WANBETALING VAN STATEN
TEN OPZICHTE HUNNER
Bulteiüandsclio Scluildoischers.
ACADEMISCH PROEFSCHRIFT
W. E. K. FURNÃE.
A. oct. 1453
WANBETALING VAN STATEN
TEN OPZICHTE HUNNER
Buitenlandsche Schuldeischers.
WANBETALING VAN STATEN
TEN OPZICHTE HUNNER
Buitenlandsche Schuldeischers.
ACADEMISCH PROEFSCHRIFT
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
DOCTOR IN BE RECHTSWETENSCHAP,
AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,
OP GEZAG VAN DES RECTOR MAGNIFICUS
Dr. D. E. J. VOLTER,
Hoogleeraar in de Faculteit der Godgeleerdheid.
IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN
op Woensdag 19 Juui 1895, des namiddags ten ure,
IN DE
AULA DER UNIVERSITEIT,
DOOR
]vÂ¥lLLEM ^GBERTUS j^AREL j^URNÃE,
Geboren te 's-Gravenhage.
AMSTERDAM, HOLDERT amp; Cquot;. 1895.
an -mime
a
I N D E E L I N G.
Inleiding.
r.laclz.
§ 1. Verschil tusschen buiten- en binnenlandschc
schuldeiscliers..... ...... I
§ 2. Hoe komen Staatsleeningen tot stand .... 5 § 3. Door welke wet wordt het contract geregeerd . 10
HOOFDSTUK 1.
over de verschillende vormen, waaronder de nalatigheid van eenen sïaat ten opzichte zijner crediteuren zich voordoet.
t? 1. Nalatigheid in rentebetaling.......14
S 2. Nalatigheid in aflossing . . .....21
S ?i. Nalatigheid niet betrekking tot andere contract-
bestanddeelen............28
S 4. Welken invloed heeft verandering in den politie-
ken toestand............. . 33
HOOFDSTUK II.
OVER DE RECHTSMIDDELEN, WELKE DEN VERONGELIJKTEN SCHULDEISCHERS TEN DIENSTE STAAN.
Eerste deel.
§ 1. Hebben de schuldcischers aanspraak op bescherming? . . . â¢..............36
§ 2. Aansprakelijkheid der onderdanen van eenen
Staat voor de Staatsschuld......bl. 46
5? 3. Competentie van binnen- en buitenlandsche
rechtbanken...........bl. 50
§ 4. Executie van vonnissen ..... bl. 56 § 5. Aansprakelijkheid der bemiddelaars eeaei leening ..............bl. 62
Tweede deel.
§ 1. Interventie............bl. 70
§ 2. Internationale arbitrage........bl. 88
§ 3., Commissions mixtes de ikpiidation. . . . bl. 92
§ 4. Internationale rechtbanken......bl. 93
HOOFDSTUK III.
PREVENTIEVEN JUATREGELEN.
§ 1. Bepalingen in de wetgeving van eenen Staat, ter
bemoeilijking van bankroet......bl. 103
§ 2. Over de inrichting der leeningscontracten . bl. 104 § 3. Over den invloed, welke de beursbesturen en comité's van houders van staatsfondsen kunnen uitoefenen...........-... bl .113
f
INLEIDING.
§ 1. In dit proefschrift heb ik mij tot taak gesteld, de vraag te behandelen, welke de rechtstoestand van den schuldeischer is. die op de eene of andere wijze door eenen vreemden Staat, zijnen schuldenaar, in zijne rechten wordt verkort.
Ik zeg door eenen vreemden Staat en ook de titel van dit geschrift spreekt van buitenlandsche schuldeischers en ik wensch op deze onderscheiding de aandacht te vestigen, daar de verhouding van eenen Staat tot zijne schuldeischers, onderdanen, en tot zijne scliuldeischers. vreemdelingen, niet dezelfde is, ja zelfs verschilt naar fi'elnnjr die vreemdelingen. ingezetenen van dien Staat zijn of niet
Ik zal mij uitsluitend bepalen tot de laatste categorie, doch acht liet niet ounoodig op eenige punten te wijzen, die naar mijne meening eene onderscheiding wenschelijk maken.
2
De Martens ') zojït âl'étranger ne peut pas se plaiudre âtant qu'il souft're a l'ügal du naturel du paysquot;.
Ook Phillimore 3) is het met dit principe eens docii maakt eene uitzondering door de volgende zeer juiste opmerking naar aanleiding van couponbelasting; âIt may âbe quite right that a person, having an income accrewing âfrom money lent to a foreign State should be taxed by .,his own country on his income derived from this source; âand if his own country imposes an income tax. it is of âcourse a convenience to all parties that the government, âwhich is to receive the tax, should deduct it from the âdebt, which in this instance that government owes to the âpayer of the tax, and thus avoid a double process; but a âforeigner, not resident in the State, is not liable to be âtaxed by the State; and it seems injust to a foreign âcreditor to make use of the machinery, which on the âground of convenience is applied in the cases of domestic âcreditors in order to subject him to a tax, which he is ânot on principle liablequot;
M. i. moet men het principe van De Martens geheel verwerpen; wanneer een Staat in den vorm van eene wet maatregelen neemt ten nadeele der rechten zijner onder-
') Précis du droit dfia ^pna modfirne de 1'Europe. 2) Commentaries upon international law.
3
(lanen-schuldeischers, zullen deze dikwijls geen recht tot klagen hebben, omdat zij als staande onder de wetten van hun land, die wetten moeten eerbiedigen en er zich aan onderwerpen.
Ik zeg dikwijls geen recht tot klagen, want er zijn gevallen denkbaar, dat dit recht wel zou bestaan. Zelfs al zijn die voor de iniandsche schuldeischers nadeelige maatregelen, laten wij veronderstellen, vermindering van het nominale kapitaal door eene wet tot stand gekomen, dan is die maatregel niet te reciitvaardigen in die landen waar de grondwet (zie bijv. art. lól Ned. Grondwet) in uitdrukkelijke bewoordingen verklaart, dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan na voorafgaande verklaring dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of verzekerde schadeloosstelling.
In deze landen zou tot liet rechtmatig nemen van die nadeelige maatregelen zonder schadeloosstelling eerst Grondwetsherziening noodig zijn.
Ongelukkig zou bij ons practisch dit onrecht den schuld-eischer niet baten wegens art. 11 A. !gt;.. de rechter mag de wet niet aan de ( irondwet toetsen. Kort en bondig drukt Pinheiro-Ferreira zijne opinie omtrent de leer van De Martens in de volgende bewoordingen uit; âc'est un -faux principe, que I'etranger n'a pas le droit de se plaindre
4
,(U!S qu'il est traité comme k'S natiouaux: si ie gouver-..iKMiiout a.nit injustomont onvers tons les deux. Fin justice âendurée par le national nTtte pas a rétranger le droit âde réclamer.quot;
Ook afgezien van de gevallen waarin vreemdelingen wel en ingezetenen niet of mogelijk omgekeerd zonden kunnen klagen, is nog de wijze, waarop het aan beiden toekomende klaagrecht zou uitgeoefend kunnen worden, uit den aard der zaak verschillend. Waar vreemdelingen hulp zouden kunnen zoeken hij den Staat, waartoe zij hehooren, op verschillende wijzen, die ik later zal bespreken, is dit natuurlijk voor den onderdaan uitgesloten; huitenlandsche rechtbanken zullen alleen bij den vreemdeling ter sprake komen, enz. De dubbele verhouding van den Staat tot zijn onderdaan, als schuldenaar tot zijn schuldeischer. maar ook als Souverein tot zijn subject, schept geheel andere toestanden, die zelfs niet voor een aluemeene bespreking vatbaar zijn, zooals Jozon ') terecht zegt: âS'il s'agit de inesures. frappant les nationunx, les voies âde recnurs ne peuveut être indiquées dime manière géné-ârale, elles varient nécessairement avec la constitution et ..^organisation administrative et judiciaire de cbaque pays.1'
') Revue de droit international et de legislation nomparée. Torae 1 1869.
O
§ 2. Tot juist begrii) der volgende hoofdstukken komt liet mij gewenscht voor in het kort de wijzen te bespreken waarop Staatsleeningen tot stand komen. ')
Er zijn voornamelijk twee wijzen, waarop eene leening ' gesloten wordt: de Staat onderhandelt onmiddelijk met
het publiek ~) of zij bedient zich van de tusschenkomst van emittenten.
In het eerste geval worden al de voorwaarden door de regeering gesteld, bijv. tegen welken koers de stukkon verkrijgbaar worden gesteld, wanneer het geld moet gestort worden, enz. Zoo kwam bijv. in 1844 in Nederland de bekende leening van TJT millioen tot stand tegen 3 % en zoo werden ook verscheidene Fransche Staatsleeningen gesloten.
Meestal echter bedient de Staat zich van de tusschenkomst van groote kapitalisten (zoo werd in 'SU Rothschild belast met de emissie van de o|,3% Nedeiian ische con versieleening), die de geheele of een deel van de leening overnemen en de obligatiën voor eigen risico aan de markt trachten te brengen voor een door hen te bepalen koers
') Zio hierover Mr. A. Wertliuim âEtnissiesyndicatonquot; en oen opstel van G. M. Boissevain in Gids Nov. '91 âde Fondsenhandel en het emissiesyndicaat''.
2) Zie hieronder bl. 62.
welken zij natuurlijk zoo mogelijk hooger zullen stellen clan den door hen betaalden. Dit koersverschil maakt na aftrek der kosten van publiceering. enz. hun winst uit. die meestal slechts uit een of twee percenten zal bestaan, doch soms zeer aanzienlijk kan zijn. Zoo ontving de Staat Honduras voor eene leeuing van !tO millioen frs. slechts
17 millioen, terwijl de tusschenpersonen de grootste helft van de overblijvende (io millioen als provisie (!) genoten.
De Regeering kan met een of meerdere bankiers (emissie-syndicaat, consortium) oumiddelijk in onderhandeling treden, of zich de concurrentie ten nutte maken door hen uit te noodigen, aanbiedingen te doen. op welke voorwaarden zij de benoodigde som zouden willen verstrekken
Zoo heeft bij de op 1 Februari II. plaats gehad hebbende inschrijving op de nieuwe 8'/3 % leening, groot
18 millioen mark ten laste van het groothertogdom Finland, eene groep onder leiding van het Crédit-Lyonnais a it?1/, % Parijsche usance, het hoogste bod gedaan. De groep der Dresdener Bank bood bijna evenveel, die van de Deutsche Bank 1)0.0:2 %.
De groote voordeelen voor den Staat om zich van de tusschenkomst van syndicaten te bedienen, bestaan ten eerste hierin, dat de Staat bij de afsluiting der zaak. wat zijne belangen betreft, dadelijk zekerheid heeft van liet
7
welslagen der operatie. Verder zal het alleen aan Staten, die een groot krediet genieten in het binnenland, mogelijk zijn, zich rechtstreeks tot het publiek te wenden. Waar daarentegen eene leening, om kans van slagen te hebben, ook op vreemde markten moet aangeboden worden, daar is de tusschenkomst van bankiers onvermijdelijk. Staten, die finantieel op den tweeden of derden rang staan, kunnen bovendien de bankiershulp niet missen, omdat daarin voor het publiek eene zekere waarborg ') is gelegen, dat bekwame financiers zich van de kredietwaardigheid van het land zullen overtuigd hebben.
Verder is men in bankkringen gewoonlijk beter dan aan regeeringsbureaux bekend met de behoeften der beurs, wat betreft het type en verschillende voorwaarden der leening en het geschikte oogenblik voor het aan de markt brengen. Ten laatste weet men nooit of er niet speculanten zijn, die om een of andere reden, bij de uitschrijving eener openbare leening zullen trachten de koersen der bestaande staatsfondsen te drukken; en ter bestrijding van dergelijke handelingen zijn de bankiers veel beter in staat dan een minister van tinantiën. Kan deze zich dus de bankiershulp zonder te groote opofferingen verze-
') Te voel verlrouwon verdient die waarborg echter niet!
8
keren, rlan is dit voor den Staat niet onvoordeelig, noch voor de schuldeischers.
Wat nu de vormen betreft waarin de leeningen zich voordoen, onderscheidt men daarbij, alleen rentegevende leeningen met een bepaalden tijd voor de aflossing (a terme) en met oen onbepaalden tijd voor de aflossing (a rente perpétuelle). In het laatste geval bestaan 4 mogelijkheden:
1. dat beide partijen (Staat en Fondsenhouders), wanneer liet haar goeddunkt, kunnen opzeggen, dat de schuldeischer alleen zich dat recht voorbehoudt.
8. dat liet alleen aan den schuldenaar toekomt.
4. dat geen van beiden mag opzeggen.
In het laatste geval zou de eenig mogelijke weg van schulddelging zijn, dat de Staat aan de beurs als kooper optreedt en de aangekochte fondsen vernietigt.
Verder bestaan er leeningen, waarbij nevens den interest een gedeelte van het kapitaal wordt terugbetaald, verdeeld in eigenlijke tijdrenten (annuities for terms) lijfrenten (annuities for life, rentes viagères) en tontines. De eerste soort komt in Engeland voor. deels afzonderlijk, deels als premie bij andere effecten '). De tweede
') Zie Hooft (iraaiiuuil âStaatsschuldenquot; 1851.
soort vindt men vooral in Frankrijk en kwam vroeger ook veel in ons vaderland voor In ISöl moest onze Staat nog ruim /' aan lijfrenten uitkeeren.
De tontines zijn eene wijziging van lijfrenten, waardoor bij den dood van eenen deelnemer de renten, die liij genoot, het aandeel der overgeblevenen komen vergrooteu. zoodat eindelijk de laatst overgeblevene de volle rente trekt van het geheele kapitaal dat bij liet sluiten der leening door allen is ingebracht
In 1851 moest onze Staat nog/'lU.UOü betalen als rente der Nijmeegsche tontinaire lijfrente. De drie laatste soorten van Staatsleeningen zijn nu echter van weinig belang. Meer voorkomend zijn de loterijleeningen.
De schuldbrieven, die bij deze leeningen worden uitgegeven, heeten loten. In den regel ') geven zij geen jaar-lijksche renten, in ieder geval slechts een naar verhouding van den bestaanden rentestandaard geringe rente, maar de loten worden volgens een vastgesteld trekkingsplan met grootore of kleinere winst uitgeloot, in het ongunstigste geval krijgt men in den regel zijn geld terug. De winst wordt door de Regeering natuurlijk gevonden uit de niet of te weinig betaalde rente.
') Bij de 2de loeniug der Oostenrijksche Regeering in 1820 werd don houders der loten eeno jaarlijksolie rente van niet minder dan 4 % toegestaan.
10
§ 3. Als slot dezer inleiding de vraag, naar welke wet het contract van Staatsleening moet beoordeeld worden Veel verschil van gevoelen bestaat hierover. Men zal moeten beginnen te vragen op welke wijze liet contract gesloten is; of direct met de Regeering, of door bemiddeling van vertegenwoordigers 'j. In beide gevallen zal men moeten nagaan, welke de waarschijnlijke bedoeling van partijen zal geweest zijn -). en vrij algemeen wordt aangenomen dat deze geweest zal zijn, zich te onderwerpen aan de wet der plaats, waar de verbintenis is aangegaan (lex loci contractus), dit zou dan in het eerste geval wel zijn de wet van het leenende land.
Echter wordt door velen eene uitzondering op de lex loci contractus aangenomen, als de verbindtenis op eene andere plaats, dan waar zij is aangegaan, moet worden uitgevoerd (plaatsen, waar de coupons betaalbaar zijn
') Of or emissiosyndicaten in het spel zijn, duet m. i. niets ter zake. Inschrijving op eene leening door ceu em. synd. aangeboden, draagt slechts de rechten over, die reeds hestondon tusschen Slaat en syndicaat: nadat hut syndicaat de leening heeft overge-nom n, is het contract i:e=loten en moet dus reeds uitgemaakt zijn welke do beslissende wet is; latere handelingen van hot syndicaat hebben slechts het karakter van overdracht van reeds bestaande rechten en verplichtingen.
'-) Zie Mr. T. M. 0. Asser âSchets van hot Intern, Privaatrechtquot; bl. 53.
II
gesteld, afgeloste stukken zullen betaald worden, enz.). Von Savigny wil dit algemeen aaiinemen; Foelix en Pas quale Fiore wijzen de wet van de plaats van uitvoering aan voor alles, wat de uitvoering betreft en de lex loci contractus voor het vinculum juris zelf (vereisch-ten voor geldigheid, strekking en omvang dor verbindte-nis in het algemeen).
Bij het tweede geval (gebruikmaking van vertegenwoordigers bij het sluiten der leening) is de onzekerheid nog grooter. Foelix neemt de wet van de plaats waar de mandataris zich bevindt aan, omdat de mandataris geheel den niandans vertegenwoordigt en dus de zaak zoo beschouwd zou moeten worden als had de niandans zich begeven naar de plaats, waar de mandataris zich bevindt en het contract feitelijk wordt gesloten.
Von Bar ') daarentegen kiest de wet van de plaats van den vertegenwoordigde bij beide opvattingen, die hij omtrent de rol van mandataris mogelijk oordeelt; nl. de opvatting dat het contract door den mandataris gesloten is en nu krachtens de tusschen dezen en den niandans gesloten overeenkomst op den laatsten wordt overgedragen; ten tweede de meening, dat de mandataris slechts de rol van bode vervult, waardoor de contractswil is ontstaan in ') Das Intern, l'rivat uud Stralrecbt g 2 en T-i.
12 '
den vertegenwoordigde en dus ook daar. waar deze zich bevindt.
In ons bijzonder geval meen ik dat het zeker in liet algemeen de bedoeling van den Staat zal zijn, over het door hem gesloten contract te doen beslissen door zijn eigen wet, eene nieening dus in den geest vauVonBar.
Practisch is deze oplossing ook wel de eenig mogelijke; daar, waar verscheidene plaatsen zijn aangewezen voor couponbetaling en kapitaalaflossing en waar de inschrijving in verscheidene landen was opengesteld, zou er eene groote verwarring kunnen ontstaan over de rechten der verschillende schuldeischers.
Willen de schuldeischers zich liever niet aan de wetten van het leenende land, wat contractsuitlegging betreft, onderwerpen (wat bij half barbaarsche landen, als China bijv., zeker wenschelijk is), dan kunnen er afwijkende bepalingen daaromtrent in het contract gemaakt worden.
Wat echter de bloote uitvoering van het contract betreft, zou ik mij willen vereenigen met de onderscheiding van Koelix en Pasquale F lore, op de vorige bladzijde vermeld.
(
HOOFDSTUK I.
Wanneir is een S/ou/ nulatig trgenonr zijne crediteuren Aiinsezien (!(gt; getrouwe1 iiitvocMing van oen Staatslcc-ninssL'oiiti'act bestaat in de regelmatige betaling van de beloofde rente, in de atlossing van het kapitaal volgens liet vastgestelde atiossingsplan en in de strikte opvolging van alle overige bepalingen van liet contract, levert elke eenzijdige inbreuk op die bepalingen, nalatigheid op.
In de la1', l(;,le en 17lc eeuw reeds was het een veel voorkomende operatie dat het Staatsbestuur, hetzij het nominale bedrag van de schuldvorderingen, hetzij de rente eigenmachtig verminderde, in de l.s''c eeuw kwamen deze handelingen minder veelvuldig voor. om in het Napoleontische tijdvak des te meer op den voorgrond te treden.') Ik behoef hier slechts te noemen de voor velen zoo noodlottige tierceering der Nederlandsche schuld.
In den lateren tijd heeft echter de menschelijke vinding-
]) Jozon, Revue de droit Int.. et lt;le leg. Conip. Tome J. 18G9.
14
rijkheid ook liior nieuwe wegen gevonden en praktijken toegepast, waarvan het soms nioeielijk te zeggen is of men met nalatigheid te doen heeft of niet
Ik wensch deze verschillende nalatigheden te verdeelen in drie groepen, nl. A. ten o])zichte der rentebetaling. Ji ten op/.iciite der aflossing. (' ten opzichte van andere contract-hestanddeelen.
S 1. Een tnsscheuvorm tnsschen feitelijke nalatigheid en eene goede uitvoering der aangegane verplichtingen vinden wij wat de rentehetaling lietreft in de capitaiisatie der rente.
Wanneer een Staat zich iu de onmogelijkheid bevindt de rente in geld uit te betalen, kan zij voor het geheel ot voor een gedeelte daarvan certificaten uitgeven (welke certificaten dan weder rentegevend kunnen zijn) die binnen een bepaalden tijd afgelost zullen worden. Zoo deed Venezuela met de rente der schuld over iso;;.
Strikt genomen is deze eenzijdige betalingswijziging zeer zeker een inbreuk op de verplichtingen van den debiteur, omdat in plaats van geld. men slechts een nieuwe vordering krijgt, die meestal niet voor onmiddelijke te gelde making zonder verlies, vatbaar zal zijn. Wanneer zij echter te goeder trouw is, kan deze surséance van betaling in het belang van den crediteur zijn ; ongelukkigerwijze moet ik er echter bijvoegen, dat dit procédé in de praktijk veelal
het voorspel van het eigenlijk bankroet geweest is en tot niets gediend heeft dan tot vergrooting der tinancieele verwarring.
J.. In verschillende Staten hebben de gouvernementen tot vermeerdering der inkomsten eene belasting op coupons of eene zegelbelasting op de effecten geheven.
N i c. E 1' o 1 i t i s meent dat men hier eene onderscheiding moet maken tusschen leeningen waarin uitdrukkelijk de clausule is opgenomen dat er geen conponbelasting of zegelbelasting zal geheven mogen worden1) en die waarbij eene dergelijke bepaling niet bestaat.
In het eerste geval meent hij natuurlijk ook dat er van contractsschennis sprake is, maar in het tweede geval acht hij dergelijke belastingen gerechtvaardigd, mits rles âtaxes on impóts, qui seraient établis frappent toutes les âvaleurs mobilières. circulant dans Ie pays.quot;
Ik deel volstrekt niet zijn gevoelen hieromtrent; een Staat heeft geen recht belasting te heffen dan van het inkomen zijner onderdanen en ingezetenen en ik verwijs met vol-
') Zoo zijn verscheiilone der jonaste russisohe staatsleeaingen ui toegeven met de bepaling : les obligations de eet empmnt sont a tout jamais liberées de tout impöt russe présent et a venir.
komen iusteiiimiiiK naar de woorden van 1J h i 11 i m o r e? die men oji hl. 2 van de Inleiding vindt, 'j
Kene eigenaardige o])vatting omtrent coiiponhelasting vinden wij l)ij J o â /. o n 1. c.
Deze sclii'ijver neemt de volgende 5 casus posities aan, die zich liierhij kunnen voordoen; ten eerste het geval dat de leeniug oorspronkelijk alleen voor onderdanen was opengesteld. Hierhij is het nu ten tweede mogelijk dat later deze ettecten in handen van vreemdelingen komen. Ten derde dat de leening geheel in het huitenland is gesloten, waarhij zich dan ten vierde de variatie voordoet dat onderdanen stukken hehhen overgenomen.
ïen laatste de veronderstelling dat de inschrijving reeds in den aanvang zoowel voor het hinnen- als huitenland openstond.
In al deze gevallen gaat .1 ü z o n het al ot' niet rechtmatige der helasting na en komt in de heide eerste gevallen tot de conclusie dat couponbelasting gerechtvaardigd is. dj) grond dat de Staat hij de uitgifte uitsluitend het oog had op zijn onderdanen en dus in het vervolg
*) /ie ook Buys ..Grondwetquot; If bi. Oil. âIndien ih- Staat zich inaar onthoudt van pogingen, om misbruik makende van contractueele verbindtenissen, ook vreemdelingen, niet aan zijn wetgevend gezag onderworpen, in zijne belastingen te betrekken.
ook alloen met zijn rechten en verplichtingen tegen dezen te rade heeft te uaaii. terwijl de vreemdelingen geen sterkere rechten aan de onderdanen kunnen ontleenen dan deze zeli' hadden, nemo plus juris tradere potest, quam ijjse habet. N'olgens eene dergelijke redeneering zou dan volgens Jozon voor het o'1quot; tn -l-d'! geval de onrechtvaardigheid der couponlielasling moeten volgen. In het r»''1, geval is Jozon minder Iteslist M. i. is deze ouderscliei-ding gezocht en moet het Engelsche stelsel bij de buiten-landsche etïecten om zijn rechtvaardigheid en betrekkelijke eenvoudigheid worden toegejuicht.
Toen Engeland in 1842 de Income tax invoerde, bepaalde het dat vreemdelingen, buiten Engeland verblijf houdende, zich tegen deze belasting, wat niet-Engelsche fondsen betreft, konden vrijwaren door eene verklaring âaffidavitquot; waarin men verklaart dat de coupon af komstig is van eene obligatie, toebehoorende aan eenen buitens lands wonenden vreemdeling. Deze ..affidavitsquot; moeten gelegaliseerd worden door het Engelsche consulaat van de woonplaats des houders of bij gebreke van consulaat door eenen notaris.
Veel is er nog voor en tegen dergelijke belastingen geschreven, in de practijk echter heeft men zich slechts zelden laten weerhouden, tenzij uitdrukkelijk vrijdom van
18
belasting was gestipuleerd, waarbij men dan nog onderscheiden moet in stipulatie van vrijdom van bestaande belasting, en stipulatie van vrijdom van bestaande en toekomstige belasting. Italië. Rusland en Oostenrijk maken geen onderscheid tusschen buitenlanders en niet- buitenlanders, doch treffen alle houders van belaste coupons. Oostenrijk met Ki %, Italië met niet minder dan 20 %.
Omtrent Italië wil ik hier even melding maken van de clausule Antonelli. een amendement in de Ital. senaat bij de behandeling der belastingwet in 1894, volgens welke clausule de corporatiën die door de belastingverhooging worden getroffen, deze kunnen verhalen op de obligatie-houders, zelfs indien bij de uitgifte belastingvrijdom was toegezegd '). De West-Siciliaansche Spoorweg-Maatschappij heelt hiervan gebruik gemaakt en van hare coupons der quot;gt; 'fi ohlig., de belasting, die aan haar was opgelegd, afgetrokken. Hierdoor drukt de Italiaansche belasting niet alleen op de staatsfondsenhouders. maar ook op de houders van andere Italiaansche obligaties 1).
1
) Had hot niet op den weg gelegen van liet Bestuur dor Vereeni-ging voor den Effectenhandel to Amsterdam iets van zich te doen hooren in dit geval, paste hier wel een absoluut berusten zonder eonig protest?
19
Dat dezo m. i. verregaande onrechtvaardigheid niet geheel onaantastbaar is. blijkt uit liet volgende stukje in het Amsterdamsch Effectenblad 101, jaargang- N17 : ..lie-âtreffende toepassing van de clausule Antonelli, welke âstrekken moet om de besturen van gemeenten, enz. in âstaat te stellen het verhoogde bedrag der inkomstenhe-âlasting in te houden op de couponbetaling, is den I.V1quot;quot; âdezer in eerste instantie in het door de Kamer v. Koop-rhandel te Genua tegen het stedelijk bestuur ingesteld âproces ten gunste van die Kamer beslist. De rechtbank âheeft de stad Genua veroordeeld de coupon zonder eenige âkorting te betalen oi' den obligatiehouders het volle kapi-âtaal terug te geven Het stedelijk bestuur heeft besloten âin deze beslissing te berusten.quot;
8. De betaling van de coupons (en de afgeloste stukken) moet natuurlijk geschieden in de munt in het contract bepaald. Dikwijls is gestipuleerd dat dit in goud moet geschieden : zoo heeft men de Hongaarsche en Oos-tenrijksche goudrente, de Russische goudroebelfo-mlsen. Nu kan een Staat in deze verplichting nalatig zijn door bijv. in zilver of papier te betalen, wanneer goud agio doet.
Hiermede staat in verband de maatregel, die Italië in 181)o begonnen is te nemen om voor de couponbetaling van de buitenlandsche houders van stukken te eischen.
20
overlegging der effecten zeiven niet affidavit. De reden was, dat de buitenlanders in francs moesten betaald worden. terwijl liet binnenland in lires kou voldaan worden Nu kostten francs 1 '1 % meer dan lires en stuurden ook de binnenlandsche houders hunne coupons naar het buitenland om daar in francs betaald te worden en zoo van de meerdere waarde van de franc te genieten. Hieraan trachtte de Italiaansche regeering door de zoo even genoemde maatregel een einde te maken.
De vraag is of zij wel gerechtigd was die meerdere moeite en onkosten van verzending, enz. aan het buitenland op te leggen en of zij. zoo handelende, zich niet aan nalatigheid schuldig maakt.
M. i. is voor de volgende redeneering veel te zeggen : De Italiaansche regeering is verplicht op bloot vertoon van de coupon het daarop verschuldigde bedrag uit te betalen, hetzij in francs, hetzij in lires; het voorrecht echter van in francs uitbetaling te verkrijgen, komt uitsluitend toe aan buitenlanders; zij, die van dit voorrecht gebruik willen maken, moeten het recht daarop bewijzen en de Italiaansche regeering is niet nalatig wanneer zij dat bewijs door eenige formaliteiten oplegt en niet op bloot vertoon in francs uitbetaalt.
De betaling der coupons (en der afgeloste stukken)
I
21
moet geschieden op de vastgestelde termijiien (ininus solvet qui tardius solvit) en eenzijdige wijziging der hetaüugs-plaatsen levert natuurlijk evenzeer een geval van nalatigheid op.
S 2. Wat betreft nalatigheid ten opzichte der kapitaalaflossing komt ter bespreking de conversie, 'l
Etymologisch beteekent convtrsie enkel schuldomkeering, schnldverandering. novatie; dus niet het vervangen van de eene schuld door de andere, maar het veranderen van de elementen eener schuld, terwijl deze zelf blijft.
Feitelijk komt deze oorspronkelijke vorm van conversie niet meer voor, behalve misschien bij de zoogenaamde âgedwongen conversies,quot; die eigenlijk niets anders zijn dan een verkapt bankroet, een stellig niet nakomen van de verbintenissen.
Iedere conversie moest dus eigenlijk vrij zijn. d. i aan iedere schuldeischer moest de vrijheid worden gelaten om met behoud van zijne oorspronkelijke schuldvordering, niet tot de conversie toe te treden.
Dit zou natuurlijk iedere conversie, zooals men die tegen-
') Voor eene uitvoerige behandeling der conversie, vooral van Neder, landscb standpunt, zie Diss, van Mr. J. L. Gunning âAflossing en conversie van obligatieleoningenquot; SST waaraan een deel van het volgende is ontleend.
22
woorrlig bedoelt, vrijwel onmogelijk maken, daarom is de aard der conversie eene andere geworden en wordt den schuldenaar slechts de keuze gelaten tusschen toetreding tot de nieuwe regeling of het geleende geld terug te ontvangen. op grond van liet principe, dat hij ons in art. 1306 It. W. te vinden is âeene tijdsbepaling wordt altijd verondersteld bepaald te zijn ten voordeele van den schuldenaar, ten ware uit den aard van de verbintenis zelve of uit de omstandigheden mocht blijken, dat de tijdsbepaling ten voordeele van den schuldeischer is geschied.
Dit principe âdies pro debitorequot; is in ons Nederlandsch art. 13()() li. W. niet gelukkig uitgewerkt en dit artikel heeft dan ook reeds heel wat pennen in beweging gebracht ter beslissing der vraag of volgens Nederlandsch recht een schuldenaar in liet algemeen gerechtigd is ten allen tijde voor den vervaldag zijne schuld af te lossen.
Voor eene ontwikkeling dezer quastie verwijs ik naar het proefschrift van Mr. Gunning, daar voor mijn standpunt het speciale Xederlandsche artikel van minder belang is. Volkomen eens ben ik het met Mr. G u n n i n g dat uit een algemeen juridisch oogpunt het feit dat een tijdsbepaling de verbintenis niet opschort maar slechts hare uitvoering, reeds eenigermate leidt tot eene minder
23
strenge opvatting van den gestelden termijn van praestatie.
Ook zal het voor hen. die veel waarde hechten aan het bekende âjus Romanum aetcrnuni est, non quia Ronuvnuni sed quia jus estquot; een wichtig argument zijn ter verdediging van liet principe âdies pro debitore'quot; dat ook de Romeinen dit principe huldigden, zooals blijkt uit L. 17 D, deR. .1, 50.17 (in tine) en L. 70 D. de Sal. et Lib. 4f. 3
15ij iedere leening zal men dus moeten nagaan of de wetten van den leenenden Staat de moderne conversie toelaten en of het recht daartoe uitdrukkelijk bij het aangaan der leening is voorbehouden of ontzegd,
In het Preussische Landrecht van 14lt;.)4 komt de volgende verbiedende bepaling voor:
S 757, Aus dem Darlehncontracte wird der Schuld-ner verptlichtet die erlmltene Summe zur bestimmter Zcut zurück zü zahlen.
S 758, Vor ablaut' dieser Zeit kann er dem Gliiubiger die Zahlung,auch unterdem Vorwande veranderter Umstande nicht aufdringen.
Ook het Oostenrijksche Burgerlijk Wetboek bevat S 1413 eener dergelijke bepaling, die de rechtmatigheid van eenzijdige vroegere aHossing uitsluit lu Oostenrijk-
21
sche leeniiigen wordt dan ook meestal het recht tot conversie uitdrukkelijk voorbehouden.
De Code Napoléon, die ook in België nog vigeert en liet Spaansche wetboek zijn in den geest van art. 13()(i B. W. (dat aan den Code-Civil is ontleend.)
Het nieuwe Burgerlijk wetboek van Argentinië (18(i!gt;) zegt: âEI pago no podia hacerse antes del plazo. sino de coniiin acuerdo,quot; d. i. de betaling kan niet plaats hebben vóór het verstrijken van den terniijn. tenzij met onderling goedvinden.
Zelts al heelt men te maken met het algemeene principe âdies pro debitorequot; dan is dikwijls nog twijfel mogelijk of juist niet de bepalingen van het leeningscontract de conversie hebben uitgesloten, bijv. heeft zich in 18'.)0 bij de Egyptische schuld een dergelijke questie voorgedaan. Op de obligatiën dezer schuld stond de volgende clausule Jquot;eniprunt portera intérêt au taux de ö% par an. âpayable par semestre â et sera amortisable au pair en â(if) ans par tirages seniestiiels.quot;
1-1(4 Kgyptiscbe gouvernement converteerde deze schuld in eene leening a 4 % en de schuldeischers te1 Londen betwistten de wettigheid van deze conversie. Hieromtrent werd eene interpellatie in liet House of Commons gericht door Mr. Isaacson tot den eersten Lord der schatkist-
25
Het Britsche sonvoinemont antwoordde dat de advocaten der kroon de wettigheid der conversie erkenden ').
Het komt mij voor dat deze uitspraak de juiste is en dat eene dergelijke clausule als de genoemde van eene gewone tijdsbepaling zich niet onderscheidt
Willen de schuldeischers die mogelijkheid van vroegere aflossing niet, dan moeten zij dit uitdrukkelijk stipuleeren. zooals dan ook in den laatsten tijd herhaaldelijk gebeurd is, bijv. hij de Fransclie conversieleening van 18 Febr. quot;!I4, waarbij is i)e])aald: .,1a nouvelle rente ne pourra
âêtre ni rembonrsée ni convertie jjendant un délai de huit âannées, soit avant le Ki tevrier IDO-J.quot;
Eene dergelijke be])aliiig bevat de Bnlgaarsclie leening van 1890 en de 4 % Rusland li'' emissie die niet
voor l!t04 mag worden afgelost.
Doch ook reeds veel vroeger heeft men het gevaar in-^ezien. het oudste mij bekende voorbeeld is de 5 % leening van Rusland van 1822, bij Uothschild gesloten
Aan den anderen kant hebben de regeeringen ter vermijding van chicanes zich ook wel de vroegere atiossin^ uitdrukkelijk voorbehouden, zoo bijv. de 4 % Russ. Staatsschuld 1(S1I4 Orel-Vitebsk.
Van w(dk «root belang de opvatting der tijdsbepaling
') Zie Jellow-Book IS'.'S p. 227.
is en welke groote verliezen nalatigheid der debiteuren in dit opzicht ten gevolge kan hebben, kan het volgende leeren.
In Amerika bestaat ten opzichte der spoorwegleeningen in het algemeen de meening. dat de tijdsbepaling vroegere aflossing niet toelaat. Het gevolg hiervan is, dat van sommige leeningen, die eene hooge rente geven, lt;le koers aanmerkelijk gestegen is. soms 40 % boven pari. daar de meerdere rente, waarvan men gedurende een groot aantal jaren verzekerd is. het kapitaalverlies, hetwelk men na het verstrijken van den termijn lijdt (men krijgt slechts 100 X terug) weder goed maakt. Een plotseling ontrouw worden aan het bovenvermeld principe zou alsdan den crediteuren op een verlies van 40% te staan kunnen komen.
Het geval, dat zicli onlangs met de 1° hyp. obligatiën der Chesapeake Ohio South Western Sp-Mij heeft voorgedaan, is in dit opzicht niet zeer geruststellend. Niettegenstaande de goed gewaarborgde rechten van de houders om nog geruimen tijd (ongeveer l(i jaren) (i % te genieten, zijn zij gedwongen geworden, plotselinge aflossing met eene zeer onbeduidende vergoeding voor lief' te nemen, aangezien zij. die hunne belangen zouden verdedigen, opzagen tegen de moeite en kosten van een langdurig proces.
27
Gemis aan samenwerking tusschen crediteuren heeft reeds nieerinalen het voldoende a^eeren tegen den schuldenaar belet, doch hierover in het derde Hoofdstuk nader.
Wat nu leeningen betreft, waarbij geenerlei bepaling van aflossing gemaakt is, aflossing dus niet verplicht is gesteld, deze dragen m. i het karakter van eene altijd durende rente r) en zou ik art. 1808 Igt;. W.. âdeze rente is uit haren aard aflosbaarquot; welke bepaling we in art. 1!)11 Co(l(^ civil terugvinden, als do meest gewenschte regeling willen voorstaan. Ik meen dat het meerendeel der wetboeken dan ook in dien geest beslist.
T)at de zoogenaamde gedwongen conversie, waarbij den schuldeischers geene keuze gelaten wordt tusschen aflossing of rentevermindering, maar eenvoudig do rentevoet wordt verminderd, een geval van nalatigheid oplevert, behoeft geen betoog.
Ten slotte wil ik. alvorens van de conversie af te stappen nog eene eigenaardige toepassing' daarvan, zeker geheel tegen de oorspronkelijke bedoelicg van lief contract in, vermelden. De liussische regeering had indertijd zich het recht voorbehouden tot naasting der /uid-Westersporen. onder de verplichting dat zij de aandeelen
') Van dezelfde nieoning is L. Stein in zijn âLehrbneh der Finanz-wissenschaftquot; bl. 478.
28
van die SiHJorwegmaatscliappiJ in dat geval zou vervangen door 5% Staatsschuldbrieven met een door de regeering vast te stellen ainortisatieplan.
De regeering heeft nu als het ware op deze wijze gehandeld. Zij heeft de bezittingen der Zuid-Westelijke Spoorwegmaatschappij genaast, daarvoor 5% Staatsschuld uitgegeven doch het amortisatieplan zoo vastgesteld dat alle schuldbrieven omniddelijk werden geconverteerd in een 4% fonds, zoodat feitelijk de * Staatsschuld werd geëlimineerd. Of zij nu bona tide daartoe gerechtigd was, lijkt mij minstens twijfelachtig Volgens de letter der overeenkomst valt er echter m i. niet veel tegen te zeggen en feitelijk is er ook van verzet geen sprake geweest.
S Nalatigheid ten opzichte van andere contractbestand-deelen dan de rentebetaling en de kapitaalaflossing
1 Het komt voor dat Staatsleeningen gegarandeerd worden door eene aanwijzing van bepaalde bronnen van Staatsinkomsten, die bestemd zullen zijn tot betaling der coupons. Soms gaat de Staat zoo ver (of wordt er toe gedwongen) dat hij eene publieke of private instelling aanwijst, bestemd tot het toezicht houden op die bron van inkomsten, de incasseering daarvan en de uitbetaling aan de schuldeischers. ')
') Bijv. de liaad van Administratie bij de Turksclie schuld zienader hierover 2de Hoofdstuk,
29
Vole wijzen van nalatigheid kunnen zicli dan voordoen ; ten eerste kan de Staat eigendunkelijk die inkomsten onttrekken aan de vooraf bepaalde besteinniing (zooals Griekenland) deed maar zelfs wijziging in de organisatie van die inkomsten ten nadeele der crediteuren, (ook bijv. opheffing van de toezicht houdende instelling) moet als nalatigheid gequaliliceerd worden voor zoover ze ten minste niet een zuiver administratieve maatregel is. die geen nadeel voor de schuldeischers kan opleveren.
2. Soms hebben Staten voor hunne leening een speciaal onderpand aangewezen, vooral dan. wanneer reeds vroeger leeningen zijn aangegaan en het zeer te betwijfelen was of zonder bijzondere zekerheidsstelling eene nieuwe leening plaatsing zou vinden In vroegere tijden kwam dit veelvuldig voor, keizers verpandden hun keizermantel en kroon, in het oude Griekenland traden vermogende lungers als borgen voor de Staatsleening op. werden de burcht of de stadsweiden verpand. ')
II i t z i g 1) vermeldt nog het typische geval dat de stad Kyme de stoai verpand had De betaling werd gestaakt en de schuldeischers versperden den toegang der zuilengang; wanneer het regende waren echter de schuldeischers zoo beleefd de burgers er in toe te laten.
'j Zie liitzig âGrieciiisches Pfandreclitquot;.
80
Bij li 1 u n t s c h 1 i ') vind ik vernield dat Oostenrijk in liet einde der vorige eeuw te Amsterdam leeningen sloot met spedaallivpotlieek op koper en kwikzilver voorraden. In den nieuweren tijd valt liet moeilijker dergelijke voorbeelden aan te wijzen Zoo hadden de Egyptische Uaira Saniehschulden van 18(i() en 11S77 hypotheek op de private eigendommen van den Kedive. doch dit waren geen eigenlijke staatsschulden ; de hypotheek op de spoorwegen en de haven van Alexaudrie. die de Egyptische leening van 7(i garandeerde, werd uitgelegd in den zin, dat de opbrengsten van die spoorwegen en die haven voor die leening moesten aangewend worden. Ook de hypotheek van de ^'!-2 quot;lu H'mgaarsche goudleening op de staatsspoorwegen zal wel in dien geest moeten uitgelegd worden.
Een juist voorbeeld van hypotheek geeft de leening van Honduras LSdi), die verzekerd werd door hypotheek op de domeinen en bosschen van den Staat. 2) Een voorbeeld van pand geeft een Turksche leening waarvoor tot
') Deutsche-j Staatsworterbucli.
2) Toen Honduras zich aan wanbetaling schuldig maakte, hebben de schuldeischers zelfs geen poging gewaagd om van hunne hypotheekrechten gebruik Ie njaken. Practische bezwaren tegen de reali.-alie en gemis aan aaneensluiting der schuldeischers zullen ook hier wel de oor/.aak geweest ziju. Men schijnt zich nog te moeten aansluiten bij de moedelooze uitspraak van Frederik don Groote, welke men vindt bij Pradier-Fodéré deel N0. 1014 âToutes les garanties sont comme de l'ouvrage de hligrane, pluspropres ri satislaire les yeux qu, a étre de quelque utilité.
Hl
onderpand een zeker bedrag aan fondsen bij bot âComp-toir d'Esconiptequot; te Parijs was gedeponeerd ')
;i. Een questieus geval is nog bet volgende : Wanneer een gouvernement reeds eene leening gesloten beeft zonder eenige bijzondere garantie, maakt bet zich dan sduildig aan nalatigbeid, wanneer bet eene nieuwe leening sluit, met toekenning van waarborgen, waardoor de eerste leening zeer zeker in eene slecbtere positie komt.
Vreemt is liet m. i. dat Leroy 15eaulieu in de Econo-mis francais van 2(; September 1891 deze vraag toestemmend beantwoordt. Eenen ])articulieren schuldenaar tocb zal niemand liet recht ontzeggen, ook al beeft deze vroegere schulden zonder bevoorrechting, om nieuwe schulden aan te gaan, die wel door pand of hypotheek of anderszins zijn verzekerd; in welk land zal de wet dit aan particulieren verbieden, en waarom zou men zicli ten opziciite van een Staat in dit geval op een ander standpunt moeten stellenV
Leroy Beaulieu motiveert zijne opinie door de op zich zelf juiste opmerking, dat de eerste schuldeiscber daardoor in eene slecbtere conditie geraakt, maar dit zou deze schuldeiscber toch ook. al was de tweede schuld niet
') Journal Droit 1â4 .Mars 1875. Zie hierover uog 2do Hoofdstuk.
beter verzekerd dau de eerste, en men zou iemand (parti culier of Staat) toch niet willen verbieden om na eene eerste leenin.u eene tweede zonder bevoorrechting aan te gaan. Bovendien komt niet alleen de eerste schuldeischer in een slechtere positie, maar ook de schuldenaar raakt hoe langer hoe meer in de klem en dit is een waarborg dat hij zijn crediet niet te veel zal uitbreiden; is deze waarborg voor den eersten schuldeischer niet voldoende, dan had hij zich ook maar van andere waarborgen moeten voorzien.
4. Een indirect geval van nalatigheid van Staten kan zich nog voordoen, wanneer een Staat eene leening van een publiek lichaam of eene bijzondere maatschappij op de eene of andere wijze gegarandeerd heeft en zich later aan die garantie onttrekt. /00 had Venezuela een minimum rente van 7 % gegarandeerd aan de aandeelhouders der Merida- en Carenero sporen. Toen deze sporen bleken niet voldoende te rendeeren. lieten de gevolgen der garantie echter op zich wachten.
Een dergelijk geval, wel niet ten gevolge van garantie, maar van verplichte subsidie, vreesde men hier te lande niet lang geleden dat in Italië zich voor zou doen
Italië heeft namelijk eene jaarlijksche subsidie toe^e-stuan aan de Zuid-Italiuansche spoorwegmaatschappij, waar-
tegen zij echter recht heeft op eeile zekere percentage van de bruto-ontvangsten dezer maatschappij. Toen nude Italiaansche tinantiën in een minder schitterenden toestand kwamen, vreesden de fondsenhouders voor de geregelde uitbetaling der bedoelde subsidie. Naar aanleiding hiervan heeft het bestuur der Rotterdamsche Vereeniging tot behartiging der belangen van fondsenhouders zich gewend tot de directie der Z. It. Spoorwegmaatschappij met de vraag, of deze maatschappij recht had in geval van wanbetaling der subsidie, van haren kant bij wijze van compensatie het den Staat toekomend deel der ontvangsten in te houden. Het bestuur mocht van den directeur-generaal Borgniui een bevestigend antwoord ontvangen. Tot nu toe heeft Italië echter aan hare verplichtingen voldaan.
^ 4. Het zou mij te ver voeren anders dan zeer terloops nog eenige gevallen van nalatigheid aan te geven, die zich zouden kunnen voordoen bij verandering in den politieken toestand van een land.
Pradier-Fodéré iDroit International 1 Xu. 102) schrijft : âUn changement dans la forme du gouvernement d'un âpays ou dans la dynastie, qui y règne, u' aflecte en ârien Tobligation des dettes publiques, que 1quot; Etat a âcontractées. Eene andere beslissing wordt gegeven.
indien in ecu tijdvak van politieke beroering eene partij een tijd lang aan het bewind is geweest en in dien tijd eene leening heeft gesloten. Na den val van die partij zon het soms zeer goed te verdedigen zijn, wanneer het nieuwe bewind weigerde het vroegere contract gestand te doen.
Dit geval heeft zich voorgedaan in Portugal bij de Don. Miguelleening van 1832. ^ Veel is hierover geschreven, m. i. moet die beslissing toegejuicht worden, welke do al of niet gebondenheid van liet nieuwe bestuur afhankelijk doet zijn van het doel, waarvoor de leening gesloten is. Was dit doel, voortzetting der vijandelijkheden bijv, dan is de overwinnende partij natuurlijk niet verplicht een leeningscontract gestand te doen. dat gediend heeft om te trachten haar ten onder te brengen. Was de leening echter gesloten voor algemeen erkend nuttige of noodzakelijke doeleinden, dan zal de nieuwe regeering bona fide toch zeker verplicht zijn zich niet aan de gevolgen der leening te onttrekken.
Eene vraag zou zich ook kunnen voordoen in hoeverre bij inlijving van een land bij een ander, dit laatste land verplichtingen krijgt ten opzichte der schulden, l'ractisch
') Zie âEmprant royal de Portugal 1832quot; uitgegeven door de Comm.
Syndic, des Porteurs.
heeft dit, meen ik, in den lateien tijd nooit tot moeilijkheden met de schuldeischers iuinleidinii' gegeve.i, aangezien deze questie bevredigend door tractaten werd geregeld. Ook bij de scheiding van Belgie en Holland lieelt liet tractaat van 188(1 voor de schuldeischers gezorgd.
HOOFDSTUK II.
EERSTE DEEL.
S 1. Na oen overzicht gegeven te hebben der verschillende vormen waaronder nalatigheid zich kan voordoen, wenscb ik in dit hoofdstuk de middelen te bespreken, die den ongelukkigen schuldeischers zouden ten dienste staan.
De vraag dient echter vooraf beantwoord te worden of werkelijk die schuldeischers op rechtshulp aanspraak mogen maken, daar deze vraag ook van onpartijdigen kant ontkennend is beantwoord.
Zacharia 'j zegt: âangenommen dasz eine Regierung âsich eines Wortbruchs gegen ihren auswiirtigen (iliiu-âbiger schuldig macht, volkenrechtswidrig handelt sie gleichwohl nichtquot;
') Vievzig Bücher von Staat Heidelberg 1S43.
37
Milovaiiowitdi ') plaatst zich op een dergelijk standpunt met de volgende woorden âLes Etats souverains ne relè-âvent (|ue de Dien et de leur épée: ils sont leurs propres âjuges et décident seuls, jusququot; ;i (piel point leurs inté-âréts et leur honneur exigent 1'execution des engagements signés.quot;
Ook von Bar 2) is van meening, dat hij, die een contract aangaat met een Staat zich onderwerpt au bon vou-loir van het Staatsbestuur en dat dit dus het recht heeft door eene wet de clausules van het contract te wijzigen.
Bij deze drie schrijvers wensch ik nog te voegen Rolin Jacquemyns die zich aldus uitdrukt: âLe fait d'un Etat âde s'engager, de contractei' des dettes est un acte de âsouveraineté, le fait de payer ses dettes, est nn autre âacte de souveraineté parfaitement distinct du premier. âLa preuve, qu'il en est ainsi, c'est que dans nos â])ays constitutionels le paiement des intéréts et J'amortissement du capital de la dette publique n'ont lieu, c]ia(]ue année qu'en vertu d'un acte nouveau , émané dn pouvoir législatif dans la jdénitude de son âindépendancequot; Deze en andere schrijvers, die geen mogelijkheid van verhaal aan den schuldeischer wenschen te
') Traités de garantie au XIX siècle pag. 394.
') Theorie und praxis des internen privaatreehts pag. 663.
s) Bij Pradier ïsodéré bl. 620.
38
geven, plaatsen zich op het standpunt dat het Staats-leenings-contract geen eigenlijk ohligatio civilis oplevert; het doet slechts een eereschuld ontstaan, waaraan de Staat zal moeten voldoen op gevaar van zijn eer en crediet te zullen verliezen.
De leidende gedachte bij de meeste dezer auteurs is, dat de onafhankelijkheid, de sonvereiniteit van den Staat niet gedoogt dat er rechtsmiddelen zouden bestaan, die eene niting van zijne sonvereiniteit ongedaan zonden maken.
Ook al plaatst men zich op dat m. i. verkeerde standpunt dat 'het aangaan van Staatschulden een daad van sonvereiniteit is, dan nog is deze leidende gedachte af te keuren en vereenig ik mij met hetgeen wordt gezegd door Charles Verge in zijne petitie aan den Franschen senaat op lö Juli 1867 :
âL'indépendance des Etats est nnd grand mot. lt;nii âmal entendu, mal expliqué. sert a colorer nne criante âinjustice et nne tiagrante violation du droit, qui appar-âtient a tout créancier de ponrsuivre son débiteur. Le , principe de In souveraineté et de rindépendance ân'a i)as un caractère absolu et exclusief, et ne peut être âdégagé :i Tidée de justice; â a cóté de la souveraineté âcoëxiste une autre force sociale qu'on appelle e ponvoir âjiuliciaive, la justice, qui n'appartient a personne.quot;quot;
30
Geheel afgescheiden van lt;le vraag of het aangaan van staatsschulden eene privaat- of eene publiekrechtelijke handeling is, wordt rechtshulp aan de schuldeischers ontzegd door den Griek Michel S. K eb edgy in Journal de I)r. Int. Clunet Année 21 X0. 5 en (gt;.
Deze misscliien minder onpartijdig te achten schrijver, ziet in een contract niet een' Staat eene speculatieve handeling. een kanscontract: handelingen door den Staat verricht ten nadeele der schuldeischers maken de kwade kansen uit. welke men ilus vooruit heeft kunnen voorzien en waaruit dus geen klaagrecht voortspruit.
Michel S. K eb edgy en andere schrijvers1) beroepen zich ter verdediging van dit standpunt vooral op een depêche van Lord Palmers ton aan de Hritsche ambassadeurs, welke ik hier geheel wensch over te nemen, aangezien ik er volstrekt geen argument voor hunne opinie in viud: âHer Majesty's (iovernment have frequently âhad occasion to instruct her Majesty's representatives in âvarious foreign States to make earnest and friendlv âbut not authoritative representations in support of the âunsatisfied claims of British subjects, who are holders of
') Ik ineen Pradier Fodéré (zie bl. 620 o. o.) hier toe te moeten rekenen.
2) Deze tekst overgenomen uit PhilUmore Comm. upon internat, law bl. 9.
40
âpublic bonds and money securities of those States.
âAs some misconceptions appears to exist in some of âthose States with regards to the just right of her Majesty's âGovernment to interfere authoritatively, if it should âthink fit to do so. in support of those claims. I have âto inform you, as the representative of her Majesty in âone of the States, against which British subjects have âsuch claims, that it is for the British (iovernment entirely âa question of discretion, and by no means a question of âInternational Right, whether they should or should not âmake this matter the subject of diplomatic negotiation. âIf the question is to be considered simply in its bearing âupon International Right there can be no doubt whatever âof the perfect right, which the Government of every âcountry possesses to take up. as a matter of diplomatic ânegotiation, any wel founded complaint, which any of its âsubjects may prefer against the Government of another âcountry, or any wrong, which from such foreign Govern-âinent those subjects may have sustained : and if the Govern-âluent of one country is entitled to demand redress for âany one individual among its subjects, who may have a âjust but unsatisfied pecuniary claim upon the Govern-âment of another country, the right so to require redress âcannot be diminished merely because the extent of the
41
âwrong is increased, ami because instead of there being one âindividual claiming a comparatively small sum there a great ânumber of individuals to whom a very large amount â is due.
âIt is therefore simply a question of distretion with âthe British Government, whether this matter should or âshould not be taken up by diplomatic negotiation and tiie âdecision of that (iiiestion of discretion turns entirely upon âISritish and domestic considerations. It has hitherto been âthought by the successive Governments of Great lïritain ,undesirable that British subjects should invest their âcapital in loans to foreign Governments, instead of âemploying it in profitable undertakings at home, and , with a view to discourage hazardous loans to foreign âGovernments, who may be either unable or unwilling to â pay the stipulated interest thereupon, the British (iovern-. ment lias hitherto thought it the best policy') to abstain âfrom taking up as International Questions the complaints âmade by British subjects against foreign (iovernments. âwhich have failed to make good their engagements in
') Zooals later ial blijken is Engeland aan doze âpolicy'' niet getrouw gebleven.
âregard to such pecuniary transactions. For the British Government lias considered tiiat the losses of imprudent âmen. who have placed mistaken contidence in the good âfaith of foreign Governments, would prove a salutary âwarning to others, and would prevent any other foreign âloans from being raised in Great Britain, except by Go-âvermnents of known good faith and of ascertained solvency. âHut nevertheless, it might happen that the loss occasio-âned to British subjects bij the non-payment of interest âuiKJii loans made by them to foreign Governments might âbecome so great that it would be too high a price for âthe nation to pay such a warning as to the future, and âin such a state of things, it might become the duty of âthe British Government to make these matters the âsubject of diplomatic negotiation.quot;
M, i. is hier âder langen Rede kurzer Sinnquot;' dat Palmerston het recht van inmenging van bet Britsche gouvernement erkent, wat onvereenigbaar zou zijn met de opvatting van Staatsleening als bloote speculatie, waarbij aan den speculant slechts zijne kwade kans ten deel valt en dus van gouvernenienteele hulp geen sprake zou mogen zijn. Palm er ston is echter tegen inmenging, daar hij deelname in inlaiidsche indnstrieele ondernemingen wen-schelijker acht dan in de gewaagde buitenlandsche leenin-
gen, een rede dus van practischeu aard, welke zijne theoretische opvatting van liet contract buiten spel laat.
In zooverre ben ik het met M. S. Ke bedgy eens, dat feitelijk door de nu bestaande rechteloosheid van den schuld-eischer het aangaan van een Staatsleeningscontract een speculatieve handeling is, waarvan niet alleen de onmacht, maar ook de onwil van den Staat om te voldoen, een der kwade kansen uitmaakt. Dat deze feitelijke toestand echter natuurlijkerwijze uit den aard van het contract zou voortvloeien, is iets geheel anders en m. i. moeilijk voor verdediging vatbaar.
Tegenover de tot nu toe genoemde schrijvers staat de groep, die in het sluiten van eene staatsleening geen uiting vau souvereiniteit ziet, maar eene privaatrechtelijke handeling, welke opvatting ook mij de juiste toeschijnt.
Tot deze groep reken ik Vattel1) met de volgende opvatting: âLes emprunts sont des contrats de droit étroit. âobligatoires pour FEtat et la nation entière. Kien ne peut âla dispenser d'acquitter ces dettes. Dès qu elles ont été âcontractées par une puissance legitime, le droit du creamier est inébranlable.quot;quot;
Phil li more is het met Vattel eens.
'j Zie Comm. u, i 1. bij Philliraore 2de deel pag. 8.
44
Prof. Vissering âhandboek der Staathuishoudklnlde,, 1012 â1014 zegt dat het aangaan van Staatsschulden ceiic zuiver privaatrechtelijke handeling is.
Bij prof. Mei li in âDer Staatsbankerott und die mo-âdorne Rechtswissenschaftquot; pag. 50 vindt men dezelfde opvatting; âEr handelt sicli bei den Schuhlscheinen der âStaaten mn privatrechtlich begründete RechtsptUchten. ,I)as innerstaatliche Imperiuin kann einseitig an diesen ,,bestelienden Ftlicbten nicbts andern. Auch ist est völlig âunriclitig, juristisch von einem aleatorischen character âder âStaatsschnhlscheine zu sprechen.
Het helderst geformuleerd vind ik deze privaatrechtelijke opvatting bij de Paepe âEtudes sur la competence civile a régard des Etats étrangersquot; bl. 23:
âLes Etats out pour mission principale de maintenir âl'ordre (|ui garantit a chacjue citoven le libre exercice âde ses droits. lis doivent faire règner la justice, lis sont âdes instiuments jiiridi(iues. 11 out des lois. ([ui formulent âle droit: lis veillent a leur execution, lis instituent âdes tribunaux; ils organisent la force jiublhine; ils âétablissent des impóts. Us out rimperium et la âjurisdictio. Cent ld la vie politique des Etals. Mais les âEtats ne pourraient rem])lir leur mission politique sans âvivre en même temps de la vie civile. Aussi sont-ils, non
4')
âseulemeut des pouvoirs politiques, uiais en méitie temps .,(les personues civiles. C'est on cctte qualité, (jirils ont ânn domaine, dant la gestion les mêle chaqne jour a la âvie civile. C'est en cette qualité aussi ([n ils passent des , contrats. qu'ils font les achats necessaires a l'équipe-,inent et a Feiitretien de leurs années, gu'ïls seprocurent âpar des empnmts les ressources qu'exige le fonctionuement âdes divers services publiques.' ')
Deze meening mi aannemende dat het aangaan van een.1 Staatsleening eene privaatrechtelijke handeling is en geen uitting van Souvereiniteit, komt de schuldeischer van den Staat in een gunstiger positie, daar er dan ook geen bezwaar bestaat om hem rechtsmiddelen toe te kennen evenals tegen andere schuldenaars.
Ik zal nu tot de bespreking dier rechtsmiddelen overgaan.
') Het dubbele karakter van den Staat komt ook sterk uit bij de tegenslelling tusscheu koop, waar de Staat als civiel persoon optreedt, en onteigening, berustende op het imperium van den Staat, verder in dit citaat nit Prof. Mr. Cort van der Linden âFinantiënquot; bl, 27, waar hij, sprekende over gedwongen leeningen, zegt: âIn âzijne hoedanigheid van souverein dwingt do Staat tot het sluiten âvan een contract; zijn souvereine wil treedt daarbij als het ware âin de plaats van den ontbrekenden wil der individuen. Is echter âeenmaal de leening tot stand gekomen, dan is de rechtsband privaatrechtelijk geworden. De Staat treedt op als ieder ander âprivaat persoon en heeft als ieder ander contractant rechten en âverplichtingen.quot;
40
S 2 In do middeleeuwen bestond de opvatting dat de burgers van een Staat persoonlijk met hun gansclie vermogen verantwoordelijk waren voor de schulden door den Staat aangegaan en was er dus geen sprake van eene strenge afscheiding der verplichtingen van den Staat als zelfstandig Juridisch persoon van de verplichtingen der burgers van den Staat, lü.j wanbetaling door den Staat kon men verhaal zoeken op ieder der burgers.
Mei li verhaalt dat in Griekenland reeds 20(1 j. v. Chr. bij eene stadsleening eene dergelijke aansprakelijkheid dei-burgers uitdrukkelijk was gestipuleerd âPericlès pourra ârecouvrir cette sonnne par toutes voies d'exécutioiu sur tontes les propriétes communes des Arkésinéens et sur ^les ])ropriétés privées des Arkésinéens comme de toutes âpersonnes habitant Arkésinc et en demandant la somme rentière a chacun en particulier comme a tonsquot;.
Hugo de Groot ^ heeft zich veel moeite gegeven deze
') De jure belle ac pacis lib UI cap II So. 1 | II âjure gentium âvoluntario induci potuit et inductum apparet, ut pro eo, quod ..debet praestare civilis aliqua societas, aut ejus caput, sive per .,se primo, sivo quod alieno debito jus non reddendo se quoque âobstrinxerit, pro eo teneautur etobligata sint bona omnia oorpo-âralia ot incorporalia eorum, qui tali societati subsunt. Expreésit âautem hoc quaedam necessitas quod alioijui magna daretur injuiiis âlaciendis licentia, cum bona imperantium saepc non tam facile âpossint in manusvenire quam privatorum, qui plures suntquot;.
theorie, die ook in Nederland bestond M te verdedigen, volgens Philiiniore, pag. 17 deel 2 op. cit. op uitstekende wijze, volgens Meili op gezochte gronden. De kern van het betoog van de Groot is hierin gelegen dat een burger van een Staat als het ware tacito consensu het met de maatregelen van den Staat eens is, ze goedkeurt en krachtens deze goedkeuring als een soort borg ~) optreedt.
Ik zou geneigd zijn niet .Meili deze redeneering zwak te noemen; de geheele theorie is echter in onzen tijd van weinig beteekenis meer, de scheiding van Staat en individu is zoo algemeen erkend, dat wel niemand zich als aanhanger van de (j root's theorie zal opwerpen. Toch vindt men ook in den lateren tijd sporen hiervan, zoo vermeldt Scatt ''), dat in Massachusetts en de andere Staten van Nieuw-Engeland âjudgments against a quasi-corporation âmay be satisfied out of the property of any individual âinhabitant, li other words there States satisfy the just
') Zie Bosrh Komper âHandleiding tot de kennis van do woten-,schap der samenleving en van het Ned. Staatsrechtquot; bl. 93.
') Of H. de Groot dezen borgen het beneficuim divisionis wil toekennen, heb ik niet kannon ontdekken.
3) Repudiation of State Debts bl. 254.
48
,claims of boudliolders l»ij attaching and selling the property âof individuals, who are citizens of the quasi-corporation, âwhich lias repudiated its bonds.quot;
Het komt mij voor dat ook practisch deze theorie bij de bestaande maatschappelijke toestanden de grootste en meest ongewenschte storing in het wereldverkeer zou geven. Het zou aan een Griek of Portugees minder geraden zijn zich bijv. naar Londen of Amsterdam of een andere beurs-plaats op reis te begeven. Ik vrees dat hem zoovele coupons zouden gepresenteerd worden dat hij zich al zeer ruim van reisgeld zou moeten voorzien hebben om al de door zijn vaderland teleurgestelde schuldeischers te bevredigen. Het practisch doen gelden dezer theorie zou een exodus van onschuldige vreemdelingen tengevolge hebben, die zich in hun woonplaats niet veilig meer zouden voelen, kortom de nadeelen zijn zoo tastbaar dat ik mij met deze wijze van verhaal niet verder zal bezig houden.
Een even ongunstige opinie op dezelfde gronden zal men moeten hebben ten opzichte van het volkenrechtelijk instituut der represailles. De toepassing van dit m. i. bar-baarsche rechtsmiddel zou zijn dat de Staat, waartoe de schuldeischer behoort, beslag zou leggen op het vermogen der onderdanen van den nalatigen Staat om hiermede de
49
benadeelde schuldeischers schadeloos te stellen. ') Men traciit dan wel de oni-echtvaanligheid hiervan te bemai.'te-door de overweging dat dit niets zou zijn dan eene dwang tegenover den nalatigen Staat om dan van zijn kant zijii eigen onderdanen het geleden verlies te vergoeden, waardoor men dus indirect toch de voldoening door dien Staat erlangt.
Deze maatregel verschilt in zooverre vooral van den vorigen dat hij slechts van den Staat uitgaat en niet van de particuliere schuldeischers en bovendien in den grond slechts een soort wraak is zooals de benaming ook aanduidt: soms echter tracht men er eene solidaire ofborg-aansprakelijkheid van onderdanen en Staat bij te halen ').
') Zie hierover Bynckersboek Questiones jur. publ. deel i pag. 2'JG âHoll. ed. âDaar is een oude keur van Amsterdam, welke behelst, âdat indien oenen Amsterdamschen burger buiten souvereinsch âgebied schade wordt toegevoegd, hetzij door geweld, of ook, het-âgeen wel opgemerkt mag worden, door een onrechtvaardig vonnis, âvoornoemd burger zijne klachten bij den magistraat van Am-âsterdam zou inbrengen, die daar over schrijven zou aan tie âoverheid van de plaats, waar de schade toegebracht was, en âindien op het ontvangen antwoord de magistraat van Amsterdam nog oordeelde dat zijn burger onrecht geschied was, âhem dit door het ge/.ag van den rechter vergoed moest worden âvan de onderdanen zei ven van dien vorst en uit derzei ver goede-ren, welke personen of goederen op het gebied van Amsterdam âgevonden worden.'
2) Bijv. Martens | 253 op. cit., Klüber, Europaisches Völkerrecht {(231 en 232.
4
50
Er heerscht over dit onderwerp veel verschil van gevoelen '), vooral over de vraag of représailles, ook in ons geval, gewettigd zijn of niet. Ook hier zon. afgezien van theoretische bezwaren, de verwarring, die het internationaal verkeer zon ondervinden afdoende zijn om ons van dit rechtsmiddel te doen afzien.
S o. Ernstiger overweging verdient het rechtsmiddel, dat ik nu wensch te bespreken en waarvan de inroeping misschien wel het meest voor de hand ligt. Het is n. 1. de inroeping van de hulp des civielen rechters, hetzij van den rechter van den nalatigen Staat, hetzij van den rechter van het land des schuldeischers. Over den eersten heb ik al even gesproken in verband met den schuldeischer-onderdaan. Dat deze rechter in de eerste plaats de aangewezene zou zijn vloeit voort uit den rechtsregel â actor sequitur forum reiquot; en het hangt verder geheel van de wet van den Staat af of er een rechter aangewezen is om te beslissen in procedures tegen den Staat. Gewoonlijk zal dit wel het geval zijn.
Als wij bijv. Nederland nemen, dan is wel art. 101 (i. W. 48 in '87 verdwenen en is ook art. 87 R. O. door de wet van 22 Juli quot;'JS Staatsblad 93 afgeschaft, doch
') Zie HoltzendorfT âllandbuch des Volkenreclitsquot; hl. 91â95.
51
hierom kan de competentie van den rechter omtrent rechtsvorderingen tegen den Staat niet betwijfeld worden, want de afschaffing heeft alleen plaats gehad, blijkens Memorie van Toelichting ^ âomdat er geen voldoende reden is, voor âde persoonlijke rechtsvorderingen een exceptioneel foruiii te handhaven.quot; Verder bewijst art. 4 lï. O. de coinpeten-tentie, zooals dit artikel gewijzigd is door de bovengenoemde wet.
De verongelijkte schuldeischer-vreemdeling zou nu van deze competentie gebruik kunnen maken om recht te zoeken, wat echter van twijfelachtig nut zou zijn aangezien de rechter de wet moet toepassen en do nalatigheid juist wel door eene wet gesanctionneerd zal zijn en de rechter volgens art. 11 A. 15. de billijkheid dier wet niet mag beoordeelen. 2)
Zoo het den schuldeischer in eenig land mogelijk zou zijn een hem bevredigend vonnis te krijgen, zouden de executiemiddelen hem nog waarschijnlijk ontbreken.
Eenige eigenaardige toestanden in dit opzicht vermeldt
') Zie Arntzenius âHandelingen, enz.quot; pag. 73.
'*) Het onrecht van den Staat om vóór het geding of na het verliezen daarvan zijne hoedanigheid van partij, van veroordeelde, van bijzonderen aan het rechtsgebied onderworpen persoon te verwisselen met dien van wetgever om het rechterlijke vonnis te voorkomen of werkeloos te maken is hier m. i. duidelijk.
Scott op. cit bl. 25. Dertien der Ameiikaansche Staten der Unie staan toe dat de Staat voor den rechter geroepen wordt maar zij geven hoogst onbevredigende regelen omtrent de executie van een den Staat veroordeelend vonnis. Indiana bijv. bepaalt âwhenever bij final decree 01 âjudgment of said superior court of Marion County, Ind. or the Supreme court, a sum of money is adjudged to be âdue any person from the State of Indiana, no execution âshall issue thereon, i)ut said judgment shall draw interest at the rate of (i1/» per annum from the date of adjouru-âment of the next ensuing session of the General Assem-âbly until an appropriation shall have been made by law âfor the payment of the same and said judgment paid.quot;
Mississippi heeft dezelfde bepaling, en naar aanleiding van dezen Staat voegt Scott er ironisch bij : âthe expe-ârience of that State has demonstrated that to leave the âmatter of paying a judgment to the discretion of the âlegislature is fatal to tlie interests of defrauded bond-âholders.quot;
Het zorgvuldigst heeft Wisconsin eene mogelijke wanbetaling voorbereid door wel acties tegen den Staat toe te laten, ja zelfs directe eu prompte executie van eeu veroordeelend vonnis aan den Secretaris van Staat op te dragen maar er een kleine slottirade aan toe te voegen
van den volgendon kostolijkon inhoud: âprovided always âthat no judgment rendered in any such action shall he âevidence of any public debt against the State, nor âshall the State he held liable to pay any such judgment, âor any part thereof, or for any costs, which may accrue âin prosecution thereof.quot;quot;
Hulp zoeken bij den rechter in den nalatigen Staat zal dus weinig of niets baten; meestal zal de rechter geen veroordeeling kunnen uitspreken omdat de nalatigheid langs legislatieven weg is bereikt; in het buitengewone geval dat eene veroordeeling zou plaats kunnen vinden, ontbreken toch de middelen van executie, terwijl de Staat vrijwillig wel niet aan liet vonnis zal voldoen.
Laten wij nu den verongelijkten schuldenaar doen trachten huli) te zoeken bij den rechter van zijn eigen land en nagaan of hier het resultaat meer bevredigend zal zijn.
De eerste vraag, die zich hier voordoet, zal zijn: âIs de rechter competent over eene actie te oordeelen. ingesteld tegen eenen vreemden Staat?
Veel is hierover geschreven en de opinies zijn zeer verdeeld.
De absoluut ontkennende richting (Kol in Jacque-m ij n s , H o 11 z e n d o r f f) beroept ook hier zich weder O]) de souvereiniteit en de onafhankelijkheid van den Staat, die uiet gedoogt eene beoordeeling van zijne ver-
54
plichtingeii door eenen vreemden Staat (par in parem non liabet juiisdictionem) a fortiori niet door eenen vreemden rechter.
Eenige uitzonderingen worden echter gewoonlijk toch aangenomen (bijv. als de Staat de incompetentie niet inroept. als het proces loopt over een onroerend goed. gelegen in het land des rechters, bij in pand geving in dat land, bij reconventie.)
De absoluut toestemmende richting telt weinig aanhangers. De verdediging hiervan door Charles Verge in zijne petitie aan den Franschen senaat in 1868 ') is m. i ook meer eloquent dan juridisch juist.
Meer steun (Laurent, Pas quale Fiore, P radier Fodéré, de Paepe) vindt de richting, en m. i. terecht, die niet a priori ontzegt of toestemt, maar haar andwoord laat afhangen van den aard van het geschil, waarin de Staat zou betrokken worden Hier vinden wij natuurlijk weer de onderscheiding of het geschil een privaat- of een publiekrechtelijk karakter draagt In het eerste geval (en daaronder reken ik hot leeningscontract) acht zij den rechter competent. 2)
') Zie Revue de Dr. Int. Tome I 1869.
De onzekerheid wordt ecliter nog vergroot doordat sommige aanhangers van die loer (bijv. Politis) aan ]iot leeningscontract een publiekrechtelijk karakter toekennen.
Als men nagaat hoe men in Nederland over de bevoegdheid zal moeten beslissen, dan meen ik dat voor de volgende redeneering veel te zeggen is: Volgens art. 153 Grondwet en art. 2 R. O. zijn de geschillen over schuldvorderingen bij uitsluiting opgedragen aan de rechterlijke macht. Art. 0 A. B. zegt dat het Burgerlijk recht hetzelfde is voor vreemdelingen als voor Nederlanders, zoo lang de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt, (wat zij in deze niet doet) terwijl art. 127 1!. V. toestaat om vreemdelingen, zelfs als zij in Nederland geen verblijf houden, voor den Nederlandschen rechter te dagvaarden ter zake van verbintenissen, zelfs al zijn die in een vreemd land aangegaan, in welk geval art. 126 R. V. daarvoor den rechter aanwijst van de woonplaats des eischers. Vervangt men nu âvreemdelingquot; door âvreemden Staat'quot;, dan is daarmee de competentie van den Nederlandschen rechter een uitgemaakte zaak.
Met de door mij aangenomen opvatting van het Staats-leeningscontract (bij eene andere opvatting zou art. 153 Grondwet moeilijkheid kunnen geven) rest hier alleen de vraag of onder het woord âvreemdelingquot; ook âvreemden Staatquot; mag begrepen worden. Zie hieromtrent Me 1 c h e r s. âDe toestand van den vreemdeling in het burgerlijk procesquot; bl. 77â7!) die hierop toestemmend antwoordt.
Ik meen dat in do practijk onze rechterlijke macht over de al of niet competentie in deze materie niet heeft behoeven te beslissen.
De Italiaansche juresprudentie heeft zich voor de competentie uitgesproken, ten opzichte van civiele zaken, terwijl de Oostenrijksche daarentegen tot de absolute incompetentie is gekomen.
De Fransche en Engelsche uitspraken zijn in den geest van de Oostenrijksche. Een wetsontwerp door den üun-desrath in 1885 aan den Reichstag aangeboden was ook voor de absolute incompetentie, doch werd niet aangenomen op grond dat de wetten op de Burgerlijke Rechtsvordering reeds voldoende in dien geest beslisten.
Men ziet dat hier van een algemeen aangenomen systeem geen sprake is en men zelfs in de voornaamste Staten tot de incompetentie overhelt.
Laat ik nu aanemen dat men tot die bevoorrechte landen behoort, in welke men tot een veroordeelend vonnis is kunnen komen; hoe staat het dan met de executie?
Ten eerste zal het natuurlijk geheel nutteloos zijn te trachten, met liet vonnis gewapend in dien Staat zelf beslag te leggen op de goederen van dien Staat, aangezien
') Zie de Paepe op. cit. \ 17 en 18.
57
men hiervoor zeker de executoriale titel mist. Ook de üio-reele invloed, waarover sommige schrijvers, bijv. Me Ui, spreken, die de veroordeeling op den Staat zou moeten hebben, zal in de practijk wel blijken zelden tot vrijwillige voldoening te leiden.
Er blijft dus over eenige uitwerking te zoeken in het land van den schnldeischer en wel door executoriaal beslag op eigendommen aldaar, den vreemden Staat toe-behoorend.
Er moet dus reeds voorop gesteld worden dat die vreemde Staat eigendommen in dat land heeft, wat natuurlijk lang niet altijd liet geval zal zijn.
Als wij nu de meeningen nagaan omtrent de mogelijkheid van beslag, komen wij tot de volgende resultaten: âLaurent ') verkondigt dat de vreemde Staten vol-âkomen gelijk staan met den Staat, waartoe de schnldeischer âbehoort. De vonnissen tegen dien Staat kunnen niet ten âuitvoer gebracht worden langs den weg van beslag. De âvoldoening moet geschieden volgens de wetten op de âcomptabiliteit en langs administratieven weg. De gewone âwegen van executie zijn onvereenigbaar met het beheer âover het vermogen, dat aan den Staat toebehoort. Het
') Droit civil Intern. A. Til p. 87-88.
âpubliek recht moet hier noodzakelijk liet civiel recht âbeheerschen; de beslissingen van den rechter mogen het ,tin;mtieele beheer van den Staat niet hinderen door be-,slag oj) goederen lt;)f geldsommen die deel van het kapi-taal of de inkomsten van den Staat uitmaken.quot;
Pradier Fodéré en Pasquale Fioré zijn liet hiermede geheel eens.
Piedelièvre ') zegt daarentegen: âtoutes les voies âd'exécution sont ouvertes contre les Etats étrangers.quot;
Spee2) beweert âle pouvoir de Juridiction implique le âpouvoir d'exécutionquot; van welke ojiinie ook de Paepe is met deze m. i. zwakke motiveering âsi ces biens n' étaient âpas saisissables, les Jugements prononcés contre eux âseraient toujours inefiicaces.quot; Dit bewijst niets omtrent liet recht van in beslag name, maar geeft alleen het treurige resultaat aan, indien dit recht niet mag erkend worden. Bovendien zou toch nog de moreele invloed van het vonnis blijven, al moet men daar niet te veel van verwachten. Gabba 4) gaat uit van de reeds geciteerde theorie van
') Préi'is de droit intern, public p. 242.
2) Journal Clunet 1876 p. 3i0.
âDe la compétence des tribunaux :i 1'égard des Ktats étrangersquot; p. 81).
^1) Journal Clunet 1890 p. 29 en 34.
50
Laurent en besluit daaruit daaruit tot de incompetentie der rechtbanken met deze woorden: âQuand 011 admet âque les biens de l'Etat ne peuvent faire l'objet d'uiu* , execution forcée, on est fondé a rejeter la competence a âl'égard des Etats étrangers, par le motif, que la sentence âne peut pas être susceptible d'exécutiou. Uue sentence, âdont 1 execution n'est assurée ni par le iu^e dont elle âémane, ni par une autre autorité, est une monstruosité juridique.quot;
Hiermede kan ik liet niet eens zijn, en de praktijk weerspreekt trouwens deze bewering. Onze wet zegt niets omtrent executie van vonnissen tegen den Staat der Nederlanden gewezen en de algemeene meening is ook. dat in geval van onwil van den Staat om te voldoen, geen beslag mogelijk is. De wet heeft vertrouwd, en m. i. terecht, dat de Staat niet weigeren zal om te voldoen aan de uitspraak van een zijner organen, de justitie, die hij zelf als rechter over zich heeft aangewezen.
De Paepe') zegt met de meeste beslistheid dat tegen den Belgischen Staat geen executie mogelijk is van een tegen hem gewezen vonnis, en wel op grond van een arrété du Directoire du 7 pluvióse an V en art. 537 C.C.
') Zio bl. 96 op.cit
00
Ook in Frankrijk geldt dit principe volgens arrest van het Hof van Cassatie van ö Mei 1885, waarin wij vinden: â11 est de principe absoln en droit, qu'il n'appartient ]ias âa un créancier de PEtat, même poni' assurer rexécution âd'nne condanmaten judiciaire obtenue contre celui ci, de âtaire saisir-arrêter, entre les mains d'nn tiers les deniers, ,oii autres ohjets, (|ui sont la propriété de FEtat.
Ook in een vonnis van de rechtbank te Cairo van 3 Maart 1877 ') wordt gezegd âcette insaisissabilité tient a âla nature même de l'Etat, a son âjus eminensquot;, ])arce(iue âsans cette immnnité. il ne saurait remplir sa mission.quot;
Die vereeniging van competentie met onmogelijkheid van executie is dus op zich zelf volstrekt geen ânionstruosité jnridique.quot; Een andere questie is dat het geval tegenover een vreemden Staat een geheel ander karakter draagt. Dan is er geen vonnis uitgesproken door een door dien Staat aangewezen rechter, daardoor evenmin reden om te veronderstellen dat er vrijwillig zal voldaan worden, noch oneerbiedigheid van schuldeischer en rechter, wanneer zij samenwerken, om den Staat, waartoe zij in geen betrekking van onderdaan tot Souverein staan, te dwingen aan het vonnis te voldoen door beslag op zijne goederen. Die Staat is tegenover hen civiel persoon, en zij executeeren
') Zie Journal Clunel 1878 p. 176.
(il
liet vonnis op de goederen van dien civielen persoon, maar dan ook alleen op die goederen, welke die Staat als civiel persoon bezit.1) De bewering van Laurent dat de voldoening van het vonnis tegen den Staat moet geschieden volgens de wetten op de comptabiliteit en langs admini-stratieven weg gaat niet op tegenover buitenlandsche Staten, aangezien de wetten van die Staten uit den aard der zaak hier geen kracht hebben buiten het territoir van dien Staat.
Het zou een inbreuk zijn op de Souvereiniteit van den Staat des schuldeischers als de uitvoering van vonnissen in dien Staat zou tegengehouden worden door wetten van eenen anderen Staat.
Ik wil verder op deze questie niet ingaan en alleen resumeeren, wat den schuldeischer te wachten staat bij eene poging om verhaal te zoeken door middel van den rechter van zijn land. In de eerste plaats zal hem in vele landen onmiddelijk de incompetent vei klaring worden
') Het zou mij to ver voeren na te gaan welke goederen dus wel, welke niet in aanmerking kunnen komen voor beslag. Oorlogschepen zouden er wel niet vatbaar voor zijn: onwaarschijnlijk komt mij dan ook het courantenbericht voor, dat de Duitsche schuldeischers van Griekenland van plan zouden geweest zijn, de Griek-sche oorlogschepen, die de opening van hot, Noord-Oost zeekanaal zouden bijwonen, in beslag te nemen. Griekenland zou zich daarom van deelneming aan de feestelijkheden onthouden hebben.
tegengeworpen. Is hij zoo gelukkig oen vonnis te verkrijgen dan bestaat de zelfde onzekerheid of hem beslag zal toegestaan worden of niet. Zoo niet dan zal de moreele invloed van het vonnis wel onvoldoende zijn om betaling te erlangen. Zoo ja, dan is de groote vraag, welke goederen komen nu voor dat beslag in aanmerking, waarbij wij nog beginnen moeten te veronderstellen dat de vreemde Staat goederen in dat land bezit. Is dit alles ten gunste van den schuldeischer beslist dan zal nog wel nooit de opbrengst van die goederen toereikend zijn om de geheele schuld te betalen.
Men moet dus tot de conclusie komen dat dit rechtsmiddel den schuldeischer in de steek laat en ik zal nu overgaan tot het laatste direct van den schuldeischer uitgaande middel, nl. het aanspreken van de bemiddelaars in de leening.
S Zooals in het eerste Hoofdstuk vermeld, kunnen de bankiers op tweeerlei wijze als bemiddelaars optreden, nl. aan hen kan de verkoop der stukken zijn opgedragen, onder risico van den Staat echter, zoodat de bankiers hunne medewerking (door hunne relatien met andere huizen en met particulieren, en door hunne raadgevingen) verleenen als lasthebbers, ten tweede kunnen zij de geheele leening hebben overgenomen en nu zelfstandig voor eigen reke-
63
nins aan de markt brengen, in welk geval /.ij natuurlijk wegens hun grooter belang ook grooter activiteit zullen ontwikkelen, terwijl bovendien dan het vertrouwen in het emissie syndicaat reeds een krachtigen steun voor de zaak opleveren kan.
In beide gevallen nu zou er questie kunnen zijn van aansprakelijkstelling der bankiers voor verliezen door de schuldeischers geleden, terwijl ook eene strafactie niet is uitgesloten.
In strafbare handelingen van de aan de plaatsing van Staatsschuldbrieven deel genomen hebbende bankiers heeft ons strafwetboek voorzien door art. 335: âhij die zich âbelastende met of zijne medewerking verleenende tot âhet plaatsen van schuldbrieven van eenigen Staat, enz. âhet publiek tot inschrijving of deelneming tracht te helwegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van âware of voorspiegelen van valsche feiten of omstandig-,, heden wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste âdrie jaar.quot; De meerdere of mindere afdoendheid van dit artikel buiten bespreking latende, ') meen ik toch dat de bedoeling des wetgevers hier geweest zal zijn beide cate-
') Zie Mr. T. M. D. Asser âDe nieuwe strafwet in verband met Handel en Scheepvaartquot; over het ongelukkig gekozen woord plaatsen in dit artikel.
64
gorieën van medewerkende bankiers strafrechtelijk aansprakelijk te stellen Op grond van eene veroordeeling uit dit art. zou men dan nog eene civiele actie kunnen instellen, gebruik makende van art. 1401 15. W. âelke âonrechtmatige daad, waardoor aan een ander schade âtoegebracht, stelt dengenen door wiens schuld die schade âveroorzaakt is, iu de verplichting om dezelve te vergoeden.quot;
Dit artikel zal wellicht ook zonder mogelijkheid van strafactie hier toepassing kunnen vinden. ')
In andere landen zal men dergelijke bepalingen vindon, zoo zou men in Frankrijk gebruik kunnen trachten te maken van art. 59, (iO en 40') C. P. en art. 1382 C. c.
Practisch heeft deze vervolging der bankiers zich tweemaal voorgedaan, naar aanleiding der Peruaansche leening en der leening van Honduras. 2) Het verloop dezer questies was als volgt. Na reeds in 18(15 eene leening gesloten te hebben, gegarandeerd door de opbrengst van guano, ging de Republiek Peru in 1870 en 71 over tot het sluiten van twee leeningen door bemiddeling der
') liet zou mij te ver voeren te bespreken hoe de rechtsbetrekking tusachen de leden van het syndicaat en derden wordt opgevat. Zie hierover Diss. A. II. Wert hei m. Deze rechtsbetrekking is uit den aard der zaak van invloed op de vraag, wie kunnen vervolgd worden en hoe.
2) Zie Politis op, eit. bl, 123.
tinna Dreyfus frères amp; Co, do oeno van 298 mülioeufrs, uitgegeven tegen den koers van SI1/;, %, opbrengende fi % rente, gegarandeerd door de opbrengst van douanen, guano en door den eigendom van de spoorwegen, die mot het geld zonden gebouwd worden; de andere leoning was 9-20 millioen, tegen den koers van slechts 77' 2 %, die 5 % interest zou dragon; van deze tweede leening werd oen som van ruim â¢lo'.i millioen bij do liank van Engeland gedeponeerd als garantie van do (i % looning. In 1875 begon do wanbetaling, welke iu issit hierop uitlioj), dat do schuldbrieven van allo leeningon worden ingewisseld togen certificaten van do roruvian Corporation, welke reebt gaven op gelden, afkomstig van guana verkoop. Deze Peruvian Corporation was gosticiit met het doel de Staatsschuld over te nemen. Xa 188(1 bestaat dus geen eigenlijke L'oriiaansche Staatsschuld.
In Maart '70 daagde een groep schuldoischers do tinna Dreyfus frères (V Co. voor liet âTribunal de la Seinequot; om bon te doen voroordeelen tot het betalen dor rente, op drieërlei gronden, hetzij op grond van persoonlijke verplichtingen, die zij volgens eischers op zich zonden genomen bobben, hetzij als houders van guano, welke tot onderpand strekte der leeningon. hetzij eindelijk bijwijze van kosten, schade on interessen wegens âmanoeuvres dolo-
sives on tout au moins d'un quasi clélit ou crime faute,quot; Verder vroegen zij beslag op de guano in liet bezit der tinna en subsidiair rekening en verantwoording van het beheer der tinna.
Het vonnis van do rechtbank op 10 Jan. 77 beval pu-bliceeiing der transacties met de guano, nam de persoonlijke obligatie der tinna Drevfus aan, ontkende dat de guano tot onderpand der leening strekte, en liet zich over de vraag van kosten, schade en interessen niet uit.
De firma Dreyfus kwam iu appèl en het Hof van Parijs op 25 Juni '77 wijzigde het eerste vonnis geheel, ontkende de persoonlijke verplichting, evenals eenige dolus of culpa.
In cassatie werd It Aug. '76 het arrest van het Hof van Parijs in hoofdzaak bevestigd
Een tweede groep schuldeischers deed nogmaals een poging in 1880, die ook mislukte daar dolus noch culpa bewezen werd geacht.
De processen over de leening van Honduras hadden het volgende ontmoedigende verloop.
Honduras gaf het eerst eene leening te Londen uit in 18G7 van 25 millioen frs voor den aanleg van een spoorweg. In 1869 nieuwe leening te Parijs van 02 millioen frs. waarvan men ongeveer 9n0 zou maken, ook met het doel van aanleg van dien spoorweg, gegarandeerd door
f.7
de opbrengst van die lijn en door een hypotheek op de domeinen van Honduras.
In 1870 derde leening van 02 millioen frs. te Londen uitgegeven, ook tegen zeer voordeelige (?) voorwaarden.
In het prospectus van deze leeningen, geteekend door den heer Herron, gezant van Honduras, stond vernield dat eene commissie van toezicht was benoemd tot zekerheid dat de gelden voor het opgegeven doel zouden worden gebezigd.
Hot schijnt een feit te zijn dat de ondernemers van den spoorweg slechts G90.000 frs hebben gekregen in plaats van 55 millioen, die zij moesten ontvangen, terwijl de tusschenpersonen toch reeds 70 millioen hadden zoek gemaakt.
Na Mei '73 werd de rente niet meer betaald.
Een proces tot schadevergoeding werd aangevangen, weder voor het tribunal de la Seine tegen de hoeren Herron als gezant van Honduras, l'elletier, oud consul-generaal, Bischoffsheim en Scheyer, leden van de commissie van toezicht en nog eens de heeren Dreylus als emittenten.
De eischers stelden deze heeren verantwoordelijk wegens manoeuvres om het publiek tot deelneming aan te moedigen (als onjuiste mededeelingen omtrent den tinantieelen
68
toestand van Honduras in do prospectussou on brochures, vervroegde betaling der coupons, enz.) Deleden der commissie van toezicht werden voornamelijk beschuldigd vnn hun plicht niet vervuld te hebben, waardoor de gestorte gelden niet aan het doel waren ten goede gekomen.
liet vonnis op 21 Maart 7s ontzegde den eisch, stelde de commissie niet verantwoordelijk op grond dat zij onder het gouvernement van Honduras stond en voldoende macht miste. Wat de manoeuvres frauduleuses betreft, hieromtrent besliste de rechtbank dat zij niet aan de gedaagden te wijten waren, maar aan liet gouvernement van Honduras of anderen.
In appel bevestigde het Hof van Parijs op 2fi Febr. 80 dit vonnis, op deze gronden dat de benoeming der comm. van toezicht eene gouvernementeele daad was geweest, dat die comm. slechts een corps consultatif was, dat zij niets kon doen zonder de ratificatie door het gouvernement van H., dat verder uit het principe van de onafhankelijkheid der Staten voortvloeide, dat de commissie voor daden in functie verricht, evenmin als liet gouvernement, dat haar benoemde, onderworpen was aan de jurisdictie der Fransche rechtbanken.
Wat de manoeuvres frauduleuses betreft, meende het Hof. dat de bedoelde prospectussen van liet gouvernement waren uitgegaan, en ook de overige minder te prijzen
69
handelingen, gedeeltelijk niet aun de schuld van de gedaagden ti' wijten, gedeeltelijk niet bewezen waren, 'j
Ik voel veel voor de meening dat al mag liet waar zijn dat die bedriegelijke prospectussen en wellicht andere han-dclingeu, van liet gouvernement zijn uitgegaan, de tusschen-personen toch medeplichtig zijn geweest en als zoodanig veroordeeld luidden moeten worden.
In ieder geval, al zou het opzet niet bewezen kunnen worden, waren de eniitteuten toch verplicht geweest zich beter op de hoogte te stellen van den waren tinantieelen toestand, vóór zij tot de verspreiding der prospectussen en de uitgifte medewerkten, en is dus wel degelijk aan hun schuld het verlies door de deelnemers geleden, te wijten.
De ongehoorde sommen aan hen uitbetaald bewijzen voldoende dat er minstens genomen aan de zaak een luchtje was en het leeningsplan een nader onderzoek niet kon velen.
liet resultaat der processen is in ieder geval niet bemoedigend geweest voor de schuldeischers, die natuurlijk nog de proceskosten te betalen luidden bovendien. De processen in Engeland en Delgië overdeze leeningen gevoerd, hadden geen beter succes. De practische toepassing van
') Zie Journal âDroitquot; 3 Maart '80.
70
dit middel van verhaal heeft dus tot geen goede gevolgen voor de schuldeiscliers geleid, terwijl in ieder geval dit middel alleen dan toepasselijk is wanneer men meent dat de emit tenten zirli aan kwade trouw of grove onvoorziclitigheid hebben schuldig gemaakt, terwijl als werkelijk eene veroordeeling zou plaats vinden, nog zeer de vraag zou zijn of bij de veroordeelden genoeg kapitaal tot voldoening der schadevergoeding zou aanwezig zijn. Het is misschien niet te gewaagd daaraan te twijfelen, daar een werkelijk solied emissie-syndicaat zich aan dergelijke handelingen of nalatigheden wel niet zal schuldig maken.
TWEEDE DEEL.
§ l. De schuldeischer, ziende dat hij overal het hoofd stoot, waar en op welke wijze ook hij zelfstandig tracht recht te verkrijgen, zou zich nu tot de regeering van zijn vaderland om tusschenkomst kunnen richten.
Deze kan die hulp op tweëerlei wijze verleenen, door mureelen en door materieelen steun, door diplomatieke nota's en door interventie.
Men z:il mij moeten toegeven dut diplomatieke nota's op zich zelf een weinig afdoend middel zullen zijn ingeval een Staut weigert aan zijne verplichtingen te voldoen. Eerst dan zullen zij van invloed zijn. wanneer men weet dat zij de voorboden kunnen zijn van interventie.
Over het volkenrechtelijk instituut der interventie heerscht veel verschil van gevoelen (al dadelijk hierover, wat men er onder te verstaan heeft, bijv. of het alleen inmenging in de buitenlandsche aangelegenheden van een vreemden Staat is, of ook in de binnenlandsche en of niet alleen gewapende interventie dien naam verdient. Ik zou met mr. J. P. v. Graaf van Limburg Stirum1) daaronder willen verstaan ieder geval, waarin een Staat zijn wil aan een anderen Staat opdringt. ~)
Men is het zeer oneens over de vraag of interventie geoorloofd kan zijn of niet, ten tweede, zoo ja, of interventie ten gunste van schuldeischers daaronder valt. Piédelièvre is een der weinigen, die een absoluut tegenstander van interventie is. terwijl als uiterste daartegenover staat C hate a u b r i an d met deze verklaring â L'inter-
') Zie Diss. âlulerventiequot; Leiden 1*04.
2) Pradier Fodéró bl. 622 âL'intervention est 1'ingérenoe d'un Etat âétranger, agissant d'autorité dans les affaires intérieures d'un autre Etat indépendant et contrairement a la volonte de oe dernierquot;.
72
âvention on la uoii-iiitorveiition est mie piu'rilitó absolutiste ,,011 libérale, dunt auciine tête puissante s'eiuljarasscra; .,011 intervient ou I on n' iutervient pas selon les exigences r(lu paysquot;.
Andere schrijvers bewegen zich daar tusschen in door interventie in het algemeen voor ongeoorloofd te houden, doch \'ele uitzonderingen aan te nemen. Onder die uitzonderingen vindt men veelal (Walker, de Martens, Hall) die interventie, welke strekt om een Staat te dwingen zijne plichten na te komen of eens anders rechten te erkennen. Hieronder zou ons geval komen doch ongelukkigerwijze wordt dit dikwijls als eene uitzondering op de uitzondering opgesomd. ')
Ik zou mij bij deze oplossing wel willen aansluiten, dat interventie inbreuk maakt op de souvereiniteit van eenen Staat en dus als zoodanig ongeoorloofd is. Aan den anderen kant hebben de onderdanen recht op bescherming
') Algemeen wordt interventie nis geoorloofd beschouwd als de leening gegarandeerd was door andere mogendheden. In dit geval geeft men die mogendheden het recht des noods door geweld den nalatigen Staat te dwingen aan zijne verplichtingen te voldoen. Deze zienswijze steunt hetzij op de opvatting dat de nalatige Staat zich door de garantie-clausule tegenover de garandeerende Staten zelven heeft verbonden, hetzij op de meening dat de garantie-clausule jinst beduidt dat die Staten in geval van wanbetaling zullen intervenieeren. Voorbeelden van eene dergelijke garantie vindt men bij de ïurksche leening van 1855 door Engeland en Frankrijk, en de Grieksche leaning van 1832 door Engeland, Frankrijk en Rusland.
door hunnen Stunt M cu moet de rogeering dus kiezen tussclien onrecht ium den vreemden Staat aan te doen of onrecht tegen hare onderdanen te dulden. De practisclie beslissing hierover zal in ieder voorkomend geval van de omstandigheden moeten afhangen.
Tegen de interventie wordt wel als tegenwerping gebruikt dat zij alleen voorkomt van sterkere Staten tegen zwakkere en daardoor reeds bewijst alleen op het recht van den sterksten te steunen. Ik meen dat men met evenveel recht a contrario zou mogen beweren dat het niet voorkomen van interventie van zwakke tegen machtiger Staten een gevolg is van het feit dat macht boven recht gaat. In ieder geval zal men hiermede rekening moeten houden bij de beschouwing over het practisch nut dat vragen om interventie aan onzen schuldeischer zou kunnen opleveren.
Ik zal de twee meest bekende en meest gunstige gevolgen gehad hebbende, interventies van den lateren tijd hier behandelen, ~) omdat zij voorbeelden opleveren hoe uitstekend vreemde invloed op de tinantieele toestanden
') In ons speciaal geval bestaat nog do questie of de scbuldeischers
recht op bescherming hebben, zie bi. 35 vlg.
a) De Fransche inmenging in Tunis is van minder belang omdat het later (in '81) volgende Fransche protectoraat en dc conversie van '84 de schuld van Tunis feitelijk in Fransche schuld deden veranderen en dus deze questie nu slechts historisch belang heeft.
74
van eon land werken kunnen, zoowel ten gunste van cle scliuldeiMiers als van het land zelf.
Zelfs Poli tl s, een der meest hardnekkige bestrijders van het interventierecht, kan niet nalaten tot de volgende conclusie te komen: âQuoiqu'il y ait eu la, en somme, âune grave violation du droit des gens, on ne peut s'em-âpêcher de eonstater (jue 1 application de cette mesure ,eut des effets salutaires, non seulement pour les inté-ârêts des créanciers, inais même et surtout en ce qui âconcerne la prosi)érité et le rétablissement des finances âde ces paysquot;. Waar een dergelijk gevolg is kan men wellicht over het meerdere of mindere rechtmatige van de inmenging iets door de vingers zien, maar misschien is hetzelfde gevolg langs een rechtmatiger weg te bereiken, doch hierover later.
De twee voorbeelden M, die ik eenigszins uitvoerig wensch te behandelen, zijn de inmenging van de groote mogendheden in den tinantieelen toestand van Egypte en Turkije.
1. Egypte. Het aantal door het gouvernement van Egypte, tot het tijdstip van het bankroet, gesloten leeningen, is buitengewoon groot. Van af de regeering van Saïd-Pacha heeft de Europeesche invloed in Egypte zich
!) Ontleend aan W. E. Politis op. cit. bl. 239 vlg. en Pradier
Fodéré Première partie Chap. 3.
I n
vooral geopenbaard door eenc zeldzame hartstocht om leeningen in Europa te sluiten o;) zeer bezwarende voorwaarden. Alle verspillingen van Ismaïl-Pacha weiden betaald door leeningen gesloten te Londen en Parijs. Na 1875 kon men geene leening meer plaatsen en in 187C werden de betalingen gestaakt en ging het land tot een openlijk bankroet over.
De Europeesche belangen, hierbij geïnteresseerd, waren enorm, de Staatsschuld had de hoogte van meer dan twee milliard frs. bereikt en zelfs Politis moet bekennen dat zonder de Europeesche inmenging het grootste deel van deze schuld nooit renten meer opgebracht zou hebben, laat staan zou terug betaald zijn. terwijl hij erkent, dat nu de egyptische waarden tot de meest veilige moeten gerekend worden.
Het bankroet in 1876 valt samen met de judicieele hervorming in Egypte. Vóór deze belangrijke gebeurtenis werd de verhouding tusschen de fondsenhouders en het Egyptische gouvernement geregeld door de gewone rechtsregelen Na (ie instelling van de gemengde rechtbanken in Egypte, werden deze regelen veranderd, want aan den eenen kant werden die rechtbanken competent verklaard voor alle strijdvragen tusschen nationalen en vreemdelingen, en zelfs tusschen dezen en het Egyptische gouverne-
76
ment;, aan den anderen kant werden de rechtsregelen, door deze rechtbanken te volgen, vastgesteld door samenwerking van liet Egyptisch gouvernement en do Enro-peesche niogeiulheden; van dit oogenhlik af werden recht en rechtspraak in Egypte, internationale zaken, die ook de juridische verhouding regelen tusschen het gouvernement en de schuldeischers, en niet gewijzigd mogen worden dan op de wijze, waarop zij tot stand zijn gekomen.
De gemengde rechtbanken waren dus competent om de geschillen tusschen fondsenhouders en gouvernement te regelen; zij mochten dus beslissen over de actie, door die houders ingesteld tot betaling der onbetaalde coupons en zelfs hun vonnis executeeren, want hunne vonnissen waren vatbaar voor executie op het privaat domein van liet gouvernement.
Toen het bankroet nu uitgesproken was, moest overgegaan worden tot de wijziging en liquidatie van de schuld, liet gouvernement kon niet zelfstandig het bankroet regelen, dus moest een andere weg ingeslagen worden, hetzij in ondeihandeling treden met de schuldeischers, hetzi; de internationale regeling wijzigen en aanvullen door een overeenkomst tusschen het Egyptische gouvernement en de Europeesche mogendheden; de laatste oplossing werd voor de meest practische gehouden, doch de Khedive trachtte
/ I
de eerste te volgen van '76âquot;78 door allerlei decreten, waarbij de scluildeischers talrijke garanties kregen, die den verwarden toestand nog meer compliceerden. Eenige dier decreten zijn van veel gewicht. Het Iteslnit van 18 Nov. quot;7(;. resultaat van de Fransch-Engelsche politiek in Egypte, bepaalde dat er twee contróleurs générauxquot; (een Franscliman en (gt;011 Engelschman) zouden benoemd worden met ruime bevoegdheden, niet alleen ter surveil lance van het tinantieel beheer in Egy])te. maar ook ter Ingrijping daarin. Een ander decreet van 2 Mei'7;') stelde in de âCaisse on Commission de la Dette publiquequot; en bepaalde in art. 4; âles actions, qifa 11 nom et d.ans l iuté-rrêt des créanciers en grande partie étrangèrs, la Caisse âet pour elle ses directeurs, croiront avoir a exercer contre âPAdministration iinancière representee par le Ministre âdes tinances, pour ce qui concerne la tutelle des garanties de la Dette, que nous avons contiée a la direction ..de la dite Caisse. seront portées dans h^s termes de leur âjuridiction devant les nouveaux tribuuaux, (|!ii. suivaut âTaccord établi avec les Puissances, out été iustitués en âEgypte.quot;'
Op deze bepaling van het decreet steunende, vervolgde de Caisse herhaaldelijk de Khedive en het gouvernement voor de gemengde rechtbanken en verkreeg ook een tal-
rijk aantal veroonleeliugcu tegen hen. die echter zonder executie bleven.
Naar aanleiding van deze systematische tegenwerking door den Khedive en het Egyptische gouvernement tegen de executie der vonnissen, vonden de groote mogendheden (Duitschland nam liet initiatief) tusschenkomst noodzakelijk en richtten tot Egypte een protest, geteekend door Frankrijk, Engeland, Duitschland, Oostenrijk Hongarije en Italië (Rusland deed niet mee\
De Khedive benoemde nn eene âCommission supérieure d'enquéte' die de basis zou moeten bestudeereu voor eene schuldregeling, (Ferdinand de Lesseps was hiervan president,) terwijl alle protesteerende mogendheden, behalve Duitschland, er in vertegenwoordigd waren.
Ter gelijkertijd moest de Khedive, gedwongen door de Eransch-Engelsche politiek, in het Kabinet twee buiten-landsche leden opnemen (het Europeesche ministerie); de Fransch Engelsche controle werd toen opgeheven.
De enquête commissie bracht een rapport uit, waarin eene wijze van schuldliquidatie word voorgesteld.
lutusschen had de revolutionaire beweging van 187S plaats, Ismaïl-Pacha, door de nationale partij gedwongen, zette het Europeesch ministerie af en publiceerde eene liquidatiewet, geheel anders dan de door de enquête-
70
commissie voorgestelde. De mogendheden eiscliten opheffing van deze wet en Frankrijk met Engeland verkregen van den sultan een iradé, waarbij Ismaïl-Pacha werd afgezet.
De herstelling van het Europeesch ministerie was niet raadzaam op grond van de verbittering ia Egypte; in plaats daarvan herstelde men de Fransch Engelsche con-tróle. Dit duurde tot 83, terwijl de eontróleurs nu slechts toezicht hielden zonder directen invloed.
Na de bezetting door Engeland, werd deze controle opgeheven en vervangen door oen Engelsclien âconseiller financier'.
Ondertnsschen was de liiiuidatiewet in den steek gelaten. Tot regeling hiervan gingen de mogendheden in Maart '80 eene overeenkomst aan dat eene Internationale enquêtecommissie zou benoemd worden en dat de te maken liquidatiewet de vijf groote mogendheden zou verbinden. Het plan van deze commissie werd 17 Juli '80 door den Khedive gepubliceerd als wet.
Deze wet nu nam als principes aan, dat begonnen moest worden met bestudeering der hulpbronnen van het land, en dat de publieke uitgaven tot het hoogst noodige moesten beperkt worden; de verliezen, die de schuldeischers zouden moeten ondergaan, zouden verdeeld worden, als
so
basis nemoiule do Egyptische faillissomoutswet en 3 klassen schuldeischers onderscheidende, te weten, de hypothecaire, de door pand verzekerde en de gewone schuldeischers.
Verder regelde de wet de internationale instellingen, die nog bestaan, en die belast zijn niet de behartiging der belangen der schuldeischers. De schulden werden geconsolideerd. met uitzondering van de Daïra Saniehschul-den en de domeinobligaties, die afzonderlijk bleven bestaan.
De uitgaven en inkomsten werden vastgesteld, op de liasis hiervan werd kapitaal en interest der oude schulden verminderd, nieuwe schuldtitels uitgegeven met speciale garanties.
De hypothecaire en pandschuldeischers werden nu geheel in munt uitbetaald, de anderen ontvingen :io % van hunne vordering in geld en 70 % In obligaties van do geprivili-geerde schuld.
De schuleischers hebben ter verzekering hunner rechten oono actie tegen Egypte, te brengen voor do gemongdo rechtbank, door tusschenkomst van de âCommission do hi Dotte publiquequot;. en te richten tegen don Minister van tinanciën als vertegenwoordiger van hnn debiteur. Do^en-dion liobbon zij oeno actie tot schadeloosstelling togen onwettige himdolingen van liinctionarissen. waardoor hunne rechten zouden aangetast zijn.
81
Tot handhaving dezer regelingen werden 4 internationale organen ingesteld namelijk: 1. De âCaisse ou Commission de la Dette publiquequot; bestaande uit vertegenwoordigers der groote mogendheden (sinds quot;8quot;) ook Rusland), door den Ivhedive officieel üls staatsambtenaren bevestigd: zij mogen geene andere gesalarieerde fuiu-tie in Egypte bekleeden. Deze Caisse wordt analoog beschouwd aan den curator in een faillissement, daar zij dient zoowel ter handhaving dei-belangen van schuldeischers als van schuldenaar. Natuurlijk draagt Egypte de kosten dezer instelling. Hare func tien zijn de volgende: zij vertegenwoordigt de schuldeischers in rechtsgedingen tegen den Staat: zij administreert de schuld: zij medeadministreert en controleert de Egyptische tinantiën; haar goedkeuring is noodig voor uitgifte van nieuwe leeningen, wijziging van belastingen die als onderpand dienen: en het doen van voorschotten aan den Minister van Einantiën. grooter dan een millioeu Egyptische ponden; het eventueel overschot ') der begrooting moet bij baar gestort worden.
De 2',e instelling dient tot administratie van de Daïra Saniehgoederen (privaat-vermogen van den Khedive en familie) en zorgt voor de schulden, die hierop drukken.
') Zoo wees de begvooting van 1895, 680,000 pond oversohot aan, waarvan 5/s voor schulddelging zou dienen.
82
De 3'ie commissie administreert de domeinen en verzekert het geregelde verloop van de in 1878 bij Rothschild gesloten leening, welke die domeinen tot speciale garantie had.
No. 4 eindelijk âradministration franco-anglaisequot; bestuurt verschillende staatsondernemingen (spoorwegen, telegraaf, haven van Alexandriei, die de gepriviligeerde schuld waarborgen.
Dit alles is het resultaat van de inmenging der Euro-peesche mogendheden in Egypte en niets hierin kan veranderd worden zonder die mogendheden er in te kennen.1)
Merkwaardig is nog dat deze geheele geschiedenis buiten den Sultan is omgegaan, die toch suzereine rechten op Egypte had. De hoofdreden zal hier wel geweest zijn. dat de Turksche tinanties ook al zoodanig in de war waren dat de Sultan als finantieel raadsman niet erg aan te bevelen was.
Turkije. Vooral na de Krimoorlog, gedurende eene periode van 20 jaren deed Turkije zijn schuldenlast ontzettend toenemen, de leeningen volgden elkaar bijna even geregeld als de jaren. Toch zou de rijkdom van het land
') In 1890 werden de 5% gepriv. schuld, de 5% domeinschuld, en
de Daïrah Sanieh. en de laatste 472% schuld met de toestemming
van de Caisse, den Sultan en de mogendheden met su.cces in
4% schuld geconverteerd.
83
eene catastrophe wellicht verhoed hebben, als de beruchte Turksche administratie ook op financieel gebied haren onzaligen invloed niet had doen gelden.
In 1875 ging men tot de capitalisatie der rente (zie bl. 14 Diss.) over Na 70 werd ook dit systeem verlaten en werd het bankroet definitief. Verschillende onderhandelingen vonden plaats, waarvan eene tot resultaat had de overeenkomst van 17 Sept. 77, gesloten tusschen het gouvernement en de fondsenhouders, waarin twee leeningen (van 54 en 71) werden geregeld, die beide de schatting van Egypte tot garantie hadden. De rentevoet dier leeningen werd van G op 5 en van 6 op 41/2 gereduceerd. Deze beide leeningen zijn dan ook niet begrepen in de algemeene regeling van het bankroet, die later volgde, evenmin als de leening van 55, die door Frankrijk en Engeland was gegarandeerd en waarvan de voorwaarden door het Turksche gouvernement geregeld werden voldaan.
Gedurende 5 jaar bleef eene verdere regeling uit; de politieke gebeurtenissen, als de troonswisseling van Sultan Abdul-Aziz en Mourad en de Russisch- Turksche oorlog van 77â78 verhinderden deze. De laatste oorlog was niet geschikt om de finantiën te verbeteren: liet verdrag van San-Stefano ontnam aan Turkije zijne rijkste provincies
84
en legde eene oorlogsschatting van 300 millioen roebels op. Tijdens het Congres te Berlijn, waar het verdrag van San-Stefano werd herzien, verkreeg men van Rusland dat de betaling van deze oorlogsschatting de belangen der schuldeischers niet zou schaden.
Protocol No. 18 van het Congres gaf aan Turkije het volgende in overweging: âFinstitution a Constantinople âd'une commission financière composée d'hommes spéciaux ânommés par les gouvernements respectifs, et qui seraient âchargés d'examiner les reclamations des porteurs de litres âde la Dette Ottomane et de proposer les moyens les âplus efficaces pour leur donner la satisfaction compatible âavec la situation de la Portequot;.
Ovei-eenkomstig dezen wenk noodigde het Ottomanische gouvernement de fondsenhouders uit een aantal afgevaardigden te benoemen, die zich naar Constantinopel zouden begeven om zich daar met het gouvernement te verstaan over eene schuldregeling. Vijf vertegenwoordigers, een voor de Engelsche en Nederlandsche, een voor de Fransche, een derde voor de Oostenrijksche, N0. 4 on 5 voor de Duitsche en Italiaansche houders vormden dan ook te Constantinopel met vijf representanten van het gouvernement eene commissie, die na onderzoek van den toestand de plannen voor de regeling vaststelden. In Dec.'Slwer-
85
den deze plannen door den Sultan executoir verklaard, welke ook nu nog vigeeren.
Hierbij werden ulle leeningen, behalve de drie vroeger vermelde, gereduceerd tot eene waarde, varieerende tus-schen 41 en 'Jb'/i % van de nominale, waarbij de oudste leeningen begunstigd werden, daar deze de eerste garanties hadden. Dit bedrag werd nu met 10 % vermeerderd ter vergoeding der achterstallige renten. Vervolgens werden deze verschillende leeningen in 4 groepen vereenigd, de series A, B, C en D, waarbij om te beginnen aan allen eene rente van slechts 1 % werd toegezegd met verwachting van trapsgewijze verméerdering tot 4 %. Ook de amortisatie werd geregeld volgens eene bepaalde rangorde der series. Tot voldoening dezer lasten werd in Jan. '82 onherroepelijk de opbrengst van verscheidene bronnen van inkomsten aangewezen, welke revenuen geïnd worden dooide âConseil d'administration internationalquot;. Deze Raad bestaat uit 7 leden van verschillende nationaliteit (de vertegenwoordiger der Engelsche en Hollandsche fondsenhouders wordt gekozen door de Council of Foreign Bondholders te Londen: doet deze dit niet dan is de directeur van de Bank van Engeland aangewezen om iemand te kiezen; gebeurt ook dit niet, dan beslist de algemeene vergadering van Engelsche en Nederlandsche houders te
86
Londen). De buitenlandsche leden van dezen Raad genieten 2000 pond salaris en mogen geen andere Turksche betrekking bekleeden.
Het gouvernement houdt toezicht op dezen Raad door een commissaris met raadgevende stem.
Verdere bevoegdheden van deze commissie zijn: het brengen van verandering in de wijze van inning der inkomsten, en het exploiteeren van de tabaks- en zoutregie. Het gouvernement mag deze inkomsten niet opheffen of wijzigen zonder toestemming der commissie en natuurlijk slechts met aanwijzing van equivalente revenuen.
Bij geschil tusschen Raad en gouvernement, benoemt ieder twee arbiters, die een vijfden man zelf kiezen.
Men ziet dat deze regeling veel verschilt van de Egyptische; de invloed der mogendheden is hier veel minder direct en officieel geweest; het resultaat is echter ook gunstig. De opbrengst der afgestane bronnen van inkomsten is aanmerkelijk gestegen (verschil tusschen '83 en '^2 was ruim 5 millioen gulden); de amortisatie is krachtig doorgezet, terwijl er hoop bestaat op verhooging der rentevoet. ')
Uit deze voorbeelden blijkt, hoe uitstekend interventie gewerkt heeft in de gevallen, waar zij practisch is toe-
') Welke hoop echtep nu onlangs zeer werd teleurgesteld.
gepast. Wanneer wij nu echter nagaan, welke de verhouding is, waarin de verongelijkte schuldeischer op het oogenblik tot dit rechtsmiddel staat, dan zien wij dat hij daarmede op het oogenblik niet afdoende is gebaat.
Ten eerste bestaat, zooals reeds gezegd, de grootste oueenigheid over het gewenschte van interventie in het algemeen en is de meest gangbare opinie dat zij in ons geval volstrekt niet te verdedigen is. 1)
Eenige zekerheid dat de schuldeischer in de toekomst op dit middel zal kunnen rekenen, bestaat dus volstrekt niet, te minder daar de toepassing zelfs in die gevallen, waar men hare oorbaarheid zou willen erkennen, nog geheel afhangt van politieke al of niet wensehelijkheid.
Ten tweede hangt de schuldeischer in deze geheel af van de groote mogendheden, die alleen de macht hebben met kracht te kunnen optreden zonder ernstig gevaar dat de nalatige Staat zich aan een oorlog met hen zal willen wagen. Een Nederlandsche schuldeischer bijv. zal wel te vergeefs aan zijn gouvernement om interventie vragen, bijv. tegen Portugal. De kansen dat dit land zich gewapenderhand tegen vreemde inmenging zou verzetten zullen voldoende zijn om het Nederlandsche Gouvernement
') Bij de laatste Portugeesche en Grieksclie bankroeten is dan ook geene mogendheid er toe over gegaan.
88
tp beletten al te autoritair np te treden. Hier moeten natuurlijk de belangen van den schuldeischer opgeotïerd worden aan liet algemeen belang. Even natuurlijk zullen de groote mogendheden aan een verzoek om interventie van een vreemden schuldeischer niet voldoen als de belangen van hunne onderdanen er niet evenzeer bij betrokken zijn. De schuldeischers, onderdanen van een klein land. zijn dus al in eene bijzonder slechte positie.
De conclusie van al deze beschouwingen is dus: De bestaande rechtsmiddelen zijn ten eenenmale onvoldoende om de rechten der verongelijkte schuldeischers te handhaven. Men zal derhalve naar nieuwe wegen moeten zoeken, als men meent dat de schuldeischers recht hebben op bescherming.
§ 2. Onder deze nieuwe rechtsmiddelen vindt men aanbevolen de mtcruutioirih arbitrage, de ^commissions mixtes de liquidationquot; en als meest afdoend de inter na tionah rechtbank.
liet eerst genoemde middel is ook slechts indirect mogelijk. Men geeft toch als deiinitie van internationale arbitrage ..het met gemeen goedvinden aan derden overlaten
89
,.oin als rechters in lioogste instiintie uitspraak te doen. .als twee Staten zich over een tusschen hen gerezen âgeschil niet kunnen verstaan.quot;
Volgens deze detinitie is dus int. arb. alleen mogelijk tusschen twee Staten en niet tusschen een Staat en de onderdanen van een anderen Staat: er zal verderop grond van de hulpeloosheid van den schuldeischer wel geen sprake van zijn dat de Staat zich op verzoek van de schuldeischers aan intern, arb. zal onderwerpen, ~) daar dit middel toch dient om onaangenamer handhaving van rechten te voorkomen.
Men zal dus tot deze arbitrage moeten geraken, doordat de Staat des schuldeischers de zaak van zijn onderdaan tot de zijne maakt en dan bij den vreemden Staat op het vereffenen van een dan tusschen hen gerezen geschil door arbitrage aandringt.
De voorvechter voor eene dergelijke oplossing (nl. onderlinge overeenkomst der Staten dat men iu gevallen van wanbetaling de vraag van al of niet noodzakelijkheid of recht, door arbitrage zal doen be-
') Delinitiü van Mr. Zimmerman in Diss. âInternat. Arbitrage.'quot;
2) Geheel anders is de questie als in het leeningscontract de clausula compromissoria is opgenomen. Zoolang de leening nog niet is gesloten plegen de Staten minzamer te zijn en zullen wellicht tot eene dergelijke clausule te vinden zijn.
!)()
slissen) is Jean (ïarié, die op de in 1892 te Bern gehouden interparlementaire Conferentie een voorstel ter tafel bracht naar aanleiding van het l'ortugeesch bankroet. Zijne aanbeveling berustte vooral hierop, dat, waar int. arbitrage in den lateren tijd zoo sterk op den voorgrond treedt in allerlei (mesties als grensregeling bijv , die veel minder voor eene vredelievende oplossing vatbaar schijnen, dit middel veel gemakkelijker toepasselijk zal vinden in tinantieele aangelegenheden, die minder de gevoeligheid der volken prikkelen. Hij legt er nadruk op, dat wanneer er sprake is van slechte behandeling van een bepaalden onderdaan, de Staten onmiddelijk satisfactie vragen en krijgen, maar dat, waar het geldt een veel algemee-ner belang, de diplomatie zich er weinig aan laat gelegen liggen.
Het congres te Bern wilde deze questie in overweging nemen en gaf de memorie van Garié in handen van eene commissie.
Po litis bestrijdt deze oplossing door de meening dat de arbiter niet weten zal wat er eigenlijk te beslissen valt; hij zal wel kunnen constateeren dat de Staat bankroet is, zijne verplichtingen niet voldoet, maar die Staat zal de eerste zijn om die feiten te erkennen; de arbiter zou wel kunnen beslissen dat de schuldeischers betaald moeten
91
worden, maar de Staat zal de wenschelijkheid hiervan ook niet bestrijden, doch zicli op de onmogelijkheid beroepen. Eene beslissing zal dus volgens P oliti s door den arbiter niet kunnen gegeven worden omdat er geen geschil over rechtsfeiten is.
Mij lijkt deze redeneering ten eenenmale onjuist: ten eerste zal het voorkomen dat de Staat zich wel op zijn recht beroept (van vroegere aflossing bijv.), ten tweede zou de taak van den arbiter moeten zijn om na te gaan in hoever de Staat gerechtigd was onder den drang dei-omstandigheden aan zijne verplichtingen niet te voldoen én hierover bestaat natuurlijk wel geschil tusschen de twee Staten. Om hierover te beslissen zou de arbiter zich met de binnenlandsche aangelegenheden (belastingstelsel, administratie, enz.) moeten bemoeien en hierin is m. i. het zwakke punt voor de intern, arbitrage in deze zaak gelegen, dat geschillen, waarvan de beslissing afhankelijk is van een dergelijk onderzoek, voor arbitrage niet vatbaar zullen verklaard worden. Er moet dan te veel in het binnen-landsch bestuur nagegaan en gecritiseerd worden, dan dat een Staat zich geheel vrijwillig zou willen onderwerpen aan een dergelijk onderzoek door een hoogstens met hem gelijkstaande macht, (als arbiters fungeeren gewoonlijk neutrale vorsten, zooals de Paus herhaaldelijk, de czaar
02
van Rusland in '88 bij de Lawaquestie, dikwijls ook rechtsgeleerden, zoo bij een geschil tusschen Nicaragua en Frankrijk was het Fransche hof van cassatie arbiter, in het Behringzeegeschil tusschen Engeland en N.-Amerika waren 3 particuliere personen, een Franschman, een Italiaan en een Zweed, scheidsrechters). Bij weigering van de arbitrage of niet voldoen aan de uitspraak van den arbiter zou men toch weer tot interventie niet hare bezwaren naderen.
S 3. ï]en nader voorstel tot bescherming der rechten der schuldeischers is gedaan door Henri Beck er in'75 op het in den Haag gehouden âCongres de 1'Association pour la Réforme du droit des gens.quot; Hij wilde een bankroeten Staat o]) denzelfden voet behandelen als een particulier, die zijne schulden niet betaalt en in staat van faillissement verklaard is. Er zou eene commissie benoemd worden, welke hij de âcommission mixte de liquidationquot; noemt, en die vrijwel de plaats van curator zou innemen; hetfinan-tieel bestuur zou dus aan den Staat ontnomen worden, enz.
Dit zou veel overeenkomst krijgen met hetgeen in Turkije en vooral in Egypte gebeurd is en daar zulke voortreffelijke resultaten opgeleverd heeft, doch de bezwaren blijven, dat er voor elk geval eene aparte regeling noodig zou zijn. dat het alleen tegen kleine Staten toe te
93
passen is; dat het moeilijk te zeggen valt, wie in deze liet initiatief zouden moeten nemen; kortom dat eene vaste basis gemist wordt, terwijl de inbreuk op de Souve-reiniteit van den Staat wel wat org groot is, wanneer hij vrijwel onder de curateele wordt geplaatst van vertegenwoordigers van andere Staten.
4. Het laatste repressieve middel, waar theoretisch zeker veel voor te zeggen valt is de âinternationale rechtbankquot;
') Iets wat tot op zekere hoogte als voorbeeld zou kannen dienen voor eene dergelijke intern, rechtbank, vindt men in Amerika, waar de Supreme Court oordeelt in questies tnsschen bondstaten. De schuldeischera van die Staten worden hiermede echter niet gebaat, daar hiertegen Amendwet Xt van de Amer. grondwet zich verzet. âThe judicial power of the United States shall not be âconstrued to extend to any suit in law or equity, commenced âor procccuted against one of the United States by citizens or âsubjects of any foreign Statequot;. Toen Louisiana hare betaling staakte, namen New-York en New-Hampshire eenige schuldbrieven van hunno burgers over en stelden een actie tegen Louisiana bij de Supreme Court in, wat echter als ongeoorloofd werd beschouwd. Scott pag. 30 op. cit. zegt hieromtrent âAt the present time the âfederal government can afford relief to a defrauded State credi-âtor only indirectly and under special circomstances. The Supreme âCourt still claims the right to entertain suits brought by States âagainst persons and it still claims the right to decide concerning âthe constitutionality of Stale laws, which are involved in cases, âcoming within its jurisdiction. It can therefore protect a person âagainst whom a Slate is attempting to enforce an constitutional
94
Deze iuternationale rechtbank zou niet alleen voor questies als de hier behandelde dienen, maar geroepen zijn over alle internationale verwikkelingen te oordeelen. Prof. M e i 1 i acht echter juist onze geldquestie de aangewezene om mede te beginnen, om dan later de werkkring uit te breiden tot andere intern, verwikkelingen om zoodoende ten slotte het ideaal te bereiken dat oorlog tot de geschiedenis behoort, legers afgeschaft zijn en alle oneenigheden langs vredelievenden weg worden uitgemaakt.
Het idee van deze intern, rechtbank is niet nieuw. Uit vroegeren tijd is het meest bekend âle Grand Dessein de Henri IV. *)
Deze vorst wilde beginnen met Europa op eene zoodanige wijze te verdeelen, dat er 15 Staten zouden ontstaan, zooveel mogelijk gelijk in macht; de Russische czaar en
âlaw and it can protect a person in hia right to bring suit against âState officials who attempt to enforce unconstitutional lawsquot;. De inconstitutionalily van de bedoelde State laws vloeit voort uit de Amer. grondwet, art. 1, sect. 10 ,No State shall pass any law ..impairing the obligation of contracts.quot;
Deze indirecte weg zal wel zelden le volgen zijn, Scott geeft ook maar één voorbeeld, nl. wanneer de Staten hunne coupons zouden weigeren als belastingbetaling aan te nemen en daarover hunne schuldeischera zouden aanspreken.
') Zie hierover meer uitgebreid A. P. Zimmerman âInt. Arbitragequot;.
de Sultan van Turkije weiden niet tot de Europeesche vorsten gerekend, terwijl de macht van het Oostenrijksche huis in zijn concept zeer werd verminderd (hetgeen men algemeen als hoofddoel van zijne utopie beschouwt). Die 15 Staten zouden eene eenheid vormen âla République Chrétienne,quot; welke eenheid belichaamd zou worden in een Algemeene Raad, tot oplossing van alle onderlinge geschillen. Dit college zou samengesteld zijn uit GC gevolmachtigden der afzonderlijke staten. Iedere Staat zou een zeker contingent in de gemeenschappelijke krijgsmacht leveren, welk leger bestemd was om de Christelijke Republiek te beschermen, den onchristelijken czaar en sultan desnoods te verjagen en de weerspannigen onder de bondgenooten tot gehoorzaamheid te brengen.
Dit fraaie plan heeft het verder gebracht dan men zou meenen, er zijn diplomatieke onderhandelingen over gevoerd en Engeland, Zweden en Denemarken betuigden hunne instemming. Volgens Suil y had men ook in Holland er ooren naar, maar tot uitvoering is het toch niet gekomen.
Latere utopisten op dit gebied zijn L e i b n i t z, W i 11 i a m Penn, Albe r on i en de abbé de St. Pierre met zijn navolger R o u s s e a u, die geene territoriale wijziging voorstelden, doch de indeeling, zooals die bij de vrede van
9H
Utrecht was vast,gestold, wilden vereeuwigen. Eeno vergadering van gevolmachtigden zon weder de internationale rechtbank vormen. Niot onjuist zijn de woorden van Frederik de Groote over het plan van de St. Pierre âil n'y âmanque qu une clausule pour rexécution de co projet; âc'est le consentement de tonte TEnrope et quelqu'autre , bagatelle semblable.quot;
Het meest uitgewerkte plan van den lateren tijd is, naar ik meen, de in 1877 in de Revue de Droit Internal verschenen verhandeling van Prof. Lorimer, lid van het Institut de Droit International, getiteld : âLe problèine linal du Droit International.quot;
Lo rimer grondt de noodzakelijkheid van eeue Intern, rechtbank op deze overweging: âLe système de droit de âtont Etat civilisé contient en lui-même les principes de âsa propre realisation. II forme tout au moins en théorie, âun droit positif, en dquot; au tres termes, il constitue, ex âhypothesi, le droit naturel et absolu, qui gouverne les ârelations entre citovens, telles qu'elles sont définies par âune autorité, capable, a tort ou a raison, de faire respecter ses definitions. Dans ce sens, il n'y a réellement âpas de droit intern, positif. Le droit intern, public n'est âni défini ni imposé par une autorité supérieure a celle âque ces sujets possèdent eux-mêmes. Le droit intern.
97
âprivé lui même u'est positif que dans la mesure, oü , grace a son adoption par des legislations particulières, âil cesse d'etre internationalquot;.
Dit positieve karakter nu wil L o r i m e r door zijn intern, rechtbank met wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht verleenen, terwijl hij meent dat een andere weg daartoe niet mogelijk is. Zijne voorrede lijkt mij verreweg het heste van zijn werk; het volgende wil ik er nog even uit aanhalen: âLa perfection de l'orga-ânisation nationale supprimerait sans doute la nécessité âd'une organisation internationale, paree que des commu-ânautés parfaitement organisées prendraient spontanément âles places, qui leur appartiennent, reconnaitraient volon-âtairement leurs obligations respectives et rendraient âsuperflue la revendication de leurs droits. En pratique âtoutefois, qu'il s'agisse d'Etats ou de citoyens e'est a âune période de transition que nous avons a faire, et Ton âar river a dans la sphere du droit intern, comme on est âarrivé dans celle du droit national, a un point oü les âEtats sont assez civilises pour admettre une organisation âet pas assez pour s'en passerquot;.
Lorimer vindt de groote fout van zijn voorgangers dat zij een status quo wilden handhaven, terwijl hij volstrekt niet tegen eene natuurlijke ontwikkeling der Staten
DS
is, die hij trouwens door politieke verdragen niet tegen te houden acht.
Ook beschouwt hij als eene groote verbetering, dat zijne intern, rechtbank niet door de uitvoerende, maar door de wetgevende machten der verschillende nationaliteiten zou moeten gekozen worden, zoodat zij meer zou worden ,1e résultat des volontés nationales respectives.quot;
Lorimer wijst op het groote belang dat de verwezenlijking zijner plannen voor bankroete Staten eu hunne schuldeischers zou hebben 1), zegt dat het duidelijk is, dat een individueele vreemde Staat geen recht heeft hierin tusschenbeide te komen eu laat er op volgen: ânousvoici âdonc de nouveau amenés a appeler a notre aide un âponvoir exécutif international, comme seule solution ima-âginable.quot;
Het zou mij natuurlijk te ver voeren eene schets te geven van de wijze, waarop Lorimer zijn idee wil verwezenlijken, genoeg zij te vermelden dat hij aan alle afgevaardigden van de Staten gelijke stem wil geven, doch het aantal, dat iedere Staat afvaardigt wil doen afhangen van de macht van dien Staat. De zetel van het lichaam, bestaande uit Senaat en Kamer van Afgevaardigden, zou
') BI.' 193 op. crt.
no
te Constantinopel zijn, dat daarvoor tot internationale stad zou verklaard worden (of de goedkeuring des Sultans dient gevraagd, vermeldt Lorimer niet), de nationale legers zouden gedecimeerd worden en uitsluitend tot het bewaren van biunenlandsche rust dienen, terwijl de rechtbank hare vonnissen des noods zou kunnen doen uitvoeren door het internationale leger, waartoe iedere Staat een contingent levert. Wie commandant van dat leger moet worden, baart Lorimer veel zorg, terwijl hij verdere uitwerking van zijn plan overbodig tracht te maken door zelfs de tractementen van allen, die deel uitmaken van het internationaal lichaam, vast te stellen.
Eene voor mijn onderwerp belangrijke regeling bevat nog de volgende bepaling : âLe du remboursement des dettes âcontractées séparément par un Etat, soit envers des par-âticuliers prêteurs, soit envers d'autres Etats, sera pour-âsuivi par Ie gouvernement international, au moven de âtelle procédure, qu il jugera convenable.
âLa banqueroute entrainera la suspension de la recon-ânaissance, pendant toute sa durée et jnivera les repré-âsentants de l'Etat failli du droit de siéger ou de voter âdans la legislature internationalequot;.
Men zal wel willen toestemmen dat eene dergelijke minutieuse uitwerking van het idee van een Internationaal
ion
Lichaam, zooals Lo rimer heeft gepoogd te geven, tot het ridicule nadert. Hiervoor is de tijd nog niet rijp. Dat liet idee zolf verwerpelijk is, kan ik niet toegeven, hetzij dan zoo uitgebreid mogelijk opgevat, hetzij juist met het oog oj) de verongelijkte schuldeischers. Vooral de laatste beperkte opvatting zou m. i. niet zoo geheel ongewenscht en niet voor verwezenlijking onvatbaar zijn. Hetwenschelijke vloeit hieruit voort dat op weinig andere punten de onbeperkte Souvereiniteit van Staten zich zoo van hare slechtste zijde laat kennen en zich zoo weinig bewust toont van hare taak tot handhaving van wat toch ieder recht zal noemen; dat op weinig andere punten de Staten zich zoo weinig genegen hebben getoond langs een bestaanden weg tot oplossing van geschillen te komen; dat waar men langs den, door de meesten onrechtmatig genoemden, weg der interventie trachtte te bereiken, wat door de intern, rechtbank langs rechtmatigen weg zou moeten verkregen worden, het resultaat schitterend is geweest zoowel voor land als voor schuldeischers. Ten laatste zou zeker het bestaan van zulk een Int. lichaam reeds voldoende zijn om bankroet te voorkomen, uit kwade trouw voortspruitend.
liet niet zoo geheel onbereikbare zou ik hiermede willen bepleiten: primo, dat verschillende bezwaren, die voor eene algemeene toepassing der intern, rechtbank
101
zouden bestaan, hier wegvallen; de beslissing in onze questie zou niet ten goede komen aan eenen Staat, maar aan onderdanen van verschillende Staten, waardoor de onpartijdigheid der leden tot de verschillende nationaliteiten behoorende, minder in gevaar zon worden gebracht; er is minder te vreezen dat de Staat, over wiens bankroet is geoordeeld zich tegen het vonnis zal verzetten omdat de nervus rerum, het geld daar wel zal ontbreken om oorlog te kunnen voeren; secundo dat in den laatsten tijd eene toenadering tot de practische oplossing van liet idee te vinden is in de interparlementaire conferenties, waarvan de eerste op 21) en 30 Juni 1890 te Parijs plaats vond, bestaande uit afgevaardigden van 8 Europeesche Staten en de X. Amerikaansche Republiek. Herhalingen hiervan hadden in 'ÃO te Londen, in 'itl te lïonie, en '92 te Bern plaats. Hoofddoel was de permanente intern, arbitrage.
Te Bern werd reeds een Centrale Raad benoemd onder den naam , Bureau interparlementaire pour Farbitrage âinternational.quot;
Nu hebben wel is waar noch deze conferenties noch het Bureau de bedoeling intern, rechtbank te zijn ofte worden; mr. A. R. Z i m m e r m a n betoogt terecht de niet wenschelijkheid hiervan âomdat de wederzijdsche parle-,inenten bij een intern, conflict een invloedrijk bestanddeel
102
âkunnen zijn, daar, waar de Vertegenwoordiging in een , Staat prevaleert, en ware nu tevens dat Parlement een âdeel der rechtbank dan zou daardoor een identiteit van âpartij en rechter geboren worden tegen de eerste beginselen van jurisdictie indruischendquot;.
Er bestaat echter m. i. geen bezwaar om in deze conferenties een uitgangspunt te zien tot meerdere onderlinge gedachtenwisseling der parlementen, waaruit eene grootere waarschijnlijkheid zou voortspruiten dat zij zouden kunnen besluiten met onderlinge samenwerking eene internationale rechtbank tot stand te brengen, hetzij volgens liet plan van Lorimer door hen benoemd, hetzij op andere wijze. Doch ik wil mij met al deze wenschelijkheden en mogelijkheden niet verder bezighouden en alleen als slotsom concludeeren dat de toestand van de benadeelde schuld-eischers op liet oogenblik onvoldoende beschermd wordt en er geen spoedige verbetering te wachten staat. Men zal dus nog slechts kunnen meewerken tot: âthe most obvious and most efficient remedyquot; volgens Scott, te weten âthe inculcation of a high standard of morality âinto the minds and convictions of the people. Every âcitizen should regard a public debt as a sacred obligation âand should resent its repudiation as a personal disgrace.
HOOFDSTUK III.
Het komt mij niet ongewenscht voor, ten slotte de vraag te behandelen of er geene middelen zouden bestaan om nalatigheid te voorkomen, ten minste bezwaarlijker te maken, en of niet in eenen Staat er beter voor zou kunnen gezorgd worden, dat in geval van nalatigheid van een vreemden Staat, zijne eigen inwoners niet tot de slachtoffers komen te behooren.
§ 1. De Staten, welke leeningen aangaan, kunnen zelf maatregelen nemen om te voorkomen, dat zij later te goeder trouw hunne betalingen moeten staken, en wel door het aangaan van leeningen wat minder gemakkelijk te doen plaats vinden, dan nu gewoonlijk het geval is.
Behartigenswaardig is, wat Mr. N. G. Pi er son in zijn leerboek der Staathuishoudkunde hierover schrijft âhet is âwenschelijk dat er regels zijn voor het beheer der tinan-âtiën en het niet aan de nukken van ministers en parle-
104
âmentaire meerderheden wordt overgelaten over belangen âte beslissen, waarbij het verre nageslacht betrokken is.quot;
Eene dergelijke regeling zou dus zijn, dat bijv. voor het aangaan van eene Staatsleening eene grootere meerderheid dan de volstrekte in de Staten Generaal noodig zou zijn, of dat de Grondwet een maximum aangaf waarboven geene leening zou mogen worden aangegaan, desnoods met uitzonderingsgevallen.
Practisch vindt men een zoodanigen toestand in de meeste A.merikaansche Staten '). Slechts 5 Staten, New-Hampshire, Vermont, Massachusetts, Connecticut en Delaware zijn door hunne grondwettige bepalingen niet beperkt in hunne leeningen, de andere stellen hetzij grondwettig een maximum vast, hetzij, wat misschien nog juister gezien is, staan leeningen toe tot een bepaalde percentage van het belastbaar vermogen der inwoners. Insgelijks kan tot voorkoming van bankroet dienen, dat de grond wetten van de meeste Amerikaansche Staten verbieden âthe lending of the State's credit to corporations and âthe purchase bij the State of the stock of corporationsquot;.
§ 2. De schuldeischers in spe, wijs geworden door de noodlottige voorbeelden van vroegeren eh lateren tijd, zouden in. i. in vele gevallen door betere inrichting der
') Zie Scott op cit. bl. 241.
105
contracten te eischen hun toestand veel gunstiger kunnen maken, zonder dat er internationale rechtbanken of zelfs nationale wetswijzingen noodig zijn.
Ik stel mij een contract voor met de bepalingen als volgt:
Er wordt uitdrukkelijk verklaard welke wet, het contract zal uitleggen; zoo noodig, wat het karakter van den dies zal zijn, waardoor de oneenigheid, welke hierover dikwerf bestaat, wordt uitgesloten.
De Staat kiest domicilie in het land van den schuld-eischer, of, wat nog veiliger is doet uitdrukkelijk afstand van zijn mogelijk nog bestaand recht ') om niet voor den gewonen rechter te worden gedaagd. Als variatie op deze laatste bepalingen zou de clausula compromissoria kunnen worden opgenomen. Dit is echter aan den eenen kant minder aan te bevelen, daar men dan met de executie weer verlegen zit, hoewel aan den anderen kant de moreele kracht van den arbitralen uitspraak wel voldoende zal zijn, licht grooter dan die van den gewonen rechter, terwijl het volgende plan van executie voor den leenenden Staat vrij bezwarend is.
Om namelijk de executie van het vonnis van den rechter te
') De Paepe bi. 37 op. cit. zegt echter uitdrukkelijk âtout Etat, qui âdans un pays étranger, fait élection de domicile, est soumis aux âtribunaux de ce paysquot;.
!()()
verzekeren, Iaat men den Staat een voldoend onderpand in het land des scliuldeiscliers plaatsen ').
Een voorbeeld hiervan 'vinden wij, toen in 1871 eene som van 339 millioen francs, afkomstig van eene tweede leening van Peru, bij de Bank van Engeland werd gedeponeerd tot garantie eener voorafgegane Peruaan'sche leening van 298 millioen frs.
Een ander voorbeeld is aan te wijzen in de in deposito-geving van Turksche effecten bij het Comptoir d'Escompte te Parijs door de Turksche regeering als onderpand van een voorschot haar door een syndicaat gegeven.
Het bedenkelijke hierbij was, dat het schuldvorderingen op den Staat waren, die als pand dienden voor eene vordering op dienzelfden' Staat. Practisch is dit echter niet noodlottig geweest. 1
Nog bedenkelijker en stellig niet voldoende is de wijze van in pand geving door de Chineesche Regeering bij hare laatste leeningen. Zoo is de G % goudleening van 189;quot;) gegarandeerd door eeii deposito in China bij de Hongkong en Shanghai Banking Corporation van Douane-obligatiën, welke obligatiën in iedere tractaathaven van
') Hierdoor zon do Staat volgens vele auteurs reeds de competentie van den rechter erkennen.
107
China voor inkomemle rechten in betaling kunnen gegeven worden. Aan dit deposito kleeft dus dezelfde fout als aan het Turksche, maar bovendien blijft het gedeponeerde in China, wat zeker do realisatie volgens ons systeem niet gemakkelijk zal maken.
Verder verdient liet aanbeveling eenige inkomsten te doen aanwijzen, die uitsluitend bestemd zullen moeten worden tot betaling der interessen en hoofdsom der leening zoo wijst de reeds genoemde Chineesche leening de Keizerlijke inkomende rechten van de tractaathavens aan, terwijl hierbij zeer toe te juichen is dat uitdrukkelijk wordt bepaald âdat de Keizerlijk Ciiineesche Regeering âgeen leening, last of hypotheek zal aangaan, die preferent is boven of gelijkstaande met deze leening of waardoor âop eenigerlei wijze het verband op de douane rechten, âvoor zooveel als de jaarlijksche dienst van deze leening âvereischt, wordt verminderd of verzwaktquot; 3).
Te veel gewicht moet men echter aan dergelijke clausules niet hechten; wel heeft Portugal in 1892 de zoogenaamde Tabaksleening van 1891, die op dergelijke wijze bevoor-
') In 1831 is het in ons land nog voorgekomen dat do opbrengst der grondbelasting verbonden werd voor de aangegane schuld. Zie Diss. Mr. Looft' âStaatsschuldenquot;.
2) Zie prospectus dezer leening van de Heeren Hope amp; Co,
108
recht was (door opbrengst Tabaksnionopolie), blijven betalen, terwijl de rente der overige leeningen met ongeveer 66% werden verminderd; wel heeft Argentinië in Juni 1893 de door de Dauaneinkomsten verzekerde leening alleen maar (!) van 5 % op 4 % gereduceerd, terwijl de niet bevoorrechte slechts 60 % van hun nominale interest zouden ontvangen '); doch een waarschuwend voorbeeld vinden wij in Griekenland. Dit land had leeningen in 1881, '84 en '87 gesloten met garanties op verschillende belastingen en monopolies (tabak, domeinen, douanen, zout, petroleum, speelkaarten, lucifers, cigarettenpapier (!)) In Dec. '9o werden de interessen van deze leeningen tot 3 % gereduceerd en al die garanties opgeheven. De inkomsten daaruit werden voortaan direct in de Schatkist gestort, zonder dat men zich in het minst aan de rechten der schuldeischers stoorde 1).
Een uitstekende waarborg zal er weder zijn, wanneer men de garantie zal kunnen krijgen van eene der groote
1
) Aan hen, die voldoende waarborg zouden wenschen le zien in de loyaliteit der leenende Staten, kan ik ten zeerste eene studie van de Grieksche bankroeten aanraden; grooter rechtsverkrachting is moeilijk aan te wijzen. Zie hierover verschillende brochures van Louis Drucker, bijv. âQuelques documents relatifs aux emprunts helléniquesquot; in 1874 en 1875 uitgegeven, en de finan-tieele bladen der laatste jaren.
109
Mogendheden '); de Staat zal dan zeker zijn best doen om geen reden van ontevredenheid aan den garandeeren-den Staat te geven en mocht er een kink in den kabel komen, dan heeft deze garantie zooals in dit geschrift bij de Turksche leeningen is aangetoond, groote waarde voor de schuldeischers.
Verder moest men eischen eenige uitdrukkelijke bepalingen omtrent de mogelijkheid van effecten- en couponbelasting, zooals trouwens in den lateren tijd reeds herhaaldelijk gebeurd 2).
Ten slotte hebben de leeningen van Honduras 3) geleerd hoe wenschelijk onafhankelijke commissies van controle op de bestemming der gelden zijn daar, waar de leening voor een opgegeven productief doel is aangegaan en men juist in dat doel een waarborg wenscht te zien voor den gere-gelden dienst der leening.
') Deze garantie wordt in liet algemeen niet zoo opgevat dat de garandeerende Staat zich verplicht in geval van wanbetaling, zelf de schuldeischers te voldoen, maar wel zoodanig, dat deze Staat zijn prestige zal aanwenden om don nalatigen Slaat te dwingen aan zijne verplichtingen te voldoen. In don laatsten tijd is er sprake van eene nieuwe Chiaeesche leening, te garandeeren door de collectieve Europeeache mogendheden, zie dagbladen ,Tempsquot; en âTimesquot; van 11 Mei 11.
') Zie boven blz. 15.
s) Zie boven blz. CC.
1 10
Werpt men mij nu tegen dat onder dergelijke voorwaarden als hierboven zijn opgesomd geen Staat eene leening zal willen aangaan, dan zou ik hierop willen antwoorden, dat zoo een Staat volgens zijn plicht zijne beloften gestand doet, de besproken clausules buiten werking zullen blijven en dus niets bezwarends hebben. Is die Staat echter van plan trouweloos te zijn, dan zijn zij niet te beklagen, die hun geld niet hebben kunnen kwijt raken, doordat de Staat met die voorwaarden geen genoegen wilde nemen, overtuigd dat voor trouweloosheid de weg vol voetangels en klemmen was.
Is de Staat niet stellig overtuigd van de mogelijkheid, van in de toekomst aan zijne verplichtingen te kunnen voldoen, dan doet hij m. i. ook beter geene leening te sluiten; ik ben het volkomen eens met hen, die meenen dat er in dit opzicht reeds veel te ruim van het crediet gebruik is gemaakt.') Tot slot van deze paragraaf wil ik op de wenschelijkheid
'j Challe}7 Bert in Econoraiste francais 27 Febr. '92 âQuand a 1'escla-âvage il a changé de forme, o'est a nos fils, petit-fils et arrière-âneveux, que nous dormous des fers sous forme de dettes''.
Zie reeds A. Smith âWealth of Nationsquot; book V Ch. IIF.
Leroy Beaulieu Ec. fr. 22 Juli '93 ânaus craignons fort que, au train actuel, le monde civilisé ne devienne a brève échéance insolvable.
In 88 zouden de voor inproductieve doeleinden aangegane Euro-peesche leeningen eene hoogte van 3000 millioen pond sterling bereikt hebben vlg. âFenn on the Fundsquot; Londen 1889.
Ill
wijzen, dat .de schuldeischers, die meestal over vele Staten verspreid zijn en daardoor niet voldoende aaneengesloten voor hunne rechten kunnen opkomen, reeds in den aanvang zich vereenigden en een comité vormden dat bij het minste onraad onmiddelijk krachtig zou kunnen optreden.
In Engeland vindt men de Cniincil cf Foreign Bondholders, eene inrichting, welke tot doel heeft de belangen van buitenlandsche-fondsenhouders te beschermen. Zij beeft m. i. dit minder wenschelijke dat het een permanent comité is, dat voor alle gevallen dienen moet; doeltreffender zou zijn wanneer er verschillende comité's waren, in dien geest dat zij, die er zitting in hadden, werkelijk persoonlijk belang hadden bij eene bevredigende oplossing van de (piestie, wier beslechting aan dat comité was opgedragen. In de practijk schijnt die Council ook niet erg tc voldoen, zooals men kan opmaken uit de zeer vijandige stukken in den aanvang van dit jaar in verschillende Engelsche bladen verschenen. ') Ook in de algemeene vergadering e)
') Bijv. Pall Mall âwij kunnen niet vergeten wat er gebeurd is toen âde onbillijke regeling tusschen Uruguay 'en hare schuldeischew âtot stand werd gebracht onder de auspiciën van den Council. âVerschillende tusschènpérsonen hebben toen voor onkosten en âcommission eene som ontvangen vap 162 duizend pond; nataur-âlijk rees de vraag, ol'schoon wij ons niet herinneren het antwoord âte hebben gèvondèn, waar dat geld is heengegaanquot;.
Zie verslag in de Nieuwe Rotterdammer courant van 24 Pebr. 11.
112
van de Corporation of Foreign Bondholders in Februari te Londen gehouden werd door den heer In gall eene motie voorgesteld tot onderzoek, welke motie hij onder anderen verdedigde met deze woorden: âEene instelling van de positie van den Council, welke enkel bankroete Staten schoon wascht, berokkent onberekenbaar nadeel en in het geheel geen goedquot;. Zijne motie bekwam eene respectabele minderheid, bijna */3 der stemmen.
De fout van den Council schijnt volgens âthe Economistquot; de volgende te zijn: âHet is ongelukkig in het belang van âden Council dat telkens als hem eene schuldregeling âwordt voorgelegd, eene schikking tot stand kome, niet âalleen omdat het aan zijn gezag afbreuk doen zou, als âhij daarin niet slaagde, maar ook omdat de Corporation âten slotte niet eene zuiver philantropische instelling is. âDe onderhandelingen, voor de te treffen regelingen nood-âzakelijk, maken het noodig, eene som gelds beschikbaar âte stellen, welke, komt de regeling niet tot stand, feitelijk âverloren is, zoodat de commissie, waarvan, voor een deel âalthans, de Council het hebben moet, niet gerealiseerd âworden. Het is ongetwijfeld te betreuren dat in zulke âomstandigheden een prikkel ligt om, ten einde althans âtot eene schikking te geraken, op sommige punten âmaar toe te geven in stede vol te houden totdat
113
âer eene volledige en billijke regeling is verkregen.quot;
In ons land worden dergelijke besclicrmingscomitó's ') pas gevormd wanneer de fondsen reeds noodlijdend zijn. (Zie art. 18 der Statuten dei' Vereeniging voor den Effectenhandel.)
§ 8. Eene andere preventieve maatregel, niet zoozeer ter voorkoming van nalatigheid (hoewel ook hierop gunstig zullende werken) als wel ter waarschuwing van het publiek, zoodat dit het aan zich zelf te wijten zal hebhen wanneer het dupe wordt, bestaat in het stellen van voorwaarden door de Beursbesturen voor de toelating van nieuwe leeningen tot de officieele noteering der ter beurze verhandeld wordende fondsen. Wordt die noteering niet toegestaan dan laat dit natuurlijk een vraagteeken open achter liet fonds, hoewel het handel drijven er in geoorloofd blijft, (het Duitsche ontwerp van de beurs-commissie gaat verder en verbiedt de verhandeling van niet genoteerde fondsen dooide makelaars.; In de meeste Staten (Nederland, Duitsch-land. Engeland. Frankrijk) bestaat een toezicht door comi-
') Aanbevelenswaardig komt mij de raad voor van Mr. A. H. Wert-lieim (zie â bl. 38 Diss.) om in deze comité's de emittenten te doen . vertegenwoordigen, aangezien deze door hunne zedelijke verantwoordelijkheid zich gedrongen zullen gevoelen alle pogingen aan te wenden en zij bovendien reeds in connectie met den Slaat zijn, waardoor zij de beste inlichtingen zullen kunnen inwinnen.
8
114
té's, terwijl in Oostenrijk de controle direct door den minister van finantiën uitgeoefend wordt.
In Amsterdam zijn de hoofdbepalingen daarvoor de volgende : Geen fonds (behalve Nederlandsche staatsfondsen) wordt tot de noteering toegelaten, zoo niet schriftelijke aanvrage daartoe is geschied bij het bestuur van de Ver-eeniging voor den Effectenhandel, voorafgegaan door publicatie van inlichtingen en vergezeld van het Regeerings-blad van den Staat, inhoudende het besluit tot goedkeuring van de uitgifte, en de prospectus, bevattende de voorwaarden van deelneming. Is de leening onder hypothecair verband of onder speciale waarborgen aangegaan, dan moeten de daarop betrekking hebbende actou worden overgelegd. Nieuwe leeningen van Staten, die in gebreke blijven hunne verbintenissen te voldoen, welke bij bestaande leeningen of bij later daaromtrent getroffen schikkingen zijn aangegaan, worden niet in de noteering opgenomen. Bij het aangaan van schuldregelingen door Regeeringen, waarvan de leeningen reeds in de noteering zijn opgenomen, kunnen de gewijzigde obligatiën niet in de noteering worden opgenomen dan nadat voldoende is gebleken dat de regeling in wettelijken vorm is tot stand gekomen en door eene voldoende meerderheid van belanghebbenden is goed gekeurd, terwijl genoegzaam rekening
115
daarbij moet zijn gehouden met de belangen van Nedei-landsche schuldeischers. Door liet Bestuur der Vereeniging wordt aangaande di» ingekomen aanvragen een onderzoek ingesteld met inachtneming van de daar tegen ingebrachte bezwaren.
Aan andere beurzen heeft men dergelijke bepalingen.
Bij de Londensche beurs is merkwaardig Rule (12 âThe âcommittee will not, after the restoration of peace, recog-ânize, or allow the quotation of any loan, raised by a ,power, whilst at war with Great Britainquot;.
Evenals in Amsterdam heeft men te Londen de bepaling dat als de emissie niet heeft plaats gehad in Engeland, de noteering niet kan geschieden voor zij is toegestaan in het land, waar de leening is uitgegeven. ')
Te Parijs, waar de Gambre Syndicale des Agents de Change beslist, wordt speciaal vereischt de vertaling in het Fransch van alle op de zaak betrekking hebbende, in vreemde taal gestelde stukken, verder de consulaire verklaring dat de leening ook in het leenende land officieel genoteerd is, terwijl de Minister van Finantiën steeds gerechtigd is de verhandeling van eenig buitenlandsch fonds te verbieden.
Eigenaardige artikelen in de Duitsche reglementen zijn,
') Zie de Bijlagen in Je Dits. van A. Wertheim. âHet Emissiesyndicaat.
llfi
(lat dc besteminiiig' dor te leencii gelden moeten worden aangegeven en uitstekend lijkt mij vooral de eisch dat in liet algemeen liet laatste budget van den leenenden Staat en liet totaal van het reeds geleende bedrag moeten gepubliceerd worden (in liet reeds genoemde ontwerp wordt het budget der laatste 3 jaren geëischt.) Ook wordt, zoo er bijzondere garanties worden verleend, eene nadere beschrijving dezer garanties verlangd.
Te Weenen. is het, zooals reeds vermeld, de Minister van Finantiën. die na raadpleging der âBörsekammer,quot; over de toelating tot de noteering beslist.
In Rusland worden buitenlandsche fondsen niet officieel genoteerd.
De in Nederland bestaande bepalingen hebben in 1880 geleid tot schrapping der Grieksche fondsen uit de Am-sterdamsche noteering ^), waarvan het gelukkig gevolg is
') De volgende krasse missive werd hierover tot de Grieksche regeering gericht: âLe comité de la Bourse d'Amtterdam,considérantquele âGouvernement de la Grèce, sans tenir compte des reclamations âréitérées et fondées des détenteurs de la majorité des obligations âdes emprunts 1824â1825 a fait passer une conversion de cette âdette, inique sous lous les rapports; considérant, (jue le Gouverne-âment liellénique par ces actes arbitraires a perdu tout droit a la âconfiance piblique: decide, que dorénavant tous les emprunts, âémis ou ii émettre par le gouvernement de la Grèce, seront exclus âde la cote officielle de la Bourse d'Amsterdam.quot;
117
geweest dat Nederland bij het latere Grieksclie bankroet weinig is betrokken geweest in tegenstelling met Engeland en Duitschland ')
Bepalingen als de nu in versciiillende landen bestaande zijn zeker uitstekend om tot zekere hoogte als controle over de vermoedelijke soliditeit van fondsen te dienen, vooral om bij weigering of schrapping der noteering tot waarschuwing van het publiek te strekken, doch de praktijk heeft het niet afdoende ook hiervan aangetoond.
Het is niet gemakkelijk aan te wijzen hoe dergelijke bepalingen aangevuld zouden kunnen worden, eene diepgaande beschouwing hierover wil ik dan ook niet trachten te geven. België en vooral Duitschland hebben in den laat-sten tijd zich hieraan vrij veel laten gelegen liggen. In het eerste land werd eene staatscoinmissie tot het ontwer-
') De vertegenwoordigers van de Vereeniging van Lhiitsclie houders van Grieksclie fondsen verzochten den .Rijkskanselier om interventie, daar hot huwelijk van de zuster des Keizers met den Griek-schen Kroonprins, een prikkel voor hen was geweest om vertrouwen te schenken aan de Grieksche fondsen. Hun bedoeling was eene internationale commissie benoemd te krijgen tor reorganisatie en controle der Grieksche finantien. Caprivi weigerde evenwel daartoe mede (e werken. Zie Journal Clunot Anriée 2rNo. 5en 6.
118
pen eeiuT nieuwe regeling (waarin ook de meermalen in dit werk genoemde de Paepe zitting had) benoemd, wier ontwerp men vindt in het dagblad âLa Belgiquequot; van 1 Dec. '.l-i; hierin worden vrij zware straffen bedreigd tegen allen, die zich aan bedriegelijke handelingen bij fondsenuitgifte schuldig maken en wordt in art. 10 hunne civielrechtelijke aansprakelijkheid uitdrukkelijk opgenomen. Art. 1 eischt âla publicité des conventions qui auraient âtité faites avéc le oónéticiaire de remission, relativement a remission, au placement des titres, a leur cession et au âservice des intéréts.quot;
In Duitschland is dezer dagen verschenen het ontwerp voor eene beurswet | hetwelk men vinden kan als noot in de vierde bijlage van de âVossische Zeitungquot; van 10 April 11.J waarvan de derde afdeeling handelt over de âZulassung von Werthpapieren zuin Börsenhander'. Hierin vindt men eenige bepalingen, die zeker voor algemeene invoering overweging verdienen Wij wijzen op S 36. âDie Zulassung âvon Werthpapieren zum Börsenhandel erfolgt an jeder âBorse durch eine Kommission, von deren Mitgliedern âmindestens der dritte Theil aus Personen bestehen âmüsz, wèlche sich nicht gewerbsmaszig am Börsenliandel âbetheiligenquot;. Hierdoor wordt natuurlijk beoogd meerdere onpartijdigheid van het Beurs-comité bij het toelaten of
11!)
weigeren der noteering, aangezien men bij hen die buiten den effectenhandel staan minder belang mag veronderstellen bij de toelating of afwijzing dan soms bij tot dien handel in betrekking staande personen het geval zou kunnen wezen. ').
Verder lijkt mij aanbevelenswaardig £ 39 âFür nicht âzugelasseno Werthpapiere darf eine amtliche Feststellung âdes Preises nicht stattfinden. Geschafte in solchen Werth-papieren sind von der Benützung der Börseneinrich-âtungen ausgeschlossen und dürfen von den Kursmaklern ânicht vermittelt werdenquot;. Hiervan is natuurlijk het goede rdoel, bemoeilijking van handel in niet genoteerde fondsen.
S 41 regelt nauwkeurig de civielrechtelijke aansprakelijkheid der uitgevers van het prospectus en voegt er âaan toe: âDie ersatzpflicht wird dadurch niclit ausge-âschlossen, dasz der Prospect die Angaben als von einem âDritten herrührend bezeichnetquot;-.
!) Het is inlusschcn niet te ontkennen dat het moeilijk zal zijn buiten dien kring deskundige beoordeelaars te vinden. Bovendien zal het wol in de bedoeling liggen zoodoende een tegenwicht te vormen tegen het solidariteitsgevoel, heerschendo onder de hervor-ragende beurspersunnages, welke elkaar niet licht bij emissies zullen tegenwerken omdat dit lucratieve bedrijf heden door A., inorgen door B. wordt ondernomen en men elkaar dus noodig heeft. Les loups ne sc mangent pas, mits men hot cum grano salis opvatte mag dit hier wel uitgesproken'worden.
126
Ik zou bij doze bepalingen nog de volgende voor invoering aan onze beurs ter overweging willen geven, l'.) Opgave bij de aanvrage om noteering van:
lt;(. Ægt; heslemming'ran hel ie kenen geld. Dit zal ten gevolge hebben, dat men weet ot het te leenen geld voor productieve (spoorwegen, havens) of improductieve (oorlogsbehoeften) doeleinden zal besteed worden. In het eerste geval is er eenige meerdere zekerheid voor geldgevers, aangezien de lasten van de leening wellicht geheel of ten deele door de nieuwe inkomsten zullen kunnen gedekt worden. In liet tweede geval vooral zal het van belang zijn dat het publiek zich van het sub. lgt; en c volgende goed op de hoogte kunne stellen.
h. Het budget over de laatste jaren van den lee-nenden Staat, benevens de reeds op dien Staat drukkende schuldenlast.
r. In geval van speciale garantie, de waarde van die garantie gedurende de laatste jaren.
â _gt;. Misschien zou het ook niet te veel gevergd zijn, wanneer men eischte dat de Staat uitdrukkelijk ver-
') Sub. 1 vindt men luj de Duitsche beurzen,
121
klaarde 'l geen couponbelasting te zullen heffen van de Iniitenlaiulsche sclmlfleischers.
Moest de koers waarvoor h^t emissiesyndicaat de lee-ning heeft overgenomen, steeds gepubliceerd worden. Dit zal ten gevolge hebben dat een te groot verschil in den koers van emissie er; den koers door het Syndicaat besteed, voorkomen wordt. Dit groote verschil zou slechts ten goede komen aan de emittenten en den Staat te zware lasten opleggen in verhouding van de geldsommen, die hij werkelijk ontvangt 2), waardoor de kansen op eene geregelde voldoening der verplichtingen zeer verminderd worden.
') Zeer goed zorgde de Staatsregeling van 1798 voor de schuld-eischers in art. 203. ,Er zal geene vermindering plaats hebben, ânoch van de Hoofdsom der Schuldbrieven zeiven, noch der Interessen en jaarlijksche Renten. Dezelven zullen niTnmer, met eenige âbelastingen worden bezwaajd, dan alleen met zoodanigen, welke, âbij de invoering der Staatsregeling dadelijk plaats zullen hebben.quot;
3) Zie boven bl. 0 over de leening Honduras.
STELLINGEN.
i.
Art. 17(j moet uit onze Grondwet geschrapt worden en daarin opgenomen de eiscii, dat voor het aangaan van Staatsleeningen meer dan de volstrekte meerderheid der Volksvertegenwoordiging noodig is.
II.
Art. as4 en 335 W. v. Ã. regelen onvoldoende de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bemiddelaars eener leening.
III.
Het opnemen der clausula compromissoria in tractaten verdient meer aanbeveling dan de tractaten van permanente arbitrage.
IV.
Vorderingen tot ontbinding eener overeenkomst behooren
niet (behoudens art. 42 li. O.) tot de competentie van den kantonrechter.
V.
Eene vrouw kan te gelijk curatele over haren man en scheiding van goederen aanvragen.
VI.
Gemeenschai) van winst en verlies is als wettelijke gemeenschap te verkiezen boven de algeheele.
VII
Art. 180(i B. W. moest vervangen worden door een artikel, dat de tijdsbepaling voor beide partijen bindend veronderstelde.
VIII.
Van het beding van wederinkoop moest ten aanzien van onroerende goederen uit de openbare registers blijken.
IX.
Het beginsel van art. 478 W. v. K. is af te keuren.
X.
Uitbreiding der revisie in strafzaken is wenschelijk.
XI.
Desertie van minderjarige schepelingen is niet strafbaar.
XII.
Het atieggen eener valsche sclieepsverklaring buitenslands wordt in ons \Y. v. S. niet voldoende voorzien.
XIII.
Het is wenschelijk geschiedenis der oeconomie onder de vereischten van het candidaatsexamen en den modernen stand dier wetenschap onder die van het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid op te nemen.
XIV.
Het is wenschelijk het Kon. Besluit van 2(i April 1895 zoodanig te wijzigen, dat de keus wordt gelaten tusschen het verdedigen van 24 stellingen of het schrijven en verdedigen van een proefschrift.