Vak 158
ENCYCLIEK
Door de Voorzieniglieid Geils Paus
OVER
/ !
van onzen Allerheiligsten Vader LEO XIII,
HET ARBEIDERS-VRAAGSTUK.
Vertaald mar den Latijnschen tekst.
KERKELIJK GOEDGEKEURD.
4
INHOUD
i
1. Wat is de kwaal? Aanleiding en verschijnselen.
2. Wat willen de socialisten?
3. Antwoord aan de socialisten.
4. Eerste antwoord.
5. Tweede antwoord.
6. Tegenwerpirg van den kant der socialisten.
7. Andere tegenwerping.
8. Bevestiging van het tweede antwoord.
9. Derde tegenwerping.
10. Het tweede antwoord wordt nog duidelijker.
11. Derde antwoord.
12. Vierde antwoord.
13. Besluit.
II
14. Wie moeten meewerken aan de verbetering van den toestand der arbeiders?
15. Punt van uitgang.
16. Hoofdfout bij de behandeling van het vraagstuk.
17. Eerste werk van de Kerk.
18. Haar tweede werk.
19. Haar derde werk.
20. Punt van overgang.
21. Eerste werk van den kant der Regeering.
22. Haar tweede werk.
23. Haar derde werk.
24. Enkele gevallen waarin de staat den arbeider onder bijzondere hoede behoort te nemen.
25. Eerste geval.
26. Ander geval.
27. Enkele gevallen waarin de arbeider recht heeft op bescherming van den staat.
28. Eerste geval.
29. Ander geval.
30. Vraag van zeer groot gewicht.
31. Antwoord.
32. Is het wenschelijk dat de staat voor den arbeider het recht om eigendom te bezitten in zijn wetgeving begunstigen zal.
33. Eerste voordeel daaraan verbonden.
34. Tweede voordeel.
35. Derde voordeel.
36. Medewerking van den kant der meesters en arbeiders zeiven.
37. Het goed recht van vereenigingen.
38. De noodzakelijkheid van katholieke arbeiders-vereenigingen.
39. Haar inrichting en doel.
40.
Besluit.
III
I. Men hunkert sinds langen tijd naar nieuwe toestanden: daardoor is de wereld in de war gebracht. Dat streven naar verandering moest wel â het kon niet anders â-van staatkundig op staatshuishoudkundig gebied overgaan. Inderdaad de nijverheid sloeg een nieuwen breederen weg in; de kunst bood nieuwe hulpmiddelen en daarmede een nieuwe wijze van voortbrengen, de onderlinge verhoudingen tusschen patroons en werklieden zijn veranderd ; het kapitaal hoopt zich op bi j slechts weinigen, terwijl de groote menigte verarmt. Nu de werklieden, hun macht kennend, zich aaneensluiten, daarentegen de zedelijkheid afneemt, is dit alles oorzaak van den strijd, dien wij voor ons zien. Wat hierbij op quot;t spel staat, blijkt uit de spanning van alle gemoederen. In de kringen der geleerden, in vergaderingen van vakman-men, in volksvergaderingen, in de wetgevende lichamen, in den raad der vorsten houdt men zich bezig met het vraagstuk. Het arbeidersvraagstuk is in den vollen zin de kwestie van den dag.
Wij â Eerw. Broeders â met het oog op het heil der Kerk en het algemeen welzijn, hebben reeds vroeger. in Encyclieken over het staatsgezag, de mensche-lijke vrijheid, de christelijke staatsinrichting â het woord genomen om dwaalbegrippen van onzen tijd aan te wijzen en te weerleggen. Om gelijke redenen hebben Wij gemeend hetzelfde te moeten doen met betrekking tot het arbeidersvraagstuk. Hebben Wij dit onderwerp reeds in andere stukken aangeroerd â thans willen Wij daarover volledig, gelijk Ons apostolisch ambt dit vordert, ons uitspreken. Wij willen de beginselen blootleggen, die moeten leiden tot een juiste en billijke oplossing der strijdvraag. De kwestie is moeielijk en niet van gevaren ontbloot. De rechten en plichten moeten worden aangewezen, waaraan rijken en armen, kapitaal en arbeid onderling zich te houden hebben.
4
En daar woelzieke menschen en onruststokers er op uit zijn om de volksraeening op een dwaalspoor te brengen, de menigte ontevreden te maken, en aan te hitsen tot oproer en verzaking liunner plichten, blijkt het hoe vol gevaren zij is. Toch â iedereen zal het toegeven â de kwaal is ernstig: er moet geholpen worden: daar het grootste gedeelte der menschheid een ellendig en jammerlijk bestaan heeft.
In de omwenteling van de vorige eeuw zijn de oude werkliedenvereenigingen verdwenen, geen nieuwe daarvoor in de plaats gekomen, de openbare instellingen en de wetgeving hebben zich hoe langer hoe meer van den godsdienst losgemaakt: zoodat arbeider en handwerksman , alleenstaande en onbeschermd, aan de gevoelloosheid van patroon en aan de teugellooze hebzucht van begeerigen zijn overgegeven. De allesverslindende woeker is het kwaad nog komen verergeren, de woeker, welke de Kerk steeds heeft veroordeeld, maar door hebzuchtige en winzieke lieden â laat het zijn onder anderen vorm â toch nog wordt uitgeoefend. Zoo zijn productie en handel om zoo te zeggen enkel in handen van slechts weinigen, enkele bezitters en schatrijken leggen de massaas van den werkenden stand eeii juk op, dat slechts weinig van dat der slaven verschilt.
2. Wat nu willen de socialisten? Nadat zij eerst den nijd der armen tegen de rijken hebben aangehitst, willen zij als geneesmiddel van de kwaal, dat alle persoonlijk eigendom zal ophouden: daarvoor moet in de plaats komen gemeenschap van goederen, die door de hoofden der gemeenten en de bestuurders der staten moet worden ingevoerd. Het overdragen van alle bezit zal â zoo beweren ze â allen misstand uit den weg ruimen: want de bezittingen en de voordeelen er van zullen dan gelijkmatig worden verdeeld onder de burgers.
3. Zulk een plan echter helpt in 't geheel niets om het geschil op te lossen: integendeel de werkman zelf wordt er door benadeeld, onrechtvaardig is het omdat den rechtmatigen bezitter geweld wordt aangedaan, het is eindelijk tegen de roeping van den staat, ja, het bedreigt de staten met algeheelen ondergang.
4. Vóór alles toch de eenvoudige vraag: waarom werkt de werkman? Allereerst om loon te verdienen en zoo
tot eenigeu persoonlijken eigendom te geraken: dat is duidelijk. Wanneer hij zijn kracht en zijn vlijt in dienst stelt van een ander, clan wil lüj daardoor voor zich zeiven het noodige verwerven; en hij verwerft zich een waar en wezenlijk recht niet alleen op uitbetaling maar ook op de vrije beschikking over dat loon. Gesteld nu dat hij door zuinig te leven besparingen gemaakt en daarvoor een stuk grond gekocht heeft, dan is dat stuk grond niets anders dan het hem uitbetaalde loon alleen in een anderen vorm en blijft dus ter zijner beschikking, even goed als hij te voren vrij heeft kunnen beschikken over het geld, dat hem was uitbetaald. Twee vormen zijn er dan ook van eigendomsrecht: men kan roerend en onroerend goed bezitten. Wanneer derhalve de socialisten allen persoonlijken eigendom in gemeenschappelijk goed willen veranderd zien, dan â het blijkt duidelijk â wordt de toestand van den werkman nog veel slechter gemaakt in plaats van verbeterd. Immers dan kan de werkman niet meer vrijelijk en naar eigen goeddunken over zijn verdiend loon beschikken: hem is de kans ontnomen en de mogelijkheid om zijn klein vermogen te vergrooten en door zijn best te doen zich tot een betere positie op te werken.
5. Maar wat meer is: het door de socialisten aangeprezen geneesmiddel is blijkbaar in strijd met de rechtvaardigheid, want het recht om persoonlijk eigendom te bezitten is den mensch van nature geschonken.
Het groote onderscheid tusschen mensch en dier komt hier evenals in vele andere zaken aan het licht. Het dier leidt ziclt zelf niet, maar wordt geleid door het tweevoudig instinct zijner natuur. Door het instinct wordt het dier gedrongen om zich zelf te beschermen en te ontwikkelen: tot zelfbehoud; het instinct drijft het dier ook tot voortplanting van zijn geslacht. In beider opzicht evenwel handelt liet alleen voor 't oogen-blik: verder gaan kan het niet, want het wordt alleen beheerscht door het zinnelijk vermogen en door indrukken van 't oogenblik. Bij den mensch echter is het heel anders. Wel bevindt zich in hem het dierlijk wezen in zijn volkomenheid en zoo kan de mensch zinne-nelijk genieten: maar hoe volkomen men zich dit ook voorstelle, in den mensch blijft het daar niet bij: de
6
mensch verheft zich ver boven de. dierlijke zijde van zijne natuur en maakt deze aan zich dienstbaar. Wat den mensch adelt en hem tot de hem eigene waardig-digheid verheft, dat is de redelijke geest; deze geeft hem zijn karakter als mensch, deze scheidt hem in heel zijn wezen af van het dier. Omdat de mensch nu met verstand begaafd is, zijn hem de goederen der aarde niet enkel ten gebruike gegeven, gelijk aan de dieren, maar heeft hij een persoonlijk recht op bezit, een recht op bezit niet alleen van die dingen, welke door het gebruik verloren gaan, maar ook van die welke, na gebruikt te zijn, blijven bestaan.
Een nadere beschouwing van de natuur des menschen zal ons nog duidelijker dat doen inzien. De mensch met zijn denken omvat tallooze dingen, uit het tegenwoordige besluit hij tot het toekomstige, en hij is meester vau zijn handelingen: zóó richt hij, in afhankelijkheid van de eeuwige wetten en ondergeschikt aan de Alwijze Voorzienigheid Gods, zijn leven naar vrije beschikking; daarom ligt het in zijn macht uit de verschillende dingen keus te doen, welke hij tot zijn eigen welzijn, niet alleen voor nu maar ook voor later, het meest geschikt acht. Hieruit volgt dat het recht op persoonlijk grondbezit bestaan moet; er moeten rechten kunnen verworven worden niet alleen op hetgeen de grond voortbrengt maar ook op den grond zeiven. Wat toch den mensch zekerheid geeft dat zijn levensonderhoud zal blijven voortbestaan, is alleen de grond met zijn voortbrengingskracht. Voor den mensch heeft iedere dag zijne behoeften: vandaag bevredigd, vragen ze morgen weer nieuwe bevrediging. De natuur moet derhalve den mensch een blijvende, voortdurend vloeiende bron ter voldoening aan die behoeften hebben aangewezen: en zulk een bron kan niet anders zijn dan de grond met al de a:aven, die hij onophoudeliik oplevert.
6. Er is dan ook geen reden te viuden waarom de staat zich met de algemeene zorg voor allen zou belasten. Want de mensch bestond reeds en bezat reeds het recht tot instandhouding van zijn eigen bestaan voordat er
7. een staat bestond. Dat verder God de Heer de aarde ten gebruike heeft gegeven aan geheel het menschdom is volstrekt niet in tegenspraak met het persoonlijk be-
7
zit. Immers. God lieeft de aarde overgelaten aan het geheele menschdom niet in dien zin, als of allen zonder onderscheid meester waren over die aarde, maar in zoover als Hij zelf aan geen enkelen mensch een bijzonder deel daarvan ten bezit heeft aangewezen, maar veeleer aan de vlijt der menschen en de wetgevingen der volken heeft overgelaten den persoonlijken eigendom af te meten en te verdeelen. Overigens, hoe ook onder de enkelen verdeeld, houdt de aarde niet op ten dienste te staan aan allen: immers er is niemand ter wereld, die niet van de voortbrengselen der aarde leeft. Wie zonder bezit is, heeft daarvoor den arbeid, en men kan zeggen dat alle bronnen van bestaan ten slotte zijn terug te brengen tot de bewerking van den grond of tot het arbeiden in eenigen anderen tak van nijverheid, welks loon slechts van de opbrengst der aarde komt en met de opbrengst der aarde geruild wordt.
8. Hieruit blijkt weder dat persoonlijk eigendom te bezitten volkomen een eisch is der natuurwet. De aarde verschaft wel in overvloed alles, wat tot onderhoud en bevordering van het menschelijk bestaan noodig is, maar zij kan niet uit zich zelve geven, d. w. z. niet zonder door den mensch bearbeid en verzorgd te worden. Wijdt nu de mensch lichaams- en geesteskrachten aan het bewerken en vruchtbaar maken van den grond, dan wordt hij daardoor juist eigenaar van het gedeelte, dat door hem bewerkt werd: hij heeft er als 't ware den stempel op gedrukt van zijn arbeid. Het is dus in den vollen zin des woords rechtvaardig dat dit stuk grond zijn eigendom, en zijn recht er op onaantastbaar blijve. Dit alles is zoo duidelijk en overtuigend, dat het slechts verbazing wekken kan, leeringen te hooren verkondigen, die daartegenover staan: leeringen die overigens niet nieuw
9. meer zijn maar reeds vroeger verworpen en weerlegd. Men beweert n. 1. dat het eigenlijk bezit van den grond onrechtvaardig is; alleen het gebruik van den grond of van een gedeelte daarvan zou aan iemand in 't bijzonder kunnen worden toegestaan; het terrein waarop iemand zijn huis bouwt, hoort hem niet toe evenmin als de akker aan den landman die hem bebouwt. Men wil niet inzien dat een die zoo spreekt eveneens handelt als iemand die een ander poogt te berooven van hetgeen
8
deze op wettige wijze door zijn arbeid verkregen heeft. Dat vroeger onbebouwde stuk grond immers heeft door het zwoegen van dengene, die het 't eerst omploegde, en door zijn kundig beleid een geheel ander aanzien gekregen ; van eene wildernis is het een vruchtbare akker. Van een waardeloos voorwerp een rijk voortbrengende bodem geworden. Wat aan den grond deze nieuwe gedaante gegeven heeft, is zoo geheel en al één met den grond zeiven, dat het er grootendeels onmogelijk van te scheiden is. En zou het dan niet in strijd zijn met alle rechtvaardigheid dien grond aan den bezitter te ontnemen en aan anderen te geven, wat die werkman in het zweet zijns aanschijns heeft tot stand gebracht.
Neen, zoo nauw als oorzaak en gevolg verbonden zijn, zoo onafscheidelijk hecht zich de vrucht van den arbeid aan dengene, die den arbeid verricht heeft. Met recht heeft daarom de menschheid steeds in de natuurwet den grondslag gevonden voor het privaat bezit en voor de verdeeling der aardsche goederen; men stoorde zich niet aan de bewering van enkelen, men heeft zich wijselijk laten leiden door de eischen, welke de natuurwet hier stelde. Ten allen tijde heeft de wereld door haar manier van handelen het eigendomsrecht om zoo te zeggen geheiligd als een uitvloeisel van de door God gestelde orde en als een eerste vereischte voor een vreedzame samenleving. De staatswetten verder, die voor zoover zij rechtvaardig zijn, haar bindend karakter aan de natuurwet ontleenen, hebben overal het eigendomsrecht beschermd en door strafbepalingen verzekerd. En de goddelijke wetten ten laatste bevestigen dat recht op eigendom zoo zelfs, dat zij de begeerte naar andersmans goed ten strengste verbieden: //Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren, noch zijn huis, noch zijn land, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort.quot; ') 10. Beschouwen wij nu den mensch als maatschappelijk wezen en wel vooreerst in zijn betrekking tot het huisgezin, dan komt het recht om eigendom te bezitten in een nog helderder daglicht.
Komt hem dit recht toe reeds in zoover hij op zich zeiven staat, nog veel meer is hét hem eigen wanneer wij hem beschouwen in het familieleven. Wat den le-
9
veusstaat betreft, aan een ieder is liet overgelaten, hetzij den raad van God, die tot onthonding vermaant, te volgen, hetzij in het huwelijk te treden. Geen men-schelijke wet kan den mensch het uatunr- en oorspronkelijk recht op het huwelijk ontnemen; niemand kan ook maar eenigermate het hoofddoel beperken van deze door Gods gezag sinds de schepping gevestigde instelling : //Groeit aan en vermenigvuldigt uquot; 2); het familieleven werd hier gegrondvest. Het huisgezin, de huiselijke samenleving is een ware en eigenlijke maatschappij, met alle rechten daarvan, al is ook de kring, binnen welken het zich beweegt, nog zoo klein ; het is ouder dan iedere andere gemeenschap en heeft daarom, onafhankelijk van den staat, eigen rechten en plichten.
Heeft nu de mensch, als mensch reeds, liet recht om eigendom te verwerven en te bezitten, hij heeft dat recht ook als hoofd van een gezin, ja zelfs als zoodanig heeft hij het te meer, wijl de mensch als huisvader tot grooter kring zich uitbreidt. Een huisvader moet zijn kinderen het levensonderhoud eu al het noodige verschaffen; eveneens drijft hem de natuur ook voor de toekomst der kinderen te zorgen, ze zooveel mogelijk tegen aardsche ongevallen te beveiligen, te maken dat zij zich zelf voor ellende kunnen bewaren; het hoofd des huisgezins leeft tot zekere hoogte voort in zijn kinderen. Maar hoe zal hij die verplichtingen kunnen nakomen, als hij zijn kinderen geen bezit, dat vruchten afwerpt, ten erfdeel kan nalaten Evenals de staat is ook de familie wezenlijk een maatschappij, en ook in het huisgezin regeert een zelfstandig gezag, nl. het gezag van den vader. Zoolang de familie binnen de grenzen blijft, die haar zijn voorgeschreven door haar naaste doel, zoolang heeft zij minstens gelijke rechten als de staat, in de keuze en het aanwenden van die middelen, welke noodig zijn voor haar behoud en de haar behoorende vrije ontwikkeling. Wij zeggen; minstens gelijke rechten. Want het huisgezin, dat ouder is dan de staat, heeft ook in rechten en plichten den voorrang, wijl deze dichter bij het begin staan. Het leven in staatsgemeenschap moet voor den afzonderlijken persoon eu voor het huisgezin aantrekkelijk worden gemaakt. Wanneer nu deze beiden in de samenleving als staatsburgers nadeel in plaats van
10
voordeel, schennis van het oorspronkelijke recht in plaats van beschermi7ig ondervinden, dan zou liet staatsverband eerder een voorwerp van afkeer en haat toeschijnen, dan een voorwerp om er naar te verlangen.
11. Men is dan ook op een gevaarlijken dwaalweg, als men wil dat de staat zal indringen in de familie in het huiselijk leven.
Zeker, wanneer een huisgezin zich in uitersten nood bevindt en in zulk een wanhopigen toestand, dat het onmogelijk zich zelf meer helpen kan, dan is het volgens de orde der dingen, dat de staat hulp verleent; de familiën toch maken deel uit van den staat.
Zoo moet ook het openbaar gezag tusschen beide komen, wanneer binnen den huiselijken kring belangrijke schennis zou voorkomen van wederzijdsche rechten. Het tegengaan van buitensporigheden en de orde herstellen kan niet genoemd worden inbreuk maken op eens anders recht; dan doet de Staat niet anders dan juist die rechten beschermen en handhaven. Poch verder mag de staat niet gaan. Door verder te gaan, zou de staat het recht van de natuur schenden. Het vaderlijk gezag is van nature zóó, dat het niet kan ontkend worden. De staat kan het ook niet tot zich trekken. Het vaderlijk gezag heeft een oorsprong, even eerbiedwaardig als het leven des menschen zelf. /'De kinderen zijn,quot; om met den H. Thomas te spreken, «in zekeren zin een deel van den vader;quot; zij zijn als 't ware een uitbreiding van zijn persoon. Ook treden zij in de staatsgemeenschap niet als afzonderlijke personen, maar middellijk slechts nl. als leden van de familiegemeenschap, waarin zij het leven ontvingen. Om die reden, wijl nl. de kinderen een deel des vaders uitmaken, staan zij, volgens denzelfden H. Leeraar, ouder de hoede der ouders, eer zij het gebruik van den vrijen wil hebben 3). Derhalve, het socialistisch stelsel, dat de ouderlijke zorg op zij schuift en daarvoor een algemeene staatszorg in de plaats stelt, zondigt tegen het natuurrecht en scheurt gewelddadig den band des huissrezins vaneen.
12. Maar zelfs afgezien nog van het onrechtvaardige wat er in ligt; het socialistisch stelsel zou verwarring brengen in alle rangen der maatschappij. Een ondragelijke slavernij zou volgen voor alle burgers van den staat. Wijd staat
11
dan de deur open voor onderlinge afgunst, tweedracht en plagerij. Neemt den prikkel weg voor arbeid en vlijt: de bronnen der welvaart zullen opdrogen. Gelijkheid voor allen, die men zich had voorgesteld, zou niet anders zijn dan jammerlijke verlaging voor allen.
13. Uit dit alles blijkt duidelijk hoe verwerpelijk de leer is der socialisten, dat n. 1. de staat alle persoonlijk bezit naar zich trekken en tot gemeenschappeli jk goed maken moet. Zulk een leer brengt de arbeidende klasse, voor welke zij toch heet uitgevonden te zijn, in plaats van voordeel groot nadeel aan; zij is in strijd met de natuurlijke rechten van den mensch, zij legt den staat een onnatuurlijk werk op; én maakt een rustigen vreedzamen gang van het maatschappelijk leven onmogelijk.
Bij alle pogingen om den socialen nood onzer dagen te lenigen, moet derhalve worden vastgehouden aan het beginsel: het bijzonder eigendom is onaantastbaar en heilig
14. Wij gaan nu over tot de uiteenzetting van datgene, waarin de overal begeerde redding uit den treurigen toestand der arbeidende klassen moet gezocht worden.
Wij aanvaarden die taak met vertrouwen en wel wetend, dat Wij vooral hier recht hebben van spreken. Want zonder den bijstand van godsdienst en Kerk is geen uitweg uit de verwarring te vinden; en daar de leiding van den godsdienst en de kerkelijke krachtmiddelen vóór alles in Onze handen gelegd zijn, zou zwijgen van Onzen kant te kort te schieten zijn aan Onzen plicht. Zeer zeker is tot oplossing van dit zoo gewichtige vraagstuk ook de kracht en de inspanning van andere factoren noodzakelijk. Wij bedoelen de Vorsten en Eegeeringen, de bezittende klassen en werkgevers, eindelijk ook de werklieden zelf, wier lot het geldt.
Maar Wij zeggen het met allen nadruk: laat men de Kerk niet hare macht uitoefenen, alle menschelijke pogingen zullen vergeefsch zijn, want de Kerk is het, die uit het Evangelie een schat van leering te voorschijn brengt, door welker krachtigen invloed de strijd wordt uitgemaakt of zeker verminderen zal; zij is het die niet enkel het verstand opheldert, maar ook door haar heilzame voorschriften het zedelijk leven van iederen mensch kan verhoogen: zij is het die voortdurend zich inspant
12
om den maatscliappelijken toestand zelfs van den minsten man door heilzame sticlitingen te verbeteren; vol verlangen dat alle krachten, de pogingen van alle standen worden in het werk gesteld om den werkman op te heffen en zoo mogelijk te bevredigen; de Kerk is het, die een optreden van de burgelijke overheid langs den weg der wetgeving, binnen de noodige grenzen, onontbeerlijk acht om liet doel te bereiken.
15. Vóór alles: in de burgerlijke samenleving hoogeren en lageren stand, arm en rijk gelijk maken is eenvoudig weg onmogelijk. De socialisten mogen hiervan droomen, maar het is strijden tegen de orde der natuur.
Altijd zullen onder de mensclien de grootste ongelijkheden blijven bestaan. Ongelijk zijn aanleg, vlijt, gezondheid en krachten; vandaar ongelijkheid in levensvoorwaarden, in bezit. Die ongelijkheid evenwel past juist aan de belangen zoowel van iederen mensch in 't bijzonder als van de maatschappij. Het maatschappelijk leven toch vordert verscheidenheid van krachten en een zekere menigvuldigheid van verrichtingen: welnu, tot die verschillende verrichtingen worden de menschen gedreven hoofdzakelijk door verschil van stand.
Wat betreft den lichamelijken arbeid: ook in den staat van onschuld zou de mensch hebben gearbeid: Het werken, waarnaar hij alsdan als naar een genot zou verlangd hebben, werd hem, na den zondeval, als een noodza-kele boetedoening opgelegd, waarvan hij den last moet gevoelen: //In uw werk zij de aarde gevloekt; met arbeiden zult gij van haar eten al de dagen uws levens1'' 4). Insgelijks zullen al de andere ellenden op aarde nimmer ophouden, wijl de gevolgen der zonde als onafscheidelijke metgezellen den mensch tot aan zijn dood toe moeten bijblijven.
Lijden en verdragen is nu eenmaal ons deel, en wat men ook moge beproeven tot verbetering van het levenslot , nooit zal men er in slagen de maatschappij geheel en al van lijden te verlossen. Zij, die voorgeven dat zij het wel zoover kunnen brengen, zij die het arme volk een leven zonder zorg, vol rust en genot voorspiegelen , bedriegen de menschen dermate, dat nog grootere rampen zouden volgen dan die waaraan de wereld nu lijdt. Het verstandigste is de dingen te nemen zooals
13
ze zijn en liever ergens anders redding te zoeken.
16. Een hoofdfout bij de behandeling van het arbeidersvraagstuk is zeker hierin gelegen, dat men werkgever en werkman zoo tegenover elkander zicli voorstelt, alsof beiden uit hun aard onverzoenlijke vijanden zijn en, ja, moeten strijd voeren op leven en dood. Juist het tegendeel is waar. De natuur heeft juist alles geregeld tot eendracht en vrede. Gelijk in het menschelijk lichaam alle ledematen , hoe ook verschillend van elkander. een zekere eenheid bewaren, zoo heeft de natuur ook in het staatslichaam het zoo geregeld, dat beide machten, kapitaal en arbeid, elkander van dienst zijnde, tegen elkander opwegen. Het kapitaal heeft den arbeid noodig, de arbeid heeft behoefte aan het kapitaal. Eendracht is overal de noodzakelijke voorwaarde voor schoonheid en orde; een voortdurende strijd daarentegen brengt verwilderins: en verwarring teweeg.
17. Om nu den strijd uit te maken en zelfs om de oorzaken er van weg te nemen bezit het Christendom wonderbare en velerhande middelen. De Kerk, als tolk en bewaarster van den godsdienst, kan allereerst door de waarheden, die zij verkondigt, en door de wetten, die zij geeft, veel bijbrengen om de rijken en de armen te verzoenen en tot elkander te brengen; zij leert en gebiedt, dat beide klassen hun plichten jegens elkander zullen nakomen en op de eerste plaats de voorschriften van de rechtvaardigheid.
Den arbeider wijst de Kerk in het bijzonder op het volgende, als op de verplichtingen, zijn staat eigen: eerlijk en trouw den arbeid te verrichten, tot welken men zich vrijelijk en bij rechtvaardige overeenkomst heeft verbonden; den werkgever noch in zijn goed, noch in zijn persoon te benadeelen; in de handhaving van zijn recht zich te onthouden van gewelddadigheden en in geen geval oproer aan te stoken: geen gemeenschap te onderhouden met boosdoeners, die hun bedriegelijke vooruitzichten voorspiegelen en enkel bittere teleurstelling en verderf berokkenen. Den bezitter en den werkgever daarentegen brengt zij onder het oog, dat de werklieden niet als slaven mogen beschouwd en behandeld worden; dat zij veeleer dienen geëerbiedigd te worden in hun persoonlijke waarde, die door hun waar-
14
digheid als Christen wordt geadeld; dat handwerk of arbeid geen schande is, maar dat het naar waarheid moet gelden als een eer, door eigen krachtinspanning zich datgene te verwerven, wat men voor zijn levensonderhoud noodig heeft, dat het onwaardig en schandelijk is, van menschen partij te trekken enkel tot eigen gewin en hen slechts zoo hoog te schatten als hun arbeidskrachten reiken. De Kerk roept df werkgevers verder toe:
«Geeft ook acht op het geestelijk heil, op de godsdienstige belangen van uwe werklieden; gij zijt verplicht hun tijd te laten voor hun godsdienst-oefeningen; gij moogt hun bij hun arbeid in uwen dienst niet blootstellen aan verleiding en zedelijke gevaren; gij moogt den zin voor huiselijkheid en spaarzaamheid bij hen niet laten verstikken; het is onrecht, als gij hen met meer arbeid belast dan hun krachten toelaten, of verrichtingen van hen vordert, tegen welke hun leeftijd of kunne zich verzet.'1'' Voor alles evenwel vermaant de Kerk de werkgevers om het behartigen der leer: //ieder het zijnequot; steeds als een eersten plicht te beschouwen. Ongetwijfeld moeten, om een rechtmatigen loonstan-daard vast te stellen, verschillende omstandigheden worden in het oog gehouden; in het algemeen gesproken evenwel, hebben de bemiddelden en de werkgevers te bedenken, dat het zoowel met het goddelijk als met het menschelijk recht in strijd is, noodlijdenden te verdrukken en van hun nood gebruik te maken om zich
zelf te verrijken. //Zie het loon der werklieden.....
dat gij hun hebt onthouden, schreit tot den Hemel, en hun geschrei is doorgedrongen tot het oor van den Heer der Legerscharen.''1 5) De bezittende klassen eindelijk mogen onder geen voorwaarde de werklieden in hun besparingen belemmeren, hetzij door geweld, of door bedrog, of door eenigerlei praktijk van woeker; en dit des te minder, naarmate de stand der werklieden te minder tegen onrecht en onbillijke behandeling van den kant der meergegoeden is gevrijwaard, te minder, naarmate het eigendom der werklieden, doorzijn geringheid zelve, te hoogere eerbiediging verdient.
Wie zal ontkennen, dat de gehoorzaamheid aan dergelijke voorschriften alleen reeds in staat zou zijn om
15
de bestaande tweespalt, met de oorzaken er van, te beëindigen?
De Kerk evenwel, in liet voetspoor van haar Godde-lijken Meester en Koning Jezus Cbristns, lieeft nog hoogere roeping; zij tracht, met leeringen van nog hoo-ger zedelijke volmaaktheid, het eene gedeelte der meusch-heid nog nader tot het andere te brengen, eene verhouding van meer innigen aard tusschen hen beiden te vestigen.
Slechts dan, als wij het toekomend onsterfelijk leven tot maatstaf nemen, kunnen wij over het tegenwoordige leven onbevangen en billijk oordeelen. Ware er geen ander leven dan het aardsche, dan zou daarmede het begrip zelf van zedelijken plicht ten gronde gaan, en het bestaan hier beneden zou worden tot een donker, voor geen enkel verstand te ontsluieren raadsel. Getuigt reeds de natuurlijke rede ons dit, te gelijk wordt zulks gewaarborgd door het christelijk dogma, 't welk als grondslag van allen godsdienst de leer predikt, dat eerst bij ons heengaan uit dit aardsche leven, cus eigenlijk leven begint. Want God heeft ons niet geschapen voor de vergankelijke en broze goederen van dezen tijd, maar voor de eeuwige goederen des Hemels, en Hij heeft ons de aarde gegeven, niet als onze eigenlijke woonplaats, maar alleen als een oord van ballingc-chap. Of de mensch overvloed, dan wel of hij gebrek heeft aan rijkdom en andere dingen, die men goederen noemt, voor zijne eeuwige zaligheid is daaraan niets gelegen; veel echter is hem gelegen aan de wijze, waarop hij van die goederen gebruik maakt. Jezus Christus heeft, door Zijne overvloedige, verlossing, in geene deele het lijden weggenomen, dat onzen levensweg tot een weg van smarten maakt, maar Hij heeft ons dat lijden ten prikkel gegeven voor onze deugd. Hij heeft er ons de gelegenheid mee geopend om ons verdiensten te verzamelen, en niemand wordt de eeuwige kroon deelachtig, zoo hij niet den smartelijken kruisweg des Heeren bewandelt.
//Wanneer wij met hem lijden, zullen wij met Hem heerschenquot; 6). Door Zijn vrijwillig gedragen lijden, door Zijn smarten evenwel heeft de Heiland al onze bezwaren en bekommernissen op wonderbare wijze verlicht. Hij
16
maakt ons liet verduren van alle smart gemakkelijk, niet enkel door Zijn voorbeeld, maar ook door Zijn genade en door het uitzicht op een eeuwig loon. //Immers, onze tegenwoordige voorbijgaande en lichte beproeving bewerkt ons een bovenmate groot gewicht van glorie in de eeuwigheidquot; 7).
Aldus vermaant de Kerk de rijken, dat hun rijkdom hen niet ontslaat van de verplichting tot lijden, en dat hun aardsch bezit hun voor het eeuwige leven geen bate, maar veel eer schade brengt 8); dat de in den mond van Jezus Christus ongewone bedreigingen hen met vrees moeten vervullen 9); dat zij aan den goddelijken Rechter een strenge rekenschap van het gebruik hunner goederen, in dit leven bezeten, zullen moeten geven.
Een voortreffelijke en zeer gewichtige leer predikt voorts de Kerk in betrekking tot liet gebruik, dat men van aardschen rijkdom te maken heeft; een leer, die door de heidensche wijsgeeren slechts in ombestemde trekken vermoed, floor haar in 't volle licht gesteld en, wat meer is, in levende practische beoefening gebracht wordt. Zij betreft den plicht der weldadigheid, het geven van aalmoezen. Die leer is gegrond, zooals wij reeds gezien hebben, op de onderscheiding, die te maken valt tusschen rechtmatig bezit en rechtmatig gebruik van bezit. Het privaat bezit berust, gelijk Wij aantoonden, op de natuurlijke orde. Het gebruik daarvan, natuurlijk binnen de grenzen van het recht, is niet alleen geoorloofd, maar het is ook, bij het maatschappelijk bestaan van den mensch, eeu noodzakelijkheid, //Het is geoorloofd â aldus de H. Thomas, â dat de mensch eigendom bezit, en het is te gelijk noodig voor het men-schelijk levenquot;. 10) Vraagt men nu, op welke wijze het gebruik van dat bezit moet geregeld zijn, dan antwoordt ons de Kerk met dienzelfden Leeraar: //De mensch moet de uiterlijke dingen niet als een eigendom beschouwen en behandelen, maar als gemeengoed, in zooverre namelijk als hij zich gemakkelijk er toe leent die dingen aan de noodlijdenden af te staan. Daarom zegt de Apostel: //Beveel aan de rijken van deze wereld.... dat zij gaarne geven en mededeelenquot; 1') Ongetwijfeld is niemand verplicht aan zijn eigen noodwendigheid of aan die van zijn gezin te kort te doen, ten einde daardoor
17
den naaste te helpen. Niet eens bestaat de verplichting, ter wille van het geven van aalmoezen, afstand te doen van hetgeen een behoorlijk ophouden van den staat, die ons toekomt, aan uitgaven vordert; immers, het geldt den H. Leeraar als rechtsregel: //niemand is verplicht op een wijze, die niet met zijn staat overeenkomt te levenquot; 12).
Maar waar eenmaal voorzien is in onderhoud en stand, daar is het wel degelijk plicht voor den bezitter om van zijn overvloed de armen te ondersteunen.
//Wat gij overvloedig bezit, geeft dat aan de armenquot; Dat geven evenwel â de uiterste nood er buiten gelaten â geschiedt niet omdat het moet om liet recht, maar uit liefde en daarom kan het niet langs gerechtelijken weg worden opgevorderd. Toch vindt die verplichting tot geven haar bekrachtiging in een uitspraak, die krachtiger is dan alle bepaling van aavdsche wetge-ving en rechters. De Eeuwige Rechter zelf heeft op velerlei wijzen de milddadigheid aanbevolen: //Het is zaliger te geven dan te ontvangenquot;, 14) en op denlaat-sten dag zal Hij het geven of weigeren van een aalmoes aan Zijn armen beschouwen als een gave of weigering Hem zeiven gedaan: //Wat gij aan den minste der mijnen gedaan hebt, dat hebt gij aau mij gedaanquot; 15).
Hieruit is het korte besluit te maken; Wie rijkelijk door God is gezegend, hetzij met stoffelijke, hetzij met geestelijke goederen, hij heeft den overvloed ontvangen zonder twijfel tot zijn eigen welzijn, maar ook tot welzijn van zijn medemenschen; hij is aangesteld als uit-deeler van de gaven van Gods Voorzienigheid. //Indien iemand talent is toebedeeld, hij zorge wel, niet te zwijgen; heeft iemand rijkdom ontvangen, hij verzuime de weldadigheid niet; viel iemand ervaring ten deel in het besturen van anderen, hij poge het aanwenden daarvan te doen strekken tot nut van zijn naaste.1'' 1(i)
Hun die geen goederen der fortuin bezitten, leert de Kerk, dat armoede voor het oog der Eeuwige Waarheid niet in het minst schandelijk is, en dat hij, die doo handwerk in zijn onderhoud voorziet, daardoor in geenen deele zichzelven onteert. Christus de Heer zelf heeft door daad en voorbeeld die waarheid bekrachtigd. Hij â¢die voor het heil der menschen //arm geworden is, ter-
18
wijl Hij rijk was'1 l7) en die, hoewel Hij de Zoon van Gód en zelf God was, tocli voor den Zoon werd gehouden van den timmerman en het grootste gedeelte zijns levens met lichamelijken arbeid in de werkplaats doorbracht. //Ts deze niet de timmerman, de zoon van Maria?quot;18)
Hij, die dit goddelijk verheven toonbeeld met ernst beschouwt, hij zal gemakkelijker begrijpen, dat de ware adel en grootheid van den mensch berusten in zijn zedelijke eigenschappen, d. w. z. in zijn deugd; dat de deugd echter een goed is, voor allen bereikbaar, voor den laagste zoowel als voor den hoogst geplaatste, voor den rijke en den arme eu dat niets anders dan de beoefening der deugd, liet verwerven vau ware verdiensten, den mensch den Hemel kunnen openen. Ja, zelfs ten opzichte der hulpbehoevenden en ongelukkigen naaide wereld, treedt Gods liefde in zekeren zin krachtiger dan jegens anderen aan het licht: Jezus Christus prijst de armen zalig. Hij noodigt al degenen, die vermoeid zijn en beladen, liefdevol tot Zich, om hen te vertroosten, 30) de onterfden en vervolgden omhelst Hij niet geheel bijzondere liefde. Deze waarheden moeten ongetwijfeld bij de bemiddelden en hooger geplaatsten eiken overmoed bedwingen, de armen voor kleinmoedigheid bewaren; zij moeten aan de bezitters van aardsche goederen leeren, dat zij jegens de armen een plicht hebben te vervullen van liefde en tevens zullen zij de laat-sten stemmen tot een bescheiden tevredenheid met hun lot. Aldus wordt de klove tusschen de verschillende standen lichtelijk vernauwd en de verzoeningsgezinde verstandhouding onderling door overeenstemming van streven mogelijk gemaakt.
Komt evenwel de zedenleer des Christendoms ten eenenmale tot haar recht, dan zal men het niet bij verzoeningsgezindheid alleen laten blijven; een waarlijk broederlijke liefde zal beide bestanddeelen der samenleving verbinden. Zij zullen dan immers leven in het bewustzijn, dat een gemeenschappelijke Vader in den Hemel alle menschen heeft geschapen en allen voor hetzelfde doel heeft bestemd, voor de eeuwige belooning van de rechtvaardigen. God-zelf, die alleen de menschen en de Engelen met volkomen zaligheid ge-
19
lukkig maken kan. Zij begrijpen dan wat liet zeggen wil, dat Jezus Christus alle menschen gelijkelijk door Zijn lijden heeft verlost, allen tot dezelfde waardigheid van kinderen Gods heeft verheven; dat een waarli jk geestelijke broederband bestaat tusschen hen ouderling en hen verbindt met Christus den Heer //den Eerstgeborene onder vele broeders.quot; Zij gevoelen wat het zeggen wil, dat de goederen der natuur en de gaven dei-genade gemeenschappelijk toebehooren aan het groote menschelijk huisgezin en dat alleen hij, die zich zelven onwaardig maakt, van de erfenis des Hemels wordt uitgesloten. //Indien gij dan zonen zijt, dan zijt gij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede erfgenamen van Christus.quot; 21)
Ziedaar, naar Christelijk begrip, de grondlijnen van 'smenschen rechten eu plichten. Zou niet alle geharrewar weldra verdwenen zijn, wanneer deze waarheden in de burgerlijke samenleving ten volle erkend werden?
18. Intusschen, de Kerk vindt het niet genoeg, den weg tot genezing enkel maar aan te wijzen, zij past met eigen hand de geneesmiddelen toe Haar heele werk doelt hierop: de menschheid volgens haar leer en haar geest te vormen en op te voeden. Door haar bisschoppen en priesters onderricht zij alle standen en volken, zoover haar invloed kan doordringen. Zij tracht door te dringen tot het binnenste des menschen en tracht zoo zijn wil naar de voorschriften van God te richten.
Op dat punt, waar eigenlijk alles op aankomt, heeft de Kerk een heilzaam werkende macht, die haar alleen eigen is. Want de middelen om tot de harten door te dringen heeft zij van Jezus Christus tot dit heilige doel gekregen; in die middelen ligt een goddelijke kracht. Die middelen alleen dringen door tot de ziel, en die macht alleen brengt den mensch tot gehoorzaamheid aan zijn plicht, tot beteugeling van zijn hartstocht, tot volmaakte liefde jegens God en den naaste, tot overwinning van de vele hindernissen, waarmede de weg der deugd bezaaid is. Het verledene bewijst dit alles. Wij herinneren slechts aan een feit, dat vast staat, wanneer wij zeggen: door den invloed en den arbeid der Kerk is de burgerlijke maatschappij opnieuw opgebouwd; de hoogere krachten, die haar eigen zijn, hebben het
20
meiischdom op den weg gebracht van den waren vooruitgang, ja, zij hebben het van den ondergang tot een nieuw leven opgewekt; zij hebben het door de christelijke opvoeding der volken een ontwikkeling gegeven, die alle vroegere beschaving verre overtreft en nooit overtroffen zal worden. Die zegeningen gaan uit van dei; allerheiligsten persoon van Jezus Christus en keeren zich naar Hem weer; gelijk de wereld aan den God-mensch alles dankt, zoo keert ook alle goed naar Hem als einddoel weder. Toen eenmaal het evangelie gepredikt en liet groote geheim _yaii Gods menschwording en 's menschen verlossing verkondigd was, drong het leven van Jezus Christus heel de wereld door; het bezielde alle volken en standen en vestigde in hen met het christelijk geloof ook de christelijke zeden. Nu is het duidelijk: zoekt men naar een geneesmiddel voor de lijdende maatschappij, alleen het herstel van het openbaar en bizonder leven, naar den geest van het Christendom, kan dat middel zijn. Immers iedereen geeft toe: elke maatschappij, om innerlijk te worden vernieuwd, moet terugkeeren tot hetgeen waarvan zij is uitgegaan. Dan toch gaat het volmaakt in iedere vereeniging wanneer men streeft naar en doelt op hetgeen van te voren als doel is vooropgezet. Door het streven naar dat doel moet het onontbeerlijke leven terugkeeren in het lichaam der maatschappij. Afwijken van het doel staat gelijk met verval; terugkeer betee-kent hetzelfde als genezing. Dit geldt van het lichaam van den Staat, en evenzoo geldt het van de verreweg talrijkste klasse van burgerij, van de klasse der werklieden.
19. De zorg der Kerk bepaalt zich intusschen niet zóózeer tot het geestelijke, dat zij daardoor de zaken van het aardsche leven vergeten zou. Veeleer moet gezegd, dat de Kerk, vooral voor den we:kmansstand, krachtig haar best doet om aan den bestaanden nood, ook wat het tijdelijke aangaat, een einde te maken.
Zij spoort aan tot zedelijk leven en deugd; reeds daardoor bevordert zij het tijdelijk welzijn. Immers die geregeld christelijk leeft, hem gaat het tijdelijk dikwerf ook wel. God, de Gever van alle goeds, ziet met welgevallen neder op zulk een leven, en verwijdert daarbij
21
twee vijaudeu, die maar al te dikwerf' zelfs te midden van overvloed het leven ongelukkig maken: nl. de gierigheid en de genotzucht. Zulk een christelijk leven verder maakt tevreden met weinig, weet spaarzaam te zijn en zoo het gemis van veel te vergoeden, en bewaart tegen lichtzinnigheid en misdaad, waardoor dikwijls de grootste welstand zoo snel wordt ten gronde gericht. Bovendien weet de Kerk de juiste maatregelen te nemen en toe te passen, om den stoffelijken nood van de armen en werklieden te verzachten; verschillende iurichtiugen tot verheffing van die standen zijn haar werk. Dat de werking der Kerk in dit opzicht zeer heilzaam geweest is, wordt zelfs door haar besliste tegenstanders erkend.
Ten tijde der eerste Christenen was de broederlijke liefde zoo machtig, dat menigmaal de rijken zich van al hun bezittingen ontdeden, om de armen te hul}) te komen. Ten gevolge daarvan, zegt de Schriftuur, «was er onder hen geen arme.quot; Het uitreiken der dagelijksche aalmoezen was de taak, die den diakenen door de Apostelen werd opgelegd en om welke in hoofdzaak de heilige orde van het diakonaat was ingesteld. De heilige Apostel Paulus nam, ondanks zijn veelvuldige zorg voor alle kerken, de taak op zich, persoonlijk na een moeitevolle reis, de aalmoezen over te brengen aan de noodlijdende Christenen van Jeruzalem. Tertullianus spreekt van de bijdragen, die bij elke vergadering der Christenen werden geschonken; hij noemt die '/de spaarpenningen der liefde,'quot; en zegt dat zij //dienen tot onderhoud der armen en tot hun begrafenis, ten gebruike der arme weezen van beiderlei kunne, van ouden van dagen en schipbreukelingenquot;. -
Zoo werd alleugskens een kerkelijk erfgoed za.menge-bracht, dat steeds met heilige zorgvuldigheid als erfdeel der armen en behoeftigen bewaard werd. üe Kerk schroomde niet als bedelares zich te vertooneu aan de deur der rijken, wanneer het gold voor de noodlijdenden hulp te verkrijgen. Zij was het, de gemeenschappelijke moeder van armen en rijken, die, door haar voorgaan op den- weg der christelijke naastenliefde, aan geestelijke orden het aanzijn schonk, welker bizondere taak het was den stoffelijken nood der bedrukten te lenigen en
22
wel zoo, dat er geen leed bestond, waarin geen verzachting, geen smart, aan welke geen troost werd gebracht. Zelfs hoort men in onze dagen stemmen opgaan, die, evenals trouwens in den heidenschen tijd geschiedde, de Kerk lastig vallen juist om haar liefdewerken. Men keurt de kerkelijke liefdadigheid af als ongeëindigd en ondoelmatig en zoekt in de plaats er van een zuiver burgerlijk systeem van beweldadiging in te voeren. Dan, waar vindt men de staatsinrichtingen, de louter men-schelijke instellingen van naastenliefde, die zich zouden kunnen meten met de wonderen der christelijke liefdadigheid, die haar geest van offer, haar zegenrijke werking aan de Kerk ontleenen? Neen, zij alleen inderdaad bezit het geheim van zoo hemelsche vruchtbaarheid in haar liefdewerken! Waar de liefde en de kracht niet haar oorsprong vinden in het Allerheiligste Hart des Verlossers, daar is de eerste koud, de laatste machteloos. Om deel te hebben aan het inwendige leven van Christus , moet men een levend lidmaat wezen van zijn Kerk.
20. Intusschen moeten ter oplossing van liet arbeiders-vraagstuk zonder twijfel ook alle menschelijke middelen beproefd worden. Allen, wien het aangaat, behooren naaide plaats welke zij innemen, hun krachten er toe in te spannen. De werking der Goddelijke Voorzienigheid in het bestuur der wereld kan hiervoor eenigermate ten toonbeeld zijn; want, terwijl wij nauwelijks opmerken,
;van welke oorzaken de gevolgen zich aan ons voordoen, weten wij toch dat ze allen meewerken tot het bereiken van de uitkomst.
Vooreerst dus de vraag: welk aandeel, bij de oplossing van de kwestie komt toe aan het staatsgezag?
Onder staatsgezag verstaan wij hier niet den toevalli-gen regeeringsvorm der verschillende landen, maar het staatsgezag in het afgetrokkene, gelijk liet door de natuur der dingen en door liet gezond verstand wordt gevorderd, en gelijk het Tiaar de beginselen der openbaring, door ons in onze Encycliek over den christelijken staat blootgelegd, moet worden opgevat. De hulp, welke van den staat te verwachten is, bestaat, vooreerst in quot;t
21. algemeen, in wettelijke bepalingen en instellingen, welke de ontwikkeling van den welst nd onder het volk be-
vorderen. Dat is de taak van een verstandige regeering, de plicht van elk staatsbestuur. Geen zekerder waarborgen voor de welvaart in den staat, dan orde, tucht, goede zeden, een welgeregeld familieleven, achting voor godsdienst en recht, matige belastingen en billijke verdeeling der lasten, bedrijvigheid in handwerk, nijverheid en koophandel, bloei van landbouw en dergelijke.
Hoe zorgvuldiger nu deze hefboomen van volkswelvaart worden aangepakt en benuttigd, des te zekerder is de welvaart voor de leden van den staat. Een breede weg dus voor de burgerlijke overheid om werkzaam te zijn tot nut van allen en in 't bizonder van de arbeidende klasse staat open. Beweegt het staatsgezag zich op dien weg, dan kan niemand zeggen dat het zijn bevoegdheid . te buiten gaat, want niets is meer in overstemming met de roeping van den staat, dan liet behartigen van het algemeen belang. Hoe flinker maat-regelen de staat neemt en voor allen laat gelden, des te minder andere middelen behoeft men te zoeken tot verbetering van den toestand der werklieden.
Wat vooral in het oog moet worden gehouden; de staat is gelijkelijk voor allen, zoowel voor den minde-Ten man als voor den aanzienlijke. De werklieden zijn evengoed burgers â de natuur zelf geeft hun dat recht â -als de bezittende klassen, dat wil zeggen, even goed maken zij deel uit van het lichaam, dat tot staat is geworden door het samenkomen van vele familiën, nog meer, zij vormen in iedere staatsgemeenschap het grootste gedeelte. Ts het dus ongeoorloofd, alleen maar voor een gedeelte der staatsburgers te zorgen en de overigen te verwaarloozen, dan volgt hieruit de verplichting voor den staat om, door algemeene maatregelen, wel degelijk den werkman in bescherming te nemen. Gebeurt dit niet, dan wordt verwaarloosd wat de rechtvaardigheid opeischt: aan ieder het zijne. De H. Thomas bemerkt hier zeer juist: //Evenals een gedeelte en het geheel in zekeren zin hetzelfde zijn, zoo ook behoort datgene wat aan het geheel toekomt, in zekeren zin ook aan het gedeelte 35). Onder de vele en gewichtige plichten dus, die een vorst moet nakomen, wanneer hij hart voor zijn volk heeft, is een der voornaamste deze: aan allen
24
gelijke bescherming, naar eisch van de rechtvaardigheid, die men de distributieve (verdeelende) noemt.
Alle staatsburgers zeker moeten meewerken aan liet heil van den staat, daar immers allen de voordeden der staatsgemeenscliap genieten; maar zij kunnen het niet allen op gelijke wijze. Hoe verschillend ook de regee-ringsvormen zijn, altijd en overal zal tusschen de burgers verschil van stand worden gevonden; zonder verschil van stand is nu eenmaal een samenleving niet denkbaar. Zoo zal een gedeelte der burgerij zich bezig houden met het beheer van den staat zelf, met de wetgeving, de rechtspraak, de administratie, de militaire aangelegenheden; uit den aard der zaak zullen dezulken onder hun medeburgers een hoogeren rang innemen, wijl zij onmiddellijk en op buitengewone wijze werkzaam zijn voor het algemeen welzijn. Dragen nu de overige burgers, b. v. de gewone handwerksman, niet zooveel bij ten algemeenen nutte, toch werken ook zij mede aan het algemeen welzijn, al is het slechts op middellijke wijze. Het algemeen belang zeker wordt het meeste gebaat, wanneer rechtschapenheid en deugd worden beoefend, en het wezen der algemeene welvaart zelf zegt, dat zij den mensch moeten beter maken. Maar ook aardsche middelen moet de staat kunnen verschaffen, wijl hun gebruik tot beoefening der deugd noodzakelijk is. JG) Welnu, tot het verschaffen van die middelen is de arbeid der lagere arbeidende klassen even belangrijk als onmisbaar. Ja eigenlijk gezegd is het de arbeid op het veld, in de werkplaats , op de fabriek, die welvaart brengt in den staat. Maar dan is het ook billijk dat de staat zich de werklieden aantrekke en zorge, dat dezen een behoorlijk gewin van hun arbeid zich verzekerd zien; het werk moet hun voor woning, kleeding en voeding zooveel opbrengen, dat hun leven ten minste geen ellendig bestaan is. Wanneer de staat, zooals zijn plicht is, al het mogelijke in het werk stelt om het lot van den werkman te verbeteren, dan doet hij daarmede niemand schade; integendeel een ieder heeft er ten hoogste belang bij, dat een klasse van burgers, die aan den staat zulke gewichtige diensten bewijst, niet in ellende haar bestaan voortsleepe.
Gelijk reeds door ons gezegd is, de mensch voor zich
eu het huisgezin mag uiet- in den staat opgaan, en de vrijheid van doen en laten, in zoover die niet in verzet komt met het algemeen welzijn of met de rechten van derden, moet èn aan de bijzondere personen èn aan de huisgezinnen gewaarborgd blijven. Intusschen mogen voorzeker door den staat maatregelen worden genomen, ten einde hetj algemeen belang of de belangen van bi-22.zondere klassen der gemeenschap in een bijzonder geval in bescherming te nemen. Het algemeen belang â omdat uit den aard der zaak dit de hoogste wet, de grondslag en het doel moet zijn van het staatsgezag; maar ook de belangen van bizondere klassen â omdat het bestuur der gemeenschap gevoerd wordt niet ter wille der overheid, maar ten bate der onderdanen, zooals rede en geloof ons leeren. En daar elk gezag van God komt, als uitvloeisel van zijn goddelijke heerschappij, moet ook elk gezag worden uitgeoefend naar het toonbeeld van dat goddelijk bestuur, hetwelk met gelijke vaderlijke liefde èn aan de gansche schepping èn aan elk harer dealen zijn zorgen wijdt. Bedreigt derhalve de gemeenschap of den bizonderen standen eenig nadeel, dat anders niet te weren is, dan is tusschenkomst van den staat gewettigd.
Ongetwijfeld brengt zoowel liet algemeen als liet bizonder belang mede, dat in den staat vrede en orde heerschen, dat het familieleven in overeenstemming zij met Gods geboden en de voorschriften der natuurwet, dat de godsdienst worde geacht en beoefend, dat en in het bizonder en in het openbaar leven de reinheid van zeden worde gehandhaafd, dat recht en billijkheid bescherming vinden en niet straffeloos worden geschonden, dat de jeugd krachtig opgroeie tot nut, eu zoo noodig, tot verdediging van den staat. Wanneer dus ongeregeldheden dreigen wegens oproerige gezindheid der werklieden of ten gevolge van werkstaking; wanneer de natuurlijke familiebanden in de kringen der arbeiders worden verbroken; wanneer bij den werkman de godsdienst gevaar loopt, omdat hem geen tijd en gelegenheid wordt gelaten tot liet volbrengen van zijn godsdienstplicht; wanneer de zedelijkheid in gevaar komt door de wijze, waarop mannen en vrouwen tot gemeenschappelijken arbeid worden gebezigd, of door andere aanlokselen tot
26
zonde; wanneer de werkgevers hun ondergeschikten te zware lasten opleggen, of hen dwingen tot het aannemen van voorwaarden, die tegen hun persoonlijke waardigheid of hun rechten als mensch ingaan: wanneer de gezondheid der werklieden door overmatig werk of een arbeid die niet met hun leeftijd of geslacht overeenkomt, wordt ondermijnd, in al deze gevallen moet het staatsgezag zich doen gelden, evenwel zonder de juiste perken te buiten te gaan. Slechts zóó ver tot wegneming van het kwaad, tot verwijdering van het gevaar noodzakelijk is, en niet verder, mogen de maatregelen van den staat ingrijpen in de burgerlijke verhoudingen.
23. Wanneer overigens alle rechten der staatsburgers met zorg moeten worden in het oog gehouden, en het staatsgezag de plicht heeft om ieder het zijne te laten, de schennis van het recht te beletten of te bestraften â bij het acht geven op ieders bizonder recht is de staat op geheel bizondere wijze gehouden tot belangstelling in het lot van de lagere, onvermogende klasse. De meer gegoeden toch behoeven minder de staatsbescherming; zij hebben dikwerf in eigen kracht reeds genoeg steun en hulp; de armen daarentegen, de menschen zonder hulpmiddelen, zijn bijna ten eenemale van bescherming door den staat afhankelijk. De werklieden alzoo, die voor liet meerendeel in dien toestand verkeeren, behooren door den staat onder zijn bijzondere hoede te worden genomen.
24. Op enkele punten dient hier evenwel bijzondere nadruk gelegd. Vooreerst hierop, dat de burgerlijke eenheid
25.door krachtige maatregelen liet recht en de zekerheid van den persoonlijken eigendom heeft te handhaven. De hartstocht der menigte, bij welke de begeerlijkheid naar hetgeen anderen toebehoort, is levendig geworden, behoort met kracht gebreideld te worden. Het streven naar verbetering van eigen toestand zonder anderen daardoor schade te berokkenen, zal niemand afkeuren. Maar zich de bezittingen van anderen te willen toeeigenen , onder het dwaze voorwendsel, dat de maatschappelijke gelijkheid moet worden ingevoerd, is hoogst-onrechtvaardig en schadelijk voor allen. Er is geen twijfel aan: verreweg het grootste gedeelte der werklieden wil liever door eerlijken arbeid zich hooger opwerken, zon-
27
der anderen schade te doen. Doch talrijk zijn ook de oproerkraaiers en predikers van valsche begrippen, die niet kieskeurig zijn in hun middelen, als het er op aankomt, de maatschappij omver te werpen en het volk tot daden van geweld over te halen. De openbare macht moet dan ook tusschenbeiden komen, de opruiers het voortgaan beletten, ieders eigendom tegen diefstal beveiligen.
26.Niet zelden gaan de arbeiders over tot algemeene werkstaking : zij willen zoo hun werkgevers dwingen, wanneer hun de gestelde eischen te zwaar, het getal werkuren te hoog, het loon te gering toescbijnt. Dit optreden , hetwelk in onze dagen steeds menigvuldiger wordt en grooteren omvang verkrijgt, noodzaakt de burgerlijke overheid tot maatregelen van tegenweer; want dergelijke werkstakingen strekken niet alleen zoowel den arbeidgevers als den arbeiders zeiven tot schade, maar zij benadeelen ook op gevoelige wijze handel en nijverheid eu in het algemeen het openbaar belang.
Bovendien geven zij, gelijk bekend is, aanleiding tot gewelddadigheden en onlusten en verstoren zij den vrede in den staat. Op de beste wijze wordt hiertegen opgetreden door maatregelen en wetten welke het kwaad trachten te voorkomen en het optreden er van trachten te beletten door het wegnemen der oorzaken die gewoonlijk aanleiding geven tot den strijd tusschen arbeidgevers en arbeiders.
27. Van den anderen kant is de staat, werkdadig onder meer dan één opzicht, verplicht tot bescherming der werklieden en wel op de eerste plaats wat aangaat hun geestelijke belangen. Verdient ook zonder eenigen twijfel het aardsche leven de meeste zorg, zoo bestaat toch daarin niet het hoogste doel, hetwelk ons gesteld is. Het Keeft slechts beteekenis als middel tot bereiking van het leven der ziel. Dit leven der ziel bestaat in de erkenning der waarheid en in de liefde tot het goede. In de ziel is het verheven beeld afgedrukt des Scheppers , en in haar zetelt die liooge waardigheid des men-schen, krachtens welke deze geroepen is te heerschen over de lagere schepselen en aarde en zee aan zich dienstbaar te maken. //Bevolkt de aarde en onderwerpt haar en heerscht over de visschen der zee en de voge-
28
leu des hemels en oVer alle dieren die zioli op aarde bewegen.quot; 37) Ouder dit opzicht zijn alle raeuschen gelijk; geen verschil, wat de menschelijke waardigheid aangaat , tusschen rijk en arm, tusschen heer en knecht, tnsschen vorst en onderdaan, //want één is Heer over alles.quot;' 38)
Geen macht mag ongestraft zich vergrijpen aan de waardigheid des menschen, daar God zelf, gelijk de H. Schrift getuigt, //met grooten eerbiedquot; over dezen beschikt ; geen' macht mag den mensch terughouden op den weg van christelijken plicht en deugd die voert tot liet eeuwige leven. Ja, het staat den mensch zelfs niet vrij afstand te doen van de vrijheid, welke hij daartoe behoeft, en de rechten, welke uit zijn natuur voortspruiten, weg te schenken; immers, het geldt hier niet eeu bevoegdheid, van welke hij naar willekeur kan gebruik maken, maar onafwijsbare, boven alles heilige plichten jegens God.
28. Hiermede is de grondslag aangewezen van de verplichte Zondagsrust.
De Zondagsrust heeft iets anders ten doel dan te genieten in trage ledigheid. Nog veel minder is zij ingesteld om de losbandigheid te bevorderen of om gelegenheid te geven tot lichtzinnige uitgelatenheid, of wel tot het doen van onuoodige uitgaven, waartoe zij door veleu misbruikt wordt. Zij is een door den godsdienst gewijde rust van den arbeid. De zorgen van het dagelijksch leven, den last van den gewonen arbeid neemt zij af van den mensch, opdat hij zijne gedachten ten hemel stiere. De Kerk noodigt hem uit het gevoel van kindschap Gods bij zich op te wekken en in het bewustzijn van de meest eervolle zijner verplichtingen aan de godsdienstviering deel te nemen. //Wees indachtig dat gij den Sabbatdag heiligtquot; 29), zoo sprak God in het Oude Verbond, toen Hij als streug gebod den rustdag voorschreef, terwijl reeds de rust een godsdienstig, heilig karakter bezat van het oogenblik af dat zij door den Schepper werd ingevoerd, die in de geheim-nisvolle rust na de schepping des menschen zelf daarvan het voorbeeld gaf. //Hij rustte den zevenden dag van al het werk, dat Hij geschapen had.quot; :l0)
Verder wat aangaat de bescherming der aardsche be-
29
29. langen van den werkman: vóór alles moet een eiiule gemaakt aan den jammerlijken toestand, waarin sommige geldzuchtige onbarmhartige werkgevers de krachten van den werkman meer dan mogelijk is, uitputten en hem niet als mensch maar als levenloos voorwerp behandelen.
De reclitvaardigheid en naastenliefde komen in opstand tegen het eischen van een arbeid.; zóó zwaar, dat daardoor het lichaam wordt ten gronde gericht en de geest wordt afgestompt. Evenals bij den mensch alles grenzen heeft, zoo ook bij den arbeid, dien hij kan voortbrengen, en verder dan de grens van zijn arbeidskracht mag men niet gaan. üe arbeidskracht wordt wel is waar door oefening en inspannig verhoogd, maar slechts dan zal zij datgene uitwerken, waartoe zij inderdaad in staat is, indien te geschikter tijde voor onderbreking en rust worde gezorgd. Ten aanzien van den dagelijkschen arbeidsduur moet derhalve het beginsel gelden, dat hij niet langer mag zijn, dan de kracht der arbeiders verdragen kan. Hoe lang de rusttijden moeten duren, behoort afhankelijk te worden gesteld van den aard van liet werk, van tijd en plaats en van lichamelijke krachten. Werk in mijnen en groeven vordert blaarblijkelijk meer inspanning dan andere arbeid en is schadelijker voor de gezondheid. Daarvoor moet derhalve de gemiddelde arbeidsdag worden vastgesteld. Evenzoo zijn er sommige soorten van arbeid, die in bepaalde landstreken gedurende eenige tijden van het jaar schier afmattend zijn te noemen, terwijl zij in gewone omstan-heden niet moeilijk zijn te heeten. Bovendien is een vrouw of een kind niet in staat tot datgene , wat een volwassen, krachtige man verrichten kan.
De kinderarbeid vooral vordert de nauwlettende zorg van alle menschenvrienden. Kinderen mogen niet tot de fabriek of de werkplaats worden toegelaten, vóór lichaam en geest tot voldoende rijpheid gekomen zijn. De ontwikkeling der krachten wordt bij jeugdige personen door te vroege inspanning gesmoord; en is eenmaal de bloesem van den kinderlijken leeftijd verdord, dan is de geheele verdere ontwikkeling op jammerlijke wijze bedorven. Eveneens is in het oog te houden, dat velerlei soort van arbeid ongeschikt is voor het vrouwelijk geslacht, dat eigenlijk voor den huiselijkeu
30
arbeid bestemd is. Deze laatste soort van arbeid beveiligt de waardigheid der vrouw, maakt een goede opvoeding der kinderen gemakkelijk en bevordert het huiselijk geluk. In het algemeen behoort vast te staan, dat aan de arbeiders zóóveel rust moet worden verzekerd, als noodig is om de bij den arbeid aangewende krachten te herstellen; immers, door de onderbreking van den arbeid wordt herstel van krachten beoogd. Bij elke overeenkomst tusschen patroons en werklieden zij â uitdrukkelijk of stilzwijgend â de voorwaarde gesteld, dat de bovengenoemde tweeledige rust den arbeiders gewaarborgd is. Een contract zonder deze bepaling ware zedelijk ongeoorloofd, omdat niemand mag vorderen en ook niemand mag toestaan, dat de plichten jegens God en jegens zichzelven worden prijsgegeven.
30. Wij komen thans op een punt, waarbij veel op juist verstaan aankomt, wil men niet aan de eene of andere zijde in dwaling geraken. Omtrent de hoeveelheid van het loon wordt met den arbeider overeengekomen, en daarom zou liet den schijn kunnen hebben, alsof de werkgever na uitbetaling van het loon van alles af was. Men zou kunnen denkeu, dat alleen dan onrecht werd gepleegd, als de werkgever eeu gedeelte van het loon inhield, of de werkman niet geheel den arbeid verrichtte, dien hij op zich had genomen, dat dus alleen in die gevallen de overheid zich kon inmengen om ieder het zijne te doen geworden.
31. Dit is niet volkomen juist; men vergeet iets van groote beteekenis. En wel dit: arbeiden wil zeggen zijn krachten inspannen om in het levensonderhoud en in alle aardsche behoeften te voorzien, win het zweet uws aanschijns zult gij uw brood etenquot; 31). Twee kenmerken zijn dus den arbeid eigen: hij is persoonlijk, wijl de in het werk gestelde kracht en inspanning aan den arbeider persoonlijk toebehooren; hij is ook noodzakelijk, wijl hij het levensonderhoud moet verschalfen, en een strenge natuurlijke plicht het onderhouden des levens gebiedt. Ware nu de arbeid alleen persoonlijk, dan stond het aan iederen arbeider vrij met elke vermindering van loon vrede te nemen: immers die enkel uit vrijen wil werkt kan met gering loon zich vergenoegen, zelfs van zijn loon geheel afstand doen. Maar de arbeid
31
is ook noodzakelijk. Het leven te onderhouden is voor een ieder de noodzakelijkste plicht. Hebben allen van nature, omdat zij menschen zijn, recht op levensonderhoud, dan is voor den minderen man de eenige weg om het te vinden de handenarbeid Nu moge er omtrent het arbeidsloon een overeenkomst bestaan tusschen werkgever en werknemer, die van beide kanten vrijwillig is, het natuurrecht bestond eerder hetwelk vordert dat het loon niet zóó laag mag zijn, of een matig, rechtschapen arbeider moet er van kunnen leven. Dat is een gewichtige eisch, die onafhankelijk is van den vrijen wil, waaraan geen van beiden iets kan veranderen. Verondersteld: een arbeider onderwerpt zich, alleen door nood gedwongen of om nog erger lot te ontgaan, aan te harde voorwaarden, die hem door werkgevers of ondernemers gesteld worden, dan wordt hem geweld aangedaan en de gerechtigheid komt tegen dergelijken dwang in verzet. â Opdat evenwel bij vraagstukken, zooals die betreffende den arbeidsduur voor de verschillende soorten van arbeid, de maatregelen tot beveiliging der gezondheid en tot voorkoming van ongelukken in fabrieken, de bemoeiing der overheid niet de gepaste grenzen te buiten ga, schijnt het, met het oog op het groote verschil van omstandigheden naar tijd en plaats, ten hoogste wenschelijk dergelijke vragen voor te leggen aan de commissiën, over welke Wij straks spreken zullen, of een anderen weg in te slaan waar de werklieden hun belangen kunnen vertegenwoordigd zien, naar gelang der behoeften, met medewerking en onder leiding der overheid.
Verdient de arbeider een voldoend loon om in het onderhoud van zich zeiven en van vrouw en kindereu op betamelijke wijze te voorzien, is hij daarbij verstandig en spaarzaam, (ian zal hij zijn best doen dat hij een zekere som kan ter zijde leggen om zoo zich een klein inkomen te verzekeren. Een verstandia' en spaarzaam man 32. doet dit van zelf, luisterend naar de stem zijner uatuur. Alzoo, wil men tot een natuurlijke oplossing der sociale kwestie geraken, dan moet het bezit van persoonlijk eigendom niet slechts als een onaantastbaar recht worden gehandhaafd maar de staat moet bovendien dit recht in zijn wetgeving begunstigen en maken, dat zoovelen mo-
32
gelijk er naar trachten zich eeu bescheiden kapitaal te verwerven.
33. Hieraan zullen groote voordeelen verbonden zijn; allereerst een meer billijke verdeeling der aardscho goederen. Als gevolg van de hervorming der maatschappelijke verhoudingen in de vorige eeuw zien wij in de steden twee klassen, door een diepe klove van elkander gescheiden. Aan den eenen kant de overmacht van het kapitaal, dat heel en al baas is op fabriek en handelsmarkt, en dat, wijl alle ondernemingen er op gebouwd worden en alle werkkracht er door leeft, zijn bezitters niet alleen voortdurend meer geld oplevert maar hun in staatszaken machtigen invloed verschaft. Aan den anderen kant de massa, welke de goederen van dit leven moet ontberen, daarbij verbitterd en tot wanorde1 ijkheden gezind is. Als nu eens aan deze laatste klasse het uitzicht geopend werd om door vlijt en inspanning een klein stuk grond te verwerven, dan zou tusschen beide kampen van staatsburgers langzamerhand een toenadering plaats hebben, de tegenstelling tusschen de bitterste armoede en de opgestapelde rijkdommen zou meer en
34 .meer verdwijnen. Tegelijkertijd zou de landbouw daarbij groot voordeel hebben. Het bewustzijn dat men eigen grond bebouwt, geeft meer zorg, meer liefhebberij bij den arbeid Men waardeert den akker, naarmate men meer moeite daaraan ten koste legt; men gaat hem liefhebben, wanneer men in hem de bron ziet van een bescheiden welstand voor zich zelf en zijn gezin. Het ligt voor de hand dus, hoezeer de landbouw, hoezeer het algemeen welzijn des volks daardoor bevorderd worden.
35. Als derde voordeel mag heeten de versterking van de liefde tot den geboortegrond, van de gehechtheid aan den bodem, waarop het ouderlijk huis werd gegrond, waarop men is geboren en opgevoed. Veel landverhuizers zeker, die thans in den vreemde een nieuw vaderland zoeken, zouden veel liever gebleven zijn rustig in eigen vaderland, indien daar onder stoffelijk opzicht een dragelijk bestaan voor hen ware mogelijk geweest.
De bovengenoemde voordeelen zullen, zooals duidelijk is, niet worden verkregen, wanneer de staat den onderdanen zoo hooge belastingen oplegt , dat daardoor het , afzonderlijk eigendom langzamerhand verslonden wordt.
Het recht op persoonlijk bezit, dat eeu natuurrecht is, kan de staat niet opheffen; hij kan alleen het gebruik van het eigendom regelen en dit gebruik in overeenstemming brengen met de eischen van het openbaar belang. Het druischt dan ook tegen recht en billijkheid in, als de staat zich een overgroot gedeelte van liet vermogen zijner onderdanen in den vorm van belastingen toeëigent.
36.Eindelijk kunnen en moeten ook de arbeidgevers en arbeiders medewerken tot een vredelievende oplossing van bet vraagstuk door maatregelen en hulpmiddelen, die den nood zooveel mogelijk opheffen en de eene klasse tot de andere doen toenaderen. Hiertoe behooren ver-eenigingen tot wederzijdsche ondersteuning; bizondere instellingen van hulpbetoon voor den werkman en zijn familie bij plotseling ongeval, bij ziekte en sterven; instellingen tot bescherming van het recht van kinderen, van jeugdige personen en ook volwassenen. Echter de allereerste plaats nemen de arbeidersvereenigingen in; onder haar doeleinde vallen eenigermate al de bovengenoemde instellingen. Vroeger hebben de vereenigingen van handwerkslieden en arbeiders langen tijd vruchtbaar gewerkt; niet alleen dat zij aan haar leden aanzienlijke voordeelen aanbrachten, maar zij droegen ook veel bij tot ontwikkeling van handwerk en nijverheid, gelijk de geschiedenis getuigt. In een tijd als de onze, met zijn veranderde gebruiken, kunnen natuurlijk de oude gilden niet in hun vorigen toestand weder in het leven worden geroepen. De nieuwe gebruiken, de vooruitgang van wetenschap en beschaving, de verhoogde levensbehoeften, alles stelt andere eischen. Maar liet is noodzakelijk de gildenvereenigingen onder beho'id van den ouden geest die haar bezielde, met de tegenwoordige behoeften in overeenstemming te brengen. Verblijdend is het, dat in onzen tijd telkens meer dergelijke vereenigingen in het leven treden, hetzij dan dat zij uitsluitend uit arbeiders of wel uit arbeiders en meesters bestaan; en het is wen-schelijk dat zij in tal en kracht toenemen. Wij hebben reeds herhaaldelijk van de arbeidersvereenigingen gesproken, maar thans willen Wij uitvoeriger haar voorstellen als passende aan de eischen van onzen tijd dan te gelijk aangeven wat noodig is voor haar ;
ting en het doel, hetwelk zij moeten nastr
34
37 .Als eigen krachten ontoereikend zijn, worden de men-schen van zelf aangezet om zicli met anderen te vereenigen tot wederziidsche hulp en ondersteuning. //Het is dan beter dat twee te zamen zijn, dan dat iemand alleen is, want hunne vereeniging is hun voordeelig; valt de eene, de andere helpt hem op; wee den eenzame! want als hij valt, heeft hij niemand om hem op te helpen.quot; Aldus het woord der H. Schrift. En op een andere plaats; //Een broeder die door zijn broeder geholpen wordt, is als een sterke stad.quot; 33)
Evenals deze natuurlijke trek naar gemeenschap de menschen tot samenleving in de maatschappij voert, zoo drijft hij hen ook tot de meest verschillende vereeni-gingen met andere menschen. Het zijn wel geen vol-komene maatschappijen die door zulke vereenigingen ontstaan, maar toch zijn het ware maatschappijen. Een veelvoudig onderscheid is er tusschen deze vereenigingen en den staat. Het doel van den staat omvat alle inwoners, want hij beoogt de algemeene openbare welvaart en van die vrucht mogen allen genieten; daarom juist wordt de staat genoemd de openbare maatschappij omdat daarin, gelijk de H. Thomas zegt, //de menschen zich vereenigen om een openbare gemeenschap te vormen.quot; 34) De andere vereenigingen, die in den Staat zich vormen, worden hizondere genoemd, omdat haar bedoeling is de bizondere belangen n. 1. de belangen van haar leden na te streven.
De H. Thomas zegt: «Een bizondere vereeniging is een zoodanige, die een bizonder doel beoogt, bij voorbeeld, wanneer twee of drie zich onderling verbinden tot uitoefening van een handelsbedrijf.quot; 35) Deze bizondere vereenigingen nu bestaan wel in den staat, ze maken eenigermate deel uit van den staat, maar de staat kan niet zoo maar hun bestaan verbieden.
Die vereenigingen steunen op het natuurrecht en aan het natuurrecht kan de staat niets veranderen, het is veeleer zijn roeping het te doen eerbiedigen. Verbiedt toch de staat de vorming van zulke vereenigingen, dan handelt hij tegen zich zei ven, want ook hij zelf, even goed als de bizondere vereenigingen, is ontstaan louter uit de natuurlijke aandrift der menschen tot wederzijd-sche vereeniging.
35
Zeker, er zijn gevallen, waarin de Staat ten volle in zijn recht is om vereenigingen tegen te gaan, b. v. als zij bedoelingen hebben, die openlijk tegen recht en zedelijkheid of tegen de algemeene welvaart gericht zijn. Zoodanige vereenigingen kan de staat verhinderen of ontbinden; niettemin is hij ten strengste verplicht, zich van alle manier van ingrijpen in de rechten der onderdanen te onthouden. Onder voorwendsel van de noodige bescherming der algemeene belangen mag de staat niet tot maatregelen overgaan, die eenigerlei ongerechtigheid bevatten. Want wetten en verordeningen van den staat mogen slechts op gehoorzaamheid aanspraak maken, voor zoover zij met de wijsheid en derhalve ook met de eeuwige wetten Gods in overeenstemming zijn. 38)
Wij hebben hier op 't oog de veelvuldige genootschappen, vereenigingen en geestelijke Orden, die vroeger op den bodem der Kerk ontstaan zijn, stichtingen der Kerk, voortgekomen uit den vromen zin barer kinderen. Om haar goede doeleinden reeds hebben zij recht van bestaan. Maar voor zoover zij van godsdien-stigen aard zijn, heeft niemand anders dan de Kerk over haar te beschikken. De regeeringen bezitten over haar geenerlei rechten en zijn in het bizonder ook niet gemachtigd het uitwendig beheer daarover aan zich te trekken. Zij zijn integendeel aan deze instellingen achting en bescherming verschuldigd, zij zijn verplicht voor haar tusschenbeide te treden, als onrecht moet worden afgeweerd. Wij hebben in den laatsten tijd evenwel, helaas, heel andere dingen zien gebeuren. Op vele plaatsen is de overheid van den staat met onrechtvaardige, krenkende maatregelen tegen haar opgetreden. De vrijheid dier instellingen heeft zij door hatelijke wetsbepalingen belemmerd, de waardigheid en de rechten van een rechtspersoon van haar afgenomen, haar boosaardig van haar bezittingen beroofd Op die bezittingen evenwel bezat niet alleen de Kerk onbetwistbare rechten maar ook bezaten die de stichters en weldoeners, welke hun bijdragen voor deze vrome instellingen bestemd laadden, en eindelijk degenen om wier wille die stichtingen waren in het leven geroepen. Weshalve Wij ons niet kunnen weerhouden tegen deze onrechtvaardige en verderfelijke beroovingen protest in te brengen. Wij
36
moeten hierbij vooral liet treurige verschijnsel laten uitkomen, dat aan rustige en alleszins nuttige vereeni gingen van Katholieke mannen de oorlog wordt verklaard op hetzelfde tijdstip, waarop men verkondigt dat vrijheid van vereeniging een allemans goed is, en waarop het gebruik van die vrijheid in den wijdsten omvang wordt toegestaan aan vereenigingen, die den godsdienst vijandiggezind en voor den staat gevaarlijk zijn.
De meest niteenloopende genootschappen en vereenigingen treden in onzen tijd vooral onder de arbeiders in veel grooter getal op dan vroeger. Waaraan velen haar oorsprong danken, waar zij heen willen, op welken weg zij zich bewegen, hebben Wij hier niet na te gaan. Maar Wij moeten laten uitkomen wat men algemeen zegt en door feiten vast staat, .dat n. 1. zeer velen dezer vereenigingen luisteren naar eenzelfde geheime leiding, en ingericht zijn op een wijze, die niet strookt met het welzijn van Kerk en staat; dat zij het er op toeleggen alleen en uitsluitend het recht van arbeid in handen te krijgen en zoo de werklieden, die als mannen van karakter niet willen toetreden, in ongelegenheid en ellende te brengen.
1. Zoo staan christelijk gezinde werklieden voor de keus óf lid te worden van bonden, die hun godsdienst in gevaar brengen, óf wel van hun kant eigen vereenigingen te grondvesten, ten einde met vereende krachten tegen het verderfelijk onderdrukkingsstelsel den strijd aan te binden. Dit laatste zal iedereen, die niet de hoogste goederen op liet spel wil gezet zien, als passend en wenschelijk aannemen.
Vele Katholieke mannen, zich bewust van de eischen des tijds, houden zich bezig met de studie der sociale vraagstukken, en den hoogsten lof verdienen zij voor de toewijding, waarmede zij de middelen opsporen en en beproeven, waardoor de lagere standen langzimer-hand in beteren toestand kunnen gebracht worden. Wij zien hoe zij zich den drnkkenden last en het geldgebrek zoowel van huisgezinnen als van bizondere personen aantrekken. In de wederzijdsche verhoudingen tusschen werkgever en arbeider trachten zij billijkheid en rechtvaardigheid te brengen. Op loffelijke wijze pogen zij bij beiden het gevoel van plicht en onderwerping aan
â 37
de voorschriften van het H Evangelie te versterken; immers deze goddelijke voorschriften zijn het, die met machtigen invloed de genotzucht en onmatigheid in-toomen en tusschen alle standen der maatschappij, hoe ongelijk ook, een rustig evenwicht doen bestaan. Voortreffelijke mannen kwamen bij elkander om te beraadslagen over de belangen der werklieden, en de voorkomende moeielijke vraagstukken op huishoudelijk gebied een schrede nader tot hun oplossing te brengen. Elders streeft men er naar â en het is te prijzen â om ambachtslieden en arbeiders in vereenigingen onderling te verbinden, hen met raad en daad te steuueu, ten einde hun vast en behoorlijk werk te verzekeren. De bisschoppen bevorderen deze beweging en steunen haar door hun gezag. Namens de bisschoppen nemen uitmuntende leden der wereldlijke en ordes-geestelijkheid deel aan de leiding der vereenigingen, wat haar godsdienstige zijde betreft. Het ontbreekt ook niet aan bemiddelde Katholieken, die zich grootmoedig tot begunstigers en deelgenooten van den arbeidsstand maken en voor de vestiging en uitbreiding der vereenigingen aanzienlijke geldmiddelen verschaffen. Zij verzekeren daardoor den arbeider, die deelgenoot wordt, eeu geregeld en toereikend onderhoud ja zelfs stellen zij hem in staat een klein sommetje voor den ouden dag af te zonderen, waardoor hij van zorgen ontheven wordt. Het behoeft niet gezegd hoeveel nut reeds tot heden gesticht is door deze veelzijdige en ijverige bemoeiing. Het verleden ziende verwachten Wi j het beste van de toekomst, als overigens deze vereenigingen in getal toenemen en als zij wijselijk worden ingericht. De staat moet bescherming leenen aan die vereenigingen maar niet in haar inwendige zaken ingrijpen: aanvallen van buiten verstoren zoo lichtelijk eeu leven, dat een eigen beginsel tot grondslag heeft.
Omzichtigheid en wijsheid zijn onmisbaar tot onderhoud der noodzakelijke inwendige eenheid en vrede. Als bijgevolg de staatsbuiger â wat werkelijk het geval is â recht heeft van vereeniging, moeten die vereenigingen ook ongehinderd haar voorschriften en bepalingen overeenkomstig haar doeleinden kunnen vaststellen.
â¢38
Het is onmoijeliik eeu voor allen geldenden vorm aan 39 .te geven, hoe de bedoelde vereenigingen moeten ingericht worden. Dit hangt te veel af' van het volkskarakter, van de bevindingen, van de uitbreiding des handels , van den aard en de bloei der verschillende ambachten en nog van veel andere omstandigheden, die in aanmerking moeten komen. Vóór alles komt het bi] de vestiging en leiding dezer vereenigingen er op aan, haar doel in 't oog te houden, en aan dat doel haar regels en haar werkzaamheid dienstbaar te maken. Dat doel is de verheffing en bevordering van den lichamelijken en geestelijken toestand van den werkman. De godsdienst moet der vereeniging tot ! rondslag van haar regelen strekken. De godsdienstige gezindheid harer leden; ziedaar het voornaamste doel; haar geheele inrichting dus moet van het christelijk geloof zijn doortrokken. Anders zou de vereeniging weldra haar eerste en voornaamste kenmerk verliezen, zij zou op gelijke lijn komen te staan met zoodanige bonden, die den godsdienst buiten hun kring sluiten.
Maar wat baat het den arbeider, al heeft hij wat zijn tijdelijke welvaart betreft nog zooveel voordeel uit de vereeniging getrokken, als hij uit gebrek aan geestelijk voedsel in gevaar komt ? // Wat baat het den mensch, als hij de gansche wereld wint maar schade lijdt aan zijn ziel?quot; â¢quot;).
Christus de Heer heeft een onderscheidend kenteeken tusschen heiden en christen aangewezen, als Hij zeide. //Dit alles zoeken de heidenen. Zoekt eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u toegeworpen wordenquot;. Aangezien nu deze vereenigingen het Rijks Gods tot hoogste deel nemen, moeten zij er op bedacht zijn, het godsdienstig onderricht der werklieden te bevorderen. Onwetendheid in punten des ge-loofs, de toenemende onbekeTidheid met de plichten jegens God en de naasten moeten door passend onderricht verholpen worden. Men zorge er voor, de dwalingen des tijds en de drogredenen van de vijanden des geloofs duidelijk uiteen te leggen, de aanlokselen der verleiding aan te wijzen en er voor te waarschuwen. Men wekke bij de leden der vereeniging achting op voor vroomheid en godsvrucht. Vooral bewege men hen om Zon-en feest-
39
dagen getrouw te vieren. Men leere den arbeider de Kerk Gods, als algemeene moeder eeren en liefhebben, haar geboden opvolgen, de genademiddelen harer Secra-menten, die de zielen door den goddelijken adem reinigen en met deugden verrijken, zich op waardige wi jze ten nutte te maken.
Heeft de werklieden-vereeniging den godsdienst ten grondslag genomen, dan is daardoor reeds aangewezen hoe de wederzijdsche verhouding der leden moet zijn. Geen al te groote afstand moet er bestaan tusschen de personen : dit zou de samenwerking verstoren; en daarom moeten de bestuursposten verdeeld zijn Alle klachten omtrent verongelijking der leden moeten voorkomen worden door een klare en bevattelijke bepaling van den kring der werkzaamheden. De gemeenschappelijke kas moet eerlijk beheerd worden. De ondersteuning die aan ieder in bepaalde gevallen toekomt bepale men overeenkomstig de ware behoeften.
Hoofddoel is altijd de overeenstemming tusschen arbeiders en werkgevers met betrekking tot rechten en plichten. Om de wederzijdsche bezwaren uit den weg te ruimen, behooren commissiën te worden gevormd uit mannen van ervaring en onbesproken gedrag, met het recht van beslissende uitspraak. Weuschelijk zou het zijn, dat dit scheidsgerecht zoowel uit arbeiders als werkgevers bestond en dat de leden krachtens de statuten verplicht waren zich tot hen te wenden. Verder moet liet hoofdzaak zijn te zorgen dat het den leden nooit aan werk ontbreke, en dat bi j gebrek aan werk of ziekte of hoogen leeftijd of bij noodlottige voorvallen den arbeider uit een gemeenschappelijke kas ondersteuning geworde. Voor zooverre met deze beschouwingen rekening wordt gehouden, zal ongetwijfeld veel tot wegneming der grieven, tenminste der drukkendste, werden bijgedragen, en zullen ongetwijfeld de Katholieke arbeidersvereenigingen als een krachtige hefboom tot bevordering van de algemeene welvaart kunneu strekken. Het verleden schenkt in menig opzicht ook op ons gebied een blik in de toekomst. Soms met bewonderenswaardige eenvormigheid herhalen zich bij elke wisseling van tijden en volken dezelfde verschijnselen, omdat 's werelds loop afhangt van de Goddelijke Voorzienigheid, die volgens haar eeuwig raads-
40
besluit alles naar liet hoogste doel richt en daaraan dienstbaar maakt.
Bekend is het, dat in de eerste eeuwen aan het Christendom werd verweten, dat zijn aanhangers meestal slechts arme lieden waren, die van handenarbeid leefden. Toch hebben die arme, die verachte lieden langzamerhand de gunst gewonnen der rijken en machtigen. Zij toonden aan de wereld het schouwspel van arbeidzaamheid, vredelievendheid, rechtschapenheid en broederlijke liefde.
Tegenover dit sprekend getuigenis van hun levenswandel weken de vooroordeel en, verstomden de hatelijke klachten, en het heidensche ongeloof moest verzinken voor het uitstralend licht der christelijke waarheid.
Thans is het arbeidersvraagstuk het onderwerp van een groeten strijd.
De Staat heeft er belang bij, dat deze strijd op vreedzame, eerlijke wijze worde opgelost. Het vraagstuk echter zal van den kant der christelijk gezinde arbeiders de gewenschte oplossing erlangen, wanneer zij in goedgeregelde vereenigingen en onder verstandige leiding denzelfden weg inslaan, dien de Christenen in de eerste eeuwen tesfenover de overmatige heidensche
cr o
wereld tot hun eigen heil en dat der maatschappij bewandeld hebben. Want hoe sterk ook de macht zij van vooroordeel en hartstocht, toch zal overal, waar niet een bedorven wil het gevoel voor recht en waarheid vernietigd heeft, de volksgunst zich verklaren voor mannen, die ijver, matiging en tucht voorstaan; men zal partij trekken voor arbeiders, die billijkheid en recht stellen boven het gewin, en ernstige plichtsvervulling boven dwaze vooruitzichten.
Het vestigen van deze arbeidersvereenigingen zou ook ten goede komen aan en den terugkeer tot betere gevoelens vergemakkelijken van zoodanige arbeiders, die geloof en zedelijkheid verloren hebben. Zij gevoelen meestal zelf hoe meedoogenloos zij door geldzuchtige meesters behandeld worden, dat zij slechts worden geschat naar het voordeel, dat zij aanbrengen. Het is hun niet onbekend dat in de bonden waarbij zij zich aansloten in plaats van liefde slechts tweedracht heerscht, die ten allen tijde het gevolg is van armoede zonder geweten en zonder geloof. Hoevelen van die on-
41
gelukkigen, naar lichaam en ziel gebroken, die zulk een vernederenden slavendienst zouden willen ontvluchten , maar zij hebben er den moed niet toe, wijl schaamte of vrees voor volslagen armoede hen terug houdt. Aan al deze nu kunnen de Katholieke arbeiders-vereenigingen grooten dienst bewijzen, als zij namelijk de wankelenden, na wegneming der hindernissen, in hun midden opnemen, en hun, die rouwmoedig terugkeeren, ondersteuning en broederliike deelneming aanbieden.
40.In het bovenstaande hebben Wij Ã, Eerwaardige Broeders, aangetoond wie tot oplossing der belangrijke sociale vragen geroepen is en hoe de medewerking met hen moet worden ingericht.
Moge ieder, die geroepen is, de hand aan het werk slaan, en wel onverwijld, opdat het herstel van het kwaad, dat reeds ontzaglijke verhoudingen heeft aangenomen, niet door verzuim nog meer bemoeilijkt worde. Dat de Regeeringen door wetten en verordeningen voorgaan ; dat de arbeiders, wier lot het geldt, op wettelijke wijze hun belangen bevorderen. En aangezien, zooals Wij in den aanvang zeiden, de godsdienst alleen in -taat is afdoende inwendige verbeteringen in de wanverhoudingen te brengen, behoort zich telkens verder de overtuiging uit te breiden, dat het boven alles aankomt op de herleving der christelijke gezindheid en zeden, zonder welke alle maatregelen, hoe wijs en veelbelovend ook, niets vermogen voor het ware heil. Wat evenwel de Kerk aangaat, zij zal het geen oogenblik aan haar alzijdige hulp laten ontbreken.
Haar werkzaamheid zal toenemen naarmate haar groo-tere vrijheid van beweging wordt gelaten. Moge dit in overweging blijven vooral bij hen, aan wier handen het heil der staten is toevertrouwd! Mogen alle priesters hun volle kracht en al hun ijver voor dit doel aanwenden , onder uw leiding en naar uw voorbeeld, Eerwaardige Broeders, onvermoeid de grondslagen van het heilig Evangelie aan alle standen voorhouden en inscher-jjeii, met alle hun ten dienste staande middelen aan de welvaart des volks arbeiden, bovenal echter de liefde, de meesteres en koningin van alle deugden, in zichzel-ven bewaren en in anderen, aanzienlijken en armen, aankweeken. Het heil is vooral van de volle werk-
42
zaamlieid der liefde te verwachten, van die christelijke liefde namelijk, welke liet kort begrip der christelijke geboden is en altijd gereed staat zich-zelve voor het lieil van den evenmensch op te ofl'eren, het sterkst werkend geneesmiddel tegen den hoogmoed en de zelfzucht der wereld; de liefde, welker goddelijk beeld en werking de apostel Paulus heeft gekenmerkt met de woorden: //De liefde is geduldig, zij is goedertieren; zij zoekt zich-zelve niet, zij lijdt alles, zij verdraagt
alles.quot;
Als onderpand van den goddelijken zegen en als bewijs van Onze welwillendheid schenken Wij, Eerwaarde Broeders, aan U, aan uwe geestelijkheid en uw volk in liefde den apostolischen zegen.
Gegeven te Rome bij St. Pieter, op den 17. Mei 1891, in het veertiende jaar van ons Pausschap.
LEO XIII, Paus.
Imprimatur.
|
IJmuiden, die 14 Junü 1891. |
H. J. BORGHOLS. Libr. Gens. |
CT'
W w , 'hJ i s i. _ 1 J
V.
' t Deut. V, 21.
Gen. I, 28.
quot;) S. ïhom. II-II. Quaest. X, art. XII.
Gen. Ill, 17.
5' Jac. V, 4.
G) II ad Tim. II, 12.
'i II Cor. IV, 17.
quot;! Matth. XIX, 23-24.
quot;I Luc. VI, 24-25.
'quot;i II-II Quaest. LXVI, a. II.
II-IT Quaest. LXV, a. II.
I:) II-II Quaest. XXXII, a. VI.
quot;) Luc. XI, 41.
quot;â ) Actor. XX, 35.
^ Matth. XXV, 40.
10) S. Greg. Magn. in Evang. Hom. IX, n. 7.
quot;i II Corinth. VIII, 9.
quot;) Marc. VI, 3.
10) Matth. V, 3.
'quot;l Matth. XI, 28.
21) Eom. VIII, 17.
V) Tim. VI, 10.
2:1 * Act. VI, 34.
quot;) Apol. II, XXXIX.
25) II-II Quaest., LXI, a., I ad. 2.
'e) S. Thom., De reg. Princip. I. c. XV.
quot;) Gen. I, 28.
Rom. X, 12.
â â¢quot;quot;l Exod. XX, 8.
30) Gen. II, 2.
31) Gen. III, 19.
quot;) Eccl. IV, 9-12.
quot;) Prov. XVIII, 19.
^_ S. Thom. Contra impuynantes Dei cultum et religionem, cap. II.
3B) S. Thom. Summ. Theol. I-II, Quaest. XIII, a. III.
quot;) Matth. XVI, 26.
30) Matth. VI, 32, 33.
3°) I Corinth. XIII, 4-7.