Kast 428 pi. 6 n0.37
j
J j
... , . rVii ,i „ ...
11' *1^ ii mi1! m» iftfliiwwiM IMII wt wij vw
,
. Vtr.-.
'
LOCUS
DE
C C L E S I A.
COLLEGE-DICTAAT VAN EEN DER STUDENTEN.
Exemplaar K0. afgegeven aan den Heer
$0-
:
■
,•
. - •
■
.....
VSjS*1
LOGUS DE ECCLESIA.
„De naam „Kerkquot; drukt niet haar wezen ui/, maar slechts een modaliteit van haar beslaan. DU komt hel sterkst uit in de woorden van den grondtekst der Heilige Schrift: „TlfV en „twXriaCaquot;; maar, zij het ook meer zijdelings, toch ook in ons woord ..kerkquot; en „gemeentequot;.
Het grondbegrip van al deze uitdrukkingen is een saamvergadering van gequalificeerde personen, die eerst door en in deze saamvergadering als eenheid optreedt, maar zonder dat door dit begrip op zich zelf nog iets, xvat dan ook, omtrent het roezen en het karakter dezer eenheid wordt uilgesproken. Tot die nadere bepaling geraakt men eerst, door te letten op de qualileit der le vergaderen personen; op Hem, die ze vergadert, als ook op het doel, waarmee deze saamvergadering plaats grijpt.
Nu zijn de te vergaderen personen membra disjecta van een vroeger gaaf lotion.
Hij, die deze membra disjecta recomponeerl, is de Schepper van het lolum, en
het doel van deze saamvergadering is, hel latum., dat verloren ging, opniemv als organische eenheid in hel leven te doen treden, en dat wel op zulk een wijs, dal
1° een tiveede disject ie der membra voor altijd zij afgesneden.
2° de absolute ontwikkeling van dit tohan verzekerd zij.
3° dit aldus gereeomponeerde lotion volkomenlijk beantwoorde aan het doel, waartoe God het oorspronkelijk geheel, vóór zijn uiteenvalling, schiep.
Dit oorspronkelijk geheel nu, was het genus humanum, gelijk God dit schiep naar Zijn beeld, en waarvan de enkele personen de organische deelen zijn. Dit genus humanum moet hierbij begreiien, gelijk het in de oorspronkelijke schepping geponeerd is, en alzoo genomen in noodzakelijk verband met het leven van den geheelen xócaos.
Dit organisme is verstoord en in membra disjecta uiteengevallen, toen het den hand doorsneed, waarmee hel aan God hing, en alzoo van God
4
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
afviel, zoodat nu de heugenis van het oorspronkelijk geheel in de stukgestooten scherven nog wel naleeft, en ten deele zi lfs in die membra disjecta een heimwee naar recompositie werkt, maar zóó, dat de eigendunkelijke en ondoeltreffende pogingen om deze eenheid te herstellen, slechts uitloopen op nog erger ontbinding.
Hij, die de weer bijeenbrenging van deze membra disjecta alleen volvoeren kan, is niet de mensch, ook niet de machtigste wereldveroveraar, maar God, die als Schepper niet varen laat het werk zijner handen, en die alsnu in het wondere product zijner kerk de teloor gegane eenheid herleven doet, en dat wel herleven doet, niet zooals ze was, toen ze brak; maar nu onbreekbaar; en het doel, waarmede Hij deze weêr saambrenging van de gebroken scherven tot stand brengt, is niet op zichzelf de redding van den zondaar, maar de redding van hetgeen door de zonde voor God en voor de eere zijns Naams teloor ging.quot;
Bij de bespreking van deze § zullen we eerst den naam beschouwen, die de zaak, waarover deze locus handelt, aanduidt. quot;We gaan dan achtereenvolgens na do namen: kerk, gemeente, iwlvai'a, TP, rnj^, synagoge, en dit doen we niet alleen etymologiae causa, maar vooral historiae causa, omdat altoos uit den naam iets omtrent de zaak te leeren valt; immers, de namen dei-dingen zijn niet contingent.
Waar wc dus historisch te werk gaan, d. w. z. niet willekeurig een begrip aan den naam hechten, daar moeten we teruggaan in de historie, die in den naam gepreciseerd ligt.
We staan evenwel hier voor de moeielijkheid, dat we hier met een tweeërlei, ja, met een drieërlei naam te doen hebben. Met de namen „kerkquot; en „gemeentequot; is nog niet de historische oorzaak aangegeven, omdat de kerk niet opkwam in Nederland, maar in die plaatsen, waar Hebreeuwsch en Grieksch werd gesproken. Bij het opsporen van de oorsponkelijke beteekenis der woorden „kerkquot; en „gemeentequot;, hebben we dus alleen een indice voor wat de Nederlanders in dat begrip legden, toen zij met de kerk in aanraking kwamen.
Spreken we nu eerst over de woorden „kerkquot; en „gemeentequot;. Hierbij valt te letten op tweeërlei:
1° op de origine van die woorden,
2° op het onderscheiden gebruik dier woorden.
1° Het woord „kerkquot; komt van het Grieksche „t6 -/.vqu^ov.quot; In de Grieksche christelijke wereld namelijk, gaf men aan de plaats, waar de gemeente samenkwam, den naam van „rö wgicmovquot;, of wel „77 uvQuUrquot; (n.l. Sófiog), alleen dus
5
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
aanduidende het huis, waar de gemeente saam vergaderde. Een huis, dat b. v. aan een persoon toebehoorde, die den naam Alexander droeg, heette „to 'AXt^avS^iayiov.quot; De plaats nu, waar de gemeente vergaderde, boorde den Heere toe, was zijn eigendom, en werd diensvolgens met den naam „xu KvyCawvquot; aangeduid.
Dat gebouw op zichzelf nu, was hol, niemand woonde daarin, maar dat huis openbaarde zich dan eerst als ró nygfaxov, wanneer de gemeente vergaderd was. Vandaar dat dit woord werd overgebracht op de gemeente zelf, omdat in dat gebouw de gemeente als gemeente gezien werd.
Alzoo beteekende to hvqühov:
le het gebouw,
2° de gemeente.
De eerste overbrenging van het christendom onder de Germanen, Britten enz. had plaats vanuit de Grieksche wereld. Bisschop Ulfllas bracht het eerst do West-Gothen met het christendom in aanraking. Al die volken werden door Grieksche predikers en zendelingen gekerstend, en voornamelijk geschiedde dit in de derde en vierde eeuw van uit Constantinopel. Die zendelingen deden op de plaatsen, waar zij predikten eveneens een y.voiaxov bouwen. Zoo ging die term over, en werd in onze taal: „kerkquot;. De overgang geschiedde geleidelijk. In het Oud-Hoogduitsch werd het: „chirïachaquot;. Do beginletter van Hvgimov kreeg een onderscheiden uitspraak, nu eens als k, dan als kh, dan weêr als tcj (cf. Kikero en Cicero). Zoo was in het Oud-Friesch kerk = tsjerke, en hieruit verklaart zich tevens, dat kerk in het Slavisch heet: zerkow (spreek uit: tserkow).
Naast het woord kerk, staat de naam: gemeente. Door de voorvoeging „goquot; of „gaquot; drukt dit woord uit de verzameling, hetgeen wc nog waarnemen in woorden als „gebroeders, genootenquot; enz. Gemeente duidt alzoo alleen aan: de gemeenschap, de enkelen als geheel gedacht.
Kerk en gemeente geven dus iets geheel verschillends te kennen, en etymologisch heeft kerk met gemeente niets te maken. Etymologisch heeft kerk ook niets met iy.y.XriaCa te maken, terwijl gemeente hetzelfde uitdrukt als ixxXriaia, Sn^. Vroeger nu werd kerk uitsluitend gebezigd voor het gebouw en voor de gemeente als collectief begrip, dat de personen aangaf, die tot dat gebouw behoorden. Vandaar dat de samenstellingen met het woord kerk zien op het gebouw; denken we slechts aan de uitdrukkingen: kerspel, Kirchweihe, en dit leeft nog zoozeer na, dat men nooit zal spreken van „geliefde kerkquot;, maar steeds van „geliefde gemeentequot;.
2° moeten we letten op het onderscheiden gebruik dier woorden.
6
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Do vertaling van het woord hyiXrjaüc is oorspronkelijk gescliied door kerk, crwijl en rnj/ werden overgezet door: vergadering. Zoo heette het: „Roep een heilige vergadering uitquot;, en zoo werd steeds gesproken van de vergadering, niet van de kerk van Israël.
Dit bleef, totdat de Reformatie zelf een vertaling leverde. Toen werd do vertaling van kerk voor het woord uitgeworpen, en daarvoor in
de plaats ging men nu gebruiken het, woord gemeente. In zooverre was dit juist, als inderdaad twlriaCa étymologisch niet samenhangt met kerk, maar met gemeente. Taalkundig was dit dus goed gezien.
Maar toch lag in die verandering een dogmatische bedoeling. Men had zich n.1. meer en meer aangewend om aan den naam kerk een hiërarchisch begrip te hechten. Zoo sprak men van de kerk van Rome, en dacht dan steeds aan de hiërarchie. Evenwel dit was onjuist. Do oorspronkelijke beteekenis van Roomsche kerk, is de plaatselijke kerk van Rome en de intentie was, dat de kerk van Rome een metropolitaansch zeggenschap had over de andere kerken. Doch, ecclesia Romana was steeds do plaatselijke kerk van Rome. Do paus was in de Middeleeuwen predikant van de kerk van Rome. Do eminentie van den paus was alleen, dat hij opvolger was van Petrus in die plaatselijke kerk. Men sloot zich dus aan bij de plaatselijke kerk van Rome. Maar dit begrip van plaatselijke kerk ging te loor, terwijl het begrip van kerk overging in dat van hiërarchie; en dit geschiedde:
l1' door het begrip van do ecclesia representativa, d. i. de clerus (de indoe-ling was in laici en clerus, en de clerus, de ecclesia representativa, was de kerk).
2° doordat van lieverlede hot begrip van kerk word overgebracht op de pyramidaal opklimmende hiërarchie, d. i. de ecclesia representativa van de Wereldkerk.
Waar do Reformatie die hiërarchie omver wierp, moest vanzelf het woord weêr op den voorgrond treden, waarin de geloovigen werden uitgedrukt, en dit was het woord gemeente.
Men meed dus om dogmatische redenen hot woord kerk.
Zoo heeft men dan bij de vertaling van hot Nieuwe Testament daaraan een schriftuurlijken grondslag pogen te geven. Rome b. v. sprak altijd van: „die zijn kerk gekocht hoeftquot;, enz., d. w. de hiërarchie, en daarvoor zette men nu gemeente. Het Roomsche kerkrecht werd dus omver gegooid. Het gold alzoo een hoofdzaak.
Toch heeft men het woord kerk niet laten glippen.
Men had daartoe allicht kunnen komen in den strijd tegen Rome, maar door twee zaken werd het woord behouden:
7
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
1° het woord kerk stond in de 12 Artikelen des Geloofs: „Ik geloof in één, heilige, algemeene, christelijke kerkquot; en hier liet men het woord staan.
2° men begreep, dat het onmogelijk was, om aan Rome dat woord over te laten, en haar alzoo de eer te gunnen, dat zij, de Roomschen, de kerk waren. Men moest zelf de ware kerk zijn. Vandaar de tegenstelling, die men kreeg tusschen ware en valsche kerk, in welke onderscheiding het woord moest gehandhaafd blijven.
Onze vaderen hebben dan ook in de Geloofsbelijdenis overal het woord kerk bijbehouden,
Cf, Art, 27: „Wij gelooven en belijden een eenige katholieke of algemeene kerk , , , . Deze kerk is geweest van het begin der wereld afquot; enz.
Art. 28. Uier wordt éénmaal het woord vergadering genoemd: „Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering is een vergadering dergenen, die zalig worden, en dat buiten dezelve geen zaligheid is, dat niemand, van wat stand of betrekking hij zij, zich behoort op zichzelf te houden.quot; Doch dan wordt verder wéér het woord kerk gebruikt: „Maar dat allen schuldig zijn, zichzelf daarbij te voegen en daarmede te vereenigen, onderhoudende de eenigheid der kerk.quot;
Art. 21) handelt over het onderscheid en de merkteekenen van de ware en de valsche kerk. Ook hier is dus het woord behouden.
Art, 30 handelt over de regeering der kerk door'kerkelijke ambten.
Art, 31, Tn dit art, wordt van de Dienaren, Ouderlingen en Diakenen gezegd, dat ze tot hun ambt bohooren verkozen te worden door wettige verkiezing der kerk.
Art, 32 handelt over de orde en discipline of tucht der kerk.
We merken dus op, dat in de artikelen des Geloofs nergens het woord gemeente voorkomt, eenmaal het woord vergadering (art. 28) en verder steeds het woord kerk.
Hierbij moeten we wel in aanmerking nemen, dat onze Statenvertaling dagteekent van het jaar 1637, en dat do bijbels, die vóór dien tijd gebruikt worden, uit Embden of Zwitserland waren. In die bijbels nu was reeds het woord gemeente ingedrongen, maar nog niet met kerkrechterlijke bedoeling.
In de belijdenis van a Lasco stond: vergadering, vandaar dat we dit woord in Art. 28 van onze Confessie aantreffen.
Als wc nu de kerken-ordening opslaan, merken wc op, dat hier het begrip van deze woorden door elkander schuift, zoodat daaruit geen definitie valt af te leiden.
In art. 1 wordt gezegd: „Om goede orde in de gemeente Christi te onderhouden, zijn daarin noodig de diensten, sacramentenquot; enz. Onder de gemeente
8
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Christi wordt hier verstaan: al de goloovigen door het gcheele land. Juist dus het tegenovergestelde van wat tegenwoordig het collegiale stelsel doet, dat aan de plaatselijke kerken den naam gemeente en aan het geheel den naam van lands/cerA toekent.
In art. 4, handelende over de beroeping van dienaren, wordt gezegd, dat deze bestaat: „Ten laatste in openlijke bevestiging voor de gemeente.quot; Uit deze zinsnede blijkt, dat gemeente in de K. O. evenzeer voor de plaatselijke kerk wordt gebruikt. Toch blijkt uit dit art., dat het plaatselijke begrip bij voorkeur met „kerkquot; werd uitgedrukt, want het spreekt van „kerken onder hel kruisquot;.
In art. 5 wordt gesproken van die dienaars, „die nu aireede in den dienst des Woords zijnde, tot een andere gemeente beroepen wordenquot;, waaruit weder blijkt, dat gemeente evengoed als kerk plaatselijk kan worden genomen.
Iets verder wordt gezegd van iemands deugdelijk recht van presentatie of oenig ander recht: „voorzooveel het stichtelijk kan worden gebruikt, zonder nadeel van Gods kerk;quot; — kerk dus gebezigd in haar algemeen begrip. In ditzelfde art. 5 komt ook nog eenmaal „kerkquot; voor in de plaatselijke beteeke-nis: „en ten beste van de kerken noodige orde te stollen.quot;
In art. 9 wordt gesproken van den kerke dienst, waaruit blijkt, dat ook het Instituut kerk wordt genoemd.
In art. 10 wordt gesproken van den kerkeraad. Nu is de kerkeraad altijd de raad van een plaatselijke kerk; had dus in den tijd, toen de kerkenordening werd opgesteld, reeds het collegiale begrip geheerscht, zoodat het alge-meene door kerk, en het plaatselijke door gemeente werd aangeduid, dan had de synode kerkeraad en de kerkeraad gemeenteraad moeten heeten.
Uit het constante gebruik van kerkeraad blijkt dus, dat, hoewel onvast, toch in hoofdzaak het woord kerk gebruikt werd, om het plaatselijke aan te duiden.
In art. 11 wordt gesproken van „den kerkeraad als representeerende de gemeentequot;. Het is merkwaardig, dat hier de raad dor kerk gezegd wordt de gezamenheid der geloovigen te representeeren.
In art. 19 wordt voor het plaatselijke weêr gemeente gebruikt, wanneer er staat: „De gemeenten zullen arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden.quot;
Deze aanhalingen uit de kerken-ordening doen ons alzoo duidelijk zien, dat zij geen vast spraakgebruik volgt. De woorden gemeente en kerk worden promiscue, zoowel voor het geheel als voor de deelen gebruikt. Waar echter noodzakelijk moest gekozen worden, wordt steeds kerk genomen om het plaatselijke aan te duiden, zooals blijkt uit de woorden: kerkeraad,
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
kerken onder bet kruis enz. Gemeente beteekent dan, de ge]oovigen: die tot die kerk behooren.
De bijoorzaak, die op deze aangelegenheid heeft ingewerkt, ligt in de verhouding van de kerk tot de overheid. De meeste dorpen toch, danken hun opkomst aan de kerk. Oorspronkelijk werd eerst ergens een kerk gebouwd; rondom die kerk begonnen zich menschen te vestigen; dit aantal nam toe en zoo eerst kregen die menschen rechten ook in het burgerlijke.
In de Middeleeuwen was de toestand dan ook zóó, dat de burgerlijke en de kerkelijke gemeente volkomen één waren. Een ketter werd in den kring der burgers niet geduld. Zelfs was de gemeente, als kerk gedacht, hoofdzaak. Men beschouwde de overheid als behooronde tot de kerk, en deze raad van schepenen enz. zorgde niet alleen voor het aanleggen van straten enz., maar ook voor het bouwen en onderhouden der kerkgebouwen.
Het begrip gemeente was dus oorspronkelijk een kerkelijk begrip.
Toen nu de Reformatie kwam, eischte men allerwege, dat de overheid weêr zou worden christelijke, gereformeerde overheid. Alle inwoners moesten weêr hooren bij de ware kerk, en de valsche laten varen; vandaar dat de Roomsche kerken zoo maar werden opgeruimd. Men was van oordeel, dat gedeeldheid niet te pas kwam, en zeer zeker had de Gereformeerde overheid, indien zij dit slechts in haar macht had gehad, alle Roomschon uit het land gedreven. Eerst bij de Pacificatie van Gent en later bij den vrede van Munster werden de Roomschen in liet land geduld, maar tot op dien tijd toe wilde men maar eéne, ware religie, en dit werd zoo ver gedreven, dat er zelfs geen Lutherschen mochten zijn. Het Middeleeuwsch begrip werd dus volkomen gehandhaafd, en het was eerst door den aandrang van de groote massa, dat men hierin toegaf bij de Pacificatie van Gent. Mannen als Petrus Datheen en Moded bleven zich echter ten sterkste tegen deze pacificatie verzetten en kwamen op tegen het beleid van den Prins van Oranje.
Door deze oorspronkelijke, zuiver Roomsche opvatting, die tijdens de Reformatie algemeen was, is het gekomen, dat onze stedelijke overheden, b. v. in Amsterdam, de kerken als, hun eigendommen bezaten. Voor het beheer dier kerken stelde de vroedschap dan kerkmeesters aan. Die toestand, dat het burgerlijk bestuur de kerken onderhield, heeft geduurd tot Lodewijk Napoleon, die de kerken deelde onder do Roomschen en de Gereformeerden. Sommige kerken, b. v. die van Noordwijk, werden zelfs in twee helften gedeeld. In Amsterdam b. v. werden toen die kerken overgedragen aan den kerkeraad van Amsterdam.
Het begrip „gemeentequot; kon dus aanvankelijk èn burgerlijk èn kerkelijk gebruikt worden; maar, zoodra er Remonstranten, Mennonieten — allerlei
10
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
secten opkwamen, kou men de burgerlijke gemeenschap nog wel „gemeentequot;, maar uiet „kerkquot; noemen. Indien men wilde onderscheiden dan moest hot kerkelijke „kerkquot; heeten. Inderdaad kwam er een gemeenteraad tegenover den kerkeraad, en nu blijft dan ook dit onderscheid tusschen de burgerlijke overheid en de kerkelijke overheid, tusschen gemeenteraad en kerkeraad.
In dit onderscheiden gebruik dier twee woorden schuilt een gevaar. Zooals we zagen, werd oorspronkelijk, tijdens de Reformatie, kerk en gemeente promiscue gebruikt. Zoo vinden we ook nog gedurig in de belijdenis van ;i Lasco: „de vergadering, welke gemeente of kerk heet.quot; Gaat men nu echter onderscheid maken tusschen „kerkquot; en „gemeentequot;, dan loopt menhetgroote gevaar, om een instrument te worden van de hiërarchie, doordat men de kerk gaat noemen voor het kerkelijk bestuur, de hiërarchie. Bij Home is het dien weg opgegaan. Rome erkende op het laatst geen plaatselijke kerk meer. Tot op nu toe kent het niets dan kerspelen en parochiën. Rome kent echter geen kerk, dan den paus met de bisschoppen.
Dit gevaar nu heeft er in het collegiale stelsel toe geleid, om de hoogere besturen aan te zien als de kerk besturende. Het woord „genootschapquot; is een geheel nieuwe uitvinding der collegialisten. Zij vormen een denkbeeldige eenheid, als een resumptie van heel het aantal leden in een land. Het colle-gialisme is dus weer heel iets anders, dan hetgeen Rome wil, want Rome heeft kerken over de gchoole wereld; maar het collegiale stelsel lost alle geloo-vigen in een land op in een denkbeeldige eenheid, oen landskerk, met een bestuur aan het hoofd, terwijl dat bestuur dan de kerk representeert. De plaatselijke kerken heeten dan „gemeentenquot;, als deelon van dat ééne landsgenootschap.
Intusschen wete men wèl, dat allen, die deze terminologie gebruiken, volstrekt niet bedoelen de hiërarchie ie voeden; h. v. de Christelijk Gereformeerden in ons land, die dit alleen deden, omdat men er nu eenmaal niet anders over had hoeren spreken.
We komen dus tot deze conclusie:
1° Kerk en gemeente is geheel onverschillig, mits men tusschen die twee maar geen haar onderscheid zie. Do kerk in ons geheele land is evenzeer gemeente, als de plaatselijke kerk.
2° Op dit oogenblik is het beter, liet woord „gemeentequot; niet van het kerkelijk instituut te gebruiken, noch als confederatie, noch plaatselijk,
a. omdat het woord door den staat is geüsurpeerd,
h. omdat kerk het univocum is van het Lichaam van Christus, en dit mogen we niet aan Rome afstaan;
c. terwille van het gebruik van woorden als: „kerkeraadquot; enz.
Be „Gemeentequot; is de schare geloovigen, die in het kerkgebouw saamkomeu.
11
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
OORSPRONKELIJKE WO ORDEN.
1° rny komt van denzelfden stam als n.l.stam: 1^, d. i. dezelfde wortel als het Latynsche „adquot;. Die wortel beteekent „bindenquot;, eenigo los liggende dingen samenbinden. IJtT beteekent ook: „vaststellenquot;, en ook wel: „getuigenquot;, maar deze beteekenissen zijn afgeleid. Dat „bindenquot; moet in lenzelfden zin genomen, als wanneer een koning b. v. de onderdanen aan een wet bindt. Die bindende kracht nu zit niet in de wet zelf, maar zij wordt eerst bindend, verbindend, door de koninklijke sanctie.
Dat quot;IF ook kan beteekenen: „getuigenquot;, komt hiervandaan, dat een getuige in liet gericht optredende, iets bindend maakt, rnj? is dus het saambrengen van verstoorde elementen.
Dit woord wordt ook gebezigd van het huwelijk: Exod. 21 : 8.
In Ps, 63 : 31 wordt het woord gebezigd van dieren.
In Ps. 22 : 17 is het gebruikt van slechte mensclien, een iroej), zooals wij
zouden zeggen: DTIO DIJ/, een vergadering van boosdoeners.
Tn Job 15 : 34 wordt het gebruikt voor gezin, familie, de herdersvorst met al wat er bij behoort.
rny beteekent dus: de kerk Gods onder het Oude Verbond, maar is niet, zooals kerk, univocum.
2quot; brii? heeft bijna dezelfde beteekenis, als die er ligt in quot;UT, maar drukt toch meer uit het additieve, dat in ligt. Ook dit woord is niet alleen van
de kerk gebruikt. We vinden het terug in d. i, iemand, die in een
vergadering optreedt, dus eigenlijk niet hetzelfde als prediker, daar het niet beteekent het bijeenbrengen van woorden, maar in een vergadering, in een meeting, spreken.
Niet geheel en al worden rny en L,np pêle-mêle gebruikt, maar ze vertoonen hetzelfde onderscheid, dat bij ons ligt in de woorden vergadering en gemeente. Men kan nl. spreken van de vergadering der gemeente, niet van het omgekeerde. Zoo is dan TVV meer de vergadering, het bijeenkomen van de
gemeente, drukt dus meer het eenheidsbegrip uit. Vandaar dat L,np meer ♦ is het offlcieele woord voor kerk] de kerkelijke bijeenkomst. Constant gaat
echter dit onderscheid in de Schrift niet door. Onze overzetting hield hot onderscheid in het oog, door iTU/ te vertalen door vergadering en bnp door gemeente. In Ex. 12 : 6 en Deut. 33 : 4 wijken de vertalers van dezen regel af; om welke reden is ons onbekend.
i
12
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Intusschen is het opmerkelijk dat 'Tij'? ook gebezigd wordt van het volk als net niet vergaderd is, en HIP alleen van het volk, als het vergaderd is; (cf. Num. 20 : 12; Ex. 1G ; 3 enz.)
3e. Er is nog een derde woord voor gemeente, dat hoogst zelden voorkomt, maar merkwaardig, omdat het in het meervoud staat: Di^npO, een gewijzigde vorm van SnpT, zie; Ps. 68 ; 27. Het begrip van particuliere vergaderingen bestond dus ook in Israel, want dit begrip ligt in DiSrPD, gelijk later in de
synagogen. Swayayri is dan ook slechts een vertaling van rfTlpO, en niy, de bij elkaar gebrachte menigte. Het woord beteekende dus niet, zooals nu, het gebouw, maar de bij elkaar gebrachte menigte, de vergadering zelf. Vandaar dat in de Apocalypse sprake is van de synagoge des Satans, de vergadering van de personen zelf.
De 'Tip was niet gebonden aan een bepaalde plek. Zoo ook vergaderden
de Germanen vaak in de open lucht. De uitdrukking quot;iyiö SnN moge er op
gelijken, maar heeft er toch inderdaad niets mede te maken. quot;WiD SnN beteekent
nooit de tent, waar het vol/c samenkomt, maar de plaats, waar de He ere met zijn volk samenkomt.
Bij rnnpQ is dat daarentegen anders geworden, omdat deze aan een
bepaalde plaats werd verbonden. De Tij? had geen hinder van het slechte weêr, want zij werd in den drogen tijd gehouden. Maar in de dorpen en steden werd de nSnpO bij alle weêr gehouden, en werd diensvolgens aan een vast gebouw verbonden. Vandaar dat synagoge, evenals kerk bij ons ook het gebouw beteekent.
Het woord synode is ook precies hetzelfde als synagoge, makhélah, enz. 't Is de samenkomst. Synode met het begrip van een college is volkomen onzin; deze onderscheiding kwam eerst later op, zoodat nu synode alleen gebruikt wordt van de vergadering, waar meerdere makhelóth samenkomen.
Toen nu het Hebreeuwsch in onbruik raakte, verloren de woorden Snp en
rny hun beteekenis. Aan viel niet meer te denken, omdat daarbij het heele volk samenkwam, waarvan na de ballingschap geen sprake meer was. De Joden hielden dus nog alleen maar DlVlpp, en voor deze vergaderingen namen ze een woord over uit de xoir»}, n.1. inHlrjaia, en toen in de 2° eeuw
13
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
voor Christus de Alexandrijnen het Oude Testament overzetten, werden de
woorden Tij? enz. vertaald door i^Xrjaia.
4® iwlrjaia- Dit woord is bij de Grieken een technische term. Van het werkwoord èwaXstv, waarvan het wordt afgeleid, voelden zij niets meer. Die bepaalde zaak, waarvoor het woord werd gebezigd, was de vergadering van de stemhebbende burgers in hun bijeenkomst. Do oorsprong van het woord ligt daarin, dat evenals men vroeger door trommelslag de menschen opriep, zoo in Griekenland een heraut de stad werd doorgezonden, om die stemhebbende burgers op te roepen, van daar: èwaXeCv, n.1. uit de bezigheden, om dadelijk bij elkander te komen.
Aan dit begrip van èwlrjaia is een tweede iets eigen, n.1. dat in Thebe, Corinthe enz. alleen zij mochten komen die poortersrecht hadden, en dezen maakten niet de meerderheid van het volk uit.
De èn-AlriaCa is dus:
a. een saamroeping.
h. een bijeenkomst van gequalificeerde personen.
Omtrent de technische beteekenis van dit woord, krijgt men het best licht door de samenstellende woorden:
iwXtieiav noietv d. i. vergadering houden.
nadCcTarai. hv.Xr]aCa d. i. wordt geconstitueerd.
èwXriaLaarriQLov d. i. het enceinte in de open lucht.
èrnXriaidarrig d. i. is qui adest in publico coetu.
èwUriToi d. i. zij, die er mochten verschijnen, ook wel genoemd : èwXriaidatoi. twXriaiccamp;iv. d. i. in de Volksvergadering spreken.
Dit woord èwlriaCa is in de heilige wereld, in de Verbondswereld gekomen door de LXX. Toch werd niet overal Snp^ en Hiy door UnXriaCa vertaald. In de onderscheidene boeken bestaat hierin verschil, omdat er verschillende vertalers waren.
In de boeken Jozua, Richteren, Samuel, Koningen, Kronijken, Ezra, Nehemia is bijna uitsluitend door hul^oCa vertaald. In Deuteronomium komt ook wel awaymyri voor. Maar in de boeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri hebben de vertalers altijd genomen het woord awaycoyr], en ze deden dit met opzet, zóó sterk zelfs, dat in Num. 20 : 10 staat hxXrjautamp;iv èv rij awetyayij. Enkele malen vinden we een vertaling door het woord awêSqiov. In de boeken, die de geschiedenis van de ballingschap verhalen, en wat daarna geschiedde, worden de Joden, die terugkeerden, altijd genoemd de èwXria{a rot Kvgiov.
In de Apocryfe boeken vinden we steeds het woord swXrjata.
Jezus sprak in de dagen zijner omwandeling op de aarde Arameesch, zoodat
14
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
uit hetgeen Hij sprak niets voor het woord ty.-Atjaüt in het Nieuwe Testament mag worden afgeleid. Iets anders is dit mei de apostelen, die geleid zijn geworden door de LXX, en door liet spraakgebruik in de hoogere klassen te Jeruzalem. Nu blijkt het uit het Nieuwe Testament, dat daar, waar men op het oog heeft, niet de christelijke kerk, maar do Joden, steeds gesproken WOrdt Van ewayoiyri.
Hand. 13 : 43; „Xvamp;siatjg Sé rris awaycoyijg.quot; Mattli. 4 ; 23; 0:2; Openb. 2:9; Hand. 7 : 38: ,,ovróg iativ ó yevó/ievog sv ty ènnktjaca tv xca éprjftra.quot; Hier WOl'dt dus het woord i^trjaia gebezigd, maar het is in de rede van Stephanus, waar hij spreekt van do èwlrjaia, die in de woestijn gehouden is, en de schrijvers
van het Nieuwe Testament noemen alleen wvctyayui', de JlVTIpD van die dagen.
Opmerkelijk is hetgeen Epiphanius, die den Kettercatalogus schreef, uitdrukkelijk van de Ebionieten zegt: „evvayayriv öl vctXovai. rriv Iwlrjaiav y.cd ovv. hnXr\aCav.quot; Zij gevoelden dus het verschil.
Dit is zeer gewichtig, omdat het voor ons op do beteekenis van Iw'/.riai'a een licht werpt. De apostelen n.1. stichtten bij hun optreden geen synagoge, maar een hnhriaia, en hiermede gaven ze te kennen, dat ze kwamen, om den
ouden van het volk van God weêr op te richten, evenals de wederopleving der gereformeerde leer, in onze dagen den naam van „Nederduitsche gereformeerde kerken,quot; die vroeger gebezigd werd, weêr doet opkomen. De apostelen namen geen nieuwen naam of een, die later in gebruik was gekomen, maar den ouden naam, Cf. Matth. 16 : 18 „oti av el nèrgog, xccl tnl tavtr/ tï] irÉtgcc olnoSofiriBco fiuv TtjV lv.v.XriaCav
In het Nieuwe Testament vinden we, dat het woord èwXriacct voor de christenen onmiddellijk toongevend is geworden,
We zouden toonen niets van de zaak te verstaan, indien wij zeiden: hxXrjoi'a is van ty.y.«lnv, dus = vergadering der uitverkorenen. Dit is geheel mis. De zaak staat aldus: God heeft in de woestijn een volk vergaderd, den Sn[? van
Israël. In de vertaling van de LXX werd deze Tip^ uitgedrukt door èwh/aü, en dit ging over in liet Nieuwe Testament. Nu ligt hierin opgesloten, dat Christus geen nieuwe kerk stichtte, maar dat Hij kwam, om de oude kerk, die als vernietigd was onder verbastering, weder tot leven te brengen. Hij bouwde voort op de oude fundamenten en handhaafde alzoo de continuïteit der kerk.
In het Nieuwe Testament wordt het woord èwlriaCa gebruikt in vierderlei zin:
](gt; in denzelfden zin als in de vertaling van de LXX, n.1. als aanduiding van allen, die Christus toebehooren in de hoolo wereld; do kahal inuners was nooit
15
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
plaatselijk, maar steeds geheel Israël. Bij Israël was de Vlj? echter zeer bepaaldelijk de Landskerk, maar bij de komst van Christus valt de grens van Israël weg, en wordt de kerk verspreid over de geheelo wereld. Nu werd dus TIJ? alleen, die tot de wereldkerk behooren, en IwlrieCa beteekent derhalve: ivcreld-kerk. Dit „wereldkerkquot; is echter nog niet genoeg, want met dit woord word nog slechts aangeduid: allen, die op éénzelfden tijd tot de kerk behooren; maar tevens moet worden uitgedrukt: allen, die in alle tijden en plaatsen tot de kerk behooren, dus wereld- en eeuwenkerk.
2° in den zin, dat de gezaligden in den hemel tot de huXriaCa hooren. Hebr. 12 : 23, de „êwXriafa ngcorozoxfov tv ovQCivots uitoyeyQctniisvav,quot; Onzt vertaling is niet goed. „Kerkquot; ware beter geweest dan „vergadering.quot; Ook in den hemel is dus die iv.y.lriaia aanwezig.
3° èwXrioi'a beteekent in het Nieuwe Testament ook de kerk in een bepaalde plaats.
4° hnXriai'a wordt vaak gebruikt van de kerk, die saamkomt in een bepaald huis, zoodat er in één stad meerdere zijn. „De kerk ten uwen huize.quot;
Maar nooit of nimmer komt èwhiaict voor in do beteekenis van Landskerk. Een bepaalde plaats, die op dit punt van het grootste gewicht is vinden we in den aanhef van den brief van Paulus aan do kerken van Galatië. Paulus schrijft hier aan de kerken van een bepaald land, maar toch richt hij zijn brief uitdrukkelijk: ènulrjaiuiq tijg ruXarlag.quot; Daarom is het spreken van
een Volkskerk door het Nieuwe Testament geoordeeld. Het nationale begrip op de kerk over te brengen, is het loochenen van haar catholiciteit, het wegcijferen van haar oecumenisch karakter. Iets, waarbij we dit voegen, dat de vrijheid van Christus' kerk juist hierin bestaat, dat zij niet is in een bepaald land, maar over de geheele wereld is verspreid. Anders komt de kerk onder den staat, Christus onder Pilatus. Daarom juist kwam Christus tegen Pilatus op.
In Schotland en Amerika was men volstrekt niet op de hoogte van hot Gereformeerde kerkrecht. De Christelijk Gereformeerden van die kerken hoo-rende, gingen denzelfden weg op als deze. En toch, de juiste opvatting van deze zaak is van het hoogste gewicht.
Ten andere moeten we nagaan, hoe dat woord hnXrjaLa in zijn begrip ons duidelijk is te maken.
Dit begrip is ontleend aan tweeërlei:
le aan het gebruik, dat de Grieken maakten van UnXricsia.
2° aan hot gebruik van
Bij de Grieken zijn do mannen, die worden opgeroepen, lt;/r(jHalificeerdi; per-
16
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
sonen. Hierin ligt de principiëele tegenstelling met het collegiale kerkrecht. In dit kerkrecht toch zijn de saamgekomen personen niet gequaliflceerd; in het christelijke kerkrecht wèl. De collegialen kennen slechts een vereeniging van menschen, die samenkomen met een bepaald doel, b. v. een schermver-eeniging enz. Men komt dan eenvoudig samen als personen. Doch, in de hnXriaia treedt niemand op, dan die een qualiteit bezit. In Israël was de qualiteit, welke de personen, die samenkwamen, kenmerkte, dat zij besneden waren, en onder het Nieuwe Testament is de qualiteit, dat alleen wedergeborenen samenkomen. Gelijk een studenten-corps geen vrije vereeniging is, maar de personen, die er toe behooren, allen één qualiteit hebben, n.1. dat zij als student zijn ingeschreven, zoo ook in do kerk; alleen staan de hKlrjaia en zulk een corps niet geheel op één lijn, omdat wedergeboren te worden niet afhangt van den wil des menschen. Juist dit is in de kerk het eigenaardig karakter, dat men die qualiteit heeft ontvangen.
De zaak zelf.
De kerk is geen nieuwe schepping, maar de reconstitutie van een vroeger geheel, dat verbroken werd. In den grond der zaak staan we hier tegenover de Mennonieten. Hun dwaling ligt niet zoozeer in den doop, den eed, enz., maar moet dieper gezocht worden in een principieel punt. Het Doopersche standpunt ziet n.1. in de christelijke religie een niewce schepping, niet een herschepping. Het duidelijkst komt dit standpunt uit in hun Christologie, en doet zich verder op alle gebied kennen. Zoo ook hier; de kerk is een nieuwe schepping, door Christus in hot leven geroepen, drijvende als een oliédrop op het water. Die Anabaptistische dwaling heeft niet alleen een naschijnsel bij do Mennonieten; maar hoerscht in do heele Theologie, voorzoover ze van dit dualisme uitgaat. In de Luthersche kerk zet men het Oude Testament terzij; hetzelfde doen de Groningers en Supra-naturalisten. Op diezelfde lijn ligt de nog algemeene dwaling, dat de kerk op den Pinksterdag zou gesticht zijn. Tegen deze geheele voorstelling verzet zich do Gereformeerde belijdenis, en wat in deze paragraaf gezegd is, n.1. dat de kerk zoo oud is als de wereld, moge iets nieuws schijnen, maar is toch inderdaad niets dan de oude Gereformeerde belijdenis.
De Catechismus zegt dan ook Zondag 21: „Dat de Zone Gods van den beginne der wereld tot aan hot einde zich een gemeente vergadert.quot; Ook de Confessie legt geen ander getuigenis af. We lezen, art. 27: „Deze kerk is geweest van den beginne der wereld af en zal zijn tot het einde toe.quot; Onze vaderen preekten dan ook over „de kerk in de ark, of in de woestijnquot; enz. Dit denkbeeld nu, dat de kerk vanaf de schepping bestaat, is de negatie van de Anabaptistische voorstelling. Bij de moderne theologen is dat Anabaptisme de eenige waarheid. Dat er een christelijke religie zou hebben bestaan tijdens
17
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Mozes, komt hun voor als een ongerijmdheid. In Duilschland is dit zóó algemeen, dat op publieke lijsten achter den naam van een Jood: „mosaïsciiquot; slaat.
Daarom, ive moeten tot de gereformeerde voorstelling terugkeer en. Vroeger echter was men in de voorstelling niet helder; om die reden is het in de paragraaf eenigssins anders uitgedrukt, n.l. als de rcconstitutie van oen gebror.en geheel.
Het element, dat hier storend tusschenbeide trad, loas de uitverkiezing, die door de Gereformeerden gehandhaafd werd, Maar nu is door de Anabaptisten sterk gedreven, krachlens hun dualisme, het Labadistisch beginsel, dat in de kerk alleen heiligen hoorden Daarbij kwam echter, dat de meeste Mennonieten sterke voorstanders waren van de praedestinatie, zoodat ze meenden, dal de kerk alleen bestond uil uitverkorenen. Dit is ook zoo. Maar tusschen de uitverkiezing en de openbaring der luereldkerk ligt een gansche historie, en met de werken Gods in deze historie werd door de Anabaptisten in het minst niet gerekend; men deed de kerk zonder meer uit de uitverkiezing ontstaan. De historische genesis der kerk verzuimden ze tot haar recht te doen komen, en die historische genesis ligt juist in de uitdrukking: „van den aanbeginne der ivereld.quot;
Dit wegwerpen van de historie werkt nog na. Daaraan danken we al de valsche mystiek, al de Labadistische neigingen, en het feit, dat de Gereformeerde leer nooit tot klaarheid kwam omtrent de kosmische beteekenis van de kerk van Christus.
Nu hernemen we den draad van de paragraaf, en zullen aantoonen, dat de Heilige Schrift de kerk in verband zet niet allereerst met de verkiezing, maar met de schepping. Hiertoe moeten we eerst historisch terug.
'EnnXrieiu luerd genomen in de vertaling van de LXX voor Squot;ip in tegen
stelling met de synagoge, en wel om uit te drukken, dat de oude van Israel iveêr herleefde. Jezus en de apostelen praetendeerden, dat in het geheel, door hen in het leven geroepen, weer opstond de oude Sip, het volk van God. De
genesis der kerk loopt dus langs de lijn van den Lgt;np van Israël en deze Tip gaat rechtstreeks terug op Abraham. Abraham wordt gesepareerd en uit hem komt voort een eigen geslacht en volk: de 'Tip. ,4/s we nu bij Abraham een novum quid of separatum quid vinden, als het Gods doel is één heilig, God-vreezend volk te laten leven, dan hebben de Anabaptisten gelijk, dan is er inderdaad dualisme, een afscheiding tusschen Abraham's volk en de wereld. Doch, indien het gebeurde met Abraham niet bedoelde een sepositum quid, maar. indien integendeel Abraham in rapport gesteld wordt met de geheele wereld, dan hebben de Anabaptisten onrecht.
18
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hooren we naar hetgeen de Heilige Schrift ons in deze materie zegt.
We lezen bij de roeping van Abraham:
Q-en. 12 : 3 „en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.quot; Wanneer nu flnaliter de roeping van Abraham het doel heeft om een zegen te geven aan alle geslachten der aarde, dan is daarmede beslist, dat Abraham's roeping een kosmische beteekenis heeft.
Nu staat in Gen. 12 : 3 niet, dat aide DU der aarde in hem zullen gezegend worden, maar al de ninSU'D. De volken zijn niet in Abraham gezegend, maar de geslachten der aarde, zoodat de Heilige Schrift ook hier weêr zeer fijn de landskerk afsnijdt.
Als Jezus dus de hni-iqaCa sticht als voortzetting van den dien wij in Abraham zien, dan blijkt het, dat er van Abraham tot Christus een tusschen-station is, een doorgang, om een zegen aan te brengen voor al de geslachten der aarde; en „al de geslachten der aardequot; wil zeggen: het genus humanum. Het beteekent niet de individuen, maar het ziet op de menschen, organisch door de geslachten in elkander gezet.
Wanneer we nu eenmaal zien, dat Christus den ouden herstelt, dat de
Snp in Abraham is, en dat in Abraham do TIJ? het genus humanum is, dan staan wij nog voor de vraag, of dit genus humanum bedoeld is, gelijk hot was ten tijde van Abraham, of in zijn oorsprong. Hierop wordt ons het antwoord gegeven door Gen. 8 : 15, waar gesproken wordt van rUH! het zaad der vrouw. Dit is weêr hot genus humanum organisch genomen, gelijk het voortkomt uit de moederschoot van Eva, de moeder des levens Hieraan wordt de belofte aan Abraham gegeven. De Heilige Schrift voert dus de kerk tot het heele menscholijk geslacht in zijn oorsprong terug. Allerwege wordt dit ook in de Heilige Schrift bevestigd.
Een verschijnsel, dat gedurig in de Heilige Schrift voorkomt, en weinig wordt verstaan, en daardoor niet tot zijn recht kwam, is n.1. dat in het Nieuwe Testament het heil in rapport wordt gebracht met den vóaaog.
Joh. 3 : 16. Wanneer men hier leest: „ovtia yc/Q ^yanrjasv !gt; Osos zov xoafiov, zeggen de meeste Gereformeerden, dat dit beteekent: „allo uitverkorenen uit de heele wereld,quot; en de Remonstranten: „alle menschen.quot; De eerste uitlegging echter bevredigt niet. De uitdrukking: xdojios komt zeer veel bij Johannes voor, en ook zeer zeker wel eens als totum pro parte b. v. „de heele wereld loopt hem na,quot; evenals in het Pransch gezegd wordt: „tout le monde.quot; Maar buiten dit begrip komt een ander voor, uitkomende in de gedachte: „nas b xóafwg êv t(o ttovrjom v.ntca-quot; Kóofing in die heteekonis komt voor als het booze.
19
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Joh. 17. In denzelfden zin wordt Satan genoemd; „ó ciqxmv fw «óafiov. Men gevoelt, dat in dezen tekst dus onmogelijk de uitverkorenen kunnen bedoeld zijn. Kóefioq is de aanduiding van het booze en van een uit het bcoze werkend beginsel. Is nu die «óc/xos salvabilis of insalvabilis ? Heeft hij nog een zijde, waardoor hij aan God kleeft? Joh. 3 : 10 geeft hierop het antwoord, en verzekert ons, dat er nog een aycmrj van God naar dien xosjtos uitgaat.
2 Oor. 5 : 18 en 19 waar de wóffftos genoemd wordt als voorwerp van de
v-cizaXXayrj.
1 Joh. 2 : 2. Joh. 12 : 47. Joh. 4 : 42. Hieruit blijkt derhalve genoegzaam, dat de Heilige Schrift de aoizrjQia niet in rapport brengt met de enkele personen alleèn, maar ook met den xócftos als zoodanig. Ook de duivel wordt ons niet voorgesteld als heerschappij voerende over booze menschen, maar als de tegenstelling genoemd wordt, heet. hij de ci(gt;%mv xov kócuov, die de kerk aan God poogt te onttrekken.
Hoe kunnen nu deze twee, eenerzijds de uitverkiezing en anderzijds de liefde naar den «oojtos in rapport worden gebracht?
De verklaring ligt hierin, dat de xóoixog niet anders is dan het cêaa van den mensch. Hij heeft op zichzelf geen beteekenis, evenmin als ons lichaam. Die noCftos is de schelp, waarin het menschelijk geslacht huist. Wij dragen den jtóöftos en de ontwikkeling geschiedt gezamenlijk. Mensch en noVftos is één geheel; de xóafiog is anthropocentrisch, en daarom juist is deze aarde het middelpunt van het geheele heelal. De wereld bestaat alleen om den mensch; zooals het lot van den mensch is, zóó is ook dat van den uoaiiog. En daarom, zal de mensch uit de macht van den boozo gerukt worden, dan moet die liefde zich uitstrekken tot don geheelen xosuos. Als God dus gezegd wordt den nofffios l'cf te hebben, dan wil dat zeggen, dat Hij den mensch liefhad en dat Hij met dien mensch het amixa redden wil.
Hiermede in overeenstemming is hetgeen Jezus geleerd heeft.
Matth. 13 : 38 : 6 Sh aygóg êanv o xoafiog.
Joh. 6 ; 51, waar Jezus van zich zelf zogt, dat Hij zijn eigen zal geven tot een agtos vntQ tijg rov xocfiou £mijs-
Joh. 14 : 22, waar aan Jezus gevraagd wordt: ti yiyovev un r^iv fiéXXsig tficpctvi'amp;iv y.c/l ovjcl tc5 nóc/iw; Hier wordt gesproken van den M'muog in tegenstelling genomen, van een nóaang, waarvan de fnisïg zijn uitgezonderd, en wel deze laatste in tegenstelling met het paadsfa tav ovqüviov.
Rem. 3 : 19 zegt Paulus: iW vnóSwog yévt^rai nag b nónfiog ra ©sra, in aansluiting met hetgeen hij in het voorgaande heeft betoogd, dat èn Joden èn heidenen verdoemelijk liggen voor God.
1 Tim. 1 : 15; 1 Tim. 3 : 16; Hebr. 1; Hebr. 10 : ö wordt dit zelfs teruggeleid
20
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
tot de Messiaansche profetie, en de profetie voorgesteld als een licht, dat uitstraalt in het leven van den «00^0«.
Resumeerende krijgen we dus deze antinomie, dat eenerzijds het heil wordt voorgesteld als alleen weggelegd voor de uitverkorenen, en anderzijds voor den xóofios Met onze vaderen kunnen we niet zeggen, dat met het laatste bedoeld is de uitverkorenen uit den xoV^os, noch met de Remonstranten, dat met den y.uauog alle personen bedoeld zijn, daar op deze wijze of de beteekenis van den nua/iog, öf van de electie wordt vernietigd. Beide echter komen tot hun recht, wanneer ik zeg, dat de uitverkorenen die takken zijn aan den boom der menschheid, welke, terwijl al het andere van den boom afvalt, het organisme van het menschelijk geslacht zullen doen doorbloeien in de eeuwige zaligheid, Al wat uitverkoren is, wordt dus zalig, maar organisch aan den stam vastzittende, en dien stam doende voortleven. Zoo is dan de kerk de recom-positie van wat uiteenviel door de zonde.
Leert de Heilige Schrift dit ook rechtstreeks ?
Ef. 2 ; 14 vv. Dat Christus onze elerjvri genoemd wordt, onderstelt, dat er disharmonie is geweest. Met ra d/McpóriQa worden bedoeld de membra disjecta, welke tot één zullen worden gemaakt: de recompositie. Als oorzaak van het uiteenvallen der membra wordt in vs. 15 de fydQu genoemd, welke dooide elQi]vi] wordt opgeheven.
In vs. 21 wordt dat organisme nog nader beschreven: avvagnoXoyov^cvri. Alles in de kerk wordt organisch saamgebouwd.
Is die eenheid iets, wat nu pas komt, of heeft zij reeds vroeger bestaan? Dit laatste, anders toch ware het geen recompositie. Dienaangaande wordt ons geleerd in
Hand. 17 : 26 — 32, waar Paulus sprekende wordt ingevoerd op den Areopagus. God heeft een ytvog, nav tamp;vos dviïQlónmv geschapen êvug atfiazos', en wèl, met het doel om Hom te zoeken, to vinden en te kennen, (vs. 27.) Intusschen, die menschheid is van Hem afgedoold, en is gaan aanbidden goud en zilver en steen, geheel in strijd met de bestemming van dat geslacht. Die tijden der üyvoLd zijn echter voorbij en nu is God gekomen om te zeggen tot allen, dat allen zich moeten bekeeren; dat Hij Christus gesteld heeft om dien y.óaiiog te oordeelen. Christus wordt dus met dien heelen «óofuis in verband gezet, omdat dat Evangelie tot de heele wereld geschied is.
Metterdaad zien we dus, dat, indien we bijeenvoegen èn wat in Ef. 2, èn wat in Hand. 17 gezegd wordt, de voorstelling, die de Heilige Schrift van de kerk geeft, geen andere is, dan welke in de paragraaf is geformuleerd.
In Ef. 1 ; 10 ligt dezelfde gedachte. Ta rs h TOtï ovQavotg xai xa êxi tijg yr/g is hetzelfde als xdfffiog Gods voornomen nu is, om dat alles te dv«*tq)alctitiaaa9tti
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
sv XQiarcp. In onze vertaling staat: „alles onder één hoofd te brengen,quot; maar, weten we wèl, dat met „hoofdquot; hier niet bedoeld is Christus, als het Hoofd des lichaams, maar het hoofd van een grootboek. 'Ava — wederom; vroeger dus zijn ze één geweest en nu worden ze weder onder één hoofd saamgevat.
Ef. 1: 4. Hier wordt de oorsprong der kerk gesteld achter de schepping.
Ef. 1 ; 8. Hier is sprake van het bekende iivarriQLov, waarvan we gedurig lezen in het Nieuwe Testament: Ef. 3:9; Kom. 1(5 : 25; Coll. 1 : 2G; 2 Tim. 1:9; Tit. 1:2; 1 Petr. 1 : 20. En dit fivarrjgiov is altijd weêr, dat het lioil van Israël bestemd was voor de heele wereld. Ef. 1 : 10 wordt dit pvarfaiov genoemd in het: civaai-qjctXaicSaaaamp;Ki ta Tcüvrct. In Christus zou die eenheid weêr worden hersteld. Dit pvazr^iov is niet opgekomen bij den val, maar ligt in Gods raad, en was verborgen vóór de grondlegging der wereld.
Zoo komen dus ook wij uit bij de verkiezing, maar stappen niet in eens van het besluit over naar den Pinksterdag. We gaan bij onze beschouwing geleidelijk van het besluit naar de schepping, den zondeval, de breking van het genus humanum; Israël, de breking van de volken ; Christus die het gebrokene weêr tot één gebracht heeft.
Deze zelfde voorstelling van een gansch andere zijde opgevat, vinden we in :
1 Cor. 15 : 45 — 49. Uit deze uitvoerige tegenstelling blijkt, dat do apostel de verschijning van de christelijke religie niet verklaart uit Abraham, maar hij gaat uit van Adam e'n zegt nu, dat hetgeen in Christus gekomen is, de volmaking is van hetgeen in Adam gegeven is. Hij vergelijkt den eUnv van Adam met den eUav van Christus, en betoogt, dat Christus ons het tnovgdviov geeft, gelijk wij van Adam het xoïhuv hebben. Ook hier wordt dus het nauw rapport met de oorspronkelijke schepping duidelijk aangegeven.
Rom. 5 : 12. In deze pericoop behandelt de apostel de tegenstelling tusschen de twee Verbonds-hoofden: Adam en Christus. Twee menSchen worden tegenover elkaar gesteld: do av9q(ónüg 'jsdfi en de avamp;qmnog 'Irjaovg XqiotuS- Hij gaat terug op Adam, omdat Adam het Hoofd is van het organisme en omdat de schuld opstijgt uit den wortel van Adam. Waar dus Christus verschijnt, gaat Hij tot in dien wortel van Adam terug en brengt van uit dien wortel verzoening aan.
In dien zin moet ook 1 Tim. 2 : 5 worden verklaard. Hier zegt Paulus in liet voorafgaande, dat gebeden moeten worden opgezonden voor koningen en vorsten en voor allen, die in hoogheid gesteld zijn, want dit is goed voor God, die wil, dat zijn heil uitga tot het gcheelc menschelijk geslacht, „want daar is één Godquot; enz. Zetten we hier weêr voor ndvrag didgcónovg (vs. 4) het Johanneïsche begrip van xócuos, dan hebben we weêr denzelfden gedachtegang. In het eerste vers worden de menschen organisch, als menschelijk
22
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
geslacht onder de overheid genomen, en Christus wordt voorgesteld als de Eenige, waardoor het menschelljk geslacht gemeenschap met God kan hebben.
Uit don Lofzang van Simeon blijkt ook, dat Christus in dien zin den komt
horstellen. In dien lofzang staan zelfs de heidenen op den voorgrond: „een licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van uw volk Israël.quot;
Men spreekt gewoonlijk meer van „universalistischquot; dan van „kosmisch . „Universalistischquot; nu, van „universumquot; afgeleid, is heel goed, doch meestal bedoelt men een woord van „universeelquot; afgeleid, en hecht er dan de betee-kenis aan, dat de genade voor alle menschen zou zijn; en dit is natuurlijk verkeerd.
Joh, 11 : 52, In deze profetie van Kajafas wordt gezegd, dat Jezus niet alleen sterven moest voor dat volk, maar ook om de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één te vergaderen. Wederom dezelfde gedachte, dat in de schepping verspreide elementen liggen voor het koninkrijk dei hemelen (membra disjecta), hier genoemd réwa, en dat deze tot één gebracht moeten worden door Christus. Waren ze verstrooid, dan moeten ze eerst in een vroeger organisme bij elkaar geweest zijn.
Een tweede argument vinden we in het verzoeningswerk van den Christus. Ook hieruit blijkt, dat de kerk de recompositie is van hetgeen door de zonde uiteenviel. Inmers, het verzoeningswerk van den Christus rust geheel en al op het feit zijner menschwording. Zou de verzoening kracht hebben, dan moest de Zoon van God de menschelijke natuur aannemen, gelijk zij door de zonde geworden was. Wie dezen band doorsnijdt, vernietigt het verzoeningswerk en is naar het oordeel van den apostel uit den antichrist. Hot Doce-tisme, waartegen Johannes den strijd aanbond, was daarom de ondeimijning van het geheele christendom. En waar het hier nu vooral op aankomt, Christus sluit zich niet aan den Jood aan, m/iar aan de menschelijke natuur. Nooit wordt op den voorgrond gesteld, dat Hij een Jood was, maar steeds wordt alle nadruk gelegd op het feit, dat Hij mensch was. Altijd wordt Hij als de tweede Adam tegenover het eerste Verbondshoofd gesteld 1 Cqr. 15. Hebr. 2 : 14.
De èvaaQHcoaLg is uitgangspunt van het geheele verlossingswerk. Daarom gaat het heil in Christus door Israël heen, terug tot het geheele menschelljk geslacht, en dit ware onmogelijk, als do aansluiting van Christus niet was quot;quot; een aansluiting aan het menschelljk geslacht. Ook de schuld toch, die op den mensch rust, heeft zijn oorsprong in Adam. Christus moest dus wel op Adam teruggaan om de schuld weg te nomen.
Hierbij komt, dat Gods Zoon niet een menschelijk persoon heeft aajige-
23
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek),
nomen. Dit zou ons leiden tot hot Nestorianisme. Neen, het subject in Christus blijft altijd de tweede persoon uit do Drieöenheid. Ook hieruit vlooit hetzelfde voort; want, indien de Zone Gods een menschelijk persoon had aangenomen, dan had Hij natuurlijk een Jood aangenomen, en daarmede ware de komische beteekenis van zijn werk vervallen.
In do 2C plaats is dus ook uit het oogpunt van de Verbondsleer de kosmische opvatting de eenig juiste. Immers, had de Zone Gods den Jood aangenomen, dan kon alleen de Jood door Hem gezaligd worden. Maar zou zijn verzoeningswerk vrucht afwerpen voor het gansche menschelijk geslacht,- dan moest Hij de natuur daar aannemen, waar ze in Adam schuldig geworden is.
In de 3° plaats wordt deze waarheid bevestigd door hetgeen we lezen in de Openbaringen. Op het Mennonitisch standpunt, waarbij hot menschtlijk geslacht als onherstelbaar wordt beschouwd, en alleen maar individuen kunnen zalig worden, moet men wol aannemen, dat later iets geheel nieuws moet gesticht worden. Maar Johannes spreekt van de glazen zee, d. i. het menschelijk geslacht. Verder wijst hij er herhaaldelijk op, dat de schare van verlosten bestaat uit alle natiën en tongen en geslachten; zoodat ook in de Openbaringen blijkbaar het kosmische op den voorgrond treedt. Indien toch de menschen, dooi- uit hun zondigen toestand tot bekeering te komen, door die bekeering hetzelfde ondergingen als de proselyten onder Israël, dan moesten ze hun vader, moeder en alle banden des bleeds afzweren. Bij do wedergeboorte zouden zoodoende alle organische banden worden afgezworen. Dan zou een christen ook geen vaderland meer mogen hebben op aarde. Nu leert de Heilige Schrift zeer zeker, dat, wanneer de keuzo gesteld wordt, alle banden moeten worden vaarwel gezegd, terwille van Christus' koninkrijk, maar van den anderen kant wordt ons duidelijk geleerd, dat een kind van God zijn familiebetrekkingen en zijn nationaal karakter blijft behouden. In den hemel zelfs zullen allo natiën en tongen en geslachten gerepresenteerd zijn.
Bovendien merken we op in de Openbaringen, waar de strijd wordt voorgesteld tusschen het koninkrijk van God en het vijandige koninkrijk, hetwelk daartegenover staat, dat dit laatste niet is het eigen vaderland maar de heerschappij van Satan.
Ook in den Engelenzang, dien we in Openbaringen 14 vinden opgeteekend, treffen we de kosmische voorstelling aan. 't Is geen lofzegging aan God, die Abraham geschapen heeft, maar een aanbidding van Hem, die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft. Het lied sluit zich aan bij de. schepping.
Resumoerende zien wij nu uit de Openbaringen:
1°. Dat de sporen der nationale indeeling blijven bestaan.
24
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2t'. Niot do organische banden van familie en verwantschap worden verbroken, maar het rijk van Satan.
8°. Steeds wordt teruggegaan tot de schepping.
Maar, wordt er dan ook niet gesproken van den val van het groote Baby-Ion? Voorzeker; doch Babyion /.iet niet op het leven der natiën, maar op een wereldrijk, gelijk liet door Nebukadnezar, Alexander en andere despoten is opgericht, en niets anders is dan de incarnatie van een satanische macht, die juist het leven der natiën vernietigt en een valsche eenheid wil zoeken. Babyion, wel verre van een natie, of geslacht te vertegenwoordigen, lost de natiën op in een novum quid, een zoogenaamd wereldrijk.
De geschiedenis van de spraakverwarring va» Babel is van groot gewicht. 1° Uit een linguistisch oogpunt, omdat blijkt, dat oorspronkelijk de talen één waren, en dat ons zoo de sleutel wordt geboden om de anomalieën in de talen op te lossen.
2e Uit een theologisch oogpunt. Dit strekt voel verder. De Heilige Schrift zegt, dat de torenbouw Gods toorn verwekte. De torenbouw was de poging om een valsche kerk te stichten. Mon wilde.één volk blijven met één taal. Dit pogen nu is alleen verklaarbaar uit heimwee naar eenheid; naar een eenheid, die er vroeger geweest is. Zonder dit is heimwee niet denkbaar. Juist die aandrift tot het kosmopolitisme is een bevestiging van Gen. 1, waar het menschelijk geslacht tot één stamvader wordt teruggeleid. Die ingeschapen aandrift is tevens een praedictie van de kerk van Christus. Rome voldoet in het uitwendige aan die aspiratie, en inzooverre representeert Rome inderdaad een antichristelijke macht, omdat elke poging, welke ook, om aan datgene, wat Christus alleen brengen kan, van menschelijke zijde voldoening te brengen, antichristelijk is. In dit opzicht staat Rome op één lijn met de wereldrijken van Nobukadnezer en Alexander. Ook de sociaal-democratie, die in onzen tijd de internationale poging waagt om de nationale grenzen op to heffen, vertoont hetzelfde antichristelijk karakter. Satan prikkelt in het menschelijk hart een op zichzelf genomen reine gedachte, maar elke poging om van menschelijke zijde die gedachte tot realiteit te maken, sticht een rijk tegenover God. Vandaar dat in Daniël al die wereldrijken worden afgebeeld als ongedierten en na de schildering dier rijken in Dan. 7 Christus optreedt als de rJNquot;quot;p. De vraag is toch slechts, of die kosmopolitische aspiratie haar bevrediging zal vinden uit de diepte of uit den hemel. Alle pogingen, die tegen God ingingen, zijn dan ook verstoord en achtereen hebben we de rijken van Babel, Ninove, Kores, Alexander, Rome en Napoleon zien verdwijnen.
En welke was de uitwerking dezer wereldrijken ? Dat zij den mensch steeds verder van het doel afbrachten. In het hart van Azië, waar deze wereldryken
25
College-dictaat van een der studenten (Dogrnatiek).
opkwamen, heerscht veel minder eenheid dan in andere declon der wereld. De Romeinsche en Grieksche wereld vertoonen nu tegenover de Germaansche het schouwspel van de grootste verbrokkeling. Alles staat tegen Italië over. En het feit, dat Italiö en Frankrijk, twee landen, die zoo nauw verwant zijn, niet samenwerken, moet alleen worden verklaard uit die verbrokkeling, waarvan de uiteenvalling van hot vroegere wereldrijk de oorzaak was.
Het schriftuurlijk recht om het gebeurde bij Babel met de kerk in verband te zetten blijkt uit tweëerlei:
1°. Uit het gebeurde op den Pinksterdag, waar we het tegenbeeld van de spraakverwarring bij 13abel aanschouwen. In Babel werden de talen gespreid en hier worden de stralen weder samengevat. Dit principieele verschil merken we echter op, dat we in Babel waarnemen de poging om taalverschil te keeren, terwijl op den Pinksterdag uit de varieteit de harmonie des Heiligen Geestes werd geboren.
2quot;. Uit de paeUêi'ai; de tegenoverstelling van de twee rijken: het rijk van God en liet rijk van Satan, in dier voege, dat Babel, waar die eerste antichristelijke poging gewaagd en vernietigd is, in de Heilige Schrift de typische naam blijft voor elk wereldrijk. Ook het Rome uit den ouden tijd wordt aangeduid met den naam „Babelquot;, om door dien naam de continuïteit van dat anti-christelijk streven te signaleeren. Nu zien wij, hoe zelfs in het eind der dagen van dat toekomstige wereldrijk met den anti-christ aan het hoofd, gesproken wordt met den symbolischcn naam „Babyion.quot; „Zij is gevallenquot; beteekent dan ook, dat geheel dat streven dor wereld vanaf de spraakverwarring met Gods vloek geslagen en tot vernietiging gedoemd is.
Om tot de Openbaringen terug te keeren, zij drieërlei herinnerd:
1°. dat de crisis der wereldhistorie komt in het laatste oordeel, en dat in dat oordeel niet God Drieëenig, maar de Christus als Rechter optreedt, niet enkel over de zijnen maar over geheel het menschelijk geslacht. Graf en zee zullen al hun dooden weêrgeven. In die crisis verschijnt dus Christus niet als Koning der zijnen, maar als bekleed met macht over heel het menschelijk geslacht van Adam af tot den kaatsten sterveling toe. Wederom blijkt hieruit de komische beteekenis van den Christus. En dat dit niet enkel is een dramatische voorstelling van do Openbaringen, blijkt uit herhaalde dogmatische uitspraken der apostelen, b. v. wanneer Paulus zegt in Fil. 2 : 9, dat God aan Christus êxagtacero Svofia to vhsq nüv iïvofia, opdat in den naam Van Christus nüv yovv snovQCivCcüv nat ImyeCwv nat v.axa%amp;ovC(ov.
2° dat in de Openbaringen de v-aivmaiq in het nieuwe organisme niet enkel is een vernieuwing van menschelijke personen, en van die personen in volkeren-verband, maar ook van den uitwendigen v-óapos, zelfs van het planten- en dieren-
26
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
rijk. Do kinderen Grods in de zaligheid worden niet losgemaakt van dat kosmische leven, maar blijven daaraan eeuwig verbonden. Dat dit zoo is, blijkt
a. uit de opstanding des vleesches. Volgens de Heilige Schrift is de afgescheiden staat der ziel slechts tijdelijk en duurt, totdat de vernieuwing van het organisme doorgaat.
b. uit den xóofios zelf. Het is juist de verbindingsschakel tusschcn het innerlijke leven en den xóffftog om ons heen. En nu is juist de geheele tendenz van het Nieuwe Testament, om ons den ganschen raad Gods voor te stellen als uitloopende in een awrsUCa en een nahyyEveaia tov hócuov, want, gelijk er is een palingenesie van de ziel en van het lichaam, zoo is er ook een palinge-nesie van den xóöfios. Matth. 19 : 28.
Uit al deze consideratiën nu volgt, dat hot optreden van Christus' kerk niet is het stichten van een nieuw organisme, maar de reconstitutie van een organisme, dat teloor ging. Daarom mag men nooit spreken van de stichting der kerk, want er heeft niet een schepping maar een herschepping plaats gehad.
Nog drie bijzonderheden moeten we in deze paragraaf bespreken.
I, De kerk is een organisme. Dit organisch karakter der kerk komt in do belijdenisschriften niet voldoende tot zijn recht. Wanneer gesproken wordt van de „saamvergadering der geloovigenquot;, spreekt hieruit nog niet genoeg hot organische begrip; dit kan ook nog atomistisch bedoeld zijn. Dat men in do dagen der Reformatie niet zoo sprak van het organisch karakter der kerk lag hierin, dat do Roomsche kerk een sterk sprekend organisme was, en om nu te bewijzen, dat men niet als nieuwe kerk optrad, moest worden aangetoond, dat ook onder Rome altijd de Gereformeerde kerk had bestaan. Men wees dan op de Waldenzen, Hussieten enz., maar die waren altijd enkele personen, die op zichzelf bleven staan.
Bovendien waren het tijdens do Reformatie meestal enkele personen, dio Rome uitliepen en een kerk vergaderden. Meestal ging dit door separatie. Eerst later, toen de kerk georganiseerd en gereconstitueerd was, na de synode, ten tijde van de Remonstranten, volgde men den weg van doleantie. In elk geval, de Reformatie lette meer op de saamvergadering der personen, dan op het organisme. Wel werd van hot organisch karakter der kerk gewag gemaakt bij de bespreking van de mystieke unie met Christus, maar het werd niet genoeg in verband gebracht met de kerk als kerk.
Als bij den doop gevraagd wordt, of de ouders gelooven, dat hun kinderen in Christus geheiligd zijn, dan wordt dit denkbeeld van de organische eenheid in Christus zolfs op den voorgrond gesteld en eerst daarna gesproken van de opname in do uitwendige kerk. We moeten ons dus dit organisch karakter
27
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
van do kerk holder bewust worden, te meer, omdat do historie ons duidelijk liet nadeel doet zien, dat aan het verzuim van zulk een beschouwing verbonden is; het kerkelijk loven word meer en meer geminacht, aan doop en avondmaal hechtte men niet veel waarde meer.
De Heilige Schrift laat ons toch inderdaad niet in twijfel.
Ef. 4: 16. De apostel geeft ons hier een keurige beschrijving van een organisme en zijn groei.
Rom. 12 : 5, 1 Oor. 12 : 13—27. Het aama is een organisme, en oen organisme is hieraan kenbaar: a. dat het uttr/, ledematen heeft, b. dat het een Ttvevjia rijg fccorje heeft.
Behalve deze voorstelling van het organisme, vinden w5 in do Heilige Schrift nog eon ander beeld n.1. de o^oöo^ois, vertaald door „stichtingquot; waarby we moeten denken aan den bouw van een huis. Dat dit zóó bedoeld is, blijkt uit:
1 Petr. 2:5. Do enkele christenen zijn de h'9oi., die op den eenigen hoeksteen, Christus, worden opgelegd.
Een combinatie van deze beide begrippen vinden we in Ef. 3: 18 v.v. Om het organische aan te duiden wordt de boom als beeld genomen, omdat de boom een organisch edfia heeft. In iföiamp;fisvoi ligt dan ook hot organische, in TefteiieXicófievoi het institutairo karakter der kerk uitgedrukt. Een bouw is niet organisch, maar mechanisch, en omdat do kerk nu is de herschepping van een bestaand organisme, is het eenerzijds een groei, anderzijds een bouw.
Een andere gedachte om dat organisch begrip uit te drukken ligt in iiQarevfia, i«ds enz. 1 Petr. 2:5, 9, 10; Apoc. 18 : 4. In noC^vt] ligt zoowel het atomistische als hot organische begrip opgesloten, omdat een kudde wordt vermeerderd of door aankoop, of door geboorte.
II. Deze herschepping komt in de Heilige Schrift voor eenerzijds als een absolute daad Gods en anderzijds als oen daad Gods, waarmede Hij zich wendt tot het bewustzijn van den mensch om den monsch daaraan te doen beantwoorden. In het Grieksche woord hnX^aCa hebben we beide.
1°. Tot de twlriaia behoorden zij, die door geboorte waren.
2° Als fxidqtot werden ze saamgeroepen door den heraut.
Zóó wordt men door de wedergeboorte een kind van God gemaakt, maar tevens gaat er een Kr'iQvypa uit in de wereld. Er is geen hnXriaia denkbaar zonder xiygvÉj.
IH. De conditiën, waaronder de recompositie plaats grijpt zijn drieërlei.
1°. Een tweede disjectie is onmogelijk.
2°. Een absolute ontwikkeling is verzekerd.
3o:. I-Iet gerecomponeerde totum moet beantwoorden aan hetzelfde doel, waarmede het eerste werd in hot leven geroepen.
28
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Ad 1. Hot werk, dat nu door God gewerkt wordt, is niet meer labilis, gelijk het eerst geschapen is. Ware dit zoo niet, dan zou men weer een val en verlossing kunnen krijgen, maar nooit een finis, een rilas. Na het rusteloos jagen zou de sabbath der eeuwigheid niet aanbreken. Neen, de verlossing, die Gtod teweegbrengt, is een onvergankelijke, en do oorzaak van deze principieele ommekeer ligt in de andere positie van het tweede Hoofd.
Adam werd geplaatst aan het begin van een weg, dien hij ter volmaking moest afloopen; eerst aan het einde van dien weg zou hij als prijs de zaligheid verkrijgen. In den staat der oorspronkelijke gerechtigheid vinden we dus bij den mensch: a. absentie van alle schadelijke elementen, b. aanwezigheid van alle mogelijke potenzen.
De toestand van Adam was gaaf in den zin, waarin een tulpenbol gaaf is. Van den tulp in zijn ontplooiing is nog niets te zien, maar op zich zelf zijn alle innerlijke krachten aanwezig. Indien nu Christus weer in dezelfde conditie had verkeerd als Adam, dan ware een verkeerde ontwikkeling wederom mogelijk geweest. Doch nu heeft God het tweede Hoofd niet xouóg, maar ènovgavuig gemaakt. Xoï-kus is, wat zich uit een kiem ontwikkelt; snovgdvios is, wat uit een fontein ontspringt. Christus had niet de kiemen van heiligheid in zich, maar Hij bezat absolute heiligheid, en de garantie voor die heiligheid had Hij in zichzelf: Joh. 5 : 26.
Vandaar, dat Christus het karakter draagt van een hemelsche absoluutheid. De sprinkader van heiligheid en gerechtigheid is in Hem aanwezig; Hij heeft alleen zijn volheid uit te storten. Om zulk een volmaakte volheid te bezitten moest Hij zijn: God, daar dit absolute juist het goddelijke is tegenover het creatuurlijke.
De tweede persoon is dus zelf God in de menschelijke natuur en van Hem geldt hot, „non potuit peccare.quot; De ethischen snijden den zenuw door van het genadeverbond door te zeggen: „potuit non peccare.quot;
Alzoo ligt in Christus en in Hem alleen de waarborg, dat het nieuwe organisme illabilis is.
Hieruit vloeit een u'kcóv voort voor do zijnen.
In dien zin moet worden verstaan, hetgeen we lezen: 1 Joh. 3 : 9. Zonder recht verstand van het bovenstaande zijn deze woorden raadselachtig. De nadruk valt dan ook op: s* to5 (-)eov: tegenover e£ 'ASdfi. 1 Joh. 5 : 18; Kom. 8 : 88, 39. Kom. 7 : 17, 20; Kom. 8 : 32.
1 Petr. 1 : 4. Hier wordt het heil voorgesteld als niet vatbaar voor verderf. Die Christus toebehooren, zijn ipgovvovptvoi, en wel tot een acozrjQh, die reeds srotfU) is. Wol is deze zaligheid nog bedekt, maar op zichzelf is zij een KhjQovofu'a ciffiamp;dQTug Kal auLCivtog Kal cifidpavrog, d. 1. uit den WOl'tel Zelf kan geen
bederf voortkomen.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Joh. 10 : 28. 1 Petr. 1 : 23. Luk. 22 : 32.
Ad 2. Dg ontwikkeling, die aan de fiélr] van liet hersteld ctófta gegeven is, is een in zichzelf absolute ontwikkeling, die alleen zich nog ontplooien kan.
Joh. 15 : 3 : rjSrj vpBig nadagoi' èazs enz.
Joh. 13 : 10 zegt Jezus bij de voetwassching, dat hij, wien de voeten gewas-schcn zijn, geheel rein is.
Col. 2 : 10, een locus classicus voor deze quaestie: «at tffrf sWütcö
Van organische ontwikkeling is bij u geen sprake, wil de apostel zeggen, want hot nXr'iomiiv van al uw gerechtigheid en heiligheid is in Christus.
Col. 1 : 28, Ef. 4 : 10. Wij zouden dit beeld kunnen gebruiken: Wanneer iemand een ton gouds ontvangt, en hem die schat wordt uitbetaald in 100 bankbiljetten van f 1000, dan heeft hij inderdaad niets en toch feitelijk alles, 't Moet hem uit de bron toevloeien; hij behoeft er niets voor te doen.
Ef. 2 : 10. Dit is een der gewichtigste uitspraken van de Heilige Schrift. Er was gezegd: sVrè oëacoa^évoL, d. i. uw aatriqCa is een voldongen feit, en wel, gij bezit haar als een Süqov. een gekregen goed, zoodat voor u geen Kaixmut overblijft. En dan volgt vs. 10, waarin gezegd wordt, dat we een product zijn van Gods werk, •/■tiaamp;èvmg, d, i. door een goddelijke daad geformeerd, met Jezus Christus als HscpuXrj. Uit deze formatie nu vloeien voort i'qyu die niet door ons geproduceerd zijn, maar die voor ons gereed liggen en door God ons worden toegereikt, opdat wij die zouden vertoonen.
Rom. 8 : 28, 29. In deze catena salutis zien wij, dat alles voldongen is. Neem deze heerlijke waarheid weg, on we hebben geen Evangelie meer. Met zelfbeschuldiging moet beleden, dat in de orthodoxe prediking dit Evangelie zoek was geraakt, zoodat nu nog van de twaalf kinderen Gods geen drie weten, waarin het Evangelie bestaat. Ze meenen, dat dit het Evangelie is, dat hun schuld is verzoend, en dat er nu een weg is aangewezen om heilig op te wandelen. Maar dit is veeleer een verkrachting van hot goddelijk Evangelie, en de mensoh blijft ongetroost zonder te weten, of hij er wel ooit komen zal. Neen! de volheid van het Evangelie is dit, dat God roept: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren.quot; Waar God de Heere zijn hand slaat aan den mensch, brengt hot geloof mede de zekerheid, dat in Christus de absolute heiligmaking en verlossing ligt besloten. Wij bezitten het volkomen kleed van heiligheid in onzen Heiland. Geen enkele korrel hebben wij toe te voegen aan den rijkdom, dien wij bezitten in Christus als onzen Bron en Sprinkader.
Ad 3. De Theodicee, d. i. ort !gt; Wsos Sinaióg laziv. God moet gerechtvaardigd worden. God heeft een schepping in hot leven geroepen en heeft in die schepping buskruit en vuur gelegd. Nu zegt ieder: God doet dwaas. De aanvang schijnt dit inderdaad te bevestigen, want het kruit springt. God laat den mensch en
30
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
satan spreken; maar nu komt het einde, en nu staat die heele schepping in nog veel rijker glorie als oorspronkelijk voor het aangezicht des Heeren en moet allo creatuur belijden, dat Hij heeft overwonnen.
Dat is de Theodicee.
Dit woord is ontleend aan: Rom. 3 : 25, 20; ds è'vSeamp;v rns Si-Aaioaivr\g avxoï. Drie malen komt hierin deze uitdrukking voor. Deze uitdrukking vindt haar rigine in Ps. 51 : ü,
Tot op Christus en tot op de glorie bij de parousie schijnt het alsof God een echec tegenover Satan lijdt, iets wat we zeer duidelijk in Job geteekend vinden. In de geschiedenis van Job treedt Satan op tegen God en zegt, dat Job geen waarachtig geloovige is, terwijl hij vraagt, of hij hem eens in de zeef mag werpen. Het einde was, dat het goud van Job's geloof geen klatergoud bleek te zijn.
Een successieve Theodicee ligt in heel de Heilige Schrift in den voorspoed van den goddelooze tegenover het lijden van den rechtvaardige (Ps. 73). Die strijd nu, die Theodicee in enkele gevallen, is prototype van de absolute Theodicee, die in het einde te wachten staat. Nu is dit daarom zulk een principieel punt, omdat de Gereformeerden dit tot een hoofdpunt hunner belijdenis hebben gemaakt, uitgedrukt in de woorden: „Soli Deo gloria.quot;
In elke Gereformeerde Dogmatiek wordt bij eiken locus tweeërlei doel genoemd: de gloria Dei en de salus hominum. Als men nu aan de Roomschen en Lutherschen vraagt, of dit zoo niet is, stemmen ze wel oppervlakkig toe, maar feitelijk wordt door hen altijd de salus hominum op den voorgrond gesteld. De Vermittlungs-theologen nemen zelfs de kerk als Heilsinstituut, zoo anthropocentrisch mogelijk. Ook Doedes vat kerk en genade in dien zin op.
Van gereformeerde zijde wordt niet de waarheid hiervan ontkend, maar beslist wordt op don voorgrond gezet, dat de mensch nooit motief is voor Gods handelen. Hij doet alles om zichzelfs wil, Spr. 4 : 16. Daarom luidt het slot van de paragraaf: „het doel, waarmede Hij deze weêr saambrenging van de gebroken scherven tot stand brengt is niet op zichzelf do redding van den zondaar, maar de redding van hetgeen door de zonde voor God en voor de eere zijns Naams teloor ging.quot;
Hoe God, de Schepper, dan om zichzelfs wil kan scheppen? De psalmen geven daarop het antwoord: „Al wat adem heeft, love den Heere.quot; En m don hemel worden de scharen voorgesteld als nieuwe lofzangen zingende.
Hot werk der verlossing komt dus tot stand, om te herstellen, wat voor God teloor ging, gelijk geschreven staat: „Ik doe hot niet om uwentwille, maar om mijns groeten naams wil.quot; (Ezech. 86)
De brief aan de Romeinen vooral zingt dit thema in al zijn tonen door. Do
81
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
acht eerste capita zijn structuur om te komen tot cap. 9 en 11, en deze weêr om te komen tot de finale in Rom. 11: 33 — 36. De grond van de Theodicee ligt hierin, dat God als absoluut souverein geen verantwoording schuldig is aan zijn schepsel. (Rom 9 : 20—23). God behoeft zich niet te rechtvaardigen, maar de Theodicee moet in het oog springen. Daarom zullen de rampzaligen inliet oordeel God gelijk moeten geven.
De Theodicee is voldongen, als Satan met al zijn engelen en macht in volslagen machteloosheid geworpen wordt in den poel des vuurs.
§ 2.
„Deze restitutio in integrum van het door de zonde verstoorde organisme gaat critisch toe, d. w. z.: niet alle elementa componentia van het oorspronkelijk organisme worden hierin opgenomen, maar alleen die elementa, die vooraf daartoe geschikt worden gemaakt, doordien God ze wederbaart. Wat niet wedergeboren is, mist het vereischte adhaesie-vermogen. De keur nu, welke takken van den ouden boom aan den boom in zijn nieuwe formatie blijven, en welke worden weggesnoeid, staat aan God den Hoerc en aan Hem alleen, en deze keur heeft twee zijden:
le ex cventu; naar gelang er zich in eenig mensch geloof en geloofs-vrucht vertoont, en alzoo geschiktheid voor het nieuwe organisme openbaart.
Maar ook:
2° ex principio; in zooverre het niet van het toeval, noch van de wilskeuze in het individu, maar alleen van Gods nrtots, en alzoo van Gods bestel voor zijn «ttcis afhangt, of zich deze geschiktheid al dan niet zal vertoonen.
Hieruit vloeit voort, dat do kerk is de saamvergadering der ten leven verkorenen, als ook, dat de omvang der kerk en de keur van haar in volstrekten zin bepaald is door de uitverkiezing. Dit nu ontsluit de mogelijkheid van tweeërlei beschouwing, en wol:
of dat men zegt: het eigenlijke genus humanum is het adamitische geslacht, en hiervan wordt de kern geconcentreerd tot een fijner organisme in de èwlriaia, terwijl de uitverkiezing dat fijnere deel uit het geheel afzondert;
bf wel, dat men zegt: het eigenlijke genus humanum is de kerk, maar in Adam werd dit geschapen als een parel, die nog in de schelp inzat, als een vrucht, omsloten door een groveren bolster, en eerst na uitlichting van den parol uit de schelp en na afwerping van den bolster, blijkt in do vrucht, hoe naar eisch der uitverkiezing het eigenlijke genus humanum bestaat.
In het verschil nu dezer tweëerlei beschouwingswijze wortelt de tegenstelling tusschen de Supra-lapsarii, die de voorwerpen der uitverkiezing als creandi et iabilos stellen, en do Infra-lapsarii, die dezen
33
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
poneeren als creali et lapsi; en ivel in dim zin, dat alleen het (jevoelen der eenten het organisch karakter der kerk tot zyjn recht doet komen, ter ivyjl omgekeerd de betrekkelijke waarheid van het Jnfra lapsarianisme in het ethisch-critisch karakter der kerk ligt.
Ware nu de saamvergadering der wedergeborenen anorganisch, zoo kon elk gered individu uit de menschheid icorden uitgelicht, in den hemel overgebracht en daar in de atomistische saamvoeging der kerk ingelast, om aldus als nieuwe parel bij de overige parelen geregen te icorden aan het heilig snoer. In dat geval zou de oude mensch in eiken loedergtborene geheel in den niemven mensch verdwenen zijn, en hetgeen na de redding der laatste individuën overbleef, als nuaaog hebben uitgediend, en dus eenvoudig te vernietigen zijn; het uit gangs- en eindpunt van alle dualisme en spiritualisme. Dan echter ware ook alle oorzaak vervallen, loaarom de kerk op aarde, en dat tvel in zichtbare gestalte, zou optreden.
Bit is echter niet zoo. De wedergeboorte is niet een op eenmaal voldongen feit, maar valt uiteen in hetgeen potentia aanvangt en actu zich ont plooit. Deze ontplooiing nu volgt twee wegen, al naar gelangde wedergeboren persoon hier op aarde nog eenige jaren vertoeft, bf wel, eer hij zich ontplooien kon, van deze aarde wegsterft. Vandaar dat de heilige doop ook de kinderen moet omvatten, maar tevens, dat de kerk, voor zooveel ze op aarde bestaat, alleen met de geestelijke ontwikkeling der eerstgenoemden rekenen kan. Vandaar dat de kerk zich splitst in drie deelen naar gelang ze als ecclesia triumfans, voorshands alleen geestelijk, in den hemel bestaat ; op aarde als ecclesia militans, zootod inwendig geestelijk bestaat, als in uitwendig waarneembare gestalte zich vertoont, of eindelijk als ecclesia latens nog in lumbis schuilt; terwijl ze eerst door de parousie over zal gaan in die ecclesia gloriae, tcaarin Gods raadslag vervuld wordt. Ook deze ecclesia gloriae zal zoowel invisihilis cds visibüis zijn, maar zóó, dat in haar het visibile het invisibile volkomen dekt.
In de ecclesia militans daarentegen kan dit niet:
P' overmits in den roedergeborene de oude mensch nog nawerkt;
2° omdat de luedergeboorte niet terstond in geloof pleegt uit te breken;
3e omdat echt geloof en schijngeloof door ons niet met beslistheid bij anderen kunnen onderkend icorden.
Hieruit nu vloeit met noodzakelijkheid, voort, dat er strijd geboren wordt tusschen dat motief der kerk, hetwelk in de uitverkiezing ligt, en die andere zelfbepaling, die zij vindt in haar cosmisch-organisch karakter.
Naar het eerste motief toch, zou ze zich uitsluitend geestelijk zuiver en. hemclsch kunnen openharen; naar het tweede daarentegen moet zij ook
34
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
somatisch optreden, kan ze niot dan onzuiver zijn, en moet ze zich een vorm verschaffen, die geschikt is voor dit aardsche leven. Dit cosmisch organisme nu vlecht en strengelt het leven der kerk door het leven der volkeren en der geslachten, en brengt teweeg, dat ze allerlei elementen in zich moet opnemen, die alleen strekken om het cosmisch verband in stand te houden. Dit laatste nu drukken de oudere gereformeerde Theologen uit door hun leer van het uit- en inwendig genade-verbond, waarbij steeds als regel gold en moet gelden, dat elk bondeling voorkomt als bondeling in echten zin, maar zonder dat de kerk ooit zekerheid bezit, dat deze pretentie of deze dunk niet ij del en leugenachtig zal blijken; in welk laatste geval zii de schuld van zulk een persoon, geslacht of volk verzwaart.quot;
Allereerst letten we op het critisch karakter, dat van die restitutio in integrum onafscheidelijk is. We staan hier tegenover de drijvers van de dmoxctrdaToiaig niivTcov, die beweren, dat eenmaal alle menschen zullen zalig worden. Bij deze leer nu ontbreekt alle critisch element, maar gaat daarentegen alles toe zonder onderscheid, zonder maatstaf.
Van den anderen kant maakt dat critisch karakter, dat van de membra disjecta sommigen wel, anderen niet worden opgenomen. Hier ligt de tegenstelling tusschen het Pantheïsme en het Theïsme. Te gelooven, dat allen zalig worden, is in den grond Pantheïstisch, 't Pantheïsme immers belijdt wol een God, maar niet een God, die als het eeuwige zijn tegenover het worden staat. Het kent geen grenzen, maar een voortgaand proces; God zelf is in dat proces begrepen, zich steeds klaarder in het schepsel bewust wordende, en de creaturen worden steeds meer God.
Het Theïsme stelt tusschen God en schepsel een absoluut onderscheid, zoodat in God geen verandering is, maar het absolute zijn, terwijl hot schepsel wordt na in den tijd geschapen te zijn, en steeds in wording is om een bepaald doel te bereiken. Het Theïsme onderscheidt dus tusschen twee: God en mensch; het Pantheïsme kent slechts één godmenschelijk organisme. Daarom kan alleen bij het Theïsme sprake zijn van een oordeel over do wereld uitgaande, van een God, die een levenswet en een einddoel voor de wereld vaststelt, en naar die levenswet zijn creatuur beoordeelt en dwingt door straf of door genade, om aan dat einddoel te beantwoorden.
Het Pantheïsme daarentegen kent geen God, die wil, die een wet en een einddoel bepaalt, dus ook geen God, die naar dien maatstaf oordeelt.
Pantheïsme en Theïsme liggen dus zoo tegenover elkaar, dat bij het eerste geen vQiTt'ig bestaat, terwill bij het tweede, God als optreedt tegenover de wereld.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
De tegenstelling tusschen deze twee wordt nog meer verscherpt, wanneer ik de zonde in rekening breng.
Op theïstisch standpunt is zonde afwijking van de door God gestelde levenswet. Bij het Pantheïsme is er geen levenswet en derhalve ook geen afwijking. Noodwendig moet dus hot Pantheïsme er toe komen, om de zonde te loochenen. Het kan m de zonde slechts zien een onvolkomenheid, een stadium, een ontwikkelings-phase in het proces van lager orde, die noodzakelijk is.
Daar nu de ontwikkeling van lagere tot hoogere phase iets is, wat niet kan worden afgekeurd, kan aan God geen oordeel toekomen over de zonde. Zonde is geen zonde, maar een doorgang.
Hieruit volgt, dat in het Pantheïsme voor het ethische leven geen plaats is. Alles moot consequent door den Pantheïst worden genaturaliseerd. Gelijk do boom groeit, zoo ook do mensch; en deze mensch groeit physisch en psychisch. Zedelijk leven is dan alleen, dat uit de kiemen even natuurlijk zich eigenschappen ontwikkelen, als er uit de graankorrel korenaren opgroeien. Alle ethisch leven, dat een psychisch karakter zal dragen, vereischt de kiesvrij-heid van den wil, of de bewuste actie. Nu is in hot Pantheïsme bij God geen kiesvrijheid, veel minder nog bij het creatuur. Vandaar dat do Pantheïst behagen schept in de criminaal-statistiek, die aantoont, dat jaar aan jaar een gelijk aantal moorden enz. voorkomen, en dat daarbij met mathematische juistheid terugkeeren, een zelfde aantal moorden met den dolk, met het zwaard enz. Hieruit toch meenen ze te kunnen opmaken, dat allo vrijheid in den mensch een pure illusie is.
Het antwoord op de vraag, of hetgeen in onze wereld geschiedt, critisch toegaat of niet, hangt dus af van deze drie dingen:
of onze beschouwing is theïstisch of pantheïstisch;
of we de zonde erkennen of niet;
of we zedelijk leven erkennen of niet.
Wij, die op grond van Gods Woord de drie eerstgenoemde zaken tot grondslag stellen, moeten dus aannemen, dat de reconstitutio van de menschheid niet anders dan critisch kan toegaan.
De critische actie, die over de bewuste creatuur wordt uitgeoefend, behoeft nog niet noodwendig een deel to doen vallen, want ook allen kunnen goed zijn. Evenmin ligt er in opgesloten do redding van eon deel, want het oordooi over Adam is een absoluut verwerpend oordeel. Spreek ik dus van een critische actie ten opzichte van de kerk, dan kan dat critische oordeel niet gaan naar de oorspronkelijk voor den mensch gestelde levenswet, maar moet gaan naar de wet der verlossing: het geloof in Jezus Christus.
Er is dus tweeërlei crisis, één ten opzichte van het menschelijk geslacht.
3G
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
die uitgeoefend wordt naar de zedewet, en bovendien is er nog een andere maatstaf, afzonderlijk gesteld voor de kerk. Nu is de uitslag van het crltisch oordeel Gods over de kerk, dat niet allen dat geloof in Christus hebben, maar slechts het kleinste deel van het menschelijk geslacht.
Het menschelijk geslacht is dus te vergelijken bij een boom, die wordt afgekapt, en nu in kleiner formatie weer opschiet. De ruïne van het genus humanum wordt niet in de geheelheid hersteld, maar het wordt bij de lecon-stitutie een organisme van kleiner proportie. Nu bestaat er tusschen een mechanisch en organisch object dit verschil, dat ik bij de veikleining van een organisch object geen schade lijd, maar bij de verkleining van een mechanisch wel. Een appelboom b. v. kan gesnoeid worden, en daarna veel meer
vrucht dragen dan te voren.
In de tweede plaats bestaat tusschen een mechanisme en een organisme dit verschil, dat bij een mechanisme de deelen moeten worden uit elkaar genomen (bij de verkleining van een jas b. v. moet de mouw worden uitgesneden), maar een organisme blijft behouden, ook al gaat de formatie veiloien.
De kerk dus, beschouwd als de reconstitutie van het menschelijk geslacht, vormt een organisme van kleiner omvang, maar het organisme zelf ontv ing daarbij geen verandering. Wanneer wij b. v. ons haar laten knippen; wanneer wij een kind tot een man zien opgroeien, - steeds blijft hetzelfde organisme.
Relatief dus genomen, in vergelijking met den omvang, die liet organisme vroeger had. is de kerk een klein kuddeke. Absoluut genomen daarentegen is zij een schare, die niemand tellen kan. De voorstelling van veel christenen, aisof weldra geheel Europa zal worden gekerstend, en straks geheel het menschelijk geslacht voor Jezus' voeten zal nederknielen, gaat dus niet door. Dan loochent men de plotselinge inbreking, de incisie van de Majesteit Gods (cf.
Locus de Novissimis).
De Heilige Schrift komt op tegen deze valsche voorstelling.
Matth. 20 ; 16 noV.ol yap tlci «XtjtoI (Ut'yoi (it ènXenxoi.
Matth. 7 : 14; Luk. 22 ; 32.
Bovendien zegt de Heilige Schrift, dat de heele kerk eens in de ark uitzeven personen bestond; nog eenmaal uit 7000 personen, die de knieën voor Baal niet hadden gebogen, en de geschiedenis der kerk leert hetzelfde in alle tijden.
De confessie in art. 27 (3e al.) spreekt ook in dien geest. „En deze heilige kerke wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen.quot; Hierop moet uitdrukkelijk worden gewezen, omdat de Gereformeerden spoedig leefden in de verbeelding, dat alle menschen tot die kerk |noesten behooron. Daarin
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
lag juist haar ondergang, omdat op deze wijze allerlei onzuivere elementen werden opgenomen. Zoo is indertyd heel Drente met dragonders tot de Gereformeerde kerk overgebracht. In 1563 daarentegen, toen onze geloofsbelijdenis in de omwandeling kwam, zag men de kerk nog aan als een Gideonsbende.
Dat intusschen de lieele voorstelling van do Heilige Schrift is, dat de kerk het kleinste deel uitmaakt, is nog veelmeer af te leiden uit de algemeene stelling, dat de de volgelingen van Jezus verdrukking zullen hebben. Vandaar dat in' al de kerken, waar de groote menigte zich aansloot, de vervolging ophield. Toen hier te lande alles gereformeerd was, bestond er eigenlijk geen ecclesia militans.
Hierdoor krijgt men in het woord „ecclesiaquot; op aarde een tegenstelling, die blijft; n.1. als de kern van het organisme der menschheid, die eeuwig voortduurt, tegenover den bolster om dien kern, die afgeworpen wordt. Het woord èiin\r\aCa leende zich juist goed voor die critische opvatting, immers het wordt afgeleid van hnaUtv. Maar tevens wat den usus betreft, was het een geschikt woord, aangezien in de Grieksche staten het volk onderscheiden werd in kern en bolster ; de poorters en de overigen, die daarnaast stonden.
Het woord „imlriaCaquot; kan daarom alleen een woord zijn van tijdelijk gebruik. In de eeuwigheid heeft dit woord zijn beteekenis verloren, en slechts oneigenlijk kan men spreken van de ecclesia gloriam. Daarom heeten de uitverkorenen in den hemel: i.a6g, fiaatltia, aaua. In de Apocalypse, waar gesproken wordt over het eindresultaat, wordt het woord dan ook niet meer gebezigd. Het woord heeft eigenlijk zijn ratio sufflciens, wanneer de afscheiding tusschen kern en bolster nog niet tot stand kwam. Op dit standpunt komen we nu tot een ingewikkelde vraag van deze paragraaf.
Indien we de kerk eenvoudig ethisch-critisch beschouwen, dan beschouwen we haar ex eventu, omdat voor de critiek een object moet voorhanden zijn, en dat is: de persoon bij zijn dood en de kerk bij de awreXsia tav aüóvcov. Wel kan er bij den aanvang physische critiek worden geoefend, b. v. bij een stekje, maar ethische critiek kan alleen plaats hebben ex eventu. Van den grootsten dronkaard kunnen we nooit zeggen, dat hij niet uitverkoren is. Terwijl nu die ethische critiek door ons alleen ex eventu kan worden geoefend, zouden we echter het anthropologische op God overbrengen, indien wij dit ook op Hem toepasten.
Hierdoor komen we bij de beschouwing der kerk tot een tegenstelling, n.1.:
de kerk, ex eventu beschouwd èn;
de kerk, e principio beschouwd (theologice).
Dit laatste wil zeggen, dat de kerk haar wortel alleen kan hebben in Gods raad, wijsheid, wil en almacht. Beschouw ik de kerk e principio, dan mag ik dus niet naar den eventus oordeelen, maar moet ik terug in de eeuwigheid.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Dan heb ik de kerk tc beschouwen als een inblijvend werk Gods, d. i. zooals
het bij God was vóór de schepping.
Onze oude theologen nu voelden zeer wel dat èn deze beoordeeling dei kerk e principio, èn ex eventu, beide evenzeer tot haar recht moesten komen. Toch ontstond er spraakverwarring op dit gebied, omdat de bcoordeeling ex eventu en de beoordeeling e principio niet streng door hen werd uiteengehouden. Dit heeft in do 16l10 eeuw geleid tot het Supra- en Infra-lapsariauisme; en leidt in onzen tijd tot het verschil tusschen algemeene en bijzondei e genade,
tusschen Ethischeu en Gereformeerden.
Een derde consideratio moet hierbij geplaatst, n.1. de mediale consideratw. Wat deze bedoelt, wordt duidelijk, wanneer we uit het ééne 3de hoofdstuk van Johannes' Evangelie vs. 3 loggen naast vs. 16, wat met het eerstgenoemde vers schijnbaar geheel schijnt in strijd te zijn. De wedergeboorte immers hangt niet af van 's menschen wil, cf. vs. 8 : de mensch is bij de wedergeboorte volkomen lijdelijk. Vs. 16 zegt ons nu: „Wie maar gelooft in Christus, die heeft het eeuwige leven.quot; Een ieder, wie niet wedergeboren is, kan zelfs hot koninkrijk Gods niet zien! hoe zal hij dan gelooven? Juist hierom noemden we hot mediale, omdat in die twee standpunten van Johannes do twee kanten van hot mediale worden geponeerd, n.1.; het mediale van den kant e principio is de wedergeboorte, en het mediale van den kant ex eventu is het geloof. De wedergeboorte draagt geen ethisch karakter, zij gaat buiten den wil om: maar de n ia cis hoort bij de media, bij de consideratio ex eventu, want naar
haar zal aan hot eind geoordeeld worden.
Nu komen wc tot do vraag: Wat is Supra- on Infra-lapsarianisme ?
Deze ciuaestie geldt de ordo Decretorum in don raad Gods tot behoudenis. In dien raad Gods bestaat ook een Melts, maar daarbij zijn mogelijk twee voorstellingen: 1« dat God in die daad van uitverkiezing zich de menschen als menschen
heeft voorgesteld;
2quot; dat God in die daad van uitverkiezing zich de menschen als zondaren heeft voorgesteld.
Dus, liet gaat hier om de vraag, of God den mensch uitverkoren heeft, als mensch, of dat hij den mensch uitverkoren heeft, na hem beschouwd te hebben als een gevallen zondaar.
Wc zullen dit met een beeld pogen duidelijk te maken. Stel dat een pottenbakker het plan heeft opgevat, om een kast te vullen met fijn aardewerk. Nu kan ik mij voorstellen, dat hij, wanneer hij bozig is met het vervaardigen der vaten, denkt: deze en die zullen er in komen, on gene niet, terwijl hij er niet mede rekent, of de een of de andere ook breken zal. Maar ook kan ik mij voorstellen, dat de pottenbakker, na een reeks potten gemaakt te hebben,
39
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ziet, dat zijn aardewerk stuk is, en nu zegt: deze pot zal ik herstellen en genen niet. De mogelijkheid bestaat dus, dat hij bij het plan om zijn kast te vullen, kioze uit het aardewerk, of kieze uit het gebroken aardewerk. De eerste voorstelling is die der öupra-lapsariürs: de mensch genomen supra lapsnm; de tweede die van de Infra-lapsarii: de mensch genomen infra lapsum.
De Supra-lapsariër neemt den mensch in de uitverkiezing als creandus et labendus of labilis.
De Infra-lapsariör neemt don mensch in de uitverkiezing als creatus et lapsus.
Het Hollandsche: boven- en benedenvaldrijvers is slecht tc verstaan. Men verwart beide zoo licht. Het beste is, steeds te denken aan labilis en lapsus.
Onze gereformeerde vaderen waren in deze quaestic gedeeld. In Dordrecht gaf dit verschil tusschen Gomarus, Maccovius e. a. eenerzijds (Supra), en Wallaeus, Polyander e. a. anderzijds (Infra).
Nu nog wordt wel eens voorgesteld alsof Gomarus' denkbeeld te Dordt was veroordeeld. Dit is geheel en al onjuist. Beide professoren hebben hun gevoelen geformuleerd ingedeeld. In alles waren ze eenstemmig, maar verschillend alleen in de beschouwing van het object van uitverkiezing. De synode nam noch de formule van den een, noch die van den ander over, maar hechtte haar zegel aan een onbeslissende formule, en deze formule is samen door Gomarus en Wallaeus onderteekend; wel een bewijs, dat de bovengenoemde voorstelling, die men dikwijls van het verloop der zaak geeft, valsch is. De synode heeft dus het Supra-lapsarianisme niet veroordeeld, maar was van oordeel, dat dit punt niet was uit te maken.
Zooals we nu reeds opmerkten, stond aan Gomarus' zijde Maccovius, hoogleeraar te Franeker, wiens geschriften gemakkelijker te bekomen zijn dan die van Gomarus en om hun scherpheid, beknoptheid en helderheid zeer zijn aan tc bevelen.
Wat houdt nu deze quaestie in?
Hiertoe moeten wij wijzen op een schijnbaar verwarrend stuk in de Heilige Schrift, n.1. dat zalig wordt, eenerzijds, wie gelooft in Jezus Christus, en anderzijds, alleen wie deugdzaam wordt bevonden. De locus classicus op dit punt is Hom. 2 : 6—11.
VS. 6 lig anoScóaei txaarra nara ra è'aya avrov.
En de zaligheid zou afhangen van het geloof! Werpt deze uitspraak dan niet het gehocle Evangelie omver? Is dit dan niet liet wetsstandpunt? Kwam dit woord nog voor bij den apostel Jacobus, we konden het ons indenken; maar, neen, het staat geschreven in den Romeinen-brief, en wel in den aanloop, om straks te zeggen: oü* st- tgyiav Over deze plaats wordt dan ook bijna nooit gepreekt. Maar waar ligt dan de sleutel om deze moeielijkheid en schijnbaar tegenstrijdigheid op te lossen? Hierin, dat de genadewet een
38
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Dan heb ik de kerk te beschouwen als een inblijvend werk Gods, d. i. zooals
het hij God was vóór de schepping. , ,
Onze oude theologen nu voelden zeer wel dat en deze beoordeeling dor kerk e principio, èn ex eventu, beide evenzeer tot haar recht moesten komen. Toch ontstond er spraakverwarring op dit gebied, omdat do beoordeeling ex eventu en de beoordeeling e principio niet streng door hen werd uiteengehouden Dit heeft in de 16l10 eeuw geleid tot het Supra- en Infra-lapsarianisme; en leidt in onzen tijd tot hot verschil tusschen algemeene en bijzondere genade,
tusschen Ethischen en Gereformeerden.
Een derde consideratie moet hierbij geplaatst, n.1. de mediale consideratio. Wat deze bedoelt, wordt duidelijk, wanneer we uit hot ééne 3lt;io hoofdstuk van Johannes' Evangelie vs. 8 leggen naast vs. 16, wat met het eerstgenoemde vers schijnbaar geheel schijnt in strijd te zijn. De wedergeboorte immers hangt niet af van 'smenschen wil, cf. vs. 8 ; de mensch is bij de wedergeboorte volkomen lijdelijk. Vs. 1(5 zegt ons nu: „Wie maar gelooft in Christus, die heeft het eeuwige leven.quot; Een ieder, wie niet wedergeboren is, kan zelfs het koninkrijk Gods niet zien! hoe zal hij dan gelooven? Juist hierom noemden we het mediale, omdat in die twee standpunten van Johannes do twee kanten van het mediale worden geponeerd, n.1.: hot mediale van den kant o principio is de wedergeboorte, en het mediale van den kant ex eventu is het geloof. Do wedergeboorte draagt geen ethisch karakter, zij gaat buiten den wil om: maar de nlaus hoort bij do media, bij de consideratio ex eventu, want naar
haar zal aan het eind geoordeeld worden.
Nu komen we tot de vraag: Wat is Supra- en Infra-lapsarianisme ?
Deze quaestie geldt de ordo Decretorum in don raad Gods tot behoudenis. In dien raad Gods bestaat ook een Mslts, maar daarbij zijn mogelijk twee vooistollingen. 1 o (Jat Clod in die daad van uitverkiezing zich de menschen als menschen
hoeft voorgesteld;
2° dat God in die daad van uitverkiezing zich de menschen als zondaren
heeft voorgesteld. , ^ ,
Dus, het gaat hier om do vraag, of God den mensch uitverkoren heeft, als
mensch, of dat hij don mensch uitverkoren hoeft, na hem beschouwd te hebben als een gevallen zondaar.
Wo zullen dit met een beeld pogen duidelijk te maken. Stel dat oen pottenbakker het plan heeft opgevat, om een kast te vullen met fijn aardewerk. Nu kan ik mij voorstellen, dat hij, wanneer hij bezig is met het vervaardigen der vaten, denkt: deze en die zullen er in komen, en gene niet, terwijl hij er niet mede rekent, of de een of de andere ook broken zal. Maar ook kan ik mij voorstellen, dat de pottenbakker, na een reeks potten gemaakt te hebben,
39
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ziet, dat zijn aardewerk stuk is, en nu zegt: deze pot zal ik herstelltn en goneu niet. De mogelijkheid bestaat dus, dat hij bij het plan om zijn kasr tc vullen, kieze uit het aardewerk, of kiezc uit het gebroken aardewerk. Do eerste voorstelling is die der Supra-lapsariurs: do mensch genomen supra lapsum; do tweede die van de Infra-lapsarii: de mensch genomen infra lajisum.
De Supra-lapsariër neemt den mensch in de uitverkiezing als creandus et labendus of labilis.
De Infra-lapsariër neemt den mensch in de uitverkiezing als creatus et lapsus.
Het Hollandsche: boven- en benedonvaldrij vers is slecht te verstaan. Men verwart beide zoo licht. Hot beste is, steeds te denken aan labilis en lapsus.
Onze gereformeerde vaderen waren in deze quaestie gedeeld. In Dordrecht gaf dit verschil tusschen Gomarus, Maccovius e. a. eenerzijds (Supra), en Wallaeus, Polyander e. a. anderzijds (Infra).
Nu nog wordt wel eens voorgesteld alsof Gomarus' denkbeeld te Dordt was veroordeeld. Dit is geheel en al onjuist. Beide professoren hebben hun gevoelen geformuleerd ingedeeld. In alles waren ze eenstemmig, maar verschillend alleen in de beschouwing van het object van uitverkiezing. De synode nam noch de formule van den een, noch die van den ander over, maar hechtte haar zegel aan een onbeslissende formule, en deze formule is samen door Gomarus en Wallaeus onderteekond; wel een bewijs, dat de bovengenoemde voorstelling, die men dikwijls van het verloop der zaak geeft, valsch is. De synode heeft dus het Supra-lapsarianisme niet veroordeeld, maar was van oordeel, dat dit punt niet was uit te maken.
Zooals we nu reeds opmerkten, stond aan Gomarus' zijde Maccovius, hoogleeraar te Franeker, wiens geschriften gemakkelijker te bekomen zijn dan die van Gomarus en om hun scherpheid, beknoptheid en helderheid zeer zijn aan te bevelen.
Wat houdt nu deze quaestie in?
Hiertoe moeten wij wijzen op oen schijnbaar verwarrend stuk in de Heilige Schrift, n.1. dat zalig wordt, eenerzijds, wie gelooft in Jezus Christus, en anderzijds, alleen wie deugdzaam wordt bevonden. De locus classicus op dit punt is Rem. 2 : 6—11.
VS. 6 üs aitoScóasL éyiaarcp gt;t«T« Ta t'gya avtov.
En do zaligheid zou afhangen van het geloof! Werpt deze uitspraak dan niet het gehoele Evangelie omver? Is dit dan niet hot wetsstandpunt? Kwam dit woord nog voor bij den apostel Jacobus, we konden het ons indenken; maar, neen, het staat geschreven in den Romeinen-brief, en wel in den aanloop, om straks te zeggen: o-üx. f'| tgyav Over deze plaats wordt dan ook bijna nooit gepreekt. Maar waar ligt dan de sleutel om deze moeielijkheid en schijnbaar tegenstrijdigheid op te lossen? Hierin, dat de genadowet een
40
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
tusschenin getreden wet is, maar niet de grondwet van Gods koninkrijk; de genade is een bedeeling, die om der zonden wil tusschenin geschoven werd. Du grondwet van Gods koninkrijk echter is die ordinantie van zijn heiligen wil, dio G-od vóór de zonde en buiten de zonde om heeft vastgesteld, n.1. deze: wie in overeenstemming met God is, leeft; wie niet, wordt verdoemd. Dus altijd is de hoofdwet: dat lt;5 tgyafr'i/j.ivos tö ayaamp;óv heeft de Jm?) atcóviog, maar
o ègyct^ófitvog ro mnóv-amp;v(i,ug xal ópyrj.
Ais wc dan ook in de openbaring der genade tot aan het einde voortschrijden, vinden we altijd èn in het Oude Testament èn in het Nieuwe Testament, dat wij moeten verschijnen voor den Rechterstoel: 2 Oor. 5 : 10; Gal. ü : 5; Openb. 2 : 23; Hom 2 ; 10.
Daarom waagden we bij de behandeling van de justificatie dan ook de poging, om de justificatie uit het oordeel af te leiden, en toonden daar ter plaatse aan, hoc die rechtvaardigmaking eerst tot realiteit uitgebracht wordt in het oordeel, als de uitverkorenen realiter justi verschijnen.
God dus heeft, afgescheiden van den zondeval en de heilsopenbaring, een grondwet in zijn koninkrijk, die het eeuwige leven verzekert aan wie goed doet, en verbolgenheid en toorn aan hen, dio der ongerechtigheid gehoorzaam zijn.
Al zoo is or bij God, afgedacht van de zonde, een -/.QLaig, een maatstaf.
Dit nu hooft Gomarus en Maccovius er toe gebracht, om te zeggen, die openbaring is absoluut, en dus, moest het, toen God menschen schiep, vaststaan, dat er uit de creandi zouden komen tot Alzoo moet er bij God, eer nog de gedachte van zonde bij Hem opkwam, reeds bij de gedachte aan scheppen, een keur geweest zijn op de objecten, die tot eere zouden komen.
Wallaeus c.s. voelden dit wel, maar hadden deze bedenking: Indien wij de menschen in de verkiezing beschouwen als creandi et labiles, dan moeten we ze ook als creandi et labiles nemen in de verwerping. Dan heeft God dus besloten niet alleen om menschen te schoppen, die tot de zouden komen, maar ook, om menschen te scheppen, die tot de opyr/ zouden komen. Die gedachte nu, dat God, afgescheiden van de zonde, menschen zou geschapen hebben om ecuwig rampzalig te zijn, stuitte tegen de borst, minder, omdat er dan een verdoemenis zou zijn, maar omdat uit deze beschouwing de stelling zou volgen, dat van de creandi et labiles de uitverkorenen worden geschapen mot de bestemming om te vallen, ■ en daarna gered te worden, maar de verworpenen met de bestemming om te vallen, terwijl dan de zonde juist moest komen, om een rechtvaardiging te vinden voor die verwerping. Zoo wordt God de auteur der zonde. Dan moet er een rechtvaardiging komen voor het feit, dat zij verworpen zijn.
Zoodra men het Supra-lapsarianisme zóó voorstelt, zoodat de electie en de
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
verwerping nudis naturalibus komen, krijgt men inderdaad, dat God is de opzettelijke auteur der zonde. Dan is Wallaeus volkomen in zijn recht, want elke voorstelling, die God tot auteur der zonde maakt, moet absoluut worden verworpen. Onze eigen consciëntie komt daartegen in verzet, en alle zedelijk karakter en menschelijke verantwoordelijkheid gaan te loor, indien dit wordt toegegeven. Dan drukte. God eerst het gif in den arm, om daarna dien arm af te zetten.
Hiermede is intusschen de zaak niet afgedaan.
Overal, waar wij komen bij den overgang van het tijdelijke in het eeuwige, van het eindige in het oneindige, is er voor ons een klove, die wij nooit kunnen overbruggen. Er zijn dus altijd twee zijden van de quaestie, die wij beide moeten vasthouden. Ook bij deze hoogst interessante quaestie hebben we dien overgang van den raadslag Gods in het creatuurlijke, en dan is het plicht:
1° de dingen te bezien van Gods zijde, opdat God aan zijn recht kome.
2°' de dingen te bezien van's menschen zyde, opdat de mensch verantwoordelijk blijve.
De klove kan alleen worden overbrugd door een ophaalbrug; eerst waar de beide deelen van de brug elkaar raken, komen beide tot hun recht.
Doch, nu vragen wij: Bestaan de bezwaren, die ingebracht zijn tegen het Supra-lapsarianisme dan niet bij het Infra-lapsarianisme? En zie, ook daar bestaan die bezwaren evenzeer! Immers, men kan zich nooit God denken in verband mot den loop der geschiedenis, zonder te zeggen, dat God alwetend is. Volgens het Tnfra-lapsianisme stond het zóó, dat God menschen zou scheppen met de intentie dat zij allen aan Hem zouden kleven, maar tevens met do goddelijke voorwetenschap, dat die personen in zonde zouden vallen, en tevens met de voorwetenschap, dat van die gevallenen een klein deel slechts de genade zou aannemen, en hot grootste deel aan de eeuwige rampzaligheid ter prooi zou zijn. Hieruit volgt toch, dat men dit wetende, geen menschen zou scheppen! Want indien men dan toch menschen schept, valt de aansprakelijkheid voor de rampzaligheid op den Schepper. Het Infra-lapsarianisme zou dus alleen zijn doel bereiken, als de noodzakelijkheid om te scheppen aan den Schepper kon worden opgelegd. Maar nu God vrij was; nu het feit, dat de menschen zóó geschapen zijn en niet anders, uit Gods vrijmacht voortvloeide, komt de verantwoordelijkheid toch evenzeer op God neêr.
Op het standpunt van don Infra-lapsariör blijft de positie van den Schepper even onhoudbaar. En daarom, die weg mag nooit betreden! Wij moeten zwijgen bij den sprong van het oneindige in het eindige. We mogen geen consequente lijn doortrekken, maar de lijn, die uit God afloopt naar de schepping moet worden afgebroken daar, waar de zonde zou komen te liggen voor Gods rekenirtg.
42
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Wat is dan hot hooge belang van het Supra-lapsarianisme ?
De Infra-lapsadi loeren, dat God do menschon heeft geschapen mot do intentie, dat zij goed zouden zijn, maar Hij voorzag, dat ze in de zonde zouden vallen, en uit die gevallenen verkoos Hij zich eenigen uit. Hun leer is niet, (letton we hierop wèl!) dat God eerst verkoos na den zondeval; neen, zij gelooven evengoed aan een eeuwig raadsbesluit als de Supra-lapsarii.
Maar tegen dit standpunt hebben we nu één groot bezwaar, n.1. dat geredeneerd wordt uit de voorwetenschap Gods. Het was juist het standpunt der Armi-nianen, dat de electie plaats had praevisa fide, en hiervan wilde natuurlijk geen enkele gereformeerde weten. Doch, dan ligt do vraag voor de hand: waarom mag ik niet rekenen mot de praevisa fides, en wel (zooals de Infra-lapsarii doen) met het praevisum peccatum? Bij het antwoord op die vraag stonden ze geslagen tegenover de Arminianen. Wel kan ik zeggen; God heeft niet mot zijn voorwetenschap gerekend, maar beweer ik, dat God wèl met zijn voorwetenschap rekende ten opzichte van het peccatum, eilieve! waarom mag dan niet evengoed aangenomen, dat Hij met zijn voorwetenschap rekende, ten opzichte van do fides?
Doch, — waarom mag in hot raadsbesluit Gods nooit worden gerekend met de voorwetenschap? Wat wil dat zeggen: met de voorwetenschap rekenen? Is het dan God, die bepaalt, of het creatuur? Natuurlijk gaat dan de bepaling uit van het creatuur. Dan bestaat er geen raadslag Gods, maar een notarieele acte van hetgeen de mensch bepaald heeft. Dan is God geen God meer, maar de geheele orde omgekeerd.
De zaak staat dus zóó, dat du Infra-lapsarii terecht het ethisch moment van do verantwoordelijkheid verdedigen, terwyl do Supra-lapsarii verdedigen, dat do mensch van God afhankelijk is. De eersten verdedigen hot anthropolo-gisch, de tweeden hot theologisch moment. Daar nu èn het ethische èn het theologische moment beide moeten worden vastgehouden, en beide voor ons nooit logisch te vereonigen zijn, moeten beide lijnen gelden, de theologische, waar we spreken over den raadslag Gods, zijn eer, zijn wil; — het ethische, als wc handelen over zonde, schuld, verantwoordelijkheid. Indien we dit niet doen, worden we öf Arminianen of Antinomianon. Gereformeerd is, beide momenten onwrikbaar vast te houden.
Nu zullen we terugkeeren tot het onderwerp, dat ons bezig houdt: en wol tot de vraag, hoe nu deze zaak met de kerk samenhangt. Kort uitgedrukt kunnen we zeggen, dat het Infra-lapsarianisme er toe leidt om do kerk te beschouwen als een aggregaat, terwijl liet Supra-lapsarianisme ons brengt tot de organische Üeschomving der kerk.
In de Gereformeerde kerken is do aggrogatorische beschouwing overheer-
43
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
schond geworden, en dit hing juist hiermede samen, dat het meerendeel onzer theologen Infra-lapsarii was. Had hot Supra-lapsarisch standpunt meer op den voorgrond gestaan, dan ware ook do organische opvatting der kerk meer tot haar recht gekomen.
Wat is oen organisme? Een organisme is een creatuur, dat orgaan is voor oen daarachter schuilende kracht, dio tot openbaring moet komen, 't Woord „natuurquot; drukt dio kracht uit in het organisme van planten- en dierenrijk, d. i. een actieve kracht, die in een boom of plant werkzaam Is: „cpvaie.quot;
Neem ik nu een mechanisme. Al neem ik een houten paal, die nog zoo zwaar is, — er zit geen kracht achter. Een boom daarentegen hooft oen wortol en in dien wortel een drijvende kracht, die in dien boom werkt.
Is de kerk zulk een organisme, dan moot ook zij een creatuur zijn, waarin een daarachter schuilende kracht zich levenwekkend openbaart. Die levenwok-kende kracht nu is de Heilige Geest. De kerk genomen als aggregaat evenwel, is de bijeenvoeging van losse atomen. Maar de kerk moet zijn een wijnstok met wortelen. Bij een aggregaat toch missen we allen wortel. Dat de kerk nu een wortel heeft, vloeit voort uit het Supra-lapsarisch standpunt, terwijl uit het Infra-Lapsarianisme volgt, dat zij geen wortel kon hebben.
Stel ik mij een oogenblik op Infra-lapsarisch standpunt, dan ligt daar vóór mij de massa perditionis. Hieruit worden a en b en c uitgelicht, terwijl cl, o on f in hun verloren toestand blijven liggen. Nu kan ik a, b en c wel daarna met eou baud der liefde bijeenbinden, maar ze hebben geen wortel. Stel ik mij daarentegen op Supra-lapsarisch standpunt, dan ligt daar vóór mij het organisme van de menschheid, en na den val dat organisme door oen innerlijken kanker verdorven. Maar nu is het genadewerk niet, dat uit dat organisme enkelen worden uitgelicht, maar dat van den verkankerden boom de niet-verkoren takken worden afgesneden en hot gave hout nu op zijn ouden wortel voort-groeit. Kort uitgedrukt kunnen we dus zeggen, dat het Supra-lapsarianisme het organisch karakter der kerk handhaaft, omdat liet het electie-besluit niet losmaakt van het scheppiugs-besluit (creandi et labiies), terwijl het Infra-lapsarianisme noodwendig moet vervallen tot een aggregatorische opvatting der kerk, omdat op dit standpunt het besluit' der verkiezing buiten verband staat met liet besluit der schepping (creati et lapsi).
Een geliefde tekst, dien de Infra-lapsarii meenen te kunnen bezigen voor de verdediging hunner voorstelling is deze: „Is deze niet een vuurbrand uit liet vuur gerukt?quot; (Zach. 3 : 2). Maar niet het geheele beeld, alleen het tertium comparationis mag hier worden overgebracht.
In liet Supra-lapsarianisme ligt dus niet alleen de handhaving van Gods raadslag, maar ook van de organische opvatting der kerk, en tevens juist
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
W;it is dan het hooge belang van het Supva-lapsarianisme ?
De Infra-lapsarii loeren, dat God de menschen heeft geschapen mot do intentie, dat zij goed zouden zijn, maar Hij voorzag, dat ze in de zonde zouden vallen, en uit die gevallenen verkoos Hij zich eenigen uit. Hun leer is niet, (letten wo hierop wel!) dat God eerst verkoos na den zondeval; noen, zij gelooven evengoed aan een eeuwig raadsbesluit als de Supra-lapsarii.
Maar tegen dit standpunt hebben we nu één groot bezwaar, n.1. dat geredeneerd wordt uit de voorwetenschap Gods. Het was juist het standpunt der Armi-nianen, dat de electie plaats had praevisa fide, en hiervan wilde natuurlijk geen enkele gereformeerde weten. Doch, dan ligt de vraag voor de hand: waarom mag ik niet rekenen met de praevisa fides, en wel (zooals de Infra-lapsarii doen) met het praevisum peccatum? Bij het antwoord op die vraag stonden ze geslagen tegenover de Arminianon. Wol kan ik zeggen: God heeft niet met zijn voorwetenschap gerekend, maar beweer ik, dat God wèl met zijn voorwetenschap rekende ten opzichte van het peccatum, eilievo! waarom mag dan niet evengoed aangenomen, dat Hij met zijn voorwetenschap rekende, ten opzichte van de fides?
Doch, — waarom mag in het raadsbesluit Gods nooit worden gerekend met de voorwetenschap? Wat wil dat zeggen: met de voorwetenschap rekenen? Is het dan God, die bepaalt, of het creatuur? Natuurlijk gaat dan de bepaling uit van het creatuur. Dan bestaat er geen raadslag Gods, maar een notarieele acte van hetgeen de mensch bepaald heeft. Dan is God geen God meer, maar de geheele orde omgekeerd.
De zaak staat dus zóó, dat du Infra-lapsarii terecht het ethisch moment van do verantwoordelijkheid verdedigen, terwijl do Supra-lapsarii verdedigen, dat do mensch van God afliankelijk is. De eersten verdedigen hot anthropolo-gisch, de tweeden het theologisch moment. Daar nu èn het ethische en het theologische moment beide moeten worden vastgehouden, en beide voor ons nooit logisch te veroenigen zijn, moeten beide lijnen gelden, de theologische, waar we spreken over don raadslag Gods, zijn eer, zijn wil; — hot ethische, als we handelen over zonde, schuld, verantwoordelijkheid. Indien wc dit niet doen, worden we of Arminianon öf Antinomianen. Gereformeerd is, beide momenten onwrikbaar vast te houden.
Nu zullen we terugkeeren tot het onderwerp, dat ons bezig houdt: en wel tot do vraag, hoe nu deze zaak met do kerk samenhangt. Kort uitgedrukt kunnen we zeggen, dat hot Infra-lapsarianismo er toe leidt om do kerk te beschouwen als een aggregaat, terwijl liet Snpra-lapsarianisme ons brengt tot de organische tieschouwing der kerk.
In de Gereformeerde kerken is de aggregatorische beschouwing overhoer-
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
schend geworden, en dit hing juist hiermede samen, dat het meerendeel onzer theologen Infra-lapsarii was. Had het Supra-lapsarisch standpunt meer op den voorgrond gestaan, dan ware ook de organische opvatting der kerk meer tot haar recht gekomen.
Wat is een organisme? Een organisme is een creatuur, dat orgaan is voor een daarachter schuilende kracht, die tot openbaring moet komen, 't Woord „natuurquot; drukt die kracht uit in het organisme van planten- en dierenrijk, d. i. een actieve kracht, die in een boom of plant werkzaam is: „yvaig.quot;
Neem ik nu een mechanisme. Al neem ik een houten paal, die nog zoo zwaar is, — er zit geen kracht achter. Een boom daarentegen heeft een wortel en in dien wortel een drijvende kracht, die in dien boom werkt.
Is de kerk zulk een organisme, dan moet ook zij een creatuur zijn, waarin een daarachter schuilende kracht zich levenwekkend openbaart. Die levenwekkende kracht nu is de Heilige Geest. De kerk genomen als aggregaat evenwel, is de bijeenvoeging van losse atomen. Maar de kerk moet zijn een wijnstok met wortelen. Bij een aggregaat toch missen we allen wortel. Dat. do kerk nu een wortel heeft, vloeit voort uit het Supra-lapsarisch standpunt, terwijl uit het Infra-Lapsarianisme volgt, dat zij geen wortel kon hebben.
Stel ik mij een oogenblik op Infra-lapsarisch standpunt, dan ligt daar vóór mij de massa perditionis. Hieruit worden a en b en c uitgelicht, terwijl d, e en/quot; in hun verloren toestand blijven liggen. Nu kan ik a, h en c wel daarna met een band der liefde bijeenbinden, maar ze hebben geen wortel. Stel ik mij daarentegen op Supra-lapsarisch standpunt, dan ligt daar vóór mij het organisme van de menschhoid, en na den val dat organisme door een innerlijken kanker verdorven. Maar nu is het genadewerk niet, dat uit dat organisme enkelen worden uitgelicht, maar dat van den verkankerden boom de nict-verkoren takken worden afgesneden on hot gave hout nu op zijn ouden wortel voort-groeit. Kort uitgedrukt kunnen we dus zeggen, dat het Supra-lapsarianisme-het organisch karakter der kerk handhaaft, omdat liet hot electie-besluit niet losmaakt van het scheppings-besluit (creandi et labiles), terwijl het Infra-lapsarianisme noodwendig moet vervallen tot een aggregatorische opvatting der kerk, omdat op dit standpunt het besluit' der verkiezing buiten verband staat met het besluit der schepping (creati et lapsi).
Een geliefde tekst, dien de Infra-lapsarii meenen te kunnen bezigen voor de verdediging hunner voorstelling is dozo: „Is deze niet oen vuurbrand uit het vuur gerukt?quot; (Zach. 3 : 2). Maar niet hot gchoele beeld, alleen het tertium comparationis mag hier worden overgebracht.
In het Supra-lapsarianisme ligt dus niet alleen de handhaving van Gods raadslag, maar ook van do organische opvatting der kerk, en tevens juist
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hierom biedt het waarborg tegen alle spiritualisme, methodisme,anabaptisme enz. Dat al deze ketterijen op onzen vaderlandschen bodem zoo welig opgroeiden, is vrucht van het Infra-lapsarianisme, dat bijna algemeen werd aangehangen.
Of men dan onder de vromen toch ook niet iets vindt, dat wijst op de organische zijde der kerk? Jawel, maar geheel losgemaakt van het denkbeeld kerk, alleen met betrekking tot de unio mystica met Christus; alleen dus in mystieken zin. Overal neemt men waar, dat zij, die eenzijdig den nadruk leggen op de mystieke zijde van hét Lichaam van Christus, onverschillig zijn voor de kerk, in die mate zelfs, dat zij om den doop weinig geven en het avondmaal minachten. Tot zulke droeve gevolgen komt men, als er niet meer theologisch gedacht wordt. Daarom is het zoo noodig, -dat de Gereformeerden weêr tot zuiverder kennis dor waarheid worden opgeleid.
Hoe is nu het standpunt der Heilige Schrift in zake het Supra- en Infra-lapsarianisme? Zij doet de momenten, voor elk der standpunten aangenomen, tot hun recht komen. Voor elk zullen we één plaats citeeren.
Het eerste standpunt, van de Supra-lapsarii, is dat van don brief aan Efeze.
Ef. 1:4. De niet gelukkige vertaling heeft gemaakt, dat juist Arminianen en Etlhschen van deze plaats hebben misbruik gemaakt. Dat „opdatquot; finale staat hier volstrekt niet uitgedrukt; het wordt dan, alsof God van zijn zijde gaf de uitverkiezing, en wij van onze zijde het heilig zijn daaraan moesten toevoegen. Dat is volstrekt niet de bedoeling der woorden. De zin is, dat Hij het is, die ons £|e*t|«To, en dat Hij het is, die maken zou, dat wij zouden zijn heilig en onberispelijk voor Hem, hetgeen bewezen wordt door hetgeen onmiddellijk volgt: nqooQCaas fiuüg. Het onbesmet zijn is gevolg van de anolvtQaaLg, en deze is door God bewerkstelligd. Dit is dus het zuiver Supra-lapsischstandpunt.
Kom. 5 : 8 v.v. echter, wordt het geheele werk Gods gerekend van af liet punt, dat wij ccfiaQtcoloi zijn. Dit is dus het zuiver Infra-lapsarisch standpunt.
Aan deze beschouwing moeten we een andere observatie toevoegen.
Van die organische beschouwing kan men ook een afgodje maken. Dan wordt het eenig motief: een organische opvatting te hebben, en anders deugt niets. Dit afgodje is niets anders dan het Pantheïsme. De Pantheïst komt steeds aandragen mot zijn organisch proces, maar op het standpunt van Gods Woord moet dat organische begrip altijd dienstbaar zijn aan hot mainti-neeren van de eere Gods. Het organische is niet om het organische, maar om te vindiceeren de Majesteit Gods, do Theodicee tegenover de poging van Satan. Immers, ware dit niet zoo, dan was er toch nog wol een andere weg geweest, om een organische kerk te krijgen. God had dan alleen na den val Adam, Eva, Kaïn en Abel in de hel behoeven te werpen, en aanstonds een
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
nieuw menschelijk geslacht kunnen scheppen, dat vaststond in de perscve-rantia sanctorum. Ook had God uit liet gevallen menschdom, de losse, ver-korene elementen tot één organisme kunnen samenbinden. Doch, in beide deze gevallen, had Satan den triumf weggedragen, dat hij en niet God gelijk had, toen hij zeide, dat de schepping niet goed was. Weten we toch wel, dat in die woorden, dat God zeide, dal het zeer goed was de groote antithese ligt uitgedrukt tusschen de stelling, die God en die Satan inneemt. Do zonde komt dan ook altijd alleen hierop neêr, dat de mensch aan Satan gelijk geeft, en de eeuwige victorie, het amp;gicifi(l6vsir bestaat daarin, dat God het wint. Dit is het geheele beloop der Heilige Schrift, dat alles gericht wordt op het ééne einde: dat God gerechtvaardigd wordt. Daarom zal in de uitkomst moeten blijken, dat datzelfde organisme, hetwelk God schiep, behouden wordt.
Uit dit gezichtspunt, dat God hetzelfde organisme, dat Hij schiep, behoudt, vloeien de volgende consequenties voort:
1° Volgens de goddelijke ordinantiën komt een groot deel der personen, in wie God de Heere het werk der wedergeboorte tot stand brengt, niet clan door een langzaam proces tot ontwikkeling. (Wat dit: „een groot deelquot; wil zeggen, laten we een oogenblik loopen.)
Op zichzelf genomen, kon do wedergeboorte in eens finaal, en de zondaar op één oogenblik een heilig wezen zijn. Maar de wedergeboorte is niet een opeens voldongen feit, maar zij doorloopt een vorm van proces.
Wij zien a. een kiem van wedergeboorte ;
l). een nog niet uitbotten van dien kiem ;
c. een uitbotten van dien kiem ;
d. een doorgaan van dat uitbotten, soms GO, 70 jaar;
e. een voltooiing bij den dood ;
Op die voltooiing bi] den dood moet vooral worden gelet. Op de genade, die God in het sterven verleent, wordt maar al te weinig nadruk gelegd. Onze Catechismus noemt in vraag 42 de dood „alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.quot; Dit wordt in den regel voor geen tiende part van zijn verreikende strekking verstaan. Hetzelfde drukt de Catechismus uit, wanneer zij zegt, dat in dit leven slechts een klein beginsel der gehoorzaamheid gevonden wordt. De groote greep in de wedergeboorte heeft plaats in het moment van den dood. Dan slaat de Heilige Geest zijn grooten slag.
Wanneer nu God machtig is, om in het sterven de heiligmaking, die in het geheele leven van den mensch nog slechts tot een klein beginsel gebracht werd, op eens door een daad van genade te volmaken, dan begrijpen we aanstonds, dat het proces, hetwelk de wedergeborene doorloopt in dit leven, geen noodzakelijkheid is voor God. Hij had het ook in eens kunnen tot stand brengen.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Maar, nu is dit proces bij de wedergeboorte er juist ter 'wille van het organische karakter der kerk. Zal dit organische karakter blijven bestaan, dan moet er samenhang blijven tussehen die kerk en hot menschelijk geslacht. In den enkelen mensch treedt dan het menschelijk geslacht op als de ([■vamp;Qconce, en de kerk als de xmvos amp;v9Qtanoe. Zoolang de wedergeborene hier rondwandelt, moet hij hot verband met don xoVftos blijven gevoelen, en dit ware verloren, indien hij een heilige was, Terwillo van dat verband moest de wedergeboorte dus een proces hebben.
Tevens wordt nu een licht geworpen over de verwarring, die bij het begrip „wedergeboortequot; insloop, n.l. of zij was op te vatten als de levenskiem dan wel als doorgaande wedergeboorte. Welnu, men mag niet alleen spreken van de wedergeboorte sensu potentiali; niet alleen van de korrel, die in de aarde wordt gelegd. Neen, het heele proces, de dood daarbij niet uitgesloten, is alles die ééne wedergeboorte, waarbij men onderscheiden moet tussehen de inplanting van de levenskiem, rechtvaardigmaking, heiligmaking en dood.
Ten slotte begrijpen we nu ook, waarom het Perfectionisme zoo heftig is bestreden door de Cfereformeerde kerk. 't Kwam op met de stelling, dat Gods kind een heilige is. Volkomen waar! Maar bij hen leidde dit tot dwaling, omdat zij geen organische, maar een atomistische opvatting hebben van de kerk. (Denk aan de Anabaptisten en Kwakers!) Bij hen, met hun aggrega-torlsche beschouwing der kerk, moest men wel het perfectionisme vinden, omdat voor hun de ratio wegviel voor een proces in de wedergeboorte; immers boven toonden wij aan, dat het organisch verband samenhangt met het procesmatige der wedergeboorte.
2° Hiertegenover staat, dat de Heilige Schrift en de confessie en alle dog-matieken scherp hebben leeren onderscheiden tussehen hetgeen potentia en actu in Gods kinderen bestaat.
Wanneer ik mij in de lente een tulpenbol aanschaf, dan kan ik niet zeggen, dat ik de tulp nog moet hebben, want potentia bezit ik haar reeds. Het actu uitkomen is niet iets, wat er bijkomt, maar wat er vanzelf uit voortkomt. Dit moeten we sterk vasthouden, omdat al het organische daarop berust, dat liet alles in zich draagt, wat het hebben moet, en daardoor staat het lijnrecht tegenover alle mechanisme. We vinden dus in de tweede plaats voor het organisme dezen eisch: dat het alles in kiem moet bezitten, wat er uit zal komen. Als we dan ook in de Heilige Schrift lezen, dat tot de geloovigen gezegd wordt; „Gij zljt heiligquot;, dan mag dat nooit verwaterd worden, door b. v. te beweren, dat dit zou beteekenen: „afgezonderdquot;, of; „op het heilige terrein gesteldquot;. Neen! In den persoon van den geloovige is volkomen heiligheid aanwezig, evenals bloem en blad en kleurenpracht volkomen aanwezig zijn in den
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
tulpenbol. Nooit mag in het genadewerk de zaak symbolisch worden opgevat, maar alleen realiter, anders is de geloovige geen kind van God, vandaar dat in de ééne Heilige Schrift 1 Joh, 3 tegenover Rom. 7 staat. In Rem, 7 hot organische proces; in 1 Joh. 3 de stellige uitspraak: nas ó ysyevvrmèvog êv. rov f)eov liaaQZLav ov noist (VS. 9). En waarom niet? quot;Ort TH ansQfia uvrov sv avrm
fifVei.quot; „SnfQiuequot;, d. i. de organische, reëele kiem, die alles in zich besluit.
3° Niet al Gods kinderen worden na de wedergeboorte onmiddellijk uit dit leven opgeroepen van de aarde naar den hemel. Velen moeten nog een tijdlang hier beneden vertoeven. Is dit dan voor henzelf noodig? „Jaquot;, op het standpunt van Rome en van het Arminianisme. „Neenquot;, op hot standpunt der Gereformeerden, want alles, wat tot onze zaligheid noodig is, werd geschonken in de rechtvaardigmaking door Christus' bloed. Denken wc ons een oogenblik in, dat inderdaad hier op aarde nog iets door ons voor onze zaligheid moest worden uitgewerkt, dan waren allo kleine kinderen, die vroeg wegsterven, hopeloos verloren; zij zouden niet in de gelegenheid zijn, dat werk voor hun behoudenis nog tot stand te brengen.
De worsteling in dit leven voor Gods kind, - dit sta op den voorgrond! — is dus voor de zaligheid niet noodig. Waartoe dient zij dan ? Eerst wanneer wij de ware reden kennen, waarom die worsteling onmisbaar is, zijn we met haar verzoend. Zij dient:
1° om ons Gode dankbaar te betoonen, opdat Hij door ons worde verheerlijkt; 2quot; opdat door onzen godzaligen wandel anderen mogen gewonnen worden. Hoe heerlijk stelt ons hier wederom de Catechismus het doel voor oogen, dat God zich heeft voorgesteld met den strijd van zijn volk. Een nieuw licht wordt er op geworpen. Aanstonds toch ontdekken we hier weer het organisch verband, n.1. het werken van den een op don ander.
Een geheel andere consideratie is deze, dat, wanneer we spreken van het raon-schelijk geslacht als organisch geheel, we niet alleen kunnen denken aan personen, door familiebanden verbonden, maar ook aan het menschelijk leven. Hot organische leven leeft een gemeenschapsleven, zoowel sociaal als ethisch en intellect»cel: a. Sociaal: Door allerlei usantiën zijn de menschen aan elkaar verbonden, en ook in dat gemeenschappelijke sociale leven komt het organisme van demenschheid uit. Het is een macht ten goede of ten kwade. Dat sociale leven kwamvan God. Dat sociale leren bedierf Satan; het moet wedergeboren tvorden in huisgezin, maatschappijen staat.
h. Ethisch: Het ethische leven van den mensch komt eerst door de samenleving tot zijn recht. Daar is geen ethisch leven zonder sociale samenleving. Een kluizenaar b. v. kan niet stelen. Ook hierin komt het organisch karakter van de menschheid uit. Dat ethische leren kwam ran God. Dat ethische leren bedierf Satan. Het moet iredergehoren worden.
48
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
c. Intellectueel: Één mensch op zichzelf kan niet denken. Eerst door de samenleving ontstaat de taal, die het voertuig is voor de gedachte. De denkwereld is product der samenleving. Ook hierin komt dus het organische karakter van de menschheid uit; we verstaan elkaar, omdat we saam in één organisch verband staan. Lie denkwereld kwam van God. Dat intellectueele leven bedierf Satan. Het moet wedergeboren worden. Vandaar de christelijke wetenschap tegenover de ongeloovige. Onze Vrije Universiteit dankt haar bestaan aan dat organische karakter van de menschheid, hetwelk ook in het intellectueele leven uitkomt. Het geheele menschelijke leven, ook het intellectueele, moet voor Christus gewonnen worden.
Deze zelfde opvatting gaat door voor elk levensmilieu.
Nu vatten we, dat dit doel nimmer werd bereikt, indien alle menschen onmiddellijk bij de wedergeboorte wegstierven. Do avdyxri, waarom Gods kinderen nog op aarde moeten toeven, ligt dus hierin, dat het organisch leven van het menschelijk geslacht moet worden wedergeboren. Indien zij niet op aarde verloofden, zou er zich geen christelijk leven ontwikkelen, en al datgene, waarin het organische schuilt, zou aan Satan komen.
In de prediking moet deze taak, welke God voor zijn volk weglegde, op den voorgrond worden gesteld. De worsteling hier beneden is geen werk voor de zaligheid der zielen van Gods kinderen, maar een heilige- oeping van Godswege, om mede te arbeiden aan de verovering voor Christus van alle terreinen, waarop zich het organische van het menschelijke leven openbaart.
Ten slotte vloeit uit dat organische leven voort de stand der kerk op aarde. God groepeert zijn kerk in landen en natiën. Is ook hier avdyxri? Had God al zijn kinderen niet in een kring kunnen saambrengen, wonende in één land? We zien echter, da.t de bestelling Gods is, dat zijn kerk verspreid ligt, en de Heilige Schrift leert ons, dat eerst in de imrelsfa têv Mvmv die apart-zetting zal plaats hebben. Daarbij: God laat zijn kerk wandelen over de aarde. Eerst zien wij haar in Azië, daarna in Zuid-Europa, toen in Noord-Europa, nu aanschouwen we haar in Amerika. Dit nu kan alleen verklaard worden uit het organische karakter dor kerk. Stonden al de christenen op zichzelf, dan zouden ze do antithese missen on een hemelsch leven op aarde realiseeren. Op geen enkel gebied zou dan het organische tot verwezenlijking komen. Denken we er slechts aan, hoe eerst door den strijd met Sabellianen, Arianon, Remonstranten enz. de waarheid aan het licht kwam. Anders waren we nu nog in het onheldere en onzuivere der apostolische vaderen. Ook de stand der kerk op aarde is dus een uitvloeisel van dien eisch. Een andere is de levenskring in Azië, een andere in Europa, en al die kringen samen vormen het organische leven. Aangezien nu al die kringen moeten herboren worden, moet de kerke Gods wandelen over de aarde.
40
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hieruit volgt, dat alle Spiritualisme, Methodisme en Anabaptisme, dat den aard van het genadewerk miskent, moet worden tegengestaan. Elk dezer drie richtingen heeft haar eigen standpunt, maar alle miskennen zij het organisch karakter der kerk.
Het Spiritualisme zorgt alleen voor zichzelf.
Het Methodisme zorgt alleen voor de ziel van den naaste.
Het Anabaptisme wil wel een nieuw leven, maar separaat naast het leven der 'wereld; 't wil een nieuw organisme. Geen dezer drie richtingen draagt de eere Gods op het hart, die alleen gehandhaafd ivordt, ivanneer de oorspronkelijke schepping tot glorie komt.
In een andere observatie zullen we alsnu behandelen de tegenstelling tusscheu den tweeërlei weg, dien Grod voor zijn kinderen heeft besteld. Er is maar een Naam, door welken we moeten zalig icorden, maar er is tweeërlei weg. Daar is geen zaligheid buiten Christus, de bron van alle genade, en buiten de wedergeboorte als genadewerk in onze ziel gewrocht; maar daarna opent zich tweeërlei weg, die zich hierin teekent, dat God niet al zijn kinderen gebruikt voor het zoo even besproken doel. Misschien een even groot deel, dat God niet voor dit oogmerk gebruikt. Niemand kan dit echter uitmaken; maar xve weten alleen, dat in onze christelijke wereld de helft is iccggestorven vóór het komen tot bewustzijn. Nu zijn al die vroeg-wegstervenden bf verloren of niet; indien niet, dan werkt God in hen de wedergeboorte en blijkt het dus in dezulken, dat God het vertoeven op aarde niet noodig heeft om den mensch tot de zaligheid daarboven te brengen. Het is dus iets geheel anders, of tve het verblijf van Gods kinderen op deze aarde als onnoodig of als overbodig beschouwen. Noodig voor de zaligheid is het niet, maar het doel ligt in hetgeen ive hierboven uitvoerig hebben besproken; en daarom, overbodig is het evenmin.
Hierbij stuiten we echter op een eigenaardige moeielijkheid. De Heilige Schrift toch wijst ons bijna uitsluitend op dien éénen weg, op den weg, die is afgeteekend voor hen, die nog een tijd hier beneden verblijven. Over den tweeden weg wordt slechts hoogst zelden gesproken. En toch bestaat er een zeer groot verschil tusschen dien tweeërlei weg. Zij, die den eersten weg bewandelen, moeten zich bekeeren, gelooven, sacramenten gebruiken enz. Zij, voor ivie de tweede weg besteld is, ivor-den met een wedergeboorte in kiem opgenomen in het leven der heerlijkheid en terstond overgeplaatst in de visio. Om dit aanmerkelijk onderscheid aan één zaak duidelijk te doen zien: die eerste helft heeft alles aan Gods Woord; de tweede heeft aan het Woord van God niets.
Waarom wijst nu de Heilige Schrift, terwijl er twee zulke geheel uiteenloopende wegen zijn, slechts alleen op den eersten weg?
Het antwoord is eenvoudig: omdat de Heilige Schrift alleen voor de wandelaars op den eersten weg is gegeven. Die andere helft neemt God in zijn onmid-
4
60
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
dellijke verzorging; voor de eerste zorgt Hij door Zijn kerk. De kerk heeft alleen zorg te dragen voor de eerste 500/o, en daarom moest ook alleen die eerste weg voor de kerk worden geteekend.
Maar die tweede weg mag daarom niet worden voorbijgezien of ontkend. Over die tweede 50% mag geen verkeerd oordeel worden geveld, gelijk thans in Amerika algemeen de overtuiging heerscht, dat alle jong stervende kinderen zalig worden. Zelfs Hodge ontkomt aan deze dwaling niet. Alleen de jonge kinderen, die uitverkoren zijn, worden zalig.
In de prediking mag daarom die tweede weg niet worden geïgnoreerd. Brakel en Smijtegeldt zijn er schuldig aan, dat dit gebeurde. Die weg moet worden getoond, opdat de ouders weten, hoe over hun kinderen, die sterven, te oordeelen. Onze vaderen leerden dan ook steeds èn den iveg per visionem èn den weg per fidem, maar Brakel spreekt alleen over den éénen weg tot zaligheid door de prediking des woords. Vandaar de strijd tusschen Brakel en Comrie.
Deze beschouwing moet wéder helder in het licht worden gesteld, omdat daardoor het rechte inzicht wordt verkregen in den heiligen doop, de christelijke opvoeding en de missie onder heidenen en Joden.
Op de scholen moeten de kinderen beschouwd worden als wedergeborenen. Indien men dit niet doet, dan moet men ze aanzien als dood en dan wordt het toch dwaas om hen te vertellen van den weg der zaligheid. Zoo licht maakt men dit dan weêr goed door zich in te beelden, dat men toch zelf bij de levendma-king der kinderen nog wel iets uitricht. Zoo komt men geheel op een dwaalweg, want dan vermoordt men weêr het gansche oordeel over de zonde, alsof de mensch van nature niet is in een doodstaat, maar slechts in een slaap verkeert.
We zien, dat dit zaken zijn van het grootste gewicht.
Dat dit oordeel over do jonge kinderen zich grondt op de Heilige Schrift, blijkt uit het ons vermelde feit van Johannes den Dooper (Luk. 1 : 44), Verder zegt ons de Heilige Schrift, dat God uit den mond der zuigelingen zich lof bereid heeft, hetgeen niet zeggen wil, dat het schreeuwen van een kind Gode lof toebrengt, maar dat ook door hen, die als zuigelingen wegsterven, de lof des Heeren kan worden verbreid. Nog getuigt Gods Woord van Jere-mia den profeet: „Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligdquot; (Jer. 1 : 5). Bovenal grondt zich onze opvatting op de daad van den Heiligen Geest bij de ontvangenis van den Zaligmaker.
„Maar, dit waren buitengewone kinderen!quot; zegt men wellicht. Doch we beroepen ons alleen op de aangehaalde plaatsen om aan te toonen, dat de ziel des menschen reeds in den eersten tijd der jeugd, zelfs vóór het komen tot bewustzijn, een werking des Heiligen Geestes kan ondergaan.
t
61
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
In verband hiermede wijzen wc op: 1 Oor. 7 ; 14, en op ons Doop-formulier,
Op deze plaats wordt het kind mede in den heiligen kring opgenomen. (Dit gaat regelrecht in tegen de Methodisten, die in christen-kinderen hetzelfde zien als in heiden-kinderen.) Tevens ligt hierin de solidariteit van de schuld, gelijk ons die in Ex. 20 wordt geleerd, waar God gezegd wordt de misdaden der vaderen te bezoeken aan de kinderen. Er bestaat alzoo solidair verband tusschen het ethische leven van de ouders en van de kinderen. Voor het heele men-schelijk geslacht wordt die solidariteit geleerd in Rom. 5. Die connexiteit en solidariteit op het negatieve gebied der schuld bestaande, moot dus een forma van het ethische leven zijn en zich dus ook op het positieve gebied van het genadeleven openbaren.
Er is een zeer natuurlijke oorzaak, waardoor dit punt niet tot zijn recht kwam en deze oorzaak ligt in Adam. Immers, ware Adam als kind geschapen, dan was het aanstonds duidelijk geweest, dat ook in een kind de justitia kon aanwezig zijn. Bovendien heeft Adam in den staat der rechtheid geen kinderen gegenereerd, zoodat wij in den aanvang geen kind aanschouwen, dat de justitia originalis bezat. Het eerste kind wordt geboren in peccato. Zou dan Adam, als kind geschapen zijnde, de justitia originalis niet hebben gehad ? Maar de leeftijd deed er immers niets toe ? Of we Adam als kind denken, of een kind, uit Adam in den staat der rechtheid geboren, nooit kon dit een kind zijn, dat in zonden werd ontvangen en geboren. Hieruit blijkt genoegzaam, dat de voorstelling, alsof het genadeleven alleen aan de volwassenen hangt, geheel erroneus is. De leeftijd doet er niets toe.
Buiten de Heilige Schrift brengt de psychologie ons tot hetzelfde resultaat. Deze wetenschap stond evenzeer voor de vraag, of op lateren leeftijd bij de personen zekere gegevens bijkwamen, dan wel of die alle reeds aanwezig zijn. Wordt b. v. het spraakvermogen of het denkvermogen op zekeren leeftijd nieuw aan den persoon toegevoegd? Laat ons terug gaan tot het verstand en den wil. Komen die van buiten af, of zijn zij inhaerent? Zijn ze essentieel of accidenteel?
De psychologie heeft steeds bij al haar onderzoekingen gevonden, dat al die vermogens in de ziel schuilen.
Dit werd bewezen door twee middelen, die men aanwendde:
1° al de pogingen, om die vermogens kunstmatig in den mensch te brengen, mislukten;
2° alle talenten kwamen uit, ook al ontbrak oefening. Denken we slechts aan den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Er waren geen generaals, maar toen de nood drong, bleek, dat in die natie de uitnemendste veldheeren scholen.
Daar, waar nu èn do zonde èn het genadewerk principieel bestaan in
52
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
omzetting van verstand en wil, en deze twee reeds schuilend in het kind aanwezig zijn, ligt de mogelijkheid voor de hand, dat èn schuld èn genade reeds in een klein kind aanwezig kunnen zijn.
Hierbij moeten we wel in het oog houden, dat hetgeen wij de ontwikkeling noemen van ons verstand en onzen wil, geen absolute maar relatieve realiteit is. Wc bedoelen dit: al wat we hier gedaan hebben voor onze ontwikkeling, is een vorm, die alleen waardij heeft voor den kring, waarin wij verkeeren. Wat hebben we b. v. aan onze kennis van de Grieksche taal in China? Nog sterker komt dit uit, indien wij vergelijken den toestand op de aarde en in den hemel. Al onze ontwikkeling gaat in de eeuwigheid te niet. Daar zal een nieuwe ontwikkeling ons geschonken worden. Dit onderwijst ons ook de Heiland, wanneer Hij spreekt van den struik, die afgehouwen wordt om straks nieuw op te bloeien.
In den dood wordt alles door de sikkel van den maaier weggesneden en in den hemel loopt het jonge hout weer uit in een vorm, passend bij die realiteit. Hieruit blijkt, dat de realiteit van ons bestaan niet ligt in den vorm van ons vermogen, maar in den wortel van ons vermogen.
We komen dus tot de conclusie, dat we geplaatst staan voor een dilemma, n.1. dat de de ontwikkeling noodzakelijk is tot zaligheid of niet. Indien
ze wèl noodzakelijk is, dan kan een jong kind niet zalig worden. Is daarentegen onze overtuiging, dat er voor een jong kind wel zaligheid mogelijk is, dan is do civ^aig met het oog op deze zaligheid niet noodzakelijk. Dan moet de av^qaig een ander doel hebben, en dit ligt dan alleen in de Theodicee.
Ef, 3 : 10. Hier is sprake van de ouovofica tov uvazrjoi'ov als een heilgeheim, dat in den bealuitenden God verborgen was. Nu komt God hierbij niet voor als die God, die ra ncivra maar er staat: tv tü f)eagt; rw za navta xtiauvzi.
Naar de schepping wordt dus teruggewezen en er wordt gezegd, dat God na zijn besluit zijn werk uitbracht, opdat de aoyia tov Qsov zou openbaar worden. Van die cocptK wordt gezegd, dat zij rcolvnohdog is, d. i. zij draagt meer dan één kleur. Er is n.1. in Gods raadsbesluit een kleur voor een ontwikkeling zonder zonde en een kleur voor een ontwikkeling met zonde, maar dan van eeuwige glorie, waarin de zonde overwonnen is. Al komt de zonde, toch is er geen teleurstelling in Gods raad. Deze nnXvmnnilog aixfia kan daarom niet door de schepping geopenbaard worden; want deze vertegenwoordigt maar één kleur; maar de TtoXvTtoiHLlog Gnrpfa schittert juist in het genadewerk, in de ecclesia. Daaiom heeft de kerk de roeping die coqpia te yvcogftdv. Aan wie? Aan de vijandig tegenover God staande macht. Die macht kwam uit de engelenwereld, aan wie het inzicht in die aoyiu ontbrak, immers die aoqjïa kon eerst in de kerk openbaar worden; daarom is het de kerk, die haar moet yrmptfetj'. De kerk op aarde vindt dus niet
53
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
haar roeping in de redding van menschen; — deze kon ook tot stand komen zonder de kerk; — maar in de verkondiging aan de en iamp;vaiui, dat God dooide zonde niet in zijn werk is gestoord, maar toch triumfeert. Dat dit niet door God is uitgedacht, toen liet uurwerk eenmaal stuk was, maar de doorvoering is van één enkele Godsgedachte, blijkt uit hetgeen aanstonds volgt in vs. 11:
Kara noóftseiv zwv ctldvtov,
1 Petr. 1 : 12. Hier wordt van dit genadewerk gezegd, dat de engelen er geen inzicht in hebben, en dit was de oorzaak van hun afval. Voor de goede engelen, die staande bleven, blijft het een raadsel en zij verlangen er achter te komen.
Col. 2 : 15. Hier lezen we, dat Christus het x^Q''gt;y9quot;lt;rquot;', dat tegen ons was,
aan het kruis heeft genageld, airetidvaafiting tag ......avrovi
iv ctivm. ©Qiafipsva) -- triumfare de aliquo, d. i. den juichtoon na de overwinning aanheffen, victorie roepen. Het werk van Christus wordt dan ook eerst recht begrepen, als we den strijd nagaan, na den val der engelen, van Christus met Satan.
Ef. 6 ; 12. vs. 10: ivSvraiiovaamp;s êv Kchqi'co, Die (ivvctfiig is in Christus — ngaróg, is de uitwerking van de kracht, — iaxvg is het innerlijk vermogen. Die kracht moet in Gods kinderen zijn om te strijden, en dat deze strijd tegen Satan gaat, volgt uit vs. 12. Hier komt dus weêr duidelijk uit, dat de kerk geroepen is om de nolvnoUiXog eoyia te toonen.
Ef. 1 : 21, 23. Hier wordt de kerk uitdrukkelijk genoemd en voorgesteld, als daarin haar bestaansreden vindende, dat ze is het van Christus. Wat
is een nXfawiia? Indien ik een fontein heb, dan komt haar heerlijkheid niet uit in een glas, waarin ik water opvang, maar haar volle heerlijkheid schittert door weerkaatsing in spiegels. Zóó ook bi] Christus. quot;Wel kan Hij zijn macht in zich verborgen houden, maar zij moet worden getoond aan Satan; wat in Hem is, moet naar buiten treden; en dat nu, waarin Christus'
heerlijkheid wordt opgevangen en getoond, is de kerk.
Het resultaat waartoe het behandelde ons gebracht heeft is alzoo, dat de kerk kan beschouwd worden:
öf als uitvloeisel der verkiezing;
of als saamvergadering op aarde.
Hierdoor komen we tot de vierderlei onderscheiding der kerk in:
le Ecclesia glorians (zooals ze zal zijn na het oordeel.)
2» „ triumfans (zooals ze nu reeds in den hemel triumfeert.)
3° „ militans (zooals ze op aarde strijdt.)
4o „ latens (zooals ze nog schuilt in lumbis.)
Deze onderscheiding is gemakkelijk. Moeielijker is de quaestie van de ecclesia visibilis en invisibilis.
54
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Het karakter der kerk op aarde wordt meestal uitgedrukt door den naam: ecclesia militans. Deze naam sluit zich het meest aan bij hetgeen we hierboven gezegd hebben over den strijd, dien de kerk heeft te voeren tegen Satan. Al komt de uitdrukking zelve in de Heilige Schrift niet voor, zoo wordt toch het denkbeeld van „strijdende kerkquot; allerwege in haar aangetroffen.
1 Petr. 5 : 8. De apostel wekt op tot waakzaamheid, omdat die strijd niet ongemerkt toegaat, want de léiov sluipt rond op de aarde.
2 Tim. 3 : 13, waar degenen, die nog leven op aarde als slachtofï'ers worden voorgesteld van de novriQoi.
Joh. 15 : 18. Uit het feit, dat de KÓdfios Jezus' discipelen haat en Hem eerst gehaat heeft, blijkt, dat dit element van worsteling ook ingedrongen is in het organische leven van het menschelijk geslacht.
Joh. Hi : 13. êv rü nóofim iïlCipiv êgfTE. Hier zien we wederom, dat Satan dat organische leven van den xóofiog gebruikt tegen de kerk. 'JUa d-agaene, èylt;ö vevUrjua tov HÓafiov.quot; Christus heeft dat organische leven dus centraal voor zich gewonnen. Zijn volgelingen weten dit, daarom kunnen ze goeden moed hebben; maar in de peripherie heerscht nog de Christus vijandige macht.
1 Petr. 2 : 11. Uit deze plaats blijkt, dat die tegenstrijdige macht van Satan ook in de personen van Gods kinderen zelf leeft, n.1. in de caennto;! imftvtiiai, die den krijg voeren tegen het nieuwe leven, dat bij de wedergeboorte in de ziel is ingeplant. Daarom wordt hun geheele loven voorgesteld als een leven van strijd. De voornaamste plaats hiervoor is Ef. 6 : 12 — 18, waar ons een geheel gewapend krijgsman geteekend wordt. Een parodie hiervan is het heilsleger. Het voelde zeer wèl, dat de kerk een strijd heeft, maar het parodieerde dien strijd door bij zijn optreden aardsche legers na te bootsen. Juist omdat het beeld ontleend wordt aan een aardsch leger, kan de realiteit van dat beeld niet worden overgebracht op het afgebeelde (hier: de kerk).
Hebr. 12 : 4. In vs. 2 wordt Jezus de dQxnvquot;s genoemd, waar sprake is van rtir nQoneifjifvov rjfiiv dyêva, en in vs. 4 wordt weêr het leven van den christen voorgesteld als een strijd, waarin een persoonlijke vijand tegenover hem staat, die ten bloede toe moet worden tegengestaan.
In 1 Tim. 6 : 12 en 1 Tim. 1 : 18 wordt die strijd een xaAos dydv en een ■nuXrj BTQareLu genoemd, en wel omdat in den mensch van nature een strijdlust zit en eerst het doel van den strijd dien strijd ndóg maken kan.
Eigenaardig is het, dat wij juist in de apostolische brieven gedurig van dien strijd hooren gewagen. Telkens wordt die strijdlust aangewakkerd, vooral omdat een der sluwste listen van Satan is, dat hij de schoonklinkende woorden influistert: „weest toch lief en zacht, ontneem aan de kerk haar polemisch
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
karakter en geef' haar het irenische.quot; Dit irenische karakter is evenwel in de brieven nergens aan te toonen.
Col. 4 : 12; Fil. 1 : 27; Rom. 15 : 30; 2 Cor. 10 : 3, 4; Luk, 13 : 24 enz.
Ecclesia Visibilis et Invisibilis.
Deze quaestie is veel moeielijker, vooral door den velerlei zin, waarin van ecclesia visibilis en invisibilis sprake is.
Laat ons daarom een historische toelichting doen voorafgaan.
Vóór Luther is bij de behandeling van den Locus de Ecclesia in de Dogmatiek nergens sprake van deze onderscheiding tusschen ecclesia visibilis en invisibilis. Deze quaestie kon niet aan de orde komen, omdat de verbastering der kerk juist daarin haar oorsprong had, dat men het onderscheid tusschen die beide of niet zag, öf terugdrong. Immers de radix erroris van de Room-sche kerk ligt hierin, dat zij alle onmiddellijke en rechtstreeksche gemeenschap van God met zijn kinderen afsnijdt en alle gemeenschap alleen wil doen plaats vinden door het instrument van de kerk. Dit aannemende, moest de Roomsche kerk wel beweren, dat de uitwendige kerk de kerk was en al de epitheta, die in de Heilige Schrift aan de kerk worden toegekend, aan haar toekomen als zoodanig. Deze leer kwam op tijdens Cyprianus,
De uitwendige kerk werd dus opgevat als oen soort persoon, een levend wezen, een corpus mysticum, een goddelijk iets, waarin al de heilgoederen en schatten verborgen waren. Nu is het de vraag: waar vind ik die kerk? Het antwoord luidt: in de ecclesia representativa, d, i, de clerus, het orgaan van die kracht. Door de priesteren, als door een kanaal, vloeien de heilgoederen aan de leden toe.
Waar deze fictie nu de heele tendenz was in de Middeleeuwen, spreekt het vanzelf, dat van het onderscheid tusschen een zichtbare en onzichtbare kerk geen sprake kon zijn.
Maar evenzeer gevoelt men, dat, toen de Reformatie weêr de Heilige Schrift tot haar recht deed komen en uit die Heilige Schrift een rechtstreeksche gemeenschap van God met de ziel predikte, van het eerste oogenblik af aan gevoeld werd: de kerk, die wij waarnemen, is niet het omna tov Xqiozov. Duidelijk moest nu het onderscheid aan het licht treden tusschen de kerk als corpus Christi en zooals zij zich vertoont op aarde.
Deze onderscheiding deed zich het eerst kennen in den strijd tusschen Luther en Erasmus, Erasmus vroeg: indien de kerk niet is in den clerus, waar was dan de kerk in de Middeleeuwen? Luther antwoordde: „Non earn esse ecclesiam, quae vulgo dicitur, sc, papam et episcopos, sed quosdam pios quos quasi reliquias Deus conservaverat,quot;
56
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Nu liep echter de zaak in de war. Hoe kwam dat?
Wij kunnen spreken van de invisibiliteit der kerk in verschillenden zin. Daar is n.1.
I6 een invisibilitas essentialis.
2e „ „ formalis.
3e „ „ relativa.
4° „ „ accidentalis.
Deze 4 betee^enissen moeten tot haar recht komen en door den theoloog wèl worden verstaan.
De invisibilitas essentialis is die invisibilitas, die tot het wezen der kerk behoort en dus altijd absoluut daar is, waar de kerk is. Zi) bestaat in het character spiritualis van de kerk.
De invisibilitas formalis is geheel iets anders. Als de kerk verstoord wordt, als de ambtsdragers worden gedood, dan kan die kerk als kerk niet optreden en handelen, want daarvoor moeten de leden saamvergaderen, of de ambtsdragers representeeren. De kerk is er dus in zulk een geval wel, maar als totum kan zij niet uitkomen, noch haar forma openbaren.
De invisibilitas relativa. Deze ontstaat door allerlei oorzaken. Wij kunnen b. v. aan iemand niet zien, of hij wedergeboren is; dus do kerk kan ik in hem niet zien. Of ook, de kerk kan invisibilis zijn door de relatio temporis, b. v. van de kerk, zooals ze was tijdens Augustinus, is op dit oogenblik niets te zien. Ook is in dien zin de ecclesia latens et triumfans invisibilis. De invisibilitas relativa hangt dus af van de relaties, waarin ik tot die kerk treed.
De invisibilitas accidentalis. Deze invisibilitas veronderstelt, dat de kerk er wel uitwendig is, maar dat een macht van buiten ons verhindert met haar ons in rapport te stellen.
Nu sta dit op den voorgrond, dat in het dogma als zoodanig de laatste drie begrippen van invisibilitas niet thuis hooren. In het dogma van de ecclesia visibilis et invisibilis komt alleen ter sprake de essentieele invisibiliteit. Nu wordt die essentieele invisibiliteit heel dikwijls verward met een der drie andere wijzen van invisibiliteit. Luther's antwoord aan Erasmus was dan ook verkeerd, want daarin sprak hij alleen van de formeele en deels van de acci-denteele invisibiliteit. Metterdaad is dus dit dogma valsch opgekomen. Veel beter ware het geweest, indien men alleen om de invisibilitas essentialis ann te duiden, gesproken had van „ecclesia invisibilisquot;, en een anderen naam gekozen had, om do drie andere begrippen van invisibiliteit uit te drukken, b. v. „ecclesia latensquot;, bedoelende de kerk in zulk een toestand, dat zij door een bijkomende oorzaak niet gezien kan worden. De drie laatste begrippen van invisibiliteit dragen dan ook geen dogmatisch, maar een historisch karakter.
T
*
T
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Invisibilüas essentialis.
In de eerste plaats vloeit deze invisibilitas voort uit de ratio hominis, uit den ■v aard van den mensch. De kerk is geen kerk van engelen of andere creaturen,
maar uitsluitend van menschen en daarom bepaalt de aard van den mensch ook den aard van de kerk.
De mensch nu is dichotomisch geschapen: psychisch en somatisch en wel met dien verstande, dat de essentie van den mensch in zijn ipvxn en niet in zijn gelegen is. Ook wanneer de yvxr't gescheiden is van het aêfia, blijft de mensch mensch, en de essentie ligt dan in de ziel, die opvaart in de eeuwigheid, niet in het lichaam, dat in het graf wordt nedergelaten. De a/éaig is alzoo het essentieele van den mensch, terwijl het aüfia voer
tuig is van de Aangezien het nu met de ratio ecclesiae evenzoo gelegen is als met de ratio hominis, volgt hieruit dat ook de kerk moet bezitten een axiBig tpyxmi en een exèing omfiKTiM/j, en wederom met dien verstande, dat de (T^ms ipvxiHrj de essentieele is, terwijl de axiaig amnatinri alleen dienst moest doen als voertuig, waardoor de kerk zich kan uiten.
Intusschen, nu is men bij de kerk gewoon niet te spreken van de o^sois ■tyvxiHrj, maar van de ojjfois nvsv^azmri, omdat de tyvxr] van den mensch niet tot de kerk behoort, eer zij het nvevfia quot;Ayiov ontvangen heeft. Inderdaad maakt dit echter geen verschil.
Bij deze opvatting loopen wij geen gevaar de ecclesia visibilis aan te zien voor een tweede kerk naast de ecclesia invisibilis, evenmin als de onderscheiding tusschen ziel en lichaam bij den mensch ons brengt tot het aannemen van twee menschen. We gevoelen tevens, dat wanneer we een mensch doorhem op te sluiten ook somatisch onzichtbaar maken, deze onzichtbaarheid niets te maken heeft met de invisibilitas essentialis.
In de tweede plaats vloeit dit dubbele karakter der kerk voort uit de verhouding van God tegenover den waaog. Overal waar men het Pantheïsme te keer gaat, treden geest en stof. Schepper en creatuur tegenover elkander. Zoo wordt de transcendentio Dei tegenover het Pantheïsme gehandhaafd, d. i. quod Deus. transcendit creaturam. God nu is nvsifia en draagt als zoodanig het karakter van nogaróv, en het creatuur, in die tegenstelling, genomen, is ogaróv. Daar nu de kerk is de quot;UNO 'TIN, de ontmoeting van God met zijn schepsel (we zeggen niet volk, omdat het volk daar komt als represen-teerende den heelen ttdopos), moet God in zijn volk woning maken en die inwoning Gods is de eigenlijke forma constituens van de kerk. Daar nu deze inwoning plaats heeft in het onzichtbare deel des menschen, zoo volgt hieruit, dat de essentie der kerk invisibel van aard moet zijn.
In de derde plaats volgt de invisibilitas ecclesiae uit het invisibele en geeste-
57
58
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
lijke karakter van alle werkingen, waaruit de kerk geboren en in stand gehouden wordt, t. w.: electie, regeneratie, fides, sanctiflcatio. Al die werkingen toch zijn geestelijk, «op«TK. Deze invisibele werkingen kunnen geen andere dan een invisibel resultaat hebben.
In overeenstemming hiermede spreekt de Heilige Schrift zich in dien zin uit, dat het essentieele niet bestaat in hetgeen voor oogen is, maar in het verborgene.
Rom. 2 : 28. De kerk ontstaat door de wedergeboorte, welke Paulus hier noemt de Jtsptrofi?} naoSi'ag èv nvsvfiazi, en nu staat hier, dat de echte geloovige niet èv cpaveqo) san, maai' sv kqvtcto).
Rom. 9 : 26. Hier vinden we dezelfde gedachte uitgesproken.
Gal. 6 ; 16, Fil. 3 : 3. Hier stelt de apostel weer de oaeè tegenover het nvevfiu, het invisibele, en zegt nu, dat de essentie niet in de (rap?, maar in het nvsv/ia is gelegen.
1 Petr. 3 ; 4. Petrus vermaant de kerken, dat hun splendor niet moet bestaan in het in vs. 3 genoemde, maar in den «puwros t^s ai'fl-projros en wel in datgene, wat het eeuwig goed representeert: iv rü tov ngccèog kcA r/dvxCov nvevfiarog, o èanv Ivomiov rov f)sov noXvrsXée.
Openb. 2 : 17. Hier wordt in de voleinding het karakter van den geloovige hierin gezocht, dat in zijn hart oen keursteen gevormd wordt, waarop door Christus een xquot;(J'lt;y-Tn(gt; wordt ingedrukt, een llvofut v.aivóv, die onzichtbaar is. In de tweede plaats wordt gezegd, dat de voeding niet bestaat in uitwendig voedsel, maar in het manna, dat verborgen is.
2 Tim. 2 : 19. Wat we hier lezen, dat de Heere weet, wie de zijnen zijn, mag alleen antithetisch worden opgevat. Hier op aarde weet niemand wie de zijnen zijn, dat weet alleen God zelf.
1 Petr. 2 : 5. De kerk wordt hier een geestelijk huis genoemd en dit beeld wordt genomen in tegenstelling met den ceremonieelen dienst onder Israël. In de wezenlijke kerk Gods is geen uitwendig offer, geen zichtbare tempel, maar alleen een geestelijk huis, dat iv nvevfiarL bestaat. De steenen, waaruit dit geestelijk huis zijn opgebouwd, zijn de geloovigen, die God behouden heeft in de besnijdenis des harten.
Hebr. 12 : 18 — 24. Hier vinden we de opzettelijke tegenstelling aangeduid tusschen de uitwendige en de inwendige kerk.
Ef. 2 : 21, 22. Hier vinden wij bijkans hetzelfde als in 1 Petr. 2, de kerk aangeduid als een KatoniriTriQi.ov tov Ssov iv nvcv^an.
Luk. 17 : 20, 21. 'H paadeia rov (9tov èvrtig vfimv èanv, 7,egt JezUS. Op deze plaats mogen we ons niet zoo maar beroepen. Hier is sprake van de fiaadeiu rov Ssov en dit is niet de kerk. De (iaadeia tov f)sov zal eerst in al haar vol-
59
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
lieid uitbreken, als Christus is wedergekomen. Deze woorden mag men dus niet absoluut opvatten. Ze beteekenen alleen: in deze bedeeling kan de paaUsfa rov 0eov nog niet komen met ; hier op aarde is zij nog êvtag ifidiv.
Maar de tijd zal eenmaal aanbreken, dat het koninkrijk Gods ook uitwendig komen zal. In zooverre mag in de aanhangige, quaestie ook deze plaats gelden, als ook de jSaadsia rov @sov, wat de essentie betreft, onzichtbaar is. Altoos zal de uitwendige glans slechts uitstraling blijven, maar de essentia blijft, dat God de Heere in de zielen regeert en in werkelijkheid is tó nav êv
naaiv.
Op Ps. 45 : 14 heeft men ook wel een beroep gedaan, doch hiervan willen we ons onthouden, omdat de woorden „des konings dochter is geheel verheerlijkt inwendigquot; hier symbolisch voorkomen. Waar nu bij een symbolisch stuk niet de verklaring uitdrukkelijk gevoegd wordt, mag men in de dogmatiek zich daarop niet beroepen. Daartoe zou eerst moeten vaststaan:
le of des konings dochter de kerk is.
2e of alle trekken van het beeld geestelijk mogen worden overgebracht.
Staat hiermede nu het onzichtbare karakter der kerk vast, dan moet dit karakter, omdat het essentieel is, ten allen tijde van het paradijs af, aan de kerk zijn eigen geweest en steeds bewaard blijven, ook bij de afgestorvenen. Wel is het mogelijk, dat de visibiliteit wegvalt, terwijl de kerk toch kerk blijft, maar nooit kan de invisibiliteit verloren gaan, want dan is er geen essentie, dus geen kerk meer.
Men kan wel kerken hebben met een oafia, maar waaruit na verloop van tijd 't geestelijk wezen wegviel, zoodat er geen enkele geloovige in overbleef. De uitwendige vorm kan nu nog gevonden worden, maar die visibiliteit op zichzelf ia niet voldoende om de kerk te poneeren. Het is een praalgraf, maar het xKToiMjjT^pioj' tov fgt;eov tv nvsvfian is er niet in aanwezig.
Ten slotte moeten we bij de bespreking van het essentieele der invisibilitas, nog hierop wijzen, dat de kerk object van geloof is. Daarom is zij opgenomen in de 12 geloofsartikelen. Op Roomsch standpunt zou dit niet gezegd behoeven te worden: daar ziet men de kerk. Juist omdat de kerk in haar essentie invisibilis is, is ze object van geloof.
De kerk doet zich dus van twee zijden voor:
1° invisibilis, zoo we uitgaan van de electie.
2° visibilis, „ „ „ „ den dienst des Woords.
Onze Catechismus van de kerk handelende in vr. 54, gaat uit van het visibele karakter. Doordat de Zone Gods zich een gemeente vergadert, wordt de uitwendige zijde van de kerk geboren. De achtergrond wordt echter ook genoemd, als gesproken wordt van de verkiezing.
60
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Art. 27 van onze Confessie bedoelt eveneens het uitwendig optreden der kerk.
In de tweede plaats merken we op, dat hot steeds de strekking van de kerk moet zijn, om in liet visibele op te treden. De visibilitas is niet essentieel, maar zij moet liggen in de strekking van de kerk. De mystiek loochent dit. Vandaar dat zij de sacramenten en de gemeenschap verachtte. Dit mystieke karakter nu druischt regelrecht in tegen do roeping der kerk. Uit de instelling van den dienst des Woords, do sacramenten, den dienst der barmhartigheid blijkt genoegzaam, dat de kerk van Godswege geroepen is in het zichtbare een openbaring te zoeken.
Ten andere ligt die strekking van do kerk in de natura hominis. De mensch toch is niet een atoom, maar deel van een geslacht. Dit organische in den samenhang van mensch en mensch eischt het optreden der kerk in het zichtbare, daar ze eerst dan dat sociale karakter vertoont.
In de derde plaats: De kerk heeft ook de roeping ontvangen om te getuigen tegenover den «oajioc, hetzij om dien KÓafiog tot geloof te brengen, hetzij om het oordeel, dat op hem rust, te verzwaren. Ook dit is alleen mogelijk, wanneer de kerk in het uitwendige optreedt.
Nog een enkel woord voegen we hieraan toe over de visibilitas en de invi-sibilitas in do verschillende stadiën der kerk.
De ecclesia Mens bedoelt al die nog ongeboren personen, die in de uitverkiezing liggen. Die ecclesia latens bestaat dus in de voorkennisse Gods, maar voor ons schuilt ze op aarde nog volkomen, en wel in lumbis van het tegenwoordige geslacht. Die ecclesia latens draagt dus haar essentieel invisi-bel karakter in de daad der uitverkiezing, maar tevens haar visibel karakter in die menschen, die eenmaal de vaders zullen blijken te zijn van de personen, die tot haar behooren.
In de uitgekomen kerk op aarde is altoos het tweeledig karakter aanwezig, zoowel van het zichtbare als van het onzichtbare. Daar is geen tijd, waarin God zijn uitverkorenen niet heeft, dus, er is geen tijd, waarop God zijn essen-tieele kerk niet heeft. Nooit ontbreekt alzoo in volkomen zin de visibiliteit. De kerk toch is niet eerst dan zichtbaar, als ze haar geheelen dienst en inrichting heeft, maar ze is reeds iets visibel, zoodra er slechts eenig verband bestaat van enkele geloovigen. Dit heeft dus met de quaestie van het Instituut nog niets te maken. Zijn er wedergeborenen, dan is er altijd iets van de kerk van Christus te merken; dus, zekere visibiliteit.
Die visibiliteit kan zijn:
1° geheel afwezig.
2° ten deele aanwezig.
3e volkomen aanwezig.
61
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
1° G-vhcel afwezig is ze alleen bij de ontslapenen. Do ecclesia triumfans mist alle visibiliteit; zij bestaat uit personen, alleen met psychische substantie, die dus alle instrument missen om zich zichtbaar te maken. In die psychische substantie hebben zo gemeenschap met Christus, maar ze kunnen zich niet naar buiten openbaren. Worden zo dan weer zichtbaar, wanneer ze bij de opstanding hun conui terug erlangen? Stricto sensu: neen, want met het intreden van het Regnum Glor'ae houdt de kerk op, omdat kerk de naam is van de vergadering der geloovigen in tegenstelling met den xóapog. Dus: voor do ecclesia trumfans is, vóórdat do gezaligden hereenigd worden met hun lichaam, alle visibiliteit absoluut onmogelijk en wanneer zij hun lichamen terug krijgen, vormen zij geen kerk meer, maar openbaron zich als de ^«o's mv Qeov.
2° Volkomen aanwezig. De visibiliteit is volkomen aanwezig, als de heele kerk van Christus op aarde als één samenhangende eenheid in de volheid van haar dienst zich kan openbaren. Op de eerste conciliën had de visibiliteit bijna een volkomen karakter.
Hierbij vestigen we de aandacht op den splendor ecclesiae.
De Roomsche kerk noemt onder de notae der kerk ook den splendor. Den Christus op Thabor noemt zij den Christus in splendore. Zij wijzen er op, hoe onder Israël de tempel in al zijn schoonheid stond en hoe ook in de Openbaring, in de beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem, een toeken wordt gegeven van den splendor, zij beweren, dat do Majesteit des Hoeren eischt, dat ook nu de kerk optrede in uitwendige glorie. Dit hangt samen met de dwaling van Rome, die de visibilitas met de invisibilitas vereenzelvigt.
Hiertegenover hebben onze Gereformeerden er steeds op aangedrongen om toch de geheele gedachte van den splendor ecclesiae te laten varen. Op aarde is de kerk serva, de dienstmaagd dos Hoeren in knechtsgestalte. Daarom nam de ricrcfonneerdo kerk alles weg, wat tot den uitwondigen glans behoort. Nooit echter bestreed do Reformatie om de kerk in het zichtbare te laten optreden. De confessie betuigt zelfs, dat niemand mag nalaten deze roeping te vervullen, ook al ware het, dat do plakkaten er tegen waren. Dit raakt de quaestie van de visibilitas tegenover liet mystieke systeem, dat in dagen van vervolging vooral voel vorloidelijks hoeft. Een stille christen in zijn binnenkamer staat aan geen vervolging bloot en beeldt zich heel gemakkelijk in, dat hij nog beter doet dan een ander, die ondanks het gevaar zijn roeping toch niet laat varen.
Het Verbond. De quaestie van het genadeverbond komt hier alleen ter sprake, voorzoover ze de visibiliteit der kerk raakt. Voel te weinig is het bij de bespreking der visibilitas in aanmerking genomen. Men zegt wel eens: kerk en genadeverbond is hetzelfde en onderscheidt dan op dezelfde wijze, als
62
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
men de kerk beschouwt in haar zichtbaar en haar onzichtbaar karakter, tusschen een uitwendig en een inwendig genadeverbond. Evenwel, deze voorstelling leidt geheel op een dwaalspoor.
De aard van een verbond en de essentie van een verbond brengt mede, dat het openbaar is. Waarom? Omdat een verbond altijd gesloten wordt tusschen twee, en uit de noodzakelijkheid dier twee partijen het openbaar karakter voortvloeit. Het genadeverbond op aarde kan dus alleen daarin werken, dat het op de door God bestelde bedingen aangeboden en door den mensch aangenomen wordt. Eerst daardoor ontstaat de verbondssluiting. Uit iemands wedergeboorte in het verborgen kan geen verbondssluiting volgen. Daar moet een daad Gods en een daad van den mensch zijn, waardoor hij de bedingen aanneemt.
Nu spreekt het vanzelf, dat een mensch die bedingen Gods niet te weten komt, indien de kerk niet in het zichtbare optreedt. Iemand kan wel op zich zelf staande in zijn bijbel van dat verbond lezen, maar niemand kan het hem aanbieden. Eerst in den dienst des Woords treedt iemand op met bevoegij-heid van Godswege om hem het verbond aan te bieden, krachtens het sleutelambt.
We zien dus, dat, waar bij de kerk het essentieele ligt in het invisibele, bij een verbond de essentie ligt in de uitwendige aanbieding en aanneming.
In de tweede plaats moet de tegenstelling tusschen de ecclesia en het verbond van een andere zijde worden gevat. Het verbond vertegenwoordigt het religieuse element. Door het verbond treedt elke ziel in persoonlijke relatie met God. Bestaat nu het wezen der religie daarin, dat er rechtstreeksche gemeenschap plaats heeft tusschen God en de ziel, dan ligt juist in het verbond dit religieuse karakter; vandaar dat bij de Roomschcn, die de kerk plaatsen tusschen God en de ziel, het verbond totaal weg is, en bij de Gereformeerden, die het geloof aan de rechtstreeksche gemeenschap tusschen God en de ziel herstelden, de verbondsleer op den voorgrond trad. Niet eerst Coccejus begon hiermede, maar reeds terstond na de Reformatie kwam de verbondsleer op, zooals genoegzaam blijkt uit ons Doop- en Avondmaal-formulier. Het verbond is juist het leggen van dien onmiddellijken, rechtstreekschen band tusschen God en de ziel.
Juist dit echter maakt, dat het verbond, wat de personen betreft, niet gelijk staat met het aüfia tov Xgiotnv. In het verbond zijn getreden allen, die de bedingen van het verbond aanvaard hebben. Van inwendige en uitweAdige bondelingen te spreken is dan ook eigenlijk ongerijmd. Waar nu echter tal van personen tot het verbond zijn toegetreden zonder uitverkoren te zijn, zoo volgt hier niet uit, dat daarom het verbond voor hen werkeloos is. Integendeel, op
63
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
dezulken oefent het een zeer sterke werking uit, n.1. tot verzwaring des oordeels. Immers, het beding sluit altoos in, dat hij, die niet door het verbond zalig wordt, door de toetreding zijn dood verergert. Dit is de zin van de-woorden, die Jezus in Matth. 11 tot Kapernaüm, Chorazin en Betsaïda sprak. Die betuiging van Christus, dat het Tyrus en Sidon in den dag des oordeels verdragelijker zal zijn, dan den inwoners dier steden, berust alleen hierop, dat Tyrus niet tot het verbond was toegetreden — Kapernaüm wel.
Men mag dus de leer van het verbond en de leer van de kerk niet verwarren. Het verband tusschen die beide ligt hierin, dat de kerk de opdracht heeft ontvangen om dat verbond aan te bieden, te bewaken en de verbonds-regelen te bedienen. Voor dat overige zijn het twee geheel afzonderlijke consideration:
de kerk is de vergadering der geloovigen.
het verbond is de rechtstreeksche betrekking tot God.
§ 3.
„De constitutio ecclesiae ligt in de decreten Gods in zooverre
1° het besluit der electie bepaalt en aanwijst, wat in het genus humanum de kern is, die de idee voor ons geslacht in absolute voltooiing van heiligheid en glorie zal realiseeren;
•2° in het besluit alle bepaling ligt voor de organische verbindingen der menschheid, gelijk die in de kerk moeten uitkomen;
36 in het besluit allo bepaling ligt van de genadewerkingen en genademiddelen, die uit het verdorven genus humanum de kerk moeten doen uitkomen, ze in stand houden en tot haar doeleinde leiden.
In dezen zin genomen, vormt zelfs de constitutio Mediatoris slechts een onderdeel van de constitutio ecclesiae. Geheel gefundeerd in de belijdenis van Vader, Zoon en Heilige Geest, is ook de kerk in God, eer ze door hel opus exeuns naar buiten treedt, maar ook als ze naar buiten treedt, moet de beschouwing der kerk altoos principieel van den Vader uitgaan, om Juist daardoor in de oorspronkelijke schepping van het genus humanum haar uitgangspunt te vinden.
Hieruit vloeit tevens voort, dat de kerk zoo oud is als ons men-schelijk geslacht en dat elke voorstelling moet afgesneden, alsof de kerk eerst met Johannes den Dooper of ook op den Pinksterdag gesticht ware. Geen oogenblik is de menschheid zonder kerk denkbaar, zoomin als de vrucht zonder kern of pit. Toch erlangde deze kern eerst het bepaalde karakter van kerk na den val door de genade aan Adam bewezen en op Abel en Seth overgebracht, en is dit speciale karakter der kerk transitoir, in zooverre het na den oordeelsdag in het Eegnum gloriae overgaat. Breidt men daarentegen den naam van „kerkquot; ook uit tot het Regnum gloriae, dan behoort ook reeds de pas geschapen mensch vóór den val in het paradijs er toe. Juister is het daarentegen de kerk als zoodanig eerst na den val te laten optreden, en na den oordeelsdag in het Xaog tov @sov te laten opgaan.
Deze kerk had aanvankelijk geen eigen forma, die van het gewone menschelijk leven onderscheiden was en toekende zich alleen af door groep tegen groep, de Séthieten tegenover de Kaïnieten. Zelfs nog in Melchizedek is de gestalte der kerk met die van het burgerleven één.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Eerst door dm zondvloed wordt dit anders, aangezien alleen de kerk in de ark gered wordt en geheel het overige menschdom ondergaat. Maar in deze geredde kerk staat naast Sem ook Chain en Jafeth, zoodat in het kerkelijk familieleven van Noach beide elementen vermengd zijn. Hierdoor nu zou het leven der kerk allengs verslikt zijn geworden, zoo hel niet ware gekomen tot separatie; die komt dan in Abraham, Izaak en Jakob en in heel het volk der Hebreen, welk volk ook wel een gemengd karakter droeg, maar zóó, dat de forma vitae in Israël geheel door de idee der kerk werd beheerscht. Toch is deze scheuring in het menschelyk geslacht (tusschen Israël en de heidenen) slechts tijdelijk en het groote fivatriQiov Gods blijft zjn goddelijk plan en voornemen om aan het gemis liumanum in zijn kern, Christus als Nieuw Hoofd, te schenken en door Hem deze kern van ons geslacht weêr uit alle volken en natiën te laten opkomen. Vandaar dat de kerk eerst na den Pinksterdag van het burgerlijk en gezinsleven losgewerkt, tol een eigen forma komt, die tegelijk èn oecumenisch is, èn door de burgermaatschappij wordt heengestrengeld zonder zich er mede te vereenzelvigen.
Met Gonstantijn ontstaat de verleiding om de forma der kerk haar zelfstandigheid te laten prijs geven, zoodat zij weêr te sterk met de forma der burgermaatschappij ineenvloeide; en ivèl poogde de Reformatie hiertegen te reageeren, maar ze deed dit alleen op Calvinistisch standpunt van uit het juiste beginsel en heeft elders, en later hij verval ook hij de Calvinisten, door de valache idee der Nationale of Volkskerk de doorwerking van deze zoo noodzakelijke reactie gestuit.
Thans eerst, nu de anti-christelijke machten in staal en maatschappij hel op de uitroeiing van hel christendom en dus ook van de kerk toeleggen, begint de forma der kerk allengs weêr zelfstandiger uit te komen en bereidt zich een periode van zuiverder kerkelijk leven, maar ook van nieuwe vervolging voor. Uil deze laatste worsteling kan nooit de kerstening van het geheele genus humanum komen. De afloop der historie is ons geprofeteerd als critisch-dualistisch, en bestemd om door de volstrekte scheiding van kern en bolster nu den oordeelsdag in een geheel andere bedeeling over te leiden.quot;
In een eerste observatie staan wij voor de vraag: Wanneer is de kerk begonnen?
Onze gereformeerde vaderen gaven van meet af aan een. schriftuurlijke belijdenis, wanneer zij zeiden, dat Christus van den aanbeginne der wereld zijn uitverkorenen vergadert. Toch mag het niet worden ontveinsd, dat men tijdens de Reformatie de beteeken is van deze belijdenis niet genoeg heeft uitgewerkt.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Slechts in één opzicht deden zij dit. De Reformtitpren n.1. hadden er belang bij te zeggen, dat in de middeleeuwen de ware kerk schuilend voortbestond, en hiervoor beriepen zij zich op de zeven duizend, die in Elia's dagen do knieën voor Baal niet hadden gebogen. De aandacht der Reformatoren was bij de beschouwing van de geschiedenis achter de Reformatie steeds hierop gericht, om het bestaan der kerk te vindiceeren ook daar. waar zij niet uitkwam. Zoo ging men ook verder terug tot de ark van Noach en tot Seth. Dogmatisch werd dit aldus betoogd: Christus is koning en aangezien een koning niet kan zijn zonder onderdanen, moet ook de kerk van Christus steeds hebben bestaan. Feitelijk vatte men de zaak dus meer historisch op en na den strijd met Rome, werd het groot gewicht van de zaak niet meer ingezien. Vandaar dat dan ook dit stuk niet meer werd gepredikt.
Dit duurde tot op Goccejus, die met zijn foederaal-theplogie een de waarheid vernietigende nieuwigheid inbracht. De strijd tusschen Coccejus en Voetius was een principiëele strijd om de waarheid Gods. In den vorm zyner voorstelling was Coccejus schriftuurlijk en trok daardoor veel vromen aan. Hetzelfde zien wij in onze dagen in de school van Beck, die van geen dogmatische formules, alleen van schriftuurplaatsen wil weten. De vrome harten worden daardoor ingenomen en toch leidt hij ongemerkt terug tot het Roomsche standpunt van werkheiligheid, daar hij de vrucht voor den boom aanziet. Coccejus eveneens had te doen met een Schriftgeloovend volk. Hij zeide, dat God in een reeks verbonden met zijn volk had gehandeld. Maar wat deed hij hierbij? Hij stelde de waarheid Gods voor, alsof zij in een langzaam proces ware begrepen, zoodat wij van lieverlede van minder tot meerder waarheid gebracht werden. Zoo kwam het, dat de tegenstelling tusschen Oud en Nieuw Verbond sterk moest worden op den voorgrond gesteld. Eindelijk beweerde hij, dat de geloovigen onder het Oude Verbond niet waren zalig geworden.
Deze bewering nu bracht het oude thema van den oorsprong der kerk weêr op het tapijt. Meer en meer kwam men er toe, om haar origine in den aanvang der wereld te loochenen, en haar te laten beginnen bij Christus.
De Lutherschen waren op dit punt even onbetrouwbaar als Coccejus. Ook zij stelden het Oude Testament verre beneden het Nieuwe Testament. Nu nog is men in Luthersche landen volslagen onbekend met het Oude Testament. Een psalmbundel hebben zij niet. De oorzaak van de minachting van het Oude Testament bij de Lutherschen is echter een andere en ligt in Luther's antithese tusschen de rechtvaardigmaking door het geloof en de werken. Zij verwarden n.1. den Joodschen dienst met het werkverbond, en zagen de bedeeling van Israël veel te veel aan voor een bedeeling van dat verbond
fi7
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
fti do dorde plaats hechtton ook do Anabaptisten weinig aan net Oude Testament. Zij meenden, dat Ohnstus oen goheol nieuw rijk kwam stichten. In Israël zagen /.ij liet civiele leven en het burgerleven ineengestrengeld. •
Alleen de Calvinisten kwamen tot een juister inzicht aangaande den oorsprong der kerk en zij brengen dit tot uiting langs twee wegen:
1° Door bun opkomen voor de Heilige Schrift. De Lutherschen spreken altijd van liet' „Evangelie,quot; maar de Calvinisten geven den geheelen bijbel aan de menschon in handen. Dan kwam ook door het zingen der psalmen dadelijk bij hen het besef, dat in Israël inderdaad Gods kerk was.
2° Door hun Theologisch standpunt in tegenstelling met het soteriologische der Lutherschen. Zij gingen uit van de uitverkiezing, het cor ecclesiae, en niet van de uitwendige apparitie. Vandaar dat ze niet bevangen werden door een beschouwing van verschillende phasen in do Openbaring, noch door het zien van een tegenstelling in Oud en Nieuw Verbond. Noen, waar de electie eeuwig was, zochten ze de kerk in alle tijden. Gaat men daarentegen uit van liet Luthersche, soteriologische standpunt, dan krijgt men die tegenstelling tusschen schaduw en licht. Niet dat de Lutherschen of Coccejus loochenden, dat de kerk er was van den aanbeginno dor wereld, maar in de toepassing en uitwerking werd dit stuk pro memoria uitgetrokken. De Gereformeerden daarentegen stonden in deze waarheid gefundeerd, aangezien zij uit hun standpunt voortvloeide.
Wat nu do zaak zelf betreft, .moet men de kerk altijd van den aanbeginne der wereld laten uitkomen, omdat zij haar oorsprong neemt uit het Decretum Dei. Hierbij echter moet de fout vermeden, dat men alleen uitgaat van het decretum electionis. Vooral de Infra-lapsarii maakten zich daaraan schuldig. De correctie van deze fout vindt men in de gereformeerde systomata het bost op de plaats, waar sprake is van de media gratiao. God heeft n.1. niet alleen personen uitverkoren tot zaligheid, maar heeft ook al de middelen gepraedes-tineerd om die uitverkiezing te roalisoeron. Het dieper inzicht in de zaak ging echter feitelijk geheel te loor.
„('onstitutio ecclesiaequot; is een naam, dien we gekozen hebben in navolging van de bekende uitdrukking: „constitutio Mediator ie,quot; aanduidende de aanstelling van Christus als Messias in het raadsbesluit Gods. In denzelfden zin kan men ook spreken van een constitutio ecclesiae, en daarmee is dan niet bedoeld een bestek voor do kerk, door God als Architect ontworpen. Dit voert tot een dorre denkgymnastiek, van alle religie losgemaakt. Neen! het decreet Gods is nooit een plan of bestek, omdat plan en bestek anthropologische begrippen zijn, die op God niet mogen worden overgebracht. Wanneer er oen
BH T
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
decretum Gods is omtrent de kerk, dan liggen in het decreet tevens alle potenzen en energiën, waaruit die kerk zelf voortkomt. God zet in het decreet niet eenige stippen: menschen, die uitverkoren zijn, maar uit het decreet zelf vloeien de potenzen en energiën, waaruit straks de kerk als levend organisme opgroeit. Daarom stelden onze vaderen steeds op den voorgrond, dat het besluit Gods is: de besluitende God. Wanneer we spreken van het besluit Gods, dan hebben we altijd te doen met God zelf. üe Eeuwige God is die (iod. die altijd uit zijn Wezen en Majesteit besluitende is.
Nu gevoelt men, dat men het electie-besluit nooit mag losmaken van de overige besluiten. De mystieken, die altoos vragen, of zij nu wel uitverkoren zijn, vervallen in dit euvel. Maar eigenlijk is er maar één decretum Dei, als één organisch geheel, uit God geduriglijk opdoemende. Wanneer we dit toepassen op de constitutio ecclesiae, dan gevoelen we, dat we het electie-besluit nooit los mogen beschouwen van het decretum creationis. De constitutio ecclesiae komt eerst, tot haar recht, als men die beide in onafscheidelijk verband neemt. De ecclesia is geen optelsom van a b c, personen, die tot haar belmoren, doch een sociologisch begrip, terwijl dit er niet bovendien aan toegevoegd wordt, maar dit sociologisch begrip ligt in het decretum creationis. in dit decretum creationis ligt de menschheid als een organisch geheel,
als een totum quid, als een corpus, dat membra heeft, terwijl die membra door beenderen, skelet, pezen, verbindingen en saamvoegselen verbonden zijn.
Nu ligt de constitutio ecclesiae hierin, dat de personen eerst dan de kerk vormen. als zo in dat organisch verband treden en dat organisch verband ligt niet in het electie-, maar in liet scheppings-besluit. ^
Hebben we dus niet alleen te rekenen met het electie-besluit, maar ook met het decretum creationis, toch zijn we er nog niet met de aanwijzing van het organisch verband, dat in het laatste ligt opgesloten. De kerk als kerk komt eerst uit. wanneer liet decretum salutis of gratiae daarmede in verbinding treedt. Dit decretum kan men ook noemen de constitutio Mediatoris, omdat alle genade centraal in Christus besloten is. Die constitutio Mediatoris verschijnt dan als een der onderdeelen, waardoor de constitutio ecclesiae tot haar recht komt. Men zou ook wel de constitutio Mediatoris op den voorgrond kunnen stellen,
en dan de constitutio ecclesiae opvatten als het besluit waardoor aan Christus onderdanen gegeven worden, maar dit is niet de normale wijze van opvatting.
God heeft niet de wereld in zonde geworpen en daarna gered, om Christus t
eere te geven, maar de Zoon heeft zich zelf in het besluit laten stellen als Middelaar, en daarom zijn Hein na zijn vernedering de heidenen gegeven tot een erfdeel.
Wanneer we nu dezo drie decreta samenvatten: liet (hrrctnm t'hr/inui*. ih:
*
69
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
constitutio ecclesiae en de conslitutio Mediatoris, dan moeten we dit niet opvatten ais een schema, maar als realiteit. Dat wil zoggen: de kerk is in God van eeuwigheid aanwezig, niet naar haar existentie, maar naar haar essentie. (Essentie is alles wat in God bestaat, - existentie is alles wat buiten God bestaat.) Welnu, de kerk, zooals ze in de constitutio ecclesiae ligt, is in God als opus hnmanens, en de existentie bestaat eerst dan, wanneer dit opus immauens overgaat in een opus exeuns. In dit onderscheid schuilt het diep religie uso karakter van het Calvinisme. Elk opus exeuns bestond reeds in God van eeuwig als opus immauens. De Heilige Schrift noemt dit de nQÓyvmaig.
1 Petr. 1 : 2. 1 Petr. 1 : 20. Aan deze plaats zien wij duidelijk, wat de apostel onder ngoyvcoaig verstaat. Tegenover het nQosyvcoafitvog. wat van Christus gezegd wordt, stelt Petrus het rpavsQmamp;ei'g, en dit wordt steeds gezegd van iets. dat vroeger reeds aanwezig was, maar door bijkomstige omstandigheden niet (paviedv werd, Christus als Mediator was er dus reeds vóór zijn mensch-wording, krachtens de constitutio Mediatoris, maar eerst door de vleeschwor-ding tlt;paviQiód-ri. Om dit uit te drukken zegt Petrus, dat God Hem nQoèyvw. Zoolang het scherm nog neergelaten is, ziet de wereld er nog niets van, maar vóór het scherm wordt opgetrokken, heeft toch God reeds alles gezien. Het TiQoÓQiaev wil zeggen, dat Hij ze heeft besteld, maar het nQoéyvm beteekent, dat Hij ze heeft gekend. Het moet dus alles reeds in God zijn aanwezig geweest; eerst daarna gaat hét van Hem uit als opus exeuns. Daarom zeiden onze vaderen, dat alle opera exeuntia aan de drie personen gemeen zijn, terwijl de onderscheiding tusschen de personen alleen te pas komt bij de opera imma-nentia. Dezelfde gedachte, die ten opzichte van de kerk in dat nQoéyvm ligt, is ook uitgesproken in:
Spreuken 8 : 22, 28, 30, 31, Gesproken wordt van de eeuwigheid, toen nog niets bestond. Toch was toen reeds Christus er als Middelaar, en zijn vermakingen waren met de menschenkinderen. Dit nu was alleen mogelijk door de constitutio ecclesiae.
Deze essentie ontstaat eenvoudig hierdoor, dat Hij die personen constitueert; de existentie, doordat Hij ze schept. Het eerste heeft dus plaats vóór de schepping in het decreet, en is daar volledig staande als object voor God, De Arminianen e, a, putton die ngóyvcaaig uit de voorwetenschap. Dit is een overbrengen op God van de ngiiyvaaig. zooals die bij menschen bestaat, een anthropomorphistisch begrip. Bij Uod kan nooit iets bloot door praescientia in zijn kennis zijn, omdat er nooit iets geschapen kon zijn, wat Hij niet te voren besteld heeft om geschapen te worden.
Hand. 2 : 23. Evenals 1 Petr, 1 : 20 wordt ook hier van de constitutio Mediatoris gesproken, en de nQuÓQiaig en ngdyvwaig bij elkaar genoemd.
70
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Gen. 18 ; 19. Dezelfde gedachte der voorkennis ligt ook hier ten grondslag. Dat Abraham tot vele volkeren zou worden, had tot oorzaak, dat God hem kende. Deze kennis nu is wederom onverklaarbaar, tenzij Abraham van eeuwigheid essentieel voor God bestond.
Exod. 2 ; 25. „God kende henquot;, d. i. Hij had Israël vooruit gekend als zijn volk, als het voorwerp zijner barmhartigheid.
•Ter. 1 : 5. Ook hier wordt geproken van de constitutie, in het Hebreeuwsch door uitgedrukt.
De electie geeft dus alleen een eeuwige destillatie aan voor bepaalde personen. Dit echter is nog niet voldoende om een kerk op te leveren. Voor een kerk zijn noodig:
1° personae met een bepaalde destinatie;
2C ligamentacorporantia, om die personen onderling tot één corpus te verbinden;
3° de media gratiae et vires, waardoor die personen tot één corpus verbonden, tot de zaligheid kunnen komen.
Ad 1. In het decrotum creationis ligt nu de ngongiaLe van de personen, omdat daarin ieders aard en karakter gedestilleerd ligt. In de kerk treedt maar niet op een zeker aantal personen, maar God heeft noodig een Paulus en een Luther, en de eigenschappen, die God voor zijn instrumenten noodig keurde, hebben ze gekregen in de schepping.
Ad ,'J. De ligamenta corporantia zijn noodig krachtens het organisch verband, waarin die personen gezet zijn. Deze ligamenta zijn:
le physica, aangezien de personen door banden des bloeds zijn verbonden. Wel is er geen erfzegen, maar toch houdt de electie rekening met de geslachten en fainiliën.
2e socialia, in zooverre God in het decretum creationis het inenschelijk geslacht deed optreden, opdat het zicli zou groepeeren in geslachten, rassen en allerlei kringen. Ook die kringen komen voor in de kerk; denken we slechts aan liet heilig avondmaal.
3e ethica. Dat ook deze ligamenta ethica van invloed zijn in de kerk, blijkt uit den band der liefde, die hot organisme samenbindt.
4° religiosa, omdat de band der gemeenschap moet worden gevonden met don Vader in de hemelen.
Al deze ligamenta liggen in de comtitiitio ecdcaicw.
Ad. 8. De media gratiae zijn onmisbaar. De kerk kan geen existentie krijgen zonder don Middelaar, zonder dienst des Woords, der sacramenten, enz.
Dit decretum constitueert nu de kerk als een opus immanens in God. Zal echter de existentia komen, dan is de vaste regel en volgorde deze, dat de natura voorop gaat, en de gratia volgt.
71
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
1 Oor. 15 ; 46. De zaak wordt hier theologisch bezien, en in dien zin het natuurlijke vooropgezet, terwijl hot geestelijke volgt, d. w. z. dit stuk wordt in verband gezet met God, zijn Wezen en decreten. Zoo komt de constitutlo ecclesiae ook trinitarisch tot haar recht, n.i. dat men de kerk niet alletn doet voortkomen uit den Zoon en den Hoiligeu Geest, maar, gelijk het altijd moet, ook uit den Vader verstaat.
1 Oor. 8 : 6, De apostel wijst er op, dat wo bij de ecclesia niet kunnen volstaan met op Christus terug to gaan, want dan krijgen we wel het moment in het goddelijk Wezen tgt;v,quot; maar nog niet „èè ov tk ncivra.quot; De woorden ovquot; wijzen juist terug op de creatie.
Undanam fit ecclesia? Waar is de kerk begonnen? Nu komen we dus van de essentia tot tic existcutia ecclesiae. De gereformeerde kerken leerden steeds: de kerk bestaat van den aanbeginne der wereld, en niet van af den Pinksterdag, of van af de roeping van Abraham. Dit moet ons na het voorafgaande wel duidelijk zijn. Wanneer toch in die ecclesia hot gevallen genus humanum weer opkomt, dan moet de kerk wel daar beginnen, waar de mensch valt, want begon ze later, dan zou ze tiet genus humanum niet kunnen omvatten. Door deze belijdenis wordt het dualisme overwonnen. De kerk staat niet separaat naast het menscheiijk geslacht, maar liet genus humanum herleeft in de kerk. Van Christus uit, is dit: Christus richt weder op den van Israël, geboren uit het familieleven van Abraham. Abraham werd geroepen met de belijdenis, die hij uit Ur der Chaldeeën medebracht. Ook in Meichizedek werd do aanwezigheid der kerk bespeurd.
Theologisch genomen, wordt de existentie van den beginne der wereld geëischt op grond van Hom. 5, waar de twee verbondshoofden ons worden voorgesteld. Adam hield op verbondshoofd te zijn, toen hij viel en werd op hetzelfde oogen-blik door Christus vervangen.
Ten tweede leert Hom. 5 dat de schuld afrekent van Adam; de verlossing was dus terstond noodzakelijk; derhalve moest de kerk optreden van den aanbeginne der wereld.
Uit het feit, dat dit kerk niet aanstonds als een instituut is opgetreden, volgt, dat er een existentie van de kerk zijn kan ook zonder instituut, Dit vinden we in de dagen van Elia, toen Ood zeide, dat er nog 7000 waren, die zich voor den Baal niet gebogen hadden, en in de middeleeuwen, toen de kerk haar existentie had in de ware geloovigen.
Wanneer wc op en na den Pinksterdag het optreden der apostelen nagaan, dan zien we, dat zij niet bedoelen een nieuwe kerk te stichten. Duidelijk blijkt dit uit de rede van Stephanus, die terugwijst op het werk door God in Israël gewrocht. Ook beroepen de apostelen op den Pinsterdag zich alleen
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
op do. belofte aan Israël gegeven, ja, Petrus roept zelfs uit: „Want u komt de belofte toe en uwen kinderen.quot; Op de toen bestaande kerk maakt hij al die beloften toepasselijk.
In de gelijkenis, die Jezus uitsprak aangaande den wijngaard, welke aan andere landlieden gegeven wordt, komt duidelijk uit, dat dezelfde wijngaard en geen nieuwe aan anderen wordt afgestaan. Ook in do gelijkenis van de bruiloft wordt het niet voorgesteld, alsof voor hen, die van de uitgangen dei-wegen waren saamgeroepen, een nieuwe bruiloft wordt aangericht, nadat de genooden niet waven gekomen.
De eenige vraag, die overblijft, is, of we de woorden: „van den aanbeginne der wereldquot; moeten opvatten ante of' post lapsum.
We antwoorden het liefst: post lapsum.
Een absoluut oordeel is niet mogelijk, omdat het ervan afhangt, wat men onder ecclesia verstaat. Verstaat men onder ecclesia het menschelijk geslacht, zooals het uit Gods hand voortkwam en leefde, zonder nog zijn toorn verwekt te hebben, dan bestaat de kerk reeds ante lapsum. Dit hangt samen met de quaestie, of de kerk eeuwig zal voortbestaan of niet. Neemt men de kerk reeds aan ante lapsum, dan moet men haar ook bijbehouden post judicium. Maar beter is, haar te laten bestaan u lapsu ad judicium.
Vraagt men, hoe de Heilige Schrift zich in deze quaestie uitlaat, dan staat dit vast, dat in de Openb. van Johannes het woord „ecclesiaquot; niet meer voorkomt na hoofdstuk 8, na de brieven aan de zeven gemeenten. In het apocalyptisch visioen treffen we het geen enkele maal aan. Dit argument wordt nog sterker, als men bedenkt, dat cap. 2-2 : 16 het woord nog eens terugkomt, maar daar, waar het visioen uit is en de last wordt gegeven om het visioen op aarde aan de kerken bekend te maken. In het visioen wordt de kerk aangeduid als labs tov 9sov. terwijl ook een vaste term is „de 1-44 duizend,quot;
Dit stemt overeen met hetgeen Paulus mededeelt in 1 Oor. 15 ; 2-1 v.v. Hier wordt ook een overgang van toestand geleerd. De ecclesiologisclie bedeeling is dus een tijdelijke bedeeling. Eerst geeft de Vader al de macht aan den Zoon en daarop volgt een moment, waarop de Zoon weer alles overgeeft aan den Vader. Hiertegen beroept men zich op Hebr. 12 : 28, waar gesproken wordt van de ecclesia in den hemel. Dit strijdt evenwel niet met het zooeven genoemde, want tot do wederkomst des 1 loeren hooron ook de uitverkorenen in den hemel tot de kerk. Alleen komt eenigszins in gevaar de uitdrukking „ecclesia triumfans,quot; vooral van de Hooinschen afkomstig; maar dit is eenvoudig een term, die kan bijgehouden worden.
Een tweede vast gegeven in de Heilige Schrift is, dat de Heilige Schrift altijd de kerk verbindt aan de wt'cny Vijooü Xqiarov, aan de awztjQCa „Kerkquot; is in
73
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
du Heilige Schrift altijd een soteriologisch begrip, en al wat soteriologisch is, houdt op, als de cwnjpia volkomen is. Dan is er geen sprake meer van een Middelaar, vergeving van zonden enz. Dit soteriologisch karakter van üe kerk nu houdt op bij de wederkomst des Heeren.
Staat het derhalve vast, dat men niet dan ten onrechte aan de kerk een eeuwig bestaan kan toekennen, dan volgt daaruit, dat de kerk eerst ran beginnen post lapsum, want bij Adam vóór den val kwam geen awrriqic/ te pas.
Wat we hierboven behandelden, staat in nauw verband met het slotgedeelte van de paragraaf, waarover we in deze laatste observatie spreken.
Is het goed gevat, dat de kerk bedoelt het genus humauum weer zuiver voor God te stellen, dan ligt het in den aard der zaak, dat de ecclesia eerst daar existent ia heeft, waar er een onderscheid bestaat tusschen het genus humanum en de kerk. Vóór den val is liet genus humanuni 31D, en na den oordeelsdag is weggesnoeid en in de hel geworpen alles, wat niet goed is. Na den oordeelsdag dus is het weêr avj- Dat drukt do apostel uit door het beeld van de bruid zonder vlek en zonder rimpel. Daarentegen in de periode tusschen den val en het oordeel is de kerk iets anders dan het menschel ijk geslacht, eu het laatste een begrip van breeder omvang dan liet eerste: „velen zijn er geroepen, maar weinigen uitverkorenquot;; „een klein kuddeken.quot;
Alleen in die tusschenperiode nu, waarin de ecclesia en het genus humanum uit elkaar vallen, is het woord „ecclesiaquot; noodzakelijk en door de Heilige Schrift gebruikt. Om echter die onderscheiding tusschen genus humanum en ecclesia duidelijk in te zien, moeten wc de aandacht vestigen op de relation, waardoor het genus humanum en de ecclesia zijn uit elkander getreden.
De kerk begint in Adam en Eva met nog identiek te zijn met het men-schelijk geslacht. Nauwelijks echter krijgen ze kinderen, of het onderscheid wordt geboren, aan de ééne zijde Abel, die tot de kerk behoort; aan de andere zijde Kaïn. Beide echter hooren tot het inenschelijk geslacht, zoodat dit aanstonds grooter is dan de kerk. Abel valt uit door den broedermoord en dan zijn er weer twee personen in de kerk, totdat Seth geboren wordt. De kerk krijgt nu eerst een eigen existentie hierdoor, dat het onheilige element zich afscheidt van het menschel ijke leven. Kaïn vlucht en scheidt zich af. We vinden dus hier een separatie, maar een separatie van het booze. Twee deelen van het menschelijk geslacht staan dus naast elkaar. De kerk Is echter niet van hot inenschelijk leven onderscheiden, want onderdo Sethieten is geen apart kerkelijk instituut of eigen organisatie. Ten tweede is dat goede deel, dat aan de godzaligheid vasthoudt, het eigenlijke centrum van het menschelijk leven.
in dien vorm gaat het leven voort tot op de groote gebeurtenis van
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Gon. 0, waar wc lezen, dat de de DTOJTTlto aanzagen, hotgoen door
de orthodoxe kerk steeds zóó is verstaan, dat de dochteren van Kaïn een verzoeking werden voor de Methieten, dat dezen haar huwden, on de separatie alzoo een einde nam.
[Een enkel woord ter toelichting. Vooral in onze eeuw is over deze plaats groote strijd geweest.
1° Do Rabbinisten stolden het voor alsof do bené-haölohim aanzienlijken waren, en do benóth-haadani meisjes van minderen stand, zoodat do eersten oen huwelijk aangingen benoden hun stand. Echt rabbinistisch-aris-tocratisch 1
amp; Anderen zagen in de boné-haölohim engelen, die meisjes verleid hebben. Daaruit zou dan een ren zengeslacht zijn geboren, dat de goddeloosheid deed toenemen. Deze voorstelling heeft een dubbelen steun:
a. van het Pantheïsme, dat altijd het een uit het ander doet voortkomen. Een engel en een mensch mogen geen twee verschillende wezens zijn, elk van eigen soort. Vandaar al die voorstellingen van theogonieën en mythologieën en heroën. Door Schleiennacher kwam dat pantheïsme in de theologie.
h, /ij zocht steun in oen exegese. De engelen worden herhaaldelijk in de Heilige Schrift DTfwrrVD genoemd. Men wijst daarvoor op Job 1 : 6, 21; I's, 20 : I enz. Dit is volkomen waar; maar menschen worden evenzeer aangeduid met den naam: bené-haëlohim: Ps. 73 : 15; Deut. 32 : 5; Ps. 80 : 16, I's. 82 : 6; Hos. 2 : 1 enz. De samenhang moet dus uitmaken, wie bedoeld
zijn. Welnu, zegt men, er staat, dat do DThxrPJD zich vermengen met de DlNiTDlJS. Waren de bené-haelohim nu geen engelen, dan zou er alleen staan,
dat zo zich met de benoth vermengden. Maar: CTNTT^p, enz. duidt
volstrekt niet altijd aan: alk menschen. maar zeer dikwijls het gemeenere deel van de menschheid. Jes. 82 : 20; Richt. 1(5 : 7 wordt hetzij Israël, hetzij een bepaald persoon onderscheiden van DHNTI. evenals in het fransch „tont le mondequot; gebruikt wordt met exceptie van den persoon, die het woord bezigt. Zoo wordt ook hier „benó-haadamquot; gebruikt voor de groote massa, liet publiek, on ,,bené-haëlohimquot; voor de kinderen (lods.
Exegetisch valt dus niet te argumenteer»-n. Maar er is een ander argument, dat volkomen beslist. De engelen toch worden ons altijd zóó voorgesteld, dat ze niet huwen kunnen; zij zijn asomatisch. Hiertegen wijst men op de enge lenverschijningen, maar die komen nooit anders voor dan van den Engel des Heeren, dus van God, den gezondene des Heeren, Overal waar elders van engelen sprake is, wordt aan de engelen nimmer een toegekend.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
In de tweede plaats wordt in de Heilige Schrift de vai der engelen altijd voorgesteld als anterieur aan den val van Adam. Was dus deze exegese tic ware, dan moesten deze parende engelen duivelen 7,1)11, maar dit kan niet, want dan zouden de duivelen „bené-haëlohimquot; genoemd worden. In Job is Satan niet begrepen onder de bené-haëlohim. maar hij kwam er bij staan.
Gen. 0 laat al zoo geen andere exegese toe, dan deze: dat er sprake is van een vermenging van mannen uit Seth's geslacht met dochteren Kaïns. Do historie leert, dat zulk een vermenging steeds zoo toegaat, dat mannen vaa hot hooger ras worden aangelokt door vrouwen van het lagere. Dit zien wc bij Abraham, Ezau enz.J
We hebben dus duidelijk trachten te doen uitkomen, dat de kerk, zichtbaar zijnde, nog niet behoeft instituta te zijn. Eigenlijk is de kerk den langsten tijd op aarde visibilis non imtüula geweest. Hierop moet wel worden gelet.
Nadat dus eerst de kerk en het genus immanum één waren geweest, en daarna in Kaïn zich liet booze element had afgescheiden, zagen wij in Gen. 6 dat booze element zich weêr krachtiger ontwikkelen en zich vermengen met het goede. Door deze vermenging nu zien wij, dat de kerk bestaat uit persoonlijke geloovigen. De ontwikkeling van het menschelijk leven komt uit den boozen wortel (Tubal-Kaïn e. a.) en van een algemeenen dienst van God is geen sprake meer. Zoo komt de toestand, gelijk we dien voor den zondvloed geteekend zien. De kerk blijft bepaald tot enkele geloovigen uit een bepaald geslacht: Henoch, Methusalach, Lamech, Noach. De poorten der hel zouden dus de kerk overweldigd hebben, indien niet de zondvloed ware tus-schenbeide getreden. En nu doet God de ontzaglijke daad, dat Hij het ééne huisgezin van Noach uitneemt en redt en de andere allen verdelgt. Dit geschiedt in een type van den doop, en zoo ontvangt heel de kerk in den zondvloed haar centralen doop. De apostel Petrus (1 Petr. 3) en ons formulier wijzen hierop. Met dien centralen doop is geen toevallige symboliek bedoeld, maaide reëele waarheid, dat God het water bij Noach bezigt om een dubbele daad te verrichten : t0 de goddeloozen van voor Zijn aangezicht te verdelgen en 2° Zijn kerk in de ark te redden gelijk in het doopwater ligt bezegeld: eenerzijds de verdoemenis voor hem. die weigert de ark der kerk in te gaan en anderzijds de behoudenis voor hem, die gelooft.
Hier nu hebben we het eerste moment, waarop de kerk van Godswege een formatie erlangt. We hebben hier te doen met een daad Gods, waardoor Hij sacramenteel de kerk heiligt en haar een forma verleent. Van nu afaan zien we dan ook de kerk optreden in het patriarchale leven. Noach treedt de arke uit en neemt de aarde in bezit als een praeflguratio van des Heeren parousie.
7fi
Colloge-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
In dat patriarchale gezin van Noach echter is èn hot geloovigc en hot ongeloci-vigo on hot nog niet geloovigo element gereprosontoord, en die drie eloinenten staan nog onder do autoriteit van de kerk. Het geloovigo element praedomineort. Tevens treedt ook do openbaring op in den zegen over Sem en gedeeltelijk over Jafeth, en in den vloek over Chain. God wijst de karaktertrekken aan, die zich in do drie hoofdgroepen van het menschelijk geslacht zullen openbaren.
In Noachs tijd heeft de kerk dus nog geen apart instituut, maar treedt op in het gezin van den patriarch: Noach offert als vader van liet gezin, als hoofd van het geslacht, en tevens als priester.
Daarenboven wordt door God aan Noach liet eerst de zedelijke norma aangegeven in de Noachitische geboden. In deze geboden met deu zegen en vloek liggen reeds de wet en de profeten verborgen.
Bij de verdere ontwikkeling zien we de kerk dien vorm van het patriarchale leven behouden, maar ook overgaan in den stedelijken vorm. We zien n.1. Terah optreden als het hoofd van een geslacht en Melchizedek als het hoofd eener stad.
In dien vorm van het patriarchale leven geschiedt nu een tweede ingrijpende daad Gods. Het heilige leven, dat al meer en meer verzwolgen werd in het uitwendige, gaat nu over iu separatie. We zien dus het tegenovergestelde gebeuren van hetgeen vroeger plaats greep. Kaïn, liet booze element, separeerde zich, en (iod maakte een separatie door den zondvloed. God de Heere doet echter nu het heilige leven, dat steeds meer verzwolgen werd in de wereld, in separatie overgaan. Het leven in den patriarchalen vorm wordt nu afgescheiden. Abraham moet vreemdeling worden, nÜQoinug, en de wereld gaat meer en meer heen naar dat punt, waarvan Johannes zegt, dat zij h novrjqo) xbitui. Dit nu kan nog niet gezegd worden na het paradijs, of in den tijd van Noach, maar die toestand vangt aan bij de separatie van Abraham.
Nu wordt de tegenstelling van Abraham met die wereld sterk geaccentueerd in Loth. Loth wil het leven der kerk nog voortzetten in gemeenschap met de wereld. Hij is geen ongeloovig, maar een zwak man. Daarom gaat in Sodom en Gomorra het oordeel over de wereldgelijkvormigheid der kerk. en dan maakt God scheiding tusschen het heilige en het onheilige.
Leidt nu het patriarchale leven, wanneer het nomadenleven wordt vaarwel gezegd, tot het stichten van steden en het uitkomen van den nationalen vorm, ook met Abraham had de Heere deze bedoeling.
Gelijk aan Noach de doop voltrokken was in de patriarchale formatie dei-kerk. zoo geschiedde het ook aan Israël in de nationale formatie bij het doortrekken van de Roode Zee. Wederom is daar het water eenerzijds instrument tot redding van de kerk en andererzjjds tot verdelging van Farao niet zijn
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
heir. Na dien dooi) in de Roode Zoe te hebben oudergaan, treedt dan nu de kerk op in haar nationaien vorm. Hierop heeft dan met het gedoopte Israël de Verbondssluiting plaats, en daarmede wordt de kerk besloten iu htt volk van Israël. Nu eerst vertoont dus de kerk een eigen formatie. Want, terwijl de gezinnen van Noacli en Abraham nog gezinnen waren gelijk elk ander, is daarentegen Israël niet een natie gelijk de overige natiën. Aan alles wa» te merken, dat men leefde in een kerkelijke natie, aangezien alles was in verband gezet met den dienst van God, en een ceremonieel karakter droeg. In dien toestand blijft de kerk symbolisch, ceremonieel, nationaal voortleven, tot op Johannes den Dooper, en terwijl de kerk tot dusver overal was ineengestrengeld geweest met de fiaadsia rijs yn?, komt Johannes de Dooper met de prediking van de fiaadaia róv ovquvüv. Nu zal de kerk optreden, ook los van het nationale menschelijke leven. Christus is dan ook metterdaad het xéXog van dien nationaien vorm. Jeruzalem wordt verwoest, het voorhangsel gescheurd, en Jezus zelf geeft de eerste formatie aan de kerk in den kring der apostelen en door de instelling van den heiligen doop en het heilig avondmaal. In deze dingen ligt in nuce het geheele kerkelijk instituut, en al wat meer wordt ingedragen, gaat tegen het organisme in. Met de formatie, die Christus gaf, was dan ook het doel bereikt, en het iivarijgiov (ixunengv/iiiévov dno rdv kïcóvcdv aan het licht gebracht. Vandaar dat nu de prediking uitgaat tot alle volken, in tegenstelling met den vroegeren toestand. Van nu af is de kerkstaat een andere dan de burgerstaat, gelijk het vroeger nimmer geweest was. Eerst door de formatie, eerst van de drie, toen van de twaalf, ten slotte van de zeventig discipelen, kreeg de kerk haar scheppende kiem van organisatie, op dezelfde wijze als het huwelijk de kiem is van alle burgerlijke organisatie.
Alle kerkelijke relation vloeien uit die ëéne kiem voort.
Nadat de kerk aldus eenigen tijd had bestaan, komt er echter een totale ommekeer met Constantijn den Groote, Toen deed de kerk weer hetzelfde, als geschiedde in den tijd waarvan Gen. 6 verhaalt, n.1. zij ging weer uit, belust op wereldsche macht, huwde zich daarmede, liet zich daarbij gebruiken als vrouw, terwijl de staat man over haar was: de kerk verviel iu het Cue-saropapisme.
Zóó trad de kerk op in Byzantium; vandaar dat de vorm, dien de kerk in dezen toestand aannam, den naam draagt van den Byzanti/jnschen vorm der kerk. Die vorm plantte zich voort in den wijderen vorm der Grieksche kerk, en wordt thans neig aanschouwd in de Kussische kerk, waarin de Czaar van Rusland op het oogenblik dien Byzantijnschen vorm representeert. De Russische kerk is dan ook niets anders dan een staatsmachine: zij werkt buiten het kerkelijk leven om in de mystiek.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Toen nu op dezo wijze in Uyziintiuni do kerk liaar macht Inboette, is de redding aangebracht door Rome. Gewoonlijk beschouwt men liet optreden van Rome niet waardoerend genoeg. Rome toch, n.1. de plaatselijke kerk van Rome, is de kerk geweest, die do orthodoxie gered heeft. Geen enkele kerk was zoo zuiver in de leer en zij was het, die de vrijheid der kerk behouden hééft tegenover het Caesaropapisme. De heele strijd tusschen de Oostersche en Westerscho kerk liep dan ook ten slotte uit op de vraag omtrent het Caesaropapisme. Rome wilde een wereldkerk, onafhankelijk van het leven der overheid. Rome deed hiermede een heerlijke daad. Wel ging de kerk van Rome daarna mis in haar eigen formatie, maar dit heeft hiermee op het oogenblik niet te maken.
Wanneer we nu letten op de beteekenis der reformatie, dan moet erkend, dat de kerk-reformatie gedeeltelijk een gelukkige en gedeeltelijk een ongelukkige greep was. Gelukkig, voorzoover werd gepredikt, dat de kerkstaat ontdaan moet zijn van alle hiërarchie, een eigen formatie moet hebben en haar regiment moet ontvangen van haar koning in don hemel. Ongelukkig, voorzoover in een groot deel der landen, waar de reformatie ingang vond, het Byzantijnsche Caesaropapisme weer binnendrong. Mot sterkst werd dit gezien in Engeland onder Hendrik VIII. Ten deele zag men het ook in de Luthersche lauden, waar de vorst summus episcopus werd, en de ellendige regel gold: „cujus regio, ejus religio.quot; Bovendien openbaarde het zich onder dat deel der Gereformeerden, die do Erastiaansdie of Arminiaansche lijn afliepen. De partij van Oldenbaineveldt wilde ook in ons land het Caesarospapisme invoeren. Het is nu de onvergankelijke roem van Calvijn, dat de Calvinisten de eenigen zijn, die de zelfstandige formatie hebben weten tot haar recht te doen komen. Hiernaast loopen de veelszins nobele mannen onder de Anabaptisten, die niet het Caesaropapisme wilden, maar een repetitie van het leven in Israël, een nieuw Godsrijk op aarde.
In die worsteling bleef men, totdat met de Revolutie het collegiale begrip van kerkrecht opkwam, hit erkent de kerk niet als een schepping Gods, maar als een onder de hoogheid van den staat geformeerde particuliere vereeniging. 1 Iet Caesasopa pismo bleef nog do kerk als schepping Gods erkennen, dit deden ook Rome en de Lutherschen, maar nu zag men de kerk opkomen uit den menschel ij ken wil. in ons land en elders kwam daardoor een kerkelijke toestand, waarbij de staat tegelijk de rol speelde van het Byzantinisme, en tevens de kerk innerlijk bedierf. Denken we slechts aan de Jaren 1816 en 1852. Vandaar dat er geen andere formatie mogelijk is, dan zich te organiseeren in eigen zelfstandige kringen, en zich te i.soleeren, zoowel van het staatsgezag als van het nationale leven, en alzoo te bestrijden den leugen van de volks kerk.
79
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
In de volks-kevk ligt een drievoudige leugen:
1° y\\ wil onder het Nieuwe Testament een copie van het Oude Iémm en miskent daardoor de beteekenis van Christus' verschijning.
2« Je Anabaptistische idee, om heel het leven van den staat te willen christianiseeren.
3° het Byzantinisme, dat hot kerkelijk leven wil brengen onder de hoogheid van den staat.
§ 4.
„De attributen der kerk zijn: dat ze is: „één, heilig, algemeen en christelijkquot;, waarbij subsidiair het „apostolischquot; kan gevoegd.
De eenheid der kerk bedoelt haar unitas essentialis, dus niet om uit te drukken, dat er niet meerdere kerken zijn of zijn kunnen, maar om aan te duiden, dat de leden der kerk één onverbrekelijke eenheid uitmaken, saam één organisch geheel zijn en dat dit ééne lichaam altoos en overal hetzelfde lichaam is. Ze wordt daarom onderscheiden in de unitas immanem en do unitas exeuns en de eerste in de unitas capitis, corporis et spiritus, gelijk de tweede in de unitas fid ei, spei et clmritatis.
In de tweede plaats is de ecclesia sancta, ter aanduiding van haar tegenstelling met den xóafios, os tv rra novtiQü Ze leeft niet uit den
wortel der wereld, al groeit ze door den stam der wereld heen. Haar sanctitas is dus niet alleen een separatie noch een dicatio Dei, maar een sanctitas realis, en dit wel in volstrekten zin. Er is in de essentia ecclesiae niets dan wat absolute sanctum est, en al wat niet sanctum est, behoort tot haar essentie niet.
In de derde plaats is do ecclesia catholica, ter aanduiding van haar tegenstelling met het nationale leven, en dus met het Judaïstisch-Byzantijnsche begrip van een volkskerk. Positief ligt in dit „catholiekquot; of „algemeenquot; de eenheid uitgedrukt met het begrip der scheppingen der menschheid. Deze naam catholiek mag dus nooit aan eenige uitwendige kerk gegeven en veel min aan die kerkengroep, die onder Rome leeft, gelaten worden.
In de vierde plaats is ze de ecclesia Christiana, om aan te duiden, dat zij niet uit het verbondshoofd Adam, maar uit het verbondshoofd Christus is, en alzoo niet uit de religie naturalis, maar uit de revelata opkomt, en staat of valt met de aanbidding van den Christus als onzen Heer en onzen God.
„Apostolicaquot; is een bijvoeging, die strekt, om aan te duiden, dat de kerk niet mystice uit Christus leeft, maar geplant wordt door zijn Woord, hetwelk aan de apostelen is toebetrouwd.
Al ueze epitheta nu komen aan de kerk toe, wat haar verborgen
81
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
wezen, niet wat haar verschijning in de wereld aangaat. Zij zijn daarom in het symbolum voorwerp des geloofs, en het karakter van deze epitheta gaat teloor, zoodra men, gelijk vooral Rome doet, hel „una, catholica, sancta, Christiana et apostolicaquot; uitwendig realiseeren wil.quot;
De eerste observatie is van algemeene strekking. We vinden n.l. in de 12 Geloofsartikelen „ik geloof één heilige, algemeene, christelijke kerk.quot; In onzen Catechismus wordt dan ook gevraagd (vr. 54); „Wat gelooft gij van de heilig'' algemeene, christelijke kerke f
In onze confessie echter wordt dit anders behandeld. Daar wordt gehandeld van de notae der kerk. Zijn dan notao en attributa hetzelfde ? Dit verschil moet eerst duidelijk worden ingezien. De attributa zijn kenmerken van de ecclesia, invisibilis. De notae zijn kenmerken van de ecclesia visibilis. De notae der kerk zijn dus b. v. de zuivere prediking des Woords, bediening der sacramenten, enz. alles, vat betrekking heeft op de uitwendige kerk, die juist door de bediening des Woords, der sacramenten enz. aan den dag komt.
De attributa daarentegen raken het inwendige toezen en zijn diensvolgens op het instituut niet alleen niet toepasselijk, maar worden zelfs door den aard ran het instituut lijnrecht weersproken. P)-of. tracht dit door het volgende voorbeeld duidelijk te maken: tot de attributa van een mensch behoort, dat hij een ziel heeft om te denken en te willen. Uitwendig echter de notae van een mensch nagaande, vraag ik niet, of hij een ziel heeft, maar hoe hij denkt, hoe hij wil. De ziel van de kerk nu is de ecclesia invisibilis, de kerk in haar essentie, gelijk zij door God geschapen is, en hierop hebben alleen de attributa betrekking. Het lichaam der kerk daarentegen is de ecclesia visibilis, en hierop hebben de notae betrekking.
Lellen we b. v. op de unitas. Deze is er op aarde nooit geweest. Nu gebeurt hel wel, dat de menschen om die unitas gaan bidden. Dit is dwaas, even dwaas als wanneer ik bad: Hecre, geef mij een ziel, terwijl die ziel ons reeds bij de schepping is geschonken. Neen, de kerk bezit haar eenheid, en indien zij die eenheid één oogenblik kwijt was, dan was er geen kerk meer. Jezus bad dan ook wel voor de, eenheid van de leden der kerk, maar nooit voor de eenheid der kerk.
Deze verwarring van attributa, en notae heeft groote schade aangebracht.
De attributa zijn: id quod Deus intribuit ecclesiae in constitutione ecclesiae. God besluit niet zoo maar iets te scheppen, maar in de schepping definieert Hij de kerk, ngoofitet de essentie van de kerk, en datgene, wat God als onderscheidend kenmerk aan een schepping van Zijn hand toekent, zijn de attributa. Daarom is Deus altijd subject, en zijn de attributa steeds essentialia en onafscheidelijk van de essentie der kerk.
Een tweede opmerking is, dat de kennis ran die attributaniet is een discursieve
6
82
I
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
kennis, maar een kennis, die men alleen erlangt door zelf tot de essentie van de kerk te behooren, door zelf een membrum te zijn van de ecclesia invisibilis,
door zelf ingelijfd te zijn in het Lichaam van Christus en zelf dat leven meê te leven. Gevolg hiervan is, dat die attributa ecclesiae zich repeteeren in elk lid der kerk, natuurlijk pro rationo membrorum. Het beste gevoelt men dat bij de sanctitas.
De sanctitas ecclesiae vindt zich terug inde sanctitas membrorum; en deze is werkelijk identiek met de sanctitas ecclesiae. Vandaar dan ook, dat de attributa ecclesiae niet in het kerkrecht, maar in het symbolum thuis hooren. De notae ecclesiae behooren tot het kerkrecht, maar de attributa op het terrein van de Dogmatiek. Daarom zijn ze voorwerpen des geloofs en niet der hope,
evenmin als een resultaat van waarneming. En, weten we wèl wat een voorwerp des geloofs beteekent! Qelooven is niet: zoo maar iets aannemen, maar: verklaren, dat even zeker als ik van mijn bestaan verzekerd ben, ik de overtuiging bezit, dat het voorwerp van mijn geloof realiter bestaat; in casu, dat de eéne, heilige, algemeone, christelijke kerk met deze hare attributen in werkelijkheid bestaat.
Laat ons nu in een tweede observatie de afzonderlijke attributen nagaan.
I. De Unitas Ecclesiae.
Op dit punt vooral is het meest radelooze misverstand ingeslopen.
Wanneer iemand in bed ligt, en er ligt een deken over hem heen gespreid,
terwijl van boven zijn hoofd en van onder een voet uitsteekt, dan is hier die voet en ginds dat hoofd: één. Wanneer de voet wordt aangetast, wordt het in de hersenen gevoeld.
Dit is de unitas corporis.
Wanneer iemand tot bewustzijn gekomen is, herinnert'hij zich verschillende dingen uit zijn leven, b. v. kwaad gedaan te hebben. Als men nu 80 of 90 jaar oud is, heeft men niets meer van een knaap, toch zegt de oude man: Ik deed dit of dat in mijn jeugd, of: ik was hier of daar. We zien dus hier een identiteit, die chronologisch loopt.
Dit is de unitas personae.
Wanneer een boom in het voorjaar bladeren krijgt, dan zijn dat andere bladeren, als welke den vorigen zomer aan zijn takken gevonden werden.
Toch is het dezelfde boom, ook al zijn de stofdeeltjes geheel andere geworden.
De essentie blijft dezelfde bij het wisselen der vormen. fy
Dit is do unitas essentiae.
Alzoo wordt met de unitas ecclesiae bedoeld, dat de kerk èn van het paradijs, en van nu, èn van den jongsten dag, hetzelfde corpus is, dezelfde persona is, en dezelfde, essentia bezit.
O'
*
83
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Doze unitas wordt moestal in don vulgairen zin opgevat, dat er maar één kerk kan zijn. Dit is totaal verkeerd, want dan zou de unitas slaan op de ecclesia visibilis.
Tevens moet er wèl op worden gelet, dat het woordje „éénequot;, in „ééne heilige, algemoene christelijke kerkquot; niet is een onbepaald voornaamwoord, zoodat men leest: 'n heilige enz., want dan schiet de geheele unitas er bij in.
Wat versta ik nu onder de unitas csseniialis ?
Wanneer ik b. v. water neem, hetzij uit Amerika, hetzij uit Azië, hetzij van nu, hetzij van voor 100 jaar, - water is en blijft water. Dit is de unitas naturae. Hetzelfde geldt van,elke species en van elk genus. Maar in hoogero mate is er unitas in elk organisme, omdat, hoe men ook een organisme aanraakt, men altijd hetzelfde wezen aanraakt. Omdat nu de kerk van Christus in essentie één organisme is, daarom moet overal waar die kerk is, als het ware dezelfde persona zijn, terwijl het er niets toe of afdoet, of men dat corpus aantreft in Amerika of hier, nu of voor 1000 jaar. Ja, dit gaat zelfs zoover, dat de kerk in den hemel en op de aarde de deelen zijn van één organisme. Kerk blijft altijd kerk, waar en wanneer ook.
Het is dus de identitas van de kerk in al haar momenten, wat door de unitas wordt uitgedrukt. Do drie bovengenoemde voorbeelden mfiakten dit genoegzaam duidelijk: zij is altijd hetzelfde ik en hoeft altijd hetzelfde Hoofd.
Dientengevolge is de unitas nooit voorwerp van hoop, maar eenig en alleen en altijd voorwerp van geloof. Daarom mag er niet om de unitas worden , gebeden. Indien men dit doet, dan verstaat men de unitas niet. Wel kan ' men er om bidden, of die unitas meer en meer in het uitwendige moge geiealisoeid woideii, maar de unitas essentialis is er altijd, en zonder haar zou de kerk geen kerk zijn.
Deze unitas is voor ons het duidelijkst afgeteekend in de unitas gentium et nationum. Nemen we b. v. de huizen van Oranje en van de Hohenzollern; zij vertoonen in alle tijden hetzelfde hooge karakter. Nog sterker komt dit uit in de natiën. Do Engelschman van deze eeuw en van de vorige, blijft de Engelschman met zijn eigenaardig karakter. Evenwel, de unitas van een gons en van een natie kan vermengd worden en ook wel te niet gaan, maar dit nu is bij de unitas ecclesiae absoluut onmogelijk, omdat de ecclesia een eigen leven heeft, dat alle hulpmiddelen in zichzelf bezit, in niets zich vermengt of huwt met eenig ander karakter, en aldus ongedeerd staat.
Bij de nation ontdekken wij min of meer de kracht van assimilatie; dit vei mogen vinden we heel sterk in Amerika, waar ieder vreemdeling zeer spoedig Amerikaan wordt. Bij de boeren in Afrika, die sterk weerstand boden aan de Engelsche invloeden, zien wij het tegenovergestelde.
84
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Do kerk nu bezit een absolute assimilatie-kracht en een absoluut weerstands-vermogen, en daarin ligt liet, dat de unitas altoos subsisteert en perennis is. Als zoodanig is deze unitas een verborgen, een schuilend iets, een qualitas inhaerens, zonder welke het wezen van de kerk niet kan gedacht worden, en deze qualitas inhaerens openbaart zich in drieërlei:
1° de unitas corporis.
2° de unitas capitis.
3° de unitas spiritus.
Nu bestaat er echter de drang om zich naar buiten te openbaren. Wij, die een inhaerent wilsvermogen hebben, willen een wilsdaad tot stand brengen. Zoo ook by do kerk. Zij wil uitkomen, naar buiten zich openbaren. Vandaar dat zi] zich tevens uit in
1° de unitas Mei.
2° de unitas spei.
3° de unitas charitatis.
1° De Unitas Corporis.
Hierin ligt tweeërlei uitgedrukt:
a. dat de kerk geen aggregaat, maar één corpus is.
h. dat er niet meer corpora zijn, maar slechts één corpus.
Deze unitas corporis wordt gedurig geleerd in de Heilige lt; Schrift.
Ef. 4:4; Rom. 12 : 4, 5; 1 Oor. 12 : 12. Uit al deze plaatsen blijkt duidelijk, dat deze unitas nergens wordt aangegeven als iets, waarnaar men streven moet, maar als een unitas, die aanwezig is.
Dezelfde denkbeelden worden ook aangegeven in do Heilige Schrift door andere beelden, als: nanii'a, fiaoi-XtCa, utxsia, en door het beeld van de kudde, de noifivrj.
Joh. 1U : Ki. Hier wordt gezegd: v.aC ysv/joetcci fiia noi'pvri, etenoiiiriv, in het futurum, omdat sprake is niet van dat lichaam in zijn essentie, maar in zijn openbaring.
Ef. 3 : 15. In deze heerlijke pericope aan het slot van het derde caput is in ou naaa naQtict Iv ovyavuig «lüt énl yijg uvofitiamp;raL, TcarQi'a vertaald door: geslacht, en dit is een Graecicisme. Een natQicc is alles wat uit een ntttriQ geboren is, en daar nu het heele geslacht der menschen uit één narrjQ is, daarom is hij niet alleen de levengever, maar ook de naamgever aan heel het geslacht zijner kinderen.
Men moet wel in het oog houden, dat men bij deze beelden alleen het tertium comparationis mag overbrengen. B. v. wanneer Paulus zegt : geworteld en gegrond, dan wil hij met deze beelden alleen uitdrukken de unitas, maar niet de wijze van samenstelling, want dan zouden deze beide niet kunnen samengaan, aangezien „gmmiehlquot; een organisch en „gegrondquot; een mechanisch begrip is.
85
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Nog gebruikt Jezus hot woord „SnnsXogquot; (Joh. 15) om de organische eenheid der kerk aan te duiden, een voortreffelijk beeld, daar ook hier weer van den wortel gesproken wordt. Bij het preeken over deze gelijkenis wordt vaak alleen behandeld het ingeplant zijn in Christus als rank in den wijnstok, maar vergeten dat Christus hier wordt voorgesteld als dragende de heele kerk in zich, zoodat Hij zelf de annsXog, de kerk is.
2o. De Unitas Capitis.
Waarom behandelen we deze afzonderlijk naast de unitas corporis? Omdat eerst in de unitas capitis de unitas corporis tot uiting komt. Een volk moet een koning, een vergadering een voorzitter hebben. Daarom moet die unitas capitis worden vastgehouden als strikt gelijk loopende met de unitas corporis. Onze vaderen hadden daarom strijd met Rome. Rome zei: de kerk is een corpus mysticum en moet daarom een hoofd hebben; de paus. Dit is volkomen juist-, als de eenheid in het uitwendige moet worden gezocht. Maar daar ligt dan tevens de Achilles-hiel. Rome is niet in staat één hoofd te hebben. Telkens tocli komt er een andere paus. Bij de vorsten wordt nog eenheid gevonden, daar ze elkander opvolgen uit één geslacht, maar de paus is een gekozen opperhoofd, terwijl hij nog vaak als grijsaard wordt gekozen. En dit nu kan juist niet; want de unitas van het menschelijk lichaam handhaaf ik niet, wanneer ik er een ander hoofd op zet. Bij een vergadering kan wel de verwisseling van een hoofd plaats hebben, maar hieruit blijkt dan ook juist, dat corpus slechts overdrachtelijk van een vergadering kan gebezigd worden, want een eigenlijk corpus kan nooit anders dan één onkel hoofd hebben. De fout van Rome ligt dus hierin, dat zij de essentieele unitas hebben getrokken in het uitwendige.
De Gereformeerden legden hiertegenover allen nadruk op het Hoofd des Lichaams: Christus. Is die unitas capitis verbroken, dan ligt de unitas corporis evenzeer verbroken. De kerk heeft steeds hetzelfde Hoofd en kan nooit van Hoofd verwisselen. Wanneer we nu in Ef. 1 : 22 lezen: ««l avtóv (Scoks KetpaXrjv vuIq Ttavra zij èny.lrj6ült; dan moet daarbij in do eerste plaats niet gedacht worden aan de regeering van Christus, want dan is de unitas essentialis weer verloren. Neen, bedoeld is het avmecpaXuiciaaa^Ki, waarvan in vs. 10 sprake was. Wat beteekent in vs. 23, dat van het amiiK gezegd wordt: tö nXrjQcofia tov Tcdvxa êv naaiv nXrjQnvfiivov.? Bij het embryo ontwikkelt zich eerst het hoofd en daaruit de organisatie van het lichaam, en zoo wordt steeds het lichaam vervuld door hot hoofd, 't Hoofd is werkelijk de nevaXii van liet heele aüfia en het aêfia het nXr/Qco/Ma van het Hoofd. Christus is dus alzoo gegeven, dat de gemeente gegeven is in Hem.
De unitas capitis moot dus allereerst worden beleden van do essentie
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
der kerk. Op liet regimen dor kerk ziet veel meer, dat Christus de Koning is zijner Kerk. Ploofd daarentegen is veel meer oen organisch dan een regee-ringsbegrip.
In het feit, dat het ocö,u« oen hoofd heeft, ligt uitgedrukt, dat het oen van de hoogste soort is. Een boom heeft geen xirpalij; maar het hoogore noluu heeft een centraal punt, dat het heele organisme beheerscht, behoudt, voedt, beschermt.
Eerst in den mensch nu komt de Hecpaln tot volkomen centrale ontwikkeling, en daarom is de mensch beeld van de ecclesia. Deze gedachte komt hot fijnst uit in het overdrachtelijk organisme, b. v. wanneer men spreekt van een koning in verband met zijn volk. Ook bij de menschen dus is de gedachte bet diepst ontwikkeld in de overdrachtelijke zin van nerpaU]. Het allervolkomenst echter ligt dit begrip uitgedrukt in de kerk.
Deze gedachte drukt alzoo uit, dat de kerk niet alleen is een unitas, maar de unitas van een keurig fijn bewerkt centraal organisme, en eerst in het feit, dat dit organisme een centraal Caput heeft, vindt do unitas dor kerk do zuiverste en volste uitdrukking.
3quot;. JJe Unitas in Spiritu.
Ook deze unitas wordt duidelijk en met name in de Heilige Schrift geleerd als een zaak van aanbelang.
Ef. 4 : 4. Hier vinden we de drie denkbeelden van de unitas corporis, capitis et spiritus eigenlijk bij elkaar staan. In vs. 4 'tv aiö^a: de unitas corporis en 'èv rivtvfia, de unitas spiritus en in vs. 5: ilg wQiog-, do unitas capitis.
1 Cor. 12 : 4, 5, (3, ziende op de essentieel o eenheid in het wezen der kerk zelf gelegen.
1 Cor. 6:17. Ieder die aan Christus kleeft, is één Geest met Hem, n.1. de (leest in Christus en in ons, is één Geest, en niet twee.
Rom. 8 : 9. Gewoonlijk verstaat men deze woorden verkeerd en oppervlakkig. Maar de zin is deze: In het lichaam, dat maar één lichaam is, is maar één adem. Hoor ik tot dat lichaam, dan moot de ademtocht, die in mij is, dus dezelfde ademtocht zijn als in al de leden, en deze ademtocht komt in hot Hoofd tot uiting. Het bost kunnen we. dit vergelijken met de lichamelijke warmte. De zuurstof, dio we inademen is het brandend, warmte kweekend elemen':, en waar ik nu warmte gevoel in mijn lichaam, is deze alleen door mijn ademtocht naar binnen gegaan. Alles is één met den ademtocht, die door het hoofd wordt ingeademd. Een afgezet been kan ik wel bij de kachel warmen, maar het krijgt zijn warmte nimmermeer van het cé/ut. De warmte, die het lichaam zal kweeken, moet warmte zijn, die door den ademtocht van het hoofd is binnengedrongen. In dien geest moot deze tekst worden verstaan: indien iemand
87
i
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
niet heeft denzelfden ademtocht, die in Christus is, die heeft met Hem g'uen gemeenschap.
2 Gor. 3 : ] 7. We hebben hier weêr een plaats, die op allerlei wijze mis-handeld is, en waarmede men in de predicatie meestal geen weg weet. 'O Sï-KvQiog to Uvtvaa lanv, ov Ss enz. Dan zegt men met voel geleerdheid, dat nu Christus weêr do Heilige Geest is. Volstrekt niet waar! 't Boteckont dit: Ik kan van mijn hand zeggen, dat de levensgeest van mijn hand mijn hoofd is, omdat met hot hoofd het nvfv^a weggaat, en alleen door het hoofd het nvsifia in het lichaam wordt ingedragen. Het hoofd is do levensadem, de warmte, de levensgeest, en alle leden verstijven, als de levensgeest van het hoofd weggaat. Tevens moet de levensgeest van het hoofd op de leden werken, opdat deze hun vrije beweging erlangen. Daarom staat cr bij: ov 8t zó rivsvuct Kvqi'ov, èxeC tltvamp;i-Qi'a. Deze vrije beweging der leden wordt eerst verkregen, wanneer die levensadem van Christus verwarmend in ons komt.
1 Cor. 12 : 8. Ook dit is een plaats, waarmede veel gehaspeld wordt. Er staat niet; Sia nvsvjiarog, maar: tv Ttvevuun fgt;sov icdcov. Hier is. sprake van den levensadem in hot lichaam, waardoor contact bestaat tusschen de deelou van het lichaam en liet hoofd. Wanneer ik de zenuwen doorsneed, zou do levensadem niet meer van het hoofd naar de leden gaan; en daarom, indien de hand geregeerd zal worden door het hoofd, dan moet er gemeenschap plaats hebben en wel door den levensadem. Zoo ook bij de kerk. Niemand kan in het lichaam van Christus geregeerd worden, tenzij de levensadem van Christus zich aan elk der leden mededeele. Ons avondmaalsformulier drukt dit zóó schoon uit, door te spreken van „denzelfden Geest die in Hem als het Hoofd en in ons als zijn lidmaten woont.quot; Daar is één Lichaam onder één Hoofd, en de levensgemeenschap tusschen die twee heeft alleen plaats door hot Uvevpa. Daarom is het zoo dwaas te spreken van een nieuwe uitstorting des Heiligen Geestes. Neen! we hebben een levensgeest, of hebben dien niet, en dan zijn we dood, en dit is onmogelijk, omdat Christus' kerk een levend organisme is. Zij leeft in haar Hoofd en hoeft den Heiligen Geest altoos inwonende en onafscheidelijk aan haar verbonden.
Omdat de unitas essentialis in het cm,uk bestaat, moet ze ook uitkomen in de uitingen van het aAptt, Vandaar dat we ook onderscheiden do unitas fldei, spei et charitatis. We handelen hier echter niot van de fides, de spes en de charitas, die beoefend worden, maar zooals ze bestaan als inhaerente quali-teiten van het am^a tov Xqiotov. Ook al heeft een uitgebroeid vogeltje nog nooit een vogel zien vliegen, al vloog het ook zelf nog nooit, en al heeft het nog geen aanzetsels van vleugels, dan is toch het vliegen een inhaerente qualiteit van het dier. Zoo ook bij do kerk. Al heb ik te doen met personen, die nog
88
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
nooit dc fides, de spes eu de charitas hebben beoefend, dan hebben zo toch als membra van het Lichaam van Christus de inhaerente qualiteit om te gelooven, te hopen, lief' te hebben.
1°. Unitas fidci.
We bedoelen hier niet de fides quae creditur, (objectief, de belijdenis) maar de fides qua creditur (subjectief, de uiting van den geest). Om het somatisch uit te drukken, is deze fides niets anders dan het adhaesievermogen van dc membra aan hot' Hoofd. Die gemeenschap wordt bij het menschelijk lichaam tot stand gebracht door de zenuwvertakkingen, en deze zelfde gemeenschapswerking komt in do ecclesia tot stand door het geloof. Stel eens, dat er geen geloof was inhaerent in de kerk, dan waren er membra en een Caput, maar in denzelfden toestand als bij iemand, die een verlamden arm of voet lieeft.
Nu beweegt zich de tides niet op het gebied van het zijn, maar van het hewmtzyjn. Steeds moeten we bij het menschelijk wezen onderscheid maken tusschen het esse en liet conscium esse. De mensch is naar Gods beeld geschapen. Bij God is een esse en een conscium esse, en ditzelfde vinden we bij den mensch terug. De geheele werking van het geloof nu ligt, zooals we zeiden, op het gebied van het bewustzijn. Nu kan, er bij ons lichaam wel een onbewuste werking plaats hebben op ons hoofd, b. v. wanneer we lijden aan hoofdpijn; en evenzeer kunnen er onbewuste werkingen uitgaan naar Christus; en van Christus uitgaan naar ons, maar dit zijn geen geloofswerkingen.
In de tweede plaats herinneren wij er aan, dat, hoe vreemd dit ook klinkt, het bewustzijn onbewust kan wezen, evenals liet spraakvermogen sprakeloos kan zijn. Een kind kan nog niet spreken en heeft dus een sprakeloos spraakvermogen. Zoo ligt liet vermogen van het bewustzijn reeds in ons, ook al kan het nog niet tot uiting komen. Het geloofsvermogen is reeds aanwezig ook al brak het geloof nog niet door in de bekeering. Hierop moeten we streng letten, omdat we handelen over de unitas essentialis. Deze fides is dus het inhaerente vermogen van elk membrum om met het Hoofd Christus in bewuste gemeenschap te geraken.
Nu kan deze unitas fidei ook wel van de fides quae creditur geaccepteerd worden, mits men dit dan maar nooit laat slaan op de uitgedrukte geloofsbelijdenis, want deze behoort tot de uitwendige openbaring der kerk, en hier handelen we over de essentie. Als inhoud van de fides quae creditur moet dan worden genomen de Xsyaltj, Christus, en in dien zin is het volkomen waar, dat alle geloof' zich richt op Christus als object. De Roomsche kerk neemt uitsluitend de fides quae creditur, maar bij ons is zij bijzaak, en de fides qua creditur hoofdzaak.
89
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2° De Unitas charitatis.
Gelijk de unitas fldei is het adhaesie-vermogen van de membra aan het Hoofd, is de unitas charitatis het cohaesie-vermogen ran de membra onderling.. De verschillende leden moeten ook met elkaar in verband staan. Nu wordt door do unitas charitatis niet uitgedrukt, dat we elkaar moeten liefhebben. Dit vloeit wel uit haar voort, maar de unitas charitatis zelve is objectmnfidei. Ze is er. Al hebben allen elkander nog niet lief; al bespeuren we daarvan niets, toch bestaat zij. Iemand kan b. v. met een ingebeelde ziekte op bed liggen, zoodat de unitas membrorum nooit bij hem tot uiting komt. Bij een athleet daarentegen is die uiting zeer sterk, maar toch is die charitas membrorum bij dien ingebeelde zieke evenzeer aanwezig. Ook al ziet men in de kerk, dat men elkander bestrijdt, toch ligt die unitas charitatis inhaerent in het Lichaam van Christus. We hebben dus niet te letten op de charitas, die gepleegd wordt, maar die in het corpus inzit en daarom tot volkomen ontplooiing zal komen. Die eenheid ligt in de eenheid zelf van het «aptt, en de liefde van personen onder elkander brengt wel die charitas tot uiting, maar ze wordt daardoor niet geboren. De unitas charitatis ligt in Christus. Daarom noemt Paulus in Col. 3 : 14 de liefde den band der volmaaktheid. Dit toch kan onmogelijk gezegd worden van de liefde, die wij plegen. Dan zou elke liefdolooze daad van onze zijde die eenheid weêr verbreken. Die liefde-oefening is eerst mogelijk, doordat de charitas essentieel in het wezen der kerk is ingelegd.
8U JJe Unitas spei.
Verstaan we nu door de unitas fldei liet adhaesievermogen van de membra aan hun Hoofd, en door de unitas charitatis het cohaesievermogen van de membra onderling, dan is de spes de uitdrukking van het consortium dat tusschen caput en membra bestaat. Ze beteekent, dat de membra met het Hoofd lotgemeen zijn. Die lotgemeenschap erlangt het karakter van hoop, om deze reden, dat; het Hoofd reeds verheerlijkt is en het am^a nog niet. Ook het caput heeft geleden, maar is nu reeds den toestand van heerlijkheid ingegaan. Doch deze christelijke hoop heeft niets gemeen met de hoop in de wereld, waarin steeds twijfel ligt opgesloten, of hetgeen men hoopt wel geschieden zal. In dezen zin spreken de modernen van de hope der onsterfelijkheid, en brengen daarmee de gemeente op een dwaalspoor, 't Schijnt, alsof ze de onsterfelijkheid prediken, maar zij vernietigen haar geheel. Neen, de hoop in christelijken zin is de uitdrukking van datgene, wat men zeker weet, dat men krijgt. Er is dus een groot verschil tusschen hoop en geloof. Geloof is do uitdrukking van datgene, wat men zeker weet, dat er is. Men kan nooit gelooven aan iets wat nog komen moet, b. v. niet aan mijn ingaan in den
90
College-dictaat van een der studente» (Dogmatiek).
hemel; maar wol kan ik gelooven aan do uitverkiezing, aan do vergeving der zonden enz. De hoop daarentegen heeft altijd iets toekomstigs tot haar object. Evenwel komen geloof en hoop hierin overeen, dat èn het geloof en do hoop onvoorwaardelijke zekerheid hebben.
Juist hierom is het beeld der hoop de erfenis, omdat een erfprins b. v. zeker weet, dat do troon voor hem is weggelegd. Alleen is de christelijke hope van niets accidenteels afhankelijk.
Overmits de sXn{« de uitdrukking is van de lotgemeenschap tusschen het Hoofd en de leden, moeten wc vooral letten op een reeks van uitspraken in de Heilige Schrift, die alle hierop neerkomen, dat, indien wij met Christus geleden hebben, wij ook alzoo met Hem zullen verheerlijkt worden.
Kom. 0 : 4, 5, 8. Pil. 3 : 10, 11. Hetzelfde wordt hier eenigszins anders uitgedrukt.
Het behoort nu tot de essentie der kerk, dat, gelijk liet lot des Hoofds is, ook alzoo dat der leden /ij. Immers, ook bij jonge kinderen hangt de ge-heele toekomst alleen af van hetgeen in dat kleine hoofd zit. Het hoofd beheerscht het lot van al de leden. Zóó is het ook principieel in de kerk. We hebben niet te doen met een parallel, maar uit de beteekenis van de voor het «lajfia vloeit de lotgemeenschap voort. Dat het Hoofd nu in heerlijkheid is, is een uitvloeisel van de uitnemendheid van het Hoofd, en aangezien Hij van het aünu is, waarborgt Hij daarom aan het ofóftK
dezelfde heerlijkheid. Daarom noemt Paulus 1 Tim. 1 : 1 Christus zelf de hope, omdat de ixnls niets anders is dan de lotgemeenschap met het Hoofd Christus.
In Col. 1 •: 5 wordt van de iXnig gesproken als van een anoniiiiivr], omdat zij aanwezig is in het Hoofd.
Deze èXni's moet wederom worden genomen naar het vermogen. Dit wil zeggen, dat in elk lid van Christus' lichaam een zoodanige natuur geformeerd wordt, dat uit die natuur dat lotgemeen zijn met Christus vanzelf geboren wordt. Die spes is dus een eigenaardigheid, die tot de' natuur zelf van Gods kind behoort. Daarom is geloof, hoop en liefde in zijn trias de noodzakelijke, de geheel normale en karakteriseerende uiting van het Lichaam van Christus. Volstrekt niet bestaat liet eigenaardige karakter der kerk in recht doen, barmhartigheid oefenen, waarheid zeggen, het zich spenen aan zingenot. Al deze deugden zijn deugden, inhaerent in de menschelijke natuur als zoodanig, en die dan ook in de kerk opleven alleen als vermogen van de menschelijke natuur; maar ze vormen niet het specifieke karakter van de kerk; ze maken niet, dat de kerk kerk is. Wèl karakteristiek voor do kerk zijn daarentegen de fides, spes en charitas, omdat die het adhaesievermogen, het cohaesiever mogen en het consortium uitdrukken. Vandaar dat Paulus zegt, 1 Cor. 13:13;
vvvï öt fiévsi ntang, iXnie, ciyanrj, Tce rgia tuvtu.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Nog eou opmerking moet hierbij gevoegd. Hoe is de liefde een specifiek christelijk iets, terwijl zij toch tot dn menschel ij ke natuur behoort? Hiertoe wijzen we op Joh. 13 : 34. Dit zijn raadselachtige woorden, als we den waren zin niet vatten. Waarom geeft Jezus een nieuw gebod, als Hij zijn discipelen aanmaant elkander lief te hebben, gelijk Hij hen heeft liefgehad? 't Oude Testament leerde dit toch ook reeds? Sommigen zoeken de verklaring in het xttamp;iamp;q ■qyanqaa. en nemen dan een gradueel verschil aan. Dit is een onaannemelijke interpretatie, omdat daaruit zou volgen, dat wc allen voor elkander moeten sterven, wat natuurlijk eene onmogelijkheid is. Neen, de woorden ««{hós iiyiinrjaa vpag moeten aldus worden opgevat; Ik ben tot u in een bijzondere liefde getreden als de KsyaXq tot het acö^ia, en daarom moet gij die cohaesie onderling gevoelen, die niet de uitdrukking is eener gewone liefde, maar van die liefde welke specifiek eigen is aan het lichaam van Christus. Daarom is niet het woord „amorquot;, maar „charitasquot; gekozen, daar „amorquot; het algemeen menschelijko uitdrukt. In het Hollandsch hebben We geen twee woorden. Vroeger bezigde men nog al eens voor de liefde tot God : ,,miir, maar tegenwoordig is dit uitsluitend in gebruik om do huwelijksliefde aan te duiden. „Charitasquot;, het uit het Grieksch vertaalde woord, drukt inderdaad dat specifieke karakter dier liefde uit. Geen liefde, die gradueel van alle andere liefde verschilt, maar specifiek:
II. De Sanctitas Eöclesiae.
Hierbij komt het er op aan, te begrijpen, wat deze sanctitas is. Wederom moeten wij bij deze eigenschap niet denken aan de christenen, zooals wij ze gadeslaan; en in de tweede plaats moeten we niet denken aan een gedeeltelijke, maar aan een absolute sanctitas, evenals wij de unitas als een absolute miitas beschouwden. De kerk van Christus van alle eeuwen was en is, en zal zijn absoluut sancta. Om dit klaar in te zien is het beeld van de enting, hoewel niet volkomen zuiver, het meest geschikte. Als ik op een wilden wingerd het oogje ent van een tamme, dan is al wat boven dat entsel groeit niet half, maar absoluut tam; van den wilden stam kan er niets doordringen. Al wat onder het entsel groeit is absoluut wild. Gelijk dit absoluut doorgaat bij den geënten boom, zoo ook bij de kerk. Daar is geen vermenging. Al wat bij een kind van God tot den naiaios cérftgcoiros behoort is absoluut verdoemelijk; al wat tot den vMivug avftmnog behoort, is absoluut heilig.
Het beeld van den geënten boom is daarom des te beter, omdat God daarin het raadsel opklaart, hoe hetzelfde ik zondig naar den ouden en heilig naar den nieuwen mensch kan zijn. Daar is in een kind van God maar een ik, en datzelfde ik is in hem de en de/(wós aWfyraTros. Daar staan geen
twee boomen maar één, met één wortel, en die tamme boom heeft niet anders
92
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
dan den wortel van den wilden boom, maar bij het entsel worden de levenssappen omgezet in de tamme natuur. De gruwelijke zonde der Antinomianen is, dat zij twee boomen aannemen, twee menschen, een oude en een nieuwe naast elkaar. Zij zijn dan de goede, en naast hen staat een kwade, die zondigt, maar daarmee hebben ze eigenlijk niets te maken. Wij moeten vasthouden, dat ons ik het is, dat zondigt, en in het kind van God is geen tweeërlei ik.
Doch dit beeld van den boom is niet .volkomen zuiver, en alleen het tertium comparationis gaat door, om deze reden, dat Christus niet in ons, maar wij in Christus worden ingeënt.
is nu het entsel zwaar geworden, dan bot eindelijk aan dien wilden stam niets meer uit. De zuigkracht van het entsel wordt steeds grooter. Eindelijk bestaat de wilde boom eigenlijk in het geheel niet meer.
De zaak, waarop het hier aankomt, is, dat het leven van het Lichaam van Christus een eigen heeft, en dat die wortel niet is in de wereld, en met het leven der quot;wereld niets te maken heeft, noch ooit met haar vermengd kan worden, maar gaaf in het leven der wereld indringt. Al wat niet tot dien wortel behoort, behoort niet tot de kerk. En aangezien nu de kerk geen enkele andere levensuiting heeft dan uit den wortel Christus, kan die kerk nooit anders dan gaaf opgroeien. „Als de wortel heilig is, zijn ook de takken heiligquot;, zegt de apostel. Hierin ligt de vindicatie van de sanctitas ecclesiae.
Elke voorstelling, die deze waarheid, dat de kerk steeds reëel sancta geweest is, is, en zijn zal, van haar kracht berooft, moet onverbiddelijk worden afgesneden. Men zegt b. v. wel eens dat dit sancta beteekend: „heilig genoemdquot;, of: „Gode gewijd, afgezonderd.quot; Dit zou alles kunnen, indien de sanctitas object van de spes was, maar niet nu zij is object van de fides; en ik kan niets gclooven, tenzij het zoo is en reëel bestaat. De sanctitas moet daarom geaccepteerd als absoluut feit. Evenzoo moet worden ingezien, dat elk nsHos van het ccöuct tov Xgiazov absoluut en reëel heilig is. Daarom zegt Paulus in Hom. 7, dat, indien in hem de zonde gevonden wordt, niet hij het is, die zondigt, maar de zonde die in hem woont; en verzekert Johannes evenzeer, dat de wedergeborene niet kan zondigen. Iemand, die wedergeboren is en toch zondigt, moet zeggen, dat hij weer buiten zijn kindschap om heeft gehandeld, maar hij, als kind Gods, Is reëel heilig; de booze vat hem niet.
Daarom worden In de Heilige Schrift de leden der kerk steeds als éiyioi aangesproken, en dit Syioi is reëel bedoeld: waren ze niet uyioi, dan waren ze ook niet wedergeboren, want waar do wedergeboorte Is, daar is absolute heiligheid, en de persoon, die wedergeboren is, staat als absoluut Sytos voor God. De mogelijkheid om weer tot zonde te komen, bestaat voor het nieuwe leven van het kind van God niet.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Joh. 15 ; 3. Joh. 13- : 10. Die gewasschen is in het bioed van Christus, heeft niet meer noodig gewasschen te worden, maar is geheel rein.
Bij de sanctitas ecclesiae hebben wij dus te doen met de tegenstelling tusschen het ctóna ^o-ü Xgiarov en den xóo^og. ZIJ wil zeggen, dat de ecclesia een schepping is, die niet uit den wortel der wereld voortkwam, maar een eigen leven heeft in het leven der wereld.
III. De Catholicitas Ecclesiae.
De uitdrukking hci9oIiki] is in zin en strekking dezelfde als oUovfitiviyn'i. De conciliën noemde men meer: de oecumenische conciliën, terwijl men het woord katholiek meer gebruikte van de kerk. Toch is het woord v-aQ-uhuq zuiverder dan oUoviitivwr], omdat olnov^évri het woord was, om aan te dulden de bewoonde wereld; eu wat daarbuiten lag, werd niet medegerekend. Streng genomen is dus v.aamp;olniri, dat niet alleen mot het meetellende deel, maar met het heele menschelyke geslacht rekent, breeder van omvang.
In de tweede plaats moeten we steeds sterk opkomen tegen de neiging van Rome, om liet woord „katholiekquot; alleen voor zich te nemen. Dat wij het woord voor een groot doel kwijt zijn, is een rechtvaardige straf, die op ons hoofd neerkomt. In ons land hebben de protestanten zelf meegedaan aan dit kwaad. Het woord klinkt ons niet liefelijk meer in de ooren. Do protestanten deden het katholieke begrip der kerk teloor gaan en richtten volkskerken op. Aan de Roomschen de eere, dat zij partij trokken van de zonde van het protestantisme. Zij begrepen, dat de kerk van Christus zich moest uitstrekken over de geheele wereld. Onder de protestanten zondigden de gereformeerden hierin ook zwaar, maar toch nog het minst. De Luthersche kerken werden in Zweden, Denemarken, Duitschland enz. pure volkskerken, hnitatiën van hot oude Israël. Zóó diep ging zelfs het katholiek begrip der kerk te gronde, dat er nog nooit een convent heeft plaats gehad, waarop de verschillende Luthersche kerken samenkwamen, terwijl dit toch voor de Lutherschen veel makkelijker was, dan voor de Gereformeerden, daar de Lutherschen maar één geloofsbelijdenis hadden.
De Gereformeerden hebben althans nog steeds vastgehouden, aan de waarheid, dat we te doen hebben met de kerk onder alle volken. Ze deden dit tot uitdrukking komen: 1° Door het syntagma of corpus confessionum, een boek, waarin ze hun verschillende belijdenissen opgenomen en uitgegeven hebben, om te toonen, dat ze één waren. Vanwege do kerken werd dit gedaan; ze zonden elkander de geloofsbelijdenissen toe. 2° Door de Synode van Dordrecht. De theologen van andere kerken werden daarbij geroepen, 3e Door de Synode van Westminster, toen men voor de gereformeerde kerken in Engeland een geloofsbelijdenis en catechisnius maakte.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Intusschen is dit catlioliek begrip ook daarna weêr zoek geraakt. Het heeft zich liet laatst geuit in de valsche vormen der Calixtijnsche Ireniek; valsch, omdat de bedoeling was, de „spitzequot; van de belijdenis af te stompen, zoodat men een zwakke belijdenis kreeg, waarbij ieder zich kon neerleggen. Maar toch heeft dit zoo gewerkt, dat de Presbyterian Alliance altijd nog saambinding zoekt. Evenwel, ook in ons land zit „de kerk der vaderen, de volkskerkquot; er zoo diep ingeroest, dat men hoogst gemakkelijk daardoor de menigte op een dwaalspoor kan leiden. Om de kerk van Rome aan te duiden, moeten we dus nooit spreken vau de Katholieken, maar steeds van do Roomschen.
Intusschen hebben we ook bij de catholicitas met een dwaling te doen. Deze catholicitas wederom, is niet opgevat essentieel, maar zóó, dat men haar slechts veronderstelde. Weêr dus werd de catholicitas genomen van de uitwendige kerk. Dan wordt zij geen geloofszekerheid, maar veronderstelling. Op den voorgrond echter moet staan, dat de catholicitas is een qualitas essentialis van hot Lichaam van Christus.
Waarin bestaat deze catholicitas? In hetgeen we in § 1 aantoonden, dat de kerk van Christus is do reconstructie van het geheele gevallen men-schelijk geslacht, üe stamboom van het menschelijk geslacht wordt niet prijs gegeven, maar van de wilde takken ontdaan, zal hij eeuwig doorbloeien. En, aangezien nu het menschelijk geslacht y.adohxóg is, d. i. alles omvat, moet volgen, dat zoover de stam van het genus humanum zich uitbreidt, evenzoover het Lichaam van Christus zich uitstrekt. Tevens ligt hierin opgesloten, dat, waar aan dien stam verscheidene natiën en geslachten zijn uitgebot, elk daarboven zal worden gerepresenteerd. Dit „catholiekquot; is dus niet oen accidenteole, maar een inhaeronto en essentieele eigenschap van de kerk, die tot haar wezen behoort. God neemt niet hier en daar een enkele uit, want dan konden wel heel wat volken afvallen; neen, als de kerk is de weeropgcstane stam van het menschelijk geslacht, dan moet datgene, wat behoort tot de essentie van het menschelijk geslacht, teruggevonden worden in de essentie van do kerk. Als zoodanig nu zegt Paulus Pil. 2 : 11, dat in den naam van Jezus alle knie zich zal buigen, ènovQavCow nul èmysiav nul Kara^ovLeov. Het heele menschelijk geslacht toch bestaat uit menschen, die reeds in den hemel zijn, die nog op aarde zijn, en die begraven zijn. Ook do nog ongeborenen behooren tot de KCiTaxamp;Hvioi, omdat in de Heilige Schrift de moederschoot genoemd wordt, do benedenste doelen der aarde.
Bij dit punt moet nog worden aangeduid, dat de Heilige Schrift do kerk van den aanvang af als catholiek openbaart. Letten wo hierbij;
1° op den zegen door God aan Abraham gegeven: „in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden;quot;
95
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2° op rte bepalingen, die In] Israël aan de besnijdenis verbonden waren, n.1. dat ook de ingeborenen van het huis, de slavenkinderen moesten besneden worden;
3° op den bestendigen regel, dat ieder uit elk volk in het verbond kan worden opgenomen, als hij den God Israels beleed: het proselytenstelsel, dat we hot sterkst vinden uitgedrukt in Psalm 87, die geheel aan dat katholieke karakter der kerk is gewijd. Do heerlijke dingen, die van de stad Gods worden gesproken, zijn, dat God Rahab en Babel vermelden zal onder degenen, die Hem kennen. Deze psalm is een prachtige openbaring omtrent het katholieke karakter van de kerk. Dat hier van de kerk in haar essentie sprake is, en niet van de symbolische bedeeling van Israël, blijkt
1° hieruit, dat er staat: „De Heere bemint de poorten van Zien boven alle woningen van Jacobquot;;
2quot; doordat er van Rahab en Babel, den Filistijn, den Tyriër en den Moor niet staat, dat zij als proselyten zullen inkomen, maar dat zij aldaar geborenquot; zijn. Door het proselytendom kwam men in do uitwendige kerk. In de uitwendige kerk konden Rahab en Babel niet geboren worden, maar wel konden ze geboren worden door de wedergeboorte in de onzichtbare kerk;
3° doordat er niet staat, dat God ze rekenen zal bij het tellen der stammen van Israël, maar Hij zal ze rekenen, „bij liet opschrijven der volken
4° uit het slotvers, waar staat, dat de zangers en de speellieden mitsgaders al Gods fonteinen in haar zullen zijn. Deze zangers zijn niet de Levietische speellieden, maar allen, die God bekwaam gemaakt heeft, om zijn lof te bezingen.
Aangezien Ps. 87 de locus classicus is voor de catholiciteit der kerk, is hot niet noodig een verder beroep te doen op de Jesajaansche en Ezechiel' profetieën omtrent de volken. Dikwijls wordt Ps. 87 gebezigd voor zendingsbidstonden. Goed. Indien men den inhoud maar steeds laat doelen op do essentie van de kerk, en niet b.v. die zangers voor de zendelingen gaat houden.
Voor het Nieuwe Testament wijzen we op:
1° Joh. 3 : 16, met alle daarbij hoerende plaatsen, waarin van het heil gesproken wordt als uitgaande naar den geheelen xóafios (wlanog is in de Heilige Schrift niet het heelal, maar de aarde). De *óa/tog staat tegenover Israël. Met die verschillende distinction, alsof met KÓafwg alle menschen (Armin.) of wel alleen de uitverkorenen (sommige gereformeerden) bedoeld zou zijn, hebben we dus niets te maken.
2° 1 Joh. 2 : 2. Hier vinden we hetzelfde onder een ander aspect.
3° Hierbij behooren alle plaatsen rakende het itvorfawv, dat altijd wéér
9ö
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
beteekent, dat niet alleen aan Israël, maar aan alle volken het heil in Christus wordt aangeboden.
4° De last van Jezus bij den doop, Matth. 28 ; 19; fiadritsvaaxs navra ta l'amp;vr/.
5e Ook het hoogepriesterlijk gebed van Jezus, Joh. 17, is geheel in dezelfde lijn van gedachten. Alleen ontstaat daar eenige moeielljkheid, omdat de Heere vóofiog daar in twee beteekenissen gebruikt:
a. quantilatief, om het oecumenisch karakter der kerk uit te drukken.
h. qualitatief, om uit te drukken, dat de móo^os èv novrigü «eftat.
6° Extensief spreekt Paulus hetzelfde uit Rom. 1 : 8.
7° Die categorie van plaatsen, waar er op gewezen wordt, dat er geen onderscheid meer bestaat tusschen Jood en Griek, barbaar en Scyth. Dooiden Scyth hierbij te noemen, wordt meer dan het oecumenische, het absoluut katholieke karakter der kerk aangegeven. De Scythen lagen buiten de oUovpévri, en ook die volken waren principieel begrepen in de kerk van Christus.
IV. De C h r i s t i a n i t a s Ecclesiae.
Ook hier hebben we weêr te strijden tegen de veruitwendiging van dit begrip, terwijl het toch in de geloofsbelijdenis niet anders kan voorkomen, dan als een essentieel begrip. Er staat; „Ik geloof een christelijke kerk.quot; Ook dat de kerk „Christianaquot; is, is dus voorwerp des geloofs.
Dit begrip is in twee opzichten veruitwendigd.
1° In Antiochiö, waar de belijders hot eerst christiani werden genoemd. Uitwendig werd aan de volgelingen van Christus dien naam gegeven, op gelijke wijze als men sprak van de Socratische en Pythagoreïsche school. Christus werd dus op één lijn gesteld met de heidensche wijsgeeren.
2° Door het tegenwoordige spraakgebruik, in onzen tijd n.1. heeft men het woord „christelijkequot; bij „kerkquot; gevoegd. Wat bedoelt men dan met „christelijke kerk?quot; Het best zien wij dit op het budget van eeredienst waar gesproken wordt van een Joodsche kerk enz., en dan ook van een christelijke kerk. „Kerkquot; wordt dan een zekere godsdienstige vereeniging, en anders niets. Natuurlijk is dit totaal verkeerd, daar „kerkquot; een univocum is. Ook etymologisch is dit echter geheel onjuist, omdat „kerkquot; van Kviiiog komt. en „christelijke kerkquot; dus eenvoudig een pleonasme is. Onze Roomsche landgencoten staan hierin veel zuiverder, wanneer ze spreken van „de kerk.quot;
In onze geloofsbelijdenis komt echter dit „christelijkequot; in een geheel anderen zin voor. Het attribuut „christelijkequot;, als uitdrukking van een essentieele qualiteit der kerk bedoelt hetzelfde, als wat we vinden in 1 Cor. 12 :12. Daar wordt de kerk vergeleken bij een lichaam. Eerst wordt van het menschelijk lichaam gesproken, en dan volgt; ovra ó Xyiaróg. Dat wil zeggen, dat Christus de kerk zelf is en de kerk Christus is. Er ligt in opgesloten: ovrw *«l r; èwhiate, evenals
07
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ivi/j van iemand niet zeggen: dat is hij met zvjn licha.am, maar: dat is hij; terwijl wij den persoon dan in het gelaat zien. Hij bestaat niet buiten zijn lichaam. Die diepe achtergrond, die ligt achter het attribuut „christelijkequot; is dus, dat Christus zelf is de kerk in zooverre zij:
1° uit Christus ontstaan' is,
2° geen oogenblik zonder Hem bestaat,
3e Christus tol haar Hoofd heeft,
•4° in al haar deelen en leden alleen door Christus leeft en loerkt.
Gelijk lue spreken van een mensohelijk lichaam, omdat daarin zich hel leven uit. van een niensch, zoo spreken wc van het lichaam van Christus als van de christelijke kerk, omdat zich daarin het leven van Christus openbaart. De eigenlijke essentie der kerk ligt in Hon. Hij is de Wijnstok, die de ranken draagt; de ranken zijn in Hem begrepen. Een koning is niet te denken zonder onderdanen. De koning sluit een verdrag, en in hem is geheel het volk begrepen.
De zaak zelf is dus duidelijk. Alleen blijft nu nog een vraag over: Hoe hebtjen ive dan de kerk van het Oude Verbond op te vatten? Daarin ligt de car do quaestionis. Die de christelijke kerk uitwendig opvatten, zeggen', zij begint met den Pinksterdag. Die zoo leeren, jüaatsen dan naast die christelijke kerk een joodsche kerk of de kerk van Mozes, als de kerk van den ouden dag. De tegenwoordige joodsche kerk krijgt dan den naam van: „ Tsraëlietische kerkquot;. Met deze voorstelling moet ten eenenmale gebroken. Neen! De kerk, de christelijke kerk bestaat van den aanbeginne der wereld. Is dit dan ook een aanduiding der Heilige Schrift? Zeer zeker. Zoodra de kerk ontstaan is, bij den val, is terstond de Middelaar geopenbaard-. Gen. 3: 15. Bovendien spreekt de geheele Messiaansche profetie steeds van een Middelaar die er is. Zij handelt steeds over een Middelaar, die ivel nog moest komen, maar niet, die nog moest ontstaan. Vandaar dat in de profetie de Middelaar gedurig sprekende wordt ingevoerd, b. v. Jes. 01 : 1. Zoo ook treedt de Middelaar op in Ps. 2: „Ik zal van het besluit verhalen: De Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijl mijn Zoonquot; enz. In hel geheele Oude Verbond, wordt ons de Middelaar als bestaande voorgesteld, terwijl Hij gedurig verschijnt als de Engel des Ver bonds. Is dun eerst in het paradijs de Middelaar Middelaar geworden ? Neen, het Nieuwe Testament gaat nog verder en leert ons, dut Hij reeds ngh HctTafSuXijs v.óa(iov als Middelaar ivas aangesteld en voorgesteld: Ef. 1:4; 1 Petr. 1 : 20; Openb. 13 : 8.
Dit christelijke, of liever dit christische, dit Christus-karakter der kerk heeft de Christus zelf zoo beslist mogelijk uitgesproken in Matth. 11 : 21 en Joh. 17 : 3. Er is sprake van een yvamp;ait, die het eeuwige leven geeft. Deze yvmaig heeft alleen
9ö
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
beteekent, dat niet alleen aan Israël, maar aan alle volken het heil in Christus wordt aangeboden.
4° De last van Jezus bij den doop, Matth. '28 ; 19: fiud-rjtsvactts navra ra fóvrj.
5° Ook het hoogepriesterlijk gebed van Jezus, Joh. 17, is geheel in dezelfde lijn van gedachten. Alleen ontstaat daar cenige moeielijkheid, omdat de Heere xoafto? daar in twee beteekenissen gebruikt:
a. quantüatief, om het oecumenisch karakter der kerk uit te drukken.
b. quaütatief, om uit te drukken, dat de nóêv novrigm «ftrat.
6« Extensief spreekt Paulus hetzelfde uit Rom. 1 : 8.
Tü Die categorie van plaatsen, waar er op gewezen wordt, dat er geen onderscheid meer bestaat tusschen Jood en Griek, barbaar en Scyth. Dooiden Scyth hierbij te noemen, wordt meer dan het oecumenische, het absoluut katholieke karakter der kerk aangegeven. De Scythen lagen buiten de oUovaivr), en ook die volken waren principieel begrepen in de kerk van Christus.
IV. De C h r i s t i a n i t a s Ecclesiae.
Ook hier hebben we weêr te strijden tegen de veruitwendiging van dit begrip, terwijl het toch in de geloofsbelijdenis niet anders kan voorkomen, dan als een essentieel begrip. Er staat; „Ik geloof een christeliike kerk.quot; Ook dat de kerk „Christianaquot; is, is dus voorwerp des geloofs.
Dit begrip is in twee opzichten veruitwendigd.
1° In Antiochiö, waar de belijders het eerst christiani werden genoemd. Uitwendig werd aan de volgelingen van Christus dien naam gegeven, op gelijke wijze als men sprak van de Socratische en Pythagoreïsche school. Christus werd dus op één lijn gesteld met de heidensche wljsgeeren.
2° Door het tegenwoordige spraakgebruik. In onzen tijd n.1. heeft men het woord „christelijkequot; bij „kerkquot; gevoegd. Wat bedoelt men dan met „christelijke kerk?quot; Het best zien wij dit op het budget van eeredienst waar gesproken wordt van een Joodsche kerk enz., en dan ook van een christelijke kerk. „Kerkquot; wordt dan een zekere godsdienstige vereeniging, en anders niets. Natuurlijk is dit totaal verkeerd, daar „kerk' een univocum is. Ook etymologisch is dit echter geheel onjuist, omdat „kerkquot; van KvQiog komt. en „christelijke kerkquot; dus eenvoudig een pleonasme is. Onze Roomsche landgenooten staan hierin veel zuiverder, wanneer ze spreken van „de kerk.quot;
In onze geloofsbelijdenis komt echter dit „christelijkequot; in een geheel anderen zin voor. Het attribuut „christelijkequot;, als uitdrukking van een essentieele qualitcit der kerk bedoelt hetzelfde, als wat we vinden in 1 Cor, 12 :12. Daar wordt de kerk vergeleken bij een lichaam. Eerst wordt van het mensclielijk lichaam gesproken, en dan volgt: ovrco *«) ó X^atóe. Dat wil zeggen, dat Christus de kerk zelf is en de kerk Christus is. Er ligt in opgesloten: ovrto ««) t; l^nXqaCa, evenals
97
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
wij van iemand niet zeggen : (Jat is hij met zijn lichaam, maar: dat is hij; terwijl ivij den persoon dan in het gelaat zien. Hij bestaat niet buiten zijn lichaam. Die diepe achtergrond, die ligt achter het attribuut „christelijkequot; is dus, dat Christus zelf is de kerk in zooverre zij-.
1° uit Christus ontstaan: is,
2e geen oogenblik zonder Hem bestaat,
3e Christus tol haar Hoofd heeft,
4° in al haar deelen en leden alleen door Christus leefi en werkt.
Gelijk toe spreken van een menschelijk lichaam, omdat daarin zich het leven uit. van een mensch. zoo spreken ive van het lichaam van Christus als van de christelijke kerk, omdat zich daarin hel leven van Christus openbaart. De eigenlijke essentie der kerk ligt in Hem. Hij is de Wijnstok, die de ranken draagt; de ranken zijn in Hem begrepen. Een koning is niet te denken zouter onderdanen. De koning sluit een verdrag, en in hem is geheel hel volk be-grepen.
De zaak zelf is dus duidelijk. Alleen, blijft nu nog een vraag over: Hoe hebben ive dan de kerk van het Oude Verbond op te vatten? Daarin ligt de cardo quaestionis. Die de christelijke kerk uitwendig opvatten, zeggen', zij begint met den Pinksterdag. Die zoo leeren, plaatsen dan naast die christelijke kerk een joodsche kerk of de kerk van Mozes, als de kerk van den ouden dag. De tegenwoordige joodsche kerk krijgt dan den naam van; „Israëlietische kerkquot;. Met deze voorstelling moet ten eenenmale gebroken. Neen! De kerk, de christelijke kerk bestaat van den aanbeginne der wereld. Ts dit dan ook een aanduiding der Heilige Schrift? Zeer zeker. Zoodra de kerk ontstaan is, bij den val, is terstond de Middelaar geopenbaard: Gen. 8: 15. Bovendien spreekt de geheele Messiuansche profetie steeds van een Middelaar die er is. Zij handelt steeds over een Middelaar, die ivel nog moest komen, maar niet, die nog moest ontstaan. Vandaar dut in de profetie de Middelaar gedurig sprekende wordt ingevoerd, b. v. Jes. 61 : 1. Zoo ook treedt de Middelaar op in Ps. 2: „Ik zal van het besluit verhalen: De Heere heeft tot Mij (gezegd; Gij zijl mijn Zoonquot; enz. In het geheele Oude Verbond, wordt ons de Middelaar als bestaande voorgesteld, terwijl Hij gedurig verschijnt als de Engel des Verbonds. Is dan eerst in het paradijs de Middelaar Middelaar geworden ? Neen, het Nieuwe Testament gaat nog verder en leerl ons, dat Hij reeds tiqü xarapoAijs xdofiov als Middelaar toas aangesteld en voorgesteld: Ef. 1:4; 1 Petr. 1 : 20; Openb. 13 : 8.
Dit christelijke, of liever dit christische, dit Christus-karakter der kerk heeft de Christus zelf zoo beslist mogelijk uitgesproken in Matth. 11 : 27 en Joh. 17 : 3. Er is sprake van een yvmaig, die hel eeuwige leven gee/t. Deze yvüeig heeft alleen
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
de Zoon, en niemand kan tot die levendmakende kennis komen, tenzij de Zoon hem die geeft, terwijl het den Zoon vrijstaat die kennis te geven aan wien Hij wil. Om dit te kunnen doen heeft Hij van den Vader een macht gekregen, die alles in zich besluit.
Ziedaar de eerste lijn, waarlangs dat Christus-karakter der kerk wordt uitgesproken.
De tweede lijn is de bekende pericoop van Hom. 5. Daar wordt de lijn teruggeleid naar liet paradijs. De eerste avamp;Qantog heeft aan zijn geslacht niets anders kunnen geven dan schuld, dood, verdoemenis. De tweede avüqontos brengt de verzoening, het leven, de eeuwige heerlijkheid, en deze drie maken de heele ' sfeer der kerk uit. Die kerk bestaat alleen onder menschen; die menschen kunnen alleen onder een Hoofd leven en als zoodanig wordt de Christus als tweede Hoofd tegenover het eerste gesteld. Paulus zegt in dit kapittel niet telkens hetzelfde, maar teekent deze waarheid in onderscheidene trekken. Hij betoogt, dat, indien Christus niet ware gekomen, er niets zou zijn geweest dan een Adamietische menschheid en hiermede was dan het essentieele karakter van het menschelijk geslacht uitgedrukt. Allen waren uit Adam opgekomen; allen waren met hem lotgemeen. Wil men nu weten wat de Christus-kerk is, dan is het best, eerst te spreken van Adam en het menschelijk geslacht en daartegenover te stellen hot Christus-geslacht. Dan zien we, hoe dat heele inenschelijke geslacht uit Christus zijn oorsprong heeft, in Hem zijn type heeft, uit Hem is opgekomen en in Hem zijn vereenigingspunt heeft. Of wil men dit duidelijk maken met het beeld, dat Cap 6 aangeeft: „we zijn één plante met Hem geworden.quot; Het soort van plant beheerscht heel het wezen van die plant. Als ik van een struikje zeg, dat het een roos is, dan heb ik daarmede het karakter aangegeven, en wanneer ik de kerk aanschouw en daarvan zeg: zij is Christus, dan is hiermede het type van die kerk aangegeven. Uit het zaad van Christus wast die kerk op en haar strekking is om zijn eere voort te brengen.
V. Apostolis c h.
Deze qualiteit vindt men in sommige edities van de 12 geloofsartikelen aangegeven. Op zichzelf is liet Juister haar niet op te nemen. „Apostolischquot; toch heeft zijn beteekenis bijna uitsluitend voor de uitwendige kerk. Eerst toen men het woord „christelijkquot; in uitwendigen zin ging bezigen, werd het woord „apostolischquot; een nevenbegrip om de zuivere uitwendige kerk van de onzuivere te onderscheiden, op dezelfde wijze als wij het woord „gereformeerdquot; gebruiken. Daarna heeft Rome er prijs op gesteld, het woord te behouden. Aanvankelijk met recht, omdat Rome eerst het best de waarheid bewaarde, maar daarna werd het verdedigd, omdat Rome beweerde, dat het niet alleen
99
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
het zuiverst do apostolische leer handhaafde, maar dat ook de apostolische ^ inspiratie zich bij de bisschoppen van Rome voortplantte. Het apostolaat
werd alzoo opgevat als een voor perpetuoering vatbaar begrip. Vandaar nog steeds do naam: sedes apostolica, in dien zin dat do Roomscho traditie voort-^ leeft onder oen voortdurende apostolische gave. Terwille van deze verval-
selling van het begrip is dus het best het woord te laten vallen, gelijk dit geschied is in onze Confessie en Catechismus.
Laat ons het woord toch even bezien. „Apostolischquot; heeft drieërlei begrip: le 't begrip van organisatie.
2° een doctrinair begrip.
3° een institutair begrip.
Ad 1. Wat is er onder te verstaan, dat „apostolischquot; uitdrukt een organisch begrip ?
Jezus koos een bepaald getal discipelen en sprak uit, dat die tot apostelen gekozen discipelen een blijvende exceptioneele plaats in het lichaam dei-kerk behielden, want in de wedergeboorte zouden zij zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. Dit nu is een organisch begrip, omdat bij het organische niet alle doelen gelijk zijn, maar sommige doelen een • gt; exceptioneele positie innemen en invloed hebben op de overige leden. Zoo
hebben de apostelen een organische werking op de twaalf stammen Israels, dat is, op de kerk in haar geheel. In het visioen, dat den apostel Johannes wordt getoond op Patmos, heeft dan ook het Nieuwe Jeruzalem nog een apostolisch karakter, zooals blijkt uit zijn twaalf poorten met de namen der twaalf apostelen. Natuurlijk is dit niet grafisch, maar typisch bedoeld, om aan te duiden, dat in de kerk bestaan twaalf schakeeringen van den weg ten loven (de twaalf poorten) en dat deze schakeeringen samenhangen met het schakeerond karakter der twaalf apostelen.
Ad 2. Een doctrinair begrip. Jezus is op aarde gekomen om do waarheid te prediken, maar dc waarheid is do blanke straal van het licht. Die volheid van den Christus is voor ons niet to assimiloeron en daarom treden nu de twaalf apostelen op als het prisma, waardoor die ééne blanke straal gespreid wordt in onderscheidene tinten, en waardoor de waarheid menschelijk wordt. Vandaar dat het den indruk maakt, alsof de apostelen duidelijker hebben i gesproken dan Jezus zelf. Dit is niet waar, maar wij kunnen de volheid der
quot; gedachten vau Jezus niet in ons opnemen; zij moeten ons in tastbaren vorm
worden gegeven. Omgekeerd is het alsof iets van den glans en den gloed van de Evangeliën verloren is in do apostolische brieven, omdat die volheid juist datgene is, waarnaar de ziel smacht en hunkert. Eerst moet men echter door de apostelen ingeleid zijn in de beteekenis van dit alles. Hierbij komt, dat
A
*
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
we niet één, maar vier evangeliën hebben. Ook zelfs dat beeld van Jezus was niet vatbaar voor teruggeving onder één vorm.
Had dus Christus alleen gesproken, dan waren wij niet gebaat. De volheid van den Christus moest ons worden vertolkt.
Ad 8. Met het institutaire begrip, hetwelk in het woord „apostolischquot; ligt opgesloten, is bedoeld, dat do Heere de apostelen niet alleen riep en bekwaamde, maar ook gebruikte als amanuenses om een deel der Heilige Schrift te boek te stellen. Daardoor heeft de openbaring van het Nieuwe Testament een vasten vorm aangenomen en maakt de Heere het mogelijk, dat de apostelen nu nog spreken in het midden der gemeente. De apostelen in hun geschriften geperpetueerd, zijn de blijvende getuigen van den Christus.
Zoo blijft dus tot hot einde toe de kerk een apostolische kerk, gebonden aan het getuigenis der apostelen, die nu nog even goed getuigenis afleggen dan zo eenmaal mondeling deden. Dit ligt opgesloten in twee uitspraken van Christus.
a. Het slot van Matth. 28. Bij hun leven hebben de apostelen maar aan een kleinen kring het v.ïtQvyaa gebracht, zoodat toen deze uitspraak niet is vervuld. Hierdoor alleen komt dit woord van Jezus tot vervulling, dat het altoos de apostelen zijn, die overal en ten allen tijde optreden om de getuigenis van den Christus af te leggen.
h. Joh. 17 : 20, waar Jezus niet alleen voor zijn discipelen bidt, maar ook voor degenen, die door hun woord in Hem gelooven zouden. Dit nu is alleen mogelijk, wanneer de apostelen ten allen tijde de getuigen onder de volkeren zijn. Dan geldt de bede ook ons; dan zijn ook wij degenen, die door hun woord in den Christus gelooven.
Hand. 1 ; 8, hoort eveneens hierbij.
Wanneer men nu vraagt, welke beteekenis deze qualiteit van „apostolischquot; voor de essentie der kerk heeft, dan heeft zi] dit alleen en uitsluitend in don eersten zin, in den organischen zin van het woord. Het nuitia mv Xqiotov. n.1 wordt ons in de apostelen niet geteekend als een bijeenvoeging van cellen, maar als een aamp;tm, dat in zijn romp organische onderscheidingen in de ledematen heeft. De apostelen komen als hoofdorganen voor in de essentie van de kerk,
We besluiten deze uiteenzetting met een summiere herhaling.
Deze eigenschappen raken niet de. zichtbare, maar de onzichtbare kerk:
1° omdat tot die kerk, waarvoor deze qualiteiten gelden, niet alleen de thans levenden maar ook de mortuis en morituri hoeren, die allen tot de inwendige kerk hooren,
2° omdat al die eigenschappen stand houden en doorgaan, ook als alle visibiliteit der kerk ontbreekt.
101
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hr: omdat deze eigenschappen, overmits ze tot het wezen dor kerk behooren, ook wel invloed op do openbaring dor kerk hebben, maar in die openbaring niet dan op hoogst gebrekkige wijze tot uiting kunnen komen. Noch de unitas, noch de sanctitas, noch de catholieitas, noch de christianitas kunnen hier ooit tot adaequate uiting geraken. Dit zal eerst mogelijk zijn in het koninkrijk der hemelen.
4° de kerk hoeft deze eigenschappen steeds bedoeld als voorwerp des geloofs.
Dit laatste is onze groote antithese, eenerzijds met de Roomsche kerk, andererzijds met allerlei secten voornamelijk met de Anabaptisten.
De Roomsche kerk, door deze qualiteiten op liet uitwendige toe te passen, werd genoodzaakt de uitwendige kerk tot corpus mysticum te verklaren. Dit kwam vooral tot stand tijdens Cyprianus. Dit leidde tot een geheele aberratie, terwijl men tot op dien tijd zuiver had gestaan.
De secte bedoelt altijd, uit ontevredenheid met den bestaanden toestand, de ecclesia invisibilis naar buiten te trekken, of door du sanctitas uitwendig te maken, öf door de zuivere openbaring der waarheid te vervalschen.
Het Anabaptisme gaat nog verder. Het bedoelt eigenlijk hetzelfde als Rome ; doch, daar het uitwendig realiseeren afstuit op de wereld, verwerpt het nu de wereld en richt een eigen koninkrijk op. Alles moet kerkelijk worden: de overheid, het burgerleven, eindelijk zelfs tic handel en het kapitaal. Op het punt van het kapitaal valt Rome dan ook saam met de Anabaptisten. Ten slotte komt men er toe een eigen bakkerij enz. te organiseeren. De Hernhutters deden hetzelfde, en hebben b. v. in Neuwied een eigen wijngaard, gelijk het Trappisten-klooster in Noord-Brabant een eigen brouwerij heeft opgericht. Al deze dingen komen uit dat éene streven voort, om al het wereldlijke kerkelijk te maken.
|
i
gt;
j
m
§ 5.
„Deze ecclesia is bestemd en heeft do roeping om in het uitwendige leven der wereld openbaar te worden en eens haar volle essentie tot existentie te brengen in het Regnum Gloriae. Van dit laatste is gehandeld in den Loc. de Novissimis. Hier komt dus alleen ter sprake haar optreden in deze bedeeling.
Deze laatstgenoemde openbaring nu heeft tweeërlei graad; en wel: 1° zoo de kerk openbaar wordt in personen, in gezinnen, in de volkeren en in de onderscheidene menschelijke levensuitingen. 2° zoo ze geraakt tot een eigen formatie, die van de organisatie
.van het leven der wereld onderscheiden is;
twee zeer verschillende graden van visibilitas, waarvoor de formatie der kerk in Israël een tusschenschakel vormt, en die te onderscheiden zijn als de ecclesia apparens en instituta.
De bewegende oorzaak voor deze visibilitas der kerk ligt in het feit der schepping. Hierin toch is de wille Gods uitgesproken, niet alleen om zijn opera immanentia ook tot opera exeuntia te maken, maar ook, om opera exeuntia niet alleen in psychische maar ook in somatische existentie te doen optreden, iets, wat met name van de ecclesia geldt, overmits deze de restauratie is van ons ontredderd menschelijk geslacht, en de mensch tweezijdig, dichotomisch, zoo psysisch als somatisch geschapen werd. Kan om dezen reden de einduitkomst nooit een enkel pneumatisch rijk zijn, maar moet het tegelijk een Regnum Gloriae worden, dan volgt hieruit, dat dit essentieele karakter van het koninkrijk der hemelen ook reeds tot openbaring moet trachten te komen in die ecclesia, die van den val in dit Regnum Gloriae overleidt. Omdat de afval in het zichtbare moest uitkomen, moest ook de verzoening in het zichtbare plaats grijpen, in het kruis van Golgotha; en omdat de verduistering door de zonde ook de aan het uitwendige ontleende vormen van ons bewustzijn raakt, moet ook de openbaring in het zichtbare plaats grijpen. Wel is de persoonlijke toeëigening van het aldus verworven en geopenbaarde heil niet aan het zichtbare gebonden, gelijk blijkt bij de jong stervende kinderen, die uitverkoren zijn, maar wol is deze openbaring in het zichtbare geëischt door Gods eere, omdat
College-dictaat van een aer studenten (Dogmatiek).
zijn recht, in het zichtbare geschonden, ook in hot zichtbare moet hersteld worden.
De apparitio ecclesiae nu, wel van haar institutio tt onderscheiden, is er altijd geweest en zal er zijn tot aan het einde der wereld, ook al ontbrak lange eeuwen en al kan ook in de toekomst weêr ondergaan haar institutio of zelfstandige organisatie, Die apparitio tocli is er, zoodra eenerzijds zondaren niet slechts wedergeboren worden, maar ook tot geloof, bekeering, belijdenis en levensvernieuwing komen, en andererzijds hun een openbaring Gods te beurt valt. Deze apparitio teekent zich dan voorts zoowel in geheel het verloop cler openbaring, als andererzijds in eiken invloed, die van het optreden dor geloo 'igen op elkander, op hun familieleven en op hun omgeving uitgaat. Zo gaat door, zoowel in het zijn als in het bewustzijn, ook dan als de institutio ecclesiae vervalscht wordt, en vormt voor elke institutio ecclesiae liet altoos onderstelde uitgangspunt.
Instituta daarentegen wordt de ecclesia eerst dan, als ze haar verschijning van de organisatie van het wereldleven losmaakt, alzoo een apart gecreëerd terrein vormt, en zoodoende tot geheel zelfstandige organisatie komt, wat het eerst geschied is door Jezus en zijn apostelen.
Echter ligt tusschen het begrip der apparitio en dat der concrete institutio door Christus, de kerk vau Israël als overgang, in zooverre de kerk bij Israël nog wel gebonden lag in don vorm van liet patriarchaio en nationale leven, maar zóó, dat deze vormen goheol ondergeschikt werden gemaakt aan Israels roeping, om aan de kerk zoowol een voorloopige als tegelijk geacheveerd symbolische organisatie te geven. Eerst in de awnXsict tav atdvmv, als do gereconstrueerde mensch-heid weêr zonder vlek en rimpel voor God zal staan, vervalt voor zoodanige organisatie of instutitie elke ratio.quot;
Met deze paragraaf komen we nu aan een nieuwe wending in doi.i Locus de Ecclesia toe.
Eerst hebben we over de essentie van de ecclesia gehandeld. Nu komen we in de tweede plaats toe aan de vraag van de existentie cler kerk, on daarmede krijgen we oorst den overgang van het lt;wSf»« wS Xgtotov tot wat wij in het gewone leven de kerk noemen.
De eerste vraag, die zich hier voordoet is : is deze existentie een accidenteel of oen noodzakelijk begrip? Dat de kerk feitelijk opgetreden is in hot leven der wereld, behoeft geen betoog. Maar bestond daartoe avdynr]? Deze vraag is hierom noodzakelijk, omdat de Heere en de apostelen ons altijd voorgaan
104
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
in het nagaan van de avdyarj. Jezus wijst er zijn discipelen na zijn dood en opstanding op, dat al die dingen zoo moesten geschieden, en dit gedurig acht slaan op de dvdynri \h om deze reden geschied, omdat daardoor eerst de zaak oen theologisch karakter erlangt. Allo dvaytri komt in haar hoogsten zin hieruit voort, dat er een God is, die alles bestuurt en beheerscht door zijn godde-1 liken wil. Dan toch is er geen fortuin, niets accidenteels in de wereld. Ook hij hetgeen we nu behandelen, evenals hij do zaligheid onzer ziel, moeten we tot de dvdynri doordringen. Dit is liet groote verschil tusschen ons Gereformeerden en de niet-Gereformeerden, dat ivij weten en zeggen kunnen: zoo zeker als God God is, en zijn Christus met eere is gekroond, zóó zeker kan en zal ik niet ontbreken als een paerel aan zijn kroon. Om van alles nu den klem te gevoelen, moet dit grondbeginsel ook worden toegepast bij den Locus de Ecclesia.
Nu is de vraag: Waarin ligt deze dvdynr]? Men is het meest gereed te zeggen: omdat do kerk de media gratiae bedient en deze noodig zijn tot zaligheid, daarom treedt de kerk op. Onze belijdenis verwerpt dit ten eenen-male. Voorzeker moot een jong kind worden gedoopt, maar als de vraag wordt gedaan, of daarvan voor dat kind de zaligheid afhankelijk is, dan antwoorden we beslist: neen! Als men het heilig avondmaal verzuimt, doet men greote zonde, maar indien ik wettig verhinderd ben aan de tafel des Heeren aan te zitten, dan schaadt dit niets aan mijn behoudenis. Zoo zijn ook de bediening des Woords, de omgang met de geloovigen kostelijk, maar nooit mag worden gezegd, dat er zonder deze dingen geen zaligheid bestaat. Neen! Degeloovige ouders mogen vertrouwen, dat hun vroeg stervende kinderen, die van dit alles niets gekend hebben, zalig bij God zijn.
Op elk punt ontkent dus de Gereformeerde kerk, dat de uitwendige openbaring der kerk daarom noodzakelijk is, omdat zij medium gratiae is. De «vdy*ri ligt niet in het sul us electoral n. Hiermede bedoelen we niet, dut de openbaring der kerk niet zou worden dienstbaar gemaakt aan liet salus elec-torum, maar we handelen hier over de vraag, of daarin de stringente dvdynr\ bestaat. En is nu het salus electorum denkbaar zonder het uitwendig optreden der kerk, zooals bij de uitverkorene vroeg wegstervende kinderen, dan kan daarin ook met geen mogelijkheid de dvdy^ liggen.
Neen! De kerk moet naar buiten treden niet om der menschen, muur om Gods wil. Welk verband bestaat er nu tusschen de eere Gods en het uitwendig optreden der kerk?
1P Wij wijzen op de constitutio ecclesiae. De kerk is niet een engelengezelschap, maar een menschelijk gezelschap en de strekking, waarmede die kerk in haar essentie in het leven is geroepen, is dat zij den stam der menschheid,
105
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
na afhouwing der giftige takken, weür doe opbloeien naar de oorspronkelijke institutie der schepping.
Hoe heeft God in zijn schepping dan dit menschelijk geslacht geconstitueerd? Wanneer nu blijkt, dat God in de schepping eerst Adam het Jichaam maakte, en daarna hem inblies den adem des levens, en dat hij zoo werd tot een levende ziel, en dat dus de natura humana dichotomisch bestaat, eenerzijds in het somatische visilülis en andererzijds in het pneumatische invisibiiis, dan volgt hieruit, dat liet tot het wezen der kerk behoort, evenals de mensch, dichotomisch te bestaan.
Metterdaad is dan ook do zichtbaarwording der kerk een realiseering van haar dichotomisch karakter. Gelijk de mensch partim visibilis en partim invisibiiis is, zoo is ook de kerk partim behoorende tot de oqutü en partim tot de aÓQaza. Denken we den mensch enkel psychisch bestaande, dan hebben we den mensch in den dood. In dien alleen psychischen toestand ligt een beroofdheid, een postulaat, om ook weer somatisch te worden en daarom leert de Heilige Schrift, dat dit bestaan in hot psychische alleen, roept en schreeuwt om een lichaam. In elke ligt de drang om zich somatisch te openbaren. Om diezelfde reden ligt in de kerk, die in haar wortel psychisch is, de drang om zicli naar buiten ook somatisch te vertoonen.
Wanneer in de menschelijke yvxri de drang zit om zich somatisch te openbaren, dan volgt daaruit, dat het oAptt, waarin we nu rondwandelen, niets te beduiden heeft. Elk geloovige gevoelt, dat dit lichaam hem veel meer impe-(lieert, dan behulpzaam is om zich te openbaren als kind van God. Daarom nemen zij allen de klacht van Paulus op de lippen: „Ik ellendig mensch, wie y.al mij verlossen van het lichaam dezes doods?quot;
Die innerlijke drang is dus een postulaat om een acö/ia te bekomen, dat geheel in staat is het psychisch leven tot uiting te brengen. Vandaar dat een kind van God niet gelukkig is, voordat hij een noma heeft, dat aan dien drang beantwoordt, en dit noemt de apostel oen amptt TtvevfiuTinóv, d, w. z. een aaita dat volkomen voertuig is voor het nvsvfia en er geheel op past.
Op gelijke wijze is het gesteld met de kerk. De kerk, omdat zij een men-schen- en geen engelengezelschap is, heeft evenzeer een drang om een absolute openbaring te hebben. Die openbaring is hier altijd gebrekkig, ellendig. Daarom wanneer zij in het Regnum Gioriae niets voorstelt dan het menschelijk geslacht, dan zal zij eerst tot haar ware absolute openbaring gekomen zijn.
Er is nog een daarmee parallel loopende tweede oorzaak, waarom liet acöuct rei Xqigtov den drang in zich heeft om zich in het uitwendige te openbaren. God de Heere toch heeft den mensch niet alleen zóó geconstitueerd, dat hij psychisch en somatisch bestaat, maar ook zoo, dat zijn bewustzijn
106
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
een somatischen vorm aanneemt, die retro-actief terugwerkt op de psychische zijde van zijn bewustzijn. De menschelijke taai is een somatisch verschijnsel, want ze komt uit in hoorbare klanken, en zonder deze taal is geen ontwikkeling van gedachten mogelijk. Waar nu de mensch door die taal de gedachten in zijn bewustzijn tot helderheid brengt, heeft hij geen andere vormen, dan die aan het ruwe somatische leven ontleend ziju. Een woord als „begrijpenquot;' b. v. is ontleend aan het gewone, platte, reöele begrip van „aanvatten.quot; Zoo zijn ad uiium omnes alle vormen van het menschelijk bewustzijn parallellen, symbolische voorstellingen, ontleend aan het somatische leven, of wel klanknabootsend, ontleend aan het somatische geluid.
Ook het bewustziju van den mensch heeft dus zoowel een psychischen achtergrond als een somatischen vorm, om zich te openbaren. Vandaar dat alles wat woelt in onzen geest en daaruit opklimt, onhelder is, terwijl het voor onzen eigen geest eerst helder wordt, wanneer we het uiten.
Hetzelfde wat geldt van het bewustzijn, moet dan ook inwerken op het ethische leven (Locus de Homine), want liet ethische leven ontstaat door de wilskeus, en deze is weer beheerscht door het intellect. Zoo kan ook het ethische leven niet dan eerst somatisch tot helderheid komen. De vaderlandsliefde, b. v. die in liet hart verborgen is, komt eerst tot uiting op het slagveld, waar iemand sneeft voor zijn vaderland.
Ditzelfde nu geldt evenzeer van het religieuze leven. Ook dit moet zich uiten in toewijding en offerande, in aanbidding en lofzang. Wederom behoort dit tot de constitutie van den mensch in de creatie. Omdat nu de mensch alzoo geschapen is, kan de zonde niet anders indringen dan langs somatischen weg. Langs somatischen weg drong do zonde in de yvxr'i van den mensch; somatisch geschiedde dit door het redeneerende bewustzijn ('t gesprek met Satan) en den vorm der verleiding, daar het proefgebod een sterk somatisch karakter droeg. (Locus de Peccato.) De zonde,*van religieus standpunt bezien, is schending van Gods recht; van ethisch standpunt: ontheiliging van do menschelijke persoonlijkheid; in het bewustzijn: het stellen van de leugen in de plaats der waarheid. Dit is de concetenatie van de zonde; en hieruit blijkt genoegzaam, dat de zonde niet alleen geschiedde in de psysische essentie, maar ook tot stand kwam in de somatische existentie.
Deze drie: Gods recht, de menschelijke persoonlijkheid en de waarheid zijn vertreden geworden in het somatische, en daar nu in deze drie dingen de ecre Gods ligt, is deze eere Gods vertreden in drie opzichten op somatische wijze, in de uitwendige existentie. Aangezien nu deze vertreding van Gods eere ook alleen in de uitwendige existentie kan worden verzoend, moet de openbaring Gods plaats hebben niet alleen in liet verborgen physische, maar ook in het somatische leven.
107
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Ziedaar de grond, waarom God de kerk niet eenvoudig /.iel na ziel inwendig heeft wedergebaard, maar naast de wedergeboorte in het verborgen een daad van uitwendige revelatie heeft doen loopen, opdat in die uitwendige daad de kerk van den aanbeginne aan tot nu toe haar steun- en aanknoo-pingspunt zou vinden.
Ts hiermee duidelijk geworden, dat de existentie van de kerk niet allereerst dient, om een medium gratiae te creëeren, maar om de eere Gods krachtens de scheppings-institutio te handhaven, dan voegen we hierbij, dat God hetgeen Hij tot zijn eigen eer bestelde, ook strekken doet tot zaligheid van den mensch. En deze twee, de eere Gods en het salus hominum staan niet additief naast elkaar, maar zóó, dat het salus hominum een gevolg is van de eere Gods, evenals bij den val op de krenking van Gods eer de vloek als de krenking van den mensch volgde. —
Indien nu dit uitwendig optreden van de kerk niet accidenteel, maar noodzakelijk is, dan hebben we in de tweede plaats te onderzoeken, op welke wijze. dat aafia tov Xqioxov in de uitwendige orde der dingen tot openbaring komt. Het is met betrekking tot dit punt, dat wij in de paragraaf wezen op de distinctie tusschen apparitio en institutie. Met het begrip van de visibilitas ecclesiae is gedurig een droevig spel gedreven, hetgeen geleid heeft tot verwarrend misverstand.
De kerk, heeft men gemeend, wordt eerst visibilis, wanneer ze instituta is. Deze meening heeft historisch haar oorsprong in het antwoord van Luther aan Erasmus (zie vroeger). Zij, die daarna op reformatorisch terrein dit ter sprake brachten, gingen ook meestal mis. Voetius heeft het eerst helder do fout ingezien. Hij onderscheidde tusschen de ecclesia instituta en nondum instituta en betoogde, dat de ecclesia zonder instituta te zijn, toch visibilis kon wezen.
Met apparitio on institutie bedoelen we dus twee vormen van de ééne visibilitas der kerk, twee onderdeden van de visibilitas.
Op dit punt ligt al het clericalisme. Indien ik n.1. alleen de ecclesia instituta gelden laat als zichtbare kerk, dan ga ik het zichtbare zoeken in het instituut als zoodanig.
Wat is nu het verschil tusschen apparitio en institutie?
De institutie komt uit in de ambten, bedieningen en regeering der kerk. Bij de institutie vraag ik niet naar de personen of zielswerkingen, maar alleen naar id quod institutum est. Wanneer ik hierin nu de visibiliteit ga zoeken, dan kom ik tot deze conclusie; wanneer in een plaats geen enkel kind van God meer is, maar er is nog de vorm van een kerk, in ambten, bedieningen en regecring, dan is daar toch nog de kerk. Dit is het groote pleit, dat dezer
108
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
dagen tusschen de orthodoxe-synodalen en hun tegenstanders gevoerd wordt. Inderdaad meenen velen hunner nog, dat daar, waar de ecclesia alleen instituta is, inderdaad de ecclesia visibilis nog schuilt. En zoekt men aldus de visibilitas alleen in de institutio, dan loopt dit uit, zooals wij zagen, in puur clericalisme; de kerk wordt dan een doctrinaal instituut, en evenals een schip een schip blijft, ook al zijn er geen passagiers op, zoo blijft dan ook de kerk de kerk, ook al reist er niemand in haar naar de eeuwige heerlijkheid. De ambten pretendeeren dan, dat zij de kerk zijn, en zoo komt men tot die beschouwing, welke Rome systematisch heeft uitgewerkt. Natuurlijk druischt dit lijnrecht in tegen de belijdenis der gereformeerden, dat de kerk is de saamvergadering der geloovigen. Daarom is liet van zulk een hoog belang, dit misverstand juist in te zien.
Beschouwen we nu het dogmatisch verschil tusschen apparitio en institutio.
■ Aangezien het woord „apparatioquot; tot dusver in de Dogmatiek nog niet is gebezigd, moet deze term eerst worden gerechtvaardigd.
Wanneer ik in het donker dool door een woud, en ik ontdek eindelijk een licht, dan zie ik nog niets dan een vlammetje, maar dit zegt mij toch, dat ik daar ginds menschen, een hut enz. zal vinden, zoodat een heele zaak daarachter ligt. Eén enkele sneeuwvlok, die nederdaalt, zegt mij, dat daarboven een koude heerscht, die de dampen deed bevriezen. Dat lichtje, die sneeuwvlok zijn de apparitie, waardoor het bestaan der zaak kenbaar wordt. Gedurig zien we dit in het leven bewaarheid, dat, wanneer een pars alicuius rei aan den dag komt, deze pars testis is van het totum. Op het terrein van de kerk is de zaak, die tot apparitie moet komen, het cmuk mi Xgiarov. Moet dit acö,u« geheel voor mij openbaar zijn? Neen, wanneer slechts een pars voor mij openbaar wordt, dan weet ik aan deze pars, dat het totum er is. Wanneer ik in een hok slechts de poot van een leeuw zie, en ik vat die aan, dan voel ik aan de warmte van dien klauw, dat het heele dier aanwezig is. (ex ungue leonem!) Wanneer ik nu maar ergens op de wereld iets quot;van dat leven, van do warmte van dat leven der kerk gewaar word, dan is er de apparitie van de kerk van Christus. Het auma zov Xgiarov, dat verscholen ligt achter het gordijn van het cos-mische leven, wordt dan aan iets kenbaar. De apparitie van het amfxa tnv Xgiarov eischt dus alleen, dat dit naaa iets van zijn wezen doe merken in deze wereld. Al is het slechts één voet, één lid van het lichaam van Christus, dat uitsteekt in dit cosmisch-somatisch geheel, dan is daardoor reeds het amiia tov xgiarov openbaar apparet, visibile est.
Is dan de kerk visibilis, als er één wedergeborene op aarde is? Neen. De wedergeboorte toch is een innerlijk proces. Eerst wanneer de wedergeborene
I
lt;*' 109
I
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
komt tot belijdenis, tot levensvernieuwing, dan wordt in hom het Lichaam van Christus openbaar. Indien er nu maar één zulk een belijder bestoud, dan quot;Y was in die óéno persoon de ecclesia visibilis. Zoo waren er na den val maar
twee menschen, waarin de kerk zich kon openbaren, en in hen werd het geheele Licliaam van Christus openbaar, dat achter hen school.
Die apparitie ziet dus uitsluitend op een teekèn van leven van het Lichaam van Christus. Nu kan het Lichaam van Christus werken individueel in een belijder, een bekeerde, èn in her organische leven der menschheid. Een gezin onder invloed van een bekeerd man zal zich anders openbaren dan dat van een gewonen zondaar. Dit is de openbaring van een kracht uit het Lichaam van Christus.
De apparitie van de kerk kan dus zoowel in het bekeerde individu als in de levensvormen van gezin, maatschappij, geslacht enz. waargenomen worden. Daarom spraken we van den leeuwenklauw, omdat, wat bij het Lichaam van Christus de uitwerking is van dat Lichaam van Christus op alle terreinen van het menschelijk leven, bij het dier de warmte is, die uitstraalt. Door de werking van dat ao'iat/ worden de nevelen weggevaagd, en alles met een tint van boven geteekend, zoodat de hoogere levensgloed uit dit amfice toii Xqiotov t. in dit cosmische leven uitstraalt. Waar dit gevonden wordt, daar is apparitio
van het Lichaam van Christus; daar weet men, dat het bestaat en werkt,
Doch dit is niet genoeg. De apparitie geeft niets, tenzij er tevens zij: aiad-rimg. Wanneer de warmte merkbaar is. maar ik mis het orgaan, oni het waar te nemen, dan blijft zij voor mij verborgen.
De apparitio van de kerk heeft twee zijden, ontstaande eenerzijds door de regeneratie electorum en andererzijds door de revelatio veritatis Dei. De twee „knotepunctenquot; voor die twee lijnen liggen eenerzijds in den tabernakel en andererzijds in den Persoon des Middelaars, en eerst wanneer we van die twee punten uitgaan, zien we de wederzijdsche relatie.
De tabernakel is de TPO'SnN, de plaats waar God zijn volk ontmoet. De zonde en de toorn, die overal elders drukken, is daar opgeheven en de schei-ding is weggenomen. Intusschen is dit slechts ten deelc realiteit geweest. Ten deele, want de werkelijkheid was er in de tegenwoordigheid des Heeren, maar deze realiteit strekte alleen om een symbolische ouV te geven. De ohel-v moeed is niets anders dan het beeld van den Christus.
Waar daarentegen de Christus verschijnt, is het symbolische weggevallen en de realiteit volkomen. Er zijn n.1. in Christus twee lijnen tot het kruispunt gekomen; van de ééne zijde de lijn. die door het menschclijke geslacht en door de menscbelijke natuur loopt, en van de andere zijde de lijn van het
110
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
goddelijk wezen, van de goddelijke natuur. Eerst daar nu, waar in Christus alzoo de wezenlijke tempel verschenen is, en die goddelijke en menschelijke lijn haar kruispunt hebben gevonden, is de unio personalis in Hem dan ook een volkomene. Dientengevolge is in Christus eerst de kerk in haar volkomenheid op aarde. Waar Hij spreekt ea handelt, is in Hem de kerke üods, vandaar dat in 1 Oor. 12 : 12 Christus de kerk wordt genoemd.
Om dit te verstaan, moeten we de regeneratie niet opvatten als een op zichzelf in den mensch tot stand komende gebeurtenis maar als een ingaan van den Heiligen Q-eest in den mensch. Een wedergeborene heeft vanaf het oogenblik zijner wedergeboorte den Heiligen Geest inwonende. Daarom draagt elk wedergeborene den naam van christen: de tempel Gods, daar in elk christen de ohel-moeed pro parte is gerealiseerd. Eerst toch, wanneer we gevoelen, dat de wedergeboorte is een inkomen van den Heiligen Geest, om het hart te maken tot een ohel-moeed, dan begrijpen we, dat Christus de kerk is, de KscpaXr\ tov acó^arue en daarom de type, de origo, de fens ecclesiae. Wanneer we die twee lijnen, die in Christus saamloopen, goed onderscheiden hebben, wijzen we er nu op, hoe de lijn van de revelatie met die van de regeneratie historisch geprocedeerd zijn. Er moest n.1. een revelatie komen aan den mensch, omdat de kerk is een samenwoning van God met den mensch. Hoe gaat nu die revelatio historice toe? Misschien zoo, dat God men-schen wederbaar! en nu buiten die menschen om, als op een tafel de revelatio schrijft en hun die voorhoudt? Bij de wetgeving op Sinaï was dit het geval, en daarom is deze uitgangspunt dier revelatie. Maar God de Heere vlecht verder gedurig de revelatie in het leven dor wedergeborenen in en gebruikt hen als organen om die revelatie tot stand te brengen. Dus revelatie en regeneratie staan niet los naast elkander. Zoo blijft hot, totdat de revelatio haar rsiog bereikt hoeft en dit geschiedt in Christus. Doch, om als revelatie te kunnen bestaan voor de kerk, moet de Christus worden omgezet in gedachten, in het Woord. Daarom is het Nieuwe Testament feitelijk niet anders dan een omzetting van den Christus in een geschreven openbaring.
Van dit oogenblik af gaan de lijnen evenwel uit elkaar. Van nu af aan bestaat de revelatio uitsluitend uit schrift, en wordt een zoodanige openbaring, waaraan God zelf getuigenis geeft door het testimonium Spiritus Sancti, en een zegel hecht door het sacrament. Inderdaad echter liggen ze uit elkaar. De openbaring staat stil en de regeneratie gaat steeds door; de revelatio laat steeds als een vaste ster op het wedergeboren leven haar licht schijnen. Daarvandaan komt het, dat na dat fixeeren van de openbaring, de kerk als kerk naar haar wezen uitsluitend doorloopt door do lijn der regeneratie; wel haar licht opvangt van de revelatio, doch de kerk zelf is in de revelatio niet
Ill
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
begrepen. Nu gevoelen we, dat de dienst des Woords en der sacramenten op zichzelf nooit een kerk kunnen voortbrengen, hoe zuiver beide dan ook worden bediend. De kerk kan alleen gedacht worden als vrucht van de electie en de regeneratie. We krijgen dus dezen regel, dat do ecclesia esse potest sine ecclesia. De institutio is een accidenteel bijkomstig iets, tot bet welwezen en niet tot het wezen der kerk beboerende. Waar nu de ecclesia sine institu-tione is, daar bestaat ze alleen als apparitie. Gelijk bij alle apparitie, zoo ook hangt het bij de kerk af van twee zaken, of de apparitie zal worden waargenomen :
1° of er al dan niet aesthetisch vermogen is.
2° of er al dan niet een ndXvfifia op de kerk ligt.
Gemis van het eerste en aanwezigheid van het tweede zijn twee oorzaken waardoor ik de kerk niet kan zien, ook al kwam zij tot apparitie. Dit geldt natuurlijk niet van de ecclesia instituta, want die is voor een Jood en voor een Turk en voor iedereen zichtbaar. De ecclesia apparens daarentegen komt alleen uit in bekeering en belijdenis. Nu is er een geestelijk waarnemingsvermogen van noode om te ontdekken, of de kerk zich open baart. quot;O avaxpi'vsi ndvra (1 Cor. 2 ; 15). „Die ooren hoeft, die hoore, wat do Geest tot de gemeente zegt.quot; Wie dat geestelijk oor niet heeft, mist de «framp;qme jmvfurnxq. Ook kan het zijn, dat ik wel zulk een waarnemingsvermogen heb, maar dat er een Hdlv/ifia ligt over de apparitie van de kerk, zoodat zij voor mij onwaarneembaar is. Dit KciXvfifict kan bestaan, of b. v. eenvoudig door den afstand, zoodat de apparitie van de kerk in Engeland voor mij verborgen ld ijft, of dooide vervolging, die de levensuitingen van de kerk in het duister houdt; dan ligt het v.dlvaua in de verdrukking. Maar, waar de ai'-ihjBis aanwezig
is, en geen xatoppa belemmert, zie ik de kerk, ook wanneer ze apparens is zonder geïnstitueerd te zijn. El ia I). v. zag de kerk niet door het xaivppa van de vervolging onder Achab. Zóó bestond de kerk in het duister van de Middeleeuwen, terwijl de geloovigen niets van het bestaan der kerk in eigen stad merkten door het «cUdu^k van de valsche kerk. Die apparitie is, wat alleen noodig is, om de kerk zichtbaar te doen zijn. Al kwam er nooit een institutie uit, dan was de ecclesia apparens toch altijd visibilis van den aan-beginne der wereld aan.
In de tweede plaats merken we op, dat er ergens een spoor kan zijn, dat de kerk aanwezig was, ook nadat ze verdween. Soms kan men stellig zeggen: ditór is de kerk geweest. Dit ligt hieraan, dat de kerk van Christus een spoor achterlaat in de algemeene levenssfeer, in ruimer of in enger kring. Dan is wel van achteren de apparitie van de toenmalige kerk zeker, maar op dit oogenblik merkt men er niets meer van. Dit is daarom een punt van gewicht.
112
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
omdat we van „christelijke natiënquot; sprekende, zoo licht daaruit afleiden, dat het volk in zijn personen op dat oogenbiik nog christelijk is. Geheel verkeerd. Gesteld dat op het laatst der 16° eeuw geen personen meer waren wedergeboren, dan zou toch de nawerking van de kerk, die bloeide in het begin dier eeuw, op den heelen vorm van onze nationaliteit zijn afgedrukt. Men ziet, dat de christelijke vorm nog bleef, ook toon onder de ijskorst de levende wateren reeds waren weggevloeid. Als we dan nu ook van Nederland spreken als van een „christelijke natie,quot; dan beteekent dit alleen, dat er een Protos-tantsche kerk geweest is, en dat het leven dier kerk zoo doordrong, dat zij een stempel op onze nationale levensusantiën heeft afgedrukt. We zien dit duidelijk aan de huwelijkswetgeving in ons land, die een gansch andere is als onder Joden of Mahomedanen. Ze werd zoo ten gevolge van de prediking des Woords in deze landen. In zooverre mag men ook nu nog van ons land spreken als van een „christelijke natie,quot; niet omdat er zooveel christenen zim, maar omdat het gouden spoor van Christus' kerk nog merkbaar is.
Daarom moet men wel onderscheiden tusscheu praesente apparitie, die blijkt uit belijdenis en wedergeboorte, en de apparitie, die wijst op het verleden en blijken moet nit de instituten en levensvormen.
Waaruit wordt nu de noodzakelijkheid geboren om die apparatie ten slotte te doen komen tot een institutie? De institutie, zeiden we, is contingent, accidenteel, omdat ze niet tot de essentie behoort, want hoorde ze tot het wezen der kerk, dan had ze er altijd moeten zijn. Bij contingente dingen moeten we echter onderscheiden tusschen tweeerlei. Het is contingent, of iemand een baard heeft of niet, want met of zonder baard, hij is evengoed man. Toch is het heel iets anders, of ik zog een baard is contingent, dan: een lioed is contingent, omdat een baard, wel niet tot het wezen, maar dan toch tot het welwezen van een man behoort. Zoo ook bij de institutio. Zij vloeit rechtstreeks uit de apparitie der kerk voort. Wordt de apparitie niet gestuit, dan leidt zij steeds tot institutie. Daarom is het niet tegenstrijdig, wanneer ik zeg, dat de institutio contingent en toch noodzakelijk is.
15e noodzakelijkheid van het instituut ligt hierin, dat de kerk in de wereld verschijnt, niet om zondaren zalig te maken, want dat doet God; - noch om ze te verzoenen, want daarvoor stierf Christus; — noch om ze te wederbaren, want dat is het werk des Heiligen Geestes, - maar om in deze wereld die tv T(p novriQto. KeCtai de heerlijkheid Gods te openbaven.
Moeten we nu de visibilitas steeds uit dit oogpunt beschouwen, dan staan wij voor de vraag: Wanneer wordt dit doel beter bereikt, indien de enkele bekeerden daar rondwandelen, of indien zij zich verbinden om ook gemeenschappelijk die roeping te aanvaarden? Buiten eenigeii twijfel op de laatstge-
118
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
noemde wijze. Eigenlijk kan langs dezen iceg alleen maar het doel worden bereikt. Dit volgt uit den trek, dien God den mensch inschiep; de sociebüitas. De vereeni-ging van tien personen is een grooter kracht, dan tien personen apart. Het best zien wij dit bij het leger; 1000 man, elk op hun eigen gelegenheid zijn niet bestand tegen 100 man, die goed georganiseerd en gedisciplineerd zijn.
In de tweede plaats volgt deze noodzakelijkheid hieruit, dat de kerk is de reconstructie van het menschetijk geslacht, en daarom moet in haar optreden een organisch begrip liggen.
Een derde oorzaak is te zoeken in de uitverkorenen zelf. Wie tot bekeering en belijdenis komt, heeft de uitwendige roeping ontvangen, en deze uitwendige roeping is defect, soms zeer onzuiver, als zij wordt overgelaten aan het geval, 't Gebeurt wel eens, dat wedergeborenen hun uitwendige roeping ontvingen van eenzaam wonenden, maar wanneer dit al de roeping is, die tot de uitverkorenen komt, dan is zij zeer gebrekkig. Daarom is het voor de kracht van de uitwendige roeping noodzakelijk, dat de kerk geïnstitueerd optrede.
Hetzelfde geldt na de bekeering en de belijdenis. Evenals een plant tv el op zekere hoogte bloeit op een binnenplaats, maar de eisch toch steeds blijft, dat zij opbloeie in de volle zon, zóó is het ook hij de kerk. De wedergeborene lijdt schade, wanneer niet door den dienst des Woords en der sacramenten en door de tucht de roeping zóó tot hem komt, dat hij gedurig een werking can de gemeente ervaart.
Diensvolgens zijn de geloovigen gehouden om de kerk ook als instituut tot openbaring te brengen. Het is de eisch van de apparitle der kerk, dat zij voortschrijde tot institueering, indien, althans de kerk zoo volkomen mogelijk aan haar roeping zal beantwoorden. Die institueering is iets wat in den inhaerenten drang van het wezen der kerk inligt.
We behandelen deze cjuaestie zoo uitvoerig, omdat in de gemeente nog steeds veel redt te worstelen met menschen die dezen kerkdijken omhaal,quot; zoo ze zeggen, willen afschaffen. Daarom moeten we wèl inzien, dat deze mystieken gelijk hebben, wanneer ze zeggen, dat het instituut niet behoort tot het wezen der kerk, maar tevens krachtig verzekerd zijn, dat het wel degelijk behoort tot het welwezen der kerk.
Het voortschrijden van de ecclesia apparens lol de ecclesia, instüuta valt saam met het optreden van de ecclesia, als wereldkerk, zoodat de institueering der kerk eerst heeft plaats gehad met de komst van Christus. Vóór dien tijd was er geen ecclesia institula, en eerst toen Jezus apostelen verkoor, hen ambtelijk aanstelde, hun een last gaf, om in het uitwendige te volvoeren, kwam de institueering der kerk tot stand. Als men dus vraagt: „Wanneer is de kerk gesticht?quot; dan kan men gerust antwoorden: met het Nieuwe Verbond, mits men maar den nadruk doe vallen op: „gesticht.quot; De oppositie der vaderen kwam dan ook
8
114
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
alleen hierop neêr, dat men in het Instituut het wezen niet mocht zoeken.
Deze twee nu, dat do kerk als instituut met Christus optreedt, en tegelijk wereldkerk wordt, zijn onderling samenhangende momenten. Uit het feit toch, dat de kerk een wereldkerk werd, vloeide de noodzakelijkheid voort om tot een eigen organisatie te komen. Zoodra de kerk heenschuift over vele volken, moet ze een eigen organisatie krijgen, anders'wordt de ééne kerk gedeeld in zooveel kerkjes als er volken zijn. De last van Christus: aci»nT^vaar.f navra ra tQvri en de institueering van de kerk met de instelling van den doop (want door den doop krijgt de kerk een eigen organisatie) vallen saam.
Ten slotte wezen we er in deze paragraaf op, dat de toestand onder Israël een overgangsperiode vormde. Deze mag niet op één lijn gesteld worden met den toestand na den val, of onder Noach, of van Abraham bij zijn uittrekken uit Ur. Onder Israël heeft de kerk een eigen gestalte, die een overgang in het leven riep, omdat in Israël aan de kerk een instituut werd gegeven, doch geen kerkelijk, maar een burgerlijk instituut; het was een volks-kerk.
Deze overgangstoestand nu berust op een fictie. Hij was geen waarheid, omdat al het symbolische onwaar is, en geen realiteit bezit. Waarin bestond dan deze fictie? Al wat uit Israël geboren werd, vormde de kerk door het teeken der besnijdenis. Een priester mocht aan een geboren Israëliet de besnijdenis niet weigeren. Dientengevolge vroeg deze kerkvorm niet naar den geestelijken achtergrond, zoodat de reinheid van het huis des Heeren dan ook niet in ethische, maar in Levietische reinheid werd gezocht. Alles was volkomen,
maar in het uitwendige.
De diepere grond hiervan ligt daarin, dat de kerk wel is de restauratie van liet menscheiijk geslacht, maar dat daarbij een onderscheid is tusschen de kern en de waterloten, en bij een burgerlijke kerkstaat dit onderscheid wegvalt. Zooals het menscheiijk geslacht is, wordt het in het burgerlijke instituut opgenomen. Eigenlijk komt die geestelijke kern niet in aan-, merking. Men heeft in Israël dus daarom een overgangstoestand, omdat in Israël wel een instituut is, maar geen instituut, dat genormeerd wordt door het levensbeginsel van de kerk van Christus. We hebben dus wel een kerkvorm in Israël, maar die nog genormeerd is naar het civiele, natuurlijke levensbeginsel. In een volgende paragraaf zullen we dit breeder behandelen.
Nu komen we toe aan het laatste punt van deze paragraaf. Bestaat er nu werkelijk eenheid tusschen wat vóór en na Christus bestond? Is het niet beter te zeggen, dat hetgeen vóór Christus bestond, niet de kerk was?
De Heilige Schrift moet dit beantwoorden. Zij stelt ons de kerk voor als een DT3: Jes. 5 : 1 v.v. Dezelfde voorstelling van dien 013 vinden we in Ps. 80:9, doch
115
College-dictaat van een der studenten (Dog-matiek).
hier uitgedrukt door liet woord [3.3. is nu met dien wijngaard bedoeld Israël in zijn uitwendigen staat, of de kerk, die onder en achter dien kerkstaat schuilt? Daarop vinden we het antwoord in Matth. '21 : 38 v.v., waar de Heere met kenneiijken terugslag op Jes. 5 : 1, Ps. 80 en andere plaatsen voor oogen stelt een wel ingerichten en met alles voorzienen wijngaard; vs. 40 geeft nu liet afdoende antwoord op de gestelde vraag. Als de wijngaard hetzelfde was als de uitwendige kerkstaat, dan moest die wijngaard, toen de heer des wijngaards vun zijn landlieden geen vruchten ontving, zijn vernield geworden. Jezus daarentegen zegt, dat de Joden worden uitgeworpen, uit den afneelóv, en dat hij aan anderen wordt gegeven. De a/nTn-lóv blijft dus bestaan, en kan derhalve niet anders zijn dan beeld van de kerk. Evenzoo blijkt uit deze gelijkenis, dat die ajinsXaiv niet in het leven is geroepen, om menschen tot zaligheid, maar om Gode eore te brengen. Aan de eerste landlieden werd de wijngaard ontnomen, omdat zij den heer des huizes zijn vruchten niet opbrachten.
Wanneer nu in het Nieuwe Testament deze zelfde optreedt als
Uv-lrfiCa, dan treffen we deze iwhiaia in negentig van de honderd gevallen aan als ecclesia instihita en wel als ecclesia instituta in den eenigen vorm, waarin ze instituta zijn kan, d. i. localis. Als we in de concordantie het woord iKKlynia opslaan, en nagaan, waar dit woord voorkomt, dan zijn er nauwelijks tien plaatsen, waar niet heeft de locale beteekenis. Steeds wordt gesproken
van de kerk van Rome, van Corinthe enz. Niet één enkel maal komt het institutair generaal voor. Steeds wordt het gebezigd üf in localen zin en dan iustitutair, of in dogmatischen zin en dan generaal.
„Ecclesiaquot; in dogmatischen zin wil zeggen: de ecclesia genomen naar haar wezen, naar haar inwendig bestand in Christus. De plaatsen, waar tnv.lrtaia aldus voorkomt, zullen we even nagaan:
1° Matth. 1(5 : 18. Hier is bedoeld de generale kerk. Maar dan de generale kerk institutair? Neen, want herhaaldelijk hebben de poorten der hel de insti-tutaire kerk verwoest. De generale kerk naar haar essentie is bedoeld.
2° Ef. 1 : 22. De kerk wordt hier genoemd het nXi'igaiia van Christus, en Christus de Htyah], De locale kerk van Efeze kan natuurlijk niet bedoeld zijn, maar alleen de generale, en wel de generale essentieel.
3° Ef. 3 : 10. Dit Vva yvoiQiaamp;fi dia Tjjs êxHXrjaicts 'j noXtmoixilog aocpia kan alleen geschieden, doordat God geestelijke krachten essentieel in het lichaam der kerk werkt. Ook wat in vs. 21 gezegd wordt van de verheerlijking Gods in de gemeente, kan alleen betrekking hebben op de kerk in haar essentie.
4° Ef. 5 : 23, 24, 25, 27, 29, 32. De uitdrukking avaxri^iov zegt reeds genoeg.
oc' Col. 1 ; 18, 24.
116
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
6° Hebr. 12 : 23.
In de overige plaatsen, waar voorkomt, ook in de Openbaringen,
beteekent het woord steeds de locale institutaire kerk,
In de eenheid van de kerk worden we bovenal bevestigd, hetzij ze institu-tair is of niet, door de woorden en Aaos tov Oeov. In het Oude Testament beteekent Dj; heel dikwijls hot volk van Israël, maar de vraag, die zich weêr voordoet is, of Dy ziet op de natie van Israël, of wel, dat we het aldus moeten verstaan, dat Israël destijds Gods volk werd genoemd, omdat aan Israël de woorden Gods waren toebetrouwd.
Hosea 1 : 9, 10, coll. 2 : 25. Hier hebben we de bekende voorstelling van
'ay en De tendenz is deze: dat God tot een volk dat „ammiquot; was,
zal zeggen: „lo-ammi,quot; en tot het volk dat „lo-ammiquot; was: „ammi.quot; Niet duidelijker en krasser dan hier kan de geweldige tegenstelling tusschen ammi en lo-ammi worden aangegeven. Israël was niet als natie Gods volk, maar in adoptieven zin, zoolang het God beliefde. Hij kon dien eeretitel aan Israël ontnemen, en aan een ander volk geven, om dit als het volk van God te doen optreden.
Jes. 44:7. Hetzelfde wordt hier geleerd in do woorden: „sedert Ik een eeuwig volk gesteld heb.quot; Hieruit blijkt, dat terwijl alle volken een temporeele beteekenis hebben, met het volk Gods een ander volk bedoeld wordt, dan alle overige. Wat is nu van een volk het karakteristieke? Dit: dat het een koning heeft, en diensvolgens onder één wet loeft. In dien zin jubelt Ps. 83 : 12 „Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is.quot; Nemen we de volks-idee nog dieper, dan is een volk eigenlijk alleen een groep van menschen, die uit één vader gesproten zijn. Een volk als de Belgen, dat uit Vlamen en Walen bestaat, vertegenwoordigt oen defectueus volksbegrip. Daarom wordt in Ef. 8 : 18 gezegd, dat uit Hem, uit God, naau natQi'a is, en om deze reden buigt Paulus voor dien God als voor zijn Koning de knieën.
fn liet Oude Testament wordt bij het volk Gods steeds hierop nadruk gelegd:
1quot; dat zij hebben één Koning: God.
2° „ „ „ één wet: de wet op Horeb gegeven.
8quot; „ „ „ één stamvader: Abraham.
Eerst door deze drie zaken komt liet volksbegrip tot zijn absolute uiting.
Titus 2 : 14. Hier spreekt de apostel zich ook over dat volk uit, nu niet onder oud-Israël, maar onder de bedeeling van het genade-verbond des Nieuwen Testaments. Er is sprake van, dat Christus zich door de ^rpcoois en den Kaamp;aQiaiiii« een volk formeert, (in dien zin, dat Hij alleen koning en geestelijk stamvader zij) en wèl een A«(gt;e nsQioiotos-
117
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Wanneer we, na deze plaats bezien te hebben, Jes. 43 : 21 opslaan, dan begrijpen we, wat de beteekenis is der woorden; „Dit volk heb Ik Mij geformeerdquot; Hetzelfde geldt van Ps. 100 ; 8. In alle drie deze plaatsen is er sprake van, dat dat volk daarom des Heeren is, omdat Hij het geformeerd heeft. Wanneer we ditzelfde nu eerst uitgedrukt vinden van Israël in het Oude Verbond, en daarna in Titus, dan blijkt daaruit, dat het volk des Hoeren iets anders is dan Israël, n.l. dat er een perpetuitas bestaat, en dat dit volk hetzelfde blijft, hetzij het nog niet in de windselen van het Israëlietis''h volksbestaan is gewikkeld, of wel, of reeds niet meer. 'tEenige, wat hierbij moet worden opgemerkt, is, dat God de Heere, om het symbolisch karakter van Israël volkomen te maken, het alzoo heeft besteld, dat van hot vleeschelijk Israël eveneens kon gezegd worden, dat Hij het zich had geformeerd, omdat Hij Izaiik uit de verstorven lichamen van Abraham en Sara door een wonder had doen geboren worden. Dit mag evenwel nimmer reëel worden opgevat, maar steeds symbolisch.
Daarmede komt ook overeen een telkens in het Oude en Nieuwe Verbond tcrugkeerende formule van de belofte Gods: „Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn.quot; In den regel wordt dit niet verstaan. Laat men deze belofte op het uitwendige Israël slaan, dan heeft zij geen zin, en dit zou even dwaas zijn, als wanneer een vader tot zijn kind zeide: doe dat, en ik zal u tot een vader zijn. In uitwendigen zin zon in deze woorden voor Israël een belofte liggen van wat liet reeds had. Neen, deze belofte heeft dezen geheel anderen zin: Nu zijt gij wel symbolisch mijn volk, en ben Ik uw nationaal-God, maar het ware is dit, dat mijn volk bestaat uit degenen, die uit Mij geboren zijn. Met den dag des Nieuwen Ver bonds nu is deze realiteit gekomen, want hij, die ingelijfd is in het ofouK tov Xpiaroü, is een kind Gods en heeft God tot zijn Vader.
Hebr. 4 : 9. Hier spreekt de apostel van de rust, die er overblijft voor het volk van God. Is Haée hier Israël? Neen, want de apostel betoogt juist, dat die belofte niet vervuld i.s onder Jozua, maar dat de rust in de toekomst voor het volk verborgen is, en hierin ligt de ware rust van het volk Gods, dat zij rusten van hun booze werken, gelijk God gerust heeft van zijn werken. Deze belofte slaat dus wederom op allen, die iu Christus gelooven.
In dienzelfden zin wordt in Hebr. 13 : 12 bijna gelijkluidend gesproken als Tit. 2 : 14. (Let op het artikeli. Jezus, zegt de apostel, heeft door zijn eigen bloed het volk geheiligd, hetgeen onder den symbolischen dienst nimmer kon geschieden, Dit geldt wederom het reëele volk, dat vroeger slechts school in Israël, en dit is altijd hetzelfde volk, hetwelk God vóór, in en na Israël bezeten heeft,
1 Petr. 2 : 9, 10. Uit den aanhef van den brief blijkt, dat Petrus de heiligen
118
V
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
aanspreekt van de kerken Gods onder Joden en heidenen, en nu wLjst hij er hen op, dat, al zijn ze ook verspreid, ze nochtans één volk uitmaken. Om dit nog duidelijker te maken haalt hij in vs, 10 do woorden van Hosea aan. Hij noemt hen niet alleen een larfg, hetgeen meer ziet op het staats-instituut, maar ook een fovoe, dat ziet op de genealogie. Openb. 21 : 3.
Er blijkt uit deze data, die nog met velo te vermeerderen zijn, dat God de Hoorn in de volkeren op aarde niets anders gegeven heeft dan eene afschaduwing van het ééne ware volk. De grondtype van alles ligt in den hemel. Niet omgekeerd. Jezus is de eenige, ware koning, en het volk van Giod is liet eenige ware volk. Allen zijn uit één geboren, dragen één type en leven naar één wet. Op aarde kan wel een geslacht een tijdlang regeeren, maar nooit één onkel persoon onafgebroken de heerschappij in handen hebben. Dit is alleen het geval bij Christus, van wien daarom gezegd wordtin Ps. 45: „Uw troon, o God, is eeuwiglijkquot;, want in Hem alleen is de koningsidee en de volksidee volkomen gerealiseerd.
De naam „volkquot; is dus rijker en dieper dan: „kerkquot;. De naam „kerkquot; is tijdelijk en valt eenmaal weg.
We zagen derhalve, dat de idee van volk wel symbolisch was afgetee-kend in de natie van Israël, maar dat met ntrray steeds wordt bedoeld het ware volk, dat onder het uitwendige verscholen lag.
Onze vaderen hebben dit denkbeeld zoeken weer te geven, door in al hun definities van de kerk steeds op den voorgrond te stellen, dat de kerk was: do vergadering der gcloovigen, dat is: het volk. Dooi- dezen gelukkigen greep hebben zij de geheele Roomsche kerk-idee omvergeworpen.
S 8.
„Als iustituta treedt, de kerk dan eerst op, nis haar kring aanwijsbaar is; als in dien kring ambten ontstaan en zoo door die ambten do genademiddelen aan het volk bediend worden. Dit nu was tot op Abraham's roeping niet het geval. Eerst na Abraham's uittocht uit Chaldea komt de besnijdenis als eerste sacrament en begint zich in Abraham's tente een eigen kring af te teekenen. Voldongen wordt deze afpaling eerst door do dienstbaarheid in Egypte, en eerst waar, dank zij die dienstbaarheid en Egypte's kastegeest, die afscheiding volkomen is- geworden, en uit Abraham's nakomelingen een eigen volk is opgegroeid, begint tegelijk èn de nadere ■institutio van dezen kring èn haar onderwijzing in den dienst des Hoeren. Als zoodanig bewijst de volkskring van Israël zevenderlei soort dienst:
1° representeert deze kring hot denkbeeld dor uitverkiezing als gronddenkbeeld der kerk, en dit in al zijn stadiën;
2° biedt het de reëele geslachts-linie aan, waaruit de Messias en in den Messias de ideëele voleinding der kerk zal voortkomen;
8° biedt hot een tijdelijk geïnstitueerde kerk aan de toenmalige geloovigen, zoo uit Israël als uit de volken;
4° teekent het als in een levende schilderij heel den loop van Gods kerk, in de dienstbaarheid onder Farao, de verlossing daaruit, den doop in de Roode Zee, het omdolen in de woestijn, den ingang in Kanaan en de rijksglorie onder Salomo;
5° representeert het in zijn lijden, worsteling en triumf de type van het geloofsleven van elk christen ;
6quot; doet het dienst om de openbaring in het schriftwoord tot stand te doen komen;
7° beeldt het de mysteriën zelve der waarheid met het mysterie van den Christus als middelpunt af in symbollschen vorm.
Juist hierom echter kon in Israël de kerk niet als instituut naast het geïnstitueerde natuurlijke leven staan, maar moest de kerk een nationaal en de burgerstaat een kerkelijk karakter dragen, en zulks wel, omdat het tegelyk èn kerk zijn moest èn tegelijk de voleinding der kerk in het Regnum Gloriae moest afbeelden. Doch hieruit volgt
120
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
clan ook, dat, toen Israël zlju bloesem eenmaal in den Messias gedragen had, alzoo het lichaam de schaduw verving, en diensvolgens de symbolische beteekenis van Israël een einde nam, deze oude bedeeling uit had, niet mocht voortgezet, en dat alsnu de kerk, losgemaakt van zijn band aan een volk en dus ook van zijn band aan het civiele leven, tegelijk èn wereldkerk in steê van volks-kerk moest worden, én een geheel zelfstandige organisatie naast en in den burgerstaat moest tot stand brengen.quot;
Wc komen nu toe aan het instituut.
De vraag, hoe de apparitie tot stand komt, hoort hier niet thuis, maar is behandeld iu de Soteriologie, en wordt in de tweede plaats behandeld in de Ethiek, die aanwijst, hoe het christelijk leven door den mensch als tweede oorzaak in de wereld wordt ingedragen. Evenmin ligt het op onzen weg hier Kerkrecht te behandelen, hoewel de behandeling van de kerk als instituut hiertoe allicht zou kunnen leiden.
De gezonde verhouding is deze, dat het Kerkrecht evenals de Ethiek voortspint aan den draad, die door de Dogmatiek is geboden. Daarom zijn de Ethiek en liet Kerkrecht afhankelijk van de Dogmatiek. Men mag niet zeggen, dat het Kerkrecht de princlpiën uit Gods Woord haalt. Voetius geeft in zijn Politica Ecclesiastica wel eenigszins aanleiding tot deze gedachte. Neen, liet Kerkrecht hoeft wel zekere princlpiën, maar deze worden geboden door de Dogmatiek, In de Dogmatiek worden de grondlijnen, de fundamenten gelegd en het Kerkrecht bouwt daarop voort.
Wat verstaan we nu onder een instituut?
1o. Een instituut ontstaat niet vanzelf, maar wordt geïnstitueerd door den wil van een persoon. Er moet derhalve zijn aliquis qui instituit.
2°. Er moet zijn een forma institutionis. Deze forma institutionis sluit in zich een tegenstelling, n,l, van een gezag en van personen, over wie dat gezag gaat.
3P. Wanneer institutio bedoelt duurzaam te bestaan, dan moet er een regeling zijn, waardoor de bestendiging van dat gezag, bij het wegsterven dei-personen, bepaald is.
4p, Het doel moet zijn aangegeven, waarmede dit Instituut wordt ingesteld.
Men kan derhalve nooit in twijfel verkeeren, of een kerk instituut is of niet. Wanneer iemand mij niet zeggen kan, wie als ambtsdrager een kerk representeert, en wie de personen zijn over wie het gezag der ambten gaat, dan is er geen instituut. Zijn deze beide echter wel aanwijsbaar, dan is het instituut aanwezig.
121
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hoe is nu dat instituut in do kerk tot stand gekomen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten we eerst onderzoeken, waar hot begonnen is, waar het nog niet was, en waar liet wol was, en tevens nauwlettend waken tegen elke poging, om het te zoeken, waar het nog niet bestond. Die poging toch was een belangrijk moment in den strijd tusschen do Voetianen on de Coccejanen. Deze strijd was vinniger en bitterder, dan wo ons gewoonlijk voorstellen, vooral door de omstandigheid, dat de beide partijen door de overheid gedwongen werden in één kerk te bleven samenwonen.
Wat dit punt betreft, stond de zaak aldus: toen de Gereformeerden opgetreden zijn in de dagen van do Reformatie, zijn ze te werk gegaan zonder veel historisch gevoel. Van oei» historisch proces hadden zij niet veel idee. Zij meenden, dat hun kerk er zoowat eender uitzag als die uit den apostolischen tijd. De enkele lectuur van eon Justinus Martyr had hen kunnen overtuigen, dat dit niet zoo was. Datzelfde gemis aan historischon zin had er toe bijgedragen om in do belijdenis, dat de kerk bestond van don aanboginne der wereld, min of meer do voorstelling ingang te doen vinden, alsof de menschen van Abraham af niet veel minder dan onze gereformeerde belijdenis luidden gehad. Dit had een natuurlijke oorzaak, Hoe moer het goddelijke en het eeuwige zich machtig in de ziel doen gevoelen, hoe meer een idee van stabiliteit post vat in het hart, Hoe meer Ave zien op het werk Gods en niet op dat der menschen, hoe meer we den indruk krijgen van iets wat vast is. Tegenover al die denkbeelden van een historisch proces nam men het type van de apostolische kerk als onveranderlijk type, en dit bootste men na.
Hiertegen nu kwam Coccejus in verzot; en daarbij stond 4nj natuurlijk geweldig sterk, want de Heilige Schrift ligt voor ons als historie en toont een voortgaande openbaring, een voortgaan van minder tot meer. Dit nu bracht Coccejus tot het ongelukkige donkbeeld van zyn foedoraal-theo-logie, een naam, later misbruikt in dien zin, alsof de leer der verbonden „foederaal-theologiequot; was. Hiervan is niets aan, want de leer van werk- en genadeverbond dagteekent van even ver terug als er christenen op aarde zijn, en is ook door de Reformatie duidelijk uitgesproken. Neen, de foederaal-theologie noemt men de voorstelling, alsof door den Heere een lange reeks verbonden met de menschen gesloten zijn, en elk dier verbonden een gressus vormt op de scala der openbaring. De laagste gressus is dan de toestand naden val; de hoogste: Christus, Daartusschen neemt men dan verschillende stadiën aan, soms wel zeven, in elk geval nam men aan een bedoeling van Adam tot Noach; verder een verbond met Noach, 8° met Abraham, 4° mot Jacob, B0 met Mozes, öe met David, 7° in de Babylonische gevangenschap; ten slotte in Christus, Dit nu leidde er Coccejus toe, om te zeggen, dat al die Vorstufen nog niet waren
122
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
geweest de openbaring der werkelijke waarheid, zoodat op die Vorstufen geen zaligheid mogelijk was, en dat deze alleen mogelijk werd gemaakt, toen Christus aan het kruis stierf. De menschen, die op die lagere trappen waren gestorven, werden zoolang afgezonderd en door een soort van algemeene verzoening bij het verschijnen van het kruis van Christus tot de zaligheid gebracht.
De kunst van de Coccejanen was, om na te speuren, hoeveel van de waarheid men op elk der Stufen reeds had; hoeveel men reeds bezat van de sacramenten, van de openbaring van den Christus, enz., totdat de openbaring eindelijk in den Christus haar voltooiing had gevonden. De kerk was dan ook eerst daar ontstaan, waar de Christus optrad.
De Voetianen kwamen hiertegen met kracht oigt;. Wat er ook van dat historisch proces aan was, Jehovah is, wie Hij was en zijn zal en Hij heeft zijn uitverkorenen van den aanbeginne der wereld tot de zaligheid gebracht. Nooit is de Middelaar zonder kerk geweest; „de Koningquot;, naar hun geliefkoosden term, „is nimmer zonder onderdanen geweest.quot;
Tn zooverre nu stonden ze op het ware standpunt, maar zij begingen een niet geringe fout. Zij hadden weinig inzicht in de organische ontwikkeling der waarheid, en zeiden daarom dat de kerk van het paradijs alles reeds bezat, wat de kerk nu heeft: kennis van de Drieëenheid, van de verzoening, van de uitstorting des Heiligen Geestes enz. Op deze wijze ontstond de schoolsche liefhebberij, om aan te toonen, dat de heele belijdenis er al van den beginne geweest was. Als we Petrus van Maestricht opslaan, zien wij, hoe hij gematigd (niet in zijn Dogmatiek; die gaat vooraf; maar in het stuk over de bedeelingen van do kerk) aantoont, hoe de waarheid or steeds geweest is. In de verschillende perioden van de kerk heeft hij willen vindiceeren de identiteit van de waarheid Gods.
De oplossing van het verschil tusschen deze beide gevoelens is voor ons niet moeielijk meer. In de organische ontwikkeling der waarheid wordt hetgeen de Voetianen voorstonden, gehandhaafd en tegelijk hun dwaling vermeden. In de zaadkorrel, waaruit de geheele plant straks zal opgroeien, is potentieel alles gegeven. Niets komt er additief bij. Wie deze zaadkorrel in de hand draagt, heeft feitelijk reeds bloesem en vrucht; maar tevens moet beleden, dat hij, die een eikel in de hand heeft, nog heel wat anders draagt, dan den eikeboom, en hij zou bedrogen uitkomen, indien hij in de schaduw van dien boom wilde gaan zitten. Zoo ook is de waarheid in het paradys gegeven, zonder dat er een enkel stukje aan ontbrak, maar, om hieruit af te leiden, dat Adam en Eva zich in een soort gereformeerde belijdenis hadden kunnen verheugen, is ongerijmd. Zelfs waar wij wijzen op uitspraken uit Genesis enz., en daarin een bevestiging zien van de leer der Drieëenheid, gaat het
123
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
toch niet aan, te zeggen, dat Adam en Eva daarin reeds de Drieëenheid hebben gezien. Wij gaan van achteren het spoor na. Op het standpunt van de organische ontwikkeling der kerk zegt men dus, dat de kerk alle eeuwen door de waarheid essentieel bezeten heeft, maar dat gradueel de ontwikkeling van die waarheid is toegenomen.
Nu is echter de vraag: konden de menschen door het geloof in die onontwikkelde waarheid zalig worden? Deze vraag was daarom zoo pijnlijk, omdat de Gereformeerden uit de dagen der Reformatie op dit punt een controvers hadden met Rome. Rome toch handhaaft de fides implicita, d. i. het geloof in de kerk, waarin alle genadcgoederen implicite begrepen zijn, en nu waren de Gereformeerden bang, dat, indien zij toegaven, dat in het paradijs zulk een geloof aan een Veritas implicita had bestaan, zij dan in hun controvers met Rome zouden verzwakt worden. Toch mag ons dit volstrekt niet terughouden, om te belijden, dat in liet paradijs zulk een fides bestond. Immers, de fides implicita is heel wat anders dan do fides in een Veritas implicita.
Wanneer men nu nagaat, wat gebeurt, in de hersenen van een veertien-jarigen schapenhoeder met betrekking tot de stukken der waarheid, en in die van een professor in de dogmatiek b. v., dan is het niet te loochenen, dat het verschil tusschen het geëxpliceerde van de waarheid in de hersenen van den eerste cn van den tweede enorm groot is. Maar hindert dit iets aan de zaligheid? Dit kan immers nimmer aan do zaligheid af of toedoen, want voor geen enkel tweetal menschen is die Veritas expliclta gelijk. De zaligheid hangt zoo weinig aan de Veritas explicita en aan het dadelijk geloof, dat de ingeplante fides in de wedergeboorte genoegzaam is tot zaligheid voor de uitverkorenen, die vroeg wegsterven. Wanneer nu God eerst gaf een Veritas admodum implicita, dan moeten we belijden, dat dit voor het wezen der zaak nooit verschil kon maken.
De Voetianen gingen hierom een verkeerden weg op bij hun voorstelling, alsof de patriarchalen reeds een rijk ontwikkelde dogmatische kennis zouden gehad hebben, omdat de Heilige Schrift eerst de stof levert voor de dogmata. Die dogmata zijn het uitvloeisel van den door God aan de kerk gegeven last, om de openbaring in het discursieve denken op te nemen. Hiervan was nu, zooals vanzelf spreekt, in het Oosten bij de patriarchen geen sprake, en deze geheele idee van de Voetianen moet daarom worden verworpen.
Evenwel moeten we wèl nagaan, wat de patriarchen bezeten hebben, cn hoe achtereenvolgens de inhoud aan hun geloof is gegeven.
I. Wat betreft Adam vóór den val:
1° Adam bezat de cognitie Dei innata.
2° Geheel de natuur was voor hem een zuivere afspiegeling van de bedoe-
124
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ling Gods met zijn scheppingswerk, on een openbaring van Clods deugden: perfecta revelatie in natura.
3° Adam genoot den persoonlijken omgang en de gemeenschap met het Eeuwige Wezen: communie personalis cum Deo.
Bij deze drie zou nog gekomen zijn de cognitio Dei acquisita, ware de val niet tusschenbeide gekomen.
II. Na den val zien wij werken:
le ■ De traditie uit hot paradijs, welke met de menschen is medegegaan op hun pelgrimstocht over deze aarde, met doornen en distelen bezaaid. Deze traditie draagt het karakter, dat zij liet zuiverst is bij haar oorsprong, en dit is zoowel waar, quod ad tempus als quod ad distantiam.
a. Quod ad distantiam. Wanneer we een wereldkaart nemen, en hot punt marqueeren, waar do mensch vóór tien val is geweest, n.1. het hoogland van Azië, en we trekken vandaar uit lijnen, die de afstanden aangeven, dan zien wij, dat de traditie zuiverder bleef, naarmate de plaatsen dichter gelegen zijn bij liet uitgangspunt. De volken, die in het hart van Azië wonen, ver-toonen dan ook een kring, waarbinnen wel de afgoderij binnensloop, maar toch nog vrij zuiver de paradijs-traditie bewaard bleef. We denken slechts aan Thera, Laban, Bethuël. Ook in Perzië enz. is die traditie wel bedorven door tiieogoniën en andere afgodische voorstellingen, maar toch, ook daar bleef zij nog veel zuiverder clan verder op, waar elk spoor ten laatste bijna verdween.
Aan de traditie uit het paradijs moeten we dus een niet geringe, maar altijd gradueel verschillende waarde toekennen. Ook voor zoover we de afgoderij in hooger formatie ontmoeten, nemen we toch nog het denkbeeld waar van één God, b. v. in het doodenboek van de Egyptenaren. Dit doodenboek heeft formulen, die van geslacht op geslacht zijn voortgeplant. We zien daarin hetzelfde verschijnsel als in de Eoomsche kerk. Ook Rome heeft zeer oude formulen en gebeden, die wij zeer goed zouden kunnen overnemen. Eerst later stuiten we op de aanroepingen van Maria en de heiligen. Maar ook die oudere gebeden zijn tot nu toe vast blijven liggen, en dragen een nog zuiver Evangelisch stempel. Zoo ook nu bleven in Egypte die oude formulen met zekere taaiheid hangen, vooral waar het betrof de dooden.
Hetzelfde verschijnsel ontdekken wij in het oorspronkelijke Boeddhisme en iu de Grieksche mythologie, waar zij spreekt van Xqóvos en Zfvt.
Uit dit alles mogen we dus concludeeren, dat de paradijs-traditie door alle volken werd medegenomen, doch onzuiverder werd, naarmate die volken zich meer van liet punt verwijderden, waar eenmaal het paradijs stond.
h. Quod ad tempus. Ook hierbij namen we waar, dat de traditie zuiverder is, naarmate we meer teruggaan naar dien ouden tijd.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Wanneer in de latere philosopliio, b. v. in die van i'lato, dit monotheïsme terugkeert, dan moet men dit verschijnsel niet beschouwen als een puur verzinsel. De oorzaak hiervan ligt in iets anders. Do priesters hielden er aller-wege een esoterische leer op na, en deze esoterische leer staat veel dichter bij de paradijs-traditie, dan de exoterische, die onder het volk was verbroid. Die philosophen nu hadden do grondgedachte voor huu stelsels opgevangen uit deze esoterische leer, en gaven daaraan een philosophische ontwikkeling.
De kerk leefde dus allereerst bij de traditie. %
2° Met deze traditie ging evenwel gepaard het door de algemeene genade bewaarde semen religionis, dat ook na de zonde in den zondaar was overgebleven. Bij den een werkt dit semen religionis sterker dan bij den ander. Hierbij nu is op te merken, dat God de Heere in die landen, waar hij vóór het ontstaan van IsraSl zijn kerk hoeft laten wandelen, dit semen religionis sterker heeft laten werken dan bij de andere volken. In den Semietischen stam toch nemen we dit het zuiverst waar.
8°. Behalve do traditie en dit semen religionis heeft God den mensch ook zijn openbaring gegeven. We merken dit aanstonds aan Gen. 3 : 15, aan liet gebeurde met Kaïn en aan andore voorvallen in het Oude Testament waarbij God zich aan den mensch openbaarde. Van sacrament of vaste culte was nog geen sprake, evenmin als van de instelling van een priesterlijk ambt; ieder offerde voor zichzelf. Zoo bleef het voortgaan tot op Noach. Toen onderging de toestand der kerk met betrekking tot den inhoud van haar geloof, een wijziging. Na den zondvloed zijn het eerst gegeven verbiedende geboden, wat den vorm betreft dus hetzelfde als op Sinaï.
Het tweede punt van verschil tusschen de religie tijdens Noach en vóór hem, bestaat hierin, dat God nu met een teeken tot de volken komt, en wel met een teeken des verbonds. De verbondsvorm van de religie wordt weêr opgericht. Wèl was reeds terstond na den val het verbond der genade opgericht met Adam, maar nu eerst werd het geopenbaard in zijn verbondsvorm. Maar het verbond werd nog maar alleen formeel, niet materieel geopenbaard. Het teeken wordt nog aangeduid heel in de verte, en de verbondsvorm wordt nog aangegaan met het heele menschelijk geslacht. Het is dus nog geen verbond, waarin de gratia particularis wordt gegeven, maai' alleen de gratia universalis. God begon met zijn volk den verbondsvorm te onderwijzen.
Het derde punt van verschil met de vorige religie bestond hierin, dat bij Noach het eerst optreedt de vorm der profetie. Henoch was wel een prediker, maar geen profeet. Maar nu werd allereerst aan Noach geopenbaard, dat de zondvloed komen zou, en de wereld werd juist daarom verworpen, omdat zij aan de profetie van Noach geen gehoor gaf. Bij Noach neemt deze profetie
126
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
een bepaalden openbaringsvorm aan in de profetieën over de drie volkeren-groepen, die uit ziju zonen zouden geboren worden, aangezien die woorden het program zijn voor de heele wereldgeschiedenis.
In dat stadium blijft de religie voortloopen tot bij de roeping van Abraham. To«n reeds was de iconolatrie en het polytheïsme in de bakermat van het menschelijk geslacht doorgedrongen. In de teraphim blijkt duidelijk, dat de polytheïstische, iconolatrische vereering liep naast de vereering van den eenigen God. Den boventoon had echter nog het monotheïsme, maar vooral bij het vrouwelijk geslacht, was het polytheïsme (cf. Kachel) steeds meer binnengedrongen.
Gevolg hiervan was de roeping van Abraham, en van af deze roeping tot het ejnde van hut leven der patriarchen, zien we een veel rijker openbaring
aan het licht treden.
1° Na Abraham's roeping wordt het sacrament der besnijdenis ingesteld.
De instelling van een sacrament kunnen we nooit genoeg waardeeren, omdat niet in de leer, maar in het sacrament de openbaring der kerk tot uiting komt. Door het sacrament wordt er een kring afgescheiden, zoodat er dus een aparte organisatie van de kerk komt.
2U Na Abraham's roeping zien we liet gewichtig verschijnsel intreden van de Theo- of Christophaniën. Deze zijn geheel iets anders dan de vroegere openbaringen, omdat die alleen door toe- of inspraak geschiedden. Nu echter spreekt God niet meer in zijn verblindende Majesteit tot den zondaar, maar buigt zich neder, en de majesteit wordt getemperd door de menschelijke gedaante. Zoo is de Christophanie de eerste ontwikkeling van de gedachte die
ligt in den
30 Nu ontstaat eerst het begin van de openbaring der electie en dei-bestemming van de kerk; ayp): de electie in de roeping van Abraham; het xéHoe, de bestemming in hot: „In n zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.quot;
Hier begint zich het wonder te openbaren in de geboorte van Izaak, en wel als hot zetten van de eerste reöele kiem voor de geboorte van den Messias.
Met dit patriarchale leven is echter het vast belijnde standpunt nog niet bereikt. Dat dit zoo is, wordt aangeduid:
a. door de wijze van de instelling der besnijdenis;
b. door het gebeurde met Ismaël en Ezau.
Ad a. Bij de instelling der besnijdenis toch bepaalde God, dat ook de inwonenden moesten worden besneden. Daaimede was zekere latitude gegeven. Het verbond komt dan ook hier voor het eerst niet alleen formeel, maar ook wat betreft 'den inhoud, tot zijn recht. Hierom is het begrijpelijk, dat men
127
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
beweerd heeft, dat eerst met Abraham het verbond der genade is gesloten. Ook Calvijn maakt geen gewag van het genadeverbond vóór Abraham's roeping, en hierop hebben zich natuurlijk de Coccejanen beroepen met allen, die niet erkennen, dat de kerk bestaat van den aanbeginne der wereld. We moeten over deze quaestie niet te licht denken, want zij beslist over de vraag of de waarheid permanent is of niet. Immers, is het genadeverbond eerst met Abraham opgericht, dan heeft het geen eeuwig karakter, en is het tegelijk met Israels' bedeeling afgeschaft. Daarom moeten we wèl onderscheiden tusschen twee momenten: geopenbaard is het genadeverbond eerst met Abraham, maar niet als een toen pas ontstaan verbond; het werd ontdekt als een bestaand verbond. Er is n.1. tweeërlei soort van openbaren, öfhet aan het licht brengen. Van iets wat er nog niet was, of het deksel afnemen, van iets wat reeds bestond, maar bedekt was, en dit laatste heet AnowXvntnv. Het genadeverbond nu behoort tot de ówoxcUdi/ws. Het nulvpiMt bleef hangen tot op Abraham en begon toen te worden weggenomen; evenwel bleef de bekendmaking kalymmatisch tot op Christus toe, aangezien het eerst volkomen werd weggenomen, toen het voorhangsel des tempels scheurde. Het wHvima, dat tot o]) Christus bleef hangen was de symboliek, daar de symboliek iets toont en tevens bedekt.
Ad h. Dat de openbaring aan Abraham nog niet de genoegzame was, blijkt hieruit, dat Ismaël en Ezau niet toevallig in die openbaring voorkomen. Bij Abraham en Jacob gaat de helft der kinderen heen, zoodat we bij Jacob nog slechts een vierde van Abraham vinden. Bij den uitgang van het Abrahami-tische uit het patriarchale leven werd dus weêr een deel geheel aan de traditie overgegeven, terwijl bij Israël die traditie sterker is gebleven dan bij Ezau.
Nu gaan Jacobs kinderen naar Egypte. Daar bluscht God alle openbaring uit. In de vier eeuwen van Israels verblijf aldaar vinden we er geen spoor van, ja, dit gaat zoo ver, dat zelfs het sacrament der besnijdenis verloopt, terwijl van een ambtelijk optreden, gelijk van Abraham, Izaak en Jacob, geen sprake was. God laat het bij de gestrooide zaden, en de bedoeling Gods met die vier eeuwen was niet om de kerk verder te brengen, maar om een gesepareerd volk te doen optreden. De kring van Gods volk moest geïsoleerd worden van den kring der wereld. Hiertoe kon het sacrament niet strekken, omdat dit een geestelijke beduidenis heeft, en den kring niet genoegzaam besloot; immers ook Ezau was besneden. In Egypte nu zien wij het kastewezen, dat uitstekende diensten deed voor de verdere formatie van het volk Gods. Aan dit kastewezen, hoewel het in Egypte op gansch zondige wijze opkwam, lag deze waarheid ten grondslag, dat er in de wereld kringen bestaan. Een
128
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Israëliet mocht volstrekt niet bij een Egyptenaar aan tafel zitten. Zoo was in dit kaslewozen de waarborg geboden, dat Israël niet versmelten kon met het Egyptische volk. In Egypte laat God nu zijn volk vermenigvuldigen, zich ontwikkelen, winste doen met de wijsheid der Egyptenaren, en nu wacht Hij het tijdstip af, waarop hij het voorgestelde doel heeft bereikt.
Nu op deze wijze het volk des Heeren in Egypte als in een sarcophaag ligt verborgen, repeteert zich daar hetgeen geschied was in Ur der Chaldeëen: de evocatio, doch hier niet tot één persoon, maar tot het geheele volk uit-gaande. Tevens openbaart zich hier de opstanding uit de dooden. Jezus toonde den Emmaus-gangers aan, uit heel de Schrift, van Mozes af, „dat de Christus al deze dingen moest lijdon en alzoo in zijn heerlijkheid ingaan.quot; Welnu, Israel was metterdaad dood en daarom is de uitdrukking, dat het als in een sarcophaag besloten lag, niet te sterk. De Egyptenaars deden alles, om het volk dood te verklaren, zooals wel het duidelijkst uitkomt in den kindennoord. Uit zichzelf kon Israël zich onmogelijk uit dien dood verlossen; daarom kwam God met de evocatio.
In de tweede plaats stelt God bij die evocatie een hoofd aan in Mozes, en in hem aanschouwen we de eerste type van den Messias (niet in Abraham.)
Terwijl nu de kring bij Abraham zich had beginnen af te teekenen in het sacrament der besnijdenis, heeft thans de doop van het geheele volk plaats bij den doorgang door de Roode Zee. Het Nieuwe Testament duidt aan, dat deze doop een geestelijke beteekenis had.
Na deze evocatie en dien doop komt nu plotseling de institutie als zoodanig in de verbondssluiting op Horeb. Iets, wat daarom het karakter eener institutie draagt, omdat het ambt als zoodanig optreedt. Door hej, sacrament wordt de kring in het leven geroepen en door het ambt de representatie van dien kring.
Bij het sacrament van de besnijdenis wordt dat van het pascha gevoegd, en in de wijze, waarop God hen onderhoudt in de woestijn, wordt symbolisch de absolute openbaring gegeven van de volkomen genoegzame genade Gods, die zijn volk van alle geestelijke weldaden voorziet. Ten slotte wordt het Kanaan weder binnengeleid.
We merken alzoo op, dat in Israel kerk- en volksstaat volkomen één zijn.
Nu moeten we evenwel de vraag beantwoorden: Welke was de beteekenis van dezen extra-ordinairen toestand? Deze toestand diende slechts voor een tijd, en dit maakt de bedeeling van Israël dus tot een overgangsphase van het kerkelijk leven. Wat was daarvan de ratio? Het antwoord luidt: het rustpunt kon de openbaring Gods eerst bereiken in Christus, want alles zag op Hem alleen, in wien de realiteit aan het licht zou treden. Maar gesteld nu
129
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
eens, dat God diezelfde realiteit had gegeven in Seh-'s dagen, dan zou de Christus onbegrepen in de wereld hebben gestaan en weer heen zijn gegaan, zonder een spoor achter te laten. Dit rustpunt van de openbaring kan niet komen tenzij een program, een schets ivare voorafgegaan- Slechts wanneer eerst ivas geopenbaard, wat en hoe die Christus zijn zou, kon Hij zijn roeping verotdlen. De heele bedeeling van Israël is dus een postulaat voor de komst van Christus mei deze bedoeling, dal Hij niel als onbegrepene, maar als een begrepene gestalte in de wereld zou treden, opdat Hij alzoo op die icereld zou kunnen inwerken. De bedeeling van Israël moe', dus ivorden opgevat als een praetuaium, een vooraf schaduwing, een teekening, een schets van den Christus.
Intusschen, dit is nog niet genoeg. De meesten toch. meenen, dal in Israël alleen gepracfigureerd lag datgene, wat Christus deed op aarde tot aan zijn hemelvaart. Dit is echter ralsch. De geheele Middelaars-laak vu)i Christus tol aan hel jongste oordeel toe en den ingang run het Rijk der heerlijkheid, vormt één geheel, en eerst dan kon Hij zijn werk volbrengen, ivanneer het gansche program iti Israël geprojecteerd lag Helder moet derhalve worden ingezien, dut in Israël de schels lag voor het heele werk van Christus van de kribbe af tot aan het laatste oordeel. Op dit tweede punt moei daarom zooveel nadruk ivorden gelegd, omdat het tverk van Christus in zijn kerk ook nu nog een gebrekkig werk is. De uitverkorenen zijn nog niel heilig; de kerk is nog verdrukt gedeeld, terwijl toch hel werk van Christus in zijn eind een voltooid werk moei zijn. Ligt nu dal gebrekkige werk afgebeeld in Israël'! Xeen. In de formatie en bedeeling van Israël lag hd volkomene afgebeeld, maar in de realiteit van het volk hel onvolkomene.
lu Voorbeeld. De Levietisehe reinheid heeldde de heiligheid af. Is nu die Levielische reinheid een gebrekkige? Volstrekt niet. Zij moest altijd volkomen zijn, en is als zoodanig een a fspiegeling van de volkomen heiligheid van hel paleis onzes Konings.
2'' Voorbeokl, Wanneer Clod in zijn offeranden laat afbeelden niet alleen't offer van Christus, maar ook de offeranden, naartoe Hij zijn kinderen roept, dan zijn. die offeranden weer afschaduwing van hel volkomene.
3° Voorbeeld. Wanneer het leven van Israël in Kanaün de afbeelding is vaneen gelukstaat, dan is die toestand afgebeeld als een volkomene, en de aanduiding van het land. vloeiende van melk en honig, genomen als afspiegeling van een volmaakt volksgel uk.
Sgmbolisch ivordt derhalve steeds liet volkomene afgebeeld. Hiertegenover staal evenwel, dal de. toestand van hel volk allergebrekkigst is. De besnijdenis tv or dl niel in cere gehouden, hel volk vervalt lot afgoderij, en staat tegen God op.
Welnu, deze twee staa)i steeds tegenover elkander; do symbolische instel li uk Gods en de realiteit van het volk, en hierin liggen twee. afschaduwingen:
9
130
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
1° van het volkomene, wat God bedoeld te geven.
213 van liet onvolkomene, dat hier op aarde tot den jongsten dag zal voortduren.
Alsnu moeten we letten op den zevenderlei dienst, die deze volkskring van Israël bewijst, gelijk in de paragraaf is aangegeven.
I. In Israels bedeéling wordt het denkbeeld der uitverkiezing gerepresenteerd.
Israël wordt altijd voorgesteld door God als het volk door den Heere uitverkoren. Steeds wordt dit uitgedrukt door het woord TTO, en zóó sterk wordt deze gedachte uitgesproken, dat er nimmer staat: quia Deo place?//, maar altijd quia Deo place/. Hiermede is de grondslag der kerk op zijn zuiverst aangeduid. De menschheid in zonde is absoluut verdoemelijk, het volk Israël is een aller-hardnekkigst volk, en er is geen enkele oorzaak, waardoor het God tot barmhartigheid zou kunnen bewegen. Maar in tegenstelling met die hardnekkigheid van liet volk, komt het absolute beneplacitum van God des te schitterender uit. 't Is daarom niet toevallig, dat juist zulk een volk is uitverkoren; Uod wil toonen, dat Hij juist met zulk een volk zijn doel zal bereiken. De almacht van zijn genade, en de vrijmacht van zijn verkiezing komen zoo het heerlijkst aan het licht.
II. In Israël is de reëele geslachtslinic van den Christus gegeven.
Gods heil is geen afgetrokken dogma, geen ontwikkeling van begrippen maar reëel voor den mensch. naar ziel en lichaam beide. Daarom kan het niet daarin bestaan, dat God alleen geestelijke werkingen doet. maar moet Hij hot ook openbaren in een tastbaar object. De genade en waarheid is verschenen in Jezus Christus. 1 Joh. 1 ; 1. Op het amp;ecoQeCv en het ipr^ucpav komt het aan. Aangezien nu hierin het heil bestaat, moet die reSele vleeschwording van den Christus worden gepraepareerd, en dit reëele van Gods heil kon dan alleen in de praeflguratie uitkomen, als er een reëel volk optrad, dat alles in grijpbaren en tastbaren vorm deed zien. Vandaar dat God niet alleen een volk vorkoor, maar in dat volk den stam van Juda, in dien stam een Isaï en David, in wiens vleesch de incarnatie van den Christus ligt gepraefigureerd.
Hl. In de Israëliclische bedeeling was ook, geheel afgescheiden ran de symbolische bednidenis, een praealahel instituut gegeven raar de geloovigen ran dien tijd.
Al wat de instelling (iods raakte, gold geheel het volk, niet alleen de geloovigen. De besnijdenis, het pascha, enz. stonden voor elk gelijk, en hadden betrekking op den nitwendigen volksstaat, en het begrip als zoodanig
heeft niets te maken met de gerechtigheid, die voor God geldt. Maar natuurlijk, afgescheiden daarvan, had God ook toen zijn uitverkorenen, en deze lagen voornamelijk, hoewel niet uitsluitend, in dit volk. (De uitverkorenen buiten
131
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Israël werden met Israël in contact gebracht.) Aan de Levielische reinheid hadden deze uitverkorenen volstrekt niet genoeg, maar zij hadden behoefte aan geestelijk goed. Hun deelnemen aan de Levietische reiniging was alleen om mode te helpen aan de praoflguratie van het heil, maar dionde geenszins tot him zaligheid. „Slachtoffers en brandoffers hebt fUj niet begeerd,quot; wil dan ook niet zoggen, dat deze niet noodig waren, maar dat daarin voor (lods uitverkorenen op zichzelf geen geestelijk goed verborgen lag, omdat het bleed van stieren en bokken geen verzoening kon aanbrengen. Maar God liet dit instituut bestaan om zóó ook aan de geloovigen de geestelijke genade toe te dienen, niet krachtens de offeranden, maar krachtens de symbolische profetie, waarmee die offeranden heendnidden op Christus,
IV en V. In die bedeeling log een afspiegeling van den lieden loop der ehris-telijke kerk en de type van het geloofsleven van elk christen.
Niet alleen van het instituut wordt ons gemeld, maar tevens medegedeeld een geheel historisch verloop van het volk. Dit vormt een afzonderlijk deel der openbaring, want het symbolische ligt in instituut en ceremoniën. Toch ligt ook in die geschiedenis een symbool, n.1. een symbool van zonde en genade, want evenals Israël in Egypte in den dood gaat, alleen door Ood verlost wordt, in de Eoode Zee gedoopt, door God in de woestijn geleid, over de Jordaan in het land der belofte ingebracht wordt, evenzoo zien wij op geestelijk gebied deze zelfde worsteling voor de kerk en den goloovige weggelegd.
VI. Israels volksbestaan is een instituut vaar de Revelatie.
God heeft ook Israël gebruikt om zijn openbaring in woorden volledig te maken, zoowel door hetgeen ilij openbaarde aan Mozes als in de psalmen, de profetieën en de schriften der chokma. En, meer dan dit: Hij gebruikte het instituut ook om die waarheid in schrift te brengen en zoo aan de wereld do gefixeerde openbaring te geven.
Vil. Ook is die waarheid zelf wal den inhoud betreft aan lsrac'1 als een tahnith gegeven.
Evenals God gaf een tabnith van den tabernakel, is er ook een volkomen tabnith in de waarheid zelf en in heel de bedeeling van Israël en van het Oude Verbond neêrgelegd. Vandaar dat na de komst van den Christus Jezus zelf zich voortdurend op dat Oude Testament beroept en baseert, evenals na Hem de apostelen. Het Oude Testament heeft dan ook naast het Nieuwe zijn duurzame en blijvende beteekenis. Gelijk in een boek met platen eenerzijds de rede geschreven staat in woorden en de platen een eigen beteekenis hebben, om het geschrevene in teekening te vertoonen, zoo ook is de verhouding van Oud en Nieuw Testament, In het Oude Testament gaf God het aanschouwelijk onderwijs en in het Nieuwe Testament de rede. Daarom mag men nooit
182
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zeggen, dat men aan het Nieuwe Testament genoeg heeft. Om b. v. de betee konis van Golgotha te begrijpen, heeft men niet genoeg aan het Nieuwe Tes tament, maar is bovendien noodig de geheele onderwijzing van de offeranden, aan Israël gegeven.
Uit bovenstaande beschouwing van de bedeeling onder Israël zijn ons dus deze twee zaken gebleken:
lo jat hedeelincj van Israël niet was een kerkelijk institimt in eigenlijken zin, omdat het geen zelfstandige organisatie vormde.
2° dat Israël wol analogice een kerkelijk instiftitil opleverde, maar vervat in he: instituut van het volk, dus, saamgebonden door de banden van het nationale leven.
Hieruit zien wij tevens, dat, waar in Israël een volks-kerk bestond, deze toch iets geheel anders was, dan hetgeen men tegenwoordig onder volkskerk verstaat. Tegenwoordig toch wil men door volks-kerk aanduiden de kerk van een bepaald volk, zoodat men een volks-kerk van Engeland, van Nederland, enz. onderscheidt. Het tegenwoordige begrip is dus een coördinaat. Geheel iets anders was de volks kerk in Israël, n.1. niet de kerk van een bepaald volk, maar God creëerde het volk Israël voor de kerk, voor de geheele kerk, om voor de kerk een tijdelijke formatie op te leveren. Uit Israël mag derhalve nooit een gevolgtrekking gemaakt worden voor den tegenwoordige)! tijd. Do kerk in Israël was niet een deel der kerk in een bepaald volk bestaande, maar de geheele kerk openbaarde zich in Israël, en wel zóó, dat niet de kerk, maar het volk assessoir is. Het volk was het kleed, dat de kerk aantrok.
Onze vaderen, inzonderheid Voetius, wezen er dan ook op, dat men geen cousequontiën uit de kerk onder het Oude Verbond op die onder het Nieuwe Verbond mag overbrengen. Jammer echter, dat zij deze thesis wel uitspreken, maar er lijnrecht mede in strijd handelden. Dit komt vooral uit op het punt van de verhouding tusschen kerk en overheid. Daarbij toch beroept men zich uitsluitend op uitspraken van de Thorah. Hoe kwamen ze daartoe? De Hoom-sche kerk heeft ten deele een heidensch en ten deele een joodsch element bijbehouden. De priesterkleeding b. v. is geheel uit den tabernakeldienst overgenomen. De Hoomschen beriepen zich hiervoor, evenals voor hun beschouwing aangaande de overheid, op het Oude Testament. Onze vaderen nu namen dit uit Thomas Aquino en andere Roomsche Dogmatieken over. Toch is liet opmerkelijk, dat zij tlietice steeds sterk opkwamen tegen dit beroep op het Oude Verbond.
Het laatste punt, waarmede deze paragraaf ons bezig houdt, is, dat de schaduw wegvalt, wanneer de persoon optreedt. Slechts een van beide kan op hetzelfde oogenblik bestaan: de persoon of de schaduw. Is de persoon bij mij.
133
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
dan is de schaduw verdwenen. Juist doordat do persoon op een afstand stond, wierp hij een schaduw af. Alle schaduw in het Oude Verbond is dan ook door den Christus zelf geworpen, maar komt Hij zelf iu realiteit, dan is het onmogelijk, dat de schaduw langer bestaat. Daarom, wanneer men nu nog de skia-tische vormen wil vasthouden, dan loochent men daarmede de realiteit van Christus' komst.
Om slechts één punt te nemen. Als men nu nog een offerande voor de zonde bijbehoudt, zooals de Roomschen feitelijk doen bij hun mis-bodiening, dan loochent men daarmede, dat het offer voor de zonde op Golgotha in realiteit gebracht is. Waar de Christus in werkelijkheid is verschonen, daar is de axiti verdwenen. Deze sterke stelling hebben onze vaderen steeds ingenomen in hun strijd tegen Rome, en zij aarzelden niet uit te spreken, dat do mis een loochening van de realiteit van den Christus was. Met wel recht deden zij dit? Zij hebben geraadpleegd geheel dienzelfden strijd, welke is voorgevallen bij het eerste optreden van het zelfstandig kerkelijk instituut. Toen gold het de quaes tie van besnijdenis en doop. Was het kerkelijk instituut nog door de besnijdenis gebonden, dan lag het nog vast aan de bedeeling der schaduwen. Ook wel lag dit vasthouden aan de o*t« in het waarnemen dei' dagen, het opgaan naar den tempel, maar dit was alles afgeleid. Het principieele punt, waarop de strijd moest worden uitgevochten was dat van doop en besnijdenis. Iemand, die nog iets wilde handhaven van de; umbratische bedeeling, moest de besnijdenis vasthouden, en wie inzag, dat de schaduw voor de realiteit geheel moest vlieden, moest allereerst tegen het aanhouden van de besnijdenis opkomen. Do Handelingen der Apostelen en de brief aan de Galaten geven ons in dien strijd een blik.
Deze tegenstelling was zoo absoluut mogelijk. Wol was er gradueel verschil tusschen de Judaïseerende secten en onderscheidde men Ebionieten, die de geheele Israelietische bedeeling terug eischten, en Nazireërs, die niet zoo ver gingen, maar de alles beslissende vraag is deze, of men den wortel van de Joodsche organisatie afsneed of niet, en die wortel was de besnijdenis.
Het sterkst wordt dit uitgesproken in Hebr. 8 : 13. Beslister kan het wegvallen van de Joodsche overgangsinstelling niet worden uitgesproken: TcenaXcu'coxe tfjv ngtÓTi/v, En vooral legt de apostel hierop zooveel nadruk, omdat Jezus bij de instelling van het heilig avondmaal dezelfde woorden gebezigd heeft: ^ Kaïvt] tv tcö al'fiarC fioti. Jiaiït'iHrj nu is een orde,
een beschikking, een regeling. Het heeft overeenkomst met het testament, de beschikking, die iemand maakt met het oog op ziju dood. Daarom heeft fj Huivlj Sut9i]%rt niets te maken met het „Nieuwe Verbondquot;, hetgeen men vaak verwart, terwijl men dan deze voorstelling geeft, alsof het Oude Testa-
184
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ment het werkverbond was en met het Nieuwe Testament het genade-verbond eerst begon. Dit is volkomen valsch. daar het genadeverbond reeds in het paradijs een aanvang neemt en de geheele bedeeling van Isra 'l in zich sluit. Neen. wanneer Jezus spreekt van r; naivrj Snt9q*ri. dan bedoelt Hij daarmee alleen de nieuwe regeling, die noodwendig moest intreden, nu de bedeeling der schaduwen ophield om plaats te maken voor de realiteit. „Bedeelingquot; is nog wel het beste woord, dat we hiervoor kunnen bezigen.
Met een beroep op Jeremia en andere profeten toont Panlns dit voorbijgaan der schaduwen aan om duidelijk te maken, hoe de geloovigen onder het Oude Verbond reeds heel goed begrepen hebben, dat hun bedeeling zou verdwijnen. VriQaBHov duidt aan, dat die bedeeling niet met een coup d'état is uiteengerukt, maar dat zij voorbijging, omdat haar tijd was uitgediend. De volkomen «yaviepós had eerst plaats bij de verwoesting van Jeruzalem.
In Hebr. 0 en 7 zet Paul us hetzelfde uiteen, wanneer hij wijst op de tegenstelling tusschen Melchizedek en Aaron, en aantoont, waarom Christus wel priester heet naar de ordening van Melchizedek en niet van Aaron.
Bovendien legt Paulus hierop in den Galatenbrief zóózeer den nadruk, dat hij de GalatiSrs. die in deze zaak dwaalden, dvoriroC noemt, dat is niet: „uiczinnigen,'' maar „krankzinnigen, onzinuigen,quot; „Gij hebt,quot; wil hij zeggen, „geen logisch hoofd, want zelfs naar den gewonen regel van het viqitct moet d( avid verdwijnen, als de realiteit zich openbaart.quot;
Daarom komt Paulus ook zoo sterk op tegen het Babbathisme. Hiervoor mag men nooit uit den weg gaan, omdat men met dit sabbathisme de schaduw wéér herstellen wil. Nimmer mag van het doen of laten op den Sabbath een religieuse conscientie-zaak worden gemaakt. De vraag, of men dil of dat mag doen op Zondag hangt alleen hiervan af, of hetgeen men doet uil het geloof is, ja dan neen, en al wat niet uit het geloof is, is zonde. Een andere regel bestaat er niet onder het Nieuwe Verbond.
S 7.
„Toon in Christus de schaduw stond op te gaan in dr realiteit, was het koninkrijk der hemelen nabij gekomen. Niet alsof de zelfstandig geïnstitueerde kerk zelve dat koninkrijk zou zijn, maar omdat zij de idee van dat koninkrijk aanvankelijk realiseerde en bestemd was om liet deels voor te bereiden deels er bij de parousie in op te gaan.
Deze breuke met de bedeeling der schaduwen en deze overgang tot de gebrekkig reëele kerk, ligt in het optreden van Johannes den Dooper, die op Gods bevel een eigen kring vormt, waardoor de weg voor het optreden van den Messias gebaand wordt.
Op analoge wijze vormt Jezus daarna een kring om zich heen, die niet anders bedoelt, dan den kring van Johannes voort te zetten en tot zijn doel te leiden. Deze kring is nog niet de kerk. want tot op het laatste pascha bleef Jezus met de zijnen vorkeeren onder het over-gangs-instituut van Israël, maar wel leverde deze kring voor hel kerkelijk instituut, dat straks zelfstandig zou optreden, het kader. Dit kwam uit in de numerieke begrenzing van liet drietal, twaalftal en zeventig-tal discipelen, iu de lastgeving en in de begiftiging met xngiauatct, die reeds vóór Golgotha aan zijn discipelen ton deel viel, toen zij als lasthebbenden uit werden gezonden om ex officio in elke stad en elk vlek van IsraM den Messias aan te kondigen, waarbij met name te letten is op de absolute autoriteit, waarmede Christus zijn discipelen liet optreden; gelijk het formeeren van een eigen kring en daarmee het begin van eigen organisatie evenzoo blijkt uit het voortzetten van de doopsbediening en het aan zijn discipelen geven van een formuliergebed.
Tot voltooiing komt deze kring eerst door de nadere lastgeving bij het laatste pascha en de instelling van een tweede sacrament.
Feitelijk losgemaakt van den kring van Israël werd deze kring dooiden kruisdood zelf, symbolisch voorgesteld in het scheuren van liet voorhangsel.
Tot zelfstandig optreden riep Jezus dezen aldus georganiseerden en geinstitueerden kring door de opzettelijke omzetting van het discipelschap in het apostolaat, en tot actuose openbaring geraakt dit
136
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
instituut door do slechts eomnaal denkbare on x.icli nooit repetoorende inkooring van den Heiligen (loost op den Pinksterdag.
Ook zóó echter bleef dit instituut aanvankelijk nog altoos dat oxceptio-noele karakter dragen, hetwelk zich bij de eerste ontwikkeling van elk organisme vertoont, en waardoor liet in zijn ontstaan van zijn voortbestaan onderscheiden is. Vandaar dat dit apostolaat verzold gaat van niphlaóth, en waar hot zijn taak voleind hooft, wegsterft, zonder geperpotueerd to worden, en dat alzoo dit nieuwe instituut eerst na dit verscheiden der apostelen in dien normalen toestand geraakt, waarin het alio eeuwen door behoort te blijven voortbestaan, en waartoe het bij voorkomende afwijking door reformatie altoos moet worden teruggebracht.quot;
Hot eerste punt, waarop we do aandacht moeten vestigen, betreft do verhouding tusschon kerk en pctatXti'a nov ovgavcSv, een punt, waarover men steeds in de war is. Wat bedoelde het woord rjyyiyev in de prediking van Johannes den Dooper, fin rjyyiKfv tj (laaiXste r.tov ovgavrnv? Met dat woord wordt aangeduid, hetgeen we hier boven gezegd hebben mot betrekking tot de verhouding tusschon de persoon en de schaduw: de schaduw vliedt, als de persoon faytxev; rjyynttv hooft dus een zoor natuurlijke botookonis, die wij zoo plastisch mogelijk moeten opvatten, in deze prediking ligt dus opgesloten, dat de umbra van hot (letatlLtitt rmv ovqcivcSv er is geweest. Do heolo bedoeling van Israël toont dat (htaiXste mv ovqkvoiv sciatice, maar nu wordt gezegd, dat liet 'ijyyinsv, zoodat do schaduw inkrimpt. In dit riyyinev, dat dus oen toekonachtigon zin liooft, ligt derhalve opgesloten dat dit tlt;iv. ovQavmv niet nog ontstaan moest, maai'
reeds bestond op ocjii afstand; anders toch kon hot geen schaduw worpen. Dit (taaiXeicc rüv (wquvüv heeft dan ook een eeuwig karakter, ligt in het raadsbesluit (rods. Waar oen zedelijke wereldorde optreedt, is God flaailtvg, en komt mot zijn wet; maar terwijl nu dit pctniXtia twv hvqcivü vals koninkrijk van (lod er wel was, maar nog van verre stond en alleen een schaduw afwierp, daar moest het, waar do Christus verscheen in realiteit, naderbij komen.
Uit een vergelijking van Matth. 8 : 2 met Matth. 4 : 17 en 10 : 7 blijkt, dat hot zeggen van Johannes den Dooper: ijyyiKsv ^ paadeicc rmv ovQnvcöv, niet mag worden opgevat, alsof dit ■ eerst een feit is geworden, toen Jezus optrad.
Immers in Matth. H : 2 brengt Johannes do Dooper deze prediking; in Matth. 4 : 17 lezen we van Jezus zelf, dat hij „van toen af begon to prediken en te zeggen: „Bekoort u, ivunt het koninkrijk der hemclm -its nabijgekomenquot;', terwijl in Matth. 10 : 7 Jezus, die toen reeds goruimen tijd onder het volk
■
■
187
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
had verkeerd, de twaalven uitzond met denzclfdeu last: „Predikt, zeggende: het koninkrijk der hemekn is nabij rjekomen.quot;
In ile tweede plaats moeten we nagaan, van waar de naam: (trrnXsfa rmv nvQctvcov. Dit blijkt uit Ps. ()8 : 88; Jes. 87 : lö en Jes. 87 : i'n. Wanneer we met deze drie plaatsen vergelijken, hetgeen we lezen in Matth. 4 : 8, waar Satan bij de verzoeking in do woestijn aan Jezus alie koninkrijken toonde, en tevens de derde bede van liet Onze Vader: Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde,quot; dan zien we uit do samenvoeging dezer uitspraken, dat do koninkrijken der aarde in tegenstelling worden genomen met het koninkrijk der hemelen, en dat deze koninkrijken der aarde wel de facto aan God onderworpen zijn, maar zelf bedoelen oen eigen zelfstandige macht te vertegenwoordigen en wel in dien zin, dat die aardsche koninkrijken oen eigen hebben, den rov y.óauov, welke is Satan. Bovendien zien
wij, dat, waar nu Christus verschijnt, het zijn roeping is, het koninkrijk van God als het absolute koninkrijk te poneeren, maar het te poneeren in den weg van gehoorzaamheid aan God door lijden en dood, terwlj'i Satan de koninkrijken der aarde aanbiedt in den weg van gehoorzaamheid aan den ct^x0'quot; Tnv tdofiov
Dit nu maakt, dat het koninkrijk van Israël geen oogenblik mag worden gecoördineerd met de koninkrijken der wereld. Daarom was hot Israels groote zondo, dat het in de dagen van Saul riep: „Laat ons een koning hebben als de andere volken,quot; omdat dit inderdaad Israel coördineerde met de koninkrijken der aarde. Vandaar dat Saul, die zich er toe leende om in dien zin koning te zijn, absoluut moest worden verworpen. In de oude bedeeling staat het regnum umbratile van Israël recht tegenover de koninkrijken dor aarde. Christus nu komt met den eisch, niet alleen tot Israël, maar tot alle volken, dat al wat op aarde bestaat, aflogge dat autonoom karakter, om zich als één man onder de wot van Jehovah en daarmede onder zijn koninkrijk to scharen. Dit drukte Jezus uit in de bode: „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde,quot; volgende op de bede: „Uw koninkrijk komo,quot; en dit weer op de bede: ,,uw Naam worde geheiligd,quot; omdat deze naam Gods nimmer geheiligd wordt en nooit tot zijn recht komt, zoolang er nog één koninkrijk zich autonoom stelt tegenover het koninkrijk Gods.
De vraag ontstaat nu: /toe liggen de eerste loortelrezelen, waaruit die onjuni-satie ran het kerkelijk institimt is opgekomen? Met de kerk van Israël mogen we hierbij niet rekenen, omdat deze niet het karakter droeg van een wereldkerk. In de paragraaf wezen we er op, dat de eerste Ansatz van die organisatie gezocht moest worden in het optreden van Johannes den Dooper. We zullen trachten aan te toonen, hoe in dat optreden het begin van een uitwendige institutie lag.
138
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Bij het optreden van Johiinnes den Doopcr bestond in Israel tweöerlel vorm van het instituut: de schold en het proselktisme. Steeds ziet men in de Heilige Schrift, lioe alles ontkiemt nit bestaande formation, die dan als praeformatien dienst doen, gelijk we ditzelfde opmerken in de dierenwereld. Voor hot pantheïsme is dit wel zeer verleidelijk, daar dit alles uit een proces verklaart, doch al verbiedt de Heilige Schrift het laatste, daarom mag men nog niet het oog sluiten voor al de historische praeformatien, die ons in Gods Woord zijn aangegeven.
a. Ik Hchola. Destijds waren in Jeruzalem formeel wetenschappelijke scholae, die met onze scholen hoofdzakelijk hierin verschilden, dat één man de ziel was van zulk een schola, om wien de leerlingen als om een vader zich verzamelden. (School van Hillel enz.)
h. Het Prosdietismc. Dit was ook een instituut, dat dienst deed om personen door handelingen, merkteekenen en wijdingen van de eene in de andere rechtspositie over te brengen. Juist omdat bij hot proselietisme het overgaan van de eene rechtspositie in de andere het voorname punt was, is het een instituut, want zonder rechtspositie is een instituut onbestaanbaar. De prosclietendoop beteekende dan ook in de eerste dien overgang. Een proseliet verloor zelfs zijn erfgoed en kreeg een vader en moeder in Isra'1.
Bij deze twee, schola en proselietisme hoort een derde; het optreden der Esseërs, die in onderscheiding van de geen instituut vormende Farizejn en Sadduceën, geheel apart woonden en een gansch afzonderlijken kring vormden. Door Esseër te worden ging men over in een hoogoren staat van geestelijk leven en verbond men zich tevens aan een schola.
Inderdaad lag nu in het optreden van Johannes den Dooper zulk een karakter:
a. van de schola; immers, ook hij verzamelde een groep leerlingen om zijn persoon;
h. van het proselietisme, want ook hij brengt zijn volgelingen er toe, om over te gaan in een nieuwen toestand, om te treden in de rechten van het koninkrijk der hemelen en daarbij den doop als teeken te ontvangen.
Als men zoo wil, zien wc dus bij Johannes den Dooper niets nieuws, maar dit is juist het schoone, dewijl het ons toont, dat al wat Gods hand doet, met een onnoemelijk kleine wijziging een machtig resultaat oplevert. Johannes de Dooper deed niets nieuws, maar alleen zette hij de twee raderen van de schola en liet proselietisme op den Messiaanschen spil en daarmede is de totale ommekeer teweeggebracht.
Dat echter Johannes de Doopcr een instituut opricht, is volkomen duidelijk:
1°. Hij verzamelt om zich heen een bepaalden kring van personen, die dan ook den aparten naam dragen van: /laamp;ijral tov'fcodwov,
139
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2'-'. lu dion kring oefent hij eon absoluut gezag uit. Zijn jongeren waren goheel van hem afhankelijk, worden door hein uitgezondoi. enz.
8°. Er was verschil tusschen zijn ftntf/jriu en zijn volgelingen. Niet ieder, die gedoopt werd, word zijn ftaa-qtifc, evenmin als later by Jezus. De fu^/yrra' waren zij, die de officia uitvoerden, en daarachter stonden de membra constituentia.
4°. Het onderscheid tusschen den kring van Johannes en hen die daarbuiten stonden was gemarkeerd door den doop. De bereidverklaring om zich bij dien kring te voegen lag in het komen tot Johannes en de aanneming in den doop.
5°. De organisatie van zijn kring kwam nog scherper uit, doordat hij zich terugtrok in de woestijn, zich daar vestigde en daarheen zijn jongelingen deed komen. Jezus deed dit niet. maar zocht zijn discipelen op. 1 Iet instituut komt juist daardoor zoo sterk uit bij Johannes omdat hij in zijn isolement zijn kracht zocht. Wel hield hij natuurlijk niet alle gedoopten bij zich. maar toch bleef hijzelf met zijn jongeren in de woestijn, die tot verblijfplaats niet ongeschikt was, achter.
Dat Johannes zich echter niet alleen aansloot bij de scholen en het prose-lietische maar ook aan de Messiaansche profetie, blijkt duidelijk, wanneer hij wijst op Hem, die na hem komt. Reeds waren pseudo-messiassen opgestaan in een Theudas en een Judas (Hand. 5), maar Johannes onderscheidde zich van die allen, doordat hij niet zei, dat hij zelf de Messias was.
We hebben alzoo hiermede aangetoond, dat in het optreden van Johannes den Dooper de Ansatz lag van het kerkelijke instituut, dat hij echter niets nieuws deed, maar zich aansloot aan de bestaande praeformatics, dat zijn optreden alzoo het kenmerk droeg van groote eenvoudigheid, hoewel hij deze éene groote zaak tot stand bracht, dat hij schola, proslie/mm en Mcssiaanschc profetie vereenigde. —
Beschouwen we nu. wat de Hoere zelf deed. Was er bij Hem ook die Ansatz? Zeer zeker, en ook bij Hem zien we, hoe Hij zich aansluit aan de bekende praeformaties. De Heere stelt ook een instituut in, maar daarbij sluit Hij zich volkomen aan bij de praeformatie van Johannes den Dooper. Het schijnt zelfs in liet eerst, of Hij niets anders wordt dan een Johannes-jonger. Het gaat alles zoo eenvoudig toe, dat een ongeestelijk mensch niet merken kon. wat er eigenlijk gebeurde.
Allereerst zien wij, hoe Hij zich laat geboren worden als een Jood onder do Joden, en zich geheel onderwerpt aan het nationaal kerkelijk instituut, gelijk dat in Isra'd bestond. Dientengevolge wordt Hij ten achtsten dage besneden, worden de reinigingsoffers voor Hem gebracht, wordt Hij als eerstgeborene gekocht in den tempel, trekt Hij op twaalfjarigen leeftijd mede op naar Jeruzalem, naar de hooge feesten, terwijl Hij daar gaat zitten in een der scholae.
Ook waar de Heere op rijper leeftijd is gekomen, treedt Hij niet op, om
Ud
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
iets nieuws te maken, maar sluit Hij zich aan bij liet instituut van Johannes den Dooper, gelijk hij zich bij zijn geboorte aan Israël had aangesloten. Hij onderwerpt zich aan den doop van Johannes. Die doop wordt doorgaans veel to uitwendig beschouwd. Niet had Hij dien doop voor zichzelf noodig; dit spreekt vanzelf. Maar wat was dan de zaak? Door geboren te worden in Israël is Hij, hoewel Hij God was en van den Heiligen Geest ontvangen en persoonlijk vrij van alle zonde was, solidair ingegaan in de schuld van Israël. Zoo onderging Hij ook do besnijdenis niet voor zichzelf, maar ook daardoor onderwierp Hij zich mede aan een symbool, waarin geteekend lag do afsnijding van de schuld. Dezelfde beteekenis hebben ook de losknoping in den tempel en de reinigingsoffers. Doch, terwijl nu én de besnijdenis én de reinigingsoffers én de loskooping alleen zien op de gewone schuld, die Israël als volk bezat, zag do doop op heel iets anders. Israël had als volk een tweede schuld op zich geladen door de profeten Gods te verwerpen, de afgoden te dienen en hulp te zoeken bij Babel en Egypte. In die schuld had het zijn Messias-roeping verworpen, en om die verwerping moest do doop van Johannes komen. Om die tweede schuld moest Johannes komen om door zijn prediking het volk uit dien kring in een anderen te roepen. Jezus nu was solidiair mede verantwoordelijk voor die schuld, anders had Hij niet als Jood onder Israel kunnen geboren worden, en krachtens die mede-verantwoordelijkheid moest Hij overgaan uit het oude in het nieuwe instituut. Dit is dan ook de diepe zin van Jezus' woord tot Johannes: „Hot betaamt alle gerechtigheid te vervullenquot;, dat is de gerechtigheid Gods te vervullen, en deze vorderde zijn overgang in hot koninkrijk der hemelen. Johannes verstond dit niot; hij meende, dat Jezus uit de hoogte kwam en zag niot, dat Jezus juist in de diepste diepte van zijns volks schuld was nedergedaald om van uit die diepte zijn volk op te trekken.
Jezus wordt nu na dien doop oen discipel van Johannes? Neen. Een geheel ander element treedt met dien doop tusschenbeide, n.1. de afzetting van Johannes den Dooper en de aanstelling van Jezus. Dit boteokent clan ook de stem uit den hemel van God zelf: „Deze is mijn geliefde zoon,.... hoort Hem.quot; Meestal wordt van dit „Hoort Homquot;, niets begrepen en wordt in de preek bijna uitsluitend er op gewezen, dat wij dus allen naar Jezus moeten hooren, alsof dit iets zoo bijzonders was, dat daarvoor een stem uit den hemel zou komen. Neen! Die woorden zijn gesproken met het oog op de schola, en hot subject, tot wie ze gezegd worden, is het instituut van Johannes den Dooper. Eerst waren do volgelingen volkomen onderworpen geweest aan Johannes den Dooper, maar vanaf dit oogenblik hield dit op en moesten ze Jezus hooren. Daarom is de doop van Christus van zooveel gewicht.
Verder hebben we nu na te gaan. hoe de Heero, in dien kring opgetreden,
141
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zelf' van lieverlede tot de organisatie van liet instituut dier wereldkerk is overgegaan. Hij heeft daarin) liet een op het andere geënt door een ecclesiola in ecclesia op te richten; deze ecclesiola liet Hij uitgroeiei: en de nationale kerk, die er omheengogroeid was, heeft Hij laten wegvallen, totdat er ten slotte tusschen deze beide een breuke kwam.
Dat de Heere, ook als Rabbi van Israël, nog in de Joodsche kerk is gebleven, mag men nooit wegcijferen. Ook na zijn optreden heeft de Heere zich nog blijven gedragen als lid der nationale .Toodsche kerk. De waarheid van deze stelling blijkt uit de volgende feiten:
1L' dat de Heere geregeld opging met de kerk van Israël naar de kerkelijk nationale feesten. Hij deed dit niet, omdat Hij dan onder de groote menigte, die verzameld was. gelegenheid zou hebben om te prediken, maar als lid der kerk van Israël. Het sterkst komt dit hierin uit, dat Hij zelf met zijn jongeren het pascha vierde, niet om vertoon te maken, maar afgescheiden van de-wereld in een opperkamer, naar het ritueel der Joodsche kerk,
2°, uit Matth. 23 : 2. Hier erkent de Heere de yyauaaztïg en de fpctQiaaioi als een college. Zij waren aangestelde personen met de opdracht de wet uit te leggen. Dat dit op deze plaats ook zoo bedoeld is, blijkt uit de woorden: ènl t?is Madhws HKamp;éÜQctg tudOiaav. Jezus erkent, dat dit college in rechte lijn het gezag verkregen heeft, dat door Mozes aan de oudsten gegeven is, daarom zegt Hij nog bovendien: ndvra ovv da« tiv 8LTtMOiV VLILV TrjQSLV, TtjQt-LT£ HCil TtULStTt. Volstrekt niet mogen deze woorden opgevat, alsof Jezus zei: „gij ongelukkige Joden, gij moet u daaraan maar onderwerpen, maar Ik en mijn jongeren zijn daarboven verheven,quot; want in het eerste vors staat duidelijk, dat Jezus tXdlrjCE tois (quot;xloig xai ftNeen, maar Jezus eischt ook van zijn discipelen, dat zij zich aan hel Sanhedrin, als aan de bevoegde autoriteit zullen onderwerpen. Dit verviel natuurlijk met den Pinksterdag, maar tot aan het kruis toe heeft Jezus ben, hoewel Hij hen in afzonderlijken kringsamen-voegde, onderworpen aan de wettige autoriteit.
Luk. 5 : 14 en parallelle plaatsen, vinden we, dat Jezus den genezenen melaatscheu beveelt, zichzelf den priester te vertoonen en het reinigingsoffer te brengen, en deze genezenen waren steeds geloovigen.
3°. De houding des Hoeren in het Sanhedrin zelf. Hij versclieen daar gedurig vóór zijn dood, en wanneer Hij bij zijn gevangenneming Petrus beveelt het zwaard in de scheede te steken, dan is dat bij Hem, die straks zijn eigen bloed zal storten, niet uit afkeer van bloed vergieten, maar omdat Hij in die krijgsknechten, die Hein grepen de dienaren zag van de wettige autoriteit. De gevangenneming had plaats op last van den hoogepriester, en verzet was daarom verzet tegen God. Vandaar dat Jezus zich moest laten gevangen
142
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
nemen. Wanneer Christus dan ook in liet Sanhedrin optreedt, spreekt Hü geen oogenhlik van de incompetentie van dat college, want het was een rechtbank mot gezag bekleed, en wettig hoorde Je/.us onder de Jurisdictie van het Sanhedrin. Had Hij geoordeeld, niet onder het gezag van het Sanhedrin te staan, dan had Hij zich niet mogen onderwerpen en op de incompetentie moeten wijzen. Maar Jezus, door den Hoogepriester gelast niet een eed te verklaren, of Hij de Messias was of niet, heeft die verklaring gewillig afgelegd.
Uit al deze gegevens zien we, dat 't niet aan den minsten twijfel onderhevig is, of Jezus heeft zich steeds blijven onderwerpen aan het wettig gezag der Joodsche kerk.
Een tweede stolling is deze: niettegenstaande Jezus zich onderwierp aan het gezag der Joodsche kerk, heeft Hij toch een eigen ecclesiola in ecclesia gesticht.
Had Jezus dit niet kunnen doen, door eenvoudig den kring van Johannes over te nemen? Neen, want niet al do uctamp;rjrca' van Johannes voegden zich bij Jezus. Johannes hoeft blijkbaar de positie van Jezus niet begrepen, on bleef zijn eigen zaak drijven, in de Handelingen zien we, dat zijn volgelingen op den Pinksterdag nog een eigen kring vormden.
In de tweede plaats moeten we opmerken, dat, waar Jezus discipelen koos. Hij ze koos met een nieuwe roeping. Wanneer Jezus zegt tot Pilippus en Nathanaël: „Volgt mij,quot; dan wil dit niet zeggen: „bekeert u tot Mij,quot; want in dat axoXovamp;eiv ligt opgesloten een bepaalde aansluiting van den leerling aan den leeraar, in dien zin, dat men zijn vroegeren levenskring prijs geeft en in een nieuwen overgaat. Wanneer men dit axolwamp;eCv flauw methodistisch opvat, slaat het ook niet op den tekst, want dan zou ieder, die aan die stem des Hoeren gehoor geeft, zijn bedrijf moeten laten varen, of wel, indien dit geen noodwendig gevolg is van het aHoXovS-dv, dan hadden de discipelen van Jezus evengoed visschers kunnen blijven. Maar dit dyiu/.ovamp;tiv heeft een geheel andere beteekenis, en wil zeggen: treedt in een andere levenspositie op en sluit u geheel aan Mij aan, als een door Mij geroepen dienaar.
Indien Jezus Johannes' discipelen had overgenomen, dan hadden ze geen aparte aanstelling behoeven te hebben. Het zijn van Johannes sloot
niet in, dat men bij Johannes bleef, want Johannes' discipelen bleven ieder in hun bedrijf, maar Jezus roept hen en geeft hun in die roeping een aanstelling als ftquot;V'i*'is van Hem, om Hem alleen te leven.
Bovendien blijkt het feit van een organisatie door Jezus in het leven geroe pen uit de constante getallen, waarin die leerlingen van Jezus voorkomen. Pen organisatie is nader gecleflnieerd, als een bepaald en niet een onbepaald aantal personen voorkomt. Hot bepaalde cijfer trekt de grenzen van het insti-
148
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
tuut. De Heere nu riep oen organisatie in hot leven door een driewerf getrapte instelling van fiKamp;rirai', n.1. van 3, 12 en 70. Die 70 represeiiteeren een cijfer, herkomstig van het aantal Joden, dat uit Kanaan naar Egypte getrokken is. En in Gen. 40 : 27 èn in Ex. 1 : 5 wordt uitdmkkeffik gezegd, dat de zielen, die met Jacob uit Egypte kwamen, 7() zielen waren. Een remhascens daarvan vinden we na het uittrekken uit Egypte, toen ze iu het eerste nachtleger een plaats vonden met 12 waterfonteinen en 70 palmboomon, symbolische getallen, die heenwijzen op de 12 stammen Israels en op Je 70 zielen, die Kanaan uittogen. Iets later stelt Mozes de 70 oudsten aan over het volk. Dit getal 70 was dus historisch in het leven van het volk gefundeerd. Het is de vermenigvuldiging van 7 en 10; 10, het getal dat do wereld voorstelt en 7, het heilige getal. Het getal 70 beduidt dus de indringing van hot heilige in de wereld.
In de opeenvolging van 12 tot 70 ligt juist do overgang van de Joodsche kerk in do wereldkerk. 12 is do vennonigvuldiging van 8 en 4 on daarom de eigenlijke signatuur om het Joodsche volk aan te duiden, hot Joodsche cijfer. Daar waar nu do heele opkomst dor wereldkerk genetisch ons wordt voorgesteld, moest ook in de bijeenvoeging van die twee getallen de overgang getee-kond worden, die uit de Joodsche kerk in de wereldkerk moest plaats hebben.
In hot getal 3 wordt ons een concentratio van het apostelschap getoond in zijn onmiddellijk goddelijk karakter. Dat do eerste drie discipelen zich aan Jezus aansloten, was geen Joodsch maar een goddelijk type.
Bij don Heere ligt in alles een diepe gedachte; ook do keuze dier getallen heeft plaats naar een vast type: het goddelijke, het Joodsche en hot woreldsche karakter reprosenteorende.
Dat de apostelen zelf dit zoo hebben opgevat, zien we uit hetgeen gebeurd is na het uitvallen van Judas. Indien ze zich niet hadden beschouwd als een uit twaalf leden bestaand collego, dan had de plaats van Judas niet behoeven bezet te worden. Van een kerk b. v. is het aantal leden contingent, maar in een korkeraad moot een opengevallen plaats worden aangevuld. De bedoeling was dus bepaald een college van 12 aan te stollen, en daarom was het zoor zeker oen instituut. Dat de Hoore zelf ook niet anders beoogd hooft, blijkt uit zijn belofte, dat zijn apostelen met Hem zullen zitten op twaalf tronen, oor-doelende de twaalf gosladiton Israels. Dat twaalftal werd dus gekozen mot hot oog op do twaalf stammen Israels, en wel met duurzame boteekenis.
Zagen we nu dat dit twaalftal een college vormde, dan komen we in do tweede plaats tot de vraag: ontvingen ze ook als zoodanig oen mandaat? Eerst wanneer er bepaalde stipulation zijn, en zij in hun qualiteit bepaalde macht ontvangen, en verplichtingen hun worden opgelegd, vormen ze oen instituut in optima forma. Welnu, dat dit het geval was, zien we heel duidelijk in
144
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Matth. 10 en de parallelle plaatsen in Luc. en Mare. Opmerkëlijk is het, dat we in Mattii. 1(gt; : 1 lezen: jiQDOKaXhad^evus tov^ fiddfna met het lidwoord, dat is het bepaalde door Hem geïnstitueerde college van de 12. evenals men te Athene sprak van of tvd'exc/, wanneer men van de politie sprak. Een bepaalde macht, xdeiafia wordt hun gegeven, bestaande in het vermogen om kranken te genezen en duivelen uit te werpen. In vs. 2 wordt hun naam als gezanten aangegeven: of anóarcXui en in vs. 5 wordt hun mandaat gegeven (dnéaTsiXe en itctQt'iy-ysile) en precies aangeduid, wat ze doen moesten; ze mochten niet gaan bij de heidenen of bij de Samaritanen, maar alleen bij de Joodsche gezinnen. Daarna brengen ze rapport uit van hun bevindingen.
Men vergist zich derhalve, wanneer men meent, dat do jongeren des Heereu wel later, vanaf zijn opstanding een college vormden, maar zoolang Jezus nog oi) aarde was, zonder Institueering om Hem heen zwierven. In den kring van Jezus bestond ook die gewone aanstelling, die men in eiken kring heeft, n.1. die van oen thesaurier, 't Ware denkbaar geweest, dat Jezus oen ieder voor zich zelf had laten zorgen. Maar neen, 'twas een instituut en aan dat instituut werden schenkingen gedaan, terwijl Judas was aangesteld om dat geldelijk beheer te voeren.
Of ook de 70 geheel en alleen leefden voor den kring, waarin ze waren opgenomen, of wel, dat ze in hun maatschappelijke positie bloven, zooals heden ten dage de ouderlingen en diakenen, is niet met zekerheid te zeggen.
liet laatste was wel waarschijnlijk; met de twaalven was het echter zoo niet.
Een volgend punt waarop we moeten wijzen, is het „Onze Vaderquot;.
Men zegt wel eens, dat men het „Onze Vaderquot; niet als oen formulier gebed moet opvatten, maar onze vaderen dachten hierover anders en droegen zorg, dat des Zondags, althans in een der diensten eenmaal het Gebed des Hoeren werd gebc 'den. Dank zij den maar al te zeer binnengedrongen anti-formulier-geést. kunnen tegenwoordig .jaren voorbij gaan in het leven van een kind Gods, zonder dat dit gebed over zijn lippen komt. Hij, die het geregeld bidt, leert het best het gebed kennen. Daarom heeft de Catechismus dan ook geheel het onderwijs van het gebed aangesloten aan het „Onze Vaderquot;. Dit gebed is bij machte om meer dan iets anders, een kring saam te hincen en aaneen te sluiten.
Als laatste punt, wat hierbij in aanmerking komt, moeten we wijzen, op wat Jezus in Matth. 10 en 18 verklaard heeft omtrent het vergeven der zonde, het binden en losmaken. Jezus zeide tot Petrus, dat Hij op deze Petra zijn gemeente zou bouwen, en gaf zijn jongeren tevens macht om te binden en ontbinden op de aarde, Zr hadden die macht toen nog niet; ze waren nog in de kerk van Israël, en Jezus vormde nog slechts een
145
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ecclesiola in ecclesia. Tlvj kon ook deze belofte nou nkt dadelijk vervullen, aan gezien er in dien kring nog niets viel te hinden of te ontbinden, maar hel was de prognostiek voor den tijd, ivanneer ze hun tweede aanstelling als anuatohn zouden krijgen. {Joh. 20). Daarom spreekt Jezus in Matth. 16 ; 18, 19 nog in het futurum: otnoSofiiiaa eil Smaca.
Nadat Jezus nu onder die twee conditiën was blijven voortleven, eenerzijds zich onderwerpende aan de kerk van Israël en andererzijds een aparten kring vormende, is nu op het laatste pascha, oi door de gesprekken daarbij geroerd, de hreuke lusschen het oude en hel nieuwe Instituut begonnen tot stand- te komen. Dit blijkt duidelijk uit het hoogepriesterlijk gebed (Joh. 17). Hier slaat uitdrukkelijk, dat Jezus den kring der zijnen van de overige kringen onderscheidt, en bidt voor hen en voor allen, die door hun woord in Hem zouden gelooven Dus een bepaalde loslating van de joodsche nationale kerk en een profetie van de wereldkerk ud den kring der apostelen.
Nadat dit gebed gebeden ivas, ging Jezus over tot de eigenlijke daad van de stichting der kerk in de instelling van het heilig avondmaal, en hierbij heeft tveer een inenting van het een op hel ander plaats. Kerst wordt door den Ileere met zijn discipelen het joodsche pascha gebruikt met al hel ritueel, dat daarbij hoorde, maar op hetzelfde oogenblik neemt Hij de ingrediënten van het pascha, en stelt nu het heilig avondmaal in, en dat is de sticlitinp: der kerk. Wel was er reeds het sacrament des doops, maar dit vindiceert op zichzelf nog niet het optreden van een nieuw kerkelijk instituut, evenmin als de doop van Johannes losmaakte van de nationale kerk van Israël. Niet de doop als zoodanig kon de losmaking zijn, omdat juist de proselietendoop inlijfde in Israël. Maar geheel anders staat het met het avondmaal. De doop op zichzelf hief nog niet de hesnjdenis op, en men kon het onderscheid lusschen den doop van Johannes en doi tateren doop, zooeds die door Christus werd ingesteld, dan ook niet beter aangeven, dan door er op te lo ij zen, dat de doop van Johannes de besnijdenis dad bestaan, terwijl de door Christus ingezette doop de besnijdenis ophief. Het avondmaal daarentegen hief eo ipso het pascha op, want de Ileere stelde zich zelf voor als het pascha. Hier is werkeljk in de plaatstreding van de realiteit voor het symbool.
Dat ive recht hebben, om de instelling van het heilige avondmaal als punt van uitgang voor de christelijke ivereldkerk te beschouwen, blijkt uit de ivoorden van Jezus bij de instelling: tovtó tan to ccfya pov, to tijg xaivrjs Sittamp;rjnris, (8ia-ü/jy.ri = dispositie). De nuXaici iïiaamp;r/xr] wc/s bij den Sinaï ingesteld, en waar nu de y.iuvt'i in de plaats komt, spreekt 't vanzelf, dut de naXcaa ivordt opgeheven. Geen twee testamenten kunnen gelijktijdig bestaan. ITe hebben olzoo met de intrede veen een geheel nieuwe orde van zaken te doen.
Hetgeen nu reeds in de instelling van de ncavti werd uitgesproken,
10
140
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
wordt nu symbolisch-recol aangeduid door het scheuren van het voorhangsel, als een indice, dat het heilige der heiligen ophield de plaats te zijn van des Heeren tegenwoordigheid. De tempel was geen tempel meer.
De opstanding des Heeren wordt dan ook gevolgd door een reeks gesprekken. waarin elk verband met de joodsehe nationale kerk gebroken is. Jezus bestond na zijn opstanding niet meer voor de kerk van Israël. Do wereld zou Hem niet meer zien. Hij gaat niet meer naar den tempel, maar integendeel, van af dit oogenblik laat Jezus zichzelf aanbidden door zijn discipelen, en in de eerste samenkomst met de discipelen heeft de instelling plaats van het blijvend college, nu niet meer dor fift-öv/rtu', maar der Ktióaroltn. In Joh. 20 : 21 vinden we die instelling. Wat ligt er nu in die zware, veel zeggende woorden: xcffhus Aniatttlui fit « nürtiQ enz.? Be teekent dit: gelijk Ik uit den hemel gedaald ben? Natuurlijk niet, want de discipelen kwamen niet uit den hemel. Neon, maar: gelijk de Vader MIJ verordineerd en gezalfd heeft en aangesteld als Messias, in de wereld gezonden en met den Heiligen Geest voorzien heeft, alzoo zend Ik ook u in de wereld. De gelijkenis zit in de instelling van het ambt. Jezus had een ambt, een mandaat, en op gelijke wijze als de Vader dit aan Jezus had gegeven, op gelijke wijze geeft Jezus «het aan de discipelen. Dientengevolge lezen we dan ook, dat Hij ivtyvaqat, want, golyk de zalving het symbool was van de toerusting met den Heiligen Geest, zoo moesten ook de discipelen den Heiligen Geest ontvangen, d. i. de zalving tot liet ambt. Natuurlijk heeft deze mededeeling des Geestes niets te maken met de gave des Geestes bij hun bekeering of met de uitstorting op den Pinksterdag. Dit was de ambtelijke gave en zalving met den Heiligen Geest. Tevens wordt hier herhaald het mandaat, dat hun gegeven was in Matth. 1(5 en IS. Hier wordt dus aan de apostelen het gezag gegeven, waarmede tot nog toe het Sanhedrin was bekleed. In Matth. spreekt de Heere, zooals we zagen in het futurum, van hetgeen Hij voornemens was later te doen, maar in Joh, 20:21, 22, 2'i doet HIJ, wat hij gezegd had te zullen doen. Vroeger had ld Sanhedrin de nlfCSttti '/■*' hadden in wettige continuatie dat gezag gekregen. Deze zaak is van groot gewicht, en daarom kan er niet genoeg op worden aar,gedrongen, om in de preek en op de catechisatie deze dingen toch helder in liet lichttestellen. We moeten ons concreet indenken in alles wat Jezus deed.
Ten slotte wijzen we nog op Matth. 28 : 19.
Tot dusver waren de volgelingen van Jezus fiKamp;ijTai geweest. Bij het scheiden van Jezus verliezen ze dit karakter en krijgen de functie van dmiaroHot, terwij] zij nu de macht ontvangen, om anderen tot pafrqrm' te maken euTt). De doop ontvangt hier een nieuw karakter. Niet meer heet het: bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, maar nu erlangt de
147
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
doop duze beteekonis, dat men daardoor persoonlijk aan Christus wordt verbonden. Eindelijk geeft Jezus luin den waarborg, dat niet deze kring, welken Jezus gevormd had, zooals de kring van Johannes vervallen zou, maar dat deze was de laatste, de blijvende, de duurzame kring, en daarom zegt Hij :
tydgt; fitiï' vud'v flfii nÜBCig zas r/fitpKg.
In alle détails kunnen we dus precies aangeyen, hoe dat instituut in het leven gekomen is. Volstrekt niet, gelijk men wel eens zegt, m;4 den Pinksterdag. De Pinksterdag toch kon niet aanbreken, tenzij er een instituut aanwezig was, even als het water niet stroomen kan, waar geen bedding is. Neen, als Jezus ten hemel opvaart, staat daar het instituut in zijn oecumenisch karakter,
't Exccptionecle karakter ran do. eerste organische oithcikkeliiirj.
De Roomsche kerk, de Irvingianen enz. vinden in hot tot dusver aangehaalde veel voor hun voorstelling van do kerk.
Het apostolaat toch is oecumenisch, niet locaal. Jezus stelt hot in, voor er nog geloovigen zijn en eerst daarna worden de geloovigen opgenomen. Nu zegt Rome: zoo is er eerst de clerus, en de leden volgen, komen achteraan; het instituut van Jezus is dan Rome. We staan hier echter voor een exceptioneel iets, en dit exceptioncole duurt voort tot den dood der apostelen. Dit nu is volgons den aard van elk organisme. Wanneer men een korrel laat ontkiemen, ziet de eerste kiem er heel anders uit dan de later zich ontwikkelende halm. Steeds heeft wat het eerste ontwikkelt een andere gedaante dan de verdere geleidelijke ontwikkeling. Ditzelfde zien we bij het instituut van Jezus' kerk. De apostolische phase is duidelijk onderscheiden van de daarop volgende, in den eersten apostolischen tijd zien we supernatureele krachten werken. De apostelen getuigen met een kracht, die later niet is aanschouwd; ze genezen kranken, laten een Annanias en Saftira dood neêrvallen enz. Overmits nu die eerste tijd dit supernatureel karakter draagt, inosen we daaruit geen gevolgtrekkingen maken voor den tegenwoordigen tijd. Alleen zou dit geoorloofd zijn, indien Rome werkelijk toonde, diezelfde exceptionoele krachten te bezitten. De • Roomsche kerk gevoelt dit, en beweert daarom de infaillibiiiteit van den paus en de perpetueering der mirakelen,
We moeten alzoo in het oog houden, dat hetzelfde exceptioneele karakter, dat wij bij de ontwikkeling van elk organisme in den aanvang waarnemen ook bij de kerk van Christus niet ontbreekt en wordt uitgedrukt door het begrip „apostolaat,quot; Dit apostolaat is een noodzakelijke tusschenschakel tus-schen Christus' persoonlijk werk en de verdere normale ontwikkeling van Christus' kerk. Dit moest, want de ontwikkeling der kerk is een principieele en in zulk een principieele ontwikkeling worden de grondlijnen getrokken. Die
148
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
eerste principieele ontkieming beheerscht de geheele latere ontwikkeling, op dezelfde wijze als we dit waarnemen bij een plant. Het apostolaat is de norman* van het latere normala. Deze twee woorden duiden het verschil aan. Alle latere ontwikkeling is een ontwikkeling normata door dien normans. Vandaar dnt inen spreekt van do „apostolische kerk.quot; We vonden dus, dat
1° liet apostolaat niets vreemds is;
2quot; het verband tusschen de eerste en de latere ontwikkeling duidelijk ligt aangegeven.
Hierbij komt nog, dat het apostolaat dat exccptioneele karakter der kerk niet uitput; bovendien toch waren er nog de profeten, de charismata, de inspiratie voor de vervollediging der Heilige Schrift. Die bijkomstige omstandigheden zijn verzeilend, niet van normatieve kracht; deze toch ligt in het apostolaat; maar ze dienen deels om het apostolaat mogelijk te maken, deels om de vrucht ervan te bestendigen.
'AnuatoXog is iemand, die van de eene naar de andore plaats wordt gezonden. Het woord, in het gewone Grieksch weinig gebruikt, komt voor als adjectief èn als subjectief (aniaroXog argatriyott. Het bcteekende eenvoudig, dat men ergens vandaan kwam, zonder dat er het begrip van een mandaat in lag in den zin van ambassadeur. Het werd veel gebruikt van een beurtschipper. Daaruit blijkt, dat het woord niet is overgenomen uit het gewone spraakgebruik.
Het erlangde zijn beteekenis van het Hebreeuwsch een woord van
groot belang, 't Komt voor:
lu als bode, gezant onder menschen, Alzoo Nah. 2 : 14. Do gezanten van Ninevc brachten een ultimatum en waren dus tot algemeenen schrik.
2° sensu praegnanti: 'TT quot;^0 een van God gezondene.
In dezen zin iieeft liet zijn eminente beteekenis:
a. als een engel, ayyeXog.
h. als profeet, gezonden met een mandaat, b. v. naar Jeruzalem. Zóó: de naam Maleachi = gezant des Hoeren. Zie verder 2 Kron. 86: 15; .les. 44 : 2G ; 42 : 19.
c. als aanduidende de tweede Persoon van de Drieöenheid: „engel des Ver-hondsquot; enz., eigenlijk beteekenende: gezant des Hoeren, omdat Jezus niet in engelengestalte verscheen, maar in menschengedaante. De engelen hebben geen gedaante; cherubim, enz. zijn symbolische gestalten. Jammer, dat onze Statenvertaling hierop niet lette. In Openb. 2 worden ook de opzieners engelen genoemd, ook hier ware de vertaling „gezantquot; boter geweest. Bedoeld is de van Gods wege aan het hoofd dor kerk geplaatste.
Waarom nu is niet gebezigd: vyyeXus'! Zon dit dan geen goede gedachte
149
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hebben opgeleverd? Hierop dient geantwoord: vooreerst was het begrip toen reeds in het Grieksch in gebruik voor de nvsvtutTa InovqttvCa. Het woord had dus een soort typische beteekonis gekregen; het woord op de
engelen toegepast was een vaststaande naam geworden, ook al dacht niemand meer aan hoi begrip van zenden; het duidde eenvoudig een homelwezen aan, evenals b. v. bij ons het woord ouderling eenvoudig een qualiteit aanduidt.
2° Als Jezus het begrip zenden wil uitdrukken, leent zich daartoe het woord andarolos veel boter, omdat dit wijst op het herkomen van een bepaalde plaats: een van elders komende. En immers, hierin bestond Jezus'prediking, dat Hij van Clod gezonden is uit den hemel, en op dezelfde wijze zijn apostelen uitzendt. Opmerkelijk is dan ook, wat we lezen in Luc. 6 : 18 oüs ■/«! n~o(!TÓknvg covó^iaaev. Zoozeer was de Heere er op bedacht, om een institiuit in het leven te roepen, dat Hij zelfs den naam en den titel bepaalde vooi de personen. Hij zelf dus is het, die dien naam heeft in het leven geroepen.
Wat nu de zaak zelf betreft, dan sta op den voorgrond, dat Jezus zelf de groote, eigenlijke apostel, de Heer-apostel was. We zien dan ook in Hebr. 8:1, dat do naam anóetoXoe hier op den Heere zelf wordt toegepast. Tevens wordt Hij hier genoemd de 'Jqxisqsvs in aansluiting aan het Oude Testament; waar beide, èn het apostolaat èn het Hoogepriesterschap wortelden in Christus.
Uit Joh. 20 : 21 blijkt, dat Jezus dien naam ook van zichzelf gebruikt, en op dezelfde wijze zijn apostelen uitzendt. Het is, alsof Jezus zeggen wil: Het wezen van do aaoatolq in u is hetzelfde als van de ünoarolri in Mij. Het apostolaat mag niet anders dan uit dit „Urbegriffquot; worden verklaard. God zendt, om last te geven aan dc kinderen der menschen. Zoo is Christus Princeps apostolorum. Hierop legt Jezus zelf in de Evangeliën gedurig nadruk, wanneer Hij getuigt van den Vader gezonden te zijn, van den Vader een last ontvangen te hebben enz. Daarom moeten wij er ook vollen nadruk op leggen, dat Jezus ambassadeur is van Gods wege, dat hij niets uit zichzelf deed, maar alles deed en sprak, wat de Vader Hem had geïnspireerd. Hij stelde zich steeds voor als instrument Gods, en cijferde zichzelf weg. Hieraan alleen ontleent Jezus den eisch, dat wij Hem zullen hoeren, want in Hem komt het woord van God. In dien geest moet het apostolaat evenzeer worden opgevat. De persoon des apostels doet er niets toe; hij ontvangt alleen een last van Gods wege. Daarom is de kerk voor altoos aan dat woord Gods gebonden.
Nog een dubbele opmerking zij hieraan toegevoegd.
1° In Joh. 1 : (i heet Johannes dc Dooper een tinfaTaXaivos, en in Joh. 13 : 16 wordt het woord in neutralen zin gebruikt, n.1. niet als apostel, maar in het algemeen als gezant.
lo(J
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
In do tweede plaats moet worden aangetoond, dat het woord „apostelquot; sensu praegnanti gebezigd, èn een institutair èn een exclusief begrip is. Het eerste volgt uit het cijfer. Do Heere had in het algemeen apostelen kunnen aanstellen, zonder dat dezen nog in het ambtstonden. Maar het ambtsgozag volgt uit het cijfer, het apostolisch cijfer van do dmSsna. Dozo uitdrukking van of 8lt;ó8s*te treedt moornialen in do plaats van do apostelen. Dit getal is daarom volstrekt niet toevallig gekozen. Het blijkt, dat Jezus die 12 zoo koos, om de kerk van hot Nieuwe Verbond ook in haar formatie als uit Israël te doen opkomen. We zien dit o. a. uit het antwoord aan Salomo; en ook in do tec-koning van het Nieuwe Jeruzalem wordt oen stad voorgesteld met twaalf poorten, en iedere poort met den naam van een apostel. Dit dodekaat wijst dus reclitstreeks terug op het stammongotal in Israel.
De apostelen hebben don naam van apostel niet pas na de opstanding gekregen, gelijk mon vaak orroneus voorstelt, als waren zij vóór dien tijd discipelen. In Luc. 6: 1:5 noemt Jozus zo roods bepaald dizóatoloi. In Luc. 9:10 zien we, dat do discipelen, toen zij van de eerste missie terugkwameft, worden aangeduid als of anóaToï.oi. Zij vormden dus een totum quid. Vergelijken we nu hiermede Luk. 17 : 5, dan zien we, dat van of ómlatoloi sprake is, reeds lang vóór do opstanding. Do naam is dus gegeven, toen zij tot hun eerste missie, die onder Israël, zijn uitgegaan. Indien we nu hierop letten, en tevens bedenken, dat zo daarna nog een twoode missie hebben ontvangen, dan blijkt hot duidelijk, dat zij dien naam als uitgezondenen, als gezanten hebben ontvangen. Zo waren dus reeds apostelen vóór de opstanding, hoewel zij het voor ons eerst zijn na de opstanding. Immers, de eerste missie gaat ons niet aan, maar was alleen tot Israël, niet tot do heidenen.
Voorts is het getal der apostelen bedoeld als een fixum quid; dit blijkt ook uit Hand. 1, uit do opvatting, dio de apostelen zelf hadden omtrent liet apostolaat. Toen Judas was verloren gegaan, hebben ze een ander in zijn plaats gekozen. Het twaalftal is niet alleen een in zichzelf afgerond getal, maar moest ook worden gecompleteerd. Na den dood van Jacobus kwam die gedachte bij de discipelen niet moor op. Ook later bij het sterven der andore apostelen is dit college nooit aangevuld. Dit verdient opmerking. Het blijkt, dat Judas apostel was, maar bij de eerste missie. Hij had dezelfde rechten als de andere apostelen, predikte Christus, wierp duivelen uit. Maar, als het aan het tweede apostolaat toekomt, voor de oCwlt;v[isvt], dan is Judas weg,
Hoe natuurlijk het nu ook is, dat de apostelen dit getal van twaalf aanvulden, zoo rijst toch de vraag, of zij in de bedoeling des Heeren hebben gehandeld. Als toch na Judas' zelfmoord de Heere niet mot zijn apostelen ware
151
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hiiamgcwüost, zoo ware het recht eu rationeel geweest. Maar na den dood van Judas is de Heere zelf onder de apostelen geweest en hoeft hun de aanstelling tot het tweede apostolaat gegeven. Do Heere ontmoette na zijn opstanding ook anderen dan de elven. Wat zou nu natuurlijker zijn geweest, dan dat Hij zelf den twaalfden man had aangewezen? De discipelen spreken er niet over en ook in Hand, 1, waar de keuze wordt medegedeeld, staat volstrekt niet, dat dit geschiedde op aanwijzing van den Heere. Ze hebben eenvoudig het lot geworpen en van Matthias lezen we verder geen woord meer; hij verdwijnt aanstonds. En hiertegenover staat eindelijk, dat de leemte van den twaalfden man wel werd aangevuld door den Heere zelf (Paulus). Nemen we nu dit saam :
le dat na Jacobus' dood de aanvulling niet werd gerepeteerd;
2° dat do Heere geen twaalfden man aanstelde vóór den hemelvaart;
3° dat de Heere in Paulus een apostel aanstelde;
4° dat de Heere in Openb. spreekt van het Jeruzalem met twaalf poorten naar de namen der twaalf apostelen, dan is het inderdaad de vraag, of Matthias wel de apostel naar des Hoeren wil is geweest. Niet aan hein, maar aan Paulus is dan ook de kerk des Nieuwen Verbonds verbonden. Ook in den hernel heeft hij onder de apostelen boteekenis. Deze vraag is in zooverre van belang, dat Paulus moet worden opgenomen onder de door den Heere aangestelde apostelen. Hij heeft het nêfineadai, maar niet Matthias en hierin toch ligt het hoofdkenmerk van het apostolaat.
Het groote belang van deze zaak ligt in de vraag, of het apostolaat i.s een missio univoca of een zich repeteerende missie? De Roomschc kerk, do Jrvingi-anen, de apostelbroodors enz. willen, dat er ook na de twaalven nog apostelen zijn geweest. Dit hangt samen met het twaalftal. Telt Matthias meè en wordt Paulus de dertiende apostel, dan is het apostolaat ook niet afgerond, maar zich herhalende. Is daarentegen Paulus de twaalfde, dan is het getal afgesloten en kunnen er later geen apostelen meer opstaan.
Ook in Israel had men twaalf stammen, maar feitelijk dertien, door de splitsing van den stam van Jozef; doch, de stam van Simeon was haast verdwenen en in Juda opgenomen, zoodat toch het twaalftal bewaard werd. Bij Israël zien wij dus diezelfde weifeling en dobbering. Zij nu, die de voortduring van het apostolaat voorstaan, beroepen zich op enkele teksten, waar de naam „apostelquot; ook gegeven wordt aan menschen, die buiten het twaalftal stonden; met name op Hand. 14 ; 14, Ook de Statenvertaling spreekt van de apostelen Barnabas en Paulus, Is dit juist-, dan vervalt het heele stelsel. Daarom is er slechts de keuze om of het twaalftal onvermeerderd te handhaven, maar dan moet op deze plaats ook worden vertaald: „de gezanten Barnabas en Paulus,quot; öf toegeven, dat het apostolaat aan het twaalftal niet hing. De vraag is, of
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Barnabas en Paulus werkelijk gezondenen waren et' niet. Wanneer we nu Hand. 13 nalezen, dan zien wij inderdaad, dat zij het karakter van gezanten droegen. In het 2° vers wordt medegedeeld, dat er in Antiochiö waren TtgorprjTcii '/.ai (hödanctKoi, o tt Rnoi'dfing xnl £vfiedgt;v ««!. 2,'«öAog. Was liet HU de bedoeling geweest om Barnabas „apostelquot; te noemen, dan had het hier moeten worden bijgevoegd, maar hij wordt alleen geintroduceerd als profeet en leeraar. En Juist had in de tweede plaats hun reis hierin haar oorsprong, dat de Heilige Geest openbaarde: van u moet een zending uitgaan, en daarom heetten ze - êxnificpamp;évTeg vm) tav rin-vfiaTog 'jyéov. Tomoor moet in IIand 14 :14 dzóaXoloi vertaald door „gezondenenquot;, omdat Barnabas vóór l'aulus is gezet, wat niet alphabetiseh bedoeld is; maar zoo gezet is, wijl Barnabas te Antiochiö de oudste in dienst was.
Ook beroept men zich op 1 Thess. 2 : 16. Dit geldt een quaestie van kerkrechterüjken aard, die tegenover Rome In finesses moet worden behandeld. Men zegt: „in het begin is sprake van Paulus, Silvanus en Tiinotheus, als schrijvers van dien brief, dus moeten dan ook met de woorden in cap. 2 : 6 (ós Xqiatov anóoroXoi deze zelfde drie bedoeld zijn.quot; De sleutel om dit op te lossen, ligt in vs. 18. Paulus schrijft hier niet in den pluralis niajestatis. De pluralis slaat terug op Paulus, Silvanus en Tiinotheus, maar het is opmerkelijk, dat Paulus hier de moeilijkheid gevoelt om voor meerderen te schrijven, en daarom schrijft hij hier als een exceptie: hquot; TlavKog. Maar niettegenstaande hij deze exceptie maakt, belet hom dit niet te zoggen: Kal dvenorixv » JJaravag.
Natuurlijk is niet bedoeld, dat l'aulus meerder en de anderen minder belet-waren geweest; dit blijkt uit «jmg; neen Silvanus en Tiinotheus hadden geen plan gehad. Alle bewijskracht dus is weggenomen door dit vers. Uit vs, 6 blijkt das alleen, dat l'aulus geen geld had gevraagd, maar staat niets van Silvanus en Tiinotheus, Met: „wij als apostelenquot; bedoelt hij dus: „wij, apostelen, Paulus, Petrus enz.
De derde plaats, waarop men wijst is Kom, Ui: 7. Men vertaalt hier: „oneer de apostelenquot;, maar de bedoeling is niet, dat zij als apostelen vermaard wareu, maar dat zij te Jeruzalem bij de apostelen in goeden reuke stonden.
Ten slotte verwijst men naar i'hil. 2:2-quot;). Uit het verband blijkt duide'.ijk, dat moet worden vertaald door .gezantquot;. Er staat: vpmv SI (inuatolov en apostel kan men alleen zijn voor de geheele kerk. Dan staat er ook nog; ItitovQfóv rgt;ig xQn'ag fuiv bij; Epaphroditus was n.l, met geld uil l'lulippi tot l'aulus gezonden.
De pogingen, om het apostolaat te perpetueereu, lijden dus schipbreuk met het oog op de Heilige Schrift, Mr is geen enkele poging gedaan om het apostoluat aan te vullen,
• Wanneer we spreken over de autoriteit der apostelen, moeten we allereerst
158
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
verwijzen naar Ef. '2 : 2(t. Over de boteekenis van xgotpljtM op deze plaats in groot geschil geweest. (Jalvijn laat het slaan op do profeten des Ouden Verhonds; anderen op de profeten des Nieuwen Verbonds. Op zich zelf genomen, lacht de eerste uitlegging meer toe en deze is dan ook de gewone. De waarheid Gods is vroeger geopenbaard door do profeten, nu door de apostelen, zoodat men dan Oude en Nieuwe Verbond iiier te zamen noemt. Toch is deze exegese niet vol te houden. Hierom:
1° de positie van de woorden is tegen deze exegese; TtQotptjtamp;v zou moeten voorafgaan en er is geen verklaring voor te vinden, waarom dit bier niet zoo zou zijn.
2n tegen deze exegese strijdt, hetgeen we lezen Ef. 3 : 5, dat n.1. t.lt;) iivarfainv wat vroeger niet was geopenbaard, nu mis ayimg dnoaróKoig ««l ttqo
(pijroie iv nveviiciTi. In vs. 6 volgt, waarin dit pvatfawv bestaat. Natuurlijk is er bier geen sprake van, dat de profeten des Ouden Verbonds zouden zijn bedoeld. De apostelen gaan dan ook hier weêr voorop. Men zou nog èv trsQaig ytvtaCg kunnen opvatten als: „onder andere volkenquot;, doelt ook dit wordt afgesneden door liet volgende: vvv, zoodat de eenigo goede vertaling is: „de vroegere geslachten.quot;
Ook cap. 4:11 noemt i'aulus weer in dezelfde volgorde: ïêco-xt rovg ptv dno atóXovs, rovg öl nQocprjTJvg. De profeten des Nieuwen Verbonds hebben dus een machtige boteekenis gehad in het leven der eerste christelijke kerk.
3° het begrip titfithav is verkeerd gevat. Vat men 't op alsof bedoeld zijn do profeten des Ouden en de apostelen des Nieuwen Verbonds, dan verstaat men onder fopUwv bun geschriften. (Een tijdlang is door Dr Hoedemaker een tijdschrift uitgegeven: „'t Fundament der apostelen en profetenquot; d. i. de Schrift) Dat deze exegese geen stand kon houden, blijkt uit de bijvoeging; onos «)i$oylt;o-vLctiov nvTov 'iriBov Xqiotov. Christus is voor fundament en bouw de hoeksteen. Steunende op den hoeksteen wordt een foiitiiov gelegd en wel door de apostelen, die Hem kennende, krachtens de volmacht hun als apostelen verleend, de bevoegdheid hadden de openbaring voor de kerk uit te werken (gt;11 de lijnen te bepalen, waarnaar de bouw zou moeten worden opgetrokken. Hier wordt aan de apostelen dus toegekend een grondleggende macht voor de structuur der kerk. Zij bepalen dit.' door het aangeven van de lijnen voor liet fundament.
Dit stemt overeen met hetgeen we uit Job. 17 : 15 weten, dat de Heere n.1, bad voor de apostelen en voor hen, die door hun woord gelooven zouden (dus ook voor ons), d. w. djor hun gesproken en daarna door hun geschreven woord.
Ook blijkt de exceptioneele volmacht uit de macht om to binden en te ontbinden op aarde. De Roomsche en de Gereformeerde kerk hebben beide de
154
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
fout begaan, om dit exceptioneele op de dienaren der kerk over te brengen. De Roomsehe kerk deed dit, om er uit af te leiden, dat ook de pastoor in de biechtstoel de macht heeft vergeving te schenken; do Gereformeerden, om de volmacht der apostelen te verzwakken. Maar de exceptioneele positie der apostelen moet goed tot haar recht komen.
Uit de apostelen mag men niet tot de gewone dienaren concludeeren. Als men Joli. 16 : 13 neemt, waar de belofte gegeven wordt, dat de Heilige Geest hen in alle waarheid zal leiden, dan geldt dit alleen voor de apostelen en niet voor de dominees; het beteekent toch hun onfeilbaarheid. Daarom, indien een dienaar dit op zichzelf toepast, doet hij als de paus.
Verder blijkt deze exceptioneele positie der apostelen ook nog hieruit, dat de autoriteit, die zij als zoodanig hebben gehad, door zÉQctza en uiterlijk, is
bevestigd geworden. Vandaar dat de Roomsehe kerk er dan ook zoozeer prijs op stelt van haar bijzondere mannen te kunnen aantoonen, dat zij wonderen hebben verricht. Dit kenmerk was terdege aan het apostolaat eigen.
Ten slotte wijzen we er nog op, dat reeds tamelijk vroeg het verschijnsel van het pseudo-apostolaat optrad, hetgeen alleen valt te verklaren uit het optreden van wezenlijke apostelen, wier autoriteit was erkend. Nu treedt het pseudo-apostolaat op, om zichzelf een zeker gezag toe te eigenen; de verklaring van de verleiding om zoo op te treden, is alleen te vinden in het feit, dat er andere apostelen waren, die in deze autoriteit werden geëerbiedigd.
§ 8.
„De institueering der kerk is plaatselijk, eerst in Jeruzalem en daarna in de onderscheiden dorpen en steden, waar zich personen onder den naam van Christus vereenigden, zich afscheidden van de joodsche synagogen of den heidenschen dienst, en alsnu een eigen dienst voor het Woord en het Sacrament instellen.
De institueering in Jeruzalem vangt aan in het optreden van do apostelen als gesloten kring, bij wie tal van personen zich voegen en zich onder hun autoriteit stellen, straks gevolgd door het opkomen van het presbyteriaat en diaconaat. In de onderscheidene plaatsen out staat het instituut, doordien do apostelen, de evangelisten of vluchtelingen er prediken, voor hun prediking gehoor vinden en alsnu ouderlingen aanstellen. Dit plaatselijk karakter van de kerk als instituut volgt:
lü uit den aard van liet instituut, omdat men alleen met de geloo-vigen uit zijn eigen woonplaats geregeld vergaderen, saam bidden, saam het sacrament gebruiken en onderling voor elkaar zorgen kan. De Tl^ in Israël, die niet locaal, maar nationaal was, diende dan ook voor gansch andere doeleinden en kwam slechts een enkel maal saam; terwijl in de kerk van het Nieuwe Testament dit saamkomen minstens elke week geëischt is.
2° uit den aard der ingestelde ambten, in zooverre alle hiërarchische, nationale of oecumenische organisatie in deze ambten ontbreekt. De öiódaxnXoi., TTQta^vTfQoi of Siayiovoi staan als dragers van een plaatselijk ambt allen op gelijken trap; van een deken, bisschop, aartsbisschop, patriarch of paus is geen sprake, en evenmin van veelhoofdige meerdere besturen. En wel staan de apostelen over en boven allen, maar dezen zijn bestemd om te verdwijnen.
B(' uit het gebruik van hnX^aiui in het meervoud, ook waar op kerken uit een zelfde provincie of landstreek wordt gedoeld, en het ontbreken van eiken afzonderlijken term voor de openbaring der kerk in een geheel land en in een enkele plaats. Immers, het nu gemaakte onderscheid tusschen kerk en gemeente, rust niet op de Schrift, maar wordt er door uitgesloten.
156
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
4quot; uit de benaming van iwlrjai'a zelfs voor parochiën in grootere steden, terwijl het enkelvoud nooit gebruikt wordt voor meerdere kerken in onderscheidene plaatsen.
5° uit het wegvallen van de nationale kerkorganisatie in Israël en het orgaan van de macht van den hoogepriester en het Sanhedrin iu liet hoogepriesterschap van Christus, zoodat de eenheid der kerk in den hemel in Christus ligt en op aarde niet georganiseerd wordt. En
6quot; uit de tegenstelling van de rav ov^avév, waartoe do
kerken behooren met de (iaaUsïai row m!aaov, waardoor elke totaal-organisatie dor kerken naar het cosmisch kader is uitgesloten.
Hiermeê is natuurlijk niet gezegd, dat de eenheid van het awptt, waarvan deze kerkelijke instituten do openbaring zijn, niet op allerlei wijze mag en moet gezocht worden, noch ook, dat de eenheid van meerdere kerken eerst door een wilsdaad harerzijds ontstaan zou; veeleer toch ligt die eenheid fundamenteel in de eenheid van het «5/»«; maar alleen, dat de instituten voor do openbaring der kerk niet oecumenisch, noch nationaal, noch provinciaal, maar alleen locaal bestaan; zoo echter, dat het locale begrip niet onveranderlijk aan de burgerlijke begrenzing der plaatsen, hetzij stad of dorp gebonden is.quot;
De institueering van de kerk des Nieuwen Verbonds is plaatselijk begonnen en plaatselijk voortgezet.
Evenals Adam van twee zijden kon worden beschouwd, eenerzijds als hoofd der menschheid, en anderzijds als persoon, zoo ook heeft de kerk van Jeruzalem twee zijden: generaal en partieel, daar zij èn tijdelijk de geheele zichtbare kerk vertegenwoordigde, èn tevens vertegenwoordigde een particuliere kerk. Deze twee moeten worden onderscheiden. We moeten vragen:
1° hoe te Jeruzalem de particuliere kerk tot stand kwam;
2t, hoe de generale kerk tot stand kwam.
De institueering der generale kerk is in den wortel uitgegaan van Christus zelf, in de institueering van de apostelen, van doop en avondmaal, in den last, om van Hem te getuigen, waarvoor Hij de rudimenta had bepaal 1, die zich slechts behoefde te openbaren om de kerk te doen optreden. Doch ook die rudimenta zette Hij ineen. Dit is het feit van den Pinksterdag. De uitstorting des Heilige Geestes is complement van de instelling van het apostolaat en der sacramenten. De kerk bestaat in de vergadering der geloovigen; ze bestond dus niet iu de apostelen, ook niet in de 120, die met de apostelen vergaderden, want de kerk bestaat niet uit losse personen, maar als owpu. De Tivsviiu bindt de ledematen van ons lichaam samen. Zoo nu ook wordt de
157
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
eenheid van het mua corst gevormd door het ééne rivsvua, dat alles bezielt en doordringt. Daarom is het gehoele kerkelijke begrip verwoest door de valsche prediking van de feiten van den Pinksterdag gedurende een eeuw lang; n.l. alsof He personen den Heiligen Geest ontvingen en alsof men daarom nu nog moest bidden. De Perfectionisten gingen verder en wilden een herhaalde uitstorting des Heiligen Geestes. Deze is dan de wolk boven den dorren akker, die om besproeiing roept. Verwoest en vervalscht is aldus ons Pinksterfeest.
lu Het verliest zijn uniek karakter.
2quot; Men denkt zich do kerk zonder den Heiligen Geest, hetgeen in besliste tegenspraak Is met de Heilige Schrift.
De kerk van Israël had haar saambindend irvevpa in den volksgeest van Israël, het nationale xvfvfut. Daarentegen nu tie kerk los werd van den nationalen band, verloor ze die eenheid. Ze trad voor het eerst op als op zichzelf staande schepping, zonder substraat, zonder piedestal in een volksbestaan. Doch daartoe had die kerk een eigen nvsvfia noodig. Had nu God gegeven een nviv/ia rr'ig êKuXriaiccg, dan had de kerk gestaan naast de natiën met een eindig, relatief karakter. Doch dat kon niet, en daarom moest God de Heilige Geest zelf in die kerk ingaan, om dien saambindenden band uitte maken. Daarmede hing saam de providentieole leiding, dat er op den Pinksterdag mannen waren uit allo natiën, terwijl de Heilige Geest zich op zulk een wijze uit, dat allen Petrus verstaan.
In Adam was oen ahsolnul nvtvpa. Relatie toch onderstelt steeds een a en een b, en daarom ontstaat eerst door de deeling het relatieve nvevua. De kerk representeert de absolute eenheid, en bezit daarom een absoluut terwijl
in haar het scheidend element tusschen de volken, dat zich uit in de taal, wordt te boven gekomen. Zoo hing het wonder der talen hiermede noodwendig saam.
Hierbij blijft het echter niet. De kerk van Jeruzalem is tevens ecclesia particularis. De twaalf apostelen zijn weg, alle vreemdelingen zijn vertrokken, en toch blijft te Jeruzalem de kerk. Dit openbaart zich op drieërlei wijze:
1° velen sluiten zich bij die ecclesia aan, waaronder een groot aantal priesters van den stam van Levi;
2° de materieele basis van de gemeente: enkelen bezaten goed, anderen niet. Er was drang om in allen nood te voorzien, en ze gevoelden den eiscli om dien nood weg te nemen. Zoo trad het diaconaat op, een ambt van geheel plaatselijken aard, dat wijst op het particuliere, locale karakter der kerk.
3'' uit Acta 15 blijkt, dat er te Jeruzalem ook presbyters waren.
158
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Waar deze kerk dus een tweezijdig karakter heeft, dient op het verschil te worden gewezen. Wat haar generaal maakt, gaat van Jezus uit; wat haar particulier maakt, geschiedt door verkiezing van het volk onder goedkeuring der apostelen.
Van iedere geïnstitueerde kerk moet dit tweeledig karakter worden gehandhaafd. Zij moet zijn: geïnstitueerd door Jezus, geopenbaard door menschen.
Jezus is de Stichter:
1° er Is geen kerk mogelijk zonder wedergeboorte;
er is geen bediening der sacramenten mogelijk dan door Hem, en de kerk wordt eerst openbaar door den doop;
3° blijkens de ambten, die tot het welwezen van de kerk behooren, en deze bestaan niet, tenzij Jezus iemand in het ambt inzet; de mensch kan wel verkiezen, maar de autoriteit komt van Jezus;
4° elke kerk moet zijn een apostolische kerk, moet zijn aangesloten aan het apostolaat; de apostelen moeten iu elke kerk namens Jezus gezag uitoefenen, vandaar de prediking;
5° Jezus heeft alle eeuwen door zijn kerk geleid en bestuurd, en dal niet bij wijze van eindelooze repetitie, maar om haar een proces te doen doorloo-pen. Aan het historische proces nu, moet iedere kerk zich aansluiten; dat groote werk van achttien eeuwen mag niot geloochend; daartoe liet Hij toe, dat liet martelaarsbloed stroomde.
II. Hoe is deze ecclesia Novi Testamonti losgeweekt van die des Ouden Verbonds?
Dit is een nioeielijke vraag, die helder moet worden ingezien, omdat uit een verkeerde quot;voorstelling van deze quaestie de dwalingen van Rome, van de volkskerk enz. zijn voortgekomen.
Waarom is deze vraag nu zoo moeielijk? Omdat de apostelen niet revolutionair, niet radicaal te werk gingen, door alles zoo maar op eens bi;, den wortel af te snijden. Zij lieten onder de leiding des Heereu het een uit het ander losweeken.
Opmerkelijk is het, hoe Paul us reeds op gevorderden leeftijd dit toonde: Acta 21 : 28, 24. Paulus komt te Jeruzalem onder de beschuldiging, dat hij brak met de bedeeling des Ouden Verbonds. Men vreesde voor oproer van het joodsche plebs, en daarom zegt men tot Paulus: „er zijn juist vier mannen, die een gelofte deden; voegt gij u bij hen, dan toont gij, dal gij nog zijl nivXvaaajv ruv vófiuvquot; Waar men nu zou vermoeden, dat Paulus dit beslist zou afslaan, lezen we vs. 20, dal hij zich met hen heiligde. Blijkens Acta 24 :18 schaamt hij zich hierover niet, maar komt hij daar pigener beweging op dit feil terug.
159
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Een tweede feit vinden wij Acta 10: 1 3. Paulus vindt Timotheus onbesneden en laat hem besnijden propter Judaeos.
Om dit wel in te zien, laten wij even deze feiten liggen, maar stellen er tegenover, dat Paulus en alle apostelen verworpen hebben het gezag van het Sanhedrin.
Wat was dat Sanhedrin?
't Was geen oorspronkelijke instelling; de naam bewijst dit reeds. De voorstelling van den Talmud, alsof het door Mozes was ingesteld, berust op een fabel. Zelfs in den tijd der Perzische overheersclüng was er geen Sanhedrin, daar de Perzische koningen een satraap aanstelden.
Voor het eerst treedt het op onder de Ptolemaeën, die een andere wijze van koloniaal beheer volgden, dan de Assyriörs en Babyloniërs. Deze laatsten toch hadden steeds het doel do nationaliteiten te vernietigen. De Perzen niet. Zij trokken het absolute gezag geheel aan zich. Door het Rijk van Alexander kreeg men do Grieksch-Europeesche wijze van beheer. Volgens deze methode gaf men aan iedere kolonie eigen regeering. (cf. het verschil tusschen Britsch-Indiö en Kaapland en Canada) De Grieken beheerden hun koloniën aldus, dat ze geheel autonoom waren, onder erkenning van de hoogheid van het moederland. Men plaatste er aan het hoofd de yegovaia. Dit systeem pasten de Ptolemaeën ook toe op Palestina; aan deze ysQovaia, die bestond uit den adel der Joden werd het bewind overgelaten. Van lieverlede kreeg men dus dezen toestand: aan den oenen kant de geestelijke heerschappij onder den Hooge-priester; aan den anderen kant de wereldlijke onder de ysQovai'a, en de Hooge-priester werd nu ook in deze laatste voorzitter. Door die yegovaia ontstond de heerschappij der Maccabeëen. Zoo doorliep deze yi-Qovaiu allerlei wisselingen tot op de Romeinen. Toen Palestina aan Rome werd onderworpen, kwam er weder een nieuw systeem. De Romeinen wilden van geen yt^ovaCa weten; de Senaat van Home moest worden beschouwd als de eenige macht ter wereld; hun proconsuls moesten het eigenlijke gezag uitoefenen, en alle colleges in ile veroverde landen waren dus slechts adviseerend. Daarbij kwam, dat zij de gewoonte hadden do landen te verdeelen, in stukken te snijden. Zoo heeft de proconsul Gabinius omstreeks 00 voor Ohristus Palestina ingedeeld in vijf deelen, ieder met een ewiSqtov. Een wijziging werd aangebracht door koning Archelaüs. Men had de gewoonte van Homeinsche zijde, om den toestand gedurig te wijzigen. Zoo had niet lang voor den dood van Jezus het Sanhedrin macht gekregen over het grootste deel van Palestina, terwijl het bestond uit Sadduce, n, Parizeën, en enkele Schriftgeleerden met den lioogepriester als voorzitter. Het oefende een gelijksoortige macht uit als de gemeenteraad, met uitzondering van het bestuur over do wegen, dat de proconsul had. Ook de jurisdictie hoorde aan het Sanhedrin. Zijn vergaderzaal had het In den tempel;
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zijn vonnissen kon het zelf uitvoeren, alleen hadden zij niet het jus vitae ac necis, hetwelk aan den procurator overbleef.
De leden van de Jeruzalemsche kerk nu, waren los van het Sanhedrin, hun conscientie was gebonden aan het gezag der apostelen, die in dezen zin het Sanhedrin voor hen vervingen. Doch, zoolang die kerk in Palestina woonde, stond zij onder de jurisdictie, de landsoverheid van het Sanhedrin. Van de ééne zijde werd dus het Sanhedrin verworpen, van de andere zijde werd het geëerbiedigd. Zóó alleen is Acta 23 : 5 te verstaan. Blijkens vs. 1 en Cap. 22 : 30 stond Paulus terecht voor het Sanhedrin, en naar luid van Cap 23:2 stonden er, wat wij zouden noemen, politie-agenten bij hem, waar we lezen dat Ananias beval, aan degenen, die bij hem stonden, om Paulus op den mond te slaan. Waar nu Paulus in vs, 3 zegt: ovh jjSeiv, «m éazlv aexifeevg, erkent hij den Hoogepriester in zijn waardigheid, doch niet als Hoogepriester, maar alleen in zijn civiele autoriteit, als «(jjjcor tov laov. Wel woonde Paulus niet op zijn gebied, maar de Joden poogden steeds autoriteit uit te oefenen ook over de Joden, die niet in hun eigen landpalen woonden.
Wanneer hot gaat over geestelijke zaken, verzetten zich de apostelen steeds tegen het Sanhedrin. Dit feit, als genoegzaam bekend, behoeft niet nader te worden geadstrueerd. Stellen wij eens, dat het joodsehe volk was blijven bestaan, hetzij absoluut vrij, of onder een procurator, maar toch in elk geval met civiele autoriteit, in welke verhouding zouden dan de christenen onder hen tot dat gezag staan ?
Zij zouden het hebben te eerbiedigen. De besnijdenis nu was niet alleen een geestelijke, maar ook een civiele zaak, een nationale maatregel, evenals in Pruisen de vaccinatie een nationale zaak is. De vaccine-dwang van het prae-putium gold civiliter voor Israels volk. Als Paulus dus Timotheus laat besnijden, conformeert hij zich aan de civiele-nationale wet. Daarom kon liet rijk van Israël niet blijven bestaan. Die civiele autoriteit moest weg, anders ware de geestelijke leugen geperpetueerd. In dien overgangstoestand vinden we dan ook den zeer natuurlijken toestand, dat de christenen in Palestina joodsch bleven loven. De apostelen e. a. gingen niet meer op naar het Paaschfeest, offerden niet meer enz., zoodat er kerkelijk een finale afscheiding was. Maar als burgers bleven zij Joden. Hierin lag nu gevaar, omdat ook de civiele instellingen onder de Joden geestelijke duiding hadden. Vandaar de felle strijd, die weldra ontstond en eerst beslist is op het convent te Jeruzalem, waar werd besloten, dat men civiel onder de joodsehe wet moest blijven loven. De kinderen werden dus besneden en daarna gedoopt, Doch bepaald werd, dat dit volgen van de joodsehe wet dehinc geen ander dan een civiel karakter zou dragen. Dat was het groote punt. En daarom zou het ook alleen gelden
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
0
voor de christenen uit de Joden, niel voor die uit de heidenen. Dit laatste willen altijd de drijvers onder de christenen uit de Joden, en dit werd hier te Jeruzalem afgesneden. Toch bleef er gevaar. In de oogen van de Joden hield het volgen van de Joodsche ivet steeds een geestelijken bijsmaak, gelijk blijkt uit Acta 21. Uit kon de kerk niet wegnemen en daarom deed de fleere het in het jaar 70 door wegneming van het Sanhedrin en verwoesting van den tempel.
Hieruit vloeiden nu twee ketterijen voort:
1° van uit hel convent te Jeruzalem, dat men n.l. niet alleen voor de christenen uit de Joden civiliter, maar voor alle Joden het besluit wilde laien yeldegt;i. Dit ivas Paulus' strijd met Petrus en de anderen.
2° van uit de verwoesting, dat men n.l., toen alles iveg was en geheel het Joodsche volksbestaan e medio sublatum erat, alles weer wilde gaan invoeren. De Ebionieten e. a., die dit strevoi voorsto)iden, vielen later geheel van de kerk af.
Dal het eerste gevaar dier haeresie niet verder doordrong, kwam hier vandaan:
1° dat door Paulus' optreden het aantal christenen builen Palestina spoedig dat in Palestina overtrof. Ware de kerk hoofdzakelijk beperkt geweest tot Palestina, dan had de haeresie de heele kerk verwoest. Doch nu werd het overwicht verplaatst. Het groote corps der kerk stond buiten Palestina.
2° de verarming van de kerk in Palestina, wijl ze in valsche verhouding lot hel civiele leven in Israël stond; de menschen leden gebrek en de kerken uit de heideneii moesten hulp bieden cf. de tweede brief aan Corinthe. Paulus bespreekt deze zaak zoo uitvoerig om het groote belang. De kerken bestonden vanuit de heidenwereld, niet vanuit Palestina.
Derde Observatie.
De separatie. Waarin bestond die?
Hierin, dal ecclesia tegenover ecclesia optreedt, altaar tegenover altaar werd opgericht. Van de gemeente te Jeruzalem wordt medegedeeld, dat er velen werden toegedaan. Hierbij nu moet ivorden bedacht, dat in Jeruzalem een kerk bestond, n l. de Tegenover dezen trad de andere op, en dit sluit in, dat de eene de andere venverpt.
Welken naam droegen de belijders van Christus oorspronkelijk? Een eigen naam geeft een eigen wezen aan. Hun vaste naam was: of uaamp;rjzur, b. v. Acta 6 : 2: 7iQnaK(xi,SB(i^evoL de oi ScóSena ro nlrjamp;og raiv (ia9r}Tlt;av, d. i. de gemeente (niet de catechisanten) De kerkeraad (of Scóös^a) roept hier de gemeente saam. bi vs. 7 vinden ive dezelfde uitdrukking.
Ada 9 : 36 is de meest afdoende plaats. Ot iJ.aamp;r]tca zijn, roat wij noeme)i „de geloovigenquot;, en Paulus nu zocht met die geloovigen gemeenschap, maar icdvrtf icpopovvto ctvrov, fif/ itteTsvovTfg oTi êatï jiaQrjTr'ie•, zij waren hang, omdat zij niet geloofden, dat hij een /.inamp;tjTrjs teas.
11
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
%
8aiimgeuomen heeten do actamp;rjTai-, Unlriaia cf. Acta 5 : 11, waar eon onder-scheiding gemaakt wordt tusschen /y snxlrjaia en navrss ot «mvovzbg tuvtu. Die laatsten nu vormen ook een èwlrieia, n.1. die des Ouden Verbonds. Hieruit ij] ij kt dus, dat er twee êwlrioiai tegenover elkander stonden. Dat woord iwlrjaia nu was niet noodzakelijk, omdat de naam naamp;rjtai' er was, maar toch bezigen zij dien naam, die de pretentie insluit, dat zij waren de h-Arjaia. Het kruis van Golgotha werd gesteld tegenover het altaar in den tempel; Christus'offer tegenover de offers, die de priesters nog brachten. In Acta 2 : 47 is de naam hulriaCa in latere edities geschrapt; dit kan zeer juist zijn en het is ook natuurlijk, dat de nmm nog niet werd gebruikt, maar wel de zaak werd genoemd. Dit nu geschiedt hier. quot;üXog 6 d. i, het publiek in Jeruzalem hield hen n eere, maar hiervan wordt onderscheiden een andere kring, waartoe uit dien Xnóg enkelen worden toegedaan. (6 di XvQiogitQoaetiamp;si) De andere lezing is waarschijnlijk later door iemand ingevoegd; doch deze versterkt het feit, dat zij kring tegenover kring vormden. Ook in vs '11 lezen we: Treuaeréamp;rioav, en tevens wordt de doop aangegeven als het scheidend sacrament tusschen beide kringen. In cap. 4: 4 wordt het aantal mannen opgegeven; vermenigvuldigd met 4 geeft dit 20000 zielen voor Jeruzalem; in dat cijfer ligt ook het aangeven van een nieuwen kring.
Niet onnatuurlijk had dit zelfs plaats in een zelfde gebouw, evenals in ons land nog wel kerkgebouwen door twee gemeenten worden gebruikt. De êxxlrjai'a rtjg Kcuvfjg Siaamp;rjurjg begon op te treden in den tempel en wel in het voorhof van Salomo blijkens Acta 5 : 12, 42. Bij slot van rekening ontstond ook de strijd over do gebouwen en werd de ènxlr/aia rijg -/.rovfjg diaamp;rjitrjg er nit geworpen, en handhaafde het Sanhedrin die rijs naXauig Siad-^rig.
Zie verder Acta 8 ; 1, waar de zuiverste formule voorkomt voor de plaatselijke kerk. Hier en daar begon reeds in een andere plaats een kerk te ontstaan en vandaar de bijvoeging tv 'legoaoXvuoig-
vs. 8 lezen we, dat Saulus zich als rechercheur ten dienste van de po'.itie stolt, de discipelen zocht te verraden, na binnengedrongen te zijn, terwijl hij hun dan zijn aanstelling toonde en hen gevangen nam.
Acta 9 : 81 is een op zich zelf staande plaats, met een eenigszins afwijkende terminologie, waarop we later zullen terugkomen.
Cap. 11 : 22 vinden wo dezelfde uitdrukking als cap. 8:1 en vs. 26 eveneens, terwijl hier ook aan de kerk van Antiochië de naam van Iwlrjata wordt gegeven.
Ten tweede blijkt dit aparte optreden uit het overgaan van kring in kring. Dit ziet men in do uitdrukking: irQoatiamp;évai in de genoemde plaatsen, en uit het vermelden van het aantal.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Ten derde blijkt het uit de instelling van nieuwe ambren, die de hoogheid in een kring dragen. De koning heeft alleen het recht ambtenaren aan te stellen; komt een ander dat nu ook doen, dan stelt hij kroon tegenover kroon. Zoo ook hier: in dien kring nam men een eigen hoogheid, die van Christus, aan. Zie Acta (i en 7, wat aangaat het diaconaat en cap. 15 ; -1, wat aangaat het presbyteriaat, waar de diakenen niet worden genoemd; dezen zijn nooit gerekend tot het bestuur van de kerk. Zij worden daarom niet toegelaten in classe of synode, dan met adviseerende stem. Hier worden echter wel de Ti-QsaflvTSQot genoemd. Nergens staat het feit vermeld, dat zij gekozen waren, maar hier blijkt, dat zij er zijn, natuurlijk niet ter vervanging van do apostelen, maar aan het hoofd der plaatselijke kerk.
Ten vierde blijkt dit aparte optreden uit de erkenning van liet gezag dor apostelen en de verwerping van dat van het Sanhedrin.
Hoe ging dit nu van Jeruzalem uit verder? De kerk spreidt zich. Wat vinden we daaromtrent vermeld? Acta 8 : 1 v.v. Het Sanhedrin had autoriteit en politiemacht, maar het dorst Jie niet uit te oefenen, als het volk er zich tegen verzette. Daarom draalde het zoolang tegenover Jezus. Ze waren bevreesd, dat dan do militaire macht zou optreden, in casu do Romeinsche legermacht, en wanneer dit geschiedt — zoo is het ook nu nog — dan heeft de civiele macht niets meer te zeggen. Dit is de reden, waarom liet Sanhedrin in het eerst niet optrad tegen de christenen, die in den eersten tijd althans de publieke opinie nog op hun hand hadden. Toen dit echter niet meer zoo was, trad het Sanhedrin op. Het gevolg was hun verspreiding naar het Noorden en het Zuiden, maar nog niet over de Jordaan. Do apostelen alleen blijven staan. Die gevluchten gaan overal evangeliseeren en het blijkt uit het 12° vs. van cap. 8, dat die prediking ook vrucht droeg. Tevens vinden we in dit vers het begin van de kerkformatie, want we lezen, dat zij, die de verkondiging van Philippus geloofden, werden gedoopt.
In vs. 17 wordt ons de definitieve institueering van de kerk medegedeeld. Vs. 40 toont, dat do propaganda van het christendom door alle steden heengaat, tot in Caesarea toe. Uit Acta 9 : 10 blijkt, dat vóór de vervolging nog een fiaófyrrjs in Damascus was n.1. Ananias; vs. 19 doet zien, dat er reeds eerder een beginsel van kerk was. Blijkens liet slot van het voorgaande vers bestond er reeds een instituut, want de doop werd toegediend. Uit vs. 31 blijkt, dat er reeds allerlei beginsels van kerken waren vóór de groote vervolging.
Acta 8 : 14, al deze kerken erkenden de autoriteit der apostelen. 'De twaalven zenden er twee uit tot een inspectie-reis (vs. 17 — 25); zij gaan ook naar de vele vlekken der Samaritanen. Hierna komt do actie van Paulus, waardoor de kerk zich uitbreidde ook buiten Palestina.
164
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
De propaganda naar buiten greep plaats op drieërlei manier:
le Jezus had overal zijn vrienden, wijl Hij overal het land was doorgetrok ken en die vrienden institueerden zich;
2° door de groote vervolging,
3° door het zenden van evangelisten.
Deze evangelisten moeten we ons niet verkeerd voorstellen. Twee worden er met name genoemd: Filippus on Timothcus. (Van Filippus staat het opgetee-kend Acta 21 : 8; van Timothcus: 2 Tim. 4 : 6) Uit genoemde plaats. Acta 21 : 8 weten we, dat Filippus met zijn gezin woonde to Caesarea. Hij wordt genoemd « evayyiUarrje, lt;lt; av éx to'v tTira, n.1. van de blijkens Acta (5 tot het diaconaat gekozenen. Hij was hier niet in qualitelt van diaken; hetgeen moet worden opgemerkt tegen Rome en de Engelsche kerk, die alle macht aan het diaconaat toekennen.
Blijkens Ef. 4 en 1 Cor. 12 worden onder de ambten de diakenen en evangelisten afzonderlijk genoemd; het waren dus twee ambten en Filippus was aldus van het eerste in het tweede overgegaan. Die evangelisten waren bepaalde ambtsdragers. Et'. 4:11. De rangorde der ambten is deze: apostelen, profeten, evangelisten en dan de ordinaire ambten. Dus we hebben te doen met drie buitengewone generale ambten, voor de geheele kerk geldend.
Wat is nu liet eigenaardig ambt van den evangelist? Zij moesten in de kerk zijn, zoolang er geen evangeliën waren; de evangeliën vervingen hen. De groote feiten leefden alleen uog maar in de jmpcrfoois. Van belang was voor die Ttagaóóais een vaste vorm, waarin zij tot de kerk kwamen. Die Evan-geliën verschillen van de brieven der apostelen, evenals er verschil is tusschen historie en belijdenis of dogmatiek. De evangelist bouwde niet op in de waarheid, maar verbreidde, bevestigde eenvoudig de feiten in de kerken. Hiervoor pleit do naam, gegeven aan de vier verhalen van Mattheus, Marcus, Lukas en Johannes. In de handschriften toch, worden die vier genoemd: tu Evayyèhov Die onderscheiding tusschen de geschriften der evangelisten en die der apostelen wordt nog altijd gemaakt in de Roomsche, Grieksche en Engelsche kerk, waar Zondags èn een stuk uit de Evangeliën én een stuk uit de apostelen gelezen wordt. Die duïteit dateert van dat tweeërlei officium van de evangelisten en apostelen.
Zeer natuurlijk is het daarom, dat, toen de papieren evangelisten er waren, het ambt wegviel. De naam evangelist is daarom nu niet meer bruikbaar en strijdt mét de Heilige Schrift, want onze dusgenaamde evangelisten zouden dan niets anders mogen doen, dan eenvoudig de vier verhalen voorlezen. Die evangelisten stonden onder de macht van de apostelen, blijkens 2 Tim. 4 enz., en dezen konden hun bevelen geven. Het vermoeden ligt daarom voor
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
de hand, dat ook Titus, Silas, Lukas en Barnabas, die in de Acta worden genoemd, evangelisten waren. Paulus liet tegenover hen het apostolisch gezag gelden, gaf hun voorschriften voor hun arbeid, gedrag enz.
De apostelen oefenden alzoo ten opzichte van de geïnstitueerde kerk een bevelende macht uit, een macht, die in het Grieksch worde uitgedrukt door het woord: óiatdrrsaO-ai TdrTsaamp;at. is „iets ordenen,quot; terwijl het begrip Sia aangeeft hot „dispositie maken,quot; het leggen, zoodat alles geregeld is.
Deze macht is door de kerken erkend. Dit blijkt uit:
1 Oor. 11 : 34. Men had in sommige kerken de gewoonte ingevoerd des middags aan één tafel saam te eten. Dit kon nog, omdat het aantal leden klein was. Toen het getal echter grooter werd, gaf dit aanleiding tot ver-keerdheden, daarom zegt Paulus, dat men wel bij elkaar mocht komen, om wat te gebruiken, maar niet om te eten. Ta S? lomi, voegt lüj er dan aan toe róg av IXfrca, óiuxd^ofxui. Hieruit blijkt, dat het voorafgaande geen advies, maar een ordinantie, een regeling is, terwijl de apostel zich het recht vindiceert allerlei bepalingen met betrekking tot het kerkelijk leven vast te stellen.
Philem. : 8. Dozo plaats toont het nog sterker. De apostel zegt hier, dat hij nnXlrj Ttcuujriaia heeft, om Philemon te ènirdaaeiv. De praepositie öia wordt gebruikt, als men handelt onder meerdere personen, terwijl wordt gebezigd, waar bevel wordt gegeven ten opzichte van een bepaalde zaak of persoon.
Tit. 1 ; 5. Hier geldt het weêr de dispositie voor een lieele kerk, daarom: rf i tc xdTTtrtOui. Paulus vindiceert dit recht dus ook voor zich tegenover de evangelisten, tot welke Titus behoorde. Krachtens deze volmacht nu had Titus weêr de macht, bepalingen te maken voor de kerk op Creta.
1 Tim. 6 ; 13. Hier vinden we een andere uitdrukking van dezelfde betee-kenis: naqayyéXXm. Dit beteekent in tegenstelling met lm- en öia-xmttaamp;ttt, „namens een ander bevelen gevenquot;, en daarom volgt clan ook:
2 Thess. 3 : 4 dezelfde uitdrukking, terwijl tevens het woord TtaQnSóais volgt (vs. 6). Vs. 10 beveelt Paulus, dat er geen bedeeling raag worden gegeven aan menschen, die niet werken, in vs. 12 worden na^ayyiXXoixev en nciQanalovfiev onderscheiden als bevel en paraenetische vermaning.
1 Thess. 4 : 11. 1 Cor. 14 : 3, een vermaning, tot de vrouwen gericht (hierin ligt niet uitgedrukt — al beweren wij daarom nog niet, dat het goed is — dat buiten de kerk de vrouwen niet mogen spreken.)
Hand. 15 : 20. Vanaf vs. 14 spreekt Jacobus en oordeelt, dat men de christenen uit do heidenen zal imatsiXai, aanschrijven. Vs. 22 lozen we hierop föo|s tols anoBtóXois xal rots TrQiajivrtgoig avv oXy rfj ttfnXrjCio: d. i. Ze namen een besluit, want dat is de beteekenis van donsï, placet, en daaraan hadden de
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
anderen zich eenvoudig te onderwerpen. is een keizerlijk of koninklijk
besluit, cf. Luk 2 in den aanhef: Soyfia. Ditzelfde woord nu zien wij
toegepast op de beslissingen door de apostelen genomen.
Vierde Observatie. In de § hebben we zes argumenten aangegeven voor de stelling, dat het woord „kerkquot; in het enkelvoud de plaatselijke en niet de landskerk uitdrukt, en dat derhalve de vooral sedert de vorige eeuw opgekomen onderscheiding, om de landskerk „kerkquot; en de plaatselijke kerk „gemeentequot; te noemen, geen stand kan houden. In het Nieuwe Testament vinden we nu maar één woord, n.1. „gemeentequot; als vertaling van iwlriaia
1° Argument: dat de ratio ecclesiae de plaatselijke en niet de lands constitueering eiselit.
Wat is de ratio ecclesiae?
In het Oude Testament is de ratio ecclesiae een gansch andere dan in de kerk van het Nieuwe Testament.
In het Oude Testament is de ratio ecclesiae, dat er één centraal heiligdom is, gebonden aan één plaats, daarbij één centraal kerkelijke overheidspersoon, de Hoogepriestor, Daaruit vloeit voort, dat men, om in Israël de culte uit te oefenen, naar die ééne plaats moest komen; vandaar de opgang naar Jeruzalem driemaal per jaar met de hooge feesten. Het leven van de kerk in het heele land treedt dus einheitlich op. Geen sprake is er van een synagoge; nergens vindt men een plaatselijke kerk of kerkregeering. Er waren geen plaatselijke gemeenten. De indeeling van de kerk in Israël was naar do geslachten en stammen, die elk hun hoofden hadden, en in zooverre de jeugd moest worden opgeleid in de niphlaöth, geschiedde dat door de patres van de geslachten. Plaatselijke priesters worden zelfs verboden. Zij die verdedigen, dat de landskerk één moet zijn en ingedeeld moet worden in plaatselijke gemeenten, en zich hiervoor beroepen op Israël, gaan derhalve ten eenenmale mis. Er was in Israël geen indeeling in plaatselijke gemeente]!.
In het Nieuwe Testament verandert de ratio ecclesiae volkomen. Daar is ze juist, dat men niet één centrale plaats met een centraal heiligdom op aarde zal hebben, maar dat de «yioi saam zich vereenigen zullen, om saam te bidden, saam lof te zingen, saam de sacramenten te gebruiken, elkander te verkwikken en te vertroosten.
Dit komt, omdat het centrale heiligdom is overgeplaatst van Zien naar den hemel. Daar wij nu niet driemaal per jaar een reis kunnen afleggen naar den hemel, vervalt vanzelf de geheele toestand, gelijk wc dien in Israël aantreffen. Met opzet drukken we dit eenigszins plastisch uit, om toch vooral de absolute onmogelijkheid in het licht te stellen, om de kerk onder het Oude en onder het Nieuwe Verbond op één lijn te plaatsen.
IfiT
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hierbij een enkel woord omtrent de synagogen.
Ze zijn eerst opgekomen laat na de ballingschap en wel meest om de taal. De Joden waren van het Hebreeuwseh afgeraakt, en onder het Syrisch en Assyrisch taalelement gekomen. Dit maakte, dat de gewone patres het Hebreeuwseh niet meer verstonden, vandaar de behoefte aan soferim, men-schen, die het Hebreeuwseh verstonden en in het Arameesch konden overzetten.
In de tweede plaats: Door de verwoesting van het nationale leven was het geslachten- en stammen-verband uiteengerukt, waardoor de traditie van de religie in gevaar verkeerde. De synagogen, die nu ontstonden, waren om aan de behoeften te kunnen beantwoorden, een soort van catechisatie-scholen. De menschen kwamen daar bij elkaar, en in zooverre werd daardoor reeds voorbereid de ratio ecclesiae Novi Testamenti. De kerk van het Nieuwe Testament is inderdaad, wat haar uitwendig optreden betreft, gepraeformeerd dooide synagogen.
Nu spreekt het vanzelf, dat bij het wegvallen van het centrale, het wezen alleen kon gezocht worden in het bijeenkomen van de gemeente, en dat dit vanzelf de noodzakelijkheid meêbracht, dat men te zamen moest zijn. Saam bidden, saam lofzingen enz. nu, kan alleen met hen, met wie ik saamwoon. In de ratio zelf van de kerk ligt dus reeds, dat zij alleen plaatselijk kan zijn.
Die drang, om de kerk in saamvergadering te openbaren, was zóó sterk, dat men in Jeruzalem's gemeente in den eersten tijd zelfs saam leefde in gemeenschap van goederen, als de gematerialiseerde openbaring van het begrip der ayanrj. Daarom heetten de gemeenschappelijke maaltijden, dio men hield, dan ook ciyanaC, waarin een veel schooner idee en rijker gedachte besloten ligt, dan in onze vertaling van dat woord; „liefde-maaltijden,quot; Al was nu die ttoivavte wat gespannen (hoewel or, -- denken we slechts aan het verhaal van Annanlas en Saffira - volstrekt geen gemeenschap van goederen bestond in communistischen zin) toch werpt zij een helder licht op de ratio ecclesiae van het Nieuwe Testament, Er was zekere nivelloering van bezit; de rijke at niet weelderiger dan de arme. Dat saam vergaderen der gemeente was dan ook eerst fuitQav, en ook onze gereformeerden hebben zooveel mogelijk hun best gedaan om allen dag kerk te houden. De roomschen hebben dit in zoover bewaard, dat ze allen dag godsdienstoefening houden, dit bestaat echter bij ons slechts in het lozen van de mis, In het Zuiden, b, v, in Tyrol, is dit anders, daar gaat men nog dagelijks ter kerk. Een minimum echter is, om eiken Zondag saam te komen. Hebr. 10 : 25.
2° Argument. De ambten bewijzen hetzelfde. Noern mij slechts de ambten, die in een kerk bediend worden, en ik zal u dadelijk zeggen, of die kerk centraal
168
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
of locaal georganiseerd is. Home heeft een centrale inrichting, en heeft daarom ook oen centrale stad als centrum van de hecle kerk. Vandaar dat, toen men in 1816 de gereformeerde kerk ging centraliseeren, den Haag werd aangewezen als centrale stad. Even natuurlijk is hot, dat zich daaruit van lieverlede de zucht ontwikkelde, om ook in een bepaald gebouw saam te komen. Nu volgt hieruit tevens, dat men dan ook een centraal persoon wil, vandaar de paus van Rome. Maar ook moeten er, wanneer de kerk zich uitbreidt over landen en steden, gradueel afklimmende bestuurders zijn, die Rome dan ook bezit in patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen, dekens on pastoors. Dit alles is volstrekt niet toevallig, maar hangt noodwendig saam mot de centrale organisatie van de kerk. De classicale cn provinciale besturen onder de Haagsche synode bestaan op dezelfde wijze. De vraag is nu echter maar: is er in het Nieuwe Testament zulk een aanwijzing van een centrale stad of persoon? Eerst scheen dit Jeruzalem te zijn, en inderdaad vatte men dit ook zoo op, maar zie de Heere laat Jeruzalem verwoesten. Een centraal persoon wordt er evenmin aangewezen, 't Apostolaat wordt niet geperpetueerd; 't gewone ambt is het presbyteria-at cn het diaconaat, en deze beide nu zijn juist locaal. Dat hot diaconaat een plaatselijk karakter draagt, zagen wij bij de institueering. Wat betreft het presbyterlaat, cf. Hand. 20 : 17
l-ieTSKceXtaaco ruvg nQsaflvrtQovs rfje èmlrjahg.
Over den aard van het apostolisch ambt hebben wij reeds uitvoerig gehandeld. Nog een enkel woord voegen we hierbij, om aan te toonen, dat ook het apostolaat geen centraal gezag representeert. Men stelt het wel voor, alsof de apostelen samen een soort van college vormden, waarin besluiten werden genomen bij meerderheid van stemmen enz. Dat dit evenwel niet zoo is, blijkt uit Acta 15 ; 6, 22. Vs. 6 lozen we avvrjxamp;riactv ds of cimlaroloi kkI o! attaflvTegoi litsCv negi tov hlyov rovrov. Er ontstond toen een heete discussie, waarbij eerst Petrus, daarna Jacobus het woord voerde. Er was tevens een Trlfiamp;og bij tegenwoordig, en nu vinden we in vs. 22, waar het resultaat wordt medegedeeld, dat het besluit genomen is door de apostelen, de presbyters en
de heele kerk : tuts td'o^s rctg anoaroXoig v.ctl roCg ngtaflvrtQiug avv oXr/ ry iw.Xriaiti. De apostelen treden dus wel op als deelnemende aan een collegialen arbeid, maar als apostelen waren ze tevens presbyters van de kerk van Jeruzalem. Trouwens,-een centraal college te vormen, zou geheel en al in strijd zijn met het karakter van het apostolaat. Hun autoriteit was gelegen in do inspiratie van den Heiligen Geest en in het hun door Jezus verleende gezag.
Wanneer we in de brieven van Paulus de woorden ontmoeten: „dit zeg ik en niet de Heerequot;, of wel: „dit zegt de Heere en niet ikquot;, moeten we ons wachten voor misverstand. Dit wil niet zeggen, dat, waar hij, Paulus, iets
169
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zegt, hij slechts zijn opinie uitspreekt. Neen; wanneer hij zegt: „dit zeg Ikquot; dan spreekt hij, hetgeen hem dooi' rechtstreeksclie Inspiratie gegeven werd; maar, wanneer hij zegt: „dat zegt de Heerequot;, dan doelt hij op hetgeen hem bekend Is door traditie, hetgeen do Heere Jezus hem gezegd of geopenbaard heeft.
3«. Argument, 't Naamsgebruik.
Het naamsgebruik in het Nieuwe Testament Is, dat ^nXtjaia gebruikt wordt van do plaatselijke kerk, n.1. waar sprake is van do geïnstitueerde kerk. Natuurlijk wordt h êwKriaia in het enkelvoud ook gebruikt van de geheele keik, als het Lichaam van Christus; maar we hebben hier op het oog het instituut; en dan wordt èwlriaia steeds gebezigd voor de plaatselijke kerk. Eén plaats schijnt hierop een exceptie te maken: Acta 9 : 31. (We zelden leeds, op deze plaats te zullen terugkomen) Het is nu maar de vraag, of hier bedoeld wordt de ecclesia instituta. En dit Is niet zoo. Niet van de regeling, maar van het geestelijk bestaan van de kerk wordt gesproken. Er wordt gezigd, dat ai èntilridLca xkO af.rjg rfjs 'lovSuiag enz. li/fiv eiQtjvtjv, oixoóofiovfievui Kal ■niiQtvouevai toj cpi'i^corov Kvqiov, ualzfi itixqctnlriasi zuv'Ayi'ov rivevixcitos ênlt]amp;vvovto. Een kcik toch kan geïnstitueerd zijn en toch de tov Tlvevnarog'Ayiov
missen. De kerk Is liler zeer duidelijk bedoeld als geestelijke openbaring van Ohristi Lichaam. Dus: ai ziet niet op een geïnstitueerde landskerk, maar
bedoelt de kerk van Christus, zooals zij zich in al die streken openbaarde. Op dezelfde wijze toch kunnen wij 1). v, vragen: „Bloeit de kerk van Christus in ons land of niet?quot; „Wat doet de kerk in ons land met het oog op den socialen nood?quot; Dergelijke uitdrukkingen zien niet op het Instituut, maar op de geestelijke werking der kerk.
Deze éene plaats dus, wijl ze niet op het Instituut ziet, bulten bespreking verder latende, wijzen we verder op het gebruik van het woord iwXriaCa eerst in Acta, daarna in de brieven.
Acta. Act. 11 : 22, 26. Hier is sprake van de kerk van Jeruzalem en Antlochië.
Acta. 12 : ó de kerk die voor Petrus bad in Jeruzalem.
Act. 14 : 23 %etqorov^ativxts de avrnïe nQsa^vrigovg nar' ixxAyaiM', als ze onder het opsteken der handen, kerk hij kerk (omdat elke kerk op zichzelf staat) ouderlingen hadden aangesteld. Vs. 27 is weer sprake van de plaatselijke kerk van Antlochië.
Act. 15 :3 door de kerk van Antlochië uitgezonden, vs. 4, in Jeruzalem weêi ontvangen dooi de plaatselijke kerk aldaar; vs. 22, is met avv oXtj tij tnnXrjaln weer de kerk te Jeruzalem bedoeld; vs. 41, versterkende de keivben (meervoud).
Act. 1(5: 5, dat de hv.Xï]BLa hier institutair bedoeld is blijkt duidelijk, omdat er sprake Is van het aantal leden, die tot die kerk beboeren.
170
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Act. 18 : 22, Hier is sprake van de kerk van Caesarea. Act. 20 : 17.
In de Handelingen wordt dus, buiten twijfel. U^aia steeds gebezigd van dc plaatselijke kerk, waar gesproken wordt van de ecclesia instituta.
Be brieven. Voor zoover deze in de opschriften gericht worden aan do kerken, is dit altijd aan de plaatselijke kerken. Voel komt dit echter niet voor, omdat de apostelen hun brieven meestal richten aan de uyioi enz.
Rem. 16 : 4, waar Paulus spreekt van «KO«t ai t^ltjauci rtZv eamp;vcöv.
Rom. 16 : 16 itaTrd^ovtai. vfiag a! iv.nXrieCai xov XQLarov-
1 Oor. 4 : 17; 1 Cor. 7 : 17. Zoowel met het meervoud als met het enkelvoud, wordt steeds de plaatselijke kerk bedoeld.
1 Cor. 14 : 33. 2 Cor. 8 : 18. 23, 24. 2 Cor. 11 : 8, «Mhs ênnXriaiae savlrjaa. Natuurlijk wordt hier institutair van de kerken gesproken, anders kan men er geen gold van aannemen.
Gal. 1 : 1. Deze plaats is geheel afdoende, en beslist alles volkomen. Hier is sprake van één land, Galatië, en nu richt Paulus zijn brief niet aan de kerk, maar aan de kerken van dat 3and : Ilavlos, dxóatoloe, Tteti; IwlriaUac, rijg raXan'as-
Het zelfde blijkt uit de drie eerste hoofdstukken en het laatste hoofdstuk van do Openbaringen van Johannes.
Openb. 1 ; 4. 'laawrjg ruig ïntct iv.v.lrjrnciiq raïg tv ry 'Aaia.
In Cap. 2 en 3, b. v. 2 : 29, vinden we herhaaldelijk de woorden: ó hquot;™ ovg dnovGaTw tl to Tlvsv^ct Tlt;ci$ fnyilrjoitciü. De Engelscho bybelvertalor heeft hiervan éénmaal een enkelvoud gemaakt. Dit moet een vergissing zijn. In de Staten-Ver taling staat het goed. Blijkbaar is dus bedoeld, niet wat (fod zegt tot. de zielen, maar tot de geïnstitueerde kerken in die plaatsen.
Cap. 22, waar de generale missie van Johannes nog eenmaal wordt uitgesproken, jieet het in VS. 16: 'Eya 'Irjaove, f'nefirpa rhv ayyehiv n-nv fiaQTVQrjOai, hfUv xavTu fnl Tcii$ {nnlrjoiaiq. d. i. met opzicht tot de ker/tCM.
In overeenstemming hiermede, heeft de kerken-ordening van Dordrecht dit uitgesproken. In art. 1 wordt gesproken van do gemeente (enkelvoud) in dezen lande, omdat daarmee wordt bedoeld de verzameling van alle geloovigen in het land. De kerkordening gebruikt dus „gemeentequot; voor datgene, wat geïnstitueerd moet ivorden, terwijl zij in den regel „kerkquot; bezigt voor dc plaatselijke institueering.
4° Argument. Ook parochiën dragen den naam i7.v.U\a(a.
In Rom. 16 : 4, Col. 4 ; 15, Philem. : 2, wordt èwKriaïa gebruikt niet eens van het geïnstitueerde in deze of gene plaats, maar van een gedeelte daarvan: ij nar' oÏkov avraiv, ccvtov, of aov, fxxXijotn. Philemon had dus blijkbaar in zijn huis een kerk. Wc zien dus, dat het getal in groote steden vaak te groot was,
171
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
en dat er daardoor ook aparte saamkomsten waren, en deze droegen ook den naam van kerk.
5° Argument. lid Hoogcpriesterschap van Christus. Ter deze plaatse spreken we hierover ter loops; in de volgende § uitvoeriger. Alleen dit zij opgemerkt, dat elko kerk het middelpunt van haar loven daar heeft, waar de priester met het offer is. Er is geon kerk denkbaar zonder priesterschap en offerande. Immers, de kerk bestaat uit zondaren en moet daarom noodwendig een offer hebben. Christus nu, de eenige Hoogepriester der kerk, is in den hemel en nu volgt uit het sacerdotale karakter der kerk, dat de eenheid der kerk niet anders dan in den hemel kan worden opgevat, en dat zij op aarde zich slechts plaatselijk kan openbaren.
6° Argument. De tegenstelling ran de paaiXsia «5* ovgavdv, waartoe de kerken behoor en, met de paadsïm tov hoguov,
Bij de bespreking van de verhouding van de overheid tot de kerk, mogen we nimmer vergeten, dat de kerk is aangelegd op de ftaadsia xamp;v ovqavamp;v. De paadsCca tov wa/tov zijn gedeeld, gesplitst, hebben landsgrenzen. Ware de kerk nu aangelegd op die paadeïai, dan spreekt het vanzelf, dat ook die kerken naar het land moesten worden ingedeeld. Nu dit daarentegen niet hot geval is, en de kerk uitsluitend op do jSaaiXsi'a tüv ovQavüv is aangelegd, zou de kerk, om een uitwendige wereldformatie te hebben, een dusdanige moeten in het leven roepen, die de éénheid van de QttetXtfm %amp;v oiqavamp;v representeerde. Rome, dat daarheen wil, heeft dit gevoeld en gaat daarom over alle grenzen heen, zonder zich ooit te bemoeien met de veranderingen en splitsingen, die de overheid maakt, Rome maakt daarom steeds de pretentie, dat zij die steden en dorpen heeft gesticht. Onze gereformeerden hebben ook getracht deze gedachte te realiseeren, door op de synoden van Wesel en Embden enz. een soort confoederatie te maken van de kerken, die één taal spraken, waarom zij do kerken van den Paltz, Londen enz. in één kerkverband opnamen, die dan ook alle in Dordrecht vertegenwoordigd waren.
Het eenige punt, dat nog commemoratie vordert, is dit: Het feit, dat de ecclesia altoos een plaatselijke ecclesia is, een ecclesia particularis, mag nooit één oogenblik indruischen tegen het andere feit, dat jj ênnXrjei'a tov Xqiotov één is.
Het congregationalistische en independentistische stelsel, dat elke kerk geheel zelfstandig neemt en geen verband tusschen die kerken, jure divino, erkent, mag nooit worden verdedigd. Steeds derhalve moeten we deze twee zaken vasthouden: fj ènnXrjota is plaatselijk, maar nciaai. iHHXrjai'm vormen altijd een eenheid in de ééne IwXriaCa Xgiarov. Wanneer dan ook genoemd wordt b. v, r; t'xjd/jöi'a tv 'hQoaolvixiug, dan duidt dit aan, dat het altijd de ééne kerk van
172
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Christus is, maar die zich plaatselijk daar openbaart. We kunnen dit met een eenvoudig voorbeeld ophelderen. Iemand, die geen brandkast heeft, sluit overal wat van zijn geld weg, een deel in een kist, een deel in een latafel enz. Gaat de man op reis, dan zegt hij tot zijn vrouw: hier ligt dit geld en daar ligt dat geld. Al dit geld te zamen echter maakt zijn ééne bezit uit. Zoo ook heeft Christus zijn heele kerk niet op één plaats bij elkander, maar hier en daar heeft Hij er wat van. Al deze plaatselijke openbaringen echter bij elkaar genomen, maken te zamen zijn ééne bezit, zijn ééne kerk uit. Hand. 9 : 31 wijst dit duidelijk aan; hetzelfde denkbeeld wordt daar uitgedrukt.
Tot op zekere hoogte is het dan ook niet zuiver, om te sproken van een kerk. 't Is altijd de kerk, die in deze of die plaats zich openbaart. En toch heeft de Heere niet gewild, dat we om de zuiverheid van terminologie het locaal karakter zouden uit het oog verliezen. De Heilige Schrift spreekt daarom altijd van «f iy.xiaioiai.
Ten slotte nog één opmerking. Do Joden hadden tot dusver slechts één ecclesia gekend, den VlfJ. Een Israëliet had nooit van iets anders gehoord, dan
van dien éénen Voor ons, die nu reeds lang aan hot meervoud van het woord „kerkquot; gewoon zijn, heeft dit gebruik niets vreemds meer, maar het maakt inderdaad indruk, dat de Joden, die nooit anders dan van dier. éénen hadden vernomen, toch direct de meervoudige uitdrukking at iwXr\alai hebben ingevoerd. Ook Jezus, zijn openbaring aan Johannes op Patmos gevende, heeft daarin dat enkelvoudige begrip door het meervoudige vervangen.
V
§ 9.
„In het ontstaan, bestaan en voortbestaan van deze plaatselijke openbaringen van het Lichaam van Christus werkt een dubbele tWeysia: l0 die srt'eytia, die de Christus rechtstreeks zelf door den Heiligen Geest, 2° die tvigysia, die Hij door menschen werkt.
Do energie, die Hijzelf werkt, bestaat:
1° centraal in het geldend maken van zijn offerande door zijn voorbede bij den Vader, en alzoo in het voortdurend standhouden als onze Middelaar en Hoogepriester ia het heiligdom daarboven.
2° historice, in de instandhouding van zijn Woord en Sacrament. 3° in de genadegaven en hemelsche krachten ter wederbaring, verlichting, vertroosting en heiligmaking, die Hij uit den hemel op aarde in de zijnen werken doet; en
4° in de providentieele beheersching van tijden en gelegenheden onder de kinderen der menschen.
Het is door deze viervoudige werking, dat de Christus in steden en dorpen do uitverkorenen vergadert en onder de vigeur van het genade-verbond saarnvoegt in kerkelijke gemeenschap. Waar die werking van den Christus ontbreekt, is geen kerk, ook al wordt de larve van een kerk aanschouwd, en daarentegen, waar die werking komt en zoolang ze aanhoudt, zal er zich in die stad of in dat dorp altoos een kerk openbaren, werkende hierbij de Christus bestendiglijk door den op aarde nedergedaalden Heiligen Geest.
Met deze rechtstreeksche energie verbindt zich en correspondeert een menschelijke factor, niet dualistisch naast, of tegen de energie van Christus overstaande, maar door haar beheerscht, en haar tot voertuig en instrument dienende. Ook die menschelijke factor vindt dus zijn bewegende oorzaak eveneens in den Middelaar, maar in dezen menschelijken factor werkt de Christus niet dan middellijk.
Deze correspondeerende werking wordt mogelijk gemaakt door de unio mystica van de verlosten met hun Verlosser en door het uit deze unio ontkiemende geloof. Zij staan niet naast noch tegenover Hem, maar Zij zijn met Hem avftcpvzoi (néKri ro'i acófiazog nvtov, xhi/iara rov
m
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
dfinélov, en hebben als zoodanig oen wivavia onder malkanderen, die beleden wordt als de commimio sanctorum.
Deze menschelijke factor nu werkt in twee graden:
1° door de actie der geloovigen,
2° door het bijzonder ambt, hetzij buitengewoon of gewoon, al naar Christus dit instelt.
Ware nu de afzondering dor verlosten van den y.óaaog een absolute, en de volmaking der verlosten een voltooide, zoo zou hot kerkelijk instituut, gelijk het door deze dubbele energie ontstaat en bestaat, een geheel zuivere openbaring van ^ iwlriaia zijn. Maar dit is zoo niet. Tot deze absolute scheiding in en bij de verlosten komt het eerst bij den dood. Vandaar, dat het instituut, wat den menschel ij ken factor aangaat, hier op aarde altoos een onvolkomen en tegelijk onzuiver karakter moet dragen, zoowel wat de bepaling van den kring der geloovigen, als de bijzondere ambten betreft. Hierdoor komt het, dat het niet anders kan, of de instituten der kerk moeten
le in zich opnemen, ook wie er niet toe behooren, en soms, wie er toe behooren, buitensluiten;
2° voor wat de uiting der waarachtige kinderen Gods betreft, altoos onvolkomen zijn, zoowel individueel als in de gemeenschap, en diensvolgens ook de ambtsdragers, altoos beneden hun ambt staan.
Dit nu heeft ten gevolge, dat niet alleen zonde en leugen in deze kerken voortwoekeren, maar dat ook de grens tusschen haar en de wereld gedurig weifelend wordt en Satan in haar leven ingrijpt. De wrange vrucht hiervan toont zich in de gesplitstheid en gedeeldheid der kerken, in haar vaak doodschen toestand en in haar gedurige deformatie. Hiertegen werkt echter gestadiglijk de energie van den Heiligen Geest in, en het is, dank zij deze inwerking, dat de refor-meerende kracht nooit rust en diensvolgens de nvXai aöov de ecclesia niet kunnen overweldigen.quot;
Het eerste waar het op aankomt is, wel te vatten, dat een kerkelijk instituut op aarde, geen menschenwerk is, en Juist daarom nooit parallel mag worden verklaard met eenige andere vereeniging, welke ook, die haar oorsprong-dankt alleen aan menschelijke daden.
De eenige vereeniging op aarde, waarmee de kerk mag en kan worden vergeleken, is hot huisgezin, omdat dit, evenals de kerk, product is niet van een menschelijk werk.
Wel werkt ook bij de institueering van het huisgezin de menschelijke factor
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
mede, omdat de man de vrouw ten huwelijk vraagt en de vrouw den man aanneemt, maar de menschelijke wil heeft in die ééne daad uit en is daarin niet vrij, want een man moot vragen een vrouw, en kan b. v. geen man vragen. Hierin scluük hot jus divinum en is dc ordinantie van Godswege gegeven, üe mensch heeft zich eenvoudig onder die ordinantie te voegen en hem is alleen overgelaten om zijn keus op een dor individuen te bepalen. Hij moet het huwelijk nemen, zooals God het geeft. En evenals de mensch zich zoo bij het begin moet voegen naar Gods ordinantie, zoo is ook in het verdere verloop van het huwelijk alles door God bepaald. We hebben dus in het huisgezin te doen met een schepping Gods. Daarom is het geen werk des men-schen, maar een werk Godes, dat onder medewerking van den mensch in deze wereld optreedt.
Tn denzelfden zin nu is de kerk geen college, corporatie of maatschappij, die door een wilsdaad van den mensch geboren wordt, maar een verschijning, die in do wereld optreedt onder een ordinantie Gods, krachtens door Hem geschapen gegevens. Op een onbewoond eiland kan iemand niet huwen. Evenmin kan op oen plaats, waar geen geloof is, een kerk zijn. De gegevens voor het ontstaan van huisgezin en kerk moet God dus geven. Een kerk kan derhalve alleen optreden onder gehoorzaamheid aan de door God voor zijn kerk gegeven ordinantiën. Allo andere vereenigingen en corporation, zijn daarom in soort geheel verschillend, en gelijk het huisgezin een univocum is, dat geen ana-logou heeft, zoo ook is de kerk een univocum, waarvoor alle analogon ontbreekt.
Schleiermacher en do school uit hem voortgekomen geven dat toe, maar hebben niettemin voor de kerk een verklaring gezocht, die er toch op uitloopt de kerk als institutum divinum te loochenen.
Ze zeggen: daar is op de wereld een religio; deze religio treedt op onder menschen, in verband met den gezelligen trek, die in het menschelijk leven aanwezig is; ze verhoogt dien trek, en op die wijze leidt alle religio tot het formeeren van een „religiose GemeinscJiaft.quot; Overal waar de religio zich vertoont, vertoont zich tevens die „Gemeinschaft.quot; Deze religiose Gemeinschaft kan nu zuiverder of onzuiverder zijn, naar gelang die religio meer of minder zuiver is. In die Gemeinschaft is dus een gradueele opklimming van zuiverheid, totdat in de christelijke religie die religiose Gemeinschaft haar volkomen vorm heeft bereikt.
Dit gevoelen van Schleiermacher moet worden bestreden op dezen grond: al wat hij zegt, is volkomen waar, levert ook metterdaad den vorm van het kerkelijk leven op aarde; de kerk sluit zich aan do natuur en den algemee-nen trek van hot menschelijk leven aan. Doch, dit tast en gevoelt ieder, daarin ligt niets bijzonders. Maar Schleiermacher bedoelde, dat daaruit vanzelf
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
de kerk geboren wordt, n.1. dat op deze wijze het wezen van do kerk ontstaat. En dit nu is togen de Heilige Schrift, die leert, dat de kerk een breuke slaat in het menschelijk leven. Christus is niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard; door de kerk komt scheiding tusschen vader en moeder en wat al niet meer. Zij brengt een nieuw element. De opvatting van Schleier-macher brengt ons dan ook achteruit, omdat zij de christelijke religie naar beneden trekt. Toch was deze opvatting voor zijn tijd een vooruitgang. Men leefde in den tijd van Pufendorf, den man van hot collegiale stelsel. Dit stelsel ontstond aldus: volgens de juristen van dien tijd ging allo collegiale recht uit van den staat, zoodat hot recht van vereeniging niet vrij was. Nu kan men wel zeggen: men wist wel, dat de kerk g-oen gewone vereeniging was, maar volgens Pufendorf werd de landsoverheid ook genomen als geestelijk persoon, als summus episcopus, en uit dit recht werd het recht der kerk afgeleid. Feitelijk echter bleef zoo de kerk beschouwd als collegium, als societas, die haar vorm moest ontvangen van den staat. Zoo werd het kerkelijke getrokken onder het burgerlijke, terwijl men niet vroeg naar den oorsprong sn het eigenaardig karakter der kerk. Op deze wijze werd de juridische band oin de kerk geslagen, zonder dat met den extraordinairen aard van de kerk rekening werd gehouden. Dit beginsel nu beheerscht nog het geheele Protestantsche kerkrecht. Het spreekt van zelf, dat, toen dit stelsel eenmaal ingang gevonden had, deze juridische vorm ook het wezen der kerk moest vernietigen. Vorm en wezen waren in strijd; deze strijd nu kon niet blijven bestaan en daarom moest liet wezen der kerk worden gedenatureerd. De kerk werd genootschap; vandaar dat leervrijheid van dit stelsel een noodwendig gevolg werd. Immers, deze vorm eischt alleen de rechten van het lidmaatschap cu geen belijdenis.
Schleiermacher nu is hierom een schrede vooruitgegaan, omdat hij terugging tot liet wezen van de religie, tot den aard van het religieuse karakter van den mensch. Schleiermacher moet derhalve worden beschouwd in het kader van zijn tijd; toen toch hielp hij vooruit, maar nu helpt hy ons achteruit.
De kerk vindt in de wereld vereenigingen, corporation, gezelschappen, veemen enz. Nu is de vraag, of een dier vormen geschikt is ter aanneming voor de kerk.
Een stichting, — zou dat dan geen passende vorm zijn? „Stichtenquot; is een woord, dat op kerkelijk terrein tehuis hoort. Het juridische begrip van stichting is, dat zij uitgaat van de wilsacte van een bepaald persoon, zij raakt het een of ander goed, en strekt om dat aan een bepaald doel te aftecteeren. (cf. het stichten van een weeshuis). Doch ook hieraan heeft de kerk niets. Iemand kan wel zijn dienst praesteeren voor eenigen dienst der kerk, maar niemand kan de kerk als zoodanig door zijn wil in het leven roepen. Te zeggen, dat Jezus de kerk gesticht heeft door zijn wil, gaat ook niet. We handelen hier
177
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
over het juridische begrip. Xu heeft men wel vroeger gezien, — vooral in de middeleeuwen kwam dit veel voor — dat iemand op zijn landgoed een kerk, een kerkgebouw n.h, slichtte, en daarvoor kan men natuurlvjk zijn goed bestemmen. Ook hebben wij thans nog de kerkelijke kassen als een hulp vorm. Doch, — de kerk zelf heeft geen enkel kenmerk van een stichting.
Kan men dan zeggen, dat de kerk een zedelijk lichaam is? Van deze stelling ging de rechterlijke macht uit in de laatst gevoerde procedures. Dit is groote onzin, en hieraan hing een bezit van minstens een millioen gidden, toegekend aan wie er geen recht op hadden. De rechters hadden er natuurlijk niet het minste verstand van. Een zedelijk lichaam is een vereeniging, ontstaan door den wil van p)erson('n me'l cv11 doel, dat niet gelegen is in het bevorderen van de belangen dier personen, maar in het bevorderen van een belang van derden, terwijl dit belang een zedelijk karakter draagt.
Als lid van een zedelijk lichaam is men dan ook niet aansprakelijk voor de schulden van dat lichaam, in onderscheiding van een vennootschap en andere corporation. De vereeniging van hooger ondenvijs op gereformeerden grondslag is een zedelijk lichaam. Laat deze vereeniging een huis bouwen, en kan zij niet betalen, dan mag de aannemer het geld niet verhalen op het persoonlijk bezit der directeuren; to'el natuurlijk op de eigendommen der vereeniging. Deze quali-fleatie gaat nu niet door voor de kerk:
l0 Wijl zij niet ontstaat door 'de wilsuiting van de personen.
2° Wijl het doel der kerk ligt in de perso)ien en niet buiten hen. Zij strekt, om die personen te brengen tot kennisse Gods, tot gemeenscha]) der heiligen, tot gemeenschappelijke aanbidding des Heeren enz.
Andersoortige vereenigingen, bij de wet van ISöij geregeld, hebben het karakter
at zij:
a. ontstaan door den wil van personen;
l). bedoelen de belangen dier personen;
c. autonoom zijn in eigen kring. Ook dit begrip gaat niet op voor de kerk.
Een vereeniging heeft natuurlijk het recht van ballotage, omdat zij ontstaat door den ivil van personen, e)i dit haar vanzelf vrij maakt. Mag een kerk weigeren iemand op te nemen? Er kunnen omstandigheden zijn, dal men iemand, die ergens komt 'wonen, moet opnemen dien men liever buitensloot, of dat men iemand, dien men graag zou hebben, niet mug opnemen, b. v. omdat hij onge-loovig is.
Hoe men de zaak das ook beschouwt, de menschelijke vormen van het Ver-einslsben kunnen en mogen niet gelden voor de kerk.
Hebben deze sociale vormen dan niets met de kerk te maken ?
Zeer zeker is de kerk mede een uitvloeisel van den gezelligen Trieb der men-
12
178
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
scliclijkt) natuur; maar dit geldt volstrekt niet lint principiuin et jus societatis ex qua oritur.
Hoe moet de kerk dan beschouwd?
Daartoe moeten we vragen: welke energieën werken in de kerk?
De prima causa van haar actie schuilt niet in de voluntas hominis, maar de energie, waardoor /.ij ontstaat, bestaat en voortbestaat, komt van den Christus, en daarom moet scherp worden onderscheiden tusschen:
lr den factor (Jliristi en 2(' den factor fldeiis.
Deze twee zijn niet dualistisch. De fldeles werken zoo, dat Christus werk in hen. Feitelijk is er dus één energie: die van Christus, welke deels rechtstreeks, deels inediatim werkt. Zoo vervalt elk denkbeeld van een wilsdaad des menschen. De zon schijnt, of ge wilt of niet. Zoo is het ook met de Zonne der gerechtigheid; de voluntas humana doet hier niets.
De rechtstreeksche energie werkt op vier wijzen:
lu centraal.
We moeten de symboliek van het oude Israël nog altoos streng vasthouden; zij wijst ons op een centraal heiligdom met een altaar, een hoogepriestor enz., en toont ons, hoe daaraan hangt de realiteit van het genadeverbond. Daarom bracht de Roomschc kerk in elke kerk een altaar met een offer en een priester. Uitnemend is het, dat de Frotestantsche kerken dit wegwierpen en vernietigden. Doch de Koomschen gaan hun voor in het koninkrijk der hemelen, indien zij meenen, dat zij geen heiligdom en hoogepriester meer noodig hebben. Toch is dit, helaas, de algemeene opvatting en vandaar het gemis aan toedere godzaligbeid. Men beschouwt Jezus' offer als in het verleden liggende, als een voldongen feit. Neen, we moeten icderen morgen en iederen avond de wetenschap hebben, dat onze Hoogepriester in den hemel voor ons offert. We moeten bidden met het aangezicht ten hemel gekeerd, naar den Hoogepriester, die daarboven voor ons bidt. Jammer, dat deze waarheid maar al te voel is uit gesleten; dat is de holheid en de leegheid van het religieuse leven. Alle religie moet dragen het karakter van de centrale energie, die voortdurend uitstraalt van den Christus. De Heilige Schrift wijst herhaaldelijk hierop on men gaat van de Schrift af, als men dit denkbeeld laat glippen,
Hebr. 9 : 28, 24. Tweeërlei heilige bediening wordt ons hier voorgesteld, die van het ware heiligdom, die in den hemel bestaat, de wezenlijke, en de andere, op de aarde, die vnoiSeiyfia is, een typisch karakter draagt, in het eeiste heiligdom is Jezus ingegaan vvv êpcpaviaxïfivai tcö Ttgoaoina tov 0sov vjctrQ ï/ucov,
Hebr. 10: Ut. 20, 21, 22, 28. dezelfde gedachte, dat wij den toegang hebben tot het heiligdom daarboven in het bloed van Jezus, llebr. 8:0,
171)
College-dictaat van een dei- studenten (Dog-matiek).
Is deze opvatting soms iets speciaals van dou brief aan de Hebreen ? Zie Ex. 25 : 9, de tabernakel wordt gemaakt naar den tabnitli, dien God aan Mozos uit den hemel vertoonde. In den hemel bestond dus toen reeds het heiligdom en het afbeeldsel daarvan werd aan Mozes vertoond. Hebr. 9 ; 8—12 verwijst dan ook daarnaar; de oude bediening in den tempel had niet de macht verzoening te weeg te brengen, maar was naiiafiulri. in Hand. 7:44 wijst Stefa-nus eveneens daarop. Het is een feit, dat opnieuw bevestigd wordt door de voorstelling der openbaringen van liet heiligdom in de hemelen. Centrum van werking voor de kerk is dus niet de aarde, maar de hemel; vandaar uit gaat de werking naar de aarde. De beste bestrijding van de mis is clan ook de reëele aanbidding van het Eeuwige Wezen, die het priesterschap van Christus in den hemel realiseert. Als men daarmee rekent, gaat zij weg, anders komt zij terug, zooals wij zien in Engeland. Voor zondaren is geen religie bestaanbaar dan met een altaar, een priester, een offer. Dit nn te gaan zoeken in de kerkgebouwen, in de predikanten is dwaasheid. Wie niet leeft in de bewuste gemeenschap met dat alles daarboven, krijgt nimmer imierlijken gloed noch geestelijke warmte, Jezus: onze Priester, Koning, Profeet, is een racclc waar-licid, en moet reëel door ons worden ervaren; de belijdenis dezer waarheid alleen geeft ons niets,
2° historisch.
De Christus bleef niet altijd in den hemel, maar daalde neer op de aarde. De ivadQHwatg heeft blijvende beteekenis. Gaat daarvan nu nog werking uit? Zit hierin nog een causa mo vens? Gaf Hij daardoor een stoot, die ik )g altoos doorwerkt Ja. Christus openbaarde de heerlijkheid Gods en sprak die uit in woorden: h Sia '/ryffoü Xqiarov tyhvtro. Die genade en waarheid zijn in
het menschelijk leven ingedragen. Die stoot in het menschelijk loven trilt nog, wint nog steeds in kracht. Die stoot is geconcentreerd in de Heilige Schrift, die een alles beheerscheud moment is in het menschelijk leven. De bijbel geeft ons den Christus en niets anders. Daarmede moet ook gerekend als zijnde^ de proletisc/he bediening van Christus in de kerk op aarde. Dit getuigenis is onafhankelijk van eiken menschelijken wil of factor. Die Schrift kan niet worden vernietigd. Dit poogden de Homeinsche keizers nog, maar nu kan dal, niet meer. Dan: Christus stelde sacramenten in, en ook hierin is een element van Hem uitgaande zonder eenigen menschel ijken wil. Het sacrament is een nawerking van Christus' woord en is dan ook gebonden aan de conformiteit aan dat Woord, zonder welke er geen sacrament is. Ook dit is de historische nawerking van Christus' optreden op aarde, een stoot, die nog altoos natrilt. 3° charismatisch.
Er kan geen kerk zijn, zoolang men niets_ heeft dan natuurlijke menschen.
180
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Daar moot inwendig iets geschieden en dit moet van hoven uit den hemel afdalen. We hebben dus wederom te doen met een energie die van boven komt en die teweeg brengt: wedergeboorte, bekecring, heiligmaking en allo verdere geestelijke werking, in één woord: deze energie is hot werk des Heiligen Oeestes, dat altijd tot subject draagt tien ileere zelf.
Col. 1 : 29 vinden we do meest voile en complete beschrijving dier werking.
Kf. 8 : 7; Fii. 8 : 21; I Oor. 12 : (i; Ef. 4 : 7, 8, 1) enz. Door het werken dier krachten op onzienlijke wijze, langs verborgen weg, van God uitgaande, wordt de kerk geboren.
4° provklenlkd.
De leden der kerk hebben verwantschap, staan in allerlei sociale verhou. dingen, behooren tot één volk enz. De lotgevallen der kerk worden beheerscht door allerlei gebeurtenissen rondom haar. Droeg dus de actie van Christus geen providentieel karakter, dan was zijn macht gebroken door de werkingen van dit civiele, politieke, oeconomische terrein. Christus moest ook koningsmacht bezitten en die macht is Hem metterdaad verleend: Matr.h. II : 27; Matth. 28 : 18; Joh. 8 : 85; 17 : 2; I Oor. 15 : 27; Et'. 1 : 22; Hebr. 2 : 8. Uit alle deze plaatsen blijkt, dat Christus macht ontving om het leven van ieder persoon in al zijn verhoudingen zóó te beheerschen, dat inderdaad alle dingen medewerken Hem ten goede. Waar Satan dit geheele terrein wil gebruiken om Christus tegen te werken, breekt Christus daarin Satans macht.
Resumeerende zien wij dus, dat do kerk ontstaat:
P' doordat Christus voortdurend zijn offer brengt;
2° doordat Christus wederbaart;
8quot; door Woord en Sacrament;
4'quot; door het providentieel besturen van natiën enz.
Xu komen we tut de behandeling der tweede energie, do mediate actie, die ook wel van den Christus uitgaat, doch niet rechtstreeks, maar^»* inslru-mc.nlum Jiddium.
De gewone fout in het kerkrecht onzer dagen is, dat men do menschen in de kerk als mcnschen beschouwt, zonder meer. Maar in de kerk zijn uitsluitend menschen mH een qnaJiteU. Daarom hebben we nooit in de kerk te rekenen met de gewone uitingen van de menschelijke natuur. Do menschen komen in de kerk voor in de qiuUUeM ran fideles. Daardoor krijgen we di: onderscheid, dat de mensch, die niet is fideUs, dualistisch in al zijn handelingen tegenover den Heere staat. Zulk een handeling in de kerk is absoluut zonde.
Deze zelfde fout wordt ook begaan in de Dogmatiek bij de heele bespreking van den weg der zaligheid. Dan heet het steeds: de mensch kan dit niet en de mensch kan dat niet. Volkomen Juist; maar de mensch verkeert in de
181
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
kerk niet als natuurlijk mensch, maar als homo lldelis, d. i. als iemand in vvien een ander werkt, als iemand, die als tweede oorzaak in het werk van Christus optreedt, en nu niet dualistisch tegen den Heere overstaat, maar monistisch, in des Hoeren werk inwerkt. Daar men evenwel dit inzicht had verloren, kreeg men dat half pelagiaansche in de dogmatiek en het collegiale in het kerkrecht. Deze fout werd niet begaan door de modernen, maar tal van geloovigon, de Methodisten vooraan, staan die pelagiaansche werking in de kerk voor.
Daarom moet men de personen in hun qualiteit laten gelden.
Van die gequalifleeerde personen wordt gezegd, hetgeen we lezen in Pil. 2 ■. 13. Van den gewonen mensch geldt deze uitspraak niet; want in den natuurlijken mensch werkt God volstrekt niet het amp;eUiv. Daarom zegt Paulns dit dan ook van do vpftg. In het Grieksch staat Ivsqyeiv, en ditzelfde woord wordt gebezigd èn van God èn van den mensch: « 0e6s tanv tgt; êvsQycov...
......rö svfQsiv. Deze uitspraak van Paulus is de hoofdplaats, waarop de geheele
beschouwing van de twee energieën berust. De energie, die van het kind van God uitgaat is feitelijk weêr de energie, die do Heere in hom werkt.
2 Cor. H : 0. Hierin ligt dezelfde gedachte uitgedrukt, dat de actie van den christen een vaste actie is, omdat hij de itBnoföqatg bezit. Doch de geloovigon zijn niet huwi ay êavrwv, maar hun fjtcmirjjs is van (iod.
Kom. 15 : 18. De apostel is zich bewust dat zijn Xdlqaig effect is van een werking van Christus,
1 (Jor. 12 : 6. Ook hier is sprake van de actie, die in de kerk plaats grijpt, blijkens vs. 8. Paulus nu zegt dat in deze actie verscheidenheid is: ètmQiam èvsQyrniürav, maar tevens, dat toch al die werkingen (lods het effect zijn van één enkele werking Gods, cf, ook vs. 11 en vs, 7, waar Paulus zegt, dat hetgeen we doen niets anders is, dan hel naar buiten vertoonen van de actie des Heiligen Geostes in ons.
Gal, 2 : 2lt;i, Hier geeft de apostel den grond aan. door de unio mystica met Christus te omschrijven, vs, 21: oir/. damp;ttêi xijv xaqiv tov want, wil
de apostel zeggen, er moet zeer zeker een krachtige energie van de geloovigon uitgaan, doch deze energie moet door den Heere gewerkt zijn.
Joh, 15 : 5, De dubbele energie wordt hier voorgesteld door hetgeen plaats grijpt in de plant. De energie, die In de vrucht zit, Is vrucht van de energie in den boom, en daarom ov dvraoamp;e mutCv uvSiv.
Ef, 3 : 20, Ook hier is sprake van de kerk.
Col. I : 29, hier wordt de actie voorgesteld In het beeld van den strijd,
Ef, 3: 7; Ef, 1 : l i), waar gezegd wordt, dat de ivtiryfte, die in de geloovlgen werkt van hetzelfde genre is als die, waardoor Christus uit de dooden Is opgewekt.
182
College-dictaat van een fier studenten (Dogmatiek).
In een reeks van zeer duidelijke uitspraken wordt derhalve in de Heilige Schrift gezegd, dat de geloovige werken moet in de kerk, maar tevens dat die werking niet anders is dan de (pavf-gmtg van een energie, die Christus in hen werkt. Dat deze energie nu eens aan God. dan weder aan Christus of den Heiligen Geest wordt toegekend, doet hier natuurlijk niets ter zake. Dat er in de kerk zulk een energie is, berust op de unio mystica.
Immers, daar de onzichtbare kerk hot amaa rov Xqiotov is, waarvan Hij het Hoofd is, ii niemand ooit anders do onzichtbare kerk mag voorstellen, spreekt het vanzelf, dat men voor de zichtbare kerk de zelfde verhouding moet aanvaarden. Wie dit niet doet, verbreekt den band tusschen de ecclesia visibilis eu invisibilis, en verliest uit het oog, dat de ecclesia visibilis niet anders is, dan de openbaring van de ecclesia invisibilis. De geloovigen mogen in de kerk derhalve niet anders worden genomen dan uniono mystica.
Tot dezelfde opvatting komen we, wanneer we uitgaan van do inwoning des Heiligen Geestes.
Wie deze inwoning in de ecclosia visibilis negeert, verklaart te leven buiten den Heiligen Geest en houdt op aarde slechts een societas over,
In de derde plaats kan men de zaak ook meer subjectief nemen van den kant van het geloof. Het geloof toch is, niet anders te kunnen handelen dan door de kracht, die van Christus is. Het geloof is een actie van den men-schelijken geest, waardoor de mensch, met Christus vereenigd, nu uit Hem indrinkt al wat hij noodig heeft. Zoo brandt de kaars alleen door de zuurstof, die zij uit de lucht rondom opneemt. Uit Christus alleen moet elk oogenblik het element voor ons leven worden opgenomen. Van welke dezer drie zijden wij nu ook de zaak opvatten, steeds is de werking der geloovigen een actio mediata van Christus zelf.
Nu moeten we evenwel bij de bespreking van de particuliere kerk onderscheid maken tusschen hetgeen de geloovigen kerkelijk, en hetgeen ze niet kerkelijk doen.
We laten rusten alle energie, die zij niet-kerkelijk doen, b, v, eerlijkheid, vriendelijkheid, onderdanigheid aan de overheid. Wél zijn dit verplichtingen, waarbij de energieën ook wel degelijk uit Christus werken door den Heiligen Geest, maar bij de behandeling van den Locus de Ecclesia hebben we alleen te doen met de energieën, die een kerkelijk karakter dragen.
Deze kerkelijke energieën nu zijn vierderlei:
l1' waar geen kerk is, een kerk stichten;
2'' waar een kerk is, zich bij haar voegen;
8quot; waar de kerk gedeformeerd is, haar reformeeren;
io als lid eener kerk, haar bloei bevorderen.
183
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Deze verplichtingen zijn nu weêr van tweeërlei aard, in zooverre ze een cjmeraal, of een speciaal karakter vertegenwoordigen.
Omdat de kerk een organisme is, zijn er function in de kerk. Een lichaam heeft dit eigenaardige, dat niet alle deelen gelijk werken. Wij spreken niet door ons geheele lichaam, organen nu, noemt men die deelen, die een functie uitoefenen ten bate van het geheele lichaam; zoo zijn liet oog, liet oor, de mond, or,(/awc;?. Op gelijke wijze moet een vereeniging een orgaan hebben, om als geheel naar buiten te spreken. Vatton we de kerk nu op als enkele op zichzelf staande gelóovigen, zooals de Darbisten doen, dan is ze niet oryanimnc. In onze huid zijn duizenden poriën, die alle gelijke functie bezitten, en wel, ten bate van het gansche lichaam; doch die poriën oefenen die functie te /amen uit en daarom dragen ze niet dien naam van organen. Organen heeten dus allen die deelen, die exclusief een functie uitoefenen ten bate van het geheele lichaam. Zoo is het oog het cenige orgaan, waardoor men ziet, de mond het eenige, waardoor men spreekt. Welnu, in de kerk van „functiënquot; sprekende, bedoelen we die, welke door enkelen voor allen worden waargenomen.
Hieruit nu wordt in de kerk geboren de tegenstelling tusschen gelóovigen en ambtsdragers.
Deze tegenstelling heeft spoedig geleid tot de teggenstelling tusschen den clerus en de laid, omdat men op zeer begrijpelijke wijze aan die exclusieve functiën ten bate van het geheel een heiliger karakter gaf. We zeggen: op zeer begrijpelijke wijze. Immers, een ambtsdrager moet voorbeeld zijn voor de kudde. Op hem moet nauwer worden toegezien dan op de anderen. Gaat men nu deze stelling systematiseeren, dan krijgt men een hoogere en een lagere zedelijkheid. De Roomsche kerk brengt deze onderscheiding in verband met de peccata mortal ia en venalia. Wat voor een geestelijke een peccatum mortale is, kan voor een leek daarom nog wel een peccatum venale zijn. /.ij houdt dit staande, omdat de leek bij meer verzoeking minder verweerkracht heeft. Een man, die gedurig op de beurs verkeert, staat aan veel meer verleiding tot zonde bloot dan een geestelijke. Dit feit nu is volkomen waar, daarop valt niets af te dingen. Maar de fout is. dat men hiervan een systeem ging maken. Immers er zijn heel wat leeken voor wie de verzoeking veel minder groot is, dan voor een geestelijke. Denk b. v. een geestelijke, die neiging tot hoogmoed heeft, dan zal hij veel lichter in deze zonde vallen, dan een leek, die zeer gedwee van aard is. Neen, de regel van deugd en heiligheid staat voor allen gelijk, maar de verzachtende of verzwarende omstandigheden zijn bij den een en den ander verschillend. De maatstaf ligt dus volstrekt niet in den staat, maar in de absoluutheid van de wet, in verband met omstandigheden, verzoekingen enz. Op Roomsch standpunt moet de leek er toe komen
1«4
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
om te zeggen: voor mij geldt een lagere wet; voor den geestelijke een hoo-gere, en op doze wijze gaat men tweeërlei wet bij God stollen.
Alles wat nu, hetzij door de geloovigen, hetzij door do speciale organen in en ten bate van de kerk gedaan wordt, draagt een ambtelijk karakter.
Ook de geloovigen, — niet alleen de organen, — bezitten een ambt.
Ambt is hetgeen ze in opdracht van Christus volgens een door Hein verkend mandaat doen. Ambt beteekent in de kerk niet: bekleed worden met autoriteit. Vandaar dat onze vaderen niet het woord „munusquot; maar „officiumquot; bezigden, in tegenstelling met hot overheidsambt. Elk (itlog van het bezit zijn officium en verricht dingen, niet met het oog op zijn zaligheid, maar met liet oog op en ten bate van de kerk. Bij het regimen ecclesiae bespreken wo dit nog nader. Hier geven we alleen het beginsel aan, waarop het ambt der geloovigen wortelt, n,l,, dat men in de kerk met fideles te doen heeft, in wien de Heilige Geest werkt en die in den geloove staan, met een opdracht van Christus,
Het kan zijn, dat het ambt der geloovigen optreedt als het speciale ambt ontbreekt. Zoo treedt de hand op om te tasten, wanneer het oog lijdt. Maar volstrekt niet ziet liet ambt der geloovigen uitsluitend op dit plaatsbeklee-donde. Neon, hun geheole kerkelijk leven is het vervullen van hun ambt, terwijl het in de plaats treden slechts een exceptioneele functie is.
Onder do vier functiën, die op de geloovigen rusten, noemden wc allereerst: Het stirhtrn ran kerken, maar geen kerk is.
Dit is het fijne puntje, waar het bij het geheole kerkrecht op aan komt. Wie dit ééne vat, kan vorder logisch daaruit gevolgen afleiden; wie dit éénc niet vat. moet verder in alles misgaan.
Hierop komt alles neêr: de gdoovige heeft zijn ambt reeds voor de kerker is. Dit is de duidelijkste vorm om de zaak uit te drukken,
Hoe kan dat dan? Eenvoudig, wijl de eerste functie der geloovigen is, te zorgen, dat er een kerk komt. Het ambt der geloovigen gaat dus aan de kerk natuurlijk aan de uiterlijke formatie, liet instituut vooraf. Gevoelen wc dit wél, dan is het tevens duidelijk, dat de geloovigen bij het institueeren eenor kerk niet handelen als vrije lieden, maar als onderdanen, in gehoorzaamheid aan hun koning, en Juist daarom zijn ze in hun handelingen gebonden aan den last van hun koning. Ze moeten die kerk institueeren naar het schema, dat Christus voor de institueering gegeven heeft, Hiermeê ligt hot heele collegiale stelsel onverbiddelijk omver, want dit laat eenige menschen volgens hun vrijen wil een vereeniging oprichten. Doch in de kerk hebben wij niet met burgers, maar met onderdanen van koning Jezus te doen, die een mandaat hebben om een kerk te formeeren met de personen, die Hij daartoe aanwijst. Ook bij de keuzo
185
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
der personen mogen we volstrekt niet nemen hen, die ons liet best aanstaan, maar moeten wo te rade gaan met do kenteekenen, die Hij gegeven heeft. Van een uiting van vrije wilskeuze van merischen is dus geen oogenblik sprake. Het collegiale stelsel gaat daarom lijnrecht in tegen de Schrift. Op collegiaal standpunt kan men ook de kerk uitzetten wien men wil; men behoeft niemand rekenschap te geven. Zoo zond dezer dagen de synodale genootschapskerk van Amsterdam aan een duizendtal personen eenvoudig een briefje, met het bericht, dat zij geen lidmaten meer waren.
Een tweede plicht van het ambt der geloovigen is, — en hiermede komen we op een meer bekend terrein — dat ieder zich mod aansluiten hij de kerk, die in zijn woonplaats tot formatie is (jekomen.
Wat het beginsel betreft, is dit hetzelfde als het voorgaande. Uit dit oogpunt komt het ambt der geloovigen in de confessie ter sprake.
In art. 28 lezen we: . . . „zoo is het ambt aller geloovigen, achtervolgende het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de kerk zijn en zich te roegen tot deze vergadering; hetzij op wat plaats dat ze God gesteld heeft.quot; Krasser dan hier kan 't niet worden uitgesproken, dat het ambt der geloovigen er is, voordat de kerk er is; er staat toch: „en zich. te voegen.quot; En dat il» bij mijn keus, of ik mij bij de kerk zal voegen- of niet, geen vrij man ben, staat zoo vast, dat de confessie zelfs er bijvoegt: ..al ware 't schoon zoo, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren, en dat de dood of eenige lichamelijke straf daaraan hing.quot;
Wat blijft er nu nog over, vragen we, van de collegiale idee ? Er is een ordinantie Gods; krachtens deze ordinantie sta ik In het ambt der geloovigen en krachtens dat ambt moet ik mij in mijn ambt voegen bij de ware kerk. Het jrpraroi' vèag van het collegiale kerkrecht mag gerekend worden hiermede duidelijk te zijn in het licht gesteld.
In het publiek debat is het bijna onmogelijk hierover te redeneeren, omdat men dan niet achtereenvolgens den geheelen Loens de Ecclesia kan gaan behandelen. Maar na de ontwikkeling van dezen Locus kan niemand het bovenstaande tegenspreken, tenzij men het wezen der kerk loochene. Er heer-schen echter over het algemeen allerlei erronense voorstellingen omtrent het begrip „kerkquot;..
Hoe gaat nu deze formatie der kerk toe?
Voor een formatie moet men een forma hebben. Waar vandaan is nu die forma gekomen?
Ten deeie van de nDJ3. np32 komt van DJ3, dat het gewone woord is geworden voor bijeenverzamelen cf, Pred, 3 : 5. Vandaar dat men de synagoge noemde ncU£iTj13.
18fi
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Nu is het ons gebleken in den Locus do Sacramentis, dat de doop niet is
een nieuwe schepping, maar gekomen is uit de rfTDU van het proselytisme.
Wat we nu bij den doop zien, zien we ook bij de forma van de kerk. Johannes de Dooper nam dien proselytendoop over, maar wijzigde hem naar den eisch van liet koninkrijk der hemelen. Zoo ook vond do kerk bij haar optreden de forma van de np32. nam die over, maar wijzigde haar naar de eischon
van het Nieuwe Verbond. Die synagoge was een gebouw, dat door do Joden na de periode der Maccabeën allerwogo plaatselijk was opgericht, niet alleen in Palestina, maar ook overal elders, waar ze buitonaf samenkwamen. De oorzaak yan de synagoge ligt zelfs buiten Palestina. Do Joden in de diaspora hadden juist behoefte om zoo nu en dan bijeen te komen. Elke heidensche groep had een eigen tempel, maar de Joden niet en schenen daardoor een volk zonder uitwendige religie. Eerst door die verhouding tegenover de heidenen kwam de behoefte aan zulk oen synagoge. Do Joden riepen dan ook een monumentaal gebouw in het leven met zuilen en rondbogen, niet naar een vast type gebouwd. Toen zulk een synagoge in do diaspora was ontstaan, werd dit bouwen voortgezet en kwam in Palestina zelf.
Hier kwam bij het verloopon van do taal, zoodat het Hobreeuwsch ophield de gemeene taal van hot dagelijksch gebruik to zijn. Vertolkers waren or noodig, om do stukken dor Schrift over te zotten.
In do derde plaats werkte daartoe mede het sluiten van den Üud-Testa-mentischon canon. Voor ieder was het van belang dezen te hoeren, doch niet elk had een exemplaar.
De np33 werd dus op zeer natuurlijke wijze geboren.
Tovens moeten wc opmerken, dat deze synagoge niet één was. Op één plaats konden meerdere synagogen zijn. evenals wij meerdere kerkgebouwen hebben. Mede door den invloed der verschillende scholen gaf dit wo', eens aanleiding tot geschillen.
Deze synagogen droegen geen exclusief religieus, maar hadden ook ton deelo een nationaal karakter. Dit vlooit voort uit het feit, dat ze uit do diaspora waren opgekomen. De Joden in don vreemde hadden nationale behoeften; daarom werden ook hun volksvergaderingen in de synagoge gehouden, Ook do execution hadden in de synagoge plaats. Paulus is driemaal door een Joodscho povlrj schuldig verklaard, en in do synagoge zijn hem toon de negen-en-veertig min één slagen toegediend.
Hot instituut van do üp32 droeg derhalve oen plaatselijk en particulier karakter. We voelen hierin aanstonds den parallel mot het instituut van het Nieuwe Verbond. Maar een tweede zaak moet hierbij worden vermeld, die
187
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
den parallel veel nauwer trekt. Alle synagogen toch waren wel een plaatselijke religieuse openbaring, maar waarvan het centrale verbaiid lag in Jeruzalem in den tempel. Daarom waren er in do synagogen noch offers, noch priesters, noch levieten. Alles, wat de religieuse acte betrof, liep af in den centralen te Jeruzalem. Hierom trekt dit feit juist voor ons don parallel, wijl onze plaatselijke kerken evenmin een religieuse acte kunnen volbrengen, maar alle haar centrale actie hebben in den 'quot;OTl waar Christus als Hoogepriester de offerande bij God bedient.
Een dorde parallel is deze, dat in de synagoge ook ouderlingen (D^pl) en diakenen (njTTS'^Hi waren aangesteld. Doch wc moeten in het oog houden, dat deze DUpt leden waren van den senaat. In elke Joodsche stad had men een fiovlq en een senaat, waarin D'Jpt werden verkoren; en de np32 stond onder
toezicht van den senaat. Wij zouden dien senaat den gemeenteraad noemen. Ook de nfyijpan stonden gelijk met ons burgerlijk armbestuur, en deze armverzorging droog geen kerkelijk karakter, maar ging uit van de povl//. In de synagoge was eigenlijk maar één persoon, die een bepaalde functie uitoefende, n.1. de Archi-synagogus, Hij had het voorzitterschap, lïi de synagoge ging hij zitten, liet iemand bidden; dan moest do nüquot;12 van de Thorah worden voorgelezen door zeven menschen uit de vergadering. Daarna werd weèr gebeden, en daarop volgde een stuk van de nhBSTI. Geheel en al droeg dit dus het karakter van een bijeenkomst om saam wat te lezen. Iemand mocht het woord vragen, en het gebeurde ook wel eens, dat een vreemdeling werd gevraagd, of hij iets te spreken had.
Xiot de evolutie-theorie, die pantheïstisch is, en neérkomt op het oiulermijnen van de heele Schrift, maar wel allerwege de praeformatie in de schepping, vinden we in Gods Woord aangeduid. Wanneer de inensch geschapen wordt, is de praeformatie van die schepping aanwezig in de schepping van het dier. Niet is de inensch de copie van het dier, of uit liet dier voortgekomen, maar de forma animalis is genomen, en deze is opgeheven tot de schepping van den mensch. Ditzelfde vinden we bij den doop; evenzeer bij de kerk. De formatie van de ecclesia staat tot die van de np33 gelijk de schepping van den mensch staat tot de schepping van het dier. Degenen die geroepen worden do forma ecclesiae tot stand te brengen, vinden het schema, waarin ze-te werken hebben. Doch en hierop moeten we wel letten met een fi'miw element.
Ten eerste springt in het oog, dat. waar de JTDjD het nationale leven van Israël diende, de forma ecclesiae geheel van het nationale en burgerlijke leven is losgemaakt. Wel deed de synagoge ook voor kerkelijke doeleinden dienst.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
maar zij was ingeweven in het burgerlijke leven. De kerk daarentegen is een zuiver kerkelijke formatie.
Ten tweede, terwijl de synagoge geen eigen ambten heeft, maar door de burgerlijke overheid bediend wordt, zijn in de ecclesia eigen ambten opgetreden. Het presbyteriaat en het diaconaat worden ambten met een uitsluitend kerkelijk karakter. Dit vloeit voort uit de hidependentia ecclesiae.
Ten derde: do synagoge was een hulpmiddel, oen kruk, Lnther heeft in zijn bijbelvertaling niet geheel onjuist awnyayrj vertaald door öchule. Inderdaad was zij weinig meer dan een school om praelectuur en vertaling van de Schrift te geven. Wel werd er ook gebeden, maar daartoe was de synagoge niet noodig, want we weten, dat de Joden te Filippi saam kwamen bij de rivier om te bidden. Terwijl nu de synagoge dit karakter van een hulpmiddel draagt, treedt de kerk daarentegen op als zelfstandig instituut met een doel in zichzelve. Ook dit is weer een gevolg van de independentia ecclesiae. Daarom kwam in de synagoge geen religieuse acte tot stand; maar wel in de ecclesia; daar heeft men de praedicatio van het Woord en de bediening van het sacrament.
We zien dus, hoe de eene formatie uit de andere genomen wordt, maar beheerscht door een nieuw element, waardoor zij feitelijk een heel ander karakter erlangt.
In tegenstelling met de synagoge, had de kerk independentia. Synagoge dependebat sanctuario quod erat Uierosolymis, ecclesia vero dependebat nnllo sanctuario in terra, maar wel van het sanctuarium daarboven.
Nog even moeten wij wijzen op een ander verschijnsel.
Toen men de eerste forma aan de kerk gaf, heeft men te veel van de synagoge nagebootst, met name van de pradednur. Deze was in do synagoge zoozeer het middelpunt, dat men in de kerk behoefte gevoelde die parallel te bestendigen. Die parallel wordt in andere kerken dan tie gerefermeerde nog volgehouden, geheel naar het schema van de JTUS. Van het evangelie en de apostolische geschriften heeft men weer twee stukken gemaakt; de evangeliën zijn feitelijk ingedeeld In JIICTS en de axóetolot in nilDSn. De eerste toch zijn ingedeeld in euangelistaria. In die euangelistaria vinden wc die deelen van de evangeliën, die eiken Zondag van het jaar gelezen moeten worden. In de gereformeerde kerken is alleen overgebleven de voorlezing van den voorlezer, terwijl die vaste Indeeling geheel is weggevallen. In de Roomsche, Grieksche, Armenische, Koptische en Anglikaansche kerken vinden we daarentegen overal die Joodsche synagogale gewoonte bijgehouden, en wol op nog slechter manier dan in de synagogen, in de synagogen is het doel den hebreeuw-schen tekst voor het volk over te zetten. In de Roomsche kerk daarentegen-
189
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
staat een geestelijke op, plaatst zich voor den ambo en leest een stuk in liet latijn voor, waarvan niemand iets verstaat. Het denkbeeld, dat hieraan ten grondslag ligt is, dat het Woord als zoodanig een mystieke kracht in zich heeft, on por vim mysticam op hetzelfde oogenblik over de geheelo aarde gelezen, effect doet. Luther kende ook aan het Woord een sacramen-teele kracht toe, op dezelfde wijze als men tegenover satanische invloeden aan zekere formule een oxorceerende kracht toekende. Per formulam dictum deed zoo'n woord dienst als amuleet. In de Anglikaansche kerk vinden wij diezelfde misbruiken op een andere manier. Daar heeft men de common prayer, en de sacerdotale trek heeft in deze kerk eveneens ten gevolge gehad, dat men die gebeden zingende leest en liefst zóó, dat niemand er iets van verstaat.
Nu is het volkomen waar, dat dit bij onze voorlezers wel niet het geval is, maar dit neemt niet weg, dat toch de praelectuur als zoodanig een ongerijmdheid is geworden. Tijdens de Hervorming mocht zij noodig zijn, omdat toen de bijbels nog niet zoo allerwege waren verspreid, en de menschen met de Schrift moesten bekend worden, thans vervult de praelectuur bijna geen anderen dienst dan om zekeren ledigen tijd zoek te brengen en de menschen bezig te houden. Een voorzanger hebben we voorzeker noodig, maar het voorlezen van de Heilige Schrift is het werk van den dienaar, niet van een voorlezer. Het maakt nu den indruk of de woorden van dien man van minder beteekenis zijn, en eigenlijk buiten het ambt staan. Dit kwaad is nu wel eenigszins gestuit, doordat men op veel plaatsen een onderling, die het ambt heeft, laat lezen, maar toch moet do tendenz zijn, deze nawerking dei-synagogen geheel te laten wegvallen. -
Wie zijn leden der plaatselijke kerk?
Essentieel, natuurlijk de leden van de onzichtbare kerk.
De leden van de kerk, zijn leden van de kerk. Wordt de vraag absoluut gesteld, dan is dit vanzelf het eenige antwoord. De ecclesia particularis moet bestaan uit de personen in zekere plaats, die ingelijfd zijn in het Lichaam van Christus. Maar even gemakkelijk als dit is aan te wijzen, even moeielijk is het in de practijk door te voeren. Vandaar de verschillende opiniën om de forma in het leven te roepen. We stuiten op vier moeielijkheden, die het onmogelijk maken, dat op aarde de forma ecclesiae de ecclesia essentialis volkomen dekt.
1° De menscli wordt niet als een volgroeid persoon in de wereld ingezet, maar wordt als kind geboren, bestemd om als man op te groeien.
2quot; De overwinning van den zondaar is niet een absoluut fertige, maar doorloopt een proces door de nawerking van do verdorven natuur.
190
College-dictaat van eon der studenten (Dogmatiek).
3° Do tigt;svd(ig. !)(,■ mousch kan door lougon oen realiteit nabootsen.
4° Degenen, die te oonleelen hebben, zijn niet alwetend. De intimis non judieat ecclesia quia jndicare de intimis noquit.
Deze moeielijkiioden hebben ten gevolge, dat er eenzijdigheden ontstaan, óf per excessum, of per defectum. Per excessum in hot Labadisme, Donatisme, Montanisme, Novatianisme, Anabaptisme en dergeiyke richtingen. 1'er defectum zondigen de cosmische richtingen in do kerk. De Labadisten, Montanisten, Anabaptisten en hun geestverwanten handhaven een essontieele waarheid, n.1. dat alleen de insiti in corpore Christi, membra ecclesiae zijn. Zij grijpen absoluut het ideaal en vragen niet naar de banden, waarin dat ideale van Godswege is gebonden. Steeds heet het: laat ons uitwerpen die niet van Christus zijn. en alleen de wedergeborenen opnemen; kortom: laat het worden een kerk van heiligen.
Nu past het allerminst, met dergelijke richtingen den spot te drijven. Ook ons streven mag nooit anders zijn dan het hunne. Maar wij antwoorden hun: realiseer dan nu ook, wat gij leert. Wat blijkt echter? Wanneer deze richtingen hun stelsel willen doorvoeren, beginnen zij steeds met den geest, maar eindigen met het vleesch. Omdat liet moot verloopen in allerlei eigenmachtigheid, en eigendunkelijkheid, c» door hun overspanning van den geest, verzinken ze in vleeschelijke dingen. Wat die eigenmachtigheid betreft: men kreeg den indruk, dat de een wedergeboren was (gt;11 de ander niet. In elk dorp kreeg men dan eenige menschen, die de echten waren, steunende op den keur van dezen of genen. Anderen, door dien willekenrigen keur teleurgesteld, zeiden; neen, gij hebt gestolen goed, ik alleen heb liet ware. Vandaar allerlei splitsingen en scheuringen en verdeelde brokstukken, waarin nog voel ellendiger leven werd geleid dan in de kerk van Christus, die men den rug had toegekeerd.
'Er bestaat evenwel ook gevaar voor het peccure per defectum, dooroat men zeiderer toch niets aan te doen, dus: baptisareomne quod venit in baptisterio. Men wilde dan de grenzen der kerk zoover mogelijk uitbreiden, duizenden heidenen tegelijk doopen. Daardoor ontstond de volkskerk, die alle wereldsche elementen wil opnemen met een paedagogisch doel, „omdat het dan toch beter is, dat ze in de kerk zijn, dan er buiten staan.quot; Zoo wordt met allerlei methodistisch gepraat de verwereldlijking der kerk bemanteld. Deze verwereldlijking kan in tweeërlei graad plaats vinden.
Den eersten graad zien wij bij Rome, waar de verwöreldlijking is toegelaten, als de clerus maar goed bleef. Rome is dus labadistisch tegenover den clerus en cosnüsch tegenover de leeken. Dit bemerken wij duidelijk aan de leden der lloomsche kerk in Frankrijk. Hier in het land zijn de meeste Room-
191
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
schou bons catholiques, Dc geestelijkheid is ais oen tegenwicht, en moot daarom aan hoogere quaiiteiten beantwoorden.
Don tweeden graad der verwereldlijking zien wij bij de collegiale volkskerken. Daar heeft men de labadistisciio idee ook !)ij de geestelijkheid laten varen en leervrijheid ingevoerd. Het cosraischc element hooft in deze kerken dus geheel ue overhand gekregen.
Laat ons nu de vier genoemde bezwaren van naderbij bezien. 1° het behaagde God een menschelijk organisme te scheppen. Dit komt uit, doordat de mensch:
a. nascitur infans, crescit in virum.
h. nascitur in familia.
Hot eerste, de ontwikkeling van kind tot man, wordt in de Heilige Schrift met hot leven van den mensch in verband gebracht,
1 Oor. 13: 10, .11, waar Paulus, sprekende juist over de ontwikkeling van het christelijke geloofsleven, er op wijst, dat het proces van het U (liqovt tot hot tö xéUiov oen ordinantie is van God, in de schepping gegeven, en dat dit niet alleen do uitwendige gestalte raakt, maar ook het XaXeCv, vqovsïv, en ivyiamp;aamp;ca Al wat behoort tot het vrjnios- zijn wordt te niet gedaan.
Van een andere zijde bespreekt Paulus dit in Hebr. 5: 11, 14, waar Paulus zegt, dat bij den v/jmog een andere r^oip»; hoort dan bij de xiXtioi, en dat tus-schen deze beide een oefening ligt, waardoor de mensch oen habitus krijgt, een ttjis, waardoor iiij wordt in staat gestold, de mooielijkere dingen to verstaan.
Waar nu de Heilige Schrift zoo duidelijk leert, dat wij mot deze ontwikkeling van den mensch wol degelijk te rekenen hebben, moeten we dus dit moment aanvaarden als een eerste oorzaak, waaruit de misstand van de particuliere kerk geboren wordt.
En dit blijft niet bij do geciteerde plaatsen,
We zien toch in do tweede plaats, dat ook in do bediening van het genade-verbond onder Israël, waar de type van de kork gegeven is, niet eenvoudig word gerekend met de volwassene personen, maar ook met do kinderen, en wol, mot de kinderen van de geboorte af, zoodat het sacrament der besnijdenis zelfs op don zevenden dag werd toegediend. Hierbij liehoorden de kinderen
ook reeds tot den Ook was aan Israël de last gegeven, dat de kinderen moesten worden opgevoed in don heiligen dienst van Jehovah, en aan hot pascha mode moesten deelnomen.
Bovendien zien wij in de Heilige Schrift, dat, waar de apostelen de kerken aanspreken, zij hun woord richten tot allen, en zelfs bij tijden afzonderlijk tot de kinderen. Wanneer wc don Efezer-brlof opslaan, lezen we cap, 1 : I dat
192
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
quot;M r*%l » venman,, « «
ZTJZïZtfX a. —lt;«• »•*« «• «rrr^.quot; quot;tv
woidt op »lt;■ \gt; i p-mlus hot woord tot die tt*»cc. Wc
zicli ook apait is in den aailhcf gericht rotg év Koloaac,* «y/«»8
, ' . v - (gt;n in (lo/cn aldus geadresseerden brief lezen we
ZlTV^l ™r7n als Ef. 0 : Oolc hier wordt geween op de ver-nlichtin0' der kinderen tegenover den Heere: roöto y«e ^,r ev^aror r» Kv^. h' 1 Joh 2 • 12 komt het best uit, wat we hier bedoelen: y^co rwi*.
^:r;z:t $£?%%■»**** ** -r *****
—r rtsrs s:~H:n:B;s*ia —. —
ranto .10 verzoening Joor l.et Woei van «Mot» ™ He toepnsang **rm r, lt„ ï.art Ztogenovor s.ant ovomvol het feit, dat *• Mft 4» mm*.
i'rft voordat /.ij tot volwassenheid gekomen zijn. Daaruit volgt, dat Ik werk Gods zichquot; onmogelijk bepalen kan tot de volwaren, ^
1 ■ ' 1 u loens do Ro^eiieratione, dat God wel degelijk oen genadewelk
oen iing getoron .ind, Hiovove, .ns nu niet
'quot;e™'enkd woord moeten we te *m, ^
Het geradeverbond draagt een al«dmt kamkler, ,m«r ,,m,MmUam d«t J-, Hk lie pelaglaansrlie el' a„nin|anael,e paOen loopt maakt genadeverbond conditioneel li, «ijn wezen, en dan iS Het gel.eele werk de, zaligheld overgebogen naar den kant van den mensch.
Maar wat beteekent dan, dat het genadeverbond conditioneel uidm ronnis?
Ook het genadeverbond is conditioneel, omdat elk verbond, wat zi.n vorm
betreft, zonder conditie onbestaanbaar Is. Een verbond onderatelt steeds een Uv ee-
held en is dus In den vorm een öMsvqóv, terwijl het tevens liu ie \\lt; t u r et avra heiden is ausiu voul. b on B Iets doet voor A.
finPufisvos onderstelt, a. w. /.., udt n
193
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Die conditioneele vorm van het genadererbond nu is deze-, dat God, de Heen- den verloren zondaar pardon en eeuwige zaligheid schenkt, en omgekeerd, de zondaar gelooft in den lieere Jezus Christus en zich met heel zijn hart tot God bekeert.
Nooit mag uit het genadererbond die forma worden weggtnomen. Sommige Gereformeerden deden dit en wilden het verbond novonXsvQÓv maken; maar daardoor heffen zij het genadererbond feitelijk op, door er een voorstelling van te geven, die veel overeenkomst heeft met een vierkanten cirkel. Men Ivn eenvoudig niet zeggen, dat een verbond povonltvrfv is; het genadererbond zou dan alleen hierin bestaan, dat God den zrmdaar zaligde, doch, eilieve. dit is niet hel genadererbond, maar Gods raad.
Op die forma, ran het genadererbond moet dus zeer nadrukkelijk worden gewezen; te meer daar hierop de gansche prediking berust.
Het heil -wordt derhalve aangeboden in het genadererbond op een conditie. Hieruit volgt echter volstrekt niet, dat het genddeverboncl in wezen en natuur conditioneel is. Dit genadererbond n.l. Is een der instrumenteele middelen, die roortvloeien vit en in verband staan met Gods raad, terwijl er iets achter dat genadererbond, ligt, wat er eerst 'waardij en beteekenis aan geeft. Laat een, eenvoudig voorbeeld dit -mogen nphelderen. Tot mijn kind zeg ik: geef mij morgen op mijn verjaardag een mooi cadeau. Maar den avonds te voren leg ik stil in zij)/ beurs rijf gulden. Want, indien het kind mij wat zal geven, dan moet, ik maken, dat het geld heeft, zonder dat het weet, hoe het er aan komt. Zóó nu doet ook God in het genadererbond. God zegt tot den zondaar: „gij moet gelooren.quot; Doch wijl Hij zeer wel weet, dat de zondaar niet gelooren kan, komt Tl ij in, stilte tot hem en werkt het geloof in zijn hart, en nn gelooft de zondaar.
Nu kan men niet zeggen: dan had, die conditie ook wel kunnen, wegblijven. Het geeft toch geen verschil in schijn, maar een, verschil in wezen, wanneer ik dal kind niets vraag en niets geef, of dat ik dit wel doe, want in het laatste, gerat is er werkelijk emi moment, waarop het kind de vijf gulden zelf In eigendom bezit, en nn zelf een daad doet.
Dat conditioneele van hel genadeverbond In den vorm, ligt dus gegrond in den raad Gods, waarin Hij personen heeft aangewezen ten eeuwigen leven, en lerens de genademiddelen heeft besteld, om aan die conditie te kunne)) voldoe)/.
Waarmede, heeft nu de kerk te rekenen?
Natuurlijk alleen met de conditioneele forma ran het genadeverbond. Het genadererbond, wat zijn eeuwigen grond, in Gods raad betreft, is voor ons onkenbaar. De, kerk kan inslitutciir niet anders tot stand komen dan door de werking ran menselw)). Hieruit volgt nu ook, dat de kerk een iegelijk, die zegt: „ik geloof en bekeer mij,quot; in de kerk moet opnemen, omdat zoo iemand aan de condities ran het genadererbond, wat betreft d,e uitwendige, kerk. voldoet. Fm,
13
194
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
«O,,™ «. wordt, 'SJtSS
kennen moet, ^^bond moeten worden opgenomen, omdat
„en voldoen. Uit de/o beschouwmg volgt deihalve ^edcLO.n,
alleen bestaan kan uit volwassc-ne ^n^onen ^ richten,
I-t, waarmecle « f roke»,, hebben. Is. tot ook M «♦ quot; , .. i •„ rilotscliwi en in eens voldongen iveil.
ran Gods genade me ■ l èl zoo l( v. hij een jong kind, dat sterft.
Btl .TT'toquot;?'W0 wS dooktor, dat oeo meosd, plotadlo,- «m «. 0p z,('ll/'(gt;lf ' ' n. Do Heilige Schrift en de ervaring leeivn echtn,
zondaar oen heilige woidt. .• . bewandelt, «od loopt
,m „c govvo„,. W ^ ™,n natuur lu-ott. I.
mot den wcdcrgoborcoe den» quot; ®' ; , kalme tm, en oen
„„.f, nion l™'^ne;«^de„Xvlee. Daar i, eeu „roce^ woedende storm. Zon ook n sterven blijft hij nog gebonden
in keu,, al r.lln ****** **. f TT^»Ólr« 8«*. Iquot; M
n» liet loven dor .oude, dat eevrt do. a.-utoruitgnan,
moment des doods wnl'U a [''n' j in Y00V afval steeds bewaart. Zóó
vallen, zeer diep vallou, 'quot;quot;'t w' JSg iu l.equot; leven, en doet hem ten
en derwaarts ^linger.,, vo.llg in .Ie
te tohhen. Maar nu hohhon vu c « quot; _ t i(.V(.11s, Nu moot men.
Vindon een ,1e kerk ult.otUa,, totdat hij
......................
a, gebrekkolykhold en -eteUikheu, oa,;vaarden. .,
Ook o,, Oen ,Mo, moeten we let»,
„,.,,.10 gekomen ol. idïen en sman «Ha
„„.rnchto, een wereld ia ...... „„„.„t, ,lie den »oidaai
............-........................
195
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
fufu/ots. Die (ii'iir/aie brengt mot zich de mogelijkheid van huiehelarij en schijn ook in liet geestelijke. Iemand kan optreden met de belijdenis: „ik geloof in Jezus Christusquot;, en toch onwaarheid spreken, hetzij uit opzettelijke misleiding, hetzij uit zelfbedrog. Dit heet vnónQiaig, een woord, dat zijn oorsprong dankt aan het (Irioksche tooneelspel, waarbij de antwoorder heette. ''nrox^tTqg
is dus iemand, bij wlen het er op aankomt, zich op deze of gene wijs roor Ie doen. Op zichzelf ligt hierin nog niet de leugen; dit wordt, 'net eerstin het heilige. Iemand die zich in het geestelijke anders voordoet dan hij is, speelt feitelijk comedle. Een tooneolspeler kan soms zóó opgaan in zijn spel. dat hij zijn eigen persoonlijkheid vergeet, en leeft in den persoon, dien hij acteert; zoo iemand wordt tot de beste spelers gerekend, in het geestelijke zijn dan ook de huichelaars door zelfbedrog de gevaarlijksten. Die opzettelijk zich anders voordoen, dan zij zijn, worden meestal licht ontmaskerd.
4'- Een laatste bezwaar ligt in de heperkfJu-id rem hel judicium der personen, die in zake de kerk Ie oordeclen hebben.
Waar di kerk zich nu eenmaal zeer gebrekkig openbaart, komt het aan op zekere macht In de kerk, die te oordeelen heeft, wie recht heeft om mee te leven en wie niet. Wanneer er nu. al was het slechts één mensch, gevonden werd die het gebrekkige van het reëele kon onderscheiden, dan zon dit bezwaar nog niet overwegend zijn; maar nu is er niemand in de kerk denkbaar, die in staat is, de inwendige realiteit te beoordeelon. De kermis des harten blijft (■ode, komt niet den mensch toe, en diensvolgens kan de kerk alleen afgaan op wat ze uitwendig constateeren kan. De intlmis non judicat ecclesia.
Nu heeft men wel eens hiertegen aangevoerd, dat I'aulus toch zegt: (1 (.'or. 2:15) li Tivtvaazimis vn' ovSsvus uvkhqivbtch, maai' toch avahqivti nnvru. We behoeven nauwelijks te zeggen, waar de fout zit van de applicatie van deze uitspraak. Juist do bijeenvoeging van deze twee zaken: het jrcivTa dvctnQiveiv en het zelf vn' (ivSsvog dvctytgi'vtaamp;ciL wijst duidelijk aan. dat wij hier alleen met een oordeel van de conscientie te doen hebben. Dit kan dus volstrekt niet op de kerk worden toegepast. Men zou dan uit het ééne mogen opmaken, dat de kerk wel oordeelen mag (dvaxQivsi ndvra), maar men zou het oog sluiten voor hetgeen onmiddellijk volgt: avrog fis vn ovSevog NvciY.Qivercii. Deze plaats kan alleen dit beteekenen: Wanneer ik geoordeeld worden ik weet, dat Ik onschuldig ben, dan zal dat oordeel mij niet deeren. En nvevfiuTiuóg wordt de zoodanige genoemd, omdat hij, door den Geest (lods geleerd, in alles beslist, wat hij doen zal. Daarom mag de kerk dan ook geen bepaling maken voor iemands leven, omdat men dan wéér vervalt in het „raak niet en smaak niet en roer niet aan.'quot; Dit alles hoort tot het oordeel, dat de nvevpatMÓg aan God schuldig Is. Vooral bij de sabbaths-cpiaestle moet dit worden In het oog gehouden.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Een tweede tegenwerping is deze. dat de apostel zich wel eens uitspreekt, over dezen of genen en hem dan een broeder noemt. Doch, uit hetgeen de apostelen deden, mogen wij nimmer een conclusie trekken voor den toestand van de tegenwoordige kerk. Zij waren met een bijzonder licht bedeeld.
Na aldus de oorzaken te hebben aangegeven van den toestand waarin de kerken in het zichtbare verkeeren, komen we alsnu tot de vraag: Welke houding hebben wij daarbij aan Ie nemen?
De toestand van de kerk is dezelfde als die van een christen. Een kind van God nu neemt zelfs in zijn beste oogenblikken de klacht des apostels Op de lippen: raxaincoqus fyw clvd'Qmnos n'g fit yiicftret tK rot) ocóftKros tov ftavctrov TovTov; zóó ook de kerk. En zij uit deze klacht niet allereerst met liet oog op verdrukking en lijden, maar hierom, dat het ocü.ua rfjg aaaoriag haar nog aankleeft.
Nu maakt het dikwerf een indruk van bijzondere vroomheid en heiligheid, als iemand zegt: „Van zulk een kerk, als zich hier op aarde vertoont, moet ik niets hebben ; de kerk waarbij ik mij voegen wil, zal moeten beantwoorden aan het exemplar Ohristi.quot; Niet zelden gaat men voor zulk een vroomheid uit den weg. Maar een dusdanige vroomheid moet men streng bestraffen. Iemand, die zoo spreekt, is in opstand tegen Gods bestel. Toen wij de causae nagingen van dien onzuiveren toestand, vonden we toch, dat die gebrekkige toestand een gevolg is van Gods ordinantie, in de schepping gegrond, 't Is God, die het kind doet opwassen tot man; 'tis God, die gewild heeft, dat de wedergeborene een proces zou doorloopen. 't Is God, die aan niemand het oordeel over de harten heeft overgelaten. Wat doen zulke ontevredenen dan anders, dan morren tegen Gods bestel? Ze stellen zelf andere ordinantiën dan God. Natuurlijk is dit niet vroom, maar zonde tegen het eerste gebod.
Wat we dan te doen hebben?
Ook hier hebben we de bestaande antinomie tusschen het ideaal en de realiteit te erkennen en te aanvaarden. Daarna moeten we met dat ideaal critiek oefenen op de realiteit en ons inspannen om het ideaal steeds meer nabij te komen. Die ontevredenen grijpen het louter ideaal, niet rekenende met hetgeen daartegen in den weg staat. Hun antipoden, de antinomianen, laten het ideaal eenvoudig glippen en nemen de realiteit zonder meer. Bi] dit laatste hebben we twee stadiën te onderscheiden, zooals we zagen: Rome, dat her-ideaal althans nog hnndhaaft met betrekking tot den clerus, en de synodale volks-kerk, die Gods water over Gods akker laat loopen. Dit is niet anders dan Pantheïsme, dat in de kerk laat nagisten, wat er gist in het volksleven.
Noch het Labadisme evenwel, noch het Antinomisme mag aanvaard.
Het ideaal blijft, dat de zichtbare kerk volkomen moet beantwoorden aan
Collego-dictaat van oon der studenten (Dogmatiek).
de onzichtbare. Daarnaast hebben wo to doen mot do realiteit, dat die openbaring in do worokl te worstelen heeft met al de tegenheden, die aan de bereiking van dat ideaal in den weg staan. Togen die realiteit nu moet altijd getoornd en de critiek van het ideaal moet er tegen uitgaan.
Dit nu leidt op gereformeerd standpunt tot deze conclusion:
1° dat men de zichtbare kerk haar ideaal laat vinden in do onzichtbare kerk, maar dat die onzichtbare kerk steeds geloofs-ubjoct blijft, d. w. z. oen ideaal blijft, dat nooit kan verwezenlijkt worden. Daarom heeft de (iel*•formeerde kerk steeds gezegd, dat die onzichtbare en die zichtbare kerk één zijn.
J'' dat de geïnstitneorde kerk altoos door geroepen is, critiek te oefenen op de realiteit en dus steeds critisch moet optreden, maar tilt. nooit anders doen mag dan naar nvlav externac.
3° dat zo die critiek heeft uit te oefenen op twee manieren:
a. door keur,
h. door tucht.
Dir keur en die tucht bedde moeten gaan naar netae oxternae.
Keur en tucht zijn onderschoidon, omdat die keur doelt op hot erkennen van do membra ecclesiae en van de ambtsdragers. Hel is daarom uiet genoog, dat de tucht gehandhaafd wordt, daar de tucht geen grond heeft, wanneer do keur niet is uitgeoefend. Onder do tucht moot de grond liggen van do keur.
Deze keur boteekent;
1° dat men voor zijn eigen institueering de membra erkent;
liquot;1 dat men de ambtsdragers erkent;
8quot; dat men do kerken erkent, met wie men in gcmoenschap leeft.
Deze keur gaat niet anders dan naar notae ex teniae; d. w. z. wat de membra betreft, naar de vraag, of ze de belijdenis van do kerk belijden en den door de kerk gepleegden wandel plegen; en wat do kerken in kerkverband betreft, of de predicatio vorbi, de administratio sacranientonnn en de fonnatio ecclesiae beantwoorden aan de eischon van Gods heilig Woord. De tucht treedt alleen medisch, de keur treedt formeerend op.
Op die keur moot zeer bijzonder de nadruk worden gelegd, omdat zij feitelijk verwaarloosd is. Dit is voornamelijk een gevolg van het optreden der Koomsche kerk, die geen keur kent. Zij doopt alles wat in het baptisterium gedragen wordt. Omdat ze geen andore kerken buiten haarzelve erkennen kan, bezit ze ook geen keur mot betrekking tot andere kerken. Ze verwerpt per se alles, wat zich naast haar als kerk aandient.
De tucht dient eigenlijk alleen om do waarde van de keur te handhaven. Zij wordt ten opzichte van membra en ambtsdragers toegepast, wanneer men
108
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zich öf bij de keur vergist beeft, èf wanneer ieraanil /.icli veranderd heeft; ten opzichte van kerken, wanneer deze blijken niet vun die conditie te zijn, als men eerst verwaebtte.
Nog een moeilijk punt-blijft er ter bespreking over. Moe te doen met diegenen, die door geboorte in het uitwendig genadeverbond zijn opgenomen, bet zegel des verbond ontvangen hebben, maar die, op zekeren leeftijd gekomen, geen verklaring doen van geloof en bekeering en in hun ingebeelde qualiteil van doopleden voortleven ?
Tn de volkskerk durft men natuurlijk dit punt niet aan, a Lasco in Londen wel. In de gereformeerde kerken kwam het steeds meer ter sprake. Ook in de christelijke gereformeerde kerk heeft men, in de tweede periode van haar bestaan, meer en meer het gevaar ingezien, dat er in school, wanneer men zulke „dooplidmatenquot; maar liet loepen.
Hoe dan te handelen?
Tucht kan men tegenover hen niet aanwenden.
Tucht bestaat in bet ontzeggen van bet heilig avondmaal, en hoe is zulk een tucht uit te oefenen, over iemand, die het heilig avondmaal gansch niet begeert ?
Te zeggen, dat zij niet meer in de kerk mogen komen, gaat evenmin, daar de kerk voor ieder, wie ook, openstaat. Nu kan men wel hen vermanen en dringen, maar dit alles geeft niets, want hun weigeren om belijdenis des geloofs te doen, is betrekkelijk nog een goed element. Het is tenminste nog eerlük, als ze zeggen: dat kan ik niet doen, en althans beter als in de volkskerk, waar men in liet doen van belijdenis zeer weinig ziet. Dan is de kerk geheel weg. Neen, door dat dringen en persen wordt de positie der kerk slechte]'. Inderdaad staan we bier voor een groote antinomie, waaraan bijna niet te ontkomen is. Wellicht is nog bet best, wat a Lasco raadt: op zekeren leeftijd iemand zeggen, dat hij niet als lid van de kerk beschouwd kan worden.
In de practijk zal men echter ondervinden, dat elke maatregel, dien men met betrekking tot dit punt neemt, meer schade dan goed doet.
We willen nog even wijzen op dcu corni, die dit gebrekkige karakter van de kerk aanneemt. (We bespraken reeds de causae van de TKXctinoQia der zichtbare kerk, en de houding, die wij daarbij hebben aan te nemen.)
Deze vorm van de ruhaiiKogia nu is drieërlei:
le de gedeeldheid;
2° de impuritas;
8« de deformatie,
le Da (jedcehUiüid.
De gedeeldheid is allereerst in deze bedeeling een noodzakelijke, en wel
199
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
oimlat de kri'kcn niet anclurfj dan op oiidcrselicidciiu idaatsen Viin dc wereld zich opcnbareti kunneri, ini dus uiot anders dan gedeeld kunnen voorkomen. In het particuliere karakter ligt dus de oorzaak, dat de zichtbare kerk nooit een zuivere openbaring zijn kan van de kerk van Christus, die niet locaal, maar algemeen is: „Ik geloof éene, heilige, algcmevna christelijke kerk.
Men heeft wel gezocht de catiioliciteit van dc kerk tot openbaring te brengen. Men heeft gedelegeerden van de onderscheidene plaatselijke kerken bij elkaar laten komen, om zoodoende een conspectus ecclesiae te geven. We hebben dit gezien in de conciliën.
Die conciliën kan men niet hoog genoeg stellen. Ze verraden een ongemeen sterk besef van saamhoorigheid en een ongemeen sterken drang naar catiioliciteit. Denken we eens een oogenblik na, wat het beteekende, in 825 een concilie bijeen te krijgen! Wanneer er in ons land een synode gehouden wordt, b. v. te Groningen, dan wordt er geklaagd over liet tijd- en liet geldverlies. Maar als we eens bedenken, dat een reis voor ons naar Australië nog korter zou zijn en mmder geld en moeite zou kosten, dan voor velen in dien tijd de reis naar Nicea, dan boezemt de energie dier eerste christengemeenten ons inderdaad eerbied in. Ondanks zoo vele bezwaren, waren uit alle oorden ^ van de nlvovfiévr] bisschoppen aanwezig. Zonder dien enonnen drang naar
catiioliciteit, ware nimmer zulk een concilie tot stand gekomen, of had het zich nimmer herhaald. Tegenwoordig echter openbaart zich dat verlangen volstrekt niet meer. Ja, wij houden ook synoden! Maar wat beteekenen onze synoden in dat kleine hoekske land in vergelijking met de oude conciliën! Hoe gemakkelijk konden de Luthersche kerken niet saamkomen, en toch hebben ze nog nimmer een convent gehouden.
Maar toch nooit geven die conciliën een openbaring van de geheele kerk.
Deze gedeeldheid kon nog worden opgeheven, wanneer elke kerk haar eigen talent openbaarde, en zoo het geheel harmonisch representeerde. Ook dit is echter niet het geval, want er is een tweede gedeeldheid, die een sequela peccati is en niet nocessaria.
Deze tweede gedeeldheid komt reeds uit in het taalverschil, dat een gevolg der zonde is. Het Pinksterwonder der talen is niet anders dan een critiek des Heiligen Geestes over de gedeeldheid der talen.
Hierbij blijft 't echter niet. Er is ook een gedeeldheid in de confessie, een ? gedeeldheid door het schisma. Öteeds is aanschouwd, dat niet de volle «Iriamp;süt
beleden wordt, maar dat de kerken een eenzijdige belijdenis hebben. Hiermede staat het echter zóó, dat, al ware die zondige gedeeldheid er niet, men toch niet één confessie zou hebben. Kr is geen tai.lversclül, dat op zichzelf bestaat. Dit taalverschil hangt samen met liet verschil in de formatie der
f
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
spraakorganen, dit weer met de levensiisantien en het geheel levensmiliou. liet verschil is dus tevens physiologisch. Men treft bi] het ééiic volk een andere wijze aan, om subjectief zich liet evangelie eigen te maken, dan bij het andere; en dit komt uit in de verschillende confessies.
Ook hierbij evenwel blijft het niet. Het kon op zichzelf nog wel wezen, dat dit laatste punt niet verstorend werkte, maar aanvullend. Heeds in onze eigen kerken toch, met één confessie, zien wij, dat ieder daarom nog niet uitgaat van hetzelfde bewustzijn, maar dat de een den ander aanvult en daardoor een innerlijke harmonie wordt geboren. Zóó kon het ook over heel de wereld zijn. Maar daarom wijzen wij juist op de sequela peccati. leder ging zijn roeping en talent op zijn eigen wijze gebruiken. Eenzijdig maakte men zijn eigen charisma absoluut. Dan gaat men niet crilixch want dit is goed maar reroordeclend tegenover de anderen staan, en dit is verkeerd, zoekt geen harmonie. Daardoor breekt men feitelijk het begrip van de catho-liciteit.
Op zichzelf is dus de communio sanctorum geloofs-object, maar deze com-munio moet ook daarin gelden, dat zij de; talenten onderling communiceert. Feitelijk wordt echter de communio gebroken, wanneer men zijn eigen talent absoluut maakt, en hot talent van anderen negeert.
Dit wordt nog erger, doordat zich telkens persoonlijke antecedenten zetten. Elke persoon heeft zijn eigen individualiteit. (Jok die eigenaardigheid van den persoon neigt er zich weer toe om zichzelf absoluut te maken als type voor de kerk. Tot op zekere hoogte moet iemand zeer zeker de vaste overtuiging hebben, dat hetgeen hij belijdt, alleen waar kan zijn; maar men moet wél onderscheiden tusschen de. kern en deu vorm van zijn belijdenis. Men mag aan de belijdenis geen persoonlijk karakter geven. Bij mannen als Luther was dit nogal sterk; bij Galvijn wat minder. Maar bij groote mannen is dit kwaad nog niet zóó erg. In kleine kringen evenwel wordt van deze font veehnoev het nadeel ondervonden. Men vindt in een dorp of stad zekeren dominee, met eigenaardige denkbeelden, die een persoonlijk stempel op de zaken drukt; dit wordt een antecedent, en perpetueert zich dan gedurig.
Menschen als Ledeboer en Buddingh traden inderdaad met veel ernst en kracht op, maar hebben niet genoeg het tegenwicht vau het kerkelijk leven gezet tegenover hun eigen persoon. Bij oefenaars zien we dit nog veel sterker. Vandaar allerlei schisma's en verbrokkelingen. In deze eigen stad merken we dit maar al te goed. Jaren achtereen heeft zekere Ds. Bekker in zijn „Nazarethquot; een kring van volgelingen om zich vereenigd, op wie hij zijn eigenaardig stempel heeft afgedrukt.
Dit kringleven zet zich voort bij kinderen en kindskinderen, en daar staat
College-dictaat van een dor studenten (Dogmatiek).
ten islottu do anno kerk v;ui Christus in tic wereld, liij wie geer spODi' van ciitholiciteit meer is te ontdekken. En wat is het gevolg? Tal van mensdien gevoelen zich dan aangetrokken tot de pseudo-catholiciteit der Roomseho kerk; daarnaar trekt men heen; /.ij geeft althans nog eenigen rijkdom voor het besef van het hart!
^ De impurUas en de deformatie ecclesiae moeten scherp worden onderscheiden. Clewoonlijk woi'den beide verward, doordien men zoowel het een als hel ander met den naam van „deformatiequot; bestempelt. Dit is fout. De onzuiverheid en de gedeformeerdheid moeten evenzeer worden uit elkander gehoudm als de zuivering en do reformatie.
't Woord „deformatiequot; zelf toont reeds liet karakter aan. Hot principieeli-verschil bestaat dan ook hierin, dat de deformatie de forma ecclesiae aantast, terwijl de impuritas aantast den graad run kcemoiilioiJekeUnfj der kerk. Meteen voorbeeld willen we dit duidelijk maken. In den regel ent men een edelen tak op een wilden boom, maar deuken we ons een oogenblik, dat oen wilde tak werd geënt op een goeden boom, dan kreeg ik deformatio arboris. Heel iels anders is dit natuurlijk, als wanneer een rups den boom schaadt, of een verzengende wind verschrompeling en verdorring veroorzaakt. Daarbij toch blijfl de forma ongedeerd - cessante causa, cessat offectus. Is echter eenmaal de wilde boom op den goeden geënt, dan wordt hij nooit meer goed, omdat de forma als zoodanig is veranderd. De onzuiverheid in de kerk bestaat altoos, omdat het Christus niet heeft beliefd zijn uitverkorenen en wedergeborenen als vol' maakte heiligen op deze aarde te stellen, maar do erfzonde daarentegen nog steeds nawerkt als een onzalige fontein. Zelfs de mogelijkheid te stellen, dat dit anders ware, gaat lijnrecht in tegen Gods Woord. Wel geldt dit voor de ecclesia trimnfans, niet voor de ecclesia militans. Doch dit alles is niet. anders dan de rups, die aan den boom knaagt, de kwade wind, die verschrompelt en gemis aan goede bemesting om den groei te bevorderen. Zijn al deze kwade dingen uitgezuiverd, dan bomerkon we oen frisschen groei.
Deformatie daarentegen is een kwaad, dat geen hooger of lager graad aanduidt, maar de forma als zoodanig aantast. Waar van deformatie sprake is, kan ik er dan ook nooit komen mot zuivering. Immers, wanneer eenmaal door enting tie boom van oen tamme een wilde geworden is, dan zal zuivering en bemesting den groei slechts bevorderen van don wilden boom. Er is dan slechts één uitweg: de forma moot hersteld.
Hoe wordt nu de impuritas bestreden?
Heel het kerkelijk leven heeft aüoos de roeping, de kerk van minder tot: meerder zuiverheid te brengen. Do prediking dos Woo/ds hooft niet alleen de taak om de waarheid te explicoeren, het geestelijk Teven te voeden, maar
202
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hoiult ook in : de prediking van de wet; en die wet is altijd weer het middel om de consciontiön te raken, de gewetens te prikkelen, al wat verkeerds insloop, te bestrijden. Verkeerde, ziekelijke toestanden in oen gemeente moeten worden rechtgezet, Tref ik b. v. in een gemeente aan een mystieke richting en een piëtistische, een operatieve en een intellectualistische, dan moet ik er de prediking op richten om de harmonie en symmetrie tusschen die alle te herstellen cu te handhaven. Een prediker mag niet, omdat hij van mystiek houdt, mystiek gaan preeken. Het mystieke element moet gevoed, waar Intel-lectnalisine, en liet intellect moet ontwikkeld, waar het mysticisme op den voorgrond s-raat. Steeds moet het juiste medicijn worden aangeboden.
Zoo staat het ook met de bediening der heilige sacramenten. Deze ondeistelt oefening der discipline, en deze discipline heeft weèr geen andere strekking, dan in beliidenis en wandel de misstanden, zoowel van personen als van groepen, togen te gaan en te bestrijden. Ook het dienstwerk in liet huisbezoek, ook liet voedende en vertroostende, moet altijd weór datzelfde zuiverende karakter dragen. Evenzeer moet het gebod in de gemeente steeds middel zvjn, om zuiverend op de gemeente te werken. Immers, de inroeping van de verzoening (Jhristi op grond van zijn voorbede in den hemel in het binnenste heiligdom daarboven, kan nooit anders dan dat zniverende karakter dragen.
Zelfs de vergaderingen van kerkeraad, dassen en synoden dragen datzelfde Ihetische en antithetische! karakter, want altijd komen daar gesclnllen en misstanden voor. en steeds is de actie, om zuiverend op die misstanden in te werken.
Deze zuivering is dus volstrekt niet een extra bedrijf, maar een altijd doorgaande actie. Daarom is de uitdrukking: „Ecclesia semper reformanda', hoewel vaak gebezigd, in den grond der zaak onjuist. Wel shinving, nUi rc/or-
malie is altijd en altijd weèr noodig.
Sprekende over het aantasten van de forma ecclesiae, zullen we achtereenvolgens de vragen beantwoorden, louarin die defovmaiir bestaat; hue zij ontstaat, en hoe, waar zij ontstond, dit kwaad kan ivorden weggenomen.
De forma ecclesiae is nooit de forma van de ecclesia invisibilis, want die ligt vast in Christus, kan nooit worden aangetast en deformatie ondeigaan. \\ io dit zou beweren, scheidt de ecclesia invisibilis van het «wft« «w Xfiatov, of wel. stelt deformatie in Christus zelf. is nu deformatie in (Jhristus onmogelijk, en de ecclesia invisibilis het otipa tov Xgiatov, dan spreekt het vanzelf, dat by de ecclesia invisibilis van deformatie of reformatie geen sprake kan zijn.
We spreken derhalve van de deformatie ecclesiae visibilis en wel bepaaldelijk instltutae in terra.
Immers, hef erlangen van die forma ligt juist in de institueering. Dij enkele
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
bulijders op oen plaats, dio lovon zoudor goïnstituoord kerkverband, kan van goon forma ecclesiae sprake /ijn. Ken ïonna ecclesiae ontstaat eerst door de oprichting van den dienst des Woords, der sacramenten en der barmlvirtigheid. Geen forma ecclesiae is denkbaar /.onder de oprichting der ambten. Alle forma ecclesiae zit zeer uitsluitend in do drie daargenoemde dingen. Allo vergaderingen en wat dies meer zij, strekken slechts om die drie zuiver te honden en te doen bloeien. 131 ke kerkelijke bepaling, die niet met die forma samenhing, was een misgreep. Men kan wel allerlei reglementen maken voor liet instituut, maar die hangen ei1 los om. hangen niet met de forma saam.
De ambten en den daaruit voortvloeienden dienst des Woords, der sacramenten en der barmhartigheid kan men nn ook noemen de formuiitca ecclesiae, zoowel als de forma ecclesiae, op dezelfde wijze als een beker, dien ik met zand vul, tegelijkertijd én de forma èn de formans is. De aantasting moet dns altoos gelegen zijn in het ambt, in den dienst des Woords, der sacramenten en der barmhartigheid. En hiermede wordt natuurlijk niet bedoeld, dat iemand niet volkomen aan de eischen van zijn ambt beantwoorden zou - dit betreft het gradueel verschil der impuritas. Xeen, de forma der ambten wordt aangetast, wanneer die ambten gedenatureerd worden, zoodat do dienst des Woords óf gedeeltelijk óf geheel wordt dienstbaar gemaakt aan de prediking van den leugen, en de dienst der sacramenten ophoudt het door den lleere verordende middel te zijn om bet geloof te sterken en een tegenovergestelde werking in het leven roept. Het kwaad moet dus bepaald liggen in de denatureering: de leugen in plaats van de waarheid, geloigt;fsverzwakking in plaats van geloofssterking.
Hoe kan nu de natuur van het ambt worden aangetast?
Wanneer het ambt verliest zijn eigen kerkelijk karakter, overeenkomstig de eischen door den Heere ingesteld.
De natuur van het ambt is, dat Christus de ambten geeft en instelt, en dat ze dus bediend moeten worden als lastgevingen door Christus aan die dienaren verstrekt. 13n wat beteekent nu liet ambt van een dienaar dor koningin, die dat ambt niet meer beschouwt als van de koningin verkregen? In de aanstelling door koning Jezus nu is het ambt gelegen; daarom moot het worden uitgevoerd in gehoorzaamheid aan koning Jezus; moet het zijn een eeregeven aan Hem. Zoodra nu een instelling plaats heeft, waarbij aan koning Jezus niet meer gedacht wordt, dan is de natuur, het wezen van het ambt aangetast. Slechts ter verduidelijking nemen we een voorbeeld. Indien wij eens naar L)s. Perk gingen, den voorzitter der Haagsche synode, en hem vroegen; „U is hier dienaar des Woords?quot; zou hij zeggen: „Ja, maar noem mij liever '-uó niet; noem mij liever predikant.quot;
■204:
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
„Mfuir, ii heeft dan toch oen ambt?quot;
„Ja,quot; zal hij antwoorden, „maar zeg liever belnkkiny.quot;
„Erkent u nu uw ambt van koning Jezus verkregen te hebben, om het in zijn dienst, tot zijn eere te vervullen?quot;
Op die viaag zal een ambtsdrager als Ds. Perk verbaasd opzien, en vragen,
wat ge daarmede eigenlijk bedoelt.
„Neen,quot; zal iiij zeggen, „dat ik mijn ambt uit de hand van koning Jezus zou hebben ontvangen, daarvan weet ik niets, en wil ilc ook niets weten!quot;
Nu voelt men toch duidelijk bij dit voorbeeld, dat we hier te doen hebben met iemand, bij wien, ja, de naam van „ambtsdragerquot; nog aanwezig is, maar van de forma, helaas, niets meer te vinden is.
Maar ook, als men aan de Haagsche synode vroeg, om bij besluit uit te maken, of diezelfde Ds. Perk als dienstknecht van koning Jezus is in hot ambt gezet, zal liet antwoord luiden: „Daarmede hebben we niet te maken;
wij komen hier eenvoudig saam volgens onze reglementen, en verder niets.
Ziehier een duidelijk voorbeeld, dat de forma van het ambt is aangetast!
In de tweede plaats echter kan, ook al staat het formeel nog juist, de aantasting gelegen zijn in do prediking des Woords. We moeten hiertusschen ,1
wél onderscheid maken. Vraag een pastoor of bisschop, of hij niet in naam «.
van koning Jezus in het ambt staat, en hij zal ongetwijfeld bevestigend antwoorden. Elk Roomsch geestelijke erkent Christus als den koning der kerk.
Do paus is de vicaris Regis ecclesiae, en daarom is elk geestelijke een dienaar door koning Jezus aangesteld. Hier vinden we dus niet, dat de forma van liet ambt is gedenatureerd. Doch, letten we nu op het ministerimn Verbi, en aanstonds liomerken we. dat we hier niet maar met onzuiverheid, maar met denatureering te doen hebben, 't (Jharacteristicum van het ministerimn Verbi is, dat de man, die optreedt, niets uit de wereld, of uit zichzelf zegt, maar werkelijk optreedt als vox Dei, als Xóyng rov 0eov, gelijk Paulus zegt.
Moet daarom elke volzin uit liet Woord genomen zijn?
Allerminst. Een boodschap, die ik breng, mag ik in eigen vorm overbrengen,
alleen maar, de inhoud moet zijn de last, dien ik ontvangen heb. De boodschap als boodschap moet die last zijn, wat ik er ook tot verklaring moge bijvoegen.
Daar is gegeven een evangelie, een nuntius laetus, om op de aarde te brengen,
en het ministerimn Verbi moet bedoelen, om die boodschap over te brengen.
Steeds moet dit het doel blijven. Beantwoordt de predicatie van een Roomsch geestelijke nu daaraan? Zeer zeker houdt hij zoo nu en dan een predicatie,
die ook in onze kerken kon worden gehouden, b. v. over de Godheid des Heeren. Maar — ten eerste is in de Roomsche kerk de predicatie van hoofdzaak bijzaak geworden, en ten tweede gaan er van de vier diensten drie
4
205
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
voorbij, waarin niet gepredikt wordt, terwijl die prediking dan nog negen van de tien maal geen predicatio Verin is. maar geheel buiten liet Woord omgaat. Maar daarenboven worden keer op koer in de prediking over de stukken der waarheid allerlei dingen aanbevolen, die togen de waarheid ingaan en den leugen ervoor in de plaats stellen. Als zoodanig is de forma ecclesiae aangetast; een goede predicatie geschiedt bijgeval, en is geen noodzakelijk uitvloeisel van de bediening van het ambt.
Hierbij moeten we wel in het oog houden, dat het ininisterium Verbi één is. Het mag niet worden gerekend naar A, Pgt; of C, maar moet gerekend worden naar het gemeenschappelijk optreden. Hier in de stad b. v. staat een predikant in één ministerium Verbi met mannen, die zich van hun heilige roeping bewust waren, en met Anninianen, Socinianen, Rationalisten, ja soms met mannen, die op het kantje af Atheïsten zijn. Nu mag men zich nier verschuilen achter die enkele goeden; het ministerium Verbi is één; immers, we handelen over de forma rcclcsiw. De vraag is slechts, hoe die kerk als kerk het ministerium handhaaft. Wanneer zij nu de ééne maal het zus en de andere maal het zóó bedient, dan is het ministerium Verbi als zoodanig aangetast, en is de forma gedenatureerd.
De forma ecclesiae kan evenzeer worden aangetast, doordien men de sacramenten in hun wezen schendt.
Ook hierbij zijn onderscheidene gevallen.
Zoo randt Rome het sacrament van het heilig avondmaal aan in de mis. We zullen slechts ('•én concreet, geval noemen. Het wezen van het sacrament is, te dienen als middel tot geloofsversterking. Wanneer nu tot het heilig avondmaal toegelaten worden tal van personen, die het niet verhelen, dat zij het geloof niet hébben, ja. het niet willen hebben, dan kan het sacrament geen middel meer zijn van het geloof, dat immers niet aanwezig is. De forma wordt natuurlijk eerst aangetast, wanneer de kerk dit willens en wetens doet. Dan blijkt, dat die kerk niet meer brdoelt het sacrament aan zijn doel te doen beantwoorden. Het is geheel wat anders geworden. De forma ecclesiae is alsdan in het sacrament aangetast.
Over den dienst der barmhartigheid zullen we hier ter plaatse niet verder spreken. Dit punt moet apart worden behandeld. Alleen dit: in de Roomsche kerk is de diaconie geheel opgeheven. De diaken is daar geen armverzorger meer, maar behoort tot een lager graad van priester, die predikt. Ook in de Engelsche kerk treffen we dit aan. Wederom stuiten we dus hier op een denatureering van het ambt.
De vraag is nu, wanneer de aangegeven misbruikei' de kerk als zoodanig verantwoordelijk stellen.
206
College-dictaat van een der studenten (Dog-matiek).
Nooit raag of kan bij al die deformaties sprake zijn van een accidenteele ontduiking' van den regel. Hot komt er op aan, of de kerk er tegen ingaat oi niet. Heeft ze een eigen norma, en dwingt ze allen naar die norma te werken? Of homologeert ze als kerk de kerken, die misgaan, en neemt ze geen voorzorgsmaatregelen? Dan toch is de deformatie:1 volkomen.
We behoeven niet afzonderlijk te spreken over de toelating van leden, een middel, waardoor het misbruik zoo spoedig insluipt, is de administratio sacra-menti goee, dan is dit gevaar daarmede* nit den getuimd.
Een kerk kan haar eigen forma aantasten daardoor, dat ze een gcdcformeorde
kerk als normaal erkent.
Wanneei een gereformeerde kerk in Amsterdam oen roomsche kerk in Amsterdam als normaal erkende, over en weèr predikanten liet beroepen, dan zou de gereformeerde kerk daarmede toonen, dat zij lt;le instandhouding dei' forma niet no()di,^■ keurt. Ze zou toonen zelf de forma ecclesiae vervalscht te lM.|jj)on. Ook in de practijk zouden allerlei misstanden voorkomen; pastoors zouden den dienst des Woords moeten waarnemen, aan het avondmaal zouden komen wie er niet aan hoorden; in één woord, de heele gereformeerde kerk zon weg zijn.
Ditzelfde nu grijp! in ons vaderland allorwege plaats onder de Synodal en. Men gevoelt het daar niet zoo moer, omdat men er reeds aan gewoon is. Men heeft 1). v. oen kerk. zeg: in Harderwijk, waarvan alle leden met de belijdenis instemmen. De kerk als zoodanig, zou men zeggen, heeft de ambten, den dienst des Woords en der sacramenten en der barmhartigheid. Maar neem daarnaast nu een kerk als in Hoorn 1). v.. waarin geen enkel dienaar of ouderling met de belijdenis instemt, of van de heiligheid der ambten het minste besef heeft, Hn in het ambt èn in de administratio verbi, sacramentorum, tabula-rum, is daar do forma gedenatureerd. De kerk van Harderwijk lieett nu te beslissen, of zij die kerk van Hoorn erkent of niet. Doet zij dit, dan blijkt het, dat ook de kerk van Harderwijk er geen ernst mede maakt, want indien zij meende, dat die eischen, waaraan zij zelf beantwoordt, voor elke kerk noodzakelijk moeren gesteld worden en onmisbaar zijn voor de instandhouding van de forma ecclesiae, dan mocht zij in geen gemeenschap leven met een kerk, die diezelfde eischen met voeten treedt. En wederom werkt dit door in de practijk. Als iemand van Hoorn naar Harderwijk verhuist, moet hij als lid in het midden dier gemeente worden erkend, en tot het avondmaal worden toegelaten. Gaat men hiertegen in, dan zal de dwingende macht der hoogere besturen wel spoedig tusschenbeide treden.
Formeel genomen kan dus een kerk blijken- niet te zijn aangetast, en toch gedenatureerd zijn in haar forma, omdat ze de keur op andere kerken heeft
207
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
laten glippen, en de ernst, die bij i\r/c. beoordeeling past, heeft prijsgegeven.
Bij bet ontstaan van dit kwaad geldt de generale regel: alle kwaad komt in de personen op.
De personen, die in oen kerk optreden, vinden in die kerk een forma, die tegen de natuur ingaat, gelijk Christus zelf en de Heilige Schrift tegen de natuur ingaan. Hot is nu de roeping der kerk onze natuur te dwingen voor haar forma to wijken. Een kind van (iod wil dan ook niet anders. Door dien tegenstand van de natuur tegen do forma ecclesiae ontstaat altijd de poging, om wat in die forma de vrijheid belemmert te veranderen. Wint de ecclesia het in dien strijd, dan blijft alles goed. en moeten de anderen zich onderwerpen of weggaan. De forma ecclesiae toch wordt steeds gehandhaafd door personen. Gaan die personen, wien de handhaving is opgelegd, nu conspireeren met de personen, die de forma willen veranderd hebben, dan zien we dit geboren worden, dat men eerst de forma ecclesiae aan zichzelf overlaat, wel staan laat, maar niet opkomt tegen wit haar aantast, óf wol, haar niet staan laat, maar de forma ecclesiae gaat wijzigen naar die persoonlijke neiging.
In ons vaderland hebben we dan ook met betrekking tot de forma ecclesiae drie perioden waargenomen.
1quot; periode van Dordrecht, toen men dwong zich aan de forma te conformee-ren, of anders de kerk te verlaten.
2'' periode van steeds meerdere afwijking, terwijl men alles slil licit geworden. De drie formulieren van eenigheid moesten nog wel worden onderteekend; maar, word er verder gehandeld tegen die formulieren in, dan liet men dat stil glippen.
Hquot; periode: de afschaffing van de onderteekening der formulieren, en de verandering van de forma.
Dit aantasten van de forma kan geschieden, doordat men haar schendt per defectum of per excessum.
Men kan de belijdenis steeds meer afkappen, of wel, met Rome allerhande dingen aan de belijdenis toevoegen. Maar steeds is het een wijzigen van de forma naar do neiging van do personen.
Vooral moet hierbij worden gelet op den band met andere kerken. Men kan een kerk hebben, die voor zich zelf de forma ecclesiae getrouw blijft, en in eigen boezem dwingt, zich er aan te conformoeren. maar door den invloed van een gedeformeerde zusterkerk én in tiieorie èn in practijk gedeformeerd wordt. Vroeger heeft men op dat kerkverband nooit gelet, omdat in den strijd met Rome daarvan geen sprake was, maar in onze dagen moet goed worden ingezien. hoe ook langs dien weg deformatie kan insluipe.i.
De laatste vraag is: wanneer deformatie is ingetreden, wat moet er dan gebeuren?
208
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Ons antwoord is: daaruit vloeit voort voor een iegelijk, zonderonderscheid, ma'ir met klimmende verantwoordelijkheid, naarmate de positie, die iemand inneemtin de kevk. de vorplichtiug om elke poging aan te wenden, die de
kerk tot haar forma terugbrengen kan.
Dit moet 7.00 absoluut mogeHlk gi-stold, onulat hot y.m alleen kracht heet . ™ , uu . « BI.ulu.ol vo,,H0l: iemau.l vau .lortlg Jmt » moor vorant wooriloliik 'lau iemanrl «au twlutlg; wie ia l,et aurbt staa m^r dan w
nmbt bekleedt- een man meer dan een vrouw; maai dit giadueel • ïliil heft voor niemand de verplichting op, omdat in het aaneen van de form a o.rlesiae de eere van Christus wordt aangetast, üehjk olk 'nideulaa oehouden is voor zijn koning op te komen hij een oproer zoo ook is elk ! d der kerk geroepen voor de eere van koning Jezus op te komen, wanneci
forma ecclesiae wordt aangerand.
In de tweede plaats; Hoe moet de quaestie worden gesteld.
, i ,|.,f ,1.. iniste forma ecclesiae voorgehouden en de onv i-Ons antwoord is: dat tie jiush louii.imi 1n,. mn rip wire
biddelijke eisch gesteld worde, dat de kerk terugkeere, en wedei aan de waic
fm-mn ecclesiae ga beantwoorden. .....
Ook dit stellen we zoo absoluut mogelijk. We mogen inerbi.i met gaa kaleMen n Dan geven we toe. dat een afwijking van de, fornu! c.c esiae Itimtid quot;is en daarmede zijn we alle veerkracht van handelen kwyt Dit nu
?s geen platonische stelling, maar wil zeggen, dat alle refounatie ei tot i U-iden dat óf de kerk haar rechte forma herneme, of dat ik zelf mt die keik uitquot;quot;! Dan alleen heeft de handeling kracht. Elke reformatie moet steeds/.eg-„vn- o-ij kerk, zult gehoorzamen, of gij ontbindt, mij van gehoorzaamheid aan n rn zult het met Christus houden, of ik houd het niet langer met u.
'Dié fórma ecclesiae moet natuurlijk worden voorgehouden mt GodsWooid. Daaruit mag alleen alle recht tot reformatie worden ontleend Van eigen theorieën mag nooit sprake zijn. Eerst wanneer alle strijd uitsluitend gestic don wordt op het terrein van Gods Woord, wordt het, persoonlijke er sub-jeetievo aan allo optreden ontnomen, en de kerk in haar deformatie aagt voor de eenige rechtbank, waarvoor zij mag worden gedagvaard: de autouteit
'TvvuÏij t regel, dat tot de ambtsdragers het eerst deze roeping komt;
allereerst quot;tot de dienaren, dan tot de ouderlingen, daarna tot de diakenen. Maan waar de ambtsdragers nalatig blijven, devolveert de verplichting op de
Heeft men nu een op zichzelf staande plaatse |ke keik 1 '
/elf gedacht, dan is het proces voor de reformatie ten einde, zoodia d. knkt raad van die kerk weigert tot reformatie over te gaan.
iV)
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
■ Staal die kerk niet geïsoleerd, maar teefl ze in verband, dan moeten pogingen worden aangewend, om de meerdere rergaderingen, te bewegen, die kerk daartoe te dwingen. Is den proces afgeloopen, en gebleken, dat langs dien weg geen reformatie mogelijk is, dan mogen de geloorigen de, poging lot reformatie opgeven, en hebben zij het recht tot de instelling van andere ambten over te gaan. Eerst echter moet dat geregelde proces zijn afgeloopen en tot niets geleid hebben. Nooit mag men evenwel in dat gevat zeggen: na zat ik maar in de gedeformeerde kerk blijven teven. Dan moet men zelf optreden, om- de forma nieuw en naar eisch van Gods Woord in het midden der wereld te openbaren.
Twee opmerkingen voegen we hieraan toe.
V Geheet dat werk, om een gedeformeerde kerk weêr tol haar juiste forma te brengen, moei geschieden naar den regel van Christus, d. w. z. niet door geweld, maar langs den weg van overreding en overtuiginy.
Menige kerk is gedenatureerd, zonder dat de leden hel zich bewust zijn, en hun verplichting gevoelen. Hier geldt: „zij weten niet wat ze doen.quot; Dan moet alle hoogmoedig optreden verre gehouden, maar een bidden om vergiffenis uitgangspunt zijn. Met vermaning moet dan gearbeid en up de conscientie gewerkt worden. ■Tuist dan komt aan het licht, of het is: „zij toeten niet wat ze doenquot;, of wet. dat et' moedwil in het *pel is. Ontmoeten we een teedere conscientie voor God. zoo zal die wijken voor den innerlijken drang; maar stuiten we op moedwil en, hardnekkig verzet, zoo wekken onze pogingen bitterheid.
2'' Bij dit beoordeel en van de deformatie der kerk mag men nooit overijld of preutsch Ie werk gaan.
Ten (dien tjd( zijn er schismatieke geesten geweest, die om het een of einder, dal op de forma ecclesiae was aan te merken, met die kerk eenvoudig braken. Daarin gis! een geen! van zelfgenoegzaamheid, betweterij en van kerkelijke preutschheid, die wil scheuren en verdeelen, en niet heeten. Daarom zijn ire gewaarschuwd, dal we wel weten, of de forma, is aangetast, of wet. ded het een e)f ander misbruik is binnengeslopen.
Het is maar de vraag, of de kerk partij kiest voor hel kwaad, er het schild voor opheft. In de /a rk van Amsterdam b. r. heeft men een tijdlang gestaan voor iels, wat den indruk maakte deformatie te zijn, doch nier heeft uitgelokt, dat de kerk zich zóó beslist uitsprak, dat het geen twijfel meer Het, dat zij het kwaad willens en wetens handhaafde. Toetaling ran loochenaars van den Christus aim het heilig avondmaal werd oorzemk der bretike. Aan den kerkeraad van Amsterdam wej-d betel dit kwaad uit te snijden. Bij de ambh'u is nu hel bederf gemakkelijk te zien. omdat de rerirerping van het ambt, ids door koning Jezus ingesteld, geen geheim meer is bij allerlei dwaalgeesten, als ItaliQualislen e)iz. Ook bij het minis-terium verbi et sacramenti, omdat de tegenstelling van hetgeen een kerk van
14
210
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Christus eischt, en de practijk, die wij iu deze dagen zien, zoo luculent mogelijk is. Maar er zijn tijden mogelijk, waarin dit niet zoo luenlent is. In de dagen van Dordt b. v. ging de strijd tegen mannen, die in onzen tijd voor orthodox zonden doorgaan, Ds. Huet vond indertijd een boekje van armini-aansche Kampensclic prodikantcn, waarop stond: „gereformeerde predikanten te Kampen.quot; Hij gaf dit uit, en meende, dat het heel wat goeds was. Hieruit blijkt, dat deformatie schuilen kan in wat niet zoo in het oog springt, zoodat in zulk een tijd veel meer overleg en omzichtigheid noodig is, om tot het constateeren van daadzaken te komen. Waarom? Omdat er ten allen tijde mcnschen zijn, die gaarne oen schibboleth opheffen, en het een of ander bij hen geliefd dogma op de spits drijven. Zoo in Amerika de quaestie van het «upra- en Infradapsarianisme. Bij ons, van de voorwerpelijke en onderwerpe-lijke richting. Dat is lui tot keursteen stellen van een stuk der waarheid, dat onze bijzondere voorliefde heeft. Zoo wordt hot subjectivisme in de kerk gebracht. Daarom moet een ieder wèl toezien, of hij gerechtigd is, de forma dei' kerk als gedenntureord te verklaren. Oalvijn schreef breede vermaningen, om daarop toe -te zien. Ten onrechte heeft men van synodale zijde daarop beroep gedaan. Ook voor ons blijven die vermaningen van den Geneefschen Hervormer haar volle kracht bezitten. Alleen als men teedor voor God staat en diep zijn verantwoordelijkheid gevoelt, en als de overtuiging bevestigd is, dat de forma ecclesiae is aangetast, mag men die forma als gedenatureerd verklaren. Iemand, ilic dat wezenlijke, alles afdoende in de forma voorbijziet, doet zijn plicht niet en vergrijpt zich aan de verantwoordelijke positie, waarin God hem heeft geplaatst.
s 10.
„Het dogma de notis ecclesiae is opgekomen uit reactie tegen de deformatie der kerk, en met name, toen zich alts gevolg van haeresie en schisma, altaar tegen altaar verhief.
Niettegenstaande dezen polenüschen oorsprong heeft dit dogma thans ook positieve beteekenis, om het eigenlijke karakter van de kerk als instituut, niet als organisme, te bepalen. Wel toch heeft ook de kerk als organisme uotae, die als zoodanig ook in de confessie worden aangeduid, maar het is de aard dezer uotae, dat ze niet genoeg een palpabel karakter bezitten, om tot beslissing te kunnen leiden; en waar men dit toch met deze uotae poogt te bereiken, verloopt men ongemerkt in Labadisme of een daarmee verwante spiritualistische dwaling. De uotae van het organisme toch kunnen geen ander dan een onzichtbaar karakter dragen en in de belijdenis en den wandel der geloovigen slechts uitkomen voor zooverre deze blijk zijn van hun levensvernieuwing en aanhoorigheid tot het Lichaam van Christus. Dientengevolge bestaat tegen de bruikbaarheid van deze uotae liet drieledig bezwaar:
1° dat de individueele geloovigv buiten staat i«, om over de belijdenis en den wandel van alle overige leden der kerk ook maar bij bena-doring een eenigszins juist oordeel te vellen.
2° dat deze belijdenis en wandel ook geveinsd kunnen zijn en alsdan niet langer als uotae van het organisme dienst kunnen doen.
8° dat bij elk oordeel, dat op deze uotae rust, het zaad der kerk en geheel de rijkdom van liet verbond wegvalt.
Anders staat het daarentegen met de notae der ecclesia formata of instituta. In haar toch komen de geloovigen niet tot een individueele, maar tot een gemeenschappelijke aotie, en is dus uir te maken, of deze actie conform de door Christus gestelde norma is, en alzoo dienst kan doen, om instrumenteel de actie van den Christus te laten werken.
Als zoodanig nu spreekt dit dogma uit, dat de ecclesia formata/tm nutdc nea'smriao heeft:
i1' het miuisterium verbi;
2quot; de administratio sacramenti.
212
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
De disciplma, die door sommigen hier als derde bij is gevoegd, levert geen coördinatum voor deze twee, maar is alleen ecu bijkomend hulpmiddel, om de beide eerste notae reëel te doen zijn. Zonder tucht toch is zoo min uit het ministerium verhi als uit de adnünistratio sacra-menti het bederf te weren.
Meer zou er dan ook voor te zeggen zijn, om er als derde nota de administrafio tahnlarum aan toe te voegen, maar ook dit toch wordt beter gemeden, om reden de dienst der barmhartigheid practice elk specifiek karakter mist en zijn parallel ook buiten de kerk vindt in de philanthropie.
Evenmin eindelijk kan de goede kerkregeering, liet reylinen occlcsiac, als nota met de beide eerste gecoördineerd worden, overmits het regimen slechts strekt, om evenals de disciplma aan de belde aangewezen notae realiteit en duurzaamheid te waarborgen.
Wat men ook wel gepoogd lieeft, om de confcssiu tot nota te verheffen, mag daarom niet toegelaten, omdat do confessio niet is dan een summiere predicatio verbi, die tot de wereld uitgaat, als herken-ningsteeken voor de kinken onderling dient, en In de ecclesia formata dienst doet bij de schifting voor het ambt en de toelating tot het sacrament.
Wat ten slotte Rome ten opzichte van dit dogma wil. is niets dan een zichzelve tot norma stellen, waarbij het juist aan de vaststelling der notae, om zichzelf te keuren, ontbreekt.
Het gebruik van de in dit dogma vastgestelde notae is drieërlei:
lu voor elke kerk om zichzelve te keuren ;
2quot; voor den geloovige, om de kerk te keuren ;
8° voor de kerken, om elkander onderling te keuren.quot;
Allereerst sta op den voorgrond: We hebben hier te doen met een dogma.
1)11 wil zeggen: die notae zijn het resultaat van een worsteling, die Inden boezem der kerk heeft plaats gegrepen, 't is een geheel erroneuse voorstelling, dat de dogmata zoo maar uit den bijbel zouden genomen zijn. Veel theologen, die, toen do dogmata er eenmaal waren, zonder veel van kerkhistorici te weten, een dogmatiek schreven, waren van meening. dat de dogmata op dezelfde wijze in de kerk waren opgekomen. Doch zij vergissen zich zeer: zij hebben het resultaat, terwijl de eerste mannen zonder dat begonnen. Duidelijk Is dit bij de leerstukken der Drieëenheld en der Godheid van ('luist,us, omdat daarbij al te klaar Is. hoe uit een gisting die twee dogmata zijn opgekomen. Hij een man als L'olycarpus zullen we natiuuiijk geen uitgewerkt dogma van de Tri-
College-dictaat Van een der studenten (Dogmatiek).
uilcit viuck'ii, nuiar in do zesde eeuw hebben de theologen dezelfde identiteit van dit dogma. De oorzaak van dit verschil ligt hierin, dat die eerste men-scheu leefden ia don tijd, die voorafging aan de worsteling, en tlie Uiteren, toen het resultaat dier worsteling reeds was verkregen.
Ook de manier van Bold, die begint mot den bijbel te gaan onderzoeken, is verkeerd.
Wie gaat schrijven, bezit do dogmata, die hem uit den stroom van hot kerkelijke leven zijn toegekomen, en slaat den bijbel op, alleen om de waarheid van dat dogma te staven.
Ditzelfde is geschied bij de notuu ecclesiae. We hebben ze expres een dogma genoemd, omdat men anders allicht zou denken, dat het sproken van do notao ecclesiae slechts een verzinsel of uitvinding is. Neen, zo zijn een dogma, en daarom is er in de confessie een afzonderlijk artikel aan gewijd.
Of. Art. 29. In het eerste gedeelte wordt zeer duidelijk uitgesproken, dat bedoeld zijn de notao van de ecclesia formata, want de hypocrieten, waarvan sprake is, hooron niet tot het organisme; bovendien blijkt het duidelijk uit de. woorden: „maar wij zeggen, dat men hel lichaam en de gemeenschap der toare kerke onder scheiden zal ran alle nektenquot; enz. Van een lichaam, een corpus is eerst sprake als de kerk een forma verkregen heeft, en van gemeenschap alleen, als zo geïnstitueerd is.
Onze confessie stelt ook wel de predicatio Evangolii en de administratio sacramenti op den voorgrond, maar laat daarna volgen: „zoo de kerkelijke liichl gebruikt wordt, om de zonden te, straffen.quot; Mn dan: „kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord (lodsquot;, enz. Formeel doet zij het dus voorkomen, alsof die drie, ja zelfs vier zaken, gecoördineerde notao zouden zijn.
Hierop komt de confessie in dit art. 20 tot een geheel ander deel. In het tweede gedeelte worden de notae ran het (irganisme gvnocAud. Immers, van de notae'der christenen wordt gehandeld: „ Hn aangaande degenen, die ran dimerk zijn, die kan men kennen uil de ■inerkteekenen der christenen, te weten uit het geloovequot; enz.
Dus wordt in de belijdenis wel degelijk van de notae als van een dogma gehandeld, als van een belangrijk punt, waarover de kerk zich heeft uit te spreken, en dan niet alleen van de notae der kerk als instituut, maar ook als organisme.
De kennis van de notao necessariao eener kerk is niet noodig, zoolang do kerk gezond blijft.
Daarom heeft do kerk van Christus eeuwen lang bestaan, zonder dat naar de notae ecclesiae werd gevraagd. Alles wat zien als kerk aandiende was kerk. Maar, toen door haeresie en schisma allerlei vereenigingen van menschen
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zich aaiiiUfkUlfii als kerk, on zich plaatsten tegenover de wezenlyke kerk, ontstond de vraag: Wie is nu de kerk? De tons solutionis moest worden gezocht, en onderzocht, wie de ware kerk inderdaad was. Wanneer zich in een land twee personen aanmelden, die pretendeeren dezelfde persoon te zijn, dan moet dit worden uitgemaakt. Zoo ook is in de kerk de behoefte en de noodzakelijkheid van notae characteristicac ontstaan, toen twee pretendente kerken tegenover elkaar gingen staan.
Naluinlijk is deze behoefte het sterkst gevoeld tijdens de Reformatie in de K)11 eeuw. Home zei: Wie van mij afgaat, is geen kerk van (Jiiristns, en de bestrijders van de Koomsche hiërarchie maakten oveneens aanspraak de kerk te zijn. Beide stonden na korten tijd absoluut pretendeerend tegenover elkander. De een maakte den ander voor een valschc kerk uit.
Tevens kunnen we hieruit gemakkelijk nagaan, waar het dogma van de notae der kerk het eerst is opgekomen. Natuurlijk incuinbit probatio op de pretendente, niet op de oude kerk, die in het bezit van den titel was. In de middeleeuwen bestond maar één kerk; men kende geen andere. Daaruit volgde, dat toen het op bewijsvoering aankwam, Rome niet zei: „ik zal mijn ritel bewijzenquot;, maar Gereformeerden. Lutherschen enz. het bewijs moesten leveren. Inderdaad, zoolang de kerk onder de hiërarchie in de middeleeuwen voortleefde, heeft men zich nooit met het dogma van de notae ecclesiae ingelaten; maar bij de Reformatie is die quaestie subtiel uitgemaakt.
De eerste Roomschen, die er zich mede inlieten, waren Petrus (Janisius (de schrijver van den Roomschen Catechismus) en Bellarminus, Bellarminus noemde Iwaalt' notae op, waaruit voldoende blijkt, dat we met geen dogmatische formule te doen hebben. Steeds was het: wie aan den stoel van Rome was aangesloten, beboerde tot de kerk; de. anderen niet. Wel heeft men zich beroepen op het una, sancta. catholica, maar dit was slechts noodhulp; immers het .,sanctaquot; kan nooit nota zijn van de ecclesia visibilis; van het „unaquot; was geen sprake, waar naast de lloomsche een (irieksche kerk stond, en van het aimtolischa kon alleen daar gesproken worden, waar de apostelen zelf een kerk hebben gesticht.
De zaak evenwel geraakte iu een mocielijk gedrang. Het stond niet zoo eenvoudig, als men oppervlakkig wel denken zou.
Reeds in art. 29 van onze confessie hebben we eenige verwarring gezien.
In den aanhef van dat art. 29 worden wel opgenoemd de wezenlijke notae ecclesiae formatae, maar daarbij blijft het niet. Na deze opgenoemd te hebben, gaat de confessie handelen over een heel ander punt, n.l. waaraan men de geloovigen kennen kan.
Hoe kwamen onze vaderen daar nu aan?
21ö
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
WiUironi dit twcoclc punt or niet afgehiten, \v:iariii üuiiicrs gc liiimleld wordt over de notiie van liet organisme dor kork, van doperisonen, diü ei^toe behooron?
Doch er is nog een incongrnentio. Om aan te duiden, wat oen valsche kork is, had men eenvoudig moeten zeggen: die kerk, waarbij de notiie ecclesiae 1'ormatae, die in het begin zijn opgenoemd, niet worden gevonden, en toch pretendeert kerk te zijn. Maar, do confessie, do valsche kerk willende teekenon, geeft weer aparte notae van do valsche kerk: „Aangaande de valsche kerk, die schrijft zich en harer ordinantiën meer macht en autoriteit toe, dan drn 1 Voorde Gods. en tril zich het juk van ('liristus niet onderwerpen; zij hedJciit ih sacramenten niet, gelijk Christus in zijn Woord verordend heep. maar zij doet daar af en toe, gelijk als het haar gord dunkt; zij grondt zich meer op de men-schen dun op Christus; zij vervolgt degenen, die heiliglijk teven naar het Woord, Gods en die haar bestraffen van hare gebreken, gierigheid en afyoderijen.quot; Dil is natuurlijk niet goed. Wanneer ik do kemnorkon opnoem van zuiver goud, dan is valsch goud, al wat zich als zuiver goud uandieiit, maar de konmei-kon mist.
Drie dingen moet men dus iu art. wol uiteouhoudeii;
b' de notae ecclesiae formatae;
de notae organismi ecclesiae;
8° do notae ecclesiae falsae.
\loe zijn nu, deze vraag stelden wij, die drio diugoii zoo incongruent iiijeen gevoegd?
Wanneer do strijd over deze quaestio was opgekomou, nadal allerwego de worsteling tusschen Home on de Reformatie tot afloop was gekomen, dan zou de confessie zich tot het eerste gedeelte bobben bepaald. Maar do confessie! is opgesteld iu de hitte van den strijd, en in een tijd toon de meeste kerken dor Uefonnatie nog niet tot formatie waivu gekomen. Uaarom moesten ook do notae van het organisme der kerk worden aangegeven. Eon voorbeeld. Wanneer ik kom in Helmond, en daar eon Hoomsche kork vind on vorder eonigo geloovigon, dringt zicli de vraag op: met wie van die geloovigen moet ik nu in Helmond tot kerkformatio komen? Aanstonds gevoolt men, dat ik nu andere notae noodig heb, behalve die van do ecclesia formata, n.1. ook die van de geloovigon. Alleen do notae ecclesiae formatae zou illt; noodig hebben, wanneer in oen plaats de kork reeds tot formatie gekomen was, maar waar dit niet het geval is. bob ik de notae der geloovigen tevens noodig, om te weten, of ik nu met die menschen werkelijk mag samenwerken in het oprichten van ambten, don dienst dos Woords en der sacramenten. Daarom luidt het tweede gedeelte van art. 29, na het opnoemen van do notae ecclesiae formatae: ..l''n aangaande degenen, die van de kerk zijn, die kan noen kennen aan de nierktee-
21 (i
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
kenen dei' christenen, te weten aan het i/eluoce, en wanneer zij, aangenoynen /ich-bende den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden, en de (/ereclitiij-heul najagen; den waren (lod en tuinnen 'naaste lief'liebhen; niet afwijken noch ter redder- noch ter linkerlKitut, en Iiiih vleesch kruisigende met zijne werken.quot;
Dit nu leek zeer schoon, maar hierbij geraakte men In het fataal gevaar, dat de een den ander zou gaan keuren, en men in de Labadistische wateren zou verzeilen. Dat gevaar zagen de vaderen aan alle zijden. Daarom voegden zij er de volgende zinsnede aan toe, opdat nmn nooit een kerk verwerpen zou, omdat er leden in zijn, die zonden en tekortkomingen hebben: „Alzoo nocJdans niet, alsof daar nog geen groote zwakheid in hen zij, maar zij strijden daartegen door den (leent u/te dagen huns lerens; nemende gesladigiijk hunne toevlucht tol het bloed, den diml, het lijden en de gehoorzaamheid, des Heeren ■Jezus, m denwelke zij eergccinge hunner zonden hebben, door het getoore in llquot;,m.quot; Hierdoor werd reeds in die dageJi de keur der personen bemoeielijkt. Op deze wijs is dus dit tweede deel te verklaren.
Met het oog op den tegenwoordigen toestand voegen wij hieraan iets toe. Op het oogenblik is die keur niet zoo moeielijk, dewijl we met niemand te doen hebben, of hij heeft tot een kerkformatie behoord.
Van den anderen kant heeft zich een confessie ontwikkeld, die toen ter tijd nog niet bestond.
Op wie doelde dan vooral liet tweede deel van art, 29?
Niet zijn de Roomschen bedoeld, maar de eigenlijke strekking van dit deel van het artikel ligt iu het groote aantal Anabaptisten, die in ons land verkeerden, De eersten, die in ons land van Rome zich afwendden., waren niet (rcreformeerden, maar Wederdoopers, en de eerste poging der Calvinisten is geweest, om al die dolende groepen tot een behoorlijke kerkelijke formatie te bréngen. Nu ontstond echter de vraag: Mogen we met al die Anabaptisten samen een kerk formeeren? We zien dus tegen wie die heele keur is gericht; en dewijl juist de Anabaptisten in dienst des vleesches verliepen, voegt de confessie er aan toe: ..hnn vleesch ki'itisigende met zijne werken.quot;
Wanneer we dus zeggen, dat in dit artikel zekere incongruentie is, dan bedoelen we dit dogmatisch en logisch. Een belijdenis echter is geen dogmatisch opstel, maar liet uitspreken der overtuiging, met het oog op de personen en toestanden, waaronder men zich geplaatst ziet. De vaderen zagen zich in hun tijd genoodzaakt, naast de notae ecclesiae formatae. notae te geven voor de personen, met wie men de formatie der kerk mocht ter hand nemen.
Wat nu het derde deel betreft, dat de confessie in Rome niet alleen aanduidt de absentia notaruin, maar ook de ergerlijkheden en gruwelijke afwijkingen, zij opgemerkt, dat dit toen geen kwaad kon. maar wel in onzen tijd.
217
College-diotaat van een der studenten (Dogmatiek).
Nu zegt men, misbruik makende van dit artikel: we oordeelen naar hetgeen daar staat. Laat ons er evenwel op letten, dat in Home liet kwaad niet meer in de primaire, maar in de secundaire formatie verkeerde, dus veel tastbaarder dau in de prinuiire. Daarom was het toen zoo gemakkelijk in die secundaire formatie de ziekte-toestanden te teekenen. Wie echter hiervoor geen oog heeft, laat, dit lezende, voor kerk doorgaan, waar in een kerk zich die secundaire verschijnselen nog niet voordoen. Daarentegen een kundig geneesheer heeft reeds aan de eerste fijne verschijnselen het opkomen der pokziekte gezien, en behoeft niet eerst te wachten, totdat het geheele lichaam overdekt is met pokken. Men mag niet zeggen: een kerk, waar het nog niet komt tot openlijke vervolging euz., is nog een echte kerk. Men echte kerk is alleen een kerk. die de uotae nog bezit. Bij ziekte evenwel, zullen zich de verschijnselen in stadiën vertooncn; en zijn do verschijnselen ia het primaire stadium aanwezig, dan is de kerk reeds niet meer echt.
Het was noodlg eenigszins in het breede dit artikel te bespreken, daar nog niemand opstond, om dit artikel in zijn ware beteekenis toe te lichten.
Nu de zaak zelf.
In de paragraaf wordt vermeld, dat ook het onjuuiwic der kerk uotae beeft, en niet alleen de ecclesia formats». Maar wat geeft dit nu? Is het niet beter van die aotae organismUuiet te spreken, als men die toch niet palpeeren kan?
Aan de notsie organismi hangt een hoog en heilig belang. Let ik alleen op do notao ecclesiae formatae. en sluit ik het oog voor het organisme, dan kom ik tot de conclusie, dat alleen mijn kerk de kerk is en buiten mijn kerk geen Lichaam ) van Christus bestaat.
Laat ons diï toepassen op wat onze hervormers uitspraken ten opzichte van de kerk vai» Home. Onze vaderen, in het hardst van den strijd, hebben nooit gezegd, dat buiten het terrein van de reformatie geen kerk van Christus was. Neen. zij zelden: het terrein van de kerk strekt zich uit. zoover de doop gaat. De (Meksche, Armenische, Koptische kerk enz, hebben zij steeds gerekend tot de kerk van Christus, Als het aantal christenen op de wereld moest worden aangegeven, dan werden Uoomsche, (irieksche, en andere bevolkingen er bij opgenome»». De Reformatoren, en Calvijn bovenaan, verklaarden uitdrukkelijk, dat onder de falsa forma van de Hoomsche kerk nog goede elementen scholen. En dit is niet zoo bedoeld, dat or een enkel kind Gods onder was, dan toch ware het begrip organisme verloren maar dit is de zaak, dat (tod-Drieeenig nog geuadekrachten laat uitgaan ook naar ■dat deel der christelijke kerk. Ook op dat terrein zijn nog werkingen des Heiligen (leestes. Zij zeiden, dat dit hieraan openbaar werd, dat er nog — zij het onder een deksel bestanddeelen der waarheid verspreid en aaa de
218
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
inensdioii gebracht werden, en nog gcscliriften van hen uitgingen, waaruit hleek, dat er nog een heilige aanbidding voor den Heere opging.
Kort gezegd: wie alleen let op de notae ecclesiae formatae, geeft prijs de catholicitas ecclesiae.
We hebben nu reeds meer dan dertig formaties van de kerk. Nu van tweeën één: of de notae ecclesiae formatae prijsgeven en zeggen: liet zijn allo goede formaties. - Dan is alle verschil tusscheu de ware en de valsche kerk opgeheven. Dan is het dwaas nog te hechten aan den kinderdoop, wanneer de Gereformeerde kerk toch gelijk staat met een Baptisten-kerk. — Of we moeten de notae ecclesiae formatae vasthouden, en een afwijkende forma afkeuren, maar dan ook van den anderen kant zeggen: ook waar geen ecclesia bene forniata is, kan toch het organisme van Christus' kerk aanwezig zijn, en kunnen toch genadekrachten werken. Onder de mala forma schuilt dan nog een stuk van de kerk van Christus, waarin Hij werkt, ook al blijft hel wenschelijk, dat men ook daar hoe eer hoe beter tot een forma purior, zoo mogelijk purissima, kome.
Xu komen we tot de vraag, wat het gebruik van de notae organismi is ook dan, wanneer men in een kerk leeft, die reeds tot formatie gekomen is. Hierboven bespraken we de necessitas notarum organismi met het oog op do personen, met wie men tot een kerkformatie moest saamwerken. Doch ook de ecclesia formata zelf gebruikt die notae organismi hij het keuren der leden.
1'' Wanneer in een stad of dorp een ecclesia bestaat, en iemand verzoekt tnt die ecclesia te mogen toetreden, dan moet het altijd aan die plaatselijke kerk vrijstaan dien persoon toe te laten of te weigeren. Tegenwoordig, wanneer men zich aanmeldt bij een andere plaatselijke kerk, die in dezelfde gemeenschap loeft, meent men algemeen, dat het vanzelf spreekt, dat men wordt opgenomen. Nu is het bij de meeste kerkelijke formatiën wel niet zoo sterk als bij de Nederlandsch Hervormde kerk, maar tocjj, de algemeene geest, die heerscht, huldigt een landskerk, waartoe men behoort, waar men ook wone. Hiertegenover stellen wij beslist: elke plaatselijke kerk is een toturii in se, en heeft het recht te besluiten, wien zij al of niet in haar corpus zal opnemen.
2® De kerk heeft daar keur uit te oefenen, waar in de kerk gedoopten zich aanbieden voor het heilig avondmaal. De kerk gaat alsdan met die personen stipulatiën aan.
8quot; De kerk keuit de enkele leden bij de discipline. Ook wanneer iemand is toegelaten, hoeft de kerk onverkort het recht, dien persoon te bannen.
Deze keur nu kan niet gaan naar de notae ecclesiae formatae: predicatio
210
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Euangelii et administnitio Sacminenti. Hiermede toch heeft het lid niets te maken. De eenige notae, die hier gelden, zijn die; waardoor kan worden uitgemaakt. of deze of gene werkelijk tot liet organisme van Christus behoort.
Willekeur mag hierbij nimmer in het spel komen. Men heeft wel eens gedacht, dat een persoon, die eenmaal in de kerk was, doch voortdurend tot allerlei moeiclijkheden aanleiding gaf, maar eenvoudig moest worden afgesneden; of, dat een arme, van wien men meende, dat hij zich aanmeklde ter wille van de bedeeling, maar liefst moest worden afgewezen, liet een en het ander is ongeoorloofd. Daarom moeten de notae organismi alleen als keur worden aangelegd. Zoolang niet de wettige overtuiging is verkregen, dat iemand niet behoort tot het organisme van Christus, moet hij worden geduld Zulk een arme b. v, kan de kerk op haar weg worden gesteld, opdat zij offervaardigheid en barmhartigheid leere oefenen. Keur, maar nooit wlllckcnr!
Welke is dan de maatstaf? Heel eenvoudig: tie wedergeboorte.
Maar — de wedergeboorte is niet te constateeren! «
.Zou men dan de bekeering niet als maatstaf mogen nemen?
Neen! want iemand kan zijn nog niet bekeerd, en toch wedergeboren, en deswege tot de kerk behooren.
Door deze moeielijkheid is men er toe moeten overgaan, de uiting van de inwendige teekenen naar buiten als keur te nemen. Vandaar do bekende formule: bdydenis ai wamlel, de twee notae van de al of niet aanhoorigheid aan het organisme.
Deze notae staan echter niet ter beoordeeling aan de enkele leden, dan toch vielen we terug in het Labadisme — maar uitsluitend aan de kerk in haar geheel.
Bij de formatie eener kerk is er nog geen kerkeraad, en moeten dus de geloovigen wel elkaar onderling keuren. Maar, waar de ecclesia formata bestaat, keurt het ambt namens de leden der kerk de leden van de kerk.
Dus: lo de beide notae zijn: belijdenis en wandel.
2° de uitoefening van deze keur berust uitsluitend bij den kerkeraad.
Waarom kan deze keur niet aan de enkele geloovigen worden overgelaten?
Op zich zelf zou ei' niets tegen zijn, dat een kind van öod zijn broeder keurde, als hij het maar doen kon. Maar,
1°. hij kan het niet. omdat de beoordeeling van de belijdenis en den wandel van een persoon eischt een onderzoek; dit onderzoek eischt het oproepen van getuigen, en dit oproepen van getuigen eischt een macht, en die macht bezit niet de geloovige, maar het ambt. Bovendien, waar de ééne persoon den ander beoordeelt, is de maatstaf niet meer objectief, maar subjectief. Bij ieder geloovige treden sommige stukken der belijdenis op den voorgrond, andere op
±20
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
den nchtergrond, Waar A en B in één kerk zijn, is A een Infïa-lapsariïT en B een Supra-lai)sariêr. Beiden zijn in de kerk, en het ambt zal geen van beiden veroordeelen; doch, laat nu de personen keuren, en A zegt dat B niet deugt, en B zegt, dat A niet deugt.
Dezer dagen levert een boekje van een Amerikaansch predikant, Ds. Hulst, ren sprekend bewijs hiervan. Hij is Int'ra-lapsariër, en wil eigenlijk de Supra-lapsariërs niet dulden. Morgen zal een Supra-lapsariëi'hetijglfde doen. Xu reeds komen er aanzoeken, om tegen dit boekje eens terdege te velde te trekken, en het Hupra-lapsarianisme als hot eenig ware standpunt aan te prijzen.
Dit nu rooft den vrede in de kerk. Dat onderling keuren is een kwaad, dat uit de kerk moet worden geweerd. In de kerk van London, door a Lasco gesticht, kwam het herhaaldelijk voor, dat de een den ander oordeelde en veroordeelde. Dezulken werden voor den kerkeraad geroepen en ernstig vermaand daarvan af te houden, en zich zelf te oordeelen, niet anderen.
2°. In deze wereld bestaat ro iitsvëog.
De hypocrisis in de comedie is, dat de acteur een heel andere rol speelt, dan hij zelf is. Dit kwaad nu schuilt niet alleen in de comedie, maar ook in de kerk. Er zijn menschen, die de rol van den vrome zóó kunnen acteeren, dat men werkelijk zou meenen met de allervroomste lieden te doen te hebben. Onder zulk een hypnose nu raakt zeer licht een enkel geloovige. maar veel minder gemakkelijk een kerkeraad, omdat daarin de kerk als kerk optreedt.
8°. Het keuren naar dien maatstaf mag niet, omdat, wanneer men de keur den geioovigen zelf laat, de verbonds-leer, en do samenhang van de kerk van Christus in de geslachten weg is.
Wat is het fatale van het Labadisme?
We hebben dit steeds aanschouwd. Er is dan een zekere man of vrouw in een kring, die bekend staat als de verst gevorderde in de genade. Een tien-of twaalftal zijn dan de echte kinderen (iods. Alle kinderen en jongelieden beschouwen zij als levende wezens, die niet meétellen. Als uitzondering is er dan één enkele, een kind van zeven Jaar, dat lieot bekoord to zijn, en dit feit is dan zoo extraordinair, dat daarover een boekje wordt in het licht gegeven! Het schromelijk gevolg hiervan is;
a. verwaarloozing van de opvoeding,
li. dat het bederf onmiddellijk in het tweede geslacht opkomt. Gaat de geloovige toch keuren, dan wil hij niet blijven staan bij belijdenis en wandel, maar doordringen tot het innerlijke leven des geestes,
liet kenmerk daarentegen van het genadeverbond is Juist, dat er werkingen (foils zijn, niet alleen actu, maar ook potentia. Nu gaat men die werkingen
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
potontia van onwaardo rekonon. Daardoor heeft er geen besproeiing plaats van hetgeen (Jods potentia gewerkt heeft.
Daarom moet de keur verblijven aan de kerk in haar geheel, aan don kerkenraad, en In tweede instantie ook aan de meerdere vergaderingen, omdat men, vooral in dorpen, maar al te veel met familierelaties te doen hoeft.
Als laatste opmerking met betrekking tot de notae organismi, wijz-n wc er op, dat toch de keur der geloovigen mort opkomen, waar de kerkeraad zijn plicht niet doet.
Wanneer de burgerlijke rechter de misdaad niet wreekt, komt het lynch-recht, en dan het recht van noodweer. Durft de burgerlijke rechter geen recht spreken, of heult hij, zooals voor een tijd in Sicilië en Italië met de booswichten, dan moet men het zelf handhaven. Zoo ook in de kerk. Wanneer het hoogste judicium in een kerk toekomt aan een synode, waarvan voorzitter is een loochenaar van den Christus, dan is er geen kerkelijke rechtbank meer. Dan natuurlijk treden de enkele geloovigen keurend op, nuts,,, niet om zich zelf in de plaats te stellen van den rechter, maar als eerste stap, om weêr tot de oprichting; van een goede kerkelijke rechtbank te geraken,
l)i' vofae ecclesiae formatae.
Deze zijn twee:
1° de praedicatio verbi;
2quot; de administratie sacramenti.
Allereerst moeten we opzoeken het gemeenschappelijk karakter dier twee; a. hetgeen in die notae ligt, bestaat niet in de wereld;
h, hetgeen in die notae ligt, komt niet op uit het natuurlijke leven: r. nergens worden haars gelijke gevonden; zo zijn specilicae.
De prediking des Woords is geen godsdienstige toespraak; ~ die toch kunnen wij overal vinden, maar dit: dat er tot den zondaar een woord van God uitgaat, dat met goddelijk gezag is bekleed, en gebracht wordt door een man, gesteld in het ambt, namens God aangekondigd, alsof God het zelf aankondigde. Dit nu vinden we alleen in de kerk.
ITetzelfde geldt van de administratio sacramenti. Ware ze een kerkelijke plechtigheid, ze zou geen nota ecclesiae formatae zijn. Plechtigheden vinden we overal. Maar de adininistratio sacramenti is een door God aan zijn kerk verleende macht, waarin zij zóó verkeert, dat Hij zijn goddelijke genadewerkingen aan het gebruik dier sacramenten verbonden heeft. Dit wederom vinden we alleen in de kerk.
Beide, prediking des woords en bediening der sacramenten zijn dus in de eerste plaats iiolue cha-rar/ii•iMkac, specificae.
in do tweede plaats zijn ze iiiMriiwu/a admits Chrkli in ecclesia,
222
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Heel goed zou men kunnen zeggen, dat slechts één nota noodig is; dat Christus een actie uitoefent. Dit kan echter niet nota zijn. omdat een nota steeds palpabilis moet wezen. Christus nu bedient zich van Woord en Sacrament. om met zijn genade en Geest op zijn kerk in te werken.
In do derde plaats zijn ze beide o.cclesiam forraans.
Wanneer ik notae zal hebben van een bloem, dan moeten ze datgene inhouden, waaruit de bloem voortkomt. Of de bloem rood of blauw is, is geen nota, maar accidenteel. Zóó ook moet de nota ecclesiae de formans zijn, waaruit de ecclesia formata geboren wordt. Ook dit is weer aan beide, den dienst des Woords en des Sacraments gemeen:
door den doop wordt men in de uitwendige gemeenschap van de kerk opgenomen; door de prediking des woords worden de kerken geformeerd;
door de hcdieiiincj des avondmaala wordt de kerk als ecclesia formata ur; den onbewusten in don bewusten toestand overgebracht.
Metterdaad dus, hebben deze beide notae deze gemeenschappelijke eigenschappen:
1° dat ze alleen aan de kerk eisen, en dus notae characteristicao sive spe-cificae zijn;
2° dat ze instrumenta actionis Christi zijn;
8U dat ze formantes ecclesiam zijn.
Wanneer in een stad honderd geloovigen op kwakersche wijze bij elkaar leven, dan vormen dezen geen kerk. Een kerk vormen zij eerst, wanneer zij een geregelden dienst des Woords en der Sacramenten gaan oprichten,
We hebben ditzelfde gezien bij de oprichting van Evangelisatiën. Men meende evengoed te kunnen prediken in een Evangelisatie-lokaal als in een kerk. Toen ontstond de vraag: zouden we ook niet het avondmaal kunnen houden? Men meende, dit kon ook wel. Natuurlijk was dat geen avondmaal. Noch bediening des Woords noch der Sacramenten heeft plaats zonder lastgeving. Bij de i|uaestie van den doop, kwam de zaak eindelijk aan het licht. Men gevoelde: dat ging niet. Bij den doop werd men ingeschreven. En waarin zou dat gebeuren? Een Evangelisatie is een vereeniging van volwassen personen. Aan dit concrete voorbeeld tasten we, hoe eerst kerkformatie tot stand komt, wanneer ambten worden ingesteld. Vandaar dat men nu in veel Evangelisatiën de institueering heeft ter hand genomen, en den dienst des Woords en der Sacramenten heeft opgericht.
Uit den dienst des Woords en der Sacramenten schiet dns werkelijk een ecclesia formata op, gelijk uit den eikel de eikeboom voortkomt,
In de laatste jaren is men door de Vertni/tlinifjs-Tlieoloijeii geheel van de goede liaan afgeraakt.
228
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Hun leuze is: ,,de holiidnni.s-kerken hebben hun tijd geluid. Er is een •godinensfhelijke natuur, die aan enkele personen wordt medegedeeld, en zij, die deze natuur verkregen hebben, vormen een corpus mysticum; dul is de kerk.quot;
De geheele Vennittlungs-Theologie vindt haar diepsten oorsprong daarin, dat ze wil verzoenen twee tegenover elkander staande machten, hetgeen alleen gebeuren kan, door de grenzen tusschen die twee uit te wisschen. Ze wil, als dat kan, het bewuste leven, dat uit de wedergeboorte opkomt, in overeenstemming brengen met het bewuste leven uit de natuur; of anders: theologie en philosophie vermengen. Dit nu verzwakt niet alleen de leer der zonde, maar wischt ten slotte ook de grenzen uit tusschen den Schepper en het schepsel.
Zeer juist is dit aangetoond door Dr. H. Bavinck in zijn bestrijding van de Ethische Theologie van Prof. Chantepie de la Saussaye.
In elk geval wordt de grens tusschen Schepper en schepsel niet absoluut gevat. Rothe, een der voornaamste Vermittlungs-Theologen, komt dan ook tot de conclusie, dat de kerk weg moet en alles moet worden opgelost in een volmaakten staat.
Het is aldus begonnen, dat men zei: niet te veel te moeten hechten aan de belijdenis kerken. De inhoud des geloofs komt er zoozeer niet op aan, wanneer het maar in het hart wordt gevonden!
Ken valsche Christologie was daarvan het onvermijdelijk gevolg: Christus is niet meer de Tweede Persoon van het goddelijke Wezen, die de menschelijke natuur heeft aangenomen, maar een mensch, die de volkomenheid van den menscli zóó Juist representeert, dat Hij goddelijk is. Hij wordt voorgesteld als bezittende een godmenschelljke natuur, die, zooals we reeds zeiden, aan anderen wordt medegedeeld, waardoor een corpus mysticum ontstaat.
Het wezen der Hervorming wordt hierdoor ten eenenmale afgesneden.
Rome Juist maakte de kerk tot een corpus mysticum, in welk corpus men door den doop werd ingelijfd, en waaruit de genadekrachten vloeiden. Feitelijk is dit de opheffing van het onderscheid tusschen de ecclesia visibilis en invisibilis.
Nu eenmaal de belijdenis van haar kracht was ontdaan, kwam men tot leervrijheid; en waar is dan het onderscheid tusschen kerk en wereld? belijders en loochenaars van den Christus wonen dan saam in dezelfde gemeenschap.
De Haagsche Synode schreef dan ook aan de geschorschto dienaren van Amsterdam, dat „in de kerk moest nagisten, wat gist in de wereld.quot; De Heilige Schrifl daarentegen leert, dal we, om.de ecclesia formala te erlangen, het eerst te vragen hebben naar de belijdenis.
■224
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
• Duidelijk zu'ii we dit aan hot martolaarachap. Op zichzelf is het martelaar-.schap nog geen bewijs voor de waarheid. Angnstinns wees hierop duidelijk in de dagen der Manicheën. Neen, martelaar zijn (van itagtve) beteekent getuigen, confessor zijn; en dit alleen geeft aan liet sterven voor de zaak het karakter van het martelaarschap.
In Jesaia 8 zegt de Heere tot den profeet onder de ongerechtigheden van Aciias: „Bind de getuigenis toe, verzegel de wet ondermijn leerlingenquot;; terwijl Jesaia aan de overheid des volks toeroept: ./rot de wet en tot de getuigenis.quot; De getuigenis, de wet. is juist hetgeen aan de kerk het eigenaardige karakter geeft.
Ook van de zonde is het eigenaardig karakter, dat zij opkomt door een woord. Satan redeneert met den menscli en zoo komt de zonde op in het bewustzijn en dringt zoo in het leven van den mensch.
De Gereformeerde kerk hield dan ook steeds staande. en dit gaat regelrecht in tegen de ethische dwaling, dat de wil geen eigen actie heeft, maar steeds het dictamen intellectus volgt (intellectus in den zin van bewustzijn), Eerst waar in liet bewustzijn een besluit gevallen is. wordt de wil bewerkt, en daarna ontstaat de actie. Zoo wordt bij Eva en Adam het bewustzijn aangetast, een valsche conclusie getrokken, de zondige daad geboren. Zonde ligt dus eigenlijk in het bewuste leven.
God de Heere nu stelt tegenover Satans woord, het waarachtige woord dei-belofte: weêr dus eerst het woord.
Overal iu de openbaring, waar God optreedt, geeft Hij nooit eerst een actie, iets geestelijks, of iets mystieks, viaar het woord. Ook wanneer de apostelen in de wereld optreden, treden zo op met de getuigenis, en door deze hun prediking komt de omzetting tot stand. Johannes zegt dan ook, dat men een ketterschen mensch niet in zijn huis mag ontvangen. De ethischen daarentegen wonen niet de grootste ketters saam in één kerk. fin Paulus zegt, dat ieder, die een ander Evangelie verkondigt. vervloekt is; terwijl de ethischen niet schromen dezulken in liet ambt te wijdon.
Dit geheele denkbeeld, alsof de belijdenis-kerken hun tijd hebben gehad is dus alleen een uitvloeisel van den Pantheïstischen trek die aan het ethische beginsel eigen is, in strijd met do bepaalde uitspraken der Heilige Schrift, die dit punt regelrecht raken.
De liolac. nccessoriac sire cliaractcristicae, waarop we hebben gewezen, moeten iu de kerk (jrhlcii. Zo moeten uiet nominatim worden uitgetrokken of op de luifel van den winked worden geschreven, maar zeer beslist (/rlihu.
We leggen hierop zooveel nadruk, omdat heden ten dage ook onder de (loreforineerden gevonden worden, din beweren dat dit Uiltn lt;/cllt;Jfti van de notae niet behoeft, als zo maar op den luifel staan geschreven. Als ze maar
22')
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
uls traditie een confessie hebben; en al ligt ze dood in een kist — ze bezitten toch de confessie nog.' Zoo zet/l men ook, dat alles non ffOed is, wanneer men nog maar bij A, B of C de prediking de* Woords vindt.
Hiertegen merken we echter op, dat we te doen hebben met nota0 ecclesiae, niet van dezen of genen dominee, niet van een bepaalde godsdienstoefening. Dal is: de kerk,-waarin een predikant oplrcedl moet als /.oodanig hel ministerium ver bi en de adminisir alio sacrainenti hebben, en deze beide moeten aan den eisch beantwoorden. Wanneer nu in een kerk allerlei soort van mensehen in het ministerium zijn, dan baal hel mij niels, of daaronder nu ook een enkele goede is; hel mjinislerium ver bi als zoodanig deugt niet. De notae ecclesiae zvjn aficezig, en daarom is de kerk verkeerd-
In de tweede plaals vloeit hier uil voort, dal, wanneer de nolae ecclesiae als zoodanig gelden zullen, een kerk, die zuiver slaat voor God, ook in een andere plaals geen andere corporalie voor kerk mag erkennen, die niel dezelfde nolae vertoont. Ifoudl ze met zidk een, kerk gemeenschap, dan breekt ze haar eigen kerkelijk karakter voor het aangezichl des fleeren,
Dal de nolae moeien gelden, ivil ook dil zeggen, dal de diensl des woords werkelijk moet beantwoorden aan hel karakter, dat hel ministerium Verbi dragen moei. F,en dienaar moei tiet mandatum Dei ad peccalorem brengen, ivaardoor de zielen bewerkl worden en ami den Heiligen (leest het inslrumenlum geboden icordl om op de zielen te iverken. De eenige slrekking en uilwerking van den dienst des Woords moei dus zijn, vehiculum en inslrumenl le zijn voor de actie des Heiligen Ge est es, zoowel reddend als veroordeelend.
fn de laalsle plaats moeten de nolae ecclesiae ook gelden in dien zin, dal ze door geen andere verschijnselen van hel kerkelijke leven worden krachteloos gemaald. Of ik aan een kerk al nolae ecclesiae loeken, maar haar lock als een vwreldsch inslituul leervrijheid laai, dan derfl die organisatie toeh het karakter eener kerk.
Ten slolle moeien ice nog bespreken hel negeer en als nolae ecclesiae, van real men als zoodanig heefl willen opdringen.
-/• De dlsciplina. Tot op zekere hoogte voegl ook onze confessie de discipline hij de kenmerken der ware kerk, Op zichzelf is daar niels tegen. Bovendien is onze confessie belijdenis der kerk en geen dogmatisch opslel. Maar we komen op tegen de bewering, alsof de dlsciplina zou zijn een nota for mans.
a. De dlsciplina is geen nota specifica. Overal is discipline, lu het leger, in de school. Ze is een algemeen verschijnsel van het menschelijk leven.
I). Ze kan niel zijn coördlnalum van hel ministerium Verbi en de admini-slrallo sacramenll. Een coördlnalum is een -ding, dal mei een ander uil een zelfde beginsel vloeit.
15
220
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Door lid iiistrunientum van hot ininisterium Vorbi on clo administratio «acramenti vlooit liomolscho ytnade too. Dit goklt niot van do disciplina.
Van hot ministerinm Vorlii on do administratio sacramonti is (Miristns Auctor. \'an do disciplina is do inonscli am-tor. Al/oo is zij goon coördinaat.
r. .Do disciplina is daarom soon nota. omdat zij vanzelf voortvloeit uit do administratio Vorbi et sacramonti. Men kan seen praedicatio vorbi zuiver houden zonder disciplina op den prediker des Woords, en geen bodienins' van het sacrament zonder disciplina op de membra.
l!'- he diaconie. De diaconie heeft men als nota willen stellen, wijl ze een ambt presenteert. Maar:
a. De diaconie is weer aliquid generale, niet speciflce.
Barmhartigheid wordt op elk terrein bewezen, overal is de neiging aanwe-■/jfr om in noodon te voorzien. Tal van philantropische voreenigingen treden op. Ook zijn er gevallen waarin do overheid in bepaald gebrek moet voorzien.
Is dan toch in do diaconie niets bijzonders? Jawel. Do diaconie heiligt do philant ropio, omdat ze vraagt gaven voor den Heere Jezus, die ze in naam des Hoeren Jezus uitdeelt. Dit is zeer zeker oen eigenaardig karakter. Maar, dit maakt haar zoo weinig tot eeu nota specifica, dat in de eerste kerk te Jeruzalem niet eens diakenen aanwezig waren, maar de apostelen die bediening der barmhartigheid waarnamen. Eerst later werden aparte mannen daarvoor aangewezen, om don grooten arbeid der apostelen. Hun aanstelling was dus accidenteel. Ook nu is nog zeer wel een kleine kerk denkbaar, waar de predikant de taak der diaconie waarneemt. Waar Paul us gemeenten stichtte, worden aanstonds ouderlingen aangesteld; niet steeds dadelijk diakenen.
/gt;. Het diakonaat kunnen wc ook van oen andere zijde bezien, n.1. van do zijde van het christelijk communisme. Inderdaad is het een waarheid, dat (tod een kerk een zeker vermogen geeft, waarvan allen kunnen leven. Niet één in do gemeente mag gebrek lijden. Doch, diezelfde gemeenschap vinden we ook in het huisgezin. Ook in dien kring is men verplicht van Godswege voor elkaar te zorgen. Kinderen zijn, zoo noodig, geroepen hun ouders te onderhouden. Ook dit is dus geen nota characteristica voor de kerk.
iiv Hd regimen. In den tijd van worsteling heeft men hot regimen wel als nota willen voorstellen. Men ging immers over tot een andere kerk-formatie, omdat de kerkregeeriinj niet deugde. Maar;
a. Ook het regimen is weer een generale quid, niet speciale quid.
In elke vereeniging of maatschappij bestaat een regimen. Wederom hebben we te doen mot een algoincene eigenschap, waaraan ook de kerk, als bestaande uit menschen, moet beantwoorden.
h. Het regimen ecclesiae heeft evenmin als de disciplina een ander recht
■227
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
van bestaan in do kerk, dan voor /.oovcr liet huliKlionst verricl't om de adnii-nistratio N'erbi ot sacramenti rnoffelijk te maken en in stand tlt; liouden. Elk artikel in de kerkenordo. dat niet strekt tot dat dubbele dool, boort er niet in on hoeft geen raison. Kik artikel zonder die strekking is dwang, is deri-ealisme. Do meerdere vergaderingen x.idt's en de band mot andorf1 kerken hebben geen ander dool, dan dat de kerken elkander onderling bewaren bij de goede administratio Verbi ot sacramenti, Keehtstreoks of afgeleid moot, elk artikel aan die twee doeleinden beantwoorden.
in de eerste cliristelijke kerk. toen de administratio Verbi ot sacrarnonti vanzelf goed liep, had men dan ook bijna goen ordening, of eonstitutiones apostolornm. i)e kerkenorde wei'd oerst noodzakelijk, toen allerlei verkeerd boden in de administratio Verbi et sacramenti waren ingeslopen, en daartegen maatregelen moesten worden genomen.
4° Ook de confcssin heeft men als nota van de kerk laten voorkomen, en dit vooral in hot midden van deze eeuw. Men sprak dan van bdyidoniz-kerken. Deze naam moet absoluut worden gereeuseord.
Er zijn geen belijdenis-kerken.
Jfet word dan voorgesteld, alsof n:ii ons van de andere kerken onderscheidden. door de belijdenis op den voorgrond te stellen. Wij zouden dan behooren tot de intellectualistische kringen, terwijl do mannen, die ons dezen naam zouden willen opdringen, zich zelf al wat geestelijk en lief is, toeëigenen. Intusschen. ook de confessie kan nooit nota ecclesiae zijn:
n. Indien de confessie nota ecclesiae zijn kon, dan zou die confessie altoos aan de kerk moeten zijn eigen geweest. Doch, vóór den zondvloed was er geen confessie. Evenmin in den tijd vóór Abraham. Ook niet inde dagen der patriarchen. Mozes beeft aan Israël geen confessie, gegeven, en ook in den natio-nalen vorm van Israël bezat de kerk geen confessie. Doch ook, ware do confessie nota necessaria ecclosiar, dan had Jezus den apostelen een confessie moeten geven, en luidden do apostelen aan de kerken, door hen gesticht, eveneens een belijdenis moeten schenken. Ook in haar Nieuw-Testamentische formatie bestond de kerk anderhalve eeuw, zonder dat van een confessie sprake was. en later, als de kerken uiteen gaan, dient ze alleen om deze van elkander te doen onderscheiden.
h. Ware de confessie een nota necessaria, dan zou geen kerk zonder die confessie kunnen bestaan. Eu toch, indien we stellen, dat er slechts ééne plaatselijke kerk bestond, dan zou deze geen confessie behoeven, aangezien zij alleen dient om zich aan de buitenwereld te openbaren.
r. De notae ecclesiae moeten steeds zijn notae formantes, en een confessie isjuist een rrnrhl van de kerk, om de relatie en de positie tegenover anderen aftebakenen.
228
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
NaUmrlijk willen wc hiiTinodi' niet zegden, dat i»|t ilit. (iog6nlgt;lik in de kerk do coiifi'ssic niet onmisbaar zou /4in; maar alleen wij/,en we er op, dat/,o als vollt;i cluirnrferidim niet mag o)gt;tredcn.
He. vatdi' ccrlcslfto, die de Roomsclv kerk heeft ro(irlt;/eireu(l.
Wc merkten roods op, dat eeuwen lang van do Hoomscho kei k geen poging is uitgegaan om de notao ecclesiae aan te geven, Kerst hij het opkomen van de Kotbrmatio kwam inervan sprake on werd de behoefte hot eerst gevoeld /.ich op dit punt uit te laten door de mannen, die als anti-reformatoren optraden, In die dagen treffen we in de IJooinscho kerk drieërlei soort leiders aan: 1° die er op aandrongen, de kerk' te houden gelijk /.ij was in al haar gebrek en ellende. Vanzelf ging van deze mannen niet de minste kracht uit.
2{gt; die in hun hart de Reformatie gelijk gaven, b, v, Ifmins, maar gaarne vooraf zeker waren, dat de groote massa zou medegaan, en om do eenheid te handhaven, uit een soort i ren ie k, in do Koomsche kerk bloven,
Sadolehi*, met wien Calvijn corres])ondecrd(\ vertegenwoortligc'e dit standpunt, Ook van deze mannen ging niet do minste kracht uit.
3° die de verkeerdheid zagen en vast waren besloten haar te keer te gaan, maar haar niet zagen in de hiërarchie en in do Koomsche loer, en nu deze beide positief' gingen verdedigen, b, v. Canisius, JicllarminttH.
Deze laatston alleen zijn het, die over de dingen hebben nagedacht, en uit hen is dan ook het concilie van Trente voortgekomen, evenals de Jezuïetenorde en het heele herstel dor Koomsche kerk,
f'anisius drukte het zeer kurt en kernachtig uit, en zeide: Er is maar één nota ecclesiae, en wel dat ze zij: ecclesia papalis, 't Bleek echter, dat dit niet ging. Hot concilie van Trente na hem, heeft in den GatechismaS Romanus zich daarmede niet ingelaten, Men gevoelde, dat „ecclesia papai'squot; geen vindicatie van de waarheid is.
De Catechismus Koinanus nam aan twee notao : ca/hulicu en aposlolica. Hosius voegde hierbij het um en mnrta, en nam dus de epitheta uit de twaalf geloofsartikelen,
Bellarminus evenwel, die zich veel meer inliet met den controvers met do Protestanten, nam vijftien notao aan: antiquitas; dn ratio perpetiia; midtitudo; successio; conspiratin in doctrina cum retcri ecdesin; unio memhrorum inter sese in CapUe; sanctitas doctrime; eflicacia doctrinae; sanctilas ritae in prhnis (dir/o-ribus; miracnla; hunen prophetienm; confcssio adrersariornrn; infdix exitm persecutormn; felicitas temporalis defensorum.
Wanneer men nu deze opgegeven notao nagaat, ziet men, hoe Bellnrminus door antithese mot de Keformatio tot die notao is gekomen.
Nemen we slechts do dnrutio perpetiia. De Reformatoren beweerden, dat do
229
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ware kerk een tijcllang was schuil gegaan i» degouon, die Rome voor kettersch hield, en daartegen stelde Bellanninus deze nota. We zien dus minder de poging om logisch do zaak uiteen .te zetton, dan wel, om de protestanten tegen te spreken.
Deze notae zijn geen notae van een kerk, maar van de absolute kerk; niet van een ecclesia localis, particularis, maar van de kerk in het algemeen, zooals zij zich generaal over alle eeuwen en plaatsen uitstrekt, .'an een plaatselijke kerk toch kan b. v. onmogelijk worden gezegd, dat zij antiquitas heeft. Dan zou geen nieuwe kerk in (Jhina of Japan kunnen opkomen. Dit is dan ook de bedoeling niet. Home kent geen ecclesia localis, maar alleen de kerk in het algemeen genomen, en natuurlijk, de kerk in liet algemeen kan geen notae hebben, aangezien notae juist dienen ter onderscheiding. Alleen wanneer meerdere kerken naast elkaar optreden, komen notae te pas.
Rome bedoelt de notae Viin het corpus mysticum, dat zich in al de verschijningen dei' kerk bevindt.
Zegt men nu tot Rome: maar, we moeten lochnotae hebben van de ecclesia formata! — dan komt het met de biërarchischc forma, en gaat dan terug naar de plaatselijke kerk van Rome. Wie aan die plaatselijke kerk van Rome is aangesloten, wordt beschouwd tot het geheel der kerken op aarde te behooren. Natniniijk komt er dan verwarring, want dan heeft me n èn notae. die alleen van het geheel gelden, èn. als men bij liome wil hooren, weêr notae, van dio plaatselijke kerk.
Aan de Heilige Schrift wordt niet gevraagd: V' wat de notae moeten zijn. en 2'' of de plaatselijke kerk van Home daaraan beantwoordt; maar alleen wordt nagegaan, wat zij aan Rome waarnemen. Alleen dus het waarnemen van een verschijnsel en bet constateeren daarvan. Het lijdt derhalve tot niets.
Wat de (Jatechismus Romanns en Hosius zeggen is veel eerbaarder, en zou veel beter zijn. als de notae, die zij aangeven, notae waren van de zichtbare kerk. of wel als de beide begrippen van zichtbare en onzichtbare kerk elkaar dekten. Maar nu we in deze bedeeling leven, mogen we de notae ecclesiae invisibilis niet overbrengen op de ecclesia visibilis.
In het „sa.nctaquot; komt dit dadelijk uit.
Het ..unaquot; en het „catholicaquot; kan Home nog een oogenblik van zich staande houden, maar liet „sanctaquot; nooit, want dan moet het of .,sanctaquot; van zijn kracht berooven, en er van maken; „den Heere gewijdquot; of iets dergelijks, of anders beantwoordt Home er in geenen deele aan.
De quaestie van de notae ecclesiae is dan ook van Roomsche zijde nooit op te lossen. quot;Wel van protestantsche zijde, omdat wij, protestanten, een macht hebben, die tegenover de kerk staat: n.1. God* Woord, Dan kunnen we vragen,
2iiO
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
of ecu bepaalde kerk daaraan beantwoordt. Home daareategén /.egt: „Het Woord beeft geen zelfstandige beteekenis of autoriteit; ik, kerk, ga boven het Woord uit!quot; Dan natuurlijk oordeelt de kerk over zichzelf. Het oordeel van de geloovlgen is dan uitgesloten. Notae komen alsdan niet te pas. Keur is in Home ondenkbaar.
Aan het slot van deze paragraaf bespreken we nog met een enkel woord liet gebruik van het dogma der notae ecclesiae, hierin bestaande, dat
1« elke kerk van Christus geroepen is, om niet uit sleur maar met bewustheid te leven. Ze beantwoordt eerst dan aan haar roeping, als ze weet, waarom ze kerk van Christus is, en er zich rekenschap van geelt, ot ze beantwoordt aan de notae formatae ecclesiae.
2'' dat de geloovige in de kerk niet eenvoudig de positie heeft van een rad in een werktuig, maar een zelfstandige positie. Op een moment moet hij oordeel en over de kerk en over zijn positie in de kerk. Daarom moet hij een middel hebben om te beoordeelen, of de kerk beantwoordt aan ie door (iods Woord gestelde eischen,
3° dat de kerken in onderling verband moeten treden, saamleven en onderzoeken, of zij ile merkteekenen der ware kerk vertoonen.
§ 11. Dt' Spur Us Evdcsiac For mis.
,,!)(' (Ift'onnatic eeiioi- kerk kan zóó ver voortschrijden, dat ze door geen reactie moer te prikkelen en door geen reformatie meer te redden is.
Zoomin echter die reactie als die poging tot reformatie gaat strat-feloos aan haar voorbij. Ze moet om zich tegen beide te keeren, zich al meer in haar valschen vorm vastzetten en öf op gewelddadige wijze de reactie smoren, óf tegenover haar in eigen formatie positie nemen. Kerst hierdoor vereenzelvigt zij zich met het ingeslopen kwaad, systematiseert het en poogt door wijziging van inrichting het opkomen van nieuwe reactie af te snijden.
Hierdoor nu gaat de ecch'sia dcfbriiiold over in de ccclcsiu .ymriu.
Deze ecclesia spuria kan zich echter langs tweeërlei weg ontwikkelen,
óf wol per rxcessum. als ze intensief haar kerkelijk karakter kerkte-tisch overdrijft, en alsnu de conscientiën bindt aan haar praegnanten vorm:
óf wel, doordien zc per defectum liet kerkelijk karakter zooveel mogelijk laat glippen, de consciëntie aan geen enkele belijdenis, maar alleen aan haar kerkvorm bindt, en voorts de grenslijn tusschen wereld en kerk zooveel doenlijk uitwischt.
In het eerste geval drijft ze het kerkelijk leven op de spits en buigt de waarheid naar dit vervalschte leven om.
In het tweede geval ontledigt ze den kerkvorm van alle kerkelijk wezen, en maakt ze van alle waarheid los. Vandaar dat ze op de ëëne lijn i'c.clcski fttlsa wordt en op de andere lijn verloopt in ccclcski simnlata.
Beide malen gaat deze ontreddering uit van Satan, die er steeds op uit is, zoowel om hetgeen Christus sticht, van zijn wezen te berooven, als om hetgeen Christus voor de eere zijns Naams doet zelf na te bootsen voor zijn eigen eer.
Reeds in do dagen der apostelen wordt naast de aloude synagoge van een synagoge des Satans gesproken, en de toeleg van Satan, gelijk ons die uit de Apocalypse blijkt, is metterdaad geen mindere, dan om
232
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ten slotte geheel de wereld te brengen onder de macht van een anti' christelijke kerk.
Juist daarom echter is het zeer aan bedenking onderhevig, om de ecclesia spuria reeds in haar voorloopige stadiën als anti-christelijk te iiualiüceeren. Want wel is elke forma spuria vrucht van Satans inwerking, maar deze inwerking heeft een lang verloop, eer ze voleindigd is.
Het zijn vooral drie momenten, die hierbij in aanmerking komen t. w. het prijs geven van het karakter der kerk ter wil le van: de hiërarchie,
de philosophie, en de civiele macht.
Het kwaad der hiërarchie ontstaat door de zondige poging van liet ambtelijk instrument, om eigen autoriteit iu de plaats van de aucto-ritas ''liristi te schuiven; het kwaad der philosophie in het afgaan van do basis der bijzondere openbaring, om terug te keeren tot de theo-iogia naturalis, en liet kwaad der civiele macht, dat de forma ecclesiae naar de forma van het burgerlijk gezag worde omgebogen.
Zoolang echter de ecclesia spuria nog iu haar overgangsstadiën verkeert, wordt, althans in naam, nog altoos de cere van den Christus iioog gehouden, terwijl het antichristelijk karakter eerst dan zal doorbreken, als men ook den naam van den Christus tegenstaan en er den naam van den antichrist voor in de plaats stellen zal.
Zoodra nu eenige kerk door het smoren of uitwerpen van de reformatorische reactie zich onbekeerlijk heeft getoond, is elk kind van God verplicht de gemeenschap met haar te verbreken. Dit neemt echter niet weg, dat ook achter zulk een formatio spuria zich nog het organisme van de kerk van Christus verbergen kan, reden waarom de doop ook van zulke kerken steeds erkend is. Deze verplichting tot afbreking van gemeenschap met de ecclesia spuria rust zoowel in eigen boezem op ambtdragers en de enkele geloovigen, als op andere kerken, die met haar in kerkelijke gemeenschap veikeeren.quot;
De eerste quaestie, die bij deze paragraaf aan de orde komt, is deze: wanneer mag men van een ecclesia spuria, van oen vaische kerk gaan spreken?
De uitdrukkingen in de confessio Beigica hebben bij menscheu, die niet goed op de hoogte waren van de hislorie, aanleiding gegeven tot de voorstelling, dat de Roomsche kerk altijd vaische kerk is geweest. Op de vraag, wanneer dan die vaische kerk is opgekomen, antwoordt men, dat do toestand in
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
do vijfde oeuw nog' redelijk was, maar dat de kerk in do zevende en achtste eeuw reeds geheel valsch was.
Wie dit zeggen, zijn van meening, dat de uitdrukking valuclw kerk op zichzelf de deformatie eener kerk te kennen geeft. Men zegt: ..is de kerk in ernstige mate gedeformeerd, dan is ze ook valsch.quot;
Neen! Een kerk, hoe ook gedeformeerd, wordt geen valsche kerk, dan nadat ze voor de keus gesteld is om zich te bekeoren. Valsch is ze eerst, als ze het pad dei' verharding betreden heeft. Stelt men het anders, dan is elke kerk, die gedeformeerd is, valsch; want wie zal dan aangeven, hoever de deformatie moet voortschrijden, om de kerk tot een valsche kerk te maken?
Dat dit de bedoeling der vaderen ook niet geweest is, blijkt hieruit, dat zij allen in de Roomsche kerk geboren, allen in de Hoomsche kerk gedoopt waren, allen daar het vormsel ontvangen en communie gedaan en de missen bijge woond hadden. Ja, de voornaamste leiders hadden zelfs in de kerk van Ohrlstus een ambt bekleed. Met allersterkst spreekt wel, dat zij, na in de kerk van Rome het ambt ontvangen te hebben, het met de reformatie niet wegwierpen, maar dat ambt in de reformatie als grond van hun recht om ambtelijk op te treden, hebben laten gelden,
liet is niet onbekend, hoe in de laatste jaren onder de predikanten der synodale organisatie stemmen zijn opgegaan van vreeze, dat men door het breken met die genootschapskerk ook zijn ambt verliezen zou.
Het is daarom goed de historie eens te raadplegen, Moe hebben de mannen, die den hangen strijd in de 16° eeuw aanbonden, gedaan? Zij hebben principieel betoogd, dat ze het ambt in die kerk van den Meere hadden ontvangen, en het nu in gehoorzaamheid aan den Meere zouden blijven bedienen.
Met karakter van een valsche kerk ontstaat eerst op de wijze, waarop de grijze Simeon van het kindeken Jezus zei: „deze is gezet tot een val en een opstanding van velen in Israël.quot; Wanneer het evangelie weêr met kracht en zuiverheid in een kerk ingaat, dan is altijd het gevolg, dat men óf tot Reformatie komt. óf zich stoot, zich verhardt en valt.
De kerk van Rome in haar groote conciliën van Bazel en ('onstanz beweerde volstrekt niet, dat er geen reformatie moest komen. Maar. wat was de zaak? Toen het er op aan kwam de hand aan den ploeg te slaan, weigerde men om het kwaad daar te erkennen, waar 't kwaad zat, Kr waren toen in de kerk veel mannen, als een Sadoletus, van zuivere wandel en bedoeling. Men gal' tui', dat er veel geesteloosheid en misstanden heerschten, maar men wilde niet toegeven, dat het kwaad school in de hiërarchische furmatie. Vandaar dat al die pogingen tot reformatie volkomen schipbreuk leden, en de daad van Luther eerst in het principieele kwaad het mes zette, hi het hiërarchisch
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
beginsel als zoodauig aantastte. Toen dit geschied was, moest Rome of .mot Luther meegaan en het hiërarchiscli stelsel prysgevon, óf tegen Luther in. de waarheid en heiligheid van dit stelsel op de spits drijven. Wanneer ik een dwaling koester, dan kan ik bedektelljk die dwaling laten werken, zoolang zich nog geen tegenstand openbaart; maaiquot; wordt mij die dwaling als zonde verweten, dan moet ik een poging doen, om mij vrij te pleiten en aan te toonen, dat het kwaad niet kwaad, maai' goed is. Toen Cajafas tegenover den Christus stond, moest hij ót' voor Hem knielen, óf Hem ter dood veroordeelen. Zoo ook stond het toen Lnther de bijl aan den wortel van den boom had gelegd.
Wehui, daarom zeiden we in tie paragraaf, dat een ecclesia deformata een tijdlang in de deformatie kan doorloopen, maar toch daarmede nog niet haar overgang tot een ecclesia spuria maakt. Hiervan is eerst sprake, als zo geprikkeld wordt door reactie. De verschillende monnik-orden, de broederschap des gemeenen levens, enz. waren al reactien van het mystieke, ge ■stelijko leven tegenover den verkeerden kerkvorm. Toen die prikkeling al verder ging, en eindelijk de eisch tot reformatie was gesteld, moest men óf de ketters dooden, óf zich bekeoren. Niet dat die lioomschen toen zooveel wreeder waren dan anderen uil dienzelfden tijd; — in éénzelfden tijd zijn de menschen meest altijd zoowat even wreed. De algemeene geest in die dagen was in het strafrechterlijke veel wreeder dan thans, (ienomen dns, gelijk het in dien tijil stond, kon Home niet anders dan zeggen: In deze struggle for life moet óf ik. óf de Reformatie vernietigd. Toen heeft die Itoomsche kerk, nadat allerlei pogingen, om tot een vergelijk te komen, waren uitgeput, ib. v. het interim, waardoor de ió'formatie eenvoudig wéér tot Rome zon zijn teruggekeerd) door de reactie zich niet ten goede, maar ten kwade laten prikkelen.
Dat verzet nu had antiHidisch en thclisch plaats.
AntUhalisch, door overlevering van personen aan de rechterlijke macht en maatregelen tegen de kettersche litteratuur.
Maar dit was niet genoeg.
Dan kan toch elk oogenbllk wéér een reformatie komen. Tot op de reformatie vinden we In de Roomsche kerk allerlei botsingen, maar iu,i de conciliën is het alles uit; alles wat gebeurt, wordt direct gesmoord. Te voren, I), v. in do oorlogen met de Hussieten, werden alle pogingen aangewend, om een anderen geest te brengen; daarna niet meer. Uit komt, omdat door het concilie van Trente de Roomsche kerk een andere kerk was geworden. Ze had oen radicale verandering ondergaan. De oorzaak hiervan was, dat al die punten, waarin het kwaad stak, vroeger wel de facto bestonden, maar niet theoretice en Jure. Kerst op het concilie van Trente is aan Home gegeven oen einheit-
235
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
liclic organisiitic, zoodat van nu af aan olko poging tot verzet onmiddellijk kan worden gestuit. Toen is ook opgesteld dti Rooniselie confo.söie. Voor dien tijd bezat Rome die niet. Tot op dien tijd had dit concilie dit, en gene pater of bisschop dat gezegd. Een band bestond er nk't. Welnu, die eenheid, met de hierarchie als wortel, is te Trente verkregen, liet kwaad heeft zich toen vastgezet en is gesystematiseerd geworden.
Evenals een zondaar, voor den Christus geplaatst, Hem moet aannemen of verwerpen en den dood aan Hem eten. zoo ook stond de Koomsche kerk voor de Reformatie. En gelijk iemand voor de keuze van den Christus gestt ld, hij verwerping van Hem, in een toestand van verharding overgaat, zoo ook groeide Home in haar eigen kwaad in en werd van dit oogenhlik af onbekeer-lijk. Men behoeft zelfs geen poging tot verbetering te wagen. In Oost-Pruisen en in Engeland heeft men gehoopt, dat lionie nog op het goede spoor te brengen was, maar nooit is hiervoor eenige kans!
Alle poging, om Home tot bekeering te lokken, loopt altijd uit op verlies van eigen protestantsch karakter.
Dit alles geldt echter niet alleen van de Koomsche kerk, maar ook van de Grieksche, en van alle kerken, die, tot deformatie geraakt, zich hebben ingezet tegen de reformatorische actie in haar midden. Zulk een actie heeft steeds het gevolg, dat de gedeformeerde kerk óf geheel tot reformatie komt, nf spuria wordt.
Als tusschen twee haakjes een kleine opmerking.
Er is een soort van kerken, die men wel spuriae neemt, en toch volstrekt niet beboeren tot hetgeen, waarvan de paragraaf handelt.
Hij de Maincheesche kerk b. v. is geen sprake van de- of rrfhriiuUie, omdat zij eenvoudig nooit ktü'k van Christus geweest is.
Zulke kerken zijn onkruidkerken, afzonderlijke loten naast de kerk van Christus opgeschoten. Alleen dragen ze den naam van kerke», omdat de macht van de organisatie der christelijke kerk aantrok. De Marcionieten hielden zoo lang stand, omdat ze de organisatie der kerk hadden nagebootst. Het Mani-cheïsme had de kerk bijna ten val gebracht door diezelfde nabootsing. Zóó is in onze dagen de kerk der Mormonen een valsch ding naast de kerk. met nagebootste organisatie.
Maar daarover handelen we hier niet. We beschouwen hier, hoe de wezenlijke kerk van Christus gedeformeerd en spuria werden kan.
Wanneer we dezen overgang goed willen doorzien, moeten we ons eerst goed vastzetten hierin, dat volgens de Heilige Schrift alleen de ecclesia parti-cularls is de kerk.
Dit moeten we een oogenblik van een andere zijde bezien, n.l. dat elke plaatselijke kerk in zichzelf is eonipfelir, d. w. z. een kerk, die in
236
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
oigcu boezem uile bevoegdheid eu uutoriteit Viiu een kerk Vein Giuistus be/it.
Dit hooft Rome nooit toegekend aan de plaatselijke openbaring der keik. Het kent alleen parochiën. De Hoomsche en Grieksche kerk beweren, dat de kerk, totaal genomen, completa is.
Daartegenover heeft de Reformatie als grondslag', waarvan ze uitging, gezegd; de ecclesia particularis in se completa est, bezit in zichzelf allo macht om kerk van Christus te zijn.
Onze vaderen verdedigden die stelling:
ecnerzijds tegenover Rome, en de Presbyterianen tegenover de Church ot England;
uHdevcrsvjda tegenover de Independentisten, die beweren, dat elke congie-gatie van geloovigen de autoriteit van een kerk in zich droeg.
Hot Nieuwe Testament leert ons de ecclesia localis, en dat elke ecclesia particularis de bevoegdheid van een kerk van Christus heelt.
Dit beginsel is in de tweede helft der vorige eeuw hier, en in de .lagen dei Reformatie in Üuitschland nog in conflict gekomen met een derde tegenstelling: lt;h landskerk, waarvoor geldt: „citjits regio ejus rdiyio.quot; Dit leidde tot dezelfde onware voorstelling, alsof zekere bepaalde kerk van een U.ndstreek ecclesia completa ware. Een vorstendom was dan een kerk. omdat daarin een vorst als summus episcopus aan het hoofd stond.
Reeds vroeger hebben we in den breede aangetoond, dat waar in het Nieuwe Testament van de kerk als instituut wordt gesproken, t-/.*Xrieüi nooit anders voorkomt, dan van de plaatselijke kerk. De vaderen hebben dus in de 16'10 eeuw den strijd inderdaad van uit de Gpenbaring gevoerd. Door het verlies van dit schriftuurlijk beginsel was alles in verwarring geko^êij, en door het wedeiom poneeren van dit beginsel de zake der kerk in het goede spoor teiuggeleid, terwijl daarmede tevens het ware standpunt, aan de (■éne zijde tegenover Rome, aan de andere zijde tegenover het Indepeiidentisme was aangegeven.
We willen nu nagaan, waarom juist het teloorgaan van de waarheid dat de ecclesia particularis is ecclesia coiiqMa, deformatie moe*t ten gevolge hebben.
(Vergeten we niet, dat we alleen spreken van de ecclesia fonntUa, waarvoor we helaas, niet één woord bezitten. Natuurlijk ontstaat bij de ecclesia als organisme genomen, het bederf door de zonde, geesteloosheid, C'iiz., maai daai-over handelen we niet. We bespreken, hoe een kerk tot deformatie kan komen, en dit nu slaat alleen op de ecclesia forinata, als uitwendig instituut.)
Hierom nu moet deformatie van dit verlies noodwendig gevolg zijn, wijl in de kerk van Christus is gegeven de mogelijkheid van het insluipen van kwaad, aangezien we op aarde nog geen lu'iligeiiquot; zijn, maar tevens het coi i ectiet, om van den dwaalweg weer op den rechten weg te komen,
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Dit cniTcrlicr ülïL liierin, «Uit lt;lr ^(.-loovigc in (!«• crclcsia [liirLiculai'is, cu d(s (!C«;li'sia (KU'tic.iiliU'is in het kcrkvci'biiiiil, ren Zflfstaiuiige |iositi( innciacn, met hot rocht on do verplichting, om op grond van (lod^ Woord te protlt;-wteoren on ti' agcoron togon hot indringdirlo kwaad.
in do ooclosia formata is dus nooit oen absolnto, maar alli'on oon rclatiovo autoriteit gogo ven, Kr is appellabilitoit aan (rods Woord, en die api'.cllai)ilitcit is goon doodo phrase, maar oen macht, en dit blijkt hieruit juist, dat op elk goloOvigo do plicht rust om alle kerkelijke daden aan Gods Woord te toetsen, In de latere eeuwen is dit wel genoemd het jus gravandi, liet recht om een gravamen in te dienen. Natuurlijk ziet dit dan niet alleen op eon gravamen togen do belijdenis, maar op x.ijn recht, om, waar hij overtuigd is, dat de zaken niet loopen naar (iods Woord, op grond van Onds Woord, voor flods Woord op te komen.
Hierdoor blijft het Woord van (lod leven in do kerk.
Altijd wordt dan oen kerkeraad weêr gecommemoreerd aan de autoriteit van het Woord van God.
Zót') ook heeft een plaatselijke kerk. die in verband leeft mot andere kerken, wanneer zij die andere ziet afdolen, hetzelfde recht in hot kerkverband, als dlt;^ geloovige in de ecclesia particularis.
Ziedaar dus het correctief tegen insluiping en voortwookoring van het ingeslopen kwaad.
Welke is nu de natuurlijke neiging, waartoe de zonde in don mensch. in do kerk, in het kerkverband, voortdurend zal brengen?
Deze: dat de zonde ongoliinderd kan voortgaan,
Kn wat staat hiertegen in den weg? ■
Die vrijheid van den enkelen geloovige in de plaatselijke kerk en van do plaatselijke kerk in het kerkverband. Deze beide beletten om ongehinderd van hot óóne kwaad in hot andere voort te schrijden. Om dit toch te doen plaats hebben, moet dan aan hot correctief do kracht worden ontnomen.
En wolk middel is er om dit correctief to verwijderen?
In do plaatselijke kerk: wanneer ik door de macht van do ambtsdragers absoluut te maken, de vrijheid en hot recht der goloovigon afsnijd; en inliet kerkverband: wanneer ik aan do ecclesia particularis het recht en do vrijheid ontneem, in het kerkverband oon zelfstandige positie in te nemen. Welnu, do vernietiging van deze beide; én van hot recht der plaatselijke kerken in van het recht der goloovigon gelukt, met één slag, als ik de ecclesia particularis ophef, parochiën maak, en den naam van „kerkquot; aan het golioel toeken. Het recht van den geloovige wordt» dan vernietigd; immers, indien in oen dorp of stad een ecclesia particularis is, dan kunnen uo goloovigon daar, zoo
238
\
\
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
noodig', lum recht, van protrst, dóen gelden; maar deze mogelijklK'id van i)ro-testeoren is verdwenen, zoodra de ecclesia imrticularis onderdeel wordt van een geheel. Reeds is in een klein dorp de positie van den enkelen geloovige veel sterker dan in een stad. Maar wanneer ik alles tot één geheel coaguleer, dan verzinkt de plaatselijke stem ganschelijk in het geheel weg.
Zoo ligt de zaak formeel.
Nu materieel.
Is het eenmaal gelukt de ecclesia particularis als completa te vernietigen en de mogelijkheid tot protest van den enkelen geloovige op te heffen, dan ontstaat materieel dit. groote kwaad, dat de gezonde deelen zich niet meer
gezond kunnen houden.
Zoolang elke kerk haar afzonderlijke positie bewaart, is zij omtuind. heeft zij een eigen gebied, en wanneer zich daarop een kwaad openbaart, dan kunnen de andere de poort sluiten. Kén doode vlieg kan dan niet des apothekers zalf bederven. Wanneer echter alle poorten moeten openstaan, dan staan alle wegen open. waardoor het kwaad door het heele lichaam der kerk van heen-woelen.
Zoo hangt de miskenning van de crckmi parHculari* completa saam met de
deformatie van de kerk.
Het geestelijk motief van deze worsteling is, dat het is een worsteling om
de autoriteit.
Om de zonde is de overheid ......izakelijk. Er kan nu geen overheid optreden,
of er ontstaat quaestie over het gezag. De overheid zoekt het gezag uit te oefenen over de onderdanen en dezen zien liet te beperken, zooveel ze maar kunnen. Dat buiten de zonde van geen overheid kan sprake zijn, is duidelijk. Leger, vloot, politie zouden niet noodig zijn. Hoogstens zou een overheid van puur administratieve beteekenis mogelijk zijn, om te zorgen voor wegen enz. Van het gezag der overheid is eerst sprake, waar zij dwingen kan om haar te gehoorzamen, en dit zou natuurlijk vervallen in onzondigen toestand, daar
niets dan zou verkeerd loepen.
Welnu, waar door de zonde autoriteit over menschen door menschenwordt uitgeoefend, zien we wat op civiel gebied gebeurt, gebeuren ook op kerkelijk gebied.
Ook daar vinden we oen anctoritas door menschen over menschen uitgeoefend. Ook in de kerk hebben we te doen met zondaren, niet met heiligen. Ook heeft de autoriteit op kerkelijk gebied hetzelfde gevolg als op civiel gebied. Op civiel gebied ontstaat uit die worsteling tweeërlei:
1quot; dat de drager der autoriteit in opstand komt tegen God, die haar verleend heeft;
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2quot; dat de onderdanen, die Hij onder de autoriteit gesteld lieeft, in opstand komen tegen de gvzag'liebbers.
iStrcds zijn ei drie inonienten: (iod, do overheid en de onderdanen, en deze drie inonienten maken die rwvrrlei worsteling mogelijk.
Die eerste worsteling tnsseheii den koning en (iod hebben we gezien in de Franscho UevolutJc. Men wilde de autoriteit nid meer van (iod. maar van het volk.
Die tweede worsteling aansclinuweii wo ten allen tijde.
Nu vinden we op kerkelijk terrein deze (|uaestie in gewijzigden vorm.
Wéér is lier (Iod, die de autoriteit heeft verleend, maar nu aan Koning .lezus; en deze Koning, niet op aarde zijnde, moet, die autoriteit op aarde laten uitvoeren door inensehelijke personen. Christus staat als Iloofd van hot volk tegenover (iod, evenals de koning tegenover (Iod staat, en de dienaren van Jezus staan teg'enover llem als de commissarissen des konings tegenover hun gebieder en aansteller. Natimrlijk is alle strijd tnsschen (iod-ürieëenig en Koning Jezus nitgesloten. Maar wel is er strijd mogelijk tnssehen de commissarissen des Konings, die als nQtapvttQot optreden, en de onderdanen. Die TtQfofivtFooi hebben iiir*t de niaeht vau een koning. I \\eeêilei \eizet is dus wi ér mogelijk: de aangestelde ambtsdragers kunnen in verzet komen tegen den Koning, tegen ('hristus; of de leden der kerk kunnen in verzet komen tegen de ambtsdragers van Christus.
Die ambtsdragers neigen van nature om zich, o, zoo te versieren met hun aanstelling van Christus' wege, en alles in het werk te stellen om hun macht uit te breiden over de leden der kerk.
In allen ontstaat die zondige neiging van het clericalisme. Bewust of onbewust gaat men zich ai spoedig de vraag stellen; hoe moet. de. kerk worden ingericht, zóó. dat wij onze niacin het meest uitbreiden, en het minst te lijden hebben van verzet der leden?
Tot dit,verzet der leden nu is de ecclesia particularis bijzonder geschikt. Heeft de ecclesia particularis haar eigen presbyteri, dan is uitbreiding dei-macht bijna niet mogelijk, omdat die presbyter! alleen handelen onder het oog van de geloovigen, die hen kozen, en van wie ze ten deele leven.
Daarom ontstaat bij de ambtdragers steeds de neiging, zich van die ecclesia particularis los te maken, niet meer door haar gesalarieerd te worden, en niet meer onder haar contróle te staan, immers, zijn ze benoemd, gecontroleerd en gesalarieerd van hooger af, dan zijn zij volkomen vrij tegenover die geloovigen van de plaatselijke kerk, en alle verantwoording schuldig alleen aan wie achter hen staan. Vandaar de bisschop, die allen benoemt, controleert, voor salaris zorgt enz. Zóó wordt vanzelf dequot; hierarchie geboren. De hiërarchie
230
Colloge-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
oigeu boezem ullts bcvoogdhoid iii autoriteit vau t'cii kerk vuu Oliiistus bezit.
Dit hoeft Homo nooit toegekend aan de plaatselijke openbaring der keik. Het kent alleen parochiën. De Itoomsche en Urieksciie kerk beweren, dat de kerk. totaal genomen, completa in.
Daartegenover heeft de Reformatie als grondslag, waarvan ze uitging, gezegd: de ecclesia particularis in se complcta est, bezit in zichzelf alle macht 0111 kerk van Christus te zijn.
Onze vaderen verdedigden die stelling:
cenerzydis tegenover Home, en de Presbyterianen tegenover de (Jhurch of England;
(iHdcrevzijdis tegenover de Jndependentisten, die beweren, dat elke congie-ga tie van geloovigen de autoriteit van een kerk in zich droeg.
Hot Nieuwe Testament leert ons de ecclesia local is, en dat elke ecclesia particularis de bevoegdheid van een kerk van Christus heelt.
Dit beginsel is in de tweede helft der vorige eeuw hier, en in do dagen der Hefonnatie in Duitschland nog in conflict gekomen mot een derde tegenstelling: dn landskerlc, waarvoor geldt: „enjus refjio 'ju* rdiyio.quot; Dit leidde tot dezelfde onware voorstelling, alsof zekere bepaalde kerk van een landstreek ecclesia completa ware. Een vorstendom was dan een kerk. omdat daarin oen vorst als suinmus episcopus aan bet hoofd stond.
Reeds vroeger hebben we in den breede aangetoond, dat waar in het Nieuwe Testament van de kerk als instituut wordt gesproken, i**Xgt;iote nooit anders voorkomt, dan van de plaatselijke kerk. De vaderen hebben dus in de KV'0 eeuw den strijd inderdaad van uit de Openbaring gevoerd. Door het verlies van dit schriftuurlijk beginsel was alles in verwarring gekomeij, en door het wedeiom poneoren van dit beginsel de zake dor kerk iu het goede spoor ti ruggeleid, terwijl daarmede tevens liet ware standpunt, aan do ('éne zijde tegenover Home, aan de andere zijde tegenover liet 1 ndependeiitisnn• was aangegeven.
We willen nu nagaan, waarom Juist het teloorgaan van de waarheid dat de ecclesia parüeiilari* is ecclesia couiplela, deformatie moest ten gevolge hebben.
(Vergeten we niet, dat we alleen sproken van de ecclesia fonnata, waarvoor we helaas, niet één woord bezitten. Natuuiiijk ontstaat bij de ecclesia als organisme genomen, het bederf door de zonde, geesteloosheid, enz., maar daarover haiidèlen we niet. We bespreken, hoe een kerk tot deformatie kan komen, en dit nu slaat alleen op de ecclesia fonnata, als uitwendig instituut.)
Hierom nu moet deformatie van dit verlies noodwendig gevolg zijn, wijl in de kerk van •'hnstns is gegeven de mogelijkheid van het insluipen van kwaad, aangezien we op aarde nog geen heiligen zijn, maar tevens het C'.mlectief, om van den dwaalweg weer op den rechten weg te komen,
2?H
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
1 )i,t QorróCtiof ligt liioria, dat do goloovigc in do occlosia particidari.s, ou do ooclosta partionlari.s in hot korkvorband, ecu zelfstandige positie innomon, mot 1 liet recht en de verplichting, om op grond van God* Woord te protesteoren en te ageoren tegen hot indringende kwaad.
in de ecclesia fnrmata is dus nooit een absolute, maai' alleen een relatieve autoriteit gegeven. ISr is appelhibiliteit aan (rods Woord, en die apiiollabiliteit is geen doodo phrase, maar oen macht, en dit blijkt hieruit juist, dat op elk geloovige de plicht rust om alle kerkelijke daden aan Gods Woord to toetsen, in de latere eeuwen is dit wel genoemd het jus gravandi, het recht om een gravamen iu te dienen. Natuurlijk ziel dit dan niet alleen op een gravamen tegen de belijdenis, maar op zijn recht, om, waar hij overtuigd is, dat de zaken niet loepen naar (Sods Woord, op grond van Gods Woord, voor Gods Woord op te komen.
Hierdoor blijft hot Woord van God leven in do kerk.
Altijd wordt dan oen kerkeraad weêr gecommemoreerd aan de autoriteit van het Woord van God.
Zóó ook heeft een plaatselijke kerk, die in verband leeft met andere kerken, wanneer zij die andere ziet afdolen, hetzelfde recht in het kerkverband, als de geloovige in do ecclesia particularis.
Ziedaar dus hot correctief tegen insluipiim' en voortwoekering van liet ingeslopen kwaad.
Welke is nu de natuurlijke neiging, waartoe de zonde in den monsch. in de kerk. in het kerkverband, voortdurend zal brengen?
Deze: dat do zonde ongehinderd kan voortgaan.
En wat staat hiortegen in den weg? ■
Die vrijheid van don enkelen geloovige in do plaatselijke kerk en van de plaatselijke kerk in het kerkverband. Deze beide beletten om ongehinderd van het ééne kwaad in het andere voort to schrijden. Om dit toch te doen plaats hebben, moet dan aan hot correctief do kracht worden ontnomen.
En welk middel is er om dit correctief te verwijderen?
In do plaatselijke kerk: wanneer ik door de macht van do ambtsdragers absoluut te maken, de vrijheid en het recht der goloovigon afsnijd; en in het kerkverband: wanneer ik aan do ecclesia particularis hot recht en de vrijheid ontneem, in het kerkverband een zelfstandige positie in te nemen. Welnu, de vernietiging van deze beide: on van hot recht der plaatselijke kerken èn van het recht der goloovigon gelukt, met één slag, als ik de ecclesia particularis ophef, parochiën maak, en den naam van „kerkquot; aan het geheel toeken. Het recht van den geloovige wordt-dan vernietigd; immers, indien in oen dorp of stad een ecclesia particularis is, dan kunnen de goloovigon daar, zoo
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
lióodig, liun recht van protest dóen golden; maar deze mogelijkheid van protesteoren is verdwenen, zoodra do ecclesia partic.ula.ris onderdeel wordt van een geheel. Reeds is in een klein dorp de positie van den enkelen geloovige voel sterker dan in een stad. Maar wanneer ik alles tot één geheel coaguleer, dan verzinkt de plaatselijke stem transchelijk in het geheel weg.
/00 ligt de zaak formeel.
Nu materieel.
Is het eenmaal gelukt do ecclesia particularis als coinpleta te vernietigen en de mogelijkheid tot protest van den enkelen geloovige op te heffen, dan ontstaat materieel dit grootc kwaad, dat de gezonde deelen zich niet. meer gezond kunnen houden.
Zoolang elke; kerk haar afzonderlijke positie bewaart, is zij omtuind. heeft zij een eigen gebied, en wanneer zich daarop een kwaad openbaart, dan kunnen de andere de poort sluiten. Bón doode vlieg kan dan niet des apothekers zalf bederven. Wanneer echter alle poorten moeten openstaan, dan staan alle wegen open. waardoor het kwaad door het heele lichaam der kerk kan heen-woelen.
Zoo hangt de miskenning van de nxlrnia pariiriilari* complctn saam met de deformatie van de kerk.
Het geestelijk motief van deze worsteling is, dat hot is een worsteling om de autoriteit.
Om dlt;' zonde is de overheid noodzakelijk, Kr kan nu geen overheid optreden, of er ontstaat quaestio over het gezag. De overheid zoekt het gezag uit te oefenen over do onderdanen en dozen zien hot te beperken, zooveel ze maar kunnen. Dat buiten de zonde van geen overheid kan sprake zijn, is duidelijk. Leger, vloot, politic1 zouden niet noodig zijn. Hoogstens zou een overheid van puur administratieve beteekenis mogelijk zijn, om te zorgen voor wegen enz. Van het gezag der overheid is eerst sprake, waar zij dwingen kan om haar te gehoorzamen, en dit zou natuurlijk vervallen in onzondigen toestand, daar niets dan zou verkeerd loopen.
Welnu, waar door de zonde autoriteit over mensclien door menschen wordt uitgeoefend, zien we wat op civiel gebied gebeurt, gebeuren ook op kerkelijk gebied.
Ook daar vinden we oen anctoritas door menschen over menschen uitgeoefend, Ook in de kerk hebben we te doen met zondaren, niet met heiligen. Ook heeft de autoriteit op kerkelijk gebied hetzelfde gevolg als op civiel gebied. Op civiel gebied ontstaat uit die worsteling tweeërlei:
I1' dat de drager dor autoriteit in opstand komt tegen (lod, die haar verleend heeft;
L,:W
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
l'1, dat de üiulordaneii, die Hij onder dt' autoriteif gesteld heeft, in opstand komen tegen de gc/ag'hebbei's.
Steeds zijn ei drie momenten: (iod, do overheid en de onderdanen, en deze drie momenten maken die tweeëi'lei worsteling mogelijk.
Die eerste worsteling tnssehen den koning en (iod hebben we gezien in de Fransclie lievointie. Men wilde de autoriteit niet meer van (Iod. maar van hot volk.
Die tweede worsteling aanschouwen we ten allen tijde.
Nu vinden we op kerkelijk terrein deze (|uaestie in gewijzigden vorm.
Wéér is het (tod, die de autoriteit heeft verleend, maar nu aan Koning Jezus; en deze Koning, niet op aarde zijnde, moet die autoriteit op aarde laten uitvoeren door mensehelijke personen. Christus staat als Hoofd van het \olk tegenover (iod, evenals de koning tegenover (iod staat, en de dienaren van Jezus staan tegenover Hem als de commissarissen des konings tegenover hun gebieder en aansteller. Natuurlijk is alle strijd tusschen God-Drieëenig en Koning Jezus uitgesloten. Maar wel is er strijd mogelfjk tusschen de commissarissen des Konings, die als TrgeaflvTfeoi optreden, en do onderdanen. Die TrytofivTFoni. hebben niet de macht van een koning. Tweeërlei verzet is dus weêr mogelijk: de aangestelde ambtsdragers kunnen in verzet komen tegen den Koning, tegen ('hristus; of de leden der kerk kunnen in verzet komen tegen de ambtsdragers van ('hristus.
Die ambtsdragers neigen van nature om zich, o, zoo te versieren met hun aanstelling van Christus' wege, en alles in het werk te stellen om hun macht uit te breiden over de leden der kerk.
In allen ontstaat die zondige neiging van hot clericalisme. Bewust of onbewust. gaat men zich al spoedig de vraag stellen: hoe. moet de kerk worden ingericht, zóó. dat wij onze macht het meest uitbreiden, en het. minst te lijden hebben van verzet der leden?
Tot dit, verzet der leden nu is do ecclesia particularis bijzonder geschikt. Heeft de ecclesia particularis haar eigen presbyteri, dan is uitbreiding der macht bijna niet mogelijk, omdat die presbyteri alleen handelen onder het oog van de geloovigen, die hen kozen, en van wie ze ten deelo leven.
Daarom ontstaat bij de ambtdragers steeds de neiging, zich van die ecclesia particularis los te maken, niet meer door haar gesalarieerd te worden, en niet meer onder haar contróle te staan. Immers, zijn ze benoemd, gecontrö-leerd en gesalarieerd van hooger af, dan zijn zij volkomen vrij tegenover die geloovigen van de plaatselijke kerk, en alle verantwoording schuldig alleen aan wie achter hen staan. Vandaar de bisschop, die allen benoemt, controleert, voor salaris zorgt enz. Zóó wordt vanzelf dequot; hiërarchie geboren. De hiërarchie
m
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
kan do ecclesia [liuiiculavis niot dulden. Do/o beide sluiten elkander uil. Out hiövarcbio to vorkrijgen, moot men con grooto monarchic licbben, met ver-schlllendo indoolin^on. He iieolo samenstelling moet van bovenaf zijn. De macht van don clerus is dan volkomen gevestigd, en de macht van don geloovigo volkomen gebroken.
Wanneer nu. volgons het voorafgaande, allo deformatie van de kerk altoos moei uitloopen op oen onthefling van do ecclesia particnlaris, althans van het character completus van dio kork, dan is hot volkomen duidelijk, dat we bij Rome dat groote kerkdijk geheel en bij het collegiale stolsel die grooto lands-kerk vinden, waarvan de enkele kerken afhankelijk gehouden worden.
Maar. al komt alle deformatie langs dat spoor, toch hebben we er in de paragraaf op gewezen, dat, wanneer de kerk van deformata tot spuria overgaat, we dan het onderscheiden karakter aantreffen van:
rcclcskt fttlsn en
ccch'Hia simiilata.
De confessie is hierin niet helder.
Een confessie is een tijdwoord, en biedt nooit oen waarborg tegen alle mogelijke verkeerdheden. Altijd komt in de confessie uit, hoe de kerk positie neemt tegenover het kwaad uit dien tijd; en waar do kerk uit de bi0 eeuw te doen had mot haar positie tegenover de ecclesia falsa, niet simulata, is het volkomen begrijpelijk, waarom ze over de ecclesia simulata zwijgt.
Principieel bestaat hot verschil tusschen die twee deformaties hierin, of men de consciontiën bindt ter zaligheid, ja dan neen.
Nu is do kerk van Christus een inrichting, die de consciontiën moet binden, en wèl, moot binden ter zaligheid. Daarom is het „extra ecclosiam nulla salusquot; grondregel voor allo kerkelijk leven. Do kerk treedt op aarde niet op, om een voldoening te geven aan het religieus gevoel, of voor iets dergelijks, maar het kerkelijk leven komt mot een last van Clods wege, om do consciëntie to binden, op poena van verlies van zaligheid.
Maar hierbij is mogelijk cxcemm en defechis.
Dat binden ter zaligheid kan zóó intensief worden geaccentueerd, dat men het valseh maakt, of wel, zóó verslappen, dat men het geheel wegneemt.
Neem deRoomsche kerk aan donéénen kant en de genootschaps-kerken aan den anderen kant, dan zien we, dat in Rome de gansche kerkelijke actie er steeds toe strekt, om de consciëntie te binden, in zooverre is dus metterdaad in Rome het kerkelijk karakter bewaard.
Maar dit is de fout: in plaats van do consciëntie ter zaligheid te binden aan Gods Woord, doet Rome dit aan menschelijke ordinantiën en bepalingen. Rome bindt dus wel de consciëntie tor zaligheid, maar in plaats van zich te beperken
241
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
lot de conditie rmi geloof in Gods Woord gesleld, gaat het bidden aan men-schelyjke ordinantiën, en zelfs aan hel oordeel van de menschen over die ordinantiën.
is dit nu het eigenlijke wezen van de ecclesia falsa in Rome, dan begrijpen we, dat de tegenwoordige genoolschaps-lcerken, wanneer men tot haar segt: „gij zijl ook valsche kerkenquot;, antivoorden, dat zij dat volstrekt niet zijn, daar zijde consciëntie ter zedigheid in hel geheel niet binden; dat de menschen dal maar zelf moeten doen, dat zij alleen maar goeden raad geven en verder volkomen conscièntie-vrijheid toestaan, 't Eenige waar die kerken aan binden is niet cam iels ter zaligheid, want hel „extra ecclesiam nulla salusquot; is haar een dwaasheid, maar is alleen aan haar regels en bepalingen.
Wvj hebben dus te doen met twee deformaties der kerk; beide incorrigibel; maar twee geheel uiteerdoopende verkeerdheden verloonende.
We gevoelen, bij eenig dieper inzien, hoe dwaas het is, voor beide zich op de confessie te beroepen.
Neen! alle kwaad is of per excessum, of per defectum.
Eenerzvjds zien we het binden van de consciëntie ter zaligheid aan den praeg-nanlen vorm van de ecclesia spuria, hetgeen leidt tol de ecclesia falsa.
An der er zij ds zien ive hel ganscli niet binden van de consciëntie Ier zaligheid, hetgeen leidt lot de ecclesia simulata.
Door de gereformeerde dogma,tici is tot dusver deze onderscheiding in de gereformeerde dogmatieken nog niet gemaakt. Daarom wenschen we uit de Heilige Schrift de gronden aan te geven, ivaarom we meenen, rechtens dit le kunnen doen. In de Heilige .Schrift ivordt n l. tweeërlei naam gegeven aan het optreden van Satan in zijn kerkvernielende actie. Hij ivordt genoemd:
0 dvri'xQtavog en
n ipevSóxQiotus.
]\[(ilth. 24 : 24: èyBamp;rjaovtai yag ipevSuxgiaroi tyevdoirQoqjfiTcei.
/ Joh. 2 : 18: xni •/«ïO'ióij r)gt;t«wo«rf on ó dvTi'xQiaras tQ%FTUi, y.fd vvv ïivityjiiatdi nuXUA yeyóvctaiv.
1 Joh. 4:3: xwi- ravrn tan n) rov dvnyjn'oTov.
Tusschen ysvdo- en «vu- is verschil. De sanienstelliwjen met ytvöo- geven niets anders te kennen, dan dat er een uitwendige schijn is, waaraan het wezen niet beantwoordt. Alle hypocrisis is tyevSog. Elk auteur op de planken is een ytvSo nQÓaconov. De samenslelling met «»»«- gee/l te kennen het in de plaats van iemand stellen, of wèl, contrair legen iemand overstaan en hem bestrijden.
In het anti-christelijko ligt dus veel meer opgesloten, dan in het psoiulo-elmstoiyke. Het drukt de principieele antithese tul. ipevöo- laat in het midden, of de schijn, die wordt voorgewend, uil meerder of minder bewuste vijandschap voortkomt.
16
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Deze zelfde onderscheiding keert terug bij de kerk.
De ecclesia falsa zoekt het kerkelijke wezen intensief te overdrijven, en
daardoor een valsche toespitsing.
Bij de ecclesia simulata houdt het wezen op te bestaan, en blijft alleen1 de
uitwendige omhulling staan.
Natuurlijk willen we hiermede niet zeggen, dat de apostelen bij liet gebruiken der twee woorden: anti- en ^scMdo-christus, dialectisch dieoiulerscheiding hebben willen aangeven. Dialectische onderscheidingen leert men meer uit Aristoteles, dan uit do Heilige Schrift. Maar wel kan men zeggen, dat met de principieele gedachte, die aan elk Grieksch woord ten grondslag ligt, ook hier
moet worden gerekend.
Alsnu willen we in een observatie bespreken, het motief, dat in deze drijft
en werkt.
Die actie, dat motief, gaat niet uit van menschen, maar van Satan. De apostelen waarschuwen er gedurig tegen, om toch niet te denken, dat de vijandige woelingen in de kerk zouden uitgaan van menschen. „We hebben den strijd niet tegen vlecsch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht,quot; is de grondregel, dien we bij aide beschouwingen van de woelingen der kerk in liet oog moeten houden. Wél echter oefent Satan deze werking uit door menschen, werkt op hun hart en treedt zóó vernielend tegen Christus' kerk op. Ook do Heore Jezus sprak zeil rechtstreeks hetzelfde uit, toen Hij te Filippi Oaesarea tot Petrus zei, na diens belijdenis van don Christus, dat Hij op die petra, op die zuivere christologie, zijn kerk zou bouwen, en dat de poorten der het dezelve niet sondeti overweldigen. Deze actie van Satan is tiveezijdig:
eenerzijd*, om de kruik met heiligen nardus te ontledigen;
andcrerzijds, om de kruik met heiligen nardus te vullen met liet gif van
zijn eigen zwijmeldrank.
Wat het eerste betreft, is zijn toeleg om de kerk uit te hollen, hot kerkelijk wezen aan de kerk te ontnemen, en daardoor te verderven al wat Christus gewrocht hoeft. Zijn genadewerk te verijdelen, Zijn hemelschen invloed tegen te gaan.
Het tweede wijst daarentegen op een positieve actie, met het doel de kerk te vullen met zijn eigen inhoud. Deze werking van Satan moet worden verklaard uit do generale actie, die voortvloeit uit zijn wezen: de imitatio dia-bolica. Onafscheidelijk van hem is de neiging om God na te bootsen, Luther noemde Satan eigenaardig, maar gansch naar waarheid: „der Aftc Gottesquot;, De zonde nu is niet iets positiefs, maar privatio actuosa. Satan heeft niets
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
positiefs. Hij bezit niets, dan do van God gekregen krachten, die van plus in minus zijn omgoslagou. Vandaar dat Satan geen originaliteit heeft. Niets kan hij uit /.idizolf bedenken, in de diepste zonde van wellust kar; Satan alleen bewerken, dat de menseli in bestialiteit nabootst het heilige huwelijksbeeld van Christus en zijn kerk.
Daarom zocht iiij ook zich te incarneeren. Zoo zien wij hem varen in het hart van Judas. Op gelijke wijze bootst hij Christus ua in betrekking tot de kerk.
Deze nabootsing kan zijn of generaal óf speciaal. Een speciaal karakter droeg die nabootsing I). v. toen iiij in de middeleeuwen de menschen heeft aangepord, om voor hem een dienst in te richten, waarbij de afgrijselijkste ongereciitig-heden en wreedste gruweldaden plaats hadden. Er werden toen missen voor Satan gehouden.
In Openbaringen is ook aangeduid, iioe Satan in het laatst der eeuwen zich zal incorporeeren in den antichrist. Gelijk God den mensch met een beeld schiep, zoo zal ook dat beest oen beeld dragen. Zóó zal hij ook valsche profeten doen opstaan; en op dezelfde wijze als God de sacramenten van doop en avondmaal heeft ingesteld, zal ook hij twee teekenen geven, op het voorhoofd en aan de hand, zonder welke iemand zelfs niet tot een burgerlijk bedrijf zal worden toegelaten.
Uit dit alles is het ons duidelijk, hoe Satan hot toelegt op een imitatie van de kerk.
Tengevolge hiervan was het volkomen natuuiiijk, dat men in de dagen der Hervorming de vraag stelde, of Rome niet reeds was de anti-christelijke kerk. en de paus do roëele antichrist.
De Horvonning heeft dit geschilpunt niet dogmatisch tot klaarheid gebracht, en do latere goreformoerdo dogmatici, die den knoop doorhakten, deden dit eigenlijk niet op reformatorisclio wijze.
Bij a Marck vinden we oen heel uitwendig betoog, dat weinig steek houdt; maar wanneer we nagaan hetgeen mannen als Calvijn on Luthor aangaande dit punt gezogd hebben, dan blijkt hoe zij steeds hebben geaarzeld, daarover positief zich uit te spreken. Onze kloekste dogmatici waagden dit evenmin. Zelfs een man als Guido de Bray, die te midden van de schrikkelijkste gevaren leefde, en straks mot don marteldood zijn belijdenis bezegelde, heeft dit punt steeds in zijn confessie gemeden. Later heeft wol een der hugenoten-synoden met betrokking tot deze zaak een oordeel geveld, maar men gevoelt, dat dit geen gewicht in do schaal werpt tegenover het eenparig getuigenis der eerste getuigen van de Reformatie.
Na liet besprokene zijn wij nu in staat deze zaak tot oen dogmatische oplossing te brongen.
244
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Op twee acties van Satan wezen we: het ontledigen van het wezen der kerk en liet toespitsen, om daardoor het wezen te vervalschen, of de lijn van het pseudo- en van het «/^/'-christelijke.
Op welke lijn beweegt zich nu Rome?
Natuurlijk op de anti-christelijke.
Bij haar geen poging om de kerk te ontledigen, maar om den Inhoud mH iets anders aan te mengen en te vervullen. Antwoordt men nu op do vraag, of Rome derhalve de anti-christelijko kerk is, bevestigend, dan dwaalt men evenzeer, als wanneer men het ontkent. Het juiste antwoord is, dat do Room-sche kerk ligt op die lijn van spuriëteit, die uitloopt op de anti-christelijke kerk.
/ij die Rome de kerk van den antichrist noemden, hadden dus eensdeels recht, maar zij maakten geen onderscheid tusschen de voorweeén van den antichrist en zijn verschijning zelf. /ij onderscheidden niet tusschen wat
potentia was, en actu zijn zal.
Zoodra toch een kerk actu het anti-christelijke karakter heeft aangenomen, is dit het kenmerk, dat zij het kruis van Christus vertrapt, den m am van Christus uitwerpt. Dit ligt in het anti. Zulk een kerk beweert de kerk van het beest en niet die van den Christus te zijn, en neemt aan deprac:ijk, den naam, de banier van het beest.
Wanneer we nu de Roomsche kerk nagaan, zelfs in haar jammeilijkc vei-schljning vóór het concilie van Trente, dan zien we een per excessum intensief gebruik van het kruis, en daardoor een bederven van den dienst des kruises. Doch den naam van Christus heeft zij nog niet afgelegd, maar zjj beweert wèl de eenige ware kerk van Christus te zijn. De ambten en ministeria blijven gehandhaafd, hoezeer ze ook spurieus gemaakt zijn.
quot;Wèl dus kan met recht worden gezegd, dat de anti-christelijke geest reeds nu in Rome werkt. De anti-christ zelf toch is de culmineering van een actie, die alle eeuwen doorgaat. Hij komt eerst aan hot einde der eeuwen, blijkens de openbaringen. Daarom vond het denkbeeld, dat de paus de antichrist was, ingang bij hen, die do wederkomst des Hoeren elk oogenblik verwachtten,
vooral in de mystieke kringen.
Nu moeten we de drie wegen, nagaan, waarlangs Satan dat bederf in de kerk inbrengt. Deze drie machten. Waardoor do kerk gedeformeerd wordt zijn:
1° do hiërarchie.
2quot; de philosophic.
8quot; de civiele macht, het civilisme.
Intusschen, we moeten wèl in het oog houden, dat, waar we zoo even spraken van twee acties des Satans: de pseudo- en de anti-christelijke, en nu weêr gewag maken van drie wegen, we hier niet verschillende loketten
245
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
aangeven, in dien /in, dat in den loop der historie het eone geregeld op hot andere zou volgen, lu hot lichaam der historie is geen cheinische saamvoeging, maar liggen de instrumenten en acties in elkaar gestrengeld, terwijl de forma pura eerst aan hot einde komt. Zoo treffen we wel degelijk pseudische elementen aan bij Rome, en daar waar het pseudo-christelijke karakter zich vertoont, is daarom nog geen afwezigheid van den anl i-cliristelijkcn zuurdeesem.
We geven alleen aan wat do hoofdfactor is.
Op gelijke wijze mogen we ons niet voorstellen, dat waar we de drie middelen des Satans; hiërarchie, philosophie en civilisme onderscheiden, in de ééne kerk alleen de hiërarchie zou indringen, en in een ander uitsluitend de philosophie verdervend zou werken, zonder dat de beide andere instrumenten hun invloed zouden kunnen doen gelden. Neen, ook deze drie kruisen elkander en roepen allerlei formao mixtae in het leven.
Het hiërarchische is het instilleeren van het gif in hot hart.
Het philosopliische is het instilleeren van het gif in het hoofd.
Het civilistische is het instilleeren van het gif in de levensverhoudingen.
I. Wat is er nu in het menschelijk hart waarop Satan werken kan in de kerkelijke relatiën?
Natuurlijk niet do zinnelijkheid. Ja, men mag wat wierook ontsteken, muziek en zang in de kerk brengen, maar dit is niet de weg, waarop de zinnelijkheid haar einde kan vinden. Het geld evenmin.
Maar wel kan Satan zijn eigenlijke principieele zonde in de kerk doen insluipen, de moederzonde van alle andere: de hoovaardij. Metterdaad staat het menschelijk hart in de kerk zeer wijd open voor do instilleering van het gif, dat tot hoovaardij leidt.
Nog verder. Tenzij bijzondere genade van Christus haar opkomen tegenhoudt, hoeft Satan niet eens een bepaalde actie te doen, om haar te doen ontstaan.
In de kerk zijn menschen met ambten bekleed, en met autoriteit. Niets nu verleidt zoozeer tot zelfverheffing dan wanneer we onderscheiding erlangen boven anderen op geestelijk gebied. Niets brengt zoozeer het gevaar van hoogmoed niet zich, dan het ambt van predikant. Dikwijls worden in den dienst der kerk een reeks van mannen geroepen, die, indien ze in hun familiekring gebleven waren een tamelijk nederigen stand hadden ingenomen, en op een kantoor, op liet platteland, of in welk ambacht ook zouden zijn werkzaam geweest. Nu worden zij op eens uit dien kring genomen, op oen kansel geplaatst, en geroepen om te spreken met autoriteit. Welnu, men zou blijk geven het menschoiyk hart niet te kennen, indien men dacht, dat dit alles mogelijk was, zonder dat de zonde der hoogmoed zich deed gelden. Velen
24fi
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hebben, hokuis! niet audoi'ö gedaan dun het predikambt iniisbi'uikt. om/ii'lizelt te bederven.
Vandaar de menigte clericale flguren, die onder ons allerlei ellende hebben gekweekt.
Vandaar de verfoeide dominocratie. Men /ei de menschen aan te moeten waken, bidden en strijden, terwijl men er voor een groot deel niet aan dacht, dat de zonde van zelfverheffing in eigen boezem moest bestreden.
Dit nu is het machtigste instrument in Satan's hand. Uit die zonde ontsproot clencalisme, domitiócratic, hiërarchie, wegneming van do rechten van den enkele geloovigo ei) van de plaatselijke kerk, en uit haar werd gebomi die spuriëteit, die men aanschouwt èn in de anti- en in de pseudo-christelijke kerken.
11. Het tweede instrumenteele middel is de philomphit.
Het aanknoopingspunt voor dit kwaad ligt in de taak van de kerk.
De kerk heeft een taak, Het goud ligt besloten in Gods Woord, maar moet uit dat Woord als uit een mijn worden uitgedolven. Wc hebben niet. zooals de Methodisten willen, slechts na te spreken, wat in den bijbel staat. Dit standpunt leidt tot dwaasheden, evenals een vragenboekje, dat een twintig-tal jaren geleden verschenen is, waarin allerlei vragen waren opgenomen, die steeds met een bijbelwoord werden beantwoord. Dit toont niet het minste bogiip
van de roeping dor kerk. Noen, alles komt er op aan, om te zeggen, wat zulk een bijbelwoord zeggen wil. Dit is: het opdelven van liet goud uit de mijn; het reflecteeren van de openbaring in het menschelijk bewustzijn.
Bij de volken, waarbij de openbaring het eerst is ingetreden, de Babyloniëis, en Israël, vinden we niets van philosophie. De Japhetietische stam daarentegen, de volken van Europa, hebben het dialectische talent van God ontvangen. Do taak nu is, om de waarheid Gods in de bedding van het discursieve denken in te leiden en dogmatisch den inhoud der Heilige Sclirift te cristalliseeren. De dogmata fixeeron, en verder ontwikkelen, ziedaar de roeping der kerk.
Of wij dan meer weten dan een man als Justinus Martyr?
Wat den inhoud betreft, zijn wij niets verrijkt, maar wij weten oneindig voel beter, wat wij liebbon. Een kind, dat hier wonende, bezittingen heeft in de Oost, heeft van zijn rijkdom weinig besef. Maar later, zijn eigendom zeil waarnemende, weet hij, wat hij bezit. Wij zijn dus geen korrel goud rijker dan een Justinus Martyr, maar in den loop der eeuwen is het proces der uitdelving en der uitbrenging van den schat oneindig veel gevorderd.
Deze taak bracht echter een eigenaardige verzoeking met zich.
Want de mensch brengt het stramien aan, waarop de bloem der Open-
247
Colleg-e-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
baring moei worden geborduurd. Hij heeft een stramien, waar reeds iets op staat. Toen de töuropeesche wereld de Openbaring kreeg, stonc'op dat stramien een gansche hoidensche philosophic geborduurd. Eerst moest nu dat eerste borduursel uitgerafeld, en met dezelfde draden een betere figuur gemaakt. De groote verleiding voor den mensch is nu, om niet de philosophic te gebruiken als instrument, dat den inhoud ontvangt van de Openbaring Gods, maar om haai' zelf te laten nieèsprekcn, deels haar met de Openbaring te laten vermengen, deeds haar voor tie Openbaring in de plaats te schuiven.
Op het terrein der waarheid is door haar alle kwaad gesticht.
Hierin kunnen we nrschillcndc stadiën onderscheiden:
1° de haeresie.
2° de theologia naturalis.
S1' de pagamstischc philosophic.
4° de ontkenning van alles.
1° De haeresie is steeds hierdoor voortgekomen, dat men bestanddeclen, stellingen, elementen, hetzij uit de hcidensche, hetzij uit de rabbinistischc gedachten-wei'eld, vermengd heeft met de Openbaring Oods. Daaruit ontstond Gnosticisme, Ebionitisme, en wat niet al. Een heiden heeft echter nooit een cbionietische dwaling in het leven geroepen, maar de Joden. De Joden zijn niet de vaderen van het Gnosticisme, maar de heidenen.
Daarom, wie do Openbaring gaal indenken, moet eerst zichzelf ontledigen, hoezeer ook de neiging bestaat, om iets van zichzelf te behouden.
2° De teruggang tot de theologia naturalis heeft dan plaats, wanneer Gods Woord wordt op xijde geworpen, d, i. de loochening der bijzondere Openbaring. De Nederlandsch Hervormde kerk als zoodanig heeft Gods Woord op zij geworpen. Daarmede is de bijzondere Openbaring verloren, en gaat men vanzelf terug tot de theologia naturalis. De moderne richting was in haar opkomen dan ook niet anders dan dit. Alleen datgene, wat liet godsdienstig bewustzijn goedkeurt, het semen róligionis, is overgebleven.
Kvenwel is men daarmede nog niet dadelijk tot den paganistisrlicn rorm teruggekeerd. De theologia naturalis toch bij de christenen, is door den invloed van het Woord gezuiverd geworden, althans weer op de zuivere basis teruggebracht. Vandaar dat men bij de modernen in hun eerste optreden zooveel zuivere godsdienstigheid aantrof. De inspraak van het monschelijke hart was nog zuiver. Maar, daarbij blijft het niet staan. Bij den uitgang uit het paradijs was de theologia naturalis ook nog zuiver. Doch die Inspraak van hot godsdienstig bewustzijn wordl vervalscht. Ook het tegenwoordige modernisme moet steeds meer indringen in die paganistische philosophic. Vandaar dat we het oude Boeddhisme weer steeds meer zien optreden. Wij allen stammen
248
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
uit die Boeddhistische wereld. Wij allen zijn grondtypen van die volkeren. Duur vandaan is die neiging vun het Pantheïsme de eerste neiging, die zich uit de theologia natumlis ontwikkelt.
4° De God-loochening, de volslagen irreliymUeU, is het laatste stadium.
Ln alle eeuwen van de christelijke kerk is er een openbaring van die verschillende stadiën geweest. We zien, hoe de Unitariërs vóór de modernen en de Socinianen vóór de Unitariërs dat standpunt van do theologia naturalis hcbbrii ingenomen.
III. Het civilisme is het derde gevaar waarin Satan de kerk brengt.
Er js door Christus een kerk in de wereld geplaatst, niet om als een olie-drop op het water te drijven, maar om in de wereld in te gaan. Haar roeping is in, niet buiten de wereld. Maar nu vinden we in het leven der wereld dezelfde antithese met de kerk, als in de philosophie en do openbaring.
Er is niet alleen een theologia naturalis maar ook een vita naturalis, een burger-maatschappij. Deze beeft als zoodanig geen clirlstelijk karakter, maar staat buiten de bijzondere openbaring Gods, en moet als zoodanig worden opgevat.
Dit tegen hen, die een gereformeerden staat willen oprichten, hetgeen daarom niet kan, wijl men dan de overheid vernietigt in alle anti-christelijke landen. In iieel de Schrift wordt ook de burgerlijke overheid in heidensche landen beschouwd als overheid, en wèl, van Gods wege. Het duidelijkst zien wij dat aan de uitspraak van Jezus voor Pilatus'rechterstoel: „gij zoudt geen macht over Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware.quot; Daarmee is eens en voor altijd uitgemaakt, dat ook do heidensche overheden, overlieden bij de gratie Gods zijn.
Paulus, zelf levende onder een heidensche overheid, en schrijvende aan een kerk onder een heidensche overheid, heeft gezegd: „alle ziel zij de machten over haar gesteld, onderworpen, want er is geen macht, dan van God en de machten, die er zijn, die zijn van God verordend.quot;
Is dit nu waar, dat ook in heidensche landen, de overheid bij do gratie Gods is, dan kan liet christelijke karakter der overheid nooit dan een bijkomende qualiteit zijn en nimmer de essentie uitmaken.
Daarmede is uitgesproken, dut het burgerlijke leven zijn eigen beloop heeft, waarvoor God eigen instellingen heeft gegeven, behoorende bij de (foaUst'a tov xóofiov, 'en wèl van do kerk, als behoorende tot do jlaaUêin rcöv ovgavav, principieel onderscheiden.
Waar nu de kerk geroepen is, om in den y-óauog op te treden, ontstaat vanzelf op de grens van beider terrein zekere wrijving.
We zien dit duidelijk bij het kwwelijk.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Het liuwelijk is ecu burgerlijke instelling, en toch tevens oen zaak der kerk. Hier moet dus verstandhouding tusschen die twee worden go/.ocht.
De kerk moet dus in de wereld oen verhouding zoeken. Wc mogen niet met do Anabaptisten een nieuwen staat oprichten.
Maar nu juist ontstaat het gevaar, dat die verhouding wordt vervalscht. Satan poogt al wat uit die burger-maatschappij voortkomt, als behoorendo tot het natuurlijke leven te verheffen, als ideaal te stellen en daarbij de kerk te declineeren. Vandaar de regel: Ecclesia sequitur curiam, een oorspronkelijk goede uitdrukking, gebezigd, om de grens aan te geven van de plaatselijke kerk; nu echter — uit het verband van haar beteokenis gerukt — een demonische, gevaarlijke en hoogst verleidelijke regel geworden.
Welke zijn nu de stadiën, waarin dit civiele gevaar zich openbaart?
1° dat, waar du kerk een regiment moet hebben, en ook do burger-staat een regiment heeft, men don civielen vorm van het burger-regiment in liet regiment dor kerk wil indragen.
In ons land zagen we hiervan voor eenigo jaren een schoone proeve, hoe alle juristen zich niet anders kondon inbeelden, of' kerkelijke overheid en burgerlijke overheid waren precies hetzelfde. Men beschouwde liet steeds, alsof men dezelfde regelen voor het bestuur had ook in het kerkelijke leven,
2° dat de kerk van de civiele magistraat wordt afhankelijk gemaakt.
Deze afhankelijkheid nu heeft weór verschillende graden:
a. ze begint daarin, dat do overheid zich het recht aanmatigt, om op de kerkelijke regelingen en bonoomingen invloed uit te oefenen;
b. voorts, dat de kerk zichzelf als een onderdeel van den staat gaat beschouwen, als een succursaal van de staats-machine;
c. eindigt daarmeê, dat do staat heel den kerkvorm op zij werpt en zelf een eigen vorm voor de kerk schept.
Van het eerste («) geldt het jus circa en in sacra.
De kerken hebben steeds aan de overheid toegekend het jus circa sacra, terwijl de juristen steeds voor de kerken wilden vindiceeren het jus in sacra.
Met betrekking tot het tweede kwaad (/gt;), om de kerk als een succursaal van de overheid te beschouwen, treffen we weer verschillende vormen aan:
«. In do Engelsche kerk in dezer voege, dat de overheid do koning of koningin beschouwt, als do van God bestelde persoon, om te zijn: 1° hoofd der burger-maatschappij, 2° hoofd der kerk, als defensor fldei.
Deze regeling is ingesteld door Hendrik VIII, die zichzelf tot pans wilde maken. Ook nu nog staat do koningin van Engeland boven de aartsbisschoppen en de bisschoppen.
(3. In de Laliwrscli(i lauden waar de regèl geldt, dat de princeps is summus
260
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
opiscopus, op dezcltVU' wijze als de positie van de koningin van Engeland, maar eenigszins gewijzigd. Hendrik VIII was als hoofd des lands tevens hootd der kerk. liij de Lutherschen vloeit echter het tweede niet uit het eerste voort, maar /iet men in den persoon die twee saam vallen. In do tweede plaats geldt in do Lnthersche landen de regel: mju* regio ejus religio, waardoor aan de Vorsten het recht werd toegekend, om den godsdienst van het land te bepalen; oen zeer ver strekkende en toch natuurlijke gevolgtrekking van het beginsel. En bezit die persoon eenmaal die qualiteit, dan moet die invloed ook in het heele land bestaan.
3(! Dat do kerk in die verhouding tot den staat komt, als bij ons de Anni-nianen vvensehten, en algemeen in Europa naar den naam van Erastus gekend wordt: hel lïrastianisme, n.1. dat do overheid wel niet als zoodanig een kerkelijke waardigheid zou bezitten, geen sum mus opiscopus, of ook defensor Iklei /ou zijn, maar in dien zin, dat de overheid, over heel het menschelijko leven gezet, ook over 't roligieuse in het menschelijk leven heeft te waken.
1' Met laatste stadie: het collegiate kerkrecht, dat de staat aan de koik den vorm voorlegt en voorschrijft, en zegt: De eenige vorm, waarin ik u kaï laten leven, is die van het collegium, van het genootschap, van de corporatie. Hierdoor heeft men de kerk gedwongen, haar eigen kerk-vorm te laten glippen, om den zuiveren civielen vorm te aanvaarden. De collegiale vorm was 't steeds, waarin de staat de kerk zocht te wringen. Niet alleen is daarvan in ons land de Nederlandsche Hervormde kerk, maar ook de Luthersche en andere kerken, voorbeeld.
In een laatste observatie moet de vraag beantwoord, wat te doen, wanneer de forma spuria is geworden, 't zij pseudo-, 't zij anti-christelijk - om de forma wéér te erlangen, gelijk ze zijn moet.
Dit is geen quaestie van zuivering, maar van reformatie, omdat de lorma is aangetast. Deformatie postuleert reformatie.
Bij al die vormen van spuriöteit, is nog wel degelijk het organisme dei-kerk. Daar is een terrein, waar God nog met zijn genadegaven werkt. Dit spreekt zich uit in het algemeene karakter van den doop, die over en weer bestaat. Maar al openbaart zich in die kerken nog een deel van het organisme, dit neemt niet weg: de forma is spuria geworden. Daarmede mag de geloo-vige geen vrede hebben. Die spuriöteit moet worden weggenomen. Laten die kerken dit toe, dan blijkt, dat ze wel gedeformeerd, maar nog niet spuriac waren, het kwaad nog niet hadden gesystematiseerd. Verzetten zo zich daai-tegen, dan moet met de valsche forma worden gebroken.
Daar is tweeërlei vorm waarin de reformatie optreedt:
le hot kan zijn, dat de ecclesia localis nog bestaat;
251
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2e het k;iii ook zijn, dat ik nog maar alleen mot du occlvsia generalis kan te doen krijgen.
Bij de Reformatio was van het eerste geen sprake. Do Roomsche kerk had geen plaatselijke kerken. Er bestaat geen Roomsche gemeente van Amsterdam. Maar bij de synodale hiërarchie bestond de ecclesia localis nog. Daarom moet daarbij een andere houding worden aangenomen.
Hieruit volgt: De verplichting tot reformatie kan rusten:
of op de personen,
of op de kerken.
Bij de Reformatie konden alleen de ambtsdragers en de geloovigen handelen, /e konden alleen breken niet de ecclesia generalis.
Maar, bestaat de ecclesia localis nog, dan kan:
of do geloovige te handelen hebben met de ecclesia localis,
of de ecclesia localis met de ecclesia generalis.
Dus:
of de geloovige bespeurt de deformatie van do plaatselijke kerk, en wil tot reformatie overgaan,
öf de plaatselijke kerk bespeurt de deformatie van het kerkverband, en wil tot reformatie overgaan.
S 12. Do e cc. Ie si a rum vita coramuni.
„De cliiistclijkc kerken, hoewel elk in zichzelve de forma completa eener kerk vertooneiulu, of althans potentieel bezittende, hebben geen vrijheid om elk op zichzelve te blijven staan, en zich vreemd aan elkander to houden.
Als elk oigt; zichzelve en alle saam openbaringen van het céne zelfde Lichaam van Christus, ligt aller wortel uitgeslagen in één zelfden levensbodem, en staan ze alzoo krachtens haar oorsprong in organisch verband, en Juist dit legt haar van Christus' wege de verplichting op, om ook als ecclesiae formatae uitwendig verband te zoeken.
Niet eerst door het leggen van dezen band komen ze byeen to hoorei), maar omdat ze bijeen hoeren moet ook deze band uitwendig aangelegd. Al kan dan ook formeel en institutair al zulk verband niet anders dan bij wederzijdsche stipulation en bij manioi van ovcxeen-komst gelegd worden, toch mag ook hier geen pelagiaansche .eigenduu-kelijkheid toegelaten, maar hebben de kerken in gehoorzaamheid aan haar Koning te handelen, zoowel daarin, dat ze dezen band leggen, waar dit mogelijk is, en ten anderen, dat ze hem leggen naar den eisch van het Woord.
De verplichting tot correspondentie of confoederatie van de ecclesiae formatae rust dus niet op de weuschelijkheid om in meeideie veiga-deringen oen rechtbank van appèl of cassatie te schoppen, noch ook op do utiliteit, om zekere gomeenschappelijko belangen beter te bezorgen. maar vloeit voort uit den aard zelf van het kerkelijk wezen; en ook. waar iu casu dato noch de kerk-regeering, noch die gemeenschappelijke belangen saamleven noodzakelijk maakten, zou deze toch als eisch blijven bestaan:
1° voor de gemeenmaking der genadegaven,
2° als correctief tegen christelijke eenzijdigheid,
3° als utajrvQt'ti tegenover de wereld.
•luist daarom echter mag deze eisch niet beperkt tot de kerken van één zelfde land, maar gaat door voor alle kerken op aarde, en het ideaal zou dan eerst bereikt zijn, indien alle kerken op aarde in éene
253
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
confoederatie saamleefden, in één concilie do kerkelijke macht konden Kaïunbrengen: en in één zelfde confessie zich konden uitspreken. Zóó was het dan ook oorspronkelijk, en nooit mag dit ideaal losgelaten en zelfs met die kerken Christi, die het verst afweken, en quod ad formam. geheel spuria geworden zijn, moet toch in zooverre altoos zekere verwantschap erkend, zoodat de wederzijdsche doop stilzwijgend kunne gehomologeerd worden. Reeds hieruit echter blijkt, dat deze vita communis al naar gelang de overeenkomst tusschen de gestalte der onderscheidene kerken meer of minder volkomen is, een lossere of meer gebonden vorm zal aannemen. In haar meest gebonden vorm is ze alleen bestaanbaar tusschen die kerken, die in belijdenis, in kerk-regeering en in taal één zijn, en tegelijk geografisch op elkander zijn aangewezen. Waar bij ontstentenis van deze overeenstemmende quali-teiten, een zoo vast verband niet kon gelegd, treedt de zwakkere vorm van correspondentie op; en waar ook de mogelijkheid van afdoende en wel geregelde correspondentie afstuit op het diepgaand verschil in belijdenis en kerk-regeering, blijft als zwakste vorm alleen de gemeenschap in het sacrament des doops over, soms accidenteel verbonden met een gemeenschappelijke verdediging van zekere belangen tegenover derden.
Het besef van christelijke verwantschap, dat ook ten opzichte van secten als Kwakers, Plymouth-brethren, Darbisten enz. onmiskenbaar is, hoort hier niet bij, daar dit uitsluitend de enkele personen en niet de ecclesia formata als zoodanig raakt.quot;
Om dit stuk goed te vatten, moeten we eerst letten op de ycylla en de ('harybdis, waarop de kerken geraakt zijn.
Eenerzijds: de Scylla van de Roomsche en de collegiale kerken, die één groot geheel willen vormen, en
andererzijds: de Charybdis van het Independentisme, dat pelagiaansch elke kerk zonder verband met anderen op zichzelf doet staan.
Om dit Independentisme in zijn wezen te doorzien, moeten we niet uitslih-tend letten op het in do vorige paragraaf desaangaande besprokene, n.1. dat het de ecclesia localis niet eerbiedigt, maar eiken kring van geloovigen als ecclesia completa denkt. Die kring beweert dan alle rechten en bevoegdheden te hebben van een kerk van Christus. Ue Gereformeerden stellen daartegenover, dat de geloovigen van één plaats mam genomen alleen die autoriteit bezitten, opdat die independistische wortel zou worden uitgesneden. Immers, niet naar willekeur mag de mensch aanwijzen, met wfe hij zal samenwonen. God de lloere
2-r)4
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
is hot, dio bepaalt wie mot olkaudor in kerkelijk verband zullen saamleveii, en dit beginsel wordt eerst gohukligd, wuiiut.'er ik de ecclesia localis als com-plota erken, aangezien (Sod dan zelf de grenzen bepaalt.
Doch, bij do behandeling van deze paragraaf hebben we oen tweede kwaad van het Independentisnie op het oog. In een volgende paragraaf, over liet regimen ecclesiae, zullen we hierover nader handelen. Om het gewicht der zaak moeten we echter er reeds nu oven op wijzen.
De Independent zegt; „ik ben lid van een op zich zelf' lovende kerk. Wel wil ik afgevaardigden zenden naar oen andere kerkelijke vergadering, van de genomen resolutie wil ik wel kennis nemen, maar van verplichlii/fj om te deputeeren, en van macht, die zulk een meerdere vergadering zou bezitten, wil ik niets weten.quot;
Ziehier dus weer het Pelagianisme. De eigendunkelijkheid en de vrije wil wordt op den voorgrond gezet. Ze spelen kerk anders is het niet — en willen met andere kerken ook saam spelen, maar zich aan een gezag onderwerpen, niet.
Hier tegenover staat weêr het gereformeerde beginsel.
Zeer zeker is in het monschelijk lichaam het oog anders als het oor, de voet als do hand, en heeft ieder lid des lichaanis als zoodanig een eigen wezen, maar, — die voet en die hand, dat oog en dat oor zijn in het lichaam gezet in het verband, dat do Heere heeft beschikt. Zóó ook in het Lichaam van Christus, Als er ecclesiae locales zich openbaren, dan bezitten deze in se de completudo, maar . . . als organen, als brokstukken van het Lichaam van ('hristus, met de roeping in dat verband te treden, dat (lod de Heere heeft verordineerd.
Dit staat niet vrij, maar ww/. Natuurlijk: het omnagd^h'- kan niet gedwongen. Weigert een kerk, dan is het daarmede uit, maar zij verzaakt niettemin daardoor haar verplichting.
De Heere heeft over do kerk, niet zij over zichzelve te beschikken. Hij, dezelfde Heere van hot Lichaam,
De Gereformeerden gaan echter nog verder.
Kr is aan elke plaatselijke kerk van Christus' wege autoriteit gegeven, maar deze autoriteit is niet overgeleverd aan den wil van menschen, maar gebonden aan den levensregel, dien Christus gegeven heeft. Deze kerken hebben alzoo de macht, om uit eigen kringen autoriteit saam te mengen, zoodat wanneer ze saamkomon in classo of synode, ze daar zitten met audoritas mixta. Niet met een macht, door een mysterie of wonder geboren, maar gezamenlijk bezitten ze die anctoritas, omdat iedere kerk auctoritas van Christusquot; wege ■meêbrengt.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Wd gevoelen nu, hoe onzinnig hot was, dat, toen iu ons land weêr werd amigedrongen op de liandhaving van het recht der iilaatselijke kerk, de tegenwerping opkwam, dat men zoo den weg van hot Independentisme inging. Men gaf blijk daardoor van de zaak niets te begrijpen.
Ziedaar liet gevaar, dat van do Gharybdis dreigt.
Een ander gevaar, dat ons, vooral op het vasteland van Europa, veel meer bedreigt dan het I ndependentisme, en tot tweemalen toe zoo onnoembaar veel kwaad heeft berokkend in de Hoomsche lüërareiiie en het Gollegialisme staat hier tegenover.
Wanneer men de vita communis, die de ecclesiae formatae hebben, niet, gelijk wij met een enkelen trek teekenden, van onder op naar boven laat komen, maar van boven schept, en naar beneden laat afdalen, dan is het gedaan niet het zelfstandige karakter van de eaclesia localis, worden alle plaatselijke kerken in één genootschap opgesmolten, en gaat het juiste rapport tusschen tie ecclesia visibilis en invisibilis te loor. Waarom kan die auctoritas alleen van beneden opklimmen naar boven?
Wanneer ze van boven naar beneden zal afdalen, dan moet ik schepp 'ii een centrale macht op aarde. Natuurlijk belijden ook de Gereformeerden, dat alle autoriteit van boven afdaalt, ziende op den Koning in de hemelen, maar Rome en het Gollegialisme bedoelen een centrale macht op aarde: do pauselijke stoel, de synode.
Wanneer nu in de Heilige Schrift was aangeduid, dat de centrale macht, zooals die inderdaad bij de apostelen heeft berust, duurzaam bestond, dan znudeu we ons daaraan eenvoudig hebben te onderwerpen. Evenwel, wanneer die macht der apostelen heeft uitgediend, dan vinden we geen spoor, waaruit verder du macht zou voortkomen; zij zou niet door Gods Woord gelegitimeerd zijn. Die valsche macht moet dus vanzelf de kerk van Ghristus bederven.
De uitkomst heeft dan ook geleerd, dat overal, waar deze macht zich wist ep te werpen, liet met de ecclesia localis gedaan is. In de Grieksche, Armenische, Roomsche kerk is van geen plaatselijke kerk meer sprake. Daarmede is vanzelf alle recht en vrijheid van de geloovigen, om mede in het bestuur op te treden, vernietigd, in naam bestaan in het collegiale kerkrecht nog plaatselijke kerken, maar feitelijk is de zelfstandige macht geheel opgeheven, en zijn ze slechts afdeelingen van het groote geheel, iets, wat concreet daaruit blijkt, dat men in elke collegiale kerk niet van een plaatselijke, maar van een dnsgenoemde landskerk spreekt.
Een tweede punt, dat aandacht verdient , is, dat men het kerkverband nooit mag beschouwen ex utilitatc.
Dit geschiedt vebl onder de Gereforineerden, en daarin betoonen zij zich
256
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
alsdan lialvo Arminiancn. Men zogt, dat er zeer zeker ecu kerkverband moet zijn, dat saamkomeu in dassen en synoden zeer goed is, maar, — en dit is het verkeerde — dit is alleen daarom noodig, omdat zaken van verschil, van tucht voor iemand, die wordt lastig gevallen, soms appel vereischen, en ook vaak het proces moet worden gecasseerd.
In de tweede plaats zijn er predikanten-noodig. Oefenaars kunnen op den duur niet voldoen. Er is derhalve opleiding noodig. Deze vercischt zorg. Dit eisclit wederom regeling van een examen. Bovendien is het plicht, dat de rijker(3 kerken de armere helpen, dat kassen voor emeriti-predikanten worden opgericht, dat vacante plaatsen worden geholpen in het vervullen van beurten. Zoo zijn er tal van nooden, die niet kunnen worden vervuld, als men alleen staat.
Hoe wordt het dan?
Dan wordt het de toestand van een ouden weduwnaar en een weeuwtje, die elk desnoods op zichzelf zouden kunnen blijven leven, maar toch maar liever, om het wat beter te hebben om zóó te spreken - botje bij botje loggen, en nu in het huwelijk treden. Met zou echter ook anders kiumen.
Zóó stelt men het ook voor in zake het kerkverband. Het kon ook uitblijven. Daarom leggen we er nadruk op, dat we met het utiliteits-standpunt in het minst geen vrede mogen hebben, en dit moet zóó sterk genomen, dat, al was het, dat een kerk aan geen ding gebrek had, 1), v. een kerk als die van Amsterdam, toch van Christus' wege op haar de verplichting rust, om oen verband met de andere kerken te zoeken.
Alsnu moeten we handelen over de vita communis zelf.
Hierbij hebben we deze antinomie, dat het leven der kerken var. Christus bestaat eer ze geconfoedereerd zijn, en toch niet kan uitkomen zonder confoe-deratie.
Derhalve moet er worden gewaakt tegen twee kwaden:
1° tegen hen, die zeggen, dat de vita communis ontstaat door do confoede-ratie, en haar dus geheel in het uitwendige nemen;
2L' tegen hen, die, om het uitwendige tegen te gaan, de vrijheid van de kerken, om te confoedereeren, opheffen en zeggen, dat iemand, in een streek komende, vanzelf tot die kerken hoort.
We kunnen ons van de zaak het best een voorstelling maken, wanneer we ons denken een stoomschip, dat b. v. naar het Nianza-meer moet worden getransporteerd. Eerst wordt dat schip in schets gebracht. Naar die schets worden de verschillende deelen en brokken gemaakt. Deze deelen en brokken worden over zee gezonden, en aan den oever van liet meer worden de stukken in elkaar gezet als één geheel.
Zóó is het ook in deze materie. Elke kerk is een stuk op zichzelt, en de
257
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
roeping om al deze stukken in elkaar te zetten, is geen ivillekenrige, maar hangt af ran. het oorspronkelijke bestek, evenals het ineenzetten van het stoomschip afhangt van het. plan, door den ingenieur gemaakt. De deelm van het schip kunnen geen eenheid in werkelijkheid vormen, voordat al de deelen in elkander zijn geklonken. Zóó hooren ook al de deden van het Lichaam van Christus bijeen, en komen toch eerst hij elkaar door stipulation, als door de klinkers, die het schip tot één geheel slaan.
Het gereformeerde standpunt ligt ook hier weer in de praedestinatie. Al de opeuharingen. van het Lichaam van Christus op (die plaatsen der aarde, en de wjze waarop zulk een plaatselijke kerk zich op een bepaalden tijd, zat vertooncn, dit alles ligt in de praedestinatie. Eveneens liggen in de praedestinatie al die deelen als stukken van één geheel.
Maar nu moet nog iets gebeuren loaardoor datgene, ivat in de, praedestinatie ligt, realiteit wordt. Dat is de confoederatie, de stipulatie Zóó zijn deze bepaalde man en die bepaalde vrouw voor elkaar door God aangewezen en gepraedesti-neerd; maar hiermede zijn ze nog niet getrouwd. Eerst door de echtverbintenis wordt het realiteit.
De vita communis ligt dus potentieel in het besluit Gods, in het Lichaam van Christus, maar komt actueel eerst tot stand door confoederatie, en stipulatie.
Om deze voorstelling te bestrijden, heeft me)i meermalen de kerk vergeleken hij een gezin.
Gelijk bekend, is, is in den laatsten tijd van ernstige troebelen van Gereformeerde zijde een beroep geschied op hetgeen Voetius in zijn „Politica ecclesiasticaquot; geeft omtrent hel door stipulatie ontstane kerlMerband. Prof. Klein c. a. weerspreken Voetius, en hebben een andere meening. Deze meening is in hoofdzaak, dat men de kerk aanziet voor een gezin. Men beschouwt dan elke plaatselijke, kerk als een kind van de gemeenschappelijke moeder. In een gezin nu, sluiten de kinderen geen verdrag, maar zijn onderling door den broeder- en zusterhand verbonden, en moeten saamleven. Ook nam men wel het beeld van een volk: tre zijn burgers van Nederland, of ire willen of niet; ivyj zijn het krachtens geboorte.
Deze voorstelling nu is volkomen juist, zoolang men ze laat op hel terrein, waar zij thuishoort. Ook Calvijn spreekt van de kerk op dezelfde wijze in het begin van het vierde boek van zijn Institutie ; maar hij doet dit op geestelijk terrein. Calvijn doelt daar op onze geestelijke, niet op onze vleeschelijke geboorte. Uit dat huwelijk toch van den Heere met zijn kerk ivorden geboren kinderen Gods. (teen Gereformeerde evenwel heeft ooit beweerd, dat die kinderen Gods als zoodanig stipidatiën moeten aangaan. Men geroete, hoe dus valsch spet wordt gespeeld. Men stelt het voor, alsof uit dat hmreUjk plaatselijke kerken worden geboren. Dit nu is volkomen onzin, immers, die' moeder, waaruit de kinderen Gods
17
258
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
geboren worden, zijn juist de plaatselijke kerken. Die plaatselijke kerken zijn niet liet kind, maar de moeder zelf. In hun systeem is die plaatselijke kerk een ondergeschoven kind.
Maar ook hierom is dit geheele beeld verkeerd en dadelijk weersproken, wijl, — en dit stemmen zij zelf toe — iemand op zekeren leeftijd door belijdenis het lidmaatschap der kerk aanvaardt. In het huisgezin echter komt nooit een moment, waarop de moeder spreekt tot de kinderen: wilt gij mij tot moeder aannemen of niet? In de kerk echter wordt men wel degelijk op zekeren leeftijd voor de keuze geplaatst, of men membrum completum wil worden of niet.
De vita communis in haar beteckenis.
Deze beteekenis is tweezijdig:
1° van de eéne zijde is ze necessaria;
2° van de andere zijde is ze contingent, accidenteel.
De necessitas van de vita communis der kerk is natuurlijk in den aard van de kerk gelegen, terwijl de vita communis van haar accidenteek zijde gelegen is in de gesteldheden der kerken.
Iets wat noodzakelijk is, moet altijd in het wezen, in den aard van een zaak gelegen zijn. Iets wat contingent is, hangt aan bijkomstige omstandigheden. Onder de accidenteele beweegredenen hoort alzoo b. v. dat de ééne kerk arm en de andere rijk kan zijn, en zij dus elkander moeten helpen; maar deze drangrede vervalt geheel, als de kerken alle even arm of rijk zijn. Het verschil tusschen noodzakelijk en contingent is hiermede duidelijk.
I. Wat is nu de noodzakelijke beteekenis van dat kerkverband?
le Deze ligt hierin, dat wel elke plaatselijke kerk in zichzelf completa is, maar niet elke plaatselijke kerk ontvangt alle genadegaven.
Denken we ons een kerk op het eiland Urk. Formeel heeft zulk een kerk al wat tot het wezen eener kerk behoort: ambten, sacramenten enz. Maar wanneer nu deze kerk eens vier of vijf eeuwen geheel geïsoleerd voortbestond, hoe zou ze dan niet verdorren en verarmen! Nu wordt door allerlei dingen op die kerk ingewerkt, door lectuur enz. Maar bestond er geen contact: om slechts één zaak te noemen, — de beginselen van het kerkrecht zouden haar ten eenenmale vreemd zijn.
Feitelijk doet zich zulk een toestand voor. In Afrika is een kerk het slachtoffer van haar isoleering geworden. De Koptische kerk toch was eerst een goede kerk, niet zonder beteekenis, maar zij heeft zich teruggetrokken, en was bovendien geïsoleerd door haar eigen koptische taal. Wat is er nu van deze kerk, die nu reeds twaalf eeuwen op zichzelf drijft, geworden? De doop is er nog, het kruis kent men nog, de naam van Jezus wordt nog genoemd.
25«
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
maar verder is alles ia de war geraakt, en van werkelijk christelijk leven is bijna geen spoor meer te vinden.
Hetzelfde aanschouwen we bij de kerken o[gt; den Libanon, en in enkele streken van Achter-Azië. Ook zijn er eenmaal enkele christelijke kerken in China gesticht, waarvan men nu niets meer aantreft dan de overlevering. Hetzelfde verschijnsel doet zich ook voor op Java. Ds. Lion Cachet van Rotterdam vond daar bij zijn bezoek aan de Indische kerken slechts schimmen van christelijke kerken. Menschen werden gedoopt, ook waren er nog ouderlingen, maai' het was reeds veel zoo dezen het „Onze Vaderquot; kenden, terwijl van de kennis der „10 (lebodenquot; geen sprake kon zijn. Ook \j'as daar een zekere Sadrach opgestaan, die zich voor den Christus uitgaf.
Uit dit alles blijkt genoegzaam, dat de plaatselijke kerken er op zijn aangelegd om een hulpe tegenover zich te hebben, evenals Adam er op was aangelegd, om Eva aan zijn zijde te hebben.
Het sociale element, waarin het menscheiyke geslacht ligt, is ook. overgegaan op het Lichaam van Christus, wijl de kerk onder de menschheid optreedt. Een styliet of kluizenaar is geen mensch meer, maar een verdord mensch. Wijl nu deze sociale trek ook aan de kerk eigen is, lijdt een plaatselijke kerk een gebroken leven, indien zij geïsoleerd blijft. Juist door de gemeenschap met de overige kerken wordt door de communio sanctorum de bloei bevorderd.
2U De vita communis is in de tweede plaats necessaria, omdat de kerk o;j aarde geroepen is hel beginsel run de liefde te represenfeeren.
Oei ijk bij do communio der gaven uitkomt de gemeenschappelijke behoefte, zoo hier de gemeenschappelijke roeping van de kerk; de communiosavctorvm.
Omdat men de openbaring van één Lichaam is, moet deze eenheid ook naar buiten uitkomen. Wanneer uit één bron twaalf kruiken gevuld worden, dan is er, ook al zijn de kruiken dichtgesloten, gemeenschap tusschen dat water, wijl het één zelfde water is. Zóó ook hebben de verschillende openbaringen van het Lichaam van Christus één zelfde Woord, één belijdenis, één dienst, één aanbidding, die zij (lode toebrengen. Daarom: de communio sanctorum is eisch van het levensbeginsel zelf, dat in bet Lichaam Christi inzit. Jezus zegt dan ook zoo sterk mogelijk: „gij zijl allen broeders,quot; afgescheiden van alle persoonlijke sympathie of antipathie. Zoo blijft de gemeenschappelijke geboorte uit één Vader, de gemeenschappelijke verlossing door één Heiland, de gemeenschappelijke aanhoorigheid aan één Lichaam.
8° De pchftvftu fis tov xóopov is in de paragraaf als derde noodzakelijke drangrede aangegeven, waarom de vita communis niet mag worden gemist.
De kerk van Christus is niet in do Wereld gezet als een stichtelijke ver-eeniging, maar met een bepaald doel. Vroeger hebben we in den breede
260
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hierover gehandeld. We herinneren er slechts aan, hoe de kerk geroepen is (je wereld te getuigen voor des Heeren naam C'ii strijd te voeren, om ten finale den geest uit den afgrond te overwinnen.
strijdend is de kerk op aarde niet accidenteel, maar krachtens haar wezen. Dat is haar eigenaardige roeping. Allo ijdel roepen om liefde, verdraagzaamheid en vrede is een loochening van het karakter der kerk van Christus, ireniek is goed onder broeders, maar bedoeld als compromis niet de wereld, is het laten varen van den strijd tegen de zonde, een rechtstreeksclio aanranding
van het wezen der kerk.
Derhalve is er vita communis noodzakelijk, omdat de strijd niet gaat tegen vleesch en bloed. Zoo vat liet leger des heils het op, Het strijdt tegen een dronkaard. Daarom heeft het ook niets gemeenschappelijks met den waren aard van den strijd der kerk van Christus. Deze heeft niet den strijd tegen de eene of andere zonde, maar de roeping, om den leugen aan te tasten in alle uitingen van het menschelijk leven. Nu zal men inderdaad menschen hebben, die van de katheder een valsche loer verkondigen over allerlei verhoudingen in het loven, b. v. over het huwelijk en toch hoog opgeven van het heils-leger, dat enkele excessen tegengaat, terwijl zij met hun leugen-leerde fundamenten van het zedelijk leven bezig zijn los te wrikken. Jezus is niet gekomen om enkele excessen tegen te gaan, maar om in den wortel zelt de leugen aan te tasten. Daarom moet door de kerk de ware levens-beschouwing worden gepredikt, betreffende de verhouding tegenover de overheid, tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, heer en knecht, aangaande volken, natiën, muziek, kunst, litteratuur, ja, aangaande alle terrein desmen-schelijken levens.
Daar is een macht, die do kerk van Christus in dit haar streven wil terugdringen. En nu is er Immers geen gedachte aan, dat eenige plaatselijke kerk dien strijd zou kunnen voeren. Dit kan alleen, wanneer alle kerken haai genadegaven en licht saam brongen, en al de kolen vuurs, in eigen boezem geboren, bijeenbrengen tot één machtig vuur, dat met zijn warmte de koude en kilheid van de werkingen uit den afgrond verdringt.
Dit moet ten opzichte van de waarJicid nog iets nader worden aangediougen. Niet de onwaarheid wordt uit de onzedelijkheid geboren, maar de onzedelijkheid uit de onwaarheid.
Het groote kwaad zit niet in een moordenaar of in oen dief, maar in iemand, die verkeerde begrippen verkondigt. Zulk een verpest de gansche maatschappij. Daarom komt God de Heere niet allereerst in de wereld om de menschen beter te maken, maar om de waarheid te brengen. Satan wist dit, en begon niet met eerst de menschen kwaad te laten doen, maarniet den leugen ingang
201
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
te doen vinden. Daarom gaat de belijdenis vóór den wande] (natuurlijk gaat dit niet persoonlijk door, maar voor de kerken). Vandaar dat het van het hoogste belang is, dat do kerken van den aanvang af de waarheid Gods verkondigden. Daartoe moest die waarheid Gods worden ingezien, en dit kon niet door één plaatselijke ke rk geschieden, maar slechts na een strijd, waarbij alle kerken in het gedrang waren geweest, en ten bloede toe hadden gestreden, en eerst /.óó tot do waarheid waren geraakt. Zoo kwam de waarheid aan het licht als een resultaat van de barensweeën en moeiten, waarin alie kerken saam zijn gewikkeld geweest.
Wanneer één plaatselijke kerk wijziging in de belijdenis wilde brengen, dan zou zij zich vergrijpen aan een gemeenschappelijk bezit. Een plaatselijke kerk heeft aan dat gemeengoed slechts aandeel.
Wanneer nu een plaatselijke kerk op zichzelf bleef staan, dan zou dit dilemma ontstaan, dat of de belijdenis een petrefact word, waaraan nooit iets mocht worden veranderd, öf dat het elke kerk vrijstond naar gelieven met de belijdenis te handelen.
Hot eerste kan niet. liet dogma is steeds in beweging en moet telkens tot meerdere klaarheid en heldorheid worden gebracht. Zien we slechts hoe in de periode van 1563 -1619 door den strijd met de Arminianen het dogma is verhelderd. Het: tweede mag evenmin. Derhalve blijkt, dat ook deze zaak de vita communis noodzakelijk maakt,
4U De belijdenis mag nooit in do kerken primordiaal zijn. Primordiaal is steeds Gods Woord. Zoodra een kind van God meent, dat iets in de belijdenis in strijd is met het Woord van God, dan moet hij dit aan de kerk bekend maken, en deze moet dan óf dien persoon overtuigen uit den Woorde Gods, of de kerk moet de belijdenis naar het Woord van God veranderen. Dit nu ware niet mogelijk, wanneer er geen vita communis was. Dan zou men in de plaatselijke kerk al hot euvel hebben, wat men nu in de Hoomsche kerk heeft. Daar is de belijdenis petrefact en de libertas christiana vernietigd,
5quot; Hoort nog tot de noodzakelijke drangredenen, waaruit de vita communis voortvloeit, het nomadisch karakter der geloovigen. De menschen verhuizen vaak, hebben geen duurzame woonplaats. Maar door de vita communis weet men do kerk ook In een andere plaats terug te vinden,
6'' Ten slotte is de vita communis noodzakelijk om de bijlegging van geschillen, Ook die geschillen zijn niet accidenteel, maar hoeren noodzakelijk tot de kerk, Christus heeft gewild, dat de menschen niet boven de zonde en het gebrek aan inzicht zouden verhoven zijn. Wanneer een plaatselijke kerk nu op zichzelf staat, dan maakt de meerderheid van de kerkeraad het uit, zooals het hem het best gevalt. Bovendien heeft men dan allerlei persoonlijke consl-
262
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
doratSn, en alzoo niet don minsten waarborg tegen partijdigheid. Gevolg is, dat ook bij de verkiezing van kerkeraadsledon allerlei onheilige motieven de bovenhand' verkrijgen, en de kerk een kerk wordt van deze of die partij. Daarom is er een Judex ook over de kerk noodig, om geschillen bij te leggen. Dit is mogelijk, wanneer meerdere kerken haar macht saambrengen, in een vergadering, waarin alsdan mannen zitten, die niet om persoonlijke belangen A of B gelijk of ongelijk zullen geven.
II. Acddmtedc. drangredenen tot de vita communis. Niet elke plaatselijke kerk is altoos in staat geheel in eigen behoeften te voorzien. Aldus, om
finantieelen nood kan het noodig zijn.
Ook kan de drangrede gelegen zijn in den dienst des Woords. Een plaatselijke kerk kan onmogelijk voor de opleiding tot den dienst des Woords zorgen.
Ook kan één kerk onmogelijk examineeren. Wie zouden dat doen? Vaneen eigenlijk onderzoek zou geen sprake kunnen zijn.
Hiermede liangt ook saam, dat de dienst des Woords in het ongereede kan raken, zoodat het noodig is, dat andere dienaren behulpzaam zijn in hot
vervullen van het dienstwerk.
Bovendien kunnen de verzorging voor emeriti predikanten, predikantsweduwen en weezen en andere gelegenheden moeielijk anders dan alleen
saam worden geregeld.
Doch, al deze dingen, hoezeer ze een hoog aanbelang vertegenwoordigen, zijn toch geen noodzakelijke drangredenen. Een kerk als die van Amsterdam b. v. heeft veel minder belang bij het kerkverband als een kerk van Urk. Van welken aard moet nu die vita communis in de kerk zijn?
Welken vorm moet zij aannemen?
In do paragraaf is uitgedrukt, dat zij zich in beginsel moet uitstrekken over
de geheele aarde.
Dit is haar oecumenisch karakter.
Volstrekt niet mag zo zich bepalen 'tot de kerken van een land, een taal, één belijdenis. Noen, alles wat over de gansdie aarde, hoe gebrekkig ook, een openbaring is van het Lichaam van Christus, biedt een object aan, waarmee de vita communis moet worden gezocht en onderhouden.
In de eerste eeuw is dit in practijk gebracht. De conciliën dragen dien naam, omdat daar alle kerken van de gansche aarde tot die conciliën hebben meêgewerkt. Iedere kerk kon daarheen depnteeren. Een volkomen zuiver begrip, want nergens heeft de Heere in zijn Woord een grens getrokken. In het Hoogepriesterlijk gebed bad Christus voor allen, die in zijn naam gelooven zouden. Intusschen is dat oecumenisch karakter van de kerk van Christus op aarde, hoe verder ze kwamen, des te meer in het ongereede geraakt. Niet, dat
268
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
ooit in bogiiisel word toegegeven, dat het niet een vita connnmis van alle kerken moest wezen, maar omdat eenmaal botsingen en scheuringen hadden plaats gegrepen, die niet meer waren te herstellen. Niets is verderfelijker dan die scheuringen. Eerst moet het kwade vleesch uit de wonde worden gesneden, en dan moet het rauwe vleesch aan elkaar worden gebracht, /.al het ooit weêr samen opgroeien.
De bedoeling is niet, dat die kerken ooit synodaal zouden moe tea saamle-ven. Dit deden die eerste kerken ook niet, maar waar het de zaak der bdij-ilcid* geldt, moest men alle kerken kunnen bijeenroepen.
Om een voorbeeld te geven.
Over het sacrament des avondmaal* valt met de Roomsche kerk niet meer te spreken; over do hemelvaart van Christus niet meer met de Lutherschen; over den doop niet met de Anabaptisten. Maar, tot op het laatst der vorige eeuw hadden al die kerken nog eon gmot gemeenschappelijk bezit: de loerder Drieöenheid en do christologische dogmata, van de eerste conciliën medegebracht. Juist deze twee stukken zijn deze eeuw van alle zijden aangetast. Nu had de kerk in concilie moeten optreden, om in die gemeenschappelijke stuk-keu de waarheid nog te bevestigen. Daaraan valt nu niet meer te denken. Toch moeten wij, met name als Gereformeerden, het beginsel, het ideaal, dat hierin schuilt, blijven vasthouden.
Onze vaderen, door het syntagma eonfessionum en de synode van Dordrecht, en de Engelsche Presbyterianen op do synode van Westminster, hebben dat steeds gedaan. Althans wilden ze over de heele wereld verband hebben met de kerken van één belijdenis. Al hun belijdenisschriften z\)n gemeenschappelijk uitgegeven als attesteering van hun eenheid, en op de synoden zijn weder-koerig elkanders confessiën erkend. Te Dordrecht heeft men al de kerken uit-genoodigd op een gereformeerd concilie. Wel stuitte men overal op weerstand, vooral door Engelands koning. Jacobus I. maar het pogen was er. Ook West-minster heeft vooraf advies gevraagd aan al do gereformeerde kerken van de heele wereld. Een flauwe nawerking hiervan aanschouwen we in de Presbyterian Alliance en de Evangelical Alliance in Amerika. Daar echter is de levenszenuw doorgesneden, wijl men naar geen belijdenis meer vraagt, maar alleen, of men nog presbyteriaal wordt geregeerd. Uitnoodigingen werden zelfs hier in het land aan de synodalen gezonden. Toch vindt men in hun pogen nog iets van dat oecumenische streven.
Intusschen, waar nu dat gemeenschaps-leven niet meer tot uitwendige stipulatiën kan leiden, blijft op heel de wereld de oecumenische band en catholiciteit van de kerk nog gehandhaafd' in het sacrament van den doop.
De synode van den Haag beproefde tweemaal dien laatsten band te ver-
264
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
breken. Eorst in 1884 inet de iifscheiding. Na 3 ii 4 jaren moest ze echter villi deze dwaasheid terugkeeren. Kn liotzelfde repeteerde zLch bij de troebelen in 1886. Ook toon moest men na een paar jaren tot de erkenning komen te voel te hebben doorgehold.
De doop is de laatste band, die allo christelijke kerken op aarde nog aan elkaar verbindt.
Vandaar dat men ook van die kerken, waarvan men inzag, dat ze valsche kerken waren, toch don doop bleef erkennen. Weer merken we ook hierin het verschil op tusschon valschc kerk en sc/jyw-kork. Van oen valscht' kerk moet de doop steeds worden erkend, maar bij de schijnkerk komt een moment, dat men den doop niet meer erkennen mag, n.1. als alleen de schijn, de ytvttov, van don doop aanwezig is, en alle essentie ontbreekt. Een doop, zooa's heden wel wordt toegediend, in den naam van (jdoof, hooit en liefde, is geen doop.
In een laatste observatie komen we tot de vraag, wdka de graduti.Sn zijn, waarin die vita communis kan ivorden yeformalm'd.
Deze zijn drie in aantal:
1° compleet.
2quot; los.
3U minimaal.
Do complete openbaring van de vita communis is in het synodaal verband, bij do synodale confoederatie.
De losse openbaring kan onderscheiden vormen aannemen, die men generaal kan brengen onder die van correspondentie.
Do minimale openbaring vindt haar klem in de erkenning van den doop,
I, 't Synodale verband in completen vorm, moot dat als eisch worden gesteld voor do ecclesia catholica? Neen! Dit is niet mogelijk:
1(! om de afstanden,
2° om het taai-verschil,
8° om de levens-usantiën der volken.
Ad 1. Het synodaal verband brengt mot zich, dat de synode kennis noemt van de geschillen in plaatselijke kerken, en dat bij appèl of revisie de synode binnen bepaalden tijd recht moet spreken. Daarom kan er geen sprake van zijn, dat zulk een verband zou gelegd worden met alle kerken der geheele aarde. Dan zouden b. v. deputaten moeten worden gezonden naar Amerika, om daar ergens een geschil met ouderlingen te gaan onderzoeken.
„Dat zou geen onmogelijkheid zijn in dezen tijd!quot; zegt men wellicht.
Juist het feit echter, dat men in den tegenwoordigen tijd zeer snel van de ééne plaats naar de andere reist, wat vroeger onmogelijk was, pleit er voor, dat zulk een synodaal verband met alle kerken der aarde niet may en niet
265
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
kan gelegd, aangezien in zake de kerk, hetzelfde voor alle eeuwen moet gelden.
Ad 2. Om het bezwaar van het laal-rerschil weg te nemen, heeft Rome de zeer natunriyke poging gedaan, om de lingua latina voor de landtalen in de plaats te stellen. Daardoor kan Rome het catholieke verband over heel de wereld in stand houden. De besluiten moeten in één taal worden uitgevaardigd.
Maar, - - wanneer een synodaal verband actief zou moeten werken, dan moest een synodaal deputaat ook niet gewone dorpsmenschen kunnen spreken, anders zou clcricalisme ontstaan. I let zou volstrekt niet genoeg zijn, dat een predikant latijn verstaat; ook meteen boer zou men moeten kunnen spreken. Dit heeft Rome ook ondervonden. Rome kreeg een deel van de (Irieksche kerk aan zicli in Hongarije (Unirte Kirche). Maar dit gebeurde niet dan onder de voorwaarde, dat in de landtaal mocht worden gepredikt, en alles in de landtaal werd afgekondigd. De Engelschon schuiven voor het latijn het engelsch in de plaats. De Evangelical Alliance enz. dragen dan ook een Engelsch karakter. Dit povvn is echter volkomen ijdel.
Ad 3. Verschil in levem-iisantiën.
De Javanen leven anders dan de Kaffers; de Kaffers anders dan de Chineezen; de Chineezen dan de Bedouïnen, de Bedouïnen dan de bewoners van de Veluwe. De één vindt het gebed op deze wijze stichtend, en de ander in het geheel niet. Deze heeft meer,behoefte aan boeiing voor het oog; gene niet. Daarom is één liturgie over de geheele aarde iets onmogelijks. Amsterdamsche ouderlingen zenden weinig kunnen uitrichten om een zaak te regelen in een kerk van China.
11. Waar dit synodale verband nu niet bestaat, treedt de lossere gemeenschap van correspomlenlUt op. Deze bedoelt:
1quot; de eenheid in belijdenis te mainteneeren ;
2° broederlijke gemeenschap te bevorderen ;
8° de overgang van een lid van de ééne in de andere kerk mogelijk te maken, en dezen ook toe te laten tot de sacramenten van doop en avondmaal.
Zoo zijn er gereformeerde kerken in Schotland. Amerika en Nederland. Op de synoden worden wederkeerig afgevaardigden gezonden. Zulke kerken, die in correspondentie staan, hebben zekere gemeenschap in belijdenis, en mogen daarom niet eigenmachtig de belijdenis revideeren.
Die correspondentie kan ook op een kleinere schaal plaats hebben, b. v. wanneer de provinciale synoden van Z.-Holland en N.-Holland met elkander in zoodanig verband treden.
Ook hierin kan ze bestaan, dat men gemeenschappelijk voor de opleiding van dienaren des Woords zorgt.
Eindelijk, dat men voor elkander werkt op het veld der liefde, voor elkan-
266
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
der collecteert, zooals hier iiulertijd duizenden gecollecteerd ziju voor de kerken
in Hongarije en Salzburg.
Die correspondentie bestaat ook hierin wel eens, dat men elkanders predikanten op den kansel toelaat. Zulk een verband is nog enger, wanneer die kerken gemeenschappelijk uit één oorsprong komen, en bovendien nog gemeenschap in taal hebben. Zóó de gereformeerde kerken in Amerika en Kaapland, waarbij de afstand het synodaal verband onmogelijk maakt.
Hl De minimale vorm van gemeenschap gaat niet«loor stipulation. Die zijn onmogeliik en daarom gaat deze gemeenschap stilzwijgend toe. Het is een tacita communio, die zich hierin uitspreekt, dat men clkandors doop erkent, on ton tweede, dat men in den gebedo elkander blijft dragen, en eikaars gemeenschap voor den troon der genade erkent.
Het ware zeer gewenscht, dat dit krachtiger werkte bij de zmdimj. De Duitsche en Engelsche en de Portugeesche zendelingen in hot hart van Afrika geraken door het gemis dier erkenning gedurig in botsing. Ook uisschen de Presbyteriaansche en de Baptistische missiën heerscht steeds tweespalt.
Een gemeenschappelijk moest tegenover de heidenvolken worden afgelegd.
Over de wijze waarop het kerkverband nader tot stand komt, behoeven we niet te spreken. Hot geschiedt door stipulation.
De kerk nu is niet vrij;
noch in hot al of niet aangaan dier stipulatiën, •
noch in het zus of zóó aangaan dier stipnlatién.
Dit geldt ook voor de vereeniging tusschen Christelijk Gereformeerden en Nederduitsch Gereformeerden, waarover dezer dagen wordt gehandeld. Geen enkele kerk mag hier vereeniging weigeren. Wie zich verzet, handolt uit den pelagiaanschen wortel van willekeur, liet is een zaak van gehoorzaamheid
aan hot bevel van Christus.
En wat betreft het zus of zóó aangaan der stipulatiën, ook daaroii mag m naar pelagiaansche vrijheid gehandeld. Men mag b. v. nooit stipulatiën aangaan met een kerk, die valsch is. Maar evenmin mag men keuren, zooals nu Ds van hingen en Ds. J. Wisse van 's-Hage willen doen, die op de leden der Nederduitsch Gereformeerde kerken een keur willen uitoefenen, of deze en die wel tot de Gereformeerde kerk hoort. Alleen mag worden gehandeld naar de wet en eisch, die in Gods Woord is voorgeschreven. Er mag met worden gezegd: ik denk er zus over, en ik denk er zóó over, maar van vaste regels moet men uitgaan. Eerst door zich aan die regels te houden komt men weêr tot gehoorzaamheid aan Christus en tot onderwerping aan • 0( s
Woord.
Aan het slot dezer paragraaf nog deze opmerking.
267
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Tn liet Nieuwe 'LVstainout vindt nicn weinig duidelyke iianvijzingen voor dti vita comimmis van de ecclesia.
Dit komt hierdoor 1), dat al hetgeen in het Nieuwe Verbond wordt niede-gedeeld alleen loopt over de eerste jaren van hot leven der kerken.
2) dat die kerken over [talie, Griekenland, Macedonië, Klein-Azië, het Heilige Land, en Egypte verspreid waren,
8i dat het Nieuwe Testament de kerken teekent ontlwr het leven der apostelen, en in de personen der apostelen zeil' het kerkverband gelegd was door den Hoere, Men mag dus niet zeggen: ik lees in het Nieuwe Testament /au geen deputateu, en dassen, maar men moet vragen naar de beginselen, die erin zijn neergelegd, en dan blijkt, dat de eommunis vita wel degelijk in het Nieuwe Testament is aangegeven, want:
a) de autoriteit der apostelen werd erkend;
h) men collecteerde voor nooden en behoeften ;
r) men zond gezanten af' om te begroeten, en ook Paulns' brieven sluiten steeds met een apostolische groetenis;
(1) toen in die tijden geschil was opgekomen, kwamen te Jeruzalem de apostelen en afgevaardigden saam, en deze gemeenschap vormde een macht, die een besluit tot stand bracht, terwijl dit besluit, als van den Heiligen (Joost, aan de kerken niet werd aangeraden, maar opgelegd.
1
§ 13. De Ecclesiae Regimine.
„Over het bestuur der kerk kan hier alleen in dogmatischer: zin gehandeld, niet kerkrechterlijk.
Alleen de beginselen worden dus vastgesteld, waaruit de kerkrechterlijke regeling zich zelfstandig ontwikkelt.
Wat nu dit bestuur zelf aangaat, zoo bestaat dit in den hier bedoelden zin, zoowel in di^ kerk als in den staat alleen ter wille van de zonde. Denkt men zich de zonde geheel weg, dan leeft het adfin tov XQiamv organisch en vanzelf overeenkomstig de door God gegeven wet, valt dus elk hulpmiddel weg, en zoo zal dan ook eenmaal door den Christus zijn gezag worden nedergelegd en het koninkrijk aar. God en den Vader worden overgegeven. Zoolang daarentegen de laatste vijand nog niet overwonnen is, is een apart bestuur onmisbaar.
Dezelfde zonde is tevens oorzaak, dat G-od dit bestuur over menschen ihiur menschen laat uitoefenen en zoo heeft ook de Christus de ivgccrmaehl over zijn kerk ontvangen als drager van de mensche-lijkc natuur.
Overmits nu hot gemeene leven der wereld voor het ontstaan der kerk uitgangspunt is en eens weder haar rAos zal zijn, zoodat alsdan al wat niet kerk is uit de wereld zal wegvallen, om na het oordeel niets dan het aófia tov Xqiotov als herstelde menschheid onder hot Vorbonds-hoofd Christus te doen overblijven, zoo volgt hieruit, dat de kerk beginnen moet met geen ander dan het gemeene bestuur te hebben, en in haar voleinding tot deze eenheid terugkeert, maar in haar mid-deustadiön zich al verder van het civiele leven losmaakt, om een eigen kring naast de civiele maatschappij, en zulks onder een eigen bestuur, te vormen.
Dit laatste punt kon eerst bereikt worden na Jezus' hemelvaart, niet vroeger, en moet voortduren tot Hij uit den hemel wederkeert. De toestand onder Israël vormt de laatste overgangs-phase in zooverre in Israël de kerk er niet om het volk was, maar het volk ter wille van de kerk was geformeerd. De macht, waarmede God de Heere oen mensch over zijn medemenschen bekleedt, droeg ook in Israel een principieel civiel karakter, waar het kerkelijk gezag in kleefde. Bij
209
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Israël was er dus van een zelfstandige kerk-kring geen sprake, en droeg ook de bijzondere zending door richters en profeten oen gemengd civiel en kerkelijk karakter.
Daarentegen treedt deze kring en in dien kring de macht zelfstandig en met eigene organisatie op van het oogenblik af, dat de Menscli zonder zonde verschenen is. Deze ontvangt op eenmaal voor alle eeuwen en over alle personen de plenitude potestatis met opzicht tot geheel di' kerk en zulks met macht en bevoegdheid, om krachtens zijn goddelijke natuur /elf op aarde in te werken en voor de uitwerking van zijn bevel op aarde, hetzij extra-ordinair, hetzij ordinair, andere, nog zondige personen aan te stellen.
Extra ordinair doet de Koning der kerk dit, wanneer van Hem niet alleen de ambtelijke bevoegdheid, maar ook de aanwijzing der personen rechtstreeks komt, tevens met de bepaling van hun gaven en werk-kling, terwijl het ordinaire aldus toegaat, dat wel van Christus de ambtelijke bevoegdheid komt, maar dat de aanwijzing van de personen, van hun werkkring en taak, namens Christus en in gebondenheid aan Zijn Woord van de vergadering der geloovigen uitgaat, zoodat de gezamenlijke ambtsdragers nooit anders handelen kunnen dan als ecclesia representativa. Onderscheid van hooger of lager rang kan deswege onder deze ambtsdragers niet bestaan, alleen verschil van taak en roeping.
Alle hiërarchie, met name de pauselijke, blijft dus uitgesloten en het gezag over de ambtsdragers wordt nooit anders gevormd, dan door de bijeenvoeging van hun aller gelijke auctoritas, hetzij van ééne kerk in den kerkeraad, hetzij van meerdere kerken in classes, synoden en conciliën; een auctoritas, die als uit Christus vloeiende, zichzelve terstond opheft, zoodra zo zich van het woord van den Koning losmaakt. Het gezag, dat aldus in deze kerkelijke vergaderingen rust, is deels dogmatisch, deels regelend, deels juridiek van aard. Het is in den strengsten zin bepaald tot het geestelijke terrein en mag zich nimmer uitstrekken tot het civiele leven, hetwelk wel ook aan den Christus onderworpen is, maar krachtens andere qualiteit,
In zake het regimen ecclesiae dwalen per difeclinii de Anabaptisten, de Socinianen, de Independenten, de Erastianen, de Darbisten en allo mystieke secten; en per excessurn eenerzijds alle hiërarchische richtingen en anderzijds de Apocalyptici.quot;
We hebben in deze paragraaf in de eerste plaats er op gewezen, dat we
270
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hier dit vraagstuk alleen van de dogmatische, niet van de kerkrechterlijke zijde hebben te behandelen.
Deze waarschuwing mag niet overbodig heeten, wijl onze vaderen het kerkrecht in de dogmatiek plachten te zetten. Heel het kerkrecht werd in de dogmatiek behandeld. Dit deden reeds veelal de oude Roomsche dogmatici, maar vooral is deze gewoonte in zwang gekomen door Calvijn, die in het IV0 Boek zijner Institutie het kerkrecht behandelt. Zelfs dogmatici als a Marck behandelen bij het stuk: „Bestuur der ICerkquot; alle kerkrechterlijke vraagstukken.
Dit nu is voor dien tijd geen ongewoon verschijnsel, want door gebrekkige encyclopaedische ontwikkeling stopte men liefst heel de Theologie in de dogmatiek, In de inleiding werd dan een noort Encyclopaedic gegeven. Voorts nam men de heele Ethiek ook in de dogmatiek op, en wie Maestridit wel eens inzag, weet, dat het bij hem zoover ging, dat de heele Kerk-geschiedenis in de dogmatiek was opgenomen. Het kon dus niet vreemd zijn, dai; men, nog niet encydopaedlsch indeelende, aan zulk een boek zelfs niet de naam van „dogmatiekquot; maar van „compendiumquot; of iets dergelijks werd gegeven.
Gewroken heeft zich dit bitter op de kerken.
Feitelijk werd geen college meer in kerkrecht gegeven, en de aparte beoefening van het kerkrecht is eerst gekomen van de zijde der.Groningers, van de zijde der voorstanders van het collegiale kerkrecht.
Nu is men die font gelukkig te boven. Men ziet nu klaar in, hoe dogmatiek en kerkrecht twee geheel onderscheiden vakken van studie zijn. Daarom mogen wc niet bezwijken voor de verzoeking, weer bij de dogmatiek hel kerkrecht ter hand te nemen, zooals ook Gravemeyer nog deed. Het sta op den voorgrond, dat we deze quaestie uitsluitend van de dogmatische zij beschouwen. Alleen blijft nu de vraag over, wat dan wel do grens zij.
Wat is deze zaak van haar dogmatische; wat is zij van haar kerkrechterlijke zijde?
Het best knnneii we ons hiervan een voorstelling maken, wanneer we een vergelijking maken met de ethiek.
Is het de taak van de ethiek, het wezen van den mensch G onderzoeken, en de verhouding des menschen tot zijn God? Te onderzoeken het wezen der zonde, en het wezen der wedergeboorte en bekeering? Ja, dit heeft men er helaas van gemaakt! En zoo heelt de ethiek de dogmatiek verslonden en is men nimmer aan de eigenlijke ethiek toegekomen!
We moeten dus wél onderscheiden:
l'1 de quaesties die het wezen der dingen aangaan;
2W de quaesties die de regelen des levens aangeven.
Tot het 1(' behoort het wezen der zonde, der wedergeboorte enz. Tot het
271
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
2quot; behoort (k vraag, hoe de mensch, die eenmaal zoo staat togenovor Gods wet, nu daarnaar zal wandelen.
Alles wat nu de wezenheden aangaat, hoort alleen tot de dogmatiek, en dit zijn de dingen, die de ethiek als Lehnsiltze uit de dogmatiek moet overnemen, terwijl de ethiek daarvoor nu de levensregelen uit Gods wet heeft af te leiden.
Dezelfde verhouding vinden we tusschen dogmatiek en kerkrecht.
Ook van de zijde van het kerkrecht heeft men wel de poging gewaagd, om eerst den Locus de Ecclesia te behandelen en alle zaken uit de Heilige Schrift te gaan afleiden. Dezelfde fout derhalve als de ethieken van Martenseu c.s. te aanschouwen gaven, die er alle op uit zijn, om de dogmatiek te vermoorden. Maar evenals de ethiek geen enkel oordeel vellen mag over het wezen der zedelijke vovptva. zóó mag het kerkrecht geen enkele van de wezenheden van de vovfieva der kerk zelf opsporen, maar moet die van de dogmatiek ontvangen. Doch evenals de ethiek, na ontvangst van haar gegevens uit de dogmatiek, de regels des zedelyken levens naar de norma van Gods wet moet vinden, zóó is het ook de roeping van het kerkrecht, na de dogmata van de kerk te hebben overgenomen, nu aan de hand van het Woord af te leiden de regelen, die voor de kerk gelden moeten.
Wanneer we nu zullen spreken over het regimen ecclesiae, dan moeten we eerst terug naar art. 36 van onze Confessie. Dit artikel begint met deze verklaring, waarin voor staat en kerk allo architectonisch beginsel ligt: „Wij (/i'looi'cn, dut mizi' (jdi'di' God, mt oorzuuk da' verdorrenheid den luensclwlyken (jeslaclds, Koningen, Prinsen en Orcrhcdcn n rordend hecfl, trUicndc, dat de wereld geregeerd worde door wetten en jiotitiën, opdat de ongelxindenJwid de}- vienschen bedwongen worde, en het atte* met goede ordinantie onder de mense-heii toega,quot;
Wij hebben hier dus met twee uitgangspunten te doen;
1° de souvereiniteit Gods;
2« het feit der zonde;
en het is uit de combinatie van die twee, dat het beginsel ontspruit van alle politiek en van alle kerkelijk regiment.
Men is wel gewoon in de politiek van een christelijk beginsel te spreken. (We zullen dit meer in den breede behandelen in den Locm de Magistratn) Dit is echter een verward begrip, waardoor men zichzelf geheel tegenspreekt. De staat is uit den aard der zaak even goed aanwezig buiten als onder de christelijke volken. Daarom kan de staat ais staat nimmer uit den Christus worden afgeleid. De staat als staat hoort in het rijk der natuur, niet in het rijk der genade. Wanneer men dan toch wel degelijk onderscheid maakt tusschen christelijk en niet-christelljk staatsrecht, dan ligt de oorzaak hierin, dat eerst door Christus de belijdenis van Gods souvereiniteit en de belijdenis van
272
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
hot wezen der zoude aan het licht is gekomen, en aangezien nu de christen alleen deze kent, daarom kan ook een christen alleen do eischen eu regelen ook voor het politieke leven inzien. Alleen een door Christus voorgclichto kan in de natuur de sprake Gods loeren verstaan. Zóó ook hier. Wie niet het licht der bijzondere openbaring heeft ontvangen, verstaat niet wat ook voor den natuurlijken staat Gods wil en ordinantiën zijn.
Daarom spreekt dan ook art. 36 met geen enkel woord van den Christus, maar van Clods souvereiniteit en van het feit dor zonde, en laat daaruit opkomen het politieke gezag. En nu is in de paragraaf gezegd, dat de politiek in do kerk (noXuBi'u beteekent alleen „gezagquot;, zooals Voetius betoogt, in zijn Politica Ecclesiastica) ook alleen voortvloeit uit die twee dingen: de souvereiniteit Gods en het feit der zonde.
We moeten dus ons uitgangspunt nemen uit den Locus de Deo en uit den Locus de Peccato,
Hoe wordt nu het gezagsbeginsel, zoowel in den staat als in de kork. geboren?
De souvereiniteit Gods bestaat zonder tegenspraak over de beesten, zonder tegenspraak ook in het plantenrijk, geldt en bestaat zonder fout in het delf-stoffenrijk, ja, in alle krachten en werkingen dor natuur, 't Pirmament biedt ons het beeld van gehoorzaamheid, hoe zonnen en starren onderworpen zijn aan de souvereiniteit Gods. Toch is er nergens een starren-meester of diens gelijke ingesteld. Ze loepen eenvoudig naar Gods wet. Zóó werkt do magnetische stroom, de zwaartekracht, de aantrekkingskracht enz. Alles gaat daarbij vanzelf.
Beschouwen we nu een tweede wereld: de engelen-wereld. Wat zien we daar? Wordt daar het gezag van Gods souvereiniteit vanzelf in stand gehouden? Neen! Een groot deel is uit zijn gehoorzaamheid uitgetreden. Maar toch heeft daarna God ook over de duiveleii-wereld geen overheid of meester aangesteld. om orde te houden. Zij gaat in zelfvernieling in haar verderf door. Evenmin is over het getrouw gebleven deel der engelen een hoofdman of iets dergelijks aangesteld, om orde en regel te handhaven. Daar gehoorzaamt alles als vanzelf.
Aan de ééne zijde zien we dus een volslagen, niet tegengehouden of getemperde ongehoorzaamheid en aan de andere zijde een volmaakte gehoorzaamheid uit eigen beweging. Daarom logt de Heere Jezus aan de zijnen do bede in het Onze Vader op de lippen; „Uw wil geschiedde gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.quot; Wat beteekent dit: „gelijk in don hemelquot;? Alleen dit. dat er in de wereld der getrouw gebleven engelen geen sprake is va-.i niet gehoor-zamon, maar dat alles daar eigener beweging den wille Gods volbrengt.
De vraag, waarom de engelen-wereld niet onder een behoorschondo macht
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
is (jesteld, is, in ccryelijkiiKj mul den (ueslund under mensehen, volkomen duidelijk te maken. 11 'aarom heerschl een vorst over inenschonOpdat, ah de onderdanen niet ivillen gehoorzamen, hij straffen- zon en desnoods onthoofden zou. Daarom: alle overheidsgezag gaal door dwang. Ontneem aan di- overheid haar zwaard en ze is geen overheid meer. Ze is geen vermanende of ivaarschuwende, maar ze is zeer bepaald dwingende macht. Dit nu ging bij di- engelen niet, om de eenvoudige reden, dal ze geen somatische wezens zijn. Zij zijn niet aan te raken, niet te tuchtigen. Dat dwingend gezag is dus iels gansch ondenkbaars in de engelen irereld.
Zóó komen ive dan nu tol de menschen wereld.
Welke gegevens hebben roe daar?
Evenals in de engelen-wereld heeft de mensch van God het vermogen ontvangen, Clods ivel te volbrengen of niet te volbrengen, Gods souvereiniteil te erkennen of niet te erkennen; ivant daarin is juist de verhouding van den mensch tol de souvereiniteil Gods ondersehcideii van die der sterren. Wanneer God een ster haar baan doet lnopen, dan moet ze dat doen door haar kracht gedreven. Zij mist den zedelijken factor. De niensch daarentegen bezit dien zedelijken factor. Hij moet zich willen onderiverpen en in Gods paden wandelen. Diensvolgens kan de mensch afvallen en is afgevallen. Doch, nu is de. mensch, wijl somatisch geschapen, ook uitwendig te pakken, en wijl de eene mensch den ander in het somatische kan aangrijpen, daarom is de mensch geschikt om zijn mede mensch te duiingen om te doen wed hem wordt opgelegd.
Dit nu is het uitgangspunt, waarom God niet meer zelf onmiddellijk zijn gezag heeft uitgeoefend, maar middellijk, door den een over den ander te zetten. Wie met dat gezag bekleed is, kan alleen uitwendig dwingen, nooit innerlijk heler maken. Maar nooit kan dat dwingend gezag met het zwaard anders dan een medisch, karakter dragen, een abnormaal karakter. Het kan nooit duurzaam zijn, want, wanneer de toestond weer normaal wordt, dan erkennen de menschen even beslist de souvereiniteil Gods ah de engelen. Vandaar dat etls de zonde vernietigd is, het souverein gezag weêr rechtstreeks door God zelf moet tcorden uitgeoefend.
Wanneer we dan ook vragen: wat heeft de overheid te doen? dan zien we dat de overheid, al wat ze doet, doet door de zonde. De mensch. die qeen zo)ule heeft doel den ander geen kwaad, kent geen nijd en haal, zal niemand persoonlijk heleedigen. Zonder zonde bestaat er slechts de neiging om God en den naaste hef te hebben. Denk ik mij derhalve een wereld van menschen in wie het laatste spoor van zoide was uitgewischt, dan zouden rechlers,.politie, bestuursmaatregelen enz. niets meer te doen hebben. Daarom ligt heel hel wezen der overheid uitsluitend daarin, dat de mensch kwaad doet. Want wel is de overheid ook allerlei andere dingen gaan doen, heeft kanahn aangelegd, sporen en tele graphic em.;
18
274
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
maar /.ondci' zonde zou ook de vloek, die op de nalmir rust, niet, daar zijn, yeeii gebrek zou meer gevonden worden en alles in die natuur zou den niensch ten dienste staan. Zoo absoluut mogelijk gaat dus door, dat de eenige ratio voor de overheid in de zonde ligt.
Men koning is dus niet iels bijzonder hoogs, maar alleen van (iod besteld om de groote ellende in de wereld wat in de maat te honden. liet is or mede als met ons lichaam. Ken gezond niensch leeft vanzelf, maar wordt hot een of andere lichaamsdeel lijdende, dan moeten er uit- of inwendig kunstmiddelen worden aangewend.
Niets zal dus heerlijker zijn. als dat de dag komt, wanneer de overheid en al wat daarbij hoort, verdwenen zijn en bet kind van (tod heeft die bede in het hart, dat aan al die dingen zoo spoedig mogelijk een einde kome. Do dominees behooren hier evenzeer bij. Dezen meenen maar al te vaak, dat zij de besten zijn en nooit zouden kunnen worden gemist. Dit is volstrekt niet waar. Wanneer alles zondeloos is, is er van een dominee geen sprake. Ook het kerkbestuur is er louter ter wille van de zonde.
Wat nu betreft die besturen op aarde, zoo moeten we die kringen heel hoog houden. Natuurlijk maakt het geen onderscheid of we met een koning of met een graaf of met den president eener republiek te doen hebben. Evenmin gaat het hier om do personen. Alleen is hun eerbied verschuldigd, wijl op hen rust het goddelijk gezag. Principieel moet altijd volkomen worden onderscheiden tusschen de personen en hun gezag. Of een vorst een allerliefst mensch is of («en ellendeling' doet er niets toe; dit maakt niets geen onderscheid bij het buigen voor het gezag. Het verraadt een valsche hoflucht, indien een koning wordt bemind om zijn vriendelijkheid. Waren de koningen en de keizers zoo lief, dan zou men hen wel willen houden, maar wie God liefheeft, bidt om den tijd, wanneer de verlossing van die banden zal daar zijn.
Daarom heet het iu Openb. 12 : H'; Kal ijy.ovaa rpmvtiv afydl.rjv liyovactv tv nJ
ovgavto, quot;Aqtl êyévfro fj aonrjQt'ce khI r; övvutiis v.ctl »y ficiatXeiK tot' fgt;fov i)uiöv, y.ui i) t^nvai'a tov Xgiatov cevrnv.
Eli Openb. 11 : 15: Kal ó ïjliïoa'ig ayyeXos tadJ.niae, ««1 lytvorro cpcorol fif/dha tv TM ovQttvm Xtyovaai, 'Eytvovro ctt paadeïcci tov v.oaaov tov Kvquiv tjaoiv y.al tov Xqiotov kvtov, -/.cd flaadexiati tig Tovg altovag twv almvcov.
Wat staat hier nu? Wat wil dat zeggen, dat do koninkrijken der wereld des Heeren geworden zijn? Heeft (iod dan ook maar één oogenblik opgehouden sou-verein te zijn? lloo staat er dan yivtaamp;ut d. i. worden. Dit kan slechts op ('én manier verklaard, n.1. dat, waarGod op personen op aarde gezag gelegd heeft en nu de tijd komt, dat dit intermediaire gezag verdwijnt, alsnu gezegd kan worden: «pti iytvern i) (JivmAf('« tov fgt;tov rifióöv.
Nog sterker kan dit uit de Heilige Schrift worden aangetoond.
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Ann di'ii Christus is ook go^ovon vodiy/ioiuglicids-inacht ovrr de koninkrijkfiii der aarde. En zifii we nu wat 1 Oor. 15 : 2S van den ('hristus /-elf gosclireven staat. Het doe] van de igovtn'a van Christus is volstrekt niet. dat 550 zou blijven, maar dat door haar aan de zoude een einde zou worden gemaakt en Satan zou worden neergeworpen. Wanneer echter dat proces is afgeloopen en de vijand onderworpen is, neemt die gansche intermediaire toestand een einde. Wij zien op deze plaats zoo scherp mogelijk gedefinieerd, dal zendra hot moment van die onderwerping is aangebroken, dat geheele intermediaire bestuur van den Christus zal voorbijgaan, terwijl voor het middellijke alsdan het onmiddellijke gezag in de plaats komt, en dit laatste drukt de apostel uit door de woorden: tW y ó öshg ra iravra iv naaiv. .|)it heeft hoegenaamd niets te maken, — gelijk deze tekst maar al te vaak in preeken verknoeid wordt met de ziels-aangenaamheid: het betcekent alleen, dat God zijn souvereine macht weêr zelf zonder tusschenkomst van den Middelaar of van aardsche gezagvoerders uitoefent. Dit nu werpt onderstboven alle autocratie en aristocratie, alle do overheid in een land en alle clericalisme in de kerk. Deze alle komen voort uit de zondige en onware gedachte, alsof de schepping hierop ware aangelegd, dat de ééne mensch door den anderen zou worden geregeerd. Neon 1 de mensch is er op aangelegd om alleen door (iod te worden geregeerd. In het paradijs was God to nav in Adam en was God to nciv in Eva; en al de overheden, instituten enz., die tegenwoordig bestaan zijn noodig geworden alleen om de zonde. Ze zijn alleen chirurgische verban den, die God om de kranke menschheid heeft gelegd.
Ziedaar wat geldt in generalen zin zoowel van het civiele als van het kerkelijke bestuur.
Voor do kerk moet nog één punt hierbij worden besproken.
Men zou kunnen zeggen; Dit alles versta ik nu zeer wel als voor het civiele van beteekenis, maar niet voor de kerk, In de kerk toch hebben we te doen met wedergeborenen! K11 wat zegt toch Johannes; neig 0 ysyt-vvrj^iévog Iv. rov (quot;gt;iov üuuQtictv nv Trom, on OTthQiia avtov tv aiitco fiiver y.u'i ov Svvatui aaaQtcivar, Hu in tov Gsov ysyipvqrai. Dus. zou men zeggen; in de kerk hebben we wel te doen met geloovigen, dies moet er geen bestuur zijn.
Volkomen juist 1 En metterdaad is voor dat deel van de kerke Gods, waar die toestand gerealiseerd is. ook geen bestuur aanwezig, In den hemel is geen predikant noodig om den afgestorvenen het evangelie te verkondigen. Wel stellen de apocalyptische Ethischen het alzóó voor, alsof aan de andere zijde des grafs nog gepredikt en de sacramenüen gebruikt; zouden worden, — we spraken hiervan uitvoerig in den Locus de Novissimis maar deze meening kan geen oogenblik tegenover de Heilige Schrift bestaan.
270
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek),
Doch de Hóiligc .Schrift loórt. dut t'liristus de uitverkorenen op aarde wel potentieel '/.üó stelt, maar niet actu. Potentieel zijn ze van alle zonden vrij. maar actueel zijn ze nog in hot lichaam der zonde l»evangen en gevoelen ze nog voortdurend alle o|i\vellingen uit het booze hart. Bovendien is de kerk geen vergadering van enkel geloovigen, maar gemengd ook met hypocrieten. In de kerk vinden we dus wel degelijk een collectie menschen, waarin de nawerking dor zonde maar al to sterk merkhaar is, en om die reden is het alleen, dat wat geldt van de civiele maatschappij, ook geldt van de kerkelijke maatschappij: dat ze evenzeer noodig hoeft de uitoefening van een gezag, om daardoor geleid te worden in de naden van Gods hestel. om zóo te komen tot hot einddoel door God voor de kerk aangewezen.
De belijdenis, dat de Ghristus de sonvereiniteit ontvangen heeft ook over de kerk. rust op de betuiging van Hem zelf, Matth. 28 : 18. waar Hij zegt. dat Hem gegeven Is Ttciact l'^ovBia tv ovQctvü Km tn) y/jg.
Dit berust tevens op de verklaring van Paul us, 1 (.'or. 15 : 27, dat de woorden in Ps. 8 : 7, V^JTHPin HPÜ' Si, Messiaansch zijn, waarom hij ze op den Ghristus toepast : navta yaQ vntra^sv vnu rnvg Trvrfne ctvrov.
Yervola'eus op Ef. i : 22, met het daaraan voorafgaande vers in verband genomen, waar we lezen, dat de Christus gezeten Is iv Ssamp;ü avrov tv tuis tnov-Qtcvioie, terwijl ook hier weêr naar Ps, 8 wordt verwezen.
Ten slotte op Fil. 2. Hier wordt eerst gewezen op het feit van de xtVcxne van den Phristus, van het }.c/[itCv van de ^quot;99'/ Sovlnv, van het yevèaamp;cci iv ijioicófian avüQcinm' enz., terwijl daarna volgt: ó 0sog «vrov vntQv^wef enz.
Hiérbij zullen we het laten, hoewel het aantal plaatsen, die over deze zaak spreken zeker met een vijftig-tal zou zijn te vermeerderen. Gveral waar Christus voorkomt als do Kb^uHi tov adtimos, de Kvqiog, waar gesproken wordt van zijn zitten ter rechterhand Gods, is sprake van do belijdenis, die wij op dit
oogeublik behandelen,
We bepalen ons echter bij de aangehaalde plaatsen, om naar aanleiding
daarvan te wijzen op tweeërlei:
1quot; dat die {£nva(cc aan Christus gegeven is als mnisch.
In de gemeente, vindt men de voorstelling maar al te vaak, dat Hij als God die heerschappij uitoefent, dat alles brengende onder de goddelijke natuur. Dit is een dier diepe dwalingen, die al meer en meer inslopen, en omdat de predikers jarenlang geen juiste uitdrukkingen kozen, hebben zij dat kwaad niet gecorrigeerd, maar veeleer gestijfd. Pit feit, dat men niet inzag, dat Christus het koningschap over do kerk ontving als mensch, is oorzaak geworden, dat de dienaren op aarde zich gingen aanzien als de eigenlijke machthebbers over de kerk. Wanneer men dlt; van Christus over de kerk identiticoeit met het goddelijk
277
College-dictaat van een der studenten (Dogiiiatiek).
gezag, dan is het natuurlijk, dat men op aarde voor de uitoefening van dat gezag geen anderen als bisschoppen nemen kan. Mensrhen moeten dan met goddelijk gezag worden bekleed. Daarentegen, wanneer Christus als immch de souvereiniteit in de kerk ontvangen heeft, dan is do eigenlijke Bestuurder in den hemel en zijn zij, die het op aarde namens Hem uitoefenen, slechts organen, waarvan Hij zich bedient.
Deze misvatting is een der eerste oorzaken, waardoor het verderf in do kerk is ingeslopen. Men ziet hoe door zulk een enkele foutieve dogmatische voorstelling het leven der kerk kan worden verwoest.
Honden we dus wél vast: Christus hm-ft die macht niet naar zijn yoddelijke maar naar zijn mcnschelyjke natuur ontvangen.
Daarom is het ook een gegeven macht. Aan de Godheid kon nimmer iets gegeven worden.
Zóó lezen we ook in Fil. 2. Eerst nadat de Christus in het vleesch is verschenen en in de diepste vernedering is gezonken, eerst na de xmoote en de tuneCvmis wordt Hij nu verhoogd en ontvangt Hij een naam boven allen naam.
Hetzelfde blijkt uit al die plaatsen, die in verband worden gebracht met I's. 8. Ook daar toch wordt gesproken van het menschelijke van don Christus, van een vnoza^ig onder den Zoon des menschen. Hierin bestond juist de reden voor de apostelen om dien tekst aan te halen.
Wanneer eindelijk in Ef. 1 de Christus de Ktyai}] tov acijtutos wordt genoemd» dan is het aü/ici natuurlijk niet denkbaar zonder do Ktlt;paXij. maar er vast aan verbonden.
Wat is nu dat am/ia, geschapen of ongeschapen? Natuurlijk geschapen, crea-tuurlijk. De Kecpalr] nu draagt dit geschapen aê/ia. Hieruit blijkt derhalve wederom, dat Christus die ifavate van ( rod-Drieëenig heeft ontvangen naar zijn menschelijke. natuur. God-Drieëenig kon die souvereiniteit zelf houden, of haar overdragen. Hier nu heeft overdracht van die QovaCa plaats op den mensch Christus Jezus.
2quot; Citeerden we juist deze plaatsen, wijl in deze alle altoos de lloWn; over de kerk gezegd wordt verleend te zijn in verband met de tlo-vate over heet de schepping.
Men leest nergens, dat de kerk in den staat als een apart iets zou staan, maar steeds wordt de i^opaia van ('hristus over de kerk genoemd in verband met zijn êèovate over alle dingen. Zeer duidelijk komt dit uit in Matth. 28 : 18 en Ef. 1: 22. Even klaar blijkt dit uit /'«. s, waar zelfs geen sprake van de kerk is, maar de schapen, ossen en de dieren des voids worden genoemd als de objecten zijner heerschappij. Ta navtu beteekent danook. dat niets uitgezonderd is. Daarom \vorlt;lt
278
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Fil. 2 : 10 genoemd: nciv yóvv inovgavicav, ml imytCav x«l v.(iTa%üovi(ov, hCGl het cosmisohe leven in één Siimengovat. Nooit wordt de kerk genomen als een soort lieils-institunt, als een soort van gasthuis voor zondaars, maar integendeel als het eigen leven der menschheid, die weêr uit zuiveren wortel opbloeit, en waarvan worden afgesnoeid de takken, die naar de hel gaan, terwijl die menschheid zelve nimmer te niet gaat.
Uit het feit, dat do optreding van de kerk niet is aliquid seperatum en transeuns naast het cosmische leven, maar dat integendeel do kerk is de kern-van de menschheid, van het heelo leven der wereld, volgt, dat die kerk een proces doorloopt, waarvan het uitgangspunt en het point d'arrivée geheel met hot cosmische leven samenvalt.
Wanneer de kerk niet is een separatum quid, maar de kern der menschheid, voor God bloeiende, dan is er bij de kerk jn het paradijs nog geen splitsing, nog geen scheiding, maar dan is het cosmische leven en do kerk daar één. Zoo zal ook in het regnum gloriae, iu het ééne paaiXu'a tdv ovgavav weer kerk en kosmisch loven ineenvloeien. Maar daar tusschenin zien we een uiteengaan van die twee lijnen in een proces. Dit proces nu komt hierin uit, dat, als we het cosmische leven vl noemen en het kerkelijke B, het eerste (A) in den aanvang het tweede (B) in zich besluit en beklemd houdt. Daarentegen in het regnum gloriae is het Ji, dat .1 geheel lieoft doordrongen en beheerscht. Om echter tot dien overgang te komen is een proces noodig, een aparte lijn van A en een aparte lijn van li. Zoo zien we een zeer langzame losmaking van die twee lijnen, terwijl in den persoon van den Christus die twee lijnen geheel uit elkander raken, om by de parousie weêr geheel in elkander op te gaan.
Wanneer wij nu van het regimen handelen, dan is het dus duidelijk, dat by het uitgangspunt A liet bestuur heeft ook over geheel li, en bij het regnum gloriae li het bestuur zal hebben ook over geheel A; dat bij Christus' komst .1 zijn apart bestuur houdt en /i een eigen bestuur krijgt en dat tot op de komst van Christus .1 en IS hetzelfde bestuur hadden, maar iu gewijzigde vei houding.
In de eerste wereld tot Noach vindon we geen spoor van een aparte organisatie of een eigen regimen der kerk. in de ark is Noacii én geestelijk èn burgerlijk hoofd. ()ollt; bij Abraham is liet burgerlijke en geestelijke; dooreengemengd.
Eerst bij de wetgeving op Sinaï komt er verandering. Vroeger school het kerkelijke leven in het civiele, maar nu wordt het civiele leven apart geen-eerd, om de schelp te zijn, waarin de parel van de kerk woont. De schelp nu, b. v. van een oester, heeft op zichzelf geen waarde, maar slechts tcnvillc van den oester en zoolang de oester nog niet kan worden genoten. Daarom is de' schelp ook geheel op de parel aangelegd. Zóó was ook het nationale bestaan van Israël als schelp geheel aangelegd om dr parel te dienen en tot wasdom
279
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
en voltooiing te brengen. Daarom vinden we in Israel wel bepaalde organen in priesters en/., maar die dienen zoowel het nationale als het kerkelijke leven. Zóó hoorde de geneeskundige dienst van den melaatsche b. v. ook bij den priester en profeteerden ook do profeten aangaande politieke toestanden, zoowel buitenlandsche als nationale, kondigden oordeel en aan over Babyion, Elam enz. Steeds dus was het kerkelijke met het politieke geheel dooreengemengd.
Doch waar Christus verschijnt, treedt de parel uit, treedt de keri: zelfstandig op, krijgt een eigen formatie en een eigen bestuur.
Dit bestuur evenwel bestaat nu niet hierin, dat apostelen worden aangesteld, maar dat God-Drieëenig, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, aan den mensch Christus Jezus de {£ovafa overdraagt. Christus alleen heeft de goddelijke aanstelling en slechts krachtens die goddelijke aanstelling stelt Christus nu apostelen aan.
Dit is, helaas! maar al te veel over het hoofd gezien.
Christus heeft gezegd, vóór Hij last gaf om te doopen: iöóamp;ri pui nttat* tgavant. Juist oDidal Hij die macht had ontvangen, kon Hij daarop het bevel laten volgen: noQsvamp;ivTtg ovv uaiïr/rsvocirF, Hier treffen we dan ook het uitgangspunt aan, waarvan alle kerkelijk bestuur en kerkelijke regeling afhankelijk is. Alles, ook de beoordeeling, of we te doen hebben met een schijn-kerk of een valsche kerk, hangt van dit ééne punt af, of de actiën in het kerkelijk leven worden uitgeoefend door den mensch Christus Jezus.
JJe oorzaak, waarom de mensch Christus Jezus met deze macht is bekleed, is tweeërlei:
1° Hij kou haar alleen uitoefenen als mensch zonder zonde;
2° Hij kon haar alleen uitoefenen als mensch, die tevens der (joddelijke natuur deelachtig was.
Dit is een zeer diepzinnige quaestii'.
Ad I. De t^ovaia over de (iaadetaL rui xila/.iuv kan daai'om worden gegeven aan een zondig mensch, omdat de (3nai?.iini rov miouov de uitwendige strekking hebben, om met geweld de uitwendige dingen des levens te regelen. Maar de kerk, als aü^a tov Xqibxhv, draagt niet een cosinisch, maar een hemelsch en geestelijk karakter en nu kan de; tgovaiu over de kerk onmogelijk gegeven worden aan een zondig mensch. Alle koninkrijken der aarde, juist omdat er zondige menschen over regeeren, spatten eenmaal uiteen en zinkeu in het niet, maar het ataym rov Xqiotov mag nooit ondergaan ; het is bestemd om eeuwig te bloeien; daarom moet de tt-ovaia, die in het omucc rui \\gt;iarov wordt uitgeoefend een volstrekt onzondige ï^ivaüi zijn.
Ad 3. Alle koninkrijken der aarde vallen uiteen om de uitgebreidheid der wereld. Geen mensch kan heelde wereld regeeren. Daarvoor zijn de afstanden te groot.
280
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Bovendien, een mensch sterft c'n gaat, wanneer hij een twintig of dertig jaar heeft geregeerd, naar het graf. Maar het ndua tov Xqiotov is van dien aard, dat het do heele wereld en alle eeuwen omvat; derhalve kan alloon de êamp;vai'a worden gedragen door iemand die:
1° overal tegenwoordig is niet zijn godheid, genade, waarheid en geest.
2° die êë,(gt;vaiK alle eeuwen voeren kan, totdat het regninn gloriae ingaat.
Juist nu die gave, om als mensch in den hemel, op alle plaatsen tegenwoordig te zijn met zijn genade, waarheid en geest, was niet mogelijk bij een Mozes of David of Öalomo of een der apostelen, maar alleen bij Hem, die als Zoon des menschen der goddelijke natuur deelachtig was.
Daarom is het geen bijkomende zaak, maar schuilt er bepaald in,
dat de è^ovaia alleen kan worden verleend aan den Christus.
Om die reden is liet het aa/ice tov Xqiatov in den hartader aantasten, wanneer Home den moed heeft, die QhvbCu over te dragen op een mensch in Home.
Nog twee opmerkingen voegen we hieraan toe om het belang der zaak.
1° Men zou de vraag kunnen stellen: Waarom heeft Uod niet dadeiijk na de incarnatie die i^ovaitt aan Christus gegeven?
Dit is niet. geschied. Eerst moest de nivcoais, de rantivmis, de gehoorzaamheid tot den dood. ja tot den dood des kruises, voorafgaan, en eerst na volbracht lijden en sterven en opstanding zegt Christus: iSóöij po» namp;au èiovaia.
Waarom?
Omdat deze macht niet kon worden gegeven, voordat het werk der verzoening volbracht was. Zoolang dit nog niet was volbracht, kon het ook alleen in voorloopige symbolen worden getoond. Zoo waren er tal van symbolen, in wasschingen, reinigingen enz. bestaande, die in Israël op de verzoening heen-duidden. Welnu, zoolang dit werk der verzoening gebonden was aan symbolische handelingen, was het ook gebonden aan zondige personen. Vandaar dat hot gebonden was aan hiërarchie, en de priesters zelf gedurig reiniging noodig hadden. Zóó was er derhalve geen It-avaia, voordat do verzoening in realiteit, in het werkelijke leven was uitgebracht. Waar het kruis van Golgotha dan ook eenmaal is geweest, is er geen symbool moer. Dit houden we beslist vast tegenover Home. dat alle symbolen handhaaft, om de actiën .uist daardoor aan de zondige personen te kunnen blijven binden.
Daarom is die êfavafa eerst ingetreden na do verzoening, omdat Christus eerst in den hemel moest worden gezet om alle plaatsen op aarde gelijktijdig te kunnen beheerschen en overzien.
•2V De heerschappij, die Christus uitoefent, kon niet eer intreden, omdat liet optreden van deze ij-ovaitt en hot zelfstandig optreden der kerk afhankelijk was van het moment, dat het menscholijk leven zijn zelfbewustzijn had bereikt.
281
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
In de tijden van Abraham, Mosses, David, was van oen bewustzijn van de wereld geen sprake. Alles was slechts loketten werk, Men kun nog niet spreken van de ontwikkeling van het mcnschelijk bewustzijn.
Waardoor is dit dan eerst tot een generalisatie gekomen? Door den geestelijken arbeid der Grieken en de gewapende bezigheid der Komeinen. De (Irieken hebben het algemeen menschelijk bewustzijn hoog verheven. Arlstetelesquot; werk is algemeen menschelijk. Al wat de Boeddhisten en Indiërs gaven, vas nationaal, particulier, beperkt. De (Irieken daarentegen hebben het algemeen men-schelijke gegrepen. Niet echter op staatkundig gebied. Griekenland bestond uit allerlei elkander bevechtende republiekjes. op politiek terrein waren het de Romeinen; /.ij brachten de ontwikkeling van liet cosmische leven tol ongekende hoogte, verbraken alle grenzen en namen alles op wat geschikt was om menschelijk meê te leven.
Nu spreekt het vanzelf, dat waar Christus zijn kerk uit de schelp zal uitdragen om haar zelfstandig te poneeren, de wieg voor haar moet gereed zijn. Tien eeuwen vroeger had de kerk niet kunnen uittreden. Toen was er geen algemeen menschelijk leven en bewustzijn. Maar nu dat er wel is, is er ook al datgene, wat fflodig is om de kerk als oecumenische kerk naar buiten te laten treden.
Het Regimen zelf.
1° Alle regimen is een quaestie van pOteslns.
Waar geen potestas is, is geen regimen. Onder regimen moeten we ons wol wachten te verstaan een soort van moderamen, bestaande uit praeses, secretaris, thesaurier enz. Dit zou alle denkbeeld van kerkregeering in den zuiveren zin doen verliezen en ons geheel op collegiaal terrein overzetten. Neen, regimen onderstelt potestas.
2° Alle potestas in Deo Solo est deposita.
Alle macht berust uitsluitend bij tien Almachtige. „Ik geloof in God den Almachtigequot;, d. w. z. in (fod uit wieil alle maMit vloeit en in wien alle macht rust. In Hem is alle sonvereiniteit en zeggenschap over alle creatuur. Dit moet steeds ons eerste uitgangspunt zijn. dat, alle macht rust in God. We gevoelen nn het onderscheid niet allerlei vereenigingeii. Daar heeft men een voorzitter, ab-aetis enz., doch dat is geen regimen, wijl we daar een bestuursmacht vinden, die niet uit God is geboren, maar op den inenschelijken wil berust. Maar bij regimen is potestas. en die potestas alleen in Uod. Die potestas ligt in zijn Wezen, omdat Ilij God is en al wat beslaat, dankt Hem het léven en daarom heeft Hij er het zeggenschap over. Het vaste beeld hiervoor in de Heilige Schrift is dat van den pottenbakKer en hot leem. En toch gaat dit beeld nog niet geheel op, omdat de pottenbakker niet is de schep-
282
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
per van het leem, maar God liet schiep, terwijl bovendien nog al hetgeen do pottenbakker met het leem moet doen, uitvloeisel is van de ordinantiën Gods. Op dezelfde wijze echter als de pottenbakker niemand behoeft te vragen, of hij zijn maaksel weer verbreken mag, zoo is het ook met God; ook Hij behoeft geen rekenschap te geven van hetgeen Hij doet met zijn schepsel. Ook do kerk nu in al haar ab- en dependenties is een schepping Gods.
8° is dit nu wel ingezien, dat alle potestas uitsluitend bij God berust, dan moeten we daarop de vraag stellen, of God die potestas, welke Hij over de kerk bezit en nooit kan afleggen. ir-chtelreekB Zelf uitoefent, of door instrument ran den tnenseh.
Ons antwoord is: Ja, God de 1-1 cere heeft ook het regimen over zijn kerk overgedragen aan een mensch. Die mensch is Christus Jezus. Hij heeft het op Christus gelegd niet als God, als tweede persoon der Drioëenhcid, maar op Christus als mensch. Wanneer we nu lezen, dat de Heere Jezus dat bewind weer zal overgeven aan God cn den Vader, dan wil dat niet zeggen, dat Hij het weer verliest, maar dat Hij het dan weer krachtens zijn Godheid cn niet meer krachtens zijn inenschheid zal bezitten.
Waarom is nu dat regimen gelegd op Christus en niet up een ander? Omdat Christus is de onzondige mensch, die recht voor God staat, en het regiincn niet A'cm worden gegeven aan een zondig mensch. Zeker bestuur kan in de kerk wel worden gegeven aan een zondig mensch; denken we slechts aan de apostelen en dienaren. Maar het regiincn, waarom wordt dit niet gegeven aan een zondig mensch, aan een vorst, aan een koning, aan wien dan ook? Dezen hebben toch het regiincn over de volken van God ontvangen? Het antwoord ligt hierin: de kerk is één. De kerk is de herstelde menschheid, is dus ook de breuke te boven gekomen, die te Babel in het menschelijk geslacht geslagen is.
In het regiincn der volkeren en natiën is tweeërlei breuke geslagen als gevolg der zonde:
De eerste breuke is, dat de natiën in talen en tongen zijn uiteengevallen, zoodat er geen wereldrijk bestaat, maar koningen gesteld worden over de verschillende staten cn rijken.
De tweede breuke is, dat de potestas politica los is van het sociale leven der maatschappij, zoodat onder de volken tweëerlci souverciniteit bestaat: 1'' de souvereinitcit der overlieden cn li1' de souvereinitcit in eigen kring.
Wc vinden dus;
lt; 1° een indceling in rijken en staten,
'2'' een indceling in eigen boezem.
283
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Deze twee /.ijn nu:
a. gevolg van do zonde.
b. correctief van de zonde.
De indeeling in rijken en «tateu iw hierom een correctief voor de /.oude, wijl zoo het ééne rijk liet andere in toom houdt.
De iudeeling in eigen boezem iw hierom een correctief voor do zonde, wijl zóó aan de macht dor overheid een grens wordt aangewezen.
Doch, al is dit ook correctief, toch breekt het do eenheid der wereld. Deze breuke nu kan wel plaats vinden in de rijken der wereld, maar niet iu het (JnciAejo: rüv ovqkvcöv. Daarbinnen mogen de gevolgen der zonde niet worden ingebracht. Daarom moet deze onverbiddelijke eisch worden gesteld: ïr
Ten tweede mag in liet paailfia rdv ovgavrnv geen sprake zijn van souverei-niteit in eigen kring. Geen „her Majesty's loyal opposition'' is denkbaar inde kerk, en wijl het aannemen van zulk een loyal opposition in de kerk van Christus de kerk van heilig onheilig zou maken en vernietigen, daarorn is ze in haar boezem onbestaanbaar. Ze moet derhalve een regimen hebben, waartegenover geen andere macht nnnj optreden.
Een tweede opmerking moet hierbij worden gevoegd. De dood is ingetreden ten gevolge der zonde. Zoo leven de menschen nu bij portiën, bij deden, bij groepen. Het eene deel der menschheid volgt het andere op. Daardoor vinden we dynastiën, als rijkste uitdrukking' van den band, die samenbinding geeft. Maar in de kerk is geen dood. Hoe zou men daar dan een successie van personen krijgen? De dood heerscht er niet. Die behoort tot de bedeeling der schaduwen, tot het Aaronietisch priesterschap. Daarom moet het regimen berusten bij één eeuig persoon. Heerlijk ligt dit uitgedrukt in den 72«tcm Psalm : „(leef Heer, den Koning uwe rechten,
„En uw gerechtigheid „Aan 'sKonings Zoon...quot;
Dit is dynastiek uitgedrukt en ziet op den Verlosser, Jezus Christus, die Koning en Zoon des Konings tegelijk is, zoodat de volle dynastie in Hem is begrepen.
Dit nu, dat do kerk heilig één is, brengt nier. dal het regimen alleen kan worden opgedragen aan een persoon, die:
1° zonder zonde is;
■2': niet sterft;
•'5quot; niet betrokken is in de deding van het nionschelijk geslacht in rijken en staten.
Aan dezo eischen nu beantwoordt Christus en Christus alleen:
1quot; Hij nam aan de menschelijke natuur;
■2' Hij ging in in de zonde, om der zonde te sterven.
284
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
3'' Hij overwon den dood.
4° Door zijn hemelvaart kwam Hij do brouke van ryken en staten te boven.
Wc hebben eenigszins in den breede op dit punt de aandacht gevestigd, opdat men toch niet dwale wanneer het geldt, op welken grond het koning-sciiap der kerk op Christus is gelegd.
We zagen hierboveij:
1° alle regimen is potestas.
zi1, alle potestas vloeit uit (loei.
8° die potestas is gelegd op Christus.
Maar, nu moeten we in de vierde plaats de vraag stellen, hoe Christus nu dat koningschap uitoefent.
liet is mogelijk dat Hij het uitoefent of alleen of met behulp.
Op dit punt nu gaan de belijdenissen der christelijke kerk uiteen. Hier scheiden zicli do wegen.
Er is toch ten allen tijde in de christelijke kerk een richting geweest, die zegt: Christus regeert zijn kerk alleen, zelf, rechtstreeks. Dit is de voorstelling, die steeds gegeven is door de mystieken en apocalyptische richtingen. Daarom kennen al die richtingen in de kerk geen ambten, immers, de kerk wordt rechtstreeks geregeerd door den Heiligen Geest.
Anderen zeggen: Ja, Christus regeert wel zelf, maar gebruikt in liet regimen ook hulp van meuschen.
Deze laatste gaan weêr uiteen in twee richtingen:
1° zij, die de lijn laten loopen van boven naai' beneden.
„ ,, ,, ., , „ „ beneden „ boven.
Zij, die de lijn laten loopen van boven naar beneden, zijn de Roomsche, de Crieksche, de Lntliersche kerk, de Church of England, en zij die de lijn van beneden naar boven laten loopen: de Apostolische kerk, de eerste christelijke kerk, en de Clereformeerden.
We zullen eerst de eerste tegenstelling bespreken.
Alle mystieken neigen er toe om het ambt te verachten, en de prindpieelo mystieken komen er toe liet af te schaffen, het als een bedelf aar. te wijzen, m een regimen aan te nemen, alleen rechtstreeks door Christus uitgeoefend, zonder middel. Vooral drijven dit de Plymouth-bretheren en Darbisten, en verder de historische nabloeiingeii van Kwakers, Mennonieten rnz. Darbi echter ontwikkelde dit stelsel geheel buiten de Mennonieten om. Hoofddenkbeeld is steeds: Christus regeert persoonlijk, rechtstreeks, door zijn geest, genade en almacht'. 11 ieruil vloeit voort, dat er geen opleiding nuodig is: Ue Heeiv bekwaamt zelf door zijn ( ioest, Htudeeren is overbodig. Ouderlingen en diakenen knnnen gemist, Moetquot; ik wat aan de armen schenken, dan zal de Heere zelf mij dat wel in het
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
lial.t .roven en zelf do linnen annwij/.m, aan wie ik .niju gave moot uitreiken.
De oronddwaliiig' van dit alios nu /.it in het .
Het fSiu^ drukt uit. dat d. wking des lleiliSen C oes^es is gebonden den Zoon. in het reëele loven is dit. dat de w.M-king des I l. digen t.eeste is «ebonden aan bet Woord. Wc vinden nu bij die mystieken, «•'. (■n ^e. de /elfde dwaling, die wc aantreffen in deGnekscbckerk. dodwabng vanhet hh.qm.
O hoofdzaak resumeert zirb in dcc Oóno vraag, of Cbrjstns .,,n sverking „n t n bet Woord uf niet. En nn is bet steeds de vaste bchngmg m de T-yJ Lhvm dat. ('bristus zijn werkingen altijd bindt aan /.yn x\oord. Dru'om -etuigt de Cbristus zelf van den Heiligen Geest: „Hij zal bet mt bet quot; ' , ,„1 i.of li verkondigen.quot; Daarom worden de ambten ingesteld S^leT Woord'en om liet Woord. De dwaling, die de ambten verwer,.! ,1 dan ook steeds op. wanneer bet gezag van het Woord weggaat en sN oidt 1 . o-r.vno van bet Woord weêr gaat gelden. Zoo komt bij do weêr OP, omdat ze bet Woord loslaten. Voor
d, werking van' Gods Geest wordt van lieverlede de werking van des men-ihen geest in de plaats geschoven, ten slotte heebt men sic its aan Hetgeen .oo wat nit het gemoed opkomt en zoo ligt de brng gereed voor de meest ' „fwiii-incen die bet geheele wezen der religie vernietigen.
81 Teksten' aan té halen voor hetgeen wij betoogden, mag onnoodig lieeten
i. 1 . na-,. voHnndelinquot;' als hier wordt gegeven. Dit ztj den
** *£*gt; •*** *■
«„wrtantic «1. bit ambt « ,nlt;'quot; m'' quot;quot;quot; ' 80
dc/o mateiio ons niet in twijfel . ^, ...
Do tweede tegenstelling ligt tussehen hen. die wel zeggen, dat Christus bi, het vcgimen ecclesiae Hnlp van menschel, gebruikt maar die of de lijn van boven naar beneden, «f van beneden naar boven laten loopen. Deze figuur
niogc' dit duidelijk
286
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
De grootc is nu slechts, ol' do lijn loopt uit do tidolos naar do pres-
liytori, on dus uil do liddos opkliminond in do anibton, of uit don (Jhristusin do ambten. Indion liot laatsto iiot geval is, dan govoolen wo aanstonds, dat or tnssolirn dio vorscliillendo ambten on don Christus nog oen schakel moet ziju, dion Homo dan ook jogj-, (Vn persoon. ii,l. do paus.
Laat; ik de anihton opkomen uit do tidolos. dan komen zo op uit hen gemoonschappoliik, niet persoonlijk (Daarom hebben wo de tidolos in de figuur aangeduid door een lijn,)
Hieraan hangt feitelijk de hoelo zaak,
])o Hoomsc.he kerk staat op een heel natuurlijk standpunt, want wanneer uit Christus do macht moot vloeion in de kerk. dan is liet op zichzelf genomen nog niet zoo dwaas te donken, dat Christus die macht in één persoon heeft laten vlooien, en van dien persoon uit in de lagere ambten. Maar de capitalo fout van Rome ligt hierin, dat hot de hoelo ratio van do Hemelvaart van Christus wegneemt, indien hot to doen was om zulk een persoon, dan had Christus zelf op aarde kunnen blijven. Maar Christus hooft zijn hemelvaart als absoluut noodzakelijk voorgesteld. Hij zoido, dat do Heilige fleest niet komen kon, indion Hij niet heenging. Een plaatsbekloodor op aarde zou natuurlijk geen ratio hebben, wanneer Cliristus zelf op aarde ware gebleven. Maar Christus zegt niet, dat Hij liovei wegging; we mogen niet veronderstellen, dat Hij wegging, omdat het voor Hem niet aangenaam zou zijn geweest nog langer op aarde te blijven. Indien hot noodig was geweest voor de kerk, dan zou Hij, die van don hemel daalde om voor zijn kerk te lijden en te sterven ook dit offer ongetwijfeld hebben willen brohgon, maar Hij moest weg. omdat anders do Trooster niet komen kon. fin hiermede is heel do voorstel'ing van Rome vernietigd.
Hierbij komt nog, dat, wanneer Christus do kerk kon laten rogeeren door oen plaatsbokleoder, deze dan onmiddellijk zon worden gewikkeld in allerlei deoling in staten on rijken. Eén monsch op aarde met die waardigheid kan daar niet aan ontkomen. Paaroni is do paus zoozeer gestold op een eigen kerkstaat. Heeft hij dien niet. dan botookent hij niet veel meer. Nu de koning van Italië Rome heeft ingenomen is de innei'lijko stand van Ik^ pausdom dan ook eigenlijk weg. Ook van dit oogpunt is zulk een pauselijke stool in beslisten strijd met do heelo ratio van do hemelvaart van Christus.
Doch, in de tweede plaats, -- en dit concludeert de zaak — wanneer het Christus behaagd had, zulk oen plaatsbokleoder aan te stellen, dan zouden we daarvoor eenvoudig moeten zwichten. Maar in hot Woord is daarentegen zoor duidelijk aangetoond, dat geen vicarius door Christus is aangesteld.
RIJ de bestrijding dier vicariale macht hebben we op twee punten te letten:
•287
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
1° lt;lai ('hristus iktkoiik palvnlUH nntqifslvdlh o|t inciischcu lirct'i: ^rlc^d.
2° op (1(^ cxc^.'sc van Matth. 1(gt; ; 15 — 20.
Ad 1. Allo potostas dio in do kork wordt uitiiooofend dooi- rnonachon is potofifas ministerialis; nooit inaylHtrulis.
Ora dit goed in to /ion moot oorst hot verse)lil tnsschon beide ons wordon diü(lo)ijk gemaakt.
.üe ministers heeteii ministri, omdat, die ministers niets kunnen doen als magistri. Indien do dagbladen een Jnist berieht geven, dan zou onze honingin in Groningen dezer dagen gezegd hebben aan een deputatie? van werklieden, dat zij over hun belangen „met do regeering zou spreken.quot; Dit nu is verkeerd. Wel kunnen ministers met de regeoring spreken, maar niet koning of'koningin. De ministers kunnen alleen het stuk gereed maken, maar de koning moet het teekenen, of de ministers, maar dan in naam des konings.
De bevoegdheid daarentegen van don commissaris eenor provincie is magistraal. De koning kan niet in elke provincie tegenwoordig zijn, en daarom moet er een vicariate macht in al die provinciën zijn. De commissaris moet daar de regeeringsstukken ook teekenen.
Ten opzichte van de kerk komt de qnaestie hierop neêr: heeft ( 'hristus aan eenig ambtsdrager op aarde de bevoegdheid gegeven, zelf over eenige zaak te beschikken, of gewild, dat zij alleen uitvoerdei's zonden zijn van zijn wil?
In het eerste geval zouden zij bezitten een magistrale macht, omdat de personen dan kunnen handelen suo arbitrio, In het tweede geval hebben zij een ministerieele macht.
Wanneer ik een rijk man bon en geen beter geldbelegging weet dan door aankoop van schepen, maar zelf geen verstand van schepen en varen heb, dan stel ik een. kapitein aan. Zulk een man bezit dan magistrale macht; heeft recht van leven en dood over de» schepelingen enz. Daarom stond er in de oude zeebrieven: „Ik, naast God, schipper van mijn schip,quot;
Ben ik redacteur van een blad en stel ik onder-redacteurs aan en medewerkers, dan hebben deze ministerieele macht. Zij moeten doen, wat de hoofdredacteur zegt.
Wanneer ik eenige boerenplaatsen aankoop, en daar een administrateur aanstel, die verstand van zaken heeft, dan heeft die persoon magistrale macht.
Wanneer ik echter weêr aan het hoofd van een kantoor sta, dan hebben degenen, die onder mij werken, boekhouder en klerken, ministerieele macht.
Is nu het verschil tusschen beide duidelijk geworden, dan staan we voor do vraag: hoe is het nu in de kerk van Christus?
Deze zaak wordt onmiddellijk beslist door hetgeen de Iteere Jezus gezegd heeft in Matth, 20 : 25. Het: ov% ovtoig Se lana Iv vaïv in vs. 20 shiil alle
ass
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
inagistnilu nmchl volkomen uit. /ir verder Mattli. 28:8, 10. Joh. 13:18, 14. Openb. (i : 10.
Alleen Christus is de Jsannr^g en de KvQmg. en alle dienaren onder Hem bezitten ministerieele macht.
Ditzelfde wordt ook aangeduid op een andere wijs.
in alle dingen, op aarde in de kerk aan inenschen toebetrouwd, is Christus werkend. Men dienaar, die spreekt op den kansel, mag dit heel roerend en schoon doen, maar al staat hij ook veertig jaar op een zelfde plaats, hij zal daarom niimner eenig effect hebben, niemand zal daardoor onder zijn preeken tot bekeering komen. Het effect van den dienst des Woords ontstaat eerst door do concoinitans operatio Spiritus Sancti, die van Christus uitgaat.
Al komen de presbyter! in meerdere vergaderingen samen, en praten en redeneereu over allerlei kerkelijke aangelegenheden, en behandelen tuchtzaken, dit alles zal niet het minste effect hebben en ook de tucht zal niets baten. Alleen dan heeft de tucht effect in de harten, als de Heilige Geest zelf presideert en in de harten werkt. Dit is de grootste ellende, wanneer de predikers denken, dat zij het zijn, die de Sacramenten, hot Woord bedienen. Dan eerst is er dienst des Woords en der Sacramenten, als Christus zelf een actie doet van uit den hemel. Wil ik een spijker slaan, dan heb ik een hamer noodig, maar hoe dwaas zou het zijn indien die hamer, kunnende spreken, zeggen zou: ik heli dien spijker ingeslagen. Welnu de dienaren van Christus worden slechts gebruikt als hamers. Zóó gebruikt de profeet Jesaia het beeld van den zaag. Niet de zaag, maar wie de zaag trekt, doet het en dat is God. Niet de hamer, maar wie den hamer drijft. Ieder nu is een meer geschikt instrument, naarmate hij meer instrument wil zijn, alleen als minister dienen wil. met terzijdestelling van alle magistrale pretenties.
Welk paard doet het best dienst in den slag? Het paard dat niets wil zijn dan instrument van ziju berijder en alleen heengaat, waar het gestuurd wordt, Zacharia drukt, sprekende van „het paard zijner majesteitquot;, dan ook uit, dat de dienaar voor God is, wat het paard is voor den ruiter. Het paard, dat den ruiter draagt en de kling in de hand des ruiters zijn de middelen, die don slag moeten toebrengen. Daarom moeten we wél weten, willen we werkelijk den Heere onzen God dienen in den dienst van zijn koninkrijk, of we zelf wat willen zijn, of ons zelf willen wegwerpen en verloochenen.
Ad 2. Het tweede punt is de quaestie van Matth. Ui : 15—20.
In do eerste plaats zij opgemerkt, dat in vs. 19 ódata niet wordt gevolgd door yaQ. In het volgende ligt dus geen verklaring van het voorafgaande. Beide dingen zijn dus op zichzelf te beschouwen.
Ten tweede: Is met tnl rainy rfj nftqtt Petrus bedoeld? Van Gereformeerde
289
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
zy is steads gezegd, dal met deze ivoorden bedoeld, loordt de beti/jdenis, die Petrus zooeren van den Christus had afgelegd. De Roomscheu beweren, dat Petrus bedoeld is. Maar reeds in de 10'' eeuw, is in hel jaar 909 opdesynoderanTroskieninde meening 'uitgesproken, dat de christologische belijclenis van Petrus zou zijn bedoeld.
De tegenwerping der Gereformeerden, dat er dan [Htqk had moeten slaan is taa.lkundig niet steekhoudend, want nhqa en nitgoe komen beiden, voor in. den zin run rots. Maar nérgoe voor rots komt zoo weinig voor. dat het bedenkelijk is, dat de Heere bedoeld, he,eft. tweeërlei woordvorm vaar „rots' te. gebruiken. Het is al:MO niet aan te nemen, dat Christus hier het woord jtêrgog in den zin van rotssteen heeft willen gebruiken.
Wij moeten vooral letten op het parallellisme. Petrus zegt tot Christus: £h h ó XQiazng, en Christus zegt tot Petrus: av eï THtqo?. Dit heeft men te veel uil het oog verloren. Petrus erkent Christus in de qiialiteit Hem van den Vader gegeven, n.l. als den Christus, den van God Gezalfde en Verordineerde. In antwoord daarop zegt Jezus: ai tt nitQos. Hieruit volgt aanstonds, dat de exegese van Rome, alsof ai el nérgog zou betcekenen: „gij zijl die met macht bekleede persoonquot; vervalt. Immers in, de woorden av sl Xgiarug ligt juist uitgedrukt, dat het regimen hij Christus rust. nérgog moet dus slaan op den persoon, op icat aa n Petrus van Godswege, was gegeven, en waartoe Petrus was geroepen.
Gelijk Christus b Xgiaróg is als de van God Gezalfde, zoo is Petrus TJhffug omdat Hij van God. de roeping om nérgog te zijn, ontvangen heeft.
Nu komen we tot de vraag, of ènl tuvry rij névQn op Petrus slaat. Ja. wel degelijk slaat het op Petrus. Dit in tegenstelling met sommige Gereformeerden, die hierin iets aan de waarheid hebben, te kort gedaan. Maar Rome gaal mis, wanneer hel meent, dat het op Petrus' persoon als zoodanig sloeg. Neen hel slaat op hetgeen in Petrus was en wat hem. tot Petrus maakt. De persoon van Petrus gaat voorbij. Daarom moet. Borne ook een successie aannemen. Wat ma,akte Petrus nu tot Petrusquot; Dit dat Jezus tot hem zeggen kon: „dat heeft vleesch en bloed u niet geopenbaard, maar mjn Vader, die in de. hemelen is.quot; en dat hij nu het kloekst in zijn belijdenis van den Heere was. Ni ei alleen hier, maar steeds in de 'Evangeliën treedt Petrus op den voorgrond. Ook, op den Pinksterdag is het Petrus, die uit aller naam het woord, roert. Petrus is door Christus bepaald als woordvoerder aangesteld. Petrus had de gave des wonrds, en daar de belijdenis 'uitgaat door het woord,, zoo is die gave van het woord, in het doen van belijdenis hij Petrus in hervorragende mate in het leven geroepen. En daarop, op die macht van het woord, op het xifcvftut, op die belijdenis van den Christus is het, dat Christus zijn kerk bouwt.
Dr uitlegging var Rome is in strijd niet, de feilen van het, Evangelie. Tot Petrus
19
290
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
had Christus gezegd: „ga achter mij, Satanas.quot; Tot Petrus had Christus gezegd: „do satan heeft zeer begeerd u te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden.quot; Petrus had zijn Heer verloochend. En wanneer nu Christus hem tot driemalen toe herstelt, heeft dit wel degelijk de strekking om te zeggen: Ik herstel u niet alleen als apostel maar ook met dat bepaalde primaat van woordvoerder. Daarin heeft Rome wel gelijk. Rome deed verkeerd door op hot ambt van Petrus den nadruk te leggen. Do Gereformeerden deden verkeerd met te ontkennen, dat het op den persoon van Petrus sloeg. Den goeden weg slaat men in, als men zegt: liet ziet op wat hem tot Petrus maakte, op de gave van het woord. Zoo is het natuurlijk, hoe er op volgt, dat de Heere op Petrus zijn kerk zal bouwen.
Het laatste punt is dit, dat men is gaan twisten over de fundamenten. De Protestanten zeiden met recht: niet Petrus is het fundament van do kerk, zooals de Roomschen ervan maken. Maar dit raakt de quaestio niet. Dit zijn allerlei overleggingen, die hiermede niets te maken hebben. Men mag niet uit termen gaan concludeeren. Men mag niet liet woord „fundamentquot; nemen en denken dat dit nu wel overal in de Heilige Schrift dezelfde beteekonis zal hebben. De Heilige Schrift is geen Dogmatiek, maar een zich in al haar volheid ontplooiende openbaring Gods. We zien dan ook, wanneer we het beeld van „bouwenquot; en „fundamentenquot; nagaan, dat dit beeld voor verscheidene zaken wordt gebruikt.
Openb. 21 : 14 wordt het Nieuwe Jeruzalem beschreven met zijn twaalf fundamenten, en op elk fundament de namen der apostelen, is nu Christus niet meer liet fundament? Is Petrus alleen het fundament? Dit heeft alles uiets te maken met hetgeen we hier hebben. Hier in Matth. 16 is sprake van de zichtbare kerk.
Hebr. 6 : 1. Hier wordt het woord fundament zelfs gebruikt van do loer der doode werken.
2 Tim. 2 : 19 fundament als aanduidende den raad Gods.
Ef. 2 : 20 't fundament der apostelen en profeten. Zijn dan hier bedoeld de profeten des Ouden Testaments? Neen, dan zou er staan: „de profeten en apostelen.quot; Weêr dus een gansch ander beeld.
1 Oor. 3 : 11, 12. Een fundament, dat Paulus gelegd heeft. Dus weêr in andere beteekenis.
Uit al die plaatsen valt dus niets te concludeeren voor deze plaats. Hier toch is sprake niet van de onzichtbare kerk, maar van de kerk in het uitwendige en van den bouw dier uitwendige kerk en hoe die bouw wordt gewerkt, Nu moet er een man komen, die de gave van het woord hooft en van liet Hi'iQvyiiK, en de kracht van dat woord moot werken op al de barton dier heidenen, opdat onder die heidenen Christus zijn kerk bouwe.
291
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
Wo zullen niet alle quaesties van pauselijke macht bespreken, die onze vaderen ten onrechte in de dogmatiek sleepten. Al die verhandelingen als over het dominium Petri, pausin Johanna, enz. hebben met de dogmatiek niets te maken.
Nu de vraag: hoe komt die macht van Christus in de kerk?
We hebben aangetoond hierboven, hoe de macht van Christus afdaalt in den coetus fldelium en dan opklimt.
Die potestas van Christus in zijn kerk is, wordt gewoonlijk aldus onderscheiden. schoon deze onderscheiding niet geheel en al zuiver is:
1° docpnatica, waarin begrepen is al wat betrekking heeft op het Woord:
2° orclinans, waarin begrepen is alle regeling en bestuur der kerken.
8e judicans, waarin begrepen is alle discipline en regeering der kerken.
Hoe ontstaat die potestas?
Zij wordt daardoor geboren, dat Christus door den Heiligen Geest menschen wederbaart en tot bekeering brengt. Indien dit niet zoo ware, zouden de organen voor den Heiligen Geest ontbreken. Christus, als de koning zijner kerk, gaat door als KBcpult) tov aducemg menschen van dood levend te maken en tot bekeering te brengen. Wanneer die menschen nu door den tpétiapos verlicht woroten, dan krijgen ze licht in het woord, in de waarheid, in de ordinantiën Gods en in den wil des Heeren. Dan rust op al die personen de roeping, om elk oogenblik zich beschikbaar te stellen voor den Heere en zijn dienst. Daarom is de werkzaamheid in het kerkelijke leven volstrekt niet beperkt tot den dominee en de ouderlingen, maar strekt zich uit over al de leden, ieder geloovige is in het leven steeds bezig liet Woord toe te passen. Men zegt niet: zou dit of dat nu wel zoo wezen, maar: zóó ligt «ié zaak. Men moet het aan den broeder voorleggen als een zaak die geldt. Zoo is er in den coetus fldelium werkzaam zekere potestas.
In de tweede plaats moeten we vragen, waar toch ook voor de ecclesia als zoodanig de potestas moet worden uitgeoefend, en niet alleen in den kring van het huiselijk en dagelijkse!) leven, hoe het daarbij dan met deze potestas gestold is. En dan moet geantwoord, dat ook dit- coetus alle potestas dogma-tica, ordinans et judicans in eigen schoot draagt.
De belijders hebben het recht saam te komen in vergadering, ouderlingen, dienaren en diakenen te verkiezen in een kerk, die pas opkomt. In de belijders zelf ligt dus die macht. En niet, dat ze maar eens voor een keer een persoon benoemen, neen, ze stellen de ambten in, ze maken de plaats klaar, waar steeds een man staan zal. Hierin ligt dus de meest constitueerende macht, die men maar denken kan. Is eenmaal een kerk geconstitueerd, dan is daarna wel een andere regeling gekomen voor de benoeming van dienaren, maar
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
nooit toch mag zij geschieden zonder den consensus van den coetu.s flddiuin. Zoo liet ook i'aulus mannen aanstellen in de gemeente door xtteotim'u.
Die potestas, welke in den coetus fldeliuni ligt, moet werken. Ook de aanneming van doopleden en lidmaten van elders kan niet gebeuren zonder den coetus ttdelium. De afkondiging, die daartoe plaats vindt, strekt wel degelijk hiertoe, dat zij, die er tegen zijn, ook zullen kunnen opponeeren.
Hetzelfde geldt in zake de tucht. Als socius ecclesiae moet de belijder feitelijk zelf vermanen en aan de tucht deelnemen.
De potestas, die in de kerk rust, werkt dus nergens zonder dat ze haar radix in den coetus fldeliuni heeft.
Wanneer nu door verkeerde leiding van anderen de zaken misloopen, dan ligt op den coetus fldelium het recht en de plicht te elschen van de ambtsdragers, dat ze den gang van zaken weêr in liet rechte spoor leiden. Indien dezen daaraan niet voldoen, dan rust op de fldeles de verplichting zelf op te treden. De potestas ecclesiae rust krachtens Christus niet bij den predikant of ouderling maar bij den coetus fldelium. Zoo die ambtsdragers uitvallen door wangedrag, valt die macht terug op den coetus, en moet de coetus tot reformatie overgaan.
Behalve die potestas ministerialis generalis, heeft Christus ook gewild, dat die potestas specialiter zou worden uitgeoefend. Alle potestas ministerialis in de kerk is gebonden aan de gehoorzaamheid van het Woord. Zoodra ze wil handelen tegen het Woord in, is ze er eenvoudig niet meer. Wilde ze nu zelf alle potestas uitoefenen, dan ging zo in tegen het Woord, en daarom is de ecclesia gebonden ambten in te stellen, niet gemakshalve, maar alleen in oboodientia aan het Woord. Die ambten zijn dus alleen zaakwaarneming voor den coetus fldelium. Maar alle potestas, die wordt overgedragen uit het ambt, is alleen een overbrengen van een uit Christus ontvangen potestas aan die ambtsdragers. Natuurlijk geen overbrenging van iets uit henzelf, want in zichzelf hebben ze geen macht, 't Is een overdragen op dien ambtsdrager van Christus' macht, die de coetus voor dat doel en dus niet voor zichzelf ontving. Ook die ministri zijn nu geen rekenschap schuldig aan den coetus maar aan Christus. Doch zóólang alleen hebben ze wat te zeggen, als ze hun ambt uitoefenen in gehoorzaamheid aan het Woord. Van een dienaar, die spreekt tegen het Woord in, gaat geen kracht uit. Men moet steeds toezien, of alles in de kerk van Christus toegaat conform den Woorde Gods. En of een belijder nu al bij misdraging der ambtsdragers zegt, dat hij er niets aan doen kan, dit is geen verontschuldiging, want die overgedragen macht valt terug op den coetus, zoodra ze niet naar eisch door de ambtsdragers wordt uitgeoefend.
Deze beschouwing geeft dit gevolg, dat het Gereformeerde kerkrecht hel
293
College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).
geestelijk leven activeert, terwijl elkander kerkrecht het geestelijk leven doodt. Het verplicht de geloovigen en de ambtsdragers elk oogenblik te zien, of alles toegaat conform aan Gods Woord. Elk belijder moet van allo zaken ia het kerkelijk leven kennis nemen en zijn oordeel daarover doen gaan. Wijkt men van de beginselen af, dan doodt men het geestelijk leven en is het kerkrecht geen kerkrecht meer.
Wij gaven in deze paragraaf slechts de beginselen aan, waarop het kerkrecht moet worden gebouwd. Deze bouw zelf van het kerkrecht behoort echter niet thuis in de Dogmatiek.
E R R A T A.
|
. 11, |
r. |
12 |
V. |
b. |
staat: |
Pu. 63:31, |
loos |
: Ps. 68:31. |
|
15, |
r. |
5 |
V. |
1). |
r |
word, |
wordt. | |
|
15, |
r. |
10 |
V. |
b. |
V |
iv, |
„ |
tv. |
|
28, |
r. |
5 |
V. |
1». |
n |
komiseho, |
V |
kosmische. |
|
r. |
8 |
V. |
0. |
n |
komischo. |
n |
kosmische. | |
|
80, |
r. |
7 |
V. |
b. |
„ |
rigitio. |
„ |
origine. |
|
45, |
r. |
8 |
V. |
0. |
„ |
zij, |
li ij. | |
|
Joh. 16: 13, |
.. |
Joh. 16:33. | ||||||
|
65, |
r. |
15 |
V. |
b. |
losgoworkl, |
,, |
losgeweekt. | |
|
72. |
r. |
8 |
V. |
0. |
Hobr. 12:28, |
Hobr. 12:23. | ||
|
84, |
r. |
18 |
V. |
1). |
óón, |
oen. | ||
|
100, |
r. |
4 |
V. |
0. |
mortuis. |
.. |
mortni. | |
|
116, |
r. |
12 |
Y. |
0. |
,, |
EC. 3:13. |
w | |
|
127, |
r. |
15 |
V. |
0. |
.. |
Israël, |
.. |
isinaël. |
|
180, |
r. |
1 |
V. |
b. |
bedoeld, |
n |
bedoelt. | |
|
182, |
r. |
17 |
V. |
0. |
assossoir, |
accessoir. | ||
|
133, |
r. |
18 |
V. |
1). |
wol, |
r |
wolk. | |
|
139, |
r. |
16 |
V. |
b. |
„ |
proseliofcischo. |
prosolioi Isme. | |
|
140, |
r. |
5 |
V. |
0. |
wie. |
n |
wien. | |
|
152, |
r. |
18 |
V. |
b. |
n |
1 Thoss. 2 :16, |
1 Thoss. 2 : (i. | |
|
158, |
r. |
6 |
V. |
0. |
» |
Joh. 17 : 15. |
,, |
Joh. 17:20, |
|
156, |
r. |
7 |
V. |
0. |
}} |
behoefde, |
n |
bohoofden. |
|
156, |
r. |
5 |
V. |
0. |
„ |
Heilige, |
n |
Heiligen. |
|
161, |
r. |
9 |
V. |
b. |
Joden, |
r |
chrlstenon. | |
|
178. |
r. |
10 |
V. |
b. |
werk, |
V |
workt. | |
|
241, |
r. |
12 |
V. |
0. |
„ |
{ysamp;rfaovrat, |
gt;1 |
Ly hliïl'jdo VTUt. |
|
260, |
r. |
19 |
V. |
0. |
j? |
do leugen, |
den lengen. | |
|
261, |
r. |
o |
V. |
0. |
de korkoniad. |
den kei kei'aad. | ||
|
262, |
i*. |
11 |
V. |
1). |
drangrede. |
» |
drangreden. | |
|
284. |
r. |
4 |
V. |
0. |
,, |
geest, |
(leest. |
■
:
ij
■ ■
■
,