Laril _
wkrmlmnM
KITH. lEflEBilltSCHE Vilt,
INZONDERHEID TEN GEBRUIKE VAN
H. K. Werklieden-, Gezellen- en Militaire Vereenigingen, Volksbonden, Zouaven-Broeder schap, Kruisverbond, Maria- Ver-
/areerend verlangen verzameld en vermeerderd j DOOR ^
Mevr. Bongartz-Smeets
MET MEDEWERKING VAN
cenig-e JCec^en (Bomponidten.
Prijs 15 cent.
OLDENZA.IL. â G. BRUGGEMAN. â 1896.
â¡turgiscn® vereeniging Aartsbisdom UTRïïCH f Volgnummer Bibüotheak ^7 /
V i
I
êühtómtóp êmngeit
No. i.
Aan Koning Christus Victorie. 1)
(Lied ter opening van den Zangbundel.)
Muziek van Joh, Verhulst.
Wijze : Aan U, o Koning der eeuwen.
(Zie de Pius-Cantate.)
Aan Koning Christus victorie â
Hij, de ongeschapen Zoon,
Hij, glans van des Vaders glorie â
Die heerscht op Davids troon ;
Durft twijfelzucht Hem hoonen,
Te hooger stijge ons lied In voller jubeltonen :
âDe Christus, Hij gebiedt!quot; In voller jubeltonen :
âDe Christus, Hij gebiedt!quot;
1
Dit Lied kan in koor gezongen worden, maar ook als No. 21 met solo en koor. Het 2de couplet is 't best geschikt voor solo. Ook kan men den solo in koor herhalen. B. S.
4
Aan 't Kruis scheen eenmaal ontluisterd,
O Christus, Uw Koningsmacht,
Toen werd het licht ook verduisterd,
De dag verkeerde in nacht;
't Wordt duister voor de volken Zoo Christus hen niet licht â Kom Heer, ban weêr de wolken.
Toon weêr Uw aangezicht! Kom Heer, ban weêr de wolken,
Toon weêr Uw aangezicht!
De volk'ren zullen juichen
Bi) d' afgewentelden steen.
Zij zullen den Christus getuigen.
Die lichtend hun verscheen.
O kom, Gij God der glorie,
Toon weêr Uw Koningsmacht, O Zon, vier weêr victorie Op onzer tijden nacht!
O Zon, vier wt êr victorie Op onzer tijdfn nacht!
Alleluja ! B. S.
No. 2.
Kerstlied.
Looft den Heer, 2de st. No. 6. (No. 1, oude Bundel.)
De herders zij waakten bij nachte. Zij waakten te nacht in het veld;
5
Zij hielden vol trouwe de wachte, (gt;
En hadden de schaapjes geteld ;
Daar hoorden ze de Engelen zingen v Van 't Kindeke in Bethlehem's stal.
De herders naar Bethlehem gingen, Zijpieten^de schaapjes in 't dal.
En toen ze bij 't kribbetje kwamen.
Toen werd het hun zielen zoo licht: Zij, die 't lied der Englen vernamen. Aanschouwden het stralende wicht. Toen vlamde ook een straal uii hun oogen
En viel op het Kindeke neêr. Zij werden tot schreiens bewogen En knielden bij Jezus neêr.
Maria, zij bloosde van weelde.
Van ootmoed en heilige vreugd ; De goede Sint Josef, hij streelde
Het Kindje wiens bijzijn verheugt; De herders bevalen te weiden '⢠Hun schaapkens aan d'Engelen stoet:
Zij konden van 't Kindjen niet scheiden, :t Was hun bij Jer.us zoo goed.
Och Kindje, och Kindje, dat heden 3. In 't armelijk stalletje kwaamt.
Ach, leer ons Uw paden betreden. Dan staan wij in 't eind niet be-[schaamd!
A
6
O kom ! kom de wereld verwinnen,
O kom ! kom den vijand verslaan; Kom, treed in Uw Koninkrijk binnen, Neem ons als Uw keurbende aan!
No. 3.
Stille nacht, Heilige nacht.
Cantate Domino No. 3.
Stille nacht, heilige nacht!
Alles slaapt, sluimert zacht.
Eenzaam waakt het hoogheilige paar. Lieflijk Kindje met goud in het haar ! Sluimer in hemelsche rust! (bis.}
StiUe nacht, heilige nacht!
Zoon van God ! liefde lacht Vriendlijk om uw godd'lijken mond,quot; Nu ons slaat de reddende stond, Jezus, van uwe geboort' ! (bis.')
Stille nacht, heilige nacht.
Die der aard' redding bracht; Uit der gulden hemelen sfeer Daalt in volheid verlossing neer; Jezus in menschengedaant'! (bis.')
7
Stille nacht, heilige nacht!
^Herders zien 't eerst uw pracht; Door der Eng'len Alleluja
Galmt het luid van ver en na:
Jezus de Redder ligt daar. (bis.)
No. 4.
Kerstlied. 1)
(Wees welkom ons, o heil'ge Nacht.)
Muziek van L. Bongartz.
Koor.
Wees welkom ons, o heil'ge Nacht!
Meer lichtend dan de dagen.
Gij hebt den Dageraad gebracht, Hij komt den nacht verjagen.
Solo voor Tenor.
Gegroet! Gegroet 1 O Dageraad Van bovenaardsche glorie,
1
Dit lied kan ook zonder solo's gezongen worden, men vat dan eenvoudig de koorpartijen samen. Evenzoo kan het stak ook als duo voor één Tenor- en Baszanger worden gebruikt, men trekt dan de Solopartijen samen, terwijl het eerste couplet, dat nu voor Koor staat, dan door de Baspartij gezongen wordt op dezelfde wijze als de andere Bassolo's.
8
Gg, Licht dat nimmer ondergaat. Gij, Licht dat nimmer ondergaat. Aan U is de victorie!
Aan U is de victorie!
Koor.
Gegroet! Gegroet! enz.
Solo voor Bas.
Hij die gelooft in U, Gods Zoon,
Gekomen ons ten leven.
Hem zult Gij in Uw's Vader's woon Zijn plaats als kind hergeven !
Koor.
Hij die gelooft in U, enz.
Tenor-Solo.
Gij brengt der menschheid 't heerlijk
Recht â Gij, Wreker aller zonden â Het recht voor Koning en voor Knecht, Het recht voor Koning en voor Knecht, Te lang te wreed geschonden; Te lang te wreed geschonden.
Koor.
Gij brengt der menschheid enz.
9
Solo voor Bas.
Droog dan uw tranen, Adamskroost,
Staak dan uw droevig klagen. Gij hebt een bron van heil en troost, Hij komt uw jammer dragen !
Koor.
Droog dan uw tranen, enz.
Solo voor Tenor.
Een oord van vreugd werd 't tranendal^
De heilzon is verschenen !
Zing Hem dan lof met feestgeschal. Zing Hem dan lof met feestgeschal, Nu, en door de eeuwen henen ! Nu, en door de eeuwen henen !
Slotkoor.
Een oord van vreugd, enz.
B. S.
No. s.
Lied der Hoogfeesten.
Wijzf. : O Sanctissima.-(No. 3, oude Boekje.)
Hoe volheerlijk is het Kerstfeest Voor een volk dat het veibeidt,
Jesus brenpt den vrede En de ontferming mede,
Jubel, jubel luide, o Christenheid !
10
Hoe begeerlijk is het Paaschfeest Voor een ziel die zich bereidt; Jesus, 't graf ontstegen,
Wuift haar 't leven tegen, Jubel, jubel luide, o Christenheid!
Pinksterfeest zal 't heil voltooien, Door het Kruis Lam ons bereid. God de Geest gaat komen In genadestroomen,
Jubel, jubel luide, o Christenheid !
No. 6.
Lied vóór de H. Communie.
Cantate Domino No. 25. (No. 4 oude Boekje.)
O Heer, ik ben niet waardig, O Heer, ik ben niet waardig,
Dat 'k aan Uw tafel kniel; Gij, Heer, maak Gij mij vaardig. Gij, Heer, maak Gij mij vaardig,
Versier Gij mij de ziel!
Gij kent haar groot verlangen.
Gij, God, haar Bruidegom â Om waardig U te ontvangen. Om waardig U te ontvangen, Kom dan, o Jezus, kom!
n
Aan U wil ik mij geven, Aan U wil ik mij geven Door vrije liefdedaad; Gij geeft der ziele 't leven, Gij geeft der ziele 't leven
In voller overmaat;
O Jezus, Levensbronne, O Jezus, Hemelbrood, O Jezus, Waarheidszonne, (bis) Blijf met mij tot den dood !
No. 7.
Na de H. Communie.
(No. 5, oude Bundel.)
Welkom, o Heere, â
Wees welkom in mijn ziel.
Wat hoog een eere
Die haar te beurte viel ;
Zij met haar God vereend !
Wat gunst den mensch verleend !
Den mensch zoo vol van zonden, â Maar 'k heb mijn schuld beweend, Gena gevonden.
'k Wil dank U zingen,
O Heer, zoo naamloos goed, Die stervelingen
Met 't Brood der Englen voedt;
12
Wat tong geeft 't wonder weêr, Dat Gij U geeft, o Heer,
Tot spijs aan de U getrouwen. Die leven tot Uw eer, Op U slechts bouwen !
'k Gaf U mijn leven
Met heel mijn wil en kracht, Wil Gij mij geven
Tot kunnen ook de macht. Thans in deez' plecht'gen stond Vernieuw ik 't heilverbond :
Te leven U ter eere Tot op mijn stervensspond, â Help daartoe, Heere !
Gij, Weg en Leven,
De Waarheid en het Licht, Aan U mij geven
Is dure liefdeplicht.
Dan vindt mijn ziel eerst rust En zoete hernellust.
Gebreideld is 't begeeren ; Als mij Uw vrede kust.
Kan niets mij deren.
13
No. 8.
Lied na de H. Communie.
Getrokken uit St. Bepnardus, ontboezeming:.
Muziek van L. Bongartz.
O Jezus, Wiens gedachtenis Mijn ziel reeds louter blijdschap is, Wat zoete vreugde is mij bereid Nu 'k juich in Uw aanwezigheid! Geen liefelijker zangakkoord,
Geen klank wordt streelender gehoord, Geen denkbeeld ooit meer wonderschoon
Dan Jezus, Gods geliefde Zoon.
à Heer, wat is Uw liefde zoet Voor 't afgestreden krank gemoed ! Geen taal, hoe teeder, rijk of stout, Die ooit de kracht er van ontvouwt. Ach, wees ook m'j tot zielevreugd. Tot troostgestarnte op 't pad der deugd. Tot harteblijdschap, steun cn kracht, Tot burcht, waar ik mijn hulp van
wacht.
Ik zal U volgen waar Ge ook gaat. Gij büjft mijn schild, mijn toeverlaat, Mijn deel, mijn erf, mijn eenig goed. Mijn heil, mijn roem, mijn overvloed.
14
Wat ik gezocht heb, vind ik nu, 'k Bezit wat ik verlangde in U, Ik smaak nu 't hoogste hei'genot En juich en leef in U, mijn God F
En nu, o Jezus, klink' mijn zang Uw naam ter eer mijn leven lang, En zij Uw heerlijk aangezicht De zon, waarnaar 'k mijn leven richt, O Jezus, Licht van eeuwigheid.
Drijf 't duister weg dat mij omspreidt. En laat mij aan Uw heilfestijn Uw dischgenoot voor eeuwig zijn.
No. 9.
Aan het H. Hart van Jezus.
Muziek van L. Bongartz.
O Jezus, Heer, zoo goed, zoo teêr.
Zoo waardig aller liefde !
Hoe vond ik vaak nog mijn vermaak Daar waar men 't Hart U griefde ? Ben ik van steen, dat Uw geween
Mijn ziele niet kan treffen ?
Zal 'k nooit de smart van Uw zoet )
Hart [ bis. Om mijnentwil, beseffen ? '
15
Toch min ik U, toch zie ik nu
Mijn dwaasheid en mijn zonde. Ik zucht en schrei, ik smeek en vlei:
âAch berg mij in Uw wonde! Een vijand â sterk â verwoest het werk
Dat Gij hebt ondernomen.
Ik die â ontrouw â hem helpen wou,) ^ Heb nu zijn macht te schromen, j
âAch berg mij toch â op heden nog â
Voor goed in Uw zoet Harte,
En laat niet toe, dat 'k weer iets doe
Wat U vervult met smarte.quot;
In liefde â groot â stierft Gij den dood
En liet Uw Hart doorwonden, Nu smeek ik : âHeer, geen zonden \
meer, | bis,. Geen zonden, o, geen zonden !'' )
(Slotcouplet.)
Veeleer de pijn â zoo het moet zijn â
En de armoede of het lijden;
Ik ben van nu tot eeuwig U! â ) bjg_ 'k Wil lijden ook en strijden. I
B. S.
16
No. io.
Processielied ter eere van het Allerheiligste Sacrament.
Muziek van Joh. H. Loser.
Aan 's Hoogtij disch in plecht'gen stond
Klonk, als een heerlijk lied, Een Koningswoord uit Godesraond:
âIk ga, toch scheide Ik niet,
Ik zal door de eeuwen met U zijn;
Gij â geen verweesd getal â
Blijft vieren 't teeken Brood en Wijn Waar 'k Mij in geven zal.quot;
Refrein.
Halleluja, Halleluja!
Koning van Heilgeca, Wij bidden op dit Feestgetij: âBlijf, Meester, blijf ons bij.quot;
Halleluja, Halleluja !
Wij braken 't Brood in trouw geloof,
Wat off;rs men ons vroeg,
Voor spot en wereldwijsheid doof.
Bleef ons het Woord genoeg; Wij vroegen om geen wonderwerk,
Toch brak de Heere, God, Uit liefde voor zijn trouwe Kerk Somtijds 't mysterieslot.
Refrein.
Halleluja, Halleluja! enz.
17
Dan straalde 't Brood als 't zonnelicht
Of druppelde 't van Bloed,
Of lachte ons aan als lieflijk wicht,
Of tartte vlammengloed;
Zoo hebt Gij, God, Uw volk verblijd
Gelijk Gij 't Isr'el deedt, â Zoo bleef het winnaar in den strijd, Dien 't om Uw Heilwoord streed.
Refrein.
Halleluja, Halleluja! enz.
Gegroet, o Jezus, onze Heer,
In 't zoet geheimenis.
Waar we U omringen als weleer
Ten zelfden Liefdcdisch;
Gegroet met wierook-offergeur.
Met lied en snarenspel. Met outaar-vlam en bloetnenfleur, Gij, God, Emmanuel!
Refrein.
Halleluja, Halleluja! enz.
Gij, God met oqs, Gij Levensbrood,
0 daal ons t' eiken stond.
Voer ook de volken uit den dood
En tot Uw Heilverbond. Kom, Brood des Levens, kom en daal Voor al Uw kind'ren neêr,
18
Spijs allen, aan Uw Liefdemaal,
Daar is nog plaats, o Heer!
Refrein.
Halleluja, Halleluja ! enz.
B. S.
No. ii.
Aan Maria (Meilied).
Muaiek van P. M. Winnubst.
Wees, wees gegroet, Gij leliereine Maagd, Wie, toen de dag der redding was ge-
[daagd.
Het Leven om het leven heeft gevraagd
Tot heil der wereld, (bis.)
Bij 't ruischen van het lieflijkst tem-
[peldicht,
Bij geur en glans van 't godgewijde
[licht.
Zij U weer de eêlste bloementroon gesticht (bis.) Met dauw bepereld.
Kom, heiige Bruid, het barre wintertij Met regenvlaag en stormen is voorbij. Treed op, bekroon het lentefeest, zoo blij Begroet van verre, (bis.)
19
Aan U, die 't eerst de wereld heeft verblijd,
Zij 't teederst green, in milder lucht
gedijd.
Met de eerste tuil van Neerlacd's grond
gewijd, (bis.')
O Morgensterre!
Gij Koningin, versmaad de gaven niet, Wier geur vervliegt, wier verve ras verschiet â
Ook om de hand, die deze hulde U
[biedt
Van luttel waarde (bis.)
Geen keurgebloemte omzoomt mijn
[levenspad. Vorstinne 'k bood U Koninklijken schat. Zoo 'k deel slechts in de heerlijkheden
[had, (bis) Die sieren de aarde.
fr A. v. Kerkhoff.
No. 12.
Aan onze Moeder.
Muziek van L. Bongartz.
Juicht, juicht met ons, o Broederkrin-Wij zijn Maria toegewijd, [gen, 1)
1
In plaats van Broederkringea kan men ook z:ngen: Zuaterkringen.
20
Laat ons vereend Maria zingen,
Zij zal ons sterken in den strijd ! (bis.) O zalig uur van zegeningen.
Wij zijn Maria toegewijd.
Haar zetel mogen wij omringen.
Ze is onze Moeder voor altijd ! (bis.')
Wat nood en storm ons overkomen â
Maria is de ster der zee;
Wie met Haar vaart, hoeft niet te schro-
[men.
Zij voert hem veilig aan ter reê; (bis ) Zij zal der stormen driften toomen, Zij luistert naar der droeven beê. Straks toont zij ons des oevers zoomen Van 't land van eindeloozen vree! (bis.)
Juicht, juicht met ons, o Broïderkringen,
Wij zijn Maria toegewijd.
Wij zullen vreugdevol haar zingen
Bij 't kampen in des levens strijd, (bis ) O zalig uur van zegeningen,
Toen wij aan haar zijn toegewijd, Laat om haar vaan ons samendringen, Ze is onze Schutsvrouw voor altijd !
(bis.)
21
No. 13.
Maria's glorie.
Muziek van L. Bongartz.
Heuvels, velden, bosch en dalen, Heemlen, wilt den lof herhalen. Ons den glans der grootheid malen.
Van de vlekkelooze Maagd ! Beekjes met het lief geklater Van uw zilverhelder water, Voog'lenkoor met zoet geschater.
Zingt een lied dat haar behaagt! Voog'lenkoor met zoet geschater. Zingt een lied dat haar behaagt!
Zingt der Hemel-Koninginne,
Onze Moeder zoo vol minne !
Zingt der Maagd en Rijksvorstinne
In haar glorie wonderschoon ; Zij, van eeuwig uitverkoren,
Zal van hoogen luister gloren.
Haar was 't Moederschap beschoren
Van des Vaders een'gen Zoon ! Haar was 't Moederschap beschoren Van des Vaders een'gen Zoon!
Daarom zal elk volk Haar roemen. Elk geslacht Haar zalig noemen. Daarom strooien wij Haar bloemen. Zingen duizendvoud Haar lof;
22
Gij, verheveaste der vrouwen, O verkrijg voor Uw getrouwen, Dat zij eens hun God aanschouwen
In des paradijzes hof!
Dat zij eens hun God aanschouwen, In des paradij zes hof!
No. 14.
Jezus' droeve Moeder.
Muziek van L. Bongartz.
O, wat is ze in smart verloren
En van tranen overdauwd,
Jezus' maagdelijke Moeder,
Als zij 't lijk haars Zoons aanschouwt, Als zij Hem, van 't Kruis genomen, Koud en stijf in de armen houdt !
't Minlijk aanschijn, zoo ontluisterd,
't Hart doorstoken, 't Hart zoo zoet. En die wonderdoende handen
Wreed doornageld, uitgebloed, En die opgescheurde voeten
Baadt ze in warmen tranenvloed.
Zacht en teer, als lang voor dezen, Streelt en koestert zij den Heer, Weder rust Hij in haar armen.
Hij, het Kindje van weleer.
23
Die herinring zoo vol weelde
Prangt in 't uur der smart nog meer.
Lieve Moeder, o, wij sraeeken
Door uw heil'gen tranenvloed â Bij den dood van uwen Zone,
Die mijn schuld heeft afgeboet, â Stort de smart door U geleden Met uw liefde ons in 't gemoed.
No. 15. Kinderen van Maria.
Kind'ren van Maria,
Zwaait de zegevaan ;
Zingt het alleluja,
Nooit kunt gij vergaan !
Uit haar open handen Vloeit een zegenstroom,
Maar op zielsvijanden
Slingren zij den schroom.
Kind'ren van Maria, enz.
Leger in slagorde Vol ontzaglijkheid,
O ! verplet de horde. Die ten afgrond leidt.
Kind'ren van Maria, enz.
24
Voorbodin der zonne, Schoone dageraad,
Die 'k mijn harte gonne. Met een blij gelaat.
Kind'ren van Maria, enz.
In de duisternissen.
Lieflijk schijnend licht!
Kan men 't voetpad missen, 't Oog op u gericht ?
Kind'ren van Maria, enz.
Mild in zegecstralen,
Zonne der natuur.
Moeder kom ons halen, In ons stervensuur.
Kind'ren van Maria, enz.
No. 16.
Heil'ge Joseph, wees geprezen.
Wijze: Strömt herbei ihr Mannerschaaren,
(Feierabend No. 160.) Kan ook gezongen worden op het Tantum Ergo van den Gomp. Zweers Sr.
(No. 7 oude Bundel.)
Heil'ge Joseph, wees geprezen.
Gij, bevoorrecht door den Heer, Eer zij U door mij bewezen. Kinderlijke hulde en eer.
25
Help mij worden hier op aarde Wat mijn God behagen kan;
Help mij worden hier op aarde ) ^ Aan Zijn werk een timmerraan. )
Hard wel is het hout des levens,
Waar wij aan te werken staan,
Maar Gij greept 't als iets verhevens Met der deugden werktuig aan â . Met de zaag en met de schaaf toch Van geduld en van gebed.
Met de zachtheid, deze vijl nog â i Overwinnende elk verzet j
Zoo hebt Ge uit het hout des levens
U een schoon sn troon bereid, Gij hebt dezen glans gegeven
Door uw stille arbeidzaamheid. Zoo mocht Ge U een kroon verwerven â Schooner dan eens Davids kroon â Na uw overkostbaar sterven ) Tusschen de armen van Gods r bis.
[Zoon. ^
Aan de rechterhand gezeten
Van uw Pleegzoon, onzen Heer,
Zult Ge 't keurkorps niet vergeten, Dat hier arbeidt God ter eer.
26
Dat door liefde en stille zorgen,
Bij bescheiden broodgewin,
Leven wil in God verborgen } .. Voor het heil van 't huisgezin. ) ts'
Dat hier poogt uit Kruis en lijden,
Met het werktuig van geduld, Een gestoelte zich te snijden,
Door genade in glans gehuld.
O zal eenmaal de avond komen,
Dat geen onzer werken kan.
Laat ons 't woord dan tegenstroo- )
[men : [ bis. âRust van d' arbeid, timmerman!quot; '
G. J. K.
No. 17.
Sint Joseph, Zoon van Davids Huis.
Wijze : Nog staat de Rots, nog leeft de Paus.
No. 12 oude Bundel.
Sint Joseph, Zoon uit Davids Huis, 1)
U heeft de Kerk verkoren Tot haren heil'gen Schutspatroon, U willen we ook behoor en!
1
Dit lied kan zeer goed als quot;beurtzang gezongen worden of wel de vier middelste regels van elk couplet kunnen als eolo worden voorgedragen.
27
Gij, needrig man van Nazareth,
Door arbeid neergebogen,
Maar meerder dan een Salomo
En wijzer in Gods oogen. Gij, grooter dan Uw Vadrental,
Gij, roem der Patriarchen, GeSiedend door een handgebaar Den Koning der Monarchen.
Gij, Joseph, Zoon van Davids Huis,
Mocht méér dan Moze» hoeden, Gij hoeddet Isr'els Hoop en Heil, Uw arbeid mocht Hem voeden. Gij, Joseph, Zoon uit Davids Huis, Zoo klein bij 's werelds grooten. Wat lag in Gods mysteriespel
Een taak voor U besloten ! â
Sint Joseph, weêr vervolgt men Hem
Wien Gij eens hebt beveiligd, Herodessen zijn overal;
Het Godsrijk wordt ontheiligd !
Het ongeloof hoont Isr'els God,
Het maakt van stof zich goden; Het viert en roemt zijn gouden god
Bij 't schreien veler nooden. Gij, Joseph, Zoon uit Divids Huis, Verbergt God ons Zijn Wezen ? Verbid Hem dan als Abraham Zijn toorn verbad vóór dezen.
28
Want boven 't Baals feestgedruisch Klinkt hoog het lied der reinen; Draag Gij tot God en bede en lied En 't lijden van de kleinen.
B. S.
No. 18.
Heil'ge Joseph, o wil U ontfermen.
Wijze : O Franciscus, o Vader der Armen.
Cantate Domino No. 35. No. 6, O. B.
Heil'ge Joseph, o wil U ontfermen,
Heil'ge Joseph, bid voor ons !
Heil'ge Joseph, o wil ons beschermen,
Heil'ge Vader, zegen ons!
Sla Uwe blikken, zoo lieflijk, zoo teeder,
Op Uwe kind'ren uit 't hemelrijk neder ;
Heil'ge Joseph, bid voor ons!
Heil'ge Vader, zegen ons.
Heil'ge Jcseph, in deugden verheven, '
Heil'ge Joseph, bid voor ons !
Heil'ge Joseph, o let op ons streven,
Heil'ge Vader, zie op ons 1 Help ons en leer ons de wereld verachten, *
Doe ons de liefde van Jezus betrachten ; a
Heil'ge Joseph, bid voor ons! n
Heil'ge Vader, zie op ons ! 11
29
Heil'ge Joseph, verkrijg ons genade,
Heil'ge Joseph, bid voor ons!
Heil'ge Joseph, bewaar ons voor schade,
Heil'ge Vader, wees met ons! Machtige vriend van den Hemelschen
Vader,
Wees onze helper, beschermer en vader, Heil'ge Joseph, bid voor ons!
Heil'ge Vader, wees met ons!
No. 19.
Lied tot den H. Joannes den Dooper.
Tegen het zedenbederf onzer dagen.
Muziek van L. Bongartz.
Heil'ge Joannes Gij Boete-Gezant, Heil'ge Joannes aan Jezus verwant, Hos wensch ik luide te zingen
Uw eer.
Gij o Elias, die kwaamt vóór den Heer !
d' Engel des Heeren hij kondigde U aan; *) âHeil is voor Isr'el met U opgegaan;
*) De Engel Gabriël, die de geboorte van den H. Joannes aankondigde, heeft ds hier volgende eigenschappen van den Heilige genoemd; reeds omdat hij geen wijn of prikVelenden. drank zende drinken, is deze Heilige een uitstekend Patroon, maar hizonder ook om zijn strijd en dood voor de heiligheid des huwelijks.
so
Rein zoudt gij wand'len, nooit drinken den wijn. Gij zoudt Messias ten Voorlcoper zijn. Gij riept tot boeten met daad en met
woord,
Wel hem die naar Uwe stem heeft gehoord,
Heuvelen sloopt hij, het dal
wordt gevuld.
Bergen van zonden en kolken van schuld.
Heil'ge Joannes, Wien gij hebt verkond : ât' Groot dan dat gij Hem den schoenriem ontbondt,quot; Waanwijzen komen, miskennen \
Zijn leer, I ^ Leggen op de armen het sla- ( venjuk neêr! ' Kind'ren in de onschuld ontrukken zij
Hem â
Rachel, hoe weeklaagt door de eeuwen Uw stem ! â 't Huw'lijk ontwijdt men; Herodias
juicht.
Heeft dan Uw bloed voor den echt niet getuigd? Komdan, Joannes, en wreek dezen smaad, 't Huw'lijk blijve immer een heilige staat,
31
't Kind zij als gave den Heere gewijd,
Kom Gij. Joannes, strijd met ons dien strijd !
Dronkenschap, dartelheid spelen hun spel,. Zetten hun strikken en vangen zoo wèl. Heil'ge Joannes, keer weer, o
keer weer !
Maak gij het voetpad weêr recht voor Uw Heer !
Denk aan den prijs onzer zielen â zoo
waard â
't Gods-Lam, dat Gij zoo bemind hebt
op aard â Zal ons Zijn Bloed niet tot heerlijkheid zijn. Ach, ach ! het wordt ons ter eeuwige
pijn !
Neen, wij gaan opstaan, Gods volk het
verrijst.
Als breede wat'ren ruischt 't lied dat Hem prijst; Standaard van 't Lam, door
Joannes geplant.
Wij gaan U heffen met mann'lijke hand !
B. S.
32
No. 20.
Aan den H. Aloisius.
.Muziek van L. Bongartz.
O Heil'ge loot van Christenstam, O speelgenoot van 't Godlijk Lam, O kuischheids b'oem, o liefdevlam, Tot wien des Meesters stemme kwam, Wij zingen luide Uw deugd ten lof, Zie Gij op ons uit 's hemels hof!
â Gij â voor Uw zieleheil beducht â Zijt 's werelds eere en vreugd' ontvlucht, Gij zocht het heil in boete en tucht, En vondt Uw vreugd' in traan en zucht. Vertreder van der wereld glans. Wat luister overstraalt U thans!
Wèl hem, die in Uw voetspoor treedt. Die strijdt gelijk Gij eenmaal streedt, Vermijdende wat Gij vermeedt. En die â om God â zich-zelf vergeet: Eens komt de dag, zoo ©verschoon Van vreugde en liefde, loon en kroon.
O Aloisius, vriend van God,
Zie thans â de heiige deugd ten spot â Hoe de ondeugd schaamt'loos samenrot Met hellemachten in complot.
33
Ach leen Uw schild, Uw kuischheids-
kleed,
Hem, die voor God in 't strijdperk treedt.
B. S.
No. ti.
Pronkjuweel der Hemellingen.
Wijze : Vader Pius dien de landaard.
Laud. Dom. no. 91. (No. 8 oude Bundel.)
Pronkjuweel der hemellingen.
Sieraad van den Eng'lenhof,
Gun ons dat we uit eerbied zingen,
Aloisius, Uw lof!
Door de Kerk werdt Ge ons gegeven
Tot een voorspraak bij Gods troon; Voor het christlijk jonglingsleven Zijt ge een heil'ge schutspatroon.
Vlekloos leefdet Gij op aarde,
't Hart Uws Gods hebt gij verheugd, Niets be2at voor U m»er waarde Dan der eng'len reine deugd ;
Stille deemoed, kuische liefde
Sierde U in Uw hoogen stand, Wat U lokte, wat U giiefde.
Gij bleeft trouw Uw God verpand.
34
Met geheel Uw ziel en zinnen
Boven al Uw God alleen Trouw te dienen, trouw te minnen,,
Was Uw vreugde hier beneên; Zóó hebt Gij U-zelv' gegeven,
Zóó behaagd aan Uwen God, En God heeft U opgeheven Tot der eng'len zalig lot.
II.
§ra-||;bkim
NO. 22.
Aan U, o Koning der eeiiwen.
Muziek van J. Verhulst.
Aan U, o KoniDg der eeuwen, Aan U blijft de jregekroon,
Onsterflijk schittert Uw glorie. Der wijzen spot len hoon;
De volkeren verdwijnen,
Maar luider klinkt het lied:
Der wereld Zon bijjft schijnen, 1 ^ Haar glansen sterven niet. )
Des Kruises glorie omvonkelt, O Koning, Uw doornenhoed.
Met vlekloos stralenden luister, Gewonnen door het bloed.
Gewonnen door een lijden Als nimmer de aarde zag ;
Waar volgde op zwaarder strijden ) Ooit glorievoller dag ! j 18
Hoort, jubelend naderen de eeuwen Met psalmen \ol hooger gloed.
36
In breed e koren weerklinken
Den Koning hulde en groet. Hoe schateren hun zangen
Langs aarde en luchtgebied : Den Koning aller eere, j Zij leven, liefde en lied ! ( ts'
Uit de Pim-Cantate van Dr. H. J. A. M. Schaepman.
No. 23.
De Pausen sterven niet.
Muziek van J. Verhuist.
Wijze : Aan U, 0 Koning der eeuwen.
No. 9 oude Bundel.
Tenor I.
Weêr klonk het lied door de sferen,
Maar dof als een doodenklacht: De ster van Pius ging dalen
In 't donker van den nacht I Maar boven klacht en bede Verhief zich 't oude lied : De volkeren verdwijnen,
De Pausen sterven niet!
Bariton.
Een Leeuw door God ons gezonden In donkerer tijden nood,
37
Hij kwam â en de nevelen wijEen,
De neevlen van den dood ; Hij kwam in Koningsluister,
In Koningskracht cn moed : Hoe brengt hem 't koor der volken Den ouden Koningsgroet!
Koor.
O Leeuw, door God ons gegeven,
Vertrooster in nood en rouw, Wij blijven in leven en streven â
Wij blijven U getrouw,
Wij kennen 't woord der eeuwen.
Wat ook deze eeuw ons nam.
Door God zal triomfeeren De Leeuw uit Juda's stam.
Dr. Schaepman.
No. 24.
Christus' Kerk stond achttien eeuwen.
Wijze : Gott erhalte (Feierab. p. 41.)
Xo. 10 oude Bundel.
Christus' Kerk stond achttien eeuwen
Onverwrikt op Petrus' rots,
En zij mocht, wat stormen woedden. Juichen in den zfgen Gods.
38
Vorstenhuizen zag zij vallen,
Rijken scheppen en vergaan,
Volken bloeien en verkwijnen, ) Petrus' Stoel alleen bleef staan. ) ls'
Gij zijt Petrus, die te Rome
Zetelt op der Pausen troon, Leo, Leeraar en Apostel,
Plaatsbekleeder van Gods Zoon. Ook op U heeft onze Meester
De ééne ware Kerk gebouwd, Ook aan U heeft Hij de schapen ) Van Zijn kudde toebetrouwd. j 18 J. A. Mesker.
No. 25.
Leo-Hymne.
Muziek van Joh. H. Loser.
Waar des Tibers felle waat'ren
Langs de stad van Petrus klaat'ren, Doen, ten spijt van 's Pausdoms haat'ren, Alle talen 't loflied schaat'ren :
Refrein.
Heil U! Leo, Paus en Koning, ) ,. Schenke U God de zegepraal! ) 18
39
Romes zeven heuvelklingen
En Sint-Picters zuilenringen â Of zij zich ten zangrei kringen â En d' aloude graven zingen ;
Refrein.
Heil U ! Leo, enz.
En dat lied, in breede tonen
Rollend' over de Alpen-kronen, Davert langs de wereld-zonen, 1) Overstemt des vijands hoonen : Rel rein.
Heil U ! Leo, enz.
Hoort dat machtig koor der volken:
't Dondert door des afgronds kolken 't Stijgt de luchten door en wolken Tot Gods en'glen 't blij vertolken Refrein.
Heil U ! Leo, enz.
No. 26.
Leo-Lied.
Wijze : Pius Nonus.
Vader Leo ! Zie ze dringen,
Alle volken om Uw troon.
1
Zonen bet eekent aardgordels.
40
Hoor hen 't feestlijk loflied zingen, Plaatsbekleeder van Gods Zoon ! Paus en Koning, Opperherder,
Aller priest'ren eer en kroon, Ja Uw lof gaat hooger, verder Dan de stoutste jubeltoon !
Licht dier ongeschapen Klaarheid,
Die van eeuwigheid af straalt, Weêrschijn van de hoogste Waarheid,
Door geen grens of tijd bepaald; Laat de storm des oproers loeien,
Die zelfs tronen nederhaalt.
Laat het noodweer dreigend broeien. Hemellicht, gij zegepraalt !
No. 27.
Leo XIII, Paus der Werklieden,
Muziek van L. Bongai tz.
Leo dertien, Paus der werkliên.
Die van Petrus' Stoel gebiedt.
Wij, wij wakk're werkmanskoren.
Doen het lied van trouw U hooren, 't Stijgt van grens tot oeverboorden,) ,. 't Overstemt het stormenlied. )
41
Hoor, wij paren onze klanken Aan der volken huidekoor ;
Breed en vol als 't golven-bruisen Blijve U 't lied der werklui ruischen, 't Lied van loven, 't lied )
van danken, l ^ 't Schall' de wijde wereld door! '
Laat ons God om Leo eeren,
Hij is 't die fcem heeft bestraald Met een wijsheid, die niet faalt. Hem den blik naar 't volk deed keeren; God van liefde. God van macht,
In uw kracht ligt Lco's kracht.
Blijf hein hoeden, hem verweren,) .. Geef op 't heil der volken acht! j
Slaak, o Heer, dc kerkerbanden. Die Uw Bruid zijn aangelegd.
Hoor Uw grijzen Steêvoogd klagen : âGod wanneer heeft 't uur geslagen Dat ons redt uit 's vijands handen ?quot; ) ^ Heer, sta op! doe recht, doe rechü )
Zie de boosheid triomfeeren,
Tempels bouwen aan den dood; Zie, het Christendom, men hoont het! Zie, het ongeloof, men loont het! Zie den werkmansstand verueêren,) ^ tRe cht ontkend op't arbeidsbrood!) 1
42
Schenk Uw Kerk te zegepralen Op 't moderne heidendom,
Dat ten hoogsten zetel klom En den Christus af doet dalen. Schande brengt en slavernij Aan de ontwijde maatschappij; Doe den Christus hooger stralen,) . Maak Zijn Bruid van banden vrij ! \ 1S'
B. S.
III.
No. 28.
Oud âWilhelmus van Nassouwe.''
Oude toonzetting.
'No. 14 oude Bundel. Wilhelmus van Nassouwe
Ben ik van Duitschen bloed, Het vaderland getrouwe
Blijf ik tot in den dood. Een Prinse van 01 an jen
Ben ik vrij, onverveerd. Den Koning van Hispanjen Heb ik altijd geëerd.
In Godes vrees te leven
Heb ik altijd betracht,
Daarom ben ik verdreven,
Om Land en luid' gebracht. Maar God zal mii regeeren Als een goed instrument,
Dat ik mag wederkeeren Naar mijnen regiment.
44
Lijdt nu mijn onderzaten
Die oprecht zijt van sard, God zal u niet verlaten
Al zijt gij nu bezwaard. Die vroom begeert te leven.
Bidt God bij dag en nacht. Dat Hij mij kracht wil geven, Dat ik u helpen mag.
Mijn schild en mijn vertrouwen
Zijt Gif, o God en Heer! Op U wil ik steeds bouwen.
Verlaat mij nimmermeer. Dat ik toch vroom mag blijven.
Uw dienaar te aller stond. De tirannie verdrijven.
Die mij het hart doorwondt.
Voor God wil ik belijden En zijne groote macht. Dat ik tot geener tijden
Den Koning heb veracht; Maar dat ik God den Heere,
Der hoogste Majesteit, Heb moeten obedieeren In der gerechtigheid.
45
No. 29.
Nieuw âWilhelmus van Nassouwe.quot;
(14 oude Bundel.)
(Strüd voor Neerland's onaf hankeiykheid.) Wilhelmus van Nassouwe,
Weer ruischt Uw naam door 'c lied Van *t volk, dat nog in trouwe
Uw nazaat hulde biedt Wilhelmus, kloek en krachtig,
Ib quot;t strijden zoo geducht, Gij leendet 't zwaard, zoo machtig. Aan Neerland's vrijheidszucht.
(Verfransching der Nederlanden.)
Wilhelmus van Nassouwe,
Eens zwoeren wij U trouw. En schonden wij die trouwe
Dan kwam ons volk in rouw Dat hebben we ondervondeo
In dagen droef en bang.
Toen bloedden we uit veel wonden. En zweeg de vrijheidszang.
(1813.)
Dan heeft opnieuw geklonken
't âWilhelmus van Nassouw,quot; In 't volk. van vreugde dronken, Ontwaakte de oude trouw.
46
Het klonk in stad en gouwe
Bij juichen en geween :
âWilhelmus van Nassouwe En Neerland's volk zijn één.quot;
(Weerzien aan 't zeestrand 17 Nov. 1813.)
Wilhelmus van Nassouwe,
Hoe vlogen we U aan 't hart, 't Was uit met druk en rouwe, Vergeten schande en smart; En wat er was geleden.
En wat er was geboet,
Werd door de zaligheden Van 't wederzien vergoed.
(Dood van den laatsten Koning, 18':0.)
Daar is een uur gekomen,
Een uur van bittren rouw. Aan Neêrland werd ontnomen Zijn Willem van Nassouw â¢
Maar hoe ook 't scheiden griefide.
Ons volk bleef eensgezind. Het droeg zijn oude liefde Op 't jong Wilhelmus kind.
(Heden en toskomst.)
Wilh'tnina van Nassouwe,
Gij telg van 't oude bloed, Uw volk â het oude, trouwe â Brengt U den huldegroet.
47
Wilh'mina van Nassouwe,
Heersch in Uw Rijksgebied; Wilh'mina van Nassouwe,
U wijden we eed en lied !
B, S.
No. 30. Koninginne-Lied.
Wijze : De Koning leev'
âLeef Koningin, leef Koningin !quot;
Zingt luMe een volk U tegen â Wiens harte gloeit van de oude min Die 't nimmer heeft verzwegen â Een jubeltoon, een dankgebed ) ^ Wordt door heel Neêrland ingezet. )
Heersch, Koningin, in 't schoone rijk
âHet Rijk der Nederlanden,quot; Ontvang er liefde en huldeblijk
Uit alle rang en standen, Zij strooien bloemen voor uw voet ) En zingen u den huldegroet. )
In vóór- of onspoed, wel of wee.
Wij staven de oude keuze.
Bij oorlog, ramp, bij vreugde en vreê â âOranjequot; blijft de leuze
48
Met God, en aan Oranje trouw, ) Wat macht die ons beschamen zou ? )'
Hoor, 't klokgelui roept luide ons op
Om God den Heer te danken, 't Oranje doek siert tinne en top Bij spel van kleur en klanken. En alles juicht en roept om gt;
't meest: ( bis.
âOranjeen Neêrland vieren feest!quot;
Straks komt 't kanonneolied zich fier
Met ons gejuich vereenen,
En aan den volkstoon trotscher zwier
En breeder klank verleenen En over land en zee klink 't heen : ) âOranje cn Neêrland's volk zijn [ bis.
één!quot;
âOranje en Neêrland's volk zijn één,quot;
Neem Koningin die hulde,
Het is de kreet van 't grijs verleên
Die elk met kracht vervulde, Bezeeglen wij in dezen stond ) Ons oud en heilig trouw verbond ! )
Leef Koningin, leef hoog en schoon Een vroom en vreugdig leven,
49
Moogt Gij uw stamhais ea de Kroon
Hernieuwden luister geven;
Dat gij bemind, gezegend zijt, )
Bidt heel het volk, U toegewijd. )
No. 31.
Wien Neerlandsch Bloed.
(No. 13 oude Bundel.)
Wien Neerlandsch bloed door de ^.adren
vloeit
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart van ware geestdrift gloeit,
Verheff' den zang als wij,
Hij zing' met ons dan eensgezind
Van d' onverbreekb'ren band Die hier Oranje en Neerland bindt, Vorstin en Vaderland ! (bis.)
Bescherm, o God, bewaak den grond
Die eens ons wiegje droeg.
Waar eens der vaadren kluisje stood
En waar hun sterfuur sloeg. Wij smeeken van Uw Vaderhand
Met hooggestemden zin ;
âBehoed, behoud ons dierbaar Land, Bescherm de Koningin 1quot; (bis.)
50
Hoog boven 't jublend feestgedruiecb
Klinkt luid der vromen lied: âBewaak Gij, Heer, 't Oranjehuis
En Neerland's vrij gebied !quot; En trad een bange dag ook in
't Zij nooit een dag van schand', Wij houden aan de Koningin En aan het Vaderland! (bis.)
No. 32.
Heft aan uw krachtig koorgezang.
Feierabend p. 24 v.g.
(No. 18 oude Bundel.)
Heft aan uw krachtig koorgezang.
Laat nu uw lied eens schallen,
Heft aan, heft aan uit 's harten drang. Doet dreunen deze hallen.
Wij zingen van ons Vaderland, 't Klassieke land der vrijheid,
U, onaf hank lijk Nederland,
Klinkt 't lied. in hooge blijheid!
Wij hebben nog een Hollandsch hart. Dat blijven wij U wijden.
Uw druk of smaad is onze smart, Uw lijden is ons lijden.
51
Noch FraBsch noch Duitsche soldenier,
Hij wage 't ons te naadren,
Geen vreemde vlag zal wapp'ren hier, Hier, op dit erf der vaadren !
Ten spijt van Pruis, van Belg of Brit,
Wij zullen 't Land behouden,
Schand* hun, die een zoo duur be?it Niet waardig blijken zouden.
Gij Zjijt ons dierbaar, Nederland,
Gij Neêrland, band der dapp'ren, Wij hoeden U met sterke hand, En doen Ww vaandels wapp'ren.
O vrij, o heerlijk Vaderland,
Geen land gaat U te boven, U hebben we onze trouw verpand, Ons lieven en ons loven.
En mocht een vreemde 't onderstaan
Om U te overheeren,
Vertrappen zullen wij zijn vaan, En hem in 't stof verneèren.
Maar zou voor overmacht â te sterk â
Ons leger moeten wijken.
Dan treden wij in 't oorlogsperk, Bn winnen, of bezwijken !
__G. J. K.
52
No. 33.
Holland is mijn Vaderland!
Muziek van Bern. Beumer.
Holland is mijn vaderland,
Holland met zijn blonde strand, Holland met zijn groene weien Waar de laram'ren spelemeien,
Holland met zijn wijde zee,
Holland met zijn bonte reê !
Holland, Holland heb ik lief, Holland met zijn adelbrief Die van grootheid kan getuigen, Holland dat niet wist van buigen.
Maar dat fier, zich zelf bewust.
Hulde eens eischte aan elke kust.
Holland was mijns vaders huis. Slechts een armelijke kluis Die voor sneeuw en storm niet veiligt. Toch heb ik U toegeheiligd
Een altaar, waar 'k wierook brand U mijn land, mijn Vaderland !
In Uw bodem, Nederland,
Sta ik wortelvast geplant.
Aan den grond dien ik betrede Werkten eens mijn vaadren mede, En hun assche vond de rust Waar de zee den oever kust.
53
Eenmaal eischt mijn stof U af 't Plekje voor een vredig graf; Neerland, zweeft mijn ziel dan henen, 't Lijf komt zich met U vereenen.
Innig, innig wordt de band Die mij bindt aan U, mijn Land !
B. S.No. 34.
Europa's Keurjuweel.
Wijze : Heil dir im Siegerkranz, No. 15 oude Bundel.
âEuropa's keurjuweelquot;
Prees u de menestreel 1)
Aan burcht en hof,
In lang vervlogen tijd â Van ridderglans en strijd â
Werd u het lied gewijd.
Zong men u lof!
âEuropa's keurjuweelquot;
Roemde u elk werelddeel, U, Nederland !
1
Menestreel of minstreel is de benaming Toor zangers der oudheid; deze knns'enaars trokken met tam speeltttif; van burcht tot burcht, van hof tot hof; veelal waren htldenfeiten het onderwerp hunner zangen ; zoo hielden zij de geestdrift wakker en spoorden tot stoute daden aan. B. S.
54
Door zeeën ingevat.
Van bruisend schuim bespat,
Reest ge, op uw krachten prat, En hieldt gij sfand.
Lees 'k uwer heidei» daan,
'k Voel mij de polsen slaan,
Hoog zwelt mijn borst; Zij vroegen gunst noch eer.
Stelden zich stout te weer Gold het hun God of leer,
Gold het hun vorst!
Zij dit de leuze nog,
Zij dit de keuze toch.
Waar elk aan hecht; Vroomheid en heldenmoed â Meer waard dan goud of goed â Zet ons de borst in gloed Voor waarheid, recht!
God, onzer vaadren God, Gij houdt der volken lot
In Uwe hand.
Maak die op U vertrouwt,
Op Uw bescherming bouwt. En Uwe paden houdt,
Nimmer te schand !
B. S.
55
No. 35.
Vlaggelied.
Muziek van W. Smits. Nederl. Liederen no. 5.
(No. 19 oude Bundel.)
0 schitterende kleuren van Nederland's
vlag,
Wat wappert gij fier langs den vloed ! Hoe klopt ons het harte van vreugd' en
ontzag,
Wanneer het uw banen begroet! Ontplooi ze, waai uit nu van stengen
en stag,
Gij blijft ons het teeken, o heilige vlag, Van trouw en van vroomheid, van
vroomheid en moed. Van irouw en van vroomheid en moed.
01 is niet dat hlauw, in zijn smetlooze
pracht,
Der trouw onzer vaadren gewijd ? Of tuigt niet dat rood van hun mann'-
lijke kracht En moed in zoo menigen strijd ? Of wijst niet die blankheid, zoo rein en
zoo zacht. Op vroomheid die zegen van Gode
verwacht,
Den zegen, die eenig, die eenig gedijt ? Den zegen die eenig gedijt ?
56
Waai uit dan, o vlag ! en vertolk onze beê Om trouw en om vroomheid en moed. De wereld ontzie U op golven en reê;
Maar daaldet gij ooit op den vloed, Wij heffen Uw wit uit de schuimende zee. En voeren naar 't blauw van den hemel
U mee.
Al kleurt zich, al kleurt zich Uw
rood met ons bloed. Al kleurt zich Uw rood met ons bloed !
Dr. J. P. Heije.
No. 36.
Wij leven vrij.
Vaderi. Liederenboek p. 7. No. 21 oude Bundel.
Wij leven vrij, wij leven blij.
Op Neêrland's dierb'ren grond; Ontworsteld aan de slavernij.
Zijn wij door eendracht groot en vrij ; Hier duldt de grond geen dwinglandij, Waar vrijheid ecuwen stond.
Waar vrijheid eeuwen stond.
Hoe dierbaar is ons 't vaderland.
Der helden bakermat.
Der kunsten wieg, 't gezegend strand, Waar 't heilig recht zijn zetel plant. En deugd met een fluweelen band
57
Den Vorst en 't volk omvat. Den Vorst en 't volk omvat.
Wij leven vrij, wij leven blij, Wij dienen éénen God;
Wat ook 't verschil in 't dienen zijv De wet laat allen godsdienst vrij ; Vereend als broeders leven wij En juichen in ons lot,
En juichen in ons lot.
Zoo leven wij dan vrij en blij Op Neêrland's dierbren grond;
Door trouw aan eigen wetten vrij, Praalt Neêrland in der volken rij, En 't Vaderland blijft groot en vrij Tot 's werelds avondstond.
Tot 's werelds avondstond.
Mr. J. Brand van Cabauw.
No. 37.
De Zilver-vloot.
Muziek van wijlen J. J. Vlotta.
Nederl. Liederen no. o. Xo. 20 oude Bundel,
Heb je van de Zilveren Vloot wel gehoord,
De Zilveren Vloot van Spanje ? Die had er veel Spaansche matten aan
boord
En appeltjes van Oranje!
58
Piet Hein, Piet Hein,
Piet Hein, zijn naam is klein. Zijn daden die zijn groot,
Zijn daden die zijn groot. Hij heeft gewonnen de Zilveren Vloot! Hij heeft gewonnen de Zilveren Vloot!
Zei toen niet Piet Heinmet een aalwaerig
woord ;
âWel jongetjes van Oranje, Kom klimt me reis gauw aan dat Spaansche boord En rolt me de matten van Spanje !quot; Piet Hein, Piet Hein, enz.
Klommen niet de jongens als katten in
het want â hm vochten ze niet als leeuwen ? Ze maakten de Spanjers duchtig te . schand',
hoorden in Spanje het schreeuwen ⢠Piet Hein, Piet Hein, enz.
Kwam er nou nog ereis zoon Zilveren
7 . , . Vloot,
Zeg zou jelui nog zoo kloppen ? Of zoudt ge je veilig en buiten schoot Maar stil in je hangmat stoppen?
59
Piet Hein, Piet Hein,
Dat zou beschamend zijn !
Al zijn wij niet zóó groot, Al zijn wij niet zóó groot, Nog zouên wij wimen een Zilveren Vloot!
Dr. P. J. Heije.
No. 38.
De kabels los, de zeilen op.
Nederl. Liederen 2e Bund. no. 11. No. 4i oude Bund.
De kabels los, de zeilen op,
Dat gaat er op een varen ;
Al waren wij Sinjeurs aan wal,
Ons hart lei in de baren. Een Hollandsch kind, dat is bekend,
Die vindt op zee zijn element!
Joho, joho, joho, joho !
Die vindt op zee zijn element!
En zijn wij zoo geen banjers meer
Als in verleden dagen,
Toen ieder voor Jan Coropanie
Een flikker had geslagen :
Toch zeilen wij op ied're zee
Zoo goed nog als de beste meê, Joho, joho, joho, joho !
Zoo goed nog als de beste meê.
60
Hoezee dan jongens! in het want!
De handen uit de mouwen.
Laat Duitscher, Noor of Engelschman
Niet klimmen in je touwen.
Wie 't beste op zijn plichten past
Die troont a!s koning in de mast! Joho, joho, joho, joho !
Die troont a!s koning in de mast!
Dr. J. p. Heije.
No, 39.
Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!
Muziek van Rich. Hol.
No. 17 oude Bundel.
Blijf één, blijf één, mijn Vaderland !
Blijf één en ongeschonden ;
Geen staatspartij, geen godsdiensttwist Verschcure door geweld of list, Wat God heeft saam verbonden Wat God heeft saam verbonden.
Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!
Laat niets die kracht U rooven. Schraag als een eenig man den troon En meng geen wanklank in den toon Van 't oud âOranje bovenquot;,
Van 't oud âOranje-bovenquot;.
61
Blijf één, blijf één, mijn Vaderland !
Laat niets die vreugd verbitt'ren. Blijf, kleinst maar roemrijkst volk der
aard.
Door orde en rust de vrijheid waard. Die Uw gelaat doet scbitt'ren
Die Uw gelaat doet scbitt'ren.
*
Blijf ééa, blijf één, mijn Vaderland !
Laat niets die deugd verflauwen. Wroet in geen eigen ingewand ! En, Leeuw van Neêrland, toon geen tand Dan tegen vreemde klauwen Dan tegen vreemde klauwen.
Dr. N. Beets.
No. 40.
Als ik word opgeroepen,
Wuzz : Ik had een wapenbroeder.
(No. 43 oude Bundel.)
Als ik word opgeroepen
Te wapen voor mijn Land,
Dan wil ik moedig komen,
Dan mag mijn ziel niet scbromen. Te dralen ware een scband ! Te dralen ware een scband!
62
k Werd onderdaan geboren
Van een schoon Koninkrijk, Dat Land mijn kracht te wijden. Moet 't zijn, er voor te strijden, Dat acht ik ridderlijk !
Dat acht ik ridderlijk!
Ik wil mijn plicht betrachten,
Blijmoedig, nauwgezet,
Ik dien naar recht en reden
God, in 's Lands overheden _
Dat is des Christens wet !
Dat is des Christens wet!
Gevaren zijn te duchten
In eiken levensstaat,
Komt mij de krijgsdienst binden.
Hij zal mij moedig vinden _
k Ben Christen en soldaat!
'k Ben Ckristcn en soldaat!
Word ik een braaf soldaatje
Dat trouw zijn Koning dient, Dan win ik elks behagen,
'k Mag dan 's Lands wapens dragen. Heb God en mensch tot vriend! 'k Heb God en mensch tot vriend!
B. S.
66
No. 41.
Mijn Land.
Muziek van Joh. H. Loser.
Mijn Hollandsch hart, het mint de vkkke weide, Mijn Hollandsch hart, het mint de wijde zee.
Mijn Hollandsch hart mint duinen, dalen, heide En 't drok gewoel aan Holland's bonte reê.
Mijn Holland, 'k min uw fiere konings-
eiken.
Wier ruwe tronk zich hult in groen
fluweel.
Wier trotsche kruinen tot de wolken
reiken,
Wier loover zucht bij 't lied van filomeel. 1)
'k Min 't bleeke blauw van Uwen Noord-schen hemel â Waarlangs een drift van blanke wolken vaart â 'k Min Uwer steden woelig volksgewemel. Gij, Holland, zijt mij 't heerlijkst land der aard'!
1
Filomeel is eea Renaming voor den nachtegaal.
Ik min U bij Uw vreugde en in Uw
Ti ⢠TT lijden,
Ik mm U wen Uw glorie mij verrukt; Ik min U bij Uw worst'len, kampen,
strijden,
Ik min U nog vertreden en verdrukt.
Ik min U meer nog in Uw kloek her-
rijzen.
Uw vrijheidsleus en Uwer burg'ren
deugd,
Mijn Land, mijn volk, o laat mijn lied
U prijzen ! Um U zwelt mij de borst van zangervreugd.
Mijn Land, mijn Land, mijn jonge Koninginne, Aan U mijn trouw, mijn arbeid en
TT .. quot;quot;J0 lied.
Voor U mijn bede, aan U mijns harten
. minne
Zoo lang mij 't bloed door pols en aad'ren vliet !
B. S.
IV.
Itemijmgdteirmtt
No. 42.
Kom, Schepper, Heifge Geest.
Koraalzang,
Muziek van P. M. Winnubst.
Kom, Schepper, Heil'ge Geest, o kom
De wereld wentelt om en om
In strijd en storm, in nijd en nood. En wentelt, wentelt tot den dood.
De levenskracht wordt levenslast.
Wordt drift in razernij verbrast. De wereld-wijsheid lacht in spot Met recht en waarheid, eere en God
Weg is der wereld levende as.
Die eens het Kruis van Christus was. Die alles drijft en alles trekt, 't Verleden houdt, het morgen wekt
De chaos dreigt, de chaos komt.
De volken staan van schrik verstomd. Der scharen woelende oceaan Roept d' afgrond zelv' als redding aan
66
Kom, Heiige Geest, zend in den nacht Uw alles ordenende kracht,
Uw wijsheid die den waan verjaagt, Uw liefde die de wereld draagt.
Der armen Vader, Heil'ge Geest, Köm tot de schaar van God verweesd, Die, in de woestenij verspreid,
Half vloekende om een Vader schreit.
Geef ons den vrede vast en hecht. Het oude, kloeke, vrome recht.
Voer alles tot den Christus weêr, Daal, Schepper, Heil'ge Geest, daal
neêr, Dr. SCHAKPMAN.
No. 43.
Bondslied
VAN
Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN,
Geestelijk Advr. van den Bond van Katholieke Werklieden» Vereenigingen in het Aartsbisdom Utrecht. Muziek van P, M. Winnubst.
Broeders, op uw post!
Nieuwe tijden komen,
Boven alle droomen Schrikbaar uitgedost;
67
Alle stutsels wijken,
Muur en wal vergaan.
Over dam en dijken Dondert de Oceaan.
Broeders, heft het Kruis, In den strijd der eeuwen Is 't de vaan der leeuwen Uit oud Isr'eJs-Huis;
Laat haar purpren banen Waaien aan uw spits
En den weg U banen Als des Haeren gids â
Heer, in Uwen naam Staan wij op Uw wallen, Dat Uw oog, bij 't vallen, Nooit zich onzor schaam';
Vallen wij bij 't strijden Onder 's doodes last.
Heer, aan Uw belijden Plouden we eeuwig vast!
In Uw naam, o Heer!
Komt der waarheid zege, Vrijheid ailerwege Met het recht en de eer; Kleinen beide en grooten
68
Voert Gij weder saam,
Door de macht omsloten Van Uw Koningsnaam.
Kome dan de strijd ! God der eeuwigheden, De Uwen hier beneden, Koning van den tijd.
Worstlende of begraven Onder schande en hoon Zullen wij handhaven Uwe Koningskroon !
Reeds verrijst de dag ! Zie de worstling nadert. Die de schaar vergadert Tegen 's Heeren vlag;
Hoog het Kruis geheven, Broeders, op uw post!
Daar, zoo lang we leven. Nimmer afgelost!
No 44. Bondslied
VAN
Mgr. L. J. C. EICxENEAAM,
Oud-Adviseur v. d. Ned. R. K. Volksbond. Muziek van P. M. Winnubst,
(No. 24 oude Bundel.)
Koor en Solo.
Voor God en Kerk, Vorstin en Land
Verheffen we onze Vaan, De heilbanier met forsche hand,
Door Willibrord 1) hier ingeplant, Bewaren we als eer. heilig pand; ) Wat vallen moog', wij staan ! )
Voor God, of in verraeet'len strijd
Het ongeloof Hem hoon';
Ãn hel èa wereldvorst ten spijt,
Volharden we in dien heil'gen strijd ; Hem hebben we onzen dienst
gewijd.
Van Hem ons eeuwig loon.
In Christus' Kerk alléén is heil Voor 't leven ginds en hier,
1
Daar waar meer bizonder b.v. de H. Bonifaeins of Lambertus als Apostel gevierd wordt, kan men zingen: Do-r Bonefaas hier enz., of: door St. Lambert bier enz.
70
Gods leering brengt ons zonder feil
Genadeschatten boven psil;
Haar bieden wij de gaven veil 1 ,. Van 't harte trouw en fier. )
Der Koninginne rijksgezig
Straalt ons van hooier licht, Wat morrend oproer dag aan dag
In land en stad al raomp'len mag; Met schuldige eerbied en ontzag ) .. Het oog tot haar gericht! ) 18'
Een juichtoon voor ons Nederland
Een beê voor Neerland's lot: âZij steeds ons dierbaar Vaderland
Omstrengeld door dien liefdeband, Die 't volk van eiken rang en stand i ,. Hier leven doet voor God !quot; ) iS'
Voor God en Kerk, Vorstin en Land
Verheffen we onze Vaau, De heilbanier met forsche hand
Door Willibrord hier ingeplant Bewaren we als een heilig pand; â) .. Wat vallen moog', wij staan ! ) ls' L. J. C, E,, pr.
71
No. 45.
Lied van den Gezellen-Vader Adolf Kölping R. K. Pr.
(Gez. der St. Jos. Gez.-Verein.)
No. 23 oude Bundel.
Broeders op en reikt de hand
Trouw den broeder toe;
Vlecht den zachten liefdeband
Hart'lijk, wel te moe,
Broeders, komt, bszeeg'len wij ) ^ Onze liefde op 't feestgetij! )
Wie tot onzen kring behoort
Is een eerzaam man.
Maar wie liefde ea vrede stoort,
Gaat ons niet meer an.
Eendracht, ons van veel waardij, /
Blijf ons met Uw invloed bij ! )
Elk gezel die d' arbeid mint
Eert zijn stand daardoor;
't Werk houdt ieder goed gezind,
Lof verwerft m' er voor.
Maar alleen met blij gemoed ) , .g Gaat het eerzaam handwerk goed. )
Hier in deez' Vereeniging Ademt 't hart zoo vrij;
72
't Is hier een familiekring.
Broeders toch zijn wij,
Houw en trouw te zaam verknocht ) ,. Op des levens pelgrimstocht. )
Broeders met blijmoedigheid Steeds op God vertrouwd!
Kracht en gunst wordt hem bereid,
Die op God slechts bouwt.
Mocht de wereld zelfs vergaan â ) Hij zal ons ter zijde staan. ) 6w'
't Vroom gevoel spreidt deugd ten toon;
Liefde wijdt dcez' Bond;
Dat dan de eendracht hier steeds woon',
Trouw op hart en mond!
't Eerzaam handwerk eert den man; | ,. Eeren wij het handwerk dan. )
No. 46.
Bondsmarsch.
(CANTATE.)
Muziek van P. M. Winnubst.
ISTE GEDEELTE (UITRUKKEN.) a. Vooruit, vooruit!
Vooruit op het pad van het leven, Vooruit, Neêrlands werkman, vooruit! Vooruit zij het doel van uw streven. Vooruit, vooruit!
73
b. Houdt, mannen, den standaard hoog. Ontplooit de gewijde banieren, Laat hoog in de luchten ze zwieren, Ontplooit ze voor aller oog.
a. Vooruit, vooruit!
Vooruit nu met rustige schreden, Vooruit, Neêrlands werkman, vooruit ! Met moed uw beginsels beleden. Vooruit, vooruit!
b. âVoor God en het heilig Rechtquot;
Zij fier op uw vanen geschreven. En draag, op den tocht door het
[leven,
't Kruis op uw rusting gehecht.
a. Vooruit, vooruit!
Marschvaardig aaneen u gesloten. Vooruit, Neêrlands werkman, vooruit! En lustig een deuntje gefloten
Op marsch ! Vooruit !
Op Marsch.
(2DE GEDEELTE.)
Wat wordt ons d' arbeid grootsch en
[schoon
Zien wij de werken aan.
Die als der menschheid gloriekroon Door de eeuwen voortbestaan.
74
Hoe nietig schijnt ons d' oorlogsroem,
Gekocht op 't stedenpuin,
Al wordt de naam der heldenbloem Gebeiteld in 't arduin.
De lof van menig krijgsgevecht Leeft slechts in sage of lied,
Wijl 't werk van menig slaaf of knecht Vrucht aan den nazaat biedt.
Komt zingen wij des arbeids lof
Bij 't lustig voorwaarts gaan,
Waat alles, alles biedt ons stof,
Waar wij den blik ook slaan.
Zien wij naar weide of akkerland.
Met zooveel zorg besteld. Een âvivatquot; voor den boerenstand Rolt daavrend over 't veld,
En drukken we onder 't voorwaarts gaan
Een bodem hecht en vast,
't Is 't werk door d' Ingenieur gedaan En door den poldergast.
En ijlt ons stoomkaros of wiel
Ia snelle vaart voorbij.
De werkman in den groven kiel Hij was de maker, hij !
75
Het zeekasteel dat snuift en dampt â
Fier op zijn kost'bre vracht â Met ongeduld de golven stampt, 't Is vrucht van arbeidskracht,
En zie die torens hoog en slank.
Der steden sier en kroon,
En hoor der klokken blijden klank â Dan roemt gij d' arbeid schoon.
De werkman bouwt zijn God een Huis,
Zijn Vorst een Koningshal,
Hij keert de zee door dijk en sluis. En leidt den stroom door 't dal.
Hij volgt het scheppend kunstgenie
Op de onbetreden baan,
Het stoutst ontwerp der fantasie Daar geeft hij vormen aan!
En wat de fijnste geesten streelt.
En wat den smaak bekoort,
Door arbeid is het aangeteeld, De nijv're bracht het voort.
Aan 't wapen van den edelman.
Aan 't goud der Koningskroon, Aan 't tuig van 't vorstlijk viergespan. Aan 't purper wonderschoon;
76
Ja zelfs aan ied'ren steen of plant Daar kleeft een zweetdrup aan, 't Is de arbeid van den werkmansstand. Die goud uit stof doet slaan.
Den arbeid past wel hulde en lof,
Hem wijden wij ons lied.
Dien machtige, die heerscht aan 't Hof En onder 't dak van riet.
Het werken mag geen straftaak zijn
Voor 't volk van schuld verlost,
Maar 't moet de wet des levens zijn En 's levens eerepost!
Slotzang.
(3DE GEDEELTE.)
Vooruit dan, vooruit op de paden der
[eer,
Vooruit op de baan van het leven. Een vrije, geen slaaf is de werkman
[ooit meer. Hij werkt tot zijn heil, zooals Christus,
[de Heer, Het voorbeeld den volken kwam geven!
Vooruit dan, wij volgen met geestdrift
[de vaan
Waaraan wij onze eeden verpandden,
77
Wel steil is het pad soms, wel smal
[soms de baan, Maar wie door geen on spoed zich heen [weet te slaan, Zal nooit aan het einddoel belanden.
Vooruit, kameraden, vooruit dan met
[moed
Op het pad ieder onzer gewezen. Eens brengt ons de zonne van welvaart
[den groet, En 't oog van den Meester maakt d'ar-[beid toch zoet. Straks wordt hij beloond en geprezen 1
Eens toch vindt de werkman zijn eer [en zijn recht, Te lang reeds miskend en vertreden, God zelf voert het zwaard voor zijn strijdenden knecht; Hij heeft aan ons vaandel zijn zegel
[gehecht,
Vooruit, in Zijn naam dan gestreden !
78
No. 47.
Lied van de afdeeling Rotterdam
v. d. Nederl. Roomsch-Katholieken Volksbond, 't Neêrlandsch heldenbloed in d' ad'ren,
't RoomEch geloof in hart en geest, Kind'ien, uit het volk geboren,
Onbedorven, onbevreesd, Heengeschaard om Christus standerd.
Sluiten op deez' heilgen stond.
Hand in hand, voor 's Heeren aanschijn, D' onverbreekb'ren broederbond.
Fier verheffen w'onze leuze;
Trouw aan God tot in den dood, Trouw aan Kerk en Land en Koning, Vergenoegd met 't daaglijksch brood, Weltevrcê met 't juk des arbeids,
Door God zelf ons voorbereid, Mqgcn and'ren morren, klagen.
Door een valschen schijn misleid.
Mogen duizenden zich scharen Om des oproers roode vaan,
Pogen zij aan troon en altaar,
Schennend hunne hand te slaan; Onversaagde Nederlanders,
Wat er wijken moge cf vall'. Wij, wij staan voor God en Koning, Tot den laatsien adem pal.
79
Allen, wien het Neêrlandsch harte
Nog voor recht en eere slaat.
Schaart u onder onzen standerd,
Zingt met ons in d' eigen maat. Hoe de boosheid zege brulle,
Hoe ze op onzen Volksbond smaal',-Aan ons Christen Nederlanders,
Geeft straks d' eendracht zegepraal.
Willibrordus, onze Apostel,
Die op Neêrlands dierb'ren grond Christus Kruis omhoog deed rijzen,
Zegen Neêrlands Volksverbond;
Geef, dat allen, op Uw schreden.
Achter Christus' heilig Kruis,
Langs den weg van Gods geboden. Ingaan 't eeuwig Vaderhuis.
M., pr.
No. 48-Spoorwegmarsch.
Lied van de Vereeniging âRecht en Plichtquot;.
Muziek van p. M. Winnubst.
'De baan is vrij, welaan wij snellen De ruimten in met blijden moed. Geen angst mag ons het hart ontstellen Al vliegt de trein met bliksem spoed !
80
Refrein.
Vocrzichtigheid blijft steeds geraan, Zie toe, kameraad!
Een klein verzuim is licht begaan, Zie toe, kameraad I
Opdat gij straks niet voor gevaren staat. Zie toe, kameraad ! Zie toe, kameraad!
Al brandt de zon met felle stralen. Het stoken moet toch trouw verricht,
Geen ander mag ons achterhalen: Vooruit, vooruit! roept onze plicht.
Refrein.
Voorzichtigheid blijft enz.
Al daalt de stilt' op stad en akker. En hult er elk in zoete rust.
Hij, die den trein bestuurt, is wakker En zich zijn hooge taak bewust.
Refrein.
Voorzicht:gheid blijft enz.
Zij die de stoomkarossen mennen. Hun hand is vast, hun oog is goed.
Zij moeien zich aan 't duister wennen Nog zwarter door der vuren gloed. â¢
Refrein.
Voorzichtigheid blijft enz.
81
Zoo rollen wij door 't leven henen!
Elke afstand wordt door ons betwist, Eens zijn w' aan 't laatste âhaltquot; verschenen,
Dan stopt voor goed de machinist. Refrein.
Voorzichtigheid blijft enz.
O gaan wij 't station dan binnen.
Waar rust den raoeden werkman beidt En waar voor zijn verrukte zinnen 't Ondoofbaar licht zijn glansen spreidt.
Refrein.
Voorzichtigheid blijft enz.
Zie, die bij plicht naar rechten dingen,
Zij vinden plaats in onzen trein; Daar klinkt 't signaal! 't is uit met zingen, âStap in, Ftap in !quot; is nu 't refrein.
B. S.
No. 49.
Standaardlied voor 't Kruisverbond.
Wijze : Amis, la matinée est belle. No. 20. Bundel van H. Bartholomeus.
Op mannen, broeders, heft deij standerd, Waarop het Kruis van Christus prijkt.
82
Dat Kruis, waar eeuwig onveranderd De macht der zonde 't vaan voor
[strijkt.
Verheft het Kruis van onzen Heer,
Staat op. staan we op ! En werpen wij den vijand neer.
Staat op, staan we op ! Herstellen wij de menschheid weêr in
eer!
Staat op, staan we op ! Staat op, staan
[we op!
âGod wil hetquot; zij ons aller leuze,
Wij trekken bij die leus ten strijd ; Het Kruisverbond is vrije keuze Waaraan de vrije man zich wijdt. Verheft enz.
Op mannen, broeders, scherpt het wapen
Waarmeê God U heeft toegerust,
Niet langer mag de Christen slapen, Staat op en weest uw kracht bewust. Verheft enz.
De kloeke wil, den mensch gegeven,
Is 't heilig wapen in zijn hand, Bij velen is 't in rust gebleven. De vijand heeft hem overmand. Verheft enz.
83
Die vijand kwani niet met kanonnen
En zong geen daavrend oorlogslied. Maar vloeiend vuur heeft hij verzonnen Dat hij zijn s'aat in d'aadren giet. Verheft enz.
Op broeders, stam we als Christus'
[knechten. De maat van onzen toorn is vol, Laat ons het wangedrocht bevechten Den Alverslinder : âAlcohol!quot;
Verheft enz
âGod wil hetquot; heeft opnieuw geklonken,
Bernardus' woord heeft ons bezield, Sint-Joris' moed moge ons ontvonken. Een felle draak dient weêr vernield ! Verheft enz.
B, S.
No. 50.
Vaandellied van het Kruisverbond.
Wijze: Wij leven vrij.
Gegroet, gij fisre Kruisbanier,
Symbool van onzen strijd, U groeten thans de broeders blij, U achten, U beminnen wij,
Gegroet gij fiere Kruisbanier ! Gij leidt ons op ten strijd !
84
De zegen, dien het priesterwoord
U meegaf in den kamp, Hij stempel' U tot zegevaan. Hij breng' U de victorie aan. Gegroet gij fiere Kruisbanier! Met U verwinnen wij.
Zoo blijf ons leiden in den strijd Voor 't doel van oazen Bond. Gij Engel, die den draak verplet, Bewaar de Kruisvaan onbesmet.
Gegroet, gij onze Kruisbanier, Voer ons ter zegepraal.
Gegroet, gij fiere vaan van 't Kruis,
Dat ons victorie brengt. Wij scharen ons om U, Banier, Wij strijden, wij verv-vinnen hier. Gegroet, gij fiere Kruisbanier, Wij zweren U hier trouw.
Wij blijven trouw, U Kruisbanier,
Ocs teeken in den strijd;
Waai onverlet veel jiren hier. Dat matigheid hier zegevier. Dat onze Bond gevestigd blijv' Tot heil van 'fgansche volk.
85
No. si-De Kruisbanier.
Wijze: Wien Nèerlandsch bloed.
Er wappert in ons Vaderland Een vaandel wonderschoon,
Door velen nog uit ied'ren stand
Begroet met spot en hoon.
Doch hoe dan ook gehoond, veracht,
Toch blijft zij immer fier En neemt zij toe in aanzien, macht, Die blauwe Kruisbanier, (bis.)
Zij vergezelt ons in den strijd
Voor vrijheid en geluk.
En wie haar volgt, wordt eens bevrijd
Van 's vijands slavenjuk.
Zij maakt, als voor het oorlogsveld.
Haar strijders kioek en fier, Zij vormt den zwakke tot een held. Die blauwe Kruisbanier, (bis.)
Zij blijve daarom onze kracht En gids, die blauwe Vaan,
En of dan ook de wereld lacht.
Wij zullen voorwaarts gaan. Zij wappert eenmaal glorievol.
Verwinnend en met zwier,
Op 't graf van koning Alcohol, Die blauwe Kruisbanier, (hls.)
86
Ver haas»-, o volk van Nederland!
Dien lang gewenschten stond, En sluit, van welken rang of stand,
U aan bij 't Kruisverband,
O, zijt ge nog der Vad'ren waard,
Heldhaftig, vroom cn fier,
U dan ook als één man geschaard, Om onze Kruisbanier ! (bis.)
Silvio.
No. 52.
Lied voor de voorstanders van het Christelijk Onderwijs tot behoud van Kerk en Staat.
BizoncJer opgedragen aan de leden van de Ver-eenigiog tot Bevordermit van Katholiek Onderwijs door
Mevr. BongartzâSheets.
Muziek van P. 11. Winnubst.
Neen niet rusten, neen niet rusten Vóór U d' overwinning daagt,
Christ'nen, strijdt als zelfbewusten. Tot de Staat weer 't Godsmerk draagt.
Duldt niet langer, duldt niet langer God reeds in de school gesmaad.
Ziet, de zondvloed dreigt al banger 't Krakend wrak : âNeutralen Staatquot;.
87
't Krakend wrak, ziet 't draaiend zinken
Mcêgesleept door 't heidendom.
Laat de noodsignalen klinken. Christenvolk, ontwaak alom !
Red de kind'ren, red de kind'ren,
Neêrland's hope, Neêrland's kroon. Wil den ondergang verhind'ren
Van een Christenvolk zoo schoon!
Laat de jeugd Hem weêr behooren
Die de kind'ren heeft bemind ;
Ziet, het menschdom loopt verloren Zoo 't zijn Heiland niet hervindt Voer de kinders Hem weêr tegei»
Die de Weg is en het Licht,
Stel aan 't opzet opzet tegen.
Daar in 't kind de toekomst ligt.
Volk van Neêrland, geef uw kleinen Vroeg des Heeren Kruis in hand, 't Kruis is 't wapen voor de reinen.
Koninklijk genadepand.
Laat ons opstaan om te strijden
Voor wat heilig is en goed,
Zijn wij helden in 't belijden,
Mart'laars daar waar 't wezen moet.
Isr'els dochters â t' eeuw'ge schande â Wierpen Baal haar siersels toe.
88
Deze onzalige offerande
Werd haar volk ter geeselroê;
Legt uw tooisels, Christen vrouwen.
Als eens Is'rels docht'ren af,
Maar om 't Godsrijk op te bouwen Van den Heer, die 't al 11 gaf.
Maar om 't Christendom te tooien
Met uw offers blij gebracht.
Maar om 't heilig vaan t' ontplooien Van het Lam, voor ons geslacht. Maar om Bsals troon te sloopen â
Die men bouwt naastChristus' Kruis â Maar om voor Uw God te koopen Heerschappij in Stant en huis !
No. 53
Groet aan Rome.
,, . , Zouaven-Lled.
Muziek van L. Bongartz.
Gegroet, o Steden-Konicginne,
O stad der Pausen, wees gegroet^ Ons gloeit het hart, voor U, Vorstinne, Voor U te sterven,
Voor U te sterven is ons zoet;
Want voor U sterven is verwinnen.
En juichend bieden wij ons bloed : Praal Gij, die wij zoo teer beminnen,. Slechts in der vrijheid hoogsten | hts.
gloed ! )
89
Zoo hebben wij U toegezongen
Toen, Rome, g' aan ons oog verscheent, 't Was een gejuich uit forsche longen;
Van liefde en geestdrift. Van liefde en geestdrift is geweend ; Om Uwe glorie is gestreden.
Uw bodem dronk het Nee;landsch
bloed,
Die stierven wijdden U hun beden, j Hun laatste bede en laatsten ,â bis.
groet! )
Daar is een droeve dag gekomen
Toen 't onrecht heeft gezegepraald. Toen van Uw forten, heilig Romen, Der Pausen vlag wierd. Der Pausen vlag wierd neergehaald Wij hadden voor U willen sterven En boden juichccd U ons bloed. Dat heil wij mochten 't niet beërven,) Wij snikten U een afscheids ( bis.
groet. -
Nu wuiven w' U van verre tegen,
O stad der Pausen, onzen groet; Tot hooger roem zijt gij gestegen Door 't offer van der.
Door 't offer van der volken bloed. Geen Koningshand zal U bevrijden
90
Van 't onrecht dat Uw troon beklom, Straks zullen U de naties wijden ) Tot: allerRoomschcneigendom! )
B, S.
No. 54.
Vaandel-Hymne.
Unison.
Muziek van J. A. S. van Schaik,
Secretaris van het Aartsbisdom.
Des Konings Kruisbanier treedt voor
Gij, volkeren, verrijst!
Het Woord klinkt heel de wereld door
Dat u de waarheid wijst; Vereenigt om des Kruises vaan
Uw krachten en uw leed, Des Heeren Engel voert u aan, i
Al is de strijd zóó heet. ( 6iS-
Een beter nog dan Michael,-
Die Lucifer verslaat,
Verjaagt het duister van de hel
Voor Godes dageraad.
En Leo, leeuw van 't oud get , rit
Van Judaas echte zaad, Hoe vonkelt door der stormen
TT TT- , Cnacht bis.
Uw Koningswoord, uw daad.
91
Wij volgen onzes Heeren vaan
Door stormen en door nood, Des Heeren licht zal met ons gaau,
Zij 't duister, bloed'g rood. Wij strijden heel den heeten dag, Rechtvaardig, vroom en vrij. En treft ons eens de laatste slag, ) Dan, blijde sterven wij! )
Gezegend zij de Heere God, Die dus ons sterven dcê. Ons ophief boven 't wisslend lot
Der woeste wereldzee ;
Die ons de vorstlijke eere gaf,
Zijn hoogst genadepand : Te dalen in een eerlijk graf, ) Den vaandel-eed gestand. )
No. ss. Het Gilde-vaan.
Naar de muziek van no.4 H. Bartholomeus,
La Groix du Saint-Père, voor dezen tekst gearrangeerd door P. M. Winnubst.
Wel zijt gij waardig hooge eer
Gij vaan, waar wij om henen staan: Niet aan uw purper, goud of zij 1)
1
Ideeën getrokken uit het Vaandtllied yan Dr. H. J. A. M. Schaepman.
92
Ontleent ge uw hulde en uw waardij; Uw frissche kleuren zeggen meer.
Zij spreken van een nieuwen tijd; Lag 't Gildevaan verscheurd, ontwijd,
Lag 't Gildevaan verscheurd, ontwijd. Een nieuw geslacht ontplooit weêr 'toude
[vaan !
Een nieuw geslacht ontplooit weêr 't oude
[vaan !
Het oude vaan in jongen glans,
Want neen, een vaan veroudert niet. Al is 't doorboord, verscheurd, vergaan*), 't Geeft nog dezelfde strijdleuze aan. Weer spreekt de Gildevaan ons thans
Van wakk're legers, saamgesteld Tot een lofwaardig, vroom geweld,
Tot een lofwaardig, vroom geweld, Trotseerend al wat God geen hulde biedt. Trotseerend al wat God geen hulde biedt.
Weer spreekt de Gildevaan ons thans Van jonge, nieuwe levenskracht â Boog voor 't moderne heidendom
De werkmansstand zich stil en stom. Het Kruis veischeen weer aan den trans.
â¦) Tdeeëu getrokken uit het Vaandellied van Ur. H. J. A. M. Schaepman.
93
En met het Kruis des Kruises God â De drager van dir volken lot â
De drager van der volken lot â Die werklui deel gaf aan Zijn Konings-
[macht.
Die werklui deel gaf aan Zijn Konings-
[tnacht.
Sta op, verdrukte werkmansschaar,
Door Mammon's wetten overheerd, Alreeds tot oproer voortgezweept,
Alreeds naar kerkers heengesleept, Gij, werkman, slaaf en martelaar 1 Sta op, neem plaats naast de oude
[vaan.
Een kracht zal door de wereld gaan,
Een kracht zal door de wereld gaan. Want Hij, de Christus, leeft en triom-
[feert!
Want Hij, de Christus, leeft en triom-
[feert!
En met den Christus zijt gij zoon
En broeder in 't staatshuisgczin. Bood men in zinneloozen waan Plutocratie den schepter aan, En heerscht die afgod, God ten hoon, Gij, werkman, wreek dien hoon, dien
[smaad,
94
Bekamp der goddeloozen raad,
Bekamp der goddeloozen raad,
Neem weêr uw plaats naast Christus'
[standaard in, Neem weêr uw plaats naast Christus' [standaard in.
B. S.
No. 56.
Vaandel-Cantate.
Vierstemmig Mannenkoor met Solo's, Quartet-ten en Pianobegeleiding.
Gecomponeerd door P. Winnubst,
Muziek-Directeur te Amsterdam.
Koor, vóór de onthulling van een Vaan. 1) Nog verhuld, voor het oog verhuld,
staat het Vaan, Nog verhuld voor het oog staat het Vaan, Het hulsel vall', het hulsel vall', Opdat de Gildenstoet Het heilig Vaan begroet Begroet met blii geschal ! f) Het hulsel vall'!
Hoera, het Vaan !
1
Zoo de uitvoering geen omhulling betreft, late men dit koor achtcrweae.
t) Hier make Lij die achter het Vaandel staat, het voorhangsel los.
95
Koor.
Een groet, een groet, een eerbiedsgroet
Aan U, ons heerlijk Vaan, De jongherboren Gildenstoet
Blikt vreugdevol U aan,
Hoe kort nog slechts geleden
Ging elk zijn eigen baan;
In korps nu aangetreden | ..
Staan w' om ons Gilde-Vaan ! ) !Squot;
Solo.
Heil! broeders, heil! Dit Vaan zal ons
van tijden spreken. Toep. 't handwerk was geëerd. Heil!
broeders, 'k zie de zon â Een zon van schooner dag â door don-
k're wolken breken. Begroeten wij het licht, dat 't duister overheert! (fcis.)
Heil! broeders heil! Dit Vaan zal ons
van tijden spreken D:e weêr geloof en kunst en arbeid saam
zien gaan, Zij vind' ons dan vereend om dit ons
zegeteeken; Heil! broeders! heil! een dag, een nieuwe dag breekt aan ! {bis )
96
Quartet.
Wat profecij begroet dit vaan,
Wij luist'ren met ontzag,
Een dag, een nieuwe dag breekt aan,
Kom, heerlijke arbeidsdag ! Kom heerschen over 't breede veld
Dat arbeids wereld heet,
Heil ons! ons is de dag voorspeld Die roem brengt over 't zweet!
Koor van allerlei vakken. Hoe fier zijn wij op 't werkmanskleed
Dat ons de schoud'ren dekt, Hoe kostbaar is ons 't paarlend zweet
Dat langs de slapen lekt. Hoe danken wij der schepping Heer
Die ons tot werken riep,
Ons deelen deed in d' arbsids eer Van 't bouwwerk, dat Hij schiep.
Koor van landbouwers en grondwerkers. Al neemt ons werk geen hooge vlucht,
Hoog is het van waardij.
Den bodem dwingen wij tot vrucht. De waatren leiden wij!
Koor uit de bouwvakken. Wat zien wij fi;r op 't bouwwerk neer â Dat kloek naar boven rijst
97
Als monument van arbeids eer,
Wen 't werk den maker prijst. â
Koor uit do vuurwerkers.
Als 't vuur zijn gouden vonken spat,
De moker lustig zwiert,
Dan gaan wij op den arbeid prat Die steeds triomfen viert.
Koor van fabrieks werklieden. Uit ruwe grondstof maken wij 't Gewaad dat ieder kleedt.
Veel nuttigs en veel schoons daarbij Kreeg waarde door ons zweet.
Quartet.
Een dag, een nieuwe dag breekt aan.
Zie, rond de Gilde-Vlag De werkmansstand verbonden staan,
Heil U ! o nieuwe dag !
Wie kent cr schooner zegelied
In kloeker maat gesteld,
Dan ons de zang der vend'len biedt. Die schalt langs 't arbeidsveld ?
Solo.
Sint Michaël hief het vaan, Gods strijd'⢠ren tot esn teeken,
98
Ook 't handwerk, vrijgemaakt door Christus en Zijn Kerk, Het zou der eeuwen hoon op grootsche wijze wreken, Het schreef op vend'lenkeur de glorie van het werk. (bis )
Die vendeltrits zoo schoon zou vóór den lijd verbleeken, Door broedertwist gicg glans en roem en welvaart heen. Hier plantten wij opnieuw van d' arbeid 't zegeteeken En zullen daarom staan, volhardend, trouw en één ! (bis.')
Slotkoor.
Nog één groet, een groet aan ons schitterend Vaan, De glorie van 't Gilde, zijn vreugd. Het wapper' ons voor op de moeilijke baan Van arbeid, van eer en van deugd. Wij groeten U, Vaandel, tot heil ons
gewijd.
Symbool van onze eenheid en kracht;
99
Ga voor, en wij trekken caet fierheid
ten strijd
En eendracht zii voert ons tot macht!
_ B. S.
No. 57.
De Strijdkreet.
Muziek van P. M. quot;Winnubst.
âVoor God en Davids Zone !''
Hoog golft met trotschen zwier
Die keuze en die leuze Van onze strijdbanier.
âVoor God en Davids Zone !quot; Hoe schalt het door de luchtj
Hoe jubelen die noten In hunne hooge vlucht!
Hoe zweeft op zefier-wieken De klank dier tonen voort,
Hoe worden zij gedragen
Op 't bulderend storm akkoord.
Wat doen zij strijders dagen In vollen wapecdos,
Hoe vormen zij de scharen Tot breeden legertros,
âVoor God en Davids Zone)quot; Hoe stormt het door de sfeer,
100
De geestdrift, niet te toornen, Kent dra gesa grenzen meer.
Weer naadren nieuwe drommen Met altijd hooger moed,
De Christus en Zij a eere Zet hun de borst in gloed.
âVoor God en Da'ids Zone ! ' Die kreet behaagt zoo wèl;
Voor God en Davids Zone Is 't kampen vreugdespel.
Voor God en Davids Zone Gaan juichend wij ten strijd,
Aan God en Davids Zone Is onze kracht gewijd.
Voor God ea Davids Zone Is ons geen kamp te zwaar.
Wij eischea geea belooning, Wij duchten geea gevaar.
Voor God en Davids Zone Te sterven is ons zoet.
Dan wordt en keuze en leuze Bezegeld in ons bloed !
B
101
No. 58, De Kruisbanier.
Muziek van Hich. Hol.
Op ; 56. (Vlaanderland.)
Aan IJ- en Amstel stroomen
Daar plantten we onze vaan,
Daar ziet men Neerland's vromen
Voor God in 't harnas staan.
Aan IJ- en Amstel boorden
Verheft met trotschen zwier De zoon van 't vrije Noorden :
De Kruisbanier, de Kruisbanier ! (bis).
Onze arm, gestaald door 't werken, Wordt niet licht moê van strijd. Wij hebben aan Gods eere
Onze eer en kracht gewijd; Wij zonen van het Noorden Ontplooiden blijde en fier Op Leo-Petrus' woorden
De Kruisbanier, de Kruisbanier ! (bis.)
De Kruis-Held kwam beschamen
Der dwazen wereldzin,
Hij schonk den arbeid waarde Als 't eerlijkst brood gewin ;
Wat leus wij dan ook hoorden,
Wij hieven trotsch en fier Aan IJ- en Amstelboorden :
De Kruisbanier, de Kruisbanier ! (bis.)
102
Den arbeid gaan wij brengen Tot eere en ook tot recht,
God zelf heeft aan ons pogen
Zijn zegel reeds gehecht, In Neerland's bloeiendste oorden,
In steden grootsch en fier Ontrolt de zoon van 't Noorden : De Kruisbanier, de Kruisbanier ! (bis.)
Wij zullen hen beschamen Die ieven voor 't genot,
Wij zullen hen verwinnen
Die strijden zonder God,
Van grens tot oeverboorden
Eeurt reeds met eed'Iea zwier De zoon van 't kloeke Noorden : De Kruisbanier, de Kruisbanier ! (bis.)
Ea vallen we onder 't strijden
Eer de victorie lacht,
Wat nood, wij gaan daar binnen
Waai hooger glorie wacht. Wat nood, zoo wij bezwijken, In 't sterven kloek en fier,
Ook 't graf blijft zij bestrijken :
De Kruisbanier, de Kruisbanier ! (bis.)
103
No. 59.
Heil den Arbeid!
Muziek van Leop. Bongartz, eenstemmig.
Koor,
Heil! den arbeid, hem zij eere,
Heil! dea arbeid, klink' ons lied. Laat ons 't lied des arbeids zingen, 't Stijge uit alle werkmanskringen : âArbeid, weldaad van den Heere, Wel hem die uw vrucht geniet 1quot; (bis.)
Arbeid, bron vau milden zegen.
Arbeid, eerkroon voor den mensch, Zonder U geen menschenwaarde, Zonder U geen vreugd' op aarde, Blinke Uw adel ieder tegen,
Dat is onzer ziele wensch. (6is.)
Bas Solo.
Gij, o Christus, onze Heere,
Hebt den arbeid niet versmaad,
Maar U met zijn brood verzaad.
Des zij U de hoogste eere.
Koor.
God der glorie, Davids Zoon,
D'arbeid beurdet Gij ten troon Toen Gij 't handwerk kwaamt hanteeren, Arbeidsstraf werd arbeidskroon. (bis.)
104
Toch zou de arbeid, zoo in cere
Door het Christendom gebracht. Thans door hen, die verre dwalen Van der Christ'nen idealen,
Van der Christ'nen heil'ge leere, ) Weer gesmaad zijn en veracht. ) bls-
Daarom hieven wij den standerd
Die van Christus' glorie straalt, â Standerd, die van Hem komt spreken. Die des arbeids smaad kwam wreken â Wij_ belijden: âWat verandert, ) Christus is 't, die zegepraalt!quot; )
Solo.
Christus, zoo wij Uquot; belijden
Bij der wereld hoon en spot,
Toon U dan des werkmans God,
Wees de kracht van hen die strijden.
Koor.
Zie dan neder op den nood.
Geef den werkman 't arbeidsbrood Wil hem uit zijn druk bevrijden, ) ' Maak Uw naam door 't volk weer [ bis.
groot! ' B. S.
105
No. 60.
Voor Zondagsrust, Hoezee!
Te zingen op de bekende zangwijze: »A1 is ons Prinsje nog zoo klein, Hoezee f »AIevel zal hij stadhouder zijn, Hoezee!quot;
Die vlijtig werkt zes dagen lang, Hoezee ! Hij zing' met ons den Zondagszang,
Hoezee!
Maar hij die daaglijks Zondag houdt Hem laat ons streven koel en koud. O wee, o wee, o wee! (pis')
Is 't vroeger dan niet goed gegaan.
Hoezee!
Waarom verliet men dan die baan, o hé ! Werd toen geen werk genoeg verricht Al hield men aan den Zondagsplicht ? Wie, wie zegt daarop ânee !quot; l) (bis)
't Was Zondag in de stad, op :t land.
Hoezee!
Voor burger en voor werkmansstand,
Hoezee!
De Landheer kwam op 't fier genet 2) En overzag de Zondagspret.
En ieder riep : âHoezee !quot; (lis)
1) Om wille van het refrein zal men deze taalafwijking wel willen verontschulcligen. B. S.
8) Genet was oudtijds de benaming voor eva fraai geimdeld heerenpaard.
106
Nu sluipt de werkman moede en zwart,
o jé!
Op Zondag wel met wrok in 't hart, o jé ! Door achterstraatjes naar zijn huis. Of wipt in 't kroegje, o kruis, o kruis!.... Roept dat geen : ach en wee ? (bis)
Maar Zondag is des Heeren dag. Hoezee! Geen die Hem 't volk ontnemen mag.
Hoezee 1
Hij die des Hoogsten wetten schendt Hij roept de wraak, hij brengt ellend', Dan vlucht de zoete vree! {bis)
Komt, mannen, schaart U kloek te zaam.
Hoezee!
En eischt uw rustdag in Gods naam,
Hoezee !
Uw trouwe God ziet dan ook neêr En schenkt U vrede en voorspoed weêr. Hoezee, Hoezee, Hoezee ! (bis)
Dan gaat weer elk in 't Zondagspak,
Hoezee!
En rust wat onder 't looverdak. Hoezee ! En zingt daar met zijn vrouw en kind. Of met zijn bruid, of met zijn vrind. Voor Zondagsrust: Hoezee ! (bis)
B. S.
107
No. 61.
Een lied gezongen, werkgezellen.
Muziek van Leo van Hoof.
Gedicht van A. V. Baltynck.
Een lied gezongen, werkgezellen,
Een lied dat maakt den arbeid licht
Voor hen die tot hun dagtaak snellen Naar Godes wet, voor eer en plicht !
Is eiken sterveling op aarde
Het daaglijksch werkeu een gebod.
Het paarlend zweet krijgt meerder waarde Door 't edel doel in 't oog van God.
Het paarlend zweet krijgt meerder waarde Door 't edel doel in 't oog van God.
Wat lust en moed, wat waar genoegen Geeft ons het werk voor vrouw en kind,
Of voor den grijze die na 't zwoegen Bij 't eigen kroost de ruste viadt!
Wat ijver baart het billijk streven Naar beter stand eu meer gewin!
In 't noeste werk ligt breeder leven Voor ons eo voor ons huisgezin.
In 't noeste werk ligt breeder leven Veer ons en voor ons huisgezin.
Bij 't glanzen van de vrijheidszonne, In 't nijvre land waar vrede bloeit.
108
Zij de arbeid ons een levensbronne
Waaruit voor allen welstand vloeit! Daar geve 't loon van vlijt en zorgen
Het ruime daaglijksch brood alom. En 't sparen voor den dag van morgen,
Zij d'oorsprong van den eigendom ! En 't sparen voor den dag van morgen, Zij d'oorsprong van den eigendom !
De godsdienst en het huislijk leven
Het rein genot aan d' eigen haard ; Wie kon ons rijker schatten geven,
Met rust en vrede in 't land gepaard ? Laat dan de roode vlag maar waaien;
Wij geven kloek elkaar de hand, Wij volgen bij al 't oproer kraaien Alleen de vlag van 't Vaderland ! Wij volgen bij al 't oproer kraaien Alleen de vlag van 't Vaderland !
No. 62.
Werklui waren onze Vaadren.
Muziek van. J Aerts. Gedicht van J. Guns 1)
Begeleiding van Eng. Dierkx.
Werklui waren onze vaadren,
Houw en trouw aan God en Vorst,
1) Om het lied in Nederland te popularisee-ren is het noodig geweest den tekst hier en daar eenigzins te vcrhoUandschen.
109
't Hollandsch bloed in hart en aadren,
Katholiek van ziel en borst.
Werklui durven wij ons roemen
Die, als 't driemaal heilig pand,
Voor de gansche wereld roemen â \ j â God, Vorstin en Vaderland ! ) ls'
Holland roemde in 't verst der tijden
Op getrouwheid in den echt,
Liefde werd in vreugd of lijden Man of vrouw nifet opgezegd : Wij bezingen eene vrouwe
Die als engel 't huis bewaakt, En een man wiens vlijt en trouwe ) Vrouw en kind gelukkig maakt. )
Heilig gold din Nederlander
Steeds zijns buarmans eigendom : Rond en eerlijk als geen ander^
Dit gold hem a!s adeldom.
Krachtig ro?pt ook ons geweten Als het leus of daden keurt ;
âLiever 't droge brood segeten, \ Dan de hind met roof be- ( bis.
smeurd.quot; )
Vrijheid paarden onze vaadren
Bij 't ontzag voor wei en recht, Christenzin deed meester naadren Tot gelijkheid met den knecht.
HO
Zoo verstaan ook wij de vrijheid,
Zoo behaagt ons broedermin ;
Zoo'n gelijkheid, vol van blijheid, ) ,. Houden wij voor groot gewin ! ) ts'
Slotkoor.
Flinke werklui, trouwe zonen
Van een waardig voorgeslacht. Nemen als hun schoonste kronen D' oude deugden trouw in acht.
No. 63.
Geluk en Vrede.
Muziek van Eug. Dierkx.
Gedicht van J. Guns.
Hoezee den werkman die den vrede
Zijn edel hart, zijn kloeke hand Verpandt, tot heil van Kerk en stede. Verpandt tot heil van Kerk en stede.
Van huisgezin en Vaderland ! De strijdlust vlechte zegekronen
Voor helden van het oorlogsperk, De vreugde kroont de vredezonen ) Die welvaart stichten door hun [ bis.
werk 1 )
Hoezee den werkman die den vrede Met God aanziet als zoeten plicht,
1H
Die heel zijn wande], eUe schrede, Die heel zijn wandel, elke schrede,
Naar Godes wijze wetten richt. Wat! zou hij d'Almacht wederstreven
Die elk vergruizen kan tot niet? De godsdienst is de vreugd van )
't leven, [ bis. Hij balsemt hartzeer en verdriet. '
Hoezee den werkman die den vrede
In huis betracht als rijk gewin, Met heel zijn loon naar recht en rede. Met heel zijn loon naar recht en rede.
Te wijden *an zijn huisgezin !
Zijn vrouw Iaat hem alleen niet zorgen.
De kind'ren leeren hoe hij spaart, Te zamen houwen zij voor morgen ) Op eigen grond een eigen haard, j
No. 64.
Wij trekken uit!
Muziek van Joh. H. Loser.
Wat blijdschap speelt ons in 't gemoed En doet de polsen jagen En zwiert ons door het bloed ? 't Is 't zoet gevoel van vrij te zijn Na d' arbeid van zes dagen;
Ha. ha. ha ha. ha ha !
112
't Is 't zoet gevoel van vrij te zijn Na d' arbeid van zes dagen.
Wij trekken uit in 't Zondagskleed Gewonnen door ons zwoegen, Gewonnen in het zweet;
Ons zwelt de borst van fier gevoel. Wij stralen van genoegen; Ha, ha, ha ha, ha ha !
Ons zwelt de borst van fier gevoel. Wij stralen van genoegen.
Naar buiten, kerels, stapt wat aan. Langs velden en langs stroomen Zal onze wand'ling gaan.
Vergeten is al 't wiel gedruisch. Het haamren en het stoomen : Ha, ha, ha ha, ha ba!
Vergeten is al 't wiel gedruisch, Het haamren en het stoomen.
De lucht is vrij, de lucht is rein, Hoe sterkt zij ons de longen, Hoe koelt zij ons het brein.
Zij wekt de zangdrift in de borst Van ouden en van jongen. Ha, ha, ha ha, ha ha !
Zij wekt de zangdrift in de borst Van ouden en van jongen.
113
Welaan dan, zingen we onzen God, Die heil ons heeft beschoren, Den Heerscher over 't lot.
Wij voelen ons zoo sterk, zoo groot Jn Hem, Wien wij behoor en.
Ha, ha, ha ha, ha ha!
Wij voelen ons zoo sterk en groot In Hem, wien wij behoor en.
Bij arbeid, strijd, in vreugde of rust. Wij zijn des Heeren knechten, Ons recht en plicht bewust.
Ben jonge bende Gedeons,
Die zegezingt bij 't vechten,
Ha, ha, ha ha, ha ha !
Een jonge bende Gadeons,
Die zegezingt bij 't vechten.
Een bende Gedeons zijn wij In moed en in vertrouwen. Kloekhartig, vrij en blij.
Wij zingen Isrels God ter eer,
Dien God op wien wij bouwen. Ha, ha, ha, ha, ha, ha !
Wij zingen Isr'els God ter eer.
Dien God op Wien wij bouwen.
Dien God die 't lam met wol bekleedt, De vogelkens met veêren,
En die geen klacht vergeet.
114
Zijn naam is ons ten beukelaar, Waarmee wij 't al trotseeren;
. Ha, ha, ha ha, ha ha !
Zijn naam is ons ten beukelaar. Waarmee wij 't al trotseeren.
Zoo trekken wij dan 't leven door Eb hukken voor geen zorgen. Wat last ons 't lot beschoor.
Wij zijn gerust in Hem die heerscht In 't heden en in 't morgen, Ha, ha, ha ha, ha ha!
Wij zijn gerust in Hem die heerscht In 't heden en in 't morgen.
B. S.
No. 65.
De blauwe kiel.
(No. 50 oude Bundel/.
Des morgens vroeg als mij de zon komt
wekken,
Mij lachend biedt haar gullen morgengroet.
Dan ga ik fluks de blauwe kiel aantrekken,
De blauwe kiel, hij staat bij 't werken
goed!
145
Steeds welgemoed begeef ik mij tot
werken,
Niet peinzend wat de rijke zoo al doet, Mijn werk geeft kracht, het kan mijn leden sterken. De blauwe kiel staat mij bizonder goed.
De blauwe kiel men droeg hem reeds
voor jaren. De- witte ook wel naar 't werk dit medebracht, De werkmansstand en ook de kunstenaren,
Zij werden om hun kiel niet min geacht.
Rembrandt, Ruysdael, zij roem der Nederlanden, En and're mannen van het edelst bloed, Zij leven hoog in d'arbeid hunner handen. En ook de kiel hij stond hen won-
dergoed.
Een werkmanszoon is in den dienst
gevallen.
Ziet hij vertrekt om d' eer van 't Vaderland,
Hij, goed soldaat, staat pal bij 't bommen knallen. Hij klimt in racg, al ras is hij sergeant.
116
Als officier ?iet men hem wederkeeren, Het Iaat hem koud of men hem needrig groet, Zijn hart is thuis, hij haakt naar ruimer
kleeren,
De blauwe kiel die staat hem nog zoo goed.
In d' arbeidsstand, werd ik op aard geboren.
Het eerlijk werk verschaft' ons allen
brood,
Geen hooger lot wensen ik mij toebeschoren.
De hoogste boom staat 't meest aan stormen bloot.
Mijn hart noch hoofd bouwd' ooit zich luchtkasteelen, 'k Ben geen slaaf die slechts om 't aardsche wroet. Ik kan bij 't werk een lustig deuntje
kweelen,
De blauwe kiel bevalt mij o ! zoo goed !
De week spoedt heen, heb ik mijn loon
⢠ontvangen. Ik ga naar huis, waar mij mijn vrouwtje
wacht,
117
Ik kus die trouwe dan op beide wangen. En 't kleintje meê, dat mij t' omhelzen tracht.
Des Zondags gaan wij deftig paradeeren, Dan ook draag ik een boord, vest, jas en hoed, Maar 's Maandags neem ik weer mijn werkmanskleeren, Mijn vrouwtje zegt: De kiel staat jou zoo goed !
No. 66.
Nuttig zijt gij, Vriendenkring,
(Xo. 2G oude Bundel.)
Nuttig zijt gij, vriendenkring,
Krirg van werkmanszonen,
Daarom blijven wij ook steeds
Liefde voor u toonen;
Op ons doornig levenspad Houdt ge ons in een band gevat Die ons kracht doet vinden, (bis.')
Gaat het soniF, niet voor den wind.
Zijn we eens niet tevreden.
Ligt op 't hart iets dat ons kwelt Ramp of tegenheden.
118
Zijn wij van den arbeid moe,
Rust lacht in den kring ons toe, Kring van trouwe vrienden! (bis.)
Ware vriendschap, mannendeugd Heerscht en bloeit er krachtig, Menigeen door 't lot gebeukt
Vond er leed verzachting,
Kracht in 's levens harden sjrijd, Troost bij harten hem gewijd,
Liefde hem gegeven. (bis.)
Broeders schalie 't dan in 't rond:
âOns verbond moog' leven''.
Laat ons steeds eendrachtig zijn
In ons pogen, streven.
Dat ons, waarde vriendenrij,
Deze kring steeds dierbaar zij. Dierbaar heel ons leven ! (bis).
G. J. K.
No, 67,
Onze Verear.iging.
Xo. 27 oude bundel.)
Onze Vereeniging is mij zoo waard Ik stap daar gaarne heen.
Daar toeft geen ruw gemeen,
Daar schertst men vrij en blij Naar 's harten aard
119
Onze Vereeniging is mij zoo waard, Als d' arbeid is gedaan Tref 'k daar mijn vrienden aan Bij dam of domino,
Of aan 't biljard !
Onze Vereeniging 'k schat haar zoo hoog, Ik sleet daar menig uur Met zang, spel of lectuur.
Dat zij dan leven moog'.
Zij leve hoog !
H, O.
No. 68.
Den Werkmans-Bond trouw!
(No. 46 oude bundel.)
Eens trouw U gezworen, U, Werktnans-verbond,
Zoo blijven w' U behooren ) ^
Klinkt 't lied, als uit één mond ! )
Gij, Bond, zult ons sterken.
Want: eendracht maakt masht, Zoo worden groote werken )
Door ons tot stand gebracht. )
Wij leven naar plichten,
Wij streven naar recht.
120
Wij zullen dan niet zwichten )
Zoo 't pleit niet is beslecht. )
Wij eischen geen schatten Maar reedlijk gewin,
Het loon zal weer omvatten ) Het brood voor heel 't gezin. ) his'
De vrouw dient hergeven Aan huis en aan haard,
Dan eerst wordt ons het leven ) Weer lieflijk, schoon en waard ! ) 6isquot;
De jeugd smaakt dan vreugden, De vrouw wordt geëerd.
Dan bloeien weêr de deugden, ) . Door velen reeds verleerd. ) b,s'
Niet langer ook d' ouden 't Gebedelde brood,
Den arbeid moet inhouden ) Het brood tot aan den dood. ) b,s'
Dan dient nog herwonnen Den dag van den Héér,
Wat haalden we onbezonnen )
Gods heilgebod eens neêr! )
Den eenling, onmachtig.
Boog 't hoofd voor den dwang.
121
Wij nu, door eenheid krachtig ) Herstellen dit belang. ) tS'
De man die alleen gaat Wordt weinig geacht,
Maar 't volk, waar het vereend staat,) ^ Wint aanzien door zijn kracht.)
Wij zullen herwinnen
De welvaart die past,
In werkmans huisgezinnen, ) ^
Houdt, broeders, daaraan vast! )
Opnieuw dan gezworen :
âHet M'erkmans-Verbond Daar blijven w' aan behooren ) ^ Tot op de stervensspond!quot; ) J. G. K.
Dit lied uitgebreid door B. S-.
V.
No. 69.
Aan een jubiieerend Priester.
Muziek van Joh. H. Loser.
Wijze v. h. Prosessielied no. 12.
Aan U, o Priester Gods, een lied
In dezen plecht'gen stond.
Waarop God U de kroce biedt
Van 't Zilv'ren Trouw-verboad, Hoe treedt weer de eerste ure U voor
Dat uur zoo rein, zoo schoon,
Toen U de Bruigom uitverkoor, Met vleiend gunstbetoon.
(Refrein)
Halleluja, Halleluja,
Priester door Godsgena, Wij bidden op Uw jubeltij:
âBlijf, Heer, Uw Dienaar bsj!quot; Halleluja, Halleluja !
Toen wachtte U 't altaar frisch getooid, En vriend en maag trad aan,
123
Het Bruiloftskleed werd U omplooid,
Gij zoudt aan 't Altaar staan; Gij stondt aan 't Altaar, diende Uw Heer
Bij 't Offer dat Hij bood, En offerdet te Zijner eer Uzelven tot den dood.
(Refrein),
Gij deedt in trouw uw eed gestand
Sinds ') vijf en twintig jaar.
Nu U de Zilv'ren kroon omspant
Juicht luid de Christenschaar. De bloemen vallen dorrend af, De vreugd verkeert in rouw, De vrienden dalen neêr in 't graf, Maar God, Hij blijft getrouw.
(Refrein').
Hij wil het loon zijns dienaars zijn,
Hij kroont diens hoofd met eer. Hij drenkt hem met zijn vreugdewijn,
En sterkt hem altijd meer. Zoo maakte U God een sterken held
Wiens bijzijn vreugde wekt; m heeft U in Zijn Huis gesteld. En U met roem bedekt.
(Refrein.)
1) Te wijzigen naar omstandigheden.
124
⢠De Kerk ook juicht om U, Haar Zoon, Gij, Priester, dienaar Gods, Uw' deugden vormen Haar een kroon,
Uw' liefde is Haar een trots. En ') d' U betrouwde Gilden Bond
Paart juichend dank aan beê En huldigt U uit 's harten grond Op dit Uw Jubilé !
(Refrein.')
B. S.
No. 70.
H. Leeraar, Heil!
(No. 25 oude bundel.) Begroetings-Lied bij het optreden van Dr. Schakp-3ian, den volksvriend, door A. Meijek, pr.
U, Leeraar, Heil! wij tot U geesteszonen Herschapen door Uw gloedvol beeldend woord. Wij naadren om geestdriftig U te toonen Ons dankbaar hart, dat ons tot juublen spoort, (his)
1) Zoo de Jubilaris geen Bestuurder of Geest. Adv. van den Werklieden- of Volksbond is kunnen de woorden : âde U toevertrouwdequot; vervangen door den nnam der stad of Parochie of iets dergelijks.
125
U, Leeraar, Heil! die 't duister hebt
gebannen. Aan onzen geest het licht der waarheid bracht. Nu, door Uw wooid geadeld tot Uw
mannen.
Gaan wij ten strijd gesterkt met geest en kracht, (bis)
U volgen wij in lijden en verblijden. Met 's Heeren kruis op 't wapenkleed
gehecht.
Om aan Uw zij den eedlen strijd te
strijden
Voor Christus' Bruid, voor waarheid, vrijheid, recht (his)
No. 71.
Lied om een feestvierend Functionaris toe te zingen.
(No. 48 oude bundel.)
Broeders, 't feestlied aangeheven.
Laat het daavren vrij en blij,
Zingt den Feestling : âDat hij leven, Leven voor de maatschappij!quot;
126
Re/rein.
Klink' hem dan ons aller zang :
Leef, leef lang ! Leef, leef lang !
Lang, ja lang ! Lang, ja lang!
Leef, leef lang! Leef, leef lang !
Lang, ja lang! Lang, lang !
Laat fanfares luide schallen.
Onze Feestling is het waard,
Zingt hem een hoi?zee gij allen Met een bede saamgepaard.
Refrein.
Klink' hem luide ons aller zang ; enz.
Leef gezegend in ons midden,
Feestling, zoo bemind, geëerd ! Boven wenschen, boven bidden
Worde Uw heil. Uw kracht vermeerd !
Refrein.
Nogmaals klinke ons aller zang : enz.
W. Haanstra.
127
No. 72. Installatie-Cantate.
(Vóór de iDstallatic zinge men het koraal: Komr Schepper ; No. 42, door alle aanwezigen te zingen. Z«o (fit lied als inleidings-koor voor deze plechtigheid wat lang mocht zijn, dan nemen men de 1ste, 3de, 5de en 7de strophe die te zamen een «ehoon geheel vonrien.)
(Koor.)
Weest welkom, Broeders, in de rangen
Der aangesloten mannenschaar, Met ware vreugd wordt gij ontvangen Het Eereteeken wacht U daar.
(Refrein te zingen door alle aanwezige Bondsleden.)
Weeat welkom, weest welkom, weest)
welkom f bis. In den Broederschaar ! - '
{Koor.)
Gij wenscht dan heden toe te treden
Tot 't Leger dat zich saam verbond, Met blijdschap zien w' ons korps ver-
breeden
Hot âWelkomquot; kflnk' U uit een mond.
128
(Refrein door alle aanwezige Bondsleden te zingen )
Weest welkom, weest welkom, weest \
welkom ( bis. In den Broeder Bond ! )
(Solo voor Bas of Bariton )
Hoe was der Broederbond verscheurd
Die ons, in Christus samenbond. En daarmee alle heil verbaurd
Dat uit die broedirschap ontstood. De zwakke werkman kon den strijd
Niet aangaan met der grooten macht, Hij, dupe, werd in korten tijd
Tot diep verval gebracht.
Toen klonk het sein ! âVereenigt U !
Gij, zwakken, wordt elkanders kracht!quot; God lof! wij staan vereenigd nu;
Voer, Eenheid, voer Gij ons tot macht.
(Koor )
Heil, Broeders, U heeft 't woord ge-
klonken
li-Ik Uwer werd een strijdgezel. Het heerlijk doel kon XJ ontvonken. En manlijk deedt g' uw keuze wèl.
129
(Refrein door alle aanwezige Bonds-leden te zingen )
Heil! welkom, Heil! welkom, ï
Heil! welkom gt; bis. Ieder smjdgezel! )
Solo voor Tenor.
Heil, wie heeft plaats gegeven
Aan 't solidair gevoel.
Het: Voor elkander leven,
Het streven naar één doel.
Het voor elkander werken Is werken elk voor zich,
Zij die elkander sterken
Zij zeiven sterken zich.
D?ar valt weêr op fe bouwen
Een nieuwe maatschappij.
Komt, handen uit de mouwen
En, Broeders, werken wij; En zouden we allen sneven
Vóór 't werk nog was volwrocht, Dan hadden we in ons leven Ons kroost toch heil gekocht!
Na de Installatie.
(Koor.)
Nu prijkt Uw borst met 't Eereteeken Der strijders, voor een zaak zoo groot,
130
Geen Uwer moog 't aan kracht ontbreken. Blijf trouw den Bond, tot aan den
dood!
(Refrein te zingen door alle aanwezige Bondsleden.}
Blijft, Broeders ! Bliift, Broeders ! \
Blijft, Broeders [ his. Trouw, tot in den dood ! '
Dan wandelt Gij op vaste wegen.
Bij 't eerlijk streven naar gewin, De Kerk een kroon, de Staat een zegen. De stutpaal van het Huisgezin.
(Refrein door alle aanwezige Bondsleden te zingend)
Zóó, Broeders! Zóó, Broeders!
Zóó, Broeders
Zijt g' ons een gewin !
(Slotkoor door alle aanwezige Bondsleden
te zingen )
U, God! U, God ! U loven wij,
U danken, U belijden wij, Blijf ons en onze Broeders bij En nu en eeuwig. Amen.
B. S.
131
No. 73.
Ter opening eener Feestver-gadering.
Muziek No. 2 (La Parisienne) Barth.
Op kameraads ! blij aangetreden,
Spoedt, vrienden, U ten feestgetij ! Ten feest, met lust en weltevreden.
Het hart verheugd, zoo vrij, zoo blij! Zijn wij bezield door 't zelfde streven : Aan gulle vreugd nu plaats te geven. Kameraads zingt 't lied Waar de zorg door vliedt.
Zingt ook den Broederbond Die vreugd' ons biedt:
Hij leve ! De Broederbond, Hij leve !
Weg nu met zorg, weg ook met plagen, Geen plaats nu voor verdrietlijkheên Die soms aan 't werkmansleven knagen.
Voor rein genot nu plaats alleen. Verbreedt de borst, gij werkmanskoren, En doet der geestdrift tonen hooren. Kameraads, enz.
Nu, kameraads, het feest genoten, Het feest dat ons hier samenbracht.
132
Voor blij gevoel het hart ontsloten,
Want blijdschap is een bron van kracht. Een uur van vreugd met vrouw en
vrinden
Doet lang weer last tot d' arbeid vinden; Kameraads, enz.
No. 74.
Graflied.
Ter uitvaart van een Gildebroeder.
Muziek van Weber.
Stil staan wij om Uw graf geschaard,
O Broeder, strijdgezel!
Rust vredig in gewijde aard'.
Rust zacht, rust zacht, vaarwel. Refrein.
Vaarwel, vaarwel, rust van Uw werk,
vaarwel! Rust, zoon der Roomsche Kerk, Vaarwel, vaarwel,
Smaak vreugde zonder perk, vaarwel,
vaarwel!
Het moede lijf, het vroeg de rust.
Uw ziele zocht haar God,
Gij waart des Christens roep bewust, Gg wachtet zaalger lot.
Refrein.
133
Stil staan wij om Uw vredig graf,
O Broeder, strijdgezel,
Wij lieten hier Uw hulsel af En flaist'ren U : 't Vaarwel! Refrein.
B. S,
VI.
fmdjilknk Hbkim
No. 75.
Zingen.
(No. 39 oude bundel.)
Zang en toonkunst, kwaarat gij niet
Onze ziel begeest'ren,
Hoe zou menig bang verdriet Ons dan 't hart bemeestren. Worst'laar, valt U 't kampen zwaar
In den strijd om 't leven.
Zing Uw oude lied'ren maar,
't Zal weer kracht U geven.
Zingen maakt ons los en vrij.
Geeft de zielen vleug'len.
Hoog, en hooger stijgen zij
Door geen macht te teug'len ; In zoo rein en hoog een sfeer â
Waar zij ommezwieren â
Prangen haar geen zorgen meer, 't Is daar jubel vieren.
135
Zingen bindt ook zielen saam Ver door 't lot gescheiden, Mannen hoog; en klein van naam
Zingen, zingen beiden.
Zingen beiden 't ze fde lied.
Steunen op elkander,
't Hoog gevoel dat d' een doorvliet Wordt ook 't deel van d' ander.
Zingen maakt de menschheid een,
Zingen bindt de harten.
Zingen is ook zielsgeween.
Balsem voor veel smarten;
Zingen drijft tot heldenmoed,
Hooge plichtsbetrachting,
Voert den adel ons door 't bloed. Stemt tot doodsverachting.
B. S.
No. 76 Een lied des Geloofs.
Muziek van Weber.
Blijf, Geloof, mij 't lot verzoeten. Blijf mij heel het leven bij.
Werp Uw licht mij voor de voeten, Dan vervaart geen afgrond mij. Dan vervaart geen afgrond mij.
136
mij 't leven brengen moge,
't Zij dan vreugde, 't zij geween, Gij Geloof, richt gij mijne oogen Boven de aarde en 't aardsche heen !
r - r a â â
UlJ Geloof, doe gij me aanschouwen
't Hoog geluk mij toebereid. Gij, Geloof, wil gij me ontvouwen |t Heil dat me in de heemlen beidt! 't Heil dat me in de heemlen beidt!
B. S.
No. 77.
Opwaarts, o broedren.
Volksalman. voor Nederl. Kath.
No. 49 oude bundel.
Opwaarts, o broedren, uw harten gericht Hoog boven 't aardsche gewemel; Boven de wolken en boven het licht. Waar uwe vaderstad blauwt aan 'tgezicht. De ons allen verbeidende hemel.
Opwaarts ! Wat hecht ge aan dit vreem-
delingscord, Vruchtbaar aan bittere smarte?
Bloeit er een bloem, die uw ziele bekoort, O hoeveel schoon ere bloeme behoort In hemelschen lusthof uw harte.
i37
Opwaarts ! â Wat buigen uw hoofden
ter neêr Onder den last van het lijden ?
'k Zie het, ja 't doet u daar binnen
wel zeer;
Maar in de hemelen weent gij niet meer: Daar zult gij u eeuwig verblijden.
Opwaarts! Ziet boven het altaar dien
gloed;
Ziet reeds den hemel u nadren, 't Goddelijk Lam komt u zelf te gemoet, Komt er u teek'nen met goddelijk Bloed, Het komt bij zijn kudde u vcrgadren.
Opwaarts dan, opwaarts uw harten gericht! Hoog boven 't aardsche gewemel; Opwaarts dan boven de wolken en 't licht, Waar uwe vaderstad blauwt aan 't gezicht, Dc ons allen verbeidende hemel.
No. 78.
Weg met Heer Alcohol!
Wijze: Weg met Napoleon,
Weg met Heer Alcohol,
Hij speelt te boos een rol, Weg met Heer Alcohol,
Ik dien hem niet.
138
Foei, gij Heer Alcohol,
Bah, wat speelt gij een rol, Gij maakt je slaven dol, â Ik dien je niet.
Gij snoode Alcohol,
Maakt branders beurzen vol,
Arbeiders magen hol, _
Mij krijg je niet.
Weg, gij Heer Alcohol,
Jij maakt het tuchthuis vol, âWeg met Heer Alcoholquot; Zij steeds mijn lied.
B. S
No. 79.
Sluit Schiedam.
Wijze : Die Lorelei.
Sluit Schiedam! lie iaarg., no. 7
Wat zouden die woorden beduiden. Die leuze van âS'uit Schiedamquot; ? Ik hoorde de klok er van luiden,
Maar of ik het rechte vernam ? Men kan toch geen stad zoo maar sluiten, Dat krijgt men zoo gauw niet gedaan, Maar waarom nu zet men die leuze Dan toch in het blauwe vaan ?
139
Mijn vriendje, zal ik U eens zeggen Wat ik hieromtrent eens vernam ? Men zeide tot mij: wel mijn jongen, Sluit gij slechts uw mond voor Schiedam! En komen U velen ter hulpe (Och, of die dag spoedig toch kwam) Dan sluit zich die stad gansch van zelve, Gesloten is dan Schiedam !
No. 80.
Rookers-Lied.
(No. 51 oude bundel.) Wijze uit Feierabend p. 13quot;. (Vrij gevolgd.)
Ik zing van de tabak een lied Het rooken dat mishaagt mij niet, Want ook ik stak vaak in mijn zak Een builtje rooktabak!
(Allen.)
Tabak, bak bak, tabak bak bak
Een builtje rooktabak.
Tabak, bak bak, tabak bak bak. Een builtje rooktabak!
Tabak is wel een edel kruid.
De sultan blaast zijn wolkjes uit. De werkman ook hult zich in smook, En zingt van de tabak!
140
(Allen.')
Tabak bak bak, tabak bak bak. Wij zingen de tabak!
Tabak bak bak, tabak bak bak. Wij zingen de tabak !
Studenten derven eer Latijn Dan zonder rooktabak te zijn. Het moede hoofd, soms afgesloofd. Vindt heul bij de tabak!
(Allen.)
Tabak bak bak, tabak bak bak. Vindt heul bij de tabak.
Tabak bak bak, tabak bak bak. Vindt heul bij de tabak !
De knaap, voor 't rooken nog niet rijp. Waagt stil een trekje aan vaders pijp En acht zich dan een heelen man. Roept; Leve de tabak !
(Allen.')
Tabak bak bak, tabak bak bak. Roept: Leve de tabak !
Tabak bak bak, tabak bak bak. Roept: Leve de tabak !
141
Des voermans pijp heeft altijd vuur, Zij sterkt hem is hem 't leven guur, Zij droogt het zweet, verdrijft het leed Zijn troost is de tabak !
{Allen.')
Tabak bak bak, tabak bak bak,
Zijn troost is de tabak !
Tabak bak bak, tabak bak bak,
Zijn troost is de tabak !
Tabak geeft kameraderie.
Soms rookt men wel en compagnie, De pijp gaat rond, van mond tot mond, Elk zingt van de tabak !
{Allen.')
Tabak bak bak, tabak bak bak,
Elk zingt van de tabak !
Tabak bak bak, tabak bak bak. Elk zingt van de tabak!
Maar ik, ik eindig met mijn lied, Want als ik zing dan rook ik niet, De pijp geklopt, opnieuw gestopt.
Geef vuur voor mijn tabak !
(Allen.)
Tabak bak bak, tabak bak bak, Geeft vuur voor zijn tabak !
142
Tabak bak bak, tabak bak bak, Geeft vuur voor zijn tabak!
G J. K.
No. 8r.
Boven de sterren is rust.
Muziek van Franz Abt.
Boven de sterren is rust, boven de
sterren is rust. Dulden, o dulden, niet klagen, Als gij de stormen ziet dagen. Dan nog het hoofd hoog gedragen Starend naar zaliger kust.
Moet gij hier zwoegen en strijden, O denk dan immer bij 't lijden: Boven de sterren is rust.
Boven de sterren is rust.
Boven de sterren is rust, boven de
sterren is rust. Dulden, o dulden en hopen.
Moedig het strijdperk doorloopen, 't Rijk der verwachting staat open, Godsrijk van liefde en van lust.
Mogen de wonden U prangen, Rep U met dubbel verlangen, .
143
|
Boven de sterren Boven de sterren |
is rust. is rust. Vrij vertaald door B. S.. |
No. 82.
Zoo 'k ruilen mocht!
Muziek van Joh. H. Loser.
'k Ruil niet met hem die daaglijks gaat In kostbre pels of frak,
Maar die in 't deftig statiepak Geen eerlijk burger stak !
'k Ruil met geen dandy die maar slenst Langs 's Heeren straten voort, Maar die alleen zichzelf bekoort En leeft voor das en boord.
Maar zoo ik dan eens ruilen mocht. Met wien ik ruilen zou ?
Wel, met een kerel kloek en trouw,. Dat gaf mij nooit bfrouw.
Wel met een man van woord en daad, â Om 't even heer of knecht â Maar die gevoel heeft voor het recht,. En die voor waarheid vecht!
144
Wel als ik dan eens ruilen mocht, Ik ruilde met een man Die al wat goed is, durft en kan, Een echten âJan Pak-an!quot;
Maar daar zoo'n man niet ruilen zal Met mij onnooz'len bloed,
Besluit ik dan maar kort en goed Te doen gelijk hij doet !
Ik word een echte Jan P^k-an, Die al wat goed is, durft en kan.
Ik word een man van woord en daad, Dien 't hart voor recht en waarheid slaat.
Ik word een kerel kloek en trouw. Dat geeft mij nooit berouw;
Dat geeft mij nooit berouw!
B. S.
No. 83. In 't Renperk.
Zangwijze: Scheiden. Op. 29, Verhulst. Er weten zooveel van komen,
Er weten zoo weinig van gaan, enz,
In 't Renperk gaan velen binnen En treden er kloek op de baan,
145
Maar voortgaan en d' eer'prijs winnen
Wordt enkel door helden gedaan; O, helden, gij helden, o rijst ons, En wijst ons de paan !
O, leert ons het leven beschouwen
Met d'ernst die aan mannen betaamt, Die vast op hun God betrouwen,
Dan worden wij nimmer beschaamd; Maar worden, door strijd, tot victorie En glorie bekwaamd.
En brak ons des levens morgen
Al niet als een vreugdedag aan. En hebben wij kommer en zorgen.
En stort ook ons oog soms een traan. Wij weten in lijden en strijden Wie voor is gegaan !
No. 84.
Roosje, Roosje, Roosje schoon.
Wiize : Knablein sah ein Röslein stehn.
(No. 29 oude Bundel.)
In een schoonen bloemenhof, Wel omtuind en veilig,
Zag 'k een keurig roosje staan.
146
't Trok geheel mijn ziele aan,
't Roosje werd mij heilig.
Roosje, Roosje, Roosje schoon, Gij, gij werdt mij heilig.
'k Zwierf zoo dikwerf om dien hof Om U te zien prijken,
'k Had geen oog voor and'rer schoon, 'k Zong U toe op zachten toon :
âGeen kan U gelijken.1'
Roosje, Roosje, Roosje schoon Geen kan U gelijken !
O die goede Hovenier Had mijn lied vernomen ;
âTrekt dat roosje U zoo aan. Wil mijn hof dan binnengaan.
Nader zonder schromen.quot;
Roosje, Roosje, Roosje schoon,
Toen ben ik gekomen !
O, ik stond eerbiedig daar.
Als op 's Heeren drempel,
'k Dacht: zoo ik dat roosje had, 'k Droeg 't, in sluiergaas gevat,
Naar Gods heilgen tempel.
Roosje, Roosje, Roosje schoon, 'k Droeg U naar Gods tempel!
147
Nogmaals sprak de Hovenier: âIs dat roosje Uw leven,
Draag het dan nsar kerk en haard, Zoo ge 't liefdevol bewaart
Zal het vreugde U geven.quot; Roosje, Roosje, Roosje schoon, 'k Minde U voor het leven !
Sedert zijt ge. Roosje schoon. Mijn geluk op aarde,
'k Heb met liefdevolle hand U behoedzaam ingeplant In mijns levens gaarde.
Roosje, Roosje, Roosje schoon. Roosje zoo vol waarde !
Roosje, ga ik in ter rust, Moe van 't aardsche zwoegen, Roosje sier dan nog mijn graf. Werp er stil Uw blaadjes af.
Kom U bij mij voegen.
Roosje, Roosje, Roosje schoon. Kom U bij mij voegen !
B.
148
No. 85.
Voor Holland's Haringvloot!
(No. 53 oude bundel.)
Hoera! Daar daagt op 't ruime sop â Met Holland's wimpel in den top â
De vloot, de Haringvloot. Nu davert door het Land Een vivat voor den visschersstand. Dat kloeke volk van 't Noorderstrand, Braveerend nood en dood ! (bis)
Hoezee die wakk're visschersstand Die welvaart brengt aan 't Vaderland:
âDe vloot met kostbren last Keert weêr van 't pekelveld,quot; â Zoo woidt van stad tot stad vermeld â Het volk, ter kuste heen gesneld.
Groet luid den varensgast! (bis)
âHoezeequot;, zingt elk den visschersman, Nu weêr ons volk zich voeden kan Met Holland's keurgerecht â Den nationalen visch.
Die zoo gezond en voedend is.
Prijk haring, prijk weer op den disch Van Koning en van knecht! (bis) b. s.
149
No. 86.
Nachtegaal.
(No. 30 oude bundel.)
Nachtegaal, Nachtegaal, zoo schoon is
uw lied, Schoon is uw lied, Ik dank er d' Almacht voor.
Nachtegaal, Nachtegaal, o, zwijg toch
nog niet, Zwijg toch nog niet. Sla nog eens door, ja, door 1
Droomen wekt ge in ons gemoed, Droomen van eeuwige jeugd;
Nachtegaal, Nachtegaal, uw lied ons
zoo zoet.
Ons zoo zoet,
Zingt ons van eind'looze vreugd.
Nachtegaal, Nachtegaal, als 't leven ontwaakt. Met jeugd ontwaakt, Als 't groen de twijgen tooit,
Als de zefier de bloemkelken openmaakt, Zacht openmaakt. En d' aard met bloesems strooit.
i
450
Dan klinkt weer uw lied, zoo rein van
toon,
't Zingt van onsterflijkheid. Van bestaan na den dood, in een rijk zóó schoon â Zoo overschoon â Van aanvang ons^bereid !
B. S.
No. 87.
Wiegelied
opgedragen aan Christelijke Moeders, en inzonderheid aan de leden der Maria-Vereeniging, door
Mevrouw BONGARTZ-Smeets.
Wijze:; |Heilige'Joannes. Zie no. 19.
Sluimer mijn schatje, ja sluimer nu in, 'k Toef bij uw wiegje met zorgvolle min, Kindje, rondom u heerscht » hemelsche vree, / Engelen meng'len hun zang | *
met mijn beê. ' Sluimer mijn liev'ling, hoe zoet is uw rust, Wichtje van zorg en van schuld onbewust; O, bleef uw ziele zoo rein en zoo schoon. Dan werd uw harte der Godheid een troon.
151
Heer, die dit kindje het eersthebt bemind, Die in zijn onschuld Uw schoonheid
hervindt,
Hoed het voor ai wat het \
oog U mishaagt, ^
Al wat zijn adel als Christen \
verlaagt. '
Moeder des Heeren. gij Moeder van God, 'k Wijd U mijn liev'ling, zijn leven,
zijn lot,
'kLeg hem, o Vrouwe, in^
de armen U neêr.
Wees hem een Moeder en
koester hem teer.
Blijf hem een Moeder voor nu en altijd, Nog als Uw Zone van 't stof hem bevrijdt. Nog als Uw Zone hem kroont met
de kroon.
Die hij zal winnen zijn deugden tot loon. O, wat verrukking bestroomt mij de ziel. Ach, dat het heil eens ten deele mij viel. Dat ik mijn zone, o naamloos genot,) Dat ik mijn zone zag kronen door i bis.
God! '
152
No. 88.
Weduw-T roost.
Een stem van over 't graf.
Muziek van W. P. de G. Vrugt, Hofkamerzanger van Z. M. den Koning der Nederlanden, en W. Buijs.
âO, droog uw tranen, dierbre gade. Mijn weduw, ach, vertwijfel niet, O, keer den blik naar hooger kringen
En zie in 't koor der hemellingen Den vriend die, droeve, u achterliet.
O 'k zag mij na de stervenssmarte Verplaatst in 't hemelsch vreugdedal.
Hier wacht ik u aan 't trouwe harte, Hier, waar geen macht ons scheiden zal.
O, paarlen waren mij de tranen
Die g' aan mijn lijdensspond vergoot, Ik kon mijn liefde u niet meer toonen Maar 'k bad: âMijn God Gij zult
beloonen
Een liefde voor deze aard te groot.quot;
Kort v,-aren onze vreugde-dagen, Hoe heeft mijn oog om u geschreid ! â
Maar uit des levens harde slagen Wordt ons een hocger vreagd bereid.
O, streef, mijn ga, dan naar die deugden Die eener weduw krone zijn :
153
Berusting en een kalm vertrouwen. Een hoop die blijft naar boveu
schouwen,
Een liefde als die der Eng'len rein.
Dra is uw dagtaak afgeweven En geeft g' uw ziel haar Schepper weêr,
O, 'k kom dan tot U nederzweven En voer U op tot zaalger sfeer.
Weduwe B. S,
No. 89.
Slaap zacht.
(Wijze : Une belle nuit. No. 6 Bartholomeus.)
Stilte en vree daalt over veld en dreven, 't Klokje verkondigt met zilver geluid: Allengs is weder het nachtfloers geweven Dat zacht en teeder deze aarde omsluit. Slaap zacht, slaap zacht In de rust van den nacht Die u tegenlacht En vriendelijk wacht!
't Leven is als der aard ontvloden;
Slechts de lieve nachtegaals-toon Klinkt schoon, klinkt schoon in den
[nacht,
Klinkt schoon, klinkt schoon in den
[nacht:
Slaap zacht, slaap zacht. W. R.
154
No. 90.
Propagandalied.
Wijze : Wij leven vrij.
Wij slapen niet, wij sluimren niet,
Wij mannen van de daad. Wij staan niet geeuwend aan de rêe, In zorgeloóze rust en vrêe,
Als vóór ons op de wilde zee
Eens broeders kiel vergaat, (pis')
Neen, liever in de reddingsboot,
Trots nacht en noodgetij. Hoe storm en stortzee brult en brandt, Grijp riem of roer met vaste hand, Al gaapt voor 't vredig, veilig strand Het graf aan loef en lij ! (bis)
Wie Christen beet en Christen is.
Hij roeie met ons mêe :
Vooruit waar eer en plicht ons drijft, Vooruit tot arm en tong verstijft, Vooruit zoolang ons de adem blijft, Vooruit, en recht door zee ! (bis)
Verstomm' de tong die leugen spreekt,
Wier gif de zielen doodt.
Maar wee ook wie het waarheidswoord Uit lafheid op de lippen smoort !
155
Wie stil en stom de leugen hoort, Hij wordt haar bondgenoot! (bis)
Wij zuchten niet, wij zwijgen niet.
Waar 't recht tot spreken dwingt ; Wij wijken niet, wij wanklen niet. Wij strijden waar 't de plicht gebiedt. Met raad en daad en woord en lied. Zoover onze invloed dringt, (his)
Een ziel voor zonde en schand behoed,
In deugd en eer bewaard, Een leugenaar den mond gesnoerd, Een geest verlicht, een hart geroerd, Een dwalend schaap tot God gevoerd, Gaat boven 't goud der aard ! (bis)
Wij kuipen niet, wij konklen niet.
Wij roeien recht door zee : En mannen broeders, wie gij zijt, Wij vragen al wie God belijdt.
Talenten heeft en tijd en vlijt;
Wie helpt een handje mee? (bis)
Wij reiken u de vriendenhand.
Die werken wilt als wij.
Vereend door christen broederband. Voor 't welzijn van den werkmansstand, Voor Koningin en vaderland,
Voor Kerk en maatschappij ! (bis) J. P. van Kasteeek S. J.
VII.
ommtyt ^xthxm.
No. 91. Een Slotenmaker.
Bijm en zang p. 39. (No. 32 oude bundel.)
Een slotenmaker had een knecht,
Niet bijster vlug ter hand Wanneer hij aan de schroefbank stond ;
Maar vlug was hij ter tand.
Gezeten aan den middagdisch
Dan kon hij ze allen aan.
Dan was hij aar. den slag het eerst, En had het laatst gedaan.
Maar Jochem â zei hem eens zijn baas â
'k Begrijp dat ding niet rccht; Zoolang ik leef is 't waar geweest Wat ons het spreekwoord zegt: âZoo traag ter hand, zoo traag ter tand''.
Dat komt niet uit bij jou :
Je vijlt en vijlt ~oo lui, zoo lui.
En eet zoo weerga's gauw!
157
Wel ik begrijp dat drommels goed !
â Herneemt de knecht met vuur â Het eten duurt hier een kwartier.
Het vijlen veertien uur ;
Veronderstel reis, baas ik at
Hier veertien uren lang;
Dan was 'k aan tafel even lui, Als ginder aan de bank.
B. van Meurs.
No. 92.
'k Bracht in dees herberg.
(Hijm en zing p. 92, No. 34 oude bundel.)
'k Bracht in dees herberg een avondje door.
Straat, maar wat kom je
me wonderlijk voor,
Rechter .... en linker ....
geruild met elkaar ?! â .
Straat je bent dronken â
Zeg op is 't niet waar?
Kijk 'r eens wat scheef een
gezicht trekt die maan;
Eén oog gesloten
en één loert mij aan.
158
Ja ze is fatsoenlijk
geweest aan de flesch!
Schaam je, foei ! schaam je jij oolijke bes!
En die lantarens....
neen, 'k zie toch niet scheel â
Drommels zij hebben
wat olie te veel!
Draaiend en zwaaiend
naar alle kant heen ....
Jongens sta vast, of â
je raakt van de been !
Alles aan 't hotsen.
Wat 'k zie, klein en groot!
Ik nu daaronder.
Ik nuchter als brood ? . . . .
Dè,t neen, dat waag 'k niet,
'k heb me te lief â
Gauw weer naar binnen.
Da' 's beter â wablief?
B. VAN MEURS.
No. 93.
Een liedje van het geld.
(No. 55 oude bundel.)
Van 't geld zing ik u luid,
Al heb ik zelf geen duit,
Niet als een looze vos
159
Die denkt: zoo krijg 'k wat los ;
Neen, neen, neen, gij zult het ocder-
[vinden, 'k Ben een fideele vent, ^
Mijn lied kost u geen cent, f ^ 1 Vrij kunt gij 't hooren i Met beide uwe ooren. |
Hoe nuttig dan is 't geld,
Hoe goed dient het geteld, Hoe zorgvol ook bewaard, Hoe wijslijk uitgespaard.
Want geld â wie weet het niet, m'n
vrinden â
Is gauwer oprjemaakt.
Dan 't beursje is volgeraakt.
En leege zakken Geeft ongemakken.
Piet heeft een aardig loon,
Nog beter zelfs dan Toon,
Maar Piet loopt naar de kroeg. En heeft niet gauw genoeg ;
Daar drinkt hij wetenschap en kunde ! ? Maar och die arme vent Heeft dra geen halven cent. En zonder centen Ook geen talenten.
his.
1
Bij 't refrein valt de massa in.
160
Die goeie kastelein,
Zijn leitje is niet klein. Hij schrijft wel gaarne op. Ook voor een armen Job !
Hij gunt een elk graag het vergunde. Maar als het loondag is â
O, zeker en gewis â
Dan hoor j' hem fluiten ;
âDenk om mijn duiten.quot;
En bij dien kastelein
Stort Piet en Jan en Hein Het beursje duchtig uit:
â'f Is braaf.quot; zoo zegt die guit.
En om dat pluimpje waard te blijven Schreeuwt Hein en Piet en Jan : \ âDaar mag een spatje op, man !quot; / ^ âHier heerscht geen stakenquot; | Joelt een dier snaken. 1
Maar komt zoo'n huisman thuis,
O jé! dan is 't niet pluis,
Zijn dierb're gemalin
Heeft vast den duivel in;
Al mokkend telt ze de paar schijven. En schimpt dan : âHeer gemaal,
Weer wordt je kostje schraal, 't Is niet vet soppen Van zoo'n paar poppenquot;.
bis.
161
Geld is een nuttig ding.
Toen Huib zijn loon ontving Toen ging hij met zijn wijf,
Zij kocht een varkensschijf, Hij sprak nog: schat, mag 't zoo wel
[wezen ?
Maar zij zcê : Lievs man,
Je weet dat 'k reeknen kan, â Die twee zijn gekken Die nog trekk'bckken. â
Zoo is dan 't geld een toets,
't Speelt menigeen een poets Die niet te tellen weet Of die zijn plicht vergeet.
Die 't goed besteedt dient wel geprezen ! Die rondkomt met zijn deel â \ Of 't rijk is of niet veel â ( ^ Mag men wel eeren |
Ja, ja, mijnheeren 1 |
Want ook een rijk siojoor
Lapt soms den boel er door â En ach, ach, ach, ach) ach !
Wie kent niet van dat slag. â Wat kocht ie voor zijn geld, mijn vrin-
[den ?
162
Geen liefde of eer of hoop, Want die zijn niet te koop, Maar vreugde zocht ie, En schande kocht ie !
Zeer heilrijk is dan 't geld Als men 't eerbiedig telt En voor 't besteden vnagt:
Of de uitgaav' God behaagt;
Want 't uur van reek'nen kan dra ko-
[men.
Is soms uw beurs te zwaar Daar is de spaarbank, daar 1 Ook roepen de armen : âHebt, hebt Erbarmen!quot;
») Dat liedje dat is uit,
Bonjour, ik vraag geen duit.
B. S.
No. 94-Twee Guiten.
Twee guiten, nauwlijks nog vier jaar, Die zouden 't stukje wagen
â¢) Deze twee regelen te zingen op de melodie van de twee eerste regels van het couplet.
bis.
163
Om uit een gang een klompenpaar
Een eindje weg te dragen; Jan durftal zou naar binnen gaan,
Zijn makker op den uitkijk staan, Maar nauw had Jan een stap gedaan, Of 't klonk: âDaar komt een jongen
aan !quot;'
Die jongen hij kwam nader.
Jan zag eens uit, en riep vol zwier :
Die jongen is mijn vader !
Twee kleuters, van een jaar of vier.
Die droomden zich het groot pleizier Van zonder eerst te vragen
Zich eens op 't ijs te wagen j Piet waaghals zou het stuk bestaan, . . .
Maar nauw had hij een stap gedaan Of 't klonk : âDaar komt je grova aan !quot;
Die grova, hij kwam nader.
Piet zag eens uit en riep vol zwier: âDie grova is mijn vader !quot;
164
No. 95.
Buur, Buur, Buur!
Naar de melodie van het oude Zwabensche
volkslied : Auserwahlte.
Buur, buur, buur, 'k wou, wou, wou Zoo gaarne eens met je spreken;
Ik heb je kind zoo dikwerf aangekeken
Buur, buur, buur, ik zou, zou, zou, zou Wel willen trouwen.
Ik kan sinds lang een huis wel onderhouden.
Wees 200 goed, goed, goed.
Denk eens na met spoed,
'k Heb Marie verkoren.
Laat zij mij behooren !
Buur, buur, buur, wil lang, lang, lang,
lang
Je niet bedenken,
Maar wil ons gauw je vaderzegen
schenken !
Mijn, mijn, Buur, buur, buur, buur,
'k Ben vijf en twintig jaren.
En in mijn vak meer dan gewoon [fc ^
ervaren.
Mijn, mijn Buur, buur, buur, buur.
Je weet 'k had brave ouders â
In drie geslachten zijn wij reeds onthouders, â
Mijn Het Ik sj
fong Va AI
Mijo, Eé Dz
Mijn Wat
165
Me ouders die zijn dood,
Ik heb vrij geloot,
Wordt Marie mijn vrouw 'k Blijf haar eeuwig trouw.
Mijn, mijn, Buur, buur, buur, buur. Het zal je niet berouwen.
Ik spaarde een duitje en kan al spoedig
trouwen!
nder-en.
lang mg
zegen
ïn !
en
ong', jonge, jonge, jong', je maakt me Van me stukken.
Als 't ligt aan mij, dan zal de zaak wel lukken. Mijn, mijn, Buur, buur, buur, buur, Eén zijn wij in 't gelooven. Dat geeft ons vast den zegen van Hierboven! Spreek een woord voor mij Dat mij gunstig zij ;
Zegt uw dochter : neen,
O, dan ga ik heen,
Vlijn, mijn. Buur, buur, buur, buur. Wat zou dat droevig wezen,
woonjk ging dan heen om 't hart mij te
eken. I, zou
genezen. B. S.
s ont-
166 No. 96.
Hi, Hu!
Zeg heb je niet gehoord van Jantje
Telaat,
En wat 'm al is overkomen ? Je moet er niet van spreken zei een
oud-soldaat, Want dan spookt-ie je door je droomen; â âHi, hu ! hi, hu ! Voor spoken ben ik
schuw.'' â
Ons Jantje Telaat, met de handen in
den zak,
Kwam nooit voor de klok had geslagen.
Zijn mee ster stond meest aan de school met de plak. Die dwang kon ons Jantje niet dragen. â
âHi, hu ! hi, hu ! dat ging hem wat te
ruw.quot; â
Toen sprak er zijn peet en zijn meue
Annekee,
Die jong' is voor school niet geboren.
167
Ze namen hem naar een klokkenmaker
meê,
O dat vak scheen hem juist te bekoren â
âHi, hu ! hi, hu! Hoe hielt zich Jantje
nu?quot; â
De klokken die wezen maar altijd te laat, Dan 't maar bij een ankersmid wagen, Nog droeg ie een weekje de muts van
koksmaat, Waarna 'k hem het schootsvel zag dragen. â âHi, hu! hi, hu ! Hoe ging het Jantje
nu?quot; â
En daarna werd-ie bakker en toen stukadoor.
Dan kleermaker, eindelijk schilder. Nog stond ie met een bezem op 't ijs toen het vroor; Daarna werd ie knecht bij een vilder.â âHi, hu ! hi, hu I Van villen heb 'k een
gruw.quot; â
En toen wou hij trouwen met Roosje
Sekuur,
Die dient bij de dames Stilleven,
168
Zij sprak ; â't is te laat o mijn Jantje
gebuur,
'k Heb juist daar mijn jawoord gegeven !quot; â âHi, hu ! hi, hu! Wat deed ons Jantje
nu?quot; â
Toen sloeg ie van woede zichzelf voor
den kop,
Nu ook zij 't te laat had gesproken. En hij zwoer : Ik ga varen of 'k maak m' een strop. Dan heb 'k mij op 't noodlot gewroken. â
âHi, hu ! hi, hu ! Hoe aaklig wordt het
nu !quot; â
Toen liet ie zich monst'ren en werd-ie scheepsmaat. Maar 't uur van vertrek was gekomen. En wie er aan boord kwam, geen Jantje
Telaat,
De brug was al binnengenomen. â âHi, hu ! hi, hu ' Zeg gauw hoe ging het nu 1quot; â
Daar kwam ie aanzeilen met 'n stuk in
z'n kraag
En hij raasde op schip en op schipper :
169
âJou rakker, wil jij dat 'k een sprongetje
waag ?quot;
En hij sprong, maar hij maakte een
glipper!
âHi, hu ! hi, hu! Zeg toch hoe ging het nu?quot; â
Een vloek en een plons in het bruisende
nat.
Aan boord veel lawaai en gesnater. Twee man hadden spoedig een touwleer
gevat
En lieten zich af in het water. â âHi, hu! hi, hu! O zeg hoe ging het nu?quot;â
Wel Jan scheen gezonken als was-ie
van lood
En gaf maar van leven geen teeken : âDaar is-ie, hou vast em, de kerel schijnt
dood!quot;
Die uitroep is waarheid gebleken. â âHi, hu! hi, hu ! hoe treurig liep dat
nu!quot; â
En let nu eens op als de torenklok slaat
In 't nachtuur met plechtige slagen, Dan kermen de echo's âte laat, te laat!quot;
En immer maar hoor je dat klagen. âHi, hu! hi, hu! Ik beef er van, ik gruw !quot;
170
Nu ken je de historie van Jantje Telaat,
Hoe die aan zijn eind is gekomen, Maar: âniet er van spreken,quot; zei een
oud-soldaat, Want dan spookt-ie je door je droomen. âHi, hu ! hi, hu ! Van droomen ben ik
schuw !quot; B. S.
No. 97.
K I a a r t j e.
Wijze : Eene kleine jonge schooue allerliefste zangeref. Klaartje was een aardig meisje,
Zij behaagde aan iedereen.
Tal van vrijers kon ze krijgen.
Ieder liep een blauwe scheen.
Koor,
Blauwe scheen, scheen,
Blauwe scheen, scheen,
Blauwe scheen scheen, scheen scheen
scheen 1
Tal van vrijers kon ze krijgen.
Ieder liep een blauwe scheen !
Eens vroeg haar een klompenmaker Die genoemd werd âKlaas de Klosquot;
171
Omdat hij steeds klompen aan had, Maar zijn naam was : Hossebos.
Koor.
Hossebos, bos,
Hossebos, bos,
Hossebos, bos, bos, bos, bos!
Omdat hij steeds klompen aan had, Maar zijn naam was ; Hossebos !
Klaartje kon maar niet bedaren
Van de pret om Hossebos,
â't Klinkt mij te voornaam in d' ooren Vrouw van : Hossebos Klaas Klos. '
Koor.
Klaas, Klaas, Klos, Klos,
Klaas, Klaas, Klos, Klos,
Klaas, Klaas, Klos, Klos, Klos Klos
Klos
't Klonk haar te voornaam in d' ooren Vrouw van : Hossebos, Klaas Klos!
Toen kwam er een der sinjeurtjes
Met zoo'n mooie roode das, 'n Broekje van wel zeven kleurtjes En een pellerine jas.
172
Koor.
Pellerine Pellerine
Pellerine jas, jas jas !
Met een broek van zeven kleurtjes
En een Pellerine jas !
Op zijn neus droeg hij twee glaasjes,
Mager was hij als een stok,
Klaartje vroeg: âBent U geen slager Dan bent U toch zeker kok V
Koor.
Zeker kok, kok,
Zeker kok, kok.
Zeker kok, kok, kok kok kok ! Klaartje vroeg; âBent U geen slager Dan toch bent U zeker kok ?quot;
Excuseer, sprak hij al buigend,
'k Colporteer voor een orgaan, Anarchistisch van ideeën, â
Loop, sprak Klaartje, naar de maan i Koor.
Naar de maan. maan.
Naar de maan, maan,
Naar de maan, maan, maan, maan,
maan !
Anarchistisch van ideeën,
Loop, sprak Klaartje, naar de maan !
173
'c
â'k Zou nog Fransch ook moeten leeren
Voor zoo'n kalen antichrist,
Neer», sinjeurtje, neen, sinjeurtje,
Gij hebt U in mij vergist!quot;
Koor.
Ver, vergist, gist,
Ver, vergist, gist.
Ver, vergist, gist, gist gist gist! O, sinjeurtje, o, sinjeurtje,
Gij hebt U in haar vergist !
Nog vroeg haar een andere snuiter Met zulk stijf en pruik'rig haar.
Dun van hals en lang van beenen, Net een groote ooievaar.
Koor.
Ooievaar, vaar.
Ooievaar, vaar.
Ooievaar vaar, vaar vaar vaar !
Dun van hals en lang van beenen. Net een groote ooievaar!
'k Heb, sprak hij, een aardig duitje
En 't verdriet mij, zoo alleen.
â't Spijt me wel, sprak 't leuke Klaartje, Dag meneertje Prikkebeen !quot;
â 174
Koor.
Prikkebeen, been,
Prikkebeen, been,
Prikkebeen, been, been, been, been ! 't Spijt me wel, sprak 't leuke Klaartje, Dag meneertje Prikkebeen !
Klaartje, moet men van U denken
Dat ge nimmer trouwen wilt ? 'k Trouw, sprak Klaartje, met geen ander Dan met een van 't Werkmans Gild. Koor.
Werkmans Gild, Gild,
Werkmans Gild, Gild,
Werkmans Gild, Gild, Gild, Gild,
Gild 1
Braaf zoo. Klaartje, trouw geen ander Dan een lid van 't Werkmans Gild!
«Als ik eens de bruid zal worden,
't Moet dan van een jonkman zijn Kloek van geest en rein van zeden. Zooals ze in de Gilden zijn.quot;
Koor.
In de Gilden,
In de Gilden.
In de Gilden, zijn zijn zijn !
Kloek van geest en rein van zeden Zooals ze in de Gilden zijn !
175
Dat kwam Kris den smid ter ooren,
In galop ging 't naar 't Bestuur, âSchrijf mij in, riep hij. mijnheeren, Als 't kan zijn, nog in dit uur !''
Koor.
In dit uur, uur,
In dit uur, uur,
In dit uur, uur, uur uur uur !
Schrijf mij in, riep hij, mijnheeren. Als 't kan zijn nog in dit uur !
âMaar moet ge informaties winnen
Bij patroon of bii Pastoor,
Vrijelijk moogt gij 't doen, mijnheeren, Want ik heb geen vrees daarvoor.quot;
Koor.
Want hij heeft geen,
Want hij heeft geen.
Want hij heeft geen vrees daarvoor!
Vrijelijk moogt gij 't doen, mijnheeren,
Want hij heeft geen vrees daarvoor !
Toen het jaarfeest werd gehouden Door der Gilden broederen rij,
Toen was bij de jonge paartjes Daar ook Kris met Klaartje bij.
176
Koor.
Kris met Klaartje,
Kris met Klaartje,
Kris met Klaartje, bij bij bij !
Toen was bij de jonge paartjes Daar ook Kris met Klaartje bij!
Slot.
Dat ze 't heuschelijk ernstig meenden
Dat is zeker en gewis,
In het Bondsblad kunt ge 't lezen Dat hun echt voltrokken is.
Koor. Vol, voltrokken.
Vol, voltrokken,
Vol, voltrokken is, is, is !
In het Bondsblad kunt ge 't lezen. Dat hun echt voltrokken is.
B. S.
No. 98.
Ik ben wat mans.
Muziek van Joh. H. Loser.
Ik ben wat mans.
Ik laat me niet eten de klontjes uit
de pap,
flap ! flap !
177
Ik laat me niet likken de boter van
me brood. Sakkerloot!
Ik laat me niet knikk'reu de centen
uit me zak Door geen jood. Ik laat me niet ontvrijen het meisje aan
me zij; Geen lakei, â
Zelfs geen blauwgerokte, roodgeveste,
geel gejaste, Gekokardeerde, gegalonneerde, sneeuw-
witgedaste.
Geparfumeerde,
Gefriseerde,
Fraai geganteerde in hoflivrei â Ontrooft ze aan mij !
Ik ben wat mans!
Als een Hercules zoo sterk Sta ik vast bij het werk.
Wie mij verdringen wil of belagen Ik raad ze 't niet te wagen.
Want ik za! ze uitdagen,
Trakteeren op slagen.
Voor den rechter ze aanklagen, Ja 't land ze uitjagen;
Waag dus niet de kans.
Want ik ben wat mans!
178
Maar thuis bij mijn grootje Spring 'k soms met haar slootje Of vang wel haar vlootje Of smeet haar een broodje Of steek voor mijn oudje sajet door de
naald.
Met 't poesje te spelen,
Het hondje te slt;ree en,
Met 't vinkje te kweelen,
Dat lust mij bepaald!
Een leeuw kan ik wezen.
Maar wilt toch niet vreezen.
Al ben ik wat mans.
Gerust kunt ge 't wagen m' Een keertje te vragen Bij spel, zang of dans.
'k Ben Justus Jaap Goedbloed â Wiens Grootje in snoepgoed doet â Ik woon in de Lammetjes-straat.
Waar een rustende leeuw in de gevel
staat! B. S.
179
No. 99.
Wevers-gilde-lied. St. Severus. 1)
Wij zingen U, Severus,
Gij hoogen schutspatroon, Gij drager van den mijter,
Nu van der Heiligen Kroon. Severus Gij eens wever â
Eens wever zoo als wij â Uw arbeid was U heilig. Gij werktet trouw en blij.
Gij boodt Uw werk den Heere
Met Godgevallig lied, Hij kroonde Uw werk met eere,
Hij smaadde Uw offer niet. Severus Gij eens wever â
Eens wever zoo als wij â Gij hebt U zelv' geweven Der deugden heiikleedij.
Gij waart der Weverlieden
Een toonbeeld, keur en bloem. Gij zijt der Kerk geworden
Een Prins van hoogen roem. Zie neder, Sint Severus,
Op 't Gilde U toegewijd.
1
Dit lied is tc laat iDgekomen om onder de rubriek âVereenigings-iiederenquot; te kunnen worden opgenomen. De Uitgever.
180
'Zie op ons werken, zwoegen. Zie onzen harden strijd.
Wij vragen niet te stijgen Gelijk Gij steegt weleer.
Maar leggen onze nooden
In Uwe handen neer.
Ach draag ze tot den Christus,
Den Christus, onzen God,
Die 't arbeidsbrood kwam eten In tranen, onder spot.
Ach draag hem onze klachten,
Den nood van vrouw en kind. Wier onschuld niet meer veilig
Te huis bescherming vindt. Gevaren zijn gekomen â
Gevaar van eiken aard â 't Getouw staat niet meer vredig Naast huiselijken aard.
Severus Gij eens wever â
Eens wever zoo als wij â Sta Gij ons met Uw schutse En hooge voorspraak bij. Dan zullen we overwinnen.
Wat storm ons ook bedreigt, Houdt Gij slechts van Uw zetel Het oor tot ons geneigd.
B. S.
I K H O U D.
'No. Bladz. I. GODSDIENSTIGE GEZANGEN.
1. Aan Koning Christus Victorie . . 8
2. Kerstlied......4
3. Stille Dacht, Heilige nacht ... 6
4. Kerstlied......7
5. Lied der Hoogfeesten .... 9
6. n vóór de H. Communie . . 10
7. n na v n v . .11 vu v v n ⢠. 13
9. Aan het H. Hart van Jezus . . 14
10. Processielied ter eere v. h. Allerheiligste
Sacrament. . . . . .16
11. Aan Maria (Meilied) . . . .18
12. Aan onze Moeder . . . .19
13. Maria's glorie.....21
14. Jezus' droeve Moeder . . . .22
15. Kinderen \an Maria . . . .23
16. Heil'ge Joseph, wees geprezen . . 24
17. Sint Joseph, Zoon van Davids Huis . 26
18. Heirge Joseph, o wil U ontfermen . 28
19. Lied tot den H. Joannes den Dooper . 29
20. Aan den H. Aloysius . . . .32
21. Pronkjuweel der Hemellingen . . 33
II. PAUS-LIEDEREN.
22. Aan IJ, o Koning der eeuwen . . 35
23. De Pausen sterven niet . . .30
24. Christus' Kerk stond achttien eeuwen . 37
II
No. Hl.ADZ.
25. Leo-Hymne......38
26. Leo-Lied ... ... 39
27. Leo XIII, Paus der Werklieden . . 40
43 45 47
49
50
52
53
55
56
57
59
60 61 63
III. VADERLANDSCHE LIEDEREN.
28. Oud âWilkelmus van Nassouwequot;
29. Nieuw â â â
30. Koninginne-Lied . . . . .
31. Wien Neerlandsch Bloed
82. Heft aan uw krachtig koorgezang
33. Holland is mijn Vaderland .
34. Europa's Keurjuweel . . . .
35. Vlaggelied ......
36. Wij leven vrij ......
37. De Zilvervloot . . . . .
38. De kabels los, de zeilen op ,
39. Blijf één, blijf één, mijn Vaderland
40. Als ik word opgeroepen
41. Mijn land ......
IV. VEREENIGIN GSL1EDEREN.
42. Kom, Schepper, Heil'ge Geest . . 65
43. Bondslied (Dr. H. J. A. M. Schaepman) 66
44. n (Mgr. L. J. C. Eigenraam) . 69
45. Lied van den Gezellenvader Ad. Kolping 71
46. Bondsmarseh . , . . .72
47. Lied van de afd. Rotterdam . . 78
48. Spoorwegmarsch . . . . .79
49. Standaardlied voor 't Krmsverbo-td . 81
50. Vaandellied van het Kruisvrbond . 83
51. De Kruisbanier . ... â .85
52. Lied voor de voorstanders van het Christelijk onderwijs tot behoed van Kerk en Staat ...... 86
III
|
NO. |
Bladz. | ||
|
53. |
Groet aan Rome. |
88 | |
|
54. |
Voandel-Hymne (van Dr. Schatpman) |
90 | |
|
55. |
Het Gilde-Vaan ..... |
91 | |
|
56. |
Vaandel-Cantate . . . , . |
94 | |
|
57. |
De Strijdkreet ..... |
99 | |
|
58. |
De Krniabanier . â |
101 | |
|
59. |
Heil den Arbeid .... |
103 | |
|
60. |
Voor Zondagarnst, Hoezee . |
105 | |
|
61. |
Een lied gezongen, werkgezellen |
107 | |
|
62. |
Werklui waren onze Vaadren |
108 | |
|
63. |
Geluk en Vrede ..... |
110 |
: |
|
64. |
Wij trekken uit! |
UI | |
|
65. |
De blauwe kiel ..... |
114 | |
|
66. |
Nuttig zijt gij Vriendenkring |
117 | |
|
67. 68. |
Onze Vereenigins: .... Den Werkman.s-Houd trouw V. GELEGENHEIDS-LIEDEREN. |
118 119 | |
|
69. |
Aan een jubileerend Priester U Leeraar, Heil! . . . . |
122 | |
|
70. |
124 | ||
|
71. |
Lied om een feestvierend Functionaris toe te zingen ..... |
125 | |
|
72. |
Installatie-Cantate .... |
127 | |
|
73. |
Ter opening eener Feestvergadering |
131 | |
|
74. |
Graflied...... VI. VERSCHILLENDE LIEDEREN. |
132 | |
|
75. |
Zingen ...... |
134 | |
|
76. |
Een lied des geloofs .... |
135 | |
|
77. |
Opwaarts, o broedren .... |
136 | |
|
78. |
Weg met beer Alcohol |
137 | |
|
79. |
Sluit Schicdam ..... |
138 | |
|
80. |
Rookerslied ..... |
139 | |
|
81- |
Boven de sterren is rust . |
142 | |
VI
|
No. |
quot; |
Bladz. |
|
82. |
Zoo 'k ruilen mocht . |
. 14» |
|
83. |
In 't Renperk .... |
. 144 |
|
84. |
Roosje, roosje, roosje schoon |
. 145 |
|
85. |
Voor Hollaads' Haringvloot |
. 148 |
|
86. |
Nachtegaal .... |
. 149 |
|
87. |
Wiegelied..... |
. 150 |
|
88. |
Wednw-Troost .... |
. 152 |
|
89. |
Slaap zacht .... |
. 153 |
|
90. |
Propaganda-lied .... |
. 154 |
|
VII. KOMISCHE LIEDEREN. | ||
|
91, |
Een Slotenmaker |
. 156 |
|
92. |
'k Bracht in deez' herberg . |
. 157 |
|
93. |
Een liedje van het geld |
. 158 |
|
94. |
Twee Guiten , , . . |
. 162 |
|
95. |
Buur, Buur. Buur |
. 164 |
|
96, |
Hi, Hu..... |
. 166 |
|
97. |
Klaartje..... |
. 170 |
|
98. |
Ik ben wat mans |
. 176 |
|
99. |
Wevers-gilde-lied St. Severn» |
. 179 |
ALPHABETISCHE INHOUD.
Bladz'.
Aan Koning Christus Victorie 3
Aan 's Hoogtij diach in plecht'gen stond 16-
Aan ü, o Koning der eeuwen 35
Aan U, o Priester Gods een lied 122
Aan IJ- en Amstelstroomen 101
Als ik word opgeroepen 61
Blijf één, blyf één, mijn Vaderland 60
Blijf, Geloof, mjj 't lot verzoeten 135
Boven de sterren is rust 442
Broeders op en reikt de hand 71
Broeders, op uw post 66
Broeders 't feestlied aangeheven 125
Buur, buur, buur, 'k won, wou wou 164
Christus' Kerk stond achttien eeuwen 37
De baan is vrij, welaan wij snellen 79
De herders zfj waakten bij nachte 4
De kabels los, de zeilen op 59
Des konings Kruisbanier treedt voor 90 Des morgens vroeg als mij de zon konr t wekken 114
Die vlytig workt zee dagen lang, Hoezee 105
Een lied gezongen werkgezellen 107
Een slotenmaker had een knecht 156
Eens trouw U gezworen 119
Er wappert in ons Vaderland 85
Europa's Keurjuweel 53
VI
Bladz.
Gegroet, gij fiere Kruisbanier 88
Gegroet, o Steden-Koningmne 88
Heb je van de Zilveren Vloot wel gehoord 57
Heft aan uw krachtig koorgezang 50
Heil! den arbeid, hem zij eere 103
Heil'ge Joannes Gij Boete-Gezant 29
Heil'ge Joseph, o wil ü ontfermen 28
Heil'ge Josxph, wees geprezen 24
Heuvels, velden, bosch en dalen 21
Hoera! daar daagt op 't ruime sop 148
Hoe volheerlijk is het Kerstfeest 9
Hoezee den werkman, die den vede 110
Holland is mijn Vaderland 52
Ik ben wat mans 176
Ik zing van de tabak een lied 139
In een schoonen bloemenhof 145
In 't Kenperk gaan velen binnen 144
Juicht, juicht met ons, o Broederkringen 19
'k Bracht in deez herberg 157
Klaartje was een aardig meisje 170
Kom Schepper, Heil'ge Geest, o kom 65
'k Ruil niet met hem die daaglijks gaat 143
Leef Koningin, leef Koningin 47
Leo dei tien. Paus der werkliên 40
Mijn Hollandsch hart, het mint de vlakke weide 63
Nachtegaal, nachtegaal, zoo schoon is uw lied 149
Neen niet rusten, neen niet rusten 86 Nog verhuld, voor het oog verhuld staat het
vaan ' 94
VII
Bladz.
Nuttig zijt gij, vriendenkring 117
O, droog uw tranen, dierbre gade 152
O Heer, ik ben niet waardig 10
O Heil'ge loot van Christenstam 32
O Jesus, Heer, zoo goed zoo teer 14
O Jesus, wiens gedachtenis 13
Onze Vereeniging is mij zoo waard 118
Op kameraads ! blij aangetreden 131
Op mannen, broeders, heft den standerd 81 O schitterende kleuren van Nederlands viae 35
Opwaarts, o broedren, uw harten gericht 136
O wat is ze in smart verloren 22
Pronkjuweel der flemellingen 33
Sint Joseph, Zoon uit Davids huis 26
Sluimer mijn schatje, ja sluimer nu in 150
Stille nacht. Heilige nacht 6
Stil staan wij om XJ graf geschaard 132
Stilte en vree daalt over veld en dreven 153
't Neêrlandsch heldenbloed in d'ad'ren 78
Twee guiten, nauwl ijk* nog vier jaar 162
U, Leeraar, Heil! wij tot U geesteszonen 124
Vader Leo ! zie ze dringen 39
Van 't geld zing ik u luid 158
Voor God en Davids Zone 09
Voor God en Kerk, Vorstin cn Land 69
Vooruit, vooruit 72
Waar des Tiber's felle waat'ren 38
Wat blijdschap speelt ons in 't gemoed 111
VIII
Bladz.
quot;Wat zouden die woorden beduideD 138
Weer klonk het lied door de sferen 68
Weeat welkom. Broeders, in de rangen 127
Wees, wees gegroet. Gij leliereine Maagd 13
Wees welkom ons, o heil'ge nacht 7
Weg met Heer Alcohol 137
Welkom, o Heere 11
Wel zgt gij waardig hooge eer 91
Werklui waren onze vaadien 108
Wien Neerlandsch bloed door de aadren vloeit 49
Wij leven vrij, wij leven blij 56
Wij slapen niet, wij sluimren niet 154
Wij zingen U, Severus 179
Wilhelmus van Naseoawe 43
Wilhelmus van Nassouwe 43
Zang en toonknnst, kwaamt gij niet 134
Zeg heb je niet gehoord vau Jantje Telaat 166
Errata.
Blariz. 30 reg. 11 v. o. staat:
slavenjuk neêr,
moet zijn: â weêr.
Bladz. 120 reg. 8 v. o. staat:
Len arbeid moet inhouden, moet zijn: Want d' â â n Bladz. 128 reg. 7 v. b. staat:
Hoe was der Broederbond, moet zijn: â â de Broederfcawrf. Deze en andere feilen gelieve men vóór het gebruik te verbeteren.
; f
Jit- 'â i -
--
I