-ocr page 1-

H1!T

KRUIS DES VERLOSSERS

J. H. GUNNING, Jr.

t) -7 i

}lC —' £

AMSTERDAM, H. K L IJ W.

1S61.

-ocr page 2-

Di schri D( houd Verio ik va lijks besch ten, broed voort; aan gerae slechl hunm meer bij e zeer

;

-ocr page 3-

Dit gDschriftjen is overgedrukt uit het Tijdschrift Berea met eenige uitbreiding.

De titel is zeer veel meeromvattend, dan de inhoud. Ik maak er geene aanspraak op, het Kruis des Verlossers volledig te beschrijven. Immers, wat ik van den Verlosser ken, is iels zeer aanvankelijks en onvolledigs, en als ik het duidelijk zal beschrijven, dan moet ik het vele malen vergroo-ten, anders ware het te klein om voor mijne broeders te kunnen zichtbaar wezen. Ik heb hel voorts ontvangen uit het midden der gemeente aan welke ik het weder teruggeef. En in die gemeente zijn er velen voor wie mijne woorden slechts de teekening zijn van ervaringen aan de hunne gelijksoortig, doch bij hen met oneindig meer leven en kracht vervuld, dan tot nog toe bij mij. Trouwens ik geloof dat het altijd iels zeer persoonlijks is, van den zoendood des Verlossers te getuigen. Als ik eene getuigenis hoor

1*

-ocr page 4-

4

die beweerl, van deze zaak te spreken in voor-werpelijke volledigheid: die beweert eene voor elk Christen geldende »theorie der verzoening'' aan te bieden, dan wordt het mij zeer bang. In den Bijbel vind ik hierover veel meer theoriën dan het getal der Apostolische schrijvers bedraagt. En mijn «theorie,quot; zoo goed als die van elkander Christen door de apostolische getuigenissen opgewekt en daarvan afhankelijk, is echter eene andere in deze, eene andere wederom in andere omstandigheden des geestelijken levens. Voor allen die hierover spreken willen, is ten allen tijdi noodig een verbrijzeld hart en biddende verzinking der ziele in de. liefde des Heilands; maar overigens zijn de stemmingen en omstandigheden duizendvoudig, en even veelvuldig de «theoriën.quot; Niemand meetie dus dat ik er ook maar eenig-zins aanspraak op maak, de beteekenis van Jezus kruis met de hierna volgende arme woorden uit te putten.

Wanneer in de menigte der gemeenteleden die uit verschillende tijden en onder verschillende denkrichtingen waarlijk wedergeboren zijn, zich ieder zooveel mogelijk aan zijne bijzondere persoonlijke gesteldheid ontheft, en wanneer zij dan trachten een zooveel mogelijk eenstemmigen lofzang te doen hooren omtrent hetgeen zij weten

-ocr page 5-

van de verdienste des Heilands, dan komt die lofzang, zooveel ik zie, hierop neder: Hij lieeft ons Gode gekocht met Zijn bloed. Onze vrede ligt bepaald in het vol bracht-zijn van Zijn werk. liet was vroeger onze ellende dat wij onze rechtvaardiging in onze heiligmaking lieten opgaan: dat wij meenden slechts telkens voor zóóver gerechtvaardigd te zijn als wij ons geheiligd gevoelden. Daarentegen, sedert wij bekeerd zijn weten wij, aan de verdoemenis volstrekt ontheven te wezen, naardien wij in Christus zijn. Deze wetenschap nu wint in helderheid en zaligheid, naar mate wij, met de noodzakelijkheid der wederliefde, niet meer naar het vleesch leven, maar naar den geest Ja onze vrijmoedigheid om van den Christus vóór ons te getuigen, steunt alleen daar op, dat wij Hem door Zijn aanvankelijk vernieuwingswerk i n ons, als een Levende bebhen loeren kennen; en elke andere vrijmoedigheid houden wij voor een valschen waan. Desniettemin , het is alleen de helderheid en zaligheid, maar niet de diepste zekerh eid van die wetenschap, en evenzoo, het is alleen de gegrondheid van onze vrijmoedigheid tegenover de wereld, maar niet tegenover God, welke aanwint en groeit met de mate onzer heiligmaking. Ware het anders, zoo waren wij gewisselijk verloren. Want hel is immers

Jh

-ocr page 6-

6

onze ervaring dat, naar male wij in heiligmaking vooruitgaan, wij des te meer in eigen oog achteruitgaan. Hoe meer Christus in ons wast, hoe minder wij worden voor ons zelve. Hoe helderer licht in ons, hoe schrikkelijker duisternis daar tegenover. En wij stellen ons voor dat wij op ons sterfbed, als wij bijna volmaakt zullen wezen, met meer oprechtheid en behoefte dan ooit te voren om de eerste beginselen van alle werk der genade in ons zullen vragen.

Op dezen aan allen gemeenschappelijken grondslag nu trekt de Heilige Geest in ieder het gebouw zijner bijzondere ervaringen op. Voor mij is de godsdienst in haar laatsten grond en in haar diepste wezen niets anders dan geestdrift, enthu-siasme, God in ons meer en meer woning makende; en het zedelijk leven in zijne eenvoudigste uitdrukking niets anders dan het pogen om aan die geestdrift getrouw te blijven, om de lichtpunten des geestelijken levens niet voor inbeelding en overspanning te laten verklaren, maar ons in God meer en meer zelfstandig te vestigen. God zegt tot ons in de uitverkoren hoogtepunten des geestelijken levens; U is de Christus geboren. En nu is onze taak, die stem riet te vergeten, al verdween ook het schitterlicht, maar heen te gaan dóór de nacht, totdat wij op den

-ocr page 7-

7

/2

kalmen middag het kindeke waarlijk vinden ter plaatse waar de engel ons heen gewezen had.

Zulke geestdrift heeft niets gemeen met onpraktische gevoels-prikkeling of overspannen 1)0-vindingsleven. Zij kent niet die strakke afgetrokken scheiding tusschen den ouden en den nieuwen mensch, waarbij de nieuwe mensch in zijn eigen bestaan zich zou verlustigen, maar tegelijk den ouden mensch laten voortgaan zich aan de. begeerlijkheden des vleesches over te geven. Neen; maar gelijk zij de zonde niet duldt, maar ten bloede toe bestrijdt, zoo geeft zij juist de geschiktheid om zich in het gewone praktische leven met kalme vastheid op zijne plaats te gevoelen. Op zijne plaats, doch niet te huis. Neen, het eigenlijke burgerschap is in de hemelen. Maar zou nu het gedurig verzinken van den blik in de diepte van die hemelen ons aan de aarde vreemd maken? Ik meen dat, integendeel, hoe hooger onze aanschouwing in de hemelen opstijgt, wij des te vollediger en naauwkeuriger op de aarde georiënteerd worden. Met eerbiedige huivering verhef ik mijn oog tot de zon, en leer uit hare vastheid de dagelijksche beweging kennen van mijne planeet en van de plaats waar ik sta. Dat is eene rijke praktische winst, aan de aanschouwing dezer onmetelijke hoogte ontleend. Doch

-ocr page 8-

ik waag het, nog zeshonderdduizend malen hoo-ger op te zien dan de zon. En nu leert mij Bessel's vaste ster, dat niet alleen mijne planeet om hare as draait, maar dat hare zon en het geheele stelsel dat zij verlicht, in nog vele duizend malen grootere snelheid door de oneindige ruimte vliegt____ Waarlijk, de praktische oriëntering neemt in juistheid toe met de hoogte der aanschouwing. Wat zou het dan zijn indien eens de ware cenlraal-zon vau het heelal kon gevonden worden?

Hallelujah, zij is werkelijk gevonden Ja met meer zekerheid dan de slerrekundige omtrent zijne Halcyone, betuigt het de gemeente dat in het kruis van Golgotha de middelpunt-sterre des geestelijken heelals gegeven is. Het hewijs dat het dit waarlijk is, wordt door dat kruis gegeven juist door de praktische oriëntering waartoe het in staat stelt; namelijk door de vernieuwing des harten die er van afstraalt op ieder die het waarachtig aanschouwt. Wilt gij de getuigenis van die ervaring hooren?

»Dit_is mijn éénige troost, beide in leven ;n sterven, dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar Lloed voor alle mijne zon-

-ocr page 9-

9

den volkoraenlijk betaald en mij uil alle geweld des duivels verlost heeft.quot; Welk is dat geweld des duivels ? Het is de ergste dood, die der alledaagsche ongeloovige zedelijkheid. Hoe verlost Hij daarvan? Door in den geloovige een klein beginsel van Zijne eigene zelfsverloochening en overgave in de plaats van deze baatzucht te stellen. Naar deze ervaring streef ik, omdat ik een zeer klein begin van dat beginsel in mijne beste oogenblikken in mij bespeur.

De » broederquot; dien ik. in mijn geschriftjen doorgaande toespreek, staat voor het oog mijns geestes liefst in den levensvorm der jongelingsjaren, des krachtvollen mannelijken leeftijds.

Jongelingen, gij onderzoekt en bewondert zoo veel. Gij kunt met zooveel inspanning de heerlijke geheimen der wetenschap doorvorschen, met zooveel drift naar een kunstgenot grijpen, als ware het de zaligmakende genade Gods zelve. Gij kunt in zoo warme geestdrift ontvlammen voor wat goed en edel is. En gij hebt recht daarin. Het leven-zelf is niet veel waard, indien het niet verlicht wordt door geestdrift en bewondering voor iets, dat ons meer is dan het leven. Maar of uwe geestdrift voor kunst,

-ocr page 10-

2

10

wetenschap en het edelste levensgenot, of die geestdrift de ware zij, dat moet blijken uit deze proef, of zij zich het hoogste voorwerp kiest, wanneer het haar voorgesteld wordt, of wel of zij met weerzin voorbijgaat, om zich aan het mindere vast te hechten. Welnu! ik stel u als het hoogste den Christus, den Gekruisigde vóór. Wat zegt nu uw geweien, uw hart? Uit zoo vele bronnen hebt gij reeds gedronken. Tot zooveel zijt gij reeds gekomen. Kom ook eens tot den Rabbi van Nazareth, en hoor wat uw binnenste u zegt. Het is er nu de tijd, de juiste tijd toe. Gedenkt uwen Schepper (want tot Christus komende, zult gij bevinden, dat gij met tusschen u en God in het midden zijt staande gebleven, maar waarachtig tot God gekomen zijt) gedenkt uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, éér de kwade dagen komen. Weet gij welke die kwade dagen zijn? Ik zag in Zwitserland herbergen, die vroeger kloosters geweest waren. Godgewijde hymnen hadden er weergalmd. Maar nu joeg de gansche wereld er uit en in met ijlende haast, en de arme reiziger moest zich zeer in acht nemen, om niet door de » vergissingenquot; van den man aan het buffet onophoudelijk geplunderd te worden Ik zag er in de vallei van Lauterbrunnen den Slaub-

-ocr page 11-

11

■■

/*t?

J

bach. Van eene hoogte van raeer dan 900 voeten stort zich het frissche water in de diepte, en schijnt een prachtvollen waterval te beloven. Maar helaas! het water raakt weldra los van de rots, de wind onderschept het, en slechts een stuivende nevel komt op de weilanden neer.

Och ik zeg niet dat gij altijd, wat het uitwendige leven betreft, lichtzinnig zult blijven, indien gij aldus de eerste lielde verlaat, het klooster tot herberg doet worden en den brui-schenden stfoora tot eene stuifbeek. Neen, zoo gij u niet bekeert, kunt gij toch later wel een stemmige, achtbare huisvader wezen. Misschien zelfs een, godsdienstig man, bij wien slechts weinigen bemerken, dat hij den nieuwen mensch over den ouden heen aangetrokken heeft. Gij kent Jaques uit Shakespeare's As you like it: den geblaseerden hoveling, die zich vroeger tot walgens toe aan do genietingen dor wereld heeft verzadigd, en later noch in geluk noch in ongeluk op zijne plaats, bij alles verdrietig en onbevredigd blijft. Gij herinnert u hoe meesterlijk de dichter met een los daarheen geworpen woord hem op het laatst tot den plotselings bekeerden Hertog doet gaan, om met hem een kluizenaarsleven te beginnen, want «van zulke bekeerden is veel te leeren.quot; En dan keert Jaques zich

^ÊÊÈ

-ocr page 12-

12

van den dans af, in de stemmigheid die in »de wereldquot; op hare wijze het booze ziet, zonder die » wereldquot; in het eigen hart te hebben opgemerkt. Dan buigt hij zich onder het gezag van hen, die hij voor bekeerd houdt, en bootst hunne levenswijze na;

Ik bezweer u doet zoo niet. Wijdt nu, nu uwe jeugdige levenskrachten den Heere Jezus toe, en begint nu, nu alle dagen met Hem te sterven. Verzaakt nu niet uwe behoefte aan het waarachtige leven, in afwachting van het latere schijnleven: maar werpt nu in de kracht des Heiligen Geestes het schijnleven weg en komt tot het waarachtige leven. Komt tot het Kruis van Golgotha. Mocht door mijne teekening iets van de heilige heerlijkheid van dat kruis u kenbaar worden.

-ocr page 13-

HET KRUIS DES VERLOSSERS.

l.

Wees mij gegroet gezegende dag, die naar waarheid Goede Vrijdag heel! Met beving verheugt zich mijn hart in het vooruitzicht van weder voor de gemeente en in haar midden te mogen getuigen van mijn eenigen troost in leven en sterven, en in de stille toestemming van alle kinderen Gods in ons midden de getuigenis te vernemen, dat Hij er velen met mij door Zijn dood van den dood heeft vrijgemaakt.

Doch eene weemoedige gedachte komt hier bij mij op. Ik denk thands niet aan de lichtzinnigen van wie de gemeente der heiligen weenende zegt, dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn. Neen, maar ik denk aan anderen die niet verre zijn en toch het kruis der groote Verzoening niet met voile overgave des harten omvatten kunnen. Wat is het dal hen verhindert ? Niet dat

-ocr page 14-

14

zij aan de verzoening met God geene behoefte gevoelen, niet dat zij niet in Jezus den eenigen naam die ter zaligheid gegeven is, zouden be-geeren te erkennen. Maar zie, het kruis van Golgotha en de apostolische verkondiging van dat kruis is hun verduisterd door droevige dwalingen. In hunne jeugd hebben zij de leer der Vaderen in strengen of verzachten vorm gehoord, en hebben daarna Christus in het raidden der gemeente beleden en ook menigmaal Zijns doods gedacht met do schare. Doch sedert dien tijd is er veel over hen heen gegaau. In allerlei ervaring der wetenschap en des levens zijn ze vooruitgekomen, maar hunne kennis van de waarheid die in Christus is, bleef verre bij hunne overige wetenschap ten achteren. Dit is niet builen hunne schuld geschied. Met smart erkennen zij dat, maar op het oogenblik is het niet anders. En als zij nu hooren van verzoening door hel bloed des kruises, van de straf die ons den vrede aanbrengt en die op Hem was, van Zijne striemen door welke ons genezing is geworden, van de plaatsvervangende gerechtigheid des Zoons van God, dan zijn hun deze klanken vreemd, buitensporig en verward klinkende, met hunne denkbeelden van Gods volmaaktheid en van 's menschen behoeften in strijd. Met be-

-ocr page 15-

15

naauwdeu weerzin keeren zij zich van dit, zoo zij meenen, spitsvondig stelsel af — maar toch hebben zij er geen vrede bij; zij vragen naar licht, zij strekken zich uit naar vertroosting.

Zal ik hun die vertroosting kunnen geven? Door de genade mijns Gods ben ik dier zeker-quot; beid deelachtig, die in het kruis van Golgotha als in het middelpunt onzer behoudenis roemen leert. Ik geloof van ganscher harte aan de verzoening door het bloed des kruises en aan de plaatsvervangende gerechtigheid mijns Middelaars, en weet dat mijne zonden door Zijne verdiensten bedekt, mijne schulden door Zijne zoenofferande uitgedelgd zijn, anders zou ik, helaas! van wanhoop verslonden moeten worden. Ik weet ook dat niemand anders dan de Heilige Geest het mij, en allen die het welen, geleerd heeft, ons van zonde en van Jezus gerechtigheid overtuigende. Zal ik dan in staat zijn door mededeeling en uiteenzetting mijne broederen die naar licht verlangen, te helpen ? Ja toch: want heigeen ik van den Heiligen Geest geleerd heb, dat heb ik van de gemeente geleerd, in wie de Heilige Geest is en spreekt. En gelijk andere broeders mij tot verheldering mijner inzichten als gezegende middelen hebben gediend, zoo verwaardigt dezelfde Geest mij wellicht, voor andere zoekende

S==3

ï i

L.

4

-ocr page 16-

1 16

broederen tot voorlichting te wezen. In dat vertrouwen en met die bede wil ik eenige woorden spreken, niet om alles uit te leggen, niet om de begrippen naauwkeurig te ontleden, maar om, al is het in vluchtige woorden, toch het een en an-'der te trachten aan te raken dat misschien licht werpen kan.

Allereerst, ik weet, mijn broeder, welke bedenking in uw binnenste sluimert. Aan vergeving, aan verzoening met God hebt gij behoefte. Dat die behoefte nog niet bevredigd is, dat gij meer noodig hebt dan gij nu nog bezit, dat gevoelt gij. Dat het vriendelijk beeld van Christus, gelijk het Evangelie dat beelij tot u brengt, u verkwikt en aantrekt, dit ontkent gij niet. Maar toch, toch, ja aarzelend spreekt gij het uit, want gij beseft dat uwe bedenking het geheele christelijke geloof zou doen vervallen, indien ze waarheid sprak .... maar gij hunt de gedachte niet van u weren, die daar fluistert:

«Waartoe de Middelaar? Is God dan niet barmhartig en vergevensgezind uit zichzelve? Waarom kan ik mij niet terstond in Zijne armen werpen, roepende: Vader ik heb gezondigd — en van Hem hooren: Ik heb u vergeven ? Waarioe deze — als ik het dan oprechtelijk zeggen zal

-ocr page 17-

17

wat in mij oprijst — waartoe deze hinderlijke tus-schenpersoon ?quot;

Ach, ik versta deze bedenking. Hoe lang heeft zij mijn eigen gemoed vervuld en mij den vrede benomen! Ik versta haar. Ik weet uit eigen herinnering met welke wijduitgestrekte gedachten zij zamenhangt.

Hoe zal ik haar beandwoorden? Volledig kan ik dat nu nog niet doen. Want zoolang gij deze bedenking oppert, duld dat ik het u zegge zonder het u nog te kunnen bewijzen, zóólang kent gij uwe eigen diepste behoeften nog niet. Eerst moet ik u van Christus den gekruisigde spreken, en tot u zeggen: dat is geschied, en zoo goed mogelijk u uitleggen hoe en waarom het geschied is. Want eerst bij dat kruis, eerst als gij verkeert onder deze verkondiging, kan bij u het besef van uwe diepste behoeften ontwaken. Dit zijn de wonderbare wogen Gods in de christelijke verkondiging: gij komt tot die verkondiging, nog meenende dat gij leeft. En geene redenering is in staat u van het tegendeel te overluigen; slechts eene schemering van een besef van gevaar bestaat er nog maar bij u, voldoende om u ten minste te doen besluiten, om aan die verkondiging een oor te leenen. Dan heft die verkondiging aan, en zegt: door Christus' zoendood is u

-ocr page 18-

i8

het leven geschonken. Die boodschap kan spoorloos langs u heengaan, zonder vrucht achter te laten. Maar ook kan er iets daarbij geschieden wat ik beschrijf met de woorden: de Heilige Geest heeft het levend gemaakt in zijn hart; er was behoefte en oprechtheid in zijne ziele. Gij stemt niet toe, dat dit de werking van den Heiligen Geest behoeft te zijn, en gij kunt dat ook niet toestemmen, want alleen de ervaring leert het ons — Genoeg, bij die verkondiging van Christus' zoendood zal het óók kunnen geschieden, dat zij indringt in uw hart, en eerst dan, eerst dan wanneer gij waarlijk begint te gelooven dat u het leven door dien dood van Christus geschonken is, eerst dan begint gij te gevoelen: waarlijk ik was dood — terwijl het op datzelfde oogen-blik als met de snelheid des bliksems door uwe ziele vaart: ik ben levend geworden! Eerst door het geschonken leven beseft gij de mate van den overwonnen dood; eerst door het vervuld zijn van uwe behoefte, peilt gij de schrikkelijke diepte dier gewezen behoefte. O hoe worstel ik met de

taal om u deze dingen duidelijk te maken ____

waarmede zal ik ze vergelijken? Herinner u hoe soms in den droom eene geschiedenis van gehoele agen en weken door u doorleefd wordt, en het laatste van dit alles, geleidelijk op het voorlaatste

-ocr page 19-

19

volgende, is een liefelijke klank die tot u komt; gij ontwaakt, en zie liet was eene beminde stem die u wakker liep: en met verbazing bepeinst gij dit wonder, hoe deze stem, in dat ééne oogen-blik roepende en u wekkende, uwe drooraende voorstelling bliksemsnel door deze geheele reeks van gebeurtenissen en toestanden als met achterwaarts gaande beweging geleid heeft. Herinner u hoe gij een vriend hadt, van wien gij jaren lang dacht dat hij uw vriend niet was. Gij hebt hem meestal ontweken, nooit recht begrepen, vaak verdacht — eindelijk komt een woord, eene daad van hem u zijn wezen volledig verklaren; gij ziet in de diepte van dat wezen de brandende liefde voor n, voor u den ondankbare; en bliksemsnel vaart nu een licht met teruggaande beweging over al uwe vroegere herinneringen heen, en zij alleu beschamen u; en bij iedere van die herinneringen ziet gij, dat er toenmaals een gevaar boven u gezweefd heeft van voor altoos van die liefde afgekeerd te worden, en elke van die vlijmende herinneringen gaat toch vergezeld van het heerlijk besef, dat dit gevaar nu geweken is en gij onscheidbaar voortaan aan zijne liefde verbonden blijven zult. Denk dit en dergelijke dingen in, mijn broeder! en zij zullen u iets, iets ook slechts, maar toch iets, verklaren van den

-ocr page 20-

20

zin des proletischen woords: «Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heupe geklopt.quot;

Daarom, zoo gij vragen mocht waartoe gij den Middelaar zoudt noodig hebben, daar gij immers wel onmiddelijk lot God kunt gaan? dan kan ik u nu nog geen volledig and woord geven; niet omdat ik het niet weet, maar omdat gij niet begrijpen kunt wal alleen na eivaring begrepen wordt. Doch iets kan ik u reeds nu andwoorden. Hoor mij aan.

Voor en aleer gij werkelijk met God verzoend zijt, kunt gij in eeuwigheid niet tot Hem komen alleen uit nzelve. Want wat ontbreekt u? u ontbreekt niets, dan alles. U onlbreekt waarachtige liefde tot God: liefde met uw gansche hart, met geheel uwe ziel, met geheel uw verstand, met al uwe kracht voor God. Iels anders nu, iets minders dan die liefde kan u met God niet vereenigen, ja kan den afstand die daar is tusschen u en God, geene enkele schrede minder maken. Dat gij die liefde thands niet bezit, dit stemt gij toe, zoo gij ernstig zijt. Maar kunt gij u tot die liefde inspannen, kunt gij ze verkrijgen '.ot vrucht van gemoedelijk ernstig pogen? O misleid u niet. Liefde laat zich niet dwingen. Uwe

-ocr page 21-

21

!

bezitting volkomen weg te schenken en uw lichaam ter verbranding over te geven, ja daartoe kunt gij gedwongen worden door anderen of door uzelve. Maar tot hel kleinste sprankjen van liefde kunt gij noch uzelve dwingen noch gedwongen worden door de kracht des ganschen heelals. Slechts eene kracht kan u tot die liefde, ja tot volkomene liefde dwingen; eene kracht die sterker is dan het heelal, namelijk de liefde Gods. Om liefde te kunnen doen ontstaan, moet men eerst liefde geven: om volkomen liefde Ie wekken, moet God eerst u volkomen liefde bewijzen. Zeg nu niet, zoolang gij Christus niet kont, dat God u genoeg liefde bewezen heeft om uwe liefde te kunnen wekken, namelijk door Zijne gaven van het leven, de gezondheid, de geestvermogens, de

wereld____ Houd op, gij liegt, gij liegt. Dit

alles heeft geene waarachtige liefde bij u gewekt, gelijk gij zoo even zelf erkend bobt. Dit alles kan geene waarachtige liefde bij u wekken, want het maakt u toch niet gelukkig en het is uwe hoogste liefde niet waard. Dit alles heht gij ontvangen, en het heeft u toch niet volkomen gelukkig gemaakt, want immers heeft het geene volkomene liefde bij u gewekt.

Want — en ziehier de oplossing van het raadsel — dit alles, leven, gezondheid, geest-

-ocr page 22-

2-2

vermogens, wereld, dit alles is geen volkomen liefdebetoon Gods. Volkomen liefdebetoon is niets anders dan mededeeling van zichzelve. Let wel, niet van Zijne gaven, niet van alle zijne gaven, maar van zich zelve.

Heeft God dan meer dan zijne gaven, heeft God dan meer dan alle Zijne gaven, heeft God dan zichzelve gegeven?

Ja, zegt de christelijke gemeente, ja, Hallelujah, dat heeft Hij gedaan.

Hoe heeft Hij dat dan gedaan? vraagt gij.

Ik andwoord u nog niet. Want gij kunt dit andwoord nog niet aannemen.

Ik voer u uit de hoogte van Gods wezen tot de diepte van uw eigen wezen terug.

Namelijk tot de diepte van uwe zonde.

Hoor mij verder aan.

Mijn broeder, gij hebt met den eersten Adam eene gemeenschap van zonde en van schuld. Wat in den aanvang is geschied, dat werkt over de gansche verdere ontwikkeling door. Dit gansche menschelijke geslacht waartoe gij en ik behoo-ren, is door de zonde aan den dood en het verderf onderworpen, en staat schuldig en verwerpelijk voor God.

Maar in die onafgebroken, door alle tijden voortloopende ontwikkeling der zondige geslach-

-ocr page 23-

23

ten, is een nieuw aanvangspunt gesteld. De tweede Adam is gekomen, rein en heilig, en is het begin der tweede schepping geworden; en ook hier is het gelijk in de eerste schepping, dat al het volgende dat zich uit Hem ontwikkelt, aan zijne hoedanigheid deel heeft. In den eersten Adarn zijt gij van nature, in den tweeden Adam moogl gij zijn door het geloof.

Maar dit is het onderscheid tusschen het zondige natuurlijke leven en het leven des geloofs, dat het eerste onvrijwillig is; een last met wiens drukking op u gij geboren zijt; en hel tweede is het leven der vrijheid, omdat het is eene gave des Heiligen Geestes, welke het beginsel der zelfstandigheid is. Het heeft niet ter uwer keuze gestaan, al of niet in zonden ontvangen en geboren te worden. Maar wel wordt het ter uwer keuze gegeven of gij God dienen en het beste deel erlangen zult in den geloove, of niet. In alles wat tot uw natuurlijk leven behoort, kunt gij alleen schijnbaar, maar niet werkelijk, iets doen uit vrije beweging. In dat alles zijt gij bepaald door den natuurzamenhang die u omgeeft. Die natuurzamenhang die u omringt, en waarvan ook uw eigen natuurlijk leven naar ziei en lichaam eene gebondene schakel, een onzelfstandig lid is, die wordt door u niet begrepen noch beheerscht.

-ocr page 24-

24

Terwijl gij zijn invloed ondergaat en van uwe zijde daarop terug werkt, zijt gij uws zelfs niet volkomen bewust; gij handelt slechts willekeurig, maar niet vrij. Maar zoo gij zult wedergeboren zijn, dan zult gij vrij wezen. Wat een werk is van uwe zondige natuur, dat is in den diepsten grond uw eigen werk niet, hier beneden. Zoolang gij niet wedergeboren zijt, kan uw eigen wezen niet werken want het is en blijft gebonden. Één werk is er slechts, dat in den diepsten grond uw eigen werk, een werk der vrijwilligheid, dei-liefde is. En dat is, in Christus te gelooven. Want dat geloof is geheel en al van den aanvang tot het einde, een werk des Heiligen Geestes En de Heilige Geest alleen is de werkmeester der zelfstandigheid, der vrije werkzaamheid, anders gezegd: der liefde. God wil geene andere toekeering tot Hem, dan die, welke zij een werk der liefde, dat is: der vrijheid. Daarom geldt voor Hem geen ander geloof, dan hetwelk zij eene genadegave des Heiligen Geestes; een vrijwillig geloof.

En nu laat mij u uiteenzetten wat er geschied is, opdat de Heilige Geest dat geloof in u zou kunnen werken.

Gij hebt gehoord van een drama dat zich eigenlijk in den hemel voltooide, om dan op aarde

-ocr page 25-

25

te worden nagespeeld. De Vader berekende dat de zonde der menschheid haar lot het betalen van eene oneindige schuld gehouden had gemaakt. Naar Zijne liefde zou Hij die schuld willen kwijtschelden, naar Zijne gerechtigheid kon Hij niet. Ziet, daar verscheen de Zoon, en verklaarde dat Hij die schuld zou betalen. Het verdrag werd met Zijn bloed geteekend — en gelijk Hij daartoe gehouden was, zoo verscheen Hij ter bestemder tijd op aarde, en betaalde de schuld. Alzoo was hier geschied wat op aaide met een of anderen schuldeischer geschieden zou. Hij heeft in zijn boek gesteld de som die hij in te vorderen heeft. De schuldenaar is onvermogend tot betaling, en moet nu gestraft worden. Plotselings verschijnt een derde, en verklaart dat hij de schuld overneemt. Wat raakt het nu den schuldeischer, of de schuldenaar met dezen edelmoedige in betrekking staat, of niet? Wat zou hij er naar vragen, of die schuldige ook later aan zijn bevrijder dankbaarheid zal betoonen, of niet? Doet de bevrijdde schuldenaar dal, zoo veel to heler; maar de hoofdzaak is dat hij, schuldeischer, zijn geld ontvange, en na dat geld werkelijk ontvangen te hebben, is hij voldaan en de zaak is geëindigd.

Van deze vergelijking keert gij u met weerzin

2

-ocr page 26-

26

en een pijnlijk gevoel af, niet waar? Gij hebt er volkomen recht in, mijn broeder. Maar deze leer is ook, Goddank! noch de leer der Heilige Schriflen, noch die der Kerk waarin gij het voorrecht hebt, met mij opgevoed te zijn.

Voorzeker, God wil dat aan Zijne gerechtigheid genoeg gedaan worde. Doch dat wil Hij niet tegenover zijne liefde, maar om zijne liefde. Gerechtigheid en liefde zijn één in God. Zijne gerechtigheid eischt volkomen voldoening aan Zijne heilige wet; en Zijne wet drukt datgene uit, wat éénig en alleen den mensch kan doen zalig zijn; zij eischt dat de mensch door de liefde in Zijne gemeensch'ap leve, en derhalve zalig zij. God is onverbiddelijk in Zijn eisch dat gij zult zalig zijn, dat is, dat gij aan Zijne wet, aan de levensvoorwaarde van uw eigen naar Gods beeld geschapen wezen, voldoen zult. God eischt dat aan Zijne gerechtigheid door u genoeg gedaan worde, met andere woorden. Hij wil volstrekt dat gij zult zalig zijn — omdat Hij de liefde is. Omdat Hij de liefde is, vlamt Zijn loorn over uwe zonde, en zal haar gewisselijk door Zijn wraakvuur verteren; omdat God haat datgene wat u rampzalig maakt, uwe zonde. Ja uwe zonde zal onder het vlammend vuur Zijner wrake verteren, de vraag is slechts alleen: zult

-ocr page 27-

27

gij zelf daarmede verteerd worden door u aan uwe zonde vast te hechten en met haar getroffen te worden, of wel zult gij u inwendig afscheiden van uwe zonde, zoodat zij nu een lastige, een vervloekte kerker voor u wordt in welken gij blijft zuchten totdat het bliksemvuur des hemels dien kerker in vlammen zet en gij, wel met gezengde kleederen maar ongedeerd, in vrijheid komt?

En die voldoening aan Zijne gerechtigheid, die onverbiddelijk uwe zaligheid eischt, door wien zal die gegeven worden? Door een ander wezen dat niet met u in betrekking staat? Neen, dat zou u niet helpen. Gij zondig mensch, gij, gij zelf, moet Gode die schuld betalen. De mensch-heid zelf moet uit eigen beweging tot God terugkomen. Ja uit eigen beweging. Want alleen in de liefde tot God is uwe zaligheid en derhalve de voldoening aan Gods gerechtigheid. En de liefde is vrijwillig, of zij is geene liefde. Gij zult u moeten bekeeren, hetwelk niet is de vernietiging van uwen wil onder eene onbegrepen macht, maar juist de vrijmaking van uw wil die nu nog onder de zonde gevangen ligt.

Daarom zal God de menschheid, de afgevallen menschheid, niet als door een tooverslag op eenmaal bekeeren. Dat ware vernietiging van het

2 •

-ocr page 28-

28

ezenw der bekeering zelve, hetwelk in de vrijwilligheid der toekeering bestaat. Ook vroeger herschiep Hij het menschdora niet plotseling na het strafgericht van den zondvloed. Maar Hij verkoos één man, om de stamvader van een nieuw geslacht te zijn, opdat door de aansluiting der liefde, door den erfzegen des geloofs, de gerechtigheid van Abraham, den vader der geloo-vigen, over allen komen zoude.

Abraham was een zondaar, en het werk, in hem begonnen, was onvolkomen. Maar de tweede Adam, het hoofd der nieuwe schepping, is gekomen als het beginsel van eene nieuwe ontwikkeling , opdat, gelijk bij den eersten Adam, datgene wat in Hem was, over allen komen zoude die in Hem zijn. Hij nu is de Mensch, de Mensch bij uitnemendheid; en zoo de zondige menschheid in Hein is door de liefde, de vrijwilligheid des geloofs, zoo zal datgene wat in Hem is, ook in de menschheid zijn.

Welnu, in de zwarte massa der menschenge-schiedenis vertoont zich één lichtpunt, het is de geschiedenis van Jezus van Nazareth, op Golgotha voltooid. Overal op de gansche massa rust Gods rechtvaardige toorn, hier is een rustpunt voor Zijn welbehagen. Want deze mensch heeft aan Gods gerechtigheid voldaan. Geen wezen dat u

-ocr page 29-

vreemd is, o zondaar! maar de mensch, de mensch, staat in Christus weder rein voor God.

Dat is geschied door Zijn gansche leven, één zamenhangend offer der volmaakte gehoorzaamheid aan God. Gij vergt niet dat ik u over dat leven zal spreken, en ik heb alleen willen opmerken, dat de dood des Heeren niet van Zijn leven kan afgescheiden worden. Dat geheele leven was een leven des lijdens. Die dood was de kroon van Zijn leven.

Wat is dan Jezus dood? Ik waag het niet u deze geschiedenis volledig te willen verklaren; ik kan in geen enkel opzicht, en dus ook hier niet, met mijne kennis mijn geestelijk leven in zijn geheel vooruitsnellen. Daarom, dewijl er nog vele onreinheid in mij is, begrijp ik den dood des Heeren slechts zeer aanvankelijk nog. Maar laat mij u enkele hoofdtrekken mededeelen.

Gij zijt naar Gods beeld geschapen. Leven en met God verbonden zijn is één voor den mensch, naar zijn oorspronkelijken aanleg waarvan uw geweten getuigt.

Maar uw geweten getuigt eveneens, dat gij van God zijt afgeweken; uw wil heeft zich te-gjn Hem gekeerd. Uwen God hebt gij verlaten. God heeft ons de ontzachlijke gave der vrije keuze gegeven. Het stond aan ons (hoe, is

-ocr page 30-

30

eene volstrekte verborgenheid) die aanvankelijke vrijheid ') van keuze of tot de waarachtige vrijheid te ontwikkelen, welke bestaat in de noodzakelijkheid der verbinding met God door de liefde, of tot willekeur en gebondenheid onder de zonde. Dit laatste, helaas! is geschied. En wat is het noodzakelijk gevolg daarvan ? Ach, het leven uit God hebben wij niet gewild, en nu geschiedt ons naar onzen wil. Het leven dat wij niet willen, moeten wij verliezen. En daar onze wil, het middelpunt van ons geheele wezen, buiten God is, zoo moet ook onze geheele toestand buiten God, van God'gescheiden, den dood overgeleverd zijn. De dood is de bezoldiging der zonde, niet volgens een afgetrokken gebod Gods, dat in geene betrekking zou staan tot de noodzakelijke toedracht der dingen, maar juist volgens die noodzakelijkheid, dewijl het gebod Gods nooit iets anders is dan volstrekt overeenkomstig met het wezen der dingen over welke het gebod gaat: immers is het wezen der

') Dat men bij de uitdrnkking yrijheid Tan keuze of kiesvrijheid hetzelfde woord vrijheid gebruiken moet, hetwelk in zijn waren zin alleen van den toestand der verbondenheid met God door de noodzakelijkheid der liefde gebruikt kan worden, heeft tot veel misverstand aanleiding gegeven. Wij bekommeren er ons hier niet om.

-ocr page 31-

31

dingen niets anders dan het uitvloeisel van den heiligen wil Gods. De waarheid dat er eene verdoemenis bestaat, is de incest volstrekte openbaring van de verdraagzaamheid Gods. Want die verdraagzaamheid gaat zoo ver, dat zij datgene wat de mensch zelf kiest, nadat alle hulpmiddelen en lokkingen der liefde die behoudens 's menschen vrijheid mogelijk zijn , uitgeput zijn geworden, — hem met een bloedend hart (wij spreken op menschenwijze) laat kiezen en verkrijgen. Tegen de trekking van oneindig vele liefdekoorden in, wil de zondaar volstrekt rampzalig wezen: welnu ten slotte wordt hij het ook: de dood is de bezoldiging der zonde.

Aanvankelijk echter is dat slechts de tijdelijke dood. En dóór dien dood heen is terugkeer tot God nog mogelijk. Want zie, indien wij den dood wilden en konden ondergaan zoo als hij van God bedoeld is, zoo zou de straffe des doods ons tot verzoening kunnen strekken en de verwijdering van God zou juist door den dood kunnen eindigen. Uw kind, o mensch, is ongehoorzaam tegen u geweest: en indien gij liefde voor uw kind hebt, zoo ontvlamt uw toorn heiliglijk tegen zijne zonde, en gij straft uw kind. Wanneer nu dat kind die straf niet slechts uitwendig en morrend ondergaat, maar in en onder de

-ocr page 32-

'V

straf zijn wil verandert en met uw heiligen wil vereenigt, zoo is de voltrekking der straf tevens het einde der verwijdering tusschen u en uw kind, en volkomen liefde keert aan beide zijden terug. Maar juist bij deze vergelijking blijkt de vreesselijke diepte onzer verdorvenheid. Wij zijn als het kind dat weerspannig en verhard de straf alleenlijk uitwendig ondergaat, zijn eigen wil er geenszins berouwvol mede vereenigt, en daarom ook na de straf in de verwijdering van den Vader en in zijne ellende volhardt. Onzen eigen zondigen wil te veranderen, dat ligt buiten onze macht. Den dood te willen als bezoldiging der zonde gelijk God dien wil, dat vermogen wij niet. Wij ondergaan den dood als eene uitwendige, onwederstaanbare noodzakelijkheid ; raaar met zijn diepsten grond, met den toorn Gods die het zondige leven verteert, vereenigen wij onzen wil geenszins. Daarom is onze dood voor ons geene verzoening met God en kan het in eeuwigheid niet zijn.

Hierin nu ligt, o mensch! het onofttkoorobare uwer eeuwige ellende. Eerst als gij dit begrijpt en erkent, mijn broeder! en deze verschrikkelijke noodzakelijkheid door uwe ziel laat vlijmen, eerst dan kan ik u spreken van Jezus van Nazareth en van het offer Zijns levens door den dood.

-ocr page 33-

33

Zijn wil is volkomen één met des Vaders wil. Zijn leven is volstrekt ongestoorde gemeenschap met God, is het volle waarachtige Leven. Welnu, was Hem het leven niets anders dan de volkomen ongestoorde gemeenschap met God, wat kan Hem de dood dan anders geweest zijn dan het verscheuren van dien band, dan een verlaten worden van God? Daarom heeft Hij dan ook in Zijn kruiswoord: Eli, Eli, lama sabachtani niet, gelijk eene verzwakkende uitlegging wil, slechts een gevoel uitgesproken, dat niet met Zijn werkelijken toestand in overeenstemming wezen zou. Neen, Hij was van God verlaten en overgelaten aan de macht des doods.

Aan de macht des doods! En in wie openbaarde zich die macht, die op Hem aanstormde en Zijn heilig leven vernietigde? In de zonde van Israël dat Hem uitwierp, in de zonde der heidensche wereld die Hem overleverde, en in beider diepsten grond, de vijandschap des Satans die Hem de verzenen vermorselde, terwijl hem de kop werd vertreden. Als de vertegenwoordiger der menschheid, als haar plaatsvervanger leed Hij de gevolgen, de straf der zonde van de gan-sche menschheid die Hemoverstortte, en gaf Zijne ziel. Zijn leven tot een rantsoen voor velen over. Hier van God verlaten dronk Hij tot den laatsten

-ocr page 34-

34

droppel den kelk van Gods toom — en Hij verliet daarbij Zijnen God niet, maar hield met het «Mijn God, Mijn God! aan den Vader vast. Ziedaar dus voor het eerst een sterven dat aan de voorwaarde voldoet op, welke éénig en alleeni gelijk wij gezien hebben, het sterven kan zijnde volkomen verzoening der zonde, de volkomen hernieuwing van de gestoords gemeenschap met God.

Gij hebt ons woord «plaatsvervangerquot; gehoord en gij zijt teruggedeinsd, niet waar mijn broeder? Want gij denkt aan de dogmatiek die gij verworpen hebt en wier herinnering u bij de woorden bplaatsvervangingquot; en «toerekeningquot; met diepen weêrzin aan een koopmansverdrag doet denken, aan eene kwitantie tusschen God en de mensch-heid gewisseld. O vervloekt zij de heiligschennis die uit versteende lava wiskunstige figuren houwt cn dan zegt: dit is de werking des vulkaans! Als ik u spreek van plaatsvervanging, dan trilt mijne ziel tot in hare binnenste diepte bij de aanschouwing van een wonder der volkomen goddelijke liefde, en zij hoort onuitsprekelijke dingen die het een mensch niet gegeven is, hier beneden volledig uit te spreken. Zal ik u door benaderende vergelijking dit heilig wonder duidelijk pogen te maken? Zoo denk dan aan di« verrukkelijke, door gemeene naturen niet te begrijpen

-ocr page 35-

35

geheimenis van het ryk der liefde, waardoor in de zatnenleving, in de vriendschap, in het huisgezin, de diepste zielen ten allen tijde voor en door en in de plaats van de oppervlakkige lijden. Denk aan de wondermacht der liefde die haar voorwerp geheel in zich, en zich in haar voorwerp overplaatst. Denk aan de smart der moederliefde, die de moeder voor haar bedreigden lieveling oneindig feller dan hemzelven doet lijden. Denk aan Arnold Winkelried, die de Oos-tenrijksche speren, tegen de harten der Zwitsers gericht, tezamenvat en tegen zijne eigene horst drukt om den zijnen doortocht te geven. Denk aan het lijden, dat om den wille der zondige en ongelukkige wereld u in vroeger ongekende mate ten déél werd, sedert gij begonnen zijt, ook maar een weinig de wereld in Christus lief te hebben, en meet naar de overblijfselen der verdrukking van Christns welke Zyne uitverkorenen om den wille en in de plaats van anderen lijden, de volheid Zijner plaatsvervangende, dat is: oneindig liefdevolle, smarten af.

Want quot;voorzeker, alleen uit uwe eigene ervaring kunt gij de beteekenis van Jezus lijden en sterven beseffen. Alleen voor den geloovige wordt deze geheimenis opengesloten. Alleen Christus in ons leert ons den Christus buiten en véór

-ocr page 36-

7

36

ons verstaan. Daarom, wanneer wij van de «toerekeningquot; van Christus verdienste aan ons zullen spreken, zoo roepen wij andermaal met nadruk: Vervloekt zij de dogmatieke rekengeest die ook op het gebied van deze heilige dingen de wateren des oceaans met de vuist wil meten en van de hemelen met de spanne de maat nemen en de bergen wegen in eene schaal en met de toonladder het Hallelujah des Heiligen Geestes in de harten der wedergeborenen contróleert! En nu laat ons ook van deze dingen, gelijk van de vorige, een weinig stamelen zoo goed ons mogelijk is.

II.

Wat is dan het wezen van die «toerekening?quot; Vrees niet, mijn broeder! dat ik u met afgetrokken begripsonderscheidingen zal vermoeijen. Ik wil slechts van u afweren datgene wat het kruis mijns Verlossers voor u zou kunnen van kracht berooven. Want van de «rechtvaardiging door het geloofquot; bestaat er in de gemeente ook eene prediking, die voorzeker goed gemeend is en, wanneer zij door een waarachtig geloovige tot u gebracht wordt, ook haar gewichtig, (hoewel slecht uitgedrukt) bestanddeel van waarheid heeft, maar die evenwel zeer geschikt is om door mis-

-ocr page 37-

37

verstand op een gevaarlijk dwaalspoor te leiden. Zoo heb ook ik vroeger tot de gemeente gezegd: • Geloof, geloof! redeneer niet, gevoel niet, bekommer u om nwe blijdschap of smart niet, geloof slechts, dat is alles! Zoo gij eenmaal weet dat de verdienste des Middelaars u toegerekend is, zijt gij behouden en hebt niet meer op u zelve, maar alleen op Hem te zien in naakt en blind geloof.quot; In deze verkondiging erken ik ook nu nog een gewichtig bestanddeel van waarheid. Namelijk voorzeker, de grond van onze behoudenis ligt niet in ons, maar in Hem. Niet voor zoover wij in heiligheid gevorderd zijn, voor zóóver slechts zijn wij behouden, maar geheel en al en voor eeuwig van den aanvang des geloofs af. En als ik sterven ga, en een broeder mij zal willen vragen hoe ik rechtvaardig voor God ben? dan hoop ik te zullen andwoorden met het 60ste andwoord van onzen Catechismus: «Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus, alzoo dat, al is het dat mij mijne conscientie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en derzelver geen gehouden heb, en nog steeds (zoo vaak ik deze vastigheid verlaat) tot alle boosheid geneigd ben; nochtands God, zonder éénige mijne verdienste, uit louter genade, mij de volkomen ge-

-ocr page 38-

38

Qoegdoening, gerechtigheid en heiligheid Christi schenkt en toerekent, even als hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als faadde ik zelf alle de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zoo verre ik zulke weldaad met een geloovig harte aanneme.quot; En daarna, zoo men iets op mijne grafzerk zou willen beitelen dat voor hen, die mij gekend hebben, de herinnering aan mij verlevendigen moest, ik zou niet willen dat het uitdrukte wat ik geweest was en gedaan had, maar alleen wat mijns Heilands verdienste voor mij in zamensluiting met de gemeente gedaan heeft, volgens de apostolische belijdenis: God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren: veelmeer dan zullen wij, nu gerechtvaardigd zijnde door Zijn bloed, door Hem behouden worden van den toorn. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veelmeer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden doorZijn leven.

Maar als ik vroeger van het naakt en blind geloof redeneerde, zoo vergat ik daarbij dat het «geiooven zonder zienquot; niet is: gelooven zonder grond: maar: gelooven op grond van niet zienlijke, inwendige, geestelijke bevestiging der waar-

-ocr page 39-

39

heid in onze ervaring, Ik dank mijn getrouwen God dat Hij mij er afgebracht heeft van, uit weerzin tegen de valsche bevinding, ook de ware en noodzakelijke bevinding voorbij te zien; en van, uit weerzin tegen een ijdel hechten aan de wisselende stemmingen des ge-voels, te vergeten dat het evenwel boven alles aankomt op de gesteldheid des harten. En thands, als ik het zoo genoemd naakt en blind geloof hoor roemen, andwoord ik: o lieve broeder, neem u in acht, dat gij toch geen ander geloof moogt laten gelden dan zulk een gelooi dat de Heilige Geest in het hart werkt: en de Heilige Geest is toch geen stomme geest, maar Hij spreekt en zucht en bidt en roemt immers in het hart der geloovigen. Zekerlijk ja, daar is een naakt en blind geloof, en indien ik dat niet hadde, ik ware lang in mijne aanvechtingen en bestrijdingen verslonden en zou er nog dagelijks in verslonden worden: dédrom heb ik zoo even van het andwoord in den Catechismus en van dat woord van Panlus gesproken. Maar dat naakt en blind geloof zult gij nooit kunnen verkrijgen door uw doorborend gevoel van smart over de zonde eenvoudig ter zijde te zetten gelijk gij schijnt aan te raden, maar alleenlijk door het in zware worsteling te overwinnen

-ocr page 40-

40

langs geen anderen weg dan dien van met groote inspanning te luisteren naar de stem des Heiligen Geestes, als Hij Jezus kruisverdienste op nieuw aan uw binnenste verklaart. En daarom roep ik met alle kracht: weg, weg met den valschen waan van een Christus vóór ons, die van den Christus i n ons zou zijn af te scheiden. Tenzij dan dat gij u van dezen Christus tot den Waarachtige bekeert, gij zult geene rust vinden voor uwe ziele. Immers daar is geene rust dan in de vergeving der zonden. En ook deze boom kan alleen aan zijne vruchten, aan de werking der aanvankelijke vernietiging der zonden in u, gekend worden. Meen niet dat gij deze zalige zekerheid hebt, eer gij, op d e z e n grond, met vastheid raoogt verklaren; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie: dat ik dood was en nu leef. Dat Christus waarlijk vóór u is, moet daaruit bewezen worden dat Hij de kracht hebbe om ook in u te komen en zich u mede te deelen. Ook ik wil geen «christendom des gevoels.quot; Hoe groote verwoestingen dat be-klagelijk stelsel aanricht, hoe de Satan daardoor de zielen belet om tot vollen vrede en blijdschap in Christus te komen, hoe deze arme dobberaars hun gansche leven gebonden blijven ondei de dienstbaarheid van regen en zonneschijn, van

-ocr page 41-

i

41

teekenen die hun getoond en schriftwoorden die hun toegesproken worden, van stelsels der vaderen en der kinderen, van oude en nieuwe schrijvers , van toestemming of veroordeeling der keur-meesteren, die den bekeeringsweg bepalen — dat alles zie ik dagelijks voor mijne oogen. Ja het is mij een gedurig lijden om den wille van broederen die ik lief heb, ook terwijl zij mij niet als broeders erkennen kunnen omdat ik met hen niet medespreek. Doch als ik dat gevoels-chris-tendora bestrijd, dan is het niet omdat ik minder wil dan het gevoel, maar omdat ik meer wil dan het gevoel , namelijk omdat ik wil Christus in den dispsten grond des harten. En daar kan Hij wonen omdat Hij verhoogd is; daar kan Hij wonen door den Heiligen Geest. Ja, «hooggeprezen zij de genade des Heiligen Gees-tes, die Zijn oorspronkelijk recht, dat Hij heeft op elke menschelijke ziel, door alle benevelde verkondiging heen weet te handhaven. Wilt gij weten hoe daarbij rijne gangen zijn? O steil en eenzaam is dat pad. Den vleeschelijken Christus moet de ziel verliezen. Ik wil zeggen, den Christus, gelijk Hij haar vleeschelijk, door zulk eene benevelde verkondiging of door berusting in van der jeugd af aan gehoorde overleveringen is bijgebracht, dien Christus moet de ziel eerst

-ocr page 42-

4-2

verliezen. Hij moet voor haar sterven, en zij moet door de moeijelijke, soms angstvolle, zifting henengaan welke de, apostelen bij den dood van hun Meester ondervonden, toen Hij naar het vleesch hun ontrukt werd om later geestelijk en verheerlijkt tot hen weder te keeren. Zij moet hare zonden leeren kennen en inzien hoe die zich tegen Christus gekeerd heeft, en Hem, juist Hem die haar tot den dood toe heeft lief gehad, juist Hem aan den dood over heeft geleverd. Bij dat doorborend besef zou zij zich Verwijderen en niet kunnen stand houden onder' het kruis. Ach velen houden het in der daad niet uit bij dat kruis, omdat zij in hunne eigene kracht er toe zijn genaderd. Als het bliksemvuur der beschuldiging tegen hunne zonde, oneindig feller dan het vuur van Sinaï, van dat kruis uitgaat, dan wijken zij ontzet terug, en komen later tot deze schrikkelijke gezonkenheid, dat zij het eenige oogenblik huns levens, waarin zij volkomen oprecht voor God hebben gestaan, voor een oogenblik van overspanning, melancholie, verbijstering verklaren. Maar zoo de ziele stand houdt op Golgotha, en haar zondig natuurlijk leven door dat vuur laat verteren, zoo gequot;oelt zij weldra dat, met en in dat vuur der vra-ke , tot haar uitgaat de oneindige gloed der

-ocr page 43-

43

liefde van Jezus, die uit den dood het leven schept en de vercordeeling in vrijspraak verkeert. En als de Heilige Geest aldus heeft gesproken dat daar geene verdoemenis meer is voor degenen die in Christus zijn, als Hij aldus het gevallene weder opgericht en het gestorvene tot nieuw leven bezield heeft, o vrees dan bij die ziele niet meer voor geestdrijverij en voor eigendunkelijk verwarren van de inspraak des Heiligen Geestes met den hoogmoed van het vleesch. De wereld daar buiten zal deze beschuldiging ijverig doen hooren, en, helaas! in menigvuldige zwakheden en zonden des aanvankelijk gereinigden eene welkome rechtvaardiging voor hare lasteringen vinden. Maar wanneer die ziele zich weder bezint, en op nieuw verootmoedigd in het stof knielt, dan herkent zij ook weder in hare onuitsprekelijke pijngevoeligheid de slem des Heiligen Geestes, en onderscheidt haar van alle vleeschelijke dwaalstemmen. De Heilige Geest, eerst buiten haar staande, veroordeelt ter dood al het vleeschelijke dat aan haar overblijft. Daarna, in haar komende, vervangt Hij zijne bestraffing door zalvende vertroostende liefde, en maakt weder zalig en levende.quot; ')

I) Baumrartcn.

-ocr page 44-

ii

Merk op, mijn broeder! wat ik tot u spreek omtrent het bestraffende werk des Heiligen Geestes eersfbuiten ons en dan in ons. Merk het op, ten einde andwoord te hebben op eens tegenwerping die, ik weet het zeer wel, in uw binnenste flnistert. Mij dunkt, gij spreekt tol mij in dezer voege: «Gij hebt mij nu wel omtrent »plaatsvervangingquot; en »toerekeningquot; eenigzins nader ingelicht, ten minste aanleiding tot nadenken gegeven. Maar toch, als gij zoo sterk spreekt van uwe zaligheid en vrede alléén op de verdienste van Christus te bouwen, alléén op de vergevende genade Gods in Hem, en niet op iets dat in uzelve zij — dan komt het mij voor dat gij desniettemin voedsel geeft aan een traag vertrouwen op vreemde verdienste, en alzoo aan de strenge eischen der zedelijkheid, ja in den diep-sten grond aan de vlekkelooze Heiligheid Gods, te kort doet.quot;

Hiertegen betuig ik u dat het verzoeningswerk van Christus, gelijk ik het u heb voorgesteld, aan de eischen der zedelijkheid en aan de Heiligheid Gods niet te kort doet, maar juist deze met den nadruklijksten ernst handhaaft. Bezin u nogmaals omtrent uzelve en uwe zedelijke behoeften. De groote vraag is, of de heiligheid Gods b u i l e n -u zij, tegenover u staande met

-ocr page 45-

45

hare beschuldigende stem, dan wel of zij in u zij als uw levensbeginsel. Van nature is zij buiten u. Dat wil zeggen toen gij, langer of korter geleden, van lieverlede begonnen zijt ernst te maken met de eischen uws gewetens, toen hebt gij bevonden dat gij onheilig en schuldig waart. Inderdaad, zoolang gij niet bekeerd zijt, staat de heiligheid Gods tegen u over. Schuld en ellende nu gaan altijd te zamen. Want de heiligheid Gods staat allerwege uitgedrukt in de ordeningen Zijner almacht. Staat de eerste tegen u over, dan staan ook de tweede tegen u over, en gij zijt ongelukkig en ellendig. Immers, gelukkig te zijn, dat beteekent niets anders dan in vrije liefde met de ordeningen der Almacht in zamenstemming te wezen. Maar zoolang gij niet bekeerd zijt, wilt gij iets anders dan de eischen der heiligheid, dan de ordeningen der almacht Gods. Gij gevoelt wel, dat dit een ongelijke strijd is. Daarom tracht gij die heiligheid Gods te ontvluchten door van de wet Gods, welke de uitdrukking Zijner heiligheid is, iets af te nemen. Om uzelven rust te geven, trekt gij het ideaal, hetwelk de wet Gods u voorhoudt, veel of weinig neder tot de hoogte welke gij met uwe inspanningen ter zedelijkheid meent te kunnen of te zullen kunnen bereiken. Dit kunt gij b. v.

-ocr page 46-

46

u verduidelijken uit het dagelijksche spraakgebruik, volgens hetwelk de meeste menschen vee! liever van hun plicht, dan van de wet Gods spreken. Merk wèl op hoe de ernstige ongeloo-vige spreekt. Hij zegt; mijn plicht gebiedt mij dit of iets anders. Hij durft niet te zeggen: Mijne wet gebiedt het mij, want hij gevoelt wel dat zoolang hij van plicht spreekt, hij van hetgeen hem eigen is, mag spreken, en zijne persoonlijke behoeften, wenschen, en omstandigheden in rekening brengen; maar dat hij dit moet nalaten zoodra hij van de wet Gods spreekt. Deze wet toch betuigt terstond aan zijn geweten haar volstrekt, haar stellig en onbepaald gebiedend karakter. Zie daarom tracht gij onwillekeurig, ten behoeve van uwe eigene rust, iets van die wet Gods af te nemen. Maar weet gij wel wat gij daarmede doet? Die wet Gods is de uitdrukking van Zijne heiligheid, dat is: van Zijn eigen wezen. Gij wilt dus niet dat God volkomen zij wat Hij is, namelijk de Heilige. God echter laat zich niet verminderen of veranderen — daarom uw wensch keert zich in zijn laalsten grond tegen het bestaan van God zelve. Gij hebt meermalen (met diepen afschuw) de uitspraak gehoord dat gij »van nature geneigd zijt God en den naaste te haten.quot; Welnu, ik betuig u met

/

-ocr page 47-

47

een beroep op uw eigen geweten, dat die uitspraak waarheid is. Ja, gij'haat God in den diepsten grond — niet van uw eigenlijk wezen, maar — van uw zondig bestaan. Laat uw afkeer tegen deze uitspraak u niet tot hartstochtelijke zelfmisleiding vervoeren. Velen lezen den » Vrekquot; van Harrison Ainsworth of den » Avarequot; van Molière; en dan, bevindende dat zij toch waarlijk niet zulke menschen zijn, die liever sterven of schandelijke dingen doen dan zichzel-ven het noodzakelijkste gunnen, roepen zij uit: Goddank, ik ben geen gierigaard. Zoo ook denken velen bij »haatquot; aan vlammenden hartstocht en verbeten of losbrekende woede; en zulk een gevoel jegens God niet in zich vindende, roeper, zij wraak over den laster die tot schande der christenheid zegt dat de mensch van nature geneigd zou wezen God te haten! Oordeel gij kalmer en ernstiger. Haat is de wensch dat hij dien men haat, niet bestonde. Nu is God heiligheid, heilige liefde. Welnu, zoolang gij die ondeelbare heiligheid Gods, welke te verminderen gelijk staat met haar te vernietigen, zoolang gij die heiligheid Gods niet wilt, haat gij haar, haat gij God zeiven, in sid-deringwekkende kalmte en onwetendheid omtrent uzelve.

T

i

-ocr page 48-

48

Dat nu deze dingen waarheid zijn, dat ziet gij bij het kruis van Golgotha. Hier openbaart zich volkomen het eigenlijk wezen der zonde. Hier openbaart zij zich als haat tegen God. Gelijk de Christus zegt: zij hebben Mij en den Vader gehaat. Zoo als het zien van een lijk onwillekeurige huivering bij u wekt omdat gij, hoe ongeloovig ook, hoe ook met uwe redeneringeu aan dfe natuurnoodzakelijkheid vastgestrikt, evenwel u nooit geheel kunt doofmaken voor de stem des gewetens die roept dat de dood de bezoldiging der zonde is; evenzoo is het kruis van Golgotha iets tegenstrijdigs, iets nameloos stuitends voor u, omdat het u onwillekeurig toeroept: zoo heilig is God! En hier openbaart zich uw haat. Kunt gij dezen kruiseling eenvoudig als lijder, als slachtoffer beschouwen (en zeer velen belezen zich daartoe), dan is dat kruis u een aandoenlijk zinnebeeld, en wekt bij u eene liefelijke, weemoedige droefheid. Het wordt u de heiliging der smart, de dichterlijke verheerlijking der zichzelf verloochenendte liefde. Maar predik ik u bij dat kruis: dat hebt gij, gij gedaan, en dat was noodig tot uwe verzoening met God, dan vertoonen zich de levensbewegingen van uw haat. Daarom, gelijk ik vroeger gezegd heb, houden velen het niet uit bij dat kruis, en vlieden in

-ocr page 49-

49

diepen weerzin van daar. Doch nu, zoo gij dat niet doet, zoo gij niet wegvlucht maar den Gekruisigde in u opneemt, dan neemt gij de heiligheid Gods in u op. Dan komt die heiligheid in u. Zij wordt niet ter zijde gezet. Zij gaat geen verdrag met de barmhartigheid aan, zoo min iu u als in God zelven. Neen, zij komt in u en openbaart zich als liefde, als voor het kwaad verterende en wegbrandende liefde. Het oordeel van die heiligheid staat niet langer buiten u, u verdoemende; maar dat oordeel, die scheiding tusschen het goed en het kwaad, komt in u. Zoo is het verzoeningswerk van Christus de verheerlijking der heiligheid Gods. Zoo doet het aan de eischen der heiligheid niet te kort, maar t vervult die, niet buiten u alleen, maar ook in u.

Ziehier, mijn broeder! hoe dit geloof aan den «vrede door het bloed des kruisesquot; niet eene wiegeling des gevoels is, een spelen met onverstaanbare klanken, een zwelgen in mystieke aandoeningen zonder praktische kracht. Het bloed van Christus is de zelfovergave van Christus in den dood. Deze dingen zijn niet een liefelijk lied, gelijk gij vreest, maar een hartdoorborende doodende en levendmakende werkelijkheid, die zich klaar bewust is van zichzelve.

Daarom nog eens, alles wat ééns op Golgotha

3

-ocr page 50-

50

geschied is, moet zich in onze harten herhalen. En dat niet door eenige inspanning van onze zijde, maar alleen door de verlossende kracht van Jezus heilige liefde te laten doorwerken in onze harten. Met Christus te aterven en begraven te worden, dat is niet eene stichtelijke, overdrachtelijke spreekmanier, maar de meest volstrekte noodzakelijkheid. Gij hebt gezien hoe uw sterven in uwe eigene kracht nimmer u tot verzoening kan strekken, in eeuwigheid niet uwe verlatenheid van God kan verhelpen. Om aan uw sterven die kracht te geven, daartoe is alleen de wondermacht van Jezu» stervende liefde in staat. Alleen wie zoo in Christus en in Zijne kracht gestorven is, die is met en in Hem gerechtvaardigd van de zonde. U aan Hem over te geven in den geloove, dat is eigenlijk niet zelf iets te doen, neen ook het allergeringste niet. Dat is eenvoudig, den Heiligen Geest der liefde, die in Christus offerande ademt, te laten doorwerken in uw hart, nadat gij u onder Zijn kruis hebt geplaatst. Daar moet gij sterven zonder genade aan het oude natuurlijke leven, want gij ziet dat uwe zonde Hem aan het kruis heeft gebracht , en in Zijne verbloeding ziet gij het lot dat gij verdiend hadt. Hier ziet gij in de stroomen van de zonde der menschheid uwe eigene

-ocr page 51-

51

/ ' '

zonde op Hem aangolven, maar in het vuur zijner onmetelijke liefde, die sterker is dan deze dood, tevens gebroken en vernietigd worden. De hoogste openbaring der zonde wordt hare volko-mene nederlaag. De vloek der wet wordt vernietigd in Hem die dezen vloek draagt, een vloek geworden zijnde voor ons. Onder de verterende stralen van Christus kruis, wordt de oude mensch der zonde gedood, doch niet de geheele mensch gaat daarbij te gronde, maar de nieuwe mensch, die niets anders is dan Christus zelf, staat als de ziel, als het wezen uws nieuwen levens, in u op. Uwe heiligmaking wordt niet een aanhangsel van uw geloof, maar eenvoudig de ontwikkeling van uw geloof dat den Christus in u heeft opgenomen. Door de verdoemenis der zonde is de zondaar behouden. God is met u verzoend en gij met God. Het bloed des kruises reinigt u van alle zonden, en door de genade der schuldvergeving wordt de levensvernieuwing tot heiligheid uw deel.

Want meen niet dat deze Christus dood zij, al ziet gij aan het kruis niet anders dan de al-legging Zijns natuurlijken levens. In dezen dood aan het kruis, ja in dien dood op zichzelven, ligt de overwinning des doods. Voor deze zekerheid der overwinning heb ik Zijne lichamelijke

3 *

-ocr page 52-

52

opstanding niet noodig. Die opstanding is mij niet de bevestiging van de overwinning zelve, maar alleen de wonderbare aanduiding van de wijze waarop die overwinning zich vertoont. Namelijk zij leert mij dat die overwinning des doods niet alleen in de verte eener slechts na den dood bereikbare eeuwigheid hare heerlijkheden ontplooit, maar dat hier op aarde, aan deze zijde des grafs, de krachten der toekomende eeuw zich machtig betoonen. De dusgenoemd moderne theologie , zoo vaak onrechtvaardiglijk veroordeeld door dezulken, die haar niet kennen, en die toch met de vele rechtmatige eischen die zij doet, recht zal behouden zoolang hare tegenstanders die eischen niet volledig in hun stelsel zullen hebben vervuld — deze moderne theologie heeft in hare loochening van Jezus opstanding doorgaands dit gewichtig bestanddeel van waarheid, dat eene op-standingsleer gelijk zij die bestrijdt, inderdaad ook zonder genoegzamen grond wordt verdedigd. Nu ik het leven des Verrezenen ken, niet als slechts tot het aardsche leven des Heeren toegevoegd, maar als noodzakelijke ontplooijing van hetgeen reeds de kern van dat aardsche leven was, nu zie ik dat Hij ook deze aarde, deze natuur verheerlijkt in plaats van hasr te verloochenen of af te breken , of er eene bres in

-ocr page 53-

53

r; / ï : i

f

te slaan. Het wonder van de vernieuwing onzer harten is mij de grondslag van elk. verder wondergeloof. En van dit wonder af tol het verwij-derdste en meest verbazende natuurwonder toe is mij nu alles harmonisch en heerlijk in zijne geestelijke wetmatigheid. Vroeger toen ik de geestelijke macht van Jezus kruisdood en opstanding nog niet kende, beschouwde ik de natuur gelijk de ongeloovigen het doen. Ik zag in haar een zamenstel van ijzeren noodlots-wetten, aan welke ik ook den geest onderwierp. Ik week van die wetten alleen af voor eenige verhalen uit Oud en Nieuw Testament, waar ik eene verbreking van die wetten aannam, schoorvoetend en onwillig om er veel over te denken, want ik besefte de machteloosheid mijner gronden. Het was omdat ik nog niet in .het licht der opstanding van Jezus de Natuur aan den Geest onderworpen had gezien. Daarom had ik de natuur niet lief, ik wilde haar ook liever niet kennen, want ik vreesde door haar uit, mijne vastigheid gewrikt te zullen worden als ik haar al te zeer van nabij beschouwde. Met schuchteren eerbied erkende ik dat Jezus op de zee heelt gewandeld en dooden opgewekt, maar daarbij beschouwde ik Hem toch inderdaad in dezen als — een heiligen toovenaar, ongeveer gelijk Sylves-

-ocr page 54-

54

ter II in dc middeleeuwen door zijne tijdgenooten voor een toovenaar werd gehouden, omdat zij niet konden opklimmen tot zijne vertrouwdheid met de wetten der natuur. Thands is het anders. Thands zie ik een zalig en verrukkelijk onderscheid tusschen de wet des Geestes en de «wettenquot; der natuur. Wilt gij weten welk dat onderscheid is? Zie, de wetten der natuur worden opgemaakt uit de verschijnselen die ons omgeven. Zij zijn de gedachte oorzaken van de waargenomen verschijnselen. Zij worden dan ook slechts erkend wanneer en voor zoover zij zich aan onze zinnelijke ervaring als verwerkelijkt vertoonen. De werkzaamheid des geestes die deze wetten opmaakt, gaat van builen naar binnen , van den omtrek naar het middelpunt, van eene menigte verschijnselen tot eene algemeene wet die ze beheerscht. Maar anders is het met de wet des Geestes. Deze opmakende, ga ik, omgekeerd, van binnen naar buiten, van het middelpunt naar den omtrek. Dat middelpunt is het heilige wezen Gods. Deze idee, dat wezen Gods verover ik niet door eigendunkelijke en onbeti^mvbarc bespiegeling. Neen het is opgemaakt uit de ervaring des geloofs. Want deze idee, dat Woord is vleesch geworden en beeft zijne heerlijkheid onder ons getoond in het leven

-ocr page 55-

55

van Christus. En wat zie ik nu in Christüs den verrezene? Dat het geestelijke het natuurlijke niet vernietigt, maar verheerlijkt en vernieuwt door het vleeschelijke weg te doen vallen. Zoo is het geschied in zijne opstanding. Van deze opstanding uit valt mij nu een feestelijk licht terug op al zijne vroegere wonderen , van welke de opstanding de slotsom is. Al deze wonderen zijn mij nu de aanvankelijke toebereiding, de aankondigingen van die volkomen overwinning van den Geest over de natuur. Overwinning namelijk, gelijk alleen de Geest, de liefde die kan behalen: te weten zulk eene, die niet ten onheil, ter onderdrukking, maar tot heil en bevrijding van den overwonnene strekt. In Christus weet ik dat natuur en geest niet zijn twee vijandig tegen elkaar overstaande machten. Vele christenen gelooven dat nog, helaas! tot groote schade voor de helderheid van hun geestelijk leven. Maar God is één; en natuur en geest be-hooren beide tot Zijne schepping. Zijn rijk; en een rijk dat in beginsel legen zichzelve verdeeld is, kan niet bestaan. God is één, de Levende, de Drievuldige: daarom kan er in beginsel geene tegenstelling zijn tusschen Zijne scheppende (of voorbereidende), Zijne verlossende en Zijne heiligende werkingen. Het heiligingswerk des Geestes

-ocr page 56-

56

is niets anders dan ontpiooijing te geven aan het verlossingswerk des Zoons, opdat alles weder ingevoegd worde in de harmonie van het oorspronkelijk scheppingswerk des Vaders. Door den Geest wordt alles den Zoon toegebracht om in Hem den Vader toegebracht te worden. De Zoon nu verheerlijkt zijnde, heeft van den Vader macht ontvangen over alle vlecsch, om den Geest die Hem verheerlijkt heeft, ook mede te deelen aan de Zijnen en door hen aan de geheele schepping, tot verheerlijking van alle dingen. Aldus waren Zijne wonderen geenszins vernietiging van het natuurlijke, maar slechts bestrijding van het tegennatuurlijke in de natuur. Zij waren profe-tiën van de bestemming die aan het natuurlijke is ingeschapen, en welke het ook eenmaal bereiken zal, namelijk om één te zijn met het geestelijke, en daarvan volkomen doordrongen en daardoor ganschelijk bevrijd, volmaakt en verheerlijkt te worden. Zij dienden niet om de natuur te verstoren, maar integendeel om het geestelijk beginsel waaruit de natuur oorspronkelijk geschapen is, als aanvankelijke pro-■etie van de toekomst naar buiten te doen treden op sommige meest doorschijnende puiten dier natuur. Zij dienden niet om de natuur te verstoren, maar om te toonen, dat zij ge-

-ocr page 57-

57

p~f r

schapen en bestemd is om verheerlijkt, om geheel van den Geest vervuld te worden gelijk het zijn zal in de nieuwe schepping waarvan de verrezen Christus het middelpunt en het scheppend beginsel is. Gelijk de schittergloed in uw oog en het zielvol trillen van uwe stem de aankondiging is van de geestdrift die uw binnenste als een verheerlijkend beginsel vervult.

Gelijk de kreet «geef mij den helmquot; en de profetie omtrent de krooning des Dauphins (onder het gelach der hovelingen) de aankondiging was van hetgeen er volgen zou als Jeanne d'Arc met de oriflamme zou uitrijden en den vijand volledig verslaan. Zoo staat het wonder mij niet tegenover de wetmatigheid der natuur, maar is er de voltooijing van. En zoo maakt ook de erkenning van het wonder mij niet vreemd aan de regelmaat der natuur, maar integendeel, zij maakt mij er meer vertrouwd mede. Thands heb ik behoefte om de natuur te onderzoeken zooveel mij mogelijk is, en elk licht dat de natuuronderzoekers ons spreiden, vang ik met gretigheid op en dank er hen voor. Want dagelijks zie ik duidelijker in dat mijn Verlosser en Koning niet -in de natuur behoeft in te komen door een gat,

door eene bres, door eene gewelddaad, maar dat Hij in haar woont volgens Zijn oorspronkelijk

-ocr page 58-

58

koninklijk recht, zacht en almachtig, niets verstorende maar alles verheerlijkende. Hij toont mij dat alle dingen er op aangelegd zijn om Hem onderworpen en door Zyn geest bezield, verheerlijkt te worden, ja er op aangelegd van hnn eersten oorsprong af, omdat alle dingen in Hem geschapen zijn in den beginne.

Doch hier, terwijl ik wil eindigen, komt tot mij een andere broeder dan hij, tot wien ik in al het voorgaande mijn woord richtte. Hij voegt mij toe:

»Ik heb in alles wat gij gezegd hebt, nog «niets van de godheid des Heeren Jezus «gehoord, en ik meen toch dat gij die aan-»neemt.quot;

Ik andwoord: ja amen, dat doe ik door Zijne genade met hart en ziel. Maar laat mij u thands nog enkele dingen mededeelen.

Vele eeuwen geleden was er in het midden van Rome (zoo de overlevering waarheid spreekt), eene vreeselijke aardklove ontstaan, die overal rondom pestwalmen verspreidde. Gurtius wierp zich in dien afgrond neder, opdat de toorn der goden verzoend en de klove gesloten zou weden. Ik verzeker u plechtig en bepaald, dal deze edel-

-ocr page 59-

59

'fr

man zichzelven verloochend heeft voor het vaderland.

Een halve eeuw geleden hebben twee Hern-hutters-zendelingen toegang tot eene West-Indi-sche plantaadje gezocht. En toen hun die werd afgesneden, hebben zij zich, om den negers het evangelie te kunnen brengen, in stilte als slaven laten verkoopen en jaren lang met deze negers uitputtenden arbeid en zweepslagen gedeeld. Ik verzeker n plechtig en bepaald, dat deze zendelingen liefde hadden voor de negers.

Weinige jaren geleden zijn Christenen op Madagascar met eene lijn om de lendenen boven een peilloozen afgrond opgehangen. De vijand stond met het zwaard in de hand, gereed om hun vrijheid te geven zoodra zij Jezus wilden verloochenen, en om anders de lijn door te houwen. Zij bleven standvastig, en stortten in de diepte te pletter. Ik verzeker u plechtig en bepaald, dat deze Christenen hun Heer liever hebben gehad dan hun tijdelijk leven.

«Welnu, dit alles zij gelijk gij zegt. Maar «waartoe toch die herhaalde en plechtige verze-»keringen van hetgeen uit de verhalen zelve «zonneklaar is?quot;

Hierop herneem ik nog eens: lieve broeder, gij gelooft met mij dat God dc Liefde is, niet

-ocr page 60-

60

waar? En ik heb u van de volkomene, zichzelf overgevende liefde gesproken, die uit den dood der zonde het nieuwe leven der wedergeboorte schept.

lt; Weet gij nu nog niet, hebt gij nu nog de uitgedrukte verzekering daarvan noodig, — dat ik u gesproken heb van God geopenbaard in het vleesch?

Zoo ga heen, zoek uit uwe concordantie of handleiding de «bewijsplaatsenquot; op, voeg die bij elkander op ééne plaats in mijn vertoog, of strooi ze op gelijke afstanden in de bladzijden — en God ontfèrnie zich uwer.

j