L
Viy
C/$£ 1*9
TOONEELSPELERS.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0854 6073
TOONEELSPELERS
DOOR
J. J. CREMER.
Derde druk.
In«firuut Dp Vooys voor Nederlandse Taaien Letterkunde a«n de Rijksuniversiteit te Utrecklt
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
TOONEELSPELERS.
EERSTE HOOFDSTUK.
NAAR STAD?
Buiten sneeuwde het met dichte vlokken, zoo geweldig, dat het binnen de deftige ruime huiskamer van het landgoed Den Driel-laert âletterlijk nacht was.quot;
âArchibald, och wil je de overgordijnen een beetje opentrekken?quot; zegt een oude dame, die, op eenigen afstand van het raam nabij den haard gezeten, moeite heeft om, in weerwil van een goed gewapend oog, haar lectuur te vervolgen.
âIk dacht straks dat het wat lichter werdzegt een fiks gebouwd jonkman van ruim negentien jaren, terwijl hij aan het verzoek van zijn grootmoeder voldoet; en weder ziet hij naar den zwevenden sluier daarbuiten, die zoowel de zware lariksen ter zij van den oprit, als het groote hek aan den straatweg, voor zijn blikken verbergt.
âIk zou 'tmaar uit mijn hoofd zetten, Archibald; de straatweg zal immers niet te berijden zijn. In het dal bij Den Brink moet de sneeuw wel een el hoog liggen; en, volgens Willem, heeft zelfs de postkar de reis naar Arnhem niet kunnen vervolgen.quot;
âMaar als er niet gereden kan worden, dan zou ik toch, zonder papa en Louise, te voet kunnen gaan.quot;
âWelzeker! en in den donkeren nacht terugkomen? Archi, toon nu dat je geen kind bent.quot;
âMaar dat zou ik juist toonen als ik alleen en te voet ging.quot;
âOm misschien een ongeluk te krijgen, of een ziekte op te doen ter wille van zoo'n nare, platte comedie.quot; ui. 1
TOONEBLSPELERS.
âDat moet u niet zeggen, grootma. Neen, 't stuk van verleden jaar was niet slecht of plat. In allen geval, u weet hoeveel ik er van houd, en 'k had er nu vast op gerekend. â Zie,quot; viel hij iets later op gansch anderen toon uit; âhet wordt wat lichter; zoo'n glimp van boven; mij dunkt ik zie weer iets van de hoornen doorschemeren. Wie weet ...!quot; en weinige oogenblikken daarna verlaat hij de kamer.
De oude dame schudde het hoofd.
«Nietwaar August,quot; hernam mevrouw Van Oudenolm tot haar zoon, toen deze uit zijn schrijfvertrek in de huiskamer kwam: âje zult nu van den uitgang naar stad moeten afzien?quot;
âNatuurlijk mama. De sneeuw ligt wel twee voet dik. Al ging men den weg voor de diligence ook banen, het sneeuwt nog altijd, en 'tzou dus al te gewaagd zijn.quot;
,'tls voor Archibald eene groote teleurstelling, maar au fond ben ik blij, August.quot;
âLaat hij dat niet bemerken, mama. Wat ik goedvind, moogt ü niet afkeuren. Ja, ons tooneel is nog ver van volkomen, maar zoo'n enkelen keer als 'tgeen onzedelijk stuk is....quot;
âDat weet je niet vooruit. Rijp en groen wordt er uit het Fransch vertaald, en die richting is allerverderfelijkst.quot;
â't Is waar; maar de uitgang was bepaald, en 't spijt mij dat de sneeuw ons plan nu mislukken doet. Archi had er zich flink in geschikt om nog tot deze Kerstvacantie op school te blijven. Dit is de eerste uitgang, die hem al lang was toegezegd, en waarvan hij zich misschien wel 't meest had voorgesteld. U weet hoe onze jongen dweept met al wat tooneel is.quot;
âOok vorst en sneeuw zijn dienaren eener wijze en albestierende Voorzienigheid,quot; zegt de oude dame ernstig, en zet den fijnen gouden bril op, en ziet in haar boek, doch zonder te lezen.
De heer Van Oudenolm zweeg; ging naar het venster, en bespeurde dat werkelijk, zooals Archibald straks gezegd had, het sneeuwen wat minder werd.
Een paar uren later berichtte Willem de huisknecht, dat er gediend was.
âKomaan Louise,quot; zegt Van Oudenolm tot een allerliefst persoontje, dat intusschen het gezelschap op DenDriellaert had vermeerderd: âwe willen maar hopen dat de representatie in de eetkamer, 't gemis van die andere, waarop je eigenlijk geïnviteerd bent, een beetje zal goedmaken. â Hou je van fazant?quot;
âJawel mijnheer. Er zijn er van 'tjaar niet veel, zegt papa.quot;
2
TOONEELSPELEKS.
âNeen, zij schijnen ons hoe langer hoe meer te verlaten. Misschien dat onze hostile houding....quot;
âWanneer ik ten minste een fazant was, dan kwam ik zeker niet zoo graag op Den Driellaert als nu.quot;
âHoe gelukkig voor ons dat je niet zoo'n ongezellig hoentje bent,quot; zegt de gastheer, en met een wenk tot zijn zoon: âArchi,komaan!quot;
Archibald presenteert nu Louise Van Rave â een vriendinnetje van den huize, en zijn speelkameraadje sinds jonge jaren â den arm. Vooral de mevrouw is op die kleine étiquettes gesteld, en zij meent niet zonder reden, in een tijd dat men met zoo heel veel schijnt te breken 't geen vanouds als goed of waar, ja zelfs als heilig werd geacht.
âJe hadt toch wel één enkel woord kunnen meespreken, Louise,'' zegt Archibald, terwijl ze door de breede marmeren gang naar de eetkamer gaan: âIk merk nu dat jij toch werkelijk niet zooveel van comedie houdt als ik, want anders....quot;
âZeg dat niet Archi, ik had er mij dol op verheugd, vooral omdat er bij ons nooit quaestie van is; maar ik vind het ongepast. Er is immers toch geen doorkomen aan.quot;
âEn jij bent met den hittenwagen wel van Harzathe naar hier gekomen.quot;
âOmdat de dorpsgrindweg min of meer gebaand was, maar van den molen af heb ik door de sneeuw moeten loopen. Nu, 't was een corvee!quot;
âDat kan ik begrijpen. En ja, dat zoo'n paar mooie kleine voetjes weinig trek zouden hebben om op die manier heelemaal naar stad te baggeren, dat spreekt vanzelf; maar je begrijpt ook dat zoo'n loopje voor mij niets om 't lijf heeft. Zeg, als je me nu een plezier wilt doen, spreek er dan vóór als ik er straks een balletje van opgooi. Je begrijpt dat het mij schrikkelijk zou spijten....quot;
âAls je den avond in 't gezelschap van je lieve grootmoeder, je vader en van mij moest doorbrengen. Natuurlijk!quot;
âVin-je 't hier te warm?quot; vraagt mijnheer Van Oudenolm, die Archibald met een hooge kleur de eetkamer ziet binnenkomen.
âNeen vader,quot; is Archibalds antwoord. En dan snel zich tot Louise wendende: âJe moet het niet verkeerd uitleggen. Ik vind het immers almachtig aardig als je hier bent, en ik maak dolgraag muziek met je; maar zoo'n komediegang.... Op die vervelende school zagen we nooit iets. En dat op mijn leeftijd! Je begrijpt....quot;
Welzeker, Louise begreep het. De kast vol poppen-theaters en Chineesche schimmen, kan er nog van getuigen, hoe Archibald, van
3
TOONEELSPEIERS.
klein kind af aan, een hartstochtelijk liefhebber van het tooneel is geweest. En waarlijk, hij is toch ook een hartelijke jongen; dat toonde hij weer, toen hij nog denzelfden avond van zijn thuiskomst â en nu voorgoed â op Harzathe een bezoek heeft gebracht. Welzeker, Archi mag haar wel gaarne lijden, ze is er van overtuigd; maar die verzoeking met de komedie is al te groot; en immers, een jongen op zijne jaren is altijd wat kinderachtiger dan een meisje van denzelfden leeftijd. Ja, Louise begreep het, en zal hem helpen; bepaald.
Onder het eten zat Archibald op heete kolen. Gedurig zag hij naar de pendule. Om acht uren begon de voorstelling in stad; een groot uur, ja, misschien wel anderhalf uur was er voor zyn voetreis noodig; en de minuutwijzer kroop al meer en meer naar het punt, waar hij met den kleine een loodlijn vormt.
âEen beetje gauw dienen Willem,quot; heeft hij straks den huisknecht in 't oor gefluisterd; maar, of Willem zich al repte, de soep was warm, en â grootma en papa lieten zich als naar gewoonte niet haasten.
Eindelijk, terwijl het gesprek â naar Archibalds oordeel â een onmogelijk droog ent- en oculatie-discours was geworden, vroeg hij flink aan zijn vader â doch nu, om den knecht achter tafel, in 't Fransch â of er nog iets van de belofte zou komen, die hem zoo stellig gedaan was.
Die vraag trof doel. Mevrouw Van Oudenolm had vóór het aan tafel gaan, vriendelijk aan haar zoon verzocht, om de komediezaak maar verder onaangeroerd te laten. Nu het was uitgemaakt dat er niet gereden kon worden, en Louise dus ook was teleurgesteld, zou Archibald er zeker niet meer over denken, 't Gezelschap van de vriendin zijner kinderjaren was hem blijkbaar te aangenaam; de jongelui zouden zeker wat muziek maken: âIn één woord, August,quot; had mevrouw ten laatste gezegd: ân'éveillez pas le chat qui dort.quot;
Maar de eerwaardige grootmoeder bespeurde dat zij had misge-rekend. De kat was rondom wakker, en had nu den sprong gewaagd. Mijnheer Van Oudenolm, ofschoon onaangenaam door Archibalds vraag getroffen, had terstond zijn antwoord gereed:
âNu 't rijden bepaald onmogelijk is, meende grootma dat je liever met ons zoudt thuisblijven dan alleen en te voet te gaan. Daarom heb ik gezwegen, maar je weet Archibald, dat ik niet gewoon ben mijn woord terug te nemen.quot;
âIk begrijp niet, kindlief,quot; valt de oude mevrouw in, âhoe je er over denkt. Een meest onzedelijke, altijd ongerijmde en slechte
4
TOONBELSPELBRS.
theater-vertooning, boven 't gezelschap van.... Louise te verkiezen; 'tis niet flatteus.quot;
âOch mevrouw, ik begrijp het best,quot; zegt het meisje .haastig terwijl een blos haar wangen kleurt: âArchi ziet zoo iets nooit, en we weten dat hij er zoo bijzonder op gesteld is.quot;
«Heel genereus van je Louise, om den handschoen voor ons onbeleefd heertje op te nemen,quot; herneemt mevrouw Van Oldenolm: âmaar juist dit laatste deed mij ook 't vorige jaar tegen dien uitgang protesteeren.quot;
âMaar grootma, als u altijd zoo tegen comedies geweest bent, dan
â u neemt mij niet kwalijk â dan begrijp ik toch niet dat u zelve naar Amsterdam bent gereisd om er Rachel een paar maal te hooren.quot;
âRachel! Ach Rachel!quot; zegt de grootmoeder met verheffing en een zichtbare bezieling op het aristocratisch schoon gelaat: âdat zal waar zijn! De hooge tragedie, de edelste uiting van de kunst! Indien ik Rachel nóg eens als Phèdre of Maria Stuart kon genieten
â ja, zoo oud als ik ben, mij dunkt ik zelf zou er zoo'n gang door de sneeuw voor overhebben.quot;
âEn ik grootma, â zie, als ik haar maar één enkelen keer kon hooren, 'k zou er nog een heel jaar voor willen krom liggen op school; en dat zegt wat! Maar als u van âzedelijke strekkingquot;
spreekt---- In de hoofdpersonen van die meesterstukken, vindt u
toch ook den geest niet, dien u zoudt wenschen. Phaedra en Hyppolythus, Maria Stuart en de Italiaansche zanger Rizzio, of sinjeur Bothwell, mij dunkt----!quot;
âArchi, niet verder!quot; zegt Van Oudenolm gebiedend: âje zult hoop ik begrijpen wat grootma bedoelt.quot; Zich tot zijn moeder keerende: âIn het stuk, dat van avond wordt gegeven, steekt geen kwaad, 't Is een soort van Feërie. U weet dat ik mijn belofte moet houden, ten minste wanneer Archibald loopen wil.quot; Tot den huisknecht, die juist aan 't fazantsnijden is: âWillem schel eens voor Arie.quot;
Willem schelt tweemaal.
Een paar minuten later staat Arie de koetsier binnen de eetkamer nabij de deur.
âMijn zoon wenscht naar stad te gaan, Arie,quot; zegt Van Oudenolm. âWat doet het buiten? Nog sneeuwen?quot;
âVerekskuzeer mijnheer. Voor 't moment niet. Het schijnt een beetje te willen opvriezen.quot;
âWat heeft de bode gezegd?quot;
âO, dat het schikte mijnheer. Bij Den Brink was er, zooals mijnheer weet, voor rijtuigen geen doorkomen aan, maar te voet was er geen consternatie.quot;
5
TOONEEISPELEBS.
âDan moet je je klaarmaken om met mijn zoon naar stad te wandelen.quot;
âTot je orders mijnlieer.quot;
âNa afloop van de comedie â waarvoor de jongeheer je ook een kaart zal geven, gaat hij in 't Hof van Holland iets gebruiken, en wandelt daarna bedaard weer met je naar huis. Tegen halftwaalf komt de maan op, en bovendien 't is licht met de sneeuw.quot;
âOm u te dienen mijnheer. Nog iets van uw orders?quot;
Van Oudenolm ziet naar de pendule.
âZorg dat je precies over een half uur klaar bent.quot;
âOver een half uur? allerbestig mijnheer.quot; zegt de koetsier met de twee vingers aan de slapen van het hoofd, en vertrekt.
Toen Arie de kamer verlaten had werd er in 't eerst aan tafel geen woord gesproken. De oude mevrouw nam van den fazant maar een heel klein stukje, ofschoon 't haar lievelingswild was.
âNeen, dankje August, niet meer.quot;
Ook Louise vond zelfs de kleinste stukjes nog te groot. Ze had wel eens prettiger en heel wat smakelijker op Den Driellaert gedineerd. Doch, â men mag dat niet bemerken. Zij zal maar eens praten, over.... de guitenstreken van haar broertje; over haar snoeperig jongste zusje; enfin, over 't een en ander, want de familie, die altijd zoo lief voor haar is, moet in geen geval denken, dat die kleine teleurstelling haar onaangenaam stemt, en nog minder, dat het haar grieft dat Archi zondev haar......â Och neen, volstrekt niet.
Een half uur later was Archibald gereed. In weerwil van grootmama's gevoeligheid over de geleden nederlaag, speelde er toch een goedkeurenden glimlach om haar fijnbesneden lippen, toen zij den eenigen, innig geliefden kleinzoon beschouwde.
Ja, 't was een knappe jongen. Zooals hij daar stond, met zijn kloek gelaat, nu wat hooger gekleurd; het korte nauwsluitende duf-felsche jasje om de welgevormde leden; de hooge rijlaarzen tot boven de knieën, en de bonten muts, als een kleinen kolbak in de hand, meende grootmama dat hij het penseel van den schilder wel waardig zou zijn.
Op Louises lief gelaat vertoonde zich een vluchtig blosje, toen Archibald haar de hand ten afscheid gaf.
Archibald zag het:
âLouise,quot; sprak hij snel, âhet spijt mij meer dan je denkt, dat het zoo ongelukkig voor je misloopt. Toen we verleden jaar zoo voldaan naar huis reden, toen beloofde papa ons dadelijk dit uitstapje;
6
TOONEELSPELEE3.
en nu, 't is jammer; fameus! Ik zou honderdmaal meer hebben genoten als je waart meegegaan, maar ze spelen van den winter nog een paar keeren in stad, en al vindt grootma die Hollanders ook nog zoo slecht, papa zal er je zeker eens brengen; hij is een man van zijn woord. â Bonsoir, bonsoir!quot;
En slechts weinige oogenblikken later was het, volgens Louises oordeel, in de anders zoo prettige huiskamer van Den Driellaert erg leeg en ongezellig, ofschoon de haard toch vroolijk vlamde, en de lamp er een helder licht verspreidde.
En buiten â buiten was het volgens Archibald al bijzonder aardig en helder en frisch.
âWat zeg jij er van Arie? En nietwaar, het loopen gaat best.quot;
âWelzeker mijnheer, opperbest!quot; zegt de koetsier.
â Geen kwade vent, die Arie, denkt Archibald, â misschien almee tot dit oordeel gedreven, omdat Arie ten minste voelt wienhij voorheeft, dewijl hij uit eigen beweging al een paar maal mijnheer heeft gezegd.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE CONCIEKGE-K AMBK.
Jan Smik, de concierge van het gebouw Cecilia, zit in 't schemeruur bij zijn potkachel een weinig te dutten. Gisteravond heeft hij concert op de bovenzaal gehad, en 't was laat geworden, want een klubje cadets â Smik noemde alle lieden, die hij beneden de drie en twintig schatte, cadets â dat klubje was lang blijven plakken; en nu, ook na al 't gehaspel van plaatsen-bespreken voor de come-die van dezen avond, en het in orde brengen van het tooneel en de zaal, was het niet te verwonderen âdat hij eens moest kijken waar zijn overgrootouders gebleven waren.quot;
Nochtans, Smik zou geen rust hebben, want eerst kwam juffrouw Smik, die in de zaal aan ,'t nummerenquot; was, de quaestie opperen, dat Smik in plaats van loge-plaatsen, tweemaal dezelfde stalles had afgegeven, 't geen heel wat gezoek en gezeur gaf; een poosje later kwam de knecht van het straks aangekomen tooneelgezelschap
7
TOONEElSPELEtlS.
vragen: waar de zee was gebleven, die men van avond voor Het Vrouwtje van den Donau noodig had; waarop Smik, blijkbaar uit zijn humeur, de inlichting gaf, dat de knecht, als hij zijn oogen gebruikte, zien zou dat de zee recht overeind in de groote kast stond; ja, eindelijk was Smik zelfs genoodzaakt geworden om zijn rustige houding geheel vaarwel te zeggen en op te staan, want de eerste directeur van het tooneelgezelschap â firma Baars amp; Kogel â was in zijn lange met bont gevoerde jas de concierge-kamer binnengekomen en had gezegd, dat Smik terstond den tooneelregisseur moest roepen, aangezien door die verwenschte sneeuw, de aangekondigde voorstelling niet kon doorgaan en er een ander stuk zou gespeeld worden. âGauw maar,quot; besluit de directeur: âVan Deene, die de Casper Larifari moest spelen, is in de gang van zijn logement uitgegleden, en heeft den voet zoodanig bezeerd, dat zijn meewerken â volgens het beweren van den chirurgijn â totaal onmogelijk is.quot;
't Was inderdaad geen wonder dat het ongeval, 't welk den eersten komiek getroffen had, den directeur heeft ontstemd. Voor een paar uren is men, na een allerfataalste reis, in de provinciale hoofdstad aangekomen, en, ternauwernood een weinig gerestaureerd, daar brengt een onnoozel sneeuwklompje onder een laars, zulk âeen kink in den kabel !quot;
âZoo'n ezel!quot; zegt de regisseur, die straks in de concierge-kamer verschenen, er het ongeluk vernomen heeft.
âJou schelden komt niet te pas en brengt ons niet verder,quot; zegt de directeur, die in geen geval duldt, dat Brons â zoo'n prulregisseur â een zijner beste sujetten zal hoonen: âWat moeten we geven ?quot;
âJa, wat moeten we geven! Ik zeg Het Vrouwtje van den Donau. Je hebt het huis ') tamelijk vol, en je kunt het publiek niet dupeeren.quot;
âEn ik heb je gezegd dat Van Deene niet spelen kan!quot;
âKunnen!! pahüquot; zegt Brons en geeft Smik, die de kachel oppookt, een sterk sprekend knipoogje. j
âMaar ik zeg je dat het zoo is!quot; roept de directeur, en stampt op den grond: âVan Deene zal geen kunsten verkoopen. Ze zien hem veel te graag, en de rol van van avond kan hij wel droomen. â Wat zullen we geven?quot;
è
Brons ziet een oogenblik naar den brandenden zwavelstok, waarmee Smik juist de lamp aansteekt. En dan:
^ Gemeenzame uitdrukking voor de komedie.
t00neel8pelers.
âWat we geven moeten! Ik zeg Het Vrouwtje van den Don au.quot;
âOnmogelijk!quot;
âWaarom?quot;
âOmdat we geen Casper Larifari hebben. Dat weet je toch zelf wel!quot;
âNeen, dat weet ik niet, directeur!quot;
âNiet! Zou Wilkes hem moeten spelen?quot;
âWilkes? Neen,quot; zegt Brons, terwijl hij strak naar den grond ziet.
âJij zelf misschien!?quot; herneemt Baars, en ziet den man-met een sportenden glimlach aan. ^
âEn waarom niet?quot; vraagt Brons, eensklaps opziende met uit-dagenden blik.
âOmdat---- het niet zal gebeuren!quot; roept de directeur: â't Zou
me plezier doen Brons, als je die zucht om op de planken te schitteren er nu maar aan geven woudt. Is 't niet mooi genoeg dat ik je uit respect voor je dochter....quot; â Jan Smik pookte op dat oogenblik geweldig in de potkachel, die gloeiend stond â âuit respect voor je dochter, zoo'n beetje als regisseur laat scharrelen?quot;
âScharrelen! Wat meen je. Baars? Scharrelen!quot; zegt Brons in woede: âLaten we van geen scharrelen spreken. Iedereen weet hoe een ander scharrelt met de appointementen; met....quot;
â't Is nu genoeg!quot; valt de directeur in: âwe hebben waarachtig geen tijd voor koffiehuispraatjes. Er moet een ander stuk op de planken. Gauw wat! Een stuk zonder komiek. We hadden eergisteren te Deventer Gaston van F rank rij k.quot;
â't Zou een mooie directie worden! Dat stuk ging hier met de kermis.quot;
â't Is waar. Laat zien. Te Zwolle hadden we Dinsdag Een Vrouwenhart. Ja, ja, dat is het beste. Vooruit Brons! Je dochter zal weer de heldin van den avond zijn.quot;
âDe heldin; welzeker;quot; bromt de man onhoorbaar; en dan nog eens een poging wagende om zijn doel te bereiken:
âAls je van mij de Larifari bij 't gezelschap van Van Hooi hadt gezien----quot;
âGoede hemel, begin je er weer van?quot;
âMaar 't is omdat ik toch weet wat ik met mijn publiek gedaan heb.quot;
âJij met je neusstem en je vierkronen-publiek!'' roept de directeur ongeduldig: âWil je nu voortmaken! Zorg dat de boel marcheert. Denk aan het eerste bedrijf... . een priëel met rozestruiken. Er
9
TOONEELSPELERS.
zijn hier immers nog rozestruiken, Smik? We hebben de onzen natuurlijk niet meegebracht.quot;
âZoo'n uitschotje,quot; zegt Jan: ,als ze niet in de hooge kast staan, dan liggen ze op zolder bij de wolken en 't schavot.quot;
âIn allen geval, zorg dat de rommel in orde komt. Gauw nu! Voor 't personeel zal ik zorgen. De oude juffrouw Lindeman woont immers nog in de Weverstraat!quot;
âHoek van de Papegaaisgang; jawel,quot; zegt Smik: 't Zal juffrouw Floortje niet meevallen dat ze nog op de planken moet!quot;
.Alsof 't mij meevalt dat ik voor postpaard moet spelen!quot; antwoordt de directeur, bergt de kin in den kraag van zijn jas; verlaat de concierge-kamer, en spoedt zich dan door slechts spaarzaam verlichte straten naar de genoemde woning, terwijl de op- en neerjagende bak- en priksleden hem nog gedurig den weg versperren en met een nieuw ongeval bedreigen.
DERDE HOOFDSTUK.
ELOOBTJE EN TANTE LINDEMAN.
Weinige minuten later schelt Baars aan de deur eener kleine bovenwoning. Door middel van een touw wordt ze geopend, en een dienstmeisje roept van boven:
âWie is daar?quot;
De tooneeldirecteur maakt zich bekend.
Al spoedig daarna treedt hij een eenvoudig doch net gemeubileerd vertrekje binnen, waar een kleine Engelsche lamp een helder licht verspreidt, terwijl een potkachel er lustig snort, en het water in den blankgeschuurden ketel er op, reeds nu en dan zijn liedje âvan quot;t zieden en kokenquot; doet hooren.
Twee vrouwen, de eene van ruim vijftig en de andere van omstreeks negentien jaren, met eenig handwerk aan tafel gezeten, zien naar de deur, terwijl zij het licht zoeken af te sluiten; en, als de jongste al spoedig van haar zetel oprijst, dan blijft de andere nog in dezelfde houding zitten, met een trek op quot;t gelaai alsof ze wil
10
zegg haar Ge in m Ee inhoi
âZc in st in 't hoef rustif voora want ail es,
71 Mlt;
minde meev;
âDa van s wezen zijn tc wat fa hebt ⢠soenlij niet i gros a goed ] naam kunst, ons ni» zooals een en alles p heid t( tje â veel, ei âMaa Neen, ;
TOOKEELSPELEES. 11
zeggen, dat ieder bezoek â hoe welkom ook op een anderen tijd â haar nü bepaald onaangenaam is.
Geen wonder, juffrouw Lindeman had een avondje zooais zij er in maanden geen gehad heeft.
Eenige dagen geleden ontving zij een brief van den volgenden inhoud:
âLieve beste Tante!
âZooals u reeds weet, komen wij Vrijdag a. s. met het gezelschap in stad; maar 'tgeen u nog niet zeker kunt weten, het is, dat ik in 't stuk, 'twelk er dien avond wordt gegeven, werkelijk niet behoef mee te spelen, en alzoo op mijn doorreis, een dag en nacht rustig bij u kan zijn. Ik ben kinderachtig blij in 't vooruitzicht om vooral den avond, gezellig, en liefst alleen, met u door te brengen, want ik denk zoo gedurig aan u, en aan uw lief kamertje, eu aan alles, wat ik nu missen moet.
âMeen niet, beste tante, dat mijn liefde voor de kunst al verminderd is. O, in 't geheel niet, maar er zijn toch zaken, die niet meevallen.
âDat wij nog al kou en ongemak lijden, daar wil ik niet eens van spreken; 't is nu winter en wij wisten vooruit dat het zoo wezen zou; maar de artisten â ten minste van ons gezelschap, â zijn toch anders dan ik ze mij had voorgesteld. Ik hoor u al zeggen: wat heb ik je voorspeld kind! Maar neen, tantelief, wat u gezegd hebt van de zeden, en zoo meer, ik houd altijd vol, dat wie fatsoenlijk is, het overal kan blijven, en ik zie bovendien volstrekt niet in, dat de artisten in dat opzicht zooveel minder zijn, dan het gros van heeren en dames winkelbedienden â die u indertijd zoo goed hebt leeren kennen. Maar 'tgeen op den duur zeer onaangenaam wordt, lieve tante, het is den verplichten en juist door onze kunst, zoo bijzonder intiemen omgang met personen, wier karakter ons niet bevalt. Rosa Brons â onze eerste hoofdrol â is eene vrouw zooals ik er nooit een ontmoette. Dikwijls moet men denken dat zij een engel is, en toch.... Maar tantelief, 't gaat moeielijk om uzoo alles per brief te melden, vooral dewijl op dit oogenblik de gelegenheid tot schrijven â in een tamelijk koud logements-achterkamer-tje â niet al te best is. Dus tot Vrijdag. Dan vertel ik u, o zooveel, en zult u mij goeden raad geven.
âMaar nog eens, u moet niet denken dat ik toch berouw krijg. Neen, alles behalve. Strakjes was ik nog de Hertogin De Maulonière.
tooneelspelers.
Eigenlijk een nare rol. â Dat is ook iets vervelends, zoo in alle rollen te moeten optreden: maar ik zocht er wat natuur in te brengen, en een zeker gedeelte van het publiek â niet het slechtste â was weer uiterst voldaan. Rosa Brons, die altijd het meest wordt toegejuicht, is daar heel boos om; dat zeggen ze allemaal; maar, al is ze wat jaloersch, ik kan toch niet gelooven dat zij zoo slecht is, als men mij wil wijsmaken. De artisten houden nog al van «splinters zien,quot; en 't is best mogelijk dat Rosa in vele opzichten verkeerd wordt beoordeeld.
âApropos, zult u den goeden Martin â als u hem ziet, hartelijk groeten. Ik ondervind dagelijks hoeveel ik aan zijn grondig onderwijs te danken heb. Mijn bijzonder succes ben ik er waarlijk aan verschuldigd, en de directeur â op den duur een vriendelijk man â raadpleegt mij zelfs dikwijls, als er een nieuw stuk op 't repertoire zal komen. Dat ik ook veel geprofiteerd heb door mijn tweejarig verblijf als bonne bij de familie Rijne Van Hounaer, dat spreekt vanzelf tantelief, en daar moet ik U voor danken. Zonder uw hulp en voorspraak was ik daar nooit gekomen, en 'k zou mij nu zeker niet zoogoed als grande dame weten voor te doen. O foei! wat een brief! Laat hem niet aan Martin zien, hij ergerde zich ziek. Punctum. De Hertogin de Maulonière gaat nu aanstalten maken om â bibberende van kou â haar wel wat duf, vochtig bedsteeleger te beklimmen. Enfin, ik slaap toch gerust. Van's gelijke! Dag beste! Als altijd Uw zoo hartelijk liefhebbende
Floortje !quot;
Ofschoon deze vluchtig geschreven brief, juffrouw Lindeman wel zeer aan 't nadenken had gebracht, zoo was haar toch het bericht van Flora's komst te aangenaam geweest, dan dat zij niet van stonde aan alles zou beschikt hebben, om haar zoo prettig en gezellig mogelijk te ontvangen.
En Floortje was gekomen â bijna een halven dag later dan men berekend had â en tante heeft van blijdschap geschreid toen zij de lieve verkleumde ondeugd aan 't hart mocht drukken. En 't nichtje â hoewel zij niet geschreid had â⢠ze heeft in den beginne toch niet veel kunnen inbrengen, maar tante zoo gezoend en geknuffeld, dat deze eindelijk moest zeggen: âStil, Floortje-lief, pas op kind!quot; want haar Zondagsche kornet met lila was er heelemaal door in verknijping geraakt.
â Ãch, wat een paar heerlijke uurtjes hadden ze nu al gesleten â
12
TOOKEELSPELBRS.
een er van in 't gezelschap van Martin, de magere beste drie en dertigjarige neef-ondermeester, die door tante voor deze gelegenheid was ten eten verzocht. Neef scheen, óf nog al honger te hebben gehad, óf met Floortje niet zoo bijzonder meer op zijn gemak te zijn, want hij had verschrikkelijk veel gegeten, zeer weinig gesproken, en, na de flensjes, nog strakker dan gewoonlijk voor zich heen zitten kijken, zoodat tante en Floortje toch inderdaad niet zoo rouwig waren, toen neef â ziet u âom drukke bezigheden als anderszins,quot; noodzakelijk moest afscheid nemen.
Eerst na neefs vertrek, waren tante en nichtje recht vertrouwelijk geworden. Had Floortjes brief vrij duidelijk doen zien dat haar idealen van het tooneelleven reeds een weinig aan 't vervliegen waren, nu zij haar hart eens vrij lucht kon geven, nu hoorde tante gedurig dat het âniets was,quot;' en âzoo erg niet,quot; maar ze wist toch meer dan genoeg, en sprak na een kleine pauze:
âJa kindlief, of ik je nu al herinner dat ik dit alles en nog zooveel meer voorspeld heb, dat helpt je geen zier. Als je nog goedschiks van den boel kondt afkomen, dan zou ik zeggen: hoe eerder hoe liever. Maar dat kan en â dat wil je ook niet. Daarom Floortje, wat zal ik nu anders zeggen dan 't geen ik vroeger al zoo dikwijls zeide: blijf braaf en oprecht, kind; maar ook, wees voorzichtig. Vertrouw niet te gauw. Mijn woorden zie je nu zelf bewaarheid: dat het blinkend komediegoud in alle opzichten heel dikwijls verguld en koper is.quot;
Juist op het oogenblik dat tante dit laatste gezegd had, was de directeur binnengekomen.
âHet spijt me, juffrouw Lindeman, dat ik je zoo moet teleurstellen,quot; zegt de directeur, nadat hij de dames vluchtig gegroet en Flora heeft meegedeeld dat door het ongeval met den heer Van Deene, haar optreden in Een Vrouwenhart volstrekt noodzake-lijk is.
âMaar, maar----quot; zegt juiïrouw Lindeman, die door deze mede-
deeling letterlijk van streek is: âik begrijp niet dat men met mijn nichtje maar zoo â ziet u, ja, maar zóó kan omspringen. Spelen, niet spelen! U neemt mij niet kwalijk mijnheer Baars, maar, eens vacantie, blijft vacantie, ten minste als ik bijvoorbeeld in vroeger, tijd de juffrouw van de wol en stramien, of de juffrouw van de borduursels vrijaf had gegeven, dan kwam ik daar nooit op terug. Een man een man, een woord----quot;
âEen woord! Juist, juffrouw Lindeman, en daarom moet uw nichtje ons dezen avond mee uit den brand helpen. Volgens het
13
TOONEELSPELEBS.
gesloten contract zal zij spelen overal en ten allen tijde waar en wanneer zulks door de directie zal verlangd worden. Bovendien als het drilzucht of willekeur was, maar wij bevinden ons immers in verlegenheid; het aangekondigde stuk kan niet doorgaan, en in het eenige werk, dat we hier goed kunnen opvoeren, heeft uw nichtje een zeer belangrijke rol. U hebt haar nog niet als hertogin gezien, juffrouw Lindeman.quot;
âNeen mijnheer, neen, maarik ben er ook niets nieuwsgierig naar. U weet heel goed dat ik Floortje liefheb als mijn eigen kind, maar, om ze voor mal te zien spe.... ik meen, jawel Floortje, ik weet wel, zoo iets mag ik niet zeggen â dat viel me ook letterlijk uit den mond. â Nu, je weet het immers wel dat ik mij tegen je voornemen niet langer verzet heb, toen je zelfs den goeden dominee Pelser in den arm had genomen, en jelui allemaal van vocasie en aangeboren talenten gingt praten. Dat het zonde zou zijn, dat heb ik nooit gezegd, want wat je verkoopt: linten of kunsten da's alles hetzelfde; 'tkomt maar op het hart en de inwendige vroomheid aan; en zie je mijnheer Baars, zie je-...quot; juffrouw Lindeman was eigenlijk een beetje de kluts kwijt: ,omdat we van avond een melk-chocolaadje en wat appelbeignets zouden hebben zie je.... zoo moet ik je nóg eens vriendelijk verzoeken, om me nu één plezier te doen, en Flora het avondje toch vrij te geven?quot;
Baars nam een hoogst gemoedelijk ernstigen toon aan:
âJuffrouw Lindeman, als er iemand is, wie ik genoegen zou doen, dan bent U het, ter wille van uw lieve nichtje. Op uw uitdrukkelijk verzoek, heeft ze tier, in haar geboorteplaats, nog maar ééns in een klein stukje meegewerkt â tegen ons belang, bepaald tegen ons belang, juffrouw Lindeman.quot;
âJa tante, ja, dat geloof ik toch ook,quot; zegt Flora, die juffrouw Lindeman ziet hoofdschudden.
âIk zeg niet neen, kind, maar....quot;
âMaarquot;, herneemt Baars: âwe hebben ons trouw aan uw verzoek gehouden. Nu, in dit bijzondere geval, en terwijl juffrouw Flora, telkens wanneer zij optrad, vrij wel â ja waarlijk al heel wel heeft voldaan, nu treft het misschien zelfs bijzonder gelukkig dat deze omstandigheid haar, in een groot stuk, voor haar stadge-nooten op de planken brengt, zonder dat men haar optreden verwacht.quot;
âDie comedie zal me nog ziek makenquot;, valt juffrouw Lindeman uit: âtoen ik ja heb gezegd, toen was het ja, en ik zei tegen dominee: als U dien stand niet veracht, dan in Godsnaam! Maar, om me nu
14
TOONEELSPELEES.
ook nog dit to ontnemen; nu ik gedacht had ten minste een rusti-gen avond te hebben met mijn kind, want ja, ze is me als m'n eigen bloed, mijnheer Baars â zieje, dat noem ik.... dat is...
âOnplezierig tantelief, heel onplezierig! Maar wat de directie verlangt is heusch niet onredelijk. Men kan den armen Van üeene toch niet tot spelen dwingen als hij zoo akelig te pas kwam. Zie, om tien uur, halfelf is het stuk uit; dan kom ik dadelijk terug, en zullen we de scha wel inhalen: Hé als u.... toch eens meegingt tantelief?quot;
âWelzeker! Je hebt een vrijplaats 2lt;5en rang, juffrouw Lindeman.-'
âMeegaan? Ik? Nooit! Denk je dat ik misschien daar op spelden zou willen zitten, om door iedereen den heelen avond te worden aangegluurd als een wild dier; en nog bovendien in angst te zijn voor flaters van 'tkind? Neen, je weet niet wat ik toch al van vrienden en kennissen te slikken heb. Naar de komedie om Ploortje te zien, nooit van z'n leven.quot;
VIERDE HOOFDSTUK.
ACHTER DE SCHERMEN.
Omstreeks een uur voor den aanvang van de voorstelling, heerschte er in de schouwburgzaal van het gebouw Cecilia nog die geheimzinnige schemering, waarvan eenige âvrijkaartenquot;, inzonderheid voor de hoogste sferen, zoo gaarne gebruik maken om zich zonder slag of stoot een begeerlijk voorplaatsje te verzekeren. Van tijd tot tijd kwamen er iets later ook al âonbesproken plaatsenquot; voor den bak of de andere rangen, om alvast wat te turen naar de geschilderde plooien van den voorhang, die nog in nevelen is gehuld, en waarachter men zich het Vrouwtje van den Donau reeds voorstelt in den lichtglans van het genot, dat zij schenken zal.
Toen het langzamerhand wat meer bezet was geworden, zag men Smik, op de voorste rij der stalles, een jonkman een niet besproken fauteuil aanwijzen, waarmee deze weinig scheen ingenomen. Nadat Smik echter een paar malen de schouders had opgehaald, wierp de
15
TOONEELSPELERS.
jonkman zijn bonte muts er op, terwijl hij zelf, met den rug tegen de orkestbalustrade geleund, in de zaal ging rondkijken.
'tWas niet te verwonderen dat die aanblik hem maar weinig voldeed. Hij keerde zich om; nam plaats; beschouwde eenigeoogen-blikken Melpomenes tamelijk hooggekleurde beeltenis, zooals zij droomend in 't halfdonker â door lauwerkransen, fluiten, mommen en cymbalen omgeven â op het voordoek te pronk zat, en keek toen op zijn horloge.
â Nog een groot half uur, denkt Archibald V an Oudenolm: we hadden wat minder haast kunnen maken, 't Is nu lang zoo gezellig niet als verleden jaar met papa en Louise. Wat babbelde ze vroo-lijk, en wat had ze allerlei aardige opmerkingen. Het hooge kleurtje van Melpomene, zei ze, kon wel een schaamteblos over 't verval van de hooge tragedie in ons vaderland zijn. â 'tls een lief kind! Als men portretten ziet als van die juffrouwen daar in de loge, of
van die wipneus ginder---- Lieve hemel, wat treurige gezichten
over 't algemeen! Louise is bepaald een schoonheid; en wat is ze lief en goedhartig! Menigeen zou een lang gezicht hebben gezet; maar zij â altijd even tevreden. Ja 'tis een engel!
Archibald zag weer op zijn horloge. De groote wijzer was nog geen twee minuten verder gekomen. 'tWerd vervelend dat wachten.
Eensklaps zag men den jonkman weer opstaan; de zitting van zijn fauteuil naar boven wippen, en haastig de zaal verlaten.
âEen contramarkje?quot;
âAlsjeblief.quot;
.Is de concierge ook hier?quot;
âJawel mijnheer. â Hei, Smik.quot;
Smik in de deur der concierge-kamer heeft een kort onderhoud met den cadet. Indien de cadet niet kort en bondig van een âpopquot; had gesproken, dan zou Smik waarschijnlijk de schou ders hebben opgehaald, maar nu â 'tis geen moeite, en de directeur Kogel, die aan de controle staat, zal 't zeker wel goedvinden.
âApropos mijnheer,quot; zegt Smik zacht aan Kogels oor : âdie heer zou graag eens een kijkje op het tooneel willen nemen. Geen bezwaar hé?quot;
âOp het tooneel?quot; zegt Kogel: âJa maar, 'tis juist van avond met die verandering----quot; doch hij kon niet vervolgen, want aan 't k aartjesbureel had op 't zelfde oogenblik een hevige woordenwisseling plaats, en mijnheer Kogel werd van de controle aan 't bureel geroepen.
Terwijl een dikke heer nu met weinig uitgezochte woorden herhaalt dat hij zijn geld terug verlangt, wanneer werkelijk, zooals hij
16
TOONEBLSPELERS.
vernam, het aangekondigde stuk niet zal doorgaan, geeft Smik aan den jongen Van Oudenolm een teeken van verstandhouding, en Archibald volgt den concierge door zijn heiligdom in een achtergang; gaat een donker plaatsje met hem over, en als Smik een klinkdeur heeft geopend, dan ziet Archibald een steile zeer uitgesleten trap, die slechts zeer flauwtjes door een lamp met blikken reflector verlicht wordt.
âDe opgang voor de artisten,quot; zegt Smik: âIk zal je maar voorgaan.quot; En onder 't klimmen: âAls ik me niet bedrieg, dan heb ik mijnheer vroeger wel eens in stad gezien. De jonker van den bankier Van Oudenolm nietwaar?quot;
âJawel, maar geen jonker.quot;
âHè! niet van adel? dat zeggen ze hier anders allemaal. Nu, als je den klinkenden adel maar in den zak hebt!quot; En dan, als hij boven is, tot den tooneelknecht: âPiet, mijnheer wou eens kijken.quot; En weer tot Archibald: âZe zijn 't hier niet gewoon zooals in de groote steden achter de coulissen! Geen localiteit. Anders, wat er in de kleedkamers komt: juffrouw Rosa Brons! en... Pas op, daar komt er nog een.quot;
Bij Smiks laatste woorden wipte een juffertje de steile trap op. Een bournous met zwart lama omzet en gevoerd, verborg haar slanke welgevormde gestalte, en ofschoon zij de mannen tusschen het achterscherm en de kleedkamers zeer snel voorbijging, zoo had Archibald toch duidelijk gezien, dat er een heel vief kopje achter dat donkere voiletje school.
âHier juffrouw, asjeblieft! in den bak linksquot; helpt Piet, en als hij straks de deur achter Flora heeft dichtgedaan, dan zegt hij, natuurlijk voor 't meisje onhoorbaar:
âOp vuur, goed licht, en een canapé na, is er alles in orde.quot;
âIk dacht dat ze de kleedkamer van Roosje Brons had,quot; zegt Smik, op een andere deur wijzende.
âAfgecommandeerd,quot; antwoordt Piet met een vreemd gebaar, en verdwijnt dan tusschen de coulissen, tegelijk met een paar timmerlieden, die juist een geschilderd prieel voorbijdragen.
Terwijl Smik de steile tooneeltrappen weer afstrompelt, ziet Archibald met stille verrukking in 'trond.
Hoe ontelbare malen heeft hij gewenscht eens een oog te mogen slaan in de geheimzinnige heerlijke tooverwereld, die hij de âlevende kunstquot; noemt. En zie, nu bevindt hij zich dan inderdaad, en als bij verrassing, in dat rijk zijner liefste droomen.
Of de eerste indruk meeviel?
Jong, gezond, door en door warm van de frissche wandeling, beul. 2
17
TOCWEELSPKLEES.
merkte Archibald zelfs de kilheid niet, die enkele af- en aanloopende acteurs en bedienden gedurig deed huiveren en schouderscheuken. De sterke vocht- en lijmverf-lucht scheen hem mede volstrekt niet te hinderen. 'tWas iets eigenaardigs van 'ttooneel; men bespeurde die lucht dikwijls bij 't opgaan van de gordijn. Bepaald een tooneel-atmosfeer!
âMijnheer, zou je zoogoed willen zijn mij eens te zeggen wat die zware gewichten, daar in de hoogte, beduiden ?quot; vraagt Archibald nu aan een soort van een heer, die met den rug tegen een zij-coulisse, gedurig in een schrikkelijk bruinachtig en ezeloorig boek tuurt, en dan weer mompelend de oogen naar boven slaat.
âDie gewichten,quot; zegt de man, en dan roepende: âMijnheer Brons, deze heer vraagt wat die gewichten daarboven beduiden. Ik ben aan mijn rol, mijnheer.quot;
Brons de regisseur is in geen stemming om zich âmet extratjesquot; bezig te houden. Behalve het zeer onaangename gesprek met den directeur, heeft hij zoo even een kort onderhoud met zijn pleegdochter Rosa gehad. Zij was in haar kleedkamer.
â't Is een treiter!quot; had Brons gezegd, en daarbij tevens zoo hard op het aanrecht geslagen, dat er een wolk van poudre-de-ris uit de blanketdoos was opgestegen.
âEen treiter? Wie meen je?quot;
âWie? Moet je dat vragen? De ellendeling Baars!quot;
âBedaar alsjeblief. Zulke uitdrukkingen passen je niet.quot;
âJa, jij zult dat exemplaar van een directeur, zooals altijd, wel
voorspreken, omdat____Nu we zullen die dingen maar blauwblauw
laten; maar dat je geen greintje gevoel hebt, dat je mij afvalt, en....quot;
âHemel, man, je maakt een leven als een oordeel; ik val je
volstrekt niet af.quot;
âAls je dat waarachtig meent----quot; Brons had toen veel zachter
gesproken: âdan laat je het Vrouwenhart zakken van avond.quot;
âEen mooie grap!quot;
âZieje wel! Om een individu als Baars, zul je mij â mij een slag in 't gezicht laten geven.quot;
âAlsof ik om 't eeuwig gehaspel van regisseur en directeur, mijn naam voor 't publiek zou te grabbel gooien! Is 't niet genoeg dat het gemeene genre toch al den boventoon krijgt?quot;
âJuist! en waarom krijgt het den boventoon? Waarom moet zoon Van Deene met zijn plat naturel zoo hoog boven mij gesteld worden? Omdat hij een dozijn jaren jonger is? Neen kind, neen, omdat de mooie nieuweling-wijsneus, het hoofd van Baars op hol heeft
18
TOONEELSPELETiS.
ide gebracht. Dat ziet, dat geloof jij niet, Roosje; maar ik zegje dat het
sn. zoo is. Als hij je niet als actrice noodig had, dan was je al lang
iet overboord gesmeten. Laat het Hart zakken van avond, waarachtig,
'de dan heeft hij een les voor eens en voor al met zijn drijvers in 't
el- naturel.
Rosa's donkere oogen hadden geflikkerd. Brons heeft het gezien lie en 't was hem genoeg. Zonder een woord meer te spreken, heeft
ou hij Rosa verlaten, om, buiten de kleedkamer gekomen, aanstonds
ie, door den acteur, tot wien Archiba1d zich gewend had, te worden
en aangesproken.
Ja, Rosa's oogen hadden geflikkerd. Toen haar pleegvader veris, trokken was, is zij met het hoofd in de hand en den blik star voor an zich uit, op een stoel neergevallen. Zij geeft er niet om dat het blauwzijden kleed met guipures, 't welk over de leuning hangt, ge-squot; kreukt wordt. Als zij haars pleegvaders wensch en aan die wrok-sn kende stem in haar binnenste gehoor geeft, dan zal dat prachtig toilet er zelfs geen dienst behoeven te doen.
â Ha! denkt Rosa voort, en langs haar schoon â vooral bij
rd avond zeer schoon gelaat, drijven de donkerste wolken: ook
le anderen weten dan wat mij sinds weken verteert! â Heb ik hem
daarvoor talent en jeugd en eer ten offer gebracht! â Ellendeling!?
Ja, hij is het, wanneer hij dat kind naar de oogen durft zien;
wanneer hij vergeet: de eeden mij gezworen, de kinderen voor wie
hij vaderliefde huichelt. Ja, met de moeder kan hij hen verstoeten,
el ieder uur, omdat ik naar zijn drogredenen heb geluisterd. â Waar
w is uu de band die ons bindt! â Een huwelijk, was dwaasheid!
âRosa, de liefde is de eenige waarachtige band, die man en
ie vrouw vereent. Geen burgerlijk of geestelijk contract is in staat om
huwelijksliefde te verzekeren; daarom laten we elkaar liefhebben
!r en trouw zijn â zonder meer!quot; â Zoo sprak zijn valsche tong,
ff
en nu----
Rosa ontstelde. Op hetzelfde oogenblik dat zij vol bitterheid op n wraak zon, en met moeite haar tranen weerhield, trad Baars de
kleedkamer binnen.
n âHoe is 't, schrik je van me? Ben je niet wel kind?quot; zegt de
it man, en vat de bekoorlijke actrice bij de weerstrevende hand.
âIk----misschien---- ik weet niet----quot;
n ,'t Komt van dit kille hok. Zijn dat ook kleedkamers! Geen brok
d vuur, geen stoof zelfs. Wil je een warme stoof, Rosa?quot;
i- âNeen.quot;
â¢t âMaar je rilt van kou. Waarom ook onder 't fardeeren met dien
19
TOONEELSPELEBS.
blooten hals voor den spiegel te zitten. Ziezoo!quot; en Baars werpt haar een geruite sjaal om de blanke schouders: âje moet van avond goed in orde zijn. Wil je een glas pons of groc, Roosje?quot;
Rosa Brons keert het prachtig gelokte hoofd naar den spreker om; ziet hem aan met een gloeienden blik, en zegt:
âIk heb iets anders noodig om me te verwarmen, Casper.quot;
âStraks wat inspanning en een daverend applaus; dat zal je huiverigheid wel beter maken.quot;
âEi, meen je?quot;
âOf zou er werkelijk een andere oorzaak zijn?quot; zegt de directeur, die de ongesteldheid zijner vrouw wel terstond aan de ware oorzaak heeft toegeschreven: âMoet die ongelukkige jaloezie me vandaag met al mijn sneeuwmisères nog meer verdriet en gehaspel geven? â Jawel, ik begrijp het: Dat Flora in haar geboortestad van avond als de Hertogin moet optreden, dat hindert je. Je gelooft niet dat de omstandigheden het waarachtig noodig maken.quot;
âDat geloof ik wel, maar....quot;
âMaar je herinnert je dat zij op andere plaatsen wat bijval heeft gehad, en vreest nu....quot;
âIk vrees van dat kind als actrice niets, niemendal Casper. Haar vrije gemeene toon mag als nieuwtje bij een deel van 't publiek opgang maken, de ware kunst zal men op den duur waardeeren.quot;
âJelui bent van tweeërlei richting. Jij bent----quot;
âIk ben zwart en zij is blond,quot; valt Rosa in, met iets schrils in haar anders welluidende stem: âen ik geloof dat jij tegenwoordig de richting van het blond zoekt.quot;
I Baars meende dat hij tot heden niets, volstrekt niets heeft gedaan, 'tgeeu Rosa's jaloezie, in zake der liefde, zou kunnen opwekken; hij kende de vrouwen: ze zien wel als katten, in 't donker, maar zoolang men ze streelt houden ze de oogen gesloten.
Baars heeft het streelen niet verzuimd, maar toch â naar 't schijnt heeft hij zich laten verschalken:
âAh! waait de wind uit dien hoek!quot; roept hij, zonder in 't minst te doen blijken dat Rosa's vinnige uitval hem heeft getroffen: âDie oprechtheid is geld waard. Nu zoo'n liefdeskoortsje zal je wel hee-lemaal opknappen kind. Och kom, dacht je waarachtig dat....quot; en lachende: ,'t Is kluchtig! Misschien ben ik wel een trouwelooze, een meineedige, omdat ik door de sneeuw heb moeten baden om Reene van die tante-kornet tot haar werk te roepen; o wacht, omdat ik een briefje voor haar in den zak heb misschien.quot;
i âEen briefje! Van wien?quot;
20
TOOHEELSPELBRS.
âTuterletu, bedaar, schoonste aller bloempjes, zelfs bloeiend in een verduiveld kille kleedkamer! Brr Roos, ik zal Smik toch een ferme Januari laten brengen, 't Is hier vervoerd koud!
âEen briefje voor Reene. Van wien?quot;
âJe wilt weten van wien? â Welnu, om het koortsje wat gauw vooruit te helpen: van onzen spelbreker Van Deene. â Hier is het! â Neen, afblijven kind, maar de hand mag je wel zien. Heb je 't schrift van baar geestverwant herkend?quot;
âEen mooie verwantschap!quot; zegt Rosa met smadelijken lach, ofschoon haar gelaat bij 't zien van het schrift is verhelderd: âEn dat moet jij bezorgen?quot;
âMoeten! De directeur wil het bezorgen, omdat Van Deene heeft gezegd dat hij Reene nog een wenk moest geven in 't belang van haar spel.quot; En dan, terwijl hij den arm om haar hals slaat: âNog koorts, mijn liefde? Komaan, alle dwaasheid moet je vergeten,maaide kleine mouches hier op dit mooie bakkesje niet. Dag mijn eenige rozelaar. Doe weer je best, en in de volle zaal zal men straks maar één stem hooren, die voor mijn Roosje. Adieu!quot;
Rosa ziet met scherpen blik haar Casper na. Nu hij vertrokken is, vliegt zij op, opent zachtjes de deur, en ziet door een zeer kleinen kier naar de zij van Reenes kleedkamer. â Baars klopt er. â Hij moet wachten; lang wachten. â Reene schijnt hem niet te kunnen ontvangen. Jawel.... ja toch! Ha! Dat briefje moest dan volstrekt en noodzakelijk binnen die kleedkamer door hém bezorgd worden!
Op dit oogenblik klinken de eerste tonen van het orkest in de zaal. 't Is een wals van Strausz, die zich aanmeldt als de voorloopster van 't vroolijk genot dat men smaken zal; en terwijl onder het steeds aangroeiend publiek, menig wegschuilend voetje de maat tript, en een wakker worden op veler gelaat, met knikje of lach, wordt waargenomen, staren aan gene zij der gordijn, Rosa's oogen nog steeds in de richting van Flora's kleedkamer, en knarst er een woord van haar lippen, 'twelk lucht moet geven aan haar hijgende borst.
Intusschen heeft Archibald, na een zeer vluchtige kennismaking met den slecht gemutsten regisseur, zijn inspectie âachter de schermenquot; voortgezet. Met oogen, stralende van stille voldoening, heeft hjj alles bekeken.
De uitgesneden zij-coulissen van 't bosch, met de klossen en touwen en lampen er achter, de valluiken in den hellenden tooneel-vloer; en het voordoek â onbeschilderd aan deze zijde â met de
21
TOONEELSPBLERS.
kijkgaten voor de acteurs; dit alles en nog zooveel meer heeft zijn opmerkzaamheid getrokken; en terwijl nu de eerste tonen van het orkest zich doen hooren, en hij nog tuurt naar het ineenzetten van het tamelijk verflooze rozeupriëel, benijdt hij, meer dan ooit, de mannen en vrouwen, die zich vrij kunnen wijden aan een kunst, waarvoor hij, van zijne prilste jeugd af, zulk een onbegrensde liefde heeft gevoeld.
âZal de voorstelling al spoedig beginnen?quot; vraagt Archibald aan een acteur in knechts-livrei, die door een der gordijngaten in de zaal heeft gezien.
âJuffrouw Reene is nog geen vijf minuten in haar kleedkamer mijnheer; met het sjanzjement zal het wel wat ophouden van avond.quot;
Archibald, die nog niet heeft vernomen dat er een ander stuk zal gespeeld worden, begrijpt den zin der laatste woorden niet, maar den man achter de zij-coulissen volgende, vraagt hij weder:
âIn die kleedkamers mag men zeker niet komen?quot;
âVoor mijn part, waarom niet!quot; antwoordt de man, en dan zacht, terwijl hij aan een actrice in kameniers-kostuum een knipoogje geeft: âDaar ginds staat juffrouw Brons, wie weet of zij je niet met alle plezier een kijkje zal gunnen.quot;
In 'tzelfde oogenblik heeft Archibald de actrice herkend, wier spel hem het vorige jaar als Marie, in De Schipbreuk van de Medusa, zoo levendig heeft getroffen.
Behalve zijn mannelijk voorkomen, bezit Archibald eene groote vrijmoedigheid. Nu echter, aarzelt hij een oogenblik; doch wanneer een kleine hoofdbuiging der actrice, in verband met zekere plooi op het schoone gelaat, als een groet door hem mag worden opgenomen, dan verstout hij zich; en snel op Rosa toetredende, zegt hij, beleefd maar eenvoudig:
,'t Is mij onmogelijk u te zien juffrouw----Brons____zonder u
even mijn compliment te maken. Ik kom niet veel in de komedie, maar, zooveel te dieper blijft mij de herinnering bij van tooneelen als die waarin u, op het vlot der Medusa, stervende, om een dronk water smeekt. Waarlijk, dat was prachtig!quot;
âAl te vriendelijk mijnheer,quot; zegt de actrice met het oog naar den grond.
Aan zulke woorden is Rosa gewoon, en op dit oogenblik zou zij het compliment misschien in 't geheel niet gehoord hebben, indien de persoonlijkheid van Archibald en zijn harmonische stem, haar niet aanstonds hadden getroffen.
22
TOONEELSPELEKS.
't Is al een jaar geleden,quot; herneemt Archibald: âmaar den indruk vergeet ik niet.quot;
Rosa werpt een blik langs de kleedkamers; en zacht maar snel zegt ze: âU wenscht een kamer te zien? Als u binnen wilt komen?quot;
âMaar ik derangeer u. â Waarschijnlijk moet u toilet maken, en----quot;
âEr is tijd genoeg,quot; antwoordt Rosa: âals u 't wilt, kom dan binnen? Onze kamers zijn over 't algemeen zoo ellendig dat het geen kwaad kan, wanneer het publiek er eens nota van neemt.quot;
Zonder de laatste woorden der actrice zou Archibald, in zijn optimistische stemming â getroffen door die zekere bonte nonchalance, welke er in het vertrekje heerscht, en tevens bij het zonderlinge bewustzijn zich thans in een âintiem heiligdom der kunstquot; te bevinden, waarschijnlijk alweer met verrukking hebben rondgezien; doch, nu kwam hij spoedig tot het bewustzijn, dat inderdaad dit verblijf â de kleedkamer van zulk een bekoorlijke tooneelspeelster â niets meer dan een naargeestig hok mocht genoemd worden.
Terwijl Archibald nu zijn bevreemding te kennen geeft dat men voor dames, en nog wel voor eerste actrices, zoo weinig zorg draagt, bespeurt hij â terwijl zijn oogen onafgebroken op die schoone kunst-priesteres zijn gevestigd, dat een doodelijk wit haar gelaat overdekt.
Rosa Brons zal haar doel bereiken. Met voordacht liet zij de deur van dit vertrek een goed eind geopend In weerwil van haar onderhoud met dien vreemde, heeft zij naar buiten geluisterd, scherp geluisterd, en zoo aanstonds trof haar het eigenaardig geknars van Reenes kleedkamerdeur.
âIk zie dat de kou u werkelijk hindert,quot; zegt Archibald: âvergeef mij dat ik u zoolang met die openstaande deur heb durven ophouden. Vriendelijk dank voor uw welwillendheid, juffrouw Brons; en als ik nu heenga dan hoop ik----quot;
Maar Archibald vervolgde niet. Een lichte blos kleurde zijn nobel gelaat. Bij een snelle beweging van Rosa's hand, die den jonkman moest zeggen dat zoomin de openstaande deur als zijn tegenwoordigheid haar hindert, is de bont gekleurde sjaal haar van de schouders gegleden.
De kloeke nieuweling op het groote wereldtooneel stond een oogenblik zonderling getroffen. Toen, zich herstellende, raapte hij snel de sjaal voor haar op, en terwijl hij haar die â ofschoon nu wat links â met een paar verplichtende woorden overhandigt, was er een stille triumf in Rosa's donker oog te lezen.
23
24 TOONEEISPELEBS.
Juist op dat oogenblik ging Baars haastig de kamer voorbij; en â vluchtig naar binnen ziende, hield hij eensklaps zijn schreden in.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN VROUWENHART OP DE PLANKEN.
Een half uur later, scheen het publiek in de zeer gevulde schouwburgzaal, zijn geduld te verliezen, en geklap en getrap, tevens een Dogatief compliment aan den orkestmeester, die zijn uiterste best deed, om door een allervreeselijkst presto, een opgewekte stemming in de zaal te bewaren.
De gordijn ging naar boven.
Archibald Van Oudenolra, die zijn plaats weer heeft ingenomen, vermoedt wat er gebeuren zal. In plaats dat het aangekondigde stuk terstond zal beginnen, moet immers de regisseur komen berichten ----
Neen, Brons zal niet ten tooneele verschijnen. Met een zeer triviale verwensching heeft hij dit geweigerd, bepaald geweigerd, op grond dat een regisseur niet, zooals de directeur verlangd had, de lofredenaar van sujetten behoefde te worden, en 't allerminst van een sujet als Flora Reene.
Met eenige diepe buigingen ziet men Baars den souffleursbak naderen. Er speelt een vriendelijke lach om zijn mond, â Hoor:
âGeëerd publiek! Mijne heeren en dames! Door een schromelijk ongeval op onze reis aan den eersten komiek Van Deene overkomen, zoo hebben wij, voor dezen avond een andere representatie moeten daarstellen. Dezelve zal bestaan in de opvoering van het beroemde Drama Een Vrouwenhart of de Erfgename der Maulo-nières. Dit belangstellend drama, reeds op verschillige plaatsen in ons vaderland met den meesten bijval vertoond, zal aan de minnaars der kunst datgene verschaffen, waarop het met reden aanspraak mag maken. Behalve de door u allen geliefkoosde mejuffrouw Rosa Brons----quot; de directeur boog, want er werd vrij krachtig geapplaudisseerd: âheeft de directie tevens de eer u te annonceeren, dat de rol vau de dochter des Hertogs De Maulonière zal vervuld worden
TOONEELSPBLERS.
door het debuut van de jeugdige actrice mejuffrouw Flora Eeene, weleer uw beminde stadgenoot. De bijval, dien zij allerwege mocht inoogsten, en de kunstbevoegdheid van het geacht publiek dezer stad, geven ons de overtuiging dat het daarstellen van Een Vrouwenhart of de Erfgename der Maulonières, groot drama in vijf bedrijven â door onze eerste artisten, uw geëerde goedkeuring op de ondubbel zinnigste wijze zal mogen wegdragen.quot;
Weinige oogonblikken nadat de directeur, nogmaals buigende, het voordoek tusschen zich en het publiek zag vallen, ging de gordijn weer naar boven, en nam de voorstelling een aanvang.
Ofschoon Archibald, in den rug van zijn fauteuil geleund, zooeven bij de toespraak van den directeur onwillekeurig de uitdrukking: taalkundig trappenschuren, in het brein is gekomen, zoo verkeert hij nog steeds in de opgewekste stemming. Zelfs die laatste ontmoeting met den heer Baars, heeft dat onvergetelijk half uur achter de coulissen, en vooral in die kleedkamer â niet vergald. Zeer beleefd, of â naar Rosa's meening â met zijn gewone schijnheiligheid, heeft Baars den jonkman gezegd, dat men wat spoed diende te maken, en dat het juffrouw Brons dus zeker veel aangenamer zou zijn indien de ... baron-bankier, mijnheer Van Oudenolm nietwaar? na afloop der representatie aan de beroemde artiste zijn ver-eerend compliment wilde brengen, want, had de directeur er bijgevoegd â een beetje ploertig meende Archibald â ,'t was ongeloofelijk tot welk een brutale hoogte van comediespelen dit bekoorlijk sujet het gebracht had.quot;
Van dit laatste zal men zich nu kunnen overtuigen.
In haar blauw zijden kleed met guipures zit de markiezin Do Bellanova â juffrouw Rosa Brons â in het bewuste rozennriëel. Een knaap van omstreeks veertien jaren voegt eenige â wel wat dof kleurige bloemen met blauwachtige blaren tot een ruiker bijeen. De markiezin lacht hem vriendelijk toe; die knaap noemt haar moeder, ofschoon zij slechts een arme verre bloedverwante, en de huishoudster van Arthurs reeds bejaarden vader, den hertog De Maulonière is.
âOch mijn zoon!quot; zegt de markiezin met die zekere verrukking van klemtoon, die men vooral bij de hooge standen â op het tooneel â mag waarnemen; âuw liefde is mij een balsem. Terwijl de uren des afzijns uws dierbaren vaders mij als eeuwen toeschijnen, verdrijft mijn Arthur mij die eeuwen met een zoet gekoos, zoodat dezelve mij worden als zeepbellen, die heerlijk en schoon van kleur als in een oogslag uiteenspatten.quot; ,
25
TOOISEBLSPBLERS.
âWanneer komt fader terug, liefe moeder?quot; vraagt de knaap met een stem, die het gansche publiek plotseling uit den adellijken tooneelhemel in een Amsterdamsche achterbuurt verplaatst.
âUw vader, mijn Arthur----Oh! spreek mij van dien dierbaren
stond. Maar toch, hoe jaagt niet mijn boezem bij de gedachte dat eenig onheil hem getroffen, dat eenige ramp hem mocht overkomen zijn! Reeds morgenavond moet de hertog De Maulonière, uw vader, terugkeeren; doch mijn zoon, alvorens ons aan de grootheid onzer vreugde over te geven, trachten wij alles in gereedheid te brengen om hem bij zijn terugkomst op het kasteel de Mugère met blijdschap te begroeten.quot;'
âIk zou het gansche kasteel de Mesjeere wel met bloeme wille foorsien, want ik bemin hem uit geheel mijn hart.'quot;
âMijn kind, mijn lieve zoon! Ga dan, ga in den slottuin, pluk er zoovele bloemen en ruikers als ge kunt voor uw dierbaren vader bijeen, en toon ze aan uwe geliefde zuster. Ga, mijn kind, en zeg haar, dat ik er vast op reken haar straks met haar voltooid borduurwerk te zullen ontmoeten.quot;
âWij sullen froolijk sijn, liefe moeder. Ik gaan al, ja, ik gaan al!quot;
Da markiezin lacht hem vriendelijk toe. Dan, als hij vertrokken is, rijst zij ijlings van haar zitplaats op, en terwijl haar gelaat beurtelings haat en liefde, vermetelheid en angst uitdrukken, meldt zij met geweldig boezemjagen aan het aandachtig luisterend publiek dat, eindelijk de ure gekomen is! De dochter van den verarmden markies De Bellanova, zal hier niet langer de onderdanige slavin en huishoudster zijn. Lang genoeg heeft de trotsche neef, de rijke hertog De Maulonière, die haar na den dood zijner vrouw in huis deed komen, haar verguisd en vernederd. Wat het zijne is, zal het hare worden! Geen hinderpaal, die haar van den dierbare scheidt, zal er langer bestaan. George de Castelmac, de edele maar al te bescheiden ridder, het ideaal van haar wenschen, zal zij eerlang aan 't hart mogen drukken. Wat beteekenen de weinige jaren die zij ouder is dan hg! De hartstocht der liefde ziet naar jaren noch stand. Hij bemint haar. O ja, steeds draagt zij den brief op haar boezem, waarin dat woord staat geschreven: âOntsluit mij de poort van het kasteel de Mugère, en eeuwig zal mijn hart voor u kloppen!quot; â Helaas, de trots van den rijkaard duldde geen zoon van den verarmden vijand De Castelmac op de goederen der Mau-lonières. Maar het uur der vergelding en der zegepraal is nabij! Eugénie De Bellanova zal toonen dat er vorstelijk bloed in hare
26
TOONEELSPELERS.
aderen stroomt; dat zij weet te treffen, maar te verheffen daarbij.â Stil, men komt!
âZijt gij het Dévot?quot;
,0 ja mijn genadige markiezin.
âStil, spreek niet zoo luid; de wanden hebben ooren,quot; â namelijk in het park. â âIs alles in gereedheid! Hoe! Gij huivert? Gij verbleekt?quot;
âDe daad die ik sta te volvoeren...!quot;
De beraamde aanslag op het leven van den terugkeerenden hertog doet den rentmeester Dévot, bij het naderen van het oogenblik voor de uitvoering bestemd, met angst terugdeinzen.
«Bij God! Eduard, zoudt gij aarzelen?quot; roept Eugénie.
â Eduard! â Hoe! de schoone trotsche markiezin noemt hem Eduard! In verrukking doet Dévot drie schreden achterwaarts. Eugénie strijdt een geweldigen strijd, waarvan Dévot echter niets bemerkt â ofschoon hij om zijn verrukking te toonen, haar met rollende oogen eenige malen van het hoofd tot de voeten de maat neemt.
âO, kondt gij twijfelen dat, zonder 't volbrengen van mijn wensch, dit hart zou genezen?quot; antwoordt de markiezin met listige ontwijking, en drukt de hand onder haar linker boezem.
âEugénie! Voor eeuwig de mijne!quot; gilt de rentmeester, en terwijl hij met het hoofd achterover, den rechterarm om haar schouder wil slaan: âJa, aan mijn brandend hart, voor eeuwig de mijne!quot;
Bij deze laatste, met oorverdoovend enthusiasme uitgegalmde woorden, verheft Dévot zich op de punt van zijn rechterlaars en drukt de hand op zijn maag.
Het publiek weet nu waar het aan toe is. Een levendig applaus beloont den kunstenaar, die, zoowel Eugénie als zijn brandend hart voor een oogenblik in den steek laat, en nederig buigt als wil hij zeggen; Al te vriendelijk, 'tls niet verdiend!
Na dit intermezzo geeft de markiezin haar wensch te kennen dat de rentmeester nu zonder dralen, met âzijn bekende voorzorg en bewuste omzichtigheidquot;, het plan zal ten uitvoer brengen; bij welk verzoek Eduard â waarschijnlijk om zijn vroeger geschreeuw weer goed te maken â met een paar hoofdschokken rechts en links, een onderzoekenden blik tusschen de coulissen werpt. â Maar er is meer: Op zijn eerewoord moet hij beloven â ten einde later geen argwaan te verwekken â dat hij gedurende drie volle maanden, zich ten haren opzichte geheel als vroeger als onderhoorige, zal gedragen; ja zelfs al mocht in dat tijdsverloop de schijn tegen
27
TOONEELSPELERS.
haar wezen. De heer Dévot aangemoedigd door het hem zoo even geschonken applaus, en gevolg gevende aan den vroeger ontvangen raad om niet zoo luid te spreken, buldert nu, dat hel noch dood hem kan terughouden van een daad, die de bezegeling zijner liefde zal worden, ja, al moet zijn hart dan ook drie maanden lang als in een kerker versmachten.
âVaarwel Eusjeenie! Het eind zal schoon, het eind zal zaligheid wezen!quot;
Hij is vertrokken â Goed! In het midden van 'tbosoh bij de steengroeve wordt nu het groote feit, zonder twijfel, reeds spoedig volvoerd. Maar Arthur,----des grijzen hertogs zoon!? â Neen niet
geaarzeld! denkt de markiezin overluid: Arthur is niet slechts zijn erfgenaam, maar ook, deszelfs aanblik, deszelfs gelijkenis met dien vader, zou haar steeds herinneren aan 't geen er geschied is. Voort, geen zwakheid gedoogt zij meer. De slotgracht is breed, en onder het torenbalkon zeer diep. Men zal de komst van den vader op dat balkon verbeiden. De leuning is aan den kant van het woud geheel
vergaan, en----O God! zij hoort een gil; een plof! âDoch â zwijg;
zwijg bonzend hart!quot; roept de markiezin eensklaps op hoogen toon, nu zelve vergetende dat men haar voor 't minst op een kwartier afstands kon hooren. Ook hij moet sterven ja, evenals zijn vader, de trotsche weerstrever van mijn heil! Gewis! Het water dat zijn lijk zal besproeien, het blussche den gloed van mijn minnend hart!quot;
De laatste geweldige toonverheffing heeft, vooral in de hoogste sferen der schouwburgzaal, haar betooverende werking niet gemist. Zelfs tweemaal moet de gevierde kunstenares, terwijl zij zich naar den achtergrond begeeft, met een ruischend sleep omwerpen van haar kleed, terugkeeren, om dankbaar, en nogmaals dankbaar, met een innemend lachje, te nijgen voor het opgetogen publiek.
âFameus talent!quot; hoort Archibald terzelfder tijd achter zich zeggen: âPrachtig nietwaar?quot;
âJa, magnifiek kolonel, en welk een superber toilet!quot;
âMijn God, hoe is het mogelijk!quot; zegt een deftig heer die in den fauteuil naast Archibald zit: âAls 'tniet zoo'n verduiveld knap wijfje was, dan â waarachtig, dan zou ik siffleeren.quot;
Doch zie, een nieuwe bekoorlijke verschijning trekt ieders aandacht. Juist op het oogenblik dat de markiezin langs het achterdoek het tooneel wil verlaten, treedt een hoogst eenvoudig in 't wit neteldoek gekleede jonkvrouw, met een stroohoed op de blonde lokken, haar te gemoet.
28
TOONEELSPELEHS.
De markiezin deinst met een geweldigen schok achteruit, en zegt met de hand aan het voorhoofd, terwijl zij met zenuwachtige schreden naar het voetlicht teruggaat:
,Gerechte hemel! de hertogin, mijne pleegdochter! Aan haar, de reine duive, en toch des vaders oogappel en betoovering ') had ik niet gedacht!quot;
âNog al vreemd;quot; luidt de critiek aan Archibalds zij.
De liefelijke verschijning is intusschen haar schoone nog jeugdige pleegmoeder genaderd. En hoor, haar stem beeft met zoeten natuurlijken klank;
âHeb ik u doen schrikken, lieve moeder?quot;
âNeen mijne dochter, neen mijne Rodogunda! Slechts eene spin, die in deszelfs web over den weg hing, kon mij doen ontroeren. Het is u bewust hoezeer mijn hart aan uw ziel is gehecht. Omhels mij mijn Rodogunda, en trachten wij de sombere gedachten, die de wereld ons schenkt, te trotseeren.quot;
âEi, wat stemt u zoo ernstig?quot; zegt de pleegdochter, terwijl zij de markiezin bij de hand vat en haar een zoen op de wang geeft: âIk ben vandaag juist zoo vroolijk omdat papa weer thuiskomt. Al is papa soms wat knorrig, hij meent bet toch altijd zoo hartelijk en goed nietwaar ? â Zeg eens, bent u niet heel blij dat we hem nu al zoo gauw zullen weerzien?quot;
âIk Rodogunda? Hoe! zoude ik niet als zingende1) van blijdschap wezen, nu uw lieve papa tot ons zal terugkeeren!quot;
â't Is al vijf weken geleden dat hij vertrok. Zoo'n zending naar 't buitenland is toch schrikkelijk vervelend. Wil je wel gelooven mamaatje, dat ik mij haast niet meer kan voorstellen hoe hij er uitziet?quot;
âDe hertog uw vader heeft een rijzige gestalte mijn kind.quot;
âJuist!quot; zegt het meisje levendig; en dan, terwijl zij met een stille aanwijzende geste voor zich uitziet: âJuist! de neus een beetje gekromd; helder blauwe oogen; donker bruine knevels, en.......quot;
Eensklaps in natuurlijke verwarring: âDonkerbruin! 't Is zonde, hoe mal! Papa is grijs. Maar vroeger was hij donkerbruin, nietwaar mamaatje? Ja, welzeker, donkerbruin of.... ten minste, bij zwart-af, nietwaar ?quot;
29
âGoed, verduiveld goed!quot; klinkt het aan Archibalds zij.
1
) Enchantée.
I
30 TOONEELSPELERS.
In de zaal wordt terzelfder tijd eenig gemompel en hier en daar de
een luchtig applaus vernomen. klai
âMaar'n valsche gedachte,quot; fluistert de heer naast Archibald we- ,
der: âAllemachtig sterk om 't portret van je vader, zoo met de ,
tronie van je liefhebber te verwarren. Bespottelijk! Maar, op d i e kaï
manier gegeven, zou het natuur worden; waarachtig!quot; ,
Archibald heeft geen woorden. Van zijn gewaarwordingen kan hij mi:
zich nog geen rekenschap geven. Geheel en al aandacht, volgt hij , verder het drama, dat het sobere edele spel en de natuurlijke dixi
van een frisch talent als Flora Reene geheel onwaardig is. eg
De schoone markiezin â Rosa Brons â heeft een nieuwen strijd scl te strijden, 't Geldt nu de vraag of ook deze erfgename haars vijands
â zijn eenige dochter Rodogunda â den dood in de diepe slotgracht ni
zal vinden. Reeds twee personen â vader en zoon â zijn, in dit bi. eerste bedrijf, door haar ter dood veroordeeld, 't Was kras genoeg.
En het publiek waardeert ook nu weder de geweldige inspanning
van het veelgeprezen talent. Links naar de pleegdochter ziende, is rt Rosa Brons geheel verteedering, vooral te bespeuren in de trillingen
bij: O â Roâdoâgunâda! en dergelijke uitingen van een diep ge- h
voel. Bij de snelle boezemjagende alleenspraken naar den kant der , p
coulissen, is zij echter de beklagenswaardige asthma-lijderes, die vooral s
met haar kwaal heeft te kampen bij gelegenheden als deze, wanneer d
zij te kiezen heeft tusschen haar âwelbegrepen eigenbelangquot; en een j
âboezemliefde die is geworteld van af' de eerste stonde dat de s jeugdige bloem aan hare knieën mocht spelen.quot;
Terwijl die bloem, Floortje Reene, al haar best doet om niets van i
het hevige asthma der markiezin te bemerken, en deze met een j
soort van zegekreet aan het publiek bericht, dat haar boezem ten gunste der jonge hertogin heeft beslist, zoodat het kind zal leven, ja leven, doch zonder ooit aan de macht van haar oog te ontgaan!
waarbij zij tevens vermeldt, dat het haar, ,o gewis, ten balsem zal zijn, indien dat kind toch later haar hand zal kussenquot; â- de hand die notabéne niets meer of minder dan vader én broeder getroffen heeft, â wanneer die pleegmoeder ten slotte met wijd geopende armen nogmaals zegepralend uitroept: âMijn kind! mijn Rodogunda!quot; dan is het niet te verwonderen dat er een storm van bra- â¢gt; vo's losbarst, en dat er werkelijk â zooals Baars nog straks heeft voorspeld â maar één stem in de zaal wordt gehoord, de stem ten gunste van Rosa Brons â de nu toch zoo edele markiezin Da Bellanova!
âWat 'en juweel!quot; zegt een Israëliet â die met de armen over
TOONEBLSPELERS.
de balustrade van den engelenbak, uit al zijn macht in de handen klapt.
,Kostbaar brons!quot; is bet antwoord.
«Waar gebeurt dat ergens?quot; vraagt een dienstmeisje aan haar kameraad, met wien ze hand in hand mede in de hoogere sferen zit.
âWel in Parijs of Italië. Uit de heele consternatie kun je ten minste zien, dat het buitenslands is.quot;
,Zeker; hier te land praten onze lui lang zoo mooi en deftig niet.quot;
,Die andere in 't wit zou me niet bevallen; 't is zoo maatjes egaal en gewoon; dat kunt je thuis ook hooren, en je geeft er geen schelling voor uit.quot;
â't Moet Floortje Reene zijn. Nu je kunt dadelijk zien dat ze ook niet in de hoogheid is grootgebracht. â Zeker heelemaal niet veel bijzonders.quot;
âNatuurlijk, anders ga je in geen komedie-theater.quot;
âSust Barend! Kijk! Goeje hemel, wat schrikt ze! 'k Schrik warempel van den weeromstuit.quot;
Nadat de pleegmoeder â overladen met bravo's â het tooneel heeft verlaten, en de jonge hertogin, alleen gebleven, het rozen-priëel wil binnengaan, treedt haar een jonkman te gemoet die, ofschoon zijn gansche gelaat te zien is, zich onkenbaar waant, doordien hij met een soort van almaviva zich zoodanig heeft gedrapeerd, dat zijn rechterelleboog, ter hoogte van de kin, als een kapstok naar voren steekt.
Eensklaps is de kapstok verdwenen; de almaviva losgeworpen, en mag de jonge hertogin Rodogunda De Maulonière, den jeugdigen ridder George De Castelmac, haar geliefde, herkennen.
'tls onverklaarbaar hoe het lieve eenvoudige meisje in zoo'n kwibus behagen kon krijgen. Met een bulderende stem en een roffel van rrrquot;, terwijl hij den klemtoon zekerheidshalve zooveel mogelijk op iedere syllabe legt, roept hij: âDierrbaarreü eindelijk zie ik u weederrr!quot;
Verbazing, blijdschap en vrees worden door de houding, die Flora Reene terstond heeft aangenomen, alsook door haar bijna fluisterend: âGeorge!quot; â zoo eenvoudig en waar vertolkt, dat sommigen in de zaal onwillekeurig naar de hoeken van het tooneel zien, bevreesd dat eenig onwelkom bezoek haar heelemaal in de war zal brengen.
George zal er zijn best toe doen: Nadat hij met wijduitgestrekten arm en vier schaatsenrijdende passen in 't ronde, zich heeft overtuigd dat er zich âniemand in dit oorrd bevindt, het oorrd waarrdezee-vierrs der reinste liefde woonen....quot; vangt hij aan met debeschrij-
31
tooneelspelees.
ving van zijn smachtend verlangen naar het wezen zijner zoetste idealen. â Hij heeft zich in den zadel geworpen. Getuige den spoed, dien hij maakte, ligt ginds in het woud zijn klepper zieltogend ter neer, en, ondanks tien uren jagens, langs heg en struweel, langs afgronden en moerassen, staat hij hier vóór haar, met.... gefriseerde haren!
De liefde is blind of â bijziende! Rodogunda De Maulonière bemint George De Castelmac. Hij maakte er â geheel en al bij 't voetlicht gekomen â het groote publiek mee bekend, ofschoon slechts een enkele vriend het mocht weten.
Uit het gesprek dat nu volgt, blijkt mede dat gedurende des her-togs afwezigheid, een vriend van George De Castelmac, den ouden hertog in 't belang van den minnenden George heeft onderhouden, zoodat het volstrekt niet onmogelijk zou zijn, dat de hertog, in een blijde stemming terugkeerende, de oude grieven vergeten, en gunstiger ten opzichte van De Castelmac gestemd, âhet oor zal leenen aan de teederste wenschen, die ooit een zielenpaar hadden omstrengeldquot;!
Deze hoop moet nu zekerheid hebben. George hecht ten zeerste aan den invloed van Rodogunda's âvoortreffelijke pleegmoeder.quot; Haar moest men de liefde huns harten ten eerste vertrouwen. Reeds luttele dagen geleden heeft hij haar â die pleegmoeder â ofschoon hij haar vroeger slechts eenmaal ontmoette, een klein vertrouwelijk biljet geschreven, waarvan hij Rodogunda de kopij zal voorlezen. Hij slaat het zand van het blaadje en leest:
âHoogedele Markiezin De Bellanova.
âReeds vroegtijdig mocht ik u bewonderen. Helaas, evenals u hield het noodlot mij in deszelfs boeien bekneld. Ik aarzel dan ook niet om mijn vurigsten wensch voor dit leven aan uw voeten te werpen. O ontsluit mij daartoe de poort van het kasteel de Mugère. Eeuwig zal mijn hart voor u kloppen.
Geokqe De Castelmac.quot;
âZiet gij, mijn uit! vérkoorrrenequot;, zoo besluit de ridder â wiens schoone academische standen wel rechtstreeks naar den classieken Laocoonsgroep bestudeerd moeten zijn, ofschoon hij zich â vooral onder de oogen â niet aan het coloriet heeft gehouden: âZiet gij mijn Rodogunda, de avond is reeds gevallen, en terwijl de schoone flonkerende avondster....quot; George wees naar het achterdoek, waar
32
TOONEELSPELEES.
evenwel geen ster te zien is. De bedoelde ster zal nu echter aanstonds daargesteld worden door den wakker geschrikten too-neelknecht, die snel een ladder beklimt; een lantaarntje met blauw glas voor een klein gaatje in de lucht hangt en vervolgens weer beneden gekomen, zijn machinisten-rol voortzet met het temperen van 't licht â op â neer â lichter â⢠de vlam boven de glazen â paf â middernacht: Nicht waar es soil doch donkel zijn as de lantaarn schijnt! â George heeft intusschen zijn aanspraak vervolgd; âJa Rodogunda, terwijl de schoone flonkerende avondster fonkelt aan het azuur, weerstreven wij den God der liefde niet. Ginds in het kasteel de Mugère wacht ons den zaligsten stond. Met de voorspraak mijns edelen vriends; met de beveiligster mijner belangen, uw edele
pleegmoeder; met de liefde van mijn aangebedene.....quot;'t Was alsof
de ridder Floortje bij dat aan heelemaal wilde inslikken, zoo verliefd gaapte zijn mond: âJa, met mijn vuurrige liefde zullen wij verrwinnen, èn voor hierrr, èn voor eeuwig!quot;
âOch George, ik ben zoo bang!quot; huivert Rodogunda met zachte stem.
âBang, mijn geliefde? Wat zou u bedrreigenquot; â George drapeert zich bij deze woorden weer met den almaviva, vermoedelijk om te doen zien hoe hij zichzelf zal weten te beschermen, en dan, nadat Flora door een geheel meesleepende, uiterst eenvoudige voordracht de onzinnigste denkbeelden en voorgevoelens â die in haar rol onmogelijk te wijzigen of te schrappen zijn geweest â als 't ware heeft mogelijk gemaakt, galmt George De Castelmac met een snel achteren voorwaarts treden, en het uitspreiden van den almaviva als vleermuis â waarschijnlijk om de akelige vermoedens bij zijn geliefde zoo spoedig mogelijk te doen verdwijnen:
âDreigt er gevaarr en moesten wij sneven, o geliefde! dan, dan sneven wij te zamen aan de trouwe borst van elkaarr!quot;
Terwijl De Castelmac nu â met het linkerbeen vooruit, en de rechtervuist tegen den schouder gedrukt, het hoofd in den nek werpt, ziet hij â onder 't klinken van hemelsche bijvalskreten â de gordijn naar beneden gaan.
Ofschoon de bekende voornaamste artisten van het gezelschap Baars amp; Kogel, als naar gewoonte â reeds in dit eerste bedrijf de ondubbelzinnigste blijken van goedkeuring mochten ontvangen, terwijl er voor Flora, noch bij haar optreden, noch bij haar spel om zoo te zeggen âeen hand op elkaarquot; was geweest, is het toch een feit dat er nu in de zaal bijna van geen ander sprake is, dan van die nieuwe actrice. Flora Reene.
III. 3
TOONEELSPELEES.
De burgemeester der provinciale hoofdstad, ginds in zijn fauteuil, zegt dat hij zich die bonne op Hounaer nu heel goed herinnert, 't Was of ze een van de freules Rijne bestudeerd had; soms hoorde men waarlijk die lieve zachte stem van freule Marie.quot;
,'t Moet zeker wat meer uit den fatsoenlijken stand zijn?quot; meent een gracieus persoontje, naast den burgemeester gezeten.
âNeen, toch niet; bepaald uit de kleine bourgeoise; maar ze schijnt wat fijner te voelen, 't Is kluchtig zooals die tooneelbombast van de anderen nu nog meer in 't oog springt. Men zou er anders aan wennen in eene komedie.quot;
,'t Doet me heusch plezier dat er ten minste eens één onder dat volkje is, die ophoudt met ons te parodieeren.quot;
,U hebt wel gelijk freule, 't Is niet plezierig op den duur.quot;
Boven in het zoogenaamde amphitheater is een geweldig kaal-kleerig en kaalhoofdig persoon, van een geheel ander oordeel:
âIk moet je zeggen, mijnheer!quot; vervolgt hij tot een gepensioneerd wachtmeester, ridder van 't metalen kruis en âcompagnon de gloirequot; van Napoleon I â âik moet je zeggen dat ik waarachtig m'n eigen werk niet herkende.''
âZoo! is dat stuk van jou, mijnheer?quot;
âJa mijnheer; ten minste ik heb aan de heeren Baars amp; Kogelde vertaling er van geleverd. Ik zeg mijnheer, dat als men in zijn vrije uren zoo'n letterkundigen arbeid verricht, en men ontvangt daarvoor drie gulden, behalve een paar âvrijequot; â ziet u, voor mijn en mijn meisje, â jawel, om u te dienen, dit is zooveel als mijn beminde, â ik zeg, dan is het een schandaal als de acteurs je werk uit elkander rukken zonder slot of zin. Ik had wel willen siffleeren mijnheer, toen Reene mijn bestudeerde zinnen uit de haute-volée in een allercommunst keuken-HolIandsch aan den dag bracht. Ik vraag je mijnheer! zal eene minnares uit dien hoogen stand nu ooit zeggen: Ja, George, je weet dat ik je liefheb. Je, je! 't Is belachelijk!'' En declameerend: âO voorzeker mijn George, 't is u bekend dat ik u op het vuurrigst bemin!quot; Nietwaar, dat is de manier; zóó spreekt de aristocratie; u zult mij zulks toestemmen.quot;
âWaarachtig!quot; zegt de ex-wachtmeester, maar laat er aanstonds op volgen: âEn betalen ze dat met een driegulden, zoo alleen van 't changeeren zal ik maar zeggen! Donders, als je mijn kleinzoon eens zoo'n ding kunt bezorgen? De jongen is op 't behangen, maar zie-je, hij heeft veel vrijen tijd en veel ambitie; en den ouwe zou 'em als 't noodig was wel zoo'n beetje op streek helpen. Weetje,
34
TOONEELSPELEES.
'k heb nog een dictionnaire uit den tijd van Napoleon. God zegen 'em! â Parlee voe francee, zeit de Franschman; comprandee voe sla monsjeu, ziel voe plee!quot;
Archibald Van Oudenolm heeft een geruimen tijd naar zijn spraak-zamen buurman geluisterd, die veel te vertellen had, van de hooge eischen welke men, bijvoorbeeld te Parijs, aan de artisten van het Théatre Fran9ais stelde, en tevens van allerlei acteurs en actrices die hij elders mocht genieten en waarbij âde heele Hollandsche rommel een âlorreboelquot; was. Reene, de nieuweling, welzeker, zij beloofde wat. Ja zelfs een enkel acteur was er mede hier en daar, die begon te begrijpen dat eenvoud en natuurstudie de hoofdver-eischten voor een goed tooneelspeler zijn; men moest ze de hand reiken; maar, geen pardon voor sujetten als Rosa Brons en consorten, die bedervers van ons nationaal tooneel; en geen pardon ook voor de wangedrochten van Franschen bodem, vruchten zonder pit, ziekelijk, ongezond!
Ongetwijfeld zou Archibald op dit oogenblik nog dieper de waarde van Reenes spel, tegenover dat van Rosa Brons hebben gevoeld, indien hij niet zoo kort geleden in de kleedkamer der laatste dien gansch bijzonderen indruk had ontvangen, 't Is den kloeken jongen te vergeven dat een paar blanke schouders, â; nü onder guipures verscholen, onwillekeurig voor hem een weinig gingen meespelen, en dat hij â ofschoon overtuigd dat Reenes opvatting verre de voorkeur boven die van Brons verdiende â toch een zeer geopend oog heeft voor Rosa's onbetwistbare gratie; voor de welluidendheid van haar stem: voor haar vrij zuivere uitspraak van het, ook in deze vertaling afgrijselijk geradbraakte Nederlandsoh; en voor haar werkelijk verdienstelijke oogenblikken, wanneer zij zich niet ten behoeve van hartstocht, â 'tzij liefde of haat â uit haar bijzondere kunst-arsenalen te wapenen heeft.
Helaas! die oogenblikken van kalmte zullen voor 't overige van den avond slechts schaars zijn. Nog viermalen zal de gordijn opgaan, om het publiek telkens al stouter te doen zien hoe hier natuur en waarheid â op een enkele uitzondering na â worden vertrapt, en de wansmaak wordt gehuldigd.
In de tweede akte heeft er een ontmoeting plaats tusschen do pleegmoeder en George â Rodogunda's geliefde.
Terwijl het kasteel met bloemen is versierd â nadat er bij die versiering een kleine, werkelijk lieve scène tusschen den acteur Heldera als jonge tuinman, en Reene als Rodogunda, heeft plaats
35
TOONEELSPELERS.
gehad â ontvangt de markiezin-huishoudster den âjongeling harer vurige liefdequot; in haar feestgewaad. Hij dankt haar dat hij toegang tot dit kasteel âmocht verwervenquot;; hij prijst haar schoonheid en den adeldom harer ziel; en als dit lang genoeg heeft geduurd, en Rosa eindelijk de declaratie verwacht, dan vertoont zij plotseling een vreeselijk stuiptrekken, want â George De Castelrnac heeft haar gezegd, dat hij op haar hulp en voorspraak bouwt, omdat hij Rodogunda bemint.
Een derde doodvonnis wordt er nu aanstonds door de markiezin geveld. Ja, ook dat kind â nü haar medeminnares â moet sterven!
Van al die agitatie bemerkt de ridder echter niets. Haar vleiende woorden op hoffelijk-sarrenden, bijna uitjouwenden toon gesproken, zoodat ze den domsten boer niet zonden verschalkt hebben, neemt de fiere ridder â nog altijd in zijn almaviva â met de meeste erkentelijkheid aan. De bescherming, steeds op diezelfde wijze toegezegd, verrukt hem, en hij kust de teedere hand der markiezin, omdat hij verlof heeft bekomen zich in haar bijzonder kabinet te verbergen, totdat de hertog zal zijn teruggekeerd,, en de pleegmoeder het geluk der geliefden voor eeuwig zal hebben bevestigd. â Dit laatste heeft Rosa gezegd, met een trillende hoofdbeweging en oogen als dolken.
In het derde bedrijf is het uur der generale wraak gekomen. De âdierbare Arthurquot; is bij het uitzien naar siin feelgelicfden papa met de vermolmde leuning van het torenbalkon reeds in de slotgracht gestort, en heeft er den dood â helaas niet den dood als tooneel-speler gevonden.
De gasten, die ter viering van des hertogs terugkeer op het kasteel de Mugère zijn genoodigd, en precies als een troep meiden en knechts rechts en links achter een rij stoelen hebben post gevat, geven blijk van hun ontsteltenis over dit plotseling sterfgeval, door een gymnastische beweging met den rechterarm, en een gezamen-lijken kreet, waarna zij echter hun vorige kalme houding weer aannemen, waarschijnlijk om daarmee 't vermoeden uit te drukken dat de vader â nu al die feestelijke toebereidselen toch gemaakt zijn, â zich het gebeurde wel niet al te zeer zal aantrekken, en vooral niet, wanneer hij door hun edele tegenwoordigheid mag getroost worden.
Ternauwernood echter is de rust onder het dienstdoend personeel weer volkomen, of Dévot â de rentmeester, en handlanger der markiezin â stort als een bezetene â letterlijk ventre a terre â naar binnen, en allen, de gasten, ja zelfs de huisgenooten voorbij
36
TOONEELSPELEKS.
hollende, meldt hij aan het aandachtig luisterend publiek der provinciale hoofdstad, dat de edele hertog De Maulonière, ginds in het woud de Mugère, door den verraderlijken dolk eens onverlaats, in den ouderdom van zes en zestig jaren is bezweken.
De gasten, die dit vreeselijk nieuws bij de vorige opvoeringen al gehoord hebben, schrikken niemendal â één der graven geeft op dit oogenblik zelfs een knipoogje aan een vriendin in den engelenbak, alsof hij wil zeggen: âHoe keur je me, hê?quot; Maar zoodra de markiezin, die vooraan op het tooneel zit, het sein van schrikken geeft â door de handen ten hemel te heffen en ze voor de oogen te slaan, schrikken ook do gasten geweldig; roepen te gelijk â als een schoudergeweer-slag bij de schutterij: âGerechte hemel, de hertog De Maulonière!quot; zwaaien weer met de armen; zien elkander aan; begrijpen aanstonds dat de rijtuigen nu voor zijn, en gaan zonder iets meer van de zaak te willen vernemen, of zelfs afscheid te nemen, meerendeels lachende, twee aan twee de deur uit.
Weinige oogenblikken later ruischt er een stil goedkeurend applaus in de zaal. Flora Reene had een uitstekend moment:
De jonge hertogin Rodogunda, in diepe smart over 't verlies van haar broeder, heeft niet gedeeld in de ontsteltenis, toen het âvermoord door de hand eens onverlaats!'' van Dévot het gebouw deed dreunen. Eerst stil voor zich heen ziende, schijnt zij te vermoeden dat hetgeen er gezegd werd, een ander geldt; misschien spreekt men van den âonverlaatquot; die door verregaande nalatigheid de oorzaak van Arthurs dood is geworden. Toch moet zij luisteren Terwijl de rentmeester nog voortbuldert, treedt zij zachtkens op hem toe. Met droeven blik ziet zij hem van ter zijde aan. Op haar gelaat is beurtelings teedere belangstelling, deernis, en twijfel te lezen â doch stil en zonder de geweldmiddelen der kunst; â en als Dévot den stervenden hertog nu sprekend invoert, met den krijschenden uitroep; âJezus Maria! mijne kinderen, ik sterf!quot; dan ziet men Flora met een prachtig weergegeven mengeling van klimmende verbazing, ontzetting en namelooze smart, het hoofdje vragend naar den spreker uitstrekken, doch ook schier terzelfder tijd haar slanke gestalte als ineenkrimpen, en haar handen, die bij dat Jezus Maria, zich werktuiglijk hadden gevouwen, zachtjes langs 't lichaam terug vallen, terwijl een bijna onhoorbaar: âAh!quot; aan hare lippen ontsnapt.
Terwijl Rodogunda's kamerjuffer of âvertrouwde,quot; haar nu opvangt en op deze âzoovaquot; doet nederliggen, zal Rosa Brons er voor zorgen dat het applaus ten gunste van dat kind niet groeit, 'tgeen gemakkelijk is, wanneer men maar gauw en vooral met wat om-
37
TOONEELSPELERS.
vang van stem weer invalt. â Maar 't is inderdaad onnoodig: want bij de massa heeft die scène niets, volstrekt niets gedaan. Goedo hemel, zulk flauwvallen is ook geen speldeknop waard.
âHeelemaal buiten mijn tekst!quot; heeft de kaalhoofdige en kaal-kleerige heer van 't amphitheater aan den ex-wachtmeester verzekerd; âEr staat niets dan: Edelen, gasten, gastvrouwen en verdere ge-noodigden af. Rodogunda valt in zwijm.quot; â Van zich zelve, weet u. Maar geen onnoodige vertooning, in 't geheel niet.quot;
Inmiddels ziet de markiezin De Bellanova het oogenblik gekomen. Neen, nu dat pleegkind haar mededingster is geworden, nu aarzelt zij niet. âHa!quot; zoo roept zij: âkan er bij de dienaren op het kasteel de Mugère nog twijfel bestaan? Wie anders heeft den moord gepleegd dan de ridder De Castelmae, die, ondanks des hertogs vloek over een echtverbintenis tusschen hem en de jonge hertogin, gezworen had haar te zullen bezitten?quot;
Eensklaps komen nu al de edelen, gasten en âgastvrouwenquot; terug. Ze willen waarschijnliik toch niet vertrekken zonder een fooi aan de domestieken te geven, die zich juist allen op het tooneel bevinden. Aangezien de laatsten echter als hoofdpersonen meewerken, nemen de gasten nu ook maar weer achter de stoelen plaats, en beamen straks volmondig de toespraak der markiezin, dat niemand anders dan de genoemde ridder de schuldige kan zijn, maar dat hij slechts op instigatie van de trouwelooze dochter des hertogs kan gehandeld hebben, terwijl haar âinzwij.rivallingquot; op het âbericht des moords,quot; reeds ten duidelijkste haar schuld bewijst. Willen de edelen nog nader overtuigd worden? de diep verslagene markiezin behoeft hun slechts den brief te toonen, dien zij, helaas! in het boudoir der jonge hertogin heeft gevonden.
Na het voorlezen van de regels:
âDezen avond zal de hinderpaal tot onze zaligheid uit den weg zijn geruimd, en Rodogunda toebehooren aan haar eeuwig minnenden George De Castelmae.quot;
verneemt het publiek nog in vertrouwen van de markiezin, dat zij dit geschrift, naar het voorbeeld van des ridders vroeger aan haar geschreven biljet, kunstig heeft nagebootst. â Het stuk wordt nu aan de gasten getoond. De edelen en edele vrouwen, aangenaam verrast door de eer, die hun wordt aangeboden, nemen dankbaar beurtelings den brief aan; slaan het zand er af, en geven na snelle inzage, blijk dat ook zij weten hoe de hooge adel zich door zijn vormen onderscheidt, door bij het overhandigen van den brief, met innemend glimlachen â naar gelang van hun sekse â een
38
TOONKELSPELEIÃS.
diepe buiging of wel een soort van schok-dienaresse te maken.
Op een: âWelnu mijne heeren!?quot; wordt met zeldzame eenstemmigheid, als bewijs van snel en heldor doorzicht, het: âschuldig!quot; uitgesproken. Onmiddellijk verschijnt nu de politie â gerepresenteerd door twee personen eenigszins als scherpschutters gekleed, doch met Spaansche schoudermantels, en hoeden met vervaarlijk groote slaphangende randen â om de jonge markiezin die nog in zwijm ligt, naar den slottoren te voeren; terwijl de markiezin bij 't vallen van de gordijn, zeer op den voorgrond getreden, de woorden ontboezemt:
,0! kent de liefde eener vrouw hare grenzen! Mijn beschuldiging brengt hem in mijne macht. George, gij zult mij toebehooren! dit zweer ik, bij God!quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
VERVOLG EN SLOT VAN EEN VROUWENHART.
Het vierde bedrijf speelt in het boudoir der markiezin De Bel-lanova.
Walglijker tooneel kan men zich bezwaarlijk voorstellen dan dat, waarin de markiezin den ridder voor zich zal winnen. â Ach, zij had zich bedrogen en smeekt hem vergiffenis. â De geheel nieuwe improvisatie, dat Eodogunda een zonderlinge liefde voor den jongen tuinman Leonard, zou koesteren, âwaarvan helaas reeds de wanden der nabijzijnde tuinmanswoning konden getuigen,quot; deze verklaring van de heldin der geschiedenis, nog verzwaard met een nieuwe uitgave van het moordverhaal, 't welk nu ook dien Leonard ten laste komt doch haar George geheel en al vrijspreekt, zij wordt door den nog zoo kort geleden alles trotseerenden minnaar, zelfs geen oogenblik in twijfel getrokken. Slechts een hevige smart grijpt hem aan nu hij zijn Rodogunda hoort schuldig verklaren. Ja, hij jammert over trouweloosheid, âover een duivenoog dat bedriegt, en de schaamteloosheid, die zich met de gestalte eens bekoorlijken engels bedekt.quot; Wel verre dat dit laatste als een onwillige steek onder water de markiezin zou kwetsen, ziet men haar â doch ter zijde â
39
TOONEELSPELERS.
geslingerd door vrees en hoop of zij al dan niet op den âschoonen jongeling zal triumfeeren.quot;
George is als radeloos. Hij wil zich met dit staal.... maar bedenkt zich. Hij zal zich uit dat venster---- doch de markiezin
smeekt hem om Godswil, zijn dierbaar leven te sparen? Nu, dan zal hji zich naar de trouwelooze spoeden; haar zeggeu dat dit hart
door haar is gebroken en dat, enfin----Maar de markiezin vindt
zulks niet verstandig. â O ja! â O neen! â George kent slechts zijn bitter leed. Helaas! â Maar ach, is er dan niemand die hem kan troosten? Is er dan geen andere, die het hart van een George De Castelmac waardeeren en liefhebben kan? â De belegering wordt brutaler. â Wie zal het winnen? Tien tegen een dat het gansche publiek â onder den indruk van het oogenblik â wenscht dat de markiezin op den flauwerd zal zegepralen. Jaâneen; neenâja. Gelukkig hij komt al wat bij; hij vat hare hand. Ha! nu moet zij overwinnen. Zie maar, de markiezin zal flauwvallen âindien hij nog langer speelt met een hart, 't welk hem zoolang reeds toebehoort.quot; En zie dan, hij breidt de armen al uit, en mat een âEugenie, wees voor eeuwig de mijne!quot; drukt hij haar aan zijn â nu insgelijks fel hijgende borst.
Een bravo met onstuimig handgeklap, bekroont deze overwinning der markiezin.
âGemeen! Ellendig!quot; zegt Archibalds buurman met een slag op den fauteuil-arm: âBah! belangstelling wekken voor zulk een victorie!quot;
Archibald knikt even, maar toch, hij moet zien.... Op het oogenblik van Eugenie's overwinning, is er plotseling eene deur geopend. De rentmeester Dévot vertoont zich op den achtergrond.
Met zijn neusvleugels bootst hij een afgespannen diligencepaard na. De markiezin bemerkt hem; werpt hem van ter zijde een smacli-tenden blik toe, en Dévot gedachtig aan haar woorden: âAl mocht de schijn ook tegen mij zijnquot;, begrijpt aanstonds dat de teederheid van dien vreemdeling voor de nicht des hertogs natuurlijk geen teederheid is; en gedraagt zich gedurende het overige van dit bedrijf geheel naar de bevelen âder beheerscheres van het slot de Mugère en, van zijn min!!quot;
De kleine afleiding door Dévot verschaft, heeft den ridder George gelegenheid tot eenig nadenken gegeven, en op den verrassenden inval gebracht, om toch eens te onderzoeken of alles wel werkelijk dood is wat dood is gemeld, en tevens of de schoone Rodogunda inderdaad in afwachting van hem â baar beminden ridder â zoo
40
TOOKEELSPELEKS.
ontzettend veel liefde voor bloemen en tuinbouw heeft aan den dag gelegd. Hij deelt deze wenschen aan de nieuwe âbevelhebster van zijn hartquot; in zoete bewoordingen mede.
Er volgt nogmaals een ontboezeming. Daarna ijlt de markiezin â George met zich voerende â naar eene deur; opent die, en laat De Castelmac een blik in dit âbegrenzend vertrekjequot; werpen.
De onversaagde ridder deinst terug. Het âzielloos lijkquot; van den edelen Arthur heeft hij aanschouwd; en daarnevens:.... ,0! grrrroote God!quot; gilt George met afgrijselijk geweld, terwijl hij te gelijk met alle kracht een lach moet onderdrukken.
Waarschijnlijk om den ridder, bij de aanwijzing: âZie het lillende vader-lijk!quot; een weinig te bemoedigen, of wel om de voortreffelijke directie van de heeren Baars amp; Kogel te doen uitkomen, heeft zich een der edele gasten, met vijf uitgespreide vingers boven een spits vooruitstekende tong, achter de coulisse geplaatst; en deze geestigheid was voor den eersten acteur, die natuurlijk geheel en al een met zijn rol was, te kolossaal om er zich goed bij te houden!
Na een voor 't publiek onhoorbaar: âHoud je gezicht! Je bederft m'n scène!quot; bezweert de markiezin haar eeuwig geliefde, om zich te bezitten en roept de toorn des hemels in over den tuinman Leonard, benevens over âhet kind dat hij verdierf.quot; En gewis Eugénie de Bellanova zal haar âeeuwig dierbare het bewijs van Rodogunda's ontrouw verschaifen, opdat hij rust en liefde zal vinden aan haar zwoegend hart!quot;
Voor het vijfde en laatste bedrijf wordt vervolgens gedurende do entre-acte alles in gereedheid gebracht; De kerker voor Rodogunda; het zijgangetje, waarin George en de markiezin den jongen tuinman zullen bespieden, wanneer de eerste â op geheim bevel van de markiezin zelve â Rodogunda tot de vlucht zal bewegen, en de eerbiedig vereerde dochter des hertogs in zijn armen aan dit hol zal trachten te ontvoeren; verder de giftbeker voor Rodogunda bestemd, maar die bij vergissing door George De Castelmac op de gezondheid van de erfgename der Maulonières, â zijn nieuwe beminde, Eugénie de Bellanova â zal worden geledigd; de roode â¢vermiljoen-streep onder het straks door Dévot te openen wambuis, om te doen zien dat hij door het staal der âaltijd waakzame gerechtigheid werd in de borst getroffen,quot; â In één woord, in dit laatste bedrijf zal er dezen avond niets ontbreken dan, de beul met zijn zwaard.
Maar toch, voor Rosa zal hij er zijn! Terwijl zij zich nog in haar kleedkamer bevindt, meldt haar een zeer langzaam aangroeiend,
41
TOONEELSPELEES.
maar dan ook zeer sterk en aanhoudend applaudissement, dat Flora is
Reene met het eerste tooneel in den kerker â eene scène, waar *hi
volgens den regisseur toch ,Gos ter wereld niemendal inzatquot; ook pei
hier in haar vaderstad, weer fureur heeft gemaakt. nu
En inderdaad, 'twas een oase, dat tooneeltje; 'au
Rodogunda, in den slottoren uit een lichte sluimering ontwakende, vei
droomt zich in de blijde kinderjaren terug; zij speelt met Filax ' als
haar trouwen hond. Men waant hem te zien; jawel, nu ligt hij naast gei
haar. Zóó, koest! met den kop hier op den boezelaar. Foei stouterd! ,
arme vliegjes- en muggensnapper, waarom Rodo zoolang alleen te I
laten? Nu mag hij niet weer van haar weg; neen, zeker niet! Go
want straks moet hij haar de les overhooren; en als papa komt - - - * die
ja, dan zal hij mee, jawel, dan zal de hond mee; kwispelmajoor; ze
stoute lobbes, dan gaat ie mee met de vrouw!quot; v net
Op deze wijze voortgaande, had Flora, met gepaste wijziging van eer
den tekst, en door haar eenvoudig, zoo hoogst natuurlijk spel, ook hei
nu van een onbeduidend, ja in hoofdzaak zeer onnatuurlijk tooneel, Pai
een kunststukje gemaakt, 'twelk het meer ontwikkeld en fijner ,
gevoelend deel van het publiek, ongetwijfeld moest treffen. ,
Voorts, op het oogenblik dat de jonge hertogin, met angstig stil ,
ineenkrimpen, tot het bewustzijn komt dat ze zich in den somberen ,
torenkerker bevindt â hoe en waardoor dat weet zij niet â en zich I
tevens herinnert wat er met haar vader en broeder geschied is; bui
barst zij eensklaps in zulk een ongekunsteld maar daarom juist op
zoo kunstig schreien los, dat een burgerjuffrouw in het parterre de stai
woorden: âArm kind! gelukkig dat ze nu eens uithuilen kanquot;, van voo
het hart moeten. te
Maar ook, op het oogenblik dat Flora's succes voor Rosa Brons zoo
inderdaad âde beul met het zwaardquot; is, en zij bij zich zelve â
mompelt: âWacht maar, bij het eind zullen we zien wie er baas ,
blijft!quot; op dat oogenblik heeft een bleek jonkman, in zijn hoekje ,
op de achterste bank van het amphitheater, geen rust meer. stil
De tranen zijn hem in de oogen gesprongen. Den ganschen avond gt;
was hem, wanneer Floortje zich op het tooneel bevond, gedurig â am]
met permissie â het klamme zweet uitgebroken. Nu, neen, waar- 'tge
achtig, hij kon het niet langer kroppen. Waar is zijn zakdoek.... dan
want de tranen--------lijk
,Jawel, dat is mijn zakdoek, mijnheer.quot; stai âWatblief? Niet fiks?quot;
âJawel, o jawel, maar... â quot; dat
Martin de magere, knappe drie en dertigjarige ondermeester-neef br£
42
TOONEET,SPELERS.
is er kapot van. Hoe heeft hij ooit kunnen denken zóó iets van âhaarquot; te zullen beleven! Dat ze allemaal zoo in de handen klappen, uit besef, of uit de gewone zucht tot navolging, hij wordt er nu eens gloeiend, en dan weer koud van; hij zou het wel een uur lang willen hooren, en toch.... die gemeene veekooper met zijn vervaarlijk geklap en dien blik in 't ronde: Ei, wat zegje d'r van!? alsof Floortje het van hém had geleerd; zoo'n vent zou hij in het gezicht willen slaan; hij zou hem----
,Bravo! bravo!quot; klinkt het weer luider in de stalles.
Martin, reeds opgestaan, moet weer gaan zitten. â Och goede God, daar rijst Floortje van het bankje overeind, waarop ze zoo stil die kleine scène gespeeld heeft; ze komt een paar schreden vooruit; ze maakt een kleine dienaresse ... ze.... Neen om 'shemelswil, neen, Martin kan er niet meer naar zien. 't Is hem letterlijk als op een heeten Augustusdag onder schooltijd. De zweetparels biggelen hem langs de magere wangen. ââIk moet er uit mijnheer! Wacht... Pardon.quot;
âWatblief? Familie?quot;
âWaarachtig niet.quot;
âTe warm'?quot;
âJa juist, te warm!quot;
En Martin, die met moeite langs de knieën en ellebogen naar buiten is gedrongen, gevoelt zich, nu hij er uit is, nog veel minder op zijn gemak. Al gaat hij op de bovenste trede van het trapje staan, 't is hem nu onmogelijk om door de âstaanplaatsenquot; juist voor die deur, ook maar het kleinste gezichtspuntje op het tooneel te krijgen. En hij moet Floortje toch zien. Wie ter wereld stelt er zooveel belang in als hij!
âWat wil je mijnheer!quot;
âOch, of u me even woudt doorlaten?quot;
âBen je razend: uitdringen, indringen! â- Stil, ze begint weer; stil! laat me met rust!quot;
Met de hand onder 't hoofd, zit Martin nu buiten de zaal, op het amphitheater-trapje. 't Is meest declatneerend gebulder en gehijg, 'tgeen hij uit de verte verneemt; maar somtijds scherpt hij zijnoor; dan hoort hij---- âiemand iets zeggenquot; met een zachte, natuurlijke, soms zeer bewogen stem, en â dan wil hij toch door de staanplaatsen heendringen, en haar zien, en niet meer, zooals hij den ganschen avond gedaan heeft, onbewegelijk zitten, bevreesd dat men anders zou denken dat hij zichzelf applaudisseerde; maar bravo zal hij roepen, en geweld maken, met handen en voeten,
43
TOONEELSPELERS.
en.... Doch terwijl de goede Martin denkbeeldig de gansche zaal door zijn enthusiasme meesleept, en de wanden daveren van het oorverdoovend gejubel, 'twelk hij ter eere van Floortje heeft opgewekt, zit hij nog precies in dezelfde houding op het amphitheater-trapje, en heeft allemaal slangen en sterretjes voor de oogen.
Hoor, weer klinken er luide bijvalskreten. Ditmaal geldt het echter een andere.
Rosa Brons neemt revanche terwijl zij als markiezin De Bellanova aan den arm van George De Castelmac, over de jonge hertogin, hare pleegdochter triumfeert.
Zoo even heeft men Leonard, den jongen tuinman en Rodogunda bespied, terwijl de eerste zijn schier bewustelooze jeugdige meesteres zachtjes smeekt hem te volgen, en eindelijk in zijn armen neemt om haar aan den kerker te ontvoeren.
âDeze aanblikquot; is voor den ridder â haar vroegeren minnaar â beslissend geweest. Nu weet hij dat hij een slanggg heeft bemind, wat zegt hij, eene boellleerrrsterü!
Eugénie De Bellanova is mede gansch en al verontwaardiging. Op het oogenblik dat Rodogunda, als in een droom vol verwarring, haar argeloos smeekt om toch te zeggen wat er eigenlijk gebeurt; en of het waar is dat zij een ijlende koorts heeft; en of die ridder daar het portret is van George, want dat zijn zacht blauwe oogen nu donker zijn, zoo zwart als een winternacht; nu vliegt de markiezin naar den souffleursbak; en vangt er in haar boezem een strijd aan, waarbij alle reeds genoten boezemstrijd maar kinderspel was.
â Ha, indien ook deze gansch uit den weg is geruimd, dan is zij â Eugénie De Bellanova â de eenige erfgename der Mau-lonières; dan is George voor eeuwig de hare! Zal zij een moord aan dat kind bestaan!? Zwijg dwaas, kloppend hart! De liefde is sterker dan alle aardsche smart, âwant de liefde is een plant des hemels in den engen boezem der vrouw; de plant om een woud te kweeken ter schaduwe voor geslachten! Waarom zou dit jarenlang beproefde en gefolterde hart dan nog langer lijden en blaken? Zal dat teedere kind, in reiner sferen, hereend met vader en moeder en broeder, niet gelukkiger zijn dan hier in den onzaligen aardschen walm? Kan zij â Eugénie â haar liefde verwinnen? Neen! Kan zij haar George verliezen? O neen, neen!! God zal mij genadig zijn! â George!!! Mijn hart!!!! O zwakheid der mensch! O zegepraal der liefde!quot;
O zegepraal van Rosa Brons! Door alles wat er is aangewend om die laatste zinnen kracht en klem bij te zetten, missen ze hun
44
TOONEELSPELEKS.
gewenschte uitwerking niet. Toch is het alsof er iets sist tusschen die brave's door. 't Kan ook verbeelding geweest zijn. Althans op het tooneel heeft men er niets van gehoord. Rosa is letterlijk één stuip van dankbaarheid. Maar eindelijk als ze door telkens en telkens weder te nijgen, en kushanden naar den veekooper enz. te werpen, de verbazende zegepraal der liefde, een paar minuten aan den gang heeft gehouden, dan zegt ze:
,0 Rodogunda, wij doorgronden u niet, maar verstoeten u evenmin.quot; En vervolgens tot George, terwijl zij op den beker wijst, die er zoo even door een der vroegere gasten, nu iets meer in livrei, is neergezet: âMijn vriend, geef haar een teuge wijns.quot; â Ter zijde âHet sneldoodend gift zal haar werking niet missen.quot; Luid: âZiehier den kelk. O, aarzel niet.quot;
Ofschoon deze laatste woorden wel 't vermoeden moeten wekken dat er iets achter schuilt, vat George zonder aarzelen den beker, doch â een edele verontwaardiging trilt er door al de r.r.r.s die zijn mond zullen ontrollen: â O! deze drank, toebereid door haar die zóó kan vergeven, die zoo medelijden weet te koesteren met het snoodst verraad; deze drank, zal dezelve lafenis en verkwikking bieden aan ééne zóó diep gezonkene? Neen! âZie, dit zij het zinnebeeld, onwaarrdige!quot; schreeuwt de ridder: âdeze nectar der zuiverste liefde, zal door mij genoten worden!quot; Op dit oogenblik, maakt hij een zwaai met den beker langs de lippen, â 't geen het ledigen er van moet verbeelden â en dan hem met een scherende beweging voor Rodogunda's voeten werpende herneemt hij: âEn de ledige kelk der smart zal zijn voor de trrrouwelooze, die haar stand bezoedelt en speelt met haar eer.quot;
Een vreeselijke gil met een: âJezus Maria!quot; van Rosa Brons, komt wat laat â omdat zij den beminde na het ledigen van den beker, volgens gebruik in de hoogere standen, eerst fatsoenlijk liet uitspreken. Maar de alarmkreet .treft toch doel, want, behalve de livreiknecht, die met de zaak ook inderdaad niets te maken heeft
l
zijn al de aanwezigen ontsteld, en tast George â na de snelle verklaring der markiezin: âOngelukkige! 't vergif voor haar, hebt gij genuttigd!quot; met tien krampachtige vingers naar de borst, waar zeker de werking van het vergif moet beginnen.
Aan een dokter, of het toedienen van een tegengif wordt niet gedacht. Maar ook de tijd zou ontbreken. De gil van Eugénie heeft eenige edelen, die nog niet vertrokken of, reeds terug zijn gekomen, de plek gewezen waar zich de man bevindt, die volgens de vroegere verklaring der markiezin en volgens dien brief, de moordenaar des hertogs moet zijn.
45
TOONEELSPIiLEIÃS.
âHa hierw wis hij den onverwlaat!quot; roept een der edelen, terwijl hij met een schermhandsohoen op George wijst.
âSijn vergrijp maakt hem des doods schuldig!quot; piept een mager gastje met het rechterbeen zeer vooruit, en de hand aan 't gevest van een schutterij-degen.
âDat hij sneve!quot; bromt een ander met hooge kaplaarzen en een gepluimden flambard.
âMen maeke zich van hem meester en voere hem ter plaetse, waar men dezulke geleidt die spotten met de waerde van den mensch, en hun troon veste op de puinhope des rechts,quot; zegt een edelman â ex-bedienaar der begrafenissen â die hier tevens de uitvoerende macht der Justitie met haakvormigen wijsvinger vertegenwoordigt.
De vroeger reeds genoemde dienaren van 't gerecht treden nu op den ridder toe.
âAarwzel niet!quot; roept de schermhandsohoen gebiedend.
Maar Eugénie, vergetende dat haar George toch reeds een portie âsneldoodend giftquot; naar binnen heeft, vliegt den ridder, in rade-looze wanhoop te gemoet; zij omklemt hem zooals de moede drenkeling zich aan den stroohalm vastklampt. O, hij is onschuldig. Wat zij vroeger geloofd en gezegd heeft, dat was een wreede vergissing. Op wie anders dan op Leonard den tuinmanszoon en deze schandelijk onteerde jonkvrouw, moet de diepe bloedschuld rusten. Neen neen, haar George is onschuldig! Da brief was een list, door die ontaarden bewerkt: âO mijn George!quot; snikt zij met vreeselijk hijgend boezemgeweld: âwie zal ons scheiden! Geen helsche of hemelsche machten zullen dit vermogen! Wil men u dooden, wij sterven te zaam!quot; Na deze verklaring der markiezin volgt er een roerende omhelzing â waarbij de gerechtsdienaren zoowel als het âsneldoodend giftquot;, nog werkeloos blijven. En dan, als men verwacht dat ze hun last zullen volvoeren dan, zie, daar stormt de handlanger der markiezin, de rentmeester Dévot op zijn eigenaardig schuimbekkende wijze den kerker in.
âVervloekt! nu is het genoeg!quot; zoo buldert hij: âIs dit het loon mij voorgespiegeld! In de armen eens anders denkt gij uw glorie op den hertog De Maulonière en zijn geslacht te vieren! Terug, vrouw, met uw vonkend oog; met dit staal ....quot;
âStoot ik den ellendeling neder!quot; roept de markiezin, terwijl zij hem den dolk ontneemt en â volgens de regelen der kunst â in de borst stoot. âJa,quot; gaat zij op 't heftigst voort: âik tref den rampzalige, die den haat der arme wees heeft gewekt; die de smeulende zucht naar goud en zingenot tot een woedenden storm heeft
4(5
T00NBEL8PELERS.
aangeblazen; die het bloed zijns weldoeners wilde vergieten, in den waan mijner liefde, en met die liefde de erfgename tot prijs. Zie, hij was de moordenaar. Nu heeft mijn hand hem getroffen, 't zij hem de wraak eens rechtvaardigen Gods!quot;
Terwijl Dévot nu het vermiljoen doet zien, en met eenige brullende klanken wankelt en op den grond smakt, begint eindelijk de werking van het vergif. George De Castelmao bobbelt vooruit en achteruit als een dronken boer in de quadrille, en vertoont door gedurig op de maag te kloppen, wat er aan de hand ia; ofschoon men, vooral in de hoogere sferen der zaal, een eed kan doen dat hij geen droppel geproefd heeft. â Oh! George voelt zijn einde
naaderren---- â âEugeenie â zou het waarrrheid zijn! zou de
slangg in u zijn gevaarren? Werrd mijn teederrrgeliefde Rodogunda door u belasterd en prijs gegeven aan den smaad der schande? â O Rodogunda! teederrre bloessem. Vergeten wij den zwadder die ons verstoorde. Mijn Ro.. .do.. .gun.. .da...!quot;
Flora, die bij al den onzin nog altijd poogt wat natuur in haar rol te brengen, ziet van haar bankje naar den ridder om, en zegt dan zacht, terwijl zij hem afweert met de hand:
âLaat mij; ik droom nog; maar als ik wakker word dan zal ik bij mijn eigen lieve moeder, bij mijn trouwen vader en bij Arthur zijn.quot;
,0 Rodogunda! O mijn eenig geliefde!quot; smeekt George, op zijn rechterbeen, met de armen in adelaarsvlucht â terwijl het vergif zich weer bedaard houdt.
âJa! eenig geliefde, zoo noemde hij mij,quot; herneemt Rodogunda, en dan, als hij haar in de hoogste vervoering wil vatten, vervolgt ze: âNeen, neen, ga weg; een slang is gevaarlijk. Voorzichtig! Ga weg! â Maar in den hemel, ja, daar daar zal ik voor je bidden George. â Nii â Ga weg!.... Ah!quot; â Zij sterft.
Op dit oogenblik komt de heldin aan haar slot-triumf. Nietwaar, George De Castelmao keeft nu gezien hoe dat kind hem beminde: âWeg! weg!quot; dat waren haar laatste woorden. Maar zij, âhet vuur dat haar verteert deinst voor geen aardsche machten terug; zie, haar hand is nog rood van het bloed des veilen dienaars, die wanen durfde dat hij zich aan den disch harer liefde zou neder-vlijen: âGeorge De Castelmac!quot; zoo besluit zij: âwie er moge spelen met het heiligst gevoel â niet ik, Eugénie De Bellanova. De zegepraal des levens is de Liefde! George, kon ik nóg meer doen en slechts om U te bezitten!?quot;
âJa gewis, de zegeprrraalll der liefde!quot; raast George, nu gansch en al blakend voor de edele markiezin. Maar plotseling: âO God!quot;
47
'IS TOOKBEISPELEBS.
't Vergif begint weer: ,0 gerechtigheid! Ook mijn uren zijn geteld! Ik voel â ik gevoel....quot;
â Hij voelt? â Ja! Hoe kon zij 't vergeten: den beker des verderfs heeft hij geledigd! â ,0 God, Vader des genades, die de Godin der liefde hebt geschapen, o staat hem bij!quot; zegt de markiezin : en roepende: âLeonard, mijn brave vriend, snel toe en zamel het heilzame kruid, 't welk dit dierbare leven voor uw meesteres
bewaren zal.quot; s
Alsof 't afgesproken was, komt reeds terstond de jonge, tot vriend g verheven tuinman, met inderhaast geplukte en in dat zelfde oogen-
blik tot een drank bereide kruiden aangesneld. Op dezelfde zege- g
vierende wijze â als het vergif werd gedronken, wordt nu de (3
ingeschonken beker met heulsap door George geledigd. s
Na dien dronk en het wegwerpen van den beker, is eensklaps r
alle pijn gestild, en terwijl nu Leonard, bij het zien van het lijk r
zijner jeugdige meesteres, het gelaat met de beide handen bedekt, s
toont de markiezin met één enkele geste aan de plotseling in den c
kerker weer saamgekomen âedelen, gasten en gastvrouwen,quot; dat i
de houding van dien Leonard hém genoeg als den schuldige doet i
kennen, terwijl haar woorden: âMaar, laat ons genadig zijn zooals , lt;
de hemel genadig is!quot; een eigenaardigen dunk van haar liefderijk 1
karakter moeten achterlaten. i
De gasten, wier fondsen voor een feestmaaltijd weer zijn gerezen, ! lt;
of wier vroolijk gelaat misschien de weerkaatsing is van het knip- | ( oogje hun door den souffleur toegeworpen, omdat hij juist de laatste:
âdansjes zal opgevenquot; â de gasten roepen allen: âJa, genade en I i
zegen!quot; i
âMijn Eugeenie!quot; krijscht George, terwijl hij nogmaals als vleer- :
muis poseert. i
âEeuwig geliefde!quot; roept de zegevierende erfgename: âMijn George.
Zie, zóó mint een vrouwenhart!quot; i
Tingelingeling; de gordijn gaat omlaag. Het drama is uit. i
*
» ,t
TOONEELSPELEKS.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
MARTIN DURFT WEL.
Ongeveer een half uur nadat de voorstelling was geëindigd, stonden er twee groote reiswagens voor de achterdeur van het gebouw Cecilia.
Ofschoon de leden van het tooneelgezelschap er vast op hadden gerekend, dien nacht eens flink te kunnen uitslapen, zoo was de directie gedurende de voorstelling tot het besluit gekomen om geen seconde langer in de provinciale hoofdstad te blijven dan volstrekt noodzakelijk was. Erkende weerprofeten hadden voorspeld, dat er nog een massa sneeuw zou vallen, 't Was dus geraden om zoo spoedig mogelijk te vertrekken, wilde men zeker zijn den volgenden avond ter bestemder plaatse te kunnen spelen. Immers de weg is nü gebaand, want de diligence was, ofschoon zeer laat, zonder averij aangekomen; en indien men hier bleef, en er dezen nacht nóg eens zoo'n pak viel, dan zouden Baars amp; Kogel morgen overvloedig tijd hebben om nauwkeurig te berekenen hoeveel scha ze beliepen, aangezien men dan ook nog andere plaatsen zou missen, die door den ellendigen toestand van sommige buurtwegen in geen geval op den bepaalden tijd zouden te bereiken ziju.
De tijding dat men, met uitkleeden en inpakken, wat haast, en zelfs wat grooten spoed moest maken, omdat men terstond de reis zou vervolgen, viel den heeren en dames acteurs en actrices â inzonderheid hun die zooveel gezegepraald en zooveel kunstvuur hadden ontstoken â als een stortbad op 'tlijf.
Floortje kon zich niet goedhouden. Zou ze werkelijk de lieve goede tante Lindeman zoo maar in den steek moeten laten, zelfs zonder afscheid te nemen?
âRijden de wagens ook door de Weverstraat mijnheer Brons?quot; vraagt Flora, terwijl men haar koffer ter oplading naar buiten draagt.
âDat moet je maar aan je mooien directeur vragen;quot; antwoordt de regisseur, die zich echter, in weerwil van zijn onvriendelijk bescheid, bij het algemeen gepruttel en de weinig vleiende bewoordingen, waarin de meerderheid der artisten zich over het besluit der directie uitlaat, oneindig veel beter gevoelt dan bij den aanvang der representatie.
âWaarachtig,quot; vervolgt Brons tot een der edelen van straks, die
lil. i
40
TOONEELSPEIERS.
nu een pet en riemschoenen draagt: âik zeg maar dat er voor jelui als kinderen wordt gezorgd. De rijtuigen zijn besteld omdat ze volstrekt niet willen dat we de reis te voet zullen doen. Geen zorg, juffrouw Neger, 't Souper staat al klaar: Broodjes met kaas en schotelkoffle... als je maar zelf betalen wilt. O, m'n goede mensch, ze hebben zoo'n zorg.... voor d'r duiten, verstaje!quot;
Bij het opladen van de koffers staat, behalve het gewone straatpubliek, ook de directeur Baars een oog in 'tzeil te houden. Flora Reene, reeds in reisgewaad, komt haastig naar buiten, en vraagt met tranen in de stem:
âMijnheer Baars, u zoudt me zoo heel veel pleizier doen, met me nog even naar tante te laten gaan?quot;
âMaar m'n lieve kind, dat is onmogelijk! We moeten dadelijk weg. De maan gaat om twee uren onder, en 't zeggen is algemeen dat ze d'r hielen niet zal hebben gelicht of 't gegooi met de sneeuw zal weer van voren af aan beginnen.quot;
âMaar u hebt tante zelf voorgespiegeld, dat ik na de voorstelling, nog zoo gezellig wat bij haar kon zijn. â 't Is nu een quaestie van vijf a tien minuten.quot;
âJa, maar tien minuten hier, en tien minuten daar, dat gaat niet lieve kind.quot;
âMaar als ik dadelijk ga, en u er voorbij woudt rijden, dan kon ik daar instappen?quot;
Mijnheer Baars beweerde wel dat men een geheel anderen kant uit moest, maar besloot toch om aan Floortjes dringend verzoek gehoor te geven, ten minste â nu ja, hij zou bij tante aanrijden, als Floortje hem de hand er op wilde geven dat zij onmiddellijk kwam zoodra de wagen er stil hield.
Floortje deed aanstonds wat haar gevraagd werd, en terwijl Baars, door zijn andere hand op Flora's hand te leggen, haar nog een oogenblik terughield, zegt hij: âNiet foppen hoor je? 't Is omdat je van avond plezier hebt gedaan, waarachtig: maar anders! Ik zal een hoekplaatsje voor je openhouden. Nu vooruit! De complimenten aan tante!quot;
Brons, die juist met een bezending voor de imperiaal naar buiten was gekomen, toen Floortje haar belofte met een hand bezegelde, zag met een nijdigen blik naar den directeur, toen deze zijn antwoord gaf en 't meisje nastaarde, terwijl ze zich in aller ijl langs den welbekenden weg naar de woning van tante Lindeman spoedde.
Flora wist niet wie het was, die op een tien, twintig â⢠straks wel vijftig schreden voor haar uit denzelfden weg koos.
50
TOONEELSPELEES.
Bijna was Martin op de â door de bak- en priksleden glad geslepen straat gevallen, zoo hard als hij Flora naar tantes woning vooruitliep. â Flora mag hem niet herkennen. Hij is er zeker van dat zij hem, noch in de komedie noch zoo even bij de reiswagens heeft kunnen zien. Als ze hem nü zag, dan zou ze denken dat hij de voorstelling heeft bijgewoond, en dat mag niet, volstrekt niet; daar heeft hij zijn reden voor. Maar als hij een poosje vooruit bij tante aansohelt, zie, dan behoeft Floortje geen oogenblik van haar kostbaren tijd te verliezen, en in de Papegaaisgang, juist op den hoek van tantes woning, is hij toch aanstonds uit het gezicht. â
â Dat is toevallig; een beldeurtje bij tante! denkt Flora, terwijl zij nadert. De galante ondeugd, die het gedaan heeft, is zeker in de Papegaaisgang gevlucht. Nu, ik zal hem er niet verontrusten.
Met een verruimd: âHé, ben je daar eindelijk kind?quot; werd Flora door tante aan de deur verwelkomd; maar, nog geen tien minuten later, klonk er bij die zelfde deur een afscheid op gansch anderen toon.
âWees nu maar niet verdrietig, tantelief, en ga maar gauw rustig slapen! â De groeten aan Martin als hij morgen komt. â Tot weersziens beste, adieu!quot; Dat waren Floortjes laatste woorden, terwijl ze de tree van het rijtuig beklom. En tante:
â't Is God geklaagd!quot; mompelde ze hoorbaar, toen de groote wagen wegreed, en ze haar kamer weer opzocht: âFloortje bij zoo'n komediantentroep! Dat reist maar bij avond en ontijd, en schuwt het daglicht! Och goede God, dat het toch zóóver moest komen! 't Kind met zoo'n keurlijken aanleg en zoo n gevoel voor deugd en Godsdienst! En daar staan ze nu m'n beignétjes en de chocolade, die ik zoo bloedig heb warm gehouden. Neenmaar, er moeten maatregels worden genomen, 't Is God geklaagd!quot;
â De groeten aan Martin! â Och! dat waren om zoo te zeggen haar laatste woorden, denkt Jacob Martin, terwijl hij zijn schuilplaats om den hoek van de Papegaaisgang verlaat, en op eenigen afstand den gelen wagen in de Weverstraat volgt: Zie, nu slaat de hooggeladen kast den hoek der straat om.
Ofschoon Martin met de handen in den zak liep, â want den geheelen avond heeft hij steenkoude handen gehad â werpt hij, in zijn verbeelding toch een wuivenden handgroot naar den kant, waar het geklingel der paardenschellen verdwijnt, en roept zeer luid â ofschoon geheel onhoorbaar; âGoede reis!quot; -â Straks prevelt hij: âNeen, zij vergat me niet.... De groeten aan Martin;jawel,de groeten aan Martin!quot;
Op een sukkeldrafje â want nu eerst voelde Martin terdege
51
TOONEELSPELERS.
hoe ijskoud ook zijn voeten waren â bereikt hij zijn kosthuis.
Een zeer eenvoudig gemeubileerd vertrekje binnengetreden, ontsteekt hij een spaarlamp; trekt zijn vaal bruine winterjas uit; verwisselt zijn âzondagschequot; â die bij avond, vooral onder een overjas, nog uitstekend raag heeten â met een soort van langen grijzen inktlap met een koord om 't raidden ; slaat dan, terwijl hij star in het licht tuurt, zijn handen eenige malen met kracht tegen het lijf zoodat het venster er van trilt en een stapeltje schriften op het boekenhangertje er van aan 't afsukkelen raakt; blijft strak in het licht zien terwijl hij de nog altijd steenkoude vingers bijeenbrengt en met den adem zoekt te verwannen; zucht onhoorbaar: âFloortje!quot; en â snel zich ter zijde keerende, opent hij eene kast.
Martin stond voor 't schap met den broodbak er op, en sneed zich een, twee, drie ferme sneden wittebrood, en even zoovele liksche sneden roggebrood. Hij had honger, verbazenden honger. Zonder een hartig brokje komijne, kon hij het zelfs van avond niet stellen.
â Best zoo, nu hij âde kaas snijdt,quot; brengt z'n hospita de blikken koffieketel, waarin negen a tien kommetjes, , vocht'' gaan, al juist bij hem binnen.
âKachel aanmaken meester? Koud vriezig weertje van avond.quot;
âJa, maar de kachel; neen, dankje juffrouw, neen, 't is niemendal koud.quot;
âNeen, wat de kou betreft, 't zou me zelfs niet verwonderen als er dooi kwam. Neen, koud is het niet. Navend meester; slaap wel.quot;
Martin, met de voeten boven het kooltje in den wateremmer, doet het gevaar van het keteltje om te stooten en het bruine vocht er door te verliezen, telkens verminderen, door zich, verwonderlijk snel achtereenvolgend, in te schenken en de koffie tegelijk met zijn boterhammen te nuttigen. Nu hij zijn maal heeft gebruikt, altijd starende, 't zij in het lamplicht, of naar de opengevallen schriften onder den boekennanger, of in den glimp van het keteltje aan zijn voet, staat hij weer up, gaat naar dezelfde muurkast, wier boven-schappen met boeken zijn overladen; ziet naar een kleine schrijfportefeuille; neemt.... Neen, op het schap er onder staat de broodbak. Met een snelle wending neemt hij het brood; maakt zich nog een duchtige boterham, en behoeft maar weinige seconden om ook deze creatie te doen verdwijnen.
Een paar uren later, terwijl alles zoowel in huis als op straat doodstil is geworden, zit Martin, met de voeten in de mouwen van een wollen borstrok, en met de handen in dik gevoerde handschoenen zonder toppen, nog bij zijn spaarlamp te schrijven.
52
tooneelsfelers.
,Twee hêt de klok!quot; roept de klepperman op eenigen afstand.
â Jawel, zoo aanstonds ben ik klaar, denkt Martin. Nog gauw het briefje aan de redactie geschreven. Een schoon velletje. Ziezoo.
âWelEdele Heer!
âDe vereerende wijze, waarop U mij uwen dank hebt betuigd, voor het onlangs door mij ingezonden stuk, getiteld: âKunst en kunstenmakerijquot; geeft mg vrijmoedigheid om U hiernevens een ander opstel aan te bieden, naar aanleiding van de gisteravond alhier gehouden tooneelvertooning. Hoogst aangenaam zou het mij zijn, indien Gij het in uw geacht blad wildet plaatsen, doch niet anders dan onder bepaalde en volstrekte geheimhouding van mijn naam.
Uw WelEdele Dw. Dr.: Jacob Martin.quot;
Ziezoo, het briefje is klaar. â En het stuk?
Zie, 't is een prachtig afschrift van een tot vijfmalen toe herzien en gewijzigd, schier onleesbaar geworden brouillon. â Nog eens moet Martin het afschrift doorloopen. Er mag geen komma te veel zijn. Jawel, tot zoover is de inleiding goed: Over de eischen van het tooneel; over de ellendige drama's.... Wacht, hier komt het: De toekomst; de morgenster----Juist dit is het voornaamste:
âZulk een morgenster voor de kunst mochten wij gisteravond in de jeugdige actrice mejuffrouw Flora Reene begroeten.
âDe rol van Rodogunda werd door haar in het vluchtig geschetste wangedrocht van Franschen bodem, op meesterlijke wijze vervuld.
âMen heeft beweerd dat de rol van R. de eenige in het stuk is, die iets liefs, iets natuurlijks heeft. Wij achten dit oordeel onjuist, maar tevens een schitterende hulde aan het talent van deze bevallige actrice gebracht. De rol van Rodogunda toch, is wel de zotste en ongerijmdste van al de rollen uit het drama; en zeker was er een spel als het hare toe noodig om voor een oogenblik te doen vergeten, dat slechts een halfwijze, zulk een doorzichtige pleegmoeder kon liefhebben, en maar stilletjes aan 't werk laten; terwijl ze, bij de liefdesontboezemingen dier moeder voor haren minnaar, ja bij den onzinnigsten laster, geen woord van verachting of ter eigen rechtvaardiging spreekt, maar â verlangt te sterven, waarschijnlijk om de zegepraal dier pleegmoeder volkomen te maken.
âDe groote eenvoudigheid van Reenes spel; haar altijd bezige.
53
TOONEULSPELBBS.
nooit overdreven mimiek: de zuiverheid van haar, door haar zelve uit den ellendigsten hoekstijl overgebrachte spreektaal â de eenig mogelijke op ons tooneel â en nog het meest een, niet slechts kennen der van buiten geleerde rol, maar het gansch en al één zijn met de persoon, wier karakter en gewaarwordingen zij te vertolken had; dit alles, 't welk de bevallige actrice or.s nu reeds in de onmogelijke rol van Rodogunda te genieten gaf, waarborgt haar, bij een optreden in degelijke kunstwerken, de schoonste toekomst, indien althans de meest ontwikkelde standen zich niet langer blijven neerleggen bij den wansmaak, die door de mindere gewoonlijk zoo uitbundig wordt toegejuicht.quot;
â- 't Kon beter gezegd worden, denkt Martin, doch 't moet nu maar zoo blijven, 't Vervolg, laat zien: Het pluimpje voor den acteur Heldera, die de rol van den jongen tuinman vervulde; de krasse executie van de overige artisten, vooral van de mooie juffrouw Brons, die liefst maar door een ridder van de el moest geschaakt worden tenzij ze zich verbeteren en, met de gaven haar
geschonken, woekeren en studeeren wilde---- Jawel, dat kan er
wel door.
âHij durft wel, o zeker hij durft wel;'' prevelt Martin iets later, terwijl hij nog een leesteeken verbetert, en dan den brief met zijn opstel in een couvert sluit. Behalve mijnheer de hoofdredacteur Beverloo, is er toch niemand die ooit zal weten dat ik die stukken schrijf; neen nooit! Wie zou op het denkbeeld komen dat de bloode
Martin---- Neen, neen. Maar zie, hij durft wel; ja waarachtig hij
durft wel. â Hier, zoo alleen, zoo stil, dan heeft hij denkbeelden, nu kan hij dingen tot stand brengen die----
Martin trekt eensklaps de papieren weer uit het couvert. Hij had er straks al lang over gesoesd, maar nu, bij nader inzien, was het toch niet goed dat het epitheet bevallig er tweemaal in bleef; 't zou argwaan kunnen wekken. â Hier: âHet talent van deze bevallige actricequot; en iets lager: â'twelk de bevallige actrice enz.quot; â 'tWas voorzichtiger, ten einde alles te vermijden, om dat eerste bevallige zoo netjes mogelijk in lieftallige te veranderen. Maar toch, dat zou niet helpen; 't moest heelemaal geroyeerd en door een jeugdige of veelbelovende vervangen worden. â Bevallige? â Och lieve hemel, mag hij er zelf dat niet van hebben? Heeft hij dan geheel omniet jaren lang getobt en geblokt en gelezen wat hij maar grijpen kon ten einde zijn kunstsmaak te vormen, gedrongen door de behoefte van zijn zoekenden geest en van zijn innig liefhebbend maar angstig hart! â Mag hij er ddt
54
TOONEELSPELEBS.
niet van hebben? Heeft hij zelfs dat niet aan het lieve Floortje verdiend; hij, die haar zooveel heeft geleerd?
Martin bleef besluiteloos.
â Jawel, welzeker, op het papier kan hij letterlijk met haar doen wat hij wil. Al zou er tienmaal bevallige staan; al schreef hij de prachtige; al ging hij haar zelfs geheel beschrijven.... met haar donkerblauwe steeds sprekende oogen; met haar fijn besneden neusje; haar mondje schalks lachende of straks weer ernstig geplooid; die blanke hals en.... Jawel, op het papier is hij daar meester van. Maar, als hij tweemaal dat bevallige liet staan, dan zouden anderen gissen misschien dat hij----!
â Maar wie zal het denken ? wie kon het denken ? Martin herinnert zich niet dat hij zich ooit over Floortje, zelfs niet tegen tante Lindeman heeft uitgelaten. Zeggen niet de kwajongens op school dat meester al een straatje omloopt als hij de juffrouw van de bewaarschool ziet aankomen, â verbeeldje, zoo'n roode kool! â Neen, niemand zal in de verte zelfs gissen dat hij----â Wat drommel, 't zal, 'tmoet zoo blijven, tweemaal, duizendmaal bevallig Zie, hij durft wel!
ACHTSTE HOOFDSTÃK.
IN DE SNEEUW.
't Is een prachtige winternacht. Over stad en beemd en bosch ligt een dik en koesterend sneeuwkleed uitgespreid; zilvertintelend in den glans der maan; helder lichtende, vooral naast de sterk ge-teekende schaduwen op den voorgrond, en voorts in een fijn blauw waas stil wegdommelend naar een droomerig verschiet.
Toen de tooneelvoorstelling was afgeloopen, heeft Archibald, ofschoon de uitnoodiging van den heer Baars hem wel door 't brein speelde, zonder er aan te voldoen, zijns vaders voorschrift gevolgd, en alvorens den terugtocht naar buiten aan te nemen, zich in ?t Hof van Holland met een glas wijn verkwikt.
Nu, terwijl hij den koetsier op het al eenigszins beloopen sneeuw-
55
TOONEELSPELEES.
pad vooruit gaat, komt hem alles wat hij dien avond doorleefde weer met de klaarheid van dien winternacht voor den geest;
â Waarachtig ik ben geen kind meer! â Dit was de hoofdgedachte, die den bijna twintigjarigen Van Oudenolm, als de slotsom van 'tgeen hij zag en hoorde, aanvankelijk het meest vervulde.
Lang, te lang heeft men hem kind gehouden. Tot voor weinige dagen werd hij op die hooggeprezen kostschool nog in menig opzicht als een kwajongen behandeld. Ook zelfs thuis moest hij immers nog dezen middag verlof vragen om naar stad te gaan, terwijl â ja de tegenstelling was tamelijk pikant â terwijl slechts een paar uren later, een vermaarde actrice, of in alle geval een zeer schoone vrouw, misschien wel vijf â zes jaren ouder dan hij, op 't duidelijkst heeft getoond dat ze hem 't allerminst voor het jongetje hield, dat nog 't geleide van een knecht behoefde; ja zelfs ze heeft hem na de voorstelling terug willen zien, want haar vriendelijke blik bij 't vallen van de gordijn, moest hem ongetwijfeld aan de uitnoodiging van den directeur herinneren. â- Om allerlei redenen heeft hij echter aan dat verzoek niet voldaan, 't Ongenoegen van zijn vader en grootmoeder wilde hij zich niet op den hals halen. Zij moeten zelf leeren inzien wat een jongmensch toekomt, die reeds over een paar maanden zijn één en twintigste jaar zal intreden. Vreemden, welzeker vreemden zien dat terstond. De mijnheer; die naast hem in de stalles heeft gezeten, en zich bij 't einde met een handdruk als mijnheer Beverloo, hoofdredacteur van de Provinciale- en Stadscourant had bekend gemaakt, die mijnheer â een man van studie en algemeene kennis, en zeer bevoegd kunstbeoor-deelaar naar 't scheen â heeft onophoudelijk aan hém zijn veelal zeer gegronde opmerkingen toegefluisterd, en hem bovendien in de koffiekamer, onder 't genot van een glas punch, aan eenige heeren voorgesteld, waaronder zich zelfs een paar zeer notabele inwoners der stad bevonden. Och ja, terwijl papa hem 't vorige jaar gedurende de pauzen stilletjes met Louise en een zakje ulevelletjes in de zaal had gelaten, heeft hij nu met die heeren compleet maatjes egaal over de kunst geredeneerd, en met zulk een succes dat men hem ten slotte bijna alles had toegestemd wat hem, a propos van de middelen ter verbetering en verheffing van het Nederlandsch Too-neel, inderdaad maar zóó als goed en wenschelijk was ingevallen.
âMijnbeer Archibald, me dunkt dat u het verkeerde paadje hebt genomen,quot; roept de koetsier stilstaande: âToen we uit het dennen-boschje kwamen, moesten we in de richting van Den Driellaert links, en naar dien kant kom je achter het tuinmanshuis uit.quot;
56
TOONEELSPELEKS.
âAls ik lust heb dit pad te gaan. Arie, dan zal ik zoo vrij zijn dit te doen; 't komt bovendien al tamelijk op 't zelfde neer.quot;
âO! als 't mijnheers bedoeling was. 't Is mij hetzelfde, 't Zal in het mastbosch toch zeker niet zoo stikduister zijn als in het bosch van van avond.quot;
âWat meen je? Wil je nog een sigaar?quot;
,Als ik je niet ontrief mijnheer. â Wat ik meen? Wel dat me dat stuk, van dien Catseljac zal ik maar zeggen, den heelen tijd door 't hoofd speelt. Ik zeg mijnheer Archibald, je rijdt geen vier en twintig uren achtereen te paard, en dan langs allerlei onbekende wegen, en nog wel door moerassen en pikdonkere bosschen, zonder één oogenblik oponthoud. Ik zeg mijnheer, dat ze me zoo iets niet wijsmaken. Zoo'n ruiter mocht wel geblikt zijn, en zijn maag hebben vergeten. En dan nog, om 't stomme dier, als het er bij neerviel, maar zoo aan zijn eigen over te laten! Neen, dat wil d'r bij mij niet in.quot;
,'t Is zeker nog al kras; maar je moet dat in de komedie zoo nauw niet nemen. Of 't beter kan worden? Wie weet!quot;
âVan nauw-nemen spreek ik niet mijnheer; ze kunnen d'r van maken wat ze willen, maar ieder in z'n vak, en, van de paarden moeten ze afblijven; ik zeg, zóó jaagt geen verstandig mensch, en â zoo kan hij niet jagen.quot;
âHé Arie,quot; zegt Archibald wat later, terwijl hij ongeveer in het midden van het mastbosch zijn schreden inhoudt, en eindelijk luisterend blijft staan: âheb jij niets gehoord?quot;
âIk heb het me ontgeven mijnheer, vanwege 't kraken van de sneeuw.quot;
âJa maar, nü hoor je toch duidelijk rumoer?quot;
âWelzeker mijnheer, van den straatwegkant.quot;
,'t Moet bij Den Brink wezen.quot;
âJuist, in het dal mijnheer. Misschien wel averij met boer Jonk. De dronken lap was van middag naar stad gereden.quot;
âStil! 't is alsof ik een vrouw hoor gillen.quot;
âGod beware! Als er onraad was!quot;
âHoe, ben jij bang?quot;
âBang, neen waarachtig niet; maar vrouwengeschreeuw.....!quot;
âEr gebeurt een ongeluk,quot; herneemt Archibald: âJawel, hoor maar; 't rumoer wordt sterker. Hoor, nu gilt de vrouw weer. Gauw, dwars door de sneeuw er naar toe!quot;
âMijnheer Archibald, dat neem ik niet op me. Mijnheer Archibald!! Als mijnheer je papa---- als de oude mevrouw....! En door
die ongebaande sneeuw! Als er een aanranding plaats heeft! De
57
58 TOONBELSPELERS.
weg stond nooit in een goeden reuk. Goede hemel! Mijnheer Ar- n
chibald!!quot; h
Maar de jonge Van Oudenolm hoort de laatste verzuchtingen van e
den geleidsman niet. Ongeacht de hoogliggende sneeuw ter zij van d
het reeds vrij wat beloopene pad, heeft hij terstond over het breede s
veld, de richting van het dal bij Den Brink gekozen. Op de mo- g gelijkheid van een minder aangename ontmoeting bedacht, voelt hij
even naar zijn dolkmes, waaraan hij in zijn laatste schooljaar bij do h
jeugdige nieuwelingen â natuurlijk zeer in 't geheim â den bij- g
naam van âhet mesquot; heeft te danken gehad, 't Mes is present, maar, e
't kan ook wel blijven waar 't is; immers indien 't noodig mocht g
zijn, zal hij zeker genoeg hebben aan de lessen van zijn voormali- e
gen schermmeester, die zich ook op 't boksen verstond, en vooral t aan de vuisten en armen, die onze lieve Heer hem tamelijk krachtig heeft toebedeeld.
't Was echter zoo gemakkelijk niet om over die hoog besneeuwde i
akkers het dal te bereiken. Wilde Archibald volstrekt naar de plek, ]
vanwaar nog altijd het rumoer klonk, en nü tevens een geluid werd ]
vernomen alsof men aan 't inslaan van glazen â misschien wel,
meende Arie, aan 't inbreken en uitmoorden van de in 't dal liggende hoeve was, dan moest mijnheer in allen geval aan zijn raad gehoor geven, en naar het verlaten pad terugkeeren om, ginds bjj den jachtpaal, rechts op den straatweg aan te houden.
Een kwartier later hadden de beide mannen ten naastenbij de plek bereikt waar de straatweg op het laagste punt tusschen twee vrij sterke hellingen een draai maakt.
In weerwil dat de massa sneeuw, die zich in het dal had opgehoopt, sedert den namiddag grootendeels was weggeruimd, en diligence en karren en vrachtwagens den weg reeds zonder beletsel gepasseerd waren, zoo bleef de draai in het dal, vooral met de ingevallen vorst, een gevaarlijke zaak.
Toen de groote gele wagens, die omstreeks een half uur geleden de stad hadden verlaten, den afrit naar 't dal bereikten, heeft de voerman van den voorsten reiswagen, bij ondervinding wetende dat hij straks bij den kritieken vanouds bekenden draai wel instinctmatig wakker zou worden, in plaats daarvan dood kalm van zijn igt; vroegeren dienst gedroomd, waar hij zweetvossen had en livrei en 'snachts zijn behoorlijke rust, terwijl het genoemde instinct hem geheel in den steek heeft gelaten.
Nog eer het rijtuig in volle vaart naar beneden ging, zijn de paarden aan 't glijden geraakt, zoodat de wagen, bij 't sneller
i t
TOONEELSPELERS.
rollen, hen op de achterpooten is geloopen; en, geen tien seconden later sloeg, juist bij den gevaarlijken draai, de voorste wagen met een geweldigen slag in den sneeuwrug ter zij op den berm, terwijl de paarden van den volgenden wagen al spoedig op de achterpooten stortten, dewijl de ijzeren punt van hun disselboom met krakend geweld op den bak van den gevallen voorganger gestuit was.
't Zou den ,Gerechten Hemelquot; die denzelfden avond zoo onophoudelijk in het Vrouwenhart was aangeroepen, te vergeven zijn geweest, wanneer hij bij den aanblik van dien omgevallen wagen een oogenblik had moeten glimlachen. Uit de vier naar boven liggende, stukgestooten of omlaag gewerkte portierglazen, staken eenige armen omhoog, die de representatie op 't levendigst schenen te herhalen.
Maar 't was nu natuur en geene hooge kunst.
De toestand der personen, en vooral der actrices in het voorste rijtuig, was ver van benijdenswaard. Tamelijk gewoon aan 't nachtrijden, waarbij men het zich zoo gemakkelijk mogelijk zoekt te maken â wanneer de schouder van Gaston van Frankrijk, met of zonder permissie, soms geduldig de ingedompelde Marie Jeanne of de Vrouw uit de Volksklasse ondersteunt, of wel De Bruid der wouden het onmenschelijk zou achten om het moe ter zy gevallen hoofd van Lazarro de Veehoeder van haar ronden, zoo warm omkleeden schouder te verjagen â de acteurs en actrices, zeer gewoon aan het horten en stooten, het sneller rijden, of het plotseling ophouden met voerman-geschreeuw bij een gesloten tolboom, zijn in dien voorsten wagen bij het afjagen van den straatweg, meerendeels heel rustig gebleven, en slechts een enkele heeft er een onderzoekenden blik naar buiten geworpen.
Juist op het oogenblik dat Flora Reene voor den tweeden keer, sterk geeuwend: âNeen, dankje mijnheer Baars,'quot; heeft gezegd, dewijl Baars het niemendal goed vond dat zij op de smallere bank achteruit rijdt en de regisseur Brons daar immers veel beter kon zitten â welke bewering den halfwakenden regisseur nóg meer van slangengevechten en pijnkamers deed soezen; terwijl Rosa Brons met Heldera â den tuinman uit Een Vrouwenhart â ongevraagd diens reisdeken deelt, en juist vluchtig Baars bespiedende, den tip van dien deken nog vaster om haar midden trekt; terwijl Heldera door die beweging wakker wordende, naar Floortje ziet met wie hij die deken vrij wat liever zou gedeeld hebben, juist op dat oogenblik roept de onversaagde ridder De Castehnac: dat hij er uit wil, dadelijk er uit, want dat hij aan ieder ander 't pleizier gunt om
59
\
60 TOONEELSPELEBS.
voor den donder â waarschijnlijk voor het opkomen van den ach
donder â den hals te breken. hor
Men zou echter geen gelegenheid hebben om aan het zoo krachtig I
geuite verlangen van den ridder te voldoen. ran
Schier op dat zelfde tijdstip had de wagen den draai bereikt, en om
lag men gillend en schreeuwend en glasbeukend, nu wat al te gin
sterk tegen elkander rustende en zeker niet te liefderijk duldende er
en dragende, in een bijna horizontale richting met het rijtuig no{
omver. kis
't Eerste, wat door de voerlieden werd aangewend om hun passa- get
giers, zoo al niet te helpen dan toch een weinig te kalmeeren, was ,
het openen van.... een schreeuwend en vloekend debat, waarbg die
de oorzaak van het dubbele ongeval spoedig duidelijk zou worden, vai
vooral door een krachtige vingerwijzing van den tweeden voerman pij
naar den âeeuwig rooden neus en de schelvischoogenquot; van den het
ex-menner der zweetvossen. scl
De laatste persoon, die met behulp van een paar krachtige han- ,
den, door het ten hemel gekeerde portier, uit den wagen werd ge- jui holpen, was de ridder De Castelmac. Een woedenden blik â door
de maan verlicht â wierp hij bij het afklauteren van een geïmpro- lijl
viseerde ladder, op zijn beminde Eugeénie De Bellanova die, in iec weerwil van de consternatie bij het zien van haar ridder, noch haar
schaterlach, noch de declamatie: âEn van zijn troon daalt hij ter- ze. neer!quot; weerhouden kan.
De grootste verwarring heerschte er op den weg. De passagiers ah
uit den omgevallen wagen, sommigen bloedende ten gevolge van tol bekomen glaswonden; anderen licht gekneusd, en allen 't zij meer of
minder ontsteld, woelden met de luidruchtigste gesprekken rondom he de beide wagens, waarvan de laatste wel is waar overeind stond, '
doch waarvan de paarden met de achterpooten vooruit gegleden en
jammerlijk op de bil gestort, zelfs niet door de felste zweepslagen, dr
vergezeld van een oorverdoovend geschreeuw, uit hun beklemden toestand te verlossen waren.
De paarden van den omgevallen wagen waren er door een gelukkig toeval beter afgekomen en stonden al spoedig overeind, misschien niet rouwig over deze extra pleisterplaats ofschoon het voer er ontbrak. zc
Luide bevelen, overvloedig met woorden doormengd, die in den regel voor kernachtig worden gehouden, klonken schril in den w
hollen nacht. De grootste onrust heerschte er bij 't personeel over de koffers die, van de imperiaal gestort, holderdebolder op- en hi
'
TOONEELSPELEBS. 61
m achter elkander, ja zelfs enkele geopend en met een deel van de
bonte kleedingstukken er uit, in de sneeuw lagen.
ig De tooneelbedienden en het mannenpersoneel van den lageren
rang, zijn in vereeniging met den souffleur, reeds druk aan 't werk sn om alles zooveel mogelijk op den straatweg bijeen te halen, ofschoon
te ginds een pluimhoed, wat verder een blauw kamizool, en dicht
ie er bij een rood zijden keurslijf met gouddraad blijven liggen, en
ig nog andere voorwerpen bij het haastig versjouwen van koffers en
kisten, tot later worden ter zij geschopt of ongezien onder den voet a- getreden.
is ,'t Is om te huilen!quot; roept juffrouw Trim â een rol van ge-
ij dienstigheid â terwijl ze een rokje van rose katoen met belegsel
a, van bruin veterband uit de sneeuw opraapt, en voorts een wanho-
n pigen blik in haar tamelijk primitieve kleerenkist werpt, waarvan
n het slot wel dicht was gebleven maar de scharnier-spijkers den
schok tegen een zusterkist niet hadden weerstaan, i- âZoo'n prwul van 'en voerman!quot; klaagt een oude kennis, die
3- juist het glas van zijn zilveren horloge aan gruis uit den zak haalt,
(r ,'t Is schande, waarachtig!quot; roept een persoon, die met een pijn-
)- lijk gekwetste hand, reeds een geruimen tijd op 't luidruchtigst aan
n iedereen zijn nood heeft geklaagd.
r âOm je met zulk spul te laten rijden! 't Is een kostelijke directie!quot;
gt; zegt een ander.
âEi Comijntje, nu kun je gratis blanketsel meenemen, zooveel s als je wilt,quot; schertst een der gerechtsdienaars, nu buiten kostuum,
n tot een tamelijk dikke en roode dame.
gt;f âSchei uit met je sneebal,quot; roept juffrouw Comijn: âNu nog gek-
i held te maken, 't Is schande! â Och m'n voet doet zoo zeer.quot;
' âEi! reis kijken?quot;
n âOp zij! Laat ons door!quot; roepen twee personen die een koffer
igt; dragen.
1 âVoorzichtig! zie je niet dat Reene hier flauw ligt?quot; zegt Heldera.
âZoo, óók al rippetiesje bij nacht!quot;
âLiewde tot de kunst!quot;
âHou-je mond! Heb je geen brandewijn?quot; vraagt Heldera. r âIkke? Neen. Hei Lamie, geef jij je snapsflesch eens. Helderaheit
zoo'n zin tegen de kou.quot;
1 âMispunt!quot; gromt Heldera: âZie-je niet waarvoor ik 't hebben
1 wilde? Maar 't is niet meer noodig.quot;
r â Ha! het wrijven met sneeuw langs de slapen voor 't hoofd
1 heeft geholpen. Heldera ziet Flora de oogen openen. â Goddank!
62 TOONEBLSPELERS.
âFlora, zeg, gaat het beter?quot; als h
âWaar ben ik? Wat is er gebeurd? Stil, ik weet het al.quot; En nood:
rillende; âKoud, vreeselijk koud!quot; ren
âKoud? Ja geen wonder. Wacht!quot; Heldera trekt snel zijn lange Vie
goed gevoerde overjas uit: âHier, die moet om. â Zóó, de mouwen Mi
van voren een beetje in elkaar gestoken. Eén knoop kan van boven boer*
wel dicht. Mooi! Je voelt toch geen pijn Flora?quot; been
âPijn? Hoe dat? â Of ik pijn voel.....? Neen, dat geloof ik inval
niet. Jij bent Heldera nietwaar? Waar zijn we? â O, wat heb ik rijtui
een slag gehoord. Heeft niemand een ongeluk gekregen? Juffrouw geen
Brons? mijnheer Baars ....?quot; met
âNeen, niemand. Ik was zoo bang Flora dat het niet goed met je M
was. Eerst zat je zoo stil te kijken, en toen je straks flauw Baar
waart.....Och Flora, ik kan je niet zeggen wat ik toen voelde.quot; men
âJe bent altijd zoo vriendelijk Heldera.quot; en h
âVriendelijk! â- Flora!quot; En zachter: âO, als je wist hoe angstig de j
ik was. â Engel.quot; 'twe
Flora strijkt zich snel met de hand langs de oogen. 't Is haar Den
plotseling als werd ze door een zachten gloed verwarmd. Maar er c
toch, het suist haar nog in het hoofd. De gevallen wagen met de en (
afgespannen paarden in den helderen schijn der maan; de kisten dorj
en koffers â zwarte plekken in de sneeuw â met hun sterke scha- ,J
duwen op den lichtenden bodem; de mannen en vrouwen hier en niet
ginds; de ontbladerde boomen langs den straatweg, die op hun die
hoogste takjes een helder kristal tegen de blauwgrijze lucht doen jas
blinken; het gansche bont-woelige tafereel in den klaren nacht op jong
deze anders zoo eenzame plek, het wart en wielt voor Flora's villc
oogen dooreen, en terwijl nu het laatste woordje van den jongen goec
acteur haar nogmaals in de ooren klinkt, zwenken weder haar âI
blauwe kijkers, en weet Flora niet waar ze is: op aarde of â in rijde
een zaligen hemel. lijk
De directie heeft intusschen niet stil gezeten. Terwijl Kogel op â(
de plaats van 't ongeval bleef, is Baars terstond naar de zeer nabij â1
liggende hoeve gegaan om er hulp te vragen. Boer Jonk, waarschijn- hadi
lijk uit een zwaren roes gewekt, heeft met zijn slaapdronken ge- ,(
zicht ârondemanquot; geantwoord: dat hij âgeen kermisvolk hielp,want 'tis
dat alle komedianterij uit den duivel en den Heere een gruwel was.quot; dun
Bij 't vernemen echter dat men aan zijn Christelijk antwoord de G
meest mogelijke publiciteit zou geven, heeft de halfdronken kwezel zorf
besloten âin Godsnaamquot; de dommekracht en een paar kartouwen den
te leenen, en dat de knecht ook maar een handje moest helpen ten
T00NEE1SPELEBS. 63
als hij zich ten minste niet lan ger met den troep afgaf dan hoogst En noodzakelijk was, want er stond geschreven: Gij zult niet verkee-
ren in de ten te der ongerechtigheidquot; en â dat doelde op De ige Vier Kronen!
ren Met behulp van de dommekracht en den daarbij dienstdoenden
ren boerenknecht, heeft men ook de achterste paarden in 'teind op de
been geholpen; doch, terwijl het nu bleek dat de arme dieren zeer ik invalide waren, moest men tevens bij het lichten van het gevallen
ik rijtuig, ontdekken dat één der wielen gebroken was, zoodat men in
uw geen geval â al had de boer voor grof geld paarden willen leenen,
met de beide rijtuigen de reis kon vervolgen.
;je Men moest spijkers met koppen slaan. In weinige minuten waren
uw Baars amp; Kogel het dan ook eens geworden. Den volgenden dag zou
men in plaats van het aangekondigde drama, kleine stukjes geven, en het minder talrijke personeel daarvoor benoodigd, kon aanstonds tig de reis voortzetten, terwijl de overigen in het dorp Beukbergen,
'twelk wat verder en slechts weinige minuten achter het landgoed lar Den Driellaert lag, konden overnachten, 't Sprak vanzelf dat
lar er een hoede bij de koffers moest achterblijven, terwijl de heeren
de en dames, die eerst morgen de reis zouden vervolgen, nu naar het
en dorp moesten loop en.
ia- âJawel, dat zie ik Heldera,quot; zegt Baars: âjuffrouw Reene is nog
en niet heelemaal van den schrik bekomen, en ik begrijp best dat jij,
un die haar zoogoed uit den wagen geholpen en nu zelfs in je warme
en jas hebt gestopt, haar graag tot Beukbergen zoudt brengen; maar
op jongenlief, dat gaat niet, waarachtig niet. Jij moet in de twee vaude-
a's villes meewerken; en als de wagen niet aanstonds vertrekt en wat
en goed doorrijdt, dan zal de maan ons een nieuwe poets spelen.quot;
lar âLaat juffrouw Reene dan in mijne plaats tot aan het dorp mee-
in rijden; ik loop zoolang naast den wagen en houd hem gemakke
lijk bij.quot;
op «Och kom, beste jongen, heb je zóóveel voor haar over?quot;
bij .Dat zou je óók hebben directeur! als je haar zoo uit de klem
in- hadt geholpen.quot;
;e- âOch neen, zonder dat óók wel. Ga jij gerust in den wagen;
nt 'tis voor mijn rekening dat ze zich niet te veel vermoeien zal. Me
i.quot; dunkt dat ik er belang bij heb.quot;
de Geen tien seconden later moest Heldera, of hij wilde of niet, de
;el zorg voor het meisje aan anderen overlaten en in den gereedstaan-
en den wagen stappen, nadat Flora hem een handdruk tot dank en
an ten afscheid gegeven heeft.
TOONEBLSPELEItS.
De regisseur Brons, die het ongeval en da vertraging met veel vertoon van hulp, doch met innerlijk genot had aanschouwd, en nu mede gereed staat om onder 't geleide van den tweeden directeur te vertrekken, heeft zijn dochter bij 't afscheid een nijdig woord in 't oor gebeten. â 't Was ook om razend te worden. Zijn eigen Rosa blijft hem den voet dwars zetten! In weerw il van 't geen zij zelve tegen die malle nieuweling moet gevoelen, heeft ze zich nu tot haar beschermvrouw opgeworpen. Toen dat Floortje zoo even, na een vreemde toespeling van Baars, aanstonds Heldera's jas heelt afgeworpen en teruggegeven, âomdat het heusch voor Heldera te koud zou zijnquot;, toen heeft Rosa, op het oogenblik dat Baars het kind zijn reisdeken wilde omslaan, haar zeer snel haar eigen bour-nous om de sch ouders geslagen, en verzekerd dat zij juffrouw Reene bij 't wandelen naar Beukbergen wel ondersteunen en verder voor haar zou zorgen zooveel als noodig mocht zijn.
â Welzeker, knoei jij maar met dat naturel-gebroed, en laat je vertrappen en verschoppen, en maak maar dat ze mij vermoorden; pruttelde Brons bij zich zeiven nadat hij op zijn scherpen uitval aan Rosa's oor â alsof zij dien uitval in 't geheel niet gehoord had, een zeer liefelijk âGoede reisquot;, van haar heeft terug ontvangen: Ga jij je gang maar, jij, die je heele kunst en succes aan mij hebt te danken ! Ga je gang maar kind, en als je door je mooien directeur heelemaal bedrogen, en door den naturel-troep van Van Deene, die nu z'n komieke rollen met z'n been in 't kussen kan spelen, totaal aan den dijk wordt gejaagd â want het gemeene triumfeert altijd in de wereld â dan zul je inzien dat jij je pleegvader op z'n hart hebt getrapt. Moet ik door een onbeschaafd deel van 't gezelschap, dag aan dag als regisseur worden miskend en ter zij gezet; durft een Baars â om niet eens van zijn omgang met jou te spreken â durft hij mij âincoupabelquot; noemen om zelfs in nood voor zoo'n prulkomiek als Van Deene op te treden; jij kind, jij zult me eeren! Ha, alsof ik niet wist wat ik bij Van Hooi met m'n Casper Larifari gedaan heb!
Niet meer lettende op het rijtuig, dat aanstonds met haar mok-kenden vader vertrekken zal, wijdt Rosa nu al haar zorgen aan Flora Reene, die, bij het zonderling zoete gevoel, straks door Heldera's woorden in haar hart gewekt, nogmaals zoo weldadig wordt getroffen dewijl de liefderijke hulp, die men haar verleent, nu van zulk een gansch onverwachte zijde komt, van de actrice die, â zij meende het straks nog in 't rijtuig â haar met zulke vijandige oogen had aangezien. Maar, men kan zich vergissen. Rosa Brons
64
TOONEELSPELEKS.
zal, toen ze haar zoo vreemdsoortig aankeek, met haar, gedachten in een rol zijn geweest. Wat zou Rosa ook inderdaad tegen haar kunnen hebben; en wat zou haar bewegen om nü zoo lief en hartelijk te zijn, wanneer ze haar jongere mede-actrice werkelijk een haat toedroeg. Nietwaar wdt zou haar bewegen!?quot;
âNeen Casper, neen!quot; zegt Rosa eensklaps snel doch bijna overdreven vriendelijk tot Baars, die bij zich zeiven besloten heeft, om dien Heldera zoo spoedig mogelijk naar een ander gezelschap te doen verkassen en daarna Floortje meer bepaald onder zijn vaderlijke hoede te nemen zooals hij 't immers aan tante kornet beloofd heeft: âNeen Casper, aan dien kant niet vasthoudenquot;, vervolgt Rosa: âvolstrekt niet; ze heeft er zich bezeerd. Jawel. Nietwaar juffrouw Reene? 't Is bepaald lastig als ze er twee moet vasthouden, en vooral zoo'n lang mensch als jij. Bovendien ze heeft mij verzocht om voor haar te zorgen: zie-je, bepaald mij, zoowel nu op den
weg, als straks...... in zoo'n boeren-logement! Nietwaar, je
begrijpt dat ze gelijk heeft?quot;
Flora zag niet hoe uitmuntend Rosa nü haar rol speelde. De eerste actrice was bijna zoo wit als de sneeuw, en haar blik deed een uitwerking zooals zij bij het publiek nog nooit had teweeggebracht.
Snel het hoofd naar een andere zij wendende, zegt Baars haastig:
âNu, als jij voor haar zorgt dan is ze in goede handen. In 't logement te Beukbergen zul jelui nommer één hebben. Loop maar voorzichtig en val maar niet.quot;
âWat haar betreft..... als ik er bij blijf zal 't niet gebeuren!''
zegt Rosa op een toon, die Flora â ofschoon nog zeer jong en zonder ervaring, toch de oogen met bevreemding doet opslaan.
De beleefdheid van Baars en zijn vriendelijke zorgen, kwamen haar plotseling in een gansch ander licht voor. Zijn zeer intieme handdrukken, die zij voor een soort van vaderlijke hartelijkheid heeft gehouden, doen haar nu bij 't vluchtig herdenken pijnlijk aan, en haastig zegt ze, terwijl ze Rosa's arm vaster omklemt:
âZeker, wij blijven bijeen;quot; en zachter: âIk dank je juffrouw Brons. Ja, ik ben nog wel een beetje verward van den schrik, maar ik weet en gevoel toch dat je heel lief voor mij bent, en tante zal je ook bijzonder dankbaar zijn.quot;
Weinige oogenblikken later toen de reizigers, die den tocht zouden vervolgen, reeds van dit vreemde tusschenstation naar de plaats hunner bestemming waren vertrokken, en door de achterblijvenden de laatste bevelen voor hun bagage werden gegeven, is Archibald
lil. 5
65
TOONEELSPELERS.
Van Oudenoliu met Arie op do plaats van het onheil aangekomen.
Al spoedig was hun door een paar edelen uit Een Vrouwenhart het gebeurde verhaald, en terwijl dezen hun beklagenswaar digen toestand nog duidelijker zochten voor te stellen, door een
vervaarlijk getrap op den harden aneeuwvloer..... âzoo koud! zoo
bitterw koud!quot; heeft er tevens een herkenning plaats, waarvan Rosa Brons aanstonds bij zich zelve zweert dat Baars plezier zal hebben, .waarachtig plezier!quot;
âJa, toen de gordijn viel had ik ten minste niet gedacht dat iku hier zou weerzien,quot; zegt Rosa op het allervriendelijkst, nadat de jonge Van Oudenolm de beide vrouwen eenige woorden heeft toegesproken.
âEen bepaalde afspraak verhinderde mij om u na de voorstelling mijn.... compliment te komen maken,quot; herneemt Archibald, terwijl hij zich bij het woord compliment snel doch ongezocht tot Flora Reene wendt.
Rosa twijfelt er niet aan dat Reene slechts beleefdheidshalve een staartje van dat compliment heeft meegekregen. Na een woordenwisseling over het fatale van zulke nachtreizen, en het exploi-teeren van artisten, verneemt Archibald nu al spoedig dat de dames tot Beukbergen zullen wandelen, en zegt dat hij er waarlijk mee te doen heeft, want, dat het dorp wel is waar slechts een tien minuten achter Den Driellaert begint, doch dat het logement nog wel dien zelfden afstand verder, gansch aan het einde er van ligt, zoodat de geheele wandeling op 't minst een half uur zal wezen.
âIs Den Driellaert uw buiten mijnheer Van Oudenolm?quot; vraagt Rosa.
âDat is te zeggen, van mijn vader, juffrouw Brons.quot;
âHé, dus niet getrouwd? Ik dacht dat u misschien heel jong.... pardon!quot;
Rosa heeft weer uitmuntend gespeeld. Archibald is innerlijk geheel verrukking. â zij heeft hem voor den eigenaar van een landgoed gehouden, en ook â ofschoon heel jong â voor reeds getrouwd aangezien. Was er nog meer noodig om bij den werkelijk krachti-gen jongeling het zelfstandigheidsgevoel voorgoed te doen wortelen. Archibald is volstrekt niet dom of onverstandig, maar deze hulde aan zijn mannelijk voorkomen gebracht â en van zulk een bekoorlijke zijde â moet hij toch vieren:
âAl ben ik niet de eigenaar van Den Driellaert dames, u begrijpt toch dat ik volkomen vrijheid zou hebben om n te verzoeken er straks wat uit te rusten indien.....quot;
66
TOONKELSPELEES.
,Indien we geen actrices waren!quot; valt Rosa zeer haastig in.
âMijn hemel juffrouw Brons, hoe komt u op zulk een gedachte! Neen, volstrekt niet, ik wilde zeggen: indien hetgeen nacht was; ik vrees dat mijn familie al te bed zal zijn.quot; En dan om op een ander chapiter te komen: âHeeft u je bezeerd juffrouw... Rodogunda?quot;
âFlora Reene, mijn beste vriendin,quot; helpt Rosa: âJa, zij houdt zich dapper, maar de val heeft haar leelijk aangepakt.quot;
âOch, de schrik zat mij eerst een beetje door de leden. Nu is het beter, heelemaal beter,quot; zegt Flora.
âJa, maar 't loopen valt je toch ontzettend moeielijk, lieve. U kan het haar aanzien mijnheer.quot;
âNeen waarlijk, 't gaat best, juffrouw Brons.quot;
âJuffrouw! altijd juffrouw!quot; En zacht tot Archibald: âZe is zoo lief en eenvoudig.quot;
âNa al de drama-misères, die u zoo flink heeft doorworsteld, hadt u een beteren nacht verdiend juffrouw Reene,quot; herneemt Archibald: âWaarlijk, uw natuurlijk, eenvoudig spel heeft een diepen indruk op me gemaakt....quot; Archibald keert zich snel tot Rosa en vervolgt: âEvenals juffrouw Brons mij van 't vorige jaar onvergetelijk blijft als de naar water smachtende Marie op het vlot der Medusa.quot;
Die âoudbakken lofquot; joeg Rosa 't bloed naar de wangen. â 't Jonge inensch schijnt dus óók al door die bespottelijke natuur-manie te zijn bevangen, of wel bekoord misschien door de weinige jaren, die Reene jonger is dan zij. â Ha, zij gevoelt de bedoeling van dat versleten compliment; doch het oordeel van het heerschap over haar spel is haar inderdaad geen knip voor den neus waard. Zij weet immers wat zij ook dezen avond voor het publiek is geweest, en, als morgen de provinciale en stedelijke couranten haar groote verdiensten als naar gewoonte met gloed en keur van woorden zullen uitmeten, dan mag dat heertje op zijn neus kijken, en leeren dat ware kunst nog niet afdaalt tot het houden van koffiehuispraatjes. â Maar komaan! de persoon is zelfs dien wrevel niet waard. Hij moet en zal haar dienen tegen den man, die haar dieper krenkt dan een geheel publiek het zou kunnen doen; die zijn onzaligen blik op dit kind heeft geslagen, en er nu geen bezwaar in ziet om tot bereiking van zijn doel, zijn eeden te schenden, zijn kinderen te verstoeten, en nog bovendien dit onnoozele schepsel te bedriegen, zooals hij 't Rosa gedaan heeft. Genoeg, die knaap moet de hoek zijn, waarmee zij den baars zal vangen.
Ofschoon Rosa dit alles door 't brein joeg, is zij op Archibalds compliment het antwoord niet schuldig gebleven:
67
TOONEELSPELEKS.
âAls het van U afhing mijnheer, dan zou ik vreezen voorgoed op het vlot te moeten blijven. In zooverre ben ik dus blij â al is 't ook wat glad â nü toch vasten grond onder den voet te hebben. â Hoe beef je zoo Reene? â Jawel lieve, je beeft geweldig!quot;
Flora zelve heeft van dat beven niets bemerkt.
âNeen, 't loopen gaat waarlijk heel goed, juffrouw Brons.''
âHeel goed!quot; En zacht tot Archibald: ,'t Arme schaap knikt letterlijk in de knieën!quot;
Terwijl het wandelend gedeelte der rijtuigbreukelingen, â waarvan Archibald en de beide dames met Arie en een paar edellieden de achterhoede uitmaken â in kleine groepjes met plaids en doeken beladen, voorzichtig op den straatweg de reis vervolgt, geven Flora's vastere schreden en de levendigheid, waarmee zij al spoedig in de gesprekken, ook over sommige dwaasheden in het opgevoerde drama deelt, niet slechts een démenti aan Rosa, maar brengen deze mede al spoedig tot het besluit, om een gevormd plan te laten varen, en niet zooals ze gedacht heeft, bij 't passeeren van Den Driellaert ten behoeve van Reene een beroep op de gastvrijheid van den zoon des huizes te doen, maar de rol van lijderes voorzichtigheidshalve nu zelve op zich te nemen.
â Goed zoo, denkt Rosa voort, terwijl ze Baars, die zeer in de voorhoede is, scherp in 't oog houdt: tot Beukbergen zal hij den onverschillige spelen, terwijl hij op middelen peinst om 't best zijn doel te bereiken. Och neen, hij zal niet eens r.aar haar omzien; naar 't kind niet, en naar zijn âeeuwig geliefdequot; van gisteren evenmin. Ha! maar ze zullen je beiden ontsnappen man; en vernemen zul je 't ook bij wien 't kind een schuilplaats, en je engel een nachtleger heeft gevonden!
âIk geloof dat we uw Buiten daar ginder al zien, mijnheer Van Oudenolm,quot; herneemt de actrice na een oogenblik stilte.
âJa, waar de maan op dien witten muur schijnt dat is het tuinmanshuis, juist aan den zijvleugel van het hoofdgebouw, juffrouw Brons.quot;
âAhzoo! En dan nog.... tien minuten nietwaar?quot;
âU bedoelt naar 't logement te Beukbergen? Neen, dat is nog plusminus twintig verder.quot;
Rosa zuchtte.
âVermoeit u 't loopen?quot; vraagt Reene snel.
âO neen... - Neen volstrekt niet.quot;
âIk zou haast denken dat je zelf inwendig hebt gebeefd toen je straks meende dat ik het deed, juffrouw Rosa, want waarlijk je trilt gedurig.quot;
68
TOONBBLSPELERS.
âIk? Neen waarlijk niet, lieve Reene, heusch niet,quot; antwoordt Rosa zeer luchtig: ,'k Zou me schamen. Een actrice is voor geen klein geruchtje vervaard. Dat we allemaal een beetje geschrikt zijn, dat spreekt vanzelf; en ja, omdat ik met mijn linkerzij nog al tamelijk onzacht op den kant van een middenhank ben terecht gekomen, mag ik er nu bij 't loopen misschien een klein beetje hinder van hebben, maar, als het anders niet is!quot; En declameerend:
âVooruit! Hoe snakt mijn ziel om uit dees sombre dreven, âTe komen in 't paleis waar weelde en lust me omgeven, âWaar mij in 't weeke dons de ruste wacht in 't end; âVooruit!....
naar 't vochtig stroo van 't dorrepslogement.quot;
Rosa lacht, ofschoon niet al te luid, en eindigt dan plotseling met een: âO God!quot; terwijl ze de hand tegen de linkerzij drukt.
âDat lachen schijnt je bepaald te hinderen,quot; zegt Flora, terwijl ze ter ondersteuning aanstonds haar arm om Rosa's midden slaat.
âMisschien een lichte kneuzing!quot; zegt Archibald.
âO, 't gaat al beter; 't heeft niets te beteekenen,quot; herneemt Rosa snel: âJe moet er maar niet op letten. â Phu! 't is warm. Die sjaal!quot; En weder blazende gooit ze haar wollen sjaal los.
Flora vindt het volstrekt niet goed dat juffrouw Brons zoomaar met den lossen doek verder gaat, en de jonge Van Oudenolm moet opmerken, dat het waarachtig allernadeeligst zal zijn, terwijl hij bij het haastig opvangen van het zakkende kleedingstuk, onwillekeurig aan de scène in de kleedkamer wordt herinnerd.
âMag ik u aan dezen kant mijn arm geven, juffrouw Brons, indien. .. . het niet indiscreet is?quot;
âO, 't is wel vriendelijk; al te beleefd! U moet je anders om ons volstrekt niet ophouden, volstrekt niet. â Is het nog ver naar 't dorp? â Van uw Buiten ginds, nog tien minuten nietwaar?quot;
Archibald vindt het onbarmhartig om nog eens op die vraag het ware antwoord te geven, 't Was zelfs aan die stem te hooren dat het loopen haar ontzettend veel moeite kost. De vraag ontwijkende, zegt hij:
â O, zachtjes aan, dan is men er gauw.quot; En als hij nu den arm der schoone actrice in den zijnen voelt, dan denkt hij eensklaps.... aan Louise; aan Louise met haar lief onschuldig gezichtje; aan Louise, die zeker niet droomt dat hij op dit oogenblik met een paar actrices, en met eene er van aan den arm, zoo vlak bij Den Driel-laert in den maneschijn wandelt.
69
TOONEELSPELERS.
Doch ja, nu voelt hij het ook: die ronde tamelijk leunende arm vro
trilt gedurig, 't Is een malle positie, waarin hij zoo ongezocht is ge- ver
raakt. Maar 't zou toch meer dan ellendig geweest zijn indien hij, vai
bij 't vermoeden dat men in nood verkeerde, had geaarzeld naar kui
den straatweg te gaan. 't Zou al heel flauw zijn geweest indien hij sc!
die dames, bij 't vernemen dat men met den schrik was vrijgeko- 1
men, eenvoudig met een goeden avond in den steek had gelaten. â te
Maar toch 't is een malle positie, denkt Archibald voort, terwijl men flir
langzaam al meer en meer het groote hek van Den Driellaert ,
nadert; ik voel duidelijk dat het arme schepsel bezwaarlijk zonder am
mijn hulp in De Vergulde Leeuw zal komen, en voor dat hei
toertje heen en terug zal ik toch minstens drie kwartier noodig we
hebben. Waarschijnlijk zullen papa en grootmama nu al met onrust zoi wachten. Als men naar bed was, ja, dan zou zoo'n extra uitstapje
naar 't Beukbergsche posthuis geen bezwaar zijn. Doch nu! Te lu(
groote angst mocht de lieve grootma eens kwaad doen. Wie weet kli
hoe ontstemd zij toch al zal zijn, wanneer zij verneemt met welk he'
bekoorlijk soort van muzenkinderen ik zoo recht vertrouwelijk het k»
laatste gedeelte van mijn wandeling gemaakt heb. Wat te doen?â Ro Nog een vijftig schreden en men zal het hek zijn genaderd. Moet hij daar werkelijk de actrice, die hij eerst zijn steun heeft aangeboden, vaarwel zeggen en haar met haar tengere vriendin aan de
zorg van den koetsier of wel van zoo'n paar figuranten overlaten? on Neen, dat denkbeeld is geheel in strijd met Archibalds ridderlijken
aard. Wat zou die schoone vrouw, wier arm nu juist weer zoo hulp- he
behoevend in dea zijnen trilt; wat zou dat allerbevalligste, en zoo 't
fameus fijngevoelende andere persoontje wel van hem denken! ti{
â Een kind, een flauw kind, dat bang voor knorren of straf is, go zal zwakke vrouwen in den steek laten, maar dat doet geen man, is die nog straks met personen van rang en leeftijd als frère en com- en pagnon in gezelschap was; die, wel is waar nog pas van school is ge gekomen, maar op die school dan toch ook van de jongens met zijn ge pmk alleen nog meer kon gedaan krijgen dan de twee secondanten de met hun acht armen en beenen te zamen.
â Er kome van wat wil, besluit Archibald in stilte: ik breng de be dames naar 't dorp; en terwijl hij dit plan â alsof hij inderdaad vr van den beginne af aan geen andere gedachte heeft gehad â aan de ro vrouwen op een toon meedeelt, die 't vermoeden laat doorschemeren g; dat het haar zeker aangenaam zal zijn, doortintelt hem zelf een o\ gevoel van vereerde verrukking; immers, hij, Archibald, de kost- er schooljongen van gisteren, is nu de steun geworden van twee jonge w
70
I '
I
TOONEELS TELERS. 71
vrouwen, wier schoonheden en talenten hij dezen avond â op zeer verschillende wijze aanschouwen en genieten mocht; de cavalier van een paar vrouwelijke leden van het zoo hoog door hem vereerde kunstenaarsgilde; in één woord, hij is de beschermer van twee schoone actrices.
Archibalds geruststellende verzekering schijnt een goeden invloed te hebben, 't Is alsof Rosa Brons na zijn woorden eensklaps veel flinker voortstapt.
âDat is recht vriendelijk van u, want de directeur is met de anderen, door die kromming van den straatweg al heelemaal uit het gezicht en zou ons zeker niet meer hooren,quot; zegt Flora, die werkelijk al bang was dat de beleefde jonkman bij het hek afscheid zou nemen.
,0, als jij anders maar wel bent, lieve,quot; zegt de oudste actrice luchtig: âmet mij gaat het best. Weet-je, 't zijn van die rare hartkloppingen, â zoo in eens; maar nu voel ik niets meer. Als kind heb ik een schrik gehad, en 't minst wat er nu gebeurt doet me kwaad. Leun ik ook wat sterk? â Ik heb ...quot; Eensklaps trilt Rosa Brons geweldig, en blijft staan.
,U hebt....?quot;
âWat is er?quot;
,0 God!quot; lispt Rosa; sluit de oogen; opent ze weder; en bijna onhoorbaar met flauwe korte ademhaling zegt ze: âO Jezus, ik sterf!quot;
Het aanroepen van God en Jezus â waarbij Archibald in 't geheel niet is grootgebracht, maakt op hem een bijzonderen indruk, 't Bewijst, naar zijn innige overtuiging, hoe ellendig dat arme prachtige schepsel zich moet gevoelen. Er is geen twijfel aan. Een zacht gorgelend geluid overtuigt hem geheel dat Rosa niet meer in staat is om zich krachtig te houden; haar gansche lichaam trilt geweldig, en indien Arie zijn jeugdigen meester niet aanstonds ware te hulp gekomen, dan zou Archibald waarschijnlijk op den gladden weg uitgegleden en met de hevig ontstelde jongste actrice gevallen zijn, dewijl Rosa eensklaps stokstijf aan hun zij is neergeslagen.
De positie was er voor den jongen Van Oudenolm niet op verbeterd. Hoe hij 't ook beschouwde, er is geen denken aan om die vrouw â al kon een der acteurs de voorhoede ook inhalen of terugroepen â in zulk een toestand Den Driellaert te doen voorbijgaan. Wanneer een bedelaar op klaarlichten dag hier een ongeluk overkwam, grootma zou de eerste zijn om den man in huis te nemen en ware het noodig, zelve te helpen, zooveel 't in haar vermogen was. En nu vrouwen, die in den nacht niet slechts aan een groot
I
TOOHBELSPELEKS.
gevaar zijn ontsnapt, maar ten gevolge van den schrik de hemel weet in welk een zorglijken toestand verkeeren, men zou nog aarzelen om haar een onderkomen en de noodige verzorging te geven! 't Zou spotten zijn met die altijd hooggeroemde Christelijke liefde, of moderne humaniteit:
âNeen, blijf mijnheerquot;, zegt hij tot een der edellieden, die zoo gauw mogelijk den directeur wil achterhalen: .Juffrouw Brons kan toch in geen geval naar 't dorp loopen. Haar een kwartier ver te dragen, is niet te doen; waartoe zou het dienen als de dames evengoed op Den Driellaert als in 't logement den nacht kunnen doorbrengen. 't Schijnt een hevige benauwdheid te zgn.quot;
âOf 'en bwiksemse kuurw!quot; mompelt een van Arie's nieuwe vrienden onhoorbaar. Bij mijnheer Archibalds besluit om de actrice gezamenlijk naar huis te dragen, brandt den koetsier een pas vernomen geheim omtrent de zeer verdachte moraliteit der zieke dame als vuur op de lippen. Sterk met de oogen wenkende, schudt hij gedurig het hoofd; maar mijnheer Archibald bemerkt het niet. â Goede hemel, wat moet daarvan komen, 't Is alsof de jongeheer met blindheid geslagen is. â Met zulk vrouwvolk te wandelen, nu ja, na zoo'n ongeluk op den weg, en om die toevalligheid na die comedie kon 't er mee door, maar zulke schaamteloosheden in huis te brengen, in huis! terwijl mevrouw al knak was als men 'sZondags-middags met de kerk oversloeg, of 's morgens bij nat herfstweer liever voor een keer aan 't wagenwasschen en tuigpoet-sen bleef dan bij 't lezen te komen. â Lieve hemel, in huis brengen om er te slapen; echte komediantendames! â En Arie fluistert:
âZeg eens jongeheer, ik kan veel toegeven, maar....quot;
Het bloed vliegt Archibald met geweld naar 't hoofd. Wat verbeeldt. wat vermeet zich die.... voerman!
âOnhandige vent, zie je niet dat je op die japon trapt?quot;' zegt hij forsch, en met een gebiedenden wenk, die Arie het zwijgen oplegt: âGa vooruit en schel! De heeren zullen mij helpen juffrouw Brons tot aan huis te dragen. â Zóó! voorzichtig heeren! Nu 't hek in; de oprit is niet groot. Och juffrouw Reene, wees zoogoed haar japon een weinig van den grond te tillen. â Zoo, nu gaat het. â Vlug Arie, vooruit!quot;
Maar Arie moest nog een poging wagen om den jongen heer van zijn plan af te brengen:
âIk raad je ten beste mijnheer,quot; fluistert hij nogmaals: âdie dame is alles behalve fatsoenlijk. Als je alles wjst! Gemeen van gedrag.
72
TOONBELSPELEBS.
Leeft met den directeur. Wat moeten mijnheer en de oude mevrouw er wel van denken!''
âZul je doen wat ik zeg? Jou laster geloof ik niet. Die dames zullen bij ons logeeren, zoo waar als ik Van Oudenolm heet,quot; zegt Archibald zacht doch luid genoeg dat Rosa, wier hoofd tegen zijn schouder rust, het verstaan kan.
Men heeft het niet bemerkt dat bij Arie's woorden een vluchtig rood het gelaat der âin zwijm liggendequot; actrice had gekleurd. Eenige oogenblikken later, terwijl de koetsier dan in quot;s hemelsnaam aan het bevel van zijn jongen meester voldoet, komt Rosa Brons tamelijk snel tot zich zelve. Zij is er âwaarlijk verlegen mee zich zoo kinderachtig te hebben aangesteld.quot; De goedheid van mijnheer Van Oudenolm is inderdaad al te groot. Neen, zij mag toch heusch geen misbruik van zijn gastvrijheid maken, ook juffrouw Reene zal zeker maar liever zoo zachtjesaan onder 't geleide van âde heerenquot; de wandeling naar het dorp vervolgen. Rosa gevoelt zich nu weer veel beter, heelemaal beter, en....
Maar, of Rosa Brons, zoo plotseling tot andere gedachten gekomen, ook zegt dat het wandelen heel goed zal gaan, Archibald heeft vast besloten dat er zal gebeuren 'tgeen hij gezegd heeft, ja, al zou het alleen zijn om dien knecht voorgoed op zijn plaats te zetten. Doch neen, dat is de laagste en laatste drijfveer: Ik wil helpen wie hulp behoeven; zoo besluit hij in stilte: die vrouwen hebben rust noodig, en, ze zullen haar vinden onder mijns vaders dak. Ik heb het gezegd: zoo waar als ik Van Oudenolm heet.
NEGENDE HOOFDSTUK.
IN HUIS, EN NIET IN HUIS.
,'t Spreekt vanzelf Archibald, dat dit de zaak heelemaal verandert,quot; zegt mijnheer Van Oudenolm, die in het laatste half uur vóór Archibalds komst, zijn gedachten slechts weinig bij zijn lectuur heeft kunnen bepalen, omdat hij de oude moeder omtrent Archi's lang uitblijven telkens moest geruststellen: âNeen, als je bij dat geroep om hulp niet waart gegaan, dat zou kinderachtig en inhumaan
73
I
74 TOONEELSPELERS.
zijn geweest. Ik dacht wel dat er met die sneeuw zoo iets aan de hand zou wezen. Nu, ik ben blij dat je er eindelijk weer bent. Grootma was niets op haar gemak.quot;
âNatuurlijk, als men uiterlijk op twaalf uren heeft gerekend dan valt zelfs een half uur wachten al lang,quot; antwoordt de douairière die in haar négligé â eene muts a la Marie-Antoinette, een peignoir van wit piqué, waarover straks, omdat het wat huiverig werd, een zwart cachemiren sjaal werd geslagen, ja zelfs met haar nu glad gestreken sneeuwwitte haren, nog de type van een aristocratisch schoone oude vrouw mag genoemd worden.
âMaar nu dat langer uitblijven zoogoed is verantwoord, nu hebben we ook verder niets te zeggen mamaatje;quot; herneemt Van Oudenolm.
âDa^r heb je gelijk in August,quot; zegt de douairière terwijl zij op een lage causeuse bij den haard gezeten een paar doovekooltjes, en zonder een aschje te morsen, met de blinkende tang in het koperen doofpotje bergt: âMaar, als ik oprecht mijn meening zal zeggen, dan had Archibald, toen hij zag dat het de acteurs waren, gerust kunnen doorstappen. Hulp was daar overbodig; er waren immers méér dan genoeg menschen bijeen.quot;
âIk heb mij niet lang opgehouden grootma; maar â we zijn toen samen doorgewandeld, en natuurlijk dat ging niet zoo gauw.quot;
âIk zeg niets anders Archi-lief, dan dat het beter ware geweest wanneer je -â met de zekerheid dat j ij toch niet helpen kondt, die menschen eenvoudig hadt gegroet, en, om het uit den koers loopen weer in te halen, dubbel ferm met Arie naar huis waart gestapt. Nu, brisons! Ik ben recht dankbaar dat die fameuse comedie-avond eindelijk voorbij is. â Och wil je de blakers eens even aansteken Archi? â Jij moet zeker de sluiting nog nazien August. Neem me niet kwalijk dat ik wat haast maak, maar als Archibald toch niets gebruiken wil, dan moeten we nu ook maar heel gauw naar bed.quot;
âIk wil u even spreken papa,quot; zegt Archibald schoorvoetend terwijl hij zijn vader, die naar de deur gaat, ter zij treedt.
De oude dame ziet op, en zwijgend slaat ze den blik naar vader en zoon.
âSpreken?quot; zegt Van Oudenolm; âWat is er?quot;
Archibald vermant zich:
âIk heb op uwe gastvrijheid een weinig geanticipeerd.quot;
âGeanticipeerd?quot;
Van Oudenolm vooronderstelt dat Archibald een schoolkameraad
in sl heeft
groot moe ,E de a oogei He hand
âN ,M âT
neen en ai ,A âA van â m weig( 'tl ,E: kunn
âJ£
dronj »A een [ âJf zins andei houd
âterv ,11 Me ,A doen spam De n bij v
TOONEELSPELERS.
in stad ontmoet, en voor nü of voor later op Den Driellaert heeft genoodigd.
â Papa hoort er niet vreemd van op, denkt Archibald. Maar grootma â wat tuurt zij vreeselijk strak naar dezen kant. Grootma moet het toch hooren. Luid herneemt hij:
âEen der dames was in den beginne geheel buiten kennis, en de andere werd onder 'tloopen plotseling zóó ongesteld dat ik een oogenblik dacht dat ze dood in mijn armen lag.quot;
Het gelaat der oude dame bleef onveranderlijk strak, maar haar hand zocht een steun op den arm van haar stoel.
âIn jou armen Archibald: Zóó, moest jij â haar opvangen?quot;
âNatuurlijk papa. In mijn plaats hadt u het ook gedaan.quot;
âMaar je hebt toen toch niet----?quot;
âToen de oudste geen vijftig passen van het hek als voor dood neerviel, toen heb ik gedaan wat ieder fatsoenlijk mensch zou doen, en aan beiden op Den Driellaert een nachtverblijf aangeboden.quot;
âAan die actrices!?quot;
âAan die artisten, ja. Ik begreep dat u en grootma â die van den zomer zelfs zooveel zorg voor den zieken Filax heeft gehad, â nu zeker geen onderkomen aan een paar zwakke vrouwen zoudt weigeren.quot;
'tWas of Van Oudenolm de zaak nog niet recht begreep.
âEn dus kom je ons vragen of die menschen hier â hier in huis kunnen logeeren?quot;
âJa.... Neen papa, ik kom u zeggen dat ik, als 't ware er toe gedrongen, ze dat bepaald heb toegezegd.quot;
âAhzoo! Toegezegd! â Hoor je dat mama? Archibald heeft aan een paar actrices....quot;
âJawel, ik heb het gehoord,quot; zegt de grootmoeder met eenigs-zins verkropte stem, terwijl zij, ofschoon schijnbaar kalm, onveranderlijk de hand krampachtig om den arm van haar causeuse houdt geklemd.
âBeloven! En zonder mijn voorkennis?quot; herneemt Van Oudenolm: âterwijl het dorp zoo dicht in de buurt is.quot;
âIk rekende op uw goed hart papa.quot;
Mevrouw Van Oudenolm heeft zich hersteld:
âAugust, als die vrouwen hulp noodig hebben, dan moesten we doen wat we kunnen. Laat Arie zoo gauw mogelijk de vigilante inspannen, die dames aan 't hek opnemen en naar 't logement rijden. De menschen zijn niet insolvent en begeeren dua zeker geen logies bij vreemden. Als je 't goedvindt laat Archi 't dan aanstonds be-
TOONEELSPELERS.
I
76
stellen, want om die menschen zoolang in de kou te doen wachten, dat zou----quot;
âMaar ze wachten niet aan 't hek grootma; ze zijn hier; in huis, in de voorkamer.quot;
âIn huis!quot; zegt Van Oudenolm met de grootste verbazing: âJe brengt die menschen in huis zonder ons daarin te kennen ?quot;
âZal ik ook eerst permissie moeten vragen om iemand uit 't water te halen misschien?quot;
âWord niet brutaal, jongen!quot;
â Jongen! â Ha, de vernedering moet weer beginnen. Een nobel werk zal men afkeuren; niet zoozeer omdat men in waarheid tot hulp ongenegen is, maar omdat de jongen, het kind, op eigen gezag heeft gehandeld. Hij zal.... Neen, hij zal zich inhouden. Indien hij zich naar recht liet gelden, dat zou misschien tot woorden of daden voeren, die hem later konden berouwen.
â't Is volstrekt mijn bedoeling niet om brutaal te zijn papa,quot; zegt Archibald bedaard: âmaar ik meen ook het recht aan mijn zij te hebben. U hebt mij altijd geleerd deelnemend en hulpvaardig te zijn. Toen ik op den weg was en die dames bepaald invalide zag, toen dacht ik: als mijn nobele vader hier was dan zou hij zeker zeggen: ik zal ze in mijn groot huis, met vijftien kamers! een paar bedden laten klaarmaken. En, ik meen dat een zoon in den goeden geest van zijn vader moet handelen.quot;
Van Oudenolm zweeg een oogenblik. Zóó had hij Archi nog nooit hooren spreken. Iets later vraagt hij:
âHeb jij bepaald beloofd dat die vrouwen hier zouden slapen?quot; âJa papa. Ik kon niet anders.quot;
âJe hadt het eerst moeten vragen. Ja toch..... eerst vragen!
Maar, nu je het beloofd hebt, nu zal het gebeuren.quot;
Op dit oogenblik ziet men de oude mevrouw, steeds met de handen op den stoelarm, zich een weinig omhoog heffen, en haastig de andere hand uitstrekkende, zegt ze met trillende stem:
âDat zal niet gebeuren. Ik zeg dat zal niet gebeuren! Zulk publiek duld ik nooit in mi)n huis.quot;
âMaar grootma, als papa het goedvindt, zult U dan....quot; âDan zal ik voor een enkelen keer minder zwak zijn dan hij.quot; Mijnheer Van Oudenolm mag zijn bejaarde moeder, die door het lange wachten en de geheel onverwachte bekentenis van Archibald wat overspannen en zenuwachtig is, niet laten uitspreken:
âGrootma en ik zullen, zooals altijd, in denzelfden geest handelen Archibald. Nóg eens, dat jij die menschen gevraagd hebt, 't
TOONEELSPELLRS.
kwam niet te pas; maar omdat je het met een humane Christelijke bedoeling deedt, begrijpt grootma evengoed als ik...
âIk begrijp,quot; valt de douairière zonder heftigheid in, ofschoon het beven van haar stem en het trillen van haar hoofd genoeg verraden dat zij moeite heeft om zoo kalm te spreken: âik begrijp dat we het heerlijke woord Christelijk niet mogen misbruiken August. Wanneer wij die menschen met het rijtuig laten wegbrengen, dan hebben we aan onzen Christenplicht meer dan voldaan. Ik geloof niet dat het ooit de bedoeling van onzen Heer is geweest, dat wij aan de zonde plaats in onze woning zouden geven, tenzij ter bekeering. Was dat Archrs bedoeling misschien?quot;
Van Oudenolm ziet Archibald beurtelings rood en bleek worden, en antwoordt snel â zonder de zeer zwakke zij van zijn moeders betoog in 't licht te stellen:
âArchibald is nog jong. Hij heeft waarschijnlijk met zijn vereering voor de kunst, die actrices eerder voor heiligen dan voor zeer gewone stervelingen aangezien, en zeker heeft hij aan de les van zijn brave grootmoeder gedacht: dat liefde geen kwaad denkt.quot;
,'t Is te laat August om op deze wijze te redetwisten, vooral wanneer men die liefdelessen uit haar verband rukt. Als de liefde weet dat er kwaad bestaat, dan behoeft ze aan niets anders te denken dan aan de beteugeling en zoo noodig de bestraffing er van.quot;
âMaar ik zou niet weten wat er op die dames te zeggen valt grootma.quot;
âDat verheugt me Archibald, maar je vader en ik weten het wèl. Wie die menschen wil zien, hij zie ze aan deze zij van het voetlicht. In 't licht van Gods heilig Evangelie staan ze nooit.quot;
âDat gaat te ver!quot; roept Archibald: âDat is een oordeel zonder recht, een liefdeloos oordeel! U stelt je gelijk met dien Arie die....quot;
âGa de kamer uit Archibald. Oogenblikkelijk! Dat is geen toon die je voegt tegen de edele vrouw, die meer dan een moeder voor je geweest is. Ga heen!quot;
Archibald bijt zich de lippen in bloed. Hij ziet naar zijn geliefde grootmoeder. Zij is doodelijk bleek geworden. Eensklaps vliegt hij op haar toe; grijpt haar weerstrevende hand, en zegt:
âMijn beste lieve grootma, zóó heb ik het niet bedoeld, want ik ken u te goed. O vergeef mij? Maar geloof ook niet dat die menschen allemaal zoo onzedelijk zijn. Ik hoorde juist dezen avond dat eene van de beiden, die ik hier bracht, zelfs een type van eenvoud en braafheid ia. â¢â Lieve Grootma!quot;
â't Is wel Archibald. Grootma wordt oud. Zij zal niet zoolang
77
TOONEEISPELEHS.
meer in staat zijn om te waken voor het welzijn van haar eenig kleinkind. Maar, zoolang zij er is, zal zij het doen zooveel ze kan. Ik verkies niet Archibald dat jij....quot;
Mevrouw Van Oudenolm brak hier den volzin af. De goede naam van haar eenigen kleinzoon is haar meer dan schatten waard, en zij vreesde maar al te zeer dat de booze â de altijd zoo ongevoelige wereld, haren Archibald een daad van zuivere barmhartigheid als een onuitwischbare smet zou toerekenen. Doch zulk een vermoeden mocht zij tegenover âden eenvoudigen nog geheel onverdorven jongenquot; niet uitspreken.
âIn één woord Archibald,quot; herneemt zij met meer vastheid: âik verzoek je nu terstond aan Arie te gaan zeggen dat hij de vigilante inspant. Die actrices blijven in geen geval van nacht hier in huis.quot;
âZij zullen het wel grootma!quot; valt Archibald in: âIk heb het gezegd, en papa heeft het zoo even toegestaan. Als mijn vader iets belooft, dan houdt hij woord, dat weet ik.quot;
Mevrouw Van Oudenolm kon door het geweldig trillen van haar onderlip geen woord meer uitbrengen.
âOm Godswil, wees kalm, mama,quot;' roept Van Oudenolm, terwijl hij zijn grijze moeder bij de bevende hand vat: âArchibald! Ga naar je kamer! Terstond. Zult ge doen wat ik zeg!?quot;
âJa, want ik weet dat U een gegeven woord niet breekt. Dat Grootma zich driftig maakt, 't is onredelijk want... .quot;
âKwa-jongen!quot; roept Van Oudenolm: âzult ge heengaan!?quot;
Gedurende eenige oogenblikken is het als vielen al de voorwerpen in de kamer voor Archibalds oogen dooreen. De man en de oude vrouw, die hij daarginder als in een floers ziet, ze zijn hem als vreemden....
â Neen, dat laatste is een leugen. â Zie, zijn vader heeft haastig voor de oude vrouw een glas water ingeschonken. Zij drinkt; haar tanden hoort hij rakkelen tegen het glas. De hand der grijze vrouw maakt een afwerende beweging naar deze zij van de deur. Of â is het een wenken ? Wil zij het goedmaken; wil ze hem zeggen hoe laag en gemeen zij het vindt dat die man, die vader, hem, Archibald, een kwa-jongen noemt? Wie trekt en drijft hem naar dien armstoel? Wie is het die hem met zooveel geweld terughoudt? â âGrootma!quot; beeft het van zijne lippen. Doch, verder spreken zal hij niet. Zacht, maar op een toon, die hem dringt door merg en been, klinkt het nu in zijn oor:
âWil je je trouwe grootmoeder vermoorden....! Zeg? Ga heen!
78
TOONEEISPELEES.
79
Voort naar je kamer! Als je berouw hebt toon het morgen. Nu geen seconde langer; ga!quot;
Nog een oogenblik aarzelt Archibald, maar dan, eensklaps snelt hij ter deure uit; de breede gangtrappen op; en, weinige seconden later op zijn kamer gekomen, waar door zijn grootmoeders zorg de lamp reeds sinds een paar uren brandt, valt hij hijgend naar den adem op een sofa neer.
TIENDE HOOFDSTUK.
IN DE KRUIDENDOOS.
Na verloop van slechts weinige minuten komt Archibald tot bezinning. Hij weet niet welke sombere denkbeelden hem eenige oogenblikken het brein hebben verward. Dat laatste woord van zijn vader had hem sterk getroffen. Alsof er sprake van kon zijn dat hij zijn dierbare trouwe grootmoeder ook slechts één haar zou kannen krenken! Alsof hij in liefde en gehoorzaamheid tegenover die edele voortreffelijke vrouw, zelfs ooit voor den vader zou onderdoen. Haar vermoorden. Groote God! Men heeft wel eens gezegd dat Archi de trouwe plaatsvervangster van zijn vroeg gestorven moeder aanbad. En, zijn vader durft hem de deur wijzen uit vrees dat hij die geliefde eenig leed berokkenen zou! ââ Was er kwaad in dat hij, naar aanleiding van het gebeurde, openhartig zijn meening wilde zeggen? Bij de algemeene waardeering van grootmoeders kloeken geest, is er toch altijd een punt geweest 't welk men daarmee in strijd mocht noemen. Haar vooroordeel tegen den tooneelspelersstand heeft Archibald reeds zoo vaak, doch geheel zonder vrucht bestreden. Nu was het oogenblik gekomen waarin hij â zonder die pijnigende aanmerking van zijn vader â de altijd zoo goedaardige en beredeneerde vrouw, zeker voor zijne zaak had kunnen winnen. Ja, Archibald gevoelt het; de woorden die hij â wat driftig door grootma's tegenkanting â in den aanvang heeft gesproken, ze hebben misschien wat forsch geklonken; maar zijn toon zou anders geweest zijn indien men nu ten minste gevoeld had dat men hem tegenover die vrouwen niet als een kind â als een kwa-jongen behandelen
TOONEEISPELERS.
mocht. Met alle bedaardheid heeft hij willen aantoonen, dat grootmoeders vooroordeel onredelijk was. De geschiedenis van Flora Reene, die men hem verhaald heeft, zou de goede oude vrouw hebben overtuigd dat zij dwaalde, en haar goed hart zou hij ongetwijfeld voor zijn liefdewerk hebben gewonnen. Doch nu, in plaats dat zijn vader hem liet uitspreken, heeft hij hem een kwa-jongen genoemd, en met gestrengheid ter deure gewezen. â En wat zal het einde zijn? Misschien zal zijn vader in 't einde grootma nog toegeven: Men zal de actrices naar het dorp brengen, en â de beschermer van zoo even zal straks, als het naar bed gejaagde kind, slechts belachelijk in het oog dier vrouwen zijn.
Archibald luistert. Op de trap en in de corridors hoort hij haastige voetstappen. â Wat zou er zijn? â Hij heeft zich niets te verwijten» maar toch, toch vreest hij dat er met grootma iets gebeurd is....
â O God, als zijn handeling, zijn weerstrevend woord hem toch berouwen moest! â Reeds heeft hij de deur geopend. Geertrui de oude linnenmeid staat ginds op den corridor bij de kast naast de mahoniehouten pers. De blakerlantaarn, die ze op een trapstoel heeft gezet, verlicht haar gelaat. Ze tast naar het opgestapelde linnen.
âWat doe je daar Geert? Is het met grootma niet goed?quot;
âGoede hemel! Je doet me schrikken jongeheer, 't Is zonde! Met al die drukte van zulk vreemd poespas, iemand nog zoo van z'n stuk te brengen!quot; Tellende: âTwee lende-, vier kussen-sloopen; vier lakens; zes handdoeken â vier fijne, twee groote. Ziezoo! â 't Is een koopje jongeheer; zoo laat in den nacht, en als er aan geen uitwasemen meer te denken valt; en dan nog zoo te schrikken'
â Uw grootma? Neen, zooveel als ik weet is je grootma wel uit haar memeur, maar anders opperbest naar haar slaapkamer gegaan.quot;
Een âGoddank!quot; komt Archibald om die laatste meedeeling in 't hart, terwijl de werkzaamheid van Geertrui hem mede uit een naren droom doet ontwaken.
â Geert zou natuurlijk dat linnen niet krijgen als de dames niet hier bleven. Papa heeft woord gehouden. Ja, hij is een inan van karakter, 't Spijt Archibald nu inderdaad dat hij dien trouwen vader een 'oogenblik van zwakheid heeft kunnen verdenken; en schier terzelfder tijd doet hij in stilte de heilige gelofte, om zich aan dat voorbeeld te spiegelen, en altijd trouw te zijn â trouw in woord en in daad,
âEn dus blijven die juffrouwen hier logeeren, Geertrui?quot;
âJa jongeheer, jawel!quot;
80
TOOJfEBLSPELERS.
Dat jawel klonk Archibald wat vreemd, en aanstonds herneemt hij:
âOp de roode logeerkamer?quot;
âOp de roode? Neen jongeheer, neen waarachtig niet; en op de groene met de liesjemoo â lit-jumeau â ook niet!quot;
âDan op de âlange jacht?quot; een groote kamer waar bij feestelijke gelegenheden wel eens eenige logés te gelijk hadden geslapen.
âNeen, volstrekt niet; de oude mevrouw heeft dat ook bepaald verboden. Ik wil ze niet in huis hebben, zei mevrouw.quot;
âEn ze zullen nu tóch hier logeeren?quot;
âJe laat me niet uitspreken, jongeheer. Mijnheer heeft gelast dat ze in het tuinmanshuis zouden slapen; de eene in de bedstee van het drogerijenkamertje, en de andere in 't ijzeren ledekantje in do badkamer er naast. Nou, voor zulke menschen is dat kostelijk genoeg.quot;
Ofschoon de oude linnenmeid met haar beddegoed al eenige trappen af was, zoo heeft Archibald haar laatste woorden toch goed verstaan.
â Indien hij Geert niet van klein kind af aan als een soort van âgrootma's schaduwquot; vereerd had, dan zou hij nu niet geaarzeld hebben om haar die steiltuitige nachtmuts eens eventjes plat te strijken. Ook zij praat van âzulke menschen!quot; Nu ja, een oude domme linnenmeid weet niet beter; ze is een vreemde in de groote maatschappij en in de kunstwereld vooral, maar, wanneer ontwikkelde menschen laag op artisten neerzien, en, ja, hun woord houden, maar toch per slot van rekening zulke vrouwen in badkamers en bij gedroogde kruiden wegstoppen, dat is de kunst verachten, en, geheel in strijd met 't geen hij dezen avond nog zoo krachtig betoogd heeft: dat men namelijk alle pogingen moest aanwenden om niet slechts het tooneel-repertoire te verbeteren; maar ook om den tooneelspelers-stand te verheffen zooveel dat mogelijk was.
âZulke menschen!quot; herhaalt Archibald nog eens overluid; en dan, terwijl de bovenste punt der tuitmuts juist om den hoek der trapleuning verdwijnt, komt hij tot een tweede en nu bijna hoorbaar ontboezemd besluit:
â Zoo waarachtig als mijn vader woord hield en die vrouwen â 'tzij dan minder royaal, op Den Driellaert logeeren, zoo waarachtig zal ik een beschermer van het tooneel, en van die verstoeten kunstenaars worden!
Terwijl ook dit besluit op den corridor werd genomen, traden vier personen door een buiten-zijdeur van het groote heerenhuis
m. 6
81
TOONEELSPJSLERS.
een open doch overdekte gaanderij in; liepen die ten einde, en vervolgden door een verwarmde oranjerie hun weg naar de belendende tuinmanswoning.
Willem, de huisknecht ging voorop. In elke hand droeg hij een kleine lamp. Achter hem volgden Rosa Brons en Flora Reene, door mijnheer Van Oudenolm begeleid.
âDe temperatuur is hier beter dan in die gaanderij, dames,quot; zegt Van Oudenolm: ,'t Is jammer dat het te donker is om onzen wintertuin eens goed te bezien.quot;
âDie vaarplanten zijn prachtig:quot; zegt Flora, terwijl zij in 'tvoor- ⢠bijgaan een blik er op werpt.
âDe coryfeën vind ik altijd het schoonst!quot; zegt Rosa Brons, zoo voornaam en innemend mogelijk. Ze heeft zich uit een rol iets van coryfeën of coryveeren op een buitenplaats herinnerd, en begrijpt dat die plantensoort dus ook hier niet ontbreken zal. Mijnheer Van Oudenolm kan zien dat zij op de hoogte is.
âOnze baas maakt van de conifeeren meer werk in het buitenplantsoen,quot; zegt Van Oudenolm: âmaar zijn camelia's en azalia's zijn in onzen wintertuin altijd de mooiste uit den omtrek.quot;
âIk ben er een groote minnares van mijnheer,quot; zegt Rosa zeer voornaam, terwijl zij onder het voortgaan den gastheer een démarche doet genieten, zooals men van een vrouw mag verwachten, die zich letterlijk in alle standen der maatschappij thuis gevoelt.
Dewijl Willem echter met het licht nog al vooruit is, geniet de gastheer niet zooveel als Rosa vermoedt.
âGij geeft u te veel moeite mijnheer Van Oudenolm. Wij zijn inderdaad verlegen dat u ons in persoon naar onze apartementen geleidt. Wij blijven u ten hoogste dankbaar. â O! ahzoo, moeten wij deze deur in?quot;
â!t Is in dit gangetje weer wat koeler,quot; zegt Floortje.
âJa, wat de kou betreft, spijt het mij dat we u in uw kamers geen vuur kunnen bezorgen; er zijn geen stookplaatsen; u moet het maar wat voor lief nemen,quot; zegt de gastheer.
âHet zal ons een eer zijn ook het geringste verblijf op uw buitenplaats te betrekken,quot; antwoordt Rosa â precies zooals een dame uit den hoogen stand dat in haar plaats zou gezegd hebben.
Ofschoon de vertrekjes voor de actrices bestemd, inderhaast door de tuinmansvrouw een weinig waren opgeredderd, zoo droegen ze toch zeer duidelijk de sporen van hunne oorspronkelijke bestemming, en verried inzonderheid het kruidenkamertje zich reeds voor 't binnentreden, door een gemengde uien- en kamillengeur, zóó krach-
82
TOOy EELS TELERS.
tig, dat de gastheer spijt kreeg geen weerstand aan de verzoeking te hebben geboden, om die beschermelingen van zijn zoon toch eens in persoon te gaan opnemen, en zelf nog eenigszins de honneurs als gastheer te gaan waarnemen.
âIk! Hier!?quot; zegt Rosa Brons op den drempel van het kruiden-kamertje.
âJawel, om u te dienen juffrouw,quot; antwoordt Willem, die reeds een der lampjes binnen het kamertje op de kleine groen geverfde klaptafel heeft neergezet: âZiet u, omdat de bedstee langer dan het ledekantje was, en u de langste waart, zei Geert.quot;
â't Is wél Willem,quot; zegt Van Oudenolm haastig: âZet de andere
lamp hiernaast. U begrijpt dames, dat.....de grootere vertrekken
niet zoo spoedig in orde waren te brengen. Maar 't zijn lieve kamertjes, vooral bij dag, en zij hebben een aardig uitzicht op den vijver. Indien er soms nog iets mocht noodig zijn ...? Ahzoo, ik zie de linnenmeidv al met eenige zaken uit de oranjerie komen. Zooals gezegd is, morgen zoo vroeg als u verkiest, zal de koetsier u met het rijtuig naar Beukbergen brengen. Slaapt wel dames, en morgen wensch ik u een goede reis.quot;
Een klein half uur later inspecteerde Rosa Brons â in een zeer geïmproviseerd nachtkostuum, haar legerstee, 't Zag er met dat frissche linnen toch zoo kwaad niet uit. Op kleine plaatsjes had zij 't wel minder gehad. De kruiden-lucht was al niet zoo hinderlijk meer, en ze zou na al de vermoeienissen wel slapen, ten minste als ze haar muizennesten maar wat kwijt kon raken.
Alles bijeengenomen meent Rosa toch, dat ze voor 't oogenblik reden tot tevredenheid heeft: Als artiste vreest zij niemand; in weerwil van die veldwinnende platheid, zal ze zich als eerste actrice weten te handhaven. En wat den ellendigen spotter met zijn eeden van trouw betreft, hij zal woedend zijn. Door de beide mannen, die verder naar het dorp zijn gewandeld, weet hij nu waar âzijn voormalige engelquot; met het mooie Floortje gebleven is. â Ha, die prachtige kans in de dorpsherberg moest ik je benemen, monster! denkt Rosa voort: al ware 't alleen om dat kind voor je laag bedrog te bewaren. Slaap er nu rustig, alleen, op je leger van teleurstelling, en zie in je droom den schoenen jongeling uit de kleedkamer met smachtenden blik de armen naar je vertreden lieveling uitstrekken. â Bij de laatste gedachte kleurde een sterk rood Rosa's wangen, en bijna hoorbaar voegt ze er bij: âWie laag en trouwloos is, mag zulke droomen droomen. Bah!quot;
Op het oogenblik dat Rosa dit laatste woord ontboezemt, drukt
83
TOONEBLSPELERS.
haar gansche gelaat op quot;t allersprekendst uit wat er kan omgaan in een Vrouwenhart.
Ofschoon Rosa Brons het liefst haar toeschouwers bij duizenden zou tellen, wanneer ze haar gewaarwordingen op het tooneel te vertolken zoekt, nü wil ze niet dat iemand haar zien zal. Op den deurknop hangt ze haastig een kleedingstuk, â haar gewone maatregel om een mogelijk doorzichtig sleutelgat te bedekken ââ en nadat ze een oogenblik luisterend bij die deur heeft gestaan, treedt ze op het licht toe; opent snel een tamelijk groot medaillon,'t welk met een paar minnende duifjes versierd is, en met dit kleinood iu handen, valt zij op de knieën bij de tafel neer.
Aan weerszij van het geopende medaillon ziet men een kinderkopje in miniatuur geschilderd: Een snoeperig jongske van drie l'aren omtrent, lacht van de rechterzijde zijn stoute moedertje toe, die maar altijd van Fritsje wegloopt. â En van de linkerzijde houdt een zesmaands popje met mollige koontjes, de oogjes zoo wijd geopend alsof het wat moois ziet.
â Op dit oogenblik slaap jelui gerust, nietwaar mijn schatjes? denkt Rosa terwijl ze de portretjes beurtelings, nu eens zeer nabij en dan weer op wat verderen afstand beschouwt: Lief hartje! Goed kind! Dag jongen, dag kleine Frits! â En jij, snoepje, mollig wijfje, is het nu al vpertien dagen dat maatje weg is, hé? Zult gei weer lachen en kraaien van pret als zij terugkomt'? Of zult ge haar niet meer kennen en bang zijn misschien ? â Rosa drukt de lippen beurtelings op de beide portretjes. â Zie, nu zijn die glaasjes dof en beslagen. â Is dat een beeld van de toekomst dier kleinen? â⢠O God, als het waar werd, wie zal de schuldige zijn: hij die bedroog, of zij die zich lichtvaardig bedriegen liet? â Wie liegt en bedriegt is een schelm; die zich bedriegen laat is een onnoozele bloed!
â Zij, Rosa, een onnoozele bloed? â Ja, zij was het, tot zelfs nog in 't laatste oogenblik.
Maar nu â is dit dan de wraak die haar past, haar, de moeder van die engelachtige kopjes? Moet ze dien trouwelooze wat plagen alleen; hem sarrend zijn prooi voor heden ontvoeren, om hem morgen misschien een nog schaamteloozer spel te zien spelen? Moet zij â zij zelve, dat voorwerp van zijn verachtelijke liefde beschermen, haar die met fijnen tact op het verval van de kunst speculeert, om ware kunstenaressen te verdringen; die, het gemeene op het tooneel verheffende, maar al te spoedig een geopend oor voor het laaghartig gehuichel van een trouwelooze zal hebben? Neen,
84
ÃÃONBElSPÃLr.lïS.
neen! zoo woelt en kookt het in Rosa's borst; het spel van dezen avond nabij het hek van Den Driellaert was kinderspel; een vaudeville; maar het moet een tragedie worden! Zou ik dat groote kind â een vijandin â beschermen, en deze, deze kinderen ongestraft zien verstoeten? Bij God! de onnoozele bloed van straks zal toonen dat zij zich niet vertrappen laat! Zij zal den trouwelooze zijn goede kansen niet meer benemen; ze zal hem zien met haar in zijn armen, en dan....
Met de beide handen onder het hoofd, heft Rosa Brons â nochtans in verbeelding â een scherp geslepen dolk omhoog, en stoot dien zonder aarzelen den schender van zijn vurigste eeden in de trouwelooze borst. Zie, het bloed vloeit uit een breede wond; zijn oogen staren haar aan, strak, zeer strak, doch niet als van een stervende, maar.... zooals zij haar voorheen plachten aan te zien, alsof hij haar vraagt, geheel op den toon van vroegere schoone dagen, met zacht verwijt doch zonder wrevel: âRoosje, kind, waarom hebt ge dat gedaan? Nu is het alles te laat. Nu moet ik sterven; en ik hield toch zooveel van je Roosje. Kom hier mijn engel!'t Was onverstandig, maar ik ben tóch niet boos omdat je zoo jaloersch waart. Ik had je altijd lief Roosje. Goeden nacht! Voor het laatst, goeden nacht!quot;
Rosa schrikt op. Heeft ze geslapen? Neen, zij heeft zijn kus op haar wang gevoeld. .Goeden nacht, voor het laatst!quot; heeft hij gezegd; dat heeft zij duidelijk gehoord. â Voor het laatst! quot;Wat moet dat beduiden? Dat hij haar nooit meer zal toespreken; haar nooit nooit meer aan zijn borst zal drukken, of haar zeggen dat hij haar toch waarlijk liefheeft? â Voor het laatst! Maar hij zal, hij mag niet sterven. Neen, Goddank, dat bloed, het was geen bloed; er is niets. En Casper was niet hier. Neen. â Ginds in de dorpsherberg zoekt hij rust. Maar hij kan ze niet vinden omdat hij moe is van het reizen en zorgen. â En hij zal weer hoofdpijn krijgen omdat die kussens zoo ellendig week en laag zijn. En hij zoent haar omdat zij gaarne een van haar kussens aan haar Casper wil geven. â¢â Wat ziet hij haar lief en teeder aan. Ziet gij 't wel â-hij wil haar weer toebehooren, geheel, zooals voorheen, indien zij maar vast aan zijn liefde gelooft. En de portretjes van Fritsje en Corri wil hij nog even zien. -â Even maar? â Neen! hij zal ze niet hebben! â Ja toch! â Neen, neen! eerst beloven dat hij die lieve teedere schepseltjes een wettigen vader zal geven; eerst bewijzen dat hij ze waarachtig liefheeft zooals zij hemâGodweet het, toch altijd heeft liefgehad.
85
TOONEELSPELEKS.
Nog steeds geknield bij de tafel, ontspringt er nu een geweldige tranenstroom aan Rosa's oogen, en besproeit de blanke handen die over de kinderkopjes gevouwen zijn. Die tranenvloed heeft inderdaad den boezem verlicht. Weinige oogenblikken later voelt Rosa zich zeer bemoedigd. Is zij niet rijk â zeer rijk in 't bezit van haar dierbare wichtjes; rijk door haar liefde, die zich machtig gevoelt om voor altijd te zegevieren op wie haar en haar kroost dat immer zoo liefhebbend mannenhart zou durven ontrukken? Is zij niet rijk en geëerd door haar kunst, waar men haar toejuicht, telken avond; niet rijk, terwijl zelfs de grooten der aarde haar met onderscheiding bejegenen, en, zonder den geringsten zweem van verlagende bedoeling, haar â en die andere om harentwil â op hun kostelijk landgoed een nachtverblijf schenken?
't Lag niet in Rosa's licht bewogen aard om van een negatief compliment, zooals van Archibald, een diepen indruk te bewaren. Zij was nu welgemoed, en terwijl zij zich in 't einde op het zachte bed te slapen legde, is zij zelfs zeer tevreden over de kleine rol, die zij bij het naderen van Den Driellaert gespeeld heeft!
Aan de woorden door den koetsier gesproken heeft ze niet moer gedacht, en hoe kon dit ook, nadat zelfs de voorname bankier â met eenige wel verklaarbare excuses omtrent het verder wegblijven van zijn zoon, haar beiden, in persoon naar hare kamers heeft geleid.
Rosa zal de lamp maar stilletjes laten branden, 't Is gezelliger, en ook, zij kan de beide schatjes dan nog even zien alvorens het moede hoofd nu voorgoed in het donsige kussen te drukken.
â Goeden nacht!
Of Rosa slapen zal?
Nu zij te bed is, hoort zij duidelijk spreken.
't Is een vrouwenstem die zeker heel wat klank moet hebben, wanneer men in aanmerking neemt dat er van de antwoorden volstrekt niets te hooren is, en Rosa alzoo een soort van alleenspraak verneemt, die, zelden onverstaanbaar, slechts door gapingen wordt afgebroken. In weerwil van baar wandeling door de buitengaanderij en de oranjerie, heeft Rosa niet begrepen dat zij in het tuinmanshuis logeert, en meent nu â dewijl Flora haar kamertje aan den anderen kant heeft, dat er aan deze zij misschien familieleden of andere gasten hun kamer hebben. Zeker, 't zou indiscreet zijn indien zij luisterde en misbruik maakte van een gehoorigheid. die men aan gindsche zijde niet vermoedt.
Toch kan Rosa de verzoeking om eens te luisteren niet weerstaan. Hoe meer haar aandacht op die stem blijft gevestigd, hoe
86
tooneelspelbbs.
duidelijker zij ook de woorden die er gesproken worden verstaat; en, zij bedriegt zich niet dat men er over haar â de nieuwe logees â spreekt. In een oogwenk is Rosa overeind en scherpt het oor naar den binnenwand der bedstee.
âStrij het niet tegen Janus; ik zelf heb de foef gezien, en Geertrui wis er alles van.quot; Na een oogenblik stilte: âTooneelraamzellen in een huis waar God van ouwer tot ouwer gediend is! Mijnheer was eerst woedend, zei Geert; en de oude mevrouw had er uitgezien alsof ze 'tbesterven zou. â Zoo'n ondeugende rakker!quot; â Stilte. â ,Jawel, een rakker! Iemand die zulk volk van de straat opraapt noem ik een rakker; en.... â Na een gaping: ,Te pas komen of niet; ik blijf er bij Janus, als jij peterselie zaait dan weet je dat je peterselie zult oogsten, maar dat weet je van die menschen niet.quot; â Weder stilte. â âNu zwijg maar; ik meen dat je niet weet wat je aan dat slag van menschen hebt; zóó zie je ze kaal, en dan in de veeren; zóó jong, en dan oud: Sjankiepleur, Sjan-kierie! Je kunt er geen staat op maken.quot; â Gaping. â âMaar dat neemt niet weg Janus, dat ze waaien niet alle winden; en ze kunnen mij niet wijsmaken, dat menschen die op zoo'n tooneel-teejater ieder oogenblik de huik naar den wind hangen, ons in het dagelijksch leven ook niet beet zullen nemen.quot; â Stilte. â âJawel Janus! En ik zeg je nóg eens dat ten minste die oudste van de twee, een vrouwspersoon is dat met geen fatsoenlijke menschen als wij in aanraking moest komen.quot; â⢠Stilte.
Rosa's hart bonsde, en haar oog ligt nu vast tegen den plankenwand der bedstee.
âStil manquot;, klinkt weer de schreeuwerige stem: âA's jij zoo iets verdedigt, dan ken ik je niet. De oude mevrouw griezelde er van; en Arie wist het zeker; want, één van den troep had't hem verteld: Een heel slecht vrouwspersoon moet het zijn, die maar zonder God of gebod, ongetrouwd met den directeur van den troep leeft; die haar kinderen uitbesteedt omdat zij ze zelf, met haar goddeloos beroep, niet verzorgen kan, en ze verwilderen en voor de galg laat opgroeien. 'tMoet een van die schepsels wezen van wie dominee zegt: dat ze, wentelende in het slijk, steeds dieper zinken in den poel des eeuwigen verderfs!quot;
Rosa hief haar vuist op om met kracht tegen het beschot te bonzen.... doch hoor, met groote heftigheid valt weer de vrouw haaiman in de rede:
âZóó Janus, zóó, moet jij wijzer zijn dan de lui wier brood je eet? Zóó man, moet jij niet gelooven dat het waar is? En ik vraag
s?
TOONEBLSPELERS.
je, waarom mevrouw dan zoo pertinent tegen mijnheer zei: En ik te
versta niet August dat ze in mijn huis zullen blijven! Zie-je omdat de
mevrouw zelfs geen hond zou laten doodvriezen, daarom zei ze, zi
moeten ze dan in Godsnaam maar in de kamertjes van het tuin- to manshuis lozeeren; en weet je Janus, dat is het nu juist wat me
van de ouwe mevrouw sjagrineert. Als de mamzellen, die de ondeugd tr
van een kwajongen in huis heeft gebracht, niet onder één dak met 4 g:
de lui kunnen slapen, dan zeg ik â dat ze zulk poespas ook niet t
bij ons, fatsoenlijke tuinlui, moesten brengen; daarvoor zijn we hi
óók van te veel stand en koerakter.... Ei, ben je 'tnou met me di
eens. Ahzoo!quot; d(
Een snijdend geluid gleed er van Rosa's lippen; en een bons op si het planken beschot dreunde er mee.
Aan gene zij van de bedstee is het nu eensklaps muisstil gewor- se
den. Of de scherpe vrouwenstem er soms nog fluisterend sprak? Z
't Was in de groots Kruidendoos niet te vernemen. ei
B
Zi
P
w
ELFDE HOOFDSTUK. b
ti
EEN LAAT BEZOEK.
A li
Nadat Archibald straks zijn besluit had genomen, heeft hij tevens d
gevoeld dat hij zijne beschermelingen nog moest vaarwel zeggen. ii Er mocht van komen wat wilde, maar hij kon zich voor 't vervolg
bij die artisten niet .onmogelijkquot; maken. Indien hij nu wegbleef, li
dan zou men hem immers later met glimlachend medelijden beschou- ^
wen â het bestrafte, bange, naar bed gejaagde kind. Hij moet zich r
toonen, vooral tegenover een actrice als Rosa Brons. i
Die schouders? â Neen, waarachtig niet. Dat ze hem soms nog
eens voor den geest komen, quot;tis niet onnatuurlijk, maar geen andere quot; ^
drijfveer spoort hem aan dan de krachtig ontwaakte zucht om ten I
nutte van zijn lievelingskunst te doen wat er gloeit in zijn borst, S
en 't welk hem niet mogelijk zal zijn indien hij nü terugblijft. De f
ervaring van de kleedkamer strekt hem slechts tot geruststelling n dat men bij actrices niet al te veel op de étiquette behoeft te let-
88
4
TOONEELSPELERS.
ten. Intusschen hij vreest niet nü reeds ongelegen te zullen komen, dewijl de dames nog slechts kort geleden naar het tuinmanshuis zijn gegaan, en er â 'tzij op haar kamers of wel bij den tuinman toch eerst gesoupeerd zullen hebben.
Zachtjes treedt Archibald zijn kamer uit, en gaat langs de breede trap naar beneden. â Hij wist niet dat de slinger van de groote gangklok zoo'n geweldig leven maakte. Ofschoon die klok bijna aan t eind van de gang in 't benedenhuis staat, hoort hij haar reeds hier, zóó duidelijk en hard, alsof zij alarm slaat. Maar 't is goed dat de klok zoo'n leven maakt; men zal dan 't openen van haar deurtje niet hooren als hij er aanstonds de gaanderij- en oranjerie-sleutels uitneemt, die altijd binnen de kast hangen.
Op dit oogenblik, terwijl Archibald juist de onderste trap bereikt, sshrikt hij geweldig. Boven hoorde hij zeer snel eene deur openen. Zoo even had de trap gekraakt. Zijn vader zal het gehoord hebben, en komt hem nu haastig achterna.... Archibald staat roerloos. Hij wil zijn licht uitblazen. Indien zijn vader hem weerhield, dan zou hij in staat zijn....
â Goddank, 't behoeft zoover niet te komen. Hij hoort een plof op den corridor. De laarzen werden buiten gezet. De deur gaat weer dicht.
Onwillekeurig nog een blik naar boven werpende, vervolgt Archi-bild nu sneller zijn weg. Zeer behoedzaam opent hij de groote klok; üst naar het knopje er binnen, doch, als een slag treft hem de ontdekking dat de sleutels niet op hun gewone plaats hangen. â Ihzoo, zijn vader beeft voorzien dat hij doen zou 't geen hij werkelijk van plan is; 't is een bewijs, denkt Archibald, dat papa inderdaad gevoelt zooals ik; dat hij 't ook zou gedaan hebben kdien hij in mijne plaats ware.
Archibald is spoedig van de ondervonden teleurstelling bekomen; lij weet zich te redden. Naast de deur van de gaanderij aan 'teind vin de zijgang, bevindt zich een zeer klein raampje. Toch is dat raampje ruimschoots groot genoeg om iemand, die, zooals hij nom-mer één bij de gymnastiek-lessen was, een doortocht te vergunnen.
Nadat Archibald eenige oogenblikken later naast de balustrade vin de open gaanderij, in de sneeuw is terechtgekomen, terwijl Kj intusschen voor de sluitingsmaatregelen op Den Drielaert {een hoog respect heeft gekregen, springt hij snel over die balus-:rade de gaanderij binnen, maar straks ook aan de andere zij weer naar buiten.
Dat er weinig aan Archibalds oogen ontgaat, weten zoowel zijn
89
fOONEELSPEtEKS.
huisgenooten als zijn voormalige makkers, De tuinman zou echter nooit geloofd hebben dat mijnheer Archibald ook al bespeurd had, dat hij geheel aan den achterkant der broeierij, een oude rietraat heeft buiten gezet om er een gebroken ruit mee te bedekken. Maar Archibald kan 't niet helpen dat hij âsoms door een plank ziet.quot; In een oogenblik is de rietmat ter zij geschoven. â Voorzichtig, zeer voorzichtig, betast hij de gebroken ruit, en, voor zooveel mogelijk worden nu de losse stukken uit de sponning getrokken. In 't einde is hij zonder schram of kleerscheuren door die opening gekropen, en zijn hart bonst, nu hij dan eindelijk in de kleine gang staat, zoo nabij het doel van zijn, toch eenigszins avontuurlijken tocht. â Juist die nabijheid brengt hem tot een andere beschouwing: 't Is misschien toch wat dwaas, denkt Archibald: Hoe zal ik mijn late komst verontschuldigen? 't Heeft iets van inbraak bij nacht. En â wanneer die vrouwen, na zooveel vermoeienis, misschien reeds te bed zijn, wenscht hij dan dat ze zullen opstaan en zich weer aankleeden, alleen om dien hoogst gewichtigen afscheidsgroet te ontvangen, of zelfs om van hera te vernemen dat hij â hij, mijnheer Archibald â de beschermer wil worden van haar edele kunst! ? â 't Zal waarachtig verstandiger zijn om maar eens bij den baas te informeeren hoe laat zij morgen vertrekken, om dan zonder fout present te zijn, en haar te zeggen wat hij op 't hart heeft.
Archibald luistert scherper. Hij meent gerucht te hooren. Indien de tuinbaas eens ,vorstvreezigquot; â zooals hij het noemde â Je wacht hield en hem hier overviel! Groote hemel, wat moest kij wel denken! Maar in weerwil van die laatste bepeinzing is het Archibald â die tastende in 't donker bij 't zachtjes voortgaan eensklaps een kleinen lichtglimp heeft bemerkt, alsof hij door een geweldige macht naar die deur wordt gedreven, 't Is hera op dit oogenblik volmaakt onverschillig wat hij straks verstandigs of mineer verstandigs gedacht heeft ... Over den schouder van Rosa Brois, had het kopje van Flora Reene hem den ganschen avond geduiig met haar geestvolle oogjes aangestaard, en ofschoon de lieve heldtre kijkers van Louise hem dan telkens een zachten, half verwijtencen blik hebben toegeworpen en 't ook nu weder doen, Archibald weet immers dat het slechts zijn liefde tot de kunst is, die hem naar dien lichtglimp drijft, hopende dat het toeval hem gunstig zal zijl, en hij, in plaats van die oudere actrice, nog een oogenblik h»t talentvolle jongere meisje zal mogen ontmoeten, om haar te zeggen, hoezeer hij hare groote gaven bewondert en hare uitmuntende kunst opvatting waardeert.
ÃO
r
TOONEELSPELEES. 91
!r Flora heeft evenals Martin met koude vingers te kampen geliad.
i, Bijna op 't zelfde oogenblik dat de neef zijn couranten-verslag nog
it eens naleest, sluit Flora een brief aan tante Lindeman. De tuinman
ir heeft haar nog zeer laat aan schrijfgereedschap geholpen, namelijk
aan een bijna onbruikbare ganzepen en een vel uitgescheurd kas-», boekpapier met roode lijntjes. Maar 't was toch voldoende, want
3I de inkt was tamelijk zwart. De tuinman had beloofd morgen zelf
1. den brief in de stad te zullen bezorgen, zoodat âde post er dan niets
g mee van noode had.quot; Ja, de baas zou het nog vóór de boodschappen
g doen, omdat hij best begreep dat die tante â juffrouw Lindeman â
n voor een schrik moest bewaard worden.
Floortje heeft gevreesd dat tante van het ongeval op den weg, 11 een overdreven lezing vernemen en daardoor in den grootsten angst
i. geraken zou. 't Valt niet gemakkelijk om het weerspannige papier
a tot een brief te vouwen. â Och, als Martin het geweten had, en
!i 't maar mogelijk was geweest, hoe ondenkbaar graag zou hij Floortje
t zoo ongemerkt een couvertje hebben in handen getooverd; tien,
j, twintig, duizend couvertjes, doch zonder dat zij wist van wien ze
e kwamen.
3 Maar Floortje moet het nu zonder couvertje en, in plaats van een
r ouweltje maar met een broodkruimel doen. â Ziezoo, nu het adres. -..
Flora ziet naar de deur. â Zeker is die goedige tuinman opge-j bleven om den brief nog zelf te komen halen, waarschijnlijk omdat
b zulke menschen in den regel al vroeg naar stad gaan. Misschien is
j de tijd hem wat lang gevallen en komt hij daarom eens kijken of
de brief haast klaar is. Jawel, er wordt zachtjes geklopt.
,Binnen!quot;
Toen Archibald na een korte aarzeling aan de deur tikte, heeft t hij niet verwacht reeds zoo spoedig het begeerde verlof te zullen
r bekomen.
, Hij opent behoedzaam de deur, en....
; âKom maar hier baas,quot; zegt Flora terwijl ze nog het adres schrijft:
gt; «Heb ik wat lang getalmd? Zie je, ik dacht niet dat de brief nog
1 van avond....quot;
t ,Juffrouw Reene, ik ben het.quot;
Archibald, wiens verrukking hij 't vernemen van Flora's stem zoo , mogelijk is vermeerderd, doch bij dat, âKom maar hier baasquot; toch
t iets vreemds gevoelde, heeft niet kunnen denken dat het meisje
, zoo hevig ontstellen zou.
Bij Flora's haastig opvliegen is haar stoel achterover gevallen, en trilde de lamp op de tafel.
i
TOONEELSPl'XÃIïS.
,Ik zie dat ik u schrikken doe juffrouw Reene. Het spijt mij geweldig, maar ik kon niet weten dat u iemand anders verwachtte.quot;
âIk verwachtte niemand.quot;
,Natuurlijk, maar u dacht misschien dat de tuinbaas u nog iets te zeggen had.quot;
âJa, dat hij kwam om mijn brief te halen,quot; herneemt Flora met de hand aan de tafel, terwijl haar lange donkere wimpers vluchtig naar den brief wijzen. Dan, zich zoogoed mogelijk herstellende, vraagt zij, schijnbaar kalm, en beleefd:
âHad u mij iets te zeggen, mijnheer Van Oudenolm?quot;
Ja, dat heeft hij:
âAls ik u niets te zeggen had, juffrouw Reene, dan zou ik zeker de vrijheid niet hebben genomen om mij nog zoo laat bij u aan te melden, maar natuurlijk, als er op mijn zacht kloppen geen toestemmend antwoord gevolgd was, dan zou ik mijn boodschap ook tot morgen hebben uitgesteld.quot;
âUw boodschap?quot; zegt Flora snel.
âNoem het zoo of anders juffrouw Reene, maar wat ik u te zeggen heb, dat moet mij, nu ik u werkelijk ontmoeten mag, zoo spoedig mogelijk van het hart.quot;
âMaar ik geloof niet dat u hier een oogenblik langer zult willen blijven dan 't mij aangenaam is, en daarom verzoek ik u vriendelijk 't geen u mij te zeggen hebt, voor een andere gelegenheid te bewaren.quot;
Archibald werd bloedrood. Hij gevoelde en begreep alles, en nochtans:
âIk schaam mij, juffrouw Reene, dat mijn familie een artiste van zooveel talent als u, niet beter gelogeerd heeft. Het sprak van zelf dat men u en juffrouw Brons zou ontvangen omdat ik u verzocht had, maar het hindert mij geweldig dat men, ofschoon het werkelijk wat laat was, niet beter voor u gezorgd heeft. Ik moest u dit zeggen, en ook....quot;
âZeg liever niets meer, mijnheer Van Oudenolm,quot; valt Flora in: âHadden wij kunnen denken dat juffrouw Brons zoo spoedig weer beter zou zijn, dan waren we zeker naar Beukbergen doorgewandeld. In alle geval heeft u ons verplicht. Laat het u niet hinderen dat uw familie ons in de tuinmanswoning logeerde; wij zijn maar eenvoudige menschen, en weten bovendien zeer goed dat onze stand niet zoo bijzonder hoog staat aangeschreven.quot;
âMaar juist daarom moet dat anders worden, juffrouw Reene, en van mijn kant wil ik alles beproeven....quot;
92
TOONEELSfliLEBS.
,Indien 't u werkelijk ernst is om onzen stand te doen eeren, wees dan ten minste zoogoed om nu aanstonds dit vertrek te verlaten. Ik geloof niet dat u er aan zoudt denken om eenig andere logee in uws vaders huis op deze wijze te bezoeken.quot;
Archibald staat als geslagen. Niets kon hem zoo pijnlijk hebben getroffen als Flora's haastig gesproken woorden, die hem niet slechts het verwijt doen dat hij geheel in strijd met zijn schoone voornemens handelt, maar nog bovendien herinneren hoe hij werkelijk inbreuk maakt op het goed recht van eene logee in zijns vaders huis.
En wat is het geweest dat hem den moed heeft gegeven om deze logee met zulk een andere maat te meten, en nu te doen wat hij anders nooit zou hebben gedaan? In stilte moet hij 't bekennen dat ook hij â wellicht door dien blanken schouder misleid â den eerbied uit het oog heeft verloren, dien men niet minder aan de actrice dan aan iedere andere vrouw verschuldigd is.
Flora's slanke figuurtje, haar schoon en geestvol gelaat â nu wat bleek van vermoeienis of van rechtmatigen toorn misschien â de herinnering aan haar spel â zoo geheel verschillende van 't geen men gewoon was te zien, dit alles werkte op den krachtvollen jongeling wel is waar met een betoovering, die hij op dit oogenblik ternauwernood kan weerstaan, maar nochtans, wanneer hij dat bekoorlijke, talentvolle meisje dien onzaligen indruk heeft gegeven, en zijn komst dan juist het tegenovergestelde moest uitwerken van 'tgeen hij bedoelde, dan is hij verplicht om haar zoo spoedig mogelijk te bewijzen hoe waarachtig hij haar vereert, en hoe zijn ondoordachte handelwijze hem smart.
âWas het ongepast dat ik hier kwam, juffrouw Reene,quot; zegt hij snel: âik bid u vergeef het mij, maar 't was de zucht om u nog eens te zeggen dat inderdaad uw spel mij heeft geleerd wat werkelijk tooneelspelen is, en dat zoowel uw persoon als uw talent ten sterkste de begeerte bij mij hebben opgewekt, om voortaan mijn zwakke krachten in 't belang van uw kunst en uw stand te beproeven. â Juffrouw Reene, ik heb u bewonderd. Mijn enthusiasme heeft mij onbescheiden gemaakt. Nog eens, vergeef mij, en toon me, wanneer ik nu aanstonds vertrek, dat u niet boos bent, door mij de eer te bewijzen mij ds hand ter verzoening te geven.quot;
Een lichte blos heeft Flora's wangen gekleurd, en terwijl ze haastig zegt: âIk dank u. Ga dan ... Vaarwel!quot; steekt zij Archibald haar kleine hand toe.
âRiep je juffrouw? Is ie klaar?quot; klinkt het op eens bij de deur.
Baas Burkes die, met recht âvorstvreezig,quot; was opgebleven, en
93
*
94 TOONEELSPELEKS.
nu best eventjes kan gaan vragen â vooral omdat hij meende dat «1
er geroepen was, de baas houdt zich bescheiden achter de deur, mijt
ofschoon hij ze op een kier heeft geopend. een
Flora is doodelijk geschrikt. Aan den stoel, die straks door ook
Archibald is opgeraapt, klemt ze zich vast, en de blik, dien ze op aan
den jongeling werpt, zoo hij mede van hare uitstekende mimische B
gave getuigt, toont Archibald eensklaps welk een ellendig dom spel ziel
hij gespeeld heeft. ,
Hoezeer ook ontsteld, beseft Flora dat zij geen oogenblik mag A
dralen, dewijl haar goede naam als 't ware aan een zijden draad en
hangt. Tante Lindeman; de familie op Hounaer, die al het mogelijke en
heeft gedaan om de lieve bonne van haar âdwaze keusquot; te doen dier
afzien! dominee Pelser die haar steun is geweest; de goede Martin: hij
al haar welwillende en hoofdschuddende vrienden komen haar als gesi
met een tooverslag voor den geest; en, aanstonds beseft zij dat er kos
alles aan gelegen is dat die jonkman niet in hare kamer wordt ge- voo
zien, opdat de schijn niet tegen haar getuigen zal. hij
Op een snelle beweging van haar hand treedt Archibald een te -
â weinig ter zij. Flora wil de passage naar de deur vrij hebben. Den .
brief grijpt ze van de tafel en.... roe]
âSlaap je juffrouw?quot; roept op ditzelfde oogenblik baas Burkes tot
vrij luid, terwijl hij het rood bruine hoofd om den hoek der deur âDf steekt. . ⢠kur
Dat was de gevreesde slag. Flora, in de grootste verwarring, bez
prevelt iets van: een brief, en bezorgen; maar Burkes heeft reeds ik
met een: âO jé, de jongeheer!quot; het hoofd teruggetrokken. goe
â Kan Archibald nog dralen? ^
âHei, baas! Baas Burkes!quot; sch
De deur gaat nu wat verder open, en als Burkes op den drempel He1
blijft staan, dan herneemt Archibald: nog
âJawel, je moet binnenkomen. Waarom niet? een
âIk dacht soms dat u....quot; I
âJij hebt niets te denken baas, dan 'tgeen je ziet; en je ziet dat Flo
de juffrouw haar brief juist klaar heeftquot;. stn
âO, als hij klaar is juffrouw, bestig, dan zal ik hem wel bezorgen. doo
Maar zie-je, als ik geweten had dat de jongeheer hier was, neen kra
waarachtig. want, dat zou me niet passen, nietwaar?quot; te
âJou past eenvoudig te begrijpen dat ik nü niet hier zou zijn, reg
als ik geweten had hoe laat de dames morgen vertrekken. Ik had Flo deze juffrouw nog iets belangrijks te zeggen.quot;
âJawel, dat laat zich begrijpen jongeheer.quot;
TOONBELSPELERS.
âIk dank u bijzonder voor die zeer belangrijke meedeeling mijnheer Van Oudenolmquot;, zegt Flora met bevende stem; en terwijl een trek van bittere ironie hare lippen plooit, voegt zij erbij:,alsook voor den zedelijken steun aan onzen stand en in 't bijzonder aan mij geschonken.quot;
Baas Burkes die meent dat de poerparleequot; weer begint, trekt zich nu nogmaals bescheiden terug, en zegt:
âG'enavond mijnheer en juffrouw.quot;
Archibald, in zulke gansch ongewone omstandigheden: gegriefd en vernederd; met achting en medelijden voor het schoone meisje, en met wrevel tegen zich zeiven vervuld, hij zou op dit oogenblik dien baas met zijn âg'enavond mijnheer en juffrouwquot; den neus, dien hij straks zoo ellendig ten onpas om den hoek van de deur heeft gestoken, wel eens plat willen slaan. ââ Deze, nog sterk naar de kostschool riekende neiging, moest echter aanstonds plaats maken voor zijn beter verstand. Ter wille van die bekoorlijke actrice, dient hij den man voor zich te winnen en zich van zijn stilzwijgendheid te verzekeren.
âIk heb u niets meer te zeggen juffrouw,quot; zegt hij snel. En dan roepende: ,Wacht baas, ik ga mee!quot; En opnieuw zeer gemarkeerd tot Reene, in de hoop dat Burkes van die woorden nota zal nemen: âDat ik even hier kwam, het was om u te zeggen hoezeer ik uw kunstig spel heb bewonderd. Neem het niet kwalijk als mijn laat bezoek wat onbescheiden is geweest: Vaarwel juffrouw Reene; als ik u morgen niet meer mocht zien, dan wensch ik u verder een goede reis!quot;
Werktuiglijk heeft Mora haar kleine hand aan Archibald ten afscheid gegeven. â Nu ziet ze hem met den tuinbaas vertrekken. Het komt haar echter voor dat hij, alvorens geheel te verdwijnen, nog even omziende, een oogenblik bij de deur heeft gestaan met een uitdrukking van innigste smart op zijn mannelijk schoon gelaat.
En â toen heeft het weer eensklaps gesuisd en geruischt in Flora's hoofd. Zooals een paar uren geleden, na het ongeval op den straatweg, werd het haar ook nu alsof haar alles voor de oogen dooreen woelde en te zamen smolt; en ofschoon zij straks nog de kracht had om aan den achtergebleven brief een postcriptum toe te voegen, tante Lindeman zou zeker niet vermoeden dat die laatste regelen nog met zulk een overgroote inspanning door haar lieve Floortje geschreven zijn.
95
TOONEELSPELEES.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE TONG.
Baas Burkes is een bijzonder goedaardig man; en het allerminst is hij tegen de woordenrijkheid van zijn wederhelft opgewassen, 'tgeen straks reeds gebleken is, toen juffrouw Barbara Burkes zich over die âtooneelraamzellenquot; zoo bijzonder vriendelijk heeft uitgelaten, en de voor Rosa Brons onhoorbare adviezen van Janus telkens zoo kernachtig heeft weerlegd. Maar toch. Janus heeft zyn verstand wel: Dat iemand bijvoorbeeld door oen gesloten deur, zonder sleutel, in de oranjerie en in het tuinmanshuis zou gekomen zijn, dat verklaart hij in stilte voor onmogelijk. Aan de gebroken ruit heeft hij nog niet gedacht, en hij bespiegelt dus dat de jongeheer, toen alles nog open was, van de occasie zal hebben gebruik gemaakt. âJawel, jawel,quot; zegt Baas Burkes gedurig omdat hij den jongeheer niet wil tegenspreken.
âZieje baas,'' herneemt Archibald, terwijl hij met hem door de oranjerie gaat â omdat de baas, die óók een gaanderij-sleutel heeft, hem die deur licht eventjes kan openmaken: âjij, die van bloemen en mooie kleuren houdt, jij zult dat begrijpen; ik was door het spel van die juffrouw zoo opgetogen dat ik haar volstrekt nog eens zien moest.quot;
,Jawel, dat begrijp ik,quot; zegt Janus.
âNietwaar, zooals jij ook allicht nog eens een mooie bloem gaat bekijken, zoo moest ik die juffrouw nog eens mijn compliment gaan maken. Zulke menschen hooren dat graag. Is het dwaas'? Waarachtig niet. Of het noodig was? Niemendal. Maar jij bijvoorbeeld, je hebt soms zoo'n drang nietwaar, om tegen Nero tien, twintigmaal beste hond enjungske, te zeggen, 't Is niet noodzakelijk maar, nietwaar, zoo'n behoefte zoo'n ...quot;
âJawel, zoo'n neiging jongeheer.quot;
âJuist baas, en het deed haar ontzettend veel plezier. Die menschen hebben zoo weinig voldoening van hun werk; begrijp je? Ze vond het allemachtig aardig dat ik nog eens kwam....quot;
âJa, wat dat betreft, dat wil ik wel gelooven,quot; zegt Burkes terwijl hij zichzelf in het halfdonker een knipoogje geeft.
96
TOONEELSPELEKS.
âJij begrijpt dat, baas.quot; enfin, omdat jij ook gevoel en smaak hebt. Maar weet je wat zoo ellendig is?quot;
âEllendig, jongeheer?quot;
âDat de eerste de beste, die van jou zal hooren dat ik die juffrouw nog even goede reis heb gewenscht, een scheef gezicht zal zetten; alsof daar iets kwaads in stak!quot;
Burkes maakte weer een knipoogje in 't half donker.
âDaarom moet je me één plezier doen. Burkes,quot; vervolgt Archi-st bald: âen van mijn bezoek maar liever aan niemand iets zeggen,
n, en vooral niet aan je vrouw.quot;
:h Burkes blijft staan; neemt de vrijpostigheid om den zoon van zijn
e- heer even de hand op den arm te leggen, en zegt dan zacht, wijs-
il- geerig:
jn âHoor eens jongeheer, wat je doet en wat je laat in de wereld.
a- dat moet je, precies als ieder mensch, voor je zelf en voor den
n almachtigen God kunnen verantwoorden. Als ik iemand die jong is â
â n zoo van uwe consternatie â blameeren zou om zoo'n drang of zoo'n
3- neiging, dan zou ik onrezenabel handelen, hoewel ik moet zeggen
k dat een kattestaart geen anjer waard is. Maar toch jongeheer, als
n ik vorstvreezig ben, en vuur aanleg, dan doe ik het in de kachel
en niet op een plaats waar er gevaar van brand zou komen. Daarom Ie zie-je, spreek ik met Bartje nooit over dingen, die geen zon kunnen
t, verdragenquot;.
n âMaar ik zweer je baas.... als je tóch meent dat ik....quot;
1 âNeen mijnheer, neen, ik meen niemendal, want m e e n e n is knop,
s en weten is vrucht. Neen ik zeg altijd dat zoet en zuur uit een
druif is te halen, en bitter zelfs als je de pitjes proeft; daarom spreek ik met Bartje over geen dingen jongeheer, waaruit â zooals t uit de pit van den perzik, nog al heel wat bitter te halen is.quot;
t âIk merk baas, dat je me toch niet gelooft. Dat is onredelijk.
Neen, ik wil niet dat je er van zwijgen zult omdat er werkelijk iets kwaads in schuilt, maar omdat je vrouw bekend staat als een babbeltong, die zich niet zal ontzien om de lasterlijkste. ...quot;
âHei, hola jongeheer! als je zoo begint dan moet ik je zeggen dat je me te na komt. Mijn vrouw is mijn vrouw, zie-je; en als ik zelf zeg dat ze nog al vrijgevig in d'r spraak is, dan zeg ik ook dat ze heel best de rijpe van de onrijpe vrucht weet te cnderschei-den, wat niet iedermans werk is omdat de vruchten, net als de menschen, altijd den mooien kant naar je toekeeren. Met God en met eere jongeheer, zijn we bijna acht en twintig jaren gehuwd, en achttien er van op Den Driellaert geweest, maar zóó iets, zieje, III. 7
97
T00NEELSPELEB3.
'zóó iets, dat is me nog nooit gezegd, en als hot niet uit respect voor je familie was, jongeheer Archibald, dan zou ik zeggen, dat je onpasselyk bent, heel onpasselijkquot; â de goede baas meende natuurlijk dat Archibald zich ongepast had uitgelaten â âja ik zeg je, onpasselijk, en dat Barbara gelijk heeft: Zulk vrouwvolk is voor jou geen spul om mee om te gaan, mijnheer Archibald. Met allen eerbied, je komt pas kijken in de wereld en daarom____quot;
âMan, zoo'n onbeschoftheid! Je maakt me woedend.quot;
âDat moet je niet worden mijnheer. Ik word het ook niet aldat je me in m'n hart hebt gegrepen; maar dit zeg ik nóg eens, dat mijn vrouw gelijk heeft: Wat zich blanket, zeit ze, verbergt zich het aangezicht. Ja, dat staat in den almanak; en dat doen ze. â En in de Spreuken staat geschreven: quot;Wacht u voor de vreemde vrouw, die den leidsman harer jonkheid verlaat en het verbond haars Gods vergeet, en hare voeten dalen naar den dood, en hare....quot;
âBaas Burkes, je raast!quot; roept Archibald met verontwaardiging: âal was er bij mij ook een minder edele bedoeling geweest, zoo waar als ik nooit liegen zal, zoo waar is dat meisje â die dame verstaje, te braaf en te rein dan dat jij haar nog eens met je onheilig spreukengebroed zult vergelijken. Als je gezien hadt hoe mijn komst haar ontstellen deed, en als je gehoord hadt met welke woorden ze mij verzocht om heen te gaan, dan zou je wijzer praten. Maar je bent een sul, baas; je zit onder de plak van je schreeuwerig wijf; je ... quot;
âWel Heer in den hemel!quot; roept de baas, en maakt onwillekeurig een zwaai met de hand, waardoor hij een reeds bloeiende camelia van een bloem-rek naar den grond slaat: âWat valt, dat leit!quot; zegt hij als tusschen twee haakjes, en vervolgt dan, ofschoon de uitval toch evenals de bloempot gebroken is: âMoet ik zóó iets vernemen, zóó iets van iemand, dien ik als 't ware uit de kool heb gehaald!quot;
âZwijg!quot; zegt Archibald: âMaak die deur los. Ik zal mijn vader spreken, en hem alles zeggen, alles, begrijp je! Dan zullen we zien of jij je op die manier zult uitlaten over dames, die mijn vader zelf in zijn huis logeert, en of het mogelijk is dat jij hier tuinman blijft als je mij zoo behandelen durft. Doe die deur open. Hoor je niet, vrouwenlasteraar.!quot;
Baas Burkes kende zich zeiven niet meer. Goede hemel, in zóó'n vreemde maling van niet te weerleggen onverstand en miskenning, van beving en opbruising, van beleedigd eergevoel, en hjj weet zelf niet wat, is hij nog nooit geweest.
98
TOOKEELSPELERS.
âNeen, die deur doe ik niet open. Ik bon goed, doodgoed, maar jij die een oud man zóó modeliseert en m'n eigen vrouw te schande maakt, ik zeg neen, neen jongeheer, kruip jij d'r uit zooals je er in bent gekomen, maar de baas geeft den sleutel niet.quot;
âDat zullen we zien!quot; roept Archibald, en terzelfder tijd rukt hij behendig den sleutel uit Burkes' hand. De tuinman, op dezen aanval in 't geheel niet bedacht, heeft â eenigszins schuin staande, dewijl hij vreesde een paar bigonia's te zullen beschadigen â het evenwicht verloren, en is met de rechterzij zoo kras tegen een op schragen staande bollentafel terecht gekomen, dat de voorste der losliggende planken kantelde, en een aantal hyacinthflesschen aan gruis op den grond slaan.
Juist op het oogenblik dat een magere vrouwenfiguur met een lantaarnlicht boven haar breedtuitige floddermuts, zich aan den kant der tuinmanswoning in de oranjerie vertoont, staat Archibald naast den gevallen Burkes, en zegt, terwijl hij hem helpt opstaan: âGeloof me baas, 't was zóó niet bedoeld. Jij bent altijd een goede kerel geweest. Vergeef me? Zeg, heb je je zeer gedaan?quot;
âJanus, ben jij daar? Janus!quot; roept de vrouw in nachtgewaad, die nu haar licht vooruitbrengt en afsluit met de hand.
Archibald heeft de âtongquot; herkend, waarvan hij daar even op zoo weinig vleiende wijze gesproken heeft. Nu meent hij dat het verstandig wordt de oranjerie maar zoo spoedig mogelijk te verlaten, want met redeneering zal hij 't zeker niet varder brengen. In een oogenblik heeft hij de gaanderij-deur geopend en, ijlings naar buiten springende, werpt hij de deur met zooveel geweld achter zich dicht, dat de sleutel die in het slot bleef, der haastig nader komende Barbara juist voor den voet valt.
't Was al aanstonds te hooren dat de tuinmansvrouw nooit aan haar Janus, voor vroegere diensten aan den lande bewezen, do Militaire Willemsorde zou hebben toegekend: Een poltron; een onverstand zonder nadenken: een konkelaar met den kwajongen in plaats van trouw aan zijn meester, zie-je, dat was hij en niéts anders. Over den camelia zou zij bijna gevallen zijn, en hier, 't was een glasboel en ravassie zonder weerga. Zij wist en begreep nu alles. Toen ze zoo pas bij die kleinste mamzei eens even ging kijken, omdat Janus zoo heel lang uitbleef â Janus had de partij zoo getrokken en je kpndt dus niet weten! toen heeft ze die sikkepetit zoo wit als een raap gezien. Aha, wist ik het niet, heeft ne toen gedacht: Een vuur dat verteert, maar wordt uitge-bluscht: En mijn eigen man helpt het schandaal en gekonkel in
99
TOONEELSPELKKS.
de hand. Gods wet en gebod verachtende; de zeden aanrandende; hier alles bedervende; als een eend naar de pijpen van zoo'n uilskuiken dansende! â âKom, met je gebrokenschotelgezicht;quot; zegt ze nu vinnig, terwijl Burkes de hand in de pijnlijk aangedane zij legt: âAls het uitkomt dat jij het schandaal in de hand hebt gewerkt, dan kon je Den Driellaert wel eens voor 't laatst hebben groen gezien. Je moet het zeggen. Alles. Zoo'n kind! Zoo'n lichtmis! Zoo'n bekladder van ons zuivere tuininanshuis! Ja, zeggen zul je 't. â Neen?! Niet! â Dan zal ik het zeggen. Begrijp je; ver-staje, konkelend wezen? Wou je ons op den ouden dag aan den dijk zien gejaagd? Uitkomen doet het; en ik zal zorgen dat wij er geen scha bij hebben door er te laat mee te komen. Moores zal ik hem leeren, en moores zullen ze leeren, dat zegt je vrouw Barbara!quot;
DERTIENDE HOOFDSTUK.
KRACHT.
Toen de jonge Van Oudenolm de deur achter zich had dichtge-worpen, en weer in de buiten-gaanderij stond, begreep hij al spoedig dat het hem zonder ladder onmogelijk zou zijn om het raampje, waardoor hij straks naar buiten is gekomen, weer in te klimmen.
â 't Is per slot van rekening een mooie geschiedenis, denkt Archibald, om zelf onder den blooten hemel te kunnen slapen als men anderen een nachtverblijf heeft bezorgd.
't Was vinnig koud geworden, en de nauwsluitende duffelschen frac is geen geschikt kleedingstuk om er een winterbivouac mee te houden. Gelukkig ten minste dat het met dien helderen starrenhemel en de sneeuw, vrij licht is. Neen, neen, 'tzou te dwaas wezen om nu, terwijl allen naar bed zijn, nog aan te schellen, en ook om in 't dorp of bij een boer wat dichterbij, een onderkomen te zoeken. Wat zou men wel denken, en al spoedig gaan rondstrooien! Was het niet 't beste misschien, om maar weer bij Burkes aan te kloppen, en dat leelijke wijf met een praatje en een mooie belofte den mond te snoeren. â Bah! zoo iets heeft hij niet ernstig bedoeld. Archi-
100
TOONEELSPELERS.
bald Van Oudenolm zou stilzwijgendheid bedelen, terwijl hij zich niets te verwijten heeft! Maar sapperloot, op welk denkbeeld is hij nu gekomen?
Terwijl hij, niet geheel zonder voordacht, zijn voetstappen in de sneeuw een weinig te effenen zocht, is zijn oog daarginder op dat tweede kleine raam van het tuinmanshuis gevallen. Nog geen kwartier geleden bevond hij zich in het vertrekje achter dat eerste venster, waar hij Flora Reene in al haar waarde mocht leeren kennen. En daarnaast â dat raam iets hooger â daar logeert de andere, de immers zooveel minder beschaafde en zeer zeker zooveel minder talentvolle actrice. Wanneer hij het waagde eens aan dat venster te kloppen, waarschijnlijk zou zij er geen kwaad in zien om hem binnen te laten. Allereerst heeft hij immers toch plan gehad om inzonderheid haar te gaan vaarwel zeggen. Wie weet hoe gaarne zij met hem over de verschillende kunstrichtingen zou praten, terwijl het toch haar waarachtig belang zou zijn, indien hij eens terdege deed uitkomen dat Flora's kunstopvatting----
Maar neen, de hemel beware, op zulk een dolzinnig denkbeeld is hij nog veel minder in ernst gekomen. Nu zeker voor't laatst heeft die blanke schouder hem een poets gespeeld. Hoe kon hij ook inderdaad aan Rosa Brons denken, terwijl het edele kopje van Flora Reene hem met zulk een reine uitdrukking voor den geest staat; hoe kan hij zich een enkel oogenblik door een Rosa voelen aangetrokken, terwijl Louise hem telkens zoo liefdevol toeknikt en vragend aanziet, en â het denkbeeld nu hoe langer hoe meer bij hem veld wint, dat het van den aanvang af aan het doel dier oudste actrice is geweest om den rijken bankierszoon in haar net te strikken, waartoe zij nabij het hek een comedie heeft gespeeld zóó natuurlijk, dat de markiezin De Bellanova er een les aan had kunnen nemen.
Intusschen begint Archibald, in weerwil van zijn jeugd en krachtig gestel, den invloed van den kouden nacht terdege te ondervinden, terwijl een zonderling wee gevoel zich tevens van hem meester maakt.
â 't Is toch een vreemde vertooning: terwijl zelfs de minste arbeider van Den Driellaert warm en wel onder de dekens ligt, staat de zoon van het huis hier onder den blooten hemel. â Eigen verkiezing. Welzeker, eigen verkiezing! Een geweldig geeuwen doet Archibald nog duidelijker inzien dat hij toch onmogelijk tot morgen in de sneeuw kan blijven rondloopen. 't Is nog geen halftwee, en vóór halfzeven zijn de dienstboden om dezen tijd van het jaar slechts zelden present. De knechts op te roepen is onmogelijk, want ze heb-
101
TOONEELSPELEKS.
ben hun kamertjes in het koetshuis, schuin tegenover de vensters van zijns vaders slaapkamer.
Daar krijgt hij een inval:
Steeds door de hooge sneeuw wadende â want de wandelpaden van Den Driellaert zijn nog ongerept â nadert Archibald straks aan 't eind van een beukenlaan, een hoogen steenen koepel. Het onderste gedeelte er van is een soort van open mossenhuis of portiek, met een bank in het ronde. In het midden van die benedenverdieping is de mossendeur, waarachter zich de kleine ruimte bevindt, die plaats geeft aan de trap naar de bel étage.
De sleutel hangt op de gewone plaats tusschen 'tmos. Terwijl Archibald hem van den haak uit die kleine holte neemt, is 't hem als werd hij plotseling in den zomer verplaatst â wanneer de perzikken aan de schutting rijpen. Alsof hij een perzik geplukt had, zoo kwam hem 't water op de lippen.
Nu Archibald de mossendeur heeft geopend, komt hem uit die sinds lang niet ontsloten ruimte een kelderachtige lucht te gemoet. Doch, 't is hier aanmerkelijk warmer dan buiten, en 't geeft Archibald bovendien een streelend gevoel zich nu toch, zonder iemands hulp, onder dak te bevinden.
I Ofschoon het hier zeer donker is, zoo vindt hij de trapleuning terstond op den tast. Nu staat hij een oogenblik stil. Hij heeft duidelijk een zacht knoerpend geluid vernomen. â Nu hoort hij 't niet meer. Waarschijnlijk is dat geluid het gevolg geweest van de beweging, die hij zelf in den lang gesloten koepel heeft gebracht. Hoor maar, ook bij iederen tred kraakt de trap geweldig.
| Nu is hij boven. Gelukkig is hier de deur zooals des zomers, ongesloten. Bij het binnentreden vindt Archibald, tastende naar een der wit-vergulde stoelen langs den achthoekigen wand, al spoedig een fauteuil, waarin hij aanstonds neervalt.
Nochtans de totale duisternis, waarin hij zich hier bevindt, is hem niet aangenaam. Zoo spoedig mogelijk worden nu een paar blinden door hem geopend.
Ziezoo, nu er wat licht is, kan hij 't zich wat gemakkelijker maken. De stoelkussens, die 's winters in de muurkast zijn geborgen, zullen uitmuntend dienst doen. Hola, de hoog opeengestapelde kussens vallen hem, bij 't nemen uit de hooge kast, al voor een deel over 't hoofd.
â Mij dunkt, denkt Archibald, terwijl hij opnieuw door een vreeselijke geeuwbui wordt overvallen, en de bolle kussens met gebloemde saumonkleurige overtrekken, hem gedurig aan groote
102
TOOSEELSPELEES.
mikken en reusachtige zalmmooten herinneren: mij dunkt dat ik 't bewijs heb geleverd mijzelven zonder de hulp van anderen te kunnen redden. Er zijn krachtigen en zwakken in de wereld, afhankelijken en beschermers. Tot de laatsten behoor ik.... en ik zal.... Ai! â De kaak deed hem letterlijk zeer, zoo geweldig en langdurig als hij daar geeuwen moest. En terzelfder tijd komen hem allerlei tafereelen voor den geest: Nog eens ziet hij â zooals hij ze straks reeds vluchtig zag â de heerlijke sappige perzikken aan de schutting. Louise plukt er een; met haar kleine handjes doet ze er da wollige schil af. 't Sap loopt er uit. Ze reikt hem den perzik toe, en 't gezicht alleen toovert hem het water op de lippen. â Nu ziet hij Louise eensklaps aan tafel. Willem presenteert haar fazant. â Zou ze dat grootste stuk nemen? Zij mag het doen. Als een ander, wie ook, het deed, dan zou hij den schotel onder Willems handen wegrukken. Maar zij, zij mag het nemen. Neen, zij neemt het kleinste, het allerkleinste. Waarom? Omdat ze weet dat hij zoo'n honger heeft. En zie, ze stopt hem alles toe. Ze wil hem haar schildpadsoep geven; ze wenkt Willem dat hij hem 't eerst dat gebraden rundvleesch met de doperwtjes zal presenteeren. Immers, zij ziet dat hij in staat is om het alles, alles te gelijk naar zich toe te halen. â Engel! Zij zal er toch van meehebben; ja, zij, maar de anderen moeten toezien, altemaal toezien; Rosa Brons, Flora, altemaal!
Archibald weet niet wat er gebeurt. Terwijl hij nu, starende naar de deur, in zijn verbeelding Louise met een kop bouillon en een trommel beschuit ziet naderen, bemerkt hij dat werkelijk de deur wordt geopend.
âWie is daar?quot;
âEn ik vraag wie jij bent?quot; klinkt het antwoord van een haveloos gekleed persoon, wiens gelaat, ten deele onder ongekamde haren en een ruigen baard verscholen, voor den jongen Van Ouden-olm, bij het zwakke licht in den koepel, evenmin te onderscheiden is, als het zijne, voor dien man bij de deur.
âKerel wat wil je?quot; roept Archibald, terwijl hij opspringt en een schrede vooruitkomt.
âWat ik wil? Ik wil weten wat jij hier uitvoert? Als je verkeerde plans hebt dan moet je 't maar zeggen. Ben je een zoon van Hein den strooper misschien?quot;
Archibald gevoelt zich zóó zonderling te moede, dat het hem later niet mogelijk zal zijn er een juiste beschrijving van te geven. De komst van den vreemde heeft hem doen ontstellen, doch be-
103
TOONEELSPELEKS.
vreesd is hij niemendal. Hij gevoelt zich zoo machteloos, zoo wonderlijk flauw, en toch bezit hij de kracht om dien onbescheiden indringer terstond naar beneden te werpen. Hij walgt van dien havelooze, en de vraag of hij een zoon van rooden Hein is, doet hem de vuist ballen, terwijl toch het woord strooper reeds voldoende is, om hem een gebraden patrijs voor oogen te tooveren waarvan de geur hem doet watertanden.
âZul je antwoorden?quot; herneemt de man op gedempten ioon ofschoon wat luider: âAls jij gekomen bent om den koepel te bestelen, dan heb je misgerekend. Er uit zeg ik je!quot;
Archibald kan geen antwoord geven; de tanden klapperen hem geweldig.
âEi, je bent bang, inbreker!quot; zegt de man nog luider; âMarsch! of je zult een pijp met me rooken. Er uit, en gezwind, of ik breek je den hals!quot;
â Bang! Halsbreken! Pijp rooken; damp, nevel. .. Archibald weet niet meer wat die man tot hem zegt. Hij voelt zich bij den arm pakken. Wat hij zelf spreekt of doet, dat weet hij evenmin. Maar nu, hoor, daar klinkt een woord, dat hem treft als de reuk van het heerlijkst gebraad:
âHonger?quot;
âJ----a, hon----ger----quot;
Een oogenblik later zit Archibald op zijn bed van stoelkussens. Het klamme zweet, 'twelk hem gedurig is uitgebroken, strijkt hij weg van het voorhoofd. Hij hoort het knappen zijner kaken, en weer de stem van dien vreemde:
âDat smaakt hé? Wil je nog meer? Je treft het dat ik juist gisteravond een klein roggetje kon inslaan, 't Gebeurt dikwijls genoeg dat ik zonder zulk gezelschap mijn nachtlogies moet betrekken. Pak-aan, bier heb je nog een snee van stavast. Ik zal maar denken dat je Knor bent; de goeje lobbes is al zes jaren dood, maar als ik zei: Does op, mooi! dan pakte hij zoo'n heele snee in z'n bek, en in een minuut was er geen kruimel van over. â Dat smaakt je nietwaar?quot;
't Was niet noodig dat het antwoord gegeven werd. Iets later staat de havelooze man, die inmiddels zijn roggebrood weer in een soort van linnen knapzak heeft geborgen, op een paar schreden af-stands van Archibald. Sterker dan hij den jonkman straks bij zijn onverwachte komst deed ontstellen, is hij zelf geschrikt bij het vernemen wie het was, dien hij zijn brood heeft gegeven.
âZoo waar als er een God leeft mijnheer, ik zoek een andermans
104
TOONEBLSPELERS.
nadeel niet;quot; zegt de man nu met eenigszins bevend geluid; âZe denken dat Lange Dirk niet te vertrouwen is, omdat die verwenschte drank hem eens zich zelf deed vergeten, en hij er drie jaren voor boeten moest; en ja, ze koopen mijn muizenvallen en pijpedoppen, en geven Dirk soms een schotel aardappels mee, maar een nachtverblijf, dat geven ze hem niet licht.... Alsof ik een dief of een moordenaar was! Zie-je mijnheer,quot; besloot de man: âal vier jaren loop ik nu met m'n koopwaar door 't land, en als ik in dezen omtrek kom, dan neem ik vooral bij winterdag, de vrijheid om door het luchtgat naast de achterruimte van den koepel er in te klimmen. De tuinlui hebben daar een grooten hoop mos in voorraad geborgen, en dan denk ik: als zoo'n koepel eens een enkelen keer voor wat anders dan plezier dient, dat zal den eigenaar niet schaden. Als je vraagt of ik weet waar het theeservies met de trommeltjes en de andere snuisterijen staan, dan zeg ik ja, en dat die kussens met paardenhaar zijn gevuld, dat kun je wel voelen; maar zoo waarachtig als ik niets verwensch op Gods wereld als den ellendigen drank, zoo waarachtig zal Lange Dirk geen spijker nemen, die hem niet toekomtquot;
Toen Archibald den volgenden morgen eerst vrij laat op zijn eigen leger ontwaakte, toen had hij slechts een verwarde voorstelling van 't geen er, na zijn afscheidsbezoek in het tuinmanshuis, is voorgevallen. De arme drommel, die zich met een muffe donkere tusschen-ruimte van een koepel tevreden stelt, terwijl hij zich evengoed den toegang tot de eigenlijke koepelkamer verschaften kou; de havelooze, die wel van ter zij eens anders eigendom binnendringt â want immers bij den ingang is geen voetstap gezien â maar tevens, verre van zich iets meer dan een ligplaats toe te eigenen, het erf van den onbekenden gastheer met kracht tegen inbraak en roof zal beschermen, de arme muizenvallen-verkooper, die hem met zijn roggebrood voor een flauwte of misschien voor erger heeft bewaard, die man, ofschoon hij Archibald bij 't ontwaken allereerst als een droomverschijning in de gedachte is gekomen, hij staat hem schier terzelfder tijd als een goede geest voor oogen, als een vriend aan wien hij jf â bij zijn te hoog gevoel van eigen kracht, nog meer dan het gul geschonken brood is verschuldigd, en wien hij bij 't afscheid dan ook vol erkentelijkheid de hand heeft gedrukt, met de belofte dat hij gaarne zijn best zou doen om den eerlijken Dirk een wat gelukkiger levenslot te verzekeren.
Terwijl Archibald straks in de eetkamer, geheel alleen zijn ont bijt nuttigt â want zijn vader en grootmoeder, die hij nog niet heeft
105
TOONEELSPELERS.
gezien, ze hadden reeds lang ontbeten â staat hij verbaasd zooveel als er gebeurd is â of liever zooveel andere denkbeelden als hem vervullen, sedert hij nog gistermiddag aan 't diner zat, nagenoeg op deze zelfde plaats, naast Louise, en tegenover de groote pendule met het beeld van Atlas die den hemelbol torst.
â Ja dat is het zinnebeeld! denkt Archibald, terwijl hij in weerwil van zijn hoogere gedachtenvlucht, toch met den meesten smaak zijn brood met rookvleesoh en beschuiten met kaas gebruikt: zeker, dat mag voor een deel het zinnebeeld wezen. De drager van den hemel! De Steunpilaar van al wat schoon en goed is. Maar toch, â geen overm oed!
Neen, de armsten en ellendigsten zijn soms de schragers van onze kracht. â Vergeten zal hij het nooit hoe het brood van den armen Dirk hem gesmaakt en versterkt heeft.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
IN 'l VERHOOR. â
Er werd op de deur geklopt.
âBinnen!quot; roept Archibald.
âJongeheer, als u gedaan had of u dan eens bij mijnheer op 't kantoor woudt komen?quot;
âIs papa niet naar stad?quot;
âNeen jongeheer.quot;
âZeg dat ik komen zal.quot;
't Viel Archibald niet mee dat zijn vader ook heden het kantoor aan de zorg van zijn compagnon heeft overgelateu.
Intusschen, mijnheer Van Oudenolm heeft er zijn goede redenen voor. Zou het welzijn van zijn eenigen zoon hem niet boven al do schatten der wereld gaan?
Toen Archibald het smaakvol gemeubileerd vertrek binnentrad, pookte zijn vader den haard op. Even omziende beantwoordt Van Oudenolm vluchtig den morgengroet van zijn zoon, en vindt dat Archibald bleek ziet.
Archibald is den haard genaderd; en steekt zijn vader de hand toe.
106
TOONEELSPELERS.
âIk dacht dat u naar stad waart, papa.quot;
Van Oudenolm schijnt de toegereikte hand niet te zien; althans hij blijft met het vuur bezig; voorziet het van nieuwe brandstof, en zegt eindelijk:
âIk kon niet naar stad gaan omdat ik hier zaken heb die van grooter belang zijn.quot;
âGrootma is toch wel?quot; vraagt Archibald haastig.
âAls de goede vrouw wist wat ik weet Archi, dan zou ze diep, diep ongelukkig zijn.quot;
, Hoezoo?quot;
Van Oudenolm ziet nu op; vestigt een scherpen blik op zijn zoon, en zegt:
âIk geloof dat jij slecht hebt geslapen Archibald. Je ziet bleek. Ga daar zitten.quot;
âAls u quot;t goedvindt dan zal ik liever blijven staan.quot;
âIk wil dat je gaat zitten,quot; zegt Van Oudenolm.
Na een oogenblik aarzelens zet Archibald zich op den aangewezen stoel bij den haard, en zegt dan beleefd, maar toch eenigszins scherp:
,U spreekt op een toon papa, alsof ik een misdaad heb begaan en u mij in 't verhoor wilt nemen.quot;
Mijnheer Van Oudenolm zet zich met den rug in zijn voltaire, en de armen over elkaar slaande, herneemt hij op ernstigen toon:
âWat de een als misdaad beschouwt, dat zal de ander als een jeugdige onbezonnenheid verontschuldigen. Je bent gisteravond, of liever van nacht na je thuiskomst, niet naar bed gegaan.quot;
Archibald heeft het reeds vermoed. Er was een verklikker; en een minder levendige verbeeldingskracht dan de zijne zou voldoende zijn geweest om hem terstond de vrouw van baas Janus vooroogen te brengen. De overtuiging dat zijn ondoordacht afscheidsbezoek bij juffrouw Reene, door Burkes aan diens babbelachtige vrouw is meegedeeld, en door deze reeds aan zijn vader werd overgebracht, treft hem pijnlijk, en 't allermeest omdat de naam van dat reine meisje nu inderdaad reeds aan een scheeve beoordeeling is prijs gegeven.
Zijn vader vierkant in de oogen ziende, zegt hij flink:
âOmdat het mij geweldig hinderde, zooals die dames hier gelogeerd waren, nam ik 't besluit haar dit gaan zeggen.quot;
â't Zou zeker gemakkelijker voor je geweest zijn, indien grootma de logeerkamer had gegeven; natuurlijk!quot;
âGemakkelijker! Ik weet niet wat u bedoelt?quot;
âDat weet je wel Archibald. Gesteld zelfs dat er niet gebeurd was 't geen ik vernemen moest, dan nog zou je 't begrijpen. Je
1Ã7
Tooneelspeleks.
bent geen kind meer Archibald; ik spreek tot een zoon, die het vertrouwen van zijn vader schandelijk misbruikte, en wiens slecht gedrag hem diep heeft geschokt.quot;
Ofschoon Archibalds gelaat bij de woorden: âJe bent geen kind meer,quot; zichtbaar verhelderde, zoo hebben zijns vaders laatste woorden hem sterk getroffen.
âIk begrijp toch niet wat u zeggen wilt,quot; herneemt hij snel.
.Mij dunkt dat het vrij duidelijk is. Zelfs tegenover een paar actrices heb ik de eer van mijn zoon willen ophouden; jij Archibald, jij hebt de eer van mijn huis schandelijk met voeten getreden.quot;
Archibald heeft het gevreesd:
âDe eer van uw huis! Steekt er dan zooveel kwaad in dat ik met de beste bedoelingen----quot;
âLieg niet Archibald,quot; herneemt Van Oudenolm, terwijl hij zijn zoon met een strengen blik het zwijgen gebiedt: â't Zou wel de grootste dwaasheid zijn geweest, om alleen ter wille van een gansch onnoodige plichtpleging, in den nacht en op zulk een vreemde wijze, je vaders huis te verlaten. Neen, je bedoeling was niet edel, niet rein.quot;
Archibalds hooggewelfd voorhoofd is vuurrood geworden. Kan en moet hij dan alles openbaren wat er in zijn binnenste is omgegaan? Is hij verantwoordelijk voor gedachten, die opkomen als de golven der zee? Is men dan werkelijk slecht en onrein, indien men getroffen door jeugd of schoonheid, door een zuiver begrip van kunst nog het meest, zich met een onweerstaanbare macht voelt geboeid, en het bloed dan sneller door de aderen stroomt?
âNeen vader, slechte bedoelingen had ik niet; maar die oudste actrice....quot;
âIk heb het aanstonds vermoed. Dat jij die uitnoodiging deedt, 't was haar bedrijf, ofschoon ze niet heeft voorzien dat de domme goudvisch door een ander zou worden gevangen.quot;
âVader!quot;
âJa, dom ben je; zeer dom; maar ik was het ook. Je grootmoeders raad was de beste. Ik had met die reis naar stad de mogelijkheid moeten voorzien van 't geen er gebeurd is. Ik weet alles. Door die zoogenaamde liefde tot de kunst verlokt, heb je in stad, achter de coulissen, al aanstonds een verkeerde rol gespeeld. Ja, men heeft gezien dat een dier dames je zelfs schaamteloos van het tooneel heeft toegelonkt.quot;
âGelonkt! â Bij God, dat heeft.... dat heeft Arie u gezegd!quot;
108
TOOKEELSPELEES.
âIk acht de menschen die zonder aanzien des persoons de waarheid spreken, indien ze er naar gevraagd worden.quot;
âMaar ik bezweer u----quot;
âZweer niet. Of is het onwaarheid ook, dat je in 't naar huis gaan voortdurend met de grootste ingenomenheid over die vrouwen hebt gesproken; dat je toen gezegd hebt, ze al spoedig te zullen weerzien; en dat men haar stukken zou zien vertoonen, waarbij het stuk van dien avond maar prulwerk zou zijn? Het vermoeden dat het ongeluk met die rijtuigen al één van die op te voeren stukken was geweest....quot; Archibald wil zijn vader in de rede vallen, doch Van Oudenolm vervolgt met verheffing: âik zelf heb het aanstonds als onwaar verworpen, ofschoon men meende dat een halfdronken voerman er geen bezwaar in zou zien om zijn vracht voor een goede fooi in den sneeuwwal te zetten. Ik herhaal; dat ik het zelf niet geloof, Archibald. Maar, dat er toch al spoedig een bijzonder kostelijk stuk hier nabij het hek is gespeeld, dat geloof en dat weet ik wel zeker. Val mij niet in de rede: Ternauwernood was ik van morgen opgestaan of de tuinbaas en zijn vrouw lieten mij te spreken vragen. Zij kwamen al spoedig tot het hoofddoel van hun bezoek. Zooals ze zeiden, waren zij aan mijn weldaden verplicht, om mij te waarschuwen; let wel: te waarschuwen voor het slechte gedrag van mijn zoon.
âDacht ik het niet! Die satansche lastertong!quot; stuift Archibald op.
Van Oudenolm wenscht dat Archibald zijn drift zal beteugelen. Al mocht de vrouw van den tuinman soms ook wat sterk in haar uitdrukkingen en wat scherp in haar oordeel zijn â hetgeen de eerlijke zachtmoedige Burkes mede als waarheid had erkend, 't was zeker ernstig genoeg.
Terwijl Van Oudenolm verder sprak, had Archibald gedurig de grootste moeite om zich bedaard te houden. Waarheid en logen; werkelijke beweegredenen en scheeve gevolgtrekkingen, ze waren zoo dooreengehaspeld, dat het kluwen bijna niet te ontwarren was. De reeds vroeger door den tuinman zelf gebroken ruit, waardoor Archibald in de oranjerie was gekomen, had juffrouw Barbara onder andere maar aanstonds op rekening van mijnheer Asjebal gesteld. Natuurlijk, had ze bij zich zelve gezegd, omdat de breuk door hem zooveel grooter is geworden, en â 't was dan meteen den dader gevonden. Burkes, die na het gebeurde zeer ontstemd, aan Barbara gezegd had dat hij den jongeheer later bij 't heengaan âeventjes hand in handquot; met die jongste tooneeljuffrouw heeft gezien. Burkes is niet bij machte geweest om een speld tusschen de woorden van
109
110 TOOND-LSPELEKS.
zijn vrouw te steken, ofschoon zij dat ,eventjes hand in handquot; inet een: âakelig hals aan halsquot; had overgebracht. Zoodra de tuinbaas in de gerachtigheid iets verbeteren wilde, had de vrouw van âvergoelijkenquot; gesproken, en beweerd, dat mijnheer en ook de jongeheer daar niet mee gebaat zouden zijn. Beter was het om maar flink te zeggen wat er gebeurd was, nietwaar? Nu, toen die mamzei er dan geen eind aan wou maken, toen had Burkes den jongeheer zonder viezevazen naar buiten gejaagd, waartegen de jongeheer zoodanig in verzet was gekomen, dat hij in de oranjerie, behalve een mooie camelia nog wel veertien hyacinthflesschen tegen den grond had gesmeten, terwijl hij eindelijk haar goeden man zoodanig was te lijf gegaan dat Janus, hier, tegen de linkerzij, bijna voor dood op de steenen was neergesmakt.
âMoord en doodslag zou er hebben plaats gegrepen,quot; heeft juffrouw Burkes verder geraasd, âindien ik niet was toegeschoten. Jongeheer, heb ik eindelijk gezegd: als jij een fatsoenlijke tuinmanswoning tot een huis âvan vermaakquot; wilt verneutraliseeren, dan doe je ons niet alleen schande, ik zeg groote schande aan, omdat we fatsoenlijke menschen zijn jongeheer; maar ook je heele familie waar ik respect voor heb. Ja jongeheer, die eigen familie zou het ons met bloed en tranen verwijten, als we gezwegen hadden, en jij in het laatste oordeel voor Gods rechterlijken troon onmondig te verschijnen hadt. Zieje, mijnheer Van Oudenolm,quot; waren Barbara's laatste woorden geweest, terwijl ze daarmee nog duidelijker de grief uitsprak, die haar in hoofdzaak tot de aanklacht had gedreven: âIk zeg maar dat een tuinmansgedoei zoowel als een heerenwoning een tabernakel is, en dat de vrouwenslang â- de duivel van den beginne â zoomin onder het eene dak als onder het andere past.quot;
Nadat de Burkessen waren vertrokken; â de baas met den schuchter geuiten wensch, dat mijnheer er nu voorts maar van zwijgen zou, en alleen een oogje openhouden opdat het in 't vervolg niet meer gebeuren kon, â na dat vertrek heeft Van Oudenolm aanstonds Arie bij zich ontboden.
Tot het spreken der waarheid gedrongen, heaft de koetsier, hoewel met de meeste verschooning, alles gezegd wat hij wist, en inzonderheid meegedeeld 't geen hij van den figurant had vernomen. Ofschoon het Arie's bedoeling is geweest om den jongeheer zooveel mogelijk vrij te pleiten, toen hij de inlichtingen van den figurant omtrent dames actrices in 't algemeen en van juifrouw Rosa Brons in 't bijzonder, zoo sterk mogelijk heeft teruggegeven, zoo kon Van Oudenolm er toch slechts de bevestiging in vinden van hetgeen hem
TOONEELSPELERS.
door de Burkessen was meegedeeld. De vrouwen, die hij ter kwader ure herbergzaamheid had verleend, moesten ongetwijfeld intrigantes van de ergste soort zijn geweest. Met haar voorgewende ongesteldheden, hebhen zij haar doel zoeken te bereiken, âwantquot;, had Arie, uit naam van den vriend-figurant er bij gevoegd: ,'t waren maar fratsen mijnheer. Ze deden het allebei, de groote zoowel als de kleinste om mijnheer Archibald te verlokken, en och, ik zeg als je dan jong bent van jaren, dan is een mensch z'n eigen niet meer.quot;
Natuurlijk heeft Van Oudenolm van de ingewonnen berichten slechts zooveel aan Archibald meegedeeld als hij gepast en noodig achtte; doch wat hij gezegd heeft, 't was voor den prikkelbaren bewonderaar van Flora Reene reeds meer dan genoeg, en 't is hem niet mogelijk om rustig tegenover zijn vader te blijven zitten, nu deze ten slotte de grove verdenking herhaalt, en op zeer gevoeligen toon er nog bijvoegt: âJa, hier is meer, veel meer dan een jeugdige onbezonnenheid Archibald, hier is misbruik van vertrouwen. Juist op het oogenblik dat je in onze zaak op 't kantoor zoudt komen, breng je je eigen naam en dien van je familie in opspraak; tot loon voor je vaders te groote inschikkelijkheid, zet je â en nog wel in de ouderlijke woning, schaamteloos de eerste schreden op het pad der zonde, om, als dupe van een paar lichtzinnige vrouwen, misschien voor je heele leven ellendig te worden.quot;
Archibald bijt zich bij 't haastig heen en weer loopen de lippen
in bloed. Nu staat hij stil. Hij wil spreken----Maar neen, 'tis hem
niet mogelijk. Hij kan niet zeggen wat hem brandt op de tong. Neen, hij zal zijn vader geen grofheid naar 't hoofd werpen. Hij wendt zich af; klemt de tanden opeen; maar dan, dan keert hij zich ook snel tot den vader om, en zegt met moeielijk uitgestooten woorden:
âPapa, U weet hoe ik u liefheb, maar om Godswil, spreek op dien toon niet langer over een artiste als juffrouw Reene.... Dat â dat kan ik niet verdragen!quot;
Nu Archibald zwijgt, en daar bevend staat, ziet Van Oudenolm hem zonder te spreken lang en veelbeteekenend aan. Archibalds woorden hebben hem getroffen. Niet zich zelf trachtte hij te rechtvaardigen, maar met al den gloed eener jeugdige vereering, verdedigt hij â ofschoon meer door zijn houding en stem dan door de gesproken woorden, het meisje â wier âonzalige omhelzingenquot; juffrouw Burkes in 't einde verklaard had, zelve te hebben gezien, en bij de kronkelingen der slang heeft vergeleken. Van Oudenolm houdt zich op dat oogenblik zoogoed als overtuigd, dat de grove beschuldiging geheel ongegrond is, maar nochtans, dat wel degelijk
Ill
TOONEEI-S TELERS.
een meer dan gewone vereering Archibald naar het tuinmanshuis ' ka
heeft gedreven, en dat de zucht om âdie zeer talentvolle artistequot; ko
nog een afscheidsgroet te brengen, toch een geheimen, en voor 't no vervolg meer gevaarlijken factor dan kunstwaardeering heeft gehad.
Indien het werkelijk âeen soort van liefdequot; is, dan moet die aan- tr(
stonds krachtig doch met verstand worden bestreden. Van Ouden- zij
olm staat op; steekt zijn zoon de hand toe, en zegt met zichtbare kl ontroering:
âJe hebt het oog van je lieve overledene moeder. Ik geloof niet al
dat er ooit een onwaarheid over hare lippen is gekomen. Archi, 't sli
is alsof die onvergetelijke me zegt, dat ik je gelooven moet. Je be- glt;
doelingen waren niet slecht.quot; to
Archibalds oog glinstert op, en hij drukt met vuur de hand, die hem was toegereikt.
âMaar onverstandig en lichtzinnig blijft je handeling zeker; en ki
de gevolgen van het schenden van mijn goed vertrouwen zullen B niet uitblijven. De babbelzucht vindt altijd gretige ooren, en ofschoon
't mij licht zal vallen om de tong van vrouw Burkes in toom te bi
houden, zoo ben ik er zeker van dat het avontuur der actrices op 11
Den Driellaert â zij het dan niet door beider toedoen â t(
toch op een voor haar hoogst vereerende wijze, maar in 't nadeel d van mijn eenigen jongen zal geëxploiteerd worden. Die exploitatie
moet in jou belang met verstand worden tegengegaan, en wil je g
goedmaken Archibald, wat je door bet schenden van mijn vertrou- z wen hebt misdreven....quot;
âJa, ja zeker!quot; zegt Achibald snel. i'
âWil je bovendien dat je grootmoeder onkundig van je ondoor- v dachte daad zal blijven, terwijl de waardige vrouw toch al met
moeite, en alleen omdat ik dat logeeren had goedgekeurd, er too P besluiten kon om van het vroeger voorgevallene niet meer te
spreken....quot; F
âGrootma heeft dus niets vernomen....?quot; z
âNeen, en ik zal al het mogelijke doen om de dierbare vrouw een j
schok te besparen, die haar zeker nadeelig zou zijn. 't Geen ik in r
de gegeven omstandigheden verschoonen kan, 't zou voor haar de ^ bron van een voortdurende kwelling worden. Het uitklimmen van '
ons huis in den nacht, om een actrice te bezoeken! Archibald, mijn I
brave moeder mag het niet weten, en zij zal het niet weten, indien ^ jij slechts beloven wilt....quot;
Op dit oogenblik werd de deur zachtjes geopend en zag mevrouw 1
Van Oudenolm om den hoek der kamerdeur naar binnen. In het zwart 1
y
112
TOONEELSPELERS.
kasimiren capuchon â voor de kou bij haar morgenbezigheden â komt haar edel blank gelaat met de groote zilverwitte haarboucles, nog te voordeeliger uit.
âIk mag wel even binnenkomen?quot; zegt ze, en terwijl ze het vertrek ingetreden, vluchtig omziende, de deur achter zich sluit, voelt zij eensklaps twee armen om haar hals, en drukt haar dierbaar kleinkind haar een zoen op den ernstig geplooiden mond.
âAh zoo, ik wist niet waar je gebleven waart; we hebben je, na al die vermoeienissen van gisteravond, maar eens flink laten uitslapen, maar toen ik in de ontbijtkamer kwam was de vogel alweer gevlogen,quot; zegt de oude dame na de omhelzing welwillend, ofschoon toch met eenigszins afgewend gelaat.
âGrootma, de zoen dien ik u gaf moet veel goedmaken.quot;
âIk was met papa overeengekomen om er niet meer van te spreken. In 't vervolg wat minder overijling â zelfs in 't weldoen. Basta! â Je hadt geen geheimen, August?quot;
âWe waren het juist eens dat uw raad gisteravond werkelijk de beste was, omdat het logeeren in de tuinmanswoning ons niet voor malle praatjes zal vrijwaren; maar, we kwamen toch ook terstond tot de gezonde redeneering, dat wie zich geen kwaad bewust is, de wereld fiks in de oogen kan zien. Nietwaar Archibald?quot;
Van Oudenolm heeft geen bijzonderen nadruk op zijn woorden gelegd, doch de blik, waarmee hij zijn jongen aanziet, doet dezen zeer goed de bedoeling verstaan; en haastig zegt hij:
âAls u beiden mij niet meer toerekent wat geschied is, dan voel ik tegenover niemand ter wereld de geringste schuld, en weet niet voor wien ik de oogen zou moeten neerslaan.quot;
In Archibalds woorden lag zooveel trouw, dat Van Oudenolm geheel gerustgesteld herneemt:
âMaar daarom is het noodig dat we aan hen op wier achting we prijs stellen, de gelegenheid geven om ons in die oogen te zien; en alles vermijden, wat maar van verre voedsel aan dwaze, ja zelfs aan lasterlijke geruchten kan geven. In de eerste plaats moet je zoo spoedig mogelijk op 't kantoor geïnstalleerd en bij onze voornaamste kennissen in stad gepresenteerd worden.quot;
Mevrouw Van Oudenolm, die haar kleinzoon in de laatste oogen-blikken heeft gadegeslagen, ziet zijn gelaat betrekken, nu de vader vervolgt:
âEn in de tweede plaats, zul je ons zeker willen beloven dat je voortaan, ofschoon wij je gaarne je liefhebberijen gunnen, niet meer zult toegeven aan een ziekelijke kunstliefde, en in geen geval, als
III. 8
113
114; TOONEELSPELBBS.
de toekomstige chef van ons geaccrediteerd bankiershuis, connec- n
ties zult onderhouden met menschen die, braaf en goed kunnen blo
zijn, maar â in één woord, wier wereld niet de onze is.quot; die
âIk geloof niet dat ik u goed begrijp,quot; zegt Archibald na een te
oogenblik stilte. I
âPapa heeft andera duidelijk genoeg gesproken, Archibald. Wij te
meenen dat er twee wegen voor je openstaan, die van een edel uiti nuttig burger in de maatschappij te worden, en die waarop je, van
ons vervreemd, een leven zult hebben van ellende en naberouw.quot; hee
âU bedoelt,quot; zegt Archibald kalm: âdat ik niets zal mogen be- 2ie
proeven in 't belang van ons Nederlandsch tooneel?quot; val
âJe kunt dat gerust aan anderen overlaten,quot; herneemt Van w0
Oudenolm; âer zijn altijd acteurs en menschen met tooneel-relaties ij
genoeg, die daar een middel van bestaan in zoeken. Wanneer wij, an{
van ons standpunt, gaan zien wat werkelijk goed en schoon, en Hij
ignoreeren wat slecht is, dan hebben wij het onze gedaan.quot; gel
't Is niet zeker dat Archibald zijns vaders laatste woorden heeft zjjr
gehoord of begrepen. Op den stillen toon van zoo even herneemt hij; iley
âU wilt dat ik het vaste besluit zal nemen, om zelfs nooit meer act
met eenig lid van een tooneelgezelschap te spreken misschien...?quot; me
âArchibald, versta ons goed,quot; herneemt de oude dame: âwij ver- ;s ,
oordeelen niemand; maar geloof me, wat den man niet zal schaden, tjg dat dient men soms aan het kind te onthouden.quot;
Archibald voelt plotseling weder dat sarrend kleinkinder verwijt, fa
terwijl zijn grootmoeder vervolgt: dje
âDe omgang, dien bijvoorbeeld een herder en leeraar zal moeten j0I]
zoeken, dient de jonkman, als hij zijn pad rein wil bewaren, zorg- ]
vuldig te vermijden.quot; j) £
De welgemeende zedenles is voor Archibald verloren gegaan. yj
âOok het kind moet woord houden als hij iets beloofd nietwaar ?quot; ]
zegt hij geprikkeld, en terwijl zijn kloek en mannelijk voorkomen, zo(
nu door den ernat van zijn donker oog wordt verhoogd, laat hij er ter
zachter op volgen: tus
âIk kan u niets beloven, want, als ik het deed dan zou ik een ee,
ander mijn woord moeten breken, en, dat wilt u toch niet.quot; mo
âJe woord breken ? Ik begrijp niet aan wie je iets beloven kondt, ha,
waardoor je ons ongehoorzaam zoudt moeten â worden,quot; zegt Van ' Oudenolm scherp, terwijl zijn blik aan Archibald moet herinneren
dat er meer is geschied dan zijn grootmoeder heeft vernomen. yr(
Ongehoorzaam! Alweder! â Archibald vermant zich, en op sc}
beslisten toon herneemt hij: kif
TOONEELSPELEKS.
âIk heb plechtig beloofd om zooveel 't mij zal mogelijk zijn, deu bloei van ons Nederlandsch tooneel te helpen bevorderen, en artisten die het verdienen te doen eeren, zooals ik zelf wensch geëerd te zijn.quot;
De uitwerking dezer verklaring was voor Archibald niet aanstonds te bespeuren, dewijl hij zijn oogen, die in den beginne wel wat uittartend waren, bij de laatste woorden heeft neergeslagen.
Van . Oudenolm is pijnlijk verrast. Bovendien, zijn oude moeder heeft hem aanstonds een blik toegeworpen, waarin hij moest lezen: Ziedaar dan de vrucht van dien doorgedreven gang naar de stad; van dat woordhouden quand même, â een leer die bespottelijk wordt wanneer het Jefta's beloften geldt.
Van Oudenolm begrijpt dat slechts ontsteltenis over Archibalds antwoord zijn oude moeder tot dien gestrengen blik heeft verleid. Hij heeft hem niet verdiend. En bovendien, moet men zich niet gelukkig achten dat omstandigheden, die immers niet te voorzien zijn geweest, Archibalds hartstocht voor het tooneel tot een crisis hebben gebracht? Ofschoon het vanouds bekende refrein; Ik zou acteur willen worden, sedert lang niet was gehoord, zoo meent men het nu en duidelijker dan ooit te hebben vernomen. Voorzeker is de sluimerende begeerte, door het voorgevallene plotseling krachtig ontwaakt; maar ook, Archi's straks gebleken blijdschap dat zijn grootmoeder onbekend met zijn dwaze daad is gebleven, geeft den vader juist nu de schoonste kans om voorgoed een eind aan die dolle vocatie te maken, en den geliefden, flink ontwikkelden jongen voor zijn familie en carrière te bewaren.
En de heldere Decemberdag zou een gansch ander tooneel op Den Driellaert beschijnen, dan de vorige avond er een in het kleine gezin, bij walmend licht te aanschouwen gaf.
Niet tevergeefs heeft de vader een beroep op het hart van zijn zoon gedaan. Terwijl hij hem gisteren met een smadelijk woord had ter deure gewezen, zoo heeft hij hem nu als man de keus gelaten tusschen het voldoen aan eigen wil en zin, aan zijn neiging voor een avontuurlijk leven misschien, en de liefde van zijn edele grootmoeder, die een stap als waarop hij meende dat Archibald gedoeld had, gewis niet lang overleven zou.
Toen Archibald die laatste woorden heeft gehoord, en hij bovendien bemerkte dat het zielvolle donkerblauwe oog der dierbare vrouw hem aanzag als wilde zij zeggen: Heb je die vreemde men-schen, die arme kunst liever dan mij Archi? toen wist hij eensklaps geheel wat hem te doen stond, en, hij zoende dat zeldzaam
115
TOONEELSPELERS.
schoono gelaat verscheidene malen, en drukte zijn vader zeer krachtig de hand.
âIk zal bewijzen dat ik u kan liefhebben zonder aan anderen mijn woord te breken. Ik zal u toonen dat geen ziekelijke kunstmanie mij drijft en ongeschikt zal maken voor het werk, dat u mij hebt toegedacht. En ook,quot; vervolgde Archibald terwijl hij een sprekenden blik op zijn vader wierp, en een vluchtige blos zijn wangen kleurde: âik hoop u te overtuigen dat mijne handelingen gisteravond slechts 't gevolg zijn geweest van humaniteit en van belangstelling in 'tgeen waarachtig edel en schoon is.quot;
Dewijl de straks zoo ernstig gerezen vrees dat Archibald tot een dwazen stap zou besluiten door zijn laatste woorden eensklaps geheel is verdwenen, en vooral die bezorgde grootmoeder daardoor een steen van het hart is gevallen, zoo kon het niet anders, of men moest nu, bij 't zalig gevoel van Archibalds behoud, ook wel wat toegevender worden voor 'tgeen hij bleef wenschen te doen in 't belang van de kunst. â Wel zeker, had men hem innig lief, en, zoo hij niet in gebreke bleef om de bewijzen te geven, die hij vrijwillig had toegezegd, dan kon hij overtuigd zijn, dat vader en grootmoeder wederkeerig zijn gepaste en nuttige liefhebberijen niet slechts zouden dulden, maar zelfs aanmoedigen indien â dit echter voegden ze er bij â indien veredeling van het Nederlandsch tooneel hem zelf niet spoedig zou blijken een illusie te zijn.
Heerlijk scheen de zon daar buiten en schonk aan de sneeuw een verblindenden glans. Als diamanten schitterden de droppels, die van de zwaar beladen takken naar omlaag gleden. Helder blauw was de lucht, strak en effen als op een schoonen zomerdag. Doch, op het huis Den Driellaert w?,s het niet te zien, dat er aan den horizon een leelijke bank zat. De donkere streep groeide in 't noordwesten, juist achter het tuinmanshuis.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
DEN HOED AP!
De jonge Van Oudenolm zou bewijzen dat zijn liefde voor de kunst niet door de liefde voor eene harer priesteressen beheerscht
116
TOONEELSKiLEKS.
wordt. Ja hij zou het bewijzen. Maar toch, 't is geen vluchtige opwel-1 ling die hem nu in 't middaguur zijn schreden naar de zoogenaamde Ridderhofstad Harzathe doet richten.
Louise Van Eave heeft hij van kind af aan meer dan broederlijk liefgehad. Reeds van zijn tiende jaar, toen mijnheer Van Oudenolm, na den dood van zijn echtgenoot, het besluit heeft genomen om ook 's winters buiten te blijven, was Louise Archibalds speelmakker, en is zij naar gelang van omstandigheden, nu eens zijn reisdame in de tabouretten-diligence, of wel zijn compagnon tus-schen de framboze- en besse-struiken, maar 't meest zijn publiek bij allerlei soort van representaties met poppenkasten, chineesche schimmen, tafel-tooneelen, en ook van persoonlijke groote voorstellingen geweest. Bij de laatste heeft Archi haar steeds diep getroffen; nu eens met de voorstelling van zijn Dolle Os, een soort van monodrama waarin hij â artist van tien a elf jaren, ten gevolge van het eten van dol ossevleesch onder de hevigste pijnen bezwijkt; of ook door zijn roerend Afscheid van Al-brecht Beiling, waarbij de ,bedroefde gadequot; door een mutse-bol en eenige meiden-kJeeren was voorgesteld, terwijl voor het âweenende kroostquot; een paar door Louise meegebrachte groote poppen hadden dienst gedaan. Niets echter had sterker indruk op âhet publiekquot; gemaakt, dan de voorstelling van het monodrama De Egyptische Duisternis, waarbij het licht op de kinderkamer moest worden uitgeblazen. Het geroep en geschreeuw van de men-schen die âin de grachtquot; vielen; het tegen elkaar vermorzelen van wagens en âomnibussenquot;; het hinneken van stuiptrekkende paarden; het loeien en blaten van runderen en schapen, die ook al van den wal in de sloot waren geraakt; het geplas in 't water; het geschrei der âkinderen Israëlsquot;, maar inzonderheid nog de angstige samenspraak van een jongen en meisje, verdwaald in de straten, en jammerende onder een âgaslantaarnquot; â die onze lieve Heer óók verboden had aan te steken, omdat het Egyptische duisternis was â en welke kinderen besluiten om door middel van een stalen gesp en een vuursteen raad te schaffen, omdat ze elkaar niet kunnen zien, en toch â de climax was vooral treffend â âelkander beminnen!quot; Dit alles, snel afwisselend geaccompagneerd met een vervaarlijk gebeuk der hakken op een afgedankte effectentrommel; bonzen met de vuisten op de tafel, en het afschieten van een percussie-pistooltje aan 't slot, had Louise, vooral bij de eerste representatie, zoodanig geroerd dat ze er 's nachts van gedroomd heeft.
Het slot van dien droom was echter even treffend en de indruk
117
TOONEELSPELERS.
er van even blijvend, als die van de representatie zelve geweest: Te midden der Egyptische duisternis, met fel bonzend hartje voortgedreven, gillende om redding en hulp, zag ze daar ginder Archibald â Archibald in zijn blauwen kiel, ketsende met zijn riemgesp; en â â daar spatten groote vonken in 't rond, en zij riep: Archi! en
hij ving haar op in zijn armen en zei: Lieve Louisje! en----kuste
haar. En plotseling wakker wordende, lei ze toen op Harzathe in haar ledekantje, en beefde er van, en voelde dat ze heusch geschreid had. â Dat was de droom; maar, aan niemand heeft ze hem ooit verteld.
Van zijn twaalfde tot zijn negentiende jaar zag Archibald Louisje slechts in de vacanties, voor zooveel hij die op Den D r i e 11 a e r t doorbracht, en vond dan â althans in de eerste jaren â telkens met zijn lieve speelnoot ook zijn âhooggeacht publiekquot; terug, terwijl hij tevens hoe langer hoe meer haar bijzondere bereidwilligheid en groote handigheid in het costumeeren van zijn houten of kartonnen tooneel-personages leerde op prijs stellen. Van zijn vijftiende tot zijn achttiende jaar waren er echter eenige vacanties geweest, waarin hij, ja, wel alles had willen geven wanneer hij Louise, gelijk voorheen, als zijn prettig en zeer bemind publiek had durven toespreken; wanneer hij 't had durven wagen haar hooggeschat oordeel over zijn Duel zonder bloedvergieting, of een ander op school geschreven tooneelstukje in te roepen, maar zoodra hij haar het hek van Den Driellaert zag inkomen, in plaats van zich te verkloeken, zoo spoedig mogelijk naar zijn kamer gevlucht of door de achterdeur de plaats was ingesneld.
Die vreemde handeling kon Archi zich zelf in den aanvang niet best verklaren. Maar ja, Louise was zoo anders geworden. Hij kon er niet tegen dat ze zoo deftig, in een lange jurk en met opgestoken haar, bij grootma als zoo'n mevrouw ging âplaats nemen'quot;; dat ze voor alles, 'tzij uit karaffen of trommeltjes bedankte, precies alsof ze er niet van hield, en nooit meer zoo uit haar eigen zei: Ar, ga je mee? of iets anders; maar juist dien laatsten keer zoo voornaam, zoo moedertjesachtig: Guns Archi, wat ben je groot geworden, heeft gezegd, 't Was van Louise allemachtig flauw geweest, want het sprak vanzelf dat een jongen van zeventien jaren toch ook geen papkind meer is.
Sinds het vorige jaar echter, toen men op Den Driellaert Archibalds negentienden verjaardag heeft gevierd, en de jeugdige jubilaris zonder dat hij een droppeltje te veel had, op 't laatst toch zoo wonderlijk luchtig en vroolijk is geworden, en hij Louise
118
TOONEELSPELEKS.
bij het thuisbrengen, half stoeiend een fermen zoen heeft gegeven, sinds dien tijd is het hem geweest alsof er een verbroken evenwicht was hersteld, en Louise 't wel erkennen moet dat hij toch ouder en sterker was dan zij.
Wat Louise betreft, wie haar zou beoordeelen naar de daagjes die zij rustig, en hoe langer hoe meer een beetje damesachtig, bij de familie op Den Driellaert doorbracht, zou de plank geheel en al mis zijn geweest.
Achter het blijkbaar in verval geraakte, eenigszins kasteelachtige heerenhuis Harzathe, ligt een tamelijk groot bleek- of weiveld, aan welks einde zich een zandsteenen Ceres zonder neus op haar piedestal verheft.
Louise Van Rave is er als opperste speelkameraad met haar zestal half-broertjes en zusjes nu dapper in de weer om sneeuwballen te maken, en doet ze evenals die jongeren zoo veerkrachtig mogelijk in de richting van Ceres door de lucht snorren.
âFerm zoo!quot; roept ze een der kleinste zusjes toe: âJe moet maar duchtig gooien. Wacht, nu zal ik hem eens raken!quot;
âMis, mis!quot; klinkt het luide uit veler mond, want de sneeuwbal van âgroote zusquot; raakte wel Ceres' korf, maar niet den versleten tuinhoed van papa, dien Willem, de oudste der springfiuiters, haar straks op den steenen bol heeft gezet.
Lustig, en op 't krachtdadigst wordt het bombardement steeds voortgezet, 't Was de kunst om den hoed te raken, al zou de rand er ook af, de bol er ook uit.
âToe jongens!quot; schreeuwt Willem: âkapot moet ie. 't Is een oud
ding. Lou's heeft het zelf gezegd. Een, twee, drie, 't Sie---- Ha!
deuk in den bol!quot;
âMooi! deuk in den bol!quot; schatert het, terwijl maar altijd sneeuwballen naar het zwarte punt snorren, en Kees, die Ceres juist in 't gelaat hoeft getroffen, straks mede jubelt: âZie, de sneeuw plakt er aan! Een neus; een neus; een nieuwe neus!quot;
'tWas een aardig gezicht die vroolijke groep.
Archibald Van Oudenolm, die juist langs een zijweg van Den Driellaert kwam aanstappen, en aan 't einde van een langen tuinmuur gekomen, plotseling het lustig tooneel heeft gezien, treedt schier in 'tzelfde oogenblik achter den muur terug.
Niet langer dan vijf minuten heeft Archi het tafereeltje gadegeslagen, maar 't was lang genoeg om er hem een onuitwischbaren indruk van te geven. Kracht, vlugheid, gratie, schitterende oogen, frissche wangen, kinderlijke eenvoud, moederlijke zorg!
119
TOOJs-EELSPELEKS.
âWat een engel!quot; klonk het bijna hoorbaar van zijn lippen. â Zij, stijf, deftig, niet vroolijk, niet dartel zelfs? â Zie, daar neemt ze het kleinste jongske van den grond. Hij wilde ook raken maar kon niet. Met het kind op den arm loopt ze, vief als een ree-tje, naar het beeld. Hoog tilt ze 't manneke omhoog: âGooi nu! Zoo!quot; â Floep! â En, 't jongske raakt het beeld dat de sneeuw uiteenspat, en gilt en kraait van plezier.
Wat Archibald in die weinige minuten door 't brein is gevlogen, dat zou hij zelf niet recht kunnen zeggen. Zeker heeft hij plotseling aan den vorigen avond gedacht, toen hij ook zoo onverwachts een groep altisten in de sneeuw heeft gezien.
Of hij die kleinen met hun bekoorlijke aanvoerster daar ginder, inderdaad artisten moet noemen, en of zijn gedachten gedurende do minuten dat hij daar een stille toeschouwer is gebleven, niet als in een zaligen droom, wat onbeheerd zijn geweest; men zal er Archibald geen rekenschap van vragen. Hij heeft indrukken gehad, die als zaadkorrels in een akker eerst later hun waarde kunnen bewijzen, en voor 't oogenblik slechts door enkele woorden te vertolken zijn. Maar, krachtig en levendig heeft hij gevoeld:
â Rein zijn als de sneeuw, frisch en natuurlijk als de kinderen. â Kloek zijn van oog en van hand, hel der als de stralen der zon.
â Kunst en Natuur. â Mikken en doeltreffen. â Cri-tiek en triumf. Schoonheid en gratie. â Neuzen aanplakken! Vernietigen wat belachelijk is....! Haar liefhebben, eeuwig liefhebben, die de bekoorlijke aanvoerster dier kleinen is. â Marsch!
Toen dit laatste woord bijna overluid den onbeheerden gedach-tenloop besloot, toen kwam Archi ijlings om den muurhoek te voorschijn, en sprong met een kleinen aanloop, over een tamelijk breede sloot. Zoo in de wei gekomen, aanstonds zich bukkende, scheerde en wrong hij een fermen sneeuwbal te zaam, en met een luid: âPas op jongens, nu ik!quot; wierp hij den sneeuwbal met zooveel juistheid en kracht naar den mallen tuinhoed, dat het ding een tik van belang en een witte ster kreeg terwijl het van Ceres' hoofd wel tien passen ver vloog.
Een vroolijk gejuich gaat er op uit de kleine groep. Den jongen Van Oudenolm hebben ze allen terstond herkend, 't Was een mij n-heer, natuurlijk, dat heeft Louise, die Archi nu met een hoog-roodo kleur begroet, hen in den laatsten tijd terdege doen begrijpen; maar, dien mijnheer hadden ze toch allemaal lief alsof hij een
120
TOONISELSPEUSKS.
der hunnen was, want niemand in de heele wereld was er die zoo mooi als hij â al was het maar met twee of drie oude poppen â comedie kon vertoonen; die zoo aardig met hen oorlog, en schipbreuk, en Robinson Crusoë kon spelen, precies alsof het werkelijk gebeurde, en een zoo heel ander heer was als pa, ten minste lang niet zoo brommig.
Op hetzelfde oogenblik dat de kleine belhamel den ouden hoed weer heeft opgeraapt, en hem dan voortschopt door de sneeuw, om hem daarna met een levendig: âNog eens, nog eens!quot; hoog in de lucht te gooien; klinkt een krachtige stem van de huiszijde:
âHei! Wat moet dat!? Duivclsche jongens! Mijn tuinhoed bederven! Blik...
Eerst nu heeft de heer Van Rave â die toevallig het achterhuis doorgaande de laatste bravoure van zijn jongen had gezien â den zoon van zijn vermogenden buurman bespeurd. Even krachtig maar toch op een anderen toon, vervolgt hij: âIk houd er niet van dat mijn goed wordt bedorven. Laat de kinderen binnen komen, Louise, 't is tijd, ze moeten aan 't werk.quot;
Aan die straks zoo vroolijke maar nu langgerekte gezichten en de negatieve vlugheid waarmee ze â¢â de kleintjes zachtjes door Louise voortgetrokken â¢â de stoep van het achterhuis betreden, is het wel te zien in welke mate het vaderlijk bevel de algemeene sympathie heeft.
Na de eerste plichtpleging zegt Archibald, die mede naar binnen gaat:
âDe kinderen hebben zeker niet geweten dat u dien hoed nog gebruikt, en ik zelf, ik dacht niet ...quot;
âO, 't is niet om dien hoed, volstrekt niet, Archibald,quot; valt mijnheer Van Rave in: âmaar ik wil dat men eerst zal onderzoeken ot iets gepermitteerd is. (3a binnen; ik kom terstond.quot; En da^i, als Archibald in de woonkamer is gegaan, dan neemt Van Rave Willem in de gang bij een oor; trekt en knijpt hem dat de jongen de tranen er van in de oogen springen, en zegt: âJij zult in 't vervolg bedenken, mannetje, dat men iets, 'twelk je eigen vader gedragen heeft, niet bespottelijk maakt. Als je zelfs geen eerbied voor je vaders hoed hebt, wat zal er dan van het respect voor zijn persoon worden, hé!? rakker! kwajongen!!quot; en tot Louise die de schreiende kleinste liefkoost, en troost dat men morgen weer pret in de sneeuw zal maken: 't Is mooi zooals jij de eer van je vader vis-a-vis vreemden ophoudt! Dat jonge mensch moesteens even zien nietwaar, hoeveel een vader hier door zijn kinderen gerespecteerd wordt, hé?quot;
121
TOONEEISPELERS.
,Maar papa, ik dacht niet....quot;
âJij denkt nooit! Moet je zoo'n hoed niet tellen! Ben je gisteren weer bij die hanzen in de overdaad geweest! Verkeerd! De pest! Opmakers! â Wat komt Archi hier uitvoeren?quot;'
âIk weet niet papa; u bezoeken.quot;
âMaar ik verkies niet dat hij door 't achterhek op Harzathe komt. Dat volk denkt zich alles te mogen permitteere.i. â Geld! Bah! wat is geld! Geld kan een krnier krijgen als hij in de loterij speelt. â Je zorgt dat de kinders aan 'twerk komen, en m'n hoed kun je drogen en opstrijken, versta je? â Geld, geld! Als ik 't had, ik knipte ze onder den neus.quot;
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
ARCHIBALDS BEWIJS.
Terwijl Louise de leerkamer met haar élèves is binnengetreden, gaat mijnheer Van Rave al brommend in een soort van kleer- en hobbelpaard-kamertje; verwisselt er zijn grijze kamerjapon â die de medaille voor langdurige diensten meer dan verdiend had â voor een met inkt zeer kunstig onderhouden zwart lakensch jasje, en treedt dan in de huiskamer, waar Archibald juist het kluwen zwart sajet voor mevrouw Van Rave van den grond raapt.
In de confusie van zoo onverwacht een bezoeker te zien, heeft de goede vrouw het zoo aanstonds laten vallen.
Mijnheer Van Rave heeft bij 't binnenkomen terstond zijn gade een blik toegeworpen, die haar moet zeggen dat het schande is zoo laat als zij nog met den koffleboel zit, en dat zij nü juist wollen sokken maast. De jonge Van Oudenolm moest immers met die gekramde koffiekan en al die gemartelde kopjes, en ook met het ontbreken van kaas of vleesch-restes, wel een rampzalig denkbeeld van hun tweede déjeuner krijgen.
Na een paar vragen betreffende den welstand van Archibalds vader en de oude mevrouw, zegt Van Rave:
âAls je soms niet gedejeuneerd hebt Archibald....? Hé, lieve
122
â
TOONEELSPELEES. 123
Emeline, is de koude kip al weggehaald, of hebben de jongens ren haar soldaat gemaakt?quot;
st! Mevrouw, die reeds het een en ander had bijeengezet, was zicht
baar verlegen, toen ze een kort ontwijkend antwoord gaf, want ze hield zich ten volle overtuigd dat Archibald â wien in den regel h e zoo weinig ontging â bezwaarlijk aan reeds weggezette kip kon
ld! gelooven, dewijl op geen der borden eenige overblijfsels er van te
srij bespeuren zijn.
ie(j âBij mijn vader den Generaal, dejeuneerden we altijd om één
't uur,quot; zegt Van Rave: âMaar dat was dan meer een soort van
déjeunér a Ia fourchette. Apropos, jij weet niet of er in stad nog patrijzen zijn?quot;
, Zeker wel mijnheer.quot;
âGoed dat ik er aan denk; jij hebt er verstand van, en daarom zou je me plezier doen als je er bij den poelier, tien voor me woudt uitzoeken. Ik ben gewoon er jaarlijks aan mijn vriend Van Bijnen den oud-minister, en den schout-bij-nacht baron Van der Hart te zenden. Ik zou je de adressen kunnen meegeven en.... Maar goede hemel!quot; valt Van Rave zich met krachtig hoofdschudden in de rede: âhoe kan ik zoo dom zijn. Ja ja, 'tis waar, ze zijn al lang verzonden! Ik merk dat ik oud word. â En.....ne.... je bent gisteren
zoo alleen naar stad geweest?quot;
Archibald, die juist in stilte bespiegelt dat hij hier, zooals gewoonlijk, ellendig comedie ziet spelen, verhaalt nu zijn weervaren van den vorigen avond. De groote reden, die hem naar Harzatheheeft gedreven, verliest hij echter niet uit het oog, en verzwijgt daarom â zonder echter aan de waarheid te kort te doen â 't geen voor een minder goeden uitleg vatbaar is; ja zelfs hij beheerscht met kracht zijn gewoonte om ronduit tegenover sommige beschouwingen
ft van mijnheer Van Rave zijn meening te zeggen, want immers, als
men van een vader begeert, 't geen dien vader wel het dierbaarst |e moet zijn, dan gaat het toch niet aan om hem gedurig in de wielen
[s te rijden, en te doen gevoelen dat de valsche positie, waarin hij zich
n geplaatst heeft, hem gedurig de erbarmelijkste sophismen verkondi-
j. gen doet.
t- âIk wou je vaders verzoek, dat Louise nog eens zou meegaan
n niet weigeren;quot; zegt Van Rave: âmaar inderdaad was ik blij dat
het mis liep. Als je zooals ik bij mijn vader, een eigen tooneel hebt 3 gehad â magnifiek, letterlijk met alles â dan kun je den winkel
tegenwoordig niet uitstaan. Neen, ik kom er nooit. In geen vijftien e 'quot;aren geweest.quot;
TOOKEELSPELERS,
,Och kom, in geen vijftien jaren!quot; zegt Archibald, die meent dat mijnheer dan wel goed op de hoogte is om den winkel van tegenwoordig te kunnen beoordeelen.
âWat zeg ik, in geen twintig jaren!quot; herneemt Van Rave: âIn den regel is 't je plebs dat ons tooneel bezoekt. Gaven de Fran-schen â ik bedoel van 't Theatre Francais uit Parijs, hier representaties, ik abonneerde me voor m'n heele familie. Maar ons Hol-landsch ... merci!quot;
âJa die Franschen!quot; zegt Archibald, en onderdrukt met moeite een glimlach, volstrekt niet bevreesd dat mijnheer Van Rave ooit in verzoeking zal komen om zich â en voor zijn heele familie, hier bij die Franschen te abonneeren.
Nochtans geheel vervuld met het eigenlijke doel van zijn komst, en gedurig met een blik naar de deur, omdat Louise sedert haar overhaast verdwijnen met de kinderen, niet terug is gekomen, kost het Archibald geen geringe moeite om het gesprek rustig voort te zetten, al wordt dan ook zelfs een geliefkoosd thema behandeld. Archibald moet immers aan zijn vader bewijzen, dat geen vluchtige liefde voor een jonge en schoone tooneelspeelster zijne daden heeft bestuurd. Hij is op Harzathe gekomen om aan Louise te zeggen wat hij voor haar gevoelt, en van haar, zoo al niet het dierbare jawoord, dan toch de verzekering te ontvangen, dat haar hart nog vrij is, en zij voor den ouden speelmakker wel iets meer dan een goede vriendin wil worden.
Ja, alvorens hij zijn vader zal vragen om bij mijnheer Van Rave aanzoek om Louises hand voor hem te doen, moet hij-immers van hare wederliefde geheel verzekerd zijn, want hij twijfelt er niet aan dat mijnheer Van Rave op dat aanzoek een vreemdsoortig antwoord zal geven, iets dubbelzinnigs, iets, waardoor het den schijn moet krijgen, alsof de zaak hem niet zoo onvoorwaardelijk bevalt; een antwoord, waardoor de geliefden elkaar vooreerst in 't geheel niet of althans slechts hoogst zelden zullen ontmoeten, en waardoor Louises vader tevens zal toonen, dat hij aan zulk een verbintenis nooit, ,zelfs niet in de verste vertequot; gedacht heeft.quot;
Mijnheer Van Rave heeft er nooit aan gedacht; dat wil zeggen, hij gevoelt te zeer wat hij aan de nagedachtenis van zijn beroemden vader is verschuldigd, dan dat hij zich niet âzou toonen,quot; wanneer een Van Oudenolm â hoewel van goeden huize â hem de hand zijner dochter komt vragen.
Die zoogenaamde geld-aristocraten acht mijnheer Van Rave, vooral wanneer hij zoo geheel âen familiequot; is, geen knip voor den
124
TOONEELSPELEKS.
neus waard; ofschoon dat geld.... Nu ja, maar men laat het niet bemerken; men staat er te hoog voor, zooals hij â de eenige zoon van ZExc. den Luitenant-Generaal Van Rave, Grootkruis der Milit. Willems-orde enz., enz., enz., mede te hoog heeft gestaan om zich, na het overlijden van dien vader, nog ter verkrijging âvan een schraal landspostje, aan de ellendige partijdigheid van heeren examinatoren bloot te stellen; of wel den rug te krommen voor lieden, wier namen ternauwernood bij hun buren bekend zijn.quot; Die verachting van de geld-aristocraten, met de hooge waardeering van zich zelf, als zoon van een man aan wien gansch Nederland de meeste verplichting had, is vooral grooter geworden, toen mijnheer Van Rave, na 't verlies van Louises moeder, allengskens meer de nuttigheid van het aardsche slijk gevoelende, met de dochter van een naar 't scheen zeer vermogend koopman is hertrouwd, welke koopman echter 't hoofd nog slechts even boven water heeft gehouden totdat, zooals hij meende, zijn eenige dochter met den vermogenden generaalszoon, terdege bezorgd zou zijn.
Mijnheer Van Rave, wat al te ras vergetende dat hij zelf een bedrieglijke rol had gespeeld, heeft zijn bittere teleurstelling, toen de dood den schoonvader al spoedig van zijn crediteurs verloste, slechts op zijn arme jonge vrouw kunnen wreken, en wat de altijd zachtzinnige Emeline heeft te lijden gehad â vooral wanneer zij aan de reeds zeer vervallen Ridderhofstad Harzathe telkens weer een nieuwen bewoner had geschonken, ze zal er maar niet van spreken. Neen, ze spreekt er niet van, evenmin als zij zelfs den moed zou hebben om het een dwaasheid te noemen, wanneer Van Rave beweert dat een gouvernement de uitstekende diensten van een vader als de zijne, ook met een bezoldiging uit 's lands middelen aan den zoon diende te honoreeren.
Ofschoon Archibald slechts vluchtig van de actrices heeft gesproken, die door papa, ten gevolge van het ongeval op denj straatweg, in het tuinmanshuis werden gelogeerd, zoo is mijnheer Van Rave toch niet in gebreke gebleven om al spoedig een tafereel van actrices op te hangen, waarvoor â zoo meende Archibald â⢠zelfs een zeer gedecolleteerde grootmoeder van Van Rave aan den wand, wel de oogen mocht neerslaan. Onmiddellijk daarop heeft Van Rave echter onmerkbaar luchtig en ongekunsteld â zoo zonder eenige bijbedoeling â zijn oudste dochter en scène gebracht. Nietwaar, als men toch het hemelsbreed verschil tusschen zoo'n kind en zulke actrices eens naging! Pah! dames die nog geen brief kunnen schrijven!
125
TOONEBLSPELEltS.
Neen, mijnheer Van Rave hield er niet van om zijn eigen kinderen te verheffen; 't i8 al te na; maar, in alle waarheid: de frisch-heid der jeugd mocht men Louises blanketsel noemen; de uitmuntende tact voor 't huishouden, dewijl ze alles zoogoed als alleen deed â compliment voor mevrouw Van Rave â men mocht het een schat, een huwelijksgift heeten. Ja als men naging wat al talenten zoo'n kind bezat! Zij onderwees, en geheel uit eigen roeping natuurlijk, want als 't haar moeite kostte dan zou men oneindig liever een gouverneur nemen, â enfin, zoo spelend leerde zij aan al de kinderen, klein en groot, wat tot een gesoigneerde opvoeding behoort; en dan, wat haar kunstgevoel betrof â behoefde de vader wel vis-a-via Archibald van haar fijn critisch oordeel te spreken, vooral wanneer het de waardeering van tooneelpoëzie betrof? Neen, 't was overbodig; maar opmerkelijk zou Archibald het mede vinden, dat zij een even juist oog voor de beeldende kunsten bezat. Misschien zal Archibald het portret van Zijn Excellentie den Generaal al aan den muur gemist hebben: âJa, zie je,quot; besloot Van Rave: ,'t is a propos daarvan dat ik de juistheid van haar kunstoog vooral leerde bewonderen. Je moet weten dat ik 't plan heb om voor al mijn kinderen een kopie van hun grootvaders portret, den Luitenant-Generaal, te maken, 't Origineel blijft natuurlijk voor Louise. In jaren heb ik niet aan 't schilderen gedaan, maar de zes kopiëen zijn nu al aangelegd, dan gaat het met de kleuren in ééne moeite door; en zie je, vooral door de juiste opmerkingen van Louise â ofschoon ik ze mij natuurlijk ook zelf al gemaakt had â slaagden ze in alle opzichten uitmuntend.quot;
Archibald, die â misschien op 't voetspoor van zijn vader, nooit zoo bijzonder hoog tegen mijnheer Van Rave had opgezien, meent nu uit diens mond de valsche tonen van een kermis-trompet te hebben gehoord, 't Was beleedigend voor Louise, 't was____
Gelukkig, daar kwam ze binnen. Hij ziet het terstond: er bestaat geen reden voor de heimelijke vrees dat zijn gedrag van den vori-gen avond â het gaan naar stad, zonder dat zij van de partij kon wezen â toch nog een greintje rancune heeft achtergelaten. Neen, even vriendelijk als altijd spreekt ze hem toe, en ofschoon ze elkaar bij Ceres toch al even gezien hebben, reikt ze hem nu nóg eens haar poezele hand.
â Frissche bloem! denkt Archibald, en zegt:
- k Dacht waarlijk al dat ik je niet meer zou te zien krijgen,quot;
âNu, ik moest toch eens weten hoe je je gisteren geamuseerd
hebt.quot;
126
TOONEELSPELEES.
âWij zouden juist de portretten gaan zien,quot; zegt Van Rave: ,Boven kan Archibald ons dan wat meer van die mooie actrices vertellen.quot;
â Jawel, die actrices zaten mijnheer in den weg. Archibald heeft het wel goed begrepen.
Louise vindt het avontuur allerkluchtigst.
âLiep jij toen met die twee gearmd, Archi? Hemel, wat zul je dat aardig hebben gevonden.quot;
âMen kan nóg plezieriger gearmd gaan,quot; antwoordt Archibald zeer zacht, terwijl hij naast Louise de trap beklimt.
Mijnheer Van Rave, die vooruit gaat maar nochtans de laatste woorden gehoord heeft, valt een pak van het hart.
Het atelier, waarheen men zich begeeft, is een holle kamer met een vuil, geel, gehavend behangsel, en een groen geverfde zoldering, en bevat geen andere meubelen dan eenige stoelen, een ouden mangel, en een soort van schilderezel, die zeer sterk aan de allereerste roode en witte kleedingstukken der jeugdige Van Raves herinnert, en ook niets minder dan een eenigszins bruikbaar gemaakt droogrek is. Tegen twee stoelen nabij een der vensters staat het levensgroot portret van mijnheer Van Raves vader, den meergenoemden Luitenant-Generaal in een fraai vergulde lijst.
't Is een mooie nobele kop, met dat denkende voorhoofd en die sprekende oogen; met den kordaten neus boven den forschen grijzen knevel, en die lippen tot een weiwillenden glimlach geplooid. Het geheel maakt een indruk, dien men niet licht vergeet, een indruk van helderheid, humaniteit, vastheid van beginselen en den edelsten levensmoed.
Op de breede latten aan weerszijden van het droogrek aangebracht, staan een zestal paneelen van zeer onderscheidene grootte, door den dorpstimmerman uit een oude huisdeur voor mijnheer Van Rave âkleingemaaktquot;. Het grootste van de zes is ongeveer op een derde van 't model-doek, terwijl het kleinste niet grooter dan een voet in quot;t vierkant zal zijn.
,'t Is toch een prachtig portret,quot; zegt Archibald bij het binnenkomen, dewijl het schilderstuk terstond in 't oog valt.
âVind jij ook dat 't zoo sprekend op mij gelijkt?quot; vraagt Van Rave, terwijl hij met een zoeten glimlach Archibald aanziet: âLaatst was hier iemand die er over uit was. Och, wie was het ook weer?quot;
Louise kon 't zich volstrekt niet herinneren, en evenmin dat die zelfde persoon âzoo geroemd had over de treffende gelijkenisquot; van de âzes doodvervenquot;.
127
TOOKEELSPELEKS.
âOch, ik zou hem honderdmaal noemen,quot; herneemt Van Rave; en dan: âWat dunkt je van de kopieën Archibald? Jij hebt er immers verstand van. Zieje, hier zijn er drie, en aan den anderen kant staan er nog drie.quot;
Archibald ziet drie lijken van verschillende grootto, elk met een boven alle evenredigheid groote ster van kromaatgeel op de borst.
,'t Zijn immers pas doodverven, mijnheer Van Rave ?quot;
âJa juist, natuurlijk; 't leven, de bezieling moet er nog inkomen ; dat zit hem in de mengeling der kleuren; 't rembrandtieke weet je; ik moet ze nu eerst met omber wat opdiepen, en dan niet roode lak den natuurlijken gloed er inbrengen. Je begrijpt dat die grootkruizen ook niet af zijn. Omdat papa die ster nooit in politiek droeg, moet ik ze heelemaal uit mijn fantasie er bij maken, want van een zoon eischt men zulk een eereblijk na 't overlijden, nota béne, nog terug óók; alsof hij er geen recht, geen eeuwigdurend recht op had! Enfin....! Zou je denken dat ze te groot zijn? Louise meende dat ze iets kleiner konden, maar neen, waarachtig, te groot zijn ze niet.quot;
Archibald staat eensklaps aan den anderen kant van het droog-rek. De drie lijken, die hem aan gene zij op de vlucht hebben gejaagd, grijnzen hem hier met hun schelvisch-oogen nog akeliger toe, en, is het duidelijk te zien dat zelfs op de kleinste paneelen de riddersterren zijn gegroeid naarmate de voorhoofden lager worden, te bespeuren is het meteen dat de vijf laatste kopieën telkens naar haar voorgangsters zijn genomen, en iedere nieuwe doodverf daardoor zoo mogelijk nog dooder dan de voorgaande geworden is.
Een blik op het lieve gezichtje van Louise is voldoende, om Archibalds gelaat in een effen plooi terug te brengen.
Liegen en te prijzen wat hij beneden alle critiek acht â 't is hem niet mogelijk, maar ook nu weder gevoelt hij dat die man toch de vader van die vriendelijke engel is.
âU zult er nog heel wat werk mee hebben,quot; zegt Archibald snel.
âIk zie er niet tegen op Archibald. Wat kan men aan zijn kinderen beters nalaten dan 'tgeen de roem en de eer der familie uitmaakt. Een edele onbevlekte naam is het hoogste goed, Zoo'n ster,quot; en mijnheer Van Rave wees op een der kromaatgele krabben: ,zoo'n ster moet mijn kinderen méér waard zijn dan al het goud der wereld. Rijkdom kan men verwerven, maar met al je schatten der aarde is het onmogelijk om een van je voorvaders zulk een ster te bezorgen.quot;
De woorden: âSlechts met üw penseel mijnheer Van Rave wordt
128
T00NEEL8PELEE3,
dat mogelijk;quot; speelden Archibald op de lippen, maar hij weerhield ze natuurlijk. Louise had haar vader den arm op den schouder gelegd; ze zag hem vriendelijk aan, en zegt:
âIk weet niet papaatje, maar mij dunkt toch dat die groote sterren op burgerkleeren....quot;
âDaar heb j'etquot; valt Van Rave in: âJij spreekt het uit. Die burgerkleeren moeten in uniformen worden veranderd, 't Was een misgreep van den schilder om een Luitenant-Generaal in politiek te schilderen. Welzeker, welzeker, uniformen moeten het zijn!quot; en terwijl hij nog hoofdknikkend de laatste woorden herhaalt, spoedt hij zich ter deure uit om aan het reeds dikwijls bij hem gerezen denkbeeld te voldoen, en den wel bewaarden uniform-rok te voorschijn te halen.
Dit was het oogenblik, waarnaar Archibald reeds lang heeft verlangd: Hij was met Louise alleen. Zijn oogen ontmoeten de hare. Er ligt iets in zijn blik, 'twelk de vriendin der kinderjaren niet van den kloeken jongen gewoon is. Zij wendt het hoofd van hem af, en ziet naar buiten. Nu treedt hij snel op haar toe; vat hare hand, en zegt:
âMij dunkt Louise, dat je wel raden zult, waarom ik van morgen al dadelijk naar Harzathe ben gekomen.quot;
âRaden? Ik heb het al gezegd; om ons te vertellen hoe je 't gister gehad hebt.quot;
âNeen, lieve, altijd tevredene engel, daarom niet,quot; herneemt Archibald terwijl hij Louises hand vat en in de zijne voelt trillen: âIk moest je zeggen dat nooit je lief en kalm gezichtje mij zoo gedurig voor den geest heeft gestaan, als juist gisteravond. In de komediezaal was het mij ongezellig omdat jij er niet waart. Wat ik goed en mooi vond, moest ik alleen genieten; wat slecht was, ellendig, ik had het alleen te verkroppen. Louise, lief kameraadje, we hebben lang geleden dikwijls mijnheer en mevrouw gespeeld; zeg, zouden we die rollen maar niet voorgoed tusschen ons beiden verdeelen, jij, de liefelijke, zachte, verstandige vrouw, ik, de domme, ruwe, maar waarachtig, de altijd getrouwe man?quot;
Louise was diep getroffen. Ja, ze heeft het zich zelve wel dikwijls bekend, dat zij Archibald liefhad, innig lief, meer dan iemand op aarde en dat haar leven een donkere dag zou wezen, indien de liefde van dien schoonen levendigen knaap hem niet verhelderen en verwarmen mocht. Voorzeker, liever zou zij haar jeugdig leven hebben verloren dan de vriendschap te missen van dien altijd op-geruimden Archi, de onuitputtelijke ontwerper van zooveel, 'twelk
lil. 9
129
TOONEELSPELERS.
haar eentonige jeugd als met bloemen heeft getooid; maar tevens, om
oneindig liever ook zou zij het zwaarste lot op aarde hebben gedra- zeg
gen, dan dien teerbeminden vriend niet geacht, geëerd en â zij »
het met een andere â volkomen gelukkig te zien. hee
Louise was diep getroffen. Zij wist niet of zij 't goed heeft ge- zoe hoord, of zij 't juist heeft begrepen. In de laatste jaren had haar 1 liez
kloek verstand haar telkens het dwaze doen inzien, om aan de zijn
verwezenlijking van dien zaligsten levensdroom te gelooven. Een wa
geest als van Archibald, steeds zoekende naar nieuwe bekoorlijke gt;
toestanden en verbintenissen, zou zeker, ofschoon zijn trouwe aard had
de vriendschap voor de speelnoot der jeugd wel nooit verloochenen mij:
zal, geen rust hebben bij 'tgeen hem in die jeugd kon bekoren. kei
Zoodra hij die groote, zoozeer bevolkte wereld zou zijn ingetreden, ,
kon het niet anders â zoo meende zij â of schitterende vernuften een
en verblindende schoonheden, zouden op zijn, voor indrukken zoo gt;
vatbaar gemoed, hun uitwerking niet missen, en voorzeker zou de zijn
arme Louise, de stille eenvoudige vertrouwde van weleer, dan wel ^
spoedig in den prozaïschen nevel van een slecht verlichte kinder- lac]
kamer verdwijnen, of wel, daarin blijven leven naast den lang be- gt;
graven Filax, het strijdros van Karei den Stoute, Saartje de kin- een
dermeid en de ontelbare helden en heldinnen van hout of van ik
bordpapier. and
Dat Archibald ooit iets meer dan een goed en trouw vriend van wis
haar mocht worden, zij het ook de teerste diep verborgen wensch van je
haar hart geweest, aan de mogelijkheid van zulk een overwinning het
heeft zij al sedert lang niet meer gedacht, en 't allerminst na den rus
vorigen avond, toen zij een paar malen niet heeft geweten dat âde var
zet aan haar wasquot;, terwijl zij na Archibalds vertrek, met zijn vader *
heeft schaak gespeeld. ook
âZulk een vraag had ik niet verwacht,quot; zegt ze met moeite: âEn ik ;
hoe zal ik een antwoord geven. Als men werkelijk veel van iemand of j
houdt Archi, dan wenscht men hem gelukkig te zien, en----ik an|3
weet niet of je met mij op den duur wel gelukkig zoudt wezen.quot; welt;
De jonge Van Oudenolm kan zich niet bedwingen. In Louises
oogen ligt een hemel van goedheid en liefde. Hij slaat den arm W01
om haar slanke gestalte, en haar vastklemmende aan zijn hart ln
zegt hij: dan
âAl had ik een leven van miskenning en ellende, dan zou ik dat
gelukkig zijn als jij me aanzaagt met die heerlijke zachte oogen, ten
als jij me toespraakt met dat stemmetje zoo harmonisch zoet.quot; kat
Louise ontworstelt zich zachtjes aan den arm, die haar nog vaster E
130
1
I
TOONEELSPELERS.
us, omklemt, en terwijl zij inwendig een hevigen strijd heeft te voeren,
-a- zegt ze kalm, ofschoon een sterke blos hare wangen kleurt:
zij âIk geloof wel Archi, dat je het goed meent â al ben je nu wat heel poëtisch, maar ik weet ook dat zelfs de liefste oogen en de
;e- zoetste stem hun betoovering maar al te vaak in het leven ver-
iar 1 j liezen. Ik geloof Archi, dat er zoo weinig gelukkige huwelijken
de zijn, omdat een snel ontwaakte liefde doorgaans nog niet goed
en wakker is.''
ke ,Engel, die ik van klein kind af aan heb gewaardeerd en liefge-
rd had, meen je dat ik de oogen nog zou moeten uitwrijven? Ken ik
en mijn altijd liefderijke, altijd zelfopofferende, zoo verstandig ontwik-
in. kelde en altijd blijmoedige Louise dan niet?quot;
m, âNeen Archi, niet heelemaal. â Ik behoor nog een ander toe,
en een ....quot;
oo âMijn God, dat is niet waar! Een ander? Zou het mogelijk
de zijn!?'quot;
rel Archibald was zichtbaar zoo hevig ontsteld dat Louise een glim-
;r- lach van dankbare verrukking niet weerhouden kon.
ie- âNu zie ik toch dat het geen schijn-zonnetje is,quot; zegt ze met
n- een blik die Archibald geheel betoovert: âArchi, je weet wel dat
an ik je altijd gaarne mocht lijden, maar er is toch werkelijk een ander, die oudere rechten op mij heeft, 't Is mijn vader. Indien je
»n wist welke plichten ik tegenover hem te vervullen heb, dan zou
m je zelf moeten toestemmen dat ik mij zelve niet toebehoor; en als
jg het toch werkelijk waar is dat het al moeite kost om een enkel
Bn rustig daagje voor Den Driellaert uit te breken, dan begrijp je
de vanzelf.....quot;
er âBegrijpen!quot; valt Archibald in: âNeen liefste, hoe helder je altijd ook bent, nü is je betoog zoo duister als de nacht. Als ik zeg dat
5n ik je liefheb, innig lief, meer dan ik ooit heb geweten, en je vraag
id of je voor altijd mijn kameraadje wilt zijn, dan kan ik daar geen
ik ander antwoord op verwachten dan ja of neen; 't zij: ik heb je weerkeerig lief, of: je bent me onverschillig; je laat me koud; ga
es weg! â In dat laatste geval, zie, ik weet niet wat er van mij
m worden zou; ik kan er mij niet indenken op dit oogenblik; maar,
rt in het eerste geval, als die weerkeerige liefde waarachtig bestaat, dan, braaf, trouw kameraadje, dan kun je toch zeggen nietwaar,
ik dat behoudens alle plichten en oudere betrekkingen, je hart bij
n, hém is, die nu heel zeker weet, dat hij zonder jou niet gelukkig kan zijn?quot;
er Een zaliger stond beleefde Louise tot heden niet; en nochtans,
131
1
I «fe !amp;***. . â
TOONEELSPELERS.
onvermengd mocht die zaligheid niet heeten. Schier in ^zelfde oogenblik dat die kloeke schoone Archibald, haar het j a uit de oogen las, en in verrukking nog vaster aan 't hart drukte dan hij het straks heeft durven doen, schier op dat zelfde oogenblik ziet zij den donkeren hinderpaal voor haar geluk nog sterker dan tevoren: , Archibald, je bent nog heel jong,quot; zegt ze zeer zacht met eenigs-
zins bevend stemmetje, terwijl ze nu zonderling bleek ziet: âtn-----'
Maar neen neen, op dat thema wil Archibald niet dat zijn eigen Louise variaties zal zingen:
âLiefste!quot; zegt hij vurig: ânoem mij leelijk, dom en lui; zeg dat ik lange beenen en een laag voorhoofd heb; noem me weer zooals vroeger, chef van een poppenkast, maar in 's hemelsnaam, kom jij, mijn prachtig publiek, niet met dat jong voor den dag. Over twee maanden word ik twintig. Mijn beste vader, die van der jeugd af aan, een uitmuntend cijfermeester is geweest, heeft laatst in een zeer vrijgevig oogenblik berekend, dat hij zelf juist een en twintig jaren plus honderd dagen oud was, toen hij zich als vader van een Archibald onder de kin mocht strijken. Zieje mijn schat, dat jong moesten we nu maar voorgoed in de doos doen; of liever we moeten ons voornemen het altijd te blijven; door de wereldsche zaken niet al te zwaar te tellen, en â door een nooit verflauwende liefde. Bovendien, voor de jeugd zijn er geen bergen te hoog, en juist op de hoogste bergen heeft men den ruimsten blik.'
De ongedwongen toon, waarop Archibald heeft gesproken, mist de gewenschte uitwerking niet op het zoo onverhoeds bestormde maar geheel veroverde meisjeshart. Ja, Archibalds frisch gekozen beeld heeft zelfs aan Louise plotseling een ruimeren blik geschonken. Zij weet, zij gevoelt dat een waarachtig zuivere liefde den grootsten hinderpaal overwint. Maar Archibald moet dien hinderpaal kennen, 't Mag hem niet verborgen blijven dat zij in haars vaders huis geheel iets anders is dan het bedorven oudste kindje, voor 'twelk men haar niet zelden laat doorgaan; dat zij geheel vrijwillig een taak op zich heeft genomen, waarvan ze zich kwijten zal
tot den einde toe. Hij moet het weten! En weten moet hij ook.....
Maar neen, neen! Goede God, zal zij tegenover den jeugdigen vriend van de zwakheden spreken, waarvan die vader zelf wel 't allermeest het slachtoffer is? Zou zij haar eigen werkzaamheid, haar zin voor studie, haar onvermoeiden ijver, in 't licht gaan stellen tegenover de lauwheid en traagheid van den man, dien zij toch als haar vader eert en werkelijk liefheeft? Kan zij Archibald zeggen dat die vader met zijn valsch begrip van eer, gansch onge-
132
TOONEELSPELERS.
woon aan eenig degelijk werk, en helaas ook ongeschikt er voor geworden, ten koste van zich zelf en een talrijk gezin, zijn positie van rentenier-grondbezitter op de jammerlijkste wijze zoekt op te houden; dat hij, ofschoon de nood er hem toe drijven moest, liever van armoe zou omkomen dan door het verlaten van Harzathe en het dingen naar een kleine betrekking, zijn â toch wel doorzich-tigen toestand te openbaren? Mag zij hem zeggen dat de man, die over een zestal doodverven, ter vereeuwiging van den naam eens wakkeren vaders, reeds vele maanden â en nog met behulp van een ververs-leerling â heeft gestumperd, er nooit meer aan denkt om zelf in 't belang van de opvoeding of 't onderwijs zijner kinderen, de geringste poging te beproeven, maar al zijn vernuft slechts gebruikt om toch niemand te doen bemerken dat de pakketten, die van tijd tot tijd aan een voornaam adres te Amsterdam worden gezonden, allerlei vrouwelijke handwerken bevatten; handwerken, waaraan zijn zwakke vrouw en oudste dochter gedurig haar nachtrust opofferen; de eerste omdat het huishouden des daags ruimschoots haar zorgen vereischt, de tweede dewijl zij het zich ten heiligen taak heeft gesteld om het weinige, 't welk zij zelve in betere dagen mocht leeren en door studie volmaakte, aan haar half-broers en zusjes mee te deelen zooveel haar zulks mogelijk is?
Neen, zij kan en mag Archibald dit alles niet zeggen. Maar wèl moet hij weten, dat zij, wier hart en hand hij begeert, hem niets dan dat hart vol liefde en trouw kan schenken; dat behalve ambitie en zusterliefde, nog een andere zeer geldige reden haar noopt om de leermeesteres van haar broertjes en zusjes te blijven, en eindelijk, dat âiets bijzonders, iets zeer eigenaardigs in het karakter van haar lieven vaderquot; haar doet vreezen, dat een aanzoek om hare hand, niet aanstonds zoo heel gunstig door hem zal worden opgenomen, in weerwil â natuurlijk! van zijn achting voor de familie Van Oudenolm, en zijn sympathie voor den vriend van haar jeugd.
Toen Archibald zoo 'teen en ander heeft vernomen, of liever, toen dat keurige mondje van het kameraadje â hij had eigenlijk nooit gezien dat ze zoo'n ongeloofelijk snoeperig mondje had â enfin, toen dat mondje hem nog wat raadseltjes meer a propos van haar besten papa had opgegeven, toen is Archibald vluchtig iets van een kunststuk van groote waarde door 't brein gevlogen, een schema, waar wel iets voor 'ttooneel uit te maken zou zijn â nooit compromittant voor het kunststuk, natuurlijk! â en hij heeft dat mondje heel vriendelijk verzocht om nu eens iets anders te doen dan logo-gryphen op te geven, want dat zijn beste grootma altijd verkondigde:
133
T00NEEL8PELERS.
dat men in 't leven de oogenblikken behoort te waardeeren. Welnu, de mangel, het portret en de doodverven van den Generaal Van Rave zijn zijne getuigen, dat hij snakt naar iets, 'twelk hij vroeger op zekeren verjaardag-avond zelf zoo schandelijk heeft gestolen; en dus----?
Onwillekeurig heeft Louise met een kloppend hartje even naar 't portret van den hoogvereerden grootvader gezien. En ja, als altijd zag hij haar flink en vierkant, maar toch ook zoo vriendelijk aan, en 't was of die sprekende mond haar zeide: Een ferme zoen daar is geen kwaad bij kind. Je meent het eerlijk en goed: Ga je gang maar. Ik zie het wel graag.
Maar of de oude Generaal het dan al zien mocht, aan de doodverven draait Archibald den rug toe.
âHad ik vroeger durven denken van mijn kalm toegenegen publiek nog eenmaal zulk een alles overtreffend bewijs van sympathie te zullen ontvangen!quot; herneemt Archibald na een kleine pauze, terwijl de doodverven, in vergelijking met Louises koontjes, nog dooder worden dan ze werkelijk zijn.
Woorden heeft Louise in deze oogenblikken niet. Straks, na Archibalds oprecht en nauwkeurig verhaal van 't geen er den vorigen avond was voorgevallen, mocht haar hart nóg ruimer kloppen. Nü was het eerst recht duidelijk hoe Archibald zoo eensklaps tot het besef zijner waarachtige liefde voor haar gekomen is. O, reeds tweemaal mocht hij 't herhalen, dat het haar lief gezichtje is geweest, 't welk hem bij al die gebeurtenissen telkens zoo betooverend heeft aangezien,, en dat zij â zij alleen, hem schier onophoudelijk als een engel der verkwikking voor den geest heeft gestaan, toen hij in een half wakenden toestand, met den geeuwhonger te kampen had. Ja zij gevoelt nu bovendien dat Archi zoo ras zijn besluit heeft genomen, omdat hij vader en grootmoeder immers overtuigen moet: dat geen voorbijgaande liefde zijn teerste en oudste genegenheid kon dooden, en zijn liefde voor de kunst een zuivere kunstliefde gebleven is.
Met het hoofd aan Archibalds kloeke borst, vloeien er tranen van reine zaligheid uit Louises schoone liefdevolle oogen.,Op den hoogen berg heeft men een ruimen blik.quot; â Ja, wat er dan ook wezen moge, 't welk een verbintenis met dien dierbaren vriend nog voor een langen, misschien wel zeer langen tijd verhinderen zal, nü gevoelt zij zich zalig; nü weet zij dat zij niet alleen staat in de wereld; nü heeft zij de zekerheid dat er nog een ander geluk is dan anderen gelukkig te maken, dat â van het ook zelve te zijn.
134
TOONEBLSPELERS.
En, sierlijk als de kamperfoelie om den krachtigen jeugdigen stam, zoo vlijdt ze haar armen ijlings om zijn schouders heen; en als de tranen nog milder vlieten, dan fluistert ze met een onbeschrijfeliike zoetheid van stem, in den vollen eenvoud van haar dikwijls gefolterd en nu zoo dankbaar hart:
âOch Archi, lieve, goede Archi, ik ben er zoo blij om. Ja, ik ben er zoo blij om!quot;
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
BENE STIEFMOEDER.
Eenig gerucht in het benedenhuis herinnert Louise en Archibald dat ze niet alleen in de wereld zijn, en terwijl Louise zich zelve verwijt dat ze het jonge volkje â maar toch voor 't eerst van haar leven â vergeten kon, komen ze samen tot de ontdekking, dat papa Van Rave zeker werd opgehouden, dewijl hij er anders al lang met de uniform zou zijn teruggeweest.
Een haastig ingesteld onderzoek bevestigt Louises vermoeden dat er bezoek is; en hebben de jongelieden hieraan ook inderdaad een ongestoord en onvergetelijk half uur te danken gehad, de omstandigheid dat de bezoeker een zekere mijnheer More moet zijn, doet Louise haar Archibald haastig bewegen, om terstond met haar het âatelierquot; te verlaten, aangezien papa zeker spoedig met dien heer zal boven komen en zij hem liever niet ontmoeten wil.
Weinige oogenblikken later zijn de jongelieden beneden. Nu zij nog even in het reeds genoemde hobbelpaard-kleedkamertje binnengaan â heel even omdat Louise volstrekt naar de kinderen moet â nu wil Archibald toch nog wel heel graag eens weten wsarom zijn âlieve kindquot; bij 't hooren van dien naam zoo gejaagd is geworden, en wie het heerschap is, dien zij zoekt te ontwijken. Iemand die zijn innig geliefde onaangenaam is, moest hier niet aan huis komen!
Nu speelde er weer een glimlach om dat kleine mondje, en de ridder van haar hart zou geheel worden gerustgesteld.
Mijnheer More is voor weinige weken eigenaar geworden van een
135
TOONEELSPELEES.
kleine nabijgelegene hofstee, waar hij zich voor 't jachtseizoen een paar kamers heeft laten inrichten. Reeds een paar malen had Louise hem in de kerk gezien, maar eergisteren heeft hij zich 's avonds bij papa laten aandienen, en bekend gemaakt als zoon van den overleden kolonel More, die in vroegere jaren adjudant bij grootpapa Van Rave geweest is.
't Sprak wel vanzelf dat deze relatie voldoende was om mijnheer More de hartelijkste ontvangst te verzekeren; en de gunstige stemming van papa is er niet op verminderd, toen de bezoeker â steeds op gezag van zijn overleden vader â de deugden van den âonsterfelijken Generaalquot; tot boven de wolken had verheven.
âZieje Archi,quot; heeft Louise ten laatste gezegd: âIk wil gelooven dat die zoon heel veel goeds van grootpa wist, en bemerkende hoezeer papa hem vereert, onwillekeurig heeft overdreven; maar het hinderde mij toch geweldig, en te meer omdat hij mij bij elke loftuiting met de woorden: Vindt u ook niet? aanzag, terwijl ik toch met den besten wil van de wereld niet toestemmen kon, dat grootpa een Napoleon of een veroveraar van dat kaliber geweest is. Nu komt hij waarschijnlijk, zooals hij dien avond beloofde, om de aanleggen naar 't groote portret te zien, en ik wilde liefst niet in de gelegenheid worden gebracht om misschien te moeten getuigen dat zij a la Rubens of Van Dijck, en de sterren â voor een held als grootpa, nog veel te klein zijn. Ik voor mij geloof,quot; zoo besloot Louise; âdat hij in de achterplaats wil jagen, en misschien daarom wat naar den mond praat. Hoe 't zij, hij is vervelend, en nu â nü vooral zie ik hem liever niet.quot;
âEn ik verlang er nu juist naar,quot; zegt Archibald; doch hoewel dat sprekende mondje, hem waarschijnlijk eerst nóg eens naar iets anders verlangen doet, zoo moet hij dit laatste wel opgeven, want een paar van de kleinen, die groote zus al zoolang hadden gemist, vliegen de kamer in; nemen haar met hun vleiend: âKom dan, kom dan!quot; als aanstaande scheidsrechter geheel in beslag, en trekken en dwingen haar met zóóveel geweld naar de deur, dat Louise haar vriend â die toch plotseling zulk een geheel ander vriend voor haar geworden is, niets anders dan haar poezele handje ten afscheid kon geven. Nu dat andere zou in tegenwoordigheid dier kleinen ook wel eenig bezwaar hebben opgeleverd, want ofschoon âgroote zus en mijnheer Archibald gerust met het hobbelpaard mogen spelenquot;, 't zou hun zeker nog al vreemd zijn geweest, indien ze den laatste plotseling in een recht hadden zien treden.
136
TOONEELSPELERS.
n 'twelk zij zich zelf tot dusverre als een heilig privilege hebben
e toegekend.
Is Weinige minuten later staat Archibald in het pover salon van
n Harzathe tegenover den bezoeker, die juist met den heer des
a huizes het portret van den Generaal en de doodverven zal gaan
1 bezichtigen.
i- 'tls een lang, blond, bleek jongmensch van omstreeks vijf en twin-
i- tig jaren. De eerste indruk is niet ongunstig. Hij buigt zeer beleefd
!- en vraagt aan Louises vader:
âUw oudste zoon, mijnheer Van Rave?quot;
d Na een ontkennend antwoord, met de bijvoeging dat deze jonkman de zoon is van mijnheer Van Oudenolm, die als eigenaar van
a DenDriellaert zeker aan mijnheer More wel bekend zal wezen.
i- fronst de laatste even de wenkbrauwen; ziet naar 'tplafond, en,
r âkan zich dan niet.... te.... herinneren.... maar.... brandt van
e verlangen om nu eindelijk 't portret van den Generaal en de kopieën
k van mijnheer Van Bave te gaan bewonderen.
t De heer des huizes is te zeer met den zoon van zijns vaders
i. adjudant vervuld, dan dat hij, alvorens het salon te verlaten, de
b hand ziet, die hem door Archibald met een woord ten afscheid
i j wordt toegereikt.
i «Als je blieft mijnheer More; ik zal maar voorgaan.quot; En More maakt
1 een buiging voor mevrouw Van Rave, en volgt dan haar echtgenoot
t buiten de kamer.
i 't Is een geheel andere gloed, die Archibalds oog doet tintelen,
i dan toen hij straks Louises hart aan het zijne voelde kloppen.
Nadat de deur is gesloten, ziet hij naar mevrouw Van Rave, die
I gedurende Mores tegenwoordigheid in plaats van wollen sokken te
i mazen, aan een prachtig borduurwerk heeft gewerkt â een cadeau
t voor lieve vrienden, heeft mijnheer Van Rave gezegd, â maar nu
het borduurraam naast zich neerzet, en snel zich ter zijde keerende, i iets op den grond schijnt te zoeken.
, Archibald bedriegt zich niet; in het goedaardige oog van Louises
b stiefmoeder heeft een traan geblonken.
Mevrouw onderdrukt met geweld die âkinderachtigh eidquot;. Archibald i mag ze niet bemerken. Ach, soms zijn er oogenblikken, die haar te
1 machtig worden. Is het dan haar schuld dat zij als onervaren
meisje niet heeft bemerkt dat Van Raves betuigingen van liefde, niet haar, maar het vermogen van haar vader hebben gegolden; heeft zij het begrepen dat die vader, helaas, den schijn heeft gerekt totdat haar huwelijk met den âvermogenden generaals zoonquot; zou
137
TOONEELSPELEBS.
zijn voltrokken? Is het haar schuld dat zij het slachtoffer van een paar acteurs is geworden, ofschoon âhaar arme vader zijn rol toch met een goede bedoeling gespeeld heeft?-'
â Neen, en 't is haar schuld evenmin, dat zij zelve geen geboren tooneelspeelster is, terwijl zij zich een schier ongeloofelijke inspanning moet getroosten om kalm te blijven bij de zoete woorden, die haar echtgenoot haar in tegenwoordigheid van vreemden toevoegt, in tegenstelling van de bittere grofheden, waarmee hij haar â steeds onder den indruk van zijn financiëele misrekening â gedurig zelfs in het bijzijn van de kinderen vernedert. Ach, de zwijgende rollen zijn niet altijd het gemakkelijkst te vervullen. Wanneer men achter de coulissen de scherpste woorden heeft te verduren gehad, dan valt het zoo zwaar om â zelfs lijdelijk â de teerbeminde voor 't voetlicht te spelen; dan snakt men naar het oogenblik dat het klatergoud kan worden afgelegd, en met het blanketsel ook de valsche glimlach verdwijnen mag.
Ofschoon Archibald door mevrouw Van Rave niet tot de vreemden wordt gerekend â want de geliefde, die haar moeder noemt, heeft voor haar geen geheimen, en ook de onuitgesproken wensch van Louises hart had zij sinds lang geraden, â mevrouw Van Rave zal echter zorgen dat Archi niet bemerkt hoeveel het haar kost een rol te blijven vervullen, waartoe de valsche eerzucht van den echtgenoot haar dwingt, tenzij ze hem wil prijs geven aan de alge-meene verachting, en berooven van den liefdeband, dien de natuur zelf tusschen vader en kinderen gelegd beeft. Zij moet haar stille rol blijven spelen, en glimlachen zelfs, totdat de gordijn voorgoed zal zijn gevallen.
Waarschijnlijk heeft Archibalds tegenwoordigheid mevrouw Van Rave die beelden uit de tooneelwereld voor den geest getoo-verd. Nu Archibald, die een snel verdreven traan op rekening van den pas vertrokken vlegel had gesteld, haar heeft gevraagd of dat heerschap haar misschien even onbeschoft heeft durven behandelen als hij 't hém heeft gedaan, antwoordt zij op zachten toon, en werkelijk met een glimlach op het door stil verdriet vroegtijdig verouderd gelaat:
âNeen Archibald, daar zou mijnheer voor gezorgd hebben; maar het trof mij ook, zoo onbeleefd als hij tegen je was. De man is ons nog zoo weinig bekend, doch 't komt mij voor dat hij, evenals zoo heel veel menschen, een kleine rol speelt, en er zijn werk van maakt om uitsluitend mijnheer te behagen, misschien wel met het doel....quot;
138
T00NEELSPJ5LERS.
âOm vrij in 't acliterhout te kunnen jagen?quot; valt Archibald in, met een bijzondere trilling van stem.
,Misschien... Arohi, misschien. Heeft Louise ie dat gezegd?quot;'
Schier in 't zelfde oogenblik staat Archibald aan de zij van Louises oudere maar trouwste vriendin.
Heeft de stil bespiede traan hem te sterker getroffen dewijl de kou van dien vreemde zijn hart â straks zoo zalig verwarmd â eensklaps aan 't huiveren bracht? Archibald weet nu dat hij zich niet heeft bedrogen. O, wie in zijn tegenwoordigheid voortaan den naam van stiefmoeder nog lasteren durft.
Mocht het hem vroeger wel eens verwonderd hebben, dat Louise de meestal zwijgende, altijd in 't huishouden bezige vrouw, niet slechts een goede moeder, maar ook een voorbeeld van beminnelijkheid en helder verstand heeft geroemd, nü gevoelt hij dat zij niets te veel heeft gezegd; hij drukt hare hand met warmte, en waagt het om de trouwe moederlijke vriendin zijner Louise, recht kinderlijk te omhelzen. Hij weet nu dat zij niets onbeproefd zal laten om mijnheer Van Rave, zoo het noodig mocht zijn, gunstig voor zijn dierbaarste wenschen te stemmen, dewijl die stiefmoeder zich werkelijk gelukkig zal gevoelen, indien zij de lieve Louise gelukkig mag zien.
En voorzeker, Archibald mag zich overtuigd houden dat hij in die goedaardige vrouw een trouwe bondgenoote gevonden heeft, maar ach, hij weet het niet, dat de gedachte aan een mogelijke scheiding zelfs in een verre toekomst, de ziel dier stiefmoeder met een nameloos wee vervult, omdat, ondanks haar teedere liefde voor haar eigen kroost â de zon van Harzathe zal verdwijnen wanneer Louise, haar steun en trouwste vriendin, die woning in 't einde verlaten moet.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
TWEE DIPLOMATEN.
Een paar dagen later zat mijnheer Van Rave voor zijn tamelijk povere schrijftafel. Dezen morgen heeft hij het bijzonder druk, want.
139
TOONEELSPELERS.
er moet een brief beantwoord worden, 't Is een werk, dat al zijn geest en inspanning vordert, en waarmee hij â ofschoon zonder er zelf aan te denken â 't voldingend bewijs zal leveren mat hoeveel recht hij uit de hoogte neerziet op den komediant, die: ânog riet in staat is om een fatsoenlijken brief te schrijven.quot;
Voor de derde maal leest hij den straks ontvangen brief, die daarna met langzaam hoofdknikken wordt ter zij gelegd.
Eerst zal hij nu een klad maken.
âWelEdelgeboren Heer.quot;
Neen, dat zelfde staat ook boven den epistel aan hém gericht. Men moet die geld-aristocraten niet stijven in hun dwazen trots.
âWelEdele Heer!
âIn antwoord op TJ.E. geëerde van 20 dezer, meld ik u, dat ik, ofschoon het aanzoek van U.E. om de hand mijner dochter voor U zoon Archibald, ten hoogste waardeerende, U.E. echter vooral op grond beider jeugdige leeftijd, moet voorstellen vooralsnog mijn ernstige bedenking daartegen te willen accepteeren. Onder het zegel eener diepe geheimhouding, moet ik U meedeelen, ik tot mijn leedwezen niet geheel U.E. overtuiging deel, de liefde â welke U zoon Archibald mijne dochter toedraagt door haar ten volle wordt beantwoordt. Aangezien het natuurlijk ten zeerste met mijn vaderlijk gevoel in strijd is, zelfs de geringste pressie over het hart van mijn kind uit te oefenen, zoo ben ik, ondanks mij zelve, wel verplicht mij in deze de noodige restricsie te veroorlooven, overtuigd mijne dochter, wetende hoezeer een verbintenis met ü in alle opzichten achtenswaardige zoon, haar ouders wensch zoude zijn, haar kinderlijke liefde misschien zou stellen boven een liefde, die nochtans een liefde van het geheele hart behoort te wezen. WelEdele Heer! indien het mocht blijken, mijn vermoeden ongegrond is geweest, dan voorzeker zal mijne dochter voor U waardige zoon ook geheel dezelfde blijven, en zal hare genegenheid voor hem zelfs nog luider spreken wanneer hij, 't zij meerderjarig geworden, 't zij als maatschappelijk persoon opgetreden, ook nóg meer dan thansch â U. Edl. zal dit zelfs geheel moeten toestemmen â het recht heeft om een kleindochter van den Luitenant-Generaal Van Rave zijn hart en hand aan te bieden.
140
tooneelspeleks.
Met de meeste achting en na beleefde groete ook aan Mevrouw U.E. Moeder, noem ik mij WelEdele Heer!
âUw E. Dw. Dienaar, âW. Van Rate van Hakzathe en Eoetenhoef.quot;
't Was met dien brief niet vlot gegaan, maar nu hij eindelijk gereed is, wrijft Van Rave zich met een vergenoegden glimlach de handen.
â Als men slechts weinig de pen voert, zou men het kunnen verleeren, maar hier, deze brief kan bewijzen dat hij, ja ja, waarachtig de zoon van den eminenten Generaal is. In dat kleine stuk steekt een staatsman, 't Is een model van diplomatie; een passepartout! Ja juist, een passe-partout! Allereerst, men moet het die jonge knaapjes niet zoo gemakkelijk maken. Archibald is een goede partij, wel zeker; maar, Louise kan in de eerste jaren nog onmogelijk gemist worden, tenzij een schoonzoon aanstonds toonen wilde dat hij den verworven schat te waardeeren weet. Van dien kant echter behoeft men op de Van Oudenolms maar weinig te rekenen. Dat slag van menschen voelt niets voor 't geen men aan den nazaat van zijn doorluchtige mannen verschuldigd is; het leeft en werkt slechts voor zicK zeiven, gelijk het dier dat zijn voedsel zoekt en sterft. Die zekere minachting, waarmee Archibald de doodverven heeft beschouwd, kan er weer van getuigen, hoe weinig men in staat is om een eminentie te waardeeren, indien men zelf geen voorvaders heeft. De kolonelszcon? Ha, welk een contrast! -â Als mijnheer Van Rave soms één zijner kopieën missen mocht, dan behoefde men het stuk niet verder dan bij hém te zoeken! Dat waren zijn woorden. En welk een enthusiasme! Welk een devotie!quot; âBovendien, hij zou kalkoenen zenden. â Mijnheer More moet zeer gefortuneerd zijn. â Als het werkelijk eens zijn doel was om Louise ten huwelijk te vragen, wie weet of hij niet de achterplaats en het hoekje bouwland De Kortenhoef er naast, flinkweg, misschien wel togen twee driemaal de waarde zou nemen. Wie weet!
âUitmuntend, uitmuntend!quot; herhaalt Van Rave bijna overluid, terwijl hij nog steeds de handen wrijvende, zijn brief herleest, ,'t Geluk van mijn dochter verlies ik zoomin uit het oog als het belang mijner andere kinderen. Aan den wakkeren kolonelszoon, een man van geboorte, die standen en personen weet te onderscheiden, die zeer gefortuneerd en reeds lang onafhankelijk is, aan hem zij het
141
TOONEEISPELEKS.
terrein niet versperd, terwijl de rijke bankierszoon, niet verdreven maar voorzichtig op den achtergrond gehouden, zoo 't noodig mocht zijn, later weer voorwaarts kan treden.
De brief, met het cachet der Van Raves voorzien, werd, nog denzelfden middag per extra estafette naar Den Driellaert verzonden.
Toen mijnheer Van Oudenolm, met gefronste wenkbrauwen, den brief heeft gelezen, toen speelde er toch al spoedig een glimlach om zijne lippen.
't Was nog geen jaar geleden dat de heer van Harzathe hem een ,prachtige flnanciëele speculatiequot; had aan de hand gedaan, namelijk: het exploiteeren van woeste gronden in Peru. Volgaarne had mijnheer Van Rave zich bereid verklaard, om tegen remuneratie van tien mille â zegge tien duizend gulden Ned.Ct. â zijn naam aan die op te richten Maatschappij te schenken, overtuigd dat van de reputatie eener zaak doorgaans haar -welslagen afhankelijk is. Indien de Maatschappij mocht tot stand komen en goede resultaten afwierp, dan zouden hem, als ontwerper, jaarlijks een nader te bepalen aantal percenten van het dividend worden uitgekeerd, terwijl hij van* zijne zijde gaarne bereid was, om de zilveren bokaal, die de Luitenant-Generaal Van Rave â zijn vader â⢠bij zekere roemvolle gelegenheid van een aantal krijgskameraden ten geschenke ontving, aan de Vereeniging af te staan â¢â voor bestuursvergaderingen of feestelijke bijeenkomsten, â onder dit verband evenwel, dat de gezegde beker ten eeuwigen dage het eigendom zou blijven van den oudsten stamhouder der Van Raves, en bij eventueele liquidatie der maatschappij, ook als zoodanig aan den genoemden stamhouder zou terugkeeren.
Het kort maar beleefd antwoord van de firma Van Oudenolm amp; O. heeft den heer van Harzathe destijds niet extra bevallen; doch ofschoon hij met het oog op een vrij wat zekerder speculatie, volstrekt geen rancune heeft getoond, nu â dewijl het gewenschte aanzoek werkelijk was gekomen, nu kon deze brief meteen voor een kleine revanche gelden, terwijl de zaak zelve er nooit door lijden zou. Van Rave weet het, wel zeker hij weet het: zoo'n tegenstand is de beste prikkel, en zal Archibalds vader ook zeker aanvuren om het knaapje wat spoedig in den zadel te helpen, 't geen een vereischte was, voor 't geval dat men de partij noodig had, natuurlijk, natuurlijk!
Ongeveer terzelfder tijd dat Archibald van zijn vader, mijnheer Van Raves antwoord verneemt, â met verzwijging evenwel van
142
T00NEE1SPELEES.
het zoo prachtig uitgedacht vermoeden omtrent Louises liefde voor een ander, 't welk Van Rave immers onder 't zegel der diepste geheimhouding heeft meegedeeld â en Archibald, eerst doodelijk bleek geworden, toch aanstonds besluit om elke moeielijkheid te overwinnen, zoowel waar het zijn zaak en zijn kunst als zijn liefde geldt, op dat zelfde oogenblik treedt, ongezien van een zijweg, de heer More op het tuinmanshuis van Den Driellaert toe.
â Bij den zeer geroemden tuinman van den heer Van Oudenolm â zoo heeft hij er straks gezegd, had men hem geraden eens een kijkje te gaan nemen, want algemeen is men van gevoelen dat de kastplanten nergens zoo uitmuntend staan als bij baas Burkes. â En, wanneer de heer More dan na die bezichtiging, en na tevens een tastbaar blijk van dankbare waardeering te hebben geschonken, later eens gemeenzaam bij de vuurplaat zal mogen opsteken, dan, zie, dan kan hij zoo terloops eens vernemen, wat er toch waar is van de praatjes in 't dorp. Immers hij~mag en kan niet gelooven dat de jonge bankierszoon zich zoo zal hebben vergeten, 't Zou ongelukkig, ja, voor zijn braven vader en de waardige grootmoeder al heel ongelukkig zyn!
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
ROSA BRONS EN DE CKITIEK.
In 't midden van een drukke achterstraat te Amsterdam trekt een bovenwoning met haar helroode overgordijnen, vooral des avonds bijzonder de aandacht, en ongetwijfeld zijn er maar weinige leden van het tooneelgezelschap der heeren Baars amp; Kogel, die in 't voorbijgaan niet een schuin oog naar boven werpen, ten volle bereid om hun eigen logies voor het wel ingerichte kwartier van hun medelid mejuffrouw Rosa Brons te verruilen.
Wie Rosa Brons echter in deze oogenblikken had kunnen bespieden, hij zou zich niet zoo onvoorwaardelijk in hare plaats hebben gewenscht.
Met den elleboog op de tafel en het hoofd in de hand, heeft ze reeds een geruimen tijd in 't lamplicht getuurd. Hoe langer Rosa
143
tooneelspelees.
echter staart, hoe donkerder het haar wordt voor de schemerende oogen.
âVerguisd, gehoond, veracht! O God, ik verdraag het niet langer!quot; zegt ze overluid, terwijl haar eensklaps, als met geweld het uur voor den geest komt, toen zij op dat landgoed een zoo verachtelijk vonnis over zich hoorde uitspreken.
Neen, zij weet niet hoe het mogelijk is geweest, dat ze sedert dien nacht nog oogenblikken van genot en vreugde en triumf heeft gekend. Nochtans, toen ze haar .kleine engelenquot; heeft weergezien, en ze heeft gewiegd op haar schoot, en geprangd aan den boezem, en gekust den ganschen dag, ontelbare malen, toen, ja toen is zij als in een hemel geweest.
En dan op dien avond, op dien stormachtigen avond, toen hij gekomen is, en hij bevreesd was omdat ze zoo bleek zag, zoo schrikkelijk bleek; toen zij de kracht heeft gemist om hem van zich te stooten, maar hij als vanouds den arm om haar hals geslagen, en haar zijn eerste en eenigste liefde heeft genoemd, toen o God! toen heeft zij inwendig gejubeld, toen was het haar alsof ze âin een priëel van regenbogen zat,quot; toen heeft ze willen sterven om â aanstonds weer te ontwaken voor een leven van eeuw ige liefde
En op dien anderen avond: Zie, daar hangt ze, de groote lauwerkrans van groene en gouden blaren. Het weder-optreden van de âalgemeen beminde actricequot; had een storm van bravo's uitgelokt, en deze lauwerkrans werd haar toegeworpen. â Wat doet het er toe wie zulke kransen betaalt; 't zij een dwaas, dien men uitlacht, een ellendeling, dien men de deur wijst, of misschien zelfs een pleeg, vader-regisseur, die uit berekening de talenten van zijn dochter waardeert. Wat doet het er toe! Een juichend publiek, bij zulk een krans aan de voeten, 't zijn oogenblikken vol bedwelmende zaligheid.
â Maar ach, die oogenblikken, die uren, die dagen zelfs, waarin ze haar smart kon vergeten, ze zijn nu verdwenen, voor eeuwig! Ook de arme kinderen, die daar ginder zoo rustig slapen, met de bloemen der onschuld op hun lieve gezichtjes, ze zijn niet meer in staat om met hun vroolijk gekraai of gesnap, ja zelfs niet met hun zoete kusjes, de pijn te stillen, die hun moeder foltert bij dag en bij nacht.
,0 man met je slangen-hart,quot; zegt Rosa, ook nu weder overluid, terwijl ze de fijne hand dreigend verheft: ânu eerst ken ik je geheel!quot; â En weder denkt ze: 't Was hem niet genoeg mij op 't minnend hart te trappen. Ook aan den wansmaak, aan zijn geldzucht
144
TOONEELSPELERS.
moest mijn artisten-eer worden opgeofferd. â Tot een rust, die men anders moet afbedelen, heeft hij mij sinds weken gedoemd. â Reene, eeuwig Reene! in mijne rol, in mijn emplooi! En de pers koopt men om tot haar lof, en betaalt men om de engel van voorheen te sleuren door 't slijk.
Eensklaps vliegt Rosa op. Snel opent zij een secretaire, rukt een lade daar binnen los, en zoekt er tusschen papieren en linten en snuisterijen naar eene courant, die ze reeds telkens heeft willen vernietigen maar toch nog bewaarde.
â Hier heeft zij het blad rmet zijn onooglijk gedierte er boven.quot; Dat zelfde gedierte â de leeuw in het wapen der provinciale hoofdstad, waar men voor weinige weken op de kunstreis Een vrouwenhart of de erfgename der Maulonières heeft gespeeld â dat zelfde gedierte prijkt in Rosa's gedenkboek, 'twelk ze straks zal opslaan, verscheidene malen met een vriendelijk lachje om denzelfden tong-spelenden bek. â Maar boven dit nommer, is dat wezen een monster, een Judas, een grijnzende Sater.
Met een trillende gejaagdheid wordt het blad nu geopend: Daar, waar zij in de eerste woede met den nagel het papier heeft gehavend, daar springt het tergende opstel haar weer aanstonds in 't oog.
Rosa's blik bestookt het papier. Nu eens hooger, dan weer lager leest zij:
----âZulk een morgenster voor de kunst mochten wij gisteren
in de jeugdige actrice mejuffrouw Flora Reene begroeten. De rol____
in het wangedrocht....
op meesterlijke wijze vervuld....
een schitterende hulde aan het talent van deze bevallige actrice gebracht....quot;
â Waarachtig!
âDe groote eenvoudigheid in Reenes spel....quot; haar nooit overdreven mimiek.... dit alles waarborgt der bevallige actrice de schoonste toekomst----quot;
â Wel zeker, een toekomst die de ellendige zijn Rosa had voorgespiegeld, maar die nu vernietigd moest worden! zie maar, zie____
âDe verwachting, die sommige kunstvrienden van het talent der eerste actrice mejuffrouw Rosa Brons koesterden, vooral nadat zij het vorige jaar op vrij voldoende wijze in De schipbreuk van de Medusa was opgetreden, werd dezen avond op het jammerlijkst teleurgesteld. Haar spel was de verregaandste overdrijving.... haar
toon een doorloopende dissonant----quot;
III. 10
145
TOOKEELSPELERS.
â Mijn God! denkt Rosa: ik wist niet meer dat er dit stond -we te lezen. Er was toch goedkeuring ook. Ja, hoe zou ik het schan- bal delijk blad anders gespaard hebben.quot; Weer leest zij: ,]e]
â.... Haar stuiptrekkend gejammer; haar afzichtelijk boezemjagend â
streven naar effect, haar----quot; â 't Is afgrijselijk! Maar dat andere? kei
Het moet er staan; ik heb het gelezen. Ah! hier: i oni âWie zou het betwijfelen, dat Rosa Brons een sieraad van ons of, Nederlandsch tooneel zou kunnen zijn, indien zij zich den eenvoud gui van een Flora Reene wilde eigen maken; indien waarheid en soberheid â die hoogste eischen der kunst â haar meer waard waren, ve, dan het gejubel ,van een weinig ontwikkeld publiek. Ongetwijfeld ] heeft de natuur juffrouw Brons met uitmuntende gaven bedeeld; no( haar verschijning op het tooneel maakt den gunstigsten indruk; bel
hare trekken zijn fraai----quot; â Ah zoo! dit moest men dan toch (Je
erkennen! I
____âniet zelden zouden zelfs hare standen den toeschouwer een yai
der beste tragédiennes voor den geest brengen----quot; art
â Ei ei! een der beste tragédiennes. Ja, dit stond er dan toch: ter Een der beste tragédiennes. Rachel! Wel zeker, hadr heeft men -wo; bedoeld: I
â____âindien niet gedurig haar onzinnig gegalm en gejank----quot; Sch
âMijn God dat gaat te ver!quot; trilt het op Rosa's lippen, terwijl gne
zij de oude courant nu in woede vaneenscheurt, en nóg eens, en (
weder een ruk aan 't papier doet. naa
En toch, de hoofdreden waarom zij vroeger het blad bewaarde, (Jra
en het ook nu weer ter hand heeft genomen, lag vooral in de woor- (Jot
den, die op dat hoonend âgejankquot; moeten volgen. Zij wil ze herle- gra
zen. Den eersten keer hebben ze haar zóó zonderling getroffen alsof er j
een nieuw licht uit moest opgaan. De benoodigde stukken van het me1
verscheurde en verfrommelde nieuwsblad worden nu ijlings weer roe
glad gestreken, en bijeengepast. Hier moet het volgen, hier--------triu
âHelaas! wanneer zal het gros van acteurs en actrices beseffen, bev
dat nooit een van buiten geleerde les maar steeds, 't zij meer of wa( minder, een karakter of type ten tooneele behoort te verschijnen;
dat de acteur dit karakter te bewaren heeft, onafgebroken, en zeker toei
het allerminst zijn rol mag verminken, door een blik of een knik een
in de zaal, niet slechts bij 't spreken maar vooral ook bij 't zwijgen. baa
Wanneer zal men 't gevoelen dat wie op 't hevigst geschokt of m0(
ten doode toe ontsteld is, â wanneer het geluid als verstokt in de dig
keel â niet galmen of bulderen kan; beseffen dat het schreeuwende is:
pathos, vooral bij volzinnen waarmee de acteur het publiek een tot Zelf
146
TOONEELSPELERS.
wederzien schijnt toe te roepen, slechts zijn loon uit den engelenbak ontvangt! Wanneer zullen zij gelooven, dat de hoogste rangen der maatschappij spreken, zooals alle andere beschaafde inenschen â eenvoudig, ongedwongen â en dat zij evenmin bij hun gesprekken, dwaze kemphanenstanden aannemen, als dat echtgenooten, in ons Nederland, elkaar met een Mijnheer, en me-vrouw, toespreker, of, naar gelang van omstandigheden: zich be. .. .minnen of ver. ... guizen!?quot;
â Was dat alles? Rosa meent dat er nog meer, nog oneindig veel meer heeft gestaan.
En toch, die woorden zijn vroeger voldoende geweest om de fijnste nooit geroerde snaar van haar kunstenaarshart te doen trillen: ze hebben de vonk bevat die een heldere vlam kon worden â dewijl de noodige brandstof aanwezig was.
In een maalstroom van gedachten was Rosa na de eerste lezing van dat folterend, maar toch ook zoo streelend en lichtgevend artikel verzonken; en, toen zij in 't einde als tot zich zelve was teruggekeerd, toen heeft zij al spoedig gedaan, waartoe zij ook nü wordt gedreven:
In een der laden van het meubel, waarin zij haar prullen en schatten bewaart, ligt haar Gedenkboek, 't Is een boek, verguld op snee, in een groen fiuweelen band.
Op het eerste blad prijkt een gouden lauwerkrans, waarin Rosa's naam met sierlijke letters geboekt staat, terwijl iets lager de opdracht: âTer eeuwiger erkenning en gedachtenis, van haar bewonderaar en vriend Casper Baarsquot;, niet minder voortreffelijk calli-graphisch bewerkt, bijzonder in 't oog valt.
De witte bladen van het boek zijn voor 't grootste deel beplakt met gedeelten of uitknipsels van Dag- en Weekbladen, waarin de roem van het tooneelgezelschap Baars amp; Kogel, en vooral de triumfen van de eerste actrice voor de nakomelingschap worden bewaard. â Ha! ook nü weer zal Rosa zich overtuigen dat alles, wat zij daar even in stilte heeft toegestemd, niets anders dan een kinderachtig zelfbedrog is geweest: een soortgelijk zelfbedrog als toen zij in vroegere jaren geloofde, dat de tooneelspeler â zooals een Roomsch geestelijke, en later ook een Protestantsch dominee haar gezegd hadden: een van God veracht en verdoemd wezen moest zijn. â Ja, toen heeft zij ook in den aanvang geloofd dat die geestelijke mannen de waarheid spraken: 's avonds in !t donker is zij bang voor God en den Heere Jezus geweest, en somwijlen zelfs is zij zóó angstig geworden, zóó bevreesd voor een eeuwige
147
TOONEELSPEIEES.
eeuwige verdoemenis, dat zij God al beloofd had om dien zooge-naamden dienst des duivels te zullen verlaten. Maar, 's morgens als het weer licht was geworden, en Baars haar had uitgelachen en , duidelijk aangetoond dat dominees en pastoors immers ook niets meer dan acteurs warenquot;, en hij haar zelfs het betoog van een groot godgeleerde heeft voorgelegd, waarin zij lezen kon, dat ons tooneel, naast kerk en school, bij uitnemendheid de plaats ter ontwikkeling en veredeling van het volk behoorde te zijn,quot; toen heeft zij immers óók met volle vrijmoedigheid die malle zelfbeschuldiging als dwaasheid verworpen. En nu, wat de critiek betreft, och! zij weet het maar al te goed dat die aanmerkingen, die âschoppen en trappenquot;, slechts 't gevolg van nijd en afgunst of wel van speculaties en intriges zijn. Ligt er soms in zulk geschrijf een enkele wenk, waarmee men zich desnoods vereenigen kan; hoe kon zij 't vergeten, dat men in het algemeen âdie modder der bezwal-king beneden zich moet achten, en zich handhaven in de oorspronkelijkheid zijner eigene kunstopvatting, gewaarmerkt door den bijval van het publiek, en toegejuicht door het bezadigd gedeelte eener degelijke journalistiekquot;.
Rosa slaat haastig haar Gedenkboek open:
â Hier, hier zijn ze voor 't meerendeel naar chronologische orde bijeen, de uitspraken der dag- en weekbladen die ânaar recht en billijkheid een zelfstandig oordeel hebben geveldquot;. Rosa leest:
âAls Marion was mevrouw Rosa Brons, zooals altijd, de heldin van den avond, en luide toejuichingen vielen haar bij 't einde der voorstelling ten deel.quot;
âOok nu weder zagen wij Mejuffrouw Brons met veel talent de rol van Marie-Jeanne vervullen. Haar meesterlijk spel maakte zelfs op het minder ontwikkeld publiek den diepsten indruk; en de stormachtige bijvalsbetuigingen moesten haar het bewijs geven, hoezeer men ook ter dezer stede hare groote gaven waardeert.quot;
âTreffend was mevrouw Brons in de rol van de gravin De la Rondelle; de oogenblikken vooral, waarin zij in razenden waanzin haar geliefde het hart wil doorboren, en later tot haar bewustzijn teruggekeerd, door de felste smart bewogen, als de onteerde moeder aan de voeten van haren zoon om genade smeekt, ze getuigden van een kracht en gevoel, die ons de overtuiging geven dat deze begaafde actrice voorzeker niet minder in het treurspel dan in het lt;Jrama spJiitteren zou.quot;
148
TOONEELSPELEES.
âOfschoon de vruchten van Franschen bodem op ons Nederlandsch tooneel overgebracht, onzen kunstsmaak slechts weinig kunnen voldoen, zoo moeten wij den heeren Baars amp; Kogel inderdaad dank zeggen, dat zij ons in staat hebben gesteld om met Virginie of het bloemenmeisje van Bonvauterre kennis te maken.... Vooral de aangrijpende wijze waarop Mejuffrouw Brons, als de doodgewaande Virginie uit haar met rouwfloers bedekte lijkkist verrees, was overweldigend schoon; en de schrille kreet: âNeen Edmond Bonjuval, uw slachtoffer leeft nog, zij is niet gestorven!quot; trilt voorzeker nog in veler gemoed. â Wij hopen echter dat de overheid voortaan wanordelijkheden zal weten te beteugelen als die, waarvan we by de genoemde verrijzenis getuigen moesten zijn. De luide kreet uit den engelenbak: .Daar zullen de bidders 'en kraag aan hebben!quot; was even ongepast en onbeschaamd, als beleedigend voor eene tooneelkunstenares, wier talent voorzeker door het gan-sche land op den hoogsten prijs wordt gesteld.quot;
âMevrouw Rosa was zooals gewoonlijk de heldin van den avond.quot;
âDe gevierde bénificiante. Mejuffrouw Brons, vierde gisteren haar schoonsten triumf.... Drie fraaie bloemruikers en vijf lauwerkransen lagen bij 't einde der voorstelling aan hare voeten. Tot drie malen toe moest zij nogmaals ten tooneele verschijnen, en de kushanden door haar, ook zelfs naar de hoogere rangen geworpen, waren voorzeker niet slechts de sprekendste bewijzen van hare dankbaarheid, maar ook van den eenvoud dezer hoogst verdienstelijke tooneelkunstenares.quot;
De volgende woorden van dit laatste artikel, die de zeer bescheiden opmerking behelsden dat Rosa's eenige fout, als ganzenhoedster, in een wat al te theatrale démarche bestond; ze waren met een dikke inktstreep onleesbaar gemaakt. Dewijl in de laatste regels van dit kunstverslag, de woorden: schitterend en aangrijpend volgden, en voorts nog dewijl ze behelsden dat eene artiste als de gevierde bénificiante, steeds met open armen door het kunstlievend publiek dier stad zou ontvangen worden, zoo waren de inktstrepen noodzakelijk geweest, terwijl men anders het artikel gevoeglijk bij het voorafgaande âhoogst verdienstelijkste tooneelkunstenaresquot; had kunnen afknippen.
Wie Rosa's schoone â vooral bij avond zeer schoone gelaatstrekken, in het laatste half uur had kunnen gadeslaan, hij zou
149
TOONEELSPELERS.
volmondig erkend hebben, dat zij in de hoogste mate een der eerste vereischten bezat, die voor den tooneelspeler onmisbaar zijn, namelijk: de weerspiegeling der zielsaandoeningen en gewaarwordingen op het gelaat.
Na de lezing van genoemde zoo verkwikkende artikelen, maakt Rosa's zonnige blik, ook nu weder eensklaps voor een donkeren herfsthemel plaats. Al die loftuitingen in het boek met den prach-tigen band, verwijzen haar weder als met geweld naar het kwetsend âgejankquot; 'twelk haar straks opnieuw in 't aangezicht sloeg.
Op dit oogenblik met haar Gedenkboek in de hard, en weer ten volle overtuigd dat slechts lage afgunst en vijandschap aan dat artikel het aanzijn hebben geschonken, terwijl slechts eenig koren onder het kaf werd gemengd, opdat het lage opzet zich niet te duidelijk verraden zou, gloeit zij nogmaals van verontwaardiging, en komt plotseling al haar wee opnieuw met looden druk haar boezem bezwaren.
â Onteerd! Verkten door den man, die haar vroeger zoo liefhad! Door grooten en geringen veracht en miskend als vrouw en moeder â zooals zij ter kwader ure op dat landgoed vernemen moest. Mishandeld en vermoord als kunstenares, zij, de hoogbegaafde, de hoogvereerde, die âevenals een Rachel in het treurspel schitteren zou!quot; â O de slang, die met zijn onzinnige verheffing van Reene, dat venijn der critiek op haar spuwen kon, hij is het die haar de laatste hoop op de liefde van dien man ontroofde, en haar als artiste nog bovendien den doodssteek heeft toegebracht.â Wie is het, wie!? Rosa stampt met geweld op den grond, en de stukken der courant, die zij tot een bal ineenwringt, omhoogheffende, zweert ze dat ze niet rusten zal totdat ze zich op het monster zal hebben gewroken!
't Was geen tooneel-effect het plotseling vervloeien van Rosa's woedenden blik tot een uitdrukking van verrassing, bij een snel gerezen vermoeden.
Tot nog maar kort geleden heeft Rosa â zonder er echter veel over na te denken â gemeend, dat couranten-artikelen doodeenvoudig door courantiers worden geschreven; door menschen die van alles verstand hebben, die overal â zelfs op een kermisavond in alle spellen te golijk kunnen zijn, en natuurlijk vrijkaarten krijgen. Zij had wel zeer dikwijls van omkoopen en handen-stoppen gehoord, maar is zelve nooit in iets dergelijks betrokken geweest, en heeft dan ook den lof, die haar voor 't meerendeel door Baars was thuisgebracht â het minder aangename had de vriend haar slechts in
150
TOONEE19PELER9.
den laatsten tijd zoo ongezocht eens in handen gespeeld â als een haar rechtmatig toekomende hulde beschouwd, en zich er mee vergenoegd, zonder zich om den persoon die hem zwaaide te bekommeren. In dien laatsten tijd was dat anders geworden, 't Bleek reeds dat, sedert Rosa werkelijk critiek had gelezen â een woord voor vele artisten gelijkluidend met âverguizing en lasterquot; â de âcourantiersquot; die haar immers persoonlijk onbekend waren en dus geen kwaad zouden doen, al geheel in hare verbeelding voor den vijand hadden plaats gemaakt, die het er op toelegde om haar te vernederen en te verguizen. Telkens, en -telkens weder, heeft de naam van den vader harer kinderen haar 't bloed in gisting gebracht. Hij, en niemand anders kon een dier couranten-mannen hebben omgekocht, om dat onbeduidende schepsel tegenover haar te verheffen. Maar ook telkens heeft zij dat denkbeeld met geweld van zich afgestooten. Neen, tot zulk een verregaande laagheid zou de man, dien zij eens zoo liefhad, toch niet in staat zijn: lichtzinnig mocht hij wezen; een voorbijgaande bekoring mocht hem in haar netten hebben verward; maar, de stem, die hem duizendmaal trouwe liefde heeft gezworen, zal hij niet als hondengejank aan de algemeene verachting prijs geven. â Wie dan? â Reene? Dat zachte kind? â Ha! alsof Rosa zelve niet weet, dat men zich op 't lieftalligst kan voordoen; en, dat men geen rollen op een tooneel zal vervullen, indien men niet in 't dagelijksch leven een rolletje spelen kan.
Maar nu! Hoe heeft zij dat schaap kunnen verdenken; hoe is het mogelijk geweest dat tot heden nog geen oogenblik de werkelijke schrijver van dat tergend artikel haar in de gedachte is gekomen! Straks nog heeft zij aan dien jongen âkunstbeschermerquot; gedacht, toen zij die flauwe loftuiting op haar spel, als Marie in De Schipbreuk van de Medusa herlas.
âMijn God, hoe kon ik zoo dom zijn!quot; zegt Rosa overluid: âwie anders dan die jonge kwibus met zijn versleten Medusa-compliment, heeft zich door geld het recht verschaft om mij te vernederen, ten behoeve van het kind, dat hem op dien on zaligen avond het hoofd op hol bracht. O God, ik dank u. Nü weet ik ten minste dat mijn Casper onschuldig aan die laagheid is. â âHa âjonkerquot; Van Oudenolm! ten koste van mi)n geluk en mijn roem zoekt gij dat kind voor u te winnen. Wij zullen zien wie in 't eind de vernederde wezen zal.quot;
En terzelfder tijd dat Rosa Brons met vlamnienden blik op de middelen peinst om den jongen Van Oudenolm krachtig te doen
151
ToóneelspelMS.
gevoelen, hoezeer hij zich door die critiek verachtelijk heeft gemaakt, op dat zelfde oogenhlik zit Jacob Martin, bij tante Lindeman op de punt van zijn stoel, en heeft er al een uur gezeten, en al acht kopjes thee gedronken eer hij de opmerking waagt: dat hij in een der Hollandsche couranten met zooveel plezier heeft gelezen, hoe Floortje door haar eenvoudig natuurlijk spel, avond op avond in de hoofdstad den meesten bijval geniet.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN PLEEGVADER.
Ternauwernood had Rosa Brons den tijd om haar Gedenkboek en de straks tezaamgewrongen courant in de secretaire te werpen en die te sluiten, alvorens een persoon, wiens tred op het portaal was vernomen, het hoofd om den hoek der kamerdeur stak.
De hoop, die vluchtig bij 't vernemen van dien voetstap in Rosa's oog heeft geschitterd, maakt aanstonds plaats voor teleurstelling, zichtbaar in het fronsen van haar donkere wenkbrauwen, nu zij in stee van haar Casper, nog in dit laatste uur vóór middernacht baar pleegvader aan den ingang bespeurt.
âIk zag dat er nog licht op de voorkamer was,quot;' zegt Brons terwijl hij binnentreedt, en tooneelmatig rechts en links ziet, alvorens de deur te sluiten: âJe bent alleen, dat weet ik, want sinjeur is na de voorstelling weer den anderen kant opgegaan, en ik weet ook dat je nog altijd te preutsch blijft om te toonen dat je niet om hem verlegen bent.quot;
,Vader, ik verzoek je er aan te denken dat in die kamer, daar, mijn kinderen slapen,quot; zegt Rosa met een bijzonderen klemtoon op het voorlaatste woord.
,Jawel, ik zal ze niet wakker maken,quot; herneemt Brons nader-komende, terwijl hij zich in een armstoel nabij de kachel zet, en met de opmerking dat het hier ook niet warm is, het bijna uitgedoofde vuur oppookt en van nieuwe brandstof voorziet.
, Rosa had van die kou niets gevoeld; bovendien 'twas tiid om
152
TOOUEELSPELEUS.
naar bed te gaan, en ze wilde dus wel gaarne weten wat den man nog zoo laat deed aankomen.
,Juist omdat je overdag de kinders en eeuwig de oude Neel over den vloer hebt, ben ik wel gedwongen om na de voorstelling te komen als ik een fatsoenlijk woord met je spreken wil. â Heb je rum of cognac?quot;
âNeen,quot; zegt Rosa kortaf. â Voor wien zou ze rum of cognac hebben indien Baars des avonds geen grogje meer dronk.
âGeef me dan een kop warme koffie. Ik zal je toch wel een kop koffie waard zijn. Watblief?quot;
Rosa antwoordde niet, maar schelde, en verzocht aan de oude Neeltje, om achter 't water wat op te stoken, en voor mijnheer Brons een kop koffie te zetten.
Inmiddels heeft de regisseur een brief uit zijn portefeuille te voorschijn gehaald, en als Neeltje vertrokken is, geeft hij Rosa den brief met de woorden: âWaarachtig, als ik je eigen vader was dan kon ik niet meer voor je doen dan ik altijd en ook nu weer gedaan heb.quot;
âVan den baron?quot; zegt Rosa, terwijl ze met een blik vol verachting het adres beziet. En dan, zonder het couvert te openen, doet ze een haastigen tred naar de kachel, en werpt den brief in het vuur.
âHemel! kind, ben je razend!quot; roept Brons, terwijl hij aanstonds met den pook vruchteloos beproeft om den brief te redden: âDe inhoud is van het grootste belang. Ik weet wat er in staat; ten minste wat hij van plan was te schrijven, ja dat weet ik!quot; en Brons grijpt de tang en doet hiermee een vernieuwde poging om het reeds bruin geschroeide epistel te vermeesteren. â Ha! Brons heeft den brief met de tang gevat; doch, op 't zelfde oogenblik zou zijn hoop met recht in rook verdwijnen, want eensklaps sloeg de brief in lichterlaaie en stak zelfs tot buiten de kachel een sarrende vuurtong tegen hem uit.
âJe bent een uilskuiken; een onverstand!quot; herneemt Brons met een wanhopigen blik in het vuur: âWat er in den brief zwart op wit stond, dat was zoogoed als een certificaat, een kredietbrief, een contract. Dom, ellendig dom ben je Rosa; zoo'n partij doet zich je heele leven niet meer voor. Die Baars is ons ongeluk!quot;
âZóó! ons ongeluk!?quot;
âJa, als zijn valsche tronie je niet al zes zeven jaren een rad voor de oogen had gedraaid, dan zou je misschien al lang de wettige vrouw van mijnheer More, een rijken kolonels-zoon zijn geweest;
153
TOONEELSPELERS.
en als de schaamtelooze eedbreker je niet in een ziekelijke be- {
goocheling hield, dan zou je nu ten minste naar goeden raad luisteren.quot; {
âEi, goeden raad! En die is?quot; 1
âJe houdt je dom Roosje, maar zoo waarachtig als ik je van lt;
klein kind af aan heb liefgehad----quot; â Om 't voordeel, dat ik al 1
spoedig zou aanbrengen, denkt Rosa â âzoo waarachtig is er nooit !
een mooier kans op geluk en voordeel geweest dan nu. De brief,
dien je daar zoo roekeloos hebt verbrand, bevatte niets meer of lt;
minder dan 'tgeen ik met den baron heb afgesproken. Geheimhou- ' ding, onvoorwaardelijke geheimhouding, dat is het eenige, wat hij verlangt. Niets dan de tegenstand van een paar volwassen zoons
en dochters weerhoudt hem om je voor 'toog van de heele wereld l
tot vrouw te nemen.quot; i
âO, was dat de reden! Nu, dat laat zich hooren,quot; zegt Roaasnel, ]
terwijl ze naar de deur der slaapkamer ziet. I
âNietwaar, de reden is zoo klaar als de dag? Als zulke volwas- lt;
sen kinderen den man beginnen te plagen, dan zou jij zelfs niet ]
in staat zijn om hem het leven genoeglijk te maken. Zie je, daarom i
had hij maar twee eischen: Liefde en discretie. â Stil maar Roosje, '
ik weet en begrijp alles; nu zelfs nog beter dan toen we laatst een i
beetje driftig werden. Jawel, 't zou mogelijk kunnen zijn dat ' Baars je later nog weer in genade aannam. En dan die kindertjes,
je allerliefste kindertjes nietwaar? Ik begrijp het; maar je moet de i
zaak ook van den anderen kant bekijken----Watblief, zei je wat?quot; I
âNiemendal. Van den anderen kant....?quot;
âLaat me de waarheid zeggen Roosje: Zelfs de braafste man van i
de wereld keert niet tot een oude liefde terug als hij er eens van verzadigd is.quot;
Rosa siddert inwendig, maar zwijgt.
Brons, aangemoedigd door die kalmte, zoo geheel in strijd met Rosa's eerste heftigheid, vervolgt met overreding:
âWat jij blijft hopen kind, dat is precies zooveel waard als 't geen ik hier van mijn hand blaas â phht! Heeft hij in vier weken een voet over je drempel gehad? Heeft hij naar je engelen van kinders omgezien? â Vertrappen, wil hij je; niet slechts als vrouw, maar ook als kunstenares. â Denk je nog misschien dat ik zoo spreek uit persoonlijken haat tegen den schoelje?quot;
âSchreeuw zoo niet, de kinders slapen!quot; valt Rosa eensklaps in, met een stem die Brons vluchtig doet opkijken. Doch, haar gelaat is in de effen plooi, en hij kan dus vervolgen:
âDenk dat niet Roosje, want al lang zou ik mijn eigen weg zijn
154
TOONEELSPELERS. 155
B- gegaan, indien ik niet voor jou belang te waken had. Ik moest
geen man zijn, en niet weten wat ik indertijd met mijn publiek heb gedaan, wanneer ik een tergend slavenleven als waartoe deze ,n directie mij vernedert, niet lang reeds moe was. Maar ik duldde en
il verdroeg het alles om jou Roosje.quot; â Natuurlijk, denkt Rosa, want
it alleen om mijnentwil heeft men al je flaters door de vingers gezien,
f, â âMaar nu loopt de maat over,quot; vervolgt Brons: âen jij hebt maar
jf een enkel woord te spreken om die schaamtelooze directie tetoonen
i- dat men zich niet straffeloos mishandelen laat.quot;
ij âEn dat woord?quot;
is âIn den brief, dien je daar zoo roekeloos hebt verbrand, moest
d het staan. Je weet wat ik op 't oog heb. De troep van Stoppelaar
is aan 't zieltogen. Met een tien duizend gulden en versterking van 1, personeel, zou de zaak gered zijn. Zoodra jij ja hebt gezegd Roosje,
ben i k eerste directeur, en zal â natuurlijk met jou bovenaan â i- eens toonen dat iemand, die zijn publiek kent en weet wat een
it publiek op de planken verlangt, nog in staat is om duiten te slaan,
n Ik zal ze toonen,quot; Brons begon nu van tijd tot tijd zijn volzinnen
j, met een vloek te versterken: âik zal ze toonen, dat ik meertooneel
n in mijn pink heb, dan zij met hun beiden in d'r heele lijf. Zulke
it directeurs! Ze binden je de vleugels, en willen dat je vliegen zult.
3, Wat de regisseur gelast als hij de mise-en-scène regelt, 'tis meestal
e alsof het tegen de coulissen wordt gezegd. In den laatsten tijd liep
het den spuigaten uit! In het stuk, dat nu avond aan avond gaat, â natuurlijk alleen omdat er gestookt en geïntrigeerd wordt, en n die Reene een nieuwkoop is â ziet men do zotste dingen gebeuren,
n Die prul van een Heldera draait tusschenbeide maar familiaar den
rug aan het publiek toe. In 't derde bedrijf van dat vod â waarin je hoegenaamd geen verf hebt â gaan ze om de tafel zitten, waar-it achtig alsof ze bij d'r eigen thuis zijn. In de scène van de markt,
loopt alles â op juffrouw Reenes hoogwijzen raad en doordrij-'t ven â door elkaar, alsof er geen publiek in de zaal was; en, zoo
n waarachtig als hier dit kop koffie staat, zoo waarachtig begint dat
â¢s Ploortje al van jij en jou te praten, nota bene tegen d'r zuster die
ir toch precies zoo goed als zij, voor de dochter van een Generaal
k speelt. â O kind, de boel walgt me! Mijn God, heb ik niet de
Aballino-Flodoardo bij Van Hooi gespeeld dat het daverde in de i, tent: Flodoardo!quot; fluisterde Brons door den neus bij wijze van
it extra-representatie; en dan met een geweldig gorgelgeluid: âAbal-
lino!quot; En nogmaals met dezelfde fijne stemschakeering: âAbal-
n , lino.... Flodoardo!quot;
TOONEELSPELERS.
,En dus?quot; vraagt Rosa.
âWatblief----? â Wel, en dus: dat ik meer dan iemand de man
ben, om als acteur-directeur voor het publiek op te treden. Maar, we moeten samenwerken kind, dat wil zeggen, we moeten op geen twee gedachten hinken. Gaan en blijven dat is even onvereenig-baar als haten en liefhebben. Ik zeg je dat we gaan moeten. Wat de lui betreft, die we noodig hebben om 't ontbrekende personeel van Stoppelaar aan te vullen, dat komt in orde. Jij bent nommer één, dat spreekt vanzelf. Mijn persoon, directeur-acteur, dat is drie kun je zeggen. Van de heeren hebben: Wilkes, Tiedeveld en Moda mij hun woord gegeven, mits hooger salaris; van de dames hebben we bruine Bet en de oude juffrouw Lowee. Samen negen personen! Negen personen waaronder wij. Ik lach me ziek,quot; vervolgt Brons, terwijl hij opstaat en zich langdurig de handen wrijft: âLetterlijk ziek, als sinjeur zijn schaapjes telt en een van zijn vroegere lievelingstukken De Herberg in 't Zwarte Woud of De Scherprechter van Livorno, niet meer bezetten kan.quot;
âDus de contracten verbreken?!quot; zegt Rosa, wier gelaatstrekken niet goed te onderscheiden zijn, dewijl zij straks in een hoek der kamer op een causeuze is neergevallen, en de met bloemen beschilderde lampekap de uiteinden van het vertrek tamelijk in 't donkere laat.
âNatuurlijk!quot; zegt Brons: âEen band die me knelt wil ik verbreken; en wat is een contract anders dan een onzinnige band! Wilkes en Tiedeveld hadden bezwaren.quot;
âHoe is 't mogelijk!quot; zegt Rosa.
âNietwaar? Ze meenden dat zoo'n contract verbindend was, en dat ze last met de justitie konden krijgen. Maar ik heb hun die gekheid uit 't hoofd gepraat. Zoo'n contract is een wassen neus, precies als de heele wet; je kunt er gerust de pijp mee aansteken. Ben je dat nu met me eens Roosje?quot;
âDat je er de pijp mee kunt aansteken; zeker.quot;
âO, omdat je laatst op dat stuk wat driftig werdt, was ik bang dat je nog bezwaar zoudt maken. Maar je begrijpt het dus óók. De treiter die je vergeet en vernedert----quot;
âSchreeuw zoo niet!quot; roept Rosa weer met een dreigenden blik.
â Hé! Brons wist waarachtig niet dat hij zoo luid heeft gesproken:
âNeen, ze slapen gerust.quot; herneemt hij, even luisterende, met het hoofd naar de zij der slaapkamer gekeerd; en nog zachter: âIk beweer Roosje, dat jij niet alleen je pleidooi met vlag en wimpel zoudt winnen, maar nog bovendien dat je een eisch tot schade-
156
TOONEELSPELEKS.
loosstelling zoudt kunnen doen. Waartoe ben je aangenomen? Om te spelen nietwaar? Een acteur of actrice gaat een engagement aan om te spelen; om gehoord, gezien en toegejuicht te worden.
En wat d____ dan zeg ik, dat een directie, die je niet laat spelen
â nu al zoolang achtereen, om zoo'n paar onzinnige kamerstukken door hun favorietjes te laten opdreunen â dan zeg ik dat zoo'n directie zich 't eerst aan contract-verbreking heeft schuldig gemaakt. Watblief?quot;
âWatblief?quot; herhaalt Rosa alsof zij 't niet best heeft begrepen.
âWel, dat iedereen me zal toestemmen dat hier de directie haar contract verbreekt,quot; herneemt Brons; en dan op de causeuse toetredende, zet hij zich naast Rosa, en vervolgt â terwijl Rosa eehter schier in 't zelfde oogenblik opstaat om den door Brons verlaten post bij de kachel te gaan innemen; âZie je, van jou besluit hangt nu alles af, Rosa, zoowel mijn directeurschap als de belangen van de anderen, die hier letterlijk armoe lijden. Ja, ik herhaal het Rosa, dat van jou besluit alles afhangt.quot;
,0, ik dacht dat je geheel alleen om mijnentwil....quot;
âWaarachtig, waarachtig kind!quot; valt Brons weer haastig in : âZie je, dat waren maar bijkomende redenen. We zijn het allen eens dat jij moet gewroken worden. En wij zullen je wreken als je niet zwak bent, en toonen wilt dat geen ziekelijk gevoel je weerhoudt om je eer als kunstenares en als vrouw tegenover den eedbreker te handhaven.quot;
â Mijn eer als vrouw wil hij redden! zegt Rosa onhoorbaar, terwijl een blik vol verachting, voor Brons in 't halfdonker verborgen blijft. â Haar eer als vrouw!! Alsof zij op die eer ooit aanspraak heeft kunnen makeu! En, zal hij ooit te herstellen zijn? Zoo even nog moest zij 't vernemen, dat Casper âden anderen kantquot; was opgegaan. â En toch, nu het onwaar is dat hij die lasterlijke critiek heeft geschreven; nu hij onschuldig is, terwijl zij hem zoo vele weken voor den speler van die valsche rol heeft gehouden, o, nu zou het toch mogelijk kunnen zijn dat ook die andere schuld slechts een zeer geringe is. Ja Rosa gevoelt het, van het oogenblik af aan, dat Casper het eerste vriendelijke woord tot Flora heeft gesproken, is zij zelve ijverzuchtig en minder lief, somwijlen zelfs bits en grof tegen hem geworden; Casper zou haar niet verwaarloosd hebben, indien zij hem vaster met haar liefdevolle armen omklemd had; indien â ja, nu gelooft zij het zeker â indien dat kind, die nieuweling, niet een volleerde komediante in 't leven, ja, een slang in duivengestalte ware. â En nochtans, men zegt dat Heldera en
157
TOONEELSPELERS.
Reene elkander beminnen; dat Flora stroef en stuursoh tegen haar directeur is; en dat de reden waarom Heldera zoo plotseling het gezelschap heeft verlaten, wel degelijk door Baars is uitgelokt.
Js het waar dat Heldera geen contract had?quot; vraagt Rosa eensklaps, naar Brons omziende.
âAha, spreek je daarvan Roosje,quot; zegt de regisseur haastig: âJa, dat schelmstuk van den treiter spant boven alles de kroon.quot;
Rosa ziet weer voor zich, en mist op dit oogenblik de kracht om dien man den toon wat lager te doen stemmen. Zij bijt zich op de lippen.
âEi!quot;' zegt ze: âwat deed hij?quot;
âHet rechte zal men er niet van vernemen,quot; antwoordt Brons geheimzinnig: âMen zegt dat het maken van een contract, toen Heldera even voor de reis werd aangenomen, is verzuimd of uitgesteld; maar ik geloof dat het hem op de eene of andere manier is ontstolen. Hoe 't zij, Baars heeft hem op straat gezet, en zonder dat de arme kerel ook maar de geringste schadeloosstelling kon vorderen.quot;
âEn de reden?quot;
âDe reden Roosje,quot; lacht Brons, terwijl hij haar weer nadert: âWel, moet je 't nóg eens hooren wat de reden is geweest?quot;
âNeen, zwijg!quot; zegt Rosa, plotseling vuurrood geworden.
â Welke waarde kan zij hechten aan 't geen die man haar als waarheid vertelt! â Wie is hij; en wat wil hij van haar?
Ter wille van een kleine lijfrente heeft Brons haar, toen ze nog zeer jong was, van een stervende moeder ondar zijn hoede genomen, en gaarne gezien dat het schoone veelbelovende kind, al spoedig met zijn naam de planken betrad. En wat hij begeert? Na eerst de voordeelen van hare liefde voor Casper te hebben genoten â zonder ooit door raad of waarschuwing haar jeugd voor de gevaren, die haar reeds zoo vroeg omringden, te hebben behoed, en 't allerminst voor den lichtzinnigen stap, die haar zoo bitter berouwt â tracht hij thans zich zeiven te wreken en tevens een beter bestaan te verschaffen, door haar te drijven zoowel tot de verbreking van den band, die ha ar steeds heilig was, als van het contract, waardoor ze nog voor drie jaren aan het tooneelgezelschap verbonden is. Maar erger nog: steeds op eigen wraak en voordeel bedacht, zoekt hij haar te bewegen om zich tot het peil der schaamteloozen te verlagen, die uit de laagste drijfveeren haar liefde huichelen, en de liefde onteeren.
Brons heeft zijn pleegdochter eenige oogenblikken stilzwijgend waargenomen.
158
TOONBEIiSPELERS.
â Ai! hij zal het toch nog verliezen, tenzij hij âmet grof geschut er op los gaat.quot;
âRosa,quot; zegt hij met gekunstelden ernst: âals ik zwijgen moet, dan zwijg ik, en zal begrijpen dat je liever vertrapt wordt en van armoede wilt omkomen dan waarachtig gevierd en gelukkig te zijn, én als kunstenares én als de teerbeminde vrouw van een eerwaardig man, wiens geluk slechts jou geluk zal wezen, en die je toekomst voor altijd verzekeren wil. Ik zal zwijgen Roosje, als je werkelijk meent dat de schandelijke behandeling van den man die je bedroog, niet ten volle je besluit zou wettigen; zwijgen, als je meent dat het leven aan de zij van een alom geacht en vermogend man â een baron! â werkelijk iets anders zou zijn dan het leven, 'twelk je reeds zooveel jaren met den trouwelooze hebt geleid....quot;
De stoelleuning, waaraan Rosa zich heeft vastgeklemd, trilt in haar handen. Een schriller toon dan in den nacht toen een onzichtbare mond, in die tuinmanswoning, haar vonnis velde, heeft nu haar oor getroffen. Die man, die pleegvader durft haar zeggen, dat haar verbintenis met Casper, waarvoor hij vroeger zoozeer heeft geijverd â terwijl hij bij Rosa's wederstreven, een zoogenaamd âvrij-huwelijkquot; juist als den modelstaat tusschen man en vrouw heeft verheerlijkt,â dat die verbintenis, â Rosa's heilig verbond â niets anders dan een leven van oneer en verachting is geweest; hij durft haar zeggen, dat de moeder van de kleinen, die daar ginder slapen, gelijkstaat met eene.... die zich verkoopt! O, wat haar kookt in de borst en bruist in het hoofd, dat moest haar dien stoel doen opheffen, om voor eeuwig den mond te doen verstommen, die haar zoo schaamteloos belasteren en hoonen durft.
Maar Goddank! de woedende storm gaat voorbij. Schuldig, ja, schuldig voor God en de menschen zou ze wezen, indien haar hand den ellendeling trof, ofschoon hij haar jeugd ten verderve is geweest en haar nu nog een dolk in de borst heeft gedrukt.
Rosa's besluit is genomen: â Dit zal de laatste keer zijn geweest dat ze dien man in haar tegenwoordigheid heeft geduld. Zijn naam draagt ze niet langer. Zijn persoon veracht ze, zooals ze zijn raad vervloekt. En dan, wanneer zij haar Casper de lagen meldt, waardoor dit wezen hem tracht te benadeelen, en de moeder zijner kinderen te ontrooven zoekt; wanneer Casper 't ervaart dat Rosa's liefde, die hem onverdeeld bleef gewijd, voor geen schatten der aarde te koop is; dat zij een misstap vergeven, ja een afdwaling van den tooneeldirecteur in 't eind zelfs vergeten kan, dan o, dan zal hij haar in zijn armen sluiten en liefhebben als weleer.
159
tooneelspblers.
â Maar hoe! is het een slaug die zijn doodend venijn op haar spuwt? Heeft zij die woorden verstaan; de bedoeling er goed van begrepen ?
âWat, wat heb je gezegd?quot; klinkt het dof van Rosa's lippen.
âWat ik gezegd heb? Mij dunkt ik sprak anders duidelijk genoeg Roosje-lief. Ik heb je gezegd, 'tgeen ieder lid van het gezelschap weet, behalve jij met je blind geloof: In de koffiekamer heeft Baars al sedert acht dagen de felicitaties aangenomen. De blonde Reene is evenwel wat voorzichtiger, dan jij bent geweest. Zonder een huwelijk wilde ze niets van hem weten. Nü evenwel is die zaak in orde: over een paar maanden, zoo moet hij zelfs nog dezen avond gezegd hebben: zou de Bruiloft van Cloris en Roosje in levenden lijve door den directeur vertoond worden; maar, in plaats van het oude Roosje, zou dan een Floortje optreden, een mooi blond duifje, de lust van 't publiek.quot;
Tot het weinige, 'twelk de eerste actrice, ten haren nutte, van den pleegvader heeft geleerd, behoorde de kunst om zonder zich te bezeeren eensklaps als dood, of wel in zwijm tegen den vloer te slaan.
Een pijnlijke snik heeft er geklonken. â Onwillekeurig deed Brons een schrede achterwaarts:
Met het hoofd schier rakelings langs de gloeiende kachel, is Rosa op den grond gevallen, en 't moest den regisseur wel treffen, dat die val voor de eerste maal niet volgens de regelen der kunst heeft plaats gehad.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
in flora's kleedkamer.
Omstreeks een uur vóórdat de regisseur Brons, zich met zijn verachtelijk plan bij Rosa aanmeldde, bevond Flora Reene zich in haar kleedkamer.
Zoo even was de gordijn gevallen, en terwijl de toeschouwers huiswaarts keerden, de lichten in de zaal werden uitgedaan, en de kas in het directie-kamertje werd âafgeslotenquot;, haastte Flora zich met
160
TOOKEELSPELERS.
meer dan gewonen spoed om zich van haar wel wat luchtig Ko-ninginnecostuum te ontdoen, en zich in haar warm winterpakje te steken, 'tls wel noodig geweest dat zij zich, om dezen avond voor 't voetlicht te komen, een weinig rood op de wangen heeft gelegd, want, nu zij zich van dien kunstblos heeft ontdaan, nu behoeft het blauwe glas van den kleinen spiegel haar niet in den waan te brengen dat ze zoo doodelijk bleek is; zij weet en gevoelt het maar al te goed; en de zweetdroppels, die haar ondanks de koude in dit vertrekje alweder op het voorhoofd staan, moeten wel een andere oorzaak hebben dan de vermoeienis van hare rol, ofschoon ze haar dezen avond een bijzondere inspanning heeft gekost.
Juffrouw Comijn â de moederrol â die deze kleedkamer met Flora deelt, en de valsche diamanten, waarmee ze straks heeft geschitterd, nog eens bewondert alvorens ze in haar koffertje te bergen, juffrouw Comijn heeft nu naar Flora gezien en hare bleekheid bemerkt. Al sedert eenige dagen had zij gemeend dfit haar jeugdige gezellin er minder goed uitzag, terwijl Flora's afgetrokkenheid der spraakzame dame mede al lang is âopgevallen.quot;
Onbegrijpelijk mocht het heeten dat iemand, die nog zoo kort op de planken, en toch al â natuurlijk het meest om haar mooie gezichtje â zoo gevierd is, en in alles door de directie wordt voorgetrokken, dat zij niet vroolijk haar rolletjes speelt, en het leven geniet zooals men dat in haar jeugd gewoon was.
'tKind moest zeker een ziekte onder de leden hebben, meende juffrouw Comijn: Ja heel zeker! want als 't zelfs in 't oog valt dat de directeur â zoo'n knap man! â werk van haar maakt, dan is er toch waarlijk geen reden voor bleek worden, tenzij â tenzij die eeuwige tocht hier achter de coulissen het jonge meisje
begint op te breken, of wel----En juffrouw Comijn dacht aan een
zekeren avond op een landgoed, waarvan men destijds nog al gefluisterd had.
âIk geloof toch inderdaad dat u koude hebt gevat,quot; zegt juffrouw Comijn, die, sinds ze de moeder-rollen vervult, van oordeel is dat men in het dagelijksch leven niet minder âgekuischtquot; behoort te spreken dan op het schouwtooneel: âIndien ik u een raad ben verschuldigd juffrouw Reene, dan zou ik u zeker aanraden den dokter te spreken. Wat mij belangt, ik kan er tegen: want als men zijn veertigjarig jubileum al twee jaren achter den rug heeft, dan weet men niet beter of rheumatiek en kiespijn behooren tot het salaris. Wat u echter betreft, u bent nog versch op de planken, en dan avond op avond met zoo'n kou in dat balkostuum te moeten
lil. il
161
TOONEISLSPELEKS.
spelen, 't is u zeker opgebroken. In uw plaats juffrouw Reene, tweefel lt;3
ik er geen oogenblik aan, om den dokier te halen. Als ik u van h
dienst kan wezen? met al mijn hart!quot; h
Juffrouw Comijn heeft bij de laatste woorden niet verzuimd om h
ter aanduiding van de plaats, waar haar hulpvaardigheid zetelde, 1 a
de rechterhand zoo ongeveer in haar linkerzij te drukken. i w
âU bent wel vriendelijk juffrouw Comijn,quot; zegt Flora; en terwijl ' h
ze dit zegt, duurt de inwendige strijd nog voort, die haar nü eens v
doet besluiten om juffrouw Comijn haar vertrouwen te schenken, en ]lt;
dan weder als met geweld weerhoudt, ten zeerste beducht dat de o
algemeen bekende goedheid van juffrouw Comijn â waardoor w
deze ook in hare jeugd maar zelden iets weigeren kon â zich aan- si
stonds verder zal uitstrekken dan tot het welslagen van haar plan tlt;
noodzakelijk ia. w
Nochtans de nood dringt Flora om een haastig besluit te nemen. g
Hoe ontelbare malen heeft de catechisatie-les van den goeden dominee b
Pelser: âLiefde denkt geen kwaadquot;, haar reeds weerhouden om als k
zeker te brandmerken wat ze bijna niet gissen durfde. zi
Had Flora reeds vroeger doch vluchtig den indruk ontvangen, o]
alsof de vaderlijke zorgen van Baars nog iets anders bedoelen dan g het volbrengen van de beloften, die hij ook aan tante Lindeman
heeft gedaan; na de terugkomst van de kunstreis, is er gedurende ti
de eerste weken volstrekt niets gebeurd wat de gewekte vermoedens ti
ook slechts in 't geringste kon voeden. Integendeel; ofschoon de g
directie voortdurend getoond had Flora's spel te waardeeren, daar- gi
door misschien zelfs wel eens wat veel van haar krachten heeft ge- v;
vergd; ofschoon zij haar bovendien geheel uit vrije beweging een di
cadeau voor extra toilet heeft toegekend, de beleefdheden van hi
Baars hadden zich niet herhaald. Waarschijnlijk, zoo meende Flora, m
heeft de directeur zoodra hij de nauwere betrekking vermoedde, die dlt;
er tusschen Heldera en haar was ontstaan, het minder kiesch ge- ze oordeeld om zich nog verder met de kleine zorgen te belasten, of
attenties te hebben waarop een ander nu meer recht had; zorgen di
en attenties die, helaas, op valsche aanblazing van anderen, vroeger oi
ook van haar een liefdeloos oordeel over hem hebben uitgelokt. vi
Op den dag zelfs dat Heldera met een gloeiend hoofd aan zijn v(
dierbare Flora heeft medegedeeld, welk een allerschandelijkste be- zi
jegening hij van den oudsten directeur heeft ondervonden, â om dt
geen andere reden dan dat hij zich beklagen durfde gedurende de h:
drie maanden, dat hij zich bij het gezelschap bevond, nog bijna in
162
geen vrijen avond te hebben gehad, terwijl aan anderen een eeuwig- ki
I
TOONEELSPELEKS.
durende vacantie scheen gegund, â op dien dag, toen Heldora haar tevens, als 't gevolg van een hooggeloopen twist, heeft verhaald dat hij nog heden het gezelschap ging verlaten, te meer dewijl het maken van een contract in de pen was gebleven en Baars zich alzoo door niets gebonden rekende; ja zelfs toen Heldera haar alles wat hem op 'thart lag; alles wat hij van plan was, en tevens wat hij wenschte dat ook Flora zou doen, er bijvoegende dat de haat van Baars geen anderen oorsprong kon hebben dan in de liefde, die Flora hém toedroeg, toen nog heeft Flora zich verplicht gevoeld om den geliefde tot een ,rechtvaardiger oordeelquot; te stemmen. Naar waarheid kon zij getuigen, dat de directeur steeds met den hoog-sten lof van Heldera heeft gesproken. Immers sedert men âin stadquot; terug was, heeft hij bij onderscheidene gelegenheden, in haar tegenwoordigheid, dien lof vermeld, en eens zelfs in 't bijzijn van anderen gezegd: âJa, als Heldera en juffrouw Reene in de rollen van Wil-bert en Rolande samenwerken, dan is er zeker niemand, die ontkennen zal dat ze een volmaakt paartje voor 't heele leven zouden zijnquot;; een gezegde, 'twelk tevens op 't duidelijkst deed zien dat die opvattingen, zoowel van nu als van vroeger, zonder grond zijn geweest.
Hoewel Flora er niet in geslaagd is om den vriend haar optimistische beschouwingen te doen deelen, Heldera's onbegrensd vertrouwen op de onwankelbare liefde van zijn Flora, wier reine beginselen hem reeds bij een eerste ontmoeting zoo levendig hebben getroffen en aanstonds de teerste genegenheid voor haar deden opvatten; dat onwrikbaar geloof aan Flora's trouw, heeft hem al spoedig doen besluiten om het lieve talentvolle kind niet al te zeer in haar waan omtrent den adel van het menschdom te schokken, maar tevens om haar de noodige voorzichtigheid aan te bevelen, dewijl hij, straks van haar gescheiden, niet meer zou kunnen waken zooals hij tot nu toe gedaan heeft.
De beleefde maar overigens zeer teruggetrokken houding van den directeur tegenover Reene, ook nadat Heldera zoo plotseling was ontslagen, heeft Flora nog in hare meening omtrent den directeur versterkt: Baars wist immers dat zij Heldera genegen was, en gevoelde natuurlijk dat het gebeurde haar zeer onaangenaam moest zijn. Ofschoon het nu waar bleef dat de directeur ten opzichte van den âeersten minnaarquot; schandelijk ondankbaar en onrechtvaardig had gehandeld, men moest toch ook erkennen, dat zijn, nu vooral in 't oogloopende koelheid jegens haar, het bewijs gaf van zijn kiesch gevoel. â Wie weet â zoo heeft Flora gedacht: wie weet
163
164 TOONBKLSPELBRS.
of er ook in die koelheid, dat zichtbaar ontwijken van mij, niet z
de stille bekentenis van zijn onrechtvaardige handelwijs ligt, en n terwijl hij schuld gevoelt, maar tevens het gemis van den goeden
acteur bij 't gezelschap ondervindt, wie weet hoeveel hij er voor h
zou geven indien ik hem, in 't belang van den wel wat driftigen z
Herman, eens een vriendelijk woordje wilde toespreken. I t;
Nochtans, toen Flora dit denkbeeld zoo terloops tegenover den n
geliefde heeft aangeroerd, toen heeft Herman haar terstond op 't n
dringendst vermaand om er geen gevolg aan te geven. Neen, hoe- 'i
wel hij niet zonder moeite er in geslaagd was om tusschentijds een v
engagement voor gastrollen te bekomen, en nu voor eenigen tijd o de stad en zijn dierbare moest verlaten, hij mocht het toch een
ware triumf noemen den barribal te kunnen toonen dat hij Goddank v
nog niet â zooals Baars beweerd had: van honger behoefde te tl
sterven indien deze directie hem âglijen lietquot;. s
En Flora heeft haar vriend omzichtigheid en nogmaals onwankelbare trouw beloofd; en, met weemoed in 't hart maar volkomen r gerust, heeft Herman de hoofdstad verlaten. \ Sedert Heldera's vertrek was voor Flora de zon uit haar wereld d verdwenen. s De vroeger wel eens vernomen, zoo kwetsende âaardighedenquot; t over dat verblijf op DenDriellaert â waaraan Herman echter l met kracht een eind heeft gemaakt â hadden zich sedert zijn ver- z trek al spoedig herhaald, en hebben het bitter krenkend gevoel, s door den geliefde destijds tot rust gebracht, weder op 't pijnlijkst i gewekt.
De acteur Van Deene, die vooral om zijn kunstopvatting in den j
beginne haar vriend en raadsman was geweest, lag nog steeds te j
Arnhem met het been in 't kussen; en 't bleef zelfs de vraag 2
of hij de tooneelloopbaan niet voor altijd zou moeten vaarwel 1 zeggen.
Met Heldera was echter niet slechts Flora's eenige vriend en 1 beschermer, maar ook haar eenige geestverwant in de kunst, van { 't gezelschap vertrokken. Had het haar bij 't vervullen van de rollen, e die zij voor 't meerendeel met hém heeft gespeeld, tot heden aan 1 ijver noch lust ontbroken; sedert men in Hermans plaats een in- 1 1 dividu had gesteld, die zijn carrière als omroeper moest gemist £ hebben, en men bovendien een paar onzinnige stukken in studie { heeft gegeven, waarvan het laatste een hoogst onzedelijk karakter s had, nu moesten Flora wel meer dan ooit de waarschuwende stemmen in herinnering komen, de profetiën van teleurstelling, waarnaar 1
I
1
TOONEELSPELEES. 165
t zij bij 't kiezen van haar loopbaan â en zij meende met reelat â
a niet heeft geluisterd.
i Volhouden! is Flora's leuze geweest; en volhouden het zou
r haar wachtwoord blijven. â Al walgt zij van de ellendigheid, die
a zij reeds sedert eenige avonden als koningin Pomelano, in het spek-
l takel-mirakel-stuk; Lot en Job of de Reis naar 't Oosten j ' moet teruggeven, men kan, met het oog op een voor 't meerendeel t minder ontwikkeld publiek, nog vrede met dat product hebben;
i- 't geeft eens een vroolijker kijkje, en 't kan er mee door, vooral
i wanneer men de artisten heeft overreed om zooveel mogelijk de 1 onkiesche uitdrukkingen achterwege te laten.
ii Flora wist niet dat de bedoelde passages, in weerwil van haar zoo t welwillend gedaan verzoek, des avonds wanneer zij niet op het too-b neel is, op sterk aandringen van den regisseur Brons, juist met het
schitterendst succes gedebiteerd zullen worden.
Met die Reis naar 't Oosten meende Flora, kon men alzoo i nog vrede hebben, vooral indien het waar is, 'tgeen men be
weerd heeft, dat in den laatsten tijd de zaal bij het opvoeren van i de stukken, waarin zij met Heldera zooveel succes heeft gehad,
slechts kunstmatig zoo tamelijk bezet is gehouden, en zij toch moet toestemmen dat een directie van leege zalen moeielijk haar artisten r betalen kan. 't Zij zoo! Doch met al de kracht die in haar is,
zal zij protesteeren tegen de opvoering van het stuk, dat nu in , studie komt, en waarin zij in de walglijkste scènes zou moeten
t meewerken.
Sedert de oudste directeur den omgang met haar zoogoed als i geheel heeft afgebroken, gaf hij ook niet meer aan zijn âkleine
0 professorquot; vooraf de stukken, die men zou opvoeren ter inzage, ; zooals hij vroeger een paar malen gedaan had. â Na de eerste
1 repetitie van Mathilda of de verborgenheden van de City â veelal is zulk een repetitie de eerste kennismaking van de
i artisten. met het stuk als geheel â na die repetitie, nu twee dagen
i geleden, heeft Flora aanstonds het plan opgevat om Baars te gaan
, spreken. Hermans achterdocht moest Flora wel hoe langer hoe
i meer aan een weinigje jaloezie toeschrijven, want de directeur heeft
1 haar immers, na Hermans vertrek nog geen enkel woord toege-t sproken. Baars â zoo meende Flora, was toch iemand met een
3 gezond oordeel, en in den beginne heeft hij altijd met de meeste
r sympathie geluisterd, wanneer zij hem bescheiden haar meening
heeft gezegd, of ook haar beschouwingen over de kunst met warmte r had verdedigd. Baars was inderdaad vroeger steeds een goed-
166 TOONEELSPELEUS.
aardig man geweest, en het leed geen twijfel of het verzoek om d
het stuk niet te doen opvoeren, of althans om een ander met haar z
rol te heiasten, zou hij niet durven weigeren, te minder dewijl hi) g
vroeger ook aan tante heeft beloofd, om Floortje slechts in goede i
zedelijke stukken te doen optreden. t
In het directie-kamertje had Baars «juffrouw Reenequot; vriendelijk , g
maar toch met zekere koelheid ontvangen. Hij heeft haar verzoek d
vernomen, en, zijn bevreemding te kennen gegeven dat juffrouw h
Reene aanmerkingen op een stuk maakte, dat in Parijs meer dan e
tweehonderd opvoeringen had beleefd; hij heeft het stuk niet ge- s
lezen, maar op recommandatie van Kogel, die het in Parijs gezien g
had, was het op 't repertoire gebracht. De directeur hield zich a
echter te zeer van juffrouw Reenes goed oordeel overtuigd, dan b
dat hij zou durven tegenspreken dat er niet het een of ander in te t
vinden zou zijn 't geen meer Fransche dan Hollandsche toestanden \
weergaf; en 't slot der samenspreking is geweest, dat Baars, omdat o
hij nu waarlijk geen tijd had, dien zelfden avond na afloop van de I
voorstelling, gaarne juffrouw Reene bij zich zou ontvangen, om met I
het stuk in de hand, nader haar bezwaren te vernemen, of wel, lt;]
dat hij zich ten harent zou vervoegen indien haar zulks aangenamer mocht zijn.
Toen is de tweestrijd begonnen. â Maar zij heeft den directeur ontvangen. â Waarom zou ze het niet gedaan hebben?
En de vaderlijke toon, waarop Baars nu als voorbeen had gesproken, heeft haar niet slechts gerustgesteld, maar ook voor een oogenblik het leed doen vergeten 't welk hij Herman, en met hem ook haar heeft berokkend. Streelde het haar misschien dat de veertigjarige directeur naar de opmerkingen van de jonge actrice wilde luisteren? â Met het manuscript voor zich, heeft zij naast den directeur gezeten. â⢠Zij zou hem de passages voorlezen, waarop zij in 't bijzonder het oog had.
Maar neen, toen ze beginnen zou, en hij haar in afwachting heeft aangezien â gewoon, heel gewoon â toen heeft zij toch niet kunnen, niet durven lezen. Hoe was het haar in de gedachte ge- 1
komen om ze voor te lezen aan den man voor wien Heldera haar j
gewaarschuwd had. I :
Flora heeft gevoeld dat het bloed haar gedurig naar 't voorhoofd steeg. â Met den vinger heelt zij een paar volzinnen aangeduid i
die de directeur âliever zelf maar lezen moestquot;. De scènes waar het vooral op aankwam, neen, ze heeft ze zelfs niet kunnen opslaan. â Hoe! heeft ze straks in haar verwarring moeten toestemmen,
I
TOONBELSPELEHS. 167
i dat, wanneer het schouwtooneel een spiegel van den tijd behoort te
r zijn, en men in de achterbuurten eener groote stad zulke dingen
) gebeuren ziet, dat ze dan â volgens die leer, ook aan het volk ver-
' toond moeten worden? Neen, ze gelooft toch niet dat ze het heeft toegestemd. Maar de strijd is toen heviger geworden. De vaderlijke
^ , goedheid van Baars heeft haar al spoedig benauwd. Wat hij woor-
é delijk heeft gezegd dat weet zij niet meer, maar in hoofdzaak heeft
' hij getracht haar voor de meening te winnen, dat men steeds onedel
i en slecht noemt, 't geen men in zijn jeugd als zoodanig leerde beschouwen. Zij heeft hem hooien spreken van de uiteenloopende be-
i grippen over huwelijkstrouw en zedelijkheid, waarbij hij Salomo
i aanhaalde met zijn gemalinnenstoet, en keizers en koningen en
i beroemde maltressen â voor 't raeerendeel aan Baars slechts uit
) tooneelstukken bekend â om aan te toonen dat de denkbeelden
i van dominees en pastoors en catechiseerjuffrouwen nog niet zoo
t onvoorwaardelijk als heilig behoeven beschouwd te worden. Wat
i Flora in dat stuk onkiesch en zedeloos noemde, het was â volgens
t Baars â het leven; misschien wel het leven zooals de natuur
, den mensch leert dat men het leven waardeeren en ergo genieten
: moet. Kniezen en klagen, en zich zelf het goede der aarde, de
vreugd des levens onthouden in stee van de roos te plukken die : men vindt, het zou met evenveel recht een opstaan tegen den
Schepper kunnen genoemd worden. Dat de passage in het stuk, waar Flora zich een weinig moest ontkleeden, haar in den beginne i wat ongewoon is voorgekomen, Baars heeft moeten toestemmen
i dat het te begrijpen was. Uit de school van een tante Lindeman
i â allerbeste charmante vrouw â was het zelfs zeer goed te
i verklaren; maar bij een weinig nadenken zou Flora zelf erkennen,
; dat het inderdaad niets te beteekenen heeft. De gewoonte om
i zich, desverkiezende in ieders bijzijn, van mantels, sjaals en allerlei
overkleederen te ontdoen, brengt niemand op het denkbeeld om het ; in strijd met die hooggeroemde goede zeden te noemen, terwijl het
: eenvoudig afleggen van een paar bovenkleedingstukken onwelvoeg
lijk zoude zijn! Neen maar, 't was al te bespottelijk, heeft Baars gelachen, en immers, juist het tooneel was de geschikte plaats om I zulke vooroordeelen met kracht te bestrijden.
Flora had eens, toen ze nog bonne op Hounaer was â bij regen en wind een nat geworden vuurwerk zien afsteken. De donkere lucht, de jagende wolken, het sissen van 't vuur, nu eens rechts en dan weer links uitspattende, plotseling verdoovende, en dan telkens weer een slag die haar schrikken deed; dat mislukte vuurwerk is
TOONEELSF'ELEIiS.
haar onwillekeurig voor den geest gekomen, toen Baars nog steeds zijn liberale beginselen ontwikkelde, doch zij niet meer wist wat hij zeide.
Ja toch, in 't einde heeft Flora weer moeten luisteren. De naam van Heldera had hij genoemd. Het deed den directeur werkelijk leed dat de verregaande drift van den talentvollen acteur hem had gedwongen om bij het eens gesproken woord te volharden; maar, indien het Flora aangenaam kon zijn, dan zou Lij trachten zijn compagnon te bewegen om Heldera tegen 't volgende najaar opnieuw aan 't gezelschap te verbinden. Juffrouw Flora moest intus-schen weer het oude vertrouwen in den vriend stellen, die het waarachtig altijd zoogoed met haar heeft gemeend, en nu gaarne het manuscript zou meenemen, om haar dan morgenavond na de voorstelling te komen zeggen, in hoeverre de directie aan de gemoedsbezwaren van het âlief talentvol professortjequot; een weinig kon te gemoet komen, en óók, welk besluit men ten opzichte van Heldera genomen had.
Juffrouw Comijn heeft reeds eenige oogenblikken op Flora's mede-deeling gewacht.
't Moest toch zeker iets zeer bijzonders zijn 'twelk het meisje kwelt, meent de dame, terwijl zij Flora ziet aarzelen, en haar straks zich haastig ziet omwenden ten einde een snel gerezen traan te verbergen.
â Och, juffrouw Comijn begrijpt het! Hoe is 't mogelijk dat ze er niet aan gedacht heeft.
âHeb je geen bericht van hem gehad, juffrouw Reene?quot;
Op dit oogenblik denkt Flora aan niemand anders dan aan den directeur, die haar straks zal komen bezoeken, en levendiger nog dan te voren herinnert zij zich den zonderlingen gloed in zijn oog, toen hij haar den vorigen avond goeden nacht wenschte; en voelt zij weer dien handdruk, waaraan ze zich slechts met moeite ontworstelen kon, terwijl zijn raad bij 't afscheid gefluisterd, haar nogmaals het bloed naar de wangen jaagt.
âEen bericht? Neen,quot; zegt Flora snel: âWeet u dat er een is! Dat hij niet komen zal misschien?quot;
Juffrouw Comijn begrijpt nu dat ze zich niet vergist heeft. Ja, zoo gaat het in de wereld!
âOch mijn lieve juffrouw Flora, je doet het verstandigst om je die dingen niet aan te trekken,quot; zegt ze op bijzonder goedbartigen toon: âDe mannen zijn niet anders; en bij het tooneel is dat zoogoed als een vaste bal. Als ze er zijn, dan zijn ze er, maar als ze
168
tooneelspeleks.
weerom zullen komen, dan, och! leer me de mannen niet kennen, juffrouw Reene!quot;
âMaar hoe weet u dat hij komen zou?quot;
âM'n lieve kind, dat heeft hij toch zeker beloofd?quot;
âJa, en nu zou hij schrijven dat hij niet ...?quot;
âMijn beste juffrouwquot;, valt de moederrol haastig in: âik weet niets, of eigenlijk, ja wel, ik weet heel veel. Ik weet dat u op alles moet bedacht zijn.quot; â Flora luisterde met de grootste verbazing: ,U begrijpt dat zoo'n man hoe goed hij ook wezen mag, toch man blijft, nietwaar? Vraagt u mij of hij u liefheeft, dan zeg ik ja!quot; â Flora voelde haar knieën knikken: âJa, lief heeft hij u zeker; maar, weerkomen? Och lieve juffrouw, als ik naar eigen ervaring mag spreken; als ik aan Rubensee, Vethof, Willems en nog een menigte anderen denk, dan zeg ik: zoek hem zoo gauw mogelijk te vergeten, want, vandaag zal hij u trouw zweren, en morgen doet hij het een ander. Och, ze krijgen er op het tooneel zoo den slag van. Bovendien, mijnheer Heldera is een mooi en knap jonkman; en bij Van Schoor, waar hij nu gastrollen speelt, is Mina Huisvliet; en dat hij vroeger heel groot met haar was en daarom nu wel naar dien troep wou, zie je d at weet de heele wereld.
Op hetzelfde oogenblik waarin het Flora duidelijk wordt dat zij met juffrouw Comijn een mal-apropos heeft, en ze bij de laatste mededeeling der moederrol, het hart als ineen voelt krimpen, op dat zelfde oogenblik wordt er een zacht getik op de deur vernomen, en neemt âde vaderlijke vriend Baarsquot;, nadat hij even om den hoek der deur heeft gezien, de vrijheid om het vertrekje binnen te treden, zijn vrijpostigheid verontschuldigende met de woorden:
âGeen belet. Neen neen, ik begreep wel dat de dames klaar zouden zijn.quot;
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
een zware kol.
't Was Flora alsof een onzichtbare hand haar zonder ophouden de wreedste slagen toebracht. Schier in hetzelfde oogenblik dat die
169
TOONEELSPELEKS.
altijd goedaardige dame haar den dierbare als een ontrouwe afschildert, staat daar op 't onverwachtst de man dien ze ontvluchten wilde.
Ontvluchten, ja, dat was sinds den vorigen avond haar plan geweest, een plan 't welk echter eerst in ditzelfde oogenblik tot rijpheid is gekomen. Straks, zelve nog in tweestrijd op welke wijze zij 't best de gevaren, die haar zeker bedreigden, ontwijken kon, had zij geaarzeld om der oudere gezellin haar bezwaren mee te deelen, en behalve haar raad, ook haar hulp te vragen. Zij vreesde niet zonder grond, dat, al mochten juffrouw Comijns begrippen van eer en deugd ook met de hare overeenkomen, de onbegrensde goedhartigheid dier dame zich ook terstond het lot van den directeur zou aantrekken, en dat een nachtverblijf onder het dak der moederrol haar alzoo nog geenszins zou vrijwaren voor de vreeselijke dingen, die haar zelfs met angst hebben vervuld toen ze nog maar kort geleden in haar onbeduidende rol het publiek tot lachen dwong.
Flora heeft te veel wereldkennis opgedaan om bij 't onverwachts binnentreden van den directeur niet aanstonds te beseffen, dat zij haar ontroering beheerschen, en zelfs den schijn van eenig wantrouwen geheel vermijden moet.
âNu geloof ik zonder grootspraak een pluimpje te hebben verdiend,quot; zegt de directeur, die sedert den vorigen avond in de grootste onrust heeft verkeerd of Flora mogelijk argwaan kon hebben opgevat, en misschien maatregelen zou nemen die zijn vurigsten wensch voor altijd moesten verijdelen. Ja, die vrees heeft hem zelfs gedreven om Flora gedurende dien ganschen dag zooveel mogelijk in 't oog te houden, terwijl hij zich nu, na het eindigen van de voorstelling, met een vigilante bij den uitgang der artisten op wacht heeft geplaatst, ten einde haar met voorwending van een geweldige gladheid der straten, van zijn goedheid te overtuigen.
âJa, ik heb waarlijk een pluimpje verdiend,quot; herneemt de directeur: âwant ik verzeker je dat het een toer was om met die gladheid, zoo op stel en sprong een rijtuig te krijgen. Er zijn heel wat bals en partijen van avond, en bij de Duitschers moet het, met dat zoogenaamde wondertalent â allemaal Duitsche wind â ook weer een file van belang zijn. Maar, onze koningin Pomelano mocht er niet door lijden; en bovendien het publiek zou ons met recht van de grofste nalatigheid beschuldigen als we niet voor haar gezorgd hadden.quot;
âKomt u ons met een rijtuig halen?quot; zegt Flora, die met de grootste moeite haar aandoeningen beheerscht.
170
TOONEELSPELEKS.
Ons!? â O wee! Op de moederrol had Baars niet gerekend. Nochtans haar aanziende, zegt hij snel:
,Natuurlijk, natuurlijk! 't Zal mij bijzonder aangenaam zijn onze waarde mevrouw Comijn mede naar huis te mogen brengen.quot;
De moederrol glimt van voldoening; de vriendelijkheid van den directeur, die haar tevens met den titel van Mevrouw vereert, heeft haar bovenmate getroffen. Zij maakt een kleine dienaresse, en zegt dat zij zeer gevoelig is, en niet hoopt te geneeren; terwijl zij zich aanstonds verplicht acht om ook van hare zijde iets voor de hoofdfiguur der scène te doen, en Flora helpt met het aangeven van eenige zaken, waarna zij haar den warmen capuchon op de blonde lokken zet.
't Is Flora alsof dit kleedingstuk, 't welk zij van Heldera ontving, haar nog tegen meer dan de gure avondlucht zal beschermen, ja alsof de goede Herman, wiens edel hart ze van geen ontrouw kan verdenken, nu werkelijk bij haar is, en haar zegt, dat hij volkomen goedkeurt 't geen zij doen wil.
Weinige oogenblikken later gaat Baars de dames naar het rijtuig voor, en verzekert: dat het hier niet glad is omdat hij den tooneel-knecht een weinig zand op de stoep en het plaatsje liet strooien.
Juffrouw Comijn is geheel in verrukking, want de directeur wil volstrekt niet dat mevrouw Comijn op die bank achteruit zal blijven zitten; zij moet volstrekt naast juffrouw Reene plaats nemen. Op de beleefde kennisgeving van Baars, dat het hem veel genoegen zou doen indien de dames hem â dat plaatsje achteruit, wilden toestaan, aangezien hij met juffrouw Reene. nietwaar, ten harent nog iets bepraten moet, heeft de moederrol zich dan ook gehaast om den directeur, met de meeste goedhartigheid, het gevraagde te vergunnen. De koetsier krijgt nu in last om eerst naar de woning van juffrouw Comijn te rijden en vervolgens â zoo luidt het bevel: âKerkstraat n0. **. Weduwe Wilders, in Manufacturen.quot;
Onder 't rijden naar de eerstgenoemde woning, had juffrouw Comijn in stilte allerlei goedhartige invallen en overleggingen: 't Zou wel aardig zijn om den directeur en zijn jonge vriendin â want ja, dat het meer dan rechtuit was, daar behoefde iemand, die twee en veertig jaren bij 't tooneel is geweest, niet aan te twijfelen, enfin, 't zou wel aardig zijn om die twee eens een gezellig avondje te bezorgen. Gemarineerde haring kon ze geven, of sprot, of saucijze-broodje met een glaasje grog; waarom niet! 't Kon nooit kwaad, want negenhonderd gulden in 't jaar, is toch al bijzonder min, vooral wanneer men er de heele garde-robe van betalen moet. Maar
171;
TOONEELSPELERS.
waarlijk, 't was niet om zich zelve; zij gunde anderen zoo graag 't geen haar, toen ze jong was, ook niet ongevallig is geweest â in eer en deugd, nu ja, maar och lieve hemel, de mooie Frits placht te zeggen: Als het ook alleen maar eer en deugd was wat in de komedie kwam, dan mocht een directie het huis wel sluiten.
Terwijl juffrouw Comijn zoo, hotsend en schommelend, voortdenkt, en Baars zich zelf in stilte gelukwenscht, maar overluid de nauwheid van die ellendige vigilante hekelt, zoodat hij mevrouw Comijn misschien met zijn knieën hindert? 't geen echter volstrekt, och guns neen, in 't minst niet het geval was; terwijl men meest zwijgend al meer en meer de woning van de moederrol nadert, voelt Flora zich opnieuw geslingerd door 'tgeen ze meent dat plicht en eer van haar eischen.
't Zou toch mogelijk kunnen zijn, dat zij den directeur verkeerd beoordeelt; dat hij den vorigen avond die ultra liberale denkbeelden maar eens zoo vrij ontwikkeld had, om haar te beproeven; een weinig te plagen, of in 't nauw te brengen. Indien hij haar inderdaad van het vervullen dier schaamtelooze rol ontsloeg, ja misschien zelfs het stuk geheel ter zij wilde leggen, heeft zij dan het recht om haar plan te volvoeren? Is zij niet verplicht om de Pomelano's te blijven spelen, dewijl de directie toch volgens gemaakt contract, haar kan doen optreden zoo dikwijls en waar ze zulks goedvindt. Heeft Baars, ofschoon dat loszinnige spreken haar wel moest kwetsen, inderdaad iets ten haren opzichte bedreven, waardoor haar voorgenomen handelwijze nu reeds gewettigd zou zijn? Zijn beleefdheid, óók jegens de oude juffrouw Comijn, bewijst dat de directeur in 't algemeen voor vrouwen iets hoffelijks heeft, en, wierp zijn gedrag ten opzichte van Rosa Brons, ook een droevige smet op zijn karakter â eerst,kort geleden had Flora de ware verhouding tusschen die beiden vernomen â misschien mochten Rosa's eerste misstap en de heftigheid van haar karakter, toch wel eenigs-zins in zijn voordeel spreken.
â Wees moedig Flora, vermaant de jonge actrice zich zelve, terwijl zij haar ijskoude hand op het gloeiende voorhoofd drukt, en een telkens terugkeerend beven nog krachtiger zoekt te beheerschen; wees moedig; handel niet als een vreesachtig kind. Wat de brave dominee gezegd heeft moogt ge niet vergeten: âAls ge kloek en rein blijft op een weg, waar de gevaren grooter zijn dan in den stillen kring van 't leven, dan staat ge hooger in het oog van een onbevangen wereld, en voorzeker ook in 't oog van den reinen Geest, wiens nabijheid steeds krachtig wordt gevoeld door wie hem zoekt op aarde.quot;
172
T00NEELSPELBK8.
Maar zelfs bij 't herdenken van deze woorden huivert Flora opnieuw. Welke gansch andere denkbeelden had de man, die nu in 't halfdonker schuins tegenover haar zit, den vorigen avond ontwikkeld!
Telkens wanneer het licht der lantaarns of van nog open zijnde winkels, een snellen glimp in het rijtuig werpt, tracht Flora met een vluchtigen blik naar 't gelaat van den directeur, nog 't antwoord op haar vraag te bekomen: of zij hem vertrouwen zal, ja dan neen.
Op het oogenblik dat de vigilante voor de woning stilhoudt, waar juffrouw Comijn hare kamers heeft, bonst Flora's hart geweldig. Zelfs nu nog is zij in tweestrijd of ze haar eerste plan zal volgen en met den directeur naar hare woning doorrijden, dan wel of ze hier haastig zal uitstappen, om zich aanstonds onder de hoede van de goedaardige juffrouw te plaatsen.
Juffrouw Comijn zou aan dien tweestrijd een einde maken. Nu het portier wordt geopend, hoort Flora hoe de dame, â terwijl ze met een zeer levendig gebaar naar het bovenraam der woning wijst â op dringenden en goedhartigen toon den directeuren juffrouw Reene uitnoodigt om er een broodje te komen gebruiken, waarbij de woorden: sprot, saucijzebroodjes en grog, zóó zonderling op Flora's ontstemde zenuwen werken, dat zij er geen oogenblik meer aan denkt om de moederrol te volgen, nu deze na een vriendelijk bedankje van den directeur, en nog eenige plichtplegingen van hare zijde, het rijtuig verlaat.
â Wees moedig en bedaard Flora! Misschien is het wel koorts, die je doet vreezen voor spoken, die niet bestaan, zegt het meisje onhoorbaar.
De vigilante keert om, en rijdt voor een deel denzelfden weg terug. â Baars is op zijn plaats blijven zitten.
âEen doodgoed mensch,quot;' zegt hij mat een hoofdknik naar den kant waar de moederrol is verdwenen: âdoodgoed; maar in haar tijd moet het een vroolijke snaak zijn geweest.quot;
De stilte die er nu volgt wordt Flora hinderlijk. Zij vermant zich. 't Geen ze zeggen zal, kan bovendien zijn nut hebben:
âIs juffrouw Brons nog altijd ongesteld, mijnheer Baars? Een paar malen, dat ik haar bezoeken wilde, ontving ze mij niet. Men zegt dat ze zich beklaagt alsof ik haar uit haar emplooi zou willen verdringen. U weet het beter, nietwaar?quot;
âWel zeker weet ik het beter, kindlief. Wees jij maar gerust. Ze beeft een afgunstig karakter.quot;
âMen zegt toch ook dat zij wel reden heeft om verdrietig te zijn.quot;
âEigen schuld; waarachtig!quot;
173
TOONEELSPEIBKS.
Door dit antwoord geprikkeld, herneemt Flora snel;
,U zondt er toch veel aan kunnen doen om haar anders te stemmen. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Baars, maar ik geloof dat u haar zoo gelukkig zoudt maken als u haar heel lief had. Ik weet dat zij zooveel van U houdt. En dan die kindertjes. Ze hebben toch recht op u.quot;
âEi ei, dat noem ik eerst braaf,quot; zegt Baars: âde partij kiezen van eene, die we de vleugels wat moesten binden, omdat ze ons jonge en beste sujet door haar kunstgrepen het leven onmogelijk zou hebben gemaakt. Ga er nooit weer heen, lieve Fioortje; de kindertjes zijn heel aardig, ja, en ze zullen het goed hebben, maar die vrouw....!quot;
Flora hoorde niet meer wat Baars zeide. Reeds sedert eenige oogen-blikken naar buiten ziende, meent ze dat men een vreemden weg rijdt.
âGaan we zóó naar de Kerkstraat?quot; zegt ze snel.
âWel zeker lieve kind. Ben je bang dat de voerman den weg niet kent?quot;
âMaar ik meen toch....quot; Flora is het angstzweet eensklaps uitgebroken. Zij strekt de hand naar de portierkruk uit, en....
âWou je het glas naar omlaag hebben?quot; zegt Baars: âWacht,dan zal ik aan dezen kant wat lucht maken; je zoudt anders kou vatten. Ziezoo; halverwege dat zal voldoende zijn.quot;
âMaar ik weet niet waar we rijden,quot; herneemt Flora, terwijl haar stem zeer duidelijk haar angst verraadt.
Baars begrijpt nu dat hij werkelijk den vorigen avond wat te ver is gegaan, en dat de genomen voorzorg met het rijtuig dus gansch niet overbodig geweest is. De zelfbeheersching van zoovele weken had zijn hartstocht wat st|gk geprikkeld. Voor 'toogenblik is het in zijn belang dat hij Flora naar waarheid kan geruststellen:
âIk merk wel dat je met de kortste wegen in stad nog weinig bekend bent,quot; zegt hij: âwe rijden een gedempte gracht, en zie maar, nu gaan we het Koningsplein over en komen dan aanstonds in de Kerkstraat, lieve kind.quot;
Flora's vrees is dus ijdel geweest. Maar dat âlieve kindquot;, 'twelk hij zoo telkens herhaalt, terwijl hij in tegenwoordigheid van de oude actrice haar geen enkele maal op dien gemeenzamen toon heeft toegesproken, doet haar angst toch voortduren.
Toen de vigilante voor den welbekenden manufactuurwinkel van de weduwe Wilders stilhield, bleef een dankbaar blinken van Flora's oog voor Baars in het halfdonker verscholen.
174
T00NEELSPB1EBS.
âAls u wilt voorgaan.....?quot; zegt zij iets later gejaagd, terwijl
zij, na het snel doorloopen van den winkel, de trapdeur in de gang heeft geopend.
Een dikke dame op muilen komt klotsend uit de lange gang naar voren, en zegt, na een zeer vriendelijken avondgroet:
âNog visite juffrouw Reene!? Ei zoo! Ik wou sluiten, maar dan zal ik die zorg nu wel aan uwee kunnen overlaten?quot;
Juffrouw Wilders heeft tot spreek- of stopwoord: dat de wereld niet door haar geregeerd wordt.
Niemand heeft dit ooit in twijfel getrokken, maar, is dit spreekwoord doorgaans het pretext, waarachter juffrouw Wilders zich verschuilt, zoodra de klanten haar goederen van verschieten of krimpen beschuldigen, de zeer zwaarlijvige dame karakteriseert zich door dit gezegde volkomen; en dewijl het voor Flora geen geheim is dat haar hospita almee de leuze huldigt, om zooveel mogelijk Gods water over Gods akker te laten loopen, ja dat zij liever en met de meeste kalmte een arm schaap in dien vloed zou zien omkomen dan âer haar kleeren voor nat te makenquot;, zoo heeft Flora er geen oogenblik aan gedacht om de dikke juffrouw vooraf haar bezwaren mee te deelen, en bewaart ook nu â ofschoon met moeite â het stilzwijgen als juffrouw Wilders haar toefluistert:
â'k Zal de sluiting dus maar aan uwees overlaten juffrouw. â 'En mooi man, 'en knap man! Afin, afin: ik regeer de wereld niet!quot;
Terwijl Flora in een ondeelbaar oogenblik, de goedhartige moederrol tegenover deze vrouw in een â toch gunstiger daglicht ziet, volgt zij, plotseling vuurrood geworden, den directeur naar boven. Haar hart klopt geweldig. Flora handelt voortdurend onder die beminnelijke slingering van goed vertrouwen âwant immers liefde denkt geen kwaad â⢠en, de pijnlijke indrukken der werkelijkheid.
Baars heeft bescheiden op het portaal gewacht:
âMag ik zoo vrij zijn?quot; zegt hij even bescheiden, nu Flora de deur van haar voorkamer heeft geopend.
Eenige oogenblikken later zit Baars, die mede zoo vrij is geweest zich van zijn overjas te ontdoen, in den gemakkelijksten stoel van juffrouw Wilders boven-voorkamer.
Flora, die aan de andere zij van de tafel had plaats genomen, zegt dat zij zeer moe is, en dat het haar aangenaam zal zijn, indien de directeur haar nu in 'tkort wil meedeelen, wat er omtrent de opvoering van De geheimen der city, en een eervol terugroepen van Heldera besloten is.
175
TOOKEELSPELERS.
Oogenschijnlijk luisterde Flora met de meeste kalmte naar 'tgeen Baars haar ging antwoorden.
Uit de ongedwongen houding, waarin ze zich heeft geplaatst, met de hand onder 't hoofd, en den elleboog op de tafel, meent Baars te mogen besluiten dat hij zich onnoodig verontrust heeft; dat het mooie kind zich werkelijk al minder gedwongen tegenover hem gevoelt, ja zelfs dat die houding, waardoor haar schoone yormen op 't voordeeligst uitkomen, een misschien onbewust gevolg is van de aangeboren ijdelheid der vrouw, die wel het snelst op een tooneel door de gunst van het publiek wordt ontwikkeld.
Baars begrijpt niet dat Flora zich door deze houding een steun zoekt te geven, voor het gedurig beven en trillen, 'twelk haar telkens opnieuw overvalt.
âIk zal je niet behoeven te zeggen,quot; vervolgt Baars, âdat ik al mijn best heb gedaan om Kogel tot andere gedachten te brengen, lieve Flora, maar, wat kon ik er tegen inbrengen! Hij zelfheeft het stuk vertaald, en dewijl wij tot nu toe â om onze kleine professor genoegen te doen â met veel opoffering waarachtig! de door haar uitgekozen stukken hebben gegeven, verwachtte hij dat je als Ma-thilde eens flink zoudt meewerken om 't publiek, dat nu avond op avond naar dien Duitscher loopt, weer wat meer tot ons te trekken, 'tPubliek wil zulke stukken. Wij kennen het.quot;
Flora sprak niet.
Baars ging verder. Hij zeide dat men een paar minder fijne uitdrukkingen gaarne geschrapt had; en, om haar zulks te toonen, haalde hij het manuscript te voorschijn, en schoof zich met den voltaire tot naast het meisje. Zie, hij wil haar bewijzen, hoezeer men al 't mogelijke wilde doen om haar te believen.
Flora bleef onveranderlijk in dezelfde houding. Zij vermant zich:
âDus u gelooft niet dat tante, als zij 't stuk kende, mijn optreden in die rol zou afkeuren?quot;
âWaarachtig niet!quot; roept Baars, door deze vermeende toenadering op 't aangenaamst verrast, niet bedenkende dat dit antwoord â geheel in strijd met de eenvoudige ook hem bekende waarheid â zijn onoprechtheid zoo duidelijk verraadt. Nochtans gevoelende dat hij tante Lindeman wat al te stout voor zijn bondgenoote heeft verklaard, laat Baars er aanstonds op volgen: âDe goede vrouw heeft een vooroordeel tegen onzen stand Flora, maar zij is verstandig genoeg om evenals wij te begrijpen, dat een artist, die zooveel verschillende karakters moet voorstellen, niet persoonlijk aansprakelijk is voor de karakters, die hij in zijn rollen moet teruggeven.
176
TOONEELSPELEr.S.
Lieve hemel, wat zou men dan wel moeten denken van onzen marqué, die avond aan avond liegt en huichelt en lastert, en toch â want je kent onzen Roosman, â in zijn hart de beste vent van do wereld is. Nog eens Floortje-lief, waarachtig, je zult plezier van die rol hebben.quot;
Baars had geen uitdrukking kunnen kiezen die minder doel trof dan deze.
â Hoe! Flora zou er plezier van hebben indien zij optrad in de rol der sohaamtelooze deerne, die een ongebonden loven ongestraft verheerlijken moet. O! zij zou er plezier van hebben! â Neen, duizendmaal, neen! Heete tranen zou ze moeten schreien, indien ze zich door een publiek zag toejuichen, waarvoor ze zich zoo ergerlijk vernederen dorst.
âMaar ik zeg u dat ik die rol niet spelen wil,quot; roept ze, haastig opstaande, terwijl de edelste uitdrukking uit haar helderblauwe oogen straalt.
â Ei! Baars begrijpt dat hij zich deerlijk heeft vergist. â En nu, wanneer hij er zelfs niet in slagen kan, om het mooie schepseltje tot het spelen van die âonbeduidendequot; rol te bewegen, hoe gering wordt dan de kans om met zijn âalles overtreffende liefde op haar burgerlijke principes te zegevierenquot;.
Maar toch, weinige oogenblikken later is het sujetje weer kalmei-, en heeft de directeur zijn kans gewaagd.
Hij heeft Flora verzekerd, dat te gelijk met zijn oprechte vade r-lijke liefde, reeds van den beginne af aan een ander en teederder gevoel in zijn borst was ontkiemd.
Die terughoudende koelheid der laatste maanden is slechts het gevolg geweest van den hevigen strijd, tusschen die alles beheer-schende liefde en de vrees dat hij Flora, met haar bekende gevoelens voor den jongen Heldera, onaangenaam zou zijn. Nu Heldera echter geheel vrijwillig was heengegaan, â Baars hoopte om spoedig terug te keeren â nu moest Flora de wereldsche zaken toch eens in een zuiver verband onder de oogen zien. Er is maar één middel om haar tegenover Kogel te vrijwaren voor hetgeen anders onvermijdelijk is. Slechts voor de echtgenoote of âvertrouwde vriendinquot; van den compagnon zou Kogel een uitzondering maken, waar het de strikte naleving van een geteekend contract gold. Wilde Flora alzoo vrij zijn, en spelen wat ze goedvond, dan had zij zich van dit oogenblik af slechts onder do hoede te stellen van een man, die sedert hij haar 't eerst heeft gezien, haar eenvoud en schoonheid, haar natuurlijke bevalligheid â zoo heerlijk uitkomende in
III. 12
177
TOONBELSPELEKS.
haar wegsleepend spel â in de hoogste mate heeft gewaardeerd en bewonderd, en die, reeds na eene eerste kennismaking met haar, zich zeiven in vertwijfeling heeft afgevraagd, hoe hii ooit een grove natuur als Rosa Brons zijn liefde heeft kunnen schenken! â Zie, wilde Flora nu werkelijk, zonder overdrijving, de wereld beschouwen zooals zij is, en vooral de tooneelwereld zooals zij â nooit geacht, maar immers in 't algemeen geschat wordt, dan moest zij maar flinkweg besluiten om zich, tot Heldera's terugkomst, zonder vrees geheel aan den ouderen vriend ie vertrouwen; zooveel mogelijk zijn tegenwoordigheid te zoeken, en er zeker niet tegen opzien om die lieve kleine handjes â ook in 't bijzijn van Kogel â van tijd tot tijd eens heel vertrouwelijk in de zijne te leggen.
Moge de directeur Baars, met zijn terughoudendheid tot na Heldera's vertrek, ook een bewijs van zelfbeheersching en overleg hebben gegeven; ja heeft hij nog bovendien volgens eigen overtuiging, dezen avond met het afhalen van Flora, getoond terdeeg bij de hand te zijn, 't is nu, en voorzeker op nog grover wijze dan den vorigen avond gebleken, dat hij nooit ter schole ging waar men het reine vrouwenhart waardeeren leert, en slechts in den kring vertoefde waar de vrouw veelal uit tooneelwerken van 't onzuiverste gehalte wordt gekend; een kring waarin helaas, de jonge tooneelspeelster zelve, al spoedig gedrongen wordt om zich te vormen naar het model dier zusters â uit een ziekelijk brein geboren.
Voor Flora was het oogenblikvan handelen gekomen. De woorden van den man, die haar zijn bescherming op deze wijze kwam aanbieden, hebben haar van schrik doen verstijven, terwijl de blik, waarmee hij haar had aangezien, haar in dat zelfde tijdstip het bloed met angstig geweld door de aders heeft gestuwd. Nu, nu eerst heeft zij volle zekerheid!
â Dwaze vermetelheid zou het zijn om op het beter gevoel van dien man een beroep te wagen: den beschonkene vermaant men niet. Op 't duidelijkst heeft Flora in dien vlammenden blik gelezen, dat de ergerlijke woorden van daar even nog slechts een voorspel zijn geweest van een schaamteloozer stuk, waarin de ondeugd moet zegepralen. God weet waartoe de hartstocht dien man kan voeren, indien zij toont dat ze hem veracht en trotseeren zal. Met de gave haar geschonken zal ze nu woekeren, en zoo 't noodig moet zijn het uiterste beproeven om het, ja, wel gladde pad, rein en zuiver te bewaren. Maar dan moet zij kalm zijn, en door niets doen blijken hoe verachtelijk die vaderlijke vriend haar geworden is.
178
TOONEELSPELEES.
Met de beide handen vooruit is de beschermer haar genaderd. In stee van angstig terug te treden, komt Flora nu haastig een schrede vooruit.
Baars ziet het; hij ziet haar beurtelings bleek en rood worden; hij ziet het neerslaan van haar hemelsche oogen. Kon hij heerlijker uitkomst verwachten! â Ja hij wist het, zóó is de vrouw; zóó zijn ze allen! De zekerheid dat Eosa Brons niet slechts door haar van het tooneel, maar ook uit het hart van den directeur is verdrongen, doet haar nu het lieve kopje gewillig buigen, en zeer verstandig, 't genoegen van het oogenblik boven de knellende banden dier hooggeroemde welvoeglijkheid verkiezen. â Hoor:
âO mijnheer Baars,quot; zegt Flora zacht: âik weet niet wat ik u antwoorden moet....quot;
âWat je antwoorden moet, engel!quot; roept Baars, haar in de rede vallende: âNiets behoef je te zeggen, niemendal! Als die lieve zachte handjes maar even de mijne willen drukken; als dat engelachtige kopje maar even hier aan mijn schouder wil rusten, dan....quot;
Baars heeft Flora's handen gevat.
â O God, de kracht schiet te kort. â Neen neen, toch niet; zij moet zich goedhouden. Bevende zegt ze, terwijl ze zich zachtjes, zeer zachtjes, aan den druk dier handen onttrekt:
âMaar ik ben zoo verrast mijnheer Baars....quot;
âNoem mij Casper, engel! zeg Casper.quot;
âIk weet niet of ik u goed heb verstaan,quot; herneemt Flora bijna onhoorbaar; âu moet het mij nader uitleggen.quot;
âNader uitleggen. Ja waarachtig! Alles zal ik je uitleggen, alles!quot;
âAlles, alles,quot; herhaalt Flora, steeds met den blik naar beneden; en nu met afgewend galaat naar den stoel wijzende zegt ze nogmaals: âJa u zult mij alles uitleggen; en----ik ben zoo verrast,
zoo verward----Een enkel glas wijn... warme wijn, nietwaar?quot;
Schier in 'tzelfde oogenblik heeft Flora uit een muurkastje een blaadje met glazen genomen. Nogmaals bedwingt zij het trillen van haar handen. Zij heeft het blaadje op tafel gezet, en met een droog-doekje wischt zij nu, schijnbaar kalm, een tweetal er van uit.
Terwijl Baars haar geringste bewegingen met den blik van een overwinnaar volgt, spoedt Flora zich weer naar het kastje; zij neemt er eene flesch uit, en houdt die een weinig schuin naar boven tegen het licht, vermoedelijk om te zien of de inhoud voldoende zal zijn.
âGoed zoo, goed zoo!quot; juicht Baars in stilte. Heeft hij niet durven denken zóó gemakkelijk op de preutschheid van dat bekoorlijke schepseltje te zullen zegevieren, hij mag zich nogmaals in stilte be-
179
TOONEE1SPELEES.
roemen de vrouwtjes te kennen. Hij kent ze; ja zeker! Nu kan hij zich alvast in den gemakkelijken leunstoel vlijen. â Zie, het mooie kind is nog wat bedremmeld; 't bemerken dat die flesch zoogoed als leeg is, 't jaagt haar zelfs het rood naar de wangen.
,'t Is voldoende, lieve Floortje.quot;
â Neen, zie, zij moet toch toonen dat ze haar wereld kent: De liesch is weer in het kastje goborgen; en hoor: âuit haar kleinen voorraad zal zij een volle flesch gaan halen.quot;
âAls u even wilt wachten?quot; zegt Flora snol, terwijl zij ijlings op de deur van haar slaapvertrek toetreedt.
En dan, zij opent die deur. Zij gaat.... neen, of zij 't bespeurd heeft dat Baars zijn gemakkelijke houding prijsgeeft en haastig wil opstaan om haar te volgen? snel keert zij naar de tafel terug, en zegt â toch nog wat schuchter, denkt Baars:
âEen keteltje water staat in de kachel; als U 't vuur intusschen een weinig woudt opstoken? Ik zal mij haasten; ja zeker.quot;
En, als Baars zich wel verplicht ?.cht om aan den wensch van dat lief zoet stemmetje te voldoen, dan ziet hij haar in 't slaapvertrek verdwijnen, terwijl zij de deur zeer zachtjes achter zich sluit.
âJe kunt niet zien. Laat maar open!quot; roept Baars.
Maar Flora.... O Groote God, het hart bonst haar in de keel. Op ditzelfde oogenblik doet zij de deur op slot. 't Is niet te hooren; want evenals de portaaldeur, die ze uit voorzorg bij 't binnenkomen had gesloten, werd ook dit slot reeds ia den morgen beproefd en met olie voorzien.
â Goddank! Ja, God, dank!! trilt het in Flora's hijgende borst. Zij moet zich nu haasten. De lucifers kan ze in 't donker vinden. Reeds brandt de kaars die gereed stond. â Nu hoort ze gerucht. â Hoe! nadert hij do deur? â Neen, luister; hij pookt: hij stookt het vuur op. â Spoed dan! Hier in de muurkast hangen de kleeren die zij behoeft. De reistasch, waarin ze haar voornaamste zaken heeft geborgen, ligt op den grooten koffer, dien ze mede vooruit heeft gepakt doch, goed gesloten, kan achterlaten. â Nu is Flora gereed. â Een oogenblik staat zij besluiteloos. Moet zij haar hospita toch deelgenoot maken van 'tgeen er in haar woning gebeurt; moet zij haar, behalve het geld, 'twelk haar nog toekomt, niet de beide sleutels geven om in 't einde dien gevaarlijken man te kunnen vrijlaten?
Flora heeft geweldig. Zij meent den zwaren tred van Baars naar dezen kant te vernemen.
âWat duivel, waar blijft ze!quot; klinkt vrij duidelijk zijn gemompel
180
TOONEELSPBLERS.
aan gene zij der deur, terwijl Flora in hetzelfde oogenblik de kruk ziet omdraaien.
âTe henker, zit die deur zoo geklemd? Hei! Lieve kind! Floor tje! Zeg?quot;
In 't zelfde oogenblik werpt Flora een couvert, waarin de afrekening voor juffrouw Wilders was gesloten, op de tafel, en jaagt alsof de dood haar vervolgt, door de andere deur haar slaapvertrek uit.
't Portaal over, de steile trap naar beneden, snelt ze naar den â¢winkel, en legt er de beide sleutels op de toonbank.
De winkelschel klinkt ééns, en, nadat een kleine trilling bij 't zachtjes toetrekken der voordeur in 't huis werd vernomen, bevindt zich Flora op straat.
DK1E EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BIJ DEN JIARQUJi.
Reeds terstond bij 't buiten komen kreeg Flora een nieuw en overtuigend bewijs, dat er geen zweem van vrees behoefde te blijven, of Baars, in weerwil van alles wat hij gezegd had, toch misschien oprecht is geweest, en zij de aanhankelijkheid, die hij als prijs voor haar vrijheid in de keuze van hare rollen geëischt heeft, misschien in een te ergerlijke beteekenis heeft opgevat: zie, in plaats dat de straten glad zijn van de vorst, kunnen ze eer slikkerig genoemd worden, en, voor zulk een glibberigheid zou hij toch niet op 't denkbeeld zijn gekomen om haar met een rijtuig af te halen, en veel minder nog om zand te doen strooien!
â O voorzeker, 'twas zijn toeleg om mij te bedriegen; hij is een leugenaar! denkt Flora onder 't haastig voortgaan, terwijl ze, ofschoon gejaagd en angstig, toch vrijer ademt.
Alvorens de eerste zijstraat, die zij al spoedig bereikt heeft, in te slaan, kan zij 't niet laten nog eens om te zien; doch ook op 't zelfde oogenblik jaagt zij ijlings den hoek om, want, uit de stille verlaten straat heeft haar, ongeveer uit de richting van juffrouw Wilders' woning, een geluid getroffen alsof er met geweld een raam
181
TOONEELSPELERS.
werd opengeschoven; en, een minder levendige verbeeldingskracht dan die van Flora â vooral in haar koortsigen toestand â ware voldoend^ geweest, om haar uit dat raam, het woedende gelaat van Baars, met een dreigend gebaar voor den geest te tooveren.
Bij al het leed en de angsten, die de lichtzinnige man Flora heeft berokkend, is zij hem toch dank verschuldigd voor een enkel woord door hem gesproken.
Ofschoon Flora zelve er aan gedacht had om, zoo 't noodig mocht zijn, bij den marqué van 't gezelschap, den heer Roosman, huisvesting voor den nacht te gaan zoeken, de nare indrukken van 's mans rollen, alsook van de droevige wijze, waarop hij die met vervaarlijke keelstem vervulde, hebben haar nooit een bijzondere sympathie voor zijn persoon doen gevoelen; en nu, door al hetgeen ze ervaren moest, een weinig achterdochtig geworden, heeft ze gevreesd of er op die algemeen geroemde, somwijlen ook wel eens spottenderwijze als voorbeeld gestelde moraliteit van den stroeven man, niet 'teen of ander viel af te dingen. Straks wankelende in haar keus tusschen Roosman en een klein logement in de nabijheid, heeft de wijze, waarop Baars van den marqué had gesproken, die keuze voorgoed bepaald. â Roosman en zijne familie zouden haar zeker geen huisvesting weigeren, meende Flora, terwijl -Baars â al mocht hij op 't denkbeeld komen dat zij bij die menschen haar toevlucht had gezocht â zich toch na het voorgevallene, zeker niet als zijn eigen beschuldiger bij de Roosmans zou komen aanmelden.
I Flora's gevolgtrekking was minder juist: Indien het Baars had mogen gelukken om wat eerder uit zijn gevangenis verlost te worden, en hij dan werkelijk op den inval ware gekomen dat Flora zich bij de Roosmans bevinden kon, hij zou er zich ongetwijfeld aanstonds hebben heengespoed; niet slechts om er zich zelf, als de dupe van een belachelijk, allerbelachelijkst misverstand, zoo spoedig mogelijk vrij te pleiten van bedoelingen, die een handelwijze als van juffrouw Reene in geen geval konden wettigen, maar vooral ook om van Roosmans soliditeit en begrippen van trouw in 't naleven van contracten, gebruik te maken, ten einde het âweerspannige sujetjequot;, beleefd, wel zeker altijd beleefd, aan hare verplichtingen te herinneren.
Nochtans, mocht de later in vrijheid gestelde directeur ook aan de woning van juffrouw Comijn of aan een logement hebben gedacht, op het denkbeeld dat Flora bij de Roosmans haar toevlucht heeft gezocht, is hij niet gekomen.
Juffrouw Wilders, die, wachtende op het vertrek van den directeur,
182
T00NE1SL3PELERS.
in slaap was gevallen en van Flora's heengaan niets bemerkt had, heeft droomend wel een vervaarlijk gebons en geklop gehoord, maar soezend heeft zij Gods water over Gods akker laten loopen; en, reeds was het één uur na middernacht, eer zij achter den verbolgen tooneeldirecteur haar winkeldeur voorgoed mocht sluiten, terwijl zij met een vervaarlijk geeuwen heeft gemompeld: dat een weduwe alleen wat ondervinden moest, en in 't einde verzuchtte: âDom is zoo'n kind, en dom zijn de mannen! Afin, afin â ik regeer de wereld niet.quot;
Intusschen had Flora ijlings haar weg naar de woning der familie Roosman vervolgd, al spoedig echter nog meer gejaagd dan zij 't reeds was, dewijl een paar dartele huiswaarts keerende knapen, die haar zeer dringend hun diensten hadden aangeboden, niet waren afgetrokken dan nadat zij zich aan de hoede van een naderenden nachtwacht had toevertrouwd.
In weinige minuten heeft Flora toen de kleine woning bereikt, waar men over dag op het breede pui-glas der winkeldeur in vergulde letters kon lezen: âDameshoeden. Bloemen en Garnituren. S. Roosman.quot;
't Was moeder Susanna Roosman zelve, die, natuurlijk niet zonder bevreemding, juffrouw Reene op dit late uur heeft binnengelaten, en nu in hoofdzaak van het bevende Floortje verneemt, wat de oorzaak van dit nachtelijk bezoek is, en dringend wordt gebeden, om haar voor dezen nacht een onderkomen te willen verschaffen.
Juffrouw Roosman heeft waarlijk met het arme meisje te doen, want zij ziet dat ze zeer bewogen en vreeselijk bleek is; maar, om zonder haar echtvriend in deze zaak te beslissen, ja zelfs om het meisje zonder Davids voorkennis in de achterkamer te laten, dat zou ze in geen geval durven wagen. Tooneelzaken hoorden bij manlief thuis, en de zaak van juffrouw Reene was er eene waar zelfs, en op de droevigste wijze, de directeur in betrokken was.
âWeet je wat juffrouw Reene,quot; zegt moeder Susanna, nadat ze een winkeltabouret tegen de toonbank heeft geplaatst: âga jij maar wat zitten. En wacht, hier heb ik een aangesproken flesch beste eau-de-cologne. Houd je zakdoek maar eens op. Zóó, â jawel, ferm nat; 't is echte. Blijf nu maar eventjes rustig zitten, dan zal ik Roosman gaan zeggen wat er gebeurd is; en ik ben er zeker van, dat hij op de een of andere manier raad zal schaffen. Eventjes maar, ik ben er dadelijk weer.quot;
De uitmuntende eau-de-cologne miste zijn goede werking niet, en ofschoon Flora nog al haar polsen voelt kloppen, terwijl ze met den
183
TOONEELSFELEKS.
rug tegon de toonbank gezeten, gedurig het welriekende geestrijke vocht opsnuift, zij gevoelt zich toch een weinig verruimd en ver-frisoht, nu zij een paar minuten later den heer des huizes, in een grijze kamerjapon en een bruinrood kalotje op 't hoofd, met zijn echtgenoot in den winkel ziet komen.
, Blijf maar zitten,quot; zegt Roosman met zijn diepe basstem, zonder eenige andere plichtpleging, terwijl zijn bijzondere zware wenkbrauwen nog meer dan gewoonlijk zijn kleine donkergrijze oogen overschaduwen.
âOch mijnheer Roosman, ik bid u----quot;
âZwijg maar juffrouw, ik weet het. Alleen wist de vrouw niet wat dan verder je plans waren.quot;
âVerder mijn plans?quot; zegt Flora.
Roosman knikt.
âU bedoelt.... morgen?quot;
De marqué knikt nogmaals.
âAls u 't goedvindt dan wilde ik morgen met de eerste gelegenheid naar tante Lindeman vertrekken.quot;
âAls ik het goedvind? Hoe kan ik dat weten. U hebt contract?quot;
âJa mijnheer Roosman.quot;
âMaar dan kun je zonder toestemming niet vertrekken. Je staat voor morgenavond op 't affiche.quot;
âMaar de juffrouw zal u toch gezegd hebben dat de directie mij noodzaken wil, in een stuk te spelen dat-----quot;
âAllemaal hetzelfde! Is het. tegen je emplooi, dan kun je reclameeren â al helpt het niet veel â maar anders, je weet wat er staat.quot;
âMaar David, die ergerlijke behandeling van Baars; en dan zoo'n scbaamtelooze rol! en als de directie dan toch aan die tante heeft beloofd om haar niet in zulke rollen te doen optreden ?quot; zegt moeder Susanna, terwijl ze â half en half bevreesd dat haar man tot een ander besluit mocht komen dan ze zeker verwacht heeft â⢠hem de hand trouwhartig op den schouder legt, en er nog bijvoegt: âMij dunkt David, als het onze Lina of Kee was, dan zou je óók zeggen..
Bij de laatste woorden heeft Roosman zeer snel zijn donkersten blik op moeder Susanna geworpen, en terwijl hij haar zóó blijft aanzien, zegt hij op een toon, die zonderling met dien moordenaars-blik in weerspraak is:
âDaar hebben we voor gezorgd!quot; â Dan weer luider: âJuffrouw Reene heeft zich uit eigen beweging aan het tooneel verbonden, en waarschijnlijk zal haar vooraf wel gezegd zijn, dat men er â als
184
TOONEELSPELERS.
jong meisje vooral â sommige zaken maar niet te zwaar moet opnemen.quot;
âMaar David, is het kind niet te prijzen dat ze bij praatjes als van den directeur, handelt zooals zij gedaan heeft?quot;
âIk hoop niet dat ik iets anders gezegd heb?quot; herneemt David, en vervolgt, terwijl zijn wenkbrauwen zoo mogelijk nog dieper zinken: âAl had zij den man van de trap gesmeten, zoodat hij de beide beenen gebroken had, ik zou gezegd hebben: goed zoo! Maar ik spreek van het contract. Als een jong meisje niet in rollen wil optreden die ze oneerbaar acht, dan had men haar moeten afraden zich er toe te verbinden.quot;
âMaar in alle geval is juffrouw Flora nog niet mondig, David, en dus wat ze teekende, dat is----quot;
âDat is door haar geteekend!quot; valt de Marqué met zijn zwaarste basgeluid in: âwe zijn niet Mennist vrouw. Er is maar één geval waarin ze het recht heeft om niet te spelen.quot;
âZie je wel, er is toch een uitzondering; ik wist het, welzeker!quot; zegt moeder Susanna.
âNamelijk wanneer ze ziek is,quot; vervolgt Roosman: âMaar onze Frits heeft het ondervonden hoe ik over 't ziek melden denk, om slijpertjes te maken. Ik zeg niet juffrouw, dat het gelijkstaat; maar ziek melden als je gezond bent, dat is God verzoeken.quot;
â O, wat klonk het Floortje alles hard, vreeselijk hard in haar kloppend hoofd. Ze wilde iets zeggen; zo wilde mijnheer Roosman vragen om haar nu maar liever naar het dichtst nabijgelegen logement te brengen. Morgen vroeg zou de goede God, dien zij in geen geval wilde âverzoekenquot;, haar dan wel raad en daad geven; zij zou.... â Maar hoor:
âJe weet nu juffrouw, hoe ik over de contracten denk: en dat ik in geen geval kan meewerken om je reisplan te helpen bevorderen,quot; herneemt de man, nadat moeder Susanna hem snel in 't oor heeft gefluisterd, of hij niet ziet hoe ontdaan en hoe koud het arme schepsel is, en dat zij nu lang genoeg op de pijnbank heeft gezeten. âMaar,quot; vervolgt hij: ânu je dat weet, zal ik je hier geen oogenblik langer in de kou laten. De vrouw heeft volstrekt geen bezwaar om je een nacht te logeeren, en als je tegen peisoonlijke aanvallen, van wie ook, bescherming bij me zoekt, dan zult ge ondervinden dat ik zelfs een directeur onder de oogen durf zien.quot;
De toon, waarop Roosman de laatste woorden heeft gesproken, was zoo geheel anders dan die, waarop hij straks zijn afkeuring over Flora's voornemen heeft kenbaar gemaakt, dat zij, op 't wel-
185
186 TOONEELSPELERS.
dadigst getroffen, haastig opstaat; den trouwen man bij de hand
vat, en een paar woorden spreekt, die van haar innigste dankbaar- ^
heid getuigen. d,
,Ik zou niet weten wat ik méér dan mijn plicht doe,quot; herneemt A
Roosman op zijn koudsten toon: âOngevraagd bemoei ik mij met i ee
niemands zaken; ik speel mijn rollen en daarmee basta; maar, wie l t\
mijn hulp zoekt, dien help ik. Kom!quot; oc
Moeder Susanna had Flora's reistasch al ter hand genomen, en be
met de woorden: âWe zitten in de achterkamer; ik zal maar voor- m
gaan,quot; noodigde zij Ploortje met een snellen hoofdwenk, om haar hi
spoedig te volgen: 't Was zoo kil in den winkel. Sj
âEen oogenblik,quot; herneemt Roosman terwijl hij Reene bij 't in- sj
treden van de gang nog even staande houdt; âOver die scène met oj
Baars, daar binnen geen woord! Mijn jongste dochter is vijftien jaar. gj
Begrepen?quot; in
't Zag er in de achterkamer recht gezellig uit. z£
De overblijfselen van het straks genuttigde avondbrood stonden h(
nog op de tafel, waarboven een groote hanglamp een helder licht to
verspreidde. Bij 't schijnsel van dat licht zag men de drie doch- cc
ters der echtelieden Roosman nog bezig met eenig werk â 't welk ki nu echter spoedig zou worden opgeborgen.
Lina, Kee en Santje, meisjes van twintig, achttien en vijftien h(
jaren, â moeders trouwe helpsters in haar welbeklante zaak â sr
zijn, in 't algemeen genomen, geen schoonheden, maar ze hebben er
prachtige donkere kijkers, en die kijkers richten zich als met één j1]
slag naar de deur, nu zij die zien openen. â Onkundig van 'tgeen hf
er straks door vader en moeder in een nevenvertrekje is verhan- g(
deld, en wel wat nieuwsgierig geworden wie of wat er mocht we- h(
zen, staan die zes donkere kijkers vrij scherp, nu zij Flora Reene w
met vader en moeder de kamer zien binnentreden. k( âJuffrouw Reene heeft onaangenaamheden gehad, en daarom komt j 01 zij van nacht hier logeeren,quot; zegt Roosman, nadat de meisjes de
jonge actrice hebben gegroet, en Lina met haar sprekende kijkers h(
haar vader tot een verklaring had gedrongen. e6
Roosman, die â zonder een conversatie met actrices aan zijne I a\
dochters te verbieden, ze toch nooit hielp bevorderen, vooral niet | w
wanneer betrekkingen en gedrag hem niet als zeer deugdelijk bekend g(
waren, heeft ook Flora volstrekt niet aangemoedigd om de kennis- w
making, die zij in den beginne heeft gezocht, druk voort te zetten. zi
Dat juffertje, zoo had de marqué gedacht, heeft van die nieuwer- bi wetsche kunstbegrippen; zoekt de directie te drillen, en ofschoon
TOONEELSPBLBRS.
het. waar en goed is dat ze tegen platheden ijvert, we hebben helaas te dikwijls ondervonden dat de zedigste neepjeskapjes door den tijd de ondeugendste rotten werden. Oppassen is de boodschap! Als de meisjes, door 't praten met zoo'n bijdehandach ding, weer eens tooneel-illusies kregen, of erger nog, indien Govert, die nu als tweede baas op een scheepstimmerwerf is, door de mooie blauwe oogjes en die zekere gratie werd ingepakt....! Neen neen, 'twas beter dat die tooneel-nieuweling â hoe fatsoenlijk zij zich ook mocht presenteeren âniet te veel voet werd gegeven of aangehaald. Hij, David Roosman, was als 't ware op de planken geboren; speelde al ruim dertig jaren zijn valsche rollen, en hoopte ze te spelen totdat hij tot een hooger en beter werkkring zou worden opgeroepen; maar, ofschoon hij de kunst liefheeft, en de kunst van Snoek en Wattier â altijd naar Roosmans opvatting â graag weer in eere zou zien herleven, 't was, bij den huidigen toestand van zaken, altijd zijn stelregel geweest: geen vrouw of kinderen aan het tooneel! geen vrouw of kinderen in de wagens der reizende tooneelisten bij nacht en ontijd; geen vrouw of kinderen achter de coulissen, noch in besmettelijke atmosfeer van lijmverf en kleedkamers!
Terwijl Roosmans oudste dochter, met de meeste voorkomendheid, de late logee van mantel en hoed ontlast, en Keetje, op een snel gegeven bevel van moeder, haastig een versch kop koffie zet, en straks een paar boterhammetjes met een hartig stukje kaas voor Flora gereedmaakt, slaat moeder Roosman een blik van liefde tot haar goeden David op. David heeft haar zachtjes gezegd dat hij 't gejaagde kind niet op dat kille vlieringkamertje gelogeerd wilde hebben; hij had aanstonds begrepen hoe het beter kon geschikt worden; hij zelf zou voor dezen nacht naar de vliering gaan; Lina kon dan bij moeder slapen, en Reene zou op het kamertje van hun oudste, zeker niet veel minder gelogeerd zijn dan zij 't gewoon was.
En zooals vader 't bepaald had zoo geschiedde het; en dewijl het al laat was, en juffrouw Reene blijkbaar moe was, en weinig eetlust scheen te hebben, zoo gaf Roosman al spoedig zijn gewone avondsignaal: âOpbergen meisjes!quot; om zelf, nadat alles geredderd was, en moeder en dochters, met een hartelijken nachtzoen aan den geliefden man en vader, in 't gezelschap van haar logee, vertrokken waren, nog een blaadje te stoppen; zijn nieuwe rol nog eens in te zien, en daarna als naar gewoonte een paar regels in zijn Dagboek te schrijven.
Terwijl de blauwe rookwolken weldra het vertrek vervulden, slaat
187
TOONEELSPELEHS.
Roosman zijn Dagboek op, en alvorens de pen ter hand te nemen, leest hij nog even onder 't vluchtig doorbladeren:
,15 Nov. 1840. Voor de tiende maal opgetreden als Don Henrique; voor de tiende maal als schurk door de gerechtsdienaars weggevoerd. Maar â bij mijn thuiskomst ter eere van onzen 22 jarigen trouwdag, door de kinderen feestelijk opgewacht met chocolade en krentenbrood.quot;
,13 Januari 1841. Onaangenaamheden met de directie. Geprotesteerd tegen de rol van scherprechter. Toch voor beul moeten spelen.quot;
â3 Febr. 1844. Heden de schoonste triumf. Jacob W. heeft mij na 't derde bedrijf van De Lasteraar, verteld, dat een der toeschouwers van ,'t schellingkiequot; tot zijn kameraad moet gezegd hebben: We zullen dien rakker, als 't stuk uit is, opwachten en op z'n valsche tronie slaan. Zoo'n schelm! Als ie 't hart heeft kapsie te maken, dan smijt ik hem vierkant de gracht in.quot; â Bravo! Dat is 't applaus voor den marqué.quot;
Nu neemt Roosman de pen op, en schrijft:
,18 Februari 1846. Een nieuw bewijs dat de vrije begrippen omtrent liefde en huwelijk, die al meer en meer in onzen stand veld winnen, tot loszinnigheid voeren; dat een liefdesverbintenis die niet op achting berust, maar al te gemakkelijk verbroken wordt â Fl. R.... heeft in onze woning een schuilplaats gezocht tegen ergerlijkheden van den dirr. B.... â Arme R. Br...., arme kinderen! Indien de jonge mooie actrice geen contract had, dan zou ik zeggen; kind, keer jij naar die tante terug, en zoek je bonne-dienst weer op. â Gesteld zelfs dat er in haar kunstrichting a la Van Deene, iets goeds steekt, zij zal die hervorming zeker duur genoeg betalen. Jaloezie, tegenwerking; het publiek dat de draken wil zien; arm kind! 't loopt alles op teleurstelling uit.quot;
Toen vader Roosman zijn vliering ging opzoeken, was het doodstil in huis, maar toch, toen hij Lina's kamertje, dat nu voor logeerkamer diende, zachtjes voorbijging, toen meende hij daar binnen een zonderling geluid te vernemen. Even stilstaande luisterde hij scherper; en, nog meer met het oor nabij de deur komende, vernam hij vrij duidelijk een zonderling snikken.
188
TOONEELSPBLEES.
Een paar minuten later is moeder Susanna van Davids fluisterende basstem een weinig geschrikt. Zij was juist ingedommeld, maar al spoedig is zij nu ook ten bedde uit om van David te vernemen wat hij zoo even op het portaal heeft gehoord.
Toen juffrouw Roosman 't vernomen heeft, behoefde David haar niets meer te zeggen; zij wist al dadelijk wat hij begeerde en wat haar te doen stond. Zij zou gauw wat aantrekken, en dan eens gaan zien of het arme schaap iets mankeerde. David moest intusschen maar stilletjes naar bed gaan; als er iets noodig was dan zou zij Lina wel roepen.
Maar, toen moeder Susanna, met de meeste voorzorg â opdat juffrouw Reene niet schrikken zou â het logeerkamertje is binnengegaan, toen heeft Roosman zich niet naar zijn vliering begeven, maar is geduldig op het portaal blijven wachten. Hij wilde eerst eens weten of er geen kwaad bij was, om, als het noodig mocht zijn, liever zelf van dienst te kunnen wezen: 't was verstandiger dat Lina maar slapen bleef. Vader kon beter tegen een uurtje waken dan zij.
âIk houd het voor zenuwen; overspanning van zenuwen,quot; zei moeder Susanna, toen ze een weinig later, David haastig voorbijging om wat eau-des-carmes en frisch water te halen: âZe ligt aanhoudend te hijgen en te snikken; maar 't gaat al wat beter. Ga jij dus naar bed David.quot;
Maar David ging voor moeder 't frissche water beneden uit de keuken halen; en toen moeder straks weer bij Reene was, toen zat de marqué, in een hoek van 't portaal, op een grooten koffer met koperen beslag, en dacht.... aan 't eenige middel, waardoor dat kind aan Baars en aan de ergerlijke rol, die zij spelen moest, kon worden onttrokken, â een rol die, zooals hij in stilte erkennen moest, voor een fatsoenlijk meisje niet te spelen was, en waarbij de beulsrol voor den marqué nog een karakterrol mocht heeten; hij dacht aan het âeenige middelquot; om Flora's onschuld op een afdoende wijze te beschermen, en waardoor tevens de verwaarloosde Rosa Brons, mét haar rechten als actrice, misschien ook haar rechten als vrouw in 't belang van haar arme kinderen herwinnen kon.
Toen de torenklokken het zevende uur in den morgen over de in mist gehulde stad klingelden, had vader Roosman reeds een wandeling achter den rug, en liet nu den dokter uit, die de patiënte, op 't verzoek van den acteur, reeds zoo vroegtijdig bezocht heeft.
âZoodat er geen gevaar voor de reis is?quot; zegt Roosman met een stem alsof hij in 't holst van den nacht klonk.
189
TOONEELSPELEBS.
âIntegendeel, ik geloof dat die reis haar eer goed dan kwaad zal doen. De ademhaling werd aanstonds merkbaar ruimer toen ik zei. dat haar vertrek naar Gelderland wenschelijk was.quot;
âIs het noodig dat er iemand meegaat?quot;
âNeen. De droppels, die ik voorschreef, moet ze vooraf een paar maal innemen. Als u haar naar den trein brengt, en aan een conducteur recommandeert, dan heb ik volstrekt geen vrees of alles zal heel wel gaan. Is zij eenmaal te Arnhem, dan kan men, zoo 't noodig mocht zijn, daar verder geneeskundige hulp inroepen.quot;
âU gelooft dan toch dat zij ziek is?'quot;
âMen kan 't niet met zekerheid zeggen. Indien zij hier bleef dan geloof ik vast dat zij 't worden zou; anders had ik immers die verklaring voor de tooneeldirectie niet kunnen geven.quot;
âNatuurlijk!quot; zegt Roosman. âIk dank je dokter.quot;
âGoeden morgen!quot;
âMorgen!quot;
Na 't vertrek van den geneesheer is Flora tot rust gekomen, en moeder Susanna, die een bijna slapeloozen nacht heeft doorgebracht, is op vaders verzoek nog een uurtje naar bed gegaan. Maar Roosman heeft aan geen slapen meer gedacht Aan Govert, zijn oudsten zoon, die 's avonds vroeger naar kooi gaat omdat hij 's morgens al vroeg op de werf moet wezen, geeft hij zeer beknopt kennis van 't geen er gebeurd is, en verzoekt hem om in 't voorbijgaan een vigilante tegen halftien te bestellen. Vader zelf zou straks naar Reenes kamers gaan, om er voor 't goed te zorgen, 't welk de vigilante dan eerst moest afhalen.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
AAN HET SPOOKWEGSTATION.
Omstreeks denzelfden tijd dat er bij de familie Roosman een beladen vigilante voor de deur wachtte, om al spoedig met zijn vracht naar het station van den Rijnspoorweg te vertrekken, trad de eigenaar van een der eerste logementen der hoofdstad, tot op de stoep
190
TOONEELSPELERS.
van zijn hotel naar buiten, ten einde het gebruikelijke uitgeleide aan âzeer gewaardeerde gastenquot; te doen.
Ofschoon de portier, een paar schenkers en de huisknecht mede tegenwoordig waren, en zich met het aangeven, en het schikken der kleine bagage in het rijtuig zeer verdienstelijk maakten, zoo laten de beide heeren â die vrij duidelijk als vader en zoon te onderkennen zijn â zich toch hun taak aan het portier der vigilante niet ontnemen, maar zijn met de meeste zorg een oude dame bij het instappen behulpzaam.
âGoede reis, lieve moeder,quot; zegt de oudste heer â een man van vijf en veertig jaar omtrent, terwijl hij de hand der oude dame drukt: âIk laat u nu zonder vrees aan de goede zorg van uw kleinzoon over.quot;
âGisteravond toen onze vigilante aan de komedie zoek was, toen heb je gezien dat hij een uitmuntend cavalier is,quot; zegt de oude dame. Een oogenblik later: âWij mogen je dus over acht dagen thuis wachten?quot;
âAls de zaken in Brussel mij soms langer mochten ophouden, dan schrijf ik.quot;
âJa daar reken ik vast op, maar â ik hoop het niet.quot;
De jonge, ruim twintigjarige cavalier der oude dame, drukt zijn vader recht hartelijk de hand, en stapt dan mede in het rijtuig.
De laatste groeten worden gewisseld, en mijnheer Van Oudenolm, die twee dagen met moeder en zoon in het hotel gelogeerd heeft, ziet nu â in afwachting van de vigilante, die hem aanstonds naar het station van den Hollandschen spoorweg, aan het tegenovergestelde einde der stad zal brengen, het rijtuig met wat hem 't dierbaarst is, na.... totdat het aan 't eind der straat in den mistigen nevel verdwijnt.
Een groot kwartier voor het vertrek van den tweeden trein van den Rijnspoorweg, die tijdens het gebeurde hier vermeld, nog slechts tot het station Zeist-Driebergen in exploitatie was â heeft een goed gekleed persoon, die ook reeds bij het vertrek van den vroegtrein aan het station werd gezien, zich gedurig in de nabijheid van den hoofdingang bevonden, en, af en aan wandelende, houdt hij voortdurend het oog op de passagiers die, te voet of per rijtuig aangekomen, er binnengaan.
Uit den mist komt weder van de stadszijde een vigilante in 't gezicht, en rijdt het stationsplein binnen.
De man houdt zich een weinig ter zij totdat het rijtuig de stoep is genaderd. Indien hij zich niet bedriegt, dan heeft hij een dam»
191
TOONEELSPELERS.
in het rijtuig bespeurd; doch, het portierglas is te veel beslagen om haar gelaat te onderscheiden. Nu echter zal hij zekerheid bekomen. Een stations-besteller is reeds aan het rijtuig om het portier te openen, en de bagage naar binnen te brengen.
De man komt een paar schreden nader, doch, een woord van teleurstelling bromt hij in den baard: In plaats van een jonge dame, ziet hij een jonkman uit het rijtuig komen, die aanstonds een bejaarde dame bij het uitstappen behulpzaam is, haar vervolgens den arm geeft en het station met haar binnen gaat.
't Komt den wachtende voor alsof hij dien jonkman meer heeft gezien. Doch, wat gaat hem dat heerschap met die oude dame aan; hij wacht iemand anders. â Zou zij niet komen? Heeft hij zich in zijn verwachting bedrogen dat ze zich, na de leelijke poets, die ze hem speelde, zoo spoedig mogelijk naar Arnhem begeven zou, tot groot ongerief voor het tooneelgezelschap, en â zonder dat hij op dat drommelsch eigenzinnige ding heeft gezegevierd?
De tooneeldirecteur Baars hoort weer een rijtuig aankomen, 't Is een omnibus.
Neen, slechts een paar onbekenden stappen er uit.
Reeds klinkt het gelui, 't welk het vertrek van den trein slechts weinige minuten voorafgaat.
Baars gaat nu haastig het stationsgebouw in, waar hij in de vestibule een woordenwisseling met den portier heeft, en weinige oogenblikken later oogluikend in de wachtkamer der tweede klasse wordt toegelaten.
In de wachtkamer der eerste klasse bevindt zich slechts een klein getal passagiers. Flora, die vroeger in haar ondergeschikte betrekking met de familie Eijne eene reis in 't buitenland heeft gemaakt, weet bij ondervinding dat men zich in de eerste klasse oneindig ruimer en gemakkelijker bevindt dan in de tweede, en heeft met volkomen goedkeuring van Roosman, dan nu ook eene plaats voor die eerste klasse genomen, want, ofschoon ze zich goedhoudt, en âde reis wel heel best maken kanquot;, zoo gevoelt zij toch dat ze tegen druk gepraat en benauwdheid niet zou bestand zijn.
Flora zit in de wachtkamer op een der canape's; maar Roosman is blijven staan. Ofschoon hij toch graven en hertogen ja zelfs koningen op het tooneel heeft moeten voorstellen, neen in die grootheid gevoelt hij zich niet tehuis. Al een paar malen heeft hij op zijn horloge gezien. Niet beter te weten was nu alles gedaan wat
192
TOONEELSPELERS.
hij met moeder Susanna had afgesproken. Voor een fooitje aan den portier heeft hij verlof gekregen om âdie ongestelde damequot; tot in de wachtkamer te vergezellen; den chef-conducteur heeft hij verzocht om âzie je, die bleeke juffrouwquot; zoo noodig, en vooral bij 't eindstation, behulpzaam te zijn; en, naar dat eindstation. Driebergen, heeft hij getelegrafeerd om voor eene âongestelde mejuiïrouwquot; eene plaats in de cabriolet der diligence te reserveeren. Maar, wat kan hij nog meer doen? Zooals juffrouw Reene weet, moet hij over een klein half uur op de repetitie zijn, en vooral niet later, omdat Reenes vertrek, 't welk hij heeft mee te deelen, eene wijziging in de voorstelling zal noodzakelijk maken. Als hij nog langer blijft, dan zou hij een rijtuig moeten nemen, want de omnibussen wachten op den eerstkomenden trein, en de kosten.... nietwaar? Als de conducteur haar nu in den wagen helpt, dan kan hij toch immers gemist worden?
âWel zeker!quot; zegt Flora; en dan: âHoe zal ik u ooit genoeg kunnen danken, goede mijnheer Roosman.quot;
Rüostnan zag even ter zij, bevreesd dat de jonge heer en de oude dame die zich 't meest in zijn nabijheid bevinden, Flora's lofspraak gehoord hebben. Met een grafstem sprak hij:
âZie je, ik ben verplicht er op tijd te komen. Juffrouw Brons, die nu zeker van avond moet meewerken, dient bijtijds gewaarschuwd te worden, omdat ze nooit op den souffleur speelt. Als er een ander stuk moet gaan, is 't niet minder noodzakelijk voor 't heele gezelschap. U bent nu toch beter nietwaar?quot;
,0, ga gerust, mijnheer Roosman,quot; zegt Flora; en opstaande neemt ze zijn hand en drukt die met warmte; âNooit zal ik vergeten wat u en uw lieve vrouw en kinderen voor mij gedaan hebben.
Groet ze nog eens recht hartelijk, en zeg haar.....quot;
âAl genoeg,quot; bromt Roosman, die alweer een zijdelingschen blik op die âeerste-klasse-luiquot; heeft geworpen, en niet gewoon is in 't publiek zooveel lof en bewijzen van sympathie te ontvangen.
Toch moet Flora haar dankbaar hart ten volle lucht geven, en nogmaals herhalen, dat de liefde in Roosmans woning ondervonden, bijna 't leed doet vergeten 't welk de onwaardige directeur haar veroorzaakt hoeft, terwijl het haar tevens 't geloof doot behouden: dat men âook in den tegenwoordigen tijd tooneelspoler kan zijn, en tevens een edel trouw hart in de borst dragenquot;.
Met tranen in de oogen heeft Flora den marqué zien heengaan. Toen hij vertrokken was, gevoelde zij plotseling weer die vreemde suizing in 't hoofd, maar vermande zich, en verfrischte zich nog-III. 13
193
TOOHEELSPELEBS.
maats met de uitmuntende eau-de-cologne, waarvan moeder Susanna haar bij 't heengaan nog een fleschje heeft opgedrongen.
Juist op het oogenblik dat Roosman de hoofddeur van het station uitging, trad Baars â na een vergeefsche inspectie van de wachtkamers der tweede en derde klasse â in de vestibule terug, en herkende in den persoon, dien hij naar buiten zag gaan, den stroeven marqué van zijn gezelschap.
Ofschoon Baars den man slechts op den rug zag, kon hij zich onmogelijk in den persoon vergissen, en terzelfder tijd hield hij zich overtuigd, dat Flora ten huize van den marqué heeft overnacht, en dat Roosman met haar reeds in 't station was toen hij er zelf eèn oogenblik later was aangekomen.
In aller ijl spoedt Baars zich naar den uitgang, den marqué achterna.. â â Doch neen, nog intijds begrijpt hij dat het de grootste dwaasheid zou wezen om dien man niet rustig zijn weg te laten vervolgen. Halt! Er is geen tijd te verliezen.
âHeeft die heer een jonge dame in deze wachtkamer gebracht?quot; vraagt Baars nu zeer snel aan den deurwachter der eerste klasse-zaal.
,Jawel mijnheer.quot;
âIk zocht haar; ik moet haar noodzakelijk spreken. Je zult me wel even doorlaten?quot;
âAls u een plaatskaartje heeft?quot;
âHier heb je iets anders. Er is groote haast bij.quot;
âJa, maar, waarachtig....quot; zegt de deurwachter, die echter niet kan beletten dat de krachtige heer de deur reeds heeft geopend, en naar binnen gaat, terwijl hij, in 's hemelsnaam, het surrogaat van een plaatskaartje maar in den zak steekt.
De oude mevrouw Van Oudenolm heeft slechts weinig opmerkzaamheid aan de personen geschonken, waarmee ze zich in de wachtkamer bevindt, en geheel vervuld met hetgeen ze aan Archibald meedeelt â betreffende een reisje naar Parijs, toen zij 't voorrecht heeft gehad den grooten Talma te zien, en wiens spel ze vergelijkt met dat van den Duitschen dramaturg, om wien men dit uitstapje had ondernomen â bespeurt zij niet dat Archibald zeer afgetrokken luistert, zóó zelfs, dat hij op het oogenblik als Flora Reene de laatste woorden met Roosman wisselt, in 't geheel niet meer weet tot welk een slotbeschouwing zijne grootmoeder gekomen is.
âBen je 'tmet mij eens Archi?quot;
âIk, jawel grootma, ten minste----quot;
,'t Is dankt mij zoo natuurlijk: De gemakkelijkheid waarmee die acteurs zich in zoo velerlei rollen verplaatsen, kan niet anders dan
131
T00NEE1SPELEES.
ongunstig op hun moreel werken. Als ik met zoo'n Davidson in 't dagelijksch leven verkeeren moest, zou ik mij telkens de vraag doen: Is het geen rol die de man tegenover mij speelt. Hoe volmaakter acteur op de planken â zoo dacht ik nog gisteravond â hoe gevaarlijker in de samenleving, te meer dewijl die menschen zoo zelden in hun jeugd het eenig noodige leerden liefhebben, en ze wèl het gelaat leerden plooien naar de karakters, die zij moeten voorstellen, maar niet hun eigen karakter naar den reinen wil van God. â Hoeveel de kunst mij, als kunst ook genieten doet, zoo heb ik toch altijd een innig gevoel van deernis met zulk een talent als mensch.quot;
Archibald antwoordde niet. Tot nu toe had hij â met den arm op den schoorsteenmantel geleund, â nabij den fauteuil gestaan waarop zijne grootmoeder gezeten was. Reeds toen hij bij 't binnenkomen, Flora Reene heeft gezien, was hij zoogoed als zeker dat het de jonge actrice moest zijn, die hij in 't begin van den winter zag spelen; het talentvolle bekoorlijke meisje, 't welk hij met die oudere actrice een nachtverblijf op Den Driellaert had bezorgd, en wier kloeke houding, bij zijn ondoordacht bezoek, hem een blijvend gevoel van hoogachting heeft ingeboezemd. Toch heeft Archibald een oogenblik getwijfeld. Het kunstlicht, waarbij hij haar op dien avond heeft bewonderd, moest haar schoonheid zeer hebben verhoogd, of wel, zij moest sinds dien tijd veel hebben geleden, of nu ziek zijn misschien. De trekken zijn dezelfde, maar zij is bleek, zeer bleek, en haar vroeger zoo sprekende oogen staan flets en dof, en staren het meest naar den grond.
Nu de persoon vertrokken is van wien zij zoo dankbaar heeft af. scheid genomen, en in wien Archibald den valschen Mathieu Lou-chard uit De Schipbreuk der Medusa van een jaar geleden heeft meenen te herkennen; nu grootmama bovendien ophoudt met. spreken, en hij zijn kans eens waarnemen kan, gaat Archibald een paar malen de wachtkamer op en neer, en werpt gedurig een zijde-lingschen blik op het meisje om zich te vergewissen of hij zich inderdaad niet bedriegt. Maar er kon geen twijfel bestaan, en terwijl hij zich geheel overtuigd houdt dat het werkelijk Flora Reene is, vreest hij â in verband met de woorden die hij straks heeft opgevangen â dat bittere ervaringen het talentvolle bekoorlijke meisje in de noodzakelijkheid hebben gebracht, om de tooneel-loopbaan, die zij met zooveel kunstliefde was ingetreden, reeds voorgoed te verlaten.
De jonge actrice, die geheel in zich zelve gekeerd, geen oog voor
105
TOONlSELSPELEItS.
de personen schijnt te hebben, die met haar op het openen der perrondeuren wachten, heeft Archibald Van Oudenolm nog in 't geheel niet opgemerkt, of althans niet herkend. Ja zelfs, nu hij haar nogmaals op eenigen afstand voorbijgaat, en zij met een vluchtigen blik naar hem heeft opgezien, is het duidelijk te bemerken dat zij in 't minst niet vermoedt dat het de jonkman is, wiens hoffelijkheid haar, na het ongeval in dien nacht, een leger op Den Driellaert verschafte, en wiens al te stoute vereering, haar later zulk een pijnlijk uur heeft bezorgd.
â Zij herkent mij niet, denkt Archibald, nu hij Flora de hand op 't voorhoofd ziet drukken, terwijl zij de oogen weer even strak als te voren op den vloer houdt gericht: Zij weet niet dat ik het ben, ik, die haar op dien avond zooveel fraais heb gezegd, en mij als een beschermer aan haar kwam opdringen. Zij is ziek, daar is geen twijfel aan; ze moet dezelfde reis maken; en wie is er die haar zal helpen indien zij iets noodig heeft? Ik moet.... Doch Archibalds ridderlijk gevoel komt in een moeielijken strijd. Hij heeft een snellen blik op zijne grootmoeder geworpen, die â trotsch op haar kloeken cavalier â den geliefden kleinzoon, terwijl hij in de wachtkamer op en neer gaat, schier geen oogenblik uit het oog heeft verloren. â Als hij Flora Reene aanspreekt; als hij zich aan haar bekend maakt; als hij haar zijn diensten aanbiedt, dan zal zijn grootmoeder vragen, wie die jonge dame is; en als Archibald dan naar waarheid moet antwoorden, dan zal een wolk dat gelaat bedekken; dan zal zij zich vooral den lasterlijken anoniemen brief herinneren die, niet lang na het gebeurde in het tuinmanshuis, aan haar adres is bezorgd, den brief, waarin haar kleinzoon werd beschuldigd van het schandelijkst gedrag, waartoe een schaamtelooze actrice hem, en zelfs in de ouderlijke woning verleid had. Op dien brief heeft Archibald zich niet behoeven te verdedigen. Zijn vader wist immers wdt er gebeurd was, en naamloos geschrijf achtte men het werk van een laaghartige ziel. â Doch nu! Wat zal zijn grootmoeder, na het vroeger gebeurde denken van eene ontmoeting als deze, die, wel is waar juist door hare tegenwoordigheid, blijkt een geheel toevallige te zijn, â terwijl bekende personen op reis aan te treffen bovendien zoo'n groote toevalligheid niet is â maar die toch, in verband met de nog straks door haar ontwikkelde gevoelens, het vermoeden kon opwekken dat er ook nü door die actrice eene rol werd gespeeld, met het doel om nogmaaals, â en nu zelfs juist met voordacht in 't gezelschap der oude grootmoeder â een aanslag op het hart van den kunstminnenden bankierszoon te wagen.
196
TOONEF.LSPELERS.
â Neen, 't is onmogeliik, denkt Archibald voort: zulk een vermoeden kan niet in de ziel van mijn goede grootmoeder opkomen, en bovendien, zij zal toch geen oogenblik in ernst kunnen gelooven dat die bleekheid kunstmatig, en de matheid van dat oog geveinsdheid zou zijn. â Ik moet haar eens toespreken en mijne hulp aanbieden. Aan grootma kan ik haar toch even voorstellen. Als zij het arme schepseltje voor zich ziet, dan zal zij ja, misschien in 't eerst wat koel zijn, maar toch haar goedhartigen aard niet verloochenen. Misschien is 't juist een gelukkig toeval 't welk mij de gelegenheid geeft, om grootma eens met een actrice in kennis te brengen van wier reinen zin ik zelf zulk een treffend bewijs heb ontvangen.
Mevrouw Van Oudenolm wenkt Archibald tot zich.
âDat bleeke juffertje schijnt je zeer te interesseeren. Ken je haar?quot;
Archibald aarzelt. De oude dame die, in weerwil van zekere vreemde verwikkelingen met de familie Van Rave, vast gelooft dat een huwelijk van haar Archibald met de lieve Louise âin den hemel beslotenquot; is, en nooit graag ziet dat hij van andere mooie kopjes te veel notitie neemt, de grootmoeder heeft Archibald, bij haar vraag, met een blik beschouwd, die hem aan oogenblikken herinnert, waarin ar als 't ware een scheidsmuur tusschen hem en die dierbare vrouw was gerezen.
Hij wil antwoorden. Maar zie, op 't zelfde oogenblik opent men de glazendeur aan 't perron, en worden de reizigers verwittigd dat zij plaats in den trein kunnen nemen. De oude dame â voor wie 't reizen met den spoortrein iets geheel nieuws is, en die meent dat alles met den grootsten spoed moet geschieden, is reeds opgestaani en pt) de kleine bagage wijzende, zegt ze:
âKom Archi, gauw!quot;
Mevrouw Van Oudenolm hoopt bovendien dat men door een spoedig plaats nemen met andere reizigers, dat juffertje zal ontloo-pen, terwijl zij dan straks van Archi wel iets naders omtrent haar vernemen zal.
De groote haast, die mevrouw Van Oudemolm maakt, brengt haar kleinzoon in de noodzakelijkheid, om aanstonds met de kleine bagage zijn grootmoeder, die reeds vooruit is, naar 't plankier te volgen. Alvorens echter de deur uit te gaan, ziet hij nog eens naar Flora om.
Flora is mede opgestaan, doch in 't zelfde oogenblik wordt do groote deur aan de achterzij der wachtkamer geopend, en komt een persoon â in wien Archibald den directeur Baars herkent â in
197
TOONEELSPELERS.
aller ijl naar binnen, terwijl hij, na een vluchtigen blik in de zaal te hebben geworpen, aanstonds op Reene toetreedt.
âArchi, kom! Er is geen tijd te verliezen!quot; roept mevrouw Van Oudenolm.
Archibald begeeft zich haastig naar buiten, Zijn wangen zijn hooger gekleurd. Al spoedig heeft hij zijn grootmoeder in een coupé geholpen, doch, niet zoodra is zij, met haar fijnste mutsenmandje naast zich, op een gewenscht hoekplaatsje gezeten, en heeft hij de parapluies en verdere bagage in het netwerk geborgen, of ijlings springt hij den wagen weer uit, en spoedt zich naar de wachtkamer terug.
Mevrouw Van Oudenolm verkeert over Archibalds plotselinge verdwijning in de grootste onrust, maar wordt ook aanstonds door een oud heer, die de coupé juist binnenstapt, gerustgesteld: â De jonge mijnheer zou waarschijnlijk iets in de wachtkamer hebben achtergelaten. Mevrouw behoefde geen vrees te hebben; men had op 't minst nog drie minuten tijd.
âEn ik verklaar je dat ik waarachtig van die heele comedie niets begrijp;quot; zegt Baars met luider stem, zoodra hij zich met Flora Reene in do wachtkamer alleen bevindt: âJe handeling van gisteravond blijft me een raadsel. Op het oogenblik dat ik alles doe om je 't verblijf bij ons gezelschap zoo aangenaam mogelijk te maken, en daarvoor niets dan de oude hartelijke vriendschap verlang, behandel je mij als iemand die 't op je leven gemunt heeft; je sluit me op; je ontvlucht je woning: je....quot;
âMijnheer Baars, als ik verkeerd gehandeld heb, och vergeef het mij dan; maar----quot;
âVerkeerd gehandeld! om mij aan de lasteilijkste praatjes bloot te stellen; en, nu nog de kroon op het werk te zetten en zonder onze voorkennis, zonder onze toestemming, de stad en het gezelschap te verlaten! Ik ben hier gekomen juffrouw Reene, om je ernstig en dringend te verzoeken aan dat dwaze plan geen gevolg te geven. Je weet wat je geheel vrijwillig hebt onderteekend. Je weet dat het volstrekt onmogelijk is om dezen avond iets anders te laten gaan dan 't stuk, dat in alle couranten geannonceerd is. Je weet dat wij geen doublure voor je rol hebben. Al zou ik alles door de vingers willen zien, mijn mede-directeur zal ongetwijfeld alle schade op je verhalen en je een proces aandoen. In Godsnaam, laat dis malle opvatting en je onzinnige voornemen varen. Ik bezweer je dat er niemand is die het beter met je voorhad dan ik. Kom Flora, wees
198
TOONEELSPELEHS.
geen kind. Ga mee; het plaatskaartje blijft voor mijn rekening; kom?quot;
Flora trilt over haar geheele lichaam.
âMaar ik ben ziek mijnheer; zie je niet dat ik naar Imis moet omdat ik ziek ben?quot;
âZiek! Ja waarachtig, een onnoodige vrees kan iemand gemakkelijk de koorts op het lijf jagen. Maar als je werkelijk ziek bent, dan is zoo'n reis per spoor en per diligence 't geschikste middel om je heelemaal dood te maksn. Je goede tante zou 'tmij eeuwig verwijten indien ik je gaan liet. Nog eens, wees verstandig Flora. Ziedaar, als je werkelijk ongesteld bent, dan zal en moet die voorstelling, in Godsnaam, veranderd worden; dan zal ik aan tante Lindeman schrijven, en in dien tusschentijd zorgen dat je een goede oppassing krijgt. Wat wil je nog meer! Ik bezweer je Flora, gamet me mee? Je zult het ondervinden wie het waarachtig goed met je meent.quot;
Met haastigen tred komt op dit oogenblik Archibald Van Oudenolm de wachtkamer in, en zonder aarzelen de beide personen naderende, zegt hij tot Flora, alsof hij den tooneeldirecteur niet bemerkt:
âWij zijn oude bekenden juffrouw; en daarom ben ik zoo vrij u even te herinneren dat het hoog tijd wordt om in te stappen. Vergun mij dien reiszak te dragen; en wees zoogoed mij den arm te geven, want ik meen straks gehoord te hebben dat u niet wél bent.quot;
Een vluchtig rood kleurt Flora's bleeke wangen. Straks had zij wel gemeend dien jonkman reeds vroeger te hebben gezien, doch nü eerst heeft ze hem herkend:
âMijnheer Van Oudenolm!quot; zegt ze zacht, met een blik, die Archibald ten volle overtuigt dat zijn verschijning haar meer dan welkom is; en dan, terwijl ze zich reeds naar de zij van Archibald keert, blijkbaar om zoo spoedig mogelijk van zijn verrassend aanbod gebruik te maken, zegt ze tot den directeur:
âIk hoop gauw beter te zijn, mijnheer Baars, en als ik beter ben dan....quot;
âMaar.... dat gaat zoo niet mijnheer!quot; zegt Baars, door Archibalds onverwachte tusschenkomst een oogenblik van zijn stuk gebracht: âDie dame is een actrice van mijn gezelschap. Zij heeft contract; ze mag niet vertrekken zonder mijn goedvinden. Als zij ziek is, dan is het een moord om haar in zulk guur mistig weer op reis te laten gaan; en bovendien dan zou zij een attest van den dokter moeten hebben.quot;
âDat attest heeft hij gegeven,quot; zegt Flora trillend.
âWat! De dokter? 'k Zou het heel graag eens zien.quot;
199
TOONEELSPELEKS.
,Daar is nu geen tijd voor. We zullen 'tu zenden,quot; zegt Archibald kortaf: âKom juffrouw, 'tia meer dan tijd.quot;
Baars is een oogenblik besluiteloos. Zal hem door dien knaap dan voor altijd de kans worden ontnomen om op dat bekoorlijke schepseltje te zegevieren; zou hij het kind, 't welk hij zoo hartstochtelijk bemint, zonder verzet laten heengaan, met de zekerheid dat ze nooit zal terugkeeren! ? Neen, niet om niet zullen die weken vóór Heldera's vertrek hem een eeuw van marteling zijn geweest. Ha! nu heeft hij het middel gevonden om dat preutsche kind vrijwillig van haar voornemen te doen afzien;
âEn ik zal niet toestaan mijnheer dat iemand, die aan m ij ne zorg werd toevertrouwd, op de laagste wijze wordt misleid,quot; zegt Baars met klem, terwijl hij zich in zijn volle breedte voor Archibald plaatst: âWij kennen die praktijken mijnheer! Dat juffrouw Reene U hier zou ontmoeten, dat wist zij niet, daarvoor is zij te rein en te edel; maar dat jij met je onzalige bedoelingen haar in deze wachtkamer zoudt vinden, dat â spreek het niet tegen â dat wist je aleer de zon aan den hemel was.quot;
â Flora weet niet recht wat ze hoort, 't Is haar weer alsof zij een geweldigen slag op 't hoofd heeft gekregen.
De oogen van den jongen Van Oudenolm gloeien van verontwaardiging. Maar hij heeft geen woorden om de ellendige logentaal van dien man in dit oogenblik te bestraffen. Bovendien, aan de perron-deur is een conducteur verschenen die naar binnen roept :
âHeeren, als je nog mee moet, wat gauw als je blieft!quot;
Terzelfder tijd meent Archibald op angstigen toon zijn naam te hooren roepen. Ja, 'tis de stem van zijn grootmoeder.
Baars begrijpt dat lijd te winnen, alles gewonnen is: De trein moet zonder Flora, ja desnoods zonder dat heerschap vertrekken.
âMaar ik herhaal je, niet te zullen dulden dat je den onbesproken naam van deze dame te grabbel gooit,quot; herneemt hij heftig: âAls ik me niet vergis ben je....quot;
âOp zij kerel!quot; zegt Archibald, terwijl hij den tooneeldirecteur, die zich nogmaals in Flora's weg had gesteld, met zijn gespierde vuist ter zij stoot.
Baars, op zulk een handeling geenszins bedacht, heeft een oogenblik moeite om zijn evenwicht te bewaren. Van dit oogenblik maakt Van Oudenolm gebruik om met Flora buiten de glazendeur op het plankier te geraken.
âDie man wil mee en heeft geen kaartje,quot; roept Archibald den portier toe, terwijl hij zelf ijlings met Flora op de coupé toesnelt,
TOOUEELSPELERS.
waarin zijne grootmoeder, in de grootste onrust, haar kleinzoon verbeidt, en waarbij een conducteur met teekenen van ongeduld nogmaals tot spoed dringt.
âIk moet mee; ik moet! Hoor je niet!quot; roept Baars, die juist toen hij de jongelieden buiten de deur wilde volgen, de glasruit tegen den neus kreeg.
De stationsbeambte opende de deur weder op een kier, maar zette voorzichtigheidshalve den hak er schrap tegen aan;
âHeeft mijnheer een kaartje?quot;
âNeen, â jawel!quot;
,Zien als je blieft?quot;
âMaar ik zeg je dat ik mee wil en mee moet! â Ze schaken m'n dochter!quot; roept Baars, terwijl hij Flora's blauw merinos kleedje juist in de coupé ziet verdwijnen, en nu met een geweldigen drang â in weerwil van des portiers zeer schrap gezetten hak â eensklaps de glazendeur doet openvliegen.
âWat beteekent dat hier?quot; zegt de snel naderende stationschef.
âDie heer heeft geen kaartje en----quot;
â âMijnheer de chef, er is een jonge dame in den trein, die aan mijne zorg is toevertrouwd en die....quot;
âDus u moet niet mee!quot; zegt de stationschef; en terwijl Baars nog met gloeiend gelaat een beroep op het geweten van den chef doet, is de wenk tot vertrek reeds gegeven.
Even klinkt de schel; de conducteursfluitjes worden door den locomotiefgil achtervolgd, en Baars, die door zijn hartstocht verblind, gereed staat om een dwaasheid te begaan, wordt in 'tzelfde oogenblik met kracht teruggehouden, en ziet de coupé, waarin dat weerspannige ding gezeten is, voorbijschuiven, en den trein al sneller en sneller, met wolken en damp, in den mist verdwijnen.
Toen mevrouw Van Oudenolm Archibald straks aan het portier had teruggezien, toen heeft de tegenwoordigheid van den bejaarden reisgenoot, haar â ofschoon met moeite â een ernstig woord over Archi's verontrustend lang uitblijven doen terughouden, doch oneindig meer moeite heeft het haar gekost ora zich te bedwingen, toen zij schier in 'tzelfde oogenblik haar kleinzoon, dat juiïertje uit de wachtkamer, als 't ware de coupé zag inbeuren, om daarna â terwijl hij haar ijlings een goede plaats wees â met een onverklaarbare gejaagdheid het portier achter zich dicht te trekken.
Mevrouw Van Oudenolm begreep volstrekt niet wat zij er van denken moest; en ofschoon zij met saamgeperste lippen en ge-
201
TOONEELSPELERS.
fronste wenkbrauwen naar dat meisje bleef turen, zij sprak geen woord, zelfs niet toen Archibald naast haar had plaats genomen, en â na een dankbetuiging van Flora te hebben beantwoord â nog eenigszins hijgend van den gemaakten spoed, zachtjes tot haar zeide:
âIk begrijp uw verwondering grootma. U hebt mij straks gevraagd of ik dat meisje ken.quot;
Het stilzwijgen der oude dame was voor Archibald een bewijs hoezeer zijne grootmoeder ontstemd was. Indien hij haar nu â zooals hij van plan is geweest, de volle waarheid zegt, dan voorziet hij de mogelijkheid dat grootma's ontevredene stemming zich misschien ten koste van de arme actrice zal openbaren; zeker niet door eenig kwetsend woord, â want daarvoor is zij te goed â maar mogelijk door, bij het eerste station, onder 't een of ander pretext, in een andere coupé te willen overstappen.
âGrootma,quot; fluistert nu Archibald: âzoo waar als ik u liefheb, zoo waar steekt er niets kwaads in deze ontmoeting of mijn hulp aan die juffrouw. Straks in de wachtkamer hoorde ik een enkel woord van haar gesprek met den heer, die er haar gebracht had, en kreeg de overtuiging dat zij ongesteld zijnde, zich naar hare familie te Arnhem wil begeven, doch, door den persoon, bij wien ze zich in conditie bevindt, in dat voornemen werd tegengewerkt. Toen ik nu juist op het oogenblik dat wij te zamen de wachtkamer verlieten, een groot norsch persoon op haar zag toetreden, nam ik terstond het besluit om nu eens, zonder bedenken, een van uw ridderlijke lessen in praktijk te brengen.quot;
âEi, mij dunkt anders dat het verstandiger zou zijn, en vooral als je je grootmoeder te chaperonneeren hebt, om je niet in avonturen te steken. Je pousseert de ridderlijkheid wat ver. Je weet niets van die raenschen; je kent dat meisje zelfs niet....quot;
âZe is ziek grootma, u kunt het duidelijk zien. En dan zoo'n vent die haar dwingen wil om zich dood te werken! en ver van de menschen die haar lief zijn! Nietwaar?quot;
Mevrouw Van Oudenolm vindt dat alles wat sterk gekleurd, en vreest dat haar flinke, maar wel wat dichterlijke kleinzoon, door zijn bijzonder ridderlijke daad in moeielijkheden zal komen. Hij heeft er immers al ééns do ondervinding van gehad. Nochtans, er is iets in zijne handelwijs, dat ze waardeert; terwijl een meer nauwkeurig opnemen van het schoone maar zonder eenigen twijfel ongestelde meisje, haar de zekerheid geeft, dat Archibald, ofschoon hij zich voor een minder lief gezichtje waarschijnlijk niet zoo krachtig
202
TOONEELSPELERS.
203
1l
partij zou hebben gesteld, toch inderdaad uit goedhartigheid moet gehandeld hebben.
âEn de persoon, die haar iu de wachtkamer heeft gebracht, was je dus ook onbekend?quot; herneemt de oude dame zacht, terwijl ze Flora â die de oogen gesloten en het kloppende hoofd tegen het grijze laken heeft gedrukt, â nog nauwkeuriger met haar gouden lorgnet beschouwt.
Hoewel Archibald volstrekt niet heeft gezegd, dat de namen van het meisje en haar vervolger hem onbekend zijn, en zijn grootmoeder dit slechts bij gevolgtrekking heeft aangenomen, zoo kan hij nü met vrijmoedigheid een ontkennend antwoord geven, want, de naam van den marqué herinnert hij zich niet.
âZij huiverde een paar malen,'quot; herneemt mevrouw Van Oudenolm, die Flora nog steeds in 't oog had gehouden: âmij dunkt je moest mijn plaid zachtjes over haar heen spreien.quot;
Archibald wierp een blik op zijn grootmoeder, die haar moest zeggen, dat hij wel wist hoe goed en meelijdend zij was; en nam den plaid om aan grootma's opdracht te voldoen.
Toen Flora straks in die wachtkamer nogmaals zoo hevig door de ontmoeting met Baars was geschokt, en na de overijlde vlucht met den hulpvaardigen jonkman, bijna ademloos in deu waggon is neergevallen, toen heeft zij eenige oogenblikken haar bewustzijn geheel verloren.
Kort daarna was het haar alsof zij zich in den winkel van juffrouw Roosman bevond. Al de dameshoeden, die er in de kasten en op de toonbank waren uitgestald, keerden zich naar toe, met gezichten er in, knipoogend, grijnzend, gillend, vreeselijk gillend als een loco-motieffluit; en eensklaps joeg men haar voort met horten en stooten.
En op haar kamertje was het donker; maar zij moest zich toch ontkleeden en haastig naar bed gaan, want men bonsde haar op het hoofd, altijd, altijd door. En toen zij bijna gereed was, toen werd het eensklaps helder licht; want de schel had geklonken, en de gordijn was opgegaan; en de komedie was vol, overvol.
En het soesde en ratelde; en men schreeuwde en gilde; en zij wist niet waar zich te bergen, en greep haar kleeren, die op den stoel lagen. En zie, tusschen elke coulisse glinsterden glurende oogen, die haar den uitgang betwistten; én zij zag naar den souffleursbak, om er zich in te werpen, maar â daar was hij .... de groote man in zijn pelsjas, en hij werd grooter, hoe langer hoe grooter, en uit dien souffleursbak kwam hij op het tooneel, en trad op haar toe, en strekte de armen naar haar uit; en ....
tooneelspelers.
't Was op dit oogenblik dat Archibald, met behulp van den ouden heer, die juist tegenover Flora zat, zijn plaid zeer behoedzaam over haar heen spreidde.
I Een zachte snik gleed er van hare lippen. Zij sloeg de lange wimpers op; een flauwe trek van blijde bevreemding plooide haar gelaat, terwijl ze onhoorbaar den naam Hel der a lispte; .... maar dan, plotseling tot haar bewustzijn teruggekeerd, richtte ze zich overeind. Ze wist nu waar ze zich bevond, en wat er gebeurd was; ze wist nu dat ze werkelijk nogmaals aan dien man was ontkomen. Zie maar, de telegraafpalen joegen haar voorbij naar de plek, waar hij moest achterblijven. Ha! En nog heden zou ze zich bij haar lieve goede tante bevinden. Ja, maar. dan moet zij zich goedhouden; dan moet zij zich geweld doen en dat beven onderdrukken, en dat kloppen van 't hoofd niet tellen. â O, zij moet toch dankbaar zijn, want zie, die jonkman en die oude heer, ze zijn zoo vriendelijk voor haar; ze hebben haar met dien plaid wat toegedekt, die oude dame ziet haar mede zoo goedig meelijdend aan: Moedig dan Flora, 't gevaar is voorbij; toon je krachtig; straks kun je wat slapen, en dan, dan zal het zeker beter gaan.
âO ik dank u heel vriendelijk voor uw goedh eid,quot; zegt ze nu, terwijl ze zich zoogoed mogelijk in postuur zet. En daarna, diep ademhalende: âJa, het gaat al beter. Ik was niet heel wel; en omdat ik in 't laatst werd opgehouden, was ik wat duizelig geworden. O, duizendmaal dank mijnheer, zonder uw hulp zou ik zeker den trein gemist hebben.quot;
âAh, nu ik je stem heb gehoord, na behoef ik niet meer te vragen, wie ik 't plezier heb te ontmoeten,quot; zegt de oude heer, die Flora al gedurig heeft aangezien, maar haar âniet kon thuisbrengen;quot; âJuffrouw Flora Reene nietwaar?quot;
Flora knikte.
âJuist, juist,'quot; herneemt de oude heer: âik dacht al dat ik u meer had gezien; maar op het tooneel, met die vreemde kostumes en dat wit en vermiljoen, dan zien de dames er zoo anders uit. Jawel, Flora Reene, bij 't gezelschap van Baars amp; Kogel. Ik heb je nog gisteravond in de .... och, in zoo'n aardig ding zien spelen, koningin Pomela of zoo iets; alleraardigst!quot;
Flora zag naar buiten; ze zag de telegraafpalen nog dolzinniger voorbijjagen, en de stoomwolken, rollende over 't weiveld, wegsmelten in den mist. Maar, ze zag 't niet hoe Archibald Van Oudenolm een oogenblik strak voor zich heenkeek, en evenmin dat de donkerste wolk het gelaat der oude dame had overtrokken, en ze haar
204
TOOKEELSPELERS. 205
lippen vast opeen hield gedrukt, alsof ze zelve bevreesd was voor do woorden, die er aan zouden ontsnappen.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN ANDERE MAEQUÃ.
Ook over het boschrijke landgoed Den Driellaert en het kleine van boomen zoogoed als onttakelde plaatsje Harzathe, hing de naargeestige mist.
Louise Van Rave, die van haar kamertje, het Driellaertsche bosch en zelfs een doorschemering van het sierlijke heerenhuis kan waarnemen, ziet nu op zijn best de schutting van Harzathes ontredderden moestuin met zijn boerenkoolstruiken, en de puinhoopen der onlangs voor afbraak verkochte âbroeikas met annexen.quot;
Ofschoon er in den laatsten tijd maar al te veel is geweest 't welk Louises pad met nevelen heeft omhuld, zij is er de persoon niet naar om behagen te scheppen in de sympathie die vrouw Natuur haar heden betoont. Hoe zou ze zich vandaag in een vriendelijk zonnetje verheugd hebben! Ja, want al is haar verhouding tot de vrienden op Den Driellaert, ook sinds een geruimen tijd, van den zonderlingsten aard, zij blijft toch op de hoogte van 't geen er gebeurt. Immers al zou haar vader 't niet hebben toegestaan dat zij de oude mevrouw een enkelen keer des Vrijdags bezoekt â alleen des Vrijdags, âdewijl Archibald dan altijd zeker in de stad isquot; â zelfs de kleindochter van een generaal Van Rave heeft zwakke oogenblikken, en in weerwil van haars vaders ernstig verbod om den jeugdigen vriend te ontmoeten, ziet zij haar dierbaren Archibald toch van tijd tot tijd â 't zij hier 't zij elders, 't Is Louise dus ook niet onbekend dat Archibald heden met zijn grootmoeder van het Amsterdamsche uitstapje zal thuiskomen; en, gunt zij aan de lieve reizigers zeer zeker een helderen dag voor de reis, ze wil ook wel gaarne dat een vroolijk zonnetje haar Archi, na zooveel kunstgenot in de hoofdstad, op 't stille land zal welkom heeten.
Ofschoon Louise wel overtuigd is dat zij in Archibalds schatting een zeer gewenschte remplacante voor Phoebus had kunnen zijn, zoo zou ze heden â om die rol op Den Driellaert te vervullen
TOONEELSPELEES.
â toch nog iets meer dan de opheffing van haars vaders verbod hebben noodig gehad: Men zou haar van haar gegeven woord hebben moeten ontslaan; van het, wel is waar niet geheel vrijwillig gegeven woord: om met hare ouders op de hoeve van den heer More, ter gelegenheid van het bruiloftsfeest der oudste boerendochter, eens een kijkje te komen nemen.
Ja, óók om dat bruiloftsfeest had Louise heden almee een zonnetje gewenscht. Niet dat zij zelve zoo bijzonder feestelijk gestemd is, maar, Katrijn is een heldere meid, en al mag ze â zooals men wel eens beweerd heeft â wat los zijn, Louise gunde haar toch mooi weer op den trouwdag, want, ofschoon ze volstrekt niet bijgeloovig is, daaraan hecht ze een beetje.
Wie nu zou meenen dat Louise, gedachtig aan Archi's terugkomst op heden, zich met grooten tegenzin voor het feest gereed maakte, hij zou zich bedriegen. Hoewel ze More, evenals vroeger, een kwast vindt; een complimentenmaker; geen man uit één stuk; niet ferm, met een opinie zooals Archibald â die nog zooveel jonger is dan hij, â de weerzin, dien zij in den aanvang tegen hem gevoeld heeft, is aanmerkelijk verminderd sedert zij duidelijk bespeuren mocht dat haar zeer geretireerde houding een uitmuntende uitwerking heeft gehad. Op dit oogenblik vindt zij haars vaders vriend en protégé minder onuitstaanbaar dan in den beginne, en dewijl men op 't stille land zoo heel weinig afwisseling heeft, en zij nooit een boerenbruiloft heeft bijgewoond, zoo vergat zij, terwijl ze zich voor dien uitgang gereedmaakte, schier geheel den persoon door wien men â als heer van de hoeve â genoodigd was, om slechts met haar gedachten, of bij de bruid te zijn, wier lot aan de zij van den lummeligen Klaas haar niet zoo geheel benijdenswaardig voorkwam, öf, om soms een blik in de richting van Den Driellaert te werpen, en te wenschen dat de zon nog eens doorbreken mocht.
't Was zeker niet vreemd dat Louise, met het oog naar Den Driellaert, wel mede eens gedacht heeft: hoe voor haar werkelijk de zon op het feest zou wezen indien Archibald er tegenwoordig kon zijn. â Nietwaar, de rol van Phoebus is ook eigenlijk geen vrouwenrol.
In haar grijs lustren kleedje, de rosé strikjes op de eigenhandig prachtig geborduurde chemisette; met de witte roos in de schitterend zwarte haren, die in weelderige lokken om den zacht ronden schouder wiegen, ziet Louise er voor een trouwpartij wel hoogst eenvoudig uit, maar mag zij in tegenstelling met haar schoolkamer-toiletje,
206
TOONEELS-lüLEr.S.
't zich zelve toch wel bekennen, dat het jammer is ... dat Archi haar nu ook zóó niet eens zien kan.
Terwijl de genoodigden zich op Harzathe gereedmaken, doch mama Van Rave â zooals Louise wel voorzien heeft â zich nog ter elfder ure aan den zeer ongewonen uitgang weet te onttrekken, heeft de eigenaar der feestvierende hoeve, met veel zorg zijn eenvoudig maar netjes gemeubileerde kamers in orde gebracht. De vrienden van Harzathe, die niet de gasten van den boer maar zijne gasten zullen zijn, moeten het eens heel warmpjes en comfortable hebben. Alles is in orde, alles! wel zeker! Op alles is gerekend. Op alles!!
De heer More wreef zich de handen; wierp een blik in den spiegel; streek zijn blonden knevel met de meest mogelijke zelfvoldoening omhoog, en maakte zich gereed om een pas geschreven brief nog even naar 't dorp te brengen, 't Was beter hem zelf te bezorgen, en er was tijd genoeg, want de gasten van Harzathe â die eigenlijk voor het avondfeest waren genoodigd â zouden immers toch niet vóór vijf uren, reeds lang na afloop van het groote boerenmaal, present zijn.
De brief, die nu door den heere More naar 't posthuis De Vergulde Leeuw wordt gebracht, en aan een zekeren mijnheer Dooser te Amsterdam geadresseerd was, luidde voor een goed deel als volgt:
207
âAmicissime!
âIk kan mij zeer goed begrijpen dat go u over mijn lang wegblijven beklaagt en verwondert. Indien ik mij voorstel dat ik in onze dierbare palenstad, drie volle maanden zonder u mijn weg moest zoeken, ik zou meer doen dan mij beklagen, ik zou u een fermen uitbrander geven, en u het vuur zoo na aan de schenen leggen dat ge per keerende post of extra trein terugkwaamt. Uw verwondering is mede zeer verklaarbaar, want zooals gij wel zegt, werd de jacht, en zelfs op 't waterwild, sedert lang gesloten, terwijl er hier in den omtrek, van dat laatste goedje zoogoed als niemendal te snappen valt. Bovendien uw teekening van het landleven in den winter is treffend juist: Ondoorwaadbare sneeuw- en modderwegen ; eens in de week â als de vrouwen de kinders poetsen ââ heeren-sociëteit, met een walmende hanglamp boven een geel-groen en gelapt biljart, en een paar vetkaarsen op waggelende speeltafel-
TOONEELSrELERS.
tjes, waaraan geen vijftig centen te verdienen zijn. Gij begrijpt beste jongen, dat More daarvoor past.
âVoorts hebben we hier een heeleboel hermetisch gesloten landhuizen, waar spinnen en champignons tot in 't voorjaar bewind voeren, terwijl de weinige buitenverblijven voor zomer en winter geschikt, bewoond worden door vrome natuurbewonderaars, zoo stijf als de dennen in 't bosch, of door arme drommels, die jaar in jaar uit dezelfde kleeren afdragen, en wier eenige uitgang bestaat in het gaan naar de kerk.
âNu zoudt gij â naar mijn lang wegblijven te oordeelen, zeker een gansch ander antwoord verwacht hebben, een weerlegging van al het onsmakelijke dat gij u â volkomen naar waarheid â van het buitenleven in den winter, en niet het minst voor een sinjeur zooals ik ben, hadt voorgesteld; maar gij hebt vergeten mijn brave, dat, ofschoon de jacht ook sinds lang gesloten is, er, mede op het land, nog andere hoentjes te vangen zijn.
âWeet dan dat ik mij in een avontuurtje heb gestoken, dat juist heden, ter gelegenheid van een boerenbruiloft, die op mijne hoeve plaats heeft, zijn einde nadert. In de hoop spoedig weer bij u te zijn en u alles mondeling in kleuren en geuren te kunnen mee-deelen, meld ik u slechts, dat ik hier een prachtig schepseltje heb ontdekt, een kind van ruim negentien jaren, met gitzwart haar, met oogjes als vergeet-mij-nietjes, en een figuurtje a la sylphide.
âIk word dichterlijk zult gij zeggen, maar waarachtig Eduard, als zij niet in zulk een berooid nest had gezeten, en haar mooie kijkertjes niet zoo onwrikbaar vast op een schatrijken klant had gevestigd, wien 't mij wel gelukt is op zij te zetten, doch niet â ofschoon met de meeste voorzichtigheid â uit haar preutsch hartje te verbannen, ik zou mijn vroolijk vrij leventje misschien aan haar ten offer hebben gebracht.
âMaar stel je gerust; de dwaze bui dreef spoedig voorbij.
âNamen wil ik liefst niet aan 't papier toevertrouwen, maar, een kleine explicatie moet ik je toch geven. â Stel je dan een olie-dommen papa voor, wiens kas even schraal is voorzien als zijn malle glorie op den naam van zijn vader, groot â en zijn schilderstalent beneden alle critiek is. Die kwastelorum, wiens vader ik natuurlijk boven de wolken verhef, en wiens talent ik ten hoogste bewonder, ziet in mij reeds sedert lang den zeer vermogenden toe-komstigen schoonzoon en hersteller van zijn berooiden staat.
âMijn âgepaste houding,quot; mijn dikwijls ernstige, althans zeer gemoedelijke, en niet zelden een weinig literarisch gekruide discour-
208
tooneelspeletïs.
sen met het allerliefste kind, hebben haar in den laatsten tijd, heel wat minder stijf en schichtig tegen mij doen worden; ja bedrieg ik mij niet, dan houdt ze mij nu zelfs voor iemand âdie nog zoo kwaad niet isquot; en inderdaad wel het vertrouwen verdient, dat haar vader in hem stelt, Hoe 't zij, na vroeger reeds, in 't gezelschap van haar kostelijken heer papa, een bezoek op mijn hoeve te hebben gebracht, ten einde er de bekoring van een kaasmakerij en zoovele andere verrukkelijkheden van het boerenbedrijf te leeren kennen, zijn de vrienden nu zeer gemakkelijk te vangen geweest, voor het nemen van een kijkje op de boerenbruiloft die â zooals ik u reeds gezegd heb â heden op mijn hoeve met alle staatsie wordt gevierd.....................
âTot spoedig Uw trouwe Moee.quot;
De mist, die den ganschen dag den strijd tegen de brekende wolken met kracht had volgehouden, was schier ondoordringbaar zwaar, toen More zyn weg naar het posthuis De Vergulde Leeuw, in 't dorp, vervolgde. Dewijl de wind bovendien begon op te steken, en griezelig koud was, zou More bijna besloten hebben om den brief maar onbesteld te laten, en naar zijn feestvierende hoeve terug te keeren, zoo er niet nog een andere reden ware geweest waarom hij naar 't dorp wilde. Tegen vijf uren moest de diligence, die van het laatste spoorwegstation Driebergen, op Arnhem reed, het dorp passeeren, en werd er aan het logement-posthuis gepleisterd.
't Zij het waar was of niet dat de familie Van Oudenolm mede om dien tijd met de diligence, van een uitstapje naar Amsterdam, zou terugkomen, in allen geval zal men hem dan dezen avond in het posthuis hebben gezien; en ja, opdat er niets aan de comedie ontbreke, zal hij zelfs naar Arnhem plaats nemen â om echter, even voorbij Den Driellaert, weer uit te stappen, en langs een binnenpaadje in aller ijl naar De Koekamp terug te keeren.
â 't Was goed overlegd, uitstekend! De Van Oudenolms, zoo zij meekomen, maar in allen geval de postmeester-kastelein met zijn gezin, en wie er zich op dat oogenblik meer in het logement zullen bevinden, ze moeten dan later â wat er ook worde gebabbeld â wel overtuigd zijn, dat de eigenaar van De Koekamp des avonds niet op de feestvierende hoeve is geweest, terwijl hij de in. 14
209
TOONEELSPELERS.
mondeling gedane uitnoodiging aan Van Rave en zijne dochter, eenvoudig loochenen kan.
Brr!quot; bromde More, terwijl hij onder 't voortgaan den kraag van zijn duffeltje opzette: âBrr! Gemeen koud; beroerd!quot;
En 't was alsof een nijdige windvlaag, die de hooge dennen langs den weg deed piepen en kraken, het hem grommend nasnerpte: â Gemeen! koud! beroerd!
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BENE DRIEHOEKS-REIS MET DWAALGEESTEN.
Tegen den tijd dat de diligence Den Driellaert passeeren moest, stonden Willem de huisknecht en Arie de koetsier, bij het hek aan den straatweg, op haar komst te wachten.
Wachten valt lang als men van minuut tot minuut het trompetsignaal van den conducteur achter het bosch denkt te vernemen, en een vlijmende Oostenwind den wachtenden den ijzel in den baard jaagt.
âAls er één is die hart voor zijn paarden heeft dan ben ik het,quot; zegt Arie, terwijl hij de koude handen met kracht tegen het lijf slaat: âmaar ik zeg dat de beesten er voor geschapen zijn, en tien tegen één dat mevrouw al rustig aan tafel zou zitten, als ik haar met de bruinen van Driebergen gehaald had.quot;
âJe zoudt denken dat zoo'n mensch van rang en aanzien meer grootsigheid moest hebben,quot; antwoordt Willem, die hard stappend op- en neergaat: âIk voor mij als ik zooveel te presenteeren en te commandeeren had in de wereld, dan zon ik niet in de diligence met iedereen gaan zitten; en vooral niet wanneer ik, zooals mijnheer en de oude mevrouw, vijf paarden op stal had.quot;
âDaar heb j'em!quot; roepen Arie en Willem schier te gelijk, terwijl een vrij schor trompet-signaal uit de verte wordt vernomen, en men 't naderend geratel van den zwaren wagen, die nu nog achter liet hout is verscholen, steeds duidelijker verneemt.
't Was al schemerdonker toen de diligence naar Arnhem, uit de
210
'
TOONEELSPELEKS. 211
â¢t richting van het dorp komende, bij het hek van Den Driellaert
stilhield. Even snel als de conducteur de losse trap onder den bok 3 wegtrok om die tegen de cabriolet te plaatsen, treden Willem en
Arie op den wagen toe, en opent de eerste het portier, s âVoorzichtig mijnheer,quot; zegt Willem tot Archibald, die haastig
uitstapt: ,'t Is ijzelweer, en wat glad geworden â De oude mevrouw welvarend? â Ik was al bang dat er averij was.quot;
Archibald wil zijne grootmoeder bij 't uitstappen behulpzaam zijn, maar, of zij 't niet bemerkte, zij maakt slechts gebruik van den arm, die haar aan de andere zij der hooge tree wordt aangeboden, en Willem, aan wien die arm toebehoort, verwelkomt de oude meesteres met de meeste hartelijkheid, en waarschuwt gedurig om toch voorzichtig te zijn: maar wordt te gelijker tijd, door de voorkeur aan zijn arm geschonken, in het geloof versterkt, dat er bij de oude mevrouw, voor een mensch van zooveel stand en vermogen, toch al heel weinig grootsigheid zit.
âConducteur! Wachten! Ik rijd mee naar de stad!quot; roept Archibald, nadat de kleine bagage uit de cabriolet is gehaald, en hij
n zelf, uit bezorgdheid voor Flora Reene, die in het andere hoekje
t zit, het portier zooveel mogelijk heeft dichtgedaan.
Naast het voertuig heeft nu een snelle woordenwisseling tusschen de oude mevrouw en Archibald plaats.
n Behalve de weinige korte antwoorden, die op de reis noodzakelijk
d waren geweest, zijn dit de eerste woorden, die de grootmoeder
sedert het vertrek uit de hoofdstad, tot haar kleinzoon spreekt. quot; Uit een portierraampje van het ruim der diligence, stak op dat
jf zelfde oogenblik een persoon het hoofd naar buiten. Hij scheen de
n snelle woordenwisseling, die in 't Fransch was gevoerd, te hebben
k verstaan, en, schier in 'tzelfde oogenblik het portier openende, be
vindt hij zich al spoedig op den grond.
r Sierlijk buigende, en zich als More van De Koekamp bekend I
d makende, verzekert hij, dat het hem recht aangenaam zal zijn indien
e hij de zieke dame van wie hier sprake is, voor het kleine gedeelte
e der verdere reis onder zijne hoede mag nemen: immers hij ging
i- toch naar Arnhem, en men kon er zeker van zijn, dat de dame in
allen geval per vigilante zou worden thuisgebracht.
jl ,Wel zeker,quot; besloot de heer More: â't ware voor Mevrouw Van
n Oudenolm al zeer onaangenaam indien de jonge mijnheer nu nog
ir eene reis naar stad moest maken, te meer dewijl ze door mijne
tegenwoordigheid immers geheel onnoodig wordt.quot; En na een paar
TOONEELSPELERS.
de cabriolet in, en trok met een: ,Klaar conducteur,quot; zeer haastig het portier achter zich dicht.
De conducteur, die de fooi der voorname reizigster al in den zak heeft, en aan de buitens van geen talmen houdt, is al gereed, en vlug van het rad op den hoogen bok springende, geeft hij het signaal tot vertrekken, waarna do voerman terstond zijn driespan in beweging brengt.
De heer More zegent in stilte het toeval, 'twelk â bij eventueele omstandigheden â nu zelfs bij de bewoners van Den D riellaert het voldingendst bewijs moest achterlaten: dat hij zich op den avond van de boerenbruiloft niet op zijn hoeve heeft bevonden. Wie de ongestelde dame is, welke de jonge Van Oudenolm zoo uiterst galant heeft willen chaperonneeren, maar waartegen de oude dame zich met eenige krachtige woorden heeft verzet, 't is hem onbekend. Aan 't posthuis heeft hij haar niet in 't oog kunnen krijgen, en nu is 't reeds te donker om haar gelaatstrekken te onderscheiden, te meer dewijl ze in een hoekje gedoken, het gezicht met een voile heeft bedekt.
Maar wat gaat More een zieke juffer aan! Met een gansch ander persoontje is hij vervuld; en dewijl de reisgenoote niets van het verhandelde buiten den wagen kan vernomen hebben, zoo is er ook geen bezwaar om volgens zijn plan den conducteur, bij de eerste kromming van den weg, te tikken, en, uitstappende â onder voorwendsel van duizeligheid en voorts lievev naar stad te willen wandelen â hem, met een dubbele fooi, de verdere zorg voor die dame op te dragen.
Neen, 't loopt alles voortreffelijk! en, langs de derde zij van den driehoek â waarvan hij de grootste per diligence heeft afgelegd, zal hij zoo spoedig mogelijk naar zijn hoeve terugkeeren.
De heer More, wien dit alles pijlsnel door 't brein is gegaan, zou echter met meer hindernissen te kampen hebben dan hij vermoedde: Nog slechts even was de wagen in beweging, of het gevaarte stond nogmaals stil, en weinige oogenblikken later werd het portier geopend, en sprong Archibald Van Oudenolm van den grond op 't rad en, ijlings den wagen in.
âU schijnt mij de zorg niet toe te vertrouwen mijnheer,quot; zegt More zoodra Archibald gezeten is.
âNeen mijnheer.quot;
More had een plichtpleging, een verontschuldiging verwacht. Hij beet zich op de lippen. Groote hemel, hoe heeft hij ook zoo dwaas kunnen zijn om met de diligence mee te rijden, en zich met die
212
TOONEELSPELEKS.
familie en haar protégées te bemoeien, 't Zou waarachtig nog mogelijk worden dat hij, om zijne afwezigheid te bewijzen, dat heele bewijs niet noodig had. Ten minste wanneer hij tot Arnhem meegaat, dan zal het schrikkelijk laat worden eer hij op De Koekamp kan terug zijn. Maar wat belet hem om tóch aanstonds den conducteur te tikken, en uit te stappen zooals hij 't van plan was! Dat jonge heerschap kan het dan als een repliek op zijn onbeschoft antwoord beschouwen. Ja juist! denkt More voort: 'k Zal hem brutaalweg zeggen: Ik verkies het wandelen boven 't rijden in j o u gezelschap.
â Iets later bromde More onhoorbaar een verwensching. Hij wilde tikken, maar â 't was hem telkens alsof zijn arm met geweld werd teruggehouden. Er gingen hem ook velerlei dingen door 't brein, die, zonder dat beleedigend: Neen mijnheer, hem waarschijnlijk niet zoo onaangenaam gestemd, ja, hij moet het in stilte bekennen, niet zoo verontrust zouden hebben.
â 't Was inderdaad ook wat kras dat hij zich met zulk een vraag juist tot den jongen Van Oudenolm heeft gewend. Wel is waar kon deze niet weten, wie de schrijver van de anonieme brieven is geweest, welke hem, én bij zijne familie én op Harzathe, in een ongunstig daglicht moesten plaatsen, â welke brieven immers allicht op rekening van âwraakzuchtige actricesquot;' zouden gesteld worden â evenmin als die snaak vermoeden kon, dat het prachtige kind, 'twelk den speelmakker âzoo roerend getrouw was,quot; aan hem
â More â juist heden zulk een heerlijk avontuurtje zou bezorgen. Maar, zeer goed wist die jonkman, dat hij â More â Louise Van Raves liefde heeft gezocht, en ofschoon zij ze niet beantwoorden kon, toch op den besten voet met haar vader is gebleven, zoo zelfs, dat diens antwoord op het huwelijks aanzoek van mijnheer Van Oudenolm voor zijn zoon, er naar alle waarschijnlijkheid een gevolg van is geweest. Ja, en weten kon hij nog bovendien, dat Louise
â dank zij zijn tact in soortgelijke zaken â in den laatsten tijd veel gunstiger over hem denkt dan den vurigen minnaar, in zijn gedwongen isolement, welgevallig kon wezen.
't Is More zelf een raadsel, dat hij, anders in 't minst niet vreesachtig, nu, terwijl de tijd dringt, en men het zijpaadje naar D e Koekamp reeds voorbij is, nog altijd aarzelt om den conductenr het sein tot stilhouden te geven. â Hij steekt de hand vooruit, en
â neen, ze daalt weer â dewijl het straks ontvangen scherp ontkennend antwoord hom, in verbeelding, te midden van het wagenge-dender, telkens en telkens weder, zoo schril in de ooren klinkt.
â Hij vertrouwt mij niet, denkt More; en als ik hier uitstap
213
214 TOOJSEBLSPELERS.
'dan zal hij later toch begrijpen dat mijn meerijden niets dan een vertooning is geweest. Maar wat raakt het mij! Wat bekommer ik mij om dien jongen! Wie betwist mij bovendien het recht om het leven te genieten waar en hoe ik dat goedvind. Dat meisje behoort voor 't oogenblik zoomin aan hem als aan een ander, 't Recht van den sterkste regeert de wereld. Ik zal....
Maar de sterke More had toch de kracht niet om met den vinger op dat glas te tikken.
De jonge Van Ondenolm heeft eenige woorden met de zieke dame gewisseld. More kon niet verstaan wat ze spraken.
Nu wel: Zij was er verlegen mee dat mijnheer zich om harentwil zooveel moeite gaf, en vooral dewijl de oude mevrouw, die zelve gedurende de reis zoo'n hoofdpijn heeft gehad, nu zeker zijn bijzijn ongaarne zal missen.
âIk zou wel thuis zijn gekomen/' zegt ze ten slotte. En dan, ofschoon slechts voor Archibald verstaanbaar, met een stem, getuigende van de tranen, die haar in de oogen opwellen;,Een actrice verdient immers zooveel vriendschap niet. â O dat hoofd; dat bonzende hoofd!quot;
Ja, dat bonzende hoofd! De oude dame met haar anders zoo edel en goedaardig karakter, wist het niet wat haar â van der jeugd af aan gevoed en gekoesterd vooroordeel, dat zieke hoofd gedurende de gansche reis nog meer heeft doen lijden; zij vermoedde zeker niet dat er langs de gloeiende wangen der gevoelige Flora, â die zeer duidelijk de plotselinge verandering op het vriendelijk deelnemende aangezicht der oude dame had waargenomen â de bitterste tranen zijn gevloeid, terwijl zij gedurig op die lange reize, met afgewend gelaat in den steeds dichter en dichter wordenden mist heeft getuurd. Maar nu, wat zou die oude vrouw gedacht, wat zou zij gevreesd hebben misschien, als zij Flora, haar leed schier vergetende, na een koortsige opwinding had hooren zeggen, terwijl zij de tegenwoordigheid van dien vreemde er geheel bij vergat:
âMaar ik klaag niet; neen, al mijn smart en leed valt weg, nu ik goed bedenk wat u gedaan heeft. Daar behoorde moed toe mijnheer, om het woord van bescherming, aan een actrice gegeven, te houden. O, 'tis zoo grievend te worden miskend. Ik dank u voor uw liefde; ik dank u duizend-duizend maal!quot;
Archibald had den ganschen dag, maar vooral bij 'tafscheid van zijn vertoornde grootmoeder, een zwaren strijd gehad. Nu was hij schier verlegen met den lof, die hem was toegebracht. Hij had gedaan wat een man van eer verplicht is te doen.
TOONEELSl'BLEBS.
sen âGeen dank,quot; zegt hij zacht: â'tsprak vanzelf dat ik u niet aan
ik uw lot zou overlaten, en ik reken mij waarlijk gelukkig dat ik zoo
iet ongezocht in de gelegenheid kwam, om u te toonen hoe ik u, zoo-
ort wel om uw persoon als om uw kunst waardeer.quot;
ran Voor den heer More is er een licht opgegaan: 'tMoet de actrice
van den sneeuw-avond zijn! Hij is er zeker van. â Ha, dat borstje in- ⢠speelt in tegenwoordigheid van den vreemde, zijn rol van edelen ridder niet minder uitmuntend, dan zij de bare van lijderes. Er is me geen twijiel aan: het vogeltje heeft dat knaapje weten te vinden,
en bet jongske, eerst in de val geloopen, gaat nu mede op avon-nt- tuur uit!
ve De heer van De Koekamp krijgt eensklaps den moed, die hem
ijn straks beeft ontbroken. De overtuiging dat de wereld is zooals hij;
en dat het straks ontvangen antwoord van dien knaap, slechts een m, gevolg is geweest van zijn teleurstelling over het onverwacht ge-
ui- zeischap, 't welk zich aan zijn liefje heeft opgedrongen, 'tprikkelt
ce hem nu zelfs tot overmoed, te meer dewijl hem plotseling een uit-
m- muntend denkbeeld is ingevallen om, zonder later aan vermoedens
voedsel te geven, de cabriolet te verlaten.
lel ,'t Zal juffrouw Van Rave zeker ontzettend veel pleizier doen te
gd vernemen, dat ge u op uw uitstapje in alle opzichten geamuseerd
de hebt!quot; zegt hij aan Archibalds oor; en dan, een paar malen krachtig
;er op het voorraam tikkende, voegt hij er bij: âIk wil u een rustig half
He uurtje niet vergallen, en zal dus mijn plaats in het ruim der dili-
le- gence weer opzoeken.quot;
ite Archibalds bloed kookte. Niet voor niet heeft hij zijn spieren jaren
;e- lang op de kostschool geoefend. Dien schralen ellendeling vierkant
3ft uit den Wagen te werpen, 't zou hem slechts luttel inspanning kosten.
;e- Doch neen; is bij dankbaar dat de arme Flora de schandelijke woorden
ie, van dat individu onmogelijk kan gehoord hebben, hoe zou 'thaar
m- schokken indien zij, in haar koortsigeu toestand, getuige moest wor
den van een strijd die, al zou hij zich ook tot een woordenstrijd ik bepalen, haar naam en kiesch gevoel op 't pijnlijkst beleedigen
3r. moest.
n. «Wij spreken elkander nader, mijnheer More,quot; zegt Archibald ins-
e; gelijks zacht, terwijl zijn stem zeer duidelijk verraadt hoeveel moeite
'them kost om zijn gebalde vuist in toom te houden, nn Weinige oogenblikken later verlaat More den wagen, en houdt
lij den pruttelenden conducteur nog een oogenblik op, om den cabrio-
m letreiziger toch in den waan te brengen dat hij inderdaad van plaats
verwisselt.
215
TOONEüLSPELEIiS.
Keeds terstond bij zijn uitstappen heeft More bemerkt dat het weer, sedert zijn betrekkelijk korten rit, er niet op verbeterd is. Een ijzeljacht wordt door den steeds feller opkomenden wind gezweept, en ternauwernood heeft de diligence haar weg vervolgd, of een geweldige windstoot rukt hem de jachtpet van het hoofd, en jaagt die als dolzinnig over den weg, totdat de zwarte stip in de duisternis verdwijnt.
Den onzaligen inval verwenschende om dien brief naar het posthuis te brengen, bindt More zich den zakdoek om het hoofd, en bemerkt nu dat zijn flauwhartig aarzelen in den wagen, hem meer dan een kwartier uurs voorbij het pad heeft doen rijden, 'twelk hij straks ten Oosten van Den Driellaert dacht te kiezen.
De ijzeljacht die hem, juist tegen den wind opgaande, geweldig martelt, brengt hem al spoedig tot het besluit om den straatweg te verlaten, en, ten einde wat beschutting te hebben, schuins het bosch door te gaan, waarmee hij dan tevens zijn weg nog een goed eind bekorten zal.
Ofschoon het tusschen de dennen en de dorre beuken nog donkerder is, zoo kan More hier de oogen toch beter openhouden, en dewijl de zwarte stammen goed te onderscheiden zijn, houdt hij zijn koers in een schuine richting, overtuigd dat op deze wijze het bewuste pad spoediger zal bereikt worden.
Bij de verademing, die de beschutting van het bosch hem schenkt, voelt More zijn hart weer sneller kloppen, terwijl hij zich vermeidt in de voorstelling van 't genot, 't welk hem toch in 't einde niet zal ontgaan.
Maar:
Er stoeiden dwaalgeesten in 'tbosch.
En als de storm de takken, die in elkander rusten, snerpend doet kraken, dan vlieden die dwaalgeesten links.
En als een gierend gefluit den ijzel van oen dennekruin losrukt en naar omlaag werpt, dan ijlen zij rechts.
En als van verre de ijzel op den donkeren mosgrond glimt, dan wenken zij weder, en roepen: Pas op, 'tis een grebbe of sloot!
En met de vluchtende kraaien in 'twoud, en den storm er boven, zingen ze hun lied al wilder en luider: Hechts, links! Links,recht!
Toen More zich weder buiten het bosch bevond, toen konden de dwaalgeesten zich veilig te slapen leggen.
Met gehavende kleeren stond hij op een zandweg die, in een gansch andere richting dan het pad naar zijn hoeve, van het dorp naar de hei liep.
216
TOONEELSPULEKS.
Onzeker van de richting die hij te kiezen had, te meor dewijl de storm, nu eens meer Oost-, en dan weer meer Noordelijk was, bereikte de dolende avontuur jagcr ten laatste, schier versteend van koude, en ruim anderhalf uur nadat hij de diligence verlaten had, den straatweg, onzeker echter van het juiste punt waar hij zich nu bevindt.
Een rijtuig, 't welk van de stadszijde kwam, ratelde van verre, en straalde met twee rosse vonken in de duisternis.
De paarden die scherp stonden vlogen over den weg.
De voerman van het huurrijtuig aarzelde. Een manspersoon met een witten doek om het hoofd, heeft hem reeds van verre iets toegeroepen, 't geen hij echter nu eerst, bij het naderkomen, verstaat.
â 'tMoet een heerschap uit het dorp zijn.
Voor een goede fooi wil hij meerijden omdat de weg zoo glad als een spiegel is.
â 'tKon ook een landlooper zijn, denkt de voerman.
,'k Heb volk!quot; roept hij luide, en legt de zweep over de fiks dravende paarden.
Weinige oogenblikken later stond het rijtuig echter stil. De heer, die er in zit, had vernomen wat er gevraagd was.
âGauw maar, als mijnheer daar binnen er goed voor is, dan breng ik je waar je wezen wilt,quot; roept nu de voerman don achtergebleven voetganger toe.
't Portier was reeds open.
âGoddank!quot; zegt More terwijl zijn tanden klapperen: âJe bent wel vriendelijk mijnheer.quot;
In hetzelfde oogenblik heeft Archibald Van Oudenolm More aan zijn stem herkend, en als hij met een woord van bevreemding over dit zoo gansch onverwachte weerzien, den bibberenden man verbaasd doet opschrikken, dan houdt deze met de zonderlingste gewaarwording, de pijnlijk stekende oogen op zijn hulpvaardigen vijand gevestigd.
Ternauwernood is More van zijn verbazing bekomen, of het rijtuig rijdt reeds het hek van Den Driellaert in.
De jonge Van Oudenohn, die bij zijn aankomst te Arnhem, niet meer naar More heeft omgezien, en nu niet anders kan denken, dan dat de man na een zeer vluchtig vertoeven in de stad, aanstonds de terugwandeling had ondernomen, maar onmogelijk kon vermoeden hoe oneindig veel hij aan de dwaalgeesten in 't bosch te danken heeft, Archibald denkt er niet aan om den vijand â dien hij zoo gaarne eens duchtig de ooren zou hebben gewasschen,
217
TOONEELSrELEES.
nu, terwijl hij gansch onverwacht de rol van heschermlieer tegenover hem vervult, zijn onridderlijk intrigeeren bij de familie Van Rave, of ook zijn ergerlijke, nog straks in de diligence gesproken woorden, op eenige wijze betaald te zetten. Maar toch, nu Archibald bij het uitstappen den koetsier heeft gezegd, langs welken weg hij den heer More moet thuisbrengen, en More na eenige plichtplegingen nog de schaamteloosheid beeft om den geliefde van Louise Vau Rave, met de verzekering zijner dankbare achting de hand ten afscheid te reiken, nu zegt Van Oudenolm, zonder de aangeboden hand te willen bemerken:
âVan dit oogenblik behoort het rijtuig niet meer aan mij. We staan dus beiden op eigen terrein, en ik zeg je nu, mijnbeer More: neem je in acht! Je hebt gezien dat ik mij weet te beheersohen, maar zoodra ik bemerk dat je één lasterlijk woord durft spreken, vooral tot de engel, uit wier hart je mij door je kunstgrepen sedert lang te verdringen zocht, dan zul je 't ondervinden dat ik óók den naam van een actrice weet te beschermen, wanneer die wordt aangetast door een man, wiens onreine ziel me zoo duidelijk uit zijn woorden gebleken is.quot;
Toen More alleen het hek van Den Driellaert weer uitreed, toen rilde hij nog van de kou, die hem straks had bevangen, maar ook terzelfder tijd barstte hij schier van verbeten woede.
Immers nog altijd met zijn doel voor oogen, heeft hij geen woorden gehad om dien jongen den mond ta snoeren. Die knaap met zijn doordringend oog, heeft hem als niet ronde woorden gezegd, dat hij den valschen speler reeds lang in hem vermoed, en nu zeer duidelijk ontdekt had; ja, hij heeft hem gedwongen de oogen neer te slaan, en, ondanks zich zeiven geheel overbluft een aller lamzaligste uitvlucht te prevelen.
Doch More zal spoedig weer ruimer ademhalen. In den zacht schommelenden coupé, die hem nu snel naar zijn hoeve en het einddoel van zijn streven voert, gevoelt hij ras zijn moed, en den ouden mensch in zich herleven.
âGoed zoo,quot; prevelt hij bijna overluid: âWij staan nu op zuiver terrein. Die jongen heeft mij den oorlog verklaard. Wij zullen zien wie van ons beiden het sterkst is. Ha! Hij wete 't nu vrij, dat More tegen zes uur, half zeven, op De Koekamp is teruggekeerd om er zijn engel als gast te vinden. Wel zeker, en desverkiezende beroeme hij zich er nog bij, in eigen persoon voor een gemakkelijk rijtuig te hebben gezorgd. â Goed zoo, fiere beschermer van eerzame actrices en van de verheven tooneelspeelkunst, ik zal je too-
218
TOONBELSPüLERS.
nen dat ik in 't vak niet onbedreven ben. Heb ik mijn rol hier afgespeeld, dan zal ik je wachten, indien je ten minste meent datje poezel kameraadje, door een publiek schandaal zal te redden zijn.
Een luid rumoer verkondigde More bij zijn aankomst op de hoeve, dat het boerenfeest nog in vollen gang was. Bij zijn binnenkomen stonden er twee personen in het smalle voorhuis, 'twelk slechts flauw door een stallamp was verlicht, 't Zijn de jonggehuwden, die den dans voor een wijle waren ontvlucht. Bij 't zien van den landheer----spoedt de bruid zich ijlings voort.
âHei! Kaatje, hei! Zijn mijnheer Van Rave en de juffrouw bij 't gezelschap op de deel, of bleven ze in mijne kamers?quot;
Maar Katrijn, door die onverwachte verschijning ontsteld, was reeds de achterdeur uit.
De jonge man, die aanstonds de pet heeft afgenomen, zegt, terwijl hij het vrouwtje zoo spoedig mogelijk volgt;
âIk gleuf mijnheer, dat ze al 'en uurke weer vort zin;quot; en, vort is hij zelf.
Woede en teleurstelling plooien Mores gelaat, terwijl hij zich naar zijn kamers en straks naar de deel spoedt, om zich zelf van de waarheid te overtuigen. Doch, wat de âlummelquot; gezegd had, werd waarheid bevonden.
Had de zoon van den edelen generaal Van Eave na zijn aankomst op de hoeve, reeds met de grootste bevreemding vernomen dat de heer More zich omstreeks een uur geleden naar 't dorp had begeven; een half uur wachtens in Mores kamer â waar de kachel reeds vóór hun komst was uitgegaan, en geen licht werd gebracht, heeft zijn toorn over die kennelijke geringschatting van zijn persoon in de hoogste mate opgewekt. Louises meening dat mijnheer More door een bijzondere omstandigheid is opgehouden, acht bij mogelijk, maar geenszins een vrijspraak. Haar voorstel om inmiddels maar eens een kijkje bij de dansende bruiloftsgasten te gaan nemen, heeft hij als een onbekookten inval verworpen; immers zonder 't gezelschap van den eigenaar der hoeve kon hij zich niet met zijn dochter bij dat volkje vertoonen; en, toen nog na een ge-ruimen tijd wachtens, de besteller van 't dorp, met een brief aan de jonggehuwden, tevens de tijding op De Koekamp heeft gebracht, dat hij zelf den heer More in de diligence naar stad heeft zien plaats nemen, toen is de verontwaardiging van den generaalszoon, die nog bovendien een diep grievende ontdekking had gedaan, ten top gestegen. Voor zulk een verregaand beleedigende handelwijze waren er geen smaad- en schimpwoorden genoeg te vinden
219
TOONKELSPELERS.
geweest, en, bevende van gramschap, heeft hij met zijn teleurgestelde dochter aanstonds den kouden terugtocht naar Harzathe ondernomen, zwerende, dat hij den ellendeling, die zóó met een Van Rave durfde handelen, vierkant de deur uit zou smijten, indien hij 't wagen dorst zich ooit weer op Harzathe te vertoonen.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
GEOPENDE OOGEN EN EEN WREED BEZOEK.
Nog geen uur na het vertrek van Flora Reene uit de hoofdstad, was het aan bijna al de leden van 't gezelschap Baars amp; Kogel bekend, dat de eerste jonge hoofdrol, plotseling ongesteld geworden, reeds naar Gelderland vertrokken was.
En, sommigen wisten---- en anderen gisten.... en, werd er op
de eerste repetitie, van Mathilde of de verborgenheden der City, waarbij de souffleur de rol van Reene las, veel gefluisterd, de marqué Roosman was zelfs een oogenblik verplicht, om, bij afwezigheid van de directie, den regisseur Brons tot de orde te roepen, dewijl deze, in plaats van de tooneelzaken te regelen en op de voordracht te letten, al spoedig met een clubje om zich heen, bij het achterdoek een storend luid gesprek voerde.
De schemering, die overdag op het tooneel heerscht, en met donker weder zooals nu, zelfs het aansteken van een paar gasvlammen bij den souffleursbak noodzakelijk maakt, doet het personeel â 'twelk zich met den regisseur aan een pikant gesprek zoekt te warmen â niet aanstonds bemerken dat de directeur Baars, van de andere zij langs het achterdoek op het tooneel is gekomen.
In 't schemerlicht van den kunsttempel â op dit oogenblik ten deele lustslot, bosch en boerenkeuken, en bevolkt met priesters en priesteressen in duffelsche jassen, bournous en forsch geruite omslagdoeken â staat nu de eerste directeur, en ziet met gramstorige blikken naar Brons, die, zoodra hij Baars heeft bemerkt, den schijn aanneemt alsof hij het clubje een mededeeling omtrent de opvatting van het stuk heeft gedaan, en hen nu naar hun respectieve plaatsen terugwijst.
220
TOOSEELSPJSLEKS.
âIs mijnheer Kogel niet hier?quot;
âNeen directeur.quot;
âWat voer je uit?quot;
âEerste repetitie van Mathilde of de verborgenheden der City.quot;
âEi! Roosman, hier!quot; roept Baars; en als de marqué nadert: âZeg, heb jij ze dan niet gezegd hoe Reene, die de titelrol zou spelen, om een gril â wat hoofdpijn misschien, zonder onze voorkennis, door jou naar hare familie werd voortgeholpen? Wie gaf je het recht om zóó te handelen, zeg?quot;
Roosman antwoordt niet, maar tast in den zak van zijn overjas, en overhandigt den directeur een couvert, waarin zich de verklaring van den dokter bevindt.
Voor Roosmans koolzwarten blik had Baars de oogen niet neergeslagen, doch, nu hij snel de verklaring heeft ingezien, en in des dokters woorden â waar deze van sterk overprikkelde zenuwen sprak â een verstoken beschuldiging tegen zijn persoon heeft meenen te vinden, nu belet de heerschende donkerheid wel dat men zijn vluchtig verbleeken bemerkt, maar ziet men toch dat de forsche man zeer lang den blik op dat papier houdt gevestigd.
Zich echter spoedig herstellende, herneemt Baars, terwijl hij den regisseur scherp in de oogen ziet:
âJij wist dat de voorstelling van avond niet kon doorgaan; en in plaats van daarin aanstonds te voorzien en terstond aan mijn compagnon te gaan vragen wat er in plaats van Lot en Job moet gegeven worden, begin je met de repetitie van een geheel nieuw stuk, terwijl zelfs de titelrol ontbreekt! Lor van 'en vent!quot;
Als een kalkoensche haan zoo rood, antwoordt Brons met een geweldigen neusklank:
âGaan vragen! Als de helft van een directie tot 'smiddags te bed ligt, en de andere helft.....quot;
âKerel, zwijg!quot; schreeuwt Baars: âWat belet me dat ik je voorgoed van het tooneel jaag! Hadt je niet aanstonds werk van La-zarro, of Parijsche zeden kunnen maken?quot;
âWaar Rosa in spelen moet?quot;
âNatuurlijk! Zij had toch lang genoeg rust.quot;
âRosa kan niet spelen,quot; herneemt Brons, en de hoog opgetrokken mondhoeken, in vereeniging met de wijd opengesperde neusvleugels, toonen ten duidelijkste, hoezeer hij zich in zijn zegepraal verheugt.
âNiet spelen? Wat raas je! Is zij óók ziek misschien?quot;
âJe schijnt haar in langen tijd niet te hebben gesproken, direc-
221
TOONEIiLSPELEKS.
teur. Weet je 't niet dat de dokter vandaag heeft verboden om iemand bij haar toe te laten, terwijl bovendien de kinderen ziek zijn, ja Fritsje zelfs heel gevaarlijk.quot;
âRosa! De kinderen!quot; Nu kan het halfdonker niet verbergen dat Baars plotseling zoo wit als een doode wordt. Een paar malen loopt hij het tooneel met snellen tred op en neer. â Rosa! de kinderen! ! en Fritsje gevaarlijk!!! Maar het moet een bedrog, een logen zijn! | âIs het waar wat hij zegt?quot; vraagt de directeur, eensklaps voor den marqué stilstaande.
,Niets van gehoord,quot; zegt een grafstem.
Maar, Juffrouw Lowee en juffrouw Comijn en de heeren Wilkes en Moda konden allen getuigen dat de regisseur waarheid heeft gesproken. Reeds sedert lang had mevrouw Rosa Brons er slecht uitgezien, en toen men dezen morgen eens bij haar wilde oploopen, toen was hun allen in 't benedenhuis hetzelfde verbod van den dokter meegedeeld.
I âMijn God, mijn God!quot; bromt Baars tussohen de tanden: âzij en de kinderen! En ik heb er niets van geweten!quot; Eensklaps echter zijn plicht als aanwezig directeur beseffende, gelast hij, dat onmiddellijk drie kleine stukken voor dezen avond zullen gerepe teerd worden, en werpt, alvorens met spoed het tooneel te verlaten. Brons ten aanhoore van al de aanwezigen eenige weinig vleiende woorden naar 't hoofd, waardoor de regisseur nog woedender geworden, bij zich zeiven zweert den troep van dien fielt naar den kelder te zullen werken, zelfs al mocht Rosa onwillig blijven om de haar aangeboden âzoo schitterende paitijquot; te aanvaarden.
Sinds den vorigen avond, die èn voor Rosa Brons èn voor Flora Reene â ofschoon op zeer verschillende wijze â een zoo stormachtige avond is geweest, heeft Rosa maar weinig rust gehad.
Niet zoodra was zij van haar onmacht tot zich zelve gekomen, en heeft zij haar pleegvader met zijn schandelijke voorslagen voorgoed ter deure gewezen, of in haar zoo beweeglijk gemoed heeft plotseling een geheel andere snaar getrild: Neen, dien verzoeker geloofde zij niet. Dat Casper, ofschoon hij dan werkelijk de liefde van een andere zocht, zich met die andere in het huwelijk zou begeven, Rosa heeft het al spoedig als een belachelijk verzinsel ten eenenmale verworpen. Zij herinnert zich immers tegoed, hoe vroeger, in weerwil van Caspers vurige liefde voor zijn âaangebedene Rosaquot;, haar zeer langdurig wederstreven zelfs niet in staat is geweest om hem tot âdie dwaasheid,quot; zooals hij een huwelijk genoemd had, te doen besluiten.
222
tooneelspelers.
En, nu die verfoeielijke pleegvader haar verlaten heeft, nu is te gelijk met hem de gedachte aan smaad, verguizing en oneer â doch de laatste in 't besef van haar waarachtige trouw â althans voor 't oogenblik, uit hare ziel verdwenen. Nadat zij haar lievelingen op de aangrenzende kamer nog eens terdege in hun warme bedjes heeft toegestopt, en een kus op de roode koonen gedrukt, staat zij ook al spoedig weder voor haar geopende secretaire. De laatste regels van dat straks verwenschte courantenartikel zijn haar â ja zelfs, terwijl de verzoeker haar ijdelheid zoo zacht wist te streelen â gedurig met een zonderlinge klaarheid voor den geest gekomen.
En weder neemt Rosa het oude dagblad ter hand; en nogmaals leest zij;
âWanneer zal het gros van acteurs en actrices beseffen----dat
het schreeuwende pathos.... slechts zijn loon uit den engelenbak ontvangt; dat de hoogste rangen der maatschappij spreken zooals alle andere beschaafde menschen: eenvoudig, ongedwongen â dat....quot;
Schier in hetzelfde oogenblik haastig een paar schreden teruggaande, blijft Rosa staan in de houding van de markiezin De Bel-lanova â haar laatst gespeelde rol â waar deze, door hartstocht bedwelmd, het geweten tot zwijgen brengt:
â Let wel Rosa: Geen stuiptrekkend gejammer, geen boezem-jagend streven naar effect mag het zijn. Neen neen! â De woorden? Ja, zij kent ze nog goed. Met een stille, gedempte stem, maar toch met gloed, en vooral met vuur in het oog, moet ze spreken:
âZwijg, zwijg bonzend hart....quot;
â Neen, 't is nog te luid, veel te luid; dat moet op stiller dieper toon tot mij zelf, en niet tot het publiek gezegd worden. â Nog eens:
âZwijg, zwijg bonzend hart. Ook hij moet sterven!quot;
â Mis! die galm was valsch. Het nemen van zulk een besluit is bijna een moord; â wie met kalm overleg een moord doet, roept geen victorie; hij voert in 't verborgen een doodvonnis uit. De vrouw, ja de vrouw vooral, moet een oogenblik aarzelen; door een lichte siddering worden bewogen, en in plaats van eenzegekreet, mag dat sterven ternauwernood haar trillenden mond ontsnappen.
âJuist nii was het beter,quot; zegt Rosa, eenige oogenblikken later half overiaid. Hij heeft gelijk; âeenvoudigheid, soberheid, en een nooit overdreven mimiek.quot; Zóó is het goed:quot;
223
TOONEELSPELERS.
âOok hij moet sterven.quot; Maar nu.... âJa, sterven....quot;
â Neen, mis, mis! veel stiller, veel dieper; 't is een dubbele moord! Vastberaden moet ze zijn, maar toch bevreesd dat het vreeselijk geheim van haar ziel wordt verraden. Nog eens: âJa, sterven, evenals zijn vader, de trotsche weerstrever van mijn heil.quot;
â Goed zoo! Groote hemel, denkt Rosa voort; hoe onzinnig valsch moet mijn verrukking in die scène met Reeno hebben geklonken.
â Rosa lacht overluid! Ha, 't publiek mocht wel juichen bij zooveel teeder gevoel, na het besluit om niet ook maar aanstonds de derde persoon, een geliefde pleegdochter, het leven te benemen:
â âMIJN kind! MIJN RodoGüNda!quot; Ha ha ha!quot; â Rosa bedenkt zich. Hoe moest zij dat dierbare pleegkind ook noemen..'..? Reeds vroeger heeft zij er iets vreemds, iets zots bij gevoeld, maar er verder niet over nagedacht; immers men leert zijn rol en laat den inhoud voor rekening van den auteur. â O ja! zij noemt dat pleegkind: een boezemliefde, geworteld van af de eerste ston de dat de jeugdige bloem aan hare voeten mocht spelen.
Nu Rosa die woorden, nadenkend bij zich zelve herhaalt, nu begrijpt ze niet hoe zij ze vroeger â en nog wel met een zeker pathos, heeft kunnen uitspreken. Die gewortelde boezemliefde, nota béne: van af de eerste stonde dat de jeugdige bloem aan hare voeten mocht spelen!
De licht bewogen actrice valt met een schaterlach op de sofa neer. Hemel! hoe heeft zij 't ooit kunnen zeggen: een spelende bloem aan hare voeten, en die gewortelde boezemliefde van af de eerste stonde....!!
| â 't Is waar, waarachtig waar, denkt Rosa voort: wie het ook was, die mij met dat gejank durfde smaden: hij heeft in vele opzichten gelijk: de kunstenaar moet zich rekenschap van de minste
zijner woorden geven, hij moet----O, en ik kan het, wanneer ik
het wil: zoo holt zij met haar gedachten voort, terwijl zij, ijlings opgesprongen, nogmaals een blik in die oude courant werpt. Hier staat het óók: zie maar:
âWie zou het betwijfelen dat Rosa Brons een sieraad van ons Nederlandsch tooneel zou kunnen zijn, indien zij zich den eenvoud van een Flora Reene â wildequot; â ziet ge, wilde â âeigenraaken; indien waarheid en soberheid, die hoogste eischen der kunst, haar meer waard waren dan het gejubel van een weinig ontwikkeld publiek. Ongetwijfeld heeft de natuur juffrouw Brons met uitnemende gaven bedeeld; haar verschijning op het tooneel maakte een gunstigen
224
TOONEELSPBLBKS.
indruk; hare trekken zijn fraai, en niet zelden zouden haar standen den toeschouwer een der eerste tragédiennes voor den geest roepen, indien niet gedurig----quot;
â Genoeg, ik weet het: een naar gejank! Ha! ik zal ze toonen dat ik een zwakke figuur als Reene, verre achter mij laat, wanneer ik het \«il! â En als ze dan zien wat Rosa kan, en als de naam van Neerlands eerste tooneelspeelster â zijn eerste tragédienne misschien â door 't land weerklinkt, dan zal mijn kunst de band worden, die dat ontrouwe maar toch altijd dierbare hart weer tot mij trekt, en anders.....o God____!quot;
Indien Rosa's laatste verzuchting haar smart moest uitdrukken over een mogelijkheid, waarbij ze eensklaps haar schoone luchtkas-teelen in rook zag verdwijnen, 't was schier terzelfder tijd een angstkreet geworden.
Een akelig blaffend hoesten heeft haar oor getroffen. Schier in 't zelfde oogenblik bevindt ze zich in de aangrenzende kamer, en ligt er op de knieën voor het ledikant van haar oudsten lieveling.
,0 God!quot; roept de moeder nogmaals, en wringt haar hand onder het kussen van het dierbare kind, en heft zijn lokkig hoofdje omhoog, en roept hem bij zijn naam: âMijn Fritsje, mijn lieve Fritsje!quot;
Maar 't scheen dat hij zijn moeder niet hoorde. Een nog snijdender hoesten ontsnapt er aan die donzen nu vaal paarse lipjes.
De Engel des doods had zich op don kleine geworpen.
Zijn blozende koontjes heeft hij met een lijkkleur bedekt.
Zijn beenige hand klemt hij vast om den teederen gorgel. Zoo vast, dat de zwarte wimpers bij 't opgaan slechts het wit dier oogjes doen blinken. Zóó vast, dat een schelle fluit nu dat mondje ontvlucht.
En de klamme zweetdroppelen parelen op zijn blanke voorhoofd.
En de neusvleugeltjes vragen om lucht â om lucht!
En eensklaps opvliegende wil het jongske zich losscheuren uit den ijzeren band. Maar te vergeefs. En al weder klinkt dat angstig blaffend geluid.
En 't snijdt door het moederhart; en 't wekt daar ginder het kleine zusje, dat schreiend haar speelnootje roept, en vraagt: Wie broertje durft kwaad doen?
â Wie?
225
't Is de kroep, die démon voor moeders.
15
ui.
TOONEELSPELERS.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
TB LAAT.
Rosa's borst is als dichtgenepen.
Straks brak het angstzweet haar uit; nu heeft haar een ijskou bevangen, terwijl zij, uitliefde, haar jongske martelt, om lucht te geven, ontspanning door lucht.
Maar 'tis tevergeefs!
En haar angstig roepen wordt niet gehoord. En haar hevig schellen blijft onbeantwoord.
Maar toch, de waakzame oude Neel heeft op haar achtervertrekje, in den eersten slaap, een fluitenden storm gehoord. Aanstonds wakker geworden, luistert zij met ingehouden adem.... Goede hemel! 't moet Fritsje wezen. Een oogenblik later, toen zij de kleine Corri hoorde schreien, en dat roepen en schellen vernam, ja, ja, toen was zij reeds ten bedde uit. Maar immers, zij scharrelt in 't donker, en of zij 'tal wilde, vliegen dat kon zij toch niet.
In 't armelijk nachtgewaad scheen Neel wel een tooverheks te wezen. Toen ze ijlings het slaapvertrek binnentrad, toen was ze voor die moeder een engel.
â Mevrouw moest bedaard zijn. Ja wel, 't was de kroep. Benauwd, maar, met tusschenpoozen. Men moest er altijd met kinders op bedacht wezen, daarom heeft ze al voor lang toen mevrouw op reis was, een fleschje antimoni-wijn gehaald, en 't staat nóg in het bin-nenkastje.
â Wijn? Rosa weet niet----ze begrijpt niet----â Neen dat kan
wel waar zijn, maar hier heeft ze 't; zie! â Nu moet hij twintig, dertig droppels innemen.
âJa wel ventje; ja wel stumper! â Zoo mevrouw! hou jij hem
't hoofdje maar vast. â Er in, moet het, Fritsje----âGauw, slapen
Corri! niet schreeuwen, anders is Neeltje boos, en dankomtpaatje nooit weerom. â Ziezoo, drie vierde is er toch zeker naar binnen! Zoete jongen, beste jongen! nou blijft Neeltje óók met maatje hier; en morgen zal ze prentjes knippen, schuitjes maken. Zoete Fritsje, zoete kind!quot;
226
TOONEBLSPELEES.
Maar ach! 'twerd een bange nacht zonder rust.
In 't holst van dien nacht spoedde de oude Neel zich langs de eenzame straten voort om een dokter te halen. Ze voelde de koude niet; en warm sloeg haar hart toen de waardige man haar al ras vergezelde.
En Rosa? â Of het dwaas en niet goed was, zooals Neeltje gezegd had, zij weet het beter: Als hij rust aan het moederhart, waaronder hij zoolang heeft gesluimerd; als hij ligt aan de borst, die hem met volle stroomen zoo dikwijls heeft gelaafd, dan kon dat dierbare jongske niet sterven!
Met voorzorg uit zijn bedje getild, de beentjes in een deken gewikkeld, ligt nu Fritsje, half zittende op moeders schoot. Soms is hij stiller; dan dubben zijn oogjes, en â ja dan slaapt hij. Maar altijd luisterend hoort Rosa toch steeds het jagend gepiep van dat borstje. En als hij wakker schrikt, na een korten pijnlijken haal, dan stokken de woorden haar wel in de keel, maar ze zingt toch, ze zingt er zijn lievelingslied, van:
âDe koetjes in de weide;
âEn de blatertjes op de heide;
âEn de eendjes, nog witter dan wit in den vloed;
âEn de duifjes zoo blank, die zijn er zoo zoet;
âSlaap maar mijn jongske, klein Fritsje slaap zacht: âMoeder die houdt er de wacht.quot;
Maar als het nijdige monster zijn aanval al spoedig nog grammer hernieuwt, en â als Rosa niet weet wat ze doen moet----?
Dan doet de fel geschokte tooneelspeelster wat alle moeders zouden doen; dan bidt ze: âO God! spaar mijn kind, mijn liefde, mijn leven!quot;
Toen de mistige wintermorgen grauwde, toen was het pleit reeds beslecht.
Zeven malen bromde de naastbijzijnde torenklok: Dood! En, in haar naamlooze, haar woeste smart kermt Rosa:
âMijn kind! mijn eerste, mijn liefste kind! O God, waarom hebt ge dat gedaan!? Wreed, wreed! Mijn Fritsje, mijn jongen!quot;
En de laatste klokslag stierf weg met den nagalm: dood!
Omstreeks vijf uren later ging een man zeer haastig de trappen op, die naar Rosa's vertrekken voerden.
227
TOONEELSPBLBRS.
â Niemand, niemand mocht er binnengaan. De dokter heeft het uitdrukkelijk gelaat. Geen ander zou de droeve waarheid vernemen, om die te verbreiden nog eer de vader 't bericht zou hebben ontvangen van 'tgeen hier geschied is.
Maar reeds van het vroege morgenuur af, had die vader â zooals gezien werd â op zeer vreemde wegen gedoold!
Doch nu, wie zal hem weerhouden om naar boven te gaan? Wie zou hem beletten om zich te overtuigen dat Rosa een valsch gerucht heeft verspreid ten einde hem weer tot zich te trekken!
Dit laatste heeft Baars gedacht, maar hij vreest toch iets anders.
Waarom vreest hij? Die vrouw is hem immers onverschillig geworden, en van kleine kinderen houdt hij niet veel.
â Maar die vrouw was een engel, totdat ze----jaloersch is geworden.
â En, sinds men hem gezegd heeft dat Rosa ziek was, gevaarlijk ziek, heeft zij hem gedurig voor den geest gestaan, zooals ze, na de geboorte van den kleinen Prits, op haar sponde, blank als een lelie, met de matte doch schoone oogen tot hem opziende en naar 't kindje wijzende, heeft gezegd: âDat is de echte huwelijksbandi nietwaar Casper? O, nu zijn we eerst recht gelukkig.quot;
Wat was ze toen heerlijk, hemelsch schoon, de gelukkige maar afgetobde vrouw.â En 't jongske? Ja 't is een aardig snaakje, een guitig ventje die blozende deugniet.
En de kleine Corri? Nu ja, 't is ook een aardig bekje, en als zij groot wordt, dan zal ze geen kwaad figuur op de planken maken. Maar Frits? Ja, om dien kleinen deugniet heeft hij haar waarachtig toch 't laatst nog bezocht. â Paatje, dat zei hij zoo aardig. En als de kleuter hem op de knie klom om ruiter-te-paard te spelen, en hem dan zoo oolijk smeekend met die blauwe kijkers aanzag, ja dan kon hij wel zien dat de kleine ondeugd, zooals Rosa beweert, werkelijk zijn neus en zijn breede voorhoofd had. Of hij een jongen zou worden van Jan De Wit? â De tijd moest het leeren.
âIk bid je, wacht even mijnheer,quot; zegtNeeltje, die den stap had gehoord, en snel op 't portaal is gekomen.
âIs er dan kwaad?quot; zegt Baars.
â Is er dan kwaad! Lieve God, hij weet dus nog niet wat er gebeurd is!
âKwaad mijnheer? Of er kwaad is? Heeft u dan niet gehoord----
Heeft hij u niets gezegd?quot;
228
TOONEELSPELERS.
âWie, wat?----Brons heeft gezegd dat ze allemaal ziek zijn. Ik
dacht dat de vent overdreef, maar jou bange tronie----Laat me
door. Ja wel! Ik wil het!quot;
âMaar ik bid je, mijnheer....quot;
âMensch! Wie zal hier baas zijn?quot;
In 'tzelfde oogenblik gaat Baars de voorkamer binnen. De secretaire staat nog open; een zeer gehavende, doch zichtbaar weer uitgestreken en bijeen geplakte courant, ligt er naast Rosa's Gedenkboek. Zie. aan gene zij van de kachel staat de wieg,
â Hoe! de wieg in 't salon!? Baars ziet er in. â Corri slaapt er gerust.
âHa! een comedie. Dacht ik het niet!quot;
âMijnheer, om 's hemelswil, 't is zoo vreeselijk erg,quot; bidt Neeltje, die den man is gevolgd; âWacht even, eerst moet ik mevrouw gaan zeggen, dat u gekomen bent.quot;
âWachten! wel ja, en mevrouw waarschuwen dat ze de rol van zieke beginnen moet! âAllemaal ziek! Ha, Corri slaapt als een roos.quot;
In 'tzelfde oogenblik heeft Baars de deur der slaapkamer geopend. Reeds moe van 't jammerend schreien, ligt Rosa nu stiller voor 't bedje van haar gestorven lieveling, met het hoofd op de roode spreij als luistert ze nog of het voor eeuwig stilstaande hartje niet door een wonder weer kloppen zal.
Baars blijft op den drempel staan. Hij weet niet wat hij gelooven moet. 't Wordt hem eensklaps zoo bang. Maar toch, het kan een theater-coup wezen; zij is er zeer goed toe in staat. Die bleekheid tegen de roode sprei; die losgevallen haren, zoo glanzig zwart in lange golven om den blanken ver uitgestrekten hals-...! 't Is althans een vreemde zeer overdreven houding bij het ziekbed van een kind. Maar, slecht is de vertooning niet. Die slanke vrouwengestalte, met haar fijn besneden profiel tegen den lichtrooden grond, is wel in staat om een verkoelden minnaar aan schoonere dagen te herinneren. Aan schoonere dagen! â Ondeelbaar was het oogenblik, 't welk Baars als in die gulden dagen terugtoovert.
Maar nu â een ontzettende schok is hem plotseling door de leden gevaren. Rosa zag op.
Haar schoone donkere oogen hebben den langverwachte aangestaard met een onbeschrijfelijke uitdrukking van schrik en verbijsterde smart, waarna ze eensklaps terugvalt op de sprei, waaronder haar engel slaapt! maar, bleek en koud â voor eeuwig!
Omstreeks een uur later staat Casper Baars bij het ledikant, waarin Rosa gansch uitgeput neerligt.
229
TOONEELSPELERS.
â Of zij slaapt?
â Neen. Hoe kan zij slapen! Als ze vluchtig sluimert, dan ziet ze haar jongske zooals hij nog gisteren met de blokken en de looden
soldaatjes, daar---- op den grond heeft gespeeld; dan ziet ze hem
met zijn frissohe roode lipjes aan kleine Corri een zoen geven; dan hoort ze hem vragen of Paatje haast weerkomt; dan lacht hij zoo vroolijk als Neeltje hem een prent geeft; dan hoort ze hem roepen: Lief Maatje, zoet Maatje----
â Maar, als zij de oogen dan opslaat, en hem wil vatten en drukken aan 't hart â vast, vaster, omdat ze gedroomd heeft wat er 's nachts hier gebeurd is, dan, o God, dan valt de kille steen haar weer met geweld op de borst; dan heeft ze geen lucht, dan is hij dood, werkelijk dood! en kermend herhaalt zij: «Mijn Fritsje, mijn jongske!quot;
,Bedaar Roosje, bedaar,quot; zegt Casper zacht, en hij legt zijn hand, die zeer koud is, op haar gloeiende voorhoofd.
Nu is zij weer kalmer. De lange donkere wimpers slaat zij op. Ze ziet hem aan, terwijl de tranen haar langs de wangen vloeien.
Hij kan dien blik niet verdragen.
âJe moet toch slapen, Roosje; de rust zal je goeddoen.quot; En dan met den blik van haar af: âEn vroeg hij gedurig of ik niet terugkwam '?quot;
Een nokkend geluid was het antwoord.
En de forsche man, die de onschuld belaagde, terwijl de onschuld hier te zieltogen lag, hij kan zich niet langer goedhouden. â Dat kind, dat jongske heeft om zijn vader geroepen; en de wreedaard was niet gekomen. En dat mondje is nu voor altijd verstomd, en die lachende oogjes zijn voor altijd gesloten!
Een akelig geluid doet Rosa eensklaps met siddering overeind vliegen.
En zie, daar ginds bij het bedje, daar ligt nu de vader zooals er de moeder zoolang in haar woeste smart heeft getoefd; dikke tranen vloeien hem in den baard: en het hoofdje van zijn kind met beide handen omhoogheffende, drukt hij de lippen op dat bleeke gezichtje, en hartverscheurend klinkt straks zijn stem:
âFritsje, Fritsje! nu is vader er weer, maar o God, 't is te laat! Mijn lieve Fritsje! mijn vroolijk jongske!quot;
230
T00NEEl.SPEl.ER3.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
GEHEEL OVEKTUIGD.
Toen Rosa Brons aan den avond van dien zelfden dag met het vermoeide hoofd tegen den schouder van haar Casper rustte, en een weemoedig glimlachje hare lippen plooide, dewijl het verlies van haar dierbaar kind, haar toch den man harer liefde had doen terugvinden, toen dacht zij niet dat de kleine comedie die zij, om zich op Casper te wreken, een paar maanden geleden nabij het hek van Den Driellaert had gespeeld, en die het zaad van den argwaan in het hart eener grootmoeder heeft geworpen, nü nog dat zaad, en met kracht zou doen rijpen.
Al spoedig na haar thuiskomst had mevrouw Van Oudenolm, ofschoon zeer vermoeid van de reis, reeds een brief aan haar zoon geschreven, dien hij nog in Brussel ontvangen moest, wanneer hij althans dien zelfden avond naar 't dorp werd gebracht. De aanvang van den brief luidde aldus:
âBeste August!
.Weinig kon ik dezen morgen bij ons afscheid denken, dat ik heden uw steun meer dan ooit zou missen. Van een onheil met den spoorwagen of met de verdere reisgelegenheid is er, Gode zij dank, geen sprake; doch het hart is mij zoo overvol dat ik mij niet ter ruste kan begeven, zonder u deelgenoot te maken van t geen mij toch den slaap uit de oogen zal houden.
' .Smart het mij, beste August, U in uwe afwezigheid, te midden uwer zaken te moeten verontrusten; in het belang van uw eenigen zoon acht ik mij verplicht, u mee te deelen, wat er op de reis gebeurde, ten einde zoo spoedig mogelijk uw raad te vernemen, en ik wete in hoeverre de door mij voorloopig te nemen maatregelen uwe goedkeuring wegdragen, oftewel hoe gij dezelve, met het oog op de kantoorwerkzaamheden, meent te moeten wijzigen.
âGij weet hoe Archibald ons in Amsterdam te bewegen zocht, om er nog een dag langer te blijven, ten einde â ter vergelijking, zooals hij zeide â ook eene voorstelling van den troep te gaan bijwonen, die in December te Arnhem gespeeld heeft.
231
TOONEEISPEIEHS.
Ofschoon uw antwoord, dat het âde boer op den edelmanquot; zou wezen, hem zichtbaar zeer onaangenaam trof, zoo verwonderde het mij toch eenigszins dat hij later geen poging meer deed om mij nog tot blijven te bewegen, indien uw vertrek dan al geen uitstel mocht dulden. Hoe kon ik echter denken dat Archibald, bij die schijnbare berusting, vermoedelijk terzelfder tijd een plan beraamde, 't welk den zoon van mijn altijd in handel en wandel zoo oprechten August, meer dan onwaardig was. Ter zake----quot;
Hier volgde eene beschrijving van hetgeen er binnen de stationswachtkamer en in den trein, en ook verder, na mevrouw Van Oudenolms afstappen bij het hek van Den Driellaert gebeurd was; de feiten â hoezeer pok naar waarheid vermeld, â nochtans beschouwd met het oog der fel geschokte grootmoeder.
Het vervolg van den brief luidde:
âIk behoef u niet te zeggen, August welke pijnlijke uren ik op die reize heb doorgebracht, te meer, dewijl er vooraf gezorgd was, dat de persoon in quaestie ook de cabriolet der diligence met ons zou deelen, en ik ter vermijding van eene demonstratie, het ruilen van plaatsen onraadzaam achtte.
, Zoodra mij, tot Archibalds zichtbare, zeer groote ontsteltenis, de naam en qualiteit der jonge dame bekend waren geworden, hield ik mij overtuigd dat de ongesteldheid van dat schepseltje eene comedie was, zooals er maar al te dikwijls door dat volkje op Gode tergende wijze gespeeld worden. Immers de oude heer door wiens tegenwoordigheid ik vernemen moest aan wie Archibald zijne hulp had verleend, gaf haar al spoedig zijn bevreemding te kennen dat zij heden om ongesteldheid de stad verliet, terwijl hij haar nog gisteravond, vol leven en lust als koningin in een kluchtspel had zien medewerken. Dat onze Archibald â zeker van uwe afwezigheid â eene ontmoeting met de actrice in het stationsgebouw bewerkte, helaas, ik kreeg er door de herinnering aan een, even vóór ons vertrek, vluchtig opgevangen woord, de zekerheid van; doch, naar alle waarschi]nlijkheid heeft hij zelf niet vermoed, waartoe zijn rampzalige daad dat impudente wezen zou prikkelen, en hoever zij hem voeren zou:
âBij het verlaten van het hotel had ik den commissionnair onzen Archibald zien naderen, blijkbaar met het doel om voor een bewezen dienst zijn loon te ontvangen. Ons den rug toekeerende, zag ik Archibald den man eenig geld geven. Deze echter, het ontvan-
T00NEEL8PELERS.
gene in de hand wegende, zei: ,Naar dat theater mijnheer, is heel aan 't andere eind van de stad!quot; waarop Archibald, zeer haastig een tweede gift liet volgen, terwijl ik, schier terzelfder tijd hem aanziende, bespeurde dat hij mijn blik te ontwijken zocht. Ik meende toen de zaak te begrijpen, en geloofde dat Archibald misschien den vorigen avond iets in onze loge had achtergelaten, 't geen hij nu liefst niet weten wilde, en de commissionnair, partij trekkende van een in stilte verrichte zending, den afstand een weinig overdreven had. â Maar August, de waarheid moest mij al spoedig op 't duidelijkst blijken. De tooneellucht, waarin wij Archibald â ofschoon met een goed doel, gebracht hadden; de dwaze houding, die Van Rave ten zijnen opzichte heeft aangenomen en waardoor de lieve Louise nu reeds zoolang van hem verwijderd was, het moet de oude passie voor die tooneelspeelster weer bij hem hebben levend gemaakt, en zij, de volleerde actrice, had slechts een wenk van den bankierszoon te ontvangen, om hem, niet zooals hij waarschijnlijk bedoeld had, vóór de afreize buiten mijne tegenwoordigheid te ontmoeten, maar om zich in de belangwekkende rol van jeugdige lijderes, eene nadere kennismaking, en zelfs in 't gezelschap zijner familie, gedurende de geheele reize te verzekeren.
âHoe gansch ondoordacht de handeling van dat kind ook moge genoemd worden, te meer nog dewijl zij hare dwaze illusie zeer waarschijnlijk met het verlies van hare betrekking â zij het tot haar waarachtig welzijn â zal boeten, wij staan voor het feit dat Archibald, door een schoon maar sluw gezichtje bekoord, en door haar voorgewende ongesteldheid nog bovendien ten sterkste geprikkeld â in spijt van mijne zeer duidelijk gebleken verontwaardiging, ja, in weerwil van mijn stellig verbod, na onze aankomst op Den Driellaert, de reis met de intrigante tot Arnhem heeft vervolgd, en daardoor het voldingendst bewijs heeft gegeven, hoezeer hij in de strikken der vreemde vrouw is verward, wier wegen, volgens den Prediker, zijn buiten God, en uitloopen op de paden des verderfs.
âOp dit oogenblik August, bloedt mijn oud hart bij de gedachte dat mijn eenig kleinkind, in spijt van al de goede lessen en raadgevingen van zijn trouwen rechtschapen vader, op den weg der zonde is verdoold. Zal hij dezen avond terugkeeren? Ik geloof het wel, want zich zeiven het meest bedriegende, zal hij mij de overtuiging willen geven, dat hij slechts uit zuivere menachenliefde de rol van beschermer ten einde toe vervulde; doch, al moge dan de
233
TOONEELSPELERS.
geslepen intrigante niet aanstonds haar doel ten volle bereikt hebben, er is geen twijfel aan dat zij Archibald geheel in hare strikken heeft verward, en dat ze haar rol van zieke te Arnhem zal blijven voortspelen, om hem geheel te verderven.
,Maar, God heeft gezorgd dat de oude vrouw de oogen zouden opengaan, opdat zij in des vaders afwezigheid voor haar kleinkind zou waken.
âHeb ik gedurende de gansche reize een volkomen stilzwijgen bewaard, het is nu mijn voornemen om Archibald ernstig toe te spreken, en hem tot uw thuiskomst â oftewel, totdat ik uw beter oordeel zal ontvangen hebben â het gaan naar Arnhem gestrenge-lijk te verbieden. Bij de orde, die er steeds in uwe zaken heerscht, zal zijne tegenwoordigheid op het kantoor voorzeker geen volstrekte noodzakelijkheid wezen. Geef mij voorts uw goeden raad August, en boven alles, zoek de afdoening uwer zaken te verhaasten, opdat gij zoo spoedig mogelijk in 't belang van uw dierbaren zoon kunt terugkeeren. Geve God dat wij onzen verdoolden jongen nog kunnen losrukken uit de armen der schaamteloosheid, die helaas de gansche tooneelwereld verpest, en wij hem rein bewaren, zooals mijn edele zoon steeds rein en met een zuiver geweten voor God heeft gewandeld.
âTot zoover had ik geschreven.
âZooals ik verwachtte, is Archibald reeds spoedig teruggekeerd. Het onderhoud, dat ik met hem gehad heb, heeft mijne reeds geschokte zenuwen sterk aangedaan, nochtans, ofschoon op de wegen der lichtzinnigheid het bedrog niet achterblij ft, zoo moet ik erkennen dat mijn taak, om den volwassen man als kind te bevelen, niet door een weerstrevend woord van zijnen kant is bem oeielijkt. Dat zijn hartstocht voor het ijdele schepsel, wier wuftheid reeds blijkt uit het vroeger dwaselijk verlaten van een goede ondergeschikte betrekking, om zich als tooneelprinses te kunnen opschikken en te doen bewierooken, dat de hartstocht hem krachtig beheerscht, moest mij helaas te duidelijk blijken, uit zijn verheerlijking van dat schaamtelooze wezen, alsook van de onreine wereld, waarvan het symbool maar al te juist een masker is.
âOp uw spoedig antwoord, en zoo mogelijk uw verhaaste terugkomst hopende, blijf ik, dierbare August,
âUw innig liefhebbende moeder.quot;
234
T00NEEISPELEK9.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
PHANTASIE EN WERKELIJKHEID.
Den volgenden morgen, den eersten dag van Lentemaand, scheen de zon zoo vroolijk in Archibalds kamer, dat hij geen artistenhart zou hebben bezeten, indien ze hem niet uit zijn sombere mijmering had opgewekt.
Archibald stoot het venster open. De Oostenwind is koel en ver-frischt zijn gelaat.
â Hoe is 't mogelijk, denkt hij, met den blik naar buiten: hoe is 't mogelijk dat men de zon ziet schijnen, en vraagt waartoe ze nut is!
â Kunst! zon in 't leven; zonder haar geen kracht, geen verheffing.
â En zal men de zon schelden omdat ze somtijds verzengt wat zwak, en doodt wat dom is'?
â En welke kunst zou er boven de kunst staan om den mensch â den levenden mensch, â te malen in zijn duizend schakeersels van licht en bruin?
â En waar bleef de kunst zonder zijn trouwe dienaars?
â En waar bleef ze zonder----broodschrijvers! Bij 't herdenken van dit laatste woord der grootmoeder, werpt Archibald den elleboog tegen het vensterkozijn, en woelt met de hand door de donkerbruine haren, waar de wind mee stoeit.
â Broodschrijvers!
Door zijn grootmoeder ter verantwoording geroepen, heeft hij de ontmoeting met Flora in die wachtkamer een toeval genoemd, zooals er duizenden zijn----zooals bijvoorbeeld daar ginder, in 't midden van de dorre wei, die snelle lichtglimp door een reet van het planken windschut, juist blinkend op dat pasgeboren lam, een toeval is.
â Maar die zending naar het theater?
Aan het oog der grootmoeder was dan niets ontgaan!
Welnu, hij heeft haar de waarheid, de volle waarheid gezegd: Een tooneelstuk, in zijn vrije uren vervaardigd, heeft hij in persoon aan de directie Baars amp; Kogel willen terhand stellen, doch,
235
TOONEELSFELERS.
dewijl de gelegenheid er toe hem was ontnomen, zoo had hij den commiasionnair met de bezorging belast.
Nooit zag Archibald de geliefde oude vrouw sterker ontroeren dan bij de mededeeling van deze daad.
Hoe! Archibald Van Oudenolra, haar kleinzoon, had zich tot zóó iets verlaagd! Een tooneelstuk was door hém geschreven, niet met het doel om door liefhebbers, bij een feestelijke gelegenheid â ter leniging van armoede misschien, te worden gespeeld, maar, om door een komediantentroep van professie voor geld te worden
vertoond, en----den zeergeëerden familienaam als broodschrij ver
te brengen op de duizenden tongen van een wuft publiek!
â Broodschrijver! herhaalt Archibald nogmaals. En dan: O geest van Goethe, Shakespeare, Racine, Molière, en onzen Vondel! Als men roemt in de eerste stralen der Lentezon, dan gaat ook mijn beste grootmoeder naar buiten, maar.... zij steekt een parasol op! â Goede God, men beschuldigt Uw akker dat hij brood geeft!
â Laat uw luifel vallen, edele effectenkraam, en zit in rouw over
den weerspannige die----de zwakke hand aan den ploeg slaat om
den grooten menschenakker te bebouwen!
â Nobele rijen van couponnenknippers, trekt uw slaapmutsen over de oogen, en schaamt u, want.... de zoon van uw bankier is een broodschrijver geworden!
Nog een geruimen tijd stond Archibald daar in gedachten verzonken. De afwezigheid van zijn vader heeft hem gesterkt in het vaste voornemen, om de dierbare grootmoeder â de trouwe verzorgster van zijn jeugd â met den verschuldigden eerbied aan to hooren, en, slechts op zeer gepaste wijze haar dien argwaan omtrent een schuldige â vooral ten opzichte van zijn geliefde Louise, zeer schuldige verstandhouding met de jonge actrice te benemen. Dat hij hierin slechts ten deele geslaagd is, het smart hem diep, want God weet het, dat hij de waarheid liefheeft.
De kalme toon echter, waarop zijn grootmoeder hem had verzocht om niet meer naar de stad te gaan, totdat zijn vader zou zijn teruggekeerd, heeft Archibald terstond die belofte doen geven, met de bijvoeging nochtans: dat grootmoeders wensch hem smartte, vooral om het krenkend oordeel, dat een onschuldig meisje er door bleef treffen, en de blaam die er uit sprak als zou hij de liefde van zijne Louise onwaardig zijn.
Hopeloos is Archibalds poging geweest om der anders zoo helderziende vrouw, haar diep geworteld vooroordeel omtrent den tooneelspelerstand, ja zelfs omtrent de corypheeën der tooneelschrij-
236
TOONBELSPELERS.
vers te benemen. Ofschoon zij 't erkennen moest, dat men de kunst â indien er werkelijk hooge kunst was â aan deze zij van 't voetlicht genieten kon en genieten mocht; volgens haar innige overtuiging kleefde er een smet op âdat volk zonder Godsdienst en zedenquot;, en de groote mannen, door Archibald genoemd â nu ja, de tijd had hen geadeld, maar ook: de uitzondering bevestigt den regel.
Er was in grootmoeders redeneering iets toegeschroefds, iets.... 'twelk Archibald niet noemen wilde; en zeer zeker zou hij, nü zoomin als ooit, zijne grootmoeder overtuigen dat ook een âjeugdige bankierszoonquot; verplicht is om het Nederlandsch tooneel de hand ter veredeling te reiken, wanneer hij de kracht en de gave er toe in zich levendig gevoelt.
Dat Archibalds roeping werkelijk tooneelschrijver was, 't mocht wel uit de omstandigheid blijken dat hem, starende naar buiten, eensklaps het schema van een tooneelstuk voor den geest staat:
Het jeugdige lam, waarvan de lichtglans zoo ras verdween; de dorre wei; het doorzichtige windschut; de kraaienzwerm ginds op den akker; de tintelende, alles ten leven wekkende zon; deze en andere beelden uit de natuur, zooals hij ze daar voor oogen had, mochten zijn dichterhart hebben ontvonkt, terzelfder tijd hebben ze hem beelden uit het âvolle menschenlevenquot; voor den geest getoo-verd; en, ja, zijn nieuwe schepping zal een dolksteek zijn.... voor de groote kraai, die het zaad, dat duizendvoudig moet vrucht geven, uit de voren pikt.
â Zie, daar staat hij, de luiaard-couponnenknipper, de kunstverachter____ en naast hem.... de alles trotseerende kunstheldin,
die in 't einde den vader dwingt om te buigen voor de macht van haar talent....
Plotseling werden Archibalds gedachten van zijne schepping afgeleid :
Zijn armen hulpvaardigen vriend uit den koepel, dien hij onlangs als vasten looper bij 't kantoor een fatsoenlijk stukje brood heeft bezorgd, ziet hij het achterhek, waarop deze kamer het uitzicht heeft, binnenkomen, en haastig langs den achtergevel den hoek van het huis omgaan.
De schel klinkt door de woning. Weinige oogenblikken later staat Willem de huisknecht op den drempel van Archibalds kamer, en overhandigt zijn jongen meester een brief.
âDirk vraagt of hij op antwoord moet wachten, mijnheer?quot;
âIk zal zien.quot;
237
TOONEBLSPELERS.
Archibald heeft den brief geopend. Na het lezen van de eerste regels, is hij doodsbleek geworden; en ziet vluchtig in 't rond, als moest hij zich overtuigen dat hij zich inderdaad niet meer in de wereld zijner phantasieën bevindt. Nu, met den rug naar Willem gekeerd, leest hij opnieuw.
Maar 't is alsof een ijzeren vuist zijn borst wil stukslaan. De letters van dien korten brief ze wielen en slingeren dooreen.
De knecht vraagt bescheiden, of hij nog wachten moet; doch de jonge Van Oudenolm is niet in staat een antwoord te geven.
Zie, een nijdige tocht, door de deur, die op een kier bleef, veroorzaakt, doet een der halfvensters met geweld dichtslaan, zoodat de glasscherven luid rinkelend op den grond vallen.
Wanneer het gansche huis ware ingestort, 'tzou Archibald, na den schok, hem zoo even door het lezen van die weinige regels toegebracht, voor dat onheil gevoelloos hebben gelaten. Nochtans, de kleine verwoesting hier, heeft hem plotseling uit zijne verdooving gewekt. Hij gevoelt wie hij is; wat hij zijn moet, en dat nü het uur heeft geslagen, waarin hij toonen moet dat hij zijn twintig jaren vooruit is.
âJa wat stuk is moet gemaakt worden,quot; zegt hij snel tot den knecht, die straks zijn ontroering niet bemerkte, en nu met een ontsteld gelaat naar de glasscherven ziet.
In 't zelfde oogenblik verlaat Archibald, met een wenk naar het gehavende venster, zijne kamer.
âGeve God, dat de besteller van dat onzalige schrift met den inhoud onbekend is, en althans tot niemand een woord heeft kunnen spreken, zegt hij onhoorbaar,quot; en dan, ofschoon de stem hem bijna stikt in de keel, vraagt hij schijnbaar kalm, aan Geertrui, die op het glasgerinkel komt aanvliegen:
âIs mevrouw beneden of op hare kamer?quot;
Neen Goddank, mevrouw is voor een kwartiertje uitgereden mijnheer. Heeft u een ruit----of den spiegel gebroken----?quot;'
âUitgereden? Naar stad?quot;
âNeen, den grindweg. Den kant van Harzathe mijnheer.quot; Goddank dat de schrik haar bewaard is.quot;
238
TOONEELSPELEES.
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
HOE EEN TE SNEL OPSTAAN HET EFFECT VAN EEN EOL KAN BEDBEVEN.
In den voormiddag van dien zelfden dag, had mevrouw Van Oudenolm het beste middel gezocht ten einde zich, bij 't verdriet dat haar om Archibald kwelt, eenige afleiding te bezorgen. De heldere zon heeft haar herinnerd dat Lentemaand reeds heden gekomen is, en nog te meer dewijl zij hoopt dat de afwezigheid van haar zoon slechts kort zal duren, kwam het haar goed voor om zoo spoedig mogelijk in het tuinmanshuis met het eerste bedrijf van den grooten schoonmaak te doen beginnen, aangezien de badkamer door den heer van Den Driellaert slechts gedurende den vinnigsten tijd van het jaar op nonactief werd gesteld.
Door de warme huispelerine voor de koude gedekt, en de zwarte kaper met marterbont op de zilverwitte haren, heeft de oude dame haar inspectietocht in de tuinmanswoning begonnen.
Barbara Burkes was in 't eerst een weinig van haar montanen, toen ze de oude mevrouw, al zoo vroeg en zoo gansch onverwachts, zag verschijnen.
â 't Was hier zoo'n boel, ziet u, maar ze had het ook juist zoo volhandig gehad; want, Burkes was er op gesteld, ziet u, dat de versche kropjes en de bakworteltjes er een beetje opgeproperd uitzagen eer ze naar de keuken gingen. â Dat er nog weinig geweest was? Och ja, ziet u. Burkes zei altijd dat een mensch wel kon zaaien en nat maken, maar dat de Heer toch den wasdom moest geven. Nietwaar? Mevrouw zou dat ook wel weten.
Mevrouw wist het. â Maar Goddank, het mandje, dat vrouw Barbara, zonder medeweten van haar altijd werkenden echtgenoot, tegen den avond naar den vriendschappelijken heer van De Koekamp zou brengen â omdat zoo'n fijn man, die wist wat een mensch toekwam, toch ook niet altijd ingemaakte snijboonen en zuurkool kon eten â dat mandje had ze juist nog tijdig, met een rok er over, in de bedstee gezet.
't Viel vrouw Burkes niet mee dat de oude bemoeial â zooals zij heimelijk haar meesteres noemde â nü al de ronde wilde doen.
239
TOONEELSPELERS.
In het badkamertje stond juist een mand met leege flesschen, die eigenlijk in mevrouws wijnkelder thuis behoorde, en....
,0, met alle plezier mevrouw; als mevrouw maar in aanmerking wil nemen dat ik juist vandaag alles bezemschoon had willen maken; want zie je----en als men.... en....quot;
Maar de oude mevrouw was reeds de deur uit.
De overvloed van spinraggen, zoowel in het kruidenkamertje als in het badvertrekje, moet mevrouw wel overtuigen dat vrouw Barbara âletterlijk geen tijd heeft gehad om in de laatste veertien dagen een hand er aan uit te stekenquot;, maar, als zij met bevreemding in het eerste vertrekje nog een bord met een schier onherkenbaar beschimmeld stuk brood bemerkt, en in het tweede vertrekje, behalve eenige soortelijke- overblijfselen van een eenvoudig avondgerecht, de nog gansch ongeredderde attributen van een waschtafel bespeurt, dan lijdt het geen twijfel dat er nog een andere reden moet bestaan, die de tuinmansvrouw, reeds wat langer dan veertien dagen, heeft belet om den boel hier wat in 'tgereede te houden.
â Och neen, dat mevrouw het hier nog alles zoo vindt, 'twas zelfs niet omdat ze letterlijk stijf van de rheumatiek, dikwijls werk heeft om zich op de been te houden, â en waarom mevrouw 't dan ook niet kwalijk zal nemen dat ze nu maar even op deze mand gaat zitten â neen, er is nóg iets anders dat haar letterlijk overstuur heeft gemaakt, als ze maar eenvoudig aan het opknappen van die kamertjes dacht.
âWat er hier voorviel mevrouw, zie, dat schroeft een mensch, die gevoel voor zijn volk heeft, het hart toe.quot;
De oude dame, die de vrouw van den tuinman slechts om zijnentwil duldt, zal niet licht met haar in een woordenwisseling treden, tenzij het zaken betreft, die aan hare zorg zijn toevertrouwd.
Nu de toestand, waarin zij die kamertjes aantreft, haar echter zoo levendig aan den avond herinnert, waarvan de gevolgen zich nog heden zoo pijnlijk doen gr v leien, nu moet de verontwaardiging over vrouw Barbara's, reeds dikwijls gebleken slordigheid grooten-deels onderdoen voor den wel krachtig bestreden maar niet volkomen gesmoorden wensch om â zonder rechtstreeks te vragen â toch uit den mond der tuinmansvrouw iets naders omtrent het gebeurde op dien onzaligen avond te vernemen.
âMijnheer Van Oudenolm heeft mij indertijd gezegd, dat je zeer verontwaardigd waart over de wijze, waarop die dames onze gastvrijheid hebben misbruikt, vrouw Burkes,quot; zegt mevrouw Van Oudenolm, en vervolgt, terwijl ze rondziende, straks met den vinger
240
TOONEELSPBLERS.
de diepte van een stoflaag in de vensterbank meet: âmaar 't moet al zeer erg zijn geweest, dat je blijkbaar sedert dien tijd geen voet in deze vertrekken hebt gezet.quot;
De tuinmansvrouw ziet de gelegenheid schoon om, met afwending van een verdiende berisping, haar gemoed eens terdege te luchten. De oude grief dat men die komediantendames goed genoeg voor het tuinmanshuis heeft geacht â terwijl men ze onder eigen dak niet herbergen wilde, moet tot reden strekken, waarom ze âloslatigquot; voor die anders zoo lieve kamertjes geworden is.
âJa, stof is stof, mevrouw, en stof kun je afnemen, maar de smet van een ziel is een aankleefsel,quot; met die woorden heeft vrouw Burkes, diepzinnig hoofdknikkende, haar pleidooi begonnen, en, toen de sluizen harer welsprekendheid eens waren geopend, toen hebben de arme actrices het dermate moeten ontgelden, dat zelfs mevrouw Van Oudenolm het voegzaam heeft geacht om de verontwaardigde tuinmansvrouw tot wat zachtmoedigheid te vermanen.
Maar 't was tevergeefs. Vrouw Burkes' wrok op den kwajongen, die haar dien avond een oude tang heeft genoemd, moet, bij 't bezwaar om zich rechtstreeks op hem te wreken, nu maar aan het âsuzjetquot; worden gekoeld, dat hem âtot oneer der heele familie in de val heeft gelokt.quot;
âJa, mevrouw,quot; vervolgt Barbara, soms struikelende over haar woorden: âhier in dit zelfde badkamertje was het dat de slang uw deugdzamen kleinzoon ten verderf wilde brengen. Maar Burkes en ik we hebben haar, om zoo te zeggen, den bloed uit de armen weggehaald. Dat het goedschiks ging, neen, dat kan ik voor God en de waarheid niet getuigen; maar, dat kun je den jongeheer niet wijten, want als je een kind het mes uit de hand neemt, dan wordt hij balstorig nietwaar? De harde woorden die hij sprak, vergeef ik hem mevrouw, net precies als de Heer ons de schulden vergeeft; en dat hij alles kort en klein sloeg, ik zeg er amen op, aldat wij de meeste scha er van hadden, maar aan het vrouwmensch met haar valsche lonken is het alles te wijten; en als mevrouw het gehoord had hoe ze den goeden Burkes en mij durfde schelden en met de godslasterlijkste vloeken overlaadde, omdat we weigerden,mevrouw, ons door haar de hand te laten stoppen, en voor haar bloedgeld uw edelen kleinzoon terug te roepen, dan zeg ik, ja, wat we hier beleefden dat is een smet; en als mijnheer gezegd heeft, dat we er niet verder van spreken zouden, dan spreek ik er nu alleen van mevrouw, omdat u de waarheid woudt weten, en, omdat God ons zal vergelden wat we voor den jongeheer Archibald gedaan hebben.quot;
III. 16
241
TOONKELSPELKRS.
Bij de laatste woorden, waarvan de bedoeling vrij duidelijk was, is vrouw Burkes opgerezen, en stond ze met het oog naar boven, en de hand op den boezem, zoo natuurlijk in de houding van eene, die haar goede werken aan de rechtvaardige vergelding van den Hemel toevertrouwt, dat de volleerdste actrice het haar niet verbeterd zou hebben.
Mevrouw Van Oudenolm is er echter niet door geroerd. De schrille kleuren in het opgehangen tafereel hebben haar te onaangenaam getroifen; doch, meent zij geen reden te hebben om in hoofdzaak het meegedeelde te betwijfelen â vermoedelijk nog meer er toe geneigd, dewijl het Archibald, bij dat vroeger gebeurde, voor een goed deel vrijsprak â plotseling zal een schijnbaar geringe omstandigheid de waarheidsliefde en goede trouw van vrouw Barbara in 't volle licht stellen.
Bij haar laatste gemoedelijke woorden eensklaps opgestaan, heeft de tuinmansvrouw er niet aan gedacht, om welke reden zij in het badkamertje zoo aanstonds had plaats genomen.
Mevrouw Van Oudenolm ziet de wijnmand, waaruit de halzen van een paar ledige flesschen naar buiten steken.
âHoe komt die mand hier?quot; vraagt ze snel.
Vrouw Barbara schrikt geweldig. Wat de Heer haar zeker eenmaal zou vergelden, 't zal haar nu toch ontgaan.
Haar ontsteld gelaat en gestotter: âDie mand mevrouw----hoe
die hier komt____? Och heden, hoa die hier komt----!?quot; hebben
haar schuld reeds verraden. Bij de onmogelijkheid dat zonder oneerlijke handelwijze deze mand, geheel met flesschen gevuld, zich in liet tuinmanshuis zou bevinden, lijdt het geen twijfel dat vrouw Burkes de hoofdschuldige is, dewijl zij allereerst in haar verwarring betuigt er niets van te weten â net zooveel als een pas geboren kind, â maar straks toch haarklein weet te zeggen, wie de afge-dwaalden zijn die, ten koste van mijnheer en mevrouw, om zoo'n kleinigheid, hun geweten bezwaren.
De geheimhouding, die vrouw Burkes ten dringendste verzoekt, wordt niet toegestaan. Mevrouw Van Oudenolm heeft weer met innig leedgevoel moeten ervaren hoe weinig er op de rechtschapenheid âdier lagere standenquot; te bouwen valt. â Zij antwoordt vrouw Burkes, de zaak ernstig te zullen onderzoeken, doch wil nu verder aan haar geen woorden verspillen. Den tuinman zal zij spreken, en van harte wenscht zij dat ze zich althans in dien vlijtigen goeden man niet zal hebben bedrogen.
Nu met het huishoudelijk doel, waarom zij zich in het tuinmans-
242
TOONEF.LSPELERS.
huis bevindt, voor oogen, gelast zij vrouw Burkes het luik te openen, waarmee de badkuip gelijkvloers gedekt is. Zij vreest dat de koperen kranen er deerlijk zullen uitzien.
Terwijl Barbara zich, met een hoorbaar bewijs van haar rheu-matisch lijden, bukt om den ring van het luik te vatten, bespeurt mevrouw Van Oudenolm een in 't vierkant gevouwen papier tusachen de zijsponning van het luik, en hoort het ritselend in de steenen badkuip vallen, nu Barbara het luik opheft en de groen geworden koperen kranen aan 't licht brengt.
,'t Is ergerlijk zooals je den boel hebt verwaarloosd,quot; zegt de oude darae; en, als vrouw Burkes nu het medelijden wil opwekken door een houding aan te nemen alsof ze door 't openen van dat luik het spit in den rug kreeg, dan heeft mevrouw geen ooren voor haar klagend âo God!quot; maar gelast haar, aanstonds de benoodigd-heden te halen, waarmee ze het allerergste alvast wat reinigen kan.
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAT HET BADKAMERTJE BEWAARD HEEFT.
Zoodra de tuinmansvrouw vertrokken is, gaat mevrouw Van Oudenolm behoedzaam de badtrapjes af, en raapt van de vochtige steen het papier op. 't Is een folioblad kasboek-papier, dat tot een brief was gevouwen. Een zeker voorgevoel heeft de oude dame gezegd dat dit papier iets bevatten kon, 't welk haar belangstelling verdient. Straks met haar lorgnet gewapend, beschouwt zij het eenigszins gevloeid adres van den brief, en leest:
âAan mejuffrouw S. Lindeman te Arnhem. Door vriendelijke bezorging.quot;
Mevrouw Van Oudenolm beziet de achterzij van den brief. Zoo hij ook vroeger was dichtgemaakt, de vocht heeft het zware papier doen losspringen.
â Lindeman! â Er is geen twijfel aan: Dien naam heeft Archibald reeds dikwijls genoemd; 't moet de tante der actrice zijn.
243
TOOHEELSPELEKS.
die Archibalds grootmoeder reeds zoo menig uur den slaap uit de oogen hield, en die in ditzelfde kamertje haar ijdel en schaamteloos spel, ten koste van Archibalds deugd en trouw, voor 't eerst durfde wagen.
Al ware de broodkruimel, waarmee Flora haar brief op dien avond had dichtgemaakt, niet losgeweekt, mevrouw Van Oudenolm zou nu, ten hoogste verrast, toch zeker geen oogenblik hebben geaarzeld om den brief te openen. Doch neen, zij bedwingt zich; vrouw Barbara kon haar overvallen. Maar straks, in hare kamers teruggekeerd, dan haalt zij den brief te voorschijn, en terwijl het papier haar trilt in de hand, en zij eerst nog de oogen van die letters afwendt, met de snel gerezen, doch ook aanstonds verworpen gedachte, om toch liever het schrift dier deerne ten vure te doemen, dan leest zij den brief der actrice:
âLieve beste tante!
âVreezende dat u morgen overdreven berichten omtrent een ongeluk zult hooren, dat ons dezen avond op den weg overkomen is, zoo neemt uw Floortje, alvorens naar bed te gaan, nog even een zwavelstokachtige pen, en krabt er mee een woordje ter uwer geruststelling.quot;
't Geen er volgde was een onopgesmukt verhaal van het gebeurde, totdat Flora met Rosa Brons het salon van Den Driellaert was binnengegaan.
âIk behoef u niet te zeggen, tantelief,quot; zoo luidde het vervolg: âdat het mij onaangenaam trof, toen Rosa, met mij alleen gebleven, bekende dat zij een ongesteldheid had voorgewend, om redenen, die ik u later wel eens mondeling zal meedeelen. Zooveel wil ik u echter zeggen, dat, ofschoon ik die handeling ook afkeuren moest, mijn oordeel over Rosa er niet ongunstiger door geworden is. Het bleek mij dat zij een goede moeder mag heeten, en alle middelen beproeft om den man, dien zij innig lief heeft en altijd trouw blijft, weer tot zich te trekken, en ook haar kinderen door hun vader te zien beminnen, zooals ze zelve bemint.
âIk had het wel verwacht tantelief, maar het trof mij toch pijnlijk, al spoedig te moeten ondervinden, dat de goedhartige daad van den jongen bankierszoon, geenszins de goedkeuring van zijne familie had weggedragen. De actrices konden in het groote heerenhuis
244
TOONEELSPELBES.
niet gelogeerd worden, en men verbande ze naar de tuinmanswoning. In plaats, beste tante, dat wij op dit oogenblik zooals ik gehoopt had, te zamen bij een lekker kacheltje gezellig aan 't keuvelen zijn â want laat was het ook zeker bij ü geworden â zit ik nu in een vochtig badkamertje, zonder vuur, 'tgeen na den schrik op den weg zeker niet verkwikkelijk is. â Je hebt het gewild, kindlief, hoor ik u alweder met dat ernstige knikje zeggen. Maar lieve tante, de woorden van dominee: Niet de stand maakt den mensch, maar de mensch maakt den stand, hebben mij altijd doen hopen, dat ik werkelijk goede menschen wel dwingen zou om ook de tooneelspeelster met welwillendheid te bejegenen, wanneer zij getrouw blijft aan de belijdenis, die zij voor 't oog van God en de menschen heeft afgelegd. Mij dunkt dat de dames van dit landgoedquot; â Flora scheen met Archibalds familiebetrekkingen onbekend te zijn geweest â âtoch zeker geen andere jonge vrouwen, wanneer ze ten gevolge van een rijtuig-ongeluk ongesteld waren geworden, en haar nog bovendien gastvrijheid was toegezegd, zonder haar even te ontvangen of toe te spreken, naar den ongezelligsten hoek van het huis â ik meen van het tuinmanshuis â zouden verbannen hebben.
âDat men wil weten, wie men onder zijn dak heeft, begrijp ik, maar immers, men veroordeelt niet alvorens te onderzoeken, en de gelijkenis van den Samaritaan, die de wonden van een ongelukkige zalfde en hem op zijn eigen lastdier plaatste, zij moge niet heele-maal van toepassing zijn, maar ik geloof toch dat de dames van den bankier er straks niet aan gedacht hebben.
âDoch tantelief, als uw Floortje aan den avond van een dag van zoovele teleurstellingen, een beetje heeft geprutteld, dan moet u daarom niet gelooven dat zij ontevreden en ondankbaar is. â De goede bedoeling van den jonkman, die zeer bijzonder met mijn spel scheen ingenomen, en wel wat enthusiast maar hoogst beschaafd en fatsoenlijk was; het bedenken hoe gemakkelijk die val met het rijtuig uw stoute Floortje â nietwaar? â iets anders dan een appelflauwte had kunnen bezorgen; maar vooral ook welk woordje het geweest is, dat mij bij het ontwaken uit die korte verdooving
op den weg, in 't oor werd gefluisterd----o tantelief, als ik dat
alles, en vooral dat laatste bedenk, dan voel ik geen kou en geen wrevel over miskenning meer, en, alvorens ik op een soort van veldbed zonder gordijnen, den slaap hoop te vatten, zal ik zeker den goeden God mijn innigsten dank brengen voor het goede, dat mijn deel blijft.
245
tooneelspelebs.
âEn dat woordje in 't oor----? Neen, ondeugende nieuwsgierige
tante, als Herman Heldera wist dat ik er nü al van klapte, dan----
neen ik zeg u niemendal, maar â hij is een kunstenaar in mijne richting, en, braaf en weldenkend, dat verzeker ik u. Blauwe oogen. Nu zeg ik niets meer. Slaap gerust.
28 December 184.. Uw Fioobtje.quot;
âPS. Ja, 't spijt me lieve, maar een PS. moet er nog bij:
âAls welwillende uiterst belangstellende vrienden u soms in vertrouwen komen vragen â want zij vragen meestal â of minder edele drijfveeren den jongen bankierszoon ook misschien tot zijn hoffelijke uitnoodiging hebben geleid, och zeg hun dan dat Floortje u zelve in haar PS. meldde, dat zij zeer laat â nadat zij dezen brief reeds geschreven had â nog een bezoek van dien nobelen enthusiast in hare kamer ontving, en wel omdat de arme jongen een beetje verlegen was met de weinig gracieuse figuur, die zijne familie hem, tegenover ons had doen maken; zeg â of zwijg het, naar verkiezing, tantelief â dat hij mij nog graag een heeleboel fraais over mijn talent had gezegd, maar dat Floortje daaraan een eind maakte met de opmerking, dat het uur er toe wat heel slecht gekozen was, 'tgeen hem ook aanstonds tot een beleefd afscheid deed besluiten. Meer behoeft u niet te zeggen, beste. Wie nog verder mochten vragen, 't zijn zeker onze oprechte vrienden niet, want: Liefde denkt immers geen kwaad. Salut! Een kus tot besluit. Nog eens
Uw altijd liefhebbende . Floobtje.quot;
Nu mevrouw Van Oudenolm dien brief ten einde toe heeft gelezen, nu klopt haar hart zonderling bewogen, en ofschoon het haar moeite kost, zij moet sommige volzinnen nog eens herlezenâ Hoe! had zij zich zoo bedrogen!
â Maar, is dat schrift dan geheel te vertrouwen?
â Heeft men niet met personen te doen, die ook in 't leven hun rollen spelen? â 't Is toch zonderling dat een brief, op dien avond geschreven, in het badkamertje achterbleef. Zou het niet mogelijk zijn dat die actrice â op alles bedacht â dit document met opzet heeft achtergelaten.... ?
Weinige minuten later staat baas Burkes met de pet in de hand voor zijn oude meesteres. Nu vrouw Barbara en dit geschrift hebben gesproken, nu gevoelt mevrouw Van Oudenolm zich wel verplicht om ook den grijzen dienaar te hooren. August zou 't zeker
246
TOONEELSPELERS.
goedkeuren dat zij, nü althans, de zaak tot volkomen klaarheid zoekt te brengen.
En baas Burkes herinnert zich het gebeurde maar al te goed. Och, nu mevrouw er naar vraagt, nu moet hij eerlijk bekennen dat vrouw Barbara de zaak, op dien morgen tegenover mijnheer, wel wat al te sterk heeft gekleurd, maar dat kwam omdat de jongeheer een beetje onpasselijk van woorden was geweest, en men van de jeugd toch wel eens meer avonturen verneemt. Dat er ongerechtigheid zou geschied zijn, neen, zie, als de jongeheer het maar niet zoo hoog had opgenomen dan zou hij. Burkes, hem ook dadelijk geloofd en geen stroobreed in den weg hebben gelegd; want 'tgeen hij in waarheid gehoord en gezien heeft, daar was geen kwaad bij geweest;
volstrekt niet. â- Wat een brief betrof----? Ja, nu mevrouw er van
sprak, nu herinnert hij zich heel goed dat die juffrouw, bij wie mijnheer Archibald 's avonds nog geweest is, hem heeft verzocht om er een in stad te bezorgen âbij eene juffrouw Lindeman; wel zeker. Maar zie, met de consternatie van later â hot vallen en breken van die potten en flesschen â heeft hij er niet meer naar gevraagd. âDen volgenden morgen,quot; besloot Burkes: âtoen de dames zich erg moesten haasten â omdat Arie, volgens mijnheers bevel, al vroeg met het wagentje voor was â en die juffrouw bij 't instappen in den zak tastte om mij den brief te geven, toen vond ze hem niet, en wilde weer naar binnen gaan. Maar Arie was een beetje haastig door 't wachten; en omdat de juffrouw zei dat ze den brief zeker in 't kamertje had laten vallen, zei ik: 6a gerust, ik zal er wel voor zorgen. Maar, wat zal ik je zeggen, mevrouw: de planten water te geven, en op z'n tijd te zaaien of te poten, dat vergeet ik niet, maar â de waarheid moet ik getuigen â om dien brief heb ik niet meer gedacht!'quot;
Toen baas Burkes vertrokken was, trilde het hoofd der oude dame, en 't scheen alsof er een traan in haar trouwe, meest zoo klaarziende oogen blonk, terwijl zij ze strak naar den grond hield gericht.
Baas Burkes had bij 't heengaan gevraagd of hij soms den brief nog bestellen zou? Maar, kortaf had een ontkennend antwoord geklonken. En nu, 't besluit was genomen: Ofschoon zeer laat, mevrouw Van Oudenolm zou hem zelf aan 't adres gaan bezorgen.
247
TOONEELSPELEBS.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
BIJ TANTE LINDEMAN.
Zoodra Archibald had vernomen dat mevrouw Van Oudenolm was uitgereden, en den grindweg langs Harzathe gekozen had, begreep hij dat zijne grootmoeder, zooals ze wel meer deed, een rijtoer in den omtrek maakte. Natuurlijk kon hij niet gissen dat de oude dame, om vooralsnog haar gang naar Arnhem geheim te houden, met een omweg er heen was gereden. In zijn fel bewogen toestand, na het ontvangen van dat bericht uit de stad, schonk het hem een oogenblik verademing dat zijne grootmoeder zich niet thuis bevond, 't Bleek hem bovendien al spoedig dat de bode â die reeds als de eerlijke arme werd aangeduid, aan wien Archibald in den koepel nog méér dan zijn brood heeft te danken gehad â met den aard van zijn zending geheel onbekend moest wezen. De man gebruikte zijn lijvige boterhammen met het schuimende bier, blijkbaar in het streelend bewustzijn, met bijzonderen spoed en naar eisch zijn zending te hebben volbracht.
De jonge Van Oudenolm dacht er niet aan dat hij de gegeven belofte zou schenden, om gedurende zijns vaders afwezigheid niet naar stad te gaan. quot;t quot;Was noodig; het kon niet anders! De minuten, die de stalknecht voor het inspannen van het kapwagentje behoefde, waren hem uren. 't Was Archibald schier onmogelijk om tegenover het dienstpersoneel, 'twelk hem juist nü gedurig in den weg trad, een uiterlijke kalmte te bewaren; ja zelfs voor langen Dirk had hij geen vriendelijk woord.
â Mijn God! mijn God! bonsde het hem in de borst; en straks in het rijtuig gesprongen, deed zijn zweepslag den ouden bruine vooruitschrikken, en ging het rijtuig met korten draai schier rakelings een der hekposten voorbij, en vloog het den weg op.
Juffrouw Lindemans oogen zijn rood en gezwollen. Twee nachten heeft zij reeds aan 't ziekbed van haar lieve Floortje gewaakt, en het kort ontwijkend antwoord, 'twelk de dokter haar straks had
248
TOONEELSPELERS.
gegeven, 't heeft haar zóó geroerd, dat zij de tranen niet langer bedwingen kan.
Maar, Floortje zal het niet bemerken. Veel licht is er niet in de kamer, omdat het haar hinderde, en, tante zal zich weer goedhou-den, en zich een weinig verfrisschen, hoewel de dokter dan ook zoo raar en kortaf is geweest, en de schouders zoo wonderlijk heeft opgehaald; dokters zijn niet alwetend en wie weet of de Lieve Heer integendeel niet juist haar vurig gebed heeft verhoord; want immers Floortje ligt veel rustiger dan gisteren, en haar medicijnen heeft ze heel goed ingenomen, en tegen Martin heeft ze zelve gezegd dat hij maar niet zoo strak moest kijken, want dat het beter ging, ja waarlijk beter.
Maar al heeft juffrouw Lindeman zich nu een weinig verfrischt, het koude water heeft haar toch die innerlijke onrust niet kunnen benemen. Niet voor niet is zij ruim vijftig jaar geworden, en maar al to goed weet zij dat niets zoozeer het gunstig verloop eener ziekte in den weg staat, als verborgen zieleleed. Ach! en reeds op den eersten avond heeft zij bemerkt dat haar beste kind een angel in 't hart was gestoken. Telkens had Floortje geschreid, maar de waarheid heeft tante niet vernomen.
â Of die Heldera haar misschien reeds ontrouw was geworden....?
â Neen, och neen; nog kort geleden had zij een lieven brief van hem gehad. Maar, terwijl Floortje het zeide, was ze weder aan 't snikken geraakt, en hadden tantes liefkoozingen haar ternauwernood tot bedaren kunnen brengen.
En dan later, in haar ijlende koortsen: 't was alsof een enkele gedachte, één enkel spook haar aanhoudend vervolgde. Als op de maat van een snellen polsslag, klonk het met kleine tusschenpoozen schier voortdurend van hare lippen:
âDie oude vrouw; zij gelooft het niet, zij gelooft het niet. Hij weet het wel, maar zij gelooft het niet.quot;
âWelke oude vrouw, Floortje? Wat gelooft zij niet? Ja wel kind! de oude vrouw gelooft het óók wel,quot; had tante in den beginne gezegd; maar eindelijk heeft zij maar stilgezwegen, want de arme Floortje was er nog onrustiger door geworden, en luider en sneller had zij dan weer herhaald:
âZij gelooft het niet; zij gelooft het niet.quot;
Op dit oogenblik werd er gescheld, 't Zou zeker de goede Martin wezen. Tot vijf malen toe was hij den vorigen dag gekomen om naar Floortje te vragen; en als tante gezegd had dat het nog al 'tzelfde bleef, dan had hij niets ineer gesproken, maar was op een
249
TOONEELSPELBRS.
grooten afstand van Flora's ziekbed, op de punt van een stoel gaan zitten, den blik onveranderlijk strak op den poot van het ledikant gericht.
Ofschoon tante hem bij 't heengaan telkens op 't vriendelijkst in bedenking heeft gegeven, om toch niets meer mee te brengen, aangezien 't lieve kind toch bijna niemendal gebruikte, en Martin dan zonder eenig antwoord geknikt had, alsof hij het heelemaal eens was, zoo had hij toch gedurig weer van allerlei, in kleine hoeveelheden meegebracht en ongemerkt op de tafel gelegd: appel-china's, vijgen, citroenen, peardrops, jujubes, pruimedanten, fram-bozenkoekjes, tot zelfs gisteravond een gebraden kip, met de bijvoeging van een papiertje, waarop met zeer groote letters het woord versterken! geschreven stond.
Een vluchtige trek van voldoening heeft er zich over Martins bleek en mager gelaat verspreid, toen hij dezen morgen, reeds vroegtijdig aangekomen, de kip heeft gezien, niet onaangeroerd, zooals bijna alles wat hij vroeger bedacht had, maar aangesneden, werkelijk aangesneden.
âVan gebruikt?quot; heeft Martin met de oogen naar den grond gefluisterd.
En juffrouw Lindeman kon j a zeggen. Neen zou voor den stakker ook al te hard zijn geweest. J a kon ze zeggen. Och ja, er was van gebruikt: Tante zelve heeft er een klein stukje van genuttigd.
Na een sterke aarzeling: een tasten naar den deurknop, doch aanstonds in het vertrek terugkomen en een rondzien, alsof hij iets had vergeten; een weder heengaan, zelfs tot op het portaal, maar dan, als ware hem plotseling iets te binnen gevallen, met een nogmaals even snel terugkeeren, is Martin tante Lindeman genaderd en heeft haar zno kort mogelijk gezegd, dat hij nü werkelijk niets had meegebracht, maar toevallig in deze courant van gisteravond
een artikeltje had gelezen dat.......dat Ploortje misschien nog
plezier zou doen. Tante moest het maar voorlezen: Tweede blad, derde kolom, zesde alinea.
âDe krant mag zij behouden!quot; heeft Martin nog in 't heengaan gezegd; en zeker omdat de stakker zich al wat verlaat had, was hij met gevaar van de beenen te breken de trap afgesneld.
En tante heeft Floortje, toen ze, ontwakende, een oogenblik rustig en heel present was, het artikeltje werkelijk voorgelezen. â 't Is klein, maar rein, had juffrouw Lindeman na een eerste inzage gedacht, en, kwaad kon het zeker nooit dat Ploortje, vooral met die vreemde malerij, wat moois van zich vernam.
250
TOONEELSPELERS.
Wel een beetje beverig, maar toch heel duidelijk had tante gelezen:
âMet de meeste deelneming vernemen wij, dat onze voormalige stadgenoote, mejuffrouw Flora Reene, ten gevolge van eene ongesteldheid zich ter dezer stede bij hare familie bevindt. De bijzonder gunstige indrukken, die wij van haar keurig talent als tooneelspeel-ster mochten ontvangen, en de beminnelijkheid van haar degelijk karakter, waardoor zij met recht een sieraad van haar stand mag genoemd worden, doen ons, met allen, wien de bloei van onsNeder-landsch tooneel ter harte gaat, den wensch uiten, dat de beminnelijke kunstenares spoedig zal herstellen, om haar schoone loopbaan, tot roem van haar naam en tot eer van de kunst, te kunnen vervolgen.quot;
Toen tante Lindeman het stukje â dat haar bij nader inzien, om de strekking, om de verheerlijking van dat ongelukkige tooneel, toch minder voldeed â aan Floortje had voorgelezen, en 't kind daarna van onder den bril had aangekeken, toen heeft zij Floortjes bleeke wangen door een vluchtig blosje zien kleuren, maar tevens het hoofd zien afwenden, terwijl op droeven toon de woorden: âVan hém, och, van hém!quot; haar oor hebben getroffen.
âVan hem? Van wie Floortjelief? Wat meen je?quot; had tante gevraagd. Maar tante heeft zulke verwarde antwoorden gekregen, dat zij onmogelijk kon begrijpen dat Floortje den jonkman bedoelde, die haar op die laatste reis ontmoette 011 des avonds tot aan de deur van tantes woning gebracht had.
Dat het voorlezen van het berichtje meer kwaad dan goed had gedaan, moest de oude juffrouw helaas al spoedig bemerken, want sedert dat oogenblik was Floortje weer heel onrustig geworden, en, of de koorts zich opnieuw verhief? althans gedurig had het weder geklonken: âHij weet het, maar de oude vrouw gelooft het niet. Neen neen, zij gelooft het niet!quot;
Straks, toen Martin is teruggekomen, heeft juffrouw Lindeman gevreesd dat de goede jongen zou vragen of het voorlezen van dat stukje Floortje plezier had gedaan ; maar Martin heeft wel een paar malen tante aangezien, alsof hij iets zeggen wilde, maar er naar gevraagd heeft hij toch niet.
Nu er gescheld is, en juffrouw Lindeman begrijpt dat het alweer Martin zal wezen, nu denkt ze met schrik aan dat berichtje, en neemt zich voor om den goeden jongen toch maar te zeggen, dat
251
252 T00KEELSPB1ER8.
Ploortje het heel aardig heeft gevonden. Och, men moet in 't leven wel eens zoo'n beetje comedie spelen.
Een dienstmeisje komt zachtjes de ziekenkamer in, en terwijl zij juffrouw Lindeman zeer bedenkelijk aanziet, zegt ze gejaagd, dat er een heel deftige oude dame is, die de juffrouw noodzakelijk moet spreken. Wie het is, dat kan het meisje niet zeggen, maar ze was met een heel mooie koets gekomen, met twee paarden er voor, en de knechts met livrei van allemaal zilver en blauw.
De oude juffrouw, die nog wel een enkele maal door de grootheid wordt bezocht, indien men omtrent modes of patronen van vroegere jaren eene inlichting verlangt, verzoekt het dienstmeisje, om hier maar stilletjes bij 't ledikant te gaan zitten, en te waarschuwen als juffrouw Flora iets noodig mocht hebben: en begeeft zich dan al spoedig naar de voorkamer, waar het meisje de deftige dame heeft binnengelaten.
,U zult mij niet kwalijk nemen, mevrouw, dat ik u maar zóó ontvang,quot; zegt zij met een nijging bij 't binnenkomen: âdoch als men een lieve zieke moet oppassen dan denkt men zoo weinig aan toilet maken, nietwaar?quot;
âAls er sprake van kwalijk nemen is, juffrouw Lindeman, dan heb ik mij meer te verontschuldigen dan u.quot;
âNeem plaats mevrouw, u zult zeker niet geweten hebben dat ik een zieke heb, en toch. God zij dank, 't is nog zóó erg niet dat ik u niet even zou kunnen spreken. Mag ik ook weten mevrouw, wie ik de eer heb te zien?quot;
â Ik ben de moeder van den bankier Van Oudenolm en de grootmoeder van....quot;
Juffrouw Lindeman was letterlijk geschrikt. Ofschoon zij den brief, door Floortje in de tuinmanswoning geschreven niet had ontvangen, zoo hebben de loopende geruchten, na het ongeval met den reiswagen, en Flora's latere brieven, haar toch dien naam te dikwijls genoemd, om niet eensklaps allerlei vreemde gewaarwordingen bij haar in 't leven te roepen.
Immers, ofschoon Flora misschien met voordacht op den avond van haar laatste thuiskomst, den naam van haar begeleider verzweeg, zoo heeft tante toch â met zooveel, dat haar van vroeger en later door 't hoofd is gegaan â zeer dikwijls, wanneer ze Floortje zoo onrustig zag, bij zich zelve gedacht; Och die praatjes! En dan was dat mooie landgoed haar weer voor den geest gekomen, en tevens de zoon van den bankier, de knappe jongen, dien men haar vel eens gewezen heeft. En ook, dan was dg zaak met dien Hel-
TOOflEELSPELEES.
dera haar in 't geheel niet helder geworden, maar heeft ze heimelijk, zoo heel in stilte gevreesd, dat er nog wel iets anders kon zijn, 't welk het arme, helaas wat eigenzinnige kind, den hamer in 't hoofd heeft gebracht, omdat â mocht God het verhoeden, â de hamer van 't hart misschien niet rustig was.
Wanneer tante tot zulke overdenkingen is gekomen, dan heeft ze telkens met gevouwen handen die schrikbeelden zoeken te verjagen, doch thans, nu die oude dame zich als de grootmoeder van dien jonkman heeft bekend gemaakt, nu de ernst op dat schoone gelaat haar de oude visioenen als met een tooverslag voor den geest brengt, nu heeft zij de grootste moeite om haar uiterlijke kalmte te bewaren, maar zegt ze toch schijnbaar bedaard:
âEn de reden van uw komst mevrouw?quot;
Mevrouw Van Oudenolm, wie juffrouw Lindemans ontsteltenis niet is ontgaan, meent de reden er van te begrijpen.
âIk gevoel dat mijn komst u onaangenaam moet treffen, juffrouw Lindeman,quot; herneemt zij: ,'t Geen u zeker ter oore is gekomen â j waarschijnlijk ook omtrent mijn houding ten opzichte van uw / nichtje bij onze samenreis van Amsterdam â maakt dat zeer ver- | klaarbaar.quot;
Juffrouw Lindeman begreep het niet. Floortje had haar van niets gesproken.
âIk zal kort zijn, juffrouw Lindeman: Men kan van gevoelen verschillen, maar den tooneelspelers-stand stelde ik nooit zeer hoog. Toen mijn kleinzoon, in December, voor een paar actrices des avonds laat een onderkomen op ons buitengoed verzocht, toen meenden wij reeds meer te doen dan strikt noodzakelijk was, met haar een nachtverblijf in de tuinmanswoning toe te staan. Wil 't mij ten goede houden juffrouw, maar in een woning, waar men Godsdienst en reine zeden als de hoogste goederen waardeert, handelt men niet graag lichtvaardig. â Toen later vluchtige geruchten ons meldden als zou werkelijk eene dier dames â ongesteldheid hebben voorgewend, om zich de gelegenheid tot een.... nadere kennismaking met mijn kleinzoon te verschaffen.... Ik bid n, nog een oogenblik?quot; vervolgt mevrouw Van Oudenolm, bemerkende dat juffrouw Lindeman haar in de rede wil vallen: âtoen liet toch zooals u bekend zal wezen, de publieke opinie de zaak al spoedig rusten, en terwijl wij ons overtuigd hielden dat de eer van ons huis niet was geschonden, mochten we al spoedig ondervinden dat de ontmoeting â zoo zij werkelijk had plaats gehad, geen blijvenden indruk bij mijn kleinzoon had achtergelaten. Met deze overtuiging
253
TOONEELSPELEES.
zal hét u niet verwonderen, juffrouw Lindeman, dat ik ten zeerste werd geschokt, toen ik onlangs met mijn kleinzoon van een uitstapje naar Amsterdam terugkeerende..quot;
Mevrouw Van Oudenolm kon niet vervolgen. Uit de ziekenkamer drong een droevig hulpgeschrei de beide vrouwen in 't oor, en terzelfder tijd opende het dienstmeisje de deur, en riep juffrouw Lind i-man toe: dat zij toch dadelijk komen zou. De ontroerde tantetoe.de geen oogenblik; maar ernstig beducht dat soma âde oude vrouwquot;, van wier lippen zij nog steeds een aanklacht tegen haar Floortje verwachtte, zich aan de zieke vertoonen zal, zegt zij bij 't heengaan:
âBlijf hier mevrouw; ik bid u blijf hier!quot;
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
TWEE MOEDERS.
Mevrouw Van Oudenolm, die niet gedacht heeft, dat het zieke meisje de zorg van haar bloedverwante slechts zoo kort kon ontberen, smart het dat zij, bij het ontmoeten van juffrouw Lindeman, niet wat spoediger tot het eigenlijke doel van haar bezoek gekomen is; doch, het spreken heeft haar ook moeite gekost. Zoodra het goede mensch terugkeert, zal zij haar nu echter den ouden brief geven, en de verzekering er bij, dat de miskenning, die zij de jonge actrice âonwillekeurigquot; heeft aangedaan, haar in volle waarheid op't innigst smart. Met de dringende bede dat juffrouw Lindeman, wanneer haar nichtje spoedig herstellen mag, al het mogelijke zal willen doen om haar dat glibberig, ja zondig tooneelpad te doen verlaten, zal zij haar tevens haar zedelijke en, zoo noodig, de overvloedigste stoffe-i lijke hulp aanbieden, opdat het lieve en blijkbaar zoo brave meisje, i voortaan op waardiger wijze ruimschoots in hare behoeften zal kunnen voorzien.
j Eenige oogenblikken, nadat juffrouw Lindeman naar de ziekenkamer is gegaan, staat mevrouw Van Oudenolm voor het venster. Zij heeft het rijtuig weggezonden, met bevel om over een half uur térug te komen. Die tijd kan nog niet verstreken zijn; en toch, zij Imeent dat het rijtuig er staat. â Neen, nu zij haar lorgnet gebruikt.
254
TOONEELSPELERS.
ziet zij dat het een gewone vigilante is. â Een in't zwart gekleede dame stapt er uit. â Er wordt gescheld.
Het dienstmeisje uit de ziekenkamer komende, vliegt het vertrek door, en snelt naar beneden. Zij heeft in last gekregen om behalve mijnheer Martin en den dokter, niemand meer boven te laten.
Mevrouw Van Oudenolni verneemt een levendige woordenwisseling. De nieuw aangekomene heeft zich niet laten afschrikken. Zij beweert een oude bekende, een intieme vriendin te zijn. Het dienstmeisje is tegen de overredingskracht der vreemde niet bestand. De laatste heeft nu zelve haar weg reeds gezocht en gevonden. Zonder aarzelen treedt ze het woonvertrek in.
Mevrouw Van Oudenolm staat met den rug naar het venster, zoodat hare trekken voor de binnenkomende niet aanstonds duidelijk te onderscheiden zijn.
âJuffrouw Lindeman....?quot; zegt de onbekende, doch laat er aanstonds op volgen: âIk zal mij vergissen'? â Pardon!quot;
âMijn naam is Van Oudenolm,quot; antwoordt de dame met eenigs-zins hoofschen groet.
Een zonderlinge plooi teekent het gelaat der bezoekster:
âVan Den Driellaert?quot; zegt zij snel.
Mevrouw Van Oudenolm gevoelt weinig lust om met de dame, die zij zich niet herinnert vroeger te hebben ontmoet en haar nu zeer ongelegen komt, in oude diner- of souper-relaties te treden. Zij beantwoordt de vraag met een minzaam doch deftig hoofdbuigen, en keert zich dan opnieuw naar het raam.
De blik, waarmee de vreemde de beweging der douairière volgt, stemt zeer weinig overeen met het rouwgewaad, hetwelk haar schoone gestalte omhult. Haar donker levendig oog glanst onder de lange zwarte wimpers, met een vuur als van een getergde, die zich eensklaps de kans ziet geschonken om zich op een vijand te wreken. Nochtans, het zeer beweeglijk gelaat versmelt plotseling tot een pijnlijk weemoedigen trek. Maar, ofschoon er dan geen schrille toon zal klinken, toch kan zij het woord niet smoren, dat haar brandt op de lippen. Een paar schreden naderbij komende, zegt ze zacht maar scherp, zoodat mevrouw Van Oudenolm er van ontstelt:
âAls men een vroegere gastvrouw ontmoet dan spreekt men een vriendelijk woord; maar ik ben u geen dank verschuldigd,mevrouw Van Oudenolm!quot;
âWie bent u? Ik ken u niet.quot;
âNeen, al was ik uw gast, u kent mij niet. Dat is zeker vreemd genoeg. â Mijn naam is Rosa Brons; maar een huwelijk met den
255
TOONEELSPELEBS.
man, dien ik trouw was van mijn jonkheid af aan, zal dien spoedig doen veranderen. Toen ik in 't gezelschap van het meisje, dat nüin dit huis zoo ernstig ziek moet liggen, op uw gastvrijheid rekende, toen werden wij niet door u ontvangen; en â in een nevenwoning gelogeerd. Ik was tevreden: Actrices, die u geheel onbekend waren, mochten misschien niets beters verwachten; ja zelfs, u had het recht gehad om ons een onderkomen te weigeren. Maar, recht had u niet mevrouw, om aan uw dienstboden te verkondigen dat wij zedelooze vrouwen waren, wezens, die zich in 't slijk wentelen, dag en nacht; recht had u niet om hun te zeggen dat u met zulke schaamteloozen niet onder 'tzelfde dak wilde rusten maar ze in Godsnaam in het tuinmanshuis deed logeeren, omdat â u zelfs geen hond zou laten doodvriezen mevrouw!quot;
't Was de oude dame alsof haar een slag in het aangezicht getroffen had. Zij is zeer bleek geworden, doch haar waardigheid en kalmte verliest zij niet nu zij antwoordt:
âAls u van recht spreekt---- juffrouw, dan geloof ik dat u
allerminst het recht hebt om iemand van mijne jaren te beleedigen.
Zulke woorden heb ik nooit gesproken----quot;
âZe moeten in uw hart zijn geweest, mevrouw. U had er niet op gerekend dat het tuinmanshuis een scherpe tong had. De tong zou zeker niet uit uw naam, en zonder dat zij wist dat eene van ons het hooren kon, zooveel venijn over ons hebben uitgespuwd, indien de bron er van niet in het heerenhuis ware te vinden geweest; indien----quot;
Rosa Brons houdt eensklaps op.
De waarheid der laatste woorden had de oude dame nog sterker getroffen, dan de eerste onverhoedsche aanval, waaraan ze heeft blootgestaan.
Rosa ziet haar zenuwachtig trillen, en met de hand een steunpunt op de tafel zoeken.
Snel bewogen, en getroffen door de ontsteltenis, die zij nu eerst op dat edel gelaat heeft bemerkt, herneemt ze gejaagd, op gevoe-ligen toon:
âVergeef mij, vergeef mij mevrouw! Ik wil u niet krenken: maar toen ik uw naam hoorde, toen sprak de stem van mijn bloed. â Op dien avond moest ik een verwijt hooren, dat mij in de laatste dagen gedurig als een dolk in de borst stak. â Ik heb een kind, een engel moeten verliezen. Wanneer ik nü bitter en grievend geweest ben, dan was het om zijnentwil. Ik had hem lief zooals een trouwe moeder haar kinderen liefheeft; en de nijdige tong heeft
256
TOOSr.ELSrELKRS.
gelasterd: dat ik mijn lieve kinderen.... Neen, neen, het is te IJselijk, en â God weet dat liet een leugen was!quot;
Er volgt een oogenblik stilte. Mevrouw Van Oudenolm ziet tranen in het oog dier moeder. Zij wil spreken, doch Rosa herneemt;
âDo groote wereld reist voor genoegen, en laat zijne kinderen aan dienstboden achter. Als de actrice tot reizen wordt gedwongen, dan kan zij hare kinderen toch niet met zich nemen. Mijn lievelingen waren altijd wel verzorgd, dat verzeker ik u! En nu, terwijl ik u zeg dat ik rouw draag over mijn kind, moet u het weten er bij, dat ik den naam van trouwe moeder nooit onwaardig ben geweest, en dat, zoo God mijn jongen gespaard had, ik zeker een man van hem zou hebben gemaakt, niet minder edel en goed dan de zoon is, dien ü hebt grootgebracht, mevrouw.quot;
Weer is het een oogenblik stil. De tranen, die Rosa bij de laatste woorden overvloedig langs de wangen vloeiden, hebben bij de oude dame den pijnlijken indruk van het straks door Rosa gesprokene, schier uitgewischt, ja zelfs werd de tooneelspeelster voor een wijle in haar oog geheel door die treurende moeder verdrongen.
âJuffrouw Brons,quot; zegt de oudere dame bewogen: ,'t is zeer lang geleden dat ik aan 't ziekbed van mijn kind zat; wat ik toen heb geleden vergeet ik nooit. Ik mocht mijn zoon behouden, maar gevoel steeds diep wat het zeggen moet een geliefd kind te verliezen.quot;
âNeen neen, wie behouden heeft, weet niet wat het zegt te verliezen,quot; valt Rosa in: âMaar, dan zult u 't wel gevoelen mevrouw, als ik u zeg: dat de opvoeding van uw zoon van der jeugd af aan door u is verwaarloosd, en dat hij tot een schurk door u werd grootgebracht. â O, ik zie het,quot; vervolgt de actrice snel: âzoo'n laster wordt aanstonds door u gevoeld, en u zult dus begrijpen, wat uw hardvochtig oordeel mij heeft doen lijden.quot;
Rosa's plotseling teruggekeerde heftigheid, maar vooral de ongepaste woorden die â hoe ras ook weersproken, de oude moeder zoo ruw moesten treffen, ze hebben mevrouw Van Oudenolms medelijden voor een goed deel getemperd.
De moeder, die haar kind verloor, moge bedroefd zijn, 't is hier blijkbaar dat die droefheid wordt dienstbaar gemaakt aan het koelen van een ouden wrok.
257
Indien mevrouw Van Oudenolm zich niet levendig het dool van haar komst in deze woning had herinnerd, zeer begeerig om nu vooral zoo spoedig mogelijk tot dat doel te geraken, ze zou met een beleefd doch beslissend woord, dit kwetsend onderhoud hebben afgebroken; nu echter, bij 't leedgevoel over haar onrecht tegenover
17
nr.
man, dien ik trouw was van mijn jonkheid af aan, zal dien spoedig doen veranderen. Toen ik in 't gezelschap van het meisje, dat mi in dit huis zoo ernstig ziek moet liggen, op uw gastvrijheid rekende, toen werden wij niet door u ontvangen; en â in een nevenwoning gelogeerd. Ik was tevreden: Actrices, die u geheel onbekend waren, mochten misschien niets beters verwachten; ja zelfs, u had het recht gehad om ons een onderkomen te weigeren. Maar, recht had u niet mevrouw, om aan uw dienstboden te verkondigen dat wij zedelooze vrouwen waren, wezens, die zich in 't slijk wentelen, dag en nacht; recht had u niet om hun te zeggen dat u met zulke schaamteloozen niet onder 'tzelfde dak wilde rusten maar ze in Godsnaam in het tuinmanshuis deed logeeren, omdat â u zelfs geen hond zou laten doodvriezen mevrouw!quot;
't Was de oude dame alsof haar een slag in het aangezicht getroffen had. Zij is zeer bleek geworden, doch haar waardigheid en kalmte verliest zij niet nu zij antwoordt:
âAls u van recht spreekt.... juffrouw, dan geloof ik dat u allerminst het recht hebt om iemand van mijne jaren te beleedigen.
Zulke woorden heb ik nooit gesproken----quot;
âZe moeten in uw hart zijn geweest, mevrouw. U had er niet op gerekend dat het tuinmanshuis een scherpe tong had. De tong zou zeker niet uit uw naam, en zonder dat zij wist dat eene van ons het hooren kon, zooveel venijn over ons hebben uitgespuwd, indien de bron er van niet in het heerenhuis ware te vinden geweest; indien----quot;
Rosa Brons houdt eensklaps op.
De waarheid der laatste woorden had de oude dame nog sterker getroffen, dan de eerste onverhoedsche aanval, waaraan ze heeft blootgestaan.
Rosa ziet haar zenuwachtig trillen, en met de hand een steunpunt op de tafel zoeken.
Snel bewogen, en getroffen door de ontsteltenis, die zij nu eerst op dat edel gelaat heeft bemerkt, herneemt ze gejaagd, op gevoe-ligen toon:
âVergeef mij, vergeef mij mevrouw! Ik wil u niet krenken: maar toen ik uw naam hoorde, toen sprak de stem van mijn bloed. â Op dien avond moest ik een verwijt hooren, dat mij in de laatste dagen gedurig als een dolk in de borst stak. â Ik heb een kind, een engel moeten verliezen. Wanneer ik nü bitter en grievend geweest ben, dan was het om zijnentwil. Ik had hem lief zooals een trouwe moeder haar kinderen liefheeft; en de nijdige tong heeft
TOO^EELSPELKRS.
gelasierd; dat ik mijn liove kinderen.... Neen, neen, het is te ijselijk, en â God weet dat het een leugen was!quot;
Er volgt een oogenblik stilte. Mevrouw Van Oudenolm ziet tranen in het oog dier moeder. Zij wil spreken, doch Rosa herneemt;
âDe groote wereld reist voor genoegen, en laat zijne kinderen aan dienstboden achter. Als de actrice tot reizen wordt gedwongen, dan kan zij hare kinderen toch niet met zich nemen. Mijn lievelingen waren altijd wel verzorgd, dat verzeker ik u! En nu, terwijl ik u zeg dat ik rouw draag over mijn kind, moet u het weten er bij, dat ik den naam van trouwe moeder nooit onwaardig ben geweest, en dat, zoo God mijn jongen gespaard had, ik zeker een man van hem zou hebben gemaakt, niet minder edel en goed dan de zoon is, dien li hebt grootgebracht, mevrouw.quot;
Weer is het een oogenblik stil. De tranen, die Rosa bij de laatste woorden overvloedig langs de wangen vloeiden, hebben bij de oude dame den pijnlijken indruk van het straks door Rosa gesprokene, schier uitgewischt, ja zelfs werd de tooneelspeelster voor een wijle in haar oog geheel door die treurende moeder verdrongen.
âJuffrouw Brons,quot; zegt de oudere dame bewogen: ,'t is zeer lang geleden dat ik aan 't ziekbed van mijn kind zat; wat ik toen heb geleden vergeet ik nooit. Ik mocht mijn zoon behouden, maar gevoel steeds diep wat het zeggen moet een geliefd kind te verliezen.quot;
âNeen neen, wie behouden heeft, weet niet wat het zegt te verliezen,quot; valt Rosa in: âMaar, dan zult u 't wel gevoelen mevrouw, als ik u zeg: dat de opvoeding van uw zoon van der jeugd af aan door u is verwaarloosd, en dat hij tot een schurk door u werd grootgebracht. â O, ik zie het,quot; vervolgt de actrice snel: âzoo'n laster wordt aanstonds door u gevoeld, en u zult dus begrijpen, wat uw hardvochtig oordeel mij heeft doen lijden.quot;
Rosa's plotseling teruggekeerde heftigheid, maar vooral de ongepaste woorden die â hoe ras ook weersproken, de oude moeder zoo ruw moesten treffen, ze hebben mevrouw Van Oudenolms medelijden voor een goed deel getemperd.
De moeder, die haar kind verloor, moge bedroefd zijn, 't is hier blijkbaar dat die droefheid wordt dienstbaar gemaakt aan het koelen van een ouden wrok.
Indien mevrouw Van Oudenolm zich niet levendig het doel van haar komst in deze woning had herinnerd, zeer begeerig om mi vooral zoo spoedig mogelijk tot dat doel te geraken, ze zou met een beleefd doch beslissend woord, dit kwetsend onderhoud hebben afgebroken; nu echter, bij 't leedgevoel over haar onrecht tegenover
ITT.
257
TOOSEELSPELEKS.
juffrouw Liademans nichtje,, tot een omzichtig oordeel gedrongen, zegt ze met waardigheid:
âUw proefneming op mijn gevoel schokte mij omdat we in onze kringen aan zulke â vergeef mij â tooneeleffecten niet gewoon zijn, juffrouw. Indien iemand van mijn stand en jaren u verzekert, dat eenige harde woorden omtrent de verwaarloozing uwer kinderen, haar nooit over de lippen zijn gekomen, en evenmin in haar hart konden zijn, omdat het bestaan van die kinderen haar zelfs onbekend was, dan moet u dit genoeg wezen. Ik herhaal u juffrouw, dat ik deel in uw smartelijk verlies, maar met verwijzing naar uw eigen woorden, moet ik u herinneren, dat ik mij ten uwen opzichte niets te verwijten heb. Voor hetgeen een nijdige tong u kan gezegd hebben, wensch ik niet aansprakelijk te worden gesteld. Uw toon en vormen mogen in uw wereld gewaardeerd worden, in onze kringen is men daaraan niet gewoon. Een verkeer in die kringen zou u â ook met het oog op de caricatuur, die er niet zelden van onzen stand op het to one el wordt gegeven â van groot nut kunnen zijn. â Wil mij verder excuseeren juffrouw.quot;
Terwijl de douairière zich bij de laatste woorden van Rosa afwendt, en naar de deur der ziekenkamer ziende, te kennen geeft dat nu slechts het doel van haar komst haar kan bezighouden, staat Rosa Brons met saamgeperste lippen een oogenblik besluiteloos. Hebben haar woorden die oude dame gekwetst, de laatste volzin door haar gesproken, heeft een zeer gevoelige snaar in de borst der tooneelspeelster doen trillen.
Neen, zij zelve vergat de reden van haar komst in deze woning niet. Zij verlangt er naar om het kmd aan wie zij zoo dikwijls in stilte haar vernedering en Caspers ontrouw heeft verweten, een zoen op het schuldeloos voorhoofd te drukken, 't Bericht; âGevaarlijk ziek!quot; door juffrouw Lindeman naar Amsterdam gezonden, heeft Rosa niet doen rusten eer zij van haar weergevonden vriend, 't verlof tot een vluchtig reizen naar Arnhem bekomen mocht. Baars had haar alles bekend â ten naastenbij alles â en toen Rosa vernomen heeft wat het reine schepseltje tot haar directeur heeft gezegd, toen, uit Caspers eigen mond. Flora's raad haar mocht treffen, de raad om toch tot haar terug te keeren, en haar en haar dierbare kinderen door zijn liefde gelukkig te maken, toen had de licht bewogen maar getrouwe Rosa bij zich zelve gezworen, datzij tot op haar sterfbed dat verongelijkt» meisje liefhebben en zegenen zou.
Nog eerst den vorigen dag was het stoffelijk overschot van Rosa's Fritsje aan do koude aarde toevertrouwd, maar dralen met haar
TOOKEBLSPELEKS.
reize wilde zij niet. Die woorden âgevaarlijk ziekquot; hadden een te schrillen klank; zij immers moest het ondervinden hoe ras de dood zijn prooi te bemachtigen weet. Neen, Rosa vergeet Flora niet; doch bij haar binnentreden 't allerminst op eene ontmoeting als deze bedacht, en door de laatste woorden der oude dame nogmaals op 't hevigst geprikkeld, weet haar snel ontvlambaar gemoed zich niet te bedwingen. Op een gewonde plek moet zij den vinger drukken. Zwijgen, zou laag â 't zou lafheid zijn.
't Is mooi! waarachtig!quot; zegt ze met pijnlijken spot: âU excuseert je mevrouw! Met iemand, die uw toon en uw vormen mist, wil u liefst niet meer spreken; en toch u wenscht ons in uw kringen om er uw goeden toon te leeren, om er de vormen van uw wereld te bespieden, opdat we geen caricaturen.... Maar 't is belachelijk mevrouw! U noodigt, en sluit de deur; u wil opvoeden, en draait ons den rug toe!quot;
Dit is nu reeds de tweede maal dat de hooggeëerde gezaghebster van Den Driellaert, op zoo gevoelige wijze, een harde waarheid moest hooren. Nochtans zich even omwendende zegt ze beslist doch beleefd ;
â't Was eenvoudig mijn bedoeling: dat het dwaas is iets te willen voorstellen wat men niet kent. Dat ik ons onderhoud wenschte at te breken, 't had zijn oorzaak. Ik vreesde dat mijn zeer geringe
waardeering van---- uw stand, allicht tot een woordenwisseling
kon leiden, die voor u onaangenaam en in deze kamer ongepast zou zijn. Dat mijn laatste woorden uw gevoeligheid moesten opwekken, het bewijst dat ik juist zag, en het doet mij werkelijk leed u thans te moeten herinneren juffrouw, hoe uw stand het over de gansche wereld ervaart dat de reine wetten der samenleving nooit straffeloos worden geschonden.quot;
Op hare beurt was de actrice getroffen. Doch wat de douairière vergeten kon, dat vergat zij niet. Al moge zij zelve helaas, in jeugdige onwetendheid, en bij 't gemis aan goede leidslieden op haar glibberig pad, de wetten dier samenleving hebben geschonden, zij wil, zij duldt niet dat men den stand waartoe ze behoort, zal verachten om 'tgeen ook zij, doch niet uit slechtheid misdeed.
âDie hier ziek ligt, mevrouw,quot; zegt Rosa, terwijl de scherpte van haar woorden door den weemoed van haar toon wordt getemperd: âhet is een tooneelspeelster zooals ik; maar â indien ze te gelijk met mijn jongske gestorven was, dan voorzeker zou ze met dien engel zijn ten hemel gevaren. â Wanneer uw wereld ons uitstoot mevrouw, waarachtig de hemel doet het nog niet.quot;
209
TOONEELSPELERS.
Op dit oogenblik klinkt de schel der huisdeur opnieuw vrij luide.
Juffrouw Lindeman die, straks bij Floortje geroepen, het lieve ijlende kind slechts na herhaalde aanwending van hoofdkoelende middelen wat kalmer zag worden, heeft in de laatste oogenblikken stemmen in de voorkamer vernomen, en terwijl zij niet begrijpt wie er zich in 't gezelschap van de oude dame kan bevinden, vreest zij, bij 'tvrij duidelijk klinken van enkele woorden, dat Flora de stem der oude vrouw zal herkennen, waarom zij die dame zoo snel mogelijk tot heengaan zal trachten te bewegen. Zij zal het beleefd maar dringend verzoeken, met de verzekering dat zij haar gaarne later, als 'tnoodig mocht zijn, eens zal te woord staan. De schel, die zij nu mede vernomen heeft, doet haar den tred verhaasten, want het gegeven bevel om geen vreemden meer boven te laten, schijnt door het dienstmeisje zeer slecht te zijn opgevolgd.
âIs mevrouw nog hier?quot; zegt Willem, de huisknecht van Den Driellaert, tot de kleine dienstbode van juffrouw Lindeman.
âDe oude dame? Ja wel;quot; zegt het kind, terwijl zij iets van de eer op zich voelt afstralen dat zoo'n blinkend rijtuig met zulke mooi opgetuigde paarden, hier bij de juffrouw waar zij dient op volk wacht.
âWil je mevrouw dadelijk roepen?quot;
âDadelijk? Hé, heb je zoo'n haast? Blijf nog een beetje; ik zie jelui graag.quot;
De gansch onschuldige verzekering van het niet onaardige meisje zou den huisknecht voorzeker tot een kwinkslag hebben verleid, indien hij niet werkelijk zoo'n haast had gehad. Met gefronste wenkbrauwen. en op krachtigen toon herhaalt hij zijn verzoek.
âEen beetje gauw asjeblieft. Zeg maar dat de paarden niet willen stilstaan.quot;
Het duurde Willem te lang. Reeds driemaal heeft hij naar de bovenramen gezien. Nu loopt hij de trap op.
Boven op hot portaaltje is het tamelijk donker, doch, links hoort hij stemmen, en â klopt er op de deur.
Juffrouw Lindeman, die juist op haar voorkamer was gekomen, om er bij de oude dame, de actrice te vinden, die haar uit Flora's brieven bekend maar toch eigenlijk onbekend is, gaat nu haastig naar de portaaldeur; ziet om den hoek en vraagt aan den knecht: wat er van zijn dienst is.
âIk heb mevrouw laten roepen,quot; antwoordt Willem : âzeg asjeblieft, of mevrouw dadelijk komen wil?quot;
Mevrouw Van Oudenolm weet wel dat de paarden bij het afrijden
2G0
TOOXEELSPELEHS.
«aar buiten, in den regel wat lastig zijn, maar dat drijven van den huisknecht is ongepast. Zij moet nog met twee woorden Flora's tante, zonder getuigen, zeggen wat zij op 't hart heeft, al kan zij de zieke dan ook zelve niet ontmoeten. Juffrouw Lindeman, bij de deur ter zij tredende, verzoekt ze haar, even te mogen voorbijgaan; en zegt dan op het portaal gekomen, tot den huisknecht dat zijn haasten ongepast is, en dat men, als de paarden volstrekt niet willen stilstaan, nog maar even een straat moet omrijden.
âMaar Mevrouw, maar.... dat kan, dat mag niet.quot;
âDat kan, dat mag niet? Wat scheelt er aan Willem?quot;
Willem kan zich bij 't zien van zijn oude meesteres bijna niet goedhouden:
âWat er aan scheelt, wat er aan scheelt!? Niets mevrouw, niemendal.quot;
âEn je beeft, je trilt? Er is toch niets met den jongeheer gebeurd?quot;
âNeen, neen, maar â ach God ik ben zoo geschrikt, mevrouw.... Fout! de heeleboel fout! Bij 'tkantoor stond een agent, en 'tliep er storm met allerlei heeren. Gisteravond moet mijnheers compagnon te Rotterdam al scheep zijn gegaan, en quot;t zeggen was dat mijnheer zelf al lang naar Amerika was. Och God, ik en Arie we waren er kapot van Mevrouw. D'r was een oploop van geweld, en ze zeiën: maak jelui maar dat je wegkomt. Kom mevrouw, kom; zelfs 't stomme vee wil niet meer wachten.quot;
Op het tamelijk donkere portaal is de indruk van zijn verpletterend bericht voor den verslagen dienaar zoogoed als verborgen gebleven. Hij meent dat de oude mevrouw terstond aan zijn dringend verzoek zal voldoen, en snelt haar vooruit, in aller ijl de trap af.
Doch de grijze moeder staat er onbeweeglijk.
't Is haar alsof daar iemand in een afgrond stort, en z ij hem moet grijpen, doch niet bij machte is om een lid te verroeren.
't Is haar alsof zij droomt, maar met het bewustzijn zich goed te moeten houden.
Een oogenblik later vertoont zich de fiere gestalte der oude dame aan 't oog der beide vrouwen, die wel begrepen hebben dat de knecht haar een slechte tijding bracht, doch binnen de kamer zijn zacht gesproken woorden niet konden verstaan. En, zij wil spreken, doch de pijnlijk saamgeperste lippen weigeren haar dienst; de oogen dei-oude moeder blijven met starren blik op het rouwkleed dier jongere gevestigd. Witter dan haar zilveren lokken is de kleur van haar gelaat, en als zij met de trillende hand nog vluchtig een steun schijnt
201
2fi2 TOONEELSFELERS.
te zoeken om haar wilskracht te schragen, dan komt de Natuur haar liefderijker te hulp, want, voor een wijle mag zij 't vergoten dat ook zij haar kind â haar steun, haar trots, zoo gruwzaam verloren heeft.
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
FEL BEWOGEN.
De eerste boekhouder van het steeds zoo geaccrediteerde huis Van Oudenolm amp; C0. heeft, sedert het bekend worden van de ontzettende gebeurtenis, een post, die voor zijn krachten schier te zwaar is. De inlichtingen, die hij telkens weder aan het jagend en opgewonden publiek had te geven, hebben hem gedurig aan de grie-vendste woorden blootgesteld, te grievender dewijl het zelfverwijt zich telkens deed hooren, dat hij â sinds lang voor die uitkomst bevreesd â had behooren te spreken terwijl hij het zwijgen plicht heeft geacht.
Zoo even had hij de zwaarste taak: Tegenover den eenigen zoon van den vroeger zoo hoog geëerden chef, heeft hij de waarheid van het hem toegezonden bericht moeten gestanddoen, en nog zoo droevig moeten verzwaren er bij. â Doch was het noodzakelijk dat de krachtige jongeling de waarheid in haar volle uitgestrektheid vernam, den minderjarige, die nog niet als deelhebber in de zaak was opgetreden, heeft hij den ernstigen raad mogen geven, om bij den verderen loop der zaken, zich stil en geheel onzijdig te houden; maar tevens, om met inspanning van alle krachten den slag voor zijn dierbare grootmoeder zoo draaglijk te maken, als hem zou mogelijk zijn.
Een namelooze schier woeste smart heeft Archibald overweldigd toen hij, in 't volle besef van den vreeselijken jammer, vernemen moest dat men zijn grootmoeder in de stad heeft gezien, en dat hij zich nu aanstonds naar de woning moet spoeden waar, volgens een pas ingewonnen bericht, het rijtuig haar wachtende is.
âZij hier? Zij!! En ik moet haar zeggen....? Neen, om Godswil,quot; heeft Archibald schier wanhopig geroepen: âik kan, ik wil haar het hart niet verscheuren.quot;
TOOSEELSFELERS.
âWees man, mijnheer Archibald,quot; heeft de grijze dienaar trouwhartig vermaand: âNu mevrouw haar zoon mist, moet de kleinzoon haar beschermen, 't allereerst tegen het doodelijke van een onvoor-bereiden slag, en voorts â wie weet â tegen het ruwe geweld van een bedrogen publiek.quot;
â Het ruwe geweld van een bedrogen publiek! Ofschoon de oude boekhouder het voorzeker niet bedoeld had, die woorden hebben den jongen Van Oudenolm als een messteek getroffen. Maar tevens, in 't zelfde oogenblik mocht hij beseffen dat iedere seconde, die hij dralend toeft, zijn grootmoeder aan dat ruwe geweld kan prijsgeven.
Door de achterdeur van het kantoor spoedt hij zich naar buiten. De muren der nauwe steeg dreigen hem te verpletteren; de straat-steenen springen tegen hem op; de menschen die hij straks in de breedere straat voorbijjaagt, en waarvan zelfs geen enkele den nog weinig bekenden jonkman opmerkt, hij meent dat ze hem in den weg zullen treden, en zijn vader verwenschen.
Bij de woning van juffrouw Lindeman, waarheen hij zich begeven moest, ziet hij inderdaad het rijtuig. Een groepje volk heeft er zich verzameld. Arie en Willem hebben er reeds meer gehoord dan ze verdragen kunnen.
Een scherpe woordenwisseling van den Lok met een belhamel uit de groep, treft bij 't naderen Archibalds oor.
âDe arme duivel, die een turf steelt om zich te warmen, wordt in 't spinhuis gezet, maar dieven van tonnen gouds, ze rijden in koetsen!quot;
Archibald siddert. Of hij recht heeft om dien ellendeling den mond te snoeren; hij denkt er niet aan. Zijn tanden knarsen; zijn hand wringt zich ten moker.... Doch, als een lichtstraal komt het hem eensklaps voor den geest, dat hij de oude moeder 't allerminst tegen 't ruwe geweld zal beschermen, door zich te verlagen meteen. â Dat volk moet van hier! â Archibald beheerscht zich. De trillende vuist spitst hij in de richting vanwaar hij gekomen is:
âAangeplakt op 't stadhuis! Bij de schipbrug gevonden!quot; roept hij, en, wat geen diendersstok zou hebben bewerkt, dat vermag het even snel gedacht als gesproken woord: Ternauwernood heeft men 't vernomen of men tuurt in de aangewezen richting, en, tuk op avontuur, is de straatgroep al spoedig verdwenen.
Binnen juffrouw Lindemans woonkamer heeft de vrees dat de plotseling toegebrachte slag den noodlottigsten invloed op het anders zoo krachtig gestel der grijze moeder heeft uitgeoefend, al spoedig
263
ÃOOKEELSPELEBS.
voor do zekerheid mogen wijken, dat slechts een tijdelijke geest-verdooving hare krachten verlamd had.
Op een rustbank gelegd, heeft zij, slechts weinige minuten later, de oogen geopend.
Na een oogenblik starens, waarbij het verpletterend bericht haar weer met volle klaarheid voor den geest was getreden, is haar oog op de vrouw blijven rusten, die nevens haar en bij den stoel staat, waarop zich eenige voorwerpen bevinden, waarmee zij haar levensgeesten had opgewekt.
Rosa Brons ziet de marmerkleur van dat aangezicht wijken, 't Schijnt zelfs dat het bloed met kracht zijn loop hervat en die wangen kleurt.
Een oogenblik ziet de oude dame weer voor zich, en bedekt met beide handen het gelaat; maar, dan richt ze zich overeind, en terwijl haar voet reeds den grond raakt, zegt zij met eenigszins heesche stem:
âIk dank u, mevrouw. Een vreemd bericht, iets.... dat niet waar kan wezen, deed mij zeer ontstellen, 't Heeft u veel moeite veroorzaakt. Nu ben ik beter, heeiemaal beter. â Als ik u griefde, geloof mij.....quot;
âOch, ga niet verder, mevrouw,quot; valt Rosa in, die bemerkt hoeveel moeite het spreken die oude zeer geschokte dame kost, en gevoelt hoe het bewustzijn van zich tegenover haar te moeten verontschuldigen, haar lijden in deze oogenblikken verzwaart: âAls u mij werkelijk in smart of leed had gezien, ik weet immers wel dat u mij dan evenzeer behulpzaam zou geweest zijn.quot;
Rosa wist niet dat zij die oude dame, als met een tooverslag, het bleek en lijdend gezichtje van Flora gedurende een lange reize voor den geest heeft gebracht. Nu zij haar het hoofd ziet afwenden, vervolgt zij snel: âJa, dat weet ik zeker, mevrouw. En als u bij de ontsteltenis, die God geve dat u zonder grond werd veroorzaakt, er nog aan denkt om u jegens mij te verontschuldigen, weet dan.....quot;
Rosa hield op. Zij meende bij de portaaldeur, die op een kier stond, eenig gerucht te hebben vernomen, 't Bleef echter stil en zij hernam; âweet dan, mevrouw, dat ik aan een lid uwer familie den grootsten dank ben verschuldigd. Uw kleinzoon heeft mijn oog als kunstenares voor de waarheid geopend. Bij onze laatste voorstelling in deze stad, moet hij hot geweest zijn, die een artikel schreef, 't welk mij in den aanvang met haat en wrevel vervulde, maar toch vasthield, altijd vaster. De harde an scherpe woorden,
TOONEELSPELEKS.
(
die het over mijne feilen bevatte, ze gaven beteekenis en ki al het goede, waarvan hij mede gewaagd had. Dat hij dat goede niet voorbijzag, het werd de triumf van zijn werk; eu ik zweer u mevrouw, als studie en werkzaamheid bij 't leed dat ons treft de beste heelmeesters zijn, dan heeft uw kleinzoon mij meer gegeven, dan ik ooit van u kon verwachten, namelijk den lust en den moed om voortaan in een betere richting mijn moeielijk kunstpad te betreden. U ziet het mevrouw, dat ik u wel degelijk dank ben verschuldigd: 't Was uw kleinzoon die mij den weg wees.quot;
Ofschoon mevrouw Van Oudenolm werkelijk de hand heeft aangenomen, die Eosa haar zonder aarzelen heeft toegereikt, zij heeft â geheel vervuld met die eene, alles overweldigende gedachte, Rosa's woorden ternauwernood gehoord en volstrekt niet begrepen.
Maar, al was er ook niemand anders in het vertrek â dewijl juffrouw Lindeman straks opnieuw in aller ijl naar Flora is moeten terugkeeren, â de luid gesproken woorden der actrice zijn wel degelijk gehoord en begrepen. Ze hebben den bleeken Martin, die zoo even wilde binnengaan, doch bij 't vernemen van eeu vreemde stem ijlings is teruggetreden, het hart doen bonzen alsof 't een hamer was.
Na het eindigen van de voormiddagschool, onbekend met het bankroet der firma Van Oudenolm, waarvan de mare zich sinds een paar uren als een loopend vuur door de stad verspreidt, en, slechts met Flora vervuld, heeft hij zich naar tantes woning gespoed. Op het rijtuig, 't welk meer voor den naasten winkel dan voor de deur van het bovenhuis stond, heeft hij geen acht geslagen, en 't gebeurde niet zelden dat hij, zooals nu de deur ongesloten vindt. Om van haar, die hij liefheeft in 't diepst van zijn ziel, als het zijn mocht, goed nieuws te vernemen, is hij naar boven gesneld; en nu, 't is hem alsof hij het prachtigst natuurtafereel geniet, maar op den rand van een toren geplaatst, duizelt en siddert bij 't aanschouwen.
En wat hij gevoelde, 't is bijna hetzelfde als toen hij Flora's spel heeft gezien, maar 't genot hem te machtig is geworden; toen hij in duizend angsten verkeerde dat men op hem wijzen en zeggen zou: Daar staat hij, de arme bloode schoolmeester; hij is de man die haar onderwees; die haar boeken gaf; die in haar ontvankelijk gemoed zaden strooide, waarvan de vruchten nu reeds zoo schoon zijn.
â Goddank, Goddank! zegt Martin onhoorbaar: Zij weten niet dat het van mij was.
Doch, als nu in 't zelfde oogenblik zeer duidelijk de naam van den jonkman wordt genoemd aan wien Rosa Brons dat levenwekkend
Tooneelspeleus.
voor de zekerheid mogen wijken, dat slechts een tijdelijke geest-verdooving hare krachten verlamd had.
Op een rustbank gelegd, heeft zij, slechts weinige minuten later, de oogen geopend.
Na een oogenblik starens, waarbij het verpletterend bericht haar weer met volle klaarheid voor den geest was getreden, is haar oog op de vrouw blijven rusten, die nevens haar en bij den stoel staat, waarop zich eenige voorwerpen bevinden, waarmee zij haar levensgeesten had opgewekt.
Rosa Brons ziet de marmerkleur van dat aangezicht wijken, 't Schijnt zelfs dat het bloed met kracht zijn loop hervat en die wangen kleurt.
Een oogenblik ziet de oude dame weer voor zich, en bedekt met beide handen het gelaat; maar, dan richt ze zich overeind, en terwijl haar voet reeds den grond raakt, zegt zij met eenigszins heesche stem:
âIk dank u, mevrouw. Een vreemd bericht, iets ... dat niet waar kan wezen, deed mij zeer ontstellen, 't Heeft u veel moeite veroorzaakt. Nu ben ik beter, heelemaal beter. â Als ik u griefde, geloof mij.....quot;
âOch, ga niet verder, mevrouw,quot; valt Rosa in, die bemerkt hoeveel moeite het spreken die oude zeer geschokte dame kost, en gevoelt hoe het bewustzijn van zich tegenover hiiar te moeten verontschuldigen, haar lijden in deze oogenblikken verzwaart: âAls n mij werkelijk in smart of leed had gezien, ik weet immers wel dat u mij dan evenzeer behulpzaam zou geweest zijn.quot;
Rosa wist niet dat zij die oude d.ame, als met een tooverslag, het bleek en lijdend gezichtje van Flora gedurende een lange reize voor den geest heeft gebracht. Nu zij haar het hoofd ziet afwenden, vervolgt zij snel: âJa, dat weet ik zeker, mevrouw. En als u bij de ontsteltenis, die God geve dat u zonder grond werd veroorzaakt, er nog aan denkt om u jegens mij te verontschuldigen, weet dan.....quot;
Rosa hield op. Zij meende bij de portaaldeur, die op een kier stond, eenig gerucht te hebben vernomen, 't Bleef echter stil en zij hernam: âweet dan, mevrouw, dat ik aan een lid uwer familie den grootsten dank ben verschuldigd. Uw kleinzoon heeft mijn oog als kunstenares voor de waarheid geopend. Bij onze laatste voorstelling in deze stad, moet hij het geweest zijn, die een artikel schreef, 't welk mij in den aanvang met haat en wrevel vervulde, maar toch vasthield, altijd vaster. De harde an scherpe woorden.
204
I
TOONEELSPELEKS.
die het over mijne feilen bevatte, ze gaven beteekenis en kracht aan al het goede, waarvan hij mede gewaagd had. Dat hij dat goede niet voorbijzag, het werd de triumf van zijn werk; en ik zweer u mevrouw, als studie en werkzaamheid bij 't leed dat ons treft de beste heelmeesters zijn, dan heeft uw kleinzoon mij meer gegeven, dan ik ooit van u kon verwachten, namelijk den lust en den moed om voortaan in een betere richting mijn moeielijk kunstpad te betreden. U ziet het mevrouw, dat ik u wel degelijk dank ben verschuldigd; 't Was uw kleinzoon die mij den weg wees.quot;
Ofschoon mevrouw Van Oudenolm werkelijk de hand heeft aangenomen, die Rosa haar zonder aarzelen heeft toegereikt, zij heeft â geheel vervuld met die eene, alles overweldigende gedachte, Rosa's woorden ternauwernood gehoord en volstrekt niet begrepen.
Maar, al was er ook niemand anders in het vertrek â dewijl juffrouw Lindeman straks opnieuw in aller ijl naar Flora is moeten terugkeeren, â de luid gesproken woorden der actrice zijn wel degelijk gehoord en begrepen. Ze hebben den bleeken Martin, die zoo even wilde binnengaan, doch bij 't vernemen van een vreemde stem ijlings is teruggetreden, het hart doen bonzen alsof 't een hamer was.
Na het eindigen van de voormiddagschool, onbekend met het bankroet der firma Van Oudenolm, waarvan de mare zich sinds een paar uren als een loopend vuur door de stad verspreidt, en, slechts met Flora vervuld, heeft hij zich naar tantes woning gespoed. Op het rijtuig, 't welk meer voor den naasten winkel dan voor de deur van het bovenhuis stond, heeft hij geen acht geslagen, en 't gebeurde niet zelden dat hij, zooals nu de deur ongesloten vindt. Om van haar, die hij liefheeft in 't diepst van zijn ziel, als het zijn mocht, goed nieuws te vernemen, is hij naar boven gesneld; en nu, 't is hem alsof hij het prachtigst natuurtafereel geniet, maar op den rand van een toren geplaatst, duizelt en siddert bij 't aanschouwen.
En wat hij gevoelde, 't is bijna hetzelfde als toen hij Flora's spel heeft gezien, maar 't genot hem te machtig is geworden; toen hij in duizend angsten verkeerde dat men op hem wijzen en zeggen zou: Daar staat hij, de arme bloode schoolmeester; hij is de man die haar onderwees; die haar boeken gaf; die in haar ontvankelijk gemoed zaden strooide, waarvan de vruchten nu reeds zoo schoon zijn.
â Goddank, Goddank! zegt Martin onhoorbaar: Zij weten niet dat het van mij was.
Doch, als nu in 't zelfde oogenblik zeer duidelijk do naam van den jonkman wordt genoemd aan wien Rosa Brons dat levenwekkend
265
TOONEELSPEUSKS.
woord heeft toegeschreven, dan, o, dan is het den armen Martin ala werd hem dat bonzende hart uit het lichaam gerukt. â O God, die angst, die vreeselijke angst van zoovele weken! Zou het mogelijk zijn!? Wanneer de naam van dien gevreesden jonkman zoo in het hart dier tooneelwereld leeft, dan moet ook Flora den bankierszoon voor den schrijver van dat artikel hebben gehouden; dan dankt zij hem alles wat er, 't zij vroeger of later, uit deze stad schoons en goeds van haar is gezegd; dan waren die woorden â te overvloeiend van 't geen er schuilde in Martins boezem â in hare schatting ook van den jonkman, van wien men voor lang heeft gefluisterd dat hij 't lieve kind op een dwaalspoor had trachten te voeren. En nu, o barmhartige God, dat plotseling terugkeeren van den engel zijner droomen; haar vreemde ziekte, die wel een zielsziekte moet zijn; maar thans nog bovendien en 't allermeest de zekerheid dat de grootmoeder van dien jonkman zich hier in tantes woning, in Flora's nabijheid bevindt....!
â O Vader in den hemel, bonst het in 't hart van den jeugdigen leidsman van Flora's kinderjaren; indien het toch waar was dat zij struikelen, dat zij.... vallen kon!
Het vreeselijk spooksel, 't welk den armen vriend reeds zoolang had vervolgd, en zich nu plotseling in reuzengestalte aan zijn geest vertoont, het grimmig spooksel, dat eensklaps den zaligen indruk van het eerst gehoorde, over den invloed van ziju pen, geheel vernietigt, het houdt hem met ijzeren vuist omklemd, terwijl het angstzweet hem op het bleeke aangezicht parelt. Maar neen, het mag, het kan niet waar zijn. En toch het duizelt hem voor de schemerende oogen.
â Maar groote God, zie, zie, is dan plotseling de nijdige schim, een wezen van vleesch en bloed geworden? â Daar komt hij de trap op; daar nadert hij met snellen tred; hij vat hem bij den arm:
âZeg mij,quot; klinkt het op doffen toon: âis zij hier; daar in die kamer; mijne grootmoeder, mevrouw Van Oudenolm?quot;
Martin weet niet wat hij geantwoord en wat hij gedaan heeft. Maar een oogenblik later, staat hij met het bonzende hoofd als tegen den muur genageld; en al hangen zijn armen bij het zwakke lichaam gansch machteloos neer, en al heeft zijn toegeschroefde keel zelfs geen kracht om een zucht te slaken; dreigend verheft hij de hand; en zijn eigen ooren suizen van 't snerpend woord, waarmee hij dien rijken jongeling ter verantwoording roept, en hem, bij 't sidderend verbleeken, toedondert, dat het leven van een Engel,
2G6
T00KEELSPE1EES.
door hem verwoest, dat een schuldeloos reine ziel door hem vermoord werd.
Heeft het Archibald pijnlijk verrast dat zijne grootmoeder zich in de stad bevond, en niet minder verbaasd dat hij haar in de woning van juffrouw Lindeman moest zoeken, ongetwijfeld zou in gewone omstandigheden zijn verbazing tot den hoogsten trap zijn geklommen, wanneer hij er, zooals nu, die grootmoeder in 't gezelschap der tooneelspeelster Rosa Brons had aangetroffen, ja zelfs, op 't oogen-blik dat deze haar de hand drukt.
Nu echter is er niets in staat om Archibalds bevreemding te wekken. Slechts ééne gedachte vervult hem; hij moet zich goed-houden; hij moet eene rol spelen, een vreeselijke rol. Ongedwongen moet hij haar toespreken. Aan zijn gelaat, aan zijne houding, aan niets mag zij bemerken, op welk een ontzettenden slag hij haar straks van stap tot stap zal moeten voorbereiden.
Met een vluchtigen groet tot de dame in rouwgewaad, die hij wel aanstonds herkent, doch nü liefst als een vreemde beschouwt, zegt hij, nadat mevrouw Van Oudenolm zijn naam met een mengeling van verbazing en fel bestreden smart heeft genoemd:
âHet verwondert u mij hier te zien, grootma; maar er kwam bezoek op Den Driellaert. â Omdat een der arbeiders u door den tol had zien rijden, begreep ik dat u naar stad waart gegaan, en besloot u er aanstonds te gaan opzoeken.quot;
â Hij vernam het nog niet, denkt de grootmoeder: zijn toon en houding bewijzen dat het arme kind niet vermoedt wat er omgaat in mijn verscheurde ziel.
âEen bezoeker? Wie is het Archibald?quot;
âWie? â Een oude kennis moest ik maar zeggen. â Als u klaar bent, grootma?quot;
âWanneer er zoon haast is dan verwondert het mij dat die kennis niet mee is gekomen.quot;
âDe vrees van u weer mis te loopen. â Gelukkig dat ik liet rijtuig juist in deze straat zag. Willem kan het wagentje, waarmee ik kwam, nu terugrijden. Ik ga met u. â Als u klaar bent?quot;
Ofschoon mevrouw Van Oudenolm er niet aan twijfelt dat het bezoek van dien ongenoemde in een nauw verband staat met hetgeen ze straks reeds vernemen moest, zij houdt zich hoe langer hoe meer overtuigd, dat Archibald er nog niets van vernam.
â God schenke mij kracht, ter wille van den armen jongen! zegt ze onhoorbaar; en snelt tot Rosa, bevreesd dat deze zich een woord over den schrik en zijn gevolgen zal laten ontvallen: âWil u zoo
267
TOONEELSPELEKS.
goed zijn mevrouw, mijn overhaast vertrek bij juffrouw Lindeman te ve.rontschuldigen, en haar met de beste wenschen voor haar nichtje te zeggen dat ik spoedig hoop terug te komen, om haar de meedeeling te doen, waartoe mij nu de gelegenheid heeft ontbroken.quot;
Met een groet, die Rosa, na 't geen zij gedaan en straks ook gesproken heeft, zeer koel moet voorkomen, gaat de oude dame nu haastig naar de deur, en zegt, op een toon, die getuigt dat zij haar veerkracht geheel zal weten te herwinnen: âKom Archibald, kom!quot;
Binnen het aangrenzend vertrek heeft Flora Reer.e, die den ganschen tijd zeer onrustig was geweest, zich eensklaps in haar ledikant overeind gericht. Haar oogen, glinsterende van koortsvuur, blijven strak op de deur der woonkamer gevestigd.
âWist ik het niet!quot; zegt ze met droevig schrille stem: âZij was er! Ja ik heb het gehoord! Kom, Archibald kom! heeft ze gezegd. â Ja ja, hij reed met mij moe, en luisterde naar 't bonzen van mijn hoofd; en toen is zij gekomen om hem te halen, want.... o zij gelooft het niet. Neen, neen! neen! zij gelooft het niet. â Hoor dan, kom Archibald, kom. O God, zij gelooft 'tniet, zij gelooft het niet.quot;
Tante Lindeman kan er niet in slagen om de arme lijderes tot kalmte te brengen. Weinige oogenblikken later glijdt er een angstkreet van Flora's lippen, en zinkt zij met het hoofd in het kussen terug.
Op den drempel der ziekenkamer stond Rosa Brons. Rosa's goed hart, en de reden, waarom zij zoo overhaast de reis heeft ondernomen, hebben haar vrijheid gegeven om zich den korten tijd, dien zij beschikbaar heeft, ten nutte te maken, en de arme Flora, wier luide klachten zij gehoord maar niet heeft begrepen, een liefderijk woord te gaan toespreken.
Doch de onverwachte verschijning dier vrouw in 't zwart, heeft Flora plotseling op 't levendigst getroffen. Zij heeft haar den man voor oogen gebracht, wiens onzalige blik haar sinds dien vreeselijken nacht gedurig met angst had vervuld.
Rosa treedt nader; doch ternauwernood klonk haar stem met de woorden: âFlora, herken je mij niet? Rosa Brons?quot; of de zieke schrikt weder op; dringt angstig naar de binnenzij van haar ledikant, en ijlt, dat men haar halen, en haar vermoorden wil:
âZie, daar staat hij,quot; kermt ze, wegkrimpende in doodsangst: âhij grijpt me; hij laat me niet los! Help! Is er dan niemand die 't gelooven wil! Heldera! Martin! Martin help! help! Weg! O God, help! help!quot;
Ofschoon hevig ontsteld, weet de goede tante haar kalmte te be-
268
TOOSKELSrULEKS.
waren. Onbekend met hetgeen Flora's ziekte heeft bewerkt, â of grootendeels bevorderd althans, en dat de vrees haar nu verontrust, als zou die vrouw aan haar de ontrouw van haar Casper komen verwijten â weet zij toch dat Floortje zich in haar brieven niet altijd op 't gunstigst over die eerste actrice heeft uitgelaten:
âIk bid u, laat ons alleen!quot; zegt zij dringend, terwijl zij Flora's brandend hoofd alweer te verkoelen tracht.
Rosa kan evenwel, met haar doel voor oogen, aan 't verzoek der tante geen gehoor geven; zij begrijpt wel wat Flora, in ijlkoorts, het kranke hoofdje vervult; en 'tgeen zij te zeggen heeft, 't zal haar immers weldadiger zijn dan het water, waarmee juffrouw Lindeman de angstig teruggeweken Flora nu vruchteloos te bereiken poogt.
Doch helaas! ternauwernood is Rosa snel het ledikant genaderd, en heeft ze met de liefderijkste bedoeling Flora's hand gegrepen, of een nog angstiger kreet dan daar even, snijdt er door de kamer; en terwijl het angstzweet op het bleeke gelaat der arme lijderes parelt, klinkt al luider en luider haar radeloos hulpgeschrei:
âHelp help! â Herman, Martin! help! help!quot;
De laatste kreet heeft het oor van den bleeken jonkman getroffen. Slechts luttele seconden later ligt hij voor 't bed van zijn Floortje. Zijn zachte, schuchter-meelijdende stem heeft haar eensklaps tot bedaren gebracht.
En â zijn magere hand houdt zo krampachtig oinklcmd.
En de adem van haar hijgend mondje treft zijn wang.
En haar losgewoelde zijden lokken glijden bij 't sneller boezem-jagen, langs de hand, waarmee hij 't wagen durfde haar bonzend hoofdje te ondersteunen.
â O God, dat ik nu sterven mocht! trilt het in 't hart van den armen vriend. En dan, als Flora zachtkens ijlende voortklaagt, dat men haar veracht en vermoordt, en dat men haar nooit zal ge-looven, dan zegt Martin, met moeite, en slechts voor de zieke verstaanbaar:
âOch Floortje, wat we ook misdreven.... als we het kwaad niet liefhebben, dan is hot hart toch rein. Dat moet je maardenken; en zie, dat weten en gelooven we ook allemaal.quot;
Ternauwernood heeft Martin deze woorden gesproken, of Flora's oogen vonken op, en zien hem aan met een blik, die den bleeken man eensklaps ontzet doet terugdeinzen.
Woest de beide handen omhoogheffende alsof ze zich aan't wreedst
209
TOONEEI.SPELEUS.
geweld te ontrukken poogt, suakt ze naar adem; en als nu de naam Martin! met een snik haar lippen ontvlucht, dan valt ze, gansch machteloos stijf, in haar kussen terug.
âDat is de koorts,quot; zegt tante Lindeman hoofdschuddend. En Martin, de arme ontstelde Martin zucht in stilte:
,0 God, ik heb haar te hevig getroffen.quot;
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN ACTBÃB DIE WÃL BBIEVEN KAN SCHRIJVEN.
Terwijl het rijtuig van Den Driellaertal spoedig, buiten de stad, in gestrekten draf zijn weg vervolgt, en grootmoeder en kleinzoon van weerszijden een pijnlijk stilzwijgen bewaren, beiden telkens het oogenblik verschuivende om â zij het ook met zachten vinger, de snaar aan te roeren, die maar al te spoedig zoo vreeselijk trillen zal; terwijl de oude moeder, geheel vervuld met dat ontzettend bericht, zelfs niet meer denkt aan de reden, die haar tot haar rit naar de stad heeft bewogen, en allerminst vermoedt dat het onafgedaan laten van haar schuld in juffrouw Lindemans woning, de noodlottigste gevolgen dreigt na zich te slepen; terwijl de zon, vriendelijk blinkende op den Rijnstroom van verre, op de groene velden met winterkoorn, en de boomen reeds in rossig waas, te spotten schijnt met het lijden der wereld: terwijl er droefheid is in zoo veler hart â staat Louise Van Raves lief gezichtje in een plooi, die met het vroolijk blinken der vroegere Lentezon volkomen in harmonie mag heeten.
Het zonnetje spelt haar een blijde toekomst:
Papa Van Rave heeft het dien morgen weer druk gehad; zeer druk. Twee âdiplomatieke brieven heeft hij geschreven.
De eene, aan den niets waard igen More, heeft kort kunnen zijn:
âMijnheer!
âDe ondergeteekende verbiedt u zijn huis.
âWanneer men de eer om de familie van wijle zijn Excellentie
270
TOOSEELSrELDBS.
den Generaal Van Rave te ontvangen, zóó hoog stelt, dat men die meer dan anderhalf uur op zich laat wachten, dan is men dezelve onwaardig. Omtrent de soliditeit van uw persoon, zijn mij bovendien door het terloops ontmoeten van een der bruiloftsgasten, zaken ter oore gekomen die bovengemeld meer als allesints wettigen.
âHet portret van wijle zijn Excellentie de Generaal, door mij vervaardigd, 'twelk ik UE. als vriend vereerde, wensch ik onmiddellijk terug te ontvangen, zullende in gebreke, tot maatregelen overgaan waaruit U de kracht van mijn wil zult gevoelen.
Van Rave van Harzatiie, Grondeigenaar.quot;
Hadden de beide in den brief genoemde redenen, den heer Van Rave tot een krassen maatregel genoopt, een derde onvermeld gebleven omstandigheid, heeft niet minder gewicht in de schaal gelegd: De hooge ingenomenheid, die More gedurig met de doodverven had betoond, heeft Van Rave één er van âmet spoed doen afmaken, om het zijn jeugdigen vriend met een vereerend schrijven als blijk van sympathie en waardeering, te kunnen toezenden.quot;
More, die na het ontvangen er van het âmisselijk vodquot; met schrijfinkt eenige retouches gegeven, en het toen in een rommelkast had geworpen â met het voornemen om zijn gast te verzekeren dat het reeds naar Amsterdam werd gezonden, â More heeft niet vermoed dat de generaalszoon, terwijl deze het geschenk zeker al in eene fraaie lijst aan den wand dacht te zien, bij 't missen er van, eens aan 't zoeken zou gaan, om in 't einde schier te stikken van woede over âzooveel eervergeten heiligschennis en valschheid van karakter.quot;
De tweede brief, dien mijnheer Van Rave zoo even in 't net had geschreven, stond met dien eersten in 't nauwste verband, en niet minder met het blijde lachje, 'twelk gedurig het lieve gezichtje van zijn dochter plooit.
Louises goede stiefmoeder had het gewaagd om in 't belang van âhaar oudste kindquot;, een stap te doen, die zoowel van haar moed als van haar zelfopofferende liefde getuigde:
Ofschoon haar heer en meester, op haar aanmerking dat zij dien More nooit had vertrouwd, heeft geantwoord dat het beter zou geweest zijn als zij haar measchenkennis wat eerder gelucht had; mevrouw Van Rave heeft zich ditmaal door deze en meer soortgelijke uitvallen niet laten neerslaan. Met haar edel doel voor oogen.
271
TOONEELSPELEnS.
heeft zij do kwetsende woorden van den verbolgen man, niet slechts met haar gewone lijdzaamheid verdragen, maar voortdurend getracht ze zoodanig op te nemen, dat hij haar van lieverlede als de bond-genoote zijner verontwaardiging moest beschouwen.
Toen heeft zij haar kans gewaagd:
Schooner wraak, zoo beweerde zij, kon er niet zijn dan dat Van Rave toonde zijn besluit onwrikbaar vast te hebben genomen.'t Was immers zonneklaar dat More, door zijn hoogst oneerbiedige en be-leedigende handelingen, juist het bewijs had gegeven dat hij zich, als vermogend man, voor de familie Van Rave onmisbaar achtte; âWant,quot; heeft mevrouw besloten: âdat het zijn vaste plan was Louises hand te vragen, ik weet Van Rave, dat jij zelfs er geen oogenblik aan getwijfeld hebt.quot;
â Neen, Van Rave heeft er nooit aan getwijfeld. Maar, zoo waarachtig als hij den naam van zijn vader draagt, zoo waarachtig zal dat schandelijk individu nooit zijne dochter bezitten!
âDat hij den storm wil laten voorbijgaan om later zijn kans nog te wagen, het ligt dunkt mij geheel in zijn karakter,quot; heeft mevrouw gezegd.
âAls hij 't in zijn hersens durfde nemen!quot;
â't Zou hem weinig baten, natuurlijk, want Louise, die nooit veel met hem ophad, zal zeker geen liefde voor den man kunnen gevoelen, die haar vader zoo grof durfde beleedigen.quot;
âHet portret met inkt te bemorsen; het in een hoek tusschen allerlei prullen te stoppen! 't Is den hemel getergd!quot;
âVan Rave, beneem hem alle kans, alle hoop, bewijs hem dat er nooit van eenige toenadering meer sprake kan zijn. â Het aanzoek van mijnheer Van Oudenolm om Louises hand voor Archibald, heb je immers, met goed overleg, niet geheel van de hand gewezen, en mij dunkt----quot;
âEi, fijne koppelaarster!quot; is Van Rave toen uitgevallen: âwas dat je toeleg! Heb jelui samengespannen om zóó door den hoon mij aangedaan tot je doel te komen! Archibald moest het zijn, nietwaar? Heb je daarom mijn kind altijd tegen More opgezet! Ha zoo, nu begrijp ik die gemoedelijke naar-den-mond-sprekerij van daareven; dat gelijk-geven aan je man; dat partij-trekken voor mijn werk, waar je vroeger nooit naar hebt omgezien. â⢠Wel zeker, Archibald, de zoon van den rijken bankier! Dat fortuin moet zeker goedmaken wat mijnheer je vader jou mee ten huwelijk zou hebben gegeven! 'k Moet zeggen, 't is prachtig overlegd om zóó van mijn toorn in je eigen belang partij te trekken.quot;
272
TOONEELSPELERS.
In weerwil van deze sarrende woorden, heeft mevrouw Van Rave haar zachtmoedigen aard niet verloochend:
âIk geloof niet, Eduard,quot; heeft ze op zachten toon geantwoord: âdat je een huwelijk van onze lieve Louise, met wien ook, in vollen ernst mijn belang zult noemen.quot;
Van Rave heeft zijn vrouw don rug toegekeerd, en is naar zijne kamer gegaan.
En zij? Misschien, helaas! had juist haar laatste woord den doorslag gegeven. Maar toch, ze dacht aan zich zelve niet; de stiefmoeder had haar pleidooi gewonnen.
Een groot uur later riep Van Rave zijne dochter. Hij wenscht te weten of Louise er iets op tegen heeft, wanneer hij dezen brief naar Den Driellaert zendt?
En Van Rave heeft de innige overtuiging gekregen dat hij de edelste en trouwste vader van de gansche wereld is. Het lieve kind is hem om den hals gevallen, en heelt hem gezoend zooals zij 't nog nooit gedaan had.
âDus de brief kan verzonden worden?quot;
âLieve beste papa, Archibald zal zoo gelukkig wezen; en ik.... o, al wilde ik niet onbeleefd zijn tegen den man, die u zoo diep heeft gegriefd: liefhebben kon ik hem toch nooit, want de eenige, die mij van der jeugd af aan dierbaar was, 't is Archibald, de trouwe Archibald, wien ik mijn jawoord gaf, een woord, dat ik nooit zou hebben gebroken.quot;
Louises ruiterlijke bekentenis heeft den vader een oogenblik de wenkbrauwen doen fronsen. Dat zij haar jawoord reeds aan Archibald gaf, en het nooit zou hebben gebroken, ook dan niet wanneer hij â haar vader â het nuttig en goed had geoordeeld, het heeft Van Rave zeer, zeer onaangenaam getroffen. Wanneer de brief niet geschreven was, en die ellendige ritmeesterszoon niet ervaren moest dat een Van Rave zich nooit straffeloos zal laten bespotten, dan.... Enfin, de brief was geschreven, en, zonder zich zelf een dwaas compliment te maken, mocht hij getuigen dat het een meesterstuk was, kort, zakelijk, diplomatiek! Een paar volzinnen konden genoemd worden: I âDe voorbeeldige wijze, waarop mijn jeugdige vriend, naar luid van het algemeene oordeel, zich in de uitgebreide zaak van het bankiershuis zijne voorbereide kundigheden ten nutte maakt, geven het vaderhart volkomen vrijmoedigheid om zijn dierbaar kind aan deszelfs toekomst toe te vertrouwen.
âHet is hem een dure behoefte zijn kind gelukkig te zien. Haar ui. 18
273
TOOSEELSPELERS.
oordeel, des gevraagd, heeft hem voldingende zekerheid gegeven, geen ander hare liefde waardiglijker beheerscht dan hij.
âGeld en rijkdom ia het niet die zij begeert, gebleken uit de bekentenis zij den zeer vermogenden jongeling, wiens beeltenis wij meenden in haar hart te zien leven, door haar, als zonder grond, werd versmaad. Haar vaders en grootvaders naam, op te offeren op het altaar der liefde voor onze jeugdige vriend, om zijn zelfs wil alleen, is de wensch van haar schuldeloos gemoed, en het ouwderhart getroost zich dat offer, in de volle overtuiging slechts het boos gerucht onze jeugdige vriend een betooning van hulpvaardigheid vroeger voor een lichtzinnigheid durfde toe te meten, en na deugdelijke inlichtingen geheel verzekerd, zijn karakter tot geen trouweloosheid in staat is.quot;
De hoofdzakelijke inhoud van dezen brief, heeft Louise zoozeer verrast en met blijdschap vervuld, dat de stijl haar geen oogenblik heeft gehinderd, en zij de taalfouten ââ die in het oorspronkelijke stuk nog talrijker waren â zelfs geheel voorbij heeft gezien.
Slechts een paar uren nadat de brief waarin het vroeger door mijnheer Van Oudenolm gevraagde acces werd verleend, op Den Driellaert was bezorgd, zou mijnheer Van Rave hoogst onaan-! genaam worden verrast. Van den postbode â die wel eens âde 1 Krantquot; werd genoemd â moest hij niet slechts vernemen dat het 1 kantoor Van Oudenolm en Compagnie âgesprongen, en de heeren op den loop warenquot;, maar nog bovendien, âdat volgens een zeer geloofwaardig persoon, de oude mevrouw, na het vernemen dier tijding, aanstonds naar stad gereder., en haar kleinzoon op de kamers van een zekere juffrouw Lindeman moest vinden, waar de jongeheer in stilte verkeering hield met die dame van het tooneel â mijnheer zou het zich wel herinneren â waar vroeger het praatje over geloopen hadquot;.
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
IN 'T DONKER.
Even voor het binnenrijden van Den Driellaert heeft Archibald het martelend stilzwijgen toch moeten afbreken. De omstandigheid
274
TOONESLSPELLRS.
dat hij zijne grootmoeder in de woning van juffrouw Lindeman heeft aangetroffen, wettigt zijne meening dat haar strakheid en voortdurend zwijgen, het gevolg zijn van vroegere opvattingen, die zij tot klaarheid heeft willen brengen, doch waarin zijne komst haar verhinderd heeft. Archibald aarzelt, maar dan zich geweld doende, zegt hij zacht:
âU zult niet boos worden, lieve grootma, maar, met een goed doel heb ik u straks een onwaarheid gezegd: Er is geen oude kennis die u wacht; maar.... er kwam een tijding die.... u zeer onaangenaam zou zijn, en ik kon u die in tegenwoordigheid van vreemden niet meedeelen. Er is geen kwaad bij lieve grootma: papa is gezond, heel gezond; maar.... zijn reis zal veel langer duren dan wij meenden. Zijn zaken houden hem op; hij is...
Maar 't was genoeg â God zij dank, de grijze moeder en haar kleinzoon.... ze hadden elkander niets te openbaren.
Twee handen klemden vast ineen.
De hand van den jonkman getuigde dat hij die dierbare steunen zou, zoo waarachtig als hij haar liefde verdiende; en de trillende hand der sprakelooze grootmoeder gaf het antwoord, dat zij haar geliefd kleinkind vertrouwde, en dat, zonder hem, haar levensmoed verloren zou zijn.
Maar toch, ja toch, onhoorbaar beefde er een stem in haar geschokte ziel; Hij zal terugkomen, mijn trouwe, bedrogen August. De wereld moge hem smaden, maar zijn moeder weet dat hij edel, dat hij onschuldig is.
Tegen den avond van dien zelfden dag bevond mevrouw Van Oudenolm zich in haar boudoir, 't Was haar gewoonte er na het diner een oogenblik te rusten. Archibald heeft haar gedrongen nu wat spoedig te gaan, want de slaap zou haar zeker goeddoen. Tot hare kamers heeft hij haar vergezeld, en nadat hij een zoen op haar bleeke wang had gedrukt, heeft hij gefluisterd:
âDe slag is zwaar, lieve grootma, maar wij weten immers dat papa zoo gauw mogelijk zal terugkomen. In 't buitenland wordt hij vast door zijn vele relaties in staatgesteld om de overdreven geruchten spoedig tot zwijgen te brengen, en, hoe schrikkelijk het wezen mag, door omstandigheden, die men niet kan voorzien, gebeurt zoo iets toch heel dikwijls, nietwaar? Slaap nu maar rustig moedertje-lief! er zal een tijd komen, dat wij aan dezen dag, als aan een stormdag zullen denken, een dag, die wel schrik bracht en veel neersloeg, maar die ons toch gelukkig te zamen liet.quot;
Mevrouw Van Oudenolm was nu alleen. Zij zelve heeft zooveel
275
TOONEELSPBLEKS.
mogelijk dit oogenblik verhaast, doch niet om rust te zoeken in den slaap. Bij haar tehuiskomst heeft zij onder de brieven, 'die inmiddels door den bode waren aangebracht, er een geiién aan haar adres, van een haar zeer bekende hand. Archibald had het niet bemerkt dat zij dien brief zeer haastig heeft verborgen.
Innerlijk dankbaar dat haar dierbare zoon zijn grijze moeder geen oogenblik vergeet, en juist nü haar vurigen wensch voorkomt, zoo heeft haar toch de moed ontbroken, om hem in Archibalds tegenwoordigheid te lezen, of zelfs maar vluchtig in te zien; immers ze had dan haar Archi de inzage er van niet kunnen weigeren, en hoe licht kon toch de brief iets bevatten, 'twelk de vader moest wen-schen dat voor zijn kind verborgen bleef.
Ternauwernood bevindt mevrouw Van Oudenolm zich in haar boudoir, waar de lamp met het groene lichtscherrapje reeds ontstoken en de groote sluimerstoel als naar gewoonte reeds tusschen den zacht flikkerenden haard en de tafel geplaatst is, of haar bevende handen verbreken het zegel van den brief, die het postmerk London draagt.
â Uit Londen! August had gezegd dat hij naar Brussel of mogelijk nog naar Parijs ging----:
âDierbare Moeder!
âWanneer gij dezen brief ontvangt----quot;
Mevrouw Van Oudenolm die, bij da tafel staande, het geschrift zeer nabij de lamp heeft gehouden, beeft zóó geweldig, dat zij de letters op het klepperend papier niet meer onderscheiden kan.
't Is beter een oogenblik te wachten. Zij moet zich herinneren dat ook het bitterst leed den mensch ten zegen verordineerd wordt; zij moet zich herinneren dat het de roem der vrouw is, sterk te zijn in de uren van 't bangst verdriet.
De oude moeder drinkt een glas water. Bij de mogelijkheid dat men haar verrassen zal, doet zij de boudoir-deur op slot. Nu verplaatst zij de lamp van het midden naar den rand der tafel; zet zich in den stoel, en, met het besluit om zich ook nü te houden aan het woord, eenmaal door haar stervenden echtvriend gesproken: âGij zijt een kloeke vrouw Anna, blijf het als gij mij verliezen zult, ter wille van hem voor wien gij moet leven;quot; leest zij den brief van hém voor wien ze zich in vroegere jaren werkelijk kloek heeft gehouden j
276
TOONEELSPELERS.
â¢Dierbare Moeder!quot;
, Wanneer ge dezen brief ontvangt, moet het u reeds bekend zijn in welke droevige omstandigheden ik mij bevind. God heeft het zoo gewild! De kansen der fortuin zijn wisselvallig. Lieve Moeder, de slag, die het huis Van Oudenolm amp; Co. heeft getroffen, weegt mij slechts zwaar ter wille van onzen naam, en mijn scheiding van u en van mijn dierbaren zoon. In mijn diep geschokten toestand, ternauwernood aan de woede van een storm voor Dover ontkomen, ben ik niet in staat n geregeld en kalm te schrijven; doch mijn plicht en mijn liefde voor u gebieden mij, om u zoo spoedig mogelijk de waarheid te melden van 'tgeen Nijd en Laster wel terstond in 't ongunstigst daglicht zullen plaatsen.
âGeliefde Moeder, de toenemende bloei van ons huis, waren wij voor een goed deel verschuldigd aan kleine of grootere speculaties, waartoe mijn compagnon mij sinds vele jaren wist te bewegen, en die doorgaans met den besten uitslag bekroond, mij een onbepaald vertrouwen op zijn financiëel doorzicht moesten schenken. Voor weinige weken deed Baling mij den voorslag om een kans te wagen, die zeker gelukken zou, en volgens zijne berekening ons minstens een dividend van driemaal honderd duizend gulden moest opleveren. Reeds in de laatste dagen van mijn thnis-zijn, bleek het, dat de kans zeer hachelijk stond, en het fonds van dag tot dag daalde. Baling beproefde het middel om door âgeruchtenquot; en âberichten uit het buitenlandquot;' â ter goeder trouw door eenige dagbladen opgenomen â het artikel te doen stijgen en kooporders uit te lokken. Is het noodig en plicht, dierbare Moeder, bij een naderend gevaar het hoofd fier te verheffen, zulks is het inzonderheid voor den man van zaken, wanneer het ophouden van zijn krediet zijn âto be or not to bequot; wordt. De belangrijke zaak in quaestie riep mij naar Amsterdam. Ik had er een beslissenden stap te doen. Om allen schijn van onzen wankelen staat te vermijden, verzocht ik u â alweder op aanraden van Baling â mij met Archibald te vergezellen. Mijn verblijf in de hoofdstad moest voor hen met wie ik mij in betrekking zou stellen, allereerst het karakter van een pleizierreisje dragen.'Wat ik â¢â bijna zeker dat alles reddeloos verloren zou zijn â dien laatsten avond gedurende de tooneelvoorstelling leed, terwijl ik aan u en ook aan de heeren, die ik ter fine onzer zaak in de koffiekamer ontmoeten zou, verplicht was een opgeruimd gelaat te toonen, 't is mij onmogelijk u zulks te beschrijven. Toen ik u des avonds mijn besluit mededeelde om 's anderen daags niet met u terug te keeren.
277
TOOKIÃELSrELEKS.
maar naar Brussel te gaan, toen had ik reeds do vreeselijke zekerheid dat Balings doorzicht ten eenenmale gefaald, en hij ons huis. reddeloos ten val had gebracht.
âDierbare Moeder, het oogenblik van ons laatst vaarwel vergeet ik nimmer....quot;
â Ons laatst vaarwel!.... De oude moeder blijft op die letters staren. 'tWas haar al gedurig bij 't lezen zoo vreemd, zoo schemerachtig geworden; mi is het alsof die woorden haar de oogen gansch. en al verdonkeren. â Kloek Anna, kloek! weerklinkt de stem in haar borst, en dan â hoe kon zij de eenvoudige waarheid een oogenblik voorbijzien: Een laatst vaarwel is immers het vaarwel dat men 't laatst heeft gewisseld. â Zij haalt met trillende vingers, de lamp nog een weinig naar zich toe, en leest verder:
,.... U, en mijn eenigen zoon welgemoed naar ons vriendelijk landgoed te zien vertrekken; u te moeten vaarwel zeggen terwijl ik, in 't onzekere of Baling niet misschien reeds ons kantoor had verlaten, de seconden telde, in duizend angsten dat sommige woorden vermoedens hadden opgewekt, die mijn voorgenomen reis naar 't buitenland nog verijdelen konden, was mijne schijnbare kalmte eene marteling, erger dan de dood.
âMaar ik verdiep mij heden in die bittere beschouwingen niet. Ik heb iets anders, iets beters te doen, dierbare Moeder. Nu reeds door de zee van u gescheiden, zend ik u, met mijn innigste heilbeden, den smeekbrief, om uw zoon het leed te willen vergeven, 't welk hij u op uw ouden dag onwillens berokkenen moest. O, ik gevoel het diep dat ik krachtiger het hoofd had moeten bieden aan die steeds voortwoekerende zucht van mijn compagnon naar 't bezit van 'tgeen vergankelijk is. Wat men misdeed, men heeft het misdreven, maar. God is mijn getuige dat mijn goed vertrouwen ten opzichte van een alles trotseerende compagnon, toch mijn eenige schuld bij onze ramp is.
âZullen er, dierbare Moeder, helaas zoo velen zijn, die zich evenals wij, het goed vertrouwen, in Baling gesteld, op 't bitterst beklagen, God zij dank, sinds vele jaren mocht ik er voor zorgen dat bij een mogelijke ramp, de vrouw aan wie ik naast de Voorzienigheid mijn leven en nog zooveel meer te danken heb, niet in 't ongeluk zou gestort worden. Terwijl De Driellaert met al zijn aanhoorigheden, op uw naam te boek staat, heb ik latere aan-koopen van hotsteden en landerijen, evenzeer steeds op üw naam
278
TOONIÃELSPELEKS.
doen inschrijven; en, ofschoon niet zonder protest van uwe zijde, naamt gij de kleine attentie met erkentelijkheid aan, niet bevroedende misschien, dal mijne handelwijze nog iets meer dan eene hulde mocht heeten.
âBen ik verplicht geweest om ook voor mij zelf ten minste zóóveel uit de desolatie te redden, dat ik, verre van mijne dierbaren, althans niet aan de ellende ten prooi zou worden. Godlof, dat ik voor alles waken mocht dat mijne geliefden in staat zullen blijven om â zij het ook in een andere plaats van ons vaderland â op denzelfden voet te kunnen voortleven----quot;
Archibald Van Oudenolm hoort een slag in 't bovenhuis, 't Klonk uit de richting van het boudoir. In een oogenblik is hij boven. Hij luistert aan de deur, doch verneemt er niets dan een geregeld terug-keerend geluid, 'twelk doet vermoeden dat zijn grootmoeder in den slaap eenigszins zwaar moet ademhalen. Maar dat geluid is toch vreemd; het wordt sterker. â Archibald klopt op de deur.
Er komt geen antwoord.
âGrootma! Bent u wakker?quot; roept hij vrij luide, terwijl hij terzelfder tijd de deur wil openen. Maar de deur is van binnen gesloten. Luider klinkt nu Archibalds angstige stem. Zoo even had hij bemerkt dat geen schijnsel van licht tusschen dorpel en deur te bespeuren was. Nogmaals doet hij een vruchtelooze poging om zich den toegang tot het boudoir te verschaffen. Reeds is Geertrui de linnenmeid, â mevrouw Van Oudenolms oudste en meest verknochte dienstbode â komen toeschieten. In de keuken was haar alles bekend geworden.
âOch, 't is zeker niemendal mijnheer,quot; zegt ze zacht, terwijl zij mede een vergeefsche poging doet om de deur te openen. âMaar â 't zal immers niets wezen. Dat de goede mevrouw wat onrustig droomt, 't laat zich begrijpen.quot;
âGa weg Geert, ik wil er in! De deur trap ik open!quot;
âMijn hemel mijnheer, wees toch bedaard, 't Is honderd tegen één dat er een pook of tang is gevallen, en dat je grootma van d onrust wat zwaar aan 't droomen raakte. Laat mij eens roepen. ⢠Mevrouw!quot;
Ook nu komt er geen antwoord; doch, het straks vernomen luid klinkt weer zeer duidelijk, en Geertrui, die nogmaals verzekert, dat het inderdaad een zware slaap moet zijn, weet mijnheer Archibald te bewegen om nu naar beneden te gaan. Mevrouw sluit de deur wel eens meer, en, dat er geen licht te zien is, 't zal door
279
lOONEELSPELEES.
het lichtschermpje komen, of wel dat mevrouw om beter den slaap te vatten, het licht ter zij van den schoorsteen heeft gezet. Zie, Geertrui zal hier de wacht houden, daar kan hij op aan.
| Niet zoodra ia Archibald vertrokken, nochtans om zoo spoedig mogelijk met eenige sleutels terug te keeren, of de oude dienstbode heeft reeds met hetzelfde doel van de naaste kamers de sleutels genomen, en ze zachtjes ofschoon vruchteloos in het slot beproefd. Ook zij vreest maar al te zeer dat er met de oude mevrouw iets gebeurd is. 't Zou waarlijk geen wonder zijn, wanneer de goede vrouw zoo'n toestand met den dood bekocht. Och. het moet verschrikkelijk wezen om van den grootsten rijkdom zoo in eens tot armoede te geraken. En dan, groote God, wat ze al niet door de knechts van mijnheer heeft vernomen, zie, dat is méér dan een vrome moeder op de wereld verdragen kan.
i En binnen het anders zoo vriendelijk boudoir heerscht nu een naargeestig donker, slechts luttel verhelderd door de flikkering van het haardvuur, quot;twelk matte glanzen op zilveren haren werpt e vluchtige spooksels op den wand te voorschijn roept.
Eensklaps door een nameloos wee overstelpt, had de oude vrouv het ternauwernood bemerkt dat zij, bij het eensklaps ter zij werpen van dien onzaligen brief, de lamp heeft omvergestooten.
â De lamp gebroken! Het kleed bevlekt! Donkerheid rondom haar! â Maar ach, wat gaat het die bedrogen moeder aan! Werd niet alles in en rondom haar verbrijzeld, bezoedeld en in diepe duisternis gehuld!
Achterover in haar zetel, het gelaat met de beide handen bedekt, verkeert de fel geschokte vrouw al spoedig in een zonderlingen toestand van lichamelijke afmatting mee een onbewustheid van 'tgeen er in haar onmiddellijke omgeving of met haar zelve geschiedt, bij een heldere voorstelling van 'tgeen haar weervoer, ja zelfs bij een levendige werkzaamheid van den geest, in staat om bergen te verzetten.
Werd de moeder geknakt en vermoord: het hart der edele vrouw klopt nog met vollen slag.
Haar zoon, haar kind een huichelaar! Sinds jaren de speler met het geld van rijken en armen!
Hij sinds jaren er op bedacht om zich en de zijnen te vrijwaren, indien 't geluk, bij zijn roekeloos spel. hem in 't einde verlaten mocht!
O, op ontzettender wijze, dan ooit eene moeder haar kind verloor, heeft zij haar zoon, haar afgod van zijn voetstuk zien storten.
280
TOONEELSPELERS.
Neon, moederlijke zwakheid verontschuldigt hem niet:
â Zijn zorg voor haar behoud was list:
zijn beursspel, misbruik van vertrouwen;
het toegeven aan de verleiding, onteerende zwakheid; het gedurig werpen van alle schuld op een ander, ellendige lafheid. En ja, dat alles moet hij vernemen.
Bij den zonderlingen toestand, waarin de oude moeder zich bevindt, is het droevig stenend geluid, 'twelk haar gorgel ontsnapt, voor haar zelve alsof het klanken zijn â telkens afgebroken woorden, die den zoon als toeschreien;
dat hij den naam van God met de lippen geëerd, maar Hem nooit in 't hart heeft gedragen;
dat zijn zorg voor zich en de zijnen een voortdurende moord aan zijn geweten, een huichelen van dien hooggeëerden zin voor waarheid en recht is geweest.
En nu â van nabij en van verre verneemt zij stemmen, en hoort zij 't geklop en gebons.... op al de deuren en vensters van het gevallen huis.
Daar zijn ze, de rijken, die hem een deel van hun vermogen, de geringen, die hem hun spaarpenningen hadden toevertrouwd.
En ze dreigen, en eischen dat hij zal teruggeven wat hun ontnomen werd.
En aan gindsche zij van den Oceaan, daar staat hij, â rustig als altijd, en hij zegt, met deelnemende stem, dat immers alles, alles wat hij achterliet, aan zijn oude, dierbare moeder behoort.
Daar staat hij; en zijn eenigen zoon drukt hij zoo roerend de hand; en met een bewogen stem smeekt hij hem, om toch, met 't oog op God, den weg van eer en deugd te betreden.
En een breede gordijn daalt plotseling neer.
En de voetlichten glanzen met vurige tongen omhoog.
En de wanden van een reusachtig gebouw weergalmen van een helschen kreet, die het Bravo! Bravo! doet hooren.
En de breede, zeer breede gordijn gaat weer op....
En zie, daar verschijnt hij. Van den diepen achtergrond treedt hij over het breede tooneel naar voren. Hij glimlacht, en buigt....
â O God, o groote God, hij is het, August, haar dierbare zoon, haar geliefd, haar eenig kind!
281
TOONEELSPBLEBS.
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN EDELE VROUW, EN EEN GIFTIG SERPENT.
Intusschen is men op den corridor er in geslaagd om de deur van mevrouw Van Oudenolms boudoir te openen. Een lichtstraal glijdt naar binnen. De trouwe dienstmaagd houdt met zachten dwang ihaar jongen meester bij den arm terug.
Is zij bevreesd dat een onrustig slapende zal wakker schrikken, of wel dat de beangste kleinzoon, door een ontzettend schouwspel getroffen, te hevig ontstellen zal?
âLaat mij eerst zien, mijnheer?quot;
âHoud me niet tegen. Geert!quot;
Het kaarslicht door den luchtstroom bewogen, verheldert slechts gebrekkig het tooneel binnen die kamer. De omgevallen lamp; de olie nog druppende van 't karmozijnen tafelkleed, glimmende door weerschijn en licht als droppelen bloeds; het afgewend gelaat; de vreemde houding; het akelig stenend geluid der wakend-droomende wouw____ Archibald weet niet wat hij ziet; wat hij gelooven moet.
âGrootma! Grootma!quot; roept hij zeer luid.
Onwillekeurig gaat Archibald een schrede terug.
Met het volle bewustzijn uit haar verdooving ontwakende, staart lt;le grootmoeder nu haar kleinzoon aan:
âWat wil je kind? Hoe kom je hier? Ik had die deur gesloten.quot;
âBeste trouwe grootma! O Goddank!quot; zegt Archibald, en de tranen springen hem met geweld in de oogen.
De oude moeder ziet die tranen, en â Anna wees kloek! roept de stem nu luider dan ooit. Reeds heeft mevrouw Van Oudenolm den brief, die naast haar stoel was gevallen, opgeraapt en verborgen. De poging, om zich nu in haar zetel geheel overeind te richten, gelukt haar, ofschoon met inspanning van alle krachten, 't Is haar alsof haar gansche lichaam geslagen was; doch hoor, haar stem klinkt krachtig, ofschoon wat hol:
âMen moest zich niet te gauw ongerust maken. Het omvallen van de lamp heeft je zeker doen schrikken. Neem alles met het kleed te zamen weg, Geertrui. Als er iets op den grond ligt, dan zul je dat later wel vinden. â Archi kom hier. â Je bent geschrikt. Geef mij de hand jongen. Heb ik misschien wat zwaar gedroomd?quot;
âO grootma, de gedachte dat ook ü----quot;
â¢582
-
TOONEELSPELERS.
,0ok ik!? Neen, ik leef nog Archi. â Kom hier zitten. Ik moet je spreken. â Geertrui breng de lamp van beneden hier. Hoe is het, trouwe ziel, dacht jij ook dat ik dood was misschien?quot;
âOch lieve beste mevrouw, ik had het bestorven. Maar ja, hot leed dat u trof! en, mijnheer! en 't kantoor! â Och, 't is me alsof de wereld te niet raakt!quot;
âDe stormen in 't leven verschoonen niemand. Geertrui; ze zullen noodig en goed zijn. â Geen onzer is volmaakt. Herinner dit ook aan je kameraads. Ga nu Geertrui, en zorg voor licht. Ik heb het wel noodig.quot;
Toen grootmoeder en kleinzoon alleen waren, toen had de grijze moeder toch óók een rol te spelen, maar 't was een rol der liefde. Immers het kinderhart moest gespaard, het geloof aan zijns vaders trouw mocht niet zoo wreedaardig geschokt worden.
Een half uur later â de pendule sloeg achturen â was Archibald gereed om aan 't verlangen van zijn grootmoeder op 't spoedigst te voldoen. Hij zal zich naar 't dorp begeven, om den notaris te verzoeken, zich morgen reeds vroegtijdig op Den Driellaert te bevinden.
En, toen hij met dien last was vertrokken, toen keerde voor 't eerst sinds dat vreeselijk oogenblik in juffrouw Lindemans woning, een kalme plooi op het eerwaardig gelaat der vrouw van Den Driellaert terug; maar straks ook, toen een stem in eigen boezem zoo luide heeft gesproken, en snel haar hand naar twee brieven heeft getast, die zich te zamen in den zak van haar kleed bevonden; toen zij ze nogmaals vluchtig inzag, den brief vol reinen zin van eene door haar van huichelende lichtzinnigheid zoo smadelijk verdachte en bitter gekrenkte tooneelspoelster, en ook dien brief van den.... speler met eer en recht, toen.... toen gaf een heeto tranenstroom lucht aan de beklemde borst, toen zuchtte de grijze moeder bij 't vloeien der tranen langs haar eerwaardig gelaat:
âZeventig jaren! en moest ik nog zóóveel leeren! â Vooroordeel! â O God, schuldig zijn wij allen. Ja, de laatsten zullen dikwijls de eersten zijn!quot;
't Was een liefelijke avond, de eerste milde voorbode van het schoone seizoen, dat weldra de velden hun tooi, de wouden hun kroon zou hergeven. De maan in 't eerste kwartier, scheen luierend op haar rug naar 't zoet gekwinkeleer te luisteren, dat reeds hier en ginder in 't bosch weerklonk.
Toen Archibald met snellen tred langs den straatweg naar het dorp ging, toen kon het niet anders of de betoovering van den
283
TOONEELSI'ELEKS.
vriendelijken avond moest hem weldadig treffen. Het hart der jeugd is een gespannen boog, de scherpe pijl ontvliedt hem zoo snel.
Twintig jaren! 't Was zoo natuurlijk dat Archibalds dichterlijke ziel, bij de weelde en lust, die de naderende lente voorspelt, de toekomst in blijder licht beschouwt dan het hem sinds dien geweldigen schok was mogelijk geweest.
Doch er was reden genoeg: Mocht zijn hevige onrust over den toestand der geliefde grootmoeder nog pas in blijdschap verkeeren, hare woorden hebben hem mede al spoedig van den pijnlijksten band bevrijd; ze hebben hem gezegd dat zijn vader het slachtoffer is geworden van omstandigheden, onafhankelijk van zijn wil, van een te goed vertrouwen, van een weinig zwakheid misschien, maar dat de wereld hem nooit zal kunnen verachten, omdat de familie Van Oudenolm het tekort van het bankiershuis zooveel mogelijk goedmaken zal.
O, de zending, die hij te volbrengen heeft, is hem bijna een tocht van genot: Grootmoeders snel en kloek besluit zal de eer der familie redden. Wat gaat het hem aan of men hem rijk of arm noemt. Zijn rijkdom bestaat in iets anders dan 't geen de groote menigte genot en weelde acht.
Was hij ooit rijker dan toen hij, een paar weken geleden, het in stilte aan Louise toegezonden manuscript van zijn laatst geschreven tooneelstuk, met deze woorden terug ontving: âLand en Stad, prachtig, edel, voortreffelijk! Gezien: 't Voormalig publiek!quot;
Maar er is nog meer. Bij de brieven aan 't adres van zijn vader heeft er zich dezen middag één bevonden, die terstond door hem als van mijnheer Van Rave was berkend, en waarvan het adres: âDen heere A. Van Oudenolm, Den Driellaert,quot; zonder eenige nadere aanduiding, hem volle vrijheid heeft geschonken om van den inhoud kennis te nemen.
Terwijl Archibald, met oogen, stralende van de zaligste verrassing, straks dien brief had doorloopen, toen heeft hij zich terzelfder tijd verweten, het karakter van Louises vader verkeerd te hebben beoordeeld. Het zenden van dien brief juist heden, na het bekend worden van het faillissement, 't was immers een daad die, misschien wat vreemd, toch 't bewijs gaf van zijn edel hart.
â O Louise! herhaalt Archibald gedurig bij 't haastig voortgaan : dat deze dag toch nog zooveel zoetheid zou geven! Prachtig kind, dat heb ik aan je trouwe liefde, en aan de zelfverloochening van je goede moeder te danken. Gij beiden hebt de edelste snaar van het vaderhart weten te treffen. Immers, hij zelf heeft geschreven.
284
TOÃNEELSPELERS.
dat het zijn dierste wensch is, zijn kind gelukkig te zien, dat âgeen rijkdom wordt begeerd maar slechts de liefde van den jeugdigen vriend, om zijn zelfswil alleen!quot; â Mijn schat, mijn lust, mijn liefde, al moest ik mijn verrukking voor de dierbare oude moeder verbergen, alsof ik ongevoelig zou zijn voor het smaden van mijns vaders naam, voor de tranen die, ondanks haar kracht en kloekheid, gedurig in de oogen mijner lieve grootmoeder blonken; engel, ik weersta de verzoeking niet om het antwoord op dien heerlijken brief, nog heden op Harzathe te brengen; om uw vader de hand, uw moeder een zoen op haar zachtmoedig gelaat, en u zelf aan mijn hart te drukken.
Bij den notaris in 't dorp heeft de jonge Van Oudenolm al spoedig zijn zending volbracht.
Nu, met zijn doel voor oogen, den terugtocht langs den zandweg ten Westen van Den Driellaert kiezende, moet hij de boerenhoeve van More voorbij.
De eigenaar, die na 't ontvangen van Van Raves brief, 't besluit heeft genomen om âzijn kostbaren tijd geen oogenblik langer aan een zoogoed als onmogelijk geworden avontuur te verknoeien,quot; hij zal met den mooien avond nog even naar 't posthuis wandelen om er te vernemen of het verhaal van den postbode â 't welk ook hem is meegedeeld â werkelijk waarheid bevat. Zoo ja, dan wordt die jonge, zoogenaamd zieke actrice, natuurlijk op stal gezet; ze keert naar 't gezelschap.... naar Amsterdam terug! â Een beeldig kopje; enfin, enfin----quot;
Op het oogenblik dat Archibald een hoek van den slingerenden zandweg omgaat, en ofschoon met zoo velerlei denkbeelden vervuld, toch een oog heeft voor het heerlijk tafereel van het zilveren licht in zijn dommelig diep azuur, terwijl het juist van achter het donkere dennenbosch te voorschijn treedt, gevoelt hij â meer dan hij 't ziet â dat iemand hem aan de overzij van den weg voorbij gaat; doch hij denkt er niet aan om bij 't haastig voorttreden dien voorbijganger nog eens nauwkeuriger op te nemen.
Schier terzelfder tijd wordt hij echter tot stilstaan gedwongen.
âIk had niet durven hopen u zoo spoedig te zullen weerzien,quot; klinkt een stem van ter zij; en Archibald herkent terstond More die, toevallig met een dolkstok gewapend, de verzoeking niet weerstaat om zich een zoete wraak te verschaffen.
,U heeft bij ons afscheid harde woorden gesproken, mijnheer Van Oudenolm,quot; vervolgt More, nog vóórdat Archibald antwoorden kon:
285
TOONEELSrELEHS.
âmaar u bent jong, en de beleefdheid, die u gehad heeft, doet ze mij graag vergeven.quot;
âJe hebt mij niets te vergeven,quot; valt Archibald in: âIk ken je mijnheer en als ik tijd had dan zou ik je meer zeggen. Nu is 't genoeg, ik veracht je.quot;
âEi ei, een beetje kalmte kon geen kwaad,quot; herneemt de ander, terwijl bij steeds ter zijde blijvende, den stok zoodanig ter hand neemt, dat hij op alles is voorbereid: âOmdat ik meende datje als een flinke jongen je plezier zoekt zooala ieder ander, en een weinig boos waart, uit vrees dat mijne visites op Harzathe iets meer dan vriendschap bedoelden, zoo was 't mijn plan je de hand to geven, en je met hetgeen er gebeurd is, mijn deelneming te betuigen. ...quot;
Archibalds bloed vloog hem met geweld naar 't hoofd. Wat er gebeurd is! Hoe, heeft hij 't zelf één oogenblik kunnen vergeten ? 't Is alsof de keel hem wordt toegenepen. Ook dat mensch weet het, en durft er van spreken.
More vervolgt snel terwijl hij een schrede teruggaat:
âMaar nu ik zie dat je die mooie rol van edelen ridder nog wilt volhouden, terwijl de hekken zoo jammerlijk verhangen zijn; nu jij, mannetje, van verachting durft praten, terwijl grootmama, met den bluf van rijtuig en livrei, je op klaarlichten dag bij je tooneel-iief het nieuws moest brengen dat papa met de kas op den loop is, en de schooljuffrouw van Harzathe je daarom den bons geeft, nu waarachtig----!quot;
Eensklaps klinkt er een rauwe kreet.
De weinige doch zooveel venijn spuwende woorden, die hij zoo â¢even vernemen moest; de houding van iemand, die heimelijk een â¢degen of dolk trekt; een vluchtige glimp van 't maanlicht in staal, dat alles heeft Archibald schier in 't zelfde oogenblik getroffen. Hij â denkt er niet aan of boosheid of lafheid het doel van dat wapen kon zijn. Hij ziet ze allen, die hij eert en liefheeft, bezwalkt dooreen giftig serpent.
â Verdragen, dulden, goed! desnoods onrechtvaardig lijden; hij wil, hij kan het; maar neerdonderen zal hij in 't slijk, wie den vollen schat zijner liefde te schandvlekken poogt:
âEllendeling! voor twee dolken, mijn vuist!quot; heeft hij geschreid, terwijl zijn vlugheid zijn kracht evenaarde, en hij den vijand met één stoot ter aarde wierp.
Toen was het genoeg. Al mocht hij den eerloozen aanrander op :den openbaren weg, ook doen bijten in 't zand, zoodat zelfs bloed
280
TOONEEI.SPELEKS.
de lippen kleurt, die straks haar venijn niet weerhielden, tot beulswerk verlaagt zich de jonge Van Oudenolm niet. O, indien hij had kunnen vermoeden, wat helsche plannen sinds zoolang het brein van dien laaghartige beroerden, misschien zou het afgrijzen zijn zelfbeheersching hebben verlamd, en zeker zou hij niet, zooals nu in 't voorbijgaan van de hoeve, den boer hebben toegeroepen, dat het misschien zijn voordeel kon zijn, indien hij ginds een schelm uit het zand ging oprapen.
Ofschoon de ontmoeting den krachtigen Archibald, physiek eer ontspannen dan geschokt heeft, zoo zijn de kwetsende woorden hem toch diep in de ziel gedrongen, en voor 't oogenblik beheerscht en verontrust hem vooral de gedachte aan de mogelijkheid, dat de brief van Van Rave, tóch verzonden werd nog eer het gebeurde op Harzathe bekend was.
En, Archibald Van Oudenolm zou maar al te spoedig de zekerheid er van bekomen.
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN ONOVERKOMELIJKE SCHEIDSMUUR.
In de breede vestibule van de Ridderhofstad Harzathe, waar zelfs 's winters 's avonds geen licht brandt, heeft de huisschel geklonken.
Behalve de kleintjes, die naar bed zijn, bevindt zich het gezin van den generaalszoon, in de groote holle tuinkamer aan 't eind van de gang. Men schemert. â Van Rave houdt van schemeren
omdat---- zijn vrouw âdie geen idee van zuinigheid heeftquot;, hem
altijd op dat punt den voet wil dwars zetten. Hij schemert als er maan is, soms twee uren lang. Ook nu heeft hij gewild dat men schemeren zou; in de schemering kan hij beter zijn gevoelens lucht geven: en, in de groote tuinkamer vindt hij zijn weg van 't raam naar de deur, vice versa, desnoods in pikdonkeren nacht.
âWat zeg je? Wie?quot; roept Van Rave, nadat een onzichtbaar dienstmeisje bij de deur, het antwoord op haar boodschap wacht, of er ook belet voor den jongen mijnheer Van Oudenolm is.
287
TOONEELSPELERS.
Ternauwernood heeft het meisje den naam zeer duidelijk herhaald, of Van Rave barst los met een stem, die niet slechts de huisge-nooten doet beven, maar ook in het voorhuis luid schetterend weerklinkt:
âWat! De jonge Van Oudenolm durft het wagen z'n voet in mijn huis te zetten! De lichtmis! de zoon van een eerloozen bankroetier! Zeg dat we uit zijn: niet thuis. Verstaje, niet thuis; in der eeuwigheid niet!quot;
âVan Rave, om Godswil!quot; trilt de stem zijner vrouw.
âDacht ik het niet dat jij, in weerwil van alles wat ik gezegd heb, nog voor dat volk in de bres zoudt springen! Wel zeker, soort zoekt soort!quot; roept Van Rave in woede; en met de hand naar de deur: âBenje daar nog! Marsch! Niet thuis voordien komedietroep, nooit! Verstaje me niet!quot;
âVader, lieve vader!quot;
«Zwijg, dom weerspannig kind!quot; zegt Van Rave tot Louise, nu het dienstmeisje verschrikt is heengevloden, en, tamelijk in harmonie met haars meesters stemgeluid, de deur heeft dichtgeworpen: âIk heb het straks al gezegd: 't is je moeders bedrijf geweest om mij dien brief te doen schrijven, nog eer ik vernemen zou 't geen aan jelui beiden bekend was. Je vader moest ook nu weer dupe van zijn goed vertrouwen worden, nietwaar!? Zwijg! Zoo waar als ik de zoon van den Generaal Van Rave ben, zoo waarachtig zal die naam niet geschandvlekt worden!quot;
Liefelijk en stil was de avond. Als een kleine zilveren gondel lag de maan op haar grondeloos diep. Ook aan de Oostzij van het Driellaertsche bnsch klonk reeds een nachtegaalslied met zoeten klank. Maar, in de borst van den knaap, die zich voortspoedde langs den weg, waar schier iedere voetstap hem aan een blijde jeugd, aan het zielvolle oog en de heerlijke stem van zijn dierbaar kameraadje herinnert, in die borst woedt een storm, zooals er daar nooit een gewoed heeft, 't Geen More hem op den weg heeft toe-gesist, dat moest in 't donkere voorhuis, uit den mond van Louises eigen vader, hem de ziel verscheuren!
â O God, is Uw gansche wereld dan een modderpoel, waarin de waarheid verstikt! zoo bruist het in Archibalds borst: Moet door het feit dat mijn arme vader tekort kwam, het wicht van allerlei smaad en laster ons drukken! Louise, hebt gij 't geloofd? Kent ge uw Archibald niet? Bij dien kreet van uw vader bleeft ge stom. Geen woord, geen enkel woord vloog er van uwe lippen. Ik meende
288
TOONEELSPELERS.
nog uw voetstap te hooren, maar gij liet mij alleen met mijn gloeiend hoofd en mijn bonzend hart. O, ik versta en gevoel het: In mijn ongelukkigen vader, dien gij zoo hoog hebt vereerd en kinderlijk liefhadt, acht ge u, evenals die koude wereld, bedrogen; en â als men dan lastert dat de zoon van dien man, op klaarlichten dag in de armen van een schuldige vrouw werd gevonden, dan, dan zegt ge toch angstig: Als het eens waar was!
â Als het eens waar was! Neen, neen! Zij wil, zij zal het niet gelooven; zij volgt mij naar die woning; zij ziet er de zieke; zij valt mij in de armen en.....
Eensklaps huivert Archibald bij een naren klank, die er aan zijn
eigen mond is ontsnapt____ IJdele droomen van zaligheid hebben
hem het brein verward. Vervlogen is alle hoop op geluk; onmogelijk is de band geworden die hem, in de laatste maanden vooral, zoo zalig was, zooveel zaliger zelfs dan de band, die hem aan het jeugdige leven verbindt: Al zou zijn engel hem ook de achting en liefde schenken, die hij nooit heeft verbeurd; al kon zelfs â 'tgeen nimmer gebeuren zal â een onbeduidende dwingeland de glorie op den naam van een vader en 't uitzicht op eèn vermogenden schoonzoon, prijs geven om het geluk van zijn kind te verzekeren, één enkel woord heeft voor altijd den slagboom doen vallen, die hem van de dierbare scheidt:
â De eerlooze bankroetier! â O Louise, dat ik die woorden vernemen moest! trilt het op Archibalds lippen: De hand zou verlammen wanneer ze moest danken veor uw bezit; de mond verstommen die vader durfde noemen wie den mijnen in 't aangezicht sloeg.
Liefelijk en stil was de avond, maar Archibald zag en gevoelde 't niet meer: Dor was het veld, en eenzaam zijn pad; het lied van den nachtegaal klonk als een schaterlach, en de maan was een sikkel, die zichtbaar, bij 't dalen, al rooder en bloediger werd.
Toen grootmoeder en kleinzoon elkander den volgenden morgen ontmoetten, toen was het beiden wel aan te zien dat de slaap hen maar luttel verkwikt had.
â Arme jongen! zuchtte de oude moeder in stilte; maar zij kon niet vermoeden wat hij uit liefde voor haar verborg.
â Arme lieve grootmoeder! dacht Archibald, maar vermoedde niet dat haar de nacht zoo eindeloos lang is geweest, omdat het waar was, waarachtig waar, wat hem in het donkere voorhuis van Harzathe de borst heeft verscheurd.
Nadat mevrouw Van Oudenolm â wier morgenkleeding onwille-m. i9
289
TOOKBELSPELEBS.
keurig aan een diepen rouw herinnert â de valgordijnen tot bijna aan de vensterbanken heeft neergelaten, en zich daarna op haar gewone plaats aan de ontbijttafel heeft gezet, zegt zij:
âArchi, ik moet je een commissie opdragen, die je bewijzen zal dat ik schuld kan bekennen wanneer ik gedwaald heb: Hier is een brief met de onderteekening Flora Reene. Sinds December lag hij vergeten in het tuinmanshuis. Gisteren was ik zelve in juffrouw Lindemans woning, om er mijn innig leedwezen aan haar nichtje te betuigen over de grievende smart, die ik haar op onze lange reis moet berokkend hebben. De ziekte van het meisje: verdere omstandigheden, die mij bijna zijn ontgaan, maar 't meest de onverwachte slag, die mij in dat huis moest treffen, ze verijdelden mijn voornemen. Nii Archibald, zou die gang me te zwaar vallen; daarom ga in mijne plaats; en als je den brief eerst hebt gelezen, dan zul je nog beter weten wat grootmoeder gevoelt, en wat zij aan dat meisje, en.......wat zij ook aan haar kleinzoon te zeggen heeft.quot;'
Bij die laatste woorden is Archibald haastig opgestaan, en drukt niet slechts een zoen op de blanke oude hand, die hem was toegereikt, maar omarmt de dierbare edele vrouw----met zijne volle
liefde. O, wie had hij meer en nevens haar op de wereld! En als een kind aan de moederborst zoo rust Archibalds mannelijk hoofd nu een wijle aan het hart der verzorgster van zijn blijde jeugd, en hij fluistert haar toe:
âEn ik, die u van hardheid heb beschuldigd, lieve grootmoeder; kon ik 't vergeten wat het kenmerk van een diamant is?quot;
't Was vluchtig, hoogst vluchtig, maar niettemin heeft een zonnetje het eerwaardig gelaat der oude moeder verhelderd. Toch schudt zij het hoofd.
â Dat beeld was niet juist. Haar hardheid was vooroordeel.
âOf de hoogste eisch van reinheid en deugd!quot; valt Archibald in, die nu vooral het pleit niet gewonnen mag geven.
âMijn jongen!quot; zegt mevrouw Van Oudenolm, en vouwt haar handen boven zijn dierbaar hoofd.
Een oogenblik later heeft Archibald den brief van Flora gelezen. Nu eerst verstaat hij geheel wat de edele grootmoeder ten haren opzichte gevoelt, en wat zij van hém begeert. Maar ook in 'tzelfde tijdstip komt hem Mores lasterlijk woord voor den geest, en tevens een opgewonden stadswereld, die hem nogmaals op âklaarlichten dagquot; dat huis zal zien binnengaan.
Mevrouw Van Oudenolm, onbekend met het boos gerucht, maar
290
TOONEELSPELEBS.
gedachtig aan 'tgeen er vroeger gebeurde, bespeurt de wolk op Archibalds gelaat, en weerhoudt nu den naam niet langer, die haar reeds zoolang op haar lippen speelde:
âMij dunkt dat zelfs Louise het wenschen moet,quot; zegt zij zacht. En dan met verheffing: âWees moedig Archibald; hoe onze omstandigheden ook veranderen mochten, aan de trouw van Louise, het lieve kind, twijfel ik niet.quot;
Alsof Archibald het ooit in ernst zou hebben gedaan! Maar toch, de stem klinkt pijnlijk waarmee hij snel zijn instemming betuigt. En straks, als hij zich voortspoedt naar de stad om er aan grootmoeders opdracht te voldoen, dan is hem die zending wel een ge-wenschte bij zooveel leed, doch 't bedenken dat hij nu â met een bezoek aan die jonge actrice â zelfs om zijn dierbaar kameraadje, den schijn tegenover den nijdigsten laster niet meer te vermijden heeft, het houdt hem voortdurend in een maalstroom van sombere gedachten; en nog dieper dan te voren moet hij 't gevoelen, dat door het woord van Louises vader, een onoverkomelijke klove tusschen hem en dat dierbare meisje gegraven is.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJ GBLOOVEN HET NIET.
Op het oogenblik dat Archibald juffrouw Lindemans woning bin-nengaav, ziet hij iemand op de trap naar beneden komen.
't Is dominee Pelser, die reeds een paar malen zijn arm voormalig catechisantje heeft bezocht. De jonge Van Oudenolm kent hem slechts van aanzien, doch de sombere uitdrukking van dat zoo blijmoedig gelaat, dwingt hem tot de vraag: of het met de zieke niet goed is?
De predikant bedriegt zich niet; dat is de zoon van den gefail-leerden bankier. De grootste verbazing spreekt uit zijn blik nu hij, een weinig kortaf, de wedervraag doet:
âWat voert ü in dit klaaghuis, jongmensch?quot;
âDezelfde redenen die er ü waarschijnlijk brachten, dominee,quot; is Archibalds antwoord: âbelangstelling en plicht.quot;
291
TOONEELSPELERS.
âPlicht!?quot; â Archibalds open maar droevig gelaat treft hem. Hij acht het een bestiering van God dien jonkman te mogen ontmoeten.
âPlicht!quot; herhaalt hij; en dan zich omwendende zegt hij, terwijl hij weer naar boven gaat:
âWees zoogoed mij te volgen; ik wensch u te spreken, mijnheer.quot;
Maar Archibald heeft geen tijd. Dat sombere gelaat, de uitdrukking âin dit klaaghuisquot;, ze voorspelden hem niets goeds. De toestand der zieke moet zeker verergerd zijn, en die goede man, waarschijnlijk door valsche geruchten misleid, zal hem nu op een zedenpreek willen onthalen.
âBeter dan ik zal ü weten dominee, dat vooroordeel en laster nijdige dorens zijn,quot; zegt hij gejaagd: âik ben gekomen om de arme zieke er van één te bevrijden. Mijne grootmoeder heeft op een
samenreis van Amsterdam naar hier, juffrouw Reene onwillekeurig----
verongelijkt; maar, nu de brave vrouw 't bewijs gevonden heeft dat zij onrecht deed, nu rustte zij niet alvorens haar schuld te hebben afgedaan. Wat zij zelve gisteren niet doen kon, dat droeg ze mij heden op. U zult begrijpen dominee, dat ik haast heb.quot;
â De oude vrouw die 't niet gelooft! Een bewijs! â Voor dominee Pelser was er een licht opgegaan. O, nu dankt hij God in stilte dat het hem nog zal vergund zijn om de kalmte in dat kranke hart te zien terugkeeren, en dat de woorden, straks door hem aan het ziekbed gesproken â woorden, die zijn vast geloof aan Flora's deugd en reinheid, niet met een te ver gedreven kiesch-heid, hadden verborgen, waarheid hebben bevat, en niet slechts woorden âeener overtuiging der hopequot; zijn geweest.
Op het gelaat van den braven Pelser is weer iets van de blijmoedigheid zichtbaar, die het doorgaans kenmerkt. Al spoedig slaagt hij er in om âzijn jongen vriendquot; tot een nadere samenspreking op het kleine achtervertrekje te bewegen, want de toestand van het zieke meisje âvereischt in alles de meeste omzichtigheid.quot;
Slechts weinige minuten later heeft juffrouw Lindeman, met het ineenslaan der handen en een zachtjes schudden van het hoofd, haar dankbare verbazing uitgedrukt over dominees goedheid, dewijl hij, pas vertrokken, alweer zoo gauw naar zijn Floortje kwam kijken.
Maar dominee zag haar aan, alsof hij wat bijzonders had.
âWat blief?quot;
Juffrouw Lindeman begreep van het gefluister niet veel, want Floortje, die waarschijnlijk bij het vernemen van dominees stem weer onrustiger is geworden, trok al haar opmerkzaamheid, en
292
TOONEELSPELEES.
tante kon dus niet luisteren meteen. Ze was zoo angstig de goede vrouw, zoo bitter angstig, want Martin die ginds, schier nog bleeker dan de arme zieke zelve, weer op de punt van zijn stoel naar den poot van het ledikant zit te staren. Martin heeft haar straks, bijna stikkende in zijn woorden, herhaald, 't geen de dokter hem bij 't heengaan gezegd heeft, namelijk dat dokter over een uurtje nog eens terugkomen zou, omdat Flora's toestand hoogstbedenkelijk was.
Dominee Pelser, âofschoon geen vreemdeling in de woningen der smarte,quot; staat een oogenblik besluiteloos.
Aan zijn afspraak met den jongen Van Oudenolm, â die in het voorvertrek op een wenk om binnen te komen wacht â heeft hij gehoopt reeds spoedig te kunnen voldoen, doch, bij 't vluchtig beschouwen van zijn arm vriendinnetje, vreest Pelser âdat het leed der wereld voor haar zijn scherpe prikkels reeds verloren heeft, en, dat het aanroeren van een wonde plek nu slechts haar lijden verzwaren kan.quot;
Maar hoor, terwijl juffrouw Lindeman en een jonge vrouw in rouw-kleeren, zich weer beijveren om met de zwakke middelen, dia haar ten dienste staan, het geweld van een sloopende koorts te beteugelen, klinkt opnieuw de zwakke stem der zieke.
âJa, ja, zij is er wel,quot; zegt ze met afgebroken woorden: âDe conducteur zegt dat zij daar zitten moet. Spreek het niet tegen; daar zit ze. Maar ze ziet mij niet aan, en ze zegt aan Martin dat het wél waar is. O, mijn hoofd bonst zoo. Hoor maar, hoor. â Maar zij gelooven het niet. Herman, Tante! Niemand! Neen! Neen, neen, die oude vrouw gelooft het niet; zij gelooft het niet!quot;
Dominee Pelser wil op het bed toetreden; doch in hetzelfde oogenblik komt, langs het kamerschut bij de deur der voorkamér, Archibald Van Oudenolm naar binnen.
Of het verstandig was, en of hij den afgesproken wenk van den predikant had moeten afwachten, hij denkt er niet aan. Jeugd en hart hebben hem gedreven. Toen hij in 't voorvertrek, luisterende met ingehouden adem, de woorden vernam, die niemand zoo diep kon gevoelen als hij, toen weerhield hij zich niet. En nu, tintelende van 't zuiverst bedoelen, doch zonderling luid, kliiikt zijn stem in het vertrek, waar 't getemperd licht als 't ware de stilte bepaalt:
âMaar ik mag u zeggen dat de oude vrouw het wél gelooft, juffrouw Reene! Die vrouw is----quot;
âOm Godswil, mijnheer!quot; smeekt tante Lindeman, hevig ontsteld, terwijl zij ternauwernood de gesproken woorden vernemende, dien vreemde in den weg treedt.
293
TOONEELSPELEKS.
Sterker nog dan de goede tante, was Martin geschrikt, toen hij den jonkman zag, die hem, en vooral sinds hun ontmoeting, als de verderver van 't schuldeloos Floortje, gedurig voor den geest heeft gestaan.
Aanstonds overeind gesprongen, hebben Archibalds woorden hem echter als een bliksemstraal getroffen: helder zuiverend, maar vernietigend meteen:
â Ha! denkt Martin: de oude vrouw gelooft het nü wél dat haar kleinzoon de schuldige, en de arme zieke de misleide was. â De slag, die haar huis heeft getroffen, brak haar trots, en de zoon van den bankroetier, die zijn slachtoffer toch werkelijk lief heeft, zoekt haar het l«ven te redden met den gloed van zijn hart, en 't bekrachtigd aanbod tot herstel van haar eer!
Ja, 't is een bliksemstraal: Flora gered, en toch----voor altijd
verloren!
Roerloos en sprakeloos staat Martin; doch evenzoo Archibald Van Oudenolm.
Al had men hem niet weerhouden, toch zou hij den volzin niet voleind hebben. Hoe heeft hij kunnen vermoeden dat zoo weinige dagen zulk een verwoesting zouden hebben aangericht! Flora's lief gezichtje, dat op die reis nog slechts zoo luttele kenteekenen droeg van de ziekte, die zich, door zieleleed gevoed, maar al te ras ontwikkelen zou, was schier onherkenbaar geworden. Doodsbleek en vermagerd was het aanvallig gelaat, en de eertijds zoo bezielde helderblauwe oogen, stonden nu hol en mat, ofschoon ze hem aanstaarden met een flikkering van koortsvuur, door zijn komst en zijn woorden verhoogd.
De krachtige jonkman staat werkelijk een oogenblik als versuft.
Flora's toestand! Die algemeene ontsteltenis! De droeve toon in dit vertrek! Een beklemdheid, zooals hij nog nooit heeft gekend, overweldigt hem nu; en, juffrouw Lindeman aanziende, klinkt zijn stem zacht, welluidend, schier kinderlijk bewogen:
âMaar ik wil geen kwaad doen, al sprak ik te luid, en al was ik onbescheiden misschien. Wat ik zei dat is waar, en de zieke juffrouw Flora moest immers hoe eer hoe beter weten, dat mijne grootmoeder diep werd geroerd.quot;
âStil, stil toch, mijnheer,quot; valt tante Lindeman radeloos in. â Ach lieve God, zij weet niet wat het alles beduiden moet.... Die jonkman! die grootmoeder! ,0, dominee als U het woudt afmaken; daar in de voorkamer. Och, zulke scènes! Mijn lief kind! ze zal het besterven!quot;
294
TOONEELSPELERS.
Maar hoor, een snik, een zucht van verruiming is er aan Flora's lippen ontsnapt.
âLaat hem!quot; fluistert Pelser tot de bewogen tante; en dan tot Archibald: ,'t quot;Was onze afspraak niet; maar, spreek zacht en niet te veel. Geve God dat ge goed hebt gedaan.quot;
En Flora lag stil, met gesloten oogen alsof ze sliep; en haar ademhaling, ofschoon nog snel, was minder gejaagd.
Een luide stem had plotseling de sarrende visioenen verdreven, die haar zonder ophouden hebben gekweld: Muziek trof haar oor. Een frissche berglucht doorstroomde hare borst. Een malsche regen streek langs lentegroen neer, terwijl de zon in duizenden droppelen blonk.
Dat alles was één oogenblik van----lucht en van licht geweest.
Toen is zij op een breeden weg gekomen.
De sneeuw bedekte het veld en de nacht was koud.
Maar hij hield haar omarmd, want een slag had haar neergeworpen.
En het zoetste woord heeft hij gesproken: âEngel!quot;
Dat was Herman, haar lieve Herman!
Toen was zij sterk, en niet onmachtig meer.
En op den gladden sneeuwweg ging zij voort.
Ginds lag een landhuis. De maan glansde langs den gevel.
En een ander sprak, en roemde haar kunst. Dat klonk welluidend. Maar 'twas Herman niet.
Ja, nü ziet ze dien vreemden jonkman weer goed. Daar ginder, waar 't salpeter op den muur glimt, daar staat hij. Ah, ze weet weer waarom ze ontstelt. Men ziet hen te zamen! â Hoort, hoort, nü spreekt hij:
Ze heeft een 'orief geschreven. Tante zou in zorg zijn wanneer zij het onheil vernam. â Ja, zoo is het!
En in dien brief heeft zij alles verhaald wat er gebeurd is.
En ja â hoort, hoort: getrouw zou ze blijven aan 'tgeen ze had beleden voor God en de menschen; dat schreef ze.
En van den ,Barmhartigen Samaritaanquot; heeft ze geschreven. â Dat was die jonkman.
En toen hij weg was â o, nu weet zij het zelve weer zonneklaar â toen moest ze nóg schrijven, al zou ook de kracht haar ontbreken.
Ja, ja juist, men zou aan tante vragen of geen lage drijfveer dien jonkman misschien had verleid----
Stil, wat zachter! Als hij 'tvernemen moest! â Neen, zij zelve verdacht hem niet. Ze heeft hem een nobelen enthusiast genoemd.
295
T00NEELSPELER9.
maar naar zijn lof mocht ze niet meer luisteren, al heeft zijn woord haar verwarmd.
Hoort, hoort! Zóó is het: Aan dat bezoek heeft zij een eind gemaakt. Toen men den brief kwam halen, en zij zoo hevig ontstelde «toen deed ze hem snel tot den aftocht besluitenquot;. Ziet ge, dat schreef ze; en 'twas in dien kouden nacht, in dat vochtige kamertje, waar een spin in haar web hing.
En den anderen dag?----â Luister! â Juist, juist, â toen was
de brief blijven liggen; â hij was gevallen misschien â en de tuinman zou hem vinden, en aan tante bezorgen.
Maar----â ah! dat wist zij niet â het spinneweb werd in maanden niet verstoord. En toen de vocht de letters verbleekt en den ouwel had losgemaakt, toen vond zij Flora's brief. Zij! â Dat was de oude vrouw!
En die oude vrouw heeft den brief gelezen.
En het hoofd buigt ze voorover; en ze staart naar den grond.
En den plaid, dien ze in den spoorwagen terugnam, ze slaat hem nu zelve om Flora's trillende leden.
O, en zij ziet het nu wel dat het wit van haar wang geen kleursel, dat haar ziek-zijn geen spel was.
En hoort, hoort! Met de stem van dien jonkman zegt ze:
Dat haar vooroordeel een rechtbank zonder recht; en haar: âEere zij God!'quot; een verheffing zonder liefde was.
Nu vraagt zij vergiffenis; nu----Maar neen, neen, vergiffenis,dat
mag, dat moet zij niet vragen. â Zie', dat grijze hoofd; hoor, hoor die bewogen stem! 't Is genoeg, meer dan genoeg. Nu weten zy 'twel dat Floortjo nooit slecht was! Nu gelooft die oude vrouw het ook; en Martin, en allen, allen!
â O lieve God!
En als een harp klonk voor 'tlaatst nog de stem;
,Slaap nu rustig. De kunst mag u niet verliezen. Overal moet men u achten en eeren. Ja, slaap nu gerust; de oude vrouw» mijn lieve grootmoeder heeft gezegd: dat ze u een zoen op uw heldere voorhoofd drukt.quot;
,0 zie, lieve goede God, een lachje, een blijde glimlach!quot; fluistert de diep geroerde tante; en met den zachten uitval: âMijn engel!quot; streelt nu werkelijk de zoen eener oude vrouw Flora's reine voorhoofd.
â Mijn Engel!
De blijde trek op 't gelaat der zieke is nog sterker geworden. Wie zegt dat: Mijn Engel!? â O het klonk van verre; maar zoet, onbeschrijfelijk zoet. En als Flora's lippen zich vluchtig bewegen.
296
TOONEELSPELEBS.
dan ontvliedt de reinste dank aan haar boezem met den schier on-hoorbaren zucht:
âEindelijk! â Herman, lieve Herman!quot;
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
GEKOMEN EN VOOE ALTIJD HEENGEGAAN.
Maar wie er ook waren, Herman Heldera was er niet.
Omdat Floortje vroeger wel eens heel in 't geheim aan tante over dien Herman had geschreven, en ijlend een paar malen zijn / naam heeft genoemd, zoo moest tante het een zekere bestiering noemen dat die juffrouw Brons is gekomen, want daardoor heeft zij een goede gelegenheid gehad om eens naar zijn persoon te infor-ir.eeren.
En Rosa, voor wie dit onderzoek nogmaals een treffend bewijs van Flora's onschuld ten haren opzichte is geweest, zij heeft de beste getuigenis kunnen geven, en al spoedig juffrouw Lindemans toestemming weten te bekomen om een bericht naar Antwerpen te zenden, ten einde Heldera â die nog niets van Flora's vertrek uit Amsterdam of van haar ziekte vernomen had â met haar toestand bekend te maken. Maar in weerwil van die toestemming, en de zucht om voor het dierbare kind alles te doen, wat haar spoedig herstel zal kunnen bevorderen, zoo heeft het tante Lindeman toch letterlijk pijn gedaan dat Floortje, nog zelfs in haar droevigen toestand, aan dat tooneel bleef hangen.
â 't Was om te schreien. Niet dat het zonde was, neen, dat weet ze nu wel, maar als een mensch zóó nabij Gods rechterstoel staat, dan klinkt de zucht om zoo'n theater-vriend toch al te schril in een christelijk oor. Veroordeelen zal tante die menschen niet, â immers ook juffrouw Brons heeft ze als een gewoon mensch behandeld, omdat de ziel toch haar leed en gevoel had â maar zoo'n manspersoon....! Gisteren heeft ze toegegeven om het bericht aan dien Heldera te verzenden, maar, dat het een vergeefsche moeite zou zijn, dat heeft ze dadelijk vermoed. Och, wat kon men
297
TOONEELSPELERS.
van zulke mannen verwachten! Als de weerhanen zijn ze: heden staan ze in 't Noord, en morgen in 't Zuid.
En tante Lindeman had volkomen gelijk. Gisteren kreeg Herman Heldera te Antwerpen den schokkenden brief, en heden bevindt hij zich reeds in de stad, waar hij zijn Flora moet vinden.
De directie van het Vlaamsche gezelschap, waaraan hij zich tijdelijk verbonden had, heeft geen oogenblik geaarzeld om hem, na 't ontvangen van die onheilspellende tijding, terstond te laten vertrekken.
Zoodra Heldera te Arnhem uit de diligence is gestapt, kiest hij zijn weg naar de woning, die hem wordt aangewezen. Zijn voorkomen moet â met dat plotseling ingevallen zachte weer, wel de opmerkzaamheid wekken. De hoed, van eenigszins vreemd model, drukt hem diep op de oogen. De kaplaarzen, die tot de knieën reiken, zijn slechts van voren zichtbaar, want de wijd openhangende reisjas hangt ten naastenbij tot op den enkel. Heldera zou die jas zelfs in den zomer willen dragen, omdat hij Flora's lief figuurtje er eens mee verwarmen, omdat hij die mouwen eens boven haar rein kloppend hartje saamknoopen mocht. Nog bovendien draagt hij een wollen plaid op den arm: 't was een geschenk van zjjn dierbare Floortje.
De reiziger heeft niet bemerkt dat hij de bijzondere aandacht van de straatjeugd had tot zich getrokken. Nu hij ter bestemder plaatse gekomen is, vermeerdert een kleine troep, die al vroeger voor juffrouw Lindemans woning had post gevat zijn gevolg.
Straks heeft er één uit die groep verzekerd, dat âde zoon van den weggeloopen bankier, dat huis weer was binnengegaan.quot;
Men wacht er totdat die sinjeur raar buiten zal komen.
Nu die vreemde met zijn hoed op de oogen, in de woning verdwenen is, wint plotseling bij het straatgemeen de ongerijmde meening veld, dat het de bankier moet wezen. Zij, die hem gezien hebben, kennen hem eigenlijk niet; maar, volgens de beschrijving â beweert een kaaiwerker, dat hij het zeker moet zijn.
Een agent van politie verzoekt de menigte uiteen te gaan, omdat in dat huis een «gevaarlijke ziekequot; is. 'tWas zijn instructie.
Grimlachend ziet men over den schouder naar den agent en naar de bovenramen; doch, dat gevaarlijke zieke, heeft nog wat invloed. Men verwijdert en verspreidt zich â om echter op wat verderen afstand toch een oogje in 'tzeil te houden.
En binnen de ziekenkamer, waar Flora's bewonderaar straks als verslagen stond bij 't zien van de verwoesting, die een zoo kort-
298
TOONEELSPELEES.
stondige ziekte had aangericht, daar staat nu de man, die Flora liefheeft als 't licht van zijn oogen, en, bij den eersten aanblik kan hij zyn smartkreet niet weerhouden:
âGod! Floortje!!quot; roept hij vernietigd, en staat een oogenblik roerloos, met de handen saamgewrongen op de borst. Maar dan weerhoudt geen aardsche macht hem van die sponde terug: Met zijn arm moet hij haar omvatten. Haar hand zal hij drukken. Haar oogen moeten hem zien! Zij moet hem hooren: âFloortje, lieve Floortje! 't Is Herman. Liefste, herken je mij niet?quot;
En als het geluid van een wegstervende echo, maar toch duidelijk, klinkt Flora's stem;
âHerman!? Ja, ja! O! Nu is het goed; heelemaal goed! Dank, dank, lieve God, dank!quot;
En terwijl het Flora werkelijk goed is, maar Herman, bij den zielverscheurenden angst dat de dierbare hem voor eeuwig kan ontrukt worden, haar nog vaster omklemt; terwijl tante en dominee, ofschoon weldadig verrast, toch bezorgd zijn dat die opwinding Flora zal kwaaddoen, en vruchteloos beproeven om Heldera van het ziekbed te verwijderen â alsof Herman gelooven kon dat het voor zijn engel werkelijk beter zou zijn; op dat oogenblik ziet Archibald nogmaals naar den mageren man, wiens houding en gelaat zijn aandacht reeds gedurig van het roerend tooneel hebben afgeleid.
Als het beeld der verschrikking; als de dood zelf aan wien men hier een dierbaar leven betwist, zoo stond daar Martin.
Toen de vrede aan dat kind was hergeven, toen heeft hij een hemel zien opengaan. Toen de naam Herman een paar malen aan Floortje's lippen ontvlood, toen bonsde zijn hart omdat.... omdat hij niet wist, wat hij toch altijd zoo goed heeft geweten. En, toen die man, die vreemde is binnengekomen, toen hij bij dat ziekbed daar, op de knieën lag, en met zijn arm het kind omvatte; toen hij haar streelend zijn engel noemde; en
Floortje lispte: dat het nu heelemaal goed was, toen----toen werd
het nacht voor zijn oog.
En niemand zag het, en allerminst kon de arme Flora vermoeden, dat op den stond, die haar een reinen vrede schonk, de goede Martin door Archibald als levenloos.uit dat vertrek werd gedragen. ..stil. onhoorbaar stil, alsof niets aan Floortje verraden mocht, dat de oude vriend voor altijd is weggegaan.
299
TOONEELSPELERS.
TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE KOMIEK.
Aan den dokter, die weinige oogenblikken later in het voorvertrek ia gekomen, heeft Archibald de verdere zorg voor Martin mogen overlaten. Zijn lieve grootmoeder vergeet hij niet. Misschien zelfs toefde hij reeds wat lang in de woning waar hij â uit haar naam, een vredebode mocht zijn.
Bij 't naar buiten treden bemerkt Archibald wel dat het bijzonder vol en druk is op straat; doch, het tafereel van den krachtigen jonkman, die zijn geliefde in zulk een toestand moest wedervinden, en haar blijft omarmen als vreest hij dat een grimmige macht haar anders ontvoeren zal; de herinnering ook aan den doodsbleeken man, wiens marteling hij heeft verstaan, en wiens kwaal zijn dichterziel terstond heeft begrepen; die sombere tafereelen vervullen hem te veel, dan dat hij voor zijn omgeving iets meer dan een vluchtig oog hebben kan.
Nochtans, de frissche buitenlucht en het leven op straat, ze too-veren Archibald eensklaps te midden van zooveel schokkends, een beeld vol levensfrischheid voor oogen:
't Is Louise!
In zijn verbeelding ziet hij haar, lieftallig, met de rozen op het geestvol gelaat, met den hemel in 't oog, terwijl ze hem aanziet met haar verrukkelijken glimlach, en fluistert: Mijn lieve Archibald!
Op 't zelfde oogenblik heeft echter een schrille toon zijn oor getroffen. Hij weet niet wat het geweest is. Maar de begoocheling was voorbij. â O God, hoe heeft hij een enkele seconde kunnen vergeten dat die tooneelspeler hem niets te benijden heeft. Op Flora's gelaat kan de blos terugkeeren; haar oog kan weer vonken vol levensvreugd, haar mond weer de tolk worden van 't reine gemoed en van de kunstgave haar geschonken, maar om zijn dierbare, zijn onvergetelijk kameraadje van de smet te bevrijden dat een ellendeling haar vader is, daartoe is zelfs de Almachtige niet in staat.
De straatgroep heeft intusschen een oog in 't zeil gehouden.
300
IOOKEELSPELEBS.
âWeet je wat ie deed?quot; vraagt er een.
âWaarachtig! Weduwen en weezen ongelukkig en doodarm maken, dat deed ie!quot;
âAlsof het niets meer was! Neen, ze hebben den aap geborgen, die groote dieven!quot;
âMet een millioen zijn ze op den loop.quot;
âOf aan 't laveeren op zee.quot;
âMaar ze zeggen immers dat ie bij die madam op 't bovenhuis zit.quot;
âLeugens! 't Kuiken zit er, maar de eigenlijke bloedzuiger niet.quot;
âZoo'n godzalig man: 's morgens in de kerk en 's avonds dronken op straat!quot;
âDa's laster! Van den drank was ie vrij.quot;
âDat weet je niet. Is een mensch te kort van beenen of hals dan is ie 't ook heelemaal.quot;
âTe kort! 't Was een mooi rijzig man.quot;
âHoor! hoor! Dirkje kent 'em!quot;
âHoor je wel, ze kent 'em! Heb jij van z'n duiten ook soms die mooie grenaten om je poezelig halsje, zeg?quot;
âKijk ze bloost! 'en kleur als vuur!quot;
âBlozen, ik! Waarachtig niet. Nooit van m'n leven! Maar rijzig was ie, precies als z'n zoon. Daar heb j'm!quot;
âJa kijk, daar heb j'em! Zoo'n schoelje! Nog het hart te hebben om op klaarlichten dag in de stad te komen!quot;
âEn z'n lief te bezoeken!quot;
âIk zeg dat 'tmooi is dat hij komt, als ze ziek ligt, zooals de agent zei.quot;
âJa, gevaarlijk ziek.quot;
âGevaarlijk! Hahaha! Is de ouwe die er woont geen baker van d'r ambacht? Hahaha!quot;
âBaker! 't Is juffrouw Lindeman; vroeger in modes; in De Roode Mutsenbol!quot;
âAlsof een baker geen roode mutsenbol was! Hahaha!quot;
â't Is God geklaagd dat zoo'n jongen hier vrij op straat loopt.quot;
âZoolang de grootheid recht spreekt, zul je alleen onnoozel volk van ons slag achter de tralies zien.quot;
âHei jongeheer, hebben ze al lozies voor je vader besteld? God beter't!quot;
Dat laatste woord was de schrille toon, die Archibald heeft getroffen. Aanstonds omziende en de menigte ontwarende, die hem nabij is, staat hij stil, en.... Doch neen, zonder den slagersknecht, die hem toesprak, met een blik te verwaardigen, vervolgt hij zijn weg.
301
TOONBELSPELERS.
âPas op! Gisteren heeft hij je knollen voor citroenen verkocht. Toen zei ie dat het lijk van z'n vader bij de brug was gevonden.quot;
âEn 't was gelogen?quot;
âJa waarachtig; liegen is d'r broodwinning!quot;
âEi, ben je zoo'n grappenmaker â mooie mijnheer! Hé, fijne beschuit!quot;
Archibald staat weer stil, en zegt forsch:
âIk verzoek je, mij met je handen van 't lijf te blijven.quot;
âVan 't lijf te blijven! Ik! Alsof ik mijn handen aan jou zou vuilmaken hé! Geef Aaltje Tol eerst weer wat je haar ontfutseld hebt. Op jou en je vaders naam spuw ik. Zie je, zóó doe ik, zóó!quot;
Een onbeschrijfelijk gevoel kookt er in Archibalds borst. Wat hem gisteren tot drie malen toe het bloed in beweging bracht: bij 't gaan afhalen van zijne grootmoeder; na Mores woord op den weg; in 't voorhuis van Van Raves woning, dat doet het nu opbruisen, als gesard door een gloeienden dolk. Het laagst gemeen spuwt op zijns vaders naam, den naam, dien hij steeds zoo hoog heeft gedragen! â Wat heeft hij zich nog te betoomen, als 't gepeupel dien naam trapt in 't slijk. â Zijn arm is een reuzenarm. Zijn vuist is een ijzeren moker! Sla toe; dien saterkop gebeukt dat de hersens in 't rond spatten en het sarrend gelach doen verstommen ....
â Goddank, dat oogenblik van onbetoomde drift ging als een dwarlwind voorbij. Moest een gewapend saletrekel den vorigen avond de kracht van zijn vuist gevoelen, zijns vaders naam wreekt hij niet door zich te meten met het laagst gemeen.
â Woeste drift heft geen naam uit het slijk. Zij kan hem reddeloos doen zinken.
Maar de domheid en 't ruw geweld begrijpen niet wat er omgaat in die borst.
Men heeft des jonkmans oog zien vlammen. Tusschen hem en Brak verwacht men een kloppartij.
i Brak zelf acht zich nu de held van den dag. De gansche stad zal hem eeren dat hij zulk volk durfde toonen hoe men hun zwendel vervloekt. Zijn vuisten zijn klaar. Hi) zal....
Een geweldig rumoer beweegt de aangroeiende menigte.
Men hitst, men sart, men scheldt.
Maar ook andere stemmen verheffen zich.
âLaat hem loepen; wat heeft ie gedaan?quot;
âAls jij zelf iets te pretendeeren hadt.quot;
âDe zoon is de vader niet.quot;
302
TOONEELSPELBIiS.
âMaar den Heiligen Geest hebben ze geen van beiden. Taa Brak, er op!quot;
âKijk, de mooie heer wordt benauwd.quot;
âAls ie bij z'n liefje, of aan een andermans laadje zit, dan kan ie zich roeren.quot;
âHoe komt ie aan zoo'n horloge op zak?quot;
,'t Is gestolen!quot;
âGestolen! Alles gestolen! Die mooie hoed ook. Pas op!quot;
In 'tzelfde oogenblik dat de belhamel, door een aanval op Archibalds hoed hem tot den strijd wil dwingen, komt een haakstok tusschen de menigte naar boven en weerhoudt plotseling den arm die gereed om te treffen, zich naar achteren beweegt.
't Gelach, dat er nü opgaat, geldt den woedend omzienden Brak.
âBedaar kameraad, die hoed is waarachtig onschuldig!quot;
âHihi haha!quot; gilt de menigte: âde hoed onschuldig!quot;
âEn als j'em kapot slaat dan lacht de hoedenmaker alleen.quot;
âWaarachtig, hij is het!quot;
âWie!?quot;....
âWel! Thomasvaer met z'n dikke buik!quot;
âDe domme rekruut!?quot;
âJoris Goedbloed in de maan!?quot;
âToen ze zoo aten!?quot;
âJa, 'k heb 'em zelf z'n kruk moeten brengen toen ie weer op de been kwam. Maar kemiek, kemiek! Toen ie 't fooitje gaf toen zeidie: Daar Kameraad; wees jij nooit een brekebeen!quot;
âStil, stil! Je zult 'em hooren. De kemiek, de kemiek!quot;
âNeem m'n arm mijnheer,quot; zegt Van Deene tot Archibald, en, aanstonds zich omwendende, tot Brak, die een oogenblik heeft geaarzeld, doch nu in een kemphanenstand den indringer tart:
âMooie voorstelling! Vrijkaartjes. â Sus.s.s.t.t!quot;
Met den vinger op den mond, heeft Van Deene bij zijn langgerekt sust, den kring rondziende, een zoo zonderling geheimzinnig gelaat getrokken dat zelfs de slagersknecht er door ontwapend werd.
âVrijkaartjes, wat meen je?quot;
âSuss.s.s.s.t!quot; sist Van Deene, terwijl zijn oogen, links en rechts zwenkende, op de punt van zijn neus zijn gericht, en 't schijnt alsof die neus zelf hoe langer hoe grooter wordt.
Een oorverdoovend gelach, 't welk de straathonden aan 't keffen brengt, verheft zich uit de groep, en juist wil men vooruitdringen om van den âkomieken komiekquot; toch geen oogknip te verliezen.
303
TOONEELSPE1ERS.
of, met een wending even kort als snel, is Van Deene met den bankierszoon een openstaanden sinidswinkel binnengegaan.
De wending was zoo ongeloofelijk snel in rechthoek genomen, dat sommigen den winkel reeds eenige schreden voorbij waren, eer zij 't goed begrepen dat de gratis voorstelling reeds geëindigd was.
âJa, ik ben Van Deene, mijnheer,quot; zegt de acteur zacht tot Archibald, en dan aanstonds tot den smid, die den blaasbalg laat rusten: âVan de belasting, ja wel. â Mijnheer en ik komen eens
zien of je niet in je achterhuis..... watblief..... een schoorsteen,
een aparte smederij.....?quot; '
âIk heeren! Ik? Waarachtig niet!quot;
De heeren zijn reeds in de donkere gang verdwenen.
Van Deene wist dat de meeste huizen der straat aan de achterzji in een steeg uitkomen.
âWel heer in den hemel! wie heeft me daarvan beschuldigd!quot; bromt de smid, die nu begrijpt waarom hij zoo'n troep vulk voor z'n deur heeft gezien.
âNiemand, en ik geloof er ook geen zier van. Als jij die achterdeur maar even woudt opendoen, dan kunnen we zien of er een schoorsteen is.quot;
âMaar daarvoor hadden de heeren evengoed buitenom kunnen gaan.quot;
âMaar je ziet dat we met z'n b'eien zijn!quot; zegt de acteur op een toon, die den smid overbluft.
âO ja, wat dat betreft. Neem me niet kwalijk heeren. Wacht, die deur klemt een beetje. Zie je.... Nu kunnen de heeren zich heele-maal overtuigen dat het venijn en laster is.quot;
Van Deene knikt den smid een oogenblik later gemoedelijk toe, en nogmaals in de lucht ziende:
âNiemendal hoor! Laster! Bonjour!quot;
âBezoer heeren. Dank je heeren....quot; zegt de smid; en straks bij zich zelf: âWel zeker als de groote dieven niet te vangen zijn, dan maken ze jacht op de kleintjes. Maar Goddank, bij Jaspers is de duivel niet thuis.quot;
âHoe zal ik u naar waarde danken, mijnheer,quot; zegt Archibald een oogenblik later: âzonder uw tusschenkomst zou ik mij zelf misschien niet langer hebben bedwongen. Ik kende u niet, en, hoe wist u dat ik----?quot;
â... De zoon van den bankier waart ? â Dat begreep ik aanstonds mijnheer, toen ik den hoek der straat omslaande, u uit het huis zag komen, waar ons lieve Floortje zoo ernstig ziek ligt. Ik
304
TOONEEL8PELERS.
had van u gehoord. Mijn arm confratertje had me eens de eer bewezen, mij, in m'n brekebeenarrest, met een brief te verkwikken. Daarin sprak ze ook van u, en van uw nobelen zin voor onze Kunst. Juffrouw Brons had mij bij een vluchtig ontmoeten, nog bovendien gezegd dat u zoo wonderwel de pen hanteert. Zie je, zoo leert men iemand kennen mijnheer, en toen ik je daar zoo onbarmhartig aan 't Schellinkje zag overgeleverd, toen moest ik immers wel meedoen, want, vallen kan men heel gemakkelijk, en een ellendiger perikel dan een gebroken been is er niet. Adieu, mijnheer Van Oudenolm; als de Kunst je werkelijk na aan het hart ligt, dan hoop ik dat we elkander, na onze gratis-voorstelling van zoo even, nog eens weer zullen zien. Adieu!quot;
Haastig vervolgt nu Archibald zijn weg door een paar achterstraten. Nadat de ontmoeting met den tooneelspeler, en diens inva hem zoo onverwachts van 't sarrend gemeen hebben bevrijd, en hij door Van Deenes woorden tevens aan het tooneelstuk werd herinnerd, 't welk de directie Baars en Kogel van hem ontving, â ofschoon Van Deene zelf daarvan onkundig, slechts op Rosa's gezag de meening heeft uitgesproken dat Flora's vereerder, als kunst-beoordeelaar âzoo wonderwel de pen hanteerdequot;, â nu ziet Archibald plotseling een lichtpunt, dat hem, te midden van zooveel donkere wolken, uit de verte helder tegenblinkt.
â Ja: zóó zal het wezen, vader! zegt hij onhoorbaar, terwijl zijn oog van kunstvuur schittert: Met zwaard en vuist bestrijdt men de domheid niet. Door een wraak waar het kokend bloed toe drijft, hef ik uw onrechtvaardig bezwalkten naam niet omhoog. Maar, indien mij talent werd geschonken dan, zoo waarachtig als uw naam de mijne is, zoo waarachtig zal mijn pen u wreken, dat zweer ik u!
Straks in een drukker gedeelte aan 't einde der stad gekomen, spoedt Archibald zich naar buiten. Ofschoon hij geen herhaling van het straks gebeurde vreest, zoo heeft hij toch alweer een paar maal zijn naam hooren noemen. Een winkelier, die hem naderen zag, is naar binnen gesneld om straks in zijn deurportiek, met een stoet van winkeljuffers en heeren achter zich, den voorbijganger eens goed te kunnen opnemen. En ginder, men ziet nog eens om; men wijst hem na. Hoor, alsof de carrillonspeler mede het feit van den dag bij stedeling en marktganger wil levendig houden, zoo laat hij het: âL'or n'est qu'une chimère,quot; van den hoogen toren klinken. O. zelfs de stadsklokken vergeten den armen vader niet!
En Archibald? â Als de wereld dan grimmen en grijnzen blijft,
in. ao
305
TOONEELSPELER3.
zal het hem dan mogelijk zijn om op een gansch niet geëffende baan den begeerden lauwer te winnen?
Ach, dat het lichtpunt alweer zoo spoedig verdonkeren moest! â Louise! Hoe kon hij 't een oogenblik vergeten: Wat zal Archibald wezen zonder u! Wie zal hem sterken, aanvuren, bezielen, nu hij zijn oogappel, zijn dierbaar geestvol kameraadje voor altijd verloren heeft.
DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
LOUISE.
Louise, Archibalds oogappel, zijn geestvol kameraadje!?
Ja, schrander is ze, en, een gezond oog schuwt geen licht.
âWaar moet jij heen?quot; zegt Van Rave, nu hij zijn dochter, gereed om uit te gaan, âhet atelierquot; ziet binnentreden.
Misschien omdat Van Rave juist aan 't sausen met kromaatgeel op de nog onvoltooide sterren van de Generaais-portretten is, valt het hem op, zoo fljn en blank als zijn kind er uitziet; en wat vriendelijker herhaalt hij:
âIk vraag je kindlief, waar je naar toe gaat?quot; Louise aarzelt even, doch zegt nu flink:
âIk ga de oude mevrouw Van Oudenolm bezoeken, papa.quot;
âDe... oude... me... Wat! Ben je razend?quot;
âU zult begrijpen papa dat ik, na 't gebeurde met mijnheer Van Oudenolm, toch toonen moet hoe hartelijk ik haar altijd heb liefgehad.quot;
âLiefgehad! Die oude mevrouw; die gemeene boel! die bankroetiers! die.... Van Rave kan van ergernis en verbazing den zin niet voleinden.
âAl is alles waar papa, dan zou ik toch een ongevoelig schepsel moeten zijn, indien ik de lieve oude vrouw, die mij van der jeugd af aan zoo oneindig veel goedheid bewees, nu niet in de armen vloog; als ik haar niet ging bewijzen dat ze haar liefde aan geen slecht ondankbaar schepsel heeft verspild.quot;
âLiefde! Liefdel In de armen vliegen!quot; roept Van Rave, op-
306
toonkelspelers.
staande, terwijl hij 't palet met kromaatgeel van zich afwerpt: âLiefde! Moet ik zóó iets beleven! In de armen vliegen! Dien Archibald misschien, den verloopen bankroetier!quot;
.Archibald was nog niet als deelhebber in de zaak opgetreden papa, en u zult dus erkennen dat aan hem 't allerminst het gebeurde te wijten is.quot;
Van Rave stampt op den grond.
âDe zoon van zulk een vader! Mijn God, en dat durft zijn partij te trekken! dat spreekt van liefde! Voor de schandvlekken der maatschappij; de bezoedelaars van eer en deugd, de vertreders van den naam dien zij âi er venquot;! Wil jij, kind, je opzetten tegen God en je vader? Ik, die mijn vader altijd zoo hoog vereer; alsof ik gisteren nog geen daalder voor jelui aan verf had besteed; maar dat laat je me verdrogen en bederven, om me van dingen te spreken waar ik van gruw. Kind! ik ken je niet meer. Maar je blijft thuis! Je blijft thuis zeg ik je! In der eeuwigheid kan er geen verband tusschen die zwendelaars en 't geslacht der Van Eaves zijn!quot;
âVan een verband of wat u daarmee bedoelt, had ik nog niet gesproken,quot; herneemt Louise bedaard: âIk heb u alleen gezegd dat het mijn plan is om de lieve oude mevrouw te gaan opzoeken. Ja zelfs, ik had u willen vragen of U met mij woudt gaan?quot;
âMet je.... met....!quot; â Van Rave ziet Louise aan alsof hij werkelijk gelooft dat de liefde voor dien knaap haar in 't hoofd is geslagen.
âIk, ik zou met je.... daarheen gaan!? Ik mee naar Den Driellaert! â Ha, dat is zoo'n helsche zet van je moeder: Bankroetiers sympathie!quot;
âPapa, u hebt mij zeker hooit liefgehad,quot; zegt Louise eensklaps op een toon, zóó treffend melodieus en gevoelig, dat men 't haar wel vergeven moet indien er tegenover dien man een beetje, een heel klein beetje tooneel in zat.
âWat blief? Nooit liefgehad!quot; zegt Van Rave: âNota bene! Alsof je 't niet dagelijks ondervindt. Heb ik niet zelfs de totale opleiding van de kinders aan je zorgen toevertrouwd, omdat hier geen draaglijke school is, en ik het te druk heb? Niet liefhebben! Mijn God, wat, wat wil je dat ik meer doe!quot;
âIk wilde dat u mijn lieve moeder niet onrechtvaardig zoudt beschuldigen; en, dat ü mij toestondt om naar Den Driellaert te gaan papa; U begrijpt toch dat mijn bezoek aan die goede oude mevrouw volstrekt noodzakelijk is?quot;
âWat! begin je weer van voren af aan?quot; roept Van Rave: âDie
307
TOONEELSPELERS,
goede oude mevrouw! Zeg liever waar 'top staat. Je wilt je vaders geslacht te schande maken. Om een gril, een zoogenaamde liefde, een ding dat in de lucht hangt, zul je vergeten wat ik gisteravond gezegd en gezworen heb. Je wilt nog heulen met den zoon van een susjet dat me misschien â als God 't niet belet had â in zijn financieele speculaties zou hebben meegesleept en ten gronde gericht! Maar ik zeg je, zoo waar als mijn vader,quot; â hier wees Van Kave op het verdraaide hoogbruine gezicht van een zijner kunstproducten; , zoo waar als de Generaal Van Rave onzen stam tot eer en roem was, zoo waarachtig herroep ik nooit wat ik ééns gezegd heb!quot;
Ofschoon Van Raves heftige uitval wel wat theatraal heeft geklonken, zoo was het hem toch aan te zien, dat zijn besluit onveranderlijk vast was genomen.
âIk wist het papa,quot; zegt Louise met een bedaardheid, die haar vader verrast: ,Als ik 't niet geweten had, dan zou ik misschien in stilte mijn bezoek op Den Driellaert hebben gebracht.quot;
âIn stilte! Wat zeg je? Als je het niet geweten hadt? Wat geweten?quot;
âDat u een gegeven woord niet terugneemt.quot;
âNooit! In der eeuwigheid niet!quot;
âIk zeg, daarom papa, was ik er zeker van dat u mij 't brengen van een bezoek aan mijn goede... â aanstaande grootmoeder niet zoudt weigeren.quot;
âAanstaande grootmoeder----!? Aansta----quot;
Mijnheer Van Rave staat als met de lont aan 't kruit, gereed om een mijn te doen springen, 't Was goed dat Louise hem de hand op den arm lei:
âBeste papa, u hebt een brief naar Den Driellaert gezonden.quot;
âWat? Een brief? Ja, ja wel, om dien More te toonen dat men zich niet bespotten laat.quot;
,ü hebt in dien brief het acces gegeven dat mijnheer Van Oudenolm u vroeger verzocht had.quot;
Van Raves versuft gelaat doet zijn dochter te onaangenaam aan, dan dat ze haar overwinning kan vieren. Snel vervolgt zij: âDoor 't geen er gebeurd is papa, begrijp ik dat u er niet meer aan gedacht hebt; maar, wat u ééns hebt geschreven dat staat geschreven, nietwaar?quot;
âGeschreven! Niemendal heb ik geschreven.quot;
âUw brief heeft te veel indruk op mij gemaakt, dan dat ik hem niet bijna woordelijk van buiten zou kennen.quot;
Ei, een brief door hém geschreven kent zij bijna woordelijk van
SOS
TOONEELSPBLEKS.
buiten! Ofschoon Van Rave van dien brief niets weten wil; dat men van buiten kent wat hij gedacht, gesteld, gediplomatiseerd heeft dat----enfin het stemt hem iets kalmer.
â't Was uw wensch papa, het geluk van uw kind te bevorderen.
Hoor, 'twaren uw eigen woorden: âHet is hem â dat bent u â een dure behoefte zijn kind gelukkig te zien.quot;
âNatuurlijk! Dat was juist en verstandig uitgedrukt. Maar denk jij dat je geltfekig zoudt zijn met iemand die, naar 't algemeen gevoelen, in lichtzinnigheid zijn tijd verbeuzelt?quot;
Louise weet zich te beheerschen.
,U hebt in dien brief geschreven, dat de voorbeeldige wijze, waarop uw jeugdige vriend naar het algemeene oordeel, zich zijn voorbereidende kundigheden ten nutte maakt, u volkomen vrijmoedigheid geeft....quot;
âJa wel, dat stond er; dat heb ik geschreven: naar het algemeene oordeel. Maar het oordeel van gisteren is het oordeel van heden niet. We hebben nu zekerheid dat die mooie mijnheer een gemeen individu is.quot;
Louise bijt zich op de lippen. Maar even bedaard herneemt ze:
âIn uwen brief stond, papa, dat u, na deugdelijke inlichtingen, ten volle verzekerd waart, dat u Archibalds karakter tot geen lichtzinnige handelingen, tot geen trouweloosheid in staat acht.quot;
«Verzekerd!quot; roept Van Rave, vuurrood geworden: âdat stond er niet. Ha, ik heb het concept nog. â Wacht! â We zullen zien.quot;
En Van Rave heeft zich een oogenblik later overtuigd dat hij het werkelijk geschreven heeft. Maar, kan hij nu bekennen dat die deugdelijke inlichtingen hem â na het gebeurde met More â als zeer bruikbaar voor zijn huwelijks-uitzicht van Louise met het huis Van Oudenolm amp; Co., als't ware geïnspireerd zijn geworden?
âDat was mijn vertrouwen, mijn goed hart. Maar....1'
âZie papa, hier hebt u gezegd,quot; valt Louise in, terwijl ze met den vinger op het papier wijst: âdat u elk lichtvaardig vonnis veracht.quot;
âMijn God, kind, je zult me met je drogredenen nog razend maken. Zwijg! Alsof niet alles als dag en nacht veranderd was! Begrijp je dan niet dat die jongen, al was hij een engel van deugd en trouw, in der eeuwigheid jou man niet kan worden? Je weet toch wat er gebeurde, en dat zijn vader een eervergeten schurk is.quot;
âNeen papa, dat weet ik nog niet. .. een eervergeten schurk!?quot;
âMaar ik weet het, en de heele wereld is er van overtuigd dat de laagste praktijken hem niet te min zijn geweest om met het
TOONEELSPBLEBS.
geld van rijk en arm te kunnen dobbelen. Wou jij de dochter van zoo'n schelm worden! Zouden mijn kleinkinderen, de achterkleinkinderen van den Generaal Van Rave,quot; â mijnheer wees nogmaals op zijn kunstproduct â âzich niet eeuwig schamen indien ze 't besef kregen dat hun grootvader een gemeen bankroetier was geweest?''
â Kieschheidshalve, en ook ter wille van haar goede stiefmoeder, zal Louise dit anticipeeren op de schande van hare kinderen, maar niet beantwoorden. Mijnheer Van Rave scheen te vergeten dat zijne spruiten uit het tweede huwelijk â de kleinkinderen van den beroemden Generaal, maar tevens de kleinkinderen van een gefailleerd koopman â die schande, zoo het hun als schande kon toegerekend worden, levenslang zullen dragen. â Arme broertjes en zusjes!
âMaar moet ik U herhalen papa, dat Archibald in geen geval aansprakelijk is voor 't geen zijn vader mocht gedaan hebben. Van zijn jeugd af aan had hij een tegenzin in de bankierszaak. Hij is veel meer artist dan handelsman, en....quot;
âJe gebazel verveelt me!quot; schreeuwt Van Rave, met een geweldigen stamp op den grond: âOnzinnig schepsel, denk jij dat je van den wind kunt leven? Ik heb je geluk bedoeld; dat staat in den brief, nietwaar, diU staat er?quot;
âJa papa, maar....quot;
âMaar!!! Als die menschen straat-arm zijn, dan is dat geluk verkeken! Heb je dan geen oogenblik gevoeld dat ik die partij geschikt voor je achtte, in de meening dat er fortuin was: ja wel: âovertuigd dat het onze oudervreugd zou verhoogen, wanneer wij ons kind gelukkig zouden zien;quot; dat schreef ik, maar versta je: als de vrouw van een vermogend bankier!quot;
Nogmaals kost het Louise moeite om zich te bedwingen:
âIk geloof niet dat u het werkelijk meent papa. Rijkdom maakt niet gelukkig....quot;
âWat? Rijkdom niet gelukkig! Blief je te zeggen misschien dat het pleizierig is te moeten tobben zooals wij?quot;
De woorden; Indien u nuttig werkzaam waart dan zou het niet noodig zijn, zweven van Raves dochter wel voor den geest, maar op deze wijze treft een gemoed als het hare den vader niet.
Op te jeugdigen leeftijd met een vijftig duizend gulden en zijns vaders naam alleen gebleven; slechts matig met geestesgaven bedeeld; bij zijn tweede huwelijk door een bittere misrekening teleurgesteld, is er voor Louise zooveel verschoonbaars in 'tgeen ze, met-kinderlijke liefde, haars vaders zwakheden noemt. Meermalen echter
310
TO ONEELSPELERS.
heeft zij haar meening laten doorschemeren, dat eenige werkzaamheden 's mans geluk en het welzijn van de zijnen zou bevorderen, doch, het eenige gevolg daarvan is in 't einde het ontwaken van des vaders kunstvuur geweest, ter verheerlijking van zijn beroemden naam.
Nu zegt ze:
âIk weet dat bekrompen omstandigheden, vooral in onzen stand, niet aangenaam zijn, maar wie jong is en sterk, behoeft geen fortuin van ouders of grootouders om gelukkig te worden. Zich door de wereld slaan; werken; iets tot stand brengen, en dan â ja, zijn werk beloond zien, dat is geluk!quot;
Louise sprak bij ondervinding, maar dewijl haar vader die ondervinding niet deelt, en vreezende dat toch haar woorden hem zullen gekwetst hebben, wijst zij, ofschoon 't haar moeite kost, naar zijn kladschilderij, terwijl ze vervolgt: âU hebt ook de ondervinding papa, dat het gelukkig maakt wanneer men iets tot stand brengt.quot;
Louises kleine vertooning heeft meer bewerkt dan de treffendste woorden 't zouden gedaan hebben. Haar kunstgreep uit liefde, werkte, althans voor een oogenblik, uitmuntend.
Innige zelfvoldoening sprak er uit Van Raves oog, terwijl het op zijn meest voltooide kunststuk bleef rusten.
,'t Verheugt me Louise, dat je eindeliik schijnt te begrijpen dat mijn werk waardeering verdient,quot; zegt Van Rave op vrij wat kalmer toon dan hij tot nu toe gesproken had: âIk laat er mij niets op voorstaan, kind; ja zelfs, ik weet zeer goed dat het niet volmaakt f is; maar, zooveel is zeker, dat ik door mijn werken bewijs wat ik voor mijn kinderen overheb, zoodat ze nog van mij spreken zullen, i als ik reeds lang in het graf lig. Dit stuk is voor Willem. Het | bevalt je, nietwaar?quot;
Neen, al zou ze 't nu willen, huichelen kan Louise niet. Maar toch, met een zijdelingsch antwoord kan zij zich redden:
âU weet wel papa, dat het portret van grootvader mij altijd zoo ' heel veel pleizier deed.quot;
âJa wel, maar dit! Ik meen of je dit stuk bevalt? Dat hetgeen Rembrandt of Rafaël is, dat weet ik heel goed; zóó dwaas ben ik niet; maar de gelijkenis, de kleurenmengeling, wat blief? Je vindt het mooi nietwaar?quot;
De verzoeking was groot. Indien Louise van de gelegenheid wil gebruik maken; indien zij comedie wil spelen; indien ze haar mond tot een bewonderend lachje plooien en slechts een eenvoudig: Welzeker, heel mooi, ten antwoord wil geven, 't zou misschien voldoende
311
TOONEELSPELEES.
zijn om het vaderhart voor zich te winnen; maar, zulk een come-diespel is geen kunst; 't is bedrog, 't is huichelarij:
âMij dunkt dat het nog lang niet is wat het wezen moet,quot; zegt zij aarzelend zacht: âmaar, als men 't ook zoo weinig gedaan heeft als u...
Die laatste pleister zou weinig baten. Louises angstig gezichtje heeft den vader nog meer dan haar antwoord overtuigd, dat ook zij zijn werk, zijn talent â de hemel weet om welke reden â miskent en veracht.
Een stortvloed van de ongerijmdste verwijtingen: Louises heulen met individuen als die More â nota bene! â haar zucht om op alles wat haar vader doet met laatdunkendheid neer te zien; het verheffen van laffe zoutelooze kunstenmakerij en prultooneel-schrijverij, zooals van dien Archibald, ten koste van studiewerk zooals dit; haar verachten van eigen naam en familie, â 't waren zoovele dissonanten, die Louises eerlijk gemoed moesten treffen; en, nog 't hardst klonk ten slotte het streng bevel, om onder geen voorwendsel hoegenaamd, die bankroetiers-familie te bezoeken. Ja, mijnheer Van Rave herhaalde het nog eens, dat zijn neuswijs kind, dat van de schilderkunst geen greintje begrip had, voor altijd moest weten, dat hij nooit haar hand aan een jongen zou geven die, schuldig of niet, zoo arm als de mieren was.
Louise heeft haar vader geheel laten uitspreken. Zij geeft den moed niet verloren. Door valschheid heeft zij den vader niet willen winnen, zij hoopt dat de waarheid hem treffen zal.
âHet spijt mij papa, dat u mijn eerlijk antwoord zoo kwalijk genomen hebt,quot; zegt ze zacht: âmaar u hebt mij geleerd de waarheid te spreken.quot;
âDe waarheid! Wat, wat is waarheid!?quot;
âWaarheid is het in allen geval dat u in dien brief----quot;
âAlweer die brief----! Ik weet er genoeg van. Ga!quot;
âNog een oogenblik papa. U acht de eer van uw naam boven alles....quot;
âJa, maar jij niet!quot;
âJuist omdat ik uw naam niet wil gesmaad zien, moet ik u nog eens wijzen op 't geen u zelf hebt geschreven. Zie het maar na; in uw brief staat het duidelijk: Geld en rijkdom zijn het niet, die zij als nietig slijk begeert, maar.... de liefde van onzen jeugdigen vriend om zijn zelfs wil alleen.... Ziet u papa, dat staat er. En als u nog straks hebt gezegd dat u een gegeven woord nooit terugneemt, in der eeuwigheid niet, dan weet ik wel zeker dat de
312
TOOTÃEELSPELERS.
woorden van dien brief â met uw naam onderteekend, en met grootvaders zegel bekrachtigd â u heilig zullen zijn.quot;
En Louise had overwonnen. â Wel liep Van Rave met een vuurrood gelaat de groote holle kamer in drift op en neer, zoodat het bijna voltooide kunststuk en de andere doodverven er van trilden; wel ontrolde er van tijd tot tijd een woord aan zijn mond, dat liefst maar verzwegen zal worden, en nam hij een paar malen zijn concept-brief ter hand, ten einde nog eens te zien of zijn diplomatisch schrijven inderdaad âal dien onzinquot; bevatte, om het ten laatste met een verwensching op den grond te werpen; maar â waarachtig, hij had het geschreven. En als straks de lichtstraal: dat die brief, aan het adres van den ouden heer Van Oudenolm, dezen niet kan geworden zijn, door Louise is verdonkerd met de opmerking, dat de oude mevrouw hem zeker zal geopend hebben, of ook, dat het adres: De heer A. Van Oudenolm, zonder meer â aan Archibald alle vrijheid zal hebben gegeven om den brief als aan hem gericht te beschouwen, dan verwenscht de heer Van Harzathe wel het voorbedachtelijk terughouden van een paar titels, âwaarop die oude Van Oudenolm zoo trotsch was,quot; maar de overtuiging dat hij zich leelijk vergist heeft, alsmede Louises troostrijk besluit dat ofschoon haar liefde voor Archibald wel nooit zal verminderen, een echtver-eeniging toch in de eerste jaren tot de onmogelijkheden zal behoo-ren, zoodat zij voor haars vaders gezin nog lang dezelfde kan blijven â doet Van Rave met een wrevel gebaar besluiten;
âGa jij je gang, en doe wat je wilt, maar, denk niet dat ik dien troep zal bezoeken; waarachtig niet!quot;
De terugwandeling van de stad naar Den Driellaert heeft den jongen Van Oudenolm goedgedaan.
De lente, die zoo plotseling en reeds zoo vroeg uit haar schuilhoek was te voorschijn getreden, bleef ook heden vriendelijk lachen, niet om te spotten met het leed dezer wereld, maar, om haar oude en toch altijd weer nieuwe lied te doen hooren, van 't voorbijgaan der donkere dagen, en de hoop op een blijdere toekomst.
Ernstiger gestemd dan hij 't ooit te voren geweest is, doch tevens opgewekt door het ten slotte onwrikbaar genomen besluit om, in weerwil van 't geen hij zal missen en de hinderpalen, die hij voorziet, met alle kracht zijn talent te ontwikkelen, betreedt Archibald het vriendelijk landgoed, dat hem nochtans schijnt toe te roepen: We zijn oude kameraden, maar, 't zal nu op een scheiden gaan.
313
T00NBBL8PBLBRS.
âWaar ia mevrouw?quot; vraagt Archibald bij het binnenkomen aan den huisknecht.
âIk geloof, op hare kamers, mijnheer.quot;
âAlleen?quot;
âIk ben naar 't dorp geweest, maar ik meen gehoord te hebben dat mijnheer Briks de notaris er is.quot;
Archibald klopt aan de deur van het boudoir.
âWie is daar?quot; klinkt mevrouw Van Oudenolms stem.
Archibald opent de deur ten halve. Hij begrijpt dat zijn grootmoeder van de zaken, die zij met den notaris te bespreken heeft, nu voor hem geen geheim zal maken; maar toch, al hebben de treffende gebeurtenissen den band tusschen grootmoeder en kleinzoon ook vaster toegehaald, zonder noodzaak zal Archibald niet dan na een duidelijk verlof dit heiligdom betreden. Hij ziet de kamer in, doch, zijn vraag besterft hem op de lippen.
In plaats van het perkamenten gelaat van den notaris, ziet hij twee oogen, waaruit een hemel van liefde hem tegenstraalt.
Ter zij op den rand van grootmoeders lagen stoel gezeten, haar arm om den hals der oude vriendin geslagen, zóó ziet Archibald daar eensklaps dat heerlijke beeld vol levensfrischheid, 'twelk hem sinds den vorigen avond zoo gedurig, doch 't meest in een nevel voor oogen stond, maar dat hem tevens, zoo mogelijk, nog dierbaarder geworden is. Bergen, zeeën en afgronden hebben Archibald van zijn dierbare gescheiden, en ja, nog zelfs in dezen oogenblik gevoelt hij hoe het woord van haar vader, hun beider geluk voor a 11 ij d heeft vernietigd, maar toch, de verrassing is hem te machtig:
,Louise! Is 't mogelijk!quot; zegt hij met trillend geluid, terwijl hij ijlings op haar toetreedt.
Of het mogelijk was? Wat zou voor 't waarachtig liefhebbend vrouwenhart onmogelijk zijn! â Van het oogenblik dat de makker der jeugd, zich haar vriend voor het gansche leven heeft genoemd, en van haar het jawoord ontving, stond zijn naam in haar borst, als een naam in graniet.
En wat zou Louise weerhouden om zelfs nu, in het bijzijn van Archi's goede grootmoeder, den lieven zwaarbeproefden vriend, die haar in zijn armen drukt en haar gelaat met kussen der reinste liefde overdekt, met de innigste teerheid tot hem opziende, de handen saam te klemmen om den hals, en hem, ofschoon sprakeloos, tóch met haar rozenlippen alles alles te zeggen, wat haar overvol gemoed aan den dierbare te zeggen heeft.
314
TOONBELSPELEBS.
VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
ACHTEB DB SCHERMEN, EN VOOR HBT VOETLICHT.
In den namiddag van den volgenden dag is op de Ridderhofstad Harzathe alles in beweging.
Mijnheer Van Rave loopt als een dolleman het echtelijke slaapvertrek op en neer, nadat hij dien wedloop met zich zelf straks reeds op het atelier had vertoond.
Mevrouw Van Rave en Louise zijn hem van het atelier naar de slaapkamer gevolgd. Terwijl de kinderen, die Louise straks waren nageloopen, nü rondom het droogrek met de doodverven, krijgertje spelen, holt het dienstmeisje alweer naar boven, om te zeggen dat ze de luiken van 't salon niet open kan krijgen, en dat die oude mevrouw dus nu zoogoed als in 't donker zit.
âLaat ze in 't donker! Wat raakt me dat!quot; roept Van Rave.
âStil, stil toch, vader!quot; smeekt Louise.
âJij wist dat we niet thuis waren; dat er belet was!quot; snauwt Van Rave het dienstmeisje toe.
Maar de juffrouw had me gezegd dat ik die oude mevrouw, als zij soms karnen mocht, moest binnenlaten.
âZie je wel! Zóó eindigen die ellendige complotten nooit! Als jij dat besteld hebt, freule tooneelmamzel, dan moet j ij nu ook maar zelf gaan zeggen dat ik niet te spreken ben.quot;
âMaar Van Rave, bedenk toch----quot;
âDat die vrouw haar boeltje tot den laatsten zwavelstok moet verkoopen; ja juist, dat bedenk ik.quot;
âIs het niet edel? De boeken moeten immers bewijzen dat de crediteuren niet het minste recht op hare bezittingen hebben.quot;
âDe crediteuren.... Ja wel, faillissementen en crediteuren daar heb jij verstand van. Weet je ook misschien, waar de percenten zijn die mijn dierbare schoonpapa nooit betaald heeft!?quot;
âPapa, ik bid u!quot; zegt Louise; en dan: âMaar 't is onmogelijk dat u de oude mevrouw niet zoudt ontvangen. Zij zag u toen u naar boven gingt. Papa, zoo'n brave eerwaardige vrouw!quot;
âGezien? Ze heeft me niet gezien.quot;
âJa wel; wel zeker!quot; klinken drie stemmen te gelijk.
315
TOOKEELSFELEBS.
âStil, jelui zult me nog dol makon. De moeder van zoo'n schurk!
Ga jelui naar beneden; maar ik----Neen, neen, gezien heeft ze
me niet!quot;
âMaar de oude dame heeft het zelf gezegd, mijnheer.quot;
âScheer je weg! â Zelf gezegd! En----waarom dan niet te zorgen dat ze mij niet zien kon____!quot;
âPapa, nu een vrouw van ruim zeventig jaren, vis-a-vis u de minste is, of u na het gebeurde het eerst een bezoek, misschien wel een afscheidsbezoek brengt, nu....quot;
âDe minste! Wie zegt je dat zij denkt de minste te zijn?quot;
âZij toont het: zij vernedert zich.quot;
âVernederen? Ei! Als ik haar sprak, zou ik haar rondeman zeggen dat ik het schandelijk dobbelspel veracht; zie je, veracht!quot;
âU zult haar niet kwetsen, ik weet het beter, 't Was immers grootvaders spreuk: Zult ge wél varen, eert grijze haren!quot;
De woordenstrijd was nog niet ten einde. Maar een paar minuten later bevond Louise zich toch reeds in 't salon, en, het schoonste, wat de straks geopende vensterluiken er aan 't licht brachten, was zeker wel het tweetal vrouwen, de grijze grootmoeder en haar lieveling, die er in 't einde den heer van Harzathe in Zondagsgewaad, met zijn echtgenoot zien binnenkomen.
Louise weet dat Archibalds grootmoeder met haar ouders alleen wenscht te zijn; en, als zij zich nu ongemerkt verwijdert, dan juicht haar kinderhart in stilte dat zij immers den vader wel kende. Driftig en soms wat ruw mocht hij wezen, doch zijn woorden zijn zoo dikwijls in strijd met zijn beter gevoel.
Maar helaas, na Louises vertrek houdt de goedaardige altijd duldende echtgenoot#, met stille verbazing het oog op den man gevestigd die, met hoffelijke gebaren der oude dame zijn verontschuldigingen aanbiedt over een wat lang wegblijven, door bezigheden veroorzaakt, en, met moeite smoort zij in haar borst de woorden: poltron en huichelaar.
âHoewel ik met de omstandigheden, die u bekend zijn, mijnheer Van Rave, geen visites maak, zoo meende ik u een mondeling antwoord op uw â juist door die omstandigheden, zoo hoog gewaardeerd schrijven te moeten brengen.quot;
âO mevrouw, uw beleefdheid; die waardeering....quot;
âZulk een brief door u op zulk een dag geschreven, moest mij wel diep treffen.quot;
âO mevrouw, uw goedheid, uw----quot;
âMijn goedheid? De ramp was u immers bekend...,?quot;
316
T00NEE1SPELERS.
,De ramp. O spreek er niet van mevrouw; die ramp! Ja, wat die ramp betreft----!quot;
âZij is zwaar voor 't moederhart!quot;'
âO onaangenaam, alleronaangenaamst! Ik heb er ze er mee te doen.''
âWij gevoelen er zooveel van,quot; zegt mevrouw Van Rave gemoedelijk zacht.
Mijnheer werpt zijn echtgenoote een zijdelingschen blik toe, waarin zij moet lezen: Geen wonder dat jij er alles van voelt; maar je opinie wordt niet gevraagd.
Mevrouw Van Rave las echter niet wat haar was toegedacht, ze zag naar het eerbiedwaardig gelaat dier oude bezoekster, en dacht: Mijn lieve edele mensch, je moest eens weten wat er vroeger gezegd is!
Maar wat Archibald wist, en wat Louise en hare stiefmoeder wisten, dat kon de grootmoeder niet weten. Of zij zich zelve echter overtuigd hield dat de heer van Har zathe reeds met de treurige gebeurtenis bekend was toen hij zijn brief verzond, dat is een andere vraag. Misschien besloot zij tot dit bezoek, om tot die overtuiging te geraken. Misschien ook heeft zij, na het tafereel der innigste liefde, waarvan zij in hare kamer getuige was, zich voorgenomen om ter wille van haar kleinzoon, die de krenking op Harzathe ondervonden 't allerminst aan zijn grootmoeder zou meedeelen, alsook ter wille van Louise, die immers haar vader niet te schande zal maken, niets anders te willen weten, dan dat die brief is gesproten uit het nobele hart van een man die, wel een vermogenden jongeling kon terugzetten, doch den arm geworden vriend van zijn kind, terstond ook de hand reikt.
âHet doet zoo goed mevrouw, een warme deelneming te ondervinden,quot; antwoordt de oude dame snel: âen, grooter bewijs van vriendschap dan ons door ü werd gegeven, konden we zeker niet verwachten. â 't Was mij dan ook een behoefte,mijnheer Van Rave! om u voor dat schrijven aan mijn kleinzoon den oprechtsten dank te betuigen. Aan Archibald hebt u een schat toegestaan, die hem oneindig dierbaarder dan vermogen is. En wat mij betreft: uw brief was me een weldaad, een verkwikking, want uw engelachtig kind is altijd mijn lieveling geweest.quot;
Terwijl mevrouw Van Rave een traan te verbergen zoekt, herhaalt mijnheer tot twee drie malen toe, dat mevrouw Van Oudenolm al te vriendelijk is, en beweert daarna, dat hij bij zijn vele levens-wederwaardigheden altijd slechts één doelwit heeft gehad â één, namelijk het welzijn van zijne kinderen.
317
T00NEELSPE1ER3.
âEen ongeluk als 'tgeen mijnheer Van Oudenolm heeft getroffen,quot; vervolgt hij: âOch, wie staat er niet aan bloot! Ik zelf mevrouw, ik zelf voel dat ik er toe vervallen kon. Daar hebt u de brave
familie van mijn beste vrouw---- Enfin, 't is niet om er van te
spreken; 't is lang gepasseerd; maar, enfin.... wij allen zijn feilbare menschen, en we zijn niet alwetend----quot;
âGod is het alleen, mijnheer Van Rave, en ik troost mij met de zekerheid dat voor een rechtvaardig God, die âweet wat er van zijn maaksel te wachten isquot;, onze daden in een ander licht zullen staan dan in dat van een liefdelooze wereld, zoo hard, zoo bitter hard in haar oordeel.quot;
âO spreek er niet van mevrouw; 't is treurig, bitter treurig tegenwoordig. Bestaat er iets anders dan haat en nijd en eigenbelang?quot;
âZoo streng oordeel ik niet, mijnheer Van Rave. Er bestaat wel degelijk liefde en opoffering. Behoef ik het aan U te zeggen, terwijl uw eigen dochter mijn kleinzoon nü nog liever heeft, dan toen zijn vader een vermogend man scheen te zijn; behoef ik het ü te zeggen, die mijn Archibald uw vertrouwen en achting schenkt â als ik een woord uit uw brief mag gebruiken: om zijn zelfs wil alleen.quot;
âO wat dat betreft; natuurlijk! Wat ik schreef, natuurlijk! Enfin, u hebt den brief gelezen. Ik schrijf kort, zakelijk; maar wat ik schrijf dat, enfin, dat staat er, en daar kan men op aan!quot;
âMeer dan fortuin acht u een werkzamen aard en een helder hoofd, mijnheer Van Rave.quot;
t âWel zeker! â Fortuin is----niets; totaleman niets! Maar wat
ik duizendmaal zeg â nietwaar lieve? â duizendmaal; tegen m'n familie, tegen m'n domestieken, enfin duizendmaal per dag: Werken zeg ik, travailler! â Ik zelf, zonder betrekking, ik kan niet leegzitten; 't is me een marteling! 't Zou u te veel moeite zijn, maar anders â nietwaar lieve? â u zoudt je kunnen overtuigen hoe ik er naar streef om m'n kinderen iets na te laten. Werk,
eigen werk! Enfin, de portretten van papa, den Generaal____
Als u ons later nog eens de eer....quot;
âO, zeer gaarne, mijnheer Van Rave. Ik heb er van gehoord.quot;
âEi, och kom! Van gehoord? Misschien door----?quot;
âLouise sprak er nog van toen ze uw goedheid roemde om Archibald te bemoedigen. Immers in weerwil van zijn innige liefde voor uw kind, en zijn . waardeering van uw schrijven, zoo vreesde tij dat de omstandigheden.... een vereeniging met zijn dierbaar vriendinnetje toch onmogelijk zouden maken.quot;
318
TOONEELSPBLERS.
Mevrouw Van Rave zag van ter zij in den spiegel het gelaat van haar echtgenoot, en meende een zonderlinge blijmoedigheid er op te bespeuren. Mevrouw Van Oudenolm ziet denzelfden glimp, en wordt er door aangemoedigd om een anders zoo hoogst pijnlijk punt nog verder te behandelen. I
,'t Valt zwaar het te zeggen, mijnheer Van Rave,quot; vervolgt zij: âmaar de mogelijkheid â ik zeg de mogelijkheid dat u te eeniger tijd de handelingen van mijn zoon als.... minder fair mocht hooren beoordeelen, ik geloof dat zij Archibald doet vreezen, of uw gevoelens in dat geval wel geheel dezelfde zouden blijven. Ik spreek nu openhartig mijnheer, en....quot;
âDaar houd ik van mevrouw; openhartig!quot;'
âWelnu, ik begrijp dat u ter liefde van uw kind, alles wél overwogen hadt, en kom ü daarom met vertrouwen vragen, om mijn geliefden kleinzoon de maat uwer goedheid vol te meten, en hem, kon het zijn bij een ongezochte gelegenheid, bij een tegenbezoek aan de oude grootmoeder misschien....? met een vaderlijk woord en een warmen handdruk te herhalen, 't geen u straks nog zoo onverholen hebt uitgesproken, namelijk: dat wij allen feilbare menschen zijn, en, dat üw oordeel nooit bitter zal wezen.quot;
Indien Van Raves echtgenoote niet zoo'n waarachtig edel hart had bezeten, en thans niet door zoo velerlei aandoeningen ware bewogen geweest, ze zou waarschijnlijk geglimlacht hebben, bij 't zien van het diep ernstig gelaat van den echtgenoot, 't welk nu door den spiegel weerkaatst wordt.
Intusschen, de Generaalszoon zal spoedig herleven.
Mevrouw Van Oudenolm heeft uit den zak van haar kleed een tamelijk groot bijouterie-koffertje te voorschijn gehaald, en herneemt;
âTen volle overtuigd mijnheer en mevrouw Van Rave, dat u mijn kleinzoon steeds de liefde zult schenken, die hij zich zeker hoe langer hoe meer zal waardig maken, moet ik u nog een vriendelijk verzoek doen.quot;
âO, indien het mij mogelijk is....!quot; zegt Van Rave, wiens oogen nu strak op het voorwerp zijn gericht, waarvan Louise vroeger wel eens verhaald heeft. â Ja dat moet ongetwijfeld het koffertje zijn, 't welk Louise, toen ze haar belijdenis had gedaan, van binnen bezichtigen mocht, en waaruit de oude vriendin haar toen een ring met een kleinen briljant heeft geschonken.
âIn dit kistje,quot; herneemt mevrouw Van Oudenolm: âbevindt zich een kleine schat, dien ik altijd meer dan eenig aardsch goed ge-j
319 I
TOONEELSPELEBS.
waardeerd heb. 't Zijn de juweelen mijner moeder en grootmoeder. Toen ik ze van mijn stervende moeder ontving, moest ik haar beloven ze nooit te zullen verkoopen. De lieve vrouw vermoedde
zoomin als haar kind, dat er een dag----zou komen.... die....quot;
I âEmeline, beste, een glas water____gauw____wacht!quot; zegt mijnheer Van Rave.
i Mevrouw Van Rave is reeds opgestaan. Haar echtgenoot ziet rond, alsof het water in 't salon gereed staat. Mevrouw Van Oudenolm wenkt met de hand:
1 âNeen, dank! Blijf mevrouw. Men mag niet toegeven aan die kinderachtige aandoeningen. Ik zeide u dat ik beloofde ze nooit te zullen verkoopen. Nu echter alles, wat ik bezit, zal verkocht worden, op 't weinige na 't geen voor mijn levensonderhoud volstrekt noodzakelijk is, nu wensch ik zoowel de belofte aan mijne moeder gestand te doen, als met de hand op het hart voor mij zelve te gt; kunnen getuigen, dat ik niets dan dat zeer noodige behouden heb.
Aan wie zou ik mijn kleinen schat, die ongeveer een waarde van i twintig mille heeft, nu liever schenken dan aan uw hartelijk kind, mijn lieveling, die, zij het ook in een nog ver verschiet, mijn braven Archibald rijk en gelukkig zal maken. Indien u 't mij toestaat, dan wilde ik ze haar nü overhandigen, doch zonder het verbod,'t welk i mij werd gedaan. Ik houd mij verzekerd mijnheer, dat het kapitaal als Louises eigendom, door u in haar belang zal worden belegd, terwijl ik wensch, dat zij een paar, door mrj aan te wijzen, voorwerpen uit dit kistje zal bewaren, het eene met een bijzondere bestemming, het andere om â zoo God mij die gunst wil schenken â er haar op haar trouwdag nog mee versierd te zien.quot;
En tegen den avond van dien zelfden dag wachtte de krachtige oude vrouw nog een bange stond.
Zonder Archibalds medeweten had zij Louise van haar komst op Harzathe doen verwittigen, en voorts haar plan in 't belang van haar lievelingen volvoerd.
Maar het somber starende oog van den kleinzoon verhelderde niet, toen zij hem zeggen mocht dat Louises vader â in weerwil van Archibalds dikwijls geuite vrees â hem reeds dien zelfden avond verwachtte, om den laatst geschreven brief met een handdruk te bezegelen, en hem de zon te schenken, die hij in deze donkere dagen wel het vurigst begeeren zou.
âNeen grootma, dat in der eeuwigheid niet!quot; heeft Archibald na een oogenblik aarzelens met fonkelenden blik gezegd: ,'tIs God
320
TOOKEELSPELEKS.
bekend of die lieve zon nog ééns voor mij schijnen zal, maar â o, nu zwijg ik niet langer; tusschen mij en den man, die mijn armen misleiden vader op 'tschandelijkst heeft gesmaad en belasterd, kan er nooit â zelfs niet door den band der liefde van dat dierbare meisje â de geringste gemeenschap bestaan.quot;
En de oude moeder had nu de zware taak te vervullen, om.... den zoon van haar eenig kind te doen begrijpen.... dat die ruwe harde woorden helaas, geen smaad noch laster zijn geweest.
Toen Archibald na een slapeloozen nacht zich des anderen daags naar Harzathe begaf, toen koelde de wind zijn gloeiend hoofd, en zuchtte hij pijnlijk: Door zulk een waarheid moest die kloof dan worden gedempt! O vader, arme vader, of ik toch nog uw naam in eere herstellen kon!
VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE DOMINEE EN DE KOMIEK.
Nog menige nachtvorst moest de eerste bloesems der Lente dooden; nog menige storm haar beloften vernietigen, aleer de natuur zich in haar vollen luister vertoonen zou.
't Was eer, koude morgen in de eerste dagen van Lentemaand, toen aan het hooge hek van Den Driellaert een reusachtig biljet werd aangeslagen, 'twelk den voorbijganger moest melden dat: âTen overstaan van den notaris Briks eerlang de vrijwillige ver-kooping zou plaats hebben van het rentegevend landgoed DenDriel-laert, benevens drie boerenhofsteden en eenige landerijen, toebe-hoorende aan mevrouw de weduwe Van Oudenolm.quot;
En in denzelfden morgen dat de wandelaar langs dat lustoord met zijn prachtig geboomte en vroolijke vijvers,, aan 't wisselvallig bezit van alle aardsche goederen werd herinnerd, sprak een kleine stoet, die aan de westzijde der naburige stad langzaam voorttrok, van het vallen van schoone veelbelovende bloesems, óók in de lente van 't leven.
III. 21
321
TOOÃBELSPELERS.
De kleine lijkstoet met slechts ééne volgkoets, had niets wat het oog kon boeien; en toch volgde eene groote menigte hem naar den Godsakker.
Er was iets bijzonders. â Hoor, de menigte fluistert en praat, terwijl zii onder 't voortgaan gedurig naar de volgkoets wijst.
âIk weet het zeker, hij was er alle dagen.quot;
âHij hield van het meisje alsof het z'n eigen kind was.quot;
,'t Is mooi dat ie meegaat.quot;
âMooi? Van een herder en leeraar! Als het waar was zou het godslasterlijk, hemeltergend zijn!quot;
âAls jij den hemel ni»oit erger getergd hadt, dan zou je den mond niet'zoo vol van de genade hebben. Dat meisje was braaf en goed.quot;
âBraaf en goed? Mooie braafheid! Zoo'n goochelaarsboel!quot;
âZeg, jij moest je tong wat in toom houen, meester pikdraad ? Me dunkt, zoolang je nog genoeg levenden hebt om te belasteren, kon je de dooden wel met rust laten.quot;
âOf ik ze met rust laat, dat zal d'r weinig helpen; de Heere Jezus zal ze toebulderen: Ga weg van mij, ik heb u nooit gekend!quot;
âWat? zal de Heere Jezus jou toebulderen dat ie je nooit gekend heeft!? Geen wonder, meester Japik, als je er twee gezichten op nahoudt, één bij je leest, en één in de kerk!quot;
âStil Hendrik, denk dat je bij een lijkstaatsie loopt.quot;
âMeen je meester pikdraad, moeder?quot;
âRakker! Brandhout voor de galg!quot;
âSust, sust! De bidders zien naar je om, baas Japik.quot;
âBidders bidders! Zoo spotten ze nog met de heiligheid van 't gebed. Maar. ik zeg, als een dominee van onze gemeente zelf meedoet om een komediant te begraven, dan moet ie de kerk uit!quot;
âDat vind ik ook: hij of jij, een van de twee!quot;
âZwijg toch! In presentie van een doode geen ruzie en gekheid. Ik weet zeker dat dominee Pelser er in zit; maar ik zeg dat het zijn hart tot eer strekt.quot;
âIk begrijp niet waarom moeder. Als hij van dat kind hield, dan is 't precies hetzelfde of ze koningin of bedelaarster was.quot;
âJa maar zie je, een komediant!quot;
âJa ja! een komediant!quot;
âKijk hem, alsof hij niet den heelen dag comedie met onzen lieven Heer speelt.quot;
âZit ie links?quot;
âWie?quot;
âPelser?quot;
322
TOOiNEELSriaEHS.
,Neen rechts. â Aan dezen kant zit de komiek Van Deene, die in den voorwinter z'n been brak. Als de glaasjes niet beslagen waren dan zou je ze zien, naast elkaar.quot;
âIk kan 'tniet gelooven.quot;
âWel mensch, als ik toch met m'n eigen oogen gezien heb dat ze in de koets stapten: Eerst dominee, toen één van 't tooneel, die zooveel als d'r beminde moet zijn, en toen Van Deene.quot;
âEn de neef?quot;
âMartin! ? â Niet gezien. Ze zeggen dat ie maar liever van 't kerkhof wegblijft, uit vrees dat de doodgraver zich alvast vergissen zou.quot;
âHij moet ziek zijn; heel ziek.quot;
âWas 't besmettelijk?quot; vraagt een jonge vrouw, naar den lijkwagen wijzende.
âJa, pas maar op!quot;
De jonge vrouw blijft wat achter, om straks, zoo ongemerkt, maar heelemaal te verdwijnen.
En de kleine stoet was het kerkhof genaderd. En toen de volgkoets voor het hok stilhield, en het portier geopend en de tree was neergelaten, toen verdrong zich aan weerszijden de menigte, om â met de hoofden achter en over elkander, zich nu geheel te overtuigen dat het werkelijk dominee Pelser was, die met de twee komedianten uit het rijtuig stapte.
En twaalf mannen met witte handschoenen droegen het lange zwarte gevaarte, waarop een immortellen- en een lauwerkrans waren neergelegd.
De personen uit het rijtuig volgen, langs oude en nieuwe grafheuvels en zerken, het gevaarte, dat hun den weg wijst.
Dominee Pelser gaat met gebogen hoofd. Hoe menigen voetstap zette hij reeds op dezen godsakker, hoe menig woord heeft hij er reeds gesproken, maar â wat hem heden dreef en wat hij heden te spreken heeft, dat stemt hem gansch bijzonder.
Eensklaps ziet hij op, en ter zij:
âKalm, kalm mijn vriend,quot; zegt hij zacht met de innigste deelneming tot Heldera die, starende op het zwarte gevaarte, 't welk daar langzaam met kleine schokken voor hem uitgaat, zijn over-kropt gemoed niet langer bedwingen kon, en eensklaps in tranen is losgebarsten.
âO God! Flora! dood, dood voor eeuwig!quot;
âHoud je goed Herman,quot; zegt Van Deene, mede onder 't voortgaan, terwijl hij den jongeren vriend in den arm vat; âLaat je
323
TOONEELSPELEES.
droefheid niet zien. Wat ze van ons gewoon zijn is kunst, en 't is nu wat anders. Moed, jongen, moed!quot;
Maar Heldera, hoe zal hij zich bedwingen! Met beide handen drukt hij den zakdoek voor den nokkenden mond. â O God! in die kist ligt zijn liefde, zijn lust.... zijn Flora! En nooit, nooit zal hij haai wederzien; en nooit zal zij rusten aan zijn teerbemin-nend hart!
Met een zeer talrijke schaar rondom de groeve, die zoo aanstonds den kostbaren schat ontvangen zal, treedt Pelser, van de zij der beide kunstbroeders, een schrede vooruit, en zegt na een oogenblik van indrukwekkende stilte:
âReeds aan zoovele dierbaren gaf ik hier een laatsten groet. Ginds onder den treurwilg rusten vader en moeder, en n aast hen een teergeliefd kind. En rondom ons kunnen die zerken het getuigen, welke offers ik meer aan dit Gethsemané te brengen had.
,0, ik vergeet ze niet, de tranen, die mij hier zoo vaak het oog verdonkerden.
, Onwaarheid zou het zijn, indien ik beweren kon, dat dieper leed dan heden mij nooit aan deze plaats de ziel heeft vervuld. 1 âMaar, waarheid, waarachtige waarheid is 't dat een gansch bijzondere smart mij tot spreken dwingt, nu mijn oog rust op dit lijkomhulsel, met kransen bedekt.
i âFlora Reene! Toen ik u als aanvallig wichtje voor 't eerst ontmoette, toen hadt ge uwe arme maar brave ouders reeds verloren. Ik zag u spelend aan den schoot eener trouwe bloedverwante; en, telkens wanneer ik u weder vond, waart ge groeiend en bloeiend en ieders lust.
1 âGij hadt een bijzonderen aanleg. Toen ge ouder waart geworden, hadt gij onder uw vriendinnen niet slechts den naam van een lieve, altijd hartelijke gezellin, maar nog den bijnaam van Lyra. Immers, wanneer de arbeid der kameraadjes vlotten zou, dan moest gij lezen. Als Flora voorlas dan klonk het als Orpheus' liefelijk speeltuig; dan zag men gebeuren 't geen men hoorde, en, de naalden repten zich met dubbelen spoed.
âMaar niet slechts anderen deedt gij arbeiden met verhoogden lust; ook uw vlijtige hand zocht gestadig den arbeid, doch 't liefst om voedsel te geven aan uw helder hoofd ter veredeling van uw fijn gevoel.
âHoe menigmalen Flora, hebt gij naast de zorgen uwer goede tante, de welwillende hulp geprezen van den jongen man, dien gij als een ouderen broeder liefhadt, en die in dit uur hier met ons
324
TOOKEELSPELEKS.
zou zijn, indien uw heengaan zijn zwak gestel niet te zeer had geschokt. De lessen van dien bescheiden vriend ontwikkelden uw vatbaren geest op verrassende wijze.
âOok uw liefde voor Poëzie en Kunst had hij door beschavende lectuur in u ontwikkeld. De Godsdienstleeraar zag u uitblinken te midden van uwe gezellinnen, en had u lief om uw helder oordeel, uw vluggen geest en uw reinen zin. â Ja hij had u lief!
âEn bij den eenvoud die u sierde, scheen het somwijlen toch dat gij u in uw stillen werkkring niet thuis gevoeldet. Was het een | zucht naar hooger, die u in 't einde voortdreef naar bet adellijk f huis? Men begreep u niet. Maar er waren er toch die het voor- j zagen, dat die woning voor u slechts een oefenschool, het voorpor- j taal tot uw ideaal, de tempel der Kunst moest zijn. j
âFlora Eeene! Indien een heilige roeping geen klank is, dan hebt gij zulk een roeping gevoeld.
âEn uw raadsman en vriend, mocht hij een heilige roeping weerstreven ?
,0, dat hij de gevaren niet licht heeft geteld, gij zult het getuigen. Maar met dien vrijmoedigen eenvoud u eigen, hebt gij uw kleine hand op zijn mond gedrukt, en gezegd:
âIk weet het, en dank u. Maar, wee, wee den wolf, die in een âkwaad gerucht is! Ik wil hem in de oogen zien. Misschien blijkt âhet straks wel een verdwaald schaap te wezen; en, als ik het ,arme dier dan een eindje, een heel klein eindje op den goeden âweg vooruitbrengen kon, mij dunkt, dan was toch mijn leven niet âijdel geweest. â O!quot; ging zij voort, terwijl haar straks schalksch maar nu zoo ernstig gelaat, met een blos der bezieling werd gekleurd: âGod weet het dat geen ijdelheid, geen valsch bejag naar âeer mij drijven. Boem, ja, ik wil ze: maar roem slechts voor ware âkunst, voor 't geen, 't zij lachend of ernstig gezegd, 't waar-jachtig schoone, dat is het goede bevorderen kan.quot;
âEn rein zou ze blijven; en aan God zou ze vasthouden, dat zwoer ze, met een duren eed en met een oog waarin geen bedrog was.
âZoo ging zij van ons heen, ternauwernood een jaar geleden.
âEn nu: Gestorven! Weggerukt in den bloei van 't leven! Bezweken nog bij de eerste schreden op den weg, dien zij in reinen overmoed wel eens beweerde, dat in een zichtbaar verschiet, op het spoor van den zuiversten Godsdienst uitloopen zou.
âOch, of ik haar aan haar dierbaren, en aan de kunst, die zij liefhad, teruggeven kon!
âMaar, nu geen aardsche macht haar in 't leven kon behouden,
325
tooneelspelehs.
nu dank ik God, en is 't mij een eere dat ik aan deze laatste rustplaats, van haar getuigen mag, en dat ik Floia Reene, de begaafde jeugdige tooneelspeelster, mijn lieve en trouwe leerling: een sieraad van haar geslacht; een parel âja, de kroon van haar stand mag roemen.
, Wij zullen 't geenszins beslissen of niet de scherpe dorens, die haar op haar kunstpad kwetsten, de droeve ziekte deden ontstaan, en haar edel hart een doodelijke wonde hebben toegebracht; maar God zij dank, al moest haar teeder lichaam bezwijken, haar ideaal, de edele Kunst heeft geen schuld aan haar vroegtijdigen dood. Godlof dat dit graf kan getuigen: zoo rein als zij was, als het onschuldig dartele wicht, zoo rein was Flora Reene toen zij met een glimlach op haar bleek gezichtje den adem gaf; Godlof, dat ook dit graf kan getuigen: dat de kroon der vrouw niet op het pad der Kunst behoeft verloren te gaan. Eere zij haar, die nogmaals het vooroordeel verstommen doet, en den schoonsten lauwer â Gods welbehagen â- op een glibberig spoor verwinnen mocht.
âMaar ook, nu wij gereed staan om het dierbaar stof van een rijkhegaafde tooneelspeelster, aan de aarde toe te vertrouwen, nu is het alsof haar bezielde stem, der Nederlandsche Kunst nog uit die groeve toeroept:
âVrienden, broeders, zusters:
âVerheft en veredelt u!
âDwingt der wereld niet slechts voor uw Kunst, maar ook vooru âzelf haar hoogachting af.
âLaat het uw kinderen een eere zijn dat hun wieg in het lommer âvan onzen lusthof stond.
âDoet ze onderwijzen en beschaven â doch slechts voor uw âKunst, zoo hun de gave der Kunst werd geschonken.
âSluit liever uw Kunsttempels, en zoekt uw brood op andere âwegen, dan dat een wuft publiek die tempels tot holen der schande âvernederen zou. â Ziet, hoe meer gij toegeeft en hoe luider men âü toejuicht, des te meer veracht en verguist men u.quot;
âZoo spreekt zij. En, wie ook die stem, het woord van den 1 eeraar zal noemen, de meester heeft zijn discipelin gekend; haar reine geest was hem niet verborgen. Die geest â moge hij leven in een betere wereld, werkzaam, stijgende van trap tot trap â hij blijve ook op aarde, ten zegen der Kunst, en ten zegen van hare priesters. â Zoo zij het!
âEn nu lieve leerling.. . vaarwel!quot;
Ternauwernood heeft dominee Pelser zijn laatste woord gesproken,
32r,
TOONEELSPELERS.
of Van Deene, die de handen tot een snel, doch gelukkig onhoorbaar applaus heeft, bewogen, komt een schrede vooruit, en, of het naar den regel was, hij denkt er niet aan, maar, met een traan in het oog, vat hij Pelsers hand, en zegt op een toon, die verraadt hoeveel 't hem kost zich zoo kloek te houden:
,Ik dank je miinheer; ik dank je uit den grond van mijn hart! Bij deze treurige gelegenheid was het mijn plan om â mede uit naam van ons gezelschap â â een woord te spreken; maar, na uw gevoelvolle reden, wat kan ik nog anders zeggen, dan dat die lieve Flora, een kunstjuweel, en â 't geen nog meer beteekent â dat zij een vrouw met een hart was.
âVijf maanden slechts heb ik haar gekend, maar het woord door u gesproken mijnheer, dat is de weerklank van mijn gemoed. Toen ik mijn been had gebroken, toen schreef ze mij: ,Mijnheer Van Deene,quot; â⢠Ze noemde mij mijnheer, ofschoon ik het niet hebben wilde: â âik mis gedurig uw goeden raad, en verlang ook daarom zoo hartelijk naar uw spoedig herstel.quot; Maar die woorden bedoel ik niet, ofschoon ze bewijzen dat ook ik wel weet wie het was die ons nooit meer toelachen zal. Ze schreef: âLiever brak ik bei' mijn beenen, dan voor 't publiek te komen met een rol, die mijn vrouwelijk gevoel beleedigen zou. Karakters â ja zelfs de slechtste wil ik spelen, maar slechts ter eere, en niet ter vernedering van onze Kunst.
âDat is taal zooals er niet dikwijls gehoord wordt. Twee beenen wilde ze breken! â Ach God! En nu ligt dat gansche kostbare weefsel van talent en jeugd en schoonheid, daar vóór ons, geheel vernietigd!
âOfschoon ik bij het eerst aanschouwen van mijn kruk mijzelven in de lip moest bijten, ik dacht toch: of onze Lieve Heer 't ook soms zoo gewild had, om den altijd voortgezweepten komiek eens wat tijd tot kalmer nadenken te geven. O, en nu ik, sterk en krachtig als te voren, aan het graf der gansch verbroken Flora sta, ja, nu heeft haar woord, door uw reden mijnheer, een nog grooter beteekenis voor mij gekregen; nu zeg ik 't u na: de tempels der Kunst mogen niet door wat laag en gemeen is ontheiligd worden! Nu zeg ik 't u na â en mede uit naam van al de kunstbroeders die Flora Reene eerden en liefhadden.- -, maar zeker niet quot;t minst uit naam van den vriend, dien zij zoo innig liefhad,quot; â Van Deene drukte bij deze woorden zijn hand op den arm van Heldera, die als wezenloos naar die kist met den lauwerkrans starende, eensklaps opschrikt, maar zich krachtig bedwingt terwijl
327
TOONEELSPELEKS.
Van Deene vervolgt; âja wij allen zeggen 't u na: de naam van Flora Reene zal leven ten zegen van het Nederlandsch tooneel. Haar woord, haar geest zal met ons blijven! En verder: God make het daarboven met ons lieve Floortje goed.quot;
En slechts weinige oogenblikken later ging die wreede kist voor altijd naar omlaag, en ploften de aardkluiten op het hout, en, hoorde men een levendig: ,0 God!quot; dat pijnlijk in de harten weerklonk.
En, toen ging men heen; de jongste tooneelspeler in 't midden van zijn ouderen kunstbroeder en den predikant, die beiden met liefdevolle armen, hem den zwaren terugweg poogden te verlichten.
ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
GEHEIM.
Toen de kerkhof-bewaarder eenige minuten later het hek van den weer verlaten hof wilde sluiten, toen moest hij toch even wachten-
Van den kant der pas gesloten groeve trad een jonkman naar voren. Zijn kiesch gevoel heeft hem gedurende de plechtigheid op een afstand doen blijven. Hij wilde niet dat men hem bemerken zou.
Immers geen enkel woord, geen enkele gedachte zelfs, mocht in dien stond de plaats ontwijden, waar Flora Reene voor altijd rusten zou. Maar toch, hij heeft haar van verre zijn laatsten groet gebracht.
âBen jij de tuinman?quot; vraagt hij bij 'tnaderen.
âJa mijnheer.quot;
âDan zul je waarschijnlijk van morgen een treurroos hebben ontvangen ?quot;
âJa wel mijnheer, met de letters F. R. De man die ze bracht zei, dat ik wel nader vernemen zou, wat daarmee gebeuren moest.quot;
De vreemde gaf den tuinman een rijksdaalder en hernam:
âDe roos moet op het graf van Flora Reene geplant worden, 't Is immers een eigen graf?quot;
De baas, die zijn gelaat, bij het voelen en ongemerkt doen verdwijnen van het geldstuk, in de gepaste plooi heeft bewaard, â de man zou honderd gulden met dezelfde eerbiedige bedruktheid hebben
328
TOONEEISPELEES.
aangenomen, â antwoordt, eerst met een kostbaar nadenkend gezicht, en dan met de woorden:
âJa wel, ja wel; een eigen graf, op den naam van Juffrouw Lindeman.quot;
,De zorg voor de roos wordt je opgedragen baas; en van jaar tot jaar hoopt men zich daarvan te overtuigen.quot;
,0 wat dat betreft, met alle plezier mijnheer. En.... ne.... als ik mag vragen.... van wie.... ?quot;
âVan een oude vriendin en een jongen vriend. Zorg er goed voor; 's winters kuilen of dekken. Goede morgen!quot;
âMijnheer kan gerust zijn. Goede morgen! Och als je blief, nog één woordje mijnheer?quot;
âRiep je?quot;
âMet je permissie mijnheer, als ik zoo vrij mag wezen. Vóór de begrafenis van die beroemde dame, is er ook een lauwerkrans bezorgd om op de kist te leggen. Dat heb ik met alle plezier gedaan mijnheer, en den brenger heb ik op z'n eisch nog een fooitje gegeven. Als ik veronderstellen mocht dat die krans óók van u was....?quot;
âDan zou je je vergissen baas. Goeden dag.quot;
Maar neen, de jonkman bedacht zich. De lauwer, die hulde bracht aan 't heerlijk talent der beminnelijke doode op haar droeve uitvaart, mocht niet om loon blijven bedelen!
âHoeveel kost het baas?quot; zegt de jonkman snel.
âKosten! Wat zou het kosten mijnheer! Ik meende dat hij van u was; van de redactie zal ik maar zeggen.quot;
âDe redactie?quot; i
âVan de krant, om u te dienen. Ja, we hadden u even na het openen van 't hek zien binnengaan, en mijn neef meende zeker te weten, ofschoon hij uw naam niet kon vatten, dat u de heer van de krant waart, die zeker ook het mooie doodsbericht van haar gegeven hebt. Hoe hij 't wist dat weet ik niet; maar zie je mijnheer, ik spreek er niet van; 't blijft op het kerkhof.quot;
âJuist, begraven, alles begraven baas!quot; zegt de jonkman, terwijl hij den man, na een haastigen greep in zijn porte-monnaie, met een hoofdknik verlaat.
En de doodgraver, och, nieuwsgierig was hij niet; maar de laatst ontvangen fooi bewees hem zonneklaar dat de rozenstam en de krans toch wel degelijk uit één en 't zelfde kanaal kwamen: D e krant! En, hoe de naam van dezen krantenschrijver was, ja, dat zou hij later wel te weten komen.
Maar zie, 't was vreemd: in plaats van de stad in te gaan, ging
329
tooiveei.spp.lers.
die jonkman den buitenkant af. Waarschijnlijk ora nog een wandelingetje te maken.
En terwijl de baas het hek sluit, denkt hij: Die heeren verdienen d'r geld graag gemakkelijk. Maar, 'en roos, en 'en krans, en nog 'en rijksdaalder â misschien wel vast alle jaar! 't is vreemd, heel vreemd van 'en krant!
En of het den jonkman, die zich nu naar buiten spoedt, geen raadsel was hoe men hem voor den schrijver dier courantenberichten kon houden, en of hem bij des doodgravers vraag, niet plotseling het beeld van den bleeken man aan Flora's ziekbed als den onbekenden zender van dien lauwerkrans voor den geest heeft gestaan, hij zal er niet van spreken.... Begraven, alles begraven heeft hij tot dien tuinman gezegd, en de man heeft geknikt, en nog eens geknikt: Begraven!
Arme Martin!
Ja, arme Martin! Toen het uur had geslagen, waarop de bloem van zijn leven aan den schoot der aarde werd toevertrouwd, toen zat hij nog in bed overeind; en in zijn magere vingers hield hij een pen, en stelde met schoone letters en vaste hand een lutteltal regels, en vouwde daarna het blad, en deed het in een couvert, en 't laatste woord dat hij schreef was: Geheim.
En weinige oogenblikken later, toen Martins goede hospita den bouillon bracht, dien dokter viermaal per dag verordonneerd had â behalve de eieren en al wat maar kracht gaf â toen prevelde ze bij zich zelve:
âSlaap is óók versterking. Ik zal den bouillon maar op het komfoortje warm houden. Ten minste als hij werkelijk in de rust is. En zachtjes roepende:
âMijnheer! Mijnheer Martin! Bouillon! â Neen, zie je wel, hij slaap gerust.quot;
Toen de juffrouw terugging, ontmoette ze in de gang den dominee, die juist van de begrafenis weerom kwam, en nog geheel onder den indruk van die treurige plechtigheid, in 't voorbijgaan toch eens even bij Martin moest oploopen.
âJa dat treft u slecht dominee. Ik dacht nogof de bouillonlucht hem ook zou wakker maken; want o, daar is hij dol op. Maar niemendal; hij bleef doorslapen; och, en dan moet je zoo'n stakker niet plagen, nietwaar? Beste mensch, maar geen ziel in dominee, geen ziel!quot;
En Martin was ingeslapen; en toen Pelser hem riep, en luider en luider, toen gaf hij geen antwoord. Roerloos lag hij, in een kalme
mo
TOCKEHSrEIEES.
houding achterover, en zijn oog stond strak, gansch onbewegelijk strak in een schuine richting naar boven.
Pelser wierp het gordijn wat verder open. Zijn vingers drukte hij op het marmerbleek gelaat. â Groote God, zou het mogelijk zijn!
,Martin, Martin!quot; riep de hevig ontstelde man.
Maar de arme schoolmeester antwoordde niet meer. Zijn doode hand rustte op dat laatst geschreven geheimschrift.
Zijn gebroken oog staarde in de richting, waarheen hij Flora gevolgd was.
ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
'T GEZELSCHAP VAN BAARS EN KOGEL NÃG EENS TE ARNHEM.
Reeds vier malen heeft een nieuwe lente de treurroos op 't graf van Flora en Martin doen bloeien; reeds vier malen heeft tante Lindeman â wanneer de dorre bladers wielden óm en over den steen, er een oogenblik getoefd, en aan den tuinman gezegd â telkens weer â dat het haar jaardag is, en dat die dag haar zoo treurig stemt, sinds zij de kinderen verloor, die zij als haar eigen zoon en dochter heeft liefgehad, en met wie zij nü zeker wel spoedig voorgoed hier zal rusten.
En ook, reeds vier malen, sedert Flora Reenes eerste en laatste optreden in haar vaderstad, zag December de gele reiswagens met het tooneelgezelschap uit de Amstelstad, de Provinciale hoofdstad van den rivierkant binnenrijden, en, telkens en ook nu weer, richtte dan een schoone vrouw haar donker levendig oog door het portierglas naar de begraafplaats, die men voorbij moest, en herinnerde aan wie naast haar zat, hoelang het geleden was dat Flora Reene, daar, in den bloei van 't leven gestorven, aan de aarde werd toevertrouwd.
âAl vier jaren!quot; herhaalt Rosa Baars, terwijl ze, om nog beter te kunnen zien, het portierglas laat zakken: ,'t Is mij alsof het gisteren was toen ik haar voor 't laatst een zoen gaf.quot; En zachter: âJa, 't was een zoen, ten zoen voor 't geen jij Casper....quot;
âZal ik dat hier alle jaar van voren af aan moeten hooi en. Roosje?quot;
âMij dunkt, ééns in 't jaar is niet te veel, Casper.quot;
331
T00NEE1SPELERS.
âMisschien tóch wel, als men voor zich zelf nog andere her-inneringsdagen heeft.quot;
Rosa ziet snel naar den man, die haar dit laatste in 't oor heeft gefluisterd, en vraagt zeer zacht:
âDenk jij ook nog wel eens aan Fritsje?quot;
Rosa voelt een handdruk. â Dat was genoeg.
Eenige oogenblikken later, terwijl de wagens stapvoets over de straatkeien rollen, en 't gerammel het spreken er binnen minder verstaanbaar maakt, zegt Rosa luider:
âWeet je wel Casper, dat we aan deze stad een groote verplichting hebben?quot;
Een heer op de middelbank draait zich om en zegt:
,Ik leerde er ten minste op krukken loopen.quot;
âGelukkig dat je die kunst al gauw weer verloeren mocht.quot;
âNu ja, ik weet wel wat je bedoelt Rosa,quot; herneemt Van Deene: âEn als je van verplichting spreekt, die heb ik zoowel als jij, en zoowel als de directie. Of meen je dat ik Arnhem kan inrijden zonder ook eens naar dat kerkhof te kijken. Ik zeg dat de dood meer leven heeft gegeven, dan het leven het ooit zou hebben gedaan.quot;
âWat 'en nonsens!quot; zegt juffrouw Lowee, die tegenover Van Deene zit.
Van Deene knikt juffrouw Lowee toe, alsof hij haar een compliment over haar scherpzinnigheid maakt, en herneemt omziende tot den directeur en zijn vrouw:
âAls het arme kind mee draken en kermisstukken had vertoond, dan zou ze nooit de aureool hebben gekregen, die haar nu tot een soort van kunstheilige maakt, 't Ia toch aardig dat er bij ons gezelschap zijn, die je 't best kunt vangen met een eenvoudig: Reene zou 't zóó gedaan of zóó gezegd hebben.quot;
âIs er aan gedacht om vrijkaarten aan dien dominee te zonden?quot;
âAan dominee Pelser? Ja wel. Maar wat geeft het! Je ziet die lui toch niet in de komedie.quot;
âKomen of niet,quot; zegt Van Deene: âals een man, die denkt en spreekt zooals hij, wegblijft, dan....quot;
âDan preekt ie: hoort naar m'n woorden maar ziet niet naar m'n daden,quot; valt Kogel in.
âIk zeg: als zoo'n man wegblijft dan moet hij zijn gegronde reden hebben,quot; herneemt Van Deene.
âVan avond komt ie; ik wed het!quot; zegt Rosa.
âOm tien gulden!quot; roept Van Deene.
,Kijk, kijk,quot; zegt de eerste directeur, terwijl men een stadspomp
332
TOONEELSPELEKS.
oorbijriidt, waarop een zeer groot biljet met kolossale roode en zwarte letters is aangeplakt: âde naam is kapitaal genoeg; die zal hier niet weinig trekken. Ik wed dat we het huis van avond tot aan de nokken toe vol hebben; we wonnen al van jaar tot jaar. Weet jij Willem, hoe hoog den vorigen winter de recette was?quot;
âOm en bij de vierhonderd,quot; zegt Kogel.
,'t Was al mooi; maar van avond zal 't nog anders zijn!quot; herneemt Baars: âDie hankiersnaam op de biljetten zal hier de lui om een plaats doen vechten.quot;
âJe hadt het stuk hier al lang moeten geven,quot; zegt mijnheer Frits, die sedert een paar jaren de eerste minnaarsrol van het gezelschap is.
âDe auteur is er ook nog,quot; antwoordt Baars: âhij heeft condities gemaakt.quot;
âWelke?quot; vraagt Frits.
âDat jij je strijkijzer-passen op 't tooneel een beetje bekorten zoudt,quot; zegt Kogel.
Terwijl sommigen glimlachen, en Frits een woord spreekt, dat voor den tweeden directeur gelukkig verloren gaat, zegt Rosa levendig luid:
âWe moeten ze van avond eens toonen dat de reputatie van goed ensemble ons niet is aangewaaid. â Harmonie! â Ben je nog schor Frits ? Een jujube ?quot; en ze houdt, over de middelbank heen, den eersten minnaar haar doos voor, zoodat de bui op zijn gelaat in een zonneschijntje verandert.
âWel vriendelijk mevrouw; merci!quot; zegt Frits. En dan: âIk be. doelde alleen dat ik, in Van Oudenolms plaats, juist de conditie zou gemaakt hebben om het werk, wanneer 't in Amsterdam voldaan had, hier, zoo spoedig mogelijk te geven.quot;
âNeen beste jongen,quot; zegt Baars: âdan zou je niet zoo slim zijn geweest als hij. Zijn vaders naam ligt hier op straat.quot;
âDa's te zeggen directeur, op straat! ik weet wat er gebeurd is, maar de schuldeischers zijn er zoogoed als zonder kleerscheuren afgekomen.quot;
âMaar â met je permissie, de arme man had zijn eigen klee-ren gescheurd!quot; zegt Van Deene.
âNog al niet weinig!quot; helpt Kogel: âAls je sinds jaren 't zóó bestierd hebt dat je familie royaal koets en paard kan blijven houden, en zelf met een paar ton van de cliënten, plus de jonge vrouw van een Brusselschen horlogemaker, naar Amerika trekt.... me dunkt.....!quot;
333
TOOKEELSPELERS.
âZe praten zooveel!quot; zegt Rosa: âMaar als het werkelijk waar is, dan zal die jonge vrouw ook niet veel gedeugd hebben. Drie kwart van de schuld schrijf ik op haar rekening!quot;
âIk in 't geheel niet!quot; zegt juffrouw of mevrouw Comijn, â een oude bekende â en onhoorbaar door 't geratel zucht ze: âZwakke vrouw!quot;
âIn allen geval is de Van Oudenolm-stam tamelijk vermolmd,quot; zegt Baars: âen ik vond het helder gedacht om 't stuk niet te geven aleer er zoo'n roep van was. -â Men moest er naar watertanden.quot;
âHoe de menschen er zoo mee wegloopen, begrijp ik me niet!quot; zegt mevrouw Lowee.
âHadt je mijn rol maar; hé!quot; zegt juffrouw Comijn.
âZoo alledaagsch!quot; schudt de ander, alsof ze 'tniet hoorde.
âDe Natuur is ook alledaagsch,quot; zegt Van Deene.
âVandaag is 'tkoud in de natuur,quot; zegt mevrouw Lowee, terwijl ze zich de handen wrijft, en Van Deene haar, over haar opmerking in verband met de zijne, nogmaals knipoogend complimenteert.
't Gesprek is geëindigd, want, de hooggepakte reiswagen houdt voor de deur van 't gebouw Cecilia stil.
In den avond van dien zelfden dag was de gansche stad met bloe men versierd. Een hemel met myriaden fonkelende starren had ze in kwistige verscheidenheid op de ruiten geteekend.'t Waren ijsbloemen ja, maar toch kinderen der Natuur, en dat de Kunst haar schoon verhoogde, waar quot;t gaslicht ze achter de glazen der winkels met velerlei kleuren deed schitteren, misschien mocht het wel een symbool heeten van 't genot, 't welk het publiek der Provinciale hoofdstad te wachten stond.
't Vroor dat het kraakte; maar de paarden zouden in den vooravond geen kou lijden. Drie, vier vrachten hadden ze naar de komedie te brengen, terwijl nog een aantal voetgangers er nü zelfs in roemden, dat ze met zoo'n pracht van 'en avond, bij den huurkoetsier achter 'tnet hadden gevischt.
De kleedkamers voor de tooneelisten in het gebouw Cecilia zijn nog dezelfde slecht gemeubileerde, slecht verlichte, gansch niet verwarmde hokken, als toen de jonge Van Oudenolm er 't eerst mee kennis maakte: en ofschoon er hier in de Provinciale hoofdstad, een goede hoop voor de toekomst bestaat, 't valt zeer te betwijfelen ol de schouwburg-kleedkamers in een groot deel der kleinere steden van 't lieve vaderland, wel ooit iets anders zullen worden dan't geen men met recht: de kerkerholen der artisten, of de dompers van hun kunstvuur noemen mag. Dezen avond echter blinkt er ietstusschen
831
TOOKEELSPELERS.
en achter de schermen, 'twelk zijn glans aan wat anders ontleent dan aan de walmende olievlamraen, die hier nog altijd hun roode tong tegen een nieuwer en beter licht uitsteken. De glans die er blinkt, zetelt voor 't meerendeel in de oogen van hen, die gereed staan om in deze stad een stuk te vertoonen, 'twelk reeds sedert lang zoo veler lippen en pen in beweging bracht.
âBaars had gelijk,quot; zegt Van Deene die, op het tooneel, vlak voor 'tnog hangende gordijn, door een gaatje van het doek naar't publiek ziet: â'tis letterlijk vechten om een plaats. Een paar heeren en zelfs deftige dames zitten op de tweede gaanderij.quot;
âDe gouverneur is er ook!quot; zegt een bevallig persoontje, dat sedert Flora's dood haar emplooi bij 't gezelschap vervult, en ook reeds sedert twee jaren een andere plaats, â weleer door Flora bekleed â voorgoed heeft ingenomen.
âJa, de gouverneur is er ook. Maar hoe weet jij dat?quot; vraagt Van Deene.
âWel, ik heb Heldera verzocht zoo vrij te zijn nog 'en 'iel klein gaatje in 't gordijn te boren, en, we kijken nu om de beurt.quot;
Van Deene ziet vluchtig langs 'tdoek naar de echtgenooten, en declameert met gefronste wenkbrauwen:
âO schendige onverlaat, hoe zult ge uw straf ontwijken....quot; om er snel op te laten volgen: âEnfin blijft nog maar lang door 'tzelfde gaatje kijken.quot;
âZ'n straf! Daar heeft ie z'n straf!quot; zegt het jonge vrouwtje levendig, terwijl ze in den lossen toon hoe langer hoe meer het Vlaamsch accent laat hooren. En, ze geneert zich nie', en geeft aaren 'El â zooals ze Heldera meestal noemt â 'en'n kus op z'n wang dat 'et klapt: âVivat! da's den applaus, vooraf!quot;
âStil, wilde Kaatje,quot; zegt Heldera, die juist weer door de gordijnopening kijkt: âde burgemeester, vóór in de fauteuils, hoort het.quot;
âDan laat ie 't plezier van 'en dacapo hebben!quot; zegt het vrouwtje, terwijl ze het woord bij de daad voegt.
âKaatje, wees toch stil. Je zilverblankheid komt me allemaal op de kleeren.quot;
âHa! ja! en m'n rozenmond op je wang; eh? Kijk kijk!quot; Met komisch-theatrale verheffing: âDe bloesem mijner jeugd, versiert zijn blonde lente! â Ha! haha! Gofferd!quot; ze slaat hem ferm op den schouder.
âNeen, schei nu uit Kaatje; ik ben....quot;
âO ja Van Deene, 't is waar, 'tis waar: 'El is in 'en touchante stemming. Ik zal je vertellen dat ie me straks weer van z'n oud
335
TOONEELSPELEKS.
liefje gefantaiseerd heeft, charmant! Ik vrees maar dat ik â klein sterretje â⢠bij die schoone zonnemaagd seffens verbleeken zal.quot;
âSeffens! kayk!quot;
âJa sieur Van Deene, ziede-ge-wel dat ik Vloamsch klappen kan? Seffens bientöt, verstoade ge goed! Als ik oe ,deftigNederlandschquot; op de planken sprak, dan was 't er niet beter om. God-lof, dat gilluu ook den pastoor niet meer uithangt, en we al vast van éénen klap worden. â Hei, 'El! van den pastoor gesproken: Er is gewed dat één van oewen heerooms er zayn zou. Ziede g'em? Zeg, vlam van m'n 'art, ziede-g'em niet?quot;
Heldera keert zich tot zijn vrouwtje om:
âKaatje je maakt zoo'n beweging, en je weet wat ik gezegd heb.quot;
âAlles wat je zegt schrijf ik in m'n 'art; natuurlik! Je bent wat touchant gestemd, omdat in deze stad je eerste zonnetje opging. â Zeg Van Deene, ben ik jaloersch op de zon? Neen, als den lobbes er zelfs weer naar toe wou, ik sprong op z'n rug, en ging mee om ze te aanbidden.quot;
âJe bent 'en best wijfje!quot; zegt Van Deene.
âJa, maar toch, ik zou wel jaloersch kunnen worden, en dan....quot;
âDoe van avond zóó je best Kaatje, dat de Kunst zelf jaloersch op jou wordt,quot; zegt Heldera, die zich van 't gordijn naar het too-neel keert.
,'El, lobbes, zeg, wat scheelt er aan?quot;
âOch.... niemendal Kaatje.quot; â¢â Heldera heeft zich afgewend.
âZag jij ze ook Herman?quot; vraagt de komiek, die snel op de jonge echtgenooten toetreedt.
âLinks naast de gouverneursloge, ja! Ik kan je zeggen Van Deene, dat ik letterlijk ontroerde.quot;
âSpreek er niet van. En dat de Gouverneur, die vroeger zeer bevriend met de familie moet geweest zijn, zich afwendde, en deed alsof hij niemand bemerkte, dat.... sapperloot, dat moet voor den oude, en niet minder voor onzen braven auteur een krasse pil zijn geweest. Ik werd er beroerd van, waarachtig!quot;
âWie; wat!? Zeg dan 'El, lobbes! Eh, Van Deene, wie; wat?quot;
âChut! is daar sociëteit op 'ttooneel!quot; roept op gedempten toon de regisseur Armstron, een man aan wien 't gezelschap, sedert het ontslag aan Rosa's lagen pleegvader gegeven, de grootste verplichting heeft.
âWe hebben den auteur met zijn familie de loge zién binnenkomenquot;, zegt Heldera.
âEi! de vader toch óók?quot;
336
TOONEELSPELERS.
âJa, de auteur had ons van morgen gezegd dat ziin geheel o familie de opvoering zou bijwonen, maar, men dacht dat vader en grootmoeder, tegen halfacht toch wel hoofdpijn of iets van dien aard zouden krijgen en âstilletjes thuis blijven.quot;
âZoo nobel als 't voorkomen van onzen Van Oudenolm is, zoo'n gemeen fielterig gezicht heeft die vader; je kunt het zoo zien;quot; zegt Heldera, terwijl men achter de coulissen terugtreedt.
âWie bedoel je? De kleinste, met z'n grijze snorren?quot; vraagt Van Deene.
âJa juist. Gemeen!quot;
âHet kostelijke stuk, dat we straks voor de vijf en dertigste maal zullen vertoonen, heeft je dan nog niet van 't vooroordeel genezen ?quot;
âWat bedoel je?quot;
âIk bedoel dat je den schoonvader voor den vader houdt, en dien kalmen landbouwer of rentenier, maar kortweg voor een fielt verklaart, zonder den man ooit vroeger te hebben gezien.quot;
âOch kom, is die lange met z'n deftig aristocratisch voorkomen....quot;
âDe eigen vader in quaestie; ja wel, en de zoon van de eerwaardige vrouw die je toch, uit de loge aan den anderen kant, met de meeste onderscheiding zaagt groeten. Toen ik hier met m'n geknotte vlerk lag, toen zag ik den bankier gedurig naar z'n kantoor voorbij rijden, en ik ken 'em nog goed, ofschoon hij wel vijftien jaar ouder schijnt geworden.quot;
âTe deksel! men kan zich vergissen.quot;
âJuist! maar---- men moest het niet doen,quot; klinkt een
basstem.
âEi lobbes, hoor je 't van Roosman: men moest het niet doen!quot;
âMijn God! hoe is 'tmogelijk!quot; zegt Heldera.
âDaar komt de auteur!quot; fluistert Kaatje snel, en â voort is ze in haar kleedkamer.
Ofschoon de eerste actrice. Mevrouw Baars, nog niet geheel gekleed is; zoomin als voor vijf jaren ziet zij er nu bezwaar in om mijnheer Van Oudenolm in haar kamer te ontvangen.
Bovendien, sedert dat oogenblik van ontvangst zijn de omstandigheden niet weinig veranderd.
Zelfs Flora Reene zou zonder twijfel -â zooals Rosa nu deed â den auteur hebben ontvangen. Haar rein gemoed was nooit tot de kleingeestigheid vervallen, om heden met angstige preutschheid zelfs een kleedingstuk te bedekken 'twelk men morgen â en niet slechts in de tooneelwereld â zonder schroom prijsgeven zal. Flora's gevoel was in opstand geweest met alles, wat waarachtig
III. 22
TOONEELSPELEIïS.
zedenkwetsend en der vrouw, den mensch onteerend is. Een speculeeren op de wuftheid van 't publiek, een verheerlijken van de ongebonden zeden, dat was haar een gruwel; en de lokglans eener grove zinnelijkheid achtte zij den teringblos der Kunst.
,6a binnen mijnheer,quot; zegt Rosa's echtgenoot, die den auteur vergezelt, nadat hij pro forma de verzekering van zijn vrouw heeft ontvangen dat er volstrekt geen belet is.
Archibald Van Oudenolm treedt binnen.
De verloopen tijd heeft hem zeer veranderd. Nog geen vijf en twintig jaren oud, heeft hij het voorkomen van op 't minst een dertiger te zyn. Doch 't is voornamelijk de ernst van zijn sprekend oog, die hem ouder doet schijnen dan hij werkelijk is, terwijl die ernst zijn mannelijk schoon inderdaad zelfs verhoogt. Een groot deel der dames-artisten spreekt dan ook van den Knappen-olm. Immers zijn forsche donkerbruine knevels, en â zooals mevrouw Comijn zegt â zijn âkeurlijke hanriekatquot;, verhoogen de blankheid van zijn kloek innemend gelaat, 't welk door een voorhoofd wordt gekroond, waarop vastheid van wil â misschien wel wat heersch-zucht zetelt.
Van Oudenolm begroet de eerste actrice als een goede bekende doch met onderscheiding en drukt haar de hand, terwijl Rosa de eenigszins stereotype verontschuldiging maakt, dat het hier zoo'n boel is, en dat zij zich schaamt den auteur in dit hok te moeten ontvangen.
âWe kennen dat mevrouw. Ik moet u even derangeeren, en wel om mijnheer Baars, namens mijne grootmoeder, nog vóór de opvoering, in uwe tegenwoordigheid een verzoek te doen.quot;
âAan mij?-' zegt Baars.
âJa aan u. â Bij de vijf en dertigste voorstelling van mijn stuk is het zeker niet meer noodig dat ik u nog een wenk in 't belang van de uitvoering geef; maar toch hoop ik dat u nog een kleine wijziging zult willen toestaan.quot;
âIn die regels betreffende....?quot;
âNeen, mevrouw, mijne grootmoeder heeft het stuk tweemaal gelezen eer de directie het ontving. Zij wil niet dat er een enkel woord in veranderd zal worden, en hoopt het te hooren zooals het geschreven is.quot;
âIk meende dat de oude mevrouw en mijnheer uw vader toch verhinderd waren om, volgens hun plan, tegenwoordig te zijn?quot;
âVolstrekt niet mevrouw. Zoo even bracht ik mijne familie in haar
338
TOOKEEISPELERS.
loge,quot; zegt Van Oudenolm, op een toon, die doet vermoeden dat hij zich met kracht tegen zulk een besluit zou verzet hebben â ofschoon hij niet heeft voorzien dat zijn voormalige vriend, de grijze alom geëerde bestuurder der Provincie, bij 't binnenkomen, en op dezen avond, dien vader zelfs geen groet zou hebben -waardig gekeurd.
âDie tegenwoordigheid vereert ons bijzonder,quot; zegt Baars, met een geste die Archibald, op een repetitie, zeer zeker te sterk, te overdreven zou hebben genoemd.
, Wat ik u te vragen had mijnheer Baars,quot; herneemt Van Ouden-olm: â't is eenvoudig of u wilt toestaan dat mijnheer Van Deene, als Eduard Randorp, aan mevrouw Baars, als Nella, bij 't einde van het stuk, in plaats van den gewoonlijk gebruikten ring, dezen ring aan den vinger steekt? 't Zou mijne grootmoeder zooveel genoegen doen, indien hij door mevrouw welwillend werd aangenomen, en, op mijn verzoek, uit de hand van onzen goeden Van Deene, die bij Flora Reenes graf zoo'n hartelijk woord heeft gesproken.quot;
De directeur voelt zich ten hoogste vereerd.
Rosa beziet den ring en zegt:
âMaar mijnheer, zulk een kostbare steen; een geschenk van zooveel waarde!quot;
âDie waarde bezware u niet,quot; zegt Archibald snel met eenigs-zins pijnlijken glimlach. Maar als hij vervolgen wil, dan herneemt Rosa haastig:
âZe doet het omdat ik niet weet, waaraan ik zooveel goedheid te danken heb! Als ik mijn best deed om 't karakter van uw Nella trouw weer te geven; als ik uw uitmuntende wenken zooveel mogelijk ter harte nam, dan, nietwaar Casper, dan heb ik alleen voor mij zelf gezorgd. U bent er een paar maal getuige van geweest, hoe 't publiek mij mijn studie beloont. Uw goedkeuring als auteur was mij de grootste voldoening. Eu nu, deze briljant, hij is wel prachtig, maar....quot;
âMijne grootmoeder heeft er een paar woorden bijgevoegd, die mijn mondeling verzoek wat kracht zullen bijzetten.quot;
Met de levendigheid haar eigen, grijpt Rosa naar den brief, dien Van Oudenolm haar toereikt; breekt hem open, en leest:
âMevrouw!
âReeds sedert lang wachtte ik op een geschikte gelegenheid om u den nevensgaanden ring te doen aanbieden. Laat het dezen avond
339
tooneei,spelers.
zijn, op het oogenblik dat Nella Kandorp den ring uit do hand van haar schoonbroeder ontvangt.
âZij, die u dit souvenir aanbiedt, Mevrouw, wensoht dat het u herinnere aan den dag, die de bejaarde grootmoeder van den auteur Van Oudenolm wel nimmer uit het geheugen zal gaan, aan den dag toen zij ook U mocht ontmoeten, en sedert welken stond zij steeds levendiger heeft gevoeld, dat zij u iets meer dan een gering stoffelijk blijk van waardeering, dat zij u een ongeveinsde hoogachting verschuldigd is.
âMet den wenseh dat het leven u, door des Allerhoogsten zegen, veel goeds, en de Kunst, in haar verhevenste gestalte, u voortdurend den meesten roem zal verschaffen, noemt zij zich. Mevrouw!
Uw Zeer Dw. Dienaresse:
Wed. A. Van Oudenolm,
Ra woud.quot;
De zegepraal met dit schrijven behaald, dringt Rosa dieper in de ziel dan ooit een overwinning voor het voetlicht â ja zelfs van eene der laatste jaren, het gedaan heeft.
Uit Rosa's oog spreekt haar ziel, en de jonge auteur behoeft geen woorden meer. Zij steekt hem de hand toe.
Op dit oogenblik luidt de tooneelschel.
De directeursvrouw komt nooit te laat, doch nu moet zij toch haast maken.
âDaar booswicht!quot; zegt ze tot Baars, met een merkbaar streven om haar aandoening te verbergen, terwijl ze hem den briljant geeft: âTot aan het vijfde bedrijf kun jij er voor zorgen, maar dan, dan verlaat hij dezen vinger niet, tot aan mijn dood! âJa wel Armstron, ik ben klaar,quot; vervolgt ze tot den regisseur, die even om 't hoekje van de deur ziet.
En terwijl Rosa nu met een laatste kleedingstuk haar toilet in aller ijl voltooit, en nog haastig met het penseel de ooghoeken een weinig relief geeft, prevelt zij zachtjes: âDie oude edele vrouw!quot; En dan, als ze het penseel wegwerpt, den brief weer opneemt, en er de lippen op drukt; dan denkt zij aan Flora; en de traan, dien ze straks met geweld heeft teruggedrongen, springt nogmaals naar voren.
âZeg aan uw edele grootmoeder mijnheer!quot; herneemt Rosa snel, nu zij ziet dat de jonge Van Oudenolm met een groet het vertrek wil verlaten: âZeg haar, dat deze brief voor mij een nog schooner
340
tookeelspelees.
licht heeft dan de prachtige briljant. Hier aan mijn hart zal hij liggen terwijl ik dezen avond mijn rol speel. Edelis Nella's karakterrol, maar 't karakter, dat uit dezen brief spreekt....! Ga nu mijnheer; als ik niet goed speel van avond, dan is het uw, of, uw grootmoeders schuld!quot;
ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
de opvoering van ânella.quot;.
Maar Rosa zou zich zelve overtreffen.
't Was een vreemd verschijnsel in de, op kunstgebied doorgaans zoo kalme Provinciale hoofdstad, dat bij 't opgaan dor gordijn al aanstonds aan Rosa een prachtigen bouquet werd toegeworpen. Als een reclame van den kant der directie kwam het huldeblijk niet, dit wist zij zeker: en den auteur kende men genoeg dat hij wel 't allerminst een gunstige stemming bij 't publiek zou trachten op te wekken â gesteld zelfs dat het noodig ware. 't Kon dus niet anders of dit bewijs van den roep, die haar als nk.lla was vooruitgegaan, moest Rosa, bij de straks reeds genoten zegepraal, opnieuw een streelende voldoening zijn, maar tevens een prikkel, om de verwachting van een overgroot publiek â voor 't meerendeel uit den beschaafden stand â niet te beschamen.
Ne 11a is de jonge echtgenoote van Wouter Randorp.
Wouter zit aan de schrijftafel ter rechterzijde van het tooneel, 'twelk een zeer eenvoudig, bijna armoedig huisvertrek voorstelt.
Rosa Baars heeft den prachtigen bouquet ter zij gelegd, nu zij, als Nella Kandorp, de plaats weer gaat innemen, die zij bij de onverwachte ovatie verlaten had.
Zij zit bij eene kleine tafel â niet aan de tegenovergestelde zijde van het tooneel, maar bijna in 't midden er van, â en terwijl ze met ijver aan een kleedingstuk werkt, brengt ze met den voet een mandewieg in beweging.
Zonder dat de echtgenooten van hun werk opzien, heeft er een gesprek plaats, 't welk nu en dan door een oogeublik stilzwijgen wordt afgebroken.
341
TOO.N'EELSPEIERS.
Kandorp zegt, dat Nella den jongen verwennen zal als zij zoo aanhoudend wiegt.
â Maar, 't kleine ventje is nog wakker, en als zij 't niet doet dan zal hij weer schreien, en. Wouter kan dan immers niet werken?
â 't Is waar, maar dat aanhoudend gedreun kan hij niet velen. De vloer is zoo ellendig zwak, dat de hand bij 't schrijven letterlijk danst op 'tpapier. Als Nella den kleine liever op schoot nam?
â Dat zou den ondeugd wel bevallen; maar Wouter moet begrijpen, dat zij dan geen steek kan uitvoeren, en, 't kleed moet vóór den avond bezorgd worden, terwijl zij bovendien haar eigen boerinnenpakje nog met rood band te garneeren heeft.
âZing liever Nella!quot;
âZingen!?quot;
âNu ja, niet voor je plezier.quot;
âMaar 't zingen hindert je ook.quot;
,'t Leidt me af omdat ik er graag naar luister. Probeer het nog eens. Als je zingt is hij ook stil. Met dat gestomp en gepomp van de wieg kan ik in 't geheel niet vooruitkomen.quot;
Altijd doorwerkende zingt Nella:
âSlaap mijn jongske. en schrei niet meer,
âSla de zijden luikjes neer,
âSlaap maar, moeder houdt de wacht âBij haar lievling dag en nacht.
âBange zorgen en verdriet âKent nog 't jeugdig hartje niet.
â't Zoet geluk waar hij naar dorst,
âVloeit steeds weer aan moeders borst;
âDaarom jongske, slaap gerust âTot je wakker wordt gekust.quot;
Als Nella het tweede couplet tot den vierden regel heeft gezongen, cn Wouter reeds eenige oogenblikken met de hand aan het hoofd en de pen in den mond heeft gezeten, dan zegt hij zacht:
âNiet meer zingen, Nella.quot;
âNu, wat heb ik gezegd!quot; is haar antwoord, en ze begint weer te wiegen.
âAls ik je hoor zingen dan word ik zoo....quot; Hij wendt zich af om een traan te verbergen.
âMalle jongen! Als ik het niet zoo druk had dan....!quot; Zij ziet in de wieg; legt haar vinger op den mond, en fluistert en neuriet
342
TOONEELSFELEBS.
bij afwisseling, terwijl ze, steeds zachter schommelende, allengs het wiegen staakt:
âChut! stil!----De oogjes dubben----
âSlaap myn jongske, en schrei niet meer.
âMooi zoo! de gordijntjes vallen voorgoed!
âStraks .... speelt moeder ....
âHeerlijk, hji is er! â Ziezoo, nu kunnen we doorzetten!quot; â Zij doet het wiegekleed dicht, en nadat ze Wouter een kushand heeft toegeworpen, hervat zij met allen spoed haar arbeid.
Dit stille, hoogst eenvoudig gespeelde tooneeltje, heeft het publiek
reeds gewonnen. Een zacht handgeklap----Neen, stil, dat kindje
zou weer wakker worden. Stil! Men fluistert slechts:
âGoed!quot;
âBepaald Natuur!quot;
âFameuse vooruitgang!quot;
Wouter Kandorp is opgestaan; nadert Nella, en beschouwt haar eenige oogenblikken van ter zij. Nella werkt zóó ijverig door, dat ze hem niet bemerkt; en als hij nog nader gekomen, bij haar staat, en zij opziet, dan zegt ze, doch zonder een sterk vertoon van ontsteltenis:
âFoei, je doet me schrikken.quot;
âDaar ben ik al lang bang voor geweest, Nella.quot;
âWaarvoor?quot;
âDat je van me schrikken zoudt.quot;
âHoe meen je dat? Ik dacht dat je rustig aan 't vertalen waart.quot;
âDat prul verveelt me. 'tls een draak, een gedrocht. â Je schrikte Van me, hé?quot;
âNu ja, schrikken.... 't Was niet zoo erg. â Geef me een zoen Wouter. Heb je hoofdpijn?quot;
âNeen. â Ik zie er slecht uit, nietwaar?quot;
âJe ziet er____Neen, slecht? In 't geheel niet. Je ziet ei altijd...quot;
âHetzelfde uit! Natuurlijk, voor jou! 't Kan me ook weinig schelen hoe ik er voor anderen uitzie. Maar, o Nella, wat me altijd en meer dan iets anders kwelt, 't is de gedachte dat je door mij ongelukkig bent.quot;
De jonge vrouw hervat na die woorden terstond den arbeid, en zegt eenige oogenblikken later, steeds doorwerkende:
âDat chapitre zullen we liefst niet meer aanroeren. Wie smakelijk zit te eten, klinkt het zeker nogal vreemd, te moeten hooren dat hij volstrekt geen appetijt heeft.quot;
343
T00SEELSPE1EKS.
344
I
,Nella, gelukkig ben je niet.quot;
Even werpt ze hem een zacht bestraffenden blik toe, maar aanstonds den arbeid hervattende, zegt ze:
âAls je me nu ophoudt,'en ik niet klaar kom, dan, dan maak je me zeker ongelukkig.quot;
âNella, kijk me nog eens aan; zoo boos; zoo----met dien zelfden blik?quot;
De jonge vrouw legt haar naaiwerk ter zij, en dan zich omwendende, en hem met een oog vol innige liefde aanziende, zegt ze:
âTwee minuutjes wil ik er nu eens aan wagen, om je te zeggen dat je een nare man bent.quot; â Zij wijst op de wieg: âVan wie is dat kind? Van ons beiden nietwaar? Dus zijn we één. En â kom eens hier mijn oudste lieveling. Zeg, ben ik dan niet van jou, en ben jij niet van mij? Och hoe kun je dan toch telkens weervragen of ik wel waarlijk gelukkig ben!quot;
Doch er was reden: Al is Nella de zon van zijn leven, er is een donkere wolk, die den echtvriend haar gloed en warmte betwist.
Op zekeren avond, voor drie jaren ongeveer, heeft de jonge bevallige actrice Nella Conza, bij 't verlaten van den schouwburg, in een volte van menschen en rijtuigen, een jonkman zien vallen, en hem door een snellen en krachtigen greep voor overrijden behoed.
Die jonkman was Wouter Kandorp, de jongste broeder van het hoofd eener aanzienlijke koopmansfirma van dien naam.
Ofschoon de jonge Kandorp, alvorens zijne vrienden hem terugvonden, tot de schoone onbekende eenige zeer beleefde en dankbare woorden heeft gesproken, Nella heeft zich overtuigd gehouden dat die âeeuwige dankbaarheidquot;, morgen bij 't ontwaken wel geheel vergeten zou zijn.
Maar zij had zich bedrogen. Reeds dien volgenden dag bezocht hij haar, en bracht haar zijn innigsten dank. En, toen hij haar verliet, toen kreeg hij van Nella's âzeer vereerdequot; tante, de volle vrijheid om â mits hij het eerlijk meende â zoo dikwijls terug te komen als hij 't verlangde.
De goede vrouw was heel dom. Nella was het niet â indien haar liefde voor den eerlijken losbol althans geen domheid moest heeten. Zij gevoelde, zij wist dat ze hem vertrouwen kon, hém, dien zij door de reinste liefde aan zich gekluisterd hield, en die haar zeker voor 't oog van God en de wereld de zijne zou noemen. En als haar Wouter dan geen enkel van al de bezwaren telde, die zij hem gedurig voor oogen heeft gehouden: het misnoegen eener .vermogende familie, en alles, alles, wat ze hem nog meer, nog zoo
TOOJJEELSPELEIÃS.
oneindig veel meer heeft gezegd; als hij dan âstervenquot; zou indien Nella hem niet haar gansche leven schonk; ach, waarom zou zij â de wees â dien geliefde dan prijs geven! 't Was immers waar wat de dierbare zeide: voor God waren' alle menschen gelijk; en, de eenige smet, die men Wouters Nella zou kunnen aanwijzen was deze: dat zij een luchthart haar jawoord geschonken had.
Terwijl uit den loop der handeling de gemelde bijzonderheden aan 't licht komen, blijkt reeds terstond uit een kort gesprek, dat Wouters familie, den broeder na zijn huwelijk had uitgestooten, en dat de firma âden lichtmisquot; haar vertrouwen geheel onwaardig heeft gekeurd.
Wouter, die gemeend heeft dat hij het brood voor zijn vrouwtje gemakkelijk zou kunnen verdienen, en zelfs, toegevende aan een dwaas vooroordeel ter wille van zijns vaders naam, de dierbare had bewogen om het tooneel te verlaten. Wouter heeft echter met zóóvele tegenspoeden van allerlei aard â¢â voor 't meerendeel uit de houding van zijne familie gesproten â moeten kampen, dat het kleine, reeds voor zijn huwelijk zeer verminderde erfdeel zijner ouders, in de drie jaren dat men 's levens lief en leed heeft gedeeld, tot den laatsten stuiver versmolten was. En, toen nu aan het einde dier drie jaren, den jeugdigen echtelingen nog bovendien hun eerste kind, een jongske, geboren werd, toen moest er zeer ernstig worden raad geschaft.
In 't einde heeft men zich opnieuw tot het tooneel gewend. Onder haar eigen naam zou Nella Conza weer optreden; doch slechts een zeer nederig emplooi kon haar gegeven worden, aangezien zij, naar men beweerde, geen stem had; terwijl Kandorp zich nog gelukkig mocht achten als kopiist en vertaler van tooneelstukken, tegen een ongeloofelijk lagen prijs, ja, ais ivm p lac an t-sout fleur, mede aan het gezelschap te worden verbonden, want, gaven voor het tooneel bezat hij niet.
Nella heeft karakter; zij is moedig en trouw; maar, zoomin als haar man kent zij de waarde van het geld.
Op het levendig gesprek, 'twelk de benarde omstandigheden van het echtpaar eerst recht aan 't licht heeft gebracht, volgt een klein tooneel, waarin Nella zal toonen dat zij, of althans dat haar hart, geen cijfers kent.
De toeschouwer heeft reeds bemerkt, dat Wouters gezondheid haar meer verontrust dan zij 't den geliefde zal bekennen.
De huisdeur bevindt zich ter rechterzij van het tooneel. Op dit oogenblik wordt zij door een koopvrouw geopend, die om don hoek ziet en naar binnen roept:
345
TOONEELSPELEES.
âEiers juffrouw!?quot;
,0 ben jij 't, vrouw Palm. Kom er maar in.quot;
âNiet nemen!quot; roept zeer zachtjes Kandorp, die weer aan 't schrijven is.
âNatuurlijk niet! â Wat kosten ze, vrouw Palm?quot;
âIn de grooto buurten geven ze nog zes centen â bij m'n zondige ziel! maar jij zult ze voor vijf hebben.quot;
âDat is aardig van je. Geef er dan zes.quot;
,'k'Hem! Nella....! Zeg, Nellaüquot;
âWat blief?quot;
Kandorp geeft met gefronste wenkbrauwen een teeken, dat het koopen van die eieren dwaasheid zou zijn.
â Nella heeft snel omgezien; werpt hem een kushand toe, en zegt tot de vrouw: âOch, â geef er maar acht.quot;
âNella!quot;
âEi manlief, riep je? Ze zijn heel versch niet waar, vrouw Palm?quot;
âMensch, als uit den oven!quot;
âOch doe er dan nog drie van de grootste bij. Dat is voor____?quot;
.Precies vijf en vijftig centjes.quot;
âHoe is 't!quot; roept Kandorp, haastig toeschietende. Nella treedt hem aanstonds ter zij, en zegt:
âIk heb gekocht!quot;
âMaar Nella!quot;
Nella zacht: âWat ik koop dat betaal ik!quot;
Kandorp ziet haar bewogen, hoofdschuddende aan, terwijl zij de koopvrouw voldoet:
âWat heb je in die andere mand?quot; vraagt hij een oogenblik later aan de koopvrouw: âIs dat zalm?quot;
âDat zou ik je verzoeken. Een puik van 'en zalmstaart, voor de Hooggracht. â 'Keis kijken? Nou, wat zeg je d'r van?quot;
Kandorp ziet in de mand:
âVerduiveld!quot;
âMooi hê? Rood als 'en kreeft!quot;
âJe houdt er zoo van, nietwaar Wouter?quot;
âHouen, ik? ... Neen..... waarachtig niet.quot;
âNou; hoor mijnheer is! hihaha: waarachtig niet! Van geen zalm houen! Als je mijn slacht dan zul je 'm ook niet tegen eten. Verduiveld zei die zoo even!quot;
Kandorp heeft werk zich te bedwingen.
âWat kost ie?quot; zegt Nella met klem.
âJa, zie je, de zalm doet een rijksdaalder de vijf ons; maar deze
346
TOONEELSPBLEKS.
is niet te krijgen. Ik moet 'em bij een naamgenoot van je brengen. Omdat ik juist bij Randorp op de Hooggracht moest wezen, kwam me in 't voorbijgaan je naam in 't zin, en dacht ik: misschien dat de juffrouw wel weer een eitje moet hebben.quot;
Uitmuntend wordt door Rosa, Herman Heldera en juffrouw Comijn â welke laatste door gestalte en accent een voortreffelijke visch-vrouw is â de scène afgespeeld, die den zalmstaart aan de tafel van den broeder betwist, en in 't einde ontneemt. De wijze waarop Rosa de noodzakelijkheid van den aankoop doet uitkomen: door 't snel overleg dat zalm zoo fameus versterkend moet zijn, geeft haar opnieuw een zacht bewijs van goedkeuring van de zij der toeschouwers, terwijl juffrouw Comijn, ook dezen avond weder in Van Oudenolms stuk â maar daarin ook voor 't eerst van haar leven â den triomf viert van te worden teruggeroepen. Inderdaad, met de dikke juffrouw Comijn heeft men de schreeuwerig brutale maar toch goedhartige vischvrouw zien vertrekken, die, âmorgen 't geld wel zal halen; Borgen geen zorgen; met alle plezier!quot;
Nella zou betalen; ze zou betalen van..... âenfin, van iets, dat
Wouter niet behoeft te weten; van iets, dat ze vroeger bespaard had, maar____nog bij iemand moet halen.quot;
En Randorp â 't was dwaas, ;t was slecht, ellendig, maar, zoo als die geliefde 't bestierd had, hoe kon hij 't beletten! En de visch zou hem smaken waarachtig! de visch waarnaar zijn dierbare familie al watertandt.
Herman Hart komt de woning in.
't Is een vroolijke jonge schoorsteenveger: in den eeuwigdurenden rouw, zooals hij zegt: over de onveranderlijke zwartheid van 't roet, dat zijn fortuin in den weg staat.
âVan fortuin gesproken, nichtje,quot; vervolgt hij tot Nella â na de bekentenis dat de poezele dochter van eene fruitvrouw dat fortuin is, en dat hij haar hartje met een paar oorbellen wenscht te bestormen : âVan fortuin gesproken, ik kom precies een gulden te kort. Och je moest me die leenen? â Niet? Wat blief; geen geld? En gisteravond smeet je, als barones Bomberdebom. ... den vent â die je per slot van rekening nog een verkeerde boodschap bracht â in plaats van een dubbeltje, een beurs met dukaten toe, alsof het een zak met roet was, zoodat we in den engelenbak er kippevel van kregen. Geen geld! Geen vijftien stuivers; geen twee kwartjes, nichtje....? Nu, dan moet ik bekennen dat mevrouw de barones gelijk heeft om zich hier.... een beetje te retiree-
347
TOONEELSPELEES.
ren â zooals de klokkenist zegt als ie op den toren den tijd wat achteruit zet.quot;
De levenmaker wordt door Nella vriendelijk verzocht, om met zijn zwart pak niet te dicht bij 't kleed te komen, dat zij graag netjes wil afleveren, en ook om den kleine niet wakker te maken; terwijl Randorp, die weer aan 't werk ging, zoo vrij is hem te doen verstaan, dat er van geld leenen geen quaestie kan zijn, als men zelf hard moet werken om in 't onderhoud te voorzien.
Maar Herman vindt dit laatste een bepaalde dwaasheid. Met al den eerbied, dien hij voor zijn neef heeft, moet hij toch zeggen, dat neef geen schoorsteen kan vegen, â 't geen toch noodig is, als men wil dat hij vroolijk zal rooken. In zijn plaats zou hij wel weten wat hem te doen stond.
L)e wijze, waarop Herman Hart straks zijn meening zegt, brengt de schouwburgbezoekers in een vroolijke stemming; maar, zijn er ook onder de toeschouwers, wien 't pleidooi van den jongen schoorsteenveger voor ruiterlijkheid en den eenvoudigsten weg, om inhoud of vorm, minder schijnt te bevallen, ze zullen op het tooneel, aanstonds in Randorp een bondgenoot vinden.
âDie kwazie aardigheden,quot; zegt hij toornig: ,kun je bewaren voor zielen, die gewoon zijn in 't roet te kruipen. Wie Randorp op den dag van zijn huwelijk de broederhand ko» weigeren, dien veracht, dien haat hij! Ja; en dien haat moest men hier niet door zotteklap komen opwekken! Hij haat ze allen, die een aangebeden vrouw de eer onthouden die haar toekomt: die wanen hooger te staan dan zij, terwijl ze zelfs niets dan Weledelgeboren misgeboorten zijn!quot;
De hevige toon, waartoe Randorp al meer en meer is geraakt, doet Nella angstig opstaan, en hem, ter wille van zijne gezondheid smeeken, zich toch bedaard te houden; terwijl de actrice intus-schen niet heeft vergeten om, bij de verheffing van Randorps stem, met moederlijke bezorgdheid een paar malen naar de wieg van haar jongske te zien.
Maar Randorp, nu men met roekelooze hand de wond heeft aangeraakt, die voortdurend als een kanker aan zijn leven knaagt; nu zelfs Nella's familie hem tot een laagheid durft aansporen opdat zij er de vrucht van zou plukken, nu moet hij zich met geweld beheerschen, en zich herinneren dat die knaap een âgoedhartige domkopquot; is, om hem niet op het allergevoeligst de deur te wijzen. In het tooneel dat volgt, en waarin de verafgode vrouw de liefderol speelt tusschen de beide mannen die, hoezeer ook â door geboorte en karakter â van elkander verschillende, toch beiden haar geluk
348
TOONEELSrELERS.
bedoelen, in dat tooneel vol hartstocht en teerheid, zweert Kandorp dat hij eerder in 't slijk der straten het voedsel voor vrouw en kind zal zoeken, dan één stap te doen, om het brood der genade van zijn verachte familie te bedelen. Maar ook, in dat zelfde tooneel ziet men den jonkman uit het volk, steeds meer en meer tot het besef komen, dat de pijnlijke wonde, die hij argeloos heeft aangeroerd, Nella met jammer en rouw bedreigt, en dat zij toch inderdaad slechts genezen kan worden door een beroep op de liefde van hen die tot nu toe, âde waarde der vrouw in zijn brave nichtje op 't grievendst hebben miskendquot;.
Als Kandorp straks door Nella een weinig tot kalmte gebracht, Herman de hand reikt, en hem zegt, wel te weten dat zijn ziel niet zoo zwart als zijn kleed is: en Nella herademende poogt te schertsen: âEen schoorsteen ten binnenste-buiten!quot; maar Herman, ofschoon getroffen, waarschuwt: Dat Neef toch voorzichtig moet wezen, omdat roet zoo vreeselijk doorwerkt; dan meent Nella â steeds in zorg voor haar Wouter â hem toch een afleiding te moeten geven, en toont hem nogmaals den zalm.
En Kandorp zal bewijzen dat hij niet haatdragend is, en dat hij Nella's familie niet beneden zich acht, wanneer ze haar liefheeft:
.Herman moet den zalm met ons etenquot; zegt hij.
âJa, ja!quot; zegt Nella, aangenaam verrast: âWel zeker, hij meent het zoo goed. Maar.... eerst wat opknappen hoor!quot;
Herman heeft er niets tegen; doch als Kandorp het tooneel heeft verlaten, dan mag hij straks schertsend vragen, hoe mevrouw de barones nu weer op eens zulk een prachtigen maaltijd bekostigen kan?
âStil! Wouter mag het niet weten: De ring, dien hij haar op hun eersten bruidsdag schonk â een erfstuk van zijne moeder, wel met kracht door den oudsten broeder betwist maar ook met recht door haar Wouter bemachtigd â die ring zal beter aan zijn bestemming voldoen, indien hij den weg volgt, die reeds zoovele zaken zijn gegaan. Immers Nella moet den geliefde verkwikken en versterken, en de gedachte dat heden haar Wouter zal eten wat die voorname, altijd smullende Kandorps was toegedacht, 't zal een onschuldige specerij bij het maal zijn!
Herman Hart verklaart zich nu gaarne bereid om den diamanten ring voor Nella te beleenen. Verkoopen wil zij hem niet, want, aan dit erfstuk in langvervlogen dagen, door een zwakke moeder aan haar jongsten lieveling voor zijn bruidje toegezegd, hecht hij de
349
TOONEELSrELERS.
grootste waarde. Verkoopen mocht Nella hem nooit; dat heeft ze moeten beloven.
In de schouwburgzaal werpen twee schoone vrouwen â de eene reeds hoog bejaard, en de andere in den bloei van 't leven, elkaar een blik van verstandhouding toe; waarna de jongste â terwijl Goethes bekende versregel haar op de lippen zweeft â naar iemand omziet, die in het achterste hoekje der loge, zichtbaar in spanning, nü schier geen oog voor haar heeft, ofschoon hij haar; zijn oogappel, en reeds sinds vijf maanden: zijn lief, zijn engelachtig wijfje noemt.
âIk wil niet hopen dat hij er ons in te pas brengt____? Als hij
zoo met die ringen begint!quot; fluistert een mager heer die naast de jonge vrouw zit.
âGeen nood papa, Archibald heeft te veel fijn gevoel: Het leven, karakters, accessoires zal hij geven, maar personen, die men herkennen kan, nooit!quot;
âHij moest het ook eens probeeren!quot; zegt mijnheer Van Rave.
âDacht je dat hij portretten zou maken ? Neen neen, dat zou Archi niet doen,quot; zegt mede zacht en zich tot Van Rave vooroverbuigende, een deftig heer, die sedert een tweejarig verblijf in Amerika, wel zeer veel veranderd, maar nu omstreeks drie jaar na zijne terugkomst â in 't oog van bloedverwanten en bekenden â weer bijna dezelfde is.
âPortretten? Watblief!?quot; antwoordt Van Rave omziende: âNeen, een geleerde, een schrijver mag hij wezen, maar schilderen dat is wat anders! Neen, neen, dat kan hij niet.quot;
De heer, die in Amerika is geweest, zal zijn meening maar niet duidelijker maken; bovendien, het tooneel vraagt aller aandacht.
Herman Hart heeft intusschen aan Nella beloofd dat hij morgen, zoo vroeg mogelijk, het kleinood voor haar beleenen zal. Nu heeft hij geen tijd, en 's avonds is de Bank gesloten.
Als hij vertrokken is â om echter voor het diner terug te komen, dan ziet men, terwijl Nella haar arbeid hervat, maar tevens zoo nu en dan den ring ter hand neemt, herinneringen aan een bljjder weleer haar zielenoog voorbijgaan: Daar is de schoone morgen, toen zij dien eersten zoeten kus van hem ontving; â de avond in dat priëeltje, toen de zon zoo prachtig glansde over de wei, en dalende, do stadstorens van verre deed baden in 't goud; die zelfde avond, toen hij haar dezen ring gaf, en zei: âBruidje, ik was een losbol, maar moeder heeft het altijd gezegd: een goed wijQe zou den bol
350
TOONEEI.SPF.LERS.
wel binden. En zie, nu zit hij zoo vast op den hals als die steen in het goud. Daar!quot; En.....toen kwam er aan 't zoenen geen einde.
Zoo denkende gaat Nella voort; maar als droeve beelden van 't verleden haar zeer gejaagd den arbeid doen vervolgen, en straks de gedachte aan een vreeselijk dreigende toekomst â een ziekbed, en 't mogelijk sterven van Wouter â haar opjaagt, en God doet smeeken â stil, innig, doch met een blik, waarin schier vertwijfeling is te lezen â om hem te sparen, voor haar en haar kind, dan.... dan schrikt de toeschouwer met Nella mee.
De klopper beukte de deur geweldig, terwijl bijna in 't zelfde oogenblik een man over de onderdeur naar binnen ziet.
âBen jij juffrouw Kandorp
âJa, wat wil je?quot; zegt Nella snel, doch in verwarring, terwijl ze den kostbaren ring haastig in het openstaande naaikistje legt, en ongemerkt het deksel dichtdoet.
't Is de huisknecht van den heer Randorp â Wouters ouderen broeder.
Hij komt namens mijnheer, om te vragen of hij den visch mag hebben die hier, zooals de vischvrouw gezegd had, bij abuis was bezorgd.
âDe visch! Welke visch?quot;
âEen zalmstaart!quot;
âHé, een zalmstaart.... voor de familie Randorp? Och, wacht even, 'k zal 't mijn man eens vragen. â Een zalmstaart----? hé!quot;
Terwijl Nella de laatste woorden zegt, gaat zij rakelings voorbij een kastje ter linkerzij, waarop straks de visch was gezet; neemt ongemerkt den bak; slaat er haar schort overheen; en, met de woorden: âOch, even geduld!quot; verlaat zij ijlings het tooneel.
âWeerga's mooi vrouwtje! Zoo'n beetje schuchter!quot; zegt de huisknecht: âToen ik binnenkwam was het alsof ze iets uitvoerde dat niet pluis was. Ze werd letterlijk wit: en ze wierp, zoo raar, zoo gejaagd, iets erg glimmends in dat doosje.quot;
Hij ziet naar de deur; steekt de hand naar de naaidoos uit; kijkt nóg eens naar de deur; opent haastig de doos, en ziet er nieuwsgierig in:
âTe deksel, een mooie ring! Zeker een theater-diamant. Glas! Ja wel. Maar, toen ik binnenkwam toen viel 'tme toch op, zoo fel als ie blonk. â Even kijken!quot; â Hij neemt en beziet hem:
âTheater----ja wel, theater! Als zulke zaakjes echt waren dan
zouden ze hier niet wonen. â Maar die glans....! 't Zou toch kun nen zjjn dat hij echt was. Te duivel, da's een idee! Als z'emeens
351
tooneelspelees.
kwijt raakte! Wie weet wat ze aan den eerlijken vinder gaf! Weerga's mooi vrouwtje! â Ai!quot;'
Bij :t laatste woord zag de huisknecht Nella terugkomen. Ongemerkt doet hij de doos weer dicht, maar, laat den ring in zijn zak glijden.
âNeen!quot; zegt Nella zeer levendig; âmijn man heeft geen visch besteld.quot;
âUw man? Bi! Maar u, U ook niet?quot;
âIk!? Goede hemel, ik heb wel wat anders te doen dan uit vis-schen te gaan.quot;
âU bent toch juffrouw Randorp?quot;
âJa wel, zelfs mevrouw Randorp.quot;
âEnfin, maar dan moet hier toch een zalmstaart bezorgd zijn.quot;
Nella ziet onnoozel rond.
âEen zalmstaart! Moet hier een zalm____st____quot;
â....Staart bezorgd zijn. Ja wel! Maar mij dunkt juffrouw, daar moest u toch iets van weten.quot;
âJuist daar moest ik toch----iets van----Voor de familie Randorp
zegt u? Maar er zijn zooveel Randorpen. In de Biersteeg heb je nog een komenij; maar dat is van jou mijnheer zeker geen familie.quot;
âDaar zou ie voor passen. Maar U bent wel familie van mijnheer! Ja, ik weet het: Haken en oogen. Enfin, trotschheid! Maar ik zeg, we zijn evengoed als dat volk. En zoo'n beetje liberteit van het tooneel, dat is niet onaardig. Wat zeg jij.... mooi bekj e!quot; Hij wil haar onder de kin strijken.
De houding die Nella plotseling aanneemt is vorstelijk:
âZeg, wil je heengaan, terstond!? of ik roep mijn man, en die schiet je voor den kop.quot;
âPhuü wat 'en... . drukte!quot;
âDe deur uit! Op staanden voet!quot;
âEn de zalm....?quot;
âZeg aan je heer dat wij dien eten van middag.quot;
De knecht is vertrokken.
Nella drukt de hand op het voorhoofd. Nu zal ze haar werk hervatten. â Na een vluchtigen blik in de wieg, zet ze zich weder.
Ze opent de werkdoos. Ze ziet er in, â zonder erg. â Nu denkt zij aan den ring ... Ze kijkt; ze zoekt; ze rommelt; ze keert de doos ten onderstboven; ze schudt hem uit op do tafel____
âO God!quot; zegt ze steeds zoekende. â¢â- Op het oogenblik dat ze gejaagd en angstig op den grond zoekt, treedt Randorp binnen.
De gordijn valt.
T00NEEL8PELEKS.
NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
'T V ER V O L ö VAN VAN-OUDBNOIiMS
Het tweede bedrijf speelt in de woning van Randorps ouderen broeder.
De voorname koopman zit met vrouw en dochter aan de ontbijttafel.
Eduard Randorp leest op eenigszins zalvenden toon den laatsten volzin van een stichtelijk vertoog.
âMooi!quot; zegt mevrouw.
âPrachtig!quot; voegt Marie er bij.
âEn dat er zelfs in onzen stand zoo velen zijn, die de oude goede gewoonte, om den dag met een -woord tot het hart te wijden, laten varen, en maar dadelijk wereld zijn, wereld, geheel en al!quot; zegt de koopman terwijl hij zijn thee drinkt.
Eduard Randorp is een type van----volmaaktheid.
Gaarne wijdt hij zijn dag, maar, een femelaar is hij niet.
Zijn eerst gevoel is dankbaarheid, maar geen dankbaarheid die tot werkeloosheid prikkelt.
Hij geeft den Heer wat des Heeren, en den keizer wat des keizers is.
Hij houdt van ernst, maar ook van gepaste vreugd.
Hij veracht de onmatigheid, maar gunt zijnen vrienden, zoogoed als zich zelf, een smakeliik maal en een verkwikkend glas wijn.
Zwakheid noemt hij verderf, en overmoed, waanzin.
Schatten der aarde door vlijt en trouw verworven, verwerpt hij niet; ze zijn hem panden door Gods liefde geschonken, ter bevordering van 't geluk in eigen kring en daarbuiten.
Drift is dronkenschap van den geest.
Haatdragendheid de kanker der maatschappij.
353
Voor 'toog van God te zijn wat men is voor 'toog dermenschen. dat geeft de innerlijke zielevree, die levensmoed schenkt, en onversaagdheid in 't uur van den dood.
âDa's 'en Piet!quot; zegt een toeschouwer, die boven in het amphitheater op de voorste rij zit. III. 23
TOONEELSPELBRS.
âNeen, 't is Van Deene de komiek;quot; antwoordt een gepensioneerd wachtmeester, die sedert de opvoering van Een vrouwenhart of de erfgename der Maulonièresquot; een beetje doover is geworden.
âNou zul je lachen, mijnheer!quot;
âNeen, volstrekt niet,quot; zegt een geweldig kaalkleerig en kaalhoofdig persoon, die sedert de genoemde opvoering, een bril draagt; .Lachen zul je volstrekt niet. 'tls bespottelijk om aan een komiek zoo'n rol te geven. Het Handelsblad schreef, dat de auteur het zoo gewild heeft, en dat het een uitmuntenden greep mocht heeten, aangezien de eerste komiek volkomen berekend was om zoo'n type voor te stellen. Maar weet je wat ik zeg: als een komiek geen komiek is, dan vind ik er geen komiekigheid aan. In 'tstuk, dat ik nu aan 't vertalen ben, daar breng ik voor den komiek nog van me zelfs een aardigheid in: Van een dief, weet u: â Hij zit. â Zoo, zit 'ie, da's goed, dan heeft ie geen stoel meer noodig. â Hê hê hêhê! Neen mijnheer! naar alles wat ik er van gelezen heb, dan is het een vervelend prulwerk. Ziet u, als ik niet in zeker opzicht verplicht was hier te komen, om de critiek, die ik altijd moet leveren....quot;
âWat blief? critiek?quot;
âDe critiek, ja wel; ten minste....quot;
âTe duivel, dat wordt nog al betaald hé? Van de krant hé? Zie je, m'n kleinzoon die op 't behangen is----quot;
âStil ouwe kameraad,quot; zegt een burger juffrouw: âom jou en mijnheer over critiek te hooren praten heb ik geen tien stuivers betaald.quot;
âZou je denken Jan, dat die koopman â Van Deene zal ik maar zeggen â een schijnheilige is?quot;
âWaarachtig! Anders was het heelemaal geen rol,quot; is het ongevraagd advies van den criticus.
âNeen, je hebt het mis mijnheer; als je luisterde, dan zou je hooren dat de kerel het meent.quot;
Ja, de kerel meende het. â De auteur Van Oudenolm en de talentvolle komiek Van Deene, hebben met Eduard Kandorp een type gecreëerd, in geen enkel opzicht gelijkende op de meer of minder uitmuntende Tartuffes van vroeger of later tijd; een type van de zich zelf bewuste volmaaktheid, en waardeering van alles wat is, of denkt zooals hij.
Dewijl de auteur het kopijrecht van Nella â het eerste tooneel-stuk 'twelk hij met zijn naam liet opvoeren â aan zich zelfheeft
854
TOOXEBLSPKLERS.
behouden, eischt de bescheidenheid dat de verslaggever de pers niet te zeer vooruitloope, en slechts enkele hoofdtooneelen â vooral met het oog op een hoogst voldoende uitvoering, te boek stelt.
Al spoedig ziet men Eduard Eandorp zijn driftige echtgenoote en verontwaardigde dochter tot bedaardheid vermanen, nu de huisknecht aan mevrouw heeft bericht wat die juffrouw Kandorp, in antwoord op zijn boodschap omtrent den zalmstaart gezegd heeft.
Mijnheer Kandorp heeft van de heele zaak niets geweten, anders zou hij bepaald verboden hebben, om naar dien visch te informeeren. Men had er geen notitie van moeten nemen, en er althans geen knecht hehooren heen te zenden; 'twas niet verstandig. Maar, nu men 't gedaan heeft, nu moest men het brutale antwoord ook maar geduldig als een welverdiende straf verdragen. â Basta! 'tRund-vleesch zou Eduard Randorp â na drukken arbeid â er niet te minder om smaken!
Eenige oogenhlikken later, nadat Randorp en zijne vrouw het toon eel hebben verlaten, wordt er een jonkman aangediend.
't Is Herman Hart; maar bijna onherkenbaar. Hij ziet er uit âals een klerkquot; zoo netjes geboend, terwijl zijn mooi zwart kroeshaar het voorhoofd zelfs blank maakt.
Hermans eerste onderhoud, met de bekoorlijke juffrouw Randorp, brengt hem â zoo heel in 't geheim â op een dwaze gedachte.
â'k Wil wedden dat die twee een paar worden,quot; zegt met een snelle hoofd wending â in de hoogste sferen der zaal â een jonge vrijster tot haar vriend; en de vriend knipt met het oog; maar indien hij werkelijk de weddenschap aanvaard had, dan zou z'n liefste het verloren hebben. Omstandigheden, die onvermeld zullen blijven, bezorgen aan Marie Randorp een flinken bruigom â een in stilte beminden, doch door haar vader versmaden klerk, die zich later nochtans een trouw en zelfverloochenend vriend zal betoenen, â en aan Herman Hart, in weerwil van een oogenblikkelijke zeer vermetele gedachte bij 't zien van dat donzige perzikjei de altijd toch teerbeminde fruitvrouwsdochter.
Al spoedig na zijn onderhoud met Marie Randorp, staat de jonge schoorsteenveger tegenover den voornamen koopman.
Mijnheer Randorp, uiterst vriendelijk, wenscht te weten wie hij de eer heeft te zien?
â De eer! sapperloot! Men dient zich dan toch zoo'n beetje naar boven te werken!
355
TOONEELSPELBKS.
âDe eer is geheel aan mij mijnheer. Ik ben---- enfin, ik ben
Hart; Hart ziet u; directeur of â zoo u wilt, tweede directeur van een kanaalmaatschappij, voor kanalen....quot;
âIn Drenthe?quot;
âOch, zeg naar de lucht mijnheer. Vuile boel; en dat hindert me genoeg. Maar de reden, waarom ik de vrijheid nam u te komen spreken, is zoo helder, als----onze kanaalzaak____ roet is, letterlijk roet!quot;
De afdalende welwillendheid van den voornamen heer redt Herman uit een, soms komische verwarring, die geboren werd toen 't er op aankwam om met het eigenlijke doel van zijn bezoek voor den dag te komen. Enfin, 'tmoest er uit! En hij zegt:
âEigenlijk zijn we nog familie mijnheer, van familieswege. Wouter Kandorp is uw broer en Nella, zijn vrouwtje, is mijn nichtje. Wees niet boos mijnheer Eandorp, als ik u zeg: dat we ons erg bang maken dat het met neef Wouter niet goed is. Hij ziet er slecht uit, en dat komt â neem me niet kwalijk â omdat u wat'stijf op je stuk staat. Dat Nella altijd een deugd van een meid was, zie je, dat kan ik getuigen, en daarom zie je.... weetje.... daarom mijnheer, moesten de haken en oogen nu ook maar uit de wereld. Een mensch is toch een mensch nietwaar ? En de huwelijken zijn in den hemel besloten!quot;
Eduard Randorp is.... liefde. Hij neemt het dien eenvoudigen jonkman niet kwalijk; och neen. Hij heeft het begrepen. En, als er dan nood en gebrek is! Wel zeker....
Juist op het oogenblik dat Herman den koopman zeer welwillend ziet knikken, en op een. secretaire toetreden â waarschijnlijk om hem alvast een lettertje schrift, met nóg iets misschien voor de vrienden mee te geven; terwijl hij zich in stilte verkneukelt omdat hij dien schoorsteen zoo handig heeft geveegd, en daarom nu ook maar besluit om zich royaal als een man van dat vak bekend te maken, ziet men den huisknecht binnenkomen en een brief aan zijn heer overhandigen.
â Herman âpermitteertquot;, hij permitteert met alle plezier; en terwijl hij nu gluurt of âdat prachtige duifjequot; ook soms weer in aantocht is, en tevens zonder erg â q,q. â eens even onder in den schoorsteen kijkt; leest de koopman:
âEen knecht van je is hier aan huis geweest. Hij moet mijn vrouw een diamanten ring hebben ontstolen. Als dat op jou last
356
tooneelspelbks.
is geschied, dan zult ge terecht staan. Zorg dus dat hij heden vóór zes uren er weer is.
Wouter Eandokp.quot;
Eduard Kandorp staat een oogenblik zichtbaar getroffen. Al spoedig echter wendt hij zich tot zijn bezoeker, en zegt, dat spoed ver-eischende bezigheden hem dringen een einde aan dit onderhoud te maken. De belanglooze tusschenkomst van mijnheer.... waardeert hij ten hoogste, en hij kan er verzekerd van zijn dat de oudere broeder zal doen wat recht, en goed is. Bij 't scheiden echter, is hjj toch zoo vrij om den weiwillenden kanaaldirecteur in bedenking te geven, zich voortaan toch liever met het in 't reine brengen van zijn eigen zaken bezig te houden, dan zich met familieaangelegenheden te bemoeien âwaarin derden â nietwaar, toch altijd de onaangename rol spelen.quot;
Als Herman vertrokken is, heeft het verhoor van den knecht plaats.
Eduards karakter wordt er nog juister door geteekend.
Zedelijk overwicht doet hem allereerst op de vrees van dien man de overwinning behalen.
Strikte rechtvaardigheid dwingt hem daarna, om den man, die wel bekende, doch stal, te straffen; ja, al zal men zelf een uitmuntend bediende er door missen.
Geen smeeken baat; de knecht moet nog heden vertrekken!
En Eduard Kandorp schrijft aan zijn broeder:
âWaarde broeder!
âUwe dreigende letteren ontving ik, terwijl ik er aan dacht om u in uw benarde omstandigheden een ondersteuning te zenden.
âIk richt mijne dienstboden niet af om mijn broeder te bestelen. De man kwam ten uwent, om namens mijne echtgenoote â niet namens mij â terug te vragen wat door haar was besteld, en 't geen ons alzoo toebehoorde. Bij die gelegenheid weerstond hij de verzoeking niet, en nam den ring.
âWie aan de leidingen Gods gelooft, ziet in deze misdaad â die reeds zijn straf ontving â- den vinger des Almaehtigen:
âDe ring, die een dierbare moeder niet aan U kan hebben geschonken, â of niet mocht schenken althans â vooral niet wanneer zij uw toekomst had kunnen voorzien, die ring is weder in mijn bezit.
âNoem het een toeval; noem het zooals gij wilt, maar het erf-
357
tooneklspeleks.
stuk, 't welk aan de vrouw van uw moeders oudsten zoon behoort, die ring blijft voortaan mijn eigendom.
âHoe verre het echter van mij is om u te benadeelen, gij zult het bij 't inzien van nevensgaand bankbiljet bespeuren. Ik voldoe den steen, die op ruim tachtig gulden geschat werd, met de som van Æ200. â Hiermede zal deze zaak wel naar uw genoegen geredresseerd zijn.
,0 broeder, dat men alles op deze wereld zóó redresseeren kon!
IJw liefhebbende:
Eduakd Randobp.quot;
Treffend wordt het tooneel gespeeld, waarin Wouter Randorp, na 't ontvangen van dit schrijven, den ring komt terngeischen, terwijl hij al aanstonds den brief met het bankbiljet den broeder voor den voet werpt. De acteurs Heldera en Van Deene sleepen het publiek zoodanig mee, dat men inderdaad de beide broeders, na drie jaren verwijdering, tegenover elkander ziet.
Wouter, in den aanvang woest en grof, komt in eene kalmere stemming, wanneer hij aan de dagen der kindsheid wordt herinnerd: âtoen de oudere broeder hem, bij zijn spelen en werken steeds met liefde nabij was, en geen opoffering, geen gevaar te groot zou hebben geacht om hem te toonen hoe waarachtig hij hem liefhad.quot;
Hoor, die oudste broeder teekent zich zelf nog verder:
âEn ik Wouter, ik zorgde dat je ieders lieveling bleeft: Was het dat een driftige bui je in opstand deed komen, een enkele wenk die je zei: âZie maar Wouter, ik â je broeder Eduard, zou niet driftig worden;quot; 't was voldoende om je aanstonds te doen bedaren. Hadt je geen lust in 't leeren, mijn voorbeeld en ijver vuurden je aan. Hadt je een onwaarheid gesproken, in mijn tegenwoordigheid moest het bedeksel vallen, â en â sprakjede waarheid. Was je â ik zeg het alleen om je te toonen hoe lief ik je had â was je in jeugdige onnoozelheid er een enkele maal toe gekomen om je aan 't goed van een makker te vergrijpen, den aanblik van mij, je ouderen broeder, weerstondt je niet, en in de hand, die je wist dat nimmer onrechtvaardig verworven goed zou aanroeren, drukte je aanstonds stilzwijgend het voorwerp, 't welk aan een ander toebehoorde.quot;
Ofschoon Wouter bij dit laatste nogmaals een oogenblik opstuift, omdat men hem niet aan dien armzaligen knikker behoefde te herinneren, dewijl hij zoomin als zijn broeder ooit een dief is
358
TOONBELSPELEBÃ,
geweest; de mildere stemming, waarin hij inderdaad door het bewustzijn van Eduards zedelijke meerderheid is gebracht, zal schier in verteedering overgaan, nu Eduard hem spreekt van zijn braven, ,helaas, wat zwakken vaderquot;, en nog meer, van zijn dierbare âmisschien, ja misschien wat al te toegevende moeder.quot;
Voor 't meerendeel in eigen overpeinzingen verzonken, wordt Wouter echter minder dan de toeschouwer getroffen door de duizelingwekkende hoogte, waarop Eduard als mensch reeds geklommen is, zoover boven dien ,zwakken vaderquot; en die âal te toegevende moederquot; verheven.
Onder de begoocheling van zijns broeders stem, bij 't zien van alles wat hem hier in het voormalig ouderhuis, aan zijn onbezorgde jeugd herinnert, gevoelt Wouter aanvankelijk niet den weerzin tegenover zooveel zelfvergoding, te minder dewijl zijn vroegere dwaasheden hem levendiger dan ooit voor den geest staan, en hij als 't ware zijns vaders klachten weer hoort, en de tranen zijner lieve moeder weer telt.
Nochtans al schijnt het oogenblik nabij, waarop Wouter den voor-treffelijken broeder met dank voor al zijn liefde de hand zal drukken, eensklaps treedt hij terug, omdat hij zich de werkelijkheid herinnert, en de reden van zijn komst in dit huis hem weer klaar voor den geest staat.
't Was een schoon oogenblik van den acteur, waarin hij de kloof ziet, die hem van den broeder scheidt.
Als ontwakende, zegt hij kalm maar beslist:
âJe waart beter dan ik; geen ondeugd; geen lichtmis; een ijverig mensch; ik weet het, maar---- geef me den ring die mij toebehoort?quot;
En Eduard wil zijn broeder toonen hoe waarachtig hij hem liefheeft en 't goede bedoelt. Hij zal hem den ring teruggeven, ja, en wat meer zegt, hij zal hem achten, eeren, aan zijn hart drukken, indien----
âIndien?quot;
Zoo aanstonds zal Wouter 't vernemen: het familie onteerend
schandaal moet eindigen, de verbintenis met die---- persoon
moet voor altijd verbroken worden.
Het onweer barst los.
Maar, krachtig, onwrikbaar, als de man, die op het vaste pad der deugd 't allerminst voor 't woeden der elementen beducht is; rustig en kalm als de rots der waarheid te midden van de bruisende golven der zonde, zoo staat daar de oudere en zooveel wijzere broeder.
869
TOONBELSroXEBS.
Wie hem scheldt, zal hij niet wederschelden.
Zondige toorn en drift zal hij met kalmte en liefde betalen.
Wat Eduard van zijn broeder begeert dat eischt zijn vader, dat smeekt zijne moeder. â Een echtverbond, 't welk een vader gevloekt, dat eene moeder ten grave zou hebben gesleept, het is geen verbond voor 't oog van God geheiligd, het is; een volharden bij 't kwaad.
Wouter heeft zich aan den armstoel vastgeklemd. Voor eenoogen-blik mist hij de kracht om te spreken. Maar, het pistool, 't welk hij bij zich stak, het beeft â ofschoon voor den ouderen Randorp onzichtbaar, alreeds in zijn vuist.
De acteur Heldera speelt zwijgend op voortreffelijke wijze den strijd, die den jongeren Randorp tot drie malen toe op het punt brengt om een broedermoorder te worden.
Hij moet het hooren, dat tooneelspelers immers de paria's der maatschappij zijn; hij moet het vernemen dat de naam van Conza gesmeed was uit de namen eener moeder van meer dan verdachte reputatie, uit de namen der lichtzinnige vrouw, die vroeger de mooie Conradine, en later de bleeke Liza genoemd werd. Wouter moest het ten slotte vernemen, en goed begrijpen, dat het niemands doel was om de vrouw, die hij in een oogenblik van verblinding gehuwd had, te verstoeten en ongelukkig te maken. Neen, neen, dateischte men niet! Maar, een scheiding, een eerlijke uitkooping tegen afstand van naam, dat was het wat men verlangde.
Aandoenlijk is het moment waarin Wouter, zich zelf niet langer meester, het pistool â steeds voor den broeder onzichtbaar â reeds hooger heft, doch eensklaps den arm laat zinken. Te gelijk met zijns broeders woorden: âBedenk Wouter, wat moeder je smeekt!quot; ziet hij het evenbeeld dier dierbare â Eduards dochter, de kamer binnentreden; en, met den gesmoorden uitroep: ,0 moeder!quot; verbergt hij het wapen, terwijl hij nog met dof geluid bij zich zeiven murmelt: âNeen moeder, neen, broedermoorder, dat ben ik niet.quot;
Ternauwernood heeft intusschen Marie Randorp, gejaagd maar in stilte de meedeeling gedaan, dat die vrouw â de vrouw van oom Wouter â zich in het voorhuis bevindt, of Nella vertoont zich reeds op den drempel.
Nella Conza, de anders zoo vrijmoedige actrice, blijft daar staan als een schuchtere hinde.
Toen 't vermoeden bij haar is gerezen, dat Wouter, na 't ontvangen van dien brief zich naar zijn broeder heeft gespoed, toen is haar onrust van oogenblik tot oogenblik geklommen.
360
TOONEELSPELERS.
Zij kent zijn driftigen aard; zij weet hoe hii zijn zwak gestel moet ontzien, en heeft gevreesd dat die gang hem noodlottig kon worden. â Zij moest or hem vinden; haar tegenwoordigheid zal gevolgen voorkomen, die haar vreeselijker zouden zijn dan de dood. 1
Voortreffelijk is Nella, wanneer zij in 't gevoel, de geminachte tooneelspeelster te zijn, in den aanvang schuchter en aarzelend tegenover den voornamen broeder en diens dochter staat, maar allengs ook tot het besef komt dat zij toch Nella Randorp is.
Uitmuntend is de âvolmaakte Eduardquot; waar hij âde zonde verafschuwende, maar met deernis voor den zondaar.quot; Nella welwillend te gemoet treedt, doch tevens â heimelijk, maar zichtbaar voor den toeschouwer â zijne dochter uit de onreine atmosfeer te verwijderen tracht.
Lief is Maria, die, aangetrokken door de schoonheid en den zachten blik der onbekende vrouw, maar tevens in vrees dat eenig leed haar vader bedreigt, zijn vriendelijke woorden gedurig met innigheid herhaalt, overtuigd dat elk woord dien vader uit het hart komt; terwijl zij slechts aarzelend â na een gebiedenden wenk te hebben ontvangen â de kamer verlaat.
De toeschouwer bemerkt het dat de oudere Randorp, in weerwil van zijn uiterlijke kalmte, niet gerust is: Wouters onheilspellende blikken, en zijn verwijt tot de jonge vrouw: dat zij hem in deze woning kon volgen, ze hebben hem zeer onaangenaam getroffen, en â misschien wel mede een weinig tot die bijzondere welwillendheid verleid. â I
Terwijl Nella nu haar Wouter tot een spoedig vertrek zoekt te ov-rreden, mag Eduard Randorp die zondares bijna als een bondge-noote beschouwen: Ook hij wenscht immers niet liever dan het echtpaar zoo spoedig mogelijk te zien vertrekken, om voorts â zoo hij zijn doel niet bereiken kan â althans te zorgen dat geen van beiden ooit weer zijn woning betreedt.
Maar Wouter heeft den godslasterlijken eisch van den broeder niet vergeten, al zou diens welwillende toon jegens Nella, hem bijna
doen gelooven dat hij hem straks niet had verstaan of----verkeerd
begrepen misschien. Doch slechts een oogenblik kon de illusie hem beheerschen dat Nella's persoonlijkheid een machtigen invloed op dien broeder heeft uitgeoefend. â Ha! hij doorgrondt hem: de voorname man vreest in zijn woning âeen schandaal van het komedievolk!quot;
Welnu, men zal 't hem besparen. Doch eerst, eerst zal die broeder het zelf bekennen, dat hij een ellendeling en eerroover is; of â⢠de
361
ÃOONEBLSPELEBS.
schemering van hoop is nog niet geheel vervlogen â of, de oudere Randorp zal toon en dat hij geen meineed durfde eischen, en dat hij nu althans â door Nella's oog en stem getroffen â haar de liefde schenkt, die haar maar al te lang onthouden werd.
Wouter beheerscht zich geweldig wanneer hij zegt:
âTwee dingen zijn mogelijk Eduard: je ben beter dan eenig ander mensch ter wereld, of, je bent een veel grooter ellendeling dan iemand vermoeden kan.quot;
De oudere Randorp heeft nooit gedacht dat er een oogenblik zou kunnen komen, waarin eenig sterveling tot hem zulke woorden zou spreken!
En Wouter vervolgt, en zegt dat hij Eduards welwillendheid jegens zijne vrouw, niet kan rijmen met den eisch, slechts weinige minuten voor Nella's komst aan hem gedaan. De welwillendheid nu, is, âof 't bewijs van een snel maar diep en innig gevoeld
berouw, of wel---- het werk van den angstvalligen huiohe-
aar.quot;
Wouters oogen fonkelen: Eduards houding heeft hem reeds de waarheid gezegd.
âGa mee Wouter! Kom!?quot; smeekt Nella.
En Eduard stemt haar toe, dat het tijd wordt! zeer hoog tijd!
â Groote God, wat heeft hij misdaan dat hij zulk een woord moest vernemen. Hij een huichelaar! hij een angsvallige hui chelaar!
â Angstvallg, schroomvallig, ja, hij is het. De zonde die hij ziet van verre, hij geeselt, hij bestrijdt ze. Maar deugd, hooge deugd is de angstvalligheid die schroomt om het wezen zelf, het kostelijke schepsel uit de hand van God, te beleedigen, ja zelfs te kwetsen door een te sterken vingerdruk. Straks zegt hij:
âWouter, al zou de hemel den smaad mij aangedaan niet kunnen, niet willen vergeven, ik, ja waarachtig, ik vergeef je Wouter.quot;
In een akeligen schaterlach barst de jongere Randorp los:
âHa! Onze lieve Heer zelf heeft zijn meester gevonden! !quot;
â En Nella moet het weten: dat die lieve heer daar, den band, voor 't oog van den Eeuwigen God gesloten, verbreken wil.... Wel zeker! er gebeuren van die dingen, die eens voor een hoog er Hof dan dat van God zelf moeten komen!
âHoor je 't wel!quot; vervolgt Wouter Randorp, somwijlen in woeste drift, terwijl Nella schier weenend hem telkens bezweert om zich bedaard te houden en zijn dierbaar leven te ontzien: âHoor je 't
362
T00KEELSPE1ERS.
wel: Wat God zelf niet vermag, dat zal hij----dat zal hij doen! â
O ontfermende liefde! aanbiddelijke vergevensgezindheid, voor.... eigen laagheid en valschheid! â Ha, zijn verachtelijk knoeien met alles wat heilig en goed is, dat zal hij vergeven; dat zal hij verdragen met nameloos geduld: met een liefde, die zich zelf geen haartje krenken, maar ieder ander verstikken en dooden zal.quot; Eduard Kandorp, ofschoon bijna niet tot spreken in staat, gebiedt
den broeder nu____ heen te gaan. Indien hij aan dit verlangen niet
voldoet, dan zal de oudere broeder verplicht zijn hem er toe te dwingen; en, bij de laatste woorden steekt hij de bevende hand naar een tafelschel uit.
âJa, wij scheiden voor eeuwig!quot; zegt de jongere broeder: âMaar eerst, eerst nog zal de vlekkelooze Kandorp de knie buigen voor de vrouw, die den duivel Kandorp als een engel het leven verzoet. Eerst zal hij buigen hier, hier op deze plaats, in zijn eigen huis, en haar vergiffenis smeekenvoor den hoon, dien hij haar dag aan dag doet dragen, en voor den godzaligen eisch â waar een Judas om lacht.quot;
't Is den ouderen broeder alsof hem de borst met gloeiende haken verscheurd wordt.
Een leven van toewijding aan plicht en Godsvrucht â ja, de deugd zelf, staat hier tegenover een verleden van losbandigheid en goddeloosheid; tegenover de ondeugd. En toch, hij moet zich bedwingen. Zijne vrouw en dochter, maar vooral zijne dienstboden mogen geen getuigen worden van zulk een ontzettende verguizing, van zulk een zedelijke inbraak en moord. De âonzinnige laagheidquot; die de lichtmis van hem durfde eischen; hier in zijn eigen woning, zij bewijst dat hij of reeds door drank beneveld, of wel tot het laagste peil der menschheid gezonken is. Er moet een eind aan deze afschuwelijke ontmoeting komen.
En Eduard Kandorp vertoont zich nóg eens in zijn reusachtige gestalte, omglansd door den straalkrans die â hem zelf verblindt.
âWouter,quot; zegt hij: âals er sprake van knielen en vergiffenis smeeken is, dan voorzeker zou ik jou wel 't allereerst in ootmoed voor God op de knieën moeten zien! Reine waarheid te spreken, dat is mijn plicht; en nii, zelfs in 't bijzijn van die vrouw, moet ik 't herhalen: dat een echt, niet voor God in Zijn heiligdom gesloten, een zondige verbintenis, een leven van opstand tegen God is.quot;
Op het oogenblik dat Wouter, na 't vernemen dezer woorden wil uitvallen, sluit Nella hem snel met zacht geweld den mond, en fier getuigt ze:
363
toonbelspelees.
âOnze God is de trouw in ons hart!quot;
Een korte doch snelle woordenstrijd zal het slot dezer handeling voorafgaan.
De oudere Randorp noemt een trouw, die zijn broeder aan't slijk eener zedelooze tooneelwereld kluistert: een moord aan zijn geweten. Het klatergoud dier wereld doet hem den waarachtigen levensschat missen, het loon der hooge roeping: Wees volmaakt gelijk uw Schepper volmaakt is.
En, Nella's kort maar scherp pleidooi voor den stand, waarin zij haar pad steeds zuiver bewaarde, kan de alwetendheid van den volmaakten Randorp âniet bedriegenquot;; en nogmaals klinkt er een woord, 'twelk de reine tooneelspeelster moet kwetsen in 't diepst van de ziel.
Maar dan, dan is 't genoeg. Bij zulk een marteling bezweert de stem der liefde Wouters toorn niet langer:
âEllendeling!quot; barst hij los: âDe laagste, de allerlaagste rol speel jij tegenover een engelreine vrouw! 't Is de rol van den beul; en je souffleur is de diiivel!quot;
âMensch! Onzinnige!quot; beeft de oudere broeder terwijl hij de hand op de borst drukt.
Maar Wouter vervolgt:
âBij den eisch dat ik mijn eeden van trouw zal breken, en mijn kind verlaten, speel je den rechtvaardige onder 't glimmend blanketsel van reinen zin. Zie! met een gestolen ring aan den vinger, veins je godsvrucht en deugd!quot;
âMijn God! ik, ik moet dat hcoren!quot; roept Eduard; en sidderend gaat hij een schrede terug.
Wouter stoot met geweld zijn smeekende Nella ter zij.
Eduards huisgenooten, door 't rumoer gewekt, snellen toe.
Maar de jongere Randorp zal den volmaakten man van zijn troon doen storten; niet met het wapen dat de herinnering aan een dierbare moeder hem straks uit de hand stiet; neen, met zijn woord.
En dat woord vlamt nog eens.
En de man, die zich zelf geen smet is bewust, waardoor hem voor eeuwig de vrede der ziel, de hemel der zaligheid kan worden ontroofd; de man die onwrikbaar pal stond waar de zonde ooit vleide of dreef; o, terwijl hem nu nogmaals, en wel in 't bijzijn van gade en kind, van de toegesnelde glurende dienstboden â en onder hen vooral de straks zoo streng door hem gestrafte â de woorden de borst moeten verscheuren: dat hij een eerlooze, een meineedige, een dief en huichelaar is, neen, nü kent hij zich zeiven niet
364
TOOK EELSPELEES.
meer, nu bruist hem het bloed met geweld naar het hoofd, en met den uitroep: âVervloekte lasteraar!quot; treft hij den broeder zoo krachtig met de vuist in de borst, dat deze een doffen kreet slaakt, wankelt, en bewusteloos dreigt neer te vallen.
In Nella's arm ligt de getroffen echtvriend.
âWouter, mijn Wouter!quot; kermt ze in radeloozen angst.
Maar de kreet van ontzetting der overigen, geldt mee den ouderen broeder. Men ziet zijn blik vol vertwijfeling. Doodsbleek en roerloos staat hij, en klemt zich vast aan de tafel.
Ja ziet: De volmaakte Randorp is van zijn troon gestort!
VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
IN DE PAUZE.
't Is groote pauze vóór het laatste bedrijf.
In de koffiekamer zijn alle hoekjes bezet.
De magere heer met grijze knevels, die straks in zijn loge den auteur van Nella een geleerde, maar geen schilder heeft genoemd, werkt zich juist met een gloeiend glas punch van 't buffet door de volte heen, en bereikt eindelijk een tafeltje.
âVol mijnheer!quot;
âJa, ik zal er een slokje afdrinken.quot;
,'k Bedoel van avond; de zaal.quot;
âO juist, ja wel, fameus.quot;
âGeen wonder, mooi stuk!quot;
âVan m'n zoon!quot; zegt de magere heer: âJa, ik zei altijd: ga je gang maar. Een goede kop. 'k Heb er alles aan gedaan.quot;
âDan maak ik je mijn compliment mijnheer; je hebt er eer van.quot;
Mijnheer Van Rave hoort een woordenwisseling achter zich. Hij draait zich haastig om, en zegt tegen een der sprekenden:
âNeen mijnheer, gestudeerd heeft by niet; ten minste niet aan een Academie. â 't Stuk bevalt u?quot;
âO ja. Maar â gebreken, kolossale gebreken!quot; antwoordt de gevraagde, ,'t Is te lang; er zit te weinig handeling in. Je kunt zien dat ie nog weinig tooneelroutine heeft. Kent u den schrijver?quot;
365
TOONEELSPELERS.
âPardon, neeu pardon----quot; zegt Archibalds schoonvader, en
brandt zich de lippen aan zijn punch.
âBedrieg ik me niet----?quot; zegt eenige oogenblikken later een
persoon die, met de beide handen vooruit. Van Rave bijna van verrukking het glas uit de hand stoot: âVan Rave nietwaar? de man van Mientje, zal ik maar zeggen?quot;
âWien heb ik 't plezier----?quot;
âBonark! â Ken je me niet meer? Je bruiloft nog meegemaakt. â Een stuk van je schoonzoon nietwaar? â Magnifiek! Neen,maar, magnifiek! Maar één roep over. Je hebt er eer van. Jelui deedt altijd veel aan 't tooneel hé? Altijd gehoord. Heel veel. â Je vrouwtje welvarend? Komaan! Ontzaglijk veel pleizier! Neenmaar brillant! Fameuse gang in. Onderhoudend! Die laatste scène, alsof je er bij waart. â Iets gebruiken Van Rave? Al voorzien? Och kom. â Fameus slecht afgeloopen met je schoonvader. Beroerd! En de vader van je schoonzoon, 'k Zeg al, 't zal den auteur wel hinderen dat men hier tegen zijn vader zoon hostiele houding aanneemt. Enfin, enfin! Ik zeg magnifiek! We zullen 'em op het tooneel roepen. Ja wel, magnifiek!quot; En zich snel omwendende, en een ander op den schouder kloppende, vervolgt mijnheer Bonark zijn rede, natuurlijk eenigszins naar de omstandigheden gewijzigd.
Van Rave is in de war. Ha, daar hoort hij weer een stem van ter zij.
âJa wel,quot; zegt een deftig heer, die een gouden bril draagt: âEen jaar of vijf geleden, heb ik eens naast hem gezeten. Dezelfde troep gaf hier toen een verschrikkelijke draak. Ik wist niet wie 't jonge mensch was, die met een devotie luisterde alsof ie in de kerk zat; maar 'k merkte al gauw dat hij een degelijk oog op de Kunst had. 't Was destijds een ellendige boel; hoogstens waren er drie of vier, die 't nog al wel maakten. Onder andere hadden we toen voor 't eerst een jonge actrice hier uit de stad, die echter al kort daarna is gestorven.quot;
âEen gewezen bonne op Hounaer?quot; zegt een slank man met een aristocratisch voorkomen.
âJuist burgemeester.quot;
âIk herinner ze mij perfect. Ze had zeer veel talent, 't geen tegenover den bombast der anderen nog meer in 't oog viel.quot;
âJa, en een van die anderen was toch Rosa Brons, nu mevrouw Baars, 't Was destijds dat ik met den jongen Van Oudenolm in opinie omtrent die vrouw verschilde. Hij beweerde dat men het slecht spelen van velen, maar vooral van die Rosa, voor 't grootste deel aan de ellendigheid der stukken, en de toegevendheid van de critiek moest
366
TOONEELSPELEES.
wijten. In Rosa lirona zag hij eene actrice, die uitmuntend kon worden, wanneer ze studeeren wilde en naar goeden raad luisteren. Ik betwijfelde het zeer, doch moet bekennen dat hij juist heeft gezien, 't Overtreft zelfs na alles, wat ik er van gehoord had, nog verre mijn verwachting. â Maar ook in 't algemeen is er veel vooruitgang.quot;
âDe goede opvoering pleit alzoo in de eerste plaats voor de waarde van het stuk.quot;
âWel zeker! â Maar allerlei omstandigheden hebben toch meegewerkt, om niet alleen van de directeursvrouw, maar ook van het heele gezelschap iets anders, iets beters te maken. Een prul-regisseur werd met een aantal spreekmachines aan den dijk gezet. Er is zin voor goed werk; voor studie; voor degelijke Kunst in 't gezelschap gekomen. Wie er den grootsten stoot aan gaf, 't was de vroeg-gestorven Flora Reene. Haar opvatting heeft een ongeloofelijken indruk achtergelaten. Dan, naar 't geen mij ter oore kwam, moet de jonge Van Oudenolm bij 't instudeeren van zijn stukken â er werden er al vroeger met een pseudoniem van hem opgevoerd â den gunstigsten invloed op de acteurs hebben uitgeoefend. Naar men zegt moet hij zelf een uitmuntend acteur zijn. Op 't punt van repeteeren is hij onverbiddelijk. Zeven, acht, soms meer repetities moet hij eischen aleer men zijn werk vertoonen mag, â terwijl men het anders niet zelden op één of hoogstens twee repetities laat aankomen. En dan burgemeester, terwijl reeds enkele goede stukken, bij een ernstige studie het hunne hebben gedaan, we mogen de critiek niet vergeten.quot;
âAha! daar hebben we mijnheer Beverloo,quot; lacht de burgemeester. âWaar een gansche Provincie de vruchten plukt van zijn uitmuntende hoofdartikelen, daar twijfelt zeker niemand aan zijn invloed op ons tooneel.quot;
âHet spijt mij dat ik u 't recht niet mag toekennen om mij voor dien Provincialen weldoener te houden. Maar, wat het tooneel betreft, daar heeft bepaald een ander de eer van. U herinnert je zekeren Martin, voor wien ik u zoo vrij was, al heel wat jaren geleden, een goed woord te doen?quot;
âOm als hulponderwijzer op de stadsschool te worden geplaatst? Ja wel. Op 't oog een sukkel, maar anders goed voor z'n werk. Die man is immers al dood?quot;
âHij stierf bijna gelijktijdig met de veelbelovende Flora Reene. 't Was zijn nichtje. Naar men verzekert, had ze veel van hem geleerd....quot; Beverloo ziet vluchtig ter zij alsof hij iets gaat ver-
367
TOONEELSPELERS.
tellen 't geen strikt genomen een geheim is: âDie snaak heeft het spreekwoord bevestigd dat Stille waters diepe gronden hebben. Hoe de man er aan kwam, dat begrijp ik niet; maar 't is zeker dat hij somwijlen tooneelcritiek schreef, die ferm op pooten stond. Een dier stukken moet een geweldigen indruk op de directeursvrouw hebben gemaakt. Zij moet dat artikel als goud bewaren, en vischt nog altijd wie het geschreven heeft. Enfin, u zult het niet verklappen.quot;
â Ah zoo, best te onthouden, denkt mijnheer Van Rave iets later: Jacob Martin. â Jacob, de aartsvader. Martin, de dierentemmer. Best te onthouden. Ze zullen er raar van ophoo-ren dat ik zoo met die redactie bekend ben. Heeft u nog wat----?quot;
Ja, mijnheer Beverloo had nog wat. Maar Van Rave moest bepaald scherp luisteren om het te kunnen verstaan.
âDe moraliteit is veel verbeterd, en je zoudt niet gelooven, burgemeester, hoeveel invloed dat op de Kunst heeft. Sedert Rosa Brons, Rosa Baars is geworden, beheerscht zij met haar waardigheid als vrouw, en met haar zuiverder kunstopvatting, zoowel de directie, als voor een deel het gezelschap. De keus der stukken wordt anders; het publiek neemt er nota van; en, men ziet menschen in de komedie, die er vroeger nooit kwamen. Er is vooruitgang; we zijn op den goeden weg. Een stuk als Van Oudenolms Nella is een uitstekend verschijnsel. Al is het nog zwak; al denkt men gedurig aan't snoeimes, 't zijn menschen, die we te zien krijgen, fiks geteekend, en, 't geen ze zeggen is geen Pransch of Duitsch in een afgrijslijk boeken-Nederlandsch, maar vlotte taal, zooals ze door de verschillende standen gesproken wordt. â En, als we nu, naast of bij zoo'n gezelschap, nog een goede Tooneelschool hadden, dan â ja dan zouden we mettertijd nog heel wat anders beleven!quot;
âApropos, mijnheer Beverloo, heb je Van Oudenolm-père gezien; mij dunkt die moet het soms wel te kwaad krijgen, en----quot;
Maar Van Rave kan niet hooren wat de burgemeester en mijnheer Beverloo nog meer zeggen. Er was in de koffiekamer gewaarschuwd, en de wijze, waarop men drong en haastte, toonde duidelijk dat men van het stuk geen tooneeltje verliezen wilde.
Mijnheer Van Rave is in zijn loge teruggekeerd. Archibald is er niet, maar de oude heer Van Oudenolm, die âmaar liever bij de dames was gebleven, omdat de menschen hem hier vreemd zijn gewordenquot;, is het met zijn moeder en Louise niet geheel en al eens. Ja, hij vindt het stuk wel mooi en boeiend, maar de figuur van dien Eduard Randorp, al mocht hij voor het tooneel als type niet
368
T00NBELSPELKR8.
kwaad zijn, ,liij kan het niet helpenquot;, maar in de werkelijkheid ziet men zulke menschen toch niet.
âWeet je wat ik vind, Van Oudenolm,quot; zegt Van Rave, terwijl hij zijn stem, in de richting van de aangrenzende Gouverneursloge, de noodige kracht geeft: âHet stuk ia niet kwaad, maar, 't heeft kolossale gebreken. We moeten als ouders eerlijk zijn. Ik zeg gebreken! Het snoeimes moet er in, en 't is zwak; maar, vooruitgang is er bepaald. Ik zeg 't is de critiek en de moraliteit die het stuk zoogoed doen bevallen. Aan een zekere juffrouw Van Reede hebben die auteurs een enorme verplichting, en wat de critiek betreft, niemand behoeft het te weten, maar----een zekere----
Jozef Van Aken â een courantier, heeft enorm met het gezelschap gerepeteerd; in 't geheim zie je. Je spreekt er niet van, maar je begrijpt dat ik op de hoogte ben. Toen papa hier indertijd als Generaal----quot;
Op dit oogenblik ging de gordijn naar boven en was Van Rave genoodzaakt zijn verdere mededeelingen te staken.
EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
HET LAATSTE BEDRIJF.
Het laatste bedrijf speelt in een buitenkoepel of zomeroptrekje van Eduard Randorp.
Na een paar inleidende tooneelen, die de amourette van Herman Hart met de jonge fruitvrouw bevorderen, dewijl Elsje â het reeds bekende Vlaamscbe vrouwtje â langs 't hek daarbuiten voorbij gaande, met haar allereerste aardbeziën naar binnen is geroepen, en er Herman ontmoet, die al vroeger voor het vegen van den schoorsteen ontboden was; na die inleidende tooneelen, komt straks Eduard Randorp met zijn echtgenoote de koepelwoning binnen.
Sedert het oogenblik van den vorigen dag, toen hij zijn broeder zag nederzinken, heeft Eduard geen rust gehad. Hij weet wat hij gedaan heeft; en al is het hem alsof het in een droom is geschied, telkens weer heeft hij gevreesd dat men hem omtrent den toestand van zijn broeder, met onware berichten poogde gerust te stellen, ui. a*
369
TOONEBISPEUSES.
In deze en een paar volgende tooneelen klimt Eduards angst.
Als zijn bezorgde dochter hem met het aanbieden van de frissche aardbeziën poogt af te leiden, dan kan zij straks, op Laars vaders dringend vermaan, niet meer ontkennen, dat ze inderdaad door het meisje, dat haar de vruchten verkocht, omtrent den toestand van oom Wouter minder gunstige berichten ontvangen heeft.
â En wat baat het Eduard Randorp nu, dat men, om hem afleiding te geven, zich zoo haastig naar de geliefde buitenwoning heeft gespoed! De toestand van den broeder baart hem de hevigste zorg, ja, want de gansche stad zal vernemen wat er geschied is; en straks.... als de haat van dien broeder hem treft: als hij met stervende lippen en de hel in het hart, zijn vrouw zal drijven tot een wraak, die hij zich zelf niet meer verschaffen kan, dan____
âMaar beste vader, hoe kunt u zoo iets denken! Die vrouw met haar zachte oogen en lieve stem!quot;
âDie lieve stem, die zachte oogen! Ik heb het vlammen van die oogen gezien. â O God, als Wouter eens stierf!quot;
Een geweldige angst voor den kerker doet Eduard Randorp als radeloos neerzinken, en handenwringend aan God iu herinnering brengen, hoe edel en trouw, en hoe wars van de zonde hij altijd geweest is.
Iets later zegt mevrouw Randorp met een blik vol liefde, maar op een toon die treffen moet:
âOch Eduard, ik geloof dat we ons zelf nog altijd wat hoog stellen. Zou 't niet beter zijn naar Wouter te gaan, en hem te zeggen....quot;
Maar Eduard laat haar niet uitspreken. â Hoe! hij zou naar Wouter gaan, en ten aanzien van de gansche wereld, niet slechts die verbintenis goedkeuren, maar 't geen nü wel 't allerzwaarste zal wegen, voor 't oog van vriend en vijand bekennen de schuldige te zijn! Indien men wil dat hij de schande, de ijselijkheden, die hij zich voorstelt, te gemoet zal snellen, dan ja, dan moet hij aan dien dwazen raad gehoor geven; dan moet men de â misschien nog slapende honden wakker maken! Weet men dan niet meer, met welke namen de man hem noemde, van wien men nu vergevensgezindheid verwacht....? Neen, slechts het gemis aan bewijs doet hen aarzelen. Wettige getuigen hebben zij niet! â maar toch, â⢠peinst Randorp voort: de knecht, dien ik juist uit mijn dienst had verjaagd, zal zich wreken en hun getuige zijn. Doch neen, neen! Nóg is die man een huisgenoot. Men heeft het zoo streng niet bedoeld; men zal hem genade bewijzen; hij zal den dienst niet ver-
370
TOONEELSPELÃÃRS.
laten. â O die ring, die onzalige ring! â Maar die ring! waar is hij? Heeft men hem in de stadswoning achtergelaten? Niet!? â Ah zoo, Goddank dat hij hier is.
Randorp vreest dat het voorgevallene met dien briljant, bij een mogelijke aanklacht, den toestand verzwaren zal. En wat geeft hij nü om dien steen! Is toch die ring niet ontwijd, dewijl een vrouw, uit het slijk der straten geboren en met den pestwalm van een tooneel gevoed, hem meer dan drie jaren lang als haar eigendom, ja misschien zelfs op dat tooneel heeft gedragen!
â Welke waarde heeft dat eertijds zoo begeerde voorwerp nu inderdaad nog voor hem! Spoed, spoed dan; men moet den ring terugzenden. Misschien dat het den storm nog bezweren kan.
Men hoort gerucht.
Een rijtuig heeft voor het hek der kleine buitenwoning stilgehou-Aen. Men verkeert in zichtbare onrust.
Eduard Kandorps gade en dochter hebben zich bedrogen. Immers buiten de openstaande glazendeuren bespeurt men Nella, die haastig uit het rijtuig stapt.
Ja, het uur der vergelding was gekomen! De getergde vrouw,die verachting en miskenning heeft verdragen, die een vergrijp aan haar eigendom zou hebben geduld, zij mocht dien verraderlijken aanslag op den man, die haar boven alles dierbaar is, niet ongestraft laten. Ha, nu zal de gehoonde actrice mede een rol in het drama dei Gerechtigheid vervullen, eene rol die den broedermoorder tot aan zijn jongsten snik zijn ellendigheid herinneren zal.
âWat wil je!quot; roept Eduard met kwalijk verborgen onrust.
Wat Nella wil? Zij wil recht en gerechtigheid. De smaad zal gewroken worden, waaronder een dierbare gebukt ging, omdat hij een arm meisje liefhad en trouw bleef. Openbaar zal het worden dat een tooneelspeelster geen smaadheid verdient, wanneer haar liefde voor de Kunst gepaard gaat met liefde voor trouw en deugd. Nóg eens, zij wil recht en gerechtigheid: De broedermoorder mag zijn straf niet ontgaan!
Een deftig heer, die met het rijtuig was meegekomen, doch in den tuin is achtergebleven, en er rondziende eenige notities heeft gemaakt, verschijnt aan den ingang der openstaande deur. Nella treedt hem snel te gemoet, en dan naar Eduard wijzende, zegt ze luid â maar toch op merkbaar weifelenden toon:
âMijnheer de commissaris, dat is de man: Eduard Randorp!quot;
De wijze, waarop de acteur Van Deene de vreeselijke zielesmart schetst van den volmaakten Eduard, die als dief en moordenaar uit
371
TOONBEISPELBKS.
zijne woning zal weiden weggevoerd, maar toch in het bewustzijn van zijn voortreffelijkheid, zich van tijd tot tijd verheft; zich beroept op 'tgeen hij werkelijk is: geacht huisvader; lid van den kerkeraad; geaccrediteerd koopman; regent van wees- en ziekenhuizen, terwijl hij immers slechts tot een rechtmatigen toorn geprikkeld, zich zelf voor een oogenhlik vergeten kon; die voorstelling is inderdaad zoo wegsleepend, dat zelfs de bewogen toestand van vrouw en dochter overbodig is, om een traan van deernis voor den armen zoo diep gevallen man, in het oog te doen opwellen.
â Groote God, een bevelschrift tot voorloopige inhechtenisneming! Maar beseft men dan niet dat zelfs één enkel uur in den kerker, een smet blijft voor het gansche leven! Is er dan geen uitstel mogelijk! Behoort een preventieve gevangenschap niet tot de gewraakte onmenschelijkheden van deze eeuw! â Men late hem vrij, op zijn woord van eer:
,0 God, het kan niet zijn!quot; roept Randorp: âGeschandvlekt voor eeuwig!quot;
âJa voor eeuwig!quot; zegt Nella. En of het vreemd is misschien, maar het meedoogen der toeschouwers, 't welk die gevallen volmaaktheid heeft opgewekt, ontzegt toch ook aan de diepgegriefde schoonzuster, het zoet van haar zegepraal niet.
Wouter Randorps miskende echtgenoote had de zekerheid bekomen dat Eduards handelingen â het terughouden van den haar ontstolen ring, en het treffen van zijn broeder â meer dan voldoende waren om rechtsingang tegen hem te verleenen.
âIk herhaal 'tu mijnheer, daar staat hij,quot; zegt ze zacht doch nu met vlammenden blik; âIk begrijp niet waarom de schuldige rijken en grooten der wereld, toch altijd meer ontzag moeten inboezemen dan de armen en geringen.quot;
En de dienaar van 't Gerecht verzoekt den koopman beleefd, om zich als man te gedragen, en hem te volgen. â Indien hij onschuldig is, dan zal hem immers geen leed geschieden.
Maar Eduard Randorp kermt â dat een wegvoeren op deze wjjze, immers reeds een brandmerk is, dat hem eeuwig op't voorhoofd zal staan.
âGenade mijnheer?quot; smeekt hij met gevouwen handen, terwijl vrouw en dochter, in de hevigste onrust het tooneel met haar liefde kleuren: âOm Godswil, bedenk wie ik ben; wie ik was. 'tBevel tot gevangenneming zal men intrekken indien men alles verneemt. Dien ring begeer ik niet; hij lag al gereed om aan die vrouw te worden terug gezonden. Wat wil zij dan meer? Mijn broeder sarde mij, en in een
372
tooneel spelers.
oogenblik van verontwaardiging en nooit gekende drift, wist ik niet wat ik deed. Maar, wat men ook eischt, ik zal het geven:Duizend,
twee duizend gulden 'sjaars. Mijn hand ter verzoening; mijn----
liefde, alles wat zij begeert, maar om Gods wil, maak mij niet tot den ellendigsten onder de menschen.quot;'
âUw liefde, ha! uw liefde!quot; zegt Nella: âIk begrijp niet waarom ik nü juist die liefde verdien.quot;
En Eduards angst bereikt den hoogsten top. Hij heeft het vernomen; Het recht moet zijn loop hebben.
â Indien mijnheer Randorp niet goedschiks aan de uitnoodiging van den commissaris wil voldoen, dan zal deze verplicht zijn een agent ter zijner assistentie binnen te roepen: of â in den uitersten nood â van een ander middel gebruik te maken 'twelk hij echter liefst niet bezigen zou.
âNella!! Nella Randobpüquot; roept Eduard, terwijl hij haar hand grijpt; .Bedenk dat het den naam van uw man, dat het ook uw naam is, die voor altijd in 't slijk wordt getreden. O God! Zie, wij smeeken 't u allen!quot;
Maar Nella antwoordt:
âWat zou het baten, mijnheer Randorp. De hooge Justitie laat zich immers niet besturen door de luimen eener Trouw. Denkt u misschien dat ik lichtvaardig mijn aanklacht heb gedaan? Zoo waarachtig als Nella Randorp hier voor u staat, zoo waarlijk is 'thaar gebleken, dat een jaar cellulaire gevangenisstraf voor 't minst uw loon moet zijn.
Een zonderling vuur schittert er in Nella's oog bij de verslagenheid, de wanhoop, waarvan zij getuige is. En zie, haar triomf is volkomen.
Goed zoo! bravo Mevrouw Rosa Baars! Voortreffelijk speelt gij uw rol. Geen hijgend boezemjagen drukt uw zegepraal uit. Stil, zuiver, edel is uw spel â alsof ge de tweelingzuster van Flora Reene waart. Edel, ja, maar schooner rol was er ook voor U, als vrouw, als kunstenares niet te schrijven.
't Was immers Nella Conza die zich wreken moest. Hoor, met dien zelfden edel-triomfeerenden blik, zegt ze snel maar krachtig:
373
âWaarheid en werkelijkheid zijn u lief, maar comediespel veracht ge. En toch mijnheer Randorp, ik geloof niet dat ge nü die eersten boven 't laatste verkiezen zoudt. Waarheid is 'tdat één enkel woord, u aan uw dierbaren ontrukt en aan de schande zou hebben overgeleverd. Maar, was er van Nella Conza anders dan comediespel te wachten!quot; En zacht maar diep doordringend voegt
m
tk
v
374 TOONEEI.SPELERS.
ze er bij: âNiet om dank of loon, want onze wegen zuil en wel steeds uiteenloopen; niet opdat nw woning voor ons zou geopend wordenâ want in uw vormelijken kring voelt de vrije Kunst zich niet thuis; â maar, opdat je den trouwen Wouter niet langer de broederhand zoudt weigeren, en Nella de tooneelspselster niet langer verachten zoudt, daarom, zieje daarom moest slechts eene rol onze wraak zijn.quot;
Met een donderend applaus wordt deze wending begroet. Wie 't misprijst â of, zooals de criticus in de hoogte, ,'t precies zoo verwacht hadquot;, â hij wordt toch onwillekeurig meegesleept door den onstuimigen bijval, dien Rosa's spel mat Van Oudenolms greep heeft verwekt.
En als straks na eenige vlug gespeelde tooneelen, waarin niet slechts de neef schoorsteenveger, als vertegenwoordiger der Gerechtigheid, maar ook de verwonde broeder met de overige vertooners tot een goed einde samenwerken: wanneer na die weldadige, soms roerende tooneelen â ook dat, waarin de ring eener geliefde moeder door den ouderen Randorp aan Nella's vinger wordt gestoken â de gordijn naar omlaag gaat, dan breekt er nogmaals een storm van toejuichingen los, en stemt de gansche zaal ânadat de hoofdvertooners reeds te zamen hun dankbare buiging hebben gemaakt â in met den luiden kre et, die nogmaals de eerste actrice ten tooneele verlangt.
| En als Rosa Baars, nu weder voor 't voetlicht getreden, den tweeden prachtigen bloemruiker, die haar werd toegeworpen, opneemt, dan bespeurt men het blinken van den steen aan haar vinger.
Dat het een kostbare brillant uit het juweelkistje der douairière Van Oudenolm is, dat weet de menigte niet, en waarschijnlijk zijn er slechts weinigen in de zaal, die aan iets anders dan glas, of, hoogstens kristal zullen denken; doch, in dezen stond, wat gaat het Rosa aan! â Vijf jaren is het geleden dat zij wraak zwoer aan wie haar den voet durfden dwars zetten, èn als vrouw, èn als kunstenares; wraak aan de hoogheid die haar verachtte; wraak aan den schrijver van een critiek, die haar den alsembeker tot aan den rand toe vulde. En nu â in deze stad, en met dien ring aan den vinger heeft ook zij haar edelsten triomf gevierd.
Als Nella in Van Oudenolms stuk, heeft ze zich waardig gewroken. God wist het: een slechte vrouw was ze nooit; en, de tooneelspeelster, aan wie men vroeger haar prachtigen aanleg niet had ontzegd, is zij inderdaad niet reeds de kunstenares, die een pronkjuweel belooft te worden van het Nederlandsch tooneel?
En terwijl de gordijn weer omlaag gaat, en de menigte Rosa nog
â
toonbelspelees.
luide toejuicht, ziet men den traan niet, die met geweld in het schoone oog der actrice dringt. Die traan was de ongekunstelde tolk van haar door velerlei herinneringen overstelpt gemoed 5 en â als zij bij 't: Bravo, bravo! stil nijgend terugtreedt, is het dan vreemd dat ook ter dezer plaatse, plotseling de lieve gestalte van Flora haar voor den geest komt? Ja Flora, die traan gold ook U! â Maar de arme Jacob Martin; neen, zijn rust blijft ongestoord. Tot zelfs op dezen stond weet Kosa niet, wie de scherpe criticus geweest is, wiens laatste woord zelfs een geheim was. Maar toch Jacob, slaap zacht: Ds tooneelspeelster zegent U.
Doch hoor, aan den laatsten en hoogsten eisch van 't publiek moet nog voldaan worden. Onstuimig is het leven in de zaal; en de kreten: âVan Oudenolm! De auteur!quot; worden met zulk een onstuimig handgeklap vergezeld, dat de grijze oude dame naast de Gouverneurs] oge gezeten, een geweldige trilling in de saamgeperste lippen niet onderdrukken kan, en het jonge vrouwtje aan hare zijde, hoe langer hoe strakker voor zich neerziet, terwijl het haar is alsof de gansche komedie met haar ronddraait en aller oogen op haar gevestigd zijn.
âHij laat zich wachten,quot; zegt men in de hoogte.
âDiscretie!quot; meent men beneden.
âTimiditeit!quot; fluistert een dame.
âNog eens ferm er op los!quot; zegt de heer met den gouden bril, en hij roept -â en luider stemt men mee:
âVan Oudenolm! De auteur!quot;
Die laatste zet heeft geholpen.
De gordijn gaat nogmaals naar boven.
En uit de geopende tuindeur van 't achterdoek, komt, begeleid door den tooneeldirecteur, de jonge man, wiens werk men wil kronen, met vasten tred naar voren.
Zijn gelaat, in dit oogenblik een weinig bleek, maakt den gun-stigsten indruk.
âBravo! Bravo!quot; klinkt het met oorverdoovend geweld, terwijl men in de stalles en loges den toon geeft.
Een lauwerkrans valt er voor zijn voeten neer.
Onstuimiger wordt het gejuich en handgeklap.
Bevend zit een oude grootmoeder in hare loge. Zij ziet door een dichten nevel. Den zakdoek drukt ze een oogenblik tegen het eerwaardig gelaat. â Daar staat haar Archi, haar lieveling, die----
als broodschrijver haar nog dierbaarder is geworden; en â een lauwerkrans ligt er aan zijne voeten!
375
tooneelspeleks.
Is het bescheidenheid, die den jongen auteur verbiedt om het blijk van waardeering van den grond te rapen?
âHij ziet 'em niet,quot; zegt men boven.
âHij durft 'em niet aan,quot; meent een ander.
Eeeds heeft de tooneeldireoteur den krans opgenomen, en terwijl hij op een karton wijst, 't welk met een lint aan den krans is bevestigd, biedt bij hem den schrijver van Nella aan.
Men ziet Archibald aarzelen.
In de stalles applaudisseert men weer sterker.
De tooneeldirecteur maakt een geste naar de zij van 't publiek, als wil hij zeggen, dat de auteur dit blijk van waardeering toch immers niet versmaden mag.
Men meent te bespeuren dat de jonge man nog bleeker wordt; maar niettemin ziet men hem ijling3 den krans aannemen, en als hij terzelfder tijd nog een schrede vooruit komt, bemerkt het publiek dat hij spreken wil.
Eensklaps wordt het muisstil in de zaal.
Een jong vrouwtje, naast de Gouverneursloge, wordt vuurrood. â Groote hemel! Het klamme zweet breekt haar uit â wat gaat haar Archi beginnen!
âGeëerd auditorium!quot; zoo klinkt daar ginderopdat tooneel,de welbekende, welluidende stem â eerst een weinig trillend, maar allengs vast en bezield; âAl is het mijn overtuiging dat de lauwerkrans slechts het loon kan zijn voor een roemvol leven aan de Kunst gewijd; ondankbaar zou het zijn indien ik het blijk van uw welwillende goedkeuring niet als aanmoediging met erkentelijkheid ontving, te meer dewijl het karton er aan bevestigd, mij zegt, dat een hooggewaardeerde Kunstvereeniging ter dezer plaatse het mij geschonken heeft.quot;
âBravo! Bravo!!quot; klinken weer stemmen, die echter spoedig zwijgen nu de spreker vervolgt:
âNiemand gevoelt dieper dan ik hoeveel gebrekkigs het stuk bevat, 't welk dezen avond, ook hier als eersteling met mijn naam, werd ten tooneele gevoerd.
,Ik zeg ook hier. â Een profeet is niet geëerd in zijn vaderstad. Misschien te recht, omdat een goed vader de gebreken van zijn kind het eerst bemerkt en het strengst bestraft. Gij hebt het niet misduid dat ik daarom mijn Nella eerst elders aan de openbare meening heb getoetst. Maar thans â uw zoo talrijke opkomst; uw meer dan welwillende ontvangst, ze hebben mij beschaamd, en, mijn Vaderstad zeg ik dank, hartelijk dank voor haar aanmoedigend oordeel en de heuschheid mij bewezen,quot;
376
tooneelspelkrs.
De toejuiching, die nogmaals klinkt, verstomt alras dewijl Van Oudenoltn met bezieling herneemt:
âMaar, ben ik u dank verschuldigd, wat zou er van mijn werk zijn geworden, indien de Kunst het niet zoo trouw en goed had weer gegeven! Mijn warmsten dank breng ik dan aan de leden van dit Tooneelgezelschap, die naar de krachten en gaven hun geschonken, met ijver en liefde hebben saamgewerkt om mijn Nella voor u in het schoonste licht te plaatsen.
âOfschoon ik met u slechts de Kunst vereer, waar zij waarachtig Kunst is, zoo wil ik toch dat zij â en de tooneelkunst vooral, ook snaren zal treffen in het hart van ons volk!
âDaarom vooral mijn innigsten dank aan de begaafde eerste actrice van dit gezelschap, de te recht als gade en moeder geëerde directeursvrouw Rosa Baars, die ook hier het hart wist te winnen voor Nella db Tooneelspeelsteb!
âDank, warmen dank evenzeer aan den uitmuntenden Van Deene, die met de zware, zoo licht geheel te bederven rol van Eduard Bandorp, blijkbaar ook hier zijn pleidooi, voor de onvolmaaktheid van den volmaaktste, door zijn talent heeft gewonnen.quot;
Terwijl de jonge auteur nu nogmaals zijn dank herhaalt, om straks met een zachter: âTot weerziens!quot; terug te treden; en een oorver-doovend; âBravo! Bravo!quot; de wanden der zaal doet daveren, ziet men zijn oog glinsteren in de richting der loge waar zijne familie gezeten is.
Ja! een zegepraal ligt er in dien blik, maar een nog heerlijker zegepraal dan die van zijne Kunst.
Eeeds daalt de gordijn; maar Archibald kan het nog zien wat daar ginds in zijn loge geschiedt:
Een krachtig edelman van reeds gevorderden leeftijd staat er tegenover zijn vader. Hij drukt hem de hand; hij wenscht hem met warmte geluk, en zegt hem, te hopen dat de liefde en roem van zijn zoon, hem lang, zeer lang nog gelukkig zullen maken.
Archibald heeft slechts gezien, maar 't geen hij niet hoorenkon, dat heeft hij begrepen. En, schier met denzelfden blik bespeurt hij de menigte die, reeds tot vertrekken gereed, werkelijk haar applaus nog doet klimmen, nu zij 't mede bemerkt dat de Gouverneur â de Commissaris des Konings der Provincie, ten aanschouwe van die gansche zaal, den voormaligen, nog door velen teruggestooten bankier, met warmte de hand drukt. En als de gordijn nu voor 't laatst is gevallen, en de Gouverneur nog in de familie-loge, voor het hoogblozend vrouwtje van den auteur, alsook voor zijn diep getrof-
377
378 T00NEELSPBLER8.
fen grootmoeder een zeer beleefde buiging maakt, maar zich juist omwendt als een Generaalszoon hem de hand wil toesteken, dan glimt er achter het gevallen scherm mede een traan in het mannelijk oog van den gelukkigen Archibald, en, terwijl Rosa Baars, Van Deene, Heldera en anderen hem in stilte gelnkwenschen, zegt hij in stilte: â Mijn arme Vader, de handdruk van den alom geëerden man, die u tot heden ontweek, â o, die handdruk is wel mijn schoonste zegepraal!
Rosa Baars en van Deene zouden hun weddenschap verliezen, want dominee Pelser is niet in de komedie geweest. Maar, of de waardige man bij die kleinere voorstelling in de auteursloge, niet âachter de schermen heeft gezeten' dat zal hij voorzeker wel geheim houden, evenals het laatste schrijven van Jacob Martin: het geheim van diens leven. â¢
Omstreeks een uur na het eindigen van de voorstelling, keert de familie van den auteur Van Oudenolm naar het dorp Beukbergen terug, waar de oude grootmoeder met haar zoon een vriendelijk gelegen huisje bewoont.
Neen, bij dien heerlijken winternacht, zonder sneeuw of storm, was er geen vrees dat eenig ongeluk die geliefden overkomen zou.
Op de stoep van het hotel, 't welk Archibald en Louise hebben betrokken, om echter reeds den volgenden dag naar de hoofdstad, hunne woonplaats terug te keeren, roepen zij den vertrekkenden nog op 't hartelijkst hun vaarwel en tot weerziens toe.
Met de handen ineen, staan de jonge echtgenooten nog een wijle het rijtuig na te staren.
âBeste Archi, welk een heerlijke starrenhemel!quot; zegt het vrouwtje na een oogenblik stilte: âIk kan die diamanten daarboven niet zien zonder aan de goede arme Moeder te denken. Wat zou ze zich dezen avond met ons verheugd hebben.quot;
âWaarschijnlijk toch zonder zich zelve gelukkig te gevoelen,quot; zegt Archibald zacht. En iets later: âKom, nu naar binnen, mijn best kameraadje; 't is hier prachtig, maar koud,quot; en fluisterend
voegt hij er bij: âJe kunt het niet weten----'t mocht voor het
Blijspel, waarop jij me in 't voorjaar hoopt te vergasten eens minder goed zijn, â nietwaar mijn eerste en mijn liefste publiek!?quot;
In de Vflftig-Oonts-Editie zijn verschenen:
Mr. J. Van Lennep, De Pleegzoon.
Mr. J. Van Lennep, Ferdinand Huyck.
Mr. J. Van Lennep, De Roos van Dekama.
Mr. J. Van Lennep, Elizabeth Musch.
Mr. J. Van Lennep, Novellen en Vertellingen.
Mr. J. Van Lennep, Onze Voorouders.
(Alwart. â Brinlo â Charletto. â De Saksische Weezen.)
Mr. J. Van Lennep, Onze Voorouders.
(De Friezen te Borne. â Do Koorknaap. â De Hunenborg. â De gestoorde Bruiloft. â TJlrlch de Zanger. â De Frlesohe Bouwmeester.)
Mr. J. Van Lennep, Onze Voorouders.
(De BedeTaartganger. â De Kelsgenooten.)
Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje Zevenster I.
Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje Zevenster, II.
Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje Zevenster, III.
J. J. Cremer, Dokter Helmond en zijn Vrouw. J. J. Cremer, Daniël Sils.
J. J. Cremer, Tooneelspelers.
ln«' quot; ut O.» Vooya vóór rr-i- laai
en Letter'. â ' quot; de Rijksuniveiiueic te Utrecht
V°rry*al, ,)e1..
en Lette Utxtcht
Pujksumve^iteit te U
4'