DIALECT BIBLIOTHEEK I.
WOORD.CX BOEK
VAN i 1 ET
GfMMa-öïïlIJSIffl Mlltt
DOOT?
Prof. Dr. J. H. GALLÃE.
,* * â V'4- f-t
fS3i------~:~ t ]
Ge â¢
quot;ftflTS--
et- â¢
E-fer.; : ;.:y- , ⢠⢠.â ,
I quot;iii f locgfjt | à rr üVaKr. W:
Deventer. H. P. TER BRAAK.
f 2.50.
nederl.
leeszaal
D 18
Tb CXGAL
DIALECT-BIBLIOTHEEK I.
WOORDENBOEK
VAN HET
GELMM-ömiJlü ura
DOOK
Prof. Dr. J. H. GALLÃE.
cilULIOT HEEK. DEh 'SJJKRUNIVEPSITEIT UTRECHT.
Deventer. H. P. TER BRAAK.
VOORWOORD.
In de laatste jaren van mijn studententijd begonnen en thans, na meer dan twintig jaren van dikwijls onderbroken verzamelen, in het licht gegeven, zal dit boekje waarschijnlijk de sporen van deze langzame wijze van verzameling en van bewerking dragen; menig woord toch, dat in mijne jongensjaren â gank en gave quot; was, zal men in het volksgebruik slechts zelden meer aantreffen; van enkele dier thans verdwenen woorden heb ik door mijne onervarenheid niet nauwkeurig genoeg geslacht of vorm opgeteekend. Ik heb lang gewacht met mijn woordenboekje te geven, vooreerst omdat telkenmale, dat ik in het oosten van ons land rondzwierf, mijne lijst nog weer met eeu woord of een vorm verrijkt werd, en omdat ik steeds van plan was mijne verzameling dialectische uitdrukkingen bij de woorden nog te vermeerderen door spreekwoorden te verzamelen.
Zoo had ik het zeker nog langer onder mijne eigene hoede gehouden, hadden niet sommige mijner vrienden aan de eene zijde eenigen drang uitgeoefend, terwijl aan de andere zijde een man , van geboorte een Gelderschman, met een warm hart voor zijn geboortegrond, mij herhaaldelijk den wensch uitdrukte om naast een groot Nederlandsch Woordenboek en een Etymologisch Woordenboek ook nog een, was het ook klein, Geldersch-Overijselscli Woordenboek uit te geven. Aan dien drang heb ik in den vorigen zomer gehoor gegeven. Doch het was Martinus Nijhoff niet vergund meer dan eenige vellen van mijn werk in druk te zien. Uit zijn volle werkzaamheid nog werd de man weggenomen, wiens naam lang onder de Nederlandsche taalvorschers in eere zal blijven om de groote werken, die onder zijne zorgen het licht hebben gezien.
s^iBUOTn-EE lt; L)EH 0 1 RECHT.
VOORWOORD.
IV
Ik mag echter dit boekje niet laten verschijnen zonder een woord van dank aan diegenen in Gelderland, Salland en Twenthe, die mij door woord en daad behulpzaam geweest zijn bij het verzamelen van den woordenschat. Ik noem hierbij in de eerste plaats de HEI. Postel, oud-hoofd der school te Laren (G.), Dr. A. J. Kronenberg te Deventer; den heer Paschen te Winterswijk, den heer L. Lazondee te Enschedé, Mr. Hattink te Almelo; verder waren mij behulpzaam de HH. J. Bieleman , hoofd der school te Vorden, J. Klokman uit Keppel, G. Overdijking , thans directeur der Koningschool te Apeldoorn, e. a. Voor de bepaling der klanken heb ik veel te danken aan de hulp van Mej. A. Fles, Dr. H. Zwaaedemaker en Dr. H. Sweet.
G.
INLEIDING.
Het dialect, welka woordenschat ik hier voor een groot deel heb opgeteekend, is dat hetwelk, met kleine locale wijzigingen, gesproken wordt in de streek, welke ten oosten ligt eener lijn, die van Noord-Overijsel ongeveer langs Dalfsen en Windesheim, over den IJsel, bij Heerde en Apeldoorn langs, bij Gorsel weder over den Usel en verder in zuidoostelijke richting tusschen Vorden en Warns-veld, langs Wichmond, Hummelo op Keppel loopt en zich daarna langs den ouden IJsel 1) oostelijk buigt in de richting van Bokholt.
Eene dialectische onderverdeeling ia te maken voor de streken oostelijk van Groenlo en Gtoor. De streek van Winterswijk verschilt eenigszins in uitspraak, maar minder dan die beoosten Delden, het landschap Twenthe (uitgezonderd Vriezenveen) omvattend. De afwijkende woorden van dit dialect heb ik in een aanhangsel medegedeeld voor zoover het mij gelukken mocht dezemet vriendelijke hulp van anderen op te teekenen ol'persoonlijk waar te nemen. Als hoofdpunt van uitgang heb ik echter genomen dat dialect, hetwelk ik zelf spreek. Aanvankelijk ben ik begonnen op te teekenen in de onmiddelijke nabijheid mijner geboorteplaats Vorden, langzamerhand heb ik den kring uitgebreid, de westelijke grenzen bepaald van het dialect en vervolgens heb ik in onderscheidene plaatsen, ten oosten hiervan gelegen een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de klanken en woorden daar in gebruik.
ik heb mij bij mijn nasporingen vooral gericht tot de buiten de dorpen wonende boeren; bij hen toch is de taal â niettegenstaande het op school geleerde hollandsch â veel beter bewaard dan in de centra der dorpen, waar door van elders ingekomen bewoners aan â¢de oude taal meer afbreuk gedaan is dan door de volksschool.
1) Ãe streek westelijk en zuidwestelijk van den ouden IJsel heeft reeds de fran-kische llectie, Keppel is nog Saksisch, Weel (Wél) is frankisch, westelijk bij Ter-borgh is het eveneens frankisch.
INLEIDING.
Hoe goed het dialect ook in veel opzichten bewaard ia, toch zijn er enkele punten, waarin door den invloed van andere dialecten en van de schooltaal wijziging gebracht is, al wordt deze laatste niet overgenomen. Zoo is o. a. de sk-klank in skool, skoon e. a. reeds meer en meer tot afgelegen hoeken, die weinig met de wereld in aanraking komen, teruggedrongen. Noemde Kern in 1865 nog de sk als voor nederl. sch in de omstreken van Groenlo in gebruik, het mocht mij slechts nu en dan, vooral bij oude boeren, in de meer westelijke streken, gelukken deze sk te hooren. De eene plaats verschilt echter in dezen van andere. Ook ten opzichte van de ü valt iets dergelijks te constateeren. Om Vorden en meer plaatsen in het westen spreekt de jongere boer wat de oudste boeren nog«liüs » noemen thans geregeld als «hüs» uit. Meer oostelijk in de afgelegen broek-en heidegronden blijft de u nog meer bewaard. Uit dit oogpunt zou het aanbeveling verdienen naar het dialect van enkele dezer meer afgelegen plaatsen, z. a. bv. van Beltrum, een afzonderlijk grammatisch onderzoek in te stellen.
Over het algemeen zal voor grammatisch onderzoek het onder-zoekingsgebied aanmerkelijk kleiner moeten genomen worden, dan waar dit het lexicologisch onderzoek betreft. De verschillen in dialect tusschen de dorpen en het omliggende land zijn meestal minder in den woordenschat gelegen, dan wel in sommige fijne nuanceeringen van verschillende klanken. Wanneer ik in de volgende bladen eene phonetische en grammaticale bepaling van het dialect heb trachten te geven, dan is dit niet geschied om de verschillende klanken voor de onderscheidene plaatsen met volkomen phonetische nauwkeurigheid te bepalen in al de kleine nuances, die waargenomen kunnen worden, noch om al de grammaticale eigenaardigheden op te geven, die bovendien op de eene plaats in onderdeelen verschillen bij die op eene andere, maar om de punten van overeenkomst dezer dialecten te doen uitkomen, en tevens het verschil tegenover de nederlandsche taal en tegenover de hollandsche dialecten aan te geven. Eene phonetisch-grammatische beschrijving hoop ik later in de dialectgrammaticas van Dr. O. Bremer te kunnen geven.
Nadat het eerste gedeelte afgedrukt was heb ik dit nog eens aan verschillende personen gezonden, die met het dialect vertrouwd zijn, daarna ben ik persoonlijk in deze streken wederom rondgegaan om te hooren, welke woorden ik had overgeslagen. Op dezen tocht heb ik zelf vele woorden bij mijne lijst kunnen voegen, maar meer nog heb ik er te danken aan de welwillende hulp van Dr. Gartier van Dissel, wiens groote kennis van het dialect mij vooral bij de bepaling der plantnamen van nut geweest is.
VI
INLEIDING.
Hierdoor werd het echter noodig de liist van toevoegsels en verbeteringen grooter te maken dan ik mij had voorgesteld.
Dat de woordenschat nog voor vermeerdering vatbaar is wil ik gaarne aannemen. Alle woorden, die zonder verschil methetneder-landsch voorkomen,, kon ik niet opnemen; toch meende ik diegene te moeten vermelden die, al komen zij ook in de nederlandsche taal geliikluidend voor, om ander geslacht of om de uitspraak van den klinker mij vermeldenswaard schenen. Die woorden, welke in Franck's Etymologisch Woordenboek behandeld zijn en ook in dit dialect voorkomen, heb ik zooveel mogelijk opgenomen. Samenstellingen met voorvoegsels enz. heb ik grootendeels moeten ter zijde laten om het boekje niet de perken te laten overschrijden.
VII
Korte beschrijving der klanken en taalvormen.
Algemeen karakter.
§ 1. Kenmerkend voor het gobeclo dialect, dat een zoogenaamd Saksisch karakter heeft, is, zoowel wat het oostelijk als wat het westelijk gedeelte betreft, de weinige energie in de uitspraak, vooral uitkomende in de zwakke beweging der onderkaak. Aan deze zwakke beweging der onderkaak paart zich eene sterk passieve lippenbeweging en slappe tongarticulatie. 1)
Alleen bij de korte en verlengde a heeft eene sterkere opening der mondholte plaats. In nauw verband met de weinige opening der mondholte en de passieve lippenbeweging staat dat klinkers die in sommige andere dialecten met ronde lipopening gevormd worden, hier met halfronde opening voorkomen. 2)
Daar de uvnla en het velum bij vele klinkers niet sterk tegen den achterwand der pharynx zijn opgetrokken, is er bij bepaalde klinkers, z. a. bij e, doch niet bij a. die niet door nasaal gevolgd wordt, eene nasale resonantie waar te nemen. Voor oen nasaal is elke vocaal eenigszins genasaleerd; in het oosten sterker dan in het westen, waarhij zich tevens eenige rekking dei a voordoet (a). Waar vóór de n en m eene toonlooze klinker staat, is de klinker geheel in den nasaaltoon opgegaan en de nasaal tot sonans geworden. Ditzelfde is het geval met toonlooze klinker vóór r en 1.
Voor nasaal -f- consonant wordt vooral in het oostelijk gedeelte de vocaal verlengd; in het westelijk deel is dit niet zoo sterk het geval. z. § 48.
De toonshoogte is alleen wat a en u betreft hooger dan in het nederlandsch, overigens komt zij mij over het geheel iets lager voor.
1) Deze slappe tongarticulatie is ook bij r en 1 merkbaar Veel jonge kinderen spreken dan ook r en 1 onvolkomen uit. De ongerolde r wordt niet zelden gehoord evenals in de plaats van 1 dikwijls een w-klank gebruikt wordt (geen volkomen W).
2) De benaming liaif-rouilcl is door Sweet niet gebruikt, ik heh hiermede aan willen duiden de vormen door S. in Primer of Phonetics § 41 en 45 besproken ; voor de benamingen in het ndl, vgl. ook P. Roorda, De Klankleer (1889) § '27 e. v.
KORTE IIESCIIKIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
Klinkers.
§ 2. a in gesloten lettergreep heeft Je uitspraak van noderl. a, maar de toon is iets hooger. (Sweet: tusschen mid-back-wide en low-front-wide). Ook voor n cons, komt rekking van a voor; deze is echter oostelijk van Groenlo, Delden sterker dan in het westelijk gedeelte, z. § 47.
Vóór r wordt a in do meeste woorden, ook waar a uit e of ontstond, eenigszins sleepend uitgesproken bv. arm, karke, wark, margen.
Aanm. In Twenthe is e vóór r niet in a overgegaan. De rekking van a voor r en n is hier sterker dan meer westelijk. In Twenthe klinkt hv. antwoord als antwoord.
^ 3. a in open lettergreep heeft denzelfden klank als aa in gesloten lettergreep, d. i. een langeren klank dan de a in de vorige paragraaf genoemd (Sweet: mid-back-wide). Beide klanken hebben een helderder klank dan in de llollandsche dialecten; er zijn meer boventonen in hoorbaar.
Vonr n wordt over het algemeen a niet of weinig genasaleerd. (Over umlaut van a zie bij O.)
§ 't. ao (uit a ontstaan 1) is een dichter hij het volnm resoneerende klank, overeenkomende met a in eng. war. Deze klank is een overgang van de a-klanken tot de o-klanken. Hij komt dicht bij de rekking van ó (bv. in kaolen of kolen mv. van kaole of köle (carbo); z. § 12. (ao uit a is Sweet: low-back-narrow-half-round, terwijl ao uit ö low-back-narrow-round is.)
§ 5. Umlaut van a en van ao (uit 3). De umlaut van a is è, in woorden als mèjen, wèjen, zèjen z. § 7, é in schéper (schaapherder), schére. Umlaut van ao is ao. Deze klank nadert den klank van umlaut van ö, hij is echter langer en de mond is iets meer geopend. (Sweet: mid-front-wide-round). De meeste overeenkomst heeft de klank van oeu in fr. coeur, soeur.
§ 0. e (zoowel oud-germ. e, als umlants-e uit a). Deze e komt kort en gerokt voor. De korte e is aangeduid door het teeken e; zij komt in klank overeen met den korten klank der e in nederl. weg. (Sweet: low-front- narrow). Deze eis niet zonder resonantie der neusholte in het Geldersch-Overijselsch. 2)
Aanm. 1. In eindlettergrepen is de open e zeer kort. Voor nasalen en consonanten in eindlettergrepen is zij zoo kort, dat zij nauwelijks hoorbaar is, terwijl alle kracht op den volgenden consonant valt (juist het tegenovergestelde van de hollandsche dialecten).
Aanm. 2. In Twenthe nadert de e in een-lettergrepige woorden, niet voor r, 1, of nasal consonant staande, tot i. (Sweet: high-front-wide-lowered).
1) Deze S is oud-germ. amp; en een vroeg uit a gerekte a, z. a. board, Tw. kaorte, e. a.
2) Ook waar geen dubbelconsor.ant op deze e volgt is de e aldus uit te spreken. Ik heb niet als m het Nederlandsch dubbel-consonant gebezigd om korte e aan te duiden.
X
KORTE BESCHRIJVING DER KLANKEN KN TAALVORMEN.
Aanm. 3. In Twenthe wordt e voor r tot è verlengd, voor 1 en n cons, tot èi; èrven, èrg, èinde, fèil, z. § i7.
§ 7. De gerokte klank der vorige e wordt uitgedrukt door è. Deze koml vooral voor vóór r, 1, V, z, g en d. üok de oudere umlautsvormen van a hebben deze è. (Sweet: low-front-wida-long.)
Aanm. In Twenthe nadert deze è meer tot de a. (Sweet; mid-front-wide-long.)
Zoowel onder e als è zijn 0-klanken door i-umlaut uit a ontstaan. Na deze um-lauts-e meende ik dikwijls een korten onduidelijken klank te hooren; ook zag ik dikwijls tusschen deze e en den volgenden consonant eene beweging van den mondhoek, die ik niet waarnam tusschen anderee-klanken en een volgenden consonant. 1)
§ 8. é duidt een lange zeer nauwe e aan. Deze komfalleen lang voor en klinkt als fr. è in été. In gesloten lettergreep is voor dezen klank ce gebruikt. (Sweet: mid-front-narrow.)
§ 9. i is de korte open i, welke ook in liet Nederlandsch gehoord wordt. De uitspraak is ongeveer als die dei y in engl. pity, en houdt het midden tusschen deze y en de e in engl. men (Sweet: high-front-wide-lowered.)
Aanm. In Twenthe is de i in monosyllaba als snit, pit enz. nagenoeg gelijk aan de e in pen, zet (Sweet: mid-front-wide doch iets hooger.) Voor n cons, nadert de klank meer de ei: vinden, blind; z. § 47.
§ 10. 1 is eene gesloten lange i, in uitspraak overeenkomende met i in fr. si. In holl. dialecten komt zij het meest overeen met ie iu nier. (Sweut: high-front-narrow.)
Aanm. 1. In het westelijk gedeelte van dit dialect ontwikkelt zich na 1, die op het einde komt, als in mi, een j-klank, waarbij dan verkorting der ï tot i plaats kan hebben.
Aanm. '2. Verkorting der i heeft plaats in de 3 pers. prs. ind. van de ww. der der i-reeks, waar 1 voor dubbelconsonaut kwam door syncope van de vocaal van den uitgang: bi tit gt; bitt gt; bitt gt; bit.
§ 11. o (oud-germ. u). De O heeft zich, zooals de verschillende umlaut bewijst, reeds zeer vroeg gescheiden in twee verschillende klanken: O en ö.
O is de korte gesloten O. Deze heelt de korte uitspraak van de O in fr. non, nederl. dom. (Sweet: mid-back-narrow-half-round.)
Aanm. In Twenthe wordt vóór n de O bijna tot ou: hónd, pond dronk, wónde; z. § '27.
XI
§ 12. ó is de lange gesloten O in open lettergreep. In gesloten lettergreep is hiervoor in sommige woorden OO gebruikt; deze nadert de OO uit au, maar is hiervan duidelijk te onderscheiden, z. § 27.
1) Kern heeft Ts. ML. 9, HG hetzelfde opgemerkt. In de woordenlijst heb ik dit verschil niet aangegeven.
XII KORTK BESCHRIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
ó komt in klank overeen met nedeil. O in loven, Ir. O in rose. (Sweet: mid-back-narrow-round.) Zij is echter niet zoo sterk gerond als de fransche ofduitsche O.
§ 13. ö is eene korte open O, overeenkomende met o in nederl. bod, pot, ital dotto, eenigszins als o in engl. froth, l'r. sol. (Sweet: mid-back-narrow-half round)
Wordt deze klank verlengd (vooral vóór v, g en 1), dan nadert liij ao (§ 4), maar verschilt er toch nog van. In Sweets terminologie zou ik het aanduiden als low-baek-narrow-round, de ronding is echter niet sterk.
Aanm. I. Door de nadering dezer ö tot ao is zij dikwijls met ao voor a verward. Hieraan is de in vorige eeuwen zoo veelvuldige schrijfwijze van a voor ö toe te schrijven.
Aanm. '2. In Twenthe wordt ö vóór 1 tot ou: hoult. gould; ten naastenbij de uitspraak van OW in engl. cow; z. § 47.
§ li De umlaut dor gesloten ó (en oo) is ö (over umlautsvormen, die naast korte gesloten o staan, z. § l'J ü); vgl. § '27.
à liceft den klank van nederl. eu in beul. hoogd. ö in böse, fr. eu in feu. (Sweet: mid-front-narrow-round of halfround?)
§ 15. De umlaut van korte open ö is b.
De klank van b is ongeveer gelijk aan dien van hoogd. ö in wölben, kopfe. (Sweet: mid-front-wide-halfround) Bij rekking nadert zij de eu van fr, peuple. Zoowel de korte als de gerekte o, welke laatste dicht hij ao staat, zijn echter minder gerond dan de hoogd. ö, de fr. eu van peuple. (Sweet: mid-front-wido-round).
§ 10. 6 (oudgerm. ó). Dit teeken drukt niet denzelfden klank uit voor den gehee-len omvang van het dialect. Het westelijk en het oostelijk gedeelte verschillen nl. in dit opzicht. Do grensscheiding tusschen deze verschillende klanken moet ongeveer loopen in de buurt van Groenlo, Neede, Delden.
a) ten oosten van deze scheidingslijn wordt 6 raonophthongisch uitgesproken. Doze o klinkt ongeveer als hoogd. O in SO doch langer on ronder. (Sweet: mid-back-narrow-round);
b) ten westen van deze lijn klinkt ó als een diphthong, bestaande uit een kort uitgesproken ü, die het accent heeft, en een daarop volgende o-klank. Deze ö-klank gaat in de buurt van Rijssen en omgeving in een dichter bij a staanden klank over. Hij zou het best uitgedrukt worden door ÃO. De aanvangs-U is volgens Sweet's terminologie high-back-narrow-round.
Aanm. 1. Deze uitspraak der 6 loopt met een breedon zoom door tot diep in Zuid-Westfalen. Ook bij Werden en omgeving hoorde ik deze u, door F. Kücii «Die Laute der Werdener Mundart», bl. 14, « cin dem u-lautc nahcliegcnde o-laut» genoemd. Noordelijk wordt hij tot in Salland gehoord.
Aanm. 2. In g6s waar de 6 uit an ontstaan is heeft de 6 overal lange monoph-thongische uitspraak.
KORTE BESCHRIJVING IJKU KLANKEN EN TAALVORMEN.
§ 17. Do umlaut van 6 is evenzoo verschillend. Oostelijk van Delden, Groenlo is o de umlaut van ö, in de westelijke streken hoort men een diphthong ü, j-'cvolgd van een korten ö-klauk. Nu krijgt hier en daar op de grenslijn de ü de overhand , op andere plaatsen de ö. Dit verschilt soms zelfs naar de gezinnen. Waar de diphthong met ü inzet en waar ü de overhand krijgt is de ü gelijk aan die in § '21 beschreven.
§ 18. u heeft ongeveer den klank van nederl. 00 in goed, hoogd. stunde, engl. put. De lippenronding is minder dan bij Q., maar de mond is meer geopenu. (Sweet: high-back-wide-round.)
§ 19. Umlaut van u is ü.
Daar, waar i volgde, oudgerra. u niet in o overging, staan naast woordvormen met o, waar een i volgde, woordvormen, die niet umlaut van o maar umlaut van U vertoonen (in sommige woorden staat deze umlaut van u door werking van de analogie). Zoo hoeft bot als verklw. bütjen, bok verkhv. büksken. De uitspraak dezer ü is niet die der duitsche à in htitte, noch die van fr. u zij komt alleen met die van nederl. u in kunnen, enz. overeen. (Sweet; low-front-nar-row-halfround)
§ '20. Q. is de lange gesloten ü., nederl. oe vóór r in voer, boer, hoogd. u in du, fr. ou in amour, engl. oo in too, ou in you (Sweet; high-back-narrow-round.)
§ 21. ü is de umlaut van ü. De klank komt overeen mei dien van nederl. uu in muur, uur, hoogd. ü in früh, fr, u in mur, furent. (Sweet: high-front-narrow-round.)
§ '2'2. ui is het teeken voor eene nauwe verbinding van b met volgende j. De uitspraak is als die van nederl. ui in duit (niet als die van de hollandsche ui, die meer hoogd. eu in freude nadert). Deze klank komt zeer weinig voor. In Sweets terminologie zou ik zeggen mid-front-wide-halfround overgaande in high-front-narro w - halfround
§ '23. ee in gesloten lettergreep duidt soms deuzelfden klank aan als é, z. \\ 7.
Waar e© in gesloten en open lettergreep staat, beantwoordende aan oudgerm. ai, heeft ee de waarde eener dubbele è, waarvan de tweodo echter niet dezelfde waarde heeft als do eerste. Zij onderscheidt zich duidelijk van de gerekte é in gesloten lettergrepen, die in § 7 besproken is.
De klank is langer en meer gesloten dan ee in hoogd. see, sohnee. Hij is iets hooger dan de é- Volgt een i of j dan wordt hij soms tot i verhoogd, bv. been: bïntjen, (De ee staat dus tusschen Sweet's mid-front-narrow ou high-front-narrow.)
§ 24. ei (uit ouder ai) is de verbinding van een lange open e met een i-klank, de e is minder open dan de eerste klank in de hollandsche uitspraak van ei, die meer monophthongisch klinkt.
Het meest komt overeen de uitspraak van fr. pareil, (Sweet: mid-front-wide high-front-wide.)
\1II
KOKTE BESCHRIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
25. ie uit ouilei' eo en ê (i©), worlt voornamelijk voor rgehoord, z. a. in dier, hier, niere, of door samenvloeiing van twee vocalen, waar een consonant uitviel als in niendore (uit nidendöre). Zij nadert del, maar is nog tweeklank. (Sweet: high-front-narrow mid-mixed-widel liet accent valt op de eerste, die lang is.
§ 26. iee is een vallende diphthong (oudgerm. eo). De vocaal, waarmede ingezet wordt, is eene lange tusschen é en 1 liggende e, gevolgd dooreen toonlooze vocaal. In het oostelijk gedeelte luidt de vocaal, waarmede ingezet wordt, als é (in Twenthe bepaald gerekte é) meer westelijk gaat deze e gaandeweg over in ï. Hiermede wordt hv. in Deventer en omstreek ingezet. In Laren echter is de ï reeds overgegaan in een dicht bij 1 liggende é. (Sweet: high-front-lowered-narrow.) De hierop volgende klank is over de geheele streek van west tot oost ongeveer hetzelfde. (Sweet: high-front tot mid-front-narrow mid-mixed-wide.)
Aanm. 1. Waar vroeger voor volgende i niet eo maar iu stond, vindt men nu Ã. (z. § 18) z. a. in de 3 pers. prs. ind. van de ww. der u-reeks: lieegen, hé vgl. § 10 aanm' 2, lüg e. a.
Aanm. 2. In sommige woorden is deze klank door samentrekking van twee syllaben ontstaan, z. a. nieet uit nio wiht )Twenthe nich; zoo oo zieen met 3. ps. praes. hé züg en hezüt, praes. zag en zoog.
§ 27. oo (oudgerm. au) duidt een zeer lang gerekte gesloten ó aan. Men zou haast zeggen dubbele ó. L»e umlaut bewijst echter hiertegen, daar deze een enkele klank nl. O (z. § 13) is], boom, umlaut in mv. böme.
De klank van oo is die van aangehouden nederl. oo in loop, fr. eau in beau (Sweet: mid-back narrow-round).
Aanm. Opmerkelijk is dat van deze OO de umlaut bij klinkerverkorting voor oorspronkelijken dubbelconsonant niet ö maar b is, bv. loopen, he löp (voor löpit). De klinkerverkorting moet dus plaats gehad hebben voor de werking van den umlaut.
XIV
KOliTE BESCHEIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
XVI
Ã
KORTE BESCnUl.IVINC. DER KLANKEN KN TAALVORMEN.
Medcldinl'ers.
S '28. w. Over het algemeen wordt w voortgebracht tusschen de boven en benedenlip, de stelling der tanden en lippen is eehter cenigszins anders dan hij do enge'sche W, daar de boven tandenrij iets voor de beneden tandenrij gesleld wordt. De w is dus niet zuiver hilabiaal. Zij slaat tusschen de duitsche w in werdan en do encrl. w in water.
Alleen vóór r en 1 wordt w labiodentaal nilgesproken, soms ook na r;bv. wrè-ken, wreed en verwen klinken haast als vrèken, vreed en varven Komt deze klank op hot einde dan gaat hij in do harde spirant f over, bv. varf.
20. j verschilt niet in klank van nederl. j, hoogd. j in ja. jung, eng. y in yes, you
§ 30. r. Van do twee r-klanken, alvoolare en nvulare r. die beide voorkomen, heeft de uvulare r de overhand. Bovendien zijn mij onderscheiden gevallen voorgekomen, dat ik bij denzelfden persoon èn de alvoolare èn de uvulare r kon waarnemen. Sommigen hoorde ik de alvoolare r alleen gebruiken na dentalen, terwijl zij overigens uvulare r gebruikten, enkelen gebruikten alvoolare r na dentalen en labialen, de uvulare r bij voorkeur bij gutturalen.
Aanin. 1. Het gebruik dor uvulare r na a en o voor dentalen of sisklanken heeft wellicht veroorzaakt dat deze r verkort is. Thans ton minste klinkt zij in woorden als hard, worst, Gartjan, e. a. zóó kort dat zij bijna onhoorbaar is. Tolalo uitval van r voor t is mij alleen voorgekomen na uit oen andere vocaal ontstane toonlooze ë in ontleende woorden als pétret (portret), këtier (kwartier), pëdüs (pardoes) e. a.
Aanm. '2. Over Twentsch rr voor dd zie § 32, aanm. I.
§ 31. 1 is alvoolare 1, als in nederl. en noordduitsch. Met stemtoon wordt zij gebruikt in den aanvang en tusschen vocalen; zonder stemtoon na consonanten en voor consonant op het eind der lettergreep.
§ 32. t is postdentale explosive tenuis, zij wordt gevormd door de tongspits tegen het bovenste gedeelte der voortanden. Hollandsche t en d zijn meer alveolar. De t wordt zuiver, zonder aspiratie uitgesproken.
§ 33. d als aanvangsconsonant is postdentale explosive media. Zij wordt iets lager gevormd dan de t
Tusschen twee vocalen staande wordt zij achter den onderrand dor tanden voortgebracht. In vele gevallen, vooral bij verdubbeling in woorden als hadde e. a , vangt zij aan als zachte explosive en gaat over in spiralis.
Op het einde van een woord blijft zij zachte explosive en wordt niet verhard, als in het nederlandsch.
Aanm. 1. dd na korten klinker wordt in Twenthe dikwijls tot rr (alvoolare r): perre naast pedde (pad), berre naast bedde (bed). 1)
1) Eigenlijk zwakke uitspraak, vgl. § 1.
XVII
11
KORTE BESCHRIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
Aanm. 2. In Twenthe wordt de d op het einde staande harder uitgesproken en klinkt bijna als t.
§ 34. p is bilabiale explosive tenuis, komt dus overeen met nederl. fr. en eugl. p
§ 35. b is bilabiale explosive media, nederl., fr. en engl. b. Ook als eindconsonant blijft b onveranderd.
§ 36. f is labiodentale spirans zonder stemtoon, overeenstemmende met noordd., engl., en fr. f in de articulatie tegen den onderrand der bovenlanden.
§ 37. v is labiodentale spirans met stemtoon, als in nederl., engl. en fransch.
De vorming der v is echter niet in alle woorden hetzelfde. Vóór u- en o-klanken woquot;dt v labiolabaal uitgesproken, voor a, e. i-klanken labiodentaal.
In het woord meende ik westelijk alleen labiodentale uitspraak waar te nemen, steeds met vollen stemtoon. Op het einde komt geen v voor, alleen f.
Aanm. Hij de uitspraak van woorden als vöt, vorig e. a. was het niet mogelijk de bovenlip vast te houden, terwijl de V werd voortgebracht, wat wel mogelijk was bij vaste, vier e. a.
Aanm. 2. In Twenthe wordt tusschen vocalen meest bilabiaal V gehoord, (haast als w klinkend).
§ 38. k is evenals in nederl. zuiver gutturale tennis, zonder aspiratie, overeenkomende met fr. c (k). Vóór gutturale vocalen geschiedt de vorming op de grens van het weeke en harde verhemelte, vóór palatale vocalen wordt de tong iets verbreed en de afsluitingsplaats iets meer naar voren gebracht.
§ 39. g is zachte gutturale spirans met stemtoon, de toon is zachter dan in de holl. dialecten. Bij palatale vocalen wordt g, even als k, palataal. 1)
Op het einde eener lettergreep voor tenuis en op het einde van een woord gaat g over in ch, z. § 40.
§ 40. Ch. is harde gutturale spirans zonder stemtoon. Na palatale vocalen is eenige palatiseering waar te nemen. Zij komt alleen in enkele woorden intervocalisch voor, maar meest staat zij voor t en op het einde van een woord als verharding van g.
§ 41. Sisklanken. S is de spirant zonder stemtoon. Bij de voortbrenging komer de boventanden voor de ondertanden, de tongspits raakt de boventanden in een bijna scherpen hoek.
Rij de z, de spirant met stemtoon, krult de tongspits zich tot bij de alveolae.
XVIII
42. Do oude sk is vooral in de meer afgelegen streken nog bewaard gebleven, zoowel als aanvangs-, als tusschenletter en als sluitmedeklinker. Op vele plaatsen heeft de sch haar reeds verdrongen. Re uitspraak van sch. is als aanvangsconsonant die van s ch; als tusschen- en eindletter staat de sch bijna gelijk met do 8. maar een zeer zachte ch-klank is m. i. nog waarneembaar; vooial tusschen vocalen is dit het geval.
1) Bij Terborgh wordt in sommige woorden z. a. god hier en daar explosive uitspraak gehoord.
KORTE IJKSCHKIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
§ 43. De nasalen m, n komen overeen met de nederl., hoogd. cn engl. nasalen. Op liet einde van een woord, na zoogenaamd toonlooze vocaal, hebben zij vrijster-ken stemtoon.
Aanm. in Twenthe valt de toonlooze vocaal geheel uit en eindigt in die gevallen het woord op sonante nasaal. drink11, loop11
Ue gutturale nasal is eigenlijk tweeërlei. Al naarmate de sluiting geschiedt op de plaats, waar in de mondholte spirant g, explosive g of k wordt voortgebracht, zal men bij uitlating der lucht door den neus een ng- of oen ng, nk-klank verkrijgen. Tusschen vocalen komt zoowel ng als nk voor. Als eindconsonant wordt ng vervangen door nk, kbnink, lank. Ouk waar, om de Uectie, op het einde ng geschreven is, moet deze als nk worden uitgesproken.
§ 44. Over het algemeen is het begin van den klinker, waarmede een woord aanvangt, geleidelijk, d. w. z. de stemspleet wordt langzaam verengd (men heeft hier niet wat de Duilschers « festen einsatz » noemen) en zoo tot stemtoon overgegaan.
Dikwijls kan men waarnemen dat, voor de stembanden geheel gespannen zijn, er sterke ademuitstooting plaats heeft, die voor het aanvangen van den klinker zijn toppunt van kracht bereikt heeft en allengs in den klinker overgaat. Dit geschiedt dikwijls voor gutturale vocalen. Van daar dat in dit dialect, behalve de algemeen nederduitsche h., ook een h-klank gehoord wordt voor arm, ooren e. a. Deze h is echter zwakker dan de andere. In de eene streek is dergelijk klinkerbegin meer algemeen en sterker dan in de andere. Ik heb haar om die reden niet aangegeven.
inzet met sterke ademuitstooting is ook waar te nemen in sommige woorden, die met n, r en 1 aanvangen. Voor w heb ik het niet kunnen hooren. Voornamelijk is dit waar te nemen bij de oude hl-, hr-, hn-verbindingen, zoo verschilt nek in aanvangsletter van nègel, ring van rood.
§ 45. Overgang van consonant heeft plaats bij d. die tusschen vocalen in sommige woorden in j overgaat, in andere onveranderd blijft. Zoo wordt góde tot goj6, iCiden tot lüjen, maar daarnaast möder. laden e. a. Bij hetzelfde zinsverband wordt weder uitstooting van d gevonden: goën dag (goeden dag) elaën(geladen). In Twenthe wordt d tusschen vocalen meest nitgestooten; lüen, enz.
§ 4(5. Assimileering van medeklinker komt o. a. voor in verbinding van hebwï tot hewwi, löp hé tol loppe, stothe tot stbtte, enz. In Twenthe assimileert ts b.v. müsse voor mütse, knüsselen voor knütselen.
§ 47, Veranderingen in de klinkers door volgende medeklinkers veroorzaakt; voor liquida, nasaal-[-consonant en minder algemeen voor zachte spirans bestaat neiging om de voorgaande vocaal te rekken. In het westelijke gedeelte is dit minder het geval dan in de oostelijke streken. Het accent van de vocaal verandert in Twenthe in dubbel accent (« zweigipflig accent», Sievers Phonetik 4 § 70J, 794), terwijl tusschen de vocaal en den consonant een tusschenvocaal ontstaat. Voor 1 ontstaat na ö een u, waardoor holt tot hóult wordt, na e een i zoodat fel tot feil wordt; a tot aa: maargen, aarm, voor r wordt e tot è bv. erg wordt erg, erve
XIX
KOKTE liKSOMUIJ VING DEK KLANKEN EN TAALVORMEN.
wordt èrve. Voor n wei'il kind in vroegeren tijd waarschijnlijk als in het westen tot kind tot kiind: van deze i's is de eerste in het ïwentsoh een meer open klank geworden en in è overgegaan, zoodat daar dit woord thans luidt als nederlandsch keind, engl. kind; zoo ook veinden, (holl. vinden) heinder enz. Uaat aan de n eene O vooraf, dan wordt er een u als tusschenletter ingevoegd: pond wordt tot pound, wonde tot wounde. De nasaal is hierbij eenigszins van aard veranderd en nasaalvocaal geworden.
Voornaamste flectievormen.
§ 48. Manlijke en onzijdige a-stammen en die hieraan gelijk zijn geworden (o. a. de kortlettergrepige masculina ia- en i-stammen en do langlettergrepige u-stammen).
a) Masculina.
nom. gen. dat. acc.
Sg. dag dages dag en dage dag
Plur. I) dage dage dagen dage
B;j enkele op consonant na helderen klinker uitgaande nomina en bij de meeste, die op een consonant voorafgegaan door eene syllabe met doflfen, niet geaccentueer-den klinker nilgaan, wordt de meervoudsvorm uitgedrukt door s achter den nominatief te voegen, bv.
nom. gen. dat. acc.
Sg. vinger vingers vinger vinger
Plur. vingers (Tw. vingre) vingers vingers vingers Bij sommige woorden o. a. bij vinger staat hiernaast oen rnv. zonder s
b) Neutra.
De flectie der neutra is grootendeels gelijk aan die der masculina. Het onderscheid tusschen lang- en kortsilbige is weggevallen.
nom. gen. dat. acc.
Sg. graf iand graves landes graf, land graf, land
I Mn r-, grave lande grave lande graven landen grave lande Alleen wijken eenigszins af de woorden met er in het meervond.
nom. gen. dat. acc.
Sg. kind â kinde kind
XX
Plur. kinder kinder kindern kinder Sommige van deze hebben beide vormen bv. gat mv. gate en gater; hüs heeft mv. huse en hüser, hólt, mv. holte on hblter; hon voegt in net mv. oen d in bonder
I) In hot woordenboek is met het tweede woord, wanneer niet anders is aangegeven de meervoudsvorm bedoeld.
KORTZ BESCIIKIJVING DEK KLANKEN EN' TAALVORMEN.
§ 40. ia-stammen.
a) De llectie der masculina in het algemeen is
nom. gen. dat. acc.
Sg. rügge en rüg rügges rügge rügge en rüg
Plur. rügge en rüggen â ruggen rügge en ruggen
Sommige hebben een nom. sg. zonder e; andere z. a. kerker, zolder, heer hebben nooit e op het einde. De persoonsnamen op er hebben geen e op het einde en worden geheel als a-stammen verbogen: vischer, visohers.
b) De neutra flecteeren meest alle als ende, rik en net.
non. gen. dat. acc.
ende, end ende ende. end
Sg. rik â rlke rik
net nette net
ende â enden ende
Plur. rlke rlken rlke
nette netten nette
Sommige op toonlooze e uitgaande worden ook naar de u-stammen verbogen, bv. ende mv. ook enden.
§ 50. Van do wa-stammen komen meest enkel nominatiefvormen voor zonder w bv. snee, kniee. In de meeste gevallen, waar pluralvonn aanwezig is, bevat deze geen W; kniee bv. heeft kniee en knieën. Van de neutra ken ik alleen teer, smeer en meel, die geheel als a-stammen behandeld worden, voorzoover er andere casus van voorkomen.
à 51. o en io-stammen, feminina.
De kortsilbige en enkele langsilbige hebben meest den nominatiefuitgang op e. De langsilbige hebben meest geen e in den nominatiefuitgang, uitgezonderd zijn bv. èrde, bote; hülde, wize komt voor naast wis.
De io-stammen vertoonen, waar dit geschieden moet, umlaut; waar zij kortsilbig zijn, is de consonant verdubbeld. Behalve de meer dan tweelettergrepige, die op toonlooze sillabe uitgaan, heeft de nominatief als uitgang e: brugge, sibbe, zünde, â vrindin, vasten e. a.
Sommige dezer nomina hebben naast de gewone naamvalsvormen meervoudsvorming als de n-stammen; bv. zünde heeft in mv. meest zünden.
8 52. i-stammen.
a) Maculina. Deze verbuigen voor een deel als de a-stammen, voorzoover de vocaal geen umlaut toelaat. Door het ontbreken van de i in den nom. sg. bij de meeste woorden hebben vele deze llectie geheel aangenomen. Bij andere heeft alleen de pluralis umlaut. De llectie van slag is bv.
nom. gen. dat. acc.
Sg. slag â slége slag
Plur. slége (Tw. slége) slége slègen slége
XXI
XXII KORTE BESCHRIJVING DKR KLANKEN EN TAALVORMEN.
hiernaast staat echter dikwijls
Sg. slag slaags slag slag
Plur. slage slage slagen slage
Neutra die deze llectie hebben aangenomen zijn o. a, schot, pinr. schote.
Bij de langsilbige hebben enkele in den nom. sg. umlaut z. a. wiirm naast worm, plur. würme en worme.
b) Feminina.
Oeze hebben alleen in enkele kortsilbige een uitgang in deii nominatief singularis /.. a. stéde (ook samengetrokken tot stè). Ite pluralis heeft even zoo nom. acc. Stéde, datief stéden. Hij langsilbige ontbreekt de uitgang in den nominatief singularis, bv. daod; de pluralis heeft e als uitgang en, waar dit mogelijk is, umlaut: daode.
Umlaut in den singularis vertoonen woorden als günst, künst, schüld, zücht e. a.
§ 53. De u-stammen zijn gedeeltelijk tot de a-stammen, gedeeltelijk tot de i-stamraen overgegaan.
Ãnder de manlijke langsilbige hebben meervoud naar de i-stammen o.a. doorn, dörne, maag, mège. Van de vrouwelijke is bv. vlör (vloer) als a-stam verbogen, terwijl hand in het mv. hende luidt.
Van kortsilbige masculina moet zöne (zoon) vermeld, dat in alle casus hetzelfde blijft. Het mv. heeft naast zöne ook zöns. Van de feminina hebben doro (deur) en nöze (neus) alle casus gelijk; alleen in het mv. komt ook wel dörenen nözen voor, door den dalief pluralis veroorzaakt.
§ 54. De llectie der n-stammen is voor alle casus gelijk, alleen de nom. sg. heeft e. die echter dikwijls wordt afgekapt; bv. mensch en mensche, mv. menschen.
Van de andere vroeger consonantische stammen heeft vot mv. vöte (voet), nötte mv. nötten (noot).
bók mv. höke (boek).
tand mv. tande.
mils mv. müze.
man mv. mans en manslüj.
nacht mv. nachte.
55. De verwantschapsnamen vormen alle den gen. sg. en het mv. op E, alleen van dochter is inij enkele malen een meervoud zonder s voorgekomen,
vader mv. vaders möder mv. moders züster mv. züsters
broder heeft naast zich een samengetrokken vorm met umlaut brör, mv. brörs.
§ 56. Woorden op nd z. a. vrind, vijand llecteeren als de a-stammen.
§ 57. De llectie der adiectiva is nagenoeg als in het nederlandsch. De genitief en datief der sterke verbuiging zijn op enkele formeele uitdrukkingen na verdwenen.
KORTE BESCHRIJVING HER KLANKEN EN TAALVORMEN'.
In den nom. sg. in. komt voor en god man en én göde man.
aec. en goden man, mv. gode mans
femin. nom. sg. alleen en göde vrouw, plur. góde vrouwen.
Aanm. én god man is echter min of meer formeel, want het is slechts in enkele gevallen, dat men deze llectie van het adjectief vindt. Meer in gebruik is gode bv. en göde dag. Wanneer de voorafgaat is de llectie ongeveer hetzelfde.
sg. nom. de gödo man waarnaast den goden man; ace. den goden man.
plur. nom. de göde dage.
fem. sg. nom. de göde vrouwe pl. de góde vrouwen.
Alleen predicatief wordt het adjectief duidelijk sterk verbogen en onderscheiden zich de a-stammen van de ja- en i-stammen.
De a-stammen gaan dan in den nom. sg. niet op e uit en hebben geen umlaut; de ja- en i-stammen hebben umlaut en, indien dit volgens de taalwetten vereischt wordt, consonant-verdubbeling, terwijl hiervan de kortsilbige op e uitgaan de lang-silbige de e hebben afgekapt. Zoo hé is blindâhé is gron â hé is dünne.
§ 58. De comparatief wordt gevormd met er; in sommige woorden met umlaut; arm armer, öld dlder, jong jünger, hooge hóger.
De superlatief heeft st en in dezelfde woorden als de comparatief umlaut: öldst, hógst.
§ 59. Telwoorden.
Hoofdtelwoorden;
I m. een, f. eene, n. een:-2 twee en twéne, twee, twee dat. pl. tweeën; 3 drieen. drij; 4 vieer, vieere; 5 vïf, vive; ö zes, zesse; 7 zöven, zövene: 8 achte: 'J négen, négene (Tw. negene); 10tien.tiene;il ellef, elleve; 1'J twaalf, twaalve. '20 twentig, cO dartig, 40 veertig. 50 fiftig, 60 sestig, 70 söventig, 80 tachtig, tachentig, 90 tnégentig, 100 honderd, 110 honderd en tiene, 120 honderd en twentig, ook groothonderd genoemd, z. a. in pachtbepalingen, 1000 düzend.
Ranggetallen;
eerste, tweede, darde, vierde, enz.
§ 60. Pronomina.
a. personalia.
1. ps. sg. nom. ik gen. min dat. acc. ml mij nom. nl. wl, wij dat. acc. ons
2. ps. sg. dü 1) gen. dln dat. acc. dï. dij I) nom. pl. ij dat. acc. UW
|
3. ps. |
rn. |
vr. |
0. |
|
sg. n. |
hé |
ziee. zij |
èt, het |
|
dat. acc. |
hüm. üm |
hór. ör | |
|
gen. |
zin |
ör | |
|
plur. |
zij en ziee | ||
|
plur. acc. |
ze | ||
|
gen. dat. |
ör |
hórlüj |
1) Weinig in gebruik.
2) In Twenthe wordt het ook voor vrouwen gebruikt in vriendelijken zin.
XXIII
KOETE BESCHRIJVING DEK KLANKEN EN TAALVORMEN.
Toonloos voor de 3e persoon na het werkw. wordt gebruikt e, bv. droge ' draagt hij?
b. possessiva zijn min (voor neutr. praedicatif ook mint) dln, zin, onzG en üse, uwe, or.
c. demonstrativa. m. vr. o.
dat, datte dat. den dé
dit, ditte dat. déze deze
sg. norn. dat. ace. PI. n. d. a. Sg. noin. dat. ace. Plur. n. a.
|
A. Persoonsuitgangen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
dé (en den) die. dé den die. dé
dé dé déze (dézen), dissem) déze dessen, dissen déze
déze déze
d. interrogativa.
Deze zijn m. f. wé, wie, n. wat (wie): voor personen wordt ook gebruikt wel. Verder hok (welk) en wat vör een ook verkort tot waffer. r 61. Conjugatie.
a) Sterke verba:
Praesens, Indicatief.
Praeteritum, Indicatief.
i, 3 sg. beet loog bond nam gaf drög vieel sheep neep
(Tw. bünd) (Tw. vol) (Tw. slop) (Tw. röp)
ving{Tw. vüng)
I, 2, 3 pl. beeten loogen bonden namen gaven drógen vieelens Ueepen r'eepen (Tw. bünden) en nammen vingen (Tw. röpen)
Praeteritum. Optatief.
1, 3 sg. beete laoge bonde name gave droge vieele slieepe rieepe 1)
(Tw. laoge) (Tw. blinde)
i, 2, 3 pl. beeten laogen bonde namen gaven drógen vleelen slieepen lieepen.
Imperatief.
2 sg. bit üeeg bind nem geef draag val slaop róp
2 pl. bit Ueegt bint nernt geeft draagt valt slaopt rópt
Infanitief.
biten lieegen binden nemen géven dragen vallen slaopen rópen
XXIV
en géven (en drégen)
li 0â10 zijn in Tw. aan den indic. gelijk.
KORTE BESCHRIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
Gerundium.
te bitene te liegene te bihdene te nemene te gêvene te dragene enz.
Participum Praesens.
bitend((i) lieegend(e) bindend(e) nemend(e) gèvend(e) dragend(e) vallend(e) slaopend(e)
[rópende(e)
Participum Prateriti.
ebeten elaogen ebonden enomen agéven edragen evallen eslaopen erópen (Tw. elaogen) (ebimden) (enömen) (egeven) (edrégen)
b) Zwakke verba.
Praesens Indicatief.
I- 1 sg. zoke II. I sg. make léve
zökst '2 » makest lèfst
zöch 3 » maakt léft en lif
zökl 1, 2, 3 pl. maakt lèft
Praeteritum Indic.
zucht 1, 3 maakte lèfde
zöchst 2 maaktest lèfdest
zóeliten 1, 2, 3 maakten lèfden
Infinitief.
zöken maken, léven
Gerundium.
te zökene te raakene, te lévene
Participum Praesens.
zökend(o) rnakend(e) lèvend(e)
Participium Praeteriti.
XXV
1 sg.
2 »
3 »
1, 2, 3 pl.
1, 3 sg.
2 » 1, 2, 3
ezócht emaakt,
elèfd
|
U. Tijdon. Infinitief a) Sterke verba ; Praesens Praeteritum Partic. Praet. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
â
|
XXVI KORTE BESCHRIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zöken |
zöke |
zöch |
zócht |
zóchten |
ezócht |
|
hören |
höre |
hört |
hörde |
horden |
ehörd |
|
denken |
denke |
dech |
dacht |
dachten |
edacht |
|
dunken |
â |
düch |
diinkte dóch |
â |
edócht |
|
kussen |
küsse |
küst |
kliste |
kusten |
eküst |
|
gelöven |
gelöve |
gelöf |
gelöfde |
gelöfden |
gelöfd |
|
antwoorden |
antwoorde |
antwoord |
antwoorde ⢠|
antwoorden |
geantwoord |
|
ströjen |
ströje |
siröjt |
ströjde en |
ströjden en |
eströjd |
|
(Tw. stréjen) |
stréjiie |
stréjden (' |
fw. estréjd) | ||
|
leggen |
legge |
legt |
lèj |
léjen |
eleg'd 1) |
|
zetten |
zette |
zet |
zette |
zetten |
ezet |
KORTE BESCHRIJVING DER KLANKEN EN TAALVORMEN.
XXVII
|
II. klagen koopcn III. hebben léven klare koope hebbe leve |
klaagt klaagde klaagtlen köf kocht (kóft) kochten (koften) hef (plur. hebt) hadile hadden léfl (lif) léfde lèfden eklaagd ekóft ehad eléfd |
C. Praeteritopvaesentia.
VI. móten mot mot most mosten emot (moten)
(Tw. moten) (Tw. moten)
D. wèzen (zijn)
wezen sg. 1 bün '2 bist waren (waz.z.en) ewest.
opt. zi, zij
E. dón (doen)
dón sg. I dó 2 dost
F. gaon, slaon
gaon sg. 1 gao 2 goes 3 gieet pl. 1, *2, 3 gaot prt. ging gingen egaon
(Tw. gnng) (Tw. güngen)
slaon » stao » slees » stieet » staot prt. sting stingen eslaon
I. weten
lil. kunnen
IV. zullen
V. mogen
wisten
wist
eweten
weetc
kan zal
mag mot
wet
kan zal
(Tw. wüst) (Tw. wüsten) kon konnen
zól zóllen
ekünd (kunnen)
ezüld (züllen) (Tw. ezöld)
emögd (mogen)
mocht most
mochten mosten
3 is pl. 1, 2, 3 bünt (zünt) was (ik waar)
döt pl. 1, 2, 3 dót dee en dé deeën edaon
(Tw. stiinde) (Tw stünden)
G. willen willen » wille » wilst » wil
wol wólt ewild (willen)
wilt
I) De g in eleg'd, ezeg'd heeft explosive uitspraak.
|
A. aak, aaken, vr. aak. aalte, vr. mestwater. aaltengat, o. mastgat. aalttonne, aaltentonne, vr. aaltton. aarden, zw. ww. besmetten. aol, aole, m. aal. aolbèze. -n, vr. aalbes. aolbèzenblad, o. â strük, m. aom, aome, o. aam (vat). aopen, bw. open. aor, aore, vr. korenaar. aoren, zw. WW. aren lezen. aor. bvnw. zie ander. aorden, aoren, zw. ww. zich ergens schikken; aarden (van ziekte bv. mazelen), voortwoekeren. aordig en aorig, bvnw., aardig. aore. aorn, vr. ader. aornd, -0, m. mannetjesduif, doffer, aos, o. kreng, kwaodaos, lastig ventje, aosem, rn. adem. aosemen, zw. ww. ademen. aoven, -s, m. oven. aovend, -e, in. avend, genaovend, goedenavond. aover, vz. bw. over. aoverdaod, m. overdaad, aovercenkomste, vr. overeenkomst, aoverendo, bw. overeind. aoverende bllven , opblijven, waken, aovergünstig, bvnw. afgunsiig; z. abbe gunstig. aoverlèjen, bvnw. wijlen, zaliger: min vader aoverlèjen. aozen, zw. ww. er op uit zijn. 'aole, vr. eigenn. Alida. aoltjen, vr. eigenn. Aaltje. aovel, bvnw. euvel. aovelgünne, m. afgunst. abbegünstig, bvnw. afgunstig. achte, tlw. aebt; wövölle bünter? der bünter achte. |
achter, voorz.; hé lop achterümhèr, bij loopt hem achterna, ik zitte Ãm achter de vodden, ik ga hem scherp na. achterdeel, o. nadeel. achterdocht, m. nadenken. achterhölt, -holter, 0. evenaar aan den wagen. adel, m. af, öf, vrz. af; van: ik weet er niet (niks) of. Thans worden in bet westen vooral af en of dooreen gehoord zoowel in samenstellingen als als voorzetsel. Meer oostelijk heeft of de overhand. ófbraok, m. afbraak. afestomd en afgestomd, bvnw. bw.; 'n afestomde logen, een volstrekte leugen, afestomd mooi, zeer mooi. afgaon (öfgaon), si. ww. l)alloopen; tis afgaond wark, 't lop met den zieeke op 't ende, de zieke is stervende. 2) verricht, worden, 't geet üm vlüg öf, öfglinten, zw. ww. omheinen. óflangen, zw. ww. aanreiken. öfnlfelen, zw. ww. op slinksche wijze afhandig maken. afrangen (öfrangen), zw, ww. boonen van draden ontdoen. öfrikken, zw. ww. omheinen. ófrömen, zw. ww. afroomen. öfschbttelen, zw. ww. afzetten. af(öf-)stellen, zw. ww. uitstellen, afvréden, zw. ww. omheinen, afra teren. akelik, bvnw. akelig. aker, èker, m. emmertje, keteltje, akker, -s, m. akker. akse, vr. korte bijl. Zie ekse. al, alle, bvnw. bw. al; 't is al, het is wel waar; de eerpels bünt alle. de aardappels zijn op. albendig, bvnw. moedwillig. Zie aliban-der ij e. alderdees (allerdéges), bw. zelfs; ik hebbe üm alderdees gisteren nog gezieen. |
ALIBANDEEIJEâAEG.
2
|
alibanderfje, vr. losbandigheid. aling. bvir.v. gelieel. alia, b\v. vooruit. allebörd of allebot, bw. elk oogenblik, telkens. allemaol, bvnw., v. n. w. alle. almenaksmaond, -n, vr. maanden van 30 of 31 dagen, in tegenoverstelling van maanden van 28 dagen (naar de maan), welke vroeger bij berekening voor gewassen, melk worden van vee, enz. gebruikt werden. almblak, in. almanak. almangs en manks, bw. somtijds, almogend, bw. /.oer; almogend dom. alwaor. bvnw.; 't is alwaor, 't is geheel waar, wel waar. ambelt. o. aambeeld. an, vz. en bw. aan; de karke, de sehóle ia an. de kerk, de school is begonnen, anbanzen (anbenzenI. z\v. ww. aanzetten lo' spoed. anblekken, zw. WW. aanschrappen (van hoornen). anboten, zw. WW. vuur aanleggen, ander, aor, bvnw. ander. anejaagd, bvnw. zenuwachtig. ang, bvnw. zie eng. angaon, ww. I) leven maken; wat gaot de jongens an! 2) raken, toebebooren, dat messe geet mi an, dat mes behoort mij. angel, m. hengel, stekel; angelgart (angelgai'de) hengelroe. angèven, st. ww. aangeven; verstarf angèven, aangifte doen voor bel recbt van successie en overgang; 't wark der an géven, het werken opgeven, angst, engste, m. angst. anhalen zw ww. in beslag nemen, -an-ehaald, geplaagd, hé is nog al ens anehaald met höfdzeerte. anholden, st. ww. aanhouden, iemand staande houden, in leven bonden, anhögen, zw. ww. ophoogen. anknüppen, zw. ww. aanknoopen. anköveren, zw. ww. langzaam vooruitgaan; de zieeke kövert langzame an, de zieke betert langzaam. |
anlangen, zw. ww. aangeven, afgeven; lang mij de eerpel ens an, geef mij de aardappels eens aan. Wi j dat bi Jansen anlangen (ook oüangen\ wilt ge dal bij Jansen afgeven. anlöten, zw. ww. een dienstplichtig nummer trekken; hé is anelót, hij is er in geloot, anmaken (ammaken), zw. ww. voortmaken; maak i'j ens wat an met uw wark, maak voort mot uw werk. anmaken. zw. ww. geplaagd zijn met; hé is volle anemaakt met höfdzeerte, bij» wordt dikwijls door hoofdpijn geplaagd. anmOden, ieemand ieets anmoden. zw. ww. iots van iemand denken; z. to-möden anpraten zw. ww. opdringen. anrecht, o. latwerk om melkvaten op te drogen. anrichte en anrecht, o. aanrecbtbank. anslaon, st ww. trouwen; hé hef en ni'j wlf aneslagen, bij heeft een tweede vrouw genomen. anspannen, de paarden voor den wagen plaatsen; vor uw alleene spant de Duvel nieet an. voor n alleen geeft de Duivel zich de moeite van inspannen en halen niet, m. a. w. wees maar niet bang spocdig dood te gaan. anspreken, st. ww. bezoeken (b.v. van kraambezoek). antien, st. ww. aam ijlen; met gevaor argens antlen, ergens aanrijden, antwoord, -e, o. antwoord. anwinnen, st. ww. beteren, van een ziekte, anzachten. zw. ww. heler worden (van 't weer). aperije vr, gekheid. appel, appels, in. appel, arbeid, m. arbeid atf en arve, mv. erve, o. eif. arfekse, -n, m. (verouderd) bezitter van een erf; ook erfekse, zie Tijds. M. v. L. â I , 10, arfte, -n, vr, erwt. arve, -n. m. erfgenaam. arven. zw. ww. erven. arg, aarg, bvnw., bw. erg. |
âBÃDELKN.
AUG
|
arg, o. erg; 'k hadde der gin arg in, ik bail er geen erg in. argernisse, vr. ergerms. arke. arken, vr. ark. arksel. o. zie harksel, vel pipier. arm, arme. m. arm. arm. bvnw. arm. armod, arm6, ra. e. gt; r. armoede, verdriet, zwarigheid; argens armod mee of over hebben. as, vgw. als. asche (aske), vr. asch. asse, vr. as. asterto. bw. erg. astrant, bvnw. brutaal. aver, vz., in geschreven stukken meest voor aover. 13. baakster, vr. baker. baal (bale), vr. baal. baas. bazen * m. baas. baoge, -n, m. boog, bocht. baoi, o. baai (stuf). baoke. baoken, vr baak. baoken, baokens, m. grenspaal, paul om de richting aan te wijzen. baom. baoms (bbme), m. bodem (van eon vat, enz.) baord, baorde, m. baard. baors, baorze, m. baars. bad, o. bad. ba(d)en, zw. WW. een bad nemen, baggelen, zw. ww. zich wentelen, bv. van hoenders. baggeren, zw. ww.; dor 't zand baggeren, met moeite door 't rulle zand loopen of rijden. bak. bekke. m. bak. bakken, st. ww. bakken; de sné bakt, de sneeuw pakt (voor sneeuwballen), baldaodeg, bvnw. baldadig. balg, beige, m. maag, buik. balgplne, balgzeerte, v. maagpijn, buikpijn; syn.; lïfpïno. balke. -n, m. balk. balken, mv. de zolder boven den deel; zie bij hilde. |
balkenbrlj, vr.een mengsel van meel, lever,en allerlei van ile slacht in het rollenna' gekookt, balkensleeten, v. tov. balkhouten. bane, vr. baan. band, bende, m. band; üt de bende, uitbundig, ongehoorzaam. bandel, bandels, m. hoepel (om een vat); vgl. rink. bandgarden, mv. stokken, die over het rielen dak gelegd worden. bandöre ibanderdöre», vr. grootedeur der schuur; zie bansdöre. bandstokke, m. Iiout waarvan hoepels gemaakt worden. bange, bvnw. bang. bank. benke, vr. bank. bansdöre, vr. schuurdeur. (Tw. baanzen-döre). banzen, zw. ww. onredelijk dringen, z. benzen. barg en borg, m. gesneden varken. barg, m. berg, bergplaats; höjbarg. bargen st. en zw. ww.; barg, eborgen en bargde, ebargd, bargen. barke, /.ie berke. barm, m, berm van den weg. barste, vr. barst. barsten, st. ww. bersten. basse, vr. bil, achterste deelen van het bovenbeen. bast, beste, m. schors, huid. bate, vr. baat. bats, bvnw. brutaal, overmoedig, moeielijk; 't is een batsen sinjör, 't is een brutale vent. batze, v. groote schop. bebbe, -n, vr. vrouw; debek stekt üm nao de bebben, hij is een vrouwengek, bebbenbek, m. vrouwengek. bedde, o. bed; in bedde kommen, bevallen. beddebüre, vr. beddetijk. beddekaste, -n, bedstede. beddestè, -en, vr. bedstede. beddetog (Wint. beddetüg), o. overtrek van een bed. bedarven, st. ww. bederven. bedeesd, bvnw. bedeesd. bédelen, zw. ww. bedelen. |
BEDÃN(ZJK)âBK WÃG EN â¢
4
|
bedon zik', ww. zich bevuilen, zik bedón van lachen. bedrieegen, st. ww. bedilegen. bedrofd, bvnw. bedroefd; ook bijw. be- drofd weinig. bedüsd, ontsteld, onthutst; ik ston der stik bedusd van. bée, vr. bede. been, beene, beentjen, o. (hier en daar is ce verengd tot 'ee) been; wi zült di ok ens bi 't beentjen krigen, onder handen nemen. beentjen, o. fluitje om kwartels te vangen, beer, -6 , m. mannetjes varken, bëeerdigen, zw. ww. begraven; zie ineerdigen. beeste. -n, o. beest. bèfesse, -n, vr. abeel. begaves. begaoving, vr. vallende ziekte, ook beroerte (T. aoverval). begeer lik, begeerig. beglüren, zw. WW. begluren, begraffenis, vr. begrafenis. begrip, o. begrip. behagen, zw. ww. behagen. behende, bvnw. behendig. behoren, zw. ww. behooren. behoven, zw. ww. behoeven. beide telw. beide. beitel, -S, m beitel. bèjeren, zw. ww. slingeren, bek. bekke, m. bek. beke, y. beek. bèker, -s, beker. bekllflik, bvnw. besmettelijk. bekwaom, bvnw. bekwaam. belank, o. belang; 't was van belank, 't was in'tgrootedemojte weerd belaoven, zw. ww. beloven. belenden, zw. ww. grenzen aan. belèven, zw. ww. beleven. belèzen, st. WW, door het uitspreken van tooverformules iemand van eene ziekte genezen. belle, vr. bel. belmundig, bvnw. verloopen. belofte, -n, vr. belt, belter, ra. heuvel. belze, belzen, vr. wilde pruim. |
bemarkung, -e, vr. opmerking, bemojen, zw. ww. bemoeien. bename, benaamt, bw. vooral, voornamelijk ; 't. steet slecht met 't zaod, bename met de rog, 't staat slecht met het graan, vooral mot de rogge, benéden, bw. beneden. benèven, bw. naast. benne, -n, vr. mand. benul, o. verstand, begrip; slitaozie an 't benül, kindsch worden; hé heft er gin benül van, hij heeft er geen verstand van. benzen, zw. ww. dringend verzoeken, bedelen om iets. beppe, vr. oude vrouw; bij aanspraak gelijkbeduidend met ndl. moedertje, bereiden, zw. ww. bereiden, gereedmaken, bère, bèren, m. beer (nrsus). berke cn barke, -n, vr. berk. bescheed,o antwoord, bescheid;bescheed brengen, zeggen, terecht wijzen, beschrlns. bvnw. schrijlings, beschuts, vr. beschuit. bessem, -s, m. bezem, besemstèla, vr. bezemsteel. beslot, o. sluiting; hé hef gin beslbt in den mond, hij kan niet zwijgen, bespïren, zw. ww. hinderen, beletten; zin rechte btort üm meet bespird, zijn rechten zijn niet weersproken, besprèken, st. ww. door het uitspreken van formules iemand van eene ziekte genezen, bestaon, st. ww. bestaan!, zijn; verlangen; 'tbesteet zoo, 't is zoo; hé besteet ml niks, hij is mij niet verwant; hé besteet te komen,hij verlangt te komen, bestèën, zw. ww. besteden. bestendig, bvnw. bestendig. bestrlken, st. WW. bestrijken, door bestrijking (soms onder het mompelen van too-verspreuken), een ziek lichaamsdeel genezen, beter en béter (Dev. bèterder),bvnw.bw. betün, bvnw., bw., beperkt, weinig in getal; de eerpel bünt betün, de aardappels zijn schaarsch. béven, zw. ww. beven. béver, m. bever. 1 bewégen, st. ww. bewogen. |
liK/.UâI!Ã.
|
bèze, bèzen, vr. er naaslbère in bosch- bère, -n. vr. bes. bezeiken, zw. \vw. bewateren, (zeiken wordt meest van mannen, migon van vrouwen gezegd) zik bezeiken van lachen bezoken, st. ww. bezoeken. bezorgen, zw. ww. bezorgen. bidden, st. ww. bidden, bedelen. bidman, (biddemani, bidwijf bedelaar, -sier. bieën, st. ww. bicden. b'eer, o. bier, maal of feest. bieet, bieetwortels, vr. kroot. bieeze, -n, vr. bies, ll. juncus. bikans, bw. bijna. bile. vr. bijl. bllenk. bw. langs. billen, zw. ww. bebouwen, bebakken. bilze, vr. plantnaam, hyoscyamns. binden, band, ebondon, st. ww. binten, een verjaarsgeschenk geven. bint, binde, o. honderd el garen, dat van den haspel komt. birzen. zw. ww. drijven, aandrijven, bissen, bisen, zw. ww. heen en weer loopen; de ko biëst, de kooien loepen met den staart in de hoogte rond door hol weiland. bissing, vr. drukte, kermis. bister, bvnw. bijster; 't züt er bister Ut, hot ziet er slecht uit; 't spoor bister, het spoor kwijt. bisser, bw. zeer; nieet bisser volle, met zeer veel. biten, st. ww. bijten. bivöt, m. plantnaam, artemisia vulgaris, blze, vr. regenbui. blaarkop, vr. koe met bles of geheel witten kop. blaore, vr. blaar. blaoze, vr. blaas. blaozen, st. ww. bliees, eblazen, blaten; de wind blos, het waait onstuimig, blaozebalg, m. blaozepipe, vr. blaaspijp, blaoken, blöken, zw. ww. blakeren ; iets kleuren door den rook van het vuur. blaokerig, blbkerig, bvnw. naar den rook ruikend of smakend, rookerig |
blad, blaaë en blare, o. blad. bladder, vr. kleine blaasjes op de huid, zweertjes. blage, blagen, m. kleine kinderen, die lastig zijn. bleek, bvnw. bleek. bleike of bleeke, -n, vr. bleekveld, bleiken, zw, uw, bleeken. blek, bvnw. strak ; de locht steet zoo blek, do lucht staat naar droog weer blek, o. blik. blekken, zw. ww. blalTon. blekke, blekkens (N. Overijs. blekens), mazelen. blekke, vr. blikaars. blère, vr, koe met een bles; ook blèrekó. blèren, zw. ww. blaten, schreeuwen, bilde en blij, b vnw, blijde. blik, o. blijk. bliken. st. ww. bleek, ebleken, blijken, blikeers, m. doorgereden aars, blikken, zw. ww. weerlichten; zichette- blikken. blïven, st. ww. blijven. blo , blöe, bvnw. bloode. blod, o. bloed; 'n blodspijen, een bloedspuwing. blok, blbkke, o. blok. blöm, blomen, m, blöme, blómen, vr, bloem, bloem van meel. blomken, blomkes, o. bloempje. bloot, bloote, bvnw. bloot. blösem, m. bloesem. blou, blouwe, bvnw. blauw; zoo bleu as de loeht. blojen, zw. ww. bloeien: de liichte blojt, de donderblomkes blojt, er is onweer op handen. blöte, vr. omgeslagen eind van den broek, bloten, zw. ww. ontblooten; de lange grasspieren in eene geweide weide afmaaien, blüj steren, zw. ww. hard waaien, blüjsterig, bvnw. winderig. blussen, zw. ww. blusschen. blütterije, vr. kleinigheid, licht werk. bo, hoe, wel; bo joa, welja; bo zeker, welzeker. bö, bvnw. 'k bün der bo van, ik heb er genoeg van. |
BOCHTâmiANDEltlfi-
G
|
bocht, o. vuil, oiituig-. bochte, -n, vr. Ijncht, buiging. bod, o. ineJcJeoling; bod sturen, moilo- deelen, amizegcen. bodde, m. norsch mensch. böddel, bördel, m. borrel, bóde, m. boile. bok, bükke, m. bok. bóke, boke, o. boek. boke, beuk. nog over in Boekelo. uitge- spr. Bökló (buurtschap in ïwonthe.) bokse, -n, vr. broek. boksen, en boksen nemen, een pic nic, dat aan de eigenlijke bruiloft vooraf gaat. Van bar boksenbier, inaal bij die gelegenheid. boksen, zw. WW. (Dev.) wegnemen, stelen, bokweite, vr. boekweit; bökweitenzaod en vrouwlüj raod da's dubbelt öt niks bÃlken, zw. \vw. oprispen. bolle, -n, m. stier. bollen, zw. ww. tochtig' zijn (van koeien). bölte, -n, vr. bout. bongerd, m. boomgaard. bonk. -e. in. harde kluit aarde. boom. böme, m boom. booméker, m. eekhoorn. boomlöperken, o. vogeltje. boone, boonen, m. boon. boor. mv. boors, m. boor. boos, voor boos is meest kwaod of heilig in gebruik. börd, erge diarrhee. bórdepad, vuile weg. böre, -n. vr. baar, bun ie. bóren, zw. ww. ïeemand ieets üt den nöze bóren, door list doen verliezen, borg, m. z. barg, gesneden varken. borg, borge, m. borg. borgemeister, m. burgemeester. börk, m. opripsing. börn, börnpütte, bron, put. börs, börsdrinken, alles opdrinken. börste, vr. borst. bos, büsse, vr. bundel. bosch, büsehe, o. bosch. bóschöp, en boschöp, mv. bosehöppe, vr. boodschap, bódschöp sturen of bod |
dön, I ijdi ng zenden. Heb i daor bóschöp an? hebt gij daar iets mede te malen? bot. bütte o. bit. bot, bütte, o. beenderen; de bütte , hol lichaam. boter, vr. boter. bots, m. slag, stoot. botsen, zw. ww. kloppen, bonsen. bottel, -s, vr. bottel. bouwen, zw. ww. ploegen, bouwmeisterken, kwikstaartje. bözem, m. groote vooruitstekende schoorsteen. bokken, zw. ww. bukken. bollen, zw. ww. huilen. bbrste, vr. mv. borstels van het zwijn. bbrstel, m. borstel. boten, vuur aanmaken. bögel, in. beugel. böke, böken, vr. beuk. bökelkoorn, m. en o. beukenoot. bönhaze, beunhaas. bonne, vr. hoogte midden in een wagenspoor, galerij in een kerk, vliering, bönne, bbnneken, vr. groote kast in de keuken. bören, zw. ww. beuren. börte, vr. beurt. braaktflte, vr. regenwulp (slellloo[er). brao. vr. z. bras. braoke. vr. gebroken land. braome, -n. vr. braambes. braon, st. ww. braode en breed; ebraon. braden. braomel. brümmel, in. braambezie. bragen, m. hersens, rneest van geslachte dieren gezegd. brake, -n, vr. braak, werktuig om vlas te breken. brake, vr. bouwvallig huis. braken, zw. ww. vlas breken. brand, brande, m. brand, brandhout, brand, vr. zwiard, in de uitdrukking 'tzüt er üt as de brand,brandhelder, brandegge, vr. hé hef der de brand-egge öf, hij heeft het nieuw er af, hij heeft de snede van het zwaard af. branderig, bvnw. vurig, ontsteking in de huid hebben, ook koortsig. |
BRANDKOLKâBUNGELEN.
7
|
brandkölk, m. plein midden in ern dorp. brannon, zw. ww. branden, 't brent daor, daar is brand. brannettel, -s, m. brandnetel. bras of brao, vr. de bras etten, een stuk van liet geslachte beest braden on eten; hierop worden allen die komen vet-prizen ('t beest taxeeren) genoodigd. brau, vr. knit van het been. bred, o. kistje met schuifdeksel, brechterije, vr. woeste grond. breed, breeë, bvnw. breed. breiden, brei jen, st. ww. breeiebre- jen. breijen. breistokke, m. de breinaalden. breken, st. ww. breken. bret. bretter en bröt, achterstuk boven den wagen, dal tusscben de ladders geplaatst wordt. bremme, vr. genista. brieéf, ni. brief, verder oik sink paier, al slaat er niets op geschreven, vandaar dat een brief ook meer bepaald lèzebrief heet. brij, \r. bilj. brink, -e, in. plein in een dorp, open veld in eene ma ke, zie pootbrlnk. brok. o. lage streek. brèkke, -n, o. brok. brood, brö, o. brood. brörzote, bvnw. gehecht aan zijn broed-r brüd, brüde, vr. bruid. brüden, zw. ww. broeien. brüdsch, bvnw. broeiziek (van vogels), brüdslage, vr. bruiloft. brüdloeht en brudlachte, vr. hi nil-.ft. brüdsnögers, noodigers voor de bruiloft. | Deze, in 't kistentüg gedost en met de nogestaf in de hand , doen de noodiging ter bruiloft met liet volgende liedje ; Góën dag. Daor stao 'k op minen staf Kn weet nieet wat ik zeggen mag. Now hek mij weer bedaoh En weet ik wat ik zeggen mag. Hier stürt ons Gart Jan Vente als brügom En Mientjen Elschot as de bnid. En dé nöget uw der ut: Margen vrog om tien ür. |
Op en tonne bier, tiene, twalevene Op en anker win, vif, zesse. En en wanne vol rozinen, Dé zült bij Venterboer verschillen Met de busgezeten En nüms vergeten, Vrog kommen en late blison Anders kiiw wij 't i,ieet op krigen. Lustig ezongen, vrölik esprongen, Springen met de beide beene. En wat ik nog hebbe vergeten Zult ow de Brügom en de linid verbeten, liej mij elk nuw wal verstaon. Dan laot de iles üm de taófel gaon. brüken, zw. ww. gebruiken. brün. bvnw. bruin, brüs . o. schuim. brOzen. zw. ww. schuimen, bruisen. Laot süzen, laot brüzen, f/iot kósten wat 'twil. Do brügom zal 'l betalen Dan büw alle vrij. brügge. vr. brugsken, o. boterham ; wei- tenbrügge. brügge, -n, vr. brug, vonder. brügom, ni. bruidegom. brüllefte, vr. (Laien, Vorden enz ), brülléftenöger, zie brCidsnögers. brümmel, -s z. briiomel, brus. bvnw. wild. bügen, boog, ebogen, st. ww. buigen, bük, m. buik. bükslagen, bükslaon st. ww. hijgen (van con paard). bür, m. boor. bürschap, o gehucht. büzekool. vr. kabuiskool. büj, vr. bui. bükkink, m. bokking. bült, m, bülte, vr. Iioogto, menigle. blinder, -s, m. bunder (landmaat). büngGl, m. knuppel; blok aan den poot eener koe of aan den hals van een hond: en büngel der onder smiten, een kneppel onder de hoenders gooien, nl. iemand verschrikken. büngel, m. schommel; vgl. talter. büngelen, zw. ww. bengelen. |
BUSSEâDOKKEN.
8
|
büsse, büssen, vr. bus. buk, in. (Keppel) beuk. bükérde, vr. blauwe leembank. büle, -n, vr. buil. bünebast, in. kwaadaardig man. büre, m. v.? tijk van een bed. bürte, vr. buurt. bütze , büsse, vr. zak in een kleediugstuk. buten. zw. ww. ruilen; ümmebüten, verbCiten, omruilen. bü-ten, vz. buiten. D. daod. daode (daoë), vr. daad. daor, bw. daar. daonig, bw. vrij wat, zeer, ZO bunt daonig an 't kwachelen, zij zijn daar zeer aan het sukkelen. dag, dage, m. dag. daggen, zw. WW. metselwerk insnijden, dak, dake, o. dak; ook het stroo, waarmede het dak gedekt wordt, heet dak. dale, bw. naar beneden; zich of sik dale smiten, gaan zitten. dalen, zw. WW. dalen. damé en tamé, bw. zoo straks, dam, damme, m dam. damp, dampe, in. damp. dank, m. 't is uw te danke, ik deed het voor uw genoegen. danken, zw. WW. danken, bedanken, darm, derme en darme, m darm. darp, darpe, o. dorp. daTtig, tlw. dertig. dasse en desse, vr. das, halsdoek, dau (dou), m. dauw. dautrèën, zw. WW. dauwtiappen; op 1 Mei vroeg opstaan, als de dauw nog op 't veld ligt. da welen, zw. ww. stoeien, niets doen. dawelaar, m. nietsdoener, deeg, o. deeg. deel. deele, o. deel. deesem, m. deesem. dégo, vr. voordeel, tier: de hOnder hebt gin dége ast regent. dége, bvnw. hè is nieet dége, hij is niet recht «ijs. |
déger, bvnw. verstandig. dèjen, zw. ww. zacht slaan. deilbrieef, o. scheidingsacte. deilen, zw. ww. deelen. deiloos, oneenig. deken, m. deken (decanus). deken, -s, vr. deken. dekke, o. dek, deken. dekkel, m. deksel. dele (delle), vr. dorschvloer, eigenlijk het bevloerde gedeelte van de schuur, die in de saksische boerenwoning een geheel met het woonhuis vormde. delenhane, m. verwaande gek (die meent dat hij de haan van de deel is). delle. vr. laagte; vgl. dele. demmerig, bvnw. duister. dempig, bvnw. kortademig. dèmter, eigenn. Deventer. denne, -n, vr. den. denken, zw. ww. denken, heriimeren; he doch er aover, hij denkt er over; 'k kan 't mij bes denken, ik kan het mij best herinneren. dèrne, deerns, vr. deern. dieef, d^eeve, m. dief. dieenen, zw. ww. dienen. dieep, d'eepe, bvnw. diep. dieepzinnig, bvnw. zwaarmoedig. dier, diere, o. dier. diggel, -S, vr. scherf. dij, dijen, vr. dij. dïk, dijk, straatweg. dikkedükke, bw. meern.alin, vake. dingselheid, vr. kleinigheid. disse, vnw. deze. disselen, zw. ww. twisten, mopperen, disteren, zw. ww. haspelen. dissel, m spinrokken. disselboom m. dissilboom. do, bw. toen. dodderig, bvnw. slaperig, dödkükentjen, o. laatste kind, hartelap. dóf, bvnw. doof, nl. uil gedoofd, leeg: dóve nöttequot;, dóve kaole, dóve stökke, (dood hout). dók, dóke. m. doek. dókken, zw. ww. stroowisschrn onder do pannen loggen. |
DOLâDKOK.
9
|
dol, bvnw. dol, bont; van veel linten en kwikken voorzien; den dollen hod, de opgetooide hoed. dol, (in 't hbfd), bvnw. duizelig, dol, m. lieveling. dollen, zw. ww. ijlen. dom, bvnw. dom; zoo dom as n küken, -as 'n ganze, -as 'n osse, -as 'n ülk, -as 'n varken, -as n üle dómenheer, m. predikant. dón, onr. ww. doen, geven, reiken, dön, op de mouwe dön, op de mouw spelden. dön, doen, geven; dö mi dat, geef mij dat. dön, praten; wi hebt er lange aover edaon. dön, om iets geven; daor dö'kniks op. donderpedde; vr. dikkop (jonge kikvorsch). doo weer, o. dooi weer. doo d e, doon, m. doode. doodvat, o. doodkist; den boom mot nög düchtig grojen eer der vör mij en doodvat üt völt, de boom is nog lang niet groot. doof, bvnw. doof; doof as 'n scharde, doof, bvnw. doof, gedoofd; dóve kaole, dove kolen. z. dóf. dooien, zw. ww. sterven; nao 'tdoojen van Gart Jan, na den dood van Gerrit Jan. (Op sommige plaatsen naar analogie van dood als dooden iiitgesproken.) doop m. en dope vr. doop. doop, vr. saus. door, m. dooier. doorn, dörne, ra. doren. doornappel, m. plantnaam, Datura, döp, dbppe, m. slekkedoppe, slakkenhuisjes. döpgüdze, vr. ronde beitel. dorsen, zw, ww. dorschen. dèrst, tn dorste, vr. dorst. dösterig, bvnw. duizelig, dof in 't hoofd. dow, m. duw. dówen, zw. ww. duwen. dögdelik, bvnw. degelijk. döjen, zw. ww. dooien. dope, vr, en doop, m. doop. dopen, zw. ww. doopen. dör, vz. door. |
dbre, vr. deur. dbrslag. o. zeef, vergiet. dbrtocht, m. buikloop. döze, -n, vr, doos. drao, bvnw. stroef; den wagen geet drao, de wagen gaat stroef, de raden zijn droog- drao in 't wark, 'ui; en draoën keerl, iemand met wien men niet vooruit komt. draod, draoë (draode), ra. draad, draodnègel, m. draadnagel, eigengereide vent. dracht, vr. wat gedragen wordt, kleeding; 't is gin dracht meer, 't is geen mode meer. dragen, zie drègen, drake, -n, m. draak, vlieger. dral, bvnw. vast gesponnen garen, garen dat licht ronddraait. drammen, zw. ww. huilend dringen, drammert, m. huiler, pruttelaar. dreef, m. dreef, hé is op dréve, hij is op gang, hij is goed geluimd, drègen en dragen, st. ww. drog. edrè gen, dragen. drèj, drèje, draai. drèjen , zw. ww. draaien. drek, m. slijk. drenzen, zw, ww, dringend schreeuwen, drével, -s, mv, drevel. driee, tlw. drie. drieëgge, m. vierkante koppige kerel, driest, bvnw. driest liggen, braak liggen, drift, vr. sterke beweging; kudde, weg waar langs vee gedreven wordt. dril, o, gestold vleeschnat, dril, o. geweven (driedraadsch) slof. drillen, zw, ww, ronddraaien, dringen, st. ww. drong, edrongen, dringen. drinken, st. ww. dronk, edronkon, drinken, drïste, bvnw, driest. driten, st. ww. dreet, edreten, exone- rare alveum. driven, st. ww. dreef, edréven, drijven, dröf, bvnw. droef. drófheid, vr. hilbtgindrófheidnao. hij laat geen bedroefde nabestaanden achtoi'. drok, druk; 'kbündrok, ik heb veel tedeen. |
DKONGEâ-KEKDK.
10
|
dronge, bvmv. diclit opeen, ineengedrongen; de rogge steet dronge dronk, m. drankje. drol, m. worslachtig uitwerpsel. droom, dröme, m. droom. dróppe, -n, m. droppel. dröschen, zw. ww. bluffen, grootspreken, drowen, zw. ww. dreigen; der drout regen, er dreigt regen. dröpken, o. druppel. dröppel, m. droppel. drÃS, m. drassige, lage grond ; drosgrond, kléverdrös (klaverweide). dröge, bvnw. droog. drogen, zw. ww. drogen. dromen, zw. ww. droomon. drüf, drüve, m. kleine bundel bloemen. drOpen, dróp, edrèppen, st. ww. druipen. drüs, drüst, m. bezinksel van koffie, enz. drüve, drüven, vr. druif. drük, drok, bvnw. bw. druk; k biln drük, ik heb het druk, (veel te doen), drukken, zw. ww. drukken; zik drukken, buigen; 't haas drukt zich. drümpel, m. drempel. driinger, m. bont met pinnen tusschen de paarden. düdel, rn kinderslaapmuts, slaapkop, düdeldöp, m. en vr. slaapkop; beteren heiligen kop dan en düdeldöp. düge, -n, vr. duig (van een vat). düken, st. en ww. duiken, zich bukken, hé smet nao mi maor ik dükte, hij smeet naar mij maar ik bukte, düm, düme, en düme, dümen, m. duim. düve, düven. vr. duif. Düzebarg, Doesborg. düzend, tlw. duizend. düzig, bvnw. slaperig. dübbeld, bvnw. dubbel. dük, bw. dikwijls. dülle, vr. deel van den bijl, waarin de steel steekt. duneggen, mv. de slapen aan 't hoofd, dünne, bvnw. dun. dünken, ww. dunken; wat düchtuw? wat dunkt u ? dürpel, dorpel. |
dürven, zw. ww. mogen; dat dorste nieet dón, dat moogt ge niet doen. düt, m. deuk. düdelek, bvnw. duidelijk. dür, bvnw. duur. duren, zw. ww. duren, uithouden; hé kan der nieet düren, hij kan bet er niet uithouden. duster, bvnw. duister, düstre, o. duisternis, dütsch, bvnw. duitsch. düvel, m. duivel. dwarg, -e, m. dwerg. dwars, bvnw. dwars, onvriendelijk; he was arg dwars tegen mij. dwarsnacht aover dwarsnacht, m. den derden dag. dwépen, zw. ww. dwepen. dwingen, st. ww. dwingen. E. echel, m. bloedzuiger, stekelvarken, echeldöp, m. stekelvarken, echelvarken, o. stekelvarken. echt, bvnw. echt. édel, bvnw. edel. édik (eddik) en eek, m. azijn, eed, eede, m. eed. eegen, zik eegen, zw. ww. zich inhouden, stil zijn. eek, m. eikenschors, bruinachtig vocht, eeken, zw. ww. bruin afgeven; de wal-nbtte eekt, de noot geeft bruin af; van eerpel schellen krig i eekerige hende, van het aardappelschillen krijgt men bruine vingers. eekertjen of eekerken, o. eekhcorn. eekhoren, -s, m. eekwilge, vr. eik , die als een wilg is afgeknot om het talhout. eelt, vr. meer in gebruik is zwil. eempessig, bvnw. eigenzinnig. een, eene, tlw. (als lidw. ent, ecn;eene bw.; eenig, bvnw. alleen. eerappel, eerpel en èrpel, vr. aardappel, eerbied, m. eerbied. eerdaonig, bvnw. eerbewijzend. eerde, vr. aarde, grond. |
EERDBÃBE-FARM.
11
|
eerdbère, eerbèze, vr. aardbei. eere, vr. eer. eernst, m. ernst. eers, m. aars. eersende, o. stompe punt van hel ei. Op de Paaschweide wordt met eiers gespeeld door te raden welke punt van liet ei het is, die vertoond word1; hierbij zegt men: Spitsende, eersende , zit, Al die 't verlus is 't kwit. eerst, bw. eerstdaags. ooschen, zw. WW. vernemen. eswe, vr. eeuw. efien. bvnw. even gelijk. effen, bw. een oogenblik egge, -n, vr. kant; scherpe kant van een mes, werktuig om de kluiten op 't land te breken; maak daj en egge krïgt, maak dat ge de zwakke kant vindt om de zaak aan te pakken; maakt daj 't an eene egge krigt, zie dat ge de zaak aan kant krijgt; an en egge zetten, aan kant zetten. egge, z. zelfegge. ei, eier, o. ei. eigen, bvnw. eigens, bw. zelf. eike, vr. eik. eikenboom, m. eiloof, o. klimop. eisch, m. eisch. Vgl. eeschen. eiselik, bnw. zeer. eizen, zw. WW. bang zijn. éker, z. booméker. ekkelfrans, in. meikever. ekkelfransken, graskeukentje, dat op den meikever lijkt, doch kleiner is. ekkelworm, m. meikever. ekse, vr. korte bijl, zie akse. ekster, m. vr. ekster. elfte, m. vr. huidworm bij vee. elkermalk, vnw. een ieder. elle. vr. el. ellebaoge, m. elleboog. ellend, o.; ellende, vr. ellende. elöven igloven), zw. ww. gelooven. elve, elvene, tlw. elf. elve, elfte, -n, larf van een kever. elze, vr. els (priem). |
elze, -n, vr. els (boom). elzenstobbe, vr. elzenstronk. emmer, -s, m. emmer. emp, bvnw. lichtgeraakt. empe, -n, vr. mier. empenbült, mierenhoop. empenstart, m. lichtgeraakt mensch. emperig, bvnw. ongedurig. emte, zie empe en, als negatie; hé zei, dat e 't met en wist; as ik 't nieet en hebbe, dan kan 'k 't ok nieet géven, ende. o. eind. endenei, o. endenei. eng of enk, enke, m. veld om het dorp. engel, engle, m. engel. enkel. m. enkel van de voet. enkeld, bw. enkel, somtijds. enkel, bekrompen, eenzaam. ens, bw. eens. ente, -n, vr. eend. enten, zw. ww. enten. enter, m. eenjarig paard. enterik, m. mannetjes eend. erkentelik, bvnw. erkentelijk. esch, in. hooge streek bouwland. esche, vr., escll,m. boom, Acer campestre. ese. esse. m. of o.; alleen voorkomendein hi is recht in zin ese, of esse, hij is in zijn schik. estrik, ester, m. gebakken vloersteen, eten, st. ww. at, egetten, eten. eterijé, vr. etenswaar. etgron, o. etgroen. etgros, o. etgroen. etter, m. eker. ettebül, hettebül, m. buil door den beet eener mug. éven, bw. even. évenölder, min évenölder, van gelijken leeftijd zijnde. èvenwels, bw. evenwel. éverdesse, -n, vr. hagedis. ézel, -8, in. ezel. F. faok, vaak, m. slaap. farm, bvnw. ferm. |
FAZEâGAGEL.
12
|
faze, -n, vr- vczel. feekse, -n, vr. feeks. feil. m. feil. feil, vr. dweil. fel, felle, bvnw. b\v. hevig, zeer begeerig naar; de kolde vieel üm fel op 't Uf, de koorts begon hevig en jilolseling; hé is fel op de deerns, hij is een meisjesgek, fidel, vr. viool, vedel. Adelen, zw. ww. vioolspelen. fldler, m. vioolspeler. ük, in. hondennaam, meest roepnaam, flkke. vr. feeks. flks, bvnw. bw. gezond, krachtig, bij de hand; baoven flks en onder niks, van schijnbaar gezond uitziende personen gezegd. fïkseboon, -en, vr. lupine ivïkse-). fïlte. -n, m. fielt. flmmelen, zw. WW. beuzelachtig, doelloos, onnut werk verrichten. fin, bvnw. tijn, teer, hoog (van stem); 'n fin kindjen, een teer kindje; 'n fine stemme, een hooge stem; finfluiter of flnefluiter, mooiprater. flne. -n , m. vrome. fisematenten, mv. praatjes. fisterig, bvnw. koudelijk, z. vrüsterig. fit, vr. fijt (zweer). flambóze, -n, vr, framboos. flanze, v, koeiendrek (een pannekoek). flap, vr. slag. flappen, zw. ww. slaan. flarde (flarre), -n, vr, afgescheurd stuk, vod, lichte vrouw. flater, m. Hater, flau, flauwe, bvnw. zwak, onmachtig, laf, smakeloos, flauze. -n, vr. bedriegelijk praatje, fleemen, zw, ww. vleien. flènseken, zw. WW. om eten bedelen (van paarden). flensken, o, pannekoek, flèr, fiére, m, oorveeg. flesse. vr. Ilesch. flik, m. klap. flikken, zw. ww, slaan, lappen (van schoenen en in figuurlijken zin), flïme, vr. vlijm. |
flinte , -n , vr. schietgeweer, genoemd naar den vlint (flint) vuursteen. flinters, rav, stukken; an flinters sehieeten, stuk schieten, fiitse, vr. pijl. flitsebaoge, m. en v, boog, flodder, vr. sloddervos. flöddermütse, vr. losse muts in tegenoverstelling van de om hot hoofd sluitende knipmütse. flouze, z. flauze. flouw, bvnw. z. flauw. fluiten, st. ww. fluiten. flür, -e, m. vloer. fiüsteren, zw. ww, fluisferon; van vrijages gezegd: in den düstern is 't göd flüstern. fokke. vr. bril; 'k zal de fökke d'r bij op motten zetten, ik moet er de bril bij opzetten (eigenl, zeil), fókken, zw. ww. brillen, fóper, fobel, denappel, fors, bvnw. forsch. fossig, bvnw. dun, niet sterk, fotse, vr, in elkaar gefrommeld lapje, fraoj, bvnw. bw. fraai. froselen zw. ww. worstelen. raggelen, zw. ww. oneerlijk handelen (bij spel). fük, bvnw. stil, gesloten; hé helt sik fük, hij houdt zich alsof hij van niets weet. füke -n, vr. fuik, fükepöt, vr, rommelpot, fütern, zw, ww, knorren. füsel , m. gene ver. füsken, O. prul, kleinigheid. a ga, vr. z. weerga, gade. gaar, bvnw. gaar, slim. gaon, bedaard gaan, vgl. loopen. gaard, -en, m. gaard, tuin. gaor of gaord, in. tuiu, kamp. gadderen, zw. ww. verzamelen. gading, vr. gading. gaffeltange, vr. oorworm. gagel, o. m. plantnaam. |
,âGENAODE.
13
GAGEL-
|
gagel, o. verhemelte; als plaatsnaam: moeraskant. galge, -n, vr. galg (in ruimsten zin), mv. galgen, bretels aan den broek. galle, -n, vr. gal (It. fel), gal (gezwel), galpen, zw. WW. huilend vragen, galsterig. bvnw. ranzig. gammel, bvnw. (lauw, zwak. gang. m. gang; te g;enge, aan don gang. gangs- gangs maken, aan den gang maken, bv. de klókke gangs maken, gante, gente, -n, ;n. gent. ganze, vr. gans. gapen, zvv. ww. gapen. gapse, gepse of güpse, vr. de beide handen bij elkaar gehouden. gapsen, zw. WW. wegpakken. gard (gart), vr. roede. gardine, v. gordijn. garen. zw. WW. bijeengaderen. garen, -s, (gaoreni o. garen, garfkamer, vr. sacrislij, eigenl. kleedkamer (vgl. N.hol. vergerven, ruien, van kleed verwisselen der kippen). garste, vr. garst, koren. garsterig, bvnw. vuil. garstert, m. vuilik. garstig, bvnw. ranzig, knorrig. Gart Jan Peter, bijnaam, in den Fran-schen tijd ontstaan, voor den veldwachter, toen gardechampêtre. garve, -n, vr. schoof koren. gast, m. vier; een gast garven, een gast eier. gast, geste, m. gast. gasthtts, o. ziekenhuis. gat, gate, verkhv. gètjen. o. gat, gaatje, gavel en gaffel, m. vork , met twee tanden, ge-, als voorvoegsel bij znw.; bij de meeste werkwoorden staat e(i) voor ge in neder-landsch. gebed, mv. gebèjen, o. gebed. gebedde, -n, m. bedgenoot. gebèr, o. beweging, drukte; wat mak i en gebèr! gebinte, o. de dakbalken. gebod, gebóën, o. gebod. geboorte, vr. geboorte. geboren, zw. ww. gebeuren. |
gebrek, gebréke, o. getrek, gebrekkelijk . bvnw. een breuk hebbend, gebrük, o. gebruik. gebrüken, zw. ww. gebruiken. gedaon, bvnw. dartel. gedaonte, vr. gedaante. gedeehnisse, vr. gedachtenis. gedö, o. bedrijf. gedüld, o; geduld. gedwè, bvnw. gedwee. geel, z gèl. geere, -n, vr. geer. geeren, zw. ww. geeren, schuin loopen. géérne, bw. gaarne. geest, geeste, m. geest. géie, vr.; 't grös lig an gèie (of in de geene), het gras ligt zooals het gemaaid is. geil, bvnw. welig (van planten), welgedaan (van menschen). geisel, -s, geesel. geiselen, igieselen N. Ov.), zw. ww. geeselen. gek. m. en bvnw. gek. gèl, gèle, bvnw. geel; zoo gel as bótter. geel als boter. gelden, st. ww. gelden. gelèding, vr. geleding. gelik, bvnw. gelijk. gellig, bvnw. welig, welvarend. gèllig, bvnw. gallig (ziekte van schapen), gelöve, o. geloof. geloven, zw. ww. gelooven. gelp, in. gegraven geul, sleuf. gelp, bvnw. welig, geil; de rogge steet gelp. gelte, vr. varken, dat nog geen biggen heeft gehad. gelud, o. geluid. gelüj. o. het luiden der klok. gemaal, o. belasting op 't gemaal. gelük, (lük), o. geluk. gemechte, o. gemacht, genitalia, gemeen, gemeene, bvnw, gemeen, gemeenzaam. gemet, o. landmaat, de helft van een morgen , bijna een halve bunder. gemód. o' gemoed. genaode, vr. genade. |
c; EN ÃZ EN-GLÃ JEN.
14
|
genózon. st. ww. genezen. gengelen, heen en weer gaan. genieeten, St. WW. genieten. genog. bvnw. genoeg. genöt, o. genot. gente 'gantei, genterik. ra. mannofjes-gans. gerak (gereki, o. gerijf; hé hef der et gerak van, hij heeft er het gerijf van. gereed, bvnw. gereed, klaar. gerei, O. gereedschap, paardentuig, gerichte, o. de rechtbank. gerlf, o. gerief. geschieen, st. ww. geschieden, geslachte, o. geslacht. gesp, vr. gespel, -s , m. gesp. gespin, o. avondvisite voor jongelui (meisjes en jongens); mien brör geet manks wal es nao 't gespin, spinnejacht. gest, vr. gist. gestaodig, bw. gestadig. getou, getouwe, o. weefgetouw, getover, o. getoover. getüg, -e, o. paardentuig (collcct'-ef). getüge, m. getuige. gevaar, o. wagen, voertuig. gevaor, o. gevaar. geval, o. toeval. géve, bvnw. gaaf, zuiver; de borsteisüm nieet géve, bw. glad en géve, grifweg, géve, vr. gave; dat is te géve. gével, -S. m. gevel. gevróchte, vr. afgeheinde plaats. gevol, o. gevoel. gewaar WOrden, ww. gewaar worden, gewaarde, in. gerechtigde voor een of meei' waren in de markengronden. gewaod, o. gewaad. gewag, o. gewagen, zw. ww. gewagen, gewas, o. gewas. geweer, o. geweer. gewei, o. ingewand (van dieren). geweld, o. kracht, macht, moeite, beweging (lawaai). gewéten, o. geweten. gewichte, o. gewicht. gewikst, bvnw. Hink van verstand, slim. gewikst, geslepen, slim. gewoon, gewoone, bvnw. gewoon. |
gewülf, o. gewelf. geaelle, -n, m. gezel. gezichte, o. gezicht. gezinne, o. gezin. gezünd, bvnw. gezond. gidderig, bvnw. beverig. gidzig. bvnw. hebzuchtig, gierig. gier, o. uier van 't vee. gierbrugge, vr. gierbrug. gieren, zw. ww. zwaaien, draaien, in groote kringen vliegen. gieene, m. gang, te g'eene komen of raken , ergens (met een werk) goed op streek raken gieetling, m. bastaardnachtegaal. gieeten, st. ww. gieten. gieeter, m. gieter. gif, o. vergift. gifte (gift), vr. gift. giftig, bvnw. l)lboos, venijnig. 2) begiftigd, gïnen, zw. ww. kiemen. ginne, vnw. gene. gispel, vr. berisping, vermaning, na de biecht. gizelen, zw. WW. ijzelen. glad, bvnw. glad, knap, vlug; van een meisje, dat er knap uitziet zegt men: glad van snüt en pöte. glad, bw. geheel en al, in: glad IDis, geheel mis; glad verkeerd glad, bnw. begrijpelijk, dat is nög al glad, dat is zeer begrijpelijk. gladweg, bw. kortweg; hé zei gladweg nee, hij zeide kortweg neen. glas, glaze, o. glas, venster, 't glas los d6n, 't venster openen. glee, vr. op glee wézen, op gang zijn. gleerderig, bvnw. glibberig (van vet), gil, o. zwil in het vleesch. glimmen, st. ww. glimmen. glinte, vr. schutting. glip, m. spleet, barst in de handen, gilden, st. ww. glijden. glïren, zw. ww. glijden. glïtanden, m. mv. de snijtanden van de koe, waarmede de kinderen speelden, glive, vr. gleuf. glód, m. gloed. glojen, zw. ww. gloeien. |
GLÃNDERâGLÃBEN.
15
|
glüpeil, zw. ww. gluipen. glüpert, -S, m gluiper, glüpsch, bvnw. gluiperig, onverwachts. glunder, bvnw. opgewekt. glüp (glüppei, vr, spleet. gnarzen, gnorzen, zw. ww. een zacht onaangenaam malend geluid rnaken. gobbelen, zw. ww. zich bewegen (van vloeistof;, braken. göd. bvnw. goed. göd, m. God. goffert, ra. groote kerel. gold, o. goud. gdnsdag. rn. Woensdag. goor, bvnw. vuil. goor, o. lage, drassige heigrond. gOs, göse, vr. gans. göstink, m. zin. smaak. gordel, m. gordel. gbtte, vr. goot. gonzen, zw. WW. op een smeekenden toon vragen, eigenl. zonder spreken, doch wel geluid gevend. gör, vr. klein meisje. graof, m. graaf. graot, graote, ra. v. graat. graow en grao. graowe, bvnw. grauw, grao arften, grauw erwten. graffel, ra. vork. graffeltand, ra. oorworm. gram, gramme, bvnw. afkeerig; 'kbün et gram, 'k ben er afkeerig van. grave, V. spade. graven, st. ww. grof, egraven, graven. graven ( s), ra. sloot. graft (gracht), grafte (grachte), vr. gracht. greepe (-n', vr. mestvork; van de gavel in de greepe loopen, van kwaad tot erger. Greete (grieete), vr. Margarethe. grepe, m. greep (het grijpen). gres en gros, o. gras. gréve -n, m. rechter, opzichter, in Brink- gréve, weidegréve. grif, bvnw. bw. vlug precies; hé is ter grif met, hij is er \lug mee. 't kümp grif üt, 't komt precies uit. grillen, zw. ww. huiverig zijn. grindel en grendel, s, m. grendel. |
grinte, vr. meel, (minder fijn dan bloem), grintenstüte, -n, vr. brood van grinte gebakken. grtnderig, somber, grinderig weer. grinen, st. ww.. green, egrenen, schreien. grlpen, st. ww. greep, egrepen, grijpen. gris, grlze, bvnw. grijs. grof grove, bvnw. grof. grond, gründe, ra. grond. groot, groote, bvnw. groot; groote van don, zeer noodig. grove, v. begrafenis. grovenbrood, o. brood voor het begrafenismaal. groj. m. groei. grojen, zw. ww. groeien, in dikte toenemen, zie wassen. gröne , bvnw. groen, verwaand; en grö-nen gek; rauw: grone eier; zoo grone as grös, geheel groen. grönte, gröntens, vr. groente. groten, zw. ww. groeten. grotenisse, vr. groet. gruwel, vr. gruwel. gruwelen, zw. ww. bang zijn; 't gruwelt mi, ik ben bang. gruwen, zw. ww. gruwen. grO.se] , bvnw. huiverig. grübbe, griippe, vr. greb, greppel, grünselig, bvnw. groezelig. grüppe, vr. gruppel. grfis, o. gruis. grut, vr. o. gruit' gügelen, ginnepappen. güzen, zw. ww. gudzen; de régen güsde dor de loeht. gülen, zw. ww. schreeuwen. gülp, vr. straal. günd, bw. ginds. günne. genne, vnw. gindsche. gunnen, zw. ww. gunnen. gllst, adj. niet drachtig, van koeien, gülen, gülen, zw. ww. schreeuwen, günzen of gonzen, zw. ww. keuvelen, van een klein kind. gür, zie ongür. guren, /.w. ww. doorlaten; de hilde gurt arg, de zoldering in den stal laat veel stof door. |
HAAM-HEBBEN.
16
|
H. haam, haams, o. haam. haar, hierheen; hort en haar wordt geroepen tegen de paarden, die zonder lijn bestuurd worden. haarstrikke, vr. plat hout om de zicht mee te scherpen; zie hare. haar. hare. v. hooge heide; in eigennamen, bv. ter Haar, en Haarrook, veendamp. haat, m. haat. haok, haoke, m. haak. haol, m. getande ijzeren haak met ketting, waaraan de ketel hangt. haolboom, m. stok in den schoorsteen, waaraan de haal hangt. haor, de hiiore, o. hoofdhaar; 't haor smen, het haar knippen. haost (haos). vr. haast. haoze, v. kous. haoltjen, o. het ijzer waaraan de ketel hangt; 't haoltjen is ehangen, het huis is klaar, de jonggehuwden kunnen er zoo intrekken. hadde, vr. afval van vlas. haft, hafte, o. watervlinder, haft. hagedoorn, m. haagdoorn, Crataegus, hagel. m. hagel. hake, haken, vr. haak; kinderliedje: haken en oogen, tikke, takke, toogon, tirelirelir van gold papir. hakke. vr. houweel. hal, vr. bevrozen grond. halen, haalde en h'eel, ehaald, ww. halen. half, halve, bvnw. half. halfscheid, vr. helft. halm, halme, m. halm. hals, m. keel; den hals toknipen, de keel dichtknijpen; hals aover ooren, hals over kop. halter, m. halster. ham. m. stuk land (inham, m ). hamel, -s, m. hamel. hamel, bvnw. armoedig iu kleeren en uiterlijk , schraal. |
hamer, -s, m. hamer. hamme, -n, vr. schenkel, dij, bil, voor ham is meer gebruikelijk schinke. hand, hande, vr. hand. handschö, m. handschoen. handtam, bvnw. die overal met do handen aanzit. hantammig, bvnw. handjegauw. hane, -n. m. haan. haneholter, o. mv. kippenstok. hanepöte, m. mv. krabbels. hanetré, v. plantn. anagallis arvensis. hangen, st. ww.hink, ehangon, hangen, hangizer, o. getande ijzeren haak, zie hao . hangzölder, m. galerij in eene kerk. hanne, -n, vr. kolken binnen den rivierdijk, hannekemèjer, m. gehuurde maaiers, die in het voorjaar meest uit Duitschland overkomen. hard. bvnw. hard. hardstikke, bw. geheel; hard3tikke dood, morsdood. hare, vr. ijzeren aanbeeld om de zicht op te scherpen, zie haarstrikke. haren, zw. ww. do zicht scherpen. harfst, m. herfst. harke, vr. hark. harksel, o. vel papier. harrebarge, vr. herberg. harrevarksel, o. omslag van een schrijfboek. harS, o. vr. hars. harsens, hersens. harsenwater, o. hersenziekte. harst, m. ribbe; zie scholharst. hart, o. hert. harte, -n, o. hart. haspel, -s, m. haspel. havek, m. havik. haver, vr. haver. haze, -n, m. haas. hazenbrood, o. eene plant, briza. hazenkléver, vr. plantnaam, oxalis. hazelnbtte, vr. hazelnoot. hé. hij, vnw. hij. hebben, zw. ww. hebben gedragen; hebt uw der nao, gedraag je er na;hé hef zik der nao. |
HEâHIPPEN.
17
IIKBHERECHTI
|
hebbereehter, m. die altijil gelijk wil hebben. hechten, zw. ww. hijgen. heed ol hieet, o. heide (gewas), heedbrand, heibraml; heetplagge, heizode. heedvorsen, mv. de nok van liet dak onder welks pannen heide gestopt wordt, heem (hieem), o. heem. heerd. m. haard. heerdeloos, bvnw. zonder herder; 't vee lop heerdeloos. heere. -n, m. heer. hees, bvnw. heesch. heet, afval van vlas, beste soort; zie spit. heeten (heiten), i-t. ww. heeten; zie heiten helïen, st. ww. opnemen. heft, o. handvat. hégen, zw. ww. omheinen. hègen, zw. ww. schoonmaken. hegge, -n, vr. haag. heide, vr. heide. heide, vr. erica. heiig, bvnw. dampig. heil, o. heil. heister, m. hoester. hefsteren, zw. ww. zich hevig uiten, Spektakel maken (van kinderen); zik heisteren, zich opwinden bij daad of woord, heite, bvnw. heet, warm. heiten (hi'et. eheiten of eheeten), heeten, bevelen. hekel, m. hekel. hékelen, zw. ww. vlas hekelen. hekke, -s, o. hek. hekse, vr. heks. heksel, m, baksel (paardenvoer). heksemelk, v. wolfsmelk (plant), ook bdllekrad heksemelker, m. rups, die op de wolls- melk aast. hélen, st. ww. helen. héler, -s, m. heler. hémel, -s, m. hemel. helfte, vr. helft. heiken, zw. ww. een band om de zes staande korenschooven slaan. helle, vr. hel. |
hellewog, rn. lage weg. heilig, bvnw. boos; zoo heilig as 'n spinneköp. heiligheid, vr. toorn. helmblöme, m. vr. aconitum napellus. helsch, bvnw. boos; bw. zeer; helsch düster. hemde, (ook hempi o. hemd. hemdrok, m. soort van borstrok, hemmel, bvnw. zindelijk, netjes. Henders, Henners en Hente, vr. verkortingen van Hendrika. hengel, in. hengsel; hengelmand. hengest, -e, m. hengst. henne, -n, vr. hen, kip. hepse, epse, vr. ham. hespen- (espen)pötjes, stuk van den poot van een varken. herbarge en harbarge, vr. herberg, hérik , m. onkruid. héring en hèrink, m. haring. Herm, eigenn. Herman. Een kinderliedje, ook in Twente gezongen, luidt; Herm slao derm, Slao pipen, slao trommen. De keizer wil kommen. Met gall'el en tangen, Wil Herm ophangen. (Hetzelfde liedje bevindt zich in de kerk te liielefeld). hermken of hermeltjen, o. wezel en hermelijn. Héte, verkorting voor Geertruida. hette, vr. hitte. hetteblikken, hettelüchten, zw. ww. weerlichten, zonder dat het dondert, hèvel, m. hevel. hieepe. -n. vr. heep, korte bijl. Hierlandsch derlandsch \. O.) bvnw. inlandsch. hiersch, bvnw. hier behoorend. hieet (heed), o. heidegewas. hijlek, o. huwelijk. hilde, vr. de lage zoldering in den stal. hilk, bvnw. geheel; den hilken dag hilkendal. hinnebèren, vr. frambozen. hippen, zw. ww. springen; o. a. in het versje; |
HIPPENâINPÃPEREN.
18
|
Hip en trip, Hip en trip, Huid mij achter an min slip. dat bij een kinderspel gezongen wordt, hïmeitjen. o. krekel; ook Mmken. hlmpjen, o. krekel. ho, bw. hoe. , mv. hö, m. hoed. hof, m. boel' (van een paard). hok, hoke, m. hoek. hok, hökke en hökker, o. hok. hol, o. hol; kaninenhöl. hölferen, zw. ww. vreeselijk hullen, hollen, holden, st. ww. heeld. ehöl- den, houden. hölske, vr. klomp. holt, hblter, o. hout. hön, hónder, o. hoen. hond in., hündjen, o. bond. hondeblöme, -n, vr. paardebloem, molsla, honderd, tlw. honderd. hondtong, vr. molsla. hóneer, bw. wanneer. hongerküle, vr. kuil, laagte aan den buik der koe. honig, m. honing. honte, m. vr. horzel. hoog. -0, bvnw. boog. hoope, -n, m. hoop. hoorn, zie hóren. hooveerdig, bvnw. hoovaardig. hooze, -n, vr. boos. hopen, hopen. hoppe, m. hop (plant). hóren, hörne, o. m. hoorn (van een dier), hóren, -s, m. hoorn (trompet). horken, zw. ww. nauwlettend luisteren, horst, vr. boscb; in eigennamen: de Horst, ónz. hört, in. oogenblik, hörtjen, oogenblikje, hösm'anneken, o. naam door kinderen aan de varkens gegeven. hóst, m. hoest. hóve, vr. hoeve. howen, m. griep, rondgaande verkoudheid, hóze en haoze, -n kous. höltingsdag, m. dag van de vergadering der mark. hökkieskarmse; vr. verhuring van de j zitplaatsen in de kerk. |
höde, vr. bewaarplaats. höjen, zw. ww. hoeden. hósten, zw. ww. hoesten. hoven, zw. ww. behoeven. höfd, -0, o. hoofd. höge, vr. berinnering, tegen hoge en möge, tegen wil en dank. hogen, zw. ww. beugen. höj , o. hooi. höjen, zw. ww. hooien. höj ópper, -s, m. booistapel. hope, vr. heup. höpen, hüppe, zw. ww. opeenhoopen. hör, ör, bez. vnw. vr.; gen mv. vr. baar. hören, zw. ww. hooren, betamen; dat hört zoo nieet. hüd, vr. huid, lichaam. hQrke, bink; op de hüken zitten, hülen, zw. ww. huilen. hup, m. hop; zie sehithüp. hüs. hüs, o. huis. husgezetten, huisgenooten. hüskündig, bvnw. zich tehuis gevoelend, hüslook, o. sempor virum tectorum. hülle, vr. omslagdoek. hullen, zoden om aan 't vuur te branu'en. hülpe, vr. hulp. hüls. m., hülze, vr. buist. hülze -n, vr. huls. hütte, vr. hut. hüne. m. groote, lompe kerel. hüsken, o, bestekamer. hütentüt, vr. oliezaad. hüve, vr. korf. I. ieuwers, ergens. immenzaod, o. gemengd koorn voor huishoudelijk gebruik. imból, m. inboedel. imbórste, vr. karakter. impestig, bvnw. koppig. inham, m. zie ham. inliken, de gaten in den weg volgooien. inpeperen, zw. ww. 'k zal 't üm inpéperen , ik zal bet hem betaald zetten, inrakelen, zw. ww. inrekenen van vuur. |
INSC'HÃNEN-KANNE-
19
|
insehiinen, zw. ww. aanhitsen, opzetten, intégen, bw. te gemooi; ieemand in- tégen kommen. instüken, zvv. ww. inblazen. ipsen, zw. ww. spelen met centen i:i hokjes. 1. ï, vnw. gij. ïl (ïdel), bvnw. ijdel, ijl. ilgat, o. rt ilgat, samengetrokken lot tllgat, opening in den bijenkorf, ime, mv. ïme en imon vr. bij. imenhüve, vr. bijenkort. ïmenkaor, m. bijenkorf. Imenschür, o. bijenstal, bijenzwerm, imenzwarm, bijenzwerm. imken, zie hitnken, krekel. Imker, m. bijenhouder. ïpe, m. ijp, olm. is, o. ijs. istappe, vr. ijskegel. Izer, o. ijzer, strijkijzer. ieder. vnw. ieder. ieepe, zie hieepe, vr. hakbijl. ieevesen, cewesen, mv. mazelen. J. jaagband of jaagbandel, in. hoepel, jaap, japen, in. snede. jao, bv. ja. jaop (Jacob), m. Jaap. jaor, mv. jaor, o. jaar. jachtendüvel, ra. Hypericum perforatum. jagen, st. ww. jagen, hard rijden. ja. bw. zoo, immers. jawöl en jawal, bw. jawel. jak, 1). jak. jakkeren, zw. ww. factitief van jagen, hard rijden. jammer en jommer, o. jammer. jesse, vr. jas. jongen, -s. jongen. jonk, bvnw. jong, jünksken, o. jongen, jonk worden, geboren worden. |
jödde, ra. jood. jöddenboon, ra. paardeboon. jókken, jeuken. jozelen , zw. ww. zeuren, klagen, jüchteren, zw. ww. wild stoeien, hard loopen en schreeuwen St. jüdtenmisse, vr. St. Judith. Op St. jüdtenmisse as de kalver op 't is danst, iets ad kalendas graecas verschuiven. jüfïer, vr. juffrouw. jük, o, juk. K. ka, kouwe, vr. kraai, kouw; karkka, kerkkouw. ka (kade), vr. kade. kaaie âieemand op de kaaie hebben, .oor den gek houden. kaak, vr. kaak (wang). kaal. bvnw. kaal; zoo kaal as 'n lüs, kaal als een luis. kaar, vr. vischkaar. kaarde, vr. distel. kaakte, vr. kaart. kaole, -n, vr. kool (brandstof). kaom, vr. o. kaam, schimmel. kaore, vr. kar. kaorewagen, vr. marktwagen, kinder- wagenlje. kaote. -n, vr. huisje, kot. kaoter, -s, in. boer die één paard houdt en op eene kiioterstede woont, kaf, o. kaf. kalf, kalver, o. kalf. kalk, vr. kalk, kalkaoven, m, kalkoven. kallemenk, o. kalmink. kallen, praten; laowi lük kallen, laten wij wat praten. kamelle, vr. kamille. kamer, -s, vr. kamer. kamme. -n, vr. kam. kamnet, o, kabinet. kamp, -e, ra. kamp, verklw, kempken. kaneele. pipkaneel, vr. kaneel. kanels, kanils, bvnw. boos. kanln, o. konijn. kanne, -n, vr. kan. |
KANTâKU.SWr.
20
|
kant, in., kante, -n, vr. kant; 't is op de kante, liet is niet zeker. kanthölt, o. Iiunt, dat vierkantig gehakt is. kaper, -s, m. kaper. kappelle , vr. kapel. (Met klemtoon 0)i pel; Keppel, nit kappül, kappele ontstaan, heeft klemtoon op kepi. kappe, vr. kap. karf en karve, karve en karven, in. vr. kerf. karke. -n, vr. kerk. karkenbül, m. kerkzakje. karkenende, O. lie mooie kant van iels; oorspronkelijk het deel van den koorn-akker aan het voetpad naar de kerk gelegen, welk deel zeer zorgvnlaig bemest en bezaaid wordt. karkenspraoke. vr. afkondiging aan de kerk; zie verkarkenspraoken. karmse, vr. kermis. karnhüs, o. plaats waar de karn staat, karnsel, o. de boter van eenmaal krrnen. karre, -n, vr. kaorken, kar, karretje, kaï'se, -n, vr. kers. kal'smisse, vr. Kerstmis. Karsmisse helder, den bur nao den kelder. Karsmisse helder en klaor, gil' en gód hnenjaor. Voor Karsmisse kan men ook Lichtmis in do plaats stellen. karspel, o. kerspel. karwei, o. werk. kasmanneken, geldstuk ter waarde van /' 0.15, dat vroeger in gebruik was, en waarmede nog wel gerekend wordt, kaste, vr. kast, gevangenis. kataos = kwaodaos, o. ondeugend schepsel. katèker, m. eekhoorn. kater, m. kater. katrolle, vr. katrol. katte, -n, vr. kat. kattestart, vr. equisetnm. kawopsken, o. sprongetje. keer, -e, vr. keer. keer. m. draai, bocht. kearen, zw. ww. keeren. keernen. zw. ww.; zie karnen. |
keerntonne, vr. karn. keet, vr. keet. kégel - -S . m. kegel. keie, vr. kei. keilen, zw. ww. met een steen werpen, kèkelen, st. ww. kakelen. kèkelmöje, vr. klappei. kèkelbaord, van een man kèkelrieem. in. tongriem; en ekster den kèkelrieem lössnïjen. kelde, vr. verkoudheid , z. kolde kelder, in keiler. kelderlük, o. kelderraam. kèle, -n, vr. keel képe. vr. keep. kèper, m. keper, met een keper geweven stof. kérel. m. kerel. kèrse. -n, vr. kaars. kètel, -s, m. ketel. kéten, -s, vr. ketting. ketsen, zw. ww. ergens langs slaan met een steen; vuur ketsen, over het water ketsen. kévie, vr. kooi, kast met tralies. kever, vr. kever. kewwen, zw. ww. kauwen. In san (Mist. neerkewwen, herkauwen. kéze, vr. kaas. kidde. -n, vr. rij; 't gros an kidden harken, 't gras aan rijen harken; zie geie. ril en zwadde. kidde, vr. hit. kieel, m. kiel (kleedingstuk). kien, m. kienhölt, o. vermolmd hout, dat in donker glimt. kiepig, bvnvv. bij de hand. kiës, lief koozend woord, waarmede de kalveren worden aangesproken. kieeren. zw. ww. keeren. kieezen, st. ww. kiezen. kif, o. gemalen of gebruikte run. kifte, vr. kievit. kiken, st. ww. kijken. kikkert, m. kikvorsch. kil, bvnw. kil. kil, m. wigge. kttspit, o. spitstoeloopend gat met de spade | in den grond gemaakt; scheidsgrep in het 1 land. |
KillâKLOKKE.
21
|
kïm, in. kiem. km, o. kiem. kïnb Ãtte, mv. wangbeenderen. kind. -er, o. kiml. kinderachtig, bvnw, van kindeion lioii-dend. kinderbedde, o. kniambed. kinderbier, o. doopmaal. kindsch, te kinde wezen, kindsehzijn. klnen, zw. ww. kiemen. kmhdlt o. zie kien. kinke, vr. konkel, draai. kinne, vr. kin. kinsel, o. uitloopers aan de aardappels. kipe, vr. draagkorf; pet. kipig, bvnw.; zie kiepig. loos, slim. kipse, vr. pet. kiste, vr. kist. kistentüg, O. zondagskleed. kitsen, zw. ww.; zie ketsen, vmirslaan met ijzer en steen. kitelen , zw. ww. kilelen. kive, vr. bestraffing. kïven, st. ww. kijven. klaor, bvnw. klaar; neet klaor wèzen, niet Iriscli zijn. klabasteren, zw. ww. klanteren, huppelen, klabatse, m. klanteraar, woesteling (meest van kinderen). klachte, -n, vr. klacht. kladde, -n, vr. klad. klagen, zw. ww. klagen; klagen en klimen, jammeren. klamp, -e, m. klamp. klampe , vr. krap, haak. klampen, zw. ww. van Je sneeuw, ballen, klander. vr. kleermakerspers, heet ijzer, klank, -e, m. klank. klanke, vr. kronkel in touw. klap, -e, m. klap. klaproze, vr. papaver. klasse, vr. klis. klater, vr. vuil; klaters in de oogen hebben, vnil in de ooghoeken hebben; 't peerd hef klaters in de manen, klau, klaowe. m. klauw. klaowen. zw. ww. klauwen; 't votjen klaowen, naar den mond praten, kléblöme, vr. klaverbloem. |
kleddeken, O. (verkleinw. van klad) kleinigheid, en kleddeken boter, kledderig, bvnw. morsig; de weg is kledderig. kleed, -e en kleere, o. kleed. kleeën (klieeën), mv. boekweitdoppen. kleie , vr. klei, leem. klöjen, zw. ww. hard werken. kleine, bvnw. klein, weinig. klemme. -n. vr. klem. klensebur spblen. een kinderspei, waarbij over een figuur, op den grond getrokken, gehinkt wordt. kleppel, -S, m. klepel. kletsen, zw. ww. kletsen, wauwelen, klette. z. klitte. kléver, vr. klaver. kliéen. o. blom van meel. kliere. vr. klier. klikken, zw. ww. klappen, waarschuwen; de klókke klikt of hef klik eslagen, de klok heeft voorslag geslagen, klikspaon, in. Jongen die verklikt; zie ook labben. klimen, z. klagen. klinke, klenke, vr. heuvelachtige heigrond met moerassen in de laagtes, klinke, vr. deurlat; de klinke optrekken, de deur openen, nl. door aan het kettinkje of riempje te trekken, waardoor de deurlat, die aan de binnenzijde zit, van buiten wordt opgetrokken en de deur geopend. klinken, st. ww. klinken. klinknöze. vr. het ijzer, waarin de klink ligt. klip, m. deksel van een kan. klip, oliklip, klipkanne, vr. oliekan. klisse, -n, vr. klis. klitte, -n, vr. klis (ook benaming van een vrouw). klive. vr. klis. klod. klodde, vr. vrouwenmuts. kloft, -e, vr. klucht, troep (wijk). klók, bvnw. kloek. klok, klokke, m, slok; dat schèlt 'n klok op 'n borrel, dat valt heel wat mee. klokke, -n. vr. Ulok; hé is an de |
KLOKKE EWES1--KÃKEN.
|
klokke ewest, liij heeft brand in linis geliail. klókkenslag. m. klokslag; ünder den klökkenslag van N horen, ondoi-liet geljieil van een plaats liooren. klompe, -n, m. klomp. klonte vi . vorkhv. klüntjen, klont, klootschieeten, zw. WW. volksspel met een kloot of bal. kloove, -n, vr. kloof. klop, m. slaag. klöppe, klopken, vr. soort van geestelijks zuster, die jaarlijks eene som aan de kerk uitkeert en de gelufle gedaan heeft ongehuwd te blijven ; zij neemt dikwijls het bidden voor afgestorvenen over. kloppenbror, m. manlijke klop. klösse, -n, vr. klos, kloot. klomen, zw. ww. koud zijn. klötjesmaol, o. feest na atloop van het klootschieten. kloven, zw. ww. klooven. klüen, -s, kluwen. kluiven, zie knüven. klüft, klüfte, vr. troep. klüngel, o. vod, kluwen. klüngelaole, jenever met stroop, kluppel, m. 1) kneppel: '2) oflicioele aanzegging, die vroeger dikwijls in een briefje in een gespleten tak werd overgebracht; 'k zal uw en klüppel sturen. schert-sender wijs: ik zal het u in alle vormen laten zeggen. klün, o. turf, kloon, bagger. klagen, zw. WW. klagen, schreeuwen; do haze klaget al; de haas schreeuwt, hij zit in 't nauw. knagen (gnagen), zw. ww. knagen, knap. -pe, bvnw. knap, eng. knape, -n, m. knaap. knarpen, zw. ww. knauwen, de hond lig op 't bot te knarpen. knarre, vr. knarsbeen; 'n ólde knarre, een oud mensch. knarsen, gnörzen, zw. ww. knarsen, knecht, knechte, m. knecht. knéën. zw. ww. kneden. knével, m. zware boom, sluithout aaneen hek of deur; sterke man. |
kniee, knieën, vr. knie. knieehalter, o. (kniehalster, üverijs.) hout of touw, dat den kop der koe aan den poot verbindt. knif of knlfmes, o. mes. knikkebïle, m. driekante bijl met punt, bij koekhakken in gebruik. knïpe, vr. knijp; de knïpe op den start zetten, bangmaken. knipgat, o. gat in een weg. knipslag, m. gat in het spoor van een zandweg. knipspoor, o. zandweg met gaten in de sporen. knisteren, zw. ww. knetteren. knïzoor, o. kniesoor. knobbel, m. dikte. knolfel, m. plooi, stoot. knoflook, o. knotlook. knökke, -n. m. knok, knook. knölle. -n, vr. knol. knoojen, zw. ww. knoeien. knoop, knöpe, knoop; knbpe tellen, dörst üm de knöpe nieet tellen; wordt om aan te hitsen bij 't vochten gezegd. knótte, vr. maat vlas. knörrebot, o. knarsbeen. knokkel, -S, m. knekel, kneukel. knörf, m. sterke kerel, knarsbeen, knotwilge, vr. knotwilg. knok, in. slag; hi hef er en lelliken knök ekrégen. knüf. m., knüfken, o. kluil, stuk, brok. knClst, knuste en knüste, m. knoest, knuist. knüven (klüven), zw. ww. kluiven; af- knüven, afkluiven. knüfielen, zw. ww. drukken. knüppel of klüppel, m. dikke stok. kö. mv. köë en köne, vr. koe. kógel, vr. kögeltjen, o kogel, kóheerderken, o. wipstaart. koke, m. koek. koken, zw. ww. koken. köken , zw. ww. koeken bakken. Met .Nieuwjaar gaat ieder nao zin vökshüs hen koken. nl. de nieuwjaarskoeken helpen bakken en opeten. |
KOK KRâKKIGEN.
23
|
koker, kokker, m. koker. kold, bouw. koiul. kolde, vr. koorts, o. a. nog in de toover-spreuk tegen de koorts, die uitgesproken wordt bij het binden van een wisch stroo om een boom: 01de mèr olde. Ik hebbe de kolde. Ik hebbe ze nuw, Ik góve ze uw. Ik bind ze hier neer. Ik krig ze meet weer. Zio ook kelde koldfister, m. koudkleum. köle, vklw. kolken, zie kaole. komen, kweem, ekommen, st. ww. komen. komme, vr, kümmeken, o. kom. kondschap don, bekend maken. koole, köle, vr. kool (gewas). koop. koope, m. koop. koorde, vr. koord. kop, koppe, m. hoofd. köppine , vr. hoofdpijn. kopper, o. koper. kopschuw, bvnw. scliichtig. köpzeerte, vr. hoofdpijn. kóren. m. korrel, koorn. kórenblome, vr. korenbloem, centaurea cyanus. korf, körve, m. korf. körste, vr. korst brood. kóren, m. pit in de vrucht. körsmisse, vr. zie karsmisse, kerstmis körste, -n, vr. korst. kort, bvnw. kort. kosten, zw. WW. kosten. kóte, vr. koot. kóten, zw. ww. met koten spelen, kót, kote (kötte), o. kot, varkenskot, kouwen = kuwen, zw. ww. kauwen, kökene, vr. keuken. könink. kbninge, m. koning, köninkrike, o. koningrijk. köppig, bvnw. driltig. kósten, vr. onkosten. köster, m. koster. kótel, vr. keutel. kole, bvnw. koel. kólte, vr. koelte. |
köne , könsch, bvnw. moedig. kö, mv. kön. köne, O. Jong varken, biggen. kökelen, zw. ww. buitelen. köre, vr. keur, keus. köze. vr. (meer in gebruik köre), keus. kraorn, kraome, m. tent. kraam, kraambed. krabben, zw. ww. krabben. kracht, vr. kracht. krage, -n, m. kraag. krak, -e, m. krak. krake, vr. sukkelig oud wijfje. kraken, zw. ww. kraken. kramp, -e, m., krampe, -n. vr. kramp, krane. -n, m. vr. kraanvogel; z. o. krüne. krang, hvnw. verkeerd, binnenwaardsch: krange kant van een kleedingstuk, binnenzijde. krans, o. vet aan de darmen. krappe, vr. wervel. kras . bvnw. sterk. krasgat, o. spleet in een vrouwenrok; verg. schürsgat. krebber, ra. krabber, werktuig om onkruid uit te roeien. kreeft, eikenkreeft, vr. verplante eikenstruik , die kort afgesneden is. krèje, -n, m. vr. kraai. krèjen, zw. ww. kraaien. krèjenkoorn, o. moederkoorn. krek, precies, geheel; krek aliens, geheel gelijk: krek ZOO, juist, (fr. correct), krémer, m. marschkramer. kreng, o. aas, ondeugend persoon, krenselen, zw. ww. kribbig zijn, zich vervelen. krensen, zw. ww. bekransen. krenterig, bvnw. kleingeestig. krets, vr. schurft. kribbe, -n, vr. krib. kribbe, m. lastige vent. kribbe, vr. kribberig wezen. kriel, bvnw. klein; de eerpel bünt kriel. krïgel ( bvnw. kregel. knikke, ra. kleine jongen. krinte. -n, vr. krent. krigen, st. ww. krijgen. |
KUITENâKWELDERLAND.
24
|
krïten, st. \v\v. krijten; kritende ter- mlnen, schreeuwstuipen, vallende /.iekte. krddde, vr. onkruid, ook herk genoemd, krom, bvnw. krom. króne, -n, vr. kroon. kronkelen, zw. ww. kreukelen. kröppe, vr. hals, fig. inborst. kröte en kr'aote, vr. klein mensch. kröpel (kröppel), bvnw. kreupel. kröze, vr. klokliuis in appels. kröze, o. kroos, waterlinze. krümen, zw. ww. kruimen, hi hef den heelen ból der bi in ekrümd, hij heeft er alles bij in gestoken. krtl.ne, vr. kroon? In do samenstelling krünekrane , kraanvogel, voorkomende in het liedje: Krünekrane Swikle zwane W'ee wil met nao England varen, etc. Vgl. Woeste, Westfal. Wrtb. p. 140, krü-krane, kranich en 147 krünekrane. Wellicht is met krünekrane te vergelijken de kroonvogel of kroonreiger. krupen. st. ww. kroop, ekrdpen, kruipen, krüphenneken, o. krielkip; lig. klein inensch. krüs, bvnw. kroes, sierlijk. krükke, vr. kruk. krümmel, m. kruim. krümmeler, slecht ijzererts. krfid. o., krüderige. vr. kruid, kruiderij, krüsbèzen, mv. vr. kruisbessen, krüsdórens, m. kruisbessen. krüthöf, m. bloemtuin. krüdorig. bvnw. keurig. krüjkaore, vr. kruiwagen. krüke, vr. kruik. krüzemünt, vr. mentha. küf. küve, m. kuif. kügel. m. bal. kul, -en, vr. kuil. küküksblörne, vr. lychnis llosculi of anemone nemorosa. külen, zw. ww. kuilen graven; inkülen, aardappelen in kullen doen. külknikker, m. groote knikker, küm, m. leerlooierij; op den küm warken. |
kürig, bvnw. lusteloos. kür-wachter, m. torenwachter; kür be-teekende wacht, vgl. Deventer Stadsrek. den kür op den torne en het kür-hüs. kürtnève, ra. haas. küterdeküt, bw. op stel en sprong, zonder wikken of wegen. küze, -n mv. kiezen. küze. ra. sukkel. küze, vr. knods, stok. küzenzeerte, vr. kiespijn, küzeslopper, sloksleper, iemand die voor een ander uit vrijen gaat, bruidswerver, kuijer, üm kCiijer güon, sterven, küize, vr. knikker. küjeren, zw. ww. praten. küksken, o. kusje. küllaozie, vr. fopperij. kundig, bvnw. bekend; hi is mi n'eet kündig. kündigen, zw. ww. aanzeggen. klissen, zw. ww. kussen. küken. -s, o.; gin kindöfküken, kind noch kraai. küken, o. jong varken. külen, zw. ww. langzaam voortrollen, küm, bvnw. zwak. k urnen, zw. ww. klagen. küper, ra. kuiper. küve. vr. kuip, tobbe. kwaod, bvnw. kwaad. Hot kwaod, do kanker. kwaodzinnig, bvnw. driftig. kwaole, -n, vr. kwaal. kwabbe. -n «kwabbel), vr. dikte van vet. kwachen ikwachelen), zw. ww. hoesten, kwadde, vr. takkebos, tophont van eiken, kwakken, neerkwakken, zw. ww. werpen. kwalmen, zw. ww. walmen, kwebbelen, zw. ww. veel en slordig praten, kweken, zw. ww. kweeken. kwekwe (Winterswijk kwekken), vr. kweekgras, een onkruid datzichonderscheidt door bijzonder taai leven. kwelderland, o. land dat onderloopt door het doorlaten van den dijk. |
KWALENâLEEREN.
|
kwèlen, st. ww. kwal (verl. dlw. niet door mij gehoord), ziek zijn. kwelle, vr. wel. kwéne, vr. oude vrouw. kwengelen, zw. ww. morsen. kwetse, vr. pruim. kwetsen, zw. ww. kneuzen. kwetren, zw. WW. zingend snappen, van vogels gezegd, van spreeuwen, musschen en zwaluwen. kwik, bvnw. levendig, vlug. kwikkwak, kleinigheid; béter ens gud as tweemaol kwikkwak, kwiksteert, m. wipstaart (vogeltje), kwistegód, m. verkwister. kwïlen, zw. ww. kwijlen. kwit, bvnw. kwijt. L. la, laan, vr. lade. laobes, m. onverschillige kerel. laoge. -n, vr. laag (abstr. v. liggen), laoje, vr. laai. laoke, vr. waterleiding, beekje. laor, o. meest in eigennamen van heerenhuizen; het Laor, 't Oaverlaor, Meddelaor, Laoren. laoten, st. ww. laten, er uitzien; 't löt nao regen, het ziet er uit alsof er regen ophanden is; lie löt zik gód, hij lijkt goed; 't löt stïf, het lijkt stijf. labbe, vr. kwaadspreekster. labben, zw. ww. kwaadspreken, in het versje: Klikspaon! Adriaon! (of Arriaon) Durf nieet deur 't straotjen gaon, 't Hündjen zal ürn biten, De vogel üra beschiten, Do katte zal üm krabben, Dat kümp van al dat labben. labbezak. m. lapzak (scheldnaam voor een bedelaar). laen, st. ww. laden. laken, -s, o. laken. lakrisse, vr. dorp. laks, m. sukkel. |
lam, lammer, o. lam. lam. lamme, bvnw. lam. lampe, vr. lamp. lamstraol, m. lammeling. land, landerijen, o, stukken lanus. land, -e o. landschap. lane, -n, vr. laan. langen, zw. ww. geven, reiken. lank, bvnw. lang; zik nieet lank makan vör ieets, zich geen moeite geven voor iets. lanke. vr. zijde, de kö is dünne in de lanke- lankwagen , O. hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt. lanteerne, vr. lantaren. lanter, m. lantheer. lappe. -n, vr. lap. lappen, zw. ww. lappen, een lap opzetten, beter maken: van dage moj 't üm lappen, van daag moet go 't in orde krijgen, van daag moet de zaak in orde gemaakt; van dage moj den zak lappen, van daag moet ge er voor boeten. larke en larkse, m. lariks. last, o. last (inhoudsmaat). last, -e, m. last. late, bw. laat. latte, -n, vr. lat. laven, zw. ww. laven. ledder, -s en leere, vr. ladder. lédig, lèèg, bvnw. ledig. lee, vr. ieemand de lee anzeggen, iemand een overlijden bekend maken, lee, vr. beschutting; ik ligge in lee, ik lig beschut. leed, o. leed. leegde on leegte, vr, laagte. leelik. lelk, lellik, bvnw. leelijk. leem, o. leem. leen, -en, o. leen. leenen, zw. ww. leenen. leep, bvnw. slim. leepe oogen, druipoogen. leerbrieef, m. papier met kermisliedje. leere, vr. leer (leering). leere. -n. vr. ladder. leeren, lèrn, zw. ww. lezen: ik zat te |
4
LEERZEâLOOGE.
26
|
leeren in dat bok, ik zat (e lezen, bidilen (in ilo taai der R. K. Kerk), leerze. -n , vr. laars. leeste, vr. leest. lellik. lelk , zie leelijk. lége, bvnw. laag. léger. -S, o. leger. leiden, zw. ww. leiden. lek, o. en bvnw. lek. lekken, zw. ww. lekken. lommer, o. lemmer. lemmet, o. (accent op met) katoen in eene olielamp. lempe, vr. sloildervos, die acliteloos is in haar gang. lende, vr. lende; zie brao. lenige, vr. het stuk goed, dat hoven aan den boezelaar zit, die mecslal nil 1 wee stukken bestaat. leppel, -S, in. lepel. lesse. -n, vr. les. lest. lestens, onlangs. lestig, bvnw. lastig, strekkend, ruim. letten, zw. ww. verhinderen; wat let mi? wat verhindert mij'? léven. zw. ww. leven. léver; ieets op de léver hebben, iets op 't hart hebben; üm löp de luse over de léver, hij wordt kwaad, lézen, st. ww. lezen. lézebrieef. z. brieef. lichame, o. lichaam. licht. bvnw. licht. lichte, bw. licht, wellicht. lichter, -s, m. bretel. lichtveerdig, bvnw. lichtvaardig, bw. licht; 't kan lichtveerdig geboren, lid, lée, o. lid. lïeed, -er, o. lied. l'eef, bvnw. lief. lieefhebben: Onze l'eeve Heer hef üm zoo lieef ehad, hij is gestorven, lieegen, st, ww. lög. elögen, liegen, l'eespel, o. die balken in de schuur, welke zich tusschen de voor- en achterbalkon bevinden (Ov.). liggen, st. ww. lag, elégen, liggen, likken en lekken, zw. ww. likken, linde. -n, vr. linde. |
lindeblojsel, o. lindebloesem. linke, vr. linkerhand. linnen, o. linnen. lippe -n, vr. lip. lïden, st. ww. leed, eléjen of eléden, 1) lijden, hé is daor nieet arg eléjen, hij is er niet bemind; 2) voorbijgaan, 't leed nieet lange. lidensgeerne, bw. zeer gaarne, lidensvolle, bw, zeer veel. lïf, o. lichaam, leven. lïfzeerte, vr. buikpijn. lïk, bvnw. gelijk, effen; wi bünt lik, wij zijn quite; den wil nieet omlik hij wil niet deugen. lik, o. lijk. likdoorn, rn. likdoorn. lïken, st. ww. leek, eléken, lijken. likstee, vr. litteeken. llkweg, m. lijkweg, groote weg, zoo breed dat twee wagens elkaar kunnen passeeren. lïm, m. lijm. iïmgarde. vr. lijmroede. limstange. vr. vischstok. limstrikke. -n, vr. strik voor lijsters, lin. bvnw. langzaam, traag. line, -n. vr. leidsel der paarden. line, -n, vr. lijn, streep. linzaod, O. lijnzaad. lipen, zw. ww. schreien. lire, vr. lier. lïste, vr. lijst, lister, -S, vr. lijster. locht. vr. lucht. lof. lóve , m. lof. lok. Ibkke, m. lok. lollen, zw. ww. schreeuwen, zaniken, lompen, zw. ww. onbehoorlijk behandelen, beetnemen; laot uw nieet lompen, longe, -n, vr. long. lood. -e, o. lood; 't gezichte god in 't lood hebben, een regelmatig gezicht hebben. looden, zw. ww. een geslacht dier van lood (bewijs van betaalde belasting) voorzien. loof. o. loof (dorre bladeren) ; loof harken, dorre bladeren harken. looge, vr. loog. |
âSTAAT.
â¢27
LOOGâ
|
looge , sneelooge, vr. gesmolten sneeuw, look, o. uien, prei, enz. loon, -e, ra. o. loon. loonen. zw. WW. beloonen, loon geven, loopen, st. ww. lieep. elo ipen, snel loopen. loopgaren, o.; loopgaren spinnen, heen en weer loopen. loos. looze, bvnw. loos. lorre, -n, yr. lor. lot, o. lot. loten, zw. ww. loten, lóven. zw. ww. prijzen. lozeeren, zw. ww. logeeren. löfte, vr. belofte. los, bvnw. 1) los, '2) open; 1) lösse verkeering, vrijage die alle oogenblik kan afgebroken worden, b.v. met een kermisvrijer, d. i. voor ééne kermis; 2) de döre is 1ÃS, de deur is open. Ibshösten, zw. ww.; den kan lösho- sten, hij kan het goed doen. lok. bvnw. gesloten, grappig; 'nloken kérel, hé zeg nieet volle. lögen, -S, vr. leugen. lögnen, zw. ww. loochenen; ook straften, lopen, o. houten melkemmer met handvat, löperken, z. boomlöperken. löpsch, bvnw. loopsch. löre, vr. slons. loven. glöven, zw. ww. gelooven. lüder, o. loeder, kreng. IClg, m. buurtschap (Drenthe en Overijssel), lünen. zw. ww. behagen, lijken; dat lünt em, dat lijkt hem. lünsch., bvnw. nukkig, valsch, niet oprecht, lür. m. loer, en lür drèjen. lür, vr. uitkijk, op de lüre liggen lürangel, ra. valschaard. lurderig, bvnw. loom, droomerigj luren , zw. ww. op den uitkijk zijn; 't weer lürt, 't kan regenen, 't kanvriee zen, het weer is onzeker. lüs, lüze, vr. luis; gin lüs wérd, niets waard. lüter, bw. louter, zuiver. lüchte, vr. lantaarn. lüchten, z. ww. luchten. lüeliter. m. kandelaar. |
lüchterliand, vr. linkerhand. lüj , bvnw. lui. lük, bvnw. weinig; kom os lük knieren, kom eens wat praten. lünze, vr. pin die voor het rad wordt gestoken. lüs en lisse, vr. strik. lüst, -e, m. lust. lüt, bvnw. klein; 't is maor illt, 't is weinig. lüt, o.; en lüt wérd wèzen, weinig waard zijn; lütje, kleintje. lüj, mv. m. lieden. lükes. bvnw. leuk. lünink, lüninge, ra. inusch (Winters- ^wijk). lüre en lure, vr. luier. iCisch., o. lisch. lâ¬isteren, zw. ww. luisteren. lüzebos, ra. scheldnaara, vuile kerel. M. maol, o. maal. In samenstelling: slachtmaol, onthaal na 't slachten; mestmaol, onthaal voor't most brengen; tauurtmaol, onthaal van de buren; bèdelmiioltjen, als ieder genoodigde een gift in eetwaren, mest, enz. mede moet brengen. maol, o. maal. maol. o. merk toeken. maolder, o. de hoeveelheid koorn, die in eens gemeten wordt. maolder, o. maat voor koren. maole, rund van â t1/2 a 2 jaar. maolkalf, o. koekalf. maolster, o. schep uit den zak als maalloon, vroeger 1jlB van het gemalene. maond. -e, vr. maand. maone, vr, maan, maore. mére, vr. maar, tijding. maot, vr. weide. maot, -e en miiote, vr. maat; te maot kommen, te pas komen. De oude maten waren: en maolder, een zak, die zes schepel inhield, hetgeen in eens gemalen werd. |
HAOT- -31Ã JEN.
28
|
Een mud (malt) staat ongeveer gelijk met vier oude schepels; en schepel bevatte vijf en twintig kop, vroeger vier spind; en spind was vijf kop; Voor maten van bouwland werd meest als maat de hoeveelheid zaad genomen. Deze verschilt naar de soort. In een Werdener Register uit de 10eeeuw (La-comble Archiv I, 208) staat o. a. in uno ingere hollandico aeminantur circaunum maldrum siliginis vel duo maldra ordei. De gewoone maat in deze streek is naar i-ogge; en mudde gezèj = -f 45 are. en schepel gezèj = i- ÃTare, en spind gezèj = bijna 2 are, vgl. Sloet van AN, '206; onder de maten voor weiland zijn te noemen: en köweide, op het zand omstreeks een morgen of 600 Rijnl. roeden, op de klei de helft hiervan; en dag mèj ens of-wark, omstreeks 40 are. miioltjen, o. feestje, onthaal op jenever, mage, -n, vr. maag (lichaamsdeel), mager, bvnw. mager; hé is zoo mager dat üm de hüd op de bütte is vastewassen. maggelen, zw. ww. knoeien. makinge, vr., de voorwaarden, waarop (vooral in Twenthe) de oudste zoon het vaderlijk goed kreeg. De andere kinderen kregen legaten en hadden het recht bij ziekte in het ouderlijk huis verpleegd te worden, male, vr. maaldag, m. geerfden dag dei- mark; maalstè, vergaderplaats. malen, st. ww. malen. malen, zw. ww. malen, spreken , zeuren, dé 't eerste op den brink kümp, maalt 't eerste, die eerst komt die eerst maalt. man, men, vgw. maar. man, -s en manslüj , m. man (verklvv. menneken). mande, vr. mand; in de mande don, voor gezamenlijke rekening iets doen. mandeelig, bvnw. wat onder meer personen gedeeld wordt. |
manen, vr. mv. manen van een paard, manen. zw. ww. aanmanen. manges, mangs, bw. somtijds, onderwijl, mankzaod, o. gemengd zaad voor beeste-voer. marder en maorter, m. marter. marg, o. merg. margen, m. morgen. mark, vr. mark (geldstuk). marke, vr. mark, onverdeelde grond; markengronden, markenwègen; markenrichter. marken, zw. ww. merken. markol en markolf (Grolle), m.; mar-klauwe (Overijssel), vr. Vlaamsche gaai. markt of markte, vr. de markt. mars, vr. mars (korf). mars, vr. marsch, lage weide. marsen, zw. ww. drukte maken, venten. mart, vr. markt; zie markt. marte, vr. wezel. massen. zie marsen. med, mee, vrz, bw. met, mede. mee, vr. mede, drank. mèèl, o. meel. mèèlbüle, vr. meelzak. meele, vr.; meelspiere, lange grashalm, meene of meente, vr. gemeene weide of heidegrond. meenen. zw. ww. meenen. meenspraoke, vr. beleediging (verouderd), meepenning. meedpennink, m. gods- penning, huurpenning. meerkol, markol, m. Vlaamsche gaai. Meert, m. Maart; Meertrort zïn steert, Maart roert zijn staart. Meerten (en Marten), m. Maarten, Marlijn. meeze, -n, vr. mees. Mei, in.; den olden Mei, de ,0C Mei. meid, meiden en meidens, vr. meid. meihüsken, o. prieel. meister, m. dokter of schoolmeester, meisteren. zw. ww. dokteren of leeren; hé meistert mit üm, hij heeft hem als dokter; hi meistert daor, hij is er schoolmeester. meizontjen, o. madeliefje. mèj en, zw. ww. maaien. |
:âMOGE.
29
SIKKEN-
|
mèken, o. meisje. melk, vr. melk. melkerik, o. lalwerk, om do inelkemmeis op te laten drogen. melle molde , vr. I) melde, niercurialis perennis. 2) bladluis. mem, vr. moederborst. memme, vr. moeder, speen van eon kue. men iman', vgw. maar. méndeure, vr. grooti; schuurdeur, mennen, zw. \vw. aa;i den leidsel leiden, mennig, tohv. menig. mensche 'minsche'. -n. m. o. mensch mère, vr. merrie. mersch, vr. lage, drassige grond. mes, in. mest. mes, -se, o. mes. met. o. gehakt vleesch. méte. vr. streep, die 't begin eoner baan bij spelen aanwijst, van meet af beginnen, méten, st. ww. middel, o. enen onder de middelen nemen, iemand do les lezen, middeleïnon ui melleeinen, medicijnen, speciaal drankjes. midde, v. midden. middewinter, m. kersttijd. miggelen, zw. WW. motregenen. mikko, vr. brood met zemels. milde, bvnw. mild. milte, vr. milt. min, bvnw. min, verachtelijk; 't is mi te min; 'n minne kerel. minne, vr. wijfjesduif. minne, minnemör, vr. min. missaken, zw. WW. loochenen. misson, bvnw. mismaakt. mizen, mv. polsmofjes. mien imiden\ st. ww. mijden. migen, zw. ww. wateren. mire, vr. de mire der an hebben, er een hekel aan hebben; de mire op ieemand hebben, mire. vr. een soort onkruid (stellaria). mïrenströken, o. strooitje om door de pijp te steken. mite, m. vr. mijt, stapel; boschmite, hbjmite, holtmite; mïte roggen, mite steenkoalen. |
miterig, bvnw. huiverig; mïterig in de hüd, koortsig. mizelen, zw. ww. fijn regenen. mod, m. moed. modder, m. modder, drek (zand en water). moder, vr. moeder. modwüle, m. moedwil. moffe. vr. mol'(verklw. müfken). mèkkelen, zw. ww. kussen. mölder, vierkante houten bak, voornamelijk voor de wasch. mond. m. mond (verklw. mündjem. montüre \r. kleed; wi wilt üm nuw ens de frisehe montüre annetrek-ken, het doodskleed aandoen. mooj . bvnw. mooi. moots, -n, vr. moot. mörsch, m. moeras. mos, o. mos. mos. o. gehakte kool. mossel, vr. mossel. mot, m. vlak; litteeken. mot, bw. zeer; hi was mot slim, hij was erg ziek. mot, m, mist. mot. o. fijne afval. mothol, o. bewaarplaats voor eetwaren, motregen, m. stofregen, lijne regen, mof se, vr. draaitol. motse, vr. korte afgebroken pijp, vroeger oen kort aarden pijpje. motslecht, bvnw. zeer min (van zieken), mètte, vr. zeng. motte, -n, vr. mot. motteküren, ww. jongensspel. mölle, vr. molen. möllenasse, vr. molenas. möilik, bvnw. korzelig, droevig. moite, vr. moeite. moj, bvnw. moede. mojlek, bvnw. moeilijk. moj te, vr. moeite. moj ten, zw. ww. tegenhouden. moten, zw. ww. ontmoeten. mote, in de mote kommen, tegemoet komen. moge, vr. zin; elk zin moge, ieder zijn eigen zin. |
MOGENâNOOD.
30
|
mogen, ww. mogen. möje, vr. tante. morbrao, vr. runderhaas. mül. m. muil. müle, -n. vr. slof, muil. müs, muze, vr. muis. müdde, o. mud. mügge, vr. mug. münne, vr. groote voren (visch)-mül, o. stof; türfmül. mülder, m. molenaar en mannetje van den meikever. mümmelen, ter sluiks eten, kauwen, mündig, bvnw. meerderjarig, mündjenvolle; hi hold wel van en mündj en volle, liij drinkt wel eens te veel. müsehe. m., vr. musch. mük, bvnw. meuk, zacht. rnüre, vr. muur, muurbloem. N. naar, bvnw. akelig, naai'. nao, naoder, naost en naogest, bw., vz. na, naar. naober, m. buur. naoberplleht, m. verplichting van de buren. naod, nao maode), m. naad. naolde, naolde, vr. naald. naor, voorz. naar; zie nao. naoszak, m. zak in een kleedingstuk. naost, naogst, naast; zie nao. naogte, vi-. nabijheid. naolen, zw. WW zaniken. nacht, niichte, m. vr. nacht;'s nachens, des nachts. nachtegale, -n, vr. nachtegaal. naflel. -s, m. navel. nakend, bvnw. naakt. nakeneerskes, o. sneeuwklokjes. name, -n, m. naam. nat, natte, bvnw. nat. navel. -s. m. naaf. naw, nouwe, bvnw. nauw. |
nebbe, vr. neb. nee, bw. neen. neer, bw. neder. nègel, -s, m. nagel. nègelholt, o. rookvleesch. négen megene), tlw. negen. nèister, vr. naaister. nèjen, zw. ww. naaien. nekke, m. nek. nemen, st. ww. nemen. nerve, vr nerf. nèrig, bvnw. met lust; nèrig etten,met graagte eten. nèring, vr. nering. nesse. m. lage, waterachtige streek, nestdbddeken. laatst uitgebroed kuiken, jongste kind. nève, -n, m. neef. nette, o. net. nette, vr. nat, water, urine. nettel. -S, m. netel. nével, m. nevel. nichte, -n, vr. nicht. nieeman. vnw. niemand. niendöre, vr. kleine lagere deur in of naast de groote bansdöre, schuurdeur; (nien = nidan), ook naam voor do deur achteraan het huis. niere, -n, vr. nier; hé bef't vor de nieren, hij gaat dood. nieet, bw. niet. nieet, vr. niet, nagel. nij, -e, bvnw. nieuw. nijplichtig, bvnw. benieuwd, verlangend, nikken akken. mv. ieets op do nikke-nakken nemen, iets op de schouders nemen. niks, o. niets. nirtig, bvnw. nurksch, vooral van vnenschen en paarden gezegd. niwers, bw. nergens. nid. ra. nijd. nidsch. bvnw. bw. begeerig, sterk verlangend. nisgierig, bvnw. nieuwsgierig. noch, bw. noch, nog. nökke, vr. nok (van hot dak). nonne, vr. non. nood, node, in. nood. |
NOODWEGâOORD.
31
|
noodweg, m. lijkweg. noot, noten, vr. muzieknoot, nösterbror, m. praatvaar, die op alles wat to zeprgen liecft. nösteren, zw. ww. knorren,aanmerkingen maken. nost, o. nest. nbtte, -n, vr. noot. nbmen, zw. ww. noemen. nöde, vr. m. nood; van noden hebben, van noode. noden, zw. ww. zaniken. nodig, bvnw. nooilig. nögekümmeken, o. kopje iliee of kofiie, waarvoor men zich heeft laten nooiligen. nöse, m. neus. nötelik, nölik, bvnw. bw. verdrietig, nuw, bw. nu. nüchtern, bvnw. nuchter; daor blieev i nüchtern bij, dat gaat uw neus voorbij. nükke, mv. vr. nuk. nummer, bw. nooit. nüms, nümmes, vnw. niemand. nüt. o. nut. nüren, zw. ww. zwellen der uiers. nüste. m. vr. knoest in het hout; vgl. knust. nfizen, zw. ww. onderzoeken, doorsnuffelen. O. öf, zie af. öf, vgw. of. óker, m. oker. oksel, m, oksel. óld, bvnw. (Wintersw. óldgt; oud. öldiiuser, m. die vroeger naast iemand woonde. onakel. o. lompcrt. onbendig, bvnw. uitbundig. onbesmet, bvnw. niet met hypotheek bezwaard. onbespird, bvnw. onbetwist. onbesüsd, bw. zeer onbesuisd, als bvnw. onbocht, o. vuil. onbiïg, bvnw. ongeduldig. onbol, m. groote rommel. |
ondieer, groot dier; bo! wat hej daor en d'eer van en hond, 't is en ondieer. ondöcht, m. en vr. ondeugd. ondögd, vr. ondeugd. ondögend. bvnw. vertoornd, bcos. ondomelijk, bvnw. onbetamelijk, onflaat, o. vuilnis. ongel, m. rundervet. ongevölig, bvnw. teergevoelig. ongroot. bvnw. zeer groot. ongur, bvnw. niet pluis. onhólt, o. hout, dat geen timmerhout is, niet veel waarde heeft. onhür. bvnw. niet pluis; gevaarlijk, onlastig, bvnw. zeer lastig. onmündig, bvnw. minderjarig; bw. verschrikkelijk, zeer. onmündig stark, zeer sterk, onnewettend, bw. zeer; onnewettend groot. onsehadelik , bvnw. slecht; bv. dé sehüt-tink mot meneer ewegbrekken, dé wordt zoo onsehadelik, zoo erg slecht, ontdacht, verl. dlw. 't is mij ontdacht, het is mij ontschoten. ontdön, ww. ontstellen. ontheit, o. bericht. onveranderlik, bvnw. zeer veranderlijk, onvernoftig. bw, zeer onvernoftig groot (in slechten zin). onvernüllig, bvnw. onverstandig; bw. â ontzettend. onverschillend. bvnw. veel verschillend-onverschillig, bvnw. geen verschil makend, onwis, bvnw. dwaas; bw. erg; onwis hard jagen, erg hard rijden. onzélig. bvnw. slaperig vuil; onzelig in de hüd onzür, bvnw. zeer zuur. onzün. bvnw. vuil, armoedig, schraal, oogbraën, mv. vr. wimpers of wenkbrauwen, ooge, -n, o. oog. oogst, m. oogst. oolik, bvnw. ziek, guitig. oome en ome, mv. ooms en bmen, m. (in samenstelling ome: Jan ömei oom. oord, m. punt, begin (van een mes, van een stuk land, enz. |
OORLOGâPED1)E.
32
|
oorlog, m. oorlog. oorzake, vr. oorzaak. oost, m. oogst. oost, m. het oosten. oosten, oosten. opbrengen, zw. ww. grootbrengen , opbrengen. opdrèjen, st. ww. zicli weg scheren, opdraaien. ophalen, zw. ww. halen; en peerd ophalen üt 't land, een paard uit het land halen. opluchten, zw. ww. verhelderen, het gemoed verruimen. dpper, m. kleine hooistapel in het hooiland. opperen, zw. ww. het hooi aan oppers zetten. oprelliken, zw. ww. verbeteren, opdroogen. oprükking, vr. vleugje van beterschap. opseMren. zw. ww. opklaren, opschöttelink, m. aankomende knaap, opstellen, zw. ww. uitstellen, op stonde, bw. terstond. opstropen, zw. ww. opstroopen (bv. de mouwen). opstüken, zw. ww. de garven opzetten, opsükeren, zw. ww. omroeren van suiker in 't gevulde glas. opzage. vr. opzegging, tegenbericht; op-zage van hür, opzegging van huur of pacht. opzeggen, zw. ww. afzeggen. order. rn. order. össe, -n, m. os. otter, -s, m. otter. över, m. oever. olli, m. olie. orgel, o. orgel. orgelist, m. organist. öjlam, o. wijfjeslam. ördömig, bvnw. licht geraakt. ost, m. kwast in 't hout. P. paar, o. paar. paol, pilole, m. paal; binnen do piiole |
blïven, te huis blijven; üt de piiole, buiten de grenzen. paolink, m. paling. paoschen, Paschen. paosehvuur, o. paote. vr. jonge boom, stek. paoten, zw. ww. poten. pachte, vr. pacht. Thans meest geldpacht, vroeger garfpacht hüspacht; op de garve bouwen, tegen garfpacht wonen. De garfpacht was: de zwaore garve. quot;1$ voor den eigenaar, of de lichte garvO, ij-i voor den eigenaar. Zoodra het koren aan gast stond (gast = 4 of O garven verschillend naar het gewas) en de tïlen (rijen van 20 garven) gesteld waren , werd de eigenaar gewaor-schuwd. Deze zond dan den teller, die de garf ütstnk een groenen tak in de hem toebehoorende garf stak en het aantal tilen lelde en door kerven in een kerfstok, tïlstok, opteekende. Daarna haalde ieder, als het droog was, zijn koorn weg. pad. -e. o. pad. padde en pedde. -n. vr. pad. pak, -ke, o. pak; ieemand in 't pak steken, iemand beet nemen. palten, inv. lappen. pampier, -e, o. papier. pand, -e, o. onderpand, pand. panne, vr. pan. panne (verbasterd uit penne), 't hüs kümp an de panne, het buis komt te koop. pannevögel. m. vlinder, pannevögelsken, o. vlindertje. pap, vr. pap. pape, m. paap. parsen, zw. ww. persen. pai'sïzer, o. kleermakers strijkijzer. parti, sommigen. pas, m. doorgang, in bosch of veld; vandaar ook naam voor stuk la;id : Elzenpas, enz. passen, zw. ww. passen. Een veelgebruikt stopwoord is; now pas op voor ik doe het niet, ik geloof het niet, gij houdt mij voor den gek, enz. patte, mesi; pattegat, aaltengat. pedde en padde, -n, vr. pad. |
PLICHTIG.
33
PÃKRDâ
|
pèèrd, -e, o. paaid. peers, bvnw. paars. peie, vr. pij (kleed i. pèkel, vr. pekel (zout water). pelle. -n. vr. schaal, huid, (dnpjien van noten, aardappels, boekweit). pellen, zw. WW. van de schaal ontdoen, pellen, o. linnen (fijn). pellenwever, m. linnenwever. penne, -n. vr. pen penso, -n, rn. vr. buik, maag (van een dier) overdr. licliaam van oen rnensch,'k zal uw op de penso kommen, ik zal jo een pak slaag geven. peppel, m. populier. pepper, vr. peper. père, vr. peer. pèrle, -n, vr. paarl. pest, vr. pest. pette, -n, vr. pet. péze, vr. pees. pijekker, m. buis, kleedingstuk. pik, o. pek. pikke, vr. houweel. pikken, zw. ww. pikken. pilo, o. soort stof, waarvan de Jas en broek van den boer meest gemaakt zijn. pin. pinne, m. en vr. pen; 'eemand en pin vor de nöze of op den start zetten, iemand beletten om zich al te vrij te bewegen. pingeneeren, zw. ww. den weg in orde maken voor de schouw (eigenl. hand- en spandienst leenen). pinke, vr. pink; bï de pinken, bij de hand. Pinkster, Pinksten, Pinksteren, pinksterblöme, gt;T. pinksterbloem, boterbloem. pip, vr. ziekte der tong bij vogels, bij menschen voor de griep gebruikt. pisse, vr. urine; de kolde pisse, stranguria. pissen, zw. ww. zie mlgen, pit (pitte), pitten, m. pit. Pil, voor pijl, alleen voorkomende in,samenstellingen als: pïlsteert of pïlstart, de naam voor den vlinder pijlstaart, en voor een kind, |
waarvan niet de vader, maar alleen do moeder van adel is: pil op, recht naar boven; voor ndl. pijl is flitse of straole in gebruik, pilenten. verkleinw. pilekes, eenden, pine, vr. pijn, moeite; 't is de pine nieet weerd, 't is niet de moeite waard; lifpïne, höfdpine. pïne-kbttel, m. kleingeestig, schriel menscli. pipe, vr. pijp, buis. pipen, st. ww. piepen, kussen (Gron. snütepipen). Van pipeu üp de lippen Kümp vründschap ünder de slippen, pïre. pïrek, m. vr. pier. piren, zw. ww. beetnemen. pirk, m. pezerik, bullepees. pïtse, vr. zweep. plaatse, vr. plaats. plaoge, -n, vr. plaag. plaogen, zw. ww. plagen. plagge, vr. zie plakke. plakke, -n, vr. plak, vlak. plakke of plagge, -n, vr. heizode, die voor bemesting wordt gebruikt. planke, -n, vr. plank. planketting, vr. en planketsel, o. schutting. plante, -n, vr. plant. plas, plesse, m. plas. plate, vr. plaat. plat. -te, bvnw. plat. plége, vr. gewoonte. plégen, st. ww. gewoon zijn. plégen, zw, ww. verplegen. pleien, zw, ww. met centen spelen. pleieren, plèren, zw. ww. met water morsen. plekkig, bvnw, bevlekt. plempen, zw. ww.een water vullen met zand. plester, in. pleister. pletten, pletteren, zw. ww, plat maken, pletten kneuzen. pleziervolk, logeergasten. plicht, -e, in. plicht, taak, plaag, pliehtig, bvnw. verbonden tot iets; met â ien uv.: hé is mi noch volle geld pliclitig. |
PLODZIG-PEÃKEL-
34
|
plodzig, bvnw. opgezet, dik. plof, ploffen, m. plof. plog, -e. m. ploeg. plok, m. pluk, hoop. plonder, m. lommel, lap, kleed. plonderkamer. vr, rommelkamer. plondermelk, vr. gestremde melk. plongerije, vr. rommel. plots, bw. plotseling. plöje, vr. plooi. plöjen, zw. ww. plooien. plüme, -n, vr. pluim. plüteren, zw, ww. plassen, zich wasschen. plükke, vr. afval van vlas; zie spit. plukken, zw. ww. plukken. plüsterig. bvnw. bluisterig, ruw (van het weer gezegd). podde, -n, vr. vuile, waterachtige plek; fig. slechte toestand: hé is in de podde, hij is aan lager wal; hé is üt de podde, hij is netjes, opgeknapt. podderik, m. vuilik. poffert, m. podding. pogge. -n, vr. jong varken. pójeman, liefkozende naam voor een veulen, pökke, -n, kleine puist. pokkei, m. bult. pol en pólle, mv. pölle m. pol. p61, m. poel. pols, m. pols. pompe, -n, pomp. pond, o. pond. pongel, m. bundel. pook, 't is zo'n pook. 't is een kleine jongen of meid, die ouder is dan men zou denken. poorte, vr. poort. poot, pöte, m. poot. pootbrink, m. open bock, waarop men hoornen (doch niets anders) mag planten, zonder recht op den ondergrond te hebben of te verkrijgen. poppe, -n, pop, verklw. püpken. pórk, podderik, m. klein kind. porken, zw. ww. poken, b.v. in de kachel, post, pbste, m.: hè blif bï de pbste. hij gaat niet veel van huis. pot, potte, m. pot. potse, vr. pots, grap. |
potjen, o. potje; klein kind. pötteren, zw. ww. peuteren, met water spelen, morsen. pök, m. klein eindje (wordt van oen eind sigaar, van een kleinen jongen enz. gezegd), pol. m. peluw. pöle, vr. peul (vrucht). pöter, m. slag. praol, m. praal. praome, vr. praam (vaartuig). praot, vr. priiotjes praat. praoten, zw. ww. praten. prUowel, m. neetoor, lichtgeraaktmensch. pragge, in. kribbig wezen; zio kribbe prakke, vr. klein kind. prame, vr. klem; werktuig op den molen, waarmee het kamrad geklemd wordt, zoodat de wieken stil staan; in de prame zitten, in do klom zitten. prame, m. praam (klem b.v. op den neus van een paard), onaangenaam mensch. pranje, vr. mengelmoes (van spijs), prèke. -n, vr. preek. préken, zw. ww. prediken. prengel. rn. ongemakkelijk man, neetoor, préwer en prèwel, m. draadnagel; saaie kerel. prieester. -s, m. priester. prikke. eikenprikke, vr. eikenkroeft, die bij de tweede verplaatsing met den top geplant wordt. prlsweerdig, bvnw. waarde naar het geld hebbende. prïteren, zw. ww. op kleinigheden zien, afdingen. prlterig, bvnw. op kleinigheden ziende, zuinig. pritje, o. kleinigheid; 'n pritjen der of halen, een kleinigheid afdingen, prizen, st. zw. ww. prijzen. pröf, vr. proef. pronken, zw. ww. pronken, te pronk staan, pröppe, vr. prop. prossen of prösten, zw. ww. niezen. proster, m. pruttelaar. prótter, m. spreeuw. proven, zw. ww. prooven. prover, -s, m. dronkaard. prökel, m. porker; pïpprökel, pijpporkoi. |
PEÃKELKN-RI'FELEN.
35
|
prökelen, zw. ww. porken. prülen, zw. WW. pruilen. prüme, -n, vr. pruim; 't bünt maor prümen. liet zijn maar praatjes, prümesnütjen, o. en prümesnütj en-zetten, een mondje van pruimpjes en prismas trekken. prüsten, zw. WW. niezen. prüt, o. koffiedik. prüts, vr. nietigheid. prüttels, mv. berisping. pujer. -S, vr. o. poeder. pttdel, m. poedel. püle, püleken, vr. liefje. ptls, o. schimmel, uilslag. püs, vr. poes. püste, vr. puist. pü.sten, zw. ww. blazen; i kimt nieet püsten en 't mei in den mond holden. püster, m. blaaspijp. püte, m. slag. püte, vr.; in de püte kommen, in verval geraken. pCltsen, zw. ww. poetsen. püddeken, o. klein kleutertje. pulken, zw. ww. iets zachtjes naar zich toe halen. pümmel, m. lummel. pünder, m. unster. pünderen, zw. ww. wegen, op gevoel wegen. püngel. m. bloedbeuling püngelen, zw. ww. arenlezen. pünte, v. punt. pÃB, vr. blikken gieter. pütbüs. vr. staande balk , waarop de i.püt- soheere» rust. pütselieere, vr. dwarsbalk boven den put. pütte, -n, m. put. pültjen, o. zakje. pün, o. puin. Pv. raakkülo, lil haardkuil (Gron. en Drenthe rakeldobbe). raam, rame, o. raam. |
raap. rape, alleen in koolraap, anders rove. raapschbttel vr. straatmeid, gemeene meid. raod. m. raad. raom. m. sprong, en raom nemen, een grooten sprong doen. raomen, zw. ww. mikken. raoskloot, m. bromtol. raozen. zw. ww. razen. raote, vr. honigraat. rilotelen. zw. ww. reutelen. rabbezak, m. schraper. rad. -e, o. rad. ragge, vr. slecht persoon. rakelen, zw. ww. rakelen. raken, zw. ww. raken, treffen. rakken, zw. ww. schoonmaken. rakkert, -s, in. deugniet. ram, -men en remme. in. mannetjes schaap, haas. rammeier, en remmeler, m.mannetjes haas of konijn. ramp. -e, m. ramp. rand, -e en rende, in. rand. rank, m. rang. rank. renke, m. streek, list. ranke, -n, vr. rank, scheut. rap, bvnw. niet goed sluitend. rapen, zw. ww. rapen. rappel, bvnw. niet sluitend. raspe, vr. rasp. ratel, m. ratel. ratsen, wegkapen. rave, -n, m. raaf. ré, -ë, vr. roe (hert). recht, bvnw. recht. rechtevoort, bw. eigenlijk, thans, rechtveerdig, bvnw. rechtvaardig, rcehtveerdige h'aore, sluike haren, réde, rèë, vr. rede (verstand). réden, vr. reden (verhouding). ree. bvnw. gereed. reeën, zw. ww. kammen. reek, vr. onkruid. reepe, -n, vr. reep. réèrbek, m. schreeuwleelijk. rèfel, vr. rafel. réfelen, zw. ww. wauwelen, doorpraten over niets, boonen enz. afhalen. |
EÃGEâ:
36
â EOOZE.
|
rége en rlge, vr. rij. régel, vr. regel. régen, m. regen. rei, bvnw. goedgeefsch, spilziek. reidekamer, vr. kamers, waar de wevers de stukken brengen, die gereed zijn. reidekamme, vr. groote kam. reik, vr. schommel (Gron. en Drenthe), reiken, zw. ww. reiken. reiling, vr. reeks latten om iets achter te zetten. rein, bvnw. zuiver. reize , vr. reis. réken, zw. ww. quot;t vuur 'savonds bijeen schrapen. rekel, mr. rekel, kwajongen. rokken, zw. ww. rekken. reknen en rèkenen, zw. ww. rekenen, rékninge, vr. rekening; 'k heb et wal in de rékninge, dat er régen kommen wil, ik deuk wel, dal er regen zal komen. rekwark, o. heining, leuning. rellik, bvnw. zindelijk, knap, redelijk, remle, m. mannetjes konijn of haas. reppel, m. paal, waaraan het vee op stal gebonden is. reppel, tn. werktuig om het vlas van zaad te ontdoen. reppelen, zw. ww. klauteren (vooral van kinderen gezegd), het vlaszaad van de plant scheiden. réren, zw. ww. schreeuwen; ook van dierengeluiden gebruikt. réte, vr. scheur, reet. ribbe, vr. rib. ribbenlik, bvnw. gezet (de ribben zijn gelijkelijk met vleesch bedekt). richten, zw. ww. richten, recht stellen, riclltmaol, O. maaltijd, wanneer een in aanbouw zijnd huis in zijn vierkant staat, rid, vr. haast; de rid in 't lifhebben, met zenuwachtige haast te werk gaan. ridzig, bvnw. prikkelbaar. rieeme, -n, m. riem. rieed, o. riet. rigge, vr. dwarshout. riggel, riehl, m. regel. rik, rikkens. o. hek, de stok in het |
kippenhok. De rikkens an de weide De hönder gaot op 't rik. rille, m. ril, vore. ring, -e, in. ring. rink en rink, m. hoepel. risse en riste, vr. rist. rïderi. st. ww. rijden. rif, rive, bvnw. overvloedig, verkwistend, rïge, vr. rij; de bömo staot in de rlge, de hoornen staan op eene rij. rïke, bvnw. rijk. rïke. o. rijk, gebied. ripe, bvnw. rijp. rïs, -e, o. vr. tak. riten, st. ww. rijten. ritcnsplit m. vr. die gauw zijn kleeren scheurt. rïve, vr. kleine rasp (bv. voor notenmuskaat), rive, bvnw. spilziek; zie rif. rlvelen, zw. ww. diep ploegen. riven, zw. raspen. rlzen, st. WW. langzaam vallen, druipen, rizen, st. ww. rijzen. rö, vr. roede. rochelen, zw. ww. rochelen. róén, zw. ww. rooien, wieden, delven. röf, m. het inwendige hoven onder den nok van het dak; bedekking eener doodkist, rogge- vr. rogge. röggenstoete. -n, vr. roggenbrood van'I fijnste meel. rok, rbkke. m. rok. röke, m. mantelkraai. rolle, -n, vr. rol. röm, m. roem. rond. bvnw. rond. ronge, -n, vr. rong, hout aan den boerenwagen, waartegen de zijkanten rusten, ronken, zw. ww. ronken. rood. rooë, bvnw. rood. roof. o.? 1-200 slagen garen van de haspel, roof. m. roof. rooven, zw, ww. rooven. rooi, rooi holden, de goede richting houden. rook, röke, m. rook. room, m. room. rooze. vr. roos (bloem). I rooze, vr. koorts, ontsteking. |
EÃPENâSCII ARP
37
|
röpen, st. wvv. loepen. röppen. zw. ww. vogels plukken. rör, röre, o. roer, pijproer, rietstengel. röt, o. roet. rot, bvnw. rot. röt, rotte, o. afdeeling, wijk. rötmeister, m. wijkmeester. rouw, bvnw. rauw. rouwe, vr. rouw, zorg. róve en raove, -n, \r. roof, korst, rotte en rotte, -n, vr, rat, röjen, zw, WW, roeien, römen, zw, ww, roemen, roren, zw. ww. roeren. Rörl, plaatsnaam Ruurlo. rove, -n, vr, raap, 1:er/stknol. rovekoke, -n, vr. raapkoeken. ro, -en, rn, reu. rogen. sik rögen, zw. ww, zich bewegen, röke. in. reuk, rökeloos, bvnw, onmerkbaar, onverwacht; hi wil wel zoo rökeloos weer kommen, hij zal wel zoo onverwacht terug komen, römer, m. roemer, drinkglas. röpe, vr. ruif, röpen, zw. ww. aftrekken; de bla van de bome röpen, de bladen van de boomen trekken. röten, zw. ww. vlas laten rotten voor het braken. Door bijgeloovigen wordt hierbij een gesmeerde boterham gelegd, ten einde den duivel goed te stemmen, zoodat hij het vlas niet bederft. rözel, m. reuzel. ruile, vr. schommel. ruw en ru, bvnw. ruw. ruwbolt, rn. onkruid. ruwisel, m. ijzel, rüg, bvnw. ruig. rttgisel, m. ijzel. rüken en ruken. st. ww. ruiken, rieken, rum, bvnw, ruim, rün, m. gesneden hengst, rupe, -n. vr, rups. rüst, vr. o. roest. rüt en rut, o. onkruid. rute, vr. ruit, vensterglas. rütwagen, in. vierkant vischnot. |
rüze, vr. roes: in de rC.zo, in 't wilde, in de roes. rüzeg, bvnw. wild. rüddeken, o. kleine kerel, rügge, -n, m. mg. rünsel, vr. o. rad dat rondgedraaid wordt. rünselig, bvnw. pokdalig. rüste. vr. rust. rüsterig, bvnw. gum. ruen, zw. ww. opruien, aanstoken. rümen, zw. ww, ruimen, runen, zw, ww, geheime samenspreking houden, rilt en rüt, onkruid. râ¬it. o,, rüte, vr, schurft, rüter, m, ruiter, s. saoje, vr, o. saai, wollen stof, sabben, zw. ww. kwijlen. sabel, -s, m. sabel. sadde of sadaos, m, neetoor. samt, bw. zamen. sang, -en, bvnw. paars;ensangenjak. sauwelen, zw. ww. kieskauwen. scha, vr. schade. schaatsen, -s (en skövels),-loopen gt;f -runnen (Overijssel), schaatsen rijden, schaole, vr. wègschaole, schaal, schaop, schaope, o, schaap, schaopsschoppe, vr. schaapskooi, sehiioltjen, o, schaaltje, schaorde. sehaore, -n, in, scherf, schaë, schawe, vr, schaduw, schaft; zie vifschaft. schale. -n, vr. schaal. schalk, m. lat, welke onder aan de sporen van het huis wordt gespijkerd om de pannen lager te hangen. schalm, m. kettingring. schamen isik', zw. ww. zich schamen, schampen (intrans.), zw. ww. overslaan, schap , o. vak, afdeeling in een kast; appelschap. schai'de, -n. vr. stuk heigrond, dat go- brand wordt. scharp. bvnw. scherp. |
SCilAVE-SCHOT.
38
|
schave. vr. schaaf. schavïlen, zw. w\v. iets langzaam voortbewegen , ook ruimbaan maken. scheef, scheeye, bvnw. scheef. schèèl. schele, bvnw. scheel, schèellap, vr. oogklep. scheide, vr. grens; aover de schcide, over de grens. scheide, seheede, schee, vr. scheede. scheiden, scheeden, sl. \vw. scheiden, schèlen, verschelen, zw. ww. schelen, schelharst, m. varkensrib. schelle, vr. schil, schellen, zw. ww. schillen. schemel, o. schimmel. scheme, schemken tren, spel, waarbij men trachten moet op de schaduw van een ander te treden. schemme, vr. schaduw. schemmel, bvnw. beschimmeld, bedremmeld. schemmer. o. schemer. schenne, vr. stuk ijzer, waarom het rad van den boerenwagen draait. schenne, vr. scheen. schennen, zw. ww. schande aandoen, schèpel. o. schepel. schéper, m. schaapherder; an schépers- zïde is ter rechterzijde, dewijl de scheper rechts van de kudde lonpt. scheppen, st. ww. scheppen. schepper, m. opzichter bij een werk. schère, vr. schaar. scheren, st. ww. scheren. schetterig, bvnw. van een paard of koe, die aan buikloop lijdt. schéven, vr. afval van vlas, bast van 't vlas. schichtig, bvnw. schuchter, bang. schieeren, scheeren; I) 't vur in-sch'eeren, inrekenen; 2) eier schieeren, de verbroede eiers uitzoeken. schif, o. afval van vlas. schik, m. genoegen. schik hebben, goede vorm, fatsoen; met schik kan 't n'eet wal anders, schikken, zw. ww. zenden; ieemand bod schikken, een boodschap zenden, schilling, schelling, in. zes stuiver. |
sehimme, -n, m. schim, schaduw, schimmekentrèn, zie schemken trèn. schin, vr. stof, van de huid. schinke, m. ham, hout, waarop het ijzer bevestigd is, om hetwelk het rad draait; vgl. schïnke. schinnen, zw. ww. de huid er af doen of afstooten. schinnerhannes, m. vildersknecht. schip, schépe, o. schip. schiw. schu, o. vogelverschrikker. schïnen, st, ww. schijnen. schinke, m. ham. schinvat, o. lantaarn. schir, bvnw. netjes, wit; schire rogge (vrij van onkruid). schïr, bw. vlug, terstond. schlrei, o. vuil ei, doch niet verbroed, schlrzwaalver, vr. zwaluw met witte borst. schiten, st. ww. schijten. schithüp en sehlthüpe. m. hop (vogel), sehö, mv. schoë of schone, m. schoen, schobben (zik), rell. zw. ww. zich schuren, schobben, arenlezen. schok . -ke , m, schokke. schok, o. zestigtal. schol, vr. schol (visch). schol, bvnw. ondiep. scholder, in. schouder. schölle, -n, vr. graozode, ijsschol. scholt3, titel voor oen boer; bv. scholte Hissink. scholtenboer, m. boer, aan wiens plaats verbonden was de verplichting van een een kleine rechtspraak uit te oefenen, thans: voorname boer. schoof, schoove en schöve, m. schoof, schoole, vr. school schoone, bvnw. comparatief schoonder, schoon. schoone, bw. volkomen, geheel; 'k bun der schoone met ver légen. schoot, m. schoot. schörft, vr. schurft. schörnsteene, vr. schoorsteen schotse, vr. eikebast. schöi'te, schorteldoek, boezelaar, schot, schoten, o. schot (van schieten). |
SCHOTSEâSftGK-
|
schotse, -n, vr. schots. schot, schöte, o. schot. schèt, -ten en sehbtte, o. sclmt, hok. schouwe, vr. schouw. schóvel, m. zaaJschepper. SChoppe, vr. schuurtje. schbppendag (Grolle), m. dag van ruw of buiig weer, waarop de boer in de schbppe zit om zijn gereedschap te herstellen, daar hij buiten niet werken kan. schbrk. -e. m. schurk. sehbttel, m. vr. schotel. schbttelmaol, o. buurtmaal, een feest dat gegeven wordt door den boer, die in de buurt komt wonen en waarop ieder der genoodigden hem een of ander geschenk medebrengt. schotter, opzichter in de rnarke; bosch-schbtter, zandsehbtter (voor de jacht); weideschbtter (voor het vee). schöre, vr. scheur. schöte, vr. scheut. schövel, m. schaats. 't is is glad, zèj Harmen tégen Bartelt, As ij geen scharpe schövels hebt. Dan ról ij dat ij spartelt. schrao, bw. overdwars. schraol, bvnw. schraal. schraon , zw. ww. stelen, wegnemen, schoonmaken (van beken en vijvers gezegd); de beke schraon, de beek schoonmaken; vgl. schröën. schragen, m. stelling, stut. schram. o. varken. schrammen, zw. ww. schuren, schaven, schré, -n, vr. schrede. schreeuwen, schraw. eschrien en eschreeuwd, schreeuwen. schreeve, vr. schreef. schrift, vr. schrift. schrik, m. schrik. schrikken, st. ww., zw. ww. schrimpelen, zw. ww. schroeien, schrips. in. klein, onaanzienlijk man. schrlven. st. ww. schrijven; en schrï- vens, een geschreven stuk. schrobben, zw. ww. schrobben. schröën, zw. ww. afsnijden, gras en onk ru id wegnemen, schoonmaken, vgl. schraon. |
schröïzer, o. schrooiijzer. schröl, m. kuur, gril, dwaze inval, schrot. o. klein goed. schrüte, vr. wilde schrüten, kraanvogels, trekvogels (weinig meer in gebruik), schrüfen, zw. ww. benauwd hoesten, schrüve, vr. schroef. schrojen, zw. ww. schroeien. schrör, m. kleermaker , snijder, schrörsgat. o. splitgat. schuiken, zw. ww. zieh jeuken; de schurft hèf mot schuiken, dè schuld hèf mot schuiken, die de schoen past trekt hem aan. schuikert, m. scheldnaam, beroerde slungel. schüfel, vr. graanschoffel, werktuig om uitgedorscht graan of peulvruchten van den dorschvloer op te nemen. schüle. vr. in de schüle staan, beschut staan. schulen, zw-. ww. schuilen. schüm, vr. o. schuim. schümen, zw. ww. schuimen. schür, o. bui; donderschür, règen- schür, windschür. schüren, zw. ww. schuren. schüve, vr. schuif. schüvekaore, vr. kruiwagen. schüven, st. ww. schuiven. schübbe, -n. vr. schub (van visschen). schüchter, bvnw. schuchter. schudden, zw. ww. schudden. schüld, -e, vr. schuld. schünnen, zw. ww. aanhitsen. schunnig, bvnw. armoedig, haveloos, schüppe -n. vr. schop, spade, schüppen, zw. ww. schoppen, een schop geven. schüpspaon, op den schüpspaon (op schüpstöl) zitten, in onzekerheid zijn. schütschöt, o. omheinde plaats, waar het in de mark geschutte (opgevangen) vee gebracht werd. schüre. -n, vr. schuur. schüte -n, vr. schuit. seddeken, m. kwast, dwaas. Sège, vr. geit. |
SÃGENBOKâSMAKKEN.
40
|
ségenbok, m. bok. selve, vi'. salie. semptlik. b\v. gezamenlijk. sije, vi'. wijfje van een vogel. sikke, vi'. geit. sikkenorig. bvuw. vitziek. sinds, bw. seilei t. slpel, vi'. sipel, ui. sipelen, z\v. \vw. sypelen. slsken, o. sijgt;jo. sjapsen, zw. WW. plezier maken. sjoksen, zw. WW. schokkend voortgaan. sjüeht, vi'. troep. slaon, st. ww. slaan. slaop, sliiopo, m. slaap {do zijde van 't voorhoofd), slaap (rust). slaopen, st. ww. slapen. slabbe. vr. servet, tafellaken, voorspeld- doekje van een kind. slabben, beslabben. zw. ww.bemorsen, slacht, vr. o. paalwerk, molendam; zie slag. slaehte. vr. slacht, soort. slag, -e, m. o. slag, hoefslag, wagenspoor. slag, o, de sperplanken in een molendam (zie slacht). slag. slège, m. afdeeling van een akker, slagholt, -hölter, o. sperplank in den molendam. slak, bvnw. lui, traag. slange, vr. slang. slank. bvnw. dun, buigzaam. slap, bvnw. slap. slat, o. broekband. slateren, zw. ww. morsen met water of soep; zik beslateren, zich bemorsen, slaterkont, slaterbasse,vr. morsebel, slauw, bvnw. luw. slecht, bvnw. ziek; slechte beene,open boenen. slechte, slechtweg, bw. eenvoudig. slee. sleën, vr. slede. slee, bvnw. stomp (van een mes, van de tanden en van een doorn gezegd), sleedoorn, m. prunus silvestris; ook sleebes genoemd sleof, m, houten lepel. sleets, bvnw. snel zijn goed verslijtend, slégel, in. arm van de pomp. |
slekke, vr. slak. slekkedöppe, in. mv. slakkerduiisjes; zie sniggenhüsken. slépe, sleppe . vr. sleep. slappen, zw. ww. slepen. slieete, -n, vr. ribbe, balk, hout voor afsluiting geschikt. slik, o. slijk. slim. bvnw. sluw; bijw. erg, zeer; slim zieek. slingeren. zw. ww. slingeren. slinken, st. ww. slinken. slippe, -n, m. vr. slip (van een kleeding- stuk). slim. o. slijm. slïpen. st. ww. slijpen. slïren, glijden; hi löt den bol sliren. hij beheert zijn goed slecht. slirt, -e, m. rij;daor kümpenheelen slirt an; ze bünt daor met heele slirte an 't rijen sllton, st. ww. slijten. slodderig, bvnw. slordig. slof. bvnw. slof. slok. -ken en slükke, in. slok. slok. bvnw. slap, los; de hözebamp;ndo zit üm slok. slomp, m. groote hoeveelheid. slonde, vr. groote schort van grof goed. sloop, slope, vr. sloop. sloot, slöte, vr. sloot. slóre, vr. slons. slot, slotte, o. slot. slóve, vr. sloof. sloven, zw. ww. moeite doen. sloren, zw. ww. verwaarloozen. slöttel, - e, m. sleutel. slflpen en slüpen, st. ww. sluipen, slüren, zw. ww. slopen. slürig, bvnw. mat: he zöt zoo slürig üt de oogen. slüten (sluten), st. ww. sluiten. sltlze en slüs, vr. sluis. smaak, m. smaak. smaad, m. smaad. ; smak. -ke, m. slag. smakke. vr. ijzeren schop naar den steel omgebogen. 1 smakken, zw. ww. werpen, slaan. |
â SPI5GEL.
41
SMALâ;
|
smal, -e fn smalle, bvnw. smal, dun. smarte. -n, vr. smart. smedde, vr. smeet; en smedde wegs. een steenworp ver, een oiml weegs, smeekelen, zw. ww. smeeken. sméën, zw. ww. smeden. smekken, zw. ww. smakken. smèlen, zw. ww. smalen. smelten, st. ww. smelten. smèr, o. smeer. smèren, zw. ww. smeren. smet, smette, m. smet. smid, -s en sméën, m. smid. smidse, vr. smederij. smTgt (smiegt), m. bedrieger (vgl. smü-gen). smïten, st. ww. werpen. smitte, vr. smet. smilten, zw. ww. smetten, vuil maken, smodde, kófflesmodde, vr. keteltje om koflie te koken. smok, smüksken, m. kus. smook, m. rook. smos (Westfaalsch smaos uit 'smaols?) bw. vroeger. smotsig, bvnw. vuil. smögel, m. oolijkert, bedrieger, smögeltjen, o. kort pijpje. smöj. smö, bvnw. buigzaam, week,zacht, smoken, zw. ww. dampen, rooken. smokerig, bvnw. rookerig. smoren, zw. ww. smoren, gaar maken zonder luebt er bij te laten. smügen, st. ww. iets ter sluik doen, oneerlijk bandelen ; zwijgend bedenken. '2e pers. ij smigt (smiegt) (de andere personen komen zelden voor; de eerste nooit) gij doet oneerlijk. Wat zit ij daor te smügen, wat zit gij daar zwijgend, smuigert, rn. bedrieger. smüle, m. mond. smüsteren (en smiinsteren), zw. ww. fluisteren. snaai, m. voordeel; en goj en snaai maken snaarske, vr. zwagersvrouw. snakken, zw. ww. praten. snater, m. snavel. snavel, m. snavel. |
! snebbe, vr. snavel. , snee, vr. sneeuw. snee, vr. snede. sneeklökjen, o. galanthus nivalis. snége, bvnw. bw. vlug bij de band. snéze, vr. stok waar vleeseb in do wieeme aan bangt, zöven is en snéze volle, snibbig, bvnw. snibbig. snigge, m. vr. slak. snijen, zw. ww. sneeuwen. snïën, st. ww. snijden. snïjer, m. kleermaker. snippe, vr. snip. snit, o. snit. snok, m. hik. snok. snoke, m. snoek. snor, m. o. snoer. snorken, zw. ww. snorken. snörre, vr. knevel. snot, snotter, o. snot. sno, bvnw. bw. snood, bekaaid , spijtig, hij kümper snö af; hij kik sno. snoj en, zw. ww. snoeien, hout stelen, snüt, in. snuit. snüven, st. ww. snuiven. snu ten, st. ww. snuiten. sobben (en soppen), zw. ww. morsen, sökke, -n, m. vr. sok. sop, vr. sap. soppen, zw. ww. de koeien nat voeder geven. SÃpel, bvnw. gevoelig: söple vöte; llauwaehtig, bv. als men zich erg gestoo-ten of geklemd heeft, 'k bün der gans söpel van. spaon, spiione, m. spaan, spalterbrasse, vr. wildebras. spalteren., zw. ww. krimpen en slaan van pijn (van dieren). span, o. span, tweetal. spanrieem. m. spanriem. sparen, zw. ww. sparen. sparre, vr. balk, lat, spar; daksparre. spat, spatte, m. spat (van een paard), spatjen. o. borrel. spee, bw. te kijk; ij zit daor zoospee, gij zit daar zoo te kijk. speeke, -n, vr. speek. spégel, m. spiegei. G |
SPEKâSTAP.
42
|
spek, o. spek: spekhas, (z. sohelharst), m. stuk spek in den pannokoek. spelde, vr. speki. spij , o. spuug, speeksel. spijen. st. ww. spugen, spuwen. spikke, vr.? brugje. spilgeld, o. spillepennink, m. spel- degelJ. spille, vr. spil. spin, o. aan het hout, alburnum, spinaovend, m. avond, waarop do meiden bij elkaar komen om te spinnen, spinde, vr. etenskast. spinmaol, n. maaltijd in de spinweek, aan de meisjes en vrijers gegeven door den boer; ook gespin genaamd. spinne. vr. spin. spinnejachXt), o.; zie spinmaol spinneköppenjager, m. raagbol, spinnen, st. ww. spinnen. spinneweke, vr. de week, waarin de ge-lu urde meid voor zich uit spinnen mag gaan. spinstoom, m. (Twenthe) stoomspinnerij, spint, o. maat voor haver, enz. '/4 vaneen schepel; zie maat. spit, o. aanbeeld, waarop de zeis gehaard (gescherpt) wordt. spitse, vr. spits. splk, o. of spike, vr. brug van boomstammen met zoden bedekt. spiker, m. en o. heerenhuis, schuur, bergplaats van gereedschap of koren. spil, m. spijl; zie spile. spile, -n, vr. spijl, lat. de spilen het latwerk tegen de balken, om iets in te hangen. spir en spire, m. spriet. spït, m. spijt. spït, o. uitgehekeld vlas, werk, minder soort, ook plukke genaamd; zie heet en sterthakke. split, o. spleet, splitgat. splite, m. spleet. splitter, m. splinter, kleinigheid. spil ten, st. ww. splijten. splö, bvnw. taai, buigzaam. spochte, vr. vcldduif. spook, spöke, o. spook. |
spoor, o. wagenspoor. spoi'tel, m. sport van een ladder. spóre. -n, vr. spoor, getimmerte. spörte, -n, vr. sport. spot, m. spot. spöl, (spül), spölle en spüllen, o. spel. spölen, zw. ww. spelen. spölman, m. muzikant. spölen, zw. ww. spoelen. sprao, spreewen, vr. spreeuw. spraoke, vr. spraak. spreken, st. ww. spreken. sprenge, -n, vr. wel. sprieet, m. spriet, spruit. sprik, sprikker, vr. rijshout. spril, bvnw. sterk in 't oog vallend; sprille klören. springen, st. ww. opspringen, sprinkhane, m. sprinkhaan. sprök, bvnw. droog, dor, bros. sprökaos, o. worm, die in hout en biezen zit, en waarmee gevischt wordt, sprokkel, sprökke, dor hout. sprong, m. sprong. sprot, ra. sprot. sprötter, m. spreeuw spröjen, zw. ww. sproeien. sprö, bvnw. weerbarstig;'t haor is sprö, staat rechtop, met barsten ; spröhiinde, winterhanden; licht breekbaar, sprö stroo. sproke, -n, vr. spreuk, sprook. sprute, -n, vr. spruit, sproet. sprüten en sprüten, st. ww. spruiten, spünze, vr. spons; zwam. spüte, vr. spuit. staal, stalen, o. staal (monster). staol, o. staal. staon, st. ww. staan. staot, ra. staat. stilodig, bw. gestadig. staonder, m. bikkel. stad, stéde, vr. stad. Stake, -n, vr. staak. staken, stakens. m. staak. stal. stalle en stelle, m. stal. stam, stamme en stemme, m. stam. stand, m. stand; gód in stande, goed in staat. Stap, vossestap, m. toeslaande val. |
STAPEL-STRAOLE.
43
|
stapel. m. stapel. starfelik, bvnw. op sterven: hé is wal slim maor toch nieet starfelik, hij is wel erg maar nog niet in doodsgevaai'. stark, bvnw. sterk. starke, sterke, vr. vrouwelijk rund van één jaar. start, sterte , in. staart. starven, st. ww. sterven. Stè, vr. stede. stechelen, zw. WW. vulscli spelen (bij kinderen). steege, -n, vr. steeg. steek, stèke, m. steek. steel, stéle, m. steel. steen (St'een), steene, m. steen, steenbrèke, vr. lithospermum. stèèrn, -e, ra. ster. stégereep, in. stijgbeugel. steiger, ra. steiger. Steil, bvnw. steil. Stek en stikke, -n, vr. stek, struik. stekbèze, -n, vr. kruisbes. stèke, geheel; stèkeblind. stèkel, -S, m. stekel. stekeling. stekkelink. -linge, in. stekeltje. Steken, st. WW. steken. stekken, zw. ww. steken, stekken, stélen, st. ww. stelen. stemme, vr. stem. Stender, m. stander, groote ton om vleesch in te zouten. stendermblle, vr. molen op oen stander, stèrnhémel, m. sterrenhemel. sterre, stèrne, vr. ster; zie stèérn. Sterthakke, vr. afval van vlas, minste soort, zie spit. stévig, bvnw. stiehte, o. sticht, gesticht. streef , -vader, -möder, -bror, enz. stief. stifte, vr. stift. stik, bw. zeer, geheel, voluit:'t was stikvol in de karke 't is nog nieet stik zöven ür. stik, stek, eikenstruik (zie kreeft;, die, na verplant te zijn, later van den top beroofd wordt. |
stikken, zw. ww. Sliklien, Stil, stille, bvuw. bw. stil. stinken, st. ww. stinken. stip, m. stip. stippen, zw. ww. stippen. stif, bw. stïf volla, geheel vol. 'n stive twee ür, volle twee uur. stïgbögel, m. stijgbeugel. stige, vr. twintig, vgl. het versje: Lange, lange rige. Twintig in de slige, Dartig in don rozekrans. Veertig in den poppendans. st/lkel, bvnw. steil (in flg. zin), koppig, stïperon, koppig zijn. stïpert, ra. druiloor, koppige vent. stiren, stijf worden (van vel). stlve, vr. stijfsel. stiven, zw. ww. slijven. Stobbe, vr. boomtronk. stöf. o. stof. stok, stokke, m. stok. stoken, zw. ww. stoken. stökhok, m hoek van den haard, waar het hout om te stoken ligt; dé in den stökhok zit mot stoken. stom, bvnw. stom, dom. stom, bw. zeer: stom mooi; geheel en al; k was et stomp vergetten; kbün stomp van den ból af. stooten, st. ww. stooten. Stootvogel, m. roofvogel. Stöpe, -n, vr. stoep. slöppe. -n, vr. stop. Stöppelhaan, m. feest bij 't eind van den oogst. störk, m. ooievaar. storm, ra. storm, poos; en stormken, een poosje. störtekaore, vr. wip kar. Storten, zw. ww. stooten. stöve, -n, vr. stoof. stökelen, zw. ww. kwaad stoken. stblpe, vr. stolp, deksel. Stön, m. steun. stbnnen, zw. ww. steunen, stenen, storen, zw. ww. storen. straol, -en, m. straal. straole, vr. pijl. |
STEATE-SWITLAON.
44
|
Straote, -n, vr. straat, straotenjammer, m. mager persoon, strabant, bvnw. brutaal. Straf, bvnw. scherp, kraclitig. straffen, zw. WW. straffen, ontkennen, dat straf ik u nieet. Strak, bvnw. bw. stijf, recht; hé lop er strak op af, hij loopt er recht op af. straks, bw. later, aanstonds. Strang, bw. stijf; en peerd Strang in toom holden. strange, strenge, vr. streng, van wol, enz. strank, strenge, m. lijn, strook, arm van een water. strank, m. kwajongen. Streek, strèke, m. streek, landschap, streep, streepe, m. streep. strekkei, m. liniaal. Strépel, m. o. streep. strik, m. platte stok met modder besmeerd, waar langs de bouwzieht gestreken wordt om ze te scherpen. Samen rnet den hamer en het aanbeeld, waarop de zicht gescherpt wordt, liet haargerei genaamd. strik, ra. strik. strïden, st. WW. strijden, de beenen gestrekt zetten. striken, st. ww. strijken. strïkhölt, o. het hout waarmede de koorn- rnaat glad gestreken wordt. strikhbltj en, lucifer. strïkzwèvelken, lucifer. Strïm, in. striem, streep. Stripe, groote streek land; en stripe land. strips géven, slaag geven. stro, m. o. bosch; zie stro te, vooral als plaatsnaam voorkomend, uit ströd ontslaan met afwerping van d. Stronk, strünke, m. stronk, worteldeel van planten. stroo, verkl. v. stroken en ströjken, o. slroo. stroom, ra. stroom. stroomen, zw. WW. stroomen; water door het molensehut laten ailoopen. stróp, strbppe, ra. strop; ook als scheldnaam = kwajongen. |
stro te, -n, vr. lage boschgrond (eigenlijk dat. sg. van strot voor stród, zie Nom. geogr. Neerl. Ill, 354) vgl. stro. strötte, -n, ra. vr. strot. ströjen, zw. ww. strooien. ströjsel, o. stroo, dat onder de koeien in den stal geworpen wordt. Stroke, vr. strook. stropen, zw. ww. stroopen, afstroopen. ströpnègel, nijdnagel. strüf, bvnw. stroef, oneffen, stuursch. strük. strüke, m. struik. strüpe, vr. schuif. strübbe, -n, vr. stijf, borstelig haar; (bij varkens). strünkebraon, lanterfanten; hi lop te strünkebraon (eigenlijk koolstronken braden = nutteloos werk doen), strünen, zw. ww. stroopen, stelen. strüs, bvnw. struisch, trotsch; -kiken. stüken, zw. ww. stooten; spelen mei knikkers. stür, bvnw. groot, zwaar, moeilijk, krachtig. Stüte, vr. rond brood van weiter. meel; verkl. Stütjen; Stütenbrugge. boterham van eene stüte. stüve, Stüvedampe, vr. vergane paddestoel. st0.ven, st. ww. stuiven. stükke. mv. stukke en -r, o. stuk. stuipe, vr. stulp. stüntelig, bvnw. dora. stutte, vr. stut. stütten, zw. ww. slutten. stiiw, vr. stuw, waterkeering. stür, o. stuur. stüver, in. stuiver. SÃzen, zw. ww. suizen, soezen. sükkelen, zw. ww. ziek zijn. süker, vr. suiker. sukerei, vr. cichoriuin intybus. swikel, bvnw. (verouderd) in het rijm; swikle zwane, wit; zie krün. SWlt, bvnw. bw. zeer goed, zeer mooi; 't was ter SWlt, liet was er uitstekend. swïtslaon, bluffen, groot vertoon maken. |
TAALâTÃ BRENGEN.
45
|
T. taal. vr. taal. taofel, vr. tafel. taoi, bvnw. taai. taehentig, tehv. tachtig. tak, tekke, m. tak. takke, -n, vr. tak. talter, m. schommel. tamper, bw. gematigd; tamper zCir, tamper zöte. tand, -e, in. tand. tange. -n, vr. tang. tap, m. drop, ijspegel. tappen, zw. WW. drank in 't klein verknopen. tapper, -8, m. drankverkooper. targen, zw. WW. tergen. tasse, vr. kop. tasse en tesse, vr. tasch te- (in samenstellingen) bv. tebrokken, gebroken. tee, -ne. vr. toon. teen, -en, vr. twijg. tèèr, o. teer. tégel, m. tegel. tégen, bw. vz. tegen. teik, vr. tijk; toeddeteik teiken, -s, o. teeken. teikenen, zw. vvw. teekenen. tek, -ken, m. vr. teek; schaopetek, schapeluis. telder, m. bord, schotel. telge, m. telg, twijg. tèlink, vr. taling (krikènde). témen, tjèmen, zw. ww. temen. temse, vr. zeef. tente, -n, vr. tont. tépel, tippel, m. tepel, punt. tèrachtig, bvnw. teringachtig. téren, zw. ww. teren. terminen, vr. stuipen; kritende ter-mlnen, schreeuwstuipen, vallende ziekte, terügge blïven, st. ww. achterwege blijven. tève, vr. teef (hond). tevrèjen, bvnw. tevreden. tézen, zw. ww. plagen. |
tibbe. vr. oud wijf, kletskous; volgens IFal-bertsma, Ov. Alm., scheldnaam der Doopsgezinden (eigenlijk eigennaam, verkorting van Tibbege, en dit van Thiedburgis). tibben, zw. ww. snateren, kwaken, tichel, m. tegel; ticbolhof, -hüs, ticheleerde. tijen, st. ww. trekken. tilber, bvnw. tilber god, i-oerend goed. timmeren, zw. WW. timmeren. timpe, m. hoek (van land), kap (van brood), tin, o. tin. tip, -pe, m. punt, spits. tirrel, -ig. bvnw. licht geraakt. titte, vr. tepel, vrouwenborst. tittel, na. stip , tepel. tïd, m. tijd. tïdvervèling, vr. verveling. tïle, vr. twintig garven. tilgat, zie ïlgat, gat, waar de bijen uitvliegen. tilooze, vr. narcis, colchicum autumn, tïpeln, zw. ww. met stokjes spelen, tïpelzinnig, (Dr., Gron. amp; N. Ov.) bvnw. met allerlei kleinigheden spelend. tir. m. wasdom, welige groei. tiren zw. WW. zich gedragen, drukte maken ; zik zieek tiren zich ziek houden, intr. ww. gedijen, welig groeien. tirentein, o. naam eener slof (half wol, half linnen). tjémen, zw. ww. temen. tjükselen, zw. ww. ronselen, vcrkoopon, tuischen; peerdetjükselen tnégentig, tehv. negentig. tobbe, -n, vr. tobbe. tobben, zw. ww. tobben. t6, vz. bw.; der ümme to gaon, or om heen gaan; der nao tó gaon, cr heen gaan, enz. tow, bw. toe, tow maor tóbate, vr. toelage aan meiden en knechts boven hun loon. töbrengen, todrinken, vroeger dronk de boer niet voor de gastheer gedronken had, elk glas moest toegebracht worden; van daar: hi dronk g6d vor, ik heb het er royaal gehad. Nog niet lang geleden behoorde de bruigom op zijne bruiloft |
TÃDDE- -TÃK.
4tt
|
elk der gasten hol glas of het zilveren napje met genever of wijn gevuld toe te brengen, d. i. eerst zelf een slok te nemen en het dan aan zijn gast aan te bieden, die het behoorde te ledigen. todde, -n, vr. lap, tod, vod. töddelen, z\v. ww. haspelen, slepen met iets. todden, zw. ww. slepen; medtódden. toddevos, in. iemand die alles wegsleept, van kinderen, van een ekster. tog, o. overtrek. togaon, st. ww. geschieden; zó gink et to. tölle, vr. tol. tomaken, zw. ww. sluiten. tomaken izik), zw. ww. zich bemorsen. tómoeden, zw. ww. vergen, iemand iets tomoden. tondel, m. tondel, o. tonge. -n, vr. tong. tonne, vr. ton. toog, tóge, in. toog. toom töme, m. toom. toom, m. niet alleen van kippen maar ook varkens; en toom köne toon. töne, m. toon. toonen, zw. ww. toonen. top, töppe, m. top. tóren, m toren. torf, tbrve m. vr. turf. toslaon, st. ww. toeslaan, toestemmen, tostellen, zw. ww. aanscbafTen. tosterig, bvnw. grommig, sikkeneurig, tötasten, zw. ww. toetasten. tövallen, st. ww. meevallen. töverdan, bw. na eenigen tijd. tow, o. touw. totteln, zw. ww. teuten. töge, vr. teug, toog. tögel, rn. teugel. togen, tégen, vr. tegen. tömig, bvnw. bw. lui, werkeloos; tömig gaon, ledig gaan. tövenaor, m. toovenaar. toveren, zw. ww. tooveren. traan, vr. traan (smeer). traog, bvnw. traag. traon, traone, m. traan (uit het oog), tr'aontjen, o. lig. droppel, geestrijke drank, trachten, zw. ww. trachten. |
trampelen, zw. ww. trappelen. trap, m. trap (m.). trappen, zw. ww. trappen. trè. trèn, vr. trede. trèen, st. ww. treden. trek, -en, trek. trekken, st. ww. trekken. trempelen, zw. ww. herhaald trappen, treppe, vr. trap (vr.). trippen, zw. ww. trappen; o. a. in het kinderrijmpje; hip en trip, hip en trip, hold mi achter an min slip. trïsel. m. kring. trisjakken, zw. ww. sollen met iemand. troffel, m. troffel. trog, m. trog. tromme, -n, trom. trommel, m. trom. troon, trónen, m. troon. troost, m. troost; nioot gód bi trocste, niet bij 't verstand. troosten, zw. troosten. trop, rn. troep. trow, bvnw. trouw. trowe, vr. trouw. trbter, m. blaasinstrument. tröteren, zw. ww. op de trompet blazen, trören, zw. ww. treuren. trümmeken, o. trommeltjen. tüf, m. kuif; en tüf trekken, boos worden. tüffinke, vr. slagvink. tün, (tâ¬in), tune, m. tuin. tür, türtjen, m. poos, oogenblik, moeilijk werk, tüsen, zw. ww. ruilen; ummetüsen, omruilen. tüst, vr. een plukje, bv. van haar. tüte . -n , vr. hoek , puntzak; eene tüte met krenten. tüten, zw. ww. blazen. tCLtert m. blaasinstrument, tüze, vr.; in de tüze wèzen, in de war zijn, tüën of tüjen, zw, ww. trekken; da kan 'k nieet tüjen, dat kan ik niet betalen. tük, m. zak; tükdók, zakdoék. |
TÃKKERâVABSCir-
47
|
tiikker, m. grasmusch, tündel, m. tondel. tündeldöze , v. -pot, rn. tondeldoos, tünneken, o. tonnetje. tilssen , bw. tusschen. tüttelen, zw. WW. zeui en. tug, o. trekzeelen en verbinding; alles samen wat tot de bespanning behoort wordt getüg genoemd. tün, m. zie tün , tuin. tünen, zw. ww. omheinen. tâ¬ir (tüder), o. paal, waaraan het vee graast. turen (uit tüderen), zw. ww. vee, aan een paal gebonden , laten grazen, türhamer, m. hamer, om den tnurpaal in den grond te slaan. tute , vr. kip. twaalve, telw. twaalf. twee, twije, tweene, telw. twee. tweedeel. O. tweederde. tweedonker, tweedüster, o. schemering. tweeren , zw. ww. twijnen. twentig, telw. twintig. twïig. bvmv. oneenig, twistend, twisprake, vr. twist. twlfel, m. twijfel. twïg, m. twijg. tzöventig, telw. zeventig. u. ulver. euver, heilover , m. ooievaar, uw, bvnw. uw. ttle, -n, m. uil, van iemand die slim is zegt men; den is nieet bij den üle ütebröd. ÃT, o. ijzererts. ürpikke, vr. houweel üt, vz. uit. Ook in samenst.; ütbrekken, uitbreken, enz. Er naast hoort men ook üt. ütlüchten, zw. ww. ieemand ütlüch.-ten, iemand in een minder gunstig licht stellen. ütstükken, zw. WW. de les lezen; 'k hebbe üm ens raak ütestükt. |
ü-tvensteren, zw. ww. doorhalen; 'k zal üm wal zoo ütvensteren, datte nieet terügge kümp üze, unze, bz. vnw. onze. Ãlk. (onz.) m. bunzing. ümme, bw. vz. om. ümmer, bw. steeds ümmeraozie, vr. rommel. ümmezieen, o. oogenblik. ümsons, bw. vergeefs. ünster, vr. unster. ümen, zw. ww. zeuren. unen, zw. ww. trachten naar iets. ure, o. uur. uren, zw. ww. opzwellen van de uiers dei-koe. V. vaak. bw. dikwijls, soms; zöl ë vaak wat willen hebben? Zie vake. vaak, m. slaap. vaalte, m. meststal, vaalt. vaart, vr. vaart. vader, m. vader. vak, dak en vak onderholden, het huis en wat er bij behoort, in behoorlijken staat houden. vake, bw. dikwijls. val. geen slot öf val, geen slot of zin. val, -le, m. val (het vallen). valle, vr. val (werktuig). valke, -n, m. valk. valsch, bvnw. boos; hé wier valsch op mi, hij werd boos op mij. van, m. familienaam, de boeren zijn dikwijls minder bekend bij hun van, dan bij hun naam, d. i. dien van hunne boerenplaats. vane. -n. vr. vaan. vange, vr. van v. d. molen, van toeversan. bw. langzamerhand, varen, st. ww. rijden in een wagen, varen, m. varen, plantnaam. varken, -s, o. varken, zwijn. valsch, bvnw. versch. |
â¢VEEVMJID.
48
VARVE-quot;
|
varve. -n, vr. vorf. varven, zw. ww. verwen. vaste, bw. zeker. vaste in den mond, van een zieke gezegd, die lot hot laatst goed blijft praten, vastkbppig, bvnw. goed van geheugen, vat, -e en vete, vat. vatten, zw. ww. vatten. veege, bvnw. veog, fig. 't stieet er voege met, de zaak staat slecht. veer, zie ver. veerdig, bvnw. gereed, vaardig. veere, -n, vr. veer. vèèrs, o. vers. veerze or vierze, vr. vaars. veetö, vr. veete. veilig, bvnw. veilig. vege, vr. veeg. vègen, zw. ww. vegen. vèke, vr. gevlochten heining van boomtakken. vel, -le, vel. veld , -e. o. veld. veldgrond, m. heidegrond. veldhon, patrijs. velge, vr. velg., rand van het wiel. venne, o. veen. venne, vr. klein meer in de heide. venster , o. venster, glas. vent, m. jongen. vér, (-re), bvnw. ver. verband, o. hypotheek. verbïsteren, zw. ww. verbijsteren. verbrannen, zw. ww. verbranden. verbüten, zie büten. verdöld, bvnw. vermolmd, (van hout en van tanden gezegd). verdön, ww. verkwisten; ondömelik zin geld verdon. onnut zijn geld vergeten; zik verdón, een zelfmoord begaan. verdüld, bw. waarlijk, inderdaad; wel verdilld, uitroep van verbazing of toorn, vère, vr. en veer, o. veer, overvaart, vergank, o. geloop, beweging, vergasten, zw. ww. refl. te veel eten. vergèten, st. ww. vergeten. vergif, o. vergift. vergüzen, zw. ww. verguizen. |
verhennekleeën, zw. ww. een lijk afleggen. verhetting. vr. verkoudheid. verhetsen (zik), zw. ww. zich verhitten (ziek maken) door aibeid, loopen, ei z. verkarkenspraokt, verl. dlw. afgekondigd aan de kerk. verknüfield, bvnw. verfrommeld, verkommen, st. ww. in de war komen met iets. verköring, vr. verkiezing, verkündigen, zw. ww. afkondigen, verlangen, zw. ww. verlangen, verlieezen, st. ww. verliezen. verlujen, zw. ww. de klok luiden, voor een doode. vermaken, zw. ww. anders maken; rell. zich bezig houden. vermöid, bvnw. vermoeid. vernimstig of vernemstig, bvnw. bij de hand; vlug in 't loeren. verpachten, zw. ww. verpachten, verplaksen (zik-), zw. ww. zich verbinden. verplègen. zw. ww. verplegen, verschot, o. verschot; bi verschot, orn beurten. verschövelink, m. verschoppeling, versmiton (zik), st. ww. zich mésallieeren. verslodderen, zw. ww. veronachtzamen, verspochten, zw. ww. door vochtigheid vergaan, verteren. verspollen, zw. ww. verliezen (in alle beteekenissen); de vorige wekke he 'k min vader verspöld; 'k hebbe volle geld verspbld bi dat peord. verstaon, st. ww. begrijpen; dat verstiet zik, dat spreekt van zelf. verstoren, zw. ww. verstoren, vertesteweeran, zw. ww. vernielen, vertien, st. ww. afwijzen; en arfenisse vertien vertruwen, ZW. ww. gelooven, vertrouwen . vertüssen, zw. ww. ruilen. vervangen izik), st. ww. ziek worden (van eene koe, geen boter geven), vervélen, zw. ww. vervelen. vervlimd, bw. uitroep van jammer. |
VKKZEâVÃDDK.
49
|
verze, zie veerze. verzeggen (zik-), ZW. WW. zich verbinden. quot; verzet, o. bl verzet. bij beurten, verzetting, vr. hypotheek. verzinnen (zik-), zw. ww. zich bedenken , berouw hebben. vesite, vr. dat zal en mooie vesite wèzen, dat zou wat moois zijn. veste, bvnw. bw. vast. vet, o. vet. vet, -te, bvnw. vruchtbaar; 't is vet weer. vetprizen, zw. ww. taxeeren hoe zwaar het geslachte rund is. véter , m. veter. vetlökken, rnv. haarbos boven de hoeven der paarden. vettel, m. lok, en vettel vlas. vettik, vr. veldsla. vetvangen , st. ww. krijgertje spelen onder 't roepen van: vet, vet, vet! Haman, Düman dikken spek 0 , Jan de beddenmiger vet, vet, vet. vézel, vr. vezel. vieere, telw. vier. vieerdel, verrel, o. kwart, vierde, vijand . m. vijand. villen , zw. ww. villen. vimme en vim, vr. en o. honderd en vier bo^. vinger (flkkei, m. vinger. vinke , -n . vr. vink, vinne , vr. puist. vinne, vr. vin. vinnig, bvnw. scherp; en vinnig antwoord; bw. vinnig köld. visch , -e , m. visch. vischen, zw. ww. visschen; vischen en jagen gif hüngrige magen. vitse , vr. bundeltje, kleinigheid, vifsehaft, kleedingstof met vijf schachten of kamhouteu gemaakt. vïle, vr. vijl. vïve (vlf), telw vijf. vizevazen, vr. hé het wat vïzevazen op zin llf, hij heeft veel vijven en zessen. |
vlaoge , -n , vr. vlaag; verklw. vlaögjen, o. vleugje. vlagge , -n , vr. vlag. vlak , bvnw. vlak , ondiep. vlamme, vr. vlam. vlank, bw. meest in uitdrukkingen als: hè smet et üm, vlank, ie 't gezichte, hij smeet het hem in het gezicht. De oorspronkelijke beteekems was krachtig, overmoedig, vgl. osaks; wlank vlas, o. vlas. vlashekel, vr. vlashekel. vlechte, vr. vlecht. vlège, bvnw. mak, gedwee. vlégel, -s, m. vlegel. vleien, zw. ww. vleien. vleisch, o. vleesch. vlek, -ke, o. vlek. vlekke, -n, vr. vlek. vlemmeken, o. vlammetje. vlerk, e-, vlerk, vleugel. vlet, o. klein houtvlot. vlieën, st. ww. vlieden. vl'eege, vliéegen, vr. vlieg. vlieeger, rn. zie wèier. vlijen (Vlijen) zw. ww. (soms wordt ook vlee en evléjen gehoord) vlijen, vlikken, zw. ww. vlijen; samenvlikken samenvoegen. vlint, m. steen, kei. vlocht, vr. vlucht; en vlocht hónder een kluft patrijzen. vlod, m. vloed. vlok, m. vloek. vloo, vlooë, vr. vloo. vloot. bvnw. bw. ondiep; vloot plogen, ondiep ploegen. vloote, vr. ondiep bord, bottervloot. vloote, vlote en vlöter, vr. vloot, vlojen, zw. ww. vloeien. vloken, zw. ww. vloeken. Vlötemelk, vr. afgeroomde melk. vloten, zw. ww. water over 't land doen stroomen. vlügge, bvnw. vlug; gezond, he isnieet vlügge. vlus, o. vacht, van het schaap; vlies, on vlüs aover 't water. vödde. -n, o. vod. |
7
VÃDENâVUE.
50
|
voden, zw. ww. voeden. vóged, voogde, m. voogd. vógel, mv. vogel, m. vogel. volgen, zw. ww. volgen. volk, vblker, o. volk; in enkelv. familie: onze volk, onze völkshüs, het ouderlijk huis. volle, bvnw. vol. volste, m. ten volsten kommen, te hulp komen. vonder, o. vonder. vonke, -n, vr. vonk. vorchten, zw. ww. vreezen. vörd, euvoorde -n,vr, doorwaadbare plaats, rijweg dooreen beek ;o.a. in vele plaatsnamen aan beken: Hackfórt, hetVoorde, het huis te Vórden (dat pl.), Vörden. vóre, vr. voor (van den ploeg). vóren. m. voorn. vörke en vbrke, vr. vork. vörme (forme), vr. vorm. vörsch, -e, m. loofvorsch. vort, bw. voort. VÃrst, vr. dakspits. vorst, vr. konde. vörtmeisteren, zw. WW. (van eene ziekte) afhelpen. vöa, -san , m. vos. vot, vöte, m. (3nv. mv. voten) voet. völle, bvnw. veel. vbrke en vörke, vr. vork. vo, vr. vroedster, wijfjes konijn of haas. vöge, bw. zonder moeite, met voeg, ik kan uw vöge effen helpen. vögen, voegen. volen, zw. ww. voelen. vögel. -s, m. vogel. z. yógel. vögelen, zw. ww. futuere. vör, vrz. voor. vraoge, -n, vr. vraag. vraogen, vrieg of vreeg, evraogd, vragen. vrange, (wrange), vr. loopgraaf van konijnen, vossen, enz. vrange, vr. stremming in de melkgevende uier. vrè, vr. vrede. vree en vrije, vr. wreef van den voet. vreed (wreed), bvnw. wreed, hard, |
ruw; vreed vleiseh, taai vleesch. vréën, zw. ww. omheinen. | vrieend, vrende, m. vriend. vreesken, zw. ww. eischen. vreeze, vr. vrees. vremd, bvnw. vreemd. vrèten, st. ww. vreten. vrével, m. wrevel. vrieezen (vroos, evrózen), st. ww. 1) vriezen. 2) (onpers.) konde voelen; mijvrös, ik heb het koud. vrije en vree, vr. wreef. vring iwring), m. hek voor een weiland. vringen (wringen), st. ww. wringen. vrij. bvnw. vrij. vrijen, st. ww. vrijen. vrochten, zw. ww. omheinen; z. vrüehten vrochting, schutting. vrog, comp. -ger, bvnw. bw. vroeg. vrogjaor, o. vroege voorjaar. vrom, bvnw. Mink en goedig. vronge, vr. gestremde melk. vrouwe, -n, vr. vrouw. vrbndelik, bvnw. vriendelijk. vrbnschap, vr. vriendschap. vrogen i wrögen), zw. ww. aanklagen. vrogte en vrogte. vr. vroegte; in de vrogte vrote (wrote), vr. mol. vröten, zw. ww. wroeten. vrölik. bvnw. vroolijk. vrucht, vrüchte, vr. vrucht. vrüehten, zw. ww. omheinen : z. vrochten vriisterig, koudelijk. VÃl, bvnw. slim. vülik zie vülik. vülaos, o. slimmert. vüring, vr. voering; hi hef wal wat in de vüring, hij zit er warm in. VÃste, vr. vuist. vüsten, zw. ww. de hand geven, vül, -len, o. veulen. VÃlte, vr. volheid, overvloed. vul en vül, bvnw. smerig, vuil; en vül ei. vülik. m. listig persoon; kwade goost; VÃlikesbelt, hooge plaats, waar kwade geesten verblijf houden. vur, o. vuur. |
â¢WEERLICHTEN.
51
WAAR â
|
w. waar, ware, vr. waar, koopwaar. waarborg (ook waorborg), m. waarborg. waarnemen, st. ww. waarnemen. waarschuwen, z\v. ww. waarschuwen. waofel, -s, vr. wafel. waoge, vr. waag. waogen, zw. ww. wagen. waon, m. waan. waor, bw. waar. waopen, -s, o. wapen. waord, -e, o. woord. waorde, vr. wrat. waorheid, vr. waarheid. waorheid, vr. waarheid; de waorheid zieen, sterven. wabbe, vr. dikte van vet, kwab. wacht, vr. waakzaamheid; de wacht an- zeggen, waarschuwen. wachtel of -e, wachel (N. O.) m. of v. kwartel. wachten, zw. ww. wachten; refl. zich hoeden. wagén, -s, m. wagen. wagenschot, o. in planken gezaagd best eikenhout. waggelen, zw. ww. wachelen. wak, -ke, o. zwakke plaats in het ijs , wak. wak, bvnw. lauw, vochtig (van het weer gebruikt) wak weer. waken, zw. ww. waken. wakhölder en waakëldèr, wakel, in. jeneverbes. wakker, bvnw. wakker. waksch, bvnw. waaksch (van een waakhond), wal, bw. wel. wal, -le , m. wal. walen, zw. ww. iemand in 't hooiland onder het hooigras stoppen en rondwentelen, walken, reflex, zw. ww. zich wentelen, wallee, wat blieft? wamme, vr. vleesch op do onderrib. wammes, o. wambuis. wand, wende, m. wand, muur. wange, -n, vr. wang. wann. bw. vanwaar. wanne, -n . vr. wan. wanneer, bw. wanneer. |
wanzune (ook -zone?), bvnw. niet in aanzien, vuil. wannotte, vr. walnoot. want, m. en o. muur van leem. wante , -n , vr. handschoen zonder vingers, alleen met een duim. wante, wantjen, weegluis. ware , vr. hoede , aandacht. ware, vr. stem in de marke. waren (zik), zw. ww. zich hoeden, warf. warve , m. en vr. werf, huis en erf. warfhölt, o. salix caprea. wark, o. werk. wark , o. vlas. warken, zw. ww. werken. warre . vr. war. warren, zw. ww. warren, verwarren, warm (waarm), comp. wermer, wermst, bvnw, warm. warschop , o. bezoek. was, o, was (cera), was, vr. groei in de was wèzen (van kinderen) in de groei zijn. wasem, m. wasem. wasschen, st. ww. wasschen. wasscheldök (waskedok), m. vaagdoek. wassen, st. ww. wassen, lang worden ; dik worden is grojen. wat, vnw. eenigen, wat zekt zoo, wat zekt anders. water, o. water. waterleide, vr. waterleiding, watermblle, vr. watermolen. watte, vrg. vnw. wat? wavür, watvoor? webbe, o. web , weefsel. wedde , vr. weddenschap; in de wedde loopen, om het hardst loopen. wédebütjen, o. wédeman, m. weduwnaar. wédevrouw, vr. weduwe. weede , vr. weede, sandix viminalis. weegbree, wègenblad, o. plantago maior. week , -e , bvnw. week. weeme , vr. pastorie. weemgaorden, m. tuin van de pastorie, weeps, bvnw. schuw (van paarden gezegd), weer , o. weder , weer. weerlüchten, zw. ww. bliksemen. |
WEE EE-WINKEL.
|
weere, vr. bezitting. weeze , -n , m. vr. wees. weezoboom , m. houten naai boven op den hooiwagen om het hooi vast te houden , ! (ook soms wédeboom). weg. wège, m. weg. wegen, st. ww. wegen. wegge, m. rond brood van grof wei- ! tenmeel. weggenbrügge, vr. snede brood, weggen, -s , m. brood. weiken , zw. WW. week maken. weite , vr. weit. wèjer, m. vlieger, z. vlieeger. wéke, m. eend; hé is van en wilden wëke, hij is een bastaard. weke, -n, vr. week. wekken , zw. ww. wekken. wel, vr. vnw. wie. wélen, zw. ww. spoken. welle, vr. wel. wellig, welig. weiter, m. klomp boter, een laag hooi op een wagen. weiteren (zik), zw. ww. zich wentelen, wende, vr. keer, draai in een weg. wendepütte, vr. de voor die 't eerst uitgegraven wordt bij het omzetten van een akker. wendezüle , vr. balk , diojjedraaid wordt om zoo den grooten ketel aan den haol-ketten op vuur te kunnen hangen, wenne. -n, vr. gezwel, uitwas. wennen , zw. ww. wennen. wensch, -e, m. wensch. wenscht, vr. verlangen. wentelsüze, vr. haak , waar de ketel aan hangt. wépe, vr. doorn , rosa canina. weppel, vr. ondiep beekje; waterleiding, wepse. -n, vr. wesp. wepsennost, o. wepsennest. wérd. bvnw. waard. wérde, vr. waarde. wèreld, vr. wereld. wéren, zw. ww. weren. werg, bvnw. vlug, krachtig, hi züt werg üt. werkeldag, m. werkdag. |
wermen, zw. WW. warmen. wet, -te, vr. wet; nao d'ölde wette, volgens de oude mode. wéten, wist, eweten, st. ww weten, wetten, zw. WW. scherpen. wetteren , zw. ww. het natte voeder (züpcii) aan het vee geven. wéven, zw. ww. weven. wézen, was , ewest, wezen. wézen, -s, o. wezen. wermde. vr. warmte. wibbelen. zw. ww. zingdeun bij het wippen: wibbelwübbel wipwap. wicht, -er, o. kind. widehö , vr. hop, upupa. wiee(d)en, zw. ww. wieden. w'eege, vr. wieg. Wieegen. zw. ww. wiegen. wiemelen, zw. WW. draaien; schommelen, wierbörstel, m. ruziemaker. wigbóld, o. plek waarover het rechtsgebied eener stad zich uitstrekt. wigge. vr. wig. wije en wee], mv. wijen en weeën vr. twijg. Salix. z. Noni. geogr. Necrl. Ill, o5!t. wikke (wéke), -n, vr. lampkatoen, wikken, zw. ww. voorspellen, dreigen, wikkewif. vr. waarzegster. wiks, o. schoensmeer. wikst (gewikst), bvnw. slim. wild, bvnw. wild; hé wier wild, hij werd toornig. wildewas. o. struiken; wildvleesch. wilge, vr. wilg. wille, v. genoegen ; voldoening: wi had er volle wille van. willemods, bw. opzettelijk. willen, wol. ewild, willen. willig, bvnw. bereid, gehoorzaam, geneigd tot, dartel. willigheid, vr. dartelheid (als 't van meisjes gezegd wordt); gehoorzaamheid (van kinderen gezegd). wimmelen, zw. ww. wemelen. Wimpien, vrklw. van Willem. wind, -e, m. wind. winde, vr. convolvulus sepium. windsnee, vr. valwind, rukwind. winkel, m. hoek , verkoophuis. |
WINNENâZAK.
53
|
winnen, st. ww. winnen, vorkrijgen; he hef en kind ewonnon winste, vr. winst. winter, -s, m. winter. wippe, vr. wip. wis, -se, bvnw. zeker. wiseh, m. bos van hooi of stroo. wisch, vr. weide. wisschen, zw. ww. vegen. wisse. bw. zeker; jao wisse, ja zeker, wissel, m. wissel. wit -te, bvnw. wit, WÃd, bvnw. wijd; wid Wamp;ge lös, wagenwijd open. widewège, heinde en veer. Wien, zw. ww. wijden. wif. wive, o, vrouw. Wik, vr. kreek. wik, vr. gedeelte eener gomeenle. wiken, st. ww. wijken. wil, vr. tijd. wïme, vr. zolder van het vertrek, waaraan het gerookte vleesch hangt; 't spek henk in de wïme. Win , rn. wijn. wïr, o. wier. wirig, bvnw. beweeglijk, vroolijk. wïrs, vr. laag hooiland. wirwinde, vr. wilde convolvulus. Wis, bvnw. wijs. wis worden, vernemen. witen, st. ww. wijten. wïzemör, vr. vroedvrouw. wo of bö , bw. hoe wöd, ra. woede. wóde, vr. woede. wold en woold, o. woud. wolf, wolve. rn. woll. Eene ziekte dei-koeien kenbaar door slappen staart, die dan ingesneden wordt. wolke, -n, vr. wolk. wolle, vr. wol. wonde, -n, vr. wond. woneer, bw. wanneer. wonder, o. wonder. wónen, zw. ww. wonen. wóner, arbeider, die op een arbeidsplaatsje bij de boerderij behoorende woont, wonte, vr. woning. |
woold, o. boschstreek. woord, -e, o. z. waord. word. m. woerd, waard, raannetjeseend. worden, st. ww. worden. worm, worme en würms, m. vorm. worst, wbrste, vr. worst. wörstepin, vr. doorn die de worst aan 't einde sluit. wortel, -S, m. wortel, worgen, zw. ww. wurgen; braken; met moeite doorslikken. worstelen, ZW. ww, worstelen; wi hebt wat te wörstelen, wij hebben heel wal moeite om rond te komen. wbrster (ook wbrsser), m. boender, wole. vr. mol. wölen, zw. ww. woelen. woste, bvnw. ledig, woest; en wösten pot, zonder vleesch of vet. wraoke, vr. wraak. (wrange), vrange, loopgraaf van konijnen . vossen. wrangewortel, vr. helleborus viridis. i wreed), vreed,bvnw.hard,ruw; wreed vlas. vreeje wolle. (wring), vring, ra. hek voor een weiland, (wringen), vringen, st. ww. (wrïje), vrije en vree), vr. wreat van den voet. (wrogen), vr8gen, zw. ww. aanklagen, (wróte), vrote, vr. mol. wClrd, m. vr. begraafplaats. wünschen, zw. ww. wenschen. wündren, zw. ww. verwonderen. z. zaal, in. zaal. zaal, -s, o. zadel. zaalverig, bvnw. tanig. zaod, o. zaad. zaodzaam, bvnw. verzadigend. zaoleg, bvnw. zalig. zachte, bvnw. zacht bw. zachte, slaop zachte, slaapgoed. zachting, vr. verzachting. zage, -n, vr. zaag. zak, -ke, zak; wiee 't gat derin estöt |
ZAKE-ZÃNDIG.
54
|
ten hef mot den zak lappen, wie het kwaad gedaan heeft moot het goed maken. zake, -n, vr. zaak. zalm, -en, m. zalm. zalve, -n, vr. zalf. zamen, bw. zamen, samen. zand, o. zand. zandOr, o. slechte soort ijzererts. zat, -tert, bvnw. voldaan, genoog. zavelboom, m. sevenbootn, juniperus sabina. zee, vr. zee. zeel, -e, o. zeel. zeepe, -n, vr. zeep. zeer, o. smart, 'et zeer tinea capitis. zeerte, vr. zie hofdzeerte. zeever, vr. speeksel. zége, vr. zege, overwinning. zége, vr. geit, vgl. sikke. zégel, o. zegel. zégen, m. zegen. zégen, -S, zegen (net). zeggen, zee (zei), ezekt, zoggen. zeil, o. zeil. zeisen, vr. zeis om gras te maaien. zei ver, vr. zeever. zeiveren, zw. ww. kwijlen. zéjen, zw, ww. zaaien. zéker, bvnw. zeker. zelfegge, vr. zelfkant. zelte, -n, vr. zeelt. zelve, vr. salie. zemmels, vr. zemelen. zesse, telw. zes. zet, m. tijdsverloop, 'tis en heelen zet eleen. zetrecht, bw. geregeld; he is zetrecht ;s aovens bezopen. zichte, m. zeis; bouwzichte, om koren te maaien; plakzichte, om heidezoden te maaien. zichtvree, m. grond, waar bepaalde personen recht hebben om plaggen te maken, zldende, o. zijkant. eersende zidende schif dé 't verlfis is 't kwit, versje bij het eiertikken met Paschen in gebruik; vgl. eersende. zïeen, zoog, ezeen, st. ww. zien. |
zieën, zód, ezód en ezóden, st. ww. zieden, koken. zieek, bvnw. ziek. zieele, vr. ziel. ziften, zw, ww. ziften. zik, vnw. zich. zinnig, bvnw. mak, (van beesten), zinnigheid, vr. lust; makheid. zitten, st. ww. zitten; 'tziternieetan, 't kan er meet af; bllf nieet zitten as Jan van vér, schik naderbij; dé vor 't vür zit wermt zin rügge, die bij 't vuur zit warmt zich t best. zode, vr. koffiedik. zög, o. zog. zöle, -n, vr. zool. zölt, o. zout. zommer, m. zomer. zompe, m. drink- of voederbak voor 't vee. zoo, -den, vr. graszode. zoom , zöme, m. zoom. zoor, -e, bvnw. dor; verdroogd. zörge, vr, zorg, zönne, zbns, m. zoon. zbken, zw. ww. zoeken. zbte, bvnw. zoet. zo, vr. zode (visch). zöge, vr. zeug. zomen, zw, ww. zoomen, zöven, telw. zeven. zevensprong, m. ouderwetschedans, nauwelijks meer bekend dan bij name. zügen, st. ww. zuigen, zügen, zuigen. züpen, zoop, ezöpen, st. ww. zuipen. ZÃpen, o. soep, room, melkspijs enz.; dik zupen, dikke molk, het züpen vor de köne zür, bvnw. zuur. züeht, m. zucht. züeht, vr. ziekte. zük, vnw. zulk. zünder. v. zonder. zülle, vr. drempel. züllen, zöl, züllen, ww. zullen. zült, o. gezouten spek of hoofdkaas, zülver, o zilver. zünde, vr. zonde. zündig, bvnw. zondig. |
ZÃNNEâASEEEDEN.
|
zünne, vr. zon. ziister, vr. zuster. zud, bw. zuid. züden, zuiden. zügen en zogen, /.oogen (zogen van dieren meest gebruikt). zümen, zw. ww. zuimen. zuring, vr. zuring. züvel, m. zuivel. züver, bvnw. zuiver, rein. zwaalve, -n, vr. zwaluw. zwaalver, vr.? zwaluw (ook zwaolewen Dev.) zwaoger, m. zwager. zwaor, bvnw. zwaord, zwaorde, o. zwaard van het spek. zwadde , vr, de zwaai: 't liöj lig in de zwadde, d. i. zooals liet gemaaid is zwak, bvnw. lenig, vlug; zwak in de beene, vlug ter been. zwam, -me, o. zwam. zwane, vr. zwaan. zwart, bvnw. zwart. zwarven, st. ww. zwerven. zweom, m. zweem. zweet, o. zweet. zweiten, zw. ww. zweeten. |
zwemmen, st. ww. zwemmen. zwengel, m. zwengel van de pomp. zwengel, m. stok, waaraan de puthaak zit, waarmee de emmer wordt opgehaald, zwenne, vr. de zwaai; 't gres in de zwenne laoten liggen. zwepe en zwbpe, vr. zweep; ook zwep o. a. in het liedje: Jan span an, de katten vör den wagen Had ik en zwep ik zól der met jagen, zweppig, bvnw. buigzaam, lenig; en zweppige kerel. zwère, -n, m. zweer. zwéren, st. ww. zweren. zwéten. zweiten, zw. ww. zweten, zwetsloot, vr. grenssloot. zwèvel. m. zwavel. zwézerik, m. pezerik. zwik, m,? spon in een vat. zwikstelle, vr. werktuig om de wieken van den molen te verdraaien. zwil. o eelt, kant van het spek. zwilk, o. wasdoek. zwïgen, st. ww. zwijgen. zwimel, m. duizeling. zwüksen, zw. ww. heen en weer zwaaien, zwöpe naast zwepe, vr. zweep. |
TOEVOEGSELS EN VERBETERINGEN.
|
aal te, vr. verzwering aan de peesschede, achterbaks, bvnw. onoprecht. adelik, bvnw'. besmettelijk; iewesen bünt adelik. af in Twenthe en het Westen meest of, in Winterswijk en omstr. veelal af. öfbasten, zw. ww. schillen. öfeten, st. ww. 'k bün 't öf egetten. ik lieb het tegen gegeten. ófschöttelen; bij te voegen: ij dot nieet met, ij wordt öfeschötteld; gij doet niet mee maai- wordt terzijde gesteld. |
af-, öfsmiten, st. ww. 't vul öfsmiten het veulen afwerpen. p. 1, 'i afvreden, al'rateren l. afrasteren, ale, vr. mestwater. Winterswijk, voor aalte. alengat, o. mestgat. Wintersw., voor aal-tengat. alentonne, vr. aaltton. Winterswijk, voor aaltentonne. aliens, bw. evenveel, 't is mï aliens alsemkrud, o. artemisia absinthium , alsem, andon , o. ww. aandoen ; Winterswijk, bezoeken. aneerden, zw. ww. met grond aanhoogen. |
ANISâDÃN.
56
|
anis, o. piinpinella anisum, coriandrum sativum, anijs. angèven, l. angèven. anpraten, l. anpraoten. an trekken, st. ww. aankleeden, aantrekken; zik antrekken, zich kleedpn. aolenfüke, vr. aalfuik. Winterswijk, baoke, baoken, vr. baak, paaschvuur. basse, vr. de dij. bassen, zw. ww. blaffen. béden (bèjen) st. reflex, ww. ik hebbe mij al gebéden, ik heb al gebeden (Terborgh). beeren, zw. w. tochtig zijn van varkens, beddetüg, o. overtrek van een bed. Winterswijk z. beddetog. beefgras, o. briza media. bèfesse. vr. abeel. Winterswijk beefesse. bèjeren, zw. ww. slingeren, slenteren. beUeogen, st. ww. iemand voorliegen. Winterswijk. bescheed (en bescheid), o.; bescheid brengen, iemand toedrinken (uit één glas). bévertjen, o. briza media. bezünder, bw. bijzonder. bieeze, -n, vr. bies, U. Juncus. bijmeeze, vr. parus maior (ook koohneeze). (De boeren zeggen dat zij bijen eten), bikgat, o. bijt in hel ijs. billen, zw. ww. behakken, vooral van molen-steenen. bilze, -n, vr. plantnaam, hyoscyamus. bizzing, vr. jaarmarkt (Almelo). blaozen: blazen, l eblaozen blage, kleine kinderen, l. klein kind. blik en, bleek, ebleken; l. eblèken. blooten (de), de billen. Winterswijk, blöken, zw. ww.; vlas blöken, vlas blakeren. blokken, zw. ww. blaffen. Winterswijk, voor blekken. p. 6. boke, bSke, (.bók.bbke, o.boek. boks, vr. geweer; de boks ütschieeten, het geweer afschieten bij de voltrekking van het huwelijk. bokse, vr. broek; vblle met de bokse te done hebben, euphem. voor diarrhee hebben. |
bonnet, vr. zwarte muts met veer, dooi' meisjes onder de 17 jaar gedragen, boord, m. oever, rand. bóren-, eenen en pire üt de nöze bóren. bord l. bord; diarrhee met braken, botsen, zw. ww. stooten. bötterblöme, vr. boterbloem, ranunculus acer. bblken, zw. ww. verkeerd geplaatst, pa;/. 0,1, te plaatsen tusschen bökken en bollen pag. 6, 2. brandkólk, /. waterhoudend gegraven gat voor brandblussching, meest gelegeti op of bij ten plein midden in een dorp. brieevezeksken, o. enveloppe. bröd, o.;hehefe.ubrödvör denköp. hij heelt een hard hoofd. Wintersw. bros. bvnw. broos, zwak. brüden, zw. ww. veil. dlw. ebröd, broeien. büskool, vr. kabuiskool; hopla, hopla, morgen et wi buskools bla, bnskools bla met rüpen, daor kiiwi gód nao düpen. bul, m. zak. bülk, m. hoop, grootezak; en biilk geld hebben büttenkèrel, m. bottenkoopman. büskeskrèje, vr. bonte kraai. buten, vz. bw. buiten; buten en behalve, uitgenomen (ook buten, vgl. dt). dale smiten, I. dale smlten. dale, Ãm dale, naar beneden. daoje, m. suffer. damme, vr. nest (van varkens). (Doetinch.) dammen, zw. ww. een nest maken om te werpen; van varkens gezegd ; 't varken damt (Doetinchem). dèrg. bw. bizonder, en dèrg dik hofd. dicht, o. schrijfboek. dik, l. dik, -e, m. distel (en dissel), m. distel, carduus. dók, m. doek; eenen ïeets üt de döke don, iemand iets verklaren. dolkrüd, o. solanum niger. don: gedaon op ieets wèzen, fel op I iets zijn. |
AANVULLING' DONDERKKÃD- -HEKSEMELK.
57
|
donderkrüd, o. inula conyza. doodebèzen, mw. vr. solanum rjigrum. dopheide, vr. erica telralix. döpvat, o. doopbekken. dorkokerije, vr. eten door elkaar. drao, drao in den hals, verkouden. Winterswijk. drek, ook voor etter gebruikt. drekken, zw. ww. etteren. dremmen (Overijs.), zw. ww. huilend aandringen , zie drammen. drltpöl, m. graspol in eene weide, drivetöl, m. drijftol. (drükkem voor 'thaas Ices den haze; voor drukken en drukt l. drükken en drükt. p. 11, 1 r. 10 u. b. spitsende, eersende, zit, l. zid. dunnen, zw. ww. buikpersen, düvelsgaoren, o. eene umbellifera in heggen groeiende. eggewark, o. werk dat netjes (inet kanten) is afgemaakt. eiberbek, m. scandix pecten veneris, eigengereid, bnw. eigenzinnig. ekster, l. ekster. elzebils, m. havik (Lochem). empig, bvnw. wederstrevend. endenei, o. endenei. I. eendenei. endekroos, o. lemna. angstig, bvnw. angstig. ente, /. ente en ende, ook pllende; de roepnaam is pil. eskdoorn, m. acer pseudoplalanus. fazel, vr. de kling, geslachtsdeel, voornamelijk van koeien gezegd. fennegriek, vr. trigonella foenum graccurn. fosse, vr. bos. gagel, l. gaogel, verhemelte; gagel, naam van een moerassige plaats. gaorn, o. gaarn. gat, gèter, o. gat. gat, o.; op t gat zitten, overeind zitten. geboren, verl. dlw. geboren. geen en gin, geen. gelgürze, vr. geelgors. gengelaar, straatslijper. genserik, m. potentilla anserina. gestüd of gestut, o. de dakbalken. |
gevallig, bnw. aard'g, aanminnig, gevallig, bw. toevallig, gemakkelijk, aangenaam. geve, gaaf; l. géve. géven, st. ww. geven. gleisterig, bvnw. glimmend (van de huid, vooral bij roos.) gnörze, vr.; gnórzebot. o. kraakbeen, vgl. knorf. goie, vr. straal; tlöp der üt met en göie. gorig, bvnw. zwak, een kwaal hebbende (het uiterlijk kan hierbij goed zijn), gotten , zw. ww. gedur ig god aanroepen in het gesprek. graagheid, vr. honger, trek in eten. griiolen, zw. ww. in zijn vuistje lachen, grauwel, vr. ijzig; daor g'eet mi do griewel van over de grauwol. graolen, grimlachen. grieuwel, vr. ijzig; zie grauwel grieuwelig, bvnw. angstig. grïnen . green , egrenen , '. egrénen. grinte, vr. grint, kleine steerrtjes. grondholt, o. de grondbalk in den stal, waarin de palen staan, waaraan de koeien vastgelegd worden; vor 't grondholt liggen, er slecht aan toe zijn, onmachtig zijn. güssen, zw. ww. gissen. haarook, m. veendamp. hakke, vr. houweel, meestal een breede platte zicht aan een gebogen houten handvat om plaggen te maaien. haoze, -n, vr. (z. p. 10, 1). hakke, -n, vr. hiel. haneklauw, vr. ranunculus acer. hanke, -n, vr. kolken langs de rivier, harrevarksel, eigenlijk een hall'arksel, een halve riem papier. hart, l. hart en hartebeest, o. harte, naast harte ook harte, hartbotsinge, vr. hartklopping. hartelik, bvnw. hartig. hazebrood, o. plantnaam. hechten (en heften) zw. ww. tr. en reflex, vast verbinden. hekkeleers, mv. kliergezwellen, heksemelk. vr. euphorbia peplus. 8 |
AANVULLING : HEKS EN KRANS-KOLDER.
58
|
heksenkrans, vr. lycopodiumsoort. blz. 16 kol. 2, r. 2 v. o. na l. naar. helscli, bvnw. boos; hé wierhelschop mij , hij werd boos op mij. hémel ,-3,111. hemel. hennep, vr. hennep, cannabis sativa. hoggen, m. griep; Winlersw. 7.ie howen. hölpipen, mv. equiseturasoort. hóltdüve, vr. houtduif. hondeblome, vr. taraxacum officinale, hönderren, rn. en 0. kippenhok. hoop, m. hoop; te hoope hebben, gemeenschappelijk bezitten. hoppe, vr. hop, humulus lupulus. hordei, bvnw. door droogte van elkaar gegaan, b.v. van houten voorwerpen, die in elkaar gezet zijn. â Ook vei der wat hangerig in elkaar zit, sleeht gebouwd is: en hördele kö. â kapot: hordeie kousen (Keppel). horst, ook boschachtige hoogte, houwkloot, in. tol met stalen punt, geschikt om een andere tol, waarop hij gezet wordt, te klooven. h0.d, vr. huid; üt de hüd. vallen, sterven. hüg (en huk), vr. huig. huisterig, bvnw. onstuimig (van hel weer), hiilste, vr. hulst, ilex aquifolium. ieeder, vnw. ieder. ieewesen (Lochem: iewersem. Imenschür, o., l. m. en 0. j aehtendüvel, ook wandelend gewrichts- rheumatisme. Jan kopaf, St. Johannes-decollatio; op Jan köpaf hbldt de middag-slaop op (Terborgh). jawal. bw. jawel. Wintersw. z. jawol. jodenbaord, 0. een woekerplant, kalverren, o. kalverhok. kanin, 0. konijn. kaokelen, zw. WW. kakelen. kappe, vr. de zwarte kap onder de knipmuts, karküle, -n, m. katuil. karos, vr. slee. kasjön, vr. de klap aan eene zweep, katéker, m. (niet katèker p. 20) eekhoorn, sciurns vulgaris. kattestart, vr. equisetum arvense. |
' kennekeskrüd, 0. capsella bursa pastoris of thlaspi arvense. kéren, 'zw. ww. den vloer vegen. kien, ook hout dat in de venen uit den j grond wordt gehaald. kiftenei, 0. kievitsei. kippen, zw. ww. met noten spelen, kitelen, zw. ww. kittelen. kiwbütte, 0. mv. wangbeenderen, kiwitsblóme, kievitsbloem, fritillaria meleagris. klanke. m. klank; te klanke gaon. hard schreeuwen. klaor, bvnw. gereed. klaorlüter, bvnw. helder en klaar; 't is klaorlüter, het is ieder duidelijk, kladder, -s, m. opgedroogde mestkluiten in de haren aan buik en achterdeelen van koeien, klaproze. vr. papaver rhoeas. klatte, -n, vr. 1) kliss. vgl. klette, 2) haarverwarring in de manen van een paard, wol van een schaap, enz. vgl. klater, kleed, o. kleed, meest japon in tegenstelling van een jak. kleisteren, zw. ww. klimmen. p. 21 klieën, bloem van meel, l. boek- weitendoppen. klbksken, 0. campanula. klötten, zw. ww. niets beteekenende arbeid verrichten. knipmütse, vr. soort neepjesmuts, knippen, zw. ww. nagelen bij het knikkeren, knobbeihörne, vr. eene koe met kleine inwaarts gekeerde horens. knobbelig, bvnw. stijf (bijv. van koude, van rheumatiek); ook hard en ongelijk, en knobbelige weg. knofielig, bvnw. verstijfd (van koude) van de handen gezegd. knökkendökter, m. chirurg ten platten-lande. knolgrön, o. knollenloof, knolgroen voor veevoeder. koop. knöpe, m. gewricht. knüppen, zw. ww. binden, samenknoopen. kokskrewel, m. koksjongen. kolder, vr. krankzinnigheid bij paarden de raozende kolder of de slaopende kolder. |
AANVUU.TNf.: KÃI.LRâNEETOOR.
59
|
kölle, vr. kleine witte plek mid Jen op liet voarhoofd (voornl. van vee). kökelen, zw. ww. goochelen; kökelwa- gen, m. kermiswagen. kommerkrüd, o. draba vei na. körnig, bvnw. stevig gebouwd, van men-schen, dieren en van hout (vgl. ndl. kernachtig). körttldigheid, vr. tijdverdrijf, koningsköp, m. de tweede maag van koeien. kranebek, vr. scandix pecten veneris, kranowaken, zw. ww.: hé lig te krane-waken, hij kan niet slapen en gooit zicli dan op deze dan op de andere zijde, krèienpoot, vr. aegopodiurn podagraria. kril, bvnw. vurig, lichtgeraakt. krinterig, bvnw. kleingeestig, krompollen, mv. peulen. krop, m. 1) knop, bolvormig zaadknopje, bolvormig gewas, slakrop, koolkrop. 2; krop, voormaag van vogels, krülwateren, zw. ww. wakker te bed liggen en zich steeds omgooien. krule, vr. nest, waarin het varken jongen werpt. (Doetinchem.) krüp dor den tcin, plantnaam, aegopodium podagraria. p. 24 krüd, o. krüderige, l. krüd, o. krüderije, vr. krütholt, rhamnus frangula. kükük, in. koekoek. kükuk! kükük! trek de bokse üt, trek 't hemd an, kom an dan. Dit versje ziet op de koekoeksjongen, die eerst donkere veeren hebben, en, als zij gaan vliegen, lichtere krijgen, küküsblöme, /. lichnis flos cuculi. â Ook orchis maculata. küren, zw. ww. kirren. kütskaore, vr. kar om mee naar de kerk te rijden. küpen, o ? kuip. küte, -n, vr. kuit. kwène: (bij Lochem kweae) voor eene onvuchtbare koe. kwekwe, vr. triticum repens. |
kwekweboom, m. üjsterbesboom. lagette, vr. de kant achter aan de knipmuts, landsjager, rn. rijksopzichter op de jacht (klemtoon op de tweede lettergreep), leefrik, m. leeuwerik. leelik: ook lillik (Lochem). léger; ook léger (Lochem), leger, ligplaats j van een haas. lepelspize , vr. dunne kost, vloeibare spijs, lichtmisse, St. Maria Lichtmis, 2 Febr. llkweg: de weg, waarlangs een lijk van eene hoeve naar het kerkhof vervoerd moet worden, is bij overlevering vast bepaald; hiervan mag niet worden afgeweken, al zijn er later kortere wegen gekomen. lin, o. lijnzaad, linum. lippen , zw. ww. schreien. llsterkralle, -n , vr. lijsterbes. löze, vr. leus. lozen. zw. ww. den tongriem snijden bij vogels. lüsch. o. carex acuta. mankkökeri je , vr. groente en aardappels onder elkaar gekookt. maog. miioge, m. jongen (veelal in mv. voor ondeugende jongens). markolf en meerkdl, m. vlaamsche gaai. maten, liij Terborgh zegt men . schèpels zaod, mao'derszaod, spindsgezèj. meerkol, 1. meerkol, garrulus glandarius. melde , vr. atriplex hortensis. menneken of letterken: kop of kruis, kruis of munt. memmetrüt, opgeblazen koeuijer , dien de jongens als speeltuig gebruiken, mennegat, o. doorrijweg. mér, vr. maar (spook), z. o. kolde. mére , vr. verhaal, mare. mikske, o. kapje van een brood. mïre, vr. bloedpissing (van koeien), miserabel, bw. erg, zeer, veel; 'twas miserabel mooi. missbn , ook missün. missönen (en missunen», zw. ww. mismaakt maken. mogflen, zw. ww. een werk verrichten waarbij men niet goed zien kan. neerkewen, zw. ww. herkauwen, neetoor, m. neetoor. |
AANVI LI.iXC. : KÃGELBLÃMEâEOLLEPATROON.
GO
|
nègelblome, vr. diiintlius carryophyllus. nègelen, zw. WW. nagelen. nestel, m. tooverlvransje,bv. vanbeds'eeren. nïdseh, bnw. krachtig, bw. met ijver, nifolen. zw. WW. ongemerkt wegnemen; zie afmfelen nl j , bvnw. nieuw. Hiernaast komt ook nï voor: en nl h.ü3. nóks. bw. ijverig; den kérel warkt noks. noger, m. zie brüdsnogers. nbttenboom, m. noteboom; en ézel, en kwézel en en nbttenboom, dé mot kwispelen Spreuk naar aanleiding van het gebruik orn de jonge takken van den notenboom stuk te slaan om het rijkelijk dragen te bevorderen. ofstrïjen, zie strljen, ok, bw. ook (enclitisch). older, m. leeftijd. older, -S en öldren voorvader, ouder, öldvül, bnw. zeer slim. onbenullig, bvnw. en bw., onhandelbaar, onhüer . bvnw. bw. onaangenaam, ongemak, o. ongedierte; hé hof ongemak in t llüs , hij heeft ongedierte in zijn huis. onnozel, bvnw. onnoozel, bw. zeer, bizonder; onnozel hard loopen. ont , bvnw. vuil. onze. ünze en üze, bez. vnw. onze. opstrijen, zie strljen öteren, zw. ww. morsen bij het eten. oogenklaor, o. stinkende gouwe, chelido- nium maius. öje, vr. vrouwelijk schaap. paosehblóme , vr. caltha^ palustris. p. 32, '2, r. 17 gewaorsehuwd, /. gewaarschuwd paoschvuur, l. paoschvür, o. met Paschen worden op verschillende plaatsen vooral op enkele hoogten,z, a. deLochemsche berg, Markelosche berg, enz. groote vuren ontstoken, waar omheen gedanst wordt, enz. pèèrd, l. péérd. pèkel, vr. ook pekel, zout water. Péter (St) 2-2 Febr. ümme Sünte Péter kümp de pachte los , 22 Febr. eindigt het pachtjaar. |
pllende , vr. eend, zie ente. pimpan , ra benaming van de klok. pingeneeren, blz. 33 voor leenen lees verleenen. pinlik, bvnw. pijnlijk, benauwd, erg zuinig, gierig. pipe , -n , vr. pijp. pipvógel, m. bastaard nachtegaal, plrrötterig, bvnw. pierstekig, van vruchten, ook van het uiterlijk van sommige zieken gezegd. pleer, m. slag; ;n ploer an den kop. plester , l. pleester pletterdöze, vr. ratel, fig. vaneene vrouw gezegd. plompe, vr. witte plompe , nymphaea alba; gele plompe, nuphar luteurn. blz. 34, 2, r. 11 v. o. of /. of. pol, m. man; o. a. in het liedje: en och min l'oeve pólieken en w i hebt nog gin gebrék. pos , vr. myrica gale. pösteleeren, zw. ww. zich verzetten, niet toegeven; hé posteleerde, hij verzette zich. prikkelden.je, vr. jeukte. pür , m. of vr. hakblok. pül, m. verklw. pültjen, o. zak, zakje. raomen (bij Lochem ook ramen), zw. ww. mikken. raozekater, m. bromtol. rappelen, zw. ww. rammelen. rappen , zw. ww. rammelend geluid maken, reigersbek. m. geranium. rementen, zw. ww. leven maken. ren, m. en o., ziehonderren, kalverren. rik , hek , afrastering. riskes, mv. krïtende riskes, stuipen. (Doetinchem). ristepap, vr. rijstenbrij. rédden , zw. ww. snijden met een bot mos. röke , -n , m. corvus frugilegus. rollepatroon, o.; eenen ützenden om t rollepatroon te halen ; in den slachttijd werd dikwijls iemand, die hiermede onbekend was en dien men voor den gek wilde houden, uitgezonden naar de buren om het patroon te vragen, dat voor het maken der rolpensen noodig was. De eene |
AANVULLING; KONDÃ.MMK
(31
:âSL0F1IAKKE.
|
buur zond hem of liaar dan naar den ander, totdat eindelijk een goedige iemand hem mededeelde dat het niet oestond en niet noodig was. rondümme, vr. groot rond wittebrood, ronsel, o. rad dat rondgedraaid wordt, zie rünsel. TOO , o.; het roo , de eierdoder, d. i. het roode. roodbörstjen , o. luscine ruhicula. roodstartjen, o. luscinia tliytis. rooddlm, m. roode kleur van den grond , die zich aan het er door stroomende water meedeelt. roosdom, m roerdomp. rokeloos, bnw. onnadenkend , onbesuisd , roekeloos. rbve, -n. Hiernaast ook rove. rünsel, ook ronsel. ruwbolt, rn. equisetum. Deze plant groeit met de wortels diep in de wel, vandaar het sprookje dat aan de wortels een gouden ring te vinden is. rüs , vr.: in de rüze , door elkaar , z. rüze. rOsterig, bvnw. vlekkerig. rüze , vr. bui, koude rilling : de kolde rüze trek mij aover de hüd hen. rüzen , zw. ww. ramen ; za'k es rüzen wo Ã!d ij bünt, zal ik eens ramen hoe oud gij zijt. sachs (zachtsgt;, bw. op zijn minst, ten minste; laot ik er sachs bij wezen, eamp en sam , bvnw. zacht, week , murw. (Doetinchem). schaf: gin schaf, niets; he'j ok eerpels, gin schaf. schame, vr. schaamte. scharp, bij te voegen : voor het stekelvarken wordt ook gezegd scharpen ase (d. i. scherpe haas). scharp , bvnw. fel, lastig; 'n scharpen hond, een bijlerige hond ; scharp op ieets wèzen , fel zijn op iets. schee , bvnw. schuw , meest van paarden , zie kopschee , scheelappen, schee-lap (niet schèèllap, zie p. 38), vr. oogklep. scheerlink, m. conium maculatuin of dolle kervel. |
scheerlink (wilde), cicuta virosa, ook anthriscus sylvestris. schère , l- schére (ik hoorde echter enkele malen SChore;. schimmel, m. o. schimmel, schirzwaalver , vr. hirundo ripuaria, oeverzwaluw, deze is van onderen wit, of hirundo domestica. De naam wordt gegeven in tegenstelling met de hirundo urbica, huiszwaluw. SChlthakke, -n, vr. hiel van de achter- pooten eener koe. schïtpöl, m. graspol in eene weide, schol, bvnw. ondiep (Dev. schooi.) school, bvnw. ondiep zie schol. p. 38, '2, )â¢. 8 v. o. bun, l. bün. schoorsteen, m. schoorsteen, schraoïzer, o. ijzer om den bast van boomen mede af te krabben om er een cijfer op te kunnen zetten. p. 39, 2 r v. b. schurft hef, l. schörft hef; )â¢. 13 schuld hèf, l. schüld hef, etc. schror, wigvormig ijzer, dat de smeden gebruiken om ijzeren staven door te slaan, schraon , mv. gebraden stukjes vet, die in het eten gebruikt worden. schür. m. en o. beschutting, zie Imen-schür. ségememmeken, o. elastieke speen op een zuigllesch. sekür, bw. zeker. sjfiks, m. sukkel van een man. slag , slége , m. slag. slangenkrud, o. echium vulgare. slat, mgroote waterplas in de heide, slep, slepe, m. sleep (het gesleepte) naoslep; sleep van een kleed, zie slépe, vr. slépe. sleppe , vr. I. slepe (of sleppe ?) en Slépe, vr. sleep , werktuig, dat gesleept wordt om molshopen gelijk te maken, sneeuw te ruimen enz. slépe , vr. sleep van een vrouwenkleed , zie slep, m. slof , bvnw. slof weer, half mistig half regenachtig weer. slof hakke, o. onkruid op den roggen-akker. |
AANVULLING : SLOK KEEPENâiitK.
G2
|
slökreepen, zw. ww. (met losse reepen rijden) slabakken. slot, zie beslot. slöttelblome, vr. sleutelbloem, primula elatior. slüken, zw. ww. slikken. smakkert, m. gemeene kerel. srnïstert, m. gemeene vent. smodde , vr. keteltje om koffie in te koken, eigenlijk een soort blikken beker met langen steel. smooken , zw. ww. intr. rooken. smóre, vr. tinnen koffiekan met tuit. smüle, l. smüle en smül. smuzeltjes, mv. laffe grappen. snee, bijvoegen: en snee in 't oor hebben, dronken zijn. snip, vr. kleine witte plek op den kop van eene koe. snottertèze , -n, vr. taxus baccata. snotteren, zw. ww. builen. spaore (Overijs. Heino) vr. spar, dakspar; zie sparre. spechte, m. specht. spik, o. brugje van balkon en bossen, met plaggen bedekt, zonder leuning, spïkermaot, vr. een oude maat. splren, zie besplren. spoor, vr. spoortrein: hé VÃr met de spoor nao Arum, hij ging met den trein naar Arnhem. spraokele, vr. rhamnus frangula. stanketsel, o. schutting. stap, i. stappe, -n. stappe, -n, in. hoogten van zooden in ondergeloopen land om den voet op te zetten. starthakken, zw. ww. iemand naloopen. steenbréke, p. 43, is saxitraga. steenzaad, o. lithospermum. stokachtig, bvnw. jeukerig. stekebèze, vr. kruisbes, rubes grossularia. stengels, mv. raapstelen. stlmsch, bvnw. stijfhoofdig. stópen, zw. ww. pruilen. stökkeboono, -n, vr. snijboon, stootvogel. I. stootvógel. störksnavel, erodium cicutarium. stormken, o. oogenblik, zie storm. |
stramp, strempe , m. tak. strijen, st. ww. sterk tegenspreken , ook opstrljen of ofatri jen. suk, vr. kamferfoelie. swïd, bvnw. mooi, vlug , bw. gezwind , vlug ; dö 't swid, doe het vlug. SWld, komt veel voor als naam van jachthonden, evenzoo snel, zie p. 44 swit. te- in : tebreken , testoren , geheel verbreken , vernielen. tesse, zie tasse. tichelwark , o. steenbakkerij. tók , vr. ixodes oricinus , teek. tïms, bvnw. kieskeurig. tipke, o. kapje van brood. tókomende, tegenw.dlw. tökomende wéke, de volgende week. tommeien, zw. ww. tuimelen, tömoeden, l. tomoden en tomoden. törteldüve, vr. tortelduif. tonen, zw. ww. toonen. tote, vr. hofzanger. tötenöst, o. hofzangersnest, ook van een haarknoedel gezegd). tramp, trap. tremse , vr. centaurea cyanus, korenbloem, trishane en trishOn, m. o. patrijs, trommo , vr. trom : beschütentromme. p. 40, 2, trop , l. tröp. trufel, m. troffel. Er naast wordt ook troffel gehoord. trüt, zie memmetrüt. tuffen, zw. ww. kuchend spuwen. tükker, p. 47, niet grasmusch maar kneu. tündel, m. tondel, zwam dat met staal en vuursteen wordt in brand geslagen, lürnen, zw. ww. been en weer gaan, b.v. met eene koe. türnpaol, rn. paal, waaraan het vee vastgelegd wordt bij bet grazen op een akker, tun, m. tuin, ook omheining. tweeren en tweernen , zw. ww. twijnen, tweerndraod, o. uit drie draden samengevlochten draad. uiver wordt alleen aan de westgrens gebruikt. ütschrempen , zw. ww. uitbraden (van vet), üze, unze, i. üze, ünze en onze. Ãlk , ra. het ruggenmerg. |
AANVULLING ÃMMEBÃTENâZÃNNENDOÃW.
G3
|
ümmebüten, zie buten. ümmezieen, o. oogenblik; wacht en ümmezieen , 't is en ümmezieens wark , het werk van een oogenblik ; hoj en ümmezieens gediild, hebt ge een oogenblik geduld. Valk, -en, m. valk (ook de sperwer wordt veel zoo genoemd). vallen, st. ww.; in tweeën vallen, in de kraam komen. vat, -e, l. vat, -e,o. verdommeld, bvnw. verbijsterd, vergangen, verl. dlw.; vergangen weke, verleden week. vorkbjoring , vr. verzet door een praatje te gaan maken. verlept; zik verlept volen , zich ellendig voelen. vernöken , zw. ww. bedriegen, versehèlen, zw. ww. schelen; 't kan mi j niks versehèlen vet, uitroep in jongensspelen; ij bünt vet, gij scheidt er uit. Hierbij wordt dikwijls het hiervoor genoemde onsamenhangende versje gehoord. vlasvink , vr. fringilla chloris. vl'eegenvang, o. drosera. vlieerte, vr. sambucus nigra. vlüa, o. vlüspampier, o. vloeipapier, vógelmelk, vr. ornithogalum umbellatum en o. nutans. volhandig , bvnw. daar men de handen vol aan heeft, fig. dik , breed: dé deern is |
nog al volhandig, liet meisje is zeer gezet. vonkebokse , vr. wilde deern. vörrig, bvnw. ongezond, vgl. gbrig. vóspers, mv. o. voetsporen. vrangepipe, vr. alloopende zijgang in een konijnenhol. vrouwenhaor, o. cuscuta epilinum. vrouwenögjes, o. primula. vroten, zw. ww. wroeten. vülboom, m. lijsterbes. wéde, -n , teen of band om mee te binden, wépe. wépedoorn, rosa canina. wilewale en widewale , m. vr. wielewaal, winde, vr. windsel. winden , st. ww. zwachtelen. wmdrüve , m. wingerd. wittewif, o. thans voor spookverschijning in gebruik; oorspronkelijk wetende vrouw, heidensche priesteres; vgl. wittewive-kül bij Lochem. woggelen , zw. ww. waggelen, wolfsmelk, vr. euphorbium. wolfspoot, lycopodium complanatum. wörmkrüd, o. tanacetum vulgare. zeepetrine , vr. vuil wijf (ook in zedelijken zin). zégeltjes , mv. polygonatum multiflorum. zévenboom , m. iuniperus sabina. zevenkrüd, o. lycopodium complanatum ? zül, bvnw. ongezond, tanig, en züle klör, een tanige kleur. zünnendouw, vr. drosera-soorten. |
AFWIJKINGEN IN HET DIALECT VAN TWENT1IE. ^
|
aal gat, o. meslgat. aalibandigheid, vr. losbanJighpM. aolkaore, vr. gierkar. aaltïd en aait, bw. steeds. aaltonne, vr. aaliton. aolsclière, vr. aalvork. aopen,* bw. zie los. aor,' bvnw. aorden, aoren, zw. ww. aarden. aore, aorn, vr. ader; l. aoder. aovend, -e, m. avond, g'navond, goeden avond. aovondrègen, m. avondregen; va laowe meer weer nao bèrre gaon. 't gif nen aovondrègen zè de jonge, do et 's morgens om vlf ür begün te drbppelen (wordt als voorbeeld van luiheid gezegd). aovereenkümste. vr. overeenkomst, aoverènde, bw. overeind. aoverènde blïven. opblijven, waken, aovegünstig, bvnw. afgunstig, l. aven-günstig. aoverlèjen, bvnw. wijlen, zaliger, l aover- léden. aoverval, m. beroerte. aozen, zw. ww. azen, l. aozen. aoltjen, vr. eigenn. Aaltje, l. kolken, 'aovelgünne, m. afgunst. abbegünstig,quot; bvnw. afgunstig, l. aven-günst. achter, voorz. hé lop üm achtercao, hij loopt hem achterna. |
achterdeel,* o. nadeel. achterdocht, vr. nadenken. achterhólt, -holter, o. evenaar aan den wagen. af, af, van, l. of. ófbraok, vr. afbraak. afgestomd, bvnw. bw. 'n afestomde logen, een volstrekte leugen. öfgaon, st. ww. alloopen; 't is afgaond werk. of holden, st. ww.; en kind of holden, een kind ophouden om zijn gevoeg te doen. öfrangen. zw. ww. boonen van draden ontdoen. öfschóttelen,* zw. ww. afzetten, ofstellen,quot; zw. ww. uitstellen. afvrèden ,* zw. ww. omheinen. al, alle, bvnw. bw. al; l. aal. albandig, bvnw. moedwillig, l. aalben lig. algerak, o. buitenkansje, l. aalgerak. aliri g, bvnw. geheel. allebord of alleböt,* bw. elk oogenblik, telkens. allemao!e, bvnw. v. n. w. alle. allozi, o. horloge. an, vz. en bw. aan. anbikken, zw. ww. aansehiappen van boomen. anbinden, st. ww. 'n kelfken anbin- den, braken. anbiten, st. ww. een stukje eten. ander, aor, bvnw. ander. andön, o. ww. aandoen. |
1) De met een sterretje geteekende woorden komen in Twenthe niet, of weinig, voor, overeenkomende woorden zijn weggelaten. Hier voorkomende en in de vorige lijsten niet opgenomen woorden worden alleen in Twenthe gehooid. Woorden, waar de letter i. (luidt) bij voorkomt, worden in Twenthe in een anderen vorm gebruikt.
ANÃJAGDâBL1KKN.
(55
|
anejagd, bvnw. zenuwachtig. anglbjen, zw. \vw. aangloeien, anköveren, zw. \vw. langzaam vooruitgaan, anlaoten, st. ww. zachter worden, anlangen, zw. ww. aangeven. anlóten,* zw. ww. anmoden ,* zie tomóden. anpraoten, zw. ww. opdringen, ansprèken, st. ww. bezoeken. antlen, st. ww. aanrijden. antrekken. st. ww. aantrekken; deach.-terbokse antrekken, zich terugtrekken, arbeid, m. arbeid. arf, /. èrve, o. erf. arfte, -n, vr. erwt, l. èrfte. arve, -n, m. erfgenaam, l. èrve. erven, zw. ww. erven, l. èrven. arg, aarg, bw. erg, l. érge. arg, o. erg, l. érge. argernisse, vr. ergernis, l. èrgernisse. arke, -n, vr. ark. arksel,* o. arm, -e, m. arm; met den krommen arm gaon, een geschenk brengen, arm, bvnw. arm. armod, armö, in. en vr. armoede, avlam, jongensspel. Van schaatsenrijders gaan alle naar een kant van een plan, een gaat tegenover hen staan. Hij rijdt op de anderen los, avlam roepende, vangt er een die hem helpt de anderen vangen; zoo gaat het door tot er een over is, die dan avlam wordt. baal (.bale), m. baal. baggeren,* zw. ww. bakken, st. ww. bakken. bakslag. m. slag uit gekheid. bakslagerije, vr. la lie gekheid, stoeierij. bandel. /. band, bende. bandgarden,* mv. bandore,* vr. bandstökko banke. benko, vr. bank. banzendöre, vr. schuurdeur. barg, m. gesneden varken, l. borg. bargen, st. ww. I. borgen, borg, ebörgen. barm. m. I. berm. |
barste, m. barst, I. bö^st, m. barsten, st. ww. bersten, l. bersten. bedde en bèrre, o. bed. bedarvon, st. ww bederven, /. bederven, bedeesd ,* bvnw. bedeesd. bédelen, zw. ww. bedelen, /. bedeln. bedüsd,* ontsteld, onthutst. bée, vr. bede, /. bè. beëerdigen, zw. ww. begraven, bèfesse,* -n, vr. abeel. begaves, begaoving, Jie aoverval. begeven. zw. ww. er van afzien, begluren,* zw. ww. begrip, o. begrip, I. begrip. behende, bvnw. behendig, I. hendig. behöven, bw. ww. behoeven, I. höven. bèker, -s, m. beker, l. beker. bellen, -s, vr. lichtekooi. belofte, -n, vr. I. belofte. belüren, zw. ww. begluren, bemaikung,quot; -e, vr. opmerking, benéden, bw. beneden, meest vervangen door onder. benne, -n. vr. mand, l. bünne. benzen, zw. ww. dringend verzoeken, berke. -n, vr. berk. beslot, o. sluiting. I. beslót. besnüten, st. ww. bedriegen, bespreken, st. ww., I. bespreken, bestèën, zw. ww. besteden. bestendig, bvnw. bestendig, l. bestendig, béve, vr. g^stolt vleeschnat. bever, m. bever, I. béver. breeze, -n, vr. bies, It. juncus,/, bosen. bikeers, in. doorgereden aars. bint. binde, o. honderd el garen; in Tw. bond. birzen,* zw. ww. drijven, aandrijven, blaoken, Tw. blöken, zw. ww. blakeren, bliiokerig, blökerig, bvnw. naar den rook ruikend ot' smakend. blad, blaaë, o. blad. bleiken, zw. ww. I. bleeken. blek .* bvnw. strak. blek, o. blik, l. blik. blekke, vr. blikaars, l. bikeers. blekken, mv. mazelen. i bilde, l. blij, bvnw. blijde. j bliken, st. ww. bleek, ebièken, blijken. |
9
IN TWENTHE.
G6
AFWIJKINGEN
|
blindauwsehe, vr. blinde paardevlieg. blosem, m. bloesem, vr. I. blösem. bode, m. bode. bok. bükke, m. bok. boksentük, m. broekzak. bölte, -n, vr. bout. bongerd,* m. boomgaard, T\v. appelhöf. boone, -n, in. boon, Tw. vr. boor, mv. boors, o. boor. boos,* Tw. heilig. borgemeister, m. burgemeester. born, -pütte,quot; bron, put borg drinken,* alles opdrinken. bots.* m. slag, stoot. bottel,* s. vr. bottel. bokken, zw. ww. bukken. börste, vr. mv. borstels van bet zwijn, l. börssel. bögel, rn. beugel, l. bogel. bönne, bönneken, m. ook groote kast boven de bedstede buren, zw. ww. beuren. bürte, vr. beurt. braaktüte, regenwulp (steltlooper). braoke, vr. gebroken land, hoog roggeland, brbmel, vr. braambezie. bragen,* m. hersens, meest van geslachte dieren gezegd. branderig, bvnw. vurig, nok koortsig, l. brendérig. brau,* vr. kuit van het been. bred,* o. kistje met schuifdeksel, breiden, breidde, ebreid, zw. ww. breijen. breinaold, m. breinaald. brèken, st. ww. breken. bresgen, zw. ww. zwetsen. brij, m. brij. brink, -e, in. plein in een dorp, open veld in eene marke, zie pootbrink, klaoverbrink. bromkloot, m. bromtol. brók, o. lage streek. brüden, zw. ww. broeien, l. brön. brüdsch, bvnw. broeiziek (van vogels), l. brbidsch. brüdsnögers,* noodigers voor de bruiloft, z. brülftennöger. brülléftenöger, /.ie brüdsnögers. |
brümmel, -s, vr., I. brbmel. brus, bvnw. wild. bügen, sl. ww. buigen, l. bögen, bürschap, vr. gehucht, I. bürschap buskool, vr. kabuiskool. büj , vr. bui, l. büje bükérde,* vr. blauwe leembank. büle, -n, vr. buil; Tw. bül, m. geldzak. bünebast.* m. kwaadaardig man. büre, ra. tijk van een bed; Tw. vr. daonig, bw. vrij wat, zeer, l. daonig. damé en tamé, bw. zoo straks, i. tamet dam, -me, m. dam; Tw. mv. demme damp, -e, m. damp; Tw. mv. dempe. darp. darpe, o. dorp, l. dbrep. dartig, tlw. dertig, l. dertig. dasse. desse, vr. das, halsdoek. dége,* bvnw. déger,* bvnw. verstandig. dèjen,* zw. WW. zacht slaan. dèjen, zw. ww. doojen. deilbrieef, m. scheidingsacte. deilen, zw. ww. deelen, l. deelen. deiloos,* oneenig. déken, m. deken (decanus), l. déken, deken, -s, vr. dekens, l. dekene. dekke, o. dek, deken, l. dek. dekkel, m. deksel, l. deksel, dellenhane, ra. baas op de fabriek, demmerig,* bvnw. duister. dempig, bvnw. kortademig, l. dèmpig. denne, -n, vr. den, l. danne dier, -e, o. dier. diggel, -S,* vr. scherf. dödkukentjen, o. laatste kind, hartelap. dol,* bvnw. dol, bont. dol,* m. lieveling. donderpedde ,* vr. dikkop. dooien,* zw. ww. sterven. dop, dbppe, slekkedbppe,* slakkenhuisjes; Tw. sniggenhüsken. döpheed, o. erica tetralix. dorsen, zw. ww. dorschen, l. dbrsgen. dörst, m. en dorste vr., dorst; Tw. dorst, dösterig,* bvnw. duizelig. dbk, in. deuk, döpen, zw. ww. Joopen, l. doopen. dbr, vr. door, l. dür. |
BLIND AU WSCHEâGAOEEN.
(37
|
döre, vr. deur, l. dure. dorslag, o. zeef, vergiet, l. dürslag, m. dörtocht, m. buikloop, l. dürtöcht. dreef, m. dreef, hé is op dréve, /. drève. drègen en dragen, st. ww., Tw. drégen, drog, edraogen, dragen, drèjsehütjen, o. mallemolen. drenzen, zw. ww. I. drünsen. drieëgge,* m. vierkante koppige kerel, driest, bvnw. driest liggen, braak liggen, dril, o. geweven (driedraadsch) slof. Tw. m. dril, o. gestold vleeschnat driven, st. ww.dreef, edréven,drijven, l. edrèven. dros,* m. drassige, lage grond. drüf, drüve, m. kleine bundel bloemen, drüve, -n, vr. druif, l. drüf, m. drilk,4 bvnw. bw., druk. dOren, zw. ww. duren, uithouden, düzig,* bvnw. slaperig. dük,* bw. dikwijls. dürpel, m. dorpel. dürven, zw. ww. mogen, l. dorven. dür, vrz. door. dure, vr. deur. duren, zw. ww. duren, uithouden, l.düren. dwarg, -e, ra. dwerg, l. dwers. dwarsnacht,* ra. den derden dag. edik leddiki en eek, ra. azijn, l, ottxli-eekhoren,4 -s, ra. eempessig, bvnw. eigenzinnig, l, eem-pestig. eenbomig, bvnw. zich om niemand of niets bekommerend. eersende,* o. stompe punt van het ei. eeschen, zw. ww. vernemen, l. vereeschen. eewe, vr. eeuw, l. honderd jaor. eike, vr. eik, /. eeke. eikenboom, m., I. eekenboom. eiselik, bnw. zeer, l. Iselik. eizen,* zw. ww. bang zijn. elfribbe, vr. die een rib te veel heeft, nl. te lang is; wordt bv. van een paard gezegd, dat te lang in de lenden is. elkeböt, bw. telkens, z. allebörd. elkermalk, vnw. een ieder. ellebaoge, m. elleboog, l ellebaom ellebaom, -baome, m. elboog. |
elze, vr. els (priem), l. els. empe, -n, vr. mier, l migempe. empenbült, mierenhoop, l. migem penpöl. ende, o. eind, l. ènde. eng of enk, enke ,* m. veld om het dorp. enterik,* m, mannetjes eend. erfte, -n, vr. erwt. ette, pron. pers. neutr. het, in verkleinenden zin gebruikt. ettik, ra. azijn. èvenólder, min èvenólder, van gelijken leeftijd zijnde, l. èvenbulder. tweeling, èvenwels, bw. evenwel. èverdesse, -n, vr. hagedis, i. èveltassche èveltassche, vr. hagedis. ézel, -s, m. ezel, l. ezel. faok,' vaak, m. slaap. farm, bvnw. ferm, l. ferm faze, -n, vezel, fazel, -s. feekse,* -n, vr. feeks. feil, vr. dweil, l. veile. fel, bvnw., I. fèjl. fldel, vr. viool, videl, l. vióle Adelen ,* zw. ww. vioolspelen. fidler,* ra. vioolspeler. flkke,* vr. feeks. fikseboon, -en,' vr. lupine. flambóze, -n, vr. framboos, l. fram-bóze. flantüte, -n, vr. dwaze gewoonte. flappen,* zw. ww. slaan. flènseken, zw. ww. om eten bedelen (van paarden), l. frènsgen. flèr,* z. ra. oorveeg. flesse, vr. flesch, l. flesche. flik,* m. klap. flüsteren,* zw. ww. fluisteren. fóper,* l. fobel, denappel. frènsgen, zw. ww. om eten hinneken (van paarden). fróselen, zw. ww. worstelen, l. fruselen. függelen,* zw. WW. oneerlijk bandelen, fük ,* bvnw. stil, gesloten. gaard, -en, in. gaard, tuin, I. gaoren. gaor, of gaord,' m. tuin, kamp. gaoren, ra. tuin. |
AFWIJKINGEN IN TWKNTIIK.
08
|
gaove, vr. gaaf. gaffeltange ,* vr. oorworm, t. kniep-worm, m. gagel,' o. rn. plantnaam. gangs, gangs maken, l. gengs. garste, vr. garst, koren, l. gerste. gaspel, vr. gesp. gobedde, -n,* m. bedgenoot. geboren, z\v. ww. gebeuren, l. gebüren. gellig,* bvnw. welig, welvarend. gelp,* bvnw. welig, geil. gelüj, o. het luiden der klok, I. gelü. genog, bvnw. genoeg, l. genog. gènte, vr. potentille anserina. gesp, vr. gospel, -s, m. gesp,/. gaspel. gest. vr. gist. Tw. m. gestiiodig, bw. gestadig, I. staodig getou, touw, o. weefgetouw. géve, vr. gave, /. geve. gével, -s, m. gevel, l. gevel. geweten, o. geweten, t. geweten, gezirme, o. gezin, l. gezin. gezünd, bvnw. gezond, l. gezond, gldderig,8 bvnw. beverig. gieren,' zw. ww. zwaaien. gieene,* m. gang. gif. o. vergift, l. vergift glnen ,* zw. ww. kiemen. gispel,* vr. berisping. gil, o. zvvil in liet vleescli. Tw. vr. glïlappe, m. straatslijper. glinte, vr. schutting, I. glint. glip, m. spleet, barst in de handen, vr. glippe. gobbelen,* zw. ww. zich bewegen (van vloeistol) braken. gold, o. goud, l. gould. göstink,* m. zin, smaak. gonzen,* zw. ww. smeekend vragen, gör,* vr. klein meisje. graot, griiote, m. v. graat. Tw. o. grave,* vr. spade. grepe, m. greep (het grijpen) I. grep. grillen,* zw. ww. huiverig zijn. gruwel, vr. gruwel, l. griuwel, m. gruwelen, zw. ww. bang zijn, l. griuwelen. gruwen,* zw. ww. gruwen. grü.sel. bvnw. huiverig. günd, bw. ginds, 1. ginter. |
haarrook. z. vennedamp haarstrik. vr. plat hout om de zicht moe te scherpen; zie hare. Tw. o. haok, haoke,* m. haak. hadde,* vr. afval van vlas. haft, hafte,* o. watervlinder, halt. hal,! vr. bevrozen grond. hamel,* bvnw. armoedig. handschó, m. handschoen. Tw. hansche,vr. hard, bvnw. hard. Tw. hart. harfst, m. herfst. Tw. herfst. ha^st, m. ribbe. Tw. hest. harte, n, o. hart. Tw. herte hai'telik I. hertelik. hazegerf, vr. carum carvi. heerenmös of ruwbölt, equisetum. heet, o. heide. heffen ,* st. ww. opnemen. heft, o. handvat, l. hecht, heggenvratte, vr. bastaardnachtegaal, heide, vr. erica, l. heet. heister, m. heester, l. heester, hekkeleers,* Tw. alleen kliere. heksemelker,* m. rups, die op do wolfsmelk aast. hémel, -s, m. hemel, l. hemel, hemmel helfte ,* vr. helft. heiken,* zn. ww. een band om de zes staande korenschoven slaan, hemde, o- hemd, l. hemd. hemmel,1 bvnw. zindelijk, netjes. Henders, Henners en Hente,* vr. verkortingen san Hendrika. hengel, m. hengsel; hengehnandhengsel. hennep, L hannep. hepse, epse ,e vr. ham. herbarge en harbarge, vr. herberg, l. hèrbèrge. herte, o. hart. herteküle, vr. hartkuil, maagkuil. Héte,* verkorting voor Geertrui. hiersch,* bvnw. hier behoorend. hilde, vr. de lage zoldering in den stal, l. hilde en hïlle hilk,* bvnw. geheel. hillig: de hillige driee könige, de heilige drie koningen. hinnebèren, frambozen. |
GAOVEâi
(39
â KEILEN.
|
hippen,' zw. w\v. springen. himpjen, o. krekel, l. hoemken. liO. (huw), bw. hoe, l. Tw. alleen wö. höls, vr. hulst. hondehaor. o. gras; fig. tweedracht: daor is hondehaor inekommen. zij zijn oneens geworden. hondtong, vr. molsla, l. hondeblimen ⢠slaot. hóneer,* bw. wanneer. honte, m. vr. horzel. I. Eionte. hoope, -n, m. hoop, l. hoop, hope. horken,* zw. ww. nauwlettend luisteren, hort,* m. oogenblik. hokkieskarmse ,* vr. vei huring van de zitplaatsen in de kerk. höltink, m. markvergadering. Opdenhbl-tink zit de markerichter of holt richter met den schrlver aan de tafel; de gewaarden (eigenerfden, vroeger erfexen) zitten op do banken;, de lütkeluj of kotters blijven staan. hodo, vr. bewaarplaats. hojen, zw. ww. hoeden, l. hoën hope, hüppe, vr. heup. ïw. hüppe hopen, zw. ww. opeenhoopen. houltwagen, m. houtwagen, een jongensspel. De eerste die krijgen moet roept «houltwagen een been»; heeft hij er een gevangen dan gaan [zij hand aan hand de anderen vangen en roepen «houltwagen twee been », en zoo voort. Als de anderen de handen kunnen verbreken, de keten doorbreken, dan wordt de houltwagen terug gedreven onder het gejuich van pokkelop! pokkei opl sla op! sla op! hüskündig, bvnw. zich tehuis gevoelend, L hüskünnig hülle.* vr. omslagdoek. hüllen,* zoden om aan 't vuur te branden. iewera, ergens. immenzaod, o. gemengd koorn voor huishoudelijk gebruik. imböl, m. inboedel, 1. inbodel. impestig, bvnw. koppig, l. eempestig. ipsen,* zw. ww. spelen met centen in bokjes. II,* bvnw. ijdel. |
imenhüve ,* vr. bijenkorf. ïmenkaor,4 in. bijenkorf. ipe, vr. hé hef de ipe op 't lif, bij is zwaarmoedig. iselik, bvnw. ijselijk. ieevesen,* mv mazelen, l. de blgt;3kken. jachtendüvel,* m. hypericum perforatum, jesse, vr. jas, l. jas. jödde, jbrre, m. jood. jöddenboon,* m. paardeboon. jözelen,* zw. ww. zeuren, klagen, jüchteren, zw. ww. wild stoeien, hardloo-pen en schreeuwen. ka, kouwe, vr. kraai, kouw, l. kao. ka,quot; i^kade) vr. kade. kaaie, ieemand op de kaaie hebben,* voor den gek houden. kaak,* vr. kaak, (wang). kaole, -n, vr. kool (brandstof), l. köle. kaom, vr. o. kaam, schimmel, i. kaomsel. kaorewagen,* vr. marktwagen, kinderwagen Ije. kaote. -n, vr. huisje, kot. kaolte, vr. koude. kaoter, -s, m. boer die één paard houdt, t. köter kakspaon, kakspiione. m. bil. kallemenk, o. kalmink, /. kalmink, kamelle, vr. kamille, l. kamille, kamme. -n, vr. kam, l. kam, in. kanels, kanils, bvnw. boos. karf, m. vr. kerf, l. kerf. karke. -n, vr. kerk, l. kerk karkenende'. karmse, vr. kermis, l. kermisse karnhüs, o. plaats waar de karn staat, l. keernhüs. karnsel, o. de boter van eenmaal karnen, l. keernsel karse, -n, vr. kers, l. kerse. kaï'smisse ,*vr. Kerstmis,z. middewinter. karspel, o. kerspel, l. kerspel, katrolle. vr. katrol, l. katrol, o. kattestart, l. kattenstart kawopsken, o. sprongeiie/.kawüpsken. keerntonne, vr. karn. keilen,* zw. ww. met een steen werpen. |
IN TWENTHE.
70
AFWIJKINGEN
|
kelde ,* vr. verkoudheid z., köld.0. kelder, ra. kelder, l. kelder. kepe,* vr. keep. kètel, -s, m. ketel, l. ketel. kéten, -s, vr. ketting, l. keten. kévie,* vr. kooi, kast met tralies. kewwen, zw. ww. kauwen, l. kawwen. kiddelen, zw. ww. kitelen. kiepig,* bvnw. bij de hand. klfte, vr. kievit, l. kivit kim, m. kiera, l. kim, vr. kïn, o. kiem, l. kine, vr. klnbütte, mv. wangbeenderen, i kenne- bakkenbütte. kitsen, zw. ww. en ketsen, vuurslaan met ijzer en steen. kive, vr. bestraffing. kiwbotten, l. kiwenbütte. klabatse,* m. klauteraar, woesteling (meest van kinderen). klamp, -e, m. klamp, l. klampe. klampe, vr. krap, haak, l. klampe. klander, vr. kleerraakerspers, heet ijzer, l. klander. klank, -e, m. klank, l. klank. klanke, vr. kronkel in touw, i. klanke, m. klater, vr. vuil. klau, klaowe,vr. klauw. klaowon,' zw. ww. klauwen; 't vötjen klaowen. kléblome, vr. klaverbloem, l. klaover-blóme. klensebür spolen, een kinderspel, l. kleis terbür. klever, vr. klaver, l. klaover. kliëne, boekweitendoppon,zemelen van tarwe, klip,* ra. deksel van een kan. klitte, -n, vr. klis (ook benaming van een vrouw). klive, vr. klis. klöd, klödde,* vr. vrouwenmuts. kloft, -e, vr. klucht, troep (wijk) l. klocht klok,* slok. kloovo, -n, vr. kloof. klösse, -n, vr. klos, kloot, l. klos klömen,* zw. ww. koud zijn. klötjesmaol,* o. feest na alloop van het klootschieten. klüft, -e, vr. troep, l. klocht. |
klungel, o. vod, kluwen. Tw. m. klüngelaole, vr. jenever met stroop, klüppel, ra. I. knüppel. klün, o. turf, kloen, bagger. Tw. ra. knapblaoze, vr. varkensblaas, welke de jongens spelend laten knappen, knarpen,* zw. ww. knauwen. knarre,* vr. knarsbeen. knével, ra. zware boom, sluitend aan een hek of deur; sterke man, l. knével, knif, ra. of knifmes, o. mes. knikkeblle,* m. driekante bijl met punt. knipspeur,* o. zandweg met gaten in de sporen. knipworm, ra. oorworm. knisteren, zw. ww. knetteren, l. koesteren. knobbel, ra. dikte, l. knobben. knoffel,* in. plooi, stool. knörrebot ,* o. knarsbeen. knbtwilge, vr. knotwilg, l. knotwilge. knök, m. slag; hi hef er en lelliken knok ekrégen, l. knak. knüöelen, zw. ww. drukken, l. knotfelen kógel, vr. kögelljen, o. kogel. I. kogel, kokante, vr. zik an de kökante hólden, voorzichtig zijn. köke, vr. koek. köpschee, bvnw. schichtig. komen, kwèm, ekommen, st.ww. komen, kóren, m. pit in de vrucht, l. koom, körne. Köraod, eigenn. Koenraad. kèrste, vr. korst brood, l. korste. körsmisse*. körtsen, zw. ww. kort op iets gooien. kötüi, ra. graspol in eene weide. köwwe, vr. kooi. kbninksjager, m. veldwachter. kö, mv. kön, köne, o. jong varken, biggen, l. koken. köre, vr. keur, keus, l. küre. köze ,* vr. keus. kolte ,* vr. koelte. kön, bvnw. koen, dapper. krans. m. vet aan de darmen, krèjenkoorn,* o. moederkoorn. krèjenstrekel, m. klein vischje, stekeltje, krempeldraod, o. grassoort. |
KELDE-LÃSCH.
71
|
kribbe ,* m. lastige vent. kribbe.* vr. kribberig wezen. kriel ,* bvnw. klein. krikke, vr. taling. krödde ,* vr. onkruid. kröze, o. kroos, waterlinze, l. kroos. krüne, z. krüsekrane. krüs, bvnw. kroes, sierlijk. krüsekrane, voor krünekrane, zie krüne p. 24. krüd, o. krüderije, vr. itruid,kruiderij, l. krüd, krüderije. krüjkaore ,* vr. kruiwagen. küf, küve, m. kuif, l. küve. kügel, m. bal, z. ook kogel. küle, -n, vr. kuil. kürig ,* bvnw. lusteloos. kürtnève ,* m. haas. küterdeküt,* bw. op stel en sprong, küzeslepper,* stoksleper, iemand die voor een ander uit vrijen gaat, bruidswerver, küijer,* üm küijer gaon, sterven, küjeren, zw. ww. praten, l. kuieren, küllaozie, vr. fopperij, l. küllazie. küken,* o. jong varken Tw. koken, küve, vr. kuip, tobbe, l. küven. kwekwemeier, m. lijsterbes-boom. kwéne, vr. I. kwene, manwijf, ook in physieken zin. kwikkwak ,* kleinigheid. laobes, m. onverschillige kerel, l. lobbes, laoke, vr. merksteen. labben. Van het op blz. 25 vermelde versje luiden de 2eâ4e regel in Twenthe : Dürf nich aover straote gaon , 't Hündeke zal üm biten De vogle üm beschiten. enz. Iaën, st. ww. laden, l. laan. lakrisse, vr. drop. laksen, zw. WW. van geliefden gezegd die elkander sterk aanhalen, met laffe woorden spreken. lakserije, vr. lalïe aardigheden, lankwagen, o. hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt, l. lankwage. vr. larke en larkse, m. lariks, l. lariks. vr. last, -e, m. last. Tw. vr. la waakse!, O. kaft om een boek, vgl. blz. |
16 harksel, harevarksel en blz. 57 harrevarksel. lédig, lèèg, bvnw. iedig, I. l'aog. 16g. leegde en leegte, vr. laagte, laogte, lögte. leelik. lelk, lellik, bvnw. leelijk, I. leelk. leem, o. leem. Tw. m. leepe oogen, druipoogen, l. leepoogen. leere, -n, vr. ladder, l. ledder. leerze,* -n, vr. laars, z. stével. lemmet, o. (accent op met) katoen in eene olielamp. Tw. lemt. lenge,* vr. lengte. lestig, bvnw. lastig, strekkend, ruim. Tw. lest. liggen, lag, èlègen, st. ww. liggen, linke, vr. linkerhand. Tw. linker. lïden, st. ww. Tw. liën. llftücht. vr. naam voor de wonersplaats bij een boerenerf. lïftücnter. in. bewoner eener llftUcht. llken, leek, eléken, st. ww. lijken. Tw. eleken. likstee, vr. litteeken, l. likstè. lin,* bvnw. langzaam, traag. lipen, zw. ww. schreien, l. lippen, lók, lokke, m. lok, l. lokke. lokken, vr. loopen. liep. Tw. lop, eloopen, si. ww. snel loopen. loopgaren,* o.; loopgaren spinnen, heen en weer loopen. lóven, zw. ww. prijzen, l. laoven. Ibfte, vr. belofte, l. belofte. los, bvnw. los, open. logen, -s, vr. leugen, l. logen. lögnen ,* zw. ww. loochenen. löre,* vr. slons. lösgen, zw. ww. lossen; 'nen ekster de tonge lösgen. lür, m. loer, en lür drèjen. Tw. lüre, vr. lürderig,* bvnw. loom, l. lüderig. lüzezak, o. de sleutelbeensholte, luchterhand,* vr. linkerhand. lüst, -e, m. lust, l. lost, vr. lütkepink, m. kleinen vinger; a'j den düvel den lütkepink dot taste to en nemp de heele hquot;nd. lükes,* bvnw. leuk. lüsch, o. lisch, l. losch. |
AFWIJKINGEN IN TWENTHE.
72
|
1 Cisteren, zw. ww. luisteren, /.losteren. maolde]',quot;' o. de lineTeellieitl koorn, die in eens gemeten wordt. maolder,* o. maat voor koren. maolster, o. rraat voor koren. maot, vr. weide, vr. -0. maoltjen, o. feestje, onthaal op jenever, maolken. maggelen ,* zw. ww. knoeien. male, vr. maaldag, in. geerfden dag der mark; maalsté ,* vergaderplaats. Tw. höltink. man, -s en manslüj, m. man.Tw.manlö. mankzaod ,* o. gemengd zaad v. beeslevoer. marder en maorter, m. marter. marg. o. merg, l merg. mark, vr. mark (geldstuk). Tw. m. marken, zw. ww. merken, l. merken, markt of markte, vr. de markt. Tw. o. inars, vr. mars (korf); /. mèrse. marte ,* vr. wezel. meene of meente ,* vr. gemeene weide of heidegrond. meerkol, markol ,* in. Vlaamsche gaai. melkerik. latwerk, om de melkemmers op te laten drogen, /. meikrek. mersch vr. Tw. mörsoh. m. lage, drassige grond. méten, st. ww. /. meten middel,* o. enen onder de middelen nemen, iemand de les lezen, middelcïnen of mellecinen, medicijnen, speciaal drankjes, l. mesinen. midde, v. midden. Tw. o. mïgempenpol, m. mierenhoop, miggelen,* zw. ww. motregenen, missaken.* zw. ww. loochenen. mizelen ,* zw. ww. fijn regenen. mölder,f vierkante houten bak, voornamelijk voor de wasch. mörre, vr. koffiedik. mot, o. fijne afval. Tw. mest. mbite, vr. moeite, l. möijte möj . hvnw. moede l. mö. mojlek, hvnw. moeilijk, /. möilik. mojte, vr. moeite, I. mbijte. mojten, zw. ww. tegenhouden, /.moten, part. pit. emot. |
möjzieekte. vr. loomheid. more, vr. wiifjeskonijn. mbten, zw. ww. ontmoeten, ?. ontmbten mote, in de mbte kommen, tegemoet komen, I. te möte kommen. moge, vr. zin; elk zin moge, ieder zijn eigen zin, l. moge, m. münne, vr. groote voren (visch) J. mbnne. mill,* hvnw. mulle zand. nacht, nitchte, m. vr. nacht; s nachens, des nachts. Tw. m. naffel, o. navel. navel, -s.* m. naaf; Tw. naven, naven, vr. naaf. naw. nouwe,* hvnw. nauw. nebbe, vr. neb. Tw. mv. nebben, in. neer,* bw. neder; I. dale. nerve, vr. nerf, l. nerf, m. nèring, vr. nering, l. nèringe. nettel, -s, m. netel. Tw. vr. nével, m. nevel, l. nevel. nieeman, vnw. niemand, I. nüm. nieet. bw. niet, l. nich niendbre; in Tw. heet de lage deur tegenover bansdbre (dus die aan de andere zijde van het huis) de niendöre, zie hl. 30. nieneinde, o. beneden einde. nirtig ,* hvnw. nurksch. niwers. bw. nergens. nöks. I nüks. nötvist, m. kleine worm, die een onaangename lucht geeft. nbtte, -n, vr. noot, l. nöt, nbtte, m. nbgestaf, m. stok der bruiloltnoodigers. nöse, m. neus, l. nosse en nuze. nüsseldöddeken, o. jongste kind. nüst, o. nest. öld. hvnw. (Wintersw. oold), oud , l. ould onakel, o. lompert, l. onabel, ni. onderschür,' o. binnenbouw, om voor den regen te schuilen. onhur,* bvnw. niet pluis, gevaarlijk, onlastig,* bvnw. zeer lastig. ontheit,* O. bericht. onzür,* bvnw. zeer zuur. oost, m. kwast in het hout. |
LÃSTKBUNâKÃ.JEN.
|
Oplüchteu, zw. \vw. veiMelderen, het gemoed verruimen, oplbchten opper, m. kleine hooistapel in hel hooiland, l. opper. opperen, zw. ww. het hooi aan oppers zetten, I. opperen oprelliken,* zw. ww. verbeteren, opdroo-gen. opsükeren, zw. ww. omroeren van suiker in 't gevulde glas, l. opsokkeren order, tn. order. Tw. vr. otter, -s, in. otter. Tw. o. öm, öms, m. oom. paar of ompert, knikkerspel, even of oneven. paote, vr. jonge boom, stek, l. pöte. paoten, zw. ww. poten, l. poten, padde en pedde, -n, vr. pad, /. perre pannevögel, m. vlinder, pennevogel parsen, zw. ww. persen, l persen, parsizer, o. kleermakers strijkijzer, l. pers- izer. patte, vr. mestgat. peie, vr. pij (kleed), l. pij. pèkel, vr. I. pekel. peppel, m. populier, l. pöppel, vr. pepper, vr. peper, l. péper, m. pire, plrek, m. vr, pier, l. plre, vr. plrmottig, bvnw. wormstekig. plrröttig, bvnw. wormstekig. plodden. m. mv. vodden. ploddestök, m. parapluie. plodzig, bvnw. opgezet, l. plossig. plöje, vr. plooi, l. plooje. plöjen, zw. ww. plooien, /. ploojen pogge, -n,* vr. jong varken. polver, m, o. buskruit. polverbüsse, vr. kruithoorn. pongel, m. bnndel, l. püngel. poolsche mikke, vr. een boerendans; waarbij sterk met de voeten gestampt wordt. pösselbos, m. gogel. pbtjebonink, in. rijst mot krenten, pötteren, zw, ww. peuteren, met water spelen, morsen, l. pötern. pöle. vr. peul (vrucht), l. pblle. pöter,* m. slag, oppenter. |
pr'aowel, m. neetoor, lichtgeraai:t mensch, l. prèwel. pranje ,* vr. mengelmoes (van spijs), próssen of prösten, zw. ww. niezen, l. prüsaen. püle, pCileken * vr. liefje. pus,* o. schimmel, uitslag. püster, m. blaaspijp, l. püster, pute,* m. slag. püte.* vr. in de püte kommen, in verval geraken. püngel,* rn. bloedbeuling. püngelen,* zw. ww. arenlezen. pils,* vr. blikken gieter, pCister, in. blaaspijp. pütbalken vr. mv. dwarsbalk boven don put, raomen * zw. ww. mikken. raoskloot/ m. bromtol. raote, vr. honigraat, l. röte. raggevr. slecht persoon. raken, zw. ww. het vuur bijeenschrapen. rakken,* zw. ww. schoonmaken. rappel,1 bvnw. niet sluitend. Tw. ral, ook los in den mond. rappen, zw. ww. de dure rapt, do deur sluit slocht. raspe, vr. rasp, l raspel ré, -ë, vr. ree (hert). ree,* bvnw. ge.eed. Tw. veerdig. reek,' vr. onkruid. rèfel, vr. rafel, l. rafel. reidekamme, vr. groote kam, l. ree- kamme. reider, m. fabrikant. reiderije, vr. fabriek. reiling ,* vr. reeks latten om iets achter te zetten. réken, zw. ww. 't vuur 's avonds bijeen schrapen. Tw. raken (inraken). reppelkopsch, bvnw. slecht geluimd, rik, rikkens, o. hek, l. rek, de stok in het kippenhok. riten,* st. ww. rijten. ritensplït, rn. vr. die gauw zijn kleeren scheurt. rlvelen, zw. ww. diep ploegen. ródderig, bvnw. haveloos. röjen, uitroeien. Tw. raoën, rooien. |
10
AFWIJKINGEN IN TWENTHE.
74
|
röke ,* m. reuk, l. röke. romer,* m. roemer, drinkglas. röpen,* zw. \vw. aftrekken. Tw. roppen. roten.' zw. wvv. vlas laten rotten. ruil©,* vr. schommel. ruw en ru, bvnw. ruw, I. row. ruwbólt, m. onkruid, l. rowböl, vr. rüg,9 bvnw. ruig. ruwgisel, m. ijzel, l. rowgisel. rust, vr. o. roest. Tw. m. rüz;eg1''! bvnw. wild. rügge. -n, m. rug. Tw. vr. rünsel, vr. o. rail dat rond gedraaid wordt; l. ronsel. rüste, vr. rust, l. rust, vr. ramen. zw. ww. ruimen, I. rumen, rut en rut. onkruid. I. rut, o. rüter. m. ruiter, l. rüter. rüter te peerd, een jongensspel. sabben,* zw. ww. kwijlen. sadde of sadaos,* m. neetoor. samt, bw. zamen, /. sam. sauwelen, zw. ww. kieskauwen, l. saw- weln. sawwelklaos, m. zabbelaar. schaop. sehiiope, o. schaap. Tw. mv. schaope. schaopsschöppe. vr. schaapskooi, l. sehaopschoppo. sehaord. schiiore, -n, m. scherf, schamomme, vr. vlinder. scharp, bvnw. scherp, l. schaarp. schemmol, m. hot liout waar het voorstel van een wagon op draait. scbichtig, bvnw. schuchter, bang, l. schüchtig. sebin. vr. stof, van de huid. Tw. m. o. sehinke, m. ham. Tw. vr. schïrbw. vlug, terstond. sehlrewippe, vr. vlinder. sehïren, zw. ww. vertrouwen; ik schïre üm nig, ik vertrouw hem niets, sehïrzwaalver. * schol, bvnw. ondiep, l. school, scholder, m. schouder. Tw. vr. school, bw. ondiep; school plögen. schot, gehotte, o. schot (van schieten), schófel, m. zaadschepper. schöre, vr. scheur, l. schüre. |
schbte, vr. scheut, l. schotte. schram,* o. varken. schrips,* m. klein, onaanzienlijk mau. schrölzer ,* o. schrooiijzer. schrüfen,* zw. ww. benauwd hoesten, schuikert, m. scheldnaam, l. schükert schüvekaore, vr. kruiwagen, l. schüf-kaore. schüppen, zw. ww. een schop geven, l. schoppen. schüpspaon, op den schüpspaon (op schüpstól) zitten, in onzekerheid zijn, I. schopspaon, schopstol sége, vr. geit, l. sege. ségenbok, m. bok, l. segenbok. selve, vr. salie, l. selver. sije,* vr. wijfje van een vogel. sikke, vr. geit, l. sik. m. slaken, o. sijsje, l. seisjen. slachte ,* vr. slacht, soort. slak,* bvnw. lui, traag. slanke,4 bvnw. dun, buigzaam. slat, o. lap goed. slauw, bvnw. luid, l. lauw. slee, sleën, vr. slede, l. sliere sleets, bvnw. snel zijn goed verslijtend, l. slets. slégel, m. arm van de pomp, I. slegel. slekke, vr. slak, l. sniggo. slim, o. slijm. Tw. m. sloop, slópe, vr. sloop, l. slopen, o. sloot, slöte, vr. sloot. Tw. m. slüren. zw. ww. slepen. smarte -n. vr. smart, /. smerte. smelten, st. ww. smelten, l. smelten, smet. -te,* m. smet. smokken, zw. ww. kussen. smooken, zw. ww. rooken. smögel, m. oolijkert, bedrieger, /. smo gel. smögelken, o. kort pijpje. smuigert ,* m. bedrieger. smüle, m. mond. Tw. vr. snaarske,* vr. zwagersvrouw. snakken,* zw. praten. snebbe,* vr. snavel. snee, vr. sneeuw. Tw. m. snok, m. hik, l. snük. snot, -ter, o. snot. Tw. vr. |
TWEEREN.
75
KOKEâ1
|
sobbon (en soppeni, zw. \vw. morsen, L soppen. sökke, -n, m. vr. sok, l. sbkke. vr. soppen, ^w. ww. morsen. söpel,quot; bvnw. gevoelig. spalteren,* zw. ww. spat, -te, rn. spat (van een paard). Tyv. vr. spelde, vr. spel J, l. spelde. spij , o. spuug, speeksel. Tw. vr. spikkel vr.? brugje spilgeld,quot; o. spilleper.nink. m. I. spelJegeld. splk,* o. ol' spike, vr. spïr en -e, m. spriet. Tw. o. splite,; m. spleet. splitter,* m. splinter, kleinigheid. splb,* bvnw. taai, buigzaam. spoor. o. wagenspoor, /, spür. spöl (spüli, spblle en spüllen, o. spel, l spul spblen. zw. ww. spoelen, l spölen sprao, spreewen, vr. spreeuw, I. spree, spreeën. spradden, m. klein ventje met veel praats, spril,* bvnw. sterk in 't oog vallend, sprötter,* m. spreeuw. spünze, vr. spons, zwam, 1. sponze. spüte, vr. spuit, l. spojte. staodig. bw. gestadig. stap, vossestap, m. toeslaande val , l. stappe. starfelik, bvnw. op sterven, l. sterllik. stark, bvnw. sterk, l. staark. starke, sterke, vr. vrouwelijk rund van één jaar, l. sterke starte. sterte, m. staart, l. stert. starven, st. ww. sterven, l. sterven, stè, vr. stede. steege, -n, vr. steeg, l. stege. steek, stèke, m. steek, l. steke, steel, stéle, tn. steel, l. stel. stégereep,* in. stijgbeugel. Stérke, vr. vaars. starre, stèrne, vr. ster. Tw. stèèrne. stévig, bvnw. /. stevig, stik. stek, eikenstruik, l stikke, akker- stikke. stip, m. stip, l. stippe, vr. stigbögel, m. stijgbeugel, l. stlbbgel. |
stïve,quot; vr. stijfsel. stbve, -n, vr. sloof, l. staove. storen, zw. ww. storen, l. sturen, straol, -en, rn. straal, l. straolo, vr. i strank, strenge, in. lijn, strook, arm van een water. streek, strèke, m. stréép, streepe, m. streep, I. streepe. Strik, ra, platte stok waar langs de bojw- zicht gestreken wordt. Tw. o. strips géven, slaag geven, i. strips, strünkebraon ,* lanterfanten. stüken ,* zw. ww. stülpe, vr. stulp, l. stblpe. sukkelen, zw. ww. ziek zijn, l. sokkelen, süker, vr. suiker, l. soker, m. sukerei, vr. cichoriuin intybus, ?, sokery, SWÃtbvnw. bw. taal, vr. taal, I. tale. taoi, bvnw. laai, /. tao. taonnögel, m. nijdnagel. targen, zw. ww. tergen, l. tergen. tasse en tesse, vr. tascb, l. tasscho. téèr, o, teer. Tw. m. tégen, bw. vz. tegen, l. tegen. teik, vr. tijk, l. tik, o. telder, m. bord, schotel, I. têldor. tèlink,3 vr. taling. temse, vr. zeef. töve, vr. teel' (hond), l. teve. tibbe,* vr. oud wijf. tibben,* zw. ww. snateren, kwaken. tilber,* bvnw. tilber god, roerend goed. tocht, m., poos. 'n tbchtken, een poosje. tow. bw. toe, tow maor, I. tö, traan, vr. traan (smeer), l. traon, ra. traon triione m. traan (uit het oog). Tw. vr. trow, bvnw. trouw, l. tröw, trowe, vr. trouw, l. trouwe, l. tröwe tussen, zw. ww. ruilen; ummotüssen, omruilen, I. tüsgen, ummetüsgen. tflën of tüjen, zw. ww. trekken,/. tügen. tün, m. tuin, heining. Tw. tün. tündeldöze, vr. -pot, m. tondeldoos, I. tondelâ. tüssen, bw, tusschen, l. tüsgen turen (uit tüdereni, l. tüjeren, tweeren, zw. ww. twijnen, I. tweernen. |
AFWIJKINGEN IN ÃWENTHK.
74
|
röke ,* m. reuk, l. röke. romer,* m. roemer, drinkglas. röpen,1 zw. \v\v. aftrekken. Tw. roppen. roten.* zw. ww. vlas laten rotten. ruil©,* vr. schommel. ruw en ru, bvnw. ruw, I. row. ruwbölt, m. onkruid, l. rowböl, vr. rug,* bvnw. ruig. nvwgisel, m. ijzel, l. rowglsel. rust, vr. o. ronst. Tw. m. rüzeg,* bvnw. wild. rügge, -n, m. rug. Tw. vr. rünsel, vr. o. rad dat rond gedraaid wordt; l. ronsel. ruste, vr. rust, l. rust, vr. ramen, zw. ww. ruimen, l. rümen. rut en rut, onkruid. I. rut, o. rüter, m. ruiter, l. rüter. rüter te peerd, ecu jongensspel. sabben,* zw. ww. kwijlen. sadda of sadaos,' m. neetoor. samt, bw. zamen, l. sam. sauwelen, zw. ww. kieskauwen, l. saw- weln, sawwelklaos. m. zabbelaar. sehaop, sehiiope, o. schaap. Tw. mv. schaope. sehaopsschöppe. vr. schaapskooi, l. schaopschoppo. sehaord. schiiore, -n, m. scherf, sehamomme, vr. vlinder. scharp, bvnw. scherp, l. sehaavp schemmol, m. het hout waar het voorstel van een wagen op draait. schichtig, bvnw. schuchter, bang, l. schüchtig. schin. vr. stof, van de huid. Tw. m. o. sehinke, m. ham. Tw. vr. sehïr,* bw. vlug, terstond. seMrewippe, vr. vlinder. sehiron, zw. ww. vertrouwen; ik schïre üm nig, ik vertrouw hem niets, sehirzwaalver.* schol, bvnw. ondiep, l. school, scholder, m. schouder. Tw. vr. school, bw. ondiep; school plógen. schot, schötte, o. schot (van schieten), schófel, m. zaadschepper. schöre, vr. scheur, l. schüre. |
schbte, vr. scheut, l. schötte. schram,* o. varken. schrips,* m. klein, onaanzienlijk tnau. schröïzer ,* o. schrooiijzer. schrüfen ,* zw. ww. benauwd hoesten, schuikert, m. scheldnaam, l. schOkert schü-vekaore, vr. kruiwagen, I. schüf-kaore. schüppen, zw. ww. een schop geven, l. schoppen. schüpspaon. op den schüpspaon (op schüpstöl) zitten, in onzekerheid zijn, l schopspaon, schopstol sége. vr. geit, l. sege. ségenbok, m. bok, l. segenbok. selve, vr. salie, l. selver. sije,* vr. wijfje van een vogel. sikke, vr. geit, l. sik. m. sïsken, o. sijsje, l. seisjen. slachte,* vr. slacht, soort. slak,* bvnw. lui, traag. slanke,* bvnw. dun, buigzaam. slat, o. lap goed. slauw, bvnw. luid, I. lauw. slee, sleën, vr. slede, l. sliere sleets, bvnw. snel zijn goed verslij'end, l. slets. slégel, m. arm van de pomp, l. slogel. slekke. vr. slak, l. snigge. slim, o. slijm. Tw. m. sloop. slópo, vr. sloop, l. slopen, o. sloot, slöte. vr. sloot. Tw. m. slüren,* zw. ww. slepen. smarte -n, vr. smart, /. smerte. smelten, st. ww. smelten, l. smelten, smet, -te, m. smet. smokken, zw. ww. kussen. smooken, zw. ww. rooken. smögel, m. oolijkert, bedrieger, l. smo-gel. smögelken. o. kort pijpje. smuigert, m. bedrieger. smule, m. mond. Tw. vr. snaarske,* vr. zwagersvrouw. snakken,* zw. praten. snebbe,* vr. snavel. snee. vr. sneeuw. Tw. m. snok, m. hik, l. sniik. snöt, -ter, o. snot. Tw. vr. |
â TWEEEEN.
KÃKEâ'
75
|
sob bon (en sdppen), zw. \vw. morsen, l. soppen. sökke, -n, m. vr. sok, sökke, vr. soppen, zw. ww. morsen. SÃpel,* bvnw. gevoelig. spalteren,* zw. ww. spat, -te, m. spat (van een paard). T\v. vr. spelde, vr. speld, l. spelde. spij , o. spuug, speeksel. ïw. vr. spikke,* vr.? brugje spilgeld,* o. spillepennink. m. I. speldegeld. splk,* o. of spike, \r. spïr en -e, m. spriet. Tw. o. splite,' m. spleet. splitter,* m. splinter, kleinigheid. splö ,4 bvnw. taai, buigzaam. spoor, o. wagenspoor, I. spur. spöl (spül), spölle en spullen, o, spel, l. spCd spolen. zw. ww. spoelen, l. spölen. sprao, spreewen, vr. spreeuw,/.spree, spreeën. spradden, m. klein ventje met veel praats, spril,* bvnw. sterk in 't oog vallend, sprotter,* m. spreeuw. spiinze, vr. spons, zwam, l. sponze. spCite. vr. spuit, l. spbjte. stiiodig, bw. gestadig. stap, Vössestap, m. toeslaande val , l. stappe. starfelik, bvnw. op sterven, l. stei'llik. stark, bvnw. sterk, l. staark. starke, sterke, vr. vrouwelijk rund van één jaar, l. sterke starte. sterte, m. staart, l. stert. starven, st. ww. sterven, l. sterven. Stè, vr. stede. steege, -n, vr. steeg, l. stege. steek, stèke, m. steek, l. steke. steel, stéle, m. steel, l. stel. Stégereep,* m. stijgbeugel. stérke, vr. vaars. sterre. stèrne, vr. ster. Tw. stèèrne. stévig, bvnw. I. stevig. stik, stek, eikenstruik, / stikke, akker- stikke. stip. m. stip, l. stippe, vr. stlgbögel, m. stijgbeugel, l. stibögel. |
stïve,* vr. stijfsel. stöve, -n, vr. stoof, I. staove. storen, zw. ww. storen, l. sturen, straol, -en, m. straal, l. straolo, vr. strank, strenge, m, lijn, strook, arm van een water. streek, strèke, m. stréép, streepe, m. streep, I. streepe. Strik, m, platte stok waar langs de bouw- zicht gestreken wordt. Tw. o. strips géven, slaag geven, l. strips, strünkebraon * lanterfanten. stüken * zw. ww. stülpe, vr. stulp, l. stölpe. sukkelen. zw. ww. ziek zijn, l. sokkelen, süker, vr. suiker, l. soker, m. sukerei, vr. cicborium intybus, i. sokery. swit,:' bvnw. bw. taal, vr. taal, I. tale taoi, bvnw. taai, I. tao. taonnègel, in. nijdnagel. targen, zw. ww. tergen, l. tergen. tasse en tesse, vr. tascb, l. tassche. tèèr, o. teer. Tw. m. tégen, bw. vi. tegen, l. tegen. teik, vr. tijk, l. tik, o. telder. m. bord, schotel, /. têlder. tölinke vr. taling. temse, vr. zeef. tève, vr. teef (hond), l. teve. tibbe,* vr. oud wijf. tibben,* zw. ww. snateren, kwaken. tilber,* bvnw. tilber god, roerend goed. tocht, m., poos, 'n töehtken, oen poosje. tow, bw. too, tow maor, /. tö. traan, vr. traan (smeer), L. traon, m. traon trüone m. traan (uit het oog). Tw. vr. trow, bvnw. trouw, l. tröw. trowe, vr. trouw, l. trouwe, l. trowe tüssen, zw. ww. ruilen; ummetussen, omruilen, l. tüsgen, ummetüsgen. tüën of tüjen, zw. ww. trekken, l. tCigen. tün, m. tuin, heining. Tw. tün. tündeldöze, vr. -pot, m. tondeldoos, l tondelâ. tüssen, bw. tusschen, l. tüsgen. turen (uit tüdereni, l. tüjeren, tweeren, zw. ww. twijnen, /.tweernen. |
AFWIJKINGEN IN ÃWENÃIIE.
70
|
uiver. euver, heilövor, m. Tw. alleen stork. uw, bvnw. uw. ülk, (onz.) m. bunzing. ïw. o. ümmer,* bw. steeds. urnen .* zw. ww. zeuren. Linen, zw. ww. trachten naar iets, i.aonen ure, o. uur, l. ür. uren, zw. ww. opzwellen van ile niei'S der lioe, l. nüren. vaak. bw. dikwijls, soms, l. vake. vaart, vr. vaart, l. vaort. valke , -n, valk, l. valk. varen, m. varen,plantnaam, l. vaorns, mv. varken, -s, o. varken, zwijn, /.verken, varsch, bvnw. versch, l. versch. vasel, o. halfvet. vaste in den mond veerdig, bvnw. gereed. veerze of vierze ,* vr. vaars. vèke,* vr. heining. veld, -e, o. veld, l. veld veldhun. patrijs. vennevül, o. weerwolf. venster, o. venster, glas, l. venster, vergif, o. vergift, l. vergift, verhetting, vr. verkoudheid, I. verhlt-sing. verkarkenspraokt. I. verkerken- spraokt. verköringvr. verkiezing. vertruwen, zw. ww, gelooven, vertrouwen, l. vertrouwen. vertüssen, zw. ww.ruilen,/.vertüsgen. ver ze* vetprizen.' zw. ww. vettik. vr. veldsla. Tw. m. vifschaft, kleedingstof met vijf schachten of karahouten gemaakt, /. vïfschaeht. vlme, vr. z. vimme. vlakke gt; vr. vlek. vlekke, -n. vr. vlek. vloot,* bvnw. bw. ondiep. vloten, zw. ww. water over quot;t land doen stroomcn, I. vlöen. vlürik. ra. vlerk. vlös, m. en vlos van en kerel, een dronkelilap of ruziemaker. |
vörme iförme), vr. vorm. Tw. in. vórst, vr. koude, /. vorst vos. -san, m. vos. Tw. mv. vösse. vogel. -s. m. vogel, /. vogel, vogel vr'eend, vrende, m. vriend, /. vrend. vrende. vremd. bvnw. vreemd, /. vrbmd vrochten. zw. ww. omheinen, vrochting,' schutting. vrog. comp. -ger, bvnw. bw. vroeg,/. vrö. vrogjaor.* o. vroege voorjaar. vrbndel.k, bvnw. vriendelijk, /. vrende-lik. vröndscliap, vr. vriendschap, /. vrend-schop. vramp;gte en vrogte, vr. vroegte. waorde, vr. wrat, /. waore wabbe,* vr. dikte van vet, kwab. wakhèlder en waakelder. wakel, na. jeneverbes, Tw. kwakelbèze, vr. walen. zw. WW. iemand in 't hooiland onder 't hooigras stoppen en rondwentelen, wamme, vr. vleesch op de onderrib. wannotte, vr. walnoot, /. walndt, wal-nötte. wansöne, bvnw. onzindelijk. wark, o. werk, /. werk. warken. zw. ww. werken, I. werken. wédeman. m. weduwnaar, /. wedeman. wédevrouw, vr. weduwe, /. wedevrouw weeps,' bvnw. schuw (van paarden gezegd). weiken. zw. ww. week maken, /. weeken. wélen,' zw. ww. spoken. wende.* vr. keer, draai in een weg. wendepütte,* vr. wensch., -e. m. wensch, /. wonsch. werd, bvnw. waard, / weerd. werg,* bvnw. vlug. werkeldag. m. werkdag, /. wörkeldag wierbbrstel, m. ruziemaker, /. weer- bbssel. wiks, o. schoensmeer. Tw. m. wind, -e, m. wind. Tw. vr. windsneuw, vr. valwind, l. wind-snów, m. winterlöverig. bvnw. van een ouden man met jeugdig voorkomen gezegd. wippe. vr. wip; /. wüppe |
âZWINKOEL.
77
UI VER
|
Wil, vr. tijd, l. WÃle wold, o. woud, I. would. wolle vr. wol, l. wuile worstelen, zw. ww. worstelen, 1. wos- selen. wble, vr. mol, l. wble wöste, Ijvmw. woest, l. wöst. (wrote), vramp;te, vr. mol, i vröto. WÃndren. zw. ww. verwonderen,/. won-dren. aak. -ke, m. zak, I. saji. sekke zégel. o. zegel, l. zégel. zeiver,* vr. zeever. zelfegge, vr. zelf kunt. Tw. zölf kante, zelve, vr. salve. Tw. zeiver. zlchtvree * m. plaggengrond. |
zode, vr. koffiedik. Tw. morro zolt, o. zout, I. zoult. züge, vr. zeug. züpen, st. ww. zuipen, l. sCipen. züclit, vr. ziekte, l. zocht. zülle, vr. drempel. Tw. zül, m. züllen, our. ww. zullen, I. zollen zöl. zud, bw. zuid, /. züd. züden, zuiden, /. züden. zümen. zw. ww. zuimen, l. zomen, zuring, vr. zuring. Tw. m. zwère, -n, m., zweer. Tw. zweer, o. zwéren. st. ww. zweren, l. zwéren, zwinegel, o. m. zwijuegel, liederlijk per soon. |
In te voegen is nog dü, pron. pers. '2. sg.
Nog te verbeteren;
IjIz. 3 bargen: eborgan in ebörgen; blz. (i boke in bok; Idz. 18 hö in hü bi/,. 04 aolkaore in aalkaore