HtiflMihirrV .. v- ' -«wWHquot; i - 'K3%. r'.'A Vquot;;'quot;-quot;quot; â
--^
. ^^K^mcr , » ^ ;;3.^ra. . .. ^ J lt;v vgt;;A-.-
Instituut De Vooys voor Nederlandse Taaien Letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht
M*
r -^gs®^ï -a «Sy^CT-A-^c;:'.*- â '. SaSïHl
: /ffi
-11^
ü
.
t®
-4r3^v
;%â « A aSiiii:
«
\k;kquot;gt; ^ lt;;; â ^fv- â
DE DICHTWEEKEN
VAN
w. J. VAN ZEGGâ¬LEN.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0855 4218
DE DICHTWERKEN
//. \ TLEtj
W. J. VAN ZEGGELEN ^ /
VAN
VOLLEDIGE UITGAVE
NEGENDE DRUK
EERSTE DEEL
AMSTERDAM UIT GEVERS-MAATSCHAPPT âELSEVIERquot;
Instituut De Vocys voor Nederlandse Taaien Letterkunde asn de Rijksu quot;.iversi.si; te Utrecht
1897
EEN WOORDJE BIJ DE VOLES UITGAVE.
Dat ik nog eens, en wel in 1874, een herdruk van mijne gedichten onder de oogen zou krijgen, had ik mij waarlijk niet meer voorgesteld. Het doet mij genoegen dat dit nu eene zoogenaamde Volksuitgave mag zijn, want onder het volk hooren mijne stukjes thuis. Ik â ook een zoon van het volk, gelijk Behanger zich noemde, heb even als hij, meerendeels voor het volk geschreven, en ik geloof ook dat mijn uit-spanningsarbeid onder de nederige burgerklasse onzer maatschappij het best ontvangen en verwerkt is. â Zoo iemand verbaasd is over de goede ontvangst mijner gedichten, waarvan velen tal van herdrukken mochten beleven, ik misschien zelf wel het allermeest. â Ik verzeker dit vooral nu, op mijn tegenwoordigen leeftijd, en na eene zeer afwisselende, somtijds zeer droevige, levenservaring. Veel is er in mijn gemoed verkleurd en veranderd en voorzeker verschilt tegenwoordig mijne levensopvatting veel met die van voor twintig en meer jaren, en wanneer ik mijne vooral vroolijke versjes nog eens overzie, hetgeen met deze nieuwe uitgave het geval is geweest, dan vraag ik mij zeiven vaak af: was ik het die zoo gejoold en gedarteld heeft'? Heb ik eenmaal die kool opgeschept? Maar â ofschoon ik thans een heel anderen vorm aan mijne gedachten en aandoeningen zou geven, en misschien tegen den zin van den tegenwoordigen eigenaar en uitgever, het een en ander ter zijde zou schuiven, wat mij thans minder smaakt, moet ik toch bekennen; ik schaam mij den inhoud van mijne verzen niet. Ik heb nimmer personen op het oog gehad tot doel van spot of krenking. Ik heb nooit eenige onreine gedachte onder den vorm van luim of kortswijl willen openbaren. Moest ik een zelfkritiek over mijn werk schrijvan, ik zou misschien zoo goed als iemand, de zwakke punten er van kunnen aantoonen, maar
Een woordje bij de volksuitgave.
die correctie zou vorm of versificatie, vinding of conceptie gelden, doch i'. zou geen mea culpa roepen over den grondtoon der gedachten. â In zoo verre mag ik mijne oude kinderen, thans weder in een nieuw pak gestoken, met al de opgeruimdheid die mij is overgebleven, een goede ontvangst bij oude en nieuwe vrienden toewenschen. â Ik wensch het ook voor den ijverigen uitgever, wien ik dank zeg voor zijn mij streelend woord bij de aankondiging van deze uitgave. â Was dat woord wel wat vleiend voor mij, ongevallig was het mij niet â dit betuig ik; want ook daarin drukte hii uit een oordeel, waarop ik prijs stel, het oordeel over de bron, over den oorsprong van mijn letterkundigen arbeid. Ik heb op zijn verlangen deze uitgave met nog enkele verstrooide stukjes aangevuld. â En hiermede bied ik den goedgunstigen lezer rniju heilwensch en mijne groete.
Zoo schreef ik in 1874. Ik heb er in 1876 niets bij te voegen dan dal ik op nieuw verrast ben door de goede ontvangst der Volksuitgave, waardoor na een kleine twee jaar een herdruk is noodig geworden; zijnde deze de vierde druk van den tegenwoordigen uitgever.
Ik kan niet anders dan dankbaar zijn voor1 de welwillendheid van mijne landgenooten, die mij, onder meer dan één geslacht, de bewijzen leverden van instemming en sympathie met mijn letterarbeid.
Waarschijnlijk zal het nu wel voor de laatste maal zijn dat ik mijn werk heb overzien. â Ik neem, in die veronderstelling, met een harte-lijken groet, afscheid van mijne goedwillige lezers en vrienden.
W. J. VAN ZEGGELEN.
VI
LEVENSSCHETS
VAN
W. J. VAN ZEGGELEN.
WILLEM JOSEPHUS VAN ZEGGELEN.
Enn weemoedig, maar dankbaar gevoel tevens vervult mij, nu ik geroepen wonl, een reeds vroeger door mij geschreven levensbericht van mijn vriend Van Zeggelen te herzien en aan het hoofd te plaatsen van ecne tweede volksuitgaaf zijner verzen.
âDat ik nog eens eene Volksuitgave van mijne gedichten zou beleven, had ik mij niet meer voorgesteld,quot; schreef hij mij op den Saten .Januari 1875, bij de toezending van zijn destijds pas uitgekomen bundel, en zie, vijf jaren later, nu zijne groeve gesloten is, ziet eene volksuitgaaf op nog veel uitgebreider schaal het licht. Hoe verrast, zou de bescheiden dichter nu niet geweest zijn.
Willem Josephus Van Zeggelen werd geboren te 's Gravenhage den loden September 1811. Zooals hij zelf in de voorrede van de in 1874 verschenen uitgaaf' zijner gedichten zeide, was hij âeen zoon van het voikquot;. Maar begaafd met een vlug opmerkingsvermogen, gesteund door stalen vlijt en door een niet licht te ontmoedigen veerkracht, verhief hij zich uit nederigen stand tot gezeten burger, en verwierf hij zich door aangeboren talent en eigen studie een letterkundigen naam.
In 1838 schreef hij, op zeven-en-twintigjarigen leeftijd, ziin bekend beriimd verhaal Pieter Spa, dat, in October van dat jaar voltooid, grooten opgang maakte en sedert voor goed aan rijn dichtersnaam verbonden bleef. Van Zeggelen was toen geplaatst op de haagsdie drukkerij van gebroeders Giunta d'Albani, aan het hoofd waarvan hij later mede optreden zou '). Van leerjongen af had hij er zich spoedig onmis-
J) Tü.t. Van Zeggelen in Juli 1876 vijftig jaren lang pan dc drukkerij wl)OU;ï:'ii wna ^ewcesi, moclit hij ran vele zijden blijken van belangstelling o: tvangen. ')e Iscliouk hr-u de orde van de Ãikenkioon rn de ;-rze!-cn der drukkerij visten schier niet |v te doen om hun jfrnpjrenheid a'ir den geliefden patroon te tooncu.
Levensschets.
baar gemaakt, vooral in liet administratieve werk â een korte poos was hij vroeger advocaatsklerk geweest. Zijn patroon gaf hem zijne dochter ten huwelijk en nam hem weldra als deelgenoot in zijne zaak op. De drukkerij legde destijds op Van Zeggelen zoo geheel beslag, dat hem alleen de nachten overbleven om zijn Pieter Spa te schrijven.
De opgang van dit verhaal kan geen raadsel zijn voor wie dien tijd beleefd hebben, toen men nog gebukt ging onder den preektoon, toen er een hoog-witgedaste deftigheid heerschte, toen de dichters kracht en bezieling maar al te veel in brommende woorden zochten. Beets' C a-mera Obscnra verscheen eerst één jaar later, Kneppelhout's Studententypen dasteekenen uit denzelfden herlevingstijd van natuur en waarheid.
De spreektaal, die Van Zeggelen durfde gebruiken, moest aantrekken; men luisterde, men gevoelde zich eindelijk thuis, men herademde bij het hooi en en lezen van een samenspraak tusschen man en vrouw, die aldus aanving:
*I)at moet ik zieu!quot; riep Pieter Spa,
Bij de avondthuiskomst tot zijn ga,
Die, onverwachts, door raanliefs woord In 't kousenbreien werd gestoord.
//Wat, vaderlief, wat wou je zien.
De Dordtsche kermispret misschien?
'k Ga met je mee naar Dordrecht, bout!*
Dat was de stijl van onze oude blijspeldichters, in onbruik geraakt en schier geheel vergeten.
Van Zeggelen zelf was ook niet in dien trant begonnen, ook hij had eerst den toon van zijn tijd aangeslagen. On ler zijne âeerste misbakselsquot; zooals hij ze zelf later doopte, behooren gedichten, waarin ook hij offerde aan bombast en sentimentaliteit, verzen van het Oden-geslacht, die hij in een gelegenheids-gedicht, door hem in den aanvang van 1859 in een besloten kring voorgedragen, aldus kenschetste:
Tonen, die de geestdrift slaakte.
Gloeiend voor iets onvoldaans,
Stroomden van des jonglings citer,
In zijne Ode's op zijne Aau's.
't Hart was vol van zielsgeheimen
En de kunst gaf variaas :
Om de beeltnis der Klvires,
Lines, Lanraas, Lesbiaas.
Om de Betsys en Glorvines,
Yantcs, Niees en Margoos,
Om de Irenes en Odildea
Wond de dichter mirt en roos.
^Smachtverlangen//, /rboezeinlijdrn//,
/'Mingeneucht/' en //zielscllend'/,
Waren snippers en sukknde
Door het deeg van 't sentiment.
van TV. J. van Zeggelen.
Evenwel ook tusschen deze s e nt i me n t e e 1 e proeven zijn er, waarin reeds de komische trant zich gelden laat: zoo, al in 1834, een gesprek in boerentongval tusschen Jaap en Krijn over het woord muiteling, misschien hel eerste vers van Van Zeggelen dat gedrukt werd ; zoo vier jaren later een ander boerengesprek tusschen Klaas en Teunis, en, na den Pieter Spa, in Maart 1839, De groote Beer, weldra gevolgd door De Sermoenen van Pater Brom, gedagteekend November 1839 en februari 1840; want thans was de toon voor goed gevonden 1).
Spa's onvoorspoedige reis naar Londen om koningin Victoria's kroning bij te wonen, verscheen het eerst in het tijdschrift Europa; maar weldra werd het verhaal overgedrukt en alom verspreid.
Van Zeggelen droeg het ook zelf voor. Hij deed dit op eigenaardige wijs: het koddige en luimige in zijn verzen liet hij bij de voordracht guitig uitkomen; het was een genot hem te hooren; men wist, als men Van Zeggelen zag optreden, zeker dat men lachen zou. Toch kon hij naar waarheid getuigen: ânooit heb ik personen willen bespotten of krenken, nooit eene onreine gedachte willen openbaren.quot;
Wij zien hem nog, zooals hij zoo dikwijls in Oefening kweekt Kennis voor ons stond: klein van gestalte, bescheiden van voorkomen, met innemenden glimlach, oolijken blik en koddige mimiek; wij hooren nog het gegier van pret zijner hoorders en de uitbundige toejuiching, waarmee men hem dankte voor het gesmaakte genot.
De groote opgang van Pieter Spa drong Van Zeggelen om in dien trant door te schrijven. In 1841 ging Pieter Spa naar Amsterdam om daar de inhuldiging van Koning Willem den Tweede bij te wonen; en veertien jaren later toog Koen Verklat, een geestverwant van Pieter Spa, met vrouw en buurmeisje naar de Parijsche tentoonstelling. Maar de eerste onbetaalbare inval, om den ongeluksvogel, als hij eindelijk ua allerlei hindernissen het doel van zijn streven bereikt heeft en den lang verbeiden optocht zien zal, den hoed over de oogen te laten slaan â die prachtige inval kon niet meer worden herhaald. Vandaar dat Pieter Spa naar Londen zijn roem behouden bleef, al mocht ook het verhaal van Koen Verklat in vele opzichten beter en fijner zijn, meer kennis van taal en versificatie verraden, en ook tintelen van kluchtige zetten, getuige de verzuchting van Juffrouw Verklat, die, als ze haar vriendin meedeelt hoe koningin Victoria naar Parijs gaan zal en hoe haar man daarom zoo'n jacht maakt om weg te komen, er bijvoegt:
quot;____nu is al dat jagen.
Alleen om England's koningin;
Dat die nu juiat in d' inmaakdagen....
XI
Maar, oc , zoo'n meusch maakt zelf niet in.'
1
De eerste verzen van Van Zeggelen zijn geplaatst in (Ie door net Seaootscliap Oefening kweekt Kennis uitgegeven bundels: Ochtendschemering en Nj'or-g e u r o o d.
Levensschets
Nog and«re langere verhalen kunnen onder de rubriek Pi et er Spa gebracht worden, zooals de De valkenvangst op de Noorweeg-sche kust (1840); Eene a vond part ij; Indrukken en brieven van een bezoeker der Londensche tentoonstelling in 1851. Misschien zou men kunnen meenen dat Van Zeggelen zich had laten verlokken om te veel van deze verhalen te maken; rnaar toch zoudeE wij ze niet gaarne missen; er tintelt daarvoor te veel aardigs en luimigs in deze verzen, en geen geringe verdienste er van is, dat, ofschoon dt dichter zelf nooit in Londen, in Parijs of op zee geweest was, hij toch, uit hetgeen hij daarover las en vooral daarover hoorde, zulke juiste grepen te doen wist, alsof hij het met eigen oogen aanschouwd had.
Zelf meende Van Zeggelen dat hij lang genoeg met deze soort van verzen voortgegaan was. Hooger stelde hij zijne kleinere, naïeve gedichten, als; Grietje's verzuchting. Betrachting van Louw den timmerman, Bloode Piet, Van dik hout zaagt men planken. Ook riep hij voor zich de eer in, van het eerst verzen gemaakt te hebben in den trant van Soldatenstand;
âEen leven vei wissliug,
Ecu lokaas der jeugd,
Eeii manlijke roeping,
Eeu atrik voor de deugd.quot;
Of wel:
e a t i e n jaar, sewenachte tijd!
Weg de kindersclioenen I Van den schoolscben dwang berrljü
Duizend visioenen 1 Bals, comedies in 't verschiet;
Uitgaan zonder moeder;
Dagen van gewaand verdriet;
Kiescher, ware 't vrocder!quot;
Deze trant van gedichten eischt een levendig gevoel voor contrasten, een grooten woordenschat, en tevens het vermogen om eene gedachte bondig uit te drukken.
Van Zeggelen heeft de thans gelukkig geweken âalmanakkenkoorts,quot; zooala hij zelf hot in een gedichtje noemde, beleefd. De redacteuren van een aantal pracht-jaarboekjes, de Aurora, de Vergee t-m ij-n i et, de Holland, de M uze n-almanak, klopten jaar op jaar bij schrijvers en dichters om bijdragen aan. Reeds in 1851 schreef onze dichter aan den redacteur van den V e rgee t-mij-n i et, dat zijn vierspan, zijn kinderen, hem van 't verzenmaken afhield, daar hij in zijn schaarsche ledige uurtjes liever mot zijne kleinen speelde;
^'Word ik in 'twerk gehinderd
Door wildzang en getier,
Ik berg heel gr;-.a.; bet schrijftuig
Bij !t kinderlijk ^plcizier^,
En 'k spring met hen in 't ronde.
Schoon moeder woelig vindt,
En 'k denk aan werk noch zorgen.
En . . , 'k word uict hen een kind.*
van W. J. van Zeggelen
Zulke verzen teekenen den maker.
Zeven jaren later toonde hij nog eens zijn koddige knorrigheid aan zijn vriend S. J. Van den Bergh. Toen deze hem voor de Aurora plagen kwam, riep hij uit:
Als ge wist hoe 't mij Terveeide,
Briefjes, prentjes eu 200 voorts,
Och, dood toch de zomerweelde Niet door almanakkïii-koorts!
Nochtans hebben diezelfde, sorns zoo erg lastige redacteurs menig üef versje, ook zelfs âbij een plaatjequot;, aan Van Zeggelen's pen ontlokt. Want weigeren deed hij niet graag: als hij maar eenigszins kon, hielp hij.
Ik sprak daar van zijn âkoddige knorrigheidquot;, en zelden verloor hij, zelfs in drift of ongeduld, zijn goede luim; ook dan trof hem het lachwekkende. Dit was zoo sterk, dat wanneer hij zelf op een aardige wijs gefopt of om den tuin geleid werd, hij de eerste was om er pret in te hebben.
Het hoogst stelde Van Zeggelen zijn ernstige verzen r). Geen wonder! Daarin toch klopte het meest zijn hart, daarin sprak zijn gevoel zich liet sterkst uit. En nu hebben wij slechts één voorbeeld te geven van de wijs waarop Van Zeggelen gevoelde, van zijn ruim hart, dat zijn lieve afgestorvenen ook over het graf trouw bleef. Nadat hij een dochtertje door den dood verloren had â helaas, hoe velen zijner kinderen moest hij sedert nog zien wegmaaien, â schreef hij :
ff Vergeten? neec, 't blijft met on- Ir ven,
Ook nu 'tin reiner leven roemt;
Haar beeld blijve in ons midden toevcu,
Heur naam zij ieder unr genoemd!
Spreekt ^rij, herinnert vaak elkander Haar vroolljk sptlj haar vrienülijk 00»,
Herdenkt de tijden, toen zt dartiend Van mijne in moeders armen vloog;.^
Van Zeggelen leefde in waarheid met zijn dooden; niet dat hij zich met hen begroef, maar hij sprak gaarne over hen, hij deelde zijne herinneringen over hen mee, ook en vooral de vroolijke; want in één opzicht is Van Zeggelen zeker niet dikwijls geëvenaard; in blijmoedigheid. Als men in een tijdperk van zijn leven, toen hij slag op slag door vreeslijke verliezen getroffen werd, met beklemd gemoed tot hem kwam, niet wetende wat b.em te zeggen tot troost, dan vond men kalmte door zijne berusting, vrede door zijn medeleven met 7,ijn afgestorvenen, eerbied voor zijn kinderlijk vertrouwen op Hooger Bestuur.
1) Ouder Van Zeggelau's ernstige verzen belioort Ãi5t «oor Cd Busken ITuet geprezen 'Aan Maria'', door den dichter in 184S gencht aan liiejuiirou'-v Loosjiis, die zijuf tweede vronw worden zou, nadat bij mrt haar, voor het eerat na zijn overganjr van het katholieke tot het hervomde kerkgenootschap, het aTondmaal eevierd had.
xm
Levensschets
Gedurende dien treurigen tijd, toen drie volwassen kinderen en zijne tweede vrouw hem kort na elkaar ontvielen, dichtte Van Zeggelen niet meer; maar zoodra was er niet een nieuwe zon voor hem doorgebroken, toen hij eene derde levensgezellin 1) mocht vinden, of de oude zanglust ontwaakte weder. Maar nogmaals stond hem nieuwe beproeving te wachten, en in de avonduren die zijn drukke zaak hem vrij liet, vond hij afleiding door het vertalen van Molière's Misanthrope. Zijn ideaal was, deze vertaling in zijn geliefd Oefening kweekt Kennis te zien opvoeren. Zelf kon hij er niet meer voordragen; zwakte van borst en kortademigheid beletten hem dit; maar zijn werk wilde hij er toch zoo gaarne ten gehoore zien brengen. De drang om daartoe te geraken deed hem het zware van zijne taak wat te licht tellen, en toen de kritiek hem daarop, soms in geen malsche termen, wees, erkende hij het ronduit en had hij de veerkracht om zijn gansche vertaling in alexandrijnen, om te werken.
Ook Molière's Tartuffe vertolkte hij in verzen, en ondanks de groote moeilijkheid zijn sommige tooneelen voortreffelijk geslaagd: het zijn juist die, waarin de meeste luim schuilt, waarin bij voorbeeld de vrijpostige kamerjuffer Dorine optreedt.
Onder zijn laatste verzen, die Van Zeggelen kort voor zijn dood schreef, behooren er een paar, die de levenswijsheid van den opgoruimden dichter volkomen uitdrukken. In het eene, dan ook zelf Levenswijsheid, een liedje voor het volk, getiteld, klinkt het ons toe:
quot;Het leren biedt Wel eens verdriet.
Maar blijdschap drijft toch boven j'
Ãtk krijgt zijn maat In breuk of baamp;t Om zuur of zoet te loven.#
Van het tweede, een Gezelschapslied, trekt reeds het begin aan:
â¦Laat ons toch nimmer het leven vergallen Door over steentjes en strootjes te vallen;
Hij, die te prikkelbaar is van natuur,
quot;Wordt licht geschuwd als een lastig gebuur *
Een zijner allerlaatste gedichten was dat, gewijd aan zijn jongste kind :
Ja ConstaDtijn Gij moogt er zijn,2)
Treffend is dit lieve versje om den eenvoud, waarmee Van Zeggelen's
XIV
1
Van Zcggelen's laatste kind uit zijn derde huwelijk was bij 'a vaders dood nog pas één jaar oud.
van VV. J. van Zeggelen.
e quot; ~ quot;
t onzelfzuchtig gemoed er zich in uitspreekt, zijn dankbaar, tevreden hart
l, er zich in opent.
t Is het wonder dat Van Zeggelen, met zulke blijmoedigheid en veer-
e kracht begaafd, allen innam met wie hij omging?
i Ook in het letterkundig genootschap Oefening kweekt Ken-
1 nis zal hij niet vergeten worden. In 1834 hielp hij dit Genootschap
i mede oprichten, en zijn talent en gaven deden het ontluiken en ont-
i wikkelen. Na den dood van zijn vriend S. J. Van den Bergh volgde hij
o hem als voorzitter op, en in de laatste tien jaren zijns levens nam hij
J deze taak waar met ijver en toewijding, soms als met jeugdigen lust
k bezield. Zijne bescheidenheid, zijn eenvoud, zijn ruimte van hart, de
t geest van vergevensgezindheid en liefde, die van hem uitging, zullen
i, ook in Oefening in dankbire herinnering blijven.
Hoe algemeen hij bemind w.ird en gezien was en hoe hij zich zoowel
e op het gebied van nijverheid als op dat van letterkunde inderdaad onder-
t scheidde, blijkt onder anderen daaruit dat er in Den Haag schier geen
e commissie gevormd werd, of Van Zeggelen moest er toe behooren. Dit duurde tot het laatst van zijn leven toe, totdat hij in den nacht van
f, den 15'1⢠op den 104⢠Februari 1879 bezweek aan een borstkwaal, die
hem lang bedreigde, maar hem gelukkig niet veel lijden deed. , Veertien maanden na zijn verscheiden, op den llden April 1880, werd
in tegenwoordigheid van vele vrienden en belangstellenden een eenvoudig monument, dat op zijn graf op Eik-en-Duinen was gesteld, aan zijne weduwe en kinderen overgedragen. Merkwaardig was het, dat verreweg het grootste gedeelte der kosten van dit herinneringsteeken bijeen werd gebracht in vijfentwintigcents-stukken. De commissie toch, die zich ten taak stelde om het plan te verwezenlijken, had begrepen, voor deze hulde aan de nagedachtenis des bekenden en geliefden dichters, van velen : weinig te moeten vragen, en meer dan vijf en twintig honderd Neder
landers, uit alle oorden van het land, hadden dan ook hun penningske bijgedragen tot den kloeken Ardenner-steen, waarop, onder een bronzen krans, dit opschrift prijkt:
/*Aau W. J. van Zeggelen : *Voor het volk dichtte hij
quot;De nijverheid hielp hij bevorderen
quot;Vijanden had hij niet quot;Zijn vrienden herdachten hem.quot;
S
Eene andere blijvende hulde aan den dichter gebracht, spreekt uit het J groot aantal herdrukken van zijne gedichten. 1)
Eerst in den vijfden druk van zijne verzamelde Gedichten, na zijn dood in 1879 verschenen, werden opgenomen de volgende verzen: Een
XV
s
1
quot;De reis van Pieter Spa naar Londenquot; werd minstens twaalf malen herdrukt.
zvi
nieuw Wilhelmuslied (1872, bij c'en SOOjarigen gedenkdag van de inneming van Den Brie!), Vrijheid, Een Zeemansliedje, Levenswijsheid, Een liedje voor den werkman. Gezelschapslied, Minnelied, Jan Kloek, De Haringvisschers en De Mijnwerkers (beiden geschreven om als cantaten te dienen). Aan ons nakomertje (1878), eindelijk: Aan prinses Marie en Drie Kronen, bestemd voor de albums, aan prinses Marie en aan koningin Emma bij gelegenheid van haar huwelijk door eenige kunstenaars en letterkundigen aangeboden.
Zooals van zelf spreekt, zal men de genoemde verzen ook in deze Volksuitgaaf niet te vergeefs zoeken.
Arnold ïsinü.
Be Kist.
't Geval, dat ik u, lezers! mee ga deelen,
Is een dramatisch feit in één bedrijf;
Heb ik bet ongeluk soms iemand te vervelen,
't Is beter dan met een, dan soms met vier of vijf.
Gerektheid, droogheid zijn bêtises â
Wie kent zich gaarne schuldig aan die fout ?
'1c Wil dus compact zijn, met verandring van coulises Zij z.oo mijn stuk in één bedrijf volbouwd.
Mijn hoofdpersoon zal ik u vlug beschrijven:
Hij heet bart bik â een man in bonis, als men ziet,
Maar die dan ook zijn saamvergaarde schijven Als nommer één beschouwt van 's werelds ijdelheid.
Als dorpeling is hij beroepen en capabel Voor ieder eerebaantje in polder, kerk en raad;
Men weet dat soms een plattelands-notabel.
Meer titels voert dan menig diplomaat.
Zijn levensboom mag reeds in vollen wasdom prijken; Het lentedons week voor liet zomerblad :
Vier kruisjes en een schrap of wal Mocht reeds de tijd hem in den kerfstok ijken;
En toch, 't genot van lach en lonk en lied Heeft hij bewaard voor later dagen;
Zag bij het huwlijksjuk door jonge schouders dragen,
Vaak zei hij: wien het lust â mij niet;
Hij dacht toch: waar ik wil, daar heb ik slechts te spreken: Bevalligheid en schoon, â 'k heb ze ook â maar achter slot; 'k FJezit een preparaat: verstand voor iedren zot,
En jeugd voor hem, wiens kruin begint te bleeken.
Maar 'k zou mijn held misteeknen, neen.
De liefde scheen ook hem eens eindlijk op te frisschen.
Hoe 't zij, ik wijs u thans naar mijn tafreellje heen.
Eerst wil ik kleuren en daarna het doek vernissen.
Ter zaak dus: bart, de nijvre dorpeling,
Die telken marktdag stadwaarts ging,
Om onder tal van vreemden en van vrinden,
Daar koopers voor zijn waar te vinden,
1
2 De Kist.
Had eens een goeden dag, gelijk hij meermaal placht;
Veel gading deed zijn koopwaar rijzen,
En tegen 't zoet genot van ruim betaalde prijzen.
Was alles aan den man gebracht,
Leeg is zijn goedren-kist, maar vol zijn 's koopmans zakken, En Bart, wien 't niet geviel lang in de stad te plakken.
Bindt vlug zijn Langstaart aan;
De winterdag noopt hem om vroeg naar huis te gaan.
En bovendien het weer slaat om, â vrij hevig Begint het buiig West te brommen, 't loeit en fluit,
En jaagt een dracht van sneeuw en hagel voor zich uit.
Bart zit op de open kar, 't is waar, hij 's kras en stevig.
Maar heefl als iedereen ook wel gevoel,
De hagelslag doet zeer, de wind is scherp en koel.
Geen opperkleed bedekt zijn beenen.
En 't kille water dringt rkor schoen en broekspijp henen.
Een aardige inval vliegt hem eensklaps door het hoofd, Wel vreemd en wat gewaagd, maar toch, naar 's mans gedachten, Niet gansch onwaardig voor zijn moed en krachten,
En best uitvoerlijk, als de goede bart gelooft.
Men weet: behalve 's mans persoon had nog de wagen Een groote leege kist te dragen;
âWat nood,quot; zegt onze vrind,
âWanneer 'k mijn corpus in die kist eens neer ging leggen.
Het deksel bijna dicht, de keerzij naar den wind,
Dan bleef ik droog!quot; Kortom, hij liet het niet bij 't zeggen.
De Langstaart was dood mak, bart had hem nog wel kort,
Maar toon, zijn naaste buur, van wien hij 't beest mocht koopen. Deed hem dien weg naar stad licht duizend keeren loopen â
En elk weet wat gewoonte al niet bij dieren wordt.
Te meer wanneer ze, als hier, op voer en stalrust hopen.
Genoeg, zag ook de viervoet heg noch steg â
Het beest wist blindelings, ja, op den reuk den weg. 'tls duister, maar als 'k zei: op 't paard is wel te bouwen. Het pad is recht en breed en goed En, kwam men onverhoopt een rijtuig te gemoet.
Welnu, bart is er, om een oog in 't zeil te houên.
Hij zit dus veilig neer, maar wenscht zich toch reeds thuis. En weet ge daarvan graag de reden ?
Het was niet om 't gevaar en de engte van zijn kluis,
Maar om de pret der feestlijkheden.
Die hem te wachten stond bij naasten buurman toon;
'tWas vastenavond! en de boeren zijn gewoon.
Al zijn ze jong of oud van jaren.
Dien dag niet ongevierd voorbij te laten varen.
De Kist.
Bart, die den draf van 't paard nog schier te langzaam vond. Zat bij zich zeiven reeds te hunkren naar den stond,
Dat hij met huurmans-aagt, hem van de feestelingen Het naast aan 't hart â een meid van zessen klaar, Met roode, ronde wang, en blond en krullend haar,
Eens dapper voor de veel zou springen j Hij had zich juist eens schrap gezet,
Om t' avond onder 't vieren van de pret,
Den kogel door de kerk te jagen En haar het jawoord af te vragen !
't Werd tijd; ook wist hij dat aan aagt Door langen krelis mee een oogje werd gewaagd.
En eer die vlasbaard hem de loef eens af mocht steken,
Wou hij er bij zijn; 't was hem al te zeer gebleken.
Dat wie zich lang bedenkt zich soms te laat beklaagt, En 't zelfs een lafaard is, die nooit een blauwtje waagt;
Maar buiten dat, hij kreeg al zoetjes aan zijn jaren.
Hij had een eigen huis, een stal vol geldig vee. Een porseleinkast, sjees en arreslee â
Gewis 't was hem vergund zich aan een vrouw te paren, En aagt was stapelzot, wanneer ze hém niet nam.
En zich niet voornam, om het even
Of krelis of een ander kwam.
Dien, kort en goed, den zak te geven.
Zoo zat de goede bart te mijmren in zijn kist,
En kwam dus ongemerkt al verder dan hij wist;
Een groot kwartier â dan kon hij thuis zijn en zijn kleeren Verwisslen voor zijn zondagspak;
Daar komt op eens de wind en geeft de kist een smak En werpt het deksel dicht; geen wenden helpt of keeren;
Bart zit er in, 't geval is drommels zot,
Want wat hij doet of niet, het deksel blijft op slot.
âHelp, hemel!quot; roept de man, âwat zal er nu gebeuren?
Op vastenavond dood te gaan! Ik stik, ik smoor!quot;
Geen nood; het sleutelgat., een tweetal breede scheuren.
Ze lieten voor de lucht een weinig spelens door, En Langstaart? vraagt ge: wel, hij wist gelijk wij zeiden,
Den weg, en buitendien hij rook alreeds den stal;
't Ging wel wat hortend en wat stootend tusschenbeiden,
Maar echter zonder eenig ongeval.
Bart lag nochtans van angst te zweeten:
Begrijp, hij hing nu heel van Bruintjes nukken af.
Licht werd, zijn onvoorzichtigheid ter straf,
De man in greb, of sloot, of put gesmeten!
Maar 't ging zoo ver niet; wel is hij reeds bont en blauw.
De Kist.
Vergeefs heeft hij geduwd, geschopt, gewrongen,
De kist blijft als een muur en houdt hem in het nauw.
Helaas, wat baat hem hier de kracht van ijzren longen!
Daar merkt hij, dat het beest zijn schreden wat verzacht.
Licht dat den armen man nu eindlijk redding wacht!
Hij hoort de stem der vroolijkheid zich uiten.
Nog meer: zijn oor verneemt het scherpe veêlgekras,
En uit dit al mocht hij besluiten,
Dat hij op 't erf van toon, zijn naasten buurman, was.
Zoo was 't ook; Langstaart had den stal nog goed onthouden.
Waar hij van jongs af aan, zijn hooi an haver at.
Vandaar dat hij den nieuwen om den ouden Geheel vergat.
Hoe zal 't nu gaan? denkt BART, want roepen helpt noch razen:
Daar binnen gaat het vroolijk toe.
Daar dreunen vloer en bint, daar rinkelen de glazen,
Daar wordt men zang en dans niet moe;
Geen mensch verneemt zijn stem, slechts 't paard schijnt die te hooren; Het doet opnieuw een stap, twee, drie naar voren,
Maar eensklaps krijgt de kist een onverhoedschen stoot En kantelt over zij, de kar af naar beneden!
De deurpost van den stal had Langstaart niet gemeden En dit was de oorzaak van den tuimel; in dien nood Kneust de arme opnieuw zijn hoofd en schenen,
En 't paard stapt ongedeerd door de open staldeur henen;
Het beestje zet zich aan den ruif, maar stoort Zich aan zijn meester niet, die, kermend, lamenteerend.
En rustloos woelend, rustloos keerend,
Zich schier te berste schreeuwt, maar niemand die hem hoort! Men went ten laatste aan ongelukken.
Wél hem, die zich kan schikken in zijn lot.
Maar bart ging 't moeilijk af; zijn zoet gedroomd genot
Zoo tergend zich te zien ontrukken,
Zoo dicht te zijn nabij zijn hemel, bij zijn aagt,
Wier stern, wier lach hij kon vernemen â
Voorzeker is 't een held, die zulk een lot verdraagt!
En toch, hij moest het wel, want de onmacht deed hem zwichten: Door wanhoop werd zijn weemoed eindlijk stom;
Zoo kropen eenige uren om;
Nog komt geen enkle straal zijn zwarten nacht verlichten;
Doch ja, daar wordt de künk gebeurd.
Hij luistert, toe, de buitendeur gaat open.
Daar klinkt een stem, ja nu mag hij op redding hopen!
Maar hoe? 'i Is aagje's stem, gelijk hij dra bespeurt;
0, dat hij thans in vrijheid ware'
4
De Kist.
Doch stil, een andre stem klinkt bij de hare,
Ze fluistren saam, nu zoo, dan zus....
Ach, zegt met mij, dat zooveel smart te veel is!
Daar klapt op eens een rnalsche kus.
En de andre stem, o spijt, was die van langen krelisI Ze komen nader .... Hoe kan 't mooglijk zijn?
Daar zet het paar zich op de kist ter neder;
Die twee er op zijn beurtlings dartel, teeder,
Die een er in weent van verdriet en pijn.
âKom AAGJE,quot; spreekt de minnaar zoetjes,
âKom, geef me nou je hand en hart,
'k Heb ook mijn hooiberg en mijn koetjes,
Wat heb je aan dien ouwen bart?
't Is jou portuur niet, aardig bekje;
'k Zou beter prijken als je man.
Die saaie zemel, meid.... wat trek je
Den neus omhoog! Wat zeg je er van?
Geef mij jou ja, wat kan 't je deren?
Mijn lust, mijn ziel, aagt! als je 't wist!!
Bart ligt nou thuis al in de veeren!quot; â
âDat lieg je!' roept een stem, âhier lig ik in de kist!
Maar 'k wil, ik moet er uit, maak open!
Het wordt me zoo benauwd om 't hart!*
En aagje zet het op een loopen,
En KRELis vraagt: âben jij het, bart?
Is dat nou vastenavond houên!
Mijn hemel, man, wat heb je in 't hoofd?
Nooit had ik jou zoo zot geloofd!quot; â
âDoe open, schelm! of 't zal je rouwen!quot; â
âZacht, zacht, maar waarom laat je u levend kisten,
âIk stik, â ik smoor, â de markt, â het paard, â de kist, â de wind! Zoo'n vastenavond is nog nooit mij overkomen!
Die kus, vervloekt' Ik heb 't vernomen!quot; â
âO luistervink! Maar mart, zijn wij geen aardig paar?quot;
âLoop naar den____'k wil naar huis; â ik geef den brui van haar!' â
âDaar wou 'k je hebben, vrind ! maar stil, ik zal je redden, âJe zult mooi rood zien, man, daar wil 'k wat om verwedden.quot; En KRELis gaat en komt terug rnet heel het tal
Van blijde vastenavond vrinden.
Wier dol geschater bij het hooren van 't geval.
Gelijk men licht beseft, niet meer is in te binden.
De kist gaat open, bart is vrij,
Men helpt hern op, maar wat doet hij?
Zegt, waarde lezers, kunt ge 't raden?
5
's Landmans Avondmaal.
Zou hij den schijn van lafheid op zich laden ? Voorzeker niet: hij grijpt een ijzren bont En zwaait dien hoog en stout,
En loopt op de oorzaak toe van al zijn ongelukken En beukt de kist in duizend stukken;
En, na 't volbrengen van die daad van kracht en moed, IJlt hij naar huis en uit noch dank noch afscheidsgroet. En als hij sinds dien stond, dat hij is afgedropen,
Soms aagt aan krelis' arm ziet loopen,
Dan roept hij â en vergeeflijk is 't â
âDat deed me die ver... . kist!quot;
6
|
's Landmans Jongens! schuift wat naderbij ! 't Geuren van de rijstebrij Heb ik in den neus gekregen. En de koekoek wijst al negen! Kom zit aan, Evert, tijs en christiaan! 't Uur van 't avondmaal is daar; Ben je met je dagwerk klaar, Legt het dan gerust uit handen. Keesje zit te watertanden; Doet als hij: Jongens, houdt je borden bij! 't Is een kostje, dat me streelt; Moeder, heb je rondgedeeld? Kindren, staat je portie voor je? Dan een ernstig woordje, hoor je? Want je weet, 't Past niet dat men dit vergeet. En nu moedig aan den slag! 't Was van daag een drukke dag. En je mocht je dapper weren â Daarom wil ik je ook trakteeren: Christiaan, Geef den suikerpot eens aan. 'k Zeg toch dat het lekker smaakt, Guurtje heeft het klaargemaakt.... |
Avondmaal. Velen, die de brij verzouten. Maar zij hield zich uit die fouten. Blazen, tijs! Jongen, word toch eenmaal wijs; Maar je wrijft zoo op je maag. Of je meent ik wacht niet graag â Die niet hooren wil moet voelen, Laat je 't niet naar eisch bekoelen. Eer je 't weet, Heeft dan soms je tong het beet. Als ik de oogen om mij sla En 'k zie u zoo lustig, ja, Dan heb ik tot danken reden, Nu, ik ben ook wel tevreden â Trof me ook wat Dat ik wel graag anders had; Vlotte 't werk niet naai' mijn zin. Gaf de handel slecht gewin. Liep het vet soms van den ketel â 'k Dacht,: de Koning op zijn zetel, Blijft als wij Niet altoos van kommer vrij. Nam de ziekte van ons vee Ook mijn schoonste rundjes mee â 'k Leerde vroeg: wat komt van boven. Moeten wij met eerbied loven, |
Sermoen van Paler Brom.
7
|
Hon je moed, 't Zuurste brokje wordt je zoet. Jongens, zegt, hoe smaakt de brij ?... Hoort naar mij; 't Zijn geen taarten of pastei. |
Die ons altoos 't lekkerst smaken. Weet je wat van alle zaken 't Soberst kostje goed kan maken ? 't Dient gezeid. Jongens, 't is tevredenheid. |
Sermoen van Pater Brom.
Ora et labara! is de spreuk, die tot tekst me zal zijn,
Lieve hoorders! Maar wat praat ik? Je verstaat, geen Latijn;
Want bij Sint japik, met je hersens is 't aaklig geschapen;
Ziet me die kwezels eens aan zitten gapen!
Ja, 't is waar, wat ik dikwijls aan jlt;gt;lui heb gezegd :
Jo bent zoo stom als een eend, zoo de baas als de knecht;
'k Wil dan zeggen dat je wat meer een goed woord moest gaan spreken,
En de knuisten terdege uit de mouwen moest steken.
Want jelui armzalige zielen zijn er bitter aan toe,
En je luiwammes, zoo waar, is het werken mooi moe I
Je zit liever in 't Vinkje bij pieter pokdalio,
Jou vadsig gebroedsel! âhet werken is zalig!quot;
Zeide eens een gefitte, verstandige Jood,
'k Weet nou zijn naam niet, al sloeg je me dood,
Maar dat weet ik wel, dat geen van jou allen zoo loep is,
En de kerel al jaren en dagen om zeep is, â
Maar jc zoekt je zaligheid in den drank en in 't spel i
Zegt, jelui op het achterste bankje, versta je me wel?
Ja, 'k zie het wel, ploerten, hoe je ginds zit te gapen,
Je zit in mijn heilig sermoen weer te slapen!
Heeroom, denk je, is wat kippig, hij zal hier ons niet zien.
Neen, apen, tot zelfs in de kroeg kan ik jelui wel bespien. â
Of dacht je niet, dat ik het wist, dat je bij dagen en nachten
Aan hot spel je verslaaft? Want des avonds na achten,
In plaats dat je dan aan je pap zou gaan zitten, als ordentlijke lui.
Zit je met de troef in de kneukels en geeft van je zaken den brui!
Op den tijd dat fatsoenlijke menschen naar kooi gaan,
Ziet men gewoonlijk jelui eerst terdeeg aan de pooi gaan ;
âKom kom!'' zegt je, âeen glaasje dat hoort bij het spel,
't Is goed voor de kramp, en Heerom pakt 'em wel?*
Zwijgt, zondaars! Eén glaasje, wie zou 't je beletten ?
Maar 't is of jelui je ziel op jenever wilt zetten.
Zoo neem je ze moestal, en nooit heb je genoeg;
't Is immers nooit leeg bij piet pok in de kroeg?
Sermoen van Pater Brom
âMaar Patertje,quot; zegje, âwe mogen ons toch wel eens even verluchten!quot;
Ei, raaar je zegt niet, dat je ze thuis naar de cent en laat zuchtenâ
âWe jassen of kienen, dat onschuldige spel!quot;
Wat zeg je daar, onschuldig? dat lieg je, versta je me wel ?
Was 't nog om een cent, 'k zou zeggen: ga je gang maar,
Dat was een kleinigheid en ja, die was gangbaar,
Maar een dubbeltje in den pot, waar duivel moet dat heen ?
En bleef het bij een dubbeltje, 'k zweeg nog, maar neen!
Zelfs om een kwartje 1 zegt, waar van daan moet je 't halen?
't Was beter dat je dacht hier je plaats te betalen.
En dan, denkt eens na, wat verzuim je niet thansquot;?
Dat vloekbare spel. Temere Litigans I
't Is de pest voor je ziel, 't is 't verderf in je zaken;
Want terwijl jelui je kien en je troef zit te maken.
Bederft soms je boter en je room die wordt zuur; â
Daarvan alleen wordt de zoeten,elksche kaas thans zoo duur.
Door het spel krijg je dus aan je zaken een hekel.
En je werkt zoo je zelf heelemaal in de pekel.
En zoo waar als ik voor je sta, je wordt spoedig de bloed.
En je gaat eenmaal naar lichaam en ziel nog bankroet.
Verlaat dus het kienbord en de kaart, dit vermaan ik;
'kWeet wel, je zegt: â't Is weer 't oude gezanik.
Pater is vandaag niet te best op zijn dreef.
Laat den ouden maar babblen, zijn mutsje staat scheeflquot;
Hoe, denkt je dat? jou onchristelijke draken,
Is het dan mijn plicht niet om jelui ziel te bewaken?
Daar had je Sint remaklüs, een man van verstand.
Wat had die aan 't spel en jenever het land I
En stond in mijn plaats hier eens even Sint truien.
Die zou 't, bij me stool, je wel anders beduien;
âMaar Patertje,quot; denk je, âis een ziel, is een bloed!quot;
Ja, 'k weet het wel, 'k ben te gek met jelui, armzalig gebroed.
Maar 'k zal op die snorrepijperijen wat beter gaan letten:
Jaap den koster zal 'k aan de herberg op d'uitkijk eens zetten
Doch wee hem, die koster eens proeven laat, hoor!
Want ja, 't is een goeje, geduldige sloor,
Maar soms is hij ook al van 't hondje gebeten;
Door hem kom ik meer van het fijne te weten:
En daarom past op! of ik vervolg je te zwaard en te vuur,
En je krijgt bij me zolen het lapje niet duur!
En jelui, die zoo dikwijls me aan 't hoofd lamenteeren.
Dat ik toch aan je mannen de kroeg zou verleeren, â
Al heb ik aan jelui nog het woord niet gewijd.
Te weerga, denkt maar niet dat je allemaal engelen zijt
Sermoen van Pater Brom.
Want ging ik jelui eens op de keper beschouwen
Och, heilige jeroenI och, wat zou 't je berouwen!
riiui toonde ik je snapsters en snoepsters gewis bij de vleet;
Die 't elfuurtje bij buurvrouw gaan pakken, zoo 't heet;
En degeen die maar leven om opschik te koopen â
Met natten vinger kon ik ze, als ik wilde, beloopen;
Jelui bent ook al lieverdjes, je hebt al te veel praats!
Fast wat beter op den pot, en blijft met je mans goede maats,
't Is waar, het zijn brokjes de meesten, maar och, jelui weet er
Ook al aardig mee om te gaan, en dat maakt de lonen niet beter!
Helpt 's avonds wat gauwer dat schraeuwlijke vee van den vloer.
Dat wilde gespuis maakt tot laat een leven van JOtViT en zijn moer.
Zelfs in mijn pastorij hoor ik ze bierken en razen.
Wel, slaat ze op 'er tabberd, die kleine katazen!
.Ir maakt met zoo'n warboel de mannen maar uit hun humeur,
Ze zoeken hun heil in de kroeg; â jelui zelf jaagt ze buiten de deur
Ook de grootere jongens en meiden zijn je zorgen bevolen;
Die rekels! Ze hebben uit het Kippenhok mijn eiers gestolen,
Daarom, ouders, let op! de kippen, je weet dat 's mijn liefhebberij,
Maar 'k praat tegen dooven, jelui bent niet beter dan zij !
.Ie maakt immers zelf zulke duivelsche sprongen;
Naar 't liedje van de ouden toch piepen de jongen.
'We beleven een tijdje! Waar moet het nog heen!
Al preek ik als brugman, je verstaat geen verstandige réén!
Ach, de wereld, ze loopt op het eind van haar dagen I
Ja, zit non maar niet of je van 't weer bent geslagen
Nou wordt je bang, is 't niet waar? Maar wat is 't geval?
Goeje woorden, ze helpen bij jelui niemendal,
Je dwingt ras er wel tee; ik moet zóó wel beginnen;
Want met jelui is er moeilijk garen te spinnen.
'k Zei 't je ai zoo dikwijls en ik zeg het je ook thans:
Je leeft er maar henen als vroolijke frans!
Waf. was me dat eertijds een vrome gemeente !
Nu, 'k houd dan voor ditmnal mijn preek voor volbracht.
âi propos, 't is November, â 'k wensch jelui een gezegende slacht!
Tweede sermoon van Pater Brom.
Zeer aandachtige hoorders, mijn geliefde pupillen!
'k Voel me verplicht je nog eens even te drillen.
Want ik ben over jelui om den dood niet voldaan.
Ja, je zendigt er allen weer dapper op aan;
Hou jelui je soms knap. och, lang mag het niet duren,
Tweede sei'niocn can Paler Brom.
Of je vervalt weer van zelf in die satansche kuren;
Want de verleiding is groot en jenever smaakt zoet,
Niet dat ik ze proef, Heer bewaar me, maar ik weet het toch goed.
Ja, ziet elkaar maar aan, steekt het hoofd maar bij den ander;
't Staat je leelijk dat iluistren; 'kweet, nou zeg je weer tot malkander;
âPaters pruik staat op één oor, 'tis oremus vandaag!quot;
Met wat meer eerbied, versta je, 'k heb geen stuk in mijn kraag,
Zoo als sommige van jelui, ik wil 't niet verbloemen,
Maar jelui kent ze zelf wel, 'k hoef hun naam niet te noemen:
Je kunt ze wel herkennen aan hun purperen neus;
Nou zetten ze een vroom en effen gezicht, maar dat's alleen voor de leus.
Och, ik ken die schoeljes te wel, ze denken: wat staat hij te temen;
âZoo ras de ouwe gedaan heeft, zullen we een taaien gaan nemen
Eu verdrinken de zorg en de vrees en de smart.
Heeroom meent het zoo kwaad niet, al schreeuwt hij wat hard!quot;
Zoo zoo, meen je dat'? maar begrijp je dan ook niet, schavuiten,
Dat ik vóór alles verplicht ben, het kwaad hier te stuiten ?
Niet dat ik bullebak speel, 'k ben daarvoor te goed.
Maar liefhebberij voor mijn vak en jelui zondig gemoed.
Die zetten me er toe aan om met een nieuw sermoen aan je zielen te klampen
En jelui weer opnieuw eens je plicht in te stampen.
'k Moet de grove schaar wel gebruiken! want, wie duiveker weet
Wat van jelui nog zou komen als Pater het niet deed.
Ja, 'k zie wel, dat velen de lust komt bekruipen
Om een, twee, drie, handig de deur uit te sluipen.
Maar 'k heb je in het neusje, en ik waarschuw je er voor
Dat ik allen die 'em poetsen, wel vinden zal, hoor!
Blijf dan maar liever thuis, maar maak hier nooit een champje
En bovendien schuif je en draai je en stamp je
Dat de vrome gemeente me half niet verstaat.
Ja, 'k maak me daarom soms beestachtig kwaad!
Je bent hier niet in de kroeg, in dien likkebroers-kweekpuell
Kn 'k sta bovendien niet voor gek op den preekstoel!
Daarom zeg ik het allen, voor eens en voor goed,
'kBen 't zwaard zonder gratie voor hem die het doet.
En om mij te ontloopen, zal zoo makhjk niet lukken;
Maar, wat ik jelui op het hart heb te drukken
Is dit: wijl op heden 't vastenavondsfeest daagt.
En je niet als mijn schapen, neen, als mijn zwijnen daarbij je gedraagt,
dk zeg het zoo wel aan de mannen als vrouwen)
Hat jelui ditmaal je roer recht moet houèn;
Want het gaat tegenwoordig er geducht overheen!
Met een kleine verheuging ben jelui niet tevrcen.
Dat moet me naar stee, dan ben jelui uit mijn oogen,
Dan is 't hek van den dam, maar je hebt je bedrogen
10
Tweede sermoen van Pater Brom.
Als je dit denkt, geloof me: je kunt mijn blik niet ontgaan,
'k Heb daar ook mijn spionnen, hoor! heb je 't verstaan?
Patertje goedbloed, zegt jelui, is maklijk te paaien;
Ja, maar ik laat me geen wassen neuzen meer draaien;
'k Weet het best wat in stee al voor gekheid geschiedt;
't Is tieren en razen, je leven zoo niet;
Kroeg uit en kroeg in, met een portie soldaten.
Als malIe-ANNE te loopen, langs grachten en straten.
En 't is of de drommel je hersens regeert,
Dan ben jelui nog op het zotst gemaskeerd;
Heb je ooit van je leven!... maar, kwezels en gekken,
Je behoeft je gezicht met geen mom te bedekken!
Hoor, ik geef je mijn woord! je bent leelijk genoeg,
Ja leelijker dan 't leelijkste morn dat je droeg.
Men zal je zonder dat wel voor kinkels herkennen;
Nou, als het dan uit is met loopen en rennen
En je in de herberg je geld hebt verpooid,
En de kastelein je ten laatste uit de deur heeft gegooid.
Dan vechten en vloeken en schoppen en bijten.
En elkaar onbekookt door de glazen te smijten,
Tot men eindlijk terechtkomt in een poel of een kot
Of de Schout je logies geeft in een hoek achter slot.
Zeg, weet ik het niet? en was 't alles: ziedaar ik zou zwijgen,
'k Zou denken: ga je gooi maar, 'k zal je nader wel krijgen;
Maar neen semprement,daar geschiedt nog wat anders, zeg kan je 't niet raan?
Ik krijg de koorts op mijn leden, denk ik er slechts aan!
Ik hield het graag voor me, maar ik kan 't niet bedwingen; â
Het woord moet er uit!.... 'kmeen het dansen en springen.
O, laat toch, geliefden, dat duivelsche spel;
't Hoort thuis bij de heidens, versta je dat wel ?
Want al sla jelui somtijds de heerlijkste flikker,
'lis maar allemaal fut en je danst naar den nikker;
Want die lacht in zijn vuist en die zit op zijn loer.
Zoo dikwijls jelui te begeeft van den vloer,
En je zult nog eens zeggen, als hij je pakt bij je kladden:
Och, dat wij Patertjes raad niet in den wind geslagen hadden !
Maar hel helpt niet, al schreeuw ik mijn keel uit het lid,
En je denkt mogelijk dat ik jelui uit fijnheid bevit,
Neen. bij mijn kaproen niet, want ik mag wel een grapje,
Maar om jelui te betoomen, het is me ook een hapje'
Als men nog vastenavond hield, zoo als men t vroeger hier deed:
Men bleef thuis en men maakte een flesch wijn of wat heet,
Men spoelde dan een kaartje en men bakte soms een zuster,
En men vroeg mij er ook bij â 't wat dan voor je ziel wat geruster,
't Was dan nog passabel, ja ziedaar, dan kon het nog gaan!
H
Dê Ithako, van Jan Trochee.
Maar ja wel, jelui denkt: praat jg maar wat aan;
We zullen zoo 't ons lust onze grutten wel kloppen;
Nou, 'tis goed hoor, jelui die het oor voor mijn bede blijft stoppen,
Eens zal 't je berouwen: 't berouw volgt het kwaad.
Maar, och, Sinte jcdokds, 't komt meestal zoo laat!
Eens zal ik wel moeten hooren: âoch Heerejeetje,
Och, lieve beste Patertje, help ons een beetje!quot;
.Ta, dan, als jelui lichaam en ziel hebt verbrast,
Is het, 'k ben er zeker van, lijden en last,
Maar als ik dan ook zei: âneen, schoeljes, schavuiten,
Houdt nou ook vastenavond, nou laat ik je reis fluiten!quot;
Dan zou je benauwd zitten kijken, en waarlijk met recht,
Daarom overweegt eens terdeeg wat ik thans heb gezegd :
Maar 't schijnt me waratje, dat jelui je zit te vervelen!
Nou, als je mijn oratie zoo weinig kan schelen.
Dan roep ik op mijn beurt, loopt jelui naar de maan!
En 'k zeg basta, rij maar op, want mijn preek is gedaan I
|
De Ithaka vai Het vers was af van jan trochee. Maar 't kostte ook zorg en klachten, âTwee duizend regels, 't zegt zoo iets!quot; Dus roept hij uit, â'k gaf niet voorniets Mijn slapelooze nachten!quot; Zag ik mij n werken soms verguisd â Ik liet den vitlust brommen, En 'k wreek mij thans door dit gedicht, Want komt het eenmaal in het licht, Hoe de afgunst zal verstommen! Verstommen, ja dat zullen zij, De wreevle recensenten; De drom Pygmseen knielt weldra Voor mijn verheven Ithajca En ik krijg roem en... centen! Wat zeg ik? Wat prozaïsch woerd? Foei, centen voor een dichter! Hetn maakt én roem én eer slecht s rijk; Wie streven moog naar't nietig slijkâ Poëten zijn verlichter! |
Jan Trochés. Twee duizend regels! 'k Heb geen tijd Om 't stuk in 'tnet te schrijven; Wijl 'k voor deez'avond,tc; Over'am In 't Nut, een spreekbeurt op mij nau!. En 'tis reeds kwart voor vijven. Half zes vertrek ik met de schuit. Dan ben 'k er ruim half zeven; k Loop onderweg mijn stuk eens door, Ik reken op een goed gehoor. Nu â 'k zal succes beleven. 't Is waar, 't bestaat uit buitenlui! â Het gros van 't auditorie, Maar onze boeren zijn niet gek, Als 'konder hen éclal verwek. Te grooter mijn victorie! Kom aan, mijn schat, mijn levens-Mijn andre ziel, mijn r07.a! (vreugd. Breng nu mijn overhemd en das. Mij n rok cn broek en overjas.... 't Is zonde â wal al proza !quot; |
; Jan Ti'ochzc.
I)i Uhaka var
|
âOch manlief,* roept de goede ziel, âKom eerst wal tot je-zelveu; 3c blokt me waarlijk al te straf, 'tls dag e» nacht; je ruit je graf Met al dat dichten delven. Wat wordt je mager! als een hout! ,1a, 'i komt van 't verzen-sjouwen; 'k Heb niets aan u, het zegt toch wat! En dan zoo dikwerf uit de stad !.... 'k Beklaag de dichtersvrouwen.quot; âStil.prozamensch !.Te wondt mijn ziel Met alledaagsehe klanken; Weet: als uw ga de lier besnaart, Dan zweeft hij boven 't vlak der aard, Doorgloeid van dichtvuurspranken! Vaarwel, ik voel mijn roeping; 'k moet Den Helikon bestijgen! 't Is tijd,'t is meer dan tijd, zoo 'k meen, Ik spoed mij naar de trekschuit heen, Ik kan haar juist nog krijgen.quot; Hij haalt de schuit, de roei' is leeg, Doch neen, â terdeeg gekeken â Daar zit, bij 't kaarslicht, in een hoek Een man te blaadren in een boek. Hij geeft noch taal noch teeken. âDie gluiperd daar,quot; zoo denkt {tbociiée, .Schijnt me een onvriendlijk wezen; Maar 'k heb niets met den man van (doon, Zwijgt hij, ik kan dan met fatsoen Mijn Uhaka herlezen.quot; Nu, zoo gedacht was â wordt gedaan, De reednaar gaat studeeren; Maar weldra doet 's mans ijver hem. Met luider en al luider stem. Zijn verzen recitoeren. |
,Wat's dat voor kost?quot; denkt de (overman, âDie heer schijnt letterkundig; 't Is goed en wel, maar in een schuit, Wie balkt daar ooit zijn verzen uit? Hij 's schrikkelijk uitbundig!* âMijnheer,'dus spreekt hij na een wijl, âGe schijnt me zeer poëtisch, Doet ge ook iets aan de schoone kunst ? Een groote gaafâ apollo's gunst! Ge declameert aesthetisch!' ,'k Mag ook,quot; gaat de onbekende voort, âDolgraag gedichten lezen, Bij voorbeeld die van H en T; Maar a propos, die jan trocuée, Die moet een ezel wezen â Verraad, verraad!* i oept dc ander uit, âDe nijd vervolgt mijn schreden; Je bent vast ook een van de bent, .ïe houdt je, alsof je mij niet kent, Maar... 'k heb genoeg geleden! âHier is een vers, 't heet Ithaka, Dat zal u spoedig leeren. Wie 't is, dien gij genegerd hebt: Een, die met vrije wieken klept En stijgt naar hooger sferen! âMaar 'k acht u, noch uw laag (komplot! Hei. schipper, roep den jager; Vervloekte vent, leg aan je schuit! Ik wil, ik moet er daadlijk uit, 'k Ontvlied dien eerbelager! âDie jan tbochée, waar gij van (spraakt, Hij, 't doel van tal verraders! Die jan trochée staat hier, ben ik! Ha, 'k zie hoe gij verstijft van schrik... Dat zullen al mijn smaders! |
De Ithaka van Jan Trochée.
14
|
â'k Ga heen, 'k vergat mij anders nog, Je hoort van mij eens later!quot; .Verkeerd!quot; roept luid de schippers-(maat, âVerkeerd, Mijnheer!quot; â Maar 'tis (te laat. Daar ploft trochée in 't water. Hij stapte rechts, de wal lag links. Het duister deed hem falen; âHelp,quot; roept hij, âik verga, 'k ver-(zink!quot; Het stuurvolk is kordaat en flink En helpt hem zonder dralen. Daar kruipt hij bibbrend op den kant, Beteuterd en verlegen: Aan 'tlijf geen enklen drogen draad. Zijn zwarte pak â 't is disperaat!... Dat viel dan bitter tegen! Op eens gilt hij: âmijn Ithaka O noodlot, is verdwenen! Mijn vreugd, mijn hoop, mijn roem, (mijn al! Ach, schipper! licht eens langs den (wal. Och, help me, vaar niet henen!quot; De schipper, een dienstvaardig man. Spalkt wijd zijn kijkers open. Tuurt over 't water, pst en fluit. Maar roept ten laatst meèlijdend uit; âHet beest is vast verzopen!quot; |
âHet is geen beest, het is een vers!quot; Herneemt de droeve zanger, âEen vers,quot; is 'tantwoord; âanders (niet? Jaag dan maar spoedig voor vaarts, (p/et ! 'k Moet voort en toef niet langer.quot; Daar staat hij in de duibternis. Met weemoed in het harte; Zijn Ithaka verzwolg de vliet, Een ander handschrift heeft hij niet... O namelooze smarte! Hij tijgt naar huis, doornat eu koud, Beroofd van al zijn glorie! Groot is de ontsteltenis van 't gezin, En te Overdam 't gemor niet min Van 't wachtend auditoria. Wel schokte 't 's mans gezondheid (niet, Doch 't leed was niet te dragen; Want Ithaka kwam nooit weerom. En dit zal tot zijn ouderdom Aan 't zangrig hart hem knagen. Of 't vers weer op het droge kwam â Wie heeft het ooit vernomen? Maar is dit zoo, och, hoor mijn beo. Breng, lezer, 't stuk aan jan trochee, Zoo 't u ter hand mocht komen. 1842. |
L i n a.
Zeg, lina, waarom toch zoo somber en stil?
Ol' broeit er in 't hoofdjen een grap of een gril?
Maar 't oog is bedauwd en de boezem niet rustig: Gij, anders zoo lustig!
Nooit kendet gij zorgen â gij kent slechts uw wil.... Zeg, lina, waarom nu zoo somber en stil?
Kinderlijke EenvoucligUeui.
Wat nevel zweeft u voor het jeugdig gemoed?
Wat kluister weerhoudt u den hupplenden voet'' Ge ontweekt nooit de jeugd in heur dartele spelen,
En mocht ge ze deelen.
Ze waren u zuiver en zalig en zoet....
Zeg LINA, wat nevel omzweeft uw gemoed?
Is 't niet of de roos aan den ruiker ontbreekt,
Wanneer gij u schuchter en eenzaam versteekt?
Waartoe dan den kring van uw speelnoots verlaten?
Wat kan hot u baten Bat de ernst van het hart op uw schoonheid zich wreekt?.. Is 't niet of de roos aan den ruiker ontbreekt?
O! is 't mij gegund in uwe oogen te zien?
Uw trekken verklaren mij 't raadsel misschien;
Maar 'k zie hot gelaat door een blosje bedekken:
Gij wilt u onttrekken?
Foei! dat ge der vriendschap zoo bloó wilt ontvlien!... Ach, 't zij mij gegund in uw oogen te zien!
Doch hoor ik daar ginds niet wal ruischen door 't groen? 'k Zie herwaarts den wakkeren hdgo zich spoên;
Maar 'k zie in uw trekken ook de onrust bedaren:
Thans kan ik verklaren Wat werking somtijds een verschijning kan doen.... Zeg, LINA, vertroost u dat ruischen door 't groen?
Mooi meisje, waarom niet meer somber en stil!
'k Geloof, het was meer dan een grap of een gril;
Maar 't oog staat vel vuur, is het hart nog niet rustig? Ja, 'k zie u weer lustig!
Verban nu de zorgen; thans hebt gij uw wil;
Maar, una, wees nooit meer zoo somber en stil,
â I
1842.
Kinderlijke Eenvoudigheid.
|
âLieve Ma,quot; sprak kleine gus, â'k Zie met droefheid naar mijn sijs, Wat het arme diertje scheelt? 'k Weet liet niet; 'k heb me al ver-Dat het sterven zal, want o ! (beeld Anders zong en sprong hij zoo,â |
Nu doet hij geen bekjen open; 'k Wil er toch geen kwaad van hopen Zie maar eens hoe bol hij zit, Ma-lief, wat beteekent dit ? '1; Heb zijn drinken of zijn eten Nog geen enklen dag vergeten, |
Prins Den-Boo-Hie.
16
|
't Hapert daaraan zeiter niet.quot; âJongen, matig uw verdriet,quot; Was hel antwoord van mama, â't Vogeltje is wat treurig, ja, Maar dat zal wel beetren â 't ruit; Zie, zijn veertjes vallen uit, Daarom is hij van zijn zang af, Veeg den traan maar van je wang (anquot; â Nu, de kleine spring-in-'t-veld. Was hierbij gerustgesteld;. Maar een korte wijl daarna Sprak de snapper weer: âMama, Pa nam laatst naar 't Nut mij mee, 'tV/as op Woensdag, weet Uwé? 'k Ging dien avond laat naar bed. Jongens, Ma, ik had zoo'n pret. Toen ik in die groote sjees, Tusschen Pa en ouden kees. Hier van daan naar Binnenbrug Henen reed en weer terug! Pa zei, 'k heb rne goed gedragen, Heusch I u kunt het hem gaan vragen : 'k Zat ook als een muis zoo stil; |
Maar, wat ik u zeggen wil: Toen, na dominë van plas. Ook Papa een versje las. En hij daarmee had gedaan. Klom die dikke heer verbaan, Met zijn bril, op 't groen stcUaadje, 't Lijkt ki ek op een preekstoel, maatje; En die dankte Pa toen, dat Hij weer wat gelezen had. Maar hij zei ook, dat sinds lang Hij van Pa geen enkelen zang Had vernomen, en dit deed Eien mijnheer zoo schriklijk leed. En ook al die andre menschen. Die, zoo sprak hij, harthjk wenschen, Dat Papaatje toch voortaan. Weer eens op zijn zang zou gaan, Want dat hij, tot hun verdriet. Weinig van zich hooren liet. Ma! als pa nu veeren droeg. En, wanneer men mij dan vroeg. Wat zijn zwijgen toch beduidt. Zou ik zeggen;.. . .Paatje ruit.* 1840 |
Prin« Dee-Eoo-Hee.
Prins dee-boo-iiee, een telg van koninklijken bloede
En erfgenaam van 's vaders troon,
â Althans als de oude Heer, hij houde 't mij ten goede, Eer uit gaat stappen dan zijn zoon â
Prins dee-boo-hee, â maar 'k mocht wel vragen;
Geniet ge de eer met hem of met zijne eedle magen Bekend te zijn? Zoo neen,
'k Stel dan uw weetlust graag tevreèn.
k Verzoek u zeer beleefd, vol; l me eens naar Afrika, (Te weten met het brein; â ontstelt niet, lieve vrouwen! Mijnheer uw ega kan gerust zijn kamer houên),
ilaar woont Prins dee-boo-iiee, ad idem zijn papa;
Maar Afrika is groot, ik kan 't niet tegenspreken;
Och rolt de kaart eens uit, daar ginder bij dal teeken.
Ziet gij dien inham daar? De golf is 't van Guinee;
Zoek Tasson nu eens op â tiaar wooüt Prins dee-boo-hee,
Prins Dee-Boo-Hee.
Daar zwaait zijn oude Heer den koninklijken standerd,
Of, als 't geen standerd is, dan wat het wezen moog; Genoeg: hij zit ten troon en zit er warm en droog,
Wijl 't weer daar niet als hier elk oogenblik verandert. Gij vergt wellicht geen schets van houding, stal en blik ? Ik zag hen nooit â de twee doorluchtigheden,
Hun kleur is, 'k weet dit vast, om zeer valable reden, Bij Senior als roet, bij Junior als pik.
Dat 's alles wat ik kwam to weten Van hun persoon;
't Is Jammer, want ik volg zoo graag den modetoon Om alles haarlijn uit te meten;
Prins Dee-Boo-Hee dan zocht een bruid:
De Koning had den wensch geuit.
Dat in het derde lid zijn stamboom uit mocht botten: Men heeft zoo menschen die verzotten Op d' eerenaam van grootpapa,
Dat's hier en dat's in Afrika,
En bij zijn Majesteit bijzonder;
De Kroonprins kende 't zwak, en â was het wonder ? â Hij nam zijn reisstaf in de hand:
Men houdt daar niet van koffers en valiezen.
En dat is zeer gemakkelijk in dat land:
Wie eens van honk wil gaan, pakt, een twee drie, zijn biezen, Zijn garderobe knoopt hij luchtig in een doek.
Hij weet van reispas noch douanen-onderzoek.
Zoo ging dan onze jonge vorst Eens op een kijkje door zijns vaders landen.
Wat zwarte dame hem het hart kon doen ontbranden.
Op wie hij d' aanval wagen dorst.
Maar ik vergis me, hier komt d' aanval niet te pas,
'k Dacht dat ik in Europa was.
In Tassoe heeft de maagd haar keuze nimmer te uiten,
Wijl 't vaderhart die zorg aan haar te ontnemen pleegt: Weet de oude heer alleen hoe zwaar de vrijer weegt, Het staat aan hem dan om den koop te sluiten.
Zoo ais gezegd : de vorstlijke galant Trok onvermoeid door 's vaders staten En vond ten laatst, na loven, bieden, praten.
Het rechte kolfje naar zijn hand;
H Was tioe-offa, in het Hollandsch: lichte maan. Een vreemde naam, wat zegt ge, lieve dames?
Enfin, ze stond Prins dee-eoo-hee wel aan.
Maar heur papa was hoog in zijn reclames;
17
Hij dacht misschien: 't is hier een vorstenzoon â
o
Prins Dee-Soo-ITée.
Men ziet dnar ook al naar zijn klanten â
Hij bleef zich kregel tegenkanten Bij ieder bod op 't eens gevorderd loon,
Vooreerst: tien flesschen rum, geen vingerhoedje minder, Acht maten stofgoud bovendien;
Wat zegt dat voor een vorst! â dus oppert gij missclnen; Maar Tassoe's schatkist had al mee van schaarschte hinder; Dat schijnt een kwaal te zijn, die overerflijk is!
Nu meent ge: 't blijft bij die twee eischen ? Mis â Men vroeg nog meer en wel een massa tijgertanden, En Tassoe's Kroonprins zag den schat van 't rijk eens na. Maar, wat hij zocht met zijn papa,
De helft van d' eisch was niet voorhanden.
Niet ieder land is in 't bezit Van ijverige Staatsministers,
Wier wil, als 't hoog bestuur om gouden regen bidt. De beurs zelfs oopnen kan van vrekken en verkwisters,. De vader van de lichte maan.
Die stokstijf op zijn stuk bleef staan.
Liet hem den tijd wel om den schat bijeen te garen,
Maar op krediet Gaf hij de juffer niet;
Men mocht gerust de proef der overreding sparen.
Hardvochte wreedaard als hij was!
Zóó handel met het hart te drijven!
Ja, 'k zeg het ook, Mejulfer! 't geeft geen pas.
Maar 't gaat daar eenmaal zoo en 't zal vooreerst zoo blijven.
Maar â wat ik nog zeggen wil â
Daar was geen jacht bij 'twerk, dit wisten de partijen.
De lichte maan was puur en pril;
Slechts zes jaar oud, ze mocht dus nog vooreerst wat vrijen, Maar licht hebt gij gehoord, 'k laat de ondervinding daar. Dat warme min zich noode aan koud geduld laat paren ; De zwarte prins wou slechts zijn schatje binnengaren;
Helaas, de koopsom faalde maar!
De rum of 't stofgoud zou wel schikken,
Heel zijn familie, met zijn vader aan het hoofd.
Had hem, hoe hartelijk, gereede hulp beloofd,
En ieder langde bij tot garing van de prikken;
Men keerde opnieuw de schatkist om,
En krabbelde zijn vingers krom:
Maar ach! die tanden! kijk, dat was een leedverzwaring!
De tijger voorraad was niet rijk,
't Was even als bij ons verleden jaar de haring,
Ze namen juist dien tijd naar andre kust de wijk.
Prins Dee-Boo-Ilee.
Mini liep de landen af en kruiste door de wouden;
't Was van dat oogenblik één onvermoeide tocht,
Doch wat wij nauw gelooven zouden,
Helaas men vond niet wat men zocht;
Het hielp niet of men trok en weertrok door den staat, De Koning en de Prins â men was ten einde raad.
Daar kreeg zijn Majesteit een nobele gedachte:
Die algemeene zucht om eens op reis te gaan,
Die in Europa ook de vorsten tegenlachte.
Sloeg over tot den Afrikaan.
Licht dat zijn zoon op verdre tochten,
Zou vinden, wat zij thans met zooveel ijver zuchten.
't Geval wou, dat een Fransche brik.
Langs 't zonnige strand der Tassoeanen,
Zich door den Oceaan een nieuwen weg kwam banen,
In dit voor dee-boo-hee gewichtig oogenblik Dat wijzigde zoowat de plannen Dier twee doorluchte mannen;
De koning kreeg een stout idee:
Dat schip daar, dacht hij in zijn vaderlijke zorgen,
Het neem', al zou ik 't geld bij vriend of buur gaan borgen. Mijn zoon naar 'tland der blanken mee.
De Pranschen zijn een schikkelijke natie,
En delicaat en vol fatsoen;
Zij willen in het vak van navigatie
Soms wel wat voor een schuifje doen;
Men dong den prijs op 't nauwst en eischte plaats voor twee, Beloofde stofgoud, war t daar had men geen getel van:
Duur was de vracht niet voor een prins als dee-boo-hee,
Maar, als ik zei, daar zijn de Franschen wel van. Men houdt in Tassoe nog geen zaken aan den sleur. Dat kenmerk mist men daar van hoogere beschaving.
De prins kwam â vijand van gezeur â
Dien dag nog scheep, â dit dient mijn argument ter staving,â Met i-ta-tow, zijn gouverneur.
En de afloop vraagt gij mij nieuwsgierig ?
Wat afloop! 'k weet er geen: het valt wel niet pleizierig,
Maar 'k blijf der waarheid liefst getrouw;
't Z^gt luttel om tot slot hier iets pikants te vinden.
Maar licht verloor ik mijn krediet dan bij de vrinden,
Spelde ik hun ietwat op de mouw.
Maar is de Prins in Ftankrijk aangekomen?
Wel wis en drie, 't stond laatst in 't Handelsblad,
19
Een bezoek bij Jan Steen.
Ik heb dit niet verteld, omdat ik dacht: licht hadt Gij 't ook gelezen of van anderen vernomen.
De zwarte prins is daar, zoo 'k meen gezond en wel, Ik hoor niets van vertrek of vaderlijk rappel;
Hij zal er braaf aan 't zoeken wezen Naar tijgertanden, maar, helaas, het is te vreezen Met weinig goed gevolg, 'k Vernam van goeder hand, Men heeft, zoo als bij ons, wel ezels daar te land.
Maar tijgers zijn er gansch niet abondant, Wel woelde daar een vijftig jaar geleden.
Een veel besproken tijgerras.
Doch of dier tandenbraak toen zelfs gemaklijk was, Betwijfel ik niet zonder reden.
Maar sinds de groote jacht van later tijd, Is 'tFransche volk zijn meeste tijgers kwijt. En bracht het toeval u wellicht zoo'n tand in handen, 'k Beroep mij, lezer! dan op uw goedwilligheid;
Bedenk wat bochtig pad den jongling is gespreid,
Eer 't hem vergund is aan der liefdekust te landen
Och, maak zoo'n tand cadeau aan d' armen dee-boo-hee En geef dien als ge wilt per diligence mee;/
Ik kan bij voorraad u zijn warmen dank beloven
Gij bracht hem nader tot zijn wensch;
Licht kon de tegenspoed zijn laatst geduld hem rooven â Een zwarte prins is ook een menschl
1844.
Een Bezoek bij Jan Steen.
Het bier was in huis en de kan hing er buiten,
En gaf ook de nering min daalders dan duiten.
Toch was het er lustig en ruim van krediet,
Maar schildren en brouwen â het voegde zich niet! Want, dacht vader havik, âzijn mes houdt twee kanten. Zit jan voor zijn ezel, zijn griet dient de klanten.quot; Al vlogen zijn moppen naar Delfts brouwerij.
Toch zaten de zaken er duchtig op zij;
Want, lokte soms 't bordje de vrienden naar binnen, Dan kwam er den schilder een waas voor de zinnen, Dan droogde jan steen het gedoopte penseel. En 't glas eischte plaats voor palet en paneel.
Maar, mocht hij 't bij d' ouden soms bitter verbruien, Wie zou het den vrooüjken schenker misduien
20
Een bezoek bij Jan Steen.
Als hij voor de bent op geen druppeltje zag,
En 't krijtje soms zoek was voor 't vriendengelag. Ja, schoon ook voor 't schildren het brouwen niet deugde, Het een gaf genot en het ander schonk vreugde;
De kunst eischt een rond en gulhartig gemoed,
Steen paste voor 't doek maar voor 't leitje niet goed. Zoo kwam eens jan liefkensz den schilder bezoeken; Ook rijk in talenten, maar pover in koeken,
Was deze, als de meester een wakker gezel;
Jans werk deed hem goed en jans bier was hem wel. âBijlo!quot; riep hij uit, â'k wil het kalf met je deelen.
Je zit, bij mijn ziel, je weer suf te penseelen.
Kom aan, zet dien âman met zijn kiespijnquot; op zij,
Licht krijgen we samen zelf kiespijn er bij!
Ik breng wat te schransen: twee hoentjes als boter,
Kijk Janbaas, ik zag ze mijn leven niet grooter!
Laat grietje ze braden, stuur kees om tabak,
2org jij voor de spoeling, we kennen ons zwak;
Is 't bier â 't is probaat; is 'twijn â 't is nog beter. De dorst is de cijns voor een lustigen eter.quot;
âDat's dingtaal,quot; riep jan, âkijk je spreekt naar mijn hart! We zullen smarossen; ik sta voor mijn part.
Een kanneke wijn zal de reekmng niet maken;
Mij dunkt 'k heb de boutjes al tusschen de kaken. Het werken ging vlijtig en vlottend vandaag,
't Is wonder, maar de arbeid maakt gretig en graag;
Of jij van de kippen veel over zult houên,
Daar zou ik vooreerst nog niet veel op vertrouwen!quot; Het tweetal zat neer, zoo gezegd, zoo gedaan.
De wijn werd getapt en de hoenders gebraan.
De geur spelde reeds wat de mond straks zou proeven; Ze zaten verlangend en smachtend te toeven;
Fluks was moeder steen met de vogels gereed,
Geen kok van een prins, die ooit beter voldeed.
Gesausd en gebruind was het beetje recht smaaklijk.
En de eetlust der vrienden gezond en zeer zaaklijk. Men maakte geen omslag, en 't spreekwoord gestand, Die vlug met de hand is, is vlug met de tand,
Zoo zagen de broers van Sints-Lukas-gemeente Dra 't kale karkas en 't ontplozen gebeente.
Ze erkenden 't: men had in geen tijd zoo gesmuld.
De kan was geleegd, en de kan weer gevuld;
Nog zat men te peuzlen en hartig te plooien En 't welzijn te drinken van grietje van gooien,
Toen eensklaps de klink van de deur werd gelicht.
21
Een bezoek bij Jan Steen.
En 't oog werd verrast door des pachters gezicht; â Wijl deze 's lands recht van het mout wou ontvangeii, Was de eiscL van den man om de boeken te erlangen. De boeken, begrijp eens! wat vraag aan jan steen! Hij had wel een schetsboek, maar anders niet één.
Daar stond wel zoo iets op het leitje geschreven.
Maar kon men het leitje den pachter wel geven'! Voorzeker, dat ging niet! Hij vroeg het zoo boud,
Zijn toon was zoo trotsch en zijn blik was zoo stout! Daar viel met het heerschap maar weinig te mallen;
Wien zou dat bezoek op dat tijdstip bevallen'.'
Steen krabde zich 't oor, en zijn vrouw was ontzet, Wie drommel kende iedre bepaling der wet'?
Maar lieekensz beet steen een paar woordjes in de ooren Dia werd hij weer vroolijk als even te voren.
Ga zitten, Sinjeur, want je lijkt wel wat moe,quot; Dus sprak hij en schoof hem de schilderbank toe. âKom, drink eens met ons, je moest even hier dralen,
Mijn vrouw zal je flukskens de boeken gaan halen,
Ze legt eerst eens even de jongens naar bed;
Ik ben op dien regel zoo bijlser gezet.
Kom, Heerschap, tast toe, kom, ze zal u wel smaken. Het aanzoek was dringend, 't was niet te verzaken; Hij proefde maar even, 't scheen wel naar zijn smaak,
Hij proefde nog eensjes en----klaar was de zaak:
Een uurtje werd pratend en drinkend gesleten â
En dra waren boeken en pachtgeld vergeten.
De schilders, ze waren zoo goedig en gul.
Al werd hun genot ook gedeeld door dien knul; ja.n steen zat maar duchtig en dapper te schenken, En sprak met zijn makker door oogjes en wenken; Het edele sap had het doel niet gemist,
De kan raakte leeg en de pachter... besist.
Thans was het de vraag hoe het best hem te loozen, Zij dachten â en 't middel was weldra gekozen; Men keurde hel best voor des pachters fatsoen Met hem in dien staat naar de wallen te spoên, Men zeilde met hem naar de ligplaats der schuiten, Die plek gaf op eens een idee aan de guiten;
De vrachtschuit van Leiden lag juist op vertrek; Men sjouwde den topzwaren pachter op 't dek,
Eu liet hem door 't luikgat naar onderen zakken; De schuit stak van wal en de kool was gebakken. jan steen gaf den schipper bijzonder in last
Mooi-Machleld.
Een oogje te lioudcn op ti' oolijken gast;
Hij moest hem dien avond in Leiden verzeilen En hem aan het huis van jans vader bestellen;
â Want de oude, men weet het, bewoonde die stad â En vragen of deez' geen logies voor hem had. Dan konden ze 's anderendaags, na 't ontwaken.
Als 't beiden behaagde, de kennis eens maken.
En als vader havik zijn beurs dan ontsloot.
En om het te schikken maar 't pachtgeld verschoot, 't Zou stellig hem lijken, want, zei hij gelaten:
Hij had nog geen slag om met pachters te praten. Wel leek vader steen eer een leeuw dan een lam. Toen hij het beschonken presentje bekwam â Nu, ieder zal dit wel van harte gelooven.
Bedenkt men wat hachje op zijn hals werd geschoven? Wel hing er in Leiden een potje te vuur En kreeg jan van havik, het lapje niet duur, Wel werd menig hartlijk epistel gewisseld.
Maar toch werd de zaak door den oude bedisseld. En d'eisch van den pachter vervulde hij dra.
Want de eer van den zoon was den vader te na.
Zoo ging het wel meer met den vroolijken schilder,
Zijn nering verliep, zijn talent werd te milder.
Te laat had de ervaring aan havik geleerd. Dat schildren en brouwen toch slecht harmonieert. Het een deed hem hopen, het ander hem vreezen.
De tijd heeft hiervan de gegrondheid bewezen:
De brouwer van Delft ging te niet en verdween. De kunst wijst nog steeds op den roem van jan steen.
Mooi-Machteld.
|
Bezoekt gij, lezeres, den Haag, Dan, honderd tegen één. Vergeet ge Scheevning zeker niet, En tijgt eens strandwaarts heen. Daar kiest gij u, en puur uit pret, Een schelpen vrijer uit. En als gij eens garnalen pelt. Geen schepsel die 't misduidt. |
De koele zeelucht frischt u op, Al waait ze uw lokken los. Gij ziet dat hier gezondheid leeft, Aan veler bloei en blos. 't Is waar, de vormen zijn wat plomp, En leest en voet niet net. Maar 't werk eicht hier een schat van En niet alzoo 't toilet. (tijd. |
Jlooi-Machleld.
24
|
Doch wat ook doorgaans regel is, Dat is het niet altoos: Ook hier bloeit tusschen stronk en Somtijds een teedre roos. (struik Mooi-maciiteld was vóór twintig Het puikje van het land; (jaar Haar oog, waar jeugd en vuur uit Stak menig hart in brand, (sprak, Ach, menig visscher zwierf op zee, Eu hoopte en dacht aan haar; Maar waar een tal van vrijers is, Daar valt de keuze zwaar. Het goedig meisje wist te wel. Wat liefde lijden kan. Maar aan heur hand hing slechts het Van één gelukkig man. (lot Die man daagde op ter rechter tijd, 't Was japik japikszoon; Hij voerde 't meisje mee ter kerk. En smaakte 't liefdeloon. Geen visscher van het Noordernat. Maar toch een varensgast, Beploegde japik breeder stroom. En stuurde kloeker mast. Hij toog, na 't eerste huwelijksheil. Naar Java's vruchtbre ree. En zei zijn land voor goed vaarwel. En nam mooi-machteld mee. Sinds doolde menig zeeman rond, En treurde â en dacht aan haar: â¢Sinds viel te met een traan in zee. En werd hem de arbeid zwaar. De roem van 't strand was heenge- vloón, Maar toch de erinnring bleef, lk Wed dat men haar na jaar en dag, U haarfijn nog beschreef. |
Steeds leefde ze in der mannen borst, Al werd hun smart geheeld. En menig moeder vergeleek Heur kroost bij machtelds beeld. Daar wies een tal van meisjes op. Gezond en kloek van leên. Maar teêr en lief als maChteld was, Zoo kwam er nooit weer een. Veel jaren vloden sinds voorbij : De tijd had veel gesloopt, En menig band was sinds gelegd. En menig band ontknoopt. Daar kwam een schip van Indie's kust, En zette een sloep in zee. Ze voerde een vrouw in 't weduw-(kleed Naar Scheevnings duinen mee. 't Was machteld â japik voer niet Het Oosten werd zijn graf; (meer; Hij liet haar na, wat nijverheid Hem gouden vruchten gaf. Maar machtelds schoonheid was (verwelkt. De jeugd had uitgebloeid. De vormen waren minder rond, De blanke tint verschroeid. Heur tijdgenoot, die thans op haar De blikken rusten liet, Riep, met haar vroeger beeld voor 't âDat is mooi-machteld niet.quot; (oog: Maar twintig jaren eischen veel! Hij dacht er licht niet aan, Dat zijn gelaat óók vorens droeg. Zijn jeugd ook was vergaan. Doch boeide ze eens door leest en blik, â Thans siert haar hooger schoon, |
Vrijaadje.
23
|
't Is dat der eêlste menschenmin l Des levens hechtste kroon. Ze was, ze bleef de roem van 't strand: Waar 't stoflijk schoon verviel, Daar bloeide nu, met heller glans, De schoonheid van de ziel. Waar wees en weduw tranen stort. Daar droogt de weduw ze af, Daar laaft zij wonden met den schat. Dien haar de hemel gaf. En als de visscher varen gaat. Dan steekt hij blij in zee, |
Neemt hij, gelijk voor twintig jaar, Een groet van machteld mee. En jammert hij om vrouw en kroost, In storm of lijfsgevaar. Dan blikt hij biddend naar omhoog. En hoopt en denkt aan haar. En zaagt ge zelf graag, lezeres, Hoe dank aan deugd zich hecht, Noem slechts in Scheevning macu-(telds naam â Een kind wijst u terecht. â¢1844. |
V r ij a a d j e.
keeze.
Wel, mijke, wat hebben je koetjes een gras,
Hoe vet en hoe vol staat je klaver!
Maar 'k zeg je warendig: was mij het gewas.
Dan joeg ik de blessen ook over den plas.
Want denk reis, hoe duur wordt de haver I
Wanneer je die stevige maaiers weer koos,
Dan kon je te pinkster gaan bouwen;
Je waatring loopt goed, maar vol zwabben en kroos
De schout zei me flusjes ('t was onder de roos): De Heemraad zal eerstdaags gaan schouwen.
mijke.
Och, keeze, de zorg drukt wat zwaar op een weeuw, En ze eischt van mij manlijke krachten;
De landheer, dit weet je, is zoo gram als een leeuw.
Al maak ik ter markt van mijn boter een zeeuw. Het kost ook mijn dagen en nachten.
Maar 'k heb ook weer zegen in huis en op stal, Ik schuw zoo het klagen als 't kijven;
De veepest verschoonde mijn runderental,
Frijaadje.
En als ons de gaarder weer oproepen zal,
Dan hoop ik niet achter te blijven.
KEEÃE.
Ja, MIJKE! je bent een juweel van een vrouw,
En had ik jou lot in mijn handen.
Dan reed ik om slachttijd met jou naar den trouw, Dan rookte jou vuurtje bij mij door de schouw En sneed er mijn ploeg' door jou landen.
muke.
Foei, keeze, wat spreek je voorbarig en stout I Een weeuw dient heur plichten te weten;
Ik was naar mijn zin met mijn japik getrouwd;
Al heb ik een jaar en zes weken gerouwd.
Toch heb ik mijn man niet vergeten.
keeze.
Hoor mijke, dat's mooi! ik verklaar je 't oprecht;
Maar 'k verg niet te Teel van ie plichten;
Ik spreek voor je welzijn, rondborstig gezegd.
Ging 't mannelijk oog over maaier en knecht.
Wat zou het je zorgen verlichten!
Als naaste gebuur raakt mijn land aan jou schei!
Wat was het gemaklijk te vinden!
'k Nam 't hek van den dam, en dit deden we bei, En 'k stuurde mijn koetjes bij jou in de wei,
Zoo werd ook ons rund goeie vrinden!
muke.
Hoor, keeze, jij hebt er een tong als satijn,
Maar 'k laat me zoo gauw niet bepraten;
Je weet het: ik schuw alle' onvoegzamen schijn.
Mijn eer is me na, en ik wil niet graag zijn Hetgeen ik in andren zou haten.
Maar kom tegen kermis â neen â kom toch maar niet.
Ik mag je nog 't antwoord niet schenken;
Nog eens, 'k weet te goed wat mijn plicht mij gebiedt. Zorg, keeze ! zoo'n taal nooit je mond weer ontschiet!
1884. Maar... 'k wil me er toch wél op bedenken.
De Wedren bij Zand voort.
De Wedren bij Zandvoort.
(6 en 7 september â 1844.)
27
|
Een Engelsch kind, Met Hollandsch splint, ftelokt naar Haarlems beemden ; Een stap vooruit! Die jonge spruit Verheft ons bij de vreemden. Ons paardenras, Lam als het was. Beschermd door groote Heeren; We reden traag, Een groote plaag! Geen nood, het zal wel keeren! Meest log en zwaar, Bekent het maar, Was 't gros van onze knollen;' John dull, pikeur, Breekt de oude sleur. En geeft ons les in 't hollen. Wie bij zoo'n vlucht Een tuimel ducht, Men weer' hem uit den lande; Buur staat ons bij, En, hoe het zij. Men leert men schade en schande. Beet heel ons land Temet in 't zand, John hull zou ons wel redden; Hij 's philanthroop. Daar zit de knoop! Nu leert hij ons weer wedden. Hoe ongewoon! Het weer was schoon, Die twee Septemberdagen; Een buitje viel, 't Speet me in mijn ziel Voor kleedjes en voor kragen. |
Wat was het druk! Een groot geluk Voor stallen en voor kroegen; De stad liep leeg, De nering zweeg Voor 't nieuwerwetsch genoegen. De aristocraat. De flanksoldaat. De blonde jeugd van Leiden; De âslungeljas,quot; De âwitte das,quot; 't Ging al naar Zandvoorts heiden. Een jufferstoet, Als melk en bloed, Met apocriefe vlechten, Reed mee van honk, Met lach en lonk Voor Amstels winkelknechten. De ncepjeskap Zag naar de grap, Preutsch als een vroom begijntje; Men zuchtte en zong. Men duwde en drong Om voor te staan aan 't lijntje. 't Genootschap, veil Voor 't paardenheil, Trok van zijn cirkel renten; Het dacht misschien: Wie goed wil zien. Ziet op geen vijftig centen. En 't was ook zoo; Want de animo Was groot; men wou genieten. De vreemdeling Drong in den kring Met tal van Haarlemielen. |
De Wedren bij Zandvoort.
28
|
Wat was het heetl 4ch, stof en zweet Bedekten duizend tronies! Traag kroop de lijd, Den wensch ten spijt, Naar 't sein der ceremonies. Nog grooter kruis! Het linnen huis, â Voor velen een oasis, 't Bood wat het had. Maar ach, zijn schat Had zuinigheid tot basis. Die bron werd lens, En dier en mensch Versmachtten en versmoorden; De droge borst Kromp saam van dorst, Trots geld en goede woorden. 't Geduld was heen, â De Prins verscheen Bij 't schetteren der fanfaren ; De moed leefde op Bij 't handgeklop Der saamgevloeide scharen. Een streng gericht Woog 't bruto-wicht Dor jockey's, die 't bestonden; 't Werd op zijn pas, Of 't boter was, Verzwaard met overponden. En toen in 't za;U! Wat bonte praal! Wat hoog gekleurde frakken! 't Stond keurig mooi Die strepen-tooi Op al die vreemde pakken! Op 't middaguur Gaf 't hol-bestuur Het telegraphisch teeken; |
De zaak was klaar. En 't tijdstip daar. En duizende oogen â keken. Maar wat men keek. Helaas! het bleek Niets meer dan ijdel pogen, Een bonte rij Vloog, wip! voorbij En 't stof woei in onze oogen. âDaar komt nog meer!quot; Riep menig heer. En rekte hals en spieren; Een uur kroop om. Een tweede drom Mocht 't ros den teugel vieren. 'tGing bliksemvlug. Men was terug Eer men hen af zag steken; Een lauwer meer! Men moet maar weer Van onze traagheid spreken ! Het eerbewijs, Behaald ten prijs. Op kloeke tegenstanders. Gewerd ditmaal Den Bucefaal Eens nieuwen ALEXANDERS. Maar ach! der pret Werd perk gezet. De najaarszon ging duiken ; Het feest was heen, De troep verdween, Met hongerige buiken. Men zei: het feest Was schoon geweest, 't Land zou er van gewagen! Schoon 't boekje zegt, Misschien te recht! Dat wij niet zóó veel zagen. ') |
i) De wedren Mi Zandvoort of: wl) zagen nieU.
De Bron van Sint Keyne.
39
|
We hebben licht Geen rap gezicht Voor zulk een rap spektakel, Maar Engeland Brengt meer tot stand Bij wijze van mirakel. Daar zien misschien De goede liên IVat vlugger uit hunne oogen; Kom, niet getreurd: Als 't weer gebeurt. Wie weet wat wij vermogen; Dan noemen wij De renpartij Geen groote Heeren-flauze, En schimpen niet. Als nu geschiedt, Op de urenlange pauze. |
Wij vliegen dan Zoo vlug als 't kan, En wedden met veel gratie. En vinden hier In 't nieuw pleizier Een nieuwe speculatie. De Janmaat stond, Op 't wereldrond Als zeerob aangeschreven. Jan salie wordt Licht binnen kort Tot eerst pikeur verheven. Dus, hoe het zij. Ik blijf er bij, Heil, heil u, Haarlems beemden! We gaan vooruit: De jonge spruit Verheft ons bij de vreemden! 1844. |
De Bron van Sint Keyne.
|
Hoe fier gij op uw kracht Ook pracht. Gij mannen, hoog verwaten, Hoe luid gij pocht op uw verstand, Vaak zet de vrouw u naar heur hand. En richt uw doen en laten 1 't Was vroeger zoo en 't zal 't Geval Nog jaar aan jaar zoo blijven; Men zegt: ze kent die fijne kunst. Om 't zij door gril, door gaaf of gunst. De wet u voor te schrijven. En is dit hier alleen? Och neen, 't Is schier in alle streken; |
Gaat waar je gaat, van strand tot (strand, Hanover, Frankrijk, Engeland, En 't is u straks gebleken. Daar schiet mij in dien zin Iets in. Wijl wij van England spraken: Men weet, ginds over 't blauwe sop. Daar kent men er wel loopjes op Om in die macht te raken. Een landstreek daar bevat Een schat. Die, hoe gering hij schijne, Gewichtig is voor vrouw of man, Die zich dien 't eerst verschallen kan; 't Is 't bronnat van Sint Keyno. |
De Bron van Sint Keijne.
3ft
|
Zoodra de knoop, door d' echt Gelegd, Een paar vereent voor 't leven, Is hem of haar, die van het vocht Het eerst een teug-je drinken mocht, Het meesterschap gegeven. Den hemel trouw, vervaard Yoor de aard, Vol zondaars en verdwaalden. Had eens een heilig' hier heur cel. En schonk het wonder aan de wel. Toen de engelen haar haalden. En daarom snelt elk paar Te gaar Naar 't machtverleenend water Zoo ras de trouwbelijdenis In 't bedehuis gezegend is Door predikant of pater. Men duwt elkaar dan vrij Op zij, Hoe min galant het schijne, Want elk wenscht zich het huisgebied: 't Is loop je niet, zoo heb je niet, Het pad op naar Sint Keyne. Maar wat toch wonder is. En wis Veel stof tot jokkernij geeft â De jonge man komt meest te laat. En merkt dat kracht noch vlugheid (baat Als slimheid die voorbijstreeft. |
Hoe bijster rad zijn voet Zich spoedt. Hier doet een strik hem stuiten, Daar valt een kettinghond hem aan, Ginds noopt een speelnoot hem tot (staan. Zelfs kramppijn in zijn kuiten. En zoo verloopt de tijd, O spijt! Deeds ijlt de bruid naar voren: Hij ziet het: zij bereikt de bron; Zoo gaat, wat hij niet gissen kon. De kans voor hem verloren. âWie immer,quot; riep JOHN QülCK, âNiet ik âZal zulk een schand beleven! â'k Zal toonen dat ik loopen kan: âDe heerschappij voegt aan den man; âGeen vrouw zij die gegeven !quot; Hij liep dan ook, zoodra Hem 't âjaquot; Vereend had met zijn gade; Ze spoedden beiden zich om 't zeerst â En JOHN was aan de bron het eerst. En â 't bruidje kwam te spade. Daar knikt hij wel te moe Haar toe; Geen trots haalt bij den zijne; Maar â waar wordt zij daar op betrapt? Het bruidje had vooruit getapt Van 't water van Sint Keyne. |
Hansje uan Kleef.
Hansje van Kleef O.
De ransel gepakt en de veldflesch op zij,
Voelt harmen tot d' aftocht zich wekken; Al stemde de reislust zijn makkers zoo blij,
Toch zag men hem noode vertrekken;
Want hoe ook zijn streven naar kennis hem dreef, Toch toefde hij liever bij hansje van kleef.
Maar 't handwerk vereischte zijn tocht door hot land
Zoo vloden er jaren en dagen.
Getrouw aan de liefde, der vriendschap gestand.
Bleef 't hart bij zijn vrienden en magen;
Maar wie hem bij alles het dierbaarste bleef â
liet was zijn geliefde, zijn hansje van kleef.
Zij minde hem ook en zij deed het oprecht:
Reeds lang had hij 't jawoord verworven,
Zij had het hem Cuistrend bij 't afscheid gezegd;
Ach, waar' ze maar vroeger gestorven!
Want li armen, geen pen die zijn lijden beschreef, Nooit zag hij haar weder, zijn hansje van kleef.
Zijn leertijd was om en hij keerde terug:
Wat was hij vol hoop en verlangen!
Wat toefde hij zelden, wat reisde hij vlug
Om 't loon van de liefde te ontvangen :
Reeds strekte hein menige heuvel en dreef Ter zoete herinn'ring aan hansje van kleef.
Ilij nadert... daar hoort hij een vreeslijk geval:
De storm had de dijken doen scheuren.
En zweepte den vloed door het vreedzame dal
En deed er een leven betreuren.
Hij schrikte, terwijl men de treurmaar beschreef, En dacht met ontzetting aan hansje van kleef.
De woning eens landmails lag bijster in nood
Bij 't wassen der woedende baren.
Een meisje â ze redde vol moed door een boot
't Gezin uit het felst der gevaren;
'Jl
't Was menschenmin, die haar tot mannenmoed dreef; Die edele redster was hansje van kleef.
0 Johanma Skbes tc Cleef bij een watervloed in 1812.
De zeven Zusters.
Nog restte er een grijsaard op 't wankel gebouw, Zij ziet hem en klieft weer de golven;
Zij zamelt haar krachten en nadert de schouw,
Reeds half onder 't water bedolven.
Zij bidt dat op 't laatst haar de kracht niet begeef
En de oude is in 't bootje bij hansje van kleef.
Dan, hemel! een golf werpt het meisje overboord. Een kolk trekt haar pijlsnel naar onder:
Een kreet van ontzetting en angst wordt gesmoord Door 't buldren van stormvlaag en donder.
De schuimvlok verspatte op de plaats waar zij bleef,
En ver dreef het schuitje van hansje van kleef.
De orkaan stuwde 't voort naar den siddrenden wal En 't voerde den grijsaard er henen;
Maar, droevig verscheiden! nog lang moest het dal 't Verlies van een engel beweenen.
Haar dood was het offer voor 't geen ze bedreef:
De baar spoelde 't lijk aan van hansje van kleef.
En harmen, â wat kreeg hij tot loon voor zijn trouw ? Ach, 't hart was den jonkman gebroken;
Het meisje dat hij zich gewenscht had tot vrouw, Had de oogen voor altijd geloken.
En vraagt ge, wat lot aan den lijder verbleef. . . .
Dra vond hij een graf bij zijn hansje van kleef.
1842.
De Zeyen Zusters.
(bene legende van den rijn.)
De liefde maakt treurig, de liefde maakt blij.
En zoet is haar bidden en hopen,
En stapt ze verblind soms de wijsheid voorbij, De leerspreuk bediedt ons: het vragen slaat vrij, Maar nimmer het dreigen of nopen.
Voor jaren, voor eeuwen begreep men dit al
En, wat ook de tijdstroom verniele, Hij spaarde ons 't verhaal van een wonder geval. De zeven gezusters â een heilig getal â De dames zijn lang reeds ter ziele.
32
De zeven Zusters.
In d'omtrek van Wezel verheft zich een slot,
Geen Prins zou den Schöiiberg zich schamen;
Daar leidden de meisjes, in weeldrig genot â Want adel en rijkdom versierden haar lot â Een kippetjes-leven te zamen.
Dat schoonheid haar sierde vat ieder terstond;
Niets gaven ze elkander gewonnen In vorm en gestalte, gelaatskleur en mond;
Hare oogen verspreidden den glans in het rond Van veertien hel stralende zonnen.
Als bloemen, geplant in een geurigen tuin,
Bestormd door verdriet noch ontbering,
Ontstond uit de mengling van blond en van bruin Dat afhing in golvende tres van de kruin.
Een lieflijke en zachte schakeering.
De schoonheid kweekt liefde, dat's overbekend.
En, als wij het factum ontvouwen.
Dat tal van verliefden van verre en omtrent. Den smeekenden blik naar het slot hield gewend,
Geen schepsel die 't feit zal mistrouwen.
Zoo bogen veel ridders eerbiedig de knie En zwoeren, bij baard en bij sabel.
Hun eeuwige trouw en hun hartssympathie,
En spraken van weemoed en zielsharmunie, Mit plaudrendem, kldlschenden Schnabel.
De meisjes ontvingen de vrijers zeer heusch,
('t Gevolg van een goede educatie)
En â toonden de Heertjes zich vrij amoureus, De dames bedekten zorgvuldig haar keus,
En lachten met al die sensatie.
Ze kenden heur wereld, maar gaven geen voet.
Kwam 'tvuur haar wat na aan de schenen: Ze hielden zich juist als begreep men niet goed, Het oogmerk bij handkus en knieval en groet. De voorkeur gewerd aan niet éénen.
't Was gansch niet pleizierig voor 't smachtend gevoel
Van zoo veel verliefde gestellen;
Maar Amor, men weet het, soms kittlig, soms koel, Speelt dikwerf den dwingland met wensch en met doel. En laat zich niet dwingen of kwellen.
33
De zeven Zusters.
't Was druk op het slot, immers de een was niet voort,
Of de ander werd welkom geheeten,
Zoo'u minziek gelispel was nimmer gehoord;
Daar waren, in 'k weet niet hoe kort, aan de pooi t 'k Weet niet hoeveel dorpels versleten.
't Is kostbaar en lastig zoo'n Sc/uueic/ief-partij,
Mij dunkt het zou velen geneeren;
En 'k vind het vermetel, want hoe het toch zij, De wedermin stond aan de dametjes vrij.
Maar Duitschers 't zijn wondere Heeren.
Zij werden ten laatste dat drentelen rnoê,
En staken de hoofden te zamen;
âDaar moest nu een eind aan, het deed er niet toe!' Zij vroegen elkander het wat en het hoe,
Om middlen van dwang te beramen.
Ze telden elkander en raadt eens hoe veel
Das Liebeverein mocht vergaren?
Juist twintig! ze trokken te zuam naar 't kasteel, En eischten voor zeven het huwlijksgareel,
En zetten 't op haren en snaren.
Wie buiten 't komplot bleef, kreeg slaag van den troep,
En pakte geduldig zijn biezen:
Het twintigtal stond in postuur voor de sioep, Eu schreeuwde naar binnen met dreigenden roep; âNu moesten de dames maar kiezen!quot;
Och hemel, wat waren de meisjes verplet!
Zij konden 't gezicht niet gelooven;
Maar nauw had gevatheid de vrees wat verzet, Of 't zustertal riep zeer beleefd en coquet:
âKomt boven, Mijnheeren, komt boven!quot;
De vreugd van de ridders steeg aanstonds ten top:
Ze meenden de vogels te vangen.
En streken hoogmoedig de knevels eens op En ijlden, de knapsten vooruit, in galop De trap op met heimlijk verlangen.
De ridderzaal werd voor hen opengezet,
Ze dachten aan dwang meer noch Prügel, En stapten naar binnen met statigen tred;
34
De zeven Zusters.
Elk hoopte stilzwijgend en hield zich adret,
En blikte eens terloops in den spiegel.
Maar de oudste der zusters nam zedig het woord,
Dat woord zon zijn werking niet missen:
Ze zei dat de ridderwensch aan was gehoord,
Maar veelheid van keuze haar min had versmoord, En dat dus het lot zou beslissen.
De zeven gezusters verlieten de zaal,
En neigden gracieus voor de heeren,
Maar, altoos gereed voor een vriendlijk onthaal, Verschenen de dienaars met kan en bokaal.
Om dorst en verveling te weren.
4
Een uurtje vlood om en het ongeduld steeg.
Bij wachten en wikken en hopen;
Toen buiten de zon naar heur slaapsalet neeg. En binnen het morren weer de overhand kreeg.
Ging eensklaps de kamerdeur open.
Een grijsaard komt in en buigt zich en beeft
Voor al die robuuste sinjeuren;
Hij treedt naar de ridders en biedt hun beleefd De loten, die hij in een hengselmand heeft,
In twintig verschillende kleuren.
Of 't juist zoo gemikt was: elk grijpt naar zijn kleur,
Benieuwd wat het lot had beschreven;
't Gaf jublen en juichen, gezucht en gezeur, â Wie stelden de blanco-biljetten te leur?.... Wie waren de zalige zeven?
Een dertiental ridders sprak vinnig en luid
Van wondere vrouwlijke kuren;
Dat dertiental zag er recht ridderlijk uit.
Maar zonderling, vielen de prijzen ten buit Aan zeven mismaakte figuren.
't Geluk had ook hier weer de wangunst gebaard:
Dia vielen er smaadlijke woorden:
âJe ziet het,quot; zoo klonk het, âde gekken de kaart!' De kratesjes hielden zich wijs en bedaard.
En deden maar of' ze 't niet hoorden.
35
De zeven Zusters.
âKomquot;, riepen de dertien, vrij schamper en stroef,
âNu's 't kaf van de koren gescheiden .Nooit kan het gemeend zijn, 't is vast maar een foef!quot; Maar 't zevental, spottend met al dat gesnoef.
Lei 't af met een Jantje van Leiden.
Ze rekten hun halsjes en beentjes wat uit;
Hun moed steeg met iedre seconde:
Ze sprongen als kikkers, elk jubelde luid;
âIk wil haar omhelzen, waar toeft ze, mijn bruid?' En blikte verlangend in 't ronde.
Maar hemel! waar zouden de dames toch zijn?
Men vroeg het ten laatst aan den grijze;
Deez' wees met den vinger bedaard naar den Rijn: Daar voeren ze, 't was tusschen schemer en schijn, En zongen op schertsende wijze:
âDe liefde maakt treurig, de liefde maakt blij,
âEn zoet is haar bidden en hopen;
âEn stapt ze verblind soms de wijsheid voorbij, âDe leurspreuk bediedt ons; het vragen staat vrij,
âMaar nimmer het dreigen of nopen.quot;
âWel, dat zou de duivel! wat weerslag is dat!quot;
Zoo riepen de onstuimige zeven;
De dertien, wier wangunst nu post had gevat. Ze lachten in 't vuistje en ze sarden hen wat:
âLoopt, jongens, geen kamp moet je geven!'
âEen boot!quot; riepen ze allen doldriftig en lier;
Daar was er geen enkle te vinden;
Men vloekte, en men zwaaide 't ontbloote rapier. Tot eindlijk, 'twas jammer, een bocht der rivier. De zusters voor 't oog deed verzwinden.
âDat's leelijk!quot; zoo klonk het, âdat noem ik verraad!
âDat zijn nu fatsoenlijke dames!quot;
Men dacht niet dat liefde 't bevelen versmaadt. Dat vrouwenlist vaak boven mannenkracht gaat.
Spijt dreigen of ruwe reclames.
Het duister viel neder op water en land.
De vogels â ze waren gevlogen:
Nog waarden de zeven bedrukt langs den kant.
36
De PalmpaascJi van Oude Geertje.
En stonden verplet of door wraakzucht vermand, Met tranen van spijt in hunne oogen.
Ze hadden voor 't laatst nu hun liefjes gezien,
Hoe 'thart van terugkeer mocht droomen:
âMaar konden die dames heur erfgoed ontvWn P âOf woonden ze toen in een huurhuis misschien ?quot; Dat heb ik zoo na niet vernomen.
'k Meen echter: gebeurde in deez' dagen het feit,
Al kwamen de vrijers met hoopen.
Uit blooheid of afkeer of gemelijkheid,
â En 'kvind het verstandig, wie 't anders ook zeit â De meisjes niet zouden gaan loopen.
Maar 'twas toen wel meenens, nooit zag men haar weer.
Doch wel zeven steppen in 't water;
Vaak klinkt er een koor uit de diepte van 't meer. Nu sarrend en schertsend, dan treffend en teer,
Verzpld soms van spotziek geschater:
âDe liefde maakt treurig, de liefde maakt blij,
âEn zoet is haar bidden en hopen;
âEn stapt ze verblind soms de wijsheid voorbij, »De leerspreuk bediedt ons; het vragen staat vrij,
âMaar nimmer het dreigen of nopen.quot;
1845.
De Palmpaasch van Oude Geertje.
De Aprilzon trekt den nevel op,
(Dien nasleep van den winterdos) En plooit de donzen zwachtels los. Van de uitgeschoten bot en knop; De weerhaan mag naar 't Noorden wijzen. Natuur wekt toch tot dankend prijzen.
Daar ze in de kiemen, die zij voedt. Van zegen spreekt en overvloed.
Het nieuwe groen wekt nieuwen lust. Een zoet gevoel streelt jong en oud : De zwaluw, die zijn nestje bouwt.
Schijnt van een voller bloei bewust
37
De Palmpaasch van Oude Geertje.
De hemel lokt den blik 1, 'üi' boven, En 'tfeest naakt om den Heer te loven: De jubel, die ons heilig is,
't Hosanna der verrijzenis!
De blonde jeugd voegt zich bijeen: Onwetend wat aan oudren past.
Wat zorg er voor hun toekomst wast; Met rinkelbom en tol tevreên,
Genieten zij bun prille jaren;
Ocb, of wij altijd kindren waren!
'tZou om ons immer zonneschijn,
En i n ons altijd lente zijn.
En toch, ze hebben 't reeds beleefd, Dat elk genot zijn keerzij toont,
En daar, waar 't dartel lachje troont. Het traantjes tot zijn volgers heeft, Verstoorders van hun zoet genoegen,
Maar tranen die geen voren ploegen,
Wier bronwel, vloeibaar als zij is,
Weer droogt bij luttel lafenis.
Of geertje 't weet wat kindren vleit! Ook zij kende eens der liefde troost,
Maar 't graf ontnam haar gade en kroost, En eischte beur verlatenheid;
Nu rest haar slechts op zestig jaren, De penning van de jeugd te garen.
Terwijl zij mild beur gaven deelt, En 't goelijk hart der kleinen steelt.
De palmpaasch door beur hand gestikt. Heeft voor hun onverholen zin Een luidbegeerde zoetheid in:
De lekkernij door 't loof gestrikt. Waarnaar de hand zich reeds voelt trekken. Mag wel verboden lusten wekken,
Maar 't vriendlijk oog der goede bes Herinnert nog der oudren les.
Maar ach, 't verboodne smaakt zoo zoet! Verlangen legt zijn prikkels aan. Ontwapent reden en vermaan, En zegeviert op 't zwak gemoed.
38
Hel Huis ter Noot.
I)e smaak vleit meer dan glans en kleuren, Mug haantje-pik 't hoofd nog beuren,
Straks ligt de bonte kinderschat Ontsierd en los van band en blad.
Te vroeg genot wekt naberouw,
En, wat der kindsheid reeds weervaart. Wordt later leellijd niet gespaard,
En, of men 't kwaad verwinnen zou. Luidt wel de wensch in rijper jaren: Och, of wij altijd kinderen waren!
Maar 't leven leert met meer dan schijn. Dat oud en jong toch kindren zijn.
1844.
Het Huis ter Koot.
NABIJ 'S-üRAVEN 11 AGE.
De vreemdling, die den Haag bezoekt
Per spoor of diligence,
Richt vaak zijn schreden naar het bosch, Zoo sierlijk in zijn zomerdos.
Zoo vol van élegance.
Daar slaat hij de oogeii rechts en links
En tuurt langs lommerpaden,
Ontwaart een huis ter Zuider zij.
Het Huis ter Noot?1) zoo vraagt ge mij; Gij hebt het juist geraden.
Maar kent gij de afkomst van dien naam?
Gij hoeft u niet te kwellen Als de oorsprong van het Huis ter Noot, U mooglijk niet te binnen schoot.... Kom, laat mij u vertellen.
De jeugdige ada zal op 't slot
Van 't bloeiend 's-Gravenhage,
Ge kent daar zeker 't oud gebouw,
Waar 't opschrift thans op passen zou; Wie winnen wil â hij wage!2)
1
') Tlmiia Kcslcclit en Tetvangcn door rijeu ran moderne gebouwen.
2
) (In Itt-ii nog:) De Loterijzaal.
Het Huis Ier Noot.
Daar zat ze neer in eenzaamheid
Het burchtraam uit te turen; â
Haar Heer gemaal was ver van huis,
't Was in 't omringend bosch niet pluis â Ze sleet vervelende uren.
't Was onvoorzichtig \an den Graaf â
Ik wil hem niet bedillen!
Maar denk eens wat een eenzaam lot: Een jonge vrouw op 't somber slot,
Foei, 't is om van te grillen!
Een nachtspook kon haar siddren doen,
Een ongeval haar naken;
't Was ongehoord van Graaf VAN loon.
Zijn vrouw â maar stil, geen vorstenhoonl Licht ging de man voor zaken.
Doch wat men nu te vreezen had.
Werd zichtbaar van de transen:
Daar naakte een troep met zwaard en speer, Ach, al zijn tijd! daar kreeg je weer De poppen aan het dansen!
Daar kwam een kerel op haar af,
Een snoode deugdbelager.
Wat zat ze in 't nauw, de goede vrouw! En wat men niet gelooven zou:
Die kerel was heur zwager.
Ach, wie er op familie bouwt.
Heeft vaak het hoofd gestooten:
Ik spreek de goeden niet te na.
Maar, o! die band verbreekt zoo dra. Bijzonder bij de grooten.
De windbuil sloeg al kort en klein;
Wat hem weerstond, moest vallen ;
Hij had zoo'n zin in 't Haagsche slot. En dacht aan regel noch gebod.
En beukte muur en wallen.
De burchtvrouw school in 't bidvertrek,
Greep angstig naar heur kralen.
En kreet haar teedere oogleên rood,
40
Het Suis ter Noot.
En bad om bijstand in den nood, En deed het duizendmalen.
Ze gluurde d' achtertoren uit Met angstig zielsverlangen;
Want geldolph was beur baanderheer, En die zat op zijn leen niet neer, Om vliegen daar te vangen.
Want de eedle Vrouw, ze wist het wel, Hoe geldoli'HS moed vermaard was. Die, als hij zich in nood bevond.
En zes of zeven kerels stond.
Voor d' achtsten niet vervaard was.
En toen zijne oogeu zich op 't heir
Vol gram gevestigd hadden.
Greep hij naar zwaard en beukelaar, En pakte met zijn dappre schaar Den vijand bij zijn kladden.
Hij viel hem zoo verwoed op 't lijf
Dat ze allen suizebolden,
Hier met de beenen in de locht. En ginder of men spelden zocht. Met gansche hoopen rolden.
Dat moedigde held geldolph aan.
En, vijand van lang talmen.
Brak hij door 't heir heen in galop. En rende 's Graven slotplein op.
En deed zijn troep weergalmen.
Zij had haar redder dra herkend.
De bloem van Hollands adel;
Ze vloog luid snikkend hem te moet. En geldolph bracht zijn riddergroet. En wipte baar in 't zadel.
Hij zette zich op 't eigen ros.
En draafde met zijn vrachtje Den straks gebaanden weg terug. Zij keek eens om en sprak heel vlug; âWat ben je toch een hachje!quot;
41
liet Huis ter Noot.
De vijand zag den ridder na,
En 't draaide hem voor de oogen, En eer hij zich vereenen kon,
En de orde in zijn gelid herwon,
Was 't vogeltje gevlogen.
De Baanderheer week in zijn slot,
Voorzag zijn deur en grendels, En plaatste 't moedig krijgrental Met vuur en pik op muur en wal, En toonde 's Graven vendels.
De vijand vloog er aanstonds heen,
En vloekte om van te huilen. En brulde zijn verwoedheid uit. En eischte zijn ontvloden buit,
Et» sprak van bloed en builen.
Maar bang was GELDOLPll nooit geweest,
En 't minst van vreemde knoeten; Want wie er voor het razend rot Te na kwam aan zijn duchtig slot. Hij moest er hard voor boeten.
Doch, dunde ook 's vijands legerbend'
Voor de ingesloten wallen.
Hij strekte zich met nieuwe kracht,
Bij 't mindren van zijn legermacht.
Door nieuwe honderdtallen.
Dal mocht de dappre leenheer niet;
Slechts bouwend op de zijnen, En uitziend naar een kloek ontzet.
Bleef wel zijn fierheid onverlet,
Maar ging zijn hoop verkwijnen.
Geledigd waren kist en kruik.
Geen steenrotsbron ontsprong er:
Want nauw bewaakt werd muur en wal. En kleiner werd zijn strijdrental. En grooter werd zijn honger.
Beeds zestien dagen vloden heen
Met vechten en met vasten;
De nood klom hooger met het uur,
42
Het Huis ter Nuol.
De mannen stierven op den muur,
De muizen voor de kasten.
Maar geldolph riep manmoedig uit:
â'k Geef aan den driesten roover.
Al springt de kerel hoog of laag,
Al moordt en martelt hij mijn maag,
Mijn meesteres niet over!quot;
Dat heet ik trouwe dienaar zijn!
Maar toch| hij waar bezweken,
Was 't zwaard van d' eedlen Graaf van LOON Den door zijn huis geleden hoon Niet bitter komen wreken.
De Graaf vernam het euvel feit:
Hij zamelt zijn vazallen.
En bromt terloops een vloek of zes,
En springt geharnast op zijn bles.
En draaft naar geldolphs wallen.
Daar viel hij op den vijand in
Met felverwoede vlagen.
Zoodat hij, die de vlucht niet zocht,
En nog om spek en boonen vocht,
Minst kreupel werd geslagen.
Zoo wei d de Baanderheer bevrijd
Van 's vijands roofsoldaten.
En weer, dank 's mans geduld en moed, Na zestien dagen strijd en bloed.
De valbrug neergelaten.
Dat gaf der jonge Landsgravin Voor 't zieleleed verzoeting.
Toen zij, gelijk men lichtlijk vat.
Met teedre drift heur lieven schat Omhelsde bij de ontmoeting.
En geldolph, die het schouwspel zag,
Was in zijn ziel bewogen,
En Graaf van loon bedankte hem (Het spreekt: hier haperde 's mans stem) Met natbekreten oogen.
43
Kerniisviering.
Nadat het hart gesproken had In kussen, tranen, wenken,
Toen opperde de leege maag De niet onredelijke vraag,
Om harer te gedenken.
En toen men 's avonds aan 't souper,
Op 't vreedzaamst was gezeten.
Toen werd, ten minste ik neem dit aan, Al zag ik 't niet geboekstaafd staan,
Held geldolph niet vergeten.
Althans weet ik, dat Graaf van loon
Het leen van d' eedlen strijder Den naam schonk van het Huis ter Noot, En hem verhief, die eer was groot. Tot vrijheer en bevrijder.
Ziedaar den naam van 't Huis ter Noot
Voor u, die 't mocht beschouwen, Want, kreeg het vaak een ander Heer, En ziet ge muur en wal niet meer. De naam bleef toch behouën.
44
1844.
Kermisviering.
|
Woelige dagen! 't Huis overhoop, Kindren van school af; Speelgoed te koop; Nichtjes tot gasten, Money op zak; Alle dag Zondag; Us en gebak; fv 1'j rl Krgt;olr 1 n 'f 't .Kladboek in 't honderd. Eens maar in 't jaar! Drukte in de lommerd, Handen in 't haar; Vlooien en beren, Bom-bam-muziek! Lammen en blinden, Duitscher en Griek; |
Paardrijderskunsten; Olie en smeer; 't Woord van de zotten: Dat zie je meer. Wafelfriezinnen, 0, wat een jok! Laat in de veeren. Na loopt de klok; Magen van streek af. Harten nog meer; Vrijers en vrijsters; Zelden mooi weer; Besjes van 't spinwiel, Wevers van 't touw; Ra, ra, wat is zij: Meid of mevrouw? |
Be Burchtvrouw van Oud-Haarlem.
|
Kantjes en kleedjes, Kleur en vernis; Jongens met zwermen â 1845. Loven en bieden â Geld bij de visch; Foezelberoerten; Vauxhall en bal: Weet ik het all Pronkzucht en vitlust, Meer dan wel past; |
Schuld bij den bakker, 't Weekloon verbrast; En wat verboden Verder geschiedt, 'k Wil het niet zeggen, 'k Weet het ook niet. Dof staan de blikken, 't Leven verstomt. Weg gaan de kramen Wee wat nog komtl |
Ee Burchtvroirw van Oud-Haarlem.
Wie 't onvolprezen feit Verbreidt Van Weinbergs kloeke vrouwen. Hem raad ik aan.
Om eens naar Haarlems vest te gaan, (Licht zal de reis hem niet berouwen) En daar 't kroniekboek op te slaan.
Schonk bilderduk een toon Aan 't schoon Van deugd en vrouwenwaarde.
Wist hij dan niet Dat wat eens tierde op vreem gebied, Een voorbeeld vond in Hollands gaarde, Wel waardig voor zijn geestig lied'?
De zaak verlokt me en 'k zal
't Geval
Zoo goed ik kan verhalen;
Hoewel 'k erken.
Dat wie met burgers losse pen. Het feit met kracht en kleur kan malen, Ik daar, heelaas, geen man voor ben.
Oud-Haarlem, met zijn schans, Doch thans Vergruizeld en verstoven.
Was 't riddergoed Van zeker heer uit aadlijk bloed
De Burchtvrouw van Oud-Haarlem.
Dien 'k als men 't praatje mag gelooven. Als niet zeer pluis u schetsen moet.
De man, dus werd verteld,
Had geld.
Maar ook een ruim geweten;
Zijn lieve vrouw.
Die andrcn 't hart bekoren zou,
Kreeg van dien heul meer slaag dan eten, Tot loon van onbezweken trouw.
't Gaf lang, kwam hij zijn ga Te na.
Geen aanstoot bij de buren;
De goede ziel,
(Dat iedre deugd voor jOBS-deugd kniel!) Kon zonder klacht beur smart verduren, Hoe zwaar haar ook het leven viel.
Maar, wie in 't duister kwaad Begaat,
Al blijft het lang bemanteld,
Het loopt niet mis â
Eens geeft het stof tot ergernis:
De steen wordt eindlijk weggekanteld, Waarachter 't kwaad bedreven is.
Zoo kwam zijn boosheid vaak Ter spraak Bij disch- of burenpraatje;
De bullebak.
Wiens wrevel uit zijn oogen sprak.
Stond nergens in een gunstig blaadje.
Schoon hij daar nooit het hoofd meê brak.
Maar eindelijk moest hij wel;
Want snel Verbreidden zich de klachten.
Zijn zondengloed Verhitte spoedig andren 't bloed, Die, aangehitst, op middlen dachten. Tot straf van zoo veel euvelmoed.
Gelijk het meermaal gaat:
Het kwaad
46
Dp Burchtvrouw van Oud-Haarlem.
Gedijt bij 'l navertellen;
Van mond tot mond Ging 't als een loopend vuurtje rond, Dat Satan 's nachts hem op kwam schellen, En open tafel bij hem vond.
Een heerschap uit de huurt,
Bestuurd Door ongewonen ijver,
Verzaamde een schaar Van strijdbre mannen bij elkaar, En bracht den snooden kwaadbedrijvor, Ten laatst in nijpend lijfsgevaar.
Daar sloot zich om den wal Een tal
Met zwaard en piek en keien;
't Ging onverstoord.
Met steeds hernieuwde krachten voort, En door het beuken en rammeien.
Bezweken weldra muur en poort.
Oud-Haarlems Heer bezat Een schat Van windrig zelfvertrouwen;
Maar in 't gevaar Werd hij, helaas, te goed gewaar,
Dat op geen kracht meer viel te houwen. En sloeg hij dol de hand in 't haar.
Daar zat hij, 't hoofd vervuld Van schuld En tal van muizennesten!
Van buiten â dood.
Van binnen â zwakte en hongersnood ; Geen mensch op wien hij 't oog kon vesten! Geen middel dat hem overschoot!
Hij wist voorzeker wel Hoe fel De vijand was verbeten;
De vrees verblindt:
â Hij ving aan 't krijten als een kind. En bijl en zwaard werd weggesmeten; Hoe de angst ontzenuwt en ontzint!
47
De JiurcJiturouw van Oud-Haarlem.
Hulp naagde er aan een zij,
Waar hij Geen redding ooit vermoed had,
Zijn beste schat.
Die hij miskend, versmeten had.
Wier levensweg hij nooit verzoet had, Bewees wat kracht haar deugd bezat.
Een knaap toog naar het veld, Verzeld Van 's ridders droeve gade;
De goede vrouw,
Gehuld in 't kleed van smart en rouw. Bad aan den vijand lijfsgenade â Een bloedhond die dat weigren zon.
Uit deernis met haar wee,
Wier beê Zoo afstak bij zijn daden,
Schonk men 't verlof Voor haar en wat haar 't naast betrof, Zoo veel ze op eigen lijf kon laden. Van wat gehalte 't ware of stof.
Nauw sloot men dit verdrag.
Daar zag De vijand haar vertrekken;
Maar 't ging niet vlug, Een groote kist droeg ze op den rug, Eu eer zij argwaan op mocht wekken. Verdween zij achter berg en brug.
Den vijand viel 't kasteel ïen deel;
Maar wie men 't eerst ging zoeken, Hém vond men niet,
Waarheen men 't oog ook weiden liet, In donkere gaten, diepe hoeken.
Tot men ten laatste het waagstuk ried.
Ja, schoon haar wreed tiran, â Haar man Mocht ze in den nood niet laten: Want in die kist Waarin zij hem te bergen wist.
48
Galante brief van don Keizer van China.
Onttrok zij hem aan wie hem haatten; Wat zulk een trouw voor 't hart beslist 1
En vraagt ge 't mij ? Oprecht Gezegd â
Hij was die trouw niet waardig.
Want menig zucht Door hem gewekt, riep wraak en tucht, En, roem ik haar als edelaardig â Hém doem ik om zijn laffe vlucht.
Wie 't onvolprezen feit Verbreidt Van Weinbergs kloeke vrouwen, Hem raad ik aan Om Haarlem niet voorbij te gaan;
Daar kan men op de schoonen bouwen,
Daar durft de trouw 't geweld weerstaan. â¢1845.
Galante Brief van den Keizer van China
AAN
Koningin Victoria van Engeland,
in antwoord op de benoeming van de Oxfordsche universiteit, welke aan Zijne llemelsche Majesteit den doctoralen titel honoris causa verleend had, en zulks nadat China van Engeland den vrede voor eenUje milUoenen ponden sterling had afgekocht.
(Zie Handelsblad van 22 Januari 1843.)
Ik zelf! â geen stervling mij gelijk,
Ik, heer en baas van 't hemelsch rijk.
Wiens oppermacht heel de aard moet vreezen. Ik, schaduw Gods en 's werelds licht.
Die over dood en leven richt Van Water- en van Laml-Chineezen.
Ik zag, beseft gij wel die eer?
Op 't ezelsvel genadig neer,
49
4
Galante brief van (Hen Keizer van China.
Mij door uw schrijvers toegezonden;
'k Zie dat ge thans van schaamte bloost, En gij met uw roodharig kroost Tot beterschap u hebt verbonden.
't Is goed, 'k neern die beloften aan, 'k Verlang het ook. dat gij voortaan Mot eerbied voor den Keizer buige.
En, schoon 'k geen andre macht erken. Weet, dat ik goedertieren ben.
Dat de aardbol thans zich overtuige!
'k Zend mijn Minister fi-fo-fü Met mijn genadebrief tot U;
Ik wil aan U den vrede geven;
Gij wordt daarom niet uitgeroeid, En kunt dus, vrij en ongemoeid. Op 't vunzig neevlen-eiland leven.
Maar, 'k zeg U: neem je wel in acht; Wanneer je voorts je plicht betracht Eu niet meer trotsch bent of verwaten, Dan geef ik U mijn heilig woord. Dat nooit je rust meer wordt verstoord ; Dan zal ik U met vrede laten.
Voorwaar, ik gaf van goedheid blijk, Ik heb bevolen in mijn rijk,
Dat, trots hun steile varkensharen.
Aan uw armzalig kindrental Geen mensch den naam meer geven zal Van roode honden of barbaren.
Ze blijven vrij van angst en schril: En zullen, van dit oogenblik.
Den vrijen handel mogen drijven; Ze vullen zich den buik met thee. Ze rekken daar hun aanzijn mee,
Voor mijn part, laat ze in quot;t leven blijven'
Maar, houden zij zich verder goed. En schieten niet vol euvelmoed Met groote kogels naar mijn steden. Dan wil ik meer doen tot je troost: Dan geef ik oorlof aan je kroost. Om binnen 't Hemelsch rijk te treden.
50
Soldatenstand.
Ja, 'k geef hun vrijheid eens te zien,
Mits 't onder opzicht zal geschiên En ze ook niet komen om te plondren, Wat ecuwig groot mirakel en Wat machtig potentaat ik ben,
Wiens wijsheid 't aardrijk moet bewondren!
Voorwaar, het is nog niet te laat. Wanneer zij voorts dien lust tot kwaad Boetvaardig en met ernst betoomen, Dan mogen zij hun dom verstand Beschaven in mijn machtig land,
En nutte lessen hier bekomen.
'k Gaf fi-fo-fu mijn hoog bevel, En waarlijk, 't is geen kinderspel 1 Ontzag vervul â en dank beziel je!
Wijl 'k U tot broêr satürnüs geef,
Straks wordt de groote beer je neef! Wat zeg je nu van zoo'n famielje?
Mijn afgezant heeft bovendien Drie giften U nog aan te biên. Ze strekken U tot ruemverbreiding:
't Is een tabakszak, wonderschoon, Een haarkam, 't schittrendsl eerbetoon, En 't is de knoop der onderscheiding.
Het ga je wel, hoor! leef in vreê,
Drink heel je leven niets dan thee, Al kleiner worden steeds je voeten;
Houdt dit grootmoedig schrift in acht. Had je ooit van mij die eer verwacht? Ik schreef het zelf â en wil je groeten.
51
1859.
Soldatenstand.
|
Een leven vol wissling, Een lokaas der jeugd, Een manlijke roeping, Een strik voor de deugd, Een pijnbank van kommer, Een vloed van genucht. |
Een bandlooze vrijheid. Een tergende tucht; Een schele voor kennis. Een bane ter eer. De hoop in den boezem. De kracht in 'tgeweer; |
Joris en zijn snuifdoos.
52
|
Nu lommer en weelde, Dan honger en slijk ; Des morgens een losbol, Des avonds een lijk, De bontste vermenging Van goed en van kwaad; Hier glorie, daar schande â De naam van soldaat. Gerijd in geleedren, In 't bivak dooreen ; Nu harten vol goedheid, Dan harten van steen. Het kruis aan de kloekheid. De kogel 't verzet, Het krijgsboek tot bijbel, 'tParool een gebed; Niet vragen, maar handlen Naar hooger bestel; De kroeg tot een hemel, 't Cachot tot een hel. Verdrukte en verdrukker Van vriend soms en broer; Een worm voor de ofcieren. Een wolf voor den boer. In vrede verwijderd, In oorlog verwant; Een veldheer tot vader, Tot beul een sergeant. Hier haat en vervloeking, Daar trouw tot den dood; Nü laag en geworpen, 1845. |
Dan edel en groot. Deez' â zwetser in 't rustuur, Die â held in 't gevecht; Ginds speurhond eens dwinglands. Hier strijder voor 't recht. Een blinkend versiersel. Maar grof op den tast, Een droom, die zich oplost In lijden en last. Hier liefjes bedrogen. Daar liefjes begroet, 't Fortuin in de verte, 't Berouw in 't gemoed. Een tijd, die zich afdeelt In rust en appèl, De rolfel der tamboers Ter klok of bevel â Ten jubel der zege â Tot mare der straf â Een krijgszang bij d' aanval â Een treurtoon bij 't graf. Soldaat, een bedwelming, Te laat soms betreurd, Een hefboom, die de armoè Op 't voetstuk vaak beurt. Verneedring en grootheid Soms grillig verplaatst; Veel distien en doornen. Maar lauwers er naast. |
|
Joris en zij Hij was een joris goedbloed. Tevreden en gedwee. Hij zou geen mensch bedillen Bij wat rnen liet of deê. Hij hield ook van de meisjes. Zelfs werd één wensch gevoed â Maar joris had voor praatjes Zijn leven lang geen moed. |
. Snuifdoos. En zag hij een paar oogjes. Die spraken tot zijn ziel. Dan was 't of de arme joris Tot mijmerij verviel; Waar hij dan voort moest stappen. Daar keerde hij zich om, En, had hij maar te spreken, Dan bleef hij strak en stom. |
Vreenidenbesoek.
53
|
En ging 't gewenschte hapje Meestal zijn neus voorbij â Dan zuchtte hij in stilte: 't Geluk is niet voor mij ! Dat noemde hij bestemming, Dat, zei hij, was zijn lot; Hij zou het oog maar stuiten Voor 't echtelijk eenot. Hij wist, na jaren tobbens. Den vork, waarnaar hij greep. Niet bij den steel te vatten â Daar zat 'em nu de kneep. Hij was bij lang geen domoor. Maar handig was hij niet; Mij vreesde, als hij zou zingen, Voor d'aanhef van het lied. Zoo vlood zijn leeftijd henen. De vijftig was lang daar. En JORIS dacht: 't is over ! 'k Versmoor mijn zielbeê maar; 'k Ga andere regels volgen, 'k Tuur niet meer naar de maan: 'k Ga voortaan kippen houden, En leg een snuifdoos aan. Zoo dacht hij en zoo deed hij ; Hij mijmerde niet meer. En was weer de eenvoud zelve, Zachtzinnig als weleer. 1856. |
Maar 's morgens in de vroegte. Als hij aan 't venster kwam, Om naar het weer te kijken, En het eerste snuifje nam, Dan knikte uit buurvrouws venster Een hoofd hem te gemoet. En gaf hij wederkeerig Zijn lach en morgengroet; Dan liet de gulle ceerte Haar wensch door wenken raan, En bood hij uit het venster De doos haar vriend lijk aan. Eu zoo hij voormaals nimmer Een buurpraatje ondernam, Het bleek, dat bij een snuifje Van zelf het praatje kwam ⢠Nu is het over d' oorlog. Dan is 't over 't weer. Maar om op slag te komen, 't Kost hem geen moeite meer. En viel hij al de buren Te voren uit den gis, Thans roepen zijn bekenden: Hoe hij veranderd is ! Maar joris zucht in stilte: âNeen, 't ding komt nooit terecht. Ach, had ik toch wat vroeger Een snuifdoos aangelegd!quot; |
Vreemdenbezoek,
âHet land is er plat en het volk is er stijf,quot;
Zoo spreken van Holland de vreemden ;
âDe kunst en natuur hebben weinig om t lijf;
âMen ziet er geen bergen of beemden. âDe menschen â ze sluiten zich op in hun kluis,
âEn stoppen 't fortuin in de kisten,
âDe vreugd van het leven â ze hoort er niet thuis,
âVerveling verjaagt de toeristen.quot; â
Ik laat die bewering voor 't geen wat ze geldt.
En denk maar: 't is licht in ons voordeel; Al worden we weinig bij vreemden geteld â
Kinderzin en kindermin.
Zijn w ij maar niet blind in ons oordeel.
Toch zijn er wel vreemden, die staag in ons land Met hoopen logies komen zoeken,
En die zelfs, al wijst men hen norsch van de hand, Ons toch zonder vrijpas verkloekan;
Ze ontduiken het oog van kommies en douaan,
Gesteld om hun intreê te stuiten;
Ze nemen brutaal hier het burgerrecht aan,
Trots alle ministers-besluiten;
Ze komen te beurs, op het bal, op 't kantoor, Ze wandlen met armen en rijken;
Ze gaan bij de menigt voor landskindren door,
Waar ze ook maar 't gelaat laten kijken.
Toch voeren ze een leus en toch dragen ze een naam, Tot wrevel van veler gemoedren;
Maar 't is of zij zeggen: komt, hokken we saam. Wij willen met Holland verbroedren;
En daarom â geen dak, of ze zoeken een thuis. En zonder een zier complimenten.
Wie 't ergert, zucht wis: wie verlost ons van 't kruis. Van de eeuwige Brabantsche centen!
54
1855.
Aan Duifje in de Taveerne.
|
Düifje moet de naald weer rusten? Zijn de doekjes afgezoomd? Of hebt gij van stille lusten. Van eene andre taak gedroomd? Pronkstertje, wier blinkend huifje In de kastelnij niet voegt, Stemt u 't hart zachtmoedig, duifje? Maakt de bierwalm u vernoegd? 1856. |
Zou 't u licht niet beter passen Als gij 't huiswerk hadt aanvaard, Dan bij vleien en bij brassen U te voegen naar den waard? Duifje, steun niet op je krachten: Vriendlijk is niet altoos wijs; Die zich vrij van wanklen dachten Stonden somtijds op glad ijs. |
Kinderzin en Kindermin.
(aan een oüllen veteraan, die met kinderen speelt.)
|
O oude, die in 't leven De vuurproef hebt doorstaan, Die, om den dood te geven, |
Den doodsweg zijt gegaan; Die, waar de vaan u leidde Voor 't wachtwoord, dat gij kreegt. |
Van dik Hout zaagt nten Planken.
55
|
Eon bloedig bed u spreidde, Door strijdlust schoon geveegd. Zaagt gij uw haren grijzen, En is uw kracht vergaan. Wat hebt gij nog te prijzen. Verstramde veteraan? Wat is u nog verhieven |
Bij al wat stond en viel? 0, velen zij 't gegeven: Een kinderlijke ziel! Tane uw verleden glorie. Waar 't reine in u nog leeft, Daar blijft u een victorie. Die moed voor 't afscheid geeft. 1856. |
Beet hebben.
(aan een kleinen hengelaar.)
|
O, kleine, koene vissclier Wat heb jij oolijk beet. Wat zat je in de ochtenduren, Naar 't drijvertje te turen. Dat, op liet water gleed; Hel schooluur is geslagen; De tijd, hoe luid we 't klagen. Gaat om eer dat je 't weet. Al kun je 't wel niet loochnen. Wat met de schoolwet streed, 't Vermaak leidt licht tot dwalen: Om 't vorentje op te halen, Vergat jij tucht en leed; Verlokking trekt tot zonde. Zwom lang de visch in 't ronde. Toch kreeg jou haak hem beet. En daarom, kleine visscher. Bedenk eens wat je deedt: Bekroont de vangst jou hopen En, moet hij 't duur bekoopen, 185(5. |
Het vischje heeft jou heet; Nu lach je om de overwinning, Straks kom je tot bezinning. Straks zit je braaf in 't zweet. Zoo gaat het meer, mijn jongen. Al denk je blij: 'k heb beet; Niet alie vangst geeft winste; 't Geluk gedijt soms 't minste. Waar zich de stroom verbreedt. Ik meen den stroom der jaren; Wie vreugde wenscht te garen. Vangt soms berouw en leed. En steekt voor jou dit lesje, In ietwat ernstig kleed â 'k Wil niet je holle wangen i Dooi- rimpels doen vervangen. Maar goed toch, dat je 't weet; ! Wie te onnadenkend zoeken. Zij azen soms op snoeken, 1 Maar krijgen katvisch beet. |
Yan dik Hout zaagt men Planken.
Aan d' oever van de kromme vliet.
Daar paart zich soms een vroolijk lied Aan doffe houtzaagklanken
Van dik Hout zaciijl men Planken.
Tor molen uit van langen Hein,
En ieder kent zijn slotrefrein:
âVan dik hout zaagt men planken.quot;
Al sjokt Hein in een grauwe kiel,
Daar gloeit iets warms hem in de ziel, 't Heeft iets van dichtvuurspranken;
Soms â of hij ook een wijsgeer was.
Brengt hij zijn deuntje mooi van pas: âVan dik hout zaagt men planken.quot;
De Burgemeester is een Piet;
Aan 't boeltje, dat zijn oom hem liet.
Heeft hij 't gezag te danken,
En als hij met zijn boeier vaart,
Dan hoort hij als hem Hein ontwaart: âVan dik hout zaagt men planken.quot;
Ook Bram, het baasje van de buurt.
Die 't beste vee naar England stuurt.
Bram grinnikt bij Heins klanken,
Als hij, bezilverd en begoud.
Met vrouwlief naar de kaasmarkt sjouwt: âVan dik hout zaagt men planken.quot;
Of als Hein in het najaarsweer De brakken van den Ambachtsheer,
Door jachtkoorts hoorde janken;
En als dan 'i heerschap 't blesscnspan. Naar 't jaagveld stuurt, dan hoor wie kan; âVan dik hout zaagt men planken.quot;
Hein heeft een woning â klein maar net. De gevel is met groen bezet.
Klimop en wingerdranken,
't Gaat in die woning vroolijk toe.
En oud en jong zingt blij te moö:
âVan dik hout zaagt men planken.*
Al leeft de kerel van den wind.
Toch heeft een arme buur of vrind Hem vaak veel goeds te danken;
En als Hein somtijds dubbel gaf.
Dan ging hem 't lied nog blijder af. âVan dik hout zaagt men planken.quot;
50
Een andere Philemon en Haucis.
Doch toen hij laatst een tweeling kreeg, Was 't wel of 't oude zaaglied zweeg,
Maar zorg week dra voor danken ; En toen de schrik was doorgestaan Ging 't met den zaag van nieuws al' aan: âVan dik hout zaagt men planken.quot;
O, dat de schout, die rijke Plet,
Dat Bram, die zoo volop geniet In weelde, spijs en dranken.
Dat de Ambachtsheer met blessenspan, Dat elk zoo dankbaar zingen kan âVan dik hout zaagt men planken.quot;
De rijkdom zetelt in 't genoeg,
En arm is hij, die 't meeste vroeg.
En weinig weet van danken.
De zucht naar meer drukt dikwijls zwaar; Ik houd het met den molenaar:
âVan dik hout zaagt men planken.quot;
1856.
Een andere Philémon en Baucis.
(BIJ EENE SCHILDERIJ VAN DE BRAKEI.EER.)
(Le viauuais Ménage.)
57
|
De harten klopten hoorbaar!.... Maar was het van de min'.'.... Daar sloop een klein, klein schelmpje. De kooi van quot;t echtpaar in; Dat schelmpje droeg een staartje, Plus nog een bokkepoot; Wat wist hij goed te mikken, Waar hij zijn pijltjes schoot! Hij zette beider zieltjes In lichtelaaie vlam â En hield zich diep verscholen In 't glaasje van Schiedam: Hij maakte hen heel spraakzaam, Juist niet, en rloux propos, l'n vormde een hef tafreeltje, Een pittig dos a dos. |
Philémon minde Baucis â We spreken van weleer â Jong mocht hij potjes breken. Hij kon het oud nog meer. En â voorgaan doet goed volgen. Dacht Baucis â wat ik doe â Ik geef op 't stuk van breken. Mijn schat geen aasje toe. Braaf, sprak 't modern Kupiedje, 'kBen blij dat ik het zie! Zoo vatten mijn élèves De leer der harmonie: Dat 's 't evenwicht bewaren! Mijn staatsrecht brengt dat meê 1 Het boeltje kort en klein slaan, Heet strijden voor den vreê. |
Drie Zusiers.
58
|
En kan je 't niet goed vinden. Dan duurt het maar wat lang' Veeleer naar katjesherael, Dan flauw zijn of wel bang. En Baucis en Philéraon Verzamelden hun gruis. En namen hun geleigeest A's commensaal in huis; En vraag je: welke gaven 't Schiedarnsch Kupiedje hracht? Wel bracht het rook en vlammen, Maar schiep den dag in nacht. De schoorsteen wou niet trekken, De pot werd zuur en schraal, â 1885. |
Het rund ging uit logeeren, De bakker werd brutaal; De huisbaas was een duivel, De buurt kwam op de been, De lommerd bleek een hemel â En 't laatste pand verdween. En Baucis en Philémon â Ze vonden eindlijk rust, Toen 't laatste flikkervonkje Der schaamte was gebluscht. En wat men op hun uitvaart Tot souvenir vernam'? Het was een schaterlachje Van 't geestje van Schiedam. |
Drie Zusters.
Mama spreekt dikwijls van Louise.
Papa is trotsch op Carolien,
Ma's lievling is een beeldschoon kopje, Pa's glorie heeft verstand voor tien. Louise zingt als Catalani
En Carolien spreekt Duitsch en Fransch, Twee aange; oden lievelingen â
Twee zonnen aan den huwlijkstrans. Maar schonk die echt geene andere telgen?
Ja, knikt Mevrouw, maar minder blij; âWe hebben nog een derde dochter,quot;
Besluit mijnheer, maar zucht er bij: Die derde ontbeert haar zusiers gaven,
Niet fraai, van zeer gewoon verstand, . 't Is of de naam van âachterblijfsterquot;
Manë op 't voorhoofd staat gebrand: Want â als Louise Ma verteedert
Als Carolien mat Palief praat,
Dan schikt zij zich in 't stilste hoekje
En niemand denkt dat zij bestaat.
En als het soms eens rnag gebeuren. Dat iemand acht slaat op het kind, Dan wekt die blik een vergelijking.
Waar 't zusterpaar te meer bij wint; âWat is ze een zieltje, die Marië,quot;
Eene Week up Weltevree.
Zucht de/.e of gene huisvriendin;
â't Is of dat kind,quot; zegt weer een ander,
âNiet thuis hoort bij dat lief gezin.quot; En 't is ook zoo, want de achterblijfster
Steekt deerlijk bij haar zusters af;
Toch weet ik niet of zoo'n beschouwing
Den grond tot billijk oordeel gaf, Eén lichtstraal op de drie karakters ïrof onlangs gaandeweg mijn oog; 't Was feest in de ouderlijke woning En 't drietal zusters vierde 't hoog. Louise speelde een nieuw sonate.
Ook zong ze een treffend solostuk;
Mama was in de ziel getroffen,
En weende zichtbaar van geluk ;
Papa had Carolien geprezen
En tranen van genot geschreid.
Toen hem een kunststuk van borduurwerk
Door 't lieve kind werd uitgespreid.
Maar ook Marië werd in stilte
Bij dankbre tranen aangegluurd; Wel was 't niet in 't salon dar weelde. Maar in een hut van de achterbuurt; Da:ir sprak men niet van de achterblijfster,
Maar dankte 't engelrein gemoed. Dat, onverzeld en onverdroten.
De naaktheid dekt, den honger voedt; En 'l heeft mijn oordeel straks gewijzigd. En 'k dacht aan wezen en aan schijn. En ik aanbad het woord der liefde: âDe laatsten zullen de eersten zijn.quot;
59
185(5.
Eene Week op Weltevree.
|
âKom,quot; zei mijn neef, âkom met mij meê!quot; En drong mij tot besluiten. âMijn tante woont op Weltevree, We gaan een week naar buiten; âDaar waait de stadslucht ons van 't lijf,! |
Daar plukken wij frambozen, Staan 's morgens op te vier of vijf. En slapen 's nachts als rozen; âGaan met de boeren aan den haal. Met hengels, pols en netten; Wij luistren naar den nachtegaal, We roeien of raketten!.... |
Nieuwjaarsdag.
00
|
'k Ging mco : de tante, een hupsche vrouw, Scheen ons bezoek te streelen. Ze had â wat ik vergeten zou. Een dochtertje om.... te stelen. Mijn neef liad eerst een vriendlijk woord Voor de oude bloedverwante, Maar schoof daarna met nichtje voort, En liet voor mij â de tante. quot;We roeiden niet, raketten niet; De vischvangst was heel pover; Geen nachtegaal gaf ons zijn lied; 't Vroeg opstaan had niet over. Dat kwam door al dat buiig weêr: De regen viel in stroomen; Men zag geen lieflijk zonlicht meer; De wind snoof door de boomen. Men bracht den tijd zeer huislijk door, En moest elk plan verzetten; Neef las aan nicht zijn verzen voor. Of' zong met haar duetten. Ni e u w j Veinzerij en liefde; Dankbaarheid en smart; Toekomst en verleden: Zaken van het hart. Larie en bombarie; Beden zonder slot; Half vergeten vrienden, Onbegeerd genot. Mijlpaal op het leven; Wuftheid en berouw; 's Morgens aan den slenter, 'sAvonds aan den sjouw; Kerken â maar geen leoken; Meesters zonder knechts; |
Maar, wijl ik zing noch reciteer. Paste ik heel niet bij 't paartje; Ik hield me aan tante vast, die zeer Verzot was op een kaartje. Ik speelde vroeg, ik speelde laat. En liet den regen plassen. En vond geen andren troost of baat Dan 't écarté of 't jassen. Het weekje buiten is doorleefd. Verschillend voor elkander; Zoo de een het kort gevonden heeft. Ik zeg het niet van d' ander. En rekte Neef graag zijn verblijf, Hij moest er 't eind aan maken, De tijd riep hem naar 't stadsbedrijf. Ook ik moest naar mijn zaken. En vraagt men mij ; hoe 't ons beviel Bij de oude bloedverwante'?.... Neef sloeg een blik in nichtjes ziel. Ik in de kaait van Tante. 1855. a r s d a g. Opgevulde straten, Drukte links en rechts; Kaartjes uit den treuren; Geldklank â de eerste toon ; Zegen voor je kwartjes; Bacchus op den troon; Nevel, slijk of hagel; 't Lommerdgoed gelost; Koffie en likeurtjes; Aangebrande kost; Sluiting der balance; 't Laadje nageteld; Overjaarde posten â Cijfers, maar geen geld. |
Keur I)aart angst.
61
|
Strijkers en strijkages â Gala voor den Vorst; 't Schaartjen in 't couponblad â Applen voor den dorst. Nachtwacht, smid en bakker, Wimpels aan den top, Vriendlijke aangezichten; 't Wachtwoord : hand hou op! Handslag en vervoering ; Zorgen aan den haal; Welbespraakte tongen, Overdachte taal. Wangunst aan het kloppen ; Veten afgespoeld! Kruipende gedweeheid; Hoogmoed diepgevoeld. Vliegen afgevangen. Fooien weggekaapt; Middel tot geheugnis. Roepstem voor wie slaapt. Postknecht aan het draven. Oude schuld voldaan! Keur ba? Kloek en kras van bouw en krachten, Vrij van kwaal en ongemak. Kniesoor evenmin als loshoofd. En een mooien duit op zak; In den regel gansch niet karig, Schoon ik op de kleintjes pas Met mij zelf nog al tevreden Als ik sta voor 1 spiegelglas. In dien roes der zelf betrachting, Vraagt mijne eigenliefde mij : Ben ik dan bij al die gaven Geen begeerlijke partij V Toch is (en 't valt niet te ontkennen â Bij mijn voordeel is 't wel raar!) 'ï Frisschevan mijn jeugd verzwonden In mijn stijve dertig jaar. |
'k Zit alleen bij dag en avond, 't Vraagstuk voor je dienstmeid: Blijven â ofte â gaan ? Jichtigequot; ooms en tantes Levensduur voorspeld; Hem het legaatje. Foei. dat ijdle geld ! Bloeitijd voor de rijmers, De aschman zelfs poëet, Keur van kool met krenten. Fop in 't staatsiekleed. Nieuwe corporaties; 't Oude blok van 't Ijeen ; Recensenten-pillen, Vivat nommer één! Wenschen in comedies, Wenschen in de kerk, Wenschen in de kroegen. Zonder paal en perk I â Eerstling van de dagen, Bode van het jaar. Dat je wat oprechter, Dat ie wijzer waar'! 1 846. rt Angst. 'k Vind geen toespraak aan mijn (disch. En 'k begin reeds goed te merken Wat een oude vrijer is; Koud en kleurloos werd mijn leven. Bleef ik langer in die soes; In mijn stille woning heerschen De oude meid en de oude poes. 'k Heb mijn oog al laten weiden Over 't âheilquot; van onze stad. En ik weet het op mijn duimpje, 't Schoon, dat ze in haar vest bevat. Honderd oogjes, honderd bekjes â Diep staan ze in mijn ziel geprent; Maar ook honderd meisjesnukjes Zijn mij bijster wel bekend. 'kWeet hoe menig âlief figuurtjequot; |
De Zigeuners.
62
|
't Wispelturigst hartje draagt, Dat op straat zich engel teekent, Maar in huis de âbooien,, plaagt. 'kWeet hoe menig zedig zusje Om of bij den preekstoel zit. Maar tersluiks haar buurvrouw op-(neemt, En van top tot teen bevit. 'kWeet het wel hoe déze dartelt, quot;kWeet het ook hoe géne grauwt, En dat weinig schoon zijn stand houdt, Als je 't op de keper schouwt. Trouwen ?... ik zou dolgraag trouwen. Maar 'k bezin voor ik begin ; Eer een mensch op slag kan komen Heeft niet weinig moeiten in! Wat mij na ligt aan het harte â 'l Is mijn welzijn en fatsoen; 'k Heb zoolang niet loopen weiflen Om een malle keus te doen! Ja, die keuze baart wat zorgen 't Is geen weigring, die ik ducht â Maar de vrees van mis te tasten Kost mij menig diepen zucht. Al mijn denken, al mijn daden l.oopen op één doel te zaam; |
Als ik 's nachts niet in kan slapen Spel ik d'een na d' andren naam. Dézen prijs ik, génen loof ik, 'k Tel de kansen van mijn lot, Maar, als 't op een keus zal komen, Is verwerpen toch het slot! Want dan dansen ze om mij henen, Al de spoken van de vrees: Ontrouw, praatzucht, nijd, verkwisting, Die ik graag in 't niet verwees. Maar die 'k toch niet kan verbannen, Hoe ik haak naar 't echtgenot, En ik eindig met te bukken Voor mijn eenzaam vrijers-lot. Adam was eerst recht gelukkig In zijn zoete minnevangst; Hij had, om een vrouw te vinden, Wel geen keur â maar ook geen angst I Ach, wat ben ik voor mijn toekomst, Voor mijn keuze in 't hart bevreesd! 'k Mag mijn spijt niet rneer verbergen!.. . Was ik Adam maar geweest!! 1849. |
Be Zigeuners.
Zeg, Lezer! kent gij Hongarijen'?
Waarschijnlijk wel, zij 't ook door boek of blad ;
Misschien hebt gij zijn bergen en valleien Doorschouwd, daar gij uw brein ten voertuig hadt En thuis gemaklijk in uw armstoel nederzat. Gij weet: het is het land dor oude Magyaren,
Waar slavenkreten zich aan vrijheidsliedren paren; Waar de edelknaap zijn wapenbord aanbidt. En de uitgevaste boer bij bier en boonen zit; Dat voedsterland van wijn en mineralen,
Doch waar de Palatijn zich 'l beste deel van kiest, Waar Turk, Bulgaar en Pool als buren loopen dwalen. Maar 't landvolk toch zijn grondtrek niet verliest;
IJe Zigeuners.
'I Is ook het oord, waar t;i! Zigeunerbenden Haar tenten spant in woud en veld,
En 't lot uit koffiedik aan vreemden en bekenden
Door hun preciosa's wordt voorspeld.
Genoeg: gij kent het land bij naam en uit verhalen,
En daarin staan we met elkaar gelijk;
Ge ontslaat me, bid ik u, het verder af te malen,
Wij! 'k op dit punt niet graag met mijn geleerdheid prijk. Maar die Zigeuners, met hun zwervend leven.
Waar 'k u zoo even Een woordje van in 't midden bracht,
Van hen nog iets om 't feit, dat ik te schetsen tracht.
Een troep dier heidens had het oog geslagen Op zeker jeugdig edelman,
Die op zijn aadlijk slot met visschen en met jagen Zich 't leven vroolijk maakte, in schaaüw van kroes en kan Hij was een jonkman, kloek van leden,
En wel gezien bij 't schoon geslacht,
Maar die zijn vrijheid en aanloklijkheden Nog aan geen maagd of vrouw ten olïer had gebracht,
Voel dienaars vlogen op zijn wenken.
Hij kreeg de nieuwtjes uit de stad ; Wat vreemde snufjes ook Parijs mocht schenken â Hij zorgde wel dat hij ze 't eerste had;
Als echte troetelzoon der weelde.
Werd alles nagejaagd wat ze overdadig teelde.
'k Weet echter niet of hij hetgeen hij ijvrig zocht, Wel hoofd en hart voldoening vinden mocht;
Maar, als ik zei, het mocht den zwervers ras gelukken Hem uit te kippen tot hun prooi; Ze scherpten zich 't vernuft; een glans van dat allooi Viel niet zoo vaak voor hen te plukken.
De prima donna vroeg acces,
En kreeg het ook; âhij 's binnen!quot; riep de bes.
Die 't huishoudwerk van 't heidental bestuurde.
âDie 's binnen !quot; was de kreet van d' afgerichten troep. De prima donna dan verscheen op 's jonkers roep;
Zij, de Cassandra, met haar rozelaren In 't bonte keursje en door de ravenzwarte haren.
Met loovers door haar kleurig kloed gestikt En 't zwierig lint om arm en schouder heen gestrikt. Met vuur en gloed in oogen en op wangen,
Eu roet het waas der tooverkunst omhangen.
Dc Zigeuners.
âIk zal uw lot voorspellen, edel Heer!quot;
Dus sprak ze, â'k weet: ge wilt naar onze orakels hooren.quot; Zijn blik getuigde van zijn gretige ooren; ' 't Zigeunerwicht vleit zich vertrouwlijk naast hem lieer En spelt aan hem een lot vol zoete hoop en weelde:
Ze wist te goed waarmee ze 't ijdel harte streelde; Ze prees zijn houding en gelaat.
Zijn blik, die, des gewild, de min kon doen ontbranden,
Zijn stem, zijn haviksneus, zijn welgevormde handen,
Zijn goud en huis en hof, zijn aanzien, rang en staat;
Niets werd vergeten; ja toch iets... hij had geluisterd Of soms haar zoete taal hem hoop had ingefluisterd
Voor 't geen, waarop hij steeds verlangend had gestaard, Maar dat het spiegelglas hem nimmer toonde: â een baard. De baard, die oude dracht voor grooten en voor kleinen, Dc zichtbre leus des mans bij Grieken en Romeinen, Tot scipio, men kent hem â d' Afrikaan,
In Rome voor het eerst het scheermes rond deed gaan.
Toen daar barbierkunst steeg tot hoog gevierde waarde.
Zoodat geen ander volk daar 't zijne in evenaarde;
Schoon groote konstantijn, het kenmerk van de kracht En van de eerwaardigheid opnieuw in aanzien bracht; De baard, die naar den tijd en naar zijn grilligheden.
Gevierd werd of gehaat, verlengd werd of versneden;
En die in onze époque opnieuw époque maakt;
De jonker had sinds lang naar dat bezit gehaakt.
Wel zeiden hem zijn modeplaten Dat, als hij zijn toilet naar eisch te maken zocht,
Kij, wat hij deed of na wou laten.
Dat sieraad niet ontberen mocht.
Eau de la Chine, en eau d'Afriquc,
Savon de lis, lonique au rond,
Macassar-oil, gras d'ours, pommade de Lion,
Met nigritine en cosmétique,
Had hij met taai geduld beproefd;
Maar vruchtloos bleken alle zeepen en pommadeu!
Hij had door professeurs de Va.rt zich laten raden.
Vergeefs! ach, iedre kuur had hem opnieuw bedroefd; Vergeefs ging 't staal hem daaglijks langs de koonen.
En zeepte hij zich 't vel volhardend in;
Geen enkel dokument mocht 's jonkmans ijver kronen.
Als donzig zij' bleef kaak en kin.
En, mocht hij hopend nog de toekomst tegenstaren.
Dan dacht hij angstig aan zijn acht en twintig jaren.
De deerne zag hem schalkscli in 't oog.
64
De Zigeuners.
En vroeg of niet één wensch zijn hart bewoog. Hoe'?... zou hij 't zeggen, haar belijden,
Heur raad eens vragen, die zoo recht vertrouwlijk sprak? Hij kleurt en kucht en krabt zich 't oor, en na lang strijden.
Vertrouwt hij haar zijn edel zwak.
âO, daar is raad voor!quot; riep de listige heidinne,
âGeen haard! Wie treurt om dat gemis.
Roept niet vergeefs de hulp van mij Zigeunerinne;
Een middel bied ik u, dat steeds onfeilbaar is;
De taak is licht en dra voltrokken:
Wilt gij de proef van onze kuur?
Dan siert u wis in minder dan een uur Een jeune france, zwart, als 't gitzwart van uw lokken !quot; Dat laat zich hooren, dacht Sinjeur,
Zoo menig recipé stelde al mijn hoop te leur.
Maar dit â wie weet! kom aan, wat leed toch zou mij naken!quot; Hij zendt zijn dienaars ver van huis. De huisbestuurderes incluis â
Getuigen duldt men noo bij zulke intieme zaken.
Daar treedt de troep Zigeuners in;
Men eischt de badkuip, maakt een noest begin In 't prepareeren van de vreemde kruiden,
In Noorderlucht geteeld, met planten van het Zuiden;
Ze werpen ze in de kuip bij 't kokend vocht En 't ongewoon tinctuur doorwasemt reeds de lucht. Men wenkt Sinjeur; hij mag geen tijd verliezen.
Reeds wacht bet bad, de jonker moet er in;
Hij ziet, daar viel niet meer te dralen of te kiezen.
Hij zamelt moed... en duikt in 't nat tot aan zijn kin;
Doch voor 't vervliegen van de dampen moest men waken.
Wijl juist daarin de kracht der baardontkieming zat; Men neemt een linnen beddelaken En spreidt dit over 't geurig bad.
Men reikt hem zeepen toe om kin en kaak te wrijven; Men bindt hem boven 't hoofd het dekkleed stevig vast, En 't heerschap krijgt den strengen last Om, tot zoolang men 't eischt, stil in de kuip te blijven; Men prevelt woorden, die hij niet verstaat;
âMaar dat's om 't even, als de kuur slechts baat,quot;
Dus denkt de jonker, die zijn hart van hoop voelt blaken,
â'k Word straks van 't linnen dak bevrijd En 'k heb een baard, die mijn toilet eerst zal volmaken,
En door elke' edelman in d' omtrek wordt benijd.quot;
't Wordt stil; hij wacht; maar 's mans geduld heeft perken; Hij uit voor 't eerst een vragend woord,....
65
.Elzen i ouè's Tlieeuurtje.
Geen antwoord om zijn hoop te sterken; â
Hij roept nog eens, maar... onverhoord.
Het angstzweet gudst hem langs de kaken.
Hij bidt en vloekt, slaakt zucht op zucht,
Hij klotst door 't water, duwt zijn vuisten tegen 't laken.
Schreeuwt, scheldt, schopt, smijt, maar... zonder vracht, Een uur van woede is ras verstreken:
Daar lag hij spartlend, machtloos, neer.
En zwoer het heidental zich straks op hen te wreken,
Verwenschte bad en baard en modeplaat en meer. Eeu dienaar komt ten laatst zijn heer van 't dek ontlasten. Zijn blik schiet vonken, vliegt vol angst de kamer door, Helaas, hij ziet het: leeg zijn kist en kasten.
Maar van 't Zigeunerrot geen spoor.
'k Heb, lezer! sedert niet vernomen,
Of ooit de vrucht is opgekomen,
Maar zoo hij van de kuur de werking heeft ontwaard. Dan draagt de man een duren baard.
1846.
Elzemoei's Tlieeuurtje.
ELZE-moei zat druk te spinnen,
Nel, de poes. spon met haar mee. Grietje slak het hoofd naar binnen, Hunkrend naar een bakje thee.
â âElze, wat 'en heete zomer!quot;
Zei ze; â'k had het buiten kwaad!quot; 't Oudje sprak (en 't wiel ging loomer): â âOf het aan je hijlik schaadt Iquot; â âAch mijn hijlik!quot; zuchtte 't meisje, âBram zwerft jaar en dag op zee.
Bracht hij, na een .lavaasch reisje
Nog een vollen buidel mee!
Maar het blijft bij hoop op later,
âMoed ! geduld!quot; was 't, wat er klonk, Spijkers zijn het op laag water.
Waar 'k mijn vrijheid hem voor schonk.quot;
â âGrietje,quot; bromde 't spinnend grootje, âDat is dan je dure trouw?
Nauw bezworen of 't verdroot je.
Nauw beproefd en 't hart vol louw!quot;
â âElze, wat ik van je hoorde!
Zeg me, of ik dien schimp verdien?
Elze, die mijn zuchten smoorde,
66
Eet Nieuwe Stuivertje.
En mijn tranen hebt gezien 1 Kent ge op eer of trouw gebreken,
Schoon ik niets van hem vernam? Was niet alle smart geweken,
Als hij uit Oostinje kwam?quot;
â âZeg dat nóg eens, griet!quot; zoo klonk er Haar 't bekend geluid in 't oor,
En heur oog staarde in het donker.
Want een handpalm sloot er voor.
â âBram!quot; dus juichte een zoete stemme, âAls ik zóó iets hopen dorst!
Dat ik u aan 't harte klemme!quot;
â âEerste stuurman!quot; riep de borst, âEn mijn knapzak Is wat ronder;
Oriet, ik dank je voor je trouw;
Onze zaken zijn gezonder,
In een maand ben je mijn vrouw!quot;
Elze knikte en ging weer spinnen.;
Nel, de poes, spon met haar mee; Prettig zat het paar te minnen; Lekker smaakte 't kopje thee.
1846
Het Sieirws Stuivertje.
Ja, klein is 't wel, bijzonder klein! Maar 't is zoo blank en 't is zoo rein, En 't koningskopje â 't is zoo mooi. En 't zilver van zoo'n puik allooi! Maar 't is of die verkleinde maat Ons toespreekt met den ouden raad: Draag zorg, wat lust u soms bekruip. Ik nimmer door uw vingers druip. Dat gij mijn waarde niet verleert, Want zuinigheid verleert zoo ras. En hij, die 't stuivertje niet eert, ⢠Krijgt zelden guldens in zijn kas.
Bedenk, is niet het kleine ding Een telg van 's lands bezuiniging? Dus 't land ga voor en stelle, wijs,
67
Hel Nieuwe Stuivertje.
Het stuivertje op den rechten prijs.
't Was minder om het nieuw fatsoen, Dan om den rechten eisch te doen; De Heeren, die eens zeiden: 't zij!
Ze weten beter licht dan wij Wat de ondervinding heeft geleerd;
Toch komt hun 't spreekwoord nooit onpas; Hij, die het stuivertje niet eert,
Krijgt zelden guldens in zijn kas.
Voorzeker, 't was een gulden tijd Toen zuinigheid en noeste vlijt Kasteelen bouwden van stavast;
Ja, wie er op de kleintjes past,
Hij steekt, heeft hij zich wel beraan.
Zijn lampje aan dat der oudjes aan :
Want, brachten deze naar hun vest De schatten mee van Oost en West,
Toch werd ook 't mindre gewaardeerd, En stond de spreuk op hun kompas;
Hij, die het stuivertje niet eert.
Krijgt zelden guldens in zijn kas.
Al kort men 't in, het lieve geld,
Dwaas, die het daarom minder telt. En, krimpt het stuivertje op den tast, 't Is of 't ons toeroept; houdt me vast! Behoefte en weelde en eigenbaat â
Ze zijn voor 't nieuwe fabrikaat Ook kolken, waarin 't al verzinkt Wat rolt en rammelt, blinkt en klinkt; Dus zij de les slechts niet verleerd.
Die eens de les der oudjes was;
Hij, die het stuivertje niet eert.
Krijgt zelden guldens in zijn kas.
Maar zing ik spaarzaamheid een lied,
Ik doe 't der deun- of schraapzucht niet; Ik meen; dat euvel bleef mij vreemd; Hij, die mijn raad ad notani neemt. Hij weet, dat de onbekrompen man Ook zuinigheid betrachten kan,
En dat Je gulden middelmaat.
Nu neemt, dan geeft, en laat wat schaadt; t Voegt dat het stuivertje rouleert.
(38
Brammetje's UiUjaansdag.
Al bleek het dat het waarheid was:
Dat hij, die 't stuivertje niet eert,
Geen guldens zamelt voor zijn kas.
Maar vraagt gij mij: zijt g ij de man Die steeds dat midden houden kan? Och, vrienden, denkt hoe 't meermaals gaat Met 's dokters en met 's meesters raad! Een goede raad â toch blijft hij goed. Schoon daar de gever niet naar doet.
Maar 't rijmpje staat er tot mijn troost En 'k geelquot; het aan mijn gade en kroost; 't quot;Word' door ons uit het hoofd geleerd, Licht komt de spreuk ook ons te pas; Hij, die het stuivertje niet eert,
Krijgt zelden guldens in zijn kas.
1850.
Brammetje's Uitgaansdag.
Brammetje, brammetje, hoe zoo pleizierig?
Zit je temet ook de kermis in 't hoofd 't Zondagsche vest aan, en 't hoedje zoo zwierig!
Waarom den hof van zijn sieraad beroofd?
Dient u die roos om je lief te beschenken?
Lacie, je beurs is min vol dan je hart!
Toch kan gsen krimp u den levenslust krenken.
Waar is t bezwaar dat de jonkheid niet tart? Zorgeloos geef je den brui van den winkel;
Alle dag âknecht,quot; moet jij eenmaal eens âHeer.quot; De eigenmin zegt u: je bent toch een kinkel;
Bram gaat uit brammen â één enkelen keer. 'I Hagelwit broekje, je rotting, je boordje â
't Is niet voor niet dat jij je op hebt geknapt;
Of jij in 't oog loopt ? â Ik wed om een oortje
Dat je de meisjes vandaag niet ontsnapt.
Ben je in je min nog zoo'n weinig aan 't vlindren ?
Moet jij een Paris zijn â wees het kordaat.
Zal 't op een keus gaan, wat zou je verhindren ?
Maar houd met hart en met beurs eerst goed raad. Vrijen baart lusten, maar 't heeft ook zijn lasten;
Wee, als je 't doet onbekookt, onbedacht;
Ledige banden en ledige kasten â
GO
Zestien jaar.
Arme, wie zoo iets ten trouwdag eens wacht! Daarom, al zet je den hoed op half zeven,
Denk niet te licht over 't kiezen der vrouw! Menigeen gaart, na één jooldag van 't leven,
Duizenden dagen van nijpend berouw.
Evel wensch ik jou een kermis vol vreugde,
'k Wensch jou een meisje, de bloem van de buurt. Zeggen wij nooit, zoo 't ons later eens heugde;
Bram heeft zijn boot in de biezen gestuurd.
1848.
70
|
(een blik in de Zestien jaar, gewenschte tijd! Weg de kinderschoenen! Van den schoolschen dwang bevrijd, Duizend visioenen! Bals, comedies in 't verschiet; Uitgaan zonder moeder; Dagen van gewaand verdriet; Kiescher, ware 't vroeder! Idealen â geen gebrek! Zonderlinge droomen; In 't gelaat een vreemde trek; 't Hartje rust benomen. Eindelijk voor goed entrée In het dameskransje: Ging ze vroeger wel eens mee, 'tWas per buitenkansje! ïiots in 't opgestoken haar, Ban der kinderlokken: A Venfant op zestien jaar?.... Oe oogjes, hoe ze 't jokken! Zuchten om ik weet niet wat. Blos bij jongensnamen; Schoolconnecties in de klad, â⢠'t Zou niet meer betamen 1 Zedigheid voor 't vensterglas. Gluren om een hoekje; Bi iefjes in de brieventasch, Zucht naar 't Fransche boekje; Aibumljlaadjes rondgedeeld. |
i jaar. METSJE'quot;- . .iRELD.) Blaadjes ook ontvangen; Op piano 't liefst gespeeld Liedjes van verlangen. Zielvertrouwde van mama, Haar in d' arm genomen Als het kleêgeld van papa Krapjes om mocht komen. Uit logeeren â wat geneugt Niemand zal het wraken; Alle dagen nieuwe vreugd, Honderd vreemde zaken. Engeltjes aan 't hart gebeurd, 't Engeltje ook der mode! Vraag: wat kleur het beste kleurtâ 't Spiegelglas is bode, Regenachtig weer, helaas, Vijand van de krullen; 'k Weet niet wat glacé en gaas Al voor schoons omhullen. Nieuw gevoel en nieuw genot Bij concert en lezing: Nieuwe prikkels voor den spot, Martlaars ter genezing. Fransch ! o, 't is zoo'n lieve taal, Vol vergeet-me-nietjes. â Hollandsch klinkt zoo plat en schraal, Lalfe, saaie liedjes! Trouwen, neen dat nooit, zoo waari Vrijheid boven trouwen I |
Kees op lleis.
71
|
Komt de rechte Jozef maar â Of ze woord zal houën! Kleuren.... 't is een drornmelsch werk Ken je 't wel â dat kleuren? 't Vraagt naar tijd noch plaats; ter Zie je 't soms gebeuren. (kerk Zestien jaar___een nieuw verschiet; Spits maar neus en mondje! |
En, wat jaloezie bediedt. Weet je 't, bruintje of blondje? Meisjes,spreekt naai' waarheid rechtâ Gij toch kunt het weten â Heb ik hier te veel gezegd. Of nog meer vergeten? 1849. |
Kees op Reis.
|
Kees spekt zijn beurs en koopteen pas, En wil de wereld zien; En vliegt door quot;t ruim en maakt, per as, Van honderd uren â tien. Kees kijkt in 't rond en suizebolt En veegt zijn bril eens af; 't Is of de wereld draait en tolt. Den dommelaar tot straf. Kees klaagt zijn nood en wrijft zijn (neus; En ruikt slechts stank en stoom; En quot;t woord ontvalt hem; had ik keus, Dan liever log en loom! Kees krijgt wat moed en schikt zich (wat En spreekt zijn reisbuur aan, Deez gluurt hem toe,vrij stroef en prat, Ãn kan hem niet verstaan. Kees wikt zijn beurs en zucht er van En derft zijn lange pijp; |
En ieder rood-gekraagde man Brengt Kees wat in de knijp! Kees tuurt in 't rond door groote steèn En mist nu dit dan dat. En wordt verdrongen en vertreên Op 't druk beloopen pad. Kees zweet zich dood en loopt zich lam En eet wat hij niet lust. En kruipt naar bed verstijfd en stram, En â vond hij dan nog rust! Kees keert terug en snakt naar huis, Verwenscht het vreemde land. Roemt zedig eigen haard en kluis. Waar 't eigen vuurtje brandt. Kees eischt. bewoudring voor zijn (tocht; Men ziet het Kees wel aan. Dat hij veel nieuws, veel schoons... (bezocht?. .. Neen, is voorbijgegaan. 1846 |
Mieke bij den Waterput.
|
Zie, ze zit weer in gepeinzen, Mieke bij den waterput, (s de wingerd aan 't verdorren? |
Heeft, de storm het ooft geschud ? Is het koren aan het roesten? |
wm
72 Zurr Dnciven.
|
Zijn er muizen op het land'.' Heeft de bonte koe de tongblaar? Is do hooischuur afgebrand? Is het kermisfeest verboden ? Is de pachtheer te beleefd'? Zou ze soms daar zitten mokken Dat ze nog geen vrijer heeft ? Foei wat ben ik onvoorzichtig Dat mij daar zoo'n woord ontschiet! Mieke mag van praten houden. Zich verpraten zal ze niet. Zeggen mannen dat de vrouwen Meer soms klappen dan betaamt â Ik zeg neen! Bij zielsgeheimen Maakt de vrouw den man beschaamd. Wie nieuwsgierig zich betoonen â 'k Wil 't wel weten, ik beken Dat ik soms bij mieke's mijmren Ook wel eens nieuwsgierig ben. Wat haar bij den put doet toeven? Zij vertrouwde 't nooit aan mij; Ik verraad dus geen geheimen En het denken staat me vrij. Hannes komt er ook wel putten, En 't is zonderling en raar: Als soms mieke zit te rusten. Staat hij eensklaps over haar. Wat ze lluistren? Wie kan quot;t hooien! |
'k Stond laatst achter hen voor t (raam: 'k Heb er toch niets van vernomen. Wat ze zoo al praatten saam. Of 't van koeien was of muizen, Van het koren of van 't ooft? 'k Hoorde niets, maar'k zag te beter Hoe een kusje werd geroofd. Hannes is een flinke jongen, Mieke is ook een knappe meid; Dat kon wel een paartje worden, Heb ik bij mijzelf gezeid. Hannes zie 'k nooit lui of ledig; 'k Wensch hem ook een nijvre (vrouw; Nu, in huis en hof steekt Mieke Braaf de handen uit de mouw. Let eens op, als 't Mei zal worden, Wat er met die twee geschiedt. Of gij dan niet beider namen Voor het rechthuis prijken ziet! Dan zal mieke niet meer mijmren. Als ze nu zoo dikwijls doet, Dan wordt hannes in zijn woning Door een lieve vrouw begroet. Maar â wat moei ik mij met andren! 't Voegt dat ik mijn fout erken; Mieke, 'k zal geen woord meer (zeggen, Foei, of ik een langtong ben! 1847. Ã |
Zure Druiven.
|
Och, wat die jonkheid dartel is, Vol onbezonnen streken, De vrome lui tot ergernis, Ik mag er niet van spreken.... |
i Wat fijne betsv 't mondje trekt, j Wen blonde buurtje lachebekt j Als 't vrijertje aan komt stuiven 1 Die levenslust wekt betsy's blos; |
Negatieve Wenschen.
73
|
Maar denkt ze wel om d' ouden O wee, die zure druiven! (vos?... Het blondje telt nauw achttien jaar En 't malt al met de knapen! In losse tressen golft het haar Langs schouders neer en slapen. Wat is die rok van wulpschen tooi, Wat trekt die halsdoek daar een plooi. Ik beef al voor 't verschuiven: Toe betsy, knijp uwe oogen dicht. Zie, hoe ze bleek wordt bij 't ge-(zicht.. . Dat's van de. .. zure druiven! 't. Ging anders toe in betsy's jengd; Geen knaap zou kusjes rooven. Toen streed de lust niet met de deugd, (Goed, wie 't maai- wil gelooven!) Men koosde niet langs 's Heeren paan. En, zag men al een paartje gaan, 't Was zedig als de duiven. Ach, kwam die goede tijd weerom! Maar Heintje trekt zijn rug wat krom Negatieve Geen krakende deuren, Geen tochtige scheuren. Geen lek in je dak I Geen aandrang van beren. Geen vocht in je veêren, Geen gat in je zak ! Geen smaad van de rijken. Geen vrienden die strijken. Geen kroos in je vliet! Geen meiden die vrijen. Geen vitters te mijën. Geen kleur die verschiet I Geen kramp aan je voeten, Geen vrees voor bankroeten, Geen droes aan je paard ! Geen last van poëten. |
En mompelt: zure druiven. En als men eens aan betsy vroeg: (Ze hoort het niet, ik fluister); Als liefde u in haar lichtkrans droeg. Verkoost gij dan het duister? Wie weet toch wat ze zeggen zou1 Ook fljne betsy is een vrouw En 't kon haar leed verschuiven ? Maar neen, zij is haar lot gewoon, Mistrouwend lachje van haar kroon Spreekt steeds van.....zure druiven. Och betsies betsies ! 'k ben je vriend En 'k spot niet met je grieven ; Maar heeft de jeugd het dan verdiend Dat gij haar smaadt om 't lieven ? Goedhartigheid bij andrer vreugd. Geen spijt bij 't zien van zoet geneugt. Al mocht u w hoop verstuiven ! Komt, stookt geen onrust bij de vreê. En lachl eens met de jonkheid meê, Dan worden 't zoete druiven. '1848. Wenschen. Geen roetsmaak aan 't eten. Geen rook uit den haard! Geen knellende kleèren. Geen vloekers tot heeren. Geen waasvoor 'tgezicht! Geen ratten of muizen. Geen jaarlijksch verhuizen, Geen kiespijn of jicht! Geen kinders die razen, Geen stof in je glazen. Geen vuil op je stoep! Geen steenen voor krenten, Geen Rrabantsche centen. Geen nachtlijk geroep I Geen vochtige muren, ! Geen twist met je buren, |
Grietje's Verzuchting.
74
|
Geen snoepzieke kat! Geen ontrouw van knechten, Geen schrale gerechten, Geen slijk op je pad I Geen kelder met water. Geen praats van een prater. Geen schel die niet klinkt! Geen vest zonder knoopen. Geen hart zonder hopen, Geen haartjes in de inkt! Geen brandbrief gekriebeld, Geen tafel die wiebelt. Geen sleep van logées! Geen zwakte in je spieren. Geen kamers die gieren. Geen beenen voor vleesch! Geen wangunst of schrafel. Geen dertien aan tafel. Geen deuk in je hoed; Geen Zondag met regen. Geen kans zonder zegen, |
Geen waanzin voor moed! Geen knoop in je kluwen, Geen spot te verduwen. Geen blok aan je been' Geen koelte van binnen! Geen linkschheid in 't minnen. Geen blauw aan je scheen! Geen boóm'ooze kisten, Geen bier dat gaat gisten. Geen gift die je stuit. Geen meel in je suiker. Geen wesp in je ruiker. Geen slot dat niet sluit. En zoo 'k in mijn beden. Om regels of reden Niet ver ben gaan ? 'k Vraag 'telk in 't bijzonder â 'k Heb plaats hier van onder â Vul zelf het maar aan! 1847. |
Grietje's YerzucMing.
Ik weet niet â maar sinds ruimen tijd Hoef 'k moeders roep noch tik,
En wie is 't eerst van allen op â Het eerst van allen?... Ik!
Dan hang ik water over 't vuur En loop wat af en an.
En 'k weet precies hoe laat het is â Zie 'k r.ouw den timmerman.
Kwartier voor zessen, strijk en zet,
Stapt i.odw, wat weer liet zij.
Met zijn gereedschap in zijn mand De deur van 't huis voorbij.
Die lodw is toch een flinke knaap! Wat schijnt hij kloek en sterk!
Zijn baas â al is hij jongste gast â Geeft hem de keur van 't werk.
r.ouw spaart, geen schuier voor zijn huis
(irielje's Verzuchting.
quot; Of water voor 't gezicht,
Zijn haar is altijd glad gekamd,
Zijn schootsvel net en dicht;
Zijn hamer, beitel, schaaf en zaag.
Die hij met werken won,
'k Geloof dat hij ze in orde houdt â Ze blinken in de zon.
De meeste klanten van zijn baas
Zijn wat gesteld op lodw !
Hij is geen dagdief voor het volk En toch zijn meester trouw.
O gunst, hij kan zoo vroolijk zijn!
^ Hij 's vriendlijk en gedwee;
Maar waar de twist het vuurtje stookt Daar doet hij nimmer mee.
En biedt men louw een glaasje bier
Of soms een borrel aan,
Dan neemt hij wel het glaasje bier
Maar laat den borrel staan;
Want lodw zegt â en ik zeg het ook â
Dat voor den ambachtsman De kracht niet in jenever zit,
Bij 't geen hij wil of kan.
En 's Zondags moest je hem eens zien â
Dien louw den timmerman!
Dan heeft hij wat een fijne jas Een vest met streepen an;
^ Dan draagt hij ook een waterproef!...
O, zie je 's Zondags lodw.
Geen burgermeisje van fatsoen Dat hem versmaden zou.
Komt hij voorbij en____sta 'k voor 't raam.
Dat licht gebeuren kan â
'k Doe dan maar of ik hem niet zie,
Dien louw den timmerman:
'k Beken; het is we' niet beleefd, ...
Neen meer: het is zelfs dom;
Maar louw zegt evel goeiendag En.... ziet wel zesmaal om.
A Ik znu wei graag beleefder zijn....
75
Grietjes Verzuchting.
Maar die verwenschte kleur!
't Is of ik door den grond verzink
Als ik hem maar bespeur;
Die kleur... maar kom, wat praat ik toch!
Mocht louw mij eens verstaan â
Hij zou wel denken dat ik hem____
O, foei! daar 's niets van aan!
Ik prijs hem maar als timmerman....
Wat zit ik in de klem Als neel van d' overkant, die feeks,
Mij somtijds plaagt met hem!
Maar wacht____'k weet ook wel wat van haar....
Die jan-buur.... 'k ben niet blind!....
Maar 'k moet toch zeggen, dat ik lodw Wel tienmaal knapper vind.
Mij dunkt, eens zie ik LOüw nog baas,
Veel klanten in 't verschiet;
Maar daar hoort altoos duimkruid toe,
En 'k hoor, dat heeft hij niet.
Nu, dat's geen schande, goed en gaa
Geldt meer dan rijk en slecht;
En zoo je als meester krukken moet,
Dan is 't maar beter knecht.
Mijn erfenis van petemoei,
Die vaststaat te Amsterdam____
Dan 'l geen er in de spaarbank staat.___
De bruidsgift van oom bram....
Laat zien, dat maakt toch bij elkaar... .
Maar kom! waar dwaal ik heen V 'kWou voor geen duizend gulden dat....
Ei wat! ik ben alleen.
Wat zou ik zeggen als hij kwam?
Geen âja!quot; dat past me niet!
'k Geloof dat ik de heele zaak
Aan moeder overliet;
Maar als d i e haar verlof eens gaf En hij me vroeg â wat dan!
Ach!.... 'k droom misschien van nacht alweer Van LOrw den timmerman.
1847.
7(1
Belrachling van Loutv Jen Timmerman.
77
|
Betrachting van Loi Of ik het wel heb â 'k weet het niet! Maar toch, ik stel 't mij voor; Zei ik aan grietje wat mij schort, Ze gaf me een gunstig oor. 'k Loop dag aan dag haar huis voorbij, 'k Noem honderdmaal lieur naam; Ik zie haar zelden langs de straat. Maar menigmaal voor 't raam. Bij de ochtendklok, in 't avonduur. Krijg ik een blik en knik; Want â als 'k naar huis of winkel Ze weet het op een prik, (trek. Niet dat ze aan 't glas haar werk (verzuimt Omdat dit juist zoo treft â Alaar 't uurtje dat ik kom en ga.... Dom â wie dat niet beseft! Dal grietje!.... 'k Geef mijn kop er (voor â Geen mooier, liever meid! O, 'k droom zoo zoet, als 'k droom dat zij Voor mij is weggeleid! Ze is zuinig, zin;llijk, zuiver, zacht. Ze heeft een fijn verstand: Maar ze is â en 'k vind dat juist niet Niet schrikiijk bijdehand, (kwaad En 's Zondags! kijk, ik zwijg er van. Wat raakt mijn hart dan vol! Ik voel het dikwijls's Maandags nog â Dan is mijn hoofd op hol; Dan zaag ik scheef en spijker mis. Ze lachen me uit â de knechts, Als 'k voor mijn boor den beitel neem. En links verwar met rechts. Want 's Zondagsâ weet je 't ? â naar En uit de kerk naar huis, (de kerk Dan zie, dan spreek ik grietje vaak, Al hoort ze niet kwansuis; |
w den Timmerman. Maar of ik spreek, dan of ik zwijg â Mijn zaken staan niet kwaad; Haar goelijk lachje zegt het mij Dat zij me best verstaat. Haar kleeding is ook juist van snit. Wie 't anders zeit â bij jokt; Haar net figuur heelt menigmaal Me een blijden roep ontlokt; Niet zwierig is ze als neeltje-buur, Maar beter is beur smaak; Met ééns -oo min doet ze ééns zoo veel. Dat's 't mooie van de zaak! Wat zou ze een zuinig vrouwtje zijn. Als 'k eenmaal haar bezat! Als 'k eigen klanten, eigen volk En eigen werkplaats had! Ik weet. Ik ben geen rijkaardskind. Eu karig is mijn deel; Maar ook mijn baas had kruis noch (munt, En moed bij jeugd kan veel. De rijke zoon van slachter rus Waagt ook een oogje aan haar, En kijk, dat zit me dwars door't lijf. Zag hij zijn kans eens klaar!! Die pocher, die toch weinig meer Dan kalven kelen kan; Maar die voor haar... o, nam ze (hem!... Och dwaas, waar praat ik van ?!... â Dag louw ! riep zij me gistren toe; Dag louw !! 't ging door mijn (ziel! Dat zei me alleen, dat ik haar meer Dan jonge tus beviel. O, kijk, dat denkbeeld â 'k ijl van (vreugd I Verleden week was quot;t mal: |
Oost-lnjesche doofheid.
78
|
'k Cacht dat ik nevens orietje stond; 'k Stond in den krullensta). â Kom, grietje! zei ik, neem mijn (hand. Mijn hart behoort u lang; 'k Zal voor u werken al mijn best; Sla toe, meid! wees niet bang! We zijn een paartje juist van pas; We hoeren bij elkaar! â Och, grietje, bad ik, grietje-lief, Valt u dat âjaquot; zoo zwaar? â Neen, louwtjk-Iief, vervolgt een (stem, Maar schaaf wat beter voort! En wat die stem nog verder spreektâ |
'k Versta geen enkel woord: Mijn knieën knikken, 'k voel geen (grond; Ik gluur eens om â eilaas! Twee oogen staren fel mij aan â 't Zijn de oogen van mijn âbaas. En daarom, hoe het loopen wil. Mijn hoop word' niet gestuit; Ik stap naar grietje's moeder heen. En zeg mijn hart ronduit! Dan krijg ik mijn versland terug; Dan word ik kloek bij 't werk; Dan is licht, als 't weerZondag wordt. De kogel door de kerk. 1850. |
Oost-Injesche doofheid.
|
Tv Wil 't wel weten dat klorinde Me in het hart bestorven ligt; 'k Val wat bloo, en toch 'k beleed haar Mijn gevoel door lonk en dicht. Maar ja wel! Ze is niet hardhoorend Of onvatbaar, zoo 'k geloof â Voor mijn zuchten en mijn zangen Blijft nochtans klorinde doof. 't Dacht: ik was nog al kapabel; 'k Werd begeerig naar een ambt, 'k Heb vol moed de groote heeren Met verzoeken aangeklampt: Ach, wat hielpen al mijn beden. Die men stil ter zijde schoof, 'k Had geen wagen om te kruien En... de heeren bleven doof. 'k Had een tante, 't mensch had (centen, |
Of ik op 't legaatblad stond ? 'k Hoopte't wel, maar mijn vertrouwen Had, helaas, een zwakken grond. Andre neefjes wisten beter Orn te springen met de sloof; Nu ging 'k ook mijn best aan 't (vleien â 't Waste laat; mijn moei was doof. Doofheid is een ramp van 't leven, Die wel medelij verdient; Met geduld zou 'k willen schreeuwen Aan het oer van vrouw of vriend; Maar bij enklen, 'k wil 't bekennen. Staan geduld en ijver stil, 'k Heb geleerd : het doofst van allen Is h ij die niet hooi en w i 1. 1846. |
De Nieuwe Heer.
De Nieuwe Heer.
Een dorp, de naam doet weinig tot de zaak.
Een dorp, waarheen ik soms een tochtje maak, Is 't oord, waar 'k n w verbeelding heen wil leiden.
Niet groot, niet klein, maar ietwat tusschenbeiden Is de omtrek, die een honderdtal of wat Van zielen â grof en fijn â te zamenvat. Een kastelein, een kroeg, een kerk met toren. Een kolfbaan, school, een schout en assessoren.
Een arts voor rnensch en dier, een ambachtsheer. Een vroedvrouw, smid, een groote pomp en meer Geriellijkheèn zijn hier in volle werking;
Mijn teekenstift, ik voel het, eischt beperking â¢.
Wat zegt het of ik haarfijn u beschreef Wat jan bezit, wat piet zoo al bedreef,
Of enklen voor 't herzien der Grondwet waren. De ontvanger veel oninbaar moet verklaren, Uf 't Handelsblad er daaglijks circuleert,
Of men er druk den stoomgeest refuteert;
Genoeg, een dorp is 'tals vele andre dorpen,
't Bevat veel goeds; veel kwaads mocht wel verworpen: 't Heeft huis en hut, naar eiscb van rang en staat. Geboomte in 't roml en keien op de straat;
'i Heeft boeren, dik van buik en grof van leden;
't Heeft meisjes, vol van zoete aanminnigheden,
.Ta 'kweet niet wat het biedt en niet al biedt,
Of de omtrek productief is ofte niet.
'IHeell wijzen, maar niet vrij van dwaze grillen. En dwazen, die graag wijzen schijnen willen;
't Geeft zoet en zuur: nog eens, 't heeft goed en kwaad. Maar wat het.heeft â 'theeft koppen in den raad. Ja, kon de zaal van 't oude rechthuis klappen. Wat wijsheid kwam aan 't licht! Wat eigenschappen Van geest en denkkracht spraken als de dag Van \ corpus nobilé â van 't dorpsgezag.
Bezorgd voor 't heil van tal gemeentenaren.
Begreep de raad, dat ze allen kindren waren.
Waarover 't vaderschap hun was verleend.
En aan wier borst de kudde lacht en weent. Wat kenden ze op een prik hun dierbre schapen Hoe laat een elk er opstond en ging slapen;
Wat piet al in de melk te brokken had;
Hoe duchtig hein er in de pekel zat;
De Nieuwe Heer.
Wat gouden troost aan japjk stond te wachten; Wat velen over klaassens dochter dachten;
Waarom jeroen de kroeg niet meer bezocht;
Voor hoeveel kees zijn roodbont had verkocht, Hoe saar na d' echt heel anders was geworden; Hoe duchtig krelis' erfgenamen morden;
Waartoe jan-piet zoo dikwijls reed naar stee , Wat maarten vaak zoo deerlijk zuchten dee; Hoe lammert aan dien krabbel was gekomen; Wat geerte van haar vrijer had vernomen?
Waar sijmen heel zijn boeltje had verkwist; Hoe klaartje met haar buurvrouw had getwist; In 't kort: niets bleef den achtbren raad verholen Van 't dorperstal, hun zorgen aanbevolen.
Eén zaak nochtans gaf stof tot veel gepraat En eischte heel de wijsheid van den raad: Een nieuwe heer was in het dorp te wachten,
Geen wonder dat ze op juiste middlen dachten. Om 's mans ontvangst voor zulk een groot festijn Vol luister en vol jubel te doen zijn.
Een eereboog werd vluchtig opgeslagen En vlag en groen en luchters bijgedragen;
Eene eerewacht werd samengetrompet:
Zes llinke boerenzoons te paard gezet;
Een twaalftal meisjes moest met groen ham strooien; Men zou een zwijn op 't nadrend feest âvergooienquot;; In 't kort: 't was drukte en draven overal.
Verrukt door 't heil van onverwacht geval.
Bat aller blik het heerschap zou ontmoeten. Die, onbekend, de dorpers kwam begroeten.
Was ieder vol van 't geen gebeuren zou.
En groot en klein vol ijver in het touw.
Een schuit met koek was uit de stad ontboden.
En de eerewijn om 't heerschap op te nöoden; De kastelein bestelde een draverij,
Vier speellui en een fiksche danspartij;
Het zilver en het goud kwam op de proppen. De vroedvrouw zou do oranjevlag wat stoppen ; De meester, die de jeugd vacantie gaf,
Schreef sierlijk schoon â een deftige aanspraak af, Om daar den Heer de tranen mee te ontpersen; De schout zou 't hoofd met nieuwe pruik ververschen, Ue staatsierok werd voor den dag gehaald,
I )e zijden broek geheeld door draad en naald: 't Was hem genot zich in zijne eer te baden;
80
üc Nieuwe Heer.
Vol wijsheid sprak hij tot zijn wijze raden: â Het heerschap is een wichtig diplomaat.
Een die er zit in een ministeisraad Zoo 'k hoor; je weet: dat zijn heel groote heeren, Hij komt hier licht den landbouw hostudeeren.
En dus waar 't goed was hij op onze hand : Dus, mannen! houdt je ferm en wel constant,
We zullen hem zoo 't past terdege flikken,
Want groote lui, ze laten zich graag likken!
Bedenkt het wel, hij 's uit den Haag vandaan;
Misschien wijst hij den juisten weg ons aan,
01 werd door hem de zaak licht aanbevolen Van 't polderwerk en van den watermolen;
En raakt hij, wat ik hoop, op onze zij.
Licht krijgen wij den spoorweg hier voorbij.
O, 't is zoo goed bij vloeden en bij ebben.
Steeds in den Haag een goeden vriend te hebben:
Viel voor de Staten soms ons oog op hem,
) Ik spreek ronduit, ik gaf dien man mijn stem;
'k Heb zoo'n idee, hij is niet een dier snaken,
Die voor elk nieuwtje veel bombarie maken,
Een die voor 't geen bestaat, recht houw en trouw,
Geen warman in de Kamer schoppen zou. â
/00 n taal had men in lange niet vernomen,
Hoe kon de schout aan zooveel wijsheid komen ? I Men knikte en snoot den neus met deftigheid,
En oud en jong was tot de ontvangst bereid.
De groote dag mocht eindelijk lumieren.
En 't heele dorp toog naar de dorpsfrontieren;
Bezilverd en begoud was 't zondagspak.
Met loof en bloem op hoed en buis en jak ;
De tijd kroop om; vervelend is het wachten;
De raad zat naar den eerewijn te smachten.
De jongens naar den koek; de kastelein â
Hij raamde reeds de ontvangsten in zijn brein,
En vaagde 't stof van kannen en van kroezen; De bakkersvrouw bezag haar mand met soezen.
En de uitroep, dien men overal vernam,
^asdmirt zoo lang, 'k wou dat de Heer maar kwam. Maar niets dat in de verte scheen te dagen.
Een slijkschuit of beladen bolderwagen.
Doch anders niets langs 't pad of op de Schie;
Maar ja, o vreugd! daar zien ze een tilbury Met volle vaart de groene grenspaal naken;
81
6
g2 De Nieuwe Heer.
Een blijde kreet doel aller hoop ontwaken I Een rijtuig draagt een netgekleeden heer,
Hij is het, dien men wacht: geen twijfel meer! De hoeden af: 't bestuur splitst zich in rijen, De diender rost de jongens tussclienbeien.
De meester haalt zijn aanspraak voor den dap, De koster wuift met opgeheven vlag;
't âHoezee!quot; klinkt luid uit honderden van kelen, De paardennek voelt zich door de eerwacht streden; De burgemeester draait zijn pruik wat goed,
De sjees komt aan, en 't volk liep haar te moet; Luid is de roep van vrouwen en van mannen ; Het paard wordt van het rijtuig afgespannen; Men leidt het voort bij d'afgeworpen toom,
Veel lieden slaan de handen aan den boom Des voertuigs, opdat menschen 't zouden trekken â Een hulde om aan een koning te verstrekken.
Maar 't is of 't heerschap schrikt van al die eer; Bleek als de dood zijgt hij in 't rijtuig neer,
Ciell riep hij tot de schreeuwers en de wuivers. Prenez ma hours! ze hield ruim zestien stuivers. â Neen, sprak het volk, we willen geld noch gift ! Lang leef de Heer! schreeuwde elk in Wijder drift. Maar 't heerschap was van wee ineengedoken; De toespraak werd manmoedig uitgesproken; De strooisters wierpen al haar loovers uit, Een zegezang verzelde de optocht luid;
Men danste en sprong om 't hobblend rijtuig henen, De vreugd steeg hoog bij grooten en bij kleenen; De tocht ging op 't eerwaardig rechthuis af.
Waar men een feest ter eer van 't heerschap gaf. Doch deze schonk nauw teekenen van leven,
't Scheen dat hem 't volk deed sidderen en beven. Slechts schuchter zag hij somtijds in het rond, Of hier of daar zijn blik een uitweg vond. â Ãcoutez mox, sprak hij, monsieur le inaire,
Moi, je suis ui voleur, ni refractaire,
Je suis____â Ja, hoor, verstaan doen wij je niet,
Als jij voor ons maar goed bent en splendiet;
Lang leef de Heer! herhaalden duizend monden,
Toon ze allen voor 't versierde rechthuis stonden. De Heer werd uit de tilbury gerukt.
En door een elk om strijd de hand gedrukt En met gejuich de woning ingedragen;
Wat was de man getroffen en verslagen!
Be Nieuwe Heer.
Nu zag hij 't in, 't was eer die men bewees, Verwondering verbande de ijdle vrees;
â Et c'est pour moil riep hij in 't hart bewogen, AU, trop d'honneurI en wischte een traan uit de oogen, Vous doms trompez, je crois! maar 't: âleefde Heer!quot; Verdoofde donderend zijn woorden weer.
Ten langen laatst treedt hij de rechtszaal binnen.
Maar hemelI is de Heer niet bij zijn zinnen?
Hij tuui't in 't rond, half blij, half droef te moe.
Stapt eensklaps naar een hoek der kamer toe.
Plaats zich er voor een vreemdling, daar gezeten, (Hoe die daar kwam ? â de drommel mocht het weten!) Buigt, draait in 't rond en spreekt zijn vreemde taal. Als stond hij voor een vorst of generaal.
Wie mag die snuiter zijn, wis ingeslopen ?
Men fluistert, schaart zich bij elkaar op hoepen.
Men ziet met eerbied wat toch 't heerschap doet, Ontwaart hoe hij den vreemde flikt en groet,
Hoe hij met drift de hand steekt in zijn zakken.
En toen op eens een rol schijnt uit te pakken.
En iets noteert in een beduimeld boek.
En d'andreu man de maat neemt voor... een broek.
Misleiding, ach, we mogen 't anders wenschen,
Is de eigenschap, helaas! van 't gros der menschel); Wie boven dit gebrek in 't leven »taat,
Geen boer, geen heer, zelfs geen gemeenteraad.
Hoe 't mooglijk was om zóó zich te vergissen, Hoe schout en raad zóó 't juiste doel moest missen, Hoe de echte heer hun blikken was ontgaan In 't rechthuis, kijk, 't was niet om uit te staan I 't Gewoel van 't feest was hij te recht ontvloden. Hij had in 't dorp zijn kleerensmid ontboden.
Ziedaar^de zaak; maar sinds dit neetlig feit,
Wordt van den schout met zekerheid gezeid:
Dat hij steeds vloekt op vreemde land verzakers.
Maar bovenal op Fransche kleerenmakers.
Hij zweert bij kris en kras, en streng en stijf, Dat nooit zoo'n klant hem raken moet aan 't li if 1347. J
83
Lofzang op Californie.
Lofzang op Californie.
Triomf, de dood aan Schralestein I Geen zorgen meer voor groot of klein Om in een schuldenzee te zinken; We maken CROESDS tot een nul; Dat ieder nu zijn kisten vul! â Een gouden wereld staat te blinken I Wat heb je noodig'? â Grijp een spa En trek naar California.
Zet vrij de zorgen aan een kant;
Daar, in dat echt Luilekkerland Ligt reeds je schittrende oogst te rijpen. Goud wat er blinkt, goud wat je ziet, 't Zijn klompen goud en anders niet; Je hebt het enkel maar voor 't grijpen; Dwaas, die in leege zakken tast En niet naar 't rijke land verkast.
Bestel je al vast een prachtig kleed. Het land, dat straks je voet betreedt. Bestaat uit louter rijke menschen;
Platina, goud of diamant â
Het ligt er alles voor de hand.
Kan je ooit het makkelijker wenschen? Studeer al vast op Dandy-airs; We worden allen millioenairs!
Nog eens: bestel je een schittrend pak En geef je beren vrij den zak. Hun schrille stem is licht te smoren. Want, heb je d' aap van ginder beet. Dan sla je ze allegaar, wat leed! Met gele vinken om hunne ooren; Dan gaat je roem van mond tot mond En rijd je in gouden koetsen rond.
Hoezee, daar daagt in 't duister licht! Een nieuwe toekomst is in 't zicht; Geen mensch hoeft voor zijn lot te beven: De beedluars hebben afgedaan, De rijstebrij-berg lokt ons aan; V.'r zullen lui en lekker leven;
Lofzang op Californte.
We smullen braaf en slapen lang,
En gaan naar lust onze' eigen gang.
Dan baden we ons in zoeten wijn,
Dan zal het altoos kennis zijn;
Dan lachen we om ons vorig slaven.
Dan varen we onder vrije vlag Van Zondag tot aan Zaterdag;
Dan laten wij, wie lust heeft, draven;
Maar wij, wij juichen gloria In 't zalig California!
0 heerlijk, onwaardeerbaar land,
Dwaas, die niet van verlangen brandt Om straks je dierbren grond te kussen. Al lijden wij daar hongersnood.
Of slaan elkaar bij hoopen dood â V/e mazen onzen naad intusschenl Wal roosje dat geen doornen droeg? We worden rijk en dat's genoeg 1
Goud, zielverkwikkend tooverwoord,
Klank die het kilst gemoed doorboort,
Zaad voor elk' onbebouwden akker,
't Schept stompe koeien-hersens om,
't Hoedt voor te dorren ouderdom,
't Maakt suffers, ja, soms dooden wakker : 't Geeft schoonheid, glans, verstand en moed, 't Maakt krom tot re^ht en kwaad tot goed.
0 toekomst, blinkend ver-verschiet!
Neen, plannenmakers, wanhoopt niet Aan 't zalig rijk der Communisten:
We steken, iedre scheuring moe.
Elkaar de hand van vriendschap toe,
Op onze boordevolle kisten;
En iedre barst en iedre fout Soldeeren wij met klinkklaar goud.
Och, leen het oor den tobber niet.
Die overal bezwaren ziet.
Waar wij den CROESDS-jubel vieren; Die vraagt: wie eens je hemden stikt. Je glazen wascht, je schoenen flikt,
Als alle menschen rentenieren'?
âOm den Wille van hel Smeer, enz.'
Kom, troost je, wie die zorgen voedt; Wie weet wat eens de liefde doetl
Slijk, zeggen ze, het mocht wat! slijk?... Wat rijmt er op? het machtwoord; rijk â Rijk, geld in overvloed!! wat blief je? Wie luikt niet op bij 't woord alleen? Ja. kwam een schip met goud hierheen, Ik bleef niet achter, voor mijn briefje 1 En, zoo men mij een hoedvol gaf,
Licht stond ik er dit vers voor af.
Nog eens triompf! Nog eens hoezeel Wie trekt er naar het goudland mee,
Naar de eedle Sacramento-boorden ?
Daar eet je goud, daar drink je goud.
Daar wordt een gouden graf gebouwd Voor hen die daar van honger smoorden; Ja, juich en dans en slijp je spal Lang leve California!
1849.
âOm den Wille van het Smeer Lekt de Kat de Kandeleer.quot;
(bij de geestige schilderij van david bles, met bovenstaands spreuk bestempeld).
8C
|
âOm den wille van het smeer Lekt de kat de kandeleer.quot; Cats deed ons de spreuk onthouên, Zou ze waar zijn, tante Lot? Gaf ze een steun aan jou vertrouwen ? Oef, wat zit daar achter slot! Zet je vinken wat te luchten, Die bureau of kist bevat, En laat iedren schraalhans zuchten En verkneukel je in je schat! Vader heeft hem saamgewonnen; Petemoei schoof óók wat af! Neef grijpt straks je Dukatonnen, Als jo duikt in 't zwarte graf. |
Foei, wat schrikbeeld! Laat hei (varen!... Zijn die Zeeuwen daar feerand? Hé, wat goud! Hoe kon je't garen? Droom je niet van dief of brand ? 't Bedelvolk moet u wel kwellen! Beedlen, foei I â Nul, 'k hou er een. Kon je 't met je vrijers stellen? Rouwde u nooit een blauwe scheen? Had je nooit eens trek in trouwen ? Dekt geen poeier meer je grijs? Bleef je bruidspak in de vouwen? Jong wat keurig âoud wat wijs? Roef! daar knarst de straatdeur open.. Bad die ziel óók om je Jaquot;, |
Arme Klaas.
87
|
Hoe hij aftrekt! Voor zijn hopen Lacht hem neel, de meid, nog na. Och, wat grijpt hij naar zijn hoedje! Heel zijn plan is naar de maan! Zeg, wie lichtte hem het voetje! Heeft die snor het soms gedaan? 'k Zie den sabelaar wel zitten â 't Kind der republiek, hoe kloek! Schijnt de zon ook op je pitten. Want hij pinkt zoo naar dien hoek? Neen 't zijn lachjes die hem sieren. Lachjes van een vroom soldaat; Watte zedige manieren! Wat 'en honigzoete praat! Kijk, wat zijn die stevels blinkend. En wat is die knevel zwart, En wat zijn die sporen rinkend. En wat klinkt die pallas hard! Och, wat streelt hij lief je katje. En wat speelt hij met Fidel! Noemt hij u daar niet zijn âschatjequot; ? Tante lotje, hoor ik wél? lieer mijn tijd, wat zien mijne oogen ? Haast had hij je wang gekust! Zou die roos iets zeggen mogen ? Wordt je hart niet ongerust? Maar je blikt ter rechter-henen, |
En je lacht ter linker-zij: Wat toch deed je borst versteeneir? Schenk hem ietwat medelij'! Sluit uw oor niet voor zijn klanken. Hoor je dan die zuchten niet? Zijn dat dan geen minnespranken. Als zijn oog die vonken schiet .' Ja, je zegt: âme zestig jaren. En me zinkings en me jicht;quot; Maar, is liefde in 't hart gevaren. Och, ze telt die zaken licht. Telkens peinst hij : wat te zeggen. Telkens blikt hij rechts ter zij'. En ziet soms, in 't overleggen. Uw gezocht persoon voorbij. Nu, wat zeg je, tante lotje? Kan je âjaquot; nog niet van't hart? â'kBlijfgraag meester van mijn potje!quot; Zeg je tot 's mans bittre smart. O, wat is zijn kans aan 't dalen. Straks trekt hij wanhopig af. En zijn scheen zal 't hem herhalen, Wat je hem tot antwoord gaf: âOm den wille van het smeer Lekt de kat de kandeleer.quot; 1846. |
Arme Klaas.
|
Arme klaas, wat zijn je grieven. Dat je hoofd zoo zeurig hangt? Zie jij tal van makkers lieven, Tal van malsche kusjes dieven â Waar jij vruchtloos naar verlangt? Ja, je baard is glad geschoren En je laarzen zijn gesmeerd. En je das zit naar behooren ('k Zie: je strik zit vlak van voren), En je hoed staat niet verkeerd. Maar dat is 't niet al, me jongen, |
Waar je 't meisjeshart mee wint. Heb je naar een prijs gedongen En er niet mee weggesprongen ?... Groote klaas, word toch geen kind! Mal hij, die den moed laat zakken, âNeenquot; blijfljuist niet altijd âneenquot;! Die zoo gauw de hoop laat knakken En maar neerzit bij de pakken. Jaagt de kans al verder hoen. Laat u door geen woord verschrikken I Hart en mond zijn immers twee? Wie in gunstige oogenblikken |
Aan Don's Meisjen in de Nis.
88
|
't Eitjen op den kop kan tikken, Doet er zich meest voordeel mee. Heeft mooi mas je zij' verlaten? Lacht ze witjes tot jan-piet? Zou je daarom 't hijlik haten, Overal van ontrouw praten? Gekheidl denk: zij deugt me niet. |
Och, voor haar komt licht een beter 1 Hoor je naar geen vriend? helaas. Trouwe harten, man, ik weet er â Maar je wrok wordt nog al heeter..... Arme klaas, och arme klaasI -1848. |
Aan Dou's Meisjen in de Nis.
|
Wat uw oog in 't duister treft? Wairom je uit het nisje gluurt, i5n uw lampje buiten houdt. En uw tijd vertuurt? Zijn die oudjes in 't vertrek Wel 't gezelschap van uw keus? Is uw kondschap van het weer Niet maar voor de leus? Ziet ge sterretjes omhoog? Ziet ge sterretjes omlaag â Sterretjes aan de overzij ? â 'tls je maar een vraag. |
Hoort ge sorns een avondlied. Dat uw hartje roert of streelt â 'k Meen zoo'n liedje, waar 't gevoel Ietwat onder speelt ? 't Oolijk lachje, dat ge ons toont, Zegt me, al zwijgt uw mondje stil. Meer dan ik u vragen durf. Meer dan 'k vragen wil. Meisje-lief, toef niet te lang, De avondkou bekomt soms slecht, Zie eens naar uw oudjes om â Houd uw lampje recht 1 1850. |
In de Bruidsdagen.
|
Roezige drukten; 's Avonds laat op; Pretjes en kluchten; Wals en galop; Geuren en kleuren; 't Huis van zijn streek; Zuchten en zangen. Blozend of bleek. Zusjes met neefjes. Nichtjes met broers; Diepe geheimen â Schat van discour ; |
Kaartjes, receptie; Liedjes der min; Lantren en leutren. Wondere zin. Werkdag tot Zondag, 's Zondags in 't touw ; Raad van modistes; Meidengesjouw. Zorg voor papieren; Haarlemmer krant; Fooien, presentjes; Blondes en kant. |
Klaaylieci van Jan Chagrijn.
|
Suikers en koekjes, Hypokras, wijn; Vrienden in waarheid, Vrienden in schijn. Vreemde gezichten! Buren voor 't glas; Brieven van buiten; Geld in den tasch. Jolen en juublen; quot;Wee mijquot; en âach 1quot; Tranen met tuiten; Stof tot gelach. Vuurwerk en verzen Saai en gerekt; Knollen â citroenen. Bombast-effect, Nitri en Holfman; Spraakwatersbron; Tal van surprises, 't Opgaan der zon. Kappers en snijders Vrij wat bestiers; Halen en brengen: Heil voor koetsiers. Boden en dienders; Gang naar 't stadhuis; Mildheid in 't geven... |
Sorns bij abuis. Andermans veeren; Zilver en goud ; Brandende harten. Kunstig maar koud. Mocdergeneugten; Vaders bestel; Uitzet-hezwaren; Hemel en hel. Zucht naar het kooitjen, Angst voor quot;t verschiet... Bruidspaar, gevierde. Doel van het lied ; Neem bij de wenschen U reeds gedaan, Van me op den koop toe. Dézen nog aan: Zij u de bruidstijd 't Pad tot geluk ; Noem gij hem nimmer Voorboo van druk. Zoo helpt deze eindbee U aan genot, En voor het rijmpje Mij aan een slot. 1849. |
|
Klaaglied van quot;k Hen niet wat ik eertijds leek; Zoo gezond en krachtig ; 'li Dut soms bij de schoonste preek, Kijk, het spijt me machtig; 'k Lig te waken in mijn bed, 'k Droom heel naar of sidder ; 'k Haat gezelschap, schuw de pret, 'k Dwaal als dolend ridder; 'k Heb een hekel aan 't kantoor, 'k Maak er duizend bokken; Stelt men mij iets deeglij ks voor â 'k Gooi het in de stokken. 'k Heb liet land aan mijn viool |
Jan Chagrijn. Die men me eens benijdde; Als 'k in mijn lectuur verdool. Roept me een vriend ter zijde. Lel maar op: het weer is slecht Als ik zal gaan visschen; Wat ik zoek, komt nooit terecht; Wat ik vind, kan 'k missen. Wie ik liefst ontwijken wil Kom ik 't eerste tegen; Als ik graag mijn kooplust stil â Ben 'k om geld verlegen. Krijg ik wijn â ik heb geen dorst; Als ik speel â verlies ik ; |
Lijsje'a Overdenking.
91)
|
Vraag ik kip â men geeft mij worst; Onder 't scheren â nies ik; Meld ik nieuws â men kent het al; 'k Word al stug en stugger; Vraag 'k een dame voor het bal â Andren waren vlugger. Als 'k met smart op brieven wacht â Krijg ik____rekeningen; Heb 'k een aardig lied bedacht â Buurman gaat het zingen ; Moet ik uit â mijn linnengoed Is bevlekt of pover; Eischt mijn hillet-doux veel spoed â 'k Smijt er d' inktpot over; Geef ik iets mijn maaklaar op â Hij verspeelt mijn renten; Schrijf ik versjes â op mijn kop Trommlen recensenten; Is mijn weetlust opgewekt Voor een stal van boeken â Och ja well ze zijn defect Waar 'k iets na wil zoeken. Als 'k op reis beu en gejaagd â Blijft de spoortrein steken; |
Ben 'k op een diner gevraagd â 'k Las dan liever preeken. Drink ik thee en wensch ik zwart â Groene moet ik slikken; Speel ik een partij biljart â 'k Beef als 'k mooi zal mikken. Zoo 'k eens op de jacht wil gaan. Moet ik uit begraven; Lacht een lekkre vrucht mij aan, 'k Mag me er niet aan laven. Als ik liedjes zingen zou, Ben ik dood verkouën; Waar ik me op het ijs vertrouw â Kan 't me niet meer houën... En toch lachte ik dol van pret Bij die zielesteken, Was mijn lieve siene-bet Niet voor mij verkeken. Ach, wat troost me in al't chagrijn'.1 Wijs me toch het klooster! Of, zoo daar geen plaats mocht zijn... Word ik ziekentrooster 1 1859. |
Lijsje's Overdenking.
|
Met het botten van de boomen Is mij iets in 't hart gekomen, Dat ik niet beschrijven kan; Lacie! 'k heb zoo'n spijt er van Dat ik mij niet goed kan houën. Als 'k bij 't muurtje, naast de kreek. Somtijds jan, den tuinman, spreek. Wat ik vroeger anders leek! 'k Dacht aan vrijen noch aan trou-Moeder zei verleden week: (wen... Kind jou hart is van zijn streek. Moeder heeft het wel bij 'trechte; Toen ik vroeger kransjes vlechtte. Of de vlinders ving in 't woud. Zeker, 'k was toen ook niet koud, 'Jaar toch was het kalm daarbinneu 1 |
Wat een lieve lentedag, Toen mij jan de tuinman zag! Toen die ruiker naast mij lag. Wat verandring in mijn zinnen! Is 'tmijn schuld dan dat zijn lach Zooveel op mijn ziel vermag? Moet ik soms naar moeders klanten, 'k Gluur dan eerst naar alle kanten; Maar, kom ik zijn tuin voorbij. Wip, dan springt de guit me op zij, Hoe hij 't aanstonds heeft vernomen, Hoe hij mij zoo daadlijk ziet... Neen voorwaar, ik vat het niet! Naast hem zie 'k een schoon ver-(schiet |
Jan die Lacht en Jan die Schreit.
91
|
En ik wieg me in zoete droomen... Schaamte voel ik, geen verdriet... Foei, dat ik mij kussen liet! O, wat moet ik thuis soms hooren ('k Moet bekennen: 'k was te voren In een ommezien weerom). Als ik laat bij moeder kom ; Maar is moeder dan vergeten Hoeze eens,jong van jaren, was?... Als zoo'n woordjen op zijn pas Nu mijn zielskwaal maar genas! Maar â al was ik nat bekreten, 'k Wierd tot vreugd gestemd zoo ras 1849. |
'k In zijn goedige oogen las. .Tan gaat morgen moeder spreken, Na 't beraad van zeven weken; Wat die pijniging mij heugt! 'k Sidder nu van vrees en vreugd, Maar, hoe zou ze weigren kunnen! Jan is zuinig, goed en klaar, Ik word spoedig achttien jaar; Dat ik maar wat ouder waar! Evel zal ze 't wel vergunnen. Morgen! was die tijd al daar! Ach, wal valt mij 't wachten zwaar. |
Jan die lacht en Jan die Schreit.
een beeld van het schrikkeljaak 1848.
|
Jan die lacht en jan die schreit: Overmoed en moedloosheid, 't Recht van meerderheid verbeurd. Tronen door het slijk gesleurd, Adelbrieven, och, wat nuts Voor een Jacobijnenmuts! Hermelijn, ja, komt er om Voor den ordeloozen drom; Rotsen liggen neergeveld Door een uur van woest geweld. Heer en knecht â geen onderscheid... Jan die lacht en jan die schreit. Hier en daar Sint-Veltendans In der bajonetten glans; Leer om leer en strijd om strijd, De eeuwenreeks haar nimbus kwijt ; Parvenu's op 't hollend paard, Eed en bond tot nul verklaard; Knieval voor een schaduwbeeld; quot;Vrijheidsliedjes rondgekweeld â Zwaard of kogel aan den man. Die ze niet goed zingen kan. Openbaarheid overal; Groote zondaars in den val; |
Voor verdrukking â ergernis; Eene ontwaakte Nemesis; Wetten â een kleingeestigheid... Jan die lacht on jan die schreit. Schulden- en gowetenslast Reeds tot bergen opgetast; Duizend dokters voor de kwaal. Maar de lijder krank en schraal; Mieren op een vuilnishoop; Diademen â schandekoop; Harmonie â maar in 't kanon; Krantennieuws â een rijke bron; 'tGoed vertrouwen op de vlucht; Twist in leer, maar zonder vrucht; Hooge trots in 't haren kleed, Boei voor eigen val gesmeed. Blinde, die den blinde leidt.... Jan die lacht en jan die schreit. Do industrie vervloekt, vergood â Nijvre handen zonder brood. Heiligschennis, twijfelzucht; Drukperstelgen zonder tucht, *t Knielen eischend van de schaar |
Verzueiiting van een Man uit de Hoogte.
92
|
Voor een Joodschen wandelaar. Kloeke strijders voor het recht â Lange weg en moede knecht; ilarten leeg en hoofden vol, 't Godshuis tot een roovershol; Onderwerping â 't wonderkind. Bij verlichting stekeblind, Eenheids hooge theorie. Of ze stand houdt; â ga en zie; Hoe de wereld voor haar pleit... Jan die lacht en jan die schreit. Zoo er nog een plekjen is, Waar uit spijt of ergernis. Waar, uit wreede bandloosheid. Jan niet lacht en jan niet schreit; Waar nog orde en vrij ontzag Roersels zijn van 't vrij gedrag. |
Waar, bij dwang of slaafsche tucht. Jan niet naar veraadming zucht; Waar de degelijke man Waarheid spreekt en hoeren kan. Maar niet dwaas zijne oogen sluit. Als het kwaad de ontwikkling stuit; Waar hij doet, maar kalm en koen, Wat zijn hand ooit vindt te doen. Wars van iedren oproergier. Die geliefde plek zij hier. Zoo blijv' jan onze oude jan, Handlend waar hij handlen kan ; Nooit zij hij een slaafsche knecht. Maar aan orde en wet gehecht â Waarheid, vrijheid zij zijn pleit, 't Zij Jan lacht, hetzij hij schreit. |
Verzuchting van een Man uit de Hoogte.
BIJ DEN LAATSTEN KLOKSLAG VAN 1848.
|
Bulderbast, rnijn laatste groet; 'k Heb zoo luid ik kon getoet; Sli. \r, al wou ik je overstemmen. Oost en West en Zuid en Noord Heeft je basstem wel gehoord; Dondrend kon ze leeuwen temmen: 't Lam sprong met den wolf in 't rond. Hazen dansten om den hond. 't Was geen lola-ruzie meer Of het likken van het smeer. Om aümale of Spaansche duifjes; Maar, den kolder in den kop. Zet Parijs weer 't mutsjen op; 't Peuzelt weer aan de oude kluifjes. Orleans, och arm de ziel. Die als jij bij 't keeglen viel! 't Rijpaard zonder toom op hol, Och GuizoT, je paard is dol. |
Heel je stal loopt in het honderd; â Schrik niet, roept paljas, geen nood ! Straks pastei in plaats van brood; Heeft het onweer uitgedonderd. Dan is ieder Souverein; Weg met groot en weg met klein! Munchen, Weenen en Berlijn Wachten op den zonneschijn. Die moet volgen op den regen; Was die regen rood van kleur. Ligt de Bulhond voor de deur â Frankfort zet den boel ter degen En 't roept, heesch van 't schreeuwen : â Fin En johan schalt: â JaundNein! Och, dat draaien van den Pruis! Nu eens .welkom!quot; dan âniet thuis!' |
Moode Piet.
93
|
Michel solt wat met zijn Koning 1 'tWas een spel van kiekeboe, 't Was een strijd van Sic met fit; Prinsbroer, Brandenburg â vertooning! Haalt je hart op aan den Deen, Vecht met hem uit spijt om 't been! Dappre Keizer Ferdinand, Krijg jij aan 't rumoer het land ? 'k Liet als jij niet met me sollen; Stuur je knecht maar naar 't geraas: Ga jij naar je buitenplaats Om je matjes op te rollen! 't Kroontje â drukte of draaide 't zoo Dat je 't Neef gaf als cadeau? |
Rome, Napels, Pesth, Milaan, Opperhoofd en onderdaan. Ra, ra, wat ze toch wel willen? â Ook de koorts in Nederland, Maar 't receptje voor de hand, 't Drankje ook om de kwaal te stillen ; Willem hield de rust in 't rijk. Och, wat had de man gelijk! Acht en veertig, zondcnbok! Twalef uren heeft de klok; Voort dan, nest vol kwade zaken! Schouw eens rond wat zak en asch! Hij, die optreedt in je pas. Och, laat hij 't wat beter maken: Maar breng hij 't ook aan den dag 't Goeds dat in je knapzak lag. 1849. |
Bloode Piet.
|
Weet je 't al â of weet je 't niet, Hoe mooi leentje met haar piet Zich verloofden tot een paar 1 'i Wordt temet een jaar. Ach, wat was hij bloo â die piet, Voor een jongen deugt dat niet; Maar hij had een kiesch gemoed. En zijn hart was goed 1 Als hij vroeger leentje zag Zei hij effen: âgoeien dag!quot; Wat zijn hart zei, toonde piet Aan het meisje niet. Leentje mocht den knaap wel zien; Maar kon zij heur hand dienbiên? Foei, wat meisje van fatsoen Zou dat kunnen doen! Liefde deed piets boezem slaan. Maar kwam 't op zijn woorden aan. |
Dan, als had zijn mond de klem. Haperde zijn stem. Wat een vreugd lei ze aan den dag Als mooi leentje bloemen zag!... I k denk zelf ook aan een bloem Als ik leentje noem. Piet was van heur smaak bewust; 't Hart liet d' armen knaap geen rust Om â zij mocht het niet vermoên ! â Haar eens goed te doen ; 's Morgens ging hij onbespied, â Lieve meisjes, raadt ge 't niet ('t Is bij toeval dat ik 't weet) Wat de jongen deed? 's Morgens dan vóór dag en dauw. Liep hij als een ree zoo gauw En bracht haar een hloemenschat. Haar, die hij aanbad. |
Bloode Piet.
u
|
Stil lei hij dien voor heur raam. En hij spelde leentjes naam, Maar, vol vrees voor 't minst gerucht. Vlood hij met een zucht. En zoo ging het keer op keer: Telkens lei hij bloemen neer; Maar, toen leentje jarig was, Wat een pracht voor 't glas. Dat er liefde was in 't spel Merkte mooie leentje wel! â Wie, zoo zuchtte zij, wie is 't? Ach, dat ik het wistl Dééz geraden, dien vermoed; En, wat de ijdelheid al doet; Die galantjes wilden zijn. Pronkten met den schijn. Ja, wat schijn misleiden kan ! Andren kregen de eer er van: Maar van d' al te blooden pikt Dacht men zoo iets niet. Nochtans bracht hij keer op keer Haar zijn fraaie bloemen weer; Maar tot vlieden weer gespoord. Kon hij niet meer voort. Stak de kramp hem dan in 't been? Werd hij dof of duizlig ? Neen! Maar wat hield zoo stijf en stug Dan den knaap terug? O, dat piet het net niet zag, Dat daar uitgespannen lag! En dat daar zijn vlugge voet In verwarren moet! |
En, wie ooit zijn siddring maalt? Telkens wordt die klank herhaald, Als zijn voet zich krimpt of rekt, En de touwtjes trekt. Piep! daar piept het bovenraam! Piet ziet op en hoort zijn naam. En een hoofdje trekt zich vlug Voor zijn blik terug. Luid en luider klinkt de schel; De arme jongen moet nu wel, Maar, al trekt hij zacht of hard, 't Koord wordt niet ontward. O, wat wordt de bloede held Door verlegenheid gekweld! Maar, verlossing is nabij. Straks is piet weer vrij. Daar naakt leentje, met een blos, En zij knipt de touwtjes los. .. Wat er verder is geschied, Zegt de mare niet. Maar wat i k toch melden mag. Piet heeft na dien schrikbren dag Zijn verwenschte schuchterheid Eensklaps afgeleid. En, wat niemand gissen kon, Sedert hij zijn moed herwon. Blijkt het dat hij als een man Dapper vrijen kan. Ieder voelt wie 't meisje was. Dat zijn blooden aard genas; Want, wat ze in haar hart omslool. Lei heur blos hem bloot. |
't Helpt niets of hij trekt of niet. Weet je 't al, of weet je 't niet,
En, o schrik voor d' armen piet ! Dat mooi i.eentje met heur piet
Hoort hij't niet â of hoort hij't wel? Weldra staan voor 't echtaltaar? Daar weerklinkt een schel! Morgen zijn ze een paar.
De Hyena.
|
Meisjes, 'k zeg u op mijne eer. Bloode Pieten zijn er meer, Die juist niet bij minnegloed Koel zijn van gemoed. Daarom â zijn ze voor het oog Nu eens schuchter, dan weer droog, Weet: de vrouw is 't die den man Gansch herscheppen kan. Piet â wat heeft de knaap een pret. Spreekt hij nog van 't kluistrend net I Leentje spot dan wel met Piet, Maai' dat deert hem niet. |
Nu, ter zijde van zijn bruid, Lacht hij andre pieten uit, En ziet bij een groene min Blij de toekomst in. 'k Denk dat menig jonge borst Die geen leentje vragen dorst, Ook iu 't netje van de trouw Graag verwarren zou. Daarom, knapen, zijt ge bloo? Denkt aan piet en handelt zool Hoort mij : wanhoopt nooit geheel â Leentjes zijn er veel. 1847. |
De Hyena.
een historisch feit.
Oin Alkmaar loopt oen nieuwtje rond En breidt zich voort van mond tot mond En doet, door tal van bloed verhalen,
ilct brein in 't gissingspoor verdwalen. De landman, wien het onheil trof.
Peinst op het feit zijn hersecs dof; De vrees waart om bij knecht en knapen: In 't veld zijn gansche kudden schapen, In een, één enklen voorjaarsnacht. Verminkt of wreed om hals gebracht. Geen vijand was in 't rond te ontwaren, Toen 't zoekend oog het bloedig feit, In al zijn ruwe werklijkheid.
Bij 't rijzend daglicht aan moest staren. Wat ondier had Noord-Holland's kust Zoo onvoorziens, zoo vreemd ontrust, Om op het vreedzaamste aller dieren Zijn vuigen blooddorst bot te vieren'.'
Alen zoekt en vloekt en dreigt eu raast. Verdenkt de wangunst van zijn buren â Maar, hoe de nijd ook aan mocht vuren.
De bal wordt vinnig weergekaatst. Wat de een weervaart treil ook den ander; 't Verlies wordt algemeen eevoeki;
De Hyena.
En, toen de wrevel was bekoeld,
Stak men de hoofden bij elkander
En gaf elkaar het raadsel op;
Maar niemand die het uit kon leggen; Het bleef bij gissen en bij zeggen;
De twijfel voert de vrees ten top. Men hoorde wel in vroeger dagen Van wonderlijk gespuis gewagen â Van weerwolf en van bietebauw.
Maar foei, wat denkbeeld in dééz tijden 1 Al kon men 't hoofd er niet van vrijden,
Geen schepsel, die 't bekennen zou. Men vraagt den raad van wijze lieden,
Maar deze schudden 't wijze hoofd En weten raad noch hulp te bieden
Bij 't feit, dat have en rust ontrooft. Ja toch, één was er: meer dan andren,
In eigen schatting wel zoo knap Als honderd boeren bij elkandren,
Een ster voor dorpsche wetenschap; Een physicus â jeroen verstaven,
Die noch voor eer, noch gunst, noch gaven.
Maar dood onschuldig voor de grap,
Gelijk hij zei, met theoiieën.
Verschillend in hun aard en doel.
Zich bezighield, en 't zoet gevoel Van nieuwerwetsche phantasieën Den vrijen loop gaf. Met dat al Was hij een practicus in zaken
Van vreemden aard, ja, geen geval Waar hij geen mouw aan vast kon maken. Had hier of daar een kind de sprouw. Zag hij een paard met droes of kou, Had soms een buurman last van ratten, Zag hij een aangezicht met wratten.
Was hier of ginds het water brak,
Liep 't met den schapenteelt wat zwak, Kreeg iemand in zijn huis lekkages.
Trok de eene of de andre schouw niet best. Ging 't wat te houtrig bij vrijages,
Kreeg jan of piet gebrek aan mest;
Was 't weer in melk of room geslagen, Zal onvoorziens de worm in 't meel.
Werd iemand schor of stijf of scheel,
Jlad schout of baker 't wat volhandig,
Do Hyena.
Was kool of sla wat al te zandig â
Geen ongeval, geen ramp of twist,
Waar hij geen raad of hulp voor wist. Hij was de vraagbaak voor de boeren. Vertrouweling van maagd en vrouw, Hij wist de keten vast te snoeren.
Die zonder hulp licht breken zou. Hij breide netjes, plantte hoonen.
Hij sneed de vogels van de pip;
Hij wist de jeugd tot zich te troonen
Met hoepel, tol of meezenknip.
Hij stopte worst en draaide pillen;
Gezonden gaf hij lekkernij En kon met keur van artsenij De kwaal van iedren zieke stillen;
In 't kort â een man van zessen klaar. Meer waard dan goud voor vriend en buren,
Een dokter, die met nieuwejaar Geen taaie reekning thuis dorst sturen; Een toevlucht, als er weinig zijn,
Bij regen en hij zonneschijn.
Was 't wonder dat in donkre dagen,
Of, zoo als thans, bij vreemde plagen,
't Oog op het wonder werd geslagen ? Hij peinst gelijk 't een wijsgeer past; Gewis, een raar verschijnsel was 't, Wel waard om rijplijk te overwegen;
Hij schuift zijn pruikje wat op zij'.
En zet het spoedig weer terdegen.
En schudt het hoofd, maai' 't blijft er bij, Nog /.iet zijn oog geen licht in 't duister. Het onbegrijplijke is een kluister.
Ook voor een schrandren bol als hij; En toch, hij laat het daar niet bij.
Zijn kloek besluit is fluks genomen;
Hij pakt zijn biezen bij elkaar,
En maakt zich tot een uitstap klaar, Wat had hij voor gevaar te schromen?
Noord-Holland is geen woestenij ;
in iedre streek heeft hij bekenden. Die ongetwijleld bijstand zenden,
Wanneer dit mooglijk noodig zij. Wie weet, wat feit hij zal ontdekken. Wat roem hij zich door 't land zal wekken. Wanneer de ontraadsling hem gelukt.
De Hyena.
Wat vrucht hij van zijn ijver pluktl Gewapend met een paar pistolen.
Zijn lagen hoed met breeden rand, Een groote paraplui ter hand,
Zijn laarzen met driedubble zolen,
Zijn zak-Bulfon, ziju microscoop,
Ziedaar zijn rusting; vol van hoop Dat de onderneming wel mocht slagen,
Trekt hij, in neevlig uchtenddagen.
Zijn woning uit, de landstreek door, Hij onderzoekt, men licht hem voor. Hij meent, hij is de zaak op 't spoor.
Wat hinderpaal hij mag ontmoeten.
Naar 't westen tijgt hij moedig voort;
Maar wordt straks in zijn tocht gestoord, Wijl 't zeenat dartelt aan zijn voeten.
Daar rust hij tusschen 't spichtig kruid Der duinen van zijn wandling uit.
Zijn blikken weiden over 't water;
Hij peinst en tuurt in 't ver verschiet. Totdat op eens een schril geschater
Niet vei- van daar zich hooren liet.
Hij heft zich op en blikt in 't ronde.
Hij richt zijn schreden naar den plas,
Jl.iar kon niet gissen in die stonde,
Wat vijand op zijn hielen was.
Daai' blikt hij even om zich henen,
Ku meent dat hij 't besterven zal;
üt ruwste knaap zou wel versteenen
Bij zulk een ongehoord geval;
Een grimmig dier naakt onverholen.
Een dier â hij zag zijn weerga nooit, En, wat nu juist zijn vrees voltooit.
Daar mist hij bei zijn zakpistolen,
Hij lei ze straks op 't duin ter neer; Teruggaan'.' Neen, dat koj niet meer.
De vijand volgt hein op zijn schreden;
Noch rechts noch links daagt heul noch hulp Uit boerenkluis of visschersstulp;
Zijn angst stijgt hoog, en 't is met reden;
De man kent zijn partij wel niet.
Maar op het ruigbegroeide wezen En op de tandjes die hij biedt.
98
De Hyena.
Staal juist geen lammren-aard te iezen.
Ilij ziet, dat zij- en achterwaart Elk middel, om met schik te ontkomen.
Door 't loerend dier hem wordt benomen,
Dat nadert met onstuime vaart;
De hoop stelt nog ééne uitkomst open: Het zeenat spoelt reeds voor 's mans voet; Hij zamelt nog zijn laatsten moed Om, gansch gekleed, in zee te loopen. Wel denkt hij op zijn jichtpijn na;
Maar wat zegt jicht of podagra,
Waar grooler ramp ons deel kan wezen? En die was zeker hier te vreezen.
Gelukkig was die vreemde vond;
Nauw plompt zijn voet door 't golvend water, Of 't dier springt naar den zoom, en slaat er
Bloeddorstig met den staart in' t rond; Het loert en rekt zich, grijnst hem tegen,
Maar 't was bij d'onspoed wel een zegen Dat juist de zoute waterplas Zijn levenselement niet was;
Want nauw bespoelt de golf zijn pooten, Of aanstonds trekt hij even vlug Den natten poot vol, vrees terug,
En schriller kreet wordt uitgestooten,
En meer bloeddorstig waart zijn blik Naar d'arme, tot zijn prooi gekozen. Die duizend zuchten stond te loozen.
Meer dood dan levend van den schrik.
Maar 't water houdt hem bij zijn zinnen Hij gruwt en rilt in al dien nood,
Denkt siddrend aan der schapen dood En weet niet wat hij zal beginnen.
Hoe'n dapper philosoof hij was.
De vrees was sterker dan de rede.
De golfslag van d' onstuimen plas Bracht ook nog al bezwaren mede!
Tot aan het centrum in het nat.
Besprenkeld door een fijnen regen,
Een vijand, die, kwam 't hem gelegen. Hem dolgraag tot een kluifje had!...
't Was zeker wel om op te frisschen.
Juist vis-a-vis hem, 't beest op 't droog. â Vriend, maak je reekning, sprak zijn oog. Je ontgaat me niet, het kan niet missen!
99
Be Hyena.
'k Wou dat ik, 'k weet niet waar ooit zat Dan op zoo'n wijs in 't pekelnat.
't Beest zat nog steeds in dreigende actie; En onze held grijpt tot distractie Zijn zak-Buffon, tot pap geweekt,
Die in zijn achterrokzak steekt;
Nog deed de wetenschap hem blaken,
Om te onderzoeken wie het was.
Met wie hij de eer had op dat pas. Zoo onverwachts bekend te raken;
Daar slaat hij juist de beeltnis op; Hyena, leest hij onder 't plaatje; Een lijkenschenner, zegt het praatje,
't Zijn juist zijn klauwen, lijf en kop. Br... ! kou en schrik bevangt zijn lei!lt;;n. Het water gudst hem langs het hoofd; Schier is zijn laatste kracht ontgleden.
Zijn moed is spoedig uitgedoofd.
Hij slaat zijn paraplui eens open â
Daar daagt er uitkomst voor den man; Mevrouw Hyena schrikt er van En zet het angstig op een loopen.
De man stijgt half verkleumd uit zee. (Het beest holde over duin en vlakte),
O, hoe Jeroen zijn biezen pakte,
En wat de schrik hem loopen dee!
Naar 't eerste hutje, dat hij nadert.
Richt hij zijn half verstijfde schreén. De laatste krachten zijn vergaderd.
Hij komt er in, en de angst is heen;
Maar 't feit, dat hij nooit zal vergeten â De wereld zal het spoedig weten!
Wat ontzetting in het ronde.
Welk een schrik voor 't ongeval I âEen Hajeni, een Hajeni!quot;
Klinkt het over duin en dal.
Niemand heeft het ooit vernomen.
Nooit vermeldde er boek of krant. Dat er wilde dieren loopen
In het vreedzaam Nederland.
Zou de wereld om gaan keeren'?
Wordt Euroop soms Afrikaquot;
Worden wij licht Hottentotten,
Zonder rok, etcetera?
1Ã0
De Hyena.
Zeker melden veel symptomes
Aan 't gestel van jan kordaat.
Dat er niet meer op de klapmuts Zestien honderd zooveel staat;
Maar zóó'n schriklijk barbarisme:
Neerlands grond â een woestenij I Schuilhoek voor de -wilde beesten ... Dat onmooglijkl zeggen wij.
Neen, wie er ook smale op verbastring van 't land. Hem wijzen we henen naar de Egmondsche heien,
Daar reiken de helden elkander de hand,
Orn zich in 't vooruitzicht der jacht te vermeien;
Het jeugdige Holland, gekneveld, gebaard.
Met blik ot balein onder frakken en rokken,
Van 't hoofd tot de teenen gewapend, te paard â 't Heeft zich in de heirbaan te zamen getrokken.
Een middeleeuwsch aanzien krijgt de aanval ten stiijd, Een zestigtal ridders zit kloek in den zadel;
Het landvolk zal dra van de landplaag bevrijd: Dat zweren ze bij het brevet van hun adel.
Een zestigtal jongens van boeren-allooi.
Wordt mee tot den eerrang van jager verheven,
En ieder, met borrel en bootram en fooi.
Aan elk van de ridders ten schildknaap gegeven.
De tocht gaat uit Alkmaar naar Egmond aan zee, De jagertroep wordt nu gesplitst in twee vleugels,
Men jubelt vol moed (want de veldllesch reist mee). Nu zacht in der. stap, dan met hangende teugels.
Men jaagt over duinen en dalen in 't rond.
En zoekt al zijn best naar den moorder der schapen. Bezweert, met een vloek of een teug in den mond. Der snoode Hyena de wraak van het wapen.
Een blokhuis stond reeds in het midden des velds. Wat had men verstandige voorzorg genomen!
Voorzichtigheid vlekt toch den roem niet eens helds: 't Is dwaas om 't gevaar, waar het kan, niet te ontkomen.
Daar sloot zich een deel van het jagertal op.
Voor 't schietgat geplaatst met geladen geweren.
Belust om het dier met een schot door zijn kop. Op eenmaal zijn bloeddorst en roof te verleeren.
Maar wat men ook vloekende en rennende joeg.
En hoe men het spoor van het dier dacht te ontdekken,
En waar men het oordeel der landbouwers vroeg, De onzekerheid mocht niets dan cissingen wekken.
101
De Hyena.
'I Waarschijnlijke spoor, dat gedrukt stond in 't zand, Werd zeer van nabij en met oordeel bekeken;
â Nooit waren, hier was men het eens in, door 't land Den jagers zoo'n achter- en voorhoef gebleken.
Een spotter zei wel â maar wie kan daar op aan?
Licht was hij geen vriend van die Nimrod-ambitie:
â Die indruk in 't zand kon hij bijster wel ra an,
't Was die van een haas, op zijn achterpositie.
En vroeg men de boeren, 't zij een, hetzij tien, Hun uitspraak was zeker besloten en bondig;
â Geen mensch had nog wel de âHajeniquot; gezien,
Maar of zij er zijn zou â het âjaquot; was volmondig!
Maar â toog men geduldig naar Noord en naar Zuid, En zag men geen beest op het strand of de heiden.
Dan rustte men wel bij een laafbron wat uit.
En zat daar de strijdleus der broeders te beiden.
't Geduld heeft zijn grenzen, ook 'sjagers geduld:
Want de een na den ander werd zoek van de bende. De strijdlust werd hier door den wijnlust verhuld. En daar vlood hij henen voor pijn in de lende.
De hoofdgroep weid dunner en dunner van 't heir. Zoo tuk om hun zege door 't land te vermelden.
En toen zich de zon ging verschuilen in 't meir.
Toen dikte ook de nevel voor 't oog van de helden.
En d' anderen dag werd de jacht weer herhaald,
Maar, was de klaroen ook voor allen gestoken.
Bij velen was de ijver zoo'n beetje gedaald,
En bleef er een deel in het duister gedoken.
't Was heden niet boter, al blaakte de moed;
Daar waren hyena's noch panters te ontwaren;
Hoe jammer toch na zooveel geestdrift en gloed.
Geen hulde, het heldenhart waardig, te garen!
Nog werd er wel dagen en weken gezocht,
Maar 't groen was van 't feest en verkleurd was de omgeving,
Verbrokkeld en trager werd daaglijks de tocht.
Geen duidlijker spoor gaf de hoop wat herleving.
En zachter en zachter verstierf het gerucht,
Dat strijdlust en vrees had geroepen in 't leven;
'tGing uit als een nachtkaars, de orkaan werd een zucht. Geen mensch wist waarheen zich âhet beestquot; had begeven.
Jammer voor de kampioenen!
Had de jachtstrijd niet gefaald.
Honderd twintig heldenhoofden
102
Be Hyena.
Had een zegekrans omstraald!
't Was den dappren niet te wijlen.
Dat het dier geweken was Voor den kunp, hem aangeboden Als een wraak voor 't schapenras.
O, bloeddorstige hyena.
Laf, als iedre tijgeraard,
Laf zijt gij den strijd ontvloden,
Bang voor 't eerlijk heldenzwaard.
Gij, die honderden van schapen.
Naar men zegt, hebt omgebracht,
En er vijftig opgevreten,
In één enklen voorjaarsnacht;
Zeg, wie riep u, lage schender
Van den vrederijksten grond?
Wat voerde u in onze weiden.
Onder weerlooze offers rond'/
Maar hoe kwaamt ge tot ons over?
Wie smeet u op onze kust 7 Dacht gij dat de moed der braven
Onder ons was uitgeblusclit'?
En, hoe zijt ge op eens verdwenen.
Zonder schaduw, zonder spoor'?
En hoe steldet ge al de wenschen Van ons jaagziek hart te loor?
'k Weet: daar zijn wel dwaze vitters,
En een enkle twijfelaar,
Dio ons zeggen: â van uw zwerven
Was geen enkle jota waar;
De een zegt schamper: â 't Maren honden,
De ander: â 't was een dolle stier. Of Hyena's op twee voeten,
Of een arend of een gier;
Maar dat 's uit de lucht gegrepen,
En wij zeiden 't óók misschien. Had mijnheer jeroisn verstaven
U niet in persoon gezien.
Zeg niet dat zoo'n groot geleerde Zich vergiste of 't feit verzon 1 Foei, of een geleerde liegen
Of zich ooit vergissen kon!
Nochthans blijft het ons een raadsel
Waar gy heengestoven zijt,
Of wat toeval onze velden
103
Wie is Zij?
Van uw roofzucht heeft bevrijd I Leeft ge nog? Vaar in de handen
Van een kermis-spelleman.
Die u voor uw dollen vraatlust
Met karwatsen geeslen kan.
Niet meer koning in je bosschen,
Maar gesloten in een kast,
Voor één pond verschrompeld koevleesch,
Duizend smeren op je bast!
ïrek je dan van dorp naar steden.
Steeds ter prooi aan schimp of smaad, Als een smerig kattenknoeier
U voor centen kijken laat â
Mooglijk zien we u op de planken
Bij van aken of martijn,
104
.Ja, ik wensch het, schapenschruder, Dat het eens uw lot moog zijnl 1840.
Wie is Zij?
|
In Polen leefde een lieve meid. Blond, blozend, licht van tred, En, als de meisjes wel eens zijn. Wat schalk en wat koket; Blank was lieur welgevormde hals En rozerood haar koon; Het ijl bonnetje droeg ze vlug. Het keursje stond haar schoon; Het kleurig rokje hing aan 't lijf In breedc plooien neer. En 't kleinje voetje, dat men zag, Beloofde nog iets meer; Haar oog was tintiend van genot. Als van een dartel kind. En toch was ze om heur lief gelaat Bij jong en oud bemind; En sprak men haar, bij strenger blik. Niet vrij van ijdelheid, Men weet wat al de jeugd vermag, Wanneer ze koost en vleit; De strengheid sluit ze de oogen dicht, De koelheid wekt zij op, |
De stugheid weert ze van zich af. De vreugde voert ze in top. Het meisje werd het troetelkind Van alle soort van liên. De vreemdling, die de maagd niet zag. Had Polen niet gezien; Ze huppelde door 't gansche land, Lachte ieder vriendlijk toe. En waar ze kwam, daar was de vreugd En 't harte wel te moe. Maar â zoo als 't soms den men-schen gaat Van hooggevierden naam. Ze fladdren voort en verder voort. Op wieken van de faam. â Het kind, dat Polen had gekweekt, Werd Polen ras te min; Ze toog in 't eind met pak en zak De wijde wereld in. Bohemen nam haar liefdrijk op Bij menig vreugdeblijk. En weldra was heur naam verspreid |
Wie is
105
|
Door 't machtig Oostenrijk. Ze drukte straks Itaaljes grond, Toog over sneeuw en ijs, Nadat zij eerst was ingehaald In Londen en Parijs. Daar werd ze wat gefatsoeneerd, Kreeg ze andre kleeren aan, En koeterde zoo'n weinig Fransch: â Monsieur, kan niet verstaan ! Het reizen smaakte 't lieve kind : Niet lang ter zelfder stee. Werd ze in heur onbestemde vaart Een ware routinee. 't Ging voort en voort, en altijd voort. Vermaard door gansch Euroop, En waar ze zich maar kijken liet. Daar liep de jeugd te hoop. Ook Holland heeft ze toegelonkt, Ook Holland nam haar op; De vreugd sprong hupplend haar tc In wals en in galop: (moet Ze kwam aan 't hof en in salons. Trad burgerhuizen in. En werd, waar zij verschijnen mocht, Gevierd als koningin. Men sprak van haar met veel respect In klub en krant en kring: Geen vorst, geen veldheer, geen Tom (Thumb Waar zulk een roep van ging; Heur naam werd dra een modenaam. En hoed en doek en das â 't Had geen bon ton, wanneer het niet Naar haar betiteld was. Men vond haar elegant en schoon. Bedreven en bekwaam, En 'tkind, dat nauwlijks staamlen kon. Sprak staamlend reeds heur naam. Maar zoo als 't in de wereld gaat â |
De faam ook zweeft voorbij. En wie dit lot ervaren mocht Bij gloed en glans â ook zij. Eene andre deerne, doch wier naam 'k Bescheiden hier niet noem. Werd, licht bekoord door zulk een Naijvrig op haar roem; (vlucht, Ook zij reisde al de landen af En, wuft als ons geslacht. Werd aan de mededingster soms De zegepalm gebracht. Ik ben geen rechter in die zaak; In kennis en praktijk Ben ik, waar 't zulke dames geldt. Aan Paris niet gelijk. Doch mocht het zijn dat de eene macht Vaak de andere verdrijft. Licht dat het Poolsche maagdelij n Nog roems genoeg verblijft. Nog toeft ze vreedzaam hier te land En vindt er gul onthaal En schenkt heur lach aan oud en jong. Bij zilverzoete taal. Wel reisde er menig vreempje rond En noemde zich naar haar. Maar 't echte schoon komt beter uit Als 't prijkt naast valsche waar. Nog iets: wel mooglijk ziet ge haar Op eenig zoet festijn. En mocht dit wezen: 'kwed, ze zal U niet onwelkom zijn. Al is nu 't nieuwe er wat van af. Nog blijft ze gul en goed. En wie 't acces haar weigren zal, Wellicht dat gij 't niet doet. Wie weet wat dra haar lot zal zijn. Waar alles komt en gaat!.... En nu de naam van 't Poolsche wicht? Baadt, danseresjes, raadt 1 1846. |
Jaap en zijn Grootje.
Jaap en zijn Grootje.
Uaar reed er een schippertjen over den plas;
De plas was zoo hard als een steen;
De vorst drong door wambuis en dufTelschen jas; Hij voelde geen kou naar het scheen.
Hij snorde den vlugsten der rijders voorbij,
Geen sloeg er zoo'n stevige schaats,
En wie hem zag naadren week aanstonds ter zij': Voor kracht maakt de zwakheid wel plaats.
Hij reed er veel paartjes voorbij op liet meer.
En gaf hun een oolijk âadielquot;
Geen arm lag vertrouwd op zijn schouderen neer: Wat zocht hij vergeefs naar zijn mieI
Men had hem verteld en 't was waar wat men sprak, Heur vader zei: â 't vrijen moest uit;
De jongen had dikwijls geen daalder op zak,
En voer maar als knecht op de schuit.
Dat stak hem, dat griefde'm; maar toover je eens rijk! Wat plaagt zoo de menschen als geld?
En toch is men soms op dat duivelsche slijk Nog meer dan op 't leven gesteld 1
Hij reed en hij snorde en zag niets om hem heen. Maar, sneed hij den wind als een gier â
Het bleek toch, een ander was vlugger ter been, En haalde hem in met pleizier.
't Was keeze-broer, die hem het stilstaan beval, â Houd in, jaap, beet broer hem in 't oor,
Keer met mij terug, keer eens mee naar den wal. Want Grootje ligt thuis op één oor.
En jaap kwam nog even bijtijds aan heur krib. Het oudje gaf 't laatste geluid.
En lichtte heur deken eens op bij een slip:
Jaap trok er een buideltjen uit.
Dat was er een penning van jaren bespaard, Die deelde jaap trouw met zijn broer;
106
W al een Oude Jongeheer al worden kan.
En Grootje was spoedig bij Grootvaar vergaard, Heur boeltje kwam over den vloer.
Het ijs is de vaart uit, bevaarbaar de vliet, Een schuitje steekt vroolijk van wal;
De vlag, die het oog aan den fokkeraast ziet.
Spelt wie het nu meevoeren zal.
Het geld vermag alles, dat duivelsche slijk I 't Wischt veete en vooroordeeleu uit;
Ook jaap zegt: â al maakte mij Grootje niet rijk. Ze schalie me eeu pas naar miju bruid.
Jaap zit aan het roer en hij stuurt het zoo blij 1 Ilij 's baas! en wie i s niet graag baas ? 1
Daar zit er eeu wijfje vernoegd aan zijn zij'. Dat biedt hem ziju boter en kaas.
Daar zijn nog veel japen en mieén nog meer.
Wier hartje van dobberen spreekt;
Ze wenschen naar 't schuitjen en zuchten zoo teer. Maar jammer! â het Grootjen ontbreekt.
107
1848.
Wat een Oude Jongeheer al -worden kan.
|
Een vrijheidsschreeuwer op den pof; Een slaaf van kleine rampen; Een zanikkous, een oude slof; Een poel vol dikke dampen; Een zeef voor honderd kleinigheên Met al te groote gaten; Een criticus van top tot teen In denken, doen en laten; Een zwerver, die geen gids vertrouwt Op onbekookte reisjes; Een zwaluw, die geen nestje bouwt; Een voetveeg voor de meisjes; Een zoete vleier op de kies; Een inkijk voor de buren; Een nieuwbak soort diocenes; Een bok met duizend kuren; Een vraagbaak voor de gansche stad |
Naar alle soort van nieuwtjes; Een koekeloer langs 's Heeren pad Bij dag- en avondkrieuwtjes; Minst tien jaar jonger dan hij is. En in de puntjes netjes; Een damesweger op de gis; Een volger van de pretjes; Een spring-in op een vriendenmaal, Een man voor albumblaadjes; Een lappendeken in 't verhaal Van honderd flauwe praatjes. Een tobber met zijn hospita. Een wezel voor haar boekje; Een adspirant voor podagra; Een snoeper om een hoekje; Een minnaar van eens anders flesch; Een kluw om nooit te mindren; |
Een oude. Vrijer, zooals er velen zijn.
108
|
Een afgod van de waschvoogdes; Een sinterklaas voor kindi en; Een steunpilaar van 't kolfiehuis; In 't omberspel een koning; Een troubadour in 't boerenhuis; Een horzel zonder honing; Een hart tot kwezelen bestemd; Een ziel om van te smousen; Heel keurig op zijn overhemd, Maar arm aan heele kousen; Een zwaarhoofd met een naturel; Een goudsbloem in verlepping; Voor 't huwelijk een waterbel; |
Een onding in de schepping; Een Juif errant, een philosoof, Die 't spleen voert in zijn wapen, Die goud en zilver van zich schoof, Maar eindlijk slijk kan rapen ; Een borstje, dat eens opgeld dee En nu refuus zou lijden ; In één woord: hij is de Isabee â Het straatwoord onzer tijden; â Die, als hij nog een spaarpot heeft, En hein hem weg doet hobblen, Zijn neefjes de voldoening geeft, Om naar zijn pruik te dobblen. 1849. |
Een oude Yrijer, zooals er Yelen zijn.
|
Een beste vent, een trouwe borst, Een zonnestraal in 't leven; Een zorg, die duizend lasten torscht Voor nichtjes en voor neven. Een bronwel van meedeelzaamheid, Een ziel vol zelfverneering ; Een raadsman, die naar beter leidt; Een leven vol ontbering. Een plooier, die de rust bemint; Een denker bij het lezen; Een voorbestemde voogd en vrind Van weduwen en weezen; Een baken voor een dwazen stap; Een walg van kwade tongen; Geen vijand van een losse grap, Maar wel van kromme sprongen. Een snapper over d'ouden tijd. Niet vrij soms van vooroordeel; Een voerman, die veel vrachtjes rijdt, Maar niet tot eigen voordeel; Een kinderlijke lachebek; Een stille tranenstelper; Voor hond en kat wat al te gek; In de oudertaak een helper. Een altoos wandlend recipé; Eeu toevlucht voor bedrukten; Een Jan Kontent, met mos tevree. |
Waar andren rozen plukten; Een goedbloed zonder eigenbaat: Een handlang voor geliefden; Een wijsgeer, wien eens spijt en De dunne lokken diefden; (smaad Een prater over dit's en dat's. Een anekdolenjager; Een aangeboren vriend van cats ; Een schalke rneisjesplager; Een peinzer met een vol gemoed, Soms ook met leege zakken. Een gast, die, brandt je vuurtje goed. Wel aanleg toont tot plakken; Een zuchter bij het woord: âalleenquot;; Een zamelaar van bloemen, Van vogeltjes en zeldzaamheên â ïe veel om op te noemen. Een âoomquot; met lekkers in zijn zak Voor tal van kleine vrinden. Een man, die 't met zijn daagsche (pak Ook 's Zondags wel kan vinden. Een hart, dat nauw de hoop zich geeft Van 't zoet vaarwel bij 't scheien . Maar licht een trouwen poedel heaft Om op zijn graf te schreien. 1849. |
Kinderkeus en Ouderzin
109
|
Kinderkens Meisjes-zuchten, meisjes-droomen â Onbestemd en onvolkomen â Zoete hoop en zacht gevoel, Slingring in gedachte en doel... Hoe ge 't leven voedt van binnen, 't Hoofdje op vond bij vond doet Als de bede, stil gevoed, (zinnen. Koelen tegenstand ontmoet. Sluit de deuren, boomt de luiken! Om de zoete min te fnuiken Baat geen boom of grendehing; Spottend met berekening. Wakker waar ze wordt bestreden, Bioomend van een juublend eden. Onbezorgd en onbevreesd. Scherpt de min vernuft !en geest. Lieve, zou je 't anders meenen? Zeg me toch: waar moet hel henen. Als je wakkre hartevrind Geen acces bij vader vindt? Is de voordeur hem gesloten, 't Raampje is de aandacht niet ontschoten, Laat het slechts den ingang toe Van een dierbaar billet doux. Dat de roosjes kunnen steken Is u zeker vroeg gebleken In den rozengaard der min, Kinderkeus en ouderzin!... iloe ze vaak elkaar bekampen! |
en Ouderzin. Maar voor duizend kleine rampen, Voor uw hartje diep en zwaar, Hebt ge duizend vonden klaar. Of ik't mooi vind 1 gansch niet, lieve! Wat bezorgdheid u ontrieve, 't Is uw heil toch, waar ze op doelt. Schoon gij 't ietwat anders voelt Ban uwe ouderlijke wachten; Wil hun oogwit niet verachten! Licht rijpt uit hun koel beleid Voor uw toekomst zaligheid. Wacht u â wat je hebt te duchten, Eerstens voor verboden vruchten; Want je weet, na zoet soms roet. Keurt uw hoofd uw hartwensch (goed â Wind dan om de keus geen doekjes! Maar door kiertjes en om hoekjes... 't Heeft gevaar in, aardig kind, Of je 't nóg zoo prettig vindt! Ouders!.... 't zijn juw dierste plichten. Wat uw kindren uit gaan richten Met bezorgdheid ga te slaan â Maar ook u, u raad ik aan: Leidt, maar smoort geen stem van ('t leven; Toe te zien en toe te geven, Eén oog open, één oog dicht â Ja, zoo komt gij 't verst wellicht. 1850. |
Be Wraak.
hoe boontje eens om zun loontje komt.
|
Neef barend was ooms rechterhand, Neef cijferde opperbest; Neef was op ooms kantoor beland; Oom las wel brief en prijscourant. Maar neefje deed de rest. |
Neef ging de klerken yvrig voor, En zat op nommer één; En, eischte 't werk het van 't kantoor, Ban zat hij dikwijls 's avonds door. Was de andre troep lang heen. |
De Wraak.
110
|
Oom had een dochter, vlug en schoon. Gevierd en eenig kind. Zijn dierste schat, zijn huwlijkskroon; Ze zat in huis als op een troon. Want de oudermin was blind. En toch â de waarheid moet gezeid: Stond ze anders ook bekend â Veel goeds was haar in 't hart geleid: Nicht was een lieve, gulle meid. Al was ze wat verwend. Nu ben ik, waar ik wezen moet; 'k Leg 't plan bloot van mijn dicht: Wie doorzicht heeft, doorziet het goed; De zaken staan op goeden voet... Een oom, een neef, een nicht. Maar neef, als handlaar bij de zaak. Als courtisaan heel bloo. Viel opperbest in oomliefs smaak; Maar â is hier van het nichtje (spraak â Bij nichtje maar: zoo, zool Iets ijdels had het lieve wicht, 't Was juist haar grootste fout; â Neef barend ! ja, een goed gezicht. Maar in gezelschap, zei de nicht. Nog stijver dan een houtl En toch, bracht vader in zijn reen Zijn diersten wensch te pas, Dan zei zij altoos kortaf: âneen!quot; Maar dacht toch, met zich zelve alleen: â Als neef maar anders was I Had oom receptie âneef was strak: Als de een of andre heer Met nichtje joolde of fluistrend sprak, Neef scheen dan nooit op zijn gemak. Als deed die gunst hem zeer. Men vat: dat merkte nichtje wel. Die schuwheid vond ze naar; |
't Is goed â dacht zij â dat ik hem (kwel! Maar zuchtte toch bij 't ijdel spel: â Ach, dat hij anders waar! Dan wist ze nog een groot gebrek Dat hij van jongsaf had; Ze lachte er om en vond het gek En 't gaf haar vaak tot plagen trek â 't Was... schuwheid voor de kat. De kat, nu ja! men ziet het meer. Maar âPoesemie,quot; zoo mak! Die kende hij toch al te zeer; Dat vond ze voor zoo'n grooten heer Toch al te laf en zwak. Was 't plaagzucht of was 't medelij ? Daar kreeg ze iets in den zin; Neen, 't duiveltje der jokkernij Trad onze juffer sluw op zij. En stookte haar wat in. Toen N eef eens voor een brieven vracht Ten hoogen vierstal zat. En ijvrig, als hij altoos placht, Aan wissels en facturen dacht. En veel te pennen had, â Toen'sprong hij op met groot misbaar; Wat schokte Neef zoo fel'? Wat zag het oog der makkers daar In d' opgeslagen lessenaar? Een cypersch kattenvel! Wie hem het kooltje had gestoofd, 't Was geen geheim voor hem; Hij had zijne oogen nauw geloofd; De schaamte joeg hem 't bloed naar 't hoofd: â Wraak I zei in 't hart een stem. Toen hij voor'teerst weer Nichtje zag, Hoe bloosde 't lieve wicht! De gloed, die op heur koontjes lag. |
Bij van Ilove's flinnnnhuizen.
m
|
Erachtklaardesclmldiseaan den dag, Berouw op 't schoon gezicht. Wraak I sprak de stem in Neefs gc-(moed. Wraak, wraak! Maar wat te doen ? Daar zamelt hij zijn mannenmoed, O gruwel, raadt eens wat hij doet? Daar geeft hij Nicht een â zoen. Hoe Nichtje keek! Wal dichtje dacht 1 Vervaarlijk oogenblikl Neef, die zoo schuw te wezen placht. Neef zoo brutaal. Neef zoo onzacht U.. Zij duizelt van den schrik. Wat indruk gaf het feit, zoo 't leek.... Het ongehoorde feit? Dat Nichtje naar heur kamer week. Dat Nichtje heel gramstorig keek. Na zoo'n brutaliteit. Wat was 't gevolg van 't stout bestaan? Dat Nichtje zei : â Ik zie, Neefs stugge blooheid wasmaarwaan; Neef durft toch ook de meisjes aan ; Bij' van ïïove'! Ze hebben eens hun tijd gehad â Die ruitjes in het lood gevat. Die viersteens dikke muren, Die steenen vloeren, blauw en wit. Die hooge schouw, die lage zit, Bij turf- en spaandervuren. Onze eeuw eischt kleur en glansen (licht, Ze toovert wondren voor 't gezicht In vormen, lijn en tierig; Het âlicht en dichtquot; het âlucht maar (liefquot;. Verdrong het deugdzaam oud mas-Eer somber stil dan zwierig, |
Neef henft wel energie! En, of het nu een losse grap, Dan of het meenens zij â Neefs eerste kus was de eerste stap, Neefs stoutheid klimt van trap tot Neef laat het er niet bij. (trap, En Nichtje staat ontsteld, verstomd ; Haar hoedje staat soms scheef, En, of ze klaagt, en of ze bromt: â Zoo boontje eens om zijn loontje Is vaak de roep van Neef. (komt I En nu het einde van de zaak. Na zoo veel animo? Neefs bruigomspak is in de maak, En, is er thans van Nichtje spraak, 't Is nu niet meer: zoo zool Oom zingt van pure pret zich heesch. Nicht maakt het kluisje ree ; En, hoe de min haar kracht bewees â Neef overwon zijn katten vrees â Want .Poesemiequot; trouwt mee. 4850. Binnenhuizen. Toch toonden ze u op 't stil gelaat, Geen somberheid of levenshaat. Die goudeneeuwsche kluizen; Toch woonden koene burgerzin En opgewekte harten in Oud-Hollands binnenhuizen. Geneugte uit nijverheid vergaard. Gezelligheid om eigen haard â Zij eischten geen vertooning; En de eenvoud, dien ge er grondtrek (vondt, Hij hield én beurs én lijf gezond In de overerfde woning. |
Tuinmans Aafje.
112
|
Al is de voorhang zedig, stil, Al lijkt het inzicht koud en kil Bij 't heerschend schemerduister. Beschouw ze niet met tegenzin, â We ontwaren er karakter in â Al heet onze eeuw gekuischter. â Onze eeuw, die d' ouden vorm ver-Verbande 't vaderlijke kleed, (treedt. Want de oude snit mishaagde; |
En Holland dacht zich mat en stom En hing zich nieuwe kleeren om â Maar.... die 'tden vreemden vraagdo. Neen, schilder, leg 't penseel niet neer. Maar schets ons 't degelijk weleer In de oude binnenhuizen; Uw doek geve onze erinnring kracht, Waar 't heiligschennend nageslacht Zijn erfkleed mocht verguizen. 1850. |
ïuinmans Aafje.
|
Aafje, mooi aafje, Toon ons je bloemen 1 Hebben de roosjes Al knoppen gezet? Stuwt weer de lente. Balsemgeur brengend, 't Vlottende koeltje Door 't resedabed? Tuiltjes vergarend. Schikt gij uw kindren : Primulaveris Naast tulp en jasmijn ; Vreedzaam en vroolijk, Loktet ge ons buiten. Waart ge ons bodinne Van 't zomerfestijn. Aafje, vertrouw ons: Zijn 't niet de bloemen. Waar gij uw zorg meer Bij voorkeur aan wijdt ? Aafje, rnooi aafje. Bloemen der ziel zijn 't. Waar gij zoo zorgzaam Bedrijvig voor zijtl Mocht ik eens raden? 'k Deed het bescheiden; Als ik mijn oog soms In 't ronde deed gaan, |
'k Heb dan bij wijlen, Als ge in den hof gingt, Japik den tuinman Op schildwacht zien staan. Oolijke snapster! 'k Speurde wel 't blosje, 'V Zag wel dien lichtglans In 't hemelsblauw oog. Als in de gaarde Zich aan uw zijde. Licht bij verrassing. Een helper bewoog. Vreest ge voor vader? Ducht gij uw moeder ? Moeder en vader â Ze weten het best. Dat bij de jeugd zich Diep in het hartje Andere liefde Dan kindermin vest. Aafje, mooi aafje, Laat u belezen! Stort je geheimen Voor moederlief uit; Is z ij gewonnen. Vader zal volgen, En als 'tweer zomert, Ben je, aafje, licht bruid. -1849. |
Huisplagen.
Huisplagen.
VADERS â-WEB.quot;
Een meid, die nooit de dem-en sluit; Het kinderwaschjen op den droger;
De wankle deugd van stolp en ruit; Het slagersbriefje telkens hooger;
Een lamp, die nooit goed branden wil; Bij voorsnijkunsten â botte messen;
De huispendule na of stil;
De kurken drijvend in de flesschen;
.Ie pennen van 't kantoor gekaapt En je inktpot droog bij haastig schrijven;
Een zuigeling, die 's nachts niet slaapt; Een waschvrouw, die niet goed kan stijven;
.)o hemdsboord zonder band of knoop; 't Muziek van 't lieflijk trappenschuren;
De laarzentrekker op den loop; Nieuwjaarsvisites bij de buren;
Een tafel vol van âvrouwengoed;quot; Bij hoofdpijn â een odeur van stoven;
Aan 't lievlingskostje rook of roet; Een praatvaar, die je tijd komt rooven;
Bij vriendenkout â een schreeuwend kind; De opredder-handen aan je boeken;
Uit plaatsgebrek voor lap of lint Je schrijfwerk in de verste hoeken;
Ãén handschoen zoek bij ongeluk;
Een laag van boenwas op de stoelen;
Je welbewaarde pijp aan stuk;
De duurte, die je al meer gaat voelen,
't Genot van meel- en gruttenkost; De waschinandlucht en 't mangelrollen;
Een kindermin, die braaf smarost;
Een kat, die met je pels gaat sollen;
Die wiegevreugd, nooit uitgevierd,
Want ieder jaar weer aspiranten;
Veel omloop als men zich barbiert; Een trage brenger van je kranten;
Een val door de onderlaag van 't bed .Tuist als men moê zich neer gaat vlijen;
Maar 'k noem vooral de schoonmaakpret, Om van mijn onderwerp te scheien:
De geur van zeep en terpentijn;
113
Huisplagen.
De schoorsteenvegers in je kamer;
Beroofd van raam- en bedgordijn;
't Geraas van glazenspuit en hamer;
Be witkwast, emmers, tobben, leer, De schuiers, en, kon 'k alles noemen.
Nog honderd fraaiigheden meer. Br...! 't zachtst gemoed zou 't leven doemen.
Intusschen om dit jammerdicht Niet te persoonlijk uit te leggen,
Moet ik verklaren, 'k ben 't verplicht â 'k Weet alles maar van hooren zeggen 1
MOEDERS âACHquot;!
Een wasch, die maar niet drogen wil; Een berg van kousen in de maasmand;
De meid met vrijers op den dril;
Een man die alles van zijn plaats bant;
Het koffiewater van de kook;
De poes aan 't peuzlen in den kelder;
De keuken opgevuld met â rook ; De bleeker achtloos of niet helder;
Een doove baker in je huis;
Een naaister, die je lang laat wachten ;
Een stage krijg met rat en muis; Het waakgenot bij winternachten;
Geen druppel in den regenbak; Een koffiekan die niet wil lekken;
In 't tafelkleed een olievlak;
Je boter, die niet lang kan strekken;
Een nieuwe hoed, die niet flatteert;
Totaal gebrek aan papillotten;
Je suiker, die van zelf verteert;
Je bont ten zomerbed der motten;
De stofdag van het huisvertrek;
De ring met sleutels aan het loopen;
Vaak eierloos het eierrek;
Geen slag van bieden bij het koopen;
Een brandgat in het vloertapijt; Een tafellamp, die best kan â walmen;
Een naald, die in het oog gauw slijt; Een werkster, die zeer goed kan â talmen ; Je schoenenband op straat aan stuk ;
m
Bij de Waarzegster.
Tot de enkels in het kelderwater;
Aan de étagère â een ongeluk ;
Bij naai- of knipwerk soms een flater;
De wasch thuis met veel stukkend goed; Een nieuwe woning zonder kasten;
Een vuile veeg aan jas of hoed; Bij kliekjes â onverwachte gasten ;
De hooien doof voor schel en roep; Een scheeve plooi in valgordijnen;
De keuken leeg, maar vol de stoep; De borden, die van zelf verdwijnen;
Een sleep van werkvolk in het huis; Lekkages in de pronkvertrekken;
Azijn voor olie hij abuis;
De buren, die âje doenquot; begekken;
De schoolvacantie tot je last;
Je man op een partij van heeren.
Waar rook- en drinklust gaat te gast, Al 't welk lang nageurt uit zijn kleeren ;
Neen, â wat de man ook zeggen mag Van tal van huiselijke plagen.
De vrouw kent ook haar kwaden dag. En heeft als hij vaak stof tot klagen!
115
1849.
Eij de quot;Waarzegster.
|
Toekomst, toekomst, nevelwereld, Deure der geheimenis. Wat al achter uwen grendel Liefs en leeds verborgen is! Hoop en vreeze, liefde en smarte Bloeien op uw schemerspoor; Duizenden van zielsgedachten â Slechts de ervaring breekt er door. Zou ze 't weten, die daar neerzit Met het zielloos kaartenblad, Meisjeslief, wat gindsche wereld Zoet of zuur voor u bevat? 'k Zeg met u; het is maar mallen! Toch vreest gij haar loozen blik; |
Toch wekt ieder woord van de oude In uw hartje hoop of schrik. Of ze 't weet, dat in uw boezem Zoet verlangen leeft en woelt? Zou het iets verborgens wezen Waar een meisje op hoopt en doelt? 't Klappen van bekende waarheid. Dat gij daar uw goud voor ruilt! Dwazen, moet de list u zeggen. Wat er in uw hartje schuilt ? Och, laat mij uw kaart eens leggen, Schrik voor mijne omgeving niet! Zwarte kater is 't noch nachtuil. Die gij in mijn woning ziet. |
Eleyie van een Afgedragen Zwart en Bok.
116
|
'k Heb mijn kamer niet behangen Met symbolen van den nacht; Vroolijk knapt mijn wintervuurtje, 't Lamplicht schijnt er vriendlijk zacht. 't Zijn geen âbrieven over waterquot;, 't Is niet van een âvalsche vrouw,quot; 't Is geen âdoodequot;, 't is geen âbruiloftquot;. Wat ik u voorspellen wou. 'k Zeg niet, of gij ooit zult dccleu In 't genot van plütus' gunst. |
Vraag dat liever aan xantippe En aan 't spel der zwarte kunst Maar één waarheid wil 'k u melden Mis in koffiedik en kaart: 't Is dat gij in 't weeke hartje Een verholen schat bewaart. Wel hem die dien kan betrappen. Hij speelt altoos zeker spel; Zou 'k dien schat u moeten noemen ? Meisjeslief, gij kent hem wel. 1848. |
Elegie van een Afgedragen Zwarten Eok.
Zoo zijn de menschen!... ijdel, zwak. Ondankbaarheid wast op hun paden.
Hun roem de kiel â hun smaad het wrak,
Na zoet genieten, koel versmaden;
Dwaas, die hun liefde zich versprak.
En de eigenbaat niet hebt geraden;
Vereering, trouw, erkenning â lak!
Zoo zijn de menschen, zoo hun daden!
Daar hang ik in een duistren hoek,
Met stof bedekt, van vocht doortrokken;
Mijn schouder torscht verbanningsvloek,
In plaats van eenmaal fiere lokken;
Mijn knoopenpracht â ze raakte zoek;
Ik, eens de roem der zwarte rokken,
In buurschap met een kale broek,
Een muffe pruik en oude sokken!
Hoe heugt het mij, toen 'k eens mijn heer Bij 't heug/ijk echtaltaar omhulde.
En hoe mijn knoogsgat, maagdlijk teer.
Zich met d' oranjebloesem vulde!
'k Zie thans het daglicht nauwlijks meer!
En, zoo men al mijn aanschijn duldde,
't Was laatst tot mosschenschrik, toen 't heir Van voogleii aan het tuinooft smulde.
Elegie van een Afgedragen Zwarten Hok. 117
'k Werd ten katheder opgeleid;
Uit mij sprak dichter en geleerde;
'k Heb in de danszaal mij vermeid;
'k Was 's meesters trots... hoe 't al verkeerde!...
Thans...'k ben verschoppling van de meid; De knecht, die eens mijn rug fêteerde.
Verkleed heeft hij mij rondgeleid.
Toen hij de âhooien amuseerdequot;.
Hoe prees men eens mijn net fatsoen I Hoe kon ik 't zwak mijns meesters streelenl
Geen stofje mocht mij schande doen.
Geen kreukje mocht mijn eernaam stelen.
J En thans... kon ik mijn lot vermoên ?
Thans... 'k moet dat lot met klungels deelen:
Zoo al mijn heer me aan 't lijf wil doen,
't Is om voor Sinterklaas te spelen.
Een nieuwe snit verdrong mijn tooi,
'k Zag wreevlig nieuwe modewetten ;
'k Was deugdzaam, van te taai allooi,
Om laf me âampartquot; te laten zetten.
Een vreemde snuf, wiens quasi-mooi Ik de intree niet meer kon beletten.
Verdrong me op 't laatst â den smaad ter prooi. Zag 'k mij verknoeien en verpletten.
'k Werd langzaam oud, 'k werd vaal en rood. Na 't roekloos krenken van mijn gaven;
V Mijn deugd, die lang nog weerstand bood.
Ze mocht mijne edele afkomst staven.
Ach, gaf men mij een zachten dood.
En wierd ik in den tuin begraven !
Maar vreeslijk eind... de kleerenjood I!
Doorkerfd, doorwroet â in 't nest der raven
Wie dankbaarheid iels menschlijks noemt â Hij leeft in 't rijk der idealen.
Citroen, uw sap wordt hoog geroemd â
Uw schil mag naar den mesthoop dwalen.
Daar lig ik, uitgediend, gedoemd.
Die eens mijn glorie hel zag stralen...
Zoo zijn de menschen ! Wie hen roemt,
Laat mij niet tot getuige haten.
1800.
Sint Nikolaas.
Sint Nikolaas.
'k Ben zoet en zat, 'k ben vol en weeMrig ;
'k Ben opgeschikt van top tot teen;
De een noemt me dwaas en de ander beeld rig;
Ik sta te kijk voor groot en kleen;
'k Ben een Cupido voor verliefden.
Ik ben de âboemanquot; voor het kind ;
'k Vraag niet waar kou en armoe griefden â
Ik vraag alleen: wie heeft er splint ?
Wie 't heeft â dien noodig ik tot jolen En bied de keur hem van mijn schat;
Ik laat de jeugd brooddronken dolen
Op 't glibberig en donker pad;
Ik breng de magen aan het koken.
En pomp somtijds de zakken leeg ;
Ik jaag December in je knoken
En vraag niet wie er napijn kreeg;
Ik buig mij diep voor groots hansen;
'k Hang goud en kleuren op mijn baan ;
Ik laat kwansuis de kinders dansen
Totdat de groote draaien gaan.
Was 'k altijd zoo 1 Neen, 'k ben 't geworden;
'k Was van nature vroom en goed ; De menschen, die me voorwaarts sjorden.
Verbitterden mijn zacht gemoed. â
Ach, arme kleenen, schaamle kleenen,
'k Was eens uw trouwe schutspatroon; Ik noodde u vriendlijk om mij henen,
'k Zat, u ten troost, ten liefdetroon. Uw nooddruft ging mij diep ter harte;
'k Bracht uwe ontbering lafenis,
Ik stilde uw klacht en kreet van smarte; â Ach, hoe 'tmet mij veranderd is!
Hoort, lieve menschen! hoort mijn bede:
Wat ik eens was â maakt het mij weer,
Ik juich graag met uw kleinen mede;
Maar 't schaamle kind doet mij zoo zeer!
JNeen, weert hem niet waar 'k sta te prijken.
Ook hij noemt me een goed heilig man ;
Geeft aan uw kroost mijn feest, o rijken!
Maar leent ook 't oor aan jonathan. *)
118
1847.
1) St. Nikolnas: â WHtirheid e.n Droomen.
w
Sinl SOoenler.
119
Sint Silvester. ')
|
Wie is die man, zoo stram en stijf, liet ruige kleed aan 'l kille lijf. Die telken jaar ons â strijk en zet Voorbij treedt met denzelfden tred ? Een fakkel draagt hij, die, naar 'k gis, Op 't punt van uit te dooven is. Silvester heet de wandelaar; Hoe goelijk groet hij hier en daar! Wat tal bekenden op zijn pad. Waarmee hij veel te schaften had ! Hoe recht vertromvlijk! wis hij kent Veel zielsgeheimen van de bent. Hoe vol beteeknis is zijn blik! Daar spreekt berouw uit, vreugde (en schrik. Hier schudt hij blij een volle hand. Daar wijst hij op het verre land ; Hier heeft hij troost voor tranen veil. Ginds juicht hij om verkregen heil; Maar of hij schreit of lachen kan. Toch blijft, hij steeds een ernstig man, Wien 't zeker weinig voegen zou, Wanneer hij dartel wezen wou; liespotlijk zou 't der grijsheid staan, Trok deze 't harlekijnspak aan. En toch â boe wulpsch en wonder-(baar! Toch solt men met den wandelaar, En slaat hem, in zijn ouderdom, Den mantel van de dwaasheid om; Ach, wie gevoel heeft, schreit er bij ; Verachting, neen, maar medelij' ( |
Met hem, die zoo'n eenvoudig man Zoo ongepast mishandlen kan! Want zie hein in zijn narrenpak ; Geen beeld, dat zoo zich zelv' weersprak ; Het is of op 't misvormd gelaat Een schaamteblos te lezen staat: Of uit het kleed, waarmee hij prijkt, Ellende, schuld of schaamte kijkt. Och, blijf de waarheid niet verhuld Hoe slecht hij zulk een rol vervult; Hem voegt de kalmte, een zware last Is d' ouden stumperd opgetast! Hij voert den cijns voor wel en wee. Veel lachjes en veel tranen mee. Zie, soms wordt ook zijn ooglid nat. Als â bij de vrienden, die hij had. En die hij ditmaal niet ontmoet. De waarheid door hem wordt bevroed. Dat zij naar 't eindeloos paleis Hem reeds vooruit zijn op de reis. Neen, wie sii.vester recht bemint. Hij toon zich hem een hartlijk vrind En denk: hij is een statig man. Die op ervaring bogen kan : En leert hij ons met, woord en daad. Men hoor met eerbied naar zijn raad ; En, krimpt zijn tijd in, moet hij heenâ Men laat hem uit, getroost, tevreên, En roep: âga oude, in Gods naam, ga, Tot wederziens ! hem achterna. 1847. |
De Oudste Zoon.
Och armoe â ze is een vreeslijk zwaard
En moedloosheid een kruis.....
Vijf schaamle kinders om den haard
1) 31 December.
De Outlsle Zoon.
Een vonk noch vuur in huis!.... Ach maarten, â bitter was zijn lijden. Toen hij de broodkorst rond zag snijden
En moeder, hoe heur kroost nog bad, Geen kruim meer overhad.
Het was een tijd van tegenspoed En 't leven was zoo duur;
AI hield men zich nog knap en goed Voor 't oog van vriend en buur â Te wel moest de arme man ervaren Wat rampen er in 't leven waren,
En, schoon hij 't zelden blijken liet, Verbergen kon hij 't niet.
Gewis, hij had een brave vrouw 1 Hoe bitter ook haar lot.
Ze droeg het met geduld en trouw En gaf het op aan God;
Haar zondagskleed was, zonder klagen. Door haar ter leenbank heengedragen, â
Maar, dat heur man verging van smart, Dat ging haar diep Joor 't hart.
Ach, dat een nieuwe werktuigkunst Zijn handwerk had vernield!
En, schoon zijn meester lang uit gunst Den braven werkgast hield! â Ook eindlijk zond men maarten henen, Die 't op een ziekbed uit moest weenen;
Daar lag hij! Al zijn hoop te leur â En de armoe voor de deur.
Al schonk de hemel hem herstel â Wat baatte hem zijn kracht?
Het was Gods hand: hij wist hel wel, Maar ach, de ontperste klacht.
Dat hij ze niet meer smoren konde â Voorzeker smartte hem die zonde;
Doch wie ook kommer leed als hij, Spreekt d' armen man licht vrij.
Wat was dat eens een zoete tijd.
Toen hij zijn lieve brecht,
Nadat hij jaren had gevrijd,
1'iO
De Oadsle Zoon.
Geleiden mocht ten echt!
Wat was het huisje knap en helder, Wat rijkdom in den kleinen kelder 1
Wat dacht hij dikwijls aan de bee Van d' ouden dominee!
Doch vijftien jaar zijn sinds vergaan:
Veel bloesems vielen af;
Vijf kinders ziet hij voor zich staan,
Drie slapen er in 't graf.
En troostte vaak, bij bange zorgen,
Het âBeef niet voor den dag van morgenquot;,
Dan deed dit vrouwliefs englenstem â Haiir wee verzweeg ze hem.
âKom, manlief, zet u naast mij neer, Kom. strijk die rimpels weg,quot;
Zoo vleide breciit, âbouw op den Heer, Wat dunkt u, maarten, zeg'?
Volharden wij in onze plichten â
Wis zal dan God ons leed verlichten;
Legt Hij beproeving op ons huis, Hij schenkt ook kracht bij kruis.
âDe voorspoed lacht ons niet meer aan â Maar 't was niet ons bedrijf!
Hoor, maarten, 'k zal uit werken gaan, 'k Heb handen aan het lijf!
De kindren schieten uit de noppen,
'k Bracht hen niet groot voor weeldcpoppen I
Rest ons geen stukje vleesch â wat nood! Ze lusten roggebrood.
âZe zijn gezond en wel te moe;
Ja, zie maar eens in 't bed,
Zij sloten blij hunne oogen toe; We spreken onverlet;
Ons mietje zal op zusjes passen,
Met Mei is ze al de school ontwassen;
En ik voorspel je, onze oudste ian,
Daar groeit een kerel van!
âZijn baas, zoo dikwijls ik.hem spreek. Zegt: âvrouw, je jan wordt kluar!quot;
Nu, veertien stuivers in de wee!;
121
De Oudste Zoon.
Is knap voor veertien jaarl Hij schijnt het timmren goed te leeren, Wat prijzen hem die teekenheeren! Kom man, wat pruil je, wees niet mali Eén werkhuis heb ik al!quot;
â âNeen vrouw, uit werken ga je niet. 'k Zou zóó iets kunnen zien ?
Licht, zoo mij God het leven liet,
Dat ik het brood verdien.
k Waardeer ze, maar ik ken je krachten; Zou ik je zuigling zien versmachten ?
Deii nood moet eenmaal perk gesteld â Daar, vrouw, is eerlijk geld!quot;
â âIs 't waarheid, maarten, of is 't waan ? Neen, ik verdenk je niet____
Maar geld?.... ik sla geen hand er aan; Uw oog spelt me uw verdriet;
Dat is geen geld met vreugd verkregen. Uw blik, al zeg je % spreekt het tegen. Wat deedt ge er voor'? Waar kreegt ge't van? Och zeg het, lieve man!quot;
â âVrouw, wie het harden kan â ik niet; Ik ben van eerlijk bloed â
'k Ontroer als mij de huisbaas ziet.
De bakker mij ontmoet;
Wel kunnen ze onzen nood vermoeden:
Hekend zijn onze tegenspoeden.
Maar toch, 'k sta zwaar bij hen in 't krijt, Geen niensch weet wat ik lijd 1
âHoor dus: maar 'k bid je, blijf bedaard;
Gebrek.... het doet zoo zeer!____
Een leege kast, een koude haard.. ..
Geen werk, geen uitkomst meer....
'k Wist dat de schilderszoon moest loten. En, brecht, aan rijken en aan grooteu,
Voegt geen verplichte krijgsmansstand; Welnu, 'k werd remplacant.
âDaar, neem het geld, betaal nu snel
De schuld, mijn drukkendst kruis,
ï.eef zuinig â maar, dat zul je wel â
422
.De Oudste Zoon.
Blijf bij de kindren thuis;
Schaf mietje een dienst bij brave lieden, Jan zal je trouw zijn weekloon bieden,
En, wat ik spaar van mijn soldij.
Ik voeg 't er zeker bij.quot;
Dat was te veel voor 't vrouwlijk hart. En 't overkropt gemoed.
En de ingedwongen zielesmart Sprak uit beur tranenvloed.
Haar eerst verwijt â ze moest het uiten: âDat kon je zonder mij besluiten.
En dacht niet aan mijn bitter lot!
Soldaat!----verhoede 't God!....
âNeen maarten, dat 's geen mannenmoed. Maar wanhoop in den strijd;
Wie arbeidt ook in tegenspoed.
Helpt God ter Zijner tijd !
Niet waar, gij zult mij niet verlaten?* â Helaas, wat mocht die klachte baten;
Wel was de vader droef te moe.
Maar 't lag er eenmaal toe.
Wat nacht volgde op dat avonduur! Wat leed de brave vrouw!
Ook de arme man vond rust noch duur Bij deernis en berouw.
Voorwaar hij moest het zich belijden:
Hij was bezweken onder 't strijden;
En aan den stap, door hem gedaan â
Daar was geen keeren aan.
Doch hoor, wat snik! Wie zuchtte daar? 't Klonk gindsche bedstee uit;
Maar 't oor van 't droef, doch wakend paar Was doof voor elk geluid.
't Was de oudste zoon : al mocht men 't wanen. Toch sliep hij niet, die moeders tranen
En vaders dof en droevig woord.
Gezien had en gehoord.
Het leger werd hem te eng, te klein: Wat viel de nacht hem lang!
Wat spooksels door het jeugdig brein!
De Oudste Zoon,
Wat droomen, zwaar en bang!
Maar toen de dag scheen door de ruiten. Vloog de arme knaap gejaagd naar buiten En schreide er eindlijk lang en luid Zijn diepe droefheid uit.
,Verhoede 't God l' sprak moederlief.
Hoor, Hemel 1 hoor die bee,
'k Zag hoe zij 't oog naar boven hief. Ach, 'k bid met moeder mee ;
Wil vader niet van moeder scheiden.
Mijn kinderliefde sterke beiden.
Hetzij 'k ooit leed ot vreugde raap 1 Zoo bad de vrome knaap.
Hoe jong, hoe teer ik nu nog ben,
't Ontbreekt mij niet aan lust;
Zoodra ik maar mijn ambacht ken,
Geef ik mijne ouders rust;
Maar n u, ach, Hemel, sterk mijn krachten Zoo 'k n u hun lot eens mocht verzachten. Bij u is alles mooglijk. Heer!...
Och, zie genadig neer!
âDie schilder â zoo ik 't wagen mocht!
Hij, die me op fouten wees,
Toen hij de teekenschool bezocht.
Maar toch mijn aanleg prees....
Zou 'k vaders nood hem openbaren? Hem zeggen, wat ons is weervaren? Misschien helpt hij mijne ouders dan... Hij is zoo'n edel man 1quot;
Hoe schuchter vaak de jongen was.
De liefde gaf hem moed,
En wat hij zei, hij deed het ras;
't Gevaar toch eischte spoed.
't Zou moeders hart tot balsem strekken. Als hij 's mans meelij op kon wekken. Als deze zich verbidden liet,
En vreugd schonk voor verdriet!
De kunstnaar had een deugdzaam hart â
Wél had de knaap gelijk â Van hulpbetoon bij ziekte of smart,
Dc Oudste Zoon.
Gaf hij zoo menig blijk.
Een traan, aan 't mannenoog ontsprongen. Werd weer in 't oog teruggedrongen:
âNeen maatje,quot; was zijn uitroep, âneen 1quot; Jou vader gaat niet heen!
âJa, zeg dat thuis, kom straks weerom,
Men houde vrij het geld.
Maar jij zult dienen voor die som,
Hier is jou oefenveld;
Ik zelf, ik zal je drihnan wezen;
Wie lui is, moog mijn rotting vreezen ; Die teekenstift wordt jou geweer,
Daar, werk er mee met eer.
âNeen, danken hoeft niet! wees maar braaf,
'k Eisch die belofte nu;
Dat je arbeid mijn verwachting staaf,
Want de ijver ligt aan u;
En kunt ge u eens als man verweren. Op 't eervol kunstveld mee marcheeren.
Welnu, dan breng je mij die som Van vader eens weerom.quot;
En 't goed vertrouwen werd gestaafd 1
De plant schoot welig op;
Ze werd geleid, gesnoeid, gelaafd! En vruchten schonk de knop; Een welige aanleg bracht talenten.
En de ijver duizendvoude renten: De kunstnaar kweekte mild en vrij Den kunstnaar aan zijn zij.
't Gevoel was wis den meester zoet.
Toen eer- op eerbewijs De vlijt des leerlings had vergoed, In vaak verworven prijs;
En toen hij 't zag, dat 's jonglings gaven Zich in den vreemde zouden laven Aan rijker bronnen der natuur.
Was 't hem een zalig uur.
En â wien de roem verblinden mocht Vonr kinderplicht-betoon.
125
De Oudste Zoon.
Geen weelde, die hem ooit verzocht â Hij werkte en minde als zoon.
Geen armoe drukte meer de schoudren Van de altoos nog hem dierbare oudren, Ja, hadden ze eens de smart gekend, H ij had die afgewend.
Maar, uitten zij nog soms één bee â
t Was dat hun lieveling.
Die d' ouderboezem zwellen dee.
Mocht keeren in den kring.
Door God hun op hun pad gegeven; Dat tot den avond van hun leven Zijn kinderliefde en kindertrouw Hun 't hart verwarmen zou.
Treed vrij die nette woning in,
Ge vindt er vrede en rust En huislijkheid en broedermin:
't Spelt alles liefde en lust; Een bloemenwadem geurt u tegen,
't Spreekt al van welstand en van zegen; 't Is of ge op iedre loover leest: 't Is zilvren huwlijksfeest.
Een kleine kring zit vroolijk neer
Bij 't burgerlijk onthaal.
Een goede beet, maar vreugd nog meer. Geeft deeglijkheid aan 't maal.
Ziet gij ze wel, die echtelingen,
Door wat hun dierbaar is omringen 1 Wat ziet de man er dankbaar uit! Hoe zalig schijnt 2ijn bruid!
Die bruigom ginds, al loopt in 't haar
Een weinig wit door 't zwart.
Al telt hij ruim een vijftig jaar,
Is twintig nog van hart.
De moederbruid â wat gaan haar oogen Naar 't kroost, waarop ze trotsch kan bogen Wat blikt ze beurtlings wel te moe 't Beminde vijftal toe!
De Oudste Zoon.
Haar mietje, lief en braaf en schoon,
Verrukt als ze is en blij,
Biedt nu en dan tersluiks haar koon Den vrijer aan heur zij;
Drie andre dochters, lenteknoppen.
Doen 't moederhart van vreugde kloppen; Maar één is uit den dierbren kring Haar dierste lieveling.
Haar eerstling is 't, haar lieve JAN,
In wien al 't heil van d'echt.
Waar God de ziel mee zaalgen kan,
Voor haar is weggelegd:
Die 't in zich zelven zag bewezen,
Dat hen, die 't woord betrachend vreezen: âHeb vader en heb moeder lieflquot;
God tot zijn kroost verhief.
Hij keerde weder, maar bezield
Van 't diepste kunstgevoel.
Had hij voor God alleen geknield In 't voor hem lichtend doel. De vadergrond â hij riep hem weder. En de oudeiarmen drukten teeder Den lieven zoon aan de ouderborst â Zoo'n rijkdom kent geen vorst 1
Hij zag de kunst haar weefsel af.
Zijn verf leefde op het doek;
t Penseel werd hem een tooverstaf. Natuur een tooverboek;
AVel plooide zich een toekomst open.
Die quot;t schitterendst genot deed hopen.
Maar wat hij was of worden zou.
Zijn liefde bleef hem trouw.
£en stevig man zit nevens hem.
Zijn gids op de eerebaan;
Zie, nokt en hapert 's jonkmans stem â Zijn oog dankt met een traan;
âMijn eedle vriend,quot; nauw kon hij 't uiten, âDeez' dag mag al mijn heil ontsluiten, âO, dat ik heden, zoo gij 't duldt.
Iets afdoe van mijn schuld,quot;
1'27
Dc Oudste Zoon.
.Aanvaard, 'k wijd u mijn laatst paneel,
Waar gansch mijn ziel aan hing ; Het onderwerp ? o verg niet veel â Een oude erinnering:
Een binnenhuisje naar het leven;
Ja, 't is mij duidlijk bijgebleven,
Wat ik eens voor een jaar of tien.
Schoon schreiend, af mocht zien.quot;
âHet treurtooneel is sinds verkeerd
In 't liefelijkst tafreel;
Gij hebt de schaduw afgeweerd,
Gods zonlicht werd ons deel;
't Staat in mijn ouders oog te lezen;
Hij zij geloofd. Hij zij geprezen.
Die ons tot zoo veel vreugde riep, En dezen stond ons schiep.quot;
â.Ia, maarten,quot; sprak de dankbre bkecht
Vol onbezweken trouw,
âWie had voor tien jaar ons gezegd Wat nu gebeuren zou ?quot; â
âVrouw.quot; fluisterde heur man âsinds jaren Mocht ik je woord in 't hart bewaren; Je hadt gelijk: onze oudste jan.
Daar groeide een kerel van!quot;
De roem verheft, de kunst maakt groot,
En de aarde glanst en geurt Voor hem, dien de eer haar gunsten bood. En aan haar boezem beurt;
Maar zoeter vreugd is hém gegeven.
Die, in de straalzon van het leven.
Het oog bij roeping, liefde en plicht,
Naar boven houdt gericht.
En â waar ooit dankbede opwaarts rijst
Uit nederig gemoed.
Geen, die zich ooit zoo zalig prijst Als 't ouderharte doet.
Waar kinderplicht en kinderliefde Do gt;vonden heelt, waar 't lot mee griefde; Hij. die bemint naar 't hoog gebod, Mij staat in 't boek bij God.
128
Achttien Jaar.
129
AcMtien Jaar.
EEN BLIK IN DE JONGENSWERELD.
|
Achttien jaar, iö vivat! Bloeitijd van het leven. De eerste schrede op 't manlijk pad, Bluffen, drooitrien, zweven; Broek en frak naar eigen zin Contra Pa's bestieren; 't Eerste ruig om kaak en kin, Weeldrige manieren ; Heel brutaal of heel bekneld Op het stuk van liefde; Op 't âMijnheerquot; der meid gesteld, âJongeheer!quot; â hoe 't griefde! Loting, miserabel ding. Bah, wie niet de maat heeft; Poffen op Pa's rekening. Klagen of men 't kwaad heeft. Moeders glorie, vaders vreugd; Klerken of studeeren; Jolen met de blonde jeugd. Snoeven op zijn âberenquot;. Jannig in het koffiehuis, Zedig op soireetjes; Deficit â een drukkend kruis. Sparen â och, met beetjes! Streven naar Apollo's gunst. Krul in zin en haren; Koel voor de eedle cijferkunst, Keurig op sigaren. |
De eigen straat of de eigen gracht Honderdmaal passeeren; Gluren of het kopje lacht, Dat ons ziet flaneeren; Heel roijaal in woord of daad. Liedjes zonder zorgen; 's Avonds laat en 's morgens laat Liberaal in 't borgen. Theorie â nog meer practijk. Broederschap of ruzie; Heel de wereld vaak te rijk. Plannen vol illuzie. Doen wat nog geen ander dee; Kerkgaan â soms met luste. Nu eens om den dominee. Dan om.... de bewuste. In het nat en droog een baas. Item in 't biljarten; Leven tusschen mal en dwaas, Half, â dat heel durft tarten. Jongens, met je driftig bloed. Met je vreemde zinnen. Zegt mij, waar ik enden moet, 'k Weet nauw te beginnen. Nu eens dat en dan weer dit â Wat er van je worde?... Och, als 't hart terdege zit. Komt het wel in orde. 1851. |
Van Streek.
|
Van streek had d'Oostergrond be-(ploegd, 't Pensioenheil had zijn reis vervroegd Naar 't lieve moederland. Al tobden Zwartjes om va n streek â Hij liet relaties in den steek. En zei âbonjourquot; aan Java's strand. |
Hij huurde een huis in de Amstelstad, En las er druk het Handelsblad, En rookte er zijn Javaan. Hij zocht verstrooiing en vertier, En nam voor 't noodig huisbestier Een reeds bedaagde juffer aan. lt;J |
Streek.
130
Van
|
t Ging best: hij was nu frank en vrij, En liep te neuriën langs 't IJ, En toog naar elk concert, Werd routinee van 't koffiehuis; Ter beurs, in 't Nut â hij bleef niet (thuis, Waar ouds of nieuws verhandeld (werd. Maar thuis â ja, thuis vond hij 't (wat stil. Hij kon niet altijd op den tril, Vooral bij winterkou; Hij dacht er ernstig over na, Al lukte hem de keus niet dra, Wie hem gezelschap houden zou. Maar hoe van streek zoo baaz'len (kon ! Want waar hij uit de verte op zon. Het was den man nabij. Gezelschap ? Hemel, als hij 't vroeg! Eén woord van hem... en 't was genoeg â Een stoel stond aanstonds aan zijn zij! Die stoel stond in zijn huisvertrek. En zoo ik hier de vraag licht wek. Wie op dien zetel zat1? â Wel, 't spreekt van zelf, en 't was (ook recht. Zij, wie de zorg was opgelegd Van huis en hof en kelderschat. En toch..., het was geen zinsbedrog. Wat hij niet vroeg, gewerd hem (toch: Die stoel â zijn vis d vis, Kwam naderbij van pas tot pas. Stond, eer een maand verloopen was, Vlak naast de zijne in sympathie. Neen, dacht van streek, dat meen (ik niet, 'k Was dwaas, als ik mij vangen liet |
In zulk een ijz'ren kooi; 'k Ben wel geen jonge springer (meer. Maar als ik een gespan begeer, Dan jong en liefst zoo ietwat mooi. Bespiegeling werd eindlijk wensch. Begeerlijkheid bekroop den mensch, Maar â hoe aan 't doel geland'/... De krant ?!... een lumineus idee! Het Handelsblad: hij 's klaar, hoezee I Een huwlijksaanzoek in de krant 1 Daar kwamen tal van brievan aan; Watliet van sïkeekzijneoogengaan! Wat lettren van gewicht! Teer was de tekst en kiesch de leus. Geslingerd door zijn rijke keus, Viel hem die keuze gansch niet licht! Maar één â een supra teere briefâ De schrijfster was vast jong en lief! Eén brief lokt bovenal! Hij doet zijn keus en vraagt honnêl' En zeer décent, een tête a tét', Wanneer en waar' t h a a r vleien zal. 't Uur wordt bestemd, de plek bepaald. De leus wordt voor den dag gehaald. Trouw aan de ontvangen les. Maar raad nu al wat raden kan: Wat lief gelaat aanschouwt de man '? Dat van zijn eigen huisvoogdes! Van streek is wijsgeer, hij beraamt Wat wijs gedrag hem thans betaamt; Hij beeft voor smaad en spot. Hij neemt een kloek, manhaft besluit. Neemt zijn surprise tot zijn bruid En denkt grootmoedig: 't is mijn lot Gij vraagt: is hij nog frank en vrij'? Hij neuriet n iet meer langs het IJ, Maar zit bij moeder thuis. En discht haar anekdotes op |
Een Bakers Nachtwake in de Kraamkamer.
131
|
Van quot;t la nd daar achter 't ruime sop â Een enkle maal wel bij abuis. En wie hem van nabij bespiedt, Zegt; hij vergeet de Zwartjes niet. |
Hoe warm hij 't bij hen had ; En kon 'tâhij liep er nogmaals heen, En liet zijn blanke schat alleen Voortsnufflen in het Handelsblad. 1851. |
Een Bakers Nachtwake in de Kraamkamer.
|
Wacht, laat eens even kijken; Ja, alles is patent. Mijnheer is afgetrokken, Wat zanikte die vent! tWas: âbaker, zal je toezien? Heb je alles voor den nacht? Je moet vooral niet wiegen! Spreek met Mevrouw wat zacht!quot; Heel best! ik wil zelfs zwijgen: Voor mijn part slaapt ze door. Niet wiegen?... nou nog mooier, Schrijf jij maar lessen voor! Ik wil ze wel betrachten: 'k Hou ook van mijn gemak, 'k Heb, als dat ding gaat grijnen. Zes dotjes in mijn zak. H ij weet het! op m ij n jaren 5loet ik nog in de leer! Kandeel smaakt toch maar heerlijk! Daar ga je, nacht Meneer! Bij dag moet ik maar toezien Bij al dat zoet geflep; Ze moeten toch begrijpen. Dat ik mijn smaak nog heb! 'k Zeg maar : met die visites Krijgt soms een burger moed; Die fooien en die restjes Doen die arme sukkel goed. Zij, die daar ligt te ronken. Ziet me ijslijk op de hand, ') Over de opvordme Tan het Vind. |
Zoo rijn er. ALKXAKDER V. H. Maar och, met zoete woordjes Valt ze ook al door de mand. 'k Zat zeven weken âzonderquot; En 'k had het zwaar genoeg; 'k Moest de andre âlaten loopen,* Z ij ârekende te vroeg.quot; Ze is schriklijk âziekeneurig;quot; 'k Ben heel den dag in 't touw, En 's nachts zou 'k op een droogje?.. Goed, complement Mevrouw! Maar wat ik niet kan velen â En 'k hoor ze keer op keer, Dat zijn die nieuwigheden. Die praatjes van Mijnheer! âHet kind niet stijf te kleeden; Een badje telken dag; Geen flepjes meer gebruiken. Daar 't hoofd niet broeien mag. Het kind niet voor de vuurmand!quot; Geen vuurmand! zoo'n genot! En 'k meen, hij zou me ranslen. Repte ik maar van een dot. âGeen spelden in de luiers; Koud water,quot; 'k ril er van I Ik vraag je: zijn die zaken Nou zaken voor een man? 't Was vroeger waar en heilig Wat baker zei en dee; Nu zoeken ze al hun wijsheid In 't boek van Allehé 1). |
Brief van een Oom aan zijn Neef.
132
|
Als 'k naar een boek moest baakren, Dan lei 'k mijn post maar neer. Hè, dorst ik â 'k zou hem zeggen: Doe jij het dan, Meneer! De meid wil me ook regeeren. Ze noemde me een prinses; âOf 'k niet zoo'n boel zal maken !quot; Is iedren dag de les.' Wat weerga! ik ben baker. En zij is maar een meid! Ze kennen tegenwoordig In 't minst geen onderscheid. Wat geef ik om de keuken, Dééz' kamer is m ij n deel. Om 't hier aan kant te houden Wat kost het mij niet veel! 'k Heb honderd âakevietjesquot; Van vrouw en kind te gaar, 'kMoet in één dag meer redd ren Dan zij in 't heele jaar. Mevrouw wil, dat ik 's morgens Mijn kap heb opgezet. En als de dames komen, Ik puntig ben en net. Wacht! 'k hoor in 'tbed beweging, Of ze ook iets hebben wou? |
âWat? of hij slaapt de kleine?' âO, als een roos. Mevrouw!quot; Ze dut weer in! Gelukkig ! Wat is de kleuter zoet! Kom, 'k ga eens maklijk zitten: Dat kooltje doet me goedl Vier gulden 'sweeks.... en 'tpotje Blijlt hoop ik niet te schraal! Die dame van van morgen.... Twee vijfjes â weergaasch kaal! Maar 't doopfeest is op handen. Hé, als dat eens goed gaf! 'k Zal peetoom best bedienen; Oom, hooi- ik, schuift goed af. Ik voel mijne oogen trekken. Och, of ik slapen kon! Magnesie â venkelwater â Bestellenmelk â bouillon â Kandeel â beschuit met muisjes â Kaneelkoek â boterbier â Mij nheer â Mevrouw â de meiden â Het kleine mormeldier â 't Draait alios om mij henen. Mijn stoel, mijn stoof draait meê â 'k Zie duizend dotjes dansen Om 't boek van Allebé. 1854. |
Brief van een Oom aan zijn Neef.
Ge vroegt mij onlangs, waarde piet ! Ge vroegt mij : waarom schrijf je niet? En zeker was die vraag terecht;
Maar jongen, onder ons gezegd:
'k Weet niet of mij de lust begaf â Maar 't schrijven gaat mij langzaam af; Of 't in mijn inkt zit of mijn pen, â Je weet, dat ik van 't oude ben En nog de ganzeveder voer â
Ik weet het niet; maar bij 't rumoer. Dat in deez' tijd de Perryan maakt, Ben 'k wel wat van mijn streek geraakt.
Brief van een Oom aan zijn Neef.
De stoomgeest holde mij voorbij En schuchter hield ik me aan een zij. Daar moeten, zei men, lang voor dezen. Ook hoorders, zieners, zwijgers wezen.
Donk niet, dat ik uw ijver doem.
Of ooit uw streven dwaasheid noem.
Wijl ge op âde hoogte van den tijd,quot; Zooals gij 't immers noemdet, zijl.
Dat gij mij als een diplomaat Van ongewone dingen praat. Van Yachtcluhs, Lloyds, Journalistiek, Van anomaal en methodiek.
Van allocutie, strategie.
Van budget en biologie.
Van tolverbond en vrij verkeer, Van spiritisme en wat al meerl Veel zaken, die ik daar moet laten,
Wijl ik er niet van mee kan praten.
Maar ééne zaak, mijn waarde neef. Waarvan 'k graag op de hoogte bleef, Hoe 't daarmee staat, haar stand en loop. Meldt gij mij niets of weinig; 'k hoop Dat gij mij steeds begrijpen zult En 's ouden mans bevreemding duldt: Dat gij mij van uw eigen haard. Uw keuken, kelder, grond en gaard. Van uw ontbering of genot.
Van t uitzicht op nog beter lot.
Of wel van de algenoegzaamheid.
Die 't huisbedrijf thans om u spreidt â In 't kort: dat van uw huislijk leven Gij mij een trouw verslag zult geven.
Gij vroegt van mij zoo vaak een brief..,
Wat zal ik schrijven, vriendjelief?
Geleerdheid, politiek? Och man,
'k Weet daar zoo bitter weinig van;
Gun dus, wijl ik mij niet heel graag
Op onbekende zeeën waag.
Dat ik maar op mijn stokpaard blijf
En met u handel, met u schrijf
Van 't geen voor u mij 't meest bezielt.
Van 't geen gij mij liet meest weerhieldt
Brief van een Oom aan zijn Nee/.
Zoo 't onderwerp u niet mocht smaken â Ik weet, gij zult mijn zorg niet. wraken.
Ge waart van jongs af mijn pupil ; Ik schafte een stand u naar uw wil ; Het ging u goed, ge deedt uw best: Met goed gevolg hebt ge u gevest: Ge werdt een burger van den staai, En... Oompje-voogd had uitgepraat.
Toch hebt ge u steeds met mij verstaan En naamt mijn raad gewillig aan, En 't was u nimmer ergernis,
Sloeg oom somtijds den bal eens mis. Ge trokt van mij naar vreemde stee, Bat brachten zoo de affaires mee ;
Maar toen gij gingt, mijn waarde piet, En ik mij op uw deugd verliet,
Toen dacht ik dikwijls, hoe hij 't stelt. Als hem de huishoudzorg soms kwelt 1 Alleen, dacht ik, is maar alleen.
Maar kom! piet als zoo menigeen.
Zei ik dan weer, en naar ik hoor. Gij reddet u er dapper door.
Toch wenschte ik heimelijk en stil â En hier ben 'k waar ik wezen wil â Dat ge eens met eer en met fatsoen Een keus naar hoofd en hart zoudt doen; Een keuze van een lief gespan.
Waar hij me in navolgt, dacht ik dan, 'kHoop niet, dat hij op 't stuk van paren Zijn oom en voogd zal evenaren.
l)ie wensch â ik uitte 'em vroeger niet, Daar 'k aan den tijd graag overliet Wat die zou brengen; bovendien,
'k Meen dat het gros der jonge liên â Ik heb 't gezien, ik heb 't beleefd â Hierin de zweep niet noodig heeft.
Maar nu de tijd mij heeft geleerd.
Dat ge in die zaak niet galoppeert. Nu 'k uw bedrijvigheid bespie.
Met eigen riem u roeien zie;
Nu 'k weet, dat gij met noest beleid U zelf een kluisjen hebt bereid,
-134
Brief van een, Oom aan zijn Neef.
Nu roep ik op uw dertig jaren:
Neef; 't vrijersleven heeft bezwaren!
't Is oom, die 't zegt, en neef de man. Die zich aan oom nog spieglen kan. De vrijheid was me een streelend woord; Van kindsbeen heeft het mij bekoord; Als jongling riep ik: vrij en blij!
Als man zei 'k norsch, ik blijf er bij ; Als grijsaard bleef 'k op vrijheid bogen... 1 Helaas met tranen in mijne oogen.
.Ta, neef, de waarheid moet gezeid:
Mijn roosjes waren dun gespreid; Hoe verder ik mijn baan betrad, Hoe schraler 't dorre levenspad.
Gehuurd bestier â een koude hulp; 't Huis zonder vrouw â een barre stulp. Geen kroost â geen kinderrazernij â Ach, kalmte zonder poëzij ;
Geen hart, geen baud u toegestoken. Alleen om met je zelf te spoken!
Wee ook de onmannelijke last Uw zwakke schouders opgetast: Die meidenhuur, die schoonmaakstijd. Die waschvrouw en haar dorre strijd, Die vraag, die telkens wederkeert; Wat spijzen ge op uw disch begeert; Van nieuwe jaar tot oude jaar Bemoeiing hier, berisping daar;
Geen raad dan een betaalde raad; Ten mikpunt van de eigenbaat; Ten speelbal van bedrog en lis(.
Vreemd soms in eigen kast en kist,
Kan 't huis geen huislijkheid u geven En kniest ge bij 't eenzelvigst leven.
Nog erger, als men elders tracht Te vinden, wat ons thuis niet wacht, En ronddoolt in al wijder kring,
Als de onbestemde zwerveling.
Die op zijn vrijheid snoeft en snort,
Maar slaaf van eigen dwaasheid wordt, 't Uithuizig maal smaakt dikwijls goed
Brief van een Oom aan zijn Nee/.
Bij jeugdig hoofd en bruischend bloed, Wanneer men naar verandring haakt En graag eens nieuwe kennis maakl.;
Maar komt de leeftijd aan van rust, Dan geeft het last bij weinig lust. Dan gaat de geur af van gerechten, U toegeduwd door nurksche knechten.
Maar 't ergste nog bij ziekte en smart â Geen trouw, geen koestrend heelend hart. Geen liefde, die uw peluw schudt,
Geen borst, die 't zwakke hoofd meer stut, Geen oog, dat iedren wenk verstaat En uw geheimste wenschen raadt;
(ieen leven, dat uw leven rekt.
Geen bee, die u tot danken wekt.
Geen zorg, die uwen gang bestiert.
Geen vreugd, die uw herstelling viert! Of als de dood uw loop komt stuiten.
Geen hand om 't brekend oog te sluiten.
Gij voelt het, hoop ik, waarde neef. Het zwart tafreel, dat ik u geef,
Is geen verwijt voor d'achtbren man. Die zwijgt, waar hij niet spreken kan; Die in 't geheim zijn reden heeft.
Dat hij zich niet op 't ijs begeeft. Die, groot en eerlijk van gemoed,
Geen ondoordachte wenschen voedt.
Maar naar gezette regels handelt En stil zijn eenzaam pad bewandelt.
Maar 'k heb het oog op hem gericht. Die door ontbering, rede of plicht Den levensweg niet ziet versperd.
Waartoe de man geroepen werd; En 'k meen dat gij â 't is zonder mallen â In deez' categorie zoudt vallen.
Nu neef, nu ben ik aan een end.
Ik heb 't epistel afgepend;
Wat ik u toewensch, weet ge nu.
De goede keuze blijve aan u;
Maak geen bezwaren groot en zwart. Zie rond, pleeg raad met hoofd en hart. Let niet op geld en schoon alleen;
136
Neen en Ja.
'k Wensch u geen gouden blok aan 't been ; Maar vindt ge een gul en goed gespan, Die ziel en zinnen streelen kan,
Waag 't kansje, neef, en denk aan oom; Geen malle keurigheid, geen schroom. Maar moed en hoop bij uw besluit En 't valt licht tot uw voordeel uit.
Droom niet te veel van zielsvenijn; Van rozengeur en maneschijn;
Neem 't leven voor hetgeen het is,
Geniet met mate en houd u l'risch.
Maak u 't geluk niet al te blij;
Geen Eden zonder schaduwzij:
Daar. neef, daar heb je nu een briefl Zij u mijn raad niet tot een grief, En wankelt gij in uw besluiten.
Leer dan al vast deez' brief van builen 1 18rgt;3.
Ueen en Ja.
(EEN STUDIEPHOEFJE TE 11 VOOKDKACHT).
|
Kleine kleuter, rnoedersgekje, Danst Klaas-Vaak niet om je heen 1 Moet klein jantjk naar zijn bedje? Is hij moegedribbeld'I â Neen! Moet ons Jantje naar de hondjes? Moet hij dansen met mama? Wil hij 't Hansje nog eens hebben? Of een schepje suiker? â Ja! I Pieter, ben jij acht of negen ? Wie is sterker, jij of Leen? Kreeg jij laatst van Leen voor 't lapje? Jij bent immers kleiner? â Neen! Smaakt je bootram niet veel beter Dan de rotting van papa? Vind je 't ook niet wijs, als meester Tegen kermis 't school sluit ? â Ja! |
Jonge julfrouw, heeft dat beursje Met uw hartje ook iets gemeen? Is 't voor een van uw vriendinnen ? Hm! toch voor geen vriendje? â Neen. Slaat men, jonge heeiyop 't kostschool U niet wat nauwlettend ga? Snak je niet naar de academie â¢â Naar een kast, een rijpaard? â Ja ! Schoone M(na, blijft uw zuster Met haar liaison tevreên? Wie zal nu de beurt eens krijgen, Mina, is er kijk op ? â Neen ! Karel, vriend! haast ben je mondig â Jongen, denk je al om een ga ? Denk jij dan wel eens om Mina ? Attrappez Champagne? â Ja!! |
Kruis en Kracht.
138
|
Kiest ge, Amice, 't vrijersleven, Of ducht ge ook een blauwe scheen? ITebt ge nimmer 't hoofd gestooten Bij verliefde plannen ? â Neen ! Wel, mevrouw, is niet uw lievling Al de rijkdom van uw ga? Schat gij niet uw moederweelde Boven iedre vreugde? â Ja!! Zeg mij, dame, stemt de schouwburg à niet dankbaar en tevreên ? Maakt die shawl u niet gelukkig. En die pracht van meubels?âNeen. |
Heer baron, die ridderkruisen. Die ge gaardet voor en na. Doen zij u de borst niet zwellen Van genot en glorie ? â Ja ! Oude blinde ziel, vergaat gij Niet in tranen en geween ? Voelt gij u niet diep verlaten In een duistre wereld? â Neen. Blikt gij met het oog naar boven Dankbaar het verleedne na? Wacht gij met een stil vertrouwen Op het uchtenddagen ? â Ja !! 1851. |
Kruis en Kracht.
|
Veel verwekt en veel vervlogen, Droomen door het lot gewraakt, Jeugd in jammer heengetogen, Waar een koude ervaring naakt; 't Leven â ach, een vaag bewustzijn Van een strijd, die woelt en blaakt. Driften, die niet eer tot rust zijn Voor de knop beur boeien slaakt. Wat we nogtans veel vermogen. Waar een hoogre kracht ontwaakt! Bont zijn 's werelds idealen, Vlinders zijn ze ons in 't verschiet. Kleuren, die door neevlen dwalen. Rook, die bij de naadring vliedt! Och, dat wij de stemme loven. Die ons roept naar gindsch gebied, Hoop in 't harte, 't oog naar boven: Hier beneden is het niet â Moog de bet5 der jonkheid falen, Veel is 't dat ons overschiet. Dwazen, als we zijn in 't leven; Klein, baatzuchtig, ijdel, laf; Wat toch zou de wereld geven, |
Als de hemel 't haar niet gaf! Klagen over vlijm en alsem, 't Waarom vragen bij het graf â Vindt niet iedre wond heur balsem, Iedre zwakheid niet haar staf? Voor gebrek moog' de armoe beven. Liefde wischt heur tranen af. Griisheid moog' de slapen bleeken, De aardsche toekomst wordt haar (nacht. Luide moog' herinring spreken Uit haar diepe weemoedsklacht; De oude rnoog' zich vreemdling voelen Onder 't nieuw ontwaakt geslachtâ Ach, naast duizend, duizend koelen Houdt er licht één engel wacht, Die, waar kracht en kloekheid weken, Willig lot en leed verzacht. Bad de Meester Hém te schragen, â Is dan hier de leerling meer? 't Leven eischt en geeft zijn slagen. Maar het heelt de wonden weer; Voor den deemoed en 't vertrouwen |
Een Afyeluislerd Gesprek tusschen Twee Gehuwde Zusiers. 139
|
Daalt er zachte scheemring neer: Wie op dat verbond* durft bouwen, Vindt de ruste in liefde en leer; |
Valt het kruis soms zwaar te dragen. Ook de kracht komt van den Heer. â¢1845. |
Een Afgeluisterd Gesprek tusschen Twee Gehuwde Zusters.
|
Minalief, je moest het weten Hoe ik soms je lot benijd! Wel gelukkig moogt ge u heeten; Meid, wat heb je een schat van tijd! Meesteres bij doen en laten. Uit te gaan wanneer 't u lust, Mag je van genoegen praten In je zoete levensrust; Door de kleinen ben je henen. Bei je zonen zijn geplaatst, Bei je dochters, zou ik meenan. Voeren 't huisbestier welhaast; In uw huis geen smet, geen veegje, Al de kamers steeds aan kant. Wat belette u, zelfs al kreeg je Vroeg 't borduurraam bij de hand! foor logees steeds tijd ten beste; üit logeeren als ge wilt â Niets wat u te wenschen restte. Of uw wensch werd dra gestild. Ik, ik mor niet, lieve zuster, 'k Ben er gansch niet slecht aan toe, Had ik 't maar zoo wat geruster, 'k Was mijn zorgen nimmer moe. Maar begrijp eens: negen kindren! Dertien jaar mijn oudste pas, En mijn hoop weer aan het mindren, Dat mijn jongste 't laatste was. Altoos tobben, altoos zwoegen; Honderd oogen nqg te min; t'Huis mijn eenigst vergenoegen. Schaars de vrije lucht eens in; ledre dag met duizend taken, ledre nacht de wiege-wacht; 's Daags te sjouwen, 's nachts te (waken â |
't Eischt van mij een dubble kracht. Steeds mijn kamers in het honderd, Krassen op mijn bruine goed; Manlief altijd erg verwonderd, Als hij 't beursje trekken moet. Kinderziekten, kinderrampen, buil in 't hoofd of winterteen; Met de meiden steeds te kampen ; 's Zondags met den troep alleen; Stukkend goed en winkelhaken, Nooit muziek meer of lectuur, 'k Zat laatst jetje's som te maken. Jantje wierp mijn kraag op 'tvuur; Eens zou 'k uitgaan, is 't. geen zonde) Juist, dat ik mijn laarsjes haal. Scheurt de kleine frits mijn blonde, En knipt vierkant in mijn shawl. Gaan wij met de kleinen wandlen. Wat bereddring voor en na ! 'k Ben door 't kleeden en behandlen Afgemat éér 'k wandlen ga. Neen, liet is niet op te noemen. Wat bezwaren ik al ken; Zuster, 'k zal mij zalig noemen, Als ik uit de kleinen ben. antwoord van mina. Betsy, met je zwoegerijen Voegt u toch het klagen niet; Wil mijn rust toch niet benijen ; Tobben is nog geen verdriet. In vertrouwen â lieve zuster. Wekt mij al geen kinderklacht â 'k Slaap toch daarom niet geruster |
De Kclipseiikijker.
140
|
Als ééns in in ij n wiege-wacht. Ja, mijn kroost is reeds volwassen, Maar mijn zorg wies ook met hen, 'k Heb op meer gevaar te passen, Nu ik meer gevaren ken. Ismijn koenraad niet aan 't zwerven Op de groote en diepe zee? Moest ik niet mijn eerstling derven, Reist mijn ziel niet met hem mee ? Is mijn jan niet in gevaren. Mag hij vasten grond betreên â Loopen niet zijn studiejaren Over 't glibbrigst voetpad heen? Staat Maria niet op trouwen? Zal ze in d' echt gelukkig zijn ? Kan 'k op mina's blosje bouwen â Is de roos geen valsche schijn? Zuster, houd je moederzorgen 1 Heb het huis vrij overhoop! |
Zwoeg van J' avond tot den morgen-. ledren da^ den eigen loop.... Toch hebt gij genot en vrede. Midden door de woeling heen; Bracht het kind zijn drukte mede, Zoudt ge bei graag derven? â neenl Kinderkrankte â wat ze teelde? Tranen door de ziel geschreid; Maar kent ge ook de moederweelde. Als weer 't eerste lachje vleit? Mogen ze al uw wrevel wekken. Ach hun opzet is nooit boos. Als ze 't âstout zijnquot; weer bedekken Door een engelrein gekoos. Kleine kindren : kleine zorgen; Kleine zorgen, kleine pijn â Zuster, maar 't geeft groote zorgen Daar, waar groote kindren zijn! 1853. |
De Eclipsenkijker.
De bakker jan groen âmoest de stad even uit.
Zijn knecht moest het deeg maar bereiden.* De beurstrein stak af onder gillend geluid,
En groen reed van 's Hage naar Leiden.
De man had het dubbeltjes-blaadje gekocht 1),
Waarin hem de eclips werd beschreven.
Het had hem 't idee van den hemelschen tocht
En licht in die zaken gegeven.
Hij spelde nu de eene na de andere stad,
Kremsmünster en Gotha en Londen;
Maar stond er geen Hollandsche plaats op het blad?
Ja wel, hij heeft Leiden gevonden. â
âNaar Leiden,quot; zoo sprak hij, âdat gaat nog misschien,quot;
En liep in gepeins op en neder.
,'k Heb 't vorige jaar daar het feest 2) niet gezien,
Maar dit zie 'k mijn leven nooit weder.
1) Een blaadje tot onderricht wegens de totale zonsverduistei-ing Tan 28 Juli 1851, k 10 cents, uitgegeven bij Gebr. van Lamgknhüijsbn te 's-Gi-avenlu ge.
2) 't Studentenfeest.
Klein-Rentenieren.
Kom,' zei hij, âeen dag is er nauw mee gemoeid.
Ik wil me die vreugd eens bereiden ;
Ik ga naar de eclips heen, voor de oven weer gloeit
Zal 'k zeker terug zijn uit Leiden.quot;
Hij deed wat hi) dacht, en de trein bracht hem aan.
Groen stond op een uitgezocht plaatsje.
Hij hoorde het drie van de torenklok slaan.
En keek naar de lucht door een glaasje.
En of het hem mee viel? â Wel liet hij zich uit:
âAl gaf het eclipsen met hoopen,
Al kostte het gericht hem geen enkelen duit.
Hij zou er geen straat-ver om loopen.'
Want kijk, toen hij thuis kwam, zoo'n ploert van een knecht!
Die ezel, het was om te huilen!
Hoe kwam nog dien avond het baksel terecht?....
De knecht vergat kneden en builen.
,Jou aap,quot; riep de meester, âoch, baas,quot; zei de knaap,
âIk zag niets dan sterrengeflonker.
Ik viel door de eclips op den zolder in slaap,
'k Was gansch in de war door het donker.'
âDan zag jij zijn schaduw,quot; zei groen, wat bedaard,
âIn Leiden heb ik hem zien schijnen.quot; â
âWas 't mooi, baas?quot; â âZwijg, rekel, ik bid dat van de aard Voor altoos de eclipsen verdwijnen.quot;
141
1851.
Klein-Rentenieren.
|
ledren dag dezelfde vraag : Wat de dag zal geven; Morgen, gistren als vandaag â Lui en lekker leven. Na den half doorwaakten nacht, Langzaam boven water; s Morgens eerst de kippenwacht, ⢠Tuinmansvreugd wat later. Dan eens kijken naar de lucht; Hoe 't met wind en weer staat; Dan naar 't weerglas in de vlucht: Of het kwik ook neer slaat. |
Dribblen a demi toilet Naar secrète plekjes; Vóór 't ontbijt wordt klaar gezet. De eerste twalef trekjes! Theeiep bij een boterham. Maar 't eischt langer uren. Dan een reis van Amsterda m Naar den Haag zou duren. 't Handelsblad trouw uitgespeld, Evenzoo de âOpreehte;quot; Op de vingers nageteld Wat de beurs beslechtte. |
142 Nabetrachting van eene Uitgekookte Keukenmeid.
|
Over 't heil van 't land getwist Onder het barbieren; Al de nieuwtjes opgevischt Van de stadskwartieren. Overhemd en witte das Eerzaam uit de vouwen; Laars en hoed en overjas Zullen 't stel volbouwen. Lanterfanten door de buurt; 't Boelhuis na gaan pluizen; Onderweg eens rondgegluurd Wie er gaat verhuizen. Even naar de Societeit, Even een sigaartje Bij een glaasje matigheid; Soms een omberkaaVtje. Bij een vriend eens aangewipt. Om hem. .. op te houën; Voor 't stadhuis eens aangestipt Wie er 's quot;Woensdags trouwen. Voor het eten aan den haal. Of het aan zou branden: Wel kieskeurig op het maal. Maar met... lange tanden. Pruttlen op de keukenmaagd; Na 't dinee een dutje, ïot de theepot zingt en klaagt; |
Na de thee een Nutje. Of â zoo 't Nut dien avond zwicht. Mag de Schouwburg leven. Of â sluit die zijn deuren dicht. Dan maar thuis gebleven. Braaf! de dag is om; wat pret 1 Elf uur slaat het buiten â 't Uurwerk nu gelijk gezet, Nazien en gaan sluiten. 't Boeltjen aan den kapstokknop; 't Nachtlicht aangestoken, En dan 't vaderliefjen op En in 't dons gedoken. Morgen weer dezelfde vraag: Wat de dag zal geven ; Morgen, gistren, als vandaag â 't Eigen slakkenleven. âKom,quot; roept menigeen; âhij 's blind. Laat hem maar wat praten 1 Had de dichter ook braaf splint. Hij zou 't ïpotten laten. âMan, 'k belach jou hekelkuur, 'k Laat me niet belezen: Zijn die druiven jou te zuur?quot; â Och, het kan wel wezen 1 1854. |
Nabetrachting van eene Uitgekookte Keukenmeid.
Daar zit ik dan na zestig jaar â
Na zestig jaar van zwoegen, zweeten,
Verstijfd van arm, vergrijsd van haar.
Ik, als mijn kookboek, glad versleten;
Toch zegen ik mijn ouden dag.
Kan me ook de vetpot niet meer laven â
'k Bad om een hofjesplaats, en 'k mag Mij roemen in die toevluchtshaven.
Nabetrachting van eene Uitgekookte Keukenmeid.
'k Was jong, 'k was dertien jaar, nog niet, Mijn voorland kende ik vroeg van bniten;
Mijn moeder schetste mij 't verschiet.
Mijn vader noopte tot besluiten;
't Gewin was schraal, en 'k at voor drie Tot ongerief der andre kleenen;
âOnder de menschen maar met mie!quot;
Sprak vader---- en de vraat moest henen.
Ik kroeg een jak aan â moeders jak;
'k Moest 't sluikhaar in een muts versteken;
Een rok waar moeders deugd uit sprak; Wel dun, maar zonder hoofdgebreken ;
_ 'k Ging om een dienst, en 'k werd gehuurd â Eén schelling 's weeks, bij 't middageten;
quot;Wat was ik trotsch! De heele buurt,
De hejle wereld moest het weten!
Of 't meeviel ? 'k Zwijg er liever van!
Helaas! mijn weelde had niet over;
Een wrijfpaal was 'k, een âJan-draag-an,* Een nul, een doeniet, toch een sloover.
Ik poetste laarzen voor âMijnheer,quot;
'k Moest voor de meid de glazen wasschen,
'k Liep uit en in, liep op en neer,
'k Moest op de zeven kinders passen.
Ik rook soms aan een lekkren brok,
Mijn grootste zwak was... watertanden;
Ik was do held van 't turvenhok,
Toch schimpte m' op mijn vuile handen;
TVat brak, had ik altijd gedaan;
Ik leerde zwijgen en verdragen â
Ik bracht de meid de fooien aan.
En ik ontving voor haar de slagen.
'k Schoot spichtig op, men zei; 'k werd groot, En zinspeelde op mijn spille beenen.
Ik lachte meê, schoon 't mij verdroot;
Mijn prilste jeugd vlood langzaam henen;
'k Was niets, 'k was niets, maar 'k werd temet Het mikpunt voor de jonge snaken:
Ik werd âte groot voor een servet,quot;
Ik was âte klein voor tafellaken.quot;
143
Nahelracluing van eene Uitgekookte Keukenmeid.
'k Moest hooger op, 'k werd tweede meid, Een andre snit kwam in mijn kleereu;
Mijn bed werd thuis niet meer gespreid, 'k Moest thans op eigen vet gaan teren.
Met zelfvoldoening zag ik rond,
quot;W'at zaken m' aan mijn zorg vertrouwde;
Wel mij ! 'k Was niet meer de oude hond, Waarop een ieder smaalde en grauwde.
Ik deed de wasch op voor âMevrouw,quot; 'k Moest luiers spoelen, kraagjes strijken.
Ik moest bij wijlen 's nachts in 't touw. Om naar de kindertjes te kijken.
'k Ontving soms vegen uit de pan, Zag nieuwe zaken, nieuwe zeden,
'k Versliep, helaas! mij nu en dan. En kreeg ook zin in aardigheden.
Mijn wil was goed, mijn jonkheid zwak. Zoo'n deurpraatje, o! â 't kon zoo verlokken.
En kreeg 'k er vaak voor op mijn jak â Mijn eenigste uitvlucht was het jókken.
'k Werd vlug en knap, maar... bij-de-liaml, 'k Liet mij verluiden en verleiden;
'k Werd bij wijlen ook âastrantquot; En 'k moest verkassen tusschenbeiden.
De moederraad hield me in bedwang, Schoon 'k ook den raad van andren hooide;
Gelukkig kleurde nog mijn wang,
Waar 'k ongerechte wenschen smoorde;
'k Verschopte 't goede, dat ik had.
Wijl ik het betere begeerde.
Mijn dwaasheid zag 'k niet in, voordat Ik braaf met schade en schande leerde.
'k Was twintig jaar, 'k moest hooger op; 'k Zou meid alleen zijn â heerlijk baant,ie! Een burgermeid â een Jan-Galop, Een hollebolderig bestaantje!
Ik kreeg het druk van allen kant.
Ik kreeg een mooie hand van schuren.
Maar menig pot was aangebrand,
Eer ik den pot goed kon besturen.
144
Nabelrachting van eene Uitgekookte Keukenmeid. 145
Die lieve Zondag, 't was me een dag!
Maar 'k zeg â wat anderen ook zeiden,
Hoe mooi ik was, ik streek de vlag Voor hedendaagsche dames-meiden.
Men noemde toen geen meid Juffrouw, Men droeg toen nog geen âcassetoetjes,quot;
Men had âmansetjesquot; aan de mouw,
Noch stoffen laarsjes aan de voetjes!
Maar ik beleefde een andren tijd! Die Fransche tijd, die malle Franschen;
'k Wou â 'k zeg het zonder haat of nijd â Nooit met hen vóór de videl dansen.
Eén zei me wel heel lief: âbonsour!quot; En maakte soms voor mij grimassen,
Maar vóór hij kwam met zijn; âl'amour,quot; Wist vader hem wel weg te jassen.
Gelukkig ging 't gevaar voorbij,
'tWerd overal âOranje boven!quot;
Een Hollandsch hart kwam toen me op zij, En ik mocht vaders toezicht loven.
Mijn jan, voor tuinman opgekweekt.
Vroeg me om eene eerlijke verkeering.
Mijn vader knikte, ik ook â dat spreekt, En 'k trouwde jan en kocht een nering.
'tGing goed met ons, ik had mijn brood; Een tuinmansplaats mocht jan verblijen;
Wij hadden daarom krimp noch nood, Al wou de nering niet gedijen.
Ik kreeg geen kindren tot mijn deel,
'k Zat in mijn doen en dacht te sparen;
Och, wat ervaart een mensch soms veel 1 'k Werd weduw na een tiental jaren.
Mijn ouders dood, mijn jan niet meer 1 Mijn penningske al te ras verslonden!
Weer d' ouden weg op, 't deed mij zeer, En hoe weer d' ouden weg gevonden ?
't Gebrek stond spoedig voor de deur. Een dienst â wat wilde ik anders vvenschen?
ik kreeg een dienst bij 'n groot sinjeur, 'k Werd keukenmeid bij rijke menschen.
10
i4G NaOetrachtiny van eene Uitgekookte Keukenmeid.
Ik was bedaard; ik had geleerd;
Ik lei me toe op lekker koken:
Mijn keukenkennis werd vermeerd,
'k Wei d bruin van vel en hard van knoken;
Mijn oor werd aan 't rumoer gewend. Ach, tal van hooien â tal van kuren!
'k Hield mijn gezag en 't ging patent, 'k Stond pal zelfs voor de heetste vuren.
Maar eer 'k de kunstgreep had gevat, Zag 'k menig taart zichzelf ontleen,
Zag 'k menig saus te lang van nat,
Ol' de onmacht van mijn blancs-mangéën.
Maar gaf 't mij smart of ergernis,
'k Liet mij door d' onspoed niet ontzetten;
'k Wist dat de pot âeen juiïer is,
Waar men gestadig op moet letten.quot;
Foei neen, ik lei geen snuitüoos aan.
Gelijk ik zag van kameraden;
'k Liet ongemoeid de drankflesch staan; Geen hartversterking bij het braden;
'kWas niet te karig, niet te schouw,
'k Gaf andren wat zij hebben moesten;
Ik nam mijn rust wel na 't gesjouw,
Maar liet het ijzer niet verroesten.
Zoo kwam al langzaam de oude dag:
Mijn volk kwam ook allengs op jaren,
Hoe schreide ik, toen 'k hun uitvaart zag, En de erfgenaam den boel kwam garen 1 Die braven! 'k had mij nooit gevleid. Dat m' in den dood mij zou gedenken,
Door ook aan mie, de keukenmeid. Een klein, maar rein legaat te schenken.
Nog meer : ik was nu veteraan.
Ik had mijn kracht en geest verloren.
Men had, hoe sliml mijn wensch verstaan: Mij werd een hofjesplaats beschoren.
'k Leef stil, en Jk denk zoo nu en dan Op al mijn koken, braden, stoven.
Op vader, moeder, volk, op jan â Op d' ouden tijd: 't Oranje boven!
S !j men.
Kijk, als ik alle meisjes sprak,
Die zich aan 't dienstwerk willen wijden,
'k Zou zeggen; meisjes, eert de plak,
Zoekt logen en bedrog te mijden;
Schuwt pronkzucht als een bron van kwaad, Weest onderdanig voor uw âmenschenquot;.
Al zijt gij mooi â geen arbeid schaadt,
Maar luiheid doet uw jeugd verflensen.
Eu zoo ik 't ook eens zeggen mocht Aan vele moeders van gezinnen,
'k Zei: waar ge goeds te vormen zocht, Geduld kan 't ruwste hart verwinnen.
Let iedre 1'out op, die ge ziet,
En laat uw orde en stiptheid merken;
^ Maar let ge op eigen voorbeeld niet. Ge zult geen kwaad tot goed verwerken!
1853.
S ij m e n.
Ãijmen! je hebt een paar stevige vuisten.
Als je den ploeg door de klonters doet gaan,
Als je de koeien of kalven moet kuisten,
Of' heel den dag voor de kaaskuip moet staan, 's Morgens vóór dag en vóór dauw op de proppen 1
Steeds op je post als een vent van sta-vast,
Kan je 't bij zomer en winter wel kroppen.
Heb je van zinkings of kiespijn geen last;
Dat je verhard bent, â dat komt je te stade. Daarvoor sta je ook als een knevel te boek; Daardoor doet regen of wind je geen schade,
Was er geen knecht ooit zoo stevig en kloek : Maar âdat je schors wel wat zachter mocht vezen,quot;
Dat heeft klazien wel gewenscht en gezeid;
Want als er één is â Zij kon je genezen;
Maar jij bent wars van de vroolijke meid. 01' ben je links, of temet wat beteuterd.
Als ze je plaagt met jou krulkop of baard?
Denk: je verspeelt licht het spel als je leutert; â
Heb je klazien ooit in de oogen gestaard?
Weet je dan niet, als die plaaggeest je vetert.
Dat ze wat anders meent dan ze vertelt,
Dat ze je langzaam verandert en betert,
-147
148 Hopen, Vreezen en Genieten.
Als ze jou uitlacht â of als ze jou kwelt ?
Dat je niet boos wordt, zie, dat 's een goed teeken;
Maar, bij' heur streeling? â zeg, heb ik het mis? Hoor je dan daar niet een stemmetje spreken:
Dat toch haar handje geen heiboender is?
Sijmen ! je moet nog wat dulden en leeren,
Eer jou de bolster wat af is geschuurd!
Plaag haar weerom, vent! ik zou 't eens probeeren,
Eer je de brij van hel leven verzuurt.
Heeft het ontzag maar eens wortel geschoten.
Dan blijft ze jou met haar spotlust van 'tlijf: Als je maar durft, is je zaak dra besloten.
En je maakt licht van die plaag een goed wijf. 1854.
Hopen, Vreezen en Genieten.
antje's mijmering.
|
Mocht ik eens zeggen wat ik hoop !.... Maar neen, ik zeg geen woord! De les; laat aan den tijd zijn loop, Heb 'k honderdmaal gehoord. En Moe is wat een lieve vrouw. Verstandig en verlicht! Foei, als 'k h a a r les niet eeren zou... Dus â mondje, hou je dicht! Ja goed, maar 'tmondjeis't hartje niet, â Wat Moe ook zeggen mag; En als ik't hart eens spreken liet,â Daar kwam wat voor den dag! Wat zeg ik ? Is de deur wel dicht ? 'k Schrik van mijn eigen stem! Ach, 't hart gehoorzaamt niet zoo licht En â 't hart spreekt soms van.... (hem! Ik sidder! O, als Moeder 't wist Wat mij bezwaarlijk viel! Zou zij reeds?.... ja,.... wel mooglijk (is 't: Ze leest het in mijn ziel. quot;Wat kijkt zij op, als 'k adem haal, |
Als 'k hijg naar versche lucht: âElk zuchtje,quot; zegt ze âspreekt zijn (taal,quot; â Moe heef, vast veel gezucht! Ba, zwijgen is geen oortje waard. Al lijkt het wel wat koel; Maar wat me grooter moeite baart, Hier binnen, dat gevoel 1 Dat spreekt soms uit mijn blos en blik, 't Voegt dat ik 't zwak erken; Ach, daarin zie ik vaak met schrik. Dat ik geen zwijgster ben. Lucht, versche lucht I het drukt mij Dat briefje deed het mij ! (weer; Hij schreef me voor de tiende keer, 'k Lei alles trouw op zij ! Maar 't tiende... neen, ik k o n 't niet 't Gevoel heeft mij verward, (doen. Nu?... 'k hield wel gaarne mijn fat-(soen â Nu?... 'k berg het aan mijn hart! Een antwoord vroeg hij ; Moeder zegt: |
Hopen, Vreezen en Genieten.
149
|
â En hoe bedoelt zij dit? â âEen looze strik is gauw gelegd; Kind, geef geen zwart op wit 1quot; Een looze strik â een booze daad: Een woord vol kracht en klem! Neen Moe, h ij is zoo heuseh niet (kwaad, Dat woord past niet op hém! Hij, met zoo'n goed en rond geiaat, Hij, met zoo'n open oog.... Ik kreeg aan alle mannen haat. Als hij mij ooit bedroog; Een antwoord â ach, hij heeft het al. Hij drong er zoo op aan; 'k Hoop dat geen mensch het merken zal.... 'k Beef voor mijn stout bestaan I Maar nu â geen enkel briefje meer.... Dat drukt te zwaar op 't hart, Dat ik mijn lieve moeders leer Zoo stoutweg heb getart! Het was voor 't eerst, maar ook voor ('t laatst. Dat 's nu zoo zondig waar! 'k Wil zwijgen, wachten, 'k maak geen (haast. Ja, zwijgen â maar vóórhaar! Hij weet nu hoe 'k er over denk. Ach, bleef het daar maar bij I Maar hier een groet en daar een wenk Wekt nieuwen lust in mij Om moeders les en moeders leer Steeds in den wind te slaan. En, eer ik in mij zelve keer, Is dan de fout begaan. Ik speelde graag met open kaart. En hij niet minder graag, Viant openhartig is onze aard.... O, dat hij 't spoedig waagl | |
Ik ben dat stille vrijen moe. Ja, 't woord â het moet er uit! 'k Hen dan bij ieder billet doux Niet meer aan d' angst ten buit. Maar 't is wel aardig I op 't concert. Of somtijds ter partij, Als mij een plaats gewezen werd. Begrijp eens, aan z ij n zij ! Want daar weet hij wel loopjes op; Hij 's andren altijd voor: Een trouwe borst, een flinke kop! O gunst, wat sla 'k weer door! Ik zei daar straks nog; mondje dicht. Helaas, dat jeugdig bloed! Ik spreek, waar liever moest gezwicht; Ik zwijg, waar 'k spreken moet. âLaat aan den tijd zijn loop,quot; zegt (Moe; Best, doe ik maar geen kwaad Als ik een schietgebedje doe. Dat m ij n tijd vliegend gaat. Zoo 'k mijn vriendinnen raden mocht, 'kZei; eert t och 's ouders raad ; Waar ge immer uw geluk in zocht. Verboden vrucht brengt kwaad! Het jaagt de zielrust op de vlucht. Het maakt het hoofd op hol. En â smaakt het hart al zoet genucht. Van zuur ook raakt het vol! Maar ja, m ij n raad doet hier wat af! 'k Weet al te goed hoe 't gaat. Ik, die hier zelf het voorbeeld gaf â Ik kom hier met een raad! Doet dan wat gij niet laten kunt, Maar wat u de eer gebiedt. Als gij mij maar mijn zuchtjes gunt! Waakt gij, en ik. ,.. geniet! 1853. |
I)e Liefste Last.
150
De Liefste Last.
|
AAN EENE JONGE MOEDER MET Wil hij u te ontworstlen trachten â 't Springertje in zijn tweede jaar? Vrouw, de jongen wordt te zwaar Voor uw luttle lichaamskrachten. Dansend op den moederarm, Moet ge 'm lorschen en bespieën; Op en neer van moeders knieën... Maakt hij u niet moe en warm? Sclioon ge uwantwoord niotverheelde, Schoon ge âjaquot; knikt op die vraag, Draagt ge toch geen last zoo graag. Als dien last vol moederweelde. |
HAAR LIEVELING OP DEN AKM. Ja, we weten 't wat gij torscht. Last!... Kuat ge ons dat woord (vergeven? Zie mij, zegt ge, als 't jeugdig leven Ademt aan mijn dankbre borst! Last! De lichaamskracht kan falen Moedersterkte wankelt niet, Waar zij 't leidend steunpunt biedtâ Zou er andre kracht bij halen ? Zelfs als 't jongsken u ontwast Zal uwe onvermoeidheid spreken. Door Gods leiding af te smeeken. Moeder, voor uw liefsten last. 1853. |
De Weduwe.
|
Daar ligt ze op 't krankbed neer En smeekt en dankt den Heer Bij wat Hij nam en gaf, ün wischt de tranen af. Door zielsgevoel ontprest; lleur laatste krachten kwijnen. Maar 't vast bewustzijn rest; âDe meester kent de Zijnen.quot; Ach, lijden was haar deel; Maar 't rustig hart kan véél. En, wie er bidt en waakt. Wordt sterk waai' de onspoed naakt, Berust hij in dien Ãén, i ie Uots om op te bouwen, De Lamp voor onze schreén. De Wachter der getrouwen. En wie heur tranen ziet. Geheiligd door 't verdriet. |
Treurt met haar bij 't gemis Van wat haar dierbaar is â Maar dat, haar hart ontscheurd, De blikken trekt naar boven. De ziel ten Hemel beurt In bidden en gelooven. Daar ligt de zwakke vrouw In 't kleed gehuld van rouw; Ontnomen heeft haar 't graf, Wat haar dit leven gaf; Maar 't zielsoog ziet den band Door schaduw heen en schemel. Voor de aarde niet bestand, Maar hechter voor den Hemel. âAch,quot; spreekt ze tot hel wicht, Dat knielend naast haar ligt â De lievling uit haar schoot, Gespaard nog door den dood; |
Paulus.
151
|
âOok ik zal van u gaan; Maar lieve, wil niet vreezen, Hu trekt zich uwer aan, üie vader is der weezen. ,,Veel ging me door het hart. Maar heul vond ik bij smart, En 't leven werd me blij. Als 'k dacht: wie 't geelt is Hu! Blijf, wat u toev'. Hem trouw, Zijn heilwoord kan niet falen; |
In blijdschap, ramp of rouw, Wat koostring in zijn stralen !quot; De traan van 't lieve wicht Viel op haar bleek gezicht; âBlijf, moeder, ga niet heen!quot; âO God, bewaak zijn schreên, Dat nooit om snood bedrijf Zijn ziele zich moet schamen Iquot; â âBlijf, moeder Iquot; snikt hij- âblijf!quot; Maar boven sprak ze 't Amen ! 1840. |
Paulus I).
Saülds van Tarsen, vervolger des lleeren.
Kleeft aan uw zwaard nog het martelaarsbloed 7 Deed nog het kruis niet uw ijver verkeeren ?... Vreemd bleeft ge Hem, die het ooilam behoedt: Zwakte is uw wreedheid en blindheid uw moed.
Dreiging en dood blaast gij uit voor uw schreden; , Waar ook verdrukking de bloedvaan ontplooit, Eén heeft den strijd voor het leven volstreden ; Vruchteloos waar ge zijn kudde verstrooit;
Sadlus van Tarsen, het werk is voltooid.
't Bloed dat ge plengt, voedt het zaad des Messias' ....
't Licht van Damaskus ontwapent uw macht ;
U ten behoud zond de Heer ananias .-'t Licht van het Woord straalt door nevel en nacht; Groot is, o saulds, de taak die u wacht!
Dienaar, geroepen door 's Heeren genade,
Paüi.üs, Apostel, bezield met den Geest; \ 't Kruis is uw schild, hoe de wereld u smade,
Boeien noch banden â geen lot dat gij vreest; Christds â uw roem â is uw lichtstar geweest.
) Toeti ik mij opge'.vckt gevoelde dit stukje te (iiclxten, drong zichde cpetkus* door bkki'3 waurmeue ik vjor ecnige jaren, uit de Aurora bekend werd, tuascheu mijn plan en mijne' verheeiumg in, zoodat mijn werk er onwillekeurig den eigen Torm van aannam.
De Gouvernante.
152
Planter vol liefde in den wijngaard des Heeren,
Moedig belijder voor richtstoel en troon, Grondzuil der kerk, door geen wereld te keeren, Stem, die ons predikt: geloof in deu Zoon! Steil zijn uw wegen â maar groot is uw loon. 1846.
De Gtouvemante.
|
Soms ontmoet ge een voedsterling In het huis der weelde. Die het brood, dat zij ontving, 't Kleed, dat ze om de schoudren hing. Graag met de armoe deelde. Kent gij haar â het merk in 't bloed Van fatsoen en gaven, Die, met wat haar geest zich voedt. Anderen versieren moet. Maar 't voor zich begraven 1 Kent gij haar, 't verweesde kind. Heidebloem van 't leven. Die aan vreemden, onbemind. Jeugd en vreugde, maag en vrind â 't Liefste prijs moest geven? Kent gij haar, die smaad en schrik Ongevoeld moet wanen. Die den loos gespannen strik, Den vernederenden blik Wegdenkt in heur tranen. Die de erinring van zich weert Aan genegen harten, Die met moed haar lot braveert. Ouderliefde aan andren leert. Bij haèr kindersmarte. 't Lieve kind, herkent gij haar. Die haar hand moet leenen (Ach, wat valt heur taak soms zwaar!) |
Aan een nukkig oudrenpaar En verwende kleenen ? 't Hoog gezin ten steun en raad. Wacht haar luttel lieven; Door haar meerdren soms gesmaad. Door heur minderen gehaat. Zwijgt haar mond van grieven. En 't vooruitzicht, dat haar beidt In de rijper dagen ?... Eenzaamheid, afhanklijkheid. Vroeg verga?.n genot beschreid, â Leed, geen mensch te klagen! Liefde, 't hoogste heil, dal God In den boezem plantte â Moederheil noch echtgenot Wassen voor uw levenslot, Arme Gouvernante! Wel u, die haar weg bespiedt, En haar hand mag vatten, En haar stille ontbering ziet, O, leer 't voorbeeld, dat ze u biedt. Op zijn waarde schatten. Schenk der weeze een liefdrijk hart, Zijt haar zielsverwante; ' Liefde voor verborgen smart. Liefde, die den hoogmoed tart, Zij uw Gouvernante. 1850. |
Nachtjool.
Nachtjool.
(bi.i het zien van eene plaat naar w. g. wagner.)
153
|
Straatrumoer en nachtgezangen. Met de drankflesch aan het hoofd. Onbestemde kronkelgangen, Eergevoel, fatsoen verdoofd; Vriendschap in de kroeg gesloten, Baas, die 't vuilste deunje zingt. Rauwe vloeken uitgestooten. Als de laatste stuiver springt! Wil 't den hospes niet meer vleien, 't Wordt dan binnen zoo benauwd! Dan een dansjen op de keien. En de nachtwacht nagebauwd! Zonder zorg of nagedachten Voor den dag, die haast verschijnt. Vraagt men niet wat staat te wachten. Als de honger vraagt en pijnt. Thuis?... wat heeft men aan te bieën. Na het doorgehold gesjouw?... Schorre kelen, slappe knieën En... een hart vol naberouw. Oom Jan in Oom jan hield niet van schaduw, 't Waarom wordt niet gemeld; Bij 'I loopje voor den eten Scheen wel het bosch vergeten, Maar nooit het vrije veld. Zelfs als Auroor het tochtje Door 't leeuwenperk begon : Als tal van stedelingen In 't bosch zich saam kwam dringen. Dan koos oom jan â de zon. Oom jan had tal van neven Als erfoom aan zijn zij, Ze kraakten Ooms amandlen, |
Wee het volk, wiens vreugdegalmen. Door een pestdrank slechts gevoed, 'tVuur der dronken waanzinpsalmen Met een looden stompheid boet. 0, waart gij in tijds te keeren Van den weg door u betreen! Laat u leiden, laat u leeren; Mijd den afgrond voor uw schreên; Wil die stem niet onderdrukken, Grijp de hand, schoon vaak miskend. Die 't vergif u wil ontrukken. En uw hart naar 't beetre wendt. Leeraars, leiders, werkt geduldig; Zij uw streven steeds vol moed; Is het kwaad ook menigvuldig â 't Volk is in den grond nog goed. Wie zijn vreugdzin weet te leiden Met een welbestuurde hand. Vindt een akker te bereiden, quot;Willig door gezond verstand. 1854. het Lommer. Maar op het stuk van wandlen â Daar liet men hem liefst vrij. Alleen zijn trouwe poedel Was hem ten tochtgenoot. Daar liep hij mee te oreeren, En liet hem apporteeren â Zijn' rotting uit de sloot. Zoo ging het dagen. Jaren, Tot eens zijn ruig com paan De kramp kreeg in het water. En na dien hondenflater Oom jan alleen bleef staan. |
Rika's SpoortodU van Ilaatlem naar Amsterdam.
154
|
't Verlies van stok en poedel Bracht jan-oom heel van streek; 't Bleek dat hij na die schade, Bij de eerste promenade. Zijn zonnig pad ontweek. Dorn zocht opeens de schaduw. En 't bracht verandring aan: Want spoedig was 't vernomen, Dat uit de heukehoomen Een licht was opgegaan. |
Althans men hoorde praten; Op 't zwaar belommerd pad Had Oom soms eene ontmoeting, Die voor zijn leed verzoeting â Voor 't hart â gevolgen had. En 't praatje werd bevestigd, Zijn neven tot een kruis: Oom vond een kameraadje, Want juist dat lommerpaadje Bracht hem de zon in huis. 1854. |
Rika's Spoortocht van Haarlem naar Amsterdam.
|
â Rika, wel, vertel me eens, meid, Hoe is jou de reis bekomen? 'k Heb al tot mij zelv' gezeid: Riek zal eindlijk toch eens stoomen! Hoe de wezel er toe kwam. Om zich op het spoor te wagen! Maar ik dacht, toen ik 't vernam, Rika zal 't zich niet beklagen ! Mensch, heb je ooit zoo'n vaart (beleefd? Heb jij nou dat ding begrepen, D;it geen half uur noodig heeft, Om jou naar je nicht te sleepen? En hoe was 't in Amsterdam ? En wat zei daar jou famielje. Toen je uit Haarlem tot hen kwam? Meid, je lacht I ik zie: 't beviel je ! â Lach ik nou, toen lachte ik (niet, JTeer-me-tijd, 'k was wat verlegen. Toen ik nog, bij veel verdriet, Spot en spijt heb nagekregen. Hoor, hoe 't kwam: 'k stond aan ('t station |
Met mijn ânommertjequot; te wachten; D'angst, dien 'k nooit verzetten kon, Zette ik nu uit mijn gedachten ; 'k Dacht: toevallig ware 't wel, Als er juist n u iets gebeurde; Hè, wat klonk dat fluitje schel, 't Was mij of mijn oorvlies scheurde! Open sprong de deur; maar ziel! Wat me toen die menschen drongen !! 'k Dacht, ik 't onderst hoven viel, Door het duwen van een jongen j 'k Deed wat ieder ander deed: 'kSpoedde me om een plaats te krijgen; Kindlijk zat ik erg bezweet In de lage kast te hijgen. 'k Zag geen schepsel om mij heen, Dien ik kende of ooit gezien had. 'k Dacht bij al die vreemdighf'n; 'kWou ik goed al bij nicht sien zat. Toen men aan het hotsen ging, Trad er een trompetter binnen. 'k Dacht hij de vergadering Zeggen kwam: we gaan beginnen! Maar hij vroeg de ânommersquot; af. Scheurde die brutaal aan stukken !); |
*) T)e conducleurs waren toen noir voorzien van trOTripelten, en men gaf destijds nog pldutglirirfjea op gewoon papier, waarvoor men later de kaartjes of tickets ir.TOïude
Rika's Spoortoeht van Haarlem naar Amsterdam.
155
|
Wat een air die vent zich gaf, .Met het uil de handen rukken Van liet briefje! 't Was betaald, Dat moest toch zoo'n kerel denken! Toen hij 't al had opgehaald, Kwam hij naar mij henen zwenken. Heere, ik kende'm goed, dien maat, quot;t Was een jongen van mijn jaren. Nog van 't school een kameraad. Toen wij saam bij wollef ,) waren. âHé,quot; zei 'k, âoude kennis, man ! Wat een 'smenschen loop soms raar is! Een jij hier trompetter, jan?quot; âNeen,quot; zei jan, â'k hen commissarisquot; 2). Maar toen hij mijn ânommerquot; nam, Zeidie, met een leuke tronie; âMoet uwé naar Amsterdam 1quot; âJa, naar sien en neef antonie,quot; Gaf'k ten antwoord; âweet je wel,quot; Zeidie, âdat je lang kunt wachten Eer je nichtquot; .. . âManquot;, riepikfel, âfs er iets naar jou gedachten?quot; âUE,quot; sprak hij, âzit alleen Hier niet op den rechten wagen Iquot; 't Gaf gegoochel om mij heen, Ik zat als van 't weer geslagen. 'k Stak mijn hoofd den wagen uit, âHooooüquot; riep ik, â'k moet ginder (henen!quot; Maar jawel, dat helsch geduit Ging me alweer van hoofd tot teenen. 'k Riep den âcommissarisquot; aan, l)at hij mij er uit zou laten ; Kijk, 't was niet om uit te staan, Want de buffel liet mij praten, Sn de raad, dien hij mij gaf, Was: 'k zou geen bombarie maken. â'k Zet jequot;, zeidie, âstrakjes af. Als we Vooglenzang genaken!quot; O, 'k vergeet het nooit meer, neen. |
Zulk een traiterachtig ritje. Allen lachten om mij heen. Heel een andren weg! Ik bid je! Toen ik kwam aan Vooglenzang, Dacht ik: zou 't zich weer herstelden, â Lieve deugd! mijn leven lang Zal mij nog die uitgang kwellen. Nooit vergeet ik 't valsch gezicht Van dien jan, dien f,commissarisquot; âRiek,* zooriephij âgroetjenicht!quot; âStik,quot; zei 'k, âleelijke falsaris!quot; En daar stond ik nu alleen, Eerst te schelden, toen te klagen; Eiudlijk liep ik spijtig heen Naar 't station om raad te vragen, 'k Vroeg den glim-pet, die daar (stond, Hoe 'k naar Amsterdam moest komen; Of hij er geen been in vond. Zeidie; âmet den beurstrein stoomen!quot; Met den beurstrein! lieve tijd, 'k Zou nog tot den middag wachten ! 'k Was mijn ganschen morgen (kwijt; 'k Stond beteuterd in gedachten. Eindlijk, dacht ik, 't helpt me niet, Of ik hier al sta te zeuren, Wat geschied is, is geschied; Maar, nooit zal 'tmij weer gebeuren ; ' 'k Nam den raad deemoedig 'an Hoe ik verder had te handlen; 'k Zou langs den ,geleerden manquot; Heel terug naar Haarlem wandlen, 't Was een tocht vervelend, lam, 'kHad geen menschom toe te spreken: Zat ik nu in Amsterdam, 'k Had met sien al veel bekeken! Zoo dacht ik; al stapte ik aan, 't Was mij of'k ui et voort kon komen. |
') Wor.ir, (iy uaam van den onderwijzer der meen te Haarlem.
a) Ze meent waarachijnlijk conducteur.
.Depftrtp.iiiemaschool van 't Nut van 't Alge-
Zilveren Bruiloftsgroet.
156
|
Was 'k maar in de schuit gegaan. Liever dan dat aaklig stoomen! Twee uur was er mee gemoeid, Eer 'k in Haarlem weer terug was. Heel mijn morgen was verknoeid, En dat mij, die steeds zoo vlug was ! 'k Slenterde weer naar 't station, Nieuwe smart moest hier mij treffen, Toen 'k mijn knip niet vinden kon ; Niemand kon mijn angst beseffen, Toen ik zocht en telkens zocht, Zesmaal al mijn zakken keerde, En geen schaduw vinden mocht Van het beursje, waar 'k opteerde; 'k Dacht mij dof; hoe dit en dat. Kon die ramp mij zijn beschoren; Eindlijk meende ik: 'k had mijn (schat Straks bij dat gedrang verloren! Zonder geld, wat nu gedaan? 'k Liep als een, die hard het land heeft; Ik besloot naar huis te gaan. Zet een vuistje, wie geen hand heeft I Thuis I.. Mevrouw was razend blij. Toen zij mij terug zag keeren. |
Want ze kreeg, dus zei ze mij, 's Avonds gasten te logeeren. 'k Werd gepaaid om naderhand Weer een vrijen dag te krijgen. Drukte was 't aan allen kant, 's Avonds stond ik moe te hijgen. Afgesloofd en moegezeuld, Dacht ik na op al mijn rampen, En moest, dof en afgebeuld, Nog met spot van andren kampen. Eéne troost verblijft mij nog, Want mevrouw, ik mag niet jokken, Zei me: âriek, nou ga je toch, Als de gasten zijn vertrokken.quot; En, 't is toch een goede ziel! 'k Heb zoo wat een stil vermoeden, Dat zij, wat mij 't bitterst viel. Dat verlies wel zal vergoeden; Maar als 'k ga, gebeur wat wil, Op den spoortrein ?.. nooit me leven, Zelfs al ligt de trekschuit stil, Zal 'k mij op dat ding begeven. Maar wie 't doet,'k raad ieder aan, Om vooraf secuur te vragen, Zie je een commissaris staan; Baas, is dat de rechte wagen?quot; 1853. |
Zilveren Bruiloftsgroet.
aan een echtpaar, dat elders feest vierde; door hun lieveling, die te huis moest blijven.
Driewerf gelukkig paar, verzorgers van mijn leven.
Duldt dat mijn naam bij dien der feestelingen klinkt. Al kan ik voor uw oog geen vreugdeblijken geven,
Toch heb ik ook een ziel, die mij tot uiten dringt. Ja, 't moet mij van het hart: uw feestdag te gedenken,
U heer, u lieve vrouw, mijn eenigst en mijn al,
Die 'k mij de trouwste zorg, de reinste min zag schenken. Door proeven zonder eind, door blijken zonder tal!
Verbazend lange tijd! zoo vijf en twintig jaren
Zilveren Bruiloflsgroet.
Door schakels van de min aanéén te zijn gehecht!
Schoon mijn kortzichtig oog die reeks niet af kan staren,
Toch jubel ik in 't heil, voor u thans weggelegd.
Is op uw gouden feest mijn stof niet meer te vinden,
Mijn late nageslacht dan mooglijk lam en oud â
Toch stem ik in 't accoord van al uw menschenvrinden,
Die bij uw zilvren echt u wijzen op het goud!
Blijft lang nog voor elkaar een rozenketen smeden;
Behoudt voor mijn geslacht een liefdrijk, koestrend hart, Voorwaar, gij maaktet mij het leven tot een Eden,
Mijn vreugde was uw heil, mijn onspoed was uw smart. En zou ik dan mijn dank niet volop uiten moeten?
Maar neen, de taal des monds schiet bij het hart te kort; Ach, mocht ik aan deez stond mij werpen aan uw voeten. Ge laast de taal der ziel in 't schittrend oog van Lord.
Helaas, 'k ben niet van hen, die om uw feestdisch prijken,
'k Heb zelfs de lucht niet eens van al uw heerlijkheid;
'k Zie met een kruimke van uw disch me niet verrijken. En 'kheb mijne eenzaamheid al luidkeels uitgeschreid;
Want dat moet me ook van 't hart, gij zult het mij vergeven;
Wat ik gedacht had â nooit, dat op deez jubelstond Ik van uw zij' zoo koel, zoo bar zou zijn verdreven.
Ik, die op knie of schoot mijn liefste schuilplaats vond.
Voor u een dag van heil â voor mij een dag van lijden;
Gaart gij bewondring, lof â i k grommen, licht wel slaag! Ziet ge u door vriend en maag den toon der feestvreugd wijden,
Mij is het huis een kruis, de rust een doodsche plaag.
Ach, dat ge 'tblijde feest ook elders gingt bestieren!
Hadt gij uw woning maar voor 't vriendental bereid,
'k Had kwispelstaartend dan uw vreugd mee helpen vieren.
Nu knies ik mij nog dood voor de oogen van de meid Maar neen, de meid â ze heeft voor mij deez dag geen oogen.
Hare eenzaamheid gaaft gij nog geur en glans en gloed ;
Haar vrijer komt tot haar; veel zal zijn troost vermogen,
Want wie vertroosting brengt â licht dat een vrijer 'tdoet; Beseft nu eens m ij n lot I de meid met haar beminde!
Ik, banneling der vreugd, verwezen naar mijn nest!
Wanneer ik ween â een stok; want wie een stok ooit vinde â
Een meidenvrijer vindt er een. soms al te best!
Maar neen, 'k zal in uw vreugd geen bittren droppel mengen,
'k Wil kalm zijn in het lot, dat mij te beurte viel,
Ik zal mijn droefenis uw heil ten olfer brengen.
Dat is mijn stille wraak, de wraak der hondenziel!
Al zie 'k dan van uw disch geen kluitje mij bedeelen.
157
De Stovenzetster-Plaatsbewaa.} ster.
158
Al heeft de meid een troost, die mij onthouden wordt. Toch bied ik n mijn poot, mijn kop aan om te streelen. Als gij weer huiswaarts keert naar uw verlaten L o r d 1
1853.
De Stovenzetster-Plaatsbewaarster.
|
Geen mensch kan 't ooit begrijpen Wat lastpost mij bezwaart, Als andren rustdag houden, Dan werk i k als een paard. Bij zomerdag is 't draaglijk, Maar 's winters is 't een sj Voor al die koude voeten Lijd ik het meeste kou. Kerk in, kerk uit met stoven, Acht, negen op elkaar; En 'k ben geen kwaje meid meer â Geen meid van twintig jaar! Door jaren ondervinding Vatte ik zoo wat den draad. En ken 'kmijn klantjes beter Dan heel de kerkeraad. Ik sluit me aan geen partijen En maak geen onderscheid. Kleur heb ik niet, maar 'k voeg me Liefst naar de meerderheid. De dominee's â ik weeg ze. En 'tis een menschlijk zwak, Want wie den besten loop heeft, Weegt 't zwaarst mij in den zak. En toch die drukke toeloop. Zoo als je zelden ziet, 'k Zeg 't met de collectanten: Je beurt naar rato niet. Ze zeggen: 'k val wat vinnig, Maar och, dat is zoo toon ; Wie van ons zacht en flauw is, Boent nooit zijn gangpad schoon, 'k Moet soms de banken stellen ; Wie indringt moet op zij : De vrouwen om een hoekje, De mannen op een rij. Wat lachen soms de dames SJOUW, |
Mij lief en witjes aan, En wat die lach wi! zeggen. Nou, 'k zou het niet verstaan ! Je kan 't den menschen aanzien: Nu kruipend lief â dan koel, â Blauw komt een plaatsje bccd'len, Groen heeft een eigen stoel. De dubbeltjes zijn welkom â Maar de eigenaars gaan voor. Hm, komt een vijfjesklant aan. Je vat: die schuif ik door; De banken zijn soms rekbaar; Wat geef ik om een deuk! En zit men wat gedrongen. Dan hou ik me maar leuk. En eer de nazang eindigt. Dan draaf ik langs de rij, En 'k houd ('t is wel niet stichtend, Maar 't moet zoo) handje bij. Toch wil ik vrienden blijven Met de eigenaars â dat 'skiaar; 'tMeest voel quot;kmijn vriendschap leven Bij kermis en nieuwjaar; Maar de eerste zal te niet gaan, Zooais ik somtijds hoor ; Die malle nieuwigheden ! I k ben er gansch niet voor. Niet om pleizier te houden, Maar och, 't gebruik is oud, I k hecht me aan privilegies, En ben dus voor 't behoud, k Draag jak en rok en kapje: Mijn moeder droeg die ook ; Ik gruw van stovenzetsters Met hoed en lint en strook. Ze zeggen : dat 's vooruitgang â 'kLees somtijds óok de krant! |
1
Moeders Jawoord.
15igt;
|
Dat is in mijn beroep nu âHet jonge Nederland.quot; Maar 'k zou te veel gaan klappen, Mijn post zegt: mondje dicht; Mijn leer meldt: houd je hand op En zet een lang gezicht. Ach, iedre stand geeft lasten. |
De eerwaardste is zelfs niet vrij: Daar stappen veel berispers. Veel vitters mij voorbij. Ja, als ik ga bedenken Wat langs mijn oor soms glee â Dan liever stovenzetster. Dan menig dominee. 1855. |
Moeders Jawoord.
|
Buizend kneepjes, duizend kunstjes. Tal van grapjes, tal van gunstjes Tieren er op 't veld der min! Wat al lonkjes, wat al lachjes. Bij de lacy's en bij de achjes, Heeft het dierbaar jawoord in ! Meer ontsnapt dan uitgesproken. Wordt er 't oog vaak bij geloken. Voor de rede en voor den plicht;; Als het in den roes der weelde, Voor do zielen, die het streelde. Een verbond vcor 't leven sticht. Naast die zaligheid des harten Wassen nocht; ns kleine smarten ; Wee, dat ouderlijk bestel, Dat voor vleitaal niet wil wijken, Eu geen meegevoel laat blijken Voor het dartel minnespel. r l.iefdehulkje kent zijn klippen, Mal hij, die de hoop laat glippen : 't Moederhart vooral is week ; |
Al wie maar wist vol te houën, 't Koude âneenquot; soms kon verdouwen. Weet ook hoe dat ijs bezweek. Beter onder de oudervleugols Dan ontvlucht aan band en teugels, Of tersluiks met lief op 't pad; Moeders jawoord eens verkregen. Maakt de verdre liefdewegen, Hoe oneffen â recht en glad. Daarom meisjes, daarom knapen, Wil je in rust de vreugde rapen Van het suikerzoet der min â Wie ge ook uw geheim ontvouwde, Haalt Mama eerst als vertrouwde Van uw stille wenschen in. Kan je 't bij Papa niet klaren, 'k Wed, zijn klachten en bezwaren Worden door haar woord ver-Lieve, watje mocht besluiten, (stomd; Eén verzoek! Houd mij er buiten. Als mijn raad ter sprake komt. â¢1849. |
Boor 't Kreupelbosch.
|
Wie in zijn jeugd op gladde baan Te lang aan moeders handje stapt: Geen stroobrced hoeft ter zij te gaan. |
Of op een steentje trapt, Wiil hii zich nimmer- voorwaarts ('.vaaert. |
*
De Huisvrienden.
160
|
Eer 't pad voor hem is schoon ge- (vaagd, â Hij heeft het zeker kalm en goed, Maar blijft, bij 't minst verlet, een (bloed. Maar hij, die vroeg reeds heeft geleerd Zich zelf te redden, waar het voegt. Die, waar hij 't beter deel ontbeert. Met minder zich vernoegt; Al kruipt hij soms door 't kreupel- (bosch. Hij maakt zich van de boeien los. |
Hem door d'afhanklijkhuid gesmeed. En wordt een man bij lief en leed. Daar loopen er, helaas 1 nog veel Met dik en drab Jansaiie-bloed; 't Wordt hun voor de oogen groen (en geel Bij 't steentje voor hun voet; Ach, is hun jeugd nog niet vergaan, Men laat hen eens voor 'tsclmthek (staan. Of maak eens d' ouden leiband los. En jaag hen dan in 't kreupelbosch. 1854. |
Be Hmsvrienden.
VERZUCHTING VAN EEN OUD MOEDERTJE, HAAR RIJBEL NAAST ZICH, HARE HDISDIERTJES OM ZICH HENEN.
|
Duizend zuchten, duizend zorgen; Zestig jaar â wat geeft het? Tobben voor den dag van morgen; Tachtig.... wie beleeft het? 'kStrompei zoo reeds zachtkens henen, Zeven kruisjes draag ik ; De oude dag geeft moede beenen; âStut mij, Heere!quot; vraag ik. Eenzaam gaat mijn weg naar boven; Waar ik veel moest derven, Zal ik, die mijn lot moet loven. Niet verlaten sterven. |
Schaamle weeuw sinds dertig jaren, Kinderlooze moeder. Vond ik, bij mijn zielsbezwaren, In den Heer mijn hoeder. In mijn kluisje woont de vrede â Meer dan ik kan prijzen ; Van mijn deel deel ik wat mede; 'k Vind ei' dek en spijzen. Sprakelooze lievelingen, Die bij leed niet wijken. Ruilen voor mijn koesteringen Duizend liefdeblijken. |
|
Die mij veel vergaarde. Maai- de bron, waardoor 'k geloofde, Kweekte een zoet vertrouwen; 'k Heb, bij wat mij 't lot ontroofde, Liefde en hoop behouën. |
Toont mij 't huisdier trouwe. Dankbaar voor de sobre beten. Toeft het aan mijn sponde. Doet het 's daags mijn wee vergeten, Ts het 's nachts mijn ronde. Wat mij bond aan 't aardsche leven,: 'k Heb de wereld lang verlaten. Rust reeds onder de aarde ; j Wee, wie op haar bouwe!' 'k Heb Hém veel terug gegeven, Doch, waar menschen mij vergaten. |
Remhrandt.
161
|
Maar, nog trouwer vriend voor 't leven Waakt er aan mijn zijde, J)ie mijn ziele kracht kan geven, Hoe ook 't lichaam lijde. Hij, de glorie van mijn woning, Is mij drank en spijze, Maakt mij rijker dan een koning. Wijzer dan een wijze. Waar ik raad vroeg, wien ik klaagde. Hij was toorts en wachter; |
Zoo mijn ijver soms vertraagde. Bleef z ij n steun niet achter. 'k Heb mijn vrienden lief gekregen, Die mijn huis bewonen; 'k Leer van hen, voor rijker zegen Dank en trouw te toonen. âHeere,quot; bid ik iedren morgen, âLaat mij hen behouën. Tot gij rn' uit mijnaardschc zorgen l Oproept om te aanschouwen.quot; 1849. |
Rembrandt.
(vóóll DE OPRICHTING VAN HET STANDBEELD.)
Dichter, gewekt door de vonk van 't genie!
Meester, onvolgbaar in 't rijk van de kleuren.
Man, die de kunst uit het stof wist te beuren,
't Ziellooze doek schept tot keurpoëzie.
't Schitterend licht naast het krachtige bruin.
Door u bezield met natuur en met leven.
Zien wij vol eerbied met lauwers omgeven.
Die ook de naneef U vlecht om de kruin.
Straks rijst Uw beeld voor het oog, dat ge boeit, 't Oog, dat U nablikt in 't diepst der gedachten.
Maar zich verblindt in zijn vruchteloos trachten,
Als de verrukking in de onmacht vervloeit.
Want Uw betoovrend en eenig penseel Deed U het hoofd met den eerekrans pralen ;
Immers, 't bereiken der kunst-idealen
Valt slechts aan enklen, bevoorrecht, ten deel.
Daarom, al rijst straks Uw beeltnis omhoog,
Roem wordt door brons noch door marmer geschonken: Gij, die ons 't leven der kunst deedt ontvonken.
Staat reeds in beeld in het hart en voor 't oog.
H
Grootvader.
Maar als de kunst, door Uw glorie omstraald,
Wijl ze U bewondring en hulde wil toonen,
't Werk van 't genie in Uw standbeeld doet tronen, Heil dan die schatting, dier glorie betaald.
Stel dus 't metaal ons U waardig ten toon;
Maar Iaat Uw geest ook de kunsten bezielen;
Moge eens het kroost, dat Uw grootheid doet knielen, Rembrandt. U volgen in 't waar en in 't schoon! 1844.
Grootvader.
.la, oude, voor uw blik verging Een tal van zoele en zure dagen,
En raadpleegt ge uw herinnering â
Wat is uw antwoord op de vragen,
Waarmee ge in jeugd en levensmoed 'tGordijn der toekomst neer wondt halen?
Wat is uw antwoord op den vloed Van lang vervlogen idealen?
Ge zucht ? Die zucht geeft ons 't bescheid: Al ijdelheid â kortzichtigheid!
Maar â zaagt ge veel in rook vergaan En reisgenooten u begeven.
Nog schijnt Gods heilzon op uw baan,
Want uwer is nog veel verbleven.
Als gij de kindren van uw kroost Zoo vroolijk om uw knie ziet spelen.
Als gij hen leert en leidt en koost, Of 't kinderspel met hen gaat deelen.
Of van Hem spreekt, die 't licht ontstak En eens de kindren zalig sprak.
Uw grijsheid bij de blonde jeugd.
Gij â met de kreuk der ondervinding.
Zij â 't oog vol zorgelooze vreugd,
Zoekt ge in 't contrast een lotsverbinding,
Dio 't hoekige aan den ernst beneemt,
En in uw hart een toon doet klinken,
Oie, vaak aan de afgeleefdheid vreemd, Nog d'ouden moed bewaart voor zinken.
Dien moed opnieuw zelfs voedsel geeft.
Door 't heil, dat aan uw zijde leeft.
162
Grootvader.
Zeg, oude, zeg, is 't geen genot 't Aanschouwen van dien lieven jongen.
Die met u dartelt en ravot,
Die met uw hoed is weggesprongen,
Uw rotting tot zijn stokpaard neemt En u straks ademloos doet hijgen.
Als hij u tart en vleit en fleemt In 't; âGrootpa kan me toch niet krijgen!quot; Als ge in de vreugd, die hij u schenkt, U dertig jaren jonger denkt'?
Of als uw oogblik ginder rust Op 't nufje, dat er loopt te mallen,
Dat blij haar popje kwikt en kust.
Haar schatten voor u uit gaat stallen,
En om uw knie met broertje twist;
Als 't schalk gelaat heur aard kan spellen,
Wen zij tersmuiks uw zak doorvischt Naar diep verborgen ulevellen ?
Is 't niet of de eerste vadervreugd Weer 't hart verjongt en 't hart verheugt ?
Ja, 't kind is, gij gevoelt het recht. Een schat â een groote schat des Heeren.
En, schoon uw zoon soms spottend zegt: ,'t Houdt mij de noppen van de kleeren.quot;
Gij laat de blikken ongestoord Voor hem weer in de toekomst dwalen;
Gij leeft in 't jonkske hopend voort. En.... weer ontwaken de idealen,
En nieuwe veerkracht geeft u moed, quot;Waarmee gij nieuwe wenschen voedt.
Als iedre leeftijd dankstof biedt Voor 't heil op onzen weg gegeven â
De grijsheid dempt de hartsvreugd niet, Na 't welbesteden van het leven;
Daar groeit voor d'oude en voor het kind Een bloem van hope en van verwachting;
O! wél hem, die dat bloempje windt In d' eerekrans van liefde en achting; Ga, oude, met die bloem ter rust.
Als 't kleinkind u âtot weerziensquot; kust. 1854.
163
Kinderleering.
164
Kinderleering.
|
(bij eene plaat Voor de jeugd dient veel gedaan. Dient ook veel vermeden; Kinderharten zijn als was â Harten om te kneden. Eindren zijn als wit papier In der oudren hoede; Bladen, waar ge op schrijven kunt, 't Kwaad zoowel als 't goede. Kindervorming â kinderleer, Teerste taak van 't leven: Wat ge veel weerhouden kunt â Wat ge veel kunt geven! Onderwijs â eens groeit gij op Tot verderf of voordeel, Kieme zijt ge van 't verstand, |
van j. bosboom.) Kieme ook van 't vooroordeel. Leiders, die het rijsje buigt. Heilig zij uw streven. Wat gij voor den Hemel kweekt Zal God wasdom geven. Zwaar is de eisch, maar rein de (vreugd, Als ge 't ziet gedijen, Als uw hope wordt beschaamd Door een zoet verblijën. Leeraars, die de taak beseft, Door u ondernomen, Denkt aan 't Woord, dat heeft gezegd: âLaat ze tot mij komen!quot; 1852. |
Jaloezy.
een zancetje (bij eene plaat van mari ten kate.)
|
Jaloezij, jaloezij. Wie kent van de plaag zich vrij? Wie kan al de minneplagen Met een staal gemoed verdragen, Als de plaagzucht u begekt En je liefje van je trekt ? Is het al uit jokkernij. Toch is't hard, ja kreukend wreed. Jaloezij, jaloezij! Wie er van te praten weet! Jok of jool, jok of jool, Stooft je vriend je een zure kool. Temper toch dien gloed des harten ; Want je grieven worden smarten. Als je goede luim bezwijkt En 't vertrouwen van u wijkt. |
Wie ook wane, wie ook dool, Liefde blijft een teeder spel. Jok of jool, jok of jool â Maar de jaloezij steekt fel! Lief en leed, lief en leed Zijn door 't minnezoet gekneed; Maar je moet geen liefde bouwen Op een grond van zwak vertrouwen. Waar het hart verhooring vraagt. Moet de rede niet verjaagd; Is de plaagzucht nog zoo wreed, Denk dan maar: ze hoort er bij. Lief en leed, lief en leed, Maar geen plaats voor jaloezij. 1853. |
Neef Kees en Neef Koos.
165
Neef Kees en Neef Koos.
|
Neef kees zag nichtje betsy graag, Neef koos hieM veel van haar; Neef kees was nichtje een rechte (plaag, Neef koos ? ... ja dorst hij maar! De een bracht haar kaartjes voor't (concert, En de ander schonk lectuur. Wat kees soms bleek om betsy werd, En koos zoo rood als vuur! Liep betsy om door laan of dreefâ 't Zij 't zomerde, 't zij 't vroos. Ze ontmoette d' een of andren neef; Hier was het kees â daar koos. Sprak zij met K00S,dank0ek kees sip; Adito andersom! Nu hing eens hier, dan daar de lip; Zong kees, dan werd koos stom. Koos was een neef van moeders staak, Van vaderszij was 't kees. Dacht primus: 'k heb een zeokre zaak, Secundus: 'k voed geen vrees. Koos zei : de moeder is een schild, Heur voorspraak schaft me't âja!' Kees sprak: doe alles wat je wilt â Eerst moet je naar Papa. Koos gaarde 't nieuws der stad bijeen. Vond kees het nog zoo dwaas â En liep naar betsy's moeder heen En bracht haar zijn relaas; Kees liep voor Oom de kiezers na En bracht Oom stemmen aan, En dacht hem als zijn schoonpapa, En bad koos naar de maan. l)e krijg werd fel en de ijver steeg. De strijders stonden pal. D' een gaf den ander graag een veeg En zwoer partij den val. |
't Kwaad werd van woêrszij opge-(vischt, En 't goed werd diep gesmoord: H i e r zei men[heimlijk wat men wist. Daar wat men had gehoord. Maar ieder, die de zaak betracht, Vraagt, even als i k deè, Hoe ons persoontje in quaestie dacht In 't schenken van de prae. Geen voorkeur toonde 't lieve kind In blik, of blos, of taal. Al scheen ze beiden wèl gezind, Toch bleef ze zeer neutraal. Wel dachten bei de vogelaars: Het vogeltje is aan mij, En lichtten ieder met zijn kaars Den mededinger bij ; Maar 't vogeltje sprong hier en daar En zong een vriendlijk lied En lachte met den vogelaar, Maar vangen â kon men 't niet. De zomer kwam, de trek meteen Om eens van honk te gaan; Een noodiging trok betsy heen. Ze nam 't logeerheil aan. En huppelde de vreugd te moet; Maar 't baarde wel wat vrees... Een afscheid zonder afscheidsgroet â Och, arme koos en kees! Een week ging om, een maand vlood En betsy bleef nóg uit. (heen Was zij gelukkig en tevreên'? Geen mare, die het luidt. Wel bracht de postknecht brief op Aan Malief en Papa â (briel Maar kees of koos â o hartegrief, â Vernamen boe noch ba. |
Een gesprek van Jan Van Katwijk enz.
â 166
|
Bn 't wekte beider ongeduld En 't voedde beider vrees. En de argwaan had het hart vervuld Zoo wel van koos als kees. Hetzelfde plan welde in hun borst: Nicht betst te gaan zien; En rondweg, of men thuis niet dorst, Haar hart en hand te bièn. Zooals men dacht, zoo werd gedaan; Maar, als een pot zoo dicht. Bracht de een den ander in den waan, Als dacht men niet aan nicht. Doch speelde satan met hun min ? Daar trad op 't zelfde pas Kees rechts, koos links de kamer in. Alsof 't een afspraak was. Koos keek verlegen om zich heen, Kees was ontstemd en suf, Koos zocht een weinig naar zijn reên, Kees lachte eens om de bluf. Maar hebben ze op een slang getrapt? Wat heeft, hun moed geknot ? Eén kreet was schier de borst ont-Eén blik beslist hun lot. (snapt. Een amp;esprek van Jan Yi Apeldoorn, bij he jan. Wel zussie, mot jai ook es kaiken Oe 't moije volk den snaphaen (draegt'? Maar wacht, we molten strakjes wai-As ons de karresier verjaegt. (ken. Maar oe zoo'n knappe maid an 't (dwaelen! Allien gieft maer en schrael plezier, 01 kom jai ier een jaeger haelen, Oi is jon neef soms grannedier'.' |
Daar zat ze â vroolijk en beleefd. Ze zat â maar niet alleen, En juist dat maakte koos tot kreeft En kees tot marmersteen. Want betst vond in 't gastvrij huis Nog meer dan disch en haard : Een knappe zoon was daar de muis En... 't muisje had een staart. Maar hoe papa dan en mama ? Hun rede hield gericht. De schellen vielen voor en na Hun beiden van 't gezicht. Men dacht, na 'tingefluisterd kwaad, Aan 't vlekje van de koe; Ze hielden eindlijk samen raad En... gaven dochter toe. En kees droop af en koos sloop heen, Voor 't eerst in sympathie; Ze treuren om 't bevochten been Bij 't heil van nommer drie. Wien 't oude spreekwoord leeren kan, Hij hoor mijn somber lied: Het been, verliefde knaap af man, Met vechten krijg je 't niet. 1850. n Katwijk en (reerte uit i Kamp van Zeist. geerte. Moi ding I wa lach 'k um die suldaote I Nie man, miin vaojer is 't die 'k (zuuk. Straks stong ie daor rnit mii te praoten. En jong trekt efkens an miin duuk; 'k Zeg âsmeerlap, da moi weór pro-(berelquot; Krek, komt op ens een groot lewaoi, l)e kenning, iieur 'k, geet ex pet ere. En 'truutervolkgunds nemt en draoi, |
Ontm^tinij van Jan. Van Katwijk rnz.
|
Mit stuven ze allen uut mekander; 't Was loope, loope wa je ziet. Ik loop zoo hard as ieder ander ... Maor kiik, op ens bin 'k vaojer kwiit! jan. Dan zei 'k mit jou je vaeder zoeken, Ier ken jai toch niet blijven staen I ik eb in zak rait bitterkoeken; Kom, laet ons naer de biertent gaen 1 Zog, raaidlief, mag ik jou traktieren ? geerte. 't Is zunde, neê, miin laeven nie! 'k Gaoi zoo maor nie pardoes uut (zwieren Mit d' ersten kaerel, dien'k ier zie; As vaojer zag wa'k dorst tc waoge, Ie sloeg me, leuf ik, as ter toe; Dus jong, gaoi andre deerens vraoge, Laot mii mit vrae, da rai ik oe! |
jan. Waratje, dat is kras esproken, Jai bint ien, d'e me laiken zou. 't Begint, zoo eus, me in 't art te koken, Juust zoo as jai bint wil 'k in (vrouw! Oor, as 't jou lust, spriek ik je naeder: As 'k jou beval, ben 'k op main post. Zeg zussielief, waer weunt jou vaeder. En wet doet de ouwe voor den kost'.' geerte. Mien olde ? wel, die het en rneule, En meule, weetje, veur pampier; Fiin wark, man, om oe af te beule, En vaojers naomisBRAH plezier. We ziin van margen unt ereën; In Apeldoren staot ons Imus. He â 't griezelt mii in al miin (leeën â Daor zie 'k miin vaojer staon 1 ajuus |
Ontmoeting van Jan van Katwijk en Geerte's Vader, in Apeldoorn.
|
jan. Goê murgen zaem, ik wou je vraegen» Of ik ier langs, nae bram plezier, Den goejen weg ben in eslaegen, IJ heit een meulen van pampier. 'k Eb al in uur ier rond ekieken Naer al diemeulens. 'tls wat raers 1 Maer wet ik kaik, 'k zie nergens (wieken! Waer weune toch die meulenaers 7 braai. He 'k van miin laeve zoo'n spektaokel' Da's diwekaters kazieweel! Go zuukt en meuleWa miraokel! quot;k Zon bnkans vraoge: zie je scheel? |
Ge stoat miin meulen an te kleke. Vrernd da je daor gin arg in had! Ons meulens hebben nargens wieke. Da geet hier mot en waoterrad!' 't Is of ge 't sprekwoord woar kumt (maoke: De man zuukt 'tpoerd en zit op ('t dier ; n wa noe 't moist is van de zaoke.... Ik ben mit liif en ziel plezier ! jan. â¢fandome, da's non toch bezonder! Dat docht ik toch me leven niet! Ben jai plezier?---- Wel, wette (wonder! 'k Zeg dat it in bestiering iet! â |
Ontmoeting van Jan Van Katwijk enz.
168
|
Oe muokt jou dochter 't, baes, die dikke. Die 'k leste zundag zag in 't kamp ? Ik wou haer zien, en hier ben ikke! bram. Nie tuus! jan. Nie thuis'? nou, dat 's en ramp bram. Wa wolde van miin dochter, jongen ? Wat het êr an den kop gereld ? Het wiesken dai heb opgezongen â Ze heft 't miin eigens al verteld! Ik vat wel, wal hier uut komt stalle, Want teugen én stel 'k geerne tien : Dai hier komt kiiken, of, nao 't malle. De popkens al an 't dansen ziin. jan. Nien baes, 'kwou eerlik mit haer (sprieken, Ik bin in knappe boere-zeun. Gae mit me mee naar onze strieken, Waer 'k op main vaeders hoeve (weun. En waer ik ook main knuist mot liene; Maer 'k bin it jongensleven moê. Ik zoek in waif en vond er iene. En daerom kwam ik hier nae toe. bram. Dai zeivers komt, da wil 'k niet laoke. Da hè 'k ook an ons geekt gezegd : 'k Zei : het de jonge zuuvre zoake, Dan komt ie hier en spraekt op-(recht! Nou kuije oe leske wel verzwiige, Zeg moar oe naom, oe stand, oe huus. |
Dai geerte hier te zien zolt kriige. Da hei gedocht 1.... maor da's (abuus. jan. Nou baes, eb jai der niks op teugen. Dat geerte mie nae Holland gaetâ Dan zeg ik jou, en 't is gien leugen. Dat ik heur lief eb, disperaet. Main vaeder zei me ien weuning (huren; Main handen zain it werk geweun. Ik wiet wel ploeg en eg te sturen En 'k bin main vaeders ienge zeun, bram. Da geert aa Holland wol verkasse, Daor he'k niks teuge, nimmedal! As oe partuur veur haor zol passé, Dan ben 'k niet dingsig of niet mal. Wa kan me de pravinsjes schelen, Eie kenning gaot er euver 't land : Wie motte zaom de laste deele; De wet hold ons in d' eigen band. En Holland ken ik ook tardege; In viif en twintig waor 'k suldaot, Doe ha'k in gaarnezoen gelege Bii oe, en 'k had er 'tgansch nie (kwoad; En daorom kuije wel begriipe â Geen vos, die gauw ziin aorp ver-(liest; â Doe ze allen nao de kampplaos liepe. Da 'k zei :'k wol ook es gaon nao Ziist! jan. Maor baes, nou nog iens onze zaeken! Oe denk jai over geerte en mij? Mag 'k nou reis kennis met heur (maeken. Kom maek me nou es raezend blij 1 |
Hoe Geerte van Apeldoorn enz.
169
|
BRAM. Goi nou maor uaor oe vaojer hennen, Ik zal es spraeken mit de deern, En as 'k heur dingsigheid zal kennen, Dan schriif ik oe de zaoken geern. As zii wol, kom 'k bii oe es bouwen, En valt het meê, dan zeg ik: top! |
JAN. Nou baes, kan 'k op je woord vertrouwen ? BRAM. Da kuije vast! miin hand er op. 1853. |
Hoe amp;eerte van Apeldoorn door haar Vader de les gelezen werd, toen zij met Jan Tan Katwijk zon gaan trouwen.
|
Noe gaoi zoam in het schuutje vaoren, En 'k gaf miin vaojerlik consent. De minsen zin hier um te paoren, We zin 't van adams tiid gewend. Je bint sekuur noe mit oe tweejen, Dai raozend van mekander hold, Toch koop je 't nie mit duzend eejen, Dat de olie nooit in 't lempke stolt. Daor is méér neudig veur de lieven Dan 't mallen in den maoneschien; Want um mekander trouw te bliiven, Moi taoi van zielsgevrichten ziin. Daor komt veul kiiken in het léven, Nie altiid gift het trouwen pret; Was mennig schaop maor thuus gebleven, Hi had zen lüf en ziel gered. Zie toe: veur dai den band gaot knoopen, Of 't twiepaor beene stevig staot; As 't koppel in het greel geet loopen, Is 't staoge draf die zéker gaot. En mot soms de een zoo wat ver-traogen. Dan trekke de ander dubbe) an, Want anders kwakt de hijlikswaogen. En 't riik is uut van wiif en man, Noe gaoi temet oe nesje bouwen. |
En kiik, 'k ben mit oe keus te vreé; Maor 'k hè nog wat uut cats onthouën. Da gif 'k oe graog ten uutzet meê. Zie toe, men jong, dai altiid baos bliift: 't Is in de weuning glad verdraeit, Waor 't hoofd van 't huus nie op zen plaos bliift, Waor 't haontje zwiigt en 't kipke kraeit. En 't is deur de olde les bewezen. Da waor de spinrok dwingt het zweerd, Dai op de deurpost voort kunt lezen: Hier geet het kwaolik mit den weerd. Bedwing oe wiif mit zachte reden, En jonge vrouw â en meulenrad, Jao, de ondervinding leert tot heden. An bei ontbreekt zoo deurgaons wat. Sterk heur geluk deur trouw te bliiven En straf of streel oe wiifke niet: Um bureiriraotjes niet te stiiven Moi sloppen veur en minsch it ziel. Kiik op oe post uut eigen oogen. De huusweerd, daorop dient gelet. Mot, om nie duk te zin bedrogen. Het ersten op en 't laotst nao bed. Bid noil om veul, om macht van schiiven, |
Bij de Nieuwtjes van den dag.
170
|
Zoo !èf je wiis en vergenoegd, Maor bid alleen dai baos mag bliiven Van 't gen oe God het toegevoegd. Man, al wai spaoi t is 't erst gewonnen, Maor 't gierig zin gift huusverdriet. Het beste web wordt thuus gesponnen: Wie spaorzaoin is verachtert niet. Hou ook en putje veur verliezen, En, gift de tiid en nei gewas, Let dan op 't daolen van de priizen, En bin in 't koopen nie te rasch. Miin dochter, oe gespan mol eeren. Hum vuugt de wiisheid â oe 't geduld, Wie ooit 's mans kribbigheid kan keeren, 't Best dat het wiif die taok vervult. Bliif zuver op oe lüf en leejen. Wacht oe veui aoverechts bedriif, Want al da werk wa mot vermeejen, Maokt van en mooi en leelijk wiif. Pas op oe huus, pas op oe kasten. Geen béter loog dan 't vrouwenoog: As plicht oe spi ekt van dure lasten, Trek dan nie kwaod oe lip omhoog. En wiif diaogt meer uut rnit en lèpel |
As da de man, die slaoft en loopt. Ooit in kan vuuren met en schêpel. Keer 't stuverke um veur da je koopt. Bouw kleine keukens, enge schouwen, Het klein vernuus vraogt weinig (holt; Je kunt veel grooter kaomers bouwen, As oe en kleine keuken bolt. Sluut de achterdeurtjes in oe weu- (ning. Bin in 't verhuzen niet te los. Je wordt en zwerver, maor gen (keuning : De steen die rolt en gaort gen mos. Zoo lang je 't in oe zelf kunt vinden. Zoo lang je oe pepke blaozen kont. Loop nooit nao buren of nao vrinden, Gebruuk daortoe gen vremden (mond. En noe za'k maor nie verders praoten. Je weet: niks kwaods ha 'k oe ge-(gund, Laot alles wat er mot gelaoten. En doe maor wai nie laoten kunt. 1854. |
Bij de Nieuwtjes van den dag.
AAN EEN PRAATVAAR.
|
O man van conversatie. Wat tijd van alteratie. Wat stof voor wee en ach! Wat mag uw tong zich weren. Uw geest zich appreteeren Voor praatjes van den dag ! Voor 't wicht van donkre tijden Brengt gij een klacht aan 't lijden. Een klacht â maar nauw een gift. Adressen op adressen. Vol vijven en vol zessen. |
Vervoeren u tot drift. Uw vraag hoe 't spek zoo duur is, Voor 't volk die druif nog zuur is Bij vrijdom van accijns, Lost ge op in tal van zuchten..... âDe slager trekt de vruchten !quot; Zoo zegt ge met een grijns. De Russen en do Turken Zijn in uw oog maar schurken. Die vechten uit pleizier; |
Bij de Nieuwtjes van den dag.
â 171
|
Cie enkel door hun malen D' eflectenboel doen dalen Voor d' armen rentenier. âEn komt die Haagsche onthulling Dan nimmer tot vervulling ') ?quot; Zoo vraagt ge wreevlig mee: â'k Ging reeds voor negen weken Een plaatsje mij bespreken Bij 't beeld van willeb ii !quot; De knepen van de fijnen, Die u slechts raadsels schijnen Als contra uw advies, Vat ge in devote rage, Te zaam in die foppage Va» juffrouw van der vlies a). En moest de kermis wijken 3)? Ach, hoe zou Judels kijken Met heel de Variété! En wat zou men beginnen Met heel den sleep Friezinnen, Met Blanus en Crassé? Die winterhofpartijan.... Die aimen-loterijei, â Niet bijster in u-w geest____ De zucht, om plaats te vinden Bij Rotterdamsche vrinden Voor 't muzikale feest!! Het Handelsblad â o jammer! |
De nieuwe Rotterdammer, Niet van je gading meer. En de oude âOprechtequot;... o schande! Die vreedzame in den lande â Vol zalvend roet en smeer! De beuken-broodbereiding.... Van lennep-s waterleidins____ De inenting van het vee____ De vrijheid van de slaven.... De revalenta-gaven____ De vloot der Zwarte Zeel De twee Bourbonsche takken.... De Turksche keurkozakken.... 't Metalen kruizenheir..., Het paardenvleesch bevolen.... De industrieele scholen.... Eu â honderd dingen meer. Stop! drukke praatjes-prater 1 Ik val bij u in 't water! Ik ben niet van je bent. O, wie naar uw gedachten En uw adviezen trachten â Ik geef dat moois present. Wie almanakken schrijven. En op de hoogte blijven Van 't nieuws, mijn brave man, Zij mogen het besjouwen. Ik â als 'k u bij wil hoüen â Wel, 'k slaap er 's nachts niet van! 1854. |
') Meu bedenke dat dit Btakje vóör 23 M-iart '8:4 (den dag der eimlel^ke ontliulliug geschreven is.
*) Zegge: liet honger-wonder vau Pijuacker â bij haar ieveu het zoo zrer besprokene â na haar dood het zoo beruchte â kkqeltje van der vlies.
8) Door 't Hooge Bestuur was aau de Gemeentebesturen de vraag goateld, oiquot; de tijd niet daar is om de kermissen al' te schaffen.
172 Een malle nuk met
een langen nasleep.
|
Een malle nuk met Niet ver van 's-Gravezande, Daar werd ik opgevoed, 'k Moest spa en ploeg hanteeren ; Mijn knuisten waren goed. 'k Had ouders, broers noch zusters Maar 'k had tot baas een boer. Die gaf mij loon naar werken, Bij warmen stal â goed voer. Ik was een rechte domkop, Ach, hoe 't mij later speet! Mocht ik nog eens beginnen â Ik weet wel wat ik deed! 'k Zou óók van zilver eten, 'k Had hoeve, vee en tuin: Ach, waar ik wijs gebleven â 'k Verschopte mijn fortuin. De baas had ééne dochter. Ze had in mij âzenie,quot; Ik heb haar laten loopen â Dat deed de âjaloezie.quot; Als ik haar niet wou toonen, Hoe veel ik van haar hiel'. Dan zat er â 'k meen het stellig, De duivel in mijn ziel; Want kijk, ik kon niet velen. Als kees, de molenaar. Zijn best deed haar te ontvrijen: Dat wreekte ik dan op haar. Hoe lief zij mij dan streelde. Toch bleef ik nurks en stijf, Als had ik voor de vleemster Geen jongensbloed in 't lijf. 't Is waar, soms woei zij over, Die lamme, booze bui â En dan was 't mallen â mallen, En 'k sloeg weer ui op ui. Maar eens â op Sluische kermis â Daar komt die witte Poen Een kermiskoek haar brengen, En met dien koek een zoen. Had ik dien koek genomen En op zijn kop gekloofd. |
een langen nasleep. 'k Had moeten bakkeleien. Maar ook zijn lust verdoofd. Maar 'k mokte stil en 'k vloekte. En. â weet je wat ik dee ? â Ik liet de meid hem over â En ik nam dienst op zee. 'k Heb later wel vernomen: Ons scheiden viel haar zwaar ; Ze weende bittre tranen. Maar â nam den molenaar. Ik bracht mijn nukken over Naar overzeesche wijk. En bleef een arme zwerver; De molenaar werd rijk. Ze trokken nooit aan 't wiegtouw. Maar maakten goeden sier; Maar z ij sprak, hoor 'k, bij wijlen Nog van den marinier. Ik heb den dienst verlaten Na langen zwervenstijd. En heb de groote Heeren Lang om een post gevrijd. Men gaf me er een ten leste. Ik nam hem â gansch niet vies â En sta nu, bij de gratie, Te boek als rijks-kommies. Ik trouwde een keukenmeisje En kreeg een kind of vier; 'k Ben alles voor mijn vrouwtje. Maar kijk â jaloersch.... geen zier! Mijn post brengt mij somwijlen Op wacht â nu hier, dan daar â En 'k moet een oog soms houden Op kees den molenaar. 'k Heb nu veel tijd tot denken, En 'k denk ook dikwijls veel; 'k Zeg somtijds bij mij zeiven: Een ieder krijgt zijn deel. De molenaar kreeg centen; De rijkdom maakt hem zot; Ik kreeg weer andre schatten â |
Mooi Mientje van het Molenpad.
17 3
|
Vier wolven in den pot. 't Zal zeker 't beste wezen, Zoo als het thans bestaat; Ik heb mij leeren schikken: 'kWerd niet voor niet soldaat. |
Toch kan ik het niet helpen, Dat soms de zucht me ontgleed: Moest ik nog ééns beginnen.... Ik weet wel wat ik deedl 1 1853. |
Mooi Mientje van het Molenpad.
|
In 't Westerdamsche dennenbosch Bestaat voor groot en klein Een schaduwrijk terrein, En 't leven is er vrij en los, En wie er toeft tot spelemeien Kan noo van 't koele plekje scheien. De Heer van 't bosch, 't zij kwaad (of goed. Was, als zoo menigwerf. Een vreemde op eigen erf; Hij werd er nooit of schaars ontboet ; Men zei; hij toefde in verre landen En liet zijn goed in 's gaarders handen. De een noemt hem oud en afgeleefd, Een ander: jong en kloek, En schoon zijn wapenboek Zijn naam en stand te lezen geeft, Bleef toch voor buurt- en dorpsge-Dat adellijke boek gesloten, (nooten De Heerlijkheid van Westerdam Had rechten bij de vleet; Eén klonk zelfs vreemd en wreed. 't Was: zoo een hand het ondernam Een bloem in hof of bosch te plukken. Verbanning zou den roover drukken. Mooi mientje van het Molenpad Kwam daaglijks door het bosch En gaarde er kruid en mos; Maar, schoon ze veel verloksels had, De les om voor 't gebod te vreezen. Was haar van jongs af opgelezen. |
Want, trok de rozenstruik haar aan, En spelde de oogengloed Lust naar 't verboden goed. Ze liet toch trouw de rozen staan, Schoon andren wél het feit bestonden En 't Heerlijk recht en 't bloembed (schonden. Heur hartje was nog vroom en vroed, En â kinderlijk van aard. Bleef't moederwoord haar waard, Drong 's vaders les haar in't gemoed. En mocht ze blij de blijde spelen Der jeugd met vrij gewisse deelen. Maar â als 't met mooie meisjes Ze bleef niet onbespied, (gaat, En menig blik verried De stille spraak, die 't hart verstaat. En 't streelde veler zelfbehagen, Die zich met mientje hoorden plagen. Doch, werd er menig zucht geslaakt En menig wensch gevoed, Geen jonkman kreeg er voet; Hoe vlug ter been, hoe welbespraakt â Ze scheen het diep in 't hart te smoren Wat ideaal haar mocht bekoren. Van ouds was op den langsten dag In 't bosch een volksfestijn; Men dronk er dan vrij wijn. Dan woei er van 't kasteel de vlag, Dan werd er naar den prijs gedongen En druk gedanst en luid gezongen |
Mooi MietUje van het Molenpad.
174
|
Eens kwam er op zoo'n zomerfeest Een jeugiiig vreemdeling; Schoon nieuw uog in den kring, Wist hij toch door vernuft en geest De meisjes aan zijn zij te trekken, En de ij verzucht der mans te wekken. Ook mi.'.ntje trok hij wel wat aan; Men zag 't met vrees en schrik: Zij liet den schuehtren blik Met welgevallen naar hem gaan ; âDe snoes kwam,quot; naar 't idéé der (knapen, âOm 't mooiste meisje weg te kapen.quot; Toch ging het spel zijn ouden gang! Schoon door den nijd bespied â De vreemdling merkte 't niet, Of scheen voor jaloezie niet bang; Hij was de nommer één der spelen En zocht mooi mientje 't hart te stelen. Daar viel 't op eens den knapen in (Al schond men zelf de wet) Hem, door een sluwen zet. En bouwend op zijn schoonheidszin. Voor goed een loozen strik te spannen En uit het bosch te doen verbannen. Men lokte hem ter bloerngaard heen. En, wat men had verwacht, Dat deed hij onbedacht: Hij plukte dapper en meteen Wist hij de bloemen saam te vlechten En MIENTJE aan lok en kleed te (hechten. Ach, 't kind was gansch en al ver-Ze liet bet lachend toe (ward. En blikte wel te moe. En uit hare oogjes sprak heur hart; Ze nam den arm haar aangeboden, En liet zich tot een wandling nooden. Maar halt, wie treedt hen in den |
De wachter van het bosch ! (weg? Daar rukt de knaap zich los En werkt zich vlug door struik en En loopt als een gejaagde henen, (heg. En is uit aller oog verdwenen. Een vloek klonk uit der mannen (mond: âKom, lafaard! nooit hier weer; âWaut â kwaamt ge een andren (keer, âWees dan verzekerd, vreemde (hond, âDan wierd u goed de les gelezen, âEn gij ter schapenkooi verwezen!quot; En mien tje stond door 't feit ver-Te leur gesteld, verneêrd, (mast; Werd ze uit den hof geweerd. Nadat op 's rentegaarders last. Schoon spijt haar reeds had voortge-(dreven, Heur naam heel stipt was opge- (schreven. De nacht werd slaaploos doorge-(bracht En d'andre dag was daar; Daar kwam 't bericht tot haar: âGij wordt ginds op 't Kasteel (gewacht âOm 't rechtsbesluit te hooi en lezen â âUw vader moet getuige wezen.quot; En de oude, op orde en recht gezet, En cijnsbaar aan den Heer, Wilde om zijn naam en eer Zich niet onttrekken aan de wet. Hij voerde, doof voor's meisjes bede; Naar 't heerenhuis mooi mientje (mede. De rentegaarder was liskaal En las de artieklen voor; Toegevend in 't verhoor1. |
ifuoi Mientje van het Molenpad,
175
|
Vroeg hij haar een en andermaal: I âOf ze ook een ander op kon noemen Als schender van des Heeren bloemen?quot; Maar of 't uit schaamte of fierheid sproot, Dan of de vreemde vrind Nog leefde in 't hart van 't kind;â Ze sprak niet van een deelgenoot, Ze wou zich niet onschuldig prijzen, Door hém als dader aan te wijzen. Daar zette de flskaal zich schrap, En zag haar ernstig aan, Eu liet haar luid verstaan Het vonnis van heur ballingschap: Het heerlijk recht zou haar beletten Om ooit een voet in 't bosch te zetten. De bul licht ree, doch op dit pas Bericht de rechter 't paar. Dal, schoon in honderd jaar Geen heerschap daar ooit zicht-(baar was. Zij 't zich ten gunste mochten (reekneu, Als straks de heer de bul kwam (teekuen. De Heer!... o schrik nog nooit (aanschouwd! Wie was 't? Een creatuur, Door besjes op den duur Geschetst als wreed, afzichtlijk, oud; Hij zou dan zelf het strafzwaard heffen. Om 't hoofd van 't mooiste kind te (treffen. Daar springt op eens een zijdeur los; En 't eigen oogenblik Leeft vreugd,verwondring, schrik In 's vaders oog en 's dochters blos: De vreemdling, die zijn schuld kwam (boeten. |
Stort zich op eens aan mientje's (voelen. âIk was de schender van het recht, âMaar't recht was aan mijn zij; âNiet haar,quot; verzekert hij, âWord' hier de banvloek opgelegd, âZij zal hier vrij de bloemen plukken.quot; Met scheurde hij 't geschrift in stukken. âHier,quot; riep hij âis eene andre ceel, âDaar, teeken die, lief kind, âEn als dat schrift u bindt, âDan wordt hier huis en hof uw (deel; âAanvaard in uw ontrouwen ridder âEen hulp en steun en trouw aanbidder.quot; â âDus was uw bloode vlucht maar (spel?quot; Vroeg MiENTJE inwendig blij; â âMaardan de Heer?quot;ââis hij!quot; Bevestigde de gaarder snel; «Wij groeten U als burchtvrouw (nader!quot; â â'k Begrijp het niet !quot; sprak (mientje's vader. Doch eer een maand verstreken was. Begreep de grijze 't goed; 't Was alles geur en gloed. Men dronk muskaat en hippocras; De landjeugd jubelde opgewonden : Mooi MIENTJE was in d' echt verbonden. En, schoon ze een adellijk gemaal Heur hand geschonken heeft, Geen buur, dien ze aanstoot geeft. Met vriendlijk oog en zachte taal Blijft ze oude makkertjes begroeten En 's eega's levenslot verzoeten. |
Ideaal en Werkelijkheid.
176
|
En 't aadlijk huis van Westerdam I Geniet van nieuws aan de eer, Dat zijn gelukkig Heer Er als zijn voorzaat d' intrek nam; Het goed zij daar in stand gebleven, En wat niet deugt wordt opgeheven. Doch wat er blijft â ten lang-(sten dag Is 't jaarlijks groot festijn; Dan spaart de heer geen wijn, Dan wappert van 't Kasteel de vlag; Naar eereprijzen wordt gedongen. En meer dan ooit gedanst, gezongen. En wat het feest ooit bracht of nam, |
Beminlijk, schoon en trouw. Blijft de allerliefste vrouw De fraaiste bloem van Westerdam, Die door haar geest de vreugd doet (stijgen En wangunst voor haar blik doet (zwijgen. Eén recht is door haar zorg geknot: Het is de âbloemenwet.quot; Maar sinds men onverlet Het bosch bewandelt, en 't verbod De handen niet meer heeft gebonden, Wordt zelden 't bloembed meer geschonden. â 1859. |
Ideaal en Werkelijkheid.
anna B. aan klara M.
|
Klara, 'k heb mijn wenschgekregen: 't Denkbeeld heeft mij lang bekoord, Om mijn woonplaats eens te ruilen Voor ^een stil en vreedzaam oord. Moe van al die stadsvermaken, Trok ik met mijn karel heen. Hij, als ik, met d' eerste standplaats Van zijn leeraarsambt tevreen. 't Baarde mij maar weinig zorgen â Zag ik me ook wat ver verplant. Sprak men ons van 't Twentsche (dorpjen Als een achterhoek van 't land. Mocht ik conversatie missen â 'k Had er ook den last niet van; 'k Zocht en zag en vond ook alles, Alles in mijn besten man Was het traktement wel karig En de pastorie niet ruim, 'k Dacht: waar ondank mort bij (taarten Juicht vernoegdheid bij wat kruim. |
Bood mijn pittoreske weelde Slechts een grindweg en een sloot, 'k Had geen inkijk van de buren. En van vitterij geen nood! Maar.... hoe lief mijn paradijs was. Eeuwigheid is hier geen wet; Alles haakt hier naar verandring En ons leven eischt verzet. Drie jaar zijn hier kalm verstreken. Vindt mijn ga nog laat en vroeg Arbeid op zijn vruchtbren akker. Ik krijg hier welhaast genoeg. Altoos de eigen aangezichten, 't Eigen uitzicht plat en stijf, Gistren, heden, morgen, immer â Eén genoegen, één bedrijf. Mijn journaal begint te hokken. De oude nieuwtjes keeren weer. Wat me eerst aantrok door het (vreemde, Heeft voor mij geen prikkel meer. Miste ik hier de stadsbeschaving, |
Ideaal en Werkelijkheid.
177
|
'k Leefde in mijn verwondering Bij de zeden en gebruiken Van den boer en dorpeling. Menig glimlach werd bedwongen Bij de ontmoeting hier en daar; 'k Werd, al zag 'k veel open goedheid, d' Ouden adam ook gewaar. Waart ge eens hier, 't zou u verbazen Wat ons wacht bij 't dorpsbezoek, Hoe uw matigheid zou gruwen: Koekâplus brandewijnâpluskoek! Hoe 'k mijn kamers uit moet luchten, Als de breede kerkeraad Met hun negen Goudsche stompjes 's Zondags wat heeft nagepraat; Hoe mijn hoed en kleed op theetjes Wordt betast van plooi tot plooi, Onder d' uitroep der visite; âWat is doomné's-juffrouw mooi!quot; Hoe mijn rug dan wordt bekeken; Bij haar rugjes van één span, En 't gegichel om een stadslijf Overslaat van vrouw op man ; Hoe 'k, als eega zijn diakens Ter vergaring heeft genood, De achtbre Heeren'tslijk dersehoenen Af zie spoelen in de sloot; Hoe hun meegebrachte dames De een na de ander mijn vertrek Weldra voor de keuken ruilen Tot meer vrij en druk gesprek; Hoe ik bij een dorpsnotabel Onder 't heil van smook en damp, D'avond wel eens moet passeeren Bij het licht der keukenlamp; Hoe ik mijn fatsoen moet houden Als 'k op kraambezoek moet gaan; 't Bakerkind in groenen ânachtponquot; En... met zwarte kousen aan! Alles eenvoud, zult gij zeggen. Eenvoud, 'k heb hem hartlijk lief. Foei mij, 'k zal er nooit op smalen; |
Maar verbeeld je: 't ongerief Van behoeften en van zaken Waar ik bij ben opgevoed, Fijne toon, beschaafde vormen, Buitenshuis hier schaars ontmoet; Met lectuur een jaar ten achter; Geen muziek, geen poëzij,... Is het noodig u te schetsen Wat ik mis bij vroeger tij'! Ziet ge nu â zoo staan de zaken! Is het wonder, lieve meid, Als ik bij mij zelf eens uitroep; Ideaal en werklijkheid! Als ik dan in krant of maandschrift Uw heer eega zie gemeld, Hem vereerd als litterator, Boem en aanzien zie voorspeld; O, dan denk ik aan de vreugde. Die gij door en in hem smaakt, Hoe zijne eer uw lot verheerlijkt, Hoe zijn roem uw heil volmaakt! 'k Stel mij voor, hoe gij zult leven In zijn hart en in zijn lied. Als hij in uw vorm en wezen Zijn model ter schildring ziet! Noem mij dwaas, maar 'k moet belijden Dat uw lot mijn wenschen wekt. Om weer in uw kring te leven En de stad op nieuw mij trekt, 'k Wil hst voor mijn man niet weten. Hij is in zijn stand tevree, Maar, bij ruil of vacature â Zeker, 'k sprak een woordje mee. 'k Zou mijn hart hem openleggen, Als een keuze tot ons kwam; En ik ruilde blij mijn dorpje Voor... bij voorbeeld Amsterdam! Heeft uw ga misschien connecties? Lieve, strijk hem eens op zij. Schets hem, wilt ge, mijne ontbering. Wees gegroet en â denk aan mij. 1858. |
Schijn en Wezen zijn er tiüee.
Schijn en Wezen zijn er twee.
klaka M. aan anna B.
178
|
Anne, ik kan mij best begrijpen, Bij 't besef wat gij ontbeert, Dat gij thans de samenleving En opnieuw de stad begeert; Maar, laat me als vriendin u zeggen, Welken indruk gij mij geeft ; 'k Meen, dat ge in uw wensch en (wandel Naar iets onbereikbaars streeft; Hoop en uitzicht doen ons leven, Maar, wij wegen ze op de gis: Schep vrij 's levens idealen, Maar, neem 't leven zoo als 't is Zie bij 't wenschlijke in een ander 't Eigen goede niet voorbij ; Ieder huisje heeft zijn kruisje, Elke tuin zijn schaduwzij. Hebt gij 't oog op mij geslagen, â Ja, mijn weg biedt vreugde en vree, â Maar wie rozen kweekt,ga artdorensâ Schijn en wezen zijn er twee. Baart mijn leven veel genoegens, Toch, als ik te kiezen had. Dan wilde ik wel tiërceeren â Overvloed bezwaart den schat. â Aanloop als men 'tniet kan velen. Invitaties om 't fatsoen. Vitterij op kleinigheden. Schuld op schuld om af te doen ! Praatjes over vreemde nieuwtjes, Tobberijen met de meid, Modegrillen, aesterijen, Drukten zonder bezigheid; Maar, gij kent de stadsbelasting, (En ik noem dus maar niet veel) Die ge ginds ontloopt, melieve. En waar ik mijn part in deel. Eéne zaak, die in 't bijzonder Uw vervoering heeft gewekt, |
Wil ik nog met u bespreken, Mooglijk dat ge er nut uit trekt. Mijn gemaal, 'tis waar, schrijft verzen, 'k Eer zijn liefde voor de kunst. Ja, 'k verheug mij in de gaven Van, zoo 't heet, apollo's gunst. Maar, ontwaar ik in zijn streven Dorst naar eer of roembejag. Dan, ik spreek uit ondervinding. Dan ontluikt zijn kwade dag. Want bewondring van de menschen Voedt zoo dikwerf de ijdelheid. En men heeft een vlies voor de oogen Waar ons die Sirene vleit. Is h ij beter dan een ander ? En die eer â men went er aan : Wordt beur aandrift ons behoefte. Dan is 't hart zoo schaars voldaan, 'k Spreek nu nog maar van de lichtzij. Maar, hoe soms de illusie wijkt. Als men dan, als ik, eens even Achter de coulissen kijkt. â Ach, om 't onderwerp te kiezen, Tal van boeken na te slaan, Om voor zich een plan te vormen, Bij een vriend om raad te gaan; Van conceptie op te snijden. Vorm en maat â weet ik het al! 't Zijn een zee van preparaties. Die ik u niet melden zal! Dan aan 't werk, dan afgebroken, Dan niet lustig, dan gejaagd, Dan op 't rijmwoord zitten broeien, Dan door pijn in't hoofd geplaagd. Dan van 't eerste plan veranderd. Dan de strophen afgekeurd. Dan er nog eens op gaan slapen. Dan herlezen, dan verscheurd! Dan,... daarna van nieuws begonnen, Voor geen andre taak gezind, |
De Brievenbesteller.
179
|
Afgezonderd, afgetrokken, En, geen oog voor vrouw of kind; Laat naar bed, als 't werk wil vlotten, Droomend, van de rust beroofd. Bij de thee en onder 't eten; Altoos met het vers in 't hoofd! Dan, als 't af is, nieuwe drukten, Overschrijven in het net, Naar den drukker, corrigeeren. Boos zijn, wijl men slordig zet; En, als 't uitkomt, spijt en wrevel' Om de fouten in den druk; Ach, tot slot door recensenten Nog genegerd als een kruk. flat 's de bij nu ! maar de hommels. Die haar wachters zijn geweest,â 'tZijn de heeren Boekverkoopers Met hun speculatiegeest, Met hun jongens en hun proeven, Met hun briefjes en hun drang. Met hun prachtige advertenties, Ellenbreed en ellenlang. Alles goed en wel, mijn waarde. Als ' ⢠man er kalm bij blijft. Doch ik ducht steeds, |dat die weelde Hem een tooverkring beschrijft, Die hem langzaam af kan trekken Aan den kring van huis en hart, Die zijn zorg en toezicht vragen. Met mij saam in wettig part. En, 't gevaarlijkst nog van allen, |
Zijn, zoover mij is bekend. Die connecties en organen, Die hem roepen bij de bent; Hier eens redacteurtje spelen, Daar eens meedoen met critiek, Ginder weer zich laten gelden Als een leider van 't publiek; Hier den hamerslag doen hooren In 't Departement van 't Nut, Of de Rederijkerskamer Tot beschermheer zijn en stut. Zij 't nog i n de stad, maar elders Roepen vriendschap, eer, fatsoen: Kom een spreekbeurt hier vervullen, Wil bij ons een bijdraag doen 1 En, dan is men zwak of ijdel Om te hooren naar die stem, Of het spel spreekt, juist als moeder Andre plannen heeft met hein! Anna, temper dus uw wenschen Wat u ook mishaagt en stuit â Bij ontbering of verwijdring â Eéne zaak hebt gij vooruit: Ziet gij uit uw Nova Zembla Naar een beetre wijkplaats heen, Gij zijt meester van uw zelve En bezit uw man alleen; Denk nu niet dat ik geklaagd heb. Neen, mijn lot biedt vreugdeen vree; Zie, illt; wilde alleen maar zeggen: Schijn en wezen zijn er tweel 1808. |
De Brievenbssteller.
|
Ik loop met vlugge schreden Mijn stadswijk in het rond; Ik ducht mijn overheden. Aan wie ik mij verbond; En 't zij de zon mij roost en braadt. Het zij 'k door sneeuw en slobber baad. Ik vul mijn tasch, en ga, en kom. |
En breng haar leeg weerom. 'k Heb weinig tijd tot denken, En 'k denk dan ook niet hard, 't Zou licht het hoofd mij krenken En 'k wierd bij 't werk verward. Als ik maar goed de adressen spol, |
De Brievenbesteller.
180
|
En accuraat mijn centen tel, ') En 'k op mijn post ben voor het sein Bij d' aankomst van den trein. Somtijds, kan ik het helpen 1 Is 't of mijn hersenkas Gedachten overstelpen, Epn stem klinkt uit mijn tasch; Ze zegt mij, 'k draag van stond tot stond Een wereld van gedachten rond; 'k Berg vreugde en schrik, en lielde (en smart, Ik spreek tot hoofd en hart. Ja, als ik in kon dringen Door omslag en adres. Wat hoorde ik rare dingen, Wat kreeg ik menig lesl Maar voor mijn zeer gewoon verstand Spreekt somtijds ook de buitei kant, En 'k raad gemaklijk heil of rouw Uit schrift, cachet en vouw. Vaak zie ik aan de menschen Of 'k voordeel breng of last, Of zij mijn blik verwenschen. Of hen mijn komst verrast. Och. was altoos 't beschikken mijn, 'k Zou graag een boo der blijdschap (zijn; Mijn beursje wierd het ook gewaar, En item â met Nieuwjaar! Heb ik een brief te geven Aan flesch, den fabrikant. Een brief heel grof geschreven. En zwaar en dik van 't zand. Dan wordt de deur mij nagekletst Ik zucht er om, en vat de rest, Is 't mijn schuld, dat, als't praatje Flesch naar den kelder gaat? (gaat, |
Mooi lusje daarentegen Wordt nooit de briefport moe, Al wordt ze wat verlegen. Al knipoog ik haar toe; 'k Wou, dat ik haar met iedre vracht Zoo'n rozekleurig briefje bracht; 't Geeft altoos kwartjes, als ik kom. En geld hoeft niet weerom. En dan die rijke dame, 'kWeet haar verjaardag juist; Haar nerfjes ken 'k bij name; Nou, 'k lach maar in mijn vuist En denk, wie weet wat i k zou doen Had ik zoo'n nicht van hoog fatsoen, 'k Schreef ook licht op heur feestdag SâT- RâOâOâP. (mee: Zwart lak en zwarte randen, Ze maken me altoos week, Ik zie verbroken banden En zucht .schoon 'k weinig spreek; Ik denk: zoo gaat het heer en knecht. En rouw â vraag, is de rouw oprecht? Want waar hij spreekt, schoon't hart (niet sprak. Daar is de rouw maar â lak. Zoo 'k tranen zich zie zetten. Ik voer ook lachjes mee â Die brief met twee cachetten. Velijn verguld op snee! Hij roept mij toe; die twee zijn een! Ik stap er luchtig overheen, 't Voegt, dat ik juich bij band en knoop. En 't beste er maar van hoop. Nu, 'k zal 't er maar bij laten, 't Had anders licht den schijn. Dat ik heel wijs wou praten, En 'k wil geen wijsgeer zijn. |
i) *1 quot;Was toen nog vóör (!en tijd der Bostzegels.
Een Luisterend Oor.
181
Maar, als mijn dikke brieventasch 1 'k Bracht licht, zoo ik er wijsbij stond, Een gaarbak vol van wijsheid was, I Te paard mijn brieven rond.
1858.
Een Luisterend Oor.
|
Toen 'k nog een kleine kleuter was, En vroeg in mijn abéboek las, Of, als de schoolbank mij mishaagde, De meisjes en den meester plaagde, Toen deelde ik meestal zoet en zuur, In de eerste plaats met betje-buur: We vingen met elkaar kapellen, En liepen samen door de kou; Zij schafte mij mijn vliegertouw, Voor betje kaapte ik mirabellen, En wie iets zocht met betje-buur, Betaalde aan mij die domheid duur. Maar toen 't abéboek was versleten En ik kwajongens-streken dee. Werd mij het wambuis aangemeten En ik moest op de zalmschuit meê. Ik moest de netten uitgaan leggen. En werd mijns vaders tochtgenoot. En 'k leerde wat het was te zeggen: Als de oude sprak van ,'t stukje (brood.quot; Dat duurde zoo wat zeven jaren. Ik werd een slungel, stom en stijf, 'k Liet betje-buur uit blooheid varen; 'k Had geen courage meer in 't lijf. Ik was op weg een ploert te worden. Maar 'tkalfsvel riep, ik moest er aan; De loting kwam; schoon de oudjes (morden, 't Soldatenpak heeft goed gedaan. Ik werd gedrild, kreeg kloeke leden, 'k Ben in den dienst een kop gebroeid ; En, was ik wel eens ontevreden. Het doode hout werd weggesnoeid; 'k Zag nieuwe menschen, nieuwe (zaken, |
De bolster raakte er wel wat af, 'k Stond niet meer met beschaamde (kaken. Als soms een liefje me oogjes gaf. 'k Werd moediger, maar niet bedor- (ven, 'k Vergat mijn moeders lessen niet; 't Kwaad heeft het goede niet verkor- (ven Bij wat ik deed en wat ik liet. Mijn diensttijd duurde vijftien inaan- (den. Ik kwam naar huis, de buurt liep (uit, 'k Was niet zoo'n Bram als velen ('t waanden, Al noemden enklen mij een guit; Ik zag mij weer bij de oude vrinden En drukte hun de hand met vuur ; Maar wie ik zocht en niet kon vinden, Was de oudste kennis â betje-(buur. Hè, 'k mocht mijn oogen nauw ge-(looven. Toen 'k eindelijk haar had bespied Wat was zij schoon! mijn hart kwam (boven En oude liefde roest toch niet! Ik sprak haar aan met zoete woorden, 'k Zag om, of ons geen buren stoorden; Maar in dat eigen oogenblik Was zij op eens mijn zij ontweken; Is 't waar, dat somtijds de oogen (spreken, Dan sprak zij met een schuch-(tren blik. |
Een luisterend oor.
182
|
Toch had die blik mij niet verslagen, Al raakte in ietwat van de wijs; Ik liet me niet zoo gauw verjagen Na 't kijkjen in mijn paradijs; Ik zorgde wel haar weer te ontmoeten En sprak haar nogmaals vriend-(lijk aan; Dorst zij al niet terug te groeten, 'kWas toch een stap vooruitgegaan, 't Is waar, 'k vernam noch taal (noch teeken. Schoon onbespied in veld en bosch; Maar 'k dacht, mag ze al geen woor-(den spreken â Ze spreekt toch door een lieven (blos. Ik voelde al meer mijn onrust stijgen: Het was me een zonderling gevoel, 'k Zei, toen ik haar die kleur zag (krijgen: Ze houdt zich voor de leus maar (koel. Het spreekwoord zegt, wat kleur wij (dragen: Dat hij, die aanhoudt eenmaal wint. En dat ik volhield, vat een kind. Ik ben niet uit het veld geslagen Dat zit nu eenmaal mij in 't bloed. De tegenwind verhoogt mijn moed. Dat toonde ik vroeg al onder 't varen, En 't liefje zou het ook ontwaren; Haar volgde ik altoos op den voet, Hoe scherp de buren er naar keken. En kreeg ik haar nog niet tot spreken. Toch sprak ze tot mij door een ( groet. Wat ik al dacht, zal'k niet vertellen. Maar toch â die groet, ik zeg 't (ronduit â Ik kon 't niet harden op de schuit: Kwam jaloezie te met mij kwellen? quot;k Zwierf dan in d' omtrek van (haar kluis |
En 'k zocht haar op langs veld en (wegen. En, had ik haar in 't oog gekregen. Dan hield geen schepsel mij in huis. Al was mijn rustuur lang verstreken; Maar, sprong ik laag, of sprong (ik hoog â Ik kreeg de slimmerd niet tot spreken: Ze sprak slechts door een vriend-(lijk oog. Heusch, 't is bekend van de oudste (tijden Dat 's menschen oog best spreken (kan, En ik, ik wil het wel belijden: Ik heb er de ondervinding van. Want toen ik haar deez' morgen (snapte Eu haar eens goed zei waar 'top (stond. Toen keek ze schuchter naar den (grond. Terwijl ik 't blosje weer betrapte. En daarna hief ze eindlijk 't oog Zoo wat te mij waarts naar omhoog. En 'k zou een rechte domoor wezen, Hoe zedig ook haar houding zij, Als 'k uit dat oog niet wist te lezen Hoe thans de zaken staan voor mij. 'k Zag nooit zoo lang haar d' arbeid (staken, 't Was of 't gesprek haar welkom (was. En om van mijn zij spoed te maken, Dat kwam niet in mijn kraam (te pas; En 'â bracht ik haar nog niet tot (spreken. Ze was voor mij geheel gehoor; Tot ruim een uurtje was verstreken Schonk zij me thans een luistrend oor. Wat kan ik hier nu uit besluiten7 |
Geldersch.
183
|
Voorwaar, ik moet mijn hoop eens (uiten, Mijn zaak staat ongetwijfeld goed; Een blik, een blos, een gulle groet, 'tWerd door een vriendlijk oog ver-(vangen. En nu zij met een luistrend oor Reeds aan mijn lippen heeft gehangen. Nu staat er dam noch dijk meer (voor; Nu laat ik leder graag het zijne. |
Wordt BETju-buur maar eerst de (mijne; Aan haar wijil ik mijn lust en (kracht, En 'k weet wat me in de toekomst (wacht. Al kreeg ik haar nog niet tot spre-(ken â Mijn liefde is hoop, mijn hoop (geloof; 'kWed; eer Augustus is verstreken. Dan praat ze mij nog de ooren dool'. 1859. |
Geldersch.
|
In bezit of toebedeeling Vleit een gunstig epitheet. Als een krachtige aanbeveling Voor hetgeen men Geldersch heet. Ligt er thuis een haas te zuren; Heeft men een gezonde min Of een keukenmeid te huren, Geldersch houdt iets deeglijks in. Lokt de zomer tot genieten. Geeft daarbij de beurs vrij spel, Als men 't buitenland laat schieten. Smaakt ook't Geldersch reisje wel. Spreekt men van natuurtooneelen. Van rivier en berg en dal. Stof voor schilders kunsttafreelen : 't Geldersch landschap geeft het al. Doet het ooft ons watertanden. Lokt de kers door smaak en schoon. Wat men teelt in lager landen â 't Geldersch houdt den boventoon. Tal van nijverheidsproducten, Steenen, worst, tabak, papier |
Vinden in de handelsdrukten Voor hun Geldersch merk kwartier. Schoon de poespas soms voor spijs Of voor gastronoom genot, (geldt Wie gezondheid op haar prijs stelt. Roemt de Geldersche etenspot. Iets Germaansch in Neerlands tonen. Dat het oor bevallig trekt, Spreekt u toe van Gelders zonen Uit hun Geldersch dialect. Doch waar hoogere waardij vleit, 't Is in 't Geldersch gul naïef, In de Geldersche gastvrijheid, In het Geldersch positief. Noch uitsluitend, noch bekrompen. Door gewestlijk zuur bezwaard, Blijf vast onder pels of lompen Geldersche openheid bewaard. Werd het voor ons welzijn anders, Zien we op 't punt van 't exclusief In elkaar slechts Nederlanders â Immer blijft mij 't Geldersch lief, 1831. |
i«4 Mietje op Typoyraphitch terrein.
Mietje op Typographisch Terrein.
|
Die druliker is me wel wat druk En spreekt erg naar de letter, Kn ik sta drommels op mijn stuk â Dat weet vooral die zetter. De drukker is mijn broeders vriend. En gaat met hom biljarten â Ik weet niet of't mijn broeder dient, Ja, 't kan mij somtijds smarten. De drukker spreekt veel over mij â Dat kon ik dikwijls merken: Hij klouwt mijn broeder druk op zij, Om zóó op mij te werken. Dat doet me toch die zetter nooit! Kwam hij bij ons belanden. En â werd een balletje opgegooid, 'tWas niet door and re handen. Ik vind niet kwaad als zulk een plooi Zich in 't karakter vestte; Ik zeg, de spreuk is waar en mooi: âDe rechte weg â de beste.quot; Dat drukkersvak, is mij gezegd, Eischt smaak en vlugge knoken; Mijn broer zegt vaak: een letterknecht Komt eens nog bij mij spoken. Maar och, die jongen lijkt wel mal. Ik houd niet van zoo'n praatje. En, of ik 't zeg of zwijgen zal â Juk voegt niet in mijn straatje. |
Maar als 't nu toch eens lieuzig was ' Hoe ik mij wel zcu houên! Maar moeder zegt: het heeft geen pas, liet manvolk te vertrouwen. Ik hoop dus, dat mijn broer maar (zwijgt Van 't moois van al zijn vrinden; Wie naar den rechten josef tijgt. Zal hem te met wel vinden. 'k Hoor dus maar leuk zijn praatjes (aan, Al noemt hij 't meisjes-nukken. Ik hoef niet aan de pers te staan. En laat de drukkers drukken. 't Is waar, ik ben naar't Kopperfeest Een weinigje nieuwsgierig; Ik ben er 't vorig jaar geweest, En vond het heel plezierig. Ja, als ik 't ambacht wel bezie. Dan is het niet onaardig, 't Geeft knappe jongens, vol genie, Van hoofd en handen vaardig. Dus klampt mijn broer mij straks (weer aan Als Kopperfeest-trompetter â Dan rnag hij met zijn drukker gaan, Ik houd mij aan den zetter. 1857. |
Ud den Manufacluurwinhel.
485
Uit den manufactuurwinkel.
|
Pak uit, pak in; pak in, pak uit, Van winkelkast naar vensterruit; Chassez-croisez, klimop, draai neer; In 't half kwartier soms honderd keer. Zet voor de lui een lief gezicht; Leg alle waar i« gunstig licht; Breng de oudt idusjes aan den man; Denk: welke kleur verschieten kan; Buig, wat gezien is, daadlijk op; Zet nooit de doozen op den kop; Laat goede sier niet achterstaan; Goed voordoen trekt de koopers aan. Dat is artikel een der wet; Draag zelf een stil, voldoend toilet; Bied bij de keus een goeden raad. Zoodat patroon er wel bij staat. Zorg, dat bij 't reeknen uit het hoofd Niets afleidt of uw aandacht rooft. Pak uit, pak in; pak in, pak uit. Van winkelkast naar vensterruit; 't Is al geschuifel en gedraai; Gevraag naar neteldoek en baai, Barége, laken, kant, batist. Zij, mouseline, watertwist, Moiree, katoen en paramat' Oe een vraagt je dit, en de ander dat, Oeez' dame blikt voornaam in 't rond. En zegt, dat zij haar keus niet vond; Die koopt voor heel 't gezin in cluis, Tot vreugde van den pipa thuis; Hier haalt er een den winkel om En vindt wat recht is scheef en krom; Daar vraagt er een op rekening En denkt:krediet! â een heerlijk ding! 't Is roepen hier en rammlen daar; âJuffrouw Marianne, ben je klaar? âOch help dat meisje eens op dat (staal 1 â âHoe dame, vindt u deze shawl? â «Gauw, krijg dat grauwe pak eens, (jan! â âHier rijn de robes a volants, |
âMaria Stuarts hangen daar â âJa, dat glacee is extra zwaar â âDie zwarte kant___een el of tien 'l â âJullrouw, 'k wou die dwarse streepjes zien! â âMaar vindt u dit patroon niet vlug?â âMijnheer Louis, tien cents terug! âDezomermantels? ginds,mevrouw! âHier, juffrouw mien, de klos met (touw, â âWat kost fluweel van letter F ? âDaar in 't kantoortje zit de chef. â âGezondheidswatten? â hier, lief (kind! âHeel warm van daag, maar nogal (wind; âMijnheer, de wissel van Lyon! âNeem je ook een Russischen coupon l âGarneersels ! daar, aan de overzij; âMe dunkt: dat lint kan best er bij!â âVraag, of ik de el eens hebben mag; âJa, vrouwtje, morgen lappendag; âHandschoenen voor een koopje? (Neen, âIk ben door mijn gevlekten heen! âWat? uitstel aan dien kalen Brest? âZeg aan je heer: van daag protest! âJa crinolines â kust en keur, âHoe vindt u die daar, vóór de deur? âHet compliment van freule gal ; âOf men met mouwen komen zal I â âCeciel, geeft 't agrement eens aan, âDat mensch heeft ai zoo lang gestaan. âTwaalf el flanel voor dokter pil, âEn of men 't maar noteeren wil! âHalf vijf! zie zoo, het dunt wat op! âWat heeft mijnheer franqois een (kop! Is jullrouw li et j E op 't magazijn ? â âDaar jan, een vol stuk blauw satijnâ âSüSEI, och, neem het stof wat af: âHè, wal liet weer een drnkle c.-, 1 |
Sladsnieuws.
180
|
Mijnheer heeft ook nog al gebromd! â'k Hoordater weinig binnenkomt.â Haast Zondag 1 was die tijd er al! â âConstance gaat naar 't buitenbal ; âJa, vijf el is er afgescheurd; â â 'k Ga eten: â 'k heb de late beurt.quot; Pak in, pak uit; pak uit, pak in, Na ieder eind een nieuw begin, Veel stof, veel woeling, veel gedraai, .De een vindt het vroolijk, de ander (saai; |
Een voorraadschuur voor oogenlust, Een strafkolonie zonder rust; Een lichte en ook een donkre kant â En wie er soms zijn vlag op plant, 't Geldt hem of haar, die heerscht of (dient: Men houd' zich met zijn lot bevriend, En welk een wsnsch ook 't hart ver-(vult â Men bid' vooral om veel geduld. 1857. |
Stadsnieuws.
|
â âWel hes* sprak bouwman japik, âWel wijf, kom jij van stee? â'k Wed om een zak met klontjes: âJe brengt een nieuwtje meelquot; En 't knokkig oudje grijnsde. Ze luikte 't linkeroog: Zoo waar, ze wist een nieuwtje. En 't lag haar bijster hoog! â âJe kentquot;, sprak hes, âden dokter âMet zijn verliefd gestel, âDie met de meisjes speelde âAls ware 't kinderspel? âWant de een was hem te vriendlijk, âEn de andre was te norsch, âEen derde was te spichtig, âEen vierde was te forsch. â âJe kent ook freule rimpel, âZoo zacht en blank als ik, âUie op heur deur kon schrijven: âHier woont de kinderschrikI âZe draaide van den vloer af, âDe dokter werd gehaald, âEn de arme zieke dame âRaakte in d' apteek verdwaald; ,'t Gaf pleisters, poeiers, pillen, âEn Heintje pik kwam scheep; ,T)e wereld profeteerde: BDe freule gaat om zeep. |
âDe dokter, die verlegen âAan 't zeurig ziekbed zat, âVroeg aan de kranke dame âOf ze op het hart iets had?quot; ââJaquot;,quot; sprak ze afgebroken, â,'k Draag een geheim met mij, ââO, mag 'k me aan u ontlasten ?quot;quot; En 't antwoord was: â âspreek vrij!quot;quot; ââ'k Hadquot;quot;, zei ze, ââals andre (vrouwen ââEen vrouwelijk gemoed, ââÃn 'k smaakte van het leven ââZoo weinig 's levenszoetl ,âIk had een stille liefde, ââ'k Versmoorde die â maar... nu!.. ââVoor 'k heenga, wil ik me uiten, ââDie stille min â gold____u!quot;quot; âDe dokter kreeg een hoestbui, âEn beet zich op de lip âEn lachte wel inwendig, âMaar keek naar 't bed heel sip; âEn 't was of daar een denkbeeld âHem door de hersens kroop, âEn of hij dacht, wat schaadt het âOf ik wat kool verkoop? ââAch,quot;quot; sprak hij, ââlieve freule!quot;quot; âEn doffer werd zijn stem,quot; ââHeml 'k had hef moeten weten IJ |
De Scheveningsche Vischvi-ouiv.
187
|
ââIk min â ook n! â hem,hem!quot;quot; â.Hij zag een blikken trommel, âEn weende desperaat. ââHem!quot;quot; fluisterde de dokter, ââIs alles nu te laat?quot;quot; ââNeenquot;quot;, riep de zieke freule, ââTe laat voor mij'? o neen! ââEén uur met u verbonden â ââEn 'k ga tevreden heenlquot;quot; âEn 't huwlijk werd gesloten âMet overhaasten spoed, âEn de onde zieke juffer âKreeg kalmte in 't ziek gemoed. â âEn ging toen rustig slapen,quot; Vroeg JAPIK, âin het graf?quot; â âNeen kerel, misgeraden, âZoo liep de grap niet af,quot; Vervolgde hes, âdat stootje âBracht haar weer op de been. |
âEn de eene kwaal naar de andre âVloog als de wind weer heen!quot; â âNou, die is beetgenomen!quot; Sprak japik, âwel verdraaid, âMaar heeft de blikken trommel âDen dokter wat gepaaid?quot; â âHet mocht wat!quot; riep het oudje, âWant wat hij neuzen mocht, âWel vond hij rekeningen, âMaar niets van wat hij zocht! â âDat gaat hem als mijn Roodbont,quot; Sprak lachende de boer, âDie lekkerbek trok altoos âDen neus op voor het voer. âJa zelfs mijn beste klaver âVond Roodbont nog te laf, âEn zoekend, werd de meststaal Den kieskauw tot een graf.quot; 1857- |
De Scheveningsche Yischvroirw.
|
Koop schol, krimp tarbot, schol! Ocli rijke steelui, wist ge wel Wat zware vracht ik heb te dragen, (Je zoudt me niet zoo norsch verjagen, Wanneer ik aan uw woning schel. En voor mij n waar uw bod kom vragen; Mijn mand, maar ook mijn hart is (vol; â Krimp schol, koop tarbot, schol! O, wist ge ook hoe'k naar huis be-(geer â Ge leende 't oor aan de arme slover; 'k Steun wel op Onzen Lieven Heer, Maar 'k liet thuis zeven kindren over; Me TRUN telt even dertien jaar, 7.e is 't moedertje vanaldejongren; Ze zorgt er voor of ik het waar'. Maar, als de troep begint te hongren, Dan heeft de meid de handen vol; Krimp schol, koop tarbot, schol! |
Floor ging van morgen weer naar (zee; Te met gaat de oudste jongen mee. 't Is hard, al wil ik wel bekennen: Een mensch moet aan zijn lot zich (wennen; Ons lot is komen en weer gaan. Maar liep ik van mijn jonge jaren Bij 't visschersleven af en aan, â Ach, wie mij ziet, zal wel ontwaren Hoe rood somtijds mijn oogen staan, Al hield ik lang mijn strakheid vol; Krimp schol, koop tarbot, schol! Floc-r spreekt mij altijd moed in ('t lijf; Nog jistren was het: âklaag niet, (wijf! Hoe menig voorbeeld heb je er van Dat God je aan wal ook vinden kan.quot; Maalais dedood vaart langs de kusten^ |
De Scheueningsche Vischurouw.
188
|
Aan 'thart zijn liefste panden vraagt, En als je broers en vaders rusten In 't bed, dat menig zeeman draagt, -Dan komt bij 't hopen wel eens 't (vreezen, En bid ik, eer ik zelf het weel: âO God, spaar mij voor 't weeüwen-(kleed En maak mijn kindren niet tot weezen! Maar, of al de angst het hart beknelt, Je dagen zijn omhoog geteld, En arm en rijk betaalt den tol; â Krimp schol, koop tarbot, schol! Ik zie al uit naar Zaterdag, Dan zoen ik floor weergoeien-dag. En maken we ons voor Zondag ree, Om, bij het woord van Dominé Den Heere lof en dank te zingen Voor al zijn dierbre zegeningen. Zoo'n Zondaggeeft een heerlijk feest! Is 't weekloon niet te schraal ge-(weest. Dan is de honger wel te stillen.... O, hoe 'k zoo'n dag zon rekken willen. Als floor, bij wijlen wel wat woest. Met al de jongens ropromoo^t, En ik â alsof we ons reeders waan-(den â En ik dan voor mijn kleinen koos. Een dikzak van pas zeven maanden, Een liedje zing uit de oude doos! 't Schaap â hoe hij 't nu wel (maken zou? Hoe hij naar 't klokje zal verlangen! De pappot moet me alweer vervangen. En trun â 't is waa-, verzorgt (hem trm»-! Mijn zuiglam â 't is een lekkre (kno)' Krimp schol, koop tarbot, schol! 't Is alles wel, maar o, die tijd, Pat floor ter haringmoet gaanvaren! Zes weken uit! het lijkt me jaren, |
Dan ben 'k mijn man en weekloon kwijt. Hij heeft het goed aan d' overkant; Maar ik moet al die weken borgen. Of breng mijn Zondagsgoed te pand ; Voor huur en bakker moet je zorgen; Al geeft het geen gekookten pot, 't Is toch een deun om rond te komen; Maar werd me al eens de moed be-(nomen, Toch kwam het er: vanwaar? â (weet Gou. Eén ding, ik moet het. altoos zeggen: De rijke lui â ze weten 't niet, Hoe de armoe hulp aan de armoe (biedt. Al moet je 't nog zoo overleggen. Je deelt, als 't moet, je laatste (brood; Een arme buur is rijk in nood. Al is zijn kerfstok nog zoo vol â Krimp schol, koop tarbot, schoi. Kom steeling! koop mijn zootje (vise- Bedenk, hoever mijn dagloop is En welk een vracht mijn hoofd moet (dragei Spreek, als gij op mijn koopwaar (biedt, Spreek niet te veel van overvragen, Want, hoe ge ook ons bedrijf beziet, Een rijk bestaan is 't zeker niet. Denk: als de barre winter prangt, En 't volk geen enke' vischje vang', Dat ge onze vracht jes niet kunt koopen, Wanneer bij 't rappe viijlbetoor. De toevlucht tot het nettenknoopon Alleen ons rest bij 't karig loon. En daarom voegt me thans geen (klager Nu 'k weer mijn vrachtjes aan mag (dra Eren. En daarom, 'k houd mijn bede vol: Koop schol, krimp tarbot, schol! 1857. |
Zomer-Zondagavond.
Zomer-Zondagavond.
aan het scheveninger strand.
189
|
De zomerzon daalt in het West En dooft in zee haar stralen: Wie gaat er mee naar 't Noorder-(strand Een avondkoeltje halen? Daar woelt een breede menschenkring Door 't vriendelijke Schevening; Men hoopt voor 't Badhuis zich bijeen En plaatst zich om 't muziekkorps (heen. Men ziet er 't zorgeloos gelaat Van dames en van heeren; Parijs voert hier zijn stalen aan In de uitgezochtste kleeren. Men zoekt een tochtvrij hoekje uit, Men lacht er vrij en praat er luid. En dringt zijn lang verbeide thee En pinkt eens jolig naar de zee. Een rapsodie in rang of stand, Elk onderscheid verbannen. Een table d'hóte, een groote stoet Van afgerichte Jannen; Een Duitsch gezin met kamenier. Modiste, staatsraad, officier, Coiffeur, apteker, advokaat, Geen die zijn buurman mijdt of (schaadt. |
De meeuw krast door een wals van (stradss, De zon gaat aarzlend onder, De dienstmeid dar telt langs het strand Met jager of dragonder; Men lacht en zingt en stoeit en plus, De conducteur van de omnibus Steekt zijn klaroen en geeft liet sein Tot d' aftocht van den laatsten trein. De troep trekt af bij luid rumoer Van roepers en trompetten, Eén chaos is 't van tilbury's Van drosky's en charretten; En hovgens' straatweg is belaan Met honderden, die stadwaarts gaan, En wie het Scheveninger strand Weer moed en lust heeft ingeplant. Wie 't zomerzondag avondfeest Aan 't zeedorp mag aanschouwen. Zegt licht: daar is geen krimp in 't (land; Wij kunnen 't zoo wel houën. Voorzeker ja, dat kunnen wij. Maar och, de vrede hoort er bij. Ueerscht elders oorlog, ziekte en (dood â Wij zitten hier in abram's schoot. 1855. |
De Prikkels van het Leven.
|
De mensch schept zich duizend (behoeften, Dat ligt in zijn werkzamen geest. Maar de een maakt hem schepper (en koning En de ander tot slaaf, ja tot beest. |
Behoefte aan volmaking veredelt, Behoefte aan ontwijding verneert; De een put hier zijn kracht uit (ontbering, Waar de ander bij weelde verteert. De rijkdom ligt niet in het âhebben.quot; |
Wee den Wolf in slecht Gerucht,
190
|
De schat schuilt soms diep in 't (gemoed; Ken vader van rijken en armen Biedt weldaad in zuur en in zoet. Hij legde in de vorming van 't (schepsel De zaden van geest en vernuft, Heur stengel vraagt strijden en (werken, Heur bloem groeit licht ijdel en wuft. Een zucht naar genot en genoegen â Aan wien is ze t' eenemaal vreemd ! Laas, dat men, om 't leven te grijpen, De dood vaak ten handvatsel neemt. Daar ligt op ons pad zoo veel edels, Dat ons naar iets hoogers verwijst; Gelukkig, wanneer daar van binnen Wee den Wolf i Ltjs.te moest de pot gaan koken, Want als hdibert trad in huis, Moest de hutspot staan te rooken, Of 't was met den baas niet pluis. Kees zou op de kleintjes passen. Onder 't moederlijk beding: Niet op 't korstje brood te vlassen â Teerkost voor haar zuigeling. Maar de jongen, wiens geweten Op het stuk van 't âmijn en dijn,quot; Onbekrompen kon geheeten â Waard een diplomaat te zijn; Maar de jongen stond te branden. Glurend met een loenzend oog. Waar het korstje zou belanden Als 't uit broertjes handen vloog! Want de slimmert had de ervaring. Dat van de onbekookte ziel, Rondom op de grondvergaring Dikwijls wat te vendien viel ; |
De prikkel van 't goede in ons rijst. Daar kruipt in ons hart ook een (wormpje, Dat, klein, zijn ontstaan noo verlaadt, Maar dat ongemoeid tot een slang (groeit. Die worm is de prikkel van 't kwaad. De prikkels van 't goede te kweeken. Dat vordert elk blijvend genot. De prikkels van 't kwade te dooden, Dat eischt ons bestaan en ons lot. Het goed brengt zijn eigen belooning. Het kwaad is zich zeiven ten straf: Wie strijdt voor het goede in het leven, Plant bloemen, die bloeien op 't graf. 1858. i slecht Gerucht. Kon hij 't helpen, dat het snapje Niet door broertjes keelgat ging. Maar de kip 't begeerde hapje Opving van den zuigeling'? Spijt â wie zou ze in kees ontkennen! Maar â was 't spijt uit medelij? Of was 't wrok, dat een der hennen Vlugger kaper was dan hij ? Arme knaap, jij moet het voelen, Dat verdenking schendt en schaadt! Moeders gram moest zich bekoelen Op jou hoofd en ruggegraat. Zeker waren 't harde tikken. Wangunst stak u in den krop; Voor den dief, die liep te bikken, Vingt gij thans de slagen op. Kees, jij bent een beeld des levens: Kwade naam â een wrange vrucht, Ongevraagd wordt ze u gegeven â Wee den wolf in slecht gerucht. â¢1857. |
Sybilla's Orakel.
Het Kaartspel in de Kroeg.
bij eene voorstelling van madoü.
|
De kaart maakt ijverzuchtig, De bierkan lokt en streelt, Maar de uren vlieden vluchtig, Die je in de kroeg verspeelt. Och boertje, laat je raden: Blijf liever bij je vee Dan onder kameraden Bij jas en écarté. De zegen komt van boven, Je weet het al te wel; Maar durf je thuis te loven Den zegen van het spel? Knap is het geld te garen â Waar 't zweet aan kleven mag. SyMla'i bijschrift voor een plaatje het verblijf van e Haar levensloop is haar voorspeld â Slgnora pomarilla. Ze dankt een opgeklaard verschiet 't Orakel van svbilla. Ze weet, dat ze op hel, bal zal staan Naast signer polkinato ; Ze rekent op een erfenis, Geheel ab intestato. Haar toeft eens op het Lac Mineur Een trouwelooze ontmoeting, Maar nieuwe liefde brengt heur hart Verzachting en verzoeting. Een zwarte dame wordt haar valsch, Een blonde heer haar wreker, Een rouwbrief zal ze weldra zien â De dag is nog onzeker. Don sabros duelleert om haar Met signor pistoledi. Hoewel de wereld er van zegt: |
Maar knapper nog te sparen â Eens komt je kwade dag; En, zoek je warm en wakker Een spaarpot voor je winst â Zoek dien op deel of akker. Ter kroeg het allerminst. Zie, 't Vosje hangt er buiten, En menig vossenblik Loert binnen op je duiten, En lokt jou in den strik. En, geef je mijn bewering Bij beter inzicht toe. Dan vind je ook raad en leering In 't prentje van hadou. 18S7. i Orakel. in de aurora, voorstellende ene waarzegster. Ze speelden maar comedie. Op 't carneval aan 't hof wordt zij Dit jaar de prima donna; Zal ze een witte dame zien Bij 't klooster del Coronna. Een blinkend kleinood, waar ze aan (hecht. Zal ze in 'tgedrang verliezen; Een blauwoog volgt haar gangen na. Een zwartoog zal ze kiezen. Sybilla, die door 't kaartenblad Heur vreezen voedt en hopen, Legt uit het hokus pokus spel Haar lot en toekomst open. Maar ééne zaak, 't verwed mijn hooftl. Verzweeg zij der signora; 't Was dat ze in plaat verschijnen zo:i In krdseman's Auror% 1836. |
Zomergenot en Almanakken-koorts.
Zomergenot en Almanakken-Koorts.
AAN MIJN VRIEND S. J. VAN DEN BERGH, DEN REDACTEUR DER âAURORA,quot; NA ZIJN UITSTAPJE NAAR ENGELAND EN SCHOTLAND.
192
|
Kleed vol geuren en vol kleuren, Balsemkruik voor long en lijf, Roepstem om het hoofd te beuren Boven huiszorg en bedrijf; Jaartij dat ons noodt; Kom buiten! Zamel van mijn overvloed, Hoor mijn zangers 't loflied uilen, Zoo weldadig en zoo zoetl Zomer, wie u kon genieten En uw wondren gadeslaan, Wie uw bronwel mild zag vlieten, Wie uw hallel mocht verstaan. Kan den zegen niet omvatten. Die er op zijn paden viel, Heelt geen woorden voor de schatten, Die hij opnam in zijn ziel. Zelfs de wrevel moet het staven. Die soms bij uw rijkdom mort, Hoe ge met millioenen gaven Dank en ondank overstort. Weelde, die een woord laat lezen Van een rijker erfenis, O, hoe schoon 't wel daar moet wezen, Waar geen wrok of wrevel is! Vriend, wél mocht ge u eens ont-(scheuren Aan uw onverpoosde taak. Om wat voedsel te gaan beuren Voor uw schoonheidszin en smaak. Hoordet gij de stem des Heeren Boven rots en waterval, Sprak ze u toe in Schotlandsmeeren, Blackgangschine of Arroquhars-dal !). Mij ook heeft de zomerweelde |
Hart en hoofd verfrischt, gevoed, 't Sijsje, dat zijn liedje kweelde, Bracht mij vaak zijn morgengroet; 'k Blikte rond in schoone dreven. Was 't wel Wight of Wallis niet, 'k Zag een vroolijk landlijk leven. Ruimen hemel, wijd verschiet. 'k Heb langs Rijswijks klaverweien Rondgedoold met vrouw en kroost, 'k Mocht me meer dan ooit vermeien, Waar 'k me jong reeds heb verpoosd. Onder popelen en linden Gaarden wij genot en lust, Of wij gingen 't plekje vinden Waar de ons lieve zanger rust. Spreidde ook onder Hooglands dennen U natuur meer pracht ten toon â 'k Weet: gij zult het niet miskennen, 't Needrig kleed van Hollands (schoon. Ieder plekje stemt tot loven ; Weide en akker, rots en dal Hebben 't eigen luchtruim boven, En Gods zon schijnt overal. Kan men 't niet verheven roemen â 't Uitzicht op den Delftschen vliet, Wie het plat of stijf mag noemen â Weissenbruch of Waldorp niet. 'k Heb er ook mijn best genoten, Riep de stad mij daaglijks: keer! Nooit heeft mij de tocht verdroten Met de jaagschuit heen en weer. 't Rundvee in de poldervlakte, 't Kleurenrijk op bloem en blad, 't Vischje dat de henglaar pakte. |
') Spreek uit: I'leckeugehijii eu Aikwuradul.
De Koopman in Speelgoed.
|
't Dreunen van het karnenvat. 't Praatje met de groenteboeren, 't Kijkje naar den duiventil â Alles kan tot weelde voeren, Als men het maar grijpen wil. Tollens liet ik tot mij spreken Door zijn âAvondwandeling;quot; Ach, wie kwam den draad verbreken Van mijn zoete mijmering? Briefjes waren 't van de vrinden, Redacteurs met drang en klacht; Zetten, drukken, vouwen, binden, âHollandquot; joept: âAuroraquot; wacht! ^ Die herinring, dat de rente Van den zomer rijden ging, Sloeg mijn dolce far niënte Met een vreemde huivering; 't Was de koorts der almanakken, 'tWas de plaag mij welbewust â 'k Borg in 't diepste van mijn zakken Al de stoorders van mijn rust. Was 't niet heusch â ik liet zeklagen, Niet tot leed van kind en vrouw, 'k Greep bij schoone najaarsdagen Nog den zomer bij den mouw; Kwamen nieuwe vleiers fleemen â Wie er ook iets vreemds in ziet â De Koopman Hij is de vriend van jonge springers, ïfij kent hun jaardaag op een prik, Hij 's glad van tong en dun van (vingers. Hij doet in klank en kleur en kwik. Hij weet mama perfect te raden En lacht heel witjes tot papa; Hij zal het kleine niet versmaden 'kZie: 'tis tijd om op te nemen. Tijd tot geven is 't nog niet. |
Daar kwaamt gij,en lang niet zwakker Dan als altijd, schudde ook nu Uw rappel den droomer wakker; âOp I Aurora noodt ook u!quot; Heerlijke Septemberdagen Boden nieuwe lentepracht. Wie kwam me uit den Eden jagen ? 't Was die dolle boekjesjacht. Redacteur, wie u ook vetert, Wie u zelfs vervelend vindt, Heusch! je bent nog niets verbeterd Door onze'Amsterdamschen vrind.3) 'k Stop je mond maar, wat beliefje, Rijdermeester van Auroor? Heb je zin soms in dit briefje: 'k Zal het u niet weigren, hoor ! Wist gij 't zóó nog te overleggen. Dat men d' afrit later nam, 'kZou er dolgraag bon op zeggen, Zoo 't uw pleegkind goed bekwam Als ge wist hoe 'tmij verveelde. Briefjes, prentjes en zoo voorts, Och, dood toch de zomerweelde Niet door de Almanakken-koorls! 1858. in Speelgoed. En vindt het groote wel daarna. Hij is zeer rijk in aardigheden, Eu geeft zijn mond een fijne plooi, Wie 't grofst bij hem hun geld besteden. Zijn ouders van het best allooi. Hij viert napoleons victorie. Voert Russen aan en slaat den Turk; |
1) Tgt;r hekendti Jaarhoekjes. 2) Zie iurom 'l' I,
13
Anno 17(JU en Zoo Veel.
194
|
Hij trekt uit Neurenberg zijn giorie, En grunnikt bij een poppenjurk. Hij aamt den geur van spanen doosjes, De stofkwast is met hem getrouwd, Hij wandelt tusschen gazen roosjes En heeft al menig stad gebouwd. Hij heeft de kermis laten dwalen, Dat staangeld neemt de room er van, Maar wie op Sinterklaas moog sma-(len, â Hem blijft hij een goedheiligman. Hij houdt geen grootboek, maar een (laatje. Hij stopt en stapelt onvermoeid. En komt er in zijn kast een gaatje. Het is weer daadlijk dicht gegroeid. Hij houdt niet veel van vreemd (spektakel, Zijn beurs praat mee bij't overleg. Hij knipoogt bij elk nieuw mirakel. En gaat heel needrig d' ouden weg. |
Hij laat geduldig met zich eoilen: Hij leeft om 't kind en wordt een (kind. Hij vent citroenen, maar ook knollen. Zijn spreuk is niet: die waagt die (wint. Hij kent de broosheid van het leven. Maar ook de broosheid van zijn (kraam; Die vlug zijn goed een nekslag geven, Zijn hem vóór alles aangenaam. Hij is de koning van zijn winkel. Hij telt de legers bij het gros. Hij watertandt bij elk gerinkel. En 't klatergoud vraagt hem een (blos. Hij laat een indruk na bij velen. Zijn oog blijft frisch, zijn rug wordt (krom, En, moet hij 't lot van allen deelen. Dan tuurt hij nog eens achterom. 1860. |
Anno 1700 en Zoo Veel.
|
Ze zalen vol en vetjes, Heel puntigjes en netjes, Twee rococo-portretjes. Een Prinsman en een Kees, Met blanke chemisetjes. Met Brusselsche manchetjes, Gepoederde toupetjes. Met stijve girouetjes En stijve préjugés. Hun geestje was aan 't dwalen: Bij honderd idealen En duizend weelde-stralen, Ging 't zonnetje reeds dalen, Der oude fermiteit; Ze staken hun metalen Door vader opgeleid, |
Niet meer in koffiebalen, Maar veilden integralen: Ze lieten de Oost verschalen En strooiden in hun palen Ze zijn ad patres heden. De rokjes zijn versneden. Het goudleer ligt vertreden. Maar 't geestje dwaalt nog om: Nog zoekt hij te overreden. En relt van zuivre zeden, In 't oude heiligdom; Maar wie zich wijdt aan 'theden-Hij zoek' zich in 't verleden Een spiegel voor zijn schreden; Doe wel en zie niet om. |
't Achtermuurije.
't Achtermuurtje.
bij eene schilderij van h. burgers.
195
|
Geertemie, je vader roemt-je, Roemt-je om vlugheid en verstand; Ieder kent-je en ieder noemt-je Moeders rappe rechterhand. Wasch-je, plas-je, stijf-je, wrijf-je â Alles doe-je gauw en goed ; Nette briefjes, 'k weet het, schrijf-je, Net â alsof 't de meester doet. Nette briefjes â maar, één woordje: Is het oefening of vermaak, Dat u schrijven doet, of spoort-je Soms iets anders tot die taak? Apropos, dat achtermuurtje Draagt aan de andre zij geen bus t Vangt daar een verscholen buurtje Soms uw briefjes in zijn muts? Is dat niet een wankel trapje. Waar je op d' emmer balanceert? Zou het angst zijn of een grapje Dat je aldus âcorrespondeert?quot; 'k Zie, naar boven reikt uw handje, 'k Merk, je bloost bij 't geen je doet; De Droom Klaret is rank en blank en fijn. Ze heeft tot oom een Kapucijn, Tot neef heeft zij een plaatsmajoor Tot buur een dikken huurkoetsier, Tot voogd een wachter bij het spoor, Tot vriend een grooten grenadier. Te nanoen, als de Vesper klinkt. Als 't zonnegoud in't Westen zinkt. Dan ijlt zij naar den waterput, En toeft er onder d' eikeboom, Die haar ten schaduw strekt en stut: Daar droomt klaret een zoeten (droom. |
Gauw stap-je op 't verheven standje. Gauw, âja wel, maar is het goed ? Vrees je, dat u 't burenkijkje. Dat u 't moederoog bespiedt? Wil-je wèl doen, dan ontwijk-je Goeden raad van vrienden niet. Waak toch voor 't arglistig hartje: Wat tersmuiks gaat, is niet recht; O beken het zelf, al tart-je De inspraak, die iets beters zegt. Geertemie, je vader roemt-je, Roemt-je om vlugheid en verstand, Ieder kent-je en ieder noemt-je: Moeders rappe rechterhand; Maar, zie toe dat nimmer 't smetje Kleve op naam of op fatsoen; Denk: dat soms één luchtig tredje U voor altijd kwaad kan doen. Zij het ook in 't ochtend uurtje, Dat je 't minste wordt verrast, Briefjes over 't achtermuurtje â 'k Weet niet of't wel meisjes past. 1860. van Klaret. Dan denkt zeaan oom den Kapucijn, En aan zijn statig kerklatijn, En aan zijn stool en kanten hemd En aan den wij-kwast en den ring, Die voor den heildag zijn bestemd Van menig jeugdig biechteling. Dan peinst ze hoe de plaatsmajoor. Haar van beur zusters uitverkoor â Ze was toen nog een kleine meid â En haar, kwam ze eenmaal tot den (trouw, Een bruidsgeschenk heeft toegezeidâ Of hij er nog aan denken zou? |
De Vos en de Bok.
I9Ã
|
Dan lacht zij om den huurkoetsier, Dien pochhans op zijn span van vier, Die met haar joolt en met haar gekt. Zijn mooiste koets haar aanbeval. Wanneer zij naar het raadhuis (trekt â Met een, dien hij niet noemen zal. Dan komt de wachter van het spoor ITaar als een goede raadsman voor. Als zich 't geval eens voor mocht doen, |
Waartoe ze dikwijls werd verzocht, Dat ze, als 't niet streed met heur fat-De residentie eens bezocht I (soen, Maar Kapucijn en plaatsmajoor, Koetsier en wachter van het spoor, 't Draait alles om één lichtpunt heen; Ontwaakt zij uit haar droomgezicht. Dan wordt het: nul ik houd er een. En wie die een is, vat gij licht. â 1860. |
De Yos en de Bok.
Een oud acteur, zeer rijk in avonturen,
Maar niet bedoeld van 't blinkend aardsche slijk,
Ontmoette op reis een koopman, ook vol vreemde kuren,
Ook schraal als hij, maar in vernuft wat minder rijk.
Eén trek riep voor elkaar de sympathie in 't leven;
Ze voelden vaak de tong aan 't droog verhemelt kleven ;
En voor hetgeen zij eischen mocht,
Werd soms met veel beleid naar middelen gezocht.
Op zeekren dag had onze acteur een machtige exitatie
Om eens splendied te gast te gaan.
Hij sprak zijn eigen beurs en die zijns buurmans aan.
Maar 't antwoord was vol dissonnanten en disgratie.
Geen nood, een harde tooneelist
Haalt dikwijls zijn fatsoen uit de oude kleerenkist.
âTrek aan,quot; sprak hij den vriend toe, âgij deez' ridderkleeren,
Mij voegt een needriger gewaad,
'k Zal als uw secretaris ligureeren;
Slechts opgepast, dat gij u niet verpraat.*
Dus uitgedost was 't gasthof dra gevonden:
De waard boog diep voor 't valsch galon.
De secretaris speelde dapper: âHeer Baron,quot;
Waardin en meid en knecht â 't was al vol reverentie,
Een ieder zwol de borst, vooral Zijn Excellentie.
Mon spreidde den sinjeurs een overheerlijk bed.
Het heele huis vloog op hun wenken.
Een keurig maal werd daaglijks opgezet,
En men vergat niet hun het fijnste merk te schenken.
Het was een leven vol van pracht en heerlijkheid,
De hospes proefde meê, zijn dochter werd gevleid,
fan Kloel:.
Het goed geloof was gul in 't borgen.
Maar toch, der klucht moest perk gezet,
En hoe zich uit den drang gered ?
De secretaris nam op zich er voor te zorgen-.
Daar sloeg hij zijn patroon een wandelritje voor:
Hij zou ter naaster stad een voertuig gaan bestellen.
Zijne Excellentie zat zijn knoopen eens te tellen
En leende zijn scribent daarop een gunstig oor.
Deez' toog op weg! om spoedig weer te keeren ?
Pardon, twee schurken zijn elkander zelden trouw:
De acteur ging aan don haal â de vrind mocht practiseeren
Hoe hij zich verder redden zou.
De man bleef voor 't gelag en moest het duur bekoopen. En hield tot souvenir een ouden staatsierok.
En vraagt men hier moraal ? Sla la fontaine eens open : De acteur was hier de Vos, de koopman was de Bok.
197
1860.
Jan Kloek.
|
Gezond van hoofd en goed van hart En handen om te werken, Gebruikten Jan zijn krachten wel En wist hij, dat zijn kloek gestel Geroemd werilt; bij de sterken. Hij was gezien, een gunstig lot Lag zichtbaar voor hem open. Hij was vernoegd bij plicht en taak. En wat hij wenschte kreeg hij vaak En gaf soms meer te hopen. Ach, heel die heilstaat is verwoest, Zijn toekomst is omsluierd. Zijn hoofd is dof, zijn hand is lam, Zijn hart is klein, zijn been is stram, Zijn tijd wordt doorgeluierd. |
Van waar die vreeslijke ommekeer? Een neiging werd geboren, Verleiding bood hem gloeiend gift, Uit valsche schaamte ontwaakte een Zijn leven ging verloren, (drift: Daar staat hij nu, ontvleescht, ontmijd, Ontweken door zijn vrinden, Ton spot en speelbal van de jeugd, Een schaduw van verwoeste vreugd, Een prooi van kwaadgezinden. O hellevuur, o duivelsbrood, Hoon aan den Grooten Gever, Wr.t hebt ge aan onzen Jan gedaan? De mensch is in het beest vergaan: Jan Kloek werd Jan Jenever. 1877. |
Mode.
|
Een fee, die opwelt uit den vloed Van wulpsche zotternijen, Een dwinglandes, die aan heur voet |
De wereld neer doet vlijen. Een zonderling vernuftig dier, Dat nooit zich zei ven rust geeft, |
Vrijheid,
|
Vorstin en tevens kamenier, Die in caprices lust heeft. Een plaaggeest en een vleieres, Met rozen op de wangen; Ben dartel ding â een oude bes, Al naar de bordjes hangen. Een pijnigster van lijf en lec-n. Een bron van vele kwalen, Een engel vol lieftallighe^n. Een zon met tal van stralen, (slag Een wicht, dan met den Fransohen Van 't oude nieuw kan maken ; Een geldwolvin, die 't wee en ach |
Door duizenden doet slaken. Een rapsodie van grol en gril. Die smaak en wansmaak duldde, Die slaven ketent aan heur wil En nijvre handen vulde. Een kind, dat slechts op 't morgen En 't gisteren belachte; (denkt Een gast, die moeder zorgen schenkt En vaders zucht verachtte. Maar â 't helpt wat of een oude pruik Zich zet om 'tding te veetren, Want och, ook ik loop in de fuik, â Kan ik den boêl verbeetren?! 1853. |
V r ij h e i d.
Een leus, die alles aangrijpt en bezielt. Een levensboom, waarvoor het menschdom knielt, Een ster, die voorlicht naar een heilig Oosten, Een wekstem om gebreidelden te troosten.
Een wapenschild voor leugen en bedrog,
Een krijgsbanier beklad met adderspog.
Een droom, die spreekt door valsche visioenen.
Een struik, die wel verbruint, maar niet kan groenen.
Een loflied op een serafijnen wijs,
Een leidsvrouw naar een geurig paradijs, Een tooverwoord, dat geestkracht doet ontwellen, Een morgenstraal, om 't volle licht te spellen.
Een lokaas, dat het zwak gemoed verleidt. Een woestaardskreet, die angst en wee verspreidt, Een schaterlach van listige sirenen, Een zwijmeldrank tot dooven en versteenen.
O vrijheid, mama, â dat ons laaft en voedt,' Wat klinkt gij schoon, wat is uw voorsmaak zoetl Helaas, is ooit een woord misbruikt in 't leven. Wie heeft als gij den teug van lief en leed geseven! -JS77.
Oom en cveef.
199
Oom en Neef.
|
Oom OT zat aan ziju pijpje Te lurken in een hoek; Neef nol koos 't avonduurtje En bracht Oom een bezoek. Ze zaten bij elkander; Neef scheen wel wat verward ; Oom vroeg zoo door deu dut heen: âNol, heb je ook iets op'thart'.'quot; Neef sciiepte toen wat adem Eu sprak: âje zegt het Oom, Ik wou uw raad eens vragen, Al doe ik dat met schroom. Het huis is mij zoo ledig En 't hart is mij zoo vol!quot; Oom ried: âwil 't huis dan vullen En 't hart ontlasten, NOL !quot; âJuist Oom, die raad is heerlijk En komt mij goed te sta; 'k Zie velen van mijn vrienden ïer zijde van een ga; En 'k meen ; 't geluk van 't leven Zit in de huwlijkstrouw! Oom zei: âNeef, zou je 't denken ? Wel, neem dan ook een vrouw.quot; âJa, Oom, dat 's mooi gesproken, Gij brengt mijn ziel in vuur! Maar 't huwlijk heeft ook lasten. En 't leven is zoo duur; En wie, als ik, veel zorgen Bij veel bezwaren ziet.....quot; Oom zuchtte: âja, die zorgen! Neen, jongen, doe het niet!quot; |
âMaar 't voorwerp van mijn liefde. Het meisje dat ik ken, Ik weet, dat ik mijn engel Niet onverschillig ben! Ach, wees niet wreed, die inspraak. Kan ik die smooren, zeg1?quot; âSta ik dan,quot; vroeg Oom nuchter, âJou voorwerp in den weg?quot; âGij gekscheert. Oom, ik raadpleeg Uw doorzicht en beleid; Ik schuw in zulke zaken Vooral lichtvaardigheid ; Ik vraag: ziet ge in mijn plannen Wellicht ook overmoed? Oom zei: âdie wil gaan trouwen. Moet weten wat hij doet!quot; âZij is van goeden huize. Zoo als mij is gemeld; Hare ouders, lieve menscheul Zijn zeer op mij gesteld; Zij is lieftallig, vroolijk. Heeft deugd, gevoel en eer.quot; Oom sprak: â't zijn kostbre zaken! Wel, man, wat wil je meer?quot; âHm, ja, één ding ontbreekt ons. Daar komt het slechts op aan: Oom!.... als Gij mij woudt helpen, Dan kocht ik me een bestaan. Slechts zeven duizend gulden En zie, ik ben gered.quot; Oom riep: âwaar is mijn slaapmuts? Nacht, Neef, ik ga naar bed!quot; 4861. |
Be Crisis onzer Dagen.
(een woord in 1859 en 1860.)
|
Een fonklend samenbroedsel Van vrijheid en van dwang. Bij zucht naar prikklend voedsel |
Het vuur van drift of drang. Veel hoofden vol confusie. Veel harten vol van spyt: |
Usvreugd.
200
|
Bij eeuwen-oude illusie Weer d' eeuweu-oude strijd, 't Gewicht der wetenschappen Door wonderen geleerd; Na politieke klappen, Fortuinen omgekeerd. Beschaving en verlichting Het wachtwoord van den dag; Maar kruitdamp uit verplichting En wierook op gezag. Verbond en vredeknoopen, Maar toch een oog in 't ziel, En voor getrokken loopen Een halve schatkist veil. Het woord van diplomaten Verkondigd wijd en zijd; De letter der traktaten â Een wisselbrief op tijd. Door hulp van reuzenkrachten Hervorming overal, Vereeuwde kroongeslachten Met éénen houw ten val. Vereeniging van landen; Bedrukten op hun bee Verlost uit pijn en banden. Soms door de keizerssnee. De broederhulp vol gratie Haar souvenir aanvaard. Do pil der annexatie â Een dienst is de andre waard. Het herfstbruin in de lenten, De spijzen peperduur; De woede in de elementen |
In menschdom en natuur. De strijdlust heet en heeter. De strijd zelf onbeslecht; Maar toch een zucht naar beter. Naar billijkheid en recht. Ziedaar bij pijn en plagen. Bij roem en roof en ramp. De crisis onzer dagen, De dure vrijheidskamp. Geen volksstem blijft er achter Bij juichtoon en geklag; 't Geeft allerwegen: wachter, Wat is er van den dag? En 't antwoord is; niet helder, De wolken zijn nog zwaar; 't Kwaad eischt nog zijn vergelder. De rust is nog niet daar. En, zal de tijd dra komen. Dat wolf en schaap gedwee Een toekomst zullen droomen Van onverstoorde vree? Eilaas, veel dient vervangen. Veel moet nog ingekort, En menig bord verhangen Eer alles beter wordt. W ij zullen 't niet beleven. Dat duizendjarig rijk; Wij maken de achterneven De baan slechts wat gelijk. Maar zal men eens gewagen Van omkeer en geweld. De crisis onzer dagen Blijft wis niet onvermeld. |
Usvreugd.
't Veld heeft zich onder zijn dekkleed geborgen;
Schoffel en spade â ze rusten in 't vet;
Vroeg duikt het daglicht en laat roept de morgen;
Leeg is de koepel, de koestal bezet.
Schuw biedt December zijn sombere dagen.
Kalm treedt de boer langs den veestapel heen; Leuk waagt de knecht het de meiden te plagen, 't Werk houdt het volk in de woning bijeen.
(jijsje de Bniggewaclilsler.
't Zonnetje straalt, want de wind schiet in 't oosten,
't Glas is gebloemd en de boomen zijn ruig, 't Us in de vaart zal de klagers wel troosten,
Scherp zijn de schaatsen en de ar is in 't tuig. Dunnere lucht dringt het kwik in zijn buisjen,
Vast wordt het weer en het ijs is geschoord.
Stil wordt de hoeve en het arbeiders-kluisjen â
Niets dat meer 't leven daar binnen bekoort.
t Spiegelijs opent aan ouden en jongen
Vrije genieting en vroolijk verkeer;
't Frissche gevoel stroomt door harten en longen
't Luchtbad brengt veerkracht en vroolijkheiri weer; Ja, wat sinds lang in 't gemoed was verborgen.
Komt licht bij sleevreugd op eens voor den dag. Soms draalt een durfniet van avond tot morgen.
Doch raakt op schaatsen heel oolijk op slag.
Arbeid en zorgen â een krachtig verpoozen,
Gloed, die verkwikt in het barre seizoen.
Strijd, die de kaken van vreugde doet blozen.
Zonder gevaar of gevolg te vermoên.
Kleurrijk tafreel onzer zeden en zinnen,
Haspel, die dikwerf een kluwen ontwart.
Wintert het buiten, het zomert naar binnen,
't IJs boeit de stroomen, maar opent het hart. 1801.
'iUl
Gijsje de BruggewacMster.
Een oogje wen! gewijd.
Sinds nam die stoomhistorie De boter van haar brood ;
Heur prachtwinst is verkruimeld,
En menig schipper dood.
Zo erfde jong al 't postje.
Toen vader daalde in 't graf; Ze zorgde voor haar moeder
En sloeg de vrijers af.
En toen hanr moeder 't aflei,
Was gijsje mooi halfweg. En kreeg ze nog eens aanzoek â
't Kwam niet in overleg, â'k Heb,quot; sprak ze, âjong van jaren De vuurtjes doorgestaan.
Daar staat ze krom van lenden,
Met bruin gerimpeld vel, Ze hikt bij ieder loopje,
Ze ziet en hoort nog wel. De vijf en tachtig streepjes.
Die 's levens kerfstok draagt. Ze hebben lang haar frischheid.
Haar bloeitijd weggevaagd. Maar, wat ze heeft behouden â
Dat is haar goed humeur; Zoo ook haar grootjes beugel â
Een stuk met groote keur; Zoo ook een taai geheugen
Van d'ouden, goeden tijd, ïoen haar door menig schipper
Een Rijtoèrtje.
202
|
'k Zal, nu ik van den tand raak, Geen malle streek begaan.quot; Zoo ging haar leven voorwaarts; De brug was haar tooneel. De schipperij haac wereld. De wachthut haar rondeel. Ze hengelt met haar mandje En, altoos weltemoe, En menig oude kennis Knikt GiJSJE goelijk toe; Ze zoekt haar toekomst boven, Wart heden door weleer, En legt bij 't âOnze Vaderquot; Een Rij herinnering uit Martien, ons kindermeisje. Zou met me uit wandlen gaan ; We liepen door het bosch heen En langs de hertenbaan. Daar reed een leeg charretje Met Jacob den koetsier; Ik knikte hem goên dag toe, Hij wenkte: kom eens hier! Hij vroeg me: âwil je rijden?quot; Ik knikte vroolijk : ja ! Klom een, twee, drie in 't rijtuig, Martien klom me achterna. Hij bood me zweep en leidsels, 't Was heerlijk om te zien; Ik voor, Martien zat achter. En Jacob naast Martien. Ik was koetsier ! hoe prettig ! Maar, 't viel niet bijster mee; Bruin wou niet uit den stap gaan. Wat moeite ik aan hem dee. Ik kreeg 't bevel van achter. Recht voor mij uit te zien; Nu was 't de stem van Jacob, Dan was 't die van Martien. Maar 't achterbankje kraakte, Ik keek eens om, vervaard. Doch Jacob zei: neen ventje, |
Zich 's avonds rustig neer. Al leek ze voor de menschen Bekrompen en verblind, Ze mocht het goede werken En bleef in 't kwade een kind. Ach, vijf en tachtig jaren Zijn als één enkle dag; Ontwaken, leven, sterven. Bij beurte traan en lach. Ja, menig bruggewachter, Die staat op gouden grond, Mocht willen, dat hij rustig In gtjsje's schoenen stond. 1861. toertje. de kinderjaren. Je let niet op je paard! Ik schrikte toen een weinig En zette me in postuur, Maar, 't achterbankje kraakte, Dat deed het op den duur. Ik vroeg rechtuitziend, âJacob! Is daar gevaar misschien?quot; Neen! riep hij luid, en 'k hoorde 't Geschater van Martien. Zie jij maar naar ons paardje, Rechtuit maar, houd goed vol ; Als Bruintje merkt dat je omziet, Dan slaat hij nog op hol. Op hol!! Ik was gehoorzaam, Wat zou ik anders doen? Daar hoorde ik onder 't kraken, Zoo iets, he!____van een zoen. Ik lachte, ik zat te schudden, Te draaien van pleizier, Maar Jacob riep: als je omkijkt Dan blijf je geen koetsier. Toch keek ik onder d' arm door. Dat had Martien ontwaard, Ze zei: 'k word bang in 't rijtuig. Hij ziet niet naar zijn paard. We stegen af en hadden De stad weer in 't gezicht, |
BarbiersrtUjmerinij.
203
|
tefartien las mij de les op: Ik hield thuis mondje dicht. Maar toen een jaartje later Ons meisje 't huis verliet, Was 't Jacob, die haar haalde, Den trouwdag in 't verschiet. Zoo klein als 'k was, zei 'k: Jacob, |
'k Begrijp er alles van. Maar als je nu gaat rijden,quot; Mag 'k weer koetsier zijn, mau? Martien, ze lachte jolig. Maar Jacob sprak bedaard: Och, praat niet, jonge heertje, | Jij let niet op je paard. |
Barbiersmij mering.
|
Mijn leven is een molen. En ik ben 't molenpaard. Mijn wapen is het scheermes, Mijn glorie is de baard, 't Is iedren dag het zelfde: Vroeg op is 't oud parool; Ik bak vaak zoete broodjes Eu ik verkoop veel kool. Ik kal met oude heeren En scherts met jonge lui; Ik critiseer de preeken En sla ook menig ui. Ik jaag op alle nieuwtjes En vent ze willig rond; 'k Ben rekbaar van conscientie En dapper met den mond. 'k Streel honderden van kinnen. Mijn mes is als een zij; k Zie honderden karakters Zich openen voor mij. Ik schik me naar de opinies En neem er 't mijne van, 'kBen ultra of gematigd: Ik ken zeer gauw mijn man. Ik weet van alle zaken Zoo wat het hoofdrefrein; 't Gemengde nieuws der kranten Verwerk ik in mijn brein. |
Ik spreek van Japaneezen, Van Holland op zijn smalst; Den paus en Garribaldi Vind ik om be^rte 't malst; 'k Eoem ieder Ministerie, Als 't op het kussen zit. 'k Herkauw het oude Zuurdeeg, En ben een Jan de Wit. Ik gruw van oude zondaars. Maar werk hen in de hand; 'k Ben zalvend en lankmoedig. En toch een stokebrand. 'k Rijt oude wondjes open En leg er pleisters op; Hier voel ik jicht en jammer. Daar dans ik mijn galop. Ik houd wel veel van schuimpjes En 'k viesneus van het schuim; 'k Zou graag het land regeeren, Maar 'k draai naar iedre luim. 't Vernuft heeft scherping noodig, Nog meer soms dan mijn mes; Ik hoor naar vele namen, Maar 't meeste naar Jan Kies. Ach, zeepen om de centen, Daar zit de heele kneep: Laat ik de klantjes zitten. Dan ga 'k voor goed om zeep. |
Voorwoordje bij den Vlaamschen A- en ïï-strijd in België.
De vergaderingen van het 7« Taalcongres te Brugge kenmerkten zich bijzonder door den strijd der Vlamingen, over de verlenging der a eau
Een Rijtoèrtje.
202
|
'k Zal, nu ik van den tand raak, Geen malle streek begaan.quot; Zoo ging haar leven voorwaarts; De brug was haar tooneel, De schipperij haac wereld. De wachthut haar rondeel. Ze hengelt met haar mandje En, altoos weltemoe, Eu menig oude kennis Knikt gusje goelijk toe; Ze zoekt haar toekomst boven, Wart heden door weleer. En legt bij 't âOnze Vaderquot; Een Rij HERINNEniNG dit Martien, ons kindermeisje, Zou met me uit wandlen gaan ; AVo! liepen door het bosch heen En langs de hertenbaan. Daar reed een leeg charretje Met Jacob den koetsier; Ik knikte hem goên dag toe, Hij wenkte; kom eens hier! Hij vroeg me: âwil je rijden ?quot; Ik knikte vroolijk: ja ! Klom een, twee, drie in 't rijtuig, Martien klom me achterna. Hij bood me zweep en leidsels, 't Was heerlijk om te zien; Ik voor, Martien zat achter. En Jacob naast Martien. Ik was koetsier! hoe prettig ! Maar, 't viel niet bijster mee; Bruin wou niet uit den stap gaan. Wat moeite ik aan hem dee. Ik kreeg 't bevel van achter. Recht voor mij uit te zien; Nu was 't de stem van Jacob, Dan was 't die van Martien. Maar 't achterbankje kraakte. Ik keek eens om, vervaard, Doch Jacob zei; neen ventje. |
Zich 's avonds rustig neer. Al leek ze voor de menschen Bekrompen en verblind, Ze mocht het goede werken En bleef in 't kwade een kind. Ach, vijf en tachtig jaren Zijn als één enkle dag; Ontwaken, leven, sterven. Bij beurte traan en lach. Ja, menig bruggewachter. Die staat op gouden grond, Mocht willen, dat hij rustig In gijsje's schoenen stond. 1861. toertj e. de kinderjaren. Je let niet op je paard! Ik schrikte toen een weinig En zette me in postuur. Maar, 't achterbankje kraakte, Dat deed het op den duur. Ik vroeg rechtuitziend, âJacob! Is daar gevaar misschien?quot; Neen! riep hij luid, en 'k hoorde 't Geschater van Martien. Zie jij maar naar ons paardje. Rechtuit maar, houd goed vol ; Als Bruintje merkt dat je omziet. Dan slaat hij nog op hol. Op hol!! Ik was gehoorzaam, Wat zou ik anders doen? Daar hoorde ik onder 't kraken, Zoo iets, he!.... van een zoen. Ik lachte, ik zat te schudden. Te draaien van pleizier, Maar Jacob riep: als je omkijkt Dan blijf je geen koetsier. Toch keek ik onder d' arm door, Dat had Martien ontwaard, Ze zei; 'k word bang in 't rijtuig. Hij ziet niet naar zijn paard. We stegen af en hadden De stad weer in 't gezicht, |
Barbiersmijmering.
203
|
Martien las mij de les op: Ik hield thuis mondje dicht. Maar toen een jaartje later Ons meisje 't huis verliet. Was 't Jacob, die haar haalde, Den trouwdag in 't verschiet. Zoo klein als 'k was, zei 'k; Jacob, |
'k Begrijp er alles van. Maar als je nu gaat rijden,quot; Mag 'k weer koetsier zijn, man? Martien, ze lachte jolig. Maar Jacob sprak bedaard: Och, praat niet, jonge heertje, Jij let niet op je paard. |
BarMer^mij mering.
|
Mijn leven is een molen, En ik ben 't moleupaard. Mijn wapen is het scheermes, Mijn glorie is de baard, 't Is iedren dag het zelfde : Vroeg op is 't oud parool; fk bak vaak zoete broodjes En ik verkoop veel kool. Ik kal met oude heeren En scherts met jonge lui; Ik critiseer de preeken En sla ook menig ui. Ik jaag op alle nieuwtjes En vent ze willig rond; 'k Ben rekbaar van conscientie En dapper met den mond. 'k Streel honderden van kinnen. Mijn mes is als een zij; k Zie honderden karakters Zich openen voor mij. Ik schik me naar de opinies En neem er 't mijne van, 'kBen ultra of gematigd: Ik ken zeer gauw mijn man. Ik weet van alle zaken Zoo wat het hoofdrefrein; 't Gemengde nieuws der kranten Verwerk ik in mijn brein. |
Ik spreek van Japaneezen, Van Holland op zijn smalst; Den paus en Garribaldi Vind ik om be^rte 't malst; 'k Koem ieder Ministerie, Als 't op het kussen zit. 'k Herkauw het oude Zuurdeeg, En ben een Jan de Wit. Ik gruw van oude zondaars, Maar werk hen in de hand; 'k Ben zalvend en lankmoedig. En toch een stokebrand. 'kRijt oude wondjes open En leg er pleisters op; Hier voel ik jicht en jammer. Daar dans ik mijn galop. Ik houd wel veel van schuimpjes En 'k viesneus van het schuim; 'k Zou graag het land regeeren. Maar 'k draai naar iedre luim. 't Vernuft heeft scherping noodig', Nog meer soms dan mijn mes; Ik hoor naar vele namen, Maar 't meeste naar Jan Kies. Ach, zeepen om de centen. Daar zit do heele kneep: Laat ik de klantjes zitten. Dan ga 'k voor goed om zeep. |
Voorwoordje bij den Vlaamschen A- en U-strijd in België.
De vergaderingen van het 7e Taalcongres te Brugge kenmerkten zich bijzonder door den strijd der Vlamingen, over de verlenging der et enu
De Vlaanische A- en o-sirijd in België.
met haar zelven, in plaats van de van ouds gebruikelijke e. Tegenover de hervormers stonden de behoudsmannen, die den ouden schrijfstijl om hare oudheid en om het meer bevallige taaleigen voorstonden. De mannen van den vooruitgang wenschten meerdere gelijkvormigheid in de schrijfwijze met de Noorderbroeders, om daardoor de eenheid van de taal te bevorderen. Zij beschuldigden hunne tegenstanders van bekrompenheid, in de vrees dat door die meerdere gelijkvormigheid meer hollandsche boeken en daardoor ook ongewenschte verlichting in België zouden worden binnengeloosd. Wij Hollanders hadden bij dien strijd een zeer lijdzame rol. De anders zoo goedhartige van Lennep had zelfs een oogenblik van ongeduld en wrevel, toen hij de strijders bedreigde met het verlaten der zaal door de Hollanders, indien men deze redetwisten niet staakte. Hierin werd hij echter door zijne landgenooten niet ondersteund. De beleefdheid vorderde, zoo niet belangstelling dan toch geduld. Wij bleven nog lang getuige van den gevoerden strijd, die, zoo als wel te denken was, onbeslist bleef. Nog na de zittingen bleven velen over de schrijfkwestie voortsoezen, en ook ik was een van de lijdelijkste onder de lijdelijken. Ik had echter een onrustigen nacht. Ik componeerde al droomende een Liedje van den a- en u-strijd, zoo wat op het metrum van het Duitsche Rijnlied. Ik heb het mij later zoo wat herinnerd en als volgt opgeschreven.
De Ylaamsclie A- en ïï-strijd in België.
BELHTZANG.
204
|
aeâue. Wij willen haer niet hebben, Die dubble u en a. Het vaen der liberalen. Wij loopen 't nog niet na. Ze schoppen met waenwijsheid Onze' ouden muer omver. Wij willen de e behouden, Onze e van eeuwen her. aaâuu. Wij willen haar niet dulden, Die oude malle sleur. Ze zitten maar te suffen. Bij lang vermolmde keur. Heeft dan 't gemengde huwlijk Niet lang genoeg bestaan ? |
Bij 't a en m verlengen, Zij a en u compaan. aeâue. Ze zullen ons niet krijgen Met al dat wuft geklap ; Wij schrappen niet zoo spoedig 't Verkregen burgerschap. Wij achten ze zoo fraei niet Die koppels twee aan twee, 'tStaet in ons oog veel losser Naest de o en u een e. aaâuu. Wij laten haar niet varen, De dubbele vokaal; Val om de laatste heining |
Zie toe.
205
|
Voor de eenheid van de taal. In 't strijdperk der congressen Slaan ze o, zoo'n mal figuur, Die oude tegenstanders Van de a en u doubluur. aeâue. Ze leutren maer van eenheid In 't vlaemsche taelkompas; 't Klinkt schoon, doch laes, wij (duchten Een addertje onder 't gras, We ontwaren door de reten Reeds 't koele Noorderlicht; Onze e symbool voorkome Verblinding van 't gezicht. aaâuu. Ze zullen 't werk niet smoren Zie 't Zijn nog steeds dezelfde klachten, Voorgeslacht en tijdgenoot Wei ken nog met de oude krachten: Sterken maken zwakken dood. Voor je naasten moet je leven, Is het hart maar goed geplaatst; Ja, zoo staat er wel geschreven. Maar je zeiven ben je 't naast. Eigen haard en eigenliefde Vragen zorg en overleg; Wat die levenseischen griefde, Moet, als steen des aanstoots, weg. De oude wet werd opgeheven, De oude vorm te niet gedaan â De oude zonden zijn gebleven: 't Eigen Ik staat boven aan. |
Van de algemeene taal: Het licht wordt niet weerhouden. Door 't dissonnant vokaal. Waar de e heur recht komt eischen, Zij blijve op haar terrein; Maar de a-taak wekt ons loflied En de u-kuur ons refrein. SLOTZANG VAN EEN GEMOEIJELIJKEN HOLLANDER. Och, mannen, staakt uw twisten, Wat wint ge met dien strijd? Laat al die zifterijen Maar over aan den tijd. Ziet ons â wij dubbelslikkers, AVij slikken zelfs ook de c, Maar 't liefst op 5 December 1) Des avonds na de thee. 1862. toe. Wee, waar d' argloosheid haar (schreden Niet bestuurde of nauw bedwong: Menig loop werd afgesneden Door een afgerichten sprong. Volken, vorsten, steden, staten Hebben al te vaak geleerd; Dat de list heel mooi kan praten En de hebzucht graag regeert. 't Recht moog trouw en eerbied (vragen. Maar houdt waakzaamheid geen (wacht, Och, het ligt zoo ras verslagen Door de sluwheid of de kracht, 't Oog moet over d' erfgrond wijden |
4) De avoml Tóór St. Nicolaaa, wauueer de lekkerbekken zich vergasten op lettera run banket.
Aan Bronbeek.
206
|
't Oude wachtwoord heeft nog vat, Heeft nog vat op onze tijden: 't Poesje rooft zoo licht je schat! Wie behoedzaam is wordt krachtig Voor gevaar of ongeval, |
Ieder zij den raad gedachtig. Groot en klei n â maar klein vooral; 't Is maar zaak om 't aan te stippen. Wat de wereld al weervoer; 's Is maar: boer pas op je kippen, Want de kat ligt op den loer. 1869. |
Aan Bronbeek.
|
Als de oude krijger, zwervensmoê, Zijn afscheidsgroet aan Java geeft. Waar hij, ter eer van vorst en land. Geleden en gestreden heeft; â Als hij dan, met zijn karig deel, Het oog wendt naar een rustig oord, Waar hem een vreedzaam plekje (toeft â Wie is er die zijn beê verhoort?.... Gij zijt het, Bronbeek, lieflijk dal, Dat uw herbergzaam dakhembiedt, |
Die ginds aan Insulindes strand Het beste deel zijns levens liet. O, blijf, gezegend vredesticht, Een heul voor hem die rust behoeft, Wien na een harden levensweg In 't Vaderland geen thuis meer (toeft. Verkwik hem in uw lustwarand Met teugen uit uw levensbron: Zoo vallen op de grijze kruin Nog stralen van Gods liefdezon. 1872. |
Wilhelmnslied.
|
(HET oude Wilhelmus van Nassouwen, Geteeld uit vorstlijk bloed, Was ik voor 's lands getrouwen Bezield met kracht en moed ; Wilde ik mijn eerwoord geven, En hield dat woord gestand, Eu wijdde ik lot en leven Aan 't lieve Vaderland. In voorspoed en ellende Stond ik den landzaat bij; Mij, die mijn roeping kende. Stond strijdend aan mijn zij. 't Was geen verraad aan Spanje, Ik gaf mijn Koning eer, Haar 't wachtwoord van Oranje Was: land en volk zijn meer. |
VERKORT.) Lang had het volk geleden. Het vond zijn recht verkracht. Zijn tranen en gebeden Met bittren hoon veracht; 't Zag trouw met krenking looncn En leed betaald met spot; Het zag zijne eelste zonen Ten kerker en schavot. Luid had de stem gesproken. Die riep om recht voor smaad. Maar 'tstaatsoog was geloken Voor 'tgodvergeten kwaad; Tirannen kwamen wreken. Wat lijdensmoed bestond; 'tVolk moest de boeien breken â Drenkte ook zijn bloed den grond |
Een Nieuw Wilhelmuslied.
101
|
En 'k heb mijn God gebeden Dat Hij mij leiden zou; Hij was mijn kracht, tot heden Onwankelbaar en trouw. Ik achtte boei noch banden, Mijn plicht heb ik verstaan : 'k Zou voor de Nederlanden Verwinnen of vergaan. Een Meuw Wilhelmus van Nassouwen! Eer, nageslacht, uw held, Die 'terf u deed behouên, Ontscheurd aan snood geweld; Al mocht hem 'tlood niet sparen, â De wraak der razernij â Na tachtig bange jaren Werd Nederland toch vrij. In moed, beleid, vertrouwen Ging hij den landzaat voor: In Willem van Nassouwen Vond heldenmoed het spoor. Werd boei en band versmeten En hield de zielsbeê aan: Door vrijheid van geweten. Naar vrijheid van bestaan! I^ang duurde 't wichtig tijden. Mild stroomde 't edelst bloed. Maar 't volk zag beetre tijden In deugd en stervensmoed; Het heeft den strijd gestreden Met list en tirannij. Maar wat het heeft geleden. Oranje stond het bij. |
Maar â werd nog zwaarder lijden Den landzaat opgelegd, Ik hoopte op beter tijden. Door God ons toegezegd. De vrijheid van geweten. Het volk in 'thart geplant, Ze breekt den slavenketen Van 't zuchtend Vaderland. taat land en lijf gewagen Van kommer en van leed. De boom zou vruchen dragen, Die 't nakroost nooit vergeet. Zij mogen 't eenmaal loven Wat voor hen is gedaan. Die in 't âOranje Bovenquot; Hun dankbeê doen verstaan. Eens zouden zij 't ervaren Wat offers zijn gebracht. Wie eens de mannen waren Van 't moedig voorgeslacht. Die bij 't Wilhelmus zingen Ten doodstrijd zijn gegaan. Om wreedheid te bedwingen En onrecht te weerstaan. Maar, wat het nakroost beide Door nevel of verschiet, 't Vergeet, wat stroom hem leide, 't Vergeet zijn Zwijger niet; Zijn voorbeeld en zijn streven Zijn diep in 't hart geplant: In God gewijd zij 't leven Voor 't lieve vaderland. Maart 1872. |
Voorwoordje bij de Costerliedjes.
Hebt ge, waarde lezer, te Haarlem het driedaagsche onthullingsfeest van en voor en om het Costerbeeld mee helpen vieren ? dan hebt gij zeker verschillende ervaringen gehad, waarbij genot en teleurstelling uwe
Voorwoordje.
goed- of afkeurende stem, naar gelang van uw smaak en zienswijze, hebben geformuleerd, 't Zij ge u vermeid hebt bij de liefelijke watermuziek, 't zij ge uw feestkleed hebt kunnen uitwringen bij den huldegroet in den Hout; 't zy uw oog zich bij de tentoonstelling heeft verlustigd in de opmerkelijke Costeriana en den voortgang der typographie; 't zij gij mede gejammerd hebt onder de hongerende ronddolers, die, zelfs voor geld en goede woorden, tevergeefs zochten naar spijs en onderkomen ; 't zij gij opgetogen waart bij de bloemen en gewassen, uit Haarlems milde tuinen bijeengebracht; 't zij ge u boos hebt gemaakt om den al te zwakken bouw der tribunes bij 't vuurwerk; gij zult erkennen, dat het feest iets eigenaardigs had, waardoor het in veler gedachten, tant bien que mal, zal blijven voortleven.
Een gedenkboek is aangekondigd ') en zal voor hen, die belang stellen in het eigenlijke feit der oprichting en onthulling van het standbeeld, zoo wij hopen, een welkom en leerzaam souvenir zijn aan het gebeurde te Haarlem. Voor hen, die zich niet scharen onder de meer gezette onderzoekers en verzamelende liefhebbers van de bewijzen van aanspraak en de voortbrengselen der Nederduitsche pers, is misschien een ander klein aandenken aan het gezegde feest een niet onwelkom verschijnsel.
Aan hen bieden wij dit kleine bundeltje aan. 't Geert in den vroolijken vorm van liedjes, meerendeels in den mond van het levend geïdealiseerd hoofdfiguur gelegd, eenige gewaarwordingen en indrukken weder, die den opgeruimder! feestvierder een ironisch lachje vragen, maar zijn gal, zoo wij meenen, niet zullen verbitteren. Wij rdjn geen critici, we geven onze ervaringen in een luimige bui weer, en trekken tegen niemand te velde; wij willen met u slechts een oogenblik napraten of liever naneuriën, en laten een dieperen blik aan wijsgeeriger oogen dan de onze over. Auqustus 1856.
Costerliedjes.
\. COSTERS VOORZANG.
Wijze: Is 't u hekend, getrouwe Burgerscharen,
Zoo werd mij dan, na viermaal honderd jaren,
Een feest bereid door 't late nageslacht.
Waarbij het recht mij eindlijk zou weervaren.
Waar 'k in mijn graf vergeefs op heb gewacht. Dat recht, dat mij de vreemdling had ontstolen.
En waar hij al te driest op had gepocht.
=208
Maar waarheid, schoon wat al te lang verholen. Weersprak ten laatst, wat zij niet dulden mocht.
i) Sedert in 1858, daor den lieer soo*i)?. ieï bewerkt, uitgeg»Yen.
Costerliedjes.
Een wakkre trits ') sloeg handen uit de mouwen,
En dolf den grond van 't grijs verleden om.
En streek ze glad â die overeeuwde vouwen â
En 't licht brak uit en sprak den logen stom.
't Is waar, ik liet mijn fakkel niet fel schijnen,
'k Was stil van aard, geen bluffer in mijn soort,
Ik hield mijn kunst bedachtzaam voor de mijnen, l ,. En juist dat hielp den Mentzer winkel voort. i
Ik zwoegde niet om ooit een beeld te erlangen,
Ik zag niet in wat eer mij toefde op aard;
Had ik voorzien wat strijd eens aan zou vangen,
'k Had mijn donaat met trouwer zorg bewaard.
Maar door 't vernuft van wegers en van wikkers.
Kwam buiten af mijn vond al meer in tel;
âAan mij zij de eer 1quot; riep Haarlem, âniet de knikkers, l ,. âMaar wat ik eisch â is hier het recht van 't spel.quot; i
Niet om mij zelf, ik ding niet meer naar glorie.
Maar voor mijn land spreek ik een woordje mee;
Roept Duitschland om mijn Hansjeknecht victorie.
Dan heb ik nu met Hollands aanspraak vree.
En 'k liet mij graag in harder vormen kneden.
Met moed stapte ik, uit liefde voor mijn grond. Het voetstuk op â ik liet mij overreden, i ..
Omdat men me eerst wat al te poppig vond. 3) j
'k Zal mijn gelaat straks aan den naneef toonen.
Hij lees, naar 'k hoop, mijn eerlijkheid er op! Een Jubelfeest mag vrij zijn vreugdzin kronen.
Waar 't waarheid geldt haal hij de vlag in top!
Nooit laat hij zich zijn dierste recht betwisten.
Hij blijve kloek, maar tevens goed en wijs;
Waar andren soms den schat van mij verkwisten, I .. Mijn Holland stel zijn waarde hoog op prijs. (
2. AANSTALTEN.
Wijze: amis, la matinée est belle.
Komt vrienden, komt, een schoone morgen
Is voor mijn feesttij aangelicht.
De naald en 't kladboek nu geborgen.
Want vlag en groen zijn reeds in 't zicht.
l) Dk VttTES, SCHINKEL, NOOaDZIEK.
*) Men tleuke aan het nu^o beeld van steen op de Markt te Haarlem.
209
14
Costerliedies.
Het spoor brengt tal van vrachten aan.
Van heinde en van veer,
Men ziet ze reeds ten reie gaan.
Van heinde en van veer;
De vreemdjes strijken in 't geurig Haarlem neer. (bis.)
*t Is tijd om zich wat op te flikken.
Voorziet de beurs, zoo 't heet voor mij 1 Hoe glunder staan alom de blikken,
Hoe brandt de jeugd naar 't feestgetij;
Het werk staat stil, de school loopt leeg,
Het wemelt op straat;
Het hangt groen af in straat en steeg,
In steeg en in straat;
't Is Coster, Coster, al Coster wat men praat. (bis.
Ik leen mijn naam aan puiksigaren,
Aan koek en worst, punch en banket,
Een Costerspet op krulde haren;
Om 't andre huis prijkt mijn portret.
't Programma ligt voor ieder ree.
Omlaag en omhoog,
Zie: 't groote plakkaat van Enschedé ').
Omlaag en omhoog;
De Costers glorie springt wijd en zijd in 't oog. (bis.
Ik zie de bloem van Haarlems heeren.
Met zwevende A door 't kleurrijk lint,1) Als feeststaffieren circuleeren:
Ze brengen orde in 't labyrint.
Gezwartrokt loepen ze af en aan.
Maak plaats voor mijnheer!
Ze maken voor den troep ruim baan.
Maak plaats voor mijnheer 1 Wat zijn die mannen voor Coster in de weer! (bis.j
Het uur van twaalven heeft geslagen.
Daar bomt de klok, waar is de brand?
Neen, ziet ze naar de stadsschool jagen,2)
210
1
KWSenRDÃ.
2
«anwezig muuekkorpi.
Costerliedjes.
Do lieeren met hun staf ter band. 'I Is de expositie-opening
Voor 't groot comitee; Hoe deftig is die breede kring Van 't groot comitee!
Bazuin en horen â ze juublen vroolijk mee.
(bis.)
En nu, gewenschte feestgenooten:
Verzamelt u in Haarlems vest.
De vlugge wieken aangeschoten,
Stroomt aan, stroomt aan, van Oost en West! Ziet Costers-druk, eet Costers-soep,
Uw beurs zij gespekt,
Beantwoordt nu aan Costers roep:
Uw beurs zij gespekt,
't Is al ter eer der kunst door mij ontdekt. (bis.)
3. ORGEL-CONCERT.
WrjZE: Toen Pierlala lag in de kist.
Wat is het hier propvol vandaag,
Geen zitplaats rest ons meer; Wij hoorden de orgeltonen graag
En streken liefst eens neer: De zetel zelfs van 't achtbaar span Dient thans voor Jan en alleman. Wie 't eerste komt â het eerst zich Dat is vandaag hier wet. (zet,
Maar wie geen plaats vindt, loopt (maar rond. Dat zijn ze hier gewoon; Beweging, zegt men, is gezond En 't geeft een vrijen toon. Men lacht en praat fn schuifelt voort, En lispelt een beminlijk woord Met hem of haar, die ons verzelt En ons wat liefs vertelt!
Maar wordt er van het orgelspel
Wel bijster veel gehoord?
De man daarboven weet het wel En speelt maar lustig voort:
Hij denkt: wat maal ik om de lui 't Is louter maar vandaag om d'ui Hij haalt zijn tal registers uit En dondert lang en luid.
Hier draaien groot en klein dooreen
Dat is de kleur van 't feest, 't Is vrij entree voor 't algemeen. Dat bolt de menschen 't meest! ,'t Is vrij entree!' zegt gindsche poen, Maar 't is hem om je beurs te doen, Dus dring niet hard en houd je mak. En â handen op den zak 1^
't Finale klinkt en 't uur is om
En de organist heel blij. Hij mompelt: âloop de boel rondom,
Geen ziel hoort toch naar mij! Hoe karig krijgt de kunst haar deel, Of'k al van âwaar is Coster?quot;
speel! 2)
Wel, als het weer gebeurt â speel dan ,'t Is alles larie,quot; man!
*) De politie mocht in de eerwaardige Sint Bavn al zeer spoedig een ontmoeting hebben met zakkenrollers, c. s.
') Het bekende banale straatdeuntje 'Waar is Keesjequot; was roor deze gelegenheid in een #'Waar is Costerquot; yerhaapeld.
Costerliedjes.
212
4. DE TYPOGRAPHISCHE TENTOONSTELLING. Wijze; De jagers van Van Dam.
|
Stapt nu naar de Oude Gracht, Itear ligt mijn schat voor u ten toon, Past een kwartje per persoon, 't Is maar schuitenvracht, Vooruit maar! 't Wordt je ginder zonneklaar, Welk een vond ik wonderbaar Eens heb uitgedacht. De kindren van de school â Ze gaven voor mijn schat kwartier En ze dansten van pleizier, Jongens, watte jool! Vooruit maar! Gensfleisch !) was een leugenaar; De Oude Gracht biedt echte waar Naast de Duitsche kool. Benauwd en opgetast Hangt de een hier d' ander op het lijf, Leunt men onbeweeglijk stijf, Op die glazen kast. Vooruit maar! S'il vous plait, een duimpje maar, 't Valt die dames, o, zoo zwaar, 't Dringen is zoo'n last. |
Het licht is niet heel pluis, En als je op 't Costeriaansch gebied Soms wat van je gading ziet, Hond je handen thuis ! a) Vooruit maar! Boven staan de drukkers klaar, Licht neem je ook een exemplaar Van hun werk naar huis. Wat gaat die druk gezwind. Wat voortgang in mijn dierbaar vak! Meerder spoed bij meer gemak; 'kStaar mijn oogen blind. Vooruit maar! Als ik op mijn persje staar â 'kWas bij dezen tijd, zoo waar, Dan nog maar een kind. Wat eeuw van draaierij! Werd eens getrokken en gezwaaid Thans wordt maar aan 't wiel gedraaid, 8) 't Handwerk gaat op zij ; Vooruit maar. Eeuw, wat ben je wonderbaar, Maak je 't volk hot lot niet zwaar, Draai dan, draai dan vrij. |
5. WATERMUZIEK.
â Wijze: Jeune fille aux yeux noirs.
De schuiten liggen ree in 'tvriendlijk lokkend Sparen, Het dundoek wappert uit, en 't feestgroen hangt in 't rond j Het water elïent zich tot rustig spelevaren,
De blauwe lucht, ze spelt een weeldrige' avondstond.
i) Gensfleisch, meer bekend als GuiTr.NBF.Ka . . t
i) jleu mocht wel do oogen den kost geven, maar moest de handen thuis houden^
s) Men weet: de beweging van de snelpers geschiedt door middel van een rad. tl« n® draaien, waar 't vroeger trekken wa«.
Costerlicdjes.
213
(bis.)
't Is alweer Costers eer, Om de faam Van zijn naam, Dat de geest Van het feest Op den vloed U begroet.
De kwinkslag plant zich voort in de opgevulde booten,
De lachjes zijn heel gul, de blikken staan niet mat;
De proviand aan boord voorspelt den feestgenooten Geen krimp voor keel en maag, geen droogjes op het nat. 'tls alweer, enz.
Het sein tot d' aftocht roept; daar geven Ma vors zonen In malsche harmonie 't: Oü peut-on él re mieux.
De watergod steekt af, bedwelmd door 'tzoet der tonen. Een vlottend echokoor van zangers a la queue,
'tls alweer, enz.
Soms staakt de riem heur slag, soms botsen ook de booten Door hindernissen hier, door tragen voortgang daar:
Maar in den roes der vreugd, wie telt dan lichte stooten I Geen jeugdig hoofd voedt thans het denkbeeld van gevaar, 'tls alweer, enz.
De lieve zon ging schuil, maar duizend and're zonnen,
In kleuren zonder tal, zijn eensklaps aangelicht;
Een ongewoon tafreel heeft aller hart gewonnen,
Giorno had geknield bij prachtig feestgezicht.
't II alweer, enz.
De dartelheid wint veld, men springt in nevenbooten.
En 't buren biedt genot bij d' opgewonden geest.
Een onvoorziene kus wordt, afgesnoept, genoten:
H Gaat al op rekening van 't vrije drukkersfeest.
'tls alweer, enz.
De maan schuilt achter 't hout, maar gluurt ter sluik op 't Spar«n, En lacht om 't bont tafreel van al dat feestgewoel,
En knipoogt als een schuit de vloot eens gaat ontvaren,
En biedt haar stiller licht aan stiller hartsgevoel.
't Is alweer, enz.
Dan brengt ze nog een troost aan hen, die vruchtloos wachten
Op de aankomst vnn don stoet rln.-ir in do Spaarne-kom,
Costerliedjes.
En wier vergeefsch geduld ontaardt in spijt en klachten, Omdat de vlootvoogd zei: we keeren vroeger om.1) 'tls alweer, enz.
Maar middernacht is daar, en velen die het vatten. Dat aan het blijdst festijn toch óók een einde voegt; Ze weten 't recht genot op rechten prijs te schatten En keeren huiswaarts heen, verzadigd en vernoegd, 'tls alweer, enz.
En zoo werd de eerste dag van 't Costertij gesloten: Een dag vol gloed en geur, van vroolijkheid en geest. En menig lieve maagd, die prettig heeft genoten.
Zegt: wat je aan Costor doet, geeft steeds een waterfeest, 't Is alweer Costers eer.
Om de faam Van zijn naam, gt;
Dat de geest ^ '
Van het feest Op den vloed U begroet.
ïö vivat, iö vivat! De groote dag is daar,
Waarop ik van mijn jurk ontdaan, Vooi 't brave volk te kijk zal staan: Iö vivat, iö vivat,
Heel Haarlem maakt zich klaar!
Iö vivat, iö vivat! De juichtoon klinkt op straat. Omdat ik â 'k hoor het overal â Zoo straks onthuldigd gt;) worden Iö vivat, iö vivat, (zal. Ze meenen 't niet zoo kwaad.
6. AANKOMST DER TYPOGRAFEN. Wijze: lö vivat.
Iö vivat, iö vivat! Wat spelt dat stoomgefluit? 't Is de aankomst van den grooten (stoet:
Mijn telgen, door de pers gevoed; Iö vivat, iö vivat. De welkomstgroet klinkt luid.
Iö vivat, iö vivat!
'k Ben op mijn jongens fier, Daar staan zij in een lange rij Gedost in nette feestkleedij; Iö vivat, iö vivat. Bij leuslint en banier!
214
1
pjan waa onlj met de boot gevuld met schuttersnumckanten voorop in optocht
door te varen tot aan de kom van 't Baiten-Sparen, maar uien week van 't plan af en bekortte den weg aanmerkelijk; vandaar dat de beivonera aan de kom Tergeefi bleven uitkijken naar den wateroptocht. ...... ,
Outhuldigd, vrij al^emecne, zeer onei^euaanligc uitdrukking OQ'ter de n»enigtc.
Cotteriiedjes.
215
|
lö vivat, iö vivat! Mijn troep zij kloek en braaf, Hij heeft een hooggeschat bedrijf; 'tVraagt wakker hoofd en krachtig lijf, Iö vivat, iö vivat, Lang leev' de typograafl Iö vivat, iö vivat! Daar trekt de sleep voorbij. Wel ziet men angstig naar de lucht. Als waar men voor die wolk beducht;1) Iö vivat, iö vivat. De zorg nu aan een zijl 7. HULDEGROET EN SI Wijze; Lied uil Martha, of ( Schaart u, waarde feestelingen, Schaart u om het steenen sticht: 't Uur is daar om 't uit te zingen Wat u op het harte ligt. Schaart u allen in het ronde Onder 't lieflijk lommerdak. Dat uw loflied luid verkonde 't Licht, dat Coster hier ontstak. Maar waartoe die matte blikken. Hangend hoofd en kromme knie ? Past dan in deze oogenblikken Ons geen vuur en energie? Is 't een uitvaart, die we vieren? Schijnt de feestzon niet vandaag? Ach, uw druipende banieren Geven 't antwoord op de vraag. /a, 't is waar, de malsche droppels Vallen op het aardrijk neer; 't Feestbestuur loopt rond bij koppels, In hun oog staat: mislijk weer! En de regen groeit tot stroomen â Schuilevinken â wat het gaf? â |
Iö vivat, iö vivat! Wat stapt men vlug en stout! Muziek voorop, banier omhoog, Met moed in 't hart en lust in 't oog, Iö vivat, iö vivat. Op mannen, naar den Hout! Iö vivat, iö vivat! Naar 't monument van steen, Het is een beevaart mij ter eer. Ginds toeft je een toespraak en â (nog meer Iö vivat, iö vivat. Naar 't grauwe doosje heenl s) ORTBAD IN DEN HOUT. oede nacht, mijnheer Becker. Volgeladen struik en boomen Schudden u hun woeker af. Sponsen zijn 't, geen feestgewaden. Die u kleven aan het lijf; Houdt den moed toch, kameraden, Denkt: het is een feestbedrijf! Mocht die stortvloed u doen wanen: 't Is geen beeld van vroolijkheid â Denkt maar: plengt natuur thans (tranen, 't Is van vreugde dat zij schreit! Paart uw zang aan koopren tonen 1 Galmt hel uit â uw huideliedI Zingt als blijde Costerzonen â Van den regen smelt je niet! Laat uw hoed het stortbad vangen â Zomerdruppels drogen gauw; Zingt vol moed uw Costerzangen, Als de krekels in den dauw. Komt, heft nu het hoofd ten hoogen, 't Water maakt uw longen li isch. |
!) De lucht eerst helder, begon eenigszins dreigend te worden.
8) Men TergeTc ons deze nanduiding van het monument in den Hout,
Cosierliedjes.
216
|
Thuis kunt gij uw linnen drogen, En â wie weet waar 't goed voor is. Zangers â spreker â zoudt ge u (kwellen 1 Geeft van weer en wind den brui I Heeft men Costers-ulevellen, Waarom ook geen Costers-buil |
En nu â laat de feestmarsch klinken, Feestelingen op het pad I In den optocht zult ge blinken, Door uw glorie â door uw natl Roemt de wereld niet uw streven? Alles is tot Costers eer! En één troost is u gebleven: Na den regen komt mooi weer!!) |
8. OPTOCHT.
Wijze : Schept vreugde in 't leven.
|
Op, nu ten feestmarsch! Haarlems marktplein is uw doel; Daar wacht u Coster, Volksdrang, volksgejoel; Recht is de weg en breed het pad En, gaat de tocht door slijk en nat. Wat geef je nu om spat of smeer â 'tls al ter eer van Coster 1 Klinkt nu, bazuinen. Wekt de natte feestrei op: 'tGaat van den regen Over in den drop; Stapt, Costei-svrienden, stapt met (spoed: Zoo'n wandling doet het lichaam goed, Want, hoe ge van een stortbad houdt, Ge kondt er van verstijven. Braaf, wakkre mannen, Heft het oog weer blij omhoog, Mijdt nu geen plassen â Morgen is 'tweer droog! Komt, trippelt nu niet uit de reek. Je voeten zijn toch eenmaal week. |
Maar slobbert ferm door dik en dun : Je bent geen jonge juffers I Blikt eens ter zijde: Tal van kopjes voor het raam Lachen u tegen ; Noemen soms uw naam; Het feestprogramma wijst haar aan, In weikeu rang gij mee moogt gaan, 't Zij van het handboogschuttersgildâ 't Zij drukker of minister I Ze is niet te smaden, De eer waar gij in roemen mocht: Fiere dragonders Banen u den tocht; Voorop een wacht, op zij een wacht â Ben je ooit wel zóó ter markt gebracht? Dat is z ij n neus voorbij gegaan, Die thuis bleef zitten suilen. Klinkt nu trompetten, Haarlems marktplein is in 't zicht, Daar wacht uw Coster 't Nieuwe levenslicht 1 |
1) De onweersbui, die zich allengs had samengepakt, ontlastte zich in een ontzcttenden icgenstroom, juist op het oogenhlik, dat de'stoet aan 't monument was aangekomen en daar een hrcedeu kring had gevormd om een luisterend oor te leeuen aan een geacht spreker et aan de tonen van het huldclied, door de typografen, ouder begeleiding van de muziek der
iL'omlers, aangeheveu.
Costerliedjes.
2-17
9. 'T ONTHULLINGSUUR. Wijze; Partant pour la Syrië.
|
Na tal van tobberijen. Na jaren van geduld. Mocht eindlijk 't werk gedijen En werd de hoop vervuld Van hen, die voor mij streden, Trots nabuurs ongeloof, Die in mijn recht getreden i â , Zijn naam dankt aan den roof. f ^ '' Mij was geen beeld geschonken, Waar de echte kunst uit sprak, De roepstem heeft geklonken, En 't volk tastte in den zak. ,Want,quot; riep mijn pleitbezorger, âSchuwt Neerland beeldenpraal â Toch past aan Haarlems borger) , Een standbeeld van metaal!/' Lang voelde ik mij verdrukken. Ik had den tijd niet mee. l) Door tal van ongelukken Kreeg ik mijn deel aan 't wee. 'k Zwoegde onder pijn en banden, quot;Vooroordeel was me een kruis, Zei I's onder 's makers handen . . Viel 'k, ongerept, tot gruis. â¢) quot; is'' |
Toch zie ik mij herboren, Door de ijver van mijn span; Het gaf geen hoop verloren Voor 't eens ontworpen plan. Rover, gij, 'k wil het roemen, Stond mijn patroon ter zij. Tot ik mij hoorde noemen ⢠, Een puik der gieterij. Æ' Zwaait, drukkers, uw banieren, Vier, spreker, uw talent. Lost, krijgers, uw mortieren, 'kBen 't schieten al gewend. Zing, zangerskoor, uw tonen En paar ze aan luit en snaar; Volharding ziet zich kronen, \ 't Onthullingsuur is daar 1 ((bis.) Trekt 't overkleed aan flarden, 'k Sta lang genoeg vermomd. Ik kan 't niet langer harden Nu haast mijn daglicht komt; Ik zag mijn Holland streven, 'k Heb met den naneef vree, En was het mij gegeven, W.\ Ik riep met hem: hoezee 1 ' |
10. COSTERGROET AAN DEN BOEKHANDEL.
SOLO VOOR COSTER.
Met hei tcelieJcendc refrein van widevidewi-hom-iom.
|
Mijn zon is eindlijk opgegaan, Widewidewi-bom-bom! Ge ziet mij passend voor u staan, Widewidewi-bom-bom! (visch. Niet meer orageurd door grom van Widewidewi-bom-bom-bom-bomt [aar onbelemmerd, vrij en frischl Widewidewi-bom-bom! |
Gloria, yloria, Widewidewi-bom-bom-bom-bom! Gloria, gloria, Widewidewi-bom-bom I |
!) Voorzeker, de Commissie heeft met onverscLilligheid liier, met tegenstanders daar te kampen gehad; ook dc dagen van 1848 waren voor het plan lang niet gunstig, maar de volharding en de geestkracht van den ontwerper kwamen eindelijk alle bezwaren te boven.
s) Men zal zich wel de ramp herinneren, toen het bijna voltooide modelbeeld, in het atelier Tan den heer Kuïer, plotseling ineen viel en de onvenuoeido kunstenaar opnieuw aan den arbeid moest gü:;n.
Costerliedjcs.
218
|
Ik zit in een metalen broek. Men zegt; Ik ben heel fraai en kloek; Heel Neerland jubelt om mijn beeld; Geen Mof, die mij mijn roem ontsteelt! Schei uit, wie om de vinding vecht; De waarheid heeft het pleit beslecht; Wie 't verder loochent, rij maar op, Of 'k smijt mijn A hem op den kop. M' ontdeed mij van mijn nachtjapon, En 'k schrikte een weinig van 't kanon, Kn 'k zag de duizendtallen staan, £n 'k hoorde luit en trommel gaan. 'kWou knikken, maar âwat zou ik (doen ? Dat streed met mijn metaal fatsoen; Maar veel was de eerste blik mij (waard: Ik zag mijn troep te zaam vergaard. M ij n kroost, dat door m ij n vinding (leeft, Wiens nijverheid naarhooger streeft, Dat, door ra ij n kunst te zaam gesnoerd. Verlichting ten baniere voert. |
Maar wat mij vreemd in de oogen viel, Ja, wat mij zeer deed in de ziel â Was, dat mijn jongens niet vooraan, Maar achter'tschuthek moesten slaan. Ach, was mijn tong maar los geweest, Men had gelachen in den geest; Zoo waar als Coster voor je staat, Hij had een woordje mee gepraat. 't Is goed,het waait van daag heel straf, De booze bui waait van mij af. Zoo, kindren, dooft ook gij 't venijn. En denkt dat ze niet wijzer zijnl Maar, jongens, houdt je ferm en goed. Past op dat gij mij eere doet; Voedt vrij heid, maar met maat en perk, Dat houdt vereende krachten sterk. En zoo m' u achter schotjes zet. Streeft, met het oog op orde en wet, Streeft voorwaarts in gesloten drom â Dan dondren eens die schotjes om! !) Gloria, gloria, Widexvidewi-bom-bom-bom-bom I Gloria, gloria. Wulewidewi-bom-bom I |
11. FEESTDINER EN TYPOGRAFENHONGER. Wijze: Pour dot ma femme a cinq sous,
Heeren van het Paviljoen,
Magen die zich feestlijk vulden.
1) üe verdienstelijkf a^racnsteller van het gedcukboek der CosterfeeBten zegt, dat de roor-strlling in het 7e en 14e cuuplet van dit liedje ,,niet juist ia quot; â Ik wil met mijn geacliten vriend nooeuzikk niet twisten over een toon, dien ik slechts in kortswijl heb aangeslagen, oiKHr ik zou toch, als 'ter op aan kwam, de 200 representanten van den Nederlamlscheu Boekhandel en hoofden van Boekdrukkerijen tot getuigen kunnen roepen, of mijne bewering waar was, al dan met: dat zij, en wel met een vrij ruim ledig vóór zich, door een schot of staketsel waren afgesclieiden van de overige genoodigden en a gevaardigden van andere Maatschappijen als: van Nijverheid, de Redcrijkerskamei, de Plaatselijke geneeskundige Commissiën eni rnz, â Wel heb ik te vergeefs in het gedenkboek op de schets van den platten grond der afgesloten ruimte op de groote markt, plaats R, naar mijn schotje gezocht, maar toch â gestaan heeft hel er, of ik ben blind of verward geweest. â Maar de Heer nooedzikk, die naar ik meen, niet tot de speciale commissie tot regeling der feesten behoord heeft, zal, naar ik veronderstel, niet eens juist geweten hrbrien. dat de plaats 8 nogin tweeën gcnpiitst was; 't zou anders door den steeds zoo nanwkeurijren man wel in zijne schets van den platten grond ziju aangegeven.
Costerliedjes.
A raison van vijftien gulden Kan men fijne beeten doen.
Eet braaf, drinkt braaf.
Waartoe zoudt ge uw tong niet streelenl Eet braaf, drinkt braaf,
Beter dan de typograaf.
Ginder laat een deune kok,
't Schrale maatje scherp gevoelen Aan die vogels in den Doelen,
Hunkrend naar een fermen brok;
Denkt dat ze in den vroegen ochtend uitgevlogen zijn van stok.
Heeren, die daar deftifr zit Onder keur van feestgelagen,
Schoone toosten hebt geslagen.
Breed van omvang, fijn van pit,
Eet braaf, drinkt braaf.
Drinkt op Coster, Land en Koning;
Eet braaf, drinkt braaf.
Beter dan de typograaf.
Ginder drinkt men ook eens mee,
Op de hooge potentaten.
Heeft de wijn de flesch verlaten.
Zelfs met water heeft men vree;
Klinkt hun dronk wel niet zoo deftig, welgemeend is hun hoezee.
Heeren, die daar jubeleert,
U vermeit in Oosters glorie,
Die, ter eeuwige memorie.
Daar op Haarlems gaven teert;
Eet braaf, drinkt braaf,
Ziet uw werk met welgevallen.
Eet braaf, drinkt braaf,
Beter dan de typograaf.
Ginds ook viert men Costers eer;
Maar bij al die zwoegerijen Valt de honger zwaar te lijën;
Van den morgen in de weer.
Gaf het raadhuis wel een broodje, maar de typograaf lust meer
Heeren, 't is uw schuld wel niet.
Dat die jongens in den Doelen In hun maag welsprekend voelen.
Wat een schrale keuken biedt.
219
Costerliedjes.
Eet braaf, drinkt braaf;
Maar denkt aan de drukkersgasten,
Eet braaf, drinkt braaf,
Beter dan de typograaf.
Komt een Costerfeest weerom,
Dan zult gij dien krimp niet dulden,
Denkt: het kost per man twee gulden,
't Is voor hen een heele som!
Mooglijk leggen de arme zwoegers voor dat feestmaal weken krom! ')
Der Heeren van 't Bestuur, Hij drinkt den geur der bloemen, | Die kindren der natuur. {
De kniesoor blijv' maar thuis. Hem is 't genot een kruis. Hem boort men Flora doemen,
Hij vindt jEoIus guur, Hij trekneust bij de bloemen, Die kindren der natuur.
bis.
j bis.
Kom om geen vrijen kijk Naar 't prachtig huldeblijk; Op 't weer val niet te roemen:
't Dooft Zochers zonnevuur, â¢) Keer liever tot de bloemen. Die kindren der natuur.
j bis.
O, geef een woord van lof Aan Costers vredehof.
Wie smaak heeft moet het roemen,
't Genot om Haarlems muur; WaAr vindt men schooner bloe-.
(men; | bis. Die kindren der natuur'? '
*) Do billijkheid rordcrt te bekennen, dat een reel grooter opkomst ran werklieden dan het ^etal, hetwelk zich. had aange^evf-n eu waarop men gerekend had, den kok in den Doelen, waar dc typografen hun feestmaal hielden, eenigszins in verlegenheid bracht, en de tafel veiïl schraler maakte, dan anders wellicht het geval zou geweest zijn.
2) Boven het huldeblijk had de Heer zocHua eene zon van gaslicht doen plaatsen, die ontstoken en brandende, van eene schoone uitwerking zou z^jn geweest, maar het winderige en regenachtige weer doofde het licht eu belette het beloofde effect.
12. HET BLOEMENFEEST.
Wijze: Van de schoone bloemenverkoopster: Kom volkje, koop bij mij. Gij, die ten feest mocht gaan.
Bezoekt de hertenbaan,
Daar zult gij Haarlem roemen;
't Entree is niet heel duur:
Daar vindt ge schoone bloemen; | . â
Die kindren der natuur. I wquot;
Daar loopt de jonkman vrij Met zoetelief op zij,
Daar durft hij 't woord haar noemen
Van 't smeulend zielevuur,
Er. prijst met haar de bloemen, | , â
Die kindren der natuur. I is'
De windvlaag, die niet zwicht,
Bluscht hier en daar het licht;
Maar wie ook d' avond doemen, â
De min wil 't schemeruur.
Zij spreektdanvanhaarbloemen,.. â¢.
Die kindren der natuur. } is'
Wie 't licht wil zoeken, wend Zijn schreden naar de tent.
Hij zal den smaak er roemen
220
Costerliedjes.
13. ZOMER ZORG.
Wijze: D'une image si chérie: of Kom mijn Bruintje, enz.
2'il
|
Kent gij wel de lieve dreven Van het heerlijk Bloemendaal? Zaagt ge ooit in zijn bosch geschreven: Lentegeur en zomerpraal? Dan â wat weelde u daar mocht bei-Of wat schat het u verborg, (den. Zeker liet ge u eens geleiden. Naar het vriendlijk Zomerzorg. Koele boschjes en priëelen Vormen hier een lustwarand, Linden, beuken en abeelen Slaan om 't dal een groenen band, Die u aanlokte om te zweven In een zorgelooze rust. Van den druk van 't werkelijk leven Ongedeerd en onbewust. Maar nog hooger klom uw weelde Zoo uw voet het duin beklom, 't Koeltje door uw lokken speelde. En ge uw blikken sloegt rondom: 't Noordernat aan gindsche zoomen, Voor u uit het Zuiderzout, Links de Velzer berkeboomen, Rechts de statige Aardenhout. |
Hen, die nu de plek bezoeken, Boeit natuurschoon niet alleen; Opgevuld zijn alle hoeken, Honderdtallen zijn bijeen. 't Geeft een woelen en krioelen, 't Is een schuiflen heen en weer; Bij gebrek aan bank en stoelen, Zit men soms op 't grasperk neer. 'tls aan Haarlems feest verbonden, 't Is de Costermatinee; Wie zich daar niet had bevonden Deed niet met de wereld mee; Halen, brengen, duwen, stooten. Bidden om wat lafenis, â Ach, rnijn waarde feestgenooten, Neemt het nu zoo als het is. Hoort gij wel die jubeltonen Van de grenadiermuziek 1 Om met aandacht haar te loonen, Staat van daag wat heel korniek. 'tls een joolfeest âwilt niet vitten; Maar als Zomerzorg u boeit. Komt dan in mijn lommer zitten. Als geen Costers onweer broeit. |
14. VUURWERK.
Wijze: In de Nes daar moeten wij wezen.
|
't Slot is daar der Costerpretjes, Dat het eind eens schittrend zij ! Hoor, van leeuwen,1) doe't eens (netjes En hij sprak: âLaat dat aan mij !quot; Allemaal sissers, allemaal sissers, Allemaal sissers, rikketakbom. Ja, komt er maar om, Komt er maar om Van rikketaktom! Drukpers, eerzuil, transparanten. Zonneschijf en sterrenvuur. Watermolens en brillanten. |
Purper, zilver, goud, azuur. Allemaal sissers, enz. Heeren met tribunekaarten. Zorgt nu voor de dames trouw. Dringt haar voort naar die gevaar-Dringen is een heele sjouw, (ten, Allemaal sissers, enz. 't Zal je straks een lichtzee geven. Als het kunstvuur perels spat. Dames, heb je van je leven. Ooit zoo'n mooi kijkuit gehad? Allemaal sissers, enz. |
1
) Voor hen die 't niet wisten; tait Lkivwxx is do naam ran den yunrwerkmaket,
Coslerliedjes,
222
|
Ja, je zit wel wat gedrongen. Maar 't zijn hier geen canapees ; Denkt, gij zijt er in gedrongen, Door galante cavaliers. Allemaal sissers, enz. Om uw zitplaats steun te geven. Dat ze staan zou als een muur, Wordt een spijkertje aangedreven, gt;) Dames, denkt eens; hoe sekuur! Allemaal sissers enz. Hoort die vuurpers ginds eens (kraken, Maar, 't is niet aan gene zij, Hier hoor 'k gil en angstroep slaken, Heeren och, een handje hij ! 1) Allemaal sissers, enz. 't Is de gt;al van duizend vrouwen, 't Is de roem des timmermans, Die we voor ons oog aanschouwen. Alles in den vuurzeeglans. |
Allemaal sissers, enz. Sassebranders, slangenhrakers, Vliegt maar dartel in de lucht; Stevige tribunemakers Staan aan 't eind? van de klucht. Allemaal sissers, enz. Dames, zoo we uw val bezingen, 't Is niet uit ontaard gemoed; Weet om d'indruk weg te dringen Is ook 's spotters liedje goed. Allemaal sissers, enz. Heeren, die uw gezellinnen Gaarne ter tribune zet. Brengt het knalfeest u te binnen. Zorgt dat ge op het maaksel let. Weg met de sissers, weg met de (sissers, Weg met de sissers rikketakbom, Loopt, loopt rommentom, Loopt rommentom quot;Van rikketaktom. |
\ Vierders van het groot festijn Binnen Haarlems wallen.
Mocht gij doorgeregend zijn Of voor 't vuur gevallen,
Of een muisje met een staart U door Coster zijn gebaard,
't Ligt in 's menschen wegen,\ , . Naast het voor het tegen. ' ' ' Als ik langer leef dan gij â Immers 't is te wachten â En 'k vier weêr een eeuwgetij
Met uw nageslachten,
Dan, leer hun mijn feestkronijk: Theorie is geon practijk:
Wie 't volmaakte wenschen,! Zoeken 't niet bij menschen.'
15. COSTERS NAZANG.
Wijze: Schilder, '.k wou me zelf graag zien.
't Einde van mijn feest is daar,
Haarlem wordt weer rustig; Heel de troep ging uit elkaar,
Vroolijk of onlustig.
De een is blij naar huis gegaan. De ander is maar zóó voldaan. Ik alleen bleef achter, \ ,. Als een trouwe wachter. ' 't Is als stond ik honderd jaar
Op mijn hoogen standert,
Oude vrienden zijn nog daar.
Veel zie 'k ook veranderd. Oud en nieuw en nieuw en oud: Nog veel koper onder 't goud. Tegenspoed en zegen, l ^
Zonneschijn en regen. '
1
*) Eensklaps stortte een drel der tribune in. De timmerman heeft er genoeg over gehoord, wij lallen er hem niet meer hard over vallen. 'tLiepover'talgeraeengelukkigaf,de schrik was'tergst®.
INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
|
Blad/. De kist..................................................1 's Landmans avondmaal....................C Sermoen van pater Brom..................7 Tweede sermoen van pater Brom. 9 De Ithaka van Jan Trochee............12 Lina........................................................14 Kinderlijke eenvoudigheid................15 Prins Dee-Boo-Hee..............................16 Een bezoek bij Jan Steen................20 Mooi-Machteld......................................23 I Vrijaadje................................................25 I De wedren bij Zandvoort..................27 'i De bron van Sint-Keyne..................29 Hansje van Kleef................................31 De zeven zusters..................................32 De pahnpaasch van oude Geertje.. 37 Het Huis ter Noot nabij 's-Gravenh. 39 Kermisviering......................................44 De burchtvrouw van Oud-Haarlem 45 Galante brief van den Keizer van China..................................................49 Soldatenstand......................................51 Joris en zijn snuifdoos......................52 Vreemdenbezoek..................................53 Aan Duifje in de Taveerne..............54 Kinderzin en kindermin....................54 Beet hebben..........................................55 Van dik hout zaagt men planken. 55 , Een andere Philemon en Baucis. 57 Drie zusters..........................................58 Eene week op Weltevree..................59 Nieuwjaarsdag......................................60 Keur baart angst................................61 De Zigeuners........................................62 Elzemoei's theeuurtje........................C6 Het nieuwe stuivertje........................67 Bramrnetje's uitgaansdag..................69 Zestien jaar. (Een blik in de meisjes- wereld)................................................70 Kees op reis..........................................71 Mieke bij den waterput....................71 Zure druiven........................................72 Negatieve wenschen..........................73 |
Bua*. Grittje's verzuchting............. 74 Betrachting van Louw den tim merman....................... 77 Oost-Injesche doofheid............ 78 De nieuwe heer................. 79 Lofzang op Californië............ 84 âOm den wille van het smeer lekt de kat de kandeleerquot;........... 86 Arme Klaas..................... 87 Aan Dou's meisjen in de nis..... 88 In de bruidsdagen............... 88 Klaaglied quot;in Jan Chagrijn....... 89 Lijsje's overdenking.............. 90 Jan die lacht en Jan die schreit.. 91 Verzucht i ng van een man uit de hoogte 92 Bloode Piet...................... 93 De hyena....................... 95 Wie is zij ?..................... 104 Jaap en zijn Grootje............. 106 Wat een oude jongeheer al worden kan.......................107 Een oude vrijer, zooals er velen zijn 108 Kinderkeus en ouderzin.......... 109 De wraak....................... 109 Bij van Hove's binnenhuizen......111 Tuinmans Aafje................. 112 Huisplagen. (Vaders Ach en Moeders Wee).....................113 Bij de waarzegster............... 115 Elegie van een afgedragen zwarten rok 116 Sint Nikolaas.................... 118 Sint Silvester.................... 119 De oudste zoon.................. 119 Achttien jaar. (Een blik in de jongenswereld)................... 129 Van Streek...................... 129 Een bakers nachtwake in de kraamkamer................... 131 Brief van een oom aan zijn neef.. 132 Neen en ja.....................137 Kruis en kracht.................138 Een afgeluisterd gesprek tusschen twee gehuwde zusters..........139 |
Inhoud.
m
|
Bladz. De eclipsenkijker................ 140 Klein-rentenieren................141 Nabetrachting van eene uitgekookte keukenmeid................... 142 Sijmen.......................... 147 Hopen, vreezen en genieten......148 De liefste last................... 150 De weduwe.....................150 Paulus.......................... 151 De gouvernante.................. 152 Nachtjool.......................153 Oora Jan in het lommer......... 153 Rika's spoortocht van Haarl. n. Amst. 154 Zilveren Bruiloftsgroet...........156 De stovenzetster-plaatsbewaarster. 158 Moeders Jawoord................159 Door 't kreupelbosch............. 159 De Huisvrienden................. 160 Rembrandt...................... 161 Grootvader......................162 Kinderleering................... 164 Jaloezij.........................164 Neef Kees en neef Koos..........165 Een gesprek van Jan van Katwijk en Geerte uit Apeldoorn, bij het kamp van Zeist................ 166 Ontmoeting van Jan van Katwijk en Geerte's vader, in Apeldoorn 167 Hoe Geerte van Apeldoorn door haar vader de les gelezen werd, toen zij met Jan van Katwijk zou gaan trouwen.......................169 Bij de nieuwtjes van den dag____170 Een malle nuk met langen nasleep 172 Mooi Mientje van het Molenpad... 173 Ideaal en werkelijkheid..........176 Schijn en wezen zijn er twee____178 De brievenbesteller.............. 179 Een luisterend oor............... 181 Geldersch............ ..........183 Mietje op typographisch terrein... 184 Uit den manufactuurwinkel....... 185 Stadsnieuws..................... 186 De Scheveningsche vischvrouw.... 187 |
Bladz. Zomer-Zorulagavond.............. 189 De prikkels van het leven....... 189 Wee den wolf in slecht gerucht.. 190 Het kaartspel in de kroeg........191 Sybilla's orakel.................. 191 Zomergenot en Almanakkenkoorts. 192 De koopman in speelgoed........193 Anno 1700 en zoo veel...........194 't Achtermuurtje.................195 De droom van Klaret............195 De vos en de bok................ 196 Jan Kloek....................... 197 Mode...........................197 Vrijheid......................... 198 Oom en Neef.................... 199 De crisis onzer dagen............ 199 IJsvreugd........................ 200 Gijsje de bruggewachtster........201 Een rijtoertje.................... 202 Barbiersmijmering...............203 Voorwoordje bij de Vlaamsche a- en u-strijd in België........... 203 DeVlaamschea- enu-strijdinBelgië. 204 Zie toe..........................205 Aan Bronbeek...................206 Wilhelmuslied...................20ö Een nieuw Wilhelmuslied........207 Voorwoordje bij de Costerliedjes... 207 Costerliedjes.....................208 1. Costers voorzang.............208 2. Aanstalten...................209 3. Orgel-concert................ 211 4. De typograph. tentoonstelling.. 212 5. Watermuziek................ 212 6. Aankomst der typografen......214 7. Huldegroet en stortbad i. d. Hout 215 8. Optocht......................216 9. 't Onthullingsuur............. 217 10. Costersgroet aan den boekhandel 217 11. Feestdiner en typografenhonger. 218 12. Het bloemenfeest............. 220 13. Zomerzorg...................22! 14. Vuurwerk................... 221 15. Costers nazang............... 22à |
DE DICHTWERKEN
TAN
W. J. VAN ZEGGELEN.
DE DICHTWERKEN
VAN
W. J. VAN ZEGGELEN
VOLLEDIGE UITGAVE
NEGENDE DRUK
TWEEDE DEEL
AMSTERDAM UIT GE VEES-MA ATSCHAPPY âELSEVIERquot; 1897
i
Cantaten.
DE HARINGVISSCHERS.
Opgehaald zijn want en net,
Pink en plunje zijn gewasschen,
Leeftocht in de bak gezet,
Meel en knaster in de tasschen;
Vrouw en kind,
Buur en vrind,
Nog een luid goênacht gegeven,
't Anker binnenboord geheven,
En dan voort, de hand aan 't roer.
Sterk en stoer Zullen wij de spil gaan draaien;
Laat dan 't Oosterzuchtje waaien.
Een, twee, drie, het zeil in top!
Straks zijn wij de banken over
en we zijn in 't ruime sopl Hoezee, hoezee, hoezee!
Die thuis blijft deelt niet meê,
Hoezee I
Om den Noord:
Winterharing, puik van soort,
Daar den steven heen gewend.
Mannen wie het meeste spoed maakt,
is er 't eerste van de bentl
Opgepast!
Houd de hand aan roer en mast,
Ieder zeeman kent zijn post,
Om de beurten afgelost,
't Avond als de pan gaat sissen,
't Kan niet missen.
Staan de rappe maats gereed Om te toonen, dat wie arbeidt
op zijn beurt ook stevig eet,
CaiUaten.
't Duister komt den dag vervangen, 't Licht wordt aan de spriet gehangen, Heldre lucht en kalme zee Stemmen aller hart te vree;
Maar komt straks een tochtje zweven, 't Zal de schuit een stootje geven; Als we zijn aan de overzij Werpen we uit aan loef en lij Om de vangst van onze netten Aan den jager af te zetten.
Komt, bij beurten nu op wacht. Stuurman, geef de maats een liedje. Geef een iiedje vóór den nacht.
EEN LIEDJE VAN MOOI AAFJE.
6
|
Mooi Aafje zat te breien Aan vaders haringnet; Ze rustto tusschenbeien. Maar mocht van 't werk niet scheien: Ze was op taak gezet, Ze zag wel eens naar d'overkant Waar Bocheljoen de reeder. Die aanzoek deed om Aatje's hand, Daar zeilde heen en weder. Hij sloeg haar vol vertrouwen ga, Zoo rijk als hij â niet één, Maar kreeg hij al van vader ja, Mooi Aalje schudde neen. Jan Japik â meer voorspoedig, Maar stuurman zonder geld. Had haar eens gul en goedig, Al was 't wat overmoedig. Zijn hartewensch gemeld. Sinds klopte haar het hartje snel Als hij vaarwel kwam groeten, En was het haar zoo wonderwel Mocht hij haar weer ontmoeten. Dus stapte hij naar d' ouden heen En vroeg haar tot zijn ga, Maar vader schudde barsch van neen, Mooi Aafie knikte ja. |
Zie de Onderdeur ging open. Maar Aafje breide voort, Hij zou geen blauwtje loopen. Maar moest zijn rust toch koopen Eer hij weer trok naar boord. Daar stond Jan Japik, en hij vroeg* Dat zij hem trouw zou zweren, Dat deed zij en 't was hem genoeg, Hoe spa hij eens zou keeren. Nu voer hij naar Batavia, En de oude was tevreên. Hij schonk aan Bocheljoen zijn ja. Maar Aatje gaf heur neen. En jaar en dag verliepen, Hoe 't hart verlangend zwol, Eoe liefde en trouw hem riepen, Hoe de angst zich mocht verdiepen. Eerst moest zijn buidel vol. Maar eindlijk kwam Jan Japik weer. En zij had woord gehouen Hij vond Mooi Aafje van weleer, En drong nu aan tot trouwen; En vader had geen hart van steen, Dat zag Jan Japik dra, En nu â de reeder wrijft zijn scheen, De stuurman kust z\jn ga. |
Cantaten.
Handen uit de mouwen!
Viert en trekt de touwen;
Haal op, werp uit;
Daar is de plaats in de schuit,
Geen haring ontsnapt onze mazen, We willen den jager verbazen.
Halen mannen 1 haalt en vangt,
Vangt den schat, die er schuilt in de plassen, Eer de bui ons komt verrassen
Die in 't westen hangt.
Bravo mannen â 't koord gespannen, Bravo, bravo, houdt- u goed,
Haalt ze binnen met spoed;
Ieder man op zijn post;
We moeten den tijd wel besteden, We houden den reeder tevreden, En winnen voor vrouw en voor kindren den kost.
Ziet de wolk in het west zich vergrooten:
De hemel wordt donker en grauw. De pink begint koppig te stooten.
Bergt netten en zeilen en touwl
Het blauwe licht.
Van een eerste bliksemschicht, De donder die bij wijlen bromt,
Spellen 't noodweer dat er komt.
De baren heffen 't vaartuig op.
De windvlaag werpt het overzij; Helaas, een wankle notendop In 't barnend getij,
O goede God, sta d' armen visscher bij.
Vreeslijk buldren vloed en vlagen,
De afgrond grijnst de manschap aan. Een lek is in de kiel geslagen;
Pompen, pompen of vergaan.
Hagelslag en regenvlagen Beuken het verharde lijf,
Ceen tijd tot een teug bij 't afmattend bedrijf. Geen hoek tot veraadming in 't krakend verblijfj Maar werken zonder vertragen.
De nood is hoog, de dood nabij,
De kiel werpt zich op de andere /.ij.
7
Cantaten.
Daar breekt de lucht, de wind schiet om En de opgezweepte baren,
Ze komen tot bedaren,
En de elementen worden stom.
Goddank, we zijn behouen.
Een enkle teug, de stop in 't lek, Nu de orde hersteld op het dek. En voor den God van ons vertrouwen, Straks de handen saamgevouwen. De steven wordt gewend.
De ster aan 't firmament Roept noodend: keert naar huis Tot pink en haringbuis.
De kiel eischt herstel.
Keert terug en keert snel Voor er weer een onweer woedt, Op den onvertrouwbren vloed.
God zal onze ramp herstellen.
Bidden wij Dat Hij ons naar de overzij,
Naar de ons dierbren wil verzeilen.
DANK EN BEDE.
Gij, die ons het leven liet,
Neem den dank dien 't hart u biedt, Voer ons tot hen die ons minnen,
Sterk de moeders der gezinnen,
Die gij ons hebt toevertrouwd;
Spaar hen allen jong en oud.
Laat U, goede God, belezen;
Steun haar, die door hart en. eed Deelen in ons lief en leed;
Maak de kindren niet tot weezen,
Hoed de vrouw voor 't weduwkleed.
Heil, mannen, heil, daar is ons strand, Ze wuiven ons reeds toe van land.
Daar staan ze, de ons getrouwen. Ze brengen ons weer leeftocht aan.
Daar kan een welkomstteug op staan, Hoezee, we zijn behouen!
Is onze kiel weer dicht en ree,
Dan steken wij op nieuw in zee,
8
Cantaten.
Om immer zee te bouwen,
Tot wij van onzen post Eens worden afgelost.
Maar nu, daar zijn de kindren en de vrouwen, I.uid klapt de kus op wang en mond, We zijn wel stram, maar toch gezond, Hoezee, we zijn behouen!
9
1877.
DE MIJNWERKERS.
BOVEN DEN GROND.
|
Nog dekt de morgennevel Het grijs bedauwde veld, Schoon 't purper in het Oosten Een held'ren dag voorspelt. Daar glanst de toorts des hemels, De zwaluw klieft de lucht, En menig deur en venster Gaat open in 't gehucht. Daar komt allengs meer leven: De mannen treden uit Met spa, houweel en hamer; De mijnklok wordt geluid. |
Daar gaan zij, kloek en moedig. Maar ernstig, stil en stroef, En vrouwen, meisjes, knapen, Gaan mee naar gindsche groef. Voor hen ook toeft de dagtaak Op 't bovenvlak der mijn, Als duizend voeten lager De vaders werkzaam zijn. 't Flanel wordt aangeschoten. Men wisselt kus en groet; De werkers dalen neder. Den afgrond te gemoet. |
IN DE MIJN.
Daar onder de schacht op het donkere vlak,
Daar voegen de dalende mannen zich saam.
Daar roept hen de meester bij nommer en naam
En wijst hij den werker zijn vak;
Ze ontsteken de lampen en scherpen 't houweel. Ze vormen de ploegen en kennen hun deel; Ze zwijgen en luistreu naar 't woord van 't gezag;
Want, ondergeschikt aan de wet.
Weet ieder wat. orde en wat leiding vermag;
Daar gaan ze de mijn in na 't korte gebed.
Hoor den toon der hamerslagen,
Voortgedragen,
Langs de wanden der spelonk;
Zie het lamplicht hier en verre.
Baak of sterre
Cantaten.
Dat den nijvren werker 't uitzicht
op zijn glibbrig voetpad schonk. Onverpoosd en onverdroten.
Wordt de steenkool afgestooten,
Wagenvrachten snellen aan Op de gladde ijzerbaan.
Wijd en zijd,
Overal de noeste vlijt,
Tot de rustpoos allen saamroept
voor het onderaardsch ontbijt.
DE ONTPLOFFING.
Wee, een doffe donderknal.
Doet zich in de ruimte hooren Stikstof wordt geperst naar voren.
Jammerkreten overal.
'tls de ontploffing, 't licht dooft uit;
Naar het mijnvlak! klinkt het luid;
Wat kan vluchten ijlt daar henen,
Rouwe kreten, zuchten, stenen I Schrik heeft menig voet verlamd.
Schoon de werker, tastend, struiklend
om 't behoud van 't leven kampt.
't Noodsein wordt gegeven :
Kloeke mannen dalen neer,
Oud en jonk en knecht en heer,
Wagen lijf en leven.
Daar klinkt met kracht en klem,
Des meesters forsche stem:
Komt, redders, tast in 't rond.
Brengt allen herwaarts die ge vondt Naar hier op vasten grond.
Ontsteekt weer licht,
Helpt, wakkre redders, doet uw plicht:
Trotseert gevaar en dood En steunt uw makkers in den nood.
De windas ratelt lang en luid,
En trekt den bak naar boven,
Om slag op slag een nieuwen buit
Aan 't gapend graf te ontroovejft
10
Zeven Kniedichtjes.
O God lof, 't gezag houdt stand,
Hoor, de meester geeft bevelen; Hij bestuurt met vaste hand
't Reddingswerk in al zijn deelen. En hij zal de laatste zijn.
Zelfs bij eigen wee en pijn,
Om te ontsnappen aan 't gevaar. Als een rotsman staat hij daar. Zonder morren, zonder schromen, Tot geen stem meer wordt vernomen, Tot geen zucht meer hoorbaar is In de diepe duisternis,
OP HET GRASVELD.
n
|
Frissche lucht stroomt in de longen, Van de werkers dof en moe; Met een traan het oog ontsprongen Reikt de liefde laafnis toe. Vrouwen, moeders, dochters, zonen Knielen bij hun dierbren neer, |
En ze 7ien hun zorgen loonen. Kracht en kennis keeren weer, 't Grasveld houdt hen al te zamen, Weelde en armoè snelt er heen. Opgeroepen bij de namen, Mist men er God lof niet een. |
DANKBEDE.
Dank zij U, God, voor uw redding en zegen.
Die ook uw trouw toont in diepten en nacht; 't Zonlicht lacht al de geredden weer tegen,
U zij erkentnis en hulde gebracht.
Sta hen ook bij als hun wonden genezen,
Schenk hun weer kracht voor de taak die hen wacht, Wil hun een licht in de duisternis wezen,
U zij het loflied der liefde gebracht.
1877.
Zeven Kniedichtjes.
I. VRIENDSCHAP.
Daar tiert in 's levens milde gaard Een bloem op tengren steel,
En als de stormvlaag 't plantje spaart,
Dan kan het bijster veel.
't Biedt balsem, voedsel, 't biedt genot,
't. Vraagt naar gevaar noch levenslot,
Zeven Kniedichtjes.
Wanneer het op uw weg mag bloeien;
Dat bloempje, dat zich Vriendschap noemt. Ziet aan heur zij veel struiken groeien,
Wier tal zich op haar deugd beroemt; Maar, zijt ge kenner in uw gaarde,
Dan houdt ge de echte soort in waarde; Ze wast bij voorkeur onbespied, En... overvloedig wast zij niet.
II. VREUGDE.
Vreugde is een tortel, die schatert en koert,
Ons aan de rustige huiscel ontvoert.
Luide ons verlokt: âgeniet en kom buiten!
Tracht eerst uw zorgen goed binnen te sluiten;
Zing wat u hindert en drukken moog, weg,
Moei u niet hard met gestaag overleg.quot;
Maar, hoe die tortel moog lokken en streelen.
Als ze u wat lang zingt â ze zal u vervelen;
Vreugd heeft een lokstem voor grijsheid en jeugd, Maar slaat ze door, ze overschreeuwt vaak de Deugd.
III. SMART.
Een schatting, die het hart betaalt Met diepe zuchten, heete tranen;
Een nevel, die van boven daalt.
Om tot de ziel een weg te banen:
Een vlijm, die loutert en geneest,
Al laat zij diepe voren achter;
Een stem, die, roept zij 't liefste 't meest, Dat liefste heenvoert naar een Wachter,
Die soms iets eischt tot hooger doel. Waar Smart voor altijd ligt verbroken, Waar, uit de kerf van 't zielsgevoel, De paradijsroos is ontloken.
IV. GEDULD.
âGeduld is zulk een schoone zaak!' Wij leerden 't toen wij kindren waren.
12
Zeven Kniedichtjes,
En â wat de ervaring waarheid maak â Wij zeggen 't nóg in later jaren;
Geduld breekt door verhardheid heen, Geduld tart bergen van bezwaren:
De waterdrup doorboort den steen Al eischt het werk ontelbre jaren:
Het lot drukt neer â 't verzet sta pal â Geduld toch overwint het al.
V. SCHOONHEID.
Schoonheid â een gift â niet verdiend, niet gekocht: Luide verkondster van Hem, die haar wrocht.
Broos als een mantel voor 't aardsche bestaan,
Eeuwig als uiting van hooger orgaan:
Zoete verlokster voor zinnen en ziel.
Engel, die soms door ontadeling viel, 1â
O, blijf gij rein in uw lieven en loven â
Eerbied zij u, als een lichtstraal van boven.
VI. VERTROUWEN.
Waar we in des levens loop Soms op een zandgrond bouwen â
Te leur gestelde hoop Dempt toch geen stil vertrouwen.
Vertrouwen is een vrucht.
Die voeden kan en laven.
Waar reeksen van genucht Het dorstend hart begaven;
Maar te edel en te goed Is ze om in 't wild te groeien:
Hier vraagt zij zonnegloed,
Daar noopt zij tot besnoeien.
Wijst ze naar boven heen â
Heur wasdom werkt het goede;
Bepaalt ze u slechts beneên â
Wees ernstig op uw hoede:
Hem, die deez' klimoprank om 't eigen ik slechts windt, Hem maakt heur kwistig sap bij wijlen stekeblind.
13
Voorwoordje bij Valentine van Milaan,
VII. ZALIGHEID.
Daar klinkt een machtig tooverwoord
Vol zoete melody,
Maar wat het uitdrukt, wat het meldt â
't Is ons een profecy.
't Vat alles goeds en zuivers saam
Wat ooit werd uitgedacht, En 't spreekt van 't eelst en fijnst genot
Waarnaar verbeelding smacht. Een Hemel, die 't slechts voeden kan,
Een Hemel, die 't bereidt. Elk stervling uit dat heerlijk woord â
En smacht naar zaligheid;
Maar wat het is en wat het geeft,
En wien of wat het geldt â
Geen wijsgeer, die het zeggen kan,
Geen dichter, die het meldt.
Voorwoordje bij Talentine van Milaan.
Valentine visconti, meer bekend onder den naam van talentine van Milaan, was de dochter van den Hertog jean calas visconti en Isabella van Frankrijk. In het huwelijk getreden met lodewijk van Orleans, broeder van den waanzinnigen Koning karel VI, was zij geplaatst in eene wereld van zedeloosheid en misdaad; omringd door haat en tweedracht, leefde zij in een tijd van ellende en jammer, zooals Frankrijk nimmer gekend had, en in dien nacht van algemeen verderf schitterde zij als een ster van eerbiedwaardige deugd en reinen godsdienstzin. Haar leven was rijk aan liefde, maar arm aan geluk. Henri Martin getuigt van haar in zijne Histoire de France: âNotre histoire offre peu de destinées aussi tristes et aussi touchantes que celles de cette femme au coeur violent mais généreux, si injustement flétrie par l'opinion, si constante et si malheureuse dans ses affections.quot; Bedroefd om het verval van het koningschap, bedrogen door een misdadig gemaal, die in schandelijke betrekking stond lot hare schoonzuster, de koningin, isabelle van Beieren, behield zij overvloedig geduld om den krankzinnigen karel te leiden en op te beuren, en onuitputtelijke liefde om den losbandigen lodewijk door zachtheid en toegevendheid tot zich te roepen. Zij zag echter hare vurigste wenschen onvervuld; des konings krankheid van geest bleek ongeneeslijk; haar echtgenoot werd te midden van zijne uitspattingen door gehuurd staal van zijn doodsvijand jean sans-PEür, den Hertog van boürgondie, omgebracht. Verpletterd door dien slag, vroeg
14
Valentine van Milaan.
valentine recht voor den hoon, haar en geheel het koninklijk huis aangedaan; de Koning, in oogenblikken van helderheid, zwoer wraak, rnaar de invloed van den heerschzuchtigen leenman wist de wapenen der vergelding van zich af te keeren. Hij wist valentine voor zich onschadelijk te maken, door haar met hare kinderen in Sint Blois te doen opsluiten, Het volk haatte Orleans om zijne losbandigheid; zijn moordenaar wist dien haat levendig te houden en dien op de nagelaten betrekkingen over te brengen. De geestkracht van den Hertog boezemde der menigte ontzag in, zoodat de weinige stemmen, die zich voor valentine verhieven, gelijk die van den Hertog van bodrbon, weinig of niets vermochten.
Valentine overleed in 4408 te Sint Blois, ruim een jaar na haren echtgenoot. Hare jeugdige zonen weenden om haren dood, maar wisten nog de grootte van hun verlies niet te peilen. Een jongeling, hare zonen een weinig in jaren en besef vooruit, stond aan haar sterfbed. Hij was DUNOis, basterdzoon van Orleans, vóór zijn huwelijk verwekt bij mevrouw cany. De basterd, dien valentine, naar den geest dier tijden, in hare nabijheid had zien opgroeien en, naar de inspraak van haar goed hart, in hare liefde had opgenomen, begreep welke smaad het koninklijk geslacht was aangedaan en welk hart men verwoest had. Hij zwoer zijne weldoenster en zijn vader te wreken, en den eed, aan het sterfbed gedaan, heeft hij gehouden, door zijn leven te stellen tegen de vijanden van het huis der valois, en hij was het die op lateren leeftijd Jeanne d'arg ter zijde stond in het bekampen van Britten en Bourgondiërs, en die als een der eerste veldheeren verder geschitterd heeft, om zijn ongelukkig vaderland en het zinkende koningschap rust en recht te verschaffen.
Valentine van Milaan.
De laatste traan der weduw wordt vergoten:
De doodstrijd geeft der kaak een laatsten gloed, De doornenvlecht heeft zich om 't hoofd gesloten
En de ochtendblik leeft op uit d'avondgroet. Het zieleleed heeft hier den strijd volstreden;
De schoonste bloem viel uit den leliekrans; De hand, nog straks gevouwen tot gebeden,
Rust nu verstijfd op 't hoofd van Orleans;
Maar voor den wees, ontwijd door 's vaders zonden,
Is 't moederwoord nauw van beteekenis:
Hij voelt nog niet wat draad is afgewonden. Wat steun en staf zijn jeugd ontvallen is.
Maar nevens hem knielt de oudre basterdbroeder â Ddnois, hddr niet door 't bloed verwant als zoon, Haar wien ze in 't hart de zegenbee der moeder Ten erfdeel grifte in 't licht der martlaarskroon.
15
Valentine van Milaan.
Ddnois, om 's vaders dood en Frankrijks recliten
Besterad tot wreker op Bourgonje's vaan,
Die, waar een maagd zich 't pantser om zou hechten,
Ter zij dier andre martlares zou staan. â
Sint Blois, 't aziel voor stomme smart en tranen,
Verloor de ster der majesteit en jeugd.
Die 't in zijn vest zag schitteren en tanen.
Als laatste glans van onbegrepen deugd;
De kerker voor verstooten liefde en zorgen.
Die tuigen kan hoe sterk de godsvrucht bleek.
Heeft haar devies geheiligd en geborgen:
âZe voedde zich met tranen â en bezweek;* En als de tand des tijds de vest zal slopen,
Zal nog één steen geweld en storm weerstaan: Hij draagt een naam, die tot ontzag moet nopen. Den naam van valentine van Milaan.
Frankrijk zag zijn zon verbleeken.
Dikke neevlen pakten saam; Bloedschand, muichelmoord en waanzin
Schreven Zesden karels naam. Weelde slurpte 't gift der zonde,
't Purper lag in slijk en stof; Ijverzucht en zelfverheffing
Loerden op 't ontzenuwd hof. Hoogmoed, hebzucht en partijschap
Verfden 'tgoud en 'tmarmer rood; Misdaad riep ellende in 't leven:
Oorlog, pest en hongersnood. De oude stamboom stond te wagglen
En de bijl lag aan zijn voet; 't Meir der ongerechtigheden
Waste tot onstuimen vloed.
Maar verblinding schiep verbeelding.
En verbeelding vroeg genot; Feestmuziek en Bacchanalen
Doofden zelfs de stem van God. Monsters in den vorm van schoonheid
Voedden zich met helsche drift; In de bloemen staken dolken,
In den beker school vergift. Avignon, Rouaan, Navarre,
Languedoc, Dyon, Artois,
Weefden 't spinweb der verneedring
Om den zetel van valois.
16
Valentine van Milaan. 17
Roemloos tealt van vijfden karel,
Vroeg verweesd en vroeg ontwijd,
Speelbal van baatzuchte voogden,
Prooi van drift of list of nijd;
Ach, uw eerste levenslente.
Rijk aan bloei, maar kort van duur.
Zou mot haar aantreklijkheden
Dooven in onzalig vnur,
IJdel jongling, noch door liefde.
Noch door godsdienst voortgeleid,
Die door glanzen of kabalen
Werd bedrogen of gevleid;
Zwakke Koning, die het rijkszwaard
Hebt gewet tot. schande en val â
Zonder kracht voor Englands strijders,
Zonder eer voor Gelders wal.
Welke steun is u verbleven
In uw wankle heerschappij?
Maar Anjou, Bourgonje of Berry
Kenden heerschzucht â geen voogdij; Heerschzucht, die een trouwer wachter,
De eedle Hertog van bocrbon. Wel berispen en verachten â
Nooit, helaas, ontwaapnen kon.
Welke band heeft u omstrengeld 1
Is 't de band der broedermin ?
Orleans toch was u dierbaar â
Met hem gingt ge 'tleven in!....
Maar de smet des bloeds zou kleven
Op den naam van LonEWUK,
Die uwe eer en kroon bezoedlen
En 't zou boeten met zijn lijk.
Welke boezem bood u balsem
Voor de wond van hoon en haat ?...
Maar zelfs op uw huwlijkssponde
Sliepen ontrouw en verraad;
En de hand van isabelle,
U ten vloek en ergernis,
Zou den laatsten lichtstraal dooven,
Die uw ziel gegeven is.
Zesde karel, die den rampspoed
Kocht voor uw lichtzinnigheid;
't Spotkleed in den koningsmantel
II. 2
A
j
VaUintina ran Milaan.
Aan uw naaktheid onigespreid, Bande mpegevoel en liefde
Toen de nacht uws geestes viel, Maakte u hulploos cn verlaten,
Hongerend naar lijf en ziel. Slechts uw volk, verlamd, vernederd.
Zwoegend onder tweedrachtsjnk, Had nog in zijn dwazen Koning
Eerbied voor het ongeluk. Slechts één vrouw, het hart gebroken,
Dieper nog gekrenkt dan gij. Waakte met gesmoorde zuchten,
Als een engel aan uw zij.
liet land der kusten en der bloemen;
Itaalje mocht, in wulpschheid roemen,
't Bracht ook een bloem des levens voort,
Wier bloei, door last noch lust verstoord, Bestemd scheen om een gaard te tooien Waar adeldom door godsvrucht blonk;
Waar vrede bloesems rond mocht strooien,
En 't hart de teug des levens dronk.
ViscOnti's telg was uitverkoren
Tot gade van den Koningszoon;
Ze zou als ster der liefde gloren
Door Orleans aan Frankrijks troon.
Neen, valentine, niet de weelde.
Waarmee uw bruidstooi werd omstraald, De palm door ridderroem behaald.
Ze brachten 't heil niet, dat u streelde.
Bij 't vatten van de dierbre hand,
Door jeugd en fierheid u geschonken â
Uw ziele voelde dieper vonken Voor hém en 't nieuwe vaderland.
U, Orleans, was 't u gegeven
Bij 't zweren van uw huwlijkseed,
Voor reiner ideaal te leven
Dan voor het schoon in 't zinlijk kleed â Gij hadt den schat niet afgesneden,
Toen dartle lust door vuigen tocht Uw oog verblindde, uw ziel verzocht Om de onschuld op het hart te treden;
Want onschuld was 't, die de eedle vrouw Uw schuldig leven tegenstelde.
18
Valentine van Milaan.
En, schoon uw pad haar smaad voorspelde,
Gaf zij voor ontrouw â dure trouw. Verdoolde, was dan 't oog gesloten
Voor h a re schoonheid, voor haar deugd ? Moest dan een engel zijn verstooten
Voor 'tduivelsch waas der wulpsche vreugdquot;? Gij, die door Isabella's lonken Den roes der zonde hebt gedronken,
Met haar, die kroon en kroost verried, Die d'armen ga versmachten liet; Gij?.... Heeft geen stem des bloeds gesproken.
Die voor den lievling broeder sprak?
Heell u de dolk niet weergestoken.
Die in de kreuk eens boezems stak?....
O, valentine, diep gekrenkte.
Geknakte lelie van het Zuid,
Wier liefde niet de liefde drenkte,
Gij, aan bedrog en haat ten buit,
Vondt toch uw roeping aangewezen;
Bewakeres van troon en huis,
Hebt ge in 't gebed uw kracht geprezen,
En zocht uw troost in 's Heiiands kruis; Want, toen verstomping en verkwijning
Op 't purper lagen uitgespreid,
Bleekt gij een hemelsche verschijning In 't pleeghuis der krankzinnigheid.
Ja, de arme dwaas, bespot, verlaten,
Vervreemd aan eigen kroost en bloed, Die hén vergat, wie hém vergaten.
De lelies trappend met den voet.
Die zich verwenschte in zijn verneedring,
Godslastrend in zijn woestenij â
Hai! één bewustzijn, één verteedriug,
Eén zonnestraal â en dat waart gijl Ja gij, schoon ook de driestheid smaalde
Bij 't werk, dat, gij alleen vermocht,
Wijl zij, die 't kwaad met kwaad betaalde,
In ii een lage drijfveer zocht;
Gij, die, den blik omhoog geheven,
Volbracht wat u in God geviel.
Met al den moed van 't christlijk leven,
Mot al de grootheid van de ziel!
Doch niet alleen de broeder-koning Dehoetde uw hulp in 's lijdens nacht,
l'J
Valentine van Milaan.
Maar ook om de eer van eigen woning Waart ge Orleans ten englenwacht.
Gpen bitterheid, maar traan en bede.
Was de uiting, die uw hart ontsloot;
Een blik vol zorg, een woord van vrede
Bejegenden den echtgenoot.
Helaas, wat foltering moest ge ervaren'?
Wat zwaard moest door de'ziele u gaan?... 't Staal van hoürconje's moordenaren Bracht lodewijk den doodsnik aan.
Daar stondt ge, hulploos en verstcoten,
Met de onmacht voor u van een lijk; De tranenstroom, te mild vergoten.
Vroeg wraak... maar aan een hoofdloos rijk. De gruwlen zouden gruwlen wekken,
De distien op uw pad gespreid â
Ze vonden slechts in karels trekken
Een schaduw van meewarigheid;
Maar wat kon hij â de zielsverdwaalde'/
Wat deed zijn kalmte in krachtgemis'?
Ach, waar een vonk van kennis straalde,
Was 't flikkring in de duisternis.
De laster loog, de nijd ontgloeide,
't Vooroordeel gaf u smaad voor troost, En 't volk, dat Orleans verfoeide.
Bracht d' afkeer over op zijn kroost.
Zijn kroost â uw kroost, zijn bloed â uw leven,
Onschuldig, nauw zijn lot bewust â
't Zou, wat de vader had misdreven.
Betalen met zijn recht en rust.
Toch hadt ge moed den smet te wraken,
Den bloedsmet op uw naam en huis,
Maar 't luipaard deed zijn prooi bewaken,
En Hertog jan verzwaarde uw kruis.
Bourgonje wist uw klacht te smoren:
Sint BLOIS werd u ten kerkermuur. â
Al deed boürdon zijn veto hooren â
Hij sprak voor u ter kwader uur.
Uw zonne moest door 't rouwfloers tanen.
Miskenning zou uw smart weerstaan.
En in een zee van bittre tranen
Uw levensavond ondergaan.
Uw kroon was niet van deze wereld.
Uw jeupl was kort, uw lijder. Lang;
â¢20
Valentine van Milaan.
Heeft u een diadeem ornpereld â
Haar wicht viel zwaar naar 's kerkers gang. Gij hebt geleden en gestreden,
Maar liefde was uw schutsvoogdes;
De hemel juichte in uw gebeden,
Eu de aarde maakte u martlares.
Mocht u de boosheid grafwaarts sleepen, Uw sterfbed heiligde sint blois.
Eén hart slechts had uw deugd begrepen.
De jonge basterd was 't â üdnois.
Hij zou de erinnering bewaren
Aan uw gebed voor Frankrijks eer.
Om, na een nacht van twintig jaren,
Te strijden voor zijn wettig Heer,
Hij zou de maagd ter zijde snellen,
Vertrouwend op haar visioen,
Het kind van domremi verzeilen.
Om 't juk der schaad te niet te doen.
Hij zou een bloedig feit zien plegen,
't Gevangen lam in boei zien slaan.
En, uit den rook der mijt ontstegen.
Een nieuwe scheeinring op zien gaan.
Ja, held, ge waart van twee heldinnen
De schakel van het zielsverband;
Gij hebt g e 1 o o v e n en beminnen Uw trouw getoond, uw eer verpand;
Van u zal stift en beitel buigen;
Ge hebt een roemrijk pad gegaan.
En, moest de stam der lelies tuigen,
Gij bracht der bloem nieuw leven aan.
Uw oog zag door het floers dier tijden
De nimbus boven 't martlaarskleed, â In Jeanne d'ahc â geloof in lijden, In valentine â liefde in leed.
Zou, Frankrijk, u een dracht van jammren drukken, U zinken doen van trap tot trap;
Zou 't schuldig hoofd voor 's Hemels wrake bukken In uw vernederd koningschap....
Een reine ziel heeft voor uw heil gestreden;
Want op der vrouwe donker pad
Heeft c!o ootmoed Gods gerechtigheid verbedeu â Wél haar, die veel heeft liefgehad 1
21
In vorstelijke Albums,
In vorstelijke Albums.
AAN H. K. H. MEVROUW DE PRINSES HENDRIK DER NEDERLANDEN.
Geboren Prinses Maria van Pruisen.
(Etuc bijdrage in het Album door eeuigo Kunatcnsars aa Leticvkuudigcu H. K. H. «augebodcu.)
22
|
Vij hebben veel verloren, A â ! is er voor ons heengegaan; ort deed de vreugd zich hooien, A !, zeis gedempt door klacht en traan. Vij hadden veel te rof-men ! adeldom en drugd en eer; Vij mochten name noemen â ] Tinnering zegt: ze zijn niet meer! Toch zijn ze niet vergeten Jji- onze glorie zijn geweest; De band, van e-in gereten, li. !it zich nog aan gemoed en geest. ^at schat men ook verlieze, jiü tijd brengt kalmte in ieder leed: Amalia, Louise, Sophia.... wat de scheiding deed â Ze blijven ons omzweven In al den liefelijkeu glans Van 't welbestede leven: Do schoonste bloem dei' mirtenkrans. De weemoed adelt harten, iliiar't leven eischtzijn voedingsrecht, Ue wonden brengen smarten, De balsem is er naast gelegd. Zoo zien we U tol ons komen Ter zij van Neêrlands liev'lingvorst; l;i) waar held zijn de droomen, IJie ieder nauwlijks uiten dorst. (lezegend zij Uw leven, 1 al gij den brave wijden wilt, De liefde hem gegeven. |
Is nimmer aan zijn hart verspild. Zijn huiselijke deugden. Zijn eerewoord, zijn riddermoed, Hoe ze ons van jaren heugden! Ze worden eens Uw levensgoed. Ze zullen 't U eens leeren Dat U een schat beschoren is â Te hooger te waardeeren Bij 's mans gewijd geheugenis. Bij lasten, die wij torschten, Bij jubellied en feestgeschal Mint Nedrland steeds zijn vorsten, Maar Hendrik.,., niet het minst vanal. Wij roemen dus zijn keuze. Wij bicden U een welkomstgroet. Niet slechts bij lied en leuze, Maar met een dankbee in 't gemoed. Wij bidden dat Uw trouwe Bij d' adel van U w levensdoel Hem de innigheid ontvouwe Van een geheiligd zielsgevoel. Zoo worde Uw echtkoets beiden Een voertuig langs een rozengaard, Die naar een pad zal leiden. Dat langen duur aan welzijn paart. Vorstin, wij moeten 't uiten, Uw komst maakt onze vrees te (schand; Wat lot zich moog ontsluiten â Heil beide U T nieuwe Vaderland. Augustus 1878. |
Cypressenfwyyett.
DRIE KRONEN.
IN 'T ALBUM VAN H. M. KONINGIN EMKA DER NEDERLANDEN.
|
1. Bij diep besef van eed en plicht, Een vaste wil, die wondren sticht. Trouw bovenal in woord en daad, Van vleitaal wars en doof voor sniaad, Rechtvaardig zoo aan vreemd ais (vrind, Wol fier, niettrotsch, maar welgezi. ;i, liet hart gewijd aan 't Vaderland, Zelfs rust en heil daaraan verpand, Gevoel voor 't schoon, begrip van 't (waar Zoo binnensmmirs als openhaar. De hand gereed bij noodgetij, Van zelfzucht en vooroordeel vrij. Zoo wordt de roeping eerbiedwaard, Die aan den diadeem zich paart Van majesteit en machtbetoon â Zoo glanst en gloort de Vorsten-(k r o o n. Bij liefde in 't. hart voor 's naasten Ons leven en ons streven veil; (heil. Bedaard in blijdschap en verdriet, Tevreê met wat het lot ons biedt, Grootmoedig, bij vijandlijk leed Verzoenend hart en hand gereed. In menschentrouw ook trouw aan Erkentlijk voor elk rein genot, (God, |
I-e waarheid bovenal betracht. Maar 't oordeel over andren zacht. Oprechtheid in gedachte en woo; (, Nood, smart en armoê opgespoord. Wat oordeel ons in 't leven warht, Blijmoedig eiken plicht betracht, â Zoo vormen zich bij vrede en vreugd, De paarlen van dequot; Kroon ri e r ngt;e u gd. 3. Een onbegrepen ideaal. Waarvoor geen woord in 's menschcn (taal, Een bloem in onverderflijk kleed. Verheven boven lot en leed. Een levensvonk, wel hier gewekt, Jlaar die naar hooger sfeeren trekt ; Een melodie, verruklijk schoon, Maar 't stoflijk oor te fijn van toon. Een zonnestraal, die't hart verkwikt, Schoon 't oog niet in zijn planspunt (blikt, Een roem die alle room verdooft En God in alles lieft en looft. Zoo spreekt zich hier de sterv'liriguit; 't Is staamlen slechts met zwa1-. geluid, Toch is 't het edelst wal hem vleit. Hij lispt: de Kroon der Zalig-(h e i d. Januari 1879. |
Cypressentwygen.
AAN H. TOLLENS Cz.
HERINNEniNG.
De luite brak in volle kracht. Een nieuwe grafkuil werd gestoken: De zanger heeft het oog geloken.
In vorstelijke Albums.
In vorstelijke Albums.
AAN H. K. H. MEVROUW DE PRINSES HENDRIK DER NEDERLANDEN.
Geboren Prinses Maria van Pruisen.
(Eeue bijdrage in het Album door eeuige Kunstenaari an Letierkimdigeu li. K. 11. ftaugebodcn.)
22
|
Vij hebben veel verloren, \ â¢! is er voor ons heengegaan; ort deed de vreugd zich hooien, A i, zeis gedempt door klachten traan. Vij hadden veel te roemen i. adeldom en deugd en eer; Vij mochten name noemen â i ^rin nering zegt: ze zijn niet meer! i nch zijn ze niet vergeten Dié onze glorie zijn geweest; De band, van e-in gereten, li lit zich nog aan gemoed eu geest. Afat schat men ook verlieze, iie tijd brengt kalmte in ieder leed: Amalia, Louise, Sophia.... wat de scheiding deed â '/.o blijven ons omzweven In ;d den liefelijken glans Van 't welbestede leven; I)o schoonste bloom dei' mirtenkrans. De weemoed adelt harten, li nar 't leven eischt zijn voedingsrecht, Ãe wonden brengen smarten, De balsem is er naast gelegd. Zoo zien we U tot ons komen Tor /.ij van Neêrlands liev'lingvorst; l!-;waarheid zijn de droomen, lii^ ieder nauwlijks uiten dorst. 'ïezegend zij Uw leven, i al gij den brave wijden wilt. Do liefde hem gegeven. |
Is nimmer aan zijn hart verspild. Zijn huiselijke deugden. Zijn eerewoord, zijn riddermoed, Hoe ze ons van jaren heugden! Ze worden eens Uw levensgoed. Ze zullen 't U eens leeren Dat U een schat beschoren is â ïe hooger te waardeeren Bij 's mans gewijd geheugenis. Bij lasten, die wij torschten. Bij jubellied en feestgeschal Mint Neêrland steeds zijn vorsten, Maar Hendrik.,., niet het minst van al. Wij roemen dus zijn keuze, Wij bieden U een welkomstgroet. Niet slechts bij lied en leuze. Maar met een dankbee in 't gemoed. Wij bidden dat. Uw trouwe Bij d' adel van Uw levensdoel Hem de innigheid ontvouwe Van een geheiligd zielsgevoel. Zoo worde Uw echtkoets beiden Een voertuig langs eeu rozengaard, Die naar een pad zal leiden, Dat langen duur aan welzijn paart. Vorstin, wij moeten 't uiten. Uw komst maakt onze vrees te (schand; Wat lot zich moog ontsluiten â Heil beide U 't nieuwe Vaderland. Augustus 1878. |
Cypressenfwijyeti.
23
|
DRIE K IN 'T ALBUM VA.N H. M. KONII 1. Bij diep besef van eed en plicht, Ben vaste wil, die wondren sticht, Trouw bovenal in woord en daud, Van vleitaal wars en doof voor smaad, Rechtvaardig zoo aan vreemd a's (vrind, Wel fier, niet trotsch, maar welgezi. ⢠i, Het hart gewijd aan 't Vaderland, Zelfs rust en heil daaraan verpand. Gevoel voor 't schoon, begrip van 't (waar Zoo binnensinuurs als openbaar. De hand gereed bij noodgetij, Van zelfzucht en vooroordeel vrij. Zoo wordt de roeping eerbiedwaard, Die aan den diadeem zich paart Van majesteit en machtbetoon â Zoo glanst en gloort de Vorsten-(k r o o n. 2. Bij liefde in 't hart voor 's naasten Ons leven en ons streven veil; (heil, Bedaard in blijdschap en verdriet, Tevreê met wat het lot ons biedt. Grootmoedig, bij vijandlijk leed Verzoenend hart en hand gereed. In menschentrouw ook trouw aan Erkentlijk voor elk rein genot, (God, |
RON EN. GIN EMKA DER NEDERLANDEN. Re waarheid bovenal betracht. Maar 't oordeel over andren zacht. Oprechtheid in gedachte en woor (, Nood, smart en armoe opgespoord. Wat oordeel ons in 't leven wacht, Blijmoedig eiken plicht betracht, â Zoo vormen zich bij vrede en vreugd, De paarlen van de Kroon ri e r ft;e u gd. 3. Een onbegrepen ideaal, Waarvoor geen woord in 's menschon (taal, Een bloem in onverderflijk kleed. Verheven boven lot en leed, Een levensvonk, wel hier gewekt. Maar die naar hooger sfeeren trek); Een melodie, verruklijk schoon, Maar 't stollijk oor te fi jn van toon. Een zonnestraal, die 't hart verkwikt, Schoon 't oog niet in zijn planspunt (blikt, Een roem die alle roem verdooft En God in alles lieft en looft. Zoo spreekt zich hier de sterv'linguit: 'tls staamlen slechts met zwak geluid, Toch is 't het edelst wal bem vleit, Hij lispt: de Kroon der Zaligheid. Januari 1879. |
Cypressentwijgen.
AAN H. TOLLENS Cz.
HERINNERING. De luite brak in volle kracht, Een nieuwe grafkuil werd gestoken: De zanger beeft het oog geloken.
Cypressenlwijgen.
Kn Bij»wijk's aardzoo dekt hem raelit.
J», tollens, veelgeliefde manquot;,
Ook ik mocht U ter rustplaats brengen,
Hij, die me een stillen traan zag plengen. Weet, dat ik 't eerlijk zeggen kan.
Een traan â gij hebt er van gewaagd,
Toen 't einde U eens voor 't oog kwam zweven, 'k Heb met mijn gansche ziel gegeven,
Wat gij tot loon eens hebt gevraagd. Uw roem mag brons of marmer vergen En kransen vragen voor Uw graf â
Ik kan den weemoed niet verbergen.
Die mij uw treffende uitvaart gaf.
Die tocht staat in mijn ziel te lezen â Die tocht om 't needrig kerkgebouw,
Jlet eigen hand ons aangewezen,
Waar 't hoofd zoo gaarne rusten zou. Die gang uil Uw gezegend huis â Hij stemde met Uw wensch volkomen;
Door vriendenschouders opgenomen.
Bracht liefde U naar Uw laatste kluis.
Daar sloot de droeve kring zich samen; Geheugnis slaakte een dankbren toon. Verrukking vlechtte een eerekroon.
Berusting bad een plechtig amen.
Sprak 't aarden bed voor U gespreid, Van ijdelheid en nietigheid â Een vriendelijke straal van boven.
Trok onze blikken hemelwaart En noodde ons uit de hand te loven.
Die U ter grijsheid had gespaard,
Aan wiens talent, zoo mild gegeven.
Een schat van zegen was gehecht â Wél hem, die na 't arbeidzaam leven,
Zich zóó bemind te slapen legt!
J», zoon des lieds. Uw levensavend
Was God, natuur en kunst gewijd.
Uw rijke geest, zijn krachten stavend,
lioog niet als 't lichaam met den tijd. Wat mijn geheugen moge ontschieten.
Niet hoe ge soms me Uw cel ontsloot,
Hoe 'k daar den dichter mocht genieten,
Maar oek den mensch er bij genoot, â
CypreaseiUwijgen.
Den mensch, die zich vertrouwlijk uitte, Met open hart voor 't goede en schoon, Verdraagzaam, slechts gestreng van toon Als trots en eigenbaat hem stuitto.
Wel was er, toen 'k U heb ontr.ioet.
Iets schuchters in mijn eersten groet, Was 't vrees om in den mensch te dervan Wat me in den dichter dierbaar was? 0, hoe die vreeze dia genas I Want de indruk, dien ik mocht verwerven Bij elke ontmoeting mij bereid â
Hij tuigde van goedwilligheid ;
En waar ik soms een vraag bespeurde In 't oog, dat in het mijne zag â Een vraag, waarin bestraffing lag,
En die ik, als 't mij eens gebeurde â
Uit 's grijsaards mond vernemen mocht, Waarom ik hem zoo schaars bezocht'? Of Rijswijk m'j niet kon bekoren,
Of ik het uit het oog verloren,
Of licht uil onbestendigheid,
De vriendschap hein had opgezeid? Die vraag was mij muziek in de ooren; De vriendschap opgezeid aan hem,
Die â waarheid geeft mijn woorden klein, Die me aan zijn toon, als knaap reeds boeide, Die mij als jongeling ontgloeide.
Die me opgewekt heeft en bezield Waar 'k ongezien zijn toon rnocht hooren, Die in mij de eerste vonk deed gloren. Van liefde voor de poëzij... Die, hooggevierde man als hij.
Mij t eerst toetredend aan zou spreken De vriendenhand mij toe mocht steken.... Neen, tollens, niet die vraag aan my I
Maai- â nu Uw baan is afgesloten.
Nu smart mij mijn bescheidenheid,
Dat ik het heil mij toebereid Niet meer vrijmoedig heb genoten,
Nu 'k, bij 't genot mij toegestaan, Mij zeiven heb te kort gedaan.
Dan, wat mijn hart rnij ooit bssdiuldi 1 Geen koalte of onverschilligheid Heeft me immer van U afgeleid;
Cypressentwygen.
Neen, 'k heb U stil, maar diep gehuldigd,
Mijn mond bracht schaars U hulde of lof. Zelfs schijn van vleitaal wilde ik weren.
Maar â wie Uw dichtgaaf mocht waardeeren,
'k Schets niet hoe mij Uw zieltoon trof, In huislijk heil zag 'k rijker zegen,
'k Heb 't Vaderland meer lief gekregen, Met dieper dank sloeg ik het oog Naar boven, naar het licht omhoog; Met reiner vrees werd ik bevangen.
Waar zich 't natuurboek opcnspreidt Voor Almacht en Oneindigheid. â
Sat alles dankte ik aan Uw zangen.
Maar och, wat ik? Geslachten gaan, Geslachten zullen n;i ons leven.
Uw naam zal op hun lippen zweven.
Al spreekt geen zichtbaar beeld ons aan; Zoo lang hier burgerzin zal spreken.
Zoo lang zal, zanger van 't gemoed. Uw nagalm burgerdeugden kwecken
In 't onverbasterd Neerlandsch bloed. Uw leven was Uw land ten zegen
En vorst en volk beseffen 't saam:
Blonk loof en lint Uw zomer tegen â
Uw winter schonk den vadernaam. Gelukkige, wien velen danken.
Maar die ook veel te danken had.
Uw voet ging langs een bloemenpad, Al moest de gri)sheid grafwaarts wanken.
Gij hebt die reine rust gekend,
Die, waar geen wereld meer kan baten.
Toch niet alleen en niet verlaten,
Zich blijde tot iets beters wendt.
't Gehucht, dat gij u hadt gekozen
Ter schuilplaats voor Uw avondstond, Het zag Uw laatste vruchten blozen.
En 't spreidde er zegen mede in 't rond. 't Gaf U een danktoon mee ter ruste Bij 't knakken van Uw levensstaf, En 't vreedzaam dorp â Uw laatste luste. Schonk willig wat gij 't vroegt â een graf.
Hat ofraf zal Neerland heilijf wezen,
Zoo lang 't zijn dierste mannen eert,
Cypresscntwijgen.
Zoo lang er kunstzin wordt geproou.
En 't braafheid aan zijn kindren leert. Ja tollens, wat Uw zuivre snaren
Ons eenmaal hebben doen verstaart â Wij zullen U in 't hart bewaren
27
En plengen op Uw graf â een traan. â¢1856.
AAN DE NAGEDACHTENIS VAN MIJN VRIEND S. J. VAN DEN BERGH.
|
Zie dat licht des levens stralen, Hoor die stem haar kracht bewust, 't Is de gloed der idealen, 't Is de toon van liefde en lust! Maar â het licht heeft uitgeschenen En de fakkel ligt ter neer; Do echo voerde 't lied daar henen, Want â de zanger is niet meer. Somber rustpunt ons gegeven! Moedig wandlaar â brooze staf, Ach, een rijk en vruchtbaar leven Smoorde in 't pas gedolven graf. Liefde heeft haar offer noode Naar de groeve heengeleid, â 't Winterkleed bedekt oen doode, Wel bemind en diep beschreid. Van pen bercii, wij moeten 't uiten; Uit uw handdruk sprak uw hart. Ook wij zullen 't h?.rt ontsluiten â Onze dank en onze smart. Hij de weeklacht van uw magen, Bij het treuren van uw ga, Hebben we u ter rust gedragen, Blikken we u vol weemoed na. Vriend in vreugde, vriend in lijden. Wat u bond of u ontviel, Waart ge in roemen en in strijden, Frisch van hoofd en trouw van ziel. Handlend boodt ge troost in tranen, Juichend waar de vreugde zong, |
Wist gij u oen wfy te banen Naar 't gemoed vaii oud en jong. Open steeds in woord en daden, Prikkelbaar in nerf en bloed. Moest ge uw lief en lei.d verraden, Bij een kinilegt; lijk gemoed; Eerlijkheid b(stuurde uw streven: Zelfs waar d» eerzucht luide sprak. Hebt ge u zei ven ons gegeven lu uw deugden, in uw zwak. Bij uw rust- en lustverzaking Was uw ijver zonder grens; Eigen vorming, zelfvolmaking Waren doel en hartewensch; En, ge zoudt uw roeping staven Door een leven wel besteed; En uw rijke dichtergaven Adelden het burgerkleed. Zanger van uw land en koning. Maar ook zanger van 't gernoed, Is 't getuignis uw belooning, Dat ge niets dan 't schoon en goed Hebt bezongen en gehuldigd; Trots den tegenstand van 't lot, Gaaft ge wat ge waart verschuldigd Aan de menschen en aan God. Zoo wij luide uw naam vereeren In een danktoon U gewijd â 't Ts 't erkennen en waardeeren |
Tonen voor Huis en Hart.
28
|
Van tiw schoonheidszin en vlijt; Van uw zangdrift niet te binden, Uw volharding van der jeugd. t-Tw hulpvaardigheid voor vrinden, Christenzin en burgerdeugd. i'ingt gij heen ten hooger leven. |
Is uw arbeid hier volbracht, Wat kon maag en vriend u geven Dan een nokkend: Goeden nachtI 't Leven heeft den dood ten wachter, Maar de braven sterven niet; 't Voetspoor liet d en mensch ons achter En de dichter schonk zijn lied. 4 Januari 18G9. |
Tonen voor Huis en Hart.
AAN MARIA.
NA MTJNE EERSTE AVONDMAALSVIERING.
O, zalig was mij 't uur, maria,
Toen 'k met u opging naar Gods huis, Om met u me aan de bron te laven
Van 'sHeeren woord en 's Heeren kruis; Toen ik, verjongd, hernieuwd van harte,
Mij met u spijzigde aan den disch.
Waar 't liefdewoord de ziel verzadigt:
âDoe dit tot mijn gedachtenis.quot; De Christus was me opnieuw verrezen.
Zijn licht was voor mij opgegaan, En 'k heb des wachters woord vernomen
Al moest ik lang van verre staan; Ach, knellend was mij 't juk geworden
Van moedloosheid en twijfelzucht; In jezüs ben ik vrij geworden:
't Geloof kweekt voor den Hemel vrucht; Want voor belasten en vermoeiden Blauwt ginds een zaligende kust. Van dadr noodt ons het woord des Heeren, Ik heb 't verstaan en â 't hart vond rust, O, dat die rust mij kracht moog geven
Voor hemelzin en christenplicht;
Maar zou 'k het niet met Hem vermogen? Zijn juk zoo zacht. Zijn last zoo licht I
Met moed de taak aanvaard, melieve. Die weldra me aan uw zijde toeft; We vinden op den weg naar boven
Wis alles wat ons hart behoeft.
Want Hij, die zegent in beproeving
Tonen voor Huis en Hart.
En 't kruis ons op de schoudren legt, Hij heelt der ziele ook vrede eti blijdschap,
llij heeft zijn hulpe ons toegezegd.
Het was ine een dierbaar feest, maria,
Toen ik met u daar nederzat.
En, op des Hei lands liefde hopend,
Met u het brood des levens at;
Toen werdt ge in God mijn zielsbeminde,
Toen ja, toen werdt gij me eindloos meer. Mijn zuster waart ge, ik was uw broeder
In jezus christus onzen Heer.
Zijn bond inoog onzen bond versterken:
Dat zij de bruidsgift, die u wacht,
Dat zij voor mij de straal der hope,
De lichtster in den levensnacht.
0, dat wij nooit die haken derven,
'l Zij schaduw onzen voet omhult,
Het zij wij in Gods weldaan juichen
En blijde hoop de ziel vervult.
Hij blijv' de rots van ons vertrouwen. Hij kweek' den Hemel in 't gemoed.
En doe er immer vrede wonen:
Zoo worde ons 't leven dubbel zoet. 0, danken wij zijn zegeningen.
Zijn leiding in ons beider lot,
Dat danken, bidden en gevoelen.
Die zucht naar 't heiligst zielsgenot. Mapia, dierste en uitverkoorne,
Wees gij mijn eenigst, wees mijn alt Geen wel of wee, dat onze banden
Voor hier of ginds ontknoopen zal.
Dit bad, dit smeekte ik bij de stonde.
Toen 'k met u opging naar dat huis. Om met u me aan de bron te laven
Van 's Heeren woord en 's Heeren kruis; En, zoo er ooit een uur mocht naken, Dat schaduw werpt op ons verbond. God moog de zon des vredes wezen,
In Wien de ziel heur roeping vond. Hij doe de nevelen verdwijnen
En blaas Zijn adem op ons pad;
Blijf Hij de hoeksteen onzer liefde,
Die 't al â ook ons â heeft liefgehad.
ms.
Tonnn voor Huis en Hare.
ONS VIERSPAN.
(een briefje aan den redacteur van den âVergeet mij niet. Mu?,en-Almanak.quot;)
30
|
Ons vierspan, onze rijkdom, De vreugd van ons gezin, Hel biedt ons ruime rente Van ouderlijk gewin. Maar... bracht ons ieder popje Wel duizend poppen aan'.'... Ik heb 't niet nagecijferd Om daarvoor in te staan. Wel duizend vorderingen Voor voeding, vorming, kleed, Begrooten mijn begrooting, Meer dan ik waan of weet. Enfin, wat zal het baten Of 'k zucht, of praat, of mok? En____huiselijke zaken.... Wie hangt die aan de klok! Neen, liever wil ik juichen In 't lot mij toegedacht, Om duizend zegeningen, Die ons het vierspan bracht. Word ik in 't werk gehinderd Door wildzang en getier. Ik berg heel graag het schrijftuig Bij 't kinderlijk âpleizier.quot; En 'k spring met hen in 't ronde, Schoon moeder 't woelig vindt. En 'k denk aan werk noch zorgen, En.... 'k word met he n een k i nd. Dan hoor ik honderd vragen. Zoo onvoorziens als raar, Die 'k allen nooit beantwoord, Al word ik hon(L«J jt^p. De jongste maakt mij moede Bij sprong of kapriool. En de oudste mij verlegen Door wijsheid van de school; Heb ik een ledig uurtje. |
Schoon schaars mij toebedeeld, 't Wordt zorgloos doorgedarteld En dartel omgespeel'i. Nu vraag ik al wat hart heeft: Heb ik geen groot gelijk?... âNeen!quot; roepen de Almanakken: âNeem naar je cel de wijk! âWat malen we om je vierspan? âPers uit een bijdraag, persl âWe zitten lang te wachten, âEen vers. een vers, een vers! âMij,* roept men, âmij voor allen! âJe hebt het ons beloofd!quot;.. Wel, zou je 'm niet verzeggen. Die zoo je vreugde rooft! Hoor! rellen honderd brieven ; âWat stel jij ons te leur!quot; 'kZeg ook: âLoop naar den rijkdom. Vervelend redacteur!1) Ten Kate! Weeldrig zangerI Maar vader bovendien, â Kunt ge in mijn achterblijven. Gij, zooveel kwaads wel zien? Mijn vierspan gaat voor 't speeltuig â G ij â wraakt het wat ik doe ?! Gij ? â hebt ge nog geen vierspan â Toch zijt ge er na aan toe. Plaats, wilt gij, in uw boekjen, In vredes naam deez' brief, AI keurt men deze bijdraag Wat al te subjectief. Welaan, dat ieder 't wete. Waar 'k met mijn bijdraag blijf: 'k Speel liever met mijn jongens, Dan dat ik verzen schrijf. Licht knikt een goedig vader Mij toe om 't geen 'k beleed: |
') Zie Aurora, Jaargang 1851.
Tonen four Huis en Hart.
31
|
Dat ik uit oudervreugde De Uerendrcun vergeet. Nog eens, 'k verlaat de schrijfcel, Als 't kinderliedje klinkt, 'k Verstrooi mijn dichterplannen, Mijn Perrian roest in d' inkt. Ons vierspan blijft voor alles Mijn hoogste poëzij. God late 't mij behouden â Ten KateI wat zegt gij? 1851. Eu geldt het hier den zanger |
Noch zijn âVergeet mij nietquot; â Nóg juich ik in het viertal. Dat God mij liefdrijk liet. Eu â is 't nu vier jaar ouder, En â wast mijn zorg met hen, 't Is nóg mijn liefste rijkdom. Die 'k op mijn reisweg ken. 't Voegt, dat voor hunne leiding Elke andre roepstem zwicht. Mijn lieve vrouw zegt: amen â Ik.... sluit mijn boekcel dicht 1855. |
VIJF ROZENPOTTEN.
Mijn jaardag! lieve en teere ontmoetingI
Een kleine kring sluit zich om mij: Een dierbre vrouw, een juichend viertal â
't Kleurt m ij n Septemberochtond blij. Ze zeggen mij door kus en handdruk,
Meer dan de mond te kennen geeft.
Dat ze in mijn heil zich mee verheugen.
Dat vader in hun harten leelt. Geschenken? och, 'k eisch geen geschenken
Dan kinderliefde en dank aan God;
Toch wacht mij, 'k weet het door gewoonte,
Van ieder kind een rozenpot.
Reeds zoekt mijn oog, ondanks mij zelven.
Naar de uitkomst van dit stil bedrijf; Maria, SUZE, PiEXER, WILLEM â
Vier rozen? neen! ik tel er vijf!
Dank, beste vrouw, dank lieve kindren. De traan, die in mijn ooghoek beeft.
Zij u de tolk van diepe erkentnis
Voor 't fijn gevoel dat in u leeft. Die vijfde roos â zij is van anna.
Van 't lieve wicht dat van ons irhig, Dal, afgescheurd van 't ouderharle.
Een schakel nam uit onzen kring. Vergeten? neen dat jongste zusje,
Die engel, dat vierjarig kind.
Dat gij beweend hebt met uw moed' r. En met uw vuiler lioM beui;n:!!
Tonen voor Bids en Hart.
Vergeten'? neen, 't blijft met ons leven,
Ook nu 't in reiner leven roemt:
Haar beeld blijve in ons midden toeven,
Heur naam zij ieder uur genoemd! Spreekt vrij, herinnert vaak elkander
Haar vroolijk spel, haar vriendlijk oog; Herdenkt de tijden, toen ze dartiend
Van mijne â in moeders armen vloog; Toen ze, in uw spelen medehupplend Ons hart stal door haar zoet gevlei, G\j allen, blij in hare blijheid.
Bezorgd ook bij haar droef geschrei, Gij allen zaagt de kinderkrankte:
Ze spaarde ook onze woning niet. En spoedig was de glans der vreugde
Geweken voor ons stil verdriet.
Het leven mocht lang weerstand bieden.
Ach, onze laatste hoop verging En uwe en onze tranen vloten Bij 't lijkje van de lieveling.
De dag van Hemelvaart!l) gij weet het
Wat indruk ons die morgen gaf! Het klokgelui, dat kerkwaarts noodde
't Was ons een troostzang naar heur graf. Wij legden daar onze anna neder,
Ãat teere bloempje in 's levens gaard. Aan u en ons zoo vroeg ontnomen â
Maar zij voor 's levens stor.n gespaard. Laat, kindren, uw gewoonte blijven.
Al wekt ze weemoed, 'k wensch die pijn. Vooral op mijn en moeders jaardag
Moet anna in ons midden zijn.
Vergeten, neen! vergeten nimmer,
Ook niet wanneer een feestuur slaat, â 't Verlies eens kinds voor 't onderhal te.... Daar is geen wond die dieper gaat.
THEODOOR. a)
Theodoor ! âvan God gegeven!quot; Met uw eerste kreet van 't leven. Jongste van mijn dier gezin, I Trad de vreugd weer bij ons in.
*) Zo werd op Hemelvaartsdag begraven.
*) Men weet, theodook, van het Griekttch afgeleid, wil zegïen; Qavc Gods of vau God gegeven.quot; quot;
Tonen voor Huis en Hart.
33
|
Werd een lievling ons ontnomen â , Wij berusten in 't verdriet; Nooit geneest zoo'n wond volkomen, Want een kind vergeet men niet. Doch. zoo we immer blijde waren, Bij een telg, in God verbeid, Wat ons hart thans mocht ervarenâ 't Was eon teug der zaligheid. Heerlyk Paaschlicht 1)) schoone mor- (gen, Diep staat ge in mijn ziel geprent, Toen mijn nieuwe levenszorgen Rustig werden afgewend. Vadervreugde, moederweelde â Smeekten, dankend, zegen af Van de hand, die sloeg en heelde, Wijze hand, die nam en gaf. Door den traan heen, 't oog ontsprongen Blikte ik, rijk bedeelde, in 't rond: 't Paaschlied in den geest gezongen. Gold dat wiegje naast die spond. Boven bidden en verwachten Daalde er zegen van zijn troon, Kreeg de moeder nieuwe krachten Bij de ontwikkling van haar zoon. Tiikodoor â «van God gegeven,* Jongste van mijn dier gezin, 'k Gaar bij d' aanblik van uw leven, Nieuwe blijdschap, nieuw gewin. 'k iJoor weer vroegre tonen klinken. Nieuw geschater, nieuw gedruisch: 'k Zie weer 't oude speelgoed blinken, Lang geborgen in mijn huis. |
Nieuwe klanken om mij henen Door mijn oor een tijd gemist. Doen weer lach en lied vereenen. Alles schijnt verjongd, verfrischt. Moeder danst met de oudre snaken Vroolijk rond in breeden kring: Alles wil zich jonger maken Om den jongsten lieveling. Waar verzachting werd geschonken. Waar vergoeding werd bereid. Ik heb aan die bron gedronken Die van boven tot ons leidt. Kind, uw naam van God gegeven Iquot; Drukt der oudren dankbee uit; In uw druk en dartel leven. Loven wij Gods liefde luid. Laat die naam uw leven merken. Blijft H e m trouw, die ons u gai'. Braafheid spreke uit al uw werken. Van uw wieg tot aan uw graf. Min uw moeder, steun uw vader, Als hij eens uw hulp behoeft; Godsvrucht zij uw levensader Wat u vleit of u bedroeft. Eerlijkheid bestuur uw daden. Rondheid leve in hart en mond; â Voor- ofonspoed kleure uw paden â Doe uw hand slechts wat ze vond. Nog verstaat gij niet mijn beden. Nog kent gij geen goed of kwaad; Maar, moogt ge eens uw weg bedreden, Toon dan dat ge mij verstaat. |
l) 't Kiud werd ous geboren met bet HMulichien van Faaaciimorgen, nadat oxuo vroereio jougsie het jaar te voren ons outuomeu ijraa, waarop bet tweede couplet doelt.
U. 'ó
Tanen voor Huis en Hart.
34
|
Blijft ge nog veel toedicht vragen, Stoort ge moeders nachtrust Taak, Geev' dat nooit in later dagen Ze om uw gang uit vreeze waak. Uierbre schat van God gegeven, Na den schat dien 't hart verloor: Heb, tot hulp en heul in 't leven, Lang uw oudeiS, theodoorI Mocht men op uw vader doelen, Dat hij slechts in kortswijl leeft, Kind, ik hoop, gij zult eens voelen, Dat hy de ernst wel 't liefste heeft. Wees ook gij blij met de blijden, Vriendlijk 't oog en gul de mond. Maar zorg, wat ge uw hart moogt (wijden, Dat het steunt op zuivren grond. Theodoob, âvan God gegeven,quot; Blondje met uw lief gezicht. Ruste er zegen op uw leven. En sluit eenmaal 't oog ons dicht. 1861. AAN CONSTANCE. BU KE.NE PIJNLIJKE LEVENSWONDE. Daar loopt een draad dooi' 't wel en Gevat door de eigen hand, (weo. Die zielesmart en zielevree Voor hoogren wasdom plant. Drie deelen vormen .saam dieu draad In onzen levensloop, Ze brengen heil en heul en baat â Geloof en Liefde en Hoop. â Gelukkig waar dit drietal spreekt. Van reiner harmonij, |
Van Hem, die wat hij bindt of breekt, Het beter weet dan wij. ONZE LIEVE KLEINE HENDRIK. Hij was zoo schoon, zoo zoet, zoo lief! Hij was ons aller hartedief, Zoo vroolijk, zoo aanvallig; Het was of elk gestameld woord Ons toeklonk uit een hemelsch oord, Zoo vriendlijk, zoo lieftallig! 't Was ons of hij het zelve wist Bij alles wat or werd gemist. Wat hij ons kwam vergoeden; Wat winst hij was voor 't oudrendeel; Hij nam veel weg en bracht zoo veel, En deed nog meer vermoeden. Daar kwam weer dartel feestgedruisch Weer'tkoestrend zonnetje in ons huis, Dat sprak van blijde dagen; Dat dankten we in d' ontvolkten kring Aan moeders jongsten lieveling. Aan 's vaders welbehagen. Gezegend was mij elke d*g, Die voor mij aanbrak met een lach Die mij hield opgetogen; Hij wekte in mij weer levensmoed. Hij bracht mij dan den morgengroet Van een paar englenoogen. Ach, toen hel krankbed mij onthield Wat mij verrukt had en bezield, 't Gezicht dier kinderblikken. Achtte ik de voorzorg goed en recht. De scheiding, plicht ons opgelegd ; Maar zwaar viel 't mij te schikken.1) Doch, toen 't gevaat- was afgewend En 'k weer, naar doctoraal consenl, |
B«j ernc ernstijjc riekte was mij slriVfr.
f / on (1 i-ri n'/ a an V.' t ol ea.
Ton?)! voor Buis en Hart.
|
Du mij iicu mocht ontmoeten, Hoe dankbaar was 'k, hoe wel te moê, Toen mij zijn kreet: na Paatje toe! 't Geleedne kwam verzoeten. En toen de huiselijke kring Me, aanvankelijk hersteld, ontving En mijne erkentnis deelde; ('k Voel nog hem zitten op mijn knie) quot;Was hij 't, met de oudste in harmonie, Die niet het minst mij streelde. Ik juichte eens in een grooten schat, 'k Heb voor mijn deel veol liefs gehad, Ach, 'k moest ook veel beweenen; Want bij mijne offers, duur en zwaar. Ging ook reeds in zijn tweede jaar Mijn lieve HENDRIK henen. Eén rukwind en de bloem brak af, |
Eén stuip â op siieuw degang naar Dat zooveel liefs bevatte; ('t graf', Hij rust bij 't groepje dat mij wacht. Het groepje dat mij zegen bracht â Of Ik 't naar waarde schatte?... Door iedre vreugd een lijdenstraan, Berg op, berg af in 't voorwaarts gaan, Is onze weg door 't leven, Mist maar de hand den reisstaf niet. Die ons den steun naar Boven biedt, Wat zou het anders geven! Geweken was weer 't feestgedruisch, Mijn woning droeg op nieuw het kruis, Zou 't mooglijk zijn voor immer? 'k Gaf onderworpen uit mijn kring Mijn jongsten schat, mijn lieveling, Hem ooit vergeten? nimmerl 1874. |
AAN ONS NAKOMERTJE.
Ja, lieve Constantijn,
Gij moogt er zijn,
Al werdt gij opgewacht Met vrees in traan en klacht; Gij kwaamt â en met uw intree in liet leven Was alle zorg van 't moederhart verdreven! Ãw eerste levenskreet â Hij overstemde al 't leed Dat nog in stilte werd gedragen Om menig wond in 't ouderhart geslagen.
Mijn Benjamin, mijn Constantijn, Gij moogt er zijn!
Wat groeit gij welig op Gij laatste rozenknop Aan 't boompje van ons echtlijk leven; Wat hebt ge ons al genot gegeven! Uw vriendüjk oog, uw englenlach, Uw konnis, wassend met den dag, Uw bloeiend, mollig, fijn gelaat. Uw dartelheid: gezondheidsmaat â
Tonen voor Kuis en Hart.
Ze doen ons weer de vreugde garen Van 't eerste heil der huwelijksjaren.
Werdt gij niet meer verbeid, ja zelfs niet meer gewenseht, Be ervaring had de hoop begrensd;
Gij kwaamt. â en alle vrees vlood heen:
't Was weer de zon der vreugd, die om uw wiegje scheen; Gij eisehtet dankbaarheid in ongesproken woorden; Wee ons, zoo wij haar uiting smoorden 1
Ja, lieve Constantijn,
Gij moogt er zijn.
Gij, die de moederborst deedt zwellen,
Gij kwaamt ons zooveel goeds vertellen;
Gij opent weer een nieuw verschiet:
Gij zegt: op aarde is wel verdriet.
Maar levensvreugd biedt ze ons ook te over. Gij knaapje met uw mingetoover!
Ik ben verjongd naar zin en ziel Sinds op mijn pad weer 't zonlicht viel,
Toen gij uw eerst geluid deedt hooren.
Dat zonlicht dat weer hooger op mag gloren.
Nu 'k zie hoe ge aller hart verblijdt En oud en jong ten speelpop zijt;
Gij lieveling van blond en bruin Schoon bloemeke in mijn wintertuin!
Och neen, ik mag mij niet meer vleien Dat ik uw groei zal zien gedijen Tot zelfzorg en volwassenheid;
Maar 'k hoop dat Hij uw pad bereidt,
Die tot mijn heil mij duidlijk deed verstaan Hoe lief en leed hier samengaan.
O, dat Gij eens de moederliefde loont Van haar in wier gemoed de vrede troont,
Die voor haar kroost de reinste zielebcden Bekrachtigt met haar zorg en duizend teederheden.
Word eens haar steun en blijf haar troost Op 't eerlijk pad dat gij u koost,
En houd mijn naam in eer, mijn kind;
Doe alles wat uw hand hier vind'
En wat er wasse voor uw voet.
Blijf in uw wandel vroom en vroed.
En laat eens al uw handelingen
36
Pietcr Spa naar Londen.
Een goode, oprechte prest doordringen;
Meld de opslag van uw oog, zoo open en zoo rain, Steeds waarheid van gemoed en helderheid van brein, Zoo moogt ge door gedrag en gaven Uws vaders dierste wenschen staven.
Zoo, lieve Constantijn,
Zoo moogt ge er zijn, zoo moogt ge er zijn.
1878.
Pieter Spa naar Londen.
bij het kroningsfeest v\s koningin victoria.
37
|
HET VI â Dat moet ik zien !riep pieter spa, Bij de avondtlmislcornst, tot zijn ga, Die onverwachts, door manlief's (woord, In 't kousenbreien werd gestoord ; â Wat vaderlief, wat wou je zien. De Dordtsche kermispret misschien? 'k Ga met je mee naar Dordrecht, (bout I â Wat ik! die nimmer kermis houd ?! Neen vrouw, een groot, ontzaglijk (leest, Zoo als er nooit een is geweest, Of waar men al mijn levensdagen, Geloof me, weer van zal gewagen. Een feest, waar geen fatsoenlijk man Zich voegzaam van weerhouden kan ; Voor vrouwen heeft het nogtans (schijn, Zal t wat te druk, te woelig zijn: Ik meen de plechtigheid in Londen, Die alle kranten ons verkonden, Den kroningsdag, wel wis en ja, Van koningin victoria!.... â Wat zeg je, heb ik wel verstaan ? Waar haal Je nou die grap van daan, |
Of waar toch liet je u zoo belezen? Spa, 'k hoop je zult toch wijzer wezen! Naar Londen!? Kijk, ik sta verstomd, 'kVat niet.hoe't in'uwhersenskomt; Een man, die nooit eens verder kwam Dan van den Haag naar Amsterdam, Die Engelsch spreekt noch Fransch (verstaat. En die maar leukweg Hollandsch (praat, Zou, zonder zich te laten raan, Zoo maar pardoes,naar England gaan! En dan een reis per schip of post, Of stoomboot liever, dat's subieter, Die eventjes veel centen kost, Zeg, 't is toch immers schertsen, (pieter i â Neen waarlijk, 't is geen schert-(sen, neen! Ik wil, 'k zal naar Londen heen. Hoor vrouw, ik weet wel wat me pa si â Ik nam 't besluit, en 't staat nu vast. âIIelp,eer i k van mijn centrum ra a k I Dat is me nu die man, die vaak, Tot mijn gewichtige ergernis. Zoo karig, zoo bekrompen is. Voor 't huisgezin zoo kaaien pover! Ei, heb je daar jou geld voor over? âHoor, weetje wat, ik volg mijn zin, 'k Wil ook de wijde wereld in; Een burger van mijn rang en stand, Moet nu en dan eens buiten 't land ; |
Pieter Spa naar Londen.
38
|
Dat is om aanzien en fatsoen. Om wereldkennis op te doen ; Je zei daar fluks ! ik was een man. Die nimmer grooter uitstap dan Naar Amsterdam heeft ondernomen.... Best! 'k Zal in Londen ook wel komen, Wees daar gerust op, lieve kind t Maar wat ik gansch niet aardig (vind â Je zei: ik kan slechts Hollandsch (spreken, Of ik me daarom minder reken: .Ie weet wel dat ik afkeer voel Met vreemde parlechants te prijken,â Maar bovendien, 'tis nietmijndoel Te schittren in de logica, 't Is slechts om naar victoria En Londens staatsie te gaan kijken. Doch luister, vrouw, 'k geloof gewis. Dat ik de ware reden gis: Je bent verstoord,dcwijl'k niet vraagde Of't soms ook aan mevrouw behaagde. Om met mij 'mee van honk te gaan; Ja, 'k weet wel, had ik dat gedaan. Dan kostte licht de reis niet veel I Maar jij vermoedde 't tegendeel Voorzeker uit mijn wijs van spreken; Ja,vrouw,ik ken sinds lang die streken; Maar 'k nam 't besluit; ik volg nu stil Mijn eigen plan, mijn eigen wil; Mijn woord deed u dien wil verstaan: Ik ga â en daarmee afgedaan. â Dus was de taal van onzen vriend. Tot naadre kennismaking dient, Dat pieter spa, door zuinigheid Of door zijn schrandervol beleid, Of liever door Fortuna's rad. Zijn schaapjes op hot droge had: Hij was een vette rentenier Geworden van een wijngrossier, Naar andren, was hij vroeger tappiquot; En is dit zoo, dan is 't nog knapper. Was nu het recht hier aan mijnheer Of aan mejuffrouw spa veeleer, Is 't geen ik thans niet zal beslissen: |
I Ik mocht me in de uitspraak licht (vergissen. En de afloop van dit twistgeding Ligt niet in 't plan der schildering. Genoeg, dat men na vierpaar dagen, Van d'ouden RoUerdamschen wagen Een man zag knikken tot zijn ga; 't Was de afscheidsgroet van pikter (spa. DE STOOMBOOT. â Is dit de stoomboot? â Ja, (mijnheer! â Ho, kruier, ho! strijk hier maar (neer, Zet nn op 't dek den koffer even; Wacht, dit valiesje zet Je er neven; Pak aan deez' paraplui, gezwind, Maar stil, eerst moet zo in 't zakje, (vrind. Leg d' overjas er boven op; Voorzichtig voor dien pijpekop! Zet nu de hoedendoos er naast; Zie zoo, nu is het al geplaatst Dat niets, geloof ik, 't schaden kan; En nu het kruigeld! daar, dag man ! Zoo hoorde men, bij 't prepareeren Van'tdampschip.SPApredisponeeren; Straks nam hij, blij van ziel en zin. Zijn plaats op 't prachtig vaartuig in. Het gaf een levendig rumoer Van hen, die mee ter stoomvaart (kwamen. 't Stroomde alles tot de reis te zamen ; Den koopman, baronet en boer. De kamermeisjes en mevrouwen, De mannen, die de lading sjouwen, Den conducteur en kapitein. De bootsgezellen, groot en klein: Luid tierend, schreeuwend, jagend, (joelend, Zag spa hier door elkaar krioelend. De stokers pasten op hun plicht; Daar schoven zij de stoomklep dicht: |
Pieter Spa naar Londen.
39
|
Men had den klank der bel vernomen, En.... rechtsomkeert I ging 't schip (aan 'tstoomen. üat gaf een nieuwe levensvreugd Voor onzen vriend, die vol goneugt, Op 't dek, der meeste heeren wijk, Ter neer zat, als een vorst zoo rijk; Hij blies van zijn Virginisch kruid De blauwe wolkjes voor zich uit; Terwijl hij over 't vlak der baren liet oog begeerlijk rond liet waren I Want wissling spreidt de Maas ten (toon En schilderachtig is haar schoon. En trotscher wordt heur breede (vloed. Daar, waar hij zich naar 't zeeschuim spoedt. Hier stevent de opgeladen kiel, 't Karakter nog van Neerlands ziel, En voert naar overzeesche réén Heur rijken handelsvoorraad heen; Ginds zeilt, de driekleurvlag in top, De Oostindievaarder 't stroomnat op, En brengt, na de afgelegde baan, De Morgenlandsche schatten aan. Hier plast de rankgebouwde boeier, En vroolijk zingt de schippersmaat; Daar stuwt een wel ervaren roeier Zijn wiegelende boot, en slaat De riemen lustig in de baren. Bij 't zorgelooze spelevaren; Terwijl de rook, die ginder zweeft, De kondschap van een stoomer geeft. Zoo zag men op deez' watertocht. Waarheen het oog zich richten (mocht. Aanlokkende verscheidenheid, In bonte groepen uitgespreid. Het vaartuig vloog op d' effen vloed, En 't klotsen van de raderwerken Deed de onverflauwde stoomkracht (merken, Dij 't knetteren van den kolengloed; |
Maar 't schip, gedwee aan stuurmans (wil, I.ag eensklaps op zijn wenken stil. Als waar 't van alle kracht beroofd; Men toefde aan 't Brielsche havenhoofd ; Diir werd weer lading ingenomen, Met oorverdoovend sjouwgeraas; Voorts ging het hier opnieuw aan 't (stoomen; Men groette dra den mond der Maas, Doorkliefde daar de golven mee. En ehidlijk was de boot in zee. O, nu, nu zal het vroolijk gaan! Dacht spa, 'k ga niet naar onder, (neen! Want op dej zee komt eerst, zoo 'k (meen. De rechte pret van 't varen aan: Men heeft toch op het zilte schuim. De lucht zoo frisch, 't gezicht zoo (ruim! En dan het klotsen van de baren. Daar mag zoo graag mijn oog op (staren. En dan het schomlen van de boot, Is ook pleizierig ! sakkerloot! De zeereis zal, naar allen schijn. Voor mij een nieuw genoegen zijn! Maar op des levens kronkelwegen Heeft menigeen 't bewijs gekregen, Dat al niet hecht is wat men bouwt. Niet vast, al wat men vast betrouwt; Maar dat, al wat op de aarde ons (beidt, Ãus predikt onbestendigheid. En ons slechts de overtuiging (schenkt, Dat, hoe men zich ook zeker denkt, Vooruitzien veelal niets bcteekent.â Ook onze vriend had misgerekend. Hoe zoo dat ? vraagt men mij misschien 1 Wel, hebt ge 't voorbeeld nooit (gezien. |
Pieter Spa naar Londen.
40
|
Ãf went ge 't ook bij wedervaren, Dat elk gestel 't geschok niet van Die immer rustelooze baren Van 't, pekelnat verdragen kan â Vooral bij de eerste reis; in 't kort: Dat men op zee soms zeeziek wordt? Nu, 't was de rustverstorenis Van hem, waarvan hiermentie is: Een lichte duiz'ling greep hem aan; De duiz'ling deed de ontsteltnis (groeien, De hoofdpijn hem de slapen gloeien; Onstuimig ging de pols aan 't slaan; fteeds deed de koorts hem klappertanden : De gisting, die hem de ingewanden En maag op 't hevigst roeren deed, Bracht stralen van het klamme zweet Up 't voorhoofd van den armen spa, Etcetera, etcetera! Was 't wonder, dat de vroolijkheid. Nog straks op 's mans gelaat verspreid, In matte somberheid verkeerde. Dat de onverschilligheid vermeerde Voor alles wat van stoomboots boord, Hem nog zoo even had bekoord? Hij nam een goed en wijs besluit. Toen de aanval wat getemperd was. Koos 't somberst hoekje der kajuit, En strekte tot de rust zich uit. Gewikkeld in zijn overjas; En, o, wat heil voor d' armen bloed, Wat balsem voor 't geschokt gemoed! De slaap streek op zijn oogen neer. En pieter spa beraamde weer. Hij sliep, en sliep tot d' andren (morgen Bevrijd van hoofdpijn, leed en zorgen. Men zag 't, een lach zweefde om (zijn mond, 't Waa of't gezelschap in het rond: Ua taal de« slapenden vsrstond: Hij sprak van een verstoord# ga â Van koningin vifiTOBiA; â |
Van Londen, â optocbt, praalver- (tooning â Westminster, â groot diner en (kroning, â Van volksfeest, â drukte, â blij (gejoel, â Van stoomboot, â duiz'ling â (vreemd gevoel â Van zeegezicht en breede stroomen. Hij droomde en zou wellicht nóg (droomeu. Had niet een veelvermogend woord Hem in zijn mijmering gestoord : 't Was 't we Ik om; welkom I riep (hij mee. Hij zag.. .de boot lag voor de ree. AAN WAL. â Zeg, conducteur, och zeg mij even, Spra k spa, bij 't stappen aan den wal, 'k Weet niet waar ik logeeren zal, En gij, hier zeker wel bekend. Wilt gij van 't zuiverst logement, (.fe vat mij wel?) 't adres eens geven ? Maar hoor eens, a gouverno dient. Ik prefereer een straat of plein. Waar de u bekende staatsietrein Voorbij moet trekken, hoor je vriend! â Wat?.... de processie van sint jan? â Kom! hou je mij voor 't lapje, man? Wel neen!... 'k meen d* optocht (tot de kroning. â Hier? 'k weet niets van zoo'n (praalvertooning. Zoo waar ik voor uwe oogen sta! â Jij weet niets van victoria, Eu zijt, vervolgde spa met klem, Een vreemdling in Jeruzalem?! â Victoria zal hier niet komen, 'k Geloof, mijnheer is nog aan 't (draomen! â Wat! droomeu? droomau zeg ju, (vent! |
Pieter Spa naar Londen.
41
|
Je toont me dal je een lomperd bent! â En gij behoorde u, naar den schijn, Den kranken bol te doen genezen. â Hal wilt ge bij een kroning zijn, Dan moet mijnheer in Londen wezen! â In Londen?... 'k Vat niets van (die zaak, Wel, ben 'k dan niet in Londen, (snaak ? â O, o, wat vraag!. . nu wordt het (fraai! â Kom, mijn geduld is niet zeer taai. Geef me antwoord! â Maar ge zijt (aan 't ijlen! Zie 'k Londen voor me? â Neen! â (Wat dan? Wel Duinkerk! â Duinkerk zeg je, (man I Is 't ver van Londen? â Honderd (mijlen. â Wel duizend drommels! dal 's (nu mooi! In Duinkerk!! ach, beklaag meals (prooi Van 't ongeval;.... hoe is 't gekomen ? Zeg, was deez' nacht het schip in (nood, Of heeft de stuurman van de boot Misschien verkeerden koers genomen? â O, niets, niets van dit alles, neen. Wij varen immer herwaarts heen. Maar nu, ja, wordt de zaak mij klaar. Wij voeren met den Londcnaar Bijna gelijk van Rotterdam, En nu is 't zeker onbetwist, Igt;at ge in der haast u hebt vergist, En de eene boot voor de andre nam. â Wel weerga, hoorde je ooit iets (slimmers ? Nu dacht ik me al aan Englands ree. Maar 'k sla op Duinkerks wal in stee. En Duinkerk ligt in Frankrijk immers? In Frankrijk ? Heer bewaar me, man! Mijn pas maakt daar geen melding (van; |
Ach, schaf ine nu eens goeden raad : Hoe kom 'k van hier, mijn beste maat? Want dal mijn pas geen Frankrijk (meldt. Daar word ik vreeslijk door bekneld ! â O wees gerust; bedaar mijnheer, Nooit, loopt hel erger, op mijne eer. Wanneer de magistraat hier vat De onjuistheid van uw reispas, dat Men wegens u naar Holland schrijft.. En gij hier slechts een dag of acht Of tien, terwijl men 't antwoord (wacht, Intusschen in bewaring blijft. â Gerechte hemel, hoe! ze zouden Me in Duinkerk in bewaring houden? Mij, eerlijk burger! pieter spa! Zog, vordren dit de wetten? âJa, Eu deze dulden geen verschooning. â En Londen! en Victoria! Vier dagen nog, dan is het kroning! Bedenk toch, vriend, kwam 'keens (te spa! Ach, doe mijn zielsangst toch bedaren; Is hier geen stoomboot, goede man, Waar'kdaadlijk mee vertrekken kan? â De stoomboot?... zo is juist af gevaren. â Nu dan een ander schip, ach zie Eens voor mij hier en ginds I â (L'ami, Sprak toen een pikbroek, die in 't (rond Geloopcn had met open mond En met een wel gespitst paar ooren. Om 'l luid gesprek eens af te hooi en : â Parhleu, jy mol na Londres een, En eppe jy keen skippe'? â Neen, Antwoordde spa â weel gij, mijn- (heer?___ â Jy mot bij ons jou engageer, En mooye skip, â reduil van ondre, Eh ben, ons vaar deuz' nak na Lon- (dres; Wil jy met ons na Londres kaan? |
I'ieter Spa nnar Londen.
42
|
Mais entre nous, nous snmm' frau-{deurs! â Ja man, ik kan geen Pransch (verstaan; â Jy niet verstaan ! a la ionheur! Jk kanveul taal, daar niks in sleek; 'k Eb veul kevaar na 01 land, rnoi; Ventre saint gris! ik kan, ma fox, Biablement hoed 01 lands spreek, L'ami, ah, komme jy maar mee Na de andre matelots, venezl Parbleu, zijn almaal bon gargons! 'k Breng jou bij aar, nouscauserons. Da cabaret is dikke by. Ons ben daar bier content el gai: We zal ons daar kaan amuseer Tol dat we kaan ons embarqueer. â Behoef ik daar geen pas te toonen ? â Pardon, we zal jou defendeer As iemand jou embarrasseer. âNu, 'k zal uw moeite ruim beloonen; â Oh ja, ik weette wel, monsieur, De Ollandre, die ben genereux! â Maar vriendje, hoor eens, nog (één woord; Heb je andre passagiers aan boord? â Ja, eeleboel, zijn klein en kroot; â Waar zijn die dan? wel sakkerloot, Was 't dan niet goed, vóór andre zaken Met hen de kennis eerst te maken ? O non, want ben voor jou keen soort. As kleine praat, jij niet verstaan; Keen Ollands, Frans, keen Italjaan: Ze spreek inexplicable woord, En weete wat te kroote zijne? â Neen vriend, wat dan ? â Ben {almaal zwyne! Foei, zwijnen, 'k heb daar afkeer van: â Niet waar jij bent fatsoenlijk man; Jij niet mei aar moet converseer, Maar ons zal met mekaar causeer; â Maar als dat volk mijn rust (eens stoort! En, wat mij 't grootst nog kan ver-(wondren. |
Waarom toch moet zulk tuig aan (boord ? âMais sacrebleu, ze mot na Londres! Tiens!\ as se veulmaal jou geneer, Que diable ! 'k zal ze massacreer Mei deuze mes! â Ach, 'k bid je (vrind, Dat gij geen dolle streek begint; Je maakt me bang ! een mes! â o e! â Tais toi, was kekheidniaar; venez, Venez I' ami; suis moi sanspeur; Adieu, monsieur te conducteur! Wat zou hij Uoon hier, de arme man? Hij dacht; 't was zijn belangals van ïwee kwaden 't beste werd gekozen; Hij volgde dus den snaak, en dra Werd in de kroeg de vrome spa Omsingeld door een hoop matrozen. Wel zei zijn hart: bij ditgedruisch Van drinkebroers hoor ik niet thuis, Ik, dien men 't beeld van orde noemt, En om mijn deugd en braafheid (roemt: Wel dacht hij, angstig neergezeten; Dit moest mijn lieve vrouw eens weten, Die voor deez' reis met zorg bezield, De plicht mij zoo voor oogen hield. Maar de overtuiging dat zijn ziel In niet te ontwijken strikken viel, Ondanks zijn rein gemoed en wil, Hield de inspraak van 't geweten stil; Dat dit tot 's mans verschooning diene, En, dronk hij nu en dan eens meè, 't Was om den wille van de vreê; A mauvais jeu, was 't bonne mine; Want in matrozen-brasserij Ging deez' kritieke dag voorbij; Het was een dag van deugd verzoeking, Een dag van vasten wilsverkloeking ; De braafheid van den armen spa Vond in geen scheeplings oog gena; En de onvolprezen matigheid. Zoo zorglijk door zijn ga geleid, I.eed eindlijk schipbreuk op den (vloed, |
Pieter Spa naar Londen.
43
|
Die, door onstuime drifl gevoed, Het goed gezind, doch zwak gemoed, Ten langen laatst bezwijmen doet. Men zegt ook, dat in 't avonduur, Eenstemming aller mond, met vuur, Een daverend hourah herhaalde. Toen pieter spa 't gelag betaalde. En, 't zij tot in de ziel geroerd, Door dit bewijs van dankbaarheid, Hetzij door Bacchus macht geleid â De man werd aan zich zelf ontvoerd; Want waar is 't, hoe hij zich bezon. Dat hij zich niets herinnren kon Op d'ochtend van den andren dag, Toen hem de zoete slaap ontweek. En hij eerst domlig voor zich keek, Maar weldra de oogen rond liet waren En hij slechts zee, geen kust meer (zag â Hoe hij van land was afgevaren, Of hoe men hem had ingepakt En in een hoek terneergesmakt. DE ZEEREIS. Het eerste werk na 't eerste plan Van d' uit den sla ip ontwaakten man Was â 't schip in oogenschouw te (nemen; Maar wee, de inspectie der kajuit Viel lang niet naar genoegen uit; Ze mocht nauw naar een... zwijns- (hok zweemen. Een ongeschaafde greenen wand. Beklad, besmookt aan allen kant, Een venster van verweerde ruiten, Het uitzicht dof en vaal naar buiten; â Een omtrek, wis niet ruimer dan Zes ellen in hel vierkant groot, Ter hoogte dat de kleinste man Het hoofd er nauwelijks op kon steken: Een stoel met anderhalven poot; â Eon brits, een half vergane deken ; â Fen sti'oozalt zonder overdek; |
Ziedaar 't inwendig van 't vertrek. Maar, hoe dit al ook tegenviel. Nog luider was zijn wrevel sprekend. Toen hij, het hoofd door 't luikgat (stekend, In stede van een forsche kiel, Een scheepje van een nietig slag, Iets grooter, maarniet half zoo flink Als menig Scheveninger pink, In 't hem bevattend vaartuig zag. â Is dit dat mooie schip? riep spa Zijn protegeur toe, den matroos, Waar jij zoo veel op stofte ? â Ah fa Mon dier! comment! ben jij nou boos? Et hier tu /us si amusant; Skip is niet kroote, mais pourtant, Is kroot kenok voor jou! que (liable, Was niet ta peur insupportable 4s kister zek de conducteur: Omdol jou passé niet is koete. Jij ier in Duinkerk blijve moete, Ne fus pas moi ton seul sauveurf â Nu'tkosttemeook watbrandewijn, 'k Was gistren wis wat al te dwaas. Daarvoor jij op de skip mak zijn, En daarom motte jij wees blij, Cornm' nousgarfons,ben almaalgai. âMaar vriend, wat isdat voor geraas? Mij dunkt, daar zijn op 't schip veel (dieren, â C est just, dat ben de passagieren... â Zijn dat geen hoenders, die men (hoort ? Recht amusant! raar volkaan boord! 7; Eb jou kezeh keen Italjaan, Keen Frans ze spreek: as jij verstaan Kan, sacristy! wat kroot miracleI â 't Is waar, 'k versta geenkipgekakel; Maar zeg, wat akelig geknor Is dat nu weer â zoo heesch en (schor ? â Wat, weet jij niet I dat ben dg (zwijn! â Je doet me in fraai gezelschap zijn! â Jij vist wat passagier ens had. |
naar Londen.
44
Pieter Spa
|
â Maar als ik had begrepen dat 't Bedoelen beesten was geweest, Toen jij me van die z wij nen spraakt â 'kllad geen akkoord met jon gemaakt. â Morbleu! ben dan de zwijn keen {beesti â En 'k moest met hen niet con- (verseeren, 'k Geloof het best, 't zijn lieve heeren. â A'ieï waar, jij tok keen zwijne bent'/ â Och, houd den snavel, malle vent I Vertel rneeens, zijn wij dra in Londen? â Ja morken. â Niet van daag ? ('t is zonden! Hoe lang nog'? â Ja, de wind niet (koed; Miskien dal ons nok zwemtne moet. â Hoe meen je dat ? â Zie die nuage! Van nak gal kornme kroot oraije, En jy niet niet d'oraye spot! Ze make veul de skip kapot. â Maar als we dan eens schipbreuk (lijden, Wat zal ons van dien nood bevrijden ? â Dan zwem ons naar de land, (l'ami; â Maar ik, ik kan niet zwemmen! zie. Ik krijg nu al van angst de stuip; Ach, stil mijn vrees toch, goede man! â Wel asse jij niet zwernrne kan... â Nu ja, wat dan 't â Jij mol verzuip. â Een zaalge troost! Ach, goede (hemel! Wat is deze aarde en haar gewemel Toch nietig, onbestendig, broos! Maar zeg mo toch eens, vriend ma-(troosl Uw taal deed mij daar siddrend (vreezen; liet zou toch wat te zeggen wezen, Als ik het leven derven zou, Zoo ver van mijn geliefde vrouw! Bestaat er dan geen uitkomst meer 't 0 ja, als jij jou assureer! â Mij assureer!... hoe meen je dat'? |
'k Verklaar, dat ik jou doel niet vat, â Wel, asse nou de skippe breek. Par la fureur du grand orage, Dan bind ik om mijn lijf die touw, En daar jij dan jou kop door steek. En ikke zwemme dan met jou, Zoo kauw as 't kan, na die rivage; Maar mot vooruit jou engageer; Kost vijftik kulden maar, niet meer! â Hoe 'k zou u vijftig gulden geven 1 Vooruit?! Wel heb ik van mijn levenI En komt de schipbreuk niet,wat dan ? â Le risque de Vengagement! Wel'k geef er mooi den drommel vanl â 'th koed, maar as de skip nou (zink, Dan motte jij maar kaan verdrink. â Maar vriend, het weer is toch (zoo fraai I Ja, ja, maar komt al eel veul waai. â Mijn toestand is kritiek, maar stel Ik zal me nu eens abonneeren: Be nood komt, maar ik kan niet wel Mij tegen 't golfsgeslag verweren, 'k Bezwijk voor ik den oever haal ? â Dan hoeve jij keen duit betaal. â Nu, 'k zal het in bedenking houen. Die reis begint rne alreeds te rouwen. â Maar motte kauw jou decideer: Uengagement kost anders meer. Gelijk de pelgrim, moê, bevracht. Naar d'eindpaal zijner reize smacht, Maar eensklaps voor een kruisweg (staat, En't oog vei twijflendrond zich slaat. Onwetend wat naar 't doel geleidt, Zich pijnigt door de onzekerheid; Zoo was 't gemoed van onzen held, In tweestrijd met zich zelf: het geld Zoo onbekrompen weg te geven. Dit was een daadzaak, die zich niet In 's mans gevoel verkneeden liet; Maar de aandrift tot behoud van ('t leven. |
Pinter Spa naar Londen.
45
|
Het denkbeeld dat een doodsgevaar Hem dra afgrijslijk aan kon grimmen. Deed op zijn slapen 't angstzweet (glimmen. En drukte hem den boezem zwaar; Het deed in 't hart de weiding zweven : Om 't geld te houden of te genen. Maar toen de zon in 't gloeiend zuid 't Gelaat door 't wolkfloers ging bedekken. En 't golfgeklots met hol geluid Den storm tot voorboö kwam verstrekken, En reeds de kiel door ruk en slag Zich slingeren en beuken zag; Toen, toen de zee haar kolken spleet, Eu 't vaartuig ginds en herwaarts (smeet. En stuurmans mond al grof en grover De scheepsbevelen hooren deed; Toen sloeg zijn hart tot geven over; Maar nogtans polste hij vooraf, Of de eischer geen reductie gaf; Douh de ongelikte varensgast. Hield stijf en strak zijn eischen vast; Zelfs viel er op zijn vorderingen Geen enkle gulden af te dingen. Het zonderlinge waarborggeld, Werd dus tot tempring van 's mans (vrees. Die iedren oogwenk hooger rees. Weemoedig, zuchtend uitgeteld. De loeiende zuidwestervlagen Verdubbelden heur ruwe slagen, En joegen buldrend voor zicli heen De donkergrauwe wolkgevaarten. En hortten de opgepakte zwaarten Des zwoeleu dampkriugs woest op (een. De rosse bliksem schoot door 'truim En hevig sloeg de schorre donder; Het ziedend, opwaarts spattend (schuim Stoof om de kiel, die nu eens hoog Tot op de kuif der baren vloog. |
Dan diep geslingerd werd naar onder, Of fel bestookt werd door de dracht Van regenstroom of hageljacht. Zoo bleef op de opgeruide vloeden Het schrikverwekkend onweer (woeden. De nacht had reeds met somberheid Zijn zwarten sluier uitgespreid. En nog was 't stormgehuil niet (zwijgend; De vrees, gedurig hooger stijgend. Ontnam allengskenskracht en moed. En joeg de koorts in 't bruisend bloed. En bracht, als na een sluimering De wind weer feller op kwam steken, In 't hartdeshelds,dien wij bespreken, Ontzetting en vertwijfeling; Want, schoon hij alles had beproefd Om 't bang gemoed gerust te stellen, Tot zelfs ('t zegt veel hier) zielsbedroefd, Zijn dierbre schijven uit te tellen â Toch kromp zijn hart in één van (schrik, In dit ontzaglijk oogenblik; Ja, schoon hij zich liet assureeren. Hij wist; hij moest toch 't lijf (risqueeren, En twijflend, siddrend dacht hij dan Aan 't luchtige matrozen plan. En bad â hoewel 't hem zou verdrieten. Niets voor zijn centen te genieten. Waarmee hij zich verzekerd had In nood van de assistentie â dat Op deez' hem onvergeetbren tocht, 't Niet tot het uiterst komen mocht' En, dacht hij bij zich zei ven na Op de ontevredenheid dier ga. Wier reden hij niet aan wou hooren, Dan zocht zijn borst een zucht te (smoren ; Dan teekende ook 't gelaat den spijt Van 't zielefoltrend zelfverwijt; Het zei hem, als hij mocht vergaan. |
Pieter Spa naar Londen.
i6
|
De strafte ontvangen voor zijn zonden, Wijl hij 't had durven onderstaan, Om tegen vrouwliels wil en wet. Waar hij zich nooit bij had verzet, Door 't nieuws dei- kranten opgebonden. Zoo onbedacht te gaan naar Londen. O, Engelands festiviteit, Hoe schoon ze voor zijn geest mocht (zweven, llij wilde haar ten beste geven, Zag hij zich slechts in veiligheid. In 't kort: het was de bangste nacht. Dien pieter ooit had doorgebracht. Maar, dreigde ook 't barnend (noodgetij, Ze kwamen met den schrik toch vrij ; Want toen aan 'toost de morgen-(gloed De woeste baren kwam verlichten, Toen scheen allengs de storm te (zwichten, Als had zijn crisis uitgewoed; En, bij des zonlichts eerste stralen Mocht 't bang gemoed weer ademhalen. Het wrakke, fel bestookte schip Was nu aan 't grootst gevaar ontgeven ; Het was gestrand op bank noch klip. Noch aan de golven prijs gegeven, Maar van den koers was'tafgedreven. En 't eischte nog een harden tocht Aleer 't de kust bereiken mocht: .la, was nu wel de nood geweken. Nog waren de uren niet verstreken Van kwelling en van zielsverdriet, Waar 't lot den man ter prooie (aan liet; 't Schip moest deu tegenwind bra-(vceren, En door het wenden en laveeren Werd hij in 't onherbergzaam hok. Door vaak herhaalden stoot en schok 0. oiften loyon bint en wanden, |
En zeker bleek het hem alras Dat zulk gesmak niet streelend was. Dit tuigden voorhoofd, neus en tanden; Ook 't prikkelbaar gehoor-orgaan Werd onbarmhartig aangedaan Door 't wild en onharmonisch tieren Der opgesloten passagieren, Die, bij den uiterlijken schijn, Gewis met spa in smaak verschilden; Maar toch met hem den wensch niet (stilden Om van hun boei verlost te zijn; Vandaar, dat in hun smart-positie, Hun dissonanten-coalitie Een levendiger climax kreeg. Toen 't ongeduld in 't lijden steeg. Wie zou zich bij die reeks van plagen, In zulk gering verloop van tijd, Als spa, vol wrevelzucht en spijt, Niet over 't wreede lot beklagen? Gewis, hoe ook ons oordeel zij. De man verdiende medelij'. Reeds zaghij dat naar 't beidend westen De zon ai dalend henentoog. En nog, nog mocht zich 't zoekend oog Op baren, lucht en wolken vesten. Daar kreeg de wanhoop de overhand! â ik wil, riep hij, ik moet naar land! 't Is voor geen paai d om uit te houen ; Jehebt me beet, maar 't zal je rouwen. Doe open 't luik, ik krijg do pest, 'k Verstik in dit ellendig nest, 'k Word zinloos van dat dol gesnater, 'k Doe nooit een reis meer over water. Nog één dag en het is te spa. En 'k zie niets van victoria! Je durft nog met mijn zielsmart spot-0, ongelikte waterrotten 1! (ten. Doet, doet toch open, 'k moet er uil! Niet waar, ik ben een vette buit? Je wilt gewis dien buit niet lozen? Zegt schrafelvvolven, zegt Fransozen! Is nog uw gelddorst niet gestild? ïton ik nog niet genoeg gevild? |
Pielr.r Spa naar Londen.
47
|
Naar land! ik wil, ik moei naar land, Naar land! of 'k steek je praam in (brand! Hij trapte en schopte met den voet, En bonsde zich den neus aan bloed. En beukte tegen 'truw beschot Van 't somber, dichtijegrendeld kot; Hernieuwde d' uitval keer op keer, En viel ten laatste admechtig neer_ FOULNESS. Zoo had hij reeds geruimen tijd. Do denkkracht met natuur in strijd, Versuft en krachteloos gelegen, En nog zij n veerkracht niet herkregen. Toen eindelijk een schok der kiel, Waarbij hij van zijn brits onzacht. Voorover op de planken viel. Hem eensklaps tol bezinning bracht, â L'ami, le bienvenu an land! Sprak 's mans beschermer, â zie de (btrand Js daar, 'k zal breng jou tout a l'heur', Maar chutje weet ons ben fraudeurs-Ben nok niet met decharche klaar; Ons niet denz nach na Londres vaar, Want dit is Foulness iveette jij? Je mol van nach na Londres rij, 'k Zal strak voituur kaan zoek, mis-(kien Jij morken dan Victoir' kan zien. Zoo ver nu de avondschemering Het uitzicht niet in 't rond belette. Zag spa, met een verbaasd gemoed, Hoe 't scheepsvolk spraakloos, doch (met spoed Herhaald, gepakt te water ging En schuw hun vracht aan d' oever zette; Daar zag hij ook een vreemden troep Van mannen, die met angst en zorgen, In de op het land gelegen sloep. Stil en tersluiks de lading borgen; Deez' handelwijze, zoo suspect, |
Had 's mans vermoeden opgewekt, Dal dit verwenscht matrozenlai (Zijn schrikgevolg van Duinkerks wal Tot Foulness kust) niets anders waren Dan afgerichte smokkelaren; Juist wilde 's mans verbolgen hart Door kracht van taal zich lucht gaan (geven, Toen luide een kreet vernomen werd, Die hom deed sidderen en beven; âMill' de tonner', nous so mm' trahis! Daar kom al de douane, ziel Die skurk, ze confisqueer altoos. Hernam de prolegeur matroos, â Jou skuld is 't,jj ons empresseer, Als jij zoo skreeuw kaan veule keer : Na land! na land', do skip verbrand! Eh ban, ons kom te vroek an land. Wij halte motte kont veul later! â Vervoerde kerel! houd den snater I Won jij nog op gaan spelen ? 'I staat Jou waarlijk fraai, neen i k ben (kwaad, En daarvoor heb ik meer dan reden : Spreek, heb ik niet genoeg geleden 1 En, wat de kroon op 't werk nog zet. Ik spa, ik in een smoklaars net! Wie zal mij hier vertrouwen schen-(ken? Men zal gewis ook mij verdenken; Ik bij zoo'n bendel dood en heil Mijn goede naam staat op het spell Wie zal hier voor mijn rechten (spreken ?1 Daar kreeg hii reeds 't rampzalig (teeken: Een forsche knevelruiter, die Het hoofd scheen van de kompagnie. Gaf spa den wenk, 't bevel veeleer. Met uitgetogen zijdgeweer, Om vóór hem op het strand te komen. Nauw had hij dit gebod vernomen, Of spa voldeed, gedwee en stil. Aan 's mans zoo streng geuiten wil, En stapte naar hem henen, want |
Pieter Spa naar Londen.
4«
|
Wat toch, wat baatte tegenstand ? Hij hoopte dat menschlievendheid Hem hier, tot hulpbetoon bereid, Op zijn verklaring vrij zou spreken. Ach, waar zijne onschuld raaar gebleken 1 Hij gaf zijn kommervol Terhaal In vrij wat opgewonden taal, Maar vond slechts stof tot nieuw (verdriet; Men hoorde, maar verstond hem niet; Hij hoopte nu slechts dat zijn pas In dezen nood een vrijbrief was; Maar droever werd het hein te moede. Toen de Engelschman, in koelen (bloede, De pas en portefeuille stak En 't hoofd niet met zijn smeek-(toon brak, Maar hem gebiedend 't sein deed (geven, Om zonder dralen, en beneven 't Gearresteerd matrozental. Dat nu bijeen stond op don wal, Den manschap naar de wacht te (volgen; Schoon diep gekrenkt en fel verbol- (gen. Wijl hij, die 't minst niet had mis-(daan. Aan die verneedring bloot moest (staan. Dacht spa : 't was in deze oogenblikken Het best zich in zijn lot te schikken ; En, innig in 't gemoed geroerd, Zag hij zich naar de wacht vervoerd. Daar trachtte hij door taal en teeken Opnieuw zijn vrijheid aftesmeeken. Maar, zonder deernis of gevoel, Scheen 't alles voor zijn beden koel; Hij kon den weg naar 't hart niet banen. Men bleef hem medeschuldig wanen. En deed hem kennelijk verstaan. Dat hij niet van de plaats zou gaan Alvorens de achtbre magistraat, |
Aan wien men reeds zijn pas gebracht had, Na onderzoek en rijp beraad, Goedgunstig over hem gedacht had. Zoo werd door onzen braven man, Te midden van het heftig tieren, En beurtelings ten speelbal van Het scheepsvolk en de douanieren, Een onvergetelijke nacht In angst en wrevel doorgebracht. Daar zag hij reeds aan de ooster-(transen Den purpergouden morgen glansen, De dag brak aan, zoo langverbeid, De dag van vreugde en plechtigheid. Waarop de teedre Kentsche loot De driekroon, die Britanje bood, Waaraan gezag en macht zich paarden, In al haar rechten zou aanvaarden; En spa, die van deez' blijden dag. Waarvan hij 't uchtendgloren zag, Zich zoo veel weelde had beloofd. Zag nu, van allen troost beroofd. Zich door een elk voor 't hoofd ge- (stooten. Verdacht als sluiker opgesloten. O, werd hij n u nog slechts bevrijd Waarschijnlijk vond hij nog den tijd Om Englands hoofdstad te bewondren Vóór 't eerste vreugdeschot zou (dondren, Om 't sein te geven in het rond Dat de optocht zich op weg bevond. Nog hield de hoop en 't ongeduld 's Alans fel geschokte ziel vervuld; Nog steeg zijn angstige verwachting, Toen eensklaps, tot zijn leedverzach-Men tijding ter douane bracht, (ting. Dat de overheid had toegedacht Om verder spa niet meer te krenken. En hem zij n vrij heid weer teschenken; Doch 't vaartuig was verbeurd ver-(klaard. Met al de aanwezige emballage, En van 't beslag werd 's mans pakkage
|
Pieler Spa naar Londen.
49
|
Volstrekt niet door de wet gespaard. Het was deez' strenge confiscatie. Zoo onverdiend als onverwacht, Die in zijn hart weer consternatie En tranen in zijne oogen bracht. En wie zou niet dit lot beklagen ? Zijn blauwe casimieren broek, Die hij des zondags slechts mocht (dragen; Zijn witte das van neteldoek; Zijn bruine rok met hooge poffen; Twee vesten van diverse stoffen; Een slaapmuts, die katrijn, de meid, Voor zijn verjaardag had gebreid; Zijn waterproef met breeden rand; Zijn fijn batisten overhemd. Met die jabot van Brabantsch kant, Voor hooge feesten slechts bestemd; Zijn witte kousen, lage schoenen. Zijn boordjes (fantasie fatsoenen, Ze stonden hem zoo wonder wel!) Zijn scheerdoos, kam- en borstelstel. En bovenal die meerschuimkop. Dat pronkstuk met dien zilvren dop, Waar ega's hart uit had gesproken. Toen, tot verrassing van den âbaasquot;, Zij hem, laatstleden Sint-Niklaas, Tersluiks had in zijr. schoen verstoken: Dit al, zoo dierbaar aan zijn ziel. Waar hij in Englands Koningsstad Zoo gaarne mee gebanjerd had, Zag hij dat eensklaps Lem ontviel. Maar de overtuiging dat de kans Nu nóg bestond, de praalvertooning Te zien bij d' optocht tot de kroning Vertroostte opnieuw zijn boezem (thans; En, hopend op 't aanstaand genot. Berustte spa in 't droevig lot; Want, deed ook'tongevalhem rouwen. Hij had toch nog zijn beurs behouen. Die, schoon ze zeker wat onpas Gedund was door de diminutie Bij de assurantie-contributie. Toch 't eenigst toevluchtsmiddel was n |
Om, door de huur van een kalessc, Zich heen te spoeden per expresse. Waardoor hij, na een uur of wat. Kon wezen in de wereldstad. LONDEN. Nu werd mot teugelloozen spoed Het rosgespan vooruitgedreven, En, koelde ook 's voermans ij vergloed, Dan werd hem 't ongeduld van spa. Door duw en stoot en kneep aldra Krampachtig te verstaan gegeven. Door onheil noch verlet gestoord. Ging dus de reis voorspoedig voort; 't Span had reeds uren doorgedraaftl, En nog werd do verzekering. Die hij door teekenen ontving Van zijn geleider, dat van Londen Ze op korten afstand zich bevonden. Door Londens aanblik niet gestaafu Wel voedde hij meer hoop en vond In 'smans getuigenis meer grond, Door 'tstaag vermeerderend gewemel Maar voelde tevens dat zijn vrees Voor eene ontijdige aankomst rees Want hoog stond reeds de zon ten (hemel â Hij meende: tot zijn luistrend oor Drong reeds 't gejoel van 't volksfeest door... Daar hoort hij 't buldren der kaï (touwen; 't Was of de schok door 't har! (hem vloog! Hij siddert, want.... voor 't starend (oog. Lag Londen met zijn praalgebouwen. Een zielverrukkend vreugdgevoel Doorstroomde hem de borst en do (aadren Nu hij, na zooveel leeds, het dool Der voorgenomen reis mocht naadren. Maar, strekte ook de opgewelde gloed i |
Pieter Spa naar Londen.
30
|
Der blijdschap zijn verdrukt gemoed Ten vriendelijken heul en balsem. Zijn heil werd toch doormengd met (d'alsem Van 't voorgevoel, dat hij misschien Alreeds te laat was aangekomen Om d' optocht naar de abdij te zien; Hij had het uit de krant vernomen. Dat, als 't geschut de lossing deed, quot;Victoria ter kroning reed, En reeds hoort hij 't mortier-gedonder. Den volke tot een vreugdverkonder!... Na zijn vooraf gemaakt bestel. Kreeg zijn geleider 't stipt bevel. Om spoorslags door de stad te rijden. De hinderpalen wel te mijden, Eu hem te voeren naar een punt. Waar 't hem, zoo mooglijk, was (vergund Om maklijk, zonder af te stappen; Het kijkje naar den stoet te snappen; Hij reed dies in gejaagd galop De jubelende hoofdstad binnen. Verrast, bedwelmd van ziel en zinnen. Zag hij, de vreugdevlag in top, Elk huis met bloem- en doekfestoenen lin eik- en looverkransen groenen. Terwijl zijn onverzadigd oog. Zich vestte op menig zuil en boog. Met vendel en banier getooid. Van lint en draperie omplooid En rijk beschilderd met deviezen; Hij moest in d'aanblik zich verliezen Van al die schoonheid, sier en pracht. Door smaak en kunstzin uitgedacht. De lucht was mee aan tonen rijk; Het klokkenspel, de krijgsmuzijk, liet volksgejuich, de vreugdeschoten, 't Hielp 's mans vervoering al ver-(grooten. Er deed geen enkle hinderpaal Zich op in de afgerende straten; Want, blonken ze uit door pracht (en praal |
Zo waren eenzaam en verlaten, AVijl haar bevolking apparent, Zich naar den trein had heenge-(wend. Daar kwamen ze eindlijk aan de (wijken, Waar 't dof rumoer der vreugde-blijken. Meer hoorbaar en verstaanbaar (werd: Daar zagen zij den weg versperd Door uitgezette wachtpiketten. Wier ruiters 't rijtuig streng beletten Den rit nog verder door te zetten. Dewijl men ter nabijheid was Der plaatsen, waar de staatsie ras Voorbij zou trekken naar de abdij. Nu zocht men 't elders te beproeven. Maar moest zich evenzeer bedroeven. Want overal, aan elke zij Zag spa de voorzorg stipt genomen. Om ieder rijtuig voor te komen. Dat, eveneens als hij, den tocht Nog verder te vervolgen zocht. Voor de overmacht gedwee te zwijgen, Maar zonder dralen af te stijgen. En nu te zien of hij te voet Niet beter op zijn slag kon komen, Dacht spa, was in deez' toestand (goed. En zijn besluit was dra genomen. Om, voorwaarts dringend, toch te (zien. Of 't hem gelukken zou, misschien Het heil te smaken, dat van pas Een plekje voor hein open was; Al zag hij ook door scheur of reet, Al kostte 't hem ook zorg en zweet. Al moest hij op zijn teenen staan, Zag hij de staatsie slechts passeeren, Dan werd zijn vurig zielsbegeeren. Dan was zijn hoogste wensch vol-(daan. Hij drong dus voort met kracht en (moed, |
tiet er Spa naar Lonaen
51
|
Maar eensklaps stolt van schrik I (zijn bloed, Gebluseht is al zijn ijvervuur: Hij stuitte als op een vasten muur Van stellingen, door 't stadsbestuur üf speculanten opgeslagen: En die, drie-, vier-, soms vijfdeks (hoog, Ontelbre raenschen moesten dragen. Thans richtte hij 't onrustig oog Op 't aantal deuren, vensters, daken, En zag, tot zijn verbazing, ras. Waar 't uitzicht niet belemmerd was, Hoe van het volk, daar opgetast. Schier smorend door elkanders last, Miliioenea hoofden voorwaarts staken. Dit schouwtooneel zoo vreemd als (groot, Kon nu de zekerheid hein schenken, Dat aan geen kijkplaats viel te denken; Het eenigst wat hem overschoot, Was goedsmoeds nog de hoop te (voeden, Om voor 't retour der koningin, ÃSen plaats te vinden naar zijn zin, Waar 't stoorloos uitzicht mocht (vergoeden De ramp, die hij niet kon ontgaan, Om hier als Jut voor 't hek te staan; Want, vast had hij zich voorgenomen. Om, eer de stoet terug mocht komen, Naar goede menschen uit te zien, Die hem in huis... of kou misschien Zoo'n diredeks opgericht machien, Hem nog een beter uitzicht biên â Het was hem alles welkom, wat Gedurende den wedertocht Een plekje voor hem oovrig had. Het kostte, wat het kosten mocht. Geen uitzicht vindend om zich henen, Zoo wendde spa den aanblik af Van 't volk, dat hem, ten spijt en straf, Zoo vele vreugdeblijken gaf; Spa keerde tot zijn rijtuig weer. Hij vond zijn span helaas, niut moer: |
Kales en voerman was verdwenen. Tot recht verstand dient hier gemeld : The Coachman kreeg vooruit zijn . (sekl- In t hart bedroefd, wijl op zijn tochl. Zijn goed geluk hem had verlaten Bij 41 wal hij verrichten mocht, Liep hij berooid door Londens straten, Zich wendend van het feestgejoel. Zoo pijnigend voor 's mans gevoel. 'tWas niet zoo leög weer als daar even In 't overige deel der stad, Waar de optocht niet geschitterd had; Daar kwam bedrijvigheid en leven Van 't volk, dat van de staatsie kwam En nu den koers naar elders nam. De menigt' werd hoe langs zoogrooter En saamgepakt; ja, eindlijk schoot er Schaars plaats meer over; 't bleek (nu ras Dat de optocht ter bestemming was: Spa voelde d'aandrang om zich henen En was dra in den stroom verdwenen. DE TERUGTOCHT DER KKONINGS-STAATSIE. Reeds ver gevorderd was de dag Die Groot-Britanjes kroonfeest zag; Reeds liet Westminsters grijze toren Een drietal dolle slagen hooi en. En weer was alles opgevuld; De weg, die naar 't paleis geleidde, Zag 't volk weer, dat met ongeduld Victoria's terugkomst beidde. In de opgepropte Cockspurslreet: Op een der hooge prachtstellages. Die, rijk bekleed met keurstoU'ages, Festoen en wimpel schittren liet. Bezette een saamgevloeide kring Tot stikkens toe, eti paréatje De luisterrijke tweede étaije, Maar ouder deez' verzameling Ontdekte men een kleinen man, |
Pieier Spa naar Londen.
52
|
Die 't zweet zich van het voorhoofd (droogde, Die aan den opdrang nu en dan Zijn embonpoint te ontwoelen poogde: 'tWas spa; door goed geluk bestuurd, Had hij een plaats hier afgehuurd; Hij voelde een machtige exultatie, Toen men goedwillig hem de gratie Bewees (wijl men begrepen had. Dat hij geen Engelsch geld bezat), Door teeknen hem te doen verstaan, Dat men zijn .Willem' niet versmaan, Maar 't goudstuk accepteeren wou. En hem een staanplaats geven zou. Getroffen door dit staaltje van Echt Londensche menschlievend-(heid. Toonde ook de goedgezinde man Zich tot zijn offer wel bereid; Hij trok gedwee de beurs en stond Door deze heffing ter passage, Al spoedig op de hel étage, Waar hij een fraai gezelschap vond. Maar, was 't in aantal nog al groot. Men had intusschen nog geen nood Om voor 't verdriet te moeten beven, Wanneer de trein voorbij zou gaan. Elkander in den weg te staan Door d' al te grooten drang, die wis Voor velen ook bezwarend is, â Was 't maar bij 't eerst getal gebleven 1 Maar neen, helaas! ten spijt van spa. Zag hij aanhoudend, voor en na, Door tal van dames en van heeren, 't Gezelschap groepsgewijs ver- (meeren ; â Spa hoopte dat men 't druk gesjouw Des toevloeds straks beletten zou; Doch neen, 't was schandlijk, ongehoord ! De troep vermeerderde al maar voort, Zoodat in 't eng bestek alras Geen luttel plekjen oovrig was; Men trapte, stiet en drong elkaar, |
Om plaats te winnen, doch voorwaar, Hetstrekteslechts tot leedverzwaring; Men stond er als gepakte haring. En spa, hoe ging het spa toch weer? Ach, kwelling sprak eruit zijn blikken; Zijne armen hingen langs hem neer. Hij kon geen lid, geen vin verwrikken. Voor hoofd en zenuwen beducht. Bezwaarde hem de dikke lucht; Het zweet liep in deze atmospheer Hem taplings langs de wangen neer; Maar, wat hem heul in 't lijden gaf: Hij stond, o troost! niet achteraf En vóór hem was geen hinderpaal. Zoodat het nu niet kon mankeeren. Om zonder letsel deze maal Den stoet eens mooi te zien pas-(seeren. â Men hoorde weer 't kanongeknal En 't schetterend bazuingeschal. Die aan het volk de kondschap deden. Dat Groot-Britanje's rijksvorstin Gekroond was, dat de koningin Van 't kerkgebouw was afgereden. Hoog steeg de spanning nu van spa: Het denkbeeld, dat victoria Plechtstatig hem voorbij zou rijden. Deed nu met moed de smart hem (lijden Dat hij zoo nauw gedrongen stond; Dat hij geen oogenblik zelfs vond Om van 't gedrang zich los te woelen. Al luid en luider werd het joelen Der menigt, dat van verre klonk, Dat nu de zekerheid hem schonk. Dat hij de machtigste aller vrouwen. Ter kroon gehuldigd, zou aanschouwen. En dat ze al na en nader kwam. Zei hem 't gejuich dat hij vernam; Hij hoorde 't trapplen der genetten Alree van 't ruiter-eskadron. Waar 't feestprogramma meê begon: Hij reikhalsde om den stoet te zien; Daar hief op eens een tal trompetten |
Pieter Spa naar Londen.
53
|
Het volkslied aan. â God save the {Queen I Juichte ieder meê. het hoofd ontbloot. De geestdrift was bij allen groot. Spa, die de hoofden zag ontdekken, Wilde uit beleefdheid en fatsoen. Ook meê met Britsche comfort doen: Maar toen hij de eerste poging deed. Om naar het hoofd de hand te strekken, Toen zag hij, tot zijn grievend leed. Bat hij die poging op moest geven; Verstikt, verdrongen en verplet, Scheen de arm hem aan het iijf te (kleven. â You little one / take off your hat, You don't respect our holy song, You are the only brute among The whole society, God dumrn! â Wat is dat voor een rauwe stem'.' Dacht spa, van angst en twijfel stom; Hij draait liet hoofd eens even om, Sn ziet een man, wiens gramme (blikken, Op hem gericht, hem op doen (schrikken. â Wat'? sprak hij, âmeent u mij (daanneè Yes, yes, it seems you will not hear. Pray, sir, why don't you, what 1 say? â 'k Versta geen Engelsch, heusch, (geen zier' I'm sure: he don't you understand, â Wat moet nu weer die lange vent? Dacht spa, een tweeden hooiend (spreken, Men schijnt met mij den draak te (steken; Ze hebben hier vervoerd veel snaps! â Might it not he the thing perhaps, If I should try my French here, Tom' Zei de eerste spreker toen weerom. â Dis done, monsieur! ote ton cha- (peau! â Wat ?... mijn chapeaul u meent (mijn hoed? |
Afnemen, he? je praat heel goed, Maar kan ik dat? Men dringt mij zoo! U wilt; ik zou mij 't hoofd ontblooten?.... Ik deed daartoe reeds lang mijn best. Maar, hemel, 'k zit hier opgesloten, Mijn armen zijn me aan 't lijfgeprest, Als 't lang duurt word ik dood geplet I â Re, ce qu'il dit! pull off that hat! â Wat maal je toch? wel nou kom an! Wat heb je 't op je heupen, man! Ik kan niet! heb je 't nou verstaan? â i'oit must not stand here like a (quaker'/ â Kom! loop voor mijn part naar (de maan! Ben jij hier kommandaut? wel zeker. Waarom niet! 'k sla hier voor mijn Zoo ongepermitteerd gekneld, (geld Dat ik den adem nauw kan halen. â O// with your hat, I speak to you! â Ach, malle vent, leg niet te malen, 'k Ben lang reeds jou gekakel moe! Dat Engelsch volk heeft veel pretentie, Het is mij altijd wel gezegd, Een elk neemt, zij liet heer of knecht, Het air aan van een excellentie, 't Zijn trolsche rekels ! 'k zeg nooit (meer Een enkle letter tot hun voordeel; Nooit zijn ze eens hupsch, maar zien (veeleer Op vreemden als op honden neer. Zoo dacht vriend spa, doch in zoo'n (oordeel Behoort het, dat men billijk blijv'; Hun staatkunde is toch buiten kijf Verheven, rechtdoend, edel, groot! Zit soms een nabuur in den nood. Dan zijn ze erbarmend en menscli-(lievend En zonder dralen hem gerievend; â Wordthij doorde overmacht gedrukt. Slaat hemdenijden wangunst wonden. En richt hij 't smeekend oog naar (Londen, |
Pieter Spa naar Londen.
|
Terwijl hij afgestreden bukt, O, dan zij n ze in's vervolgden leed, 4itijd met wisse hulp gereed. Dan schimpen ze op den overmoed Waarvoor soms 't heilig recht be-(zweek, iin zenden met hulpvaarden spoed, Tot stelping van des lijders bloed, Hem, uit hun politieke aptheek. Hechtpleisters toe met groote rollen, J liep leisters noemtmen protocollen.â Doch kom, dacht spa, â 't is hier (geen tijd, Dat ik mijne overpeinzing wijd, Aan 't echt karakter van die snaken; Wat heb ik thans met hen te maken? 'k Sta hier slechts om den trein te (zien! Daar zag hij d' aanvang van den stoet, En luider werd de vreugdegroet, Ãn scheller klonk 't; God save the (Queen! Pull off that hat! dus riep men weer; Doch spa zag voor zich stijf en strak Naar 't schoon begin des treins, en (brak Met dat geschreeuw het hoofd niet (meer; Kn zeker deed de man verstandig: De drang maakte immers hem on-(handig 1 Kn, om zijn nood te doen verstaan, Was 't moeite tevergeefs gedaan. Wij 1 't bleek, dat niemand in het rond Een enkel Hollandsch woord verstond ; Hij liet dus wijs de schreeuwers (schreeuwen, Mekreunde zich nietomdiespreeuwen, Maar keek noch omwaarts noch (ter zij'; Want van den onalzienbren trein, Die aantoog van 'tWestminsterplein, Trok de eerste staatsiekoets voorbij. U.vili nuudlot! bron van liel en leed, |
Waarom toch waart ge op spa zoo (wreed'? Was 't hem in 't minst dan niet (vergond. Om op deez' reis een enklen stond Eens ongestoord geiiot te smaken? Waarom moest ge elke vreugde wra-(ken, Die spa gekocht had of gepand, En waarom moest uw looden hand Zoo onverpoosd, zoo wreed hem k-wel- (len. Door al zijn hoop te leur te stellen ? Daar heft op eenmaal de euvelmoed Zijne ijzren vuist omhoog, en doet Haar nederbonsen op spa's hoed, Die om het hoofd niet sluitend scheen; Want âtoen de slag werd;toege-(bracht, Verkeerde hem de dag in nacht: De hoed'gleed eensklapsnaar beneên. Hem over neus en lippen heen, En, tot de kin er in gedoken. Was 's mans gelaat in't vilt verstoken. â Dat 's satans slecht! dat 's fielterij! Riep spa, â ik kreeg dit fooitje van Dien uitgedroogden Engelschman..... Wat wil die lange slier van mij ? Maar menschen gaat eens wat op zij', En geef me toch mijn handen vrij. Om zoo mijn hoed van 't hoofd te (lichten I Doch hemel! zou uw deernis zwichten? Ge schijnt te spotten met mijn leed? Ik hoor u schaatren! gij vergeet Dat ik als gij, hardvochte lièn! Ook graag de staatsie wel wou zien ! Help, hemel! help! je drukt me dood ! Ach, 'k smeek: verlos mij uit den (nood. Mijn goede, lieve, beste menschen ! 'k Ben half reeds in mijn hoed ge-(smoord, Maar hoe! kauulje, lach je voort ? |
Pielor Igt;quot; naar honden.
|
Je zou je vloeken of verwenschen! Zoo smeekte, schold en tierde spa â Maar vond ontferming noch gena; Hoe meer de man geraakte in vuur, Hoe meer men lachte om 'tmal figuur. Dat hij gedrongen was te maken. Ja, schoon voor hem een ongenucht. Voor andren was 't een vreemde (klucht. Waarin de spotzucht vreugd mocht (smaken. Intusschen werd de attentie van Den door het lot geslagen man Weer afgetrokken naar de staatsie. Wier oogverblindbre praaien pracht Te boven ging wat kracht en macht Hier immer tot glorificatie, Het schitterendst had uitgedacht.â Daar stond hij moede en afgemat, Door 't rustloos prangen van den (druk. Wanhopend, wijl het ongeluk Hem onvermoeid geteisterd had. Hij hoorde 't jubelen der menigt. Haar vuurge kreten, saam vereenigd, Ontboezemd blij van ziel en zin, Doch pruilde bij 't gejoel der blijheid; Want, schoon ook dicht in haar (nabijheid. Hij zag geen koningin, geen stoet, Maar keek, met gif en gal in 't bloed, Naar 'tbinnenleder van zijn hoed !! Hij ondervond een foltering. Wat ooit op 't wisslend levenspad Hem smartelijk gevallen had. â Nog enkle vreeslijke oogenblikken Verliepen in dien bangen nood; Nog bleef de drang der menigt groot, Ja, eindelijk dacht spa te stikken: Doch, waar de nood ten toppunt is. Schenkt vaak het lot verlichtenis. Daar voelt hij eindlijk minder druk-(king; Hij voelt zich los, o, wat verrukking! Hij voelt, zijn beide handen vrij... |
Hij schuift vol drift den hoed omhooff; Maar hemel! wat ontwaart zijn oog?.. De heerlijke optocht is voorbij. Het bleef niet. bij de kroningsstaatsie: Men wachtte een groot.e illuminatie,â In 't Greenpark zou, naar allen schijn Een fraaie luchtbal opwaarts stijgen,â 'tVolk zou een prachtig vuurwerk (krijgen â Daar zou dinee ten hove zijn, â Men kon een os aan 't spit zien brailn. Mocht gratis ter komedie gaan, â Men kon, wanneer men lust liet (blijken. Ter kerk den Edwardstoel gaan kijken. Den zetel van victoria. Etcetera, etcetera. Maar spa, de wreed bedrogen man. Had eindelijk genoeg er van ; Hij wilde nu van niets meer weten. Geen volksvermaak, hoe ook geheeten, Dat hem meer tot zich trekken kon; Hij zocht een logement, begon Zijn hongerige maag te spijzen, En liet zich toen een kamer wijzen, Waar hij diep in de veeren dook. En afgetobd zijne oogen look, Om voor zijn smarten rust te vinden En 't zelfverwijt te doen verzwinden;â Ook had hij daar aan dick, den (knecht. Die ietwat Hollandsch sprak, gezegd, Om hem voor dag en dauw te wekken, Wanneer den andren morgen vroeg De boot naar Holland zou vertrekken ; Hij had van al het moois genoeg. Hij wou en zou de stad ontvlieden, Diehemslechtsspijtgevoel kon bieden. Daar lag hij neer en sliep alras. Terwijl gansch Londen vreugde was; Maar, had hij wakende te lijden. Ook slapend had zijn geest te strijden ; Want, in een pijnigenden droom, |
Pieter Spa naar Amsterdam.
|
Ontwaarde hij met diepen schroom De gramme blikken van zijn ga, Waarbij, met bondigheid en klem. Door vromvliefs melodieuze stem Den wreed te leur gestelden spa, (Die bloó terecht stond voor mama, Als moest hij haar pantoffel vreezen,) De strenge les werd opgelezen. Terwijl hij zijn vergrijp beleed, En cm vergifnis te bekomen. Berouwvol de belofte deed. Dat, wat hij voorts mocht onderstaan, Vooraf heur raad zou zijn vernomen, Pieter Spa ns UITSTAPJE TEK GELECEXIIEID VAN D 1TET â Neen,sAARTJE,houjedaarvan stil; â Ie weet, 'k doe anders graag je wil: Maar, om naar Amsterdam te gaan. Neen, saartje, neen, dat komt (niet aan. Hoe, dacht je dan dat ik zoo ras Mijn ongeval vergeten was? O,kroningsfeesten, volksvermaken... 'kLaat nu voor andren zulke zaken; Ik heb er ruim het mijne van! â Wel wat een zonderlinge man ' Dus sprak verstoord mejuffrouw spa Wat dwaze praat, bedenk toch, piet ! Hier kroont men geen Victoria, En Amsterdam is Londen niet! Wijl je eens een dwaasheid duur (moest boeten. Zal ik dat nu bezuren moeten? Neen sPA-lief,daarkomt niets van in; Ik geef jou altoos vrij je zin. Maar nu 'k aan nichtje vermisselie Onze overkomst heb toegezeid. |
Dien hij niet in den wind zou slaan ; Dat hij zich altoos zou gedragen Naar haar begeerte en welbehagen; En, of die droom ook werd vervuld. Toen spa veer bij zijn eega kwam. Of, hoe ze 't met elkander stelden, Is 't geen ik nimmer juist vernam â Het werd me alseen geheim verhuld ; Maar zeker kan ik nogtans melden. Dat, komt er ooit een kroning weer. Al lokt het uitzicht nog zoo zeer â â pieter spa gaat naar geen kroning (meer. 1838. i Amsterdam. inhuldiging van koning wiu.em ii. PLAN. Nu krab jij achteruit, nu kwel je Mij met jou zotte angstvalligheid! Zie, 'k zal u anders nooit bedillen. Maar dit, dit noem ik dwaze grillen ; Ik ga er heen en jij gaat meê. Hoor, laat me nu het hoofd met vree! â Maar vrouw, je weet niet wat (het zegt. Wanneer een man van vast karakter Zich eenmaal iets heeft opgelegd En 't spoedig opgeeft; hij verzwakt er Zijn innigste principes door; 'k Ga nooit weer naar een kroning, Ik zwoer er op en blijf er bij; (hoor! Ga jij er heen, 't is wel!.... Voor mij Ik schrijf het af aan neef en nicht: Ik ben dit aan mij zelf verplicht, â Maar lieve tijd, je bazelt, spa! Dacht je op de zaak eens grondig na, Je zoudt voorzeker anders denken; Als jij de krant oplettend leest. Zal die jou de overtuiging schenken, |
Picler Spa naar Amsterdam.
57
|
Dat Amsterrtam geen kroningsfeest Nu Zatenlag te wachten staat, Maar dat daar onze nieuwe koning De huldiging ontvangen gaat; En zwoer je ook dat je nooit een (kroning Meer zou gaan zien,mijn waarde pi et! Van huldefeesten sprak je niet; En dus, schoon 'k mij beroepen kan Op 't vast karakter van mijn man, l'gt;i op zijn nauwheid van conscientie, quot;t Is hier een groote differentie! â Ja, als ik zoo de zaak beschouw. Dan zou ik bijna wanklen, vrouw. Maar... â Lieve hemel! staak je (maren, We gaan naar mijn geboortestad; Ik kwam er niet in tal van jaren; Wees niet bevreesd, mijn piet, rnijn Ik ben er bij, dat is genoeg, (schat! â Kom, gaan wij Woensdag morgen, (vrouw! â De nachtschuit zou ik thans niet (kiezen. Dat duurt wat lang en 'twordt al koud. De melkboer zegt me: 't zal gaan vrie-Mij dunkt de diligence, bout ? (zen. Dan kunnen wij tot Haarlem rijden. Wil jij dan stoomen, 'k mag het lijden; Ochl geef me d'almanak eens aan ; Laat zien wat uur we zullen gaan; Om zeven uren? neen, dat niet! Halfacht?'k wou eerst ontbijten, piet! Kwart over tienen ? dat was goed! Gaat dan onze overtocht met spoed, Dan komen wij bij nicht op 't eten, We zullen 't haar vooruit doen weten. Meen jij dat ook niet, lieve man! Kom, zeg, hoe vind je nu mijn plan, Is 't niet charmant? âEen zucht, (een ja. Was'teenigantwooi-d van vriend spa. KAïRusmoestdaadlijk binnen komen, En nauw had deze 't nieuws ver-(nomen, |
Of eensklaps bracht de dienstmaagd Haar innige verwondring uit. (luid âWat hoor ik? is het waar juffrouw? Wel lieve deugd, dat spijt me nou! â Waarom toch? vroeg haar mees- (teres; â Omdat ik in een dag vijf, zes, Eene ongemeene drukte wacht, En ben ik dan alléén in huis, Dan is het tobben dag en nacht; Ik krijg mijn jaren, wat een kruis I Ten eerste komt de slacht juist bindenâ Ten tweede volgt de turverij â Ten derde... laat ik me eens bezinnen. Ten derde komt de wasch er bij â Ten vierde heb ik worst te stoppen â De bruine matjes uit te kloppen. â En zoo al voort: maar ach, de sloof. Ze mocht thans zeggen wat ze wilde. Vergeefs dat zij den reislust stilde. Op dat punt bleef haar juffrouw doof. âKatrijntje ! riep mejuffrouw spa, ('t Was op den tweeden dag daarna,) Nu gaan wij morgen ochtend heen: Loop even naar mejuffrouw kleen En vraag daar om mijn neepjeskapje. â Zoo uit mijn werk? wel 'tis een (hapje! â Ja, 'k moet gaan pakken, rep je (maar! Breng ook wat poeder voor mijn (haar â Wat Schotschepillen voor mijn man â De groote trommel met beschuit. (Daar houdt mijn nichtje zooveel (van) â Wat koekjes voor haar kleinen guitâ Een briefje spelden â wat rappee â En ook wat pepermuntjes meê! â Is 't alles, juffer ? â vroeg (katrijn. â Neen, kaatje, neen, je mo. t (nog zijn Op 'l Buitenhof ot Kneuterdijk, |
Pieier Spa Mar Amsterdam.
58
|
Daar moetje voor deii tienuurswagen Van morgen, vast twee plaatsen (vragen; Maar loopen, hoor, een haas gelijk. Het antwoord van die oude prij, 'k Vooronderstel: men schenkt he'-(mij. Daar viel wat voor in 't huis van SP*.! 't Was haast-je voor en rep-je na: De preparaties waren groot; De lamentaties niet veel minder; MejuiTrouw fladderde als een vlinder, Mijnheer zat schriklijk in den nood; Zij gaf kommando's zonder end. Hij was niet met zich zelf content; Zij was voorbeeldloos in 't bedillen, Hij zocht het zelfverwijt te stillen. Dat in hem oprees: 't zei hem, dat Hij niet als man gehandeld had. Wan t ach! die reis naar Amsterdam,â 't Besluit, dat hij nog onlangs nam,â Neen. 't ging niet saam ; maar, 't was (te spade. Die drift, die aandrang van zijn gade! Geen denken was er aan herstel. Hij kende vrouwliefs zwak te wel. DE OVERTOCHT. Wat drukte gaf die Woensdagmorgen! Wat was men ijvrig in de weer! De vrouwen hadden duizend zorgen. En duizend vreezen had mijnheer. Nog bleef hem de onrust 't harte (prangen. Nog was hij 't met zich zelf niet eens: Dlonk ook de vreugd op vrouwliefs (wangen. Hij had niets metdievreugdgerneens. D« hangklok had half tien geslagen, Valies en koller stonden klaar, 't Werd tijd voor d' Amslerdamscheu (wagen; 'I. Uur van vertrek was spo«dig dlir. |
Katrijn werd nu de les gelezen, De kamers nog eens nagegaan, In 't kooitje van de pimpelmeezen Een versche mclisklont gedaan: Spa's lievling, 't vetgemeste Keesje, Werd nog eens tot vaarwel gestreeld. En poes, een dertienjarig beestje. Een dubbel melkrantsoen bedeeld. Nadat een tal herhaalde vragen Door de een aan de ander was gedaan, Na 't pakgerij was weggedragen. Besloot men eindlijk heen te gaan; Het laatst bevelwoord op de lippen Van 'smans met zorg bezielde ga: â Katrijntje, denk toch om de (kippen! Vertrok mijnheer en juffrouw spa. De wagen moest van elders komen; Na weinig toevens kwam hij aan. Een nieuwe vracht werd opgenomen. Een nieuwe vracht werd afgelaan. Mejuffrouw spa nam spoedig plaats. Haar eega wenschte haar te volgen, Maar een der diligence-maats Belette dit; niet min verbolgen. Vroeg pieter daar de reden van. â Daar was geen plaats meer, zni (de man; Portier en treê werd dicht geslagen En spa moest in een tweeden wagen. â Wel, riep zijn wederhelft, 'k (wil dan Ook in dien wagen bij mijn man ; Doch 't antwoord klonk: â dat kan (niet, neen. En de eerste wagen rolde heen. â Daar heb je 'tal, riep spa; verbruid! Dat is 't begin der ongelukken. Nu zijn we nog de stad niet uit, Dat heb je van die vrouwennukken; En ik gaf toe, ik was zoo dwaas! Maar 't is nu anders niet, helaas! â Daar was geen tijd om lang te klagen. Hij slapte zuchtend in den wagen. |
Piet er Spa naar Amsterdam.
50
|
Een moeder met haar kind ter school Zat nevens hem; haar echtgenoot, Een jeugdig man ran kloeken bouw, Zat vis d vis de .jonge vrouw; Een proponent met fijne stem En fijn gelaat zat nevens hem! Ter zijde van deez' passagier Een jongling vol hrutalen zwier, Met knevels en gekrulde haren ; Een reiziger in modewaren ; En tegenover dezen fat. Aan de andre zij van pieter, zat, Een corpulente paardenkooper, In kleeding niet hijzonder proper. Ziedaar 't gezelschap, dat het naast Om onzen held zich had geplaatst; Ik zal het daarbij laten blijven En de andre lieden niet beschrijven, 'tDiscours was niet, geanimeerd; Spa kreeg daartoe een weinig trek, Een snuifje, dat hij presenteert, Is de operatie tot. gesprek. Hij wendt zich nu ter zijde, naar Zijn buurvrouw, en begint met haar: â Wel dame, wat lief kind is dat! En moet dat. ook al uit de stad V 't Is mooglijk wel zijn eerste reisje___ Wat is 't, een jongen of een meisje'? â Een jongen is het as je blief. Mijnheer! niet waar mijn Sorsje-liel? Zie oome nou reis even au. Nou snoepertje, wat scheeltje dan Hij krijgt door't rijden zeker slaap; 't Is vijftien maanden, 't lieve schaap! En op zijn beentjes staat hel pal. Ziet u â 't heeft al zijn tandjes all Mijn man, die nu verlof bekwam. Wou met me reis naar Amsterdam; Hij zei me: neem den jongen meê. Want 't is onze eerste, weet Uwé? O, 't is de lievling van papa; We keeren spoedig weer, want ja. Voor 't ministerie, dat mijn' man Thans, as je blief, slecht missen kan, Ir hij recht ijvrig en precies. |
Hij wordt ook haast adjunct- commies; Nu, hij verdient, het stellig, want Hij schrijft een beeldrigmooie hand! Maar 'k zie hoe u mijn kind beschouwt. Mijnheer ik zeker ook getrouwd '? Hebt u ook kleintjes ? 'k wed van ja I (Wat vraagt die vrouw al niet! (dacht spa.) â quot;k Noem 't, asje hlief, een ongeluk Als 't huwlijkzonder kindren is... . â Nou, dacht hij, dat 's bij ons (toch mis; Maar'twordt me aan deze zij wat druk En 'k heb nu van dat kind genoeg. Hij wendde 'top een andren boeg. Liet weer de doos in 't ronde gaan En sprak zijn overbuurman aan: â Wat is 't van daag een druilig (weer! â De man met fijn gelaat en stem Boog, kuchte, lachte en zei tot hem: â Recht druilig, 'k vind hot ook, (mijnheer! De lucht is grauw, ik vrees voor (sneeuw. (Het kleine r.EORS.TR gaf een (schreeuw. Een koekje bracht hem tot bedaren.) â 't Kan echter spoedig op gaan (klaren; Ik hoop het maar voor Amsterdam! Als daar de koning binnenkwam Met buiig weer, dat zou ons allen En ook den koning tegenvallen! Dat zal me daar naar allen schijn Een schrikkelijke drukte zijn 1 â De kroning van victoria Had ook wat. nasleep, zuchtte spa, â Zij weten 't, die zich daar bevonden. Sprak onze paardenkooper, â ik. Ik was daar op dat oogenblik. â Ik ook, sprak spa, 'k was ook (in Londen. |
Piéter Spa naar Amsterdam.
GO
|
Ofschoon hij 't spreken van dien tocht Gewoonlijk meer te ontwijken zocht, Thans dacht hij anders evenwel, â Want eigenliefde kwam in 't spel. â Mijnheer heeft ook zoo allen (schijn. Zou 'k zeggen, zeer bereisd te zijn. Sprak nu de voyageur tot spa. â Ja, jonge heer, was 't ant- (woord, â ja, 'k Verlaat wel nu en dan de stad. â Zoo, zei weêr de ander, 'k meende (ik had U meermaal reeds op reis ontmoet; O, mijn geheugen is zoo goed. â 't Kan zijn, hernam vriend spa, (misschien.... Maar waar toch hebt gij mij gezien? â 't Was op de Fransche boot, zoo ('k meen; Moest ge ook als ik naar Duinkerk (heen ? Ge waart toen niet bijzonder wel? â 't Is waar! ik heb een zwak gestel, 't Kan aan de zee zich niet gewennen. Dat heerschap schijnt mij goed te (kennen, Dacht spa, maar zeker weet. hij niet Wat verder met mij is geschied. â Was Duinkerk nog al naar uw zin? Gingt ge ook nog verder Frankrijk in? â Neen verder niet, 'k bleef in (die stad. â En hebt ge er goed logies gehad ? â Zoo redelijk! â In wat hotel? 'k Herinner mij den naam niet wel! â Naamt ge ook de stad in oogen- (schouw ? Die vragen brachten spa in 't nauw; Maar georsje redde hem. Deez' ving Zijn kinderlied zoo luidkeels aan, Dat zien en hooren elk verging; Ja, men zich zelf niet kon verstaan: Wel mocht de moeder 't knaapje (sussen, |
Wel mocht zij 't streelen, koozen, (kussen, 't Hielp niets, haar lieve huwlijks-(spruit Hield lang en luid zijnklaagzanguit; En, kreeg hij iets in hand of mond, Hij wierp het grimmig in het rond. Spa werd nu weer de dupe, want Hetgeen de kleine van zich smeet Ontving hij, en â uit de eerste hand: Hij zat er naast; doch wat hem speet, Was dat zijn netgestrikte das. Een fijne, witte kassadoek, Op 't plotselingst ontreinigd was Door een plakkaat doorweekten koek. â Foei, wat een stouterd, riep mama. Jou aap, jou bengel, bromde spa. Zoodat die tocht den goeden man Niet slechts gering genoegen teelde. Maar 't scheen zelfs,dat hij nu en dan Zich ergerde of zich dood verveelde. De kleine schreeuwer zweeg ten (laatst. Toen hij genoeg had uitgeraasd. â Da paardenkooper nam nu 't woord En sprak tot spa â 'k heb straks (gehoord; Ge waart in Londen bij de kroning: Wel, hoe beviel u die vertooning? â Och, was het antwoord, zoo, la la! â Veel fratsen, vondt gij ook niet? (â Ja. â Wat was het sehriklijk duur in (Londen! â Ja, 'k heb dit ook zoo ondervonden. â Ik vond het een Jan Klaassenspel. â Gewis, dat was het waarlijk wel! (Die man, dacht spa, zou rnij van allen Hier in den wagen 't best bevallen.) â Wat drukten, wat geweld, niet (waar ? â Dat was 't, men liep er soms (gevaar. â Wat was het heet! â O,'khad (het kwaad! |
Pieter Spa naar Amsterdam.
6i
|
â Waart ge in d(gt; abdij ? â Neen, 'k stond op straat. â En â waar toch? â In de Cock- (spurstreet. â Ik ook ! zaagt gij die klucht daar (niet? Dien gekken kerel met dien hoed? piet spa werd eensklaps rood als (bloed. â Neen, 'k zag het niet, sprak hij (bedeesd. â 't Is jammer, dat 's een grap (geweest! 'k Vermaakte mij met die vertooning Nog meer dan metdeganschekroning! Spa wenschte nu den snapper naar Den henker, of ik weet niet waar. Om d' armen man nog meerteont-(stellen. Ging de andre heel de zaak vertellen. Het waren uren vol van spijt, Van angst, verbittring, zelfverwijt â Voorzeker geen geringe plagen Door spa gesleten in den wagen. Hij smachtte naar ontheffing van De kwellingen, door hem bestreden; En toen zij Haarlem binnenreden, O, 't was een uitkomst voor den man. Die spoedig uit den wagen kroop En pruilend naar zijn eega sloop. â Wel, dat is jammer, waarde piet ! Zei juffer spa, â nu dacht ik niet. Dat ik van u zou zijn gescheiden. â Hoe was 't gezelschap? vroeg haar (man, â Zoo! Niet dat ik het roemen kan, Was 't antwoord, â nuffen, malle (meiden. Die ginnegapten toen ik haar Mijn lodderijndoos bood, en waar Een paar ofcieren 't hof bij maakten. Personen, die me gansch niet smaakten; |
Studenten, schilders, geen gebrek. Vol kwasterijen, gud! zoo gek; Elk met twee snorren aan hun neus. En bijlmansbaarden, kijk, fameus! Een hunner nam de houding aan Of hij ons kende! â waar van daan ? Vroeg 'k hem â mejuffrouw, 'k had (die eer Sinds lang reeds, sprak hij toen: â Mijnheer, Uw man heet immers l' Ãpicier? Maar 'k zei daarop; wel heerejé. Neen, jongeheer,mijn man heet spa. En toen hernam hij slechts: aha! Daar hoorde ik eens een grapje van ; Hij is een rechte schalk, uw man! Nu ging het op 't stationshuis aan,1) Waar 't echtpaar spoedig plaatsen (nam. En na een rit op de ijzerbaan. Kwam man en vrouw in Amsterdam. HET LOGIES. â O, welkom, oom- en tantelief! Sprak nichtje vermisselje, â uw (brief Heeft ons een groot pleizier gedaan, Door ons verzoek niet af te slaan. Mijn vermisselje is nog niet thuis. Hij komt straks van de beurs naar (huis. 't Is kort bij vieren, zoo 'k geloof; Hier oom, een pijp, daar tante, een (stoof; Maar wacht,ikroepueerstmij n karel! Ons zevenjarig kind, de parel \'an onzen echt noemt hem mijnman; Wij houden beiden razend van Ons eenig kind, maar't is er een â Zoo lief, zoo aardig ken je er geen ; Soms wat ondeugend,maar volgeest Voor vreemden dikwerf wat bedeesd |
M In 13't 1 was nog sUrhts de ijzerhaan Tan HaaTlem naar Amsterilam gelegd.
Plet er Spa naar Amsterdam.
|
Kom engel, kom eens hier, mijn kind ! Dus galmde nichtjes roep naar buiten; De knaap kwam echter niet gezwind. En liet, 200 't heet, zij nmoederfluiten. â Kom, zoete jongen, riep ze, â kom! â Ik wil niet! â klonk het luid (weerom. â Daar is een oom, die u niet kent; â Ik wil niet komen bij dien vent. â Een tante, die wat heeft voor u; â Wel nou, wat heeft ze? vroeghij nu. â O, lekkre koekjes, lieve bout! Maar, kom dan gauw, kom, wees (niet stout! Daar stoof de kleine karel binnen; iaar, niet geschikt om 't hart te (winnen Van oom en tante, vroeg de knaap: â Waar zijn de koekjes nou? â (Maar schaap, Zeg eerst goên dag en geef een zoen. â De koekjes eerst, dan zal 'k het (doen. De koekjes, of'k gaschreenv.'en,hoor! De moeder kwam dit schreeuwen (voor. â Ik kan niet zeggen, dat ik 't kind Van nichtje zoo lieftallig vind; Dacht nu onm spa, â maar moog- (lijk is 't Dat wijl mijn echt zoo'n parel mist, lit zijn waardij niet kan bevatten K11 't neefje dus niet weet te schatten. De man des huizes kwam weldra, Kn nu sloot oom en tante spa i\!et neef en nicht en lieveling Om d'aangerechten disch eenkring. Neef kreeg het druk met oom; ze (spraken Hijzonder over handelszaken; De koffieveiling, theeverkoop, De scheepvaart op Batavia, 't Geschil met China en de hoop Op vrede niet Amerika |
Werd in 't gesprek, door neef gevoerd, Het een na 't ander aangeroerd; 't Was zeer natuurlijk in dien man. De handel was zijn levensaar. En, was hij al geen makelaar â Hij had er toch zoo'n beetje van. Door 't snappen van den kleinen guit Werd nu en dan 't gesprek gestuit. â Is dat, die oom nu uit den Haag? Zoo klonk de luide kindervraag; â Is'twaar,oom,hebjezoo veel geld? Want paatje heeft ons laatst verteld. Dat we eens een vrachtje zullen erven, Als jij en tante komt te sterven! â Stil jongen, riep zijn vader, â still Ach oom, hoor naar geen kindergril. â Maar of bij oom de spreuk mocht (gelden: Datkindren soms de waarheid melden. Ik weet het niet; de blik des mans Kreeg wel iets twijfelachtigs thans. â 't Is wél waar, paatje! riep het (kind, Naar 't scheen voor de ouderwenken (blind, â 't Is wél waar, 'k weet het im- (mers goed, Je hebt ons toen meteen verteld Dat aardig grapje met zijn hoed! â (Jouapekind! bromde onze held) â En daarom â ging hij voortâ zoo-Ik paatje's hoed heb opgezet (dra En 'k daarin wegschuil, wat een pret! Dan speel ik hier in huis âoom spaquot;.â Ocm beet zich spijtig op de lippen En tante liet een zucht ontglippen. Verlegen werden neef en nicht. De snapper hield zijn mond niet (dicht; En, bracht hij oudoom in de klem. Ook tante kreeg een veeg van hem. â Moe, sprak het onbarmhartig kind, â Zeg, weet je wel op wie ik vind Dat tante lijkt? â Neen, lieve noes' |
Pieter Spa naar Amslerdam.
Gli
|
â Ik vind, ze lijkt op onzen Does! Juist zulk een (likken neus, niet (waar? En ook zoo'n witte kleur van haar. â Foei, karel! zei de moeder, foei! 'tls niet om uit te staan! riep moei. â Is dit nu, sprak ze, uw parel, nicht ? Ik vind het een ondeugend wicht, En als 'tmijn jongen was... Een (stoot, Dien kabeltje aan den tafelpoot. Misschien uit lichtgeraaktheid gaf, Brak voort haar redeneering af. Men schrikte hevig, want een kom Met vleeschsaus waggelde en viel om En goot, 't geen allen deerlijk speel, Heur inhoud uit op tante's kleed. De ontsteltenis, die 't allen gaf. Was bijster groot; hel maal liep af; Neef staakte zijn discussie;â nicht Liep heen met een vervaard gezicht En, uit confusie, bracht ze, in stede Van regenwater, olie mede Bij haar terugkomst. â Oom keek (rond Met suf gelaat en open mond â De VERinssELJE-telg sloop heen Eu tante was recht boos, naar 't (scheen. Geen wonder dit de zaak haar trof; De vrouw,zoo zindlijk op haar kleeren. Die haar japon van zijden stof Thans in een vetlap zag verkeereu, Had zich de grootste vreugd voorspeld, Als zij haar nichtje wederzag. Die haar zoo na aan 't harte lag; Hoe zag ze zich te leur gesteld ! Spa waagde d'uitroep van zijn spijl; â Ach, waren we ook maar thuis gebleven, â Ei! riep zijn ga, wat laf verwijt! Ii\ plaats dat jij rne troost zoudt geven. Ik kon met recht verwijten, piet. Maar neon,ik zwijg, ik ben zoo niet! |
En zoo verliep nu de eerste dag. Waarop ons echtpaar de IJstad zag. De een had gewis tot klagen reden En de ander wasmetrechtteonvreden. Maar, even als aan 'tgrootst verdriet De tijd zijn troost en balsem biedt. Zoo ook viel tante's boezemsmart Haard' andren morgen minder hard; Want wél bezien, was haar japon Wat afgedragen, en begon De stof heur sloflijkheid tetoonen; Zij neigde daarom tot verschoonen. Toen nichtje voor haar wilden zoon Bij haar vergeving afkwam smeekeu. Nu, 't was haar neef, en 't klinkt (zoo schoon 't Woord der vergillnis uit te spreken. 'tWas schoon te zien, hoe Amsterdam Zich met de loolTestoenen tooide. Do driekleur door 't oranje plooide En t al een feestlijk aanzien nam; Men beiddeerdra een nieuwen koning. Die in den tempel d' eed van trouw Ontboez'men en ontvangen zou. Men hoopte bij die eerbetooning Veel goeds, veel edels van den held. Waar Spanje's grond de wapenglorie. Waar Waterloo de krijgsviclorie, Waar Bautersum deu moed van (meldt. Geen burger wou nu achterblijven. Ja, de ijver was bij elk het meest, En de aanstalt' tot defeestbedrijven Was op zich zelve reeds een feesl. O, 'twas eendrukte,een volksgewemel, Als Hollands hoofdstad nimmer zag; De zonnegloor, de azuren hemel Beloofden voel voor d' andren dag. Wie zou ze niet tol vreugde stemmen, Die toebereiding tot geneucht? Mocht eerst de vrees spa's hart be-(klemmen. Ook hij werd thans gestemd tol (vreugil : |
Pieter Spa naar Amsterdam.
64
|
't Had invloed op 't gemoed des mans. Zijne eega had het hart vol zorgen, Haar kleeding voor den dag van (morgen Gold heur bedrijvigheid van thans ; Want op 't logeervertrek was zij Druk bezig met haar prachtkleedij Te schikken naar den eisch; ze lag Het al gereed, om d' andren dag Zich vroegte kunnen kleeden âwant Was zij niet spoedig bij de hand. Zei VERMissELJE tot de vrinden, â 't Zou moeilijk zijn een plaats te (vinden. Haar beste zijden feestsamaar. Haar zondagskapje met haar hoed, Haar poederdoos, haar linnengoed â Ze schikte 't ordlijk bij elkaar. Spa kreeg dien dag van vrouw permissie Om eene en andere commissie, Die hij op zijn geweten had. Te gaan verrichten in de stad. He man kwam vóór het eten thuis, En bracht een petje mee naar huis. âWat 's dat! riep zijn benieuwde ga, â Een pet! wat wil je daarmee, (spa ? Het teeder antwoord van denman, Was; â Vrouwlief, 'k spreek ongaarne van Het ongeval, mij overkomen Op 't kroonfeest van victoria ; Genoeg, ik heb mij voorgenomen, Wanneer ik morgen kijken ga. Een andren zotskap te beletten Den hoed mij in 't gezicht te slaan; Ik dacht het daarom zeer geraan, Een petje mij op 't hoofd te zetten : 'k Liep bij een hoedenmaker in, 'kZag dit, en 't ding was naar mijn (zin; Niet waar vrouw? 'tis een vreemd (model; |
Maar quot;k meen: het staat mij Uam- Hai (lijk wel. Zou Het petje was den man besteld, 't ] Ik kreeg het echter voor mijn geld. X)ie â Spa ! sprak zijn weerhelft, â wijl (ben je mal ? Dil Denk niet, als jij die gekke pet W; Bij zulk een feest hebt opgezet, (jni Dat ik dan met je wandlen zal! De Ik, met mijn beste spullen aan! Had En jij !... 't zou aardig samen gaan! Hi Ik moet toch om je dwaasheid treuren, M Hoor spa, het zal reis niet gebeuren, zij Of wil je 'tdoen.... 'kga niet met u! Zee Je kunt alleen gaan, hoor! â Welnu, N Mijn lieve saartje, ik wilde u vragen, Z; Als 't strookte met je welbehagen, H Of 'k morgen niet alleen kon gaan? si Want, naar 't mij is ter oor gekomen, Xo Heeft neef en nicht zich voorgenomen, 'tv Op een stellage te gaan staan; _ Dat gaat nu goed voor u en hen, I Voor mij intusschen, lieve schat! 'k Je weet hoe bang 'k geworden ben 'j; Voor die stellages; 't is omdat... l Doch waartoe zou'k mij zelvenkwellen â En weer opnieuw mij n leed vertellen? l O ! laat mij dus gerust alleen; K 'k Loop liever op den platten grond ] Van dam en dijk en straten rond. D Ach, lieve baartje, zeg niet neen! | h De smeekbeê van den braven spa Vond ingang bij zijn teedre ga. l Ze zei wel; â 't gaf geen pas voor (beiden, Zoo van elkaar te zijn gescheiden. Maar onder ons: ze wist nogtaus j Wat indruk 't op heur spa kon maken, t Wanneer ze van stellages spraken; Ze eerbiedigde de vrees des mans, Want uit die vrees sprak weer ⺠( (berouw: ( Ze gaf dus toe, de beste vrouw. En de afspraak werd gemaakt, dat zij Zich niet zon scheiden van de vrinden; |
Pieter Spa naar Amsterdam.
65
|
Haar eega met deez' schikking blij, Zou wel op straat een plaatsje vinden, 't Dinee van dezen middag had Die stoornis niet van daags te voren. Wijl hij, die de onrust h:id beschoren, Ditmaal niet mee aan tafel at. Want moeder was er in geslaagd, Om karel hiertoe te bewegen; De lekkernij, door 't kind gevraagd, Had hij daarom volop gekregen; Hij had zich recht tegoed gedaan.â Men zag het tante duidlijk aan. Zij was waarschijnlijk om deez' reden Zeer over neef en nicht tevreden; â Na d' afloop van het middagmaal Zat, onder boeit en keuveltaal. Het aanverwante, dubble paar Stil en genoeglijk bij elkaar. Toen eenklapsKARELS stem van buiten 'tVertrouwelijk gesprek kwam stuiten. â Doe open, riep hij â 'k wil er in ! Doe open, moe, en geef mijn zin, 'kWil in de kamer komen, hoor je, 'k Verzon ereis een grapje voor je. Daar paatje braaf om lachen zal! â Stil, stil, ik kom al aangeloopen. Hier, lieve schaap, hier ben ik al! Kiep moeder, en de deur ging open. Eén uitroep van verbazing was 't. Die nu aan aller mond ontsnapte: Het zoontje, dat naar binnen stapte, Had zich met tante's poederkwast Zoo vreeslijk toegetakeld, dat De knaap't potsierlijkst aanzien had. 'tWasnognietal! Neefspoedelhond. Die 't kunstjes maken vlug verstond. Kwam in de kamer, naast den jongen Op de achterpooten aangesprongen, Maar o, ontheiliging en schrik, O hartverscheurend oogenblik 1 O nooit geziene kinderboosheid, O onbeschaamde zedeloosheid! De keur uit tantes kabinet. De sier, de roem van haar toilet. Het voorwerp van haar slang beleid, II. |
'tSymbolum van haar deftigheid. Het beelderigst kornetje, dat Een plooistershand verlaten had, Waar's andren daags de goede vrouw. Bij 't intochtsfeest meê prijken zou. Zag zij den leelijkste' aller honden Thans op den vuilen kop gebonden! O hemel! gilde juffrouw spa, â Wat zie 'k? â Is dat mijn muts niet? ja! Mijn kanten kap, ook dat nu nog! Wat scheelt dien kwaden bengel toch ? Want hij heeft mij die kool gestoofd ! Dat smerig beest mijn muts op 't hoofd! Ik zal 't besterven, lieve Heer! Uier hond!., help spa!., ik kau niet meer! Ach, houd mij vast, 'k voel me ongesteld, Haal Spirilics, haal Hofman hier. Spa, sla hem dood, dat mormel-(dier!â Kardoes, verschrikt door al 't geweld. Viel nu te viervoet, nam de vlucht. Als waar hij voor den stok beducht, En liep, niet in zijn vaart te stuiten. Door de open straatdeur, wip! naar (buiten.â Dat was den jongens naar den zin. Dat gaf hun stof tot luide vreugde. Dat had voor hen een blijdschap in. Zoo als het hen in lang niet heugde. Had tante spa een wis verdriet, De straatgemeente had het niet; Nauw zag men 't vreemd getooide (dier. Of 't werd vervolgd met woest getier; Kardoes, voor zijn gevolg bevreesd, Liep jagend voort; wel keerde 't bee st Na eenige uren tot zijn baas, Maar zonder tantes muts, helaas! Dat was een slag voor tante's hort. |
Pieler bpa naar Amsterdam.
6';
|
Oat gaf aan nicht een alteratie, 't Ontlokte aan SPA een zucht van (smart, Aan neef een drukke lamentatie: Ja, 't bleek den braven lieden ras, Dat kauel hier weer de oorzaak was; Want onderwijl het viertal zat Te keuvlen met elkander, had De kleine 't plan in 't hoofd gekregen, 't Logeervertrek te gaan bezien; Hij onderzocht het al ter degen, Zi; n plan werd daar eerst rijpmis- (schien; Hij wilde tante spa verrassen, Terwijl hij in kardoes den hond, Door dezen 't kapje op 't hoofd te (passen. Een middel tot zijn oogmerk vond. Daar zijn bezwaren in liet leven. Die, mogen ze al niet wichtig zijn, Door 't plotselinge van hun pijn 't Humeur een sombre stemming (geven. Daar zijn verliezen, die de mond Nauw als verliezen op durft tellen, En toch ter ongelegen stond liet menschlijk hart ondraaglijk (kwellen, Als trof ons dan't onlijdbaarst leed; Dan zijn we dikwerf wrangen wreed: 't Gelaat schetst wrevel en verdriet, quot;We erkennen onze vrienden niet. En spuwen soms op hen venijn, Die aan ons leed onschuldig zijn. Zoo ging 't deez' dag ook juffer spa ; Ze wreekte 't hartzeer op henr ga. Hij, die het niet verhelpen kon. Die alles tot haar troost verzon. Hij, hij moest 's jongens daad misgelden; Want menig bits en bijtend woord. Te veel om 't lang en breed te melden. Word door hem zuchtende aango- (lüiorrl; |
Geheel deze avond en de nacht Werd morrend, smalend doorgebracht. Ze was geheel ontstemd, de vrouw; Nu sprak zij eens van kwade trouw. Dan van een dwaze neef en nicht, Of van een diep bedorven wicht; Nu noemde zij haar man despoot, Dan weer een laü'en echtgenoot. Haar wrevel sprak uit ieder woord, En in den slaap ging 't droomend (voort. En toen des morgens neef haar vroeg Om zich voor 't feest gereed te maken. Had vermisselje werks genoeg! Zo zei: â ze wilde 't feest verzaken. Ze was thans iedre vreugde moe.... Doch na lang bidden gaf ze toe. DE FEESTEN. Hij brak dan aan, die dag van vreugde, Die zooveel schoons verwachten deê; 't Was 'tintochtsfeest van W illem u. Waar oud en jong zich in verheugde! Gansch Amsterdam was vroeg ter (been: De burger, vreemdling, magistraat. De schutter, eerwacht en soldaat. Het wemelde a'.Ies druk dooreen â Toen spa zijn vrienden en zi)n vrouw Gebracht had waar men toeven zou, Verdween hij in het feestgewoel. Gelijk wij weten, met het doel Om hier of ginds, aan een der hoeken, Een goede plaats voor zich te zoeken. Hij liep de straten op en neer. Do toevloed werd hoe langs zoo meer. quot;Wat zat hij dikwijls in den drang! Maar duurde dit den man wat lang. Dan sloeg hij zich er dapper door; Want zie, hij nam zich stellig voor Om, waar 't hem wat te drukkend fwerii. |
Pieter Spa naar Amsterdam.
(u
|
i'.ij tij ris zich uit den weg te maken Ku voor zijn veiligheid te waken; Was daarbij 't uitzicht hem versperd, Nog liever, dacht hij, lijd ik dit, Dan dat ik weer in de engte zit. Wat menschen zag hij bij den ander! Wat woelde 't alles door elkander 1 .vfaar 't geen 's mans aandacht niet (ontging. Was hier en daar een vreemdeling, Juist met zoo'n petje op 't hoofd, (als dat Wat hij voor zich gekozen had. Hij had dus met dit tooisel vrede; VVant, dacht hij, staut het me al (wat vreemd. Geen mensch toch, die 't mij kwalijk (neemt. En 'k ben er ook niet éénig mede! He morgen vlood allengs daarheen, De klokken sloegen dra half een; Straks was het uur van d' intocht (daar! Spa kwam nu na veel zoekens klaar, Toen hij in d'omtrek van den Dam Eene extra mooie plaats bekwam.â Zoo door de menigt' heen te sjouwen. Wie zal het voor gemaklijk hoüen? Ook spa gevoelde 't wicht er van; 't Zweet stond op 't voorhoofd van (den man. Geen wonder toch ! nauw stond hij (daar. Of in een oogwenk greep hij naar Zijn zakdoek, om 't gelaat te drogen, Slel 's mans verbazing uvooroogen. Toen uit den zak, in plaats van één. Een tweede en derde doek verscheen. Die blijkbaar niet de zijnen waren, Nog vreemder stond hij rond te staren Zoodra 't hem bleek dat in dien zak Nog meer, dat hem niet toekwam, (stak, Ja zelfs een volle beurs met geld. Wat was de brave man ontsteM I |
quot;Wat angst, wat zorg sprak uit zijn (blikken! Wat sloeg hij de oogen schuw in ('t rond! Doch wie zou niet als spa ver-(schrikken ? Toen deze schier op d'eigen stond, Zich bij denroksboord aan zag grijpen Eu zich in de armen voelde knijpen, â Dat had je niet gedacht, schavuit! Dat valt je tegen, riep een stem Op donderenden toon tot hein. â Een zakkenroller! riep men luid. â Wee mij, wat zal me nu gebeuren Sprak spa. â Dat zal je straks bespeuren In 't logement der politie. Zei een der beide mannen, die Hem stevig hadden aangevat; â Hoor galgestrop! versta je dat? Kom aan, kom daadlijk met ons meê 1 â Maar menschen, laat me toch (met vreê! Sprak onze held; â hoort vrienden-(lief, Je hebt abuis, ik ben geen dief. Ik, eerlijk man 1 â Ei, sprak de agent, â Wat sta jij daar onnoozel, man! Wat zeg je, dat jij eerlijk bent'? Die zak getuigt er nog al van! â 'k Beken! de schijn is tegen mij, Zei spa, wiens angst ten topnunt (klom, â Maar 'k zweer er op, geloof me vrij. 'kWeet niet, hoe'k aandiezaken kom, 5len heeft mij vast een kool gestoofd I â Hij, die aan volk als jij gelooft. Hij zou een slecht beambte wezen, Hernam de agent, â genoeg voor mi; De Commissaris zal aan u. Zoodra 't hem lust, de Jes wel lezen. Dat hij jou achter tralies oluit, Weos daar gerust op, hoor schavuit! Maar troost je, want er zijn er viee! Van jou kornuiten. âLieve Hegt;:rl |
Pieter Spa naar Amsterdam.
08
|
Riep de arme man, â wat komt mij (over, Mij op te brengen als een roover, Het is afschuwlijk! â Kom, vooruit! â Weg met dien kerell riep men (luid, En ieder tastte naar zijn zak; Kene oude vrouw, daar staande, (sprak: â Wie zou dat zeggen van dien (kwant ? Een ander riep: â wat vroom (gezicht! Hij die 't niet wist, hij gaf wellicht Zijn zondagsduiten hem te pand! Ja, al die schimp en hoon vernam He man, onschuldig als een lam, llij, die geen schepsel leed zou doen. Hij, steeds zoo kieschop zijn fatsoen, Hie met zijn vrouw in Amsterdam Het koningsfeest aanschouwen (kwam, Werd thans, wie had dit ooit gedacht, Door dienders naar de kast gebracht! Ach, had hij eenmaal zich in Londen In groote moeifijkheid bevonden. Het was nog niets bij deze schand 1 Nu was hij in zijn vaderland. Nu, onder feest- en landgenooten. Bij menschen, die hij kon verstaan, Nu zag hij zich vol smaad verstoeten, Nu zag men hem als gauwdief aan! âHier, vagebond!ga hier maar zitten. Dus schreeuwde men hem toe, zoodra Hij in de kast was, de arme spa. â .Ia, zie maar rond, je moest nog (vitten ! 't Is wel zoo keurig niet en net! Maar 't is hier in geen hofsalet! Het is gemeubeld zoo 't behoort. Voor jou en volkje van je soort I â Kan 'k nu den commissaris (spreken ? Vroeg SPA, vol spijt en zielsverdriet. â Geduld, geduld! zoo driftig niet! |
Was 't antwoord, â om het hoofd (te breken Met zakkenrollers zoo als jij, Dat heeft geen haast; geloof het vrij. De commissaris heeft deez' dag En morgen ook de handen vol, De politie is 't hoofd op hol; Het komt door al dat dievenslag. Dat in de hoofdstad is geslopen; Maar, zijn de feesten afgeloopen. Dan kan jij er gewis op aan, Dan zal hij aan 't verhooren gaan ! â â Wat, schreeuwde spa, â wat (zegt ge daar, 'k Zou zóó lang moeten I... hoe !... (is 't waar ?... Ik moet hier blijven ?... in dit hok â Wel, wat wil je anders, schan- (debrok ? Een net gemeubeleerde kamer? Wat beeldt jij je al niet in! wat hamer. Wat hoort een eerlijk mensch al niet 1 â O marteling, o wreed verdriet! Riep spa, â 'k beroep mij op mijn (vrinden. â Jou vrinden worden ook gepakt, We zullen dat complot wel vinden. Onze ijver is nog niet verzwakt! â Onmooglijk! heb je vermisselje !... â Wat vraag je, vlegel, wat vertel je ? Een sneê kommies met water, ja! â Is 't droom of werkelijkheid ? (riep spa. Nadat men hem verlaten had En hij daar eenzaam nederzat; â 'k Moest daarvoor dan naar (Amsterdam ? Maar 't lag me waarlijk op mijn leden. Toen saartje 'tinheurhersensnam. Ach, 'k heb haar niet ais man bestreden ! Ik wist het, want het is mijn lot. Op reis ben 'k nooit gelukkig, neen ! 'k Ontmoet dan altoos tegenheên. Ik wist het, maar ik was een zot! |
Pieter Spa naar Amslerdam.
60
|
Een zot. . docli doe er eens wat tegen. Heeft r.e eenmaal iets in 't hoofd gekregen I Ik ben een Jonas, 'k ben een Job! Men scheldt mij uit voor galgestrop, Voor vagebond en beurzensnijder. Ik, arme tobber, arme lijder, Ik, die het vreedzaamst ben geweest, Ik word geweerd van 't vredefeest. Mij, die geen stervling deert op aard. Mij sluit men in een kortegaard! En zoo ontlastte, in doffe klachten, l)e man zijn sombre zielsgedachten De dag was daar, die 't vaderland. Met nauwer toegehaalden band. Sterk, hopen wij, door eer en trouw. Aan tweeden willkm hechten zou ; 'tüur is gekomen, dat de Vorst Ben duur bezworen scheptertorscht. Terwijl de kreet ten vreugdetolk Mocht strekken aan 't verzameld volk; O, met dien kreet verrees de beê Om nieuwe welvaart, heil en vreé. â Thans deelde én ouderdom én jeugd In 't algemeene feestgeneucht; Slechts enkle menschen deelden 't (niet; 't Was juffrouw spa, 't was nicht (en neef; De onzekerheid waar pieter bleef, Die gisteren hen blij verliet, Had hen een tal van slepende uren Ontelbare angsten doen verduren. Wel had men ijvrig hem gezocht, Maar, waarof wat men zoeken mocht, De man was hier noch ginds te vinden. Wat vrees doorwoelde 't hart der (vrinden ! 't Een schrikbeeld voor en 't andre na Vertoonde zich aan juffrouw spa, 't Was de eerste nacht in gansch (zijn leven, Dat manlief, zonder dat zij 't wist. Alleen uithuizig was gebleven; |
Wat werd er niet gedacht, gegist! De korte herfstdag liep ten ende, Nog, nog geen naricht van den man. Waarheen men ook de schreden (wendde. Men bleef er steeds onkundig van! De vrees was nu ten top gestegen; â Daar komt op eens in 'tduister licht! Een vriend vertelt aan neef en nicht: De politie had acht of negen Van 't zakkenrollersgild gevat; Ze had de lucht gekregen, dat Een aantal van die looze dieven Zich in de hoofdstad had verspreid, Dat, om elkander te gerieven, Zich zelf een leuze had bereid. Om, in het drukkend volksgewoel, Elkaar te kunnen onderscheiden ; De bende had daarbij het doel. Om de aandacht van zich af te leiden. Hetgeen men gaande rooven mocht, Den makker in den zak te steken, Die 't spoedig zonder taal of teeken, In veiligheid te brengen zocht; De erkenningsleuze was een pet. Door ieder hunner opgezet; 't Model was vreemd en, voegde hij Er nog in zijn vertelling bij. Een hoedenmaker in de stad Had daar de leevring van gehad: De politie, die 't had vernomen. Was door deez' man op 't spoor ge-(komen. â En gij brengt ons'er op, mijnheer! Riep jull'rouw spa, â ik dank u zeer; Ach lieve deugd, die goede bloed! Ik weet niet wat ik denken moet! Zeg neef! zeg nicht! begrijp je 't nu '! Denkt aan die pet, herinnert u Toen hij ze thuis bracht, wat hij zeide; Ach! dat hij van zijn vrouw ook (scheiddel Ik was te goed, ik liet hem gaan; O! hadde ik op mijn stuk gestaan! 11; weet, het eindigt altoos scheef, |
Heter Spa naar Ams/erdam.
70
|
Wanneer ik spa rijn vrijheid geef. 'k Had aan die pet een tegenzin, Als gaf een voorgevoel mij 't in, Dat dezehem weèrk waad zoubrouwen, Ook hij is zeker aangehoiien! Hij, zulk een deftig burgerman! Ach neef, loop wat je loopen kan! Verlos hem uit den nood! vertel je De zaken aan de politie! â Ja, doe dat, lieve vermisselji? ! Riep nu 'smans dierbare eega, die Een traan liet zien tot aller stichting; Gold oomdie traan? was't uit verdriet. Dat zij de prachtige verlichting Niot kon gaan zien'/ Ik weet het niet. Tot vermisselje's eeuwige eer Zij hier gezegd, hij kweet zich zeer: Eerst liep hij naar den hoedenmaker, Doch deze was geen feestverzaker, En dus natuurlijk niet in huis. De commissaris, wat een kruis! Was ook op 't oogenblik te zoek. Nu, dat spreekt immers als een boek; Op zulk een tijd van huis te wezen Was waarlijk van dien heer te vreezen, En aan de wacht der politie Werd donrden vluggen man vernomen. Dat hij daar aaneen uur twee, drie. Eerst tot zijn doel te recht kon komen. Zoo liep hij uren achtereen. Van de eene plaats naar de andre (heen. En vond ten laatst te middernacht Den commissaris aan de wacht. Nu bleek het vermisselje ras. Dat Tante's meening waarheid was; Helaas I het werd door hem vernomen: Oom spa zat in den kortegaard. Wat nijdig lot ons soms weervaart. Waar kan een mensch al niet toe (komen! Db commissaris wist het, dat Spa achter deur en grendel zat, Maar had den man nog niet gesproken, 't Had daartoe hem aantijd ontbroken. |
Thans zag hij 't in, de zaak was klaar; p.este Een misverstand had plaatsgevonden, \Ya Neefs uitleg was ontwijfelbaar! noe Deez had zich bovendien verbonden Mpju Om borg te staan voor spa, wanneer Om Men nog mocht I wijflen aan 's mans [jaai («â er. 'ze Wasook de naclitreeds ver verstreken, i(Ax Piechtvaardigheid en medelij', iia(i Ze bleven thans niet in gebreken, pai En de arme pieter spa was vrij! jj0 Nog keek hij angstig twijflend rond [ie, Op dien zoo lang verbeiden stond. pe Nog meende hij zich niet ontslagen j)n Van d'ijzren dwang hem opgelegd â gt;t ( Dwang tegen alle rede en recht. £n Waarom? ja waarom, mocht hij Te (vragen, (;lt; Daar 't alles hem een raadsel bleef; K De ontsluiering daarvan deed neef, (;, Terwijl hij hem naar huis geleidde, 'j, Waar zijn bedroefde vrouwhembeidde. Nog klonk het feestrumoer op straat, N Nog tooide de IJstad haar gewaad Met schitterenden glans en gloed, K Nog trok de prachtige verlichting In de algemeene vreugdestichting D' ontzaggelijksfen menschenvloed; Nog was het tijd voor 't viertal vrinden Heraadming in 't genot te vinden.â Maar neen, ze wenschten thans naar (rust; Hun ijvergloed was uitgebluscht. 7.1 O, 't was een nooit aanschouwd (tooneel, H De ontmoeting van mejuffrouw SPA, Met haar nn weêr gevonden ga! j f- Mi jn hand, te zwak dit schoon tali eel Naar eisth en regel af te malen, 1 Legt hier de veder neer, en 'k zal Mij slechts tot dit relaas bepalen : piet spa kreeg bij dit ongeval Een liefdrijk ernstig woord present, 1 De raad werd hem in 't hart geprent. Om voorts bij drukte en feestbedry ven |
Indrukken op de Boot en Brieven naar Ruis.
71
|
npstendigr bij zijn vrouw te blijven. Wat vtRMisSELJE bidden mocht, Uoe nichtje ook hen te houden zocht, Mejuffrouw spa bad vast besloten, Orn zondag middag heen te gaan; Haar plan was niet omver te stooten, Ze deed vol nadruk dit verstaan. KATiuJNTjE.die haar had geschreven. Had in beur brieft bericht gegeven : !'at Keesje zich niet wel bevond, De kelder onder water stond, Pe muizen weer zoo'n leven maakten, Pe kippen thans het leggen staakten, üo nieuwe turf zoo bruin van asch, '( Ontvangen spek zoo garstig was; En nog een reeks van bittre klachten. Te veel voor vrouwelijke krachten! Geen wonder dat mejuffrouw spa, Nu zij haar man terug bekwam, Geen rust meervond in Amsterdam ; 't Uur der terugreis sloeg weldra. Na d' afscheidsgroet aan neef en (nicht, Kreeg oom weer kabeltje in 't (gezicht; |
Maar dit had nop aan 't leed ontbroken. Bit was nu nog de laatste smaad! Daar stond de jongen â zijn gelaat In 's vaders wijden hoed verstoken!â De reis naar huis ging onverstoord, Doch naar hun wensch te langhaam voort; En toen men 's avonds van dien dag De dierbre woning wederzag, Toen was het spa of hem va n 't hert Een molensteen gewenteld werd. â Had vrouwlief deze tocht voldaan ? Ik twijfel daar in waarheid aan.â Maar spreekt piet spa er soms (nog van. Hij voegt er bij, de goede man: â Verwenschte ik eens, bij Englands (kroning; Mijn reisje van een dag vijf, zes. Ook Amsterdam gaf mij een les Bij 't Huldefeest van onzen koning; Maar, wat er voorts tedoen mag zijn; Al is er van gevaar geen schijn, Al loopt ook Jan en alleman â 'k Blijf thuis, wees daar verzekerd April 1841. (van! |
Indrukken op de Boot en Brieven naar Huis.
VAN EEN BEZOEKER DEJi LONDENSC11E TENTOONSTELLING IN 1851.
|
/.ie, daar ligt ze stom en roerloos, Maar geduldig en gedwee, Tieikt ze voor de reisbelusten De armen uit naar Rotte's ree. Neen, ze ziet naar stand noch rechten, Vraagt naar herkomst niet of doel; Hier is geen vergissing denkbaar, 't Is de stoomer naar john bull I Aarzelt niet, zet vrij den voet neer Op den bodem, die u noodt. Oie Noordzee? Je vliegt er over. Welkom, heeren, op de bnot! Stoort u niet als laatstgekoomne |
Aan 't gegluur van teen tot top. Straks neemt gij, die na u komen, Op uw beurt nieuwsgierig op. Houdt een oogje op uw bagage, Tot het scheepshol 't straks omsluit. A propos, houdt scheerdoos, mantel. Houdt er ook uw slaapmuts uit. Trekt het voordek niet uw blikken? Rreede groep, die ligt of staal: Mannen met verwarde haarden. Deernen met verbrand gelaat. Grijsaards, vrouwen, zuigelingen â Bonle mengling: grijs en groen; |
Indrukken op Je boot
en brieven naar huis.
72
|
Gaat dat ook als gij een speelreis Naar 't kristallen wonder doen? Neen, het is een drift dier zwervers, Trekkend naar het verre strand, Die ervaring ruilt voor hope, 't Oude om 't nieuwe vaderland. â t Uur is daar, de wal gaat wijken, 't Rad doorploegt alree de baar, lt; i voet en blik van 't reisgezelschap. Langzaam naadrend tot elkaar. Uotterdam verdwijnt in nevel, 't Gaat Schiedam en meer voorbij ; üreeder wordt de stroom, en de oevers Duiken weg aan loef en lij. 't Vaartuig krijgt al meer beweging, â Steward, zijn we dra in zee? â Nog den tijd! De tafel, heeren! Prepareert u voor 't dinee! Eten?.., maar 't gevolg der schommling! Jan beveelt de matigheid. Piet zegt: vóór je zee gaat bouwen. Eerst een goeden dam geleid! Dwaas, wie zou het eten laten? 'kHeb een pleister op de maag! Steward, ja we zullen eten! Vrees verergert licht de plaag. Zie die vlokken! Is dat zeeschuim? He, het wordt hier dans en spell Nog een stukje karbonade? Kom, je glas!â Neen, dank je wel. Scherts rondom, 't zijn allen helden, Phoe, wat neemt die boot een zwaai! Wat de roosjes daar verbleeken. Lamme kerel, hou je taai! Zie je wel dien sterrenkijker? (Ia, die dame is ongesteld! [.et eens hoe die heer, knipoogend! Een voor een zijn knoopen telt! Die gaat eens beneden kijken, En dat paartje duikt te zaam; Ik ga ook eens naar beneden: Hemel, wat een santekraam! Matte blikken, hangende armen. Vreemd gezicht en vreemd gehoor, Uleeke tronies, kromme ruggen. |
Instrumenten met één oor. Schuif maar op, alweer versterking, Op den grond maar, in dien hoek! Heel de tekst is: lange woorden. De illustratie â zucht en vloek! Ach, hoe klein is daar dat hoopje, 't Heeft den strijd hjt hoofd geboon, 't Hoopje dat niet wist van wijken En het dek hield tot zijn troon. De avond valt, de nevelkoelte Roept om mantel en om jas, Keuvlend laat men de oogen weiden Over d'onafzienbren plas. Eindlijk is de dag geweken En de praatstof uitgeput. En de laatste wakkre snapper Praat zijn buurman in den dut; Mocht de geest u wakker houden, Ook behoefte vergt haar prooi. En aantreklijk wordt ten laatste De algemeene trek naar kooi. Kent gij 't wel â het enge hokje ? Tien man vragen er kwartier; Hoe ze 't stellen ? Tot ontkleeding Is er nanwlijks plaats voor vier. â Wacht een weinig, wees voor zichtig ! Zie, mijn hoed lijkt wel een schuit! Iloud-je boeltje bij elkander; Steek je buurman 't oog niet uit! Wilt u eerst naar boven klimmen? Dat 's rn ij n kous ? â O, excuseer! â De onderkooi hier is de mijne, Wees voorzichtig! â Nacht mijnheer! â 'k Ben er! Nou, dat is me een (hok hier! Is hier iedre kooi zoo kort? 'k Leg zoo waar hier als een puthaak! Of die heer daar wakker wordt! 'k Hoor weer de oude dissonanten. Och, de nacht is als de dag; Kom, ik doe een schietgebedje. Dat ik spoedig slapen mag. Hé, als eens mijn bovenbuurman |
Indrukken op de boot
en brieven naar hui*.
|
Uoor zijn kooi viel op mijn bed; l!oe, ik droom nog dat mij Londen Opneemt tot een schol verplet! 'k Slaap..maar toch de geest blijft (wakker. Wat gezichten, die 'k aanschouw! 'k Wordt getrokken uit mijn perskot. Opgerold als kabeltouw. 't Is een walvisch, die mij nadert, En met loddrig oog aanschouwt, En mij als een anderen Jonas, Leukweg naar zijn maag verdouwt. Hemel, 't is een glazen walvisch; Rechts en links en boven glas. Wat een buik! zoo ruim en prachtig Of 'k in 't weeldrig Oosten was. Wat al menschen! Zie dien heer daar! Zie 'kmijn kooibuur ginds niet gaan? De Koh-i-noor in zijn dasstrik En... hij heeft m ij n laarzen aan I Wacht, ik moot dien man eens vragen. Wat hij met m ij n goed begon, Hemel, hoe 'k mij kon vergissen! â 't Is zoo waar, lord Wellington! 'k Voel mij bij de kraag gegrepen, Door policemen voortgesjord! Uoor wier ijzeren dwang ik, arme, In een hok geketend word. Hoor, men komt, men schreeuwt, (men roept mij, Zou het mijn cipier ook zijn1? 'k Wrijf de slapen, open de oogen; Ach 't is alles droom, 't is schijn, 't Is de slaapcel, 't zijn de kooien. Kooien om en boven mij. Welkom! roept een stem mij tegen. Want wij zijn den Theems nabij! Hoe, den Theems! 'k grijp naar mijn (kleeren, 'k Voel een electrieken schok, 'k Vlieg er uit, en trap een hoed in Van een slaper uit mijn hok. Voort maar, 'k werp mij in mijn (mantel, 'k Zie nog nauw bij 't schemerlicht; |
Kijk, de dameskooi staat open, 'kTrek de muts mij in 't gezicht. 'kWil niet zien! Ik wil naar boven. Wat mij roep of wat mij trek, 'k Heb één doel, 'k heb één gedachte, 'k Zal don Theems zien van het dek. Hoe, op 't dek ook enkle slapers ? Neen, dan liever wat benauwd. Dan als zij, de stramme leden Aan de nachtlucht toevertrouwd. â Waar is nu de kust? â Daar (ginder! â Waar?? Baar ginder bij die lijn! â Wat! die grauwe streep? Is 't alles? 'k Dacht er meer te zien zou zijn! 'k Zie een lichtschip, 'k zie er nóg één. Onze kiel laat hen aan lij; Op de boot komt meer beweging. Ja, we zijn de kust nabij: Zie dien gloed daar in het Oosten, Heil den dag, die nu begon. Welkom, heeren, nu genoten, Chapeau bas! daar rijst de zon Chapeau bas, ook voor den theegeur, Die de neuzen binnendringt; Zie maar, hoe men snakkend, smachtend, 's Stewards hand den kop ontwringt ! Fijne proevers mogen zeggen Dat men hier geen Joosjes biedt. Maar wij zeggen: fijne proevers Hooren op een stoomboot niet. Nu toilet gemaakt beneden! Dan de kijkers voor den dag! Straks mag 'k ook door 'tglaasje gluren En dan doen of ik wat zag. De oevers worden waarlijk zichtbaar, âEnglandquot; klinkt het blij en luid, Naar een molen of een rookwolk Kijken wij onze oogen uit. â Is dat Londen, dat daar opdoemt. Als ge noordwaarts de oogen wendt â Wat,mij nheer, die reeks gebouwen .' 'k Vraag excuus; 't is Gravesend I |
Indrukken op Je boot en brieven naar huis.
7
|
Zie, we draaien bij, een bootje I Passagiers naar allen schijn'? Neen, uw koller zal 't ervaren Wie die âblauwe heerenquot; zijn. En nu draait bet ons voor de oogen, Voor en acbter en ter zij; Booten, opgepropt met menschen. Varen de onze trotsch voorbij. Brandspuitschepen, kolenhaalders, Rookkolommen, stoomgemaal, Greenwich met zijn kolonnades, Woolwich met zijn arsenaal. Be eerste Roodrok trekt uw blikken. En het wordt u trouw beduid, Dat men in den scheepsromp gindur Zijn gevangen makkers sluit; En uw oog staart op het mastboseh. Duizend schepen, groot en kleen, En men zegt: gij vaart zoo strakjes Over London's Tunnel heen. Dat 's de werf van St. Cathrina; Maar.. .uw weetlust is voldaan: 't Hulpkantoor van 't customhouse; Heerlijk I want de boot legt aanl De eerste stap op Englands bodem. Ach, uitlokkend is hij niet. Want het is een vuile bodem. Dien het hulpkantoor u biedt. En nu 't werk der âblauwe heeren,quot; Of 't u meevalt â neen of ja ? Sla op 't stuk der visitatie Liefst het: «Zijn er zooquot; eens na. Neen, werpen wij 't journaal op zij'. Daar slaat dan ook een streepje bij. 't Zou onbescheiden wezen; Ik wil niet verder lezen 1 Eén woord van hem nog die het (schreef: Hij heet sebastiaan de zeef; Mijn held â een eenig zoontje; Is vaders â moeders kroontje. Sebastiaan werd opgevoed, Zooals men troetelzoontjes doet: |
Heel week en heel teerhertig Eu op zijn elf en dertig. Maar 'tzoontje was zoo'n wezel niet! Een, die het wel eens luchten liet; Hij hield, bij zoet gekozel, Zich thuis maar wat onnoozel. Nu wilde hij naar Londen gaan En zien hoo daar de zaken staan. Al zou 't er op of onder. Hij wou naar 't glazen wonder. i Zijn moeder kreet hare oogen nat. Zijn vader zei: wat gril is dat! Ons basjen is verloren! Maar basjen wou niet hooren. Hij lachte wat met de oudervrees Eu zat half Juni op de sjees, Met boordevolle zakken Om lang te kunnen plakken. Of 't hem beviel in Englands stad? 'k Meen wel dat hij er schik in had Hij taalde niet naar huis toe, Als was hij lang de kluis moe. En wat hij deed en wat hij dacht, 't Werd de ouders aan 't verstand (gebracht Door legio van blieven. Waar 'k ietwat uit mocht dieven. 't Extractje, dat ik daaruit geef. Leert wat sebastiaan de zeek In 't onafzienbaar Londen Zoo al heeft ondervonden. I. O, vaderlief, ontvang mijn groet. Mijn beurs â heeft nog geen hinder; Dag, lieve moeder, 't gaat mij goed, 't Gaat u, naar 'k hoop, niet minder. |
liidrukken op de boot
en irieoen naar kuis.
75
|
'k Ben eiiidlijk klaar met mijn logies, I Ik zocht wel veertien da^en; Naar wie 'k zoo keurig ben en viesch Zal moeder wel niet vragen: 'k Woon bij miss pit, in Poultrystreet, En die miss pit, je kent haar niet â Een beste vrouw, dat 's zeker, Schuins over een apteker. II. Wat is het hier een druk gewoel. Bijzonder in de City! 'k Viel gistren in het slijk, hoe koel! Want niemand zei: how pity! Men rijdt en rost hier dat het kraakt. En â straatjes oversteken, Dat is je testament gemaakt, Dat is me klaar gebleken. 't Is houd de voeling links of rechts, Men gaat hier niet â men duwt (zijns wegs. Wat julïer pit laatst lachte Bij 'tuiten dier gedachte! III. Wat eet men hier ellendig slecht! De groenten uit het water! Geen schepsel weet met zout terecht; Ham voor, ham na, ham later! De knechts, wier naam hier waiter is. Zijn ongelikte kwezels, Je vraagt hun soep, ze zeggen yes, En brengen sla, die ezels! Pas op dat gij hun knuisten slop, Want, wat zij kunnen â hand-hou-op! Als 'k bij miss pit mag blijven. Zal 'k daar iets over schrijven. IV. De restauraties, och, affreus! Al drinkebroers en vraten. Men pakt uw sjiijs weg voor den neus. |
Om u 't assiêt te laten. Men bromt, maar spreekt er boe (noch ba Eu duwt den roastbeef binnen. En als je denkt: men peuzelt na, Dan gaat men eerst beginnen! 'k Vind thuis een beter tafel ree. En juller pit eet met tne mee. Ze stooft de groenten vettig. Ik vind dat wel zoo prettig! V. O! als je reis wat moois wil zien. Wat moet je vreeslijk dringen! Wat hoort een inensch hier bovendien Al wondervreemde dingen 1 Vaak stap je op een verkeerde boot; Ben je ook de taal niet machtig, Geen schepsel helpt u uit den nood, Al 't volk is bull'elachtig! Gelukkig â slaat uw hospita U met wat meer attentie ga; Nu, 'k zeg het zonder stolfen. Dat heb ik best getrollenl VI. En ais je naar de gardens tijgt, Dan â handen op de zakken! Zelfs als men uit het rijtuig stijgt Weet men je beurs te pakken. En dan die dames bij den weg!..... 'k Vroeg ook uit vrees: âWie zijn zij;quot; En 'k zei in angstig overleg: Daar is veel valsche schijn bij. Niet dat ik de Engelschen bevit â Daar zijn ook beste lui â miss PlTj ik kan 't met reden staven. Miss pit is een dier braven! VII. En als je ter komedie gaat, Lut op je kaart bijzonder; |
Indrukken op de boot en brieven tiaar huis.
76
|
Want och, je denkt in't minst geen (kwaad, En toch men flaust er onder I 'k Dacht laatst; 'k had kaartjes voor (den hak, Toch moest ik heel naar boven. En â of 'k al van parterre sprak, Men wou mij niet gelooven. Thans weet ik waar 'tgeheim zit; De bak heet hier in Londen pit; Men kan er op vertrouwen. Dien naam kan 'k best onthoüen. VIII. Sn doe je een uitstap, 'k weel het nu, Men lette op zijn bagage. De spoortrein geeft geen mensch regu; Dat geeft hier soms een rage! De postoffices zijn, hoe dwaas 1 In hoeken meest verscholen ; Voor 't porterbierâ al ben je een baas. Zij u de wacht bevolen; Nogtans heeft mij mijn juffer pit. Als 'k soms met haar te keuvlen zit, Een lekker soort geschonken, Ik werd geen aasje dronken. IX. 'kRijd niet graag in een safety-cab. Goed om er gt;.it te smakken! He tunnel is wel vreemd, maar 'kheb 't Niet op zijn watervlakken. Wanneer ge een kerk bezoeken mocht, Zorg gauw het hoofd teontblooten, Al is ze leeg, al voel je tocht, Hoed af! dat is besloten 1 Miss pit v/ees mij bezorgd te recht. Ze heeft het mij vooruit gezegd, Toen 'k zei wat al mijn plan was; Ze wist wat ik voor man was. De wassenbeelden van Tussaud |
Zijn fraai, dat moet ik zeggen; 'k Beken: ik zag ze nimmer zoo, 'k Vroeg wie er uit zou leggen. Maar moederlief, begrijp mijn schrik, 'k Vraag 't aan een heerschap naast (mij; Hij spreekt geen woord, dat's vreemd, (zeg ik; 's Mans strakke blik verbaast mij. Verbeeld je, een pop staat nevens mij Als kijker in de galerij, Hoe juffer pit ontstelde. Toen 'k haar mijn schrik vertelde! XI. Die voerlui â foei, wat volk is dat, 't Zijn schoften en schavuiten ; Ze ontzien een vreemdeling geen spat. Toch kun je er maar niet buiten! Wanneer je hun je shillings gunt, Zorg dat je die laat klinken; Ze noemen ze anders valsche munt, Om voor die vond te drinken, 't Is meermaal mij gebeurd, eilaas! Maarthans ben ik wat minderdwaas; Miss pit zegt; schade en schande â Zijn leergeld hier te lande. XII. En nu het wonder van kristal 1 Ik zal 't u wel beschrijven, Als ik weer bij u wezen zal; Vooreerst wou 'k hier nog blijven! Ik onderzoek de zaak graag goed : Dat 's zoo mijn lust en leven; Nog iets â miss pit verzoekt haai (groet Aan u van haar te geven; Dat goede mensch doet veel voor mij. Ik vraag haar, en daar blijft het bij. Als ik naar huis mag keeren Bij ons wat te logeeren. |
Indrukken op de hout cn inecen naar huit.
77
|
En vader schudt den grijzen kop, En moeder ziet er vreemd van op. 'tGaf vreeze, 't gaf verblijding, Die wonderlijke tijding. En vader merkt, al kijkt hij strak. Wat baas er in zijn jongen stak. En moeder zegt: 't Is zonden! Wat hoor je al niet uit Londen! October kwam, en 't glazen huis. Het sloot zijn deur met groot gedruisch; De taptoe werd geslagen Voor hen, die 't moois er zagen. En onze held, sebastiaan. Zei ook: nu is het feest gedaan. Aan vreugde en aan ellende â Aan alles komt een ende. Hij pakte zijn valies gedwee En nam 't beloofd logeetje mee. Hij zei wat zal men kijken Als ze aan mijn arm zal prijkenl |
Maar moeder keek hen twijllend aan. En vader zei: âkan niet verstaan,* Toen 't zoontje huiswaarts keerde En 't vrouwtje presenteerde. Maar vader draaide toch wat bij, En moeder streek haar luim op zij. Toen zij hun basje's knepen Zoo zoetjes aan begrepen. Miss pit werd permanent logée, Ze schijnt met Holland wel te vreê. Ze leert â 't kan wel iets baten â Thans de oudjes Engelsch praten. En vader fronst nog wel het hoofd, En moeder zegt: 'k had nooit geloofd. Dat aan die miss van Londen Zoo'n staartje was verbonden. Miss pit veranderde heur Van En vindt in bas een prettig man. En kraait heel blij victorie. En... uit heeft deez' historie. 22 Maait 1852. |
De Valken vangst.
HET VERBOND.
|
-Hij is niet meer, die zoete tijd. Aan onbeperkt genot gewijd. Toen 't ridderlijke spel der jacht Een weelde en lust te schenken (placht. Waarvan de dagen, waar we in leven, Een niet dan flauwen weerschijn ge-De tijd van poëzij en moed, (ven; Toen de opgezeten ridderstoet. Den vluggen reebok op het spoor. Zich in het dichte woud verloor. Om, vliegende over struik en stronken. En in hun ijver zwijmeldronken. Voor lijfsgevaar noch leed beducht, |
Het dier te vellen in zijn vlucht. En dan, tot een herkenningsteeken. Den schellen veldkornet te steken, Om, onder schaterend geschal, Het meer verwijderd jagertal. Dat nog den moed niet zag bekronen, Den achterhaalden buit te toonenl 0, 'twas eene onbekrompen vreugd; Maar eindloos zoeter was 't geneugt, Als, in het lieflijk lentgetij, Vol dartelenlle kozerij, De jonker, koen, manhaftig, fier, En 't maagdlijn, door hem aangebeden, In lichten draf naar 't duinveld reden. |
Cïe VaLkenoünijst,
78
|
Waar hun getrouwe valkenier. Tot kwijting van zijn taak bescheiden, Hen reeds met ongeduld mocht bei-(den â 't Was hem een aangename plicht, Hem, die den valk had afgericht, En zorg en moeite zag beloonen. Als de enge kap was afgelicht. Den vogel 's meesters vuist te toonen, Waarop hij vurig, maar toch stil. Oplettend naar 's gebieders wil, Zich plaatste tot hij 't sein zou krijgen. Om ijlings naar omhoog te stijgen Eu zich, met onbedwongen vlucht, Te spoeden naar de bovenlucht, Om daar een korte wijl te beiden. En over 't onderliggend land. Van uit dien ongenaakbren stand, Den scherpen blik te laten weiden, Totdat zijn immerzoekend oog Den reiger, wouw, patrijs of snep Ontwaarde, die met wiekgeklep Zich in een' lager kring bewoog. Om dan weer met een vrije vaart Te dalen naar de sfeer der aard. En, onvoorziens de vlucht te staken. Wanneer hij zweefde boven 't hoofd Van 't dier, dat hij zich had beloofd Tot een gewisse prooi te maken, En eensklaps, met een zwaren val. Als ware het de val eens kogels. Tor neer te stoi ten â in het dal? Neen, lijnrecht op den kop des vogels. Die, overrompeld en verschrikt, Zich wendt en keert, en slaat en (prikt. En 's vijands nepen af wil keeren; Maar vruchteloos zich blijft verweren. En eindlijk, uitgeput van kracht. Bezwijkt voor 's roovers overmacht. Die met hem naar zijn meester (vliedt Eu dezen 't stervend oll'er biedt 1 Die schoone dagen van weleer... Ze zijn niet meer, ze zijn niet moer. |
Dus klonk in een vereeniging Van manuen uit den hoofechen (kring Van adellijken en van grooten. Die 's-Gravenhage houdt omsloten. Met kracht, welluidendheid en klem Een mannelijke, forsche stem; Het was die vau baron van deblen. â Uitlokkend was uw schildering. Sprak een uit dien notablen kring, âBaron, ge mocht onzeoorenstreelen; O worde hij teruggebracht De schoone tijd der valkenjacht! Maar, wat daarvoor gedaan? welnu, Wij doen die vraag het eerst nan u I â Mijn raad kan hierin slechts (bestaan. De haudën in elkaar te slaan. Zei de eerste spreker, â ons besluit En goede wil maakt alles uit. Wij kunnen ons de vaardigheid Der jacht en al die schoone zaken Van vorige eeuwen eigen maken. En 't goud, dat alles ellen spreidt. En schier naar ieder doel geleidt. Waar we onzen wil maar luid doen (spreken. Zal wis ook valkenieren kweeken. Licht even trouw en even goed, Als de oude tijd die heeft gevoed; â Maar nóg een wisse hinderpaal. Hernam de vrager andermaal, âEndie onze aandacht wel verdient, Is schaarschheid van de valken, (vriend! Ge weet toch dat men in deez' tijd. Zich uiterst en met recht verblijdt Als men er enkle kan erlangen 1 â Welnu, ik zal ze zelf gaan vangen I Geen hinderpaal of 'k acht hem (kleen; 'k Spoed mij naar Noorweegs (rotsen been. Vervolgde voorts de Baronet, 'k Hob daar wel nooit den voetgezet. |
De Valhenmnnst.
79
|
Maar 'k z-alertoehden weg wel vinden. Intusschen weet sje wel,mijn vrinden, Dat ik mij in een vroeger tijd Aan 't zeemansleven heb gewijd, En schoon â 'k herhaal hier de (oorzaak niet â Ik deze loopbaan sinds verliet, 'k Heb evenwel nog lust behouên, Om nu en dan eens zee te bouwen; Mijn kleine kotter, waar ik vaak Een tochtje mee te water maak, Doorklieft de golven vlug en licht En is op 't heerlijkst ingericht. Heeft stevig roer en kloeks oiasten En, houdt zij ook slechts dertien lasten, Gewis, ik ben er zeker van. Dat zij een stootje velen kan. Trots menigen Oostindievaarder, Al is die meer dan tienmaal zwaarder; En dan de slaapkooi en kajuit! Ze zien er comfortabel uit 1 Nu daarmee wil 'k de reis pi'obeeren, En thans vraag ik aan u, mijnheeren, Wie maakt den tocht op mijn Zoé, Naar Scatidinauie's stranden mee'.' En op dit eigen oogenblik Klonk in de zaal het antwoord: â ik! En aller oogen zagen rond ; Dat ik sprak slechts één enkle (mond, En, 't geen 'k met waarheid zeg- (gen kan. Die mond behoorde een Engelsch-(man, Die reeds geruimen tijd geleden, ('k Weet niet waarom) zijn vaderstad Met een der Nederlandsche steden Tot zijn verblijf verwisseld had. Waardoor hij was bekend geraakt Met onze landaard, smaak en taal, Die hij, wat wonder! altemaal Zich dra de zijnen had gemaakt; Hoewel hij zich die eigenschappen. Waaraan men soms den Bril herkent. |
En die 'k niet stoutweg wil verklappen. Bij ons nog niet had afgewend. Men zegt: hij werd daartoe geleid Door pure nationaliteit. Weet ge ook misschien graag meer (van hemquot;? Een onbedwongen stentor-stem. Zwaar, diep, als steeg hij uit een (kelder, Ging van hem uit, als hij den mond Door geen halsstarrig zwijgen bond; Zijn oogenpaar, nu dof, dan helder, ('t Geen strekte tot een peil, dal (steeds Zijn vriendental bereeknen liet Of hij, naar zijn gewoonte, reeds Zijn dorst gelescht had of nog niel) Was grauw van tint en naar 't (ons bleek Niet vast in zijn beweging, want 't Had vaak een ongewissen stand â Zoo, of hij naar de Klundert keek. Zijn grootte was niet extra, naamlijk. Vijf voet en derdehalve duim ; Zijn zwaarte noem ik nog al taamlijk: Hij woog twee centenaren ruim: Zoodat, wat hij in hoogte ontbeerde. Door omvang rijklijk werd vergoed. En dat hij 't nat en 'tdroog niet weerde. Getuigde wang- en voorhoofdgloed. â Top! dat's gezegd, lord LiTTLE-(WHlï, Hernam de ontwerper hoogst ver-(blijd, 'k Zeg ii, dat gij na weinig tijd, Met mij in'ttrotsche Noorden zit; Mijn vaartuig ligt aan Muidens (wal. Waarheen 'k mijne orders zenden (zal. Opdat we, na een dag zes, zeven. Ons saam van daar in zee begeven: Ge kent mij : 'k stel een vast besluit Ongaarne meer dan noodig uit; Behalve dat, zijn we in 't seizoen. â¢I |
T)e ïalkenvanqst.
80
|
Het best om zulk een toclit te doen; | We moeten dus geen tijd verliezen En spoedig 't ruime sop maar kiezen Welnu, Mylord, hoe vindt gij dit? â O very good! hernam de Brit. 't Hourah klonk luid uit ieders (mond Bij 't hooren van dit kloek verbond; 't Champagne-glas werd volgeschonken En op 't geluk der reis geklonken. DE AFVAART. Zeg knechtje, zeg, wet zoek jij ier? 'k Eb jou al dukkels op en nier Den aevenkant mit drift zien loopen, 'k Loof eusig dat je visch wil koopen; Ik eb ze moi, oor! zie reis an! Je zoudt er rauw in bijten, man! â Diable non! ik mot keen fisch: 'k Wou dat ikke een pilote wis! 'k Eb deuzen ntorke in al de hoeken Van deuze stad zoo'n fent kaan (zoeken; Maar 'ben een skurke as ik ze fint; Jij bent toch geen pilote, frind! â Wat saetan, kaerel! bin je zot? Wet veur in ding vraeg je of ik bin? Oor, kort en goed, 'k bin aerie vin ; 'k Breng op de Muiermart mijn bot, En as je zin heb in dat oopie, Ziedaer, ik gief jou 't veur in koopie; Of zoek je naer in vorsche steur? (Je weunt vast bij in groot sinjeur. Dat merk ik an je moije baetje!) Daer eb je dan een lekkre, maetje! â Mais sacrétien! ik mot keen fisch; Keloof dat almaal kekkeid is, Want monseigneur die zekan mijn Dat in deuz stad feul manne zijn, Die in de skippe vaar op zee: Y wil, ik brenge zoo een mee; IV ant monseigneur die mot kaan (vaar. |
Zie, kunt er lelt zijn skippie, daar. En ij eef ook an mijn kezek, Y wete niet partout den wek, En daarom mot die eb zoo'n man, Die vaar en pilotere kan; Maar, as ik nou zoo'n man niet ziet! â Oor! wat je zeit, ik vat jou niet. Je praet me daer zoo'n raere taol; Je likkent wol een koeterwael! En monseigneur betaal splendied Y nooit op een driegidden ziet. Jae, nou begin 'k zoo wat te speuren, Ik loof je zoekt in loods, niet waer? Dat was me flusjes niet zoo klaer; Nou, 't ken den beste wel ebeuron! Daer is gion iene loods in stae, Ze bennen op 't moment in zae. Oor vriendlief! maer jij eb ezeid. Jou heer daer wet veur over eit; Nou luister reisjes, beste maet! Ik waet in kosteliken raed: It lukt van daeg niet mit me bot. En ik bin ook in waeterrot; As ik it zoo nou overlei En an jou heerschop strakjes zei As jij me bij um eb ebrogt. Dat ik de man ben dien je zocht. En 'k bin der wel kepaebel voor; Ik waet op zae den weg goed, oor! En ik verdien iel graeg wat geld, Nou, maetjelief, spriek op! wat kies je? Wat zeg je van mijn proppesiesje ? âJa,maar'k eb jou nok niet verteld, Dat we op de water blijf eel lange. En dat ons falke kane fange; â Wel kaereltjc, dat iswatraers. Vang jij veur mijn part oijevaers ; Dat is mijn om it even, maer Je zei me, as ik it wel eb, daer. Dat je op it waeter lang wou drijven. Wel nou, 'k wil ook wel bij jou blijven, Als 't heerschop 't maer wat goed (maekt, man, In gulden daegs, wat denkt je er (van? |
De Valkenmngst.
81
|
Eu dan, dat zol jij ook wel waeten, 'k Verdien daerlnj den kost veur 't (aelen. â Eli hen! ik zal dal kaauw kaan (zek, Maar monseigneur luildaadlykwek; Zek jij dan maar ne laatjy kan 9 â As 't waezen mot, zoo daedlijk, (man; Oor, waet je wat: 'k loop gauw (naor uis, Jk ael me pikbroek en me buis, En 'k niem vast afscheid van me wijf En binnen een men uit of vijf Bin 'k tol non dienst van jou sinjeur; J.I roept jou, lik ik al bespeur. Niet waer? daer staettie op it dek! Nou vriendjelief, ik kom derek, â Maek jij dezaekmaerveurmeklaer, Adie oor! ik bin strakjes daer. Daar lag voor Muidens breeden wal, Te midden van een schepental, De kotter van baron van deelen. liet koeltje, dat door 't want kwam (spelen. Scheen gunstig voor liet kloek (besluit. Als noodde 't tot den aftocht uit, En 't strekte tevens zacht en zoet Tot ternpring van don Juligloed. De Zoé, vaardig tot vertrek, Droeg op het net geschrobde dek Het tweetal koene tochtgenooten; De luchte bloezen aangeschoten. Met losso das en strooien hoed En ruime schoenen aan den voet, In 't kort: in een costuum sans gêne, Recht passend bij de water-scène. â Welnu, wat zegt ge er van, (mylord! Mij dunkt toch dat het noodig wordt |
Dat we aan den aftocht denken, (ra aar Waar drommel, blijft nu LKO-(nahd ? !) Zou 't in deez' stad zoo moeilijk wezen Een loods te vinden ? 'k zou het (vreezen; Hij toeft zoo lang daar aan den wal; Ik hoop maar dat hij slagen zal. Ik zag hem in gesprek daareven Met iemand ; 'k heb een sein gegeven Dat hij zich herwaarts spoeden zou, Hij zag ine, zoigt; ik wel vertrouw; Intusschen duurt het lang, niet (waar? Maar wacht eens, ik bespeur hem (daar. De knecht was weldra op het dek. En gaf verslag van 't mondgesprek. Waarin hij plotsling was geraakt, En de afspraak, die hij had gemaal;t. Nadat hij tevens had gemeld Hoe hij zich zag te leur gesteld Om in de stad een loods te vinden. Geschikt voor 't oogmerk van de (vrinden. â Ik merk dus dat ons anders niet Dan deze botboer overschiet. Zei de ijverige baronet; Doch, 'k heb me nu in 't hoofd gezet Om nog deez' morgen af te varen, De wind is uitermate goed, â Ik wil vertrekken; cout que coul! 'tls ook onnoodig uit te klaren. Want zie! ik meende dat een pas Voor ons maar overbodig was. Wat toeft die botboer nu aan wal? Ha, wacht, daar komt de kerel al! â Ik wensch je goeije muigen zaemen! Ik ken jelui niet bij je naeraen. De knecht iefl mij die niet ezeid, 't Likt dat tie it vergieten eit. |
1) Lf.ohaab s. t. p.
II.
ti
De Valhenvangst.
82
|
Nou, 'tken den beste wel ebeuren! Wel zaeterdags, wat moijeschuit! Ze ziet er achter en van veuren Als pleuntjes porseleinkast uitl â Zoo vriendje, zoo, je bent degeen. Die zich tot domestiek, zoo 'k meen. Tot onzen dienst heeft aangeboden, â 't Is wel, ik heb uw hulp van nooden; Maar ben je een goede schipper, (man ? Och heerschop, praet me daer niet (van: 'k Eb van me tiende jaer evaeren, En 'k bin nou ien en viertig jaeren! â Goed, 'k zal 't met jou p r o- (b e e r e n, maak Je recht verdienstlijk, hoor je, snaak? Je bent tevreden, zoo 'kbespeur? â Jae, jae, ik bin content, sinjeur! â Nu, dan maar daadlijk aan den (slag; Aan mij behoort het scheepsgezag; 'k Zal 't roer met jou om beurt besturen. Ik regel daarvoor nader de uren; En 't blijft bepaald dat gij, vxylord, Hier victualie-meester wordt; Terwijl gij nu en dan een poos De functie waarneemt van matroos. Aan Leonard is 't opgedragen Als kok te zorgen voor de magen. Gijlieden kent uw plicht, niet waar? De kotter los, en â voort dan maar! DE TWEEDE MORGEN. Een twintig uren zijn voorbij, 't Is alles wel naar wensch gegaan. En met een goeden wind en tij Brak thans de tweede morgen aan. Men was de reede van Ter schel (ling Voorbij, en zonder vrees ofkwelling; 'k Spreekhierin 't algemeen, hoewel |
De zwakheid bleek van 's kok! â ) (gestel. Die, schoon hem ook zijn grootsche (taak riep, Zijn wiek liet hangen op den stond Dat Zoé zich in zee bevond; â Hoewel 't ook met zijn lordschap (spaak liep, Die in zich zelf 't bewijs gaf van De broosheid van den Engelsch-(man : Want de eerste, schoon een held (op 't land, Was daadlijk voor de kracht-con- . (junctie Van lucht en water niet bestand, En de ander, ijvrig voor zijn functie Had, door zijn vrees voor dorst (geleid. Den kelderschat eens opgenomen. Zoodra men dobberde op de stroomen; Nu, prijslijk was zijn zorgzaamheid. Hij wilde zich niet contenteeren Met bloot revue der kwantiteit, Neen, hij was bovendien bereid, De kwaliteiten te probeeren; Maar 't was te veel! de kracht des (mans Schoot bij deez' taak te kort, althans Beneveld werd zijn heldre geest; Hij was wat ambitieus geweest; (J Vandaar, dat in dat tijdsbestek, Dit tweetal op en onder 't dek Niet tot gereede hulp present was. Dewijl 't daarvoor incompetent was; 't Werk drukte daarom hen alieen, Wier constitutie sterker scheen: Den eedlen stuurman en zijn maat, En deze kweten zich cordaat. Ze waren trouw op 't dek gebleven, Geen toch kon zich van daar begeven, Dat viel den baronet niet mee. Wijl deze graag een tukje dee, 't Geen ook geen wonder was, én (toch |
T
De Valkenvangst.
83
|
De zieke manschap, waarvan een Hem moest vervangen, ronkte nog; Hij bleef dus boven om die reen. Maar 't duurde slechts een korte (poos. Of zie daar kwam de keukenheid. Die nu een weinig was hersteld, Zich aan zijn meester presenteeren, Om in de handling van matroos. Hem thans te mogen remplaceeren, Dat dezen dan ook welkom scheen. Wijl hij terstond van 't dek verdween. â Oe maek je 't. Mosje Leijcnaer? Sprak arie vin, â wel, is 't nou (klaer Mit jou, jij ad it kwaed, me zeun. Je bint de zaelucht niet eweun; Je mot je daeran maer niet steuren: It ken den beste wel ebeuren. Oe maekt it ook meneer melord Ik loof dat um wat anders schort;â Vertoont tie wel es meer die grappen? Nou, spriek maer, 'k zei jou niet (verklappen 'k Eb ook me fouten ; iedre gek. Zeg 'k altoos maer, eit zijn gebrek; Ik loof, ij was den wijn gaen keuren. Nou, 't kan den beste wel ebeuren! â Zek jij, oe iete daar die strand f â Dat, vriendje? dat is Aemeland; â 'k Wou dat we maar kauw {arriveer â Ik kan mij niet zoo amuseer! Ok I 't is een farce, it is een kuur Van Monseigneur, ik vind dat kek Die falke te kaan fange; zek, Zal onze reis nok lange duurf â Waet ik it. Mosje Leijenaer! Ik wist it graag van jou, zoo waer! â Is die Noruege fer van ier? â Wel man, 'k begrijp van jou (geen zier; Oe, drommel, noemde jij dat land? â Diable ! eb jij keen verslandquot;? |
Norvege zeg ik strak an jou / â Maer, Mosje-lief, wat mien je (nou? â De land is 't waar ons kaan (na toe, En as 'k an jou de vraak straks doe Of 't lang zal duur of ons daar kom Oudt jij jou van die lande dom? En monseigneur maak staat op jou Dat jij de wekke wijze zou. â Ik!! bin je raezend, kammeraed. Eb jij me van dat land epraet. Toen jij veur 't ierst mit mij kwam (sprieken? 'k Waet wel den weg in deuze strie- (ken, Maer 't land dat jij daer even zeit, 'k Waet bij me ziel niet waer it leit. â Oh! wat zal monseigneur zijn (kwaad Van datte jij daar eb kepraat! Ma foi, ik durf dat niet vertel, Y zal kaan springen uit zijn fel; Ik zekke daarvan niemendal! â Wat duivel, Mosje, bin je mal! Kom, leg toch nou niet zoo te zeuren I An jou leit wel de fout, dat 's klaer. Maer loof jij me eusig, Leijenaer, Dat ken den besten wel ebeuren 1 Oor, waet je wat ? it heerschop eit Me, toen die daer steng, straks (ezeid. Zoodra an mijn Schierm o n n ik-(oog (In eiland, vat je ?) viel in t oog. Dat ik of jij um wekken zou; As ij dan oppestaen is, nou, Dan zal ik um de zaek vertellen; Maer om hem dan gerust testellen, Gief ik daerbij in goeijen raed, Dat is, dat ij op 't eiland gaet En dan maer vraegt nae bruinen (bart, Want die waet overal den weg, Eu 't is in zaeman in zen art. |
Dc Vaikenvangsl.
|
Jae, 't is wel waerheid wat ik zeg, Kn as it heerschop 't dan kon klaeren, Dat deze met ons mie wou vaeren, Dan was de zaek gezond, wel man, Is dat nou gien sapperber plan? â Parhleu, jij eb mijn zoo doen (skrikken. â Sus sus, me vrind, it zei wel (schikken. â Dat is me nu een fraaie zet, Sprak wrevelig de baronet, â Maar 't is nu zoo en anders niet, 'k Zie dat geen keus mij overschiet Dan 't volgen van uw raad, welaan, Wij zullen op het eiland gaan; 'k Volvoer onmidlijk dit besluit; Kom, arie! zet de boot maar uit. Jij blijft aan boord met leoxard ; Mylord gaat met me mee, niet waar? â With pleasure, was het ant- (woord, â en Sprak voorts de nuchtre gentleman, â Ik zal wat laafnis bij me steken, Goed dat ik daaraan denk, verbruid! Dat kon ons ginder Vj'el ontbreken! Men wierp van 't scheepje 't anker En 't adellijke vriendental (uit Voer met de kleine boot naar wal. â Oh, nou zal wc, ons kaan amuseer Jk 'alle jou eens koed trakteer, Sprak Leonard verheugd, zoo ras Zijn meester uit zijne oogen was. â Zek, eb jij wel ooit wijn keUronken? â Wijn! was het antwoord,wijn, (wel nien, â Jae, toch es iene keer, zoo'k mien. Toen 'k door den schout werd (vastgeklonken, Je vat die kneep, niet waer, me (zeun ? Toen 'k volewijkte met me pledn. Eh ben! 'k zal jou een klaaske keev', '/.00 lekker, lekker! van jou leev' |
Eb jij dat nok niet zoo kaproef Wat duvle, ik zek, dat die messieurs, Et parcequ'ils ne sont qu'a deux, Zoo'n eele kroote boel niet oef; â Maer, waer ael jij dien wijn (van dxen â Chut I ik kan in de kaste kom. â Nien, Mosje, dan laet ik ze staen; â Mais sacristy, wat ben jij dom! â Jae, oor reis, vriend, je mot niet (stelen. â 't Is een affront wat jij daar zek! â Bes, bes, dat ken me weinig schelen, â Que foulre,fent, wat he it jy kek! Ma foi, ik badineer met jou, Denk jij dat ikke stelen zou f Mais f. done! ik word kwaad! {die wijn Eef monseigneur kekeef an mijn. â Nou, gief jij die verziekering Dan is it voor jou riekening En 'k wil dan wel is mit jou drinken, Jae, zelfs op jou gezondheid klinken. â Comment/wat zekkejij daaraan? â Wel, zaeturdags, dat 's lekker (man! â Si, si, dat iele nou Champagne; â Is 't waer ? nou, 't is in (kostjen, oor! Och, gief ine nog in glaesje van je. Zie, Leijenaer, dat gaet je voor! Mon cher ami, ik eb nok meer! â Kom, kaerel, kom, loop uae de (Fransen, As ik met jou zoo drommels peer, Dan zou ik op mijn kop gaen dansen! â Bah, bah, jij zal niet dronken (word'! â Nou Leijenaer, jij bint niet gierig, Jlaer, 'k waet it niet, 'k wor zoo (plezierig! â Ja, wyn maak al de zorken fori; Allans! jij mot nou drink niet (mijn Op de kezondheid van den wijn, |
De Falkenvangat.
85
|
'k Zek daarom : vive, viv' le vin ! â J ae Mosje : Glcvilvilain ! SCHIERMONNIKOOG. De beide heeren hadden 't laud Bereikt en zagen op het strand, Wel verre van bedrijf en drukte, Geen voorwerp dat hun levend (scheen; Ze tuurden zoekend rond zich heen Totdat het eindelijk hun gelukte Een iiut te ontdekken op de kruin Van een niet ver verwijderd duin. Men richtte derwaarts nu de (schreden, Bereikte 't kieine huisje ras En vroeg, meteen bij 't binnen treden. Waar BRUINE BAR T,de zeeman, was'? Zoover men 't antwoord kou verstaan, Scheen 't dat men hem in 't dorp (kon vinden; Een kleine knaap bood zich den (vrinden Terstond tot hun geleider aan. Nadat men op een zandig pad Een driekwartiers geloopen had. Hetgeen ('t vereischt hier geen be-(toog) Voor ouzen lord een zure taak was. En, zoo hij zeide, een hecle kraak was, Kwam men in 't dorp Schier- m o n u i k o o g. l)e man werd daadlijk opgezocht En zonder rnoeite dra gevonden. Hij had wel ooren naar den tocht. Doch zag zich nog dien dag gebonden, Gelijk hij blijde voorgaf, daar In 't dorp een knap en jeugdig paar Dien eigen morgen kwam te trouwen, quot;Waarbij hij bruiloft moest gaan houën. â |
Juist trad het tweetal uit de kerk: Een groote stoet omringde hen. Men drong zich orn hen henen, en De wenschen kenden paal noch perk. Elk was in 'tzondagspak getooid; De gansche weg was mild bestrooid Mei maagdepalm en frissche bloemen; Men hooide luid het bruidje roemen. Zoo lief en netjes was het kind. Niet opgepropt met strik of lint. Neen, stil en stemmig was haar tooi: En 't mutsje! 't stond haar heerlijk mooi! Waar 't ijzer, dat er onder blonk, Een eigenaardig schoon aan schonk, Eu, 't geen 'k vooral nog melden (moet. Zij zag er uit als melk en bloed! Ja, menig vrijer uit den drom. Benijdde haar den bruidegom. Die, met zijn nu behaalden buit, ïrotsch stapte naar het huis der (bruid; Daar aangekomen, schonk het paar. De borst bezet met frissche ruikers. Der jubelende burenschaar. De door een elk geliefde suikers. De reisgenooten sloegen stil Dit waar tooneel van blijdschap ga. En 't overtuigde hen weldra Dat, als men vreugde smaken wil. Men juist geen hofsiad noodig heeft. Maar die gewis ook, nu en dan Daar, waar men naar geen groot- (heid streeft. Doch stil en nedrig henen leeft, In ruime mate vinden kan. Het bijzijn van de beide heeren Was ook der aandacht niet ont-(gaan. En wijl men allen wou vereeren. Bood men ook hun wat suikers aan. Die heuschlijk wei-den aangenomen; Hierdoor wat naderbij gekomen, Geraakte 't tweetal in de groep |
De Valkenvangst.
86
|
En werd gemeenzaam met den (troep; Doch welhaast ging die troep uiteen, Toen met een uitverkoren kring, Het bruidspaar in de woning ging; Nu wilden zij ook gaan, doch neen, Daar houdt hen bart de zeeman (aan En doet de heeren gul verstaan, Dat hij hen wenschte te overreden Om deel te nemen aan de pret; Nu, beide op vreemde vroolijkheden Eu avontuurtjes wel gezet, Ze meenden dat het niet kon gaan Om hier zoo'n aanbod af te slaan; Ze toonden zich dus wel bereid En werden in het huis geleid. â Een groot vertrek met witte wanden, De glazen pronkkast in een hoek, De kast met uitgeslagen randen, Daarneven 't zware bijbelboek, (Hot was 't geschjenk, dat de echte-(lingen Van 's bruigoms vader straks ontgingen ;) Aan de overzijde naast het bed. Het eikenhouten kabinet, Waarop twee pullen en een pot; Dan genoveva in de grot En 't lot van den verloren zoon. Figuurlijk aan den muur ten toon, En boven d' open hoogen haard. Prins Bl.üCHER van het hollend (paard Geworpen door des vijands kogel; Daarboven een kanarievogel, En 't spiegelglas aan d'overkant, Met deze groep in juist verband. Waarbij nog aan de zoldering Een kroon ter eer van 't bruidspaar hing. Terwijl men ook een bloemenschat Om stoel en bank gewonden had. Ik zwijg nog van de loovers om De koffiekan, de suikerkom. |
De bruigomspij p, het rookkomfoor, Het drinkglas en het kwispeldoor. Ziedaar zoo wat in 't kort gemeld Hoe 't binnen 's kamers was gesteld. Een ieder was recht in zijn nopjes, De mannen met den Gouwenaar, De vrouwtjes koutend met elkaar, En, toen het heir van koffiekopjes Van tafel afgenomen was. Verscheen de flesch met hypocras, Waarvan met gulheid maag en (vriend 't Verlangde deel werd toegediend. Of, mocht men soms wat anders willen, Men had ook persico, citroen, Anijs en wat oranjeschillen. En hiermeekonmen 't rijklijkdoen; En, dat men 't niet aan zoeten koek Ontbreken liet, spreekt alseenboek. 't Genot van deez' versnaperingen Verheugde recht de feestelingen. â Zoo doende vlood een uurtje heen, Waarna de meid der bruid ver-Met borden en het tafellaken, (scheen Om, voor het wachtend middagmaal De toebereidselen te maken. En, recht behulpzaan alteraaal, Hielpieder gauw een handje, en ziet, In tien minuten of nog niet. Was reeds de tafel ree voor 't eten En waren allen aangezeten. 't Verschil, dat deze feestdisch bood Met dien, waaraan men beide heeren In 's-Gravenhage zag dineeren. Begrijpt men licht, was taamlijk (groot, (Want burgereenvoud en 't fatsoen Van dezen tijd, zijn zeer verscheiden); Doch waar men 't lekkerst at van (beiden. Hierover wil 'k geen uitspraak doen. 'k Zeg niettemin met zekerheid, Men zag hier, zonderonderscheid, Door allen goeden eetlust toonen; De runilerharst met bruine boonen. |
De Valkenvangst.
87
|
De flinke, niet te maagre ham. Die, als bestemd voor deze occasie, Van 's bruigoms neef uit D o k k u m (kwam, Met roomsche boonen of spinazie ; De gierst met pruimen en daarna De koekebak met kropsala; De grutten met een eindje worst, Benevens de erwten met rozijnen. Een glaasje faro voor den dorst, In 't kort, al wat men zag verschijnen, Het ging er niet met tegenzin. Neen, als een ware klokspijs in. Maar toen men van de rijstebrij, Met suiker en kaneel voorzien. Aan elk een portie aan kwam biên. Langde ooklord littlewhit wathij. Men zal het zich wel rappelleeren, Dat, bij de landing van de heeren De keldermeester van zijn schat Wat laafnis meegenomen had, Om, mocht het land die niet verstrekken, Zich daarmee in den nood te dekken. Waarbij hij, door den haast geprest, Het openlaten van de deuren Der voorraadskast niet mocht bespeuren, â Doch Leonard bespeurde 't best. Vier flesschenkrachtigen-Powmier Nam onze lordschap met zich mee, En, 'k noem zijn zorgzaamheid hier (braaf. Ze waren alle vier nog gaaf: Hij had ze weten weg te stoppen En kwam er thans mee op de proppen, En schonk ze tot een goed besluit Van 't feestmaal, aan de gasten uit. Vier flesschen â 't was niet (schreeuwend veel. Maar toch kreeg elk daarvan zijn (deel. Menklonk nog eens, met blij gebaar. Op 't welzijn van het jeugdig paar. En hiermee liep het taaflen af. |
Dat wel den beiden weeldezonen Een koddige verpozing gaf; Maar dat hun tevens aan kon toonen. Dat gulle, hartelijke vreugd, Nog onvermengd met schijnge-(neucht. Hoewel men die vaak elders miss', Nog niet van de aard verbannen (is. Men zag nu iedren gast zich reppen Om 't buitenluchtje te gaan scheppen; Men trok gepaard de huisdeur uit: Aan 't hoofd de bruigom met zijn (bruid. Gevolgd door hunne speelnoots, en De verdre troep sloot zich aan hen ; De mannen met de pijp, de vrouwen Met bloemen op de borst gezet, Of ook wel in de hand gehouën; Zoo werd, met statelijken tred. De kuiering door 't dorp (volbracht; Men liep'het tweemaal op en neer En keerde toen naar 't bruidshuis (weer. Waar men opnieuw werd afge-De tafel was nu afgenomen (wacht. En daarna in een hoek gekruid; Men hoorde 's vedelaars geluid, En nu werd eerst de pret volkomen 1 Reeds hielden allen, paar aan paar. Met smachtend ongeduld zich klaar. Ze wachtten naar des speelmans (klanken. En toen de man aan 't zagen ging, Was 'tbij een ieder uit den kring Met recht: van dik hout zaagt (men planken. Een ieder danste, een ieder sprong Naar hartelust, zoo oud als jong; Men gaf geen kamp, men werd (niet moe. Bij Jaap sta stil! of: steek (maar toe! Bij 't draaien naar alouden trant |
De Valkenvangst.
88
|
Met: Govertlief steekuit (je ha n d. Of Keesje, Keesje, kande-(1 a a r, Ik wou d a t j ij e e n a n d c r (waar! Kn mocht er soms een pauze zijn. Dan klonk het dra van meet af aan: Een lapper zou uit lappen (gaan! Of: 's avonds in den man e- (s c h ij n! En 'k weet niet wat al slofjes meer; Het spreekt van zelf, dat evenzeer De paterdans niet werd vergeten; De vedolaar stond braaf tezweeten; Men schonk den stumperd rust (noch duur. Ja, speellui hebben 't somtijds zuur! DS STRANDING. Intusschen was de dag verstreken En deavondscheemri ng daalde neer, Eu 't liefelijke zomerweer Was voor een onweersvlaag geweken. De gasten dansten ijvrig voort; Men had het loeien van de vlagen Of 't buldren van de donderslagen, Door 't feeslgestommel nauw ge-(hoord. Juist zou men weer een dans be- (ginnen, Daar treedt op eens een zeeman (binnen En vraagt â de ontsteltnis op 't (gelaat, Terwijl hij de oorren rond zich slaat â Naar hen, de twee, die hij deez' dag, Voor de eerste maal op 't eiland zag. Baron van deei.ex treedt naar hem: Dn boo bericht met doffe stem. Dat men het vaartuig van de heeren |
Zoo straks in nood had zien verkeeren! De zeelui zagen 't juist van pas, Zoodat nog redding mooglijk was; Do Zoé was door do onweersvlagen. Van de ankertouwen afgeslagen. En, voor den rukwind onbestand. Met kracht geworpen op het strand. Men had een boot in zee gebracht Om, waar het doenlijk, voor den (nacht. De manschap op het droogte halen; Hij had besloten, zonder dralen Naar 't dorp te gaan, en daar vooral De heeren van dit ongeval Bericht te geven; immers zij. Zij hadden 't grootst belang er bij. Baron van deelen stond verplet; Die boodschap had hem gansch (ontzet; â Wie, sprak hij, had nu kunnen (denken. Dat mij zoo'n ongeluk zou krenken? Mijn kleine Zoé, dat juweel! 'k Draag roem op 't scheepje, 't kost (mij veel! â 'tIsmaartewenschen,zeimylord, Dat onze wijn behouden wordt 1 Het dansen werd gestaakt en 't (snaartuig Hield eindelijk eons rust; met spoed Greep iedre man naar muts of hoed En ijlde naar 't gestrande vaartuig. Daar aangekomen, bleek hun dat De hulp, die menschenrnin woutoonen Aan 't tweetal dat in doodsnood zat. Zich met een goed gevolg zag kronen; De redd ingboot bracht beideaan wal; Lord littlewhit vond echter mal Dat, wijl hetzeevolk voordiotwee Het leven op het spel gezet had. Men niet den proviand gered had. Men stelde nogtans hem tevree: â Was 't weer bedaard, dan zou men (morgen, Naar men betuigde, er wei voorzorgen |
De Falhenvangst. SO
|
'l Ontbrak, naar 't ochcen, 'l ge- (redde paar, Aau geestpresentie; want alras Zag elk, dat de arme Leonard Van schrik meer dood dan levend (was. Ook onze botboer had liet kwaad; Hij kon niet op zijn beenen staan, Zoo hevig was hij aangedaan. Men nam de kleine boot te baat En lei hem met zijn kameraad Daarin; acht sterke knapen namen Hen op den schoer, en droegen samen Dit vrachtje naar het dorp, waar zij Hen in de groote herberg brachten, Om daar te kunnen overnachten; Nu, leonaüd kwam spoedig bij, Eu kreeg zijn reden weer terug. Met ARIE vin ging't minder vlug; Men bood hem water keer op keer. Om 't zenuwstel te doen bedaren. Doch kon het met den man niet klaren; Hij riep maar: â Mosje, 'k lus niet (meer. Als men hein een glas water gaf, Eu stiet het immer van zich af; De baronet verhief zijn stem. En zeide een weinig luid tot hem: â Kom ARIE ! kom, je moet eens (drinken, Daar, spoedig! want je bent (verschrikt; â Wat, was het antwoord, wou je (klinken ? Eb je ook te diep in 'tglas ekikf? Nien, Leijenaer! ik zeg nou an je, Ik lus geen filevil sampanje! â Ah, zei de baronet, kom aan, Een licht is voor mij opgegaan! De kerels hebben wijn gedronken, Zie, deze kinkel is beschonken! âWel,zeiinylord,dat's dievengoed: '1; Vergat door d'overhaastenspoed. Den sleutel, naar ik kan bespeu-(ren; |
â 'k Eb vaek! sprak arie, wel (verdord 1 Maer 't ken den beste wel ebeuren, Vraeg dat maer an sinjeur melord ! Maer 't was. me ook een sapperberkosje. Ik wensch je wel te rusten, mosje! Hier zette hij zich naar zijn zin En sliep met veel gerustheid in. De knecht stond op zijn neus te kijken, Hij zocht het oog zijns heers te ont-(wijken; Maar deez' zag met een blik hem (aan, Die hem zijn wrevel deed verstaan; â Hij zou hem d'andren dag wel (vinden Gelijk hij zei; de beide vrinden Vertrokken, mokkend om 't verlies. En zochten elders hun logies. De volgende ochtend was gedaagd. De donder liet zich niet meer hooren. De wolken waren weggevaagd. En 't weer was helder als te voren. Veel lieden waren op de been, En liepen haastig strandwaarts (heen. Om 't scheepje nu te gaan bezien. Dat gisteren aan storm en branding Geen tegenweer had kunnen biên En dus gedwongen was tot stranding. Baas brcinb bart, die 't opzicht (had Bij 't vaartuig, was van oordeel dat Er thans geen denken meer aan (was. Om daarmede op den grooten plas Zich voorts te wagen, ja er zou Nog wel een ruime tijd verloopen. Voordat men op herstel kon hopen Van kiel en mast en zeil en touw. De kotter lag ook diep in 't zand. Ze moest dus uitgegraven worden, (Was 't wonder datde heeren mor-(den?) |
De Vo.lkenvangst.
90
|
Bart deed hun 't middel aan de (hand. Wijl hij zoü'n kwaad niet in 't ge-(val zag, Om van een smak, die juist op wal ('ag Gebruik te maken in deez' nood. Daar zich geen andere uitkomst (bood, Ten minste als bij de tochtgenooten liet verder reizen bleef besloten; Men toog dan ter inspectie naar Het schip en vond het grooter,maar Niet half zoo maklijk ingericht A.ls 't vaartuig van baron van deelen, 't Besluit viel zeker niet zeer licht. En echter, 'tkon geen uitstel velen: Hier lang te toeven kon niet gaan; En, onverricht naar huis te keeren, Zou, dacht men, thans belachlijk (staan: Men zou zich zelf compromilteeren â Een ander schip was niet te huur. Ja, waarlijk, goede raad was duur! Dan, kort en goed, men nam 't (besluit Om uit de onzekerheid te raken. Men zou van 't schip hun aangeduid, In vrede's naam gebruik gaan maken. De ruil bood weinig animo, Maar 't was, helaas, nu eenmaal zoo! Men toog dan naar den eigenaar En maakte de overeenkomst klaar: Men kon van 't schip bezit gaan (nemen. Zoo ras het tweetal dit verkoos, 't Gebeurde ook na een korte poos; liet was geen zaak hiermee te temen. De smak werd daadlijk schoon ge-(maakt Eu van den kotter al het goed En proviand gehaald; de spoed Werd voor geen oogeublik gestaakt; Veel banden maakten d' arbeid (licht. |
Men stelde zich hier hulp ten plicht: Want schoon er weinig visschers (waren. Wijl 't grootste deel was uitgevaren, Een ieder toonde nogtans dat Men hier welwillendheid bezat. Intusschen waren arie vin En leonard, met vromen zin Hun meester komen smeeken om Hetgeen ze gisteren misdreven Hun thans goedgunstig te vergeven; Ofschoon met recht de gramschap (klom Der beide heeren, op 't gezicht Dier overtreders van hun plicht. En, naar hij zei, de baronet 't Besluit zich had in 't hoofd gezet Om beide uit zijn dienst te jagen. Betoonde men ten laatst voor 't klagen En voor de redenen, die zij Tot hun verschooning gelden deden, (Waarvan 'kin geen de'Jaitswil treden) In 't eind genade en medelij: En bovendien begreep men, dat Men met de riemen, die men had. Nu wel verplicht was door te roeien 't Werk ging door't ijverig bemoeien Van bruinen Bart gestadig voort. Zoodat men 's avonds van dien dag Tot de afreis opgetuigd, aan boord Reeds alles stipt in orde zag. De baronet gaf tot herstel Zijns kotters 't noodige bevel, De lucht stond strak, de wind liep (mee. En de eigen nacht zag hen in zee. OP ZEE. â Neen. sprak de baronet van DEELEN, Neen, hoor eens hier, mijn waarde (lord, 'k Hou machtig van de vaart, in ('t kort: |
De Talkenvangst.
91
|
Ik zou mij zeker niet vervelen. Ware ook de reis nog eens zoo groot, Als 't vaartuig meer genoegens (bood. Gelijk mijn kleine, lieve kotter; Maar 't is een aaklig schip, die (smak! Men moet hier kruipen als een otter, Neen, 'k ben er slecht op mijn (gemak 1 En dan wat trage zeiler! hoor, De Zoé ging er anders door; We zijn nu toch al negen dagen Met dat vervoerde nest op zee, En hebben nu de wind nog mee; 'k Moet straks aan bruinen bart eens (vragen. Of hij niet weldra land verwacht: Ik reikhals naar de valkenjacht! En 't wordt ook tijd, want lieve heer! Wij hebben straks geen water meer. â 0 water! zei mylord, was 't wijn. Het ongerief zou grooter zijn, IJij wijn zal ik van dorst niet smoren. Messieurs, je viens vous annoncer Que j'ai servi pour le diner, Vidis liet Leonard zich hooren. â Zoo, zei de baronet, welaan, We zullen in 't vooronder gaan; 'k Zie al het noodige staat klaar, Blijf dan maar boven, Leonard, En zorg voor u en uw gespannen; Eu smakelijken maaltijd, mannen! â Wat, mosje, schaft de pot van (daeg ? Vroeg arie, man, wat jeukt de (maeg! Ik oop es nae me meug te schransen! Och, 'k zie 'tal! it is weer soep; Dat is in kost veur groote hansen, Maer niet veur lui van mijn beroep! Wat maekt it uit, zoo'n bord vier (vijf? 't Geeft niemendal as wind in 't lijf! 'k Hou van wat stevigs, mot je waeten. |
Maer 't elpt niks, 'k mot jou soep (wel aeten! Hier zette hij zich pruilend neer, Ook de andren zaten: alle drie De volle borden op de knie; Doch arie bromde keer op keer: â Oe dun!... oe schrael!... oe (laf!... oe eet!... Terwijl 't zijn makkers vroolijk (maakte, Zoo vaak hij uit zijn luim geraakte. Ze namen hem bij beurten beet. Daar krijgt het schip op eens een (stoot En 't slaat een weinig over zij, 't Geen aller borden overgoot. Doch arie stond er 't malste bij; Want eensklaps liep, door dit be-(drijf. De heete soep hem langs het lijf; â Help, mosje, riep hij, ik verbrand! Deez' daarentegen, barstte in luid En onweerstaanbaar lachen uit. Daar slaat de smak naar d' andren (kant; Thans gold het Leonard, â o schrik! In minder dan éen oogenblik Was 't vroolijk schateren gesmoord; Ach, de arme man lag over boord! Want, lachende achterover leunend. En op zijn wippend bankje steunend. Was, toen het vaartuig oversloeg, Derlendnen veerkracht niet genoeg Om 't evenwicht te doen bewaren. En buitiend dook hij in de baren. Dan, wisse hulp was spoedig daar: Men wierp d' ontstelden Leonard Een lijn toe, en bemerkte blij Dat hij ze spoedig greep en hij Dus door dit middel was behouën, 't Gelukte ook hem op 't dek te (sjouwen. Daar stond hij, bleek en afgemat. â Wel man, watraerekuur wasdat! |
De Valkenvanyst.
92
|
Zei ARiE, bin jij uitezwik? .1o most es drinken veur den schrik; Och I 't ken den beste wel ebeuren ! Kom, mosje, stae non niet te zeuren; â fe hadt toch nou gien wiin esnoep! Kom, drinken mot je, maar, 't is Ons water is a! op, ziedaer! (waer, Niom jij dan maer een scheppie (soep. â Ok /ent! wat tvil jij mijn nou {dioink! Was 't antwoord, â liens! ik tvil (niet drink! Vraiment, ik el kenok kedronke, It skeel niet. feule ik was kezonke; Bah, balt! it smaak rot) zout! sacre! 'kEb eelemaal mijn buik fnl zee! Bart nogtans, die met drenkelingen Wat meer gewoon was om te (springen, Nam andre middelen te baat, Die beter in dien toestand pasten; Ze stelden Leonard in staat Om zonder moeite zich te ontlasten Van 't overtollig water, dat Hij duikend ingezwolgen had; Hierna lei zich do man ter ruste, Hij was natuurlijk van zijn stuk. Doch smaakte niettemin 't geluk, Dat dra de slaap zijn oogleên kuste. â Ik loof, de jongen ad it frisch, Zei ARIE, 'k was rait um verlegen, IJ eeft zijn vetje beet ekregen, Zou 'k zeggen, of ik eb it mis. Wat oeft ie mijn ook zoo te sarren ? IJ lachtte me uit, ik zag it klaer, 't Was om die soep, oor, dat is waer, Gien mensch verkoopt me bot veur (scharren! Intnsschen liep de dag voorbij: Nog liet. men 't oog op 't land niet (rusten; Doch ja, daar tecknen zich aan lij Op eens de zoo gewenschte kusten. |
Bart zou, gelijk men nu besloot, Er d'andren morgen, zonder dralen. Zich heen begeven met de boot, En 't hoog benoodigd water halen; 't Geschiedde zoo; in A r e n d al. Een zeeplaats, ging do man aan wal. Voorzag zich daar van 't geen hi) (zocht, . En keerde naar de smak, waarna Men 't einddoel van den watertocht. De ree van Christ ia nia. Als niets hen tot vertraging noopte. Zeer spoedig te bereiken hoopte. CHR1STIANIA. â Wel duivels! had ik kunnen den- (ken Dat ons zoo'n kleinigheid kon kren-(ken! Geloof me vriend, 'k dacht dat een (pas In ons geval niet noodig was. Sprak kwaad geluimd baron van (deelen. Tot zijn getrouwen reisgenoot. Maar wie, wie zou het niet vervelen, In onze plaats het vaartuig met Dat vreemde volk te zien bezet? 'k Ben onzen consul hier gaan spre-(ken, Deez' was een oudé vriend van mij. En 't was maar goed, geloof me vrij ! Door hem is thans mijn zorg geweken, Hij zeide dat men in dit land Stipt waakte tegen contraband; Hij heeft me nu een pas gegeven, 't Beslag wordt aanstonds opgeheven Ik vind hot echter kluchtig, dat Onze arie vin, in deze stad. Toen hij het eerste stapte aan wal Sans compUrnetds werd aangehouden. Dewijl ze als sluiker hem beschouw-(den; O ciel! wat keek die kerel mal! |
De Valkenvangst.
|
Men heefl in d'afgoloopen nacht Ken vrij logies hem toegedaclit. Voor mijn part, blijv' hij waar hij is, Die vlegel brengt maar storenis; Doch neen, helaas, daar zie 'k hem (komen: Men schonk hem vast zijn vrijheid (weer; â Ae! blij dat ik je zie, meneer! Zei hij, is 't volk hier gek, Jan (domen! Daar stapte ik guster op de kaei. En 'k vroeg zoo an in ouwen paei: Is 't ier nou Kwispellaeniae9 IJ sprak, ik kost it niet verstaen. En wenkte om mit um mee te gaen, Wat? mit je mee gaen? zei 'k, (wel jae Waarom niet? 'k eb geen tijd, oor (man! Daar kwamme nog twie andere an. Die praetten ook, 'k verstond ze niet, Ze spraeken Hottentotsch, want (ziet! 'k Klonk vreemder in men oor, (zoo waer. As soms die tael van Lejenaer; 'k Vroeg: ken jelui gien Ollandsch (spreken ? Nou ad je toch es motten zien, Oc mal me toen die kerels keken; Ze vatten me ook niet, zoo ik mien; Ze wenkten weer om mee te gaen, 'k Zeg nog es: 'k eb gien tijd van (daeg; Daer pakten ze me bii me kraeg ! 'k Wierd kwaed, 'k zei: duivels! (laet je 't stacn ! Want, 'k bin niet bang en 'k stae (me man, Ik gaf der ien in waefel, die Niet rnis was, jae, ij kwam goed an! Maar eurlui waeren mit heur drie. Dat was nou gien partuur, niet (waer ? |
En daerom kregen zij it klaer; Ze hadden daerenboven stokken, En eusig, sulï'esante knokken : Ze brochten mij nou naer In uis. Ik docht: 't is in dut land niet pluis; 't Zijn moordenaren, die ier wennen, Ik docht toen an me wijf en zennen, En 't wierd me wat benouwd om ('t art, Maar 'k hield me goed, al ad ik (smart, 'k Werd ineen klein vertrekesloten; Ik kost de deur niet openstooten; Ik blief daer, jae,'k waet niet oe lang; Maer 'k wierd ten leste in bactje (bang Dat ik van onger zou vergaen; 't Was donker, 'k zag gien and veur (oogen.... Daer wordt me op eens it slot bewogen En open wordt de deur edaen; 'k Zag veur me in man, 't was in (soldaet, Nae 'k an zen plunje kon ontdokken. Die wonk me dat ik kon vertrekken; 'k Zei â dankje beste kameraed; En daedlijk gong ik an den ael, Tot ik jelui ier vond; niet waer? Dc zaeken zijn iel wonderbaer! En 't is zoo, 'k spreek gien leugen-tael. En vraeg je wat dat al bediedt? Bin ik in steur, ik waet it niet, â Nu auie, keer terug naar boord. Was 't antwoord; man wees niet (verstoord. Dit zou ik wel 't verstandigst keuren; Heel 't voorval was een misverstand. Men duidt dit niet ten kwade, (want... Het kan den beste wel gebeuren. â Je niemt de woorden uil me (mond! Adieu, sinjeur! ik gae terstond. |
De Valkenvangst.
94
|
â My dear, tell me, hoe dunkt (het u? Zoo klonk het verder, als we nu Naar onze' ambassadeur eens gingen Om, voor de blijken, die we ontvingen Van 'smans welwillendheid, naar (plicht, Hem dank te brengen ? zoo wellicht Geeft deze heer ons voor het plan Geschikte middlen aan de hand; Hij is een zeer gedienstig man En heeft relaties in dit land. Komaan dan, spoedig, 'k ben er voor Dat we onze dagen goed besteden; We zijn Augustus ingetreden, 't Zou mal zijn als men tijd verloor. Best, deze raad werd aangenomen, En 't zij hier kort en goed gemeld : De vrienden slaagden ook volkomen Bij't geen men zich had voorgesteld. Een valkenier, volmaakt bekend Met al de streken daaromtrent. Werd aangenomen tot hun gids. Om op de te bestijgen spits Der bergen moedig voor te gaan, En in de jacht hen bij te staan. Voorts werd bepaald, dat arie vin En bruine Bart op 't vaartuig in De haven zouden toeven, tot De valkenvangst was afgeloopen; De vrees, die d' eersten had bekropen, Om andermaal zich achter slot Een plaats te zien bedeelen, week Toen hem de ware toedracht bleek; Maar leonard, dus werd besloten. Bleef in 't gevolg der tochtgenooten. De wijn moest mee; lord little-(whit. En hij had recht, verlangde dit; Want, nemen we in consideratie: De man beheerde dit tresoor. En dat hij zijne administratie Een poos slechts uit het oog verloor, DH vond hij zijner gansch onwaardig. Ze maakten tot de reis zich vaardig. |
En 't duurde nog een dag drie, vier, Waarna ze met den valkenier Den landelijken tocht aanvaardden. Waar ze als het doel der reis op (staarden. DE VALKENVANGST. Niet daar, waar zich natuur verkiert Met weeldrig, vreugdekweekend (schoon En alles, wijl zij hoogtijd viert. Blijde instemt met haar toovertoon; Waar, in de donzen klaverweien De jeugd zich lustig gaat vermeien. Of plast in 't zilvren vocht der beek. Die kronkelt door de kalme streek,â Waar 'l dartel hupplend geitje, (naast Het zuivelrijke rundvee graast. En 's leeuwriks kweelende orgeltonen, Met sijsjes lied in harmonij. Ons melden door heur melodij. Dat liefde en lust het oord bewo-(nen; â Maar daar, waar zij zich stout (omhult, Metscheppingswondren,dieontzetten, Die 't harte roeren en verpletten, Wier aanblik met ontzag vervult; â Daar, waar de rotsen van graniet De trotsche kruin ten hemel beuren. Waar, langs heur wand, uit kloof en (scheuren. De ranke pijnboom opwaarts schiet; Daar, waar de bosschen endestroomen Van berg- en woudgeest u doen (droomen ; Waar slechts de stilte van het dal Verstoord wordt door den waterval, Ot 't klotsen van den breeden vloed. Of 't huilen van het wolfsgebroed, Of 't loeien van ontwaakte stormen, |
De Valken-jangst.
95
|
Die 't eeuwenheugend dennenwoud, Waarin geen voet zich ooit vertrouwt, Ten sporeloozen baiert vormen ; Daar, waar de ziel, hetgeen ze (ontwaart, Niet uiten kan in klank of woorden, Maar op haar eigen kleinheid (staart.- â In 't ruwe doch verheven Noorden! Daar, op der bergen fleren top, Waar men een sneeuwlaag op ziet (glimmen Waar 't noodgevaar stijgt bij ('t beklimmen. Houdt zich de sluwe giervalk op. 't Is daar dat men de hut ontwaart Des jagers, die er onvervaard De woede van d' orkaan braveert. Op koude en kommer triomfeert, En zich er schuil houdt, en zijn (blikken Verlangend in de ronde slaat. En tuurt of zich in de open strikken De fiere vogel lokken laat Door 't duifje, dat hem tot zich trekt. En tot verleidend lokaas strekt. â Zoo vlieden dagen niet alleen, Maar tal van weken achtereen En tergen 's jagers ongeduld Totdat een valk, die, onversaagd Op de uitgezette prooi zich waagt, 's Mans lang gerekte hoop vervult. Zoo hield ook onze baronet De kruin der G u s t a trouw bezet. En zat er met den valkenier. Een aantal dagen achtereen, Te turen naar het schuwe dier, Dat niet dan zelden slechts verscheen; En, schoon geen vaste zoinerdroogte Hen daar vrij van gevaren liet, Verflauwde toch zijn ijver niet Op ruim vijfduizend voeten hoogte. â |
Mylord bleef in het dal terug, Men weet: de man was rank noch (vlug. 't Beklimmen van dien berg te (trachten. Hiervoor, hij kende zich te goed, Ontbrak h et hem aan 1 ust noch moed, Doch faalde 't hem aan jeugd en (krachten. Hij vergenoegde zich dus maar Om, vergezeld van leonabd. Enenkle Tellemarksche boeren. Soms jacht te maken op den beer. Of ook wel met geveld geweer Op 't rendier of den vos te loeren. â Of, lokte 't wild hem niet naar ('t bosch. Dan deed hij vaak zijn wil verstaan. Om op de zalmvangst uit te gaan In d' omtrek van den Rukan-fos. â Intusschen was een vijftal weken In dit ontzaglijk oord verstreken; Ofschoon men langer toeven wou. Men moest vertrekken, wijl de zwoelte Allengskens week voor najaars- (koelte â Die voorboö van de winterkou; Zoodat men eindlijk 't jagen staakte, En zich tot de afreis vaardig (maakte. â Een aantal vreemde vogels had Men tot een wissen buit verkregen En was daarmede ook afgestegen; Maar 't eêlst van d' aangewonnen (schat. Twee koninklijke valken, waren De prijs der vele lijfsgevaren! 't Getal was luttel; evenwel Ze waren schoon van vorm en veeren En, naar de jager mocht beweren. Nog jong en beiden kloek van stel; Hun kleur was wit; hun oog voi (vuur. Kon lot een zeekren tolk verstrekken |
De Valkcnvnngnt.
|
Van hun bloeddorstige natuur; Terwijl do storap gekromde bekken En klauwen tuigden van de kracht, Zoo eigen aan dit, roofgeslacht.â Het middel dat hier 't veiligst was. Waardoor men herwaarts was gekomen ; Een paardental van inlandsch ras Werd andermaal te baat genomen Om onze jagers met hun schat Terug te voeren naar de stad; â Men maakte spoed en was weldra Op weg naar Christiania. â Hier, na een moaielijken tocht Van zeven dagen, aangekomen. Werd spoedig 't vaartuig opgezocht En onverwijld 't besluit genomen Orn, na men zich van proviand Voorzien had, van het Noorder-(strand Te keeren naar hot Vaderland. DE TERUGREIS. In't eerst ging't goed, 't liep alles mee» Doch nauwlijks was men uit de (Fjorden Gestevend en in volle zee. Of eensklaps zag men 't duister (worden: â De wind werd zuiden en het werk Eischte aller handen op het schip : Men was beducht voor bank of klip; De stroom ging hoog, de wind was (sterk. En, minderde al de koelte een poos. Ban viel de regen neer bij stroomen. En maakte 't ongeval volkomen; De vrienden waren radeloos. Ze vreesden telkens weer te stranden; Ze hadden ook den nacht op handen, En wat de nood nog had verzwaard, Men had met angst een lek ont-(waard; 't Was waarlijk wel een oogenblik |
Van pijnigende ellende en schrik-Daar zag men aan de kim een stip. 't Kwam naderbij; het was een (schip! Een stoomboot bleek het dra te wezen. De zwarte rookwolk wees het aan; Een straal van hoop is opgegaan En reeds op elk gelaat te lezen! De boot was thans niet ver meer af. Zij werd nu door de smak gepraald En was ook spoedig bijgedraaid Na 't dringend noodsein dat men (gaf- Men vroeg den schipper van do (boot Om bijstand in dien hangen nood En mocht dien ook erlangen, want quot;ij voer op H a m b u r g en op (B r e til e n En zou tot aan H a n n o v e r's (strand De veege smak op sleeptouw nemen; 't Geschiedde ook, en de gansche (nacht Werd zonder poozen doorgebracht Met pompen en het lek te stoppen. Mylord kon 't hartzeer niet verkroppen Dat thans hem 't onbarmhartig lot Den tijd benam voor 't minst genot. Hij gaf zijn spijt nu door een zucht, Dan door een krachtig woordje (lucht; Inmiddels werd de wind bedaarder En ook de lucht een weinig klaarden. En, toen de morgen was gedaagd. Had hij de neevlen weggevaagd; 't Werd kalmer op de smak, men was Door 't onvermoeide werk geslaagd Om daar nog eenigszins van pas liet lek te stoppen en het water Te loozen, en daarom ook later De rust te zien hersteld ; voorwaar, De doorgestane ramp was zwaar. De zon was helder opgegaan. Het meeste scheepswerk afgedaan, |
D(? FaUrenvangsl.
|
Meu zocht de rust in wat geraak; De reis ging niet door 't Scha- (g e r a c k, Waar 't reisgezelschap plan up had. Maar, door den stoomer voortgetrok-(ken. Liep thans de koers door 't K a t-(t e g a t. De heeren lieten zich verlokken, En hadden daarin wel gelijk, Ãm zich ter ruste neer te vlijen, Ze lieten daarom 't legür spreien En namen naar beneên de wijk. Nadat het valkenpaar in haast Verzorgd was en op 't dek geplaatst,⢠Het ovrig driemanschap bleef boven. â Wel, Mosje! mag ik 't wel elooveu. Wat jij me guster eb verteld'! Sprak ahie; man, je bent in hek! As 't waer is wat jij eb ezeid; M aer 'k loof je pierde mij, verstaei'f? Dat dacht ik guster al derek En 'k zei it ook aan bruinen bap.t ; â Comment! jy kloof niet wat ik (zek ? Jy weet nok niet de t iende part Fan dat ik eb kezien, pardie! 'k Was ke.toucheerd as ik dat zie; Entends! ik eb kedronk Champagne.. â Ik ook,iteugtme weergaes goed 1 â .la, ja, maar 't was opeenmon- (tagne Oie oog was zestik dazend voet! â Daer zat jij oog endroog, zoo waer! IVatfdroog zek jy,non, au contrair'. Ik werd zoo nat daar as een kat; 'k Ei an de wolk niijn and kehaa! En 'keb toen nok zoo motten lak! 'k Een eelmaal in de snei kezak, Want daa rrnee ben de berken fol. â Wel! Leijenaer, dat was ook dol! â Diable! 'I was eel danjereus, Ik zak daarin tot an mijn neus, Oe ik daan-.it komt, dat verkeel ik ; Ik was kevallen in een kaal, |
Maar 'k ad courage, ik was cordaat! â Cordaet dat bin je, jae, dat weet ik, Nou, zit je ook in benoudheid, ziet. Dan toot je niet gaen zitten sutfen. Maer, is daer nog al veul te snuffen1? â Wat snuffen? tiens! 'k versta (jou niet: â 'k Mien of daer nogal te aeten is! â Ah te eet ? ja wel, een eelboel fis; â Ei! was daer nog al goeie bot ? â Oh non, du tout! man ben jij zot; Maar salmen eb ik daar kekeel; Alais, crois moi, ik eb nooit keiveel; Dat diesaumonszoo kroot kanword! 'k Eb eens kekeete met mylord Van zoo een formidable beest, Raad jy oe zwaar die was keweest. Toen zij die in de water vond, 'k Eu maar keketen van den knpf â Wel, 'k waet it niet, ik gief it op. Eli bien! twee onderd vijftik pond! â Wel duvels! dat'sin wonderland ! En was tie goed ? â 0 best, char- (mant! Dis done! eb ik jou al verteld Dat zoe op de botch en in de fe.ld Ons amuseerden met de chassquot;? â Met watvre sas '? ik vat jou niet. â Dat wij de heeste die daar was Met ons keweere dood kan skiet ? â Nien Leijenaer, nog niet.' â Ociel! C'est dangereux fa, â weet jij wel, 'k Eb zeuven beer alleen keskool En almaal patch! ze was morsdood. â He, zeuven bei en ! is 't waratje '?.... Jij ad jou anden vol, dat ad je! â En nok eb Ui een beest kevani), 'hZag nooit zoo eenmijn leven lang. 't Was als een tigre op zijne lijf, Ah, bah! die eeftzoo brusggebromd, Y sterft as die in water komt En as die op de land mol bajv', Allans! dan kaal y ook at aood; C'est étonnant! â Maer sakkerloot! Vertel me reis, oe leeft die dan? |
7
De Valkenvangst.
98
|
âOk, eb jij keen verstand daarvan; 't Elpt niette of ik jou dat vertel, Ik kan niette expliceer dat wel. â Is 'tmeugelijk, rne goeie man, Maer 't komt er juust ook nietop an. â En vooglen! I o, mon c/ier ami! 'k Wed meer as onderd wel, oui l â Je schijnt ze dan maer goed te (raeken! Wat zaeie wel van jou diesnaeken, Die wennen in dat vreemde land ? â Ces gens ld vonden 't eel frap pant-, Zek, keef jij die kewecr eens ier, Ik wil kaan skieten op dat dier, Dan zal jy zien of ik dat liegt. â Zoo, op die meeuw die gunder (vliegt! â Un, deur, trois, pafl â Maar ('tis toch mis, Zou 'k zeggen, as 'k mij niet vergis. âIk maak die arme dier niet dood. Ik eb daarom maar mis keshoot! â Ae zoo, me vriend, is dal de zaek I Jij schiet dan asje wil maer raek 1 Gief mij nou reisjes it geweer, Dat ik it ievetjes probeer, 'k Eb van me leven niet eschiet, Maer 't is toch maklijk, is het niet ? â Voila, jy skiete koed as 'k oop ; Doet eerst wat agel in dien loop, En nou wat poeder op de pan; Bon, bon ! allons, lek jy nou an! C'est fa! oud die fusil koed rek, En skiet niet eer as 'k eb ketck: Bom____ bom'. â Daer is tie, (sakkerloot 1 Wat krieg ik op me borst een stoot I â Wat duivel is dat voor geraas ? Sprak onze baronet zeer gram, Die op dit schot naar boven kwam. Wat! schiet jelui hier, ben je (dwaas? Jo wist toch dat ik was gaan slapen ; Ja, staat me zoo niet aan tegajioul |
Jelui zijt domoors, hoor jel nu. Je houdt je stil; 'k beveel het ul.. Maar zeg, wat scheelt die valk daar (ginder? Hij klapwiekt, heeft het beest ook (hinder ? Wat zie 'k ? hij bloedt, â daar valt (hij neer; 'k Zoutoch niethopen... lieve Heer! Wat trekt het arme dier zijn poot! Hij is gekwetst! neen, neen, hij ('s dood!! 0 schrik ! o spijt! vervoerde kwezels! Wie heeft den valk gedood? o ezels!! Wat let me!! âDrommels,Lei/e-(naer! Dan schoot ik raek, zei arie, â (maer Ik daai it niet uit eusigheidl Dat maekt je toch in onderscheid! Kom, kom, sinjeurtje! niet zoo (kwaed! Wat wordt je schriklijk obstenaet! It is gien mensch; 't is maer in dier. Waratje, 't was me schuld gien zier; It ken den beste... â Houd den (snater. Jou kinkel! of ik smijt jein 't water!.. Och hemel! wat heb ik begaan. Om in mijn dienstjouteengageeren? Je deedt mijn vreugde in spijt (verkeeren. En bracht mij niet dan onheil aan â Bedaer, bedaer toch, heerschop (lief, Ik bin gien schurk! ik bin gien dief! â Je benteen... âMaer sinjeur, (ik ad Tocli noit edocht, dat veur zoo'n (beest Jij zoo antreklijk was eweest, Maer oor reis ier, ik zeg maer, dat.. â As jij te na komt moog je beven ! âJae, 's menschen histis'smenschen (leven ! |
De Valkenvanytt.
99
|
â Zwijg, kinkel, kwezel! 'k zeg (jou: zwijg! Je ziet dat ik van woede hijg; Ach ! ach ! wat ben ik dom geweest! Daar ligt het nu, dat schoone beest, Voor welks bezit ik lijfsgevaren Noch leed, noch goud, noch goed (wou sparen; Waarvoor ik zooveel heb gedaan! Neen, neen, 't is niet om uit te (staan! Ik zal intusschen hier niet toeven Bij verdre schildring van 't querel, Ben ieder toch gevoelt te wel Hoe dit hem-zelven zou bedroeven. De vrede en vreugde was verstoord: Er heerschte van dit uur af aan, Slechts wrevel en verdriet aan (boord; Ach, al 't genoegen was vergaan.â De reis ging nu met stagen spoed, 't Kanaal werd verder ingeslagen. En 't duurde nog slechts enkle dagen Toen 't vrije Hamburg werd (begroet: Hier evenwel werd niet gedraald. Want door de heeren was bepaald. Wijl hier de stoomer moest gaan lozen. Om door te zeilen zonder poozen. Men was den mond der Elbe dra Weer uitgestevend, en daarna. Terwijl men vluchtig voorwaarts (toog, Bereikte men Schiermonnik' (oog, Eer 't viertal dagen was verstreken, Na 't afzijn van een tiental weken; De kotter vond men nu hersteld. Waarvan bezit genomen werd; 't Gevorderd loon werd uitgeteld; Men scheidde ook hier van bruinen (bart, En richtte voorts den koers naar 't (zuiden |
En was welhaast in 't grijze Muiden. Onze arie vin kreeg aan deez' ree Een niet zeer hartelijk congé, Doch 't raakte slechts zijn koude (kleercn. Ten minste, na 't verwijt der heeren. Gaf hij zeer weinig teeknen van Een groote ontroering; 't ecnig (woord Dat tot verschooning van den man. Bij 't afscheid nemen,werd gehoord. Was: ,'t kon den beste wel ebeuren 1* Men regelde hier alles, en Het was den andren dag, dat men Den Haagschen toren mocht bespeuren. DE VERRASSING. â Hoor, 'k zeg u, zei baron van (deelen Tot zijn gedweeën Leonard, Hetgeen ik thans u zal bevelen Is van het grootst ge wicht, voorwaar! Aan overgroote bezigheden, En die ik niet verzuimen mag. Zie 'k mij verplicht om op deez' dag Reeds vroeg mijn tijd te gaan besteden; Tien uren is het, zoo ik meen; Welaan, ik moet naar elders heen: Dus luister wel! gij weet, de kooi Van onzen vogel is niet mooi; Nu, in den loop van dezen morgen Zal men een andre kooi bezorgen: Doe daar den valk in overgaan; Maar, wat u stipt bevolen zij. Wees toch voorzichtig, hoort ge mij1? Ik ga nu op uw zorgen aan. Vervoeg u zonder te mankeeren. Te half drie uren, daar dan mee Ten huize van den graaf qcadrS; 'k Ga om dien tijd daar déjeuneeren En 'k wil dan aan mijn vriendental, Dat nevens mij daar komen zal, |
â¢Os Vatkenvar,â lt;}}!.
11*)
|
Jfrt oedlo dier verloonen, dat Elk lienner hoog op waarde schat, En t geen 't bewijs in zich kan dragen, Dat, schoon ons veel verdiieten (mocht, Wij onzen moeitevollen tocht Niet gansch en al mislukken zagen. !k heb de kap hem afgelicht, Om in het oog te kunnen zien; Houd daarom 't dekgordijn goed (dicht. Want anders wordt hij wild misschien. Onthoud nu wat ik heb gezegd : Bij graaf qcadré, hoor! juist (half drie! â Oh, monseigneur / fiez vous y! Dus klonk het antwoord van den (knecht. Zooals gezegd was, werd gedaan: Nadat zijn heer was uitgegaan. Werd dra de kooi, d'iar.straks gemeld, Aan Leonard ter hand gesteld. En deze voerde ook nu 't besluit Zijns meesters zonder dralen uit. Toen hij bet dier verwisseld had Van kluis, vernam hij eensklaps, dat Men in 't hotel hem elders riep, quot;VYaarheen hij dan ook haastig liep, Doch... 'k schets zijn schrik, zijn (zielsangst niet, Toen hij opnieuw 't vertrek betrad, quot;Waar hij den valk in haast verliet. Dewijl men hem geroepen had. Neen, dit ging nu 'smans kracht te (boven! Hij kon zijn oogen nauw gelooven, 't Was zeker hier een droomgezicht, 't Was een verbijstering wellicht, Die op deez' stond hem had bedrogen ; Doch neen, het was geen ijdle (waan!... Dr valk was uit de kooi gevlogen, Hij had die open laten staan; En, wat het ongeluk verzwaarde. |
En grooter zelfverwijt hem baarde, Was... dat ook 't venster open (stond. Waardoor hot dier een uitweg vond. Neen, 'k schets de vrees en wan-(hoop niet. Die thans het hartdesmansbeknelden, Ja. tot der dood toe hem ontstelden, Terwijl de denkkracht hem verliet. Hij liep als wezenloos in 't rond: Zocht, waar bij niets te zotken vond. Nu in 't gebouw en dan er uit. Staag wisselende van besluit; â Zag ieder angstig, vragend aan. Doch deed geen enkle vraag verstaan ; Terwijl, wanneer men hom iets (vroeg. Hij schijnbaar acht op 't vragen (sloeg, En evenwel vrij stroef en straf Een gansch niet passend antwoord (gaf; Zijn angst steeg soms tot razer nij ! Intusschen liep de tijd voorbij: 't Uur naderde ('t was straks half (twee) Dat hij aan 't huis van graaf QÃADRÃ Den Noordschen vogel brengen zon. Waar zijn gebieder, op het dier En op zijne onderneming fier. Zijn vrienden mee verrassen wou.â Onwetend wat hij aan zou vangen, IJlt, onder knellend boezemprangen, Hij thans ter deur uit, in zijn band De leege kooi; â waarheen de (knecht Zichspoedde, was een raadsel, want Hij had aan niemand dit gezegd; Ik weet het nogtans: Leonard Liep haastig naar een vogelaar Kn vroeg naar valken, doch men vat Ofschoon deez' man een grooten (schat |
He Valken»angst.
101
|
Van fraaie luchthewoners had, â Geen valken kon hij echter toonen En 's vragers wen?ch dus niet bekronen ; Vol droeflieid, en niet wetend hoe Of wat te doen, slaat deze 't oog Vol siddering en angst omhoog, En ziet op eens een___ kakketoe, Wiens kooi daar aan den zolder (hing. Daar was 't, als nam hij ecu besluit: Hij koopt in zijn vertwijfeling Dit dier, en, waar'teen rijke buit, IJlt hij er mee's mans woning uit. â Zoo, zei de baronet verheugd Tot de adellijke vriendenschaar; Ziedaar mijn valk; ik zie met vreugd Hij was attent, mijn Leonard! De kooi is goed gédelct, welnu. Mes diers amis, ik noodig u Om thans mijn schat, waar 'k (trotsch op ben. Den schoonsten giervalk dien ik Die tot de koninklijke soort, (ken, Het zuiver IJslandsch ras behoort. Eens goed op uw gemak te aanschou-(wen! Ziehier dan! weg met die gordijn! â O leugenaar' dag! dag kaptcin! Oei! Lorre, lorre kop pie krauwen! Dus klonk op eens met schel geluid. Een stem,en ach! die stem steeg uit De kooi, en ieder zag verbaasd, Jn stede van een valk van 't Noorden, 't Juweel van Scfxndtjiciuie's boonton.., Den kakketoe er in geplaatst. â De spijt, de wrevel, wrok en schrik. Die beurtlings op dit oogenblik Van onzen held zich meester maakten; Zijn wangen, die van gramschap (blaakten; Zijn blikken, waar men 't vuur in (las, Dat in zijn binnenst brandend was ; |
Zijn aadren, die ontzettend zwollen, Als bleef op eens de bloedstroom stol- (len; Zijn lippen, saamgedrukt; en dan Zijn haren, die te berge rezen: Geheel 't verbittring spellend wezen Van deez' te leur gestelden man â U, 'k zal ze niet te schetsen trachten, Want hiertoe falen mij de krachten. Daar zich zoo'n netelige staat Gevoelen, niet beschrijven laat. En toch â hij had zich slechts ver-Dat die geprezen Leonard, (beeld Uit hoogst vermeetlen kortswijl, (daar Een ruwe pots hem had gespeeld, 'k Zal minder nog zijn woede malen. Toen hij daarna ten zijnent kwam. En 'tschrikkelijke feit vernam: 'k Zal bij de melding mij bepalen Dat hij aan Leonard tot straf Op staanden voet zijn afscheid gaf. Ziedaar den Noordschen tocht vergeld, Die wel een goed gevolg bekwam. Maar toch zoo'n tragisch eindenam. Intusschen werd me onlangs ge-Dat onzen baronet daarna, (meld Van vrienden, die hij had gevonden In 't handlend Ch r i s t i a n i a. Een ander paar werd toegezonden Van koningsvalken; naar ik meen Zal dit hem wel zoo duur niet komen In moeite en zorgen als datgeen. Waarvoor de reis was ondernomen. Nu, 'k wensch hierbij, en 'k meen (het goed. Aan hem, die blijken gaf van moed En van geduld, baron van deelen, Dat eens een richtig valkental Bij jachtvermaak en ridderspelen Zijn hartelust bekronen zal! April 1840. |
Eene Avondpartij.
402
Eene Avondpartij.
|
Men moet toch niet op menschen (bouwen; De tijd verandert grijs en groen; Mijnheer verzaak zou nimmer (trouwen, Hij kon er een gelofte op doen; Hij werd gevleid door nichten, neven, ('t Was door de heele stad bekend;) Zij juichten bij zijn vrijersleven En hoopten op zijn testament. En schoon men hem nog kras kon (noemen. Zijn haar was grijs en dun gespreid; Wou hij de zestig soms verbloemen. Natuur weersprak die ijdelheid. â Tlij had in 't vak van lakenkooper, Een veertig jaren dienst gedaan, En, was hij al geen schattenhooper, Toch was 't hem reedllj k wel gegaan. Door spaarzaamheid endoor ontbering Van 't geen de weelde soms gebiedt, Zag hij in 't bloeien van zijn nering Ãen zalig renteniersverschiet. Die tijd brak aan: een zoet fortuintje. Niet bijster groot, maar hem genoeg, Een buitentje, een calèche, een (bruintje. Was al wat hij van't leven vroeg. Men zal 's mans vreugde licht beseffen: De affaire werd aan kant gedaan. Hij zag zijn hart van zorg ontheffen, Hem lachte een nieuwe toekomst (aan; Maar ach! de illusies van het leven â 't Zijn bloemen, op ons pad gespreid. Die der verbeelding geuren geven. Maar dorren bij de werklijkheid. De hooggeroemde buitenwoning, Die eerst zooveel genoegen gaf, 't ^leef 't eigenste uitzicht, één vertoning; Het nieuwtje was er spoedig af. |
Het rijtuig gaf een tal bezwaren, Het kostte een schat van onderhouii. En Bruin, men moest vol spijt ervaren. Bruin kreeg de spat en 't beest (werd ouil Mocht hij nu vrij zijn luimen vieren â De goede man was niet voldaan Al streelde hem het rentenieren, Toch lachte hem 't geluk niet aan ; Het bleek hem dat het buitenleven Een zeekre schaduwzijde had : Reed hij naar eisch door woud en (dreven, Toch werd hij paard en rijtuig zat; Hij gaf ten laatst den brui van beiden En trok met pak en zak naar stee; Daar was 't genoegen meer verscheiden, De samenleving bracht het mee. Nu wou hij zich naar lust verstrooien. Maar 't ging niet: want hij merkte (ras. Dat hij hier slechts voor 't flikkeflooien Van 't nevental gekomen was. â Hij dacht met recht: 'tis om de koeken, Dat neefjes loopen, niet om mij. Het ging maar niet! waar hij 't (wou zoeken, Het waar geluk ontweek zijn zij'.â Zoo stond het met den man geschapen: Hij zocht genot, maar vond het niet. En waar hij vreugde dacht te rapen, Daar vond bij stof tot nieuw verdriet; â Hij zat zijn hersens dof te peinzen, En zocht op 't laatst, ten einde raad. (Hij kon het denkbeeld niet ontveinzen,) Er de oorzaak van in 't celibaat. Ja, mogelijk was dit de reden, Hij dacht er ernstig over na, En de echt, zoolang door hem verdeden. |
Eene Avondpartij.
103
|
Was thans zijn wensch; hij zocht (een ga, En wel een ga, die hem behaagde, Een vroolijk wijfje, zacht en zoet; Liefst jong van jaren, geen bedaagde, Ook hij toch had nog jeugdig bloed; Hij slaagde spoedig in zijn streven, En vond een jonge, schoone vrouw, Die hem het jawoord wilde gevew, En dra bond hem de bauddertrouw. Uit gaf veraudring in zijn zaken, Dat gaf een wending aan zijn plan; â¢ia, wat de vrijer eens mocht wraken, Was nu de vreugd van d' echten (man. Thans mocht de hoop, zoolang verduisterd, Opnieuw ontwaken in het hart; Thans was de toekomst opgeluisterd, De nevel weggevaagd der smart: Want 'k noem het smart, wanneer ('t verlangen Zich paart aan onbestemd gevoel, De wenschen staag elkaar vervangen. Maar toch niet leiden tot ons doel. Vooroordeel had hem lang gebonden; Hij was verblind door valschen (schijn. Maar thans had hij zijn doel gebonden, Om man en.... mooglijk meer (te zijn. Wel gingen neefjes, nichtjes strijken, Bij 't hooren van dit vreemd geval. En stonden op hun neus te kijken, En vonden 't ongepast en mal. En wezen op zijn zichtbre grijsheid, En schimpten op zijn dollen stap; Maar oom verzaak hernam met (wijsheid; â De spijt verwekt hier d' achterklap ; I li stoor mij niet aan al hun praten. Ze rekeuden op dood en buit; |
'k Ben meester van mijn doen en (laten, I k volg mijn wil en â daarmee uit! Hij kon hun bijzijn thans ontberen; Zijn vrouwtje, een bloem van twintig jaar, Zag in 't vermengen en schakeeren Van grauw en blond geen groot (bezwaar. Het liefje had zijn hart veroverd, 't Was wel wat vlug in 't werk (gegaan; Maar ach 1 men weet; de liefde toovert. En â wie kan tooverwerk weerstaan? 't Verwint lelfis de ernstigste herwaren. De jonge vrouw had goeden smaak, Ze wist heur mau wel op te klaren, 't Was zichtbaar aan mijnheer (verzaak Wat de invloed van zijn ga bewerkte; Zijn kleeding kreeg een and re snee, En wie aan 't grijs gewoon was, (merkte Wat wondren 't zwarte pruikje dee. â Ook 't huisraad, pronk van vroeger dagen, Maar [lang in strijd met laatren smaak â Het vond maar luttel welbehagen In de oogen van mevrouw verzaak. Al scheidde zich heur eega noode Van 't erfgoed aan zijn hart zoodier, Helaas! zijn lieve vrouw â demode â Zij eischten thans een andre sier. Hij moest aan beiden offers brengen. De vrouw zijn wil, de mode goud. Mij wilde in quot;t heil geen weigring mengen, En 't hagelnieuw verving het oud. Zoo werd de goede man herschapen, Zijn huis en huisraad evenzeer. Versuft stond hij 't soms aan te gapen, |
Ecnr Aüondpartij.
|
Hij kende nauw zich zeiven meer. Thans noemde hij zich eerst gelukkig, Dat was na 't heil der huwlijks-(min; Zijn ga was vriendlijk, nimmer nukkig, Vooral bij 't vieren van haar zin. Tot vrouwlijk hoofd van 't huis ver-(heven, Van 't huis, gebracht op nieuwen (voet. Vrij om naar kust en keur televen, Het streelde haar het jong gemoed : Ook zij had dus geen stof tot klagen. Maai', zoo haar mooglijk iets verdroot, 't Was, wijl ze weinig vrienden zagen. Hun conversatie was niet groot; En dit toch hoort bij 't aardsch ge-(noegen: Wat is het leven zonder dat? i)e mensch wil bij den mensch zich (voegen. Wat heeft hij, die nooit vrienden (had ? Want van den sleep van nichten, (neven, Zoo mal met oom, in vroeger tijd. Was de een na d' ander weggebleven, Hun hoop was thans verkeerd in (spijt; t Was uit met vroegere eerbetooning. Geen hunner liep den dorpel plat; Al stil en stiller werd ooms woning. En dat wel in zoo'n drokke stad! Het was mevrouw dus toe te geven. En 't was een dood onschuldig zwak. Dat zij soms van eentonig leven Eu andre kleinigheden sprak. Dat kon mijnheer verzaak niet (dulden. De wenschcn, die tien man vervulden. Betroffen 't heil der iieve ga. Want dit toch ging zijn hart te na. 't Is waar, ze zagen weinig vrinden En hoe oprecht ze elkaar beminden, |
'tLigt in den mensch: vaak deelen (twee 't Genoegen graag een derde mee, 't Beloofde land vol melk en honig: De liefde zelfs wordt soms eentonig; Hoe ver heur rijke taal ook gaat, Ook zij raakt eenmaal uitgepraat. Ontvangt zij, door zich op te sluiten. Geen nieuwen indruk vaak vanbuiten. De jonge vrouw had geen abuis; 't Was op den duur vrij stil in huis. En dit deed manlief ernstig denken, Om middlen tot herstel te schenken ; Hij koos er zich ten laatste een uit. En nam een kort en wijs besluit: Hij wilde, na een zestal dagen, Een kleinen kring ten zijnent vragen. En keurde 't daarom niet onpas, Dewijl hij dan juist jarig was; Dat kwam hem voor een lief ideetje Te zijn, bij wijze van soireetje; Met zeekren zwier en wat fatsoen Zou 't stellig aan zijn vrouw (voldoen. â En 't was ook zoo; ze vond het aardig En niet den rentenier onwaardig; Ze hielp nog daarenboven 't plan Wat meer ontwikklen van haar (man â 't Was nu de vraag slechts, welke (vrienden In de eerste plaats die eer verdienden. Mijnheer was ieder even na, Wie kwamen 't was hem wel, och ja! Maar, 'tgeen ons trouwens niet (verwondert. Zijn lieve neefjes uitgezonderd. Mevrouw had veelgevoelvoorkunst; Talent en roem, apollo's gunst. Dat waren klanken, die haar streelden En in haar hooge schatting deelden ; Naar heur idee moest op 't festij n De kunst vertegenwoordigd zijn. Mijnheer, wat koeler in die zaken. Wilde echter geen bedenking maken. |
Eene Avondparty.
105
|
En keunie daarom alles wel, Omvat door vrouwliefs wijs bostel; .Maar welke dames, welke heeren Men tot het feest zou inviteeren, Was nog niet uitgemaakt, want ziet. Intieme vrienden had men niet; 't Geheugen kwam dus hier te stade. Men pleegde met elkander rade, Wat kennissen men in do stad Geschikt voor dit partijtje had. Gedachten kruisten nu elkander; Men peinsde eens over d' een en ander; Mijnheer sloeg't oude kladboek na. En vroeg het oordeel van zijn ga, Als deze en gene bij het lezen Hem voorkwam de eere waard te (wezen; Mevrouw noemdeook een naam of wat. En loen men eindlijk't aantal had |
Van uitverkorenen gevonden, Werd de invitatie rond gezonden; En nu werd de ijver om het meest Van 't echtpaar, dat het naadrend (feest Recht ordelijk en goed wou maken; Mevrouw verstond zich op die zaken. Was ir 't beredderen nooit moè. En lag er zich met ernst op toe. Om van haar plicht zich goed te (kwijten. Men had heur zorgen dank te wijten. Toen manlief zijn geboortedag In volle glorie prijken zag. En met een oog van welbehagen De toobereidsels gageslagen. En rondgeschouwd had, hoe zijn (vrouw Het gastental ontvangen zou. |
De kamers, ze waren zoo sierlijk en net:
Geen kweeltje, geen smet Op spiegel en wand en kozijnen;
Het knappende vuur in den blinkenden haard; Het ijzeren stel om de stookplaats geschaard; De tafels, commode, gordijnen,
'tHad alles een tooi,
Zoo frisch en zoo vroolijk, zoo feestelijk mooi, Dat, wie zich daar toen had bevonden. Het plan wel had kunnen doorgronden.
De kaarten en viesjes, het dominospel. De nieuwe carsel,
't Komfoor en de stander met pijpen. De theedoos met geurige Heysan gevuld. Het staatsieservies, porselein en verguld. De tang om de suikers te grijpen.
Het zilver en pleet,
't Stond al tot de ontvangst van de gasten gereed, En niets dat er de orde verstoorde.
Mevrouw wist te goed, hoe het hoorde!
Ze spelde zich veel van de aanstaande soiree, En 't viel haar zoo mee'
Haar man was rnet alles tevreden;
Eene Avondpartij.
Ilij had zelfs een nieuwe piano gekocht.
Ze had dit bewijs van zijn goedheid verzocht, En had tot dit voorstel haar reden;
Voor lieden van smaak Is thans zulk een meubel een noodige zaak; Gehoor en gevoel mag ontbreken,
De mode eischt van kunstzin een teeken.
De dag ging ten einde en het feestuur was daar,
Het theegoed stond klaar,
Mevrouw zat de gasten te wachten;
Een elftal had vriendlijk het woord gepasseerd, Mijnheer, met hun aanneming blijkbaar vereerd. Zat neder, verdiept in gedachten;
Hij peinsde er op na quot;Wat hem, naar de ontvangene wenk van zijn ga, Als gastheer het best zou betamen.
Wanneer de genoodigden kwamen.
106
|
Daar werd gescheld en de eerste gast Trad binnen. Paclüs planken was 't; Een ronde dikgebuikte snaak, Een oude kennis van verzaak. Die jaren lang op 't zilte nat Als zeekaptein gezworven had. â Hij had, na vaak herhaalden tocht, De wereld links en rechts bezocht, Had in de West een tijd gewoond; Fortuin had mild zijn werk bekroond; Hij smaakte aan vaderlandsche kust Nu 't zoet genot van luim en lust. Men schonkhem om zijn bruin gelaat. Dat tuigde van gezonden staat, Den bijnaam vaak van d'Oliekop. Mevrouw verzaak zag zuinig op: 't Was niet de man, maar diens toilet, Dat haar mishaagde: een avondpet Op 't hoofd, aan 't lijf een duffeljas, Terwijl de rest a dito was; En 't bleek haar ook, dat, hij misschien De vloermat had voorbij gezien, Althans hij bracht met iedre schreê Het straatslijk in de kamer mee; Wat haar nogtans beviel, was dat De m»n een neger hij zich had, |
Zijn volgling van G u y a n a 's strand, Zwartjan genaamd, zijn lijftrawant; Deez' strekte thans zijn meester hier Tot kok en knecht en tot koetsier, 't Viel haar dus van den zeeman mee. Toen hij verzaak het aanbod dee, Om vrij gebruik te maken van De diensten van den zwarten man Op 't jooltje, dat men geven zou ; Dat vleide 't hart der jonge vrouw. Zij had gehoord: hij was zoo knap! En 't is daarbij een eigenschap, Dat men soms grooter waarde hecht Aan 't dienen van een zwarten knecht; Het echtpaar had slechts ééne meid, En deze had, het dient gezeid. Al was ze nog zoo'n keukenbol. Op zulk een tijd de handen vol; Zwartjan werd dus bevel gedaan De meid in alles bij te staan. â 'k Mag voor de haaien wezen, (maatje! Zei planken, als ik had gedroomd, Dat jij nog met zoo'n takellaadje Jou oude kiel hadt opgetoomd! |
Eene Avondpartij.
107
|
Wel, wel, verzaak! is datje vrouwtje ? Dat lijkt me een zoete meeremin! En hoe vindt jij jou stuurman, boutje ? Is 't huwlijks-vaartje naar je zin? Nou man, je hebt reis goed gekeken, Waar jij jou anker hebt geleid. Lang keek jij naar de hemelstreken, Maar keek toch goed, dat dient (gezeid; Ik heb zoo'n vaart nooit kunnen (loopen. Och, had ik vroeger bijgedraaid ! Nou zit mijn kabeltouw vol knoopen, 'k Word oud en 't is vergeefs gedraaid I 'tls waar, men wist dat paui.us (planken Niet leven kon dan op het schuim, 'k Zat nu bij zwartjes, dan bij blanken, 'k Schoot als een bruinvisch door (het ruim. â Ik kan niet zeggen, dacht mevrouw. Dat mij die toon bijzonder vleit; Die man voegt, naar ik zeggen zou. Niet bij 't gezelschap, dat ik beid; Hoe dorst mijnheer mijn man het (wagen, Zoo'n bonk op een soiree te vragen! 't Was zeven uur, de schel ging (weer. Mevrouw liep dribblend op en neer; Daar kwam al meer en meer ge-(druis, 't Werd levendiger in het huis; Thans zou het feest voor goed beginnen, Een vijftal gasten trad naar binnen, 'tWas de familie klap; mama, In 'tzij gedost, vooruit; heur ga, Zeer deftig, als 't een ambtenaar Als hij was, paste, volgde haar; Hij boog beleefd en onverpoosd. Benevens zijn drievoudig kroost: |
Twee dochters en een jonger zoon, De paarlen van zijn huwlijkskroon; Na men genoeg gebogen had En 't vijftal in de rondte zat, Hoort men op't onverhoeds van uit De gang een wonderbaar geluid. Hoe ? was het geen bedrog der zin-(nen ? Daar stapt de zwarte knecht naar (binnen En torscht op d' arm een vreemden last; Men stond verbaasd:een dame was't. En wel een nichtje van mevrouw. Dat ook dien avond komen zou; 't Was juffrouw trippeltree, ecu (maagd. Niet oud, niet jong, maar wat (bedaagd. â Mijn hemel, is dat nichtje niet'? Riep 't echtpaar, wat is hier (geschied ? De dame heeft een flauwte, man, Spreek op, wat wedervoer haar dan? Men nam het vrachtje van hem aan. De neger deed zich dus verstaan: â Zwartjan, de deur straks open (doe. Een juffer komt, â zeg: dag (juffrouw â Maak achter haar de deur weer {toe, â Zeg: dat ze mantel geven zou â Maar toen de juffrouw komt bij ('t licht, Ze ziet Zwartjan zijn zwart gezicht; Ze spreekt van Joost; â zeg; neen (juffrouw, Joost hier als knecht niet dienen (zou; Zwartjan een Christenmensch, een (larn â Die uit de]West met massa kwam; Ze wil de deur uil, â houd haar (vast â |
Eene Avondpartij.
|
Zwartjan goed op de julfrouw (past; â De jaüronw schreeuwt, âdoet de (üogen toe, Roept anders niet ais; boe, boe, boe! Zwartjan laat ruikenbrandewijn,â Maar juffrouw wou niet beter {quot;jn, â Zwartjan denkt, iu de gang is 't (koud â De juffrouw vast van warmte houdt, Zwartjan eeu kerel van stavast, Heeft wel gedragen grooter last, â Pak juffrouw beet, breng hier na toe, Hoop dat ze de oogen open doe â Zwartjan denkt: heeft zijn best (gedaan. En nou weer naar de keuken gaan. De gasten waren opgestoven Ter hu lp van juffrouw tkippisltree, Mijnheer verzaak liep vlug naar (boven En bracht van üaur de Nitri mee; Ue dames waren uiterst teeder En liepen angstig heen en weder. En toonden alien medelij ; Ze hielden elk de reukflesch bij, En maakten met een wijs beleid, Zoo verre de welvoeglijkheid Hierbij geen sti ikt gevaar kon loopen, Japon en kraag en halsdoek open. Dat hielp, daar werd een zucht (geslaakt En dra was ze uit den zwijm ontwaakt ; Ze sloeg bedeesd den blik in 't rond. Vroeg angstig waar zij zich bevond En waar de nikker was getogen, Die haar zoo ruw had aangevlogen? Men deelde aan juffrouw trip-(peltreë De toedracht van de zaken mee Met dat gevolg, dat zij welras Van d'ijdlen schrik bekomen was. |
Intusschen was een tweetal heeren. Beide uiterst smaakvol in de kleeren. De baard en knevels co mme üfaixt, Het kunstig kapsel evenzoo. De karner schuchter ingetreden; De ontstelt'nis ziende, maar de (reden Niet recht vermoedend, gingen zij Den kring van dames snel voorbij, En vraagden aan den zeeman, wat Hier blijkbaar plaats gevonden had. â Och, was het antwoord,'k weel (het niet. Die juffer, die je ginder ziet, Is strakjes op een klip gevaren. Maar 't noodweer is al aau 't bellaren ; Men heeft haar ballast losgemaakt En daarmee is ze vlot geraakt. Ze schrikte eens even van Zwart-(jan. Waar, duivel, schrikt een mensch (al van! De jongen zal geen schepsel deren. Hij kwam met haar hierin laveeren, Heur zeilwerk hing aau loef en lij, Cf alles windstil was, op zij'; De kerel had zijn vrachtje, hoor. Daar voegt hem wel een oorlam (voor! En vraagt men quaiiteit en namen Der heeren, die daar binnen kwamen, Gedost in sierlijk balcostuuin, De een is een schilder, floor (beet cum. En de andre heer is componist, Jeronimds van maatcn is 't! Men hoopte eens goed te profileeren Van 't kunsttalent der beide heeren. Vooral de laatste, dacht men wel. Zou schittren in 't pianospel; De jongste juffrouw klap zong aardiy. En de oudste musiceerde vaardig; Hij kon haar dus bij qaatre-mains |
Kane Avondpartij.
|
Of in den zang behulpzaam zijn. De schilder, 't zij hier niet verzwijgen, Kreeg dra de vrouw des huizes tegen; 'tOntstond wel door een kliiaig-(heid. Maar 't vrouwlijk hart is graag gevleid: Mevrouw verzaak had leerouteeknen Eu mocht het zich tot eere reeknen. Dat haar de meester, steeds voldaan. De ruimste lofspraak deed verstaan; Nu had ze, in 't huwelijk getreden, Heur lieven man de gunst gebeden, (En wie had daartoe zich verzet?) Om in crayon eens zijn portret IV maken; 't werk wei d aangevangen, 'i Kwam klaar, omlijst en opgehangen. Men vond het kunststuk schriklijk (mooi. En 't moest om zijn waardij en tooi, In 'smans receptiekamer prijken. De schilder ging er fluks naar kijken. Mevrouw verwachtte een compli- (ment, â Ze kreeg het ook ; wat zei de vent ? â Voor dat mirakel past een schuif. Dat lijkt R i k e t wel met de (kuif! Ach, had mijnheer beetcum geweten Hoe dicht de maakster bij hem zat. Die dien Riket geteekend had. Wat had die uitroep hem gespeten! Mevrouw had schier den kring (bijeen; Ze sloeg den blik soms gangwaarts (heen. Twee gasten lieten zich nog wach-(ten: Mijnheer van lierdm en zijn ga, Maar toch, men beidde hen weldra, De kamerklok wees kwart voor ach- (ten. Men schonk de thee intusschen (rond. |
Terwijl men in hetgeen men zag, Of in de nieuwtjes van den dag De stof tot conversatie vond. Mijnheer beetuum zei zijn opinie Van de expositie in den Haag; De componist sprak van rcbini, De klapjes van japon en kraag; Heur oude heer gaf van de woning, Die hij gehuurd had, een relaas; Zijn ga vertelde van den koning En van d' aanstaanden Sinterklaas. Mevrouw verzaak was opgetogen, Gelijk ze zei, van 't Franseh too-(neel; Haarman sprak van zijn eksteroogeu En van een graatjen in zijn keel. â Ook hier bracht juffrouw ïrippel-(tree, Als overal, heur breikous mee; Ze zal, tot ergernis wellicht, Van heur meer fashionable nicht. Of 't aangenomen was, te breien, Vertelde wie er preeken zou. Van blauwtjes, vrijerij en trouw, En zag vreesachtig tusschenbeien Eens naar de kamerdeur, of ze ook Weer schrikken moest van 't zwarte (spook. Hetjongsteheei tje,koenraadklap, Had nog geen enkel woord gesproken. Hij vond het echter ééns zoo knap, Om uit een lange pijp le rooken; Hij stopte en rookte nimmer moe En gaf den zeeman weinig toe, Spijt al de kuchjes van de dames; Men maakt wel in de schuit reclames. Alwaar 't gelijkheidsreclit gebiedt. Maar op soireetjes gaat dat .niet. Mevrouw vroeg, zooals't past, aan (elk Of ze ook wat suiker en wat melk Verlangden in het kopje thee'? Men knikte, â en jullrouw trip- (PiSLÃREB Zei: â suiker,als 'k u niet ontrief. |
Eene Avondpartij.
110
|
En melk een wolkjen alsjeblieft. â Geen suiker, ik ben zoet genoeg. Zei planken, toen ze 't dezen vroejf; Maar 'k brand niet graag mijn (binnenkolk, Dus melk, een goeie donderwolk. Daar werd dan eindlijk weer gescheld, 't Verwachte paar werd aangemeld En 't kwam gearmd de kamer In ; 't Was de allereerste kennismaking, Aan beide zijden, maar de ontwaking Van zucht voor poëzie, de zin Voor kunst, in 't vrouwlijk hart ge-(rezen, Zij zullen hier wel de oorzaak wezen, Dat onze gastvrouw van haar man Het ja woord kreeg om 't eens te wagen. Dat paar, schoon onbekend, te vragen; Verzaak bracht hulde aan 't heerlijk plan: Het waren lieden van fatsoen. Wier komst hun zeker eer zou doen, Maar, wat hier 't meeste gold, (men weet; Mijnheer van lierum was poëet. En, vrouwelijke schranderheid! Ze had het zóó daarheen geleid. Dat deez' bedektlijk kwam te hooren AVat heil heur gade was beschoren, Wat feest hij vierde, en dacht de (vrouw Wellicht, dat dit hem stemmen zou Tot werking van zijn dichtvermogen. Nu, 't zou voorzeker 't leest verhoogen! Van lierüm ging met stijven stap Recht toe, recht aan, naar d' ouden (klap En sprak: â mijnheel', ik narn (haar aan. Die eer, mijn gunstig aangedaan, Mij op uw vriendenfeest te vragen. â Excuus, was 't antwoord â (niet aan mij. |
â Ik weet zulks: 't was me een (welbehagen, Te gast te gaan naar deez' partij. Dus ging de dichter voort, â ik (weet. Dat gij uw vrienden welkom heet; En daarom kwam ik____â Maar, (mijnheer... â Gun dat ik u feliciteer Met uw verjaar... â Maar 'k ben (het niet! â Dat is mij aangenaam; 't ver schiet. Dat u 't geluk voor oogen stelt... Thans kwam zijn eega aangesneld En hield aan 't oor des mans haar (mond, (Nu vatte men zijn kwaal terstond) En riep hem toe, zoo luid ze kon: â Hier staat mijnheer verzaak, (mijn schatjel â Mijn hemel 1 excuseer! pardon 1 Mijnheer, 'k ben wat hardhoorend, (vat je? Zei hij en deed van meet af aan Den rechten man zijn wensch (verstaan. Mevrouw van lierum toonde met Den pronk en praal van haar toilet. Dat zij die eer, haar aangedaan Naar waarde en bijster goed betrachtte, Eu 't inderdaad niet luttel achtte, Om op dit feest te gast te gaan. Ze schitterde van top tot ieen Van paarlen, goud en edelsteen; 't Was of ze heel den winkelschal Eens juweliers geplonderd had; Drie kettingen orn borst en hals. Een paar juweelen in hare ooren, Een dito groote speld van voren, En alles eclit, geen greintje valsch! Een porseleinen reukflakon. Terwijl een statig medaillon Naast heur horloge hing te slingi en |
Eette Avondpartij.
Ml
|
Twaalf fraaie ringen aan haar ving- (ren, Een bracelet om iedre hand, En langs de hooge muts van kant Een gouden naald door blonde haren, Ja, waar men ook het oog liet waren, 't Was alles goud en glans en gloed; Dat was eerst pracht, dat stond (eerst goed! Hoe jammer, had gelaat en stal Den vorm en 't waas der jeugd be-(zeten, Ze waar geschaakt, maar niet dat al Geen dame kon met haar zich meten; Ze straalde »1 de andere glanzen (dof; Wat houding en figuur betrof, Als 't contra van haar echtgenoot, Was ze eerder rond en breed dan (groot. De gaven, die natuur haar gaf... Maar 'k werk de schets niet ver-(der af. De zeeman stond met open mond. Stokstijf als waar' hij vastgevroren. En beet zijn nevenman in de ooren; ('t Was juist verzaak, die naast (hem stond,) â Wat zie ik ? riep hij, is 't geen (schijn! 'k Mag zevenmaal gekielhaakt zijn, Als ik dat mooie paar niet ken. Sinds ik hier weergekomen ben. Heb ik dat volk nog niet ontmoet: Die heer ging in de West bankroet; Hij heeft te Paramaribo Wel driemaal aan den grond gezeten. Hij schijnt weer opgelapt! wel zoo! Nou vriend, dat mag kalfaatren hee- (ten. Zoo waar, 't was vroeger niet aldus; Wat tal van vlaggen op die muts! Het lijkt met haar Oranje boven. Ik kan mijn oogen nauw gelooven! |
Vraag nooit, waartoe het reizen (dient: Een reiziger ziet wondren, vriend! O wee, ze hebben me in de gaten, Maar wacht, ze houden van mij af; Zeg, merk je 't wel? zou ik 't zoo (laten ? Als 'k hun de volle laag eens gaf? Maar neen, ik zal 't maar laten (waaien, Let op, ze zullen mij niet praaien. 't Was spijtig voor den gastheer, die, Door deze tijding aan te hooren, Een nieuwe illusie had verloren, Het was niet mooi van planken; (wie Had hem geroepen, om de zaken Dier leden hem bekend te maken? De meid nam dra den theeboel (weg. Mevrouw kwam thans in overleg, Hoe d'avond verder door te brengen; Men moest zich wat dooreen gaan (mengen! 't Werd anders mooglijk stijf en (droog. En dat is naar, 't lijdt geen betoog; Mijnheer verzaak vernam in 't (rond. Of hi j voor 't kaartspel gading vond. En mocht zich met een tweetal heeren Voor de ombertafel engageeren. De zeeman was 't en de oude klap ; Bij kunstnaars is 't geen eigen-(schap Zich met het kaartspel in te laten, Beetddm, van lierüm en van m aaten Bedankten dus, de dames mee; Terwijl mejuffrouw trippeltree Met geen geweld haar kous verliet; De jonge koenraad speelde niet. Wat deed de jongling dan? Hij rookte. De jonge gastvrouw dacht het wel, Dat zang en 't schoon pianospel |
ifene Avondpartij.
|
Moer met den smaak der gasten (strookte; Ze ontsloot daarom het instrument Eu noodigde tot musiceeren; Mijnheer van maaien was attent; Hij wou den zang accompagneeren En zette zich gewillig neer. En vroeg de dames, keer op keer. Om, 't zij alleen, of met elkander, Te zingen: maar, men ziet het (meest. Het een excuus verving het ander; J)eez was verkouden, die bedeesd. De klapjes werden door mama Ook aangezet. â Kom iienriktie, Kom, kom, een airtje uit le Mistte, Dus sprak ze, of dat van llatela! Nu, als je 't uit het hoofd niet kan, Dat uit le Piepeluize danl O, gud, mijnheer! ze zingt zoo lief: Kom, jetje, kleine harted'ief, Wat hebben we u niet laten leeren, Om je indicatie te zwanjeeren 1 Wat? wil je niet? nou, Iaat het dan! ZongKOEN'RAAD, 'kben er zeker van, Hij, de beleefdheid in persoon, Hij stelde zich niet mal ten toon. En zou het vast gewillig doen, Als ik het vroeg, niet waar, mijn (koen ? De jongling deed een flikschen haal En knikte, en sprak voor de eerste (maal: â Ja wel, maar 'kben nietmuzi-(kaal. En kan die gekheid ook wel missen. Ik leg me meer toe op het visschen. Mama was gansch en al ontdaan. En sprak haar andre dochter aan: 'k Wed, süze zal wel wijzer zijn. Kom, kind, speel jij je kater-(m ij n; Bedenk ; je bent hier onder vrinden 1 't Gelukte, en süze liet zich vinden, 't Muziekboek had ze mee gebracht-. |
Ze had dus wel zoo iets verwacht, Dat lijdt geen twijfel meer; van maten, Was 'ï ook beneden zijn talent. Wou zich gewülig vinden laten; Hij zette zich voor 't instrument Zeer hoflijk aan de lager zij', Tot voordracht van de baspartij. Men was vol aandacht en verlangen ; 't Begin werd driemaal aangevangen; De juffer was niet recht op gang, Nogtans, het duurde niet zeer lang, Of 'tging er vlug en vroolijk door, 't Gezelschap was geheel gehoor; Mama, de blijdschap op 't gelaat, Zat henriette ook aan te vuren, De doove dichter sloeg de maat, Zijn vrouw zat planken aan te gluren; Mevrouw verzaak zat stil ter zij' In 't overzicht der feestpartij; Mijnheer van maaien vond zijn (taak In geentn deele een lichte zaak En 'k zou haast zeggen,niet begeerlijk, Dewijl de juffer, 't bleek hem ras. Niet greep- en noot- en maatvast (was, Maar verder speelde ze overheerlijk. En nu mo»st de andre aan den slag. Ze was door 't voorbeeld van haar (zuster Wat meer vrijmoedig en geruster; Ook haar partij kwam voordendag. En 't bloode meisje toonde, dat Ze er ook wel op gerekend had. Men ziet dat uit een dame's mouw Ook somtijds de aap kan komen (kijken ; De juffer, die niet zingen zou Liet thans op eens zoo'n ijver blijken, Dat ieder de overtuiging had, Dat zij een paar benijdbre longen En ook een frissche stem bezat. Haar repertoir werd afgezonden; Men zag- 't den heer van maate.n (aan, |
Kent Avondpartij.
113
|
Hij reikhalsde om eens op te staan; Hij zei: de zang was delicaat, Al stond er iets op 's mans gelaat, Dut wel naar veinzerij mocht zwee-(men; Al beet hij ook zijn vriend in 't oor, Dat hij 't niet euvel op mocht nemen. Al bleek het martling van't gehoor. Er volgde een algemeen applaud. Thans moest de componist van (maaien Zijn stuk : âde slag van Waterloo' Eens aan 't gezelschap hooren laten. De gastvrouw vroeg het met zóó'n (klem. Zóó vriendlijk, zóó beleefd aan hem! Hij mocht dus vrij excuses uiten, Maar kon er toch niet voegzaam (buiten. Nu werd de Heer van 't huis genood Dit, kunststuk aan te komen hooren; Mijnheer verzaak, wien 't spel (verdroot. En die zijn zakgeld had verloren, Kwam graag er heen, en de andre (twee, Ze kwamen met den gastheer mee. De hoorders vormden nu een kring Om 't speeltuig heen, en spitsten de (ooren, Nieuwsgierig om den slag te hooren, Dien thans de maker spelen ging. 't Pianospel was vol effect, Dat zoo op menschen als op zaken ten diepen indruk scheen te maken; Zelfs had mij nheer verz a a k ontdekt Dat spoedig zes of zeven snaren Van 't instrument gesprongen waren; Terwijl hem nu de vrees bekroop, Had die batalje een langen loop, Dat zijn piano 't roffelslaan En 't zwaar geschut niet zou (weerstaan, Ja, 't vallen van napoleon Zijn stuk wel gansch vernielen kon. II |
In 't hart bezorgd, had hij zich naast 't Welluidend instrument geplaatst. Men zag % hoe meer zijn vrees (ontwaakte, Hoe dichter hij den speler naakte; Op eens geeft hij een luiden (schreeuw, ('t Was juist de glorie van den leeuw Op d' eindlijk overwonnen arend,) Vliegt op, en, pijnlijk rond zich (starend, Wrijft hij zijn been en strijkt (weer neer, Eu roept: â dat doet me vreeslijk zeer! 't Spel werd gestaakt, zijn vrouw (schiet toe, En vraagt: â wat is het, manlief? (hoe! Hoe schreeuw je zoo? wat deert (u dan? Ach, laat me niet in twijfel, man ! 'k Zie tranen aan uw oog ontlokt! Spreek, heeft u 't spel te veel (geschokt ? Muziek heeft soms een groot vermogen! â Neen, dat niet! zegt de goede (man, â Welnu, zeg op, wat deert u dan? â Mijnheer trapte op mijn (eksteroogen! quot;Wie met die kwaal behebt is, weet Wat pijnlijk, wat ondraaglijk leed, Wat wezenlijke folteringen. Men soms door merg en been voelt (dringen, Als iemand soms bezijden stapt En lompweg op uw teenen trapt; Thans was 't geheim dier smart (ontdekt; Verzaak, die naast het speeltuig (zat, En daar geen leed verwachtte, had Zijn voet er onder uitgestrekt; En de ijverige musicus |
8
Eene Avondpartij
H4
|
(Ten minste men begreep hel dus) llaii, in een luid fortissimo Van 't schitterende âquot;Waterloo,quot; Bij ongeluk, zoo wij vertrouwen, 's Mans voet voor hel pedaal gehouen, 'tWas jammer voor 't effect van ('l stuk____ Maar wie kan voor een ongeluk ? En zoo was de avond omgegaan. De gastvrouw deed den wensch (verslaan Om, in de naaste kamer, met De vrienden, als ze 't dus verkozen. Zich nog een wijl te gaan verpoozen ; Men vat: heur wensch was hier (een wet. De kous van juffrouw trippeltree Werd opgerold; de jonge heer, Die nu zijn laatste trekje dee. Stond op: al de andren evenzeer. De vrouw des huizes ging vooruit, De vrienden volgden een voor een, De gastheer met zijn zeeren teen Maakte aan den optocht een besluit. Een koude disch was aangerecht. En 't kaartje, op ieders bord gelegd. Wees, waar de gastheer of zijn (vrouw Bestemd had, dal men zitten zou. Men zag mejuffrouw trippeltree Mevrouw heur nicht ter zijde wenken. Ze deed de vriendelijke beê Om haar een andre plaats te schenken, Dewijl ze 't opgemerkt had, dat Ze aan de overzij' des spiegels zal. En 'l was haar aandacht niet (ontgaan: Daar zaten dertien menschen aan. Men al en d ronk, maar 't bleef er bij, Veel was er op den disch te vinden, Maar ach, de gulle toon van vrinden Zegt meer dan taarten en pastij! Do gastvrouw had gescheld, waarna Zwartjan zicb met een bessenvla |
Vertoonde, maar wie schelst den (schrik Van gast en gastheer, ja van allen. Toen op dat eigen oogenblik De knecht den schotel neer liet val-(len ? â Dal 's jammer! â zei de jonge (klap. Die knecht is in 't geheel niet knap, Dal 's jammer! 'I Was het tweede (woord, Dat van den jongling werd gehoord. Zwartjan stond roerloosen alssteen. En gaf zelfs niet het minst geluid. Maar strekte slechts den vinger uit En wees recht naar van lierum (heen. â Jou lomperd, â ezel, â dom- (kop, â os! En nog een vloed van leedre namen Stemde eensklaps in concert te zamen. En brak op d' armen neger los. De zwarte sprak: â Zoo schrik,zoo (beven! Zwartjan nooit lomp was van zijn (leven! Maar nou den schotel vallen liet, Omdattie ouwe kennis ziel, Daar gunter doove massa zit. En missie ook, kijk, wordt zoo wit! Zwartjan kent allebei nog wel. Hun slaaf was, he, krijg kippevel! Zwartjan nog denk aan Spaansche (bokken! Zijn baaitje veel beeft uilgetrokken; Zwartjan onthouden kunnen langl Maar nou voor iedereen niet bang! Nou vrij is, op zijn knieën danken Al dat aan braven massa planken. Die koopt Zwartjan en maakt hem (vrij: Zwartjan blijft massa trouw op zij , Zwartjan nog meer vertellen gaat Hoe doove massa hem kon beuken. â Neen, dat behoeft niet, kameraid. |
Eene Avondpartij,
115
|
torn, scheer je handig naarde keukent Dus kwam hem thans zijn meester (voor; De knecht gaf dadelijk gehoor Aan dat tot hein gericht bevel, En sprak in 't heengaan: â 't Spijt (me wel; Zwartjan heel lomp,bekennen moet! Zoo jammer is van 't rooie goed! Niet meer terug kom, massa ! zeg? â Neen, riep een ieder, blijf maar (weg. â Zwartjan maar houden zijn (gemak. De meid stuur met den koekebak. Het gansch gezelschap was onthutst; De Heer van 't huis werd slecht (gemutst En zag wanhopig naar zijn ga. Die, morrend om heur bessenvla. Haar schotel en het vloertapijt. Nauw rust meer vond, uit louter (spijt; Mevrouw van lierum had het (kwaad, Verwenschte stil den zwarten rekel; De zeekaptein zat in de pekel, En trippeltree nam in beraad, Ol ze in eikanderen zou zijgen En 't op de zenuwen gaan krijgen; Van lierum sprak van't zwarte vee En van hun goddelooze streken. En de overige gasten keken Of ieder aan de kiespijn leê. Dat kwam nu door dien zwarten (knecht! Maar 't hielp niet of men kniesde (of morde: Men bracht alzoo voor 't nagerecht Het een en ander weer in orde. Men was op nieuw in 't rond (geschaard; |
't Ontbrak er niet aan overvloed ; De podding, hlanc-manyé, de taart, De wijn, 't was uitermate goed. Maar ach, de saus van scherts en (luim. De gulle toon, de ronde taal. Zoo heerlijk op een vriendenmaal. Men vond ze er wel, maar niette (ruim. Mijnheer van lierdm vroeg hel (woord ; Men had van hem nog niets ge-(hoord. De dichter liet dus, naar gedachten, Van zich een feestlijk vers verdachten: Men had niet misgerekend, want Hij nam een rol papier ter hand, En na hij 't had uiteengespreid, Zag hij in 't rond met deftigheid. En staarde toen den gastheer aan. En deed het volgend dicht verstaan; â O groote goddelijke zanger, Apollo, zone Jupiters! Daal tot mij neder, toef niet langerl Leen kracht en gloed aan 's dichters vers 1 Stem, stem mijn lier, beziel mijn (klanken, Eén straal slechts van den Helicon, Eén vonkje voor mijn dichtvuur- spranken, Eén droppel uit de hengstenbron ! Vervul, verruk, vervoer, ontgloei me Voor 't godlijk schoon der poëzij I Van'taardschen nietig stofont boei rael Ai, leg uw hemelgaaf in mij 1 Op, op, mijn zangster, aangeheven 1 Daar staat het heilig muzenta); 't Z.tl glorie aan uw snaren geven In maat en dicht en toon en val I |
Eene Avondpartij.
116
|
Op, op, het geldt een vriend, een (broeder, Aan 't hart mij meer dan 't leven (waard! Het waar geluk strek' hem ten hoeder. Die eedle man, die vriend verjaart; Triomf, verzaak i... â De lamp, de lamp! Dus schreeuwde op eens de gan- (sche kring. Maar 't was te laat; o hittre ramp. Die 't dichterlijk genot verving! Wat levendig in zijn gebaren En in zijn gesten wondervrij. Maar 't oog slechts op zijn poëzij. Mocht hij de omringende gevaren Noch voor, noch nevens hem ontwaren. Een ongeluk komt nooit alleen; Het laatste spoor van vreugd verdween. Een grooter onheil, grooter scha Dan strakjes met die bessenvla, Bracht thans de handlingdes poëets; Want om zijn heilkreet te onderschragen. Had hij zijn handen uitgeslagen En daarbij, ach, men vat het reeds, (Wat gastvrouw had dit niet verdro-De tafellamp omver gestooten. (ten?) Ballon en glas, 't was alles stuk, De gruizlen waren rondgevlogen En hadden alles overtogen; Dat gaf een jammer, dat een druk 1 Een elk sloeg handen aan het werk Aan tal van scherven en van schijven; Maar wilde ik al het wee beschrijven, Mijn noodrelaas kreeg paal noch (perk. De dichter stak zijn zang op zak, En zat er in tot over de ooren. Zoo'n onheil kwam hem nooit te voren. Hij mompelde van noodlot, â sprak Dat hij zoo'n ramp niet kon ver- (inoeden, |
Van al de schade te vergoeden En zoo al voort; nu, hoe het zij. Zijn toestand eischte medelij. 'tWas middernacht, de tijd was daar Om van elkander te gaan scheiden; Wat zou men ook nog langer beiden; Men nam dus afscheid van elkaar. Voorwaar, het was geen groet van (vreugde, Die d' eene gast aan d' andren gaf, ('t Waar slecht wanneer zich één (verheugde) En zoo liep dit verjaarfeest af. Dat aan den gastheer en zijn vrouw Nog lange jaren heugen zou. De laatste gast, die 't huis verliet, Was planken, maar de ruwe snaak Nam hartlijk aandeel in 't verdriet Der gastvrouw en zijn vriend (verzaak. Hij beet in't heengaan hun in 'toor: â Och, geef eens zeemans raad (gehoor. Roep in je boot geen vreemde gassen; â V/anneer je een goeden maat ontboet, Waardeer hem als een nobel goed. En vaar niet met te zware lasten; Zet, als het past, de zeilen bij. En heb je een spelevaart-partij, Vaar dan met geen te grooten (ploeg. Je krijgt aan boord gauw volk (genoeg; Geloof me: hang op 's werelds sop Nooit valsche wimpels aan den (top! Het voegt den echten schipper niet. De schuimer, die je zwak bespiedt, Keurt alles mooi en vindt het fraai. En lokt je zachtkens naar zijn baai: Hij maakt je tot zijn wissen buit. En lacht ten laatst je gekheid uit.â |
De Harddraverij op de Maas.
117
|
Mijnheer yerzaak bleef in gepeinzen, Toen hem zijn laatste gast verliet. De Sarddraveiij 25 FEBRl Goed gescherpt en mild gevoederd, Trotsch op pluim en bellenkleed, Staan de viervoet kampioenen Tot de spelevaart gereed. Luistrend naar de stem des meesters, 't Oor gespitst of krom genekt. Spellen ze allen moed en strijdlust, Door den proefrit opgewekt. Met den teugel nauw bedwongen, Meet de voorhoef reeds den grond, En liet neusgat blaast de schuimvlok Als een andre sneeuwjacht rond 't Is of ze ongeduldig vragen: Geef het sein tot ons vertrek. En een zacht gebriesch geeft antwoord Aan den streelslag op den nek; Maar â is 't ros alree begeerig Naar den strijd hem aangeboón, â In den menner leeft hij dubbel â De ijver naar de lauwerkroon, 't Is of hem de pels te zwaar wordt. En de bonte muts hem knelt, Nu de wijzer van het uurwerk Hem 't gewenschte tijdstip meldt. Ros en rijder hebben beiden Slechts één blik voor 't zelfde doel; |
En riep ten laatst: â 'kWil 't niet (ontveinzen: De zeebonk sprak zoo dom nog niet! op de Maas 1). \RI 1855. Deed de kou den Maasstroom stollen. Uit hun blik spreekt warm gevoel. Maar.... 't signaal klinkt luid in 't (ronde En de hoefslag kerft het ijs: 't Is uw wisselende triomftocht â Vos en Zwart en Bruin en Grijs; Veertien dravers wachten trapplenJ Naar het hun te geven sein: Doortje, David en de Leukeu, B o er, A ii n et j e met Pi e t Hei n, Vlugge, Dikke, Bruin en (H e c t o r. Polka, 't Boertje, Flink en (Piet Wraken door hun krachten vlugheid. Wie van zessen klaar is, niet. Maar al denken al de rijders: Gindsche zilvren prijs wordt mijn, ledre wedstrijd leert de zinspreuk: Enklen moeten de eersten zijn. Slechts een drietal kroont de lauwer. Waar het veertiental naar tracht. En de rijder koost zijn lievling Die aan hem de zege bracht, 't Is de Boer,die d'eersten prijs haalt En de Leuken nommer twee, |
1) Dit atulije sproot uit cene heriuncriug aan de Fehruari-koude vau bet jaar 1855, tocu de Maasstroom voor Rotterdam eene bevloerde vlakte was geworden, sterk genoeg om duizenden wandelaars en schaatsenrijders te torscben, toen, ouder de wintervermaken er uok een narresledenwedstrijd plaats had, die door zijue ruime deelneming van ziju vroolijk bedrijf, niet weinig leven bijzette aan de bonte Maaskermis. Jammer dat die tonen der vreugde eenige weken later zoo vreeselljk zouden worden overschreeuwd dooy de kreten van ramp en rouw in drie onzer schoonste gewesten, die den ontzettenden watervloed uiet licht zullen vergeten.
De Harddraverij op de Maas.
|
Kn de F1 i n k is 't, wien de derde Juichen in zijn glorie deê. En 't behaalde zilvren prachtstuk Vinde thuis zijne eereplaats. Om aan vriend en maag te spreken Van de sleevaart op de Maas. Wil 't eens zien,quot; sprak pieter (jansen, En zjjn wensch was thuis verstaan. En zijn beide kloeke jongens Klampten vader vleiend aan. Eischte toch de ploeg geen handen Voor den nog bevrozen grond, Wat belette dus den landman. Dat hij d' uitstap eens bestond ? âTop 1quot; zei de oude, ,'k heb er lust in; Jongens houdt je morgen reé,quot; Jansen reed te schaats naar 't (Maas-vlak En de jongens togen mee 't Gaf een onbekende weelde â 't Opgevroolijkt winterwaas; Druk vertier en luide vreugde, Kermistoestel op de Maasl Schaats- en zeil- en sleevaart-toeren, Wedstrijd hier en wedstrijd daar, Duizenden bij duizendtallen, Wielend, krielend door elkaar; Wat den landman 't naast aan 't hart Was de narrensleepartij, (lag. En toen hij den troep zag rennen, Wenschte hij zijn bles er bij. 't Gaf hem stof tot menig uitroep: Menig rit liep anders al, Dan hetgeen die bij den aanvang Van den strijd te raden gaf. En toen Jansen met zijn zonen Huiswaarts keerde tot zijn vrouw. Vonden zij de brijpap dampend En de stoelen voor de schouw. Vroolijk was de dag voleindigd, Moeder zorgde voor de maag; Moeder schepte een dubbel portie, |
Want zij wist: xoo'u tocht maakt (graag. En, toen 't pijpje was ontstoken, Gaf men een getrouw relaas Van den tocht naar Rotte's boorden. Van de kermis op de Maas. Duizend vragen, duizend woorden Golden de genoten pret. Tot de matte blikken spraken Van het wachtend, koestrend bed. Maar eer zich de tred der jongens Naar de kooi had heengewend. Kwam er 't volgend Catsiaantje, Dat de vader had gepend. Toen ik deez' dag naar Rotterdam Te schaats een uitstap ondernam, In bijzijn van mijn beide zoons, Voorwaar, toen zag 'k iets onge-(woons. De winter had met noorderkracht Een ijsvloer op den stroom gebracht; De scheepvaart lag in boei gekneld ; De Maas leek wel een marmerveld. Bebouwd met menig tent en stal. Bevolkt met menig duizendtal. Bereden door zoo menig span; De vloed â daar was geen spraak (meer van. Onze oogen zagen gansch verbaasd Het stadsrumoer naar hier verplaatst. Het was 't gewoel van kermisvreugd. Verbonden aan het ijsgeneucht. Ik zag er zijde en bombazijn; Naast lompen zag ik hermelijn, 'k Zag klein en groot, en arm en rijk Keek de oogen uit of liep te kijk. Naast d'armen veger van de haan Zag ik een preutsche juffer staan; 'k Zag beedlaars met ontbloote (borst, 'k Zag 't prachtig voertuig van den (vorst. |
Koen Verklat en zijn GezelscJiap.
119
|
Men bakte er biefstuk, schonk lavas, At poiTertjes bij kan en glas. Men liep of reed er rustig heen, Als waar men op een grond van (steen; 'k Zag op de schaatsbaan kunstenaars. Maar 'k zag er ook veel krabbelaars; Elk van zijn vrijheid wel bewust, Verheugde zich naar hartelust, En, wien de schaatsrit had voldaan. Bood de ijsboot nieuwe prikkelsaan. Voor eiken smaak was keur bereid Door vroolijke verscheidenheid. Zoo trok de narrensleepartij Mij en mijn jongens naderbij. Wij schonken aan het dravertal Ons oog, onze aandacht bovenal; 'k Bezag de kleppers, d'een na d'aer, En werd hun schoonen bouw ge-(waar, En zag hoe ieder meester, fier, Zijn oog liet weiden over 't dier, |
Waarmee hij op het spieglend ijs Den weg zou zoeken naar den prijs. Ik zag hun loop van meet af aan, En volgde met mijn blik de baan, En had dan ook alras bespied, Hoe vreemd een uitkomst men (soms ziet. Want wie in d'aanvang vierig leek. Niet staag den hardsten looper (bleek. En wie van meet stak, driest en doi. Vaak scheen een onbesuisde knol, Die, als hij 't niet meer houden (mocht. Zijn heil in 't galoppeeren zocht. Ik leidde hier de leering af. Die mij mijn geest te peinzen gaf; Dat, wie vooruit wil, vast en vlug, Al draagt hij 't zaal niet op den rug, In 't streven naar een zeker wit, De spoed niet in de furie zit: Dat onbesuisde drift licht schaadt. Maar stage draf het zekerst gaat. |
Koen Yerklat en zijn Gezelschap.
een uitstapje naar de wereldtentoonstelling te parijs in den zomer van het jaar 1855.
I.
PLAN.
|
Brief van juffrouw V Ja net, je zult wel vreemd slaan (kijken. Wanneer de postknecht bij u schelt. Maar vreemder nog, als u zal blijken, Welk heuglijk nieuws deez' brief (vermeldt: 'kWeet waarlijk niet hoe aan te (vangen! 'k Ben zenuwachtig en verward, 'kBen vol van vrees en van verhangen: |
e r k 1 a t aan nicht Net. Een molensteen drukt me op het (hart. Je moet dan weten.... nou, wat wed je ? Je moet dan weten, dat mijn man... Neen ik.... neen toch niet, hij ! Maar (netje.... Zeg, weet je er al misschien wat (van? Neen toch, hoe zou dat mooglijk (wezen ? Je moet dan weten dat verklat |
Koen Verklal en zijn Gezelschap.
120
|
Gewoonte heeft de krant te lezen, I Terwijl ik zit voor 't koffieblad. Van d' oorlog kan me weinig schelen, Daar word ik altoos aaklig van; Ik houd van vroolijker tooneelen. En laat de Krim dus voormijnman. Zoo zit ik soms met gretige ooren Naar die berichten van Parijs En naar al 't wondernieuws te hooren, Mensch, mensch, wat wordt de (wereld wijs! Denk eens: een huis met duizend ramen. Zoo groot haastalseenkleinestadâ Een huis om 't moois in uit te kramen. Dat heel de wereld samenvat. Millioenen menschenâ armenwijken. Do een loopt als 't kan den ander na. Ja, heel de wereld gaat het kijken, Zelfs koningin victoria. En nicht, nu kijkt verklat,bij't lezen. Mij soms verlokkend, vragend aan. Mijn man... Maar wat zijn wensch mocht wezen, Dat liet hij me altoos goed verstaan. Begrijp je 'tnu? Kan jij't gelooven? Ik raak er zelv' door van de wijs; Mijn heele huis staat 't onderstboven. Ja, net, ook wij gaan naar Parijs! Mijn man gaf voormaals niets aan Londen, Daar, dacht hij, hoorde ons goed niet bij. Maar naar Parijs heeft hij gezonden Puik der sigarenmakerij. Je voelt: hij brandt om zelf te kijken, Hoe in Parijs zijn winkelgoed In 't Nijverheidspaleis zal prijken: Wat eer men aan zijn maaksel doet. Nu zijn er wel verwaande gekken. Bij voorbeeld pronk, de zilversmid, Die voor ons vak den neus optrekken. Net of er ook geen kunst in zit In 't vaste rollen van de blaren; 'k'Wed: menig knap Parijzenaar |
Verwenscht straks zijn regiesigaren. Als hij slechts riekt aan onze waar. Pronk â mag hij op medaljes stoffen, Hij wordt, al denkt hij zich een Piet, Daar duizendmalen overtroffen, Maar onze waar â voorzeker niet. Ons fabrikaat, mijn lieve netje, Is stellig eenig in zijn soort. Parijs! 'k Doe soms een schietgebedje, Dat onze reis niet word' verstoord! Parijs! Wie had het kunnen droomen! En dat voor menschen vanonsslag; 'k Had nooit gedacht zóó ver te (komen; Maar 'k hoor: het gaat in éénen dag. Wat doet die stoom toch wondren, (meisje! Voor twintig jaar ging 'k naar (Tergouw, Ik dacht toen: 'tis het verste reisje. Wat ik ooit ondernemen zou. Mijn man maakt haast, we zullen (trachten Ter juister tijd te gaan, zegt hij; Och meid, ik kan niet tegen 't jachten. 't Inmaken komt nu mal er bij; De zuring wacht ik overmorgen. De boontjes zijn juist in den pot, 'k Moet voor de postelein nog zorgen, Je vat, die boel moet achter slot Eer 'k uitsnij; nu is al dat jagen Alleen om Englands koningin. Dat die nu juist in d'inmaakdagen.... Maar och, zoo'n mensch maakt (zelf niet in. 'k Heb voor mijn plunje veel van (noode: Parijs â het is geen kinderspel! 'k Hoor, ga je daar niet naar de mode. Dan ben je er niemendal in tel. Straks komt men mij mantillespassen; Mantilles vraag je, ben je dol? Ja net, nog meer zal'k u verrassen. Raad eens?.... 'k neem ook een parasol I |
T
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
121
|
Waar ik in 't leven naar getracht had. Nooit lokte oen parasol mij aan! Maar wat men ook van mij verwacht (had. Niet dat ik naar Parijs zou gaan. 'k Denk, 'k heb wel zes japonnen (noodig: Twee nieuwe zijn er in de maak. Mijn man zegt wel: 'tis overbodig. Maar 'k zeg: mijn kleeding is (m ij n zaak. Voor hem is ook wat onder handen! Een nieuwe rok, een nieuwe broek, Zoo'n bruine hoed met slappe randen; Het reisplan maakt hem jong en (kloek. Want pronk â kan hij dien kwast (niet velen, Toch lacht hem stil diens voor-(beeld aan; Ja, wat ik u nog meê wou deelen: Hij laat, zoo waar, zijn storren (staan; Net, als je 'em zag, je zoudt bezwijken! Het helpt niet of ik spot of knor. Hij zit me als Blauwbaard aan te (kijken, ün ik â och, 'k wen al aan zoo'n (snor. Ja, lieve nicht, je zult wel vragen, Waar haal jelui dien moed van (daan, Om zulk een verre reis te wagen? Wel, 't is op raad van neef (stephaan, Je weet, die 's naar Parijs getrokken : Ik meen, hij leert daar chirurgie ; Hij wist ons tot het plan te lokken. Bij iedren brief was 't: kom en zie 1 Stephaan was hier een rare jongen, Maar ginder maakt hij 't excellent; Wij hooren van geen bokkensprongen. Hij werkt er als een braaf student. Hij schrijft; hij heeft Parijs bekeken. |
En loopt de stad al blindlings rond, Hij zal voor ons logies bespreken, Als maar mijn man de specie zond. De post heeft 't geld al ingewisseld. Verschieten â vraag het geen (student! â Wat kansje! een neef, die 't al (bedisselt, En in Parijs den weg zoo kent! Nog iets: we gaan niet met ons beiden, We krijgen nog een reisgenoot. Een derde zullen wij geleiden, Een lieve meid, marie de groot. Je kent misschien dat overbuurtje, Ze liep onlangs eens bij mij aan, 'k Vertelde haar mijn avontuurtje, En dra mocht ik heur wenschen (raan. In Frankrijk heeft ze een schoolgenootje. Die haar verzocht heeft naar Parijs, En daarom stelt dan ons de grootje. Een goed geleide zeer op prijs. Mijn man, je hoeft het niet te vragen. Was met haar voorslag in zijn schik; Die leeperd, 'k zei het al mijn dagen, Ziet altoos verder nog dan ik! Mijn man dacht daadlijk aan zijn (neefje. Die heeft marie van jongs gekend. Hij zei me daadlijk: kee, dat geert je Misschien een lief engagement! Marie, geen kolfje om af te weren, Heelt op het stuk van 'taardsche (slijk, Naar 't hoor, vrij wat te comman-(deeren. Wat zeg je, net'? Mooi, lief en rijk! We noemen haar het gouden kluitje, 'k Zei: koen, dat heb je goed (bedacht! Die wees met haar bestorven duitje â Stephaan weet niet wat vond hem (wacht. Wij zullen hem er mee verrassen. |
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
122
|
Hij kent haar nog als 'l kleine ding; Ze is zeker hem nu al ontwassen 1 Ik zie al zijn verwondering, Als hij ons van het spoor komt halen; Hij is galant, dat weten wij... Maar 'k merk, ik ben wat af gaan (dwalen, Net, mondje dicht! Beloof je 't mij ? Maar nu mijn vriendelijk verlangen. Ik bid je, neem mijn aanzoek aan: Of gij mijn plaats hier wiltvervangen. Opdat ik rustig heen kan gaan. Want meid en knecht heeft toezicht (noodig; T)ie taak vertrouw ik u zoo graag! Meer zeggen acht ik overbodig, Ik wacht u, net, van daag acht 'k Zal alles op een lijstje zetten, (daag. Wat ik u liefst verzoeken zal. Rij voorbeeld: of gij op zult letten Op 't kippenhok en 't eiertal, Op 't strekken van den turf en boter, Op 't sluiten van onze achterpoort; Melk, daaglijks voor een halven stoo- (ter! Hout doen wij op bij van der voort; De groenten halen we op een hoekje ; De suiker hou ik achter slot; In iedre kamer ligt een doekje, Schoon daar de dienstmeid erg (mee spot; 'k Neem zelv' het stof af, moet je (weten; 'k Hou 't oog goed op de vliegenkast, 'k Ben ook bij 't opdoen van het eten, 'k Geef 's Maandagsavonds hange-(bast. Zoo, net, zoo zijn er honderd zaken. Die 'k beter mondling zeggen kan,â Ach, 't is om in de war te raken, Bij 't nadren van 'tfameuse plan. Maar 'k mocht wel mooglijk iets ver-feeten. En daarom meld ik maar vooraf. Wat iemand stellig dient te weten, |
Wie ik 't bestuur in handen gaf Zoo had ik graag, mag ik het vergen'! Of gij den bleeker na zult gaan. En of gij 't waschgoed weg zult ber-(gen ? 'k Beveel het stukkend goed u aan! De zon mag niet op 't vloerkleed schijnen ! De kamers lucht ik iedren dag; Geen plooi mag in mijn valgordijnen: 'k Weet wat ik u vertrouwen mag; De meid raakt niet aan de ornamen-'t Is anders breken voor en na. (ten. Zij brengt me 't leitje, i k pas mijn (centen, Voor'k's ochtends aan de lampen ga; Nog iets: zie toe, dat iedren morgen De stoep behoorlijk wordt geveegd. En zul je zeggen dat ze zorgen Dat trouw de zinkput wordt ge-(leegd He ja, als ka wat lang blijft slapen. Daar hangt bij u in 't bed een bel. Bedien je dan maar van dat wapen. En roep haar tijdig op 't appél. Maar 'kwil u alles zoo niet schrijven, We spreken nader, NETJE-lief, 'k Zou met mijn vieren en mijn vijven U licht ontstemmen door deez' brief. Och ja, daar schiet me wat te binnen. Dat ik nog even zeggen moet: Gebruik de pers voor 't beddenlinnen. Voor handdoeken en tafelgoed. De meid heb ik de les gelezen: Geen praatjes met de winkelknechts 1 Vergeet ze die â dan â 't staat te (vreezen, Dan doet zij alles averechts. Nu eindlijk, net, nog één verzoekje, 't Is wel iets raars,maar wij zijn vrij, Mijn zwarte mie moet weer in 'l (hoekje, â Nog veertien dagen om en bij ; En dan, dan zijn we juist uithuizig, |
Koen Verklal en zijn Gezélschap.
123
|
Dan mist ze, nicht, mijn zorgend (oog. Ze is in zoo'n tijd niet mak of muizig; Och, houd haar nest goed warm (en droog! Ik zou haar lang niet willen missen, Maar toch, 'tis Jastig ieder jaar. Het geeft mijn man maar ergernissen. En 't geeft aan mij een groot beswaar. Wanneer je haar dus weg ziet krui- (pen. Dan kan je op zes wel reek'nen, (hoor! Laat jan de knecht er drie verzuipen. Voor drie, daar heb ik huizen voor. En nu ga ik het heuzig meenen, Deez briefte sluiten, waarde nicht! Mijn man kijkt naar het schenkblad (henen. En sluit zijn winkelkladboek dicht. Het blijft dus zeker afgesproken, Gij komt bij ons â van daag acht (daag. |
En mocht het met uw reisplan (strooken. Vertoef een trein dan in den Haag, En koop mij daar, als 'k u mag vergen, Wat hopjes en wat peperment. En zoo je ook wat beschuit kon (bergen, â O, lieve meid, dat waar patent. Vraag bahlman eens naar groote (ruiten, En breng me een wichtje naaizij (mee ; Nu, lieve nicht, nu moet ik sluiten, De groete van Uw tante eee. P.S. Och, help mij eens onthouën. Wanneer gij komt van daag acht . (daaggt; Dat ik u iets moet toevertrouwen. En dat ik u meteen iets vraag 1 |
II.
OP REIS.
't Was jagen, sloepen, pakken;
Het huis stond overend I De juffrouw stortte tranen,
Mijnheer was soms absent. Nicht Net was aangekomen
En droeg den sleutelring, En repeteerde 't lesje.
Dat zij voor 't laatst ontving. De meid was als een furie:
Ze draaide links en rechts. En kreeg zoo in 't voorbijgaan
Knipoogjes van de knechts. De meubels gingen dansen,
Het voorhuis stond propvol.
Koen ferldat en zijn Gezelschap.
De kat school in een hoekje,
En dacht; ze zijn hier dol!
Daar kwam het reisgenootje
Zich voegen bij het paar, En alles wel bekeken.
Was 't boeltje kant en klaar. De tocht zou gaan tot Brussel ;
Dit had men wijs bedacht. Men zei: wat heeft het noodig.
Te reizen bij den nacht ? Mijnheer hield in den winkel
Den knecht een lesje voor;
Zijn vrouw streek in de keuken
De meid nog ernsti door. Men wees op 't strafregister
Van 't huislijk personeel. En vorderde van allen
Belofte op hals en keel;
Daar stond de vigilante.
Beladen op den top ; 't Vaarwel'klonk in het ronde,
En toen.... 't: âkoetsier, rij op !' Nicht net stond half verwezen.
Maar, wat zij 't eerst vernam â Het was de zielsverrukking ;
âHé! 't hek is van den dam 1quot; Verklat was door de drukte
Zoo'n weinig overstuur;
Nauw was men aan 't stationshuis,
Daar komt een huis-Merkuur 1 Zijn winkelknecht ad primo,
En, na een kleine poos, Een tweede, en toen een derde.
Bezweet en ademloos.
Goed, dat men 'l thuis bespeurde!
De een bracht zijn overjas, De tweede zijn sigaren.
De derde bracht zijn pas. â âAch !quot; zucht zijn vrouw, âme lieve.
Wanneer het zoo moet gaan, Dan brengt die reis naar Frankrijk
Ons weinig voorspoed aan; Ik heb, wat daar nog bijkomt.
Van nacht een droom gehad..., Heusch, als het niet zoo mal stond.
m
Koen Verklal en zijn Gezelschap.
Ik keerde nog, verklat!*
Jlaar 't hoofd der karavane
Sprak: .Vrouw, wat praat je toch? Jou drukte maakt me zinloos.
En.... droomen zijn bedrog!' En met een; âkom, niet talmen!'
quot;Voleinde hij den zin.
En duwde beide dames
Met drift den wagen in ;
Daar toeterde de toeter.
En 't was of 't kloek besluit: âVan Amsterdam naar Brussel!quot;
Hun toeklonk uit de fluit. Van Brussel verder op.
125
|
â âJa, Brussel is een schoone stad. Als 'k tijd en geld genoeg bezat. Dan bleef ik hier nog graag een beetje; En hoe denkt gij er over, keetje ? En gij, marie, wat zegt ge er van?' Zoo keuvelde mijnheer verklat, Die, opgetogen met zijn span. Zijne energie herkregen had. Marie, zoo ietwat schalks van aard. Vroeg heel naief en dood bedaard: âMijnheer, hebt u al plaats genomen ? We hebben slechts een half uur (tijd......' â âPronk!!* viel de juffrouw in (vol spijt, âTt Zie PRONK; laat hem bij ons niet (komen!quot; â âEen aardig mensch toch!quot; (sprak marie. Met half verholen sympathie. â âWat!quot; sprak mijnheer, een wei- (nig stroever, âEen kwast, marie,een groote snoever, 'k Zal hem ontloopen waar ik kan!' â âDat zullen we, op mijn briefje, (man!quot; Viel bits en kort zijne eega in; âNeemplaatsen,zoek zenaarjezin, En zorg dat hij ons niet verkloekt En met ons d' eigen wagen zoekt; |
't Zou mij 't genot der reis vergallen.' Een zucht was 't antwoord van (marie. â âOch,* dacht ze, âzal 't mij wel (bevallen Met zulke knorrepotten ? 'k Zie, Ben'k in Parijs, mijn weg te vinden, Door mij te spoeden naar mijn (vrinden.quot; â De coup gelukt; men hield zich trouw Verscholen in het wachtgebouw, Maar hield den stadgenoot in 't (oog, Die straks in een der wagens toog. Waarna, met nauw verwonnen (schrik. Mijnheer op 't gunstig oogenblik, Ver van 't gezelschap dat hij schuwde. Zijn dames op den spoortrein duwde. Men zat. â Mijnheer wierp wel (te moê Zijn hartsvriendin een knikje toe. Twaalf! riep van ver de Sint Gudule, Twaalf! repliceert de spoorpendule, En op een oogwenk vliegt met een De monstertrein naar Frankrijk (heen. 'fWasDuitschen Engelsch,Fransch (en Vlaamsch, Een rapsodie zoo telle quelle, |
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
120
|
Hier wat bourgeois, daar wat (voornaams; Een teekenachtig pêle méle : Een Pool met haviksneus en snor; Een Zwitser, die als gouden lor, Zijn chain' de montre liet pareeren; Twee Fransche vogels â bont van (veeren, Tuk op het aas des negociants; De hedendaagsche Juifs errants; Een Britsche beer met zijn beerin, Van't echte ras, wiens vrijheidszin Bepaalt: âde wereld teelt slechts apen. Om ons is 't gansch heelal gescha-(pen 1' Een Hollandsch heertje, schraal (en jong â Een huisvink, die zijn kooi ontvliegt, Die Fransch parleert met dikke tong. Zijn land zich schaamt en dapper (liegt; Ziedaar 't gezelschap van de drie, In 't Fransch Dorado zich verheugend, Geschetst na ar 't oordeel van mar tK. Ja, 't reisgenootje is wel ondeugend. Want toen 't gezelschap in het rond, Voor haren blik, die zich geweerd had. Een streng revue gerepasseerd had, En haar vernuft geen stofmeer vond Bij al die vreemde tochtgenooten, Hield zij zich nauwer aangesloten Aan 't echtpaar, dat geen woord (verstond Van 't mengsel der verscheiden talen, Dat schuw den blik in 't rond deed (dwalen â En zat, als had het pees noch spier, Maar somtijds toch een uitval deed. Als wou het zeggen: ieder weet', Wij reizen óók voor ons pleizier! â ,Juffrouw, vindt u hier 't land (niet schoon ?quot; Vroeg 'traeisjeop fluisterendentoon. â âDat denk ik!quot; zei mijnheer (verklat, |
Die heel cordaat het woord eens vat, Of wij er spoedig wezen zullen ?.... â âLet op, dat geeft van middag (smullen,quot; Viel mijmerend zijn eega in, âDat geefl van daag een goed begin!* â âWat blief je?* riep verklat, (âwat blief! Heb jij 't diner besteld, mijn lief?' â âNeen, Tc wou Nicht net geen (wetten lezen! Maar 'k denk, het zal thuis vetpot (wezen Iquot; â âMelievejuffrouwI'lachtMARiE, âLaat hier nu toch de huiszorg va- (ren! â Mijnheer, waar borgt gij uw sigaren?* â Dus ging zij snappend voort. âIk zie De Fransche grenzen zijn in 't zicht, En, als ik wel ben onderricht, Zijn dertig stuks gepermitteerd; Pas op dus, dat gij niet fraudeert, Wilt gij u niet door Fransche wetten Met schade en schand te recht doen (zetten!quot; Verklat verbleekte: âwel marie. Je doet me daar van schrik verstijven! Ik dacht thuis niet op die régie] Drie honderd zijn er in 't valies.... Waar zal 'k met die sigaren blijven?.,.. En 'k hoor, ze tellen zoo precies!' â âVerdeel ze,quot; gaf Marie tot raad, âDe jutTrouw moest er wat versteken!quot; Dat middel vond mijnheer niet kwaad. En zonder vragen, zonder spreken. Maar met een lieven teedren blik, Wist hij een goeden greep te pakken, En bood dien aan zijn beter ik. Om weg te mofflen in beur zakken; En de Eva nam met diepen zucht â In tegenstelling evenwel Van 't hier genoemd antiek model â Van d'Adam de verboden vrucht |
zijn Gezelschap.
Koen fcrklal en
m
|
Maar.... hier ook werd de spreuk bekroond. Dat veelal 't kwaad zijn meester loont; Want toen men kwam te Valenciennes, En tot appèl der mise en scènes, De piepende douanenfluit 't Bevel gaf: pak je boêl maar uit! En toen de roodgekraagde hoeren Hun blikken lieten circuleeren Op al de vreemden, die gedwee Voor 't qu'est-c' qu'on a a dédarer Den inhoud van valies en tasch Bloot gaven aan die argusoogen, Die over goedren, naam en pas Met onvermoeide vlugheid vlogen, â Toen door instinct of hondenlucht. De examinators, zoo geducht. Geroken hadden wie er bij was Van wien 't geweten niet heel vrij was, Toen liep ze er in die goede vrouw. Die, om heur man voor schrik tc (sparen, Ueur zak, gevuld met puiksigaren, 'tDouanenoog verschalken wou; Ook hem, wiens pas zijn rooklust (spelde, Den âhandlaar in tabak* vermeldde. Ook hem, deed men beleefd verstaan: Hij zou zich van 't gezelschap (scheiden; En man en vrouw â ze moesten (beiden De Fransche inspectie ondergaan. 'tGing zeer poliet en zeer decent: Men wees aan elk 't appartement, Waarin hen oog en hand verrasten. Om na te zien en rond te tasten, Van top tot teen, van deel tot deel, (Men weet, wie 't apokrief mocht (wanen. Daar zijn voor 't vrou wlijk personeel In Frankrijk vrouwlijke douanen) Zóó, afgezonderd van elkaar. |
Verliep een wijle, bang en naar, Voor hém, die nauw een vloek (weerhield. Voor haar, met schaamte en spijt (bezield, En alles, of 't juweelen waren, Slechts om een handjevol sigaren! Verklat betaalde boete en recht; En na die straf hem opgelegd, Vloog hij met drift naar vrouw- (lief heen. Die uitbarstte in verkropt ge ween: , Verklat,i' dus sprak ze stroef en stug, â'k Wil dadelijk naar huis terug, 't Is hier een apenland, een hel! Wat denken die Fransozen wel? Ik ben betast van top tot teen; Ik vind het laag, brutaal,gemeen! Dat komt nou van dat rooken, man. Het heeft mij al wat leeds gelirou-(wen! 't Is voor geen schepsel uit te hoüen, Die geen tabak verdragen kan! Is 't niet genoeg, dat huis en kleed Uw vuilen damp verduren moeten? Moet ik nu bij de Franschen boeten. Wijl ge u niet te bedwingen weet? â âWat, â vuilen damp! Versla (ik wel? 'k Hook niets dan lijne rencurel. Ten minste in uw nabijheid, kee 1 Uw boosheid--'k heb er vrede (mee, Ik kan ine die met recht verklaren, Maar schimp toch niet op mijn sigaren, En breng mijn luim niet uit fatsoen! Bedenk waar wij die reis om doen, En hoe mijn handel in Parijs Geschat zal worden op zijn prijs, En hoe...quot; â âZwijg met dat laf (gebluf, 'k Word van dat oud gezanik suf, Zie liever hoe we aan eten komen En waar maiuiï gebleven is! |
zlfn Gezelschap.
128
Koen Verklat en
|
Men maakt zich klaar om voort te (stoomen. De pauze is straks voorbij, naar ('k gis.quot; â âStel u gerust, me lieve mensch. Te twee uur raakt de trein Amiens; Daar kunnen we onzen honger stillen. Er is daar óók gelegenheid Voor hen, die wat gebruiken willen. Wees dus tevreden, beste meid I Stap maar weer in, en stel je voor, We zijn den rijstenbrij-berg door. 'k Beloof je, waar we ooit henen tij gen. Daar zalmij geendouaanmeer krijgen, 'k Betaal vooraf liefst dubbel recht, Eer mij weer straf wordt opgelegd! Hier henen kee, daar zit marie ...quot; â âEn pronk, als 'k wel uit de (oogen zie. Zit, al zen leven aan heur zij!quot; â âOch hemel, dat er ook nog bij!quot; Daar volgde een aarzling, wat te (doen ? Verklat dacht 't best, om uit (fatsoen Zich maar in 't gek geval te schikken. De antipathie in 't oog te blikken. En met een meesterlijken coup. Als waar hij staatsman van beroep. Nam hij een plooi aan om zijn mond. Of hij het recht pleizierig vond. Een stadgenoot hier aan te treilen; En met den roep: âhoe vaart (meneer? U mocht ons van de taak ontheffen Hier bij de juffrouw..streek hij (neer. â âMooi weer van daag 1 â âO (heerlijk lief! Hoe vaart mevrouw?quot; â âZeg asje (blief Juffrouw,quot; sprak zij, die, 't moet ge-De politieke snaar der mannen (zegd. Niet zoo maar daadlijk op kon span-(nen. |
Pronk boog en trok zijn halsboord (recht. Het reisgezelschap hoorde 't sein. Daar vloog op nieuw de monster-(trein Langs schaamle dorpen, schrale (gronden, Het hotsen sloot van zelf de monden; Alleen marie nam 't woord te baat, Om de arme juffrouw te beklagen. Haar honderdmaal excuus te vragen Voor 'tleed, gebrouwen door heur (raad; Maar toch, men kan er niet op aan. Of door dien troost haar wrevel koelde; Want, was de schok al doorgestaan, 't Was napijn, die ze thans gevoelde: Haar kleeding uit den plooi gehaald. Haar eet- en drinklust niet voldaan, 's Mans lust met scha en schand (betaald. En pronk, die niet meer was te (ontgaan! Het was geen tocht vol harmonie, 't Gaf praatjes, â maar geen zucht (tot praten. Zij '.achten, â maar als automaten, 't Was courtoisie, geen sympathie. De twee uur reizens kwamen om; âAmiens!quot; Men heette 't wellekom! Men nam in haast een goed besluit: Het echtpaar steeg den wagen uit. Men zou de maag eens gaan verrassen; Marie, die aan dat week orgaan Te Valenciennes had voldaan, Zou op de plaatsen blijven passen En pronk zou passen op marie. Hij riep zijn stadgenooten na: âOnthoudt uw wagennommerlquot; â (âJa,quot; Hernam verklat, â t is nommer (drie!quot; En 't zuchtend ach! en't klagend wee! Aan 't hart van 't echtlijk paar ont-(vloden. |
zijn Gezelschap.
12'.)
Koen Verklal en
|
Bestierven in het dejeuner, Dat op hun vraag werd aangeboden. Men sprak niet veel, men at en (dronk, Men keek elkaar eens nuchter aan. Men hoopte maar op neef stephaan. En schimpte binnensmonds op (pronk. Maar voor veel praten was geen tijd; Men dronk met lust en at om strijd. Was voor de drukte blind en doof, Waarmee men door de gare stoof; Totdat op eens een wichtig woord. Het.' reprenez vos plaf', messieurs1. Hen in hun zalig tempo stoort, Om zich te dringen in de queu', Die de opening naar buiten zocht. Naar buiten, waar men zich verspreidde. Dewijl, voor onderscheiden tocht. Een drietal treinen d' aftocht beidde. Verklat, wien nog een brok ragout Half in de keel was blijven stokken. Stoof, zijn beminde voortgetrokken, Aemechtig op zijn nommer toe; Want, om abuizen voor te komen. Bleef hem de stoompijp tot een sein. Wat richting hij had op te stoomen. Nauw zat men, â of daar ging (de trein! Maar de eerste vraag van man en (vrouw Was, âwaar marie toch was gebleven? Eu werwaarts pronk zich had be-(geven ? Waar de and re reistroep zitten (zou tquot; Want, toen 'tgezelschap was bekeken. Was 'taan het echtpaar ras gebleken. Dat onder 't personeel in 't rond Men geen bekend gelaat meer vond. En toch â de volle waarheid is 't, In 't nommer had hij niet gemist: De trein wees juist de richting aan. quot;Waarin men straks was blijven steken. |
En de and're treinen â 't wasge-(bleken. Had m' andre wegen op zien gaan. Maar wie Parijs bezocht, hij vat Hoe hier de schijn bedrogen had. En hij vermoedt door ondervinding, Hoe't paar,onkundig van 't terrein, En door een zeekre schijnverblinding Verdwaald isop een vreemden trein; Hij weet, dat wie naar 't Zuiden (toert, Van Brussel naar Amiens komt (stoomen. Een eindweegs wordt teruggevoerd Om op 't Parijzer spoor te komen. H ij weet het, maar z ij wisten 't (niet Wier schuchtre blik hun angst (verried. Maar die weldra de ontdekking deden. Dat ze op het spoor naar Rijssel reden. Het lust mij niet, een lang verslag ïe geven van hun weegeklag; Ik klap niet wat er werd bedisseld. Wat stil verwijt er werd gewisseld. In 't kort, wat malsche dialoog Bij 't echtpaar vice versa vloog. Verki.at stapte af in Abbeville, En 't was of't helsche stoomgefluit Hem toeriep: kijk maar al recht (uit â Mijn weg voert naar Calais ofLille. Daar stond men in de vreemde stad. Die weinig schoons of boeiends had; Maar â was 't een Eden zelfs (geweest. Bij slecht humeur en matten geest, Ziet m' alles door een doffen bril. En staan gevoel en kunstsmaak stil. Daar was voor hen niets beters te (achten. Dan op het laatst konvooi te wachten, En, was 't een proefstuk voor 't (geduld, |
9
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
130
|
Men kon, mits vrij van ongelukken, 's Nachts den gewenschten grond (nog drukken. En werklijk werd die hoop vervuld; Want, was 't ook tegen hooger prijs. En had m' een linkschen draai ge-(noraen, liet paarbereiktejHiat van 't stoomen, Te middernacht de stad Parijs. III, P A R IJ S. O, koningin der steden! Wier toekomst en velleden Op glorie wijst en kracht; Tresoor der groote natie. Wier eeuwige ostentatie Zich voedt met keizerspracht 1 O, Babel onzer dagen, Geschandvlekt door de plagen Van uw brooddronken teelt; fiat door uw duizend zonden Uw aanzijn hebt geschonden, Uw heilstaat hebt verspeeld 1 O, bakermat der kunsten. Bedauwd door 's hemels gunsten, Gespierd door energie; |
Wier reeks van monumenten De volken in moet prenten : Hebt eerbied voor 't genie! O, dienares der weelde. Die met het heiligst speelde. Met suM'erstralen glanst; Die dwaas als uw maccaires. Langs holen en mystères. Door 't leven holt of danst I Reuzin, het hoofd ompereld, Aan wie een gansche 'wereld Haar schatten heeft verspild; Die luid uw wetten dondert. En Noord en Zuiden plondert. En 't opdringt wat ge wilt! Draak, die vereeuwde rechten Met éénen slag kon slechten En Koningen verwon; Maar die uw trots moest boeten, U neerlei aan de voeten Van uw napoleon! O, sterre of blikseinsthichte! Wat goeds of kwaads ge stichtte', Wat hoon ge gaarde' of prijs â Toch legt ge door uw luister De wereld aan uw kluister: Cameleon â Parijs! |
Zoo plaatst de dichter naar Parijs
Zijn camera obscura.
Maar 't oordeel kon licht anders zijn.
Zag hij het in natura. â Althans, zoo sprak marie de groot,
Die hier een week passeerde, En zich in 't Babelsch drakenbol
Bij uitstek diverteerde. Wel had ze op reis bewezen, dat
Zij erg geconfondeerd was: Toen ze inzag dat haar mentorspan
Voor aoed aeéclipseerd was;
Koen Fcrklal cn zijn Gezelschap.
Zoo, van haar reisgezelschap af,
Was ijslijk onpleizierig.
Maar PRONK bleek haar een rcrnplacant,
En... pronk was ruim zoo tierig. Ze keuvelden heel liefjes saam
Van koetjes en van kalfjes.
En of men veel om de oudjes riep,
Dat meen ik maar zoo halfjes; Want vroolijk kwam men in Parijs,
En pronk schonk zijn geleide Naar 't vriendenhuis, waar m' aan harie
Een vriendenplaats bereidde; En 't juffertje mocht telken dag
Tal vau excursies maken,
En liep zich moe en keek zich blind
Op honderd vreemde zaken. Men zag het Nijverheidspaleis,
De Louvre en het theater,
Bezocht Neuilly met zijn kapel,
Versailles met zijn water,
't Palais Royal en 't Luxembourg
En de Elyseesche velden, Het Pantheon en 't Champ de Mars â
Te veel om 't al te melden.
Ze liep en danste, en stoomde en reed
Op onderscheiden wegen; En PRONK, wel wonder voor Parijs I
pronk kwam haar daaglijks tegen, 't Bleek haar, dat hij een jonkman was
Met nobele manieren,
Die, wat meneer verklat ook zei.
Zijn stand niet zou ontsieren.
Zijn hulp en toespraak kwam van p is Bij velerhande zaken;
Wanneer men naar een rijtuig zocht.
Of uren qucu' moest maken. Hij was een nuttig cavalier,
Die 't ongeduld verzachtte.
Als m' op een blik der keizerin.
Maar vruchtloos â uren wachtte; Of, als m' om Englands zon te zien.
En hitte en dorst braveerde, En goud schonk voor een plek, waar langs
A'ictoria passeerde,
En nog met smart te wachten stond
131
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
Bij 't vallend avondduister. En eindlijk koets en paarden zag.
Maar... niets van vorstenluister; Of, als m' in 't Nijverheidspaleis
Vol hoop stond uit te kijken; Maar op den roep: âde keizer komt!quot;
Een mijl terug moest wijken; Of, als men op het Champ de Mars
Reikhalzend stond te toeven. En eindlijk retireeren kon
Voor tal van paardenhoeven; Terwijl men, door de ervaring wijs,
De vorsten maar âliet schieten,quot; En eindlijk zijn vertroosting zocht
In 't meer reëel genieten.
Zoo zag men veel, genoot nog meer
Bij 't vreemde der tafreelen,
Wijl zich verrassing of vermaak
Der vriendschap mee mocht deelen; Zoo vond de opmerkzaamheid van pronk
Een luisterend de grootje: Hij gaf zijn paperasses graag
Aan 't vriendlijk landgenootje. Dat, ingenomen door 't bezit
Van 't geen hij journaleerde, Den vriend een dichterkransje wond.
Schoon hj slechts diletteerde; En daar ze in 't adversaria
Heur schat niet wou begraven. Maar vriendschap en meedeelzaamheid
Dien schat ten beste gaven,
Zoo is 't geen zonde voor een keer.
Die Pronkiaansche kwikken, Als lovertjes en passement
Op onzen rok te stikken.
132
|
Hel Palais Royal. Een trotsche telg van richelied. Bestemd voor groote dingen. Maar die gedeeld heeft in het lot Van 's werelds wisselingen; Die vorstenkronen heeft bewaard En koningsdegens wette. Die Lodewijken heeft getorscht En 't lijk van henriette ; |
Die met den naam Eyalilé Zich naar den tijd herdoopte. Toen de achttiende-eeuwsche repu-(bliek Meer titelbordjes sloopte: Toen daar camille desmoduns De leus van d'opstand plukte. En met den looftak van 't paleis Bastilles openrukte. |
Koen Verhlat en zijn Gezelschap.
133
|
Maar moest het sedert Tribunal Of National zich schrijven'? Zijn oude naam kwam steeds terug: Palais Royal zou 't blijven. Doch blééf zijn naam, zijn luister week, Toen 't zwerk een storm verkondde Bij 't laatste bal van Orleans En 't vuurtje der Rotonde. En, heeft een keizerlijke prins Zijn lot weer aangetrokken, *) t Paleis kan met getaanden glans Geen diadeem meer lokken. Zijn goud werd zwart, zijn purper vaal, Zijn poëzie ging onder, Parijs haalt zelf den schouder op Voor 't afgeleefde wonder. Zijntuingeefthij den vreemdlingprijs; Hij ziet de Provincialen, Meelijdend met hun dom genot. Langs zijn arcades dwalen. Maarâroemthet hedendaagsch Parijs Op geuriger oases â Toch ijlijft het werk van lemercier Belangrijk in zijn phases. Treed van de rue St. Eonoré 't Langwerpig vierkant binnen. En houdt ge van eenvormigheid, Het plan streelt licht uw zinnen; 't Geheel is kostbaar in détails. Maar 't heeft iets hofjesachtig. De lanen missen 't lommerdak, 't Geboomte is kinderachtig ; Een tal van winkels in het rond Vleit u de beurs te ledigen; Is uw behoefte of kooplust groot. Ge kunt ze hier bevredigen. Twee kampen vormen 't middelvak, Een springfontein er tusschen; Ge treft er duizend kindren aan. En honderdduizend musschen. De kindren zijn er los en vrij. Als alle Fransche kindertjes; |
De musschen zijn brutaal en stout, Als vele Fransche vlindertjes. Ziet gij 'tkanon-horloge ginds?___ Als Phebus eens galant was. Dan meldt het straks het middaguur Door middel van een brandglas. Dan jaagt het zwermen musschen op, Om dra weer neer te dalen, Dan zet een elk zijn uurwerk juist Naar 't schot der zonnestralen. 't Is nog te vroeg voor 't groot publiek, Dat hier komt circuleeren. De bonnes hebben 't rijk nog in Om hier te paradeeren; Wat zijn ze lief voor heur poupées, Hoe vriendelijk en waakzaam! Maar voor een zouave of grenadier Zijn zij nog eens zoo spraakzaam; Klonk 'tprenez garde links en rechts. Straks naar heur kleine springers, In 't bijzijn van een wapenrok Zien ze ietwat door de vingers. De steenen banken, die 't puljliek Een vrije rustplaats bieden. Zijn reeds bezet door mijmeraars Of lezende invalieden. Maar zoekt ge rust, betaal twee sous, En kies u een der stoelen. Ge kunt op een beschauwde plek Genietend u verkoelen; Wat eau de Selz en wat lectuur â Ze kosten kleinigheden. En stel u met de politiek Of lichter kost tevreden. Maar zie, daar komen meer flaneurs 't Palais Royal bezoeken. Daar naadren fijnere chapeaux En fraaier omslagdoeken. Flaneer r.u mee de arcades rond. Beschouw de winkelweelde, Ze biedt u keur en overvloed |
') lu die dagen opnieuw 't verblijf run Prins Namp;ooleon Buonaparte.
zijn Gezelschap.
134
Koen Verklal en
|
Van wat de wereld teelde. Met Franschen smaak ten toon gesteld, Wordt elke waar gewenschter. Maar 't is hier bovenal de leer: Het beste brood voor 't venster. Wel zijn 't geen koopers al te maal, Wier blikken zich vergasten, Maar menig vrcemdje, dat er toeft, Moet diep in 't beursje tasten. Hem kan 't gekochte souvenir Tot ondervinding strekken, Dat hier de koopman voor zijn smaak Geleerd heeft zich te âdekken.quot; Zie.'t is een mengling, vreemd en bont, Van toon en tong en natie. Een rapsodie van kleur en geur, Van grilligheid en gratie; Men lacht en neuriet, schertst en praat En rookt zijn cigarettes; Curés en dandys en gamins, Nourrices en grisettes; Maar vreemdelingen bovenal En tal van Provincialen â Ze komen in 't Palais Royal Een weinig ademhalen. En als de maag hier b e n i k! roept, Ge hoeft niet ver te loopen; Hier restaurants, daar restaurants. Hun deuren staan reeds open; Very ? â Nu ja, maar twintig francs Is velen wel wat machtig. Ga naar richard of tavernier. Al is 't er minder prachtig; Daar hebt ge ook spiegelglas in 't rond En Vélégance a table, Gargons met keurig lijnwaad aan. Menus h l'incroyahle. En mort uw maag ook; Franschewind! En roept ge ook holle klanken 1 Eet brood en soep en pas uw geld â Een paar onnoozle franken. En nu, de zon daalt naar het West, 't Gerucht lokt ons weer buiten; |
't Stroomt al naar 't militair muziek, Dat hier den dag komt sluiten; Men lacht en schertst of huurt een (stoel. Of gaat wat ommedwalen, Of loopt in militairen pas. Naar 't metrum der cimbalen, 't Finale klinkt, de gasvlam roept Een nieuwen dag in 't ronde; Nu nog de winkels eens bezien. En dan â a la Botonde 1 Ziet gij daar ginds dat paviljoen Rondvormig uitwaarts springen? Het is 't café, het rendez-vous Voor tal van vreemdelingen; 't Spreidt met zijn bloem- en struik-(gewas Een geur en dauw in 't ronde, Die u verlokken tot genot â 't Café de la Rotonde. Het luchtig cirkel noodt tot rust. Uw smaak geev' zelf beslissing. Gij vindt er ongedwongenheid, Journalen en verfrissching; Ge kunt uw petit verre hier Met teugjes savoureeren, En laat de vliegende garfons Voorbij u heen croiseeren. âLa demie tasseV' roept ge fier, Die vraag hoort ge allerwegen; Bouml repliceert de schenker, en De mokka geurt u tegen. Boum / klinkt het hier, houm / roept (men daar. Du Selz / Courrier de France! Le London News / le Hendelsblèt / Du crêm / Vindépendance/ Men ziet hier heel Europa saam, Behalve de arme Russen: ^ Men hoort hier Duitsch, en Engelsch-(Fransch, En 't eeuwig bouml er tusschen. |
*) Men denkc: 't waa oorlog met Rusland.
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
|
Verwondring hier, ontmoeting daar, Critiek, gezang, geschater; Een halve kennis wordt hier vriend, De concurrent confrater. Hier zitten duizend zielen saam, Maar zielen zonder zorgen: Wie bij het heden hier geniet, Bekreunt zich niet om 't morgen. En is de tijd u niet ontsnapt. Bij zot of zat gesnater. Dan wippen wij aan gindsche zij Nog even in 't theater. Waar een ravel of levassor De menigte amuseeren En daar de nieuwtjes van den dag Heel geestig parodieeren; Maar hoor, ze zijn reeds aan het slot, De menigt stroomt naar buiten; Dr lichten worden uitgedraaid, De winkeliers gaan sluiten. Straks als het elf geslagen is, Is 't aftochtssein gegeven: Men schuift de grendels op 't paleis En duldt er 's nachts geen leven: Men rust zich uit, om 's andren daags Den kring weer rond te loopen, En doet den speculatiegeest Op nieuwe winsten hopezi. Zoo staat het daar, 't Palais Royal â Zijn vroegre kracht gebroken. Door jonger rnededingrental Sinds naar de kroon gestoken, 't Hoorde eens het achttiende- (eeuwsch Parijs Zijn Marseillaises zingen. Thans troost het zich bij 't kinderspel En 't goud van vreemdelingen. Ja, Richelieu, uw werk brokt af In 't overleefde wonder: De tijd slijpt eiken hoeksteen rond, En iedre zon gaat onder. De Boulevards. Wondre reeks van prachtgebouwen, Die den vreemdeling verstomt;! |
Trotsche slang met duizend kleuren, Die om Seine's boord zich kromt; Breed Macadamplein, dat voortloopt Als een uren-lange straat. Boeiend door verscheidenheden; Weeldrig tot in overdaad ; Galerij der groote hoofdstad. Waar heur zoon zich meester (voelt; Wereld vol aantreklijkheden. Waar een wereld in krioelt; Snoer van uitgezochte kralen. Zonderling aaneengehaakt; Praaloord, dat cafés tot tempels. Kerken tot théaters maakt; Lustplaats, waar de Madelaine Zich in rozengeur vermeit. Onder wier coquette gevels 't Bloemenmeisje lokt en vleit; Panorama â bont en kleurrijk; Forum der Parijzenaars; Frankrijks roem en Frankrijks luister: Weelderige Boulevards 1 Wijk, op wier asphalten zoomen Steeds een menigt' zwoegt en (zweeft; Draaikolk voor den roekelooze, Die 't trottoir verlaten heeft; Wieling, woeling door elkander; Rustloosheid en overmoed ; Koopzucht, winzucht en behaagzucht; Soberheid bij overvloed; Oude en nieuwe nieuwigheden ; Vreemde vonden zonder tal; Speculatiegeest en dwaasheid; Eigen voordeel bovenal; Kunstsmaak, schoonheidszin, bescha-Fijn vernuft en énergie; (ving; IJdelheid der ijdelheden, Flikkerglansen vol genie. Wederzijdsche reeks paleizen. Zeven, acht étages hoog; Magazijnen en fabrieken Luide sprekend voor het oog: |
Koen Cerklat en ïïfn Gezelschap.
136
|
Boulevard de Madclainc, Boulevard des Italiens, Boulevard des Capucines, Poissonnière, Saint Martin. Industrie, die heel Europa Aantrekt door uw fabrikaat; Namen, die de wereld rondvoert, Als Jouvin, Pivet, Privat; Winkelrijkdom, wier vertooning Duizenden begeerten wekt; Handel vol intelligences, Wier vernuftig lokaas trekt; Uitgezochte zilvermassa's Van rüdolphi en zijn soort; Goud, tot bergen opgestapeld. Ongekend en ongehoord; Magazijnen van horloges; Uithangborden der regie; Cachemirs en zij profusie Der Lyonsche compagnie. Reeks van allerlei theaters; Rij van Oostersche bazars; Bains Chinois, Maison dorée; Reuzenletters â leugenaars 1 Jockey-club, Maison Frascati- Cafés, cafés overal: Garen hier en daar tortoni. Ginds het Ca/é Cardinal. Puik van chocolaad-fabrieken; Restaurants, hotels garnis ; Le Gymnase en la Galette; Saint Martin en Saint Denys. Kunstweb van de stad der steden. Waar elk land zij ne oifers brengt; Brandpunt, dat zijn helle stralen Naar elk werelddeel verlengt; Eens de stille buitenketen Van de aloude koningsstad â Thans de hartaar, die den wijngrond Van de Notre Dame omvat; Thans de kern, de ziel, het leven Van het levendig Parijs, Die met de Elyseesche velden Kampen kan om d' eereprijs: | |
Boulevard de Madelaine, Boulevard des Italiens, Boulevard des Capucines, Poissonnière, Saint Martin. Mengeling van stand en kleeding, Overeenkomst â onderscheid: üuvriers en fashionables; Wissling en verscheidenheid; Zij, barège en uniformen. Blouse voile en paletot; Courlisan, artist', loretle. Naast den marchand de coco; Files van ontelbre rijders. Hollend, jagend door elkaar, Zwaar geladen wagentreinen Met hun hengsten groot en zwaar Cabs, voitures de remise, Vi'jelantes zonder tal. Druk transport naar alle wijken: Drijven, draven overal; Omnibussen vol geladen. En départ en en retour; Omnibussen zelfs bij schoolgang: Voor externes vrij vervoer. Balayeurs, sergents de ville; Straatgerucht en politie; Venterij van de avondbladen. Van la Presse eu la Patrie; Monster-advertentieborden Met annonces breed en zwaar Inviteurs tot dans- en speellust; Seize' dixhuit, vingt billards! Eau de Selz, eau de grossille. Eau de soda, â frisch en koel Uitgeholde houtkolommen Voor een niet te noemen doel. Confiseurs, glace a la crème. Au vanille et naturel; Hier diné a la terrasse Daar diné universel; Stroom in rustlooze beweging â Opwaarts en benedenwaarts, Madelaine â Saint Antoine; Reeks van rijke Boulevards! |
zijn Gezelschap.
Koen Verklat en
137
|
Trotsch serpent, wiens reuzenwron- (gen Dartel slaat om groot en klein, 't Hoofd naar de Elyseesche velden En de staart in 'tJullplein: Wien uw aanblik heeft betooverd, Wien uw weelde heeft verbaasd. Zag een wereld in zijn grootheid En een wereld op zijn dwaast. M a b i 1 e. Te midden der prachtige dreven: De wijkplaats van weelde en (genot, Waar feeën der ijdelheid zweven. Den druk van de tijden ten spot: In 't hart van de Champs Elysées, Daar vindt ge die hoven der (vreugd; Voor velen folies fleurées. Voor enklen het graf van de (deugd. Wij willen den blik er aan wagen; quot;Wie lust heeft â hij ga met ons (meê; Hij past, om niet lang te vertragen, Bij voorraad zijn francs voor (entree; Mobile! wie hoorde 'tniet noemen! Van 't Chateau des/Zeurs de rival, Een lusthof van heesters en bloemen, Befaamd door zijn landelijk bal. Een laan voert ons noodend naar binnen; Een lichtzee omglanst onzen voet; Wij worden, betooverd van zinnen. Door tonen der vreugde begroet, 't Is avond, maar duizend balonnen Verheldren het bont paviljoen, Kn scbommlen als dansende zonnen Door 't smeltende.blauwende groen, De weeldrigste bloemen bekronen Een aanleg vol zomersche pracht, En geuren en kleuren en tonen â |
Ze toovren een Oosterschen nacht. De stemmen van luiten en snaren. Ze voeren den vreugdzin ten top. En wekken de lustige paren Tot polka, quadrille, galop, 't Is alles betoovring der zinnen : Begeerte, genot, jaloezie; Geen oor voor de stemme van binnen, Voor vormen alleen sympathie. De wuftheid in breidel gehouden Door 't zien des gesteekhoeden mans. Wiens blikken uw toeleg mistrouwden. Uit vrees voor verboden cancans. Maar wat de politie belette, Is niet wat het kwetsbaarste schaadt â Vraag ginds die loretle of griselte, Hoe zij de geboden verstaat. Bevallig, soms zedig van wezen, Zit hier de behaagzucht ten troon. Die, kan ze de zwakheid belezen. De goudbeurs beschouwt als haar loon. Maar 't lust ons niet dieper te blikken In 't leven der reines du hal; We ontgaan slechts behoedzaamheur strikken En loopen niet wuft in den val. We zien in de kronklende paden quot;Weer andre verloksels gesteld: 't Hazardspel in trappen en graden. De ziel van dat alles â het geld. Biljartspel en worpspel, komedies, Een wichelaar, die uit zijn kluis Voorspellingen geeft en remedies. En spreekt aan uw oor door een buis. De dwaasheid in duizend nuances; De vroolijkheid vol in haar kracht; De intrige met lonkende avances ; De sluwheid bereeknend op wacht. Mahile, wie 't bal bij u roemen. Zij struiklen slechts niet in den pas: |
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
138
|
Gij kweekt bij veel lieflijke bloemen Ook addertjes onder het gras. Gij moogt met uw schoonheid wel prijken, I A VON1 Een brief van Mari vriendin Als 'k in den roes der feestbedrijven Van 't over-overdruk Parijs, Mij neerzet om aan u te schrijven. Stel jans, dan 't briefje wel op prijs! 'k Zal al het moois u wel vertellen. Als ik terug ben te Amsterdam; Een woord slechts van mijn reisge-gezellen, Waarvan 'k eerst gistren iels vernam. Pronk heefl hen eindlijk uitgevonden; Wel wonder in zoo'n groote stad ! Mijnheer is lang niet opgewonden. De juffrouw heeft geen pret gehad. Het tweetal zit sinds negen dagen Gehuisvest in de rue Belfond â Daar vonden ze, om te jammerklagen, Appartementen au second, (henen; Deez' dag spoedde ik me er haastig Ik vond mijnheer in chamberloek. De juffrouw zat naast hem te stenen. Gemuilband met een kiespijndoek. Hoor nu 't verhaal dat zij mij deden : Na d' uitstap op verkeerde baan Kwam 't echtpaar, moe en mat (gereden. Bij nacht eerst in de hoofstad aan. Daar gaf 't een zoeken naar de koffers. Vóór hen reeds lang daar aangeland; Daar vroeg het recht op nieuw zijn (oüers, 't Gaf weer een jacht op âcontraband.quot; |
Maar, zoo men het oordeel ons vroeg, We zeiden : men ga u bekijken, Maar 't blijv' bij een kijkje genoeg. UREN. e De Groot aan eene ' n Holland. Verklat, die niet op nieuw wou (loopen In 't valluik van de sluikerij. Sloot willig doos en koffer open En hield al vast zijn beursje bij. Zolfs toonde hij den Franschen heeren Hoe nauw hij van conscientic was: Hij schommelde zijn nieuwe kleeren Met veel bezorgdheid uit zijn tasch. âMaar/'zei men lachend en toegevend, âDat pak hebt ge immers aangehad?quot; â âNooit!quot; riep hij, voor gevolgen (bevend, ,'t Is splinternieuw,' bezwoer (verklat. ,Le brave!quot; werd hem nagegeven, Toen hij de rechten had voldaan, En, van elk onderzoek ontheven. Mocht hij nu vreedzaam binnenbaan. Maar gaan.,. waarheen ? Bij nacht (en regen! Niet één adres kon hulpe biên. En hoe zij tuurden allerwegen. Van 't neefje was geen schijn te zien De vraag: hoe onder dak te komen, Werd angstig in het rond gedaan. Helaas! het antwoord werd vernomen; âDaar was dien nacht geen den-(ken aan!quot; Hólels garnis en logementen â Ze waren allen volgepropt. |
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
13»
|
Besprak men geen appartementen. Dan, ja â dan was men erg gefopt. De jullrou w kon haar spijt niet smoren Haar wrevel sprak door traan bij (traan; Meneej liet zijn verwensching hooren, Ze gold zijn lieven neef stephaan. Maar de armen jongen, kon hij 't (gissen, Dat oom en tante, op weg verdwaald, Den rechten spoortrein moesten (missen ? Waarmee hun aankomst was (bepaald ? De vigilantes vloden henen. De regen plaste neer op straat: Geen hand kwam 't echtpaar hulpe (leenen Geen goede genius bracht raad. Doch ja, één hart schijnt toch bewo-(gen, 't Heeft met hun toestand medelij. Daar treedt een man hen onder de (oogen En wenkt mijnheer verklat op zij. âMonsieur, vousriavezpas d'adresse: On ne peut pas rester ici. Mais voyez done, ilpleut sans cesse I Oü reslez-vous pendant la nuit ? â âJesaispus'', sprak verklat ver- (legen. âJe veux avoir un bon logies. Ma femme est froid, kan pas daar (legen! â âAh, un hotel? â Oui,precies!quot; â â Ma is c'est fatal! 11 faut patience, Demainje puis le procurer. Ecoutez! guand lejour s'avance J'irai de suite le chercher.' Ja .dacht verklat,dat's lief en aardig, Maar voor van nacht kan 't niet (aldus 1 âTiensquot; roept de Franschman heel (hulpvaardig, |
II faut louer eet omnibus! Aleteen toont hij hem zulk een wagen, Die in een hoek verscholen staat; Verklat is als voor 't hoofd geslagen En huivert bij dien vreemden raad. âMadame,quot; klonk het, âUrne semblel Vous y mettez un peu d'humeur / La tendre femme/ ah, oomme elie {tremble / Montez / i'en suis le conducteur. Mais montez done, acceptez V ojfre /' â,Combien payer?quot; â âCombienf pas tant / Pour vous, madame, et tous vos cof-(fres Nepayez que quarantefrancs! â Wat zeg je kerel, ben je razend ? Dat die stephaan nu.. hé,'t is laml Maar veertigfrankenâ't is verbazend' Je reist er voor naai Amsterdam I Je donne vingtlquot;ââ Vingif impossible! Allons, monsieur n'hésitez done 1 Voyez, il fait un temps terrible/quot; ââJe donne trente.quot;ââTrente *al-(lons / ââVerklat! laat mij toch niet ver-(stijven, Sprak de eega, foei, wat tocht is dat! We kunnen in 't station niet blijven 1* ââStap in dan, vrouw!quot; hernam (verklat. ,'tls hier geen land om lang te banken: Jan dome, wat een galgenstropl Tenez monsieur, je dertig franken, Tenez, of 'k smijt ze naar je kop!quot; â âDemain jeviendrai vous conduire Vers un hotel non loin d'ici, Demain comm'j'ai Vhonncur dedire; Bonsoir, monsieur, la bonne nuit! Daar zaten ze in den langen wagen, Door d orst gekweld en koud als steen. Geen schepsel om iets aan te dragen, Maar tastbaar duister om zich heen. âMan,quot; riep de juffrouw, âgaan we (uit rijden! |
Koen Vcrklal en zijn Gezelschap.
140
|
Waar,' vroeg ze, .â worden we opgewacht?quot; â âOch KEE,quot; was 't antwoord, (âdrukke tijden! We slapen in deez' kast van nacht!quot; De ziel had niets van 'I Fransch begrepen. De nacht verborgheur blik voor hem. Maar een paar fijne juffersknepen â Ze zeiden meer dan blik of stem. De lieve stemming der twee harten â Ze raakte wel wat van de wijs; Men had een harden kamp te tarten Bij de eerste nachtwaak in Parijs. Geen wonder datmen sliep noch rustte, Dat men 't benauwd of tochtig had; Dat hem soms 't zweet om de ooren (gudste, En zij van kou te bibbren zat; Dat hij op d' afzet zat te smalen; Dat zij zijn linkschheid hem verweet; Terwijl de glans der idealen. Met neevlen van het heimwee streed. En zoo een dag, na tal van plagen. Met ongeduld werd afgewacht. Het was de morgen, die kwam dagen. Na d' in de kast doorwaakten nacht. Die dag deed hen op uitkomst hopen: Ze kwam, want in de rue Belfond â Daar stond voor hen een woning open: Twee vrije kamers au second! Maar â was nu alle smart geleden ? Ach, dat ik het u melden mocht! Thans naakten andre narigheden. Als 't nawee van den naren tocht. Mijnheer gevoelde iets in de beenen. Dat hem eerst slechts vermoeidheid Maar,huiverig van top tot teenen, (leek, Hem een gevatte koude bleek. De juffrouw kreeg het voor de kiezen En lamenteerde lang en luid. 't Gaf klagen, kermen, hoesten, niezen. En daarbij stak 't humeur niet uit; Want de een verweet om beurt den De schuld van al de tobberij : (ander Is : I |
I Men zocht den troost wel bij elkander, Maar lacie, met de muts op zij I Daar viel aan 't uitgaan niet te denken, Het eenig uitzicht was: het bed. De man zat zich het hoofd te krenken. De vrouw wou huiswaarts, naar (nicht net. De hulp had in 't hotel niet ovei. Riep men die in, men keek heel zuur; Het eten was er schraal en pover, En wat men at was peperduur. Men hoorde wel den feesttoon buiten. Maar binnen was 't ontvolkt en stil: Geen schepsel wou zich op gaan sluiten, En oud en jong was op den tril. 'tWas tergend, als 'trumoer der straten Hun sprak van 't algemeen pleizier, En zij dan, eenig en verlaten. Zich laafden met kamille en vlier. Men was van d' aanblik zelfs verstoken. Hun uitzicht was niet buitengaats; Want, waren ze uit het bed gedoken, Dan tuurden ze op een binnenplaats. En was er met dien sleep van plagen Nog maar een enkle dag gemoeid! Helaas, het duurde tal van dagen. Eer men de kou had uitgebroeid. Men schreef aan neef, maar â nieu-(we grieven! Men wist niet hoe men 't met (hem had: Daar kwam geen antwoord op de (brieven; Het lieve neefje zond zijn kat. Nog werd verklat de hoop benomen, Om Englands koningin te zien. Want als hij weer terbeen zou komen. Was die vorstin al heen misschien! -Maar och, die hoop bleek me ook illusie, Want hoe 'k mijn best deed vroeg (of spa, Door al die drukten en confusie. Zag 'k ook niets van victoria. Maar 'k wist mij schadeloos te stelden â |
itfn Gezelschap.
Koen Verklat en
141
|
Die PRONK, 'k vind hem een aar-(dig mensch, Hij mocht ons naar veel schoons (verzeilen, Ja, hij voorkwam zelfs iedren (wensch. Hij is het paar op 't spoor gekomen, Zoo als ik u daar even zei; 'k Heb toen mijn weg naar hen (genomen, En 't gaf hun troost, zoo als 'k me (vlei. Mijnheer verklat wil morgen uit-(gaan. Nu, 't duurde waarlijk al te lang; De juffrouw kon haar spijt nietuit- (staan. Ze zit nog met een dikken wang. Hij bad mij hen te vergezellen: De man wil in 't Quartier Latin Bij neef de banken eens gaan stellen En zien hoe daar de affaires zijn. Ik kan 't verzoek niet van mij weren, Schoon ik er niet mee ben gediend; Maar 'k wil 't verklat niet refuseeren, 'k Ben met het paar te wel bevriend. Nu, morgen staat me iets fraais te (wachten, Voorwaar, ik loop een schoone kans! Dag meid, 'k omhels u in gedachten â 'k Vertel u d' uitslag nader, jans! Eer. bezoek in 't Quartier Latin. Waar zijn we? Is dat het weelderig (Parijs ? Die sombre huizen grauw en grijs, Meest van een zeer antiek allooi; Die renaissance geveltooi. Die moyen-dge fortuilo, Naast Louis quinze en roccoco; Die bonte menigt door elkaar; Die lucht niet frisch, maar zwoel en Die kolendamp, die u bereidt (zwaar, |
Op d' aanblik der bedrijvigheid'.' Die doolhof die u duizlen doet, Waar 't zonlicht schaars uw blik (ontmoet; Die honderd stegen nauw en klein; 't Is 't centrum van 't Quartier Latin. Geen regelmaat geeft rust aan 't oog. Maar huizen, laag en torenhoog, Ze hangen om en aan elkaar, Heel grillig en heel wonderbaar; Maar 't mierennest, door u aanschouwd, De massa, die hier breekt en bouwt, Het straatrumoer, de neringvlijt. Met titelborden wijd en zijd, 't Zegt alles: dat ge wordt omvat Door 't meest bevolkte deel der stad. De menigt, die hier komt en gaat. Van 'smorgens vroeg tot 's avonds laat; De wereld die hier slooft en slaaft En zijn talenten niet begraaft â 't Spreekt al van arbeid,diehier zwoegt En zich met matig deel vernoegt; Maar wat de ziel geeft aan 't kwartier. Het is de muzenzoon, die fier En sterk door zijn tienduizendtal, Minerva dient en bovenal Zich vrij voelt op 't misdeeld terrein, Ja, trotsch is op 't Quartier Latin; 't Quartier, waar hij Sorbonneu wijst. Colléges en écoles prijst, U toont wat 's stichters hand eens dee; Louis le grand, FRANgois premier! Zijn tempels roemend, trotsch en (hecht â Geneeskunst hier en ginds het recht.â De nauwe straat, die voor ons ligt, L'école da niédécine in 't zicht, Die straat is 't doel van onzen tocht. En zoo ge heelkunst-waapnen zocht, Ge vindt hier keur en overvloed, In tal van winkels voet voor voet. Hier praeparatsn voor het glas, Daar wondren geboetseerd in was; Het doelt hier alles op chemie, |
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
142
|
Anatomie en chirurgie. Dat hooge huis waarvoor wij staan, We zullen 't even binnengaan. Gelijkvloers vindt ge een crênierie, Met heel de buurt in harmonie; Waar de éludiant en de ouvrier Zich laven aan hun déjeuner, Dat uit een smaaklijk brood bestaat, Met koffie of met chocolaad. Wacht, die portière wijst ons aan. Wat trap wij hebben op te gaan, En spoedig staan wij au premier-, Het ruim portaal voert naar de entrée. Waar u 't affiche melding geeft, Dat hier 't bureau zijn zetel heeft Van een of ander klein journaal. Klim op, daar zien we een nieuw (portaal! 't Wordt alles kleiner van fatsoen, De verfkwast kon hier diensten doen. 't Second strekt in verdeeld gewin. Ter woon, aan meer dan een gezin: Aan professeur of employé, Van een der scholen in 't Quartier. Wij stijgen, maar de welstand niet. De weelde die de troisièm' biedt. Ze schuilt in 't hart licht van d' artiest, Die hier in droomen zich verliest; Of van d' auteur die zwoegt en bidt Dat hij ook au premier eens zit: Maar wie slechts oordeelt op de gis, Ziet wat gehalt de troisième is. Montez, roept m' ons van onder toe; De trap wordt wrak en wij wat moe. Was hier een vrouwlijk Hollandsch (hart, 't Riep wraak bij al dat stof en zwart; Geenkleurop'thout, de muur bemorst: Van 't straatslijk draagt de vloer (een korst; Een tal van deuren geeft het sein Van tal van kamers, laag en klein. Au quatrième en we zijn voldaan â We geven de mansarde er aan! H-et krijtschrifl geeft op iedre deur |
's Bewoners naam â hier een graveur, Daar een student, ginds een dentist', Een lithograaf naast een modist', Luidruchte tonen zweven aan En spreken van een Fransch bestaan: 't Geheel geeft wel 't criterium Van foüruier's phalansterium. Entrons\ de deur staat op een kier. Men neemt het toch zoo nauw niet hier. 't Vertrek is als een ei zoo vol. En orde en regel zijn op hol. We slaan d' ontzetten blik in 't rond: Een boekenkraam ligt op den grond. Een manslaars, die op tafel staat. Ziet trotsch neer op haar kameraad. Die, als in onmacht op den grond. Ter schuil dient voor een jongen hond; Eenkousschijntopeenkast verdwaald. De slaapkrib schijnt pas afgehaald, De peluw hangt, de lucht ten buit. Ter helft 't geopend venster uit; De pseudo-schoorsteenmantel draagt Een das, tot afneemdoek verlaagd; Een kaars op een champagneflesch, Een chargebeeld, een bord en mes. Een inktpot en een brieventasch. Met hoopjes van sigarenasch. Een oud klavier is piédestal Voor 't opgezette vooglental. Dat weer een liquorflesch omkranst, Waarin een kleine kleuter danst; De wanden zijn in 't rond bezet Met menig half verscheurd portret, Met d' uitgespannen vledermuis En ander leelijk nachtgespuis; En, tot volmaking van 't geheel. Grijnslachend om het bont tafreel. Staat een geraamte in gindschen hoek. Omhangen met een charnberloek. Een vrouwlijk wezen, jong en net, In haar eenvoudig huistoilet, Loopt vroolijk zingende op en neer En is met ijver in de weer En brengt, voorwaar het mag ook wel 1 |
zijn Gezelschap.
Koen Verklal en
143
|
In )ieol dien chaos wat herstel. Maar, nauw in d' aanvang van hour (taak, Daar hoort zij op de trap gekraak En op de deur een forschen tik: roept ze uit met iel watsclirik: Een heer blijft aan den ingang staan. Twee dames komen na hem aan: Verklat is 't met zijn echtgenoot, ]n bijzijn van marie he groot. âDemeure iet monsieur stephaan?quot; Zoo vangt hij ras met vragen aan. â âComment, monsieur, gui cher- (chez votis f â âStephaan! j'ai cherché lui par- (tout!quot; â âStephaan!.... Stephaan! ne (connais pas!quot; â âDat 's apenkooi!quot; âWat!quot; riep (zijn ga. ââ Vous connais pas9 fa mentez vous.' On tient id moi pour le fou! Je sais stephaan ici demeur'; 11 m'a fait hors de mon humeur; 11 joue bon temps avec ma hours, J'ai payé souvent tous ses ours. 11 m'a cherché pas au station; Ma femme a eu un gros menton, Neuf jours le mal de dents, et moi J'ai pris un formidable froid; Neuf jours j'ai couchc dans mon Ut, Je n'ai pas vu la vilt' Paris!quot; â âMa foil je n'y comprends du (tout... Madam', de grace, asseyez-vous. Dit' donc,que voulez-votis,monsieur?quot; â âStephaan, mon sang, mon cher (neveu / Oii est stephaan? je vousdemande: Je suis son oncle de viande.quot; Marie de groot trad naderbij. âVraagt naar etienne,quot; raadde zij, âStephaan verstaat men niet in 't (Fransch.quot; ââEtienne!quot; riep het vrouwtje thans, |
âEtienne? ah, pa.' C'est mon mari. Pardon monsieur, il est sorti.quot; ââ Vous ét es son..Een rauw geluid Had eensklaps het gesprek gestuit; Juffrouw verklat zeeg op een stoel, Vermeesterd door een vreemd gevoel; Ze wees slechts naar den kamerhoek: Ze erkende neefjes chamberloek. En sidderde als een espenblad Om 't heerschap dat er onder zat. â ,Me neef!' dus riep ze en zeeg (ineen. Heur man liep angstig om haar heen. â âMaak geen stambalie, lieve schat! 'tls niets mijn kind,quot; bezwoer ver- (klat. Het Fransche dametje en marie, Ze haalden bei in harmonie. Het Farinasche plengnat ree En wreven er den hoofdslaap mee. Maar 't Keulsche water had geen (kracht; Doch, wat op eens herstelling brachtâ 't Was een verschijning op dat pas. Die door de deur genaderd was. Een nieuw sujet treedt op de baan; Het is de lieve neef stephaan. Die bij dien aanblik heimlijk bad: â'k Wou dat ik in Turkije zat!quot; Maar, wat hij nauwlijks hopen dorst. Zijn tante prest hem aan heur borst. â âOch!quot; riep zij, âalles is bedrog? 'k Zie, steventje, je leeft dan nog! 'k Herkende straks je chamberloek, En 'k zag dat spook daar in den hoek. En 'k dacht: de Fransclien zijn zoo (woest!... Neen, 'k wist niet wat ik denken (moest.quot; ââDat weet ik nog niet!quot; riep verplat, âBiecht op stephaan, wat mensch is (dat? Straks noemde zij u heur mari!' â âOch oom, dat is zoo courtoisie,quot; |
Koen Verkla l en zijn Gezelschap.
144
|
Was 't antwoord, en... 's lands wijs, ('s lands eer I Ik volg hier tijdelijk die leer; De dames zijn hier philantroop: Ontbreekt aan 't overhemd een knoop, Of zijn te met je kousen stuk, Of heb je aan 't vest een ongeluk. Of staat je handschoen slecht er bij, Dan staan ze ons liefderijk ter zij; Want wie studeert heeftsteedsgebrek: Gelukkig zijn we zeer in trek.quot; ââJa neef, dat merk ik,quot; zei verklat, En wenkte middlerwijl zijn schat; âDat merk ik, en die courtoisie Kost jou den titel van mari; En 'k zie nu wat er heeft gefaald Dat jij ons niet hebt afgehaald; En ik vermoed nu eerst terdeeg. Waarom 'k van u geen antwoord (kreeg; En ik begrijp nu, wie mijn geld, Met u op renten heeft gesteld. Kom vrouw, pak op! marie, kom mee! We storen hier die lieve twee; Dag neef! denk: Oom is nog geen kind, Maar schrijf jij hem ooit weer om (splint. Dan weet je 't nu, en heel secuur. Dan gaan jou brieven op het vuur! âMadam', ne voulez-vous raster?quot; Sprak 't F ransche dametje.ââ Obligé!quot; Was 't antwoord van mijnheer verplat, Fous pouvez lisser sa cravat', Laver ses bas, fermer ses gants, Uais Voncle envoye pas Vargenl!quot; Stephaan bleef als een wezel staan, En had den moed niet mee te gaan, ïoen oom, met nauw verbeten wrok. De dames met zich henen trok En 't huis verliet, ontdaan en bleek, En in de vigilante streek. Die hen naar 't industriegebouw â Hun hoofdbestemming â voeren zou. 1) Het nevengebouw, waarin Toomamelijk |
Een kijkje op de tentoonstelling. 't Is in 't Palais de l'industrie Van daag een vijffrancsdag; Maar de intreekaart van d'exposant Is hem een vrije vlag. Zie de equipages recht en links Voor iedren ingang staan : 't Zijn kracht en macht en heerlijkheid, Die thans naar binnen gaan. Mijnheer veuklat zucht wel; â't Is (duur. Maar 't is voor de eerste maal; Tien francs â twee damesquot; â mom-(pelt hij, âHoe kom ik zoo royaal! Maar 't is van daag de kijkdag niet Voor Jan en alleman! 'k Heb veel ontbeerd, licht dat ik nu Terdege kijken kan!quot; Nog was de goede man onthutst Van 't vorige bezoek, Maar 't uitzicht om zij n roem te zien Maakt hem allengs weer kloek. Marie de groot strekt hun tot gids Op de onafzienbre baan. En wijst de juffer hier wat moois, Daar wat merkwaardigs aan; Maar de exposant wil steeds vooruit. De annexe ^ trekt zijn voet. Waar, in het vak van Nederland, Zijn puikwaar prijken moet. Wel wijst marie hem Neerland aan In de oppergalerij. Maar zijn producten zijn daar niet: âDe annexequot; mompelt hij. De dames toeven hier en daar, 't Geen zeer natuurlijk is, Al geeft dit aan 's mans ongeduld Veel stof tot ergernis. Hier zien ze een zingend vooglenkoor, Krek of het levend was; Daar prijkt een levensgroote leeuw. Heel van gesponnen glas; de grondstoffen werden tentoonge«teld. |
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
145
|
Ginds lokt haar'tkinderspeelgoedaan. Kant, zijde en balgewaad, Brillanten, zelfs l'Etoil du sud, Of schoenen zonder naad... Maar neen, wij sommen niet meer op. Links, rechts, omlaag, omhoog; De juffer heeft zooveel te zien, Het duizelt haar voor 't oog! Van 't zien en 't slentren blind en dof, Sleept zij zich machtloos voort; âWe moeten naar de annexe heen!quot; Is alles wat zij hoort. Daar komen ze eindlijk aan hun doel, Verklat vliegt heen en weer, Zijn vrouw zoekt smachtend naar een En valt aemechtig neer. (bank Marie heeft ook niet veel pleizier: Zij troost de juffrouw wat, Of ziet met koelen blik in 't rond, Of meesmuilt om verklat. Gewapend met catalogus. Loopt hij nu links dan rechts: Hij stampvoet soms van ongeduld, Interpelleert de knechts, Of wil den commissaris zien ; Men haalt de schouders op. âDe commissaris is er niet!quot; Zijn wrevel stijgt ten top : Hij zoekt op nieuw en zoekt nog eens, Maar immer vruchteloos. âVerklatquot;, vraagt de eega lakoniek, âHoe maak je u toch zoo boos?quot; â âWel vrouw,quot; is 't antwoord, â't is (een moord! Verbeeld je mijn verdriet! 'k Vind duizenden sigaren hier â Alleen de mijnen nietl Een vloek ligt wis op onze reis; De satan is in 't spel. Ik had een hemel hier verwacht En vind hier slechts een hel.quot; â âZou 't mooglijk wezen,quot; vraagt (MARtE |
âDat ze op de galerij ') Bij 't andre goed van Nederland ?...quot; âWe zullen zien!quot; roept hij. Het drietal trekt nog eenmaal op ; 'tGaat galerij waarts heen. Men slaat geen oog meer op het moois En ziet naar 't doel alleen. Daar zijn ze er.maar 't geen mengeling Van zoet en bitter schonk â 't Is de aanblik van een zeekren heer â Die zeekre heer is.... pronk. Verrukt stapt hij op 'tdrietal toe: â'k Heb 'tquot;, zegt hij, âhier niet (kwaad, â'k Heb juist daar een servies ver-(kocht! , Daar staat mijn fabrikaat.quot; Het drietal treedt werktuiglijk toe En roemt den zilverschat. Die daar met smaak staat uitgestald. Maar eensklaps wenkt verklat Met zichtbren spijt zijn vrouw ter zij En wijst haar op een kist, Die 't zilverwerk tot voetstuk dient. âMan,quot; vraagt zijn vrouw âwatis't?quot; â âWat of het is, je vraagt het nog 1 Die kist... vrouw, boud me vast!... Die kist, die al die prullen draagt, De prullen van dien kwast! Die kist â geopend is zij niet, Dat zie ik aan het slot â Daar zitten mijn sigaren in!!! Vrouw, voel je nou mijn lot! Begrijp jij 't, hoe bedaard Ik blijf Bij zooveel zielsverdriet1?quot; â âWel,quot; zegt ze, âman, doe uw (beklag!quot; â âBeklag? Ik doe het niet! Voor mijn part vliegt Parijs in brand Met heel de rommelzoo! 'k Vraag niet naar mijn sigaren, neen, Die krijgen ze cadeau; Maar 'k vlieg naar huis en jij met mij |
10
1
) Dft plftjits waar h«t fijuere fabriekswerk was uitfreatald.
Koen Ver/dat en zijn Gezelschap.
|
Ik blijf niet in deez' hel! Ik zeg 't nog eens: hier zit voor ons De satan in het spel. Zie zool Marie vond weer haar (pronk! Die is weer op heur dreef, Die zal haar weg wel vinden; kom, Ik ga! zoo waar ik leef! Mijn geld is op, en dat voor wat? Voor pijn en kou en smart Iquot; â âOch, sprak zijn vrouw, âdat (goeie geld. Wat gaat het me aan mijn hart !... Man, scheer je nou je snorren af. En neem je een andren hoed?quot; |
â âOch, spot niet, vrouw, met mijn (verdriet, Kom mee, we gaan met spoed!quot; En waarlijk sloop het tweetal heen. Z ij volgzaam â h ij heel kwaad. En eer marie het had gemerkt. Was 't echtpaar reeds op straat, 't Ging recht af op de rue Belfond, In vliegenden galop; Men nam zijn plaats op 't Noorderspoor En p ikte 't boeltjen op. En 's andren daags was 't feit beslist. En reed meneer verklat. Parijs verwenschend en nog meer. Naar huis heen met zijn schat. |
V.
NABETRACHTING.
Een avondkout van mijnheer en juffrouw Verklat.
De heldre gasvlam is ontstoken,
De dagen krimpen zichtbaar in;
Straks is September aangebroken
En de avond geeft weer ruim gewin.
't TV as drok in d' Amsterdamschen winkel.
De marktdag bracht de klanten weer,
't Vijf onsje voor den boerenkinkel,
't Sigaartje voor den jongen heer;
De koffie, thee en chocolade â
't Heeft alles goed een beurt gehad;
De drukten brachten lang geen schade Voor 't laatje van meneer verklat.
De meid brengt weer het schenkblad binnen.
De juffrouw is weer in haar doen,
De kat zit als van ouds te spinnen,
Verklat is weer in 't oud fatsoen.
Nu veertien dagen zijn verleden,
Sinds 't paar terug kwam schotsch en scheef,
Is de een met rie ander weer tevreden
En alles op zijn ouden dreef.
â âVerklat, heb jij het nieuws vernomen?
't Is,quot; spreekt de vrouw tot d'echtgenoot, âTot engageeren toch gekomen;
'k Zag pronk daar met marie de groot 1quot;
Koen Verklat en zijn Gezelschap.
â âVrouw,quot; zegt hij, â'k wil het wel bekennen, Berekeningen falen vaak,
En de uitkomst steekt, we moeten 't wennen, Met de idealen soms den draak.
Maar wat kan me onzen neef ook schelen 1 Stephaan moet weten wat hem past;
Als hij mijn toezicht niet kan velen,
Dan draag hij ook maar zelf den last.
Wat pronk betreft, 't is mij gebleken,
Dat ik hem eenmaal onrecht dee;
Nu ik hem nader heb bekeken.
Nu valt hij mij, zoo waar, wel mee;
Hem dank ik â 'k mocht er achter komen â Dat mijn sigaren zijn gered;
Hem, toen hij 't alles had vernomen,
Dat ze eindlijk zijn ten toon gezet.
Ons voegt het om wat goed te maken.
En hoe denk jij er over, kee ?quot;
â âMan,quot; zegt ze, â'k wil dat plan niet laken. Hoor, 'k vraag het paartje eens op de thee.
'k Raak toch weer langzaam wat op regel. Schoon 't nawee mij veel drukte geeft;
Ik hang aan alles niet mijn zegel.
Wat hier nicht net bedisseld heeft.
De boter heeft een tik gekregen!
De stapel turf nam deerlijk af;
'k Merk; Ka heeft laat te bed gelegen.
Ze is nog niet in den ouden draf;
'k Zie hier en daar aan de ornamenten. Dat niet m ij n hand er overging;
En 'k zie ook, dat er vrij wat centen Gebracht zijn in de wandeling.
Ja man, ik merk nog honderd zaken,
Waarin ik liever mij bedroog,
En 'kwil de spreuk van CATS niet wraken: âGeen beter loog dan 't vrouwenoog.quot;
Niet allen vogels past het vliegen,
'k Zie dat ik er mijn beeld in ken;
Waar velen door het luchtruim wiegen,
Zijn enklen beter voor de ren.
Ik schaar mij bij die lager rangen;
Want â als ik stout het luchtruim zoek.
Dan laat ik gauw de veeren hangen.
Maar in mijn huisren voel 'k me kloek.
Dus, mag de reislust u verleiden.
Legenden van Ingolduhy.
Nooit ga ik weer met u op 't pad;
Ben 'k anders niet van u te scheiden, Van reizen heb 'k mijn deel gehad!quot;
â âJa,quot; zegt heur man, âdoch ongevallen Zijn 't dee! van iedren uittocht niet;
Maar wie zich eigen bot vergallen,
Zijn de oorzaak zelf van veel verdriet;
En dat zijn w ij; want wel bekeken. Al 't leed, dat ons dat reisje schonk,
Kwam voort uit eigene gebreken â
't Kwam uit vooroordeel tegen pronk;
Had ik hem niet zoo afgestooten.
Wij hadden blijder tocht gedaan I
Wij hadden mooglijk veel genoten,
Eu zeker heel veel leeds ontgaan ;
Wij hadden met hem blijven stoomen.
De een had voor d' ander licht gewaakt;
't Was alles anders uitgekomen
Dan de uitkomst nu heeft waar gemaakt.
Door wrevel lieten we ons verwinnen,
Door nijd misschien, 'k weet niet waarom;
Wat heeft een mensch vaak vreemde zinnen, Wat handlen wij soms oliedom!
Maar, gaf de reis ons niet veel zegen,
Ze had één goede zij toch, kee!
Ze heeft ons hart een les gegeven:
Kom, doen wij daar ons voordeel meel*
Legenden van Ingoldsby.
DE RIDDER EN DE DAME.
Lady JANE was rijzig en rank van figuur.
Lady jane was schoon en haar oog was vol vuur, Eu lord Thomas, haar man, was een man van gewicht, Hij was vierkant van bouw en wat grof van gewricht; Maar zijn kuchje was kort, en, wat dof van gezicht,
Ontving, zelfs op klaar-lichten dag.
Door den groenglazen bril met het schildpad beslag.
Zijn oog nauw 't genoegzame licht;
En 'le hoed, dien hij droeg, was zoo plat en zoo breed,
Als ik elders een tweeden maar weet.
Hen- kaal ook zijn kruin was, hoe dun ook van haar,
148
De ridder en dc dame. i 49
Viel toch aan zijne eega de liefde niet zwaar;
0, 't was zoo'n beminnelijk paar!
En de naam en de faam Van haar, zoo lieftallig, â van hém, zoo bekwaam,
Werd overal luide begroet;
Ja, waar ook de ridder op 't land werd ontmoet,
Of waar hij met vrouwlief maar kwam.
Daar was hij gewis, dat zijn oor het vernam,
Hoe 't volkje van wijd en van zijd Hem toeriep, in 't harte verblijd:
â Lang leve de heer van dit heerlijk domein! Dan zwierden de mutsen van groot en van klein. En riepen zij allen: â Hoezee!
Ze leven, ze leven, ze leven, de tweel Geen kommer of pijn!
Gezond en gelukkig, dat zullen ze zijn!
Lang leven ze beiden, lang dure hun trouw. De goeie mijnheer en de mooie mevrouw!
De goede sir thomas, die, 't zij hier vermeld, 't Natuuronderzoek zich ten taak had gesteld. Was een man van een vorschenden geest; Er is nooit grooter wonder geweest.
Hij zat soms geduldig (en telde geen uren)
Op planten en bloemen en onkruid te turen.
En keek of hij soms, na een nattigen dag.
Langs de velden de kruipende slakken ook zag,
Of de hommels, de bijen, de torren ook vlogen;
Of de mier of de mot zich vertoonde aan zijne oogen; Wie de vloo naar den drommel mocht wenschen, â niet hij, En de nijvere spin, van wier pooten of dij.
Een ijvrig examen door hem werd genomen,
Maakte vaak zijn genot en genoegen volkomen; De horzel of wesp was hem lief aan het hart;
Kortom: 't was een man van genie,
Hij zette ook alle andere zaken empart En wijdde zich gansch aan de philosophic.
Maar, lady jane was rijzig en rank van figuur.
Lady jane was schoon en haar oog was vol vuur En was eenige Meimaanden jonger dan hij:
En dit zij
Ter verklaring van hem, die 't niet wist.
En die zich bij 't zien van het paar had vergist. Als ze een wandeling deden te gader:
De ridder en de dame.
Dat men sir thomas dan hield voor heur vader. Nu geeft het vooroordeel en mooglijk de nijd Aan den wijsgeer, die zich aan de wetenschap wijdt,â Ofschoon ik het redeloos keur, â
Somtijds een belachlijke kleur;
Zoo vindt ook de entomologie Bij dames niet veel sympathie;
Te meer nog waar 't vrouwlijk weerstreven
Een Lady zoo schoon te vergeven;
Ja, 'k wed dat de helft van het zwakker geslacht Haar kwelling geuit had door wrevel en klacht, Wanneer zij heur mannen met brillen zoo groen. De laarzen bestoven, den hoed uit fatsoen,
Met bloed en met smeer op hun das en hun mouwen, In plaats van met haar eens een praatje te hoüen. Met den neus zagen liggen op dit of op dat,
Op een mot of een mier, op een pier of een pad,
Of op leelijke en morsige wieken en koten.
Dingen, waaraan men zou raken noch stooten. Op staarten en nagels en angels en pooten.
Voorzeker, zoo'n man is vervelend en naar; Een man, die des avonds loopt zoeken en pinken. Of hij ook een glimworm of zoo iets ziet blinken, In plaats van, als 't past, eens te pinken naar haar! Maar niets van dit al!
't Was nooit het geval Met mylady, de ga van sir thomas. Zij dacht er Verstandiger over: gewilliger, zachter,
Scheen ze immer voldaan.
En liet in zijn studie haar lieverd begaan Met turen en gluren en gluipen en sluipen, Ja, achter het kruipend gedierte te kruipen;
En, ver van te schelden, te weenen of klagen.
Kon ze alles ter wereld van manlief verdragen!
Geen dame zoo schoon,
Zoo vriendlijk van toon;
Geen vrouw met zoo'n waarlijk tevreden gelaat, Bij eigen en vrienden, te huis en op straat;
En waar ze genood werd, daar kwam ze inderdaad; Gul met haar recepten en gul met haar raad,
Wist ze overal weg op, bracht ze overal baat;
Haar appel- en perenconserf was niet kwaad. Ook vonden heur gasten haar disch delicaat. â
Vaak bezig met keuken- en kelderbestuur,
Bereidde ze 's zomers het fijnst confituur.
150
De ridder en de dame.
Of legde in het najaar een haas in het zuur.
Soms wekte 't borduurraam haar ijver en smaak En gaf zij zich zelve de moeilijke taak,
Om rozen en tulpen, die nimmer verleppen.
Op stoel of op rustbank en voetbank te scheppen, Zoo fraai â dat er menig vriendin Naijverig werd op haar keurigen zin;
Ja, volgens verklaring van vreemden en vrinden. Was nergens zoo'n stiptheid, zoo'n orde te vinden.
Maur, wanneer 'k haar verdiensten hier bloot heb gelegd. Denk dan niet, dat al 't goeds van de vrouw is gezegd ; Neen, een diepere blik zou de waarheid u staven.
Dat het mee in haar doel lag haar geest te beschaven;
quot;Want wanneer ze daar neerzat, bedaard en bedeesd. Om beur haring te ontgraten, te naaien, te stikken,
Of de zaken van keuken en kelder te schikken.
Dan genoot ze daarbij naar verstand en naar geest,
quot;Want dan zat aan heur zij'
Een heer der familie, met name mac bry.
Een neef van mevrouw, in deu veertienden graad, Gelijk dit op 't stamboek der Ingoldsby's staat;
{Zie 't oude geslachtsboek, wanneer ge 't soms hadt. Het twintigste deel, drie en vijftigste blad).
En wanneer ge die pagina's juist hebt gelezen.
Zij het u ongetwijfeld ook duidlijk bewezen,
Dat de Ingoldsby's stamboom, in zijdlingschen tak. Den naam draagt van hem, waar 'k zoo even van sprak, Alles juist met zijn voornaam cn titels er bij :
Sir DÃGALD MAC BRY,
Kapitein van een Schotsch fuselier-regiment;
En 'k ben zeker, dat wie hem maar kent Zou getuigen met mij.
Dat geen lid van zijn clan Op den naam van een kundig en aangenaam man Beter aanspraak mocht maken dan hij.
Wanneer hij dan zat aan heur zij'.
En mylady ook neerzat als hij,
IJvrig bezig met zoomen of knippen of knoopen.
Dan sloeg hij een boek voor haar open,
Dan las hij haar voor, 't zij geleerd of gewoon, Van Thomas AQDINAS of andren patroon,
Of wanneer het haar meer mocht behagen
(Ze had het maar even te vragen),
Dan las hij een roover-roman.
Of andere lettergewrochten.
151
üe ridder en de dame.
Bij voorbeeld de reis van bdnjan,
Of somtijds de ontzaglijke tochten Van Zweed en van Griek en van Ier en van Pruis,
Tot gullivers reizen incluis;
De Robinson grusoe, ja, wat niet al meer,
Blijgeestig en droevig, onstuimig en teer;
'k Weet alles zoo juist niet bij name.
Wat die heer al niet las voor die dame!
Ze mochten uit bijna de helft van den schat,
Dien sir thoma.s bezat Van boeken, brochures en blaren.
Geleerdheid en kennis vergaren.
Ze kregen van wijsheid de hoofden zoo vol,
Wat werden ze schrander! In 't kort: Zoo schrander en wijs als de lord,
En wat was je sir thomas een bol!
Nu wilde 't op zekeren keer,
'k quot;Weet den dag en den datum niet meer,
't Was lente, en ik meen, het was Mei,
Als natuur in haar prachtliverei.
Met den lach op 't verjeugdigd gelaat,
Heur bloesems verspreidt over 't veld;
Als alles in weelde zich baadt,
â Gelijk ons de dichter vertelt â
Als de boomtop de vogelen draagt.
En de nachtegaal jubelt of klaagt;
Als het gras weer zoo groen is, de zon weer zoo gloeit,
En alles door licht en door leven herbloeit, â
Toen in 't huis van sir thomas niet weinig te koop was
Met gejammer, gezucht en gekerm en geween.
Wijl de mare weerklonk, dat de lord op den loop was
En geen christene ziel wist waarheen,
Hij had, naar het mij is ter core gekomen,
Vóór 't heengaan een luttel ontbijtje genomen:
Een stukje gebakkene leng met een ei,
Wat ham en wat kruim van amandelpastei,
Een sneetje twee, drie van 't geroosterde brood. Een stukje koud kalfsvleesch, van gistren gebraden. Een helftje van een van de lamskarbonaden;
Ziedaar om en bij wat de ridder genoot;
En dan, laat me eens zien.
Drie kopjes misschien Van joosjes- of gun-theo, met suiker en melk. En een brandewijnscheuljen in elk.
153
Ve ridder en de dame.
Ofschoon dit van tien nauw aan één zal behagen; Ten minste, ik beken het: ik kan 't niet verdragen,
Ik meng maar eenvoudig mijn zwart door mijn groen: 'k Zou denken, wanneer 'k als sir thomas wou doen. Wijl 'k zenuwen heb noch van stier noch van verken. Dat i k mooglijk iets van een roesjen zou merken; Maar, zoo al voor mij zulk een zwarigheid rees, Och, hier was geen vrees;
Heel bedaard en heel stil Vroeg de man om zijn schildpadden bril.
Om zijn hoed met den rand, waar ik flusjes van sprak, Om zijn stok met den kruk, hem tot steun en gemak Bij het wandlen, of loopen, of staan.
Of tot wroeten in struiken en blaan,
Als hij zocht naar zijn slakken of pieren,
Of zijne andre geliefkoosde dieren; â
Dus gewapend, vertrok hij, vrij vroolijk en vlug. Hij vertrok, arme ziel! â hij kwam nimmer terug.
De klok stond op vijf en de schel klepte luid En noodde voor 'teerst tot het middagmaal uit;
Men nam dan gewoonlijk een snapsje; maar dra Klonk het tweede gelui, 't was een half uur daarna; En Betsy en sally en Thompson de knecht,
Ze hadden reeds stil tot elkander gezegd:
â Waar 't heerschap mag zitten, of wat hem weerhoudt I En Betsy sprak wreevlig: â de visch wordt zoo koud!
En sally sprak: â Hemelsche zaken!
Wat zal straks mevrouw weer een leven gaan maken!
Maar Thompson, de knecht.
Wees sally te recht:
â De waarheid â sprak hij â moet niet altoos gezegd! De man was maar 't meest Voor den ridder bevreesd.
Die licht had geloopen door dauw of door nat,
En daarom wel mooglijk een kou had gevat.
Hij lag met bezorgdheid en teeder gevoel 'sMans schoenen en lams-wollen kousen vast klaar.
Van ieder een paar,
En hing een schoon hemd voor het vuur op een stoel.
Maar de heer van het huis bleef nog immer absent.
En de kok was van allen het meest malcontent.
Wijl het eten zoolang reeds gereed had gestaan:
â Van al het gezoden en al het gebraan
153
De ridder en de dame.
Was 't grootste gedeelte, sprak hij, naar de maan, Omdat het zoolang moest te seuteren staan. Die poddings, geliefkoosde kost van mevrouw.
Hij dacht, dat er niemand van nuttigen zou;
Maar de dame kwam spoedig tot andre gedachten:
â 't Zou gek zijn, sprak zij, om nog langer te wachten; Disch op, zet de spijzen maar neer;
Houd twee of drie schijfjes maar warm voor mijnheer;
Want, o hij is zeker verdwaald.
Wie weet of hij keert vóór de schemering daalt; En mevrouw uitte aan ddgald mac bry haar verlangen. Om aan tafel de plaats van haar man te vervangen. Mac bry maakte in 't eerst wel excuus, Als waar hij een weinig confuus.
Maar toch, hij stond op, boog beleefd en gleed neer. En hij zat op de plaats van mijnheer.
Maar de nacht ging zoo traag en zoo treurig voorbij I Lady jane, met zorgen en vreezen in 't hart.
Zat zoo bitter te weenen van angst en van smart. En nevens haar zij'
Zat dügald mac bry;
En, hoewel ik niet weet of ook hij werklijk weende, Was er toch in zijne oogen een traan, naar men meende,
En het kon ook wel zijn: ga de zaken maar na. Van zoo'n jeugdigen borst voor zoo'n ouden papa!
En had men misschien In zijn hart kunnen zien.
Ach, men had dan gemerkt, hoe de man het begreep,
Licht dacht hij: de sukkel is zeker om zeep.
En de morgen brak aan en nog een â en nog een. En nog klonk door de woning het droevigst geween. En geen wachthond deed blaffend zijn welkom verstaan. Als de wachthond bij 't zien van zijn heer had gedaan. En geen klopper viel neer En meldde sir thomas er weer.
En geen wedergekomene trok aan de schel; â
Ach! het huis was zoo stil als een kluizenaarscel.
De zon scheen nog gloeiend op toren en trans.
En weiden verspreidden heur groen en heur glans; Het vogelenheir schonk het oor melodij;
De lammeren huppelden vroolijk en vrij ;
Daar buiten was blijdschap, genot, harrnonij.
Maar ach! niet al zoo met de sombere idcën,
154
De ridder en de dame.
Die speelden door 't vrouwelijk brein, Wanneer ze verzonken en stil met hun tweeën Een wandeling deden op 't plein,
Naamlijk zij en mac bry, de kaptein.
Bij wien nogtans de innige rouw Wat minder was dan hij het huichelen wou;
Hij kon de gedachte maar gansch niet verzetten:
Was de arme sir thomas eens werkelijk dood, Dat niemand ter wereld het hem kon beletten.
Wanneer hij zijn hart eens ontsloot,
En zijn hand aan de weduwe bood.
Om in haar veriatenen stand Te dienen tot 's mans remplagant.
Let wel, bij een dame, zoo jong en zoo schoon, Zoo rijzig en rank en zoo nobel van toonl En in dit bijzonder geval Vond hij het niet mal,
De heer eens te worden van Tappingtonshal.
â Wij hebben door 't graafschap van Kent, â
Zoo sprak hij, â ons her- en ons derwaarts gewend; Geen mensch weet, wat geld er aan zoek is gemaakt. Maar wat moeite we ons allen ook hebben gegeven, We zijn nog maar immer in 't duister gebleven, En niemand weet, waar hij te land is geraakt; Gansch 't huisgezin gaf zich aan 't onderzoek over, â De stalknecht liep zesmaal van Folkstoon naar Dover; Maar spijt allen ijver van heer en van knecht. Bracht geen stervling sir tkomas te recht.
Reeds veertien daag ging er voorbij,
Nog zaten de zaken op zij;
We stelden plakkaten aan boom en aan muur,
En de omroeper schreeuwde met omroepers-vuur;
â Alhier is gestolen, verdwaald of verloren,
Ben Hoog Welgeboren!
Een heer, wat bejaard, wat gebukt in het gaan;
Hij had een zwart pak, toen hij het huis verliet, aan, Wat kaal en wat smerig, doch wel te verstaan Het pak. Hij is stemmig en stil,
En hij draagt ook een schildpadden bril:
Zijn hoed is wat laag en de rand is wat breed; Degeen, die iets weet.
Dat licht kan verspreiden op 't lot van den man,
Of hij, die hem t' avond of morgen,
't Zij dragend of sleepend, te recht kan bezorgen,
155
De ridder en de dame.
(De goede kant boven, als, 't kan),
Aan den slagboom van Taptons kasteel. Hem valle vijf pond voor zijn moeite ten deel.
(Nota benei Wanneer hij al dood is misschien,
Krijgt de eerlijke vinder het dubbel van dien.)
â Ziedaar het bericht, dat bij omroepersmonden,
Of wel bij plakkaat, is verspreid en verzonden;
Sir thomas moest, dunkt mij, reeds lang zijn gevonden.
Licht is hij niet meer!
Licht is hij geschoten, gehangen, verdronken!
Zijn weduw, och heer!
Voor haar gloeit mijn harte; zij deed het ontvonken! Maar wat zegt misschien wel de wereld er van! Wanneer ik zoo kort na den dood van haar man.
Mijn hof bij haar maak?.___
Men zeg wat men wil, 't is mijn eigene zaak;
'k Geef niets om 't gebabbel der menigt;
Genoeg: haar bekoorlijkheid lacht mij nu aan,
Ik geef mij het recht er een blik op te slaan;
Misschien zijn wij spoedig vereenigd!
Waar een man als mac bry Een besluit had genomen, bij wat het ook zij.
Daar was zijn gemoed met de zaak zoo vervuld. Dat dra het geheim van zijn hart was onthuld: Hij bezwoer haar vooreerst en met al zijn vermogen, Dat de sterrenglans dof werd bij 't licht van hare oogen; Hij verzekerde haar op een innigen toon.
Dat haar lip als de roos was, als lelies haar koon; Dat haar boezem een geur gaf, zoo heerlijk en fijn. Als een narcisbouquet of een bed van jasmijn,
En nog meer komplimentjes, zoo waar als oprecht. En dit alles in sierlijke beeldspraak gelegd!
En toen sloeg hij zijn arm zoo beleefd om haar midden. En zijn blik scheen haar kenlijk om weermin te bidden. En zij werd toen zoo bloo.
En 't verraste haar zoo.
Dat ze waarlijk vergat, zijn beleefdheid te keeren £n de blijken van teerheid des minnaars te weren. â Maar, o hemel! wat werd ze te moe;
Daar loopt vliegend een man op haar toe.
Zijn gelaat teekent schrik of désaster.
En mevrouw klemde zich aan haar neef toen nog vaster; De bode sprak luid:
156
De ridder en de dame.
â Mevrouw! riep hij uit ('t Was de tuinman, dit zij in 't voorbijgaan gezegd):
â Gevonden, gevonden, de lord is terecht!
â Waar, waar? riep (nylady, en de echo riep: waar? En de echo zei stamelend: daar!
Ach hemel! de stumperd, hij kon niet meer spreken, Nauw klonk uit zijn mond meer het minste geluid; Gansch ademloos gaf hij alleen nog een teeken. En strekte de hand naar den vijverstroom uit.
Ach, 't was zoo, helaas! met zijn bril en zijn hoed Vond de arme sir thomas een graf in den vloed. Hij had weer gesnuffeld in dit of in dat.
En terwijl hij opmerkzaam op de oeverbank zat, Had de ridder een heerlijken kikvorsch ontwaard; Hij boog zich voorover, en boog zich al meer, En greep het merkwaardige dier bij den staart; 't Ontglipte hem even, hij bukte toen weer,
En viel door zijn toomloozen ijver Flop! hals over kop in den vijver!
Maar lady jane was rijzig en rank van figuur:
Lady jane was schoon en haar oog was vol vuur;
Maar, eilacie! wat stond ze verslagen,
Wat schrikte zij er vreeselijk van.
Toen het lijk van sir thomas, haar man.
Door twee stevige knechts tusschen bei werd gedragen; Ze snikte, ze zuchtte, ze klaagde, ze kreet,
Ze scheen overstelpt door ontroering en leed; Ze bezwijmde en waar zekerlijk neder geslagen,
Bevond zich mac bkit Niet ter hulp aan heur zij,
Om haar met den tuinman naar elders te dragen.
En o, het was waarlijk een droevig gezicht. Zoodra ze weer bijkwam en 't oog hield gericht
Op den dooden mijnheer!
Hij lag daar voor haar zoo onoogelijk neer. De verdronken mylord, moet men weten,
Was half door de visschen verteerd en doorvreten:
Zijn vest en zijn broek, ach! wie had niet getiviird? Zijn lijnwaad, 't was alles doorknaagd en versrln urd, Ja, er kwam, toen men hem nog wat nader liezag. Uit elk van zijn schoenen een aal voor den dag; En men merkte aan de rijzing en daling,
Dat er meer bij hem stak.
Want in lederen zak Kroop, zich kronkleud, een levende paling.
157
De ridder en de dame.
En de tuinman, dit zij in 't voorbijgaan geuit,
Hij maakte reeds vóór zijn alarm Een zes- of een zevental lepalen buit En verborg ze in den korf, dien hij droeg aan zijn arm.
Men bad voor de rust van sir thomas,
Dewijl de familie zeer vroom was;
Want wat men nog doen kon, helaas! dit was al, En men schikte zich toen in dit droevig geval.
Lady jane was rijzig en rank van figuur,
Lady jane was schoon en haar oog was vol vuur.
De tijd heelt de wonden en balsemt de smart; Dit merkte ze reeds 's anderendaags in heur hart; Want ze kwam weer wat bij van haar wanhoop en schrik, En ze wierp in de toekomst een moediger blik,
En ze trootste zich met het idee onder andren.
Dat ze mooglijk nog eenmaal haar naam kon verandren. Ze zei zeer diepzinnig tot Thompson den knecht. Na d' afloop van 't avondgerecht: â Wel, Thompson, wat heb ik een puitaal gegeten! 'k Verklaar je, 'tis waarlijk een smakelijk eten;
Bezorg mij, als 't mogelijk is.
Nog dikwijls zoo'n schotel met visch!
â Mevrouw 1 sprak de slungel en krabde zich 't oor, 't Valt altijd niet voor.
Dat mijnheer uw gemaal, in zijn ijver.
Te water mag gaan in den vijver!
Gij, bejaarde mijnheeren! o, hoort naar mijn raad:
Zijt ge eenmaal verbonden in d' echtlijken staat,
En zijt ge wellicht Wat slecht bij 't gezicht,
Ach, blijft dan maar liever te huis bij uw ga,
En loopt toch de hommels en torren niet na;
En draagt gij een bril met een schildpadden rand, O, vermijdt dan de vijvers, loopt ver van den kantl
Gij, gehuwde mevrouwen, zoo nobel van toon.
Zoo rank en zoo rijzig, zoo jeugdig en schoon,
Ach, hooi t mijn moraal:
Wanneer uw gemaal 't Gedierte van 't veld voor uw bijzijn verkiest.
Zorgt dan, dat ge hem uit het oog niet verliest;
Hij loopt licht van 't pad af in blinde verdwaling,
En een doode gemaal brengt u levende paling.
1843.
158
Een kabaal in de opera.
EEN KABAAL IN DE OPERA.
Fx)Ij-drom, de tooneelgerant, zat in zijn stoel,
Zyn oog had een uitdruk van wrevel gevoel;
Hij zei (en hij sloeg met de hand op zijn knie):
âIk wil niets meer hooren van fidel-dom-die.'
Maar fidel-dom-die zong zoo helder en schoon; 't Publiek was verrukt van zijn trillers en toon; Men kende geen zanger van zooveel genie,
En wilde geen ander dan fidel-dom-die.
âDe duivel,quot; zoo sprak hij, âweet waar het hem zit. Ik maak geen akkoord dan met fal-deral-tit !'
Zong fidel-dom-die ook verrukkend en schoon. Met eedle manieren en helderen toon.
Toch deed de gerant â want de man had een kop I Als merkte hij al dat geschreeuw niet eens op.
Mijnheer de souffleur daalde neer in zijn hol;
't Gordijn ging omhoog, de komedie was vol; En fal-deral-tit zong toen falderal-lol;
Maar nauw hield hij stil.
Daar had je een gefluit, een gepiep en gegil 1 Nooit was er ter wereld zoo'n hevig kahal. âWeg!quot; klonk het in 't ronde, âweg met dat schandaal. Weg fal-deral-tit, leve fidel-dom-die!
Men breng hem hierhenen, den man van genie 1 We willen geen ander dan fidel-dom-die!quot;
âDol-drom!quot; klonk het verder, âdol-drom! Wat neemt me die kerel een schandlijke som Voor loges en stalles, baignoires en bak.
En, of het aan smaak en gehoor ons ontbrak.
Of 't heele publiek hier om Godswil maar zit. Nu scheept hij ons op met zoo'n fal-deral-tit !
Nooit geven we toe voor zoo'n knoeier als die; Weg fal-deral-tit! Leve fidel-dom-die!quot;
Dol-drom, de tooneelgerant, rees van zijn stoel;
Zijn oog had nog d' uitdruk van wrevel gevoel.
Maar wetend, met wie hij te handelen had.
Ontplooide hij 't voorhoofd weer effen en glad; Hij schreed op de planken, en boog elegant,
Gezwartrokt cn d' opera-hoed in de hand.
Hij aarzelde en glimlachte en trad voor het licht
159
Een kabaal in de opera.
En toonde zijn tandjes en vriendlijk gezicht. âMijnheeren en dames!* zoo sprak hij, â'k ben blij Uwe orders te hooren; wat wilt gij van mij'?* â âWel fidel-dom-diel Den man van genie!quot;
Zoo raasde 't publiek in zijne antipathie;
Gravinnen, baronnen, zoo vol courtoisie,
Ofcieren en kooplui, en 'k weet niet al wie,
Ze riepen en bulderden: âfidel-dom-die !
Geen ander dan hij!
Neem aan zijn conditie, hoe zwaar die ook zij ;
Neem aan! en we zeggen u, doet gij het niet. Dan sturen wij jou met je boel in het riet!quot;
Dol-drom, de gerant, scheen bezorgd voor zijn doel; Zijn oog kreeg weer d'uitdruk van wrevel gevoel;
Hij keek vrij benauwd om zich heen.
Hij trilde geducht van den top tot den teen,
En hij legde zijn hand op zijn hart,
Terwijl hij vol needrigheid boog.
En hij zeide; 'kBeken het met smart:
Zijne eischen zijn schrikkelijk hoog.
Het is niet te dragen, zoo'n engagement,
Mijn rechten en lasten en kosten en rentl...
Ik kan 't niet betalen wat fidel-die vraagt:
Ik heb het dus nu met een ander gewaagd,
En fal-deral-tit. . .quot;
âOch!quot; riep het publiek toen, âwat zanger is dit? Als je 't hart hebt, dol-drom â
Nimmer zie je ons weerom!quot;
Daar volgde een geschreeuw, een gevloek, een gebrom; âEllendige smous!
Wat je zegt is maai' flous.
Hij vraagt niet te veel, hoor! het kan zoo wel gaan!
Waar zie je ons voor aan?
't Is zonde en 't is schande, zoo heb jij ons beet! Wat? Schaam je jou niet, dat je zoo je vergeet? !°
Te vergeefs vroeg dol-drom weer het woord;
Zoo'n rumoer had hij nimmer gehoord,
En het griefde hem diep in de ziel,
En hij draaide zich om op zijn hiel.
Hij vlood heen en riep: mort de ma vief 'k Maak toch geen akkoord met dien fidel-dom-die!quot; Toen koelde 't publiek zich zijn wrevel en wraak, 't Werd rechter in eigene zaak:
160
Een kabaal in de opera.
Uit den bak klom men op het tooneel,
En men schreeuwde er uit longen en keel,
En men sprong naar beneên En men rolde dooreen,
Al tuimelend over de voetlichten heen.
Leeg waren de loges en vol werd de bak,
En ridders en lords woelden onder 't gemeen. Met opera-hoed en met opera-frak.
Reeds maakte mamsel cherrytos Bij voorraad haar beentjes wat los;
Zij danste zoo graag, nooit het huppelen moe,
Maar 't kwam door 't kabaal er dien avond niet toe.
En de nacht werd besloten in 't hoog driemaal drie, Met een âhip-hip hoeraatje !quot; voor pidel-dom-die.
Dol-drom, de gerant, steeds bezorgd voor zijn doel, Het oog nog met d'uitdruk van wrevel gevoel.
En diep verontwaardigd in 't hart.
Sloot zich op in zijn kamer a part.
En nam van zijn tafel een Perryan-pen,
En schreef in een nieuwsblad, welks naam ik niet ken, Hoe mactoos en tregoos En sir carnaby joos. De blauwe-huzaren-ofcier,
En meer andere helden van 't blanke rapier,
Hoe de klubs van de snib's en de snob's en de foe's En de tag's en de rag's en de drommel weet hoe's. Hadden samengehokt, en hoe fal-deral-tit Aan hun boosheid gestrekt had ten hatelijk wit.
En hoe ook dol-drom door hun antipathie Genoopt tot akkoord was met fidel-dom-die.
En hij voegde daarbij bovendien.
Dat hij gansch niet ter wereld kon zien. Wat knapheid in fidel-dom-die toch wel stak.
Want in B was hij zwak.
En zijn toon was nog schraler in C,
En hij ging nimmer boven de D,
En toch liep men soms hooger er mee
Dan met bürlv-bom-bee.
En die zong zelfs de dubbelde D!quot; â
In het klein schreef hij nog: âN (ne) BI (En hier zit hem de kneep Wie het soms niet begreep),
Als men 'twist in Parijs â dan misschien Zouden wij hem in Londen niet zien.quot; II. 11
Idl
Een kabaal in de opera.
En dol-drom trok met drift aan de schel; De souffleur kwam terstond op 't appel,
Reeds voorzien, tot des meesters gemak.
Met een waskaars en ouwels en lak;
De tooneelgerant sloot toen met drift Het sierlijk geschreven geschrift,
En hij zette zich neer op zijn stoel Met een uitdruk van prettig gevoel,
En den brief zond hij dadelijk heen.
En hij had voor dien spoed ook zijn reen: Het artikel, zoo even gemeld.
Was door hem met het oogmerk gesteld,
(Wat de spoed in deez' tijden vermag!)
Om te staan onder 't nieuws van den volgenden dag.
Dol-drom had zijn tred naar den schouwburg gericht, En hij wandelde er heen met een angstig gezicht.
En hij keek door een scheurtje van 't scherm in de zaal, üm te zien wie er waren van 't vorig kabaal. â
Hij zag er mactoos en tregoos,
Hij zag er sir carnabv joos. Den blauwe-huzaren-ofcier,
En de andere helden van 't blanke rapier;
De klubs van de snib's en de snob's en de foe's, De tag's en de rag's en de drommel weet hoe's. En 't scherm ging omhoog op den wenk des souffleurs. Nauw zag men een tipje van een der akteurs.
Daar had je weer 't fluiten en 't schreeuwen en 't slaan. Het buldren en 't vloeken, van voren af aan. Dat hooren en zien moest vergaan.
âDol-drom!quot; riep men luidkeels ,dol-drom!quot; En uit het gesis en gebrom,
't Geloei en gefluit van rondom
Had men licht kunnen raan.
Dat de woede zoo ver wel kon gaan,
Om 's mans operabeenen aan splinters te slaan.
Maar dol-drom had geen vrees, naar het scheen: Hij stapte bedaard naar de voetlichten heen,
En hij sprak zeer beleefd, maar toch vrij; âTot uwe orders, wat wilt ge van mij ?quot;
âFidel-dom-die !
âFidel-dom-die !
Geen ander dan hij zingt hier sol-fa re-rai,
Hij blijve onze artist, onze man van genie. Weg fal-derai.-tit! Leve fidel-dom-die!quot;
162
Een kabaal in de opera.
En toen nu dol-drom dit vernam,
Keek hij net als een uil voor een heldere vlam,
En hij sprak: âdaar de zaak zoo zijn moet, naar 'k zie Zal 'k hem engageeren, dien fidel-dom-die,quot; Nu riepen mactoos en tregoos,
Nu riep ook sir carnaby joos.
De snib's en de snob's en de foe's,
De tag's en de drommel weet hoe's.
Door dit nieuws allen vroolijk en blij;
âVive fidel-dom-die,
Onze man van genie!
En dol-drom de gerant er nu bij,
Neen, geen betere jongens dan zij!
Zoo ook bdrly-bom-bee.
Met zijn dubbelde D,
En wat men ons verder nog aan heeft te biên, Nu zullen wij komen, nu willen wij 't zien!
En na dit ontzettend geweld Werd de vrede voor immer hersteld. En fidel-dom-die,
Bleef de man van genie.
En vaster dan vroeger, in 't kort:
Hij zat bij 't publiek op de bovenste sport En dol-drom was een man van het recht, En f al-der al-tit zong steeds uitgemaakt slecht.
Nu fidel-dom-die zong zoo helder en schoon, 't Publiek was verrukt van zijn trillers en toon ; Tot in eeuwigheid zweeg de critiek:
(Begrepen?) En fidel-dom-die,
De man van genie Bleef zijn leven de man van 't publiek; En mamsel cherrytos Met haar blinkenden blos.
Ze maakte bij d' avond haar beentjes wat los, En ze toonde bij wijlen het vreemdst kapriool Op den maatklank van fluit en viool.
Ziedaar nu het heele verhaal,
En d' uitslag van 't hevig kabaal;
En wie er het meest bij gewan.
Wie 't slimst was en 't meest politiek; Dol-drom, de gerant, of 't publiek! â 1845. 'k Laat u de beslissing er van.
163
De kleine xchamele knaap.
164
DE KLEINE SCHAMELE KNAAP.
|
Ik liep in Margeet langs den dam. En slenterde uit pleizier; Ik zag een kleinen, schaamlen knaap En 'k vroeg: âwat moet jij hier'.'quot; Geen vreugd, maar droefheid troonde Op voorhoofd, mond en slaap; (hem, 'k V roeg andermaal: âwat moet jij hier, Jij kleine, schaamle knaap?quot; Wat keek hij schuw, de kleine knaap! Hij scheen van schrik vermast: Het kleine hart is spoedig vol. Schoon 't spoedig zich ontlast; Hij stak den vinger in zijn mond, Bleek werd zijn kleine kaak; Zijn kleine zakdoek was absent â Zijn kleine neus riep wraak. âKom jij eens hier, mijn kleine man! Zeg, hoor je 't negen slaan? En weet je dat dan 't kleine volk Naar bed behoort te gaan'? Ga naar je moeder thuis en vraag Je kleine boterham; 't Staat leelijk dat zoo'n kleine knaap Loopt schreeuwen op den dam!quot; Een kleine traan liep andermaal Hem van de kleine wang; Zijn boezem hijgde als 'k weetniet wat; Zijn stem was dof en bang. 'k Lei bukkend 't oor hem aan den (mond, Ach, raad wat ik vernam ? ,Ik heb geen moeder, 'k heh geen Ik heb geen boterham! (thuis, âMijn vader is naar zee gegaan. Mijn moeder dood en heen; Ik zwerf de wereld schreiend door. Ach, 'k voel mij zoo alleen ! Geen druppel heeft mijn tong ver-Mijn honger is zoo grootl (frischt. |
'k Had kruis noch munt voor taart (of koek, Zelfs voor geen stukje brood. âAls iemand mij wat voedsel schonk Of in zijn dienst mij nam â 'k Zou wis niet, als ik heden doe, Staan schreien op den dam; Maar nu sta 'k met een vast besluit Hier op den steenen beer; Ik spring, als meester levy deed. Zoo straks van boven neer!quot; âSchep moed, schep moedl mijnkleine Zei 'k vriendelijk tot hem, (man, âHoe kiijg je 't in je hersens, kind?* Ging 'k voort met zachte stem; âWanneer je springt van 't steenen Dan breek je hals of rib, (hoofd, En krijgt, wees daar verzekerd van, Vriend hein je bij een slip. âKom met mij mee, mijn kleine knaap. Eet mee, wanneer je 't lust; Mijn hospita is juffrouw joons; Maar â 'k laat haar graag met rust; Ik heb (een snerkpot staat te vuur,) Genoeg, al eet je mee; Kom mee, jou kleine schaamle knaap: 'k Logeer op Nommer 2. Hij toog met mij naar Nommer 2, 't Huis naast â't Verdronken (Schaap,quot; 'k Wees hem de vloermat voor zijn (voet. Den kleinen schaamlen knaap, 'k Vroeg julfrouw joons, de liefste (vrouw Van heel haar lief geslacht: âOch, wees zoo goed en haal voor mij Een pint van dubbelde acht.' |
De kleine schamele knaap.
165
|
De muts van juffrouw joons stond (scheef; Ze zei me: â't is wat raars! Wat denk jewel? 'k Ben veel te goed Voor vuile bedelaars 1' Ze nam de mat af met heur schort, En wreef op pul en plank, En sprak: âLoop jij naar Jericho En haal jij zelf je drank l* Men vat; 'k liep niet naar Jericho, Maar 'k ging naar meester JOB, Ik gooide daar een kroonstuk neer, Ook wel genaamd een âpopquot;; Ik vroeg daarvoor mijn dubbelde acht. En, meer om 't schamel kind Dan om mij zelf, bedong ik nog Eene overmaat bij 't pint. Maar toen 'k terugkwam zag ik rond, Jk keek op bank en stoel. Ik vond mijn kleinen vriend niet meer: Hoe vreemd was dat gevoel! Ik lichtte 't tafelkleed omhoog, 'k Zag onder 't ledekant, âWaar zit je?quot; riep ik luidkeels uit, âWaar zit je, kleine klant ?quot; Met miste ik ook mijn lepeldoos, Hoe 'k rondzag, wat ik dee. Weg was de roem van't theeservies ; De suikertang was mee; Mijn uurwerk ook, 't familiestuk, En dus mij dubbel dier: Ik legde 't op den schoorsteenrand, Toen 'k wegliep om het bier. Mijn Mackintosch was op den loop, Een snit van 't laatst fatsoen. Mijn witte fijn-kastoren hoed, Den rand van binnen groen; Mijn reiszak, 't nieuwe glazenstel Voor soya en azijn, Zelfs van den snerkpot op het vuur Geen schaduw meer of schijn ! |
'k Trok aan de schel voor juffrouw De vrouw was lang beneên; (joons: âAch,quot; riep ik. âlieve juffrouw joons; Mijn gansche schat is heen I De knaap, die strakjes met mij kwam, 0 foei, 't is beestig slecht! Bestal mij alles, juffrouw JOONS..- ' Ze zei me: âhaal 't gerecht!quot; 'k Stond d' andren morgen tijdig op, Ik zond den roeper rond ; Luid klonk zijn bel en hoog zijn stem: âIk bied den man een pond. Die mij bericht geeft van den knaap, Zoo schamel, zoo gemeen !quot; Maar riep de roeper vragend: âja ?quot; De menschen riepen: âneenlquot; Toen toog ik naar 't juweel der stad, Naar 't schoone havendiep. Ik schreed er naar een oud matroos, Die daar te luiren liep; 'k Vertelde hem het snood geval, Hoe 't alles was geschied. âWel oude kogkiellquot; zei de man, 'k Begreep den pikbroek niet. Hij zei: hij had een knaap gezien. Dien morgen op den wal; Den zoon van... dings (een vreemde naam), 'k Vergat hem gansch en al; âEen kleine galgestrop!quot; zei hij, âSlechts goed om kwaad te doen. Hij had een âmakketosquot; aan 't lijf, Op 't hoofd een hoed met groen.quot; Hij had den schaamlen knaap gezien. Dien morgen, naar 't mij scheen; De stoomboot had hem weggevoerd, Zoo wat een uur geleên; Hij wees mij met den vinger juist De richting aan van 't schip; Ze konden naar zijn gissing zijn Omstreeks de Noorderklip. |
De smokkelaarssprong.
166
|
Een landman hoorde ook van den roof En wees me een andren kant; Daar had de kleine knaap, zei hij, Geslenterd door het laud ; De landman hier, de zeeman daar â Wie wist het van de twee? Ik schudde geemlijk met het hoofd, 'k Verliet verstoord de ree. 'k Verzocht den ambtman uit de buurt Dat hij mij helpen mocht; Hij vroeg me: of ik mijn eigendom Terug te krijgen zocht ? âZoo waar dat doe ik!quot; riep ik uit, âJuist wat ik hebben wou!quot; â âWel schaap!quot; zoo sprak hij koel en âWat doe jij in de koü ?quot; (kort, Ik keerde wreevlig naar de stad, Ach, 'k was ten einde raad ; Ik ging naar 's burgemeesters huis En zocht bij hem mijn baat. Zijne Achtbaarheid was uiterst wel. Maar zei: âdat in de stad Men zeker wel een legio Van schaamle knapen had.quot; De commissaris werd gehaald, 'k Beschreef den kleinen bol, |
Mijn mackintosch, mijn suikertang, Mijn lepels en mijn knol. De politie, beloofde hij, Zou handelen met spoed, Maar 'k zag den schaamlen knaap niet weer. Veel minder ooit mijn goed. moraal. Mijn grootmama zei vaak de spreuk, En ze is me in 't hart gevest: âDie zich aan andren spieglen ban. Hij spiegelt zich het best.quot; Hecht u dus niet aan 't schamel volk, Dat, zwervend langs de straat, Vol leugens en gemeenheid is En vol van slechte praat. Neem nooit te veel van dubbelde acht! Ga niet in 't donker uit, Geef uw vertrek, al loopt ge om bier. Geen schaamlen knaap ten buit. En ziet ge in Margeet juffrouw joons. Houd haar eens aan de praat. Breng haar mijn groet en zeg haar ook Dat mij het kostlijk gaat.quot; |
DB SMOKKELAARSSPRONG.
De vuurstraal weerkaatste zijn gloed van de klip. Een blauwgele vlam gaf het antwoord van 't schip,
En de smokkelaarstroep Stond bijeen in een groep:
Een deel op het water, een deel op het strand,
En bracht de verholene sluikwaar aan land;
De nacht was stikdonker, 't was rustig en stil â En 't hoofd van de bende was smokkelaar bill.
âKomt, rept je! komt, rept je! komt mannen maakt voort. Vér moeten we zijn eer de dageraad gloort.
Kreeg gill, de douaan, er de lucht soms eens van.
Licht gaf hij geniept ons een veeg uit de pan!
De smokkelaarssprong.
Komt, rept je! Is de heuvel bereikt,quot; bromde bill, âDan lachen we wat om dien ploert van een gill!quot;
De lading zakt neer aan de donkere zij'
De dreggen in 't water, de tonnen aan lij;
Het uur ia recht gunstig bij 't vallend getij.
Geen scherts wordt vernomen, geen lach klinkt in 't rond,
En de echte Schiedammer drukt d' Engelschen grond.
âTsa, mannen, gebonden! komt, jongens, zit op!quot;
Nog vier aan den staartriem en een aan den kop.
Zij 't pakpaard beladen met vier tonnen rneerl
Maar zie, in 't geoliede koffer van leer,
Daar schuilt van de sluikwaar de kroon: Een kantstuk van Brussel, zoo kostbaar als schoon;
Maar, 't heefl in die nachtwaak, zoo somber en stil.
Geen ander vervoerder dan smokkelaar bill.
't Gaat vroolijk, 't gaat heerlijk, geen muis die hen stoort, Vooruit en vooruit trekt de bende steeds voort;
Ze lachen in 't vuistjen om gill en zijn soort;
Maar juist bij een draai van den weg, ('k Bewonder zijn leep overleg,)
Daar staat hij te waken voor 't heil van den Staat Met fierheid in houding, in blik en gelaat:
Daar ligt hij van pas op de loer.
Met heel zijn komplot aan zijn snoer.
âO, sauve qui peut!quot; Het sloeg al op den loop.
De bende van bill werd een vormlooze hoop;
Nu hierheen dan daarheen, men vloog en men kroop;
Deez pakte er een ton weg en die nam er twee,
't Was vloeken en vluchten, te land en ter zee.
Men vlood naar de vlakte, of men kroop in het riet,
't Gaf rennen en razen, je leven zoo niet!
Het leek een drift vogels, die ordeloos vliedt,
Waar 't jagertal, missend, zijn kruit op verschiet.
En vertraagde al de voet,
Dan werd dit door 't scherp der douanen geboet;
Want nauw loste men 't knettrend geweer, Of men laadde 't alweer,
En menige ton, met veel hoepen geschoord.
Werd door kogel op kogel doorboord;
De jenever, die kostlijke buit.
Stroomde er tappelings uit.
En menige zucht steeg er op Om 't verlies van dat heerlijke sop.
167
De fnwkkeCaarigt;spro7iy.
âO, sauve qui peut!quot; was de roep Van den bandloozen troep,
,Maakt beenen, maakt beenen! vlucht jongens, vliedt heen, Naar Ferry en andere veilige steen!quot;
Men reed en men vloog,
Nu omlaag, dan omhoog,
En het dondrend geweld Verstierf in de vlakte over braambosch en veld.
En al de douanen verdwenen voor 't oog;
Maar één bleef in 't zicht: het was de ambtenaar gill. Hij volgde de schreden van smokkelaar bill.
De smokkelaar bill was een voet of zes hoog. Met krullende lokken en vuur in het oog ;
Zijn tong en zijn blik.
Wat lokten ze menige vrouw in den strik!
Ja, menige knappe boerin, die hij sprak,
Gaf heur vrijer den zak,
En ze deelde 't hem vrij en vertrouwelijk mee,
Als hij neerzat met haar bij wat koek en wat thee; En menige pachter kocht heimlijk en stil Tabak en jenever van smokkelaar bill.
De smokkelaar bill gaf geen blijken van schroom. Hij vierde zijn schimmel koelbloedig den toom;
Hij sprak, en hij streelde den nek van het beest:
âLaat volgen wie wil, 'kben voor niemand bevreesd!
Geen haver of boonen of 't weligste hooi Maakt andren mijn schimmel gelijk in allooi!*
âHo, ho!quot; lachte luidkeels de smokkelaar bill,
En hij zette op dien stond Eens de flesch aan den mond.
En lachte âho ho!quot; om dien ploert van een oill.
Vooruit en vooruit, onvermoeid en gezwind;
De schimmel deed wondren, zoo licht als een ree,
Zoo frisch als een zefier, zoo vrij als de wind,
Zoo gram als een leeuw, als een schaap zoo gedwee. Bereikte hij snuivend en brieschend de brug.
En gill, de douaan, was ver achter den rug.
âMijn ziel wou ik geven!quot; riep gill,
âVoor 't paard, waar ik hém mee kon vangen, dien bill! Om 't even wat bloed, om hel even wat ras.
Het waar mij gelijk van wat kleur het ook was.quot; Nog schreeuwde hij luidkeels: âMijn ziel gaf 'k er aan!quot; En een stem gaf het antwoord: âgedaan!quot;
168
De smokkelaarssprong.
âGedaan!quot; bromde gill, en hij zag aan zijn zij' Een ruiter, gedost in douanenkleedij;
Hij zat op een paard met een donkere huid.
Gill riep weer op nieuw in zijn dollepraat uit; âIk ben voor den droes! is hij cijns aan mijn wil; Bezat ik dat ros, dan bezat ik ook bill!quot;
Men merkt aan dien uitroep dat cill, de douaan Niet zedig en vroom was, maar wel wat profaan; Hij vloekte bij tijden uit kwaadheid of vrees
Als een Turk of Chinees, Een schobbejak was hij, 't is waar wat ik zeg, Hij vloog als een speurhond langs heg en langs steg; Nauw gleden die woorden hem over de tong,
Daar nam me zijn paard een geweldigen sprong, En smakte hem hals over kop op den grond.
Dat gill lag te kermen gekneusd en gewond â En 't paard rende voort op dien heilloozen stond.
En toen hij weer stond Op den vunzigen grond,
Was alles â zijn hand en zijn hoofd en gewaad, Beklonterd en smerig door 't slijk van de straat; Hij wreef aan zijn neus en hij zocht naar zijn hoed: Zijn neus en zijn kin waren rood van zijn bloed; Hij riep het vo! spijt uit; â'k word liever geroost. Dan dat ik de ontsnapping van bill me getroost!quot; âSpring op!quot; riep op eens de douaan aan zijn zij', âSpring hier op mijn ros. Zonder zweepslag of spoor. Geeft (ieez arm de moedigste wenschen gehoor, Met hem haalt ge smokkelaar bill straks voorbij!quot;
âJe woorden zijn klaar, maar je toon is wat ruw!quot; âDe koop is gesloten, mijn zwartjen is uw! Een zetje'.' ziedaar; zit je vast'? rijd dan op!
Mijn zwart is een duivel in draf en galop!quot;
En gill, de douaan,
Vloog ijlings den berg op, liet zwartje begaan.
En zag in zijn furie den bokspoot voorbij.
Die stak uit den broek van den man aan zijn zij'.
De smokkelaar bill reed in vliegende vaart En vierde den teugel van 't rennende paard.
Maar vruchteloos schenen de sprongen van 't dier; Daar eensklaps de hoeftrap, zoo dreunend en dof,
169
De smokkelaarssprong.
Eens volgenden ruiters zijne ooren weer trof, En werklijk zag hij den kraaier-ofcier.
De smokkelaar bill Hield geen ommezien stil;
Maar draafde den molen van Monkton voorbij, Die nevens den bergweg verrees aan zijn zij âKom, rep je, kom, rep je, kom schimmel, maak spoed ! Zoo ooit, 'k reken thans op uw vlugheid en moed I Wanneer ik de vlakte van Monkton maar win. Dan haalt ons geen kraaier of duivel meer in.
Naar Monktons spelonk heen ! kom, schimmel, vooruit I We vallen hem levend of dood niet ten buit 1 Neen, 't zij niet gezegd dat de smokkelaar bill Zich ooit zag verrast door dien aap van een gill !quot; Die Monktons spelonk strekte bill ten gerijf,
Ter veilige schuilplaats in 'tsluikerbedrijf;
Hij stuurde zijn schimmel er heen.
Geen vlugger dan hij ooit ter been;
Al hijgde zijn borst Van onleschbaren dorst;
Al liep langs zijn dijen het bloed.
Toch vloog hij met tooraloozen spoed,
Maar nader en nader kwam gill! Die schreeuwde: âgeef je over, jou smokkelaar bill!quot;
De smokkelaar bill keek eens om op dat pas.
En zag toen het paard van het zonderlingst ras.
Zoo zwart als de nikker, zoo woest als de zee;
Zoo dun als een paling, zoo licht als een ree;
Zijn neus was een schoorsteen, twee oogen van vuur;
Twee bakens, die gloeiden in 'tnachtelijk uur:
Zijn hoef ketste duizenden vonken in 't rond
En teekende een vurige slang op den grond;
Zijn spichtige staart hief hij kronkelend op:
Zijn haar hing als naalden hem sluik langs den kop
Zijn magere rug droeg den ambtenaar gill.
Die vloekte: âGeef je over, o smokkelaar bill!quot;
De smokkelaar bill droeg een holster aan 't paard,
Deez was met een koppel pistolen bezwaard;
Bill nam zijn besluit,
En trok er een uit.
En spande den haan En logde toen aan;
170
De smokkelaarssprong.
Eeia knettrende knal.
Weerklonk in het dal;
De hand van den smokkelaar bill was zoo wis,
Dat, waar hij op mikte, neen, nooit schoot hij mis. De zwart was getroffen, maar wonder! daar kwam Geen bloed uit de wond, maar een bloedroods vlam ; Hij week van zijn plan En vuurde op den man:
Daar ketste zijn tweede pistool in de pan,
En de ambtenaar gill Greep woedend den halskraag van smokkelaar niLL, Met ijzeren vuist en met ijzeren wil.
De schimmel, helaas! deed uit wanhoop een sprong,
Toen de aaklige zwart in zijn loop hem bedwong.
't Was boven een afgrond, zoo steil en zoo breed,
Ik zag op een rots nooit een vreeslijker spleet.
Foei, kippenvel kreeg men alleen van den schrik,
Waagde iemand van boven naar onder een blik:
Verbeeld u een krijthol van zestig voet diep.
Wiens gapende muil tot verderfenis riep.
Met loodrechte wanden en steenigen grond.
Waarover de schimmel zijn noodsprong bestond;
De nacht en 't geboomte verspreidden een waas. Dat schimmel niet zien kon of 't krijt was of kaas.
Daar stortten ze neer â 't was een schriklijke val! â De sluiker en de ambtnaar, met paarden en al.
Ach, wat vreeselijke vond Doed omlaag op den grond De eerwaardige wandelaar daags na dien stond,
(Foei! 'k wilde zoo'n schouwspel niet zien voor een pond, Drie lijken geleêbraakt, gekneusd en geblaard:
Twee lijken van menschen, één lijk van een paard; De moedige schimmel â en de ambtenaar gill Zijn vuist in den kraag van den smokkelaar bill.
Doch waar was de zwart, dat verfoeilijke beest?
Geen mensch, die hem zag, na dien nacht zoo gevreesd ; 't Is waar, daar zijn lieden, maar 'k ben niet als zij. Die zeggen 't is larie, 't is al fopperij!
Schoon 't volk dat er leeft,
De verzekering geeft.
Dat toen het gerecht kwam op 't wonder gerucht.
De lach van een paard werd gehoord in de lucht!
171
De miokkelaarssprong.
Indien ge u te met In de stoomboot eens zet;
Om Margeet te zien en zijn dok en zijn ree,
Of dat ge in zijn baden een duikeltje dee,
Dan hoort ge er misschien Hoe stokoude liên Van 't krijthol verhalen, waar 't feit is geschied; En vreest ge de stevige wandeling niet,
Wel, gaat er of vaart er â nog beter â eens heen; Drie schellingen kost u een boeier, zoo 'k meen. En zie eens naar 't hol, dat de krijtberg er schiep, Zoo steil en zoo steenig, zoo duister en diep, Dat plekje waar gill eens den sluiker bedwong, Tot heden bekend als: âde Smokkelaarssprong.''
Kn laat ge u niet breidlen door vrees of door schrik. Werp dan, om de liefde! naar onder een blik.
En als dan het toeval 't soms wil.
Dan ziet ge den geest van den ambtenaar gill, In strijd met den geest van den smokkelaar bill; De geest, dien ge er verder ontwaart,
Is die van 't getijgerde paard.
En, trekt ge 't in twijfel misschien?....
'k Sprak onlangs een vriend, die het zelf heeft gezien!
moraal.
En nu waarde lezer! tot slot nog één woord. De raad van een vriend wordt voorzeker gehoord: Gaat primo, nooit smokklen; de wet is voor 't land! Betaal dus het recht van uw Brusselsche kant. Ten andren, spreek nimmer zoo'n leelijke taal. En zweer nooit in drift dat de duivel je haal! Je weet niet hoe gauw daar de nikker op let, Wat klem hij op de arglooze woorden soms zet. Ik raad u ook nog dat ge uw ijver bedwingt.
Bedenk waar ge heen vliedt, en zie waar ge springt. En 't laatste woord, dat wel betrachting verdient: Leen nooit onnadenkend het paard van een vriend! 1846.
172
De ekster van liheims.
DE EKSTER VAN RHE1MS.
De hooge prelaat, die te Rlieims resideerde,
Werd statig omringd door zijn vrome klerzij. Waarmee hij, wijl 't feest was, naar lust banketteerde,
Terwijl zich zijn gunstling, een ekster, heel vrij Op het donzen satijn van zijn zetel posteerde. â Een geestlijke schaar was bijeen in de zaal En vleide gedwee monseigneur kardinaal;
Nooit zag men weleer Een geestelijk heer,
In Rheims of wat bisdom het zij,
Zoo deftig en achtbaar als hij.
Maar wat me al zoo'n kleuter, zoo'n ekster bestond i Hij trippelde in 't rond.
Als had hij geen eerbied voor 't geestelijk koor. Sprong vroolijk de bonte vergadering door.
Nu achter â dan voor,
En danste, schier spottend met rang en fatsoen,
Gelijk op de kermis de honden wel doen, â
Ontzag in zijn overmoed knapen noch grijzen. En pikkend en slurpend van dranken en spijzen. Scheen alles zijn gading; in 't kort.
Hij wipte van schotel op bord.
En maakte met mantel en stool Bij wijlen een vreemd kabriool;
De mijter werd zelfs door het beest niet ontzien ;
Geen mensch dorst den lievling des bisschops verbiên. Zoo streek hij weer neer Op den stoel van zijn heer.
Waar monnik, noch prior, naar ordlijke wetten. De bisschop alleen zich op neder mocht zetten;
En hij loerde in 't gelaat Van den hoogen prelaat.
Met vermetelen blik,
Als zei hij: gij primus, secundus ben ik ;
Ons beiden alleen is hel recht hier verbleven Om alles te doen, waar we 't recht ons toe geven. De monniken zagen het aan En stonden versuft en bevreesd,
En deden elkanderen fluistrend verstaan:
De duivel zit vast in dat leelijke beest!
De vla en de room en de podding verdween;
De tafel liep af en het feestuur meteen ;
173
De ekster van Rheims.
Toen kwamen zes knapen, zes jeugdige zielen, In 't koorkleed gedost van hun hals tot hun hielen.
Zeer gedwee Twee aan twee,
Den prelaat En zijn staat Needrig groetend en blozend en buigend.
Als 't kinderen voegde, hun eerbied betuigend;
De een droeg een waschkom, een guldeue schaal,
En de ander een bekken van dito metaal â
Een derde bracht water, zoo zuiver en klaar.
Als er ooit had gestroomd tusschen Rheims en Boulogne;
Een vierde verrukte de aanwezige schaar Door den heerlijken geur van zijn eau de cologne. Nommer vijf droeg een zeepbal, heel keurig en fijn, De handen slechts waard van den heer van 't festijn; Nommer zes hield op de armen, gestreken en net. Een hagelwit, glanzig, damasten servet.
In de stof was de naam, door het wapen omgeven, Van den achtbaren eigenaar kunstig geweven.
Het zestal stond achter zijn stoel in 't gelid,
En hij keerde zich toen naar de knaapjes in 't wit,
En hij trok van zijn vinger zijn grooten turkoois,
Bij zijn vrienden bekend als iets kostbaars en moois. En niet denkend aan d' ekster, die nevens hem zat,
Lei hij stil op de tafel zijn schittrenden schat, En, terwijl reeds de geurige waterstroom vloeide En het knaapje de eerwaardige; handen besproeide,
Sprong de ekster naar voren, toen niemand het zag, En pikte en vloog heen met den ring, die daar lag. â
Straks klonk door de zaal een onstuimig misbaar. Men werd het gemis van het kleinood gewaar: De monniken zagen den bisschop eens aan,
En deden verbaasd hun verwondring verstaan. En keerden hun zakken het binnenste buiten.
En wisten niet wat van de zaak te besluiten.
Men kroop vol rumoer Door elkaar op den vloer;
De broeders, in d' ijver hoe langer hoe dolder,
Betastten den vloer, en den wand, en den zolder. De bisschop ontgespte zijn schoenen terstond En liep op zijn roodkleurde kousen in 't rond; Hij voelde vol ernst van den teen tot den hiel,
174
De ekster van Rheims.
Of de schat ook zoo straks in het voetschoeisel viel; Men keek onder kannen en kruiken en borden.
Terwijl weder andren de tafels versjoiden ;
Men schudde de pij uit en keek in den kap,
't Was meer dan een grap,
't Was siddring en angst, die de broeders beving ;
Geen mensch bracht den bisschop zijn kostbaren ring. Hij zeide; âdaar niemand hem op had geraapt,
Dat zeker een schelm was naar binnen geslopen,
Die, wijl men 't niet merkte, deu schat had gekaapt, Maar die ook, hij zwoer het, zijn straf zou beloopenlquot;
De bisschop stond op, verontwaardigd en straf,
Beval dat men daadlijk zijn kartebel gaf,
En sprak (wie erkent niet 's mans heilige grief?) Een vloek van stavast uit, tot tucht van den dief; Hij vloekt hem: waar immer zijn voetzoel zich zet,
't Zij zittend aan tafel, 't zij liggend te hed;
Hij vloekt al zijn leden van 't lijf, een voor een,
Van 't kruintje van 't hoofd tot de punt van zijn teen; Hij vloekt hem om 's nachts van den duivel te droomen; Hij vloekt dat de slaap hem door d' angst wordt benomen, Hij vloekt hem in 't zitten, in 't liggen en gaan, Hij vloekt hem in 't wandlen, in 't rijden en staan, Hij vloekt hem in 't eten, hij vloekt hem in 't drinken; Hij vloekt hem in 't jagen en visschen en vinken;
Hij vloekt hem in vreugde en hij vloekt hem in leed; Hij vloekt hem in kuchen en gapen en niezen;
Hij vloekt hem om 's winters tol ijs te bevriezen;
Hij vloekt nem om 's zomers te smelten in 't zweet:
Nooit klonk er een vloek zoo geducht en zoo zwaar. En echter 't was wonder en wezenlijk waar.
Dat al dat bezweren Geen leek of geen monnik een haar scheen te deeren. De dag was daarheen En de nacht was gevallen:
Nog zochten zij allen,
Nog waren de broeders bekommerd bijeen,
Toen 't zonlicht opnieuw door het vensterraam scheen. Nog eens sloeg de koster zijn oog naar den grond, Nog eens keek hij treurig en zoekend in 't rond.
Maar hemel! wat ziet daar zijn oog in 't verschiet:
Zou 't de ekster ook wezen of zou hij het niet?
Hij is hetl Hij strompelt, min levend dan dood. Met hangende wieken en kreupelen poot;
175
De ekster van Rheims.
Het beestje nog gister zoo vroolijk en wel.
Wat kan toch de glans en de glorie verkeeren !
Thans machtloos, versukkeld, beroofd van zijn veeren, Vertoonde niets meer dan zijn schrompelig vel,
Want kaal als mijn hand was zijn hoofd en zijn lijf, Van voren verlamd en van achteren stijf.
Dus waggelt hij voorwaarts en tranteit en treurt;
Nauw hadden de broeders den vogel bespeurd.
Of ze ijlden naar voren en riepen met klem:
âDaar heb je den dief, kijk, de vloek rust op hem!quot;
Toen de ekster de heeren in 't ronde zag staan.
Toen zag hij met smeekende blikken hen aan,
En gaf hij 't gefolterde vogelenhart.
Zacht krijschende, lucht van zijn grievende smart; Hij draaide zijn kaalkop eens om, of hij sprak:
âAmici, al zijt gij een weinig verbolgen.
Hebt echter de goedheid mij even te volgen.
De schuld drukt mij zwaar, want helaas ik was zwak.quot; En hij strompelt de heeren vooruit.
En zij volgen den veêrloozen guit,
En men komt op de trap van den toren;
(Zoo'n wonder geval kwam hun nimmer te voren;)
Daar zag men, verscholen in 't wier,
Het nest van het schuldige dier.
En 't geen men vermoedde, dat vond men alzoo,
Daar lag tusschen rijsjes en biesjes en stroo,
Daar blonk onder 't vuil van de straat.
De ring van den hoogen prelaat.
De bisschop zag de ekster met waardigheid aan,
Maar was met dat a! met zijn lievling begaan;
Hij dacht om den vloek En hij vroeg om zijn boek,
En nam toen zijn vreeslijke straf weer terug.
Daar kreeg hij zijn veeren, 't versukkelde beest,
Straks kon hij weer springen, toen werd hij weer vlug, Ja flukscher misschien dan hij ooit was geweest. â
Maar 't was hem een les, die zijn leven hem heugde: Hij zag het, een bisschop is zelden de man.
Waarmee men naar lust zoo maar omspringen kan; Hij bleef hem gehoorzaam en schonk hem steeds vreugde
En nam op diens schouders zijn plaats weder in. En werd weer getroeteld en kreeg weer zijn zin.
Toch paste hij op, als de lust hem beving.
En taalde nooit weer naar den kostbaren ring. (1845.)
176
Voorwoord bij Amstels Leonora.
Yoorwoord bij Amstels Leonora.
Tyndale zegt van zijne travesty op Leonora van Burger: âHoewel er in de Burger- en Brighton-vertellingen overeenkomst mag bestaan in sommige incidenten â wij hebben met voordacht de dramatis personae in dier voege geplaatst, dat ze niet als pendanten in de beide stukken tegenover elkander staan, en wel ter voorkoming van rechtstreeksche of zijdelingsche vergelijkingen van den Almagtigen Straffer van oproerige verwenschingen met een wereldsch en profaan karakter. Ter vermijding ook van het beroep op den Hemelschen Vader en Zijne verpersoonlijking in een menschelijken vorm, hebben de klachten van leonora betrekking op haar aardschen vader, die tot antitype van den spokenden minnaar gesteld is.quot;
Amstels Leonora.
eene spoorweg-nomance..
THE BRIGHTON LEONORA, door J. W. WABRE TYNDALE.
Vrij gevolgd.
1.
De nachtkaars verspatte heur waterig licht;
Daar vloog leonora recht op in haar bed ;
Verhuisd keek zij rond met een angstig gezicht â
De nachtmerrie had haar verplet.
âO, willem 1 waar toef je? Ben je ontrouw of dood, â Gij, die van mijn zij' naar de koningstad vloodt! 'k Ontving van uw hand nog geen regel, mijn schat, Wat je al in den Haag deedt eu hoe je 't er hadt.quot;
II.
Hij toog naar de hofstad op bon avontuur.
Maar, wie er bericht zond â hij stuurde zijn poes. Het kroonfeest naakte â heel 't land raakte in vuur,
De hofwereld was in een soes.
Het koninklijk echtpaar trok op naar hel IJ,
Mijnheeren voorop en rnijnheeren op zij'; II. 12
Anisteh Leonora.
De spoortrein kon 't merken! â wat nam hij een zee Van doozen en koffers en Hagenaars mee!
III.
En telkens, wanneer een konvooi tot ons kwarn,
Dan drong men en liep men te hoop aan 't station, Om broeder of vriend in het fier Amsterdam
liet welkom te bieden als 't kon.
âHoe maak je 't mijn engel?quot; riep menige heer, âDag, lieveling!quot; snikten de dames heel teer;
Helaas! LEONORA zat daar, en keek rond....
Geen woord klonk haar toe uit den dierbaren mond.
IV.
Zij gluurde in de wagens en noemde zijn naam,
En noemde'm aan iederen treinconducteur;
Maar al de beambten en reizigers saam â
Ze stelden haar bitter te leur;
En toen nu de menigte heentoog van daar.
Ging ze ook sloffend heen met heur hangende haar. Ze kletste de deur dicht met vreeslijk rumoer, En schopte karo â en viel neer op den vloer.
V.
Mama vliegt naar boven, verschrikt door 't gedruisch,
âMijn dochter, wat is het? wat heb je gedaan? Mijn hemel, het is met je hersens niet pluis!quot;
En jansje draagt spiritus aan.
âNeen, weg met den spiritus; 't helpt niet, mama, Zoo hard, zoo onvriendlijk, zoo wreed was papa! Wat me immer kan helpen, geen spiritus kan 't;
'li Ben zeker, 'k verlies van verdriet mijn verstand!quot;
VI.
âKom gekheid mijn lieve, bedaar je gemoed I Papa zal het weten, je smart zij gestild!
Het is tot je bestwil wat de oude heer doet;
Ik weet: hij zal doen wat je wilt!quot;
âHij zal niet, mamalief, papa is zoo dwars!
Papa heeft verboden, zoo streng en zoo barsch, Dat willem zijn voet ooit zou zetten in huis. En willem ging heen en blééf heen â wat een kruis!
178
Anistels Leonora.
VU.
âOch mallepraat, meisje,lt;hoe zijn de papaas?
Ze weigren niet lang wat je vriendelijk vraagt: Kom, 't aanstaande tochtje op den Rijn of de Maas
Heeft weldra die grillen verjaagd.quot;
âGeen reisje, mama, dooft mijn hartstocht ooit uit,
Ik ben aan de bitterste smarten ten buit;
Geen uitzicht op bergrug, valleivlak of meer.
Geel mij toch mijn willem, mijn lieveling weer!*
VIII.
(Hoor, meisje, wie weet hoe je minnaar bonjourt!
Zijn hof maakt aan sloeries van 't Fransche tooneel. Of licht op een schatrijke hofdame loert.
Of mooglijk, ja â mooglijk zoo veel!
Bekommer je langer toch niet om dien vent.
Die zeker zijn hart van u af heeft gewend.
Die als hij eens uitknijpt, toch vaart naar de... 'k waag Den naam niet te noemen.... ik meen naar omlaag.quot;
IX.
âMama, ach 't is vruchtloos al wat gij beproeft.
Hij 's heen voor altijd en ik heb het gevreesd, Och, 'k wou dat ik dood was, ik ben zoo bedroefd!
'k Wou dat ik er nooit was geweest!
Ik ijl naar mijn kamer, ik sluit die potdicht,
Ik eet niet van middag, ik wil ook geen licht.
Papa was zoo barsch en zoo wreed van zijn kant,
'k Ben zeker: 'k verlies van verdriet mijn verstand!quot;
X.
âPapa, kind, vergeet en vergeeft ze, zoo 'k hoop;
De mallepraat, die jij onwetend daar klapt;
't Is of een kabouter je hersens bekroop.
Als pa je maar zóó niet betrapt!
Kom, zet uit je hoofdje dien vent en die gril.
Dra komt je papa, en dra komt zijn pupil.
En die wordt jou man, hij heeft centen â niet min; Ik spreek tot je bestwil: geef pa maar zijn zin!quot;
179
Amstels Leonora.
XI.
âMama, och wat geeft mij de^a, dien ge biedt!
Wat geeft mij papa en 't koinplot dat mij plaagt â 't Is WILLEM alleen, dien 'k verlang â of zoo niet â
Dan sterf ik als vrijster, als maagd.
Ik ijl naar mijn kamer, ik sluit die potdicht,
Ik eet niet van middag, ik wil ook geen licht;
Neen niets op deze aard, geen pupil, geen papa, Zal nimmer mij dwingen tot trouwen, mama!quot;
XII.
't Gelaat in heur handen, met tranen besproeid,
Ontlastte zij 't hart door gesnik en gegil;
Daar werd in 't naar boven gaan pa-lief verfoeid.
Zij zwoer ook; ze nam geen pupil!
Toen sloot ze zich op met de deur op het slot En scheurde pupils en pa's briefjes kapot.
En liet niemand bij zich, wat moeite men dee. En raakte niets aan van 't ontbijt tot de thee.
XIII.
Maar t' avond 1 aan 't venster is 't rekke-tek-tek!
Een sombre gedaante, van 't hoofd tot de teen Gehuld in vermomming, klimt over het hek
Der stoep van de huizinge heen.
Ja, luister, men trekt bijster zacht aan den ring; De huisbel gaat eventjes klinge-ling-ling!
Zij sluipt naar de deur en â een fluisterend woord Wordt zoetjes, door 't sleutelgat henen, gehoord.
XIV.
âKom, leentje, mijn liefje, kom, open de deur!
Zit je óp nog â of ben je naar bed, lieve meid? O, stel jij als vroeger mijn hart niet te leur!
Zeg 't mij â of gij schatert of schreit!quot;
âMijn hemel! 'tis willem, en dat op dit uur!
O ja, ik ben thuis en ik wacht je op den duur; Ik stort je wat tranen bij dag en bij nacht!
Maar zeg mij, wat u nog zoo laat tot mij bracht?quot;
180
Anistels Leonora.
XV.
âDeez avond, niet eer, kon ik weg uit den Haag;
'kVertrok met den negenuurs-treiu van die stad; 'tls laat, het is waar, maar kom mee, wees niet traag,
'k Moet daadlijk terug, o mijn schat 1quot;
âMijn liefste, kom binnen, gij moet nog niet gaan,
Ik laat u zoo koud in den regen niet staan!
Daar is niemand thuis, dus geen ziel die het weet; Kom, warm je eens â omlaag ligt een vuurtje gereed.quot; â
XVI.
âDe koude verdwijnt en het nat trekt wel op,
Het scheelt me geen zier of ik koud ben of nat; Een brommertje wacht, het gaat straks in galop,
Neen, inkomen zal ik niet, schat!
Stap gauw in den brommer en wees niet bekneld!
Ik zie je in 't station, hoor! 't Is alles besteld!
Een uur duurt de reis met bijzonderen trein;
Straks lachen we om d' ouwe en 't komplot van zijn brein!quot; â
XVII.
âBijzondere trein? Naar Den Haag? In den nacht?
Ontsnapt aan papa! Hoor, 'tis elf wat daar slaat! Dan trouwen, en 'kweet niet wat verder mij wacht...
Neen, 't is mij te ver en te laat!° â
âO, wees niet bekommerd, de tocht is maar kort.
Geen minnaar, geen trein, die ooit ingehaald wordt. En, zijn we deez nacht in den Haag, o hoe mal Dan de ouwe en 't komplot op den neus kijken zal!quot; â
XVIII.
âO, prettig zou 't .'.ijn! Eén bezwaar maakt me bang :
Zijn daar wel bediening en kamers gereed ?quot; â âJa, heerlijke kamers, driehonderd voet lang,
En honderd en vijftig voet breed!quot; â
âWat, alles voor ons ?quot; â âJa, voor óns, is 't niet goed ? Kom, stap in den brommer, je sjaal en je hoed ;
Daar wachten ons vrienden in vroolijk verlangst. De kamers zijn open ter welkome ontvangst!quot;
181
Aimlels Leonora.
XIX.
Zij sluipt in den brommer, gehoed en gesjaald,
En rijdt naar 't station, waar heur lieveling beidt. Die, mantel en hoed diep in de oogen gehaald,
Haar fluks naar den wagen geleidt.
Een schok dreunt door 't lijf, en een fluit trilt in 't oor; Poef-poefe-poef-poef, gaat het pijlsnel er door;
Het vuur spat zijn vonken â heel akelig is 't! â
Om de ooren van stoker en treinmachinist.
XX.
Het oog onderscheidt niets in de ijslijke vaart:
Geen Halfweg, geen Haarlem â wat vogel zoo vlug? Geen voorwerp, geen huis, geen station wordt ontwaard,
Al dondert de Sparenerbrug!
«Mijn lief, word je raar? och, de reis is maar kort;
Geen minnaar, geen trein, die ooit ingehaald wordt. â Mijn lief. word je raar? ben je bang voor papa?' .Volstrekt niet ter wereld 1 maar zwijg van papal
XXI.
âMaar wat toch dat fluiten en sissen beduidt?
Waartoe houdt de trein hier zoo onverwacht stil ?* De bel luidt te Haarlem, een sjouwer roept luid ;
âEen heerschap, die meereizen wil!quot;
Hij vliegt naar de deur, toen de trein kwam tot staan; De sjouwerlui dragen zijn mantelzak aan;
't Geluid van zijn stem is volmaakt in 't gehoor Of 't pa of pupil was, 't snijdt leentje door 't oor.
XXII.
âWat scheelt het! 't is nacht, dus hij kome vrij in:
Hij bulk en hij blaas en hij tier wat hij wil.
Tot nu zijn wij veilig; 'k heb haar die ik min;
Stap in, heer, maar 'k zeg je: wees stil!
Wees vader of niet, kom maar op, oude heer.
Verzet je toch niet, want het helpt je niet meer!
üf ben je een pupil â o vergroot ons pleizier.
Want weet, dat ik straks mijn verlovingsfeest vier.quot;
Anistels Leonora.
XXIII.
De reiszak is binnen, 't rumoer is gestild.
Be deurwachters duwen den heer in de kast, 't Signaal wordt gegeven, de stoker gedrild,
De heer zit â geen schepsel tot last.
De schok dreunt door 't lijf en de fluit trilt in 't oor, Poef-poefe-poef-poef gaat het pijlsnel er door.
Het vuur spat zijn vonken â heel akelig is 't â
Om de ooren van stoker en treinmachinist.
XXIV.
Hoe vliegen ze rechts en hoe vliegen ze links!
En mijlsteen en seinpaal en wachthuis voorbij; Ze schijnen wel oogen van spook en van sphinx â
De dansende lichten op zij.
âMijn lief, word je raar? och, de reis is maar kort;
Geen minnaar, geen trein, die ooit ingehaald wordt; âMijn lief, word je raar'? Ben je hang voor papa?quot; â âVolstrekt niet! Hij loop naar de weerga, papa!quot; â
XXV.
Wat moet daar dat seinlicht aan Veenenhurgs wacht ?
Ze stoppen; een dame staat daar bij 't station. Gehuld in hour mantel en 't zwart van den nacht.
Ze wou mot den trein mee, als 't kon.
âKom liier, oude juffer, je bent niet tot last;
We hebben wel plaats, stap maar op in de kast;
Wees vroolijk, en zing bij 't gehots en geraas Een liedje aan ons voor van papaas en mamaas!quot; â
xx vr.
Met horten en stooten, gesis en gezeur.
Ontvangt zij een plaats naast den vreemden meneer, En wordt zij geduwd als een zak door de deur,
En valt zij op de overbank neer.
Do schok wordt gevoeld en de fluit piept in 't oor, Poef-poefe-poef-poef gaat het vliegend er door;
Het vnur spat zijn vonken â heel akelig is 't â
Om de ooren van stoker en treinmachinist.
18
Amstels Leonora.
XXVII.
De spoorlichten bliksemen 't een na het aar,
't Gaat doller en doller na Piet-Gij zenbrug;
Het lijkt: de stations liggen nevens elkaar;
Nooit ging het zoo vreeselijk v!ugl âMijn lief, word je raar? och, de reis is maar kort;
Geen minnaar, geen trein, die ooit ingehaald wordt;
Mijn lief word je raar? ben je bang voor papa?quot; âVolstrekt niet! Ik geef nu de wip van papa'quot;
XXVIII.
âZeg Pluto, of dat de Sint Jakob 1) ook isP
Straks eindigen wij onz' onstuimigen vaart,
O Pluto, dat is daar je stal, naar ik gis?
Sla neer nu je wapprenden staart!
Ja, ja, we zijn aan, trots den storm en het leed;
Hier heb je ons station, 't is er luchtig en breed.
Geen minnaar, geen trein, die ooit ingehaald wordt, â Hier kom je bediening noch kamers te kort.quot;
XXIX.
Hij opent de deur van het ramlende hok.
Waarin hij 't niet langer kon harden 200 't scheen: Hij slaat er het venster aan stuk met zijn slok.
Haar hoed krijgt een deukslag meteen.
Hij stapt het portier door â de grillige guit.
Maar helpt eerst den heer en de juffrouw er uit.... En 't gaslicht bestraalde op dit vreeslijk moment Figuren en trekken aan allen bekend.
XXX.
O Hemel, bewaar ons! wat onheil en schrik!
Wat ommekeer komt leonora voor 't oog?...
Haar held werpt zijn kleed af en thans ziet haar blik
Een grijsaard, verschrompeld en droog.
Het mom vliegt op zij en de pruik van het hoofd;
-184
Jfien aanschijn van zoetheid en zachtheid beroofd. Aanschouwt ze in heur vader â den trots in zijn stand, Hen bril op den neus en den stok in de hand.
') De Groote Kerk te 's-Hage.
De Tijdgeest.
XXXI.
De locomotief snort daar heen naar zijn stal,
Spuwt vuur in het ronde, blaast de aschvlok omhoog; De deurwachters, sjouwers â weg vlieden zij al,
't Stationshuis verzinkt voor haar oog.
In snikken en tranen ontlast zij 't gemoed,
Mama aan heur hoofd, de pupil aan heur voet,
Rolt ze over den vloer en ze vloekt met een gil Op iedren papa en op iedren pupil.
XXXII.
Bij 't licht van de lamp, zie daar ligt ze aan een zij,
Papa en mama, de pupil om haar heen; Ze ontsnoeren haar jurk, houden 't reukfleschje bij,
En paren dit lied aan 't geween:
âWanneer gij het goed hebt, en treurt om een ga,
O laat u niet schaken, brom niet op papa;
Uw hartstocht was dol, wee, wat had zij u beet 1 Hoop nu dat papa het vergeeft en vergeet.quot;
lavolgingen en Vertalingen uit het Hoogduitsch.
DE TIJDGEEST.
AAN RAÃPACH ONTLEEND.
In zeker dorp van een der Duitsche Staten, Dc naam doet niets ter zaak, die zij dus daargelaten, Zat, peinzende op het heil en 't lot van 't algemeen, De wijze raad bijeen.
Maar, zooals 't meer gebeurt bij achtbre corporaties, Daar klonken wel eens drukke disputaties,
En, had men met elkaar ook dikwerf veel gemeens. Niet altijd waren het hun Edel Aohtbren eens;
Daar was nogtans één punt, waarin zij allen samen Zeer wel in overeenkomst kwamen:
Het was de droeve klacht, zoo luid Als menigmaal door hen geuit,
De klacht: dat men een tal van oude, goede zaken
185
De Tijdgeest.
Zoo bitter in verval zag raken I Wel kwamen in de plaats daarvan Veel nieuwigheden uit de pan.
Maar ach! deze ongehoorde kluchten.
Zij waren 't, die den raad het ergste deden duchten.
Die stille pruikentijd, die tijd van zoete rust.
Van lijvigheid en lust,
Toen nog de zedigheid door 't keurslijf werd omsloten En de achtbre korte broek niet schendig was verstooten, â Die tijd van trekschuitvlucht, van waaiers en van geld, â Hij was voor altoos weggesneld!
Zijn telgen stoven heen als afgevallen blaadren,
â En wat, dus vroegen zich deez' brave burgervaadren, â Wat zag men nu in plaats?...
Een menschenteelt, die wuft, vol eigenwaan en praats.
Zich met den lauwer der beschaving meent te kronen En die men de ouden soms bespotten hoort en honen I Een tijd van stoom en stank, een tijd van gas en gloed. Van vlucht en vliegerij, van blaaslust en â bankroet;
Een tijd, die hulde doet aan zooveel malle spreeuwen.
Die hem het hoogste heft, die 't hardste slechts kan schreeuwen ; Een tijd van klinkklank en van snorkende aperij,
En bleef het daar dan nog maar bij!
Maar neen, de trotschheid, zij, de moeder aller plagen,
Zij heeft aan plicht en wet den bodem ingeslagen I Geen grenspaal ziet men voor 't verschil van rang of stand, Geen discipline meer in 't land,
Geen eerbied voor de magistraten,
â Geen vreedzaamheid op 's Heeren straten;
De honger zwaait zijn zwarten staf.
Elk vangt, zooveel hij kan, den ander vliegen af,
En toch houdt men zich groot, als wilde men 't niet weten, Wat schralen kost men thuis moet eten.
't Is alles kaal En toch royaal;
En dan die vaderlijke zeden!
Ze worden rnel den voet getreden,
Geen tucht heerscht meer in houding of in praat.
Geen deftigheid meer op 't gelaat,
Geen stommigheid in tooi en kleeding,
En, vraagt men, waartoe strekt de grootste geldbesteding? 't Is voor 't' vermaak en voor den opschik, anders niet! 't Is pronk- en praalzucht wat rnen ziet.
186
De Tijdgeest.
âAch, de oude deugden zijn verdwenen,
quot;Waar moet het met deez' tijden henen?quot;
Dus sprak de schout of president.
Een man van machtig veel talent,
't Orakel van het dorp, dat fichte had gelezen,
Een dien men om zijn geld vereeren zag en vreezen,
Hoewel men 't niet begreep, van waar hij 't kreeg en hoe. Maar, lezers! dat 's tot daar aan toe;
De man was aangedaan; mat tranen in zijn oogen,
Bezwoer hij thans den raad, â dat deze naar vermogen. Tot heil van 't menschdom en tot steun van 't staatsgebouw, Die kwade zaken weren zou!
De raadsliên, allen brave menschen,
Vol ijver en vol vrome wenschen,
Zij allen riepen: âJa, heer schout, geloof het vrij, U bijstaanP ja, dat zullen wij!
Wie zou 't intusschen zijn, die ons de rust ontroofdequot;? O wisten wij het slechts, wie ons dat kooltje stoofde!quot; âDe duivel!quot; riep er eon, met een vervaard gezicht.
âAbuis!quot; dus riep de schout, âjij bent van 't oude licht, âDe duivel, neen, die onrustbode Raakt heel en al thans uit de mode;
Neen, vriendje, neen, dat heb je mis,
Maar wil ik zeggen wie het is?
De Tijdgeest is het!... ja, mijnheeren,
Die doet ons dag in nacht verkeeren,
Die doet ons al dat goeds vergaan.
En bracht ons zooveel onheils aan;
Hij is een spook, dat dwaalt door dorp, gehucht en steden. Een spook, 't verleidlijk kleed der ontucht om de leden, Dat, steeds op nieuwe prooi belust.
Den roofklauw slaat naar eer en rust.quot;
âEen spook!quot; dus riep verwonderd een der leden, âEen spook, heer schout! je zegt met kleeren aan? wel heden! Dan heb ik dezen dag misschien Den Tijdgeest in persoon gezien!quot;
âGezien!quot; riep elk om 't hardst, âvertel het zonder dralen!quot; âIk was,quot; vervolgde hij, âin quot;t bosch om hout te halen;
'k Was afgetrokken en ik werkte al mijmrend voort.
Daar werd door mij op eens een zware tred gehoord;
Ik keek toen schielijk om, verbeeld u nu mijn schrik,
Op dat ontzettend oogen Wik:
Daar zie 'k een rijzig man niet witten baard en haren. Rn oogen in het hoofd als of 't lantarens waren;
187
De TiJUgeext.
Hij droeg een spits gepunten hoed;
Een kuitendekker, die hem neerhing op den voet, Met vreemde teekenen van boven tot beneden Bezet, omsloot zijn maagre leden;
Zijn midden was omgordeld door een band.
Hij had een staf, geloof ik, in de hand;
'k Zag nimmer zulk een man, gedurende mijn leven.
Wie uwer zou als ik niet beven?
Ik ging een eind voor hem ter zij',
Hij stoof me met een vaart voorbij;
't Is op zoo'n tijd maar 't best om vriendelijk te wezen, Ik groette hem, en kijk! hij groette mij weerom,
Hij noemde zelfs mijn naam; 'k werd van verbazing stom, 'k Zag toch den kerel nooit voor dezen;
Ik dacht, mijnheeren, 'k dacht toen daadlijk wel:
Hat is me hier geen zuiver spel,
Daar moet gewis iets achter steken;
En daarom, nu ik van den Tijdgeest hoorde spreken.
Nu valt de schel mij van 't gezicht.
Ja, nu krijg ik in 't duister licht.
't Is uitgemaakt! het was de Tijdgeest, wie, mijnheeren, Wie uwer durft aan mij het tegendeel beweren?quot;
âNeen, neen, je hebt gelijk!quot; sprak ieder, âo voorwaar. Het was de Tijdgeest wel, het wordt ons zonneklaar! Hij heeft het bosch, zoo 't schijnt, tot zijn verblijf gekozen, We moeten hem maar zien te lozen!quot;
âNeen, vangen wij hem op,quot; zoo zei de schout, âen dan
Bevrijden we er de menschheid van!quot;
âDat is een stout bestaan,quot; dus riepen ze eensklaps allen. âWelnu, mijn vrienden! als mijn plan u kan bevallen,quot; Zoo ging hij voort, âdan komt in 't dorp van groot tot kleen. Al wat slechts weerbaar is, om middernacht bijeen.
Opdat wij op het uur, als vaak de geesten spoken.
Ons spoeden naar het bosch, en...quot; â âInderdaad,
Dit plan is heerlijk,quot; riep de raad.
âWelnu,quot; zei onze schout, âdat blijft dan afgesproken!quot;
In een nabijgelegen stad,
Waar ieder de gewoonte had Het vastenavondfeest te vieren.
Door luchtig dansend rond te zwieren,
Hield men, tot sluiting van het vroolijk carnaval. Een groot gemaskerd bal.
Daar stroomde een aantal gasten samen
â¢188
I)e Tijdijeest.
En onder hen, die daar zoo bij elkander kwamen,
Ontwaarde men een man, gekleed als toovenaar,
Die, met een levendig gebaar.
Veel snaaksche grappen wist te maken.
't Was snel, barbier van 't dorp, waar wij zoo straks van spraken Hij had zich dansende afgesloofd,
En, daar hij vrouwlief had beloofd,
Dat hij 't vermaak niet al te lang zou rekken,
Zag ieder hem een uur vóór middernacht vertrekken;
Hem restte nog een goed eind weegs, voorwaar.
Zijn woning lag nog ruim een vijfkwartiers van daar.
Hij moest door 't bosch, maar wat was hém daaraan gelegen? Hij kende, zoo bij nacht als bij den dag, de wegen.
Snel stapte vroolijk voort en hield een vasten tred.
En dacht al gaande na op d' afgeloopen pret.
Een honderd schreden nog, dan was hij 't dorp genaderd.
Daar hoort hij achter zich iets schuiflen in 't gebladert;
Hij staat eens even stil, doch hoort noch kan iets zien.
Hij dacht: de wind woei daar de blareu op misschien Maar spoedig scheen het hem, als hoort hij stemmen fluistren, Nu stond hij nog eens stil, om andermaal te luistren.
Dan, ijlings pakken hem een aantal handen aan!
Hij woelt en worstelt, doch kan d' aandrang niet weerstaan; Hij beeft van schrik en van ontzetting, tracht te spreken;
Doch 't was alsof de tong hem in de keel bleef steken.
Men bond hem aanstonds stroef en stug De beide handen op den rug.
Daar ziet hij door het licht van de open schuiflantaren,
Dat zijn belagers slechts zijn mededorpers waren.
Ja, onder hen, zijn beste en trouwste kameraads.
Nu maakten angst en schrik voor 's mans verbazing plaats; Zij wilden hem toch niet bestelen?!
Neen, mooglijk was men 't eens om hem een pots te spelen. âWat wil jelui toch?quot; vroeg hij nu.
âZwijg, geest !quot; was 't antwoord, âzwijg! want wij bevelen 't ulquot; âWat! geest?! kom, ben je dol? 'k speel hier geen maskerade!quot; âSpaar, booze, spaar uw taal, we geven geen genade!quot;
âGenade en booze? wat een praat!
Kom, maak me handig los, 'k word om die grollen kwaad!quot; âBindt, bindt hem, klonk het voorts, hij mag ons niet ontsnappen!quot; âMaar vrienden, zegt me toch, wat wil je met die grappen ?
Ik ben geen geest, ik ben jucodcs snel!quot;
âje liegt, we kennen al uw booze streken wel!quot;
âWat? ik zou snel niet zijn? jou gekke salamanders.
Ik ben de dorpsbarbier, wie duivel, ben ik anders?quot;
189
De Tijdgeest.
âJe bent de Tijdgeest, die der menschen rust verstoort,
Maar thans heb je afgedaan, pak, monster, pak je voort I'
â'k Wou dat menquot;, sprak een stem, âhem levend hier verbrandde!quot; âGerechtigheid!quot; riep snel, ,wat scheelt jelui, o schande,
Je wilt toch, zoo ik hoop, geen moord aan mij begaan?quot; âAh,quot; klonk het, âhij wordt bang, ja 't monster moet er aan!quot; âMaar, denkt toch aan mijn vrouw en kindrenlquot;
âUw kinders zijn het juist, die ons zoo razend hindren!quot;
âMijn kindersfl Hebben u die schapen iets misdaan Pquot;
âVoort, naar het rechthuis, voort, daar zal je 't wel verstaan!quot;
Snel voelde zich nu voorwaarts trekken,
En dacht zoo bij zich zelf: 'k bevind mij onder gekken.
Maar hoe toch zou hij met fatsoen Zich van dien mallen hoop ontdoen'?
Hij peinsde nu op list: hij had wel hooren praten.
Dat men de zotten vaak in hun idee moest laten,
Wanneer ter ongelegen stond Men zich in hunne macht bevond,
Ãn dat men dan door slimme zetten Het best hun opzet kon beletten;
Hij ging dies, als een lam, gedwee Met zijn geleiders mee.
In 't rechthuis nam de raad zijn zitting als te voren.
Men zou nog d' eigen nacht den suppliant verhooren;
Men deed nu d' aanklacht en vernam alras.
Uit d' eigen mond van snel, dat hij de Tijdgeest was. âHij wist hetquot;, zou hij zei, âzijn uur was thans geslagen;
Zijn rijk was uit, hij moest der menschen hoou verdragen, Maar tevens wist hij 't ook: hij stond nu voor een raad, Die nimmer nog de beê der onmacht had versmaad;
Hij had dus één verzoek, en wist daarbij te voren.
Dat men hem liefdrijk zou verhooren;
't Was dat men van het knellend touw Zijn handenpaar ontlasten zou.
Die vraag was redelijk, dus vonden het de heeren.
Men zou 't hem daarom accordeeren.
Maar nauwlijks is hij los, of ziet, daar haalt hij voort Een scheermes uit den zak, niet van de kleinste .soort; Hij zwaait het rond en roept met vreeslijke gebaren,
Dat ze allen thans verloren waren I Dat niets hein nu meer breidlen zou,
li, hij hen allen villen wou!
190
De Laster en de Straf.
Hals over kop vloog de een na d' ander De rechtzaal uit; men wierp elkander Schier te onderstboven in de vlucht,
Zoo was men voor zijn wraak beducht;
Men liep als dol de straatdeur open,
En lette 't buiten op een loopen.
Snel liep natuurlijk mee en vond Zijn weg naar huis, waar hij terstond Zich vrijdde van zijn toovnaarskleeren En troost ging zoeken in de veeren.
Nog zucht de raad wel om 't verval van 't schoon weleer,
Doch zag den tijdgeest nimmer weer;
En snel, die andermaal zich niet wilde exponeeren.
Liep na dien dag nooit weer in maskerade-kleeren.
1841.
DE LASTEK EN DE STRAF.
Een telg van d' onderaardschen koning, De Laster, deed een tocht door 't land;
Belust op prooi en op belooning,
Was bij hein thuis niets voor de hand.
Het gras verdorde langs zijn schreden, Het bosch werd kaal, het veld ontvrucht,
De slangen kropen door de steden En de uilen zwierden door de lucht.
Toen hem het omzien mocht gelukken.
Zag hij een volgster op zijn baan;
De Straf kwam stromplend op haar krukken. Wel langzaam, maar toch zeker aan.
â01 ditmaal haalt ge,quot; riep de laster,
âMij vast niet in;quot; â maar de andre sprak:
âAl loopt gij vlug en schijnbaar vaster,
Ik kom 'er óók op mijn gemak.quot;
1844.
HET SPOOK.
Een zeker huiswaard, naar mij onlangs is verteld. Werd door een spook geruimen tijd gekweld;
191
Het Spook.
Wel liet hij, om dien gast te weren,
In stilte zich het geestenbannen leeren.
Maar tot zijn droefheid â zonder vrucht; Het tooverapplikaat was ijl gelijk de lucht;
Het scheen den geest geen haar te deren,
Want, diep verhuld in wijden, witten doek,
Bracht deez' hem strijk en zet een nachtelijk bezoek.
Toevallig kwam een dichter bij hem in.
Be waard, niet prat om 's nachts alleen te wezen,
Vroeg deez' in zeer bedekten zin Om hem zijn dichtwerk voor te lezen.
Een treurspel las hij, schoon die sprank uit 's zangers ziel Den waard niet groot, maar den poëet-zélf best beviel.
De geest kwam op zijn teenen binnen sluipen.
Maar zoo, dat wel de waard hem in de kijkers had,
Maar niet de dichter, die juist óver dezen zat.
't Spook luisterde wat toe, maar kreeg opeens de stuipen, En rilde bij dien dichtergloed.
En ijlde heen met ongewonen spoed.
De waard, met dit gevolg bijzonder ingenomen.
Liet d' andren nacht opnieuw den dichter komen. De zanger las; de geest verscheen.
En hoorde verzen en... verdween.
Ha, dacht de waard, kan jij dien rijmdeun niet verdragen ? Een heerlijk middel om je voortaan weg te jagen!
Den derden nacht bleef onze waard alleen.
Twaalf sloeg de klok en 't spook kwam als te voren. âJan!quot; riep de waard, met luider stem, âloop heen. En vraag den dichter om zijn treurspel eens ter leen!quot; Nauw mocht het spook die klanken hooren. Of 't schrikte en wenkte met de mouw.
Als zei hij: âlaat de knecht gerust die moeite sparen.quot;
De geest sloop naar zijn graf en bleef daar voorts getrouw. En liet zelfs van zijn kleed geen tipje meer ontwaren.
Een ieder die dit wonder leest,
Kan daar de zekerheid uit putten.
Dat geen gedicht zoo slecht ooit is geweest. Of 'twas toch ergens toe met voordeel te benutten. En als een spook van lamme verzen gruwt. Zoo kan dit ons den troost verleenen. Dat, zoo er geesten in deez' tyden nog verschenen.
192
Huida's Papegaai. 193
Nu vers op vers het land wordt ingestuwd, Men bij dien letterrommelzoo Nooit voor het middel had te vreezen:
quot;Want, was het spookgespuis ook bijna legio, Daar zonden zeker toch nog méér gedichten wezen. 1844.
HULDA'S PAPEGAAI.
|
Hülda's schoone papegaai. Dien ze praten leerde. Zag zijn kans eens wonder schoon, En hij échappeerde. Vruchtloos zocht men naar den guit. Hdlda brak in jammer uit: âWie den vluchtling wederbrengt, âUite zijn verlangen, âWat hij zich tot loon bedingt âZal hij trouw ontvangen! Dit bericht werd door de stad Rondverspreid door brief en blad. En de jacht, die nu begon, Zal ik niet verklappen; Iedereen wou met geweld Lorretje betrappen; Ridders zelfs met zwaard en helm Zochten naar d' ontvloden schelm. Jonkvrouw hdlda, rijk en lief, Parel van de schoonen, Zag zich door baron en graaf Liefde en eer betoonen; Ja, de heele ridderstand Was begeerig naar heur hand. En die hand was juist 't geschenk 't Doel van aller streven. Als men zoo gelukkig was. Papje weer te geven. Maar hoe graag men 't beestje had. Bleef het een verborgen schat. |
Toen men hem na tijdsverloop Nergens op zag dagen, Ging men bij de vogelaars Papegaaien vragen: Twintig vogels vond men daar Hem gelijkend op een haar. Wijl men zoo veel gading zag. Moest de koopwaar rijzen; Maar de vrijers zagen thans Op geen hooge prijzen; Elk betaalde mild en stout, Ja, de waar woog tegen goud. Hülda zat voor 't open raam Strak en stijf te breien. Toen de huisschel werd geroerd Door oen troep lakeien: Ieder met een papegaai En een brief, bij uitstek fraai. Twintig vrijers zonden elk Wat ze lang ontbeerde. Maar, tot loon waarvan men ook Jonkvrouws hand begeerde; Want ze had het luid verklaard: Lorre was haar alles waard. Maar, o hemel, zoo'n geschreeuw Hoorde hdlda nimmer; âSmeerlap, schobbejak, schavuit!quot; Ja nog tienmaal slimmer, 't Schelden kende perk noch paal, 't Was een rechte vischvrouwtaal. |
13
II.
Hulda's Papegaai.
194
|
Wreevlig riep de jonkvrouw uit: âWeg met al die dieren! âBreng /e maar gezwind terug , .Van de kavalieren ; ,Gcen van heel dit helsche koor Spreekt als hij, dien ik verloor.* Zij, die zoo gramstorig was, Ware 't niet gebleven, Had haar ridder théobald Ook een brief geschreven; Onder ons, dat was de vrind, Door haar in 't geheim bemind. Ook op haar bezit mocht hij Lang in stilte hopen; Maar te zedig, lei hij haar 't Minnend hart niet open. Slechts een half vergaan kasteel Was des ridders karig deel In verlaten eenzaamheid Liep hij door zijn zalen. Peinzend in zijn treurig lot, Heen en weer te dwalen. Toen zijn naam werd uitgeschald âTuéobald, mijn théobald 1quot; âHei! wie roept me?quot; riep hij luid, âSpookt het in mijn woning?quot; Maar, wal zat daar in 't kozijn? Hemel, wat vertooning! Rood van borst en groen van veer: Daar was hdlda's vluchtling weer! Théobald begreep terstond Hoe zich te gedragen, Hoe hij d' aangenamen gast |
Toch niet zou verjagen; Maar het dier was mak en zacht. En weldra in 's ridders macht. Nauw had hij den papepaai. Of hij sprong in 't zadel. En hij rende naar de bloem Van oud-Duitschlands adel; 't Was een rit, zoo snel, als had Hij gevlogen naar de stad. Théobald viel op de knie Voor de juffer neder. âBrengt ge,quot; riep ze blij te moe, âThans mijn lievling weder? âNeem mijn dankerkentenis, âAls u die genoegzaam is.' Wat zijn hart graag uiten wou. Dorst zijn mond niet melden; Maar de vogel bracht het uit Waar de schoenen knelden: âThéobald, ik min u zeer!quot; Sprak hij vleiend, lief en teer. Hülda schrikte bij 't verraad Van haar minnesmarten, En een blos strekte ook ten tolk Van 't geheim haars harten; Want de vogel klapte luid 't Woord, door haar zoo vaak geuit. Weldra sloten beider hand Hun verbond voor 't leven. En den minverklapper werd Ruim zijn deel gegeven; Goed voorzien van kruim en vrucht. Ging hij nooit weer op de vlucht. -1848. |
/oo is de wereld.
195
ZOO IS DE WERELD.
|
Sinds 't paradijs ons werd verklaard Als 't beeld van waar geluk op aard, In fabel, leer en lied, Verzuchtte en jeugd en ouderdom; âAch, kwam die goedo tijd weerom Iquot; En echter kwam hij niet. De wijze, die ten kansel stond, De knaap, die nog zijn werkkring vond In 's meesters schoolgebied, Ze hebben aan den lieven tijd Hun geest en beuzelwerk gewijd. Maar rijker word hij niet. Men oiferde zijn zweet en bloed, Men heeft in 't hart der aard gewroet Zoover 't zich peilen liet. Men heeft gezaaid, geplant, gebouwd, flet heeft geregend en gedauwd. Maar schooner werd het niet. Daar zijn profeten opgestaan, Ze wezen 't paradijs ons aan Bij 't schitterendst verschiet; Men heeft geschreven en geleerd, Men heeft gehekeld en bekeerd. Maar beter werd het niet. Men heeft de waarheid opgespoord, Orakels en natuur verhoord. Wat waan en wijsheid ried; Men heeft de sluiers neergehaald. En 't fakkellicht heeft hel gestraald, Maar lichter, werd het niet. Men heeft gebannen en onttroond, Opnieuw gehuldigd en gekroond: Men schond, aanbad, verstiet; |
Men heeft het hechtst arduin gesloopt. Tiran en duivel opgeknoopt, Maar vrijer werd het niet. Do kleinste spanne heidegrond Werd stipt bepaald bij eed en bond,â Alom is recht geschied; Men heeft gestreden en verjaagd, En dacht de wereld schoon gevaagd. Maar vrede kwam er niet. Geheimekunst weerstond, met kracht, Door sympathie en toovermacht Der kwalen zwart gebied; Men bezigde de goudtinctuur. De water- en de hongerkuur, Maar ouder werd men niet. Al weten wij het nog zoo goed, Wat sinds den grooten wereldvloed Ter wereld is geschied; AI leerden wij van kindsbeen af. Wat goed en kwaad tot leering gaf, Voorzichtig werd men niet: Ach, de avond volgt don dageraad. En elk geslachte komt en gaat; De baar wast en vervliet; De toekomst naakt en gaat voorbij, Kn jong wordt weer het oud getij, Maar nieuwer wordt het niet. Hebouw dus stil uw eigen grond, Bekreun u niet om 'tgeen ge in 't rond Van dwaze of wijze ziet â Verzorg uw huis, zoo goed ge kunt. De wereld geeft slechts valsche munt, Ach, anders wordt het niet! 1848. |
Het zieke Boerinnetje.
HET ZIEKE BOERINNETJE.
Moeder, nu ben ik den dokter gaan spreken;
O, 'tis een hupsch en een hartelijk man!
Wat me uit zijn trekken terstond is gebleken:
H ij helpt me zeker, als een het er kan.
'kBen wel een uur of twee bij hem gebleven, Haarklein heeft, hij mij naar alles gevraagd, Haarklein heb ik het hem alles beschreven,
'k Heb hem in trouwe al mijn smarten geklaagd.
Dat mij, bij vruchteloos wenden en keeren.
Sluimer noch rust aan het leger meer boeit;
Dat ik door hitte mij 't lijf voel verteren.
Als aan den haard zelfs geen vonkje meer gloeit; En, als de slaap al mijn oog komt bekruipen,
Dat ik, door droombeeld op droombeeld verschrikt, Mikkel steeds voor mij en om mij zie sluipen.
Die mij, waar 'k heenloop, verrast en verstrikt.
'k Zei, dat ik vreeslijk beklemd ben bij tijde,
Dat ik bedrukt ben en droomend en droef;
'k Zei, dat iets vreemds mij hier drukt in de zijde;
'k Zei, dat ik graag in den maneschijn toef;
'k Zei, als ik maai in het bij.'ijn van mikkel,
Dat ik verward dan den handgreep vergeet.
Ja, dat ik laatst met het scherp van mijn sikkel Niet in het loof, maar den vinger mij sneed.
'k Zei, dat ik onlangs, in plaats van mijn koren.
Rozen naar huis bracht en lovers en groen.
En, toen ik kortlings een bruidzang mocht hooien.
Dat ik van schrik geen stap verder kon doen; Dat het mij schijnt of mijne oogen verglazen.
Als ik ter kerke in 't gebedenboek staar.
Maar als ik mikkel de dwarsfluit hoor blazen,
't Alles mij licht wordt en helder en klaar.
Toen ik den dokter dit al had beschreven.
Zei me zijn blik: 'k heb de ziekte geraan.
Nam hij 't receptblad en peinsde slechts even,
Schreef toen het middel en bood het mij aan.
âGeef dat uw moeder,quot; dus sprak hij ; maar buiten Dreef mij mijn lust tot de lezing van 't ding;
'kLas er drie woorden op â wil ik ze eens uiten ?____
Mikkei. van zee â de pastoor â en een ring!
196
Noachs Testament.
197
ZWARIGHEDEN VAN IEMAND DIE GEKN AFSCHAFFER IS.
|
'k Hoor dat de kroegdeur zich Achter mij sluit! Straat, wel hoe wonderlijk Zie je er toch uit! Rechterhand, linkerhand! Ben je an den draai? Straat, je bent dronken. Houd je toch taai 1 Maan, o wat trek je daar Scheef je gezicht! Open is 't linkeroog, 't Rechter is dicht. Ja, je bent lodderig! 't Staat je heel schoon! Schaam je wat, schaam je wat, Oude matroon! |
Zie de lantaarns daar! Is het ook waan? Weerslag! ze kunnen niet Rechtop meer staan! Palen en dwarsijzers Rollen dooreen; Zie, heel de santekraam Is van de been! Alles draait schots en scheef.... Hè! 'k ben zoo raar. .. Als ik er onder ging', Liep ik...gevaar! Wagen? ik doe het niet, 'k Beef al genoeg! Kom â ik ga stilletjes Weer naar de kroeg. Een Duitschen draaideun gevolgd. 1848. |
NOACHS TESTAMENT.
|
liet liep met noach op een nnd, De man dacht aan zijn testament; Hij zag zijn goed na, vast en los, Taxeerde paard en schaap en os, En vrouw en kind en 't stomme vee, â 't Bracht alles vrij wat zorgen mee. Nu werd, na 't al was afgepaald, Er 's mans notaris bij gehaald ; âBaar heb je,quot; sprak hij, schaap en koe, Tel ieder trouw het zijne toe; Zorg dat de scheiding juist geschied' En, man.... vergeet je zeiven niet!quot; Toen nu de deeling was gedaan En noach 't op papier zag staan, Vroeg hem de man, voor't recht bezield. |
Maar die ook van een glaasje hield: âWie, heer cliënt, zal mat uw wijn Als erfgenaam bevoorrecht zijn?quot; âDat is een zaak,quot; was 't antwoord Bie ik hier slecht bepraten kan. {âman' Wij moeten in den kelder gaan En zien hoe daar de affaires staan! Dus hebt ge lust, komaan, terstond, 't Is donker hier, tast goed in 't rond.quot; Ze werkten samen, en ter deeg, En dronken menig glaasje leeg. En merkten 't een na 't ander vat, En proefden nu eens dit â dan dat, En vingen, toen 't was afgedaan. Opnieuw met d' inventaris aan. En noach schertste met zijn vrind, En dacht niet meer aan vrouw en kind. âAmice!quot; sprak hij, âweet je wat? Schrijf goed en leesbaar op je blad: Dat van den schat van al mijn wijn De wereld erfgenaam zal zijn.quot; |
De verbrijzelde Fiool.
198
|
âMijn doodsklok zij een bekerklauk, Mijn requiem een blij gezang, Mijn monument een monstervat, Gevuld met heerlijk druivennat; Schrijf, heer notaris, 'k blijf er bij, 'k Wil dat er niets vergeten zij.quot; |
Toen bond hij aan dien laatsten wil Het hiernavolgend codicil: âIk legateer nog op dit pas Aan hem mijn allerfijnst gewas. Die aan een schraal voorzienen disch Nogtans met water vroolijk is.quot; Naar LANfïBEiN, |
APENTROOST.
|
Een aap had met vee! zorg en zwier Als pronker zich gekleed; âNu schijn ik,quot; sprak hij, âtoch geen (aap Voor iemand die 't niet weet.quot; Hij pakt met moed het spiegelglas Met beide pooten op: Maar hoe hij kijkt â hij ziet nog Den ouden apenkop, (steeds Hij draait, den spiegel links en rechts, â'k Beu neljes!quot; sprak de knaap. |
âMijn frak valt mooi, mijn broek zit strak. Maar 'k ben en blijfâeen aap.quot; Hij 's dol, hoe hij zich keert of wendt, Toch ziel hij d'apensnoet, Hij rukt den spiegel van den muur En trapt dien met den voet. Maar hij bezint zich dra en roept 't Kon erger, naar ik meen, 'k Zie mijns gelijken overal, 'k Ben nergens ooit alleen.* Een Duitscher nageaapt. |
Liedjes van Béranger.
DE VERBRIJZELDE VIOOL.
Kom hier, hond, zie niet naar mijn tranen,
Eet, arme trouwe lotgenoot!
Daar, neem mijn laatste feestgebakje, Wij deelen morgen 't roggebrood.
De vreemdling heeft door list verwonnen,
En bracht ons dal in angst en druk ; Hij vroeg âeen dansdeun:quot; 'k wou niet spelen: Hij trapte mijn viool aan stuk.
Zij gaf den toon aan in ons dorpje;
Geen feest nu meer, geen zang der min! Wie zal de jeugd nu rond doen springen '
Wio zet nu 't kermisliedien in?
De verbrijzelde Viool.
Nauw was een trouwdag aangebroken. Of hoor, daar trilde reeds de snaar 1
Ze ging aan 't lieve bruidje zeggen: De bruigomsstoet is spoedig daar!
Als Heeroom naar heur toon dorst luisteren, Was 't of zijn toon voor 't dansje week,
Daar zelfs de vreugde, die zij spreidde, De wolk van 's vorsten voorhoofd streek.
Hoe zong ze soms het lied der zege Voor vaderlandschen moed en trouw I
Ach, kon ik denken dat de vreemd li tig
Op haar â mijn schat â zich wreken zou?
Kom hier, hond, zie niet naar mijn tranen, Ket, arme, trouwe lotgenoot.
Daar, neem mijn laatste feestgebakje, Wij deelen morgen 't roggebrood.
Hoe zal de Zondag eindloos schijnen In 't ijpenbosch of in de schuur!
Wat zegen zal de wijnoogst geven.
Spelt geen viool het aanvangsuur?
ZÃ bracht voor armen en vermoeiden Verkwikking en verpozing aan;
Zij deed voor lasten en bezwaren Een troostwoord in de hut verslaan.
Ze mocht zelfs bittre tranen drogen; Zij dempte haat en stilde leed ;
Geen schepter bracht moer heil op aarde Dan mijn geliefde strijkstok deed.
De vijand wist den moed te wekken â Den moed, die in mijn hart verschool;
Nu mag 't musket de plaats vervangen Van mijn verbrijzelde viool!
Mijn vrienden, thans van mij gescheiden. Zij zullen zeggen, als ik sterf:
âHij wilde niet, dat ooit een vijand Verheugd zou dansen op ons erf.quot;
Mijn goede Grootmama.
Kom hier, hond, zie niet naar mijn tranen,
Eet, arme, trouwe lotgenoot!
Daar, neem mijn laatste feestgebakje.
Wij deelen morgen 't roggebrood.
1854.
MIJN GOEDE GROOTMAMA.
COUPLETTEN AAN EENE DAME VAN 30 JAAR, DIE DE DICHTER ZIJNE GROOTMAMA NOEMDE.
Schoon 't oude spreekwoord ons bediedt: De vriendschap stijgt in 't leven zelden.
Uw kleinzoon, heusch, gelooft het niet,
Zoo 't u, zijn grootmama, moet gelden.
Die titel soms zoo zacht, voorwaar.
Hij klinkt wat zot naar uw gedachten?
Och, grootjelief, och, troost u maar â De rimpels laten zich nog wachten.
Heeft de ouderdom uw lust geknot,
En zoudt gij liefdes droombeeld wraken?
Berisping van het zacht genot Kan onze moeders meest vermaken ;
Strooit ons de tijd de sneeuw door 't haar En zien onze oogen veel verkleuren â
Och, grootjelief, och, troost u maar â Gij hoeft om 't grijs nog niet te treuren.
De liefde schuwt de grootmamaas,
Maar 't goud verleidt soms tot verlieven.
En menig bestje heeft, helaas.
Nog last van wonderfraaie brieven!
Zoo'n billet doux â voor 't oog wel zwaar â Doet de oude nog kokette wezen;
Och, grootjelief, och, troost u maar â Gij kunt toch zonder bril nog lezen.
Hoe, zonder rimpel, zonder grijs,
En zonder bril nog op uw jaren ?
Uw knie? ze beeft, den storm ten prijs. Die d' ouden tronk reeds doet ontblaren ?
Ja wel, uw knie â ze beeft, zoo waar. Als liefdegloed u komt verrukken â
Och, grootjelief, och, troost u maar â En zorg voor een paar goede krukken.
200
Vijfluj jaar.
VIJFTIG JAAR.
Waartoe die bloemen in mijn woning? Dit feestbouquet â het kondigt me aan,
Dat half een eeuw met zijn vertooning Mij over 't hoofd is heengegaan.
Ach, hoeveel dagen zijn verstreken, Ach, hoeveel tijd verspild, voorwaar!
Ach, hoeveel rimpels, die mij preeken:
Helaas, helaas, 'k tel vijftig jaar!
Die leeftijd â 'k moet mijn spijt verkroppen; De vrucht sterft op d'ontblaardcn boom;
'k Hoor iemand aan mijn huisdeur kloppen, Ik doe niet open, 'k word te loom.
Het is de dokter zou ik vreezen.
Hij vraagt: wordt iemand hier onklaar?
Voorheen zei 'k: 't zal usette wezen â En thans.., helaas, reeds vijftig jaar!
Der kwalen stroom dooft glans en luister; De droppel is 't, die 't lichaam slijt;
Straks komt de blindheid met haar duister, De doofheid â doel van spot en spijt.
De rede â een lamp die gaat vermindren, Een flikkerlicht slechts hier en daar â
Hebt eerbied voor de grijsheid, kindren! Helaas, helaas, 'k tel vijftig jaar.
Ach, 'k hoor den dood mijn woning nadien, Terwijl hij zich de kneukels wrijft;
Hy klopt en wijst mij op mijn vadren â En vraagt waar toch het heerschap blijft.
Beneden zie ik nood en lijden,
'k Zie sterren als 'k naar hoven staar;
't Is tijd, 'k wil mij den hemel wijden, Bedenk het wel: 'k ben vijftig jaar.
Maar neen, gij zijt het, die 'k hervinde, M ij n zuster van liefdadigheid.
Gij vaagt den nevel weg, beminde.
Die op mijn ziel lag uitgespreid.
Met bloemen zijt gij hier gekomen, Met hyacint en rozelaar.
Stort lentegeur op 's wijsgeers droomen. Helaas, helaas, 'k tel vijftig jaar!
Herinnnringen der jeugd.
DE DOCHTER VAN 'T VOLK.
Dochter van 't volk, die den volksdichter huldigt, Die van uw lente de bloemen hem biedt,
Gij zijt van kindsbeen die schatting verschuldigd â Immers, uw traan ving hij op in zijn lied.
Vrees niet: gravin noch prinses wekt zijn keuze; 'k Acht geen omgeving van pracht of klcedij :
Zanger en muze, ze voeren tot leuze:
Ik ben van 't volk en mijn liefde met mij.
Jong doolde ik rond, onbekend en verstooten;
Oude kasteelen verlokten mij toen;
Maar â niet een vriendlijke deur werd me ontsloten â Wat zou de dvveepzieke dwerg er ook doen?
âMuzen, waar bleven uw zangen en sagen?*
Zuchtte ik: â't ging al met uw minstreels voorbij? â
âKom, laat ik elders mijn burgerrecht vragen!quot; Ik ben van 't volk en mijn liefde met mij!
Arme salons, zelfs hun vreugd stond me tegen â Pracht die verblindt, bij verveling die moordt;
Vuurwerk, gebluscht door een enkelen regen â Blijdschap, die reeds bij de ontwaking versmoort.
Gij, die men weeklijks naar buiten ziet zweven, 't Kleedje vol smaak en het lachje zoo blij â
Kom mij de vreugd van den Zondag hergeven â Ik ben van 't volk en mijn liefde met mijl
Bieden als, gij ooit princessen, gravinnen.
Zulk een bekoorlijkheid, eenvoud en gloed ?
Gij met uw hartje bestemd lot beminnen.
Oogjes zoo sprekend en trekjes zoo zoet?
Zeker, het volk heeft een diepe memorie.
Hoven bestrijdend, koos ik zijn partij.
Aan uwe hand viert de zanger zijn glorie â
Ik ben van 't volk en mijn liefde met mij.
HERINNERINGEN DER JEUGD.
Gezegend oord, waar eens de hoop mij streelde.
Op vijftig jaar, breng 'k n opnieuw mijn groet: Herinnering aan zoete kinderweelde
Schenkt lontevrc Mgd en nieuwen levensmoed.
202
Uerinnerimjcu uei' jeuyU.
Gegroet, gegroet, mijn vroegre speelgenooteii, Gij oudrenpaar, dat in mijn ziel nog leeft,
Dank hebbe uw zorg, dat, wat me ook heeft vardrotenl 't Arm vogelkijn zijn nest gevonden heelt.
'k Wil alles zien: ook 't schoolhok waar 'kin smoorde. Waar ('k had mijn tijd met nichtje soms verkwist;
De pedagoog de lessen overhoorde.
En onderwees hetgeen hij zelf niet wist.
't Eene ambacht voor na 't andre zou ik leeren,
Maar luiheid viel, helaas, zeer in mijn zwak;
Ik pronkte reeds verwaand met wijsheids veeren, Toen 'k onderricht ontving in Franklins vak.
Het was een tijd, dat zich de vriendschap vestte; Een morgenzon, die blijden dag verkondt,
Een boom in schijn, waar nauw een tak van restte
Tot wandelstaf in onzen avondstond.
Gezegend oord, waar eens de hoop mi) streelde, Op vijftig jaar, breng 'ku opnieuw mijn groet;
Herinnering aan zoete kinderweelde Schenkt lentevreugd en nieuwen levensmoed.
Ten dag des strijds, vernam ik in deez' muren Den doffen dreun van 's vijands moordkanon;
'k Gaf aan mijn land in blijde en droevige uren Mijn zang, dien ik toen nog maar staamlen kon.
'k Zweefde in mijn droom op zachte duivenpennen. En ik vergat van mijne klompen 't wicht;
Ook de ongena des hemels leerde ik kennen, Van koningsgram voelde ik de bliksemschicht.
Het needrig dak zag met het lot mij kampen,
't Zag hoe mijn geest ten strijd zich heeft gegord;
Het zag den roem vergaan in wufte dampen, Den roem, waarbij het oog soms tranen stort.
Getuigen van mijn lieve voorjaarsdagen,
'k Vereer u nog! mijn vrienden, ouders, neen,
'k Vergeet de plek niet, die mijn wieg mocht dragen. Al ging van daar de wiegster lang reeds heen,
Ken liedje voor den werkman.
Gezegend oord, waar eens de hoop mij streelde, Op vijftig jaar breng 'k u opnieuw mijn groet! Herinnering aan zoete kinderweelde
Schonkt lentevreugd en nieuwen levensmoed.
Liedjes voor het Volk.
LEVENSWIJSHEID.
20i
|
Die 't vrije mint En 't goede vindt Daar, waar hij werd geboren, Hem is gewis Eene erfenis Van veel waardij beschoren. Wie eigenbaat En tweedracht haat, Maar vrede en vreugde voedstert, Hij vraag niet veel, Maar zoek zijn deel Op d' erfgrond die hem koestert. Daar plant' hij voort Wat hem bekoort Van 't heden en verleden, Mits hij van 't goed Zich winste doet En 't kwade zij vermeden. Wie huis en land Zijne eer verpandt, Moog groot of klein zich melden; Zoo hij als man Doet wat hij kan, Dan moog hij zich doen gelden. |
Het leven biedt Wel eens verdriet. Maar blijdschap drijft toch boven; Elk krijgt zijn maat In breuk of baat Om zuur of zoet te loven. Waar ieder man Zijn land, als 't kan, Verbetert of verdedigt, Daar schijnt de zon, En wordt de bron Van welzijn niet geledigd. Doet elk zijn best, Dan volgt de rest; Veel klacht wordt dan vermeden. Men houdt zijn stuur En plaagt geen buur, En smaadt geen overheden. Heil elk, die 't hoort, Wij moeten voort Door kou en onweersvlagen ; Dus, lotgemeen Moet iedereen Met moed zijn knapzak dragen. |
EEN LIEDJE VOOR DEN WERKMAN.
Zwaar sloven wij voor't stukje brood. Maar waken tegen krimp en nood; Wij vragen dus van spier en hand Wat wicht zij kunnen dragen; Geen bidden helpt of klagen, Thuis toeven maag en tand.
Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat Bezet in huis, belast op straat.
Gaan we iedren dag den zelfden gang. Al bidden wij om zegen,
Soms valt de taak ons tegen. Nooit valt ile tijd ons lang.
Gezelschapslied.
205
|
Ze hebben ons wel eens gezegd; De werkman spreekt niet voor zijn (recht. Maar, of het daar alleen in zit, Dat is nog niet bewezen. Verzet zou 't kwaad genezen, â Maar, wie bewijst ons ditP Wij hebben ook sinds lang geleerd: Hij wint niet, die te veel begeert, Maar 't meeste gaart hij, die vernoegd Zijn handen blijft gebruiken. Verleiding leert ontduiken En naar zijn stand zich voegt. Wij luistren niet naar alle taal, Maar eischen een goed middagmaal; Wie hard moet werken eet ook graag. Zoo mogen groote heeren Van ons dit lesje leeren: De honger is een plaag. |
Al vragen wij niet altoos pret, 't Is toch niet kwaad een klein verzet. Ook houden wij van lief en schoon, Zoo â om maar iets te noemen, Zoo zetten we onze bloemen Voor 't vensterken ten toon En, wie de Zondagsrust verveelt. Geen werkman die zijn kommer deelt. Dan gaan wij uil met vrouw en kind, Trakteeren oog en longen En maken bokkensprongen. Waar men zijn rustplaats vindt. Komt, broeders, voortgewerkt met (moed, Ons zit de kracht in 't eerlijk bloed ; Al wonen we op een duiventil, Genieten wij het leven; De kroeg kan 't ons niet geven, Maar wel de goede wil. |
GEZELSCHAPSLIED.
Laat ons toch nimmer het leven vergallen Door over steentjes en strootjes te vallen;
Hij, die te prikkelbaar is van natuur.
Wordt licht geschuwd als een lastig gebuur. Wij, die hier vroolijk bijeen zijn gekomen, Wij hebben helderder kijkglas genomen;
Wij zien de lichtzij van 't leven maar aan. Wij zijn het eens en volkomen voldaan, Vredebest, vredebest, zoo moet het gaan!
Is het dan raadzaam naar slangen te peuren? Brengt het geluk aan om alles te treuren?
Leert om ons heen niet de lieve natuur:
Leven is liefdel hoe kort ook van duur.
Dorsch dus het graan, Iaat de stoppels verbranden, Reiken we elkander goedwillig de handen.
Wij zien de lichtzij van 't leven maar aan. Wij zijn het eens en volkomen voldaan, Vredebest, vredebest, zoo moet het gaan!
il innelied.
Laat vrij de kniesoor de bot zich vergallen. Wij willen niet in zijn fouten vervallen,
Iedere vreugd geeft ons veerkracht en-moed. Daarom smaakt ieder festijn ons zoo zoet.
Zelfs, als wij oud zijn en stram in de knoken. Achten we ons toch niet van vreugde verstoken. Wij zien de lichtzij van 't leven maar aan. Wij zijn het eens en volkomen voldaan, Vredebest, vredebest, zoo moet het gaanl
't Is zoo gezellig bijeen zich te scharen. Vriendschap en vreugde aan elkander te paren, Als dan de beker de ronde mag doen.
Als wij niet blozen bij 't heil van een zoen; Als wij niet bang voor gevaarlijke strikken,
Vrij zijn in 't bieden van bloemen en blikken; Wij zien de lichtzij van 't leven maar aan. Wij zijn het eens en volkomen voldaan, Vredebest, vredebest, zoo moet liet gaan!
Liever gejuicht dan elkander te kwellen,
Beter gedarteld dan kwaad te vertellen.
Scharen wij ons om den vriend'lijken disch. Als het genoegen de saus er van is.
Hebben wij wijn â dan ons welzijn gedronken. Geeft het slechts water â ook daarmee geklonken. Wij zien de lichtzij van 't leven maar aan. Wij zijn het eens en volkomen voldaan, Vredebest, vredebest, zoo moet het gaanl
MINNELIED.
'2ü(j
|
Engel op mijn levenspad. Heel mijn rijkdom, lust en leven, Die al 't heil in zich bevat. Dat de wereld mij kan geven; Moet ik zeggen hoe ik brand. Wal mijn hoop is en mijn streven? Heb ik dan vergeefs in 't zand Honderd maal mijn wensch (geschreven ? Hoordet gij dan zang noch zucht? Was dat alles zonder vrucht? Lieve, zei mijn blik u niet. Wat geen ander werd beleden? |
Heeft uw oog nog niet bespied De uiting van mijn teederheden? Hoe ik op den beukenboom Onze namen heb gesneden? Wist gij eens, hoe 'k in den di oom Als uw ridder heb gestreden 1 Hoe ik eens uw liefde en trouw Als mijn eenig doel beschouw. Uw blonde zijden lokken, Uw oogjes van azuur. Uw kuiltjes in de wangen. Uw zedige natuur; |
Een Zeemansliedje.
207
|
Uw hagelwitte tanden, üw stemgeluid als glas, Uw kleine, poezle handjes, Uw woordjes op zijn pas. Wat ik het meest moest roemen. Want alles stemt mij teer. ., Maar zag ik in uw hartje, Dan wist ik zeker meer. ik heb zoo veel geleden Van 't edelst onbewust. |
Gij kunt mij alles geven, Mijn heil, mijn eer, mijn rust. £k reikhals naar mijn toekomst. Ik leef in vrees en hoop; Moest ik mijn leven laten â Het was voor u te koop. Laat mij niet langer zwoegen, Mijn onrust moordt mij nu. Ik zou 't v/el haast besterven â Geen leven zonder 11! |
EEN ZEEMANSLIEDJE.
|
!k ben bij moeder thuis geweest En heb het land geroken; 'k Heb tusschenbeiden wel gesjeesd En soms den prins gesproken; Maar 't lust mij niet, ziedaar! De been en werden zwaar. De ballast werd veel lichter. Ik raakte somtijds van de kook; 't Kijkuit werd dicht en dichter, En 'k zag 't vervetingsspook. ik zocht Jus jd' ouwe' aagmaalsop, âOf hij me kon gebruiken?quot; 'k Verlangde naar het ruime sop, En dook weer door de luiken. Ik nam aan loef en lij Deel aan de danspartij Van lossen en van laden; Al kreeg ik vaak aan boord een veeg. Aan wal was 't niet geraden, Wijl 'k juffershandjes kreeg. En als het anker is gelicht, Hoezee, dan gaan we varen I Op zee kent Janmaat best zijn plicht En komt hij tot bedaren ; Zoo'n tocht door 't ruime sop. |
Hot knapt een mensch weer op! Bij loeven en lavecren Herkent hij altijd stimrmans stem; Hij moet zijn les weer leeren En 't uurglas regelt hem. 'tMag somtijds om ons spoken. Wij zijn niet gauw beducht; Wij laten 't vuurtje roken Eu bidden in de vlucht. Wij staan in elk getij Elkander trouw ter zij, En leenen onze knuisten Aan reep en roer en spriet en mast; Wat zit in onze vuisten. Dat houden we ook goed vast. We zwerven heel de wereld door En hebben voel te danken; Wij kregen vaak een schreefje voor Bij bruinen en hij blanken. En komt do tijd eens an Dat Janmaat niet meer kan, Dan leeft hij op genade Van horn of haar die hulpe biedt. Wie weldoet heeft geen schade. Maar... dikwijls hoeft het niet. |
INHOUD VAN HEÃ TWEEDE DEEL.
|
Bladz. Cantaten. De haringvisschers..................5 De mijnweikers........................9 Zeven kniedichljes. 1. Vriendschap........................11 2. Vreugde................................12 3. Smart....................................12 4. Geduld..................................12 5. Schoonheid..........................13 6. Vertrouwen..........................13 7. Zaligheid..............................14 Voorwoordje bij Valentine van Milaan..........................................14 Valentine van Milaan..................15 In vorstelijke albums. Aan H. K. H. mevrouw de Prinses Hendrik der Nederlanden....................................22 Drie kronen..............................23 Cypressentwijgen. Aan H. Tollens Cz..................23 Aan de nagedachtenis van mijn vriend S. J. van den Bergh....................................27 Tonen voor Huis en Hart. Aan Maria................................28 Ons vierspan............................30 Vijf rozenpotten......................31 Theodoor....................................32 Aan Constance..........................34 Onze lieve kleine Hendrik. 34 Aan ons nakomertje..............35 Pieter Spa naar Londen..............37 Pieter Spa naar Amsterdam ... 5C Indrukken op de boot en brieven naar huis............................71 |
Blad De Valkenvangst.............. 7 Eene Avondpartij.............10 De Harddraverij op de Maas... 11 Koen Verklat en zijn gezelschap 11 Legenden van Ingoldsby....... De ridder en de dame......14'; Een kabaal in de opera.... 15' De kleine schamele knaap.. 16f De smokkelaarssprong......lüf De ekster van Rheims.....17? Voorwoord bij Amstels Leonora 17'.J Amstels Leonora..............17' Navolgingen en vertalingen uit het lioogduitsch. De tijdgeest............... 18U De laster en de straf.......191 Het spook................. 19.; Huida's papegaai..........19:: Zoo is de wereld..;........19:quot; Het zieke boerinnetje......19( Zwarigheden van iemand die geen afschaffer is........197 Noachs testament..........'197 Apentroost................ 19fc Liedjes van Béranger. De verbrijzelde viool.......19hi Mijn goede grootmama.....20(1 Vijftig jaar................ 201 De dochter van 't volk.....202 Herinneringen der jeugd... 202 Liedjes voor het volk. Levenswijsheid.... ........ 204 Een liedje voor den werkman 204 Gezelschapslied............205 Minnelied................. 206 Een zeemansliedje.........207 |