon om zijn zegen vroeg, Hem dankte voor alle genade, en gunstbewijzen, die Hij haar verleend had, en Hem smeekte om het voorrecht, zijn lijden te mogen deelen en bij zijn smartvol sterven te mogen tegenwoordig zijn.
I. Overweeg op de eerste plaats met welk oen volkomen onderwerping Jesus den wil zijns hemelschen Vaders volbrengt. Hij kent de eeuwige raadsbesluiten Gods; Hij weet dat nu het tijdstip is aangebroken, waarop zijn leven, als losprijs voor de zonden dei-wereld, van Hem zal worden opgeeischt en zonder aarzelen, zonder terug te schrikken voor hetgeen Hem wachtte, begeeft Hij zich naar Jerusalem, waar Hij zijn offer zal voleinden. Van alles wil Hij scheiden, van alles doet Hij afstand, zelfs zijne H. Moeder, die Hem boven alles dierbaar is, wil Hij verlaten. Hierdoor wilde de goddelijke Verlosser ons leeren, dat wij bereid moeten zijn te allen tijde en in alle omstandigheden van ons leven den heiligen wil Gods te volbrengen. Geen offer mag ons te zwaar vallen in den dienst van ónzen Heer en met een edelmoedig hart mos-
11
ten wij zelfs onze ouders, onze bloedverwanten en vrienden vaarwel zeggen, wanneer de eer van God of het heil onzer onsterfelijke ziel zulk eene scheiding van ons vordert. Vraag u in allen ernst af, hoe het tot nog toe met uwe offervaardigheid gesteld is. Hoe menigmaal riep God u tot een volmaakter, heiliger leven; hoe dikwerf bood Hij u zijne genaden hiertoe aan! Maar gij verwierpt ze, omdat u de moed ontbrak Hem iets, wat u dierbaar was, ten offer te brengen. Schaam u over uwe traagheid eu beloof God, voortaan niets meer aan zijne liefde te zullen weigeren, al ware het u ook dierbaarder dan het leven.
Voornemen. Moedig wil ik de kluisters verbreken, die mij aan de wereld geboeid houden en nog heden zal ik God datgene ten offer brengen, wat Hij door zijne heilige ingevingen reeds zoo menigmaal van mij begeerde.
II. Stel u voor, dat gij tegenwoordig zijt bij het laatste gesprek, dat de Heer met zijne H. Moeder voert; luister aandachtig naar die teedere woorden van liefde en medelijden, die beiden met elkander wisselen. Overweeg in welke treurige stemming Jesus en Maria zich bevinden, welke bittere smart hunne ziel overstelpt en leer hieruit, hoe God zelfs zijne getrouwste dienaren en de meest uitverkoren zielen op zware wijze beproeft, om hen later des te heerlijker belooning te kun-
1
12
nen schenken in den hemel. Onderzoek u klt;
zeiven en vraag u af, of gij levendig van m
deze heilige waarheid doordrongen zijt. Be- gi
schouwt gij het lijden, gelijk het inderdaad \v is, als de prijs, waarvoor gij u in de eeuwige - t(
vreugde des hemels kunt koopen; of is het d
u wellicht een overdragelijke last, waarvan r
gij u zoo spoedig mogelijk tracht te ontdoen? I
Neemt gij uw kruis met gelatenheid en on- s
derwerping uit 's Heeren hand aan, of mort z
gij wellicht tegen de beschikkingen der god- c
delijke voorzienigheid ? Ach leer dan uit het lt;
verheven voorbeeld van de allerheiligste Moeder des Heeren, hoe gij de lasten en beproevingen des levens moet dragen. Ofschoon de woorden van Jesus haar als zoovele zwaarden het moederlijk hart doorboren, toch verliest zij geen oogenblik de rust, de kalmte en vrede harer ziel. Al zou uw kruis u dan ook nog zoo zwaar toeschijnen, draag het met geduld en onderwerping en uw loon zal groot zijn in den hemel.
Voornemen. Elke beproeving, die God mij overzendt, zal ik met vreugde uit zijne hand aannemen en geduldig dragen. Door de gedachte aan de belooningen des hemels zal ik mij in alle lijden trachten te sterken.
III. Overweeg, welk eene liefde Maria ons betoonde door de bereidwilligheid, waarmede zij haren goddelijken Zoon ten offer bracht. Evenals de Zoon Gods de menschelijke natuur niet wilde aannemen in den maagdelij-
13
ken schoot van Maria zonder hare toestemming, ofschoon Hij wist, dat deze Hem niet zou geweigerd worden, zoo wilde ook de menschge-worden God den dood niet ondergaan zonder de toestemming zijner H. Moeder, 't Was daarom, dat Jesus voor de laatste maal zijne schreden richtte naar het nederig verblijf' van Maria. Helaas! wat smartelijke keus voor de teeder-ste der moeders! Aan den eenen kant zag zij geheel het menschelijk geslacht zuchtend onder het slavenjuk des duivels, machteloos om zich zeiven te redden en onherroepelijk verloren, indien Jesus het door zijn lijden en dood niet met God verzoende; aan den anderen kant zag zij haar goddelijken Zoon, die haar dierbaarder was dan het leven, maar die, zoo Hij het menschelijk geslacht wilde verlossen, krachtens Gods eeuwige raadsbesluiten, de smartelijkste folteringen moest verduren en een allersmadelijksten dood, den dood des kruises moest sterven. Welk besluit zal hare liefde haar ingeven? Zal zij hare toestemming weigeren? Maar dan ook blijft de mensch voor eeuwig uit den hemel verbannen en van Gods aanschijn verworpen. Zal zij beslissen ten gunste van Adam's geslacht ? Maar dan ook zal zij haar goddelijk Kind aan lijden en dood moeten prijsgèven en zelve ia eene zee van smarten worden gedompeld. En toch Maria aarzelt niet in hare keus. Vol moed en heldhaftige zelfverloochening heeft zij reeds haar besluit geno-
14
men; zonder te luisteren naar de stem des bloeds, buigt zij aanbiddend het hoofd voor de ondoorgrondelijke besluiten der Voorzienigheid; met al de liefde van haar grootmoedig hart onderwerpt zij zich aan de beschikkingen Gods; wat offer het haar ook moge kosten, welke onbeschrijfelijke smarten haar het hart ook zullen vaneen rijten, de liefde, die zij ons, zondaren, toedroeg, zegevierde in dit albeslissend oogenblik over elke andere liefde ; en bij het overstelpend wee, dat hare ziel doorfoltert stemt de sterke Vrouw er in toe, dat haar goddelijke Zoon zijn kruis opneme en sterve om door zijn tijdelijken dood ons van den eeuwigen dood te verlossen. O welke dankbaarheid en wederliefde zijt gij niet aan Maria verschuldigd voor de onuitsprekelijke liefde, die zij u hier betoonde! Zult gij dan nog terugschrikken voor een gering offer, dat Jesus u in zijn dienst oplegt? Zult gij nog weigeren die kleine kwellingen en beproevingen aan te nemen, die God u overzendt tot heil uwer onsterfelijke ziel? O, gij kunt Maria niet beter uwe liefde toonen, dan door het voorbeeld van Jesus, door haar eigen voorbeeld na te volgen en ter liefde van haren Zoon het kruis te omhelzen, dat de hemel u oplegt. Neem dan kloekmoedig het besluit: alle kwellingen en beproevingen des levens met onderwerping en vreugde te dragen; bied uw voornemen aan Jesus aan, smeek Maria
15
om hare voorspraak, opdat gij in die edelmoedige zelfverloocliening moogfc volharden al de dagen uws levens.
Voornemen. Dikwerf zal ik Maria's liefde indachtig zijn en haar ter eere gaarne de offers brengen, die God van mij vraagt. Vooral zal ik Maria mijne dankbaarheid be-toonen door mijn hoofdgebrek mot rusteloo-zen ijver te bestrijden.
GEBED.
Beminnelijke Moeder Maria, vol droefheid en schaamte werp ik mij aan uwe voeten neder, en in allen ootmoed smeek ik U, mij van God dat onoverwinnelijk geduld, die volkomen onderwerping aan zijn heiligen wil te verkrijgen, waarvan Gij ons in geheel uw leven en vooral bij het smartvol lijden en sterven van uw aanbiddelijken Zoon, zulk een heerlijk voorbeeld hebt geschonken. Ach zoodra God mij eenige kwelling overzendt, beklaag ik mij bij de schepselen, en geef ik mij aan ongeduld, moedeloosheid en neerslachtigheid over. O hoe geheel anders, dierbare Moeder, was uw gedrag ook te midden van het grie-vendst lijden. Gij wordt begroet en verheerlijkt als de Moeder van smarten, de Koningin der martelaren, omdat nimmer eenig schepsel grooter folteringen en onuitsprekelijker ziele-lijden had te verduren; en toch waart Gij vol zachtmoedigheid, vol geduld en gelatenheid, toch was er niemand, die U overtrof in blij-
16
moetlige onderwerping aan Gods wil. 0 of het mij vergund ware, althans eenigszins uw verheven voorbeeld te volgen. Zie, lieve Moeder, in het vervolg wil ik mij met meer ijver op de versterving mijner zinnen en het onderdrukken mijner ongeregelde neigingen toeleggen, opdat ik de noodige kracht ver. werve, om alle kruisen te omhelzen en alle lijden te verduren. Niets anders verlang ik, niets vuriger begeer ik, dan deel te hebben aan het lijden van uw goddelijken Zoon in dit leven, opdat ik eenmaal ook, met U ver-eenigd, moge deelen in zijne heerlijkheid. Amen.
DERDE OVERWEGING.
JESUS HOUDT HET LAATSTE AVONDMAAL MET ZIJNE LEERLINGEN.
Na van zijne H. Moeder afscheid genomen te hebben, zond Jesus twee zijner leerlingen: Petrus en Joannes, naar Jerusalem en sprak tot hen : âGaat naar de stad ; als gij daar binnen treedt, zal u een mensch te gemoet komen, die een kruik met water draagt; volgt hem naar het huis waar hij binnen gaat en zegt tot den huisvader: âDe Meester zegt u ; mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijne leerlingen het Pasohen. Waar is mijne eetzaal, waar ik met mijne leerlingen
17
het paaschlam eten kan ?quot; En hij zal u eene groote toebereide zaal aanwijzen; en maakt het daar voor ons gereed.' De apostelen gingen heen, bevonden alles juist zóó als Jesus hun vooruit gezegd had, en bi'achten den paaschmaaltijd in gereedheid, gelijk Hij hun bevolen had.
I. Overweeg aan welke bittere armoede de Zoon Gods zich gedurende zijn sterfelijk leven had onderworpen. O, wel moet de armoede een kostbare schat zijn, daar Jesus, de eeuwige Wijsheid, haar zoozeer liefhad, dat Hij haar hooger stelde dan alle rijkdommen, waarover Hij in zijne goddelijke almacht beschikken kon. Arm wilde Hij geboren worden, arm leven en in de bitterste armoede sterven. Het schandhout des kruises de ruwe nagelen en de doornenkroon waren in zijn stervensuur zijn eenigste schat, en ofschoon Hij als God alle rijkdommen der hemelsche glorie zijn eigendom kon noemen, toch bezat Hij in zijn sterfelijk leven zelfs geene arme hut, waarin Hij zijne vrienden met zich rondom den disch kon vereenigen. Werp een blik op u zeiven en vraag u af, hoe het met uwe onthechting aan de goederen der wereld gesteld ia. Ach, niet alleen schrikt gij terug voor de armoede, maar gij haakt zelfs met onverzadelijke begeerte naar de vergankelijke rijkdommen der aarde. Gij, die u een volgeling van Christus noemt, en er immer op niuest bedacht zijn, de vele zon-
2
18
den, waarmede gij God beleedigd hebt. uit te boeten, gij kunt het kleinste gemis, de geringste ontbering niet verdragen. Een of ander ongerief in uwe woning, een geldelijk verlies in uwen handel, eene spijs, die met weinig zorg werd toebereid, een kleeding-stuk, dat niet aan alle eischen uwer ijdelheid en wereldsehgezindheid voldoet, zijn in uw oog ondragelijke kwellingen. Ach, leer de armoede beschouwen in het licht des geloofs en erken, dat zij in den christelijken zin opgevat en gedragen een kostbare schat is, waarvoor gij u de goederen des hemels kunt koopen. Waartoe dienen de vergankelijke goederen dezer aarde ? Hij die God niet bezit is onuitsprekelijk arm, al zou hij ook alle schatten der wereld de zijnen mogen noemen; rijk echter is elke arme, die God liefheeft en door God wordt bemind. Smeek den armen Jesus, bij de ontberingen, die Hij voor u heeft willen verduren, elk verlangen naar wereldsch goed uit uw hart te verwijderen en u de armoede te leeren hoogschatten en liefhebben.
Voornemen. Elke ontbering, die mijn levensstaat mij oplegt, zal ik gaarne verduren. Heden zal ik mij ter liefde van den armen Jesus eene vrijwillige versterving opleggen.
II. Overweeg om welken redenen Jesus hier beneden zulk een arm leven heeft willen leiden. Hij wilde ons leeren, de aard-
19
sche rijkdommen te verachten en met alle verlangens en begeerten van ons hart slechts naar de hemelsche goederen te streven. Al-wat de aarde ons oplevert heeft geen waarde; het is vergankelijk, en het bezit ervan is onzeker; maar al zouden de aardsche schatten onverminderd blijven en ons nimmer kunnen ontnomen worden, toch zijn zij niet in staat de verlangens van ons hart te bevredigen. Het goed, naar welks bezit gij wellicht vele jaren hebt gestreefd, waarvoor gij hebt gezwoegd en gearbeid, verliest in uw oog schier al zijn waarde, zoodra gij het uw eigendom moogt noemen. De genoegens, die deze wereld u oplevert, laten u onvoldaan ; uw hart blijft er ledig bij en koud en ten slotte gevoelt gij slechts afkeer er van en walging. Maar de goederen des hemels zijn eeuwigdurend; zij zijn een immer opwellende bron, waaruit voortdurend nieuwe genoegens ontstroomen, die de zielen der uitverkorenen met onuitsprekelijke blijdschap en vreugde vervullen. Ziedaar de reden, waarom Jesus arm wilde zijn, waarom Hij de onthechting predikte aan de vergankelijke rijkdommen en sprak: , Wilt u geen schatten vergaderen op aarde, waar de roest en de mot ze verteeren en de dieven ze uitgraven en stelen, maar vergadert u schatten in den hemel, waar noch roest, noch mot ze verteeren en geen dieven ze uitgraven en stelen.' Onderzoek u zelven en vraag u af, of uw
'20
hart aan het aardsche is gehecht, dan wel of het zich naar God en den hemel getrokken gevoelt. Indien gij tevreden zijt in uw lot, indien geen zucht naar gewin de drijfveer is van uw werken en streven, maar gij slechts arbeidt om in het onderhoud van uw gezin te voorzien, indien eenig verlies in uwe tijdelijke goederen u geen kwelling baart, indien gij van uwe bezittingen gaarne iets afzondert voor de werken, die tot glorie van God en tot heil der lijdende menschheid worden ondernomen, indien uwe linkerhand niet weet wat uwe rechter- aan uwen armen medebroeder uitreikt, o, dan toont gij in waarheid, dat de geest van den armen Jesus u bezielt, dat gij uw hart gesloten houdt voor de aarde en wat deze aarde biedt, dat gij slechts leeft en arbeidt voor de goederen des hemels. Maar zijn al uwe gedachten voor het aardsche, zoekt gij steeds naar eene gelegenheid om uwe bezittingen te vermeerderen, houdt gij uwe hand en uw hart gesloten voor den arme, vervult het verlies van eenig tijdelijk goed u met droefheid en angst, ach, dan woont de geest van Jesus Christus niet in u, dan zijt gij geen waardig leerling van dien God, die in armoede leefde en in de bitterste armoede stierf en die ons leerde slechts naar den hemel en de eeuwige goederen te streven. Onderzoek u dus ernstig en hebt gij tot heden toe nog nimmer het verlangen naar de schatten des hemels in u
21
voelen opkomen, smeek God dan vurig, dat Hij alle kluisters slake, die u nog aan het aardsche geboeid houden.
Voornemen. Dikwijls zal ik mij herinneren aan de waarheid: dat de mensch voor de eeuwigheid is geschapen, dat hij alleen in het bezit van God ware rust en blijvende vreugde kan vinden; en door deze gedachten zal ik een levendig verlangen naar den hemel in mij opwekken.
III. Overweeg, hoe 's Heeren liefde tot zijne vijanden op geheel bijzondere wijze uitstraalt in de omstandigheid, dat Hij ook Judas tot het laatste avondmaal toeliet. Ofschoon Hij wist, dat Judas Hem voor eenige zilverlingen had verkocht en binnen weinige uren zou verraden, toch verwijdert Hij den rampzalige niet uit zijn gezelschap. Hij neemt met den diep gezonken apostel plaats aan denzelfden disch, eet met hem van dezelfde spijzen en behandelt hem met de grootste goedheid en sachtmoedigheid. Sla een blik in uw eigen hart en spiegel u aan het verheven voorbeeld van den liefdevollen Verlosser. Bij eene kleine beleediging, die u wordt aangedaan, bij het geringste onrecht, dat men jegens u pleegt, wordt gij verbitterd, geraakt gij in toorn en breekt gij uit in schampere woorden en verwijten ; gerui-men tijd blijft gij in vijandschap met uwen broeder leven; gij wilt van geene verzoening weten en zint slechts op middelen, ont
22
u over den geleden smaad te wreken. Helaas! waarom toegegeven aan die liefdelooze gedachten? Waarom in haat en vijandschap voortgeleefd'? Heeft men u even diep gekrenkt, even schaamteloos gehoond als Judas zijn goddelijken Meester beleedigde? En toch de Zoon van God denkt niet aan wraak; Hij verstoot den verrader niet. 0 bedenk dat degene, dien gij haat en vervolgt nw broeder is, dat Jesus ook voor hem zijn goddelijk bloed gestort, ook hem tot de glorie des hemels geroepen heeft. Verban die liefdelooze gedachten uit uwen geest, verzaak aan die wraaklustige gevoelens en vergeef uwen vijand van ganscher harte, hetgeen hij tegen u misdreef; heb hem lief naar het voorbeeld en de leer van den zaclitmoedigen Jesus en God zal ook u beminnen en u vergiffenis schenken van uwe zonden.
Voornemen. Ik zal van elke gelegenheid gebruik maken, om degenen, die mij beleedigd hebben eenigen liefdedienst te bewijzen.
GEBED.
Allerzachtmoedigste Jesus, vol droefheid erken ik, dat ik ontelbare malen in mijn leven tegen de liefde heb gezondigd. Ach, met uw heerlijk en verheven voorbeeld voor oogen heb ik zoo menigmaal aan liefdelooze gedachten gehoor gegeven en gevoelens van haat en wraakzucht gekoesterd in mijn hart.
23
Helaas! indien Gij mij zoudt behandelen, gelijk ik met mijne naasten gehandeld heb, waar zou ik mij dan op dit oogenblik bevinden ? Ontferm U dan over mij en vergeef mij al mijne fouten en misslagen, gelijk ik van ganscher harte vergiffenis schenk, aan allen, die mij ooit beleedigden. Leen mij kracht en sterkte, opdat ik mijne zondige driften beteugele en over alle heftigheid en prikkelbaarheid van mijn licht ontvlambaar gemoed door de liefde moge zegevieren. Stort eene vurige, oprechte liefde in mijn hart; eene liefde, die in staat is, alles met geduld en zachtmoedigheid te verdragen, wat mij van den kant der schepselen zou kunnen worden aangedaan; eene liefde, die immer bereid is te vergeven en alle kwaad met goed te vergelden, opdat ik niet alleen in naam maar metterdaad een kind moge zijn van uwen liefderijken Vader in den hemel, die zijne zon laat opgaan over goeden en kwaden en zijn zegen zendt over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Zegen mij, Heer Jesus, zegen alle schepselen maar zegen vooral degenen, die mij ooit eenig onrecht aandeden of mij beleedigden. Amen.
24
VIERDE OVERWEGING.
DANKZEGGING DES HEEREN NA HET LAATSTE AVONDMAAL.
Het paaschlam was genuttigd. Jesus hief zijne oogen ten hemel en dankte zijn eeuwigen Vader. Ofschoon de Verlosser zelf God was en Hem met den Vader en den H. Geest dezelfde glorie, aanbidding en heerlijkheid toekomt, stond Hij toch, volgens zijn men-schelijke natuur, diep beneden zijn hemel-schen Vader, en daarom bracht Hij met zijne beminde leerlingen na het laatste avondmaal in den diepsten eerbied den hemelschen Vader zijn dank.
I. Overweeg, wat diepen ootmoed, wat kinderlijke dankbaarheid Jesus jegens zijn Vader aan den dag legt en leer hieruit, hoe ook gij God voor zijne gaven moet dank zeggen. Bedenk, hoe schoon de deugd van dankbaarheid, hoe hatelijk de ondankbaarheid is. Mets is grievender, niets smartelijker dan de ondankbaarheid te moeten ondervinden van iemand, dien men met weldaden had overladen. Onderzoek u zeiven en vraag u af, of ook gij u nimmer aan deze zonde hebt schuldig gemaakt. Van het eerste oogenblik uws levens tot op dezen stond heeft God u voortdurend met de overvloedigste genaden en zegeningen begunstigd. Naar zijn beeld
25
en gelijkenis heeft Hij u geschapen, door het kostbaar bloed van zijn eenigen Zoon u verlost, door den H. Geest u geheiligd. Hij bevrijdde u uit tal van gevaren naar ziel en lichaam, sterkte u met zijne heilige Sacramenten, verrijkte u met zijne gaven, stond u ter zijde met zijne heilige ingevingen, riep u tot een godvruchtig en heilig leven, en wakkerde te allen tijde uwen ijver aan, door het heerlijk vooruitzicht op de eeuwige belooningen des hemels, die Hij eenmaal aan zijne getrouwe dienaren zal schenken. Vraag u af, welken dank gij voor dat alles aan God hebt gebracht. Legt uw geweten de troostvolle getuigenis voor u af, dat gij Hem nimmer ondankbaar waart? Hebt gij door uwe werken getoond, dat eene levendige erkentelijkheid u bezielde en dat die uitgelezen voon-echten en genaden niet te vergeefs aan u werden geschonken? Ach zoo wij iets behoeven, worden wij nimmer moede. God er in ons gebed om te vragen; maar wanneer wij het verlangde ontvangen hebben, dan weten wij ter nauwernood een vluchtig oogenblik te vinden, om Hem onzen dank te betuigen. Wek een innig leedwezen bij u op over uwe ondankbaarheid en beloof in het vervolg beter aan 'sHeeren liefde te zullen beantwoorden. Laat dezen dag niet voorbijgaan, zonder God uwen dank te hebben gebracht voor al zijne gunsten en genaden, maar dank Hem vooral hiervoor, dat Hij u met zooveel
26
goedheid en lankmoedigheid verdroeg en u zal ^
niet reeds lang verstiet, gelijk gij verdiend had. | hom Voornemen. Ik zal geen dag meer ' hebt laten voorbijgaan, zonder God te danken verl'
voor de weldaden, die Hij mij dagelijks be- hem
wijst. Voor elke bijzondere genade zal ik uwe
voortaan eene bijzondere acte van dankzeg- late
ging verrichten. dee-
II. Na de spijzen Van het paaschmaal met 1 ^ de zijnen genoten te hebben, verrichtte Jesus dra
de dankzegging. Leeren wij hier van den dri
Zoon Gods hoe wij onze maaltijden moeten vai
besluiten. Nimmer moeten wij den disch ver- Hlt;
laten zonder in een kort maar aandachtig br
gebed God, den Gever van alle goed te hebben gedankt. Onderzoek hier, hoe gij uw la
gebed aan tafel verricht. Behoort gij wel- di
licht tot het getal dier slechte Christenen, Ji
in wier oogen de dankzegging na den maal- b
tijd een verouderd gebruik is, waaraan men C
beter doet zich niet meer te houden ? Of f
bidt gij alleen in uw gezin en laat gij, zoo quot; c
^ gij u op reis of bij vreemden bevindt, uwe (
dankzegging achter1 uit vrees van aan anderen te mishagen, of de aandacht der medeaan-zittenden op u te zullen vestigen? Indien dit zoo is, verwek dan berouw over uwe lafhartigheid. Bedenk dat er eene hooge eer in gelegen is, zich voor de wereld een vroom en ijverig Christen te toonen. Herinner u de woorden, die Jesus eenmaal sprak: âHij,
die Mij zal belijden voor de menschen, hem
27
zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is ; maar hij, die Mij zal verloochend hebben voor de menschen, hem zal ook ik verloochenen voor mijn Vader, die in do hemelen is.quot; Neem dan het besluit nimmer uwe dankzegging na den maaltijd achter te laten, maar verricht haar, gelijk Jesus het deed, met eerbied en aandacht.
V oornemen. Zoo dikwerf ik spijs of drank ga nuttigen, zal ik mij levendig doordringen van de gedachte, dat ik dit alles van God ontvang. Nimmer zal ik verzuimen Hem hiervoor den verschuldigden dank te brengen.
III. De dankzegging des Heeren na het laatste avondmaal, herinnert ons aan den plicht, dien wij hebben te vervullen, wanneer wij Jesus in het Geheim zijner liefde onder broodsgedaante in ons hart hebben ontvangen. Ofschoon niemand ooit onbaatzuchtiger was bij het verleenen zijner gunsten, h^t uit-deelen zijner liefdegaven dan de Zoo i van God, toch beklaagde Hij zich op treffende wijs, wanneer Hij slechts ondank inoogste van zijne weldaden. âZijn er geen tien me-laatschen gereinigd,quot; zoo sprak Hij, toen slechts één Hem voor zijne wonderbare genezing kwam dankzeggen, , waar zijn dan de negen anderenquot; ? Indien Jesus dus onze erkentelijkheid vordert voor de stoffelijke weldaden, die Hij ons schenkt, hoeveel te meer zal Hij dan niet verwachten, dat wij
28
Hem onzen dank betuigen voor het wonderbare Brood des levens, die geestelijke Spijs, waarmede Hij onza zielen sterkt en voedt. Drie beweegredenen stemmen ons hart tot dankbaarheid voor een ontvangen weldaad: de voortreffelijkheid der gave. die ons verleend werd, de liefde, waarmede zij ons werd geschonken, en het voorrecht, boven vele anderen tot het ontvangen van die weldaad te zijn uitverkoren. Welke gift nu is kostbaarder, dan die, welke Jesus ons schenkt in de H. Communie, waarin Hij de goddelijke schatten van zijne almacht, zijne wijsheid en goedheid heeft uitgeput ? Waar betoonde Hij ons ooit vuriger liefde? Waar viel ons hooger voorrecht te beurt en ontvingen wij schitterender blijk zijner genadevolle uitverkiezing, dan waar wij boven vele duizenden tot dien hemelschen Bruiloftsdisch werden geroepen ? Wanneer u dan het voorrecht te beurt valt, Jesus in uw hart te ontvangen, kniel dan niet diepe ingetogenheid neder, sluit uwe oogen, ban alle gedachten aan het aardsche uit uwen geest en spreek tot Hem met de woorden, die uw hart u zal ingeven. Werp u in den geest voor Jesus neder, omhels Hem, druk Hem aan uw hart en herhaal in blijde vervoering en teedere liefde het woord uit het Hooglied : âIk heb Hem gevonden, dien mijne ziel liefheeft. Hem zal ik vasthouden en niet meer loslaten.' Loof, prijs en verheerlijk Hem ; dank Hem met
'29
de teederste bewoordingen en bied u zeiven als offer van erkentelijkheid en wederliefde aan uwen Heer; laat geen oogenblik van dien kostbaren tijd, gedurende welken Jesns in uw hart rust, verloren gaan, maar smeek Hem voor u zelven en voor allen, die u dierbaar zijn, duizende zegeningen en genaden af en herinner u den ganschen dag welk onuitsprekelijk voorrecht u in den morgen werd geschonken. Onderzoek u zelven en vraag u af, hoe gij uwe dankzegging na de H. Communie tot nog toe verricht hebt. Hebt gij u beijverd haar met dien eerbied, die godsvrucht te verrichten, die aan zulk een verheven en goddelijk gunstbewijs past ? Hebt gij gedurende den dag dikwerf uwen geest tot God verheven en uw hart in korte en vurige dankgebeden voor Hem uitgestort ? Waart gij er op bedacht, u meer dan anders te wapenen tegen de fouten en gebreken, tot welke gij in uwe zwakheid het meeste overhelt ? O, niet beter kunt gij uwe wederhefde eu dankbaarheid aan Jesus toonen, dan door steeds reiner, zuiverder en heiliger in zijn dienst te leven. Onderzoek u zelven ernstig en neem heilige besluiten voor de toekomst. Beijver u voortaan om elke H. Communie met dieper eerbied en vuriger liefde te ontvangen, opdat gij steeds overvloediger en heerlijker vruchten uit die innige vereeniging met Jesus voor uwe ziel moogt inoogsten.
30
Voornemen. Ik zal mijne dankzegging na de H. Communie niet beperken tot het kwartier uurs, dat ik in de kerk doorbreng, maar gedurende den ganschen dag God door woord en daad mijne erkentelijkheid toonen.
O mijn God, Vader van barmhartigheid, hoevele ontelbare weldaden en zegeningen mocht ik van U ontvangen ! Elk oogenblik mijns levens herinnert mij, hoe onuitsprekelijk uwe liefde, hoe nameloos teeder uwe zorgen voor mij geweest zijn. Ik hield niet op U te beleedigen door mijne zonden, en Gij werd nimmer moede mij met uwe liefdeblijken te achtervolgen. Neen ik was al die goedheid, die liefde niet waardig. Maar zie, van .dit oogenblik af wil ik een ander leven gaan leiden. Heb ik ü weleer door mijne koelheid en ondankbaarheid op de smartelijkste wijs beleedigd, in het vervolg zal ik trachten door een deugdzamen en godvreezenden wandel beter aan uwe genaden te beantwoorden en mij uwe gunsten waardig te maken. Uit den diepsten grond van mijn hart dank ik U voor al de weldaden, die ik van uwe liefde ontving. O, ware het mij gegeven, U mijne dankbaarheid te betuigen met die allerteederste gevoelens van liefde, erkentelijkheid en vreugde, waarmede alle heiligen en gelukzaligen ü hebben aanbeden hier op
31
t
aarde, waarmede alle Engelen en uitverkorenen uwe goedheid en barmhartigheid prijzen en verheerlijken in eeuwigheid ! Mocht ik U een blijk geven van erkentelijkheid, dat Uwer waardig is! Maar ach, ik ben een ellendig en nietig schepsel, en niets anders heb ik om U aan te bieden dan het offer van mijn hart. Welaan, ontvang het dan, dat hart; moge het ü geheel en onverdeeld toebehooren ! Was het voorheen aan de zondige genoegens der wereld verslaafd, voortaan zal het alleen kloppen, alleen leven voor U. Roei dan in hetzelve uit, al hetgeen er U in mishaagt, louter het in het vuur der beproevingen, opdat het met den dag aangenamer en welgevalliger worde in uwe oogen. In den geest leg ik mijn offer op uw heilig altaar neder, en allerootmoedigst smeek ik U het aan te nemen en door het vuur uwer goddelijke liefde te ontgloeien en te verteren. Mocht ik in dit leven uwe goddelijke barmhartigheid met een erkentelijk hart door woord en daad verheerlijken en haar eenmaal zonder ophouden loven en prijzen in eeuwigheid. Amen.
32
VIJFDE OVERWEGING.
JESÃS WASCHÃ DE VOETEN ZIJNER APOSTELEN.
Het dankgebed was gesproken, en nu stond Jesus op van den maaltijd, legde zijn opperkleed af, omgordde zich met een linnen doek, goot water in een bekken en begon de voeten zijner apostelen te wasschen. Jesus verrichtte dit vernederend dienstwerk met allerdiepsten ootmoed ; Hij bewees dien liefdedienst aan al zijne leerlingen, ook aan den goddeloozen Judas. Toen Hij nu bij Simon Petrus kwam, wilde de vurige apostel niet gedoogen, dat zijn goddelijke Meester zich zoo diep voor hem vernederde en hij zeide: âIn eeuwigheid zult Gij mij de voeten niet wasschenquot;. Maar Jesus sprak: âZoo ik u niet wasch, zult gij geen deel met Mij hebben.' En aanstonds riep Petrus uit: âHeer wasch mij dan niet alleen de voeten maar ook de handen en het hoofd.quot;
I. Beschouw met diepen ootmoed deze treffende gebeurtenis en overweeg aandachtig alle omstandigheden van dit heilig geheim. Jesus, de Zoon des Vaders, de God van eeuwige majesteit eu glorie verschijnt hier als dienaar van allen. Hij maakte alle toebereidselen voor het vernederend dienstwerk gereed ; niemand mag Hem daarbij eenige hulp bieden; Jesus gedoogde het niet; want
33
Hij was gekomen om te dienen, niet om gediend te worden. Zie daar knielt Hij neder aan de voeten zijner leerlingen, aan de voeten ook van den trouweloozen Judas! Overweeg met welk eene verbazing en ontzetting de Engelen des hemels Jesus gadeslaan ; denzelfden God, die op zijn machtig woord hunne ontelbare legioenen uit het niet te voorschijn riep, voor wiens troon zij sidderend, vol ontzag en eerbied liggen neêr-gebogen; denzelfden Heer, dien zij zonder ophouden in heilige lofliederen verheerlijken; denzelfden Koning, wiens bevelen zij in een oogwenk volbrengen, zagen zij zoo onuitsprekelijk diep zich vernederen voor zijne schepselen. Welk een gewichtige les werd u hier door den Zoon Gods gegeven ! Immers daarom vernedert Hij zich zoo diep, om u aan te sporen allen hoogmoed met wortel en tak in uw hart uit te roeien; den hoogmoed, het beginsel, den oorsprong van alle kwaad; de noodlottige zonde, die u overal volgt en die ook in uwe heiligste werken tracht binnen te sluipen. Onderzoek u zei ven en vraag u af, of gij naar het voorbeeld van uwen goddelijken Verlosser de nederigheid van ganscher harte lief-hebt. Zijt gij immer bereid aan uwe mede-menschen die nederige diensten te bewijzen, die zij van u verwachten ? Jesus, de Heer en Schepper van het heelal verootmoedigt zich zoo onuitsprekelijk diep, dat Hij de dienstknecht wordt van allen. Zult gij dan
3
34
nog u verheffen op uwe goederen, uwe kennis, uwen naam, op de ijdelheden en beuzelarijen dezer wereld, die Hij u geloerd heeft te verachten? Zult gij vol aanmatiging en trotschheid u gedragen, terwijl de God des hemels zich zoo diep vernedert ? Zult gij u vernederd wanen, wanneer men u om een dienst verzoekt ? Zult gij in uw gekrenkten trots u verwonderen, dat men zulk een verdoek tot u durft richten, terwijl Jesus de nederige dienstknecht wil zijn van zijne leerlingen? Leer dan hier in de opperzaal van Jerusalem uwe nietigheid inzien en smeek God voor die zonde van hoogmoed rouwmoedig om vergiffenis.
Voornemen. Met vreugde zal ik elke gelegenheid aangrijpen om anderen een dienst te bewijzen; bij voorkeur zal ik den gering-sten en meest vernederenden arbeid op mij nemen.
II. Overweeg, hoe Jesus, terwijl Hij aan de voeten zijner apostelen ligt neergeknield, nog eene andere zonde veroordeelt, die uit den hoogmoed voortspruit. Omdat gij rijk zijt, omdat gij een aanzienlijk ambt bekleedt en over anderen kunt bevelen, meent gij liet recht te hebben, degenen die onder u staan met bitsheid en koelheid te mogen behandelen. Door uwe trotsche en liefdelooze handelwijze krenkt gij hen; door uwe tallooze eischen, uwe bittere berispingen, door den harden en steeds gebiedenden toon, waarop
35
gij hen toespreekt, laat gij hen immer gevoelen, dat gij boven hen staat en verzwaart gij noodeloos de lasten huns levens. O welk een geheel ander voorbeeld geeft Jesus u in de opperzaal te Jerusalem. Zie, Jesus Christus : Hij, die oneindig hoog boven alle schepselen is verheven, Hij wil niet gediend worden, en zelf verricht Hij het werk van een dienstknecht. En gij verhoovaardigt u tegenover de schepselen, die in Gods oog met u gelijk staan, ja die Hem wellicht om hunne deugden veel aangenamer en welge-valliger zijn dan gij. Verneder u dan voor God, smeek Hem, dat Hij in u een nederig hart scheppe en bedenk, dat de talenten, rijkdommen en voorrechten, welke gij meent te bezitten, u ten plicht stellen u des te dieper voor God te verootmoedigen.
Voornemen. Ik zal rusteloos alle bekoringen van hoogmoed en zelfzucht bestrijden en allen, die onder mij staan, met goedheid, zachtmoedigheid en broederlijke liefde behandelen.
III. Overweeg, hoe ons in de plechtigheid der voetwassching een heerlijk zinnebeeld werd geschonken van het H. Sacrament dei-biecht. De heilige Vaders leeren, dat de voetwassching voor de apostelen eene voorbereiding was tot de nuttiging van 's Heeren Vleesch en Bloed. Door de voeten zijner leerlingen te wasschen beoogde Christus een dubbel doel. Hij wilde de apostelen
36
reinigen van de kleine smetten, -waarvan zelfs de rechtvaardigen niet geheel vrij zijn, en daarom sprak Hij tot Petrus: âIndien Ik u niet wasch, zult gij geen deel met Mij hebben. Hij, die gewasschen is, behoeft slechts zijne voeten te wasschen, dan is hij geheel rein.quot; Van den anderen kant wilde Hij te verstaan geven, dat slechts zij, wier zielen geheel rein en zuiver zijn, mogen aanzitten aan zijn H. Liefdedisch. Onderzoek u zeiven en vraag u af, welk gebruik gij van het H. Sacrament der biecht hebt gemaakt. Zijt gij immer tot dat wonderbaar reinigingsbad der zielen genaderd in de gesteltenis, die God van u vordert? Hebt gij met alle oprechtheid in ootmoed en berouw uwe zonden voor Gods plaatsbekleeder beleden ? Hebt gij de vermaningen van uwen biechtvader met eerbied aangehoord en waart gij vast besloten, om liever te sterven, dan God nogmaals door uwe zonden te beleedigen? Hebt gij de boete, die u werd opgelegd, steeds in den geest van versterving en boetvaardigheid verricht ? Onderzoek u ernstig over deze punten, en mocht gij onder een of ander opzicht aan uw plicht te kort zijn geschoten, geef dan aan God uw leedwezen te kennen, vraag Hem vergiffenis en neem het besluit om steeds tot het H. Sacrament te naderen in die gesteltenis, waarmede de H. Petrus zich door zijn goddelijken Meester de voeten liet wasschen.
37
Voornemen. Ootmoedig en berouwvol zal ik steeds tot liet H. Sacrament der biecht naderen en God smeeken, mijne ziel, na elke biecht, meer en moer met liaat jegens de zonden te vervullen en inniger in zijne goddelijke liefde te bevestigen.
GEBED.
O mijn Jesus, vol bewondering voor den ootmoed, waarmede Gij de voeten uwer leerlingen hebt gewasschen, werp ik mij voor ü neder en smeek ik ü mij deel te geven aan de onuitsprekelijke vernederingen, die Gij gedurende uw sterfelijk loven hebt willen verduren. Ach Gij, God van majesteit en glorie, Gij zoekt. Gij haakt slechts naar vernederingen en ik, nietig en ellendig schepsel, tracht mij voortdurend boven anderen te verheffen; ik jaag den ijdelen roem der wereld na en zoek immer gevierd en geprezen te worden door de monschen. Neon, o mijn Jesus, ik bon niet op den rechten weg. Maar, door uw goddelijk voorbeeld verlicht, verafschuw ik al die gevoelens van hoogmoed en ijdelheid, die mij tot nog toe bezielden ; gaarne wil ik voortaan de laagste plaats innemen, opdat ik eenmaal na in uwe vernederingen gedeeld te hebben op aarde, door ü moge verheven worden in den hemel
Liefderijke Jesus, Gij, die tot uwe apostelen gezegd hebt: âIndien iemand de eerste wil wezen, zal hij de minste van allen en
38
de dienaar van allen zijn,quot; verleen mij grootmoedig vergiffenis van die zonden van hoogmoed, waardoor ik degenen, die onder mij gesteld waren, zoo menigmaal heb be-leedigd en geërgerd. Zie, ik neem het besluit hen voortaan als mijne broeders te beschouwen en hen met christelijke liefde en zachtmoedigheid te behandelen. Verleen mij hiertoe uwe genade, opdat ik in het vervolg nimmer meer de christelijke liefde uit het oog verlieze, waartoe Gij ons door uw woord en voorbeeld zoo liefderijk hebt willen aansporen.
Goedertierenste Jesus, Vader van barmhartigheid, geef, dat ik steeds met zulk een ootmoed en leedwezen met zulk een onbegrensd vertrouwen tot uwen plaatsbekleeder in het H. Sacrament der biecht moge naderen, dat ik niet alleen vergiffenis verkrijge van mijne zonden, maar ook tevens de volledige kwijtschelding van alle straffen, die ik voor mijne zonden verdiend heb en de genade om voortdurend meer en meer voortgang te maken op den weg, die leidt ten eeuwigen leven; Amen.
39
ZESDE OVERWEGING.
DE INSTELLING VAN HET ALLERHEILIGST SACRAMENT DES ALTAARS.
Met rassche schreden naderde liet oogenblik, waarop Jesus aan het kruis zal sterven; daarna zal Hij de wereld weder verlaten en tot zijn hemelschen Vader terugkeeren. Wijl Hij ons echter niet als weezen wilde achterlaten, zocht en vond zijne onuitsprekelijke liefde een middel, om tot het einde der tijden in ons midden te kunnen verwijlen. Hij stelde het allerheiligst Sacrament des Altaars in, dat aanbiddelijk Geheim zijner almacht en liefde, waarin Hij op verborgen wijze onder ons zou wonen, wanneer Hij de glorie zijns Vaders wederom zou zijn ingegaan. Na de plechtigheid der voetwassching verricht te hebben nam Jesus andermaal met zijne leerlingen plaats aan den disch, nam een der broeden, welke voor Hem lagen, in zijne heilige en eerbiedwaardige handen, dankte zijn hemelschen Vader, brak het en reikte het aan zijne apostelen uit met de woorden: âNeemt en eet, dit is mijn Lichaam.quot;
I. Alle handelingen, die onze goddelijke Verlosser gedurende zijn sterfelijk leven verrichtte, zijn tot in de kleinste bijzonderheden van hooge beteekenis en voor ons rijk aan de verhevenste lessen. Denk hierover na, en vraag u zeiven af, waarom Jesus juist voor
40
de instelling van het aanbiddelijk Sacrament zijner liefde de voeten zijner leerlingen wilde â vvasschen. Deed Hij dit niet, om ons te leeren, met welk eene vlekkelooze reinheid wij tot zijn heilige tafel moeten naderen ? Overweeg hier, wien wij in de H. Communie ontvangen. Het is de driewerf heilige God, die alle ongerechtigheid haat, die zelfs vlekken ziet in de zuiverste hemelgeesten. Wanneer wij dus ook maar éénmaal in ons leven Jesus in ons hart zouden mogen ontvangen, zouden wij reeds elk oogeublik van ons vluchtig bestaan moeten besteden om ons op waardige wijze tot het ontvangen dier hemelsche spijs voor te bereiden. En nog zou dit weinig zijn ; en ook dan nog zouden wij met de H. Kerk moeten verzuchten: âHeer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak.quot; Hoe groot moet dan het gevoel uwer onwaardigheid zijn, wanneer gij bedenkt, hoe kort en onvolmaakt uwe voorbereiding tot de H. Communie is. Verootmoedig u voor uwen God en neem het vaste besluit voortaan slechts na eene allerzorgvuldigste voorbereiding tot 's Heeren Liefdedisch te naderen. Ach, hoe menigmaal laagt gij neergeknield aan de heilige Tafel zonder de godsvrucht, die Jesus het recht had van u te verwachten! Hoe dikwijls gingt gij op naar het heilig altaar, meer uit gewoonte, dan wel door heilige liefde en vurig verlangen gedreven, om het Brood
41
der Engelen te ontvangen ! Hoe menigmaal wellicht zijt gij tot Jesus gegaan met eene ziel door vele dagelijksche zonden bezoedeld, met een hart vol gehechtheid aan aardsche en vergankelijke dingen, en den geest vol lichtzinnige en ijdele gedachten! Smeek God om vergiffenis voor de achteloosheid en oneerbiedigheid, waarmede gij uwe vorige Communiën hebt verricht; en mocht gij ooit het ongeluk gehad hebben op heiligschen-nende wijze tot Jesus te naderen, wanhoop dan niet aan uwe bekeering, aan uwe zaligheid, maar beween uwe zonde met bittere tranen, verzucht tot God, pleeg boete; want ach, aan welk misdrijf gij u ook mocht hebben schuldig gemaakt, ook voor u klopi Jesus' hart van de teederste liefde, en niets vuriger verlangt Hij, dan dat ook gij Hem eene waardige woonplaats in uw hart zult aanbieden.
V oornemen. In het vervolg zal ik slechts na eene waardige voorbereiding tot de H. Tafel naderen en elke H. Communie zóó ontvangen alsof zij de laatste mijns levens ware.
II. Overweeg, hoe Jesus voor de instelling van het hoogwaardigst Sacrament zijne oogen ten hemel hief en zijn Vader dankte, om ons te leeren, dat ook wij bij het begin van elke handeling ons hart tot God moeten verheffen en al onze werken door de goede meening moeten heiligen. Slechts dan zal ons werk welgevallig zijn aan God en ver-
42
dienstelijk voor ons zeiven. Onderzoek u zeiven en vraag n af; of gij deze even heilzame als noodzakelijke oefening niet schier geheel hebt verwaarloosd. Kunt gij getuigen, dat gij steeds al uwe gedachten, woorden en werken aan God hebt opgedragen en dat zijne meerdere eer en glorie immer het doel was van al uwe handelingen ? 0, mocht gij het voorbeeld der heiligen navolgen, het voorbeeld van een H. Ignatius, die zich deze heerlijke zinspreuk tot leus had verkozen : âAlles tot meerdere eer van Godquot;, van eene H. Ger-trudis, die voor al hare werken hare blikken ten hemel hief en sprak : âVoor U, o mijn God, alles voor ü.quot; Bedenk, dat de goede meening aan al uwe werken, ook aan de geringste, eene hoogere waarde verleent in de oogen van God, terwijl de heldhaftigste liefdewerken, die verricht werden zonder het zuiver inzicht om God er mede te behagen, geheel waardeloos zijn voor de eeuwigheid.
Voornemen. Bij al hetgeen ik verricht, zal ik mijn hart tot God verheffen en mijne werken aan Hem opdragen.
III. Overweeg, hoe Jesus het brood in meerdere stukken brak, alvorens het in zijn allerheiligst Lichaam te veranderen. Daardoor leert Hij ons, dat de schoonste voorbereiding vóór de H. Communie gelegen is in het bestrijden en onderdrukken van onze eigenliefde en onze zondige hartstochten door de versterving. Zonder voortdurende beoefe-
43
ning der versterving zult gij slechts weinig geestelijk voordeel uit de H. Communie trekken, omdat uwe ziel gelijk zal zijn aan een dorren en onbebouwdcn grond, die slechts distels en doornen voortbrengt; de genaden van het allerheiligst Sacrament kunnen er geen wortel schieten; zij blijven zonder vrucht Indien gij er echter voort-durcnd op bedacht zijt, allen hoogmoed, alle traagheid en zinnelijkheid door de versterving in u uit te roeien, dan zal uw hart gelijk zijn aan een akker, die met zorg is omgeploegd en het goddelijk Zaad, de Tarwe der uitverkorenen, die er bij do H. Communie in wordt uitgestrooid, zal heerlijke, overvloedige vruchten dragen voor tijd en eeuwigheid.
Voornemen. Als meer verwijderde voorbereiding tot de H. Communie zal ik met moed mijne heerschende drift bestrijden, en met het oog hierop mij dikwerf eenige versterving opleggen.
GEBED.
Liefdevolle Jesus, die door de instelling van het allerheiligst Sacrament des Altaars het voedsel mijner ziel hebt willen worden, duizendmaal dank ik ü voor die onschatbare weldaad uwer almacht, dat onovertroffen blijk uwer liefde. O dierbare Verlosser, wel groot, wel onuitsprekelijk groot is uwe liefde voor ons, ondankbare schepselen. Ja,
44
Gij zoudt voor ons lijden en sterven, om ons met viwen Vader te verzoenen en de poorten des hemels voor ons te ontsluiten. En vervulde de gedachte aan onze verlossing en heiligmaking uw goddelijk hart ook al met onbeschrijfelijke vreugde, o, van den anderen kant smartte het ü, dat Gij hierom van uwe 'schepselen zoudt moeten scheiden. Maar neen. Hoer, niet te vergeefs had uw profeet het getuigd, dat men luide uwe lief-devonden zou prijzen en verheerlijken. Immers in uwe allesovertreffende liefde vondt Gij het middel, om voor ons te lijden en te sterven en toch waarachtig en bij voortduring levend in ons midden te verblijven, om uw lichaam voor ons over te leveren aan de beulen en uw goddelijk bloed voor ons te storten aan het kruis en toch tot aan de voleinding ons te spijzen met datzelfde goddelijke Lichaam, ons te laven met datzelfde goddelijke Bloed. En nu, dierbare Jesus, nu rust Gij daar, onder de nederige broodsgedaante verborgen, in ons midden als onze Vriend als onze Broeder, als de Bruidegom en de Koning onzer zielen. Ach, hoe is het mogelijk, dat mijn hart niet verteerd wordt in mijn binnenste van eene vurige wederliefde tot U! Hoe is het mogelijk, dat ik zoo dikwerf met een koud en gevoelloos hart tot TJ kon naderen. Vergeef mij, bid ik ü. Heer Jesus, vergeef mij de ontelbare misslagen, waaraan ik mij bij het nuttigen
45
van uw Goddelijk Vloescli en Bloed heb plichtig gemaakt. Voortaan, dierbare Jesus, zal ik mij boter beijveren om door do versterving mijner zinnen en liet bestrijden mijner ongeregelde driften mijn hart tot een waardigen tempel uwer Godheid voor te bereiden. Neem dit voornemen aan, lieve Jesus, zegen het en schenk mij uwe renade het stiptelijk te volbrengen, opdat ik bij elke H. Communie, die ik nog hot geluk zal hebben te ontvangen, rijker moge zijn aan deugden, vuriger in godsvrucht en standvastiger in uwe liefde; want ü alleen wil ik beminnen, lieve Jesus, aan U alleen gehecht blijven in leven en in sterven. Amen.
ZEVENDE OVERWEGING
DE LIEFDE VAN JESUS BIJ DE INSTELLING VAN HET ALLERH. SACRAMENT.
Bij do instelling van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars schonk Jesus ons het heerlijkst blijk zijner liefde. Als oen goede vader had Hij gedurende geheel zijn leven voor ons gearbeid om ons de goederen des hemels te verwerven. Nu zou Hij voor ons gaan lijden en sterven; maar alvorens de wereld te verlaten wilde Hij ons eene kostbare gedachtenis achterlaten, ons een gunst schenken, die ons voortdurend aan zijne
46
liefde zou herinneren en daarom gaf Hij ons zich zeiven, zich zeiven geheel en onverdeeld, zijn Lichaam en zijne Ziel, zijne men-schheid en Godheid.
I. Overweeg op de eerste plaats, wanneer Jesus het allerheiligst Sacrament instelde, 't quot;Was in den laatsten avond van zijn sterfelijk leven. Een liefdevolle vader, had gedurende geheel zijn leven een kleinood van onschatbare waarde voor zijne kinderen bewaard. Eindelijk, als hij zijn stervensuur voelde naderen, riep hij hen allen rondom zijne sponde bijeen; zegenend strekt hij zijne handen over hen uit, geeft hun zijne laatste vermaningen en schenkt aan elk hunner een kostbaar aandenken, opdat zij nimmer zouden vergeten, welk een teedere liefde hij hun toedroeg en hoe zelfs in zijne laatste oogenblikken al zijne gedachten aan zijne dierbare kinderen waren gewijd. Die liefdevolle Vader is Jesus Christus. ïoen Hij wist, dat zijn einde nabij was, riep Hij in den laatsten avond zijns levens zijne apostelen bijeen en schonk Hij hun de kostbaarste gaaf zijner liefde; zijn goddelijk Vleesch en Bloed in het aanbiddelijk Sacrament. Overweeg hier, hoe alle gedachten van Jesus van het eerste oogenblik zijns levens af aan uw eeuwig welzijn waren gewijd. Voor u werd Hij in een armen stal geboren, stond Hij bloot aan de vervolgingen van Herodes en wilde Hij in een vreemd
47
land het harde brood der ballingschap eten; voor u leidde Hij een loven van armoede en ontbering te Nazareth; voor u waren al zijne gedachten toen Hij als Leeraar zijne goddelijke vermaningen uitdeelde en de eeuwige waarheden verkondigde, voor u ook zijn zijne laatste gedachten, nu Hij gaat lijden en sterven, en opdat ook gij immer aan Hem zoudt denken en aan zijne eiudelooze liefde, liet Hij u eene gedachtenis na, die zal blijven voortduren tot aan de voleinding der tijden, namelijk hot allerheiligst Sacrament van zijn goddelijk Vleesch en Bloed. Vraag u af, of ook uwe gedachten immer voor Jesus waren. Roep de vervlogen jaren uws levens voor uwen geest terug; herinner u de dagen uwer kindsheid. Waren al uwe gedachten al uwe verlangens en begeerten toen heengericht naar God en naar de goddelijke dingen? Hieldt gij ook in uw latere levensjaren God immer voor oogen? Vondt gij er uw vermaak in in zijne heilige tegenwoordigheid te verwijlen? Was hot uw grootste vreugde te spreken over Jesus en zijne liefde? Was het u eene behoefte het leven en de wondervolle werken van uwen liefdevollen Verlosser te hooren verkondigen ? Greept gij elke gelegenheid aan, die u werd geschonken om in zijne heilige leer onderwezen te worden? O, de heiligen kenden geen grooter genoegen dan te mogen toenemen in de kennis der goddelijke dingen. Een H.
48
Paul us rooiiide or op niets anders te kennen dan Jesus en dien gekruist; een H. Augus-tinus verzuchtte onophoudelijk; âMocht ik U kennen, Hoer Jesus, en naar niets anders verlangen dan naar U!' Waren die vurige verlangens dor heiligen ook do uwe? Ach, moet gij niet veeleer erkennen, dat uwe gedachten, in plaats van bij God te verwijlen, reeds in de dagen uwer jeugd van Hem afdwaalden en zich bezig hielden met datgene, wat met zijne heilige geboden in strijd is? En hoe menigmaal hebt gij, sinds gij voor het eerst zijn heiligen dienst verliet, Hem op nieuw beleedigd? Welaan, smeek God om vergiffenis voor uwe trouweloosheid, keer terug tot uwen Jesus, die nog steeds ondanks uwe koelheid en onverschilligheid zijne blikken op u gevestigd houdt, en neem u voor, dikwerf de liefde te overwegen, die Hij u betoond heeft.
Voornemen. Dikwijls, vooral in het uur der bekoring zal ik denken aan de liefde van Jesus en door deze gedachte mij tot wederliefde en standvastigheid in zijn heiligen dienst opwekken.
II. Overweeg, onder welke omstandigheden Jesus het aanbiddelijk Sacrament des Altaars instelde, 't Was in den nacht, waarin Hij werd verraden. Ach, op hetzelfde oogenblik, dat Judas geheel vervuld is van het afschuwelijk plan om zijn goddelijken Meester over te leveren, dat 's Heeren vijanden tegen Hem
49
amenspanden, denkt Jesus er slechts aan, den mensch het hoogste blijk zijner liefde te schenken. Ja, wel wist Hij het, die dierbare Verlosser, dat de trouwelooze Judas Hem had verkocht, dat een Petrus Hem tot driemaal zou verloochenen en al zijne apostelen Hem zouden verlaten; wel wist Hij, dat Hij binnen weinige uren als een misdadiger van den eenen rechter naar den anderen zou worden voortgesleurd; wel voorzag Hij, dat een woeste en opgehitste volksmenigte, door blinden hartstocht vervoerd, zijn dood zou eischen, dat den volgenden morgen reeds de onstuimige kreten door Jerusalems straten zouden weergalmen : âWeg met Hem, weg met Hem, kruisig Hem! Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen''! maar toch wil Hij in hun midden zijn en zelfs na zijn dood wil Hij onder hen wonen, gelijk een vriend te midden van degenen, die hem liefhebben en vereeren. Ach, de menschen haken naar het oogenblik, waarop zij Jesus door een smartelijken en onteerenden dood voor immer uit hun midden zullen verwijderd hebben! En Jesus? 0, men zou zeggen, dat Hij niet leven kon zonder hen; en neen, niet dicht genoeg zal Hij zich in hunne nabijheid bevinden, tenzij ze zijn goddelijk Lichaam zullen hebben gegeten, tenzij ze zijn heilig Bloed zullen hebben gedronken; want tot spijs wil Hij strekken aan hunne ziel en vol helde roept Hij hun toe: âKomt
4
50
allen tot Mij, gij die zwoegt en beladen zijt en Ik zal u verkwikken. Ik zal u niet als weezen achterlaten, maar tot u komen en bij u blijven tot aan de voleinding der tijden; want het is mijn hoogste wellust en vreugde met de kinderen der menschen te zijn.quot; O onbegrijpelijke liefde des Heeren! O liefde, die alle liefde te boven gaat! Ach, dierbare Jesus, wel mocht uw apostel getuigen, dat Gij de uwen ten einde toe hebt liefgehad. Treed een oogenblik in uzelven en vraag u af, hoe gij aan die liefde van uwen God hebt beantwoord. Jesus beminde u meer dan zijn leven en schonk zich geheel aan u. Hebt ook gij u geheel aan Hem toegewijd? Ach, hebt gij niet geruimen tijd gescheiden van zijne liefde geleefd ? En toen gij eindelijk, door zijne goddelijke genade getroffen, tot Hem terugkeerdet, hebt gij u toen geheel en onverdeeld aan zijn heiligen dienst gewijd? Helaas, gij hebt uw hart verdeeld tusschen God en het schepsel en de Schepper en Oorsprong uws levens moest zich met het geringste deel tevreden stellen; aan de wereld, aan hare ijdelheden en beuzelarijen hadt gij de voornaamste plaats er van ingeruimd. Indien dit zoo is, werp u dan in den geest aan Jesus' voeten neder en beloof Hem plechtig, dat gij voortaan Hem alleen in uw hart zult laten heerschen.
Voornemen. In navolging van 's Heeren liefde zal ik God vragen, mijn hart in
51
zulk eene liefde tot Jesus te ontsteken, dat het zich door geen kwellingen of beproevingen, door niets tor wereld, ooit meer van 's Heeren liefde zal laten scheiden.
III. Overweeg, hoe 's Heeren liefde, die door niets aan het wankelen gebracht kon worden, niet terugschrikte voor den hoon en de verguizing, die Hem in de toekomst wachtte. Wel voorzag Hij, de goddelijke Verlosser, wat smaad, wat grievende onteering en vernedering Hij in zijn hoogheilig Sacrament van den kant zijner schepselen zou te verduren hebben; wel wist Hij boevelen zelfs onder, zijne volgelingen Hem met koelheid en oneerbiedigheid zouden bejegenen, maar zijne liefde, zijn verlangen om zich met ons te vereenigen, waren grooter dan de snoodste ondankbaarheid en boosheid zijner schepselen. Neen, geene beleedigingen, geene on-teeringen, hoe smartelijk ook en menigvuldig, waren in staat zijne liefde tot ons te verkoelen en Hem van zijne voornemens te doen afzien. O, bewonder die overmaat van liefde, kniel neder voor uwen Verlosser, aanbid, dank en prijs Hem, betuig Hem in de vurigste bewoordingen uwe wederliefde en breng Hem eerherstel voor de verguizingen, waarmede Hij in zijn aanbiddelijk Sacrament wordt bejegend en waarmede ook gij Hem wellicht in het Geheim zijner liefde onteerd en beleedigd hebt.
Voornemen. Met den diepsten eerbied
52
zal ik voortaan in 's Heeren heilige tegenwoordigheid verwijlen en dikwerf zal ik mij beijveren, Hem eerherstel te brengen voor de beleedigingen, die Hij in het Sacrament zijner almacht heeft te verduren.
«EBED.
Goddelijke Verlosser, vol eerbied aanbid ik ü onder de nederige broodsgedaante, waaronder Gij uwe heerlijkheid uit liefde tot mij houdt verborgen. Gij, o mijn Jesus, zijt in waarheid het Brood des levens, want aan ieder, dien Gij spijst aan uw geheim nis vollen feestdisch, schenkt Gij het leven der genade in dezen tijd en het leven der glorie in den hemel. Maar ach, hoe smart het mij, dat ik aan de liefde, die Gij mij in liet allerheiligst Sacrament betoont, met zooveel koelheid en onverschilligheid heb beantwoord. O beminnelijke Verlosser, verleen mij, bid ik ü de hulp uwer genaden, opdat ik in de toekomst ijveriger en getrouwer zij in uwen dienst en door een deugdzaam leven mij waardig make, U dikwerf in mijn hart te mogen ontvangen. Ootmoedig bied ik ü eerherstel voor allo onachtzaamheden, oneerbiedigheden en tekortkomingen, waaraan ik mij jegens U in het aanbiddelijk Sacrament heb schuldig gemaakt. Ach, lieve Jesus, kon ik met mijn bloed al den smaad nitwisschen, dien ik U daardoor heb aangedaan! Kon ik mijn leven geven om te herstellen, hetgeen ik
53
tegen U heb misdreven in uw heilig Geheim. Ik bied U mij zolven aan, als offer van dankbaarheid en wederliefde: al wat ik heb en wat ik ben, wijd ik aan U toe. Ik vereenig mijn offer met alle verzuchtingen, eerbewij-zingen en liefdebetuigingen, waarmede alle heiligen U in uw hoogwaardig Sacrament hebben aanbeden en verheerlijkt. Tevens bied ik U eerherstel voor alle verguizingen en beleedigingen, waaraan Gij van de stichting uwer Kerk af tot op dit oogenblik in uw H. Sacrament waart blootgesteld. Moge eenmaal, lieve Jesus, de blijde dag aanbreken, waarop Gij door al uwe schepselen gekend, bemind, aanbeden en gedankt zult worden voor de tallooze gunsten, die Gij in uw allerheiligst Sacrament over de aarde hebt uitgestort. Amen.
ACHTSTE OVERWEGING.
WELKE WEDERLIEFDE JESUS IN ZIJN ALLERHEILIGST SACRAMENT VAN ONS VRAAGT.
De liefde, die Jesus ons bij de instelling van het allerheiligst Sacrament des Altaars betoont, vordert onze dankbare wederliefde. Op niet onduidelijke wijs geeft onze goddelijke Verlosser te kennen, hoe wij Hem onze erkentelijkheid moeten bewijzen. Immers dooide gedaante des broods uit te kiezen, als de
54
geheimnisvolle sluier, waaronder Hij zijne Godheid en menschheid wilde verbergen, gaf Hij te kennen, hoezeer Hij verlangt, dat wij die goddelijke spijs dikwijls zouden nuttigen; door niet op eene enkele, maar op zoovele duizende plaatsen in zijn heilig tabernakel onder ons te wonen, leert Hij ons, hoe Hij overal en door al zijne schepselen in het Geheim zijner liefde wil aanbeden en vereerd worden; eindelijk door zijn H. Sacrament in te stellen als een gedachtenis van zijn bitter lijden en sterven predikt Hij ons voortdurend, dat wij Hem niet beter kunnen navolgen, dan door met edelmoedigheid die offers te brengen en die vrijwillige verstervingen ons op te leggen, welke noodig zijn, om onze zonden uit te boeten en in zijn heiligen dienst te volharden.
I. Overweeg, hoe Jesus niets vuriger verlangt, dan dat wij dagelijks aan zijn liefde-disch zouden aanzitten om Hem in ons hart te ontvangen. Het brood is het dagelijksch voedsel der menschen. Door onder de gedaante van brood op onze altaren te rusten, wilde Hij ons te kennen geven, hoe Hij niets vuriger verlangt, dan dat wij ons dikwijls, ja, zoo mogelijk, dagelijks met dat hemelsche Manna zouden versterken. Hij noemt zich het Brood des levens en verzekert ons uitdrukkelijk, dat alwie van dit Brood eet zal leven in eeuwigheid. Uit het heilig tabernakel roept Hij het
55
elke ziel toe, die gekleed is met het bruidsgewaad der goddelijke liefde: âOpen Mij, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, opdat Ik bij u mijn intrek neme, om bezit te nemen van uw hart.quot; Hij is de God des hemels, die in het Boek der Openbaring spreekt: âZie, Ik sta aan de deur uwer ziel en klop aan; indien iemand naar mijne stem luistert en Mij opent, zal Ik bij hem binnentreden en ik zal met hem het avondmaal houden, en hij met Mijquot;. Geen grooter wellust, geen grooter vreugde kent Hij dan onder de kinderen der menschen te wonen. Vraag u af, hoe gij aan die liefdevolle uitnoodiging des Heeren hebt beantwoord. Behoort gij wellicht tot die onverschillige Christenen, die slechts zelden communiceeren en duizend voorwendselen vinden, om van 's Heeren Disch verwijderd te blijven. Herinner u het woord, dat Jesus in de Synagoge te Kapharnaüm sprak: âZoo gij het Vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn Bloed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebbenquot;. Zegt uwe zwakheid, verkondigen de vele gevaren, die u omringen, u niet luide, hoe noodzakelijk het voor u is, u met dit Brood der sterken te voeden. Kniel dan dikwerf neder aan dien heiligen Disch en gij zult uit die goddelijke Spijs de noodige kracht putten, om over al uwe vijanden te zegevieren. Hierdoor zult gij het heerlijkst blijk uwer wederliefde aan Jesus schenken; een zoete vrede zal in uw
56
hart nederdalen en hemelsclie vreugden zullen uwe ziel overstelpen.
Voornemen. Zoo dikwerf mijn biechtvader mij het veroorlooft, zal ik tot de H. Tafel naderen. Dagelijks zal ik God bidden, dat Hij mijn hart meer en meer reinige en loutere, opdat ik Jesus, bij elke heilige Communie een waardiger woonplaats kunne aanbieden.
II. Overweeg, hoe Jesus door al zijne schepselen in het aanbiddelijk Geheim zijner liefde wil gekend, aanbeden en. verheerlijkt worden. Om dit allervurigst verlangen van zijn goddelijk hart te bevredigen, gaf Hij aan zijne apostelen en aan hunne opvolgers in het Priesterschap de macht, om het brood en deu wijn door de geheimnisvolle woorden der Consecratie te veranderen in zijn goddelijk Lichaam en Bloed. Daarom riep Hij zoovele duizenden tot zijn heilig Priesterschap; daarom zond Hij hen uit over de gansche aarde, naar de verst verwijderde landen en onder de heidensche stammen, opdat allo volken der aarde, door de onweerstaanbare macht zijner liefde gedrongen. Hem in zijn allerheiligst Sacrament zouden kennen, aanbidden en verheerlijken als den alleen waren God, den Schepper van het heelal, den Verlosser der wereld, den Koning der eeuwige glorie en den oppersten Eechter van het menschelijk geslacht. O, welk een vreugde zou zijn goddelijk hart overstelpen, indien alle schepselen ootmoedig het hoofd
57
bogen voor dit ondoorgrondelijk Geheim; indien zij als om strijd zich verdrongen rondom zijne heilige altaren, om Hem de hulde hunner aanbidding te brengen en zich op den weg door dit leven met dat ware Levensbood te versterken ! Vraag u af, in hoeverre gij naar de u gegeven krachten, hebt medegewerkt, om den vurigen wensch van uwen God en Heer te vervullen. Denkt gij er dikwijls aan, Gods niededoogen en ontferming af te smeeken voor de ongelukkigen, die nog in de duisternis en de schaduwen des doods zijn gezeten, opdat ook voor hen het licht der waarheid in vollen luister moge opgaan? Bidt gij Hem dikwerf voor de bekeering dei-misleiden, die, door hoogmoed verblind, van de waarheid en eenheid zijn afgeweken en op dwaalwegen ronddolen? Ach, ook zij zijn uwe broeders, ook zij dragen eene onsterfelijke ziel in zich om, die naar Gods beeld en gelijkenis werd geschapen ; ook voor hunne zaligheid heeft de Zoon Gods onder de diepste vernederingen en de onduldbaar-ste smarten zijn leven gegeven aan het schandhout. Ondersteunt gij gaarne door uwe aalmoezen en gebeden de onvermoeide pogingen der apostolische mannen, die in edelmoedige zelfopoffering alles verlieten, om aan de uitbreiding van Jesus' Kerk onder de ongeloovigen te arbeiden ? Onderzoek u hierover ernstig, en mocht gij tot nog toe aan dien plicht zijn te kort geschoten, neem u
58
dan voor, als een ijverig leerling des Hee-ren, wien de zaligheid der zielen en de glorie der H. Kerk boven alles ter harte gaan, al uwe pogingen aan te wenden en alle middelen, die .u door God werden geschonken, te besteden, om dat heerlijk doel te helpen bevorderen, opdat Jesus, de God der liefde, in zijn aanbiddelijk Sacrament met eiken dag door een breeder schaar van volgelingen, onder alle volken der aarde, moge gekend, gediend, bemind en verheerlijkt worden.
Voornemen. Eiken dag zal ik God bidden voor de bekeering der dwalenden en onge-loovigen; vooral in mijne dankzegging na de H. Communie zal ik Jesus vurig smeeken, het verstand dier ongelukkigen te verlichten, opdat ook zij den Zoon Gods in zijn Liefdegeheim mogen leeren kennen en vereeren.
III. Overweeg, hoe Christus zijn heilig Sacrament heeft ingesteld als een gedachtenis van zijn bitter lijden en sterven. Het heilig misoffer, waarin Christus zijn goddelijk Lichaam en Bloed aan den hemelschen Vader opdraagt, is eene onbloedige hernieuwing van het bloedig offer des kruises. De heilige woorden der Consecratie, die de priester uitspreekt, zijn, volgens de uitdrukking der heilige Vaders, het geestelijk zwaard, waardoor het goddelijk Lichaam en Bloed des Heeren op onuitsprekelijk gehe'mnisvolle wijs worden gescheiden. Hetzelfde lichaam, dat Hij over-everde aan zijne beulen, dat bij de geeseling
59
werd verscheurd en aan het kruishout werd geklonken, is in zijn allerheiligst Sacrament de hemelsche Offerspijs, die onze zielen sterkt en voedt. Hetzelfde goddelijke bloed, dat Hij in zijn lijden en dood stortte tot redding van het menschelijk geslacht, schenkt Hij ons in zijn aanbiddelijk Altaargeheim tot lafenis en verkwikking onzer zielen. Daarom ook zingt de H. Kerk in de getijden van het allerheiligst Sacrament: âO heilig Gastmaal, waarin Christus genuttigd en de gedachtenis van zijn lijden gevierd wordt.quot; Vraag u af, of gij, naar het voorbeeld van den goddelijken Offeraar, die het offer voor onze zonden werd, en die zich nog dagelijks op duizende altaren slachtoffert, insgelijks bereid zijt de offers te brengen, die in den dienst van God van u worden gevorderd. Waar zijn de vrijwillige verstervingen, waar de offers, die gij u zeiven hebt opgelegd ? Jesus vordert van u, dat gij rein en zuiver voor zijn heilig aanschijn zult wandelen, dat gij volmaakt zult zijn gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is. Maar om een vlekkeloos en deugdzaam leven te kunnen leiden, moet gij een voortdurenden strijd voeren tegen den drievoudigen vijand uwer ziel: tegen den duivel, de wereld en het vleesch. Geen deugd dus is bestaanbaar zonder strijd ; maar ook geen overwinning in dien strijd is mogelijk zonder offer. Onderzoek u zeiven ernstig en vraag u af, of gij de zonden van
60
uw vorig leven door ware werken van boetvaardigheid hebt uitgewischt, of gij vol edelmoedigheid gebroken hebt met al hetgeen voor u een steen des aanstoots was, of gij door de versterving uwer zinnen uwe kwade hartstochten en ongeregelde begeerten hebt onderdrukt, of gij u zeiven nu en dan eenig geoorloofd genoegen ontzegd hebt, om staande te kunnen blijven op den dag der bezoeking, wanneer de duivel u tot het verboden genot komt bekoren. Ach, indien gij oprecht zijt, moet gij dan niet erkennen, dat gij tot nog toe slechts -weinig blijken gegeven hebt van den geest van offer, die eiken Christen moet bezielen. Was eeno lichte bekoring niet reeds bij machte u te doen wankelen? Zijt gij, wel verre van Jesus' voorbeeld te volgen, daarentegen niet voortdurend teruggekeerd tot de verderfelijke gezelschappen, de gevaren, de zondige gelegenheden, die reeds zoo menigmaal de noodlottige oorzaak waren van uwen val? Ach, schaam u dan over uwe zwakheid en ondankbaarheid, over uwe traagheid en lafhartigheid en smeek God rouwmoedig om vergiffenis. Beschouw uwen goddelijken Verlosser, hangend aan het kruis en zich zeiven als zoenoffer opdragend aan den hemelschen Vader tot redding uwer ziel, en erken het met een hart vol dankbaarheid en wederliefde, dat Jesus geen grooter, geen zwaarder offer kon brengen om het werk uwer verlossing te voltooien. Sta op uit die gees-
61
telijke traagheid en zorgeloosheid en leer sterk te zijn in de liefde, sterk in den dienst van uwen Heer. Schep moed! Euim alle hinderpalen uit den weg. Zegevier over uwe hartstochten door u te onthouden van al datgene, waarbij gij gevaar loopt uwe ziel te bezoedelen door de zonde; zegevier over elk gevoel van dorheid en afgematheid, dat ook de rechtvaardigen dikwerf in hunne geestelijke oefeningen dreigt te overmeesteren en neem het kloekmoedig besluit, u van dezen dag af met allen ijver op de versterving en zelfverlochening toe te leggen.
Voornemen. Van dit oogenblik af zal ik een nieuw leven beginnen en vol bereidwilligheid en vreugde elk offer brengen, dat God van mij zal vragen.
Gebed.
O mijn dierbare Jesus, God van einde-looze liefde en ontferming, die U eenmaal op bloedige wijze hebt opgedragen aan het kruis en ditzelfde otter nog dagelijks op onbloedige wijs wilt hernieuwen op onze altaren, zie mij hier aan uwe voeten neêr-geknield vol droefheid en schaamte over mijne zonden, waarvoor Gij in uw lijden zulke duldelooze smarten hebt willen verduren. Ach, dierbare Jesus, ik bid het U, schenk ook mij eene vurige liefde tot alle kruis en lijden; geef, dat ik gaarne uit liefde, uit dankbare wederliefde tot U, iets
62
verdure ' van alle pijnen en folteringen, die Gij uit liefde tot mij hebt willen dragen in uw goddelijk lichaam. Maar geeft Gij mij deel aan uw lijden, o, stort mij dan ook tevens die deugden in, die zoo heerlijk in U uitschitteren en in welker beoefening ik de noodige troost en kracht zal erlangen om al die kwellingen te verduren. Geef, lieve Jesus, geef mij een nederig, geduldig en volgzaam hart, een hart, dat slechts alleen aan TJ wil gehecht zijn; geef mij den geest des gebeds, de liefde tot het stilzwijgen en een levendigen afkeer van de wereld en hare bedriegelijke ijdelheden, opdat ik U dagelijks meer en meer gelijkvormig worde. Maar bovenal, dierbare Verlosser, smeek ik ü om de genade, mij gaarne in de overweging van uw heilig lijden te verdiepen, opdat ik uit die geestelijke bron, waaruit alle heiligen hebben geput, de noodige kracht erlange, om voortdurend te groeien in de deugd, toe te nemen in uwe liefde en tot mijn laatsten zucht met onwankelbare trouw in uw heiligen dienst te volharden. Amen.
NEGENDE OVERWEGING.
JESUS GAAT NAAR DEN, OLIJFBERG.
Het laatste avondmaal spoedde ten einde; de groote lofzang werd gezongen en nu
63
stond Jesus op van den discli en trad naar buiten, vergezeld van zijne leerlingen. De avond was reeds gevallen, toen Hij den berg Sion afdaalde en Jerusalem verliet. De goddelijke Verlosser richtte zijne schreden naar den Olijfberg, waar Hij gewoon was, den nacht in het gebed door te brengen. Het was de laatste gang des Heeren gedurende zijn sterfelijk leven in het gezelschap dei-apostelen. In treurige stemming schreed Hij met de zijnen voort, en hoe dichter Hij den Olijfberg naderde, des te meer namen zijne droefheid en kwelling toe. De leerlingen deelden innig in zijne smart. Wel wisten zij niet, dat het lijdensuur van hun godde-lijken Meester zoo spoedig zou aanbreken,
maar de woorden, die Hij tot hen gesproken had, braken hun het hart en in diepe stilte vervolgden zij hun weg. Eindelijk verbrak Jesus het stilzwijgen en sprak: âGij allen zult in dezen nacht in Mij geërgerd worden, want er staat geschreven: âIk zal den Herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.'
I. Overweeg, hoe Jesus door zijn verheven voorbeeld de traagheid, moedeloosheid en ^ onverschilligheid veroordeelt van' degenen^ 'diequot; zoo ' licht hunne geêstelijke oefeningen en gebeden verwaarloozen, wanneer zij door beproevingen en wederwaardigheden worden bezocht.f Onze goddelijke Verlosser vermaant ons herhaaldelijk door zijn woord en door
- 'â t ^ -C. ⢠'' * â » . . â j . â '' ^lt;1
quot;it . Æ
64
zijn voorbeeld, ons door niets van het gebed te laten afleiden. Het gebéd toch is de ademhaling dor ziel ; hij, die het verzuimt, loopt gevaar in vele zonden te vallen en ten slotte in ongeloof en onboetvaardigheid te sterven. Hét gebed is de sleutel, die ons de schatkist der goddelijke genaden ontsluit en ons bij den dood de poorten opent van het hemelsch paradijs. Hét gebed is de geheim-nisvollo ladder, waarlangs onze ziel opklimt tot God en de Gever van alle goed met zijne liefderijke gunsten en gaven in onze ziel nederdaalt. Het gebed is eene kostbare artsenij, die onze krankheden geneest en onze krachten staalt; een lenigende balsem, die al onze wonden heelt; een verkwikkende fontein, die de naar God dorstende zielen laaft; een machtig zwaard, waarmede wij den boozen geest met al zijn aanhang op de vlucht drijven ; het gebed eindelijk is een ondoordringbaar schild, waarop alle pijlen van den helschen vijand als machtelooze flitsen uiteensplijten. Onderzoek u zeiven en vraag, welk gebruik gij van liet gebed hebt gemaakt. Wellicht is het u reeds te veel, dagelijks een kwartier uurs in het gebed door te brengen, terwijl gij u dagen en weken met de ijdelheden en beuzelarijen der wereld kunt bezighouden. Ach, indien dit zoo is, verneder u dan voor God, vraag Hem vol droefheid om vergiffenis en maak voornemens voor de toekomst.
65
Voornemen. Voortaan zal ik eiken dag een bepaalden tijd aan het gebed wijden; en nimmer zal ik mijne verplichte gebeden verzuimen.
II. Overweeg, onder welke omstandigheden Jesus zich begeeft tot het gebed. Hij weet, wat Hem op den Olijfberg wacht en aan welk gevaar Hij zich blootstelt, wanneer Hij daarheen gaat om te bidden; Hij weet dat in den hof van Gethsemani zijn lijden een aanvang zal nemen, dat Hij zijn verrader te gemoet gaat en zijne verbitterdste vijanden Hem als een misdadiger uit dien hof gevankelijk zullen heensleuren naar de stad. Toch wil Hij zijne godvruchtige gewoonte niet achterlaten om in den Olijfhof te gaan bidden. Zoo handelde Jesus om ons te leeren, onder alle omstandigheden aan onze godvruchtige oefeningen getrouw te blijven. Spiegel u aan het heerlijk voorbeeld van den Zoon Gods en vraag u af, of gij wellicht bij eene kleine ongesteldheid, eene onbeduidende bezigheid niet aanstonds gereed waart uwe gewone gebeden te verwaarloozen, of er wellicht geen dagen en weken voorbijgingen, zonder dat uw hart zich in een vurig en aandachtig gebed tot God verhief. En mocht gij u aan dit verzuim plichtig bevinden, neem dan het onherroepelijk besluit, u voortaan met meer ijver op het gebed toe te leggen. Bid dikwijls, bid gaarne, maar stort uw gebed steeds op zulk eene
66
wijze, dat het waardig zij verhooring te vinden bij God. Doordring u levendig van de gedachte aan Gods tegenwoordigheid, denk aan zijne eindelooze goedheid en barmhartigheid en gij zult steeds niet diepen eerbied en onbegrensd vertrouwen uwe stem tot Hem verheffen. Verban alle vrijwillige verstrooiingen uit uwen geest, want zij ontnemen alle kracht en waarde aan uw gebed in Gods oog. Bid niet alleen met de lippen, maar ook met het hart; anders zoudt gij, in plaats van u genaden te verwerven, Gods milddadige hand voor u sluiten.
Voornemen. Ik zal mij beijveren, mijne gebeden voortaan met eerbied, aandacht en vertrouwen te verrichten, opdat zij aangenaam mogen zijn aan God en mij verwerven, wat ik van zijne goedheid afsmeek.
III. Overweeg, welk eene diepe waarheid er schuilt in het woord van den II. Augustinus: âHij, die goed weet te bidden, weet ook goed te leven.quot; Kan het u nog verwonderen, dat gij bij die achtelooze wijze van bidden, bij die nalatigheid in uwe geestelijke oefeningen, zoo traag blijft in den dienst van God, zoo arm aan deugden, zoo zwak in het uur der bekoring, met zoovele gebreken behept, zoo onverschillig voor de belangen uwer onsterfelijke ziel en zoo geneigd tot het kwaad ? Kan een zieke van zijne krankheid genezen, zoo hij weigert de middelen aan te wenden, die de geneesheer hem voor-
G7
schrijft? Kan een behoeftige in zijn nood voorzien, zoo hij in ledigheid nederzit en de hulp van liefdadige vrienden afwijst? Kan een soldaat over den vijand zegevieren, zoo hij zijne wapenen wegwerpt vóór den strijd? CEn kan de ziel van den menseh, die niet bidt, of die dit althans niet doet, zooals God dit van hem vordert, de bekoringen overwinnen, de deugd liefhebben en beoefenen, in het goede volharden en de zoete vreugden en inwendige vertroostingen smaken, die de vrucht zijn van het gebècT?, Neem dan het besluit in het vervolg stipt en getrouw te zijn in het volbrengen van de gebeden, waartoe gij verplicht zijt; en hebt gij somwijlen een buitengewoon werk te verrichten, tracht ook dan uwe bezigheden en uwen tijd zoo te regelen, dat gij nimmer genoodzaakt zijt uwe dage-lijksche gebeden achter te laten. Hebt gij met beproevingen te kampen, drukken zorgen u terneêr of bezoekt God u met geestelijke dorheid, beijver u dan nog meer; uwe verplichte gebeden te verrichten, want slechts in een godvruchtig gebed zult gij hulp en troost en de vreugde des hemels terugvinden. Werp u in den geest aan de voeten van Jesus neder, smeek Hem om vergiffenis voor de oneerbiedigheid en nalatigheid, waaraan gij u bij het gebed hebt schuldig gemaakt, en -verzucht tot Hem, gelijk eenmaal de apostelen; âHeer, leer ons bidden!quot;
â¢i* â*r- K- â gt;- â
-^v- S 4* HtAt:
â - kvt ^ y _^ '
68
Voornemen. Wanneer ik eenige dorheid of tegenzin in het gebod ondervind, zal ik, in plaats van mijne geestelijke oefeningen in te korten, er nóg eene kleine oefening aan toevoegen, om God daardoor mijne getrouwheid en volharding in het gebed te toonen.
GEBED.
Liefderijke Verlosser, wanneer ik uw verheven voorbeeld beschouw en uwe lessen overweeg, dan vervullen droefheid en schaamte mijne ziel. Ach, hoe menigmaal heb ik U beleedigd door de oneerbiedigheid en onachtzaamheid, waaraan ik mij in mijne gebeden schuldig maakte, hoe dikwerf U vergramd door de lichtvaardigheid, waarmede ik mijne godvruchtige oefeningen achterliet. Helaas, de woorden, die Gij eenmaal tot de zondige Joden hebt gesproken, zoudt Gij ook mij kunnen toevoegen, want ach, ook ik, lieve Jesus, ik eerde U met de lippen, terwijl mijn hart ver van U was verwijderd. Het verkeer met de schepselen stelde ik helaas, boven den omgang met U! Rouwmoedig smeek ik U hiervoor om vergiffenis. Voortaan wil ik alle zorgen aanwenden om mijne gebeden zóó te verrichten, dat zij ü, o mijn God, mogen verheerlijken en mij zeiven al datgene verwerven, wat mij ter zaligheid strekken kan. Maar ach. Heer Jesus, ik ben een zwak en nietswaardig schepsel; indien
69
Gij mij niet bijstaat, ben ik machteloos iets goeds te verrichten. Daarom smeek ik ü allerootmoedigst: âHeer, leer mij bidden! Leer mij bidden, gelijk Gij gedurende uw sterfelijk leven gebeden hebt; leer mij bidden met dat levendig geloof, met dien diepen eerbied, die heilige ingetogenheid, die vurige godsvrucht, dat onbegrensd vertrouwen en die standvastige volharding, opdat mijn gebed als een aangename wierook moge opstijgen ten hemel, genade vinde in uwe oogen en mij verkrijge, hetgeen ik U afsmeek.
Heilige Maria, beminnelijke Moeder, smeek Gij uwen Zoon Jesus, dat Hij mij de gave des gebeds verleene; bid met mij en voor mij, nu en in het uur van mijnen dood. Amen.
TIENDE OVERWEGING'.
JESUS VERWIJDERT ZICH VAN ZIJNE LEERLINGEN.
Toen de goddelijke Verlosser aan de hoeve Gethsemani gekomen was, sprak Hij tot zijne apostelen: âZit hier neder, terwijl Ik ginds henen ga en bidde.quot; Hij wilde niet, dat allen getuigen zouden zijn van hetgeen nu ging gebeuren. Slechts Petrus, Jacobus en Joannes, de drie leerlingen, met welken Hij steeds inniger en gemeenzamer placht om te gaan, mochten Hem vergezellen en
70
den Olijf hof binnen treden. Nauwelijks bevond Jesus zich met zijne bevoorrechte apostelen alleen, of Hij liet toe, dat een namelooze angst en ontsteltenis zijn goddelijk hart over weldigde en met treurige stem zeide Hij hun: âMijne ziel is bedroefd tot den dood.quot;
I. Overweeg, welk een gewichtige les Jesus ons geeft door zich af te zonderen van zijne apostelen. Hiermede wil Hij ons leeren, dat wij slechts met zeer weinige personen, en alleen met degenen, die ons vertrouwen waardig zijn, over onze gebeden, goede werken, en bekoringen en alwat met onzen gewetenstoestand in verband staat moeten spreken. Zoo gij aan alle menschen toevertrouwt hetgeen er in uw binnenste omgaat en met hen spreekt over de goede werken, die gij verricht, de gebeden die gij stort, dan stelt gij u in gevaar van toe te geven aan ijdelheid en ingenomenheid met u zeiven en daardoor alle verdiensten uwer werken te verliezen. Bekommer er u niet over, dat uwe goede werken onder de menschen onopgemerkt blijven. Immers zij hebben God tot getuige, voor wien niets verborgen is; Hij kent uwe bedoelingen; zijne hand schrijft al uwe werken op in het boek des levens en eenmaal zal Hij er u honderdvoudig voor beloonen. Hoe meer gij uwe goede werken verborgen houdt voor het oog der wereld, des te hooger stijgt hunne waarde in de oogen van God. Beschouw uwen Verlosser ;
71
zie hoe Hij zich van zijne leerlingen verwijdert en denk daarbij aan het woord dat Hij eenmaal sprak: âWanneer gij eene aalmoes geeft, bazuin het niet voor u uit, gelijk de schijnheiligen doen in de Synagogen en op de straten, opdat zij door de menschen gezien worden; voorwaar. Ik zeg u : zij hebben hun loon ontvangen. Maar als gij eene aalmoes geeft, laat dan uwe linkerhand niet weten, wat uwe rechter doet, opdat uwe aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden. En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn gelijk de schijnheiligen, die er van houden, in de Synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij door de menschen gezien worden; voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon ontvangen. Maar gij, als gij bidt, ga in uwe binnenkamer en, de deur gesloten hebbende, bid uwen Vader in het verborgen; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden. En wanneer gij vast, toont dan geen treurig gelaat, gelijk de schijnheiligen; want zij mismaken hunne aangezichten, opdat het den menschen blijke dat zij vasten; voorwaar. Ik zeg u: zij hebben hun loon ontvangen. Maar gij, als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht, opdat het niet aan de menschen blijke, dat gij vast, maar aan uwen Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.'
72
Vraag u af, of gij naar het voorbeeld en de leer van den goddelijken Meester uwe goede werken verricht, of gij nimmer den lof en de achting der menschen zoekt, maar slechts de eer en de verheerlijking van God. En moet gij erkennen, dat de zucht, om gezien en geprezen te worden door de wereld, de drijfveer was van uwe handelingen, verneder u dan voor God, vraag Hem vergiftenis en neem besluiten voor de toekomst.
Voornemen. Ik zal al mijne goede werken alleen en uitsluitend verrichten met de meening om God er mede te verheerlijken.
II. Overweeg, welke plaats en welken tijd Jesxis zich uitkiest om te bidden. Hij bidt gedurende den nacht, een tijd, waarop men geen gevaar loopt in zijn gebed gestoord te zullen worden; Hij zondert zich af in een eenzamen hof, die te midden van heuvelen gelegen en met olijf boomen beplant is, eene plaats, ver van de stad en het gedruisch der menschen verwijderd. Hierdoor wil Hij u leeren, het drukke gewoel en de verstrooiingen der wereld te ontvlieden en u van alles te verwijderen, wat u in uwe godsdienstige overdenkingen zou kunnen storen, alvorens u te begeven tot het gebed. In de eenzaamheid zal uw gebed aandachtiger, vuriger, uwe vereeniging met God inniger, uw omgang met Hem vertrouwelijker zijn. Wanneer gij dus bidden wilt, onttrek u dan aan de blikken der menschen en zonder u
73
af in de eenzaamheid. En zoo gij alleen zijt met God, stort dan mv hart voor Hem uit, klaag Hem uwen nood, spreek Hem over uwe behoeften en aangelegenheden en wacht met een onbegrensd vertrouwen op zijne goedheid het oogenblik af, waarop Hij met zijne genaden tot u komt. Spoedig zult gij zijne stem in uw binnenste vernomen; zijne zegeningen zullen u toevloeien, en gesterkt, getroost cn verlicht zult gij uit de eenzaamheid terug-keeren.
Voornemen. Alvorens te gaan bidden, zal ik naar het voorbeeld des Heeren de eenzaamheid opzoeken; met de diepste ingetogenheid zal ik steeds in de kerk verwijlen en door niets mij van mijn gebed laten afleiden.
III. Overweeg de woorden, die Jesus tot zijne bevoorrechte apostelen sprak: , Mijne ziel is bedroefd tot den dood.quot; Ach, wat was wel do reden, waarom Jesus, de Zoon Gods, de Vreugde der engelenkoren en de Blijdschap des hemels door zulk een onuitsprekelijke droefheid wilde overstelpt worden. Voornamelijk drie redenen kunnen worden aangewezen. Vooreerst waren het de smarten en folteringen, die Hij in zijn lijdenstijd zou moeten verduren. Toen Jesus in den hof was gekomen, rees het geheele lijden voor zijne oogen op, dat weldra een begin zou nemen. Jesus zag daar, hoe Judas, een der twaalf, Hem met een kus zou verraden; Hij zag daar, hoe zijne vijanden
74
Hem als een misdadiger zouden binden en voortsleuren naar Jerusalem; Hij zag daar, hoe al zijne apostelen Hem zouden verlaten, hoe zelfs een Petrus, het hoofd der apostelen, Hem tot driemalen toe zou verloochenen. Hij voorzag allen smaad, alle oneer, alle verguizingen en beleedigingen, waaraan Hij zou blootstaan. Ja, de geesel-kolom, de doornenkroon, de woedende beu-lonstoet, de opgehitste volksmenigte, die zijn dood eischte, het kruis, het zware kruis, dat Hij op zijne bebloede en doorwonde schouders zou moeten voortsleepen naar Golgotha, dien smartvollen en eerloozen dood aan het schandhout, o, dit alles zag Jesus daar voor zijn geest oprijzen; en bij 't overdenken van al dat lijden overweldigde zulk een hevige droefheid zijn hart, dat Hij met den profeet mocht klagen: âDe wateren van droefheid zijn tot in mijne ziel doorgedrongen.quot; Een andere reden van Jesus' droefheid was, dat Hij zich met de ongerechtigheid van al zijne schepselen zag beladen. Ach, alle zonden, die ooit op de wereld gepleegd waren, van de zonde onzer eerste ouders af tot de laatste, die op aarde zal bedreven worden, vóór den grooten dag der vergelding, al die zonden drukten Hem, de oneindige Heiligheid zelve, op de schouders, en met onuitsprekelijke ontsteltenis en afgrijzen zag Hij de boosheid van elk dier zonden in al hare afschuwelijkheid in. Eindelijk was Jesus bedroefd,
75
omdat Hij voorzag, lioevele schepselen zijne liefde met ondank zouden vergelden, hoevelen er zelfs in zijne H. Kerk hardnekkig in hunne zonden zouden voortleven, en zich, ondanks zijne leer en zijn goddelijk voorbeeld, aan de heiligste wetten zouden vergrijpen. Hij zag ook, de liefdevolle Verlosser, voor hoevelen Hij al dat lijden te vergeefs zou verduren, hoevele zielen er zouden verloren gaan, zielen, die naar Gods beeld en gelijkenis waren geschapen en die Hij voor den duren prijs van zijn bloed en zijn leven uit de macht des duivels wilde vrijkoopen. Ach, Jesus zag daar de boosheid en hardnekkigheid van alle zondaren der wereld; ook uwe zonden verschenen Hem voor den geest en ziedaar, waarom Jesus bedroefd was, waarom Hij bedroefd was tot den dood. O, kunt gij den Zoon Gods zoo bedroefd zien, bedroefd om uwentwille, bedroefd tot den dood, zonder door een innig medelijden met den bedroefden Jesus bewogen te worden? O, klop u dan rouwmoedig op de borst, beween in stilte uwe zonden, die den Zoon van God zooveel lijden veroorzaakt hebben, smeek God vurig om vergiffenis en maak nogmaals het onherroepelijk besluit, liever alles te verliezen, dan dien God van liefde nogmaals door eene enkele zonde te beleedigen.
Voornemen. Ik wil liever sterven, dan God nogmaals door eene zonde te vergrammen ; van dit oogenblik af zal ik elke gele-
76
genheid ontvluchten, die mij tot de zonde zou kunnen voeren.
GEBED.
Goddelijke Verlosser, oneindig liefdevolle Jesus, die ook om mijne zonden tot den dood toe hebt willen bedroefd zijn, ach, zie met een genadig oog op mij neder en weiger mijn gebed geene verhooring, ofschoon ik onwaardig ben, mijne stem tot ü te verheffen. Helaas, o mijn Jesus, ik heb gezondigd, ik heb dikwerf en zwaar gezondigd, en tot nog toe beijverde ik mij zoo weinig, om dooi- een oprecht berouw en door eene ware boetvaardigheid mijne zonden uit te wissclien. 0, besproei dan mijn hart, lieve Jesus, dat dorre en ongevoelige hart, met den dauw uwer hemelsche genaden, opdat ik voortaan dag en nacht mijne koelheid en ondankbaarheid moge beweenen. Geef, goede Jesus, ik bezweer het U, bij de tranen voor de redding mijner ziel in den Olijfhof vergoten, dat bij 't overwegen van uwe droefheid, mijn hart met zulk eene bittere droefheid over mijne zonden vervuld worde, dat ik, na hier door ware boetvaardigheid mijne zonden te hebben uitgeboet, eenmaal moge opgenomen worden in dat heerlijk oord, waar alle tranen zullen worden afgedroogd, waar eeuwige blijdschap heerscht en eeuwige vreugde. Amen.
77
ELFDE OVERWEGING.
HET GEBED VAN JESUS IN DEN OLIJFHOF.
Jesus bevond zich alleen met de drie leerlingen, en de droefheid, die zijn hart overmeesterde, werd voortdurend grooter zijn zielsangst immer pijnlijker en benauwender. Wanneer do mensch onder kwellingen en zorgen gebukt gaat, hoezeer heeft hij dan behoefte aan het gezelschap, aan een bemoedigend en vertroostend woord van zijne vrienden. Hoe gevoelt hij zich niet opgebeurd en verlicht, wanneer hij iemand aantreft, voor wien hij zijn gemoed kan uitstorten en die innig deel neemt in zijn smarten. Maar do doodsbedroefde Jesus wilde zich alle vertroosting ontzeggen; geheel alleen zal Hij den last zijns lijdens dragen, en Hij sprak tot zijne apostelen; ;;Zit hier neder en waakt met Mij.' Na dit gezegd te hebben verwijderde Hij zich, en drong een weinig dieper door in den Olijfhof. Daar, in de diepste eenzaamheid, wierp Hij zich op zijne knieën neder, boog zijn hoofd ter aarde en bad in de stilte van het nachtelijk uur tot zijnen Vader.
I. Overweeg, met welk eene grootmoedigheid Jesus afstand doet van alle menschelijke vertroosting en leer hieruit, dat gij noch in de verstrooiingen en de genoegens der wereld,
78
noch zelfs in den omgang met vertrouwde en godvreezende vrienden liet heilmiddel voor uwe angsten en zielskwellingen zoeken moet. Zouden de genoegens der vergankelijke wereld u wel kunnen troosten ? Wellicht zullen zij u eenige vluchtige oogen-blikken afleiding en verstrooiing verschaffen en u voor korten tijd uwe zorgen doen vergeten, maar ach, nauwelijks zijn zij gesmaakt, of de last uwer kwellingen drukt u wederom loodzwaar op het hart en vervult u met nieuwe bitterheid. Wat vermogen zelfs de meest vertrouwde vrienden, wanneer God u eene zware beproeving overzendt of zijne genaden onttrekt. Zij zullen ongetwijfeld begaan zijn met uw lot; zij zullen deel nemen in uw lijden, u woorden van troost toevoegen, u aansporen tot geduld en overgeving aan Gods heiligen wil, maar nimmer zullen zij er in slagen u uw lijden te doen vergeten. God alleen is in staat in zulke oogenblikken uw terneergedrukt gemoed op te beuren en met hemelsche vertroostingen te vervullen. Want Hij alleen is de Bron van ware vreugde en bestendigen vrede. âVerneder u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u opheffe in den tijd dei-bezoeking; werp al uwe bekommeringen op Hem, want Hij draagt zorg voor uquot;. In zijn schoot moet gij al uwe angsten en zorgen nedeiieggen, op Hem alleen vertrouwen, bij Hem alleen kracht en troost zoeken in uw
79
lijden. Overal buiten God zult gij slechts zwakheid en onbestendigheid vinden. Werp u aan zijne voeten neder; een enkel kwartier uurs, in een aandachtig en vurig gebed doorgebracht, zal u meer verlichting en vreugde verschaffen, dan een omgang van vele dagen met degenen, die u op deze wereld het dierbaarst zijn. Onderzoek u zeiven 'en vraag u af, of gij in het uur der beproeving aanstonds uwe toevlucht hebt genomen tot God. Moet gij erkennen meer uwen troost gezocht te hebben bij de schepselen, verneder u dan voor den Heer en neem het besluit, bij alle kruisen en kwellingen u voortaan alleen tot Hem te zullen wenden.
Voornomen. Wanneer zorg en kommer mij terneerdrukken, zal ik aanstonds aan de voeten van Jesus nederknielen en met een onbegrensd vertrouwen zijne hulp inroepen; maar ook tevens zal ik mij vol kinderlijke onderwerping overgeven aan zijn aanbiddelijken wil.
II. Beschouw uwen goddelijken Verlosser op het oogenblik, waarop Hij zich tot het gebed begeeft en let op de ootmoedige houding, die Hij aanneemt. Hij werpt zich niet alleen op de knieën, maar buigt zijn heilig aangezicht ter aarde en ligt daar geruhnen tijd biddend, zuchtend en weenend neder in het stof. Hij vernietigt zich als het ware voor de majesteit zijns hemelschen Vaders
80
eu geeft ons een heerlijk voorbeeld van dion inwendigen en uitwendigen eerbied, waarmede wij ons gebed moeten verrichten. Ach, schaam u over die weekelijkheid en gemakzucht, die u wil doen gelooven, dat gij onmogelijk oen uur knielend in het gebed kunt doorbrengen. Neen 't is niet, omdat do kracht ii hiertoe ontbreekt, maar omdat uwe liefde tot den lijdenden Verlosser zoo flauw is. Beschouw uwen G od en Verlosser; zie, hoe Hij met zijn heilig aangezicht ligt neergebogen in liet stof, en het zal u niet meer zoo moeielijk voorkomen, althans uwe verplichte gebeden knielend te verrichten.
Voornemen. Voortaan zal ik ten minste bij het morgen- en avondgebed en wanneer ik mij in de tegenwoordigheid van Jesus in zijn aanbiddelijk Sacrament bevind, in eerbiedige houding nederknielen.
III. Onderzoek u met allen ernst over de wijze, waarop gij tot heden toe uwe gebeden hebt verricht. Hebt gij in uw gebed God steeds dien diepen eerbied betoond, dien de gedachte aan zijne oneindige grootheid en verhevenheid in u moest opwekken ? Ach, hoe onverschillig, hoe onwaardig is uwe hou. ding tegenover de ontzagwekkende majesteit Gods! Met hoe weinig eerbied vermeet gij u, voor uw toekomstigen Rechter te verschijnen! Wanneer gij Gods huis binnentreedt, buigt gij ter nauwernood de knieën of gij doet het zoo vluchtig en oneerbiedig
81
dat men wol moet besluiten, dat gij geen, of althans slechts een zeer zwak geloof bezit. Gij begeeft u naar uwe plaats, kiest de gemakkelijkste houding, blikt rechts en links om u heen, en toont door geheel uw gedrag, hoe zwaar het u valt een enkel uur in het gebed door te brengen. En wanneer gij ook al bidt, doet ge hot dikwerf zonder te letten op hetgeen gij tot God zegt of wat gij Hem vraagt. Wanneer gij u met een vriend onderhoudt, dan draagt gij zorg, u geen woord te laten ontvallen, dat hem mishaagt; maar voor uwen God en Heer koestert gij niet het geringste ontzag. Onderzoek u zelvon en vraag u af, of gij u tegenover de menschen zoudt durven veroorloven, hetgeen gij u veroorlooft tegenover uwen God. Beween uwe traagheid en oneerbiedigheid en neem u voor, al uwe gebeden en godvruchtige oefeningen voortaan met diepe ingetogenheid en godsvrucht te zullen verrichten. Breng u, om u in het volvoeren van dit besluit te versterken, dikwijls den eerbied voor den geest, waarmede Jesus bad, en zeg tot u zeiven: âWanneer de eenig-geboren Zoon Gods zich ter aarde werpt om te bidden, en zijn heilig aangezicht verbergt in het stof, alsof Hij niet waardig was den hemel te aanschouwen, wat moet ik dan doen, ik, nietswaardige zondaar, die zoo menigmaal de hel heb verdiend?quot; Verootmoedig u des te dieper naarmate gij voorheen in het gebed achteloozer en oneerbiediger waart
G
82
en smeek God rouwmoedig om vergiffenis.
Voornemen. Nogmaals hernieuw ik het besluit om voortaan met den diepsten eerbied te biddeü. Zoo ik mij alleen bevind, zal ik nu en dan in die nederige houding bidden, waarin Jesus op den Olijfberg bad, om God voor mijne vroegere nalatigheid eerherstel te brengen.
GEBED.
Almachtige, eeuwige God, allerootmoedigst smeek ik U om vergiffenis voor de vele nalatigheden en tekortkomingen, waaraan ik mij in mijn gebed jegens U heb schuldig gemaakt. Ach, hoezeer moeten mijne geestelijke oefeningen ü voorheen mishaagd hebben ! Zie, om ü eenige vergoeding te geven voor mijne oneerbiedigheid en als blijk mijner diepste hulde en aanbidding, draag ik ü den grenzenloozen eerbied op, welken Jesus U betoonde, toen Hij in den Olijfhof biddend lag neergeknield. O, gewaardig U dat gebed van Jesus, onzen goddelijken Hoogepriester, aan te nemen als schadeloosstelling voor de vele zonden en gebreken, waaraan ik mij bij mijne gebeden heb plichtig gemaakt. In den geest vereenig ik deze bede met die van alle heiligen en uitverkorenen des hemels, en vol vertrouwen bid ik U, mij ter wille van de oneindige verdiensten van Jesus Christus te schenken, waarom ik ü smeek. Geef, dat van dezen dag af de gedachte aan uwe on-
83
uitsprekelijke macht, aan uwe oneindige majesteit en glorie mij immer zoo levendig voor den geest sta, dat ik in het vervolg slechts met de diepste ingetogenheid en godsvrucht tot U moge naderen; geef dat ik mij zoo innig doordrongen gevoele van mijn eigen nietigheid en ellende, dat ik voortaan steeds vol ontzag en eerbied in uwe heilige tegenwoordigheid verwijle. Verleen mij, o mijn God, deze genade, opdat mijn gebed kunne opstijgen tot den troon uwer barmhartigheid, opdat het welgevallig zij in uwe oogen en mij alle gunsten verwerve, die mij noodig zijn ter zaligheid. Amen.
TWAALFDE OVERWEGING.
HET GEBED VAN JESUS IN DEN OLIJFHOP. (Vervolg.)
In de ootmoedigste houding ligt Jesus in den Olijf hof voor zijn hemelschen Vader neergeknield, en vol kinderlijk vertrouwen begon Hij zijn gebed en sprak: âO mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dan deze kelk van Mij voorbijgaan; niet echter mijn wil, maar de uwe geschiede!quot; En terwijl Hij aldus bad, en zijne ziel door de hoogste droefheid werd afgestreden, wilde Hij zich op de smartelijkste wijze van God en van de
84
menschen verlaten gevoelen. Ach, onverbiddelijk was het in Gods raadsbesluit vastgesteld, dat Jesus zou lijden en sterven en geheel alleen zijn bitteren lijdenskelk zou ledigen. Hij had zich van zijne leerlingen verwijderd en de drie bevoorrechte apostelen, die Hem in den Olijf hof jnochten vergezellen,wareningeslapen. Maria zijne liefderijke Moeder was ver van Hem verwijderd ; zijne vijanden waren reeds in aantocht en de homelsche Vader scheen niet te luisteren naar het smeekend geroep van zijnen Zoon noch te letten op diens tranen. Jesus wist, dat Hij niet verhoord zou worden, maar toch herhaalde Hij meermalen hetzelfde gebed en smeekte Hij zijn Vader Hem van dien kelk te bevrijden.
I. Overweeg hier, met welke volharding Jesus bidt en leer naar het voorbeeld van den goddelijken Verlosser in het gebed te volharden, ook dan, wanneer gij geen ge-voeligen troost in uw onderhoud met God moogt smaken en uw hart dor en koud blijft. Ga slechts voort met bidden, herhaal naar het voorbeeld van Jesus steeds hetzelfde gebed en wanneer God uw gebed ook al niet verhoort, gewis zal Hij uwe ziel met zijne hemelsche vertroostingen opbeuren en een zoete vrede in uw hart doen nederdalen. Geef u nimmer aan droefheid of neerslachtigheid over, wanneer de hemel niet schijnt te luisteren naar uwe stem, en God u niet aanstonds de gunst schenkt, die gij vraagt.
85
Immers wie verdiende ooit spoediger verhoord te worden dan Gods Zoon, en toch, eerst nadat Hij zijn gebed tot twee- tot driemalen toe herhaald liad, gewaardigde de hemelsche Vader zicli Hem te antwoorden. Meent gij meer aanspraak te mogen maken op verhooring dan Gods eeniggeboren Zoon ? Ach, erken uwe dwaling; bid vol berouw om vergiffenis ; neem besluiten voor de toekomst.
V o o r n e m e n. Ik zal naar liet voorbeeld van Jesus volharden in liet gebed totdat God mijne bede verhoort of althans mij de genade schenkt, in zijn heiligen wil te berusten.
II. Overweeg de woorden, die Jesus in het gebed tot zijn hemelschen Vader richtte; hoor hoe Hij met treurende stem smeekt: âVader, indien het mogelijk is, laat dan deze kolk van Mij voorbijgaan.quot; Door dit korte en innige gebed wil Jesus ons leeren, dat een kinderlijk vertrouwen ons hart moet vervullen, wanneer wij ons wenden tot God. Hem moeten wij immer beschouwen als onzen Vader, die ons liefheeft met eene allerteederste liefde, wiens milde hand ontelbare weldaden en zegeningen als bloemen uitstrooit op onzen levensweg, en wiens oog vol bezorgdheid waakt over onze schreden. God is onze Vader, die ons verwijderd houdt van den afgrond en tallooze gevaren van ons afwendt, die ten tijde der bezoeking onze krachten staalt en op den dag des lijdens
86
den zoeten beker zijner vertroostingen aanbiedt. Neem dan uw toevlucht tot God met een onbegrensd vertrouwen op zijne goedheid; nader tot Hem, gelijk het kind, dat zich begeeft tot zijn vader en geef Hem in ongekunstelde woorden de verlangens van uw hart to kennen. 0, dat kinderlijk vertrouwen is als een liemelsche geur, die uit het gebed opstijgt tot Gods troon en het aangenaam en welgevallig maakt aan den Heer. Vraag u af, of gij steeds met zulk een vertrouwen bezield waart bij uw gebed, of gij wellicht niet veeleer door kleinmoedigheid en mistrouwen God beleedigd en u zijne gnnston onwaardig gemaakt hebt.
V o om em e n. Gedachtig aan Gods goedheid zal ik steeds met een onbegrensd vertrouwen mijne gebeden verrichten.
III. Overweeg, welk een heerlijk voorbeeld van onderwerping aan Gods wil Jesus ons gaf, toen Hij zijn gebed besloot met de woorden; âNiet echter mijn wil, maar de uwe geschiede!quot; Ach, Jesus zag geheel de uitgestrektheid van zijn lijden voor zich, al de verscheurende smarten en onmensche-lijke folteringen, die zijne beulen Hem zouden aandoen; en toch, hoezeer zijne mensche-lijke natuur ook voor dat lijden terugschrikte, toch sprak Hij kloekmoedig en vol onderwerping aan den goddelijken wil en het welbehagen zijns Vaders: âNiet mijn wil, maar uw wil geschiede!quot; O ziehier eene
87
andere eigenschap, die ons gebed moet be-bezitten, eene eigenschap, die voortspruit uit den eerbied, dien wij aan God zijn verschuldigd. Ja, wij moeten tot dien liefderijken Vader gaan met kinderlijk vertrouwen; maar ook tevens vol onderwerping moeten wij ons hoofd buigen voor de beschikkingen zijner vaderlijke voorzienigheid, indien Hij in zijne oneindige wijsheid besloten heeft, ons niet te geven waar wij om vragen. In gezondheid en ziekte, in voor- en tegenspoed, in verheffing en vernedering, in blijde en droevige dagen, in allo omstandigheden uws levens moet gij uwen wil aan den wil van God onderwerpen en u zonder eenig voorbehoud aan zijne goddelijke leiding overgeven. God weet beter wat u nuttig en noodig is dan gij zelf. Wanneer gij u dus in het gebed tot God richt, spreek dan steeds met den lijdenden Verlosser: âHeer niet mijn wil, maar de uwe geschiede.quot; Leer u aan alles onthechten, wat God niet is, en verzaak uw eigen wil om in alles den wil van God te kunnen volbrengen.
Voornemen. Ik wil mij er ernstig op toeleggen mijn wil aan don wil van God te onderwerpen, en bij alle beproevingen des levens met Jesus verzuchten: âVader niet mijn wil, maar de uwe geschiede!'
GEBED.
Goddelijke Verlosser, met een dankbaar
hart erken en belijd ik, dat gij zijt de God van liefde en barmhartigheid. Vol ontfermende liefde hebt Gij ü mijn lot aangetrokken ; te allen tijde neigt Gij uw oor naar de stem mijner smeeking en zijt Gij bereid mij te schenken wat ik U vraag, zoo het tot mijne zaligheid strekken kan. En toch, ofschoon ik hiervan innig overtuigd was, maakte ik mij zoo menigmaal aan moedeloosheid en gebrek aan vertrouwen schuldig, wanneer ik niet van U verwerven mocht wat ik U in het gebed afsmeekte. Ach, Heer Jesus, ik erken het, Gij zijt de eeuwige Wijsheid, en weet bijgevolg beter dan ik, wat voor mij schadelijk en gevaarlijk is en wat tot mijn eeuwig heil strekken kan. Vol ootmoed onderwerp ik mijn verstand aan uwe heilige raadsbesluiten en mijn wil aan uw goddelijk welbehagen. Ik wensch vurig niets te verlangen en to begeeren, dan hetgeen uwe meerdere glorie en het eeuwig geluk mijner onsterfelijke ziel zou kunnen bevorderen. Van dit oogenblik af verzaak ik aan mijn eigen wil en aan al zijne neigingen. Slechts uw aanbiddelijke wil, o mijn God, heersche in mijn hart en zegeviere over alle verlangens, die niet strooken met uw goddelijk welbehagen. Geef, dat ik in vreugde en leed, in ziekte en gezondheid, in voor- en tegenspoed, in alle voorvallen en omstandigheden mijns levens mij immer moge overtuigd houden, dat geheel mijn levenslot in
89
uwe Land rust, dat Gij alius regelt en bestiert naar uwe liefderijke inzichten. Geef, dat ik mij te allen tijde aan de beschikkingen uwer vaderlijke Voorzienigheid moge onderwerpen, ook dan wanneer Gij in uwe ondoorgrondelijke wijsheid het beter acht mijn gebed niet te verhoeren. Naar het verheven voorbeeld, door U, o mijn Jesus, in den Olijf hof ons gegeven, wil ik voortaan geen andere wenschen voeden, geen andere verlangens koesteren, dan dat uw aanbiddelijke wil volkomen in mij geschiede in tijd en in eeuwigheid. Amen.
DERTIENDE OVERWEGING.
DE DOODSANGST VAN JESUS JN DEN OLIJFHOF.
Jesus had zijn gebed geëindigd en nu stond Hij op en begaf zich naar zijne apostelen, maar Hij vond hen slapende. Ach, welk een pijnlijke teleurstelling voor den liefdevollen Meester, te moeten zien, dat zijne leerlingen den tijd, waarin zijne ziel door de hevigste droefheid werd afgestreden, slapende doorbrachten! Vol hemelsche goedheid en op zachtverwijtende toon sprak Hij tot Petrus: âSiinon, slaapt gij ? Kunt gij dan geen enkel uur met mij wakenquot; ? Dezelfde klacht richtte Jesus ook tot de andere apos-
90
telen en vol liefde vermaande Hij hen: âWaakt cn bidt, opdat gij niet komt in de bekoring; want de geest is wel gewillig ma-ar liet vleesch is zwak.' Toen verliet Hij hen cn herhaalde wederom hetzelfde gebed. Maar ach, Jesus vond ook nu geene verlichting. Bij 't overdenken van al het lijden, dat Hem wachtte, bij 't beschouwen van de ontelbare zonden, waarmede Hij, als het vrijwillig slachtoffer dor goddelijke gerechtigheid zich beladen zag, namen zijne zielskwellingen en smarten voortdurend in hevigheid toe; de angsten des doods grepen Hem aan; al zijn krachten begaven Hem en stervend zeeg Hij neder op don grond, waar Hij geruimen tijd met zijn heilig aangezicht in het stof nederlag.
I. Overweeg, met welke dringende woorden Jesus zijne leerlingen vermaande tot waakzaamheid en beschouw, hoe Hij in die weinige woorden ook ons eene les voorhoudt van het hoogste gewicht voor ons geestelijk leven. Waakt; laat u nimmer misleiden door een bedriegelijke rust, die allen ijver doodt; wees immer op uwe hoede, zoo gij niet dooiden vijand uwer zaligheid overvallen wilt worden. Waak over u zeiven, over uwe zintuigen, uwe gedachte en begeerten. Span al uwe krachten in, om den vijand te verdrijven, zoodra hij zich aan u vertoont. Onderzoek eiken dag zorgvuldig uw geweten en stel u dikwerf de vraag, of gij niets
91
in uwe ziel bespeurt, wat aan God mishaagt en u tot grootere zonde zou kunnnen voeren. Wees op uwe hoede voor de wereld, die geheel uit den boozo is ; onderzoek u over de gesprekken, die gij voort, de personen met welke gij omgaat en vraag u af, of ook gij niet door uw gedrag de valsche beginselen der wereld huldigt en hare verderfelijke gewoonten volgt. Wees op uwe hoede voor den geest des kwaads, die van den dag af, waarop hij onze eerste ouders ten val bracht, voortdurend op nieuwe middelen zint, om den mensch zijn eeuwig verderf te gemoet te voeren en die zoo menigmaal de gestalte van een engel des lichts aanneemt, om argelooze zielen te verschalken. Blijf immer waken, ook al zoudt gij nog zoo ver gevorderd zijn in de beoefening der volmaaktheid. Dan toch zijt gij het dichtst uwen val nabij, wanneer gij u aan onachtzaamheid en zorgeloosheid overgeeft. Een enkele onberaden stap, een enkel onbewaakt oogenblik is dikwijls de oorzaak geweest van don diepsten val. Onderzoek u zeiven en vraag u af, in hoeverre gij voorheen door een te lichtvaardig vertrouwen, door eene onverantwoordelijke nalatigheid tegen de christelijke waakzaamheid hebt gezondigd. Verwek een innig berouw over uwe zwakheid en beloof uwen goddelijken Verlosser, dat gij van dit oogenblik af stipter zijne ernstige vermaning zult ter harte nemen.
92
Voornomen. Voortaan zal ik met heilige behoedzaamheid over mij zelvon waken en eiken avond in een aandachtig gewetensonderzoek mij afvragen of ik in de christelijke waakzaamheid ben te kort geschoten.
II. Overweeg, hoe Jesus, door de vreese-lijkste angsten aangegrepen en worstelend met den dood ons een heerlijk voorbeeld schenkt van geduld en gelatenheid in het lijden. Zie, Hij ligt daar in onuitsprekelijk benauwende en duldelooze zielssmarten neder; Hij ligt daar geheel alleen, gescheiden van zijne apostelen, die den tijd, waarin zijne ziel in doodstrijd verkeerde, slapende doorbrengen. Zelfs van de hemelsche vertroostingquot; is Hij beroofd, en toch rijst er geen enkele klacht van zijne lippen. Hij mort niet, noch tegen de menschen, die Hem hebben verlaten, noch tegen zijn hemelschen Vader, die zijn aanschijn voor Hem verbergt. Hij lijdt alles zwijgend en met de heerlijkste onderwerping aan den wil zijns hemelschen Vaders. Hierdoor leert Hij u, hoe gij u moet gedragen, wanneer God u met eenige kwelling of tegenspoed bezoekt. Slechts dan toch zult gij welgevallig handelen in zijne oögen, wanneer gij uw lijden weet te dragen, gelijk Jesus, de Zoon Gods, het verduurd heeft. Zijt gij ongeduldig in de beproeving, kunt gij niet lijden met overgeving aan Gods heiligen wil, ach, dan zult gij niet alleen uwe smarten verdubbelen en uwe lasten verzwaren,
93
maar daarenboven een seliat van verdiensten verliezen voor de eeuwigheid.
Voornemen. Heb ik eenigen tegenspoed of zielskwelling te verduren, dan zal ik geduldig mijn lijden dragen en mij wel wachten te morren en te klagen, gelijk ik tot nog toe deed.
III. Onderzoek u zeiven en vraag u af, hoe gij u tot nog toe hebt gedragen, wanneer gij door ziekte of lichamelijk lijden bezocht werdt. Indien eene lichte ziekte u overvalt, hoe gedraagt gij u dan? Ach, gij gevoelt u aanstonds ongelukkig en breekt uit in klachten. Lfwe vrienden moeten u troosten en alle mogelijke zorgen moeten aan uwe verpleging worden besteed; uwe luimen moeten worden ingewilligd, uwe wenschen voorkomen, aan al uwe eischen moet worden voldaan; gij reikhalst naar geneesmiddelen om uwen beproevingstijd zoo snel mogelijk te doen eindigen. Spreekt men u geen troostwoorden toe, laat uwe verpleging iets te wenschen over, vindt gij geen genoegzamen baat bij uwe geneesmiddelen, dan wordt gij moedeloos en neerslachtig; van klachten slaat gij over tot morren tegen God, die u deze ziekte overzond. Ach, schaam u, dat gij nog zoo weinig aan den lijdenden Verlosser gelijkvormig zijt en leer hier van uwen goddelijken Meester de ziekten en wederwaardigheden des levens met geduld en overgeving aan Gods wil te verduren;
94
dan ook zullen de vertroostingen des hemels u in uw lijden niet ontbreken.
Voornemen. In ziekten en lichamelijk lijden zal ik mijne behoeften tot het noodzakelijke beperken; ik zal geduldig zijn in mijn lot, al zou mij ook liet noodzakelijkste ontbreken.
GEBED.
Groedertierenste Jesus, vol droefheid en leedwezen erken ik, dat de onbehoedzaamheid en zorgeloosheid, waaraan ik mij tot nog toe overgaf, de herhaalde oorzaak waren van zoo menige zonde, waarmede ik ü be-leedigde. Ach, of ik toch voorheen beter het woord had ter harte genomen, dat Gij in den Olijf hof tot uwe apostelen hebt gesproken; of ik toch steeds gewaakt had over mijne zinnen, over de neigingen van mijnen wil, over de verlangens en begeerten van mijn hart! Of ik mij toch immer met heilige behoedzaamheid gewapend had tegen de wereld en al de gevaren en verleidingen, waaraan ik in de wereld ben blootgesteld! Want ach, dan zou ik U niet zoo smartelijk hebben beleedigd, dan zou ik niet zoo herhaaldelijk de oorzaak geweest zijn van uw onuitsprekelijk bitter en smartvol lijden. Zie, rouwmoedig smeek ik U hiervoor om vergiffenis. Voortaan, lieve Jesus, zal ik beter de ernstige les indachtig zijn, die Gij ons in den hof hebt geschonken. Verleen
95
inij dan uwe genaden, opdat ik van dit oogenblik af nimmer meer gehoor geve aan de stem der verleiding, maar voortaan in christelijke waakzaamheid wandele en in angst en vrees aan het groote werk mijner zaligheid arbeide. Tevens smeek ik U om vergiffenis voor de vele zonden, waaraan ik mij schuldig maakte, zoo dikwijls mij eenig lijden overkwam. Ach, dierbare Jesus, ik schaam mij over de zinnelijkheid, den weinig verstorven geest en het ongeduld, dat ik in mijne beproevingen aan den dag legde. Wanneer Gij mij met eenige kwelling bezocht, reikhalsde ik steeds naar het uur, waarop dat kruis mij weder van de schouders zou genomen worden. Maar voortaan, lieve Jesus, wil ik met meer geduld en gelatenheid het kruis omhelzen, dat Gij mij zult overzenden. Versterk mij in dit voornemen met uwe genaden ter wille van de onuitsprekelijke liefde, die Gij mij in uw lijden betoond hebt. Amen.
VEERTIENDE OVERWEGING.
DOODSANGST VAN JESUS IN DEN OLIJFHOE. (Vervolg).
De doodsangst des Heeren nam met elk oogenblik in hevigheid toe; alle beschimpingen en vernederingen, alle kwellingen
96
en pijnen, die Hij gedurende zijn lijdenstijd, zou verduren, rezen in dat uur van de vreeselijkste beproeving gezamenlijk voor zijn geest op en overmeesterden zijne ziel met zulk een nameloozen angst, dat Hij stervend nederzeeg op den grond. Eene plotselinge onmacht verlamt zijne leden, roerloos ligt Hij daar neder aan den hef-tigsten tweestrijd ten prooi. Ach, zijnemensch-heid schrikte vol ontzetting terug voor de verscheurende smarten en den allersmade-lijkston dood, die Hem wachtten, en toch stond het besluit onherroepelijk bij Hem vast, zijn hemelschen Vader te gehoorzamen en door zijn lijden en sterven den mensch te redden van den eeuwigen ondergang. O, dat was een allersmartelijkste strijd, een strijd tusschen liefde en vrees, maar waarin de liefde na een langdurig en allerbitterst lijden zegevierde. En zoo hevig was dié strijd, waardoor Hij werd afgemarteld, dat zijn heilig bloed als zweet aan alle kanten naar buiten drong; het overdekte zijn goddelijk lichaam, het vloeide in groote druppelen neder van zijn heilig aangezicht en bevochtigde den grond, waarop Hij nederlag.
I. Overweeg met innige deelneming en diep gevoeld medelijden, hoe groot de pijnen moeten geweest zijn, die de liefdevolle Verlosser op zijn lijdensdag van de beulen moest verduren, wanneer alleen reeds de gedachte aan die kwellingen Hem het bloe-
97
dig doodszweet uit zijn goddelijk lichaam perste. Werp u in den geest, vol erkentelijkheid en wederliefde voor Jesns neder en begroot met diepen eerbied en in de dankbare vervoering uws harten dat heilig, dat kostbaar bloed des Heeren, waarvan hier in den hof de eerste druppelen vloeien en dat later uit duizend wonden voor het heil uwer onsterfelijke ziel door den Zoon Gods zou worden vergoten. O, ziedaar den duren prijs, dien Jesus aan den hemelschen Yader voor de verlossing van het menschelijk geslacht zal brengen; ziedaar het kostbaar bad, waarin, Hij uwe ziel heeft gelouterd en gezuiverd van alle zondensmet. Aanbid de onuitsprekelijke liefde, die den Zoon Gods bewoog, u door het storten van zijn bloed, door het offer van zijn leven uit de macht des duivels vrij te koopen; beloof Hem, dat gij Hem voortaan inniger wederliefde zult betoo-nen, eene wederliefde, die zich niet uit in Woorden, maar die spreekt uit al uwe werken. O, welk een troost, welk een zoete troost ware dit voor Jesus te midden van zijn smartvol lijden! Overweeg, hoe de hevige zielesmarten, die de goddelijke Verlosser leed in den hof. Hem gewis het leven zouden benomen hebben, zoo Hij zijne door droefheid en doodsangst schier uitgeputte levenskrachten niet door zijne goddelijke almacht hersteld had, om den bitteren lijdenskelk, die Hem werd aangeboden, tot den bodem toe
7
98
te kunnen ledigen. O, indien Jesus gewild had, met hoeveel minder pijnen en smarten zou Hij ons hebben kunnen verlossen ! Maar neen, Hij, die eenmaal sprak: âGrooter liefde heeft niemand, dan degene, die zijn leven geeft voor zijne vrienden,quot; Hij wil zijn lijden niet ontgaan, zijn kruis niet ontvluchten, maar herstelt door een wonder al zijne krachten, opdat zij luide zou spreken tot uw hart, de vurige liefde, waarmede Hij u bemind heeft en zich zeiven voor u heeft ten offer gebracht. Eene vurige liefde eischt ook vurige wederliefde. Vraag u dus af, of gij het lijden, dat God u overzendt, niet alleen geduldig, maar ook met vreugde en ter liefde van Jesus draagt. Vreest gij het lijden nog, schrikt gij nog terug, waar Jesus u met zooveel moed en zooveel liefde is voorgegaan, o, dan hebt gij het bewijs, dat uwe liefde tot Jesus nog flauw is. Indien dit zoo is, verneder u dan voor God; smeek Hem om vergiffenis en bid Hem, dat Hij het vuur der goddelijke liefde in uw hart ontsteke.
Voornemen. Zoo dikwerf eenig lijden mij zwaar valt, zal ik denken aan den doodstrijd des Heeren en God om de genade smeeken, ter liefde van den lijdenden Verlosser ook de grootste kwellingen met vreugde te verduren.
II. Overweeg, hoe Jesus, ofschoon met onze sterfelijke natuur bekleed en deelend in onze zwakheden, toch? op de heerlijkste
99
wijs over alle menschelijke zwakheid zegeviert. Neem u voor, naar het verheven voorbeeld des Heeren, met moed en vastberadenheid uwe hartstochten en verkeerde neigingen te bestrijden. Maar laat het een onverbiddelijke strijd zijn, een nimmer onderbroken strijd, een edelmoedige en offervaardige strijd, waarin gij niet blijdschap de offers brengt, die van u gevergd worden, om met Christus te kunnen zegevieren. Onderzoek bij u zeiven welke hinderpalen op den weg der volmaaktheid er nog voor u oprijzen. Verbreek de onteerende kluisters der zonde, die u reeds zoo lang geboeid houden. We-dersta aan de eischen uwer bedorven natuur; zegevier over uwe lusten en dwing het we-derspannig vleesch aan den geest onderdanig te zijn. Ga met moed en kalmte op dien weg voort, ook al zou uwe ziel somwijlen eenige dorheid en ongevoeligheid in den dienst van God ondervinden. Immers zulke gewaarwordingen zijn geene onvolmaaktheid, nog veel minder zonde; zij zijn een gevolg onzer bedorven natuur; indien, wij ze weten te overwinnen en in het goede volharden, zullen zij onze verdiensten voor den hemel vermeerderen. Herinner u in zulke uren, dat ook Jesus vrees voor den dood gevoelde, dat ook Hij voor zijn lijden terugschrikte; maar herinner u tevens, hoe Hij over dit alles zegevierde uit liefde tot u en uit onderwerping aan zijn hemelschen Vader. On-
100
getwijfeld zult ook gij mot zijne genaden de zegepraal over al uwe vijanden behalen. Vergeet liet nimmer: hoe moeielijker de strijd is des te schitterender ook zal uwe overwinning zijn en des te heerlijker de kroon, die u in den hemel wacht.
Voornomen. Naar het voorbeeld van Jesus zal ik moedig zijn in den strijd. Daarom zal ik mij er op toeleggen elke ongeregelde neiging, die in mijne ziel opkomt, te onderdrukken; in het bijzonder zal ik dezen dag volijverig mijn hoofdgebrek bestrijden.
III. Overweeg, hoe ook voor n oenmaal het oogenblik zal aanbreken, waarop gij op uw uiterste zult liggen, het oogenblik, waarvan uwe eeuwigheid afhangt. Indien Jesus, de Onschuld en Heiligheid zelve, die van de glorie des hemels volkomen verzekerd was, bij den naderenden dood aan zulk een angst en vrees ter prooi was, hoe vreeselijk zullen dan voor u de verschrikkingen des doods zijn, wanneer gij op uw sterfbed een blik zult werpen op uwe ziel en gij haar zoo arm aan deugden en met den last van zoovele zonden bezwaard zult vinden. Vraag u af, wat gij zult wenschen verricht te hebben gedurende uw leven, wanneer dat laatste uur zal zijn aangebroken; en hebt gij u het antwoord op deze gewichtige vraag gegeven, neem dan het besluit van stonden aan met zulk eene nauwgezetheid al uwe plichten te ver-
101
vullen, de zonden te vermijden, uwe verkeerde neigingen te onderdrukken en de deugd te beoefenen, dat gij in dat hachelijk uur met rustigen blik op uwe vervlogen levensjaren moogt terugzien. Maar stel de vervulling van dit voornemen niet uit, want wellicht hebt gij nog slechts over weinig tijds te beschikken, ja wellicht is deze dag reeds de laatste uws levens. O, met welk een onbegrensd vertrouwen op God zult gij den dood tegemoet zien, indien gij uwe zonden gedurende uw leven zult hebben uitgeboet, en al uwe werken zoo volmaakt mogelijk door u werden volbracht. Bid uwen Verlosser, dat die grootc gedachte u bij al uwe handelingen steeds levendig voor den geest moge staan; zij zal u met eene heilzame vrees vervullen, met de vreeze des Hoeren, die het begin is der wijsheid.
Voornemen. Dikwerf, vooral in het uur der bekoring, zal ik aan den dood denken en door deze gedachte mij aansporen in het goede te volharden.
GEBED.
Dierbare Verlosser, wanneer ik U hier in den hof in bangen doodstrijd zie nederliggen om mijne misdrijven, wanneer ik dat kostbaar bloed, dien duren prijs mijner verlossing, van uw aanbiddelijk gelaat zie neder-vloeien, o dan gevoel ik maar al te diep op hoe snoode en ondankbare wijs ik uwe liefde
102
versmaadde. Maar neen, lieve Jesus, voortaan zal het niet meer zoo zijn. Zie, vol berouw lig ik aan uwe voeten neergeknield, vast besloten, uwe liefde in het vervolg beter op prijs te stellen en dit door geheel mijn leven te toonen. O mocht ik toch, lieve Jesus, van dit oogenblik af meer moed aan den dag leggen in den strijd tegen den vijand mijner ziel. Maar ach, ik ben zoo zwak, zoo menigmaal herviel ik in de zonde en was ik ontrouw aan mijne goede voornemens. Daarom smeek ik U, help mij. Heer Jesus, sta mij bij, wanneer de strijd soms moeielijk is en de bekoringen hevig zijn. Geef, goede Jesus, om de verdiensten van uw smartvol lijden, dat de gedachte aan mijnen dood mij in al mijne werken door dit leven moge vergezellen, opdat ik ze alle verrichte tot uwe meerdere eer en glorie en tot heiliging en zaligheid mijner ziel. En eenmaal, wanneer het uur van mijn sterven zal zijn aangebroken, moge dan mijn doodstrijd verzacht en verlicht worden door de verdiensten van het allersmartelijkst lijden, dat Gij in uwen doodstrijd voor mij hebt willen verduren. Geef, dat ik dan met rustigen blik op den afgelegden levensweg kunne terugzien en ontslapen moge in de blijde en troostvolle gedachte weldra de hemelsche belooningen te zullen ontvangen, die Gij door uw bitter lijden en sterven voor mij verdiend hebt. Amen.
103
VIJFTIENDE OVERWEGING.
JESUS WORDT DOOR EEN ENGEL VERSTERKT.
Langen tijd lag onze goddelijke Verlosser quot;Anddend neergeknield in den hof zonder de minste vertroosting te ontvangen. Maar toen Hij, met het bloedig doodszweet op het gelaat, sehier bezweek onder het overstelpend wee zijns lijdens en daar bijna stervend neder-lag in het stof, toen ontfermde de hemelsche Vader zich over zijn onschuldigen Zoon en zond Hij een engel neder van den hemel om Hem te sterken. Vol eerbied aanbad de hemelgeest zijn Heer en Koning, vervulde Hem met hemelsche vertroosting en sterkte Hem tegen het lijden, waardoor zijne ziel werd afgestreden en dat Hem nog wachtte in de toekomst. Ofschoon Jesus zijne uitgeputte levenskrachten zelf door zijne goddelijke almacht had kunnen herstellen, wilde Hij in den hof getroost en gesterkt worden door een engel, ^gelijk Hij weleer na veertig dagen en veertig nachten vastens door hemelgeesten wilde gediend worden in de woestijn^ opdat wij hierdoor in ons geloof aan zijne heilige menschheid zouden gesterkt worden en in allen nood op den hemel zouden leeren vertrouwen.
I. Overweeg, met welk doel de engel door
104
den hemelschen Vader tot Jesus gezonden werd. Hij ontving niet de opdracht, om Jesus aan te kondigen, dat de lijdenskelk van Hom zou worden weggenomen, en dat de tijd zijner kwellingen voorbij was; maar hij verschijnt in den Olijfhof om den Verlosser den beker van bitterheden aan te bieden en Hem tegelijkertijd aan te moedigen dien tot den bodem toe te ledigen. Wanneer God ons op onze herhaalde gebeden niet altijd verlost uit den nood, waarin wij verkeeren, maar ons kracht schenkt en moed instort, om met geduld en onderwerping ons kruis te dragen, is dit zeker veel heilzamer voor ons geestelijk leven, dan dat Hij ons van die kwellingen bevrijdde. Beproevingen immers, uit liefde tot God verduurd, zijn geene beproevingen meer maar vreugde. Daarom verzekerde de heilige Teresia: âZoodra wij besloten zijn vrijwillig ons lijden te omhelzen, dan heeft het voor ons zijn einde bereikt.quot; Daarom riep een godvreezende dienaar des Heeren, een waardig navolger van den ge-kruisten Christus in vervoering uit: âLijden, en niet lijden voor God, dat is eeue einde-looze kwelling; alles lijden, maar lijden voor God, dat is niets; lijd voor God en uwe smarten zullen u een hemel op aarde worden.quot; Begrijpt gij dit geheim van het inwendige leven? O, beproef het slechts: grijp moedig naar don lijdenskelk en gij zult spoedig smaken, hoe zoet 's Heeren juk, hoe licht
105
zijn last is. Het kruis schijnt geen kruis meer, wanneer men het met liefde draagt.
Voornemen. Ik zal alle vrees voorliet lijden met ijver bestrijden, en de kwellingen mijns levens uit liefde tot Jesus gaarne ver-verduren.
II. Overweeg, welke smarten Jesus leed ^ in zijne verlatenheid en bedenk, dat ook gij geroepen zijt uwen Verlosser eenige vertroosting aan te bieden in zijn lijden. Treed dan in den geest, vol eerbied den hof van olijven binnen ; aanschouw uwen God met het bloedig doodszweet op het gelaat en worstelend met den dood, werp u vol droefheid en medelijden aan 's Heeren voeten neder en vraag u af, welke verlichting gij den Zoon van God aanbrengt in zijn benauwenden doodstrijd. Op twee wijzen kunnen wij iemand in deze wereld troosten, hetzij door hem te bevrijden van het lijden, dat hij verduurt, hetzij door hem liet goed te geven, waar hij om vraagt. Dezelfde vertroosting ook kunt gij Jesus aanbieden in zijn smartvol lijden. Immers, wat is de reden van do doode-lijke droefheid, die zijne ziel overmeesterde, van de angsten, die Hem het bloedig doodszweet uit het goddelijk lichaam persten ? Ach, Jesus lijdt, omdat Hij zich beladen ziet met onze zonden ; Jesus verkeert in doodstrijd, omdat Hij vreest, dat Hij al die smarten wellicht te vergeefs voor ons zal verduren. Troost Hem dan, door uwe zonden met een oprecht
106
leedwezen te betreuren, ze van ganscher harte te verfoeien en met heiligen ijver in u uit te roeien. Troost Hem, door zijn lijden en dood vruchtbaar te maken voor uwe ziel, door alle gevaren te vermijden, de gelegenheden tot zonde te ontvluchten, uwe verkeerde neigingen te bestrijden, uw kruis met geduld te dragen en de versterving te beoefenen. Wat vraagt Jesus van u ? O, Hij vraagt van u niets anders dan uw hart. Maar om uw hart aan Jesus te kunnen aanbieden, moet het zuiver zijn van alle zon-densniet, immer gereed om naar zijne heilige inspraken en geboden te handelen, onthecht aan de wereld en al hetgeen van deze wereld is. Om uw hart aan Jesus te kunnen aanbieden, moet het kloppen van vurige, dankbare wederliefde tot den lijdenden Verlosser en immer bereid zijn alle offers te brengen, die van u gevorderd worden, om in zijne heilige liefde te kunnen volharden. Onderzoek u zeiven en vraag u af, of gij aldus den doodsbedroefden Jesus in zijne smarten getroost hebt. Hebt gij gebroken met al hetgeen u weleer van Gods liefde verwijderd hield? Hebt gij uwe zonden door oprecht berouw, door werken van ware boetvaardigheid uitgewischt ? Hebt gij uwe liefde en erkentelijkheid aan Jesus getoond door geduldig alle kwellingen des levens te dragen, door u eenige vrijwillige versterving op te leggen, door met nauwgezetheid ook
107
de geringste voorscliriften van 's Heeren wet te vervullen ? Mocht gij onder een of ander opzicht hierin zijn te kort geschoten, verneder n dan voor God en neem besluiten voor de toekomst.
Voornemen. Ik zal God dikwijls hidden mijn hart meer en meer aan het vergankelijke te onthechten en in zijne heilige liefde te bevestigen, opdat het waardig zij als offer aan Jesus te worden aangeboden.
III. Overweeg, hoe volgens het gevoelen van den H. Dionysius van Alexandrië, de Zoon Gods in zijn doodstrijd door een engel wilde vertroost worden, om ons te leoren, dat ook wij in den strijd, die wij in ons leven te voeren hebben, door de engelen des hemels gesterkt en geholpen worden. Onze engelbewaarder vooral is ons door God ten gids en beschermer gegeven. Hij vertroost ons door het bovennatuurlijk licht, waardoor wij inzien, dat de beproevingen, die wij ondervinden, de ziekten, waarmede wij worden bezocht, eenige druppelen zijn uit den bitteren lijdenskelk des Heeren, die Gods liefderijke hand in onzen levensbeker mengt, om ons meer gelijkvormig te maken aan Christus. Hij vertroost ons door ons hart te stemmen tot geduld en onderwerping aan Gods heiligen wil, door alle droefheid, alle moedeloosheid en neerslachtigheid uit onzen geest te verbannen en ons op te wekken, God met blijdschap en met een vreugdevol
108
hart te dienen. En hoe liefdevol staat hij den rechtvaardige ter zijde, wanneer hij nederligt op zijn sterfbed! O dan vooral omringt hij hem met alle hulpmiddelen, waarover hij in zijne medelijdende liefde beschikt. Hij vervult zijne ziel met een onbegrensd vertrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid, vermindert zijne doodsangsten, verbant alle ongerustheid omtrent het verledene uit zijn geest, houdt den duivel en diens aanhang van zijne sponde verwijderd en bemoedigt hem mot hemelsche vertroostingen. En ook na den dood verlaat hij de ziel niet, die aan zijne hoede werd toevertrouwd ; hij vergezelt haar voor Gods rechterstoel en wordt zij naar het zuiveringsvuur verwezen dan bezoekt en vertroost hij haar,.maakt haar bekend met de namen van degenen, die hare verlossing van God afsmeeken, zoekt anderen op om voor haar te bidden en leidt haar eindelijk, van alle smetten gezuiverd, jubelend de glorie des hemels binnen. Heb dan uw engelbewaarder lief, koester een diepen eerbied voor zijne verheven waardigheid en zijne macht, roep hem aan in het uur des gevaars, luister naar zijne heilige ingevingen en wees er innig van overtuigd, dat hij u gedurende uw leven met overvloediger vertroostingen zal vervullen naarmate gij hem meer zult bemind en vereerd hebben.
V o o r n e m e n. Ik zal trachten een leven-
109
dige godsvrucht jegens de engelen in mij op te wekken; vooral mijn engelbewaarder zal ik dagelijks bidden mij te beschermen en te geleiden op den weg naar den hemel.
GEBED.
O dierbare Jesus, vol droef heid over mijne zonden, en met innige deelneming in uw smartvol lijden, werp ik mij aan uwe voeten neder. Ach, niet één uwer apostelen biedt zich aan, om ü te troosten bij de onuitsprekelijke droefheid, die uw goddelijk hart overweldigde. Sta mij dan toe, dat ik mij aanbiede om de vertroosting te brengen, die uwe leerlingen ü niet gaven. Maar ach, wanneer ik een blik werp op mij zeiven en de tallooze zonden en misdrijven zie, waarmede ik ü bedroefd heb en beleedigd, dan moet ik mij afvragen, of ik wel in staat ben, ü die vertroosting te schenken. O, reinig mij dan en louter mij in uw dierbaar bloed van alle zonden en trouweloosheden, waaraan ik mij plichtig maakte. Geef, dierbare Jesus, dat er geen dag van mijn leven moge voorbijgaan, waarop ik niet met smartelijk leedwezen terugdenke aan die vele dagen en jaren, die ik, ver van uwe liefde verwijderd, in de zonden heb doorgebracht; geef, dat ik al die misslagen moge haten en verfoeien met een doodelijken haat en al mijne krachten inspannen, om U voortaan stipt en getrouw te dienen. Door een rein, een zuiver
110
en ü welgevallig leven hoop ik mij waardig te maken U, lieve Jesus eenige vertroostingen in uwen doodsstrijd te kunnen aanbieden. Door alle beproevingen des levens met geduld en onderwerping te dragen, door mijn hart te ontheoliten aan deze wereld, hoop ik U althans eenige opbeuring te schenken bij de doodelijke droefheid, die U overstelpte. Gaarne, lieve Jesus, wil ik deelen in uw lijden, gaarne wil ik ze dragen al die kwellingen en pijnen, die Gij in uw goddelijk lichaam hebt willen verduren, zoo ik U hiermede eenigen troost kan verschaffen. Maar geeft Gij mij deel aan uw lijdenskelk, o, schenk mij dan ook de hulp van uwen vertroostenden engel, opdat ik bemoedigd en versterkt voor geen enkel offer terug-deinze, opdat elke teug uit den beker der smarten een zoeten vrede, een heilige kalmte in mijne ziel achterlate en mij inniger en hechter moge vereenigen niet U. Mocht ik U aldus kunnen troosten, dierbare Jesus, en aldus door U vertroost worden, opdat ik eenmaal, uit dit dal van tranen verlost, moge opgenomen worden in uwe hemelsche woning, waar Gij door de gave van Uzelven een eindeloos geluk en de eeuwige vreugde schenkt aan allen, die U gedurende hun leven getroost hebben. Amen.
Ill
ZESTIENDE OVERWEGING.
JESUS GAAT ZIJNE VIJANDEN TE GEMOET.
HET VERUAAD VAN JUDAS.
Op wonderbare wijze was onze goddelijke Verlosser door do vertroostingen des engels versterkt geworden, en nn stond Hij op van de plok, waar Hij een groot deel van den nacht in de hevigste angsten niet den dood had geworsteld. Voor de derde maal begaf Hij zich naar zijne apostelen,(die in diepen slaap lagen verzonken, wekte hen)en sprak ; âStaat op, laat ons gaan; ziet, hij die mij verraden zal is nabij.quot; Nauwelijks had Jesus deze woorden gesproken of daar verscheen Judas met een gewapende bende aan den ingang van den Olijfhof. Vol moed en onverschrokkenheid ging de Heer zijne vijanden tegemoet; want Hij wilde toon en, dat Hij niet gedwongen, maar, gelijk de profeet voorspeld had, geheel vrijwillig zijn leven ten offer zou brengend Zoodra Judas zijn god-delijken Meester zag naderen, trad hij uit de bende vooruit. Ach, hoe diep was de trou-welooze, de afvallige apostel gezonken! Neen, voor hem, die den Zoon van God, de oneindige Heiligheid zelve verraden zou, kon niets,quot; zelfs het teeken der innigste vriendschap, meer heilig zijn. âHij, dien ik kussen zal. Hij isquot;' 't; grijpt Hem aan en voert Hem voorzichtig weg,' zoo had Judas tot de lie-
112
den, die hem vergezclderijgesproken, en zon-der eenig gevoel van wroeging of schaamte treedt Hij op Jesus toe; en terwijl hij huichelend zijne heiligschennende lippen op 's Heeren aanbiddelijk gelaat drukte, omhelst hij Hem on zegt; âWees gegroet, Meester.'
I. Overweeg hier, met welk een moed Jesus zijn lijden aanvaardt. Nog kort te voren had Hij den hemelschen Vader dien lijdenskelk van Hem weg te nemen; nog weinige oogenblikken geleden lag Hij in doodstrijd en deinsde Hij terug voor de folteringen en vernederingen, die Hem wachtten. En nu is alle droefheid en angst geweken, nu gaat Jesus vol kalmte en vastberadenheid zijne vervolgers te gemoet. Van waar dan die plotselinge verandering? Van waar die wonderbare kracht? O, ziedaar de vrucht van 's Heeren volhardend gebed. Wie zal het vermelden, welke wonderbare uitwerkselen het gebed te weeg brengt in eene ziel, die met onbegrensd vertrouwen in allen druk en nood tot God hare toevlucht neemt, 't Gebeurt soms dat eene zekere moedeloosheid zich van ons meester maakt, wanneer wij bedenken, hoe wij voortdurend tegen onze verkeerde neigingen hebben te strijden en over onze ongeregelde hartstochten moeten zegevieren. Wij gevoelen oen levendigen weerzin in dien moeielijken strijd; wij schrikken terug voor de versterving, de boetvaardigheid; wij missen de noodige kracht om met een edolmoe-
113
dig hart een offer te brengen aan God; het lijden boezemt ons afkeer in; wij gevoelen ons zwak en machteloos tegenover het kwaad. Indien gij u in zulk eene gesteltenis bevindt, neem dan aanstonds uwe toevlucht tot het gebed, maar bid met innigheid en godsvrucht en gij zult u weldra in een geheel ander mensch zien herschapen. Door de kracht des gebeds zult gij u binnen weinig tijds op wonderbare wijze getrokken gevoelen tot datgene, waartoe gij u in uwe neerslachtigheid kort te voren niet in staat achttet. Werp een blik op Jesus, uwen Verlosser! Zie, hoe Hij zijn lijden te gemoet gaat! Hij zoekt liet op; Hij verlangt, Hij haakt er naar, als naar een onschatbaar voorrecht, als naar het hoogste goed, omdat Hij het lijden liefheeft. Indien lusteloosheid en vrees u overvallen, hof dan het hoofd op, schep moed en begeef u tot het gebed. In het gebed zult gij de noodige kracht ontvangen om uwe kwade driften te onderdrukken, uwe hartstochten te bestrijden, de versterving lief te hebben, de boetvaardigheid te beoefenen en ter liefde van Jesus alle lijden te omhelzen.
Voornemen. Wanneer eenige vrees of moedeloosheid mij overvalt zal ik aanstonds kracht zoeken in het gebed.
II. Beschouw met afschuw en ontzetting de schromelijke misdaad, waaraan Judas zich plichtig maakte. Onder het uiterlijk vertoon van vriendschap nadert hij tot Jesus en door
8
114
het teeken der innigste liefde verraadt hij zijn goddelijken Meester. Overweeg, hoe er onder de ontelbare zonden, waarmede God wordt beleedigd er éene is, die; om het huichelend masker van vriendschap, waaronder zij zich verbergt, de sterkste overeenkomst heeft met het verraad van Judas, 't Is eene onwaardige, eene heiligschennende Communie. Ook daar nadert de zondaar tot Jesus evenals Judas; onder den uiterlijken schijn van eerbied en godsvrucht treedt Hij naar 's Heeren liefdedisch ; met neergeslagen blik, gevouwen handen en het hoofd als in diepen eerbied neergebogen nadert hij; hij klopt zich op de borst, alsof het bitterst leedwezen over zijne zonden zijn hart vervulde. Ach, wat bittere bespotting, wat hemeltergende onbeschaamdheid ! Hij veinst eerbied en hij ont-eert zijn God op de grievendste wijze; hij huichelt liefde en hij is een voorwerp van walging en afschuw in het oog van zijnen Heer; hij treedt toe, als ware zijne ziel rein en zuiver van alle vlek, en zij is bezoedeld en op de afzichtelijkste wijze misvormd door zijne ontelbare misdrijven; hij geeft voor met het diepste besef zijner onwaardigheid tot Jesus te naderen en den oneindig heiligen God ontvangt hij in een hart waarin de duivel heerscht en gebiedt: hij wendt berouw voor over zijne zonden en hij is tot don laag-sten graad van boosheid, tot de diepste verdorvenheid gezonken en halsstarrig in het
115
kwaad. Bedenk welk een smaad, welk eeno onteering Jesus wordt aangedaan door dit hemeltergend vergrijp. Onderzoek u zqlven en vraag u ernstig af, of gij u nimmer aan die afschuwelijke zonde hebt schuldig gemaakt. Moet gij het met schaamte erkennen, dat ook gij u aan het Heiligste, wat de hemelen bevatten en wat 's Heeren liefde ons gaf, hebt vergrepen, dat gij 's Heeren goddelijk Vleesch en Bloed hebt onteerd en op onwaardige wijze genuttigd, o, pleeg dan onverwijld boete, strenge boete over uwe zonden. Werp u vol berouw voor God neder en herhaal het met den verloren zoon: âO mijn Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen ü; ik ben niet meer waardig uw kind genoemd te worden. VOnderzoek met alle naarstigheid uw geweten; spreek eene oprechte en rouwmoedige biecht, luister aandachtig naar de vermaning van 's Heeren plaatsbekleeder; )geef eerherstel aan Jesus voor de beleediging Hem aangedaan, en nader voortaan met een rein en vlekkeloos hart, met den diepsten eerbied, met eene vurige dankbaarheid en brandende liefde tot Hem, om uit te wisschen hetgeen gij jegens Hem in het heilig Sacrament zijner liefde hebt misdreven. Maar kunt gij voor God getuigen, dat gij, na eene zorgvuldige voorbereiding, Jesus immer in een zuiver hart hebt ontvangen, o bid Hom dan, dat Hij u bestendig met zijne genade ter zijde sta, opdat gij
116
nimmer tot zulk eene snoode ondankbaarheid moogt vervallen. Breng Jesus dikwerf met een hart vol liefde en medelijden eerherstel voor de heleedigingen, die Hij in zijn allerheiligst Sacrament moet verduren; bewonder zijne liefde, die, bij de instelling van dit heilig Geheim, voor dezen smaad niet terugschrikte: loof, prijs, aanbid Hem en offer Hem alle huldebewijzen, alle eerbiedsbetuigingen op, waarmede de heiligen Hem gedurende hun leven in het allerheiligst Altaargeheim hebben aanbeden en de engelen en gelukzaligen Hem zonder ophouden verheerlijken in den hemel.
Voornemen. Dikwerf zal ik door eene waardige heilige Communie Jesus eerherstel brengen voor alle beleedigingen, die ik Hem in het allerheiligst Sacrament zijner liefde heb aangedaan.
IH. Overweeg, tot welk een diepen val Judas kwam, door de genade welke God hem aanbood, onbeantwoord te laten. Hij was door Jesus tot zijn leerling en apostel uitverkoren, mocht den Zoon Gods op zijne evangeliereizen vergezellen en getuige zijn van de wonderbare vlekkeloosheid en heiligheid van zijn levenswandel. Hij werd door de eeuwige Wijsheid zelve in de leer des heils onderwezen en mocht tal van vermaningen van zijn goddelijken Meester ontvangen. En toch niettegenstaande die heerlijke uitverkiezing en de wondermacht, waarmede
117
i jo-gt; ij.
hij was begiftigd leefde hij in zijne zonden voort. Noch de gedachte aan zijne hooge waardigheid, noch de herhaalde waarschuwingen des Heeren, noch de liefde, die Jesus hem aan het laatste avondmaal, bij de instelling van het allerheiligst Sacrament, bewees, waren in staat hem tot inkeer te brengen. Ach, de duivel heeft in het hart van Judas zijn intrek genomen en van dit oogenblik af schrikt hij voor geen enkele misdaad meer terug. Hij gaat in persoon naar 's Heeren vijanden; ontvangt in koelen bloede den prijs voor zijn laaghartig verraad, smeedt op schaamtelooze wijs het plan van 's Heeren gevangenneming, stelt zich aan hot hoofd van de gewapende bende, treedt met duivel-sche onbeschaamdheid op Jesus toe, huichelt de innigste vriendschap en levert den Zoon Gods door een kus over in de handen zijner vervolgers; en dit alles verricht hij zonder ook maar in het minst door de onuitsprekelijke zachtmoedigheid en liefde des Heeren bewogen te worden. O, ziedaar waartoe de mensch komt, die Gods genaden misbruikt en zijn oor voor 's Heeren roepstem sluit: zijn geest is ten slotte als met blindheid geslagen, zijn hart is schier voor geen enkelen goeden indruk, voor geen enkel beter gevoelen meer vatbaar, de stem van zijn geweten zwijgt, zijne ziel wordt in de boosheid verhard, en hij valt van den eenen afgrond in den anderen. Heeft de
118
zondaar zich eenmaal gemeenzaam gemaakt met het kwaad, dan is alleen eene buitengewone genade van Gods goedheid nog in staat hem op den weg des verderfs tegen te houden' Onderzoek hier u zeiven en vraag u af, of gij altijd hebt medegewerkt met de genade, die God u schonk. Hebt gij steeds een ijverig gebruik gemaakt van de genaden, die de hemel u aanbood ? Hebt gij uw voordeel gedaan met de lessen, die u door den priester, bij de verkondiging van Gods woord werden voorgehouden ? Hebt gij de vermaningen, die Gods plaatsbekleeder in den biechtstoel u gaf, steeds ter harte genomen en waart gij vastbesloten ze ter verbetering van uw leven aan te wenden? Wanneer God door zijne heilige ingevingen u wees op het gevaar, dat in een of andere handeling voor u gelegen was, gaaft gij dan steeds gehoor aan zijne stem'? Wanneer de ondervinding u leerde welke gezelschappen, welke gelegenheden door u moeten vermeden worden, om u voor herval te behoeden, waart gij dan immer hiertoe bereid ? Of hebt gij wellicht met die gevaren gespot, die vermaningen in den wind geslagen, in alles naar eigen luim en willekeur gehandeld en getracht de stem van uw schuldig geweten tot zwijgen te brengen, wanneer het u uwe zonden verweet? Ach, mocht dit zoo zijn, spiegel u dan aan het voorbeeld aan Judas; smeek
119
God om vergiffenis en neem u voor met elke genade, die u in dit leven geschonken wordt, te woekeren, opdat gij, wanneer de Rechter u eenmaal ter rekenschap zal oproepen, op de talenten moogt wijzen, die gij in den dienst van uwen God hebt overgewonnen en het loon van uwen arbeid uit zijno hand moogt ontvangen.
Voornemen. Voortaan zal ik elke goede ingeving getrouw opvolgen en God dikwerf danken voor de vele genaden, waarmede Hij mij den weg ten hemel gemakkelijk maakt.
GEBED.
Helaas, wat zal eenmaal mijn lot zijn, dierbare Jesus, wanneer ik mijne driften en kwade begeerlijkheden niet leer beteugelen en ook de kleinste vrijwillige zonden niet uitroei in mijn hart? Ach, door de kleine gebreken niet te bestrijden zal ik tot zondige gewoonten en ten slotte tot zwaarder zonden vervallen, mij uwe genaden onwaardig maken en in het naaste gevaar vorkeeren van voor eeuwig verloren te gaan. Heb dan medelijden met mij. Heer Jesus, ik smeek het ü, heb medelijden met mij. Ach, ik ben blind, maar Gij zijt het Licht der wereld; ik ben zwak, maar Gij zijt de sterke God; ik ben onwetend, maar Gij zijt de eeuwige Wijsheid; ik ben krank, maar Gij zijt de goddelijke Geneesmeester, die alle wonden der zielen heelt; ik ben arm, maar Gij zijt de Schat, die allen
120
rijk maakt; ik ben een verdoold schaap, maar Gij zijt de goodo Horder, die opzoekt en terugvoert naar den schaapstal al wat verloren was; ik ben ontbloot van alle deugden en goede werken, maar Gij zijt liet goddelijk Toonbeeld der deugden en de eeuwige Heiligheid zelve; ik ben koud en traag in uwen dienst en onverschillig voor mijne eeuwige belangen, maar Gij zijt de IJveraar der zielen, die het vuur der goddelijke liefde op de wereld hebt gebracht en niets vuriger verlangt, dan dat het in de harten uwer kinderen ontstoken worde. Tot wien anders dan zou ik mijne toevlucht nemen dan tot ü ? O, verlicht dan mijn verstand, versterk mijnen wil, genees de verouderde wonden, die de zonde in mijne ziel heeft geslagen; louter en reinig mij van alle smetten, ook van de kleinste, die aan uw goddelijk oog mishagen. Stort in mijn hart eene heilzame vrees voor uwo strenge gerechtigheid en ontsteek het door eene vurige liefde tot U, door eene liefde, die mij in alle moeielijk-heden en gevaren doet zegevieren. Zie, lieve Jesus, ik neem het onherroepelijk besluit om voortaan mij zeiven te mistrouwen, alle zonden te haten met een doodelijken haat, mijne geestelijke oefeningen stipt en zorgvuldig te verrichten en alle lijden en vervolging bereidwillig uit uwe hand aan te nemen als boete voor mijne zonden, opdat jk met eiken dag ü meer en meer gelijk-
121
vormig moge worden. Ja, ik omhels mijn kruis, lieve Jesus, gaarne wil ik liet dragen, met vreugde U op uwe schreden volgen, opdat ik. na hier volkomen al mijne zonden te hebben uitgeboet in uwe liefde moge sterven en het loon erlangen, dat gij voor de boetvaardige zondaren hebt weggelegd in het verblijf uwer eeuwige glorie. Amen.
ZEVENTIENDE OVERWEGING.
HET VERRAAD VAN JÃDAS [Vervolg).
Judas had zijn gruwzaam opzet volvoerd; het verraad was gepleegd ; de pijnlijkste wond was aan het hart van den liefdevollen Verlosser toegebracht. Nog rust de trouwelooze apostel aan de borst van zijn goddelijken Meester. O, wat moet er wel op dit oogen-blik zijn omgegaan in het hart van Jesus ! AVas de verrader niet een zijner leerlingen, die Hij nog kort te voren met zijn goddelijk Vleesch en Bloed bij de instelling van het allerheiligst Sacrament had gespijzigd, dien Hij totquot; priester der Nieuwe Wet in zijne H. Kerk had voorbestemd. Hoe menigmaal had Jesus getracht den aardschgezin-den apostel tot andere gedachten te brengen? Met hoeveel goedheid en liefde had Hij hem behandeld! En ook nu is dat aanbiddelijk geduld des Heeren nog niet uitgeput en
122
''C-Wi £!f jfL'
beproeft Hij in zijne onuitsprekelijke zaclitmoe-digheid den gevallen leerling voor zich te winnen, Toen Jesns den verraderlijken kus van zijn apostel ontving, wierp Hij een smarte-lijken blik, een blik vol medelijden en ontfermende liefde op den rampzaligen apostel, en met onbeschrijfelijke teederlieid sprak Hij : ,0 mijn vriend, waartoe zijt gij gekomen! Judas verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?quot;
I Overweeg, hoe niets verborgen is voor het alziend oog van God. Te vergeefs trachtte Judas zijn misdaad onder den uitcr-lijken schijn van eerbied en vriendschap, te vergeefs de angst, die hem kwelt, en de wroeging, die hem verteert, onder het masker van een kalm en rustig gelaat te verbergen. Ach, de trouwelooze apostel omhelsde den Verlosser en begroette Hem als zijn Meester, maar Jesus doorschouwde het hart van den trouwelopzen leerling. In zijne goddelijke alwetendheid kende Hij de verraderlijke plannen van den ongelukkige; Hij wist welk luon den verrader voor zijne schandelijke diensten was uitbetaald, welke woorden de diepgezonken apostel tot de bende had gesproken; Hij wist dat de verraderlijke kus niets anders ten doel had dan den Verlosser aan zijne vijanden aan te duiden en over te leveren. Want niets van al hetgeen de mensch werkt of drijft is verborgen voor den alwetenden God. Hij
123
doorschouwt de harten en nieren; Hij kent 's menschen geheimste gedachten en verlangens. Te vergeefs zoekt de zondaar de duisternis op ; te vergeefs zondert hij zich af in de eenzaamheid om vrij en ongestoord zijn misdrijf te volvoeren; want zou hij ook al de mensehen kunnen ontvlieden, God volgt hem op zijne schreden; Hij vergezelt hem op zijnen weg, Hij wacht hem reeds op de plaats, waar hij zich heen begeeft. Immer is Hij bij hem; Hij ziet en hoort hem en zijne hand schrijft al zijne daden op in het boek des levens om ze hem eenmaal voor te leggen op den dag der vergelding. Vraag u af, of eene levendige gedachte aan Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid steeds bij al uwe werken voorzit. O, daar bestaat geen middel, dat een levendiger afschrik voor de zonden in ons opwekt, dat ons edelmoediger de bekoringen doet bestrijden, krachtiger onze kwade hartstochten leert onderdrukken, geen midel, dat ons vuriger en ijveriger maakt in den dienst van God, in de beoefening der deugd, en in de heiliging van ons zeiven en dat meer bijdraagt tot onzen vooruitgang op den weg der volmaaktheid, dan de heilzame gedachte aan Gods tegenwoordigheid. Die gedachte heeft te allen tijde de zondaren tot inkeer gebracht, de tragen en onverschilligen in ijver ontstoken, de boetvaardigen gesterkt, de godvruchtigen tot hooger volmaaktheid en
124
heiligheid opgevoerd. Onderzoek u dus ernstig, of gij u hij al uwe werken door deze gedachte liet leiden. Was deze oefening u tot nog toe vreemd en hebt gij u door dit verzuim wellicht vele zwakheden en misslagen te verwijten, vraag dan God nederig om vergiffenis; smeek Hem dat Hij deze gedachte voortdurend in u levendig houde! Zij zal u met vrees vervullen voor al hetgeen mot Gods wet in strijd is en u een krachtige spoorslag zijn pp den weg der volmaaktheid.
Voornemen. Bij elk werk, dat ik verricht, op elke plaats, waar ik mij bevind zal ik mij levendig trachten te doordringen van de gedachte aan Gods tegenwoordigheid.
II. Overweeg, welk een heerlijk voorbeeld van vergevensgezindheid Jesus ons schenkt in de liefde, die Hij den verrader betoont. O, wie zag ooit duidelijker de zwartheid van Judas' misdrijf in? Wie gevoelde dieper de beleediging Hem hierdoor aangedaan dan Jesus, de oneindig liefderijke, oneindig heilige God? Ach, dit was dan de belooning voor de onuitsprekelijke genaden, de hooge voorrechten, de verheven waardigheid, de voortdurende liefdeblijken, die Hij zijn apostel had geschonken. O, is er iets aan te wijzen, dat de diepe verdorvenheid, de laaghartige boosheid van Judas kan overtreffen? Ja, iets is er; 't is de liefde, de goedheid, de vergevensgezindheid van den
|
n | |
|
e | |
|
0 | |
|
\s | |
|
\ s | |
|
i |
125
dierbaren Meester. Ach, Jesus bemint den trouweloozen leerling nog, ofschoon deze zijne gunsten met den snoodsten ondank heeft beantwoord; Hij is bereid hem vergiffenis te schenken, gelijk Hij later zijne beulen van ganschor harte zal vergeven, als Hij daar hangt aan het kruis. Wel verre van eenige verontwaardiging en verbittering tegen zijn vijand te toonen, spreekt Hij hem vol liefde de teederste woorden toe: âO mijn vriend, waartoe zijt gij gekomen!quot; Onderzoek hier u zeiven en vraag u af, hoe gij het onrecht en de vervolging uwer vijanden verdraagt, of gij steeds bereid zijt vergilfenis te schenken voor hetgeen men tegen u misdreef. O wat zijn alle beleedigingen, waaraan gij bloot staat, vergeleken bij hetgeen Jesus hier van Judas moest verduren. Zult gij nimmer lee-ren iets te verdragen in de school van een Meester, die zooveel uit liefde tot u heeft willen lijden? Zult gij met dit heerlijk voorbeeld van alvergevende liefde voor oogen, nog in klachten en bittere woorden uitbreken tegen degenen, die u verongelijken? Zult gij uw gramschap tegen hen botvieren, uwen broeder do hand der verzoening weigeren en in haat en vijandschap voortleven? Ach, indien gij aldus gestemd zijt, dan kent gij den geest van Christus niet; dan zijt gij geen waardig leerling van den liefdevollen Meester, die als Hij geslagen werd niet weder sloeg, als Hij gescholden werd niet we-
126
der schold, maar voor ieder, ook voor zijn verrader, slechts woorden vol goddelijke liefde op de lippen droeg. Ach, erken het, dat gij tot nog toe ver verwijderd waart van Jesus' liefde; vraag Hem berouwvol om vergiffenis en neem het besluit, voortaan elke beleedi-ging van ganscher harte te vergeven.
Voornemen. Zoo dikwerf iemand mij. beleedigt, zal ik, het voorbeeld des Heeren indachtig, hem van ganscher harte vergeven. Steeds zal ik aandachtig de bede in het âOnze Vaderquot; uitspreken: âVergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren'.
III. Overweeg, hoe eindeloos groot des Heeren goedheid, hoe onuitsprekelijk zijne barmhartigheid is jegens den zondaar. Met tevreden met Judas de ondubbelzinnigste blijken zijner alvermogende liefde te toonen biedt Jesus hem nogmaals in zijne einde-looze barmhartigheid de genade ter bekeering aan. Geen enkel middel laat Hij onbeproefd om den rampzaligen Judas tot inkeer te brengen. Ach, is thans het plechtig oogenblik niet aangebroken, waarop Hij gaat lijden en sterven om onze zielen te redden van den eeuwigen ondergang? Zal zijn kostbaar, zijn goddelijk bloed, dat Hij binnen eenige uren zal storten, voor dezen ongelukkige te vergeefs vergoten worden! O, die gedachte foltert het hart van don oneindig liefderijken God op veel smartelijker wijs
127
dan de ondankbaarheid en laaghartige boosheid, die Hij van Judas moest verduren. Daarom rust Jesus niet; daarom noodigt Hij den verblinden leerling uit; daarom dwingt Hij hem, als het ware, door de liefdevolle en teedero woorden, die Hij tot hem richt, zich vol berouw neder te werpen aan de voeten van dien goeden Meester, in wiens hart voor geen ander gevoelen plaats is, dan voor dat eener nameloos ontfermende liefde, O, welk eene vreugde zou zijn goddelijk hart niet vervuld hebben, bij alle smarten en folteringen, die Hij ging verduren, indien Hij ook den trouweloozen apostel het woord, het zalig en troostvol woord had kunnen toevoegen, dat Hij tot zoo menigen berouwvollen zondaar gedurende zijn leven gesproken had: âVertrouw, mijn zoon, uwe zonden worden u vergeven.quot; O eindelooze liefde van mijn Jesus, hoe ver, hoe mateloos ver gaat gij alle begrip uwer schepselen te boven! Zoudt gij, met dit onovertroffen bewijs van 's Heeren liefde voor oogen, er nog aan twijfelen of Jesus u wel in genade zal aannemen, indien gij tot Hem terugkeert? O, schep dan moed, wend u met vertrouwen tot uwen Verlosser. Al zoudt gij ook lang in de zonde hebben voortgeleefd, wanneer gij met een berouwvol en ootmoedig hart tot Jesus terugkeert zal Hij u den kus des vredes niet weigeren. Wanneer gij tot Hem komt met de oprechte begeerte den weg der onge-
128
rechtigheid te verlaten, alle zondige gewoonten af te leggen, uwe fouten en misslagen door ware werken van boetvaardigheid uit te wisschen en een beter leven voor Hem te leiden, o, dan zal Hij u met alle liefde en teederheid ontvangen, dan zal Hij, als de goede Vader van den verloren zoon, u vol vreugde aan zijn goddelijk hart drukken, den ring, het zinnebeeld der goddelijke liefde aan uwen vinger steken, het kostbaar gewaad der heiligmakende genade aan uwe ziel schenken en u een heerlijk feestmaal bereiden aan l zijn goddelijken Liefdedisch. Open Hem dan uw hart met kinderlijk vertrouwen, stel u voor, dat Jesus vol liefde wacht op het oogen-blik, waarop gij tot jfem zult gaari; bid f.' ' Hem ootmoedig om vergiffenis, bezweer Hem bij het bitter lijden en den smartvollen kruisdood, dien Hij voor u onderging, niet te ge-doogen, dat gij ooit weder door de zonde van Hem gescheiden zoudt worden: vraag Hem, dat Hij u weder als zijn-kind aanneme, smeek Hem om het vuur der goddelijke liefde, dat vuur, waarin dé zielen del- berouwvolle zondaars werden gelouterd en gezuiverd van alle vlekken en opgewekt om zich met heiligen ijver op do volmaaktheid toe te leggen.
Voornomen. Ik zal God dikwijls danken voor do eindelooze goedheid en barmhartigheid, waarmede Hij mij mijne zonden heeft vergeven en te allen tijde het leven-digst vertrouwen stellen in zijne liefde.
129
GEBED.
Dank, duizendmaal dank, o mijn Josus, voor uwe eindelooze liefde en barmhartigheid. Ja Heer, wel is uw hart vol medelijden en ontferming jegens den zondaar, dewijl Gij zelfs uwen verrader niet verstoot, maar hem vol goedheid de overvloedigste genade aanbiedt ter bekeering. Hoe menigmaal, dierbare Jesus, mocht ook ik in uwe liefde worden opgenomen en vergiffenis erlangen. Maar ach. Heer, ik was uwe liefde niet waardig, ik verdiende niet in uwe 'genade opgenomen te worden. Want in plaats van door de stipte vervulling uwer geboden aan uwe liefde te beantwoorden, maakte ik mij telkenmale aan de snoodste ondankbaarheid schuldig. Immers Gij waart nimmer moede mij alle misslagen te vergeven, terwijl ik bij de geringste beleediging, die men mij toevoegde, de bitterste klachten uitte, in toorn ontstak en slechts zon op middelen om de mij aangedane beleediging te wreken. Helaas! hoe weinig beijverde ik mij, uwe heilige lessen te onderhouden, uw verheven voorbeeld te volgen. Maar zie mij hier aan uwe voeten neergeknield, vast besloten alle liefdeloosheid, allo gevoelens van haat en wraakzucht uit mijn hart te verbannen. Verleen mij dan hiertoe uwe genade, lieve Jesus ; ik smeek er U om ter liefde van het goddelijk geduld en de zachtmoedigheid, waarmede
9
130
Gij alle beleedigingen verdragen en alle lijden verduurd liebt. Eindelijk smeek ik ü, mij bij al mijne werken te doordringen van de levendige gedachte aan uwe heilige tegenwoordigheid. O, dat die gedachte mij met eene heilige en eerbiedige vrees vervulle; dat zij mijne zwakheid sterke, mijn ijver aan wakkere, mijn moed verlevendige, opdat ik, na hier in getrouwheid en oprechtheid voor uw heilig aangezicht te hebben gewandeld, U eenmaal eeuwig moge aanschouwen in uwe heerlijkheid Amen.
ACHTTIENDE OVERWEGING.
JESUS WERPT DOOR EEN ENKEL WOORD ZIJNE VIJANDEN TER AARDE.
Do soldaten, die Judas vergezelden, traden nu op Jesus toe om zich van Hem meestor te maken. Jesus naderde hen en vroeg: âWien zoekt gijquot;? Zij antwoordden âJesus van Nazareth.quot; Toen zeide do Verlosser : âIk ben het,quot; en nog nauwelijks had Hij dit woord gesproken of zie, daar deinsden de vijanden des Heeren terug en vielen zij allen, als door eene onzichtbare hand getroffen, ruggelings neder op don grond. Zoo wilde Jesus hun een schitterend blijk geven van zijn almacht en hun toonen, dat Hij geheel vrijwillig zijn lijden en dood te
131
gomoet ging. Toen zij weder waren opgestaan herhaalde de Heer zijne vraag, en andermaal gaven zij te kennen, dat zij Jesus zochten. En niet denkend aan zijn eigen heil, maar slechts bedacht op de redding zijner apostelen, antwoordde de Verlosser: , Ik heb het u reeds gezegd, dat Ik het ben; indien gij dan Mij zoekt, zoo laat dezen gaan.quot;
I. Bewonder hier op de eerste plaats de almacht van den Verlosser, die door een enkel woord van zijn goddelijken mond geheel die gewapende bende ter aarde werpt; maar bewonder ook tevens zijne oneindige goedheid ; want door aan zijne vijanden dit duidelijk bewijs zijner Godheid te geven, beoogde Hij niet anders dan hen tot inkeer te brengen en hen van hun goddeloos voornemen te doen afzien. Overweeg, hoe God menigmaal op dezelfde wijs handelt met eene ziel, die Hij tot den weg der volmaaktheid roept. Hij zendt haar lijden, ziekte en vervolgingen, Hij zendt haar verschillende kwellingen en beproevingen over; niet met het doel om zich te wreken over de miskenning, de beleediging, die zij Hem aandeed, maar om haar tot ernstig nadenken te stemmen, haar den weg ter bekeering gemakkelijk te maken en tot een volmaakter en heiliger levenswandel op te wekken. Werp een blik op u zeiven en vraag u af, in welken geest gij de kwellingen en wederwaardigheden des levens opneemt; of gij innig doordrongen
132
zijt van de gedachte, dat de oneindig liefderijke God u beproeft in dezen tijd, om u te kunnen sparen in de eeuwigheid. Helaas! hoe menigmaal hebt gij door uw ongeduld, door uw morren tegen zijne vaderlijke beschikkingen u die liefde des Heeren onwaardig getoond. Verneder u dan voor God, smeek Hem om vergiffenis; bedank Hem voor do barmhartige liefde, die Hij u bewees en vraag Hem de genade, om in het vervolg alle beschikkingen zijner vaderlijke voorzienigheid met zulk eene eerbiedige onderwerping te mogen aannemen, dat zij allen tot heil uwer onsterfelijke ziel, tot vermeerdering uwer glorie in den hemel mogen strekken.
Voor nem e n. Voortaan zal ik het kruis, dat God mij overzendt, steeds beschouwen als een bewijs zijner vaderlijke genegenheid en het met liefde dragen. Dikwijls zal ik met den H. Augustinus tot God verzuchten: âHeer, wil mij hier branden en snijden, maar spaar mij in de eeuwigheid' !
II. Overweeg, welk een indruk Jesus' tegenwoordigheid en het woord, dat Hij mot kalmte en waardigheid sprak, op zijne vijanden maakte; hoe zij, ofschoon de Heer in de diepste armoede en verlatenheid, als in eene zee van kwellingen en smarten daar voor hen stond, verschrikt terugweken en, als door een onzichtbare hand geslagen, op den grond nedervielen; en besluit hieruit, hoe schrikwekkend zijn aanblik voor den
133
zondaar zijn zal op den jongsten dag, wanneer Hij zal komen, gezeten op de wolken des hemels, bekleed met de macht en heerlijkheid zijns Vaders en omgeven door dui-zende tienduizendtallen van engelen, om de levenden en dooden te oordeelen. Stel u voor, dat op dit oogenblik die dag reeds voor u is aangebroken, dat alle schepselen daar geschaard staan voor den troon van den eeuwigen Rechter en dat gij wordt opgeroepen voor Gods vierschaar. Verbeeld u, dat Jesus u het woord toevoegt, dat Hij eenmaal sprak in den Olijfhof: âIk ben het; Ik ben Jesus, de God, die u heeft geschapen, die u door zijn kostbaar bloed en zijn bitteren kruisdood heeft vrijgekocht en verlost. Ik ben Jesus, die u door het heilig doopsel opnam in de heilige Kerk en met tal van genaden ter zijde stond. Ik ben Jesus, die u zoo menigmaal vergiffenis schonk van uwe zonden, die u zoo dikwijls spijsde met mijn goddelijk Vleesch en Bloed. Welaan, hoe hebt gij aan mijne genaden beantwoord, hoe mijne wetten onderhouden en mijne veorschriften vervuld? Toon mij de deugden, die gij hebt beoefend, do goede werken, die gij hebt verricht. Verschijn voor mijn troon! Geef rekenschap van mijne gaven, rekenschap van uwe werken en antwoord Mij!' Helaas! wat zult gij antwoorden in dat verschrikkelijkste aller uren, zoo gij de zonden van uw ver-
184
vlogen leven niet door ware boetvaardigheid zult hebben uitgeboet, wanneer gij daar arm aan deugden zult staan voor uwen God en uw eigen werken als getuigen tegen u zullen optreden? Hoe zult gij de wraak van den gramstorigen Eechter ontvlieden? Hoe zal het u dan vergaan in dien vreeselijken stond, waarin nauwelijks de rechtvaardige in veiligheid zal zijn? Ach, indien gij sidderen moet bij de gedachte aan het vreeselijk lot, dat u daar wacht, keer dan op dit oogen-blik nog terug tot uwen Heer, nu de gelegenheid u hiertoe wordt aangeboden, en tracht in het vervolg zulk een leven te leiden, dat gij het vonnis van den toekomstigen Eechter niet behoeft te duchten. Verneder u voor Jesus; werp u aan zijne voeten neder; betreur het verledene, beween uwe zonden, pleeg boete, en zoek hulp en troost bij Hem, want zal Hij eenmaal uw Rechter zijn, nu is Hij voor u nog de zachtmoedige Verlosser, die u met onuitsprekelijke liefde bemint en die niets vuriger verlangt, dan u zijne genaden te schenken in den tijd en zijne glorie in de eeuwigheid.
V o o rn e m e n. Dikwerf zal ik mijne uitersten indachtig zijn, om mijn hart met eene heilzame vrees voor de zonde te vervullen.
III. Overweeg de woorden, die Jesus tot zijne vijanden sprak: , Wanneer gij Mij zoekt, laat dan dezen weggaan !' en zie met welk eene vaderlijke bezorgdheid de liefdevolle
135
Verlosser waakt over zijne leerlingen. Terwijl de soldaten Hem van alle zijden omringen, terwijl zij zich. gereed maken Hem gevangen te nemen en onder den bittersten smaad heen te sleuren naar Jerusalem, vergeet Jesus zich zeiven om slechts te denken aan zijne leerlingen. Vrij mogen zijne vijanden en vervolgers met de moeste verbittering tegen Hem woeden; vrij mogen zij Hem folteren met een wreedheid zoo bloeddorstig en gruwzaam gelijk nog nimmer aanschouwd werd, indien zij slechts zijne beminde leerlingen sparen, zoo zij dezen slechts ongehinderd en in vrede laten vertrekken. O wie zou zulk een Heer niet willen dienen, zulk een liefderijken Meester, die zoo bezorgd is voor de zijnen en hen zoo weet te beschermen? Wat zoudt gij nog vreezen, gij kleinmoedige, indien gij den almachtigen God tot beschermer hebt. Verlaat u dan vrij op uwen Verlosser en spreek tot Hem in het volste vertrouwen: âHeer, Gij zijt mijn licht en mijn heil, wien zal ik dan vreezen; Gij zijt de beschermer mijns levens, wien zal ik dan duchten.quot; Wanneer gij die teedere bezorgdheid beschouwt, die Jesus voor de zijnen aan den dag legt, op een oogenblik, waarin een ieder slechts aan zijn eigen heil zou gedacht hebben, wanneer gij ziet hoe liefdevol Hij waakt over zijne leerlingen, opdat niemand hun eenig leed zou aandoen, o voelt gij dan uw hart niet in vurige
ISC
liefde tot dien goeden Meester ontstoken, en door een onbegrensd vertrouwen op zijn almacht gesterkt ? Zult gij dan nog vreezen, dat Hij u aan de woede' uwer vijanden zal prijs geven ? O, schep dan moed, gij kleingeloo-vige, en koester steeds een levendig vertrouwen op de liefde en ontferming van Jesus' goddelijk hart; en mocht de duivel trachten, dat vertrou ⢠wen in u aan het wankelen te brengen, denk dan, hoe de Zoon van God zich vrijwillig in de handen zijner vijanden overleverde om u te redden, hoe Hij wil lijden en sterven om u van de straffen der hel en van den eeuwigen dood te bevrijden Bemin uwen Verlosser, aanbid Hem, loof, prijs, zegen Hem en breng Hem den innigsten dank van uw hart.
Voornemen. Te allen tijde zal ik een onbegrensd vertrouwen stellen op 's Heeren goedheid en liefde. Naar het voorbeeld van Jesus zal ik steeds zorg dragen voor allen, die aan mijn hoede zijn toevertrouwd.
GEBED.
Goddelijke Verlosser, vol eerbied kniel ik aan uwe voeten neder, om U mijne onsterfelijke ziel en hare eeuwige belangen aan te bevelen. Ach, wanneer ik denk aan dien vreese-lijken dag des oordeels, waarop Gij als opperste Rechter zult komen, om van uwe schepselen rekenschap te vorderen, wanneer ik een blik werp op de vele zonden, waarmede ik U in mijn leven beleedigde en de traag-
137
heid en onverschilligheid, die ik in uwen heiligen dienst aan den dag legde, o dan krimpt mij het hart van angst en ontzetting ineen, en moet ik wel vreezen eenmaal het onherroepelijk vonnis mijner eeuwige verwerping uit uwen mond te zullen vernemen. Immers aan welk eene lichtzinnigheid maak ik mij voortdurend schuldig in mijn omgang met de wereld, welk eene gehechtheid gevoel ik nog aan de vergankelijke genoegens en beuzelarijen van dit leven, hoe traag ben ik nog in het onderdrukken en beteugelen mijner hartstochten, hoe zwak in het bestrijden der bekoringsn, hoe nalatig en verstrooid in het verrichten mijner oefeningen van godsvrucht, hoe trotsch, hoe liefdeloos en onverstorven in geheel mijn gedrag. Ach, Heer Jesus, wat zal er van mij worden, wanneer ik blijf voortleven op den weg, die mij reeds zoo ver van ü deed afdwalen! Sta mij dan bij, ik bid het U, om de verdiensten van uw heilig lijden, gedoog niet, dat ik nog langer van uwe liefde gescheiden blijve. Helaas, o mijn Jesus, ik ben een zwak en zondig schepsel, maar zie, ik kom tot U met een onbegrensd vertrouwen op uwe alvermogende kracht; ik ben traag en onverschillig geweest in uwen dienst, maar Gij zijt de God van liefde en barmhartigheid, die den verflauwden ijver in de harten uwer kinderen wederom weet op te wekken en te verlevendigen. Kom mij dan te hulp.
138
Heer Jesus, ik smeek het ü, kom mij te hulp tegen de ontelbare vijanden, die mij omringen. Gij, sterke God, hebt door een ei;kel woord van uwe almacht uwe vervolgers ter aarde geworpen, o zult Gij dan ook mij niet bijstaan in dien zwaren strijd, dien ik te voeren heb, tegen de belagers mijner ziel. Drijf hen dan op de vlucht, o mijn God, of schenk mij althans de noodige krachten om hunne aanvallen te wederstaan, hunne listen te verijdelen en over alle bekoringen te zegevieren. Geef mij moed en geduld om alle kruisen te dragen, die Gij mij zult opleggen, en alle offers te brengen, die Gij van mij zult vorderen. Verleen mij, dat de gedachte aan de eeuwigheid, die weldra voor mij zal aanbreken, mij immer bij-blijve, opdat ik van dit oogenblik af, met edelmoedigheid, ijver en standvastigheid aan mijne heiliging arbeidend, in uwe liefde moge sterven en een genadig Rechter in U moge vinden. Amen.
NEGENTIENDE OVERWEGING.
DE GEVANGENNEMING VAN CHRISTUS.
Nauwelijks had Jesus die woorden vol teedere bezorgdheid ter gunste zijner apostelen gesproken, of de soldaten en gewapende dienaren vielen onstuimig op Hem
139
aan; een der woestelingen, een knecht van den Hoogepriester, met name Malchus, trad vooruit en wilde reeds de hand slaan aan den liefdevollen Verlosser, toen de vurige Petrus, zich zeiven niet meer meester, vol verontwaardiging zijn zwaard trok en hem met oen enkelen slag het rechteroor afhieuw. Vol zachtmoedigheid berispte Jesus den voortvarenden apostel en sprak: , Steek uw zwaard in de schede; zou ik den kelk niet drinken, dien de Vader mij gegeven heeft?' En niet lettend op de vijandige bedoelingen, waarmede de dienaar tot Hem kwam, raakte Jesus zijn oor aan en op dien eigen stond was het genezen. Toen stelde Hij zich in de handen zijner vervolgers en _zeide: âMet zwaarden en stokken, als om een roover te vangen, zijt gij uitgegaan, terwijl Ik dagelijks bij u was in den tempel, hebt gij uw hand niet naar Mij uitgestrekt; maar dit is uw uur en de macht der duisternis!' ; I. Overweeg, welke woorden van geduld en overgeving aan den wil zijns hemelschen Vaders Jesus sprak, toen Petrus in zijn voortvarenden ijver zich tegen de gevangenneming van zijn goddelijken Meester wilde verzetten: âZou ik den kelk niet drinken, dien de Vader mij gegeven heeft?' O antwoord vol zoetheid en kloekmoedigheid, o woord vol onderwerping en overgeving aan Gods heiligen wil. O spreek aldus, wanneer gij onder de kwellingen en beproevingen dos
140
levens gebukt gaat, wanneer gij eenig deel krijgt aan den bitteren lijdenskelk van uw liefdevollen Meester: âDen kelk, dien de hemelsche Vader mij gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? 't Is de teederste aller vaders, die met liefdevolle hand dien kelk voor mij gemengd heeft en bereid; zou ik dien dan niet met kinderlijke onderwerping aannemen en met vreugde drinken?quot; Ach, wat is al het lijden, dat God u in deze wereld overzendt? Wat beteekent die droefheid, die u terneérdrukt, wat die ziekte, die u van de bedriegelijke genoegens der wereld verwijderd houdt, wat is die laster, die verachting, die vernedering, welke gij van de schepselen hebt te verduren, wat die armoede, waarmede gij hebt te worstelen, wat alle kwellingen en kruisen van ons vluchtig leven, vergeleken bij de zee van smarten, die Jesus is doorgegaan, vergeleken bij de eeuwige glorie, die wij er mede kunnen verdienen, O, de eenige Zoon van God heeft dien allerbittersten kelk met de grootste onderwerping tot den bodem toe geledigd uit liefde tot u, zoudt gij dan weigeren er eenige druppelen uit te drinken? Zoudt gij dien kelk afwijzen, omdat hij u te bitter toeschijnt en uwe lippen zetten aan den beker der wellust? Ach, bedenk het wel, om eenige oogenblikken van bitterheid te ontgaan, berooft gij u van alle zoetheid der hemelsche vertroosting, die op den bodem
141
van den lijdensbeker ligt, en om eene kortstondige voldoening, die gij in den bedwelmenden beker der zinnelijke genietingen meent te zullen vinden, zwelgt gij niet volle teugen het gif in, dat uwe ziel doodt en ii aan het gevaar blootstelt om later den beker van Gods gramschap tot den bodem toe in de eeuwige hellestraf te zullen moeten drinken. Beween uwe zwakheid, volg uwen Verlosser na en spreek vol ootmoed en onderwerping aan Gods vaderlijke voorzienigheid : âIk zal den beker van bitterheid, den kelk des heils aannemen en den heiligen naam des Heeren aanroepen, opdat Hij mij kracht schenke, dien naar het voorbeeld van Jesus tot den bodem toe te ledigen.quot;
Voornemen. De kruisen, die aan mijn levensweg zijn verbonden, zal ik nimmer trachten te ontvlieden, maar met behulp van Gods genade vol onderwerping dragen.
II. Overweeg, welk verheven voorbeeld Jesus ons schenkt van liefde jegens zijne vijanden. De heerlijke les, die Hij weleer op den berg der zaligspreking in woorden ons voorhield: âBemint uwe vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen, die u vloeken en bidt voor die u vervolgen eu lasteren' verkondigt Hij ons hier door zijne werken. De liefdevolle Verlosser denkt er niet aan, dat Malchus Hem vervolgt en in boeien wil slaan om Hem onder de smadelijkste mishandelingen naar Jerusalem te sleuren; Hij
142
volgt slechts de ingeving van zijn goddelijk hart en op hetzelfde oogenblik, dat de handlanger des Hoogepriesters zijne heiligschen-nende hand aan Hem wil slaan, heft Jesus zegenend zijne hand op om diens oor te genezen. O wilt gij in waarheid een kind zijn van dien God, die in eindelooze liefde zijne zon laat schijnen over rechtvaardigen en 011-rechtvaardigen, wilt gij een leerling zijn van Jesus Christus, die zijnen vervolgers do innigste liefdediensten bewees, heb dan uwe vijanden lief. Valt het u echter zwaar, te vergeven aan hen, die iets togen u misdeden en nog zwaarder, het geleden onrecht met liefdediensten te vergelden, wend u dan in uwe ellende tot Dengene, van wien alle heilige begeerten, goede ingevingen en rechtvaardige werken voortkomen; smeek Hem om kracht, opdat Hij, de God der liefde, ii die volmaakte liefde tot den naaste leere beoefenen en u in de beoefening dier schoono deugd de hoogste vreugde doe vinden.
V o o rn e m e n. Ik zal God dikwerf vragen om de genade alle kwaad niet goed te mogen vergelden.
III. Overweeg de woorden, die Jesus tot zijne vervolgers sprak: âMet zwaarden en stokken, als om een roover te vangen, zijt gij uitgegaan; terwijl Ik dagelijks bij u was in den tempel hebt gij uwe hand niet naar Mij uitgestrekt; maar dit is uw uur en de macht der duisternis!' â Dit is uw uur en
M3
de macht der duisternis. O rampzalig'oogen-blik, waarin God den zondaar aan zich zeiven overlaat, waarin Hij hem de volle vrijheid laat om zijn Schepper te beleedigen! O ijselijke duisternis, die do misdaden der boo-zen bedekt, die hunne schande voor een oogenblik verborgen houdt en den afgrond aan hunne blikken onttrekt, waarin zij zich nederwcrpen. Onderzoek u zeiven in allen ernst en vraag u af, hoevele oogenblikken van uw leven wellicht door de zonde zijn bezoedeld. Hoe hebt gij den tijd, dien God u schonk, tot op dit oogenblik besteed ? Hebt gij niet de voornaamste plichten verzuimd, die aan uwen staat waren verbonden? Hebt gij de waardigheid van Christen, waartoe God u verhief, niet menigmaal uit het oog verloren? Helaas, hoe dikwerf hebt gij de beloften geschonden, die gij bij uw doopsel voor Hem hebt afgelegd; hoe dikwerf zijne wetten met voeten getreden en uwe hartstochten ingewilligd! Zijt gij op dit oogenblik nog wellicht niet de slaaf eener verderfelijke zondige gewoonte? En indien dit zoo is, kunt gij dan rustig voortleven en uwen weg zonder eenige vrees vervolgen? âDit is uw uur,quot; zoo roept Jesus ook u toe; âmaar weet het wel, eenmaal zal Ik het mijne hebben en niemand zal het mij ontrooven.quot; Het uur, waarover gij beschikken kunt, is het vluchtige uur uws levens, dat weldra zal vervlogen zijn, maar het uur van Jesus Christus is do
144
eeuwigheid, die Hij geheel zal bezigen om de zondaren te straften. Zult gij den tijd, dien God u in zijne liefde schenkt, nog langer gebruiken om naar het verbodene te streven ? Zult gij nog langer in dio noodlottige verblindheid voortleven en de kostbare oogen-blikken, die u nog wachten, andermaal in den dienst dos duivels verkwisten ? Durft gij u vleien niet do gedachte, dat God, die reeds zoo lang vol geduld wachtte op uwe bekeering, u in het leven zal laten, totdat gij den weg der zonde zult verlaten en u met Hem zult verzoend hebben? Ach, indien uw geweten u hier aanklaagt van die schromelijke verblindheid, bekeer u dan oprecht tot God en smeek Hem de genade af, den tijd, die u nog rest, uitsluitend te besteden om uwe zonden te beweenon, uwe misslagen uit te boeten, de deugd te beoefenen en aan de heiliging uwer ziel te arbeiden.
V o o r n e m e n. Ik zal van dit oogenblik af den tijd, die mij nog wordt geschonken, aan den dienst van God en de heiliging mijner ziel besteden. Bij al mijne werken zal ik mij afvragen, welk voordeel zij mij kunnen aanbrengen in de eeuwigheid.
GEBED.
Beminnelijke Verlosser, duizendmaal dank ik U voor do verheven lessen, die Gij ons in uw heilig lijden hebt geschonken. Gij, Heer Jesus, leert ons, dat wij allo lijden met
145
geduld en onderwerping moeten dragen. Gij verkondigt ons, dat wij de ontvangen belee-digingen van ganscher harte moeten vergeven en met weldaden vergelden, zoo wij niet alleen in naam maar in waarheid kinderen willen zijn van uwen Vader. Maar ach, ik ben zoo zwak, zoo licht schrikt mijne natuur voor het lijden terug, zoo spoedig komt mijn hoogmoed in verzet tegen het onrecht en de beleedigingen, dio mij worden aangedaan. Zie, vol leedwezen erken ik, dat ik niet waardig ben uw leerling genoemd te worden, omdat ik mij zoo weinig beijverde uwe voetstappen te drukken. Van dit oogen-blik af echter wil ik beter uwe voorschriften onderhouden. O wanneer Gij mij dan deel geeft aan uwen lijdenskelk, lieve Jesus, schenk mij dan tevens de hulp uwer genaden, waardoor alle lijden verzoet wordt, opdat ik hem voortaan met geduld en onderwerping, met blijmoedigheid en heilige vreugde moge ledigen. Sterk mij ook, dierbare Jesus, en ontsteek mijn hart met het vuur uwer goddelijke liefde, opdat ik niet alleen mijne vrienden maar ook mijne vijanden van ganscher hart beminnen. O, van dit oogenblik af wil ik nimmermeer denken aan geleden smaad en onrecht maar alleen aan uwe onuitsprekelijke goedheid en barmhartigheid. Daarom, bid ik ü, zegen allen, Heer Jesus, die mij ooit beleedigden, stort in alleu overvloed uwe weldaden over hen uit en schenk hun
10
146
bovenal de genaden, die hun noodig zijn om in uwe liefde te leven en in die liefde te volharden. Eindelijk verleen mij, ik smeek er ü om in de bitterste droefheid mijns harten, verleen mij vergiffenis voor de vele oogenblikken, die ik niet in uwen heiligen (flenst doorbracht en die onherroepelijk voor mij gingen verloren. Aan uwe voeten neergeknield hernieuw ik nogmaals het besluit om den tijd, die mij nog rest, alleen en uitsluitend aan het groote werk mijner zaligheid te besteden, opdat ik eenmaal, wanneer mijn levenstijd zal verstreken zijn en het uur der vergelding zal aanbreken, hot loon van mijn arbeid uit uwe hand moge ontvangen. Amen.
TWINTIGSTE OVERWEGING.
DE VLUCHT DER APOSTELEN.
De verblinde soldaten en dienaren der Joden waren door de duidelijke bewijzen, die Jesus hun van zijne Godheid gegeven had, niet tot inkeer gekomen. Met woestheid vallen zij op den Heer aan, maken zich van Hem meester, binden Hem onder de gruwzaamste mishandelingen en beschimpingen de handen met sterke koorden en maken zich gereed Hem gevankelijk weg te voeren naaide stad. Toen de apostelen dit zagen voel-
147
den zij zich'den moed ontzinken. Ach, zoolang hun goddelijke Meester de woede zijner vijanden door zijn almacht in toom hield, kenden zij geen vrees ; maar toen zij Hom als een misdadiger geboeid zagen, werden zij op de vreeselijkste wijze geschokt in hun geloof; eene plotselinge vrees overmande hen en zonder er aan te denken, hoe zij nog kort te voren zich allen bereid hadden verklaard om met Jesus te sterven, verlieten zij ijlings den hof en zochten allen hun heil in de vlucht.
I. Overweeg, welk eene allersmartelijkste beleediging den Zoon Gods werd aangedaan, toen Hij door de woeste bende als een misdadiger geboeid werd, en bedenk hoe Hij dien schromelijken smaad voor onze zonden wilde ondergaan. Ach, Adam had in vermetelen overmoed en twijfel aan Gods woord zijne hand uitgestrekt naar de verboden vrucht; hij zondigde en verloor voor zichzelven en geheel zijne nakomelingschap de verheven voorrechten, waarmede God hem bij zijne schepping had begiftigd. In dat noodlottig uur werd de mensch de slaaf des duivels. En toen hij veertig lange eeuwen onder het loodzware juk van den helschen vijand had gezucht, toen kwam Jesus, do Zoon Gods, om voor de zonden dor wereld te boeten. Toen liet onze goddelijke Verlosser, de tweede Adam, zich in boeien slaan en gevankelijk wegvoeren, om den kinderen
148
van den eersten Adam het knellende slavenjuk van de schouders te nemen; toen wilde Hij als een verachtelijke slaaf mishandeld worden om ons de vrijheid der kinderen Gods terug te schenken. O, aanbid 's Heeren onuitsprekelijke liefde, dank Hem vurig voor zijne eindelooze barmhartigheid. Maar werp ook een blik op u zeiven en vraag u af, of gij de vrijheid, die u in het heilig Doopsel werd geschonken, niet andermaal misbruikt hebt' en verloren door op te staan tegen uwen Schepper en zijne wet te overtreden. Ach, op hetzelfde oogenblik, dat de mensch zijne ziel met eene doodzonde bezoedelt, verliest hij de vrijheid, die Jesus door zijn bloedig lijden en bitteren kruisdood hem verwierf, en andermaal wordt hij de slaaf des duivels. En hoe verder hij zich van zijn God verwijdert, hoe meer hij zijne zondige lusten inwilligt, des te zwaarder worden de boeien, die hem aan den dienst van satan houden gekluisterd. Ach, indien gij uwe vrijheid hebt verkocht voor een luttel genot, indien gij in de banden eener langdurige zondige gewoonte geboeid ligt, wend u dan vol berouw tot uwen geboeiden Verlosser; werp die onteerende kluisters van u af; bedenk, dat Jesus u heeft verheven tot een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk ; bedenk, dat gij geroepen zijt door een heiligen levenswandel de deugden te verkondigen van Hem, die u uit de duis-
149
I ternis der zonde heeft gevoerd tot zijn wonderbaar licht. Heb een afschuw van al wat laag is en onedel; heersch als koning over uwe hartstochten en neigingen, grijp naar het zoete juk van Christus ; want alleen in den dienst van uwen goddelijken koning zult gij de blijdschap des geestes en de vrede desquot; harten wedervinden.
Voornemen. Ik zal waken over al mijne neigingen en begeerten en door gebed en versterving elke zondige opwelling in mij met kracht bestrijden en onderdrukken.
11. Overweeg, welk een smartelijke slag aan het liefderijk hart van Jesus werd toegebracht, toen al zijne apostelen Hem ver-lieten en door vrees overmand de vlucht nemen. O, waar was ooit een heer, die zijnen dienaren, waar een meester, die zijnen leerlingen, waar een vader, die zijnen kinderen innniger liefde toedroeg, dan Jesus betoond had aan zijne apostelen? Met welke gunsten had hij hen overladen, welke hooge waardigheid hun geschonken! Had Hij hen niet uitverkoren boven al zijne leerlingen tot de grondsteenen zijner Kerk, tot zijne plaats-bekleeders op aarde? Had Hij hen niet bedeeld met zijne goddelijke wondermacht; waren zij niet de eersten in zijne Kerk, die Hij aan zijn geheimnisvollen Liefdedisch met zijn goddelijk Vleesch en Bloed had gespijzigd ? Had Hij hun de goederen des hemels niet toegezegd en hen aangewezen
150
als de rechters, die, op twaalf tronen gezeten, met Hem de twaalf stammen van Israël zouden oordeelen op den grooten dag der vergelding. En ach, diezelfde apostelen, met wie Hij drie jaar had omgegaan, die leerlingen, boven allen uitverkoren om de geheimen des rijks te kennen, zij dachten slechts aan hun eigen redding en zochten, ondanks hunne herhaalde verzekeringen hun Moester tot in den dood getrouw te zullen blijven, lafhartig hun heil in de vlucht. O wat grievende beleediging voor Jesus, wat snoode ondankbaarheid voor zooveel onuitsprekelijke gaven. Maar verfoeit gij de lafhartigheid der apostelen, ach, werp ook uw blik op u zeiven en vraag u af, of ook gij u niet aan dezelfde ondankbaarheid hebt schuldig gemaakt. Ook u had Jesus met vele genaden verrijkt. Uit duizendeu had Hij u uitverkoren en geroepen tot ïiet ware geloof; hij wiesch u in het H. Doopsel rein van allen zondesmet, nam u op in zijne Kerk, begroette u als zijn broeder, leerde u de goddelijke waarheid en zijne wetten en voorschriften kennen, wees u de middelen aan om in het goede te volharden, ontsloot u een onuitputtelijke en immer vloeiende â bron van geestelijke gunsten in zijne heilige Sacramenten,, sterkté -u met de Tarwe der uitverkorenen, laafde u met den Wijn, die maagden kweekt, sterfl u onophoudelijk ter zijde met zijne heilige ingevingen en genaden en bereidde u eene
151
plaats in zijn hemelsch koninkrijk, En, ach ondanks die wonderbare uitverkiezing, ondanks de ontelbare zegeningen, die Hij over u uitstortte, verliet gij uwen God en zocht gij uw geluk bij het schepsel en in de voldoening uwer hartstochten. O, treed dan in u zeiven, klop rouwmoedig op uwe borst, beken uwe ondankbaarheid, beloof uwen Verlosser dat gij Hem nimmer, nimmermeer zult lt;5 verlaten en dat gij bereid zijt liever te sterven, dan nogmaals door de zonde van Hem gescheiden te worden.
Voornemen. Dikwerf zal ik Gods weldaden indachtig zijn en door die herinnering mijn ijver in zijn heiligen dienst aanwakkeren en levendig houden.
III. Overweeg, hoe wispelturig en onstandvastig de gunst is der menschen. Toen Jesus optrad als machtig Wonderdoener en Profeet, toen Hij de zieken genas, de duivelen uitdreef en de dooden opwekte, toen gansche scharen Hem volgden op zijn weg en in opgetogen bewondering naar zijne goddelijke lessen en vermaningen luisterden, toen Hij door een wonder zijner almacht duizenden spijzigde in de woestijn, toen Hij de stormen stilde op het meer en ontelbare vis-schen in de netten der leerlingen bijeenbracht, toen het volk Hem juichend en jubelend te gemoet trok en Hem tot koning wilde uitroepen, toen verlieten de apostelen de zijde van Christus niet, toen bleven zij Hem ge-
152
trouw. Maar toen zij Jesus in de macht zijner vijiiiulen zagen, toen Hij geboeid werd als een misdadiger, toen Hij gevankelijk zou worden weggevoerd naar Jerusalem en zijn lijden een aanvang ging nemen, helaas, toen namen zij allen de vlucht, vergaten zij al hunne beloften van trouw en gedroegen zij zich, als kenden zij hun goddelijken Meester niet. Ach, ziedaar het droevig verschijnsel, dat zich zoo menigmaal voordoet in de wereld. Wanneer de fortuin u tegenlacht en het geluk u vergezelt op uw schreden, wanneer gij in eer en aanzien zijt verheven, dan beijvert een ieder zich u van dienst te zijn, dan rekent een ieder het zich tot eene eer in uwe vriendschap te worden opgenomen. Maar wanneer een donkere wolk dat blijde licht van geluk en voorspoed op uwen levensweg onderschept, wanneer de fortuin u den rug toekeert, en het gebrek aan de deur uwer woning aanklopt, wanneer gij uw invloed hebt verloren en door uwe medemen-schen wordt veracht en vervolgd, dan zoekt uw oog te vergeefs naar een vriend, dan verlaten allen uwe zijde en schijnt niemand zich uwer meer te herinneren. Ach, waarom zoudt gij u dan nog hechten aan het schepsel, waarom heil en troost zoeken in de wispelturige en veranderlijke gunst der men-schen.'Neen, slechts bij God en in zijn dienst is ware blijdschap des geestes, ware vrede des gemoeds, ware troost in lijden te vin-
153
den. Verlevendig dan ixw geloof, wek u op tot vertrouwen op Hem, verlaat u op zijne goddelijke voorzienigheid; Hij is uw Vader, ook dan, wanneer Hij u schijnt vergeten te hebben. Hij blijft vol liefde zijn oog op u gevestigd houden; Hij zal voor u zorgen, u bezoeken, u opbeuren en vertroosten. Hij alleen is in staat u de noodige kracht te schenken om alle beproevingen, die u overkomen kloekmoedig te dragen; aan zijne vaderlijke hand zal Hij u voortleiden, totdat gij behouden het doel van uwen pelgrimstocht zult bereikt hebben en aan de poorten des hemels zult zijn aangekomen.
Voornemen. Ik zal mijn hart onthechten aan de schepselen en in alle omstandigheden mijns levens slechts op God vertrouwen.
GEBED.
Dierbare Jesus, heb modelijden met een armen zondaar, die zich vol berouw aan uwe voeten nederwerpt en uwe genade inroept. Toen ik in de diepste ellende hulpeloos en verlaten nederlag, toen ik gebukt ging onder het zware juk mijner zonden, 'hebt Gij U vol ontferming mijn lot aangetrokken. Gij daaldet neder uit den hemel, naamt een sterfelijk lichaam aan en kwaamt tot mij om mij van mijne boeien te bevrijden. Zelf hebt Gij ze toen opgenomen en gedragen, die zware kluisters, die ik door mijne ontelbare zonden en overtredingen verdiend
154
had. En terwijl Gij, God van oneindige majesteit en glorie, ü zoo onuitsprekelijk diep vernederdet, hebt Gij mij, armen zondaar, opgeheven uit het stof, mij in aanzien gesteld en macht en met ontelbare voorrechten begunstigd, opdat ik ü voortaan met een dankbaar hart zou dienen en den weg uwer geboden blijven bewandelen. Maar ach, ik was ondankbaar genoeg om andermaal uwen dienst te verlaten, om het zoete juk, dat Gij mij op de schouders legdet, van mij af te schudden en in vermetelen overmoed ü mijn dienst te weigeren. En andermaal lag ik in de onteerende kluisters der zonde geboeid; en in plaats van mij tot U te wenden zocht ik hulp en troost bij het schepsel. Maar zie, ik heb begrepen, dat bij U alleen ware vreugde en bestendige vrede te vinden is. Daarom kom ik nogmaals tot U, lieve Jesus, in het vaste vertrouwen, dat Gij een ootmoedig en vermorzeld hart niet zult versmaden. 0 tot wien beter zal ik gaan dan tot ü, die uit liefde tot mij, mijne boeien hebt willen dragen! Genade en barmhartigheid, o mijn beminnelijke Verlosser, voor de beleedigingen, voor de ondankbaarheid, waarmede ik aan uwe liefde heb beantwoord. Vergeef mij hetgeen ik tegen ü misdreef, en ontsteek in mijn hart eene vurige en standvastige liefde tot U. Mocht de gedachte aan uwe goedheid, uwe ontferming en barmhartigheid mij immer levendig voor
155
den geest staan, opdat ik in het vervolg door niets ter werejd mij ooit weder van uwen dienst late afbrengen. Want in uwe liefde, o mijn Jesus, wil ik leven, in uwe liefde wil ik sterven, en uwe liefde hoop ik eenmaal eeuwig met alle engelen en gelukzaligen te prijzen en te verheerlijken in eeuwigheid. Amen.
EEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT HEENGELEID NAAR ANNAS EN KAIPHAS.
De voorspelling des Heeren was vervuld; de Herder was geslagen en de schapen der kudde waren verstrooid geworden. Jesus stond daar als een misdadiger geboeid en omringd door zijne vervolgers. Ach, nu was het uur daar, waarop de booswichten vrij spel hadden en de machten der duisternis tegen den Zoon Gods ontketend waren. âHij, dien ik kussen zal, Hij is het, grijpt Hem en leidt Hem voorzichtig weg,quot; zoo had de verrader gesproken. Daarom namen de vijanden des Heeren alle voorzorgen, opdat hunne prooi hun ditmaal niet zou ontsnappen. Van alle kanten omsingelen zij Jesus, nog vaster worden do koorden om zijne heilige handen samengesnoerd. Daarna slaan zij ijlings den weg
156
in, die over de beek Cedron heenvoert naar Jerusalem. Ach, wie zal ze beschrijven, de mishandelingen en onteeringen, waaraan het goddelijk Lam bloot stond op dien smartvol-len weg van den Olijfberg naar het huis des Hoogepriesters. Opperpriesters en Pharisaeën, Joodsche dienaren en Bomeinsche soldaten, allen wedijverden als het ware met elkander, wie Hem het smadelijkst zal hoonen, het grievendst zal treffen. Aan zijne kleederen, aan de uiteinden der koorden, waarmede zijne handen geboeid zijn, sleuren de woestelingen den Heer onder een vloed van slagen en godslasteringen voort naar de stad. Op den weg naar de woning van Kaïphas lag het huis van Annas, den schoonvader des Hoogepriesters ; daar hield de bende stand, en werd Jesus naar binnengeleid, omdenboos-aardigen grijsaard het wreede genoegen te verschaffen, zich eenige oogenblikken in het gezicht van den geboeiden Jesus te verlustigen. Dan voerde de bende Hem naar Kaiphas, waar de Joodsche raad in het nachtelijk uur was bijeengekomen en met ongeduld den uitslag van hunne onderneming verbeidde.
I. Overweeg, hoe geheel anders deze gang naar Jerusalem voor Jesus was, dan die, welken Hij eenige dagen geledena flegde, toen Hij van Bethanië de stad naderde. Toen was Hij vergezeld van zijne leerlingen ; de inwoners van Bethanië volgden Hem jube-
157
lend op zijne schreden en geheele scharen trokken Hem uit Jerusalem te gemoet; kleederen werden voor Hem uitgespreid op den weg; het frissche loof van palm- en olijf-boomen strooide men voor Hem uit, en de lucht weerklonk van de juichkreten der opgetogen menigte: âGezegend de Koning, die komt in den naam des Heeren! Hosanna den Zoon van David!quot; Nu echter heeft al die glorie, al dat vreugdebetoon plaats gemaakt voor de grievendste vernedering, voor den diepsten smaad. De eenigste van zijne twaalf apostelen, die Hem vergezelt, is zijn leerling niet meer ; 't is de afvallige Judas, de verrader zijns Meesters; alle andere apostelen hadden Hem verlaten en kozen lafhartig de vlucht. Hetzelfde volk, dat Hem toen tot Koning uitriep en Hem met palm- en olijftak te gemoet trok, is nu tegen Hem ; het veracht Hem als den laagste van alle misdadigers; het overlaadt Hem met beschimpingen en rust niet voordat het Hem ten kruisdood ziet verwegen. Ziedaar een beeld van het vergankelijke van allen aardschen roem, van alle grootheid dezer wereld. En toch, indien gij een blik slaat op u zeiven en u afvraagt, waarop gij u beroemdet, waar gij uw geluk meendet te zullen vinden, moet gij dan niet erkennen, dat gij ze gezocht hebt in de ijdelheden, en de beuzelarijen van dit leven. Ach, met koortsigcn drift greept gij naar den beker der levensvreugden, dien do
158
wereld u aanbood; gij drenkt er van, met volle teugen wellicht dronkt gij er van, en op den bodem van dien kelk vondt gij niets anders dan walging en een onuitsprekelijk gevoel van leegte en smart. Neen slechts in de bestrijding uwer hartstochten, in de beoefening der deugden en in de volbrenging van Gods wet kunt gij ware vreugde vinden ; slechts eene innige vereeniging met God opent u die geheimnisvolle bron dei-geestelijke vertroostingen, eene bron, die nimmer uitdroogt en waaraan voortdurend broeder stroomen voor u ontwellen, naar mate gij u meer van al het aardsche weet te onthechten, een bron, die aan allen, welke er van drinken, eene voorsmaak geeft van de vreugden des hemels. âDe wereld gaat voorbij en al hare begeerlijkheid met haar; maar hij die Gods wil volbrengt, hij blijft in eeuwigheid.quot; Neem dan het besluit, nimmer naar de vergankelijke goederen en genoegen der wereld te streven, maar uw geluk te zoeken in een zuiveren levenswandel en een onbevlekt geweten; want alleen daarin is ware vrede voor uwe ziel te vinden.
Voornemen. Eiken dag wil ik mij door kleine verstervingen aan de genoegens der wereld onthechten. Nimmer zal ik mij door den schijnglans der aardsche dingen laten verblinden.
II. Overweeg hoe de leden van den Jood-
159
schen Raad, allen in liet huis van Kaiphas zijn vergaderd en met ongeduld de terugkomst verbeiden van de bende, die was uitgezonden, om den goddelijken Verlosser gevangen te nemen. Schriftgeleerden en Pha-risaeën en vele andere aanzienlijke Joden, uit de velschillende deelen des lands te Jerusalem gekomen om er het Paaschfeest te vieren, bevinden zich daar bijeen, 't Is omstreeks middernacht, en toch, ondanks dit ver gevorderde uur, waren allen in de woning des Hoogepriesters bijeengekomen, om het doodvonnis over den onschuldigen Jesus uit te spreken. Ach, indien zij op dit uur in hun rust gestoord waren geworden, om eenig goed werk te verrichten, om een behoeftige te helpen, om bij het ziekbed van een ongelukkige te waken, wellicht niet één zou zijn nachtrust opgeofferd en zijne woning verlaten hebben. Maar nu het geldt, hot doodvonnis over Jesus uit te spreken, over den onschuldigen Jesus, die door zijn vlekkeloozen levenswandel, zijne verhevene lessen een doorn was in hun oog, omdat Hij hun hierdoor herhaaldelijk hunne zondige levenswijs verweet, nu zijn zij allen vereenigd, nu is niets hun te voel, nu valt geen offer hun te zwaar, zoo zij slechts hun misdadigen wensch mogen vervuld zien en zich voor goed van den Heer kunnen ontslaan. Vraag u af, of ook uw gedrag niet aan dat dei-Joden gelijk is. Immers wanneer er spraak
160
was van iets te verrichten, dat in strijd was met Gods wet, dan waart gij aanstonds tot dat werk bereid, zoo het u slechts de gelegenheid aanbood, uwe verkeerde lusten in te willigen; maar werd er een goed werk van u gevraagd, een gebed of eene godvruchtige oefening van u verzocht, sprak men u van do noodzakelijkheid, om uwe be-drevene zonden door boetvaardigheid uit te wisschen, of van het nut en de geestelijke voordoelen, die in de versterving zijn gelogen, dan stonden u allerlei uitvluchten ten dienste om u te verontschuldigen. Om zondige genoegens na te jagen of althans om uwe stoffelijke belangen te behartigen, wist gij immer tijd te vinden ; maar werd er van u gevergd, eenige oogenblikken aan de belangen uwer onsterfelijke ziel te wijden, dan schoot de tijd u te kort; met onverdroten ijver wist gij uwe tijdelijke belangen voor te staan ; deze boezemden u steeds de levendigste belangstelling in, maar gij waart traag en onverschillig, wanneer het er op aankwam, iets te ondernemen tot eer en glorie van God en ter heiliging uwer ziel. Welaan, denk aan uwe eeuwige belangen. Immers 't geldt niet een tijdelijk goed, maar het geluk uwer ziel, die naar Gods beeld en gelijkenis werd geschapen, en door Jesus' kostbaar bloed werd vrijgekocht en verlost. Volg nimmer het voorbeeld dier dwaze wereldlingen, die dit werk als het laatste en minst gewich-
161
tige van allen beschouwen. Haast u, want de tijd, dien God n in zijne barmhartigheid schenkt, snelt voort en is ras voorbij, en noem ernstige en deugdelijke besluiten voor de toekomst.
Voornemen. In het vervolg zal ik mijne godsdienstige plichten steeds beschouwen als de voornaamste, die ik te vervullen heb; voor mijne eeuwige belangen zal ik elk ander belang laten wijken.
III. Overweeg, hoe Jesus voor Kaïphas en de leden van den hoogen Raad te recht staat. Kaïphas, zijn onstuimigen inborst volgend, breekt uit in beleedigende verwijten tegen den Verlosser; â Jesus daarentegen blijft kalm en geduldig hot stilzwijgen bewaren. Kaïphas is gezeten op een troon en omringd door den glans en luister der waardigheid, die hij door zijne onwaardige handelwijze onteert; â Jesus staat daar voor hem met geboeide handen, als een misdadiger. Kaïphas oefent de rechterlijke macht uit en strijkt het vonnis over den Heer, alsof hij blaakte van ijver voor de glorie van God; â Jesus staat daar als de beschuldigde, wien men ten laste legt Gods H. wet geschonden en zijn aanbiddelijken Naam gelasterd te hebben. Kaïphas zetelt daar als Hoogepriester; hij is gevierd bij het volk, en wordt door de menigte geëerd als de plaatsbekleeder van God; â in Jesus, den waren en eeuwigen Hoogepriester, daarentegen ziet men slechts
11
162
een verachtelijken booswicht, die de doodstraf heeft verdiend. Maar sluit gij uwe oogen voor den uiterlijken schijn en beschouwt gij dit tafereel in het licht des geloofs, dan ziet gij in den Verlosser, die hier als een verachtelijk misdadiger terecht staat, den God van eeuwige majesteit en glorie, aan wien geheel het menschelijk geslacht is onderworpen en die een ieder eenmaal zal y vonnissen naar zijne werken. Voor Kaïphas staat Christus in de diepste vernedering, maar zijn liart is kalm, omdat niemand hem het geringste misdrijf kan verwijten; ook hier zou Hij het woord kunnen herhalen, dat Hij weleer tot zijne meest verbitterde vijanden sprak: âWie van u zal mij van zonden overtuigen?quot; Maar ach, wanneer gij eenmaal zult staan voor Gods vierschaar en Hij u rekenschap zal vragen van al hetgeen gij in uw leven hebt verricht, rekenschap in tegenwoordigheid van de gansche wereld, wat zal dan uw lot zijn? Wat zal er van u worden, wanneer gij in een enkelen blik alle zonden en overtredingen zult zien, waaraan gij u tegen Gods heilige wet hebt schuldig gemaakt, wanneer uw geheimste gedachten, uw verborgenste begeerten alom zullen bekend zijn, wanneer al uwe Averken, -feok die welke gij bedreven hebt in de eerste jaren,, waarin gij in staat waart God te beleedigerij, u zoo levendig voor den geest zullen staan, alsof gij u op dien eigen stond eraan plichtig ge-
163
maakt hadt? O wilt gij op dat oogenblik, waarin de hemelsolie Kecliter zijn onderzoek zal instellen, een genadig vonnis verwerven, werp dan nu dikwerf een blik op den toestand uwer ziel en maak u do heilzame gewoonte eigen dagelijks een algemeen en een bijzonder onderzoek in te stellen naar datgene wat uw geestelijk leven en de heiliging van u zeiven betreft. Onderzoek u dagelijks in het bijzonder onderzoek omtrent do deugd, die gij bij voorkeur wilt beoefenen, omtrent de zonde, het gebrek, de verkeerde neiging, die gij u tot taak gesteld hebt in u uit te rooien. Onderzoek u des avonds omtrent de gedachten en begeerten, die gij gekoesterd, de woorden, die gij gesproken, de werken, die gij verricht, het goede, dat gij verzuimd, de plichten, die gij verwaarloosd hebt. Vraag u tevens af met welke personen gij verkeerd, welke plaatsen gij bezocht hebt. O, welk eene onuitsprekelijke schat ligt er voor uwe ziel in deze geestelijk oefening opgesloten! Door dit dagelijksch en aandachtig onderzoek zult gij u zelvon leeren kennen; gij zult te voren inzien, welke gevaren u bedreigen en daardoor worden aangespoord tot heilige behoedzaamheid en voortdurende waakzaamheid; gij zult elke opkomende drift in hare geboorte kunnen onderdrukken en in u uitroeien, en daardoor vrij blijven van verkeerde gewoonten; /en mocht gij ooit het ongeluk hebben in
164
eene zware zonde te vallen, dan zult gij aanstonds het treurige van uw zielstoestand inzien en berouwvol tot God terugkeeren; gij zult de deugd loeren liefhebben en beoefenen, een bestendigen haat tegen de zonde in u levendig houden en steeds beter inzien niet welke wapenen gij uwe vijanden bestrijden en welke voorzorgen gij meenon moet, om te allen tijde over de verschillende bekoringen te zegevieren; uwe vereeniging met God zal nauwer en inniger worden, uw gebed vuriger en vei trouwvoller, uw leven heiliger en de vrede Gods zal uw hart met wonderbare vertroostingen vervullen.
V o o r ii e m e n. Eiken dag zal ik een bijzonder onderzoek instellen omtrent het gebrek, dat ik in mij wil bestrijden, omtrent de deugd, die ik wil beoefenen. Des avonds zal ik zorgvuldig mijn geweten onderzoeken, berouw verwekken over hetgeen ik mocht misdaan hebben en voornemens maken voor de toekomst.
GEBED.
Beminnelijke Verlosser, wanneer ik uw lijden overweeg, en mij de vele lessen te binnen breng, die Gij mij in die bittere uren hebt geschonken, dan moet ik wel erkennen, dat ik nog ver, eindeloos ver van uw verheven voorbeeld verwijderd ben gebleven. Immers, ofschoon Gij mij leert, dat alle grootheid, allo lof en roem dezer wereld vergan-
165
kelijk is, was mijn hart tot heden toe nog steeds aan die ijdelheden gehecht. In plaats van de kostbare genade van den tijd te gebruiken, om mij in vele deugden te bekwamen en aan mijne zaligheid te arbeiden, jaagde ik de genoegens der wereld na en zocht ik in alles aan mijne zinnelijke lusten voldoening te schenken. Maar zie, lieve Jesus, wanneer ik denk, hoe Gij geheel uw leven gewijd hebt aan mijne eeuwige belangen, hoe Gij voor mijne zaligheid uw goddelijk bloed hebt gestort en uw leven ten oft'er gebracht, o, dan gevoel ik een levendigen afkeer van al dat vergankelijk genot, en met bitter leedwezen betreur ik de vele oogenblikken, die ik liet voorbijgaan, zonder ze aan de heiliging mijner ziel te besteden. 0, schenk mij dan, ik bid het U, schenk mij uwe genaden, opdat ik althans nu al die bedriegelijke vreugden vaarwel zegge, aan het werk mijner zaligheid beginne en het alle de dagen mijns levens als het voornaamste, het gewichtigste beschouwe, wat ik in dit leven heb te verrichten. Ach, ik beken het, Heere Jesus, 't is wel laat, dat ik hiermede begin, maar daarom ook wil ik mijne pogingen verdubbelen om, zoo het mij mogelijk is, den tijd terug te winnen, dien ik liet verloren gaan. Van dit oogenblik af draag ik ü alle werken op, die ik zal verrichten, en alle kruisen, die Gij mij zult opleggen. Niets, dierbare Verlosser, niets wil
166
ik meer verrichten, in niets behagen scheppen, zoo liet niet ten doel heeft mijne ziel te heiligen en uw goddelijken Naam te verheerlijken. Amen.
TWEE EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
KAIPHAS ONDERVRAAGT JESUS OVER ZIJNE LEERLINGEN EN ZIJNE LEER.
Jesus stond terecht voor Kaïphas. De Hoo-gepriester had plaats genomen op den rechterstoel en rondom hem waren de oversten der priesters, de schriftgeleerden en de oudsten des volks vereenigd. Allen waren daar vergaderd door een zelfde gevoelen van haat tegen Jesus bezield, en reeds te voren waren zij besloten het doodvonnis over den Heer uit te spreken. Maar de sluwe Hoogepriester wilde Jesus tot spreken noodzaken, ten einde iets te vernemen, dat aanleiding tot eene beschuldiging kon geven en daarom begon hij den Heer te ondervragen over zijne leerlingen en zijne leer. Met hemelsche kalmte antwoordde Jesus; âIk heb openlijk tot de wereld gesproken. Ik heb altoos geleerd in de Synagoge en in den tempel waar al de Joden bijeenkomen, en in het verbor-
167
gen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij ? Ondervraag hen, die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb. Zie, deze weten wat Ik gezegd heb.quot;
I. Overweeg, hoe pijnlijk het hart van den liefdevollen Meester getroffen werd, toen Kaïphas Hem ondervroeg naar zijne leerlingen. Immers, 't was den Hoogepriester niet onbekend, dat Judas, een der apostelen, zijn Meester had verraden en dat alle andere leerlingen gevlucht waren, toen Jesus in boeien werd geslagen. Maar om Christus te vernederen, om Hem te doen gevoelen, dat Hij geheel alleen stond, en niet een zijner leerlingen voor Hem optrad om voor zijn onschuld te getuigen, richtte hij in het verhoor deze vraag tot den Heer. 0, wie zal het schetsen, wat er op dat oogenblik omging in het liefdevol hart des Heeren, toen Hij zich in zulk een talrijke vergadering onteerd en van de verfoeilijkste misdaden verdacht zag door de trouwelooze en lafhartige handelwijs zijner apostelen. Maar beseft gij wat de Verlosser hier lijden moest, vraag u dan tevens af, of ook gij den Zoon van God diezelfde grievende beleediging niet hebt aangedaan, door een leven te leiden, dat lijnrecht in strijd is met de leer van het heilig Evangelie. Ach, hebben wij door ons gedrag nimmer anderen geërgerd? Waren wij nimmer de oorzaak van den val onzer broeders? Hebben wij nimmer hun geloof verzwakt, en de liefde
168
in hun hart uitgedoofd ? Helaas! als christen, als volgeling van Jesus hadden wij, voor zoover het in ons vermogen lag, anderen moeten beletten God te belcedigen en hen van den weg der zonde moeten terugvoeren, zoo zij zich van God hadden verwijderd. Wij hadden de verdediging van Gods eer op ons moeten nemen waar zij door de zondaren werd aangerand; wij hadden den rechtvaardigen tot steun moeten strekken op den weg der gerechtigheid en de zondaren tot God moeten terugvoeren, en wij hebben juist het tegenovergestelde gedaan. Wij verwijderden ons van Jesus en, in plaats van mede te werken aan de uitbreiding van Christus' rijk en aan de verheerlijking van zijn Naam, brachten wij door onze ergerlijke levenswijze den doodsteek toe aan het geloof van anderen en sleepten wij hen mede in onzen val. Ach, onderzoek u zeiven en vraag u ernstig af, of ook gij wellicht in een of ander opzicht niet een steen des aanstoots waart voor uwen broeder. Denk aan het schrikwekkend woord van Jesus: âWee den mensch door wien de ergernis komt; 't ware hem beter met een molensteen om den hals in het diepste der zee geworpen te worden.' Mocht gij u schuldig bevinden, verwek dan een oprecht berouw over uwe zonden, smeek Jesus om vergiftenis en beloof Hem plechtig, dat gij van dit oogenblik af al uwe woorden en werken
169
zóó zult verrichten, dat een ieder er in zal gesticht worden.
Voornemen. Ik neem het onherroepelijk besluit mij van dit oogenblik at' voor alles te wachten wat ook maar van verre aan anderen aanleiding zou kunnen geven tot zondigen.
II. Overweeg, met welk eene vrijmoedigheid en waardigheid Jesus zich beriep op allen, die de leer dor Nieuwe Wet uit zijn goddelijken mond hadden mogen vernemen. Hij was zich volkomen bewust, dat er in de vlekkelooze heiligheid van zijn onberispelij-ken levenswandel niet het minste was aan te wijzen, wat zweemde naar eenige overtreding van Gods wet of waaruit zijne meest verbitterde vijanden ook maar den geringsten aanstoot konden nemen ; al zijne woorden en daden droegen den stempel der hoogste volmaaktheid en verkondigden luide, dat Hij van God was gezonden. Ieder onbevooroordeeld ooggetuige, die aan de werking der goddelijke genade geen weerstand bood, zou het woord moeten spreken, dat na zijn dood door den Eomeinschen hoofdman zou gesproken worden: âJa waarlijk, deze is de Zoon van God.quot; Vraag u af, of ook gij hetzelfde beroep zoudt kunnen doen, zoo men u ondervroeg naar de woorden en werken van uw vorig leven. Kunt ook gij van u zei ven het getuigenis afleggen, dat gij uwo naasten immer gesticht hebt, en zult gij op den groo-
170
ten dag der vergelding als een waar volgeling des Heeren er op kunnen wijzen, hoe geheel uw leven de verheerlijking van God en het heil uwer naasten ten doel had? O, hoe heerlijk, hoe vruchtbaar is het leven van Gods dienaren, die er bij al hunne handelingen immer op bedacht waren, een goed voorbeeld te geven aan hunne omgeving. Hoe-vele zonden worden door het goede voorbeeld niet belet. Tot hoevele deugden en goede werken wekt het niet op ? Hoevele grootsche daden van edelmoedige bestrijding der lagere driften, van moed, van godsvrucht en zelfverloochening spruiten er niet uit voort? O, wie zal het vermelden, hoevele zondaren hunne bekeering, hoevele rechtvaardigen hunne volharding, hoevele heiligen hunne heiligheid aan het stichtend leven van anderen hebben te danken. Ja, het goede voorbeeld is dat krachtige zaad, dat, inden akker der wereld uitgestrooid, honderdvoudige vruchten voortbrengt. Herinner u, hoe elk Christen, volgens de leer van het heilig Evangelie en de vermaning des apostels verplicht is den goeden geur van Jesus Christus te verspreiden; hoe elke leerling des Heeren het licht zijner deugden zóó moet laten uitschijnen voor de menschen, dat deze inzien, dat zijne werken goed zijn en zij insgelijks er toe gebracht worden, door navolging van hetgeen zij in hem zagen den Vader te verheerlijken, die in de hemelen is. Onderzoek u zorgvuldig en vraag u
171
af, of al uwe woorden en werken van dien aard waren, dat zij er krachtig toe medewerkten God te verheerlijken, de zielen te heiligen, het rijk van uwen Koning Jesus Christus uit te breiden en het getal der uitverkorenen in den hemel te vermeerderen. Stel u niet tevreden met anderen van het kwaad af te houden, maar wek hen op, spoor hen aan en dwing hen als het ware door de onweêrstaanbare kracht van een deugdzaam en heilig leven, het goede lief te hebben, de deugd te beoefenen, en den weg naar den hemel te bewandelen. De zielen uwer broeders, die door de zonde van God waren afgeweken; maar door uw voorbeeld tot inkeer kwamen, ziedaar de talenten, die gij als de getrouwe knecht in den dienst van uwen hemelschen Heer moet overwinnen, opdat Hij u eenmaal vol liefde opneme in zijne eeuwige woonstede en u het woord toevoege: âWelaan, gij goede en getrouwe dienstknecht, omdat gij over weinig getrouw zijt geweest, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde uws Heeren!'
V o o r n e m e n. Voortaan zal ik zóó spreken, zóó handelen en geheel mijn levensgedrag zóó inrichten, dat een ieder er in moge gesticht worden.
III. Overweeg, om welke reden Christus wel mag gezwegen hebben, toen Kaïphas Hem naar zijne leerlingen vroeg. Ach, zijne liefde, zijne onuitsprekelijke liefde jegens zijne
172
apostelen legde Hem het stilzwijgen op. Jesus wilde hunne zwakheid, hunne lafhartigheid en ondankbaarheid niet bekend maken; Hij kon niets van hen zeggen, wat hun tot lof strekte en hunne gebreken wilde Hij niet openbaren, daarom zwijgt hij. 0, onuitsprekelijke liefde des Heeren. 0, heerlijk voorbeeld voor allo volgelingen van Jesus! Werp een blik op u zeiven en vraag u jif,. of ook gij die schoone deugd van stilzwijgen beoefent, wanneer gij niets ten voordeele van uwe broeders kunt zeggen. Daar is geen kwaad, dat meer tegen de broederlijke liefde indruischt, dat zich sneller verbreidt, in breeder kring voortwoekert en menigvultliger wordt geploegd, ook door overigens deugdzame en godvreezende Christenen, dan het oordee-len en spreken over de gebreken van anderen. Daarom vergelijkt de apostel Jacobus de tong van den kwaadspreker bij een vuur, dat naar alle zijden om zich heen grijpt, zich gestadig verder uitbreidt en de grootste verwoestingen aanricht. O gelukkig, driewerf gelukkig de mensch, die zijn geweten van deze zonde rein en zuiver weet te bewaren, want hij toont door zijn gedrag, dat hij zich zeiven weet te beheerschen; hij is, volgens het woord van denzelfden apostel, een volmaakt mensch. Hoe gedraagt gij u ten opzichte van deze deugd ? Zijt gij gewoon het stilzwijgen te bewaren, waar gij niet iets goeds van uwen broeder kunt mededeelen ?
173
Lokt gij nimmer liefdolooze gesprekken tegen uwen naaste uit? Streeft gij er-ernstig naar tie gebrekert van anderen in stilte te verdragon, on met den mantel der liefde to bedekken? Vermijdt gij den omgang met dego-uon bij wie deze zonde tot een zojido van gewoonte is overgegaan ? Tracht gij in gezel-sobappen, waar over de gebreken van andoren gesproken wordt, steeds aan het gesprek een andere wending te geven? Onderzoek u nauwkeurig en moot gij orkonnon, dat de booofening dezer deugd u nog immer vreemd bleef, noem dan kloekmoedig hot besluit, ter liefde van den Verlosser, die de ondankbaarheid zijner leerlingen zwijgend verduurde, u van dezer dag af met allen ernst er op toe te leggen. Laat do oer, do goedo naam van uwen broeder u immer heilig zijn. Bedenk liet wel, dat do goede naam een schat is, waarvan niemand straffeloos zijn naaste berooft. Slechts aan God komt hot toe te oor-doelen over de gebreken zijner schepselen, slechts aan God, die niet oordeelt naar den uitorlijken schijn, maar die de harten en nieren doorgrondt eii de geheimste drijfvee-ron der menschelijke handelingen kent. Herinner u dikwerf het woord door de eeuwige Waarheid zelve gesproken: ,Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden,quot;-, ,
Voornemen. Nimmer zal ik».spreken over de gebroken van anderen. Wanneer ik-eenige onvolmaaktheid bespeur in het gedrag
174
van eon ander, zal ik mij ernstig onderzoeken of ik niet aan detzelfde euvel lijd; en mocht dit zoo zijn, dan zal ik alle pogingen aanwenden om liet met wortel en tak in mij uit te roeien.
GEBED.
O mijn dierbare Jesus, die niets vuriger verlangt dan dat uwe schepselen ü zullen dienen in dit leven en verheerlijken in de eeuwigheid, zie mij hier vol droefheid en schaamte over mijne zonden aan uwe voeten neergeknield. Ach Heer, welk een onuitsprekelijke liefde hebt gij aan mijne onsterfelijke ziel bewezen! Gij hebt haar bij de schepping uwe goddelijke beeltenis ingedrukt en haar voorbestemd tot de glorie des hemels. Toen zij door de zonde bezoedeld en besmeurd ..was, toen uw goddelijk beeld iu haar was verduisterd, daaldet Gij vol ontfermende liefde uit den hemel neder, om haar dien oorspronkelijken luister, die schoonheid terug te schenken, waarin zij uit uw scheppende hand was te voorschijn gekomen. O, om die ziel te redden was geen arbeid, geen vermoeienis, geen ontbering, geen lijden ü te veel. Rusteloos zocht Gij de verdwaalden en zondaren op gedurende uw sterfelijk leven, gelijk de goede Herder het verloren schaap opspoorde, dat zich van de kudde had verwijderd en hulpeloos en verlaten in de woestijn rondzwierf. Voor hunne zielen, voor
175
de zielen der gevallen menscliheid hebt Gij het smartelijkst lijden verduurd, uw goddelijk bloed vergoten, uw leven gegeven aan het kruis; om die zielen te redden, hebt gij die wondervolle genadebronnen in uw heilige Kerk ontsloten, waarin zij zich kunnen reinigen vanallen zondensmet, waarin zij zich kunnen sterken tegen den helschen vijand, door het nuttigen van uw goddelijk Vleesch en Bloed. En ach, diezelfde zielen, die naar uw goddelijk beeld waren geschapen, die voor zulk een duren prijs werden vrijgekocht, heb ik door mijne menigvuldige zonden, door mijne slechte voorbeelden, door mijn ergerlijk levensgedrag van uwe liefde beroofd en op schaamtelooze wijze ten val gebracht, Genade en barmhartigheid, o mijn Jesus, voor den zondaar, die U door zulk een snoode ondankbaarheid, zulk een grievende onteering zoo smartelijk beleedigde. 0, of het mij gegeven ware al die woorden ongesproken, al die werken ongeschied te maken, waardoor ik zoovele zielen heb geërgerd! Of ik mijn bloed kon storten en mijn leven kon geven, om ze allen te louteren en te reinigen van de smetten, waarmede zij bezoedeld zijn door mijn schuldige en verfoeie-lijke levenswijs. Maar is mij dit niet gegeven, lieve Jesus, zie, voortaan zal ik al mijne krachten aanwenden, om uit te boeten, wat door mij werd misdreven, om eerherstel te geven voor den grievenden smaad, dien ik U heb aangedaan. Voortaan zal ik zulk een
176
leven trachten te leulen, dat allen in mij mogen gesticlifc worden en tot den weg uwer geboden mogen terugkeeren. Verleen mij hiertoe uwe genade, lieve Jesns, opdat ik LT van dit oogenblik af bij al mijne woorden en al mijne werken immer voor oogen hebbe, en geheel mijn leven zoo inrichte, dat uw heilige Naam te allen tijde er door moge verheerlijkt worden. Amen.
DRIE EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
JESÃS ONTVANGT EEN KAAKSLAG VAN EEN DIENAAR DES HOOGEPRIESTERS.
Het waardig antwoord, dat do goddelijke Verlosser aan Kaïphas gaf, waarin Hij zijne leer aan het uitgebreidst onderzoek onderwierp en allen, die Hem ooit gehoord hadden tot getuigen opriep, bracht don Hooge-priester eene wijle in verlegenheid en deed hem beschaamd zwijgen. Een zijner dienaren, die dit bemerkte, kwam zijn meester te hulp en terwijl hij den Heer hoonend toebeet: âAntwoordt Gij aldus don Hoogepriester!quot; gaf hij Hem een hevigen slag in zijn aanbiddelijk aangezicht. Met onuitsprekelijke gelatenheid verdroeg de Zaligmaker die aller-smadelijkste beleediging en met hemelsche kalmte sprak Hij tot den dienaar: âZoo Ik kwaad heb gesproken, log dan getuigenis
177
af van het kwaad; maar zoo Ik goed heb gesproken, waarom slaat gij Mij dan?quot;
I. Overweeg, welk een schromelijke be-leediging hier Jesus werd aangedaan. De Zoon des Allerhoogsten, de Medezelfstandige met den Vader, de oneindig heilige God ontvangt een kaakslag van een dienaar des Hooge-priesters, van een nietswaardigen zondaar. Toen eertijds koning Jeroboam zijne hand uitstrekte naar den profeet, dien God tot hem had gezonden, en hij beval hem gevangen te nemen, verdorde zijne hand op hetzelfde oogen-blik en zijn arm verstijfde, zoodat hij dien niet meer kon bewegen. Toon Oza, ofschoon met de beste bedoelingen bezield, tegen het uitdrukkelijk verbod van den Heer de ark dos Verbonds aanraakte, werd hij op denzelfden stond met den dood getroffen. En toch, wat was het ongelijk, dat Jeroboam den profeet des Hee-ren aandeed, vergeleken bij den grievenden smaad, dien geen koning, maar een verachtelijke dienstknecht, een slaaf, aandoet niet aan een profeet des Heeren, maar aan den Heer, den Koning der profeten! Jeroboam strekte zijne hand slechts uit en aanstonds verdorde zij; de dienaar des Hoogepriesters hief haar op tegen den Zoon Gods, den Gezalfde des Heeren bij uitnemendheid, en gaf Hem een smadelijken slag in zijn aanbiddelijk aangezicht. Wat is do ark des Verbonds, die van onbederfelijk hout was vervaardigd en waarin de tafelen der Wet bewaard werden, verge-
12
178
leken bij den Zoon van den onsterfelijken God, den oppersten Wetgever van het heelal ? Wat is de oneerbiedigheid van Oza, vergeleken bij de goddeloosheid van den knecht, die Jesus sloeg in zijn aanbiddelijk gelaat, in dat gelaat, waarvoor de gelukzaligen in diepe aanbidding liggen neergeknield en in welks aanschouwing alle engelen en uitverkorenen eene onuitsprekelijke wellust en vreugde genieten in den hemel? En, ach, die beleediging wordt Hem aangedaan, terwijl Hij zich vol waardigheid en kalmte beriep op de getuigen van zijne predikingen, wordt Hem aangedaan in tegenwoordigheid zijner rechters, terwijl niemand hunner er zich tegen verzet, wordt Hem aangedaan door een dienaar van het gerecht, wiens taak het is de onschuld te verdedigen en het recht te handhaven. Maar verfoeit gij de schromelijke misdaad van den dienaar des Hoo-gepriesters, ach bedenk het wel, elke zware zonde, elke overtreding van een gewichtig gebod is eene beleediging, eene onteering van Jesus Christus, eene verachting dei-goddelijke Majesteit, een slag in het aangezicht van den oneindig heiligen Verlosser. Elke zondaar, die zich aan een zwaar vergrijp schuldig maakt, heft zijne heiligschen-nende hand op tegen Jesus, tegen zijn Schepper en zijn God. O, onderzoek u zeiven en vraag u af, of gij Jesus eerherstel hebt gebracht voor de smartelijke beleedigingen,
179
de onteeringen, die gij Hem door uwe zonden hebt aangedaan. Verneder u voor Hem ; erken vol droefheid en schaamte uwe snoode handelwijs; smeek om vergiffenis; beloof Hem, dat gij u voortaan met alle krachtsinspanning op de versterving uwer zinnen, de onderdrukking uwer hartstochten, de beoefening der deugd zult toeleggen, en vraag Hom, dat Hij uw hart mot een levendigen afschrik voor de zonden vervulle.
Voornemen. Eiken avond, alvorens mij ter ruste te begeven, zal ik een oprecht berouw verwekken over de zonden, waarmode ik God heb beleedigd en Hem smeeken mijn hart met een doodelijken haat tegen de zonden te vervullen.
II. Overweeg, met welk eene aanbiddelijke zachtmoedigheid Jesus de hemeltergende be-leediging van den dienstknecht verduurde. De Zoon Gods breekt niet uit in bittere verwijten tegen den misdadiger; Hij bedreigt hem niet met zijne straffen; Hij bezigt zijne goddelijke almacht niet om den onverlaat op voorbeeldige wijs te tuchtigen, maar brengt hem met kalmte en waardigheid het ongeoorloofde van zijne handelwijs onder het oog: âIndien Ik kwaad heb gesproken, leg dan getuigenis af van het kwaad; maar zoo Ik goed heb gesproken, waarom slaat gij Mij dan?' O antwoord vol zoetheid en zachtmoedigheid! O woord vol vergevensgezindheid en liefde! Zoo Ik kwaad handel, bewijs het mij; maar
180
zoo Ik goed handel, waarom slaat gij Mij dan ? Toen de Samaritanen weleer 'weigerden Jesus met zijno apostelen in hunne stad te ontvangen en de leerlingen in heilige verontwaardiging uitriepen: âHeer, wilt Gij, dat wij het vuur van den hemel afroepen om dezo booswichten te verdelgen?quot; berispte Jesus hunne voortvarendheid en sprak Hij : âGij weet niet van welken geest gij zijt; gij roept om wraak voor iemand, die geen wraak verlangt. De Zoon dos menschen is niet gekomen om zielen in het verderf te storten maar om ze te redden en zalig to maken.' Overweeg deze woorden wel en volg het voorbeeld, dat Jesus u hier geeft. Ach, Hij is de oneindige Heiligheid; Hij haat elke zonde en overtreding met een doodelijken haat, maar Hij wacht vol zachtmoedigheid op de bekeering van den dienaar en tracht hem door zijn rustig en vreedzaam antwoord tot bekeering te brengen. Onderzoek u zeiven en vraag u af, of ook gij geduldig zijt in het verdragen der beleedigingen, of ook gij met zachtmoedigheid de tegenspraak der menschen verduurt en vol liefde de verongelijkingen vergeeft, die uw vijand u aandoet. O, bedenk het wel: de geest van Jesus Christus is de geest van zachtmoedigheid en geduld, van lijdzaamheid en vergevensgezindheid ; de Zoon Gods deukt aan geen wraak. Hij verwijt niet, Hij bedreigt niet, Hij straft niet, Hij haat niet, Hij beleedigt niet, maar
181
ontwapent den woesteling door zijne woorden vol zachtmoedigheid en goddelijke liefde. Vraag u af, of die geest van Clnistus ook de uwe is, of gij even geduldig zijt bij geleden onrecht, of gij u even liefdevol gedraagt bij een ontvangen beleediging? Moet gij erkennen, dat die geest tot nog toe de uwe niet is, verneder u dan voor Jesus; smeek Hem met aandrang, dat Hij dien gunstigen omkeer in uwen geest bewerke en het vuur zijner goddelijke liefde in uw hart ontstoke, opdat gij een waardig leerling moogt zijn van den oneindig liefderijken en barmharti-gen Verlosser en gij u immer moogt beijveren zijne schreden te drukken.
Voornemen. Gaarne zal ik, naar het voorbeeld des Hoeren, de zachtmoedigheid beoefenen, ook dan wanneer men mij do diepste beleedigingen mocht aandoen. Daarom zal ik dikwijls tot Jesus bidden: âJesus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, maak mijn hart gelijkvormig aan het uwe!quot;
III. Overweeg, aan welk eene schromelijke ondankbaarheid de dienaar des Hoogepries-ters zich schuldig maakte. Immers, wie was hij, de snoodaard, die zijne hand ophief tegen den aanbiddelijken Verlosser. De H. Joannes Chrysostomus zegt, dat het Malchus was, dezelfde dienaar, wiens afgehouwen oor weinige uren geleden op wonderbare wijs door Jesus was genezen. âWaarom slaat gij Mij?' zoo sprak Jesus op zachten, liefdevoilen toon
182
tot den laaghartigen dienstknecht, alsof hij wilde zeggen: âHelaas is dit de dank waarmede gij Mij den liefdedienst wilt vergelden, dien Ik u kort te voren bewees! Malchus waarin heb Ik u beleedigd, waarin uw toorn opgewekt ? Indien Ik kwaad heb gesproken, geef dan getuigenis van het kwaad; maar zoo Ik goed heb gesproken, waarom slaat gij Mij dan? Overweeg deze woorden wel, want niet alleen tot Malchus maar tot eiken zondaar, ook tot u zijn zij gericht. Welk kwaad heeft Jesus tegen u gesproken of gedaan? Leg er getuigenis van af. Toen gij door de erfzonde bezoedeld het eerste levenslicht aanschouwdet, heeft Hij u toen niet vol liefde in de wateren van het heilig Doopsel gezuiverd van allen zondensmet en de verdiensten van zijn smartvol lijden en zijn bitteren kruisdood op u toegepast? Nam Hij u toen niet aan tot zijn broeder, verhief Hij u op dien ge-zegenden stond niet tot erfgenaam van zijn rij k ? En later toen gij ontrouw werdt aan uw gegeven woord, toon gij uwe beloften schendt en zijn dienst verliet om andermaal uwe schouders te krommen onder het slavenjuk des duivels, heeft Hij toen niet gesproken tot uw hart, u uw misdrijf verweten, u tot berouw en boetvaardigheid opgewekt ? Heeft Hij toen niet door de tusschenkomst van zijn plaatsbekleeder uwe boeien verbroken, u de vrijheid der kinderen Gods teruggeschonken en uwe ziel begiftigd mot hot koninklijk kleed
183
der heiligmakende genade? Toen gij van gebrek en vermoeienis op uwen weg door de woestijn van dit leven naar dat heerlijke land van belofte dreigdet te bezwijken, heeft Hij toen niet dien heerlijken maaltijd voor uwe ziel bereid en u gesterkt met zijn goddelijk Lichaam, u gelaafd met zijn goddelijk Bloed? Heeft Hij u niet een zijner engelen tot gids meegegeven op uwe reis naar het hemelsch vaderland, oen engel, die u beschermt tegen tallooze gevaren en die met u strijdt tegen den helschen vijand ? O moet gij dan in plaats van iets tegen Jesus te kunnen getuigen, niet veeleer het woord op Hem toepassen, dat de jeugdige Tobias eertijds van den engel sprak, die hem op zijne reis vergezeld had: âZie, met alle goederen zijn wij door Hem begiftigd geworden.quot; âZoo Ik iets misdeed,quot; zegt Jesus, âgeef dan getuigenis van het kwaad, maar zoo Ik u heb welgedaan, zoo Ik u met mijne gunsten en zegeningen heb overladen, zoo Ik u dagelijks de duidelijkste blijken mijner liefde gaf, o, waarom slaat gij Mij dan? Ach, is het wellicht, omdat Ik u schiep naar mijn beeld en mijne gelijkenis, omdat Ik u verloste voor den duren prijs van mijn bloed? Omdat Ik u boven zoovele duizenden de genade van het ware geloof heb geschonken? Omdat Ik zoolang uwe trouweloosheid en ondankbaarheid verdroeg? Omdat Ik u zoo menigmaal vergiffenis schonk van uwe zonden; omdat
184
Ik u opnam in mijno liefde, u uitnoodigde aan mijn liemelschen Bruiloftsdisch, u voedde en sterkte met mijn goddelijk Vleesch en Bloed? Ach, waarom slaat gij Mij? Waarom bedroeft gij Mij ? Waarom hecht gij Mij nogmaals aan het kruis? Ach, hebben mijne vijanden Mij in mijn lijden nog niet genoeg gepijnigd ? Zegt mijn vergoten bloed u nog niet duidelijk genoeg, wat al smarten Ik voor u leed, wat al folteringen Ik in mijn heilig lichaam voor u verduurde? O waarom slaat gij Mij dan nog ? Waarom beleedigt, waarom bedroeft gij Mij dagelijks door uwe zonden? Ach, ben Ik niet uw Schepper, uw Verlosser, uw Koning, uw Weldoener, uw Vriend, uw Vader, uw hoogste Goed ? Zijt gij niet mijn leerling, mijn volgeling? Heb Ik u niet aangenomen tot mijn kind, en mijn bloed en mijn leven voor u ten offer gebracht? Waarom, ach, zeg het Mij, waarom slaat gij Mij dan?' 0 grievende onteering! O smartelijke ondankbaarheid! Ach onderzoek u zeiven ernstig, en mochten ook uwe zonden den liefdevollen Verlosser die treurige klacht op de lippen leggen, werp ü dan vol droefheid voor Jesus neder, betuig Hem, dat u niets zoo zeer smart als de zonden, waarmede gij zijn liefderijk hart op de'grie-vendste wijze hebt beleedigd, zuiver u van alle smetten, die uwe ziel bezoedelen door eene oprechte en rouwmoedige biecht, en toon door alle daden uws levens, dat gij Jesus
185
dankbaar zijt voor zijne onuitsprekelijke liefde. Offer Hom uw hart, als eene gave van dankbaarheid en wederliefde, en smeek Hem vurig, dat het nimrner aan het schepsel maar te allen tijde aan Hem moge toe-behooren.
Voornemen. Dagelijks zal ik in een afzonderlijk gebod God dank zoggen voor alle woldaden, die ik van zijne liefde ontving, in het bijzonder voor do kostbare gave dos geloofs.
GEBED.
O, dierbare Jesus! O diep verongelijkte en smartelijk vernederde God ! Ach, 't was om onzentwille, 't was door onze zonden, dat Gij zoo smadelijk mishandeld, zoo door-lijk gehoond werd. Ook ik, helaas, was ondankbaar genoeg door herhaaldelijke overtreding uwer heilige wetten mijne hand tegen ü op te heffen en U den (liepsten ondank aan te doon. Ach, vergiffenis, mijn Jesus, ik smeek er ü om bij do onuitsprokolijko zachtmoedigheid, waarmede Gij don kaakslag van don dienaar des Hoogepriesters hebt willen verduren, vergiffenis voor de aller-griovondste vernederingen, die ik U heb aangedaan. Om U oonig eerherstel te geven, beminnelijke Verlosser, voor al dien smaad, en om U mijne dankbaarheid te toonen, wil ik mij met alle kracht toeleggen op de navolging der deugden, die zoo heerlijk in
186
uw lijtien uitschitteren, vooral op uwe beminnelijke zachtmoedigheid. 0 dierbare Jesus, Gij, die zoo zachtmoedig, zoo liefderijk van harte waart, die nimmer het geringste gevoel van wraak, van haat of afgekeerdheid, zelfs niet jegens uwe meest verbitterde vijanden gekend hebt, o maak mijn arm, mijn ongevoelig en zondig hart toch gelijkvormig aan het uwe. Geef, dat ik alle beleedigingen met geduld verdrage, mij alle onrecht late welgevallen, alle kwellingen en vervolgingen in stilte en met christelijke gelatenheid ver-dure. Geef, dat ik mijne vijanden naar uw goddelijk voorbeeld liefhebbe, en van gan-scher harte alles vergeve, wat mij door de boosheid of den moedwil der menschen mocht worden aangedaan. Door de beoefening dezer deugd, lieve Jesus, hoop ik U eenige vergoeding te geven voor de beleediging, die de dienstknecht U in hot huis van Kaïphas aandeed en die alle zondaren ü aandoen door hunne herhaalde overtredingen; voor de beoefening dier deugd ook hoop ik eenmaal uit uwe hand de belooningen te ontvangen, die Gij door uw smartvol lijden en uwen bitteren kruisdood voor ons verdiend hebt. Amen.
187
VIEll EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
KAIPHAS ZOEKT NAAR EENE AANLEIDING OM HET DOODVONNIS OVER DEN HEER TE KUNNEN UITSPREKEN.
De Hoogepriester en de vergaderde leden van den grooten Raad hadden den dood van Jesus besloten, maar zij wilden hun moordplan onder den uiterlijken schijn eener gewone rechtspleging verbergen, en daarom bleef Kaïphas het verhoor voortzetten in de hooj), dat hij in hetgeen Jesus zou antwoorden eene aanleiding zou kunnen vinden, om den Verlosser ter dood te veroordeelen. Er werden dan verschillende valsche getuigen voorgebracht, dio eene aanklacht togen den Heer indienden ; maar hunne beschuldigingen waren zoo ongerijmd en tegenstrijdig in zich zeiven, dat zij spoedig als ongenoegzaam werden verworpen. Jesus hoorde de verschillende beschuldigingen, die men togen Hem inbracht, rustig aan, stond daar met neergeslagen blik eu bleet' op al hetgeen men Hem ten laste legde een diep stilzwijgen bewaren. Toen Kaïphas zag, dat hij niets vorderde, beproefde hij nogmaals den Heer tot spreken te dwingen. Hij stond dan op van zijn zetel, en sprak, alsof Jesus' schuld dooide valsche aanklachten overtuigend bewezen was: âAntwoordt Gij niets op hetgeen
188
dezen tegon U getuigen? Jesus echter bleef zwijgen. Toen hernam do Hoogeprioster: âIk bezwoer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt!' Op deze gewichtige vraag wilde de Heer niet langer het stilzwijgen bewaren, en op plechtigen toon. vol kalmte en majesteit antwoordde Hij: âGij hebt het gezegd, Ik ben het. Evenwel, Ik zeg u, eens zult gij den Zoon dos menschen zien, gezeten aan de rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.' Nauwelijks hoeft Kaïphas dit woord vernomen, of hij scheurt zijne kleederen, en de grootste onstoltenis en verontwaardiging veinzend, roept hij uit: âHij heeft God gelasterd. Wat behoeven wij nog getuigen. Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord! Wat dunkt u?' En allen, die daar vergaderd waren, antwoordden als uit één mond: âHij is des doods schuldig!quot;
I. Overweeg, aan welk een verfoeielijke huichelarij de Joden zich hier schuldig maken. Zij wenschon niets liever dan het doodvonnis over den Heer uit te spreken. Maar zoo zij aan hunne blinde hartstochten gehoor gaven zonder hun afschuwelijk plan onder het uiterlijk der gewone rechtsvormen verborgen te houden, zouden zij de achting des volks verliezen en door een ieder van het schromelijkst onrecht worden beschuldigd. Daarom worden getuigen tegen den Verlosser opgeroepen en trachten zij aan het
189
geheele verloop van het geding een schijn van recht en billijkheid te geven. Dat de getuigen valsch waren deert hen niet: dat alle recht 'wordt verkracht, dat do waarheid wordt miskend, dat de onschuld wordt lie-lasterd, dat leugen en bedrog bij het geding voorzitten, over dit alles bekommeren zij zich niet; zoo zij slechts Jesus mogen veroordeeld zien en de achting hunner medemenschen mogen behouden. Helaas, allen schijnen te blaken van ijver voor 's Heeren wet; de liefde tot God en de verdediging zijner eer schijnt de eenige drijfveer te wezen van hun handelen en inwendig wordt hun hart van nijd tegen den Zoon Gods verteerd en maken zij zich aan de verfoeielijkste zondon schuldig. Maar veroordeelt gij die laaghartige geveins-heid der Joden, ach, onderzoek u zelven en vraag u af, of ook gij u niet aan diezelfde zonden hobt plichtig gemaakt. Slechts zeer weinigen toch, zegt de H. Hiëronyinus, worden er gevonden, die zich aan de zonde van huichelarij nimmer schuldig maakten. Moet ook gij niet erkennen, dat gij uwe zonden dikwijls onder het masker der deugd hebt trachten te verbergen? Steldet gij u niet met den schijn van deugd tevreden zonder u in het geringste om de ware godsvrucht te bekommeren? Waart gij er bij al uwe handelingen niet op uit do achting en den lof der menschen in te oogsten, terwijl gij u nimmer de vraag steldet, of uwe wer-
190
p
ken aangenaam en welgevallig waren in de oogen van God ? Hebt gij u niet bij voorkeur op de beoefening van bloot menschelijke deugden toegelegd, terwijl de goddelijke deugden schier geheel door u werden verwaarloosd? Ach, aan hoevele zonden hebt gij u wellicht niet plichtig gemaakt, terwijl gij de wereld en u zclven trachttet te misleiden, alsof de eer van God, het heil der zielen en de liefde tot de deugd u boven alles ter harte gingen. Verneder u dan voor God; ameek Hem rouwmoedig om vergiffenis en bid Hem, dat een heilige eenvoud en oprechtheid het kenmerk moge zijn van al uwe woorden en werken, opdat gij voortaan, in plaats van uwe zonden te verbergen, u ernstig op de kennis van u zeiven toeleggen en er voortdurend naar streven moogt uwe gebreken met wortel en tak in u uit te roeien.
Voornemen. Ernstig wil ik er mij op toeleggen mij van mijne gebreken te zuiveren; dikwijls zal ik God bidden, eene vurige liefde tot den eenvoud, de nederigheid en oprechtheid in mij op te wekken.
II. Overweeg, hoe Jesus daar zwijgend voor den Hoogepriester te recht staat. Hij ziet alles; Hij hoort alles; Hij doorschouwt geheel dat samenweefsel van leugen en bedrog ; alle listen zijner vijanden liggen open voor zijn blik. In zijne eeuwige wijsheid en alwetendheid zoü Hij door een enkel woord
1
191
van zijn goddelijken mond het bedrog en de huichelarij zijner vervolgers kunnen ontmaskeren, hunne plannen verijdelen en hen met beschaming vervullen. Jesus echter sprak dat woord niet. Maar wanneer de Verlosser hier het stilzwijgen bleef bewaren, en eenige oogenblikken later, toen Hij door Kaïphas naar zijn goddelijke afkomst ondervraagd werd, op plechtige wijze antwoordde, wilde Hij ons herinneren aan de gewichtige les van den Wijzen Koning in het boek Eccle-siastes: dat er een tijd is van zwijgen en een tijd van spreken. Wanneer is de tijd van zwijgen daar? Wanneer men uwe handelingen gispt en uwe goede bedoelingen in twijfel trekt, wanneer gij in uwe eer, uw goeden naam wordt gekrenkt, wanneer gij aan de bespotting, de verachting en onrechtvaardige oordeelvellingen der wereld bloot staat en uwe medemenschen u beleedigen en vervolgen, dan betaamt het u als Christen, als leerling van den God, die alle onrecht zwijgend verduurde, het stilzwijgen te bewaren en te bedenken, dat de dienaar niet beter is dan zijn Meester. Wanneer is de tijd van zwijgen daar? Wanneer de hoogmoed, de dorst naar roem, de zucht om geprezen te worden u influisteren, dat men uwe bedoelingen miskent, uwe handelingen verkeerd beoordeelt, uwe verdienste verkleint, dat men u de eer onthoudt, die u toekomt en anderen den lof laat inoogsten van de werken, die
192
gij hebt verricht, bied dan krachtigen weerstand aan die bekoringen; beklaag u dan niet, maar verheug u veeleer in het vooruitzicht, dat de overvloedigste belooningen u in den hemel wachten. Wanneer is de tijd van zwijgen daar? Wanneer u bittere verwijten worden toegevoegd en de gramschap u dreigt te overmeesteren, wanneer gij u in gezelschappen bevindt waar twist en oneenig-heid heerschen, waar lief'delooze gesprekken worden gevoerd; wanneer u geheimen worden medegedeeld, die zonder misbruik van vertrouwen niet aan derden kunnen geopenbaard worden, in één woord : in alle omstandigheden uws levens, waarin hot gebod des Heeren u het stilzwijgen oplegt, onderdruk daar elke ongeregelde neiging tot spreken, stel daar een wachter aan uwe lippen en bid den hemel om kracht, opdat u geen woord ontglippe, waardoor gij gevaar loopt, de verdiensten uwer goede werken te verliezen of aan God te mishagen. Maar er is ook een tijd, waarop spreken gebiedende plicht is. Waar de eer van God wordt aangerand, de geopenbaarde waarheid wordt in twijfel getrokken of de bedienaars van den heiligen godsdienst worden belee-digd en bespot, daar moet gij toonen een waardig volgeling van Jesus Christus te zijn, toonen, dat het heilig chrisma, waarmede gij in het H. Doopsel tot leerling, en in het H. Vormsel tot soldaat van Jesus Christus
193
gezalfd werd, u niet te vergeefs over het voorhoofd vloeide, toonen, dat gij er trotsch op zijt, dat gij er fier op gaat, dien roem-vollen naam van Christen te mogen dragen; daar moet gij toonen, dat gij voor geene bespotting, geene verachting geene beleedi-ging terugdeinst, waar het geldt voor de eer van God op te treden, de waarheid van den heiligen godsdienst te verdedigen en hare bedienaren tegen de lasterlijke aanvallen van de vijanden der H. Kerk te beschermen. Wanneer is het uw plicht te spreken? Wanneer er in uwe tegenwoordigheid zondige gesprekken worden gevoerd, en gij door uw stilzwijgen den schijn op u zoudt laden alsof gij er mede instemdet; wanneer gij uwe ondergeschikten met zachtmoedigheid over het verkeerde van hun levenswijs moet onderhouden, ten einde hen tot betere gedachten te brengen ; wanneer gij de geestelijke of wereldlijke overheid ter voorkoming van grooter onheilen met de gebreken hunner onderhoorigen moet bekend maken, wanneer afwezigen, zwakken en hulpeloozen worden belasterd, wanneer gij in den biechtstoel voor den plaatsbekleeder van Jesus Christus neder-knielt om uwe zonden te belijden, â- in één woord: wanneer de eer van God, uw eigen geestelijk welzijn of dat uwer naasten het vorderen, moet gij zonder vrees of schroom optreden, om door een zachtmoedig, een ernstig en heilzaam woord het kwaad in zijn
13
194
voortgang te stuiten en het goede te helpen bevorderen. Onderzoek u zeiven, en toets uw gedrag aan de voorschrifteu der christelijke zedenleer. Moet gij erkennen, dat gij niet immer gezwegen of gesproken hebt, waar uw plicht dit van u vorderde, verneder u dan voor God, smeek Hem om vergiffenis en neem ernstige besluiten voor de toekomst.
Voornemen: Voortaan zal ik zorgvuldig letten op al mijne gesprekken en God dikwijls bidden, steeds in die omstandigheden en zóó te mogen sproken als mijn plicht dit van mij vordert.
III. Overweeg, welk een troostvol geheim er ligt opgesloten in de uitspraak van den grooten Raad, waarbij Jesus des doods schuldig verklaard werd. Toen de eerste mensch door God geschapen en in het paradijs geplaatst was, had de Heer tot hem gesproken: âEet van alle boomen in het paradijs ; maar van den boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten; want op den dag, dat gij daarvan eet, zult gij sterven.quot; Maar de mensch luisterde niet naar het verbod van zijn Schepper, en gaf gehoor aan de stem van den verleider; hij begon Gods woord, in twijfel te trekken; zijn verstand werd verduisterd, de booze begeerlijkheid ontwaakte in zijn hart; hij beschouwde de verboden vrucht, zag dat zij goed was om te eten en schoon en verlokkend om te zien; hij strekte zijne hand uit
195
naar den noodlottigen boom, plukte van de vrucht en at, â en ach, op hetzelfde oogenblik verloor hij het leven der ziel, terwijl de vreeselijke straffen, waarmede God hem bedreigd had, de tijdelijke en de eeuwige dood, zijn lot zouden zijn in de toekomst. En zie, toen de mensch in boeien lag en hij nog slechts op de volvoering van het goddelijk vonnis wachtte, toen daalde de Zoon des Vaders uit den hemel neder, om hem van zijne kluisters te bevrijden; toen de mensch in den kerker verzuchtte kwam de Verlosser hem de poort zijner gevangenis ontsluiten ; toen de mensch gebukt ging onder het loodzware gewicht eener schuld, welke hij nimmer zou kunnen voldoen, nam Jesus haar op zich en schonk Hij hem volledige kwijtschelding. Daarom staat Hij daar als een misdadiger te recht, daarom onderwerpt Hij zich aan het doodvonnis, dat over Hem werd uitgesproken. O onuitsprekelijke, o einde-looze liefde van God! De Heer des hemels, de Schepper van het heelal, de Bron en Oorsprong des levens, waaraan al wat ademt en leeft in het wereldruim zijn leven dankt, Hij nam een sterfelijk lichaam aan, om de straf der zonde in zijn heilig lichaam te kunnen dragen en door zijn dood aan de geheele menschheid het leven der genade en het leven der glorie terug te schenken! Aanbid, loof en prijs uwen God; dank Hem voor de eeuwige liefde, waarmede Hij u
196
bemind heeft; betreur en verfoei van gan-scher harte de zonden, waardoor ook gij den eeuwigen dood hebt verdiend. Vergeet het nimmer, dat Jesus, de eeniggeboren Zoon des Vaders, zich aan den dood onderwierp, opdat gij niet zoudt verloren gaan, maar het eeuwig leven zoudt bezitten en hernieuw het besluit om in het vervolg met stipte nauwgezetheid alles te vermijden, wat u in gevaar zou kunnen brengen het leven uwei-ziel te verliezen.
Voornemen. Eiken dag zal ik God danken voor de onuitsprekelijke weldaad dei-Verlossing. Bij elke bekoring zal ik er aan denken, dat Jesus voor mij is gestorven, opdat ik uitsluitend voor Hem zou leven.
GEBED.
Oneindig beminnelijke Verlosser, wat zal ik U aanbieden of op welke wijze ü mijne erkentelijkheid betuigen voor de overgroote liefde, waarmede Gij mij bemind hebt en ü zeiven voor mij hebt overgeleverd? Helaas, o mijn Jesus, ik was de schuldige ; in zonden werd ik ontvangen, in zonden kwam ik ter wereld en, sinds den dag, waarop ik uwe goddelijke wetten en geboden leerde kennen, heb ik door mijne menigvuldige misdrijven misschien duizendwerf de eeuwige straifen der hel verdiend. Maar neen, in plaats van mij voor immer van IJ af te wijzen, werd uw goddelijk hart door
197
grenzenloos medelijden met mijne ellende bewogen. Uit liefde tot mij daaldet Gij neder uit den hemel en naamt Gij een sterfelijk lichaam aan; uit liefde tot mij wildet Gij door Judas verraden, door al uwe apostelen verlaten worden; uit liefde tot mij wildet Gij, waarachtige Hooge-priester der Nieuwe Wet, als een misdadiger voor den goddeloozen Hoogepriester der Joden te recht staan en door uwe vijanden ter dood worden verwezen, opdat ik zou gespaard blijven en het eeuwig leven zou kunnen beërven. O mijn Jesus, welken dank zal ik U voor die liefde brengen. Ach, wanneer ik een terugblik werp op mijn vroeger leven, gevoel ik maar al te zeer, hoe onwaardig ik was die onuitsprekelijke gunsten van U te ontvangen. Maar neen, o mijn Jesus, heb ik ü voorheen ook al beleedigd en op de snoodste wijze uwe liefde miskend, voortaan zal het niet meer zoo zijn. Zie mij hier, o mijn dierbare Verlosser, aan uwe voeten neergeknield, vast besloten om den weg dei-zonden te verlaten, uwe geboden te onderhouden, uwe liefde met dankbare wederliefde te vergelden en in uwen dienst te volharden tot mijn laatsten levensstond. Maar ben ik ook al van goeden wil, lieve Jesus, ach, ik ben zoo zwak, aan zoovele gevaren ben ik blootgesteld, zoovele vijanden omringen mij, die er voortdurend op uit zijn mij van uwe goddelijke liefde te berooven. 0, sta mij dan bij met uw krachtige hulp, opdat ik die
198
schat der heiligmakende genade, die Gij voor den duren prijs van uw bloed en uw leven voor mij hebt verworven, immer moge behouden, totdat ik eenmaal dat land der onsterfelijkheid en des eeuwigen levens moge binnentreden, waar ik ü met alle uitverkorenen en heiligen voor uwe liefde zal danken, prijzen en verheerlijken in eeuwigheid. Amen.
VIJF EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
DE VERLOOCHENING VAN PETRUS.
Hetgeen het lijden des Heeren ten toppunt voerde, hetgeen den liefdevollen Verlosser smartelijker viel en zwaarder te dragen dan al wat Hij tot nog toe in den Olijfhof en in het huis van Kaïphas te verduren had, was de treurige val van Petrus, den vurig-sten en meest beminnenden zijner leerlingen, den vorst der apostelen. Toen Jesus door zijne vijanden omsingeld en in boeien geslagen werd, was ook Petrus met de overige apostelen gevlucht. Maar de gedachte aan zijne herhaalde en plechtige beloften, Jesus immer getrouw te zullen blijven, vervulden hem al spoedig met schaamte over zijne lafhartige handelwijs; hij keerde terug naar den Olijfberg en volgde van verre de bende naar het huis van den Hoogepriester, waarin
199
hij door bemiddeling van een van Jesus' leerlingen werd binnengelaten. In het voorhof van het paleis van Kaïphas was een vuur, ontstoken, waarom de lieden, die den Heer hadden gevangen genomen, zich vereenigd hadden. Ook Petrus trad toe naar het vuur om zich te warmen en daar af te wachten, wat er omtrent Jesus in den hoogen Raad zou besloten worden. Maar nog nauwelijks had hij zich bij de dienaren en soldaten gevoegd, of daar trad de dienstmaagd, die hem had ingelaten, nader, en hem bij het schijnsel van het vuur opmerkzaam gadeslaande, meende zij in hem een van Jesus' leerlingen te herkennen, en zeide tot hem: â Ook gij waart bij Jesus van Nazareth.quot; Verward, ontsteld en door vrees overmand antwoordde de apostel; âVrouw, ik weet niet wat gij zegt; ik ken Hem niet.quot; Hij stond nu op, trad naar de geopende poort en hoorde in de stilte van den nacht het eerste hanengekraai, gelijk Jesus voorspeld had. Nog stond de apostel aan de poort, toen eene andere dienstmaagd hem ontmoette. Deze meende hem insgelijks te herkennen en sprak tot degenen, die bij haar waren: âOok deze was met Jesus van Nazareth.quot; En andermaal, maar nu met meer nadruk nog, zwoer Petrus, dat hij Jesus niet kende. Toen de apostel zijn goddelijken Meester voor de eerste maal verloochend had, was hij opgestaan om zich te verwijderen ; maar nu men wederom een leerling
200
des Heeren in hem meende te bespeuren, durfde de zwakke apostel het voorhof niet verlaten, uit vrees, dat men aan zijne woorden geen geloof zou hechten en hem, ondanks zijne verzekeringen, voor een leerling des Verlossers zou houden. Hij keerde dus terug naar het gezelschap, dat hij verlaten had. Geruimen tijd zat Petrus daar neder, zonder dat iemand acht op hem sloeg en het woord tot hem richtte; maar toen er ongeveer een uur was voorbijgegaan en anderen, onder wie ook een bloedverwant van Malchus, zich in den kring rondom het vuur kwamen scharen en hem aan zijn gelaat en zijne spraak voor een der leerlingen herkenden, die met Jesus in den hof gezien waren, toen dreef de angst den rampzaligen apostel tot het uiterste en onder zware eeden, onder vloeken en verwenschingen, betuigde hij voor alle aanwezigen, dat hij Jesus niet kende. En omniddelijk na deze derde verloochening kraaide de haan voor de tweede maal.
I. Overweeg, welk een smartelijke slag door deze drievoudige verloochening aan het gevoelig hart van den goddelijken Verlosser werd toegebracht. Ach, Jesus staat daar voor den rechterstoel van den sluwen en geweten-loozen Kaïphas.; zijne apostelen verlieten Hem ; en op hetzelfde oogenblik wellicht, waarop Hij door den Hoogepriester ondervraagd werd naar zijne leerlingen, op hetzelfde oogenblik, dat Hij zich beriep op allen, die van
201
zijne prediking getuigen geweest waren, wordt Hij in hetzelfde huis, waar Hij terecht staat, door den eersten zijner leerlingen, het hoofd zijner apostelen, tot driemalen toe op schaamte-looze wijs onder meineed, onder vloeken en verwenschingen verloochend. Overweeg welk een onuitsprekelijke droefheid en zielesmart het hart van Jesus bij die drievoudige belee-diging moet overstelpt hebhen en stel u levendig voor als hoordet gij Jesus op droevigen toon tot zijn trouweloozen en meineedigen apostel klagen: âHelaas, Petrus ! kent gij uwen goddelijken Meester niet ? Kent gij Mij niet, gij dien Ik had uitverkoren tot den grondsteen mijner Kerk, tot den sleuteldrager des hemels, tot den eersten herder mijner schapen en den vorst mijner apostelen ? Petrus! kent gij Mij niet, gij, met wien ik gedurende drie jaren in voortdurende en allerinnigste vereeniging geleefd heb; gij, die getuige waart van al mijne weldaden en wonderen? Kent gij Mij niet, gij, die in mijn naam weleer de duivelen hebt uitgedreven, gij, die met mijn goddelijke wondermacht bekleed, aan blinden het gezicht, aan stommen de spraak en aan zieken de gezondheid hebt geschonken ? Petrus, Petrus! kent gij uwen Jesus, uwen goddelijken Meester niet, gij, die vóór alle anderen, zoo openlijk en op zulk een heerlijke wijze mijne Godheid en mijne eeuwige geboorte van den levenden God voor al uwe medeapostelen erkend hebt en beleden.
202
toen gij met die volle geloofsovertuiging Mij antwoorddet: âGij zijt do Christus, de Zoon van den levenden God'? Helaas, kent gij Mij niet, gij, die boven alle andere apostelen u beroemdet Mij nimmer te zullen verloochenen en Mij met zooveel vuur hebt verzekerd: âAl zou ik ook met U moeten sterven, ik zal ü niet verloochenen'? Petrus, Petrus! moest ook gij Mij verzaken, moest ook gij door uwe trouweloosheid mijne onuitsprekelijke droefheid en zielesmart op zulk een overstelpende wijs verhoogen ! Ach| zoo mijn vijand Mij had gelasterd, zoo een vreemdeling Mij had verloochend, nog zou Ik het hebben kunnen dragen ; maar gij, mijn beminde leerling en apostel, aan wien Ik zoo innig gehecht was, dat gij Mij verloochent, o, dat voert mijne droefheid en mijn lijden ten top; dat doorsnijdt Mij het hart met een zwaard veel scherper en vlijmender, dan alle beleedigingen en verguizingen, dan alle smarten en folteringen, die Ik van mijne beulen heb te verduren!' O, wie geyoelt niet wat de liefdevolle Meester bij die smartelijke verloochening verduren moest ! Maar beseft gij iets van hetgeen Jesus leed in dat droevige uur, ach, vergeet het niet, dat de Zoon van God geheel zijn lijden en ook deze grievende beleediging verduurde om uwe zonden uit te boeten. Kniel dan in den geest voor uwen verloochenden Jesus neder, tracht Hem in zijne droefheid te troosten, hernieuw de plechtige beloften,
J. â ... K t. t, r- ⢠' lt;â¢/ -â r*/''
203
die gij bij uw H. Doopsel voor Hem hebt afgelegd, en smeek Hem de genade af ze stipt te mogen vervullen tot uwen laatsten levensstond.
Voornemen. Dikwerf zal ik met eerbied en aandacht de beloften hernieuwen, die ik bij .mijn- H. Doopsel heb afgelegd, en God smeeken, dat Hij mij voor elke zware overtreding zijner heilige geboden beware.
II. Overweeg, hoe, volgens het woord van den H. Paulus, niet alleen Petrus, maar alle Christenen, die zich aan zware zonden schuldig maken, Jesus verloochenen; want ofschoon zij Hem kennen en belijden met den mond, loochenen zij Hem door hunne werken. Immers wel belijden alle Christenen met den mond, dat God een liefderijk Vader is en de Bron van alle goed, dat alle gaven naar ziel en lichaam ons van zijne goedgunstigheid toevloeien^ wel belijden zij allen met den mond, dat God uit geheel het hart en boven alles verdient bemind te worden; maar ach, hoe menigeen toonde door zijne werken, dat hij zich zeiven en het schepsel meer beminde dan God, dewijl hij om aan zijne zinnelijke lusten te voldoen en het schepsel te behagen aanstonds bereid was Gods wetten en voorschriften te overtreden en Hem door den snoodsten ondank te beleedigen. Ach, wat is dit anders dan Gods goedheid en beminnelijkheid verkondigen met den mond, maar loochenen door
â¢H. . v- â U '⢠! â¢â¢Â«-l'.------------v'
(/ü â¢' â ***
204
werken? Wel belijden alle Christenen, dat God hemel en aarde met zijne tegenwoor-diglieidT'Vervult, dat niets verborgen is voor zijne blikken en Hij de geheimste plooien doorschouwt van het menschelijk hart. En toch worden er gevonden die de duisternis zoeken, die zich heen begeven naar eenzame plaatsen om vrijer en ongestoorder te kunnen zondigen. Helaas! wat is dit anders dan Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid belijden met den mond, maar loochenen door hunne werken ? Wel belijden alle Christenen, dat God oneindig rechtvaardig is, dat Hij de deugd liefheeft en de zonde haat, dat Hij eenmaal op den grooten dag der vergelding zal komen op de wolken des hemels, om levenden en dooden te oordeelen. En toch, hoe menigeen wordt er aangetroffen, die leeft, alsof er geen God bestond, alsof er geen rechtvaardige Rechter troonde, die een ieder eenmaal zal vonnissen naar zijn werken ! Ach, wat is dat anders, dan Gods onverbiddelijke gerechtigheid belijden met den mond, maar loochenen door de werken ? Onderzoek u zeiven ernstig en vraag u af, of ook gij niet tot het getal dier Christenen behoort, die God door hunne werken hebben verloochend. En moet gij u schuldig erkennen, wend u dan tot Jesus; stel u voor, dat Hij ook tot u het woord richt en u toeroept: âHelaas! kent gij Mij niet, gij voor wiens verlossing ik de wreedste smarten
205
r~quot;~
en folteringen heb willen verduren? Kent gij Mij niet, gij, dien Ik boven zoovele duizenden heb uitverkoren tot mijne leerlingen en geroepen tot het ware geloof; gij, dien Ik in het H. Doopsel van de smet der erfzonde heb gezuiverd en ingelijfd onder de leden mijner H. Kerk? Kent gij Mij niet, gij, die bij uwe intrede in mijne Kerk aan den duivel, aan de wereld en aan al haar schijnglans en rijkdom verzaakt hebt, die zoo plechtig beloofd hebt en gezworen Mij immer trouw te zullen blijven? Kent gij Mij niet, gij over wien Ik onder de zalving en het gebed des Opperpriesters de zeven gaven des H. Geestes heb uitgestort? Kent gij Mij niet, gij die in het Sacrament van boetvaardigheid zoo dikwerf vergiffenis verkreegt van uwe zonden en tallooze genaden om uwe hartstochten te beteugelen, de zondige gelegenheden te vluchten, de deugd te beoefenen en in mijne liefde te leven? Helaas! ondankbare, diep ongelukkige zondaar! kent gij uwen Jesus, uwen God en Verlosser niet, die u aan den voet zijner heilige altaren zoo menigmaal het hoogste, het voortreffelijkste blijk zijner goddelijke liefde schonk, wanneer Hij onder de nederige broodsgedaante afdaalde in uw binnenste en uw hart met de overvloedigste zoetheden en hemelsche vertroostingen vervulde?quot; 'Kunt gij die smartelijke klacht van Jesus hooren, zonder van ganscher harte uwe zonden en
206
trouweloosheden te verfoeien en te betreuren ? Welaan, nader in den geest uwen Verlosser, troost Hem in zijne droefheid, bid Hem om vergiffenis, bied hem nieuwe besluiten aan voor de toekomst en smeek Hem de genade af zóó te mogen leven, dat gij God te allen tijde door woord en werk, door geheel uw levensgedrag moogt belijden en verheerlijken voor de wereld.
Voornemen. Van dit oogenblik af zal ik alle middelen, die mij ten dienste staan, aanwenden om mij voor herval in de zonden te behoeden.
IIT. Overweeg, welke de oorzaken waren van Petrus' val. De apostel had zich niet voorbereid tot den strijd, die hem wachtte; hij vertrouwde te veel op eigen kracht en begaf zich roekeloos in het gevaar, ziedaar de redenen, waarom hij tot zulk een diepen en schromelijken val kwam. Jesus had in den Olijfhof gebeden, maar Petrus sliep. Jesus kwam en vermaande hem: Petrus slaapt gij?' maar hij sliep weder in. Jesus riep hem en den anderen apostelen toe: âWaakt en bidt opdat gij niet komt in de bekoring; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak!quot; en Petrus had dit waarschuwend woord niet ter harte genomen. Hij, die wil staande blijven, moet waken en bidden. O, de christelijke waakzaamheid is als een schildwacht, die daar staat aan de poort
Æ
207
onzer ziel, en het gebed is de heerlijke wapenrusting, waarin de Christen ten strijde trekt, waarop alle slagen van den onzicht-baren vijand afstuiten. Alwie deze middelen niet gebruikt en zorgeloos insluimert, zal evenals Petrus tot zijn onberekenbaar nadeel ondervinden, hoe zwak hij is en hoe de hel-sche geest ontwijfelbaar zeker de overwinning behaalt, waar de mensch zich niet tot den strijd heeft voorbereid. Petrus vertrouwde te veel op eigen kracht, ziedaar een tweede oorzaak van zijn val. Jesus had hem te voren vermaand niet alleen, maar zelfs zijn val voorspeld. En toch sprak de apostel vol ijdel zelfvertrouwen; âHeer, al zouden ook allen in U geërgerd worden, ik zal nooit geërgerd worden. Met U ben ik bereid kerker en dood tegemoet te gaan.' Maar ziedaar ook tevens de oorzaak van den val van zoo menig Christen; in zijne trotsch-heid meent hij tegen elk gevaar bestand te zijn; in den hoogen dunk, dien hij van zijne deugd heeft, telt hij zijn vijand te licht; hij acht het overbodig de middelen aan te wenden, waarop de priester hem in den biechtstoel wijst en die de H. Kerk hem aanbiedt. Hij bidt weinig, nadert zelden tot de heilige Sacramenten, onderzoekt nimmer zijn geweten, legt er zich niet op toe zijne verkeerde neigingen te onderdrukken ; hij let niet op het woord van Christus: , Zonder mij vermoogt gij niets' en treedt zorgeloos de wereld in.
208
Maar de gevolgen zijner nalatigheid blijven niet uit; de hartstochten, die geen wederstand ontmoeten, staan immer heftiger op; de verkeerde neigingen, waaraan voortdurend voedsel geschonken wordt, worden sterker, en ten slotte valt de hoogmoedige, die zich sterk genoeg waande tegen het kwaad, na herhaalde kleinere overtredingen in zware zonden; en zoo God zich niet over hem ontfermt, zinkt hij al dieper en dieper in dien schromelijken afgrond des kwaads tot hij ten laatste in onboetvaardigheid sterft. Eindelijk de derde oorzaak van de verloochening van Petrus ligt in de roekeloosheid, waarmede hij zich blootstelde aan het gevaar. Hij begaf zich in het gezelschap van 's Heeren vijanden, van slechte gowetenlooze lieden, die ondanks de vele wonderen van Christus niet in hem geloofden, en aan allerlei ondeugden onderhevig waren. Ach, hij, die zich voortdurend in gezelschappen beweegt, waar met God en zijne geboden wordt gespot, waar de waarheden van den heiligen godsdienst worden in twijfel getrokken, in gezelschappen, waaruit de deugd verbannen is en waarin elk misdrijf geoorloofd schijnt, hij zal spoedig, evenals Petrus, de waarheid ondervinden van het woord der H. Schrift: âHij die het gevaar bemint zal er in omkomen. ' Helaas! toen Petrus zich in het gezelschap zijner medeapostelen bevond, sprak hij tot Jesus: âGij zijt de Christus, de Zoon
209
van den levenden Godquot;; maar in het bijzijn der dienstknechten van Kaïphas schaamt hij zich over zijn goddelijken Meester en roept Hij onder meineed en verwenschingen uit: âIk ken Hem niet!quot; O, leer hier uit den schro-melijken val des apostels, hoe gij moet leven om in den strijd tegen den vijand uwer ziel staande te blijven. Waak over uwe zintuigen, uwe verkeerde neigingen; wees op uw hoede in uwen omgang met de wereld. Wapen u te allen tijde met het zwaard des gebeds; mistrouw u zeiven, stel al .uw vertrouwen op God, begeef u nimmer roekeloos in het gevaar en ontvlucht al wat u een steen des aanstoots kan zijn, opdat gij in den dienst van uw goddelijken Meester getrouw moogt blijven. Onderzoek u ernstig; en mocht gij onder een of ander opzicht in waakzaamheid en ijver zijn te kort geschoten, verneder u dan voor God, smeek Hem om vergiffenis en maak voornemens voor de toekomst
Voornemen. Ik hernieuw het besluit om te waken over mij zeiven en door veelvuldig gebed, bestendig mistrouwen van mij zelven en het vluchten van alle kwade gezelschappen en gelegenheden tot zonden in Gods liefde te volharden.
GEBED.
Beminnelijke Verlosser van ganscher harte verfoei en betreur ik de ontelbare zonden, waaraan ik mij in uw heiligen dienst plichtig
14
210
maakte. Helaas, ook ik was een dier trouwe-loozen en ondankbaren, die ü beleed met den mond maar verloochende door mijne werken. Bij het H. Doopsel had ik U eeuwige trouw gezworen en mij voor geheel mijn leven aan uwen dienst verbonden. Toen erkende ik U als mijn God, mijn Schepper, mijn Verlosser en toekomstigen Rechter, toen verzaakte ik plechtig den duivel, de wereld en al hare ijdelheden en vermaken, toen beloofde ik, dat ik slechts U zou dienen, slechts ü zou liefhebben en al uwe geboden stipt en nauwkeurig zou onderhouden. Maar ach, nog nauwelijks was ik tot de jaren gekomen, waarop ik die heilige beloften volbrengen moest, of ik verliet uwen dienst, sloot mij aan bij uwe vijanden en gedroeg mij alsof ik U niet kende! Genade en barmhartigheid, o mijn God, voor een zondaar, die ü zoo snood beleedigde! Zie, wederom kom ik tot U, om in uwe liefde te worden opgenomen. Ach, hoe smart het mij, dat ik U door mijne ondankbare handelwijs zoo dikwerf bedroefde ! Neen, dierbare Jesus, voortaan zal ik U niet meer ontrouw zijn! Maar ben ik ook al van goeden wil, helaas, ik ben zoo zwak, en heb ik voorheen zoo menigmaal mijne beloften verbroken, ook nu zullen mijne voornemens mij weinig baten, indien Gij mij niet bijstaat met uwe genade. Daarom bid ik ü. Heer Jesus, help mij, opdat ik van dit oogenblik af mijne beloften stipt moge volbrengen. Geef,
211
dat ik bestendig wake over mijne zinnen, de zondige neigingen van mijn hart bestrijde, mij zeiven mistrouwe en een grenzenloos vertrouwen stelle in U, opdat ik bij elk gevaar, dat mijne ziel bedreigt, aanstonds tot U mijne toevlucht neme. Geef mij den noodigen moed om alle gezelschappen te vermijden, alle personen te ontvluchten, die mij in gevaar zouden kunnen brengen U nogmaals te be-leedigen. O, mocht ik het geluk smaken van dit oogenblik af in uwe heilige liefde te volharden. Hiertoe, lieve Jesus, wil ik alles lijden, alles verduren, aan alle genoegens der wereld verzaken en mij zelfs het geoorloofde ontzeggen, opdat ik na U door woord en werk en geheel mijn levensgedrag beleden te hebben voor de wereld, eenmaal ook door U moge beleden worden voor uwen Vader, die in de hemelen is. Amen.
ZES EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
BOETVAARDIGHEID VAN PETRUS.
Nog nauwelijks had Petrus voor de derde maal zijn goddelijken Meester verloochend of daar werd Jesus door de dienaren des Hooge-priesters geboeid over het voorhof geleid naar de plaats, waar Hij gedurende het overige gedeelte van dien verschrikkelijken nacht door
212
de soldaten en handlangers der Pharisaeën zou bespot en mishandeld worden. Maar ach, de beleedigingen en smarten, die Hij daar zou verduren, vielen Hem niet zoo zwaar als de trouweloosheid en lafhartigheid van zijn meineodigen apostel. Daar naderde de Verlosser de plaats waar Petrus stond ; Hij wierp een langen en treurigen blik op den gevallen apostel, een blik, waarin de innigste liefde te lezen was, maar waar ook tevens de bitterste droefheid over de trouweloosheid van zijn leerling uit sprak, en met dien blik van Jesus trof een straal van 's Heeren genade het hart van Petrus. O, nu herinnerde de apostel zich wederom duidelijk het woord van zijn dierbaren Meester, nog eer de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen en de hevigste droefheid greep hem aan; ijlings verliet hij het huis van den Hoogepriester en buiten gekomen zijnde, begon hij bitterlijk zijne zonden te beweenen.
I. Overweeg, op welk een heerlijke wijs de barmhartigheid van onzen goddelijken Verlosser uitschijnt in de bekeering van den H. Petrus. Zie, Jesus staat daar geboeid, omringd door zijne vijanden. De soldaten mishandelen Hem, de priesters van de Synagoge lasteren Hem, valsche getuigen brengen de ongerijmdste beschuldigingen tegen Hem in; allen wedijveren met elkander, wie Hem het smartelijkst zal kwellen, het smadelijkst zal beleedigen, en toch op niets van dit alles
213
schijnt Jesus te letten : ongevoelig schijnt Hij voor al het lijden, dat men Hem aandoet; eene zaak slechts veroorzaakt Hem onuitsprekelijke kwelling en vervult zijne ziel met de bitterste smart: 't is te moeten zien, dat Petrus heeft gezondigd, dat Petrus ten val kwam ! En nauwelijks is de zonde gepleegd of J esus biedt hem de genade aan ter bekeering. De Verlosser opent den mond niet, want o, zijn blik spreekt reeds luide genoeg. En die blik schijnt Petrus toe te roepen; ,Ach, Petrus, wat is er nu geworden van uwen moed, waar is uwe trouw, waar de vurige liefde, die gij Mij immer hebt toegedragen? Hebt ook gij Mij verloochend ; moest ook gij uwe hand tegen Mij opheffen? Maar neen. Ik verwijt u niets ; Ik ken de zwakheid van het menschelijk hart; Ik weet, dat gij niet uit boosheid hebt gezondigd, maar dat gij te veel van uwe krachten vergdet; Ik weet, dat gij Mij nog kent, dat uw hart Mij nog liefheeft, ofschoon uw mond Mij verloochende. Beween dan uwe zonden, keer tot Mij terug, want nog ben Ik uw Meester, nog vindt gij Mij bereid, u wederom in mijne liefde op te nemen.' Ja, deze woorden scheen Petrus in 's Heeren blik te lezen; zij vervulden zijn hart met de bitterste droefheid over zijn val en naar buiten gegaan zijnde, begon hij bitterlijk zijne zonden te beweenen. Toen de Verlosser, weinige dagen geleden, weenend stond aan het graf van zijn vriend Lazarus,
214
alvorens hem van den (lood op te wekken, fluisterden de omstanders tot elkander : âZie eens, hoezeer Jesus hem liefhad!' 0, diezelfde woorden mogen ook hier wel herhaald worden, waar Jesus een smartvollen blik werpt op den lafhartigen apostel, die den geestelijken dood stierf, maar dien de Heer in zijne onuitsprekelijke barmhartigheid weder het leven der genade terugschonk. Overweeg hier, hoe Jesus niet alleen op Petrus, maar op eiken zondaar een blik werpt vol goddelijke droefheid en innig medelijden. Ach, wanneer de zonde gepleegd is, dan spreekt Jesus bij herhaling tot het hart van den zondaar: door de wroeging van het geweten, door heilige ingevingen, door krachtige genaden brengt de liefdevolle Verlosser hem tot inkeer en wekt Hij hem op tot berouw en boetvaardigheid. Mocht ook gij uwen Jesus door uwe werken hebben verloochend, o, wanhoop dan niet aan uwe zaligheid. Zie op tot Jesus; vol teederheid zal Hij zich over uw lot ontfermen en ook aan u de genaden schenken ter bekeering.
Voornemen. Aan welke zonde ik mij ook mocht hebben plichtig gemaakt, nimmer zal ik aan Gods genade wanhopen. Dikwerf zal ik God dankzeggen voor de eindelooze barmhartigheid, die Hij mij heeft bewezen.
II. Overweeg, hoe volkomen Petrus met de genade des Heeren medewerkte. Tusschen den blik van Jesus en het berouw des apostels lag
215
slechts een oogenblik. Nauwelijks had de Heer zijn trouweloozen leerling aangezien of deze stond op en verliet de plaats, die zoo noodlottig voor hem geweest was. Overweeg, welk een gewichtige les de apostel door zijn voorbeeld hier geeft aan eiken zondaar: hoe namelijk het verlaten der zondige gelegenheid de eerste stap moet zijn ter bekeering. Ach eene treurige ervaring heeft den apostel geleerd, hoe zwak de mensch is, hoe zelfs de heiligste voornemens en de vurigste betuigingen van trouw en gehechtheid niets vermogen, wanneer de mensch roekeloos zich blootstelt aan het gevaar. Daarom dacht Petrus er niet aan in het voorhof te blijven, om de gegeven ergernis te herstellen ; neen, hij mistrouwt zijn ijver, hij weet, dat hij, ondanks zijne plechtige verzekeringen, Jesus tot driemalen toe heeft verloochend; daarom vreest hij nogmaals te zullen vallen, indien hij in het voorhof blijft toeven en ziet hij slechts heil in een onmiddelijke vlucht. O, hoezeer bedriegt zich eene ziel, die waant zich oprecht bekeerd te hebben, zoo zij nog gehecht blijft aan de zondige gelegenheid, die haar ten val bracht! Zie, na zijn eersten val stond Petrus op om het huis van Kaïphas te verlaten, maar hij begon slechts het werk zijner bekeering en voltooide het niet; hij keerde terug tot dezelfde gelegenheid, daarom herviel hij in dezelfde zonde en was zijn laatste val nog erger dan zijn eerste.
216
Maar nu hij waarlijk bekeerd is, nu denkt hij er niet meer aan in het gezelschap te blijven, dat zoo noodlottig voor hem geweest is; hij verlaat het voor altoos, en geen enkel voorwendsel is in staat hem naar het voorhof te doen terugkeeren. Onderzoek hier u zeiven en vraag u af, of ook gij geene plaatsen of gezelschappen in uw leven ontmoet hebt, waar uwe deugd schipbreuk leed, en mocht gij hervallen zijn in dezelfde zonden, omdat u de moed ontbrak die gelegenheden voor immer vaarwel te zeggen, o, spiegel u dan aan het voorbeeld van den boetvaardigen apostel. Sta op uit uwe zonden, schep moed, verlaat al wat er u toe bracht uwen Jesus te verloochenen, breng met een edelmoedig hart de offers aan God, die deze scheiding u zal kosten. Jesus zal u bijstaan met zijne genaden en het zal u gemakkelijk vallen uwe bekeering te voltooien.
Voornemen. Elke gelegenheid, die mij ooit ten val bracht, zal ik met zorg vermijden; nimmer zal ik mij meer blootstellen aan het gevaar mijn God te beleedigen.
III. Overweeg, met welk een gestrengheid Petrus boete deed over zijne zonden. Niet alleen wacht hij geen oogenblik met die boete, maar hij volhardt er in gedurende geheel zijn leven. Al aanstonds bij dien blik des Heeren begon hij zijne zonde in al hare ondankbaarheid en afzichtelijkheid in te zien. Ach, nog slechts weinige uren geleden, zat
217
hij daar naast Jesus neder aan het avondmaal te Jerusalem; hoeveel onuitsprekelijke blijken van liefde had de goddelijke Verlosser hem in dien korten tijd niet geschonken! O, was het Jesus niet, die als een dienstknecht nederknielde op den grond om het nederig werk der voetwassching bij zijne apostelen te verrichten! Was het Jesus niet, die Hem aan dienzelfden disch had gespijzigd met zijn goddelijk Vleesch en Bloed? Was het Jesus niet, die hem op weg naar den Olijfberg had gewezen op zijne zwakheid? Was het die goede, die liefdevolle en trouwe Meester niet, die hem in den hof berispt had over zijne traagheid en hem had aangespoord tot het gebed, opdat hij niet komen mocht in de bekoring? En ach, dien godde-lijken Meester had hij nu verloochend, onder meineed, onder vloeken en verwenschingen verloochend, tot driemalen toe verloochend uit lafhartige vrees voor de wereld! O deze en duizend andere gedachten aan 's Heeren goedheid en liefde bestormden het hart tan Petrus op het oogenblik, dat Jesus een blik van ontferming en liefde wierp op zijn trouweloozen apostel; de hevigste droefheid overstelpte hem, en naar buiten gegaan zijnde, begon hij bitterlijk te weenen. Ja, Petrus beweende zijne zonden en het leedwezen, dat zijne ziel verteerde, was niet eene voorbijgaande droefheid, maar geheel zijn leven, zoo getuigt de H. Clemens, een van Petrus'
218
leerlingen, geheel zijn leven zou hij zijne ondankbaarheid en lafhartigheid beweenen. Ach, eiken macht, wanneer de boetvaardige apostel de haan hoorde kraaien, stond hij op van zijne legerstede, wierp hij zich op zijne knieën neder, stortte hij opnieuw een vloed van tranen en bad hij nogmaals zijn goeden Meester om vergiffenis voor de zonde, die hij sinds lang door oprechte boetvaardigheid had uitgewischt. Petrus beweende zijne trouweloosheid en zóózeer betreurde hij ze, dat zijne oogen, gelijk de H. Nicephorus ons meedeelt geheel ontstoken en gezwollen waren en zijn eerbiedwaardig gelaat met diepe voren als doorgroefd was, wegens den vloed van tranen, waarmede hij onophoudelijk zijne zonde beweende. Hebt ook gij wellicht het ongeluk gehad uwen God te beleedigen, stel u dan niet tevreden met een vluchtig leedwezen, maar betreur en verfoei uwe overtredingen geheel uw leven lang. Vooral, dan wanneer gij u voorbereidt om uwe zonden aan 's Heeren pl;iatsbekleeder te belijden, moet gij uw berouw er over vernieuwen, ook al zouden zij u reeds sinds lang vergeven zijn. Daardoor zal uw haat tegen de zonde immer krachtiger worden en zult gij overvloediger kwijtschelding verwerven van de tijdelijke straffen, die u in dit of in het volgend leven voor uwe overtredingen wachten.
Voornemen. Ik zal mij de heilzame gewoonte eigen maken, mij bij elke biecht
219
ook van mijne vroegere zonden en over-biedingen te beschuldigen en ze van ganscher harte te verfoeien en te betreuren.
GEBED.
Liefderijke Verlosser, met een onbegrensd vertrouwen op uwe onuitsprekelijke goedheid en barmhartigheid werp ik mij aan uwe voeten neder. Helaas! ook ik heb ü niet slechts drie malen, gelijk Petrus, maar zoovele ontelbare malen door mijne zonden verloochend, en in plaats van met uwen apostel op te staan, en de gelegenheden tot het kwaad voor immer vaarwel te zeggen, stelde ik mij onophoudelijk bloot aan het gevaar U opnieuw te beleedigen. Ach, reeds zoo dikwerf moest ik ondervinden, hoe zwak ik was en hoe weinig ik op mij zeiven kan vertrouwen; zoo dikwijls reeds spoorden uwe heilige ingevingen, de stem van mijn geweten en het vermanend woord van den priester mij aan, te breken met al wat mij ten val kon brengen en tot nog toe gaf ik zoo zelden aan uwe roepstem gehoor. Maar leefde ik zorgeloos voort en waagde ik mij roekeloos in het gevaar, op dit oogenblik ben ik vast besloten, alles te vermijden, alles te ontvluchten, wat mij wederom van uwe liefde zou kunnen berooven. Neen, voortaan, lieve Jesus, ik beloof het U plechtig, zal ik mij nimmermeer begeven naar die plaatsen
220
en gezelschappen, waar ik U reeds zoo menigmaal beleedigde: voortaan zal ik eiken omgang afbreken met personen, die een steen des aanstoots voor mij waren en mij van uwen dienst vervreemden. O, gewaardig U dan, dierbare Jesus, mij met een blik vol liefde en ontferming aan te zien, opdat ook ik al mijne zonden moge verfoeien en betreuren, gelijk de boetvaardige apostel zijn drievoudigen val beweend heeft. Geef, dat ik mijne overtredingen voortdurend voor oogen hebbe en levendig gevoele, hoevele smarten mijne verlossing U gekost heeft, met hoeveel liefde Gij uw lijden verduurd hebt, opdat ik hierdoor krachtig aangespoord worde, geheel mijn leven mijne trouweloosheid en ondankbaarheid te beweenen. Ja hier, lieve Jesus, wil ik in boete en versterving, in bestendige droefheid over mijne zonden mijne dagen doorbrengen, opdat ik eenmaal van alle zondensmet gelouterd en gezuiverd in uwe liefde sterve en opgenomen worde in die heilige woonstede, waar, volgens het goddelijk woord door U gesproken, meer vreugde zal zijn over een zondaar, die boetvaardigheid doet, dan over negen en negentig rechtvaardigen. Amen.
221
ZEVEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
DE BESPOTTING IK HET HUIS VAN KAIPHAS.
Terwijl Petrus, buiten, zijn val bitterlijk beweende, had Jesus in het huis van den Hoogepriester de diepste verguizing en mishandeling te verduren. Toen de leden van het Sanhedrin Jesus des doods schuldig hadden verklaard, was de goddelijke Verlosser door de gerechtsdienaars naar een binnenhof geleid, en daar begon nu dat wreede spel, die allerbitterste bespotting, die tot aan den vroegen morgen zou worden voortgezet. De onverlaten spuwden den Heer in zijn aanbiddelijk gelaat, sloegen Hem met vuisten, en, om aan hun lagen spotlust nog meer voldoening te geven, bedekten zij zijn aangezicht, gaven Hem kaakslagen en riepen Hem dan hoonend toe: âProfeteer ons, Christus, wie is 't, die ü geslagen heeft,quot; terwijl anderen wederom door andere mishandelingen en beleedigingen hunne woede aan Jesus koelden. Toen werd het woord vervuld, dat de profeet Isaïas ruim zeven eeuwen te voren den lijdenden Messias in den mond legde : âMijn lichaam bood ik hun, die Mij sloegen, en mijne wangen hun, die Mij den baard uitrukten; mijn aangezicht keerde Ik niet af van hen, die Mij scholden
222
en bespuwden.quot; In stilte, met hemelsch geduld verdroeg de Verlosser dien smaad; Hij zweeg als een lam voor dengene die het scheert; en Hij opende zijn mond niet.
I. Overweeg, hoe de dienstknechten van Kaïphas en de overige handlangers der opperpriesters en Pharisaeën den Zoon Gods geen oogenblik rust gunnen in zijn lijden. Wanneer een misdadiger ter dood is veroordeeld, dan gevoelt een ieder, zelfs degenen, die met het bewaken van den ongelukkige belast zijn, voor hem een oprecht medelijden. Men stelt zich tevreden met de straf, waartoe de menschelijke gerechtigheid hem heeft verwezen ; men laat hem aan zijne overdenkingen over, eerbiedigt als het ware zijne smart, tracht hem de weinige levensuren, die hem nog resten, zoo dragelijk mogelijk te maken, en bewijst hem bereidwillig de laatste diensten, waar hij om vraagt. Maar helaas! niet aldus handelden de dienaren des Hoogepriesters met den onschuldi-gen Verlosser. Nauwelijks is Jesus des doods schuldig verklaard of zij voeren Hem naar een besloten binnenhof, waar zij Hem gedurende het overig gedeelte van den nacht op de wreedste en onteerendste wijs mishandelen. De blinde haat, waarvan hun hart tegen Jesus verteerd wordt, flikkert in hunne blikken, spreekt uit elke beschimping, elke godslastering, die zij den Heer in het aangezicht slingeren, uit den hemeltergenden spot, waar-
223
mede zij Hem bejegenen. Ach, de vijanden des Heeren hebben alle gevoel van mensche-lijkheid afgelegd ; hunne wreedheid en goddeloosheid geven hun duizend middelen aan de hand om den Heer op het grievendst te treffen, op het smadelijkst te hoonen. En toch te midden van al dien smaad, van al die bespottingen blijft Jesus het diepste stilzwijgen bewaren; geen enkele klacht, geen enkel verwijt tegen zijne beulen komt Hem van de lippen. Maar bewondert gij de goddelijke zachtmoedigheid, die Jesus hier tegenover zijne verwoede vijanden aan den dag legde, o, nog meer moogt gij wel de lankmoedigheid, het geduld bewonderen, dat Jesus u betoonde, al die jaren, die gij hier op aarde hebt doorgebracht. Immers hebt gij uwen Verlosser niet op veel ondankbaarder wijs behandeld dan de Joden in het huis van Kaïphas? Ach, alle oogenblikken uws levens hadt gij moeten besteden om God te danken voor de onuitsprekelijke goedheid, waarmede Hij u uit het niet te voorschijn riep, voor de ontelbare weldaden en zegeningen, waarmede Hij u voortdurend ter zijde stond, en, in plaats van aan die liefde des Heeren te beantwoorden en uw goddelijk Toonbèeld na te volgen, hebt gij wellicht het zoete juk van Jesus Christus van u afgeschud, 's Heeren gaven misbruikt, zijne wetten geschonden, zijne liefde versmaad, zijne genade verworpen en Hem op
224
de onwaardigste wijze beleedigd. En niet éénmaal, maar zoovele ontelbare malen in uw leven hebt gij u aan dit vergrijp schuldig gemaakt; en toch is dat aanbiddelijk geduld des Heeren nog niet uitgeput! O, werp u dan voor dien liefdevollen Verlosser neder; smeek Hem rouwmoedig om vergiffenis, dank Hem voor zijne eindelooze barmhartigheid; neem nieuwe en krachtige besluiten voor de toekomst, en tracht in het vervolg zoo te leven, dat gij den Heer tot troost moogt strekken bij den smaad, waaraan Hij zich in het huis van Kaïphas ook voor uwe zonden heeft willen onderwerpen.
V oornem en. Dikwerf zal ik God danken voor de eindelooze barmhartigheid, waarmede Hij mij gespaard heeft, toen ik in zonden leefde ; door deze gedachte ook wil ik mijn ijver opwekken om aj den tijd, die mij nog rest, aan de verheerlijking van God en de heiliging mijner ziel te besteden.
II. Overweeg, welke schromelijke mishandelingen de Zoon Gods in het huis Kaïphas van de Joden wilde verduren. De woestelingen schaarden zich rondom den Heer en spuwden Hem in het aangezicht. Ach, is er wel grooter blijk van verachting, is er wel dieper beleediging denkbaar, dan die, welke de dienaren des Hoogepriesters Jesus hier aandoen ? 's Menschen gelaat is het waardigste deel zijns lichaams, 't is als het ware de spiegel, waarin het beeld en de gelijke-
225
his der Godheid weerkaatst. Indien dus deze walgelijke mishandeling het schepsel wordt aangedaan, bevat zij reeds eene schromelijke beleediging. O welk een smaad, welk een lage verguizing en onteering ligt er dan niet in opgesloten, nu zij wordt aangedaan aan Jesus, den Zoon van den eeuwigen God! Zij spuwen in het aanbiddelijk gelaat, waarnaar zoowel zieken, bezetenen en rouwmoedige zondaren met diepen eerbied en blijde, hoopvolle verwachting hadden opgezien, in dat zachtmoedig, dat liefderijk aangezicht, dat zelfs de heidenen wenschten te zien; in dat heilig aangezicht, in welks aanschouwing de Engelen en uitverkorenen de hoogste gelukzaligheid genieten in den hemel. Helaas, wat diepe smaad ! Wat grievende onteering! Maar verafschuwt gij de snoode handelwijs dier ruwe bende, ach, vraag u ook af, waarom Jesus, de Koning der eeuwige glorie, de schoonste onder de kinderen der menschen, zich zoo onuitsprekelijk diep heeft willen vernederen. Ach, Jesus kent de grootheid, de ontzagwekkende majesteit en heerlijkheid Gods; Hij weet, welke schromelijke beleediging door de zonde zijn hemelschen Vader wordt aangedaan, en daarom achtte Hij geene vernedering te groot, geen smaad, geene verachting te be-leedigend, waar het gold boete te doen voor dien noodlottigen hoogmoed, die den mensch in vennetelen overmoed het hoofd deed op-
15
226
steken tegen zijn Schepper. Jesus, do Zoon Gods wordt als de Laagste en veraclitelijk-ste misdadiger met beschimpingen en verguizingen als verzadigd, om ons te leeren, hoe afschuwelijk de hoogmoed is in Gods oog en hoe allernoodzakelijkst het voor eiken Christen is zich diep te vernederen, zoo hij het rijk Gods wil beërven. Vraag u af, of gij nog immer wordt gedreven door die ongeregelde zucht om geëerd, geacht en geprezen te worden door de menschen. O, zoolang dergelijke begeerten nog door u gekoesterd worden, woont de geest der wereld nog in uw hart en is de geest van den diep vernederden Jesus u vreemd. Onderzoek u zeiven; vraag u af, hoe gij u gedraagt bij de vernederingen, die men u aandoet, bij de beleedigingen, waaraan gij somtijds blootstaat. Moet gij erkennen, dat gij ongeduldig wordt, in toorn ontsteekt, in schampere woorden of bittere verwijten uitvalt tegen degenen, die u beleedigen, verneder u dan voor uwen Verlosser, smeek Hem rouwmoedig om vergiffenis en herhaal dikwijls met eerbied en aandrang het schietgebed : ,0 Jesus! zachtmoedig en ootmoedig van harte, maak mijn hart gelijkvormig aan het uwe.quot;
III. Stel u voor, hoe Jesus door de knechten werd geblinddoekt en op schaamtelooze wijze in zijn aanbiddelijk aangezicht geslagen, terwijl men Hem met tergenden spot
227
toeriep: â Profeteer ons, Christus, wie is 't, die ü heeft geslagen?quot; Overweeg, hoe die grievende mishandeling en bittere bespotting des Hee-ren nog dagelijks door zoo menigen zondaar herhaald worden. De Joden blinddoekten den Heer, alsof het hun mogelijk ware het alziend oog van den Zoon Gods te omsluieren. Zij riepen, terwijl zij met vuisten in zijn heilig aangezicht sloegen, Hem hoonend toe: âProfeteer ons, Christus, wie is 't, die U heeft geslagen?quot; Alsof er iets kon verborgen zijn voor den alwetenden God, wiens blik de harten en nieren doorgrondt, wien zelfs de geheimste gedachten en begeerten van alle schepselen bekend zijn. Maar ach, wat verfoeien wij de dwaasheid en de bittere spotternij, waaraan de Joden zich schuldig maakten? Ook de zondaar, die zich afzondert op eenzame plaatsen, die de duisternis zoekt om vrijer en ongestoorder te kunnen zondigen en zijn God te beleedigen, ook hij maakt zich aan dezelfde verblindheid schuldig. Door de eenzaamheid, de duisternis te zoeken, tracht hij een sluier te werpen over 's Heeren gelaat; door de zonde te bedrijven, heft hij zijne hand op tegen Jesus, slaat hij Hem smadelijk in zijn gezegend aangezicht en sluit hij zich aan bij de bende, die Jesus met tergenden spot toeriep: âProfeteer ons, Christus, wie is 't, die ü heeft geslagen?quot; Vraag u af, of de rechtmatige vrees voor de straffende oordeelen Gods u behoedt tegen de
228
zonden, dan wel of de vjees voor de men-schen en het afkeurend oordeel der wereld u terughoudt van het kwaad. Mocht dit laatste het geval zijn, ach, bedenk dan wel, dat gij door zulk een gedrag een sluier bindt, niet om de oogen van God, maar om uw eigen oogen, en dat gij in uwe verblindheid uw eeuwig verderf te gemoet gaat. Welaan, bekeer u oprecht tot God, werp dien blinddoek af, pleeg boete, smeek den Hemel om vergiffenis en denk bij al uwe werken, dat God u gadeslaat en dat geen enkele uwer handehngen aan zijn oog ontsnapt.
Voornemen. Dikwerf zal ik denken aan Gods tegenwoordigheid; door deze gedachte zal ik mij vooral tijdens de bekoring trachten te versterken.
GEBED.
O, aanbiddelijk gelaat van mijn Jesus, vlekkelooze spiegel van Gods majesteit, getrouw beeld van Gods eindelooze goedheid, in welk een schromelijken staat zie ik u gebracht voor de zaligheid mijner ziel! O, schoonste onder de kinderen der menschen! hoe bezoedeld en misvormd zie ik U hier uit liefde tot mij ! En toch, ondanks de onuitsprekelijke liefde, die Gij mij betoondet, lieve Jesus, gaf ik U niet het geringste blijk van wederliefde. Ach, in plaats van U
229
to beminnen en dit te toonen door uwe geboden te onderhouden en aan uwe wetten te gehoorzamen, bleef ik in de zonde voortleven en dacht ik er in mijne verblindheid niet' aan tot U terug te keeren en ü vol-, doening te schenken voor den bitteren smaad, dien ik u aandeed. Maar neen, lieve Jesus, niet langer wil ik tot het getal der zondaren behooren, niet langer van uwe liefde gescheiden blijven. Zie, vol droefheid en berouw en met den diepsten ootmoed, smeek ik U om vergiffenis. Maar ook tevens, beminnelijke Verlosser, wil ik U eerherstel brengen voor do beleedigingen en mishandelingen, die Gij in uw lijden hebt willen verduren en die ik U zoo dikwerf door mijne ongetrouwheden aandeed. 0 dierbare Jesus, al is uw aanschijn besmeurd, al wordt Gij gehoond, verguisd en bespot door de hoffe des volks, toch erken en belijd ik met een levendig geloof, dat Gij zijt de Schepper van het heelal, de Zoon van God; de Koning der eeuwige glorie. O, of het mij vergund ware, U mijne liefde te toonen, door uwe smarten en vernederingen te deelen. Zie, van dit oogenblik af onderwerp ik mij uit liefde tot ü aan alle tegenspraak, aan alle verachting en bespotting der wereld. Gaarne, lieve Jesus, wil ik naar uw verheven voorbeeld zwijgend, vol onderwerping aan Gods heiligen wil alle mishandelingen en beleedigingen verduren, die mij zullen worden aangedaan, opdat ik
230
eenmaal, na met U gedeeld te hebben in uwe vernederingen, met ü moge heerschen in uwe glorie. Amen.
ACHT EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT TEN TWEEDEN MALE DOOR DEN JOODSCHEN RAAD TER DOOD VEROORDEELD.
Den ganschen nacht had Jesus de mishandelingen der dienstknechten van Kaïphas verduurd en bij het aanbreken van den dag werd Hij andermaal voor de leden van den grooten Eaad gebracht, die in het vroege morgenuur waren te zamen gekomen om het vonnis te bekrachtigen, dat reeds in de nachtelijke bijeenkomst over den Heer was uitgesproken. De opperpriesters, de schriftgeleerden en de oversten des volks waren daar allen tegenwoordig, en toen Jesus in de vergaderzaal was binnengeleid, vroeg men Hem; âZoo Gij de Christus zijt, zeg het ons.quot; Jesus antwoordde: âIndien Ik het U zeg, zult gij Mij niet gelooven, en indien Ik u vragen doe, zult gij Mij niet antwoorden, noch loslaten.' Na met deze woorden de huichelarij der Joden bestraft te hebben, herinnerde Jesus zijne rechters nogmaals, dat Hij op den jongsten dag als opperste Rechter
231
geheef het mensohelijk geslacht zal komen oordeelen, en sprak Hij op plechtigen toon: âVan nu af zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan do rechterhand der kracht Gods.' Hierop vroegen zij Hem: âDus zijt Gij de Zoon Gods?' en Hij zeide: âGij zegt het; Ik ben het.' Toen riepen allen, die daar vergaderd waren: âWat verlangen wij nog getuigenis? Zeiven hebben wij het uit zijn mond gehoord.quot; In allerijl werd de vergadering gesloten. Men stond op en voerde Jesus, terwijl het volk uit alle wijken der stad te zamen stroomde en den stoet volgde, geboeid door de straten naar het rechthuis van den Romeinschen landvoogd, Pilatus, waar verschillende lasterlijke beschuldigingen tegen den Heer werden ingebracht.
I. Overweeg, met welk een heilig verlangen Jesus dezen dag, den laatsten zijns levens, verbeid had. Stel u voor, hoe de liefdevolle Verlosser zijne geboeide handen ten hemel heft, hoe Hij zijn Vader dankt, dat de groote, de gewichtige dag eindelijk is aangebroken. Ziedaar dan den dag, waarnaar de Patriarchen en heiligen des Ouden Verbonds met zulk een smachtend zielsverlangen hadden uitgezien, den dag, door de Profeten voorspeld, waarop het groote Offer zal worden opgedragen, waarop het goddelijk Lam zal worden geslacht, dat alle zonden der wereld wegneemt, waarop het slavenjuk des duivels, waaronder de geheele
232
menschheid zuchtte, zal worden verbrijzeld, den blijden dag, waarop Gods beeltenis in 's menschen ziel in eere hersteld,- de Schepper met het schepsel verzoend, de poort van liet hemelsch paradijs geopend en een nieuw en plechtig verbond tusschen God en den mensch gesloten zal worden. O, hoe vurig had de Zoon Gods naar dien dag verlangd. Van het eerste oogenblik af, dat Hij deze wereld intrad, zweefde die dag Hem voor den geest. Meermalen had Hij met zijne leerlingen over dien heerlijken dag gesproken en hun geopenbaard, hoe zijn goddelijk Hart leed onder de allervurigste begeerte om voor ons te lijden en te sterven. âIk moet met een doopsel (het doopsel mijns bloeds) gedoopt worden,quot; zoo had Hij gesproken, âen hoe word Ik gepijnigd, totdat het volbracht zij !quot; O, zoo wij een blik hadden mogen slaan in dat hart van Jesus, dan zouden wij gezien hebben, met welk eene blijde vervoering Hij het eerste morgenrood van dezen dag begroette, die de dag zou zijn van zijn kruisoffer, de dag, waarop ons het eeuwig leven zou worden geschonken. Overweeg, hoe verschillend de verlangens zijn van Jesus en die van zijne vijanden. Dezen zinnen slechts op den dood van een onschuldige; Jesus daarentegen koestert geen ander verlangen, kent geen andere begeerte dan aan het in zonden verzonken menschenge-slacht de onuitsprekelijke weldaad der Verlossing en het eeuwig leven te schenken.
233
Zie, Hij aarzelt niet, Hij treedt niet terug, nu Hij zijn leven voor ons moet ten offer brengen; verre van daar, Hij dankt zijn hemelschen Vader nu het plechtig uur welhaast gaat aanbreken, waarop het heerlijkste, het meest troostvolle Geheim der goddelijke liefde en barmhartigheid zal voltrokken worden. Treed eenige oogenblikken in u zeiven en vraag u af, wat gij doet voor uw eeuwig geluk. Welke begeerten koestert gij ? Kunt gij in waarheid getuigen dat het eerste, het vurigste verlangen van uw hart is, uwe ziel zalig te maken? Welke goede werken verricht gij om het eeuwig leven te verwerven? Welke zorgen wendt gij aan, welke moeiten getroost gij u, om alles te vermijden, wat u een hinderpaal zou kunnen zijn op den weg ten hemel? Welken moed legt gij aan den dag in den strijd tegen den vijand uwer ziel? Welke offers brengt gij, om u de overwinning in dien strijd te verzekeren? Hebt gij bij dien gewichtigen arbeid nimmer toegegeven aan de bedriegelijke begeerten uwer eigenliefde, die de zonde in eene bekoorlijke gestalte, de deugd daarentegen als eene harde en moeielijke taak aan u voorstelde? En indien gij op dit oogen-blik nog behagen schept in de verboden vrucht der zonde, in de zinnelijke genoegens der wereld, hoe durft gij u dan vleien met de gedachte, dat gij een oprechte begeerte koestert naar uw eeuwig geluk? O, Jesus,
234
de Zoon van God, kende geen ander verlangen dan dat uwer zaligheid; ziedaar het voorwerp van al zijne gedachten, het doel van al zijn werken en streven. Hij hegeerde niets anders ; Hij haakte. Hij dorstte er naar en de brandende ijver, die zijn goddelijk Hart verteerde, dreef Hem er toe zich zeiven ten offer te brengen. Voor geen lijden, hoe bloedig ook en folterend, voor geen dood, hoe smartelijk ook en onteerend, deinsde Hij terug, om het geluk te kunnen smaken uwe onsterfelijke ziel met het eeuwig leven te begiftigen. O, bekeer u dan oprecht tot God, wek eene vurige begeerte naar het geluk des hemels op in uwe ziel. Neem kloekmoedig het besluit om te breken, voor immer te breken met de zonde en al wat tot de zonde voert. Spreek tot u zeiven met don profeet: âIk dacht aan de jaren dei-eeuwigheid, aan het geluk, dat in den hemel voor mij is weggelegd, toen sprak ik, nu 'zal ik beginnen, met allen ijver en krachtsinspanning beginnen aan het groote, het gewichtige werk mijner zaligheid te arbeidenquot;. Draag uwe voornemens aan God op, smeek Hem, dat Hij u met de kracht zijner genade sterke, opdat gij immer het groote levensdoel in het oog moogt houden, waarheen gij in deze wereld streven moet.
Voornemen. Eiken morgen zal ik mij de vraag stellen, die zoovele heiligen zich gesteld hebben: âWaartoe zijt gij in de we-
235
reld gekomen?' Door de gedachte aan de belooningen des hemels zal ik trachten mijn ijver in den dienst van God levendig te houden en met moed den weg der volmaaktheid te bewandelen.
II. Overweeg het antwoord, dat Jesusaan zijne vijanden gaf op de vraag, of Hij de Christus was: âIndien Ik het u zeg, zult gij Mij niet gelooven en indien Ik u vragen doe, zult gij Mij niet antwoorden noch loslaten.quot; Ach, Jesus wist dat het besluit zijner vijanden reeds genomen was, dat het doodvonnis Hem reeds wachtte en al die vragen slechts dienden om de argelooze en onnadenkende menigte te misleiden. Hij wist, dat geene liefde tot de waarheid hen bezielde en dat zij Hem niet zouden ontslaan ook al zouden zij haar vernemen, 't Is alsof Hij hun zegt: âHandelt naar uw goeddunken, spreekt het doodvonnis over Mij uit; maar weet het wel; eenmaal zal ook Ik als Rechter optreden; dan zal Ik met alle gestrengheid mijner goddelijke rechtvaardigheid u naar uwe werken vergelden.quot; De Joden echter werden door dit woord des Heeren niet tot betere gedachten gebracht; de haat tegen Jesus hield hunne oogen omsluierd; de schrikwekkende bedreiging des Heeren liet hen zonder vrees, en zij bleven in hun ongeloof volharden. Overweeg hoe de verblindheid der Joden het lot is van menigen zondaar. God laat den zondaar somtijds in zijne misdrijven
236
voortleven, Hij laat hem de vrijlieid; maar wee dengene, die zijn aanbiddelijk geduld steeds op de proef stelt en die vergeet, dat de goddelijke gereclitigheid eenmaal haren tijd zal hebben. De dag der vergelding zal onfeilbaar eenmaal aanbreken, en hij, die weigert de genaden aan te nemen, welke de goddelijke barmhartigheid hem aanbiedt, zal op dien dag aan de rechtvaardige w.raak des hemels niet ontsnappen. Bedenk, hoe menigmaal God reeds tot u sprak, hoe Hij u door zijne heilige ingevingen de zwaarte uwer zonden, de ondankbaarheid van uw gedrag deed inzien, en u riep tot een deugdzaam leven. Vraag u af, of gij aan die stem zijne â genaden hebt gehoor gegeven en welke pogingen gij hebt aangewend om te breken, mot het kwaad. O hoe ongelukkig zoudt gij zijn, in welk een diep beklagenswaardigen toestand u bevinden, indien gij uw oor voor 's Heeren roepstem zoudt sluiten en in uwe zonden zoudt volharden. Geen zwaarder straf kan den zondaar in dit leven overkomen, dan wanneer hij, door voortdurend aan de genade weerstand to bieden, tot volkomen onverschilligheid geraakt voor zijne eeuwige belangen. Want ten slotte zal de stem des hemels, de stem van zijn geweten zwijgen, en er zal een schijnbare rust, eene bedriegelijke vrede in zijne ziel ontstaan, die hem voor het gevaarvolle van zijne toestand de oogen doet sluiten, 't Was de straf, waannede God de ondankbare
237
Joden tuchtigde en â¢waarmede Hij ook nu nog den zondaar bezoekt, die in zijne zonden en in de onboetvaardigheid volhardt.
Voornemen. Zoodra ik door de stem van Gods genade op het verkeerde van een of andere handeling zal worden gewezen, zoodra de stem van mijn geweten spreekt, zal ik aan die heilige ingevingen gehoor geven en ze tot mijne heiliging aanwenden.
III. Overweeg, hoe Jesus, na door den Joodschen Eaad ter dood verwezen te zijn, wordt heengevoerd ' naar den Komeinschen landvoogd. Stel u voor, Jesus daar te zien gaan, geboeid, omringd door gerechtsdienaars en soldaten, gevolgd door de leden van het Sanhedrin en het volk, dat van alle zijden toestroomde, om zich in dit smartelijk schouwspel te verlustigen. Ach, Hij wordt daar voortgesleurd straat uit, straat in, naar het rechthuis van Pilatus; en toch bewandelt Hij dien weg uit vrijen wil, omdat zijn liefde tot den mensch zich dien boven allen uit-verkoor. De ondankbare Joden willen in Hem niets anders zien dan een misdadiger, die de doodstraf heeft verdiend; maar de hemelsche Vader ziet in Hem het slachtoffer, dat bestemd is om de zonden der wereld uit te delgen in zijn goddelijk bloed. Helaas! 't is den Joden niet genoeg, Jesus te doen sterven; zij willen dat Hij alom als misdadiger beschouwd, dat er een onteerend doodvonnis over Hem uitgesproken worde.
238
Overweeg, hoe de Zoon Gods meêdoo-genloos door de woestelingen wordt voortgedreven. Zijne handen, die zoo menig wonder gewrocht hehben en zich zegenend over zieken en lijdenden uitstrekten, zijn met kluisters beladen ; zijne voeten, die Hem weleer heenvoerden naar het ziekbed van onge-lukkigen, naar de woning van afgedwaalden en zondaren, naar elke plaats waar eenige smart te lenigen, een bedroefde te vertroosten viel, waar eene weldaad zijner goddelijke liefde gevraagd werd, worden nu gedwongen zich te richten naar het huis van Pilatus, waarheen zijne vijanden Hem voortsleuren. âHelaas! o mijn Jesus, wat zal nu het volk van Jerusalem van U denken, als het ü daar geboeid terecht ziet staan voor den heidenschen landvoogd. Ach, hetzelfde volk, dat zoo menigmaal de wijsheid uwer woorden, de verhevenheid uwer leer, de vlekkelooze heiligheid uws levens en de heerlijkheid uwer werken bewonderde, zal nu uwe wonderen voor werken van den duivel, uwe prediking voor godslastering houden en U als den slechtsten mensch, als den laagsten bedrieger en den meest verachtelijken van alle misdadigers verfoeien. Ach, waarom, dierbare Jesus, waarom onttrekt Gij U niet aan al dien smaad, waarom wilt Gij al die verguizing vei-duren?' O, indien gij aldus tot Jesus op den dag zijns lijdens gesproken hadt, wat zou Hij u geantwoord hebben? Met hemelsche
239
liefde zou Hij u toespreken; âIk ben overwonnen, ja, maar niet de boosheid der menschen, neen, mijne liefde tot u is 't, die over Mij zegevierde; Ik ben geboeid, maar 't is om uwe zonden en overtredingen; Ik word gevankelijk weggevoerd, maar Ik ben een gevangene door mijne onderwerping aan den wil mijns Vaders!' Werp u dan inden geest met een liart vol wederliefde aan Jesus' voeten neder en zeg Hem: â0, dierbare Verlosser, Gij zijt door den hemelschen Vader voorbestemd tot Zoenoffer voor de zonden der wereld ; Gij hebt Hem willen gehoorzamen tot den dood, ja tot den dood des kruises. '0, wanneer zal ik mijne misdrijven en overtredingen beginnen in te zien, wanneer ze oprecht verfoeien en ophouden mij er aan schuldig te maken? Wanneer zal ik de nederigheid liefhebben en beoefenen, wanneer het lijden omhelzen4 boete plegen over mijne zonden, uwe voetstappen drukken en mij geheel en onverdeeld aan uw heiligen dienst wijden? 0 dierbare Verlosser, ik smeek het ü, bij de onuitsprekelijke mishandelingen en beleedigingen, die Gij in uw lijden verduurd hebt, geef mij hiertoe uwe alvermogende genade.'
Voornemen. Bij 't overwegen van 's Heeren heilig lijden zal ik mij steeds levendig trachten te doordringen van de gedachte, dat Jesus dit alles uit liefde tot mij en ter uitboeting van mijne zonde heeft willen verduren.
240
GEBED.
O dierbare Jesus, Gij zijt het heilige, â zuivere en onbevlekte Offerlam, dat de zonden der wereld wegneemt. Gij het slachtoffer, dat alleen waardig is aan den Vader te worden opgedragen. Zie, bid ik ü, op mij, ellendigen zondaar, neder en neem ook van mij al die misslagen en gebreken weg, die ü zooveel lijden veroorzaakt hebben. O, hoe groot, hoe onuitsprekelijk groot is uwe liefde tot mij, dewijl zij ü bewoog, uw leven te geven aan het kruis voor de redding mijner ziel. Maar indien uwe liefde zoo groot is, ach, van waar komt het dan, lieve Jesus, dat ik zoo ondankbaar ben, zoo onverschillig voor uwe liefde. Helaas Gij hebt de bitterste smarten en folteringen willen verduren, en ik schrik voor alle kwelling en lijden terug; Gij hebt u aan de diepste vernederingen willen blootstellen, en ik tracht mij voortdurend boven mijne medemenschsn te verheffen; Gij werdt miskend, beleedigd, veracht, door de heffe des volks verguisd en bespot; en ik streef slechts naar roem en eer, naar achting en aanzien in deze wereld; Gij werdt in al uwe zintuigen op ondenkbare wijze gepijnigd, en ik vlied alle versterving en jaag de zinnelijke genoegens der wereld na; Gij hebt met de hoogste liefde het kruis omhelsd, dat uw hemelsche Vader u oplegde, en ik beklaag mij bij de geringste beproeving.
241
die mij door den hemel wordt overgezonden. O mijn dierbare Verlosser, hoe smart het mij dat ik tot nog toe zoo ver van het heerlijk voorbeeld verwijderd bleef, hetwelk Gij mij ter navolging voorsteldet, dat ik U niet het geringste blijk van wederliefde schonk voor de onuitsprekelijke liefde, die Gij mij betoond hebt. Maar neen, niet langer, beminnelijke Zaligmaker, wil ik uwe liefde onbeantwoord laten. Zie met het diepste leedwezen verfoei en betreur ik al mijne zonden, die de noodlottige oorzaak van uw lijden waren en ik neem mij vastelijk voor U van dit oogenblik af nimmer meer te be-leedigen. Geef, lieve Jesus, dat ik slechts ü moge beminnen, dat ik U moge liefhebben meer dan mij zeiven, meer dan al hetgeen deze aarde mij zou kunnen aanbieden. Gij hebt U zeiven opgedragen als het offer voor mijne zonden, zie ook ik wil in het vervolg slechts aan U alleen toebehooren. Geef, dat ik voortaan aan niets anders denke, niets anders verlange, naar niets anders streve dan aan U te behagen, en U lief te hebben. In uwe liefde wil ik leven. Heer Jesus, in uwe liefde wil ik sterven, in het bezit uwer liefde hoop ik eenmaal eeuwig gelukzalig te zijn in den hemel. Amen.
242
NEGEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING.
RAMPZALIG UITEINDE VAN JUDAS.
Toen Jesus ten tweeden male voor den grooten Raad der Joden gebracht was, bevond zich ook Judas onder degenen, die den uitslag der rechtspraak verbeidden. Wellicht had de verrader zich gevleid met de gedachte, dat de Heer, nadat zijn onschuld overtuigend bewezen was, weder in vrijheid zou gesteld worden. Maar toen hij zijn goddelijken Meester als een ter dood veroordeelden misdadiger geboeid naar den Romeinschen stadhouder zag gevoerd worden, verdween de laatste straal van hoop uit zijn hart. De gruweldaad, die hij gepleegd had, rees in al hare ijselijkheid en afzichtelijkheid voor zijn geest op, en loodzwaar drukte het verpletterend gewicht zijner schuld hem op het hart. Reeds den ganschen nacht had hij dat beeld van den diep bedroefden Meester voor oogen gehad; reeds den ganschen nacht had hij eene stem vernomen, die hem toeriep: âJudas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus!' Maar nu, nu hij zag, hoe de onschuldige Jesus, die hem zoovele blijken zijner goedheid en liefde geschonken had, door eene woeste menigte omstuwd, werd heengedreven naar het rechthuis van Pilatus, o, nu klonken die woorden des Heeren hem
243
in de ooren als eene vervloeking. Wroeging en wanhoop jagen hem den tempel in, naar de zaal, waar het bloedgeld hom was uitbetaald, en vol vertwijfeling roept hij tot de priesters, die daar waren achter gebleven: âIk heb gezondigd en onschuldig bloed verraden!quot; Maar de verstokte Joden, wien hij die woorden toeroept, wijzen hem met verachting af en zeggen: âWat gaat het ons aan, gij moogt toezien!quot; Die woorden voeren zijne wanhoop ten top; hij werpt het verradersloon hun voor de voeten en ijlt heen. Als een andere Kaïn ontvlucht hij het gezicht der menschen en, buiten de stad gekomen, slaat hij de hand aan zich zeiven en verhangt hij zich met een strop.
I. Overweeg, welke listen de duivel gewoonlijk bezigt om den mensch ten val te brengen en hem, nadat hij de zonde gepleegd heeft, den weg ter bekeering af te snijden. Zoolang Judas allerlei plannen beraamde om zijn goddelijken Meester te verraden, zag hij de afschuwelijkheid, de ontzettende boosheid van zijn misdrijf niet in; hij lette slechts op het geldelijk voordeel, dat hij uit die daad zou trekken, zonder over de gevolgen zijner zonde na te denken ; maar ter nauwernood is liet verraad gepleegd, nauwelijks heeft de diep gezonken apostel den kus gedrukt op het aanbiddelijk gelaat zijns Meesters, of de zwartheid en ondankbaarheid van zijne misdaad staat hem levendig voor oogen, de wroeging grijpt hem aan,
244
zij laat hem geen oogenblik rust en foltert zijne ziel op onuitsprekelijke wijs; en eindelijk, als Jesus, ter dood veroordeeld, wordt weggeleid naar Pilatus, slaat zij tot de allerverschrikkelijkste wanhoop over en drijft zij hem door zelfmoord een einde te maken aan zijn rampzalig leven. Ziedaar, .met welk eene sluwheid de duivel te werk gaat, wanneer hij eene ziel wil overhalen tot het kwaad. Voordat de zonde gepleegd is, houdt hij zorgvuldig de boosheid en afzichtelijkheid er van voor onzen geest verborgen; hij benevelt ons verstand en lokt ons aan door ons in de verleidelijkste kleuren het genot voor te spiegelen, dat ons in de zonde zal worden geschonken; indien de stem van ons geweten zich dreigend doet hooren, brengt hij haar tot zwijgen door ons te doen gelooven, dat die zonde slechts eene vergeeflijke zwakheid is onzer menschelijke natuur, dat hot ons gemakkelijk zal vallen vergiffenis er van te verkrijgen. Maar nauwelijks hebben wij toegestemd in de bekoring en is de zonde gepleegd, of de helsche geest brengt ons gemoed in de grootste verwarring. Wat ons te voren eene gewone overtreding toescheen^ wordt nu eene afschuwelijke misdaad in ons oog, eene misdaad, die ons met de diepste schaamte vervult en waarvan wij ons in den biechtstoel niet durven beschuldigen, eene misdaad, die ons naar den rand van den afgrond der vertwijfeling heenvoert en ons
245
met Kaïn doet uitroepen : âMijn gruwel is te groot, dan dat ik vergiffenis zou verdienen!quot; Leer dan steeds op uwe hoede te zijn, opdat de duivel u niet misleide. Mocht gij het ongeluk gehad hebben, reeds eenmaal het slachtoffer van zijne listen geweest to zijn, ach, verdubbel dan uwe waakzaamheid ; neem in de bekoring aanstonds uwe toevlucht tot God en smeek Hem, dat Hij u een levendigen afschrik van de zonde inboe-zeme. Maar leeft gij op dit oogenblik nog in uwe zonden voort, en houdt de valsche schaamte u van den biechtstoel verwijderd, ach, werp u dan in Gods armen vol vertrouwen op zijne eindelooze liefde en barmhartigheid ; want niets vuriger verlangt Hij, dan u zijne ontfermende liefde te toonen en u vergiffenis te schenken.
Voornemen. Ootmoedig zal ik God bidden mij van de valsche schaamte in den biechtstoel te bevrijden en elk gevoel van moedeloosheid en vertwijfeling uit mijn hart verwijderd te houden.
II. Overweeg, hoe Judas tot dat verschrikkelijk uiteinde kwam door de halsstarrigheid, waarmede hij voortdurend aan de goddelijke genade had weerstand geboden. Drie jaren had Judas in het heilig gezelschap verkeerd van den goddelijken Verlosser, wiens geheele leven een allertreffendst voorbeeld was van onthechting aan de goederen der wereld, 't Was den apostel niet
246
onbekend onder welke omstandigheden de Zoon Gods in deze wereld was verschenen, hoe Jesus In een verlaten stal in de diepste armoede was geboren. Judas wist, hoe de armoede den Heer van zijne kribbe af bijbleef, hoe zij Hem volgde naar Egypte, hoe zij met Hem terugkeerde naar Kazareth, hoe zij Hem niet verliet op zijne Evangelie-reizen, zoodat Jesus in waarheid kon getuigen: âDe vossen hebben hunne holen en de vogelen des hemels hun nest, maar de Zoon des menschen heeft niets, zelfs geen steen, om zijn hoofd op te rusten te leggen.quot; Hoe menigmaal was hij getuige geweest van de bijzondere voorliefde die Jesus den armen betoonde! Hoe duidelijk had Jcsus ook hem tegen die verderfelijke gehechtheid aan geld en goed gewaarschuwd, toen Hij sprak : âWilt u geen schatten vergaderen op aarde, waar de roest en de mot ze verteeren en de dieven ze uitgraven en stelen, maar vergadert u schatten in den hemel, waar noch roest, noch mot ze verteeren en geen dieven ze uitgraven en stelen.-' Met hoeveel nadruk had de Heer hem andermaal diezelfde vermaning gegeven, toen Hij, alvorens zijne apostelen ter prediking uit te zenden, tot hen zeide: âWilt geen goud noch zilver bezitten, noch geld in' uwe gordels, noch reiszak, noch dubbel kleed, noch schoeisel, noch wandelstaf.quot; Was het toen niet alsof Jesus sprak: âGaat heen als dienaren van den armen God van
247
Nazareth, gaat heen, onthecht aan het aardsohe, om den mensch niet alleen door uw woord, maar nog meer door uw voorbeeld op te wekken, uitsluitend naar do goederen des hemels te streven.' Maar Judas hield het oor voor die liefderijke vermaningen des Heeren gesloten. Ook de heldhaftige voorheelden van onthechting, die zijne medeapostelen hem gaven, maakten op hem niet den minsten indruk. Zijne hartstochtelijke gehechtheid aan het geld werd steeds grooter; al dieper en dieper valt de apostel, en ten slotte komt hij er toe, zich bij de opperpriesters aan te melden met het voorstel, om zijn goddelijken Meester voor eenige zilverlingen in hunne handen over te leveren. Dit alles wist Jesus; toch biedt Hij den trouweloozen apostel herhaaldelijk zijne genade aan. Nog eenige uren geleden, toen hij het laatste avondmaal hield met zijne leerlingen, had de Verlosser getracht Judas tot inkeer te brengen, door hem het afzichtelijke van zijn misdaad voor oogen te houden: âDe Zoon des menschen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat,quot; had Jesus gezegd, âwee echter den mensch, door wien de Zoon des menschen zal overgeleverd worden; het ware dien mensch goed, indien hij niet geboren was.' Maar deze bedreiging bracht Judas niet tot inkeer, gelijk ook het zachtmoedig woord des Heeren, in den Olijfhof gesproken, in het gemoed van den verrader geen ingang vond.
248
Maar daarom ook volgde op het verwerpen van zoovele genaden, zulk een vreeselijk uiteinde. Daarom sterft de verrader in zijne zonden, sterft hij door zijn eigen hand, sterft hij in de woede en de razernij der wanhoop, tot afschrikwekkend voorbeeld voor alle zondaren, die ondanks de roepstem des hemels hardnekkig aan de genaden weerstand bieden en in hunne zonden volharden. Sla hier een blik op u zeiven en vraag u ernstig af, of ook gij nimmer Gods goedheid en genade misbruikt hebt. O, zonder ophouden, spreekt die stem der genade tot uw hart: uitnoo-digingen, aanmoedigingen, verwijten, opwekkingen, bedreigingen, alles stelt God in hét werk, alles beproeft Hij om den zondaar tot inkeer te brengen. Gaaft gij steeds aan die roepstem gehoor ? Hebt gij uwe bekeering nimmer uitgesteld ? Hebt gij steeds medegewerkt met Gods genade of waart gij wellicht misdadig genoeg ze te verwerpen ot er aan weerstand te bieden ? Ach, bedenk het wel, eenmaal zal er een tijd komen, dat Gods rechtvaardigheid de beleedigingen wreekt, die zijne barmhartigheid werden aangedaan. Mocht gij u schuldig bevinden, verneder u dan voor God, roep met innig leedwezen over uwe zonden zijne erbarming in en maak het vaste besluit Gods genaden in het vervolg met een bereidwillig hart aan te nemen en ze tot uwe heiliging aan te wenden.
Voornemen. Zoodra ik de stem des
249
hemels verneem, die mij over een of andere handeling vermaant of berispt, zal ik er aanstonds aan gehoor geven.
III. Overweeg, hoe verfoeilijk de zonde van hebzucht is en tot welke verschrikkelijke gevolgen zij leidt. De heilige Schriftuur zegt, dat deze zonde den geest verblindt, aan de liefde den doodsteek toebrengt, den weg baant tot tal van andere zonden, de lichtende fakkel des geloofs uitdooft en ten slotte voert tot halsstarigheid in het kwaad en tot de eeuwige verwerping. Judas geloofde ongetwijfeld aan Jesus' Godheid. Immers menigmaal was hij getuige geweest van de wonderen, waarmede de Heer zijn goddelijke afkomst bevestigde. Hij kon zich dus niet ontveinzen, dat hetgeen Jesus verachtte ook ten eenenmale verachtelijk en nietswaardig was, dat daarentegen al hetgeen de Verlosser als loffelijk en prijzenswaardig aanbeval ook met alle kracht verdiende nagestreefd te worden. Toch blijft hij in zijne zonde volharden, omdat de gehechtheid aan het geld zijn geest heeft verblind. Die verfoeielijke hebzucht maakt hem ongevoelig voor de vermaningen des Heeren en drijft hem voort op den weg, waar alle misdaden gevonden worden. Ten slotte deinst hij voor geen enkele euveldaad meer terug en beraamt hij in koelen bloede met 's Heeren vijanden het plan om zijn goddelijken Meester aan hen over te leveren. Met Jesus
250
te verraden, is hij tot den laagsten graad van boosheid gezonken; wanhoop, onboet-vaardighcid en zelfmoord zullen zijne eeuwige verwerping voltooien. Wel ontbrak het ook bij Judas niet aan eenig teeken, waaruit men kon opmaken, dat hij zijn gruweldaad verfoeide. Immers toen hij zag, dat Jesus geboeid naar Pilatus werd heengeleid, ge-voeldo hij de hevigste wroeging over zijne misdaad. Hij heeft er berouw over, hij belijdt openlijk zijne schuld, hij herstelt, zooveel hij vermag, het kwaad en werpt het bloedgeld, dat hem voor zijn verraad was toege-teld, den priesters voor de voeten; maar helaas! de zachte teedere aandoeningen, die onuitsprekelijk troostvolle gevoelens, die het hart van den boetvaardigen zondaar overmeesteren en hem bewegen zich berouwvol aan 's Heeren voeten neder te werpen, blijven hem volkomen vreemd. De razernij der wanhoop grijpt hem aan, en na verschillende werken verricht te hebben, die tot eene oprechte bekeering hadden kunnen leiden, slaat hij in zijne halsstarrigheid en vertwijfeling de handen aan zich zeiven en sterft hij in onboetvaardigheid. O, wie siddert niet voor zich zeiven, bij de overweging van het rampzalig uiteinde van Judas! Welaan, beoefen dan met eene bijzondere voorliefde die deugd van onthechting aan wereldsch goed. Geef gaarne aalmoezen aan de armen; draag van het uwe bij ter opluistering van
251
het huis, waarin de God des hemels uit liefde tot ü zijn verblijf houdt; ter ondersteuning dier edelmoedige geloofshelden, die alle gemakken des levens vaarwel zeiden, om aan de uitbreiding van het rijk van Christus onder de ongeloovigen te arbeiden. Sluit u aan bij zoovele heilige en onbaatzuchtige zielen en neem, naar de u gegeven krachten, ijverig deel aan de groot-sche werken, die de christelijke liefde tot glorie van God en tot tijdelijk en eeuwig geluk der lijdende menschheid onderneemt. O, welk een heerlijken, welk een onvergankelijken schat zult gij u hierdoor vergaderen in den hemel, en met hoeveel liefde zal de goddelijke' Koning u eenmaal het woord toespreken ; âKomt, gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat van het begin der wereld voor u bereid is; want Ik had honger en gij hebt Mij gespijzigd; Ik had dorst en gij hebt Mij gelaafd ; Ik was vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd ; naakt en gij hebt Mij gekleed; ziek en gij hebt Mij bezocht; voorwaar Ik zeg u, alwat gij aan een van de geringsten mijner broeders gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan.'
Voornemen. Alle hebzucht zal ik zorgvuldig in mij bestrijden; steeds zal ik trachten naar vermogen hulp te verleenen, waar dit zal gevorderd worden.
252
GEBED.
O, mijn dierbare Jesus, heb medelijden met een armen, verdwaalden zondaar. Ach, ook ik ben reeds zoo menige schrede voortgegaan in dien doolhof der zonde, waarin Judas zoo jammerlijk omkwam. Ik dank U, liefdevolle Verlosser, dat Gij mij nog in tijds de oogen geopend hebt; zie, niets verlang ik vuriger dan aan uwe roepstem gehoor te geven en aan de inspraken uwer genaden te beantwoorden. Vol droefheid en leedwezen keer ik op mijne schreden terug, om den weg in te slaan, die naar de haven des behouds en uwe eeuwige woonstede heenvoert. Maar ach, zoovele verderfelijke neigingen beheer-schen mij, die door mijne traagheid en zorgeloosheid diepe wortelen hebben geschoten in mijn hart. Helaas! hoe zal ik, zwak en hulpbehoevend schepsel, die machtige vijanden kunnen bestrijden, hoe aan hunne herhaalde aanvallen weerstand bieden, indien Gij, o mijn Jesus, mij niet bijstaat en versterkt met uwe alvermogende genaden ? Ik vraag ze U dan, lieve Jesus, die genaden, zonder welke ik niets vermag ter zaligheid. Ach, wel moet ik erkennen, dat ik niet waardig ben ze te ontvangen om de vele zonden, waaraan ik mij schuldig maakte; maar toch, om de verdiensten van uw bitter lijden en sterven smeek ik U, mij uw goddelijken bijstand niet te willen onthouden. Sla geen acht, Heer,
253
op mijne ondankbaarheid en trouweloosheid, maar let alleen op den nood, waarin ik mij bevind, raadpleeg alleen de onuitsprekelijke goedheid en barmhartigheid, waarvan uw goddelijk hart te allen tijde voor den boetvaardigen zondaar overvloeide, en welke Gij nimmer weigert aan degenen, die met een vermorzeld en ootmoedig hart tot ü terugkeeren. Voortaan, lieve Jesus, wil ik beter aan uwe genaden beantwoorden, mijne verkeerde hartstochten bestrijden, mijne zondige neigingen onderdrukken, over mij zeiven en al mijne zintuigen heerschen, opdat ik na dit leven moge opgenomen worden in het hemelsch paradijs, welks poorten Gij ons door uw lijden en sterven hebt ontsloten. Amen.
DERTIGSTE OVERWEGING.
HET RIJK VAN JESöS CHRISTUS.
De Romeinsche landvoogd, voor wien Jesus terecht stond, bemerkte al aanstonds, dat de Heer valschelijk door de Joden beschuldigd werd ; het ontbrak hun aan bewijzen, en ook de getuigen, die waren opgeroepen, konden niets tegen den Verlosser inbren- * gen. Duidelijk zag hij in, dat Jesus het slachtoffer was van den haat en de afgunst der aanzienlijke Joden en 't kwam hem
254
onnoodig voor den Heer in een langdurig verhoor te ondervragen naar hetgeen men Hem ten laste legde. Slechts een onderdeel der aanklacht was in zijn oog een punt van gewicht; Jesus wilde zich tot koning opwerpen, zoo hadden de Joden gezegd, en alleen hierover wilde Pilatus den Heer verder ondervragen. Hij trad dan de gerechtszaal binnen, liet Jesus voor zich komen en vroeg: âZijt Gij de Koning der Joden?quot; Jesus antwoordde met eene wedervraag: âZegt gij dit uit u zeiven, of hebben anderen het u over Mij gezegd ?quot; Opdat het echter den schijn niet zou hebben als loochende Hij zijn goddelijk koningschap, zoo sprak Hij op plechtigen toon: âMijn rijk is niet van deze wereld. Indien mijn rijk van deze wereld was, zouden mijne dienaars zeker strijden, opdat Ik niet aan de Joden zou overgeleverd worden. Nu echter is mijn rijk niet van hier.quot; Toen sprak Pilatus: âGij zijt dus een koning?' Jesus antwoordde: âGij zegt het. Ik ben Koning. Daartoe ben ik geboren en daartoe in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid; alwie uit de waarheid is hoort mijne stem.quot;
I. Breng, alvorens uwe overweging te beginnen, de hulde uwer aanbidding aan uwen t hemelschen Koning ; zweer Hem eeuwige trouw en smeek Hem, dat Hij te allen tijde moge heerschen over alle vermogens uwer ziel, over alle neigingen van uw hart. Breng Hem
255
als verschuldigden cijns uwer onderwerping u zeiven ten offer, opdat zijn goddelijke wil volkomen in u vervuld worde. Begin, na deze acte van onderwerping met diepen ootmoed verricht te hebben, uwe overweging en breng u de woorden te binnen, die Jesus, uw goddelijke Koning voor den Eomeinschen landvoogd sprak : âMijn rijk is niet van deze wereld.quot; Overweeg hoe vergankelijk alles is wat deze aarde ons biedt: de goederen en rijkdommen dezer wereld zijn be-driegelijk en het bezit er van is onzeker; de eeretitels en waardigheden, naar welke de wereldling streeft, zijn niet van blijven-den duur; ook al zou hij gedurende zijn leven de hoogste eereambten en meest invloedrijke betrekkingen bekleeden, door den dood worden zij hem ontnomen; aardsche koninkrijken, hebben hunne grenzen en zijn niet duurzaam ; zij worden gesticht, bloeien gedurende korteren of langeren tijd en gaan ten onder; maar het rijk van Jesus Christus, onzen goddelijken Koning, kent geene grenz,en en heeft geen einde; het zal blijven bestaan gedurende de gansche eeuwigheid. Overweeg, hoeveel redenen dus den Christen aansporen, zijn hart te onthechten aan al het geschapene en slechts te streven naar het bezit der eeuwige goederen, die God voor hem in den hemel heeft weggelegd. Hoe dwaas en onverstandig zoudt gij dus handelen, indien gij met uwe gedachten en neigingen aan het
256
aardsche bleeft hangen, indien gij uwe zinnen op aardsche goederen zoudt zetten en de genoegens en vreugden dezer wereld zoudt najagen. Ach, wat is al het vergankelijke wat deze aarde oplevert? quot;t Is een nevel, die eenige oogenblikken over velden en beemden ligt uitgespreid, maar die optrekt voor de schitterende stralen der morgenzon; 't is een vluchtig schaduwbeeld dat verdwijnt, een verleidelijke bloemengeur, die op den adem van den wind wordt vei-dreven en ras vervliegt. Niets hier beneden is van blijvenden duur, maar niets ook is in staat de verlangens en begeerten van het menschelijk hart te bevredigen. Welke goederen ons ook ten deel vallen, welke genoegens wij ook mogen smaken, nimmer zal de dorst naar geluk, die ons kwelt, door het eindige worden gelescht; rusteloos zal ons hart blijven en onbevredigd, totdat het rust vinde in God, die alleen in staat is alle wenschen en begeerten van ons hart te bevredigen.
Voornemen. Ik zal trachten mijn hart aan al het vergankelijke te onthechten om ongehinderd naar het bezit van God en de eeuwige goederen te kunnen streven.
II. âMijn rijk is niet van deze wereld,quot; zoo spreekt de eeuwige Waarheid. Stijg in uwe gedachten op naar die plaats van eeuwig geluk en onvergankelijke vreugde, waar het rijk van Jesus Christus zich bevindt. Overweeg, hoe gij, naar het woord des Hee-
257
ten; âHet rijk der hemelen lijdt geweld en alleen de geweldigen nemen het in,quot; voortdurend en met alle krachtsinspanning er naar streven moet door een heiligen, onberispe-lijken levenswandel eene plaats in dat rijk van uw goddelijken Koning te veroveren. Moet gij hier in zwaren arbeid, in zwoegen en slaven uw leven doorbrengen, wacht u dan wel u over uw lot te beklagen, maar troost u met de gedachte, dat aan den avond uws levens eene eeuwige rust voor u zal aanbreken en de tienling der eeuwige glorie u door den Heer van den wijngaard zal worden geschonken. Wordt -gij door droefheid ter neêr gedrukt, stijg op in dea geest naar het verblijf, waar Jesus, de Blijdschap der Engelen en uitverkorenen, u wacht, en bedenk, dat de vreugden, die u daar zullen ten deel vallen, u nimmermeer zullen ontnomen worden. Worstelt gij met armoede en gebrek en moet gij u vele ontberingen getroosten, schep moed, verlevendig uw geloof, denk aan de armoede, waarin uw goddelijke Koning geleefd heeft, en overweeg, hoe gij door dat gemis van de rijkdommen der wereld eenmaal de onvergankelijke schatten en eeuwige goederen des hemels zult beërven. Houden langdurige ziekten u aan uwe sponde gekluisterd, zijn do pijnen, die gij te verduren hebt, hevig en uwe benauwdheden menigvuldig, zie op naar Jesus, den Koning des lijdens en zeg tot u zeiven: âGaarne
16
258
wil ik hier beneden Jesus' lijdensspoor volgen ; want de weg des lijdens is de weg ter glorie.' In één woord: wanneer uwe ondernemingen mislukken, uwe plannen schipbreuk lijden, wanneer beproevingen van allerlei aard u treifen, terwijl de goddeloozen geacht en geëerd worden en leven in weelde en overvloed, bedroef u dan niet, maar beschouw al het aardsche met de oogen des geloofs, bedenk, hoe kortstondig het geluk der zondaren is; houd goeden moed, hef uwe blikken ten hemel en spreek vol onderwerping met uw goddelijken Koning: âMijn rijk is niet van deze. wereldquot;. O, hoeveel troost zult gij smaken gedurende uw leven en met welk eene onuitsprekelijke vreugde zal uwe ziel vervuld worden in uw stervensuur, indien gij bij al uwe werken dit woord van Jesus immer indachtig zijt!
Voornemen. Bij alle kwellingen en beproevingen des levens zal ik mijne gedachten naar den hemel verheffen en mij troosten met het geluk, dat mij in Gods woonplaats wacht.
III. âMijn rijk is niet van deze wereld.' Overweeg, hoe deze woorden, weinige uren vóór zijn dood door Jesus gesproken, eene waarheid bevatten, die sinds achttien eeuwen schier dagelijks opnieuw wordt bevestigd. Beschouw uwen lijdenden Verlosser: Hij is de Koning der Koningen, de Heer van allen, die den rijksstaf voeren, en toch
259
Hij wordt veracht, geloochend en vervolgd door een groot aantal dergenen voor wier verlossing Hij eenmaal aan liet kruishout stierf. Sinds achttien efeuwen gaat de voorspelling van Simeon in vervulling en is de goddelijke Koning een teeken, dat wordt tegengesproken ; sinds achttien eeuwen wordt zijne leer bespot, in twijfel getrokken en geloochend; sinds achttien eeuwen worden zijne priesters en volgelingen door de kinderen dezer wereld gehaat en veracht. Overweeg, welke plichten gij als dienstknecht van uwen Koning Jesus Christus tegenover de wereld te vervullen hebt. Door geen tegenspraak, geen smaad, geen bespotting, geen vervolging moogt gij u ooit laten ontmoedigen, of tot ontrouw aan uwen Koning laten overhalen. Daarom blijf moedig pal staan bij den standaard van uw hemelschen Koning, onwankelbaar in uw geloof, onwankelbaar in uw vertrouwen op zijn goddelijk woord, dat de poorten der hel zijne Kerk nimmer zullen overweldigen. Blijf onvermoeid strijden in zijn dienst, hef de banier des geloofs omhoog, handhaaf en verdedig de onvervreembare rechten van zijne H. Kerk en van zijn Plaatsbekleeder op aarde; verkondig zijne leer door woorden en werken; gehoorzaam stipt aan zijne heilige wetten en ondersteun door uwe gebeden en liefdegiften de pogingen zijner heldhaftige volgelingen, die de wereld vaarwel zeiden.
260
om hun leven te wijden aan de uitbreiding van het geestelijk rijk van uwen Koning Jesus Christus in de harten der menschen. Hierdoor toch zult gij u een plaats veroveren in het hemelsch koninkrijk, waar Christus heerscht met allen, die Hem in hun leven getrouw waren.
Voornemen. Onvermoeid zal ik voor de rechten en de belangen van mijn hemel-schen Koning blijven strijden en dikwerf God bidden, dat het rijk van zijn goddelij-ken Zoon steeds verder zijne grenzen moge uitbreiden en in de harten aller menschen moge gevestigd worden.
GEBED.
O, rijk van mijn hemelschen Koning, o, koninkrijk der eeuwigheid, mocht de gedachte aan de heerlijkheid, die de zielen der uitverkorenen in uwe lusthoven smaken, mij toch immer bijblijven. In u zingen de gelukzalige koren der Engelen en Hemelgeesten Gods lof, in u loven de oudvaders en profeten zijne heerlijkheid en macht, in u prijzen de apostelen en martelaren, de belijders en maagden zijne liefde en zijne goedheid, in u juichen en jubelen de onafzienbare reien der heiligen, die in den levensstrijd met hun Koning Jesus Christus over den duivel en de wereld hebben gezegevierd; in u kennen, aanschouwen en bezitten zij God, de Bron van een eindeloos geluk en van de hoogste
261
glorie. Ook ik, lieve Jesus, zal eenmaal het rijk mogen ingaan, dat Gij van eeuwigheid voor mij bereid hebt, indien ik in uwe liefde ten einde toe zal hebben volhard. O, wanneer de kwellingen en beproevingen des levens mij dan zullen bezoeken, sterk mij dan. Heer Jesus, met uwe genaden en spreek tot mijne ziel: âMijn rijk is niet van deze wereld. Houd goeden moed, eenmaal zal uw lijden een einde nemen en dan wacht u een onverwelkbare gloriekroon!' Ach, die gloriekroon, lieve Jesus, ik ben haar niet waardig: door mijne veelvuldige trouweloosheden in uwen dienst, door mijne zwakheid en lafhartigheid, verdiende ik voor immer uit uw rijk te worden buiten gesloten. Maar zoo ik nog blijf hopen op eene plaats in den hemel, 't is omdat ik de grenzenlooze barmhartigheid ken van uw goddelijk Hart, omdat ik weet, dat Gij een boetvaardigen zondaar niet verstoot, maar vol liefde in uwe genade opneemt. Ontferm U dan ook over mij, lieve Jesus, nu ik vol leedwezen tot U terugkeer. Zie, van dit oogenblik af wil ik ü steeds getrouw blijven. Nimmermeer zal ik uwen dienst verlaten, om mij bij uwe vijanden aan te sluiten ; maar in uw leger, o mijn Koning, zal ik blijven strijden; strijden tegen de wereld en hare bedriegelijke ijdelhe-den, strijden tegen den duivel en al ,zijn aanhang, strijden tegen al wat laag is en onedel, strijden voor al wat goed is en rechtvaardig,
262
strijden tot mijn laatsten ademtocht, opdat ik onder uwen standaard den geest geve en eenmaal, na dit leven moge opgenomen worden in het rijk uwer glorie, om U daar met geheel het hemelsch hof als den Koning mijns harten te loven, te prijzen en te verheerlijken in eeuwigheid. Amen.
EEN EN DERTiaSTE OVERWEGING.
PILATUS ZENDT JESUS NAAR HERODES.
De Romeinsche landvoogd vond in 's Heeren gedrag niet de minste aanleiding om Hem ter dood te veroordeelen. Openlijk betuigde hij aan de leden van den Joodschen Raad, die voor het rechthuis stonden en aan het volk, hetwelk van alle zijden kwam toegestroomd, dat Hij in Jesus geen schuld vond. De Joden echter bleven op 's Heeren veroordeeling aandringen en, daar zij vreesden, dat Pilatus Hem in vrijheid zou stellen, herhaalden zij telkens en telkens weder de x valsche aanklachten, die zij reeds vroeger tegen den Verlosser hadden ingebracht. Jesus echter zweeg. En toen Pilatus den Heer tot spreken wilde dwingen en Hem vroeg: âHoort Gij niet hoeveel getuigenissen men tegen U aflegt? Antwoordt Gij niets?' ook toen bleef Hij het stilzwijgen bewaren en
263
legde Hij eene onverstoorbare kalmte, eene heilige zelfbeheersching aan den dag, die den heidenschen landvoogd met bewondering vervulden. Hoe duidelijk evenwel Jesus' onschuld aan het licht trad, de verbittering en de blinde haat van '3 Heeren vijanden namen voortdurend toe. Andermaal werpen zij de valsche beschuldiging op, dat Jesus door zijne leer het volk in geheel Judea en 6a-lilea had opgeruid. Toen Pilatus vernam, dat de Heer ook in Galilea gepredikt had en van daar afkomstig was, meende liij het middel gevonden te hebben, om zich deze zaak van den hals te schuiven zonder de Joodsche oversten te kwetsen. Herodes toch, de viervorst van Galilea, bevond zich juist te Jerusalem, om er het Paaschfeest te vieren. (Zoo er in Galilea inderdaad een volksoploop had plaats gehad, kon deze vorst het best over de schuld oordeelen van degenen, die er in betrokken waren geweest. Daarom haastte de landvoogd zich den Verlosser naar Herodes heen te zenden, opdat deze, na de beschuldiging, die tegen den Heer was ingebracht, onderzocht te hebben, een vonnis over Hem zou uitspreken.
I. Overweeg, hoe de goddelijke Verlosser ⢠zelfs de bewondering wekte van den heidenschen landvoogd door het plechtig stilzwijgen, dat Hij bleef bewaren, ofschoon Hij van alle zijden door zijne vijanden gehoond en belasterd werd. Vraag u af, waarom Je-
264
sus hier geen énkel woord sprak om zijne onschuld te bewijzen en de listen zijner vijanden te verijdelen. O, Jesus zwijgt zelfs daar, waar men Hem op op de afschuwelijkste wijze belastert, omdat zijn hart een nog veel bewonderenswaardiger stilzwijgen bewaart ; omdat zijn goddelijk hart zich geheel en al overgeeft aan de beschikkingen zijns Vaders en er zijn hoogste vreugde in vindt. Jesus zwijgt, omdat hij, wel verre van terug te schrikken voor zijn lijden, daarentegen met onuitsprekelijk zielsverlangen er naar uitziet, teneinde onze onsterfelijke zielen te kunnen verlossen, omdat Hij zijne vijanden liefheeft, en, zonder hun het geringste te verwijten, hunne dwaling en verblindheid beklaagt; omdat Hij onze ijdele uitvluchten en verontschuldigingen, onze valsche verdachtmakingen, ons ongeduld, onze driften, in één woord, omdat Hij onze zonden wil uitboeten. Ziedaar de reden waarom Jesus zwijgt, waarom Hij die valsche beschuldiging ondergaat, zonder dat een enkel woord zijn mond, een enkele zucht zijn borst ontsnapt. Werp een blik op u zeiven en vraag n af, of gij het voorbeeld van uwen goddelijken Meester gevolgd zijt. O, zoo menigmaal wordt u de gelegenheid geschonken om met uwen Verlosser het stilzwijgen te beoefenen. Wanneer men u berispt, wanneer men u tegenspreekt pf bespot, wanneer gij valschelijk beschuldigd of onrechtvaardig
265
veroordeeld wordt, denkt gij dan aan het stilzwijgen van Jesus? Beijvert gij u dan Hem na te volgen en door uw stilzwijgen te verheerlijken ? Onderzoek n hierover ernstig en mocht gij u iets te verwijten hebben, verneder u dan voor God, vraag Hem vergiffenis, bied Hem ernstige besluiten aan voor de toekomst, en smeek zijne genaden af, om ze stipt ten uitvoer te brengen.
V o o r n e m e n. Ter liefde van Jesus, die zijn lijden zwijgend verduurde, zal ik mij in het stilzwijgen oefenen, vooral dan, wanneer de zucht om mij zeiven te verheffen of te verdedigen mij tot spreken komt bekoren.
II. Overweeg, hoe Jesus ook daarom een heilig stilzwijgen bewaart, omdat de Romein-sche landvoogd, omdat priesters, schriftgeleerden, Pharisaëen, en geheel het Joodsche volk zich onwaardig gemaakt hadden zijne stem te vernemen. Reeds meermalen had Jesus tot hen gesproken, maar zij weigerden aan zijn goddelijk woord geloof te hechten, daarom spreekt Hij niet meer tot hen. O, hoe verschrikkelijk is dat zwijgen! De Verlosser had zich reeds als den Messias aan de Joden geopenbaard. Hij had tal van wonderen verricht, die luide voor zijn goddelijke afkomst getuigden, Hij had hun lessen vol hemelsche wijsheid gegeven, openlijk had Hij beleden, dat Hij de Zoon Gods was, maar
266
zij geloofden niet in Hem en bleven zijne veroordeeling van den landvoogd eischen. Ook Pilatus heeft reeds uit Jesus' mond vernomen dat Hij Koning is, maar van een rijk dat niet van deze wereld is, en dat hoog boven alle koninkrijken der aarde is verheven. Bovendien had de stadhouder reeds erkend, dat hij geen schuld vond in den Heer; als onbevooroordeeld rechter had hij zich niet met deze bekentenis mogen tevreden stellen; maar zijn schuldige vrees voor de Joden doet hem zijn plicht verzaken, in de hoop dat Christus zelf zijne onschuld zal bepleiten. Die plichtvergeten lafhartigheid van den landvoogd, die huichelarij en laster der Joden verdienden geen antwoord van den Heer. Daarom zwijgt Jesus. Overweeg aandachtig, wolk verschrikkelijk geheim er in dit stilzwijgen des Heeren ligt opgesloten. Hierdoor toch wil Jesus ons leeren, dat Gods barmhartigheid jegens den zondaar eenmaal een einde neemt. Zoolang de mensch voor betere gevoelens vatbaar blijft, en niet volkomen verhard is in het kwaad, biedt' God hem zijne genade aan en blijft Hij spreken tot zijn hart. Heeft de zondaar zich aan eene zware overtreding van 's Heeren wet schuldig gemaakt, dan verwijt zijn geweten hem luide zijn misdrijf, en de wroeging, die hij dan gevoelt, het schuldbesef, dat hem dan ter neêrdrukt, ziedaar de stem, waarmede God hem dringend vermaant den weg der zonde
267
te verlaten en een beter leven te gaan leiden. Maar wee den zondaar, die voortdurend do genaden des hemels misbruikt, die zijne oogen voor het licht der waarheid gesloten houdt, en weigert aan Gods roepstem gehoor te geven! Wat toch zal dan zijn lot zijn? Zal die goddelijke stem ten slotte voor hem zwijgen en dit zwijgen hem te kennen geven, dat zijne verwerping nabij is, dat hij zich reeds bevindt onder het getal dier ondankbaren, tot welke Jesus eenmaal sprak : âIn uwe zonden zult gij sterven?quot; Alleen aan God is het bekend, maar gij, onderzoek u ernstig en vraag u af, of gij steeds aandachtig het oor leent aan Gods heilige ingevingen. Wanneer de stem van uw geweten tot u spreekt over het gevaar, dat in een of andere handeling, in het bezoeken van sommige plaatsen, in den omgang met bepaalde personen voor u gelegen is, geeft gij dan steeds aan die waarschuwing gehoor? Wanneer uw geweten u wijst op bet ongeoorloofde van een of andere daad, wacht gij er u dan voor? Wanneer het u eene zonde verwijt, wendt gij dan alle pogingen aan, om u weder met God te verzoenen? Of hebt gij die vermaningen in den wind geslagen, hebt gij die stem trachten te versmoren? Ach, mocht dit zoo zijn, werp u dan vol berouw aan Jesus' voeten neder, smeek Hem om vergiffenis en tracht in het vervolg beter aan Gods stem gehoor te geven, opdat gij nimmer moogt
268
doelen in de straf dier ongelukkigen, die door hun hardnekkig verzet zich alle genaden onwaardig maakten.
Voornemen. Steeds zal ik aan de stem van mijn geweten gehoor geven en mij beijveren aan elke inspraak der goddelijke genaden te beantwoorden.
III. Overweeg, aan welke zondige lafhartigheid de Eomeinsche landvoogd zich schuldig maakte door Jesus heen te zenden naar Herodes. Hij wist, dat de Heer onschuldig was, en had hiervan zelfs openlijk getuigenis afgelegd; maar uit vrees van aan de Joden te mishagen, stelde hij Jesus, in plaats van Hem de vrijheid te schenken, opnieuw bloot aan het gevaar van onschuldig veroordeeld te worden. Helaas, de achting der menschen gaat bij Pilatus boven de deugd; hun lof, hunne goedkeuring en vriendschap wegen bij hem zwaarder, dan de vervulling der ernstige- en heilige plichten, die zijn geweten hem oplegt. Uit hoofde van zijn ambt was hij geroepen en aangewezen om de valsche aanklachten af te wijzen, den laster te vervolgen, het recht te verdedigen, de onschuld te beschermen en de wet zonder eenige menschelijke berekening of bijoogmerken in al hare gestrengheid, tegen welke misdaad dan ook, te handhaven; en hij miskent zijne roeping, onteert zijne waardigheid, heult met den laster, laat de valsche getuigen in vrijheid en den onschuldige ter prooi aan zijne
269
vijanden ; hij vertreedt alle gevoel van billijkheid en rechtvaardigheid en laat de afschuwelijke misdrijven, waaraan de Joden zich hier schuldig maken, ongestraft. Ziedaar de gevolgen van zijne zwakheid en lafhartigheid. Maar verfoeit gij de zondige handelwijze van Pilatus, ach vraag u af, of ook gij u wellicht niet aan dezelfde zwakheid hebt schuldig gemaakt. Waart gij steeds ijverig in het vervullen uwer plichten, in het volbrengen van Gods geboden? Was geen afkeurend oordeel der mensclien, geene verachting der wereld ooit in staat u van eenig goed werk af te houden? Of' hebt gij wellicht, om de bespotting van onverschilligen en zondaars te ontgaan, met opzet verwaarloosd hetgeen Gods wet u voorschreef, of waartoe de geboden der H. Kerk u verplichtten ? Bedenk het wel, hij die uit vrees voor het afkeurend oordeel der wereld een goed werk verwaarloost, is een lafaard en den naam van Christen niet waardig, omdat hij zich schaamt voor zijn geloof, zich schaamt voor de leer van zijn goddelijken Meester. Hebt gij nimmer, uit zucht om aan valsche vrienden te behagen of om door andersdenkenden voor een zelfstandig man gehouden en door hen\ gevierd en geprezen te worden, u, tegen de waarschuwende stem uws gewetens in, aan zonden schuldig gemaakt? Ach, hoe dwaas en misdadig handelen zij die, om de vriendschap der wereld te winnen
270
of to behouden, de vrieiidbchap van God prijs geven, de deugd verwaarloozen en de verderfelijke gewoonten der zondaren navolgen. O mocht gij u soms aan die lafhartige handelwijze hebben schuldig gemaakt, verfoei en betreur haar dan uit geheel uw hart./Bedenk het wel: zij die hier de deugd maken tot een voorwerp van hun spotlust en zich smadelijk uitlaten over de volgelingen van Jesus Christus, zij zullen, indien zij zich niet bekeeren, gedurende de gansche eeuwigheid hunne dwaasheid betreurenen bij het denken aan de eindelooze glorie, die de rechtvaardigen in Gods woonstede genieten, met alle verworpelingen in wanhoop en vertwijfeling uitroepen : âDit zijn dan degenen, die wij eertijds uitlachten en tot een voorwerp maakten van ons spotlied. Wij dwazen! wij hielden hun levenswandel voor uitzinnigheid en hun uiteinde voor roemloos. En zie hoe zij thans gerekend worden onder de kinderen Gods en hoe hun lot is onder de heiligen.quot; Zij, die gedurende hun leven Gods bestaan in twijfel trekken, en over de leer van Christus, de voorschriften en plechtigheden van onzen heiligen godsdienst zich uitlaten op een toon, alsof zij slechts de diepste verachting ervoor koesteren, zij zullen, indien zij in onboetvaardigheid sterven, op den laatsten dag des oordeels bij den aanblik van den vertoornden Rechter, die gereed staat het vonnis hunner eeuwige verwerping uit te spreken, in namelooze vrees en onuitspreke-
271
lijke schaamte uitroepen: âBergen valt op ons en heuvelen bedekt ons!' Ach, wat maakt het u of een dwaas, een lichtzinnige of ongeloovige u bespot om uw deugdzamen levenswandel, of hij u veracht en beleedigt ? 't Is eene eer, eene glorie voor den Christen naar Gods hart de bespotting en verachtiug van dezulken te mogen dragen. Ja, gij moogt er trotsch op zijn, er fier op gaan, wanneer gij om wille van uwen godsdienst en uw geloof voor dwaas wordt gehouden door de wereld, want wat dwaas is voor de wereld, is waarlijk groot, is edel en verheven in de oogen van God. En als God voor u is, wie aal dan tegen u zijn? Schaam u dus nimmer, wanneer gij om het verrichten van een goed werk, om het vluchten van de zonden wordt bespot door de wereld, maar schaam u veeleer over de onverschilligheid, over de flauwheid dier- trage Christenen en over de laffe vrees, die zij koesteren voor het oordeel der wereld. Al zouden ook allen als één man tegen u opstaan, ga moedig en openlijk voort het goede te betrachten, de deugd lief te hebben en te beoefenen en de zonde te vermijden. Zóó zult gij niet alleen zelf behouden blijven, maar ook anderen door uw fier optreden, door het mannelijk vasthouden aan uwe beginselen in hunne geloofsovertuiging versterken en in de deugd bevestigen.
Voornemen. Nimmer zal ik uit vrees voor het afkeurend oordeel der wereld mijne
272
plichten verwaarloozen. Niet wat aan de men-schen behaagt, maar wat aan God welgevallig is, wat zijne wet mij voorschrijft zal steeds het beginsel zijn, waarnaar ik mijn leven zal inrichten.
GEBED.
Helaas! o mijn dierbare Jesus, hoe smart het mij, dat ook ik, evenals de heidensche landvoogd Pilatus, zoo menigmaal de achting en de genegenheid der wereld stelde boven de liefde tot de deugd en het verlangen om aan ü te behagen. Ach, ook ik behoorde tot het getal dier zwakke en lafhartige Christenen, die bij de geringste tegenspraak der wereld, bij 't vernemen van een enkel afkeurend woord, aanstonds bereid waren hun plicht te verzaken en uwe heilige wetten te overtreden. 0 mijn God, hoe dwaas, hoe misdadig en vermetel was mijne handelwijze! Ik vreesde mij aan de bespotting der wereld te zullen blootstellen, door de deugd te beoefenen en den weg uwer geboden te bewandelen, en ik vreesde niet mij de straffen uwer goddelijke gerechtigheid op den hals te halen door mijne plichten te verwaarloozen en mij aan zoovele zonden schuldig-te maken; ik streefde naar de achting en vriendschap der wereld, en ik dacht er niet aan, dat juist de middelen om mij die te verwerven mij van uwe goddelijke liefde be-
273
roofden en blootstelden aan het gevaar om voor eeuwig van ü gescheiden te worden. Ik schaamde mij om uwe geboden te volbrengen, aan uwe wet te gehoorzamen, de deugd te beoefenen, voor mijne geloofsovertuiging uit te komen en ach, ik schaamde mij niet, o mijn Jesus, om mijn geloof te verbloemen, met uwe dienaren en de geheimen van den heiligen godsdienst den spot te drijven, den weg der zondaren te bewandelen en U, o mijn dierbare Verlosser, die deo n-dragëlijkste pijnen voor mij leedt en den bittersten dood voor mij stierft, door de snoodste ondankbaarheid te beleedigen. Helaas! o mijn God, aan welk een eerlooze lafhartigheid, aan welk een schromelijke verblindheid maakte ik mij schuldig! Ach, 't is mij leed uit den grond van mijn hart, dat ik uwe onuitsprekelijke goedheid en liefde zoozeer miskend, uwe goddelijke macht en grootheid zoozeer onteerd en gehoond heb. Zie, lieve Jesus, op dit oogenblik neem ik het onherroepelijk besluit mij voortaan door geene bespotting, geene verachting, geene vervolging, door niets ter wereld meer te laten afbrengen van den weg uwer geboden en van het vervullen der plichten, die Gij mij hebt opgelegd. Aan die plichten wil ik immer trouw blijven, aan die geboden mij te allen tijde onderwerpen, ook ten koste van alle achting, van alle vriendschap, van alle eerbe wijzin gen, die mij in deze wereld
274
zouden kunnen gesclionken worden, üw wil, o mijn Jesus, en uwe voorschriften zullen mij immer heilig zijn; zij zullen voortaan het eenig richtsnoer zijn mijner daden en de eenige wet mijns levens. Gaarne zal ik voor de vervulling uwer geboden den spot en het afkeurend oordeel der wereld dragen, lieve Jesus. Ja, vol blijdschap en vreugde zal ik mij hiervoor alle lijden getroosten, in het heerlijk vooruitzicht van eenmaal uit uwe liefderijke hand de belooningen te zullen verwerven, die Gij hebt toegezegd aan degenen, die om Uwentwille den laster, den haat en de vervolging der wereld zullen verduurd hebben. Amen.
TWEE EN DERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT BESPOT AAN HET HOF VAN HERODES.
De roep, die door geheel Judea ging over den machtigen Wonderdoener, was sinds ge-ruimen tijd ook tot het hof van Herodes doorgedrongen en reeds lang koesterde de viervorst het verlangen Jesus te zien, in de hoop, dat Hij eenig wonderteeken in zijne tegenwoordigheid zou verrichten. Daarom was hij zeer verblijd, toen hij den godde-lijken Verlosser zag en terstond begon hij
275
verschillende vragen tot Jesus te richten. Maar de Zaligmaker sprak hem geen enkel woord toe en op de beschuldigingen, die ook hier ongetwijfeld tegen Hem werden ingebracht, bewaarde Hij hetzelfde stilzwijgen. Door da waardige houding en het stilzwijgen des Heeren gevoelde de hoogmoedige vorst zich diep gekrenkt en vernederd. Daar hij echter geen zweem van schuld in Jesus kon ontdekken en derhalve geen vonnis over Hem kon uitspreken, trachtte hij zich op den Heer te wreken, door Hem aan de bespotting van zijne hofdienaren en lijfwachten over te geven. Op zijn bevel wierp men Jesus een wit kleed om do schouders, en in dit gewaad zond hij den Heer, toen hij zijn spotlust volkomen bevredigd had, naar Pilatus terug. Onuitsprekelijk grievend echter en diep beleedigend was de hoon, die hierdoor Jesus werd aangedaan, dewijl Hij, de God des Hemels en de eeuwige Wijsheid zelve, hier als een dwaas en uitzinnige door zijne schepselen werd bespot.
I. Overweeg, in welke stemming Herodes den Zaligmaker in zijn paleis ontving. Ge-ruimen tijd reeds verlangde de vorst Jesus te zien en te hooren, en daarom was hij verheugd, nu hem door den Eomeinschen landvoogd hiertoe de gelegenheid werd aangeboden. De blijdschap evenwel van den overspeligen dwingeland was van een geheel wereldsch karakter, en zijn verlangen om
276
den Heer te aanschouwen was niet meer daneene ijdele en strafwaardige nieuwsgierigheid. 't Was hem niet te doen om in de leer van Jesus onderwezen te worden; nog minder dacht hij er aan zijne ergerlijke levenswijs vaarwel te zeggen en zich oprecht tot God te bekeeren; neen, hij hoopte getuige te zijn van eenig wgnderteeken, dat de Heer, naar hij meende, ongetwijfeld in zijne tegenwoordigheid zou verrichten. Onderzoek u in allen ernst, of gij wellicht niet dikwerf in dezelfde stemming verkeert als Herodes, wanneer gij u begeeft naar 's Heeren huis om eene godsdienstige oefening of de verkondiging van Gods woord bij te wonen. Hoe menigeen neemt aan die heilige oefeningen deel of luistert naar het woord van den priester uit louter nieuwsgierigheid, terwijl hij niet het geringste verlangen koestert uit die werken van godsvrucht eenig nut te trekken voor zijn geestelijk leven. Vraag u af, of gij u zeiven onder dit opzicht niets te verwijten hebt. Waart gij immer bezield met een oprecht verlangen om God te verheerlijken en de belangen uwer onsterfelijke ziel te behartigen, wanneer gij u begaaft naar het huis van God? Wanneer gij u bevondt in 's Heeren tegenwoordigheid, hebt gij toen dien tijd besteed om Hem de hulde uwer aanbidding te brengen, om Hem te danken voor de vele gunsten, die Hij u bewees? Hebt gij Hem toen om die genaden gevraagd.
277
waaraan gij het meeste behoefte hadt; om geduld en onderwerping aan Gods heiligen wil bij lijden en tegenspoed, om kracht in het uur der bekoring, om moed, waar het gold eene zondige gewoonte te bestrijden en uit te roeien, om behoedzaamheid te midden der gevaren, die u bedreigen, om den zegen des Hemels over hetgeen gij besloten waart ter eigen heiliging te verrichten? Hebt gij Jesus om licht gevraagd, wanneer gij op het punt stondt een stap te doen, die van beslissenden invloed was op geheel uw volgend leven? Waart gij er in die heilige oogenblikken steeds op bedacht 's Heeren hulp af te smeeken ter verkrijging van die deugden, aan welke gij met het oog op de geestelijke gesteltenis uwer ziel en den levenstaat, dien gij omhelsd hebt, het meest behoefte gevoelt? Hebt gij ook uwe bloedverwanten, uwe weldoeners en allen voor wie de christelijke liefde u verplicht te bidden, aan 's Heeren liefde aanbevolen ? Of waart gij wellicht ter kerke gekomen om te zien en gezien te worden, of uit eene andere ijdele, minder loffelijke, ja wellicht zondige beweegreden? In welke gesteltenis waart gij tegenwoordig bij de verkondiging van Gods woord? Hebt gij het met eerbied en aandacht gevolgd of hieldt gij u gedurende dien tijd met andere gedachten bezig ? Waart gij ernstig er op uit de vermaningen, die u geschonken werden, aan te wenden tot verbetering van uw
278
leven en droegfc gij zorg al hetgeen u hierin een beletsel zou kunnen zijn uit uw hart te verwijderen'? Immers, uw hart is die geestelijke akker, waarin het zaad van Gods woord wordt uitgestrooid; brengt dat goddelijk zaad er geene vruchten voort, dan ligt het niet aan het zaad maar aan den akker, waarin het nedervalt, aan het hart van dengene, die het woord Gods aanhoort. Hebt gij den priester steeds beschouwd als den gezant des hemels, den plaatsbekleeder van Jesus Christus, wanneer hij u in 's Heeren Wet onderrichtte ? Viel die tijd u nimmer te lang? Hebt gij de lessen, die u gegeven werden, op u zei ven en niet op anderen toegepast? Hebt gij naar aanleiding van het woord, dat tot u gesproken werd, heilzame voornemens gemaakt en deze ook later ten uitvoer gebracht, of bewoog alleen eene ijdele nieuwsgierigheid, eene louter menschelijke belangstelling u bij de verkondiging der heilige geloofswaarheden tegenwoordig te zijn en hebt gij er nimmer de geringste vruchten van ingeoogst ? Onderzoek u hierover ernstig en mocht gij onder een of ander opzicht aan uwen plicht zijn te kort geschoten, smeek God dan om vergiffenis en bied Hem nieuwe besluiten aan voor de toekomst.
Voornemen. Steeds zal ik mijne geestelijke oefeningen verrichten en de verkondiging-van Gods woord bijwonen met de meening, om God er door te behagen en mijne ziel te heiligen.
279
II. Overweeg, om welke redenen Jesus aan het hof van Herodes een volkomen stilzwijgen bewaarde, en beschouw aandachtig welke lessen hierin voor u liggen opgesloten. De goddelijke Verlosser zweeg, omdat de viervorst door de zonde van hoogmoed beheerscht werd. God nu openbaart zich uitsluitend aan degenen, die eenvoudig en nederig van harte zijn ; Hij wederstaat, zegt de H. Geest, den hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij zijne genade. Jesus zweeg, omdat Herodes zich tegen de heiligste aller deugden, tegen de deugd der Engelen, had vergrepen. De vorst leefde in overspel en onkuischheid en bleef in zijne ergerlijke levenswijze volharden, ondanks de herhaalde vermaningen, die God hem door den mond van den H. Joannes den Dooper had gegeven. Hetgeen Jesus weleer in zijne bergrede luide had uitgeroepen: âGeeft het heilige niet aan de honden en werpt geen parelen voor de zwijnen,' dat leerde Hij hier door tegenover den wulpschen dwingeland een diep en heilig stilzwijgen te bewaren. De oneindig heilige God heeft een afschuw van de zondaren, wier ziel door dezen walgelijken hartstocht is bezoedeld; daarom verwijdert Hij zich van hen en zwijgt zijne stem in hun binnenste. God spreekt niet tot hen, omdat zijn woord door den onkuischen mensch niet kan begrepen worden. Hij, die in de ont-eerende kluisters dier zonde zucht, is niet
280
alleen met blindheid geslagen, maar zijn hart is niet meer ontvankelijk voor de grootsche, edele indrukken, de heilige gevoelens, die de zuivere, kuische zielen met onuitsprekelijke zaligheid en hemelvreugde vervullen. Eindelijk, de goddelijke Verlosser zwijgt, omdat slechts de zucht om zijne zondige nieuwsgierigheid te bevredigen Herodes tot vragen noopte ; de begeerte om de waarheid te leeren kennen, de liefde tot de deugd, de ijver ten goede, de belangstelling in Jesus' leer, bleven hem ten eenenmale vreemd. Wilt gij dan 's Heeren stem vernemen in uw binnenste, leg u dan toe op een nederig, zuiver en ingetogen leven. Wek een oprecht en vurig verlangen in u op naar de hemelsche lessen, die Jesus u zal voorhouden, en verzucht tot Hem met den profeet Samuel; âSpreek Heer, want uw dienaar hoort.quot; En spoedig zult gij zijne stem vernemen; zijne woorden zullen uw verstand verlichten, uw hart in heiligen ijver onsteken, uwen wil sterken ten goede en u den weg wijzen, dien gij te bewandelen hebt om tot het eeuwig leven te geraken.
Voornemen. Met allen ijver zal ik mij op de nederigheid en de zuiverheid toeleggen en alles vermijden, wat voor mij een beletsel zou kunnen zijn om Jesus' stem te vernemen. Dikwerf zal ik met den apostel verzuchten : âHeer, tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot;
281
111. Overweeg, welk eene gevoelige en diep onteerende beleediging Jesus aan het hof van Herodes werd aangedaan. Toen de hoogmoedige vorst zich door het stilzwijgen des Heeren in zijne waardigheid gekrenkt en vernederd gevoelde, wilde hij zich hierover wreken, door met al zijne dienaren en geheel zijn hofstoet den Verlosser als een dwaas te bespotten. Bij Joden en heidenen bestond in die dagen een eigenaardig gebruik. Men trok den krankzinnige een wit kleed aan, opdat een ieder, die hem op zijn weg ontmoette, zou weten, dat er een zinnelooze voorbijging. Zulk een wit gewaad werpen zij den Verlosser om de schouders; dan scharen de hovehngen zich om Hem heen; Herodes daalt af van zijn troon en sluit zich bij hen aan, en het hemeltergend spel neemt een aanvang. Zij naderen den Verlosser, werpen Hem op valsch meewarigen toon de smadelijkste en onteerendste woorden in het aangezicht en bespotten Hem als een dwaas, als een zinnelooze, die geen enkel woord te zijner verdediging weet uit te brengen. Verlevendig uw geloof en vraag u af, wie het is, die hier zoo smadelijk bejegend wordt. Ach, 't is de Zoon van den driewerf heiligen God, 't is de eeuwige Wijsheid zelve, 't Is het goddelijk Woord, van wien alle kennis, alle verstand uitgaat, 't Is de almachtige Schepper, die den mensch het licht der rede gaf en hem door die gave zoo onuit-
282
sprekelijk hoog boven alle schepselen verhief, dat de koninklijke profeet, bij het . overdenken van de verheven waardigheid des menschen in vervoering uitriep : âSlechts een weinig minder dan de Engelen hebt Gij hem gemaakt, met glorie en heerlijkheid hem gekroond en hem aangesteld over al de werken uwer handen.quot; En ach, diezelfde alwetende God, wiens wijsheid de gansche schepping verkondigt, wordt door zijn eigen schepselen, die Hij zoo onuitsprekelijk bevoorrechtte, als een dwaas en krankzinnige op de onteerend-ste wijze bespot. In het kleed van een dwaas wordt Hij over de straten heengeleid en prijsgegeven aan den wreeden spotlust der onafzienbare menigte, die zich op den weg tusschen het paleis van Herodes en het rechthuis van Pilatus verdringt. En overal, waar Hij verschijnt op den weg, gaat uit de duizende toeschouwers een spottend gejuich ten hemel en wordt Hij met hoonend gelach begroet. Ach, kunt gij uwen God en Heer zoo versmaad en bespot zien, zonder door een innig medelijden met Hem bewogen te worden? 0, kniel dan in den geest voor uwen Jesus neder, erken en belijd, dat Hij is de Zoon van God, de Oorsprong en Bron van alle wijsheid, dat alle schatten van kennis en wetenschap in Hem zijn verborgen en dat Hij het Licht is der wereld, hetwelk allen mensch bij zijne komst in deze wereld verlicht. Maar stel u ook tevens de vraag,
283
waarom Hij dien bitteren spot, dien smade.-lijken hoon heeft willen verduren. O, waarom anders, meent gij, dan om uwe zonden en de zonden der gansche wereld uit te boeten. Ja, Hij is in waarheid het Lam, dat de zonden der wereld wegneemt. Hij wilde den hemelschen Vader volkomen voldoening schenken voor de beleedigingen van het schepsel. Maar wat is de zonde ? Ach, zij is niet alleen de grootste boosheid, maar ook tevens de grootste dwaasheid en uitzinnigheid. Immers, voor een kortstondig genot zet de zondaar zijn eeuwig geluk op het spel; voor de lusten en genoegens van een vluchtig oogenblik, doet hij afstand van de glorie, waarin Gods uitverkorenen gedurende de gansche eeuwigheid jubelen in het hemelsch paradijs. Door de zonde staat een nietig en afhankelijk schepsel op tegen zijn Schepper, zegt een verachtelijke en onwaardige slaaf de gehoorzaamheid op aan zijnen Heer. O schromelijke dwaasheid! O onvergeeflijke uitzinnigheid! En juist om die dwaasheid uit te boeten wilde de Zoon Gods, die voor de zonden kwam voldoen, ook als een dwaas in het kleed van een zinnelooze worden bespot. O, indien gij de diep krenkende beleediging, die Jesus hierdoor werd aangedaan, levendig gevoelt, werp u dan vol ootmoed en met innig leedwezen over uwe zonden, die de oorzaak van 's Heeren lijden waren, aan de voeten van den liefde-
284
vollen Verlosser neder, smeek Hem nogmaals om vergiffenis en bied Hem nieuwe voornemens aan voor de toekomst.
Voornemen. Dierbare Jesns, liever wil ik sterven dan U wederom te beleedigen door mijne zonden. Daarom hernieuw ik andermaal het besluit, mij op het uitroeien van die zonden toe te leggen, tot welke mijne zwakke natuur het meest overhelt.
GEBED.
Dierbare Jesus, vol droefheid en leedwezen over mijne zonden werp ik mij voor IJ neder^ en allerootmoedigst smeek ik U om vergiffenis voor de dwaasheid, waaraan ik mij schuldig maakte. Helaas, ik, nietig en verachtelijk schepsel, ik dorst opstaan tegen mijn God en in vermetelen overmoed gehoorzaamheid weigeren aan mijn Koning. Ik durfde het kortstondig en bedriegelijk genot der zonde stellen boven de glorie en de gelukzaligheid, waarmede Gij uwe getrouwe dienaren beloont in den hemel. Ach, wat zal ik ü antwoorden, o mijn God, wanneer Gij mij oproept oifi rekenschap voor TT af te leggen? Wat zal ik tot mijne verontschuldiging kunnen inbrengen? Dwaze, die ik was, en ondankbare! Ik meende mijn geluk te zullen vinden in het voldoen mijner verkeerde neigingen, in het inwilligen mijner zondige hartstochten, in het najagen van de genoegens, die deze wereld aan hare volgelingen schenkt; en
285
niets anders vond ik dan bitterheid en leegte, dan kwelling en wroeging, dan teleurstelling en smart. Maar zie, lieve Jesus, ik heb begrepen, dat buiten ü en uwe liefde geen waar geluk, geen ware vreugde te vinden zijn noch in deze wereld, noch in de eeuwigheid. Daarom wend ik mij vol berouw over mijne zonden tot ü. Ach, ik bid het U, dierbare Verlosser, ik bezweer het U bij den bitteren hoon, dien Gij op den dag uws lijdens aan het hof van Herodes hebt willen verduren, vergeef mij al hetgeen ik tegen ü heb misdreven. Gaarne wil ik uit dankbare wederliefde tot U de verachting en bespotting der wereld dragen, opdat ik hier mijne dwaasheid uitboetend en uwe voetstappen drukkend, eenmaal in genade door ü moge worden aangenomen en de belooningen erlangen, die Gij door uw smartvol lijden voor ons verdiend hebt. Amen.
DRIE EN DERTIGSTE OVERWEGING.
JESÃS WORDT ACHTER BARABBAS GESTELD.
Wederom stond de Verlosser voor den Romeinschen landvoogd, en wederom verkeerde Pilatus in dezelfde verlegenheid. Hij was volkomen overtuigd van 's Heeren on-
286
schuld, daarom wilde hij Jesus niet veroor-deelen. Maar zijne lafhartige vrees voor de Joden belette hem den Heer van alle vervolging te ontslaan. âGij hebt dezen mensch tot mij gebracht, als iemand, die het volk verleidt,quot; zoo sprak Pilatus tot de menigte, die zich voor het rechthuis had verzameld, âen ziet, in uwe tegenwoordigheid Hem onder-vragend, heb ik in dezen mensch geen schuld gevonden aangaande hetgeen, waarvan gij Hem beticht. Doch ook Herodes niet, want ik heb u tot hem verwezen, en ziet, er is niets door Hem bedreven, dat den dood verdient. Derhalve zal ik Hem, na Hem gekastijd te hebben, vrijlaten.quot;' Maar de bloeddorstige Joden bleven 's Heeren doodvonnnis eischen ; en daarom zocht Pilatus naar een ander middel om den Heer in vrijheid te stellen. Volgens een aloud gebruik, dat bij de Joden in zwang was, werd jaarlijks bij gelegenheid van het Paaschfeest aan een veroordeelden misdadiger, op wien de keus van het volk viel, de vrijheid verleend. In die dagen nu bevond zich een beruchte booswicht in den kerker, die zich aan vele gruwelen had schuldig gemaakt, met name Barabbas. Dien liet de landvoogd voor zich brengen en hem naast Jesus stellend, wendde hij zich tot het volk en sprak: âWien, wilt gij, zal ik u vrijlaten: Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt?' En als uit één mond klonk de onstuimige kreet, die opging uit
287 quot;
de menigte: âWeg met^dezen, en laat ons Barabbas vrij !''
I. Overweeg, welk eene onuitsprekelijke beleediging door Pilatus Jesus werd aangedaan, door den Verlosser op een lijn te stellen met Barabbas, en aan het volk de keus te laten, wie van beiden in vrijheid moest gesteld worden. Immers, wie is Jesus en wie Barabbas? Jesus is de eenig geboren Zoon Gods, Hij is het eeuwig Woord des Vaders vol genade en waarheid. Hij is de Koning der koningen en de Heer der Heerscharen. Al wat het menschelijk verstand zich aan grootheid, wijsheid, goedheid, verhevenheid en heiligheid kan voorstellen, is in Hem vereenigd. Barabbas daarentegen is een verachtelijke booswicht, een eerlooze roover, die zich aan oproer en moord had schuldig gemaakt, een mensch, die berucht was om zijne gruweldaden. De Zoon Gods, de Onschuld en Heiligheid zelve. Hij die eindloos ver boven de heiligste en volmaak-ste schepselen is verheven, wordt door Pilatus met den verachtelijksten misdadiger gelijk gesteld, en aan het volk wordt de keus gelaten, aan wien van beiden de vrijheid moet verleend worden. O, wat moet er wel in het hart van den Verlosser zijn omgegaan bij die ten hemel schreiende gelijkstelling ! Toch opent Hij den mond niet, toch beklaagt Hij zich niet, nu Hij, de Bronwel en Oorsprong van alle heiligheid, zich naast
*288
een afschuwelijken misdadiger geplaatst ziet, als ware Hij zijns gelijke. Onderzoek u zeiven en vraag u af, hoe gij u gedraagt, wanneer men verzuimt u de eer te bewijzen, waarop gij meent recht te hebben, wanneer men u geringschat en vernedert, wanneer u in het bijzijn van anderen eenige smaad, eenige beleediging wordt aangedaan. Ach, gij beklaagt u, gij breekt uit in bittere verwijten; gij wordt door drift en gramschap vervoerd; en toch wat is elke beleediging, die men u zou kunnen aandoen, vergeleken bij den hemeltergenden hoon, waaraan de Zoon Gods zich met het grootste geduld uit liefde tot u onderwierp. Ach, gij zijt een zondig schepsel, en in Gods oog hebt gij wellicht nog veel dieper vernederingen verdiend, dan die welke gij te verduren hebt. Maar Jesus is de Koning der eeuwige glorie en voor Hem moeten alle knieën zich buigen van degenen, die in den hemel, op aarde, of onder aarde zijn. O, verneder u dan voor God; smeek den bijstand des Hemels af, om dien verderfelijken hoogmoed, die het beginsel en de oorsprong van alle kwaad is, in u te onderdrukken en te doo-den. Leer uit het voorbeeld van Jesus te zwijgen, wanneer gij in het bijzijn van anderen wordt beleedigd of miskend; want juist het verdragen van deze vernederingen zal u gelijkvormig maken aan den vernederden Jesus en deelachtig aan de genaden.
289
die de Heer ons door zijn smartvol lijden verdiend heeft.
Voornemen. Wanneer ik zal blootstaan aan verachting, miskenning en beleedigingen, zal ik mijn hart tot God verheffen en Hem de genade vragen deze vernederingen ter liefde van Jesus in stilte en met gelatenheid te mogen verduren.
11. Overweeg, aan welk eene afschuwelijke ondankbaarheid de Joden zich schuldig maakten, toen zij op de keus, die de landvoogd hun stelde, riepen, dat Jesus veroordeeld en Barabbas in vrijheid gesteld moest worden. Het allerheiligst hart des Heeren, dat van eindelooze liefde jegens het menschelijk geslacht overvloeide, had de blijken, dier goddelijke liefde bij voorkeur aan het Joodsche volk geschonken. Toen de tijden vervuld waren, waarop de Zoon Gods de wereld zou intreden, om den mensch te verlossen werd Hij onder de Joden geboren; in hun midden had Hij geleefd, aan hen zijne goddelijke leer verkondigd, onder hen zijne wonderen verricht, en uit hunne zonen zijne apostelen en leerlingen gekozen. En ach, hetzelfde volk, dat op zulk eene heerlijke wijze boven alle andere volken, door den Heer was begunstigd geworden, riep nu met luider stem ; â Niet deze, niet Jesus, maar Barabbas moet vrijgelaten !quot; Helaas! onder de talrijke scharen, die op het gerucht van 's Hoeren gevangenneming voor het rechthuis van den Romeinschen land-
17
290
⢠voogd waren te zamen gestroomd, werd er niemand gevonden, die zich tegen dién kreet verzette; onder die onafzienbare rijen was er niet een enkel vriend, dio den moed had, den onschuldigen Jesus tegen dien smaad te verdedigen. Ach, waar zijn zij nu, die duizenden, die Hij gespijzigd had in de woestijn? Waar zijn zij, die scharen, die Hem vol geestdrift volgden en in opgetogen bewondering luisterden naar de woorden, die Hij sprak. Waar is nu het volk, dat Hem weleer tot koning wilde verheffen? Waar zijn die ontelbaren, die weleer luide zijne goddelijke wondermacht verheerlijkten en in dankbare vervoering uitriepen : âEen groot Profeet is onder ons .opgestaan. Hij heeft alles welgedaan; de dooven heeft Hij doen hooren en de stommen doen spreken?quot; Ach, allen zijn tegen Hem; zij roepen om de vrijstelling van den booswicht, die overal schrik verspreidde en wiens hand het bloed zijns broeders had vergoten, en eischen den dood van den zachtmoedigen Verlosser, van den goddelijken Wonderdoener, die hunne zieken genezen, hunne dooden opgewekt en alom de heerlijkste weldaden zijner liefde onder hen verspreid had 0 onuitwischbare schande! O smartelijke ondankbaarheid ! Ach, Jesus kwam in zijnen eigendom, zegt de H. Joannes, maar de zijnen namen Hem niet aan. O, wilt gij dan den Heer troosten bij den ondank, dien Hij van de
291
Joden moest ondervinden, breng Hem dan dikwerf met een hart vol wederliefde uwen dank voor alle gunsten en weldaden, die gij van zijne goddelijke goedheid ontvangen mocht; maar dank Hem vooral voor de smarten en vernederingen, die Hij voor uwe verlossing op zijn droevigen lijdensdag heeft willen vei--duren.
Voornemen. Dikwerf zal ik Jesus danken voor de groote liefdeblijken, die ik gedurende mijn leven van Hem ontvangen mocht, inzonderheid voor de liefde, die Hij mij in zijn bitter lijden heeft bewezen.
Hl. Overweeg, hoe niet alleen de Joden Barabbas boven Jesus stelden, maar hoe een ieder, die vrijwillig eene zware zonde bedrijft, zich aan een dergelijk vergrijp plich-tig maakt. Ieder mensch wordt in deze wereld voor eene gewichtige keus door God geplaatst. Aan de eene zijde ligt de hoogste gelukzaligheid, ligt het goed, dat alle andere goederen in kostbaarheid en waarde op onvergelijkelijke wijze overtreft, maar dat slechts kan verkregen worden door een leven van zelfverloochening en offer, door beteugeling der hartstochten en dooding der zinnen, door het volbrengen van de somtijds harde en moeielijk plichten, die Gods wet ons oplegt. Aan den anderen kant liggen de kortstondige. en bedriegelijke genoegens, liggen de vergankelijke goederen, die de wereld aan hare volgelingen biedt, waarmede dehelsche
292
geest den menscli bekoort en van den dienst van God tracht te vervreemden. En wat doet de zondaar ? Hij wijst de goederen des hemels af, en geeft aan de verachtelijke schatten der wereld de voorkeur; hij verlaat den weg der deugd, hij verwerpt en verloochent zijn God en kiest het schijngenot, de val-sche vreugde der zonde tot zijn deel en den helschen geest tot heer en koning van zijn hart; en aldus roept hij, zooal niet met woorden, dan althans door zijne werken en met zijn hart, hetgeen de goddeloozo Joden voor het rechthuis van Pilatus riepen : âNiet deze, niet Jesus, maar Barabbas moet ons vrijgelaten.quot; Ach, de zondaar wil liever zijne verkeerde neigingen inwilligen dan zijne hartstochten breidelen, liever zijne zinnelijke lusten volgen dan de versterving beoefenen, liever de verderfelijke goederen der wereld bezitten dan naar de schatten des hemels streven, liever de bedriegelijke vermaken van dit vluchtig leven genieten dan voor de blijvende vreugden des eeuwigen levens arbeiden! Daarom dan wilde Jesus in zijn lijden achter Barabbas gesteld worden, om zijn hemelschen Vader voldoening te schenken voor de onverklaarbare dwaasheid, de snoode ondankbaarheid, die in de zonde ligt opgesloten. Werp een blik op den toestand uwer ziel; moet gij erkennen God door uwe zonden beleedigd te hebben en u aan de ondankbaarheid der Jodon te hebben schuldig
293
gemaakt, smeek Hem dan rouwmoedig om vergiffenis en neem u vastelijk voor aan Jesus, uwen God, de eerste plaats te schenken in uw hart en Hem nimmermeer door de zonde daaruit te verdrijven.
Voornemen. Nogmaals hernieuw ik het besluit om mijne verderfelijke hartstochten te bestrijden, door welker inwilliging ik zoo menigmaal de beleediging hernieuwde, die de ondankbare Joden Jesus hebben aangedaan.
GEBED.
Beminnelijke quot;Verlosser, eindeloos diep vernederde God, o hoe smart het mij, dat ook ik mij door mijne zonden heb aangesloten bij de ondankbare Joden, die aan Barabbas, den eerloozen misdadiger, boven ü, den God van oneindige majesteit en glorie de voorkeur gaven. Met de diepste droefheid en schaamte kniel ik voor U neder en smeek ik U om vergiffenis voor den grievendon hoon, dien ik U hierdoor aandeed. Ach, dierbare Jesus, kon ik al die zonden onge-schied maken; maar vermag ik dit niet, o sta mij althans toe, dat ik U eenig eerherstel geve voor den smaad, dien de Joden en dien ook ik, ü door mijne zonden en trouweloosheden zoo dikwerf heb aangedaan. Helaas! Gij staat daar voor den heidenschen landvoogd aan het grievendst lijden, aan het schromelijkst onrecht, aan de diepste vernedering ter prooi, en geen enkele stem verheft zich uit de
294
menigte om U te verdedigen tegen dien hoon en à de eer te geven, die ü toekomt. Maar spreekt niemand voor U, ik althans, lieve Jesus, wil niet zwijgen. In den geest werp ik mij aan uwe voeten neder en luide roep ik ü toe; ,0 mijn God en Verlosser, mijn dierbare Meester en Weldoener, mogen de anderen ü ook al niet willen, ik betuig plpchtig, dat ik niemand anders wil dan U. Neen, zoo beslist en onvoorwaardelijk als eene ziel U slechts tot haren Heer en Koning verkiezen kan, zoo beslist en onvoorwaardelijk kies ik U. Zoo vast als eenig schepsel ter wereld in ü gelooven, zoo onwankelbaar een hart op U vertrouwen, zoo vurig eene ziel U slechts beminnen kan, zóó vast, zóó onwankelbaar, zóó vurig geloof ik in ü, vertrouw ik op ü en bemin ik U. O, of het mij vergund ware alle schepselen op te wekken tot dankbare wederliefde jegens ü! Of ik mijne stem met die van al uwe vrienden en vereerders vereenigen en u zoo laide verheerlijken kon, dat het geroep uwer vijanden er door overstemd werd en tot zwijgen gebracht. Konden wij het roepen, lieve Jesus, zoo luide, dat de gansche wereld het kon vernemen, en zoo krachtig, dat onze stem weerklank vond in de harten van alle schepselen der aarde: Heer Jesus, wij gelooven in U; Heer Jesus, wij vertrouwen op ü; Heer Jesus, wij beminnen U. ü kiezen wij tot onzen Heer en Koning, U alleen, tot
295
den vriend, tot den Bruidegom onzer ziel voor tijd en eeuwigheid. Amen.
VIER EN DERTIGSTE OVERWEGING.
PILATUS BEPROEFT NOGMAALS JESUS TE REDDEN.
Toen Pilatus uit den goddeloozen eisch van het volk vernam, dat Barabbas in vrijheid gesteld moest worden, vroeg hij geheel ontsteld; âWat zal ik dan met Jesus aanvangen?' En, aanstonds weerklonk uit duizend monden de moordkreet: âKruisig, kruisig Hem!' Nogmaals wees de zwakke landvoogd op 's Heeren onschuld en riep hij uit: âWat kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik vind geen doodschuld in Hem; ik zal Hem dus kastijden en loslaten,' maar tevergeefs : zijne stem wordt verdoofd door het onstuimig geschreeuw der woedende menigte, die eischte, dat Jesus ten kruisdood zou verwezen worden. Duidelijk zag Pilatus in, dat elke poging om Jesus te redden vruchteloos was; de houding van het opgehitste volk werd met elk oogenblik woester en dreigender; en niet langer durfde hij dus den wil der Joden weerstreven. Nog eene laatste zwakke poging evenwel wendde hij aan om de menigte tot andere gedachten te brengen en haar van 's Heeren onschuld te overtuigen.
296
Hij liet zich een waschbekken brengen en wiesch zijne handen ten aanschouwe van de verzamelde Joden, terwijl hij met luider stemme riep : âIk ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige; gij moogttoezien!quot; Maar nog nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of daar rees de bloeddorstige en onheilspellende kreet uit de dichte scharen die zich voor het rechthuis verdrongen, ten hemel: â Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!'
I. De Joden eischten 's Heeren dood, maar de heidensóhe rechter verklaarde openlijk, dat hij zelfs geen schijn van misdaad in Jesus kon ontdekken : â Wat kwaad heeft Hij dan gedaan?' zoo vroeg Pilatus. Men zou echter eerder mogen vragen: âWelk goed, welke liefdewerken heeft Hij niet verricht?quot; Overweeg, hoe geheel het leven van Jesus aan de verhevenste en heiligste werken was gewijd. Hij onderrichtte het volk, verkondigde alom zijne goddelijke leer, stichtte allen door zijn heiligen en onberis-pelijken levenswandel, genas de zieken, dreef de duivelen uit, wekte de dooden op en stond alle ongelukkigen met zijne liefderijke hulp ter zijde. Wie wendde zich ooit tot Hem met eenig verzoek, en werd door Hem afgewezen? Wie riep ooit zijne machtige tusschenkomst in, zonder vertroost, gesterkt en geholpen te worden. Door zijn onver-moeiden ijver voor de glorie zijns Vaders, door zijne deugden, door zijne wonderen,
297
had Hij zich de liefde, den eerbied en het vertrouwen van duizenden verworven; zelfs zijne vijanden waren gedwongen zijn lof te verkondigen. Hij was de Onschuld de Heiligheid zelve; toch werd Hij het slachtoffer van het schromelijkst onrecht, toch zag Hij zich veracht, bespot, en vervolgd en stond Hij bloot aan mishandelingen, verguizingen en vernederingen van allerlei aard. En waarom? Omdat Hij al onze zonden en ongerechtigheden op zich had genomen; omdat Hij, in volkomen onderwerping aan den wil zijns hemelschen Vaders, ze allen wilde uitboeten in zijn heilig lichaam. Waar de zonde gepleegd wordt, daar staat de straf voor de deur; Jesus heeft de straf dier zonden op zich genomen, en daarom wordt Hij, ofschoon Hij de eeuwige Heiligheid zelve is, in eene zee van smarten en kwellingen gedompeld. Door zijn lijden echter heeft Hij niet alleen de eindelooze schuld betaald, die wij aan God te voldoen hadden, maar ons ook in staat gesteld, door de lasten en beproevingen des levens geduldig te dragen, onze persoonlijke zonden en overtredingen, uit te boeten en ons een schat van verdiensten te vergaderen in den hemel. O, wanneer dan uw levenspad met doornen is begroeid, wanneer u een zwaar kruis op de schouders is gelegd, wacht u dan wel het voorbeeld te volgen van degenen, die in dagen van tegenspoed zich door droef heid
298
en neerslachtigheid laten overmeesteren en zich met een verbitterd gemoed afvragen: âWat kwaad heb ik dan verricht, om door zulke zware rampen bezocht te worden?' maar werp een blik op den lijdenden Jesus en denk: indien de Zoon Gods, de oneindig Heilige, die geen schijn van zonden gekend heeft, in zulk een allerbitterst lijden gedompeld was, welke straffen moest God dan mij niet overzenden, indien Hij slechts gehoor gaf aan zijne gestrenge rechtvaardigheid. O, wat zijn alle kwellingen, die ons in deze wereld kunnen overkomen, vergeleken bij die, welke wij verdiend hadden! Erken dan, dat het een geluk voor u is en een voorrecht, indien God u in deze wereld beproeft; dewijl u hierdoor de schoonste gelegenheid wordt aangeboden de tijdelijke straffen uwer zonden uit te boeten. Verheug en verblijd u te allen tijde bij de wederwaardigheden, die, u in dit leven treffen, want door deel te nemen aan 's Heeren lijden zult gij ook deelachtig worden aan zijne glorie.
Voornemen. Met onderwerping en vreugde zal ik de kwellingen des levens uit Gods hand aannemen en verduren. Steeds zal ik ze beschouwen als de rechtvaardige straf, die ik voor mijne zonden verdiend heb.
II. De Joden gunnen zich geen rust, alvorens zij den goddelijken Verlosser ten kruisdood zullen verwezen zien. Op elke poging van Pilatus, om Jesus aan hunne
299
woede en vervolging te onttrekken, antwoorden zij met steeds luider en dreigender kreten; âKruisig, kruisig Hem.quot; Vandaar dat Christus ten slotte dien bitteren kruisdood stierf; maar door datzelfde kruis ook zegevierde Hij over hel en dood en heerscht Hij als Koning in de harten van millioenen geloovigen, die zijne leer belijden, aan zijne wetten gehoorzamen. Overweeg, hoe elke Christen, door zich zeiven te kruisigen, moet heerschen over zijne lagere hartstochten en neigingen. âZij, die aan Christus toebe-hooren,quot; zegt de Apostel, âhebben hun vleesch met al zijne ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd.quot; Vraag u af, of ook gij niet alleen in naam maar in waarheid een volgeling zijt van Jesus; of gij er op bedacht zijt uwe zinnen te versterven. Het wederspannig vleesch, dat opstaat tegen den geest, de zondige begeerlijkheden, die luide hare stem verheffen, de verderfelijke neigingen, die over uwe ziel willen heerschen, dit alles moet in u gekruisigd worden. Geeft gij gehoor aan die stem des apostels en kunt gij in waarheid getuigen, dat gij aan Jesus Christus toebehoort? Of ontbrak het u tot nog toe aan moed om den ouden mensch, dien vriend der ongerechtigheid, dien hartstochtelijken minnaar van de genoegens en ijdelheden dezer wereld aan het kruis der versterving te hechten. Welaan, werp een blik op Jesus, en tracht door het kruis over
300
uwe driften en hartstochten te zegevieren. Heb de versterving lief; laat geen dag voorbijgaan, zonder eenig offer aan God te hebben gebracht; heersch over uwe zintuigen en heersch over uwen wil. Hoe edelmoediger en menigvuldiger uwe pogingen zijn, hoe krachtiger gij u op de beoefening dier deugd toelegt, hoe meer geweld gij u zeiven aandoet, des te gemakkelijker zult gij u zeiven beheerschen, des te sneller zal uw voortgang zijn op den weg der volmaaktheid, des te rijker de schat uwer verdiensten en des te heerlijker uw loon in de eeuwigheid.
V oornemen. Dagelijks zal ik mij eenige versterving opleggen; vooral die verstervingen zal ik beoefenen, die het heilzaamst werken ter bestrijding van het gebrek, waaraan ik het meest verslaafd ben.
III. Overweeg, aan welk eene hemeltergende zonde de Joden zich schuldig maakten en op welk een vreeselijke wijs zij door God werden gestraft. Jesus, de Zoon Gods, was in hun midden nedergedaald, had groote teekenen en wonderen onder hen verricht en hun zijne goddelijke leer verkondigd; maar de meesten haddon in hunne hardnekkige verblindheid geweigerd Hem als den voorspelden Messias te erkennen. Eusteloos hadden zij Hem vervolgd en belasterd en ten slotte zonder een zweem van wroeging te gevoelen op valsche beschuldigingen zijn kruis-.dood geëischt. Den Heilige en Rechtvaardige
301
hadden zij geloochend en om de vrijstelling eens moordenaars geroepen; en waar een heidensch rechter vreesde den toorn des Hemels te zullen beloopen wegens het onrechtvaardig vonnis, dat hij streek, daar riepen de Joden, die den waren God kenden, in den onstuimigen kreet: âZijn bloed kome over ons en over onze kinderen,quot; de rechtvaardige wraak des Allerhoogsten over zich af. Overweeg, hoe die ijselijke zelfverwen-sching op verschrikkelijk wijs vervuld is geworden. Nauwelijks waren er veertig jaren voorbijgegaan sinds de Joden den Zoon van God aan het kruis hadden doen sterven, of Jerusalem werd door de legermacht van den Romeinschen keizer omsingeld, en na korten tijd werd dezelfde stad, waarin het goddelijk bloed des Heeren gevloeid had, door den vijand bemachtigd, verwoest en met den grond gelijk gemaakt. Duizenden en tienduizenden van het door God verworpen volk vonden op dien dag den dood. Van dit oogenblik af hielden de Joden op als volk te bestaan; onder alle natiën verstrooid, zwerven zij zonder tempel, zonder eeredienst en priesterschap over de aarde rond, omdat zij den dag hunner bezoeking niet gekend hebben. Zoo werd het onschuldig, het heilig bloed van den Rechtyaardige bij uitnemendheid volgens hun godslasterlijken wensch, aan hen en aan hunne kinderen en kindskinderen in de verste geslachten, tot op den dag van hedeii op
302
schrikwekkende wijs gewroken. Maar overweegt gij met angst en vrees het verschrikkelijk lot der ondankbare Joden, ach, bedenk het wel, om Gods toorn te beloopen is 't niet noodig de uiterste grenzen der menschelijke boosheid bereikt te hebben, het is reeds genoeg zich door een enkelen ongeregelden hartstocht te laten beheerschen. Een enkele hartstocht, die niet tijdig wordt bestreden en onderdrukt, kan den mensch tot de afschuwelijkste misdaden voeren en hem bloot stellen aan het gevaar van voor eeuwig verloren te gaan. Vraag u af, of ook gij u in zulk een noodlottigen toestand bevindt, wordt gij niet beheerscht door eene zondige drift, die voortdurend grooter en talrijker offers eischt en die u blindelings uw eeuwig verderf te gemoet voert. Ach, elke inwilliging aan die verderfelijke neiging is een stap nader tot dien afgrond, en zoo gij op dien ingeslagen weg blijft voortgaan, zult gij Gods rechtvaardige wraak niet ontkomen. Onderzoek u zeiven dus ernstig, en mocht gij u plichtig bevinden, werp u dan berouwvol aan 's Heeren voeten neder, smeek Hem, dat zijn heilig bloed over u moge komen, niet tot straf maar ten zegen, opdat het u reinige loutere en sterke. Begin vol moed nog op dit oogenblik dien hartstocht te bestrijden en blijf in dien strijd volharden ; schenk u geen rust alvorens gij die verderfelijke neiging met wortel en tak uit uw hartzult hebben uitgerukt.
303
Voornomen. Met onverflauwden ijver zal ik mijn hoofdgebrek blijven bestrijden, en mij geen rust gunnen, tot dat ik er de laatste sporen van in mijn hart zal hebben uitgeroeid.
GEBED.
Liefdevolle Verlosser, die ons door uw smartvol lijden en bitteren dood uit de macht des duivels en van den eeuwigen dood hebt willen verlossen, vol dankbaarheid en innige wederliefde kniel ik voor ü neder en kom ik u begroeten als den goddelijken Bruidegom mijner ziel. Ja, Gij, o mijn Jesus, Gij alleen zijt de Bruidegom mijns harten en in waarheid de Bruidegom des bloeds. Om uw heilig bloed tot redding onzer zielen te kunnen storten hebt Gij een sterfelijk lichaam aangenomen. Nog nauwelijks zijt Gij de wereld ingetreden, of reeds zie ik in uwe Besnijdenis de eerste druppelen er van vloeien. En onder hoeveel duldelooze smarten of folteringen hebt Gij het gedurende uw lijdenstijd niet voor ons gestort ? O, dat heilig bloed druppelde van uw gezegend voorhoofd bij uwen doodsangst in den hof; dat heilig bloed werd door ü vergoten, toen uw tee-der vleesch bij de wreede geeseling werd verscheurd, toen uw aanbiddelijk hoofd met de scherpe doornen werd gewond, toen uw heilig lichaam aan het schandhout werd vastgeklonken en uwe handen en voeten
304
met ruwe nagelen werden doorboord; ja, dat heilig bloed hebt Gij nog na uwen dood willen storten, toen de krijgsknecht met een lans uwe heilige zijde opende en uw hart doorboorde. En niet tevreden met het offer, dat Gij ons reeds bracht, wildet Gij met hetzelfde bloed, dat Gij in uw lijden vergoot, de zielen uwer kinderen tot aan de voleinding der tijden laven en sterken in het al-lerhoogwaardigst Sacrament des Altaars. O, dierbare Jesus, kon uwe liefde wel verder gaan? Wat zal ik U dan aanbieden, dierbare Bruidegom mijner ziel, of waarmede ü mijne erkentelijkheid en wederliefde toonen! Ach, de ondankbare Joden hebben uw onschuldig bloed vergoten en in hunne hardnekkige verblindheid tot den hemel geroepen, dat het op hen en hunne kinderen zou nederkomen. Ook ik bid U, maar in geheel anderen zin dan weleer uwe vijanden, dat uw heilig bloed, o mijn Jesus, over ons allen kome, dat het reinigend, zegenend en heiligend over mij en over al uwe schepselen neder-dale. Gij, dierbare Jesus, hebt ons door uw dierbaar bloed vrijgekocht en verlost; daarom smeek ik U en bezweer ik ü bij datzelfde bloed, dat Gij op uw lijdensdag hebt vergoten, red en behoud onze zielen. Ontferm U over mij, voed mij, laaf mij, versterk en verdedig mij tegen de vijanden mijner ziel en leid mij aan uwe hand op den weg uwer geboden. Stort uw zegen uit over al mijne
305
bloedverwanten, mijne vrienden en weldoeners; sta hen immer ter zijde en schenk hun alle genaden, die hun noodig zijn ter zaligheid. Ontferm U, Vader aller geloovi-gen, over allen, die uw heiligen Naam belijden en onder de gehoorzaamheid van uwen Stedehouder vereenigd leven; geef aan de rechtvaardigen de gave der volharding en aan alle zondaren de genade eener oprechte bekeering. Heb ook medelijden, dierbare Jesus, met allen, die uwe H. Kerk verlieten en van de eenheid en waarheid zijn afgeweken, maar vergeet ook tevens de ongelukkigen niet, die in de duisternis van het ongeloof en heidendom voortleven, zonder den waren God te kennen en te aanbidden. Eindelijk, werp een blik vol mede-doogen op de verblinde en hardnekkige Joden, op het ondankbare volk, dat tot den dag van heden gebukt gaat onder de straf, die hunne voorouders over zich zeiven en hun nakomelingschap van den Hemel hebben afgeroepen. O, gedenk, dat ook hunne zielen naar uw goddelijk beeld en uwe gelijkenis werden geschapen; laat, bid ik ü, dat goddelijke bloed, dat Gij onder zooveel smarten en folteringen voor het heil der wereld hebt gestort, ook voor haar niet vruchteloos vergoten zijn. Geef, lieve Jesus, dat spoedig de blijde, de glorievolle dag aanbreke, waarop al uwe schepselen, in uw goddelijk bloed herboren, U mogen kennen, liefhebben en
306
dienen in deze wereld, en ü eenmaal eeuwig mogen danken, prijzen en verheerlijken in den hemel. Amen.
VIJF EN DERTIGSTE OVERWEGING.
DE GEESELING VAN CHRISTUS.
Eindelijk is het oogenblik daar, waarop de eisch der Joden zal worden ingewilligd. Uit vrees, dat de woede en razernij der menigte tot opstand zal overslaan, geeft de lafhartige landvoogd toe; Barabbas, de moordenaar, wordt in vrijheid gesteld en Jesus, de vlekkelooze Onschuld, wordt veroordeeld om gekruisigd te worden. Niet zoodra was deze uitspraak vernomen, of de Romeinsche soldaten, die met de uitvoering van het vonnis waren belast, sleurden den goddelijken Verlosser naar de plaats, waar de ter dood veroordeelde misdadigers, alvorens gekruisigd te worden, de wreede straf der geeseling moesten ondergaan. Met woest geweld grijpen zij Jesus aan, rukken Hem de kleederen van het lijf en binden Hem met ruwe koorden vast aan de geeselkolom. Dan scharen zij zich rondom hun slachtoffer, nemen de foltertuigen ter hand en de wreede marteling begint. Weldra is het heilig lichaam
307
des Heeren onder de snerpende slagen der beulen door tal van wonden verscheurd, waaruit telkens en telkens weder het bloed van den zachtmoedigen Verlosser nedervloeit. Ach, nu is het oogenblik daar, waarop de voorspelling van den profeet Isaias vervuld werd : âIn waarheid Hij draagt onze kwalen, Hij torscht onze smarten. En wij hielden Hem voor een melaatsche, door God geslagen en vernederd. Maar om onze ongerechtigheden is Hij verwond, om onze misdaden is Hij verbrijzeld; de kastijding tot onzen vrede is op Hem, en door zijne striemen zijn wij genezen.'
I. Overweeg met innig medelijden, hoe de wreede beulen Jesus, na Hem naar de geeselkolom gevoerd te hebben, met woest geweld de kleederen van het heilig lichaam rukken. Ach; met welk een onuitsprekelijke zielesmart zag de Zoon Gods, de Minnaar der zuiverheid en de Bruidegom der maagden, zich bij dien grievenden smaad blootgesteld aan de schaamtelooze blikken der ruwe soldaten. Jesus wordt van zijne kleederen beroofd ! En toch. Hij is de Almachtige die de zon met glans en heerlijkheid bekleedt, die de aarde met een gewaad van bloemen en groenende kruiden bedekt; Hij is dezelfde God, die aan den leeuw zijne golvende manen, aan het lam zijn blanke vacht, aan de visschen hun zilveren schubben en aan de vogelen des hemels hun bonten vederdos
308
schenkt. Jesus wordi van zijne kleederen beroofd, de Koning des hemels, die in het ongenaakbaar licht zijner Godheid, zich met de stralen zijner eeuwige glorie bekleedt! Overweeg, welk een diepe zin er in dit smartvol en nameloos vernederend geheim van 's Heeren lijden ligt opgesloten. Toen onze eerste ouders het gebod, hun door den hemel gegeven, overtreden hadden, maakte God kleederen van dierenhuiden en bekleedde hen daarmede. Die kleederen waren voor hen eene herinnering aan de zonde, die zij gepleegd hadden en tevens een zinnebeeld van en eene aansporing tot boete. Het kleed, dat uw lichaam dekt, moet ook u herinneren aan uwe overtredingen en u krachtig aanmanen tot boetvaardigheid. O, waarom dan die ijdelheid en opschik in datgene, wat u een reden tot boete moet zijn ? Waarom toegegeven aan dien hoogmoed, aan die noodlottige zucht, om aan het schepsel te behagen? Zie, Jesus wordt ontkleed om u te leeren, dat gij den ouden en hoogmoe-digen mensch met al zijne zonden en begeerlijkheden moet afleggen en den nieuwen mensch moet aantrekken, gelijk hij was voor zijn val. O, hoe heerlijk deden de veertig martelaren deze zinrijke waarheid uitkomen, toen zij, van hunne kleederen beroofd, dat schoone gebed spraken: âWij trekken niet ons kleed uit, maar den ouden mensch, die door de begeerlijkheid is verdorven.
309
Wij danken ü, o Heer! dat wij met dit kleed tegelijkertijd de zonde mogen afleggen, dewijl wij om de slang het eenmaal aantrokken, maar i;er liefde van Christus ons wederom er van ontdoen!' Vraag u af, of gij in dien zin uwe kleederen draagt. En mocht gij in de keuze van uw gewaad hebben toegegeven aan ijdelheid, aan hoogmoed en zucht om te behagen, verneder u dan voor uwen lijdenden Jesus en smeek Hem rouwmoedig om vergiffenis.
Voornemen. In mijne kleeding zal ik alle overdreven opschik vermijden en steeds in zulk gewaad verschijnen, als de eerbaarheid van den Christen en de stand, dien ik in de wereld inneem, mij voorschrijven.
II. Treed nader in den geest. Christen ziel, treed nader tot de geeselkolom! Zie, daar worden 's Heeren handen aan de folterzuil gebonden, die onschuldige, die liefderijke handen, die zich zoo menigmaal zegenend * over de sponde van den lijder, over het doodsbed van een afgestorvene, over bedroefden, noodlijdenden en rouwmoedige zondaren hadden uitgestrekt. Ach, de wreedaards ! zij binden Hem aan de geeselkolom, âdie het water in de wolken bindt, die in zijne drie vingeren den ganschen last der aarde draagt, die de bergen woog bij hun gewicht en de heuvels in den evenaar.'' Zal de Almachtige niet, gelijk weleer Samson de koorden verbreken, waarmede zijne vijanden Hem bonden? Neen,
310
geduldig en zwijgend onderwerpt Jesus zich aan de bevelen zijner beulen. En waarom? Ach, de Zoon Gods wil die boeien dragen, om ons uit de kluisters der zonden te bevrijden ; Jesus wil de straf der slaven ondergaan, om ons van het slavenjuk des duivels, te verlossen, om ons de vrijheid der kinderen Gods terug te schenken. Maar verzet Jesus zich niet tegen den hoon, dien men Hem aandoet, o, waarom treedt dan de eeuwige Vader niet op om de goddelijke rechten van zijn Zoon te verdedigen en zich te wreken over de onteering, die zijne aanbiddelijke majesteit werd aangedaan? 't Is, omdat Hij zijn Zoon wil tuchtigen om ons de roede zijner goddelijke gerechtigheid te besparen. Evenals Joseph, de koning van Egypte zijn broeder Simeon liet in boeien slaan en hem in gijzeling achterhield, opdat de anderen vrij naar hun geboorteland en hunne woonplaats zouden kunnen terugkeeren, zoo laat de goddelijke Koning zijn eeniggeboren Zoon binden, opdat wij, van alle boeien bevrijd, naar het vaderland onzer ziel en de woonstede van Gods heerlijkheid zouden kunnen opgaan. O bewonderenswaardig geheim van Gods vaderlijke liefde, van zijne name-looze barmhartigheid ! Overweeg, hoe er nog een ander troostvol geheim in die boeien des Heeren ligt opgesloten. Jesus liet zich binden aan de geeselkolom, om ons te kennen te geven, dat Hij niets vuriger verlangt dan
311
onze zielen aan zich te binden met de banden zijner liefde. Toen de Patriarch Jacob aan zijn zoon Juda voorspelde wat hem en zijne nakomelingschap wachtte, rees ook dit smartelijk tafereel uit 's Heeren lijden hem voor den geest, en hij sprak van den Verlosser, die uit Juda's stam zou voortspruiten: âHij bindt aan den wijnstok zijn veulen en aan de wijnrank zijne ezelin; hij wascht in wijn zijn gewaad en in het bloed van de druif zijn kleed.' Deze wijnstok is de Verlosser, die van zich zelven getuigt: âIk ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier.quot; De ezelin verzinnebeeldt het Joodsche volk, dat Christus aan zich trachtte te binden, door aan de Joden zijne hemelsche leer te verkondigen, door zijne wonderen in hun midden te wrochten en hun zijne liefde te toonen. Het veulen wijst op de heidenen, die aan den wijnstok zouden gebonden worden bij hunne opname in de H. Kerk. In wijn en druivenbloed wiesch de Verlosser zijn gewaad, toen zijn lichaam, het gewaad zijner menschelijke natuur bij de wreede geeseling gepurperd werd met zijn heilig bloed. Ach, bij die wreede, die smartvolle geeselstraf vloeide het druivenbloed uit de druiven van dien Wijnstok, en toen bond Jesus onze zielen door de banden zijner onuitsprekelijke liefde aan zich, opdat wij door geloof en liefde, door geduld en gehoorzaamheid onherroepelijk aan Hem zouden
312
gehecht blijven. Werp een blik op u zeiven en vraag u af, of gij leeft in die innige ver-eeniging met uwen Verlosser. Mocht gij door de zonde van Hem gescheiden zijn, werp u dan vol leedwezen aan zijne voeten neder. Smeek Hem om vergiffenis en bid Hem dat Hij u in zijne liefde opneme en voor immer bevestige.
Voornemen. Ter liefde van Jesus wil ik gaarne mijne zondige hartstochten en ongeregelde neigingen aan banden leggen, opdat ik nimmer meer door de zonden van Hem gescheiden worde.
III. Overweeg, welke onbeschrijfelijke folteringen Jesus in de geeselstraf moest verduren. Ach, weet gij, wat het zeggen wil, deze bloedige strafoefening in al hare wreedheid te moeten ondergaan t De geeselstraf, de straf der slaven; â de geeselstraf, de straf der misdadigers; â de geeselstraf, de straf der eer-loozen ; â de straf, waarbij geen mededoogen, geene verzachting gebezigd werd, waarbij het slachtoffer geheel en al afhing van de wreedheid en willekeur zijner beulen, en niet zelden door bloedverlies en lijden uitgeput den geest gafllO, de apostelen des Hoeren, zij wisten wat onbeschrijfelijke pijnen Jesus aan de geeselkolom te verduren had. Vandaar dat zij met de beschrijving van 's Heeren lijden bij deze gruwzame strafoefening gekomen, door ontroering overweldigd, zich machteloos gevoelen de zee van folteringen te beschrij-
313
ven, waarin hun goddelijke Meester daar als gedompeld werd. Zie, daar staat Jesus geboeid aan de geeselkolom ; de wreede beulen scharen zich om Hem heen; daar heffen zij de roeden, de zweepen en geesel-riemen in hunne gespierde handen omhoog, en een vloed van slagen daalt op het heilig lichaam van den zachtmoedigen Verlosser neder. Ach, reeds zie ik de bloedige striemen, die de folteringen op zijn maagdelijk lichaam achterlaten; reeds sidderen al zijne ledematen onder de heftigste pijnen; reeds krimpt zijn lichaam ineen onder de verscheurende slagen; reeds zie ik zijn heilig bloed uit wond bij wonde nederdruppe-len op den grond en nog gaan de woeste onverlaten rusteloos met hun beulenarbeid voort. Helaas, de onmenschen, gewoon om bloed te zien stroomen en smartkreten te hooren, zijn niet vatbaar voor medelijden! Ach, in zijn heilig lichaam, met wonden overdekt, verscheurt men slechts wonden meer; de geeselkolom, de foltertuigen, de grond is met het kostbaarst bloed geverfd en niet alvorens hun arm vermoeid is van den gruwzamen arbeid en hunne wreede lusten volkomen zijn bevredigd, staken zij de onmenschelijke foltering en laten zij hun goddelijk slachtoffer daar staan ter prooi aan de bitterste pijnen. Ach, beseft gij wat ontzettende smarten de Zoon Gods hier verduurde ? (Helaas! zijn heilig lichaam werd geheel ge-
314
kneusd, verscheurd en als verbrijzeld onder de slagen der woeste krijgsknechten, gelijk het metaal geplet wordt onder de hand eens smederSjJgelijk het koren geslagen wordt op den dorschvloer van den landman, [gelijk de druif vertreden wordt in de wijnpers en klagend mocht Jesus uitroepen: âMijn rug hebben de zondaren als doorploegd met hunne geeselriemen!' O, werp een blik op uwen Verlosser en beschouw Hem, den Man van smarten, die weet, wat lijden is; zie, zijn goddelijk gelaat, geheel zijn lichaam is met bloed en wonden overdekt; zie, daar staat Jesus, weleer de schoonste onder de kinderen der menschen, nu geheel misvormd en onkenbaar, en tot stervens toe uitgeput door bloedverlies en lijden.'Ja, zóó was de Verlosser voor de blikken van den profeet verschenen, toen deze in de bitterste droefheid uitriep : âNeen, daar is geene gedaante, geene schoonheid meer in Hem: wij zagen Hem en Hij had geene gestalte en wij herkenden Hem niet!' Ach, zoo ooit, dan mocht Jesus hier de smartelijke klacht van den Psalmist herhalen: âIk ben een worm en geen mensch, de smaad der menschen en de verachting des volks!quot; Christen, kunt Gij uwen God en Verlosser zóó gegeeseld, ten bloede, tot stervens toe gegeeseld zien, zonder innig deel te nemen in zijn smartvol lijden? Kunt gij Jesus zien prijsgeven aan. do woede en razernij zijner omnenschelijke beulen, zonder tot
315
in het diepst uwer ziel bewogen te worden over den hoon en de folteringen, die Gods welbeminde Zoon, de Vreugde der Engelen en de Koning der eeuwige heerlijkheid hier moest verduren? O, werp u dan in den geest naast de geeselkolom voor Jesus neder en vraag Hem met innige droefheid en medelijden: âWaarom, o mijn Jesus, waarom hebt Gij die wreede straf der geeseling willen verduren, waarom die vlijmende smarten in uw heilig lichaam willen dragen? Ach, waarom anders dan om boete te doen voor de zonden der wereld en vooral voor die mensohonteerende zonde, die, volgens het woord des apostels, zelfs niet genoemd moest worden onder de Christenen, voor die afschuwelijke zonde, die den mensch de schoonste kroon van het hoofd rukt, die hem op de schromelijkste wijs onteert en verlaagt en God met walging het hoofd van hem doet afwenden. O, wek dan een levendigen haat en afkeer tegen die verfoeielijke zonde op in uwe ziel; toon in al uwe woorden en werken, dat gij hooger staat, dan het rede-looze dier, hetwelk zich slechts door zijne driften laat leiden; wees u immer bewust van uwe waardigheid; verloochen uwe edele afkomst, uwe heerlijke roeping niet; heersch als koning over uwe hartstochten, breidel uwe driften door de versterving der zinnen; waak over u zeiven, wees behoedzaam in uwen omgang, ingetogen in uwe houding,
316
zedig in uwe blikken, in uwe woorden, in geheel uw wandel; vlucht elk gevaar, want waar de vlucht ook lafhartigheid moge verraden, hier is en blijft zij een onmiskenbaar teeken van hoogen moed en ridderlijke dapperheid. ^Wanneer het uur van den strijd aanbreekt en de vijand u overvalt, denk dan, dat gij u niet alleen bevindt, dat God u gadeslaat en bereid is om u te helpen, indien gij zijne hulp inroept en grijp onverwijld naar het zwaard des gebeds. O, hoe heerlijk is de zege, die in dezen strijd wordt behaald ! Hoeveel troost schenkt zij aan Jesus, den Minnaar dor zuiverheid, den godde-lijken Bruidegom der kuische zielen! Met welk een heilige blijdschap zullen Gods Engelen elke overwinning, die gij op dezen vijand behaalt, met gulden letteren opteekenen in het boek des levens. Welaan, houd dan goeden moed, roep God aan en zegevier! Bedenk het wel: wanneer gij in de hitte van den strijd die vlekkelooze, die blanke vaan der ongerepte eerbaarheid immer hoog gehouden en onbesmet bewaard zult hebben, dan zal het woord, dat Jesus tot de scharen sprak, ook in u vervuld worden: âZalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien.quot;
V o o r n e m e n. Met alle zorg zal ik mij op de beoefening der heilige deugd van zuiverheid toeleggen en alles vermijden, wat mij in gevaar zou kunnen brengen die parel der deugden te verliezen.
817
GEBED.
Lijdende Verlosser, nameloos diep vernederde God, vol eerbied en liefde werp ik mij voor ü neder, om U mijne erkentelijkheid te betuigen voor de overgroote, de onuitsprekelijke liefde, die Gij mij in uw heilig lijden betoond hebt. Ach, een enkele traan, om ons gestort, was reeds van oneindige waarde en zou voldoende geweest zijn, om ons te verlossen, en ik zie U in den Olijf-hof als in eene zee van droefheid gedompeld en bedroefd tot den dood. O, eene enkele beleediging, voor ons verdragen, zou reeds Gods toorn gestild en ons met uw hemelschen Vader verzoend hebben, en ik zie TJ als een misdadiger geboeid, als een godslasteraar uitgekreten en op de gruwzaamste wijze bespuwd en geslagen in uw aanbiddelijk gelaat. O, een enkele druppel van uw kostbaar, uw goddelijk bloed, voor ons vergoten, zou ons reeds hebben rein gewasschen van allen zondesmet, en ik zie in den hof het bloedig doodszweet op uw heilig aangezicht, ik zie uwe kleederen met uw goddelijk bloed geverfd en den grond er mede bevochtigd. O, waarom dan, dierbare Jesus, waarom die duldelooze smarten, die allerpijnlijkste folteringen aan de geesel-kolom nog verduurd? Maar neen, lieve Jesus, al doorschouw ik niet volkomen de betee-kenis van dit bloedig en smartvol geheim
318
toch begrijp ik eenigszins welke redenen U bewogen U aan die verscheurende smarten te onderwerpen. Immers, 't was om ons de teederheid en de kracht uwer onuitsprekelijke liefde duidelijk voor oogen te stellen, om ons te leeren welk een ontzettende boosheid de zonde is in uw oog, en ons te wijzen op de schoonheid, de verhevenheid en de onschatbare waarde onzer onsterfelijke ziel. O, heb dan dank, diep vernederde, nameloos gefolterde God, heb duizendmaal dank voor de oneindige liefde, waarmede Gij mij hebt liefgehad. Ach, hoe smart het mij, dat ik door mijne menigvuldige zonden uw lijden zoozeer verzwaard heb. Helaas, dierbare Jesus, ik moet het erkennen, dat ik schuldiger en misdadiger jegens U gehandeld heb dan de soldaten, die U geeselden. Immers toen de beulen vermoeid waren, toen zij hunne wreede lusten ten volle hadden verzadigd, wierpen zij de foltertuigen weg en namen zij ze niet meer ter hand. Maar ik, helaas, o onuit-wischbare schande! o onvergeeflijke ondankbaarheid ! ik was gevoelloos en misdadig genoeg om diezelfde geeselriemen nogmaals tegen ü op te nemen en herhaaldelijk uw zuiver, uw maagdelijk lichaam te folteren door mijne zonden. O dierbare Jesus, kon ik toch al die zonden ongeschied maken; kon ik treuren, nacht en dag, over de smarten, die ik ü heb aangedaan ; kon ik mijn bloed en mijn leven geven om te herstellen.
319
wat ik tegen ü heb misdreven! Welaan, zie dan op mij neder en verstoot mij niet van uw heilig aanschijn, maar noem mij wederom op in uwe liefde én uwe genade. Gij werdt op schaamtelooze wijze van uwe kleederen beroofd, o geef, dat ik dan dien ouden mensch met al zijne zondige neigingen en begeerten aflegge en een nieuw, zuiver en U welgevallig leven moge beginnen; Gij werdt met ruwe koorden aan de geeselkolom gebonden, geef, dat ik door de banden dei-vurigste liefde aan ü gehecht worde en dat geene macht ter wereld ooit meer in staat zij mij van uwe liefde te scheiden; Gij werdt ten bloede toe gegeeseld voor mijne menigvuldige misdrijven, geef, dat ik mij zeiven moge kastijden door de versterving der zinnen, door het onderdrukken en bestrijden mijner hartstochten, door het geduldig dragen van alle kwellingen en beproevingen des levens; opdat ik, na mijne zonden uitgeboet en den weg uwer geboden bewandeld te hebben, eenmaal moge opgenomen worden in het rijk uws Vaders en met alle gelukzaligen, die hunne kleederen hebben gewas-schen in het bloed van het goddelijk Lam, moge staan voor uwen troon en ü dienen in eeuwigheid. Amen.
320
ZES EN DERTIGSTE OVERWEGING.
JESÃS WORDT MET DOORNEN GEKROOND.
De wreede straf der geeseling was volbracht, en uitgeput van bloedverlies en lijden staat de Verlosser daar te midden van zijne beulen. Maar in hetzelfde huis van Pilatus wachtte Jesus nog eene andere marteling, eene nieuwe allergrievendste bespotting. Immers 't was nu het uur, waarop de machten der duisternis vrij spel hadden om den Zoon Gods te folteren en te vernederen; 't was nu het oogenblik, waarop Jesus in zijn kostbaar bloed de wereld ging zuiveren van alle boosheid en ongerechtigheid, en daarom wilde Hij dat heilig, dat verzoenend bloed steeds overvloediger doen vloeien, om ons te toonen, dat geene smart Hem te veel was en dat Hij de waarde van zijn heilig bloed als niet telde, waar het gold den verlossingsprijs te betalen aan zijn he-melschen Vader, den duren verlossingsprijs voor onze onsterfelijke, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen zielen. Terwijl de laatste geeselslagen het maagdelijk lichaam des Hee-ren verscheurden, vlochten de soldaten reeds dien krans van doornen, die den Heer op zulk eene onuitsprekelijke wijze zou folteren. Eindelijk wordt Jesus van de geeselkolom
321
losgemaakt; met ruwe hand werpt men Hem fluks zijne kleederen om het doorwonde lichaam, en terstond leiden de beulen Hem naar een binnenhof van het rechthuis, waar zij alle overige soldateö bijeenroepen. De woestelingen naderen ; een van hen draagt den krans van doornen; hij knielt spottend voor den Heer neder en slingert Hem met ruw geweld den krans om het hoofd. Van alle zijden dringen de scherpe doornen in zijn heilig voorhoofd; zij doorboren zijne slapen en steken in de nabijheid zijner heilige oogen ; elke doorn opent eene nieuwe wond, uit elke wond vloeien op nieuw de druppelen van zijn kostbaar, zijn heilig bloed. Ach wat nieuwe en onbeschrijfelijke smarten! Maar ook wat treffend en zinrijk geheim ligt er in die smartvolle kroning des Heeren opgesloten!
I. Stel u voor dat de woorden, waarmede de bruid in het Hooglied de maagden van Jerusalem opwekte om den koning Salomon te gaan zien, met die kroon, waarmede zijne moeder hem op zijn bruiloftsdag gekroond heeft, ook tot uwe ziel worden gesproken. Treed naar buiten en begeef u in den geest naar het binnenhof van het rechthuis en aanschouw daar uwen goddelijken Verlosser met die kroon van doornen op het hoofd. Overweeg, hoe Jesus daar als de Bruidegom onzer zielen is gekroond. Helaas! wel is zijn krans niet uit frissche, geurige bloemen
18
322
samengestrengeld gelijk die, welken de bruidegom eertijds placht te dragen op den dag zijner verloving, maar toch is Jesus in waarheid de goddelijke Bruidegom onzer zielen. Hij heeft volbracht hetgeen li ij weieer dooiden mond van zijn profeet ons beloofd had, toen Hij sprak: âIk zal u nemen tot mijne bruid in het geloof.quot; En wanneer heeft de Heer dat geestelijk huwelijk met zijne Kerk voltrokken? O, 't was op den vooravond van zijn lijdensdag, op dien avond, toen Hij met zijne leerlingen annzat aan den disch, en het aanbiddelijk Sacrament des Altaars instelde, dat wonderbaar Sacrament, waarin Hij zich onder broodsgedaante verbergt om zich op de innigste wijze met de zielen te kunnen vereenigen. Ja, op dien onvergetelijken avond heeft Jesus dat geestelijk huwelijk, dien onuitsprekelijk geheim-nisvollen echt met zijne Kerk, met de zielen der geloovigen willen sluiten. Maar is Jesus uw Bruidegom, o, vraag u dan af, of uwe ziel, die geestelijke bruid van Christus, haren goddelijken Bruidegom immer trouw is gebleven. Hebt gij nimmer het woord verbroken, dat gij uwen Bruidegom gegeven, nimmer den eed geschonden, dien gij Hem gezworen hebt? Ach, zoo dikwijls gij u aan eene zware overtreding van Gods wet schuldig maakt, wordt gij ontrouw aan uwen Bruidegom en verbreekt gij de banden van dat geestelijk huwelijk, dat Jesus met uwe
323
ziel heeft aangegaan. O droevige echtbreuk, O smartelijke trouweloosheid ! Ach, beween dan in stilte uwe zonden; betreur uwe onverschilligheid en ondankbaarheid, en erken dat het uwe schuld is, dat de kroon van uwen Bruidegom niet uit geurige bloemen is samengestrengeld, maar uit harde en scherpe doornen is gevlochten.
Voornemen. Ten einde Jesus immer trouw te blijven in de toekomst, zal ik eiken dag het besluit hernieuwen om mijne hoofdgebreken te bestrijden, en zorgvuldig de middelen aanwenden, die mij bij dien gewichti-gen arbeid van dienst kunnen zijn.
II. Treed naar buiten. Christen ziel, dochter van Sion, treed naar buiten, zoo er nog eene vonk van liefde tot Jesus smeult in uw hart; begeef u in den geest naar het rechthuis van Pilatus en aanschouw daar uwen Verlosser met die smartelijke kroon op het hoofd. Ach 't is niet de lauwerkrans van den held, die zegevierend uit het kampspel te voorschijn treedt, of van het slagveld wederkeert, 't is niet die lauwerkrans, welke Jesus om de slapen gehecht is, en toch is Hij de machtige Overwinnaar, die over den duivel, over de wereld en de zonde heeft gezegevierd. Hij heeft zijne vijanden overwonnen en neergeveld niet met het staal, maar met het hout des kruises; dat wil zeggen; niet met te strijden, maar door te lijden, niet met aan te vallen, maar door eiken smaad, elke foltering te verdragen en
324
daarom is zijn krans niet van lauwertakken, maar van doornen. Ach, wel voegt die kroon, die smartelijke kroon aan een Overwinnaar, die door zooveel lijden heeft gezegepraald. Vraag u af, of ook gij, die onder den standaard des kruises als soldaat van Jesus Christus in het Doopsel zijt opgeschreven en in het Vormsel zijt gewapend, met de hulp van 's Heeren genade steeds over den duivel en zijn aanhang hebt gezegevierd. Kunt gij dit van u zeiven getuigen, verheug en verblijd u dan, want eenmaal zult gij met Christus uw goddelijken Aanvoerder, in het rijk zijns Vaders gekroond worden. Maar ach, zijt gij zelf niet menigmaal verslagen en overwonnen geworden. Hebt gij niet, in plaats van als overwinnaar der wereld een kroon van doornen te dragen, als slaaf der zinnelijke lusten, uw voorhoofd met rozen omkranst? Hebt gij nimmer de taal der wereldlingen gesproken: âKomt laten wij ons kronen met rozen, voor dat zij verwelken; geen bloemhof blijve onbezocht van onzen lust. Er zij niemand onder ons, die niet deele in onze dartelheid; laat ons overal de teekenen achterlaten van onze weelde ; want dit is ons deel en ons lot?' Ach, bedenk het wel voor die kroon van rozen, voor dat wellustig zingenot, dat gij als het hoogste goed najaagt, heeft Jesus met een kroon van doornen geboet. Schaamt gij u niet over uwe weekelijkheid en lafhartigheid, als gij uw
325
goddelijken Aanvoerder met doornen gekroond u ziet voorgaan, terwijl gij, laffe soldaat, u het hoofd met rozen siert ? Gevoelt gij u in uwe eigen oogen niet vernederd, wanneer gij Jesus door zijn lijden, zijne versterving over de wereld ziet zegevieren, terwijl gij daarentegen de wereld door uwe traagheid en zinnelijkheid ziet zegevieren over u? V erwijt uw geweten u niet, dat gij geene plaats verdient onder die edele helden in het leger van Jesus Christus en dat uw geest geheel en al van den geest van uwen Aanvoerder vervreemd is ? Moet gij niet erkennen, dat gij voor het oog der wereld wel is waar de wapenrusting van Jesus Christus draagt, maar dat onder dat harnas een hart schuilt, hetwelk aan 's Heeren vijand toebehoort? Welaan verneder u dan, voor Jesus, smeek Hem om vergiffenis : toon u uwe roeping, uwe hooge bestemming waardig; verloochen u zeiven, werp moedig dien weekelijken krans van rozen weg en kies den doornenkrans van uw goddelijken Aanvoerder; Hij zal u versterken. Want met dien krans van doornen gekroond, roept Hij u toe: âIn de wereld zult gij aan verdrukking en vervolging bloot staan; maar vertrouw op Mij : Ik heb de wereld overwonnen.quot;
Voornemen. Met ijver zal ik mijne zinnelijkheid bestrijden, mij op de versterving toeleggen en in het uur der bekoring met levendig vertrouwen tot Jesus, mijne toevlucht nemen.
326
III. Treed naar buiten, gij in Jesus' goddelijk bloed herboren ziel, treed naar buiten en aanschouw daar in het rechthuis van Pi-latus den hemelschen Salomon, dengenen, die eenmaal van zich zeiven sprak : âZie, meer dan Salomon is hier.' Aanschouw daar uwen Koning, niet met een diadeem van goud en edelgesteenten gekroond, maar met een smartelijke kroon van doornen op het hoofd. Nader Hem vol eerbied, beschouw met liefde en innig medelijden dat met doornen omkranste hoofd en roep dan uit: âAch, mijn Jesus, zijt gij dan Koning! Niet Heer, dat ik twijfel aan uw goddelijk koningschap; neen, luide erken en beleid ik, dat Gij zijt de Koning der koningen en de gebieder van alle vorsten, maar hierover verwonder ik mij, dat Gij als Koning zulk eene smartelijke kroon van doornen draagt. Ach, de schitterende stralen der zon en alle sterren des hemels te zamen genomen zouden niet heerlijk genoeg zijn om voor uw hoofd een waardige kroon te bereiden; van waar dan, o mijn Jesus, draagt Gij, Koning der eeuwige glorie zulk een smadelijke kroon? En wat zal Jesus u antwoorden? âO mijn kind,'zoo zal Hij tot u spreken,' verwonder u hierover niet; want mijn koninkrijk is niet van deze wereld, en daar mijn rijk niet van deze wereld is, zoo is ook mijn kroon van deze wereld niet.' De wereld streeft naar rijk-dommen, de wereld haakt naar wellust en
327
zingenot, de wereld jaagt naar eer en roem, de wereld zoekt glans en luister, maar het koninkrijk van Jeuis is daar niet in gelegen en wordt er niet door verworven. Zijn koninkrijk bestaat in het versmaden der rijkdommen, in het vluchten van alle weelde en zingenot, in het haten van alle eer en roem, in het verachten van aardschen glans en luister; slechts dit zijn de middelen om tot het eeuwig koninkrijk te geraken. âO zoete Jesus, o machtige Jesus, o Koning der koningen! is uw koninkrijk hierin gelegen en is dit de weg, die er heen leidt, ach, hoe gering is dan het getal dergenen, die uw koninkrijk zoeken, die uw koninkrijk beminnen.' Ach, hoe weinigen nemen de kroon van doornen op! Hoevelen strekken begeerig de handen uit naar eene kroon van rozen, naar eene kroon van goud! Christen ziel, gij die er op groot gaat onder de leerlingen van den met doornen gekroonden Verlosser gerekend te worden, onderzoek hier u zeiven en vraag u af, of gij behoort tot het koninkrijk van Christus of het rijk dezer wereld; of gij de armoede en ontbeering liefhebt, dan wel of gij gehecht zijt aan wereldsch goed; of gij de versterving bemint, dan wel naar uwe lusten en neigingen zoekt te leven, of gij den ootmoed, de nederigheid omhelst, dan wel of gij nog er naar streeft gevierd en geprezen te worden in de wereld; in één woord vraag u af, of gij, zoo u met eene H. Catharina
328
van Siëna de keus gelaten werd tusschen den doornenkrans van Jesus Christus en de gouden koningskroon, of gij dan terstond aan die smartelijke en smadelijke kroon van uwen goddelijken Koning de voorkeur zoudt geven boven den bedriegelijken glans van het goud dezer wereld. 0^ wanneer gij in volle oprechtheid kunt getuigen met den profeet, dat gij liever de laagste de geringste wenscht te zijn in het huis van uwen God, in den dienst van uwen Heer, dan te wonen in de weelderige woningen en de schitterende paleizen der zondaren, wanneer gij dit toont door geheel uw levensgedrag, o, dan wacht u daarboven in het hemelsch koninkrijk van Christus eene heerlijke kroon, de eerekroon der onsterfelijkheid en der eeuwige glorie. Maar schrikt gij voor de vernederingen en beproevingen van Gods dienaren terug, kiest gij, terwijl de met doornen gekroonde Koning des lijdens daar voor u staat, het wulpsch genot en de weelderige rijkdommen der wereld, ach, beef dan voor den toorn van den verbolgen God, want dat goddelijk bloed van Jesus, dat nu nog voor u smeekt om genaden en vergiffenis, zal indien gij in uwe zonden volhardt, eenmaal als het bloed van den onschuldigen Abel de wraak des hemels over u afroepen. Maar neen, gij aarzelt niet in uwe keus; slechts Jesus, uwen goddelijken Koning, wilt gij volgen. O, verneder u dan voor Hem, pleeg boete voor uwe trou-
329
weloosheid; neem het edelmoedig besluit sWchts Jesus te willen dienen en roep het uwen Koning toe met den profeet: âHeer, Gij zijt erfdeel en het deel van mijn beker! Gij zijt het, die mij mijn erfdeel zult wedergeven.'
Voornemen. Met allen ernst zal ik er naar streven, mijn hart aan de goederen en vermaken der wereld te onthechten en mijne vreugde te vinden in God en in de goddelijke dingen.
GEBED.
Vol droefheid en schaamte, o mijn Goddelijke Verlosser, wend ik mij tot U. Ach, Gij alleen zijt de Bruidegom mijner ziel, en helaas! hoe menigmaal heb ik U door mijne zonden verstoeten en door mijne trouweloosheid beleedigd en bedroefd. Gij alleen zijt mijn hemelsche Aanvoerder, die mij voorgaat in den strijd en door U te volgen moest ik zegevieren over de wereld en hoe dikwijls wierp ik lafhartig mijne wapenen weg en zag ik door mijne traagheid en zinnelijkheid de wereld zegevieren over mij zeiven. Gij alleen, o mijn Jesus, gij alleen zijt de Koning mijns harten, en ach, hoe dikwerf heb ik uwe goddelijke voorschriften overtreden en uwe heilige wetten veracht 1 0 dierbare Jesus, hoe smart het mij ü zoo snood te hebben beleedigd, en mijne ziel te hebben bezoedeld, die onsterfelijke ziel, voor welker verlossing Gij zoovele smarten gele-
330
den, zoovele mishandelingen verduurd hebt. Allerootmoedigst smeek ik U hiervoor om vergiffenis. Nogmaals hernieuw ik het besluit om U voortaan immer getrouw te blijven, uwe voetstappen te volgen, uwe heilige wetten te eerbiedigen en ze stiptelijk te onderhouden. Zegen, dierbare Verlosser, zegen mijne voornemens en sta mij bij met de hulp uwer genade^ vooral dan wanneer de duivel mij tot het kwaad komt bekoren. Geef, lieve Jesus, dat ik door een nederig, verstorven en boetvaardig leven hier met U, mijn Goddelijke Bruidegom, mijn Aanvoerder en mijn Koning, den doornenkrans des lijdens moge dragen, opdat ik eenmaal na getrouw in uw heiligen dienst volhard te hebben, in uw hemelsoh koninkrijk moge binnengaan om de kroon der gerechtigheid uit uwe hand te ontvangen. Amen.
ZEVEN EN DERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT IN ZIJN KONINGSCHAP BESPOT.
f* -Vâ ;_! , . , â . C'(a* -r- ist r' ' J. '
In hun wreeden moedwil stelden de Eo-meinsche soldaten zich niet tevreden met de marteling, die zij den Heer in zijne doornenkroning hadden aangedaan. Zij hadden vernomen, dat de goddelijke Verlosser zich
331
koning noemde, daarom wilden zij de bespotting van den Heer in zijn goddelijk koningschap tot het uiterste drijven. De kroning was nu geschied, nu zullen zij Jesus als koning gaan huldigen; maar ach, met wat nieuwe mishandelingen en pijnen zal die bittere verguizing gepaard gaan. Andermaal rukken zij Jesus de kleederen van het lijf en opnieuw worden zijne wonden geopend, maar niemand let er op. Een roode soldatenmantel, die het vorstelijk purper moet verbeelden, wordt Hem om de gekneusde schouders geworpen; en voor schepter geven zij Hem een rietstok in de hand. Dan komen zij voor Hem nederknielen en roepen Hem hoonend toe: âWees gegroet, koning der Joden!' Eenigen slaan en spuwen Hem in zijn aanbiddelijk aangezicht; anderen rukken Hem den rietstaf uit de hand en slaan Hem daarmede op het hoofd; bij eiken slag dringen de doornen nog dieper in zijn voorhoofd, nog overvloediger druppelt 's Heeren heilig bloed uit de pijnlijke wonden, (maar de woestelingen tellen het niet. Ach, allen wedijveren als het ware met elkander, wie Jesus het smartelijkst zal treffen, het grievendst zal hoonen. En te midden van deze onmenschelijke mishandelingen bewaart de zachtmoedige Verlosser een heilig stilzwijgen en offert Hij ook dezen smaad op aan zijn hemelschen Vader ter redding onzer zielen.
332
I. Overweeg de diepe en zinrijke betee-kenis van het smartelijk lijdensgeheim, waarbij de Heer in den rooden soldatenmantel bespot werd. Ach, 't was den ruwen krijgsknechten slechts te doen om 's Heeren lijden te verzwaren en zich in zijne smarten en vernederingen te verlustigen. In hunne onwetendheid en verblindheid konden zij zelfs niet vermoeden welk een diep treffend geheim er in deze bespotting lag opgesloten. Treed dan vol eerbied toe, nader den lijden- , den Verlosser met innige droefheid en déél-neming en vraag Hem inet den profeet: âWaarom, o dierbare Jesus, waarom is uw gewaad rood en uw kleed als dat van de treders in de wijnpers?quot; En hij zal u antwoorden; ,Omdat ik alleen in de wijnpers heb getreden en er van de volken niemand met Mij was.' XHet bloedgewaad beteekent, dat de Heer zijn bloed voor ons heeft vergoten en in zijn bloed onze zonden heeft uitgedelgd. Hot is de oorsprong des levens. Door zijne zonden had de mensch zijn leven verbeurd; daarom vergiet de Verlosser zijn bloed om ons het leven te schenken. Het bloed is ook de zetel der booze begeerlijkheid. Daarom stort Jesus zijn bloed om door zijn onschuldig vergoten bloed ons zondig en hartstochtelijk bloed te reinigen en te zuiveren van alle ongerechtigheid. Door zijn bloed delgt Hij de schuld uit, die uit de begeerlijkheid des bloeds werd geboren. Deze
333
waarheid wordt ons duidelijk voor oogen gesteld door den rooden spotmantel, dien de Heer op den dag zijns lijdens heeft willen dragen; en dit kleed roept ons toe hetgeen de apostel weleer aan de geloovigen schreef: âNiet door vergankelijk goud en zilver zijt gij vrij gekocht, maar door het kostbaar bloed van het zuivere en onbevlekte Lam, Christus.' Maar de Eomeinsche soldaten beschouwden dien mantel slechts als een middel om Jesus in zijn verheven koningschap te bespotten. O, verfoei dan de snoode en lafhartige handelwijs der heidensche krijgslieden, maar vraag u tevens af, of ook gij Jesus in geestelijken zin niet veel dieper smaad hebt aangedaan. Ach, Jesus heeft voor u geleden en zijn bloed voor u gestort om u in het H. Doopsel te kunnen begiftigen met het reine kleed der onschuld, het blanke gewaad der gerechtigheid. JEh hoe heerlijk schitterde uwe ziel in dat he-melsche kleed! Maar wist gij dit gewaad ook even rein en onbesmet te bewaren? Ts het niet met vele vlekken besmeurd ? Is het wellicht niet geheel bezoedeld geworden door zware zonden en misdrijven? Mocht dit zoo zijn, zult gij dan het wreede spel der soldaten nog langer voortzetten? Ach neen, luister naar de liefdevolle stem des Heereh, die u toeroept met den profeet: âKom, laat u reinigen; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw;
334
al waren zij rood als purper zij zullen wit worden als wol.quot; Geef vol droefheid over uwe zonden aan die roepstem gehoor ; âWasoh u rein, leid een zuiver leven, verban het kwaad uit uwe gedachten, houd op verkeerd te handelen en leer het goede te doen.quot; Dan zal Jesus het kleed uwer ziel andermaal reinigen in zijn goddelijk bloed en vol teeder-heid en welgevallen zal zijn oog op u rusten.
Voornemen. Nog heden zal ik door eene oprechte en rouwmoedige biecht mij met God verzoenen en voortaan alle zorgen aanwenden, om het kleed der heiligmakende genade rein en vlekkeloos te bewaren.
II. Overweeg, hoe de bittere bespotting, die de soldaten Jesus aandeden, toen zij Hem voor schepter een rietstok in de hand gaven, rijk is aan zin en beteekenis. De Eomeinsche soldaten wilden er mede te kennen geven, dat, gelijk het riet broos en zwak is en zonder eenige deugdelijke kern, zoo ook 's Heeren koningschap ontbloot is van alle macht en waardigheid, en dat het slechts den lachlust opwekte van allen, die Jesus' antwoord op de vraag van den landvoogd hadden vernomen. Maar beschouwen wij haar met de oogen des geloofs dan bevat zij voor ons vele lessen en vermaningen. Immers door dien rietstok in zijne hand te dragen wijst Jesus ons op de broosheid en vergankelijkheid der aardsche goederen, op de ijdelheid en leegte van alle menschelijke
335
grootheid en macht. Hij leert ons, dat dit alles gelijk is aan het zwakke riet, hetwelk geene kern, geene vastheid bezit, en zoo spoedig gebroken en versplinterd nederligt; ' Hij toont ons wat wij zeiven zijn; hoe wij door onze zwakheid, onze wispelturigheid en onstandvastigheid gelijk zijn aan het riet, dat met eiken wind medebuigt en daardoor spoort Hij ons aan in allen nood, in elk gevaar tot Hem onze toevlucht te nemen; Hij leert ons eindelijk, dat wij om het rijk der â hemelen te beërven ons niet mogen tevreden stellen met eenige schijndeugd, die, gelijk het riet, niets degelijks bezit; maar dat wij op eene deugd moeten kunnen wijzen, die op hechte grondslagen rust, die in de beproeving staande blijft, die krachtig en werkdadig is door het geloof, die weerstand weet te bieden aan eiken aanval, waarmede de duivel onze zielen van God tracht te vervreemden. Onderzoek u zeiven en vraag u af, of gij deze lessen hebt begrepen. Hebt gij er eenig voordeel uit getrokken voor uw geestelijk leven ? Mistrouwt gij u zei ven ? Stelt gij een onbegrensd vertrouwen in God ? Welke gedachten koestert gij omtrent we-reldsch goed en aardsche grootheid? Legt gij u in waarheid toe op grondige deugd? Woont er een oprecht verlangen in uw hart om voortdurend toe te nemen in volmaaktheid, en streeft, gij met alle krachten uwer \ ziel naar het verheven doel, de heerlijke
336
bestemming, waarvoor God u schiep ? Of stelt gij u wellicht tevreden met het uiterlijke? Zoekt gij alleen deugdzaam te schijnen, terwijl gij u niet de geringste moeite getroost om het werkelijk te zijn? Ach, mocht gij bij dit onderzoek u plichtig bevinden, verneder u dan voor God, wiens oog de geheimste plooien en schuilhoeken van het menschelijk hart doorgrondt, smeek Hem om vergiffenis en bied Hem nieuwe voornemens aan voor de toekomst.
Voornemen. Ik zal God dikwerf bidden mijn verstand te verlichten, opdat ik al het brooze en vergankelijke der aardsche dingen moge inzien; bij al mijne werken zal ik mij afvragen, of zij het uitvloeisel zijn van een waarachtig streven naar de volmaaktheid.
III. Overweeg, hoe Jesus door de krijgsknechten van den landvoogd in zijn goddelijk koningschap wordt bespot. De koningen en vorsten dezer wereld ontvingen eertijds op den dag, dat zij de regeering aanvaardden eene viervoudige onderscheiding. Zij werden met een gouden kroon gekroond, het vorstelijk purper werd hun om de schouders gehangen, de gouden schepter hun ter hand gesteld en zij werden openlijk in de hoofdstad van hun rijk gehuldigd. De gouden kroon was het teeken hunner majesteit en onschendbaarheid; het purper verzinnebeeldde hunne allesovertreffende waardigheid; de schepter wees op hunne macht en opperheer-
337
schappij: en de huldiging was de plechtige erkenning hunner rechten en de bevestiging hunner macht, waarbij de onderdanen hun den eed van trouw zwoeren en gehoorzaamheid. Maar de onderscheidingsteekenen, die bij de kroning van een aardsch koning gebezigd werden om de macht en de waardigheid van den vorst aan te duiden en aan deze plechtigheid hoogeren glans en luister bij te zetten, dienden bij Jesus slechts om zijne smarten te vermeerderen en Hem met de bitterste verguizing te overladen. Ach, zijn kroon was een smartelijke doornenkrans, zijn purper een versleten soldatenmantel, zijn schepter een rietstok, zijne huldiging eene bittere bespotting, eene hemeltergende vernedering. En toch, wat de menschelijke moedwil en spotlust verzon om den Verlosser bij zijne kroning te folteren en te vernederen, 't is van onuitsprekelijk geheimnisvolle betee-kenis, zoo het met de oogen des geloofs wordt beschouwd en overwogen. De Zoon van God liet zich met doornen kronen om den vloek op te heffen, dien de Almachtige na de eerste zonde over de aarde had uitgesproken, en alle zonden uit te delgen. Hij droeg den rooden spotmantel om den mensch het eeregewaad der heiligmakende genade terug te geven. Hij nam den rietstok in de hand om den mensch den schepter der gerechtigheid te kunnen schenken en hem te leeren als koning over zijne hartstochten en
838
lagere driften te heersohen, Hij werd verguisd en vernederd om de met smaad beladen menschheid uit het slijk der zonde op te heifen tot de eeuwige glorie. De ruwe krijgsknechten evenwel begrijpen niets van dit wondervol geheim. Zij leiden den Heer naar een steen en dwingen Hem daarop plaats te nemen. Dan omsingelen zij Hem en het wreede spel neemt een aanvang; eenigen buigen voor Hem de knie onder hoonend gelach; anderen treden toe en spuwen Hem in het aangezicht; anderen heffen hunne hand op, als wilden zij hem trouw zweren en slaan Hem smadelijk in het gelaat ; anderen eindelijk, o bittere bespotting! o, onmenschelijke wreedheid! anderen rukken Hem den rieten stengel uit de hand en slaan er mede op zijn aanbiddelijk hoofd. Ach, nog dieper dringen de doornen in Jesus' voorhoofd, nog dieper in zijne slapen; de wonden worden grooter, en het bloed vloeit overvloediger tusschen den doornenkrans; het druppelt langs zijn gezegend gelaat en valt neder op den purperen mantel, waarmede zijne schouders bedekt zijn. En nog is de wreedheid en spotlust der onverlaten niet bevredigd. Steeds hooger stijgt de luidruchtigheid en de woeste, uitgelaten vreugde der solda-tenbende; het binnenhof van het rechthuis weergalmt van hun spottend gejuich; zie daar buigen zij allen gezamenlijk de knieën voor Jesus, daar roepen zij eenparig met
339
hemeltergenden spot het Jesus toe; âWees gegroet, o koning der Joden 1quot; En toch Hij die daar staat, ter prooi aan den diepsten smaad, de grievendste onteering. Hij is de Koning der koningen, de Heer van allen, die een vorstenkroon dragen en den rijkstaf voeren en met het volste recht mag Hij het woord van den Psalmist herhalen: âIk ben tot koning aangesteld op Sion, zijn heiligen berg. De Heer sprak tot Mij; Vraag het van Mij en Ik geef u de heidensche volken tot uw erfdeel en de grenzen dei-aarde tot uwe bezitting.quot; Zie de Eomeinsche soldaten bespotten den Heer in zijn godde-lijk koningschap; maar datzelfde Ãome, dat zij dienen en waarvoor zij de wapenen dragen, diezelfde keizerstad zal de diep verguisde Jesus eenmaal in zijn Plaatsbekleeder zich uitkiezen tot den hoofdzetel, tot het middel-puut van zijn rijk ; van Eome uit zullen zijne dienaren en de opvolgers zijner apostelen, zich over de gansche aarde verspreiden, om de heilaanbrengende leer aan de dwalende menschheid te brengen, en welhaast zal zijn rijk zich uitbreiden van zee tot zee en tot aan de grenzen der aarde. De verst verwijderde volken zullen in den schoot zijner H. Kerk worden opgenomen en onderdanen worden van zijn rijk en millioenen malen zal in de gebeden der geloovigen, in de gezangen der heilige Kerk, in de plechtige feestvieringen van den godsdienst diezelfde groet tot Je-
340
sus worden opgezonden, waarin Hij als Koning der eeuwige glorie wordt aangeroepen en verheerlijkt. Welaan, kniel dan met diepen eerbied en ontzag voor uwen met doornen gekroonden Koning neêr, dank Hem voor de onuitsprekelijke liefde, die Hij u in zijn lijden heeft bewezen, smeek Hem om vergiffenis voor de traagheid en onverschilligheid, die gij in zijn dienst hebt aan den dag gelegd, hiernieuw Hem uwen eed van trouw en gehoorzaamheid en roep Hem toe; âWees gegroet, o mijn Jesus; mijn Koning, wees gegroet! Gij zijt mijne hoop, mijn geluk, mijne vreugde en mijn kracht. Wees gegroet, o Gezalfde Gods, die om ons te redden en zalig te maken in de wereld zijt verschenen. Wees gegroet, zoovele ontelbare malen als er sterren zijn aan het uitspansel, als er zandkorrels liggen aan den oever dor zee; want door uw goddelijk bloed hebt Gij mijne ziel gereinigd, door uwe smarten hebt Gij mij van de pijnen der hel bevrijd, door uwen dood mij het eeuwig leven geschonken. TT mijn dank, ü mijne liefde, U mijne trouw, U de hulde mijner aanbidding in alle eeuwigheid.
Voornemen. Nogmaals neem ik mij voor om aan de wetten en voorschriften van mijn goddelijken Koning stipt te gehoorzamen, vooral die, tot welker overtreding ik mij door mijne verkeerde hoofdneiging zoo menigmaal heb laten verleiden.
341
GEBED.
Goddelijke Verlosser, met den diepsten eerbied voor uwe oneindige majesteit en almacht nader ik TJ om ü eerherstel te brengen voor den smaad en de verguizing, die Gij in uw goddelijk Koningschap van uwe beulen hebt willen verduren. Ach, ofschoon ik U met doornen zie gekroond, ofschoon uw heilig aangezicht bezoedeld en misvormd is door de onteerende mishandelingen en slagen der ruwe krijgsknechten, toch erken en belijd ik, dat Gij zijt de Koning der eeuwige glorie, toch aanbid ik U als den Heer en Gebieder van hemel en aarde. O mijn dierbare Jesus, kon ik iets doen om ü eenige vertroosting te brengen bij den bitteren spot, bij den onteerenden hoon, waaraan Gij niet schroomdet U te onderwerpen voor de redding onzer onsterfelijke zielen! Maar ach. Heer, heb ik mij zelf, helaas, niet aan nog veel grooter misdrijf jegens ü schuldig gemaakt? Immers, hebben de Eomeinsche soldaten U beleedigd, o, 't was omdat zij uwe grootheid, uwe macht, uwe heerlijkheid niet kenden; maar ik, helaas, die door het heilig geloof voorgelicht, uwe goddelijke afkomst, uwe verhevenheid en waardigheid kende, ik was misdadig genoeg om U mijne gehoorzaamheid op te zeggen en uwe heilige wetten'en voorschriften op de onbeschaamdste wijs te over-
842
treden. Genade en barmhartigheid, o mijn Jesus, voor de onteerende beleedigingen, die ik U door zoo vele zonden heb aangedaan. Zie, op dit oogenblik ben ik vast besloten om voortaan alleen ü te dienen, alleen U te gehoorzamen. Versterk mij in dit heilig besluit en sta mij bij, opdat ik ü nimmer meer beleedige en door mijne onwankelbaré trouw en standvastigheid in uw heiligen dienst mij waardig make ü eenmaal met alle Engelen en uitverkorenen te mogen begroeten en verheerlijken als den Koning mijns harten in uw eeuwig koninkrijk. Amen.
ACHT EN DERTIGSTE OVERWEGING.
PILATUS TOONT JESUS AAN HET VOLK.
In den deerniswaardigen staat, waarin de wreedheid en bittere spot der beulen Jesus hadden gebracht, zag Pilatusden goddelijken Verlosser weder voor zijn rechterstoel verschijnen ; en bij het gezicht van den nameloos gefolterden, den onuitsprekelijk diep vernederden Verlosser, werd hij nog meer dan te voren door medelijden met Hem bewogen. Wellicht, zoo dacht hij, zullen de Joden, wanneer zij Jesus in dien jammerlijken toestand voor zich zien, niet verder op zijn doodstraf aandringen en zijne vrijspraak
343
eischen. Hij gaf dan het bevel den Heer naar buiten te brengen; ging voor Hem uit en sprak tot het volk: â Ziet, ik breng Hem tot u naar buiten, opdat gij weten moogt, dat ik geen schuld in Hem vind.' Terwijl Pilatus nog sprak, trad Jesus uit het rechthuis met den doornenkrans op het hoofd en den purperen mantel om de schouders, terwijl zijn heilig bloed Hem bij elke schrede uit zijne wonden vloeide. Helaas, wat hartverscheurend schouwspel! Pilatus althans was er diep door bewogen. Hij wees de menigte op den lijdenden Verlosser en riep : âZiet den mensch !quot; als wilde hij zeggen: âZiet eens, in welk een allerdroevigsten en diep vernederenden toestand Jesus is gebracht. Is aan uwen haat, aan uwen bloeddorst nog niet genoeg voldaan? Zult gij ook nu nog Jesus' kruisdood blijven eischen?'
I. âZiet den mensch' zoo sprak Pilatus tot de verzamelde menigte. Overweeg, welke groote geheimen er in deze weinige woorden liggen opgesloten en stel u voor, dat de hemelsche Vader deze woorden richt tot de gansche menschheid, die met de beproevingen der levens worstelt, als sprak Hij: âArmen, ziek én, verdrukten, bedroefden en gij allen, die onder kruis en lijden gebukt gaat, ziet den mensch. Ziet, welke mishandelingen en folteringen mijn welbeminde Zoon in zijn heilig lichaam heeft willen verduren, om u te leeren, alle lijden met
344
geduld en onderwerping aan mijn heiligen wil te verdragen.' Vraag u af, hoe gij u gedraagt, wanneer u eenige druppelen worden aangeboden uit den lijdensbeker, dien uw Verlosser op den dag van smarten tot den bodem toe geledigd heeft uit liefde tot u. Beklaagt gij u niet over uw lot ? Denkt gij te midden uwer beproevingen dikwerf aan het lijden des Heeren en streeft gij er naar zijn geduld na te volgen? Geeft gij u geheel over aan Gods wil, evenals Jesus, die bij den aanvang van zijn lijden sprak: âVader niet mijn wil, maar de uwe geschiede?' Welaan, neem dan vol moed het lijden uit Gods hand aan. Beschouw, hoe Jesus, uw goddelijk Toonbeeld, uw Aanvoerder en Koning u is voorgegaan op den weg des kruises; volg het pad, dat Hij heeft betreden, draag uwe smarten, in vereeniging met de pijnen des Heeren op aan den hemelschen Vader tot vergiffenis uwer zonden en na het kortstondig lijden van dezen tijd, zult gij in gaan in de eeuwige heerlijkheid.
Voornemen. Met geduld en onderwerping zal ik alle kwellingen uit Gods hand aannemen en ze ter liefde en naar het voorbeeld van Jesus verduren.
H. Overweeg, hoe er in deze woorden van Pilatus tot de Joden voor eiken zondaar eene krachtige aansporing ligt om den weg der zonden te verlaten en zich oprecht tot God te bekeeren. Aanschouw in de geest
345
uwen God en Verlosser en overweeg in welk een deerniswaardigen staat in welke folterende smarten uwe misdrijven en overtredingen Hem hebben gebracht. Want neen, niet Judas, die Hem voor dertig zilverlinggen verkocht en aan de Joden verried, niet de bende, die Hem gevankelijk wegvoerde naar Jerusalem, niet de Joden, die den Heer aan Pilatus overleverden, niet de Romeinsche landvoogd, die het vonnis streek noch de beulen, die het volvoerden, maar uwe zonden, waren het, die den Heer bij de geese-ling de bloedigste slagen toebrachten, die Hem met een kroon van scherpe doornen kroonden en aan de wreedste mishandelingen prijsgaven. O, ziedaar dan de droevige vrucht uwer misdrijven ! Ach, hebt gij den weg der zonden niet lang genoeg bewandeld, uw booze hartstochten niet genoeg gekoesterd ? Hebt gij den Zoon van God nog niet genoeg gefolterd en beleedigd ? Zal die grievende hoon, die bittere bespotting nimmer een einde nemen? O, wanneer gij uwen God en Verlosser daar voor u ziet, misvormd en onkenbaar, tot stervens toe uitgeput van bloedverlies en lijden, wanneer gij Hem daar voor u ziet, met dien krans van doornen op het hoofd en dien spotmantel om de schouders, is 't u dan niet als riep eene stem u het woord toe, dat Jesus op den weg naar Kalvarië richtte tot de vrouwen, die Hem weenend volgden: âWanneer zij
346
aldus met het groene hout handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden?' Welaan, werp u dan voor Jesus neder dank Hem voor zijne liefde, betreur uwe zonden; verzaak dien onteerenden hartstocht, die u onder het juk des duivels bracht; verbreek alle banden, die u aan de zonde gekluisterd houden en waarin gij wellicht reeds gerui-men tijd verstrikt ligt. Onderdrukt uwe zondige neigingen, bedwing uwe kwade lusten en begeerten, leg alle verkeerde gewoonte af, vlied met angstige bezorgdheid alwat tot de zonde voert en neem het onherroepelijk besluit om liever te sterven dan dien bemin-nelijken Verlosser ooit meer te beleedigen door de zonde.
Voornemen. Nogmaals hernieuw ik het besluit om met ernst mijn overheerschen-den hartstocht te bestrijden en elke verkeerde gewoonte, die ik mij heb eigen gemaakt, krachtdadig tegen te gaan.
III. Overweeg, hoe de lijdende Verlosser eiken zondaar, die zich reeds tot God bekeerde, herinnert aan de verplichting, om zijne zonden uit te boeten, en hem leert, hoe hij die boetvaardigheid moet beoefenen. Werp een blik op Jesus, zie, hoe geheel zijn heilig lichaam van de kruin van zijn aanbiddelijk hoofd tot de voetzool zijner voeten met wonden overdekt is, zie, hoe Hij daar voor het volk verschijnt ter prooi aan de onduld-baarste smarten, en overweeg, hoe de Zoon
347
Gods dat alles leed en verduurde om boete te doen voor de zonden. En toch, hoe streng en verschrikkelijk Jesus ook voor de misdrijven der wereld boet, zijn lijden zal u niet baten, indien gij zelf niet met de genade van God medewerkt. Overweeg hier, hoe zonder die boete van den diep vernederenden Verlosser ook uwe boetvaardigheid vruchteloos zou zijn; maar hoe van den anderen kant zonder uw eigen boetvaardigheid ook de boete van Jesus voor u verloren gaat. Ach, de zonde onteert en belee-digt God op eene schromelijke wijs, daarom moet aan God eerherstel gegeven voor de beleediging door de boetvaardigheid ; in de zonde wendt de mensch zich tot het verboden genot; om voor die verboden genoegens aan God voldoening te geven, moeten aan het lichaam, dat tot werktuig dei-zonde diende, eenige geoorloofde genoegens worden onthouden, eenige verstervingen opgelegd. Welaan, hebt ook gij Jesus door de zonde beleedigd, grijp dan naar de geesels der boetvaardigheid, kastijd uw lichaam door versterving en onthouding en boet uwe misdrijven uit. Bedenk, hoe den Heer geen smaad te groot, geene foltering te pijnlijk was, waar het gold de zonden der wereld in zijn goddelijk lichaam uit te boeten en eerherstel te geven aan zijnen Vader voor de beleedigingen aan zijne oneindige majesteit aangedaan. Volg het moedig en
348
verheven voorbeeld van uwen Verlossar, en smeek Hem om de genade in dien geest van boetvaardigheid tot het einde uws levens te mogen volharden.
Voornemen. Eiken dag zal ik mij eene vrijwillige versterving opleggen ter uitboeting mijner zonden.
GEBED.
O mijn dierbare Jesus, Man vhn smarten, Koning der Martelaren ! hoe groot, hoe onuitsprekelijk groot is uwe liefde tot mij en hoe weinig heb ik mij beijverd er door eene vurige en dankbare wederliefde aan te beantwoorden. Hoe dikwijls heb ik ü niet belee-digd door de moedeloosheid, de ongeregelde droefheid en het ongeduld, waaraan ik mij overgaf, wanneer ik met eenige beproeving werd bezocht! Hoe spoedig was ik geneigd mij over mijn lot te beklagen, hoe weinig dacht ik aan de zonden, waarmede ik TJ beleedigde, aan die zonden, waarvoor Gij de bitterste smarten hebt willen verduren en waarvoor ik niet alleen die tijdelijke kwellingen, maar zoo menigmaal de eeuwige straffen der hel heb verdiend. Ach, ik zie ü, de Onschuld en Heiligheid zelve met de grootste bereidwilligheid en onderwerping aan uwen hemelschen Vader, den lijdensbeker tot den bodem toe ledigen uit liefde tot mij, ik zie U de ondragelijkste smarten verduren om mijne zonden uit te boeten, terwijl ik in mijne
349
traagheid en lafhartigheid, alle lijden zoek te ontvluchten, als het grootste onheil, dat mij in deze wereld zou kunnen overkomen. Helaas! o mijn Jesus, wat zal er van mij worden, indien ik in dien geest van onboetvaardigheid blijf voortleven ? Ach, de verdiensten van uw bitter lijden en sterven zullen voor mij verloren gaan; met ledige handen en een door zonden bezoedeld hart zal ik voor uwe rechterstoel verschijnen. Daarom bid ik U, dierbare Verlosser, heb medelijden met mij ! Leer mij met geduld en onderwerping aan uwen heiligen wil alle kwellingen dragen, die uwe goddelijke hand mij overzendt; leer mij de versterving liefhebben en beoefenen, leer mij mijne zonden beweenen en door ware werken van boetvaardigheid uitdelgen. Zend mij vrij alle beproevingen over, die ik door mijne menigvuldige misdrijven verdiend heb, maar geef mij ook tevens, ach, ik smeek er U om, ter wille van de onuitsprekelijke smarten, die Gij voor mij verduurd hebt, geef mij ook tevens den noodigen moed om mijn kruis te dragen, opdat ik den weg volgend, dien Gij mij zijt voorgegaan en dien zoovele heilige boetelingen hebben betreden, eenmaal in de haven des behouds aanlande en uwe goddelijke liefde en barmhartigheid eeuwig moge loven en prijzen. Amen.
350
NEGEN EN DERTIGSTE OVERWEGING.
DE JODEN EISCHEN JESÃS' KRUISDOOD.
Ten onrechte meende Pilatus, dat de aanblik van den lijdenden Verlosser na de bloedige geeselstraf en de bittere bespotting, waaraan de Heer bij zijn doornenkrooning werd prijsgegeven, de Joden tot medelijden zou stemmen. Nog nauwelijks had de opgehitste menigte Jesus in het oog gekregen of van alle zijden barstte men uit in de onstuimige kreten: âKruisig, kruisig Hem!quot; Bij het zien van zulk een onmenschelijke wreedheid riep de landvoogd vol verachting hun toe: âNeemt gij Hem en kruisigt Hem, want ik vind in Hem geen schuld.' Maar de Joden luisterden niet naar zijne stem en bleven 's Heeren kruisdood eischen. âWij hebben eene Wet,quot; zoo schreeuwden zij, âen volgens die Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich tot Zoon Gods maakt.quot; Toen Pilatus deze nieuwe beschuldiging vernam, werd hij nog meer bevreesd. Nogmaals trad hij het rechthuis binnen, en het hij den Verlosser voor zich brengen. En hij vroeg Hem: âVan waar zijt gij?' Jesus echter antwoordde hem niet. Het stilzwijgen des Heeren verdroot den landvoogd; hij ontstak in toorn en beet Jesus dreigend toe : âSpreekt Gij niet tegen mij? Weet gij niet, dat ik
351
de macht heb U te kruisigen en de macht om ü vrij te laten?quot; Op die trotsche taal antwoordde de Verlosser vol ernst en met plechtigen nadruk: ,Gij zoudtvolstrekt geene macht tegen Mij hebben, tenzij het u van boven gegeven ware. Daarom heeft hij, die Mij aan u overleverde grooter zonde.' Deze woorden stemden Pilatus tot ernstig nadenken, en uit vrees van zich aan een wezen van hoo-ger oorsprong te vergrijpen en zich den toorn van eene bovenaardsche macht op den hals te halen, beproefde hij nogmaals Jesus van alle verdere vervolging te ontslaan en Hem in vrijheid te stellen.
I. Overweeg, in welke onuitsprekelijke zielesmarten Jesus' goddelijk hart door de ondankbaarheid der Joden gedompeld werd. Ach, onder al degenen, die daar roepen om zijn kruisdood, is er niet één, wien Hij ooit het geringste leed heeft aangedaan. Integendeel, elke gelegenheid had Hij aangegrepen om hun zijne liefde te toonen. Rusteloos had Hij aan hunne heiliging gearbeid, en zijne heilige leer hun verkondigd, tallooze wonderen had Hij in hun midden gewrocht. Hij had hongerigen gespijzigd, aan zieken de gezondheid, aan blinden het gezicht, aan dooven het gehoor, ja zelfs aan dooden het leven teruggeschonken. Luide had men Hem weleer om zijne goddelijke gunsten verheerlijkt en in dankbare vervoering uitgeroepen: âEen groot Profeet is onder ons opgestaan
352
en God heeft zijn volk bezocht.' Maar neen, niemand onder die menigte denkt meer aan die liefde des Heeren en herhaaldelijk klimt de onstuimige kreet: âKruisig, kruisig Hem!quot; uit de dichte rijen ten hemel. O, wat moet er wel in het hart van Jesus zijn omgegaan bij het ondervinden dier namelooze ondankbaarheid. Ach, hoe edeler dat hart was, hoe levendiger het de strafbare en onwaardige handelwijs der Joden gevoelde, des te heftiger ook, des te ver-scheurender waren zijne smarten. Overweeg verder, hoe er onder geheel die onafzienbare menigte, die hier 's Heeren kruisdood eischte niet een enkele is, wien de Verlosser niet de teederste, de innigste liefde toedroeg. Neen, nooit heeft een vriend zijn vriend, nooit eene moeder haar eenig kind, nooit een schepsel ter wereld een medeschepsel zoozeer liefgehad, als Jesus diegenen bemint, die Hem met zooveel woede naar het leven staan. Onder hen bevindt zich niet één, ter wiens liefde, Hij niet uit de heerlijkheid zijns Vaders naar dit dal van tranen en ellenden zou zijn nedergedaald, niet één, dien Hij niet vurig verlangde te bevrijden van het juk des duivéls en op te nemen in de glorie des hemels. En terwijl zijn hart vlamt en als verteerd wordt van die oneindige liefde, hoort Hij degenen, die het voorwerp dier liefde zijn, alom roepen: âKruisig, kruisig hem!' O, hoe nameloos
353
krenkend moet deze ondankbaarheid voor den oneindig liefderijken Verlosser geweest zijn! Welk een onuitsprekelijke weemoed zal daarbij zijn hart hebben vervuld! Ach, gij zaagt reeds hoe gruwzaam het heilig lichaam des Heeren in de bloedige geeseling doorwond en verscheurd werd; gij zaagt zijn hoofd met scherpe doornen gekroond en uit onuitsprekelijk smartvolle wonden zijn kostbaar bloed nederdruppelen, gij zaagt Hem in een toestand zoo boven alle beschrijving smartvol en vernederend, dat zelfs de heiden Pilatus vol medelijden uitriep: âZiet den mensch!quot; Maar o, wees er innig van overtuigd, wat in dat smartvolle uur het hevigst bloedde was niet Jesus' lichaam, maar zijn hart, dat voor het sterfelijk oog onzichtbaar was. Wat Hem het meest verwondde, wat Hem het pijnlijkst folterde, o, 't waren niet de geeselslagen, waarmede de beulen zijn teeder vleesch verscheurden, 't waren niet de scherpe doornen, die de ruwe krijgsknechten Hem met wreeden moedwil om het aanbiddelijk hoofd hadden gedrukt, maar 't was de onuitsprekelijke ondankbaarheid dergenen, die Hij met eene eindelooze liefde beminde en die zijne oneindige liefde beantwoordden met den diepsten haat, waarvoor het mensche-lijk hart vatbaar is, terwijl zij in grimmige woede en blinde razernij zijn doodvonnis eischten. O, kniel dan vol innige deelneming en wederliefde voor Jesus neder; dank Hem
19
354
voor de nameloos folterende zielesmarten, die Hij uit liefde tot u heeft willen verduren; breng Hem vergoeding en eerherstel voor het schandelijk gedrag, waaraan de Joden zich jegens Hem schuldig maakten ; offer Hem uw hart op als een blijk uwer erkentelijkheid en smeek Hem dat het voortaan slechts voor Hem moge kloppen en in trouwe, standvastige liefde immer aan Hem gehecht blijve.
Voornemen. Bij allen laster, alle verachting en ondankbaarheid, die mij van den kant der wereld zullen ten deel vallen, zal ik mij troosten met de gedachte aan hetgeen Jesus heeft willen verduren.
II. Overweeg, hoe niet alleen de Joden zich aan die schromelijke ondankbaarheid tegen den Heer schuldig maakten, maar hoe ieder Christen, die zich vrijwillig aan eene zware zonde overgeeft, de medeoorzaak wordt van 's Heeren dood en, zoo niet met woorden, dan althans door zijne daad, het âKruisig, kruisig Hem!quot; tegen Jesus uitroept. Ach, de wellusteling weet, dat de zonden van ontucht den onschuldigen Verlosser aan het kruis hebben gehecht; de onmatige weet het van zijne zonden, de onrechtvaardige van de zijnen, de hoogmoedige, de gramstorige, de lasteraar, ook zij allen weten het, en indien zij zich, niettegenstaande die wetenschap, in koelen bloede aan die zonden plich-tig maken, indien zij de middelen ter bekee-
355
ring verwaarloozen en in hunne onboetvaardigheid volharden, maken zij zich allen aan den kruisdood des Heeren schuldig. Ja, wat meer is, de zonde der Christenen is, zoo wij haar aandachtig beschouwen, veel grooter dan die der Joden. Immers waren de Joden alleszins strafbaar, omdat zij ruimschoots in de gelegenheid waren geweest niet alleen van 's Heeren onschuld, maar ook van zijne hemelsche afkomst volkomen overtuigd te zijn, toch kenden zij den Verlosser niet gelijk de Christen Hem kent. De Christen toch gelooft aan Jesus' Godheid, hij erkent Hem luide als zijn Heer en Meester, als zijn Verlosser, en grootsten Weldoener; hij heeft een veel vollediger kennis dan de Joden van zijn plicht om Jesus te eeren, Hem lief te hebben en te gehoorzamen; maakt hij zich dus niettegenstaande die kennis aan eene zware overtreding, schuldig, dan herhaalt hij, voor zooveel zulks in zijne macht is, den hemeltergenden eisch der Joden en roept hij door zijne werken om den kruisdood van Christus. Welaan, treed een ge oogenblikken in u zeiven en vraag u ai, of uw geweten u diezelfde ondankbaarheid niet verwijt; en mocht gij u plich-tig bevinden, ach, verban dan alles uit uw hart, v/at roept om het onschuldig bloed der Heeren. Werp u aan Jesus' voeten nedes en verzucht tot Hem met den profeet: âBevrijd mà van bloedschuld o God, Gij,
356
God mijns heils, en mijne tong zal met blijdschap uwe gerechtigheid verheerlijken.quot; Verneder li voor Gods plaatsbekleeder in den biechtstoel en tracht door eene oprechte en rouwmoedige belijdenis uwer zonden u met God te verzoenen. En zijt gij wederom opgenomen in zijne liefde, laat het dan uw eenigst streven zijn Jesus in het vervolg uwe dankbare wederliefde te toonen, door zijne wetten en geboden stiptelijk op te volgen en al uwe plichten zoo nauwkeurig mogelijk te vervullen.
Voornemen. Nogmaals zal ik met innig leedwezen al mijne zonden betreuren. Mocht ik van 's Heere liefde gescheiden zijn, dan zal ik mij nog dezen dag door een oprechte en rouwmoedige biecht met Jesus verzoenen.
III. Overweeg, welk een heerlijk voorbeeld van geduld Jesus u geeft, door bij alle verguizing en onteering, alle smarten en pijnen, die Hem worden aangedaan, een ootmoedig stilzwijgen te bewaren. Zie, de Verlosser staat daar aan de grievendste smarten, aan de diepste vernederingen ter prooi, en wel verre van eenig medelijden te ondervinden, hoort Hij, hoe zijn eigen volk om zijn doodvonnis roept. Toch blijft de Heer kalm en rustig, toch komt er geen enkele klacht, geen enkel verwijt van zijne lippen; Hij zwijgt en verdraagt dat alles vol geduld en zachtmoedigheid. O, hoe gemakkelijk zou het Hem gevallen zijn zich te verdedigen! Hij had zich
357
kunnen beroepen op zijne onschuld, dewijl zelfs zijne meest verbitterde vijanden geen zweem van zonde in Hem konden ontdekken ; Hij had hen kunnen wijzen op de ontelbare weldaden, die Hij aan de mensohheid had bewezen; Hij had kunnen spreken van de vele wonderen, die Hij openlijk onder het volk had gewrocht, en hen kunnen overtuigen, dat Hij, wel verre van zulk eene onmenschelijke bejegening te verdienen, alle aanspraak kon maken op hunne liefde en dankbaarheid. Maar neen. Hij verdedigt zich niet. Hij zwijgt. Hij had den Joden hunne wispelturigheid en onbestendigheid kunnen verwijten, hen kunnen herinneren, hoe dikwerf zij Hem tot koning uitgeroepen, als den beloofden Messias erkend, als den Zoon van David verheerlijkt hadden, en hoe zij zich nu door schriftgeleerden, priesters en Pharisaeën lieten ophitsen en verblinden. Maar Hij verdraagt alles zonder tegenspraak en zwijgt. Reeds zoovele wonderen had Hij gewrocht, ook nu had Hij er een kunnen verrichten. Immers een enkel wonder zou den mond zijner vijanden hebben gesloten en zijne heiligheid en goddelijke waardigheid op schitterende wijze in het licht hebben gesteld. Maar Hij verrichtte het niet. Toen het volk gebrek had en Hij vreesde, dat velen onder weg zouden bezwijken, was Hij aanstonds gereed weinige brooden door zijne goddelijke wondermacht te vermenigvuldigen, zoodat duizenden er
358
zich mede verzadigden; maar nu hei zijn eigen verdediging, zijn eigen redding geldt, laat Hij zijne macht ongebruikt, want eindeloos meer is er Hem aan gelegen zijn hemel-schen Vader door zijn geduld dan zich zeiven door zijne wonderen te verheerlijken. O, aanbid dan het geduld van uwen Verlosser en leer naar zijn verheven voorbeeld den laster en de vervolging der wereld zwijgend verdragen. Volg het geduld, de zachtmoedigheid na van uwen Jesus, die, ofschoon de Joden zich aan den snoodsten ondank tegen Hem schuldig maakten, in zijne oneindige liefde en ontferming ook voor hunne zaligheid zich te» offer bracht.
Voornemen. Bij elke beproeving, die de Hemel mij overzendt, bij elk onrecht, elke beleediging, die de schepselen mij aandoen, zal ik God danken,
GEBED.
O mijn dierbare Verlosser, wanneer ik het aanbiddelijk geduld overweeg, waarvan Gij ons gedurende geheel uw leven, maar vooral in dien bitteren stond uws lijdens zulk een verheven voorbeeld hebt geschonken, en daarbij een blik werp op mij zeiven, ach, dan moet ik wel erkennen, dat ik tot nog toe niet de geringste poging aanwendde, om mij door beoefening van die beminnelijkste aller deugden ook maar eenigzins aan à ge-
359
lijkvormig te maken. Helaas! bij de geringste beproeving, die de Hemel mij overzendt, wordt ik ongeduldig en beklaag ik mij over mijn lot; bij een kleine miskenning, bij de minste verongelijking, die mij wordt aangedaan, gevoel ik mij beleedigd en geef ik in bittere woorden lucht aan den wrevel van mijn ontstemd gemoed. Maar neen, lieve Jesus, niet langer wil ik het slachtoffer zijn van dien noodlottigen hoogmoed, die verderfelijke eigenliefde, waardoor ik ü zoo menigmaal heb beleedigd en bedroefd. Heb dan medelijden, dierbare Jesus, heb medelijden met mij en vergeef mij grootmoedig alle zonden van ongeduld, van gramschap en trotsch-heid, waaraan ik mij schuldig maakte. Leer mij, naar uw goddelijk voorbeeld elke be-leediging, elke tegenspraak, elke mishandeling, die mij zou kunnen te beurt vallen, met kalmte aannemen en met blijdschap dragen. Wanneer anderen mij vervolgen en belasteren, geef dat ik mij dan nimmer met scherpe en bittere woorden verdedige, maar door een zachtmoedig quot;en heilig stilzwijgen over elk onrecht moge zegevieren ; en mocht de liefde mij het spreken gebieden, geef mij dan de genade, om mijne vijanden met zooveel zachtmoedigheid te antwoorden, dat ik allen haat, alle verbittering uit hun gemoed moge wegnemen. Eindelijk, lieve Jesus, geef, dat ik mij van stonde aan gewenne, om alle beproevingen, die mij in dit leven nog zullen over-
360
komen, te beschonwen als zoovele druppelen uit uwen lijdenskelk, waarmede uwe liefderijke hand mijn levensbeker heeft gemengd, opdat ik, na volgens uw woord en voorbeeld al die kwellingen met geduld te hebben gedragen, eenmaal de kroon des levens moge ontvangen, die Gij beloofd hebt aan allen, die ü liefhebben. Amen.
VEERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT DOOR P1LATUS TER DOOD VEROORDEELD.
Nog aarzelde Pilatus om het doodvonnis over den Heer uit te spreken. Toen de Joden dit bemerkten' en vreesden, dat hunne prooi hun wellicht ontsnappen zou op het oogenblik, dat zij op het punt stonden, hun verlangen bevredigd te zien, bedreigden zij den lafhartigen landvoogd met de ongenade des keizers: âZoo gij dezen vrijlaat,quot; riepen zij, âdan zijt gij geen vriend des keizers, want alwie zich koning maakt wederspreekt den keizer.' Deze woorden maaktenjsen einde aan alle weifelingen van Pilatus. De vrees van bij den Romeinsohen keizer beschuldigd te zullen worden, als iemand, die met vijanden 'van het staatshoofd heulde, deed hem alle andere bedenkingen op den achtergrond schuiven. Hij bezweek voor de hardnekkige
361
Joden en besloot hun eisch in te willigen. Hij nam dan plaats op zijn rechterstoel, liet den Heer voor zich brengen en sprak met bitteren spot tot de Joden, terwijl hij op Christus wees: âZiedaar dan uw koning!' Maar de Joden, die nu duidelijk inzagen, dat Pilatus voor hen zwichtte, schreeuwden in hunne onstuimige woede: âWeg, weg, kruisig Hem!quot; Nog eens vroeg Pilatus: âZal ik dan uw koning kruisigen?quot; En luide weêrklonk het antwoord: âWij hebben geen koning dan den keizer!' Toen sprak de heidensche rechter het doodvonnis over den Heer uit en leverde hij hun Jesus over om gekruisigd te worden.
I. Stel u voor in den geest getuige te zijn van 's Heeren veroordeeling. Ziedaar Pilatus, de lafhartige rechter, die uit menschenvrees zich aan het schandelijkst onrecht schuldig maakte; hij is gezeten op den rechterstoel, omgeven door alle teekenen zijner waardigheid, terwijl lictoren, gerechtsdienaars en soldaten zijn zetel omringen. En voor hem staat Jesus, de Zoon van den levenden God, als een lage en verachtelijke misdadiger met boeien beladen, aan de bitterste smarten ter prooi, met doornen gekroond en den rooden spotmantel nog om de schouders. Op het plein voor het rechthuis en in de aangrenzende straten verdringen zich duizende toeschouwers, die op het gerucht van 's Heeren gevangenneming zijn toegesneld om van zijne
362
veroordeeling en zijn kruisdood getuigen te zijn. Zie, daar geeft de landvoogd een teeken, en het doffe gedruisch der onafzienbare menigte komt tot zwijgen. Hij verheft zijne stem en spreekt luide het vonnis der kruisiging over den Heer uit, en nauwelijks heeft hij gesproken of de Romeinsche soldaten treden toe, leggen de hand op den Heer en leiden Hem weg om het vonnis te volvoeren. Ach, wie zal het ons melden, met welk eene droefheid en ontzetting de Engelen des hemels dit verschrikkelijk vonnis uit den mond van den landvoogd vernamen, met welk een onuitsprekelijken weemoed zij hun Heer en Koning zagen overgeleverd aan den smartelijksten, den meest onteerenden dood, den dood aan het schandhout des kruises. Overweeg, hoe op het hetzelfde oogenblik, dat de Romeinsche landvoogd het doodvonnis over Jesus uitsprak, ook de eeuwige Rechter het bekrachtigde. O, de hemelsche Vader stemde ten volle in met dit vonnis, hoe bitter, hoe bloedig en gruwzaam het ook ware, want zoozeer had Hij de wereld lief, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon voor ons ten offer bracht, opdat wij het eeuwig leven zouden beërven. Jesus moet sterven, o ondoorgrondelijk geheim van Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid! Jesus moet sterven om ons van den eeuwigen dood te verlossen. O, wil dan insgelijks met Jesus sterven, ten einde eenmaal eeuwig met
Hem te mogen leven. Wees streng en onverbiddelijk jegens u zeiven; veroordeel uwe oogen, opdat zij steeds mogen gesloten blijven voor al wat zonde is en tot zonde zou kunnen leiden; veroordeel uwe tong, opdat zij zich in het vervolg nimmermeer aan liefdelooze gesprekken^ aan laster, toorn en leugentaal schuldig make, maar u alleen moge dienen om Gods erbarmingen te prijzen en zijne liefde te verheerlijken; veroordeel uwe handen, opdat zij zich van alle werken van ongerechtigheid mogen onthouden, uwe voeten opdat zij slechts den weg van Gods geboden mogen bewandelen ; veroordeel uw hart, opdat het gesloten blijve, voor de zon-digfe genegenheid der wereld en voor niets anders kloppe, voor niets anders leve dan voor Jesus, het goddelijk Zoenoffer, dat zich voor uwe zonden aan het kruishout heeft opgedragen. Dit vonnis toch zal den ouden mensch in u dooden en u een nieuw en heilig leven doen leiden.
Voornemen. Ik zal mijne zinnen versterven en mijne ongeregelde neigingen trachten te dooden om eeuwig met Jesus te kunnen leven.
II. Overweeg, met welk eene boosaardige vreugde de Joden het doodvonnis des Heeren vernamen. Ach, het verlangen der Joden naar 's Heeren dood is zoo hevig, dat de leden van den grooten Eaad den afgeloopen nacht schier geen oog hadden gesloten, ten einde
364
de nachtelijke bijeenkomst in het huis van den Hoogepriester te kunnen bijwonen en de verdere maatregelen met elkander te bespreken. Dit verlangen was zoo onstuimig, dat zij zich van den vroegen morgen af geen oogenblik rust gunden, maar onophoudelijk den Heer volgden voor de verschillende rechterstoelen om hunne valsche beschuldigingen te herhalen en zijn kruisdood te eischen. Het vond zijn grond in den gloeienden haat, dien zij den goddelijken Verlosser toedroegen, en bracht hen er toe om het volk, dat op het plein voor.het rechthuis was toegestroomd, alom tegen den Heer op te hitsen. En nu zij hun wensch na zooveel herhaalde teleurstellingen eindelijk bevredigd zien, nu uit hunne helsche blijdschap zich op ondubbelzinnige wijze en weerklinken Jerusalems straten van hunne woeste en uitgelaten vreugdekreten. Maar hoe spoedig zal dat gejubel der goddeloozen verstommen en in kreten van vertwijfeling veranderen; zie, reeds verkondigt het bloed van Judas, van den verrader, die zich in wanhoop van het leven beroofde, dat de vreugden der zondaren slechts van korten duur zijn. Na weinige uren reeds zullen zij sidderend, vol angst en ontzetting van Golgotha's heuvel wegvluchten. De vreugde der zondaren duurt slechts kort. Mochten allen, die in hun hoogmoed zich vermeten met den godsdienst te spotten en de dienaren der kerk te ver-
305
volgen, deze waarheid wel overwegen. Uit hetgeen met de Joden te Jerusalem is geschied leeren wij, dat, hoe heftiger de razernij, hoe algemeener de vervolginswoede der vijanden is en hoe luider zij over het gelukken hunner plannen juichen, des te spoediger, ook hun trots door God vernederd en hunne goddeloosheid door den Hemel gestraft zal worden. Vrij mogen de vijanden der H. Kerk zich dan aaneensluiten tegen de stichting van Jesus Christus en tegen zijne volgelingen, vrij mogen zij beproeven wat ruw geweld en sluw overleg vermogen om het geloof uit het hart der menschheid te rukken, nog altoos leeft de Almachtige, die het lot der volken regelt, en den loop der wereldgeschiedenis bestuurt, dezelfde Heer van wien David reeds sprak: âDat God opsta, en zijne vijanden verstrooid worden en zijne haters vluchten voor zijn aangezicht! Gelijk rook verdwijnt, zoo zullen zij verdwijnen voor Gods aangezicht.' Is zijn goddelijk geduld uitgeput, dan omgordt Hij zich, de Heer der heerscharen, en Hij treedt op om zijne vijanden te verdelgen, de geschonden rechten zijner H. Kerk te wreken, en zijne dienaren te verheffen en over de machten der hel te doen zegevieren. Laat dan den moed niet zinken, wanneer de nood klimt en de wateren der beproeving u tot aan de lippen reiken; laat geen angst u terneêr-slaan, wanneer de H. Kerk vervolgd, hare
366
dienaren belasterd, hare leer bestreden en al wat eerbiedwaardig en heilig is bespot en gehoond wordt; gelijk op den smartelijken lijdensdag eene heerlijke opstanding volgde zoo zal na de droevige vervolgingsdagen een heerlijk tijdperk aanbreken van glorievolle verheffing en zegepraal.
Voornemen. In alle vervolging, waaraan de H. Kerk blootstaat, zal ik op den Heer blijven vertrouwen, die beloofd heeft, dat de poorten der hel haar. nimmer zullen overweldigen.
III. Overweeg, in welke stemming Jesus zijn vonnis verneemt. Zie, Hij staat daar aan onbeschrijfelijke folteringen ter prooi; namelooze vrees overvalt Hem, onuitsprekelijke angst benauwt Hem, nu Hij denkt aan het kruis, en aan de pijnen die Hem aan het kruishout wachten; en toch vol onderwerping buigt Hij het hoofd voor den wil zijns Vaders; zijne menschelijke natuur schrikt als het ware terug voor dat mateloos lijden en toch met heilige blijdschap denkt Hij aan de heerlijke vrucht zijns lijdens: de verlossing van het menschelijk geslacht. Zwijgend verneemt de Heer zijn vonnis. Gelijk het lam, dat ter slachtbank geleid wordt zoo opent Hij zijn mond niet. Hij zwijgt tegenover zijn onrechtvaardigen rechter en spreekt geen woord ter zijner verdediging ; Hij zwijgt tegenover het verblinde volk, dat zijne ontelbare liefdeblijken
367
met den snoodsten ondank vergold; Hij zwijgt tegenover zijn hemelschen Vader, wiens wil het is, dat Hij zal lijden en sterven ter verlossing der wereld. En niet alleen zwijgt Hij, bij het vernemen van den eer-loozen dood, waartoe Hij verwezen werd, maar zoo het ons vergund ware geweest een blik te slaan in dat goddelijk hart, dan zouden wij gezien hebben, hoe Hij zich met de hoogste vreugde aan het gruwzaam vonnis onderwierp. ;t Is Jesus genoeg, dat zijn hemelsche Vaders het aldus wil; de wil zijns Vaders is ook zijn wil. En Hij verheft zijn hart ten hemel en herhaalt de woorden van den Psalmist: âZie, Ik kom, o Vader, om uwen wil te volbrengen. Ik tel den smaad des kruises niet. Het zondige men-schengeslacht heeft die straf verdiend. Ik wil haar voor de zondaren ondergaan. Mijn hart is bereid, o mijn God, mijn hai;t is bereid. Ik wil de zonden van alle menschen in mijn lichaam dragen, omdat het aldus uw wil is.quot; Ach, indien gij uwen God en Verlosser daar, geheel overgegeven aan den wil zijns Vaders, zijn vonnis ziet aannemen, klopt uw hart dan niet van innige deelneming en dankbare wederliefde voor Jesus? O, zie dan op naar den Heer, die het doodvonnis op zich neemt en de straf draagt, die gij moest ondergaan. Wilt gij, de schuldige slaaf, uw zondig leven dan nog voortzetten, terwijl de Koningszoon voor u lijden en dood tege-
368
moet gaat. Hij is de Onschuld zelve, gij zijt de schuldige; ach waarom is dan uwe deelneming, uw medelijden, uwe droefheid over uwe zonden zoo gering ? Welaan, kniel dan in den geest voor uwen Jesus neder; beween uwe zonden; dank uwen Verlosser voor de oneindige liefde, die Hij u heeft bewezen en zweer Hem eeuwige liefde en trouw. Roep Hem toe met geheel uw hart: Wat zal ik U geven of hoe ü uwe liefde vergelden, o mijn God, Gij die voor mij uw leven hebt gegeven? Zie, ik offer ü mijn verstand en mijn wil, mijne ziel en mijn lichaam. Ik ben bereid uit liefde tot ü alle lijden te dragen, dat Gij mij zult overzenden. Sta mij bij met uwe genaden, opdat ik nimmer, nimmer meer van den weg uwer geboden afwijke, nimmer mijn kruis ontvluchte, maar het tot mijn laatsten ademtocht vol onderwerping en vreugde U nadrage.
Voornemen. Uit dankbare wederliefde tot Jesus wil ik elke kwelling, die mij in dit leven zal overkomen, naar zijn goddelijk voorbeeld vol geduld en onderwerping dragen.
GEBED.
Allerzachtmoedigste Jesus, zoo is dan eindelijk het doodvonnis over U uitgesproken. Ach, de bloedige geeseling, waarbij uw heilig lichaam doorwond en verscheurd werd, de doornenkroonine, die ü zulke bit-
369
tere pijnen deed verduren, de wreede bespotting, waarbij Gij op zulk eene onuitsprekelijke wijze mishandeld en verguisd werd, al die namelooze smarten hadden de woede uwer vijanden nog niet ontwapend. Geheel het volk eischt uwen kruisdood, en uit die onafzienbare menigte gaat geene enkele stem op, die voor U roept om genade. O, welk een allerpijnlijkste wond moet die ondankbaarheid in uw teeder, uw liefderijk hart hebben geslagen. En toch, te midden van al die folteringen en vernederingen zwijgt Gij en buigt Gij ootmoedig het hoofd voor den aanbiddelijken wil uws hemelschen Vaders. Maar, is er niemand, dierbare Jesus, die voor ü spreekt, blijven alle zwijgen, o, ik althans, ik wil mijne stem verheffen en het luide aan de gansche wereld verkondigen, dat Gij zijt de Zoon van den driewerf heiligen God, de eeuwige Onschuld, de oneindige Heiligheid zelve. Helaas! ik was de schuldige; door mijne zonden heb ik ontelbare malen den dood verdiend; maar Gij hebt het zwaard der goddelijke gerechtigheid van mijn hoofd afgewend en zijt ter dood gebracht, om mij te redden van den eeuwigen ondergang, en mij het leven dei-glorie te schenken. O dierbare Jesus, heb dank, heb duizendmaal dank voor zooveel liefde, zooveel barmhartigheid. Of het mij gegeven ware, ook ü op krachtdadige wijze mijne liefde te' toonen, door uwe smarten en
370
folteringen te verduren. Maar ach, Heer Jesus, ik ben zoo zwak ; de gestrengheid, de boetvaardigheid, de kastijding, de harde verstervingen en lichaamskwellingen, waaraan zoovele heilige boetelingen zich onderwierpen uit liefde tot ü, schrikken mij af. Maar toch, iets is er, wat ik doen kan, en waardoor ik U mijne liefde kan toonen. Gij hebt zwijgend uw doodvonnis aangenomen, en U eraan onderworpen. Zie, ook ik wil in het vervolg zwijgend, vol gehoorzaamheid en onderwerping aari uw heiligen wil alle kwellingen en beproevingen des levens dragen en alle beleedigingen verduren uit liefde tot U. O mijn dierbare Verlosser, schenk mij hiertoe uwe genaden; en moet ik somtijds met den profeet erkennen, dat mijne ziel ontroerd is, geef, ik smeek het U, bij het goddelijk stilzwijgen, dat Gij in uw lijden bewaard hebt, dat ik dan steeds er aan kunne toevoegen; âmaar mijn mond heeft niet een enkel woord gesproken.quot; Amen.
EEN EN VEERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS NEEMT HET KRUIS OP ZIJNE SCHOUDERS.
Terstond na de uitspraak van den landvoogd maakte men de noodige toebereid-
371
selen om het vonnis, waartoe Jesus verwezen was, nog in hetzelfde uur ten uitvoer te brengen. De soldaten rukken den Heer met ruw geweld den spotmantel van het lijf en trekken Hem wederom zijne kleederen aan, opdat een ieder op den weg naar de strafplaats Hem zou herkennen en aldus geene enkele beschimping Hem zou bespaard blijven. De doornenkrans, dien men Hem voor een oogenblik van het hoofd had genomen, werd Hem, zoodra Hij zijne kleederen had aangetrokken, met nieuwe spotternij om de doorwonde slapen gedrukt, en reeds sleepte men den kruisbalk aan, dien Hij op zijne bebloede schouders naar de strafplaats zou dragen. Middelerwijl waren de twee ter dood veroordeelde misdadigers, wier terechtstelling op dezen dag was vastgesteld, uit den kerker voorgebracht, en ook hun werd het kruis opgelegd. Ach, nu is het oogenblik gekomen, waarop Jesus met zijn kruis beladen in gezelschap der twee moordenaars en omringd door zijne beulen, door Jerusa-lems straten zal opgaan naar Golgotha. Met wankelende schreden treedt Hij voort, zwoegend onder den zwaren last van zijn kruis, en eene ontzaglijke menigte volgt Hem op den weg, juichend in zijne schande en spottend met zijne pijnen, om getuige te zijn van zijne kruisiging en zich in zijn kruisdood te verlustigen.
I. Overweeg, met welke gemengde gevoe-
372
lens van namelooze angst en onuitsprekelijke vreugde Christus zijn heilig kruis op de schouders neemt. Bij 't beschouwen van 's Heeren lijden mogen wij nimmer vergeten, dat Hij werkelijk mensch is, in alles aan ons gelijk behalve in de zonde. Ook Hij wilde onderworpen zijn aan alle zwakheden^ gevoeligheden en zielskwellingen, die de mensch ondervindt wanneer hij weet, dat hem eene zware beproeving in de toekomst wacht. En ach, Jesus wist, dat Hij aan dat kruis gedurende drie lange en boven alle beschrijving smartvolle uren aan zijne doorboorde handen en voeten zou hangen, Hij wist, dat Hij aan dien kruisboom zijne laatste druppelen bloeds zou storten en ten slotte, uitgeput van bloedverlies en lijden, het moede hoofd zou buigen en sterven. Met wat angst en ontzetting zal Hij dus dat kruis hebben beschouwd. Maar is Hij waarachtig mensch. Hij is ook waarlijk God; Hij weet, waartoe Hij in do wereld is gekomen en welke de vruchten zullen zijn van zijn dood aan het kruis. Vandaar dat allervurigst verlangen, waarmede Hij gedurende geheel zijn leven had uitgezien naar zijn kruis. O, dat kruis was het doel geweest van al zijne tochten, van elke schrede, die Hij op deze aarde had gezet. Dat kruis had Hij gezocht, toen Hij nederlag in de kribbe, toen Hij in ballingschap loefde in Egypte, toen Hij in de werkplaats van den H. Joseph arbeidde, toen Hij zijne loer verkondigend en
873
zijne weldaden verspreiden Palastina's vlakten en valleien doorkruiste. Dat kruis had Hij uitverkoren boven den troon zijns hemel-schen Vaders. Het kruis was het eenige, wat Hem aan deze aarde hechtte; alle andere goederen der wereld versmaadde Hij, slechts het kruis boeide Hem; het kruis was zijn kostbaarste schat, aan het kruis kende Hij de hoogste waarde toe. De weg langs de rechterstoelen van valsche en boosaardige rechters, de weg door eene zee van kwellingen en lijden was Hem niet te smartelijk om tot het doel zijns levens, tof het kruis te geraken. Gelijk een veldheer reikhalst quot; naar den lauwerkrans, zoo haakte Jesus naar het kruis; want door het kruis wil Hij het gevallen menschengeslacht verlossen, zijn rijk terugveroveren, over de machten der hel zegevieren en de poorten van het hemelsch paradijs ontsluiten; van het hout des krui-ses wil Hij als Koning over alle schepselen der wereld heerschen. O, wie beschrijft ons, met welk een onuitsprekelijke blijdschap en hemelvreugde Jesus zijn kruis beschouwde, hoe innig Hij het omhelsde, hoe Hij het in de blijde vervoering zijner goddelijke liefde kuste en aan zijn borst drukte'als een vriend, naar wiens komst Hij geheel zijn leven had uitgezien, dien Hij eindelijk had gevonden, en in wiens vereeniging Hij voortaan wilde leven en sterven. O, het oogenblik, waarop Jesus voor het eerst zijn kruis omhelsde, moet ons
374
immer heilig zijn. Het is groot, gewichtig en verheven in de geschiedenis van het rijk Gods. Zie, te voren was het kruis een voorwerp van afschuw, een teeken van smaad, van vervloeking en onteering, het was voor de laagste en verachtolijkste schepselen der wereld bestemd. Maar nauwelijks heeft de hand van Gods Zoon het aangeraakt of alles veranderde. Het hield op een voorwerp te zijn van afschuw en vervloeking en werd de boom des levens, de bron aller genaden, het zinnebeeld des geloofs, het teeken der verlossing en der zegepraal. Werd er tevoren slechts smaad in gezien en vernedering,
nu zag men er eer in en heerlijkheid en macht en heerschappij en glorie. Alle hoornen der gansche wereld te zamen hebben niet zooveel vruchten voortgebracht als de gezegende boom des kruises. De zon zendt niet zoovele lichtstralen uit als het kruis stralen des levens uitschiet. Gelukkig dan, duizendwerf gelukkig degenen, die in het kruis gelooven,
die op het kruis hopen, die het kruis liefhebben i
en in de schaduw van het heilig kruis leven. (
Voornemen. Wanneer mijne blikken ]
een kruisbeeld ontmoeten, zal ik het steeds 1
beschouwen met liefde en eerbied en God uit den grond van mijn hart danken, dat ]
Hij door het kruis de wereld heeft verlost (
en geheiligd. (
II. Overweeg, hoe de heiligen naar het s
voorbeeld des Heeren hun kruis hebben ,
375
omhelsd en gedragen. 0, de liefde, de edelmoedigheid, die in hun leven uitschitteren, verrukken ons en vervullen ons met bewondering; maar hun heldhaftige deugd zou ons ontmoedigen, indien wij niet wisten, dat ook zij slechts langzamerhand tot dien hoogen graad van heiligheid zijn geraakt, dat zij slechts stap voor stap dien berg der volmaaktheid hebben bestegen. Ook zij waren zwakke hulpbehoevende schepselen gelijk wij, ook zij gevoelden dien strijdquot; van het vleesch tegen den geest, waarvan de H. Paulus spreekt; ook zij hadden een afschrik van kwellingen en lijden. Maar het woord des Heeren: âZoo iemand zijn kruis niet opneemt en mij navolgt, is hij Mijner niet waardig,quot; stond hun voortdurend voor den geest en weerklonk op machtige wijze in hunne ziel. En vol moed togen zij aan het werk; bereidwillig brachten zij de offers, die God hun vroeg; vol nederigheid en onderwerping bogen zij het hoofd onder de beproevingen, die hun werden toegezonden; zij deden zich een heilig geweld aan, kruisigden hun lichaam met zijne verderfelijke begeerlijkheden, en terwijl zrj in de eene hand de roede der versterving droegen, waarmede zij hun lichaam kastijdden, hielden zij in de andere het kruis. Op dat kruis van Jesus was immer hun oog gevestigd en van dat kruis scheen eene stem uit te gaan, die hun toefluisterde: ,Vertrouw op Mij, Ik heb de wereld over-
376
wonnen. Hun levendig geloof in 's Heeren woord, hun onbegrensd vertrouwen op de bijstand des Hemels, hunne vurige liefde tot God, ja vooral hunne liefde, wekten dien heldenmoed in hen op, waarmede zij over alle zwakheden der menschelijke natuur wisten te zegevieren, fü, 't was die liefde tot den lijdenden Verlosser, die den heiligen apostel Andreas bij het aanschouwen van zijn kruis in vervoering deed uitroepen: âGegroet, o kostbaar kruis, vereerd en geheiligd door het aanbiddelijk lichaam van mijn Verlosser; o dierbaar kruis, waarnaar ik zoo vurig verlangd, dat ik zoo innig bemind en zoo herhaaldelijk gezocht heb, en dat ik eindelijk voor mijne vurigste wenschen gereed vind, o, voer mij heen uit deze wereld en geef mij aan mijn goeden Meester Jesus Christus terug, dat Hij van uwe armen mij ontvange, want door u heeft Hij mij vrijgekocht!quot; 't Was die liefde tot Jesus, die eene H. Agatha naar kerker en strafplaats deed opgaan als naar een feestmaal, die een H. Tiburtius over gloeiende kolen deed wandelen, als over een bed van bloemen, die eene gelukzalige Maria Marga-retha deed uitroepen: âIk begrijp niet, hoe eene ziel, de bruid van den gekruisten Jesus, het kruis kan ontvluchten, omdat zij aldus tegelijkertijd Hem ontvliedt, die het uit liefde tot ons heeft gedragen en er zijn hoogste wellust en vreugde in vond; wij
377
kunnen Jesus slechts liefhebben voor zoover wij het kruis beminnen.quot; Ziedaar hoe de heiligen hun kruis hebben omhelsd en gedragen, hoe zij het lijden hebben liefgehad. Jesus echter vordert zulk eene heldhaftige liefde niet van ons. Maar wat Hij van ons vraagt is onderwerping en berusting in zijn heiligen wil, wanneer ons een kruis van den Hemel wordt opgelegd. Vraag u af, hoe gij u tot heden toe van dien plicht hebt gekweten. Ach, bedenk het wel, indien gij uw kruis zoekt te verlichten, zult gij het verzwaren ; indien gij het echter verzwaart, zal het u zoet en licht worden. Verneder u dan voor God; smeek Hem om vergiffenis voor uwe lafhartigheid, maak nieuwe besluiten voor de toekomst en bid God om de genade uwe voornemens stipt en getrouw te mogen volbrengen.
Voornemen. Bij alle beproevingen, die mij zullen worden overgezonden, zal ik mij in het gebed tot God wenden om van Hem de noodige kracht te erlangen, ten einde ze met geduld en onderwerping te dragen.
III Overweeg, hoe in het kruis, ofschoon het werktuig des lijdens en een voorwerp van smaad en vernedering, voor den Heer een geheim ligt van de hoogste glorie. De profeet Isaias, had die heerlijkheid reeds van verre aanschouwd en spreekt er over, als over eene gebeurtenis, die reeds had plaats gegrepen: âEen Kind in ons geboren, een
378
Zoon ons geschonken, het teeken zijner heerschappij rust op zijne schouders, en hij zal genoemd worden: de Wonderbare, de Raadgever, God, de Sterke, de Vader der toekomstige eeuw, de Vorst des vredes.' Hier, voor het rechthuis van Pilatus, waar Jesus zijn kruis op de schouders neemt, begint deze voorspelling in vervulling te gaan. De koningen der aarde dragen hun schepter in de hand; Jesus, wiens rijk niet van deze wereld is draagt den zijne op zijne schouders. Het kruis ziedaar zijn schepter. De schepter, dien de heidensche soldaten Hem hadden gegeven, was de zijne niet; het was een schepter, die alleen diende om de vergankelijkheid en leegte uit te drukken van al het aardsche. Jesus liet dien schepter varen om het deugdelijk teeken van zijn koningschap te dragen, en dit draagt Hij op zijne schouders, opdat een ieder het zien zou. Dat kruishout, dat Hij op zijne schouder neemt is het teeken van zijne heerschappij ; van dat kruis zal Hij heerschen over de wereld. Wel zal Hij er aan sterven, maar stervend blijft Hij Overwinnaar en in zijn dood zegeviert Hij over den duivel en de wereld. Ja aan dat kruis zal Hij overwinnen ; zijne zegepraal zal geen einde hebben, en op den grooten dag der vergelding zal dat zelfde kruis verschijnen aan den hemel. Het zal daar verschijnen tot troost, tot geluk en vreugde der rechtvaardigen; tot schrik.
379
tot ontsteltenis en wanhoop der verdoemden. Het zal daar verschijnen opdat alle schepselen der wereld zullen weten, dat Jesus het heeft gedragen, dat Hij er aan is gestorven voor de zaligheid der zielen. Op dien dag zal het kruis worden gewroken over den hoon en smaad, waarmede de zondaren het overladen; dan zal het ontzetting en schrik verspreiden in de rijen van 's Heeren vijanden, dan zal het in waarheid het teeken van den Zoon des menschen zijn, en de gansche wereld zal getuige zijn van de macht, die Jesus door zijn kruis zal uitoefenen. Ziedaar het geheim van heerlijkheid en glorie, dat in het kruis ligt verborgen. Maar is dit geheim glorievol voor den Verlosser, het zal ten hoogste schrikwekkend zijn voor den zondaar. Op dien gewichtigen dag, wanneer dat kruis zal schitteren en stralen aan den hemel, zal hij gedwongen zijn ten aanschouwe der geheele menschheid het de hulde te brengen, die hij gedurende zijn leven weigerde er aan te bewijzen. Welk eene glorie voor den Heer! Welk eene beschaming voor den zondaar, die Christus en diens kruis zal hebben miskend en geloochend door zijne werken. Want heeft Jesus niets gespaard om den zondaar te redden, op dien laatsten dag zal Hij niets sparen om hem te straffen; het gezicht van het kruis, dat de gelukzaligen van onuitsprekelijke blijdschap zal doen jubelen, zal
380
de zondaren met schaamte, met wanhoop en vertwijfeling vervullen. Welaan, werp een blik op u zeiven en vraag u af, waarheen de weg leidt, dien gij bewandelt. Kunt gij getui gen, dat gij alle kwellingen vol onderwerping uit Gods hand aanneemt, dat gij uwe eigenliefde bestrijdt en uwe verkeerde neigingen onderdrukt, dat gij wel verre van u te schamen over het kruis van Christus, daarentegen met edelen trots en rechtmatige vreugde in woord en werk er voor uit komt, dat gij een leerling en volgeling zijt van uwen Heer, o, verblijd u dan, want de weg, dien gij bewandelt, leidt tot God en naar den hemel. Maar tracht gij uw kruis te ontvluchten, laat gij u door uwe hartstochten beheerschen, zoekt gij in alles aan uwe zinnelijke lusten voldoening te schenken, schaamt gij u voor uw geloof, ach, vrees dan, dat het lot der zondaren op den dag des oordeels ook het uwe zal zijn, indien gij u niet oprecht tot God bekeert.
Voornemen. Gaarne zal ik de versmading, den spot en de verachting der men-schen dragen, opdat ik op den dag der vergelding met Christus moge verheerlijkt worden.
GEBED.
O mijn dierbare Jesus, met hoeveel liefde hebt Gij het zware kruis opgenomen, waaraan Gij de zonden der wereld zoudt nitboe-
381
ten! Nauwelijks heeft uw oog het aanschouwd of Gij denkt niet meer aan de wonden, die in uw heilig lichaam werden geslagen, Gij denkt niet meer aan het bloed, dat Gij reeds vergoten, aan de smarten, die Gij reeds verduurd hebt. Al uw verloren krachten schijnen teruggekeerd, vol vreugde neemt Gij uw kruis op, vol liefde drukt Gij het aan uw hart, vol moed legt Gij het op uwe schouders en slaat Gij den weg in naar den lijdensberg, terwijl Gij met goddelijke gelatenheid alle beleedigingen en verguizingen verduurt, die uwe vijanden U aandoen. O dierbare Meester, ziedaar dan hoezeer Gij ons, nietswaardige zondaren, hebt liefgehad. O, of ik toch immer aan uwe liefde had beantwoord, of ik U toch steeds mijne erkentelijkheid betoond had door de kwellingen en beproevingen des levens, die uwe liefderijke hand mij overzond met geduld en onderwerping aan te nemen en met vreugde te dragen. Ach, lieve Jesus, hoe smart het mij, dat ik door mijne moedeloosheid, mijn ongeduld en mijn weinig verstorven leven U zoo dikwerf beleedigd heb en bedroefd. Maar was ik voorheen ontrouw aan mijn woord en weigerde ik mijn kruis te dragen en U op uwen lijdensweg te volgen, voortaan, lieve Jesus, zal het niet meer zoo zijn. Zend mij dan vrij alle kruisen en kwellingen over, die het ü zal behagen mij op te leggen, maar verleen mij ook tevens de hulp uwer
382
genaden, waardoor Gij de lasten uwer dienaren verlicht en hun lijden verzoet. Geef, dat ik met onderwerping en blijdschap, met moed en zelfverloochening dagelijks mijn kruis opneme en het U nadrage. Gij hebt uw kruis gedragen uit liefde tot mij, welaan, ik wil mijn kruis dragen uit liefde tot U. Slechts ü wil ik volgen, met ü wil ik strijden, met U wil ik sterven, opdat ik eenmaal na U gevolgd te zijn in uw lijden moge deelen in uwe glorie. Amen.
TWEE EN VEERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS DRAAGT ZIJN KRUIS NAAR KALVARIÃ.
Nimmer was er een tocht eerbiedwaardiger en heiliger, maar nimmer ook treuriger en smartelijker dan die, welken de Zoon Gods aflegde op zijn lijdensdag, toen Hij met zijn kruis beladen opging naar Golgotha. De weg van het rechthuis van Pilatus naar de strafplaats was ongeveer een kwartier uur gaans, maar voor den tot stervens toe uitgeputten en afgefolterden Jesus was zij onuitsprekelijk lang en bezwaarlijk. Omringd door zijne beulsknechten, gevolgd door de Romeinsche soldaten en eene onafzienbare menigte, die getuige van zijn dood wilde zijn, sleepte Jesus zich met wankelende schre-
383
den voort door Jerusalems straten zwoegende onder den zwaren boom des kruises^iNict lang echter zou 's Hoeren lichaam dien lood-zwaren last kunnen dragen; bij elke oneffenheid van den grond stootte de ruwe kruisbalk tegen het met doornen gekroonde hoofd en verwekte de heftigste pijnen; voortdurend vloeide het bloed uit zijne heilige wonden en bii elke schrede, die Hij zette op den weg, namen zijne krachten af en dreigde Hij te bezwijken. Eindelijk weigerde zijn lichaam Hem allen verderen dienst en viel Hij onder den overstelpenden last zijns kruises ter aarde neder. Eene heilige overlevering vermeldt, hoe de Heer tot driemalen toe neder stortte onder het kruis/Daar de beulen vreesden, dat de Heer den geest zou geven, alvorens de kruisigingsstraf te hebben ondergaan, dwongen zij een voorbijganger, die van het veld huiswaarts keerde, met name Simon van Gyrene, Jesus' kruis te helpen dragen. Simon nam het op, en geheel afgemat van vermoeienis en lijden schreed Jesus voort, terwijl de menigte Hem volgde. I On der deze bevonden zich ook eenige vrouwen uit Jerusalem, die den Heer door geween en luide jammerklachten hare droefheid en innige deelneming in zijne smarten te kennen gaven. Jesus wendde zich tot haar en zeide: ,Dochters van Jerusalem ! weent niet over Mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen! Want ziet, er zullen dagen komen, dat men
384
zeggen zal; gelukkig de onvruehtbaren, en de schooten, die niet gebaard, en de borsten, die niet gezoogd hebben! Dan zal men tot de bergen beginnen te zeggen, valt op ons! en tot de heuvelen, bedekt ons! Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal dan aan hét dorre geschieden!quot; Op dien weg naar Kalvarië naderde den Heer, gelijk de overlevering vermeldt, eene vrouw, die Hem vol medelijden een doek aanbood om zijn aangezicht, dat met bloed en stof besmeurd was, af te drogen. Jesus nam dien dienst aan en beloonde hare liefdedaad door het afbeel-sel van zijn gelaat in den sluier af te drukken. Helaas! dit waren de eenige blijken van deelneming, waardoor den Heer eenige verlichting op zijn lijdensweg werd aangeboden. Zijne beulen en de duizenden, die Hem volgen, zijn tegen Hem; men drijft Hem voort onder slagen en godslasteringen, men beschimpt en verguist Hem, men lacht met zijne pijnen en spot met zijne kwellingen, men scheldt, men hoont en vervloekt Hem als den laagste en verachtelijkste van alle misdadigers. ' Maar welke folteringen Jesus op dien bloedigen weg ook verduurde, ééne smart, ééne zielskwelling was er, die Hem pijnlijker viel dan alle anderen; 't was de ontroostbare droefheid, de verscheurende smart waardoor het allerteederst hart zijner heilige Moeder overweldigd werd, toen zij Hem op zijn lijdensweg ontmoette. 0, wie zal
385
T het beschrijven, welk eeue doo'delijke droefheid het hart dier teederste aller moeders overstelpte, toen zij haar goddelijk Kind daar bebloed, met doornen gekroond, beladen met het vloekhout, tusschen twee moordenaars, de stad zag uitgeleid worden, om de wreede en onteerende straf der kruisiging te ondergaan/'Ach, alle folteringen, waardoor de lijdende Verlosser werd afgestreden, overweldigden in dit oogenblik hare ziel, en in sprakelooze smart volgde zij haar goddelijken Zoon naar den strafheuvel om met Hem den lijdensbeker tot den bodem toe te ledigen.
I. Overweeg, hoe Simon van Cyrene gedwongen werd het kruis des Heeren te helpen dragen. Ach, hij kende den Heer niet en schrikte terug voor het kruis, 't Was in zijn oog eene onteerende vernedering het kruis van een ter dood veroordeelden misdadiger te dragon; niemand van de gansche menigte, zelfs niet een van de beulen, die den Heer vergezelden, wilde er zich toe leenen. Bovendien de last was zwaar, de weg steil en oneffen en de middagzon goot hare verzengende stralen uit over den weg; daarom weigerde Simon aanvankelijk het kruis te dragen. Maar zie, nauwelijks heeft Simon het omvat of alle schaamte is geweken en hij draagt het gewillig en met vreugde. Het gezicht van den lijdenden Godmensch gaf hem moed. Zijn hart werd verteederd toen hij den zachten, liefdevollen blik des Heeren
20
386
op zich zag rusten; jhij gevoelde een innig medelijden met den gefolterdon Jesus; wat hem te voren smadelijk en onteerend toescheen, is nu eervol, verheven en heilig in zijn oog; terwijl hij het kruis van Jesus draagt ontgloeit zijn hart van vurige liefde tot den Heer, en de liefde tot Jesus maakt hem den last des kruises licht,: O gelukkige Simon ! gij moogt het kruis van uwen Verlosser dragen; eene onbekende vreugde doorstroomt uwe ziel, terwijl dezelfde last op uwe schouders drukt, dien de Heer voor u droeg ; gij moogt uwe voeten nederzetten in de bloedige voetstappen des Heeren 1 O, of wij van u mochten leeren met geduld, met onderwerping en vreugde het kruis te dragen, dat Jesus ons overzendt! Welaan, vraag u af, hoe gij het kruis draagt, dat de Hemel u oplegt. Ook op u houdt Jesus vol liefde en teederheid het oog gevestigd; ook u noodigt Hij uit Hem te volgen ; ook u roept Hij toe: âHij, die mijn leerling wil zijn, neme zijn kruis op en volge mij na !quot; En omdat Hij weet dat onze natuur voor alle kwelling en lijden terugschrikt en zich zoo licht er tegen verzet, spreekt Hij ons moed in en roept Hij ons toe: âNeemt mijn juk op uwe schouders; mijn juk is zoet en mijn last is licht.quot; Leer in de school van Jesus uw kruis dragen en liefhebben; in die heilige school wordt alle lijden verzoet. Wanneer gij gaarne uw kruis draagt, zoo zal
387
uw kruis u dragen en heenvoeren naar het gewensohte doel, waar alle lijden een einde neemt. ' Waarom zoekt gij dan een anderen weg daii den koninklijken weg des kruises? Overweeg, welke belooningen de liefdevolle Verlosser aan Simon schonk voor den dienst, dien deze Hem in zijn lijden bewees. Zie, meer dan achttien eeuwen zijn er voorbij gegaan, sinds Simon het kruis des Heeren op zijne schouders nam en heendroeg naar de heuvelkruin van Kalvarië; de namen der aanzienlijke Joden, der trotsche Pharisaeën en schriftgeleerden en van allen, die uit Jerusalem met den Heer opgingen naar Golgotha, zijn sinds lang vergeten; alleen de naam van Simon leeft door alle eeuwen heen in de christelijke wereld voort. De kunst heeft hem vereeuwigd, en waar het bitter lijden des Heeren wordt overwogen, daar zal zijn naam immer met eerbied en liefde worden genoemd. Die naam zweeft op de lippen van millioenen Christenen en zal bij alle volgende geslachten tot aan de voleinding der tijden in dankbare herinnering blijven. Zoo heeft het heilig kruis des Heeren hem een onsterfelijken roem geschonken. Want neen, 't is niet de roem volgens de wereld, niet de roem van den held, die zegevierend uit den strijd terugkeert en wiens hoofd door zijne dankbare medeburgers met lauweren wordt omkranst; 't is niet do roem van den kunstenaar, die door de werken van zijn schep-
388
penden geest naar de onsterffelijkheid dingt, niet de roem van den geleerde, die vele jaren in strenge afzondering heeft gezwoegd en gearbeid om de geheimen der natuur te achterhalen, de raadselen des levens op te lossen en den menschelijken geest nieuwe wegen op het uitgestrekte veld der wetenschap te ontsluiten; deze roem toch is sterfelijk en vergankelijk gelijk al wat deze wereld biedt. Immers die kunstwerken vergaan met den tijd tot stof; de wetenschappelijke stelsels worden door nieuwe verdrongen en zelfs de meest schitterende krijgsroem verbleekt, terwijl de namen dergenen, die weleer door tijdgenoot en nazaat werden gevierd, terugtreden in den nacht der vergetelheid: neen 't is de ware, de blijvende, de onsterfelijke roem, waarmede God zijne dienaren kroont, 't is de roem, die alleen door het kruis kan worden verkregen. Maar de heerlijkste, de kostbaarste vrucht, die Simon van den kruisboom plukte^ was de vrucht des levens door het geloof in Jesus Christus. O, van dat kruis van Jesus, dat hij op zijne schouders droeg en dat reeds door 't heilig bloed des Heeren was gepurperd en geheiligd, van dat kruis ging eene wonderbare, gehcimnisvolle kracht uit, namelijk de genade van God, die zijn verstand verlichtte, zijn hart door een onweerstaanbare macht naar Jesus dreef en geheel zijne ziel met een nooit ondervonden gevoel
389
van blijdschap en hemelvreugde vervulde. Hij bewonderde hot bovenmenschelijk geduld, de hemelsche zachtmoedigheid en do goddelijke liefde, waarmede de Heer zijn lijden droeg; en terwijl hij Jesus volgde op den weg, was het hem, alsof eene stem hem het woord toefluisterde, dat den vorst der apostelen weleer door den Vader geopenbaard werd: âDeze is de Christus, de Zoon van den levenden God.' Ja, Simon geloofde in Jesus; hij zag in Hem den Zoon van God, den Langverwachte der volken, den Verlosser der wereld en als hij na eenige uren, wanneer het groote offer voor de zonde der wereld is gebracht, van den lijdensberg terugkeert, sluit hij zich, gelijk eene eerbiedwaardige overlevering ons meedeelt, aan bij de apostelen des Heeren. En later, wanneer de leerlingen uiteengaan en zich naar de vier hoeken der wereld verspreiden om het H. Evangelie te verkondigen, dan zal ook hij met zijne beide zonen hun ter zijde staan in dien heiligen arbeid. Daar in die verre landen zal hij de leer prediken van den goddelijken Meester, wiens kruis hij eenmaal op zijne schouders naar den lijdensberg mocht dragen, en aan allen zal hij het woord toeroepen van den grooten apostel der volken: â Het voegt ons in niets anders te roemen dan in het kruis van onzen Heer Jesus Christus, waardoor wij zijn gered en verlostquot; ! Zoo heeft Simon voor zich en de zijnen het licht des geloofs te danken
390
aan het kruis des Heeren. Want in 't kruis ligt heil, in 't kruis ligt het leven, in 't kruis de voltooiing der heiligheid. O, verwijder u dan nimmer van het kruis des Heeren, want er is geen geluk voor uwe ziel, er is geen hoop op 't eeuwig leven, dan in het kruis des Heeren.
Voornemen. Alle lasten, alle moeie-lijkheden en kwellingen, die aan mijn levensweg zijn verbonden, zal ik geduldig dragen. Waar ik anderen aan zware beproevingen zie blootgesteld, zal ik mij beijveren hun lijden te verlichten.
II. Overweeg, wat er wel moet zijn omgegaan in het hart van Maria, toen zij haar goddelijken Zoon op den lijdensweg ontmoette. Daar bestaat tusschen de schepselen op aarde geen edeler, reiner, krachtiger en heiliger liefde dan die, welke een moeder haar kind toedraagt. Maria nu, zegt de H. Epiphanius, beminde haar goddelijk Kind meer dan alle andere moeders hare kinderen liefhebben. Want zij beminde in Jesus niet alleen haar Kind, maar haren God. O, wie zal dan de diepte en al den omvang begrijpen van de smart, die hare ziel overweldigde. Ach, zij ziet haren Jesus, haar goddelijk Kind met doornen gekroond, bebloed, misvormd, gebogen onder den zwaren last van het schandhout, niet wankelende schreden voortgaan op den weg. O, liefdevolle Moeder! welk een smartelijke wond werd hier in uw teeder-
391
minnend hart geslagen! Ach, is dit niet uw Kind, bij wiens geboorte Gods engelen in de velden van Bethlehem het wonderbare lied van glorie en vrede zongen? Is dit niet uw Kind, dat door de Koningen werd begroet, uw aanbiddelijke Zoon, die al weldoende rondging, die overal, waar zijne schreden Hem heenvoerden, toonde, van wat einde-looze en onuitsprekelijke liefde tot de lijdende menschheid zijn goddelijk hart vervuld was ?/ Is dit niet uw Zoon, in wien de hemelsche Vader zijn welbehagen vond en wiens komst in de wereld de Aartsengel u had aangekondigd? Is dit niet uw Zoon van wien de Hemelgeest getuigd had dat Hij de Zoon des Allerhoogsten zou genoemd worden, dat aan Hem de koninklijke zetel van David zou worden geschonken en dat Hij zou heerscheni in het huis van Jacob in eeuwigheid ? En ach, nu is Hij gekroond, niet met een schitterende vorstenkroon, maar met een krans van doornen ; nu draagt Hij niet een gouden koningsschepter, maar het schandhout des kruises; nu is Hij omringd niet door een stoet van verknochte dienaren en lijfwachten; maar door wreede beulen en ter dood verwezen misdadigers; nu wordt Hij gevolgd niet door trouwe onderdanen en rijksgrooten, maar door een volk, dat het zoete juk zijner heerschappij van zich afwierp en zijn dood eischte; nu bevindt Hij zich op weg, niet naar de hoofdstad zijns rijks, om ingehuldigd en ge-
392
kroond te worden, maar treedt Hij voort in de diepste vernedering en verguizing, uitgeworpen uit de aloude koningsstad, om daarbuiten, op den bloedheuvel van Golgotha, tusschen twee moordenaars gekruisigd te worden en aan het kruishout te sterven! O, droevig koningschap! O, smartelijke en onuitsprekelijk geheimnisvolle heerschappij, die de Koning der eeuwige glorie van den troon des kruises zal voeren! Ach, wel mocht de troostelooze Moeder in dien bitteren lijdens-stond hét uitroepen met den profeet: âO, gij allen, die daar gaat langs den weg, aanschouwt en ziet, of er eene^ smart is, gelijk aan mijne smart! quot;\ Maar^och, hoe onbeschrijfelijk groot en menigvuldig hare zielskwellingen ook waren, Maria ontvluchtte haar lijden niet. Zij weigert niet het zware kruis te dragen, dat de Hemel haar oplegt; neen, vol moed spreekt zij tot zichzelve: âIk wil Hem niet verlaten in zijne smarten; ik zal met Hem opgaan naar den lijdensberg; ik wil daar staan onder zijn kruis, ik wil de laatste woorden van zijne stervende lippen opvangen en met Hem sterven; want ach. Hij is mijn Zoon en mijn God!quot; En zij volgt haar goddelijken Zoon, zij wijkt niet meer van zijne zijde en treedt met Hem voort op den smartvollen weg. Elk oogenblik vermenigvuldigen zich hare smarten, elk oogenblik neemt haar lijden toe. Ach, zij ziet, hoe haar beminnelijke Zoon, de driewerf heilige
393
God, daar wankelend voortschrijdt tusschen twee misdadigers; zij ziet, hoe Hij tot drie-malen toe bezwijkt onder het zware kruis en machteloos nederstort; hoe zijne beulen Hem telkens en telkens weder onder slagen en stooten voortdrijven en eindelijk tegen de steile berghelling optrokken; zij hoort de beschimpingen, verwenschingen en godslasteringen, waarmede de krijgsknechten Hem overladen, de allerbitterste bespotting, het hoongelach en de uitgelaten kreten, waarmede het verblinde volk juicht in zijne vernedering. En al die mishandelingen en belee-digingen, al die smaadredenen en vervloekingen zijn als zoovele giftige pijlen, die haar moederlijk hart doorboren. Maar te midden van haar lijden heft zij haar hart en hare blikken ten hemel, en andermaal spreekt zij vol gehoorzaamheid en onderwerping aan Gods heiligen wil: âZie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; O, sterke Vrouw! O, heldhaftige Maagd! O, Koningin der martelaren ! hoe onuitsprekelijk groot, hoe verheven is uw moed, hoe wonderbaar uwe standvastigheid! Ach, verkrijg ook voor ons door uw machtige voorspraak bij God een onoverwinnelijken moed, opdat wij immer bereid mogen zijn alles te doen en alles te lijden, wat de goddelijke Voorzienigheid ons zal opleggen. Gaarne, dierbare Moeder, willen wij ü en uwen goddelijken Zoon op den lijdensweg volgen en met IJ
394
staan onder het kruis van Jesus, opdat ons hart van eene vurige liefde tot God en een doode-lijken haat tegen de zonde vervuld worde!'
Voornemen. Dikwerf zal ik, ter eere van de smarten van Maria en het bitter lijden des Heeren, Jesus op dien bloedigen lijdensweg vergezellen en de oefening van den heiligen kruisweg verrichten.
III. Overweeg de woorden, welke Jesus richtte tot de vrouwen van Jerusalem, die Hem weenend volgden. ,Dochters van Jerusalem,' zoo sprak Hij tot haar, âweent niet over Mij, maar weent over u zeiven en uwe kinderen.' Als wilde Hij zeggen: â'Wel is mijn lijden groot, maar Ik heb het vrijwillig op Mij genomen en eens zal het in vreugde veranderen. Weent dus niet over Mij, maar weent over uwe stad, over het ondankbare Jerusalem, welks kinderen Ik zoo menigmaal heb willen vergaderen, gelijk do hen hare kiekens onder hare vleugelen verzamelt, weent over uw volk, dat in zijne verblindheid en hardnekkige boosheid zijn Heer en zijn God uitleidt ter kruisiging, weent over de gevolgen, welke de zonde van uw volk na zich sleept. O, die gevolgen zullen schrikwekkend, zij zullen eeuwig zijn! Er heerschte vreugde en blijdschap in uw huis op den dag dat gij moeder werdt en de vrucht uwer huwelijksliefde mocht aanschouwen. Maar ach! Ik zeg u: eenmaal zullen er dagen komen, waarop men zeggen zal: gelukkig de
395
onvruchtbaren en de sohooten, die niet gebaard en de borsten, die niet gezoogd hebben! Dan zal men tot de bergen beginnen te roepen: valt op ons ! en tot de heuvelen: bedekt ons!' Met deze woorden doelde de Verlosser op de verwoesting van Jerusalem, de verschrikkelijkste gebeurtenis, die in de wereldgeschiedenis ooit plaats greep ; maar Hij wees hier ook tevens op de straffen, waarmede de zondaren gedurende de gansche eeuwigheid zullen gefolterd worden. Overweeg hier, hoe verschrikkelijk het is. wanneer eene stad Jesus, den Zoon Gods, niet meer in haar midden wil laten wonen, wanneer zij Hem buiten hare muren werpt, gelijk Jerusalem deed. Ach, zulk eene stad, die wellicht meent hierdoor haren bloei en voorspoed te zullen bevorderen, werkt aan haar eigen ondergang. Maar wee ook den mensch, die door zijne zonden Jesus uit zijn hart verdrijft, en die gelijk de Joden halsstarrig in zijne verblindheid en boosheid volhardt! O, van hem geldt het woord, dat Jesus sprak: âEr zullen dagen komen, waarop men zeggen zal: gelukkig de onvruchtbaren en de schoo-ten, die niet gebaard en de borsten, die niet gezoogd hebben. Dan zal men tot de bergen zeggen: valt op ons! en tot de heuvelen, bedekt ons! Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal dan aan het dorre geschieden!' Jesus, de Zoon Gods is het groene hout; Hij is de Wijnstok, waaraan
396
alle ranken haai- sap ontleenen; Hij is de Rechtvaardige, die als een boom geplant is aan den oever der waterstroomen ; Hij is het Leven en de Stam, van welken alle levenskrachten uitgaan. Maar de Joden en alle zondaren zijn de takken, die van den stam zijn afgesneden; zij zijn dood voor Gods oog en zullen als het verdorde hout weggeworpen en naar het vuur verwezen worden. âAls zij dit doen aan het groene hout. wat zal dan met het dorre geschieden!quot; O, vreeselijke woorden van Gods onverbiddelijke gerechtigheid! Wanneer de Onschuldige, de Heilige, zulke folteringen mget verduren, zulk een smartelijken dood moet sterven, omdat Hij de zonden der wereld op zich nam, welk vonnis zal de goddelijke Gerechtigheid dan wel uitspreken over de zondaren, die hardnekkig zijn in het kwaad! Daar zij gelijk zijn aan het dorre hout, zoo zullen zij in het lot van het dorre hout doelen en in de vlammen worden geworpen. O, welke kwellingen, welke beschaming, welke pijnen zullen op den dag des oordeels den zondaar wachten! O, dierbare Jesus, mogen die woorden op ons nimmer van toepassing zijn! Werp hier een blik op u zeiven en vraag u ernstig af, of gij het geluk hebt in 's Heeren liefde te leven; of uwe liefde zich uitspreekt in daden ; want elke goede boom brengt ook goede vruchten voort. Vraag u af, op welke deug-
397
den gij kunt wijzen, welke goede werken gij verricht. Zijt gij arm aan deugden? Beijvert gij u niet uwe liefde tot Jesus door goede werken te toonen, ach, sidder dan voor de uitspraak des Heeren: âElke boom die geene goede vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden.quot; Neem de vermaning wel ter harte, die de Heer aan de vrouwen van Jerusalem gaf: Ween over uzelven, over uwe zonden, over uwe wereldschgezindheid, over uw onverstorven leven. Beween uwe zonden, die de oorzaak van Jesus' lijden waren. O, dat zijn goede, dat zijn gelukkige, dat zijn kostbare, troostvolle en heilige tranen, tranen, die welgevallig zijn aan God en die aan het kleed uwer ziel zijn oorspronkelijken glans en zijne reinheid terug geven.
Voornemen. jSogmaals zal ik een innig leedwezen over mijne zonden opwekken. Vurig zal ik God bidden voor de bekeering dor zondaren, tot wier zaligheid Jesus de bitterste smarten heeft willen verduren en den smadelijksten dood is gestorven.
GEBED.
O, allerzaligste Maagd Maria, Moeder van smarten, troosteres der bedrukten en toevlucht der zondaren, met kinderlijk vertrouwen werp ik mij aan uwe voeten neder en smeek ik U om uwe machtige hulp en voorspraak bij de vele kwellingen en beproevingen, de vele be-
398
koringen en gevaren, waaraan ik onophoudelijk ben blootgesteld. Herinner U de doo-delijke droefheid en de onuitsprekelijke zielskwellingen, die uw allerteederst hart overstelpten in dien bitteren stond, toen Gij uw goddelijken Zoon met wonden overdekt en gebukt onder den zwaren last van het schandhout zaagt opgaan naar Kalvarië, om voor mij en voor alle zondaren zijn goddelijk bloed te storten en zijn leven te geven aan het kruis. Ach, bij de pijnen en folteringen, die Gij op dien allerdroevigsten lijdensweg verduurd hebt, smeek ik U mijne voorspraak te zijn bij Jesus uwen Zoon, opdat ik door zijne genade gesterkt en geholpen, alle lasten des levens vol vreugde op mij neme, allo kruisen omhelze en naar uw verheven voorbeeld vol onderwerping aan Gods heiligen wil met moed en standvastigheid drage. O, allerteederste Moeder, verkrijg voor mij van God de volledige vergiffenis mijner zonden, die de oorzaak van Jesus' lijden waren, en de noodige kracht om alle verderfelijke gewoonten af te leggen, mijne verkeerde neigingen te onderdrukken, mijne zondige hartstochten te bestrijden, alle gevaren te ontvluchten en over alle aanvallen der hel te zegevieren. O, reeds zoovele bedroefden hebt Gij getroost, zoovele lijdenden gesterkt, zoovelen zondaren de genade ecner oprechte bekeering verworven, zoovele boetelingen op den weg ten eeuwigen leven behouden! Daarom
399
wend ook ik mij tot U met een onbegrensd vertrouwen op uwe moederlijke liefde en ont-ferming; en met al den aandrang mijner ziel bid ik U, gedoog toch niet, dat het kostbaar bloed van Jesus te vergeefs voor mijne ziel zij gestort. Sta mij bij met uwe machtige voorbede alle de dagen mijns levens, bij den zwaren strijd, dien ik tegen den duivel en de wereld heb te voeren, maar verlaat mij vooral niet, dierbare Moeder, in het uur van mijn sterven, in dat hachelijk uur, waarvan mijne eeuwigheid afhangt. O, toon dan vooral, dat Gij mijne Moeder zijt, dat niemand te vergeefs op ü vertrouwt en uwe hulp inroept, opdat ik in uwe armen den geest geve, in ü eene voorspraak vinde voor Gods rechterstoel en aan uwe hand den hemel moge worden binnen geleid, om daar voor eeuwig Gods goedheid en liefde en uwe moederlijke barmhartigheid- te prijzen en te verheerlijken. Amen.
DRIE EN VEERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS WORDT AAN HET KRUIS GEHECHT EN AAN ZIJN KRUIS BESPOT.
Het gewichtigste, het plechtigste, het heiligste uur, dat de wereld ooit beleefd heeft, is aangebroken. Het Lam Gods, het eenig ware Zoenoffer voor de zondenschuld der
400
wereld, zal op het altaar des kruises geslacht en aan den hemelschen Vader opgedragen worden. Tot stervens toe uitgeput heeft de lijdende Verlosser de kruin van den lijdens-berg bereikt en de beulen maken zich gereed hun wreeden last te volvoeren, 't Was bij de Joden het gebruik om aan de ter dood veroordeelde misdadigers een beker wijn met myrrhe gemengd te drinken te geven, ten einde hen minder te doen gevoelen van de hevige pijnen der kruisiging. Ook den Heer Jesus bood men deze lafenis aan, maar na er van geproefd te hebben wilde Hij ze niet drinken, daar Hij met volle bewustzijn en zonder de geringste verlichting te zoeken, zijn lijden wilde ondergaan. De krijgsknechten rukten nu den Heer zijne kleederen meedoo-genloos van het lijf, en ach, opnieuw werden zijne pijnlijke wonden door die wreede mishandeling opengereten. Dan strekt Jesus zich uit op het kruis en achtereenvolgens worden zijne handen en voeten met ruwe nagelen doorboord en aan het vloekhout vastgeklonken. Helaas! wat smartelijke, wat verscheurende folteringen moest Jesus hier verduren! Maar toch vol geduld ligt Hij daar op zijn smartbed uügesti-ekt, en te midden van de heftigste pijnen smeekt Hij den hemelschen Vader om vergiffenis voor zijne vijanden. âVader,quot; zoo roept Hij, âVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!quot; Het Lam Gods, dat de zonden der wereld
401
wegneemt, lag nu geslacht op het altaar; nu moest het omhoog geheven, om duidelijk to kennen te geven, dat het voor de wereld aan God werd opgedragen, om den mensch met God te verzoenen. De beulen sleepten den voet van het kruis naar den kuil, trokken den kruisboom met koorden omhoog en lieten hem met een hevigen schok in de geopende groeve nedervallen. Tegelijk met den Heer werden de twee moordenaars gekruisigd en ook hunne kruisen werden, heteene ter rechter-, het andere ter linkerzijde van den Heer, in den grond geplant. Ach, nu is de voorspelling, op welker nabijzijnde vervulling Christus zijne leerlingen in de zaal van het laatste avondmaal gewezen had, op schrikwekkende wijze bewaarheid: âHij is met de boosdoeners medegerekend.' â Nu is het profetisch woord ontzettende werkelijkheid geworden, dat David den lijdenden Messias in den mond legde: âZij hebben mijne handen en voeten doorboord; zij hebben al mijne beenderen geteld !'
I. Overweeg, met welk eene onuitsprekelijke liefde Jesus voor ons lijdt en hoe geen enkele smart Hem te groot is, nu Hij onze zonden uitboet. De beulen boden Hem, alvorens tot de uitvoering van het vonnis over te gaan, volgens het bestaande gebruik een mengsel van wijn met myrrhe aan. Deze drank had eene bedwelmende en verdoovende kracht en werd aan de ongelukkigen, die
402
ter kruisdood waren veroordeeld, gegeven om hen rnir.der van de onbeschrijfelijke pijnen der kruisiging te doen gevoelen. Jesus nam den beker aan, maar, na er eenige druppelen uit gedronken te hebben, gaf Hij hem weder aan de beulen terug. Waarom weigerde de Heer dien kelk te drinken? O, zijne liefde tot den hemelschen Vader, zijne liefde tot ons, zondige schepselen, gedoogde niet, dat het zou kunnen gezegd worden, dat er in zijn bitter lijden ook maar ééne smart, ééne Jewelling was, die Hij niet met de volledigste onderwerping in hare volle zwaarte wilde verduren. Neen, alle pijnen en folteringen, ook de bloedigste en gruwzaamste, wil Hij met volkomen bewustzijn dragen. Ach, wel sterft Hij den dood eens misdadigers, maar Hij ondergaat dien dood niet als een misdadiger, maar als een God. In zijn heiligen offerdood paart Hij aan den diepsten ootmoed en de smartelijkste zelfvernedering de hoogste verheffing en de heerlijkste ziele-grootheid; en nu Hij in zijne eindelooze liefde en ontferming voor de zonde der wereld voldoet, wil Hij liever de zwaarste en on-denkbaarste folteringen verduren, dan ook maar het geringste ter verlichting er van aanwenden. Maar waarom dronk de Heer dan en-kele.dmppelen uit dien beker? O, 't was omdat Hij in zijne goddelijke goedheid en zachtmoedigheid niet den schijn op zich wilde laden,- als weigerde Hij een dienst aan te
403
nemen, zelfs al werd deze Hem door zijne beulen, en zonder het geringste blijk van medelijden of deelneming in zijn lijden, aangeboden : 't was omdat Hij door dien bitteren myrrhewijn te proeven, boete wilde doen voor de zonden, die met de tong worden bedreven, en niet het minst voor de zonden van onmatigheid, gulzigheid en overtreding der kerkelijke wetten van vasten en onthouding, waardoor zoo menigeen zijne ziel bezoedelt en den lijdenden Verlosser belee-digt en bedroeft. Werp hier een blik in u zei ven en vraag u af, of gij bij het nuttigen van spijs en drank steeds die deugd van matigheid in het oog houdt en beoefent. Stelt gij u tevreden met hetgeen voor uw levensonderhoud noodig is, of zoekt gij door keur van spijzen en dranken uwe zinnelijkheid te bevredigen ? Zijt gij ook dan tevreden, wanneer de toebereiding iets te wenschen overlaat, en grijpt gij deze gelegenheid aan om u zeiven te versterven? Ontzegt gij u nu en dan eene spijs, die u aangenaam is, en gebruikt gij van die, waarvoor gij eenigen tegenzin gevoelt. O, bedenk het wel, ook van het kleinste en geringste kunt gij hier een offer maken, dat aangenaam is aan God en dat van heilzamen invloed kan zijn op uw geestelijk leven. Hebt gij u steeds beijverd als een gehoorzaam kind der H. Kerk de wetten te onderhouden van vasten en onthouding, ook dan wanneer
404
gij u op reis bevondt, wanneer gij buiten uw gezin, of wellicht met andersdenkenden aan den disch waart gezeten? Of hebt gij wellicht met deze kerkelijke voorschriften den spot gedreven en ze slechts onderhouden voor zoover zij met uwe neigingen en zinnelijke lusten strookten? O, mocht gij u onder een of ander opzicht op dit punt iets te verwijten hebben, verneder u dan voor den Heer, smeek Hem rouwmoedig om vergiffenis en tracht in de toekomst die deugd van matigheid beter te beoefenen. Doordring u van den geest, die de heiligen bezielde. O, zij wisten het van hoeveel belang het is, zich in spijs en drank te versterven, en met den godvruchtigen schrijver der âNavolgingquot; verzuchtten zij; âAch, bestonden deze behoeften niet, maar slechts geestelijke verkwikkingen der ziel, welke'wij, helaas, zelden genoeg smaken!' Begeef u voortaan aan tafel, gelijk de soldaat optrekt ten strijde, en begin al uwe maaltijden met eene overwinning over uwe zinnelijkheid. Beschouw den disch, waaraan gij gezeten zijt, als een altaar en verlaat dien nimmer zonder er eenig offer aan God te hebben gebracht. O, hoeveel troost zult gij hierdoor aan uwen lijdenden Jesus verschaffen en hoeveel overwinningen zult gij behalen in den strijd tegen den duivel, indien gij in dit punt over uwe zinnelijkheid weet te zegevieren!
Voornemen. Nimmer zal ik mij neder-
405
zetten aan den disch, zonder mij eenige versterving te getroosten.
II. Overweeg, welke ontzettende folteringen de Heer bij zijne kruisiging moest verduren. Nauwelijks had Jesus den beker met myrrhewijn aan zijne beulen terug gegeven, of de woestelingen grijpen den Heer aan en rukken Hem de kleederen meedoogenloos van het lichaam. Opnieuw worden zijne pijnlijke wonden onder die wreede mishandeling opengereten. O, onbeschrijfelijke smarten voor den afgefolterden Jesus! maar ook wat nieuwe droefheid en schaamte, nu Hij, de Minnaar der zuiverheid en de Bruidegom der maagden zich aan de schaamtelooze blikken der beulen en soldaten ziet blootgesteld. Dan 't zegt nog weinig, wat Jesus bij die ont-eerende mishandeling moest verduren. Ach, van dit oogenblik af zullen zijne smarten en pijnen met eiken polsslag in hevigheid toenemen, totdat Hij, bezwijkend onder den on-dragelijken last zijn lijdens, zijn goddelijk hoofd zal buigen en sterven, 't Was op den zesden dag der week, dat God den mensch schiep en hem plaatste in het paradijs; 't was omstreeks den middag, dat, volgens het gevoelen der heilige Vaders, onze eerste ouders de hand uitstrekten naar den boom der kennis en Gods gebod overtraden; en ach, op den zesden dag der week ook, omtrent het zelfde uur strekt Jesus, de tweede Adam, de Verlosser van het menschelijk ge-
406
slacht, vol gehoorzaamheid aan zijn hemel-schen Vader, zijne handen uit op het kruis, den waren boom des levens, om er aan vastgenageld te worden en voor de ongehoorzaamheid van den eersten Adam te boeten. Reeds ligt de goddelijke Verlosser op het kruishout uitgestrekt, en zie, daar grijpen de onmeedoogende beulsknechten den Verlosser aan, rekken zijne armen en voeten over den kruisbalk uit en binden ze vast op het hout. Het doffe gedruisch en stemmengeluid komen allengs tot zwijgen ; eene diepe stilte heerscht er rondom den kruisberg, terwijl duizenden van de omliggende hoogten hunne blikken op Golgotha's heuvelkruin houden gevestigd en met gespannen verwachting het oogenblik verbeiden, waarop de Heer aan zijn kruis zal worden opgeheven. De hemel wordt met sombere nevelen bewolkt, de duisternis neemt toe, maar de beulen bemerken het niet. Hoor, daar dreunen reeds de doffe hamerslagen over Golgotha en achtereenvolgens worden 's Heeren handen en voeten met grove nagelen doorboord en aan het vloekhout geklonken. Ach, daar springt Jesus' heilig bloed uit nieuwe, onuitsprekelijk smartvolle wonden omhoog ; 't bevochtigt de ruwe beulenhanden, 't purpert het hout des kruises, 't vloeit van den kruisbalk neder op den grond. Maar wat hevige folteringen Jesus in die oogenblikken ook verduurde, mot de volledigste onderwer-
407
ping ligt Hij daar op zijn kruis; geen enkele klacht, geen enkele zucht ontsnapt zijne lippen; neen, niets verwijt Hij aan zijne beulen, maar alles verdraagt Hij, alles vergeeft Hij, en zijn hart en zijne oogen ten hemel heffend smeekt Hij zijn hemelschen Vader om vergiffenis voor de beulen, die Hem kruisigden. âVader!'' zoo roept Hij, âVader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.quot; Als wilde Hij zeggen: Liefdevolle Vader, bijna heb Ik het werk volbracht, dat Gij Mij hebt opgelegd, 't Was uw goddelijke wil, dat Ik nederdaalde uit den hemel en de mensehelijke natuur aannam, dat Ik drie en dertig jaren in armoede en ontbeering, in vernedering en smart, in vervolging en lijden aan het heil der menschheid zou arbeiden. Ik heb uw aanbiddelijken wil volbracht; den bitteren lijdenskelk, dien Gij Mij hebt aangeboden heb Ik bijna geledigd; nog slechts een weinig tijds rest Mij. Welaan, zoo Ik U iets mag vragen, om ééne zaak slechts smeek Ik U. O, bij den smaad, dien Ik gedragen, bij de folteringen, die Ik verduurd heb, bij de doornen, waarmede Ik ben gekroond, bij de nagels, waarmede mijne handen en voeten doorboord werden, bij het bloed, dat Ik vergoten heb, bij het kruis, waaraan Ik voor de zondaren ga sterven, indien Ik uw welbeminde Zoon ben, indien Gij ooit eenig welbehagen in Mij gehad hebt, zoo mijn
408
gebed en mijne tranen iets bij ü vermogen, o, verhoor dan de bede, die Ik tot ü richt. Ach, gedoog toch niet, dat zij verloren gaan, die de oorzaak van mijn lijden zijn; genees hen, die Mij met wonden slaan; schenk hun het leven, die Mij aan het kruishout doen sterven; straf hen niet, maar heb medelijden met hen, spaar hen, vergeef hun wat zij tegen Mij misdreven, want ach, zij weten niet wat zij doen.' O eindelooze ontferming! O, onuitsprekelijke liefde! O, mijn dierbare Jesus, wat zal ik U geven of hoe ü mijne erkentelijkheid betuigen voor de namelooze barmhartigheid, waarvan uw goddelijk hart voor de zondaren overvloeit! Ach, te midden der folterendste pijnen denkt Gij niet aan U zeiven, niet aan uwe maagdelijke Moeder, die in sprakelooze smart uw lijden aanschouwt, niet aan uw beminden leerling Joannes, niet aan uwe apostelen en volgelingen, maar zijt Gij slechts bedacht op het heil uwer vijanden, die ü aan het kruishout doen sterven. O, of toch allen, die bij de kleinste beleediging, bij het geringste onrecht, dat zij ondervinden, door gramschap en drift vervoerd worden, of toch allen, die zinnen op wraak, die in haat of wrok voortleven en weigeren van verzoening te hooren, een blik wierpen op het kruis; of die liefdevolle bede, die in dat smartelijkste aller uren uit uw allerzachtmoedigst hart opwelde, hun immer in de ooren klonk en hen
409
bewoog om elke beleediging, hoe bloedig ook en gruwzaam, vol liefde en bereidwilligheid te vergeven! Onderzoek hier uzelven en vraag n af, in hoeverre gij het voorbeeld van den zachtmoedigen Verlosser gevolgd hebt. Blijft gij kalm en zachtmoedig jegens degenen, die u eenig onrecht aandoen ? Verdraagt gij allen smaad, alle verachting der wereld in den geest van Jesus Christus? Blijft uw hart vrij van eiken wrok, jegens degenen, die u beleedigen, en zoo er soms eenige afgekeerdheid jegens hen in uw gemoed opkomt, tracht gij dit gevoel dan met alle kracht te bestrijden en te onderdrukken? Bewijst gij hun de diensten, die zij u vragen, en bewijst gij ze hun gaarne en met liefde? Zijt gij niet minder bewogen met het leed uwer vijanden dan met dat uwer vrienden ? Bidt gij dikwerf voor degenen, die u belasteren en zich jegens u vijandig gezind toonen? O, mochten er dan bekoringen van haat en wraakzucht in uw gemoed oprijzen, denk dan aan het woord, dat Jesus eenmaal sprak: ,Bemint uwe vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vloeken en bidt voor die u vervolgen en lasteren;quot; denk dan aan het voorbeeld, dat Hij u gaf op het kruis en bestrijd die verderfelijke gevoelens met allen ijver, opdat God ook u barmhartig zij en u vergeve, hetgeen gij jegens Hem hebt misdreven. O dierbare Jesus, die ons door uw woord en door uw
410
voorbeeld deze heilige les hebt geschonken, geef, dat wij haar wel mogen onthouden en stipt mogen opvolgen in ons leven.
Voornemen. Naar het voorbeeld des Heeren zal ik dikwijls God bidden voor allen, die mij ooit beleedigden of eenig onrecht aandeden.
III. Overweeg, welken bitteren hoon, welke grievende bespotting Jesus van zijne vijanden aan het kruis moest verduren. Stel u het tooneel van 's Heeren lijden recht levendig voor den geest. Zie, daar hangt Jesus aan het kruis, te midden der tweemoordenaars; 's Heeren heilige Moeder, de H. Joannes en eenige heilige vrouwen staan aan den voet van het kruis en terwijl de Heer daar in ondenkbare folteringen aan zijne heilige wonden hangt, terwijl Hij zichzelveu opdraagt aan den hemelschen Vader tot Zoenoffer voor de zonden der wereld, naderen zijne vijanden Hem, om in dat laatste, dat smartelijkste aller uren Hem met den bittersten spot en de wreedste verguizing te overladen. Ach, zij bespotten den Heer in zijne goddelijke wondermacht en roepen Hem hoonend toe: âAnderen heeft Hij gered, zich zeiven kan Hij niet redden. Indien Hij de uitverkoren Christus Gods is, dan redde Hij zichzelven !quot; Zij bespotten hem in zijn goddelijk koningschap: âIndien hij Israels koning is, dan kome Hij nu af van het kruis en wij ge-looven in Hem!' Zij bespotten Hem in
zijn vertrouwen op God en in zijne Godheid zelve: âHij heeft op God vertrouwd, dat die hem redde, indien Hij in Hem behagen heeft! ⢠Immers Hij heeft gezegd: Ik ben de Zoon Gods.quot; En ach, onder al degenen, die daar het kruis voorbijgaan, is er niemand, die Hem niet met beschimpingen overlaadt, die niet juicht in zijne vernedering, die zich niet verlustigt in zijn lijden. Phariseën en ouderlingen, priesters en schriftgeleerden, Romeinsche soldaten en lieden uit de heffe des volks, ja, zelfs een der moordenaars aan het kruis, allen bespotten Hem en overladen Hem met de diepste verguizing. O, aller-grievendste hoon, o, allersmartelijkste vernedering, die den eeuwigen Zoon van God in het plechtigste, het verhevenste, het heiligste aller uren wordt aangedaan. Ach, zij spotten met zijn almacht, dewijl Hij, na anderen gered te hebben, zich zeiven niet redt; maar zij bedenken niet, dat Hij zich juist aan dien bitteren dood overgeeft, om alle menschen te behouden en de geheele wereld te redden van den eeuwigen ondergang. Zij spotten met zijn heilig koningschap en met zijne Godheid en roepen: âZoo Hij de Zoon Gods, zoo Hij Israels koning is, dan kome Hij nu af van hot kruis, en zij beseffen het niet, dat Hij aan het kruis is geslagen, juist omdat Hij de Zoon Gods is, die de menschelijke natuur aannam, om ons door zijn lijden en dood te kunnen verlossen; zij
412
zien het niet in, dat Hij aan het kruis moet blijven hangen, omdat Hij waarachtig Koning . is, niet van het verworpen volk, dat jubelt in zijn smadelijken dood, maar van een nieuw en uitverkoren geslacht. Want ja, dat kruis wordt eenmaal de troon, van waar Hij als Vredevorst en Vader der toekomstige eeuw over de zijnen zal heerschen; dat kruis wordt eenmaal de schep ter zijner heerschappij ; omhoog geheven van de aarde, trekt Hij allen tot zich; rondom zijn kruis zullen weldra volken en koningen te zamen snellen, om den Man van smarten, den met doornen Gekroonde te huldigen als den waarachtigen Zoon van God, den Koning der eeuwige glorie; rondom dat kruis zullen de verlosten in dankbare vervoering nederknielen en met den diepsten eerbied Hem toeroepen: âWij aanbidden ü, Christus, wij loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.'' Maar gevoelt gij iets van den bitteren spot, die Jesus werd aangedaan. O, vraaguaf, waarom de Heer al dien smaad aan het kruis heeft willen verduren. Ach, waarom anders, dan om zelf tej.dragen, hetgeen wij om onze zonden verdiend hadden. Om onze misdrijven verdienden wij met eeuwigen smaad overladen, in het diepste der hel geworpen te worden, maar zie, om ons van die straffen te bevrijden, wil Jesus, de Zoon Gods, dien bitteren hoon verduren. Door Gods wetten en geboden te overtreden hebben wij den Heer
413
des hemels een oneituligen smaad aangedaan en zie, dien smaad wil Jesus uitboeten aan het kruis door zich de diepste vernederingen en verguizingen te getroosten. 0, aanbid dan uwen God en koning, en geef Hem eerherstel voor den allersmartelijksten hoon, waarmede de Joden Hem in zijn stervensuur hebben overladen. Maar bedenk ook tevens, hoe Jesus versmaad wil worden, om ons te leeren om Zijnentwille allen smaad, alle verachting der wereld te dragen. âDe leerling is niet meer dan zijn meester en de dienaar is niet meer dan zijn heer.quot; Hij, die een ware leerling van Jesus wil zijn, zal velerlei spot in de wereld te verduren hebben. Daarom, laat den moed niet zinken, wanneer gij omwille van uw geloof of ter liefde van Jesus aan de verachting der wereld bloot staat, maar blik op den gekruisigden Verlosser, leer naar zijn verheven voorbeeld alle tegenspraak en vervolging geduldig en met vreugde verduren en denk aan het troostvolle woord, dat de Heer eenmaal sprak: âZalig zijt gij, wanneer om Mijnentwille de menschen u versmaden en verfoeien en u vervolgen en leugenachtig, alle kwaad tegen u spreken; verblijdt u te dien dage en verheugt u, want ziet uw loon is groot in don hemel.'
Voornemen. Elke bespotting, eiken smaad, die mij zal worden aangedaan, zal ik ter liefde van Jesus geduldig verduren en aan Hem opdragen ter uitboeting van mijne zonden.
414
GEBED.
Heb dank, dierbare Jesus, heb duizendmaal dank voor het onvergetelijk voorbeeld van liefde en vergevensgezindheid, dat Gij ons in uw smartvol lijden hebt geschonken. Ach, terwijl Gij aan de bitterste folteringen ter prooi waart, terwijl de beulen uwe heilige handen en voeten doorboorden en aan het kruishout sloegen, terwijl al het volk zich om uw kruis verzamelde en juichte in uwe smarten en vernederingen, riep uwe stem om genade voor uwe vijanden, om vergiffenis voor de beulen die U kruisigden. O onuitsprekelijke vergevensgezindheid! O eindelooze liefde! Ach, of ook ik, dierbare Verlosser uw verheven voorbeeld gevolgd ware en steeds met liefde de beleedigingen had verdragen, die mijne vijanden mij aandeden ; of ook ik steeds alle verongelijkingen en mishandelingen van ganscher harte had vergeven! Maar helaas ! hoe menigmaal heb ik U beleedigd door de gramstorigheid en verbittering, waarmede ik het mij gepleegde onrecht zocht te wreken ; hoe menigmaal ü bedroefd door de gevoelens van haat en afgekeerdheid, die ik jegens mijne mede-menschen koesterde. O dat smart mij, lieve Jesus, en bittere droefheid er over vervult mij het hart. Zie, van dit oogenblik af wil ik een beter, een christelijker leven gaan leiden. Daarom bid ik ü, Heer Jesus, schenk
415
mij dien geest van geduld en zachtmoedigheid, van goedheid en ontferming, van liefde en vergevensgezindheid, die U gedurende uw sterfelijk leven immer bezielde en waarvan Gij ons in uwe laatste uren zulk een heerlijk voorbeeld hebt geschonken. Ik vereenig mij met ü en schenk van ganscher harte vergiffenis aan allen, die mij ooit eenig onrecht aandeden. Hierdoor, lieve Jesus, hoop ik mij waardig te maken ook van ü vergiffenis te verwerven van alle zonden, waarmede ik U ooit beleedigde. Genade en ontferming, o mijn Jesus, over een zondaar, die in zijne verblindheid niet ophield U te beleedigen. Ter uitboeting mijner zonder onderwerp ik mij vol vreugde aan allen smaad, aan alle vervolging en vernedering, die mij in deze wereld zou kunnen overkomen, opdat ik hier al mijne zonden uitboetend en uw voorbeeld volgend, eenmaal de vruchten moge inoogsten, die Gij ons door uw smartvol lijden en uwen bitteren kruisdood hebt verworven. Amen.
VIER EN VEERTIGSTE OVERWEGING.
JESUS HANGT EN STERFT AAN HET KRUIS.
De goddelijke Verlosser hing aan het kruis, en terwijl zijne vijanden Hem met de
416
bitterste verguizing overlaadden, sloot ook een der misdadigers, die met den Heer gekruisigd waren, zich bij hen aan en spottend riep hij Jesus toe: âIndien gij de Christus y' zïjt. red dan TJzelvei) en ons!' De andere moordenaar echter, opTjvien het onoverwinnelijk geduld en de zachtmoedigheid des Hee-ren een diepen indruk gemaakt hadden, kon dien hoon niet dulden. Hij berispte hem en zeide: âVreest ook gij God niet, daar gij dezelfde straf ondergaat. En wij zeker met recht, want wij ontvangen, wat onze daden verdienen; maar Deze heeft niets kwaads gedaan.quot; En terwijl hij aldus rouwmoedig zijne schuld erkende en 's Heeren onschuld beleed, was het als drong een nieuwe lichtstraal in zijne ziel; Gods genade behaalde in hem eene volkomene overwinning, hij geloofde in Jesus' Godheid en vol ootmoed bad hij; âHeer, gedenk mijner, als Gij zult gekomen, zijn in uw rijk!quot; Op hetzelfde oogen-blik verhoorde Jesus zijn gebed en Hij sprak hem vol liefde toe: âVoorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.' Intusschen namen Jesus' pijnen voortdurend toe. Zijn gelaat is met doodelijke bleekheid overtogen; het bloed vloeit nog maar traag uit zijn heilige wonden, en alles kondigt aan, dat weldra zijn laatste stond zal zijn aangebroken.^Alvorens echter van deze wereld te scheiden wilde Hij ons een nieuw blijk geven van de teedere liefde, die Hij
417
ons toedraagt. Hij vestigde zijne blikken op zijne heilige Moeder en den H. Joannes, die in ontroostbare droefheid en zielesmart d aar stonden onder het kruis. En hij sprak tot Maria: âVrouwe, zie uwen zoonquot;; vervolgens richtte Hij zich tot Joannes en zeide ; âZie uwe moeder!' O allesovertreffende liefde des Heeren! In dat laatste, dat smartelijkste aller uren denkt de Heer meer aan ons geluk en aan ons heil dan aan zijn eigen lijden, en niet tevreden met ons God wederom tot Vader te hebben teruggeschonken, geeft Hij ons de allerheiligste Maagd tot Moeder ! Het negende uur, het plechtig tijdstip, waarop het groote Verlossingswerk onzer zielen door 's Heeren dood zou voltooid worden, naderde; de duisternis, die van het zesde uur de geheele aarde als in rouwgewaad gehuld had, begon reeds af te nemen, toen de Heer opnieuw een smartelijken kreet slaakte, een kreet, die ons de diepte en geheel den omvang openbaart van het onuitsprekelijk lijden, waarin ook zijne ziel aan het kruis gedompeld was. âMijn God! mijn God!quot; zoo klonk het van zijne stervende lippen, âwaarom hebt Gij Mij verlaten!' O, te midden der smartelijke folteringen, die Hij leed, wilde Hij niet alleen alle menschelijke vertroostingen ontberen, maar zelfs die, welke zijne Godheid, zijne innige vereeniging met den Vader Hem aanbood, en daarom wilde Hij in zijn sterven zich zelfs van den Hemel verlaten gevoelen ! Een oogenblik later vroeg
21
418
Jesus een weinig lafenis en riep Hij op smart-vollen toon: âIk heb dorst!' Terstond spoedde zich een soldaat naar 's Heeren kruis en bood Hem een in azijn gedoopte spons op een hysopstengeL aan. Jesus dronk van den azijn, en ziende/dat alles vervuld was, wat de profeten van Hem voorspeld hadden, zeide Hij: âHet is volbracht!' En terwijl Hij zijne ziel aan den hemelschen Vader aanbeval en met luide stem riep: âVader! in uwe handen beveel Ik mijnen geest!' ontvlood een laatste zucht zijn goddelijken mond, boog Hij het hoofd en stierf. 1 T. Overweeg, hoe heerlijk Gods eindelooze 'liefde en barmhartigheid jegens den zondaar zich openbaart in de bekeering van den goeden moordenaar. De ongelukkige had een leven achter zich, dat eene aaneenschakeling was van gruweldaden; de weg, dien hij had bewandeld, voerde hem onvermijdelijk tot dien eerloozen dood, waarmede de mensche-lijke gerechtigheid den misdadiger straft. Maar terwijl hij daar hing aan het kruis verdroeg hij zijne straf rouwmoedig^ zich volkomen bewust die verdiend te hebben voor zijne overtredingen. jOpenlijk belijdt hij zijne schuld en erkent hij de onschuld van Jesus. O, hij zag met welk een aanbiddelijk geduld en hemelsche zachtmoedigheid de Heer zijn lijden verduurde; hij hoorde, hoe Christus vol liefde zijne vijanden vergaf en voor hen bad aan het kruis, en de genade des hemels.
419
(wier lichtstraal in zijne ziel doordrong, deed hem in den met doornen gekroonde, in den medegekruisigde zijn Heer en zijn Koning erkennen. Van dat geloof legt hij openlijk getuigenis af als hij bidt: âHeer, wees mijner gedachtig, wanneer Gij zult gekomen zijn in uw rijt !'r Hij noemt Jesus Heer, terwijl deze als een misdadiger en verworpeling, door de heffe des volks veracht en bespot, daar hangt aan het schandhout; hij erkent Jesus' goddelijk Koningschap, ofschoon hij Hem met doornen ziet gekroond; hij huldigt Hem als Koning, maar als Koning van een rijk, dat de grenzen van den tijd overschrijdt en in eeuwigheid zal voortduren. â0, ziehier,quot; zoo roept de H. Leo uit, âziehier een rnensch, tot op het uur zijner kruisiging een misdadiger, in weinige oogenblikken zoozeer veranderd, dat hij niet alleen een boetvaardige, maar ook de eerste profeet, de eerste Evangelist, de eerste martelaar, de eerste belijder van Jesus Christus geworden is, die onbeschroomd, zonder eenige vrees voor de menschen, van zijn kruis aan geheel het Joodsche volk Jesus' onschuld, zijne heiligheid, zijne macht, zijne heerschappij en zijne Godheid verkondigt !quot; Onderzoek u zeiven en vraag u af, of uw geloof even levendig is als dat van den boetvaardigen moordenaar, of gij te allen tijde onverschrokken uwe geloofsovertuiging durft uitspreken, en verneder u voor God, indien gij erkennen moet, uit straf-
420
waardige schaamte of menschelijk opzicht dezen eersten uwer plichten te hebben verwaarloosd. Overweeg, hoe welgevallig de bede van den goeden moordenaar was aan den Heer. Nog nauwelijks heeft Jesus die rouwmoedige woorden vernomen, of vol liefde spreekt Hij den boeteling toe: âVoorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij zijn in het paradijs!quot; Ach, de schuldige durfde in zijne nederigheid niets anders vragen dan dat de Heer hem zou gedenken, wanneer Hij zou gekomen zijn in zijn rijk ; en Jesus belooft hem niet alleen zich zijner te zullen herinneren, maar verzekert hem plechtig, dat hij nog dien eigen dag met Hem het paradijs zal mogen binnengaan. O, ondoorgrondelijk geheim van Gods onuitsprekelijke barmhartigheid ! O, gelukkige moordenaar, die werdt uitverkoren om gerechtvaardigd en geheiligd te worden door de verdienste van het goddelijk oiferbloed in het eigen uur, waarop dit bloed aan het kruis werd vergoten ! O, benijdenswaardige kruiseling, die uit den mond van Jesus zeiven mocht vernemen, dat hij tegelijk met Gods Zoon het paradijs des hemels zou ingaan, om daar voor eeuwig in zijne onsterfelijkheid en zijne glorie te deelen ! Welke vreugde zal het hart van dien heiligen boeteling niet overstelpt hebben toen hij dat goddelijk woord mocht vernemen; met welk een blijdschap zal hij de beulen niet hebben zien toetreden om door de laat-
4-21
ste martelingen 'zijn dood en aldus zijn eeuwig geluk en zijne glorie te verhaasten ! Wie zou dan nog wanhopen aan zijne zaligheid, waar hij Jesus den berouwvollen misdadiger op zijne eerste bede het paradijs ziet ontsluiten. Mocht gij â darT zwaar gezondigd hebben, ja mocht er wellicht een Uvleven ^cHteV ' h-- liggen, dat geheel aan ' d«n dienst der wereld, aan de inwilliging . van bpoze/.hartstochten was gewijd, schep (ilfi f v mSe'cl, ''werp een blik op den gekruisten Verlosser en verzucht tot Hem met den boetvaardigen moordenaar, maar verzucht het met dienzelfden ootmoed, datzelfde leedwezen, datzelfde geloof en vertrouwen: âHeer Jesus, wees mijner gedachtig, nu Gij daar zetelt in uw rijk. Vergeef mij, wat ik jegens .:J U misdreef, schenk mij de genade om van dit oogenblik af in alles uw heiligen wil te volbrengen, in het goede te volharden en in uwe liefde te sterven, opdat ik ü eenmaal met alle boetelingen en uitverkorenen moge prijzen en verheerlijken in eeuwigheid!quot;
Voornemen. Hoe groot en menigvuldig mijne overtredingen ook mogen geweest zijn, steeds zal ik een onwrikbaar vertrouwen stellen in Gods eindelooze barmhartigheid.
II. Overweeg, hoe Maria onder het kruis ons tot Moeder werd geschonken. Ach, Eva, ons aller stammoeder, stond onder den boom der kennis en strekte begeerig hare hand uit naar de verboden vrucht; zij plukte
422
haar, at ze en gaf er van aan Adam, en zoo zondigden onze eerste ouders door hoogmoed, door ongehoorzaamheid en zinnelijkheid en verloren zij niet alleen voor zich-zelven, maar voor geheel hunne nakomelingschap de bovennatuurlijke voorrechten, waarmede God hen bij hunne schepping had begiftigd. Maar wat onze stamouders voor ons verloren, schonk God ons terug door zijn eeniggeboren Zoon. En omdat de allerzaligste Maagd Maria den Messias ter wereld bracht wordt zij door de heilige Vaders begroet en verheerlijkt, als Medewerkster in de verlossing yan het menschelijk geslacht, als de nieuwe Eva, de Moeder van allen, die, door Jesus' bloed herboren, het leven der genade terug ontvingen. Maar wat de nooit volprezen Maagd reeds was krachtens haar heilig Moederschap, werd zij nogmaals door den uitdrukkelijken wil des Verlossers, toen Hij met stervenden mond tot haar en tot den beminden leerling sprak: âVrouwe, zie uwen Zoon, Zoon, zie uwe Moeder!' O, nooit volprezen geheim van 's Heeren goedheid en liefde ! Zie, terwijl Jesus daar in de ondragelijkste smarten aan het kruishout hangt, denkt Hij niet aan zijn bitter lijden, maar slechts aan onze redding, aan ons geluk; zijn heilig bloed schenkt Hij ons ter verzoening en vergiffenis en zijne maagdelijke Moeder tot onze bijzondere beschermster en schutsvrouw in dit leven! Maria is onze Moeder/ met de teederste
423
bezorgdheid slaat zij ons gade; zij waakt over onze schreden, reikt ons hare liefderijke hand toe op onzen weg en voert ons de veilige haven des behouds binnen. âVrouwe, zie uwen Zoon!quot; Sinds Jesus dit zegenrijk woord sprak op Golgotha, betoonde Maria zich te allen tijde de Moeder der gansche Christenheid. Zij is die blinkende ster aan den hemel, wier vriendelijke stralen het pad verlichten, waarlangs wij, pelgrims uit dit ballingsoord, moeten opgaan naar het hemelsch vaderland. Zij is de geestelijke ark, waarin allen worden opgenomen en redding vinden, die bij den zondvloed, welke de wereld bedreigt, tot haar hunne toevlucht nemen. Zij is de hechte toren, waarin de christelijke strijders een veilige rustplaats vinden en zich kunnen onttrekken aan de aanvallen van den helschen vijand. Zij is de toevlucht der zondaren en nimmer werd iemand verstooten, die hare hulp inriep. Haar hart staat voor allen open, die zich met kinderlijk vertrouwen onder hare moederlijke bescherming stellen; zij schenkt leniging in alle smart, opbeuring in alle droefheid, hulp in allen nood, sterkte in alle lijden, want haar moederlijk hart is vol ontferming en klopt voor elk harer kinderen van de vurigste, de krachtigste, de heiligste liefde. Vraag u af, of ook gij uwe Moeder eene teedere liefde toedraagt, of gij een onbeperkt vertrouwen stelt in hare voorspraak en of gij in alle moeielijkheden
424
en gevaren tot Haar uwe toevlucht neemt. Beijvert gij u, Haar als uwe Moeder te vereeren door-hare feestdagen met -bijzonderen luister te jderen? Legt gij er u op toe hare deugden na te volgen, en zijt gij gewoon haar dikwerf gedurende den dag te begroeten met de schoone gebeden, waarin hare kinderen Haar bij voorkeur verheerlijken en zich onder hare machtige bescherming stellen? O, bedenk het wel, er bestaat schier geen krachtiger voorbehoedmiddel tegen de zonde, geen zekerder waarborg om de genade der volharding van God te verkrijgen, dan eene teedere, eene kinderlijke godsvrucht tot de allerheiligste Moeder des Heeren,
Voornemen. Ik wil er ernstig naar streven een ijverig diènaar van Maria te zijn. Daarom zal ik in elke beproeving en bekoring hare bescherming inroepen en mij er op toeleggen hare deugden na te volgen, bijzonder hare nederigheid, haren geest van versterving en -hare zuiverheid; ^ w u i
III. Spoed u heen, in den geest, spoed u heen. Christen ziel, naar den heuvel van Kalvarië; nader met diepen eerbied het kruis, waaraan Jesus te sterven hangt; werp u aan den voet des kruises neder, zie op met innige liefde en diep gevoeld medelijden naaiden lijdenden Verlosser, die in onbeschrijfelijke folteringen voor de zonden der wereld boet. Ach, met elk oogenblik nemen zijne krachten af en vermeerderen zijne pijnen;
425
uitgeput van bloedverlies en lijden zoekt Hij tevergeefs naar eene plaats, waar Hij het moede hoofd zal laten rusten. Hij laat het steunen, tegen den kruisbalk, en de doornen dringen nog dieper in zijn heilig hoofd. Hij laat het rusten op zijne borst en de wonden zijner doornagelde handen scheuren nog verder open. Aanschouw dat aanbiddelijk gelaat ; zijne lippen zijn verbleekt, de doodskleur spreidt zich uit over zijn heilig aangezicht, de glans zijner oogen wordt verduisterd, de laatste druppelen van zijn kostbaar bloed vloeien uit zijn heilige wonden, zijne ademhaling wordt immer zwaarder en moeielijker, alles kondigt aan, dat de Schepper en Oorsprong des levens weldra den geest zal geven. Het is omstreeks drie uren in den namiddag, het uur, waarop het avondoffer in den tempel wordt opgedragen, het uur tevens, waarop Jesus, de eeuwige Hooge-priester der Nieuwe Wet, zijn offer gaat voltooien. Hoor, hoe Hij zich beklaagt bij zijn hemelschen Vader over de smartelijke verlatenheid, waarin hij daar hangt aan het kruis, hoe Hij, door den hevigsten dorst gefolterd, om lafenis roept, hoe Hij met stervenden mond spreekt: âHet is volbracht.quot; Ja, het is volbracht, het groote, het gewichtige werk, dat de Zoon Gods op deze wereld kwam verrichten; alle vermoeienissen zijn doorstaan, alle smarten en ontberingen zijn geleden, nog eenige oogenblikken, en alles
426
zal een einde nemen. Het is volbracht. De voorafbeeldingen van het Oude Verbond zijn werkelijkheid geworden; de voorspellingen der profeten zijn vervuld, de Oude Wet wordt opgeheven en de Nieuwe Wet wordt afgekondigd. Het is volbracht. De wil des hemelschen Vaders is vervuld, de bittere lijdenskelk bijna geledigd, het groote offer zijne voltooiing nabij, en weldra zal Gods rechtvaardigheid zijn voldaan, weldra de zondenschuld der wereld in het bloed van het goddelijk Lam zijn uitgedelgd. Het is volbracht! O onuitsprekelijk verheven en heilig geheim. O troostvolle, o zoete en verblijdende woorden, waarin de Zoon van God voor de zonden zijner schepselen den oifer-dood stervend aan de geheele wereld aankondigt, dat de verlossing nabij is. Nog eenmaal richtte Jesus het hoofd op; nog eenmaal sloeg Hij zijne blikken ten hemel; dan slaakte Hij een luiden kreet en riep: .âVader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest!quot; en na deze woorden boog Hij het hoofd en stierf. . . . Ach, Jesus is gestorven; de Zoon van God, de vreugde der Engelen, de Blijdschap des hemels, de Bruidegom onzer zielen. Hij is gestorven om door zijn dood ons te redden van den eeuwigen ondergang.quot; âJesus is gestorven!quot; zoo treuren de heilige vrouwen en de beminde leerling aan den voet van het kruis. âJesus is gestorven !' zoo roepen de hardnekkige Joden
427
met lioosaardigen lach elkander toe. , Jesus is gestorven!quot; zoo juichen en jubelen de Engelen en gelukzalige Geesten in den hemel.; 's Heeren lijden heeft een einde genomen, het groote Verlossingswerk is volbracht, de helsche machten zijn verslagen, de dood is overwonnen, de zielen zijn vrijgekocht, Gods toorn is gestild, de hemelsche Gerechtigheid is verzoend, de vrede tusschen hemel en aarde op plechtige wijze gesloten tn de poorten des hemels zijn wederom geopend! O, duizendwerf gezegende dag, o plechtig uur, o onuitsprekelijk geheimnis-vol en verheven oogenblik, waarop de Zoon van God door zijn dood den dood overwon en door zijn leven te laten aan het kruis aan zijne schepselen het eeuwig leven heeft geschonken! Welaan, kniel in de dankbare vervoering uwer liefde naast uwen gestorven Verlosser neder, beschouw dat heilig lichaam, dat voor uwe zaligheid met wonden werd overdekt, omhels in den geest die doorboorde voeten en overweeg het woord, dat Jesus, de eeuwige Waarheid, zelf eenmaal sprak : âGrooter liefde heeft niemand, dan hij, die zijn leven geeft voor zijne vrienden.quot; O, 't was uit liefde tot u, dat Hij het ondragelijkst lijden op zich nam en den smadelijksten dood wilde sterven! üit liefde tot u liet Hij zich in boeien slaan en gevankelijk wegvoeren uit den Olijf hof; uit liefde tot u liet Hij zich als een misdadiger onder een vloed van
428
slagen voortsleuren langs Jerusalems straten; uit liefde tot u gaf Hij zijn lichaam over aan de wreede geeselstraf; uit liefde tot u bood Hij zijn hoofd aan om met doornen gekroond te worden; uit liefde tot u nam Hij het zware kruis op de schouders, droeg Hij het heen naar Golgotha, strekte Hij zich uit op het schandhout en liet Hij zijne handen en voeten doorboren; uit liefde tot u hing Hij drie lange, smartvolle uren aan zijne heilige wonden, aan de heftigste folteringen, aan de bitterste verguizing ter prooi; uit liefde tot u boog Hij zijn hoofd en stierf Hij in de smartelijkste verlatenheid en de diepste vernedering, als de laagste en verachtelijkste boosdoener, door de heffe des volks versmaad en gevloekt. O, kunt gij uwen God en Heer uit liefde tot u de bitterste folteringen zien verduren, den onteerendsten dood zien sterven, zonder Hem eenig blijk uwer dankbare wederliefde te geven. Ach, indien gij Hem voorheen niet hebt liefgehad, wil Hem dan yqor het minst uwe wederliefde niet weigeren. [JDat hart toch zou al te versteend zijn, dat na zulk eene liefde ondervonden ie hebben geen liefde voor liefde zou willen geven. Wij lezen van een heilig jongeling, met name Calliopus, dat hij daags voor den sterfdag des Heeren om de trouwe en heldhaftige belijdenis van zijn geloof, met het hoofd naar beneden en de voeten opwaarts aan het kruis werd gehecht. Den volgenden dag gaf hij
429
onder de grootste folteringen den geest. Zijne moeder echter bleef daar staan aan zijne zijde; treurend en alle smarten en folteringen in hare ziel verdurend, die den martelaar in zijn lichaam waren aangedaan; en terwijl hij nog hing aan het kruis omhelsde zij hem in zulk een onuitsprekelijke zielesmart, dat zij in deze omhelzing stierf. O, mocht ook gij aldus het kruis van Jesus omhelzen met^ dezelfde liefde, met dezelfde deelneming in zijn lijden; mochten geene bekoringen, geene kwellingen, geene beproevingen, geene vervolgingen, mocht geen ziekte, geen lijden, geen macht ter wereld ooit in staat zijn u van het kruis des Heeren los te rukken, noch van zijne liefde te scheiden ! Ach, smeek Jesus dan om vergiffenis voor uwe zonden, die de oorzaak van zijn lijden en sterven waren, hernieuw uwe goede voornemens, leg ze aan den voet des kruises neder en verzucht tot Hem: Heer Jesus, die mij door uw smartvol lijden en uwen Moedigen dood hebt vrijgekocht, vergeef mij mijne zonden, ontgloei mijn hart van eene vurige, dankbare wederliefde tot ü; gedoog toch niet, dat ik ooit weder door de zonde van U gescheiden worde.
Voornemen. Dikwijls zal ik er aan denken, hoe Jesus uit liefde tot mij zijn leven heeft gegeven aan het kruis, om mij tegen elke bekoring te sterken en in zijne liefde te volharden.
430
GEBED.
Dank, duizendmaal dank, dierbare Jesus, voor de liefde, de eindelooze, de onuitsprekelijke liefde, die Gij mij in uw bitter lijden en sterven betoond hebt. Helaas! ik was de schuldige. Door mijne zonden had ik den toorn van uwen hemelschen Vader tegen mij opgewekt en de straffen der hel verdiend; geen geluk, geen vreugde, geen zaligheid bestond er meer voor mij, noch in dit leven, noch in de eeuwigheid. Maar toen ik in de boeien des duivels verzuchtte en in zonden nederlag, daaldet Gij neder uit den hemel, en na een leven van armoede en ontbering geleid te hebben, naamt Gij het kruis op uwe schouders en gingt Gij op naar Golgotha, om de straffen uit te boeten, die ik door mijne zonden verdiend had, en het doodvonnis te ondergaan, dat over mij door den eeuwigen Rechter was uitgesproken. O, dierbare Jesus, wat zal ik U dan wedergeven voor al hetgeen Gij voor mij geleden hebt, voor al de liefdeblijken, die ik van U mocht ontvangen? O, niets anders vraagt Gij dan een hart, dat U eene innige wederliefde toedraagt. Welaan, liefdevolle Verlosser, ik schenk U mijn hart. Helaas! wel moet ik erkennen dat het niet waardig is om aan U opgedragen te worden; want ach, nog beantwoordt het zoo weinig aan uwe liefde, nog is het zoo arm aan deugden, zoo ge-
431
hecht aan de ijdelheden dezer wereld en zoo geneigd tot het kwaad. Maar Gij, lieve Jesus, die alles kunt, Gij kunt het ook Uwer waardig maken. O, zie dan hier, waarom ik ü smeek. Reinig en zuiver mijn hart van elke vlek en smet, roei elke neiging, elk verlangen, elke begeerte, die niet ü ten doel heeft volkomen in hetzelve uit; ontgloei het van eene vurige liefde tot U; stort het eene oprechte begeerte in naar de deugd, in het bijzonder naar die deugden, waarvan Gij ons in uw smartvol lijden en sterven zulk een heerlijk voorbeeld hebt geschonken. Maak het nederig, zachtmoedig, zuiver, volgzaam en bereidvaardig om elk offer te brengen, dat Gij mij zult vragen, om elk kruis te aanvaarden, alle lijden te verduren, dat Gij mij zult overzenden. Mocht ik aldus voor uw heilig aanschijn wandelen en geen enkelen dag, geen enkel uur mijns levens vergeten, welke wederliefde ik ü verschuldigd ben. Daarom bid ik U, neem mij aan als uw eigendom en beschik over mij volgens uw goddelijk welbehagen. Gij, o mijn Jesus, hebt U zeiven uit liefde tot mij opgedragen aan het kruis; zie, ook ik draag mij geheel aan U op. Neen, ik wil niet meer toebehooren aan mij zeiven en mijne hartstochten dienen, die mij zoo menigmaal van ü verwijderden; ik wil niet meer toebehooren aan de zonde, voor welker uitboeting Gij de ondragelijkste smarten hebt willen lijden; ik wil niet meer toe-
432
behooren aan de wereld, die slechts vergankelijke goederen aan hare volgelingen kan schenken; neen, dierbare Jesus, slechts uw eigendom wil ik zijn, uw eigendom wil ik blijven in voor- en tegenspoed, in verheffing en vernedering, in droefheid en vreugde, in ziekte en gezondheid, in leven en in sterven, opdat ik, wanneer het laatste uur ook voor mij eenmaal zal aanbreken, in uwe liefde dit leven moge verlaten en de vruchten, de heerlijke vruchten van onsterfelijkheid, van geluk en glorie moge inoogsten, die Gij ons door uw bloedigen en diep vernederenden kruisdood hebt verworven. Amen.
433
pEBEDEN ONDER DE Jl, JMlS.
VOOEBEEEIDINGSGEBED.
Almachtige, eeuwige God, met diepen eerbied kniel ik voor uw heilig altaar neder, om het aanbiddelijk offer bij te wonen, dat alleen uwer goddelijke Majesteit waardig is, dewijl Jesus Christus, uw eeniggeboren Zoon zelf daar wordt opgedragen. Geef, dat ik met dezelfde gevoelens bij deze heilige offerande moge tegenwoordig zijn als waarmede ik het bloedig kruisoffer op Golgotha zou hebben bijgewoond. Verlevendig mijn geloof in Jesus' waarachtige tegenwoordigheid in het aanbiddelijk Geheim des Altaars ; verleen mij een onbegrensd vertrouwen op zijne eindelooze goedheid en barmhartigheid; vervul mijn hart met eene vurige wederliefde jegens uw goddelijken Zoon voor de onuitsprekelijke liefde, quot;waarmede Hij zich zeiven eenmaal voor ons opdroeg aan het kruis en waarmede Hij nog dagelijks, op zoovele ontelbare plaatsen der wereld, op het heilig altaar zich voor ons slachtoffert. Doordring mij van een diep en innig leedwezen over de vele zonden en onge-
22
434
trouwheden, waarmede ik uwe vaderlijke goedheid heb beleedigd en vergramd. Ach, al die fouten en misdrijven, ik haat en verfoei ze uit liefde tot ü en ik smeek U allerootmoedigst: verleen mij genadig vergiffenis, o mijn God, gelijk ook ik van ganscher harte vergeef aan allen, die mij ooit beleedigden.
Ik draag ü dit heilig offer op in vereeni-ging met Jesus Christus, onzen goddelijken Hoogepriester, in vereeniging met onze Moeder, de H. Kerk, met uwen dienaar, den priester, en met alle godvruchtige zielen. Zuiver mijn geest, reinig mijn hart, heilig mijne ziel; roei alle gehechtheid aan het aardsche en vergankelijke in mij uit; richt al mijne gedachten en gevoelens, al mijne verlangens en begeerten naar ü, opdat ik met diepe ingetogenheid en godsvrucht voor uw heilig aanschijn verwijle. Geef mij overvloedig deel aan de gunsten, zegeningen en genaden, die Gij door deze heilige offerande over uwe kinderen uitstort, opdat ik, door uwe hulp gesterkt, dezen dag geheel en onverdeeld in uw heiligen dienst doorbrenge tot meerdere eer en glorie van uwen Naam en tot heil en zaligheid mijner ziel. Amen.
BEGIN DEE H. MIS.
Oneindig barmhartige Jesus, hoe goed, hoe liefderijk zijt Gij jegens mij, armen, ellendigen
435
zondaar! Het was U niet genoeg, voor mij de menschelijke natuur aan te nemen, een arm en onbekend leven te lijden, in de wereld en, na een bloedig en smartvol lijden, dien diep vernederenden dood aan het kruis te sterven. Neen, voortdurend wildet Gij ons aan uwe liefde herinneren en daarom hebt Gij in den laatsten avond uws levens dit aanbiddelijk offer ingesteld, waarin Gij ü zeiven telkens en telkens weder op zoovele duizenden altaren aan uwen hemelschen Vader voor mij opdraagt. Hoe zal ik, o allergoedertierenste Jesus, aan die overgroote, die matelooze liefde ooit kunnen beantwoorden ! Ach, wanneer ik een blik sla op mij zeiven, dan moet ik met droefheid en schaamte erkennen, dat ik die liefdeblijken onwaardig was. Immers in plaats van U te danken, te beminnen en te dienen, hield ik niet op ü dagelijks te beleedigen door mijne zonden. O sta mij dan toe, dat ik met een rouwmoedig hart voor U mijne schuld erkenne en tot ü spreke: ik, arme zondaar, belijd voor den almachtigen God, voor de heilige Maria, altijd Maagd, voor den H. Aartsengel Michaël, voor den H. Joannes den Dooper, voor do HH. Apostelen Petrus en Paulus, voor alle Heiligen en voor u, broeders, dat ik zeer gezondigd heb met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld; mijne schuld, mijne allergrootste schuld, daarom bid ik de heilige Maria, altijd Maagd, den
436
H. Aartsengel Michael, den H. Joannes den Dooper, de HH. Apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen en u, broeders, den Heer, onzen God, voor mij te willen bidden.
KYE1E ELEISON.
Eeuwige Vader, Gij die de wereld zóózeer bemind hebt, dat Gij ons uwen eenigen Zoon hebt geschonken, ontferm U onzer.
O dierbare Jesus, die ons hebt liefgehad en U zeiven voor ons hebt overgeleverd, ontferm ü onzer.
H. Geest, die door uwe geheimnisvolle overschaduwing het goddelijk werk der menschwording van Gods Zoon in de allerzaligste Maagd Maria hebt gewrocht, ontferm ü onzer.
Drieëenige en driewerf heilige God, die ons naar uw goddelijk beeld hebt geschapen, door Jesus' kostbaar bloed hebt verlost en door de genade des H. Geestes hebt geheiligd, zie met een genadig oog op ons neder en verhoor onze smeekingen.
GLOHIA IN EXCELSIS.
Glorie aan God in den allerhoogste en vrede op aarde den menschen van goeden wil. Wij loven TJ, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U, wij danken U om uwe groote heerlijkheid !
437
Heer onze God, Hemelkoning, God almachtige Vader.
Heer Jesus Christus, Eeniggeboren Zoon!
Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders !
Die wegneemt de zonden der wereld, ontferm ü onzer.
Die wegneemt de zonden der wereld, neem onze smeeking aan.
Die aan de rechterhand des Vaders gezeten zijt, ontferm ü onzer.
Want Gij alleen zijt de Heilige, Gij alleen de Heer, Gij alleen de Allerhoogste; Jesus Christus, met den H. Geest in de glorie van God den Vader. Amen.
GEBED.
Schenk ons, hemelsche Vader, door .de voorspraak van de allerzaligste Maagd Maria en de Heiligen, die wij eerbiedig gedenken, uwe hulp en bijstand in allen nood. Ik vereenig mijn gebed met dat der gansche H. Kerk en smeek ü met uwen dienaar, den priester, ons tegen alle ramspoed naar ziel en lichaam te behoeden, opdat wij, na een welbehagelijk leven voor U geleid te hebben, in uwe liefde mogen sterven en het rijk uwer heerlijkheid mogen ingaan. Door Christus Jesus onzen Heer. Amen.
438
EPISTEL.
Oneindig liefderijke en barmhartige God, ik dank U, dat Gij mij boven zoovele duizenden hebt uitverkoren en geroepen tot het ware en alleenzaligmakende geloof. Ach wat zou er van mij geworden zijn, indien ik buiten de Kathoheke Kerk ware geboren en opgevoed! In dwaling en duisternis zou ik door dit leven zijn heengegaan, geheel hulpeloos en verlaten en verstoken van alle genademiddelen, die Gij aan uwe kinderen in de H. Kerk hebt geschonken. O, heb dan dank. God van liefde en ontferming, heb duizendmaal dank voor die genadevolle uitverkiezing. Vol eerbied onderwerp ik mijn verstand aan de ondoorgrondelijke geheimen en geloofswaarheden, die Gij ons door uwe Profeten en Apostelen hebt verkondigd. O mocht geheel mijn leven toch eene getrouwe weerspiegeling zijn van de heilige Wet, waaronder ik het geluk heb te mogen leven! Of het mij vergund ware die Wet te kennen en te eerbiedigen, haar lief te hebben en op te volgen, gelijk die H.H. Godsgezanten haar hebben gekend en liefgehad. Schrijf haar dan, bid ik U, Heer, schrijf haar op in mijn binnenste, grift haar met onuitwischbare letteren in mijn hart. Geef, dat ik haar bestendig voor oogen hebbe en geheel mijn leven er naar inrichte! Daardoor hoop ik mij het onschatbaar voorrecht waar-
439
dig te maken, dat Gij mij in uwe vaderlijke goedheid en liefde bewezen hebt. Amen.
EVANGELIE.
Beminnelijke Verlosser ! Gij hebt de blijde boodschap des heils aan de menschheid verkondigd en uwe Apostelen en hunne opvolgers in het H. priesterschap uitgezonden over de wereld, om alom het licht der waarheid te ontsteken en de volken in uwe heilige leer te onderrichten. Ook aan mij werd zoo menigmaal uw goddelijk woord verkondigd; maar, helaas, hoe weinig heb ik mij beijverd om naar de voorschriften van uw H. Evangelie te leven! Wat zal het mij baten, lieve Jesus, geloofd te hebben, zoo ik op den dag der vergelding niet kan wijzen op mijne werken! Geef mij dan te gelijk met uw hemelsch licht ook de kracht uwer genade, opdat ik te allen tijde de geboden volbrenge, die Gij mij in uwe H. Kerk hebt opgelegd.
Liefdevolle Vader in den hemel, die wilt, dat allen zalig worden en tot de erkentenis der waarheid zullen komen, sla, bidden wij U, ook een blik vol mededoogen en ontferming op de ongelukkigen, die nog in de duisternis en de schaduw des doods zijn gezeten, op de volken, die uwe leer nog niet vernamen. Gedenk, Heer, dat ook hunne zielen naar uw beeld en gelijkenis zijn gescha-
440
pen, dat Gij ook voor hen uw goddelijk bloed hebt gestort. Ach, laat dan het licht uwer waarheid over hen opgaan. Versterk en ondersteun de apostolische mannen, die in verre gewesten, aan de uitbreiding van uw rijk onder de ongeloovigen arbeiden, zegen hunne onvermoeide pogingen, hunne offervaardige, edelmoedige liefde en zelfverloochening, opdat hun werk in uwen wijngaard overvloedige vruchten drage.
Toon ook uwe ontferming aan al die misleiden, die, ofschoon den naam van Christen dragend, van de waarheid en de eenheid zijn afgeweken om hun eigene wegen te gaan. O, voer hen allen tot ü en tot uwe H. Kerk terug. God van liefde en barmhartigheid, Vader der lichten, open toch hunne oogen, opdat zij den schitterenden luister van uwe ééne. Heilige Katholieke en Apostolische Kerk mogen zien en in haar geloo-ven. Verdrijf de duisternis, waarin zij wandelen, door de stralen van uw goddelijk licht; neem den sluier, waarmee de alge-meene vijand hen geblinddoekt heeft, weg van hunne verduisterde oogen; laat hen inzien, hoezeer zij door verkeerde opvattingen en voorstellingen misleid zijn ; verwijder de vooroordeclen hunner opvoeding of die hun door verkeerden omgang, ongeloovig onderricht of verderfelijke lezing eigen geworden zijn; neem weg van hen dien geest van hoogmoed, eigendunk en hard-
441
nekkigheid en geef hun een nederig leerzaam en buigzaam hart. Geef hun een vurig verlangen, om de waarheid op te sporen en eene krachtige genade, om die te omhelzen, in weerwil van allen tegenstand, opdat allen tot de ware en oorspronkelijke leer des heils mogen terugkeeren en er wederom één Herder zij en één schaapsstal. Amen.
CREDO.
Ik geloof in éénen God, den almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in éénen Heer Jesus Christus, Gods eenigge-boren Zoon, en uit den Vader vóór alle eeuwen geboren; God van God, licht van licht, waren God van den waren God; geboren niet gemaakt, van één wezen niet den Vader, door wien alles gemaakt is: die om ons menschen en om onze zaligheid is nedergedaald uit den hemel, en het vleesch heeft aangenomen door den Heiligen Geest, uit de Maagd Maria, en is mensch geworden ; die ook voor ons gekruist is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is, en verrezen is ten derden dage volgens de Schriften; en is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand des Vaders; en weder zal komen met heerlijkheid, om te oordeelen levenden en dooden; wiens rijk geen einde zal hebben. En in den H. Geest, den Heer
442
en levendmakende, die van den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon te zamen aanbeden en verheerlijkt wordt; die gesproken heeft door de Profeten. En ééne. Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk. Ik belijd één Doopsel tot vergiffenis der zonden. En ik verwacht de verrijzenis der dooden en het eeuwige leven. Amen.
OFFERANDE.
Allerheiligste Vader, almachtige, eeuwige God, ofschoon ik onwaardig ben voor U te verschijnen, bied ik U nochtans door de handen des priesters deze onbevlekte offerande aan met dezelfde meening, die uw goddelijke Zoon, onze Heer Jesus Christus, gehad heeft, toen Hij dit hoogheilig offer instelde. Ik draag U deze offerande op, om uwe opperheerschappij te erkennen over al het geschapene ; ik draag U die op: tot dankzegging voor alle weldaden mij bewezen, tot voldoening voor mijne zonden en voor alle beleedigingen, die Gij van uwe schepselen hebt te verduren, en ter verwerving van uwe goddelijke hulp en bijstand in de toekomst.
Maar ook mij zeiven breng ik aan uwe goddelijke Majesteit ten offer. Mijn hart, mijne zintuigen, alle krachten mijns lichaams, mijn verstand, mijn wil, alle vermogens mijner ziel, mijne droefheid en mijne vreugde.
443
mijn lijden en mijn geluk, al wat ik ben en wat ik bezit wijd ik U toe. Ik vereenig dit offer in den geest met de bloedige offerande, die Jesus eens aan het kruis voor geheel het menschelijk geslacht aan U heeft opgedragen, en smeek U allerootmoedigst met een genadig oog er op neder te zien. Neem weg er van, Heer, al wat er U in mishaagt, opdat het als een aangename, wierookgeur voor uw heilig aanschijn moge opstijgen en mij zegen en genade verwerve. Amen.
PEAEFATIE.
Vol erkentelijkheid en vreugde verheffen wij onze harten tot U, o God, om U dank te zeggen voor al het goede, ons geschonken. In waarheid, het is waardig en rechtvaardig, billijk en heilzaam, dat wij IJ altijd en overal dank zeggen: heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, door Christus onzen Heer; door wien de Engelen uwe Majesteit loven, de Heerschappijen U aanbidden, de Machten voor ü beven, de hemelen en de Krachten der hemelen, gelijk ook de gelukzalige Serafijnen, U in eenparig gejuich verheerlijken. Vergun, bidden wij U, dat ook wij onze lofzangen met de hunne mogen vereenigen en smeekend tot ü spreken: Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der legerscharen. Hemel en aarde zijn vol van uwe glorie.
444
Hosanna in den hooge! Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in den hooge!
MEMENTO DER LEVENDEN.
Hemelsche Vader, zie op mij en allen, die ter verheerlijking van uwen Naam bij deze heilige offerande tegenwoordig zijn, genadig neder. Verhoor de gebeden, die ik tot U opzend, ik vereenig ze met de voorbede van de allerzaligste Maagd en Moeder Gods, van de H.H. Apostelen, Martelaren en Belijders, Maagden en alle Heiligen. Geef, dat dit heilig offer mij de vergiffenis verwervo mijner zonden, de kwijtschelding van alle tijdelijke straffen en de noodige hulp uwer genaden om uwe geboden te onderhouden en in de deugd te volharden. Ook bid ik U, Heer, dat Gij uwen dienaar, onzen Paus, onzen bisschop en alle bisschoppen, herders en zielzorgers wilt verlichten en besturen, opdat allen, die aan hunne zorg zijn toevertrouwd, door hunne leer en hun voorbeeld in de deugd bevestigd, U meer en meer mogen behagen. Koning der koningen en Heer der heerscharen, geef goedgunstig, dat alle Christenvorsten U in vrede en onderlinge eensgezindheid mogen dienen en hun volk ten zegen zijn. Geef hun licht en kracht om hunne waarachtige plichten jegens U en hunne onderdanen wel te kennen en te beseffen en
445
overeenkomstig uw heiligen wil te volbrengen. Neem mijne ouders, bloedverwanten, vrienden en weldoeners onder uwe machtige bescherming; verleen hun en allen, voor wie ik verschuldigd ben te bidden, tijdelijke en eeuwige welvaart; help de armen, de gevangenen, de bedroefden, de reizigers, de zieken en veriatenen, geef aan de zondaren de genade eener ware bekeering, en aan allen, die in zware bekoring zijn de noodige hulp en bijstand, opdat zij over eiken aanval der hel mogen zegevieren; sta alle stervenden bij in het uur des doods, opdat zij in uwe liefde de wereld mogen verlaten. Stort, Heer, over alle schepselen in vollen overvloed uwe vaderlijke zegeningen uit, opdat allen in uwe goedheid en liefde deelende, des te luider door woord en door werk uw aanbiddelijken Naam mogen loven en prijzen. Dit smeeken wij U door onzen Heer, Jesus Christus, die met U en den H. Geest leeft en regeert. God van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
CONSECRATIE.
Wees gegroet, aanbiddelijke Verlosser en Zaligmaker, mijne hoop, mijne sterkte en toevlucht, wees gegroet! Gij zijt het eeuwig Woord des Vaders, Gij mijn God en mijn al. O Jesus, die ü zeiven aan het kruishout tot heil en redding der wereld aan uwen
446
heraelschen Vader hebt opgedragen, geef mij deel aan de verdiensten van uw heilig lijden, aan uw waarachtig Lichaam en Bloed in dit hoogwaardig Sacrament nu en in het uur van mijnen dood.
Wees gegroet, Gij waarachtig en levend Bloed, uit de H.H. wonden mijns Heeren gevloeid en met zijn goddelijk Lichaam in dit allerheiligst Sacrament op het altaar ver-eenigd ! O kostbaar bad ! o heilig bad! wasch en reinig mij van al mijne zonden; genees mijne ziel van alle geestelijke kwalen en bewaar haar ten eeuwigen leven. Amen.
GEBED NA DE CONSECRATIE.
O allerbeminnelijkste Jesus, met een levendig geloof en den diepsten eerbied erken en belijd ik, dat Gij hier onder de nederige gedaanten van brood en wijn op het altaar rust, dezelfde God, die in de vervulling dei-tijden voor ons zijt mensch geworden en in een schamelen stal werd geboren, die in armoede en ontbering een verborgen leven op deze wereld hebt geleid, die gedurende drie jaren al weldoende en predikend zijt rondgegaan en eindelijk, aan den avond uws levens, al de werken uwer liefde met de instelling van dit hoogheilig Sacrament en met uw bloedig kruisoffer hebt willen bekronen.
Ik aanbid U, verborgen God en Zaligmaker, en bied U ootmoedig eerherstel aan
447
voor alle oneerbiedigheden en tekortkomingen, voor alle zonden en ongetrouwheden, waaraan ik niii jegens U in dit aanbiddelijk Sacrament heb schuldig gemaakt. O Liefde, God van liefde, hoe smart het mij, dat ik mij zoo koel, zoo onverschillig en ondankbaar jegens ü heb gedragen. Neen, dierbare Jesus, ik was niet waardig zoovele liefdeblijken van U te ontvangen. Want ach, in plaats van steeds vol eerbied in uwe goddelijke tegenwoordigheid te verwijlen, in plaats van TJ eenige vergoeding te geven voor den smaad en de oneer, die Gij van zoovele ondankbare Christenen, in dit heilig Geheim te verduren hebt, sloot ik mij aan bij uwe vijanden en heb ik U zoo menigmaal in uw heilig Sacrament beleed! gd en bedroefd. Maar zie, ik smeek U rouwmoedig om vergiffenis. O, kon ik met mijn bloed al den smaad uit-wisschen, dien ik ü heb aangedaan! Kon ik mijn leven geven, om te herstellen, hetgeen ik tegen ü heb misdreven! Ach, voortaan, lieve Jesus, wil ik beter aan uwe liefde beantwoorden. Ik bied ü dan mij zeiven geheel en onverdeeld aan als offer van dankbaarheid en wederliefde: al wat ik heb en wat ik ben, wijd ik aan ü toe. Geef, lieve Jesus, dat al mijne verlangens en gevoelens, al mijne gedachten, woorden en werken slechts mogen strekken ter uwer verheerlijking. Ik draag U mijn offer op in vereeniging met alle verzuchtingen en smeekingen, met alle
448
eerbewijzen en liefdebetuigingen, waarmede uwe allerheiligste Moeder, de H.H. Apostelen, Belijders en Maagden en alle heilige en godvruchtige zielen in Gods Kerk ü in uw heilig Liefdegeheim hebben aanbeden en verheerlijkt. Tevens bied ik U eerherstel voor al den hoon, de verguizingen en beleedigin-gen, waaraan Gij, van de stichting uwer Kerk af tot op dit oogenblik, in het allerheiligst Sacrament waart blootgesteld. O moge eenmaal, dierbare Verlosser, de blijde dag aanbreken, waarop Gij door al uwe schepselen zult worden gekend, aanbeden en bemind in dit heilig Geheim; moge eenmaal de dag aanbreken, waarop uit alle volken en in alle talen een loflied van dank en verheerlijking zal opstijgen tot uwen troon, voor de tal-looze gunsten, zegeningen en genaden, die Gij in uw aanbiddelijk Sacrament over de aarde hebt uitgestort. Amen.
MEMENTO DEE OVERLEDENEN.
Vader der barmhartigheden. God aller vertroosting, die op de gebeden en goede werken der geloovigen, de boeien van den H. Petrus hebt verbroken en hem door uwen Engel de poorten van zijn kerker hebt ontsloten, sla, bidden wij U, een blik van mede-doogen op de ongelukkigen, die ofschoon in uwe liefde ontslapen, nog van de vreugde des hemels zijn verstoken en in den lijdens-
449
kerker verzuchten, tot zij van de geringste smetten en vlekken volkomen zullen gezuiverd zijn. Ach, hoe onuitsprekelijk zwaar vallen hun de straffen, die zij in de zuiveringsplaats hebben te verduren ! Welk een smartelijk gemis voor hen, uw goddelijk aanschijn te moeten derven, door wat name-looze folteringen worden zij in het aldoor-dringend vuur gepijnigd! Gedenk Heer, hoe zij in hun leven hier beneden voor uw heilig aanschijn hebben gewandeld en door vele goede werken uw heiligen Naam hebben verheerlijkt! Verhoor de gebeden, die voor de rust hunner ziel worden gestort en zend uwe Engelen tot hen af om hen te verlossen, gelijk Gij weleer uwen Engel hebt uitgezonden, om de drie jongelingen in den vuuroven te beschermen en tegen alle pijnen der vlammen te behoeden. Laat het kostbaar Bloed van uwen lieven Zoon, Jesus Christus, dat eens voor die zielen aan het kruishout werd vergoten en thans op het heilig altaar, als zoenoffer voor levenden en afgestorvenen, door den priester aan uwe goddelijke Majesteit wordt opgedragen, als een verfrisschende dauw over haar nederdalen en haar lafenis en verkwikking brengen in haar smartvol lijden. Inzonderheid dragen wij U dit offer op voor N. N. (onze overledene herders en zielbestierders, onze ouders, broeders en zusters en allen, die in deze wereld door de banden des bloeds of der
450
vriendschap met ons waren vereenigd en voor die overledenen, voor wier rust geen gebeden meer hier op aarde worden gestort.) Verlos hen allen van hunne pijnen, geef hun genadig kwijtschelding van alle tijdelijke straffen en neem hen op in het verblijf van licht en vrede, opdat zij U in uw rijk met alle Heiligen en uitverkorenen mogen loven en prijzen in eeuwigheid. Amen.
PATER NOSTEE.
Hoe gelukkig gevoel ik mij, o mijn God, U tot Vader te hebben! Wat opbeuring en vertroosting voor mij bij alle beproevingen en wederwaardigheden des levens, te mogen denken, dat de hemel, waar Gij met alle Engelen en Heiligen troont, eens mijne verblijfplaats zal wezen. O, duizendmaal dank, goedertierenste Vader, voor uwe overgroote liefde. Te allen tijde en door al uwe schepselen worde uw H. Naam verheerlijkt! Uw aanbiddelijke wil geschiede op aarde gelijk in den hemel. Weiger ons, uwen kinderen, het geestelijk en lichamelijk voedsel niet, dat wij behoeven in dit leven. Vergeef ons alle fouten en misdrijven, waarmede wij uwe oneindige goedheid hebben beleedigd en bedroefd; ook wij vergeven, naar het voorbeeld ons door uwen Zoon geschonken, vol liefde aan allen, die ons ooit beleedigden; sta ons bij in de tallooze bekoringen en gevaren,
451
die ons omringen; maar, zoo wij U om iets mogen vragen, o mijn God, verlos ons dan van de zonde, het grootste kwaad, dat ons in dit leven zou kunnen overkomen. Amen.
AGNUS DEI.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef ons den vrede.
COMMUNIE.
Geestelijke Communie.
Liefdevolle Jesus, die eenmaal hebt gesproken: âKomt allen tot Mij, gij die vermoeid en beladen zijt, Ik zal u verkwikken', met een rouwmoedig hart, maar ook tevens met een onbegrensd vertrouwen op uwe goedheid en liefde nader ik in den geest tot den disch der Engelen, dien Gij voor al uwe kinderen hebt gespreid. O, of het mij vergund ware ü dezen morgen in mijn hart te ontvangen. Maar ach, lieve Jesus, mag ik dit geluk heden niet in werkelijkheid smaken, ik bid het U, kom althans op geestelijke wijze uw intrek nemen in mijne ziel. Gij alleen, dierbare Jesus, zijt mijn steun,
452
Gij de vreugde mijns harten, Gij het geluk en het leven mijner ziel. Neem weg van mij, o Heer, al hetgeen ü in mij mishaagt, vervul mij met uwen geest en uwe liefde; heersch over al mijne gedachten, al mijne neigingen, al mijne verlangens; heersch over al de krachten van mijn lichaam en alle vermogens mijner ziel. Kom, Heer Jesus, kom in mijn hart; ik omhels ü als hadde ik ü werkelijk ontvangen en ik vereenig mij geheel met U; in uwe liefde wil ik leven en sterven.
iv Zey driemaal met diepe ingetoyenheid en godsvrucht:
O Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts een woord en mijne ziel zal gezond worden. Bid hierna met den priester:
Het Lichaam onzes Heeren Jesus Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.
GEBED VAN DEN H. IGNATIUS. ')
Ziel van Christus, heilig mij.
Lichaam van Christus, maak mij zalig.
*) Z. H. Paus Pius IX verleende bij Decreet van de H. Congregatie der Aflaten den 9 januari 1854 een Aflaat van 800 dagen telken male, wanneer men dit gebed godvruchtig verricht; een aflaat van 7 jaren éénmaal daags, aan degenen, die het na de H. Communie bidden; een volle aflaat, éénmaal in de maand aan allen, die het dagelijks gedurende eene maand hebben gebeden, op den dag dat zij, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, eenigen tijd bidden tot intentie van Zijne Heiligheid.
453
Bloed van Christus, maak mij dronken.
Water uit de zijde van Christus, wasch mij.
Lijden van Christus, versterk mij.
O goede Jesus, verhoor mij.
Verberg mij in uwe wonden.
Laat niet toe, dat ik van U gescheiden worde.
Verdedig mij tegen den boozen vijand.
Roep mij in het uur van mijnen dood.
En beveel mij tot U te komen.
Om ü met alle Heiligen te loven
In alle eeuwen der eeuwen. Amen.
GEBED NA DE GEESTELIJKE COMMUNIE.
Liefdevolle Jesus, hier in het allerheiligst Sacrament tegenwoordig, immer en eeuwig zij U lof en dank gebracht. O Liefde, die alle liefde des hemels en der aarde waardig zijt, die uit overmaat van liefde voor mij, ondankbaren zondaar, de menschelijke natuur hebt aangenomen, die bij de smartvolle gee-seling uw kostbaar bloed hebt vergoten en aan het schandhout des kruises voor ons aller eeuwig geluk zijt gestorven, in dit oogenblik, nu een levendig geloof mij bezielt en verlicht, stort ik mijne ziel voor U uit en bid ik U ootmoedig, uit den diepsten en innigsten grond van mijn hart, door de oneindige verdiensten van uw bitter lijden, geef mij kracht en moed om alle kwade neigingen, die in mijn hart heerschen, uit te roeien, ü in alle druk en lijden te prijzen, door de
454
trouwe vervulling van al mijne plichten te verheerlijken, elke zonde te haten met een doodelijken haat, en zoo eindelijk tot de ware heiligheid te geraken. Amen. ^
LAATSTE GEBEDEN.
Hartelijk dank, o mijn God, voor alle weldaden, mij gedurende mijn leven bewezen, en inzonderheid voor de genade van dezen morgen, nu ik ü de belangen mijner onsterfelijke ziel en van allen, die mij dierbaar zijn, mocht aanbevelen en mijne zwakke beden, ondersteund door de krachtige smeekingen van uwen aanbiddelijken Zoon voor den troon uwer goddelijke Majesteit mocht nederleggen. Zie Heer, met een blik van goedgunstigheid uit den hemel op mij neder; vergeef mij alle oneerbiedigheden en verstrooidheden, waaraan ik mij gedurende deze heilige offerande mocht hebben plichtig gemaakt en weiger mijn gebed geene verhooring. God van heiligheid, die zelfs vlekken ziet in de zuiverste Hemelgeesten, gedenk, - dat ik een nietig en ellendig schepsel ben; sla geen acht op mijne menigvuldige tekortkomingen en gebreken, neem weg uit mijn gebed al wat er ü in mishaagt, opdat het
*) Z. H. Paus Pius IX verleende den 9 Januari 1866 een aflaat van 100 dagen, éénmaal daags te verdienen, aan allen, die dit gebed met een rouwmoedig hart verrichten.
455
als een aangenaam offer voor uw heilig aanschijn moge opstijgen.
Verleen mijzelven en allen, voor wier heil ik U allerootmoedigst smeek, de genade der volharding, opdat wij hier bestendig naar uwe wet mogen leven en eenmaal, door de laatste heilige Sacramenten gesterkt, in het ware geloof in de troostvolle hoop en de volmaakte liefde deze wereld verlaten en IJ met uwen Zoon, onzen Heer Jesus Christus, en den Heiligen Geest mogen loven, prijzen en dankzeggen in eeuwigheid. Amen.
ZEGEN.
Zegen mij, o mijn God, en al wat ik bezit; zegen mijn lichaam met al zijne zintuigen : mijne ziel met al hare vermogens. Zegen mijne ouders en bloedverwanten, mijne weldoeners en vrienden, zegen ons allen in vóór- en tegenspoed, in droefheid en vreugde, in leven en sterven. Amen.
EVANGELIE VAN DEN H. JOANNES.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn er door gemaakt, en zonder dat is er niets gemaakt van hetgeen er gemaakt is. Daarin was het leven, en het leven was het licht der menschen; en het licht schijnt in
456
de duisternissen, en de duisternissen hebben het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis te geven van het licht, opdat allen door hem zouden gelooven. Hij zelf was het licht niet, maar hij was gekomen, om getuigenis te geven van het licht. Het waarachtig licht was dat, hetwelk allen mensch verlicht, die in deze wereld komt. Hij was in de wereld en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. In ⢠zijn eigendom kwam Hij, en de zijnen namen Hem niet aan. Doch allen, die Hem hebben aangenomen, heeft Hij macht gegeven, om kinderen Gods te worden, degenen, die in zijnen Naam gelooven, die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En het Woord is vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als van den eeniggeborenen des Vaders, vol genade en waarheid.
GEBEDEN NA DE H. MIS 1).
Bid driemaal hei âWees gec/roetquot;; daarna:
Wees gegroet, O Koningin, Moeder van barmhartigheid;
*) Z. H. Fans Leo XIII verleende goedgunstig 300 dagen aflaat aan allen, die deze gebeden geknield verrichten.
457
Ons leven, onze zoetheid en onze hoop, wees gegroet.
Tot ü roepen wij, ballingen, kinderen van Eva.
Tot U smeeken wij, zuchtend en weenend in dit dal van tranen.
Daarom dan, onze Voorspreekster, sla op ons uwe zoo barmhartige oogen.
En toon ons na deze ballingschap, Jezus, de gezegende vrucht uws lichaams.
0 goedertierene, o meedoogende,
0 zoete Maagd, Maria.
Bid voor ons, heilige Moeder Gods.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
LAAT ONS BIDDEN.
0 God, onze toevlucht en onze kracht, zie genadig neder op het volk, dat tot ü smeekt, en verhoor barmhartig .en goedgunstig â door de voorspraak der glorierijke en onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den H. Joseph, haren Bruidegom, uwe H.H. Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen â de gebeden, die wij storten voor de bekeering der zondaren, voor de vrijheid en de verheffing onzer Moeder, de H. Kerk. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in den strijd, wees onze bescherming tegen
'cUjsyv' L/ty^ amp;y/oe~^i.
0/U^y^(^x_ y\sn*. e*i «r e^,
X
Uv-t^ J S
T
9-c $ ^J-(
/efojetuh^j 9e^ WAc l/i^u^M- ^
^VLv-m 0Vlt;KSIJ1vc£amp;-lt;^ dkl*Jlt;* a~ ^)- 31^0 1quot;
i^, 'X^VLlt;s^1 -J/
b- . . . Æ7. 5^./
-T , 0.
^e^wee^ ^eJ iA/e^k. p- 3^3 - cte** Itn^aXx^
fuJ^U^ UauX k#d- - 0 -W.
quot;UuijjL^ irvA\ 'YWtyCi iyUyi- «-*, -U^CK-O
458
de boosheid en de listen des duivels. God gebiede hem, smeeken wij ootmoedig : en Gij, Vorst der hemelsche legermacht, drijf satan en de andere booze geesten, die tot verderf der zielen over de wereld rondgaan, door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.
JjITANIE VAN HET LIJDEN VAN ONZEN jquot;ïEER jJESUS pHRISTUS.
Heer, ontferm ü onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God Hemelsche Vader, ontferm ü onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld.
God Heilige Geest,
Heilige Drievuldigheid, één God, O
Jesus, om onze zonden in den hof van S; Olijven benauwd en bedroefd tot den g dood,
Jesus, door een Engel versterkt, opdat lt;3 wij onze hulp in allen nood van den 0 Hemel zouden leeren verwachten, g
Jesus, die uwen verrader met minzaam- ® heid hebt ontvangen, om ons de zachtmoedigheid te leeren.
459
Jesus, door uwe leerlingen verlaten, opdat wij alleen op God zouden loeren vertrouwen, ontferm U onzer. Jesus, door de Joden gebonden, om ons
van onze zonden te ontbinden,
Jesus, voor Annas en Kaïphas valsch beschuldigd, opdat wij alle ongelijk zouden leeren verdragen,
Jesus, door Petrus verloochend, opdat wij onze zwakheid zouden leeren kennen en ons zeiven zouden mistrouwen, Jesus, door Herodes met een wit kleed bespot, omdat wij het kleed der on- O schuld verloren hadden, S;
Jesus, achter Barrabas gesteld, opdat g wij ons nooit boven anderen zouden verheffen, cl
Jesus, wreedelijk gegeeseld en met door- 0 nen gekroond, opdat wij de gemakken § des levens en alle eerzucht zouden? verfoeien,
Jesus, gelasterd, bespuwd en geslagen, opdat wij onze zinnen zouden versterven,
Jesus, aan het volk ten toon gesteld, opdat wij, uw voorbeeld immer voor oogen hebbend, naar dit voorbeeld zouden leven,
Jesus, door Pilatus aan uwe vijanden overgeleverd, om ons van onze vijanden te verlossen,
Jesus, met het kruis beladen, om ons
460
te leeren, ons kruis met onderwerping te dragen, ontferm ü onzer.
Jesus, aan het kruis genageld, opdat wij ons vleesch met zijne driften en begeerlijkheden zouden kruisigen,
Jesus, die naakt aan het kruis hebt gehangen, opdat wij voor alle oneerbaarheid zouden schromen,
Jesus, tusschen twee moordenaars gekruist, om ons de vernederingen te leeren beminnen,
Jesus, die den goeden moordenaar in genade hebt ontvangen, opdat wij O nooit zouden wanhopen, s;
Jesus, die, aan het kruis hangende, voor g uwe vijanden hebt gebeden, om ons te leeren onze vijanden te beminnen, O Jesus, met myrrhewijn gelaafd, opdat 0 wij onze tong van alle zonden zouden g bewaren, £?
Jesus, die stervende uwen geest in de handen uws Vaders aanbevolen hebt, opdat wij, stervende, onzen geest in uwe en zijne handen zouden aanbevelen,
Jesus, die voor ons den bitteren dood des kruises gestorven zijt, om ons de boosheid onzer zonden te leeren kennen,
Jesus, die ons door uwen dood het leven gegeven hebt, opdat wij niet voor ons zeiven, maar voor ü zouden leven,
461
Jesus, wiens zijde met eene lans doorstoken en wiens hart geopend werd, opdat wij daarin bij allen nood een veilige schuilplaats zouden vinden, Jesus, begraven en den derden dag verrezen, opdat wij, gestorven aan de zonden, tot een deugdzaam leven zouden verrijzen, ontferm U onzer.
Wees genadig, spaar ons. Heer.
Wees genadig, verhoor ons. Heer. Van alle kwaad, verlos ons, Heer. Van alle zonden,
Door uw bloedig zweet, g-
Door uwe geeseling, 03
Door uwe doornenkroon, §
Door uw kruis en lijden, â '
Door uwe allerheiligste vijf wonden, K Door uwen dood en uwe begrafenis, ® Door uwe heilige verrijzenis.
Door uwe wondervolle hemelvaart,
In den dag des oordeels', ^
Wij zondaren, wij bidden ü, verhoor ons.01 Dat uw heilig lijden ons leere, hoe ST. zwaar en verschrikkelijk de zonde is, è om welke Gij zooveel geleden hebt, -Dat wij, door het overdenken van uwe pij-nen en smarten, alle ziekten, pijnen en ^ tegenspoed geduldig mogen verdragen, ® Dat wij in alle droefheid, in allen angst gquot; en nood ons tot ü mogen wenden en ° uwe hulp afsmeeken, o
Dat wij allen smaad, alle verachting en S
462
vernedering met overgeving aan den wil Gods mogen verduren,
Dat wij de valsche beschuldigingen en onrechtvaardige oordeelvellingen naar uw voorbeeld mogen verdragen, Dat gij ons de vruchten van uw kruis
wilt mededeelen,
Dat wij door de kracht van uw kruis den duivel, de wereld en het vleesch mogen overwinnen,
Dat wij in uw bloed van alle zonden ^
mogen gereinigd worden,
Dat wij dagelijks ons kruis vol moed ^ mogen opnemen en het vol vreugde amp; U nadragen, ®
⢠Dat wij gaarne en met een bijzondere voor-liefde uw heilig lijden mogen overwegen, lt; Dat wij eiken dag gedenkend, hoe Gij â uit liefde tot ons zijt gestorven, door § wederliefde ontstoken, niet meer voor ^ ons zeiven, maar slechts voor U mo- g gen leven.
Dat wij onzen grootsten troost in uwe
heilige wonden mogen vinden.
Dat gij ons door uw bitter lijden en uwen smartvollen kruisdood de genade van een zalig sterfuur wilt verleenen. Dat Gij ons langs den weg des lijdens tot de eeuwige heerlijkheid wilt brengen. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons. Heer.
463
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer,
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Onze Vader, enz.
LAAT ONS BIDDEN.
Almachtige, eeuwige God, die onzen Zaligmaker het vleesch hebt doen aannemen en den dood des kruises hebt doen lijden, opdat de mensch het voorbeeld zijner ootmoedigheid zou navolgen, geef, dat wij naar de lessen zijner lijdzaamheid mogen leven en deel verkrijgen in zijne verrijzenis, door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
fSALM J_,. âjMlSERERE.quot;
|
Miserere mei Deus, secundum magnam misericordiam tu-am. Et secundum multi-tudinem miseratio-num tuarum, dele iniquitatem meam. Amplius lava me ab |
Wees mij genadig, o God, naar uwe groote barmhartigheid. En, naar de menigte uwer ontfermingen delg mijne misdaad uit. Wasch mij ter dege |
464
|
iniquitate mea; et a peccato meo mun-da me. Quoniam iniquitatem meam ego cog-nosco; et peccatum meum contra me est semper. Tibi soli peccavi et malum coram te feci; ut justificeris in sermonibus tuis, et vincas cum judi-caris. Ecce enim in iniqui-tatibus conceptus sum ; et in peccatis concepit me mater mea. Ecce enim veritatem dilexisti; incerta et occulta sapientiae tuae manifestasti mihi. |
Asperges me hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super van mijne ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonden. Want ik erken mijne ongerechtigheid en mijne zonde staat mij steeds voor oogen. Tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan, wat kwaad was in uwe oogen ; opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden en als Gij geoordeeld wordt overwint. Want zie, in ongerechtigheden werd ik ontvangen, en in zonden ontving mij mijne moeder. Want zie. Gij hebt de waarheid lief; het onbekende en verborgene uwer wijsheid deedt Gij mij kennen. Bespreng mij met hysop, en ik zal gereinigd worden; |
465
|
nivem dealbabor. Auditui meo dabis gaudium et leati-tiam: et exultabunt ossa humiliata. Averte 'faciem tuam a peccatis meis ; et omnes iniquita-tes meas dele. Cor mundum crea in me, Deus; et spiri-tum rectum innova in visceribus meis. Ne projicias me a facie tua; et spiri-tum sanctum tuum ne auferas a me. Redde mihi laetitiam salutaris tui ; et spiritu principali confirma me. Docebo iniquos vias tuas; et impiï ad te convertentur. |
wasch mij, en ik zal witter worden dan sneeuw. Doe mij vreugde en blijdschap hooren en mijn vermorzeld gebeente zal juichen. Keer uw aangezicht af van mijne zonden en wisch al mijne ongerechtigheden uit. Schep in mij, o God, een zuiver hart, en vorm een rechten geest in mijn binnenste. Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heiligen geest niet van mij weg. Geef mij weder de vreugde uws heils, en ondersteun mij met een gewilligen geest. De overtreders zal ik uwe wegen lee-ren en de zondaars zullen zich tot U bekeeren. |
23
466
|
Libera me de sangui-nibus Deus, Deus salutis meae; et exultabit lingua meajustitiam tuam. Domine labia mea aperies; et os meum annuntiabit laudem tuam. Quoniam si voluisses sacrificium, dedis-sem utique; holo-caustis non delecta-beris. Sacrificium Deo spiritus contribulatus; cor contritum et humiliatum Deus non despicies. Benigne fac, Domine, in bona voluntate tua Sion; ut aedifi-centur muri Jerusalem. Tunc acceptabis sacrificium justitiae, oblationes, etholo- |
Bevrijd mij van bloedschuld, o God, Gij, God mijns heils; en mijne tong zal met blijdschap uwe gerechtigheid verheffen. O Heer, open mijne lippen, en mijn mond zal uwen lof verkondigen. Want hadt Gij een offer begeerd ik zou het voorzeker gebracht hebben ; brandoffers behagen U niet. Een offer aan God welgevallig is een gebroken geest; een vermorzeld en verootmoedigd hart zult gij niet versmaden, o God. Doe wel, o Heer, naar uwe goedheid aan Sion, dat Jerusa-lems muren gebouwd worden. Dan zult Gij lust hebben aan een offer der gerechtigheid. |
467
|
causta; tunc impo-nent super altare tuum vitulos. Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto. Sicut erat in principio et nunc et semper; et in saecula sae culorum. Amen. OREMUS. Deus, qui culpa offen-deris, poenitentia placaris, preces po-puli tui supplican-tis propitius respi-ce ; et flagella tuae iracundiae, quae pro peccatis nostris meremur, averte. Per Christum Do-minum nostrum. Amen. |
aan gaven en brand-offers ; dan zal men varren op uw altaar leggen. Glorie zij den Vader en den Zoon en den H. Geest. Gelijk het was in den beginne, en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen. LAAT ONS BIDDEN. O God, die door de zonde beleedigd en door de boetvaardigheid verzoend wordt; sla een genadig oog op de gebeden van uw volk, dat tot ü smeekt, en wend de geesels uwer gramschap af, die wij door onze zonden verdienen. Door Christus onzen Heer. Amen. |
468
jpiRUISWEG-pEFENING.
VOOEBEEEIDINGSGEBED.
Dierbare Jesus, met den diepsten eerbied kniel ik aan uwe voeten neder om mij gedurende eenige oogenblikken in de overweging van uw heilig lijden te verdiepen en U op uwen bloedigen kruisweg te volgen. Stort, bid ik ü, gedurende deze heilige oefening die gevoelens in mijn hart, waarvan de godvreezende zielen uwer vrienden vervuld waren, toen zij op den lijdensdag U op dien smartvollen weg naar den kruisheuvel vergezelden. ]Wek in mij een oprecht en innig leedwezen op over mijne misdrijven ; boezem mij een levendigen afschrik in voor alle kwaad. Vervul mijn hart met eene vurige, dankbare wederliefde tot U, en doordring mij 'van het verlangen om slechts U te dienen, slechts aan U te behagen, en alle kruisen en wederwaardigheden, hoe smartelijk ook en menigvuldig, met een bereidvaardig hart te omhelzen en met vreugde te dragen. /Schenk aan alle zondaren de genade eener ware bekeering; verlicht alle dwalenden en ongeloovigen, die buiten uwe H. Kerk ronddolen; sta de stervenden bij en heb medelijden met de zielen der afgestorvenen, die in
469
de zuiveringsplaats hare verlossing verbeiden. Geef, dat alle schepselen de vruchten mogen plukken, de heerlijke vruchten van onsterfelijkheid en glorie, die Gij door uw hitter lijden en diep vernederenden dood voor de wereld hebt verworven.
Heilige Maria, Moeder van smarten, verkrijg ons door uwe voorspraak de genade deze godvruchtige oefening zóó te mogen verrichten, dat ons gebed aangenaam moge zijn aan uwen Zoon en verhooring moge vinden. Amen.
EERSTE STATIE.
JESUS WOEDT TEE DOOD VEEOOEDEELD.
Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.
Overweeg, hoe Jesus ten bloede toe gegee-seld en met doornen gekroond door den lafhartigen landvoogd aan de Joden wordt overgeleverd. Ach, de Onschuldige wordt gestraft in plaats van den schuldige; de Zoon Gods, die eenmaal als opperste Eechter zal verschijnen op de wolken des hemels om levenden en dooden te oordeelen, wordt ter dood veroordeeld om door zijn dood den mensch van den eeuwigen dood te verlossen en hem het eeuwig leven te schenken,
470
GEBED.
't Was dan voor ons, goedertierenste Jesus, dat Gij wildet lijden en sterven. Ach, door onze zonden hadden wij den eeuwigen dood verdiend; maar Gij naamt al die zonden op U en hebt de straf er voor in uw heilig lichaam willen dragen, opdat wij; zondaren, zouden gespaard blijven. O beminnelijke Verlosser, hoe zullen wij ooit op waardige wijze vergelden hetgeen wij aan uwe liefde zijn verschuldigd ? Geef, lieve Jesus, dat wij voortaan zulk een levendigen afschrik voor de zonden mogen gevoelen, dat wij liever alle vervolgingen willen lijden, alle smarten verduren, dan ü ooit wederom door de zonde te beleedigen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer!
O God, wees ons, zondaren, genadig.
TWEEDE STATIE.
JESUS NEEMT HET KRUIS OP ZIJNE SCHOUDERS.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, met welk een liefde Jesus zijn kruis omhelst. Ach, wel weet Hij, de Zoon van God, welk lijden Hem aan het schandhout wacht; wel weet Hij, dat Hij, als de laagste en verachtelijkste van alle misdadigers,
471
aan dat kruis zal worden gehoond en bespot, dat Hij in de diepste verlatenheid er aan zal sterven. Maar toch vol bereidwilligheid, neemt Hij het op zijne schouders en vol vreugde slaat Hij den weg in naar Golgotha, want dat kruis beschouwt Hij als het heilig altaar, waarop het eenig ware Zoenoffer voor de zonden der wereld zal worden opgedragen; in dit kruis ziet Hij den sleutel, waardoor de poorten des hemels voor de menschheid weder zullen ontsloten worden.
GEBED.
Beminnelijke Zaligmaker, met welk een geduld en onderwerping omhelst Gij uw kruis! Ach, verleen ons, door de verdiensten van uw heilig lijden, de genade om insgelijks met geduld, met moed en zelfverloochening alle kwellingen en beproevingen te verduren, die Gij aan onzen levensweg zult verbinden. Gaarne willen wij, naar uw goddelijk voorbeeld ons kruis U nadragen, opdat wij onze zonden in dit leven uitboetend en onze zinnen verstervend, eenmaal in uwe heerlijkheid mogen opgenomen worden en mogen deelen in uwe glorie.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
472
DERDE STATIE.
JESUS VALT VOOR DE EERSTE MAAL ONDER HET KRUIS.
Wij aanbidden ü, enz.
Overweeg, hoe Jesus gebukt onder den zwaren last des kruises met wankelende schreden voortgaat langs Jerusalems straten. Ach het bloedverlies en de smarten, die Hij in de geeseling verduurde, hebben zijne krachten uitgeput; en nauwelijks heeft Hij zijn kruis eenige stappen ver gedragen of zijne krachten begeven Hem en Hij stort onder den kruisboom ter aarde neder. De soldaten en beulsknechten dwingen Hem echter onder een stortvloed van slagen wederom op te staan en den weg te vervolgen. En Jesus beklaagt zich niet. Hij lijdt alles geduldig en verzamelt zijne laatste krachten om Golgotha's heuvelkruin te bereiken.
Beminnelijke Zaligmaker, hoezeer hebt Gij ons liefgehad, dewijl Gij om ons te verlossen TJ met al onze zonden hebt beladen! Ach, 't was dan niet de last van het kruis, maar de last dier zonden, welke U zoo onuitsprekelijk zwaar viel, dat Gij uitgeput ter aarde nederzeegt. O dierbare Jesus, om de smarten, die Gij op uwen kruisweg hebt willen verduren, smeek ik ü, geef, dat ik bestendig moge waken over mij zeiven, over mijne
473
zondige hartstochten en de gevaren die mij in de wereld omringen, opdat ik voor eiken zwaren val in de toekomst moge gespaard blijven.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
VIERDE STATIE.
JESUS ONTMOET ZIJNE H. MOEDER.
Wij aanbidden ü, enz.
Overweeg, door welk een onuitsprekelijke zielesmart Jesus goddelijk hart gewond werd, toen Hij zijne heilige Moeder buiten de stadspoort ontmoette en welk een zwaard van droefheid het liefdevol hart van Maria in dat pijnlijkste aller uren doorboorde. Ach, de teederste aller moeders zag daar den Hei-ligsten aller zonen als een ter dood veroordeelden misdadiger met doornen gekroond en met het vloekhout beladen naar de strafplaats voortgedreven; en zij was volkomen machteloos Hem de geringste leniging aan te brengen in zijn lijden. De Zoon Gods zag daar de heiligste aller vrouwen, zag daar zijne Moeder in eene zee van kwellingen gedompeld, terwijl de liefde, die Hij ons toedroeg. Hem dwong, haar al die smarten te doen verduren. Welaan, wek een innig medelijden met 's Heeren smarten in u op, en verfoei uwe zonden, die de oorzaak van Jesus' lijden waren.
474
Aanbiddelijke Verlosser van ganscher harte betreur en verfoei ik mijne zonden, waarvoor Gij zoovele smarten hebt willen verduren. Ach, bij het medelijden, dat uw goddelijk hart met de namelooze smarten uwer heilige Moeder gevoelde, smeek ik ü, heb ook medelijden met mij ; verlaat mij niet te midden der vele gevaren, waaraan ik in deze wereld ben blootgesteld, en sta mij immer bij met uwe heilige genaden, opdat ik in uwe liefde volharde.
H. Maria, Moeder van smarten, wees mijne voorspraak bij God, opdat ik door het lijden van uw goddelijken Zoon van de toekomstige toorn moge gespaard blijven.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
VIJFDE STATIE.
SIMON WORDT GEDWONGEN JESUS' KRUIS TE HELPEN DRAGEN.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, hoe de laatste krachten den Heer eindelijk begeven. Ach reeds zooveel lijden had Hij ondergaan, reeds zoovele mishandelingen en folteringen verduurd, dat Hij zich in het einde volkomen machteloos gevoelde om zijn kruis te dragen. Toen dwongen de beulen een voorbijganger, Simon van Gyrene, 's Heeren kruis op te nemen.
475
Slechts gedwongen onderwerpt Simon zich aan dit bevel; maar nauwelijks rust het kruis op zijne schouders of wat hem te voren slechts smaad en schande toescheen wordt nu eene hooge eer en onderscheiding in zijn oog. Een nooit ondervonden gevoel van hemelsche wellust en vreugde doorstroomt zijne ziel; de zware last des kruises wordt hem licht en vol liefde volgt hij den Verlosser op zijn lijdenspad.
Dierbare Jesus, niet gedwongen, gelijk Simon, maar vrijwillig neem ik alle beproevingen en wederwaardigheden des levens aan, die uwe hand mij zal overzenden. Maar zoo Gij mij deel geeft in uw lijden, sta mij dan ook tevens bij met de kracht uwer genaden en de vertroostingen uwer liefde, waardoor alle lijden verzoet wordt, opdat ik U niet alleen met geduld en onderwerping, maar met liefde^ met blijmoedigheid en vreugde op uwen lijdensweg volge en na met ü gedeeld te hebben in uwe vernederingen met U moge heerschen in uwe glorie.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
ZESDE STATIE.
VERONICA BEOOGT 's HEEHEN AANGEZICHT AF.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, hoe de Heer onder de beschim-
476
pingen en verguizingen zijner vijanden met moeite zijn weg vervolgt. Ach, zijne voeten â wankelen op den weg; de scherpe kanten van den ruwen kruisbalk rijten zijn schouder open; zijn aanbiddelijk aangezicht is met stof en zweet bedekt en de bloeddruppelen uit de wonden van den doornenkrans vloeien langs zijn heilig gelaat. Bij den aanblik van dit onuitsprekelijk lijden werd Veronica door innig medelijden met den Heer bewogen. Onbevreesd dringt zij door de rijen der soldaten heen om 's Heeren gelaat met haren sluier af te droogen. Hoe aangenaam den Verlosser die liefdedienst was, toonde Hij op zichtbare wijs, door het afdruksel van zijn heilig gelaat in den doek van Veronica achter te laten.
Lijdende Verlosser, grift, bid ik ü, de gedachtenis aan uw smartvol lijden zoo onuit-wischbaar in mijn geest, dat ik immer aan ü en uwe liefde denke. Daardoor toch zal ik aangespoord worden om mijne zonden oprecht te betreuren, ze door ware werken van boetvaardigheid uit te delgen, uit dankbare wederliefde tot ü alle kruis en lijden te omhelzen en ü met vreugde in al uwe vernederingen te volgen.
Onze Vader. Wees gegroet.
â Ontferm, enz.
477
ZEVENDE STATIE.
JESUS VALT TEN TWEEDEN MALE ONDER HET KRUIS.
Wij aanbidden ü, enz.
Overweeg, hoe de goddelijke Verlosser voor de tweede maal onder den last zijns kruises neder valt. Ach, andermaal ziet de Heer zich blootgesteld ö,an de onmenschelijke wreedheid der beulsknechten en soldaten. Onder de gruwzaamste mishandelingen rukken zij den Heer aan zijne kleederen omhoog en opnieuw dwingen zij Hem het kruis op zijn doorwonden schouder te nemen en langs het rijzende bergpad op te gaan. En te midden van zijne folteringen wordt Hij door de menigte op de smartelijkste wijs vernederd en bespot.
O, waarom, dierbare Verlosser, waarom hebt Gij al dien smaad al die vernederingen op uw droevigen lijdensweg willen verduren, zoo niet om boete te doen voor de zonde van hoogmoed, die het beginsel en de wortel is van alle kwaad. Ach, daarom, lieve Jesus, daarom zie ik U door de heffe des volks bespot, daarom zie ik U zwoegend'voortgaan en herhaaldelijk bezwijken onder het kruis, onder dat kruis, waaraan een eerlooze dood U wacht. O beminnelijke Zaligmaker, geef, dat ik met rusteloozen ijver alle gevoelens van hoogmoed, fcrotschheid en eerzucht in
478
mijn binnenste moge uitroeien; geef, dat ik nimmer meer mij zeiven verheffe, den lof der wereld ontvluchte en mij uit liefde tot U met vreugde aan eiken smaad aan elke vernedering in dit leven onderwerpe.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
ACHTSTE STATIE.
JESUS TROOST DE WEENENDE VROUWEN.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, hoe de godvruchtige vrouwen van Jerusalem, die Jesus vol medelijden op den weg naar Kalvarië vergezelden, en door tranen en weeklachten luide hare droefheid over 's Heeren lijden te kennen gaven, door den Heer vertroost werden. âDochters van Jerusalemquot;, zoo sprak Jesus, âweent niet over Mij. Gewillig heb Ik Mij aan dit lijden onderworpen; mijne smarten zijn Mij zoet en zij zouden mijn hart met nog overvloediger vertroosting vervullen, indien Ik voorzag, dat alle zielen met de genaden medewerkten, die Ik haar door mijn lijden verdien. Ach, 't is dan niet over Mij, dat gij treuren moet, maar weent over die zondaren, voor wier heil Ik Mij te vergeefs ga opdragen aan het kruis; weent over Jerusalem, over de ondankbare inwoners dier stad, die Mij niet willen erkennen en in hunne verblindheid volharden.'
479
O mijn goddelijke Verlosser, hoe eindeloos groot is uwe goedheid, hoe onuitsprekelijk teeder uwe liefde jegens ons, zondaren! Terwijl Gij door de hevigste smarten gefolterd wordt en onder de diepste vernederingen gebukt gaat, slaat Gij geen acht op uw eigen lijden, maar treurt Gij slechts over het onheil, dat anderen boven het hoofd hangt, ten einde hen te waarschuwen en tot boete en bekeering te brengen. O mijn dierbare Jesus, geef, dat ik deze les wel moge ter harte nemen, en met tranen van het innigste leedwezen al die zonden beweene, waarmede ik uwe goddelijke goedheid en liefde zoo smartelijk heb beleedigd. Vervul mijn hart met diepen haat en afschuw voor elke overtreding; wasch en reinig mijne ziel in uw kostbaar bloed, opdat ik vlekkeloos voor uw heilig aanschijn wandele en eenmaal de vruchten moge plukken, die Gij ons door uw bitter lijden en sterven hebt verworven.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
NEGENDE STATIE.
JESUS VALT TEN DERDEN MALE ONDEE HET KRUIS.
Wij aanbidden ü, enz.
Overweeg, hoe Jesus ten derden male
480
bezwijkt op den weg en nederstort onder het kruis, en vraag u af, waarom de Heer zoo herhaaldelijk valt op zijn lijdensweg. Ach, waarom anders, dan om u te leeren, hoe smartelijk Hem uwe voortdurende ongetrouwheden zijn in zijn heiligen dienst ? Waarom anders, dan om u te toonen, hoe uw voortdurend hervallen in de zonde de oorzaak was van zijn smartvol lijden. O, verneder u dan voor uwen Heer, smeek Hem van ganscher harte vergiffenis en vorm nieuwe besluiten voor de toekomst.
Allerbeminnelijkste Jesus, hoe smart het mij, dat ik door mijn voortdurend hervallen in de zonde zoo menigmaal uw smartvol lijden vernieuwd heb! Ach, sterk mij dan. Heer Jesus, sterk mij met uwe genaden, opdat ik in het vervolg beter moge waken over mij zeiven, opdat ik 'mijne zinnen ver-sterve, mijne zondige driften beteugele, elke bekoring bestrijde, alle gevaren ontvluchte en tot mijn laatste ademtocht in uwe liefde volharde.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
TIENDE STATIE.
JESUS WOEDT ONTKLEED EN MET GAL GELAAFD.
Wij aanbidden ü, enz.
Overweeg, hoe Jesus maagdelijke- zedig-
481
heid hier beleedigd, hoe zijn smaak hier verbitterd werd. Ach, de oneindige heilige God, de Bruidegom der Maagden en de Minnaar der zuiverheid, ziet zich hier blootgesteld aan de schaamtelooze blikken der ruwe menigte. De Heer die 't al spijst en verzorgt wordt in zijne smaak gefolterd door den bitteren myrrhewijn, dien zijne beulen Hem aanbieden. Zoo wilde Jesus in zijn lijden voor de zonden van zinnelijkheid en onmatigheid, van ijdelheid en hoogmoed aan den hemelschen Vader voldoening geven. Onderzoek u zeiven, en mocht gij u aan die zonden plichtig gemaakt hebben smeek uwen Verlosser dan vol ootmoed om vergiffenis en bied Hem nieuwe voornemens aan voor de toekomst.
Goddelijke Verlosser, vol droefheid en schaamte werp ik mij aan uwe voeten neder, en met het diepste leedwezen â smeek ik U om vergiffenis voor de zonden, die Gij hier in uw smartvol lijden wilt uitboeten. Geef, dierbare Jesus, dat ik van dit oogenblik af in kinderlijke onschuld en reinheid voor uw heilig aanschijn moge wandelen, dat ik mij voor alle overdaad wachte, elke gelegenheid tot de zonde ontvluchte, de gevaarlijke gezelschappen vermijde en in het uur der bekoring aanstonds tot U mijne toevlucht neme.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
482
ELFDE STATIE.
JESUS WOEDT AAN HET KEUIS GENAGELD.
Wij aanbidden ü, enz.
Overweeg, welke onuitsprekelijke folteringen de Heer in zijne kruisiging moest verduren. Zie in den geest, hoe de beulen zijn heilig lichaam op den kruisbalk uitrekken, zie, hoe zij het met ruwe koorden vastbinden op het hout en achtereenvolgens zijne handen en voeten met scherpe nagelen doorboren en vastklinken aan het kruis. Zie, hoe 's Heeren heilig bloed uit de smartvolle wonden op den kruisbalk nedervloeit, hoe de handen der beulsknechten en de grond er mede wordt bevochtigd. Beschouw uwen Jesus, die ter prooi aan de heftigste pijnen daar zwijgend nederligt als het Lam, dat voor de zonden der wereld op het altaar des kruises wordt geslachtofferd. In stilte draagt Hij zijne smarten op aan den hemelschen Vader. Geen enkele klacht komt er van zijne lippen ; en als Hij eindelijk den mond opent, dan is het niet om aan de Joden hunne onmen-schelijke wreedheid en ondankbaarheid te verwijten, maar om den Vader vergiffenis te vragen voor degenen, die Hem kruisigden. ,Vader,quot; zoo bidt Hij, âliefdevolle Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen.quot;
483
O nameloos gefolterde Jesus! O diep vernederde Zoon van God! Hoe groot, hoe onbegrijpelijk groot is uwe liefde tot den mensch; hoe nameloos teeder is uwe barmhartigheid jegens den zondaar! Ach, de gedachte, dat uw onuitsprekelijk lijden wellicht voor velen van uw volk zonder eenige vrucht zal blijven, foltert U meer, dan de wonden, die in uw heilig lichaam werden geslagen, dan de grove nagelen, waarmede uwe handen en voeten werden doorboord. En daarom smeekt Gij den hemelschen Vader in uwe ontfermende hefde om vergiffenis voor uwe vijanden. O dierbare Verlosser! mocht ook ik slechts een enkele vonk bezitten in mijn hart van dien vurigen liefdegloed, waarvan uw goddelijk hart verteerd werd I Mocht ook ik steeds bereid, zijn elke beleediging, die mij wordt aangedaan, naar uw leer en voorbeeld van ganscher harte te vergeven, alle kwaad met goed te vergelden en allen, die mij vijandig gezind zijn als mijne broeders lief te hebben. O mijn liefdevolle Jesus, ik smeek het ü, bij de folteringen, voor mij verduurd, bij het bloed, voor mij vergoten, schenk mij hiertoe uwe alvermogende genade.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
484
TWAALFDE STATIE.
JESUS STEEFT AAN HET KRUIS.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, hoe eindelijk het plechtig oogen-blik van 's Heeren sterven is aangebroken. Stel u voor, dat gij u bevindt op den lijdens-berg en dat gij Jesus in de hevigste pijnen en de diepste vernedering daar ziet hangen aan zijn kruis. De glans zijner oogen is verduisterd; doodelijke bleekheid heeft zijn heilig gelaat overtogen; zijne ademhaling wordt immer pijnlijker en benauwender ; de laatste druppelen van zijn goddelijk bloed vloeien nog maar traag uit zijne heilige wonden; alles kondigt aan, dat de Schepper en Oorsprong des levens welhaast den geest zal geven. Overweeg, hoe Jesus op smart-vollen toon zich bij zijn Vader beklaagt over zijne verlatenheid, hoe Hij van dorst versmachtend om eenige lafenis smeekt, hoe Hij met stervenden mond spreekt: âHet is volbracht.' Overweeg eindelijk, hoe Hij zijne ziel aan den hemelschen Vader aanbeveelt, hoe Hij het moede hoofd buigt en sterft. Ach, Jesus is dan gestorven, gestorven na een onuitsprekelijk smartvol lijden, gestorven in de diepste vernedering, terwijl zijne vijanden Hem zelfs in die laatste en onuitsprekelijk smartvolle oogenblikken met den hitteraten
485
spot en de grievendste beleedigingen overlaadden. Jesus is gestorven om uwe ziel van den eeuwigen dood te redden, en u het eeuwig leven te geven. 0, werp u dan naast liet kruis van Jesus ter aarde neder; kus in den geest den grond, die met zijn kostbaar bloed besproeid werd, omhels het heilig kruis, waarop Hij zich voor uwe ziel ten offer bracht; smeek Hem nogmaals vol droefheid om vergiffenis voor uwe zonden, dank Hem voor zijne onuitsprekelijke liefde en hernieuw uw besluit om Hem tot aan uwen dood toe immer getrouw te blijven.
Dierbare Jesus! Voor mij aan het kruis gestorven Jesus! ach, zie mij hier aan uwe voeten liggen vol droefheid over mijne zonden, die de oorzaak van uw smartvollen kruisdood waren. Ach, ik was tot de eeuwige straffen der hel verwezen. Maar in uwe ontfermende liefde daaldet Gij neder uit den hemel, naamt Gij een lichaam aan, om voor mij te kunnen lijden en sterven, en hier, aan het kruis hebt Gij mij weder met uwen Vader verzoend en de verloren erfenis des hemels mij teruggeschonken. Heb dan dank, dierbare Jesus, heb duizendmaal dank voor de eindelooze liefde, waarmede Gij mij bemind hebt. Zie, door dankbare wederliefde gedreven, hernieuw ik nogmaals het besluit U nimmer meer te zullen beleedigen. Neen, liever wil ik sterven, dan ü ooit weder te bedroeven door de zonde. Maar ach, o mijn
486
God, ik ben zoo zwak; aan zoovele gevaren ben ik blootgesteld en door zoovele vijanden omringd. Help mij dan met de kracht uwer genade over eiken aanval der hel te zegevieren, opdat ik U met een dankbaar hart dienend en in uwen dienst volhardend eenmaal op mijn sterfbed het zoete en verblijdende woord moge vernemen, door U tot den goeden moordenaar gesproken: âHeden zult gij met Mij in het paradijs zijn.quot;
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
DERTIENDE STATIE.
HET LICHAAM VAN JESUS WORDT VAN HET KRUIS GENOMEN.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, hoe 's Heeren heilig lichaam door Joseph van Arimathea en de overige vrienden des Heeren vol eerbied van het kruis werd afgenomen en in den schoot der ontroostbare Moeder werd neergelegd. Bedenk, wat er wel moet zijn omgegaan in het hart van Maria, toen zij het ontzielde en doorwonde lichaam van haren goddelijken Zoon in hare armen ontving. Ach, zij drukte het aan haar hart, zij omhelsde het, kuste vol eerbied zijne doorboorde handen, besproeide zijn heilig lichaam met hare tranen, want nu was de voorspelling van den grijzen
487
Simeon in al hare verschrikkelijkheid in vervulling gegaan. Kunt gij die ontroostbare droefheid van Maria aanschouwen, zonder innig deel te nemen in haar lijden ? Welaan, kniel dan in den geest bij de Moeder van smarten neder en erken, dat uwe zonden de oorzaak van Jesus' dood en Maria's lijden waren.
O liefdevolle Moeder! Sta mi] toe, dat ik U vol droefheid nadere en met U weene over mijne zonden, die Jesus deden sterven aan het kruis en uw moederlijk hart met nameloos wee vervulden. Helaas! ik was de wreedaard, wiens hand in dat heilig lichaam de smartelijkste wonden sloeg. Ach, zeg uwen Zoon, ik smeek het U, zeg Hem, dat ik mijne ondankbaarheid verfoei en betreur en smeek Hem voor mij om vergiffenis. Gedenk, o allerheiligste Maagd, dat Gij onder het kruis ook mijne Moeder zijt geworden. Bid voor mij, wanneer de helsche vijand mij zijne strikken spant, wanneer dreigende gevaren mij omringen, maar vooral dan, wanneer het oogeublik aanbreekt waarvanmijne eeuwigheid afhangt. Laat mij dan vooral de macht uwer moederlijke bescherming ondervinden, opdat ik in uwe armen den geest geve en door uwe tusschenkomst een genadig vonnis verwerve!
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
488
VEERTIENDE STATIE.
JESUS WOEDT IN EEN NIEUW GHAF GELEGD.
Wij aanbidden U, enz.
Overweeg, hoe het heilig lichaam des Heeren door Mcodemus en Joseph van Arimathea met kostbaren balsem gezalfd en in wit lijnwaad en welriekende kruiden gewikkeld, in een nieuw graf, dat in de rots was uitgehouwen, werd neergelegd. Sluit u in den geest aan bij den treurigen stoet van 's Heeren vrienden, die den Kalvarieberg afdalen en de laatste bewijzen van liefde en vereering aan Jesus brengen. Meng uwe zuchten en uwe tranen met die der ontroostbare Moeder, met die der boetvaardige Mag-dalena; vraag Jesus nogmaals om vergiftenis voor uwe koelheid en ondankbaarheid en smeek Hem, dat Hij u de genade ver-leene, zóó in deze wereld te leven, dat gij eenmaal na een zalig sterfuur zijn verheerlijkt lichaam in de glorie zijns Vaders moogt aanschouwen.
Allerbeminnelijkste Jesus, mijn God en Verlosser, vol ootmoed werp ik mij voor U neder en luide erken ik voor den Hemel en voor U, dat ik wegens mijne ontelbare zonden niet waardig ben mij aan te sluiten bij de uitverkoren vrienden, die U vol droefheid en rouw naar uwe laatste rustplaats verge-
489
zeilen. Maar o, nu ik weet, dat Gij gestorven zijt uit liefde tot mij, nu ik weet, dat geen lijden U te zwaar viel, dat geen dood U te vernederend was, om mijne ziel te redden, o, nu durf ik mij vrij op uwe onuitsprekelijke goedheid en barmhartigheid verlaten in het volste vertrouwen, dat Gij mij niet zult verstooten, nu ik vol droefheid en leedwezen tot ü terugkeer. Zie, dierbare Jesus, ik heb het begrepen, dat alleen uwe liefde mij tot heil kan strekken, dat alleen uw bezit mij waar geluk en duurzame vreugde kan schenken. Daarom wend ik mij tot U en smeek ik ü met al den aandrang mijner ziel: ach, gedoog toch niet, dat ik ooit weder door de zonde van U gescheiden worde. Geef, dat ik liever alles ten offer brenge, en alles verdure dan TJ nogmaals te belee-digen. Slechts IJ wil ik liefhebben, slechts aan U wil ik behagen; slechts U wil ik dienen, slechts ü verheerlijken, opdat ik, na een deugdzaam en godvreezend leven voor ü geleid te hebben op aarde, ü zonder ophouden moge loven en prijzen in den hemel.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
DANKGEBED.
Dank, duizendmaal dank. Heer Jesus, voor de genaden, mij gedurende deze oogenblik-ken geschonken. Ik mocht dan wederom in
490
den geest getuige zijn van de vernederingen, de folteringen en verguizingen, welke Gij op dien bitteren lijdensweg voor mij hebt willen verduren, van den smartelijken en onteerenden dood, dien Gij voor mijne zaligheid hebt willen ondergaan. O, of ik toch door die overweging immer duidelijker mocht inzien, welk een onuitsprekelijke liefde Gij ons toedraagt; of ik er toch immer levendiger door mocht gevoelen, aan wel een schromelijke ondankbaarheid ik mij schuldig maakte, toen ik den weg uwer geboden verliet en mij aan de zondige genoegens dezer wereld overgaf. Ach, al die zonden en misdrijven, zij zijn mij van ganscher harte leed, omdat ik ü. God van oneindige liefde er zoo snood door beleedigde. Zie, lieve Jesus, nogmaals hernieuw ik het besluit om ü in het vervolg beter te dienen en getrouwer aan uwe genaden te beantwoorden. Gij, o mijn Verlosser, hebt U zeiven op het altaar des kruises voor mij ten offer gebracht, opdat ik met ü in uwe heerlijkheid zou kunnen deelen, welaan, ook ik draag mijzel-ven geheel en onverdeeld aan ü op. Geef dan, dat van dit oogenblik af al mijne gedachten en begeerten, al mijne woorden en werken, slechts mogen strekken ter uwer verheerlijking. Geef, dierbare Jesus, dat ik U mijne erkentelijkheid en wederliefde toone, door alle kwellingen en beproevingen des levens met onderwerping uit uwe hand aan
491
te nemen en geduldig te dragen, door al uwe geboden stipt en getrouw te vervullen, door eiken dag voortgang te maken op den weg der volmaaktheid. Geef in één woord, dat ik voortaan zóó innig met U vereenigd moge leven, dat geene bekoringen, geene wederwaardigheden, geene ziekte, geen lijden, dat niets ter wereld ooit in staat zij mij van uwe liefde te scheiden, opdat ik, in uwe liefde levend en in uwe heilige omhelzing stervend, eenmaal het verblijf uwer glorie moge ingaan en U daar gedurende de gan-sche eeuwigheid met alle uitverkorenen moge prijzen en danken voor het onuitsprekelijk geluk, dat Gij ons door het hoogheilig offer des kruises hebt verworven.
O Maria, Moedor van smarten, bid voor mij, opdat ik God nimmermeer beleedige door de zonde en in de liefde des Heeren moge volharden. Amen.
Voeg hierbij: vijfmaal het Onze Vader, vijfmaal het Wees gegroet en vijfmaal: â Glorie zij den Vader,71 enz. ter eere van de vijf heilige wonden des Heeren en één Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij den Vader tot intentie van Zijne Heiligheid.
492
JL.OFZANG âJSXABAT MATERquot;.
|
Stabat mater dolorosa Juxta crucem lacry- mosa, Dum pendebat Filius. Cujus animam gemen-tem, Contrietatamet dolen-tem, Pertransivit gladius. 0, quam tristis et afflict a Puit ilia benedicta Mater Unigeniti! Quae moerebat, et dolebat, Pia mater, dum videbat Nati poenas inclyti. Quis est homo, qui non fleret, |
Weenend stond de Moeder daar onder het kruis, terwijl haar Zoon te sterven hing. Zij stond daar zuchtend en treurend en luide weeklagend, terwijl een zwaard van droefheid hare ziel doorboorde. Ach, door wat droefheid en nameloozen rouw werd de gezegende Moeder van Gods eenig geboren Zoon daar overstelpt! Hoe treurde en weende zij, de allertee-derste Moeder, bij het aanschouwen van de smarten van haar doorluchtigen Zoon. Wie zou niet weenen, waar hij Christus' |
493
|
Matrem Christi si videret In tanto supplicio? Quis non posset con- tristari, Christi matrem con- templari Dolentem cum Filio ? Pro peccatis suae gentis Vidit Jesum in tor- mentis, Et flagellis subditum, Vidit suum dulcem natum Moriendo desolatum, Dum emisit spiritum. Eja Mater, fons amorfs, Me sentire vim doloris Fac, ut tecum lugeam. Fac, ut - ardeat cor meum In amando Christum Deum, Ut sibi complaceam. Sancta mater, istud agas, |
Moeder aan zulk een overstelpend ziele-leed ter prooi ziet? Wie zou niet bewogen worden, waar hij 's Heeren Moeder ziet treuren met haar Zoon? Om de zonden van zijn volk zag zij Jesus prijsgegeven aan foltering en geeselstraf, Zag zij haar bemin-nelijken Zoon in zijn stervensuur, van allen verlaten, den geest geven. Welaan, o Moeder, bron van liefde, laat mij de hevigheid uwer smart gevoelen, opdat ik met ü weene. Geef, dat mijn hart brande van liefde tot Christus, mijn God, opdat ik Hem meer en meer moge behagen. Wil, heilige Moeder, de wonden van den |
494
|
Crucifixi fige plagas Cordi meo valide. Tui nati vulnerati, Tam dignati pro me pati Poenas mecum divide. Fac me tecum pie fiere, Crucifixo condolere, Donec ego vixero. Juxta crucem tecum stare, Et me tibi sociare In planctu desidero. Virgo virginum prae-clara, Mihi jam non sis amara: Pao me tecum plan-gere. Pac ut portem Christi mortem, Passionis fac consor-tem. Et plagas recolere. |
Gekruiste onuit-wischbaar in mijn hart drukken. Laat mij deelen in de smarten van uw doorwonden Zoon, die zich gewaardig-de voor mij te lij den. Laat mij alle de dagen mijns levens met U ween en en het lijden van den gekruis-ten Jesus dragen. Niets vuriger verlang ik, dan naast ü te staan onder het kruis en deelgenoot te zijn in uwen rouw. Uitgelezen Maagd, zie goedgunstig op mij neder en laat mij met ü weenen. Geef, dat ik den ge-kruisten Christus in mij drage, dat ik deele in zijn lijden en zijne smarten voortdurend overwege. |
495
|
Fac me plagis vul- verari, Pac me cruce inebriari, Et cruore Filii. Flammis ne urar suc- census, Per te, Virgo, sim defensus In die judiciï Christe, cum sit hinc exire. Da per matrem me venire Ad palmam viotoriae. Quando corpus morie-tur, Pac, ut animae done-tur Paradisi gloria. Amen. 1) |
Geef, dat zijne wonden mij doorwonden, dat het kruis van uwen Zoon mijne hoogste wellust zij en zijn H. bloed mij lave. Machtige Maagd, verdedig mij in den dag des oordeels, opdat ik van de vlammen der hel bevrijd blijve. Wanneer ik zal worden opgeroepen uit dit tranendal, geef dan, dierbare Verlosser, dat ik door uwe Moeder den zegepalm behale. Opdat, wanneer mijn lichaam zal sterven, mijne ziel de glorie van het hemelsch paradijs moge binnengaan. Amen. |
') Z. H. Paus Innooentias XI verleende goedgunstig, bij Breve van 1 September 1681 aaii een ieder een aflaat van 100 dagen, telkenmale wanneer hy deze hymne met godsvrucht bidt ter eere van de Moeder van Smarten. Z. H. Paus Pius IX heeft bij Rescript van 18 Juni 1876 dezen aflaat bevestigd.
496
pEBED TOT DEN GEK RUISTEN jjESUS.1)
Zie, o goede en allerzoetste Jesus, voor uw aanschijn werp ik mij op mijne knieën neder, en ik bid en smeek U met de grootste vurigheid des gemoeds, levendige gevoelens van geloof, hoop en liefde, van oprecht berouw over mijne zonden met een vast voornemen, mji daarvan te verbeteren, in mijn hart te willen drukken, terwijl ik met innige deelneming en droefheid uwe vijf wonden in den geest beschouw en mij voor oogen stel hetgeen de profeet David U, o goede Jesus, reeds in den mond legde: âZij hebben mijne handen en voeten doorboord; zij hebben al mijne beenderen geteld.quot;
') Z. H. Paus Pius IX heeft bij decreet van de H. Congregatie der Aflaten 31 Juli 1858 den vollen aflaat, door zijne voorgangers Clemens VIII en Benedictus XIV aan dit gebed verbonden, bevestigd en verklaard, dat deze kan verdiend worden door een ieder die het, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, godvruchtig voor een kruisbeeld verricht en daarna gedurende eenigen tyd bidt tot Intentie van Zjjne Heiligheid.