_?gt; __/3!...........â.
TFTS'TFTCTI^C :rTrT(;quot;TrTtTrra'TrTt~r(rrr7ii31j
het Ã-N C E L S C H
DOOR
J. POLMAN,
c?___
⢠weg, dien iemund opgaat in ^ijno jeugd daarvan zal bij, ook oud geworden, niet afwijken.quot;
ak 12
Spr. 22 : 6.
LLLiu.nL^llïïS^El3KnvFKJgt;Tïwrr!t:( gt;gt;!( ^reiirriki £ \t
^^HmI ^^^HHHH*
â _ _ . â . â â - -;-1 WBÃm hHIHSI . flH[
' .^.V11
â ^
mÃÃÃÃim
mmmsmsmmmmt* mmm
|m mj
i â¢^l l|
ihhhhhi^I
⢠bSB ____________________
LEVEN
VAN DEN
H. ALPHONSUS MARIA DE LIGUORI
VOOR DE JEUGD.
V
LEVEN
/Mi^
Vak 1
A»
/
r
1, ALPHONSiS ïiPJi DE L1GÃ0IJ
VOOR DE JEUGD
J. MAGNIER C. SS. R.
U I T H E ï E N G E L S C II
J. POLMAN,
Redemptorist.
|
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT COLL. THOMAASSE |
-Den weg, dien iemand opgaat in zyne jeugd, daarvan zal hij, ook oud geworden, niet afwijken.quot; Spb. 22 ; 6. |
AMSTERDAM,
F. H. J. BEKKER.
1897^._____
iiRiUK,SUN|_VERS|TE|T TE UTRECHT
1775 7646
âº
âº
IMPRIMATUR.
J. A. F. KKONEXBURG, C. SS. R.
Sup- prof.
Amstfxodajii,
die I'1 Novb. 1890.
H. Fr. J. BIKMEKSPOEL, Hector. Librorum Censor.
Amsterdam,
22 Dec. 189(1.
Leven Van den H- fllphonsas
VOOR DE JEUGD.
De golf van Napels ! quot;Waar is die ? Zij ligt ten zuiden van Italië aan de Middellandsehe Zee. Sommigen beweren, dat zij de schoonste golf is ter wereld. Nu, dicht bij deze golf en hoog boven haar verheft zich de stad Napels, waar, jaren geleden, de Heilige woonde, wiens loven ik ga schrijven. Daar staat nog heden, niet verre van eene kerk aan de Heilige Maria der Maagden gewijd, een huis, in het jaar 1696 bewoond door een edelman, met name Joseph de Liguori. Hij was gehuwd met eene zeer heilige dame Anna Catharina Cavalieri. Behalve dit huis in de stad hadden zij een buitenver-
6
blijf in een dorp, toen en nu nog bekend onder den zoetklinkenden naam van Marian ella.
In dit huis nu, werd, 27 September 1696, juist 200 jaar geleden, de held van dit verhaal geboren. Twee dagen later, op het feest van den heiligen Aartsengel Michaël, werd hij gedoopt in bovenvermelde kerk; hij werd geheeten Alphonsus Maria. O wat een verrukkelijk schouw -spel voor de engelen was de ziel van Alphonsus ! Zij was gekleed met het gewaad der smettelooze onschuld; en hoe aangenaam moet het u zijn, wanneer ge nu reeds verneemt, dat Alphonsus gedurende zijn lange leven dat kleed bewaarde wit als sneeuw. Na zijn doopsel werd hij naar Marianella teruggebracht. Van den beginne aan scheen hij een kind van zegening te wezen. Op zekeren dag bracht een zeer heilig priester. Pater Franciscus Hiëronymus van de Sociëteit van Jesus, een bezoek bij Alphonsus' ouders. Dadelijk toonde zijne moeder hem aan den Pater en vroeg voor haar kind diens zegen. De heilige priester hief oogen en hart ten hemel, en God liet hem een blik slaan in de toe-
7
komst. Dan keerde hij zich tot Mevrouw de Li-guori en sprak: âDit kleine kind zal niet sterven voor het den leeftijd van negentig jaar bereikt heeft; het zal Bisschop worden en het zal groote dingen doen voor de Kerk.quot; En zoo geschiedde. Hij leefde over de negentig jaar en verrichtte groote dingen voor Jesus Christus en zijne Kerk.
Ik zal alleen spreken over de groote dingen, die hij deed voor de kinderen. En welke groote zaken verrichtte hij dan wel voor de kinderen? Wat onze goddelijke Zaligmaker zelf voor hen gedaan heeft, deed ook hij; eerst gaf hij hun een goed voorbeeld, en daarna beminde hij hen en arbeidde hij voor hen.
I.
Alphonsus gaf aan dk kixderex een goed voorbeeld.
1. Zijne moeder. Mevrouw de Liguori was eene zeer goede moeder. De heilige taak van haar
8
kind te onderrichten behield zij voor zich zelve. Zij wilde die aan niemand anders toevertrouwen.
Nauwelijks kon dan ook Alphonsus spreken, of zij leerde hem de heilige namen van Jesus en Maria zeggen. Zoodra hij maar eenigszins begrip had, deed zij hem de kleine handjes vouwen en bidden. Alphonsus nam zeer vlug aan wat zijn moeder hem leerde. Zoodra hij loepen kon, ging hij altijd, waar zijne moeder hem gelastte te gaan en altijd deed hij, wat zijne moeder van hem verlangde.
Zij hield waarlijk zeer veel van Alphonsus. Gij zult misschien denken, dat zij zooveel van hem hield, omdat hij haar eenigst kind was. Volstrekt niet. Alphonsus had drie zusters en drie broeders. Zij waren allen zeer goed; maar Alphonsus was de beste. Wanneer zij dan ook te zamen waren, of om hunne lessen te leeren of om te spelen, was hunne moeder altijd gerust, als zij wist, dat Alphonsus bij hen was; dan toch was zij zeker: er zou niets verkeerds voorvallen.
Gij zult voorzeker gaarne willen weten, hoe
9
Mevrouw de Liguori gewoonlijk met haar kinderen te werk ging. lederen morgen kwamen al de kinderen bij haar en vroegen haren zegen. Dan knielden zij samen neder en deden met hunne moeder hun morgengebed. Na het gebed onderhield zij hen over de wijze om den dag goed door te brengen en over de fouten, die zij moesten vermijden; en meest altijd zeide zij hun, dat zij, met den goeden God te beleedigen, haar de grootste smart zouden veroorzaken. Zij droeg er de grootste zorg voor, dat zij bij niemand kwamen, die hen tot zonde zou kunnen brengen. Haar eenige verlangen was, dat hare kinderen zeer deugdzaam, ja zelfs heiligen mochten worden.
Zij regelde al hun dagelijksche bezigheden, 's Avonds vereenigde zij weder allen rondom zich en dan gaf zij hun onderricht in den kate-chismus. Toen zij oud genoeg waren, baden zij samen het rozenhoedje. Zij leerde hen de deugden, welke een goed kind in beoefening moet brengen, en trachtte hen meer en meer van liefde tot Jesus en Maria te vervullen. Alphonsus deed het meest zijn voordeel met de onderrichtingen
10
zijner moeder en zijn goed voorbeeld steunde de overigen. Hij luisterde naar hetgeen zij sprak met de grootste aandacht, en hij zou, om haren wil te doen, op haar woord, ja zelfs op een teeken van haar gevlogen hebben.
2. Zijn broeders en zusters. Sommige kinderen wenschen mij misschien te vragen, wat er geworden is van Alphonsus' broeders en zusters. Een zijner broeders werd Benediktijner monnik, een ander priester in de wereld, do derde Don Hercules trad in het huwelijk. Twee zijner zusters gingen in het klooster, de derde huwde en volgde in den huwelijken staat de deugden na van hare heilige moeder. Omdat zij allen goede kinderen waren, gaf God hun een lang en gelukkig leven.
3. Zijne eerste lessen en zijn makkers. Toen Alphonsus grooter begon te worden, werd het noodig, hem voor zijne studiën meesters te geven, en zijn vader bezorgde hem de beste. Zijne moeder niettemin ging voort met hem te onderrichten in die zaken, welke het gewichtigste zijn van alle, namelijk: hoe hij zijne gebeden moest
11
verrichten, hoe zijne kleine overwegingen doen, op welke wijze hij moest aangroeien in liefde tot Jesus en Maria, en hoe zich voorbereiden tot de biecht. Hij was nog maar zeer jong, toen hij zijne eerste biecht sprak, en daarna ging hij geregeld bij denzelfden biechtvader als zijne moeder. Deze biechtvader was een priester Oratoriaan, dat wil zeggen, een die behoort tot de Congregatie door den H. Philippus Nerius gesticht. De leden van deze Congregatie hadden eene schoone kerk, waar vele kinderen van den adel gewoonlijk kwamen. De knapen waren in eene broederschap, uitsluitend voor hen ingesteld, vereenigd. Zij baden en speelden te zamen.
De priester, die haar bestuurde, bemerkte spoedig dat Alphonsus een knaap van zeldzame godsvrucht was. Op alle vergaderingen verscheen hij het eerst, luisterde met de grootste aandacht naar de onderrichtingen, gehoorzaamde vaardig en ging met hart en ziel op in alle oefeningen. Nooit of nimmer bleef hij in gebreke op den aangewezen tijd te biechten; hetzelfde gold van de heilige Communie.
12
Maar daarvan zal ik later spreken.
Deze knapen, zooals ik zeide, speelden te zamen. Op zekeren dag nu geleidde een der priesters hen naar een buitenverblijf, waar zij zich konden vermaken. Onmiddellijk maakten zij toebereidselen om te spelen. Een der jongens noodigde Alphon-sus uit om mee te doen. Deze echter verontschuldigde zich en zeide, dat hij het spel niet kende. Als zijn makker niettemin bij hem aandrong, bewilligde hij er in, om het eens te beproeven. Zij speelden om kleine sommen gelds en, wonder genoeg, Alphonsus won dertig malen achtereen. Natuurlijk was dit grootendeels geluk ; maar ook, Alphonsus was buitengewoon handig en leerde dus het spel zeer vlug. Ofschoon allen goede jongens waren, was er toch een die, bij deze gelegenheid ten minste, uit zijn humeur geraakte, en wel juist de knaap, die Alphonsus had aangezet om te spelen. Naarmate hij zijn geld verloor, geraakte hij ook in kwader luim. Ja, hij werd door en door boos, omdat het Alphonsus zoo meeliep, en in een vlaag van drift riep hij uit: âHoe, gij moest nog zeggen, dat ge 't spel niet
13
kent?quot; En dan liet hij te gelijk eenige woorden aan zijn mond ontglippen, die beleedigend waren voor God. Alphonsns bloosde en zijn hart werd met droefheid vervuld bij de gedachte, dat zijn makker, om eenige nietige geldstukken, tegen God had gezondigd; met heilige verontwaardiging wierp hij dan ook het geld op den grond, onder deze woorden: âHoe! moet God aldus worden beleedigd om eenige geldstukken?quot;
Vervolgens verliet hij de overige knapen; hij vond ia den tuin een rustig hoekje; daar nam hij van zijn borst een schilderijtje derH. Maagd, hechtte het vast aan een boomstam en, er voor neerknielende, begon hij te bidden, om aldus eerherstel voor de zonde zijns makkers te geven.
God stortte in de ziel van zijn moedigen, kleinen dienaar zooveel zoetheid, dat hij, als ten hemel opgenomen, zeer lang in het gebed verzonken bleef. Het begon intusschen laat te worden, en de knapen maakten zich gereed om naar de stad terug te keeren.
Nu eerst misten zij Alphonsus, en de knaap die zich zoo slecht had aangesteld, verlangde hem vergiffenis te vragen.
14
Toen zij Alplionsus vonden en zagen, hoe hij in God verslonden was, riep de schuldige uit: âO wat heb ik gedaan! ik heb een heilige kwalijk bejegend.'' Maar de kleine heilige tot zich zeiven gekomen en zich van al zijn makkers omringd ziende, werd zeer beschaamd ; onmiddellijk nam hij het schilderijtje van den boom en keerde met de anderen naar de stad terug.
4. Zijne eerste heilige Communie. Ofschoon de Priesters Oratorianen Alphonsus met zeer veel zorg onderrichtten, ging zijne moeder niettemin voort met hare lessen in de levensheiligheid. Zij boezemde hem, zelfs voor de kleinste fouten, een grooten haat in en tevens zulk eene liefde voor het gebed, dat zij voortaan te zamen hunne meditatie begonnen te doen. Haar iiver toonde zich bijzonder in de wijze, waarop zij hem de heilige Mis leerde bijwonen en de heilige Communie ontvangen. Men was verwonderd, als men dezen kleinen knaap geknield en ingetogan als een engel, de gebeden zag lezen uit een boek hem door zijne moeder gegeven.
Ik weet niet juist den dag, waarop hij zijne
15
eerste heilige Communie deed; maar toen hij eens Ons Heer had ontvangen, ging hij in 't vervolg altijd geregeld tot de heilige Tafel met steeds toenemenden ijver. Hij bereidde zich immer goed voor, en na de heilige Communie besteedde hij geruimen tijd aan de dankzegging. Dan, in die gelukkige oogenblikken dat Jesus in zijne ziel woonde, vroeg hij om die vele genaden waardoor hij met den dag heiliger werd. Dan, in zijn verlangen om Jesus meer en meer in zijn hart te drukken, kruiste hij de kleine armen over de borst, terwijl hij Hem zeide, dat hij Hem beminde en Hem alleen.
Gij ziet dus, Alphonsus geeft u een goed voorbeeld; want als klein kind was hij altijd en in alles gehoorzaam en hij was goed, minzaam en liefderijk jegens zijn broeders en zusters. Reeds zeer jong beminde hij de armen, en het was voor hem eene groote vreugde, alles te doen wat hij vermocht, om hen te helpen. En nu zullen wij eens zien, hoe goed hij zijne lessen leerde.
5. Groote vorderingen in zijne studie.
16
Sommige kinderen kunnen vlug leeren, maar zij leeren niet veel, omdat ze te traag zijn en te veel verzot op het spel. Alphonsus nu was evenmin traag als speelziek. Hij was zeker vlug in 't leeren, maar hij werkte ook vlijtig. Op gezette uren speelde en bad hij, en de rest van zijn tijd besteedde hij aan zijne lessen. Zeer veel lessen had hij te leeren, maar hij kende ze altijd zeer goed en hij leerde zelfs meer dan zijn meesters hem vroegen te leeren. Somtijds gelastte hem zijn vader dingen te leeren, die niet in zijn smaak vielen, maar dan leerde hij die juist alsof hij er veel van hield; hij wist toch, dat God het zoo verlangde en daarom gehoorzaamde hij immer nauwkeurig, zoowel aan zijn vader als aan zijne meesters. De uitslag van dit alles was, dat hij groote vorderingen maakte. Voor zijn twaalfde jaar kende hij zeer goed zijn eigen taal alsmede Latijn en Grieksch. Als knaap legde hij zich met den besten uitslag toe op de muziek, het schilderen en de bouwkunst. Maar wat u het meest zal verbazen, is, dat hij,, slechts zestien jaren oud, de moeilijkste examens aflegde en
17
Doctor in rle Rechten werd. Daar hij nog maar een knaap was, was hem de Doctorsmantel te groot, zoodat, als hij dien aandeed, de omstanders hun lachen niet konden houden bij de verschijning van een jongen, uitgedost als een eerbiedwaardige, oude rechter; maar, met al hun lachen, waren zij tevens, evenals wij, verwonderd over zijne geleerdheid. Laat ons echter niet vergeten, hoe goed en hoe gehoorzaam hij was; daarom zegende God zijne studiën. Hij haatte de zonde en bewaarde zijne ziel zuiver, daarom stortte God overvloedig licht in zijnen geest. Hij werkte vlijtig en met eene goede meening, en als belooning daarvoor schonk God hem den besten uitslag.
Alphonsus nog maar zestien jaar! Niettemin hij is Doctor in de Rechten en hij begint te werken als een man. Gij moogt dan al niet zoo vlug zijn als Alphonsus, eens toch zult ge ophouden kind te zijn en ook met werken moeten aanvangen.
Uw werk zal misschien van het zijne verschillen, toch zult ge hem kunnen navolgen in
2
18
de wijze, waarop bij zijn werk verrichtte. En hoe deed hij dan zijn werk?
Voor alles was hij zoo voortdurend met zijn arbeid bezig, dat hij nooit tijd verloor. Hij nam eene kleine uitspanning, maar slechts voor zooverre die noodig was. Bij alles wat hij ondernam was hij ijverig. Billijk was hij jegens een ieder en onder ieder opzicht. Hij was niet minder billijk jegens zijn tegenstanders, dan jegens zijn vrienden. Vandaar dat hij in do racer dan zeven jaren, welke hij aan de Gerechtshoven doorbracht, nimmer een proces verloor; integendeel altijd won hij zijne zaak met cere. Gij zult nu over dat alles niet verwonderd staan, wanneer ik u zeg, dat hij voor den goeden uitslag van zijn arbeid immer opzag tot God, en, hoe veelvuldig zijne bezigheden ook mochten zijn, nooit zijne verplichtingen tegenover zijn hemelschen Vader verwaarloosde, lederen morgen ging hij naar de heilige Mis, en in den namiddag besteedde hij een geruimen tijd aan het gebed voor het Allerheiligste Sacrament. Hij
19
bleef getrouw aan al de godvruchtige oefeningen, die zijne goede moeder hem geleerd had. Hij ontving de heilige Communie eerst iedere acht dagen en later meermalen in de week. Na ziine bevordering tot Doctor, bleef hij drie jaren lang een vurig lid zijner broederschap. Omstreeks dien tijd volgde hij met zijn vader de oefeningen eener retraite.
6. Be vader van den Heilige. Te dezer plaatse nu wil ik u verhalen, hoe een door en door godvruchtig Christelijk edelman de vader was van Alphonsus. Zijn ambt, want hij was zeeofficier, verplichtte hem zeer veel van huis te zijn; maar zijne hut aan boord geleek eene bidplaats. Zij was rondom behangen met schilderijen van het lijden van Jesus Christus. Hij was zoo godvruchtig, dat hij de bemanning onder zijn bevel staande er door stichtte. Was hij tehuis, dan woonde hij de heilige Mis bij, ging tot de heilige Tafel, en was tegenwoordig bij alle godvruchtige oefeningen. Daarom moet het ons volstrekt niet bevreemden, als we hem samen met Alphonsus naar eene retraite zien gaan, door Pater Buglione een Jezuïet gegeven. â
20
Omtrent deze retraite teekende Alphonsus later de volgende woorden op: âIk was maar achttien jaar oud, toen ik aan deze retraite deelnam; maaide heiligheid van den predikant, de wonderbare orde der oefeningen en de kostbare uitwerkselen er door voortgebracht, maakten op mijne ziel zulk een diepen indruk, dat niets ooit in staat zal zijn, mij haar te doen vergeten.quot;
Na deze retraite nu, toen hij negentien jaar oud was, ging hij van de Broederschap der Edelknapen over tot die der Rechtsgeleerden, welke insgelijks onder de leiding stond der Priesters Oratorianen. Hij deed dezen stap op aanbeveling van Pater Pagano, zijn biechtvader, den goeden priester, bij wien zijne moeder hem voor zijne eerste biecht had gebracht; en ook nooit ondernam hij iets van aanbelang, zonder diens raad te hebben ingewonnen. Onder de Doctoren nu was hij voor allen een voorbeeld om zijne getrouwheid en zijn ijver. Een der regels van de Broederschap schreef het bezoek der zieken voor. Alphonsus koos de zieken in de hospitalen en bezocht hen geregeld. Hij verrichtte bij hen al de diensten van een
21
verpleger vol toewijding, met eene bevalliglieid, die ieders hart won, en het hem gemakkelijk maakte de arme lijders tot berusting in Gods heiligen wil aan te sporen.
7. Een wonderbare retraite.
Langen tijd hield hij dit heilige werk vol, maar op den duur kwam er een tijdstip, waarop hij in zijn ijver bekoeld scheen. De overtollige bezigheden en zijn omgang met de wereld deden eene neiging tot verslapping ontstaan; nooit echter verloor hij de genade Gods. Terwijl hij iu dien toestand verkeerde, noodigde hem een trouwe vriend uit om met hem naar een huis der priesters van den H. Vincentius te gaan en eene retraite te houden. Vol vreugde nam Al-phonsus dit voorstel aan. Het was in de Vasten; de preeken werden gehouden door den Overste Pater Cutica. Daar hij voortdurend zijne aandacht leende aan de heilige woorden des predikers, dronk zijne ziel de genade, welke God in overvloed over haar uitstortte. Uiterst verschrikkelijk was de preek over de hel, waaronder de predikant zijn gehoor eene tafel liet zien, die
22
een verdoemde had aangeraakt. Twee jongelieden namelijk leidden een goddeloos leven; de een stierf en was verdoemd. Na zijn dood verscheen hij, één vuur en al, aan zijn makker en sprak : âDeze verschijning is werkelijk; zie ik leg mijne brandende hand op deze tafelen meteen liet hij de vorm zijner hand, in het hout der tafel gebrand, achter. Op niemand maakte deze vreese-lijk droevige geschiedenis meer indruk dan op Al-phonsus. Vele jaren daarna schreef hij aan een priester van Vincentius het volgende: âIn uw huis, tijdens de heilige oefeningen der retraite, die ik menigmaal heb bijgewoond, heb ik God leeren kennen en het besluit genomen, om de wereld te verlaten.quot; Inderdaad, hij vernieuwde zijn ijver, die later nimmer meer bekoelde. Hier zullen wij twee voorbeelden geven om aan te too-nen hoe oprecht vurig zijn ijver was.
8. Zijn ijver. Wanneer Don Joseph, zijn vader, tehuis was, moest hij om zijn rang van tijd tot tijd eene partij geven.
Op zekeren avond, bij het afscheid nemen van zijn gasten, vergat een huisknecht, bij ver-
23
gissing, het licht bij de deur aan te steken, zoodat zij in donker stonden. De meester werd toornig; hij geraakte uit zijn humeur en beknorde den knecht op onbarmhartige wijze. Alphonsus, door medelijden met den armen man bewogen, bracht eenige woorden in 't midden, om zijn vader tot kalmte te brengen. Maar dit maakte hem nog toorniger, zoodat hij zijn zoon sloeg. Alphonsus verdroeg dit met het grootste geduld, en, in plaats van verdrietig te worden of zich te beklagen, ging hij nog dienzelfden avond, van zijne moeder vergezeld, naar zijn vader, om hem vergiffenis te vragen. Bedenkt nu, dat hij toen ter tijd een der grootste advocaten van Napels was, die in geleerdheid en welsprekendheid allen overtrof, en dan kunt gij hieruit besluiten, hoe nederig hij was, hoe goed en onderdanig aan zijn vader.
Het tweede voorbeeld is de bekeering van een Moor. De koning gaf aan zijn vader verscheidene Mooren tot dienaars of liever slaven. Een dezer was Alphonsus' bediende, die gewoon was met hem om te gaan. Tot ieders verwondering
24
vroeg hij op zekeren dag om gedoopt te worden. En waarom? Ziellier zijn antwoord: âHet heilige leven van mijn jeugdigen meester doet mij verlangen om christen te worden: ik geloof dat een godsdienst, die hem zoo goed en liefderijk maakt, de ware moet zijn.quot; Aanstonds moest hij worden onderwezen. Maar, op zekeren nacht, toen hij ziek te bed lag, verschenen hem de H. Maagd en haar vader de H. Joachim, die hem zeiden, dat hij onmiddellijk moest gedoopt worden, daar zij hem in den hemel verlangden.
Een priester werd ontboden. Bij zijne komst bevond deze, dat hij volmaakt onderwezen was, en bijgevolg doopte hij hem. Binnen een half uur, gaf de gelukkige met een zachten glimlach op de lippen zijne ziel aan God weder.
9. Zijn laatste dag aan het Gerechtshof.
Boven hebben wij gezien, hoe gelukkig Al-phonsus was in de verdediging der hem opgedragen zaken. In het jaar 1723 was hem een allergewichtigste zaak toevertrouwd. Het was een proces tegen een voornaam heer, den Hertog van Toskane. Een maand lang bestudeerde hij
25
met de grootste zorg al de processtukken. Toen de dag daar was voor het houden van zijn pleidooi, sprak hij met eene helderheid, kracht en welsprekendheid, die een ieder de overtuiging gaven, dat hij het recht aan zijne zijde had. Men had 't gemakkelijk op 't gelaat des rechters kunnen lezen, dat Alphonsus zeker kon zijn van eene hem gunstige uitspraak; en toch het was niet zoo. De advocaat van den Hertog van Toskane luisterde, den schijn aannemende, of hij niet lette op betgeen Alphonsus zeide; maar, toen zijn beurt van spreken was gekomen, toonde hij Alphonsus, dat hij op een punt abuis had, daar hij in de stukken, door hem bestudeerd, het woordje ânietquot; over het hoofd had gezien, en dat dit derhalve al zijne welsprekendheid verijdelde. En zoo was 't ook. Alphonsus, niet in staat te verklaren, hoe hij zoo iets niet had opgemerkt, gaf toe, dat het recht aan 's Hertogs zijde was en verliet het Gerechtshof. Het was de eerste maal dat hij faalde. quot;Voor het laatst had hij als advocaat gepleit.
Tehuis gekomen sloot hij zich op in zijne
26
kamer en bracht drie dagen in vasten en gebed door. Toen maakte hij voor goed het besluit, om aan de wereldsche bezigheden vaarwel te zeggen en zich zei ven geheel aan den dienst Gods toe te wijden. Hij deelde aan zijae moeder dit besluit mede; van hare zijde behoefde hij geen tegenkanting te vreezen. Dit was echter niet zoo met zijn vader, die, ondanks zijn vele christelijke deugden, er zijn zinnen op gezet had, om zijn zoon eenmaal als een groot man te zien . Hij was dan ook als van den donder getroffen, toen Alphonsus hem mededeelde, dat hij vaarwel zegde aan zijn ambt van advocaat en het besluit gemaakt had, om priester te worden; hij kon ternauwernood zijne ooren gelooven. Toen vingen voor Alphonsus verschrikkelijke beproevingen aan; maar ten slotte overwon hij iedere tegenkanting.
Onder al die omstandigheden ging hij als gewoonlijk naar het hospitaal, om de zieken te dienen. Op zekeren dag zag hij zich plotseling omgeven door een helder licht, en het kwam hem voor, als werd het hospitaal door eene aard-
27
beving geschokt, en in zijne ziel hoorde hij duidelijk deze woorden: âVerlaat de wereld, om u zeiven geheel aan mij te schenken.quot; Hij stond verbaasd; niettemin hij zette zijn liefdewerk voort. Toen hij op 't punt stond het hospitaal te verlaten, omstraalde hem opnieuw een helder licht en dezelfde woorden werden hem herhaald. Nu ging hij regelrecht naar de kerk van de Verlossing der Gevangenen, toegewijd aan de Allerheiligste Maagd, en vernieuwde daar, voor het altaar van Gods gezegende Moeder, de eeuwigdurende overgave van zichzelven aan haren goddelljken Zoon. Tot teeken zijner toewijding legde hij zijn degen af, dien hij als alle edellieden te Napels gewoon was te dragen en plaatste dien op het altaar.
10. Hoe kunt gij Alphonsus navolgen?
En nu, alvorens over te gaan tot het tweede deel, namelijk de H. Alphonsus als priester â want voortaan zullen wij hem altijd heilige noemen â zal ik u, uit zijn kinderlijken leeftijd en jongelingsjaren, het een en ander, waarin gij hem kunt navolgen, in het geheugen roepen.
28
Gij kunt hem navolgen in zijn allerteederste liefde voor zijn vader en moeder en in zijne stipte gehoorzaamheid hun betoond, zelfs toen hij reeds een jongeling was. Deze liefde en gehoorzaamheid deden den geheel bijzonderen zegen Gods over hem neerdalen. Gij kunt hem navolgen in zijn bidden. Het licht zijns verstands schemerde nog maar, en reeds begon hij te bidden en altijd volhardde hij in 't gebed. Dikwijls door den dag bad hij tot de H. Maagd Maria en vroeg haar, hem te leeren, hoe hij tot de kennis en de liefde van haren goddelijken Zoon Jesus Christus moest geraken. En gij weet 't; zij onderrichtte hem. Vandaar beminde hij zoo teeder het Kindje Jesus; gaarne dacht hij aan het lijden des Heeren, en zijn hart werd gewond, toen hij eenmaal wist, dat de zonde onzen Heer deed lijden en si;erven op het kruis. In al die punten kunt gij hem navolgen. Gij kunt hem navolgen in zijn getrouw en geregeld te biechten gaan; in de nauwgezetheid waarmede hij zijnen biechtvader gehoorzaamde; in de zorg waarmede hij zich voorbereidde tot de heilige Communie en
29
in den ijver waarmede hij zijne dankzegging na de heilige Communie verrichtte. Vele kinderen kunnen hem navolgen met dagelijks naar de heilige Mis te gaan en allen moeten verlangen dit te kunnen doen. Gij kunt hem in de liefde voor zijn broeders en zusters navolgen, in zijn vlijt bij het leeren zijner lessen en in de gehoorzaamheid aan zijne meesters. Zijne welwillendheid jegens dienstboden en den arme kunt gij navolgen.
Zijt ge reeds grooter, volgt hem dan na in de getrouwheid aan zijne verplichtingen en, gelijk hij, zoekt altijd goede makkers en gaat nimmer om met slechte. Als knaapje was hij reeds lid eener heilige vereeniging, welker regels hij onderhield en waarin hij volhardde. Gij kunt hetzelfde doen. Ten laatste, toen God hem riep, om aan allen vaarwel te zeggen en zichzelven geheel aan zijn dienst toe te wijden, luisterde hij naar de roepstem en gaf zich aan den dienst Gods over. Mocht God misschien het een of ander kind, dat dit boekje leest, ook roepen, laat het dan gehoorzamen, gelijk Alphonsus deed.
30
En nu is het tijd om te zien, wat Alphonsus verder voor de kinderen gedaan heeft.
II.
De heiijge alphonsus als priester beminde
de kinderen en werkte voor hen.
1. liet onderrichten der kinderen. Zoodra had niet Alphonsus zijn ambt aan de rechtbank neergelegd, of hij ontdeed zich van de [rijke kleedij, die hij als zoon van een adellijk heer verplicht was te dragen, en nam het eenvoudige gewaad aan van een geestelijk student. Onmiddellijk begon hij te werken, en voor wie denkt gij? Voor kinderen begon hij te arbeiden. Zondags en op feestdagen ging hij gewoonlijk met het kruisbeeld in de hand door de straten van Napels. Daar verzamelde hij dan de kinderen om zich heen en sprak hun vriendelijk toe, waarna hij hen, terwijl zij onderweg zongen, naar de kerk leidde voor den katechismus.
31
Somtijds verliet hij Napels en ging naar buiten, en dan deed hij meestal juist hetzelfde, de kinderen namelijk in de naastbrjgelegen kerk om zich scharen, ten einde hen te onderrichten. Was het niet iets bevreemdends dezen jongen man, zoo bekwaam en om zijne welsprekendheid zoo geacht, nu nederig bezig te zien met het onderricht van kleine kinderen?
En toch, het ging Alphonsus goed af, omdat hij de kinderen liefhad, gelijk Jesus Christus zelf hen beminde. O, wat zoudt ge blijde zijn, indien ge hem eens hadt gehoord! Maar, wijl dit niet meer mogelijk is, wil ik u verhalen, hoe hij gewoonlijk bij het onderricht der kinderen te werk ging.
Eerst en vooral sprak hij hen over God. Hij verhaalde hun, hoe zijne goedheid zoover ging, dat Hij hun zijn eenigen Zoon schonk om hen te verlossen. Hij legde hun uit, hoe verlossing wil zeggen, dat Jesus Christus hen van het vuur der hel en van de duivelen bevrijdde en hun de poorten des hemels opende. En zoo begonnen de kinderen God te beminnen. Dan leerde hij hen
30
En nu is het tijd om te zien, wat Alphonsus verder voor de kinderen gedaan heeft.
II.
De iieiijge alphonsus als priester beminde
de kinderen en werkte voor hen.
1. Het onderrichten der kinderen. Zoodra had niet Alphonsus zijn ambt aan de rechtbank neergelegd, of hij ontdeed zich van de [rijke kleedij, die hij als zoon van een adellijk heer verplicht was te dragen, en nam het eenvoudige gewaad aan van een geestelijk student. Onmiddellijk begon hij te werken, en voor wie denkt gij? Voor kinderen begon hij te arbeiden. Zondags en op feestdagen ging hij gewoonlijk met het kruisbeeld in de hand door de straten van Napels. Daar verzamelde hij dan de kinderen om zich heen en sprak hun vriendelijk toe, waarna hij hen, terwijl zij onderweg zongen, naar de kerk leidde voor den katechismus.
31
Somtijds verliet hij Napels en ging naar buiten, en dan deed hij meestal juist hetzelfde, de kinderen namelijk in de naastbijgelegen kerk om zich scharen, ten einde hen te onderrichten. Was het niet iets bevreemdends dezen jongen man, zoo bekwaam en om zijne welsprekendheid zoo geacht, nu nederig bezig te zien met het onderricht van kleine kinderen?
En toch, het ging Alphonsus goed af, omdat hij de kinderen liefhad, gelijk Jesus Christus zelf hen beminde. O, wat zoudt ge blijde zijn, indien ge hem eens hadt gehoord! Maai', wijl dit niet meer mogelijk is, wil ik u verhalen, hoe hij gewoonlijk bij het onderricht der kinderen te werk ging.
Eerst en vooral sprak hij hen over God. Hij verhaalde hun, hoe zijne goedheid zoover ging, dat Hij hun zijn eenigen Zoon schonk om hen te verlossen. Hij legde hun uit, hoe verlossing wil zeggen, dat Jesus Christus hen van het vuur der hel en van de duivelen bevrijdde en hun de poorten des hemels opende. En zoo begonnen de kinderen God te beminnen. Dan leerde hij hen
32
hunne gebeden en onderrichtte hen, hoe zij bij hun bidden God zijne hulp moesten vragen om liet goede te doen en iedere zonde te laten. Hij toonde hun verder, hoe zij moesten gaan tot do H. Maagd Maria, gelijk namelijk een kind gaat tot zijne moeder, en dat zij hen zou helpen om Jesus Christus haren goddelijken Zoon te beminnen. En de wijze, waarop hij dit alles voorhield, was zoo aangenaam, dat de kinderen bedroefd waren, wanneer de katechismus ten einde was. Gewoonlijk sprak hij hen over het Kindje Jesus; hoe hij in een stal werd geboren, in een klein huis met Maria en Joseph woonde en daar gewoon was als een timmerman te arbeiden.
Boven heb ik u verhaald, dat hij had leeren schilderen. Nu, zijne groote liefde voor den kleinen Jesus bracht er hem toe, om schoonc afbeeldingen van het goddelijk Kind te schilderen, welke hij dan aan de kinderen placht te vertoonen. Gaarne maakte hij ook met Kerstmis eene kribbe, en het was hem een genot, om, als ware hij zelf een kind, met de kinderen voor
33
den kleine van Bethleëm neer te knielen. Ook sprak hij hen veel van de preeken, welke Jesus hield, en van de mirakelen, welke Hij deed.
Hij verhaalde hun, hoe Jesus de kleinen beminde, hoe gaarne hij hen bij zich had, en hoe Hij eens aan al het volk verkondigde, dat de hemel was voor de kleine kinderen.
De H. Alphonsus was van kindsbeen aan gewoon, zeer dikwijls aan het lijden van Jesus Christus te denken; vandaar, dat, wanneer hij sprak over het lijden onzes Heeren en den kinderen voorhield, hoe Hij voor hunne zonden stierf, allen over Jesus' lijden en hunne zonden begonnen te weenen. Hij schilderde onzen Zaligmaker aan het kruis, verscheurd, lijdend en stervende; en als nu de kinderen dat schilderij zagen en daarbij wisten, dat Jesus stierf te hunner liefde, dan waren ook zij bereid om voor Jesus te lijden en te sterven.
Nog iets anders wat de Heilige gaarne deed; nl. zingen met de kinderen.
Terwijl ik dit werkje schrijf, heb ik voor mij een schilderij, dat Alphonsus voorstelt staande
3
34
bij een altaar en door kleine kinderen omgeven, terwijl hij hen de lofzangen leert, die hij voor hen had gemaakt. Het zou u waarlijk goed doen, als ge eens zaagt, hoe zy met een glanzend gelaat, hun kleinen mond al zingende openen. Onder het schilderij staat in het Latijn; De heilige Alphonsus, Kerkleeraar, leert den kinderen de gewijde muziek.
Hij stelde twee gezangenboekjes voor hen samen. Wij laten hier een paar geestelijke liederen van den Heilige volgen. Hoort hoe hij in het volgende u een groot vertrouwen op Maria inboezemt.
O gij, mijn schoone hope.
Mijn liefde zoet en blij.
Mijn leven en mijn vrede,
Maria, dat zijt gij !
Denk ik aan u, Maria,
Roep ik u hoopvol aan:
Dan voel 'k van zielsverrukken Mijn harte sneller slaan.
35
Wordt mijne ziel verduisterd Door donkre zorg of smart,
Dan drijft uw naam, Maria, Dien nevel uit mijn hart.
Gij zijt de lieve Sterre,
Die 's werelds zee verlicht.
En 't bootje mijner ziele Naar veilge haven richt.
Gedekt door uwen mantel, Verborgen in uw schoot.
Wil ik mijn leven slijten. Wacht ik gerust den dood.
Want als ik in uw liefde Uit deze wereld scheid,
Dan wacht mij na dit leven De zalige eeuwigheid.
Omketen dan mijn harte, O minnelijke Vrouw;
Gevangen in uw liefde.
Blijft het u eeuwig trouw.
36
En hoe heerlijk bezingt hij de schoonheid zijner lieve moeder Maria, om ook in uwe jeugdige harten de liefde tot haar te ontsteken:
O gij schoone, die de krone
Als de Maagd der maagden spant.
Nooit ontwaarde men op aarde Schooner schepsel uit Gods hand.
Lieflijkheden, als uit Eden,
Stralen op uw aangezicht;
Luisterrijker, Godgelijker
Schoonheid zag nooit sterflijk licht.
Als van verre een tweelingsterre,
Zijn uw oogen zoo vol gloed;
Daar hun lichten, als twee schichten, Dringen door het hardst gemoed.
Paarlen slingren om uw vingren, Schitterend van diamant;
En de schatten, die ze omvatten,
Deelt ge aan elk met milde hand.
37
Voor uw trone, hemelschoone,
Buigen hemel, hel en aard,
O Vorstinne, die vol minne.
Zelfs den zondaar nog bewaart.
Wanneer stralen me in Gods zalen. Uw verruklijkheden toe?
God, wanneer toch, och wanneer toch Vlieg ik tot haar, smachtens moe?
d' Ouden vijand, door uw bijstand. Werd zoo menig ziel ontrukt;
Blijf 't verhoeden, trots zijn woeden. Dat mijn ziel voor Satan bukt.
Lof en zegen klink' Hem tegen. Die ons zulk een moeder schonk;
Liefde en eere God den Heere,
Door wiens macht haar schoonheid
blonk.
Laat ons zingen, stervelingen;
Eeuwig leev' Maria's naam!
38
Eeuwig noemen, eeuwig roemen,
Jesus en Maria saam.
Niets liet hij onbeproefd om hen tot eene goede biecht en eene vurige Communie voor te bereiden. Hij vond er een bijzonder genoegen in, om de kinderen voor te bereiden tot hunne eerste heilige Communie. Dan deed hij met hen de gebeden voor de Communie en daarna de dankzegging. Bijna altijd, vóór hen naar huis te zenden, vermaande hij hen, om slechte gezelschappen te vermijden, en, wanneer zij bekoord werden om iets verkeerds te doen, aanstonds te zeggen; Jesus en Maria, staat mij bij.
Behalve het mondelingsch onderricht, schreef hij ook voor de kinderen een beknopten kate-chismus. Een jong edelman bovendien. Hertog van Maddaloni geheeten, vroeg hem eenige wenken voor het goed vervullen zijner plichten. Alphonsus schreef voor hem een boekje, dat Pater Tannoja, de levensbeschrijver van den Heilige, een schat noemde. Tot mijn spijt moet ik zeggen, dat die schat verloren is geraakt.
39
2. Alphonsus priester gewijd. Terwijl Alphon-sus aldus arbeidde enkel voor kinderen, studeerde hij voor het priesterschap ; den 21 December 1726 werd hij priester gewijd. Nooit verloor hij de kinderen uit het oog; in de eerste jaren echter van zijn priesterschap was het volk zoo verlangend om hem te hooren preeken en bij hem te biechten, dat hem ternauwernood eenige tijd voor de kleinen overbleef.
3. Hij sticht eenc Congregatie van Priesters.
Eenige jaren na zijne wijding riep hem God,
om eene nieuwe orde van priesters te stichten, de Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser. Hij ondervond zeer veel moeilijkheden, maar ten laatste slaagde hij. Het werk dezer priesters bestaat hierin, dat zij van de eene parochie naar de andere gaan voor het geven van missiën. Op deze missiën begon de Heilige weder de kinderen te onderrichten juist als vroeger, toen hij nog maar student was.
4. Hij wordt tot Bisschop verheven.
Reeds jaren en jaren was hij missionaris, toen Paus Clemens XHI (1762) hem tot Bisschop
40
aanstelde over een Bisdom, St. Agatha gehee-ten. Misschien zullen sommige kinderen wel zeggen: O, nu hij bisschop is, zal hij zeker niet meer werken voor de kinderen. â Toch niet.
Integendeel, meer dan ooit was hij nu bezorgd, om voor hen te arbeiden. Het was zijne vreugde kinderen om zich te vergaren en hen Jesus en Maria te leeren beminnen. Op Zon- en feestdagen onderrichtte hij hen in den katechismus in zijn eigen kathedraal, en dat deed hij zoo schoon, dat gewoonlijk ook het volk naar de kerk kwam, om hem te hooren. Eveneens, als hij de verschillende kerken van zijn Bisdom bezocht, preekte hij altijd voor de kinderen. Bij die gelegenheden diende hij aan allen, die oud genoeg waren, het Sacrament des Vormsels toe.
Ik zal u eens verhalen, wat bij zekere gelegenheid voorviel met een kleinen monnik.
Daar was een goed knaapje van vijf jaar. Zijn moeder had hem aan den dienst Gods gewijd en daarom hem gekleed als een monnik. Toen nu de bisschop in de parochie kwam, verlangde zij vurig, dat hij haar zoontje zou vor-
41
men, omdat hij zoo'n heilig man was en zij tevens vreesde, dat hij nooit meer zou terugkomen, daar hij zeer oud was en ziekelijk. Met goedkeuring van den pastoor bood zij den kleine voor het Vormsel aan. Gelijk ik zeide, was hij als monnik gekleed. Maar de goede bisschop weigerde hem te vormen; het kind was nog te jong, merkte hij aan. Wat denkt gij nu wel, dat de moeder deed? Zij deed den kleine de monnikspij uit en gaf hem andere kleeren aan; zoo kwam ze opnieuw bij den bisschop. De heilige man echter herkende hem: âWel,quot; zeide hij, âdaar hebt ge den kleinen monnik weer.quot; Maar nu, omdat èn pastoor èn moeder beiden zijne zaak ernstig bepleitten, gaf hij gehoor aan hunne bede en diende den kleine het H. Vormsel toe. Het knaapje deed daarna zijn monnikspij weer aan, en wij hopen, dat hij die geheel zijn leven zal gedragen hebben. De heilige Alphonsushad er geen spijt van, dat men hem zoo gedwongen had, want gaarne bewees hij den kinderen een gunst. Dit wisten ook de moeders en daarom brachten zij hunne kinderen, als hij uitging, bij hem, opdat hij ze zou zegenen.
42
Nu zal ik u verhalen, wat op een anderen keer voorviel, niet in de kerk, maar in zijn eigen huis. De heilige Alphonsus was zeer ziek en lag te bed. Een zijner priesters kwam hem bezoeken; hij bracht zijn neefje mede, die vier jaar oud was. Het knaapje droeg in een korf twee vogels, die hij den bisschop ten geschenke gaf. âMijn kind,quot; zeide deze, âhoe is uw naam ?quot; De arme kleine jongen gaf geen antwoord, want hij was stom, hij had nog nooit een enkel woord kunnen spreken. Daarop liet de bisschop wat lekkers voor hem halen, 't Speet hem zeer, dat de kleine jongen stom was. Hij zag hem met veel medelijden aan, maakte het teeken des kruises op zijn voorhoofd, liet hem een schilderijtje van de H. Maagd kussen en het hem toonende, zeide hij: âEn wie, mijn kind, is die Dame?quot; Op eens antwoordde het knaapje: âLa Madonna !' wat in het Hollandsch zeggen wil: Onze Lieve Vrouw. â Hij was genezen ; en dit was een groot mirakel.
5. Alphonsus1 laatste dagen en dood.
Toen hij dertien jaar bisschop was, gaf de
43
Paus hem verlof, om van zijn bisdom afstand te doen. Hij was zeer oud en leed veel. Niettemin leefde hij nog twaalf jaar lang met de Paters zijner Congregatie. Het grootste gedeelte van dien tijd was hij in staat om de heilige Mis te lezen, en 's avonds besteedde hij een langen tijd met bidden voor het heilig Sacrament. Toen hij te zwak was geworden om zelf de heilige Mis te lezen, deed zulks een Pater iederen dag in eene bidplaats nabij zijne kamer en gaf hem dan de heilige Communie. Hij werd al zwakker en zwakker, tot ten laatste iedereen zag, dat hij niet lang meer zou leven. â Toen had er een treffend schouwspel plaats. De heilige bisschop lag op zijn arm bed; zijn geestelijke kinderen, de Paters en Broeders Redemptoristen, lagen rondom hem geknield en de tranen vloeiden langs hun wangen, terwijl zij voor hun goeden en liefderijken vader baden. Men hoorde een klok luiden ; dit was het tee-ken, dat hem de laatste heilige Communie zou gebracht worden. Hij ontving die voor de laatste maal met eene brandende liefde. Daarop ontving
44
hij het H. Oliesel en den laatsten zegen der Kerk. Geheel verslonden in God wachtte hij het einde, dat zeer nabij was. Plotseling werd zijn gelaat helder en schoon; hij vestigde zijne oogen op iets, dat de anderen niet konden zien ; het was de H. Maagd. Zij kwam om haar al-lergetrouwsten dienaar te troosten, die haar van het eerste gebruik zijner rede tot zelfs op dit oogenblik gediend had. Getroost, bemoedigd en gesterkt door die heilige Moeder, verliet zijne zuivere ziel het lichaam, juist toen de Angelus-klok klepte. Dit geschiedde op den middag van 1. Aug. 1787, en daar hij toen over de negentig jaar oud was, werd de profetie vervuld: âDit kleine kind zal niet sterven, alvorens den leeftijd van negentig jaar te hebben bereikt; het zal Bisschop worden en groote dingen voor de Kerk doen.quot;
Op het oogenblik van zijnen dood zag eene Karmelites, die onschuldig was als een kind, zijne ziel opvaren ten hemel; zij was glansrijker dan de zon. Ik zal niet spreken over de groote eer, hem door een ieder na zijnen
45
dood bewezen, maar toch moet ik u verhalen, hoe God zijnen dienaar door een kind van nog geen dertien maanden verheerlijkte. De naam van dat kind was Joseph Maria Fusco. Het lag zeer ziek, en allen verwachtten zijn dood. Zijne tante, die binnenkwam, nam hem, stervende als hij was, in hare armen en zeide, dat zij hem wilde brengen naar de kerk, waar het lichaam van den heiligen Alphonsus lag, om van hem de genezing van den kleine af te smeeken. De arme moeder, meer met vreeze vervuld dan met hoop, volgde haar, niet anders denkende of haar kind zou onderweg sterven.
De tante baande zich een weg door de menigte en bereikte ten slotte de plaats, waar des bis-schops lichaam op een praalbed lag. Zij vroeg den leekebroeder, die er bij stond, om met haar rozenkrans het lichaam aan te raken. Dat deed hij. Dan legde zij den rozenkrans op het kind. Op dat oogenblik bezielde de moeder zulk een groot vertrouwen in de macht van Alphonsus, dat zij verzocht het lichaam van haar kleine met dat van den heiligen bisschop in aanraking te
46
brengen. Dit geschiedde, en in een oogwenk was het knaapje genezen. Maar dit was nog niet alles. Den volgenden dag, 3 Augustus, kwam de oom van den kleine, een priester, zijn neefje bezoeken, dat, zóó den dood nabij, toch genezen was. Hij had een plaatje van den H. Alphonsus, dat hij juist van een pater Redemptorist had ontvangen. Hij liet dit den kleinen Joseph zien, die, let wel, nog maar dertien maanden telde ; en nauwelijks had hij het gezien of hij riep uit: âAlphonsus, Alphonsus!quot; Dan hief hij zijn kleine handjes en oogen ten hemel en riep : âAlphonsus in den hemel, Alphonsus, Alphonsus, de Heilige, de HeiligeT Allen, die tegenwoordig waren, konden van verbazing niet spreken. De kleine met zijn vinger naar het plaatje wijzende, herhaalde opnieuw: B Be Heilige in den Hemel, de Heilige in den hemel, Alphonsus in den hemel!quot;quot; Op deze wijze 'werd Alphonsus, die de kinderen zoo lief had en zooveel voor hen werkte, door een klein kind zalig geprezen.
Na lang onderzoek verklaarde de Paus ten bekwamen tijde, bij drie onderscheidene gelegen-
47
heden, op plechtige wijze, dat Alphonsus zeer heilig, zeer geleerd en in den hemel was. Hij werd zalig verklaard in het jaar 1816; de heiligverklaring had plaats in de maand Mei 1839 ; hij werd leeraar der Kerk verklaard den 23sten Maart 1871.
Daar is nog iets dat gij moet weten.
Jaren voor hij stierf, maakte Alphonsus een testament en een groot gedeelte van dat testament was ten gunste der kinderen. En wat hield het in? Ik zal 't u verhalen.
Vóór alles gelastte hij, dat zijn eigen Priesters, de paters Redemptoristen, na zijn dood zouden voortgaan met voor de kinderen te werken; dat zij op al hunne missiën de kinderen zouden onderrichten, voor hen preeken en hen leeren Jesus en Maria te beminnen. Hij wilde, dat zij hen zouden voorbereiden tot de biecht en hunne biechten hooren. Hij beval, dat zij hen zouden leeren goed bij de heilige Mis tegenwoordig te zijn, hoe zij verder zich tot de heilige Communie moesten voorbereiden. Ons Heer ontvangen en na de Communie hunne dankzegging doen. En
48
de pristers van den H. Alphonsus zijn aan dat alles getrouw gebleven, reeds meer dan honderd jaren.
Om Alphonsus' laatsten wil op te volgen, heeft zelfs een Redemptorist in Engeland, Pater Furniss, geheel zijn leven aan de kinderen gewijd. Daarenboven schreef de heilige Alphonsus voor, dat alle Paters en Broeders tot het einde huns levens zouden bidden voor de kinderen, zelfs voor de kleinste; want, zoo vreesde hij, zij mochten eens sterven, voordat zij gedoopt waren, en dan konden zij nimmer in den hemel komen. O ! hoezeer beminde Alphonsus de kinderen en hoe verlangde hij hen allen zeer deugdzaam te zien.
Dierbare kinderen die dit leven leest, uitgegeven op den 200sten verjaardag van Sint Alphonsus, wilt, in vereeniging met mij, uwe harten ten hemel verheffen en zeggen:
O Heilige Alphonsus, die van uwe prille jeugd God zoo getrouw diendet, en gedurende geheel uw langen levenstijd de onschuld bewaardet, waarmede Hij uwe ziel in het doopsel tooide, waak
49
over ons, maak dat wij getrouw blijven en bewaar onze onschuld. Help ons in de navolging uwer liefde tot uwe ouders en in uwe gehoorzaamheid, hun betoond. Help ons bidden, gelijk gij altijd hebt gebeden. Geef dat wij iederen dag-tot Maria gaan, opdat zij ons leere, hoe wij tot de kennis en de liefde van haren goddelijken Zoon Jesus moeten komen; sta ons bij om al onze verplichtingen goed na te komen en aan God genoegen te geven; boven alles, leer ons, met godsvrucht de heilige Mis hooren, oprecht biechten, dikwijls en vurig naderen tot de heilige Tafel. O! mochten wij altijd, wanneer we Jesus in ons hart bezitten, Hem de genade vragen, om de zonde te vluchten en alle gevaarlijke gelegenheden tot zonde; nu de deugden van een goed kind te beoefenen, en ten bekwamen tijde den staat te kiezen, tot welken God ons wil roepen. Mochten we Hem geheel ons leven trouw blijven en dan, gelijk gij, in de armen van Jesus en Maria sterven, en met u Hem voor eeuwig in den hemel beminnen. Amen.
4
50
m.
Een brief van den h. alphonsus.
Alphonsus was drie en tachtig jaar oud, toen hij den volgenden brief schreef aan zijn neven. Deze lagen destijds op school. De raadgevingen, welke hun heilige oom hun gaf, zijn goed voor alle kinderen. Deze brief wordt met groeten eerbied bewaard door den Kardinaal-Aartsbisschop van Napels. Hij is geschreven in het Italiaansch; wij laten hier de Hollandsche vertaling volgen. Gij kunt hem beschouwen als aan uzelven geschreven; want de H. Augusti-nus zegt, dat alle heilige geschriften als brieven zijn van den hemel. De H. Alphonsus bad zeer veel voor zijne neven, toen hij hun dezen brief schreef. Hij zal ook voor u, terwijl gij hem leest, bidden en voor u aan God zijn bijstand vragen, opdat ge er uw voordeel mee doet.
51
Leven Jesus, Maria, Joseph!
Nocera de Pagani, 4 April 1780.
Het is een mirakel van Gods goedheid, dat ik nog in leven ben, en dat mij nog wat tijd is gegeven, om over mijne zonden te weenen. Tot nu toe heb ik u altijd nog hier verwacht, om n mijn laatsten zegen te geven, mijn laatste raadgevingen mee te deelen; maar het heeft God niet behaagd da~ ik dien troost zou smaken; ik verdien 't ook niet; gezegend zij ten allen tijde zijn heilige naam.
Ik zegen u daarom van uit de verte, en ik doe zulks met al de genegenheid mijns harten, terwijl ik God bid, u van uit den hemel te zegenen en in uwe jeugdige harten zijn heilige vreeze en 1 iefde te storten'; eene liefde, die eeuwig moge duren en u voere tot de gelukkige eeuwigheid, in welke ik u, als God mij genadig is, zal wachten. Neemt dus de vreeze Gods ter harte; vreest Hem als uw Meester, maar, nog veel meer, bemint Hem als uwen Vader. Vader! O, allerzoetste naam!
52
Zoo spreekt ge Hem iederen dag aan in het gebed, dat Onze Heer zelf u leerde, toen Hij zeide : Onze Vader. Ja, Hij is uw Vader, bemint Hem dus teeder. Ja, Hij is uw Vader, maar een Vader, zoo goed, zacht, beminnelijk, teeder, edelmoedig en barmhartig. Ziedaar zoovele eigenschappen, waarom Hij door u met eene hartelijke, teedere, dankbare genegenheid moet bemind worden. Gelukkig zult gij zijn, als ge Hem bemint van uw prilste jeugd. Het juk des Heeren zal u dan niet hard voorkomen, maar zacht, en zijne heilige wet als iets beminnelijks. Gij zult uwe ongeregelde driften leeren bedwingen en uwe vijanden overwinnen. Allengs zullen goede gewoonten u eige n worden, en zoo zult gij als gemakkelijk en zacht beschouwen, wat zij, die in de ondeugd vallen, smartelijk en moeilijk vinden.
Bemint God, mijn dierbare kinderen. Ik noem u kinderen, omdat ik u bemin met de teedere liefde eens vaders, en vurig verlang de liefde Gods in u te ontsteken. Bemint God, onzen oppersten Heer, en zijn Zoon Jesus Christus. Bemint Hem veel en bewaart in uwe harten die
53
liefde met een jaloerschen ijver en vreest haar te verliezen. O wat een ramp zou het zijn Gods liefde, zijne genade en vriendschap te verliezen en zich zijne verontwaardiging en wraak op den hals te halen!
Ik beveel u aan, nederig te zijn. De nede-rigen vlieden het gevaar en nemen in de bekoringen, die hen overkomen, met vertrouwen tot God hunne toevlucht, en zoo bewaren zij de goddelijke liefde in hunne zielen. De hoogmoe-digen daarentegen vallen gemakkelijk in zonde en verliezen Gods vriendschap. Zonder nederigheid zult ge nooit eenig werkelijk goed tot stand brengen, nooit waarlijk en degelijk deugdzaam worden, en welke deugd gij ooit verkrijgen mocht, gij zult die zonder haar gemakkelijk verliezen. God weerstaat den hoogmoedige, den nederige schenkt Hij genade. De nederigen zijn de vrienden Gods, en Hij ziet met een blik van teeder medelijden op hen neer.
En indien ge nu een blik slaat op u zeiven, zult ge niet hoogmoedig worden; altijd toch zult gij beweegredenen tot diepe vernedering vinden.
54
't Ts waar, gij behoort tot eene achtbare familie, maar, dat is eene gave Gods. Ge zijt in een College, bestuurd door ijverige en werkzame Oversten, die zoowel door geboorte als door hunne deugd uitmunten, en gij ontvangt onderricht van voorzichtige, verlichte en voorbeeldige meesters ; maar ook dat is eene gave Gods. Gij zijt, naar ik vertrouw, in staat van genade, en dat is eenvoudig een uitwerksel van Gods goedheid jegens u. In één woord, alles wat gij hebt en zijt, hebt gij van God ontvangen; en zoo ge meer dan anderen van Gods goedheid ontvangen hebt, moogt ge daarom volstrekt niet hoogmoedig zijn.
Als gij nu uwe fouten nagaat â want die zijn het uwe geheel en al â vindt ge stof tot voortdurende zelfvernedering.
Als nederige kinderen dus moet gij uwe oversten in het College met liefde en dankbaarheid gehoorzamen; want, hetzij in hun onderricht, hetzij in de aanmoedigingen en berispingen, in alles leggen zij de genegenheid, die zij u toedragen, aan den dag. En juist de berispingen, die zij u
55
geven, al mishagen zij u ook, zijn bij deze goede religieuzen de vrucht der liefde, die zij u toedragen. Gehoorzaamt hun als aan zoovele vaders, want uw vader heeft u aan hen toevertrouwd en hen met zijn gezag bekleed. Gehoorzaamt hun daarom en eerbiedigt hen, bemint hen; want het is uw plicht uwen vader te gehoorzamen, te eerbiedigen en te beminnen.
Ik vertrouw, dat gij zoo zult doen om aan God genoegen ve geven alsmede aan uw vader en aan mij.
Ik heb niettemin tot mijn smart vernomen, dat gij u maar zeer weinig op de studie toelegt. Dierbare kinderen, wist ge eens hoe verkeerd ge daarmede doet! Onwetendheid en luiheid zijn bronnen, waaruit in overvloed zonde en ondeugd vloeien. Studeert dus met aandacht, met ijver, met vurigheid, opdat gij God moogt kennen, zijne weldaden en belooningen, opdat ge veel aan Hem moogt denken en Hem vurig beminnen.
De onwetenden kennen God en zijne weldaden alsmede hunne verplichtingen weinig of niet ; en dit is de reden waarom zij kwaad doen.
56
Studeert dus, en schenkt mij, voor ik sterf, dien troost, dat ik vernemen mag, hoe gij met mijne raadgevingen uw voordeel doet.
Ik ben aan het einde mijner dagen gekomen, en ik weet niet, of gij mij wel ooit zult weerzien. Mogen deze mijne laatste raadgevingen in uw hart gegrift worden en de vruchten, die ik er van hoop, voortbrengen.
Leest dezen langen brief aandachtig, vraagt uitlegging van de eene of andere plaats, die gij niet mocht begrijpen, en pront hem diep in uw geheugen, opdat ge alles, wat ik u gezegd heb, in beoefening moogt brengen.
Bemint God veel en legt er u op toe dien grooten en betninnelijken Heer steeds beter te kennen, en Hem dus altijd meer en meer te beminnen. Bewaart in uw hart die heilige liefde door de nederigheid. Gehoorzaamt uwen oversten en uwen vader gewillig en liefdevol. Onderhoudt de regels van het College om aan God genoegen te geven. Ten laatste hebt veel godsvrucht tot de H. Maagd Maria, onder wier zorg en bescherming ik u stel en wie ik u met
57
al de vurigheid mijns harten aanbeveel. Ik zegen u in den naam van Jesus Christus, opdat gij de zijnen moogt zijn in tijd en eeuwigheid. Amen. Brengt mijn eerbiedigen groet aan Pater Rector en aan al de andere Paters, die u met zooveel zorg bewaken; zegt hun, dat ik hen dank voor al de zorgen, die zij aan u besteden.
Ik zegen u nogmaals.
Uw zeer toegenegen Oom
Alphonsus Maria de Ligüoei, Bisschop.
IV.
Levensregel.
I. Als gij 's morgens ontwaakt, maak het teeken des kruises en zeg: âJesus, Maria en Joseph, ik geef u mijn hart en mijne ziel.'
II. Morgengebed. Als gij gekleed zijt, kniel dan neder en zeg het Onze Vader, Wees gegroet en de twaalf artikelen des geloofs. Hebt gij haast, zeg dan ten minste het Onze Vader en Wees gegroet onderweg of op uw werk.
Opoffering zijner werken. Denk een oogenblik na over al hetgeen ge door den dag zult doen en hoe ge alles goed moet doen, zooals : gebeden, maaltijden, schoolwerk, bezigheden ; denk aan de plaatsen waar gij zult komen, aan de personen met wie gij zult spreken, aan uwe plichten jegens ouders en anderen. Zeg vervolgens: âO mijn God, om U te believen, offer ik U op al wat ik
59
vandaag zal doen in vereeniging met hetgeen Jesus heeft gedaan.quot;
Zich voorbereiden op de bekoringen. Die gewaarschuwd is kan op zijn hoede wezen. Denk na, welke bekoring gij des daags wellicht zult ontmoeten â en hoe ge de zonde zult vermijden. â Zeg vervolgens: âO mijn God, bewaar mij dezen dag voor iedere zonde.quot;
III. Voor en na den maaltijd. Maak het teeken des kruises en dank God.
IV. Avondgebeden. 1. Bid het Onze Vader, JVees gegroet, Maria, de twaalf artikelen des geloof s. 2. Onderzoek uw geweten. Zeg tot u zeiven: Heb ik mijn gebeden verzuimd of de een of andere zonde vandaag gedaan ? Denk een oogenblik na, welke zonde. â Zeg vervolgens : âO God, wees mij zondaar genadig.quot; â Als gij te bed ligt, leg uw armen kruiselings over elkaar en zeg: âJesus, Maria en Joseph, ik geef U mijn hart en mijne ziel.quot;
Mocht ge 's nachts ontwaken, bid dan.
V. Beugden dagelijks te beoefenen.
1. De goede meening. Als gij bidt, eet,
60
slaapt, u zeiven kleedt, praat, zingt, wandelt, gezeten zijt, een b oodschap doet, het licht aansteekt, naar school gaat, leert, schrijft, naait, werkt, bij iedere handeling, in één woord, groot of klein, zeg bij het begin of in het midden of aan het einde: âMijn Jesus, ik doe alles voorU.quot;
2. Overkomt u iets, dat u niet bevalt, zeg dan: âO mijn God, dat Uw wil geschiede.'
3. quot;Wees minzaam jegens ieder.
4. Vergeef hun die u beleedigen, en spreek hen minzaam toe.
5. Geef een goed voorbeeld aan andere kinderen.
6. Bemin en eerbiedig uwe ouders en meesters en gehoorzaam hun in alles wat geen zonde is.
VI. Heilxame oefeningen. Zeg dikwijls tot u zeiven: âGod ziet mij.quot; Hoor iederen dag de H. Mis en bezoek het H. Sacrament en het een of ander beeld of een schilderij der H. Maagd. Kunt ge niet naar de kerk gaan, kniel dan na den maaltijd in uw huis neer, het aangezicht gekeerd naar de kerk, en zeg een kort gebed ter eere van het H. Sacrament. Bid het
61
rozenhoedje of ten minste een tientje, lees het een of ander goed boek, bid 's morgens, 's middags en 's avonds het âEngel des Heer en,quot; treed toe tot de een of andere Broederschap, maak jaarlijks eene retraite, lees iederen zondag dezen levensregel. Bid dagelijks om de volharding.
VII. Bekoringen. 1. Komt eene bekoring op, keer haar den rug toe en zeg: âJesus en Maria, helpt mij,quot; of bid het Wees gegroet, totdat zij ophoudt.
2. Verdrijf een slechte gedachte zoo spoedig uit uw geest, als gij een vuurvonk van uw hand zoudt werpen.
3. Weerhoud uw oogen, ooren, tong en handen van wat slecht is.
4. Houd u terug van slechte gezelschappen en alle gevaarlijke plaatsen. Lees geen slechte bladen of boeken.
VIII. Bedreven zonden. âWie de zonde bemint haat zyne ziel.' Ps. X.
1. Bedrijft ge een doodzonde , verwek dan onmiddellijk een akte van berouw en ga te biechten, zoo spoedig als gij kunt.
62
2. Bedrijft ge eene dagelijksche zonde, heb er spijt over en klop op uwe borst. Tracht ze niet meer te bedrijven.
IX. De Sacramenten. Ga met Paschen te biecht en te Communie en verder ten minste eens in de maand. Verzwijg niet moedwillig een doodzonde in de biecht. Zijt gij bevreesd om de een of andere zonde te zeggen, zeg: âVader, wees zoo goed mij te helpen.quot;
X. Het sterven.
1. Ontvang bijtijds het H. Sacrament der biecht, de H. Teerspijze en het H. Oliesel.
2. Als ge in gevaar van sterven zijt, verwek stellig een akte van berouw en zeg dan: âO mijn God, het spijt mij zeer, dat ik tegen U gezondigd heb, omdat Gij zoo goed zijt, ik zal niet meer zondigen.quot; Een goed akte van berouw zal uwe ziel redden, als er by uw sterven geen priester is om uwe biecht te hooren.
3. Sterf gaarne omdat het Gods wil is. Zeg: âO mijn God, uw wil geschiede.quot;
4. Leef dagelijks, alsof ge dien dag moest sterven.
63
Dierbare H. Joseph, om de zoete diensten U op uw doodbed bewezen, verkrijg voor mij een zelfden bijstand in mijn laatste uur. (H. Alphon-sus).