3*» JL, C% ltSjeilclïior,
NEDERLANDSCME SPRAAKKUNST.
P, Of. WitilBaORD
Ccilegio quot;5.
Q U A H A C C H I
- (^irvri-) ==-
MÃ
NEDERLANDSCIIE 50
BIBLIOTHEEK I RlJKSUNIVERSi
SPRAAKKUNST
DER
IffSiTEIT
\ UTRECHT
j COLL. THOTVtAASSE
J. C KUMMER,
Ondkrwijzkr te Amsterdam. (Geèxaminccrd in Nederl. Tan! en Geschiedenis M. O.)
C. VAN TW1SK, Runstraat 23, Amsterdam. 1898.
VOORBERICHT.
Om tweeërlei reden heb ik dit werk â dat voornamelijk voor candidaat hoofdonderwijzers bestemd is â geschreven.
In de eerste plaats, omdat ik meen, dat er behoefte is aan een werk, waarin de hoofdzaken uit de grammatica iets uitvoeriger besproken worden, dan zulks in de spraakkunst van Terwey geschiedt en dat aan den anderen kant toch weer minder omvangrijk is, dan de groote spraakkunst van Den Hertog.
In de tweede plaats, omdat ik mij met verscheidene denkbeelden, in de meest gebruikte spraakkunsten meegedeeld of ontwikkeld, niet kan vereenigen. Zoo zijn mijns inziens b.v. de definities, die men gewoonlijk van naamvallen, personen, wijzen geefc, geheel en al verouderd en is het derhalve noodzakelijk, althans te trachten, ze door andere en betere te vervangen.
Elke goede Nederlandsche spraakkunst moet bevatten: a. beschouwingen van meer algemeenen aard â zooals over het wezen van een zin; over de grondslagen van ons stelsel van verdeeling der woorden; over het wezen van naamvallen, tijden, wijzen; over afleiding en samenstelling, e. a. â beschouwingen, die voor een goed deel ook voor andere talen dan het Nederlandsch van kracht zijn; en h. een beschrijving van hetgeen er meer bepaaldelijk in onze taal ten opzichte van verbuigings- en vervoegingsvormen, de gebezigde voor- en achtervoegsels, enz. valt op te merken. In dit boek zijn die algemeene beschouwingen iets uitvoeriger gehouden, dan in soortgelijke werken het geval pleegt te zijn; terwijl ik er in 't geheel niet naar gestreefd heb
om met angstvallige nauwkeurigheid b.v. alle gevallen en gevalletjes op te sommen, waarin men de aanvoegende wijs zou kunnen gebruiken.
Voor ik mij tot het schrijven van deze spraakkunst zette, heb ik natuurlijk verscheidene andere grammatica's en tal van artikelen in oudere en jongere tijdschriften bestudeerd; vooral sommige artikelen in: âTaal en Letterenquot;, het tijdschrift der âjongerenquot;, heb ik met groote instemming gelezen, gelijk uit menige bladzijde van dit werk blijken zal. Voorzooverre ik aan die werken of artikelen een denkbeeld of een gelukkig gekozen voorbeeld ontleend heb, breng ik den schijvers daarvan hier allen te zamen mijn hartelijken dank!
J. C. K.
Amsterdam, Mei 181)8.
INLEIDING.
1. Een taal is het middel, waarvan een groot aantal personen zich bedienen, om hun gedachten door middel van spraakklanken aan elkander kenbaar te maken: de Fransche taal, de Neder-landsche taal.
Degenen, die eenzelfde taal spreken, vormen niet altijd een staatkundige eenheid. Zoo wordt de Nederlandsche taal niet alleen in Nederland, maar ook in een deel van België en Noord-Frankrijk gesproken. Ook door afstammelingen van Nederlanders, die zich in Noord-Amerika en in Zuid-Afrika gevestigd hebben, wordt nog een taal gesproken, die in meerdere of mindere mate op het tegenwoordige beschaafde Nederlandsch gelijkt.
2. Naast de algemeene taal spreekt men in sommige streken van het vaderland een taal, die daarvan soms vrij sterk verschilt. Zulk een gewestelijke spraak noemt men een dialect. Zoo kan men spreken van het dialect van de Betuwe, van Twenthe, van de Graafschap, enz.
In zulk een dialect kan men weer verschillende tongvallen opmerken; zoo spreekt men van den tongval van Zutfen; van den tongval van Groningen; enz.
3. Onze taal behoort met vele andere talen, die in Europa en Azië gesproken worden, tot de Indo-Europeesche taalgroep; meer bepaaldelijk behoort zij tot de Germaansche talen, een dei-ondergroepen van genoemde hoofdgroep. Tot die Germaansche talen behooren mede: 't Hoogduitsch, 't Engelsch, 't Deensch, 't Zweedsch, 't IJslandsch; en met die talen is de onze dan ook het nauwst verwant.
4. Na 400 j. n. Chr. ongeveer werd ons land bewoond door drie Germaansche volken: de Friezen, de Saksen en de Franken.
De Saksen woonden in de Graatschap Zutfen, in Overijsel, Drenthe, het zuidelijk deel van Groningen, en zoo verder in Duitschland, tot aan de Elbe.
De Friezen woonden in Duitschland langs de kusten van de Noord-Zee, verder in het N. van Groningen, in Friesland, en in Holland gewoonlijk tot aan den Rijn.
De Franken bewoonden het overige deel van het land.
5. Op de plaats, waar nu Amsterdam staat, woonden dus oudtijds Friezen. Langzamerhand werden die Friezen door de Franken meer noordwaarts opgedrongen en toen werd het Frankisch daar de heerschende taal. Niet alle Friezen verlieten echter de streken bezuiden het IJ en zoo werd de taal, die in Amsterdam en omstreken gesproken werd, sterk Friesch getint; hetgeen duidelijk blijkt uit de blijspelen van Hooft, Bredero e.a.
Dat Amsterdamsche dialect nu, zooals het door Hooft, Vondel e.a. tot een kunsttaal omgetooverd was, werd in den loop van de zeventiende eeuw tot algemeene beschaafde spreek-en schrijftaal verheven. Onze beschaafde spreek- en schrijftaal heeft zich dus voornamelijk uit het Frankisch ontwikkeld, maar bevat toch ook in buiging, vervoeging en klankstelsel enkele specifiek Friesche eigenaardigheden. Het Saksisch heeft weinig of geen invloed op de ontwikkeling van de algemeene landstaal uitgeoefend.
Dit alles meer in bijzonderheden na te gaan, ligt buiten de grenzen van dit werk.
6. De hierachter volgende Nederlandsche Spraakkunst handelt over het Nederlandsch, zooals het door beschaafden gesproken en geschreven wordt. Zij bespreekt; a. de leer van den zin; h. de verdeeling der woorden in 10 soorten van rededeelen; c. de beteekenis en het gebruik der buigingsvormen; d. de tegenwoordig in gebruik zijnde buigings- en vervoegingsvormen; e, de woordvorming; f. de klankleer en de spelling.
EERSTE BOEK.
De Leer van den Zin.
I. Definities van woord en zin.
§ 1. Een woord is de naam van een voorstelling of van een begrip: Jan, Amsierdam, mensch, stad.
§ 2. Denken is het opsporen van eenigeilei betrekking tusschen twee of meer voorstellingen of begrippen. Het middel daartoe is, zich deze en andere voorstellingen of begrippen klaar bewust te maken.
Stel b.v., dat een leerling bewijzen moet, dat twee overstaande hoeken A en B gelijk zijn. Hij begint met â zooals de jongens dat noemen â de figuur eens goed aan te zien; of â zooals het in de deftiger taal der psychologen heet â hij maakt zich de ligging en verdere^bijzonderheden der hoeken klaar bewust. Zoo merkt hij op, dat beide hoeken in eene eigenaardige betrekking tot elkander staan: beide zijn ze de supplementen van eenzelfden hoek C en daarom zijn ze nu ook juist aan elkander gelijk.
Welnu, die jongen, welke zich aldus eenige voorstellingen klaar bewust maakte en er alzoo betrekkingen tusschen opspoorde, die jongen heelt gedacht.
De uitkomsten van ons denken zijn onze gedachten. Die gedachten kunnen wij door middel van de taal aan anderen mededeelen.
§ 3. Een zin is een woord of een reeks van woorden, waardoor een gedachte wordt uitgedrukt op een
wijze, die aan bepaalde voorwaarden voldoet. Die
voorwaarden zijn:
a. dat er duidelijk blijkt, welke voorstellingen en begrippen we in onzen geest tot een geheel verbonden hebben. De verbinding van begrippen, die in den geest van den spreker heeft plaatsgegrepen, moet â als 't ware â voor de oogen van den hoorder of lezer nog eens geschieden. Hieruit volgt, dat: Brand! Brand! Naar de Markt! â geen zinnen in de volle beteekenis van het woord zijn. Hier zijn immers niet alle begrippen met name genoemd, die de spreker bij het vormen van die gedachten in zijn geest verbonden heeft. Het zijn onvolledige, elliptische zinnen. Volledig zouden ze b.v. kunnen luiden: Daar is brand!
Snelt allen naar de markt!
b. dat de gedachte in een taal uitgedrukt is, zooals die door beschaafden in den dagelijkschen omgang en in liet dagelijksch verkeer gesproken en geschreven wordt. Zulke uitingen van gedachten, die in een verhaspelde of opzettelijk verknoeide taal geschreven zijn, worden door ons dus niet als zinnen aangemerkt. Pietje pap voor: Pietje wil pap hebben; kom morgen eersten trein voor: ik kom morgen met den eersten trein, zijn voor ons dus geen zinnen.
Zie over het wezen van den zin verder: Aanteekening 1
hierachter.
§ 4. Alvorens wij tot de behandeling van den enkelvoudigen zin kunnen overgaan, moeten wij weten, wat wij onder een werkwoord te verstaan hebben.
Werkwoorden zijn de namen van werkingen of van datgene, wat wij ons als eene werking voorstellen: lachen, piraten, eten, wandelen; bestaan, blijven, oud-zijn; verstandig-zijn,
burgemeester-blijven.
Onder de werkwoorden verdienen die bijzonder de aandacht, welke met twee of meer woorden geschreven worden, ofschoon zij de namen zijn van slechts één begrip: goed-zijn, vriendelijk-schijnen, bleek-worden (verg. verbleeken), groen-worden (verg. groenen), in de war zijn, er gezond uitzien, zich schamen, ~ich venvonderen, zich meester maken van, enz. (Verg. § 335 en § o57, d.)
Tot recht begrip van hetgeen volgt, is het volstrekt noodzakelijk, goed in het oog te vatten, dat in: Jan woidt bleek evengoed slechts een betrekking tusschen twee voorstellingen of begrippen wordt uitgedrukt (te weten tusschen Jan en
3
bleek-wordev) als in: Jan verbleekt. Zoo wordt in; Vadtr is burgemeester slechts een betrekking uitgedrukt tussehen de voorstelling Vader en het begrip hurgemeester-zija; in: Piet is ziek tussehen Piet en ziek-zijn *).
11. De Hoofdbestanddeelen van den enkeivoudigen Zin.
§ 5. Men verdeelt de zinnen in enkelvoudige en samengestelde zinnen.
Een enkelvoudige zin is een zin, waarin slechts één gedachte wordt uitgedrukt: Jan loopt op straat.
Een samengestelde zin is in de eerste plaats een zin, d. w. z. 't is de uitdrukking van een gedachte. Maar terwijl er in een enkeivoudigen zin twee of meer voorstellingen of begrippen met elkaar in verband gebracht worden, wordt er in een samengestelden zin een verband gelegd tussehen den inhoud van twee of meer enkelvoudige zinnen, d.i. tussehen twee of meer g e d a c hjjt e'n.
Bij eiken samengestelden zin heeft men dus te letten: a. op de enkelvoudige zinnen, waaruit hij bestaat en b. op het verband, dat er tussehen die zinnen bestaat. Zoo bestaat de samengest. zin: ik schrijf, terwijl gij rekent, uit de twee enkelv. zinnen: ik schrijf en gij rekent; tussehen die zinnen wordt een betrekking van gelijktijdigheid uitgedrukt en wel door het voegwoord t e r w ij 1.
§ 6. In § 2 hebben wij geleerd, dat denken het opsporen is van eenigerlei betrekking tussehen twee of meer voorstellingen of begrippen en dat de uitkomsten van ons denken gedachten heeten. Die gedachten worden dan â zie § 3 â neergelegd in zinnen.
Hieruit volgt, dat in een zin van den kleinst mogelijken omvang een betrekking moet uitgedrukt worden tussehen twee voorstellingen of begrippen; tussehen twee; niet meer, maar ook niet minder: Jan eet, Piet drinkt, Moeder wordt oud.
Tot recht begrip van de leer van den zin is het volstrekt noodzakelijk, een goed inzicht te hebben in den bouw en
') Vergel. Nederl. Spraakkunst van Dr. Jan te Winkel i. 542: Als koppelwoorden, die niet naamwoorden sarnen eene werkwoordelijke uitdrukking als gezegde vormen, worden gebruikt: zijn, worden enz.
4
den inhoud van zulk een enkelvoudigen zin in zijn aller-eenvoudigsten vorm; vandaardat wij die beide hier eenigs-zins uitvoerig zullen bespreken.
§ 7. Wanneer wij den inhoud van een groot aantal dergelijke zinnetjes nagaan, dan blijkt het, dat in de overgroote meerderheid een betrekking tusschen een zelfstandigheid en een werking uitgedrukt wordt. Die zelfstandigheid â met name genoemd of op eenigerlei wijze aangeduid â verricht dan de werking, ondergaat die of wordt er door voortgebracht: Jan sliep. Hij werkt. Vader wordt grijs. Moeder is ziek. Hij ivordt geslagen. Brood wordt gebakken.
De naam of de aanduiding van de zelfstandigheid, die de werking â in het zinnetje genoemd â verricht, ondergaat of er door wordt voortgebracht, heet het onderwerp van den zin; de naam der werking is het gezegde. Zoo is in; hij wordt bleek; hij het onderwerp en wordt bleek het gezegde.
In de overgroote meerderheid van zulke zinnetjes komt dus een onderwerp en een gezegde voor. Uitgezonderd zijn alleen zinnetjes als; Schrijf! â daar ivordt gedanst â mij hongert e.d. In dergelijke zinnen wordt wel een betrekking tusschen twee begrippen uitgedrukt â anders waren 't ook geen zinnen ; maar een onderwerp komt er niet in voor. Over zulke zinnen zonder onderwerp, die een uitzondering op den regel maken, zal later gehandeld worden (zie § 32).
§ 8. 't Onderwerp in zulk een zinnetje kan enkel- of meervoudig zijn: ik loop, wij loopen; hij wandelt, zij wandelen.
Voorts kan dit onderwerp zijn:
a. de aanduiding van den spreker; 't onderwerp staat dan in den eersten persoon enkelvoud: ik zie, ik hoor.
b. de aanduiding van den aangesproken persoon; 't onderwerp is dan de tweede persoon enkelvoud: gij ziet, gij hoort.
c. de aanduiding of de naam van een zelfstandigheid, die noch spreker, noch aangesproken persoon is: de man ziet, hij hoort, 't Onderwerp is dan de derde persoon enkelvoud.
d. de aanduiding van eenige zelfstandigheden, waaronder de spreker: wij zien, ivij hooren. 't Onderwerp is dan eerste persoon meervoud.
e. de aanduiding van eenige zelfstandigheden, die aangesproken worden: gij ziet, gij hoort, 't Onderwerp is dan tweede persoon meervoud.
I
5
f. de aanduiding of de naam van eenige zelfstandigheden, die noch spreker, noch aangesproken persoon zijn: de mannen zien, zij hooren. 't Onderwerp is dan derde persoon meervoud.
§ 9. Alnaargelang nu het onderwerp lsto, 2de of 3de persoon enkel- of meervoud is, neemt het werkwoord in den zin soms een verschilienden vorm aan: ik hoor', wij hooren; de jongen loopt, de jongens loopen.
De vormen, die het werkwoord aanneemt, alnaargelang het onderwerp eerste, tweede of derde persoon enkel- of meervoud is, heeten persoonsvormen des werkwoords.
In § 7 hebben wij gevonden, dat een zin, hoe klein ook, in 't algemeen bestaat uit den naam of de aanduiding_ eener zelfstandigheid en den naam eener werking. Nu kunnen wij den vorm van een enkelvoudigen zin in zijn allereenvoudigste gedaante nog nauwkeuriger omschrijven en zeggen : een zin, hoe klein ook, bestaat in 't algemeen uit den naam of de aanduiding van een zelfstandigheid en een persoonsvorm. Uitgezonderd zijn alleen de zooeven genoemde zinnetjes zonder onderwerp. Die persoonsvorm is dan het gezegde; de naam of de aanduiding van de zelfstandigheid het onderwerp van den zin.
Tevens hebben wij nng een andere, zeer belangrijke eigenschap van het onderwerp opgemerkt: 'c onderwerp bepaalt den persoonsvorm van het werkwoord van den zin. Om het onderwerp van een zin genoemd te mogen worden, is het dus niet voldoende, dat zekere zelfstandigheid een werking verricht; neen, zij moet ook den persoonsvorm van het gezegde beheerschen. In: ik hoor den haan kraaien verricht de haan ongetwijfeld de werking kraaien; toch is dat woord niet het onderwerp van die werking, omdat kraaien hier niet in den S4011 persoon enkelvoud staat. Zeg ik daarentegen: ik hoor, dat de haan kraait, dan eerst voldoet het woord haan aan beide eischeu, die men aan het onderwerp van een zin moet stellen: de haan verricht de werking kraaien en het werkw. richt zich in zijn persoonsvorm naar dat woord. Gelijk wij later zullen zien, is haan in eerstgenoemden zin eenvoudig het lijdend voorwerp bij hooren en niets anders of niets meer.
§ 10. Wanneer wij nu van de zelfstandigheid of de werking, in het onderwerp en gezegde van den zin genoemd of aangeduid, hoedanigheden of bijzonderheden mededeelen, dan krijgen wij den enkelvoudigen volzin in zijn niet-allereenvoudigsten
6
vorm. Ook deze hoedanigheden of bijzonderheden kunnen weer nader omschreven worden.
Onder bepalingen verstaan wij zulke zinsdeelen, die de voorstelling, door eenig zinsdeel verwekt, nader omlijnen.
Die bepalingen worden verdeeld in bijvoeglijke en bijwoordelijke. Bijvoeglijke bepalingen noemen kenmerken of bijzonderheden van een zelfstandigheid; bijwoordelijke van eenig ander begrip. In: de oudste zoon van mijn huurman heeft gisteren een zeer langen brief aan zijn oom geschreven is heeft geschreven het gezegde; zoon het onderwerp; de, oudste, van mijn huurman zijn bijv. bepalingen bij het onderwerp; een zeer langen brief, aan zijn oom, gisteren zijn bijwoordelijke bepalingen bij het gezegde; in de bepaling van mijn huurman is mijn weer een bijv. bepaling bij buurman, enz. enz.
Drie soorten van bijwoordel. bepalingen geeft men gewoonlijk den naam van voorwerpen; over deze voorwerpen zal straks nader gehandeld worden.
Vaak noemt men de werking van den zin met al haar bepalingen het gezegde van den zin; en zoo noemt men ook den naam of de aanduiding van de zelfstandigheid, die de werking verricht, ondergaat of er door wordt voortgebracht, met al haar bepalingen het onderwerp van den volzin. In den zooeven genoemden zin is dan de oudste zoon van mijn huurman het onderwerp en de rest het gezegde.
Wij hebben dus gevonden, dat in het algemeen
het gezegde van een volzin bestaat uit een persoonsvorm, al of niet vergezeld van nadere bepalingen en dat
het onderwerp van een volzin bestaat uit den naam ot de aanduiding van een zelfstandigheid, al of niet vergezeld van nadere bepalingen.
Wij zullen nu de hoofdbestanddeelen van den zin aan een nadere beschouwing onderwerpen.
A. De Voorwerpen.
§ 11. Gelijk wij reeds gezegd hebben, worden drie soorten van bijwoordel. bepalingen gewoonlijk voorwerpen genoemd. Men noemt ze: lijdend; belanghebbend of meewerkend; en oorzakelijk voorwerp.
§ 12. Onder het lijdend voorwerp verstaat men den naam
of de aanduiding van de zelfstandigheid, die de werking, door 't onderwerp verricht, ondergaat of er door wordt voortgebracht; De jongen slaat den hond. De koopman schrijft een brief. Soms is het lijdend voorwerp de infinitief van oen werkwoord, al of niet door t e voorafgegaan: Ik hoor gillen. De gast wilde vertrekken. Uw vriend hoopt te komen. Hij denkt spoedig weer te vertrekken.
Een werkw., waar een lijdend voorw. bij kan komen, heet een overgankelijk werkwoord; eten, drinken, geven, hakken.
Vroeger hebben wij gezien, dat ook het onderwerp de naam of de aanduiding van een zelfstandigheid kan wezen, die de werking van het gezegde ondergaat of er door wordt voortgebracht; De hond wordt door den jongen geslagen. Een brief wordt door den koopman geschreven. In dit geval bestaat het werkwoord van den zin uit het werkw. worden een vorm (het verleden deelwoord) van een ander werkw; geslagen worden, gezien worden, gebakken worden. Het werkw. geslagen worden heet de lijdende vorm van slaan; gezien worden de lijdende vorm van zien. De werkw. slaan, zien heeten dan bij tegenoverstelling de bedrijvende vormen van die werkwoorden. Wanneer in een zin een overgankelijk werkwoord in den bedrijvenden vorm voorkomt en men zet dit in den lijdenden vorm, dan wordt het voorwerp van den zin onderwerp en het onderwerp een bepaling van oorzaak; Ik merkte die fout spoedig op; die fout werd spoedig door mij opgemerkt {door mij = bep. v. oorzaak).
De meeste overgankel. werkw. kunnen in den lijdenden vorm gebracht worden; niet alle. Uitgezonderd zijn b. v.; hebben, bezitten, bevatten, inhouden, gelden (b.v. Dit verwijt geldt u niet); bovendien alle wederkeerende werkw. als; zich kleeden, zich schamen, zich wasschen.
Omgekeerd zijn er enkele niet-overgankelijke werkw., die wel in den lijdenden vorm gebracht kunnen worden; haten, schaden, gehoorzamen, gelukwenschen. Deze werkw. krijgen in den bedrijvenden vorm een belanghebbend voorw. bij zich; dit baat mij weinig; ik wensch den jubilaris geluk. Toch zegt men; ik werd daardoor iveinig gebaat; de jubilaris icerd door mij gelukgewenscht. âZelfs hoort men wel eens; Hij werd in de rede gevallen. Hij werd lastig gevallen.quot; (dr. J. te Winkel, Ned. Spraakkunst, § 599).
Zulke niet-overgankelijke werkw., die ook in den lijdenden
8
vorm kunnen voorkomen, nemen echter onloochenbaar voor ons taalgevoel meer en meer het karakter van overgankelijke werkw. aan. Zoo is in; ik ivensch den jubilaris geluk, den juhilar is voor ons taalgevoel vrijwel een lijdend voorwerp geworden.
Velen beschouwen in: hij loopt de trap af; hij snelt den d ij k op; hij gaat de kamer binnen, de gespatieerde deelen als bepalingen van plaats; maar wanneer een auteur als Kneppelhout ergens schrijft: daar werden trappen op- en afgeloopen, dan is dit voor ons een vingerwijzing, dat voor het taalgevoel van een beschaafden Nederlander dergelijke bepalingen de be-teekenis van lijdende voorwerpen hebben aangenomen. En inderdaad: mijn ervaring leert mij, dat velen dergelijke bepalingen, als onwillekeurig, voorwerpen noemen.
S 12. Terwijl het onderwerp de werking van het gezegde verricht, verricht het belanghebbend (meewerkend) voorwerp een werking, die met de werking van het gezegde in eenigerlei verband staat, of wordt althans geacht die te verrichten. Zoo zijn in: ik geef den bedelaar een aalmoes; de zoon schrijft zijn vader een brief; den bedelaar en zijn zoon belanghebbende voorwerpen. In den eersten zin verricht de bedelaar wel niet de werking geven, dat doet ik, het onderwerp; maar hij verricht toch een andere werking, die met het geven in verband staat: hij neemt de aalmoes aan. In den tweeden zin verricht de zoon (het onderwerp) de werking schrijven; maar de vader zal alweer een andere werking verrichten, welke met die werking in verband staat; hij zal den brief lezen.
De werking, die het belanghebbend voorwerp verricht, geschiedt gelijktijdig met de werking van het gezegde; gaat er aan vooraf of volgt er op.
Zij geschiedt er g e 1 ij k t ij d i g mee in: de onderwijzer belooft den leerling een prijs (de leerling hoort de belofte aan); de knecht overhandigt zijn meester een brief (de meester neemt den brief aan); ik verkoop u een huis (gij koopt het).
Zij gaat er aan vooraf in: gij weigert mij het verzoek, dat ik u gedaan heb (ik heb om iets gevraagd); de boekhandelaar zendt dien heer eenige boeken (die heer h e e f t eenige boeken besteld).
Zij volgt er op in: Moeder snijdt voor haar dochtertje een boterham (het dochtertje zal de boterham opeten); ik koop u een mooi geschenk voor uw verjaardag (gij zult dit geschenk ontvangen).
9
Soms wordt het belanghebbend voorwerp voorafgegaan door een der voorzetsels aan of voor: de onderwijzer belooft een prijs aan dien oplettenden leerling; oom heeft een mooi boek voor mij gekocht.
Zie over de belanghebbende (meewerkende of zelfhandelende) voorwerpen verder: Aanteekening II hierachter.
§13. Sommige werkwoorden, die vroeger een belanghebbend voorwerp bij zich kregen, hebben nu een lijdend voorwerp bij zich; b. v.; volgen, navolgen, naloopen, nazitten, toejuichen, toespreken, ontmoeten, naderen e. a.
Om een helder inzicht te krijgen in het wezen van lijdende en belanghebbende voorwerpen, is het van gewicht, even bij de vraag stil te staan: âhoe is het toch mogelijk, dat enkele belanghebbende (zelfhandelende) voorwerpen zoo langzamerhand â als ongemerkt â lijdende voorwerpen zijn geworden?
In: ik sla den hond wordt de hond voorgesteld, als lijdelijk het slaan ondergaande. Het kan wel zijn, ja, het is zelfs hoogstwaarschijnlijk, dat hij bijt, blaft, of tracht weg te loopen;maar op deze eigen handelingen van den hond wordt in dezen zin niet gewezen. Volgens onzen zin is de hond volkomen passief en ondergaat hij de slagen zonder eenig teeken van leven of gevoel te geven.
In juist het tegenovergestelde geval verkeerden nu vroeger eenige belanghebbende(zelf handelende) voorwerpen. In: hel publiek juicht den redenaar (vroeger: den redenare, 3dcn naamv.) toe was den redenaar oudtijds belanghebbend voorwerp en stond het diensvolgens in den 3'3on naamval. De redenaar werd dus voorgesteld als een zelfhandolend wezen; als iemand, die dooiden gloed van zijn voordracht, de juistheid van zijn denkbeelden het publiek tot toejuichen dwong. Ongetwijfeld was de redenaar echter ook passief; immers: hij werd toegejuicht; maar in den genoemden zin viel het volle licht op de eigen handeling van den redenaar en op het feit, dat hij die toejuichingen ook onderging, werd zelfs niet gezinspeeld.
In: onze troepen zaten den vijand (vroeger: den vijande) na was den vijand oudtijds weer een belanghebbend voorwerp. De vijand werd dus voorgesteld als een zei fhandeleud wezen en inderdaad: hij vluchtte weg. Maar ongetwijfeld was hij ook passief; immers, hij werd nagezeten. In genoemden zin werd echtei de volle aandacht van den lezer of hoorder op de eigen werking van den vijand gevestigd; en op het feit, dat hij ook
10
nagezeten werd, dat hij ook passief was, werd niet gewezen.
Langzamerhand is nu, wat eerst hoofddenkbeeld was (nl. dat de redenaar de toejuichingen verwekte; dat de vijand wegvluchtte) bijdenkbeeld geworden; en wat eerst bijdenkbeeld was (nl. dat de redenaar de toejuichingen onder gin (j-, dat de vijand vervolgd werd), werd langzamerhand hoofddenkbeeld en daarmee was het belanghebbend voorwerp als 't ware ongemerkt een lijdend voorwerp geworden. Te spoediger kon bij zeker werkwoord een zelfhandelend voorwerp een lijdend worden, als naast dat werkwoord een ander stond, dat vrijwel dezelfde beteekenis had en een lijdend voorwerp bij zich kreeg. Zoo stond naast toejuichen het overgankelijke werkwoord prijzen; naast nazitten en navolgen het overgankelijke vervolgen. Ook is wellicht dooide gelijkwording der vormen van den 3(ien en 4don naamval bedoelde overgang bespoedigd.
Bij sommige werkwoorden kan het belanghebbend voorwerp nooit een lijdend voorwerp worden. Zoo bv. niet in: ik geef dien armen man een gulden; ik klaag mijn vriend mijn verdriet. Immers: die arme man wordt niet gegeven; mijn vriend wordt niet geklaagd. Hieruit volgt tevens, dat niet in de eerste plaats â zooals men wel eens meent â door het gelijkworden van de vormen van den 3dcn en 4don naamval zooveel belanghebbende voorwerpen lijdende voorw. zijn geworden. Waar het zelfhandelend voorwerp ook inderdaad niet tevens de werking ondergaat, kan het op den duur ook niet als een lijdend voorwerp opgevat worden.
Nog voortdurend gaan belanghebbende (zelfhandelende) voorwerpen voor ons taalgevoel in lijdende voorwerpen over en daarom is het ook vaak zoo moeilijk met zekerheid uit te maken, of wij met een belanghebbend, dan wel met een lijdend voorwerp te doen te hebben. In 1891 werd te Arnhem bij het schriftelijk gedeelte van het examen voor de hoofdakte onder meer ook deze opgave gedaan: âWanneer een uwer kweekelingen beweerde, dat in: Ik tik hem op de schouders, hem de datief van bezit, en een ander, dat hem het lijdend voorwerp is, wat zoudt gij dan dienstig achten op te merken?quot; Hieruit blijkt, éat de examinator meende, dat hem in: ik tik hem op de schouders op het frissche, nog onbedorven taalgevoel van een flinken knaap den indruk kon maken van een lijdend voorwerp te zijn. En inderdaad: de persoon, door hem aangeduid, wordt getikt en wel op zijn schouders; hij ondergaat ongetwijfeld de werking
11
tikken-, hij is er het lijdend voorwerp van. Aan den anderen kant is die persoon echter ook actief: hij bezit de schouders en hem kan dus ook opgevat worden als een datief van bezit. Beide jongens hadden dus gelijk; wij zijn echter gewoon, hem een belanghebbend voorwerp te noemen; maar wil men er met kracht en geweld een lijdend voorwerp in zien, dan kan daar m.i. op redelijke gronden niets tegen ingebracht worden.
§ 14. In. ik ontferm mij over u; de predikant gedenkt den zieke in het nag eb cd; ik sta verstomd over zijn onbeschaamdheid; gij erbarmt u zijner; uw broeder is tegen die koude niet bestand-, hij stoort zich niet aan de praatjes der menschen; wij zijn de stad meester; die man is uwe weldaden onwaardig; hij is vol zoeten wijns; gedenk te sterven; hij gelooft in God en Zijn evangelie; hij hoopt op uw komst; wacht u de stem van uw geweten te smoren;
noemt men de gespatieerde zinsdeelen gewoonlijk oorzakelijke voorwerpen.
Zoeken wij naar de gemeenschappelijke kenmerken van alle of althans van vele dezer voorwerpen, dan vinden wij:
c(. al deze voorwerpen noemen â met meer of minder duidelijkheid de aanleiding tot de werking van het gezegde. Zoo is in: ik benverbaasd over zooveel onbeschaamdheid zooveel onbeschaamdheid de aanleiding tot mijn verbazing. Om goed te kunnen inzien, wat een oorzakelijk voorwerp is, moet men dus in de eerste plaats weten, wat men onder de aanleiding tot een werking verstaat. Het zij ons vergund, dit hier met een paar woorden in het licht te stellen.
Aanleiding is door ing gevormd van den stam van het w.w. aanleiden, dat nu verouderd is; aanleiden zelf is door aan van leiden gevormd, dan heeft in dit woord vrijwel zijn oorspronkelijke beteekenls behouden: 't geelt te kennen, dat de werking in de richting van zekere zelfstandigheid plaatsgrijpt (verg. aanblaffenâ blaffen naar; aangluren, aanblikken)-, aanleiden beteekent dus: leiden naar, leiden tot. Vroeger zou men b.v. hebben kunnen zeggen: hij leidde den gevangene aan den koning, waar wij nu zouden zeggen: hij leidde den gevangene tot den koning De aanleiding tot eene werking is dus datgene, wat tot die wei king geleid heeft. Zoo heeft in: ik sta verstomd over zooveel onbeschaamdheid zooveel onbeschaamdheid tot mijn
12
verstomd-staan geleid en over zooveel onbeschaamdheid is derhalve een oorzakelijk voorwerp. Het Woordenboek van de Nederl. Taal omschrijft de beteekenis van het woord aanleiding aldus; âEen uiterlijke omstandigheid, die een handeling, besluit of toestand teweegbrengt, niet door die rechtstreeks te ver oorzaken, maar door er gelegenheid toe te geven of uit te lokken.quot;
Zoo heeft in; ik ontferm mij over het lot van dien ongelukkig en man het lot van dien man mijne ontferming uitgelokt; het heeft er den stoot toe gegeven en daarom is het lot van dien onge-lukkigen man een oorzakelijk voorwerp. In: wij zijn de stad meester â om nog één voorbeeld te geven â is onze moed of de flauwhartigheid van de tegenpartij de rechtstreeksche oorzaak van het feit, dat wij de stad meester zijn; de stad geeft echter gelegenheid, dat er hier van een meester-zijn sprake kan wezen; de stad is derhalve oorzakelijk voorwerp.
b. dat vele (niet alle) dezer voorwerpen noodzakelijke aanvullingen zijn bij de werking van het gezegde, waaruit blijkt, dat men zich de werking nog niet kan denken zonder de zelfstandigheid, door het^oorzake 1 ijk voorwerp benoemd of aangeduid, of-fföSÂ¥een dergelijke zelfstandigheid. Zoo zijn in: ik ontferm mij over u; uw hroeder is tegen die koude niet bestand, ovei u en tâ¬â gen die koude noodzakelijke aanvullingen bij de werking van het gezegde; wij kunnen immers niet zeggen: ik ontferm mij; uw broeder 'is niet bestand. Daarentegen zijn in: hij gelooft in God en Zijn Evangelie; hij twijfelt aan de waarheid uwer beweringen, de oorzakelijke voorwerpen geen noodzakelijke aanvullingen meer bij de werking van het gezegde. Wij kunnen immers zeer goed zeggen; hij gelooft; hij itüy/eW; zonder eenige
verdere bijvoeging.
In tegenoverstelling met de oorzakelijke voorwerpen zijn de bepalingen van oorzaak (zie § 21) nooit noodzakelijke aanvullingen bij de werking, in het gezegde genoemd. Naast; hij stierf van kommer en gebrek (bep. van oorzaak); de boom werd door den wind ontworteld; kan men toch zoei goed zoggen; hij stierf; de boom werd ontworteld.
e. Vele (niet alle) oorzakelijke voorwerpen beteekenen tevens de zelfstandigheid, die tot op zekere hoogte het lijdend voorwerp der werking is. Zoo is in: ik ontferm mij over dezen . ongelukkige, deze ongelukkige het voorwerp mijner ontferming;
13
in; hij jaagt naar eer en aanzien is eer en aanzien, datgene wat nagejaagd wordt. Ja, vele zoogenoemde oorzakelijke voorwerpen zijn voor ons taalgevoel veel meer lijdende dan oorzakelijke voorwerpen geworden; dit wil zeggen, dat z;j voor ons taalgevoel veel meer de werking ondergaan, dan ei de aanleiding toe zijn; b. v.: wij zijn de stad meester; hij is uw iveldaden onwaardig; hij is de zaak kundig; de predikant gedacht den zieke in zijn gebed. Om wèl in te zien, dat de stad, uw weldaden, de zaak in genoemde zinnen eigenlijk lijdende voorwerpen zijn, bedenke men, dat meest er-zijn voor ons gelijk staat met het overgankelijke begrip v e r m e e s t e r d hebben; onwaardig-zijn met niet verdienen; kundig zijn met kennen. Als men een ontwikkelden knaap den zin: hij is uw weldaden niet waardig laat ontleden, doet hij het aldus: hij â onderw.; is niet waardig = gezegde; wat is hij niet waardig, wat verdient hij niet? uw weldaden = lijdend voorwerp. Zoo is in: hij is de zaak kundig dc zaak voor ons taalgevoel het lijdend voorwerp bij; hij is kundig; dit is bij: hij kent, hij weet. Dat in dergelijke zinnen uw weldaden, de zaak ook de aanleiding tot de werking te kennen geven, voelen we ternauwernood meer en een leerling komt er dan ook uit zich zelf niet licht op.
Juist omdat zooveel oorzakelijke voorwerpen langzamerhand de beteekenis van lijdende voorwerpen hebben aangenomen, juist daarom staan zooveel oorzakelijke voorwerpen tegenwoordig ook meestal in den accusatief, den vorm van het lijdend voorwerp, en niet meer â zooals voorheen â in den genitief van oorzaak. Voor: hij is der zake kundig zegt men tegenwoordig in de gewone spreektaal: hij is de zaak kundig. Tevens is het ons nu duidelijk geworden, waarom in deze zinnen de 'f® naamval de natuurlijke plaatsvervanger is van den tweeden.
Andere oorzakelijke voorwerpen nemen voor ons taalgevoel weer meer het karakter van bijwoordelijke bepalingen aan. In: hij haakt naar de genietingen der wereld b.v. is naar de genietingen der wereld voor ons vrijwel een bepaling van doel geworden: het geeft voor ons het doel, niet de oorzaak van het haken aan.
Waar nu echter zooveel oorzakelijke voorwerpen hun oorspronkelijke beteekenis vrijwel geheel verloren hebben, daar wordt het uiterst moeilyk een definitie van deze voorwerpen te
u
geven, waarin zoo scherp en zoo juist het gemeenschappeli.ik kenmerk van alle oorzakelijke voorwerpen aangegeven wordt-, dat zij ons in staat stelt in elk voorkomend geval een oorzakelijk voorwerp gemakkelijk te onderkennen. Het veiligst doet men m.i., als men een oorz. voorw. omschrijft als den naam of de aanduiding van de zelfstandigheid, die de aanleiding is tot de werking, in het gezegde vermeld en die tevens die werking ondergaat. Om de oorz. voorwerpen dan te onderscheiden van de bepalingen van oorzaak, in beteekenis zoo nauw aan de oorz. voorwerpen verwant, lette men er dan op, dat bepalingen van oorzaak nooit noodzakelijke aanvullingen bij het gezegde zijn en nooit de zelfstandigheid beteekenen, die tot op zekere hoogte het 1 ij d e n d voorwerp van de werking is.
§ 15. Vele werkw., die vroeger een oorzakel. voorw. inden genitief bij zich kregen, krijgen thans een lijdend voorwerp in in den accusatief bij zich. Zulke werkw. zijn b.v.: beginnen, vergeten, vragen (verg. desgevraagd), verdienen, belijden, bekennen, rooven, loven, enz.
Het is gemakkelijk duidelijk te maken, hoe deze oorz. voorw. langzamerhand lijdende voorw. kunnen zijn gaan worden.
Toen men vroeger zei: de stervende beleed zijner zonden zag men in zijn zonden in de eerste plaats de aanleiding tot de werking bekennen en zette men zijn zonden diensvolgens in den genitief van oorzaak: zijner zonden. Toch waren zijn zonden ook passief, ondergingen zij de werking bekennen-, immers; zij werden bekend. Wat nu eerst bijdenkbeeld was(n.].dat de zonden bekend werden) werd langzamerhand hoofddenkbeeld; en wat eerst hoofddenkbeeld was (n.1. dat de zendende aanleiding tot de werking waren) verviel in den loop van den tijd geheel en al en zoo werd het oorz. voorw. een lijdend (Verg. § 13).
§ 16. In de voorgaande paragrafen hebben wij het kenmerk of de kenmerken van elk der drie groepen van voorwerpen trachten op te sporen; we staan thans voor deze hoogst gewichtige vraag: wat zijn eigenlijk voorwerpen? Wat is het kenmerk, dat de drie groepen van voorwerpen gemeenschappelijk hebben en waaidoor zij zich van de andere bijwoordelijke bepalingen als een afzonderlijke rubriek afscheiden?
Velen beweren â zie b.v, Terwey, 9de dr. § 11 â dat voorwerpen zulke bepalingen zijn, die noodzakelijk bij de werking,
15
in 't gezegde uitgedrukt, zijn betrokken, d. i. die daarop invloed uitoefenen of den invloed daarvan ondervinden. Dit kan niet goed zijn. In: Met een nieuwe pen schreef Jan op mooi postpapier een langen brief aan zijn vader zijn een lange brief en zijn vader ongetwijfeld noodzakelijk bij de werking schrijven betrokken; maar zijn de pen en het postpapier dat niet? Kunnen wij schrijven zonder een pen of iets dergelijks; zonder papier of een andere dusdanige zelfstandigheid? In: Moeder snijdt de boterhammen met het nieutve mes zijn de boterhammen evenzeer, ongetwijfeld noodzakelijk bij de werking snijden betrokken; maar is dit met het mes niet evenzeer het geval? Kunnen wij snijden zonder mes? En ondergaat de pen niet den invloed van het schrijven; het mes niet dien van het snijden; en oefenen de pen en het mes op het schrijven en snijden geen invloed? Schrijven wij met een versleten pen even netjes en even vlug als met een nieuwe?
Anderen beschouwen de voorwerpen als noodzakelijke aanvullingen bij de werking van het gezegde. En inderdaad; in: ik prijs den leerling-, ik beloof hem een gulden-, gij hoort mijn versoek aan; zijn gedrag mishaagde mij; gedenk te sterven; kunnen de lijdende, belangh. of oorzakelijke voorwerpen niet gemist worden; wij kunnen toch niet zeggen: ik prijs; ik beloof; gij hoort aan; zijn gedrag mishaagde; gedenk. Maar desniettemin deugt ook deze definitie niet; en wel om tweeërlei reden. In de eerste plaats, omdat een groot aantal voorwerpen geen noodzakelijke aanvullingen bij het gezegde meer zijn. Jan leest; Piet schrijft; ik eet; gij stondt verstomd zijn volledige mededeelingen, die niet de minste aanvulling meer behoeven. En ten andere: er zijn ook verscheidene bij w oor del. bepalingen van plaats, t ij d e. a., die noodzakelijke aanvullingen bij de werking van het gezegde zijn. In: het publiek stroomde naar den schouwburg; hij is in Rotterdam woonachtig; dit hoek kost vijf gulden kunnen naar den schouwburg; in Rotterdam; vijf gulden niet gemist worden; wij kunnen toch niet zeggen: het publiek stroomde; hij is woonachtig; dit boek kost.
Zie verder: A a n t e e k e n i n g III hierachter.
Maar wat is dan het kenmerk, waardoor de voorwerpen zich als een afzonderlijke groep van de overige bepalingen onderscheiden?
Het antwoord op deze vraag moet luiden: zulk een kenmerk bestaat er niet; in elk geval is het op dit oogenblik nog niet
16
gevonden. We kunnen alleen zeggen, dat we drie soorten van bepalingen voorwerpen noemen; het wezen van elke soort van voorwerpen afzonderlijk kunnen wij vrij nauwkeurig omschrijven, maar het is ons nog niet gelukt, scherp de grenslijn te trekken tusschen de voorwerpen eenerzijds en de overige bepalingen anderzijds; voorzooverre wij kunnen nagaan, bestaat er zulk een grenslijn ook niet.
B. De bijvoeglijke Bepalingen.
§ 17. Onder een bijvoeglijke bepaling verstaat men een zinsdeel, dat een hoedanigheid of bijzonderheid van een zelfstandigheid noemt: mijn boek-, uw huis; het groote huis-, het huis in den tuin; die boom in den tuin.
Onder de bijvoegl. bepalingen onderscheidt men als ondergroepen: a. de bijstellingen; b. de bepalingen van gesteldheid.
§ 18. De bijstellingen. In: het boek van Hendrik; het gordijn voor de groote spiegelruit; de lamp in mijn studeerkamer; zijn van Hendrik, voor de groote spiegelruit, in mijn studeerkamer bijvoegl. bepalingen bij het boek, het gordijn en de lamp Die bepalingen bestaan uit een zelfstandig naamwoord (zelf al of niet vergezeld van bepalingen), voorafgegaan door een voorzetsel. Die voorzetsels drukken dan de betrekking uit, waarin het zelfst.-naamwoord tot het bepaalde woord staat. Soms wordt die betrekking uitgedrukt door een naamvalsvorm van het zelfst. naamw.: Vaders jas; Hendriks boek; Moeders verjaardag.
Welnu, een bijstelling is een zelfstandig naamw. (zelf al of niet vergezeld van nadere bepalingen), dat den dienst doet van een bijvoegl. bepaling, zonder dat door een voorzetsel of een buigingsvorm van het woord de betrekking wordt aangeduid, waarin het toü het bepaalde woord staat. Het is dus â om zoo te zeggen â zoo maar los bij het bepaalde woord gesteld; vandaar de naam bijstelling. Voorbeelden: Haarlem, de hoofdstad van Noord-Holland; de provincie Utrecht; het amendement-Schaepman; het wetsontwerp-vHouten; Naptoleon, de kolossus der negentiende eeuw; Leiden, het Holland-sche Athene Gelijk uit deze voorbeelden blijkt, is een bijstelling dikwijls een andere naam voor de bepaalde zelf-
17
standigheid; dikwijls, maar lang niet altijd; zoo is b.v. in: het amendemmt-Schaepman, Schaepman geen andere naam voor amendement.
Soms gaat de bijstelling aan het bepaalde woord vooraf. Zoo doet men m. i. het verstandigst, als men in: ik spreek niet over den mensch, maar over den dichter Büderdijk; den mensch en den dichter opvat als bijstellingen bij .Bz'MerdyTi;; en niet omgekeerd Bilderdijk als een bijstelling bij dewmewsc/i en den dichter. Men wil met dezen zin toch zeggen, dat men spreekt over Bilderdijk, niet echter als mensch, maar als dichter. De woorden mensch en dichter dienen dus om de voorstelling, door het woord Bilderdijk bij ons opgewekt, nader te omlijnen en zijn dus bepalingen bij dat woord. Zoo zijn ook in: ik bedoel niet de stad, maar de provincie Utrecht; de stad en de provincie bijstellingen bij Utrecht en is niet omgekeerd Utrecht een bijstelling bij de stad en de provincie.
Wanneer een zelfst. naamw. den dienst doet van een bepaling bij een geheelen zin, zonderdat door een voorzetsel of buigingsvorm van het woord de betrekking wordt aangeduid, waarin het tot dien zin staat, heet het ook een bijstelling: Leze man is ongetrouwd gebleven, opdat hij des te beter voor zijn ouders zou kunnen zorgen; een zeldzaam voorbeeld van kinderlijke liefde. Zij stierf â zalig voorrecht van de vromen â met de hoop in het hart en een glimlach op de lippen.
§ 19. Bepalingen van gesteldheid. Deze bepalingen drukken de gesteldheid uit van een zelfstandigheid:
a. onder de werking. Bleek van toorn verliet zij het vertrek. Ik vond hem badende in zijn bloed. Als vader gevoel ik mij verplicht u te waarschuwen.
amp;. volgens de werking. Ik noem hem mijn vriend. Be politie houdt hem voor den dader. Dat noem ik werken voor den kost. Onze oude kluchtspelen ivorden walgelijk gescholden door de kieskeurigheid dezes tijds. (P.)
c. ten gevolge van de werking. Hij is tot burgemeester van dat dorp henoejnd. T)e schilder verft de deur groen. Hij drinkt het glas leeg. Hij heeft zich schor geschreeuwd.
(Vergel. verder Aanteekening IV hierachter.)
§ 20. Onder de bijvoegl. bepalingen verdienen vooral de aandacht die, welke door als en dan aan het bepaalde woord verbonden worden. Men zou ze bijv. bepalingen van ver-
18
gelijking kunnen noemen. Vb.; 0)is vaderland mag trotsch zijn op een schilder als Rembrandt, een dichter als Vondel, een denker als Spinoza. Er zijn misschien physiologen onder mijne lezers, die zich verhazen, hoe een vader als deze een zoon kon hebben als den zeerob. (P.) Voor de werken, door hem in hei licht gezonden, had hij (de uitgever Arnold Willis) geen anderen toetssteen dan den aftrek. (P.)
Oorspronkelijk waren dergelijke zinsdeelen onvolledige vergel ij kende b ij zinnen. Die bijzinnen werden â als onwillekeurig â in onvolledigen vorm gebezigd, eensdeels omdat de ontbrekende deelen zoo gemakkelijk uit den hoofdzin ingevuld konden worden; anderdeels omdat anders de geheele samengest. zin zeer onwelluidend geklonken zou hebben. Zoo zou b.v. de laatste zin geluid hebben: Voor de toer ken, door hem in het licht gezonden, had hij geen anderen toetssteen, dan de aftrek een toetssteen is.
Maar juist omdat dergelijke zinnen sinds zooveel jaren in hoogst onvolledigen vorm gebruikt worden, heeft men langzamerhand het besef verloren, dat de woorden, die uitgedrukt worden, een geheelen zin vertegenwoordigen en begint men ze meer en meer als deelen van den hoofdzin â en wel als bijv. bepalingen â te beschouwen. Duidelijk blijkt dit daaruit, dat Potgieter in de boven aan hem ontleende voorbeelden schrijft; den zeerob en den aftrek. Klaarblijkelijk maakten deze woorden op het zoo fijn ontwikkelde taalgevoel van dezen auteur niet meer den indruk van onderwerpen van onvoll. zinnen, maar van bijvoegl. bepalingen bij zoon en toetssteen. En inderdaad; de woorden zeerob en aftrek zeggen ons, welke zoon en welke toetssteen bedoeld worden.
Tegenwoordig wordt het meer en meer gebruikelijk, zulken bijv. bep. v. vergelijking den naamval te geven van het bepaalde woord; hij heeft in deze dagen van beproeving geen trouwer vriend gehad dan een verren neef. Alleen persoon 1. voornw. worden in dit geval nog vaak in den onderwerpsvorm gebezigd; Men moet met een vrouw als zij ivat voorzichtig wezen.
C. De bijwoordelijke bepalingen.
§ 21. Naar de beteekenis worden de bijw. bep. verdeeld in;
a. bepalingen van plaats. Jan loopt op de hrv.g. Wij hielden de rechterzijde van de rivier. Hij gaat zijns weegs.
b. bepalingen van t ij d. Ik kom morgen bij u. Men
19
teekende staande de vergadering voor een aanzienlijk bedrag in. Hij gaat 's avonds nooit uit.
c. bepalingen van hoedanigheid. Hij schrijft netjes. Bit meisje zingt valsch. Hij werkt met ijver.
d. bepalingen van hoeveelheid en graad. Dit hoek kost een rijksdaalder. Hij heeft veel gewerkt in zijn leven. Die postbode loopt vijf mijlen per uur. Die man wordt te dik. Hij heeft buit eng eivoon hard gewerkt. Op die soiree hebben ivij ons in de hoogste mate verveeld.
e. bepalingen van oorzaak. Deze bepalingen worden weer verdeeld in bepalingen van oorzaak, reden en grond.
Een oorzaak is een feit, dat noodzakelijk een ander feit tot gevolg heeft, zoo een andere oorzaak dit ten minste niet belet. Door den regen zijn de straten nat geworden. Door dien val heeft hij zijn arm gebroken. Hij werd bleek van schrik.
Een reden is een ieit, dat een mensch of dier beweegt een ander feit te verrichten. Wat voor den eenen mensch of het eene dier dus een reden is, om iets te doen, behoeft dit nog niet voor een ander met wil begaafd schepsel te zijn. Uit wanhoop is hij in het water gesprongen. Uit medelijden nam hij die kinderen tot zich.
Een grond is een feit, waaruit ons verstand een ander als gevolgtrekking afleidt. Ook noemt men een grond een zoodanig feit, waardoor voor het verstand het plaatsgrijpen van een ander feit kan verklaard (gemotiveerd) worden. Het laatste feit is dan gegrond op het eerste. Uit de gelijkheid van de hoeken van dezen driehoek volgt de gelijkheid van zijn zijden. Krachtens de bepalingen der ivet was hij strafschuldig. Hij is veroordeeld wegens valsch heid in geschrifte.
f. bepalingen van middel. Hij heeft dit met een nieuwe pen geschreven. Door middel van het Noordzee-kanaal is Amsterdam met de Noord-Zee verhonden.
g. bepalingen van voorwaarde. Bij vriezend iveer blijf ik thuis. Hij had. bij meerdere inspannivg zijn doel kunnen bereiken. In geval van verzet, zoudt ge van uw wapenen gebruik kunnen maken.
h. bepalingen van toegeving. Uic vriend is in weerwil van zijn Imogen leeftijd nog flink ter been. Ondanks zijn ijver is hij niet geslaagd. Niettegenstaande (trots) mijn verbod is hij toch uitgegaan.
i. bepalingen van gevolg. Tot mijn groote blijdschap
20
is dit werk goed geslaagd. Tot groot vermaak der kinderen vertoonde de goochelaar eenige zijner kunststukjes.
j. bepalingen van doel. Hij schrijft om den broode. Die jonge geleerde heeft tot voltooiing zijner studiën een wetenschappelijke reis ondernomen. Hij doet dat voor zijn gezondheid.
k. bepalingen van beperking. Voor zijn leeftijd is die knaap flink ontwikkeld. Ik heb hem aangaande die zaak goed ingelicht. Hij is oud van jaren, maar jong van harte.
I. bepalingen van vergel ij king. Als de wind liep hij weg. Hij ging er als de kippen (d. i. vlug) naar toe. Dat kind groeit als een kool. Hij vloekt als een ketter. Ik sliep als een roos. Hij kan praten als Brugman. Hij heeft zich in die zaak als een eerlijk man gedragen. De Beeldenstorm verspreidde zich als met der stormen vaart. Hij heeft mij meer dan hartelijk ontvangen. Dit is al langer dan drie jaar geleden.
Deze bepalingen zijn eigenlijk naar de beteeken is bepalingen van hoedanigheid of graad; alleen naar den vorm zijn ze bepalingen van vergelijking.
m. bepalingen van modaliteit. Deze geven de betrekking te kennen, waarin de werking van den zin staat tot de werkelijkheid. Hij komt wellicht. Hij heeft dut niet gezegd. Mijns inziens (mijns erachtens) heeft hij die zaak verkeerd ingezien. Volgens de couranten (volgens zijn zeggen) is de koning reeds overleden.
n. bepalingen van omstandigheid. Alle bepalingen, die niet gevoegelijk tot een van de voorafgaande groepen gebracht kunnen worden, noemt men bepalingen van omstandigheid. Hij gaat met zijn vader uit. Ik heb hem tevergeefs geivacht. Hij kwam met leege handen iceer thuis. De soldaat stond op post, het geweer bij den voet. Zonder blikken of blozen zegt die onbeschaamde jongen allerlei leugens.
D. Onderwekp en Gezegde.
§ 22. Gelijk ons in 't hoofdstuk, handelende over de Hoofd-bestanddeelen van den enkelv. zin, gebleken is, moet een zinsdeel, om het onderwerp van een zin genoemd te mogen worden, aan de volgende twee kenmerken voldoen:
a. 't moet de naam of de aanduiding eener zelfstandigheid zijn, die de werking verricht; ondergaat of er door wordt voortgebracht.
1
21
b. het werkw. van den zin moet zich in zijn persoonsvorm naar dat zinsdeel schikken.
In; Jan loopt op straat voldoet Jan aan deze beide kenmerken en is diensvolgens het onderwerp van genoemden zin. In : ik sla een hond voldoet een hond slechts aan één der twee genoemde kenmerken (de hond ondergaat n.1. de werking, maar bepaalt niet den persoonsvorm van het werkw.) en is dus niet het onderwerp van dien zin. In: ik hoor mijn broer zingen noemt men mijn broer dikwijls het lijdend voorw. bij hoor en het onderwerp van zingen. Dit is fout. Wel verricht mijn broer de werking zingen, maar 't is toch niet het onderwerp van ziw/ew, omdat het niet den persoonsvorm van zingen beheerscht. Zegt men daarentegen in keukenmeiden-stijl: ik hoor mijn broer zingt, dan eerst is mijn broer het onderwerp van de werking zingen.
In: ik hoor mijn broer zingen is mijn broer echter niets anders dan het lijdend voorwerp bij hoor.
§ 23. Er zijn sommige werkw., die het begrip z ij n of een wijziging van dat begrip uitdrukken. Zulke ww. zijn bij v.: blijven (voortdurend zijn), schijnen (naar het uiterlijk zijn), lijken, blijken, voorkomen, dunken (naar iemands meening zijn), heeten (in de bet. van genoemd icorden â naar den naam zijn). Zulk een werkw. vormt soms in verbinding met één of meer andere woorden het gezegde van een zin: Jan is ziek. Uw broeder wordt officier. Die handelwijze dunkt mij hoogst onverstandig.
Onder het naamwoordelijk deel van het gezegde verstaat men het woord of de woorden, die met een van de genoemde werkw. het gezegde van den zin vormen. Zoo is in: Jan is ziek, ziek het n a a m w o o r d e 1 ij k deel van het gezegde; de persoonsvorm is vormt er het werkwoordelijk deel van.
§ 24. Als n a a m w o o r d e 1 ij k deel v. h. gezegde kunnen b.v. voorkomen:
a. een hoedanigheidswcord (bijv. naamw., telw., bijwoord):
gij zijl eerlijk; die hond is zijn meester trouw; de arbeiders zijn weinige; de bui is over; mijn vriend is uit; de jas is aan; zijn geld is op.
b. een z e 1 f s t. naamw. of een zelfstandig gebruikt voornaam w.: mijn broeder is officier; hij wordt burgemeester; luees u-zelf.
c. een naamwoord, voorafgegaan door een voorzetsel: dit meisje is erg hij de hand; hij was in de ivar; een grooie menigte volks was op de been.
22
d. een infinitief of een deelwoord; zijn gedrag is te prijzen, te laken- het museum is nu niet te bezichtigen; zijn jas is gescheurd; de toegang is versperd; hij is getrouwd.
Opmerking bij a. In plaats van: mijn vriend is uit, heeft men vroeger wellicht gezegd: mijn vriend is uitgegaan, waarin uit een bijwoord was, daar het diende ter bepaling van het ww. gaan. In: mijn vriend is uit dient uit echter nu niet meer ter bepaling van gaan, maar vormt het een deel van het sameugest. werkw. uit-zijn â niet thuis zijn. Vergelijk: zijn goede leventje was uit; ik ben op van al het werken, dat ik gedaan heb, waarin men achter uit en op geen gepast verleden deehv. zou kunnen invullen; uit-zijn, op-zijn zijn hier samen-gest. werkw., beteekenende onderscheidenlijk geëindigd zijn-, doodelijk vermoeid zijn. Men noemt op, uit, aan, in op-zijn, uit-zijn, aan-zijn echter gewoonlijk nog bijwoorden, omdat die woordjes buiten deze samenstellingen vaak als bijwoorden voorkomen en deze constructies ongetwijfeld voor een deel ontstaan zijn uit andere, waarin genoemde woordjes dienden ter bepaling van een werking. Vergel.: de jas is aan met: de jas is aangetrokken.
§ 25. Wanneer de werkw. zijn, schijnen, lijken, enz. met een of meer andere woorden het gezegde van een zin vormen, dan noemt men ze koppelwerkwoorden. Deze naam is niet gelukkig gekozen, daar hij tot de verkeerde gevolgtrekking leidt, alsof het n a a in w o o r d e 1 ij k deel v. h. gezegde het eigenlijke gezegde zou zijn, en het koppelwerkw. slechts zou dienen, om dat gezegde aan het onderwerp te k o p p e 1 e n, te verbinden. In: mijn vader wordt oud is oud echter niet het gezegde van den zin; ook wordt is het niet; maar de woorden wordt en oud vormen te zamen het gezegde van dien zin. (Verg. § 4).
Enkele van de genoemde werkw. kunnen ook wel alleen, zonder hulp van andere woorden het gezegde van een zin vormen; dan noemt men ze zelfstandige werkw. B.v.; de zon schijnt; God is; de liefde blijft: alles wordt en vergaat weer.
§ 26. Enkele werkw,, die gewoonlijk niet het begrip zijn of een wijziging daarvan uitdrukken, nemen soms nagenoeg de beteekenis van een koppelwerkwoord aan. Zulke werkw. zijn b.v.: zitten, staan, liggen, vallen, raken, stroomen, loopen, zien: die vrouw zit verlegen om een meid; uw broer va.lt ivat driftig: de kerk loopt, stroomt leeg: de kans staat schoon; hij staat schuldig aan een misdrijf.
Slechts nagenoeg nemen die woorden de beteekenis van het w.w. zijn aan; want â gelijk uit de gegeven voorbeelden blijkt â gewoonlijk schemert de oorspronkelijke beteekenis nog
vrij duidelijk door do gewijzigde heen. Zoo zal men wel zeggen; hij ligt ziek; maar niet; hij staat ziek; omdat men iemand, die ziek is, zich liefst als liggend en niet als staande voorstelt. Omgekeerd zal men zeggen; hij staat schuldig aan een misdrijf; omdat men zich een misdadiger het liefst denkt als staande tegenover den rechter, die hem vonnissen zal.
§ 27. In: ik hoor gillen is gillen het lijdend voorw. bij hoor. Een infinitief (al of niet voorafgegaan door t e), die zich aldus onmiddellijk aansluit bij den persoonsvorm, kan zijn;
a. lijdend voorwerp: ik hoop te komen; hij wil heengaan; hij rekent den eersten prijs te zullen winnen (in dezen zin is den eersten prijs dan weer bet lijdend voorw. bij te zullen winnen).
h. bepaling van gesteldheid bij bet onderwerp: itw zuster zit te b r e i e n zit breiende); die man staat al een uur t e wachten (= staat wachtende).
e. oorzakelijk voorwerp: de generaal was genoodzaakt terug te trekken; ik ben besloten dit te doen (in dezen zin is dit dan weer het lijdend voorw. bij doen).
In dergelijke zinnen beschouwt men den infinitief, die den dienst doet van een lijdend voorw. of een bep. v. gesteldh. gewoonlijk als een deel van het gezegde. De zin: uw zuster lag ie slapen wordt dus ontleed; uw zuster, onderwerp; lag te slapen, gezegde. Daarentegen ontleedt men den zin: hij aarzelde zijn goedkeuring aan dit besluit te geven aldus; hij, onderlü.; aarzelde, gezegde; te geven, oorz. voorw. bij aarzelde; zijn goedkeuring, lijd. voorw. bij geven; enz.
4? 28. Voor; ik zag hem op den grond liggen, zei men vroeger; ik- zag hem liggende op den grond, waarin liggende een bep. v. gesteidh. bij hem was. Stipt genomen is dan ook in den eerstgenoemden zin liggen een bep. v. gesteldh. bij hem; gewoonlijk echter ontleedt men zulk een zin aldus: ik, onderw.; zag liggen, gezegde; hem, lijd. voorw. bij zag; op den grond, hep. v. plaats bij liggen. Zoo moest de zin; ik hoorde hem een fraai lied zingen, eigenlijk ontleed worden : ik, ondeno.; hoorde, gezegde; hem, lijd. voorw. bij hoorde; zingen (= zingende), bep. v. gesteldh. bij hem; een fraai lied, lijd. voorw. bij zingen. Gewoonlijk echter ontleedt men zulk een zin aldus: ik, onderw.; hoorde zingen, gezegde; hem, lijd. voorw. bij hoorde; een fraai lied, lijd. voorw. bij zingen. Vergel.: hij kon het mooiste meisje uit de stad krijgen; de officier beval den soldaat zijn geiveer af te zetten (den soldaat =
24
belangh. voorw. bij beval; zijn geiveer, lijd. voorw. bij afzetten)-, het zeegevaarte (nl. de stoomboot) voelt zijn ingewanden leven, waarin voelt leven = gez.; en zijn ingewanden = lijd. voorw. bij voelt.
Naar analogie van dergelijke zinnen ontleedt men een zin als; de onderwijzer laat den onoplettenden leerling zijn les overschrijven, gewoonlijk aldus: de onderwijzer, onderw.; laat overschrijven, gezegde; den onoplettenden leerling â lijd. voorw. bij laat: zijn las, lijd. voorw. bij overschrijven. In: ik laat hem niet tveggaan is laat weggaan, gezegde; en hem, lijd. voorw. bij laat.
§ 29. Het werkwoord worden beteekende vroeger ook g e-s c h i e d e n, p 1 a a t s g r ij p e n. Voor: daar geschiedde een groot ongeluk kon men b.v. zeggen: daar werd een groot ongeluk. Zoo beteekenden: daar wordt dansen; daar icordt vechten; daar ivordt schellen hetzelfde als: daar geschiedt dansen, vechten, schellen. Toen nu in later tijd het w.w. worden in de beteekenis van geschieden verouderd was, heeft men het w.w. worden, dat in deze en dergelijke constructies voorkwam, ten onrechte voor het hulpwerkw. van den lijdenden vorm aangezien en toen men eenmaal deze vergissing begaan had, verving men den infinitief door een verleden deelwoord (Verg. die brief werd door mij geschreven). Zoo ontstonden zinnetjes als: daar wordt gedanst; daar wordt gevochten; daar wordt gescheld. Dergelijke constructies zijn om twe-3 redenen merkwaardig. In de eerste plaats, omdat het zinnen zonder onderwerp zijn. Do infinitief toch, die in zulk een zinnetje het onderwerp was, werd bij vergissing vervangen door een verleden deelw., dat als deel van het gezegde beschouwd wordt. In de tweede plaats, omdat In dergelijke zinnen onovergankelijke w.w. s c h ij n b a a r in den lijdenden vorm kunnen voorkomen. Schijnbaar; want als wij zeggen: daar icordt gedanst, dan willen wij volstrekt niet te kennen geven, dat er ergens een niet genoemde zelfstandigheid de onoverg. werking dansen ondergaat; maar wij bedoelen er mee, wat de zin ook vroeger uitdrukte, n.1. dat er ergens de werking dansen plaatsgrijpt. Het werkw. heeft in zulk een zin het uiterlijk van een werkw. in den lijdenden vorm; niet de beteekenis.
§ 30. In sommige zinnen komt het onbepaalde voornaamw. het als onderwerp voor: het regent, het sneeuwt, het hagelt, het tocht hier, het schemerde hem voor de oogen; het is kermis, het is nacht, het teas de dageraad, van een nieuwen tijd.
Waarom is nu het in een zin als: het regent een onbep. voornaamw.?
Onze voorouders beseften wel, dat alles een oorzaak heeft en dat zoo ook de werking regenen door een bepaalde oorzaak â een god, een natuurkracht, of wat dan ook â teweeggebracht en als 't ware verricht wordt. Daar zij echter die oorzaak niet konden of wilden noemen, duidden zij die aan door het oubep. voornaamwoord h'l. Tevens blijkt uit deze uiteenzetting, dat het sneeuwt, het regent e. d. geen bestaans- maar werkingszinnen zijn. Het regent wil toch zeggen, dat de werking regenen verricht wordt door eene of andere zelfstandigheid, die men echter niet nader noemen wil of kan. Men mag dus het regent niet ontleden, alsof er stond: regen is, regen bestaat; en regen het logisch onderwerp en bestaat het logisch gezegde van den zin noemen. Neen! het is in: hei regent zoowel logisch als grammatisch het onderwerp; en regent is er zoowel logisch als grammatisch het gezegde van.
Waarom is het in zinnen als: het is kei-mis in ons dorp een onbepaald voornw.?
Als ik met een vreemdeling door ons dorp wandel op het oogenblik, dat het daar kermis is, wordt zijn oog overal getroffen door tooneelen van brooddronkenheid en bandeloosheid; overal hoort hij geschreeuw en getier; overal ziet hij een hossende, joelende menigte; 't schijnt, alsof alle menschen dol zijn geworden en wanneer hij mij verwonderd vraagt, wat dat alles moet beteekenen, dan antwoord ik: âhet (onbep. voornw.) is kennis in ons dorp.quot; 't Is, alsof ik wilde zeggen: dat alles, wat ge daar ziet en wat ik niet nader omschrijven wil of kan, dat alles is nu de kermis in ons dorp. Tevens volgt uit deze uiteenzetting, dat het is kermis niet een bestaan s- maar een hoedanigheidszin is. Aan dat onbepaalde het wordt toch als hoedanigheid toegekend, dat het de kermis in ons dorp is. Men mag dus een zin als: het is kennis in ons dorp niet ontleden, alsof er stond: kermis bestaat in ons dorp. Ook in deze soort zinnen is het derhalve zoowel logisch als grammatisch het onderwerp en is kermis zoowel logisch als grammatisch het gezegde. Die heele onderscheiding tusschen logisch en grammatisch onderw. en gezegde dient te vervallen en wordt door vele grammatici dan ook verworpen.
Men lette er wel op, dat in: het is zeker, dat hij komt; het geen onbepaald maar een persoonlijk voornaamw. is; immers, 't duidt hier iets bepaalds aan, t.w. den inhoud van den volgenden zin.
§ 31. Indien ik hen het antwoord was op vragen als; Zijt gij de dader1? Zijt gij de dokter? Zijt gij de schrijver van het hoek? dan beschouwde men vroeger i k als onderwerp van den zin; was ik hen het het antwoord op vragen als; Wie klopt daar? Wie schelt daar? Wie spreekt daar? dan beschouwde men op
26
grond van een vrij gezochte redeneering het als onderw. v. d. zin en ben ik als gezegde. Tegenwoordig vat men â en terecht â vrij algemeen ik in zinnen als ik ben het in alle gevallen als onderwerp v. d. zin op.
§ 32. Er zijn enkele zinnen zonder onderwerp (quot;V' erg. § 7). In dergelijke zinnen wordt eenvoudig het plaatsgrijpen of ondergaan van een werking vermeld, zonderdat er bij gezegd wordt, welke zelfstandigheid die werking verricht of ondergaat: Er hebben, argeloos, naar 't zacht gevlei geluisterd, Er hebben, onbedacht, het schalke spel gesmaakt, Tot in dien gulden droom heur toekomst werd verduisterd. Tot ze uit den bljdsten lach in tranen zijn ontwaakt. (Emma, Potgieter).
In de meeste zinnen komt echter een woord voor, dat den dienst vau onderwerp doet en dat de zelfstandigheid noemt of aanduidt, welke de werking verricht of ondergaat: Jan schrijft. De hond wordt geslagen. Het onderwerp noemt als 't ware de zelfstandigheid, die wij tot voorwerp van onze beschouwing gemaakt hebben; 't gezegde vermeldt, wat wij aan die zelfstandigheid hebben opgemerkt.
In de oudere geschriften vindt men daarentegen zeer veel zinnen, waarin men tevergeefs een woord zoekt, dat den dienst van onderwerp doet. Dit komt, omdat oudtijds de zelfstandigheid, die de werking verrichtte of onderging, reeds in vele gevallen door den persoonsvorm van den zin voldoende aangeduid werd, zoodat het overbodig was, die zelfstandigh. nog eens door een woord aan te duiden.
Moest men b.v. in 't Gotisch zeggen: zij kwamen in het land, dan zei men niet: eis (zij) qemun (â kwemen â kwamen) in 1 a n d a, maar men zei kortweg: qemun in landa; de persoonsvorm q e m u n wees toch al voldoende aan, dat de 3do pers. meerv. de werking verrichtte. Want: wij kwurmn in het land luidde in die taal: qemum in landa; en gij (meerv.) kwaamt was q e m u t h. De persoonsvorm q e m u n was in genoemden zin dan ook niet uitsluitend het gezegde; hij was onderwerp en gezegde beide, die hier in één ondeelbaren vorm samengesmolten waren.
Toen nu in later tijd de persoonsvormen v. d. werkw. meer en meer aan elkander gelijk en zóó langzamerhand nietszeggende vormen werden, toen eerst werd het noodig, de aanduiding v. h. onderw, door een voornw. of een ander zelfstandig gebruikt
27
woord te doen geschieden, gelijk tegenwoordig het geval is. Slechts in één geval geschiedt voor ons taalgevoel de aanduiding v. h. onderw. nog door den persoonsvorm, t.w. wanneer het werkw. in de gebiedende w ij s staat: Schrijf netjes: Wcflef met ijver! In deze zinnen is dus de persoonsvorm on-derwerp en gezegde beide.
Het onderwerp wordt noch door een woord genoemd, noch voor ons taalgevoel meer door den persoonsvor m aangeduid in de volgende gevallen:
a. in zinnen als: mij hongert;mij dorst; mij daizett. Waarschijniijk zijn deze zinnen ontstaan uit: het hongert mij: het dorst mij enz., waarin het een onbepaald voornw. was. omdat men juist de zelfst., die de werking verrichtte, niet nader kon of wilde noemen. (Zie § 30).
h. in zinnen als: daar ivordt gedanst; dooi' wordt geschetd. (Zie § 30).
c. in enkele losse zinnen, gelijk wij er zoo even een uit Potgieter hebben aangehaald.
In deze drie gevallen hebben wij dus te doen met zinnen zonder onderwerp.
S 33. Onder het aangesproken o n d e r w e r p verstaat men den naam of de aanduiding v. d. zelfstandigheid, tot welke de spreker het woord richt: Dirh, is de hoot ol oongekomen? -Jon. hebt tje nw iverk ot of'
Gelijk men uit deze voorbeelden ziet, staat het aangesproken onderw. als zoodanig niet in eenige logische betrekking tot de overige deelen v. d. zin: 't verricht b.v. de werking van het gezegde niet, noch ondergaat die; 't doet noch den dienst van een bijvoegl., noch dien van een bijw. bepaling; in één woord, 't is niet één van die begrippen, waartusschen in den zin eenigerlei verband wordt uitgedrukt. Men drukt dit gewoonlijk kort en eenigszins dichterlijk uit, door te zeggen, dat het aangesproken onderwerp buiten de grenzen van denzin staat.
III. Bevestigende, vragende, ontkennende en elliptische zinnen.
§ 34. Een zin is bevestigend, als de werking v. h. gezegde aan het onderwerp wordt toegekend. Jan icandelt. Die jongen is oplettend.
§ 35. Een zin is ontkennend, als de werking v. h. gezegde aan het onderwerp wordt ontzegd. In een ontkennenden zin
28
wordt het werkw. altijd bepaald door het bijwoord niet of door een woord van ongeveer gelijke beteekenis. Jan wandelt niet. Hij heeft zich geenszins aan oneerlijkheid schuldig gemaakt.
Wanneer de ontkennende bepaling niet betrekking heeft op de werking van het gezegde, maar op eenig ander zinsdeel, dan blijft de zin bevestigend. Niet Jan, maar Piet heeft dien brief geschremi. Hij is niet altijd zoo rijk geweest. Uw rade)' heeft in deze zaak niet netjes gehandeld. Soms heeft het ontkennende n e {= niet) een innige verbinding aangegaan met zulk een ander zinsdeel, ook al diende het eigenlijk ter bepaling van het werkwoord. Dergelijke zinnen zijn dus ook o n t-kennend. Ik heb het boek nergens gevonden {nergens â ne ergens â niet ergens). Hij heeft niemand gezien. Ik heb nooit over deze zaak gesproken (= ik heb niet gesproken over deze zaak, op wet ken tijd ook).
S 36. Een zin is v r a g e n d, als er naar het een of ander in wordt gevraagd. Wie is daar? Hoe oud is hij?
S 37. Gelijk ons reeds in S 3 is gebleken, is een elliptische zin een zoodanige, waarin niet alle begrippen, die wij to^ een gedachte verbonden hebben, met name genoemd of aangeduid zijn. V.b.: Een vergeten burger, een gerust teven. Een jonge luiaard, een oude bedelaar. Hen schip op strand, een baken in zee. Brand! Brand'. Allen naar de markt I He dief vluchtte weg; wij hem achterna.
Gelijk uit deze voorbeelden blijkt, gebruiken wij het meest elliptische zinnen, als wij spreekwoorden of andere bekende zegswijzen aanhalen, of wanneer wij in opgewekte gemoedsstemming ons den tijd niet gunnen, om alle samenstellende deelen van de gedachte één voor één te noemen. Het invullen van de weggelaten deelen van een elliptischen zin wordt aan den lezer of hoorder overgelaten.
S 88. Zinnen, waarvan het werkw. in de gebiedende wijs staat, zijn niet elliptisch. Het onderwerp wordt immers dan door den persoonsvorm aangeduid; Schrijf'. Werkt met ijver'. Ook zinnen als; Moed gehouden'. Den moed, niet la,ten zakken! zijn niet elliptisch. Het verleden deelw. of de onbepaalde wijs heeft in dergelijke zinnen toch de beteekenis van een gebiedende wijs aangenomen.
Heeft een gebiedende wijs meer het karakter van een verzoek, dan van een gebod, dan wordt het onderwerp genoemd. Karei, ga jij eens even naar den kruidenier! Jan, doe jij eem open!
29
IV. De Samengestelde Volzin.
a. Onderschikkend en Nevenschikkend Zinsverband.
§ 39. Om het verschil tusschen de nevenschikkende en onderschikkende zins verbinding â zoo mogelijk â goed te laten uitkomen, zullen wij twee paren zinnen met elkander vergelijken.
In: Daar mijn vader ziek is, blijf ik van avond thuis bevat de eerste zin de reden van het feit, in den tweeden vermeld.
In: mijn vader is ziek; daarom blijf ik van avond thuis bevat ó.g eerste zin evenzoo de reden van het feit, in den tweeden zin vermeld.
Beide samengestelde zinnen hebben dus geheel dezelfde b e-t e e k e n i ö ; tusschen beide bestaat echter een groot verschil in voorstelling. In den eersten samengestelden zin is het, alsof de spreker ons voornamelijk wil mededeelen, dat hij thuis blijft en alsof hij slechts even als terloops meedeelt, dat zijn vader ziek is, omdat dit de oorzaak van zijn thuis-blijven is. De redengevende zin wordt dus louter vermeld ter wille van het verband, waarin hij tot den anderen staat. â In den tweeden samengest. zin is het net, alsof de spreker ons twee feiten wil meedeelen; t. w. dat zijn vader ziek is en dat hij thuis blijft; welke twee feiten echter niet niets met elkander uitstaande hebben, maar met elkaar in oorzakelijke betrekking staan.
In: Al is het buiten vinnig koud, toch ga ik uit komt de tweede zin op tegen een gevolgtrekking, die men allicht uit den eersten zou afleiden.
In: Het is buiten vinnig kond; toch ga ik uit komt de tweede zin evenzoo op tegen een gevolgtrekking, die men allicht uit den eersten zou maken.
Beide samengestelde zinnen hebben alzoo weer geheel dezelfde beteekenis; tusschen beide bestaat echter alweer een groot verschil in voorstelling. In den eersten samengest. zin is het, alsof de spreker ons voornamelijk wil meedeelen, dat hij uitgaat en alsof hij het feit, dat het buiten zoo vinnig koud is, slechts even als terloops in herinnering brengt, om te doen uitkomen, dat wij eigenlijk niet verwacht zouden hebben, dat hij nog uitging. De eerste zin wordt dus louter vermeld ter wille van het verband, waarin hij tot den anderen staat. In den tweeden samengest. zin krijgen wij meer den indruk, alsof de spreker ons twee feiten wil meedeelen, nl. dat het buiten vinnig koud is en dat hij uitgaat; welke feiten echter niet los naast elkaar staan, maar met elkaar in een bepaalde logische betrekking staan.
30
Welnu wanneer een zin zoodanig aan een anderen verbonden is, dat wij den indruk krijgen, dat hij uitsluitend vermeld of in herinnering gebracht wordt ter wille van het verband, waarin hij tot dien anderen zin staat, dan is hij onderschikkend aan dezen laatsten zin verbonden. Een zin, die onderschikkend aan een anderen verbonden is, heet bijzin, ondergeschikte of afhankelijke zin. De zin, waaraan hij verbonden is, heet
hoofdzin. . ,
Wanneer een zin daarentegen zoodanig aan een andeien bonden is, dat wij den indruk krijgen, alsof hij n ie t uit sl u 11 e n d vermeld wordt ter wille van het verband, waarin hij tot dien anderen zin staat, dan is hij n e v e n s c h i k k e n d aan dezen laatsten zin verbonden. Twee zinnen, die nevenschikkend met elkaar verbonden zijn, heeten beide hoofdzinnen. In twee nevengeschikte zinnen worden ons dus twee feiten meegedeeld, die echter met elkaar in zeker verband staan. Zoo is in: hij is zeker dood; want men heeft in jaren reeds niets meer van hem gehoord de laatste zin de grond van het oordeel, in den eersten zin uitgesproken. Zelfs wanneer twee zinnen zuiver aaneenschakelend verbonden zijn, bestaat er verband tusschen; en wel deze betrekking, dat de inhoud van beide zinnen zoodanig is dat onze gedachten als vanzelf van den inhoud van den eersten zin tot dien van den anderen overglippen. Niemand zal b.v. zeggen; de keizer van Rusland is dood en de straten zijn droog; maar wel: de zon schijnt en de straten zijn droog. Immers, onze gedachten springen niet als vanzelf over van den dood van den keizer van Rusland tot het droog-zijn van de straten; maar wel van het feit, dat de zon schijnt tot de omstandigheid, dat de straten droog zijn.
40. Een bijzin bevat dus een gedachte, die als terloops wordt 'medegedeeld ter wille van het verband, waarin zij tot de o-edachte van den hoofdzin staat. Hieruit volgt, dat de inhoud van den bijzin ook zoodanig moet zijn, dat hij als terloops meegedeeld mag worden. Met andere woorden: m een bijzin mag nooit een feit vermeld staan, waarop tot recht verstand van het volgende het volle licht had moeten vallen. Het is iuist een gewone fout van ongeoefende stilisten, dat zij m een biizin een gedachte verstoppen, die in een hoofdzin vernield had moeten worden, opdat ze de volle aandacht van den lezer of hoorder zou trekken. In een bijzin mag alleen een feit meegedeeld worden, dat den lezer of hoorder reeds bekend is en waaraan de
31
schrijver of spreker slechts even behoeft te herinneren; of een feit, niet zoo gewichtig voor het recht verstand van het volgende, dat het noodig is, er door stilistische middelen bijzonder de aandacht op te vestigen. Zoo zal iemand zeggen: al is V hidloi hiUcr kond, toch ga ik uit, indien hij onderstelt, dat de hoorder wel weet, dat het buiten koud is; onderstelt hij dit niet, dan zegt hij: 't is hnitoi hlfler kond, toch ga ik uit, waarin de zinnen nevenschilckend verbonden zijn en alzoo beider beteekenis meer uitkomt.
§ 41. Juist omdat een bijzin uitsluitend vermeld wordt ter wille van het verband, waarin hij tot hoofdzin staat, daarom is hij voor o;is taalgevoel ton innigste met den hoofdzin verbonden ; 't is. alsof hij er een deel van uitmaakt. In vele gevallen kar, een bijzin dan ook gevoegelijk door een zinsdeel vervangen worden; met een n e v e n g e s c hi k t en zin is dit nooit het geval. Zoo staat: Ik ga niet uit, omdat het regent in beteekenis en voorstelling gelijk met: ik ga niet uit om den regen. De zin; Ik ga niet uit, trant het regent kan daarentegen niet vervangen worden door; ik (ja niet uit om den regen. De twee zinnen zijn dan wel gelijk in beteekenis; maar niet in voorstelling, in den enkelv. zin wordt het voorgesteld, alsof over het regenen alleen gesproken wordt, omdat het de oorzaak van het niet-uitgaan is; in den samengest. zin heeft want het regent meer het karakter van een zelfstandige mededeeling.
§ 41. Ook de woordschikking van een hoofdzin verschilt van die van een bijzin. Vergel.; ik heh dit hork gisteren gekoeld, omdat ik het voor mijn studie noodig heb met; ik heh dit hoek gisteren gekocht: trant ik heb het voor mijn studie noodig.
Wanneer een hoofdzin met het onderwerp begint, is de woordschikking aldus; onderwerp; persoonsvorm; voorwerpen en bepalingen; die van de overgroote meerderheid der bijzinnen is; onderwerp; voorwerpen en bepalingen; persoonsvorm. De woordschikking van den bijzin heet de afhankelijke woordschikking.
Bijna alle bijzinnen hebben de afhankelijke woordschikking; uitgezonderd zijn alleen: a. de onderwerps-, gezegde-, voorwerps- en bijvoegl. afh. zinnen, die los naast den hoofdzin of het bepaalde woord staan; h. sommige vragende en gebiedende zinnen, die de beteekenis van toegevende of voorwaardel. zinnen hebben aangenomen (Verg. §§81 en
32
88); c. sommige zinnen, die met of beginnen: Nauwelijks was Mj'binnen, of hij zakte op een stoel in elkander.
§ 42. Een bijzin kan zelf weer vergezeld wezen van een bijzin; de eerste bijzin wordt dan de hoofdzin van den tweeden genoemd. B.v.; Ik heb maar niet op u gewacht, omdat ik wel begreep, dat gij toch niet zoudt komen. In dezen zin is; omdat ik wel 'begreep de hoofdzin van: dat gij toch niet zoudt komen.
§ 43. Men lette er op, dat een zin als: Maurits en Frederik Hendrik hebben beiden met goed gevolg tegen de Spanjaarden gestreden geen samengestelde zin is. In dezen zin wordt immers geen betrekking tusschen twee of meer gedachten uitgedrukt; de werking van het gezegde wordt er eenvoudig door meer dan één persoon in verricht. Men zegt, dat in zulk een
zin het onderwerp veelvoudig is.
Ook de andere zinsdeelen kunnen veelvoudig zijn. Veelvoudige zinsdeelen kunnen b.v. verbonden zijn door de voegwoorden of voegwoordelijke uitdrukkingen: en; alsmede; benevens; als- zoowel-als; deels-deels; hoe-hoe; noch; noch-noch; maar; doch; of; of-of; hetzij-hetzij; schoon Vb.: Die huisknecht verdient honderd gulden 's,jaars benevens hos en inwoning. Deels van kommer, deels van gebrek is die arme vrouw gestorven (veelv. bep. v. oorzaak). Ik ga dezen zomer hetzij naar Parijs, hetzij naar Londen. Die man wordt oud en grijs. De vijand ontzag leeftijd, noch, kunne. Een geleerde, schoon mm of meer droge verhandeling. Die jongen eet en drinkt te veel. Een
beknopt, maar duidelijk verslag.
Gelijk uit deze voorbeelden blijkt, staan veelvoudige zinsdeelen meestal met elkaar in aaneenschakelend of tegenstellend verband.
§ 44. Twee nevengeschikte zinnen kunnen één of meer zinsdeelen'gemeen hebben; worden die gemeenschappelijke deelen slechts ééns uitgedrukt, dan zijn de zinnen samengetrokken. Mijn oom gaat naar Rotterdam en mijn neef naar Utrecht. Hj is
arm, maar eerlijk.
Men beschouwt de samentrekking alleen als geoorloofd, wanneei de gemeenschappelijke deelen in beide zinnen dezelfde beteekems hebben en denzelfden dienst verrichten.
Voorbeelden van verkeerde zinssamentrekkingen: Maurits had eerlang alles en in alles stout voorzien, om op den muilen grond den Spanjaard 't hoofd te biên (Da Costa; Slag bij Nieuwpoort); voorzien beteekent hier in den eenen zin hetzelfde als het
33
Fransche pré voir; in den anderen als het Fr. pour voir. Maar helaas! mijn snaren sprongen, En mijn speeltuig ligt daarneer. 'k Heh mij eenmaal heesch gezongen En geen stem of adem meer (Bilderdijk); in den eenen zin is heb hier hulpwerkwoord van tijd en ia den anderen een overg. werkw. met de bet. van bezitten. Die ambtenaar icordt oud en daarom weldra ge-pensionneerd. De man, dien ik liefhad en al mijn zielsgeheimen toevertrouwde, is overleden. Zooals men ziet, overtreden zelfs schrijvers van den eersten rang zonder eenige gewetenswroeging het voorschrift der strenge taalmeesters, waar dit zonder schade voor de duidelijkheid k.an geschieden en waar dit gebiedend vereischt wordt door maat of rijm, door de schoonheid of de kernachtigheid van den stijl.
Algemeen wordt echter de samentrekking als geoorloofd beschouwd, wanneer het werkw. in de beide zinnen niet in denzeltden persoon staat of hetzelfde getal heeft: Hij drinkt altijd hier en wij wijn. Hoe komt het toch, dat uw broer zoo rijk en gij zoo arm zijt?
h. De Nevenschikkende Zinsveebinding.
§ 45. De nevenschikkende zinsverbinding kan zijn: a. aaneenschakelend; ^.tegenstellend; c. redengevend.
§ 4G. Het aaneenschakelend zinsverband kan zijn:
a. zuiver aaneenschakelend en versterkend. Het zuiver aaneenschakelend zinsverband wordt uitgedrukt door de voegwoorden: en, noch; de voeg w oordel ij ke uitdrukkingen: zoowel-als; niet alleen (slechts, enkel) - maar ook: en door de voegw. bijwoorden: ook, bovendien, buitendien, daarbij, daarenboven. Het versterkend zinsverband wordt bewerkt door het voegwoord ja en het voegw. bijw. zelfs. Die bediende heeft een rast salaris van fGOü 'sjaars; bovendien heeft hij nog eenige bijverdiensten. Die dokter is niet alleen een kundig, maar ook een menschlievend i/ian. Het leger icerd verslagen, ju, het werd volkomen vernietigd.
b. rangschikkend. Dit zinsverband wordt uitgedrukt dooide voegwoorden: ten eerste: ten tweede enz.; allereerst; vooreerst; voorts; dan; vervolgens; wijders; daarna; eindelijk; ten slotte; ten laatste. Hij is eerst naar Haarhm gegaan; daarna naar Rotterdam; ten slotte naar Utrecht.
c. verdeelend. Het zinsverband wordt uitgedrukt door de voegw. uitdrukkingen: deels-deets; eensdeels-anderdeels;
3
34
eenerzijds-anderzmB; ter eener zijde-ter anderer zijde: aan den eenen kant-aan den anderen land; (jedeeUeljk fie'leelteljk. De zaken van dien man zijn achterirityegaaan, deels oh: lat hij met rjveruj (jenoeg toas. deels omdat hij te reel concurrenlie Jcreerj.
§ 47 Het tegenstellend zinsverband kan zijn:
a. zuiver tegenstellend. In dit geval vormt de inhoud van den eenen zin eene tegenstelling met dien van den anderen. Het zinsverband wordt bewerkt door het voegwoord
maar of het voegw. bijw. daarentegen. Zwitserland is hoon en beraachtig; Nederland daarentegen laag en vlak. . , . , .
h Dlaatsvervangend tegenstellend. Dan is de inhoud van den eersten zin ontkennend; die van den tweeden zin wordt er voor in de plaats gesteld. Het zinsverband wordt uitgedrukt door het voegw. maar en het voegw. bijw. integendeel. Soms wordt de ontkenning in den eersten zin versterkt dooi het bijwoord neen; dit woordje is in dit geval dus een bepaling van modaliteit bij het gezegde van den eersten zin Vaak staat het dan ook al aan het begin van dien eersten zinquot; Hij is niet lui, maar traag. Gij hebt dit huis met te duur gekocht; integendeel, gij hebt er een koopje aan. Tij is geen volksmisleider, neen! hij is een vriend van waarheid en gerechtigheid. Neen, die man is niet slecht; hij is zwak. _ ,
c. beperkend tegenstellend. De tweede zm is dan in quot;strijd met een feit, dat men allicht op grond van den eersten zou verwachten. Het zinsverband wordt bewerkt door de voegwoorden: maar, doch, edoch, dan; en door de voegw bijw.; echter, intusschen, ondertusschen, evenwel, toch nochtans, niettemin, desniettemin, desniettegenstaande. Mijn vriend had beloofd stellig te zullen komen; toch is hij er met geweest Die man is een hoogst bekwaam werkman; hij is desniettegenstaande al zes maanden buiten werk. Wij hadden het gehoopt; edoch, het
heeft niet zoo mogen zijn.
d uitsluitend tegenstellend. ïwee of meer zinnen zijn uitsluitend tegenstellend verbonden, wanneer slechts de inhoud van één dier zinnen met de werkelijkheid overeen kan komen. Het zinsverband wordt uitgedrukt door de voegwoorden: of. of-of; hetzijdietzyj; hetzij-of. Of hij komt, of hij blijft weg. Ik ga uit, hetzij het regent, hetzij het mooi weer is. Die speler is
altijd even kalm, hetzij hij wint of verliest.
Men lette er op, dat in een zin als: ik ga ud, hetzij het egent,
35
hetzij het mooi weer is de beide zinnen ; hetzij het regent, hetzij het â mooi weer is ten opzichte van elkander uitsluitend tegenst. zijn verbonden, maar dat zij ten opzichte van den hoofdzin: ik (ja uit toegevende zinnen zijn. Men wil toch zeggen: al regent het, al is het mooi weer, ik ga in elk geval uit.
In plaats van 't uitsluitend tegenst. voegw. of gebruikt men dan, dan wel, dan of, indien de beide nevengesch. zinnen reeds door 't onderschikkend voegwoord of aan een hoofdzin verbonden zijn. Ik weet niet, of ik nw gedrag prijzen, dan wel laken moet.
§ 48. Het redengevend zinsverband. Twee zinnen staan met elkaar in redengevend zinsverband, wanneer de eene zin de oorzaak, de reden of den grond bevat van hetgeen in den anderen zin staat. (Verg. § 21, e).
Wanneer de tweede zin de oorzaak, reden of den grond bevat van hetgeen in den eersten zin staat, wordt het zinsverband uitgedrukt door de voegwoorden: want, namelijk, immers, toch. Want en namelijk kunnen zoowel een oorzaak, als een reden en een grond uitdrukken; immers en toch wijzen gewoonlijk op een grond. liet vriest, want het kwik in den thermometer staat beneden het vriespunt. Wees niet hang, ik hen immers hij u. Gij kunt dien man gisteren niet in de Kalverstraat gezien hebben', hij is namelijk verleden werk reeds overleden. Hij vertrouwde mij al zijn geheimen toe-, ik teas toch zijn vriend.
Bevat de eerste zin een oorzaak, reden of een grond en de tweede zin het gevolg of de gevolgtrekking, dan wordt het verband bewerkt door de voegw. bijw.: hierdoor, daardoor, dientengevolge, vanhier, vandaar â hierom, daarom, deswege, dies, des â dus, alzoo, hijgevolg, derhalve, diensvolgens, mitsdien. Die koopman heeft een te groot vertrouiven in de eerlijkheid der menschen gehad-, hij heeft daardoor reeds aanzienlijke verliezen geleden. Ik ben ziek, daarom blijf ik thuis. Gij allen hebt aan de eischen van het overgangsexamen voldaan en zijl mitsdien tot eene hoog ere klasse bevorderd. De lieer heeft ons gezegend, dies zijn wij verblijd. Want icuerheyd (dat 's al oud) vindt nergens heyl noch heul-, dies roemt men hem voor wijs, die vinger op den mond legt. (Vondel, Roskam). De heschnhtigdc kon zijn alibi bewijzen, diensvolgens moest de rechter hem vrijspreken.
§ 49. Twee nevengesch. zinnen kunnen ook met elkaar in doelaanwij zend verband staan. De eerste zin noemt dan
36
het doel, waarmee de werking van den tweeden zin plaatsgiijpt.
naartoe en te Olen einde drukken dit verband uit. De reiziger wilde graag zoo spoedig mogelijk op de plaats zijner bestemming zijn- te dien einde is hij reeds met den eersten trein op reis gegaan.
| 50. Het voegw. bijw. dan ook (of kortweg; ook) heeft een beteekeuis, lijnrecht staande tegenover die van de woorden, welke het beperkend tegenstellend zinsverband uitdrukken. Het geeft nl. te kennen, dat de inhoud van den tweeden zin geheel en a 1 i n o v e r e e n-stemming is met datgene, wat men op grond van den inhoud van den eersten zin zou mogen verwachten (Verg. § 47, c). Dat â¢
Marco) zijn jonge hersens daar voor duiden zou behoên, was nauwlyks ^ e â verwachten. Ook deed hij 't niet. (Staring). Die jongen heejt veel pkisier in 't leven; hij is dan ook een van de beste leerlingen van de klasse. Val paard kan verbazend hard hopen, 't heeft dan ook menigen prijs gewonnen.
§ 51. Twee zinsdeclen staan met elkander in verklarend verband, wanneer het eene dient ter verklaring van het andere. De voegwoorden: of-, namelijk-, als-, zooals-, te weten drukken dit verband uit. Onze zaugrereeniguig heeft hij dien u-edstrjd la ee prijzen hehaald, namelijk een gouden medaille en den eerepnjs. Hij bezit de grootste schutten, die een mensch kan bezitten, te uelen een goede gezondheid en een gerust geweten. De amdor of grijprogel. Arabella of de bruid der grafgeirelren.
§ 52. Wanneer twee zinnen nevenschikkend zijn verbonden, wordt het verband soms niet door eenig woord uitgedrukt, 't Wordt dan uitgedrukt door een teeken (:); of 't blijkt wel uit den inhoud der zinnen. Dit taalverschijnsel heet asyndeton. Hij stond op, trok zijn jas aan, zette zijn hoed op en ging zonder een voord te spreken de dear nil. Gij moet dien gebrekkigen man Viel bespollen-, gij mort hem reet meer beklagen, (hj moei dien man altijd met onderscheiding behandelen: hij was de beste mend
mes raders. _ - ⢠j i
§ 53 Wanneer twee nevengeschikte zinnen of zinsdeelen
aaneenschakelend of tegenstellend verbonden zijn
wordt het verband soms meer keer en uitgedrukt, dan stnkt
noodzakelijk is. Dit taalverschijnsel heet polysyndeton.
JJie man is altijd of zeer r rooi ijk, of zeer neerslachtig. Men acht dien geteerde en om zijn kmnis en om zijn karakter.
c. De Ondergeschikte Zinsvebbinding.
§ 54. Gelijk ons in § 41 is gebleken, doet een ondergeschikte zin den dienst van een zinsdeel van den hoofdzin.
ó i
Alnaargelang zij den dienst doen van het eene of van het andere zinsdeel, worden de ondergeschikte zinnen verdeeld in: onderwerpszinnen; gezegdezinnen; lijdende, belanghebbende, oorzakelijke voorwerpszinnen; bijvoeglijke zinnen; bijwoordelijke zinnen.
Gezegdezinnen doen den dienst van het naamwoordelijk deel van het gezegde.
1. Onderwbrps-, Gezegde-, Voorwerpszinnen.
§ 55. Onderwerps-, gezegde- en voorwerpszinnen komen in verschillenden vorm voor:
a. onderwerps-, gezegde-, lijdende en oorzakelijke voorwerpszinnen kunnen de woordschikking van den hoofdzin hebben en staan dan los naast den hoofdzin.
Leve de Koning! werd er overal geroepen. Op een hord stond mei groolc letters geschreven: Wacht u voor de honden.
De zinspreuk van Gerbrand Adriaansz. Brederoo was: 't kan verkeeren. De laatste u-oorden van Willem den Zwijger waren.: Mijn God, heb medelijden met mij en mijn arm volk.
Hij telegrafeerde mij: Uw vader is ernstig ziek. Kom dadelijk over. â Gij weet het, uw vader ivas meer eerlijk dan slim. In: Gij komt toch van avond, hoop ik gaat de voorwerpszin vooraf.
Denk er aan: morgen met den eersten trein moet ge vertrekken.
b. ondenverps-, gezegde-, lijdende en oorzakelijke voorwerpszinnen kunnen door de voegwoorden dat en of aan den hoofdzin verbonden worden en hebben dan de afhankelijke woordschikking.
Dat de aarde rond is, wordt thans door alle geleerden aangenomen. Het is lang niet zeker, of Laurens Jansz. Koster wel de boekdrukkunst heeft uitgevonden.
Mijn meening blijft, dat ge u vergist hebt. Zijn verzoek was, of gij niet even bij hem zoudt willsn komen.
Hebt gij al geluord, dat uw vriend geslaagd is? Hebt gij al gehoord, of nw vriend geslaagd is?
Ik stond er verstomd over, dat hij u zulk een brutaal antivoord dorst te geven. Ik twijfel er aan, of gij de waarheid wel spreekt.
Gelijk uit deze voorbeelden blijkt, gebruikt men in dergelijke constructies het voegwoord of, als men den inhoud van den bijzin als twijfelachtig wil voorstellen.
c. ondenverps-, gezegde-, lijdende, belang hebbende en oorzakelijke voorwerpszinnen kunnen de afhankelijke woordschikking
38
hebben en beginnen met; wie, wat, die, hetgeen in de beteekems van: hij, die; dat, tout; hetgeen, dat. De woorden wie, wat, die, hetgeen doen dan den dienst zoowel van een bepalingaankondigend als van een betrekkelijk voornaamwoord.
Wal qij daar zegt, is heslist onwaar. Hetgeen gij will, is onuitvoerbaar. Dir. u dat verteld heeft, heeft u maar wat wijsgemaakt. Wal nieuw is,
vindt allijd bestrijders.
Wie ge ook zijt, wees, die ge. zijl. Hij is het, die u verraden heejl.
Holland! Blijf, wal ge waart, toen ge hlonkl als een bloem. Hij nor
wen-, wal hij gewest is.
Jk geloof niet, wat ge daar zegt. Hetgeen ik u beloofd heb, zal ik
neven. Wal ik eindelijk besloot, zal hel volgende hoofdstuk leeren.
Hij vertelde het nieuwtje aan wie het maar hooren wilde. Ik gnf, wie mij iets voor mijn verjaardag geeft, iets terug. Ik heb dit cadeautje bestemd
voor wie hel best gewerkt heeft. , . . . ,,
Toen dacht hij aan wat zijn vader hem, zoo dikwijls voorspeld had houd mij, aan heigeen wij afgesproken hebben. Ik stond verstomd over
hetgeen ik daar zag.
In dergelijke constructies ziet hetgeen altijd op een bepaalde zaak, wie op een bepaalden persoon; wat kan betrekking hebben op een bepaalde en op een onbepaalde zaak; die ziet gewoonh.i-op een bepaalden, bij uitzondering op een onbepaalden persoon.
d. onderwerps-, gezegde-, lijdende en oorzakelijke voorwerpszinnen kunnen de afhankelijke woordschikking hebben en beginnen met een vraagwoord als: wie, wat, welk, hoe, ivaar, wanneer, werwaarts, waarmede, enz. Zulke ondergeschikte zinnen noemt men afhankelijke vragen.
Het is nog niet hekend, wi- den eersten prijs gewomien heeft. Wie van beiden gelijk heeft, is moeilijk uit le maken. Hoe de dief hel huis binnengedrongen is, is nog niet gebleken.
De eenige moeilijkheid is. hoe wij de toeslemming van vader zullen krijgen Ik begrijp niet, wal die man daar uitvoert. Weet gij ook, waar de burgemeester van dit dorp woont.' Stel u voor, dat Java ons niet langer zijne schallen in den schoot stortte en zeg mij, werwaarts de dienstbare viool der Handel-Maatschappij dan hare zeilen hijschen zou; waar de onder-nemimtslust harer reeders, in Koord- of in Zuid-Amerika, betrekkingen heeft aangehouden; waar men zich onzer in China nog herinnert; wie ons in
Australië kent. (Potgieter). . , , ,
Hij weifelde, welken weg hij zou inslaan. Ik ben benieuwd, hoeveel ons
huis bij den verkoop zal opbrengen.
Men wachte zich voor de misvatting, alsof de woorden: wie, wat, â waar, wanneer, loaarloe, hoe, enz. in dergelijke zinnen voeg-
39
woorden zijn en alzoo den bijzin aan den hoofdzin verbinden, 't Zijn voornaamwoorden of bijwoorden met een vragende beteekenis. In: ik beyrijxgt; niet, ivaar mijn broeder het hoek neergelegd heeft staan hoofd- en bijzin los naast elkander en ivuar is niets anders dan een vragend bijwoord van plaats: 't vraagt naar de plaats, waar de werking neerleggen heeft plaatsgegrepen. Dat loaar mijn broeder het hoek neergelegd heeft het lijdend voorwerp bij ik begrijp niet is, wordt niet door ivaar uitgedrukt, maar volgt uit de onderlinge beteekenis der beide zinnen.
Toelichting. Met een enkel woord wenach ik hier toe te lichten, wat afhankelijke vragen zijn en wanneer wie, vat, hoe, enz. derhalve in dergelijke constructies vraagwoorden zijn en wanneer niet.
Zegt een examinator tegen een examinandus: Vertel mij eens, wie den verrekijker uitgevonden heeft, dan heeft de bijzin de beteekenis van de vraag: wie. heeft den verrekijker uitgevonden ' Antwoordt de candidaat daarop: ik weet niet, wie den verrekijker uitgevonden heeft, dan heeft de bijzin de beteekenis van een vraag gehad. Zegt een jongen op school: ik iceet niet, waar Marseille ligt, dan is liera stellig wel gevraagd: waar ligt Marseille? Welnu, de zinnen: wie den verrekijker heeft uit-gevonden en u-aar Marseille ligt zijn a f h an k e 1 ij k e vragen. Afhankelijke vragen zijn dus zinnen, die niet de vragende, maar de afhankelijke woordschikking hebben, maar desniettemia de beteekenis van een vraag hebben of gehad hebben. Vaak heeft men zulk een vraag zich zelf gesteld. Zegt iemand: Ik begrijp niet, wat die man daar uitvoert, dan heeft die persoon zich zelf afgevraagd: wat voert die man daar toeh uit? Zoo ook in: ik ben nieuwsgierig, hoeveel ons huis bij den verkoop zal opbrengen. Zulke afhankelijke vragen nu beginnen met een vragend woord; in de genoemde zinnen zijn ivie en wat vragende voornw.; waar en hoeveel vragende bijwoorden.
Zegt iemand daarentegen: Wat waar is, moet eenvoudig zijn, dan heeft hij zich zelf niet afgevraagd: ivat is waar? maar: aan tvelke eigenschap moet datgene voldoen, wat waar is? De zin: die dat gezegd heeft, is een karakterloos mensch is niet het antwoord op de vraag: ivie heeft dat gezegd; maar op: hoe moet ik iemand noemen, die dat gezegd heeft? De zinnen: waar is; die dat gezegd heeft zijn derhalve geen vragen geweest en wat en die zijn dan ook geen vraagwoorden; 't zijn woorden,die hier den dienst doen van bepal. aank. en betrekk. voornw. beide. (Vergel. i, 55, c.)
§ 56. Gelijk uit de in de voorgaande paragraaf gegeven voorbeelden blijkt, worden ondenverps-, gezegde- en lijdende voorwerpszinnen dikwijls in den hoofdzin aangekondigd door het persoonl. voornw. het: Het is zeker, dut hij komt. Hij is het, die
40
n gewaarschmcd heeft. Gij weet het zeer yoed, dat (jij ~oo iets niet moogt doen. Men zou het in dergelijke zinnen voorloopig onderwerp, gezegde of lijdend voorwerp kunnen noemen.
Zoo worden oorzakelijke voorwerpen vaak aangekondigd dooier over, daarover, er aan, er van, er om. er naar, er op, er tegen, en enkele andere voo rn aam w oordel ij ke b ij woorden: Hij verlangt er naar. dat hij zijn geioone bezigheden weer kan hervatten. Ik reken er op, dat gij morgen hij mij komt. Die vrouw is er bedroefd over, dat haar zoon zich' zoo slecht gedraagt. Men zou zulk een voornw. bijw. in dergelijke zinnen voorloopig oorz. voorw. kunnen noemen.
§ 57. Het woordje hoe, aan het hoofd van onderwerps-, gezegde-, of voorwerpszinnen staande, kan in de eerste plaats vragend bijwoord zijn: Ik begrijp niet, hoe gij zoo dom hebt kunnen ..ijn. Hoe het ongeluk gebeurd is, is nog niet opgehelderd.
In de tweede plaats kan hoe in een dergelijk geval bijwoord van graad wezen: Gij weet niet, hoe lief ik u heb. Hoe mooi ge. ook praat, ik geloof u toch niet. Ulieden is het onbekent, Hoe bitter dat de keure zij â Van ballingschap oft slaeverny (Hooft).
In de derde plaats kan de beteekenis van hoe zoodanig verzwakt zijn, dat het zijn bijwoordelijke kracht geheel verloren heeft en het'den dienst doet van het voegwoord dat: Mijn neef heeft ons meermalen verteld, hoe (â dat) zijn vader als een klein winkeliertje begonnen is. Wij herinneren er aan, hoe (â dat) wij reeds voor een half jaar voorspeld hebben, dat die man failliet moest gaan. Toen Suzette wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert eenigen tijd overal vervolgd tverd door Van der Hoogen (Hildebrand).
§ 58. Enkele zinnen beschouwt men gewoonlijk als vergelijkende bijzinnen, ofschoon zij stipt genomen den dienst doen van naamwoordelijk deel van het gezegde. Zoo geeft in: hij is, gelijk hij schijnt, de tweede zin antwoord op de vraag: hoe is hij? en doet derhalve den dienst van naamwoordelijk deel v. h. gezegde. V.b.: Be opleiding der onder wijzers is nog niet, zooals zij behoort te zijn. Dat meisje ziet er uit, alsof zij de plaat gepoetst heeft.
2. Bijvoeglijke Zinnen.
§ 59. Een bijvoeglijke zin is een zin, die den dienst doet van een bijvoeglijke bepaling. Een bijvoeg!, zin vermeldt
41
dus een bijzonderheid van een zelfstandigheid. Zoo is in; Ik kreeg hij die tcoorden ecu gcroel, alsof de grond, oudvr mijtte roeten zon icegzinken, de tweede zin een bijv. afh. zin bij het woord gcroel. De tweede zin zegt ons immers, welk gevoel de spreker bij het hooren van die woorden kreeg.
§60. Bijvoeglijke zinnen komen in verschillenden vorm voor:
a. Zij kunnen den vorm van een hoofdzin hebben en staan dan los bij het bepaalde woord.
Op onze guldens en rijksdaalders leest men het randschrift: God zij met ons. Het spreekwoord: Wie met pek omgaat, wordt er mee besmet, is aan het schoenmakersbedrijf ontleend. De mare: De schouwburg slaat in brand, verspreidde zich als een loopend vuurtje door de stad.
I). Zij kunnen door betrekkelijke voornaamwoorden {die, dal, welke, e.a.) of door voornaamwoordelijke bijwoorden (wcuirin, waarmede, itjaarorer, amp;m.) aan den hoofdzin verbonden zijn en hebben dan de afhankelijke woordschikking.
De man, die daar loopt, is mijn vriend. De tijding, die ik zoo even ontving, was mij hoogst aangenaam. In het dorpje, welks torentje daar tusschen het geboomte uitsteekt, ben ik geboren. Het huifje, waarin gij woont, is zeer bouwvallig. Ik vind het onderwerp, waarover de redenaar gesproken heeft, niet zeer belangwekkend. De justitie heeft het mes, waarmee de misdaad gepleegd is, in beslag genomen.
c. Zij kunnen door voegwoorden (dat, of, waar, loonncer, waarlangs, loen, tiddal, als, gelijk, alsof, tut, e.a.) aan den hoofdzin verbonden zijn en hebben dan de afhankelijke woordschikking.
Gisteren ontving ik de tijding, dat mijn broer door zijn examen gekomen is. Het bericht, dat onze troepen een schitterende, overwinning behaald hadden, verwekte overal de grootste geestdrift. De twijfel, of hij wel goed handelde, beving hem somwijlen. Wijs mij de plaats, waar ik gezaaid heb. Ik bewonder de Hollanders, zooals zij waren in de dagen, toen zij bij Haarlem, Alkmaar, Leiden voor hun onafhankelijkheid streden. Die man maakt soms op mij den indruk, alsof hij niet recht wijs is. In deze dagen, nu de Koninginnen haar jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad brengen, is hel op den Dam voller dan ooit. Fik zoekt geluk; maar talloos zijn de paden, waarlangs wij zoekend grafwaarts gaan. (Staring).
d. Zij kunnen de afhankelijke woordschikking hebben en beginnen met de vraagwoorden: wie, wat, welk, hoe, ivanneer, enz. Dergelijke zinnen staan los naast het bepaalde woord. (Verg. § 55, d).
De vraag, wie het buskruit uitgevonden heeft, kon die jongen niet eens beantwoorden. De vraag, waartoe ons korte leven dient, dringt zich als
I
42
onwillekeurig aan ons op. Gedurende de wittebroodsweken was zij meester geworden van hel geheim, hoe zij haar gezag tegenover dat van Ovens kon handhaven. (Potgieter).
§ 61. Een voorzetsel, gevolgd door een zin, doet soms den dienst van een bijvoegl. bijzin. Zulk een zin begint dan met wat, die, dat, wie, hete/een in de beteekonis van; deyeiie, die, dat, wat; Iwtyeen, dat. (Verg. § 55, c).
Zijn verontwaardiging over hetgeen gij zeidel, was geheel ongegrond. De oog en van die mij lief was hoven alles, zijn voor altijd gesloten. Zijn pochen op hetgeen zijn voorouders gedaan hebben, vind ik oiwitstaanbaar,
§ 62. Soms dient een bijvoegl. zin ter bepaling van een geheelen zin; de inhoud van dien zin wordt dan als een zelfstandigheid opgevat.
Die man beweert, dat ik hem met den verkoop van dat huis bedrogen heb, wat beslist onnaar is. Men beweert wel eens, dat II illein III de hand in den moord der de Witten heeft gehad, hetgeen echter door prof. Fmin op goede gronden weerlegd is geworden. Hel publiek bracht den kunstenaar een hartelijke, welgemeende ovatie; waarop deze met eenige goedgekozen woorden voor die hulde bedankte. Tn de dorpsherberg rustte de reiziger eenige oogenhlikken uit, gebruikte een glas bier en een broodje met kaas, waarna hij zijn tocht met frisschen moed voortzette.
Soms wordt in dit geval aan het begin van den bijvoegl. zin het zelfst. naamw. genoemd, waarin men den inhoud van den bepaalden zin wil samengevat hebben: Hildehrand liep met een gewiclitüj gezicht en groote stappen de kenner op en neer, tcelke beweging hij altijd aanneemt, als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. (Fam. Kegge; eenigszins gewijzigd).
§ 63. In plaats van; de man, die â naar men meende den moord gepleegd had, is weer op vrije voeten gesteld gebiuikt men wel eens den hoogst gebrekkig gebouwden zin; de man, die men meende, dat den moord gepleegd had, is weer op vr je voeten gesteld. Hoogst gebrekkig is deze zin gebouwd, daar het woordje die, dat in den derden zin moest staan, bij ongeluk in den tweeden verdwaald is geraakt (men meende, dat die den moord enz.) Moest men zulk een zin ontleden, dan zou men het aldus kunnen doen. de man is weer op vrije voeten gesteld â hoofdzin; die men meende, dat den moord gepleegd lunl â samengest. bijv. afh. zin bij man, van dezen samengest. zin is men meende weer de hoofdzin en die den )noord 'gepleegd had, lijdende voorwerpszin. In dezen laatsten
43
zin is die het onderwerp en vandaardat men moet schrijven:
die mm memclu en niet: dien moi meende.
Het piiard, (lal men verwacht, dut bij de wcdrrnnoi den cerstcii prijs zid. hchidrn, hihoort lt;iun den hertoy van Bitekhiffhani. Dat As ecu. man, wien ik geloof, dat (jij uw voih vertrouwen kunt schenken. I)lt; jonnen, dien men vermoedt, dat de dolle hond geheten heeft, h ter verpleging naar het institind-Pasteur ti' Parijs opgezonden geworden. Salueer mu tuide voor hater, die gij leeet, dat is uwe hoogachtende vriendin Sara Burgerhart.
Deze gewrongen constructies zijn navolgingen van Latijnsche modellen, 'fc Kan zijn, dat dergelijke zinnen heel fraai Latijn zijn; ze zijn echter heel leelijk Hollandsch en daarom doet men wèl, ze niet te gebruiken.
§ 64. Onder de bijvoegl. bijzinnen lette men voorts op die, welke den dienst doen van een bepaling van gesteldheid bij een woord uit den hoofdzin: Wie schetst onze eeitw, of zij slechts stofflijk leeft? (P.) De moeder ran 7 menschelijk (jeslacht verschijnt duur voor uw oog (d. i. Vondels oog), zooals haar de Albehoeder aan Adams zijde bracht. (Schaepman).
§ 65. Het woordje dat, aan het hoofd van een bijvoegl. zin staande, kan betrekkelijk voornw. of voegwoord zijn. (Vergel. 60. h en c).
't Is bet r. voornw., als het niet alleen een bijvoegl. zin aan een zelfs t. naamw. verbindt, maar ook de zelfstandigheid aanduidt, die door dat zelfst, naamw. benoemd wordt. Die aangeduide zelfstandigheid is dan onderwerp, bel an gli ebbend of lijdend voorwerp in den bijzin. Vb.: Hel meisje, dat (onderw.) daar stiad, is mijn zusje. Het paard, dat (belangh. voorw.) gij have r gegeven hebt, behoort aan mijn oom. Het bericht, dat (lijd. voorw.) ik zoo even ontving, schokte mij zeer.
't Is voegwoord, als het alleen een bijv. zin aan een zelfst. naamw. verbindt, zonder tevens de zelfstandigheid aan te duiden, die door dat zelfst. naamw. benoemd wordt. In dit geval is dat dan ook geen onderw., belangh. of lijdend voorw. in den bijzin. Vb.: De bewering, dat Prins Willem I de Hollanders tot opstand tegen Spanje aangehitst zou hebben, is van allen grond ontbloot. De voorspelling, dat wij vandaag sneeuw zouden krijgen, is niet uitgekomen. Gisteren ontving ik de tijding, dat mijn moeder plotseling overleden is.
Het betrekkei. voornw. dat verbindt alleen aan een onzij d ig zelfst. naamw. een bijv. afh. zin; is het zelfst. naamw. mannel. of vrouwelijk, dan gebruiken wij het voornw. die of een verbogen vorm daarvan. Wij zeggen b.v.: het bericht, dat ik zoo even ontving; maar: de tijding, die ik ontving. Het voegwoord d(d blijft daarentegen onveranderd dut, onverschillig of het een bijvoegl. zin aan een onzijdig, dan wel aan een
44
mannel. ot vrouwe), woord verbindt. Wij zeggen b.v. evenzeer: yhleren ontving ik de tijding, dat mijn. moeder overleden is; als; gisteren ontving ik het bericht, dat mijn moeder enz. Twijfelen wij dus in een bepaald geval, of dat een betr. voornw., dan wel een voegwoord is, dan zouden wij het onzijdige zelfst. naamw. vooreen oogenblik door een vrouwel. of mannel. van ongeveer gelijke beteekenis kunnen vervangen; verandert dat dan in die, dan is het een betr. voornw.; blijft het onveranderd dat, dan is het een voegwoord.
3. Biiwoordklijke Zinnen.
§ 66. Een b ij w o o r d e 1 ij k e zin is een zin, die den dienst doet van een bijwoordelijke bepaling. Zulk een zin bepaalt dus een woord, dat niet de naam of de aanduiding eener zelfstandigheid is. Zoo is in: die tium liep, alsof de Boose hem op de hielen zat de tweede zin een bijwoordelijke zin, omdat hij dient ter bepaling van het werkwoord liep. In: hier, waar de slachtoffers ran de ramp heyraren zijn, heeft men een (jedenkteeken opyericht is de zin, met waar beginnende, mede een bijwoordelijke zin, omdat hij dient ter bepaling van het bijwoord hier.
§ 67. De bijwoordel. zinnen worden naar de beteekenis verdeeld in: a. bijw. bijzinnen van plaats; b. van tijd; c. van oorzaak, reden of grond; d. van voorwaarde; e. van toegeving; f. van middel; y. van gevolg; // van doel; i. van vergel ij king; j. van hoedanigheid of graad; k. van beperking; l. van verhouding; m. van omstandigheid. De zinnen, die iets zeggen omtrent de betrekking, waarin de gedachte van den hoofdzin tot de werkelijkheid staat, rekent men gewoonlijk naar hun vorm tot de bijwoordelijke zinnen van vergelijking, beperking en verhouding. (Verg. § § 99; 102; 106). Zoo brengt men gewoonlijk ook vele zinnen, die den dienst doen van een bijw. bepaling van graad of hoedanigheid bij een woord uit den hoofdzin, tot de vergelijkende en gevolgaanduidende zinnen. (Verg. § § 99 en 93).
§ 68. De meeste bijw. bijzinnen worden door middel van voegwoorden aan den hoofdzin verbonden. Alleen voorwaardelijke, toegevende en beperkende bijzinnen kunnen los naast den hoofdzin staan.
Soms doet een voorzetsel, gevolgd door een zin, den dienst van een bijwoordelijke bepaling. Zulk een bijzin begint
45
dan met wat, wie, hctcjeen, die, dal in de beteekenis van: deyme, die; dat, icat; hetgeen, dat. Vb.: Hij kan onmogelijk toekomen met icat hij verdient, hoor hetgeen gij daar zegt, wordt de zaak ineens veel duidelijker. Na hetgeen er lussclien ons roer-gevallen is, kunnen wij elkander de broederhand niet meer toereiken.
Van de beteekenis van het voorzetsel hangt het in zulke zinnen af, of zij tot de eene of tot de andere groep van bijw. bijzinnen gebracht moeten worden. Zoo is in het laatste der door ons gegeven voorbeelden na hetgeen er tusschen ons voorgevallen is een bijw. bijzin van tijd bij den hoofdzin.
3 a. Bijwoordelijke bijzinnen van plaats.
§ 69. Deze bijzinnen kunnen door de voegwoorden waar, waarheen, vanwaar, werwaarts, totwaar aan den hoofdzin verbonden worden. Zij geven antwoord op één van de vragen: op welke plaats geschiedt de werking van den hoofdzin?; in welke richting geschiedt die?; tot welke plaats ge schiedt ze?
Waar eenu water droomde, ruischt nu dikwijls golvend graan. Gij kunt (/aan, waarheen (je, wilt. Be geduldige UJdere* is eindelijk bezweken; zij is gegaan, werwaarts wij haar eens hoptn te volgen. Wij sullen voortwandelen, totwaar die hooge boom slaat. Ho* dikwijls sloeg de vrouw niet vol hoop de blikken daarhenen, vanwaar zij alken idtkomxt verwachtte.
% 70. Men lette er op, dat de woorden: ivaar, waarheen, enz. ook aan het hoofd kunnen staan van onderwerps-, gezegde- of voorwerpszinnen en van toegevende bijzinnen. In: ik weet niet, waar hij zich ophoudt is de bijzin b.v. een lijdende voorwerpszin; in: waar hij zich ophoude, ik zal zijn schuilplaats weten uit te vorschen is de bijzin een toegevende zin. Dat in: ik iveet niet, waar hij zich ophoudt de bijzin inderdaad geen bijw. bijzin van plaats is, wordt duidelijk, als men bedenkt, dat die bijzin volstrekt niet vermeldt, op welke plaats of in welke richting de werking van den hoofdzin geschiedt. De zin: waar hij zich ophoudt is niet het antwoord op de vraag: op welke plaats weet ik niet?; maar hij geeft antwoord op de vraag: wat weet ik niet? en is daarom geen bijwoordelijke bijzin van plaats, maar een lijdende voorwerpszin.
8 h. Buwoordelijke bijzinnen van tijd.
§ 71. Deze bijzinnen kunnen aan den hoofdzin verbonden worden door de voegwoorden: als, ivanneer, toen, tenvijl, nu, aleer,
46
voor en aleer (dit is een voegwoordelijke ,uitdl'u^ing); quot; tot (dat), eer [dat), voor (dut), alvorens (dat), sinds (dat) sedert (dat), zoolang (als), zoodra (als), zooras (als), zoo vaak (als),
In plaats van wanneer gebruiken dichters soms
Hoogduitsch ontleende rven.
â¢sUchtends, als M haanljm kraayt, gaat Lucrllc hloempm plutk⢠(J Luvken) hrt oogmhUk van schei,lm aangrhrokm is, voelen mj enst
hrm'ht vervolgt het dier (nl. de kameel) ie vrede z.jn (da Cost.). A1jL' de koningin de hoofdstad verliet, gaf zij een geschenk aan d
tnnm Zoodra ik kan, kom ik terug. Ik laat u niet naar huis gaan voor uw werk af hebt. Ik zal hij den zieke blijven u-aken, tot d, 'n â« ⢠'r fermkomt. Wij sullen hier, zoolang als het regent, blijven schuilen.
Zoo ras ik hem in het oog kreeg, riep ik hem toe, dat hij moest blijven staan.
quot; s 72 Een zin, die met het voegw. toen begint, vermeldt één feit uit het verledene; een zin, beginnende met als of wanneer, vermeldt meestal een feit, dat hetzij in 't tegenwoordige, hetzij m t veiledene ^rhaaldelijk is geschied. Vergel. bv.: Toen de cjramn m het dorp was rustte zij in de dorpsherberg even mt met: Als (wanneei ) de ararin in het dorp was, rustte zij in de dorpsherberg eten iuL Een enkelen keer zien als en wemmer bij wijze van uitzondeni ^ on één enkel feit uit 't tegenw. of verledene en staan dan heteekenis gelijk met toen : Ik was - wachtens moe - jwst lt;an
TilTL, z imm, «'⢠(=quot;«') â «quot;quot;quot; **gt;amp; **-* o,'T!:
Wel'dekten eens verwarrende onheilswolken de ster van moedei i
Zn « (S van M» en iBmael), â' * *** *
schroeiende eenzaamheid het leren in de borst des jongelmgs gmg
doren, (da Costa).
r 7^ Het voegw. van plaats waar neemt in sommige zinnen
de\eteekenis aan van het voegw. van tijd wanneer: Die of finer
bleef kalm, ook waar (= wanneer) de grootste gaaien hnn
TdreZen Wie meet den heirstroom der gedachten, die langs de
blikken vaart des dichters, waar hij peinst m slapelooze nachten
^f ronddoolt over de aard. (Vondel, Schaepman). Hij zwijgt, waar
^' üfvrlag'rijs!! boe is het mogelijk, dat waar de beteekenis v.m wan-
^ He^ wegw6 waar drukt als voegw. van plaats dikwijls uit, dat de
wefktgen van hoofd- en bijzin op dezelfde plaats geschieden. Wan-werkmge ^ vaü den hoofd. en dat van den bijzin beide inden
onvolt tegenw. of onvolt. verleden tijd staan, geschieden die werkingen ook in denzelfden tijd. En juist omdat die werkingen op dezelfde
47
plaats gelijktijdig plaatsgrijpen, daarom springt het zoo duidelijk in het oog, dat ze ook gelijktijdig geschieden; zoo duidelijk, dat waar als onwillekeurig in dit geval de beteekenis van terwijl, toni of wanneer aanneemt. Waar drukte dus eersteen gelijkheid van plaats uit; daarna een gelijkheid van tijd; nog later nam het de ruimere beteekenis van wanneer aan.
Om eenzelfde reden kan ook het bijwoord van plaats 'laar soms de beteekenis van toen of terwijl krijgen: Hij (nl. Teun de Jager) had hem (nl. Dirk Joosten) eens betrapt, daar (= toen) hij in den laten avond bezig was, strikken voor hazen te zetten (Hildebrand). En nu, daar (â terwijl) hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen en het hoofd van Zijtje verschijnt tiisschen de zonnige, schuimige rimpels van de Noordzee (als voren).
§ 74. Soms wordt het redengevend voegw. wijl als tijdbepalend voegw. in de beteekenis van terwijl gebezigd: De brave zwoer 't en rent van daar, wijl 't nuchter veld noy dauwt.
3 c. Redengevende bijzinnen.
§ 75. Redengevende bijzinnen drukken de oorzaak, de reden of den grond uit van het feit, in den hoofdzin vermeld. Ze worden aan den hoofdzin verbonden door de voegwoorden: doordat, doordien, omdat, daar, dewijl, wijl, aangezien, vermits, nademaal, naardien, nu, uithoofde dat. De meeste dezer voegwoorden leiden niet uitsluitend of een oorzaak, öf een grond, of een reden in; maar kunnen meer dan één schakeering van het oorzakelijk zinsverband uitdrukken.
Doordien en doordat geven uitsluitend een oorzaak te kennen. Het touw brak. doordien het gewicht, dat er aan hing, te zwaar ivas. Het paard sloeg op hol, doordat een straatjongen plotseling een schel gefluit liet hooren.
Omdat en daar zijn tegenwoordig de redengevende voegw. bij uitnemendheid: ze worden 't meest gebruikt en kunnen zoowel een oorzaak of reden als een grond inleiden. Daar (omdat) het gewicht, dat er aan hing, te zivaar was, brak het touw. Omdat (daar) het koud is, blijf ik thuis. Daar (omdat) de hoeken van dien driehoek gelijk zijn, zijn de zijden ook gelijk.
Dewijl en wijl geven gewoonlijk een grond (motief) of een reden te kennen. Ik zal naar uiv oom gaan, dewijl gij het zoo verlangt, ofschoon ik er anders weinig zin in heb. leder benijdt Jan Coupon, wijl hij de vruchten eet der vlijt van landbouw en van handel (naar Potgieter).
48
Aangezien staat gewoonlijk aan het hoofd van een giond. Vee/' de Groot icas echter niet op zijn gemak, aangezien Azoi en Mimi het hem verbazend lastig maakten (quot;naar Hüdebran ).
Vermits overmits, nademaal en naardien leiden gewoonlijk een o-rond (motief) in. Ze worden weinig meer gebruikt en zijn bezig archaïsmen (verouderde woorden) te worden hopman
is gevangen gezet, overmits hij zich aan bedriegeJgke bankb euk had schuldig gemaakt. Nademaal gij zulk ren diep berouw toont -nlleu wij voor dezen keer uwen misslag mei den mantel dn lie di bedekken. De officier nel de njandelijke benhng aan, nam dien
de (lewraal hem zulks bevolen had. _
Wanneer het feit, dat de oorzaak is van hetgeen m den hoofdzin vermeld is, pas is geschied, kan het voegwoord nu zee geschikt den redengevenden zin inleiden. Xu gij mij ems bedrogen
hebt vertrouw ik u ook nooit meer.
Uithoofde dat klinkt naar het algemeen gevoelen zeer ouderwets, zeer deftig en zeer leelijk; 't wordt dan ook wemig gebruikt Die man is als diaken van de Nederdintsch Hervormde Kerk ontslagen, uithoofde dat hij zich aan onzedelijken levenswandel heelt
schuldig gemaakt.
s 76 Het woordje dat treedt soms als redengevend voegw. op- 't beteekent dan omdat. Thans kleurt genoegen zijn gelaat, dat {â omdat) Julia hem blijkbaar gade slaat. (Staring).
In: Wal zeide die man tegen u, dat ge hem zoo boos '
bevat de tweede zin den grond voor de vraag, m den hoofd uitgedrukt, immers, ^ lt;je hem zo. aankeekt is voor mx een beweeggrond om u te vragen: Wat zeide die man tegen n^oo is ook in: Gij, Zwijger! en gij, Zeven Landen! W ie waait ge dc ge vrijheid vroegf! (P.) de laatste zin (dat ge vrijheid vioegt) de
grond voor de vraag: Wie waart ge?
s 77 Een naamwoord, gevolgd door een vergelijkenden bijzin heeft soms de beteekenis van een r ed enge vend eiy.m;
Werkzaam, als hij toas, ver/heide hij de
werkzaam was, enz.) Dirk, die zijne mama begeleidde,
toas op de opmerkzaamheid, die een zeeofficier nog te onzent
trekt. (P.) Vereerder van de Oranjes, als Hooft was, droeg hij ztj
Ked. Historiën aan Frederik Hendrik op.
Deze constructies kunnen echter ook den dienst van andere soorten van zinnen doen. Onvolledig als deze verzameling m menig opzicht heeten mag, is de indruk, dien zij maakt, echter volkomenjmst (z= Ofschoon en niet: daar deze verzameling enz.; Rijksmuseum,
49
Potgieter). Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch oog en voor het windje, dat door de elzentakken suizelt. (Zij, die een mooi meisje is, heeft enz.. Potgieter).
3 d. Voorwaardelijke bijzinnen.
§ 78. In: Daar gij op den tucht gestaan hebt, sijt gij verkouden geworden, bevat de bijzin de oorzaak van datgene, wat in den hoofdzin vermeld wordt.
/eg ik daarentegen: Als gij op den tocht gestaan licht, wordt gij verkouden, dan bevat de bijzin een feit, dat â zoo het werkelijkheid mocht zijn â de oorzaak zal wezen van hetgeen in den hoofdzin vermeld is. Men drukt dit gewoonlijk kortweg uit, door te zeggen, dat de bijzin hier een mogelijke oorzaak bevat.
In. Als het van avond sneeuwt, blijf ik thuis, bevat de bijzin een feit, dat zoo het werkelijkheid mocht worden âvoor mij een reden zal zijn, om te doen, wat in den hoofdzin staat. Of kortweg: de bijzin bevat hier een mogelijke reden.
In: Als uw vriend gisteravond nog in de Kalverstraat gewandeld heeft, kan hij nu niet reeds in Berlijn zijn, bevat de bijzin een feit, dat zoo het werkelijkheid is â recht geeft tot de gevolgtrekking, in den hoofdzin vermeld. Of kortweg: d© bijzin bevat een mogelijken grond.
Welnu, een bijzin, die een mogelijke oorzaak, een mogelijke reden of een mogelijken grond inhoudt, heet een voorwaardelijke bijzin. De bijzinnen in de zoo even gegeven voorbeelden zijn dus v o o r w a a r d e 1 ij k e bijzinnen. Een zin, die een mogelijken grond inhoudt, noemt men ook wel een ver on derstellenden zin. In het laatste der gegeven voorbeelden hadden wij te doen met een veronderstellen den zin
Het begrip voorwaarde is derhalve een samengesteld begrip: 't bestaat uit een innige samensmelting van het begrip mogeijkheid en één van de begrippen: oorzaak, reden of grond.
§ i9. De voegwoorden, die het voorwaardelijk zinsverband uitdrukken, zijn: als, zoo, indien, wanneer, ingeval, tenzij, tenware, mits, bijaldien.
Ah hei koud is, zullen wij onze winterjas aantrekken. Ingeval ge verhinderd zijl, mod (je mij tijdig bericht zenden. Ge kunt nlaijen, mits ge ijverig werkt. Een ooj log tusschen Frankrijk en Duitschland schijn t oj/ den duur onvrntijdelijk,
50
tenware het DM. Rijk vrijmlKo afstand deed var, Ehm m
Bijaldien de boot al vertrokken h, zullen unj onze rm te to, I laoiUlln,.
Wij gaan te voel, tenzij het rei/ent.
8 80 Ook de deelwoorden; gesteld, ondersteld, aangenomen, verondersteld, gevolgd door dat, nemen tegenwoordig meoreü meer het karakter van voorwaardelijke voegwoorden aa .
Aangenomen dat (= Zoo) de hoeken van den driehoek gelijk .yn, dan zijn ook de zijden gelijk. Verondersteld dat (- Zoo) uw oom kinderloos stierf, dan zoudt ge een rijk man zijn.
s 81 Sommige voorwaardel. bijzinnen staan los naast den hoofdzin: geen voegwoord verbindt do beide zinnen en drukt er de betrekking tuaschen uit. Dergelijke zinnen hebben of de vrageU woordschikking, Of liet werkwoord er .an stot in de aanvoegende of gebiedende wijs. ^ (/ekoiid wcnm u dan bij de kachel. Men beproeve het, dan zal blijken, dat het mogelijk is. Haast u, dan kunt ge nog op tijd op school zijn.
Hoe kunnen nu dergelijke zinnen de beteeken» van voorwaardelijke bijzinnen aangenomen hebben? Omdat zij althans een der samenstellende deelen (zie § 78) van het begrip voorwaarde uitdrukken. Als ik toch iets wensch of gebied, dan is het mogelijk, dat dit werkelijkheid worde, maar zeker is het met, evenzoo; als ik vraag, of iemand een werking verricht heeft dan is het mogelijk, dat hij die verricht hebbe; 2eker is het alweer niet. De inhoud van bedoelde zinnen komt dus mogelijk, niet stellig met de werkelijkheid overeen en zoo drukken ze een der samenstellende elementen van het begrip voorwaarde uit, tw het begrip mogelijkheid. Dat de inhoud van den bijzin nu ook de oorzaak, de reden of de grond is van hetgeen m den hoofdzin vermeld wordt, dat wordt niet door eemg woord of door eenigen vorm te kennen gegeven; dit moet de hooidei of lezer maar uit de onderlinge beteekenis der beide zinnen opmaken.
s 82. De hoofdzin van een voorwaardel. bijzin wordt dikwijls weggelaten; door den opgewekten gemoedstoestand, waarin de spreker verkeert, gunt hij zich dan geen tijd, om dien uit te drukken Vb Als hij eens niet kwam! Zoo de onderneming eens mislukte! Als wij eens den eersten prijs wonnen! By dezen laatsten zin had de hoofdzin b.v. kunnen wezen: hoe gelukkig
zouden wij zijn, als wij eens enz. ,. j â ,
§ 83. Een voorwaardel. bijzin is dikwijls onvolledig;
51
ontbrekende deelen kunnen dan geheel of ten deele uit den hoofdzin ingevuld worden. Zoo iemand, dan kan hij u de noodige inlichtingen geren. Zoo ooit, dan moet nu de kans gewaagd!
§ 84. Het woordje of was vroeger het meest gebruikte voor-waardel. voegw.; thans is het als zoodanig nagenoeg verouderd, t Wordt tegenwoordig als zoodanig nog slechts een enkelen keer in verheven dichterlijke taal gebezigd: Of {= indien) ge potlood en papier ter hand hadt, ik schetste u, hoe Jan uit vrijen ging. (Potg.)
Bovendien wordt het nog in enkele vaste constructies gebezigd, waarin het echter door de overgroote meerderheid van het Nederlandsche volk niet meer als voorwaardel. voegw. gevoeld wordt: Of ge toch heter uiv best gedaan hadt! Of hij zijn dwaling toch inzage!
Dit zijn niets anders dan voorw. bijzinnen, waarvan de hoofdzin weggelaten is. (Verg. § 82). Bij dezen laatsten zin had de hoofdzin b.v. kunnen zijn: Hoe gelukkig zou het zijn, of(â indien) hij zijn dwaling toch inzage!
3. e. Toegevende bijzinnen.
§ 85. Bij dit zinsverband is de hoofdzin in strijd met een gevolgtrekking, die men allicht uit den bijzin zou afleiden: Ofschoon die man oud is, is hij nog vlag ter heen.
De inhoud van den bijzin wordt erkend of toegegeven.
Wij erkennen een gedachte, wanneer zij volgens onze overtuiging overeenkomt met de werkelijkheid; men geeft haar toe, wanneer men er zich voor een oogenblik niet tegen verzetten wil, dat zo als waar aangenomen worde. Zoo wordt bv. in: Ofschoon die winkelier goede waar tegen logen prijs verkoopt, heeft hij toch weinig te doen, de inhoud van den bijzin als waar erkend, 't Is een teit, dat die koopman goede waar verkoopt; niettemin is het ook waar, dat hij weinig te doen heeft.
In: Hoe eerlijk uw hroer dan ook zij, mij heeft hij leelijk bedrogen wordt de inhoud van den bijzin echter toegegeven. De spreker wil voor een oogenblik aannemen, dat uw broer heel eerlijk is; een feit is het nochtans, dat hij mij bedrogen heeft.
§ 86. Gelijk wij vroeger gezien hebben, is een beperkend tegenstellende zin ook in strijd met hetgeen men op grond van den daarbij behoorenden hoofdzin billijkerwijze zou mogen verwachten. De toegevende hoofdzin staat dus in dezelfde verhouding tot zijn bijzin, als de beperkend tegenst. zin tot den
52
daarbij behoorenden hoofdzin. Vandanrdat men in den toegevenden hoofdzin vaak dezelfde voeg woord el. bijwoorden (echter, toch, niettemin, enz.) gebruikt, die het beperkend tegenst. zinsverband uitdrukken. Hoewel ik het hem verboden heb, heeft hij het toch gedaan. Hoeseer hij zelf inziet, dat hij ongelijk heeft, wil hij het toch niet erkennen.
§ 87. Een toegevende bijzin kan in de eerste plaats door de voegwoorden ; ofschoon, of, schoon, al, hoewel, alhoewel, ondanks dat, niettegenstaande (dat), inweerwil dat aan den hoofdzin verbonden worden en heeft dan de ondergeschikte woordschikking. Met uitzondering van die, welke met al beginnen, woidt de inhoud van dergelijke bijzinnen gewoonlijk erkend en het werkwoord staat dan ook meestal in de aantoonende wijs.
Niettegenslaandc hij vele wederwaardigheden ondervonden heeft, is hij tevreden en opgeruimd g,'hieven. Inweerwil dat zijn vader mistig ongesteld is, is hij toch op reis gegaan.
Zie, om haar hleeken mond schijnt nog een lach te zweven,
Schoon 'I laatste: âgoeden nacht!quot; ons van die lippen klonk;
Het viel der vrome ligt te scheiden uit dit leven,
Of ook maar zeslienmacd de lente voor haar blonk.
(Emma, Potgieter.)
§ 88. In de tweede plaats kan een toegevende bijzin los naast den hoofdzin staan en de woordschikking van den h o o f d z i n hebben. De bijzin heeft dan de woordschikking van den vragend en hoofdzin, of wel het werkw. er van staat in do aanvoegende of gebiedende wijs. Dergelijke zinnen bevatten gewoonlijk een zuivere toegeving.
Zij 't officieel gewaad ook nog zoo eél van snee, den Christen kent men eerst in 't huislijk négligé (de Géiiestet). Ons volk moge klein zijn, hel heeft niettemin een belangrijke rol in de wereldgeschiedenis gespeeld. Werk maar, zwoeg maav, het haat u toch niet.
Dergelijke zinnen konden de beteekenis van toegevende bijzinnen aannemen, omdat hun inhoud mogelijk is (Verg. §81) en men gewoonlijk alleen datgene toegeeft, wat volgens onze meening althans mogelijk is.
Daarom kunnen ook zinnen, die met gesteld dat, aangenomen dat beginnen, de beteekenis van een t o e ge v e n d e n bijzin hebben . Gesteld dat gij gelijk hadt, dan hadt ge nog op zulk een toon niet tegen uw vader mogen spreken. (= Al hadt ge gelijk, don hadt gc
53
enz.) Aanyenomtn dat mo inkomen tc klein was, om in uw behoeften te voorzien, dan hadt ge nog niet mogen stelen. (~ Al was uw inkomen te klein, enz.) Verge], § 80.
§ 89. In de derde plaats kan een toegevende bijzin los naast den hoofdzin staan en de ondergeschikte woordschikking hebben. Zulk een zin vangt aan met een woord met een onbepaalde beteekenis.
Wat hij ook vcrtcllc, yi'toof hem uit t. Wie (jf ook zijt, wees, die ge zijt. JVaciv ook de buurt om vouw* of treur1, nv l om een wees, ter hoor geheven. Hoe geleerd hij zij, een man van karakter is hij niet. Wanneer mijn vriend ook bij mij gekomen zij, steeds helt ik hem vriendelijk ontvangen.
Dergelijke zinnen bevatten meestal een zuivere toegeving en hun werkw. staat dan ook gewoonlijk in de aanvoegende wijs. In: wanneer mijn vriend ook hij mij gekomen zij, steeds heb ik hem hartelijk ontvangen, neemt men voor een oogenblik aan, dat die vriend zeer veel keeren en op zeer ongelegen tijden bij mij gekomen is; het blijft niettemin waar, dat ik hom steeds hartelijk ontvangen heb. Men begint dien zin met opzet met een woord met een onbepaalde beteekenis (wanneer), omdat de spreker het geheel aan de verbeeldingskracht van den hoorder wil overlaten, te bepalen, welk een groot aantal keeren en op hoe ongelegen tijden die vriend bij mij gekomen is, opdat daartegen des te sterker uitkome de inhoud van den hoofdzin: steeds heb ik hem hartelijk ontvangen. De toegevende bijzin is in dit geval dus niet veel anders dan een oratorisch middel, om den inhoud van den bijzin des te beter te doen uitkomen.
§ 90. Het toegevend voegwoord ai onderscheidt zich in drieërlei opzicht van de andere toegevende voegwoorden.
In de eerste plaats, omdat eeu toegevende bijzin, door al aan den hoofdzin verbonden, niet de ondergeschikte woordschikking, maar die van den vragen den hoofdzin heeft: Een tooneelspeler moet vaak in een eomische rol optreden, al bloedt hem het harte ivegens huiselijk leed.
In de tweede plaats, omdat het voegwoord al ook in het midden van den bijzin kan staan : Heeft hij mij al niet bepaald onbeleefd behandeld, zeer vriendelijk rvas di ontvangst toch ook niet. Velen meenen, dat eeu voegwoord altijd aan het hoofd van den bijzin moet staan; dit is een dwaling; ee-n voegw. kan zeer goed in het midden van eeu zin voorkomen. Bij het nevenschikkend zinsverband behooren b.v. immers, toch, namelijk tot dergelijke voegwoorden; bij het onderschikkend zinsverband is al er eeu voorbeeld van (zie vooral § 207).
54
In de derde plaats, omdat een toegevende bijzin, met al beginnende, gewoonlijk niet een erkenning van de werkelijkheid, maar een toegeving bevat: Al ware hij zoo rijk als Croesus, hij zou u toch geen cent geven. (Verg. % 87).
3. f. Bijzinnen van middel.
§ 91. Een bijzin van middel vermeldt een feit, dat aangewend wordt, om de werking van den hoofdzin te verrichten. Zulk een zin wordt aan den hoofdzin verbonden door de voegw. doordat en doordien. Du dieven zijn het huis hinnoigedrongèn, doordat zij een ruit stukgestooten hebben. De hoofdcondneteur gaf hel teeken tot vertrek, doordien hij een schel gefluit deed. hooren.
Er zijn betrekkelijk weinig bijzinnen van middel. Dit komt, omdat een middel gewoonlijk een zelfstandigheid is, die dan in den e n k e 1 v o u d i g e n zin als bepaling van middel vermeld wordt. (Verg. hij schrijft met een pen).
3. g. Gevolgaanduidende bijzinnen.
§ 92. Een gevolgaanduidende bijzin vermeldt een gevolg van, of een gevolgtrekking uit den hoofdzin. Dit gevolg vloeit als 't ware vanzelf uit de werking van den hoofdzin voort en is niet opzettelijk uitgelokt, 't Zinsverband wordt uitgedrukt door: zoodat, ivaardoor, vandaar dat, waarom en 'weshalve.
Uw broeder heeft voor een open raam gezeten, zoodat hij een kou gevat heeft. Ik dacht aan wat anders, vandaar dat ik u niet goed verstaan heb. Onze troepen hadden ia achtereenvolgende gevechten zware verliezen geleden, weshalve de generaal de krijgsoperaties voorloopig staakte.
§ 93. Uit de gevolgen, die als vanzelf uit een werking voortvloeien, kan men zich vaak een denkbeeld vormen omtrent do hoedanigheden van die werking. Vandaardat vele gevolgaanduidende zinnen een hoedanigheid of den graad te kennen geven van de werking zelf of van een kenmerk van die werking Zulke gevolgaand. bijzinnen worden door dat aan den hoofdzin verbonden en dikwijls in den hoofdzin aangekondigd door; zoo, zooveel, zulk, zoodanig, of een woord met dergelijke beteekenis.
Die bedelaar is zoo arm, dat hij in geen dar/en eenig voedsel heeft kunnen koopen. Hij heeft zooveel geld van een overleden neef geërfd, dat hij nu een vermogend man is. Het vriest, dat het kraakt. Zij lachte, dat zij schaterde.
00
§ 94. Sointnige van dergelijke gevolgaand. zinnen worden door dandat aan den hoofdzin verbonden. Hij ims te zeer in zijn werk verdiept, dandat hij zou hebben (jehoord, ivat wij te samen besproken hebben. Poot was als jongsleen te ivaarachtig pocet, date dat ook toon- en teekenkunst hem niet souden hebben aangelokt. (P.i
3. il. DOELAANWIJZENDE BIJZINNEN.
§95. Een doelaan wij zende bijzin vermeldt datgene, wat men met de werking van den hoofdzin tracht te bereiken, 't Zinsverband wordt uitgedrukt door opdat, ten einde (dat). Die
man is zuinig, opdat hij op zijn ouden dag geen gebrek behoeft te lijden. Zeg, ivat ge tegen mij hebt, ten einde ik mij kunne verdedigen.
§ 96. Soms drukt dat alleen al dit zinsverband uit. Wij
schoven wat dichter bij den spreker, dat wij te beter konden fiooren. Ga wat op zij, dat dit jongetje heter kan zien.
3. i. Vergelijkende bijzinnen.
§ 97. Ver ge 1 ij k ende bijzinnen worden door: als, evenals, zooals, gelijk, alsof, of, dan, evenmin als aan den hoofdzin verbonden. Evenals zijn broeder, is ook hij zeer jong gestorven.
§08. De zin: uw zuster ziet er uit, alsof zij pan twintig jaar is beteekent: uw zuster komt in uiterlijk geheel eu al overeen met een meisje van twintig jaar, terwijl zij toch geen twintig jaar is. Zoo beteekent de zin: wij hoorden een geluid, alsof het in dr verte donderde: wij hoorden een geluid, geheel en al gelijk aan het gerommel van den donder in de verte, terwijl het toch inderdaad niet donderde. Men omschrijft de beteekeuis van alsof gewoonlijk kort â maar minder juist âdoor te zeggen, dat hot een schijnbare overeenkomst te kennen geeft. Minder juist, want gelijk uit de gegeven voorbeelden blijkt, is de overeenkomst niet schijnbaar, maar volkomen {uw zuster heeft volkomen het uiterlijk van een meisje van twintig jaar); het feit echter, dat op alsof volgt, is met de werkelijkheid in strijd; dat is slechts schijnbaar waar {uw zuster is geen twintig jaar; dit schijnt slechts zoo). Alsof geeft dus een volkomen g e 1 ij k h e i d te kennen ; maar met een feit, dat slechts schijnbaar waar is.
§ 99. De vergelijkende bijzinnen kannen naar de beteekenis in de volgende drie groepen verdeeld worden;
a. in zulke vergelijkende zinnen, die louter een vergelijking uitdrukken. Zulke zinnen geven dan e-an gelij kheid of overee n-
56
komst, een ongelijkheid of een zoogenaamde schijnbare overeenkomst te kennen. Gelijk zoovelen voor hem gedaan hebben, heeft ook hij het erfdeel zijns vaders verkwist. Hij is sterker, dan zijn broer. Hij knikte, alsof hij ons gelijk gaf.
b. in zulke vergelijkende bijzinnen, die meer het karakter van een bijzin van graad, hoedanigheid of hoeveelheid aangenomen hebben. De vergelijkende bijzinnen konden zoo gemakkelijk die beteekenis krijgen, daar men juist vaak een vergelijking bezigt, om den aard of de hoeveelheid van een werking of van iets anders nader toe te lichten. Zooals de ouden zingen, piepen de jongen (de bijzin geeft hier antwoord op dc vraag: hoe piepen de jongen?) Hij schreeuwde, alsof hij vermoord werd (de bijzin zegt hier, hoe hij schreeuwde).
c. in zulke vergelijkende bijzinnen, die meer het karakter van bijzinnen van modaliteit aangenomen hebben. Gelijk de couranten rneedeelen, is de Koning reeds overleden. Hij is ziek, zoo 't schijnt.
S 100. Vergelijkende bijzinnen komen dikwijlsin onvolledigen vorm voor; de ontbrekende deelen kunnen dan gewoonlijk gemakkelijk uit den hoofdzin ingevuld worden. Hij is grooter, dan zijn broer. Ik â evenmin als mijn vader â â heb iets van die praatjes geloofd.
Men verwarre deze onvoll. vergel. bijzinnen niet met de b ij w o o r d e 1 ij k e en b ij v o e g 1 ij k e bepalingen van v e r-gelij king in den enkel voudigen zin. Hij slaapt als een roos. Hij is een man als een boom. Gij hebt mij meer dan hartelijk ontvangen. Geen ander dan hij heeft het gedaan. Dergelijke zinnen zijn voor ons taalgevoel enkelvoudige en geen samengestelde zinnen. (Verg. vooral § 20 en § 21, l).
3. j. Zinnen van hoedanigheid, graad of hoeveelheid.
§ 101. Tot deze zinnen behooren naar de beteekenis:
a. die gevolgaanduidende zinnen, welke in §§ 93 en 94 behandeld zijn.
b. die vergelijkende zinnen, waarover in § 99 (amp;) gesproken is.
c. zinnen als: hij liep, wat hij kon; hij schreeuwde, wat hij kon, maar niemand hoorde hem.
Of
3. k. Bijzinnen van beperking.
§ 102. Dergelijke bijzinnen geven een uitzondering of een voorbehoud te kennen, 't Zinsverband wordt uitgedrukt door: behu/ve dat, uitgezonderd dat, uitgenomen dat, voorzooverre, inzoorerre, loorsooveel. Hi) zeide niets, behalve dat hij mij niet verwacht had. Voorzooverre ik het boek gelezen heb, is het zeer belangwekkend. Voorzooveel mij bekend is, is uw broeder niet op de jiartij geiceest. ] oorzoover ik iceet, is die man reeds sedert jaren dood.
Gelijk uit deze zinnen blijkt, nemen de beperkende zinnen, die een voorbehoud uitdrukken, soms de beteekenis van een bijzin van modaliteit aan. Zie b.v. het derde en het vierde der door ons gegeven voorbeelden.
§ 103. Pot de beperkende zinnen rekent men voorts die, welke beginnen met: wat mij betreft, wat mij aangaat, e. d. Wat mij betreft, ik geef u gelijk. Mat hem aangaat, hij is een eerlijk man.
Dergelijke bijzinnen staan los naast den hoofdzin en beginnen met het onbepaalde voornaamwoord wat.
§104. Wij hebben vroeger gezien, dat veel onvolledige vergelijkende bijzinnen voor ons taalgevoel zijn overgegaan in bijvoegl. en bijwoordel. bepalingen van vergelijking. (Zie § 20 en § 21. I). Zoo nemen ook tal van onvolledige bijzinnen van beperking meer en meer het karakter van bijvoegl. en bijwoordel. bepalingen van beperking aan.
Als enkelvoudige zinnen beschouwe men: Allen, behalve nw neef, waren tegen het voorstel (behalve uw neef = bijv. bep. van beperking bij allen; behalve is hier dus voorzetsel geworden en neef zou derhalve in den vierden naamval moeten staan ; evenals de bepalingen van vergelijking krijgen echter ook de bijvoegl. bepal. van beperking gewoonlijk den naamval van het bepaalde woord). Hij stond met al zijn familieleden, uitgezonderd zijn moeder, op eenigszins gespannen voet. Hij heeft, behalve een vast salaris, nog eenige emolumenten.
Pen zeerste verdient het woord allesbehalve onze aandacht. Die man is allesbehalve eerlijk. Hij heeft zich in deze zaak allesbehalve netjes gedragen. Oorspronkelijk zal een zin als de eerste wel be-tcekcnd hebben: die man is alles, behalve dat hij eerlijk is. Langzamerhand is echter allesbehalve voor ons eene samenstelling geworden, beteekenende: in 7 geheel niet of volstrekt niet. In den eersten zin is allesbehalve eerlijk mijns inziens dan
58
ook het naamwoordelijk deel van het gezegde; en in den tweeden zin is allesbehalve netjes niets anders dan een bij woord el. bepaling van hoedanigheid bij heeft gehandeld.
3.1. Verhoudingszinnen.
§ 105. Dergelijke zinnen worden aan den hoofdzin verbonden door: naargelang [dat), naarmate (dat), (al) naar (dat)', of wel de voegwoordelijke uitdrukkingen: hoe-hoe; hoe-deste; hoe-te ver-binden hoofd- en bijzin aan elkaar.
Naarmate de mensch ouder wordt, waardeert hij meer, hetgeen zijne oudeis voor hem gedaan hebben. Onkruid en tanve schijnen in die harten (ul. van Anne en Doortje) opgewassen, naar de bodem ze voortbragt; de hand eens hovctiiers bespeure ik niet [De Zusters, Potgieter). Hoe bedaarder de zide zich houdt, des te eerder z(d zij genezen.
Pluk rozen naar uw lust, en laa' het boompje snoeien :
Hoe. meer ge snoeit en plukt, te milder zal het groeien. [Beets.)
Zooals men ziet, neemt bij dit zinsverband de werking van den hoofdzin in dezelfde mate toe of af, als die van den bijzin
§ 106. Sommige verhoudingszinnen nemen de beteekenis van een bijzin van modaliteit aan. Ze drukken dan de verhouding uit, waarin de gedachte van den hoofdzin tot de werkelijkheid staat. Naar men zegt, is er ven spoorwegongeluk bij Haarlem gebeurd. Naar men wil, zal de keizer van Duilschland een bezoek aan ons land brengen
3. m. Bijzinnen van modaliteit.
§ 107. Over deze zinnen is reeds gehandeld bij de vergel ij kende zinnen (zie §99, c); bij de beperkende zinnen (zie §102) en bij de verhoudingszinnen (zie § 106).
3. n. Bijzinnen van omstandigheid.
§ 108. Alle bijzinnen, die niet tot een van de voorgaande groepen van bijzinnen gebracht kunnen worden, zijn bijzinnen van omstandigheid. Ze worden aan den hoofd^in verbonden door; terwijl, ivaar, in plaats dat, zonderdat (= terwijl niet).
Hij nam beleefd zijn hoed af, terwijl zij mij vriendelijk toeknikte. Zijn haren waren vergrijsd, terwijl zijn rug door ouderdom gekromd was. 1 Vaar het publiek hem zoo weinig steunde, moest de uitgever de uitgave van dat werk wel staken (de bijzin geeft hier antwoord op de vraag: onder welke omstandigheden moest de uitgave wel gestaakt worden?). Ik liep hem voorhij, zonderdat hij mij zag (â terwijl hij mij niet zag). In plaats dal hij mij hielp, werkte hij mij juist zooveel mogelijk tegen.
59
4. Hoe sommige voegwookdeït aan hon tegenwoordige
kracht zijn gekomen.
In de vorige bladzijden hebben wij onder meer een vrij volledig overzicht trachten te geven van de voegwoorden, die een zeker zinsverband kunnen uitdrukken. Van den candidaat-hoofdonder-wijzer eischt men echter niet alleen, dat hij wete, welke voegwoorden een bepaalde betrekking tusschen twee zinnen kunnen uitdrukken; maar ook, dat hij kan uitleggen, waarom zij dit hebben kunnen gaan doen, voorzooverre die kennis althans zonder al te veel etymologischen omhaal te verkrijgen is. En terecht stelt men mijns inziens dien eisch! Is degene, die de hulpakte wil verwerven, gewoonlijk niet veel meer dan een volwassen kind; hij, die naar de hoofdakte dingt, is een man en van een man mag men vergen, dat hij er zich niet mee tevreden gesteld heeft, zeker feit te kennen, maar dat hij er naar gestreefd heeft, dit feit ook te kunnen verklaren; en vooral mag men dit eischen van een man, die zich tot levenstaak gesteld heeft, bij anderen den lust tot nadenken op te wekken en te onderhouden. Was ik examinator voor de hoofdakte in de Ned. Taal en Letterkunde, dan zou ik het een candidaat niet kwalijk nemen, a;s hij mij alle voegwoorden, die een zeker zinsverband kunnen uitdrukken, niet op een rijtje kon opnoemen; maar zeer zeker zou ik zijn kennis van de grammatica niet hoog aanslaan, als hij mij althans van een paar voegwoorden niet kon uitleggen, hoe zij aan hun tegenwoordige kracht zijn gekomen, omdat hij daardoor het bewijs geleverd had, dat het hem' niet tot een gewoonte, ja, een behoefte geworden was, zich rekenschap te geven van hetgeen hij op taalgebied waargenomen had.
Natuurlijk kunnen wij hier niet de ontwikkelingsgeschiedenis van alle voegwoorden gaan behandelen; dit is ook niet noodig: als iemand maar goed begrepen heeft, hoe enkele voegwoorden aan hun huidige kracht zijn gekomen, kan hij dit van vele andere zelf wel vinden. Ik wensch hier alleen de ontwikkelingsgeschiedenis van de voorwaardelijke voegwoorden, van sommige toegevende voegwoorden en van opdat te schetsen, omdat de behandeling van die voegwoorden buitengewoon leerzaam is en ik tevens zoo gelegenheid krijg, om op sommige dingen te wijzen, die men tot recht verstand van hetgeen verder in dit boek behandeld zal worden, noodzakelijk moet Rennen.
En nu ter zake!
60
4. a. HOJJ DE VOORWAARDELIJKE VOEGWOORDEN AAN HUN TEGENWOORDIGE KRACHT ZIJN GEKOMEN.
§ 109. In § 78 hebben wij gezien, dat een voorwaarde een mogelijke reden, een mogelijke oorzaak of een mogelijke grond is, terwijl wij in § 79 geleerd hebben, dat soo, als, indien, ingeval, wanneer, tenzij, tenware,mits en bijaldien de voorwaardelijke voegwoorden zijn. Aangetoond moet dus worden, hoe deze voegwoorden hebben kunnen gaan uitdrukken, dat de volgende zin een mogelijke reden, een mogelijke oorzaak of een mogelijken grond bevat.
§ 110. Naar de wijze, waarop de voorwaardelijke voegwoorden aan hun tegenwoordige beteekenis zijn gekomen, kunnen zij in drie groepen verdeeld worden.
De eerste groep bestaat uit: zoo. als, ingeval, indien, wanneer.
De tweede groep uit; tenzij, tenware.
De derde groep uit: mits en bijaldien.
§ 111. Zoo en als. Deze voegwoorden kunnen tegelijkertijd behandeld worden, daar als in den grond van de zaak hetzelfde woord is als zoo. Als toch is ontstaan uit alzoo, waarin al (= geheel) slechts diende, om de kracht van 200 eenigszins te versterken. Dit alzoo (â geheel zoo) verliep tot alse en dit weei tot als.
a. Zoo (en dus ook alzoo) was oorspronkelijk een bijwoord en duidde een hoedanigheid aan, zonder die uitdrukkelijk te noemen. In die beteekenis komt het nog dikwijls voor. Ik dacht wél, dat gij die som zoo zoudt oplossen. Hij heeft dut zoo niet bedoeld.
Ook in het vergelijkend voegw. als ligt zoo in die beteekenis verscholen. Hij vecht als een leeuw luidde oorspronkelijk: hij vecht; alzoo (â geheel zoo) vecht een leeuw, waarin zoo een bijwoord van hoedanigheid was. De zin: zij vallen op zijn geld aan, als de kippen op het graan beteekende dus: zij vallen op zijn geld aan; geheel zoo vallen de kippen op het graan aan.
b. Als vergelijkend voegwoord wees als en dus ook zoo op een gelijkheid van hoedanigheid. Daarnaast werden zij langzamerhand ook in een meer beperkte opvatting gebezigd: ze gingen n.1. tevens meer in 't bijzonder een gelijkheid van tijd aanduiden en namen dus de beteekenis aan van de tijdbepalende voegwoorden: toen, terwijl, wanneer. Als voegwoord van tijd is zoo verouderd; in de oudere geschriften kwam het
61
als zoodanig echter veelvuldig voor. Zoo lezen wij b.v. in het Kort Begrip van Vondel's Gijsbrecht van Aemstel: Heer Feler, deecken van (7e groote kerk, broght d'eerste tijding (nl. van den brand van Amsterdam) op het Htiys, soo {â toon) mevrou vaigt; Awnstel over haeren droom en gezicht vast (AA. zeev) bekommert was.
Als tijdbepalend voegwoord is als echter nu nog in druk gebruik. (Verg. §§ 71 en 72).
c. Toen zoo en als eenmaal een gelijkheid van tijd aanwezen, kregen zij langzamerhand en als onwillekeurig ook redengevende kracht. Het volk is toch zoo licht geneigd, om gebeurtenissen, die gelijktijdig plaatsgrijpen of waarvan de eene op de andere volgt, met elkander in oorzakelijk verband te brengen. Wanneer vroeger een kind ziek werd, n a d a t het door een oud vrouwtje aangeraakt was, dan beschouwde het volk die ziekte als gevolg van die aanraking en het oude vrouwtje werd van hekserij beschuldigd. Duidelijk blijkt de nauwe betrekking, die er voor het volk tusschen de begrippen t ij d en o o r z a a k bestaat, hieruit, dat zoovele redengevende voegwoorden oorspronkelijk een betrekking van tijd te kennen gaven. Zulke redengevende voegwoorden zijn b.v.: dewijl,ioijl,nademaal,naardien, daar, nu. (Verg. § 75).
De zin: ik blijf thuis, dewijl het regent b.v. oorspronkelijk: ik blijf thuis de wijle, dat het regent. In dezen zin was wijle een vrouwel. substantief, beteekenende tijd en de wijle deed dus in den hoofdzin den dienst van een bepaling van tijd; de zin beteekende dus eerst: ik blijf thuis in den tijd, dat het regent. Het thuis-blijven en het regenen geschiedden dus gelijktijdig en uit die gelijktijdigheid besloot het volk tot het oorzakelijk verband dier gebeurtenissen, waardoor dewijl [dat) de beteekenis van een redengevend voegwoord kreeg. De zin: ik blijf thuis, terwijl Int regent luidde oudtijds: ik blijf thuis te der wijle (= in den tijd), dat het regent en beteekende dus oorspronkelijk geheel hetzelfde als: ik blijf thuis, dewijl het regent. Het spraakgebruik heeft echter gewild, dat terwijl op het standpunt van een tijdbepalend voegw. bleef staan, terwijl dewijl een stap verder ging en redengevend voegw. werd.
Een zin nis: ik vergeef u meen misslag, n adem aal gij zulk een diep berouw toont luidde eerst: ik vergeef u uwen misslag na de maal (= na den tijd), dat gij zulk een diep berouw toont. Het berouw-toonen ging dus vooraf aan het vergeven; daarom werd het als de oorzaak daarvan opgevat en zoo kreeg
(-.â¢2
na de maal de beteckenis van een redengevend voegwoord. Geheel op dezelfde wijze heeft naardien (= nadat) zijn redengevende kracht gekregen.
Daar was oorspronkelijk een bijwoord van plaats; langzamerhand werd het als tijdbepalend voegw. gebezigd (Verg. § 73) en juist omdat het als tijdbepalend voegwoord voorkwam, kon het redengevende kracht krijgen. (Verg. §76).
Welnu, op eenzelfde wijze kreeg het tijdbepalende als redengevende kracht; als redengevend voegv. komt het echter tegenwoordig niet meer voor; in zijn volleren vorm al zoo wordt het echter nog bij het nevenschikkend zinsverband als redengevend voegw. gebruikt (Verg. §48) en vroeger kwam het als zoodanig vaak ook bij onderschikkend zinsverband voor. Zoo lezen we b. v. in Hooft's Nederl. Historiën: Hij {d.i. Alvu) deed de Waaien ruimen {d. i. weggaan) en ten deeJe afdanken, al zo o (= d a a r) ze hem verdacht waar en.
d. Langzamerhand werd het redengevend voegwoord a 1 s (of al zoo) eenigszins in zijn beteekenis beperkt en ging het ook een mogelijke reden, een mogelijke oorzaak of een mogelijken grond aanduiden of kortweg: het kreeg de beteekenis van een voorwaardelijk voegw. (Verg. § 78).
Zoo en als hebben dus achtereenvolgens te kennen gegeven: a. een gelijkheid van hoedanigheid; b. een gelijkheid van tijd; c een oorzaak; d. een mogelijke oorzaak of voorwaarde.
In §80 hebben wij geleerd, dat vragende zinnen de bet. van voorw. zinnen kunnen aannemen, omdat zij van het samengestelde bogrip voorwaarde althans één der elementen uitdrukken, t. w. het begrip mogelijkheid. Nu hebben wij gezien, dat het voorw. voegw. als van het samengestelde begrip voorwaarde ook slechts één der samenstellende begrippen uitdrukte en wel het begrip oorzaak. In hetzelfde geval verkeeren â gelijk uit het volgende nader blijken zal â vele andere voorw. voegwoorden als: indien, ingeval, mits, bijaldien, e.a. Zij gaven te kennen, dat de volgende zin de oorzaak was van hetgeen voorafging, maar dat het slechts een mogelijke oorzaak was, werd door geen enkelen vorm, door geen enkel woord nader aangeduid: dit moest men er maar bij denken.
§ 112. Ingeval; indien; wanneer. Om wèl in te zien. hoe ingeval en indien aan hun tegenwoordige kracht zijn
63
gekomen, moet men er op letten, dat het voorzetsel in soms een betrekking van tijd uitdrukt en de beteekenis van tijdens, gedurende aanneemt; vergel. in den zomer; in den herfst; in de afgeloopen iveek.
Een zin als: ik blijf thuis, ingeval het regent luidde oorspronkelijk: ik blijf thuis in geval, dat het regent; geval is een zelfst. naamw., in verband staande met het w.w. gevallen â geschieden, gebeuren eu beteekent dus gebeurtenis; de zin beteekende dus oorspronkelijk: ik blijf thuis tijdens deze gebeurtenis, dat het regent. Het regenen en het thuis-blijven geschiedden dus alweer gelijktijdig; omdat ze gelijktijdig plaatsgrepen, werden ze met elkander in oorzakelijk verband gebracht; langzamerhand ging ingeval ook een mogelijke oorzaak inleiden en werd alzoo een voorwaardelijk voegwoord.
Een zin als: ik ga ivandelen, indien het mooi weer is luidde eerst: ik ga wandelen in dien, dat het mooi weer is; dien was hier de 8de naamv. enkelv. v. h. aanwijzend voornw. dat. De zin beteekende dus: ik ga wandelen tijdens dat, dat het mooi weer is; indien dat wees dus op een selij ktijdigheid en kon derhalve door een dergelijk verloop van beteekenis als wij bij ingeval waargenomen hebben, ook een voorwaardelijk voegw. worden.
Wanneer schijnt samengesteld te zijn uit wan (= o p e e n i g e n t ij d; vergel. Hoogd. ivenn) en eer; en zag dus op een on bepaalden tijd in het verleden e. Hoe dit zij, tegenwoordig wijst het als voegwoord van tijd (Verg. § 72) op een gelijktijdigheid van twee gebeurtenissen en daardoor kon het alweer op den duur als v o o r w a a r d e 1 ij k voegw. gaan optreden.
§ 113. De tweede groep: tenzij; tenware.
Een zin als: ik kom van avond bij u, tenzij ik zelf bezoek krijg luidde oorspronkelijk: ik kom van avond bij u, 't en zij, dat ik zelf bezoek krijg. Hierin was 't en zij een voorwaarde!, bijzin, die los naast den hoofdzin stond; maar de beteekenis van een voorwaardel. bijzin kon verkrijgen, daar 't werkw. in de aanvoegende wijs stond (Verg. §81). 't en zij beteekende dus: indien het niet z ij; het woordje het ('t) wees op den volgenden zin: dat ik zelf bezoek krijg; deze zin was dus de onderwerpszin bij het en zij en het ('t) was een persoonlijk voornaamwoord, omdat het een volgenden zin aanduidde.
04
Langzamerhand vatte men don zin 't en zij (â indien het niet zij) kortweg op als: indien niet en zoo was tenzij oen voorw. voegw. met ontkennende kracht geworden.
T e n w a r e verkeert in nagenoeg hetzelfde geval als t e n z ij; alleen stond in 't en ware het werkw. niet in de aan voegende, maar in de voorwaardelijke wijs en dientengevolge geeft tenware ook tegenwoordig nog te kennen, dat de verwezenlijking van de gedachte van den bijzin zoo goed als onmogelijk is.
§ 114. De derde groep; mits; bijaldien.
Mits is in den grond van de zaak hetzelfde woord als ons voorzetsel met, oudtijds mit; achter dit mit zette men ton onrechte de bijwoordelijke s en zoo ontstond mits. Bij Je bespreking van mits hebben wij dus in de allereerste plaats te letten op do beteekenissen, die met kon aannemen; met wees eerst een gezelschap, een v e r e e n i g i n g aan; Hij is m e t zijn broeder (in gezelschap van zijn broeder) op reis gegaan. Gij hebt dit grootsche werk niet alleen, maar met (d. i. in vereeniging van) uw broeder tot stand gebracht.
Wanneer men iets in vereeniging met een ander tot stand tracht te brengen, dan kan die samenwerking juist de oorzaak zijn, dat de onderneming gelukt; zij kan het middel tot welslagen wezen en zoo kon met een betrekking van oorzaak of van middel uitdrukken. V.b. Men heeft den brand met twee stoom-spuiten (bep. v. middel) bedwongen.
Evenzoo kwam mits (de bijvorm van met, mit) als voorzetsel voor en gaf dan mede een oorzaak te kennen. Zoo zegt Hooft in zijn Nederl. Historiën, dat velen, die zich in den tachtigjarigen oorlog verdienstelijk gemaakt hebben, nooit naar verdienste beloond zijn, â7 zij mits (= door) te vroeg een cover lij den, of', bij gebrek van volharden in de goede zaake. Zoo zou men in da 17do eeuw hebben kunnen zeggen: ik blijf thuis mits (= wegens) eene zware verkoudheid.
Nu wordt het ook duidelijk, hoe mits of mits dat vroeger een veel gebruikt redengevend voegwoord kon zijn. Zoo zegt Hooft, dat Tresling's zegelring in Den Briel wel bekend was, mitsdat (= omdat) zijn vader daar baljuw geweest was. En toen mits of mitsdat eenmaal een redengevend voegwoord was, kon het ook gemakkelijk oen mogelijke oorzaak of voorwaarde gaan inleiden.
Met, mit of mits hebben dus achtereenvolgens uitgedrukt:
65
a. een gezelschap of vereeniging; h. een middel of oorzaak; c. een mogelijke oorzaak of voorwaarde.
In bijaldien dient al eenvoudig ter versterking van de beteekenis van bij en dien; bij beteekende vroeger zeer dikwijls door (Verg. Eng. by) en bijdien beteekende dus hetzelfde als doordat en gaf dus een reden of oorzaak te kennen. (Verg. § 75). Terwijl nu doordat op het standpunt van een redengevend voegw. staan bleef, nam bijdien of â wat hetzelfde is â bijaldien langzamerhand de beteekenis van een voorwaardelijk voegw. aan. Wij zien hier alweer uit, hoe de beteekenis, die een woord heeft gekregen, vaak voor een goed deel afhangt van het willekeurige en grillige spraakgebruik.
4. b. Hoe sommige toegevende voegwoobden aan hun
huidige beteekenis zijn gekomen.
§ 115. Of. Het woordje of luidde oorspronkelijk iba (Verg. Eng. ifj; iba was een zelfstandig naamw., dat twijfel, onzekerheid beteekende. Daarom was o/'ook zoo bij uitstek geschikt, om een voorwaarde (d. i. een mogelijke, twijfelachtige oorzaak) in te leiden en vooral in de middeleeuwen werd het als voorwaardel. voegw. veelvuldig gebruikt. (Verg. § 84). Tegenwoordig is het als voorwaardel. voegw. vrijwel verouderd en komt het meer als toegevend voegw. voor. Dat of zoo langzamerhand en als ongemerkt van voorwaardelijk een toegevend voegw. is kunnen gaan worden, wijst ons er echter op, dat er tusschen de beteekenis vaneen voorwaardelijken en die van een toegevenden bijzin een innig verband moet bestaan; die betrekking, die nauwe verwantschap in 't licht te stellen, is juist, wat wij hier beoogen.
Om wèl in te zien, hoe het voorwaardel. voegw. o/quot;geleidelijk ook een toegevend voegw. is kunnen gaan worden, moet men er op letten, dat niet alle voorwaardel. zinnen een mogelijke oorzaak uitdrukken, maar dat er â bij wijze van uitzondering â ook enkele voorw. bijzinnen zijn, wier inhoud ontwijfelbaar zeker met de werkelijkheid overeenkomt. Als ik hoor, dat de trein een half uur over zijn tijd vertrokken is en ik zeg dan: AU de trein een half uur over zijn tijd weggegaan is, dun kan hij ook niet op tijd aankomen, dan bevat de voorw. bijzin hier een teit, dat vaststaat en dat feit is dan de grond voor de gevolgtrekking, in den hoofdzin genoemd. Wanneer ik bewezen heb.
66
dat de hoeken van een driehoek gelijk zijn en ik zeg dan; als de hoeken van dien driehoek zijn, dan zijn ook de zijden gelijk, wat te bewijzen 'teas; dan bevat de voorw. bijzin ook hier weereen feit, aan welks waarheid niet te twijfelen valt en dat de grond is van den inhoud van den hoofdzin.
Zeg ik nu; Of die jongen al zijn best doet, hij vordert toch niet het allerminst, dan bevat de toegevende bijzin ook hier een feit, dat met de werkelijkheid overeenkomt en waaruit wij geneigd zijn, een gevolgtrekking te maken; in plaats echter, dat de hoofdzin die gevolgtrekking noemt â gelijk bij het voorw. zinsverband het geval zou zijnâ.komt hij er juist tegen op. Evenzoo ia in; Ofschoon die man tachtig jaar is, is hij nog vlug ter been, de bijzin de uitdrukking der werkelijkheid en geeft hij het recht tot het maken van een gevolgtrekking; in plaats echter, dat de hoofdzin die gevolgtrekking noemt, komt hij er alweer juist tegen op. Het verschil tusschen het voorwaardelijk en het toegevend zinsverband wordt hier dan ook niet veroorzaakt door een verschil in beteekenis van den bij zin (zoowel de voorw. als de toegevende bijzin zijn hier de erkenning dei-werkelijkheid en bevatten een feit, waaruit wij een gevolgtrekking mogen maken); maar het wordt teweeggebracht dooreen verschil in beteekenis van den hoofdzin; de voorwaardel. hoofdzin noemt de gevolgtrekking; de toegevende bijzin verwerpt ze en vermeldt een feit, dat er lijnrecht mee in strijd is. En juist omdat zooveel voorwaardel. bijzinnen geheel in beteekenis overeenkomen met toegevende bijzinnen, juist daarom kon het voorwaardelijke voegw. of ook langzamerhand als toegevend voegw. dienst gaan doen. Zie over of verder; Aanteekening V hierachter.
§ 116. A 1. In den toegevenden bijzin gebruikt men vaak het woordje al; Of die jongen zijn best al doet, hij vordert niet het allerminst. Dit al beteekende in dergelijke constructies oorspronkelijk wel (Verg. al of niet) en deed den dienst van een bijwoord van wijze, daar men er mede te kennen wilde geven, dat de inhoud van den bijzin wel deugdelyk met de werkelijkheid overeenkwam, ook al bleef in dit geval het gewone gevolg achterwege. Langzamerhand verloor in dergelijke zinnen al echter zijn beteekenis van bijwoord v. wijze en op ons taalgevoel maakt het veelmeer den indruk van een toegevend voegwoord; voor ons is het een middel geworden, om de betrekking tusschen
67
den hoofd- en bijzin uit te drukken. Juist omdat al in dergelijke zinnen oorspronkelijk een bijwoord was, krijgen toegevende bijzinnen, met al beginnende, tegenwoordig nog de woordschikking van den vragen den hoofdzin; immers zinnen, die met een bijwoord beginnen, hebben die woordschikking, {'smorgens maak! hij gewoonlijk een wandeling; 's avonds gaat hij dikwijls naar den schouwburg; verg. hier vooral § 90).
§ 117. Ofschoon; of. Een zin als: Ofschoon die jongen zijn best doet, vordert hij niet het allerminst luidde eerst: Of die jongen schoon zijn best doet, vordert hij enz.; schoon was in dergelijke zinnen een b ij w o o r d van hoedanigheid en beteekende: mooi, goed. Men wilde er mee te kennen geven, dat de werking van den bijzin goed, flink, in hooge mate plaatsgreep, maar dat desalniettemin â hoe vreemd het ook schijnen mocht â het verwachte gevolg achterwege bleef. Toen men later schoon in dergelijke bijzinnen niet meer als bijwoord van hoedanigheid gevoelde, meende men, dat het met o/het zinsverband uitdrukte en vatte men of en schoon te zamen als één toegevend voegwoord (ofschoon) op. Evenzoo hebben in: Of die jongen al zijn best doet, vordert hij enz., of en al te zamen de beteekenis van een toegevend voegw. aangenomen, terwijl ook al alleen als zoodanig optreedt. (Zie § 116).
§ 118. Hoewel (dat); hoezeer. lm: hoewel die jongen zijn best duet, vordert hij niet het allerminst, waren hoe en wel oorspronkelijk twee losse woorden (hoe loei die jongen enz.); dit hoe was toen een bijwoord van hoedanigheid met onbepaalde beteekenis (zie vooral §89) en wel (âal) was weer een bijwoord van wijze, beteekenende: stellig, ongetwijfeld. De genoemde zin beteekende dus: in hoe hooge mate die jongen ongetwijfeld zijn best doet, toch vordert hij enz. Langzamerhand verloor hoe zijn beteekenis als bijw. van boedanigh. en wel die als bijw. van wijze en hoewel, soms gevolgd door dat, kreeg de beteekenis van een toegevend voegw.
In: hoezeer die jongen zijn best doet, toch vordert hij niet het allerminst, waren hoe en zeer eerst weer twee losse woorden; hoe was weer een bijw. van hoedanigheid met onbepaalde beteekenis; zeer was evenals schoon een bijw. v. hoedanigh., beteekenende: flink, in hooge mate. Langzamerhand verloren hoe en zeer beide hun oorspronkelijke kracht en drukten zij te zamen
08
het toegevend zinsverband uit. In sommige gevallen gevoelen wij nog zeer duidelijk, dat zeer een bijwoord van hoedanigli. is en dan worden hoe en zeer terecht 1 o s naast elkaar geschreven:
Hoe zeer hij mij beleedirjd hebhe, toch kan ik hem viet haten. Hoe zeer hij gewond mas, dapper hleef hij den strijd voortzetten.
4. c. De beteekenis van het voegwoord opdat.
§ 119 Het voorzetsel op drukte eerst een betrekking van plaats uit: 't hoek ligt op de tafel. Op den duur ging het, evenals zoo vele andere plaatsaanduidende voorzetsels (in, voor), een betrekking van tijd benoemen: hij kwam op dat oogenblik binnen. Daarom kon het voegwoord opdat â gelijk in de middeleeuwen het geval was â ook als tijdbepalend voegw. gaan optreden. Toen kon men b.v. zeer goed zeggen: ik zag hem niet, opdat (= op dat oogenblik-, of kortweg: toen) hij daar stond. Toen opdat eenmaal een gelijktijdigheid uitdrukte, kon het ook redengevend voegw. gaan worden. Zoo kon men in de middeleeuwen zeggen: ik blijf thuis, opdat (=omdat) het regent. Nu zijnde begrippen reden en doel nauw aan elkander verwant. Het doel toch, dat wij met zekere werking trachten te bereiken, is juist vaak de reden, dat wij aan het werk tijgen en zoo kon opdat â en in die beteekenis komt het nu nog slechts voor â ook een doelaanwijzend voegwoord gaan worden. (Zie §95). In de middeleeuwen kon opdat zelfs een mogelijke reden (d. i. eene voorwaarde) inleiden: ik kom, opdat (= indien) het mooi weer is, kon men toen zeggen.
Opidat) heeft dus achtereenvolgens beteekend: a. een plaats; b. een t ij d ; c. een reden; d. een doel; e. een m o g e 1 ij k e reden of voorwaarde.
Uit al het voorgaande is zonneklaar gebleken, dat er blijkens de taal in den geest der menschen een nauwe, innige verwantschap bestaan heeft tusschen deze geheele reeks van begrippen: plaats, tijd, reden, voorwaarde, toegeving, middel, doel. (Zie vooral: als, mits, opdat). Terwijl wij de ontwikkelingsgeschiedenis van verschillende voegwoorden nagingen, ontsluierde zich tevens op 't onverwachtst voor onze oogen een stuk zieleleven der menschheid. Onze taal, zooals wij die nu spreken en schrijven, is niet door één geslacht, nog veel minder door één mensch gemaakt; zij is veelmeer het gewrocht van den intellectueelen
arbeid van tallooze elkander opvolgende menschengeslachteL; al de dwalingen en misvattingen, maar ook al de scherpte van waarneming, al de wijsgeerige zin van onze voorouders spiegelen zich in haar als in een vlakken spiegel â zonder vergrooting of verkleining; zonder vervorming of verdraaiing â eerlijk en trouw af. En niet het minst door het historisch verloop van de beteekenissen van sommige woorden na te gaan, slaan wij een blik op wat er in het hoofd en in het hart van onze voorouders is omgegaan. Wij hebben dan ook zoo lang bij de ontwikkelingsgeschiedenis van de bovenbehandelde voegwoorden stil gestaan, mede om den lezer van dit werk als door de feiten zelf te overtuigen, van hoe groot nut de beoefening der historische spraakkunst kan zijn.
5. Veedeeling der bi.twooedel. bijzinnin in enkele hoofdgroepen.
§ 120. In § 66 hebben wij de bijwoordelijke bijzinnen in niet minder dan dertien soorten verdeeld. In de voorgaande bladzijden (§ 109â§ 120) is ons gebleken, dat er althans tusschen enkele soorten van bijzinnen een nauwe verwantschap in beteeken is bestaat en de vraag komt daarom als onwillekeurig bij ons op, of al die bijzinnen niet in een kleiner aantal hoofdgroepen zouden zijn samen te vatten. Zulk eene samenvatting â waardoor het verkrijgen van een overzicht over de bijzinnen zoozeer vergemakkelijkt wordt â is inderdaad mogelijk. Wij krijgen dan de volgende indeeling:
Isto Hoofdgr oep. De plaatsbepalende bijzinnen. (Zie §§ 69 en 70).
2do Hoofdgroep. De tijdbepalende bijzinnen. (Zie § 71â§ 75).
TO
bijzondere geval achterwege. Men drukt dit kort uit, door te zeggen, dat de toegevende bijzin een vergeefsche oorzaak bevat. (Zie 5 85â§ 91).
d. de bijzinnen van middel. Een bijzin van middel vermeldt een feit, dat opzettelijk verricht is geworden, opdat het feit, in den hoofdzin vermeld, er het gevolg van zoude zijn; of kortweg: een bijzin van middel bevat een opzettelijk aangewende oorzaak. (Zie § 91).
4do Hoofdgroep. Deze groep wordt gevormd door die zinnen, welke een gevolg of een wijziging van het begrip gevolg uitdrukken. Hiertoe behooren dus;
a. de gevolgaanduidende bijzinnen. Zulk een zin vermeldt een feit, dat als vanzelf uit den inhoud van den hoofdzin voortvloeit. (Zie § 92).
b. de doelaanwijzende bijzinnen. Zulk een bijzin vermeldt datgene, wat men gaarne als gevolg van de werking van den hoofdzin zou zien; of kortweg: een doelaanwijzende bijzin bevat een opzettelijk gewild gevolg. (Zie § 95 en § 96).
5d() Hoofdgroep. Tot deze groep behooren zulke bijwoordel. bijzinnen, die een hoedanigheid, een graad of een hoeveelheid uitdrukken. Hiertoe kunnen dus gebracht worden:
a. die gevolgaanduidende bijzinnen, welke een hoedanigheid of een graad uitdrukken. (Zie § 93 en § 94).
b. die vergelijkende bijzinnen, welke een hoedanigheid of een graad uitdrukken. (Zie § 99, b),
c. de bijzinnen van hoedanigheid, graad of hoeveelheid (b.v. hij liep, wat hij kon; zie § 101).
d. de verhoudingszinnen. Zij geven de wijze te kennen, waarop een hoedanigheid of de werking van den hoofdzin toe-of afneemt. (Zie § 105).
e. de bijzinnen van beperking. Ofschoon deze zinnen in de eigenlijke beteekenis des woords niet een hoedanigheid van de werking noemen, rekenen wij de weinige beperkende zinnen maar tot deze groep, om het aantal hoofdgroepen niet te groot te maken. (Zie § 102â§ 105).
6de Hoofdgroep. De bijzinnen van modaliteit. Zij drukken uit, in welke verhouding de inhoud van den bijzin tot de werkelijkheid staat. (Zie § 10T).
71
7dlt;i Hoofdgroep. De bijzinnen van omstandigheid. (Zie § 108). Men vereenzelvige deze bijzinnen niet met die, welke een hoedanigheid uitdrukken. Tot het wezen van de bijzinnen van omstandigheid behoort het toch juist, dat zij niet tot een der andere groepen van zinnen, dus ook niet tot die der hoedanigheidszinnen, gebracht kunnen worden. Ze moeten dus wel een afzonderlijke hoofdgroep vormen.
6. Elliptische, onvolledige en saamöetrokken zinnen.
§ 121. Een samengestelde zin is volledig, als al de enkelvoudige zinnen, waaruit hij bestaat, volledig zijn. (Zie § 37). Zij hopen, omdat zij gelooven. In zulk een samengestelden zin worden dus alle voorstellingen en begrippen, die door den spreker tot een gedachte verbonden zijn, met name genoemd of aangeduid.
Bij een niet-volledigen samengestelden zin kunnen zich drie gevallen voordoen. In de eerste plaats kunnen één of me ei-der enkelvoudige zinnen elliptisch zijn; in de tweede plaats kunnen twee of meer dier zinnen samengetrokken wezen; ten slotte kunnen één of meer der zinnen onvolledig zijn.
In een samengestelden zin is een der enkelvoudige zinnen elliptisch, als de in dien quot;zin ontbrekende woorden niet geheel of nagenoeg geheel uit een der andere enkelv. zinnen ingevuld kunnen worden. Zoo heer, zoo knecht. Eind yoed, al (joed. Eere, wien eere toekomt. Hoe moeilijker strijd, hoe schooner zegepraal'. In: .IZs hij eens niet kwam! â Of de school al aan zon zijn! ontbreekt de hoofdzin zelfs geheel en al. De laatste zin zou, volledig gemaakt, b.v. kunnen luiden; Ik zou wel eens willen weten, of de school al aan zou zijn!
Van samengetrokken zinnen spreekt men alleen bij het nevenschikkend zinsverband. Twee nevengeschikte zinnen zijn samengetrokken, als de in den eenen zin ontbrekende deelen geheel of nagenoeg geheel uit den anderen ingevuld kunnen worden. (Verg. § 44). Hij is metselaar en zijn broer timmerman. Amsterdam is de grootste stad van Nederland, maar niet de welvarendste.
Van onvolledige zinnen (in de engere beteekenis v. h. woord) spreekt men alleen bij het onderschikkend zinsverband. Een ondergeschikte zin is onvolledig, als de in dien zin ontbrekende deelen geheel of nagenoeg geheel uit den hoofdzin ingevuld
72
kunnen worden. (Zie § 83 en § 100). Hij is sterker, dan zijn broer. Zoo iemand, dan kan hij u nadere inlichtingen omtrent' deze zaak geven.
7. Beknopte zinnen.
§ 122. Velen beschouwen â op den naam afgaande â de beknopte zinnen ook als een soort van onvolledige zinnen. Dit is fout. Beknopte zinnen zijn zinsdeelen. 't Zijn echter zulke zinsdeelen, die men g e v o e g e 1 ij k tot een zin zou kunnen uitbreiden en die dan ook voor ons taalgevoel do waarde van een zin hebben. Zoolang zulk een beknopte zin nog niet tot een zinsdeel uitgebreid is, moet hij echter als een zinsdeel beschouwd en benoemd worden.
De zin: Na deze ivoorden gesproken te hebben, ging hij heen is dus een enkelvoudige zin, waarin na deze woorden gesproken te hebben niets anders dan een bij woord el. bep. van tijd is. Dit zinsdeel kan echter als een beknopte zin aangemerkt worden. Wij zeggen met opzet: kan als een beknopte zin aangemerkt worden, omdat de een eerder geneigd is, een zinsdeel in zijn gedachte tot een zin uit te breiden, dan een ander. Men ontlede genoemden zin dus alzoo: hij â onderw.; ging heen â gezegde; na deze woorden gesproken te hebben â bep. v. t ij d; in deze bepaling v. tijd is deze woorden dan weer het lijdend voorwerp bij gesproken te hebben.
Zoo is: mv broer ging uit om zijn middagmaal te gebruiken alsmede een enkelvoudige zin, waarin om zijn middagmaal te gebruiken een bijwoordelijke bepaling van doel is. Dit zinsdeel wordt door velen als een beknopte zin beschouwd; voor mijn taalgevoel is het dit echter niet. De zin moet aldus ontleed worden: uw broer â onderw.; ging uit â gezegde; om, zijn middagmaal te gebruiken â bijw. bep. van doel; in deze bepaling is zijn middagmaal het lijdend voorw. bij gebruiken.
Bvenzoo is: over de brug gaande, zetg ik een hond in het water liggen alweer een enkelvoudige zin, waarin {over de brug) gaande een bep. v. gesteldheid is bij het onderwerp ik. Dit zinsdeel is voor velen â ook voor mij â een beknopte zin. Men zou het kunnen vervangen door den tijdbepalenden zin: terwijl ik over de brug ging. Uit dit voorbeeld blijkt alweer, welk een nauwe verwantschap er bestaat tusschen sommige bep. v. gesteldheid en sommige bijw. bepalingen. (Zie vooral Aan-teekening IV hierachter).
73
Om nog een voorbeeld te noemen: overtuigd van zijn schuld, kan ik hem niettemin noch haten, noch verachten is een enkelvoudige zin, waarin overtuigd (van zijn schuld) een bepa!. van gesteldheid bij het onderwerp ik is. Dit zinsdeel zaï echter wel door allen als een beknopte zin opgevat worden; voor ons taalgevoel heeft het toch de waarde van den toegevenden bijzin: ofschoon ik overtuigd hen van zijn schuld. Tevens blijkt uit dit voorbeeld, waarom wij een zgn. beknopten zin in onze gedachte als onwillekeurig door een geheelen zin vervangen. Het is, alsof de betrekking, waarin zulk een zinsdeel tot de overige deelen van den zin staat, dan beter uitkomt en meer tot ons bewustzijn spreekt. Door middel van beknopte zinnen kunnen wij ons kort en zaakrijk uitdrukken; tot recht begrip van den zin is het echter wenschelijk, dat de lezer of hoorder zulk een zinsdeel in zijn gedachte tot een geheelen zin uitdijt.
§ 123. De beknopte zinnen bestaan uit een bijvoegl. naamwoord; een tegenwoordig of verleden deelwoord; een onbepaalde wijs; alles al of niet vergezeld van andere woorden. De onbepaalde wijs wordt in dit geval dikwijls voorafgegaan door een voorzetsel als: om te; ten einde te; zonder te; alvorens te; e. a. Deze woorden zijn voorzetsels en geen voegwoorden, juist omdat beknopte zinnen zinsdeelen en geen zinnen zijn.
§ 124. Daar beknopte zinnen niets anders dan zinsdeelen zijn, kunnen zij in dezelfde groepen als de gewone zinsdeelen verdeeld worden. Hier volgen nog eenige voorbeelden van beknopte zinnen:
a. beknopte onderwerpszinnen. Hel is mij een waar genoegen, u met dm goeden uitslag van uiv examen geluk te kunnen wenschen. U gelukkig te maken, is mijn hartewensch.
b. beknopte gezegdezinnen. Zulk een zin doet deu dienst van liet naamwoordelijk deel van het gezegde. Mijn pion was, om morgen naar Amsterdam te gaan. De vraag is maar, hoe de toestemming van uw vader te erlangen.
c. beknopte voorwerpszinnen. Jk weet niet, wat te doen. Ik hoop, u van avond hij mij te zien.
Eenzaam in een hosch te. dwalen, geef ik de voorkeur boven het gewoel van een groote stad.
Bredero is ten volle waardig, nader gekend te worden. Hij rekent er op, spoedig bevorderd te zullen worden.
d. beknopte bijvoeglijke zinnen. Dit is geen zaak, om mee te spotten. Hij icas een man, bemind door allen, die hem kenden. Jaromir
74
werd op 't eenzaam pad in de overlegging niet gestoord, hoc met een leegen huil een maaltijd te vereenen.
e. beknopte tijdbepalende zinnen. Na deze woorden gesproken te hebben, ging hij heen. Dit zeggende, blies hij den laatsten adem uit.
f. beknopte redengevende zinnen. Door dit te doen, zoudt gij hem ten zeerste beleedigen. In het nauw gebracht door de strikvragen van den rechter, bekende de verdachte eindelijk de misdaad.
g. beknopte voorwaai'delij ke zinnen. Zoo voortgaande, loopt gij uw verderf tegemoet. Ronduit gezegd, zijt gij mij duchtig tegengevallen.
h. beknopte toegevende zinnen. Overtuigd van zijn schidd, kan ik hem niettemin noch haten, noch verachten. Zoon van eenvoudige boeren-menschen, had hij toch de manieren van een edelman.
i. beknopte bijzinnen v. middel. Door hem eenige gemakkelijke vragen te doen, bracht de examinator denzenuwach tigen candidaatwat tot bedaren.
j. beknopte gevolgaanduidende zinnen. Hij is te ivelopgevoed, om u een onbeleefd antwoord te geven.
k. beknopte doelaan wij zende zinnen. Hij ging uit, om hel middagmaal te gebruiken. Hij liet zijn haard afscheren, ten einde zich onkenbaar te maken.
I. beknopte beperkende zinnen. Mij aangaande, kunt ge he! gevraagde verlof krijgen.
m. beknopte bijzinnen van omstandigheid. Hij ging uit, zonder mij goedendag te zeggen. De handen gevouwen, de oogen gesloten, zat zij daar als een toonbeeld van stille berusting. In plaats van ijverig te studeer en, speelt hij den geheelen avond op straat.
§ 125. Daar een beknopte zin slechts een zinsdeel is, heeft hij uit den aard der zaak geen onderwerp. Toch spreekt men vaak van het onderwerp van een bek nopten zin. Men verstaat er dan onder het onderwerp van den zin, waartoe de beknopte zin uitgebreid kan worden.
Welnu, het onderwerp van een beknopten voorwerps-, gezegde- of bijv. afh. zin is zeer dikwijls niet hetzelfde als dat van den hoofdzin. Hij verzocht me dringend, hem tc helper (dat ik hem zou helpen). De nood dringt me, u hul}) te vragen. De moeilijkheid blijft, hoe aan het noodige geld te komen. Dit is geen zaak, om mee te schertsen.
Anders is dit met de beknopte zinnen, die den dienst doen van een b ij w o o rd e 1 ij k e bepaling. Van zulk een zin is het onderwerp meestal hetzelfde als dat van den hoofdzin. Meestal, doch niet altijd. Van sommige van zulke beknopte zinnen is namelijk het onderwerp â bij wijze van uitzondering â niet hetzelfde als dat van den hoofdzin. Ik heb u dit geld niet gegeven, om het te
75
verkwisten, maar om het nuttig te besteden (opdat gij het zotidt verkwisten). Ronduit gezecjd, zijt gij mij duchtig tegengevallen. Nog treurende over het verlies van onzen oudsten zoon, ontrukte de dood ons heden onzen jong sten lieveling Adolf. Zoo voortgegaan, dan is het werk spoedig afgeloopen.
Voorzooverre zulke beknopte zinnen uit een deelwoord met bijbehoorende bepalingen bestaan, hebben zij dit eigenaardige, dat ze bijvoeglijke bepalingen bij een niet uitgedrukte zelfstandigheid zijn. Zoo is in: Ronduit gezegd, zijt gij mij duchtig tegengevallen; ronduit gezegd een bijvoegl. bep. bij het niet uitgedrukte woord ik. Op grcnd van deze onregelmatigheid worden dergelijke constructies door sommige strenge taalrechters dan ook afgekeurd.
§ 126. Hoogst tweeslachtige constructies zijn de gespatieerde deelen van de volgende zinnen. Die invalide heeft bepaald een af zich telijk voorkomen, hebbende h ij in den s t r ij d z ij n eene oog en zijn beide oor en verloren. De tweede-luitenant A. van het 8ste regiment infanterie is tot eerste-luitenant bevorderd, zijnde hij tevens in zij n nieuwen rang bij het 7do regiment infanterie overgeplaatst. De wissel veertien dagen ontbrekend, was 't crediet verdwenen hij Schacherâ Efraim (Staring). Tweeslachtig zijn die constructies, omdat zij aan den eenen kant door de aanwezigheid van een onderwerp {de invalide; hij; de wissel) iets weg hebben van een zin, terwijl zij aan den anderen kant door het daarin voorkomende deelwoord en het gemis van een persoonsvorm doen denken aan een beknopten zin. Gewoonlijk'rekent men ze maar tot de beknopte zinnen en het eigenaardige van die beknopte zinnen bestaat dan daarin, dat er een onderwerp in voorkomt.
Tengevolge van dergelijke constructies zijn ook de deelwoorden; gedurende, staande, hangende, voorzetsels geworden. In: Gedurende dien slag heeft hij wonderen van dapperheid verricht, was gedurende die{n) slag oorspronkelijk een beknopte tijdbepalende zin, waarin die slag het onderwerp en gedurende het tegenwoordig deelwoord van geduren (â plaatshebben) was. De zin beteekende vroeger dus: Terwijl de slag duurde, heeft hij wonderen van dapperheid verricht. Toen men later deze ingewikkelde geschiedenis niet meer begreep, vatte men gedurende diein) slag eenvoudig op als een gewone voorzetselbepaling en zoo werd gedurende een voorzetsel en de lste naamval die slag veranderde in den accusatief dien slag. Vergel. Staande de vergadering traden reeds velen als
76
lid tot de nieuwe vereeniging toe. Hangende dit geschil kan de aanleg van de nieuwe spoorlijn geen voortgang hebben.
§ 127. Gelijk uit de in paragraaf 124 gegeven voorbeelden blijken kan, doen de deelwoorden den dienst van tal van soorten van beknopte bijwoordelijke bijzinnen. Daar dit tot onduidelijkheid aanleiding kan geven, wordt het meer en meelde gewoonte, om zulk een deelwoord door een voegwoord te doen voorafgaan. Mits ijverig werkende, kunt gij slagen. Schoon opgevoed aan een kostschool, had hij zijn ouders hartelijk lief. Schoon overtuigd van zijn schuld, kan ik hem noch haten, noch verachten.
Dat men in dergelijke gevallen als onwillekeurig een voegwoord en geen voorzetsel van gelijke beteekenis bezigt, bewijst wel, dat een beknopte zin inderdaad voor ons taalgevoel de waarde van een zin heeft. Opgemerkt dient echter te worden, dat â stipt genomen â de woorden mits en schoon in de gegeven zinnen niet volkomen beantwoorden aan de definitie van een voegwoord. Immers, zij drukken hier niet de betrekking tusschen twee zinnen uit, daar een beknopte zin slechts een zinsdeel is.
TV/EEDE BOEK.
De Leer der Woordsoorten.
A. Grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden. Hoofdzaken uit de leer der woordsoorten.
§ 128. De meeste woorden â zoo op zich zelf beschouwd â hebben een zeer vage, een zeer zwevende beteekenis en verwekken dan ook bij alle hoorders lang niet dezelfde voorstelling. Zoo denkt de een bij het hooren van het woord pijp aan een sigaren-pijp, een ander aan een tabakspijp, een derde aan een schoorsteenpijp, een vierde mogelijk aan niemendal.
In een volzin is dit echter geheel anders. Daarin worden tal van woorden met elkander in betrekking gebracht, waardoor zij â als het ware â een soort van verklarende wisselwerking op elkander uitoefenen en hun beteekenis vaster en meer bepaald wordt. Zoo roept het woord pijp in: mijn nieuiue X'ijp; Vaders pijp; de pijp van die stoomboot telkens een zeer bepaalde voorstelling voor onzen geest op.
Nog veel sterker dan met de zelfstandigheidswoorden is dit alles het geval met de hoedanigheids- en betrekkingswoorden. Bij het hooren van: groot, klein, dun; op, hoven, ofschoon, mits denken wij eigenlijk aan niets; terwijl het woord groot in: een groote pruim, een groote appel, een groote man ons telkens aan vrij nauwkeurig begrensde afmetingen doet denken. Zoo drukt op in : het hoek op de tafel een zeer bepaalde betrekking uit tusschen hoek en tafel.
Welnu, juist omdat de woorden eerst in een zin een bepaalde
76
lid tot de nieuwe vereeniging toe. Hangende dit geschil kan de aanleg van de nieuwe spoorlijn geen voortgang hebben.
§ 127. Gelijk uit de in paragraaf 124 gegeven voorbeelden blijken kan, doen de deelwoorden den dienst van lal van soorten van beknopte bijwoordelijke bijzinnen. Daar dit tot onduidelijkheid aanleiding kan geven, wordt het meer en meelde gewoonte, om zulk een deelwoord door een voegwoord te doen voorafgaan. Mits ijverig werkende, kunt gij slagen. Schoon opgevoed aan een kostschool, had hij zijn ouders hartelijk lief. Schoon overtuigd van zijn schuld, kan ik hem noch haten, noch verachten.
Dat men in dergelijke gevallen als onwillekeurig een voegwoord en geen voorzetsel van gelijke beteekenis bezigt, bewijst wel, dat een beknopte zin inderdaad voor ons taalgevoel de waarde van een zin heeft. Opgemerkt dient echter te worden, dat â stipt genomen â de woorden mits en schoon in de gegeven zinnen niet volkomen beantwoorden aan de definitie van een voegwoord. Immers, zij drukken hier niet de betrekking tusschen twee zinnen uit, daar een beknopte zin slechts een zinsdeel is.
TWEEDE BOEK.
De Leer der Woordsoorten.
A. Grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden. Hoofdzaken uit de leer der woordsoorten.
§ 128. De meeste woorden â zoo op zich zelf beschouwd â hebben een zeer vage, een zeer zwevende beteekenis en verwekken dan ook bij alle hoorders lang niet dezelfde voorstelling. Zoo denkt de een bij het hooren van het woord pijp aan een sigaren-pijp, een ander aan een tabakspijp, een derde aan een schoorsteenpijp, een vierde mogelijk aan niemendal.
In een volzin is dit echter geheel anders. Daarin worden tal van woorden met elkander in betrekking gebracht, waardoor zij â als het ware â een soort van verklarende wisselwerking op elkander uitoefenen en hun beteekenis vaster en meer bepaald wordt. Zoo roept het woord pijp in: mijn niemoe pijp; Vaders pijp; de pijp van die stoomboot telkens een zeer bepaalde voorstelling voor onzen geest op.
Nog veel sterker dan met de zelfstandigheidswoorden is dit alles het geval met de hoedanigheids- en betrekkingswoorden. Bij het hooren van: groot, klein, dun; op, boven, ofschoon, mits denken wij eigenlijk aan niets; terwijl het woord groot in: een groote pruim, een groote appel, een groote man ons telkens aan vrij nauwkeurig begrensde afmetingen doet denken. Zoo drukt op in : het hoek op de tafel een zeer bepaalde betrekking uit tusschen hoek en tafel.
Welnu, juist omdat de woorden eerst in een zin een bepaalde
78
beteekenis verkrijgen, omdat zij eerst in een zin waarlijk voor ons beginnen te leven, daarom zijn wij bij het maken van een stelsel van verdeeling der woorden dan ook altijd niet uitsluitend te rade gegaan met hun beteekenis, maar hebben wij vaak ook gelet op hun dienst ten opzichte van andere woorden. De grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden zijn derhalve hun beteekenis en hun dienst. In de volgende paragrafen zal ons blijken, dat men bij sommige woorden alleen op hun beteekenis gelet heelt; bij andere op hun beteekenis en hun dienst; bij geen enkel uitsluitend op den dienst. Of met andere woorden: de onderscheiding van sommige rededeelen berust alleen op de beteekenis der woorden; die van andere op de beteekenis en den dienst; geen enkele woordgroep wordt alleen op grond van den dienst der woorden gevormd.
§ 129. Gingen wij bij de verdeeling der woorden alleen te rade met hun beteekenis, dan zouden zij in een zeer klein aantal groepen verdeeld kunnen worden:
a. In de eerste plaats kunnen wij ons voorstellingen en begrippen vormen van menschen, dieren, planten, voorwerpen, vloeistoffen en gassen, of deelen daarvan: mensch, leeuw, roos, kachel, water, lucht; arm, poot, stengel, pot, handvat, enz. Het gemeenschappelijk kenmerk van al deze begrippen is, dat zij betrekking hebben op het een of ander, dat uit stof bestaat. Onder een zelfstandigheid verstaan wij voorloopig iets, wat uit stof bestaat, onverschillig of het in de natuur als een meer of minder zelfstandig geheel voorkomt, dan wel of het een deel van zulk een geheel is. Wij kunnen ons dus in de eerste plaats voorstellingen en begrippen vormen van stoffelijke zelfstandigheden. Woorden, die deze zelfstandigheden benoemen, heeten zelfstandige naamwoorden: mensch, arm, poot, leeinv, tijger, enz.
b. Die zelfstandigheden kunnen allerlei werkingen verrichten. Woorden, die dergelijke werkingen benoemen, heeten wij werkwoorden: zingen, eten, slapen, brullen, bloeien, branden.
c. Tusschen die zelfstandigheden en werkingen kunnen voorts allerlei betrekkingen bestaan, die wij mede benoemen kunnen Zoo drukt in: de bank voor de deur, voor een betrekking van plaats uit tusschen de twee zelfstandigheden bank en deur; in: ik zit voor de dear drukt voor dezelfde betrekking van plaats uit tusschen de werking zit en de zelfstandigheid deur.
Ook tusschen twee gedachten kunnen betrekkingen uit-
79
gedrukt worden. In; Jan staat op, voor de zon opkomt, drukken wij een betrekking uit tusschen de beide zinnen; Jan staat op en de zon komt op.
d. Die zelfstandigheden, werkingen, betrekkingen kunnen hoedanigheden hebben; ook van deze kunnen wij ons voorstellingen en begrippen vormen, die wij al wederom met woorden benoemen kunnen: een goed, slecht kind; Jan schrijft mooi, goed, slecht. Andere woorden noemen niet zoozeer hoedanigheden, maar meer nadere b ij z o n d e r h e d e n van zelfstandigheden, werkingen en betrekkingen; mijn hoek, dat huis, twee hoeken, het tweede hoek, Ama zong gisteren, Piet zit hier, de schilderij hangt juist boven den stoel.
Ook deze hoedanigheden of bijzonderheden kunnen door andere woorden nader omschreven worden: ee« zeer verdienstelijk hoek, een buitengewoon groot man.
Al deze woorden vormen te zamen de aan verscheidenheid zoo rijke groep der hoedanigheidswoorden.
Toelichting. De meeste schrijvers over de grammatica zien over het hoofd, dat een hoedauigheidswoord ook een betrekkingsbegrip nader bepalen kan. In: dc schilderij hangt juist hoven den stoel; de jager liep dwars door het bosch bepalen de woorden juist en dwars niet de werkingen hangen en loopen, maar de betrekkiugsbegrippen bo ven en door. In den eersten zin wil men toch volstrekt niet zeggen, dat de schilderij juist, goed hangt, maar wel, dat de betrekking, die er tusschen hangt en stoel bestaat precies uitgedrukt wordt door't woord boven, 't, Zou trouwens ook vreemd geweest] zijn, als wij wel hoedanigheden aan zelfstandigheden en werkingen, maar niet aan betrekkingen opgemerkt hadden.
§ 130. In de natuur komen dus zelfstandigheden voor, uit stof bestaande, die zelfstandigheden kunnen werkingen verrichten; tusschen die zelfstandigheden en werkingen kunnen betrekkingen bestaan; terwijl voorts die zelfstandigheden, werkingen en betrekkingen allerlei hoedanigheden of kenmerken kunnen hebben, welke hoedanigheden of kenmerken zelf ook weer nader bepaald kunnen worden.
Ziedaar dc werkelijkheid.
In de taalkunde hebben wij echter niet uitsluitend â gelijk dit in de natuurkunde het geval is â te maken met de vraag: âhoe zijn de dingen?quot;-, veelmeer hebben wij rekening te houden
78
beteekenis verkrijgen, omdat zij eerst in een zin waarlijk voor ons beginnen te leven, daarom zijn wij bij het maken van een stelsel van verdeeling der woorden dan ook altijd niet uitsluitend te rade gegaan met hun beteekenis, maar hebben wij vaak ook gelet op hun dienst ten opzichte van andere woorden. De grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden zijn derhalve hun beteekenis en hun dienst. In de volgende paragrafen zal ons blijken, dat men bij sommige woorden alleen op hun beteekenis gelet heelt; bij andere op hun beteekenis en hun dienst; bij geen enkel uitsluitend op den dienst. Of met andere woorden: de onderscheiding van sommige rededeelen berust alleen op de beteekenis der woorden; die van andere op de beteekenis en den dienst; geen enkele woordgroep wordt alleen op grond van den dienst der woorden gevormd.
§ 129. Gingen wij bij de verdeeling der woorden alleen te rade met hun beteekenis, dan zouden zij in een zeer klein aantal groepen verdeeld kunnen worden;
a. In de eerste plaats kunnen wij ons voorstellingen en begrippen vormen van menschen, dieren, planten, voorwerpen, vloeistoffen en gassen, of deelen daarvan: mensch, leeuw, roos, kachel, water, lucht; arm, poot, stengel, pot, handvat, enz. Het gemeenschappelijk kenmerk van al deze begrippen is, dat zij betrekking hebben op het een of ander, dat uit stof bestaat. Onder een zelfstandigheid verstaan wij voorloopig iets, wat uit stof bestaat, onverschillig of het in de natuur als een meer of minder zelfstandig geheel voorkomt, dan wel of het een deel van zulk een geheel is. Wij kunnen ons dus in de eerste plaats voorstellingen en begrippen vormen van stoffelijke zelfstandigheden. Woorden, die deze zelfstandigheden benoemen, heeten zelfstandige naamwoorden; mensch, arm, poot, leeuw, tijger, enz.
b. Die zelfstandigheden kunnen allerlei werkingen verrichten. Woorden, die dergelijke werkingen benoemen, heeten wij werkwoorden: zingen, eten, slapen, brullen, bloeien, branden.
c. Tusschen die zelfstandigheden en werkingen kunnen voorts allerlei betrekkingen bestaan, die wij mede benoemen kunnen. Zoo drukt in: de bank voor de deur, voor een betrekking van plaats uit tusschen de twee zelfstandigheden bank en deur; in: ik zit voor de deur drukt voor dezelfde betrekking van plaats uit tusschen de werking zit en de zelfstandigheid deur.
Ook tusschen twee gedachten kunnen betrekkingen uit-
79
gedrukt worden. In; Jan staat op, voor de zon opkomt, drukken wij een betrekking uit tusschen de beide zinnen: Jan staat op en de zon komt op.
d. Die zelfstandigheden, werkingen, betrekkingen kunnen hoedanigheden hebben; ook van deze kunnen wij ons voorstellingen en begrippen vormen, die wij al wederom met woorden benoemen kunnen: een goed, slecht kind; Jan schrijft mooi, goed, slecht. Andere woorden noemen niet zoozeer hoedanigheden, maar meer nadere b ij z o n d e r h e d e n van zelfstandigheden, werkingen en betrekkingen: mijn hoek, dat huis, twee hoeken, het tweede hoek, Anna zong gisteren, Piet zit hier, de schilderij hangt juist hoven den stoel.
Ook deze hoedanigheden of bijzonderheden kunnen door andere woorden nader omschreven worden: een zeer verdienstelijk hoek, een huitengewoon groot man.
Al deze woorden vormen te zamen de aan verscheidenheid zoo rijke groep der hoedanigheidswoorden.
Toelichting. De meeste schrijvers over de grammatica zien over het hoofd, dat een hoedanigheidswoord ook een betrekkiugsbegrip nader bepalen kan. In: dc schilderij hanyt jidst hoven den stoel; de jager lii'P dwars door het boseh bepalen de woorden juist en dwars niet de werkingen hangen en loopen, maar de betrekkiugsbegrippen boven en door. In den eersten zin wil men toch volstrekt niet zeggen, dat de schilderij juist, goed hangt, maar wel, dat de betrekking, die er tusschen hangt en stoel bestaat precies uitgedrukt wordt door't woord boven, 't Zou trouwens ook vreemd geweest] zijn, als wij wel hoedanigheden aan zelfstandigheden en werkingen, maar niet aan betrekkingen opgemerkt hadden.
§ 130. In de natuur komen dus zelfstandigheden voor, uit stof bestaande; die zelfstandigheden kunnen werkingen verrichten; tusschen die zelfstandigheden en werkingen kunnen betrekkingen bestaan; terwijl voorts die zelfstandigheden, werkingen en betrekkingen allerlei hoedanigheden of kenmerken kunnen hebben, welke hoedanigheden of kenmerken zelf ook weer nader bepaald kunnen worden.
Ziedaar de werkelijkheid.
In de taalkunde hebben wij echter niet uitsluitend â gelijk dit in de natuurkunde het geval is â te maken met de vraag: âhoe zijn de dingen?quot;; veelmeer hebben wij rekening te houden
80
met deze geheel andere vraag: âhoe heeft blijkens de taal het volk zich zekere zaak voorgesteld?quot;
Welnu, blijkens de taal spreken wij over tal van hoedanigheden, werkingen, betrekkingen als waren 't dingen, die ergens in de natuur om ons heen voorkomen, als waren het stoffelijke zelfstandigheden. In; ik gaf hem een scherp antivoord spreken wij over de werking antwoorden, als ware dat een ding, dat men aan iemand geven kan; wij kennen er dan ook een hoedanigheid [scherp) aan toe, die alleen het deel kan zijn van een voorwerp (mes, zwaard), uit stof bestaande. â In: de goedheid van deze vrouw is zeer groot stellen wij de hoedanigheid goed, die deze vrouw kenmerkt, voor als ware 'teen ding op zich-zelf, een voorwerp, dat met een maat gemeten kan worden en dan zeer groot bevonden wordt.
Onder zelfstandigheden verstaan wij voortaan ook die hoedanigheden, werkingen en betrekkingen, waarover gesproken wordt als waren het stoffelijke zelfstandigheden. Het gemeenschappelijk kenmerk van al deze zelfstandigheden is, dat zij niet uit stof bestaan: goedheid, wijsheid, dronkenschap, antwoord, stand, vlucht, sta}), slaap.
Onder een concrete zelfstandigheid verstaan wij zulk eene, die uit stof bestaat.
Onder een abstracte zelfstandigheid verstaan wij een hoedanigheid, werking, betrekking, die als een stoffelijke zelfstandigheid wordt voorgesteld.
Zelfstandige naamwoorden zijn de namen van zelfstandigheden onverschillig of zij al dan niet uit stof bestaan; leeuw, tijger, verstand, lijdzaamheid.
Concrete zelfst. naamwoorden zijn de namen van concrete, van stoffelijke zelfstandigheden; huis, boom, hosch, stoel.
Abstracte zelfst. naamw. zijn de namen van abstracte zelfstandigheden.
Die abstracte zelfst. n.w. kunnen dus blijkens het voorgaande zijn;
a. namen van hoedanigheden of b ij zonderheden; grijsheid, grootte, lijdzaamheid, dronkenschap, de eenheid te midden der verscheidenheid, een menigte hoeken.
b. namen van werkingen: antwoord, verveling, stap, dans, wandeling.
c. namen van betrekkingen: Wat heh ik met al die maren te maken! De candidaat heeft het programma onzer kiesvereeniging onderteekend. zonder daarbij allerlei mitsen te stellen.
81
Ook deze abstracte zelfstandigheden kunnen werkingen Verrichten (een betoog kan overtuigen), tusschen deze zelfstandigheden en werkingen kunnen ook betrekkingen bestaan; terwijl de hoedanigheidswoorden ook deze zelfstandigheden, werkingen, betrekkingen en hoedanigheden zelf nader omschrijven kunnen: het buitengewoon heldere betoog van dezen geleerde overtuigde mij volkomen. (Zie over de abstracte zelfst. naamw. verder: Aanteekening VI hierachter.)
§ 131. Zelfstandige naamwoorden noemen de namen der zelfstandigheden: de kast staat bij de tafel.
't Is echter niet altijd noodig, een zelfstandigheid bepaald bij haar naam te noemen; soms is een zwakkere aanduiding reeds voldoende.
Hoe kunnen wij echter een zelfstandigheid aanduiden, als wij haar naam niet noemen willen? Door er een hoedanigheid, b ij zonde rheid of werking van aan te geven.
Onder zelfstandig gebruikte woorden verstaan wij zulke, die zelfstandigheden aanduiden, door er een hoedanigheid, bijzonderheid of werking van te vermelden.
Duidelijk blijkt het wezen van zelfst. gebruikte woorden uit een zin als den volgenden:
Een klooster voor dezen zesenvijftigjarige; een rozekrans voor de hand, die den keizersstaf droeg â âijdelheid der ijdelhedenquot; â de rustelooze hijgt naar rust. (Potgieter; Het Rijks-mnseum).
Hier duidt Potgieter Karei V eerst door het woord z e s e n v ij f t i g-jarige, later door het woord rustelooze aan. Het eerste woord duidt den beroemden keizer aan, door de bijzonderheid te vermelden, dat hij 56 jaar was, toen hij afstand deed van de regeering; het tweede (rustelooze) duidt hem aan, door een zijner kenmerkende eigenschappen te noemen.
Verdere voorbeelden; ik (de aanduiding van den spreker), gij, hij, zij, Napoleon en de zijnen, het onderste uit de kan icillen hebben; Zalig zijn de treurendrn! (hier worden personen aangeduid door een hoedanigheid van ze te vermelden, die bestaat in het verrichten van een werking); de klepel heeft al vijf geluid (waarin vijf een zelfstandig gebruikt telwoord is); ieder was op zijn post.
Welke zelfstandigheid door eenig zelfstandig gebruikt woord aangeduid wordt, hangt deels af van het spraakgebruik, deels van het verband, waarin het in een zin voorkomt. Zoo wil het spraakgebruik, dat in: velen stonden aan het
82
strand; ieder ivas op zijn post de woorden velen cn ieder personen aanduiden. In: Het is andermaal Miereveldt, die den voortreffelijke heeft vereeuwigd (Potgieter, Rijks-museum) kan niemand alleen uit de beteekenis van het woord voortreffelijke opmaken, wie er door dit woord aangeduid wordt; uit het verband, waarin het voorkomt, blijkt echter, dat Frederik Hendrik bedoeld wordt. Evenzoo volgt in: inv zuster is uitgegaan, maar de mijne is thuisgebleven; de klepel heeft al vijf geluid uit het geheele zinsverband, waarin mijne en vijf voorkomen, dat zij achtereenvolgens de zelfstandigheid zuster en uur aanduiden. Vergel. nog: iets in vieren vouwen; het is bij vieren.
§ 132. Samenvatting. Uit al het voorgaande volgt, dat wij de woorden, uitsluitend lettende op hun beteekenis, kunnen verdeelen in 5 groepen:
a. zelfstandige naamwoorden. Dit zijn de namen v. zelfstandigheden.
b. werkwoorden. Dit zijn de namen v. werkingen.
c. betrekkingswoorden. Zij benoemen betrekkingsbegrippen. (in, op. ofschoon, opdat).
d. hoedanigheids woorden. Zij benoemen hoedanigheids-begrippen. (goed, slecht, een, drie, mijn, de, enz.).
e. zelfstandig gebruikte woorden. Zij duiden zelfstandigheden aan, in tegenstelling met de zelfst. naamw.. die ze noemen.
§ 133. In § 128 hebben wij echter gezien, dat wij bij de verdeeling der woorden niet uitsluitend letten op hun beteekenis, maar somwijlen ook op hun dienst.
Zoo verdeelen wij de betrekkingswoorden naar den dienst in voorzetsels en voegwoorden. Voorzetsels drukken een betrekking uit tusschen twee begrippen; voegwoorden tusschen twee zinnen. Het verschil tusschen voorzetsels en voegwoorden bestaat dus niet in een verschil in beteekenis, maar in een verschil in dienst tusschen die woorden. Zoo heeft voor in: Jan gaat uit voor zonsopgang geheel dezelfde beteekenis als voor in: Jan gaat uit, voor de zon opkomt. Het eerste voor is echter een voorzetsel, omdat het dient, om een betrekking tusschen twee begrippen (gaat uit en zonsopgang) te benoemen; het tweede voor is een voegwoord, omdat het dient, om een betrekking tusschen twee zinnen uit te drukken. Zoo heeft ondanks in: ik ga uit ondanks den regen geheel dezelfde
83
beteekenis als ofschoon in: ik ga uit, ofschoon het regent. Beide drukken zij toch een betrekking van toegeving uit. Daar ondanks die betrekking echter uitdrukt tusschen twee begrippen (ga uit en regen), is het een voorzetsel; daar ofschoon die betrekking uitdrukt tusschen twee zinnen, is het een voegwoord. Tevens is ons nu duidelijk geworden, waar om zoovele voorzetsels als ongemerkt voegwoorden kunnen zijn gaan worden: hun beteekenis bleef dezelfde; zij werden alleen in een eenigszins anderen dienst aangewend.
§ 184. Evenzoo worden de hoedanig heidswoor den naar den dienst verdeeld in: A. b ij v o e g 1 ij k e woorden en B. b ij w o o r d e n.
A. Een hoedanigheids woord is een b ij v o e g 1 ij k woord, als het een hoedanigheid of bijzonderheid van een zelfstandigheid noemt: een goede jongen, een helder betoog, de vrouw, een kind, het huis, mijn broer, me zuster, dit vertrek, dat huis, dezelfde man, het tweede huis, drie tafels, het stervende kind, een gebroken kopje. (Let op de voorbeelden!)
B. een hoedanigheidswoord is een bijwoord, als.het een hoedanigheid of bijzonderheid noemt:
a. van een werking. Jan schrijft goed, slecht. Uic zuster zong gisteren. Gij schreeft hier. I)e jongen kwam laat.
b. van een hoedanigheid. Een zeer goed kind. Een hoogst treurige geschiedenis. Dit kind is pas dertien jaar (hierin bepaalt pas het begrip dertien).
c. van een betrekkingsbegrip. (Zie de toelichting bij §129). Uw broer zat vlak naast mijne tante.
§ 185. De groote groep der bijvoeglijke woorden, waartoe woorden van zeer verscheiden beteekenis behooren, wordt daarom weer in tal van ondergroepen verdeeld.
In de eerste plaats splitst men ze (naar de beteekenis) al dadelijk in twee hoofdgroepen:
A. De eerste groep bestaat uit die bijvoegl. woorden, welke hoedanigheden noemen, die een zelfstandigheid niet kan verkrijgen of verliezen, zonderdat er een verandering in plaatsgrijpt: groot, klein, rond, gezond, ziek, blauw. Zoo kan een ronde tafel niet een vierkante tafel worden, zonderdat de tafel zelf veranderd wordt; een goede jongen kan geen slechte iongen worden en tevens geheel dezelfde blijven.
Woorden, die dergelijke hoedanigheden benoemen, heeten
84
bijvoeglijke naamwoorden: groot, klein, cjoed slecht, rond, rood, bruin, enz.
B. De tweede groep bestaat uit die bijvoegl. woorden, welke bijzonderheden noemen, die een zelfstandigheid best kan verkrijgen ot verliezen, zonderdat er een verandering in plaatsgrijpt: mijn huis, uw boek, deze boom, die muur, de man, het kind, een vrouw, het tweede boek, drie hoeken, het spelende kind, een huilend knaapje, een gevonden boek, een verloren doekspeld.
Mijn boek kan uw boek worden, zonderdat er aan het boek zelf iets veranderd behoeft te worden; dit huis wordt dat huis, als ik eenige passen achteruitloop, maar het huis zelf verandert niet; een doekspeld, die iemand verliest, is een verloren doekspeld geworden, maar de doekspeld bleef onveranderd dezelfde van vroeger.
De woorden van deze tweede groep worden naar de beteekenis weer onderverdeeld in:
1. lid woorden: rfe man, het kind, een vrouw.
2. telwoorden: drie huizen, het vierde huis, menig kind.
3. deelwoorden: M spelende kind, een gestolen horloge.
4. voornaamwoorden: mijn huis, dit huis, dezelfde jongen.
Daar de b ij v o e g 1 ij k e naamwoorden hoedanigheden
noemen, die de zelfstandigheden niet kunnen verliezen, zonder zelf te veranderen, daarom zijn de kenmerken, door de bijv. naamw. uitgedrukt, gewoonlijk ook van meer b 1 ij v e n d e n aard dan die, welke door de andere hoedanigheidswoorden benoemd worden. Sommige woorden brengen wij dan ook tot de bijvoeglijke naamwoorden, juist omdat zij kenmerken van vrij blij venden aard beteekenen. Zoo kan een duur boek een goedkoop boek worden, als de uitgever den prijs van het boek wat lager gaat stellen, terwijl het boek toch hetzelfde blijft van vroeger. Aangezien een koopman echter iets, wat duur is, gewoonlijk maar niet zoo spoedig goedkoop van de hand gaat zetten, daarom wellicht heeft men duur en goedkoop maar tot de bijvoegl. naamw. gerekend. Trouwens, hoe scherp men het wezen van zekere woordsoort tracht te omschrijven, er zullen altijd wel eenige woorden zijn, die ieder tot die woordsoort rekent en welke toch slechts ten halve aan de definitie voldoen.
§ 136. Het is van het uiterste gewicht, goed op te merken, dat goed in: Jan antivoordt goed volmaakt dezelfde beteekenis heeft als goed in: Jan geeft een goed antwoord. Toch noemen wij het eerste goed een bijwoord en het tweede goed een bijvoeglijk naamwoord. Het verschil tusschen bijwoorden
en bijvoegl. naamw. berust dus niet op een verschil inbeteekenis (beide noemen ze hoedanigheidsbegrippen); maar op een verschil in dienst. Bijvoegl. naamw. dienen ter bepaling van een zelfstandigheid; bijwoorden dienen ter bepaling van een werking, hoedanigheid of betrekking.
Zoo beteekent voorwaarts in; hei leger trok voorwaarts geheel hetzelfde als voorwaartsch in: het leger maakte een voorioaartsche beweging. Het eerste woord is echter een bijwoord, omdat het een werking bepaalt; het tweede een bijv. naamwoord, omdat het dient ter bepaling van een zelfstandigheid. Door waarneming en nadenken hebben wij het begrip goed leeren vormen. De hoedanigheid, waaraan wij bij het uitspreken of hooren van het woord denken, dat is de bet eekenis van het woord; kennen wij die hoedanigheid toe aan een zelfstandigheid, dient het dus ter bepaling van een zelfstandigheid, dan is het een bijvoegl. naamw.; kennen wij die hoedanigheid toe aan een werking, betrekking of hoedanigheid, dient het dus ter bepaling van een niet-zelfstandigheidsbegrip, dan is het een bijwoord. Letten wij uitsluitend op de be teekenis, dan is goed een hoedanigheidswoord; om te weten, of het een bijvoeglijk naamw., dan wel een bijwoord is, moeten wij daarenboven nog letten op den dienst.
Evenzoo is voor naar debeteekenis een betrekkingswoord; om uit De maken, of het een voorzetsel, dan wel een voegwoord is, moeten wij daarenboven nog letten op den dienst, dien het in een bepaald geval verricht.
§ 137. Samenvatting. Op grond van al het bovenstaande krijgen wij dus de volgende verdeeling der woorden:
A. Zelfstandige naamwoorden. Q-rondslag: Beteeken is.
B. Werkwooeden. Grondslag: Beteekenis.
C. Betrekkingswoorden. Grondslag (totdusverre); Beteekenis.
Naar den dienst kunnen deze betrekkingswoorden weer
verdeeld worden in:
a. voorzetsels, (drukken betrekkingen uit tusschen twee begrippen).
b. voegwoorden, (drukken betrekkingen uit tusschen twee z i n n e n).
De onderscheiding van voorzetsels en voegwoorden berust dus beide op beteekenis en dienst dezer woorden.
D. Hoedanigheidswoorden. Grondslag (tot dusverre): Beteekenis.
8fi
Deze hoedanigheidswoorden kunnen naar den dienst weer verdeeld worden in:
a. bijvoeglijke woorden, (deze noemen kenmerken van zelfstandigheden).
b. bijwoorden, (deze noemen kenmerken van niet-zelfstandig-heidsbegrippen).
Naar de beteekenis worden do bijvoegl. woorden weer verdeeld in twee hoofdgroepen;
a. die der bijvoegl. naamwoorden. Deze noemen hoedanigheden, die een zelfstandigheid niet kan verkrijgen of verliezen, zonderdat er een verandering in plaatsgrijpt.
b. die der overige hoedanigheidswoorden. Deze worden mede naar de beteekenis weer onderverdeeld in: 1. lidwoorden; 2. deelwoorden; 3. telwoorden; 4. voornaamwoorden.
E. De zelfstandig gebruikte woorden. Zij duiden zelfstandigheden aan, in tegenstelling met de zelfst. naamw., die ze noemen.
De tusschenwerpsels (Ach, O! enz.) zijn geen woorden, daar zij geen namen van voorstell. of' begrippen zijn.
§ 138. Ofschoon de beteekenis en de dienst der woorden ongetwijfeld de hoofd grondslagen zijn van ons stelsel van verdeeling der woorden, zoo zijn er toch bij wijze van uitzondering enkele woorden, bij welke wij meer letten op hun v o r m i n g, dan op hun beteekenis.
Zoo noemen wij huidig in: de huidige zienswijze een bijv. naamw., ofschoon dit woord eigenlijk niet beantwoordt aan de definitie, die wij van deze woordsoort gegeven hebben. Een huidige zienswijze wordt toch in later tijd een voormalige zienswijze, zonderdat die zienswijze zelf eenigszins veranderd is. Wij rekenen dit woord echter tot de bijv. naamw. op grond van zijn vorming; ig ' toch is een achtervoegsel, dat veel bijv. naamw. vormt (koppig, droevig, hegeerig e. a,). In hetzelfde geval verkeeren: voormalig, toenmalig, e. a.
Enkele woorden op sch worden ook op grond van hun vorming tot de bijv. naamw. gerekend: de hedendctagsche mode; een Amsterdamsch professor. â Zoo rekenen wij voorste, achterste, bovenste tot de bijv. naamw., omdat zij, als waren zij echte bijv. naamw., in den overtreffenden trap voorkomen.
Het woord ander, bijvoogl. gebruikt, is rangschikkeud telwoord of b ij v o e g 1 ij k naamwoord.
Rangschikkend telwoord is het naar zijn beteekenis; om den anderen dag = om den tweeden da;]. (Verg. ander daag sche koorts; andermaal). Bijvoegl naamw. noemt men het in sommige gevallen naar zijn vorming: andere menschen; dit is andere kost. Men rekent het dan tot de bijvoegl. naamw., omdat ander (met ingelaschte d) de vergroot end e trap is van een oud an; naaide beteekenis is ander echter in deze gevallen geen bijvoegl. naamw.; andere menschen kunnen toch dezelfde menschen worden, zonderdat zij eenigszins behoeven te veranderen.
§ 139. Het aantal woorden is in den loop der tijden groot, zeer groot geworden, en neemt nog voortdurend toe; terwijl ons stelsel van verdeeling der woorden oud, overoud is.
De vraag rijst, of alle woorden nog wel behooren tot een van de groepen, waarin wij de woorden plegen te verdoelen; of er ook sommige zijn, die aan onze indeeling ontsnappen?
Naar mijn meening moet een woord altijd tot één van de vijf groepen gebracht kunnen worden, waarin wij ze in § 182 verdeeld hebben. Een woord moet m. i. noodzakelijkerwijze zijn of de naam, of de aanduiding eener zelfstandigheid, of de naam van een werking, betrekking of hoedanigheid.
Wel echter zijn er nu reeds verscheidene woorden en zullen er in de toekomst ongetwijfeld nog meer komen, die n i e t tot een van de ondergroepen gebracht kunnen worden, waarin wij die vijf hoofdgroepen weer verdeelen.
In; Zijn pochen op hetgeen zijn voorouders gedaan hebben, vind ik onuitstaanbaar is op ongetwijfeld een betrekkingswoord, maar 't is noch een voorzetsel, noch een voegwoord, daar quot;t noch een betrekking tusschen twee begrippen, noch eene tusschen twee zinnen, maar een betrekking tusschen een begrip (zijn pochen) en een zin uitdrukt. (Zie voor dergelijke voorbeelden § 61 en § 68.). Gewoonlijk noemt men het betrekkingswoord in dergelijke zinnen een voorzetsel; met even veel (of liever met even weinig) recht zou men het een voegwoord kunnen noemen.
In: de baas zelf heeft mij geholpen; hij alleen heeft het gedaan zijn zelf en alleen ongetwijteld hoedanigheidswoorden en meer bepaald geven zij een hoedanigheid te kennen, die een zelfstandigheid best kan krijgen of verliezen, zonderdat die eenigszins behoeft te veranderen. Zij behooren echter niet tot
88
een van de ondergroepen, waarin wij de hoedanigheidswoorden van groep B verdeeld hebben. (Zie § 135).
In: de juffrouw boven, de winkelier hiernaast, een toeë deur, het ver-affe getingel der trams zijn de gespatieerde zins deelen zonder twijfel bijvoeglijke hoedanigheidswoorden, maar ze ontsnappen in zooverre aan onze indeeling, als ze noch bijvoegl. naamw., noch lidwoorden, telwoorden, deelwoorden of voornaamwoorden zijn. In geen geval mag men â wat zoo vaak-gebeurt â hoven en hiernaast bijwoorden noemen; immers, ze bepalen hier een zelfstandigheid (juffrouw, winkelier) en geen werking, hoedanigheid of betrekking, 't Zijn bijvoegl. hoedanigheidswoorden; meer kan men er niet van zeggen.
§ 140. Wij hebben zoo uitvoerig uitgewijd over de grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden, omdat een scherp in-'t-oog-vatten van die grondslagen een volstrekt noodzakelijke voorwaarde is, om de samenstelling van het gebouw, op die grondslagen opgetrokken, goed te begrijpen.
Maar ââ zal men wellicht vragen â is dan dat heele stelsel van verdeeling der woorden wel iets zoo belangrijks, dat het van zooveel gewicht kan wezen, het goed te doorschouwen, het volkomen te vatten?
Het zij mij vergund, tot slot deze vraag nog kort te beantwoorden.
De mensch is het denkende wezen bij uitnemendheid. Ieder, die waarlijk deu naam van mensch verdient, heeft behoefte, om iets te onderzoeken, iets te doorvorschen. De een wil den loop en den bouw dier hemellichamen kennen, welke op vaak oneindigen afstand door het luchtruim jagen; een ander wil weten, wat daar groeit en bloeit, leeft en sterft in de donkerste diepten van den oceaan; een derde maakt de taal tot voorwerp van zijn studie; de taal, het middel waardoor de mensch, de denker, uit, wat er in zijn ziel is omgegaan.
Bij zijn onderzoek komt de taalvorscher onder meer te staan voor dien talloozen zwerm van woorden. Hoe zal hij ze echter bestudeeren, zoolang ze daar om hem heen dwarrelen in bonte mengeling, duizendtallen bij duizendtallenquot;?
Klaarblijkelijk moet hij ze zien te vangen, ze verdoelen in groepen en ondergroepen en eerst dan, als allen â om zoo te zeggen â hun plaats, hun hokje is aangewezen, eerst dan kan hij ze aan een nauwgezet onderzoek onderwerpen, woord voor woord, en groep bij groep.
89
Maar volgens welken maatstaf zal hij ze Indeelen?
Zal hij letten op bijkomstigheden als hun lengte en ze indeelen in een-, twee- of meerlettergrepige woorden; of op hun herkomst, en ze splitsen in grondwoorden, afgeleide en samengestelde woorden?
Neen; toen de taalvorschers het door ons besproken stelsel van indeeling der woorden ontwierpen, hebben ze niet gelet op deze en dergelijke bijzaken; maar op wat bij woorden hoofdzaken zijn: bij alle op de beteekenis; bij vele daarenboven nog op den dienst; den dienst, vaak in onscheidbaar verband met de beteekenis staande en daar regelrecht uit voortvloeiende.
Zie, een stelsel van indeeling der woorden was noodzakelijk; wie onzer, die zin voor stelselmatigheid, zin voor methode heeft, bewondert niet de genialiteit van dien greep?
Ons stelsel van indeeling der woorden berust op uitstekende grondslagen en is daarom waard gekend en â waar dit noodig is â met zorg en liefde verbeterd te worden.
B. Nadere bijzonderheden omtrent de verschillende rededeelen.
a. Zelfstandige Naamwoorden.
§ 141. Zelfstandige naamwoorden zijn zoowel de namen van zelfstandigheden, die uit stof bestaan, als de namen van die hoedanigheden, werkingen en betrekkingen, waarover wij spreken, alsof het stoffelijke zelfstandigheden waren:man,paard, bosch, goedheid, vlucht. (Zie § 130).
§ 142. De zelfst. naamw. worden verdeeld in concrete en abstracte zelfst. naamwoorden. (Zie § 130).
Concrete zelfst. naamw. zijn de namen van zelfstandigheden, die uit stof bestaan: mensch, plant, herg.
Abstracte zelfst. naamw. zijn de namen van hoedanigheden, werkingen en betrekkingen, die als stoffelijke zelfstandigheden worden voorgesteld: stap, gang, duisternis.
Tot de concrete zelfst. naamw kan men ook rekenen de namen van die goddelijke en mythische wezens, welke naar de opvatting der menschen uit stof bestaan of bestaan hebben: Zeus. Jupiter, nimf. duivel.
een van de ondergroepen, waarin wij de lioedanigheidswoorden van groep B verdeeld hebben. (Zie § 135).
In: de juffrouw boven, de winkelier hiernaast, een toeë deur, het ver-affe getingel der trams zijn de gespatieerde zins dealen zonder twijfel bijvoeglijke hoedanigheidswoorden, maar ze ontsnappen in zooverre aan onze indeeling, als ze noch bijvoegl. naamw., noch lidwoorden, telwoorden, deelwoorden of voornaamwoorden zijn. In geen geval mag men â wat zoo vaak gebeurt â boven en hiernaast bijwoorden noemen; immers, ze bepalen hier een zelfstandigheid (juffrouw, winkelier) en geen werking, hoedanigheid of betrekking, 't Zijn bijvoegl. hoedanigheidswoorden; meer kan men er niet van zeggen.
§140. Wij hebben zoo uitvoerig uitgewijd over de grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden, omdat een scherp in-'t-oog-vatten van die grondslagen een volstrekt noodzakelijke voorwaarde is, om de samenstelling van het gebouw, op die grondslagen opgetrokken, goed te begrijpen.
Maar ââ zal men wellicht vragen â is dan dat heele stelsel van verdeeling der woorden wel iets zoo belangrijks, dat het van zooveel gewicht kan wezen, het goed te doorschouwen, het volkomen te vatten?
Het zij mij vergund, tot slot deze vraag nog kort te beantwoorden.
De mensch is het denkende wezen bij uitnemendheid. Ieder, die waarlijk den naam van mensch verdient, heeft behoefte, om iets te onderzoeken, iets te doorvorschen. De een wil den 'loop en den bouw dier hemellichamen kennen, welke op vaak oneindigen afstand door het luchtruim jagen; een ander wil weten, wat daar groeit en bloeit, leeft en sterft in de donkerste diepten vaa den oceaan; een derde maakt de taal tot voorwerp van zijn studie; de taal, het middel waardoor de mensch, de denker, uit, wat er in zijn ziel is omgegaan.
Bij zijn onderzoek komt de taalvorscher onder meer te staan voor dien talloozen zwerm van woorden. Hoe zal hij ze echter bestudeeren, zoolang ze daar om hem heen dwarrelen in bonte mengeling, duizendtallen bij duizendtallen9
Klaarblijkelijk moet hij ze zien te vangen, ze verdeelen in groepen en ondergroepen en eerst dan, als allen â om zoo te zeggen â hun plaats, hun hokje is aangewezen, eerst dan kan hij ze aan een nauwgezet onderzoek onderwerpen, woord voor woord, en groep bij groep.
89
Maar volgens welken maatstaf zal hij ze Indeelen?
Zal hij letten op bijkomstigheden als hun lengte en ze indeelen in een-, twee- of meerlettergrepige woorden; of op hun herkomst, en ze splitsen in grondwoorden, afgeleide en samengestelde woorden?
Neen; toen de taalvorschers het door ons besproken stelsel van indeeling der wooiden ontwierpen, hebben ze niet gelet op deze en dergelijke bijzaken; maar op wat bij woorden hoofdzaken zijn: bij alle op de beteekenis; bij vele daarenboven nog op den dienst; den dienst, vaak in onscheidbaar verband met de beteekenis staande en daar regelrecht uit voortvloeiende.
Zie, een stelsel van indeeling der woorden was noodzakelijk; wie onzer, die zin voor stelselmatigheid, zin voor methode heeft, bewondert niet de genialiteit van dien greep?
Ons stelsel van indeeling der woorden berust op uitstekende grondslagen en is daarom waard gekend en â â waar dit noodig is â met zorg en liefde verbeterd te worden.
B. Nadere bijzonderheden omtrent de verschillende rededeelen.
a. Zelfstandige Naamwoorden.
§ 141. Zelfstandige naamwoorden zijn zoowel de namen van zelfstandigheden, die uit stof bestaan, als de namen van die hoedanigheden, werkingen en betrekkingen, waarover wij spreken, alsof het stoffelijke zelfstandigheden waren: man,paard, bosch, goedheid, vlucht. (Zie § 130).
§ 142. De zelfst. naamw. worden verdeeld in concrete en abstracte zelfst. naamwoorden. (Zie § 130).
Concrete zelfst. naamw. zijn de namen van zelfstandigheden, die uit stof bestaan: mensch, plant, berg.
Abstracte zelfst. naamw. zijn de namen van hoedanigheden, werkingen en betrekkingen, die als stoffelijke zelfstandigheden worden voorgesteld: stap, gang, duisternis.
Tot de concrete zelfst. naamw kan men ook rekenen de namen van die goddelijke en mythische wezens, welke naar de opvatting der menschen uit stof bestaan of bestaan hebben: Zeus, Jupiter, nimf. duivel.
90
§ 143. De concrete zelfst. naamw. worden verdeeld ia twee hoofdgroepen; a. de voorwerpsnamen en h. de stofnamen.
Voorwerpsnamen zijn de namen van die zelfstandigheden, welke binnen bepaalde grenzen besloten zijn: huis, kind, hosch, schoof.
Stofnamen zijn de namen van die zelfstandigheden, welke niet binnen bepaalde grenzen hesloten zijn: goud, zilver, kurk,gevogelte, geboomte, gebloemte, wild {ik houd ceel van ivild), fruit (hij handelt in fruit).
§ 144. De voorwerpsnamen worden weer verdeeld in: a. verzamelnamen en h. niet-verzamelnamen.
Verzamelnamen zijn zulke voorwerpsnamen, die reeds in 't enkelvoud ons aan een aantal gelijksoortige zelfstandigheden doen denken: hosch (aantal boomen), leger, schoof, looud, kudde.
Niet-verzamelnamen zijn dan zulke voorwerpsnamen, waarbij zulks niet het geval is: huis, kamer.
§ 145. Ook de stofnamen worden verdeeld in verzamelnamen en niet-verzamelnamen.
Verzamelnamen zijn hier zulke stofnamen, die ons aan een aantal gelijksoortige zelfstandigheden doen denken: ivild, fruit, geboomte, gevogelte, gebloemte.
Niet-verzamelnamen zijn zulke stofnamen, waarbij zulks niet het geval is: goud, zilver, ijzer.
De verzamelnamen zij n dus ten deele voorwerpsnamen, ten deele stofnamen; en men mag de zelfst. naamw. du? niet â gelijk zoo vaak geschiedt â verdeelen in: a. voorwerpsnamen; b. stofnamen; c, verzamelnamen.
§ 146. De voorwerpsnamen worden naar een geheel anderen maatstaf ook verdeeld in: a. soortnamen en b.eigennamen.
Soortnamen zij n namen, welke alle zelfstandigheden eener zelfde soort met elkaar gemeen hebben: tuin, mensch, straat.
Een eigennaam is een naam, die aan een voorwerp gegeven wordt, om het te onderscheiden van andere voorwerpen van dezelfde soort; Jan, Plet, Jansen, de Wolga, Haarlem.
De namen van volken zijn ook soortnamen, daar zij aan een groot aantal menschen van eenzelfde soort gegeven worden; Hollanders, Duitschers, een Spanjaard, een Franschman.
Daarentegen zijn namen van gebergten en eilandengroepen, die steeds in 't meervoud voorkomen, voor ons taalgevoel eigennamen; de Alpen, de Pyreneën, de Antillen, de Balearen. In vroeger tijd, toen het enkelvoud van die woorden
91
nog in gebruik was, waren hot soortnamen. Immers men voelde toen duidelijk, dat het namen waren voor gebergten en eilanden van een bepaalde soort en wel van die soort, als dooide beteekenis van het enkelvoud van zulk een woord werd aangewezen.
§ 137. De abstracte zelfst. naamw. worden verdeeld in:
«. namen van hoedanigheden of b ij zon der heden: lijdzaamheid, dronkenschap, een menigte hoeken.
b. namen van werkingen: gang, dans, wandeling.
c. namen van betrekkingen: Wat heb ik met al die âmarenquot; te maken'. (Zie verder § 130).
§ 148. Eenzelfde verdeeling, als wij in § 143 ontworpen hebben voor de concrete zelfst. naamw., kan ook op de abstracte zelfst. naamw. toegepast worden.
Er zijn namelijk abstracte zelfstandigheden, waarover men spreekt, alsof zij evenals stoffelijke voorwerpen binnen bepaalde grenzen besloten zijn. Zoo spreekt men van: een ziekte, een wandeling, een hevige koorts, een groote ondeugd, een zware straf, een trap, een val, een genoegen. De namen van die abstracte zelfstandigheden komen dus overeen mee de voorwerpsnamen bij de concrete substantieven en zulke abstracte zelfst. naamw. kunnen evenals de voorwerwerpsnamen in het meervoud voorkomen: een ziekte â ziekten; een hevige koorts â hevige koortsen-, enz.
Over andere abstracte zelfstandigheden spreekt men daarentegen, alsof zij niet binnen bepaalde grenzen besloten zijn: Deugd verheugt. Eer is teer. Hij vocht met wanhoop. Gezondheid is de grootste schat. Vrees is een slechte raadgeefster. De namen van zulke abstracte zelfstandigheden komen overeen met de stofnamen bij de concrete substantieven en van zulke abstracte zelfst. naamw. is evenals van aile stofnamen geen meervoud mogelijk: eer is teer, kan b.v. niet in het meerv. gebracht worden.
Opmerking verdient echter, dat sommige abstr. substantieven beurtelings tot de eene of tot de andere groep kunnen behooren. Zoo behoort gebrek in: hij heeft een leeljk gebrek tot de eerste groep en in; hij heeft voortdurend met kommer en gebrek te kampen tot de tweede. Verge], voorts: ziekte naast een ziekte; ondeugd naast een ondeugd; genoegen naast een genoegen. Daarentegen behooren b.v. lijdzaamheid, wanhoop, spot, e. a. altijd tot de abstr. zelfst. naamw. van de tweede soort en kunnen dus nooit in 't meervoud voorkomen.
92
§ 149. Wanneer zelfst. naamw. in verschillende beteekenis voorkomen, kunnen zij in de eene beteekenis tot de eene afdeeling, in een andere beteekenis tot een andere groep van de zelfst. naamw. behooren.
Zoo kunnen b.v. eigennamen als soortnamen voorkomen: de Bourbons, de Oranjes, de Shakespeares (schrijvers als Sh.) zijn zeldzaam; een Rembrandt, een Napoleon, een Bismarck (mannen als E., N., B.); een Rembrandt, een Jan Steen (schilderij van R.; van J. St.).
Zoo kan een stofnaam de beteekenis van een voorwerpsnaam aannemen: een glas, een steen, een kurk. Omgekeerd wordt een voorwerpsnaam soms een stofnaam: Wij stoken's winters turf; hij houdt veel van visch.
Heel dikwijls krijgt een abstract substantief een concrete beteekenis: de gang van een huis, een trap, een val, Zijne Majesteit, Zijne Hoogheid; Piet is een ondeugd; de jeugd (verzamelnaam); hij luistert eerbiedig, waar grijsheid (verzamelnaam) spreekt.
b. Bijvoeglijke Naamwoorden.
§ 150. Bijvoeglijke naamwoorden noemen zulke hoedanigheden, die een zelfstandigheid niet kan verkrijgen of verliezen, zonderdat er een verandering in plaatsgrijpt: een ronde tafel, het hoog e huis. De stoffelijke bijv. naamw. noemen zelfs een eigenschap, die de zelfstandigheid niet kan verliezen, zonder tevens zelf vernietigd te worden: een steenen muur; een duffelsche jas.
De beteekenis der bijv. naamw. is dus, dat zij hoedanigheden van een bepaalde soort uitdrukken; hun dienst is, dat zij die hoedanigheid noemen van een zelfstandigheid en niet b.v. van een werking. (Zie § 136).
§ 151. De volgende groepen van woorden rekent men mede tot de bijv. naamw., omdat zij op dezelfde wijze als deze gevormd of verbogen worden. (Zie § 133):
a. bijvoeg], woorden, die een plaats, een tijd of een richting uitdrukken: de bovenste verdieping; de hedendaagsche mode; een achtcr-waarlsohe, een schuinsehe beweging.
b. bijvoegl. woorden op er, die met plaatsnamen samenhangen: De Haarlemmer hout. Deventer koek.
e. de bijvoeg], woorden, die de wijze eener werking uitdrukken: een mondeling examen; een trapsgewijze opklimming.
d. de bijv. woorden, die den persoon te kennen geven, die in eenigerlei betrekking tot de zelfstandigheid staat: De Siegenbeeksehe spelling; Catsiaansche breedsprakigheid; de Mozaïsche wetgeving.
I
93
§ 152. De bijv. naamw. kunnen attributief en praedi-catief gebruikt worden.
§ 153. Een bijv. naamw. is attributief gebruikt, wanneer de hoedanigheid zoodanig aan de zelfstandigheid toegekend wordt, dat het net is, alsof wij die hoedanigheid en al lang aan hadden waargenomen. In dit geval maakt de hoedanigheid een deel uit van de voorstelling, die wij ons van de zelfstandigheid gevormd hebben; een roode roos, mijn oude vader, dit blinde kind, Karei de Stoute.
Het attributief gebruikte adjectief staat gewoonlijk vlak vóór het bepaalde woord; het hooge huis. In meer verheven stijl wordt het er soms door een ander woord van gescheiden: heel het land; gansch uw hoop.
In vroeger tijd stond het ook vaak achter het bepaalde woord. Zoo zei men in de middeleeuwen: een hond sterk ende groot; die bloeme scone. Tegenwoordig komt dit alleen voor bij eigennamen (Karei de Stoute; Frederik de Wijze) en in enkele vaste verbindingen als: jongelief, meisjelief, de Staten-Generaal, de procureur-generaal, de SpiegJiel-IIistoriael. Voorts zijn beknopte bijv. afh. zinnen vaak niet anders dan adjectieven, die achter het bepaalde woord staan: her gen, sterrenhoog; meren, oeverloos; een kindje, krank en teer.
§ 154. Een bijvoegl. naamw. is praedicatief gebruikt, wanneer de hoedanigheid zoodanig toegekend wordt, dat het net is, alsof wij de hoedanigheid er voor het eerst aan opmerken. In dit geval maakt de hoedanigheid geen deel uit van de voorstelling, die wij ons van de zelfstandigheid gevormd hadden. Die roos is rood. Vader ziet bleek. Hij schreeuwt zijn keel schor. Jong verliet hij het vaderland.
§ 155. Uitsluitend attributief komen voor: a. de stoffelijk bijv. naamwoorden; b. de in § 151 genoemde groepen van adjectieven; c. enkele bijv. naamw., die niet tot een bepaalde groep vereenigd kunnen worden. Tot deze laatste behooren onder meer: roerend goed, onroerend goed, de vallende ziekte, brekende waar, ijlende koorts, een zittend leven.
§ 156. Uitsluitend praedicatief komen o.sl. vooï: beducht, behept, benieuivd, bestand, braak, deelachtig, gedachtig, gewend, handgemeen, indachtig, kwijt, meester, onwel, tuk, wars; dit land ligt braak; zij raakten handgemeen; wees mijn woorden indachtig; dit kind werd onwel.
Opgemerkt dient echter te worden, dat dergelijke bijv. naamw.
94
met het koppelwerkwoord van den zin voor ons taalgevoel althans voor het mijne â een samenstelling zijn gaan vormen. Zoo zijn: braak liggen; onwel zijn; ivars zijn; voor ons niets anders dan samenstellingen. (Verg. § 336).
§ 157. Sommige bijv. naamw., die verschillende beteekenissen hebben, kunnen in de eene beteekenis uitsluitend praedicatief gebruikt worden, terwijl zij in een andere opvatting ook wel attributief kunnen voorkomen: ik was op die tegenwerping niet bedacht {de bedachte middelen); ik ben gereed (gereedepenningen); ik ben besloten, toe te geven (een besloten vergadering); ik ben gewoon 's morgens vroeg op te staan (de gewone uitvluchten).
c. De Lidwoorden.
158. De lidwoorden geven te kennen, dat de volgende zelfstandigheid binnen bepaalde grenzen besloten is. Hierbij kunnen zich twee gevallen voordoen:
a. de zelfstandigheid is inderdaad binnen bepaalde grenzen besloten: de man, een man, de kurk, een kurk, het huis, een glas, het glas.
b. de zelfstandigheid wordt slechts voorgesteld als binnen bepaalde grenzen besloten te zijn: de deugd wordt in dit tooneel-stuk beloond en de ondeugd gestraft; menschlievendheid is een schoone deugd; de koffie van dezen winkelier is goedkoop en goed: de melk van dien boer is aangelengd met water.
Een woord, waarvoor een lidwoord staat, is dus de naam van een voorwerp of van datgene, wat als eea voorwerp wordt voorgesteld.
§ 159. De lidwoorden worden verdeeld in: lidwoorden van bepaaldheid (de, het); en het lidwoord van onbepaaldheid (ee«). De eerste geven te kennen, dat de volgende zelfstandigheid een bepaalde, bekende zelfstandigheid is; het laatste geeft te kennen, dat de volgende zelfstandigheid een onbepaalde, onbekende of willekeurige zelfstandigheid is. Vergel. de vrouw van onzen schilder; het oudste zoontje van onzen melkboer; een vrouw is op straat van uitputting in elkander gezakt; geef mij even een oude courant.
§ ISO. Terwijl de bijv. naamw. een hoedanigheid noemen, die de zelfstandigheid niet kan verkrijgen of verliezen, zonderdat er een verandering in plaats grijpt, wijzen de lidwoorden op een bijzonderheid, die de zelfstandigheden zeer wel kunnen verkrijgen
95
of verliezen, zonderdat ze zelf behoeven te veranderen. (Zie § 135). Over een vrouw, waarover de een spreekt als de vrouw ran onzen melkboer zal straks een ander spreken als over een vrouw, die met melk loopt, terwijl die vrouw toch volkomen dezelfde van zoo even blijft.
§ 161. Iets over het gebruik van het lidwoord.
Een woord mist het lidwoord:
A. In enkele gevallen, waarin men het lidwoord van bepaaldheid zou kunnen gebruiken, maar waarin men dit weglaat, omdat het zóó duidelijk is, dat de zelfstandigheid bepaald is, dat men zulks niet uitdrukkelijk te kennen behoeft te geven.
Op dezen grond wordt het weggelaten;
a. in 't algemeen bij eigennamen: Jan, Tromp, Amsterdam. Zij krijgen echter het lidwoord, wanneer ze als soortnamen gebezigd worden: de Rembrandts zijn schaarsch; een Rembrandt; evenzoo als de eigennaam door een bijv. bepaling voorafgegaan of gevolgd wordt: de goede Willem; het Frankrijk van heden; de Zeus van Phidas; ten slotte, wanneer zij vroeger soortnamen waren en alleen in verbinding met het lidwoord van bepaaaldheid eigennamen geworden zijn: de Betuwe, den Haag, den Helder.
b. bij soortnamen en wel:
1. als zij aangesproken persoon zijn. Beste Vriend'. Waarde Neef'.
2. voor verwantschapsnamen, die het karakter van eigennamen aannemen. Vader komt. Oom is overleden. Zoo ook: Oom Jan is overleden.
3. voor titels, waarmee men iemand kan aanspreken. Dominé A. Burgemeester Dikkerdak. Professor B. Prins Maurits. Maar: de hoogleeraar B.
4. voor zelfst. naamw., voorafgegaan door een bijvoegl. bepal. in den genitief. Vaders pijp. 's Lands welvaren.
5. voor namen van plaatsen, wanneer de lezer of hoorder dadelijk begrijpt, welke plaats bedoeld wordt: naar school, naar stad, in bed, naai' zee. Men kan echter ook zeggen: naar de school; naar de stad.
B. Wanneer het woord geen voorwerpsnaam is en dus noch het lidwoord van bepaaldheid, noch dat van onbepaaldheid gebruikt zouden mogen worden. (Zie vooral § 158).
Op dien grond wordt het weggelaten:
a. voor stofnamen. Water is zwaarder dan olie. Wijn is een
96
gezonde drank. Wij rustten onder het lommer van eeuwenoud geboomte. Hij houdt veel van wild. Wordt de stof als een geheel opgevat, dan wordt het lidw. van bepaaldheid gebruikt, maar in dit geval woidt de in werkelijkheid onbegrensde stof als een begrensd geheel, als een voorwerp voorgesteld. Het goud is een edel metaal. Het water in deze gracht. De wijn van uw broeder. Het gedierte des velds. Het wild in deze bosschen. Als de stof met slechts als een voorwerp wordt voorgesteld, maar de stofnaam als de benaming van een werkelijk bestaand voorwerp gebruikt wordt, dan kan de stofnaam beide lidwoorden voor zich krijgen. een glas, het glas; een kurk, de kurk; de steen, een steen; het touw, eer, touw.
0. voor abstracte zelfst. naamw., die met stofnamen gelijK gesteld kunnen worden. (Verg. vooral § 148). Deugd verheugt. Trouw moet blijken. Twijfel doodt. Abstracte zelfst. naamw., die met voorwerpsnamen gelijk gesteld kunnen worden, kunnen het lidwoord van bepaaldheid of beide lidwoorden voor zich krijgen; het geduld van die vrouw is onuitputtelijk; de ziekte, een ziekte; het gebrek, een gebrek.
C. Wanneer het spraakgebruik het zoo wil. Zoo b.v.:
1. in vaststaande allitereerende uitdrukkingen. goed en bloed; huis en hof; met man en muis; kind noch kraai.
2. voor de woorden: gemeld, meergemeld, gezegd, bovengenoemd, verleden, e. a.; meergemelde vriend; bovengenoemde verhandeling.
d. Deelwoorden.
§ 162. Deelwoorden zijn hoedanigheidswoorden, die te kennen geven, dat een zelfstandigheid op een bepaald oogenblik een werking verricht; of ondergaan ot verricht heeft. Zoo geeft spelend in, ik zie in dit straatje eenige spelende kinderen te kennen, dat die kinderen op een bepaald oogenblik â en wel op het oogenblik, dat ik ze
z i e _ aan het spelen zijn. Misschien, dat zij een paar minuten
geleden niet speelden; misschien dat zij het over eenige minuten niet meer zullen doen, op het oogenblik, dat ik ze zie, verrichten ze echter de werking spelen wel en ook alleen voor dat oogenblik ken ik ze de hoedanigheid spelend toe.
Zoo geeft geslacht in: in den winkel hangt een geslacht varken te kennen, dat het varken op een bepaald oogenblik â
97
en wel op het oogenblik, dat het daar in den winkel hangt â de werking slachten ondergaan heeft.
In: op den grond liggen eenige afgevallen bladeren drukt afgevallen uit, dat de bladeren op een bepaald oogenblik â en wel op het oogenblik, dat zij op den grond liggen â de werking afvallen verricht hebben.
§ 163. Men noemt die woorden deelwoorden, omdat zij deels het karakter van bijvoeglijke woorden, deels dat van werkwoorden hebben. Ze zijn bijvoegl. woorden, voorzooverre zij een hoedanigheid of kenmerk van een zelfstandigheid uitdrukken; ze hebben iets van werkwoorden, voorzoo veel zij te kennen geven, dat een zelfstandigheid een werking verricht; of ondergaan of verricht heeft. Maar juist omdat de deelwoorden aldus een tweeslac htig karakter hebben, juist daarom voimen ze ook een afzonderlijke woordgroep en mogen ze maar niet zoo klakkeloos bij de bijvoegl. naamwoorden ingelijfd worden, gelijk veeltijds geschiedt.
Men onderscheidt de deelwoorden in tegenwoordige en verleden deelwoorden. Tegenwoordige deelwoorden zijn b.v. spelend, ivandelend, enz; verleden deelwoorden zijn; geslacht, afgevallen, ingesluimerd, enz. Het tegenwoordig deelwoord wordt ook wel het deelwoord van de onvoltooide werking of kortweg; het onvoltooide deelwoord genoemd; het verleden deelwoord heet ook wel het deelwoord van de voltooide werking of kortweg; het voltooide deelwoord.
§ 164. Zoowel van onovergankelijke als van o v e r-gankelijke werkwoorden kan het tegenwoordig deelwoord gebruikt worden; wandelende, sluimerende, vallende, slaande, winnende.
Het verleden deelwoord kan slechts gebruikt worden; a. van overgankelijke werkwoorden; geslagen, geslacht, verloren, en h. van die onovergankelijke werkwoorden, welke een overgaan van den eenen toestand in een anderen beteekenen; ingesluimerd, afgevallen, ontwaakt. Deze laatste verleden deelwoorden drukken dan uit, dat de zelfstandigheid de werking verricht heeft.
§ 165. liet hoofdzakelijk verschil tusschen de bijvoegl. naamwoorden en de deelwoorden bestaat hierin, dat de eerste een meer b 1 ij v e n d, de laatste een meer t ij d e 1 ij k kenmerk uitdrukken. (Verg. § 135). Verliest een deelwoord zyn
7
98
betrekking tot den tijd, gaat het dus een meer blijvende hoedanigheid uitdrukken, dan is het ook een b ij v o e g 1 ij k naamwoord geworden. Zoo zijn doortastend, oplettend, treffend in: een doortastend man, een oplettend kind, een treffend verhaal bijvoeglijke naamwoorden geworden. Een doortastend man is toch geen man, die alleen op een bepaald oogenblik flink doortast, maar die altijd, waar zulks noodig is, met kracht en kloekheid optreedt. Een oplettend kind is niet een kind, dat op een bepaald oogenblik â als bij uitzondering â eens oplet, maar dat gewoonlijk met aandacht luistert, waar wat te leeren valt. En zoo is een treffend verhaal niet een verhaal, dat op een gegeven oogenblik iemand eens treft, maar dat gewoonlijk elkeen, die het leest, schokt en ontroert.
Zulke deelwoorden, die geheel en al het karakter van bijvoegl. naamwoorden hebben aangenomen, heet men vaak met een vreemd woord participiale adjectieven.
Voorbeelden van participiale adjectieven; een vervelend hoek; een treffend verhaal; een gezochte aardigheid; brekende waar (;= waar, die gewoonlijk breekt); verheven denkbeelden; roerende goederen; een reizend koopman (â een koopman, die gewoonlijk op reis is); een werkend lid; uitgelezen vraagstukken.
§ 166. Tenzij het spraakgebruik er zich in een bepaald geval tegen verzet, kunnen deze participiale adjectieven evenals andere bijvoegl. naamwoorden in de verschillende trappen van vergelijking staan; verhevener denkbeelden; de oplettendste leerlingen; het vervelendste boek.
Ook kunnen zij het voorvoegsel on voor zich krijgen, dat dient om van bijvoegl. naamwoorden (maar niet van deelwoorden) andere met een tegenovergestelde beteekenis te vormen. Zoo kan men b.v. wel spreken van ongebroken kracht in 't barnen der gevaren, van een onbewogen gemoed, van een ongezochte gelegenheid; maar niet van een ongebroken kopje, een onbewogen blad van een boom, het ongezochte boek, omdat oncje-broken, onbewogen, ongezocht in deze laatste voorbeelden de ontkenningen zijn niet van de adjectieven, maar van de deelwoorden; gebroken, bewogen, gezocht.
§ 167. Opmerking verdient nog, dat men in; ijlende koorts, vallende ziekte bij wijze van beeldspraak aan de zelfstandigheden koorts en ziekte een hoedanigheid heeft toegekend, die eigenlijk het deel is van den persoon, welke de koorts of die ziekte heeft. Immers, niet de koorts ijlt, maar de zieke verricht die werking.
99
e. Telwoorden.
§ 168. Telwoorden zijn b ij v o e g 1 ij k e of zelfstandige woorden, welke een hoeveelheid of een rangorde te kennen geven: een man; de eerste man; velen zijn ongelukkig; den hoe-veelsten hebben wij vandaag'?
Men onderscheidt de telwoorden in hoofdtelwoorden en rangtelwoorden, alnaarmate ze een hoeveelheid of een rangorde uitdrukken. Verder verdeelt men de hoofd- en rangtelwoorden weer in bepaalde en onbepaalde hoofd- en rangtelwoorden, alnaarmate ze een bepaalde of een onbepaalde beteekenis hebben.
Voorbeelden van bijvoeglijk gebruikte:
a. bepaalde hoofdtelwoorden: een boek, honderd menschen, beide jongens.
b. bepaalde rangtelwoorden; het eerste boek, de derde man, om den anderen (= tweeden) dag.
c. onbepaalde hoofdtelwoorden: alle, sommige menschen; â veel, weinig geld; versclteidene, enkele jongens; menig, genoeg, luttel. Hiertoe rekent men ook: iedere jongen; elk; terwijl gansch, geheel, half, gezamenlijk gewoonlijk tot de bijvoegl. naamw. gerekend worden.
d. onbepaalde rangtelwoorden: de middelste, laatste, zooveelste jongen.
Voorbeelden van zelfstandig gebruikte;
a. bepaalde hoofdtelwoorden; Iets in tweeën deelen. 't Is bij zessen. Beiden zijn gekomen. Honderden stonden er naar te kijken.
b. bepaalde rangtelwoorden: Brie vierde en een vierde maakt een geheel. Hij is de eerste van zijn klasse.
c. onbepaalde hoofdtelwoorden: Enkelen hadden aan de uitnoodiging gevolg gegeven. Sommigen vonden de voorstelling zeer mooi. Hij heeft gelds genoeg. Hij oogstte daarmee luttel danks in. Men lette er op, dat in: hij heeft genoeg geld, hij oogstte luttel dank in de woorden ge)ioeg en luttel bijvoeglijk gebruikt zijn.
d. onbepaalde rangtelwoorden: De hoeveelste is het vandaag? Het is de laatste van de maand.
§ 169. In: er waren honderden menschen op de been-, men zag duizenden gesneuvelden op het slagveld liggen waren honderden en duizenden oudtijds zelfstandige naamwoorden, beteekenende honderdtallen, duizendtallen. (Vergel. deze eieren kosten
100
een rijksdaalder het honderdâhet honderdtal', fransch; une centuine; iin millier); terwijl menschen en gesneuvelden bijvoeglijke bepalingen in den tweeden naamval bij deze zelfstandige naamwoorden waren. (Vergel. nog: honderden onzer, enkelen uwer).
Voor ons taalgevoel is dit alles ten-eenen-male veranderd. Voor ons zijn menschen en gesneuvelden geen bepalingen bij honderden en duizenden; maar zijn honderden en duizenden juist omgekeerd bepalingen bij menschen en gesneuvelden. Als gevolg hiervan staan menschen en gesneuvelden voor ons dan ook niet meer in den partitieven genitief, maar staat menschen in den eersten naamval als onderwerp in den eersten zin en gesneuvelden in den vierden naamval als voorwerp van den tweeden zin. Voor het taalgevoel van vele Nederlanders zijn honderden, duizenden zelfs geen zelfst. naamw. meer, maar zijn 't voor hen b ij v o e g 1 ij k gebruikte telwoorden en daarom schrijven velen ook tegenwoordig: horiderde (zonder n) menschen-, duizende gesneuvelden. 't Is niet onmogelijk, dat ik op dat punt wat ouderwetsch ben uitgevallen, maar op mij maken honderden en duizenden in dit geval nog altijd den indruk van honderdtallen en duizendtallen â van zelfstandige naamwoorden dus â en daarom schrijf ik met volle overtuiging op ouderwetschen trant: honderden, duizenden menschen.
Het woordje millioen wordt algemeen als een zelfst. naamw. beschouwd, wat het ook oorspronkelijk was.
§ 170. Het woordje geen kan zijn:
a. ontkennend telwoord en beteekent dan: niet één. Hij heeft e/een cent meer op zak. Hij had drie fouten in zijn vertaling; ik had er (/een.
b. ontkennend lidwoord van onbepaaldheid en beteekent dan: niet een of niet eenig. Dat is geen antwoord op mijn vraag. Hij is geen man van zijn woord. Er was geen spoor van den misdadiger te ontdekken.
c. ontkennend onbepaald voornaamwoord en beteekent dan: niemand. Geen telt de sterren, ivaar zij kringlen in hun hanen. (Schaapman). Geen onzer heeft er iets van gezien. (= Niemand van ons enz.),
d. ontkennend bijwoord en beteekent dan eenvoudig: niet. Die jongen heeft geen lust in zijn werk. Er zijn op zijn werk geen aanmerkingen te maken. Ik heb geeu geloof aan die praatjes geslagen.
f. Voornaamwoorden.
§ 171. De voornaamwoorden worden bijvoeglijk en zelfst. gebruikt.
Tot de bijvoeglijk gebruikte voornaamwoorden rekent
101
men iille woorden, die «en bijzonderheid te kennen geven, welke de zelfstandigheid bost kan verliezen of verkrijgen, zonderdat daarin een verandering plaatsgrijpt, voorzooveel die woorden niet behooien tot de lidwoorden, deelwoorden of telwoorden. (Vergel. vooral § 135, B.). Zoo kan mijn boek uw boek worden, zonderdat het boek zelf verandert.
Tot de zelfstandig gebruikte voornaamwoorden rekent men alle woorden, die een zelfstandigheid aanduiden, door daarvan een ^ bijzonderheid te noemen, welke de zelfstandigheid best kan verliezen of verkrijgen, zonderdat daarin een verandering plaats-Srijpt) voorzooveel die woorden niet behooren tot de deel woorden of telwoorden.
De voornaamwoorden hebben dus geen kenmerk, dat hun uitsluitend eigen is en waardoor ze zich van andere woordgroepen als een afzonderlijke soort scherp afscheiden. Ze vormen veelmeer een verzameling van woorden, die vaak in beteekenis ten zeerste verschillen.
De voornaamwoorden worden verdeeld in: 1. persoonlijke: 2. bezittelijke; 3. aanwijzende; 4.vragende; ö.bepallng-aankondigende; 6. betrekkelijke; 7. onbepaalde voornaamwoorden.
1. Persoonlijke Voornaamwoorden.
§ 172. De persoonlijke voornaamwoorden worden alleen zelfstandig gebruikt. Ze duiden zelfstandigheden aan door te kennen te geven, of die zelfstandigheid eerste, tweede of derde persoon enkel- of meervoud is.
Do persoon!, voornaamwoorden zijn:
Pers. Voornw. v. d. eersten persoon.
Enkelvoud: ik, 'k. Meervoud: wij, we.
Pers. Voornw. v. d. tweeden persoon.
In de schrijftaal gebruikt men gij, ge, zoowel voor het enkelvoud als voor het meervoud v. h. persoonl. voornw. van den 2den persoon.
In de spreektaal bezigt men als:
Beleefdheidsvorm. Enkelvoud: u. Meervoud: u.
Vertr ouwelij ken vorm. Enkelvoud: jij, je. Meervoud: jullie, jelui.
102
Pers. Voornw. v. d. derden persoon.
Mannelijk Enkelvoud: hij (i). Meervoud; zij, ze.
Vrouwelijk Enkelvoud: zij, ze. Meervoud: zij, ze.
Onzijdig Enkelvoud: het, 't. Meervoud: zij, ze.
Over de verbogen vormen der persoonl. voornw. zal latei-gehandeld worden. Opmerking verdient nog, dat het persoonl. voornw. v. d. derden persoon vrouwel. enkelv. zij, wanneer het zaken aanduidt, waarvan het woordgeslacht volgens onze geslachtstafels vrouwelijk is, in de spreektaal meestal vervangen wordt door hij. Zoo zegt men van een deur niet: si; staat open; maar: hij staat open. Van een tafel zegt men niet: zij is stuk; maar: hij is stuk.
§ 173. Oudtijds was du het persoonl. voornw. v. d. 2(icn pers. enkelvoud. Op het eind van de middeleeuwen raakte het meer en meer in onbruik en in den loop van de zeventiende eeuw verc.ween het geheel en al uit onze taal. Het voornw. gij oorspr. pers. voornw. v. d. 2den persoon meervoud â ging nu ook, althans in de schrijftaal, dienst doen als pers. voornw. v. d. 2den pers. enkelvoud.
Gelijk uit het bovenstaande lijstje blijkt, heeft de spreektaal het gemis van du vrijwel weten te vergoeden; zij bezigt gewoonlijk jij voor het enkel-, en jelui, jullie voor het meervoud. Jelui is verbasterd uit gijlieden (= jijlieden, jijlui, jelui).
§ 174. De meeste voornaamw. duiden alleen personen of zaken aan; het kan ook slaan op hoedanigheden, werkingen of den inhoud van een zin. Gij zijt tot dusverre altijd eerlijk geweest; wees het ook in de toekomst. Ik hoorde wel fluiten, maar ik wist niet, wat het beteekenen moest. Het is zeker, dat hij komt.
§ 175. Het woordje zich behoort ook tot de persoonl. voornw.; het heet weder keer end voornw. Het duidt dezelfde zelfstandigheid aan, die reeds door het onderwerp wordt benoemd of aangeduid, zoo dit in den derden persoon staat. Hij waschtzich. Zij kleedt zich. Zij wasschen zich. Hij is ontevreden over zich zelf. In de spreektaal hoort men voor zich gewoonlijk hem of haar. Hij wascht hem. Zij kleedt haar (of: zij kleedt V). Wanneer een schrijver de beschaafde spreektaal wil nabootsen â zooals b. v. in drama's het geval is â dan zal hij derhalve hem of haar als wederkeerende voornw. moeten gebruiken en niet zich.
§ 176. Ook elkander, malkander {elkaar, mekaar) zijn persoonl. voornw.; zij heeten wederkeerige voornw. Zij duiden dezelfde
103
zelfstandigheden aan, ïils door het onderwerp benoemd of aangeduid worden en geven tevens te kennen, dat die zelfstandigheden de werking van het gezegde wederkeerig verrichten. Zij beminnen elkaar. Zij dwepen met elkander. Zij scholden mekaar uit voor alles, wat leelijk is.
Soms gebruiken dichters zich voor elkaar-, dit gebruik verdient echter geen aanbeveling, daar het geheel en al in strijd is met de beschaafde spreektaal. Niemand zegt toch: zij beminnen zich voor: zij beminnen elkander. V.b. De honderdduizenden ontmoeten zich en botsen. (Da Costa; 2-5 Jaren).
2. Bezittelijke Voornaamwoorden. ^
§ 177. De bezittelijke voornaamwoorden worden bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt. Gewoonlijk bepalen ze een zelfstandigheid of duiden die aan, door te kennen te geven, dat de lste) 2(le, of 3de persoon enkel- of meervoud er de bezitter van is.
De bijvoegl. gebruikte bezittelijke voornw. zijn: mijn (spreektaal : m'n, me; rrin boek; ik heb me boek verloren); onze; ons; uw (spreektaal: jullie boek, jelui boek, jouw boek, je boek)-, zijn (z'n)-, haar (spreektaal: V, d'r; zij heeft 'r boek verloren-, zij sprak over d'r overleden moeder)-, hun.
De zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamw. zijn: de of het mijne-, de of het mee-, de of het zijne; enz.
§ 178. Dikwijls geven de bezittelijke voornw. volstrekt niet te kennen, dat de Ist6, 2dlt;1. of 3de pers. enkel- of meervoud de bezitter van een zelfstandigheid is. Als ik b.v. zeg: Onze trein staat al klaar, dan wil ik daarmee volstrekt niet te kennen geven, dat die trein aan ons toebehoort. Vergel. verder: Dat is nu ons huis! (ons huis = het huis, waarin wij wonen). Mijn boot ligt schommelende op de ree. {mijn boot â de boot, waarmee wij ver-vertrekken). Ik heb uw redevoering met veel genoegen aangehoord. In deze en dergelijke zinnen drukken de bezittelijke voornw. slechts uit, dat er e e n i g e r 1 e i betrekking bestaat tusschen de bepaalde zelfstandigheid en den l84611, 2don,of 3donpersoon, zonder dat die betrekking die tusschen bezitter en bezitting is.
8. Aanwijzende Voornaamwoorden.
§ 179. De aanwijzende voornw. worden bijvoeglijk of zelfstandig gebruikt. Gewoonlijk bepalen ze zelfstandigheden of duiden ze die aan, door te kennen te geven, dat ze zich op een
104
bepaald aangewezen plaats bevinden. Ze zijn: deze (dit)-, die (dat)-, en gene. In: geef mij dat boek eens aan b.v. wordt met den vinger, door een gebaar, of door welk middel dan ook de plaats aangewezen, waar het boek ligt.
§ 180. De aanwijzende voornw. deze en dit worden in de dagelijksche spreektaal zeer weinig gebruikt; gewoonlijk bezigt men die en dat. Zoo zal men meestal niet zeggen; geef mij dit hoek eens aan; maar wel: geef mij dat hoek eens aan.
Deze en dit worden bijna uitsluitend gebruikt in tegenoverstelling met die en dat. Deze en dit betreffen dan een zelfstandigheid, die zich dichter bij den spreker bevindt dan die, welke door die of dat bepaald of aangeduid wordt. Dit hoek moet ik niet hehhen, maar dat. Deze jongen is niet zoo oplettend, als die.
Gene heeft betrekking op een zelfstandigheid, die zich aan de o v e r z ij d e van het een of ander bevindt: Aan gene zijde der rivier.
§ 181. Deze (dit) en die (dat, gene) kunnen ook terugslaan op later of vroeger in den zin genoemde woorden. Die man heeft twee kinderen: Jan en Piet; deze is een ijverige jongen;gene een luiaard. In dezelfde beteekenis komen ook de rangschikkende telwoorden de eerste en de laatste voor: de eerste is een ijverige jongen; de laatste is een luiaard.
§ 182. Ook zulks komt soms als aanw. voornw. voor; 't heeft dan betrekking op een reeds genoemde hoedanigheid of werking; of op den inhoud van een geheelen zin. Ik heb u nooit heleedigd en hoop zulks ook nimmer te doen. Ofschoon ik hem zulks ten sterkste had afgeraden, heeft hij die effecten toch gekocht.
§ 183. In zeer veel gevallen geven de aanw. voornw. volstrekt niet de plaats te kennen, waar zich een zelfstandigheid bevindt. Zij hebben dan de beteekenis;
a. van een bepaling aankondigend voornaamwoord. (Verg. § 184). Daar heb je dien man nu! (die man â de man, 'waarover wij vroeger gesproken hébben). Heb je dat huis nog gekocht? (dat huis â het huis, waarover wij al eens gesproken hebben). Had je die vrouw al meer ontmoet? (die vrome â de vrouw, die wij zoo even gezien hebben).
In dit geval krijgen die en dat soms een minachtende beteekenis. Woon je nog altijd op dat saaie dorpje ? Wat brandt die lamp vanavond weer slecht! Wat heeft die man toch altijd een koude drukte op zijn lijf! Blijkens deze voorbeelden krijgen die en dat bedoelde ongunstige beteekenis, wanneer de spreker een weinig vleiende bepaling bij de volgende zelfstandigheid uitdrukt
105
of er die althans â hoewel soms met zeer weinig zelfbewustzijn â bij denkt. Zoo staat in de gegeven voorbeelden; die lamp voor: die verwenschte lamp; en die man voor: die akelige man. 't Is dan, alsof er iets van de ongunstige beteekenis van het adjectief overgaat op het woord, dat de hoedanigheid aankondigt.
h. van een persoonlijk voornaamwoord. De aanwijzende voornw. duiden echter de zelfstandigheden met iets meer nadruk aan, dan de persoonl. voornw. zulks doen. Zijn vader kan u omtrent deze geheimzinnige zaak geen inlichtingen meer geven; die is reeds voor een paar maanden overleden. Ik had mijn paraplu niet hij mij, want ik had die bij vergissing bij mijn broer laten staan. Ik héb u dat reeds meer gezegd; maar gij schijnt het niet te willen gelooven.
4 Bepalingaankondigende Voornaamwoorden.
§ 184. Deze woorden worden hetzij zelfstandig, hetzij b ij v o e g 1 ij k gebruikt. Ze duiden een zelfstandigheid aan of bepalen ze, door te kennen te geven, dat die zelfstandigheid door een bepaling of een bepalenden zin nader omschreven moet worden. Meestal moet de lezer of hoorder die bepaling of dien bepalenden zin maar in de gedachte invullen. De bepalingaank. voornw. zijn: degene, diegene, dezelfde, dergelijke, diergelijke, zulk, zoodanige, dusdanige, soortgelijke. Degene, die dat gezegd heeft, is een groote leugenaar. Zulk een handelwijze kan ik niet goedkeuren. Gij moet u aan dergelijke praatjes niet te veel storen.
§ 185. Ook de persoonlijke en de aanwijzende voornw. doen dikwijls den dienst van bepalingaankond. voornw. Der Weesen Vader derft hij niet, die Weesen troost in haar verdriet. Dat, ivat ivij zelf gevonden hebben, vergeten wij niet zoo gemakkelijk als dat, wat ons door anderen is meegedeeld. (Verg. verder § 183).
5. Vragende Voornaamwoorden.
§ 186. Ook deze voornaamwoorden worden bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt. Zij bepalen zelfstandigheden of duiden ze aan, door naar den naam of een hoedanigheid van die zelfstandigheden te vragen. Ze zijn: icie, tvelk, wat; â hoedanig e is als vragend voornaamwoord verouderd. Wie wordt steeds zelfstandig gebruikt; welk steeds bijvoeglijk; ivat kan zelfstandig en bijvoeglijk gebruikt voorkomen, 't Bijvoeglijk gebruikte ivat heeft tot bijvormen: wat voor, ivat een en icat
106
voor een. Wie heeft dat gedaan? Wat heeft hij gezegd? Wat voor iveer hebben wij vandaag? Met wat voor een man stondt gij daar te praten? Wat mare bracht die horst toch?
§ 187. De vragende voornw. geven soms meer een uitroep, dan een vraag te kennen. Wat een ondeugende jongen is dat! Welk man van karakter laat zich straffeloos hoonen? Welk een verheven opvatting had stadhouder Willem III van de taak, hem door God opgelegd?
6. Beteekkelijke Voornaamwoorden.
§ 188. Zij worden zelfstandig en b ij v o e g 1 ij k gebruikt. Ze bepalen een zelfstandigheid of duiden die aan, terwijl zij tevens een bijvoegl. bijzin met een naamwoord of een zin verbinden. De inhoud van dien zin moet dan als een zelfstandigheid opgevat worden. (Verg. § 52). De betrekkelijke voornw. zijn; die, dat, wie, wat, welk, hetwelk, hetgeen; â hoedanig is als zoodanig verouderd. Het huis, dat daar staat, behoort aan mij. De boer, wiens hoeve verbrandde, weende van smart. Het kerkje, welks torenspits hoven het lommer der hoornen uitstak. Gij (t. w. de invaliden van Bronbeek) smaakt 't waarachtig meegevoel, 'tgeen vreemden broeders maakt voor 't leven. (P.)
De betr. voornw.: wat, hetgeen en welk (bijvoegl. gebruikt) verbinden een bijv. bijzin aan den inhoud van een geheelen zin. (Zie voor de voorbeelden § 62).
§ 189. Het woordje ivelk is het eenige betr. voornw., dat bijvoeglijk gebruikt wordt. Het komt als zoodanig voor:
a. indien het dient ter bepaling van het woord, waarin men den inhoud van een geheelen zin samenvat. (Zie § 62). Uw broeder beweerde gisteravond, dat loj vandaag leelijk weer zouden hebben, welke voorspelling, helaas! maar al te goed is uitgekomen.
b. indien het dient ter bepaling van het woord, waarin men de beteekenis van eenige voorafgaande woorden samenvat: Wij bezochten Marseille, Toulon, Cannes, welke steden alle in het Zuiden van Frankrijk gelegen zijn.
§ 190. Voorts herinnere men zich hier § 55 (c), waar er op gewezen is, dat wie, dat, wat, die, hetgeen aan het hoofd van onderwerps- en voorwerpszinnen de beteekenis aannemen van diegene, die; dat, wat; hetgeen, dat. Ze doen dan den dienst van bepalingaankondigend en betrekkei. voornw. beide. (Zie voor de voorbeelden de genoemde paragraaf.)
§ 191. Opmerking verdient nog, dat wie en zijn verbogen vormen
107
gewoonlijk betrekking hebben op personen; welke en zijn vormen gewoonlijk op zaken. Een enkelen keer vindt men Dij schrijvers zinnen, die op dezen regel een uitzondering maken. Er sprak ernst uit de licht bruine oogen, tuier bestraffende blik op hem viel. (P.) Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze vroolijke jeugd geen denkbeeld had. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch oogen voor het loindje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer zij zit. (Eijksmuseum; P.).
7. Onbepaalde Voornaamwoorden.
§ 192. De onbepaalde voornw. worden mede zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt. Zelfstandig gebruikt duiden ze zelfstandigheden aan, wier naam de spreker niet kan of wil noemen. De zelfstandig gebruikte onbepaalde voornw. zijn; men, iemand, niemand, iets, niets, wat, het, een, geen, deze en gene, deze of gene, de een of ander, het een of ander, het een en ander. Ik héb wat voor u meegebracht. Een mijner kennissen is overleden. Deze of gene moei ons gezien hebben. Ik heb het een en ander bij hem besteld. Geen onzer is er bij geweest. (= Niemand, van ons is er bij geweest).
§193. De bijvoeglijk gebruikte onbep. voornw. geven te kennen, dat de spreker omtrent de volgende zelfstandigheid geen nadere inlichtingen kan of wil geven. Ze zijn: zeker, eenig, eenie, de eene of andere, deze en gene. In zeker hol. Hem is zeker eenig ongeluk overkomen. Eene mijnheer A. is hier geweest. De eene of andere gedienstige geest heeft hem het geheim overgebriefd.
§ 194. Het is onbepaald voornw., als het onderwerp is in zinnen als: het sneeuwt, het is kermis. (Zie § 30). Het onbep. voornw. het komt ook bij sommige werkw. voor als voorwerp. Dit is dan het geval, wanneer het gebruik van het bij eenig werkw. door het Nederlandsche taaleigen gevorderd wordt, zonderdat het een bepaalde zelfstandigheid aanduidt. Ik heb het druk. Hij heeft het op mij begrepen. Gij treft het niet gelukkig.
§ 195. Men herinnere zich hier § 89, waarin er op gewezen is, dat vragende voornw., aan het hoofd van toegevende bijzinnen staande, de beteekenis van onbepaalde voornw. aannemen. Wie achteruitgegaan moge zijn, ons schonk de Heer zijn zegen. Welke moeite het ook kosten moge, ik zat slagen.
108
voor een. Wie heeft dat gedaan? Wat heeft hij gezegd'! Wat voor weer hebben wij vandaag? Met ivat voor een man stondt gij daar te praten ? Wat mare bracht die horst toch ?
§ 187. De vragende voornw. geven soms meer een uitroep, dan een vraag te kennen. Wat een ondeugende jongen is dat! Welk man van karakter laat zich straffeloos hoonen? Welk een verheven opvatting had stadhouder Willem III van de taak, hem door God opgelegd?
6. Betrekkelijke Vooenaamwoorden.
§ 188. Zij worden zelfstandig en bijvoeglijk gebruikt. Ze bepalen een zelfstandigheid of duiden die aan, terwijl zij tevens een bijvoegl. bijzin met een naamwoord of een zin verbinden. De inhoud van dien zin moet dan als een zelfstandigheid opgevat worden. (Verg. § 52). De betrekkelijke voornw. zijn: die, dat, wie, wat, wdk, hetwelk, hetgeen; â hoedanig is als zoodanig verouderd. Het huis, dat daar staat, behoort aan mij. De boer, wiens hoeve verbrandde, weende van smart. Het kerkje, welks torenspits boven het lommer der hoornen uitstak. Gij (t. w. de invaliden van Bronbeek) smaakt 't waarachtig meegevoel, 'tgeen vreemden broeders maakt voor 't leven. (P.)
De betr. voornw.: ivat, hetgeen en welk (bijvoegl. gebruikt) verbinden een bijv. bijzin aan den inhoud van een geheelen zin. (Zie voor de voorbeelden § 62).
§ 189. Het woordje ivelk is het eenige betr. voornw., dat bijvoeglijk gebruikt wordt. Het komt als zoodanig voor:
a. indien het dient ter bepaling van het woord, waarin men den inhoud van een geheelen zin samenvat. (Zie § 62). Uw broeder beweerde gisteravond, dat wij vandaag leelijk weer zouden hébben, ivelke voorspelling, helaas! maar al te goed is uitgekomen.
b. indien het dient ter bepaling van het woord, waarin men de beteekenis van eenige voorafgaande woorden samenvat: Wij bezochten Marseille, Toulon, Cannes, welke steden alle in het Zuiden van Frankrijk gelegen zijn.
§ 190. Voorts herinnere men zich hier § 55 (c), waar er op gewezen is, dat wie, dat, wat, die, hetgeen aan het hoofd van onderwerps- en voorwerpszinnen de beteekenis aannemen van diegene, die; dat, wat; hetgeen, dat. Ze doen dan den dienst van bepalingaankondigend en betrekkei. voornw. beide. (Zie voor de voorbeelden de genoemde paragraaf.)
§ 191. Opmerking verdient nog, dat wie en zijn verbogen vormen
107
gewoonlijk betrekking hebben op personen; welke en zijn vormen gewoonlijk op zaken. Een enkelen keer vindt men bij schrijvers zinnen, die op dezen regel een uitzondering maken. Er
sprak ernst uit de licht bruine oogen, ivier bestraffende blik op hem viel. (P.) Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze vroolijke jeugd geen denkbeeld had. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch oogen voor het 'windje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer zij zit. (Rijksmuseum; P.).
7. Onbepaalde Vooenaamwoorden.
§ 192. De onbepaalde voornw. worden mede zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt. Zelfstandig gebruikt duiden ze zelfstandigheden aan, wier naam de spreker niet kan of wil noemen. De zelfstandig gebruikte onbepaalde voornw. zijn: men, iemand, niemand, iets, niets, wat, het, een, geen, deze en gene, deze of gene, de een of ander, het een of ander, het een en ander. Ik heb wat voor n meegebracht. Een mijner kennissen is overleden. Deze of gene moet ons gezien hebben. Ik heb het een en ander bij hem besteld. Geen onzer is er bij geweest. (= Niemand van ons is er bij geweest).
§ 193. De bijvoeglijk gebruikte onbep. voornw. geven te kennen, dat de spreker omtrent de volgende zelfstandigheid geen nadere inlichtingen kan of wil geven. Ze zijn: zeker, eenig, eeue, de eene of andere, deze en gene. In zeker hol. Hem is zeker eenig ongeluk overkomen. Eene mijnheer A. is hier geweest. Be eene of andere gedienstige geest heeft hem het geheim overgebriefd.
§ 194. Het is onbepaald voornw., als het onderwerp is in zinnen als: het sneemot, het is kennis. (Zie § 30). Het onbep. voornw. het komt ook bij sommige werkw. voor als voorwar p. Dit is dan het geval, wanneer het gebruik van het bij eenig werkw. door het Nederlandsche taaleigen gevorderd wordt, zonderdat het een bepaalde zelfstandigheid aanduidt. Ik heb het druk. Hij heeft het op mij begrepen. Gij treft het niet gelukkig.
§ 195. Men herinnere zich hier § 89, waarin er op gewezen is, dat vragende voornw., aan het hoofd van toegevende bijzinnen staande, de beteekenis van onbepaalde voornw. aannemen. Wie achteruitgegaan moge zijn, o»s schonk de Heer zijn zegen. Welke moeite het ook kosten moge, ik zal slagen.
108
(j. Werkwuorden.
§ 196. Werkwoorden zijn namen van werkingen of van datgene, wat wij ons als eene werking voorstellen: etew, drinken, wandelen, zitten, liggen, zijn, blijven.
§ 197. De werkwoorden worden in tal van soorten en ondersoorten verdeeld. Deze indeelingen vloeien echter niet voort uit de stelselmatige toepassing van één beginsel; bij elke nieuwe verdeeling heeft men veelmeer een nieuwen maatstaf aangelegd.
§ 198. Naar den aard van het onderwerp kan men de werkwoorden verdeelen in persoonlijke en onpersoonlijke. Onpersoonlijke werkwoorden zijn dezulke, die in een bepaalde beteekenis, uitsluitend in den derden persoon enkelvoud vervoegd worden; de andere zijn persoonlijke werkw. Voorb. van onpersoonlijke werkw.: mij dorst; mij hongert; het regent; het hagelt; het spijt mij, dat gij niet komt; het betaamt u niet, dat gij zoo iets doet. Uit deze voorbeelden blijkt, dat het onderwerp het bij dergelijke werkwoorden zoowel een onbepaald als een persoonlijk voornw. kan zijn. In: het lust mij nu, van God te zingen is het b.v. een persoonlijk voornw. en toch is lusten in dezen zin een onpersoonlijk werkwoord, daar het in de beteekenis, die het in dezen zin heeft, slechts in den 3don pers. enkelv. gebruikt wordt.
§ 199. Verder verdeelt men de werkwoorden in overgankelijke en onovergankelijke. (Zie § 12).
O v e r g a n k e 1 ij ke werkw. kunnen een 1 ij d e n d voorw. bij zich krijgen (eten, drinken, koopen); onovergankelijke niet. (wandelen, hopen).
De overgankelijke werkw. worden weer verdeeld in:
a. objectief-onovergankelijke werkw., die althans een belanghebbend of oorzakelijk voorwerp bij zich kunnen krijgen: bevallen, behagen, gedenken, haken (naar), streven (naar).
b. subjectief-onovergankelijke werkw., die ook zulke voorwerpen niet bij zich krijgen: loopen, gaan, zitten.
Men herinnere zich hier § 18 en § 15, waar uiteengezet is, hoe vele werkwoorden, die vroeger een belanghebbend of oor-zak e 1 ij k voorwerp bij zich hadden, nu o v e r g a n k e 1 ij k e werkw. geworden zijn.
Ook lette men er op, dat sommige werkw. in de eene beteekenis overgankelijk en in een andere onovergankelijk kunnen zijn: trekken [dat paard trekt den wagen; dat scheermes trekt),
109
koken, hangen, kraken (hij kraoM een noot; zijn schoenen kraken), drogen, lezen (ik lees een boek; dat schrift leest gemakkelijk).
De onpersoonlijke werkw. zijn uit hunnen aard onovergankelijk, daar zij slechts het plaatsgrijpen der werking uitdrukken. Worden zij figuurlijk gebezigd, dan kunnen zij een lijdend voorw. bij zich krijgen. Het hagelde steenen mar de politie. Het regende bloemruikers.
Nog zijn er enkele werkwoorden, die naar de beteekenis onovergankelijk zijn, maar in dichterlijke taal overgankelijk gebruikt worden. Een diepen slaap slapen. Wraak ademen. Den goeden strijd voor recht en ivaarheid strijden. Hij vatte het leven ernstig op en leefde het dan ook ernstig. Het voorwerp drukt hier het voortbrengsel der werking uit; maar dat voortbrengsel is niets anders dan de werking zelve, als een zeltstandigheid voorgesteld.
§ 200. Naar een geheel anderen maatstaf verdeelt men de werkwoorden weer in wederkeerende (reflexieve) en niet-wederkeerende werkwoorden.
Een werkwoord is wederkeerend naar de beteekenis of naar den vorm.
Naar de beteekenis zijn wederkeerend die werkwoorden, waarbij het belanghebbend oflijdend voorwerp dezelfde zelfstandigheid is als het onderwerp: zich kleeden, zich wasschen, zich wonden, zich moeite geven, zich in den vinger snijden.
Naar den vorm slechts zijn wederkeerend die werkwoorden, waarbij zich niet meer het belanghebbend of lijdend voorwerp der werking is, maar waarbij zich met het volgende werkwoord voor ons taalgevoel een éénheid is gaan worden: zich verhazen, zich verwonderen, zich schamen, zich ontfermen, zich erbarmen, enz. Die werkwoorden beteekenen toch: verbaasd zijn, verwonderd zijn, schaamte gevoelen, enz. Alle deze werkwoorden zijn tegenwoordig naar de beteekenis onovergankelijk, juist omdat het vroegere voorwerp sic/» met het oorspronkelijke werkwoordelijk begrip een soort van samenstelling heeft aangegaan.
§ 201. Verder worden de werkw. verdeeld in: koppelwerkwoorden en zelfstandige werkwoorden. Over de koppelwerkwoorden is reeds in § 23â§ 27 gehandeld. De meeste koppelwerkwoorden kunnen ook als zelfstandige werkwoorden voorkomen. De liefde blijft. God is. Alles wordt en vergaai vseer.
110
§ 202. Ten slotte worden de werkwoorden verdeeld in hulpwerkwoorden en n i e t-h u 1 p w e r k w o o r de n.
Hulpwerkwoorden zijn dezulke, die met een ander werkwoord te zamen het gezegde vormen. Zij worden verdeeld in; hulpwerkwoorden van wijze; van tijd; en van den lijdenden vorm.
a. De hulpwerkw. van wijze drukken de betrekking uit, waarin de volgende werking naar de voorstelling des sprekers staat tot de werkelijkheid. Ze zijn: kunnen, mogen, laten, zullen en moeten.
Kunnen, mogen en laten stellen de werking als wenschelijk of mogelijk voor; kunnen en mogen kunnen meestal gevoegelijk vervangen worden door de bijwoorden van modaliteit wellicht, misschien; en laten door een aanvoegende wijs. Het kan een vergissing zijn {â het is wellicht een vergissing)-, het mag vijf uur in den ochtend geweest zijn, toen wij opeens door een hevigen schok van aardbeving opschrikten. Laten wij elkander helpen in nood en dood! (= dat wij elkander helpen enz.).
De werkw. moeten en zullen drukken een meerdere of mindere mate van stelligheid uit en kunnen dan ook gevoegelijk vervangen worden door bepalingen of zinnen van modaliteit als: hoogstwaarschijnlijk, stellig-, naar men wil, voorzooverre men over de zaak oordeelen kan. Er moet een fout in die som zijn. (â er is stellig enz.). De moord moet tegen zes uur des avonds gepleegd zijn. (â Yoorzooverre men kan nagaan, is de moord enz.). De koning moet reeds overleden zijn. (=â Naar men wil, is de koning enz.). Het zal een vergissing zijn.
De werkwoorden kunnen, mogen, laten, zullen, moeten kunnen ook als niet-hulpwerkwoorden van wijze voorkomen en zijn dan overgankelijk. Een volgende infinitief doet dan gewoonlijk den dienst van lijdend voorwerp. Hij kan netjes schrijven. Marco kon het puikje vragen uit Napels1 maagdenrij en ivierd niet afgeslagen. Ik mag tegen negen uur uitgaan. De meester laat den luien leerling zijn werk overmaken. Hij zal dat werk afmaken. Gij moet beter op uw tijd passen.
Men denkt wel eens, dat kunnen, mogen, zullen, moeten in dit geval onovergankelijke werkwoorden zijn, omdat zij meestal (niet altijd!) vervangen kunnen worden door: in staat zijn tot, verlof hebben tot en verplicht zijn tot. Maar dit bewijst niets. Men l-:in immers bv. beminnen en vergeten zeer wel vervangen dooide o n o v e r g a n k e 1 ij ke werkwoorden houden van en niet denken
Ill
aan, terwijl ze toch door elk als overgankelijke werkwoorden beschouwd worden.
h. De hulpwerkw. van tijd zijn: hebben, zullen, zijn. Zij drukken de betrekking uit, waarin de volgende werking staat tot het tegenwoordige of tot eenig verleden oogenblik. Ik heb gevischt. Gij zult komen. Hij was gevallen.
c. De hulpwerkw. van den lijdenden vorm zijn: worden en zijn. Zij geven te kennen, dat het onderwerp van den zin de volgende werking ondergaat of ondergaan heeft. Hij wordt gestraft. Hij werd beloond Hij is gestraft. Hij is bekroond. Hij was uitgenoodigd. Het werkw. worden drukt uit, dat het onderwerp de werkingondergaat; zijn, dat hetde werking ondergaan heeft. Vroeger meende men algemeen, dat alleen wordeti het hulpwerkw. van den lijdenden vorm was. Dit kwam, omdat men b.v. hij is bekroond beschouwde als afkorting van: hij is bekroond geworden. Het jongere taalonderzoek heeft echter geleerd, dat men oorspronkelijk juist gezegd heeft: hij is bekroond en dat men later hier het overbodige geworden achter gehangen heeft. Tegenwoordig laat men dit aanhangsel echter gewoonlijk weer weg en dan is zijn een hulpwerkw. van den lijdenden vorm, daar het dan zonder eenige hulp van worden het ondergaan-hebben eener werking uitdrukt.
§ 203. Om een gemakkelijk overzicht op bovenstaande indeelitig der werkwoorden te krijgen, lette men er op, dat de werkw. verdeeld kunnen worden in twee hoofdgroepen: «. in dezulke, die alleen het gezegde vormen; b. in dezulke, die dit in verbinding met een ander woord doen.
De eerste hoofdgroep wordt dan weer onderverdeeld in: a. persoonlijke en onpersoonlijke werkw.; amp;. overgankelijke en onoverg. werkw.; c. wederkeerende en niet-weder-keer endo werkw.
De tweede hoofdgroep wordt gesplitst in: a. koppelwerkwoorden; b. hulpwerkwoorden. De eerste vormen het gezegde met een naamwoord; de tweede met een werkwoord.
h. Bijwoorden.
§ 204. Bijwoorden dienen ter bepaling van een werking, hoedanigheid of betrekking (Zie § 134, B); of kortweg: bijwoorden dienen ter bepaling van een n i e t-z e 1 f s t a n d i g-heidsbegrlp. Hij loopt hard. Een zeer oplette)ide jongen. Hij luistert zeer oplettend. Die man zat vlak naast mij.
112
§ 205. Naar de beteekenis worden de bijwoorden verdeeld in;
a. bijwoorden van plaats: op, achter, langs, heneden, herwaarts, enz.
h. bijwoorden van t ij d: nu, gisteren, heden, mettertijd, andermaal, onderwijl, terwijl. {Zijn vrienden lachen; ongestoord gaat hij terwijl met sterven voort. Het Genezend Maal, Staring).
c. bijwoorden van hoedanigheid, hoeveelheid of graad: Hij loopt snel. Hij werkt weinig. Gij vergist u zeer. Verdere voorbeelden: goedj, beleefd, heuschelijk, zoo, zus, hoe, eveneens', veel, meer. minder, genoeg', verbazend, uitnemend, doodelijk, hoogst,
d. bijwoorden van modaliteit. Zij kunnen uitdrukken:
1. een stelligheid ot noodzakelijkheid: ja, weZ, tfews, zeker, ongetwijfeld; noodzakelijk, noodwendig, bepaald.
2. een m o g e 1 ij k h e i d of een s c h ij n: misschien, wellicht, soms, waarschijnlijk, denkelijk; schijnbaar, oogenschijnlijk.
3. een vraag: wel? immers? toch? niet waar? [Gij komt toch?)
4. een opwekking: Werk toch met meer ijver! Vooruit dan'. Maak dan toch voort!
e. bijwoorden van voorwaarde: desnoods, desgevorderd, desgevraagd.
f. bijwoorden van beperking: dienaangaande, desbetreffende.
g. bijwoorden van omstandigheid: vergeefs, gezamenlijk,
slechts, alleen, zelfs, enz.
De bijwoorden, die een oorzaak (hierdoor, enz.), reden [hierom, enz.), een grond [derhalve, enz.), een middel [hiermede enz.), een doel [hiertoe, enz.) of een toegeving [toch, niettemin, enz.) te kennen geven, drukken gewoonlijk het verband tusschen twee zinnen uit en moeten dus gerekend worden tot de later te behandelen voegwoordelijke bijwoorden. (Verg. § 207.).
§ 206. In: DU is het huis, waarin ik ivoon, beteekent waarin hetzelfde als: in hetwelk, als een voorzetsel voornaamwoord dus. Tevens doet het in genoemden zin den dienst van een bijwoordelijke bepaling en wel van een bepaling van plaats. Dit heeft aanleiding gegeven, om waarin een voornaamwoordelijk bijwoord te noemen. Zoo is waarmede in: Waarmede hebt ge hem geslagen? evenzoo een voornaamwoordelijk bijwoord. Het kan toch vervangen worden door met wat en doet den dienst van een bijwoordelijke bepaling van middel. Soms komen deze voornaamwoorden niet als bij woordelijke bepalingen voor; men noemt ze dan toch ook maar voornaamw. bijwoorden: ik was hierover (oorzakel. voorwerp) zeer verbaasd;
113
dit huis is zeer bouwvallig, de muren er van (bijvoegl. bepaling) zijn overal gespleten; ik heb daaraan (oorzak. voorw.) niet meer gedacht.
Voornaamwoordelijke bijwoorden kunnen den dienst doen: a. van een voorzetsel een aanwijzend voornaamwoord: hierover, daarover, ervoor, daarlangs, er van. Ik heb u daarover reeds meermalen onderhouden.
b. van een voorzetsel een vragend voornw.: waaraan, waarmee, waarvan, waarlangs. Waaraan denkt gij? Waarover spreekt gij?
c. van een voorzetsel een betrekkelijk voornw.: waarin, waaraan, waarvan, enz. Het Mis. waarin ik woon.
d. van een voorzetsel een onbepaald voornaam-woord: Hij denkt nergens aan (= aan niets). Hij treurt ergens over over iets).
§ 207. In: hij heeft mij een boek beloofd, toch heeft hij het mij niet gegeven drukt toch het beperkend tegenstellend zinsverband tusschen twee zinnen uit en in zooverre is het dus een v o e g-woord. Tevens doet het in den tweeden zin dienst als een bijwoordelijke bepaling (van toegeving); men kan het daarin toch vervangen door de bepal. van toegeving: ondanks die belofte. Omdat toch nu den dubbelen dienst doet van voegwoord en b ij w o o r d, daarom heeft men het den naam van voegwoordelijk bijwoord gegeven. Zoo is daarom in: het is koud, daarom blijf ik thuis mede een voegwoordelijk bijwoord. Immers, het verbindt twee zinnen en kan in den tweeden zin vervangen worden door de bijwoordelijke bepaling van reden: om de koude.
Tot de voegwoordel. bijwoorden behooren b.v.:
a. de aaneenschakelende: bovendien, buitendien, daarenboven, daarbij, ook, zelfs.
b. de tegenstellende: daarentegen, integendeel, echter, niettemin, evenwel, enz.
c. de redengevende: hierom, daarom, vanhier, vandaar, dus, derhalve, enz.
De voegwoordel. bijwoorden kunnen evenals de andere bijwoorden een verschillende plaats in den zin innemen; staan zij vooraan, dan bewerken zij inversie, d. w. z. dan staat het onderwerp achter het werkwoord. Vergel.: het is koud, desniettemin ga ik uit; het is koud, ik ga desniettemin uit.
Zij heeten echter niet voegw. bijw., omdat zij die ver-
114
schillende plaats in den zin kunnen innemen, maar omdat zij den dubbelen dienst van voegwoord en bijwoord doen. Men moet dit goed in het oog houden, daar er enkele woorden zijn, die nu geheel en al en uitsluitend voegwoorden geworden zijn, maar uit den tijd, dat zij bijwoorden en voegw. bijw. waren nog de eigenaardigheid hebben overgehouden, ook midden in den zin te kunnen staan. Zulke woorden zijn b.v. de redengevende voegwoorden: immers, toch, namelijk. In: wees niet bang, ik ben immers bij u drukt immers uitsluitend de betrekking uit tusschen twee zinnen, en kan in den tweeden zin niet meer door een bijwoordel. bepaling vervangen worden. Men kan toch niet zeggen: wees niet bang, ik ben om die reden (of iets dergelijks) bij u. Al kan dus immers â evenals sommige bijwoorden â ook midden in den zin staan, toch is het een voegwoord en geen voegwoordelijk bijwoord, gelijk velen nog meenen.
i. VOOEZETSELS.
§ 208. Voorzetsels drukken een betrekking uit tusschen twee begrippen. (Verg. § 133) Het boek van mijn broer Is gescheurd, (van drukt hier een betrekking van bezit uit tusschen de begrippen broer en hoek). De jongen dacht over een som na. (over drukt hier een betrekking uit tusschen de begrippen dacht na en som).
Tot de voorzetsels rekent men gewoonlijk ook die woorden, welke een betrekking tusschen een begrip en een gedachte vermelden. (Verg. § 139). Uwe samenvatting van hetgeen de spreker gezegd heeft, vind ik uitstekend. Hij denkt graag na over hetgeen hij gelezen heeft.
§ 209. Tegenwoordig staat een voorzetsel meestal vóór het laatste der twee begrippen, waartusschen het een betrekking uitdrukt: De man liep op den dijk. Vroeger stond het er ook dikwijls achter, hetgeen nu nog slechts een enkelen keer, bij wijze van uitzondering, het geval is. Wij, vogels, vliegen bergen over, dalen door. (= over bergen en door dalen). Zij liepen de schutting langs. (= langs de schutting). Hier, langs uw noorder grens (nl. van Arabië) trok Israël weleer, naar 't erfland op en neer, de veertig jaren door. (= door of gedurende de veertig jaren; Hagar, da Costa).
§ 210. Soms volgen twee voorzetsels op elkander. Die man is
115
van achter de ploeg vandaangekomen. Hij was tot in het diepst van zijn ziel ontroerd. De matroos klom tot in den top van den mast. Een enkelen keer hebben die twee voorzetsels zelfs g e 1 ij k e beteekenis: hij wierp een steen van uit het raam; van af zijn dertiende jaar is hij reeds bij dien baas in dienst. Ofschoon in dergelijke constructies één van de voorzetsels best gemist zou kunnen worden en dergelijke zegswijzen â stipt genomen â dus iets overtolligs bevatten, zijn ze door het algemeen gebruik toch gewettigd, 't Staat toch wel wat eigenwijs iets als foutief af te keuren, wat zelfs door de beste Nederlandsche auteurs zonder eenig gemoedsbezwaar gezegd en geschreven wordt. Zoo spreekt b.v. Da Costa in zijn Slag bij Nieuwpoort van: de helden van uit het worstelperk der Vlaamsche zeezandvelden.
j. Voegwoorden.
§ 211. Voegwoorden zijn woorden, die twee zinnen verbinden en er tevens de betrekking tusschen uitdrukken. (Verg. § 133). In; daar mijn vader ziek is, ga ik niet uit b.v. verbindt daar de beide zinnen en. geeft tevens te kennen, dat de eerste zin de reden bevat van hetgeen in den tweeden vermeld is.
Alleen de woordjes dat en of verbinden soms twee zinnen, zonder er een betrekking tusschen uit te drukken. Dit is dan het geval, wanneer ze aan het hoofd van onderwerps-, gezegde-of voorwerpszinnen voorkomen. (Verg. § 55, b.). Ik weet, dat hij komt. Ik weet niet, of hij komt. Dat in den eersten zin dat hij komt het voorwerp is van ik iveet, wordt niet door dat uitgedrukt, maar volgt regelrecht uit den inhoud van beide zinnen. Dat en of heeten dan gram m atisch verbindend voegwoord.
Men lette er op, dat dat en of ook als gewone voegwoorden kunnen voorkomen. Het toegevend voegwoord of en het doel-aanwijzende dat drukken b.v. wel deugdelijk ook de betrekking tusschen hoofd- en bijzin uit.
§212. In den loop der tijden zijn tot voegwoorden geworden: a. voorzetsels, die dan gewoonlijk gevolgd worden door cM; tot (dat)-, van {dat)] na [dat). Dat voorzetsels als ongemerkt ook als voegwoorden gebruikt konden worden, wordt duidelijk, wanneer men bedenkt, dat tusschen voorzetsels en voegwoorden naar de beteekenis het allernauwste verband bestaat: beide zijn ze betrekkingswoorden. Tusschen voorzetsels en voegwoorden bestaat slechts een klein verschil in dienst. Wanneer
116
een betrekkingswoord gebruikt wordt, om de verhouding tusschen twee begrippen te kennen te geven, dan noemen we het een voorzetsel; dient het, om een betrekking tusschen twee zinnen uit te drukken, dan heet het een voegwoord. (Verg. § 133).
b. bij woord en als: daar, nu, toen, wanneer, zoo, enz.
Om wèl in te zien, hoe dergelijke bijwoorden voegwoorden kunnen zijn gaan worden, moet men er op letten, dat oudtijds de onderlinge betrekking tusschen twee zinnen niet-door voegwoorden of welke andere woorden ook werd uitgedrukt; dat toen veelmeer de zinnen 1 o s naast elkander werden geplaatst en men hun onderlinge betrekking maar uit hun inhoud moest opmaken. Tegenwoordig geschiedt dit nog met vele onderwerps-, gezegdeen voorwerpszinnen [ik xoeet niet, hoe ik die som moet maken; zie § 55, toelichting) en met enkele voorwaardelijke, toegevende en beperkende zinnen [wat hij ook tegen mij misdreven hehbe, ik vergeef het hem van ganscher harte; zie §§81, 88 en 103).
Van een zin als: ik vertrouw u nooit meer, nu (voegwoord) gij mij eens bedrogen hebt stonden b. v. de deelen vroeger los naast elkander; aldus: ik vertrouw u nooit meer; nu (= op dit oogenhlik; bijwoordel. bepaling van tijd in den tweeden zin) hebt gij mij eens bedrogen. Men voelde natuurlijk wel, dat de tweede zin de oorzaak bevatte van hetgeen in den eersten stond, maar dat werd niet door eenig woord uitgedrukt, en moest men uit den inhoud der beide zinnen maar zelf afleiden. Alle tijdbepalende woorden kunnen echter gemakkelijk ook redengevende kracht krijgen (Verg. § 111, c) en zoo vatte men het langzamerhand op, alsof nu te kennen gaf, dat de tweede zin de oorzaak inhield van den eersten. Op het oogenblik, waarin men in 't geheel niet meer besefte, dat nu in den tweeden zin een bepaling van tijd was, maar waarin men in nu niets anders zag, dan een middel, om een betrekking van oorzaak tusschen beide zinnen aan te wijzen, eerst op dat oogenblik was nu van bijwoord een voegwoord geworden. Natuurlijk is dit maar niet zoo opeens gegaan. Er zal ongetwijfeld een tijd geweest zijn, waarin men wel begreep, dat n u de betrekking tusschen beide zinnen uitdrukte, maar waarin men toch ook nog wel voelde, dat het in den tweeden zin een bijwoordel. bepaling van tijd was. In die dagen deed nu dus den dubbelen dienst van voegwoord en b ij woord en was het dus een v o e g-w o o r d e 1 ij k b ij w o o r d. (Verg. § 207).
117
Een woord â als nu â dat vroeger uitsluitend bijwoord was en nu ook als voegwoord kan optreden, is dus achtereenvolgens geweest: a. bijwoord; b. voegwoordelijk bijwoord; c. voegwoord.
In genoemde paragraaf 207 is ons gebleken, dat er ook op dit oogenblik nog vele woorden zijn, die tegelijkertijd èn den dienst van b ij w o o r d èn dien van voegwoord verrichten. Men mag m. i. veilig aannemen, dat ook de bijwoordelijke kracht van die woorden al meer en meer verzwakken zal en dat ze op den duur louter voegwoorden zullen worden. Trouwens, de bijwoordel. kracht van de tegenwoordige zoogenaamde voegwoordelijke bijwoorden wordt â naar het mij wil voorkomen â door ons nu reeds vrij zwakjes meer gevoeld en immers, toch, namelijk, die zoo lang nog voegwoordel. bijw. geweest zijn, zijn nu reeds geheel en al voegwoorden geworden. (Zie § 207).
c. woorden, die vroeger een deel van den hoofdzin uitmaakten: dewijl, termjl, ingeval dat, indien, zoovaak als, zooras als. Over dit taalverschijnsel hebben wij in de § § 111 en 112 uitvoerig gehandeld en daarom kunnen wij er hier verder het stilzwijgen over bewaren.
d. zinnen en deelwoorden, die den dienst van beknopte zinnen deden: tenzij (= het en zij)-, tenware (â het en ware), maar, aangezien (dat), aangenomen (dat), ondersteld, uitgezonderd e.a.
Een zin als: ondersteld dat het regent, dan gaan wij per tram beteekende: ondersteld wordende, dat het regent, dan gaan wij enz., waarin dat het regent het onderwerp was bij ondersteld ivordende. Over dergelijke beknopte zinnen met een onderwerp is reeds in § 1:?6 gesproken. â Voor tenzij en tenware zie men § 113. â Ook maar was oorspronkelijk een zin; 't is een samentrekking van (het) en ware = indien het niet ware. Duidelijk komt die beteekenis nog uit in een zin als: ik zou hem loei vertrouwen, maar hij heeft mij eens leelijk bedrogen = indien het niet ware, dat hij mij eens enz.
§ 213. Wij zeiden in de voorgaande paragraaf, dat de zinnen oudtijds meestal los naast elkander geplaatst werden en dat de woorden, die wij tegenwoordig als voegwoorden kennen, eerst langzamerhand die beteekenis hebben aangenomen, 't Schijnt wel, alsof het aanwijzende voornaamwoord dat en het twijfel, onzekerheid uitdrukkende o/' (Verg. § 115) het eerst veelvuldig als zoodanig gebruikt zijn geworden. Men houdt het er voor, dat b.v.
118
een zin als: ik weet, dat hij komt eerst zal geluid hebben: ik weet dat: hij komt, waarin het aanwijzende voornw. dat den inhoud van den volgenden zin aanduidde. Langzamerhand ontstond er dientengevolge in den geest van onze voorouders een zoodanige samenkoppeling tusschen de begrippen dat en voegwoord, dat een woord eerst ten volle voor hen tot voegwoord gestempeld was, als er het woordje dat achteraangehangen was; voor, na, eer, waar, hoe waren voor hen voorzetsels of bijwoorden; maar voordat, nadat, eerdat, enz. waren voor hen eerst waarlijk voegwoorden geworden.
Iets dergelijks heelt tegenwoordig met het twijfel uitdrukkende of plaats. Gaarne wordt het tegenwoordig achter zulke woorden met een onbepaalde beteekenis gevoegd, die voor ons meer en meer het karakter van verbindingswoorden aannemen: ik begrijp niet, hoe-of hij zoo iets heeft kunnen doen; de politie iveet nog niet, wie-of den moord gepleegd heeft; waar-of dat hoek toch mag liggen? (= ik zou toch wel eens willen weten, waar-of enz.). Evenmin als men nu dat in nadat, voordat, sedert dat, enz. als een afzonderlijk woord mag beschouwen, even weinig is mijns inziens of in wie-of, waar-of. wat-of als een zelfstandig woord aan te merken; ivie en of, waar en of, hoe en o/-drukken te zamen een denkbeeld van onbepaaldheid uit, ze vormen samen voor ons een ondeelbare eenheid. Ik zou althans niet weten, tot welke woordsoort ik of in ivie-of, waar-of, enz. zou moeten brengen.
k. Tusschenwekpsels.
§ 214. Tusschenwerpsels geven in één klank, in één kreet uiting aan hetgeen er in ons gemoed omgegaan is; ook bootsen zij geluiden na. Stipt genomen, zijn zij geen woorden, daar zij geen namen van begrippen of voorstellingen zijn, maar vaak een wereld van gedachten in één kreet vertolken.
Tot de tusschenwerpsels behooren b.v,: hoezee! helaas', ach. och! bons! x)lof! klets! enz. Ook vloeken en bastaardvloeken moeten er toe gebracht worden.
DERDE BOEK.
De Beteekenis en het Gebruik der Buigingsvormen,
I. Geslacht. ^
§ 215. Oudtijds kregen de namen van mannen en mannelijke dieren een andere verbuiging dan die van vrouwen en v r o u w e 1 ij k e dieren. De eerste noemde men m a n n e 1 ij k e, de laatste v r o u w e 1 ij k e woorden. Men zou een heel natuurlijk en heel eenvoudig stelsel verkregen hebben, indien onze voorouders nu allen zaaknamen ook een afzonderlijke buiging gegeven en ze tot een derde groep â die der o n z ij d i g e woorden â vereenigd hadden. Wel kregen echter vele zaaknamen zulk een afzonderlijke buiging, maar vele ook werden verbogen, alsof ze namen van mannelijke en vrouwelijke wezens waren en deze kregen dus het m a n n e 1 ij k e of het vrouwelijke woordgeslacht. 't Schijnt, alsof onze voorouders zich hierbij hebben laten leiden door de beteekenis en door den vorm dier zaaknamen. Door de beteekenis, inzooverre ze aan dingen, die aan mannelijke kracht en kloekheid deden denken, het mannelijk geslacht toekenden; en aan andere, die aan vrouwelijke teerheid en lieftalligheid herinnerden, het vrouwelijk geslacht gaven. Door den vorm, voorzooverre ze b.v. de woorden op
') Bij het schrijven van dit gedeelte is een ruim en dankbaar gebruik gemaakt van dr. E. A. Kollewijn's uitstekend artikel: Dr geslachten der zelfstandige naamwoorden in het Nederlandsch. (Taal en Letteren; 2e jaarg.).
120
rm, lm, dom e. a. als mannelijke en die op heid, nis e. a. als vrouwelijke woorden verbogen. Zoo zouden onze voorouders b.v. aan hoorn, berg op grond van hun beteekenis het mannelijk geslacht; aan deugd, trouw om dezelfde reden het vrouwelijk geslacht hebben kunnen toekennen. Wat hen er echter toe geleid heeft, om b.v. de woorden op rm als mannelijke en die op heid als vrouwelijke woorden te beschouwen, dat is na verloop van zooveel eeuwen moeilijk met zekerheid uit te maken. Men houdt het er gewoonlijk voor, dat een van de eerste woorden op rm een woord als storm geweest zal zijn, dat door zijn beteekenis het mannelijk woordgeslacht kreeg, terwijl dan later darm, worm, arm naar analogie op dezelfde wijze verbogen zullen zijn geworden; zoo kan een van de eerste woorden op heid een woord als schoonheid geweest zijn, terwijl dan later fierheid, kloekheid, zwartgalligheid naar analogie ook het vrouwelijk woordgeslacht kregen, ofschoon zij volstrekt geen bij uitstek vrouwelijke hoedanigheden waren.
Het kon niet anders, of het moest bij eene dergelijke gesteldheid van zaken voor latere geslachten volkomen onbegrijpelijk wezen, waarom de eene zaaknaam mannelijk, de andere vrouwelijk was. De mannelijke woorden hadden oudtijds echter eene buiging, die in menig opzicht kennelijk onderscheiden was van die der vrouwelijke. Zoo werd b.v. in 't Gotisch het mannelijke dags (= ons dag) verbogen: 1. dags; 2. dagis; 3. daga; 4. dag; terwijl 't vrouwelijke giba (= gave, gift) deze geheel andere buiging had; 1. giba; 2. gïbos-, 3. gibai; 4. giba.1) Zoolang nu maar de buiging der mannelijke woorden zooveel verschillen bleef van die der vrouwelijke, zoolang had men aan de in zwang zijnde buigingsvormen van een woord een zeker en onfeilbaar middel om te beslissen, of het mannelijk of vrouwelijk was.
In 't midden en vooral op 't eind der middeleeuwen ondergingen de buigingsuitgangen echter een sloopend en vernietigend verwordings- en ontbindingsproces; meer en meer sleten ze af en de weinige buigingsvormen, die nog overbleven, werden vrijwel door elkander gebruikt. Het verloop in de buigingsvormen was op het eind van de 16de eeuw zoo groot geworden, dat in
1
Het ligt natuurlijk geenszins in mijne bedoeling, dat de lezer de in dit derde boek voorkomende lijstjes van ouderwetsche verbuigings-en vervoegingsvormen onthouden moet. Ze zijn eenvoudig meegedeeld, om daardoor eene of andere zaak duidelijker te kunnen voorstellen.
121
de welbekende spraakkunst Twe-spraack van de Nederduitsche Letterkunst â in 1584 dooi- Spieghel, voorzitter van de Kamer âIn Liefde Bloeiendequot;, uitgegeven â het woord man werd verbogen; 1. de man; 2. des mans; 3. den man; 4. den man of de man; en de vrouw bijna geheel op dezelfde wijze, aldus: 1. de vrouw; 2. d,es vrowws; 3. den vromve; 4. de of den vrouw. In den eersten naamval vinden we vaak: den hemel, den aarde, dien man-, en in den vierden: die man, die hond, deze knecht. Het onvermijdelijk gevolg van dit alles was, dat men ook meer en meer in 't onzekere begon te raken omtrent het geslacht van vele zaaknamen, die voorheen mannelijk of vrouwelijk geweest waren; immers uit de buigingsvormen van het woord kon dit nu niet meer blijken. Tal van zaaknamen, die gedurende eeuwen het mannelijk geslacht gehad hadden, werden nu vrouwelijk gebruikt en omgekeerd; terwijl er bovendien nog zeer vele woorden waren, die nu eens mannelijk en dan weer vrouwelijk gebezigd werden; ja, enkele woorden â zooals oever, strand, oorlog â komen in de drie geslachten voor. Bijkomende omstandigheden deden de verwarring nog toenemen. Zoo verviel men in de dwaling, dat alle woorden op e vrouwelijk moesten zijn; een dwaling, waardoor vele voorheen mannelijke woorden â als hete, sterre, mane, wille, name â het vrouwelijk geslacht kregen. Ook de analogie deed haar invloed gelden: heest (vroeger vrouwe!.; vergel. de heest spelen) werd door invloed van het daarnaaststaande dier onzijdig; venster (vroeger vrl.) onzijdig naar analogie van het raam. Herinneringen aan dezen toestand van verwarring hebben wij nog in ter harte naast het hart; ter oore naast het oor; ter wille naast van goeden wille-, mettertijd naast ten tijde-, enz.
In de 17de eeuw trachtte men orde in dezen chaos te scheppen. Dit streven was een gevolg van de studie van het Latijn â toen zoo ijverig beoefend â- waarin dergelijke zaken zoo nauwkeurig geregeld moeten zijn. Niet alleen spraakkunstenaars hielden zich met de regeling der geslachten bezig; ook beroemde dichters als Hooft en Vondel trachtten ten dezen tot eenstemmigheid te komen. Toch werd die eenstemmigheid niet bereikt. Tal van woorden toch, welken Hooft het m a n n e 1 ij k geslacht geeft â als afbreuk, beitel, fluit, sabel e. a. â zijn bij Vondel vrouwelijk; terwijl omgekeerd Vondel aan harp, smaad, stal, stam e. a. het mannelijk geslacht toekent, waar Hooft die als vrouwelijk beschouwt. En het was betrekkelijker wij ze goed ook, dat bedoelde eenstemmigheid niet bereikt werd. Er was een tijd geweest,
122
waarin men een welig opschietenden boom niet aanschouwen kon, zonder tevens als onwillekeurig te denken aan mannelijke kracht en aan mannelijke fierheid en in die dagen had men â als gedreven door een onweerstaanbare macht â aan hoorn ook het mannelijk geslacht toegekend. Er was een tijd geweest, waarin een schoone roos als onwillekeurig deed denken aan vrouwelijke schoonheid en teerheid en in die dagen had men daarom zonder aarzelen, als iets dat vanzelf sprak, aan roos het vrouwelijk geslacht gegeven; maar die tijden waren al lang voorbij en wat nut kon het hebben, om in later dagen, toen de volksverbeelding in dit opzicht minder levendig was geworden, toch aan hoorn het mannelijk en aan roos het vrouwelijk geslacht op te dringen, vooral waar ook in de buiging bijna alle herinnering aan de oude geslachten te loor was gegaan. En zoo was de verwarring in de geslachten op het eind van de 17d6 eeuw even groot als in 't begin.
In den loop van de IS30 eeuw kwam ten dezen echter ver andering. In het jaar 1700 gaf David van Hoogstraten een boekje uit, getiteld: Aenmerkingen over de Geslachten der zelfstandige naamwoorden, waarin hij naar aanleiding van de werken van Vondel en Hooft het geslacht van een groot aantal woorden trachtte vast te stellen. Dit boekje maakte een verbazenden opgang; 't werd verscheidene malen herdrukt en velen hielden zich aan de geslachtsbepalingen van Van Hoogstraten. Toch was zijn boekje in menig opzicht een misgreep. Hoe groot Hooft en Vondel toch als dichters waren geweest, niets gaf het recht om aan te nemen, dat zij beter dan iemand anders wisten, welk geslacht een woord toekwam. Bovendien zag Van Hoogstraten geheel en al over het hoofd, dat men bij het vaststellen van het geslacht der woorden niet moet vragen, welk geslacht ze hadden in eenigen vroeger en tijd, maar welk geslacht ze hebben in den mond des volks op het oogenblik zelf, dat de geslachtslijst wordt opgemaakt. De levende taal moet hier de hoogste, ja, de eenige wetgeefster zijn en waar zij vrijheid van handelen toelaat, daar legge men zich zelf geen banden aan.
Omstreeks 1725 bepaalde de beroemde taalgeleerde Lambert ten Kate opnieuw het geslacht van omsteeks 750 woorden. Ook hij beluisterde niet de levende spreektaal van zijn tijd, maar raadpleegde te dien einde oud-Germaansche talen als 't Gotisch, 't Frankisch e. a. Op het einde van de vorige eeuw gaf Adriaan Kluit een vermeerderde en verbeterde uitgave van Van Hoog-
123
straten's werk in het licht, terwijl in het begin van deze eeuw Bilderdijk, Siegenbeek en Weiland de geslachtslijsten van Kluit trachtten te verbeteren of aan te vullen.
Eindelijk gaven omstreeks 1860 De Vries en Te Winkel hunne uitvoerige geslachtsregels; zij bepaalden het geslacht zooveel mogelijk van alle Nederlandsche substantieven, daarbij lettende : a. op de b e t e e k e n i s; b. op de vorming; c. op het gebruik. Echter niet op het gebruik in de speeek-maar op dat in de schrijftaal ; een gebruik, dat â naar wij gezien hebben â voor een goed deel berustte op het geslacht, dat Hooft en Vondel indertijd aan een woord hadden gelieven toe te kennen. Bij de geslachtsbepalingen van De Vries en Te Winkel legden de meeste schrijvenden zich peinzens- en strijdens-moede neder, waardoor zij op dit oogenblik zeker bindend gezag verkregen hebben. En zoo hanteert dan op dit oogenblik de dienstmeid den mannelijken bezem en den mannelijken boender en zwaait de officier tot schrik des vijands zijne vrouwelijke sabel; zoo siert een jonge dame zich met mannelijken tooi en pronkt de soldaat met zijn vrouwelijke uniform.
De geslachtsbepalingen van De Vries en Te Winkel â bepaaldelijk die der niet-onzijdige zaaknamen â mochten naar het hart zijn van een ouden Goth of Frank, zij hadden voor ons Nederlanders van de 19de eeuw twee groote gebreken, die nauw samenhingen. Zij hielden namelijk weinig of geen rekening met het gebruik van onze dagen, waardoor zij voor alle schrijvenden â voor hoog-, zoowel als voor laag- en ongeleerden â een bron van kwelling werden. Men kan tegenwoordig bijna geen regel schrijven, zonder een geslachtslijst te moeten raadplegen. Toch hooide men in den beginne weinig over deze lastige regeling der geslachten klagen. Een Nederlander is nu eenmaal een eerlijk en nauwgezet mensch, die niet gaarne iemand of iets â ook geen woord â ook maar het allerminste in zijn rechten te kort zou willen doen en wanneer een tweetal beroemde taalgeleerden hem komt verzekeren, dat het woord stoel recht heeft op het mannelijk, maar het woord tafel op het vrouwelijk geslacht en dat hij diensvolgens moet schrijven op den stoel, maar op de tafel, dan schrijft hij op den stoel en op de tafel, al blijft het hem ook een verborgenheid, waarin het mannelijke van dien stoel of het vrouwelijke van die tafel toch wel bestaan mag.
Toen dr. R. A. Kollewijn in 1891 echter in een artikel: Onze lastige spelling aandrong op vereenvoudiging van onze buiging,
124
onze spelling en van onze geslachtsbepalingen, toen bleek uit de instemming, die hij uit tal van oorden uit ons land, van hoog- en van laaggeplaatsten ontvangen mocht, hoe velen in den lande de boeien verbreken wilden, die den schrijvenden de handen zoo geheel noodeloos bonden. En met te meer recht mocht hij op vereenvoudiging met name van de regeling van de geslachten der niet-onzijdige zaaknamen aandringen, waar de regel, dien de spreektaal heden ten dage ten dezen volgt, zoo eenvoudig mogelijk en bijna zonder uitzonderingen is.
Op dit oogenblik hebben in de spreektaal alle niet-onzijdtge zaaknamen het Mannelijk geslacht.
Van een tafel sprekende, zegt ieder: hij is hoog en niet; zy is hoog; niemand zegt van een plank, dat zij een Meter lang is, maar dat hij een meter lengte heeft. Alleen eenige weinige niet-onzijdige stofnamen worden wel eens vrouwelijk gebezigd, zooals wijn, inkt, honig, nektar; maar men mag ze In elk geval ook het mannelijk geslacht geven.
Het is bij mij aan geen twijfel onderhevig, of deze vereenvoudiging, door dr, Kollewijn voorgestaan en met zooveel kennis en talent verdedigd, zal eenmaal ten gerieve der schrijvenden en op hun aandrang zeiven ingevoerd worden. Dat dit oogenblik echter wellicht nog in een ver verwijderd verschiet ligt, beseft elk, die weet, hoe moeilijk natuur en waarheid meestal de zegepraal behalen op conventie en logen.
Tot zoolang gelden in onze taal de volgende geslachtsregels:
§ 216. Op grond van de be teekenis, den vorm of het gebruik zijn mannelijk:
1. de namen van mannen en van die m a n n e 1 ij k e dieren, waarnaast een afzonderlijke benaming voor het wijfje bestaat: Jan, vader, leeuw, tijger.
2. de namen van b o o m e n: eik, berk. Uitgezonderd zijn : linde en tamarinde.
3. de namen van steen en, bergen en munten: een diamant, Etna, gulden. Uitgezonderd zijn de v r o u w e 1 ij k e namen van munten: pistool en guinje.
4. De' namen van maanden en jaar get ij den: Mei, winter, zomer. Uitgezonderd: lente (vr.).
5. de woorden op aar, aard, erd, lm, rm, em, sein: boezelaar, standacvrd, mosterd, helm, worm, adem, balsem. Uitgezonderd zijn: scherm (o.); alarm (o.); uniform (vr.); helm (als plantnaam vrl.); palm, dat vrouwelijk is in de beteekenis van palmkruid, vlakke hand en lengtemaat; als palmboom is het m a n n e 1 ij k.
125
6. de woorden op ing en ling, als zij geen persoonsnamen zijn: haring, â penning, schelling, krakeling. Zijn het stofnamen, dan zija ze v ro u w e 1 ij k: De winkelier heeft ons de haring mg niet bezorgd.
lt;â de éónlettergrepige begripsnamen, die werkingen beteekenen: slag, val, trap, lach, gil. Zijn het voor werpsnamen, dan zijn ze vrouwelijk: val (muizen-al); trap (van een huis); gana (in een huis).
8. de woorden op dom, wanneer zij een toestand te kennen geven; in andere beteekenissen zijn ze o n z ij d i g: ouderdom, wasdom, rijkdom. Eigendom in de beteekenis van ârecht van bezitquot; is ma nu el ijk; in die van âbezittingquot; is het onzijdig.
§ 217. Op grond van de beteekenis, den vorm of het gebruik zijn vrouwelijk;
1. de namen van v r o u w e n en van zulke vrouwelijkedieren, waarnaast een afzonderlijke benaming voor het mannetje bestaat: Mariè, grootmoeder, leeuwin.
2. de n i e t - o n z ij d i g e stofnamen: boter, kaas, melk. Uitgezonderd zijn eenige weinige mannelijke stofnamen als- honig, wijn, inkt, azijn, room. Het woord turf en sommige namen van visschen zijn m a n n e 1 ij k als v o o r w e rp s n a a m en v r o u w e 1 ij k als stofnaam: Gooi dim turf in het vuur; hij heeft om de turf niet tegen dien prijs kunnen leveren; de meid bakt een grooten visch; de hengelaar deed de visch in zijn netje.
3. de namen van vruchten en bloemen: peer, pruim, lelie. Uitgezonderd zijn: leemvenhek, goudenregen, aronskelk. Verder zijn de vruchtnamen op oen en ling mannelijk: citroen, meloen, pippeling. Evenzoo de Nederlandse he namen op el en er-, appel, eikel, aker; vreemde woorden op die uitgangen zijn meestal v r o u w e 1 ij k: amandel, komkommer.
4. de namen van vaartuigen: bark, boot. Evenzoo de eigennamen van schepen: Hij is met de Prins Hendrik uitgevaren. Mannelijk zijn echter de soortnamen van schepen, op er eindigende: driemaster, botter, boeier. O n z ij d i g zijn : fregat, galjoen; jacht, schip.
5. de namen van letters, cijfers, muzieknoten, intervallen, muziekinstrumenten: eene b, eene zes, eene bes, eene terts, eene viool. Uitgezonderd zijn: het octaaf; en doedelzak,horen, triangel, das mann. zijn.
6. de woorden, die a 11 ij d of soms op e eindigen: koude, zonde, reis (reize), trouw (trouwe). Uitgezonderd zijn: vrede (m.) en einde (o.)
/. de woorden op te, van bijvoegl, naamw. gevormd: groente, hoogte, diepte, schaarschte.
8. de woorden op heid en nis: waarheid, begrof nis, gevangenis. Vonnis en vullis zijn o n z ij d i g.
9. de woorden op ing en st, van werkwoorden gevormd:verr/issing, verhandeling, kunst, winst. Uitgezonderd zijn de m a n n e 1 ij k e: dienst, last (uit tadst van laden).
126
10. de woorden op schap, als zij een toestand ofeene verzameling te kennen geven: vriendschap, vijandschap, ridderschap, vroedschap. Uitgezonderd zijn de o nzijdige: jezantschap, genootschap, gereedschap. Onzijdig zijn voorts de woorden op schap, als zij een waardigheid of een gebied heteekenen: het vaderschap, het graafschap. Uitgezonderd: de graafschap (vrl.) Zutfen.'
11. de woorden op age, ij, ie, ei, iek, teil, uw: plantage, bloemisterij, melodie, karwei, muziek, majesteit, schaduw. Bosschage, personage, concilie, evangelie zijn onzijdig. Genie is onzijdig als geniaal mensch; als wapen bij het leger v r o u w e 1 ij k.
Opmerking verdient nog, dat sommige woorden, die vroeger gewoonlijk het vrouwelijk geslacht hadden, tegenwoordig in de spreektaal zeer vaak onzijdig gebruikt worden. Zoo zegt men tegenwoordig dikwijls het schilderij, het school, het fabriek naast de schilderij, de school, de fabriek.
§ 218. Gemeenslachtige woorden zijn dezulke, die dan eens mannelijk, dan eens vrouwelijk zijn, alnaarmate ze namen van mannelijke of vrouwelijke personen of dieren zijn. Daartoe behooren: gids, erfgenaam, getuige, bediende; de woorden op ling en genoot: vreemdeling, leerling, tochtgenoot, landgenoot. Deze laatste woorden krijgen tegenwoordig vaak eeae e, wanneer zij namen van vrouwelijke wezens zijn: leerlinge, landgenoote.
§ 219. Zelfslachtige woorden zijn dezulke, die steeds hetzij mannelijk, hetzij vrouwelijk zijn, onverschillig of zij namen van mannelijke of vrouwelijke wezens zijn. Zoo zijn altijd mannelijk: mensch, arend, olifant, valk, haas; en vrouwelijk: mug, muis, gans, kraai. Wil men goed laten uitkomen, of men in een bepaald geval een mannelijk of een vrouwelijk wezen bedoelt, dan spreekt men van een mannetjesolifant, een wijfjes olifant, enz
§ 220. De samengestelde woorden hebben het geslacht van het tweede lid der samenstelling, als het geheel een ondersoort is van de hoofdsoort, in het tweede lid genoemd: koffiepot, huiskamer, vogelkooi. Uitgezonderd zijn: kerkhof (o.), tijdstip (onz., naast het vrouwelijke stip).
Voldoet de samenstelling niet aan genoemde voorwaarde, dan behoeft het geslacht van het geheele woord niet dat van het tweede lid te zijn. Dit heeft plaats:
a. wanneer de samenstelling een persoon beteekent, die gekenmerkt is door hetgeen de samenstelling noemt: roodhuid, langtong, domkop, zwartoog e. a. Dergelijke woorden krijgen het n a t u u r 1 ij k geslacht.
127
b. wanneer aan de samenstelling een geheele zin ten grondslag ligt: weetniet, durfniet, brekespel. Ook deze woerden krijgen het n a t u u r 1 ij k geslacht.
c. bij enkele woorden, die niet tot een bepaalde groep te vereenigen zijn, als; vierkant, zeskant, roodvonk (o.), hutspot, voorschoot. Roodvonk beteekent toch geen bepaalde soort van vonk en krijgt daarom niet het vrouwelijk geslacht van vonk.
2. Naamvallen.
§ 221. In de meeste spraakkunsten wordt beweerd, dat naamvallen die vormen der zelfstandige naamwoorden zijn, welke de betrekking te kennen geven, waarin het woord in een zin voorkomt. Velen keuren tegenwoordig deze definitie af. £n mijns inziens terecht.
In: de moeder is ziek zou de eigenaardige vorm van het woord moeder reeds te kennen geven, dat het woord onderwerp in den zin is. Op zich zelf beschouwd zou dit zeer goed kunnen.
Maar in; de jurk der moeder (2naamv.) is gescheurd zou diezelfde vorm aanduiden, dat de moeder de bezitster dei-jurk is. In: hij geeft de moeder (3d° naamv.) een geschenk zou uit dien vorm alweer blijken, dat de moeder hier de belanghebbende bij de werking is; terwijl in; de koopman bedriegt de moeder (é130 naamv.) diezelfde vorm moeder ons zou zeggen, dat de moeder het slachtoffer der werking bedriegen is. Dit nu is klaarblijkelijk onmogelijk. Eerst wanneer een woord voor elke betrekking, waarin het in een zin kan voorkomen, een eigen, afzonderlijken vorm had, eerst dan zou uit dien vorm ook omgekeerd duidelijk en ondubbelzinnig blijken, in welke betrekking het in een zin voorkomt. Maar wanneer een woord in tal van betrekkingen steeds denzelfden vorm blijft behouden, dan kan ook uit dien vorm alleen niet blijken, in welk verband het woord in den zin voorkomt. De betrekking, waarin moeder in de bovengenoemde zinnen telkens tot andere woorden staat, volgt dan ook niet uit den vorm van het woord moeder, maar uit de plaats, waarin het in den zin voorkomt en uit den totaal-indruk, dien de zin op onzen geest maakt.
Zeer dikwijls wordt die betrekking ook door voorzetsels uitgedrukt: hij denkt aan zijn overleden moeder; dit is een geschenk voor moeder.
128
§ 222. De vraag rijst: hoe men toch aan deze verkeerde definitie gekomen is?
Onze taal stamt met vele doode en levende talen af van een taal, gesproken door een volk, dat â naar men vrij algemeen aanneemt â in overoude tijden ergens op de hoogvlakte van Thibet heeft rondgezworven. Die talen vormen te zamen de Indo-Europeesche taalgroep. In alle doode en enkele levende van die Indo-Europeesche talen hebben de zelfstandige naamwoorden veel meer naam val vormen, dan ze nu gewoonlijk nog bezitten. In: ik snijd met een mes drukt met tegenwoordig uit, dat het mes het middel is, om de werking snijden te verrichten. In sommige doode Indo-Europeesche talen liet men het voorzetsel met weg en zette men mes in een eigenaardigen vorm, welke reeds duidelijk liet uitkomen, dat het mes het middel was, om de werking snijden te verrichten. Die naamvalsvorm heette de instrumentalis1). In: mijn broer wandelt in het bosch drukt het voorzetsel in uit, dat het bosch de plaats is, waar mijn broer wandelt. In sommige oude talen liet men alweer het voorzetsel in weg, maar bezigde men bosch in een eigenaardigen vorm, die voor het taalbewustzijn dergenen, welke die talen spraken, duidelijk uitdrukte, dat het bosch in een betrekking van plaats tot de werking wandelen stond. Dien naamvalsvorm zou men den locativus kunnen noemen.
Wanneer nu in eenige taal een woord voor elke betrekking, waarin het in een zin kan voorkomen, zulk een eigen, afzonderlijken vorm had, ja, dan zouden in die taal de naamvallen omschreven kunnen worden als de vormen, die de betrekking uitdrukken, waarin een woord in een zin voorkomt. Maar zulk een taal bestaat er niet, zoodat de definitie, die wij elkaar voor de naamvallen in het Nederlandsch napraten, niet alleen niet voor het Nederlandsch, maar voor geen enkele bekende taal doorgaat.
§ 223. Sommigen hebben daarom voorgesteld, de naamvallen te omschrijven als de betrekkingen zelf, waarin een woord
â ) Zulk een oude instrumentalis ligt nog verscholen in de woorden niettemin en desniettemin. Niettemin uit: niet-ie-min, waarin d e de instrumentalis is van het aanwijzend voornaamw.dat. Dit de beteekende dus met dat; later ook: door dat of daardoor. Niettemin beteekende dus: daardoor niet minder. Toen men later de kracht van den instrumentalis de niet meer voelde, zette men den oorzakelijken genitief van dat des) voor het woord; zoo ontstond desniettemin. Verge!.: des te beter.
129
in den zin tot andere woorden staat. Maar aangezien net aantal dezer betrekkingen zeer groot is, zou men volgens deze definitie ook veel meer dan de gebruikelijke vier naamvallen moeten onderscheiden. Anderen hebben dit bezwaar trachtten te onder-vangen, door de naamvallen als een groep van betrekkingen te defimeeren. Dat groote aantal betrekkingen zou dan in vier groepen samengevat worden en elke dezer groepen zou dan een naamval zijn. Dit was niet kwaad bedacht, maar toch is het met goed. In; het hoek mijns vaders staat vader toch in dezelfde betrekking tot hoek, als in: het hoek van mijn vader en toch staat vader in den eenen zin in den tweeden, en in den anderen in den vierden naamval. Zoo staat vader in: ik geef vader het hoek m geheei dezelfde betrekking tot de werking geven als m: ik geef aan vader het hoek en toch staat in den eersten zin vader in den derden en in den tweeden in den vierden naamval. Vergel. nog: ontferm u mijner (2^ naamval) en ontferm u over mij. (4de naamv.)
Uit deze voorbeelden blijkt zonneklaar, dat m e n b ij h e t bepalen van den naamval, waarin een woord staat, niet uitsluitend let op de betrekking waarin het voorkomt, maar ook op de wijze, waarop die betrekking wordt uitgedrukt. Geschiedt dit door een voorzetsel, dan staat het woord in den vierden naamval, onverschillig in welke betrekking het voorkomt.
Wij kunnen op dit oogenblik, bij den tegenwoordigen stand van zaken, alleen dit zeggen:
Alnaargelang van de betrekking, waarin een woord in een zin voorkomt, verandert het wel eens van vorm. Die vormen, welke een woord in een bepaald geval aanneemt, heeten naamvils-vormen. Die naamvalsvormen zijn op dit oogenblik nietszeggende vormen, overblijfsels van een reeks van vormen, die in vroeger tijd vrij nauwkeurig de betrekking u i t d r u k t e n, w a a r i n een woord in een zin voorkwam.
Wij herhalen het: die naamvalsvormen zijn metszeggende vormen. In: het hoek mijns vaders drukt vaders b.v. volstrekt met uit, dat mijn vader de b e z i 11 e r van het boek is: hij kan er evengoed de maker van zijn.
§ 224. In de oud-Germaansche talen - 't Gotisch, 't oud-Saksisch, t oud-Frankisch, 't Friesch e. a. - waarmee onze taal
130
in buigings- en vervoegingsvormen zeer nauw verwant is, hadden vele zelfst. naamw. in het enkelvoud nog vier buigingsvormen. Zoo werd het mannelijke days (=â dag; verg. § 215) in 't Gotisch verbogen: 1. dags; 2. dagis; 3. daga; 4. dag; en het mannelijke, maar zwakke, hana (=haan) aldus: 1. hana; 2. hanins; 3. hanin; 4. hanan. In den loop van de middeleeuwen zijn die buigingsuitgangen (Zie § 215) meer en meer afgesleten, en zoo hebben de m a n n e 1 ij k e en o n z ij d i g e woorden in het enkelvoud nog slechts twee vormen overgehouden; man, mans; paard, paards. De m a n n e 1 ij k e en o n z ij d i g e woorden hebben in het meervoud; de vrouwelijke in enkel- en meervoud nog maar één naamvalsvorm: mannen, paarden; tafel, tafels.
Toch spreken wij altijd nog van vier naamvallen.
Wij doen dit voor een deel, omdat het persoonl. voornw. van den derden persoon, mannel. en onzijdig meervoud, in de schrijftaal althans, nog vier vormen heeft: 1. zij; 2. hunner; 3. hun; 4. hen; en omdat van eenige weinige woorden in verband met de daarbij behoorende bepalende woorden nog vier vormen in gebruik zijn: 1. de tijd; 2. des tijds; 3. ten tijde; 4. den tijd. Voornamelijk echter doen wij het uit. sleur, uit een soort van overgeërfde gewoonte. Niet alleen wij Nederlanders zijn echter in die sleur vervallen, ook in 't Engelsch, 't Fransch, 't Duitsch en andere talen blijft men van vier naamvallen spreken, ook al hebben de zelfst. naamwoorden in die talen geen vier naamvalsvormen meer. Maar juist omdat het bij de taalgeleerden een soort van internationale gewoonte geworden is, om te spreken van woorden, die in den eersten, tweeden, derden en vierden naamval staan, juist daarom zullen wij, Nederlanders, ons moeilijk aan die gewoonte kunnen onttrekken, hoe moeilijk zij ook op logische gronden te verdedigen is. Zoovelen onzer jeugdige landgenooten toch moeten vreemde talen leeren, dat het zeer verklaarbaar is, zoo wij in hun belang en te hunnen gerieve huiverig zijn, in zulk een hoofdzaak van de gebruikelijke onderscheidingen in vreemde spraakkunsten af te wijken.
Een zoo ingrijpende wijziging, als dr. Kollewijn in de regeling der geslachten van de niet-onzijdige zaaknamen heeft voorgeslagen; een wijziging, die ten dezen bijna met een omwenteling, met een stoutmoedig breken met het verledene gelijk staat, zulk een wijziging zou bij ons, practische Nederlanders, eerder haar beslag kunnen krijgen, dan een prijs-geven van het gebruik, om van vier naamvallen te spreken. De regeling onzer geslachten
131
toch is een zaak, die ons alleen aangaat en met de stu'die van vreemde grammatica's niets te maken heeft, terwijl dit laatste met de onderscheiding der naamvallen wel het geval is. En daarom geloof ik, dat onze kinderen en kindskinderen nog altijd zullen moeten blijven spreken van woorden, die in den nomina-tivus, genitivus, dativus en accusativus staan, ook al legt hun taalonderwijzer hun nog zoo duidelijk uit, dat deze onderscheidingen op geen enkelen redelijken grond berusten.
§ 225. Eén opmerking ten slotte. Vele spraakkunstenaars beschouwen het verloren-gaan, het afslijten der buigingsuitgangen als een verlies voor onze taal. Met zekeren weemoed spreken zij van de armoede onzer taal aan naamvalsvormen; met kwalijk verholen atgunst gewagen zij van den rijkdom van andere talen in dit opzicht. Deze beschouwingswijze is glad verkeerd. De buigingsuitgangen zijn afgesleten, sinds zij een overbodigen ballast waren geworden, sinds de taal op andere, eenvoudiger en beter wijze kan uitdrukken, wat zij voorheen te kennen gaven. Vooral de voorzetsels zijn als plaatsvervangers der naamvalsvormen opgetreden en door de fijne onderscheidingen in hunne beteekenissen drukken zij, veel beter dan de naamvalsvormen dit ooit vermochten te doen, de betrekkingen uit, waarin de zelfstandige naamwoorden in een zin tot andere woorden staan. Eoe zou een naamvalsvorm b.v. ooit een fijn verschil in beteekenis kunnen uitdrukken, als er tusschen op en hoven, onder en heneden bestaat?
Bovendien: in ik sta voor de deur liet men vroeger het voorzetsel voor weg en zette men de deur in den locativus; maar in ik sta achter de deur bleef ook achter weg en zette men de deur alweer in den locativus. Het ligt voor de hand, dat door.de voorzetsels voor en achter veel juister de betrekking wordt uitgedrukt, waarin de deur in beide zinnen tot de werking staat, dan dit oudtijds door den naamvalsvorm, den locativus, kon geschieden.
Waarlijk, 't bezit van een verbijsterend aantal naamvalsvormen is geen sieraad voor een taal; 't is veelmeer een bewijs, dat zij nog in het eerste stadium van haar ontwikkeling verkeert en op hoogst onvolkomen en onbeholpen wijze tracht uit te drukken, wat door andere middelen â door voorzetsels b.v. â op veel juister en veel gemakkelijker wijze kan te kennen gegeven worden.
§ 226. Een woord staat dan in den eersten naamval (nominatief):
132
a. als het onderwerp van een zin is: Die man vi zeer geleerd.
b. als het naamwoordelijk deel van het gezegde is: Hij is de schrijver van dat boek. Soms staat het naamw. deel v. h. gezegde in den 4on naamval: Wees u-zelf! Ik was me zelf niet meer van kwaadheid. Hij is hem. (jougensuitdrukking bij het spelen). Je behoeft er niet aan ie twijfelen; 't is hem. In enkele uitdrukkingen komt het zelfs in den 2en naamval voor: Geef den keizer, wat des keizers is. Be synode doet wat des kerkeraads is. Zoo sprak hel diep van ons; des vreemdlings was het droog. (Staring).
c. als het aangesproken persoon is: Jan, kom even hier.
d. als het bijstelling of bepaling van gesteldheid is bij een woord in den len naamval: Zijn broer, de notaris, is overleden. Als vader ben ik verplicht u te waarschuwen. Rubins is de schilder der vorsten geprezen.
§ 227. Een naamwoord kan in den tweeden naamval (genitief) staan;
a. als het de oorsprong of de afkomst beteekent van een andere zelfstandigheid (genitief van oorsprong). Het licht der zon. Hooft's Nederlandsche Historiën. De uitvinder dezer machine. De teekenaar dezer spotprenten.
b. als het de bezitter of de bezitting is van een andere zelfstandigheid (genitief van bezit). Het huis mijns vaders. Jan's boek. De eigenaar dezer fabrieken. Dlt; heer des huizes. Opmerking verdient h.'er, dat men naast Jan's hoek, Marie's hoed in de spreektaal dikwijls hoort: Jan zijn boek; Marie d'r hoed. In den laatsten tijd schrijven veile ontwikkelden met opzet dergelijke constructies ook, omdat zij meenen, dat de schrijftaal zich zoo nauw mogelijk bij de spreektaal moet aansluiten en dat zij niet preutsch en bedilziek als plat en onbeschaafd mag verwerpen, wat door alle Nederlanders â ook de meest beschaafde â gezegd wordt.
e. als het onderwerp of voorwerp is van een als zelfstandigheid voorgestelde werking (onderwerps- en voorwerpsgenitief). Het
gezang der vogels. Hel geblaat der schapen. De beraadslagingen der Tweede Kamer. De verkoop der huizen. De inbeslagneming der goederen. De belegering der stad.
d. wanneer het de zelfstandigheid beteekent, waarvan een zekere hoeveelheid is genomen (verdeelings-genitief). Een bete broods. Een dronk waters. De haard verspreidde lichts genoeg. Minder praats. Een uur gaans. In plaats van; een bete broods, een dronk waters, een teug wijns zegt men tegenwoordig gewoonlijk: een bete brood, een dronk ivater, een teug wijn, waarin brood, water, xoijn natuurlijk niet meer ir, den tweeden naamval staan. In welken naamval staan zij dan wel? Dit hangt af van de omstandigheden. In: een glas goede wijn is gezond staat goede wijn in den eersten naamval als b ij s t e 11 i n g bij het onderwerp een glas; in: hij dronk een glas goeden wijn staat het in den vierden naamval als bijstelling bij het voorwerp een glas. Men zou in den
133
eersteu zin goede wijn zelf ook wel als het onderwerp kunnen beamp;chouwen, waarbij een glass clan een bijvoeg], bepal. van hoeveelheid zou zijn; en evenzoo goeden wijn in den tweeden zin als het eigenlijke voorwerp kunnen opvatten, waarbij een glas naamv.) dan wter een bij voeg 1. bep. van hoeveelheid zou wezen; maar ook volgens deze zienswijze staat wijn in den eenen zin in den eersten, en in den anderen in den vierden naamval.
e. wanneer het oorzakelijk voorwerp is (genitief v. oorzaak). Ontferm u mijner. Erbarm u zijner. Hij is dier zake kundig. Deze handelwijze was zijns onwaardig. Tegenwoordig worden deze genitieven gewoonlijk door accusatieven vervangen: ontferm u over mij; hij is uw weldaden waardig; hij is die zaak meester. (Zie | 14.). De min of meer antieke genitieven worden alleen in hoogeren stijl gebezigd.
f. als bijwoordel. bepaling: des morgens, des nachts, blootshoofds, goedsmoeds, geenszins, eenign-mate, hij is dezer dagen overleden.
g. als bijvoeglijke bepaling van kenmerk, wanneer het niet gevoeglijk tot een van de voorafgaande gevallen te brengen is: de knop der deur; de hoofdstad der provincie; de hak der laars; de geest der eeuw. Men kan toch moeilijk zeggen, dat de laars de hak of dat de deur den knop bezit, zonder aan het woord bezitten een beteekenis op te dringen, die het in de beschaafde spreektaal niet heeft en waardoor slechts verwarring in het hoofd der leerlingen â en der onderwijzers! â gesticht wordt.
Een woord in den genitief heeft hoogst zelden een bijstelling bij zich; zulk een bijstelling staat dan gewoonlijk in den vierden, soms in den tweeden naamval: Een lofzang ter eere Gods, den Allerhoogste.
De Eranschen hopen ter herwinning der verloren provinciën Elzas en Lotharingen op den steun des Czaars, des machtigen beheerschers van Rusland.
§ 228. Een woord kan in den derden naamval (datief) staan, als het belanghebbend (beter: zelfhandelend) voorwerp is (Verg. §§12 en 13): hij cjeeft mij een hoek; die hond is zijn meester zeer getrouw.
Als afzonderlijke soorten onderscheidt men:
a. den daiief van bezit. Deze wijst den bezitter aan van een andere in den zin genoemde zelfstandigheid: hij trapte mij op de teenen; ik sliet hem aan den arm; hij verbitterde haar het leven; het bloed steeg hem naar het hoofd.
b. den ethischen datiet. Deze wijst den belangstellende in de werking aan: daar heeft me die ondeugende jongen een ruit gebroken! Wat heb je me daar nu weer uitgevoerd?
In den derden naamval staat ook een bijstelling of een bepaling van gesteldheid bij een woord in den derden naamval: hij heeft mij, zijn oudsten vriend, die taak opgedragen; ik heb hem als den naasten belanghebbende het eerst het gewichtige nieuws medegedeeld.
§ 229. Een naamwoord staat in den vierden naamval (accusatief):
a. als het lijdend voorwerp is: de jongen slaat den hond; uw broer heeft een- brief geschreven.
b. als het voorafgegaan wordt door een voorzetsel: hij zit bij de tafel. Vele voorzetsels regeerden vroeger een derden naamval; daaraan herinneren uitdrukkingen als: in koelen bloede; te gelegener tijd; met voorbedachten rade; van goeden irille; enz. Slechts bij wijze van uitzondering regeerde een voorzetsel een tweeden naamval; vergelijk deswege, waarin des de genitief van het aanwijzend voornaamwoord dat is. In: binnenslandu, binnenskamers, buitenslands e. d. hebben wij dan ook niet met genitieven, geregeerd door binnen, te doen. Binnen regeerde oudtijds een derden naamval; zoo zou men vroeger gezegd hebben: hij vertoeft buiten lande; van buiten lande viel de e af; zoo ontstond buiten land; dit zinsdeel deed hier den dienst van een bijwoordelijke bepaling van plaats: daardoor vatte men het als een bijwoord op en zette er de bijwoordelijke s achter; zoo verkreeg men buitenlands. Verleid door analoge vormen als goedsmoeds, blootshoofds heeft men achter het onverbuigbare voorzetsel buiten ook een s gevoegd en zoo kreeg men ten slotte buitenslands. Op een dergelijke wijze zijn natuurlijk ook binnenslands, binnenskamers e. d. ontstaan.
c. als het een bijwoordelijke bepaling van tijd, plaats, maat, gewicht, p r ij s of omstandigheid is. Eiken morgen gaat die man hier voorbij. Hij loopt den dijk op. (Verg. hier echter ^ 11, slot.). Hij komt de kamer binnen. Die kamer is zes meter lang. Die baal koffie weegt vijftig pond. Dit boek kost een rijksdaalder. Hij zat heel gezellig te werken, een boek voor zich, een pijp in den mond.
d. als het oorzakelijk voorwerp is en niet in den genitief staat: de generaal is den opstand meester; hij is die taal machtig; wij zijn het spoor bijster.
e. als het een bijstelling of een bepaling van gesteldheid bij een woord in den vierden naamval is: hij woont in Haarlem, de hoofdstad van Noord-Holland; wij beschouwen Vondel (ds den vorst onzer dichters.
§ 230. In 't algemeen stemt een b ij v o e g 1 ij k e bepaling in naamval met het bepaalde woord overeen. Uitgezonderd zijn g e w o o n 1 ij k (niet a 11 ij d!);
a. de soortbepalingen voor een woord in den genitief, dat het bepaalde woord voorafgaat: Koning Willems verjaardag; oom Hendriks nieuwe knecht.
h. bezittel ij ke voornaamwoorden, beboerende bij een woord in den genitief, dat het bepaalde woord voorafgaat:
uw broeders mantel; mo zusters nieuwe hoed. Men zegt bijna altijd: Zijner Majesteits troepen.
c. b ij s t e 11 i n g e n bij een woord in den genitief: een lofzang ter eere Gods, den Allerhoogste.
3. Getal.
§ 231. Door getal verstaat men bij de zelfstandige naamwoorden en bij zelfstandig gebruikte woorden de vormen, die te kennen geven, of het woord één of meer zelfstandigheden beteekent: leeuw, leeuwen; hij, zij; degene, degenen; enkelen-, velen. Die getallen heeten het enkel- en het meervoud.
Ook van b ij v o e g 1 ij k gebruikte woorden zegt men, dat zij in het enkel- of in het meervoud staan, alnaargelang zij dienen ter bepaling van een enkel- of meervoudig woord.
§ 232. Op grond van hun beteeken is of van het gebruik komen sommige woorden alleen in 't enkelvoud voor. Hiertoe behooren:
a. de eigennamen: Haarlem, Frankrijk. Worden die eigennamen als soortnamen gebezigd, dan kunnen zij natuurlijk in het meervoud voorkomen: twee Jan Steen's; de Cicero's.
h. namen van zelfstandigheden, waarvan er maar één is: de hel, de evenaar, de aarde.
c. stofnamen: youd, zilver, gevogelte, vee. Worden zulke stofnamen als voorwerpsnamen gebezigd, dan kunnen zich twee gevallen voordoen:
1. de stof wordt slechts voorgesteld, als binnen bepaalde grenzen besloten te wezen, zonder dit werkelijk te zijn. In dit geval staan zij steeds in het enkelvoud: de kaas van dezen boer; het goud is een edel metaal.
2. de stof is werkelijk binnen bepaalde grenzen besloten: een steen; een kurk. In dit geval kunnen die woorden in het meervoud voorkomen: steenen, kurken. Evenzoo als men verschillende soorten van de stof bedoelt: wijnen, zuren, souten.
d. abstracte zelfstandige naamwoorden, die met stofnamen gelijk gesteld kunnen worden. (Zie vooral ^ 148). Deugd verheugt. Eer is teer. Honger is de beste saus. Abstracte substantieven, die met voorwerpsnamen te vergelijken zijn, kunnen ook in het meervoud voorkomen, zoo het gebruik zich daartegen niet verzet: deugden,gebreken, vergissingen.
Enkele van deze abstracte zelfst. naamw. zouden op grond van hun beteekenis wel in t meervoud kunnen voorkomen, maar het gebruik
136
laat dit niet toe; in zulk een geval moet men den meervoudsvorm van een in beteeken is verwant woord gebruiken: hedrog â bedriegerijen; spot â spotternijen; twijfel â twijfelingen; doel â doeleinden; zegen â zegeningen.
§ 238. Alleen in 't meervoud komen b.v. voor: ouders, lieden, mazelen, pokken, gebroeders, gezusters, gelieven, inkomsten, kosten, hersenen, de Alpen, de Gycladen, enz.
i. Trappen van hoedanigheid of vergelijking.
§ 234. De b ij v o e g 1 ij k e naamwoorden hebben drie trappen van vergelijking: a. den stellenden trap; b. den vergrootenden trap; c. den over treffen cl en trap.
§ 235. De ver groetende trap is de vorm van het bijvoegl. naamwoord, die te kennen geeft, dat een zelfstandigheid een hoedanigheid in hoogere mate bezit dan een of meer andere zelfstandigheden: hij is sterker dan zijn broer.
§ 236. De overtreffende trap is de vorm van het bijvoegl. naamw., die te kennen geeft, dat een zelfstandigheid, vergeleken met een of meer andere, de hoedanigheid in de hoogste mate bezit: de sterkste jongen; het oudste kind.
% 237. In tegenstelling met den vergrootenden en den over-treffenden trap van een bijvoegl. naamw. heet men den gewonen vorm van een adjectief den stellenden trap: een goede jongen-, een dom kind.
§ 238. Wanneer de overtreffende trap praedicatief gebruikt wordt, wordt hij voorafgegaan door de lidwoorden de of het of door geen lidwoord. Van al deze jongens is hij het knapst. Die professor is de knapste van al zijn collega's. Heerlijk, God, zijn al uw werken\ maar heerlijkst is uw avondstond.
Vergelijkt men echter een hoedanigheid van een zelfstandigheid met een gelijksoortige hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid onder andere omstandigheden of op andere tijden, dan wordt de overtreffende trap a 11 ij d voorafgegaan door het: 's morgens gevoelt hij zich het opgewekst-, een zieke is gewoonlijk 's nachts het onrustigst.
§ 239. Wanneer men wil uitdrukken, dat een zelfstandigheid de eene hoedanigheid in hoogere mate bezit dan een andere, dan moet de vergrootende trap omschreven worden door het bijwoord
137
meer: hij was meer verwaand dun verstandig ] hij is meer blozend dan gezond.
§ 240, De overtreffende trap drukt soms eenvoudig uit, dat een zelfstandigheid een hoedanigheid in hooge mate bezit. Hij heet dan volstrekt overtreffende trap in tegenoverstelling van den betrekkelijk overtreffenden trap, in § 236 behandeld. Beste jongen! Een allerliefst meisje.
S 241. Sommige bijvoegl. naamw. kunnen op grond van hun beteekenis niet in de trappen van vergelijking voorkomen. 'tZijn dezulke, die een hoedanigheid uitdrukken, welke de eene zelfstandigheid niet in hoogere mate kan bezitten dan een andere: Fransch, Duitsch, ijskoud, loodzwaar, sneeuwwit, stom, blind, volmaakt, almachtig, broodeloos, werkloos, vaderloos, recht, rond, vierkant, hedendaagsche, gouden, zilveren, koperen, enz. Men zegt van zulke adjectieven, dat zij eene absolute beteekenis hebben.
Worden dergelijke woorden toch in de trappen van vergelijking gebezigd, dan zijn ze ook niet in hun eigenlijke beteekenis gebruikt: dit kopje is voller dan dat] zijn koffer was nog leeg er dan die van zijn reisgenoot.
§ 242. Ook sommige bijwoorden â vooral die van hoedanigheid â komen in de trappen van vergelijking voor: hij heeft hard, harder, het hardst geloopen. De overtreffende trap wordt dan voorafgegaan door het, dat echter door dichters soms weggelaten wordt. En minst rampzalig scheen, wie vroegst verging. (Staring, Aan de stad Parijs).
Ook bij bijwoorden komt een volstrekt overtreffende trap voor: gij hebt best gewerkt] uw bezoek in mij hoogst aangenaam geweest; wij hebben ons allerkostelijkst vermaakt.
5. Wijzen.
§ 243. Oudtijds hadden de werkwoorden vormen, die nauwkeurig de betrekking te kennen gaven, waarin de werking volgens de voorstelling des sprekers stond tot de werkelijkheid. Die vormen heetten de wijzen der werkwoorden.
Zoo was in 't Gotisch de tegenwoordige tijd van de aan-toonende wijs van het ww. niman {= nemen)-. Enkelvoud: 1. nima; 2. nimis; 3. nimith; Meervoud; 1. nimam; 2. nimith; 3.
138
nimand; terwijl de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs deze geheel andere vormen had: Enkelvoud: 1.nimau; 2. nimais; 8. nimai; Meervoud: 1. nimaima; 2. nimaith; 3. nimaina.
Juist omdat de vormen van de aantoonende wijs zoozeer verschilden van die van de aanvoegende wijs, daarom kon een schrijver door het bezigen van de eene of van de andere vormen duidelijk doen uitkomen, of hij de werking als werkelijk geschiedende of slechts als wenschelijk wilde beschouwd hebben. De vorm nima (= ik neem) wekte de voorstelling aan een werking, die werkelijk geschiedde; de vorm nimau (â dat ik neme) die aan een werking, welke slechts wenschelijk of mogelijk was.
In den loop van den tijd zijn die vormen echter meer en meer afgesleten en aan elkander gelijk geworden, zoodat in het tegenwoordige Nederlandsch de wijzen volstrekt niet meer de vormen zijn, die de betrekking te kennen geven, waarin de werking tot de werkelijkheid staat. Bij den huldigen toestand onzer taal mogen wij alleen zeggen, dat w ij z e n weinig o f n i e t s-zeggende werkwoordelijke vormen zijn, over-blijfsels van reeksen van vormen, die in vroeger tijden nauwkeurig de betrekking uitdrukten, waarin de werking naar de voorstelling des sprekers tot de werkelijkheid stond. (Vergel. hier vooral § 228, waar een dergelijke definitie voor de naamvallen gegeven is).
§ 244. Om uit te maken, in welke wijs een werkwoord staat, let men tegenwoordig:
a. voornamelijk op de betrekking zelve, waarin de werking tot de werkelijkheid staat.
h. bij uitzondering op den vorm van het werkwoord.
a. op de betrekking zelve. In: had ik het gedaan, dan zou ik het eerlijk zeggen staan had gedaan en zou zeggen in de voorwaardelijke wijs, omdat die werkingen in strijd zijn met de werkelijkheid. Immers: ik heb het niet gedaan en xsc het daarom ook niet. In: ik beloofde hem. dat ik eerlijk zou zeggen, dat ik het gedaan had staan zou zeggen en gedaan had in de aantoonende wijs. omdat die werkingen nu met de werkelijkheid overeenkomen. Toch hebben de werkwoorden in beide zinnen geheel dezelfde vormen, zoodat men aan die vormen hier volstrekt niet zien kan, in welke wijs het werkwoord staat. In: zij zenden hun sollicitatie-stukken bij den burgemeeste, in
139
staat zenden in de aantoon en de wijs; maar in: zij, die naar deze betrekking willen dingen, zenden hun stukken zoo spoedig mogelijk hij den burgemeester in staat zenden in de aanvoegende wijs, omdat in dezen zin de werking wen schel ijk is en niet â zooals die van den vorigen zin â reeds met de werkelijkheid overeenkomt. Toch heeft het werkw. zenden in heide zinnen geheel denzelfden vorm, zoodat uit dien vorm alleen hier alweer volstrekt niet blijkt, in welke wijs het werkwoord staat. Dit blijkt hier integendeel uitsluitend uit de betrekking zelf, waarin blijkens den inhoud van den geheelen zin de werking tot de werkelijkheid staat.
b. op den vorm. In: de koning leeft, naast: de koning leve! drukken de vormen leeft en leve voor ons taalgevoel nog zeer duidelijk uit, dat in den eersten zin de werking leven de uitdrukking is der werkelijkheid en in den tweeden slechts w e n s c h e 1 ij k is.
Daarom nemen wij ook maar aan, dat komt in: ik hoop, dat hij komt in de aantoonende wijs staat, ofschoon de werking hier ongetwijfeld blijkens de woorden ik hoop wenschelijk is en dus volgens de beteekenis in de aanvoegende wijs staat. In dit geval beslist derhalve de vorm van het werkwoord. Vergel,; hij hoopte, dat ik kwam naast: hij hoopte, dat ik kwame, waarin kwam en kwame beide een mogelijke of wenschelijke werking betcekenen, en waarin toch â alleenlijk om den vorm â kwam in de aantoonende en kwame in de aanvoegende wijs staat.
§ 245. Wij onderscheiden vier wijzen: a. de aantoonende; b. de aanvoegende; c. de voorwaardelijke; d. de gebiedende wijs.
§ 24». Een werkwoord staat in de aantoonende wijs: a. om zijn beteekenis; b. om zijn vorm.
a. Een werkwoord staat om zijn beteekenis in de aantoonende wijs, als de werking volgens de meening van den spreker of schrijver op eenig oogenblik met de werkelijkheid overeenkomt: hij slaapt] gij zijt gisteravond gevallen.
b. Een werkwoord staat om zijn vorm in de aantoonende wijs in zinnen als: hij hoopt, dat ik kom; hij hoopte, dat ik kiuam; ik hoop, dat hij komt; ik hoopte, dat hij kwam.
§ 247. Een werkwoord staat in de aanvoegende wijs, als de werking w e n s c h e 1 ij k of m o g e 1 ij k is, indien het althans wegens zijn vorm niet geacht wordt, in de aantoonende
140
wijs te staan; de koning lave! uw koninkrijk kome; zingen wij een loflied ter eere Gods.
§ 248. Een werkwoord staat in de voorwaardelijke wijs, als de werking naar de meening van den spreker of den schrijver stellig of hoogstwaarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd is. Had hij harder gewerkt, dan ivas hij stellig geslaagd. (hij heeft niet hard gewerkt en is dan ook niet geslaagd). Al ware hij zoo rijk als Croesus, hij zon u toch niets geven, (hij is hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk als Croesus).
§ 249. Een werkw. staat in de g e b i e d e n de wijs, als de werking naar de meening van den spreker of schrijver w e r k e 1 ij k h e i d behoort te worden: Schrijf! Kom hier!
§ 250. De vier wijzen kunnen naar haar beteeken is in twee hoofdgroepen samengevat worden:
a. de a a n t o o n e n d e wijs, die de uitdrukking is der werkelijkheid;
ö. de aanvoegende, de voorwaar del ij ke en de gebiedende wijzen, die do verschillende schakeeringen der n i e t-w e r k e 1 ij k h e i d uitdrukken.
Uit deze nauwe verwantschap tusschen de aanvoegende en de gebiedende wijs kan ook verklaard worden, dat de gebiedende wijs soms gebruikt wordt om een w e n s c h uit te drukken en alzoo de beteekenis van de aanvoegende wijs aanneemt; Geef ons heden ons dagelijksch brood!
Omgekeerd drukt de aanvoegende wijs soms een gebod uit: Ieder ga nu verder rustig zijns iveegs.
§ 251. De aanvoegende wijs kan of moet gebruikt worden;
a. in hoofdzinnen, die een wensch, een mogelijkheid, een aanmaning of iets dergelijks uitdrukken. Uw koninkrijk home. Helpen wij elkander in nood en dood! Ieder doe zijn plicht!
b. in onderwerpszinnen. Het is te hojien, dat hij zijn dwaling ingezien hehhe.
c. in voorwerpszin en, wanneer in den hoofdzin een werkwoord
als wenschen, twijfelen, hopen, vreezen, verwachten, bevelen e. d. voorkomt. Ik vrees, dat hem een ongeluk overkomen zij.
d. in bijvoeglijke bijzinnen. Waar schuilt zij, die onwraakbare penne, die niemands nagedacht'nis schenne, die niemands nagedachfnis vlei. (P.).
e. in tijdbepalende bijzinnen, beginnende met eerdat, voordat, totdat. Haast u, voordat het te laat zij.
/. in d oei a an wij zen de bijzinnen. Eert uwe ouders, opdat het u welga.
141
fir. in toegevende bijzinnen. Wat hij ook zegge, geloof hem niet.
h. in voorwaardelijke bijzinnen. Deze zieke kan behouden blijven, mits deze gevaarlijke operatie gelukke,
§252. De voorwaardelijke wijs kan of moet gebruikt worden;
a. in hoofdzinnen, waarin een bijwoordelijke bepaling van voorwaarde voorkomt. In mijn geval (=r indien gij in mijn geval geweest waart) zoudt gij evenzoo gehandeld hebben. Gij hebt geen tijd-, maar anders zou ik u raden een flinke wandeling te gaan maken, {anders = indien dit anders ware).
b. in hoofdzinnen en de daarbij behoorende voorwaardelijke
b ij z i n n e n. Ware hij vroeger spaarzaam geweest, hij zou nu geen gebrek lijden.
c. in hoofdzinnen, waarbij de voorwaardelijke b ij zin is weggelaten. Marco kon het puikje vragen uit Napels' maagdenrij en wierd niet afgeslagen, (vul in: indien hij een dier meisjes vroeg).
d. in v o o r w a a r d e 1 ij k e b ij z i n n e n, waarbij de hoofdzin is weggelaten. In dit geval krijgt de bijzin soms het uiterlijk van een wenschenden hoofdzin. (Verg. £ 82). Zoo hij eens verdronken ware! Of hij toch zijn dwaling inzage! Ware hij toch wat eerder gekomen! Konden wij hem maar helpen!
e. in hoofdzinnen en de daarbij behoorende toegevende bijzinnen. Al xvare hij zoo rijk als Croesus, hij zou u toch niets geven. Al had hij het gedaan, dan hadl gij hem nog zoo zwaar niet mogen straffen.
/.in v e r g e 1 ij k e n d e b ij z i n n e n, die met alsof en o/ beginnen. Hij liefkoosde mij, alsof ik zijn zoon ware. Hij keek, alsof hij het te Keulen hoorde donderen. Hij schreeuwde, of hij vermoord werd.
Alsof beslaat uit als en of (â indien). Het eerst gegeven voorbeeld beteekende dus oorspronkelijk: hij liefkoosde mij, als (gelijk) hij mij geliefkoosd zou hebben, of [indien) ik zijn zoon ware. Omdat nu de vergelijkende bijzin na alsof en of oorspronkelijk een voorwaardelijke bijzin was, daarom gebruikt men nu nog in dergelijke zinnen de v o o r w a a r d e 1 ij k e wijs. Bovendien is de inhoud van deze zinnen in strijd met de werkelijkheid. (Verg. § 98).
g. in vragende zinnen, wier inhoud stellig of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd is. Zou hij het werkelijk gedaan hebben? Zou er geen hoop op herstel meer zijn? Zou hij er niets van weten? Zou ik mij schamen over mijn ouders, aan wier liefdevolle zorg ik zooveel te danken heb ?
§ 253. Staat het werkwoord in de gebiedende wijs, dan wordt het onderwerp gewoonlijk niet uitgedrukt, omdat dit reeds opgesloten ligt in den vorm van het werkwoord. Werk! Schrijft!
Wordt het onderwerp wel genoemd, dan geeft de gebiedende wijs meer een verzoek, dan een gebod te kennen. Dirk,
142
breng jij eens even dien brief voor mij naar de post. Ga jij nu maar slapen; ik zal ivel verder voor den zieke zorgen.
§ 254. De onbepaalde wijs (Infinitief) draagt ten onrechte den naam van w ij s. De infinitief toch geeft niet de betrekking te kennen, waarin de werking tot de werkelijkheid staat; hij stelt de werking eenvoudig als een zelfstandigheid voor. Wandelen is gezond. Veel zoeter zeker is het zweet bij 't wandelen, dan bij 't werken. (Tollens).
§ 255. De infinitief, al of niet voorafgegaan door t e, kan voorkomen:
a. als onderwerp. Wandelen is gezond. Te hooren, was gehoorzamen. ^P).
h. als naamwoordelijk deel van het gezegde. Zijn gedrag is te prijzen, te. laken.
c. als bepaling van gesteldheid. Zij zit te breien (breiende). Hij staat te wachten.
d. als voorwerp. Hij hoorde gillen (gillen is hier lijdend voor-werp). De koning aarzelde dit besluit te onderteekenen (te onderteekenen is hier oorzakelijk voorwerp bij aarzelde en dit besluit is lijdend voorwerp bij te onderteekenen).
e. als bijvoeglijke bepaling. Het denkbeeld, een reisje langs den Rijn te makm, lachte mij zeer toe. De verwachting, zijn ouden vader weer te zien, gaf den vermoeiden wandelaar nieuwe krachten.
f. als bijwoordelijke bepaling. Wij eten om te leven (â bep. v. doel). Hij liep mij voorbij, zonder mij te groeten.
§ 256. Gelijk uit de voorbeelden blijkt, eischt het Nederlandsche taaleigen soms, dat de infinitief door het voorzetsel te voorafgegaan wordt, zonderdat men kan zeggen, dat het een bepaalde beteekenis heeft. In: wij eten om te leven b.v. wordt de betrekking tusschen eten en leven door het doelaanwijzende voorzetsel om uitgedrukt; werd het bezigen van te hier niet door het Nederlandsche taaleigen gevorderd, dan zou men het weg kunnen laten, zonderdat de beteekenis van den zin ook maar het allerminst veranderde.
6. T ij d e n.
§ 257. Door tijden verstaat men de werkwoordelijke vormen, die te kennen geven, in welke betrekking naar de voorstelling des sprekers de werking staat tot den tijd. Die tijd kan tweeërlei zijn: a. het tegenwoordig oogenblik; h. eenige tijd in het verleden e.
143
§ 258. Die betrekkingen zijn:
a. de werking geschiedt gelijktijdig met het tegenwoordig oogenblik: ik schrijf nu een brief. Het schrijven is nu nog aan den gang.
h. de werking is verleden ten opzichte van het tegenwoordig oogenblik: ik heb den brief geschreven en ga nu wat ivandelen. Het schrijven is nu geschied.
c. de werking is toekomstig ten opzichte van het tegenwoordig oogenblik: ik zal schrijven; ik zal geschreven hebben. Het schrijven moet nog gebeuren.
d. de werking geschiedt g e 1 ij k t ij d i g met eenig oogenblik i n het verleden e: ik schreef gisteravond om vijf uur een brief, toen uw broeder mij een bezoek bracht. Het schrijven was gisteravond om vijf uur nog aan den gang.
e. de werking is verleden ten opzichte van een oogenblik in het verled ene: ik had gisteravond om vijf uur een brief geschreven, toen uw broer mij een bezoek bracht. Het schrijven was gisteravond om vijf uur reeds geschied.
f. de werking is toekomstig ten opzichte van eenig oogenblik in het verledene: hij beloofde mij gisteravond, dat hij den brief zou schrijven. Hij beloofde mij gisteravond, dat hij vanavond den brief geschreven zou hebben. De werking schrijven moest gisteravond nog plaatsgrijpen.
§ 259. Schrijf en ik schrijf stelt de werking dus voor als nog geschiedende in het tegenwoordige. Maar als een werking nog geschiedt in het tegenwoordige, dan volgt hieruit, dat die werking in het tegenwoordige ook nog onvoltooid is; vandaardat men kan zeggen, dat schrijf de werking ook voorstelt als onvoltooid in het tegenwoordige.
Heb geschreven in. ik heb geschreven stelt de werking voor als verleden ten opzichte van het tegenwoordige. Maar als een werking verleden is ten opzichte van het tegenwoordige, dan volgt hieruit, dat die werking in het tegenwoordige reeds voltooid is; vandaardat men ook kan zeggen, dat heb geschreven de werking voorstelt als voltooid in het tegenwoordige.
Als ik zeg, dat een werking toekomstig is ten opzichte van het tegenwoordig oogenblik, dan blijkt daaruit nog niet, dat zij voltooid of onvoltooid is. Vandaardat men twee tijden gebruikt, die de werking als toekomstig ten opzichte van het tegenwoordige voorstellen: ik zal schrijven; ik zal geschreven hebben. De eerste tijd stelt de werking als onvoltooid; de tweede als
144
voltooid voor in de toekomst; die toekomst te rekenen vanaf het tegenwoordig oogenblik.
Volgens een dergelijke redeneering mag men schreef ook noemen den onvoltooid verleden tijd; had geschreven den voltooid verleden tijd; zou schrijven en zou geschreven hebben zijn de beide toekomende verleden tijden.
§ 260. Uit al het voorafgaande volgt, dat men in de a a n-toonende wijs de volgende acht tijden heeft;
a. den onvoltooid tegen w. tijd: ik schrijf.
h. den voltooid tegen w. tijd: ik heb geschreven.
c. den onvoltooid toekomende tegen w. tijd (of kortweg: on volt. toek. tijd): ik zal schrijven.
d. den voltooid toekomende tegenw. tijd (of kortweg: voltooid toek. tijd): ik zal geschreven hebben.
e. den onvoltooid verleden tijd: ik schreef.
f. den v o 1 (. o o i d verleden tijd: ik had geschreven.
g. den onvoltooid toekomende verleden tijd: ik zou schrijven.
h. den voltooid toekomende verleden tijd: ik zou geschreven hebben.
§ 261. De beperkende bepaling: volgens de voorstelling des sprekers mag in de definitie (zie § 257) volstrekt niet gemist worden. In: in 1600 verslaat Maurits de Spanjaarden bij Nieuwpoort toch wordt de werking verslaan slechts voorgesteld als nu geschiedende; in werkelijkheid heeft zij reeds vroeger plaatgegrepen. Zoo stelt komt in: hij komt straks bij mij de werking voor als nu geschiedende, terwijl zij inderdaad eerst in de toekomst plaatsgrijpt.
§ 262. De aanvoegende wijs heeft slechts vier tijden: ik hoop, dat hij kome; ik hoop, dat hij gekomen zij; ik hoopte, dat hij kwame; ik hoopte, dat hij gekomen ware. De vier toekomende tijden ontbreken hier. Dit geschiedt mijns inziens, omdat het werkwoord zullen, dat de toekomende tijden helpt vormen, op grond van zijn oorspronkelijke beteekenis (t.w. die van moeten, verplicht zijn) wel geschikt was, om het denkbeeld van de aantoonende, maar niet om dat van de aanvoegende wijs uit te drukken. Er zou anders niets tegen zijn, om een werking ook in de toekomst als mogelijk voor te stellen.
§ 263. Om het denkbeeld van de voorwaardelijke wijs uit te drukken, werden oudtijds uitsluitend de onvoltooid
145
en voltooid verleden tijden van de aanvoegende wijs gebezigd. Nog worden die vormen daartoe soms gebruikt: Dede hij zijn best, hij slaagde zeker. Hadde hij zijn bsst gedaan, hij ware zeker geslaagd.
Tegenwoordig gebruikt men in dit geval dikwijls de verleden tijden van de aantoonende wijs: Deed, hij zijn best, hij slaagde zeker. Had hij zijn best gedaan, hij was zeker geslaagd. '
In plaats van de verleden tijden van de aantoonende of aanvoegende wijs, gebruikt men ook zeer dikwijls de toekomende verleden tijden van de aantoonende wijs: Deed hij zijn b( st, hij zou zeker slagen. Had hij zijn best gedaatt, hij zou zeker geslaagd zijn. Opmerking verdient, dat die toekomende verleden tijden alleen gebruikt kunnen worden in de hoofdzinnen, en niet in de daarbij behoorende bijzinnen. Altijd moeten'die voimon gebezigd worden in vragende zinnen, wier inhoud stellig of hoogstwaarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd is. (Verg. § 252, g.). Zou er geen hoop op herstel meer zijn?
Men lette ei vooial op, dat in een zin als: Was hij verstandig, dan zou hij naar huis gaan, de werkwoorden wel deugdelijk in de voorwaardelijke wijs staan en niet in de aantoonende wijs, gelijk men vaak meent, Uit de definitie, door ons van het begzip wijze gegeven, volgt, dat men om te bepalen in welke wijs een weikwoord staat, in de eerste plaats moet letten op de betrekking zelve, waarin de werking tot de werkelijkheid staat en niet voornamelijk op den vorm van het werkwoord. En in genoemden zin zijn het verstandig-zijn en het naar-huis-gaan in strijd met de werkelijkheid en staan die werkwoorden derhalve op grond van hun beteekenis in de voorwaardelijke wijs.
De verleden tijden van de aanvoegende wijs werden oor-spionkelijk gebezigd, om het denkbeeld van de voorwaardelijke wijs uit te drukken, omdat zij zich daartoe zoo bij uitstek goed leenden. In: Dede hij zijn best, hij slaagde hij zeker b.v. stelt dede de werking zijn best doen voor als vroeger m o g e 1 ij k; maar wanneer ik van een werking met zekeren nadruk zeg, dat zij in vroeger en tijd mogelijk was, dan trekken wij daaruit allicht het besluit, dat die werking nu wel niet meer mogelijk zal zijn of althans hoogst onwaarschijnlijk is en dat was juist, wat de voorwaardelijke wijs moet uitdrukken.
§ 264. De tijden worden verdeeld in enkelvoudige en samengestelde. De eerste bestaan louter uit een ver-
10
146
voegingsvorra van het werkwoord (liep, loop)-, de andere worden gevormd door middel van de hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn, zullen. De twee eerste helpen de voltooide tijden van een werkw. vormen; het laatste de toekomende tijden.
§ 265. Met zijn worden vervoegd die onovergankelijke werkwoorden, welke een overgang van den eenen toestand in een anderen beteekenen; sterven, sneuvelen, vertrekken, aankomen.
§ 266. Met hebben worden vervoegd:
a. alle overgankelijke werkwoorden: koopen, zien. hooren, betalen.
b. die onovergankelijke werkw., welke niet een overgang van den eenen toestand in een anderen beteekenen: lachen, huilen, dansen, gillen, jammeren.
Opmerking verdienen enkele werkwoorden als zijn en blijven, die eigenlijk met hebben vervoegd moesten worden, maar in het hedendaagsche Nederlandsch met zijn vervoegd worden: is geweest. is gebleven. Vroeger zeide men volgens den regel: heeft geweest; heeft gebleven en in de volkstaal wordt zijn nog zeer dikwijls met het hulpwerkw. hebben vervoegd.
§ 267. Sommige werkwoorden â vooral die, welke een beweging te kennen geven â worden dan eens met zijn, dan weer met hebben vervoegd, alnaarmate men de aandacht wil vestigen op den veranderden toestand van het onderwerp of op de werking zelve: ik ben naar Haarlem geloopen-, ik heb geloopm; ik ben over een sloot gesprongen; ik heb gesprongen. Zoo ook: ik heb besloten, dat te doen en ik ben besloten, dat te doen. Vergel. nog: ik ben moe gespeeld en moe gezongen met: ik heb gespeeld en gezongen.
% 268. Enkele overgankelijke werkw., die in vroeger tijd onovergankelijk waren, worden nu met hebben en met zijn vervoegd, gewoonlijk met verschil in beteekenis. Ze zijn: vergeten, beginnen, volgen, navolgen, opvolgen.
vergetenzijn beteekent: uit hetgeheugen verloren hebben. Hij was dat jaartal alweer vergeten. In alle andere beteekenissen wordt vergeten met hebben vervoegd: hij heeft zijn hoek vergeten (vergeten = verzuimen mede te brengen)-, hij heeft vergeten, u dat te zeggen (vergeten âniet aan iets denken).
beginnen als overgankelijk werkwoord wordt zonder verschil in beteekenis zoowel met hebben als met zijn vervoegd: hij heeft zijn taak begonnen-, hij is zijn taak begonnen. Is het
147
onovergankelijk, dan wordt het met zijn vervoegd; hij is aan zijn taak begonnen.
volgen en navolgen worden in de beteekenis van achter naloopen met zijn; in die van nadoen met hebben vervoegd. Be hond is zijn meester zeker gevolgd. Hooft heeft als historie schrijver den beroemden Tacitus gevolgd, nagevolgd.
opvolgen wordt in de beteekenis van nakomen steeds met hebben vervoegd; hij heeft mijn gebod niet opgevolgd. Beteekent het âonmiddellijk na iemand anders zekere waardigheid of betrekking vervullenquot;, dan wordt het met hebben of zijn vervoegd : Frederik Hendrik is (of heeft) in 1620 zijn broer Maurils als stadhouder van Holland opgevolgd.
naderen wordt gewoonlijk nog met zijn vervoegd: hij nas mij ongemerkt op een pistoolschot ufstands genaderd.
7. Persoon en Getal.
§ 209. Oudtijds hadden de werkwoorden vormen, die nauwkeurig te kennen gaven, of de eerste, tweede, of derde persoon enkel- of meervoud de werking verrichtte1). Die vormen heetten de persoonsvormen der werkwoorden. In den loop van den tijd zijn die vormen meer en meer aan elkaar gelijk geworden en vandaardat voor het Nederlandsch van onze dagen de persoonsvormen volstrekt niet meer omschreven mogen worden als de vormen, die nauwkeurig uitdrukken, welke persoon enkel- of meervoud de werking verricht.
Waar wij b.v. zoowel zeggen: ik eet, als gij eet, en hij eet, daar kunnen wij klaarblijkelijk onmogelijk aan den vorm eet zien, of de werking door den spreker, den hoorder of iemand anders verricht wordt, maar volgt dit uit de beteekenis van het onderwerp zelf. Tegenwoordig wijst de persoonsvorm van het werkwoord het onderwerp niet aan, maar bepalen wij juist omgekeerd door middel van het onderwerp den persoon, waarin het werkwoord staat.
In het huidige Nederlandsch zijn persoonsvormen niets-of weinigzeggende werkwoordelijke vormen, overblijfsels van reeksen van vormen, die in vroeger
1
Zie J 243, waar de vroegere persoonsvormen van den Tegenw. Tijd van het werkw. nrman (= nemen) vermeld zijn.
us
tijden nauwkeurig te kennen gaven, welke persoon enkel- of meervoud het onderwerp der werking was. (Verg. § 32). Of anders: de vormen, die het werkwoord aanneemt, al naar gelang het onderwerp eerste, tweede, of derde persoon enkel- of meervoud is, heeten persoonsvormen.
§ 270. Ook bij de werkwoorden spreekt men van getal; dat getal kan enkel- of meervoud zijn. In het algemeen staat eon werkw. in het enkelvoud, als het onderwerp enkelvoudig is (ik kom) en in het meervoud, als het onderwerp meervoudig is (wij komen).
§ 271. In het algemeen komt een werkwoord in persoon en getal met het onderwerp overeen.
§ 272. Ten opzichte van de overeenstemming in persoon merke men op;
a. wanneer het onderwerp een betrekkelijk voornw. is, komt het werkwoord in persoon met het antecedent van dat betrekkei. voornw. overeen. Ik, die daar zelfbij geweest beu, weet het beter dan gij. Gij, die het ongeluk gezien hebt, kunt er het best eene beschrijving van geven. Onze Vader, die in de Hemelen zijt.
b. het voornaamwoord U is eene afkorting van Uwe Edelheid en werd diensvolgens vroeger uitsluitend door een werkwoord in den derden persoon gevolgd. Tegenwoordig stellen wij dat voornw. U meer en meer in beteekenis gelijk met gij en daarom gebruiken wij dan ook na U zeer dikwijls (maar niet altijd!)het werkw. in den tweeden persoon. U heeft mij daar niets van gezegd. U kunt mij een grout genoegen doen. U spant u veel teveel in. (en niet: u spant zich enz.).
c. wanneer het onderwerp veelvoudig is en de deelen niet van denzelfden persoon zijn, komt het werkw. in persoon overeen met den hoogsten persoon, die aanwezig is. Jan en ik hebben een ivandeling gemaakt. Hebt gij en uw broer het groote nieuivs nog niet gehoord?
Wil men echter op elk van de deelen van het veelvoudige onderwerp de aandacht vestigen, dan blijft het werkw. in het enkelvoud en heeft de overeenstemming met het laatste deel plaats. Of gij, of uw broer heeft het gedaan. Noch ik, noch gij krijgt de betrekking.
§ 273. Ten opzichte van die overeenstemming in getal merke men op:
U9
a. waaneer het onderwerp een verzamelnaam is, gevoigd door een bijvoeglijke bepaling in het meervoud, dan heeft de overeenstemming plaats met den verzamelnaam, als men de aandacht wil vestigen op de verzameling als een geheel; en met de bijvoegl. bepalin g, als men voornamelijk op de deelen gelet wil hebben. Een regiment soldaten kwam aanrukken. Een troep dronken soldaten liepen te schreeuwen. Een aantal jongens stond op een rij. Een aantal jongens bedreven allerlei kattekivaad. Een groot aantal peren vielen van den boom.
b. wanneer het onderwerp veelvoudig is en de deelen zinverwante woorden zijn, staat het werkwoord soms (niet altijd!) in het enkelvoud. Tijdens het twaalfjarig bes/and heerschte (ook wel: lieerschten) twist en tweedracht in de republiek. Angst en ontzetting stond (ook: stonden) op zijn gelaat te lezen.
Ook wanneer men op elk der deelen van het veelvoudige onderwerp in 't bijzonder de aandacht wil vestigen kan (niet: moet) men het werkwoord in 't enkelvoud gebruiken. De schoonste van de schoonen; op wie de vreemdling, 't hof, de stad, bij ieder feest de blikken had (of: hadden). De stad, het dorp, het akkerland verdwijnt. (Staring). Aldus de zang, dien bij het spelevaren zoo knaap als jonkvrouw luid weertrillen doet. (L. Couperus).
VIERDE BOEK.
Buigings- en Vervoegingsvormen.
A. Het Zelfstandig Naamwoord.
1. Het Enkelvoud.
§ 274. De naamvalsvormen der zelfst. naamw. heeten ook wel buigingsvormen.
De zelfst. naamw. worden zwak of sterk verbogen. Ze worden zwak verbogen, als de 2de naamval enkelvoud op n of en eindigt (des prinsen); sterk, wanneer die op een s uitgaat of in 't geheel geen uitgang heeft: dus kinds; der vrouw.
§ 275. De zwakke substantieven eindigden oudtijds op eene n; ons woord hertoy luidde b.v. oorspronkelijk heritogan (heri = leger; togan stond ia verband met lieg en â trekken, leiden-, heritogan beteekende dus: die het leger leidt). Achter deze n kwamen de buigingsuitgangen te staan; niet alleen deze buigingsuitgangen zijn echter in den loop der tijden weggevallen, ook de n van den stam verdween, behalve in den genitief, waar zij nu als buigingsuitgang dienst doet. (des hertogen, des prinsen).
§ 276. Oudtijds waren er veel meer zwakke substantieven dan tegenwoordig.
Zoo zijn alle vrouwelijke zwakke substantieven langzamerhand sterk geworden. Tn: goedertieren, Geertruidenberg, Onze-Lieve-Vrouwenkerk e. a. vinden we echter nog oude zwakke genitieven van vrouwelijke woorden.
151
Van de onzijdige woorden is hart (des harten) alleen nog zwak. Bij de mannelijke substantieven zijn zwak: a. enkele losse woorden als: mensch, graaf, prins, hertog, paus, profeet; h. de persoonsnamen op e (bediende, getuige, blinde,, arme amp;.amp;.).
§ 277. Van de woorden, die tot de sterke buiging behooren, krijgen de mannelijke en onzijdige in 't algemeen in den genitief eene s (des honds; des paards); de vrouwelijke blijven dan onveranderd (der vrouw). Staan die vrouwelijke genitieven echter vóór het bepaalde woord, dan krijgen zij ook een s: Tantes verjaardag; Moeders schoot; Lente's aankomst.
De woorden, die op een sisklank eindigen, bleven vroeger in den genitief onveranderd; zoo kon men b.v. vroeger zeggen: de streken des vos. Tegenwoordig wordt de genitief dan omschreven; de streken ran den vos. Achter sommige van die woorden heeft men echter den zeer ouderwetschen, maar daarom ook zeer deftigen uitgang es gehangen: des kruizes, des vleesches, desgeestes; zoo ook: de heer des huizes.
Ook de genitief van woorden op te wordt gewoonlijk omschreven: van het geboomte] can het gebergte.
Evenzoo de genitieven van adjectieven, die als onzijdige begripsnamen gebezigd worden; van het goede; van het ware; van het schoone.
§ 278. De derde naamval enkelvoud van de mannel ij ke en onzijdige woorden eindigde oudtijds op eene e. Daaraan herinneren o. a. nog; heden ten dage; vandaag (uit: van dage)', met voorbedachten rade; ten tijde; ten huize; ten gerieve; in koelen bloede.
De es en e van genitief en datief rekten dikwijls een vooraf-gaanden klinker: des daags (naast dag); zijns weegs gaan; slaags raken; ten dage; ten hove; scheep gaan (te schepe (jaan naast srhip).
% 279. De genitief van eigennamen wordt gevormd door s, 'S, of
Voornamen of zeer bekende geslachts- en andere namen krijgen s: Jans lei; Vondels werken; Engelands grootheid. Minder bekende namen en die, welke op een klinker eindigen krijgen 's: Maria's jurk-, Richelieu's staatkunde, Cromwell's dood-, Heer Bruin's hond. Een ' krijgen de woorden, die op een sisklank uitgaan; Christus' geboorte-, Crassus' rijkdommen-, Erasmus' Latijnsche geschriften-, de genitief van aardrijkskundige namen wordt omschreven; het concilie van Cons tam.
152
2. Het Meervoud.
§ 280. Het meervoud van de overgroote meerderheid der zelfst. naamw. wordt gevormd door achter 't enkelvoud s of en (n) te hechten; winkels, huizen, bedienden. Enkele woorden krijgen ers of eren achter 't enkelvoud: kalvers, kinderen.
% 281. Sommige woorden krijgen dan eens s, dan eens en in 't meervoud: zoons en zonen; dochters en dochteren: vogels en vogelen-, tralies en traliën) provincies en provinciën] professors en professoren. De vormen op en klinken meestal iets deftiger, dan die op s.
§ 282. Bij enkele woorden gaat dit verschil in meervoudsvorming gepaard met een verschil in beteekenis. Zoo bij;
broeders en zusters (kinderen van dezelfde ouders) naast broederen en zusteren (leden van dezelfde kerkelijke gemeente).
hemels (van ledikanten en schilderijen); hemelen (het uitspansel). heidens (Zigeuners); heidenen (afgodendienaars).
knechts (bedienden); knechten (soldaten en in deftigen stijl: bedienden). letters (klanken of teekens); letteren (brief; letterkunde).
middels (middellijven); middelen (wat strekken kan om een doel te bereiken).
redens (verhoudingen); redenen (wat iemand beweegt iets te doen of te laten).
studies (schetsen van een kunstenaar); studiën (oefeningen in de wetenschap).
stuks (exemplaren); stukken (in andere beteekenissen).
tafels (huisraad; lijsten); tafelm (der wet).
vaders (de echtgenooten der moeders); vaderen (voorvaderen).
wapens (blazoenen, weermiddelen); wapenen (weermiddelen).
wortels (van planten); wortelen (penen; of in deftigen stijl: deelen van planten).
§ 283. Ten opzichte van de vorming van het meervoud merke men op:
a. dat de onvolkomen klinker van het enkelvoud dikwijls in een volkomen overgaat [vat, vaten)-, blijft hij onvolkomen, dan wordt de enkele slotmedeklinker verdubbeld (man, mannen). De ch wordt nooit verdubbeld (lachen); terwijl ssch als verdubbeling van sch geldt' flesch, flesschen. Men lette hier op 't verschil tusschen treken (listen) en trekken-, spelen en spellen.
b. dat, wanneer het enkelvoud eindigt op Æ of s, deze letters in v en z veranderen, zoo zij in 't meervoud onmiddellijk voorafgegaan worden door een helderen klinker: raaf, raven; hv.is, Ineizen. Uitgezonderd zijn de vreemde woorden: pausen, sausen, kousen, kruisen, struisen, philosofen, telegrafen; en de Nederlandsche; spiesen en poesen.
153
Evenzoo gaan Æ en s ia v en z over, zoo zij onmiddellijk vooial'gegaan worden door l, m, n of r (de vloeiende medeklinkers): golven, laarzen, turven, ganzen, gemzen. Uitgezonderd zijn de volgende, meest vreemde, woorden: triomfen, nimfen; polsen, loalsen; kaarsen, kersen, persen, koersen, floersen, schorsen, marsen, balansen, dansen, glansen, kansen, kransen, lansen, schansen, transen, prinsen, slonsen en sponsen.
De Æ en s, die in genoemde gevallen met v en z afwisselen, noemt men onechte Æ en s.
c. dat de woorden op e in het meervoud n krijgen: vredesvoorwaarden, levensbehoeften, blinden, wijzen; uitgezonderd zijn lentes en vreemde woorden als: machines, visites, tantes, modes. In de spreektaal krijgen vele woorden op e echter eene s in het meervoud: groentes, bediendes,flauwtes, vredes, geivoontes. Met opzet schrijven sommigen in den laatsten tijd deze vormen op s ook, omdat zij meenen, dat de schrijftaal zoo weinig mogelijk van de beschaafde spreektaal moet verschillen. (Verg. § 227, b).
d. dat de woorden op ier als zaaknamen m en als persoonsnamen eene s krijgen: portieren, portiers; vizieren, viziers. Uitgezonderd officier, dat in 't meervoud officiers en officieren luidt.
e. dat a een enkelen keer in e overgaat [stad, steden)-, en i vrij dikwijls in e [schip, lid, spit). Van rif â klip is 't meervoud riffen; van rif â plooi in 't zeil is het reven.
f. dat samenkoppelingen, als titels gebruikt, den meervoudsuitgang hechten aan 't eerste, aan 't laatste of aan beide deelen: advocaten-generaal; adjudanten-onderofficier; luitenant-generaals; sergeantmajoors of sergeanten-majoor; schouten-hij-nacht of schout-bij-nachts.
g. dat samenstellingen op man, die een beroep beteekenen, in 't meervoud lieden of lui krijgen: timmerlieden, voerlieden, werklui. Maar: Noormannen, blindemannen, leenmannen, e.a.
h. dat vreemde woorden op is dien uitgang in es veranderen: amanuensis, amanuenses; analysis, analyses; basis, bases. Die op us in i: criticus, critici; examinandus, examinandi; catalogus, catalogi of catalogussen; genius, genii of geniën. Die op um krijgen a: gymnasium, gymnasia of gymnasiums en gymnasiën; museum, musea of museums. Voorts lette men op heros, meerv. heroën.
i. dat koe en vloo in 't meervoud eene i inlasschen [koeien, vlooien); dat vleesch, vleezen wordt; dat kleinood, sieraad zoowel kleinood/ n, sieraden, als kleinodiën, sieradiën kunnen worden.
j. dat vreemde woorden, op heldere klinkers eindigende, in het meervoud 's krijgen, indien deze klinkers verdubbeld zouden moeten worden, om de uitspraak af te beelden: piano's; canape's; sofa's; thema's. Daarentegen: bougies, tragedies, horloges, plantages.
Eigennamen, op een klinker eindigende, krijgen steeds 's: de Cicero's; de Richelieu's; de Oranje's; de Voltaire's.
154
§ 284. Sommige o n z ij d i g e woorden kregen vroeger e r in 't meervoud: ei, eter-, kind, kinder; e. a. In later tijd heeft men daarachter nog s of en gevoegd, zoodat die woorden den dubbelen meervoudsuitgang ers of eren hebben: heen, blad, ei, gemoed, gelid, goed, hoen, kalf, kind, kleed, lam, lied, rad, rund, volk. Daarvan hebben sommige als: been, blad, kalf, kind e.a. zelfs zoowel ers als eren: kinders, kinderen. Van kalf en volk heeft men ook nog een meervoudsvorm eenvoudig op en: kalven, volken.
Let voorts op het welbekende verschil tusschen beenen en heenderen-, kleeden en kleederen-, bladen en bladeren-, kleedjes en kleertjes. De oude vormen op er komen nog voor in samenstellingen: kalvermarkt, kindermeid, looverdak (loover, oorspr. meerv. van loof = blad).
§ 285. De meeste mannelijke sterke substantieven kregen oudtijds in 't meervoud eenvoudig eene e: hond, honde; voet, voete: slag, slage. Deze e viel soms af en vandaar nog: onder de voet {âvoeten) raken-, slaag ijslagen) krijgen. Eenlettergrepige onzijdige woorden kregen vaak in 't meervoud in 't geheel geen uitgang; vandaar nog: op ie heenbrengen-, twee jaar (âjaren). Evenzoo bleef het woord man in 't meervoud ook vaak onveranderd; vandaar nog: zes man, duizend man.
§ 286. Wanneer verzamelnamen, die een bepaalde hoeveelheid aanduiden, en namen van maten, gewichten en munten voorafgegaan worden door een bepaald hoofdtelwoord en de hoeveelheid ah één geheel wordt opgevat, dan bezigt men van genoemde woorden het enkel- en niet het meervoud: twee dozijn lepels-, drie gros pennen; twee mud aardappelen-, drie ons suiker; zes gulden; drie hectoliter, vijf kilogram. Doch steeds: wichtjes, maatjes, rijksdaalders, stuivers, kwartjes, dubbeltjes, cents en gouden tientjes. Let men op de afzonderlijke deelen van de hoeveelheid, dan is't meervoud noodzakelijk; evenzoo, als de genoemde woorden door een onbepaald telwoord voorafgegaan worden: er lagen zes guldens op tafel; eenige mudden koren; verscheidene hectoliters rogge.
B. Het bijvoeglijk naamwoord.
§ 287. Oudtijds werden de bijvoegl. naamw. â evenals de zelfst. naamwoorden â sterk of zwak verbogen. Terwijl oen zelfst. naamw. echter steeds of zwak, of sterk verbogen werd,
155
hing dit bij een bijvoeg], naamw. van de omstandigheden af. Het werd sterk verbogen, als er geen bepalend woord voorafging of een bepalend woord met onbepaalde beteekenis, zooals een, gean, menig, ieder, elk. Voorbeelden: goed vleesch; een goed man-, ieder eerlijk man. Het werd zwak verbogen, wanneer het door een ander bepalend woord werd voorafgegaan: mijn goede coder-, de goede man.
§ 288. In de middeleeuwen was de sterke buiging van het adjectief als volgt;
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.
1. bloot voet. 1. goede trouw. 1. bloot hoofd. 1. alle wegen.
2. bloots voets. 2. goeder trouw. 2. bloots hoofds. 2. aller wegen.
3. blooten voete. 3. goeder trouw. 3. blooten hoofde. 3. allen wegen.
4. blooten (nu: 4 goede trouw. 4. bloot hoofd. 4. alle wegen.
bloot) voet.
Deze vormen komen tegenwoordig nog wel een enkelen keer voor; voornamelijk echter in staande, min of meer antiek gekleurde uitdrukkingen. Aldus
de tweede naamval mannelijk enkelvoud in: bloots voets; goedsmoeds-, geenszins-, veelszins-, anderszins.
de derde naamval mannel ij k enkelvoud in: met voorbedachten rade ', in arren moede.
de tweede naamval vrouwelijk enkelvoud in: oudergewoonte-, ouderivetsch-, nieuicerivetsch; langzamerhand; geicapender-hand-, goedertieren [tiere, oudtijds zwak substantief, beteekenende aard; goedertieren = van goeden aard; de n achter tiere is de uitgang van den zwakken genitief van tiere). Wellicht behoort hier ook toe het woord halverwegen; wege zal dan een vrouwelijke, zwak verbogen bijvorm van het mannelij ke sterke weg geweest zijn; halverwegen is dus een bijwoordel. bepal. van plaats in den tweeden naamval, beteekenende: op de helft van den weg.
de derde naamval vrouwelijk enkelvoud in: ie goeder trouiv; met luider stemme; op heeter daad; te bekwamer tijd: te goeder ure; in aller ijl.
de tweede naamval onzijdig enke 1 voud in: fctoofe/joo/rfs. de derde naamval onzijdig enkelvoud in: in koelen bloede; in goeden doen; van goeden huize. Zoo ook: telken jare. de tweede naamval meervoud in: allerwegen. § 289. Verder gebruikt men de sterke vormen {goed,goed.) in den eersten en vierden naamval mannelijk enkelvoud.
156
wanneer het bijvoegl. naamw. dient om een mannelijken persoon te kenschetsen in zijn waardigheid en zijn betrekking. Vergel. een goed vorbt en een goede vorst] een groot veldheer en een groote veldheer.
Evenals in de middeleeuwen worden voor onzijdige woorden de sterke vormen van het adjectief nog gebezigd in den eersten en vierden naamval enkelvoud, wanneer er geen bepalend woord voorafgaat of een woord met onbepaalde beteekenis; goed bier-, een oud huis; elk gehoorzaam kind.
In strijd met den regel worden deze sterke vormen tegenwoordig ook veelvuldig gebruikt na het lidwoord van bepaaldheid en na een b e z i 11 e 1 ij k of a a n w ij z e n d voornaamwoord: dit verrukkelijk (ot verrukkelijke) vergezicht] het uitstekend (uitstekende) betoog: uw voortreffelijk (voortreffelijke) betoog. In 't algemeen kan men zeggen, dat in dit geval de sterke vormen gebruikt worden om den wille der welluidendheid of om de hoedanigheid met meer nadruk aan de zelfstandigheid toe te kennen Zoo klinkt b.v. dit verrukkelijk vergezicht naar mijn smaak krachtiger en mannelijker dan dit verrukkelijke vergezicht. Bij wijze van uitzondering slechts gaat het gebruik van den zwakken of sterken vorm gepaard met een verschil in beteekenis; ons oud huis-, ons oude (â vroegere) huis.
§ 290. Gelijk uit bovenstaande voorbeelden overtuigend blijkt, worden de sterke vormen van het bijvoegl. naamw. tegenwoordig voornamelijk nog slechts in enkele vaste uitdrukkingen gebezigd. Vandaardat vele taalgeleerden beweren, dat in het huidige Nederlandsch het bijvoegl. naamw. niet meer sterk verbogen wordt; een uitspraak, waarmee ik mij volkomen kan vereenigen. Met opzet heb ik dan ook in § 288 gezegd, dat in de middeleeuwen de sterke buiging van het adjectief was, gelijk in die paragraat is opgegeven; daarmee te kennen willende geven, dat zulks tegenwoordig niet meer het geval is. Die oude buigingsvormen leven echter nog in sommige uitdrukkingen in onze taal voort en worden ook buiten die staande uitdrukkingen nog een enkelen keer gebezigd; daarom is het goed, ze te kennen In de taal mengt het nieuwe zich voortdurend onder het oude, zonderdat dit laatste volkomen verdwijnt en daarom is het vaak â en niet het minst bij de buigings- en vervoegings-vormen â noodig, iets van de oude taal te kennen, ten einde de tegenwoordige te kunnen begrijpen.
§ 291. Onverschillig of er al dan niet een bepalend woord
157
aan voorafgaat (Verg. goede wijn is duur en deze goede wijn is duur), is de gewone buiging van het bijvoegl. naamw. tegenwoordig als volgt;
|
Vrouwelijk, 1. goede. 2. goede. 3. goede. 4. goede. Enkelvoud. Mannelijk. 1. goede. 2. goeden. 3. goeden. 4. goeden. |
Meervoud. Onzijdig. M. Vr. en O. 1. goede. 1. goede. 2. goeden 2. goede. 3. goede. 8. goeden 4. goede. 4. goede. |
In de middeleeuwen en later eindigde de derde naamval vrouwelijk enkelvoud op eene r en de derde naamval onzijdig enkelvoud op eene n; vandaar nog: ter bekwamer tijd-, ter goeder trouw, ten vorig en jare; ten tweeden male.
§ 292. Altijd of zeer dikwijls blijven onverbogen:
a. de praedicatief gebruikte bijv. naamw. en die, welke achter het bepaalde substantief staan: de roos is rood; de Staten-Generaal; God almachtig. Men schrijft echter: de rryeer'mg van Karei den Stouten; de verdiensten van Willem den Zwijger, enz.
h. de stoffelijke bijv. naamw. op en: gouden horloge. In dit geval werd het bijvoegl. naamw. vroeger steeds verbogen ; in den allerlaatsten tijd verbuigen sommige dichters het nu en dan: goudene zonnestralen.
c. de van plaatsnamen afgeleide adjectieven op er: Marker visschers; Enkhuieer almanak.
d. de woorden linker en rechter en die op lei en hande: allerlei velerhande.
e. de vergrootende trappen van twee- en meerlettergrepige bijv. naamw.: ingewikkelder zaak; verhevener denkbeelden; grooter held.
§ 293. Adjectieven, die als mannelijke persoonsnamen gebruikt worden en op e eindigen, worden als zwakke substantieven verbogen: des wijzen-, des blinden.
Van adjectieven, die als onzijdige begripsnamen gebezigd worden, omschrijft men den genitief: van het goede-, ran het schoone. Komen zij echter als partitieve genitieven voor na een onbepaald voornaamwoord of telwoord, dan krijgen zij eene s; iets fraais-, niets moois; veel bijzonde)-s.
§ 294. Gelijk wij vroeger gezien hebben, is zelf (of zelve) wel een bijvoeglijk woord, maar voldoet het niet aan de definitie, die wij van een bijvoegl. naamw. gegeven hebben. Het wordt echter geheel als een bijvoegl. naamw, verbogen, of wèl, het blijft onverbogen (zelf); de 2de naamv. mannel. en onzijdig enkelv. wordt niet gebruikt. De verbuiging is alzoo:
158
|
Mannelijk. 1. zelve, zelf. 2. â â 3. zeiven, zelf. 4 zei ven, zelf. |
Enkelvoud Vrouwelijk. 1. zelve, zelf. 2. zelve, zelf. 3. zelve, zelf. 4. zelve, zelf. |
Onzijdig. 1. zelve, zelf. 2. â â 3. zelve, zelf. 4. zelve, zelf. |
Meervoud. 1. zelve, zelf. 2 zelve, zelf. 3. zeiven, zelf. 4. zelve, zelf. |
Trappen van Hoedanigheid.
S 295. Men vormt in 't algemeen den vergrootenden trap van een bijvoegl. naamw. door er achter den stellenden trap te plaatsen: /tooff, hooger. Adjectieven op r lasschen voor er eene d in: zuurder, naarder.
De overtreffende trap wordt in 't algemeen gevormd, door st achter den stellenden trap te plaatsen; hoogst, breedst. De woorden op s of sch krijgen slechts eene t: de wijste man-, het malschte vleesch. Adjectieven op e stooten zoowel voor er als st deze e uit: blijde, blij der, blijdst. Welluidendheidshalve omschri] ft men soms den superlatief: de meest juiste zienswijze-, de meest vaste overtuiging.
§ 296. Bij sommige woorden, die zelf geen trappen van vergelijking hebben, gebruikt men die van andere. Ze zijn:
a. goed, beter, best (uit betst), van hat â bet = goed. Vergel.: baten, bate, boete.
b. weinig, minder, minst, van min â klein, weinig (minvermogend-, evenmin). Min kan ook beteekenen minder: hij is min verstandig, dan brutaal-, niettemin = daardoor niet minder.
c. veel, meer, meest, van mee â groot.
d. gaarne, liever, het liefst.
e. dikwijls, raker, het vaakst.
C. Het Voornaamwoord.
1. Het Persoonlijk Voornaamwoord.
§ 297. De pers. voornw. van den eersten en tweeden persoon zijn gemeenslachtig; het persoonl. voornw. van den derden persoon is verschillend, alnaargelang het woordgeslacht van de zelfstandigheid, die het aanduidt, man n el ij k, vr ou we 1 ij k of on zij dig is.
159
De persoonl. voornw. van den eersten en tweeden persoon behoeven het geslacht van de personen, die zij aanduiden, niet te kennen te geven, daar spreker en aangesproken persoon elkaar van aangezicht tot aangezicht kunnen aanschouwen; daarentegen kan de zelfstandigheid, door den derden persoon aangeduid, afwezig en haar geslacht dus onbekend zijn.
§ 298. Buiging van het persoonl. voornw. van den eersten persoon:
Enkelvoud: 1. ik; 2. mijns of mijner; 3. mij (me); 4. mij (me).
Meervoud: 1. wij; 2. ons of onzer; 3. ons; 4. ons.
§ 299. Buiging van het persoonl. voornw. van den tweeden persoon:
Enkel- en Meervoud: 1. gij; 2. uws, uwer; 3. u; 4. u.
De buiging van het verloren gegane du was: 1. du; 2. dijns of dijner; 3. dij; 4. dij.
Voor gij (enkelvoud) hoort men gewoonlijk in de spreektaal jij (je), waarvan de 3do en 4,,e naamvallen zijn: jou (je).
Voor gij (meervoud) hoort men gewoonlijk in de spreektaal jelui (jullie), waarvan de 3de en 4do naamvallen eveneens zijn; jelui en jullie. Dit jelui is verbasterd uit gijlieden, dat gijlui, jijlui, jelui, jullie werd.
Het gebruik van gij is dus beperkt tot de schrijftaal en tot die spreektaal, welke in verhevenheid en plechtstatigheid nauw aan de schrijftaal verwant is: Gij zijt hel zout der aarde-, maar: je hebt je werk nog niet af.
§ 300. Buiging van het persoonl. voornw. v. d. derden persoon:
Mannelijk.
Enkelvoud: 1. hij (i); 2. zijns of zijner; 3. hem ('ra); 4 hem ('ra).
Meervoud: 1 .Vlij (ze); 2. huns of hunner; 3. hun (ze); 4. hon (ze).
' 1 Vrouwelijk.
Enkelvoud: 1. zij (ze); 2. haars of harer; 3. haar (er, 'r); 4. haar (er, 'r).
Meervoud: 1. zij (ze); 2. haars of harer; 3. haar (ze); 4. haar (ze).
Onzijdig.
Enkelvoud: 1. het ('t); 2. ontbreekt; 3. het ('t); 4. het ('t).
Meervoud: 1. zij; 2. huns of hunner; 3. hun (ze); 4. hen (ze)
§ 301. Hot persoonl. voornw. van den derden persoon meervoud (zij) was vroeger gemeenslachtig; d. w. z. hot werd voor alle geslachten op dezelfde wijze verbogen, aldus:
i. zij (hijvorm: ze).
158
|
Mannelijk. 1. zelve, zelf. 2. â â 3. zeiven, zelf. 4 zei ven, zelf. |
Enkelvoud, Vrouwelijk. 1. zelve, zelf. 2. zelve, zelf. 3. zelve, zelf. 4. zelve, zelf. |
Onzijdig. 1. zelve, zelf. 2. â â 3. zelve, zelf. 4. zelve, zelf. |
Meervoud. 1. zelve, zelf. 2 zelve, zelf. 3. zei ven, zelf. 4. zelve, zelf. |
Trappen van Hoedanigheid.
S 295. Men vormt in 't algemeen den vergrootenden trap van een bijvoegl. naamw. door er achter den stellenden trap te plaatsen: hoog, hooger. Adjectieven op r lasschen voorcreene d in: zuurder, naarder.
De overtreffende trap wordt in 't algemeen gevormd, door st achter den stellenden trap te plaatsen: hoogst, hreedsl. De woorden op s of sch krijgen slechts eene t: de wijste man-, het malschte vleesch. Adjectieven op e stooten zoowel voor er als st deze e uit: blijde, blij der, blijdst. Welluidendheidshalve omschri.ift men soms den superlatief: de meest juiste zienswijze-, de, meest vaste overtuiging.
§ 296. Bij sommige woorden, die zelf geen trappen van vergelijking hebben, gebruikt men die van andere. Ze zijn:
a. goed, heter, best (uit betst), van l)at â het = goed. Vergel.: baten, bate, boete.
b. weinig, minder, minst, van min = klein, weinig (minvermogend-, evenmin). Min kan ook beteekenen minder: hij is min verstandig, dan brutaal-, niettemin â daardoor niet minder.
c. veel, meer, meest, van mee â groot.
d. gaarne, liever, het liefst.
e. dikwijls, raker, het raakst.
C. Het Voornaamwoord.
1. Het Persoonlijk Voornaamwoord.
§ 297. De pers. voornw. van den eersten en tweeden persoon zijn gemeenslachtig; het persoonl. voornw. van den derden persoon is verschillend, alnaargelang het woordgeslacht van de zelfstandigheid, die het aanduidt, mannel ij k, vrou wel ijk of onzijdig is.
159
De persoonl. vocrnw. van den eersten en tweeden persoon behoeven het geslacht van de personen, dio zij aanduiden, niet te kennen te geven, daar spreker en aangesproken persoon elkaar van aangezicht tot aangezicht kunnen aanschouwen; daarentegen kan de zelfstandigheid, door den derden persoon aangeduid, afwezig en haar geslacht dus onbekend zijn.
§ 298. Buiging van het persoonl. voornw. van den eersten persoon;
Enkelvoud; 1. ik; 2. mijns of mijner; 3. mij (me); 4. mij (me).
Meervoud; 1. wij; 2. ons of onzer; 3. ons; 4. ons.
§ 299. Buiging van het persoonl. voornw. van den tweeden persoon:
Enkel- en Meervoud; 1. gij; 2. uws, uwer; 3. u; 4. u.
De buiging van het verloren gegane du was: 1. du; 2. dijns of dijn er; 3. dij; 4. dij.
Voor gij (enkelvoud) hoort men gewoonlijk in de spreektaal jij (je), waarvan de 8de en 4lt;lc naamvallen zijn; jou (je).
Voor gij (meervoud) hoort men gewoonlijk in de spreektaal jelui (jullie), waarvan de 3de en 4l,0 naamvallen eveneens zijn; jelui en jullie. Dit jelui is verbasterd uit gijlieden, dat gijlui, jijlui, jelui, jullie werd.
Het gebruik van gij is dus beperkt tot de schrijftaal en tot die spreektaal, welke in verhevenheid en plechtstatigheid nauw aan de schrijftaal verwant is; Gij zijt hel zont der aarde-, maar; je hebt je ivcrk nog niet, af.
§ 300. Buiging van het persoonl. voornw. v. d. derden persoon;
Mannelijk.
Enkelvoud; 1. hij (i); 2. zijns of zijner; 3. hem ('ra); 4 hem ('m).
Meervoud; 1 .quot;%lj (ze); 2. huns of hunner; 3. hun (ze); 4. hen (ze). ' x Vrouwelijk.
Enkelvoud; 1. zij (ze); 2. haars of harer; 3. haar (er, 'r); 4. haar (er, 'r).
Meervoud; 1. zij (ze); 2. haars of harer; 3. haar (ze); 4. haar (ze).
Onzijdig.
Enkelvoud; 1. het ('t); 2. ontbreekt; 3. het ('t); 4. het ('t).
Meervoud: 1. zij; 2. huns of hunner; 3. hun (ze); 4. hen (ze)
§ 301. Hot persoonl. voornw. van den derden persoon meervoud (zij) was vroeger gemeenslachtig; d. w. z. het werd voor alle geslachten op dezelfde wijze verbogen, aldus; zij (hijvorm: ze).
160
2. haar, harer (bijvorm; er).
3. hem (bijvormen; hen, hun).
4. hem (bijvormen; hen, hun).
De tweede naamval haar verzwakte tot er, dat dus van hen, en van haar (meerv.) beteekende en als zoodanig nog gebruikt wordt. Hoeveel appelen hebt gij? Ik heb er (van hen) zeven. Hoeveel peren hebt gij? Ik heb er (van haar) zeven. Hoeveel kinderen hebt gij? Ik heb er (van hen) zeven.
Daar de b e z i 11 e 1 ij k e voornw. gevormd worden van de tweede naamvallen der persoonlijke voornw., was het bezit te] ijk voornw. van den tweeden persoon meervoud (haar) ook gemeenslachtig en dit haar beteekende dus hetzelfde als ons hun en ons haar. Zoo kon men vroeger zeggen; die mannen hebben haar vrouwen verloren-, die vrouwen hebben haar mannen verloren-, die kinderen hebben haar ouders verloren. Dit haar verzwakte in den loop van den tijd tot 'r, d'r en deze vormen worden in de spreektaal nog vaak als gemeenslachtige bezittel, voornw. van den 3de,1 pers. meervoud gebruikt; die mannen hebben d'r vrouwen verloren-, die kinderen hebben V ouders verloren.
De zoo even genoemde derde en vierde naamvallen meervoud hem, hem. kregen beide tot bijvormen; hen en hun. Op aanraden en voorbeeld van Hooft, die gaarne zooveel mogelijk voor iederen naamval een afzonderlijken vorm gebruikte, werd hun in den derden en hen in den vierden naamval gebezigd. Vandaardat het verschil tusschen hun en hen willekeurig is en in de spreektaal hoort men dan ook nog vaak hun in den vierden naamval meervoud, ook voor het vrouwelijk geslacht; Wij hebben hun nergens gezien. Wij hebben niet over, maar naast hun gewoond.
Naar analogie van de derde en vierde naamvallen hun werd nu een nieuwe genitief hunner gevormd, die langzamerhand uitsluitend voor het mannelijk en onzijdig geslacht gebezigd werd, terwijl harer tot het vrouweijk geslacht beperkt werd. En van dezen mannel. en onzijdigen genitief hunner werd nu weer het man nel. en onzijdige bezittel, voornw. hun gevormd; terwijl het vroeger gemeenslachtige haar nu in de schrijftaal uitsluitend als een vrouwelijk bezittel, voornw. aangemerkt wordt.
§ 302. De tweede naamvallen mijns, mijner-, zijns, zijner-, enz. worden tegenwoordig nog slechts in bepaalde uitdrukkingen
161
gebezigd; dit is zijns onwaardig; ontferm u mij nar e. a.
Voor aller en beider worden de vormen onzer, tmer, hunner, enz. afgekort tot ons,uw,hun, enz.: ons aller vriend; uw beider gezondheid; hun aller geluk. Ons aller vriend is dus ontstaan uit: onzer aller vriend, waarin onzer aller de 2de naamv. meervoud is van wij allen.
§ 303. De buiging van elkander en malkander is:
1. elkander, malkander; 2. elkanders en malkanders; 3. en 4. elkander, malkander.
Het wederkeerend voornw. zich komt alleen in den 3flon r,n 4den naamv. voor: zij geven zich veel moeite voor die zaak; hij wascht zich; zij kleedt zich.
2. Hi-t Bezittelijk Voornaamwoord.
§ 304. De bezittelijke voornw. worden bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt. De bijvoeglijke: mijn, onze, uw, zijn, hun, haar worden aldus verbogen:
Meervoud.
Onzijdig.
1. mijn. 1. mijne.
2. mijns. 2. mijner.
3. mijn. 3 mijnen.
4. mijn. 4. mijne, naamval vrouwelijk enkelvoud eindigde
vandaar nog: te zijner tijd; te mijner eere. naamval onzijdig enkelvoud eindigde vroeger
Enkelvoud. Vrouwelijk.
1. mijne.
2. mijner.
3. mijne.
4. mijne.
Mannelijk.
1. mijn.
2. mijns.
3. mijnen.
4. mijnen. De derde
vroeger op er: De derde
op en; vandaar nog: te zijnen huize; te mijnen behoeve. Vergelijk verder nog: te zijnent; te mijnent: waarin de t eenvoudig een achteraangehangen letter is; te zijnen (t) beteekent dan: te zijnen (huize).
Het bezittelijk voornw. van den tweeden persoon enkel v. dijn wordt niet meer gebruikt; 't leeft echter nog voort in de uitdrukking: 't mijn en dijn.
§ 305. Zelfstandig gebruikt worden de bezittel, voornw. door het lidwoord voorafgegaan en verbogen als b ij v o e g 1 ij k e naamwoorden. De buiging is alzoo:
Enkelvoud.
|
Mannelijk. 1. de mijne. 2. des mijnen. 3. den mijnen. 4. den mijnen. |
Vrouwelijk. 1. de mijne. 2. der mijne. 3. de mijne. 4. de mijne. |
Onzijdig. 1. het mijne. 2. _ __ 3. het mijne. 4. het mijne. |
Meervoud. 1. de mijne. 2 der mijne. 3. den mijnen. 4 de mijne. |
162
Wanneer het zelfstandig gebruikte bezittel, voornw. betrekking heeft op niet voorafgenoemde personen (Verg. § 131), dan krijgt het in het meervoud in alle naamvallen eene n: Als cjij dood zijt, wie zal dan voor de uwen zorgenquot;? Hij heeft door zijn dwaasheden zich zelf en den zijnen veel verdriet en schade berokkend. God verlaat de Zijnen niet. Maar; Uw broeders en de zijne wonen allen in Amsterdam. Zijn vrienden zijn de mijne niet.
3. Het Aanwijzend Vooenaamwoohd.
|
§ 306. De aanwijzende voornw. worden op de volgende wijze verbogen, onverschillig of zij bijvoeglijk dan wel zelfstandig gebruikt worden. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In het meervoud schrijft men gewoonlijk in den eersten en vierden naamval dezen en genen met n, indien zij zelfstandig gebruikt zijn en betrekking hebben op personen.
Oudtijds was:
a. de derde naamv. vrouwelijk enkelvoud niet deze en die, maar dezer en dier-, vandaar nog: te dezer plaatse-, in dier voege.
b. de derde naamv. onzijdig enkelvoud niet dit en dal-, maar dezen en dien; vandaar nog: bij dezen-, na dezen; indien, bovendien-, bijaldien-, te dien einde; met dien verstande.
c. de tweede naamval enkelvoud van dit: dezes; vandaar nog: de schrijver dezes.
163
d. de tweede naamval enkelvoud van dat: dies. Dit dies werd vaak verzwakt tot des: deskundig-, desgevraagd-, desnoods (.daarvan noodig zijnde)-, deshevoegd-, des te beter-, ivat dies meer zij.
e. de tweede naamval mannelijk enkelvoud niet altijd diens, maar soms dies, dat evenzoo verzwakt werd tot des: destijds. Het voornw des was in dit voorbeeld bijvoeglijk gebruikt; destijds is toch een bijwoordelijke genitief van die tijd.
Ook de tweede naamval vrouwelijk enkelvoud dier verzwakte soms tot der; dermate (in die mate)-, derhalve (om die reden-, halve = reden)-, derwijze; in welke drie voorbeelden der mede bijvoeglijk gebruikt werd. Op gelijke wijze verliep de tweede naamval meervoud dier tot der: dergelijke-, er waren der, die beweerden enz. In deze laatste voorbeelden is der zelfstandig gebezigd.
|
4. Het Vragend Voornaamwoord. § 307. De buiging van de vragende voornaamw. is als volgt: | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een oude tweede naamval onzijdig enkelvoud wes komt nog voor in: weshalve. |
5. Het Bepalingaankondigend Voornaamwoord. § 308. Degene, dat uitsluitend zelfstandig gebruikt wordt, wordt verbogen als een zwak substantief, voorafgegaan door de. De verbuiging is alzoo:
Meervoud, van
Mannel. en Vrouwel.
1. degenen.
2. dergenen.
3. dengenen.
4. degenen.
Enkelvoud. Vrouwelijk.
1. degene.
2. dergene.
3. degene.
4. degene.
Mannelijk.
1. degene.
2. desgenen.
3. dengene.
4. dengene.
Onzijdig.
1. hetgeen.
2. â
3. â
4. hetgeen.
Diegene en datgene worden op dergelijke wijze verbogen.
164
Onzijdig.
1. hetzelfde.
2. â
3. hetzelfde.
4. hetzelfde.
Vrouwelijk.
1. dezelfde.
2. derzelfde.
3. dezelfde.
4. dezelfde.
Mannelijk.
1. dezelfde.
2. deszelfden.
3. denzelfden.
4. denzelfden.
§ 309. Dezelfde wordt bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt. In 't eerste geval wordt het laatste deel verbogen als een bijvoegl. naamw.; in 't tweede geval als een zwak substantief. De verbuiging wordt dus:
Bijvoeglijk.
Enkelvoud.
Meervoud.
1. dezelfde.
2. derzelfde.
3. denzelfden.
4. dezelfde.
|
1. dezelfde. 2. deszelfden. 3. denzelfde. 4. denzelfde. |
Zelfstandig. 1. dezelfde. 1. 'tzelfde. 2. derzelfde. 2. â 3. dezelfde. 3. â 4. dezelfde. 4. 'tzelfde. |
1. dezelfden. 2 derzelfden. 3. denzelfden. 4. dezelfden. |
§ 310. Zulk, zoodanig en dusdanig blijven voor een enkelvoudig woord onveranderd; gewoonlijk voegt men dan een tusschen genoemde woorden en het bepaalde wooid: zulk een tïiaii', zulk een wouw; zulk een kitid', maar ook: zulk hier, zulk volk, â in het meervoud worden ze als mijne verbogen; de tweede naamval wordt echter omschreven: 1. zulke vrouwen; 3. znlken vrouwen-, 4. zulke vrouwen.
Dezulke en de zoodanige worden alleen in 't meervoud en zelfstandig gebruikt; gewoonlijk hebben zij betrekking op personen en krijgen dan een n (dezulken-, de zoodanigen); bij zeldzame uitzondering zien zij op zaken en missen dan de n.
6. Het Betrekkelijk Voornaamwoord.
§ 311. Als zoodanig worden gebruikt vormen van die, v:ie en welk. De verbuiging is:
Enkelvoud.
1. die. 1. dat.
2. wier. 2. â
3. wie. 3. dat.
4. die, wie. 4. dat, wat
1. die.
2. wiens
3. wien.
4. dien, wien.
M e e r v o u d.
1. die.
2. wier.
3. wien.
4. die, wie.
In den vierden naamval worden wien, wie na een voorzetsel gebezigd; wat gebruikt men altijd, wanneer het antecedent datgene, dat, of alles is.
165
|
Do verbuiging van welke ia: | |||||||||||||||||||||||||
|
§ 312. De betrekkei. voornw. stommen in geslacht en getal (niet in naamval) met het antecedent overeen: de man, die enz.; het kind, dat enz.
Is het antecedent het verkleinwoord van een vrouwe-lij ken eigennaam, dan stemt het betrekkelijk voornw. in 't algemeen met het natuurlijk geslacht overeen: Naatje, die morgen op reis zou gaan, is plotseling ziek geworden. Marietje, die daar zit te spelen enz.
Wordt echter de vrouwelijke eigennaam door bijvoegl. bepalingen voorafgegaan, dan heeft de overeenstemming dikwijls â¢â maar niet altijd! â plaats met het woordgeslacht: Dat lieve Marietje, dat den heelen morgen zoo lief heeft zitten spelen enz.
7. Onbepaalde Voobnaamwoorden.
§ 313. Ton opzichte van de buiging van deze woorden merken wc alleen op, dat men alleen in den eersten naamval voorkomt; en dat dc tweede naamval van iemand en niemand is: iemands en niemands.
D. Het Telwoord.
§ 314. Van de bijvoeglijk gebruikte bepaalde hoofdtelwoorden wordt alleen één verbogen; het volgt de buiging van mijn.
Oudtijds werden twee en drie aldus verbogen: 1. tivee, drie; 2. tweeër, drieër; 3. tween, drien; 4. twee, drie. Die oude genitief leeft nog voort in tweeërlei, drieërlei; naar analogie van deze vormen ontstonden: vierderlei, vijfderlei e. a.
De zelfstandig gebruikte bepaalde hoofdtelwoorden kunnen in 't meervoud voorkomen en eindigen dan op en: met ons vieren; het is al over zessen.
S 315. De onbepaalde hoofdtelwoorden: alle, eenige, vele, weinige e. a. worden verbogen: 1. alle; 2. aller; 3. allen; 4. alle.
166
Indien zij zelfstandig gebruikt worden en op personen wijzen, dan krijgen zij gewoonlijk ook in den eersten en vierden naamval eene n: Allen waren tegenwoordig.
§316. De bepaalde en onbepaalde rangtel woorden:
eerste, tweede, laatste, hoeveelste e.a. worden als b ij v o e g 1. naamw. verbogen: Ben hoeveelsten hebben wij vandaag'? Hij is den eersten op reis gegaan.
Indien zij zelfstandig gebruikt worden en op personen wijzen, dan worden zij als zwakke zelfstandige naamwoorden verbogen: De heer A. en de heer B. hebben heiden naaT de betrekking van boekhouder op ons kantoor gedongen; ik zou den eerste echter de voorkeur boven den laatste geven. Vele eersten zullen de laatsten zijn.
E. Het Lidwoord.
§ 317. Het lidwoord van bepaaldheid wordt verbogen:
Bnkeivoud. Meervoud.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. de. 1. de. 1. het. 1. de.
2. des. 2. der. 2. des. 2. der.
3. den. 3. de. 3. het. 3. den.
4. den. 4. de. 4. het. 4. de.
Oudtijds was de derde naamval vrouwelijk enkelvoud
der: in der minne-, ter goeder trouw (ter â te der)-, ter gelegener tijd. Indien men zich min of meer deftig wil uitdrukken, dan bezigt men in dit geval nog wel der-, een kunstenaar, die der stad tot zooveel eere gestrekt had, verdiende wel een standbeeld. In ditzelfde geval bezigt men ook de oude vrouwelijke derde-naam-valsvormen zijner, mijner, eener, dier, enz.-, een kunstenaar, die zijner geboortestad enz:, dank zij zijner toewijding is de onderneming geslaagd.
Oudtijds was de derde naamval onzijdig enkelvoud niet het, maar den: ten huize (uit: te den huize)-, in den beginne-, diensten, den lande betvezen.
§ 318. Naast de oorspronkelijke vormen: te zijnen laste (= tot zijn last)-, te uwer eere-, te zijnen huize-, te uwer beschikking e. a. hoort men tegenwoordig zeer dikwijls: ten. zijnen laste-, ter uwer eere-, ten zijnen huize-, ter moer beschikking e. a. Velen keuren deze laatste zegswijzen af, omdat zij, wanneer men ze etymo-
167
logisch uit elkander rafelt, onzin bevatten. /00 beteekent ten zijnen lu-ste volgens de etymologie: te den zijnen laste = tot den zijn last, wat onzin is; zoo is ter uwer eere gelijk te der uwer eere â tot de uwe eer, wat evenmin een goede beteekenis oplevert.
Toch schrijven ook vele ontwikkelde Nederlanders tegenwoordig met opzet ten zijnen laste, ter uwer beschikking e. d. en wel: a. omdat die uitdrukkingen nu eenmaal algemeen gezegd worden, en de schrijftaal voortdurend voeling moet houden met de spreektaal, wil zij daar op den duur niet volkomen van vervreemden; b. omdat ten zijne» laste, ter moer eere naar analogie van ten laste en ter eere zijn gevormd en het niet aangaat, alle vormen als foutief uit de taal te verwijderen, die naar analogie van andere zijn gevormd. Wie ten zijnen laste afkeurt, moet ook op middeleeuwsche wijze ik band, ik vand schrijven, omdat ik bond, ik vond naar analogie van wij vonden, zij vonden zijn ontstaan; hij moet ook Moeders hoed, Moeders mantel verwerpen met dien verfoeilijken vrouwelijken genitief op eene s, ontstaan naar âvalsche analogiequot; â zooals het heet â van Vaders hoed, Vaders jas. Bovendien bedenke men, dat ten uwen huize, ter uwer eere ook welluidender klinken dan te uwer huize, te uiver eere; door de aanhechting onderscheidenlijk van n en r achter te wordt hier een hinderlijke hiaat voorkomen.
Hier, waar wij aan het einde zijn gekomen van de behandeling der buigingsvormen van de bijvoeglijke woorden, hier nog één opmerking tot slot.
De bovenopgesomde buigingsvormen zijn die, waaraan men zich in de schrijftaal houdt; of althans tracht te houden. In de beschaafde spreektaal zijn die vormen heel anders en veel eenvoudiger: daar laat men alle n 's op het einde van de, die, dezelfde, enz. enz. weg, en zegt men evenzeer: de slayer slacht de vette os, als: de slager slacht de vette koe. In den laatsten tijd is er een beweging ontstaan, om ook de schrijftaal van al die overbodige n's en eu's te zuiveren; een beweging, waarmee ik onvoorwaardelijk en zonder eenig voorbehoud ten volle sympathiseer. In de eerste plaats, omdat de schrijftaal voortdurend voeling moet houden met de spreektaal en alle veranderingen, die in deze haar beslag gekregen hebben, ook in gene dienen ingevoerd te worden. Maar bovendien, omdat â gelijk wij vroeger gezien hebben â de buigingsvormen op dit oogenblik nietszeggende, nietswaardige vormen zijn, die in
168
't allerminst niet meer de betrekking uitdrukken, waarin een woord in den zin voorkomt en het daarom een dwaasheid is, aan krankzinnigheid grenzende, om de Nederlanders te dwingen, allerlei u's en eu's te schrij ven, die niemand meer uitspreekt en die tot een nauwkeurige en juiste uitdrukking der gedachte volslagen overbodig zijn. Hoe eerder al die overtollige n's uit de schrijftaal gebannen worden, des te eerder kan deze worden, wat zij zijn moet: een goed, maar ook een gemakkelijk middel, om aan anderen schriftelijk mede te deelen. wat er in ons hoofd en in ons hart is omgegaan.
Sommigen beweren wel, dat alzoo de straattaal van Jordaan en Zeedijk tot schrijftaal verheven zou worden, maar dit is niets dan een boosaardig verzinsel, uit opzettelijk niet-willen-begrijpen voortspruitende. De ij veraars voor deze en andere vereenvoudigingen in onze schrijftaal willen niet, dat men zal schrijven, wat een of andere onontwikkelde, ongemanierde slungel uit de achterbuurten uitbraakt; maar dat de schrijftaal rekening zal houden met wat de beschaafde, ontwikkelde Nederlanders uit allerlei stand en kring â in den dagelijkschcn omgang en in openbare bijeenkomsten â algemeen zeggen, zonderdat iemand er aanstoot aan neemt. En wie, met gezonde zinnen, moet zulk streven niet toejuichen?
F. Het Werkwoord.
§ 319. Bij de vervoeging der werkwoorden spreekt men van hun stam en hun uitgang.
De stam is dat deel van een werkwoord, waarvan de bc-tee ken is van het woord afhangt; zoo is rook de stam van rvoken; wandel van wandelen. De uitgang is hetgeen aan den stam gehecht wordt; in de onbepaalde wijs is dit en (soms n); rooken, wandelen, zien, staan.
§ 320. De werkwoorden worden sterk of zwak vervoegd. Een sterk werkwoord verandert in de vervoeging van stamklinker (ruiken, rook, geroken)-, een zwak werkwoord niet (wandelen, wandelde, gewandeld). Bovendien eindigt het verleden deelwoord van een sterk werkwoord op en (genomen, gewonnen)-, dat van een zwak werkw. op d oit(geicandeld,gerookt).
S 321. In de vervoeging van een sterk werkwoord kan men hoogstens vier verschillende klinkers hoeren: nemen, nam. namen,
169
ijenomen. VnnJaardat men wel eens spreekt van de vier ataimnen v;in ecu sterk werkwoord. Sommige werkwoorden veranderen niet drie keer van stamklinker (bijten, heet, beten, geheten): ioch spreekt men ook bij dezulke van vier stammen. Deze zijn: a. die van den onvoltooid tegenw. tijd (neem, bijt)-, b. die van het enkelvoud van den onvoltooid verleden tijd (nam, heet)] c. die van het meervoud van den onvoltooid verleden tijd (namen, heten)â¢, d. die van het verleden deelwoord (genomen, geheten).
§ 322. Naar de veranderingen, die de stamklinkers van de sterke werkwoorden in de vervoeging ondergaan, worden deze in elf klassen verdeeld.
In het volgende overzicht van deze verdeeling der sterke werkwoorden in elf klassen, worden soms ook de vroegere klinkers opgegeven; en wel waar dit noodig is voor de kennis van do afleiding van sommige woorden, of voor het verkrijgen van een juist inzicht in ons spellingssysteem.
lste Klasse.
drinken â dronk â dronken â gedronken.
berge'i â borg â borgen ââ geborgen.
Vroegere vervoeging; drinken â drank â dronken â gedronken.
bergen â barg â borgen â geborgen.
Verdere voorbeelden; hinden, dringen, klinken, melken, smelten, zwelgen.
Sommige werkw. als; helpen, zwerven, sterven, werpen e. a. hebben tegenwoordig ie in den verleden tijd: hielp, zwierf, enz.; helpen had vroeger regelmatig halp-, dit werd hoogstwaarschijnlijk hialp, dit hielp-, dit hielp.
liet werkw. worden luidde vroeger werden en werd vervoegd: werden, ward, worden, geworden. Langzamerhand hebben zich daaruit de tegenwoordige vormen ontwikkeld. Bij het lezen van oudere schrijvers moet men er dus op verdacht wezen, dat worden vroeger verleden tijd kon zijn en in beteekenis met ons toerden kon gelijk staan.
2de Klasse.
nemen, nam, namen, genomen.
breken, brak, braken, gebroken.
Verdere voorbeelden; bevelen, spreken, steken, stelen.
170
Het werkw. komen luidde oorspronkelijk kwimen; dit word kwemen; dit weer kumen (verg. sekwester en zuster)-, en dit komen (verg. kugel en kogel). Kwimen of kwemen werd vervoegd; kwemen, kwam, kwamen, gekwomen; voor gekwumen zeggen wij tegenwoordig gekomen. De oo van ik koom, hij koornt is in den loop van de 17de eeuw verkort; aldus ontstonden: ik kom, hij komt; naar analogie van deze vormen hoort men in de spreektaal weer de onbepaalde wijs kommen; zoo ook: wij kommen; zij kommen.
Sde Klasse.
lezen â las â lazen â gelezen.
bidden â bad â baden â gebeden.
Verdere voorbeelden: eten, genezen, vergeten, zitten, liggen.
Het werkw. eten heeft gegeten voor geëten.
Het werkw. zien luidde vroeger sehen (spr. uit: zegen); vandaar zag en zagen; het verl. deelw. is nu gezien.
Plegen (gewoon zijn) heeft placht, plachten, uit 2^a,Jt plugen; het verleden deelw. wordt niet gebruikt. Plegen (doen) is zwak.
Wezen heeft een zwak deelwoord [geiveesi voor geweesA); in: gewezen directeur, gewezen burgemeester e. d. komt liet oude sterke deelwoord nog voor.
4de Klasse.
bijten, beet, beten, gebeten.
blijken, bleek, bleken, gebleken.
Vroegere vervoeging: biten (spr. uit: bie-ten) â buil â biten (spr. uit: bitten) â gebiten (spr. uit: gebitten).
bliken â bleik â bliken â gebliken.
De scherpheldere ee heeft zich hier dus uit een ei ontwikkeld (heet â heit)-, de zachtheldere e uit I (hetenâbiten).
Verdere voorbeelden: blijven, drijven, verdwijnen, glijden.
Het werkw. spuwen luidde oorspr. spijen of spijgen en dit werd vervoegd: spijgen, speeg, spegen, gespegen (Verg. speeksel). Voor spijen zei men langzamerhand spuwen, dat zwak was; uit spuwen ontwikkelde zich het sterke spugen [spoog, gespogen).
5de Klasse.
gieten â goot â goten â gegoten.
buigen â boog â bogen â gebogen.
171
Vroegere vervoeging: ijMeii â (jont â lt;jnfen (spr. uit;goeten) â (jcguten.
huigen â boug â hagen â gehugen.
De onbepaalde wijzen gieten, liegen luidden vroeger: giutan {= gi-u-tari) en Uugen (= U-u-gan).
De scherpheldere oo is hier dus uit ou ontstaan (boug â boug)-, de zachtheid ere o uit u [bogen â bugen).
Verdere voorbeelden: bieden, bedriegen, schieten, fluiten, kluiven, luiken.
Het werkw, tijgen [trekken) â toog â getogen was vroeger regelnuitig liegen; door verwarring met tijgen [b*schuldigen) is men dit liegen verkeerdelijk ala tijgen gaan uitspreken.
De werkw. verliezen, kiezen, vriezen hebben door eene bijzondere omstandigheid ook vormen met r: verloor, koos, verkoren, vroor, bevroren.
6de Klasse.
dragen â droeg â droegen â gedragen.
Andere voorbeelden: graven, varen.
slaan was vroeger slagen; vandaar nog: sloeg, geslagen.
Naast staan ontwikkelde zich een bijvorm standen uit staden (oude verleden tijd hiervan was: stoet); vandaardat de verleden tijd van staan nog stond (uit stoend) is; verleden deelw.: gestaan.
zweren [een eed doen) was vroeger swarjan (met a in den stam) en daarom kreeg de verleden tijd ook oe [zwoer)-, het verl. deelw. gezwaren heeft een o gekregen: gezworen.
7d6 Klasse
hangen â hing â- hingen â gehangen.
vallen â viel â violen â gevallen.
Houden staat voor halden; vandaar: hield-, gehouden uit rjehalden.
Qaan uit gangen-, vandaar ging (uit gieng); 't verleden deelw. is: gegaan.
8sfce Klasse.
blazen â blies â bliezen â geblazen.
Evenzoo: laten, raden, slapen.
9de Klasse.
loopen â liep â liepen â geloopen.
Evenzoo: stoeten, houwen.
172
Eveiuila houwen hiuMoti loopen on stooten vroeger een on in den stam; dus loupen, stouten; daarom schrijven wij loupen en stooteji dnn ook met een scherpheldere oo. (Verg. hetgeen ten dezen bij de werkwoorden van do vijfde klasse gezegd is).
lO130 Klasse.
Hiertoe behooren alleen :
heeten â heette â heetten â geheeten.
(vroeger: hciten) â (vr.: hict) â (vr.: hieten) (vr.: gehelten).
scheiden â scheidde â scheidden â gescheiden, (vroeger: schied) â (vr. schieden).
Zooals men ziet, zijn deze werkwoorden in den verleden tijd zwak geworden. Omdat in geheeten vroeger een ei gehoord werd, schrijft men dit woord tegenwoordig met een scherpheldere cc. (Verg. hetgeen ten dezen bij de werkw. van de vierde klasse gezegd is).
lldu Klasse.
Hiertoe behoort alleen: roepen â riep â riepen â geroepen.
§ 323. Ten opzichte van de vervoeging der werkwoorden merke men nog op:
A. dat sommige werkw., die vroeger zwak waren, nu sterk zijn, b.v. zenden, schenden, schenken, wijzen.
Oudtijds was er een werkw. sinden, dat gaan, reizen beteekende; 't werd vervoegd als een werkw. van de eerste klasse; aldus: sinden, sand, sonden, gesonden. Met dit werkw. stond in verband het substantief sanda, dat reis beteekende; van sanda werd weer gevormd het ww. sandjan â op reis doen gaan, of kortweg: doen gaan. De a van sandjan werd door invloed van de volgende j eene e; aldus ontstond zenden. Dit zenden was als denominatief zwak; langzamerhand is het door verwarring met het zooeven genoemde sterke sinden ook sterk geworden. Tevens is ons gebleken, dat het causatief zenden oorspronkelijk niets anders dan een denomitief was.
Zoo stond met het oude sterke werkw. schinden (schinden, schand, schonden, geschonden) het substantief schande in verband; van schande vormde men het werkw. schandjan (schande aandoen), da.t schenden yteid. Schenden was dus oorspronkelijk zwak als denominatief; door verwarring met het sterke schinden, waarmee het in klank zoozeer overeenkwam, is het ook sterk geworden.
Wijzen was zoowel in de beteekenis van aamvijzen als in die van oordeelen oudtijds zwak. Vergel. nog: een rechterlijk gewijsde.
173
B. dat omgekeerd verscheidene werkwoorden, die vroeger sterk waren, nu zwak zijn geworden. Vele van die ww. hebben echter nog een sterk verleden deelwoord op en. Wij noemen;
1. hclgen, nu: helgde, geb/Igd; vroeger: haly, grholycn. Vergel. nog: verholgen.
2. helen, nu: heelde, {ver) her ld; vroeger: hal, geholen. Vergel. nog: verholen.
3. heren (dragen), har, haren, gehoren is in onbruik geraakt; het verleden deelw. gehortn komt echter nog voor. Naast heren stond een bijvorm baren-, die bijvorm is geheel en al zwak geworden: haren, haarde, gehaard.
4. roeven, weefde, geweven-, vroeger: waf, geweven. Vergel.: wafel.
5. xureken, wreekte, gewroken-, vroeger: wrak, wraken, gewroken. Verg. wraak.
6. klieven, kliefde, gekliefd-, vroeger: klouf, kinven, gekluven.
7. zieden (koken), ziedde, gezoden-, zi'ddr komt nog voor in: hij ziedde [kookte) van toorn-, gezoden in de uitdrukking -.gezoden [gekookt) en gebraden. Vergel. nog zoodje, oorspr. datgene, wat tegelijk gekookt wordt en latei-bij uitbreiding: hoop, troep.
8. hakken, hakte, gebakken-, vroeger: hiek, gebakken.
9. malen, maalde, gemalen-, vroeger: moei, gemalen.
10. laden, laadde, geladen-, vroeger: lord, geladen.
11. lachen, lachte, gelachen-, vroeger: loech, gelachen. Do sterke on volt. verl. tijd loech komt, soms nog bij dichters voor.
12. spannen, spande, gespannen-, vroeger: spien, gespannen.
13. bannen, hande, gebannen-, vroeger: hi en, gebannen.
14. lueten, heette, geheeten; vroeger: hiet, geheiten.
15. scheiden, scheidde, gescheiden-, vroeger: schied, gescheiden.
C. Dat enkele werkwoorden zoowel zwak als sterk vervoegd worden; soms met, soms zonder verschil in beteekenis.
Met verschil in beteekenis:
1. prijzen (sterk als lofgeven; zwak als den prijs van iets aangeven). Prijzen was oudtijds ook als lofgeven zwak: prijzen, prijsde, geprijsd; immers 't was een denominatief van prijs â lof.
2. stijven (zwak als in 't kwaad versterken; sterk als hard-, stijfmaken). Stijven was oorspronkelijk als denominatief van stijf ~ hard in beide beteekenissen zwak; toen later de sterke vormen ook in gebruik kwamen, heeft men bepaald, dat de sterke vormen zouden gelden voor het werkw. in de eene; de zwakke voor het werkw. in de andere beteekenis.
3. krijgen, zwak als oorlogen- sterk als ontvangen,
4. pluizen, zwak als pluizen afgeven-, sterk als pluizen uittrekken.
Zonder verschil in beteekenis b.v.
krijschen (kreesch en krijschti); kruien (krooi, kruide)- raden [ried, raadde;
174
altijd: geraden); vragen [vroeg, vraagde; altijd: gevraagd); jagen ( joeg, jaagde; altijd; gejaagd) jagen als op de jacht gaan is altijd zwak); waaien [woei, waaide-, altijd: gewaaid)-, wasschen, wieseh, waschte; altijd; geivasschen); slooten [stiet, stootte-, altijd: gestooten).
D. dat enkele sterke werkw., van de klasse, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, naar een andere klasse zijn overgegaan. Wij noemen van deze:
1. scheren, vroeger: schur,scharen,geschoren; nu: schoor, schoren,geschoren. Het werkw. is dus van de derde tot de vijfde klasse overgegaan. Hetzelfde geldt voor zweren (van een wonde), vroeger: zwar, zworen, gezworen; nu: zwoor, zworen, gezworen.
2. wegen, vroeger: wag, wagen, gewogen; nu: woog, wogen, gewogen. Het werkw. is dus van de tweede tot de vijfde klasse overgegaan.
3. scheppen, (uit schapjan), vroeger: schoep, schoepen,geschapen-, nu: schiep, schiepen, geschapen, 't Werkw. is dus van de zesde klasse naar de zevende overgegaan, 't Werkw. scheppen als putten is zwak; in meer figuurlijken zin is 't dan nog soms sterk: hij schiep daarin behagen.
Wie het aantal voorbeelden, in deze paragraaf onder B. en C. gegeven, vergelijkt met dat, onder A. genoemd, valt het dadelijk in het oog, dat er veel meer sterke werkw. zwak zijn geworden, dan omgekeerd. Dit komt, omdat het aantal zwakke werkw. dat der sterke verre overtreft, waardoor het volk voel meer vertrouwd raakte met de zwakke, dan met de sterke ver-voegingsvormen en daardoor als onwillekeurig ook aan sterke werkwoorden de zwakke vervoegingsvormen gaf. Door de onweerstaanbare macht van het voorbeeld aangetrokken, volger vele sterke werkw. nu de zwakke vervoeging en veilig mag men voorspellen, dat hun aantal in de toekomst eer zal toenemen, dan verminderen.
§ 324. De zwakke werkw. krijgen in den onvoltooid verleden tijd de of ie achter den stam. Ze krijgen te als de stam op een der scherpe medeklinkers f, k, p, s, ch en t eindigt; in alle andere gevallen krijgen ze de. Eindigt echter de stam op een onechte /quot;of s â d. i. een zoodanige f of s, die voor een v of z in de plaats staat âdan wordt de verleden tijd ook gevormd door de achter den stam te plaatsen: beloofde, verhuisde.
In vroeger tijd kregen bijna alle zwakke werkw. de achlor den stam; toen stond er echter tusschen stam en uitgang de klinker e: hoor ede, straffede, hakkede. Later viel die e uit en toen
175
ging de achter een scherpen medeklinker in te over; strafte, hakte.
Opmerking verdient, dat bij sommige werkw. de d van den verledentijdsuitgang de in de onbepaalde wijs gedrongen is; het ww. bevrijden was b.v. oorspronkelijk bevrijen (ais afgeleid v. h. bijv. naamw. vrij); de verleden tijd van dit werkw. was bevrijde en die vorm gaf aanleiding tot het ontstaan van het werkw. bevrijden. In hetzelfde geval verkeeren b.v. wijden (van wij = heilig-, verg. ivierook)-, belijden-, vlieden-, vermeiden (oorspr. vermeien, welke vorm nog is gebruik is).
De verleden tijd van zegyen is altijd zeide, of kortweg: zei (spreektaal: zee)-, die van leggen is soms legde, maar meest lelde of kortweg: lei (spreektaal: fee); als verleden deelwoorden komen voor gezegd en gezeid] gelegd en geleid. De vormen zeide, lelde zijn ontstaan uit zegede, legede, waarin de g in j overging; (Verg. genever va. jenever)-, aldus ontstonden zeje.de en lejede, die dan weer zeide en lelde werden.
§ 325. De persoonsuitgangen zijn in de schrijftaal gewoonlijk:
Sterk of Zwak Werkwoord.
Aantoonende Wijs. Aanvoegende Wijs.
Onvoltooid Tegen woord. Tijd.
Enkelv. 1. stam. Enkel v. 1. stam e.
2. stam t. 2. stam et.
3. stam t. 3. stam e.
Meerv. 1. stam en. Meerv. 1. stam en.
2. stam t. 2. stam et.
8. stam en. 3. stam en.
Sterk Werkwoord.
Aantoonende Wijs. Aanvoegende wijs.
Onvoltooid Verleden Tijd.
Enkelv. 1. stam. Enkelv. 1. stam e.
2. stam meerv. t. 2. stam et.
3. stam. 3. stam e.
Meerv. 1. stam en. Meerv. 1. stam en.
2. stam t. 2. stam et.
3. stam en. 3. stam en.
Men lette er hier op, dat de klinker van een sterk werkw. in
den verleden tijd van de aanvoegende wijs dezelfde is, als die van het meervoud van den verleden tijd in de aantoonende wijs: ik name (wij namen)-, ik loze {wij lazen).
176
Zwak Werkwoord.
Aantoonende Wijs en Aanvoegende Wijs v. d. Onvolt. Verl. Tijd.
Enkelvoud. 1. stam de of te.
2. stam det of tet.
3. stam de of te.
Meervoud. 1. stam ⢠â den of ten.
2. stam det of tet.
3. stam den of ten.
Stork of Zwak Werkwoord.
Gebiedende wijs.
Enkelv.: stam.
Meerv.; stam t,
Ten opzichte van de persoonsuitgangen merke men nog op: a. dat de lst0 persoon van den o n v o 11. tegen w. tijd der aantoonende wijs oudtijds op e eindigde. Vandaar nog: Verzoeke van rouwbeklag verschoond te blijven. Zeyyn f 2-').â. In verheven stijl bezigt men die e nog wel: En hare deugden daargelaten, wedde ik, dat het meesterstuk der Hollandsche schilderschool (nl. de Schuttersmaaltijd) u levenslast leeren zal. (F.)
I). dat het enkelvoud v. d. gebiedende wijs bij de zwakke werkwoorden vroeger dikwijls op een e eindigde; vandaar nog: Gelieve voor brieven niet te bellen.
c. dat bovenstaande persoonsvormen die zijn, welke in de schrijftaal het meest gebezigd worden. In de gewone omgangstaal gebruikt men soms heel andere vormen. Voor: vertelde hij niet? zal men b.v. zeggen: vertelden-i-niet'? Al doze bijvormen zullen wij hier niet opsommen. Alleen wijzen wc er op, dat men zegt (of schrijft): je neemt, maar: neem je'? (zonder #); dat men niet zegt (of schrijft): jullie kond, jullie kwaamt, maar: jullie komen, jullie kwamen (met het werkw. in den o11011 pers. meerv,); dat men schrijft: gij naai ut, gij tarnt, maar zegt: je nam, je ?as (met den klinker v d. lsten pers. enkelv.); dat men schrijft: gij hoordet (met t), maar zegt (of schrijft) je hoorde, hoorde-je? (zonder t).
§ 326. Het verleden deelwoord wordt gewoonlijk met behulp van ge gevormd: gehoord, gezien, gevangen.
Dit partikel missen:
o. de werkwoorden, die gevormd zijn door middel van een der voorvoegsels be, ge, er, her, ont, ver: beroofd, gebruikt, erlangd, herleefd, ontvangen, verraden.
177
h. de werkwoorden, die onscheidbaar met een bijwoord zijn samengesteld; overwogen, overtuigd, misrekend, doorloopev. Maar: overgeivogen, weergegeven, d.oorgeloopcn.
Dit partikel ge heeft ook niet steeds dezelfde plaats.
Bij scheidbaar samengestelde werkw. staat het steeds tusschen de faelzn: overgeicogen,prijsgegeven, ademgehaald, goedgekeurd, liefgehad.
Bij onscheidbaar samengest. werkw. staat het daarentegen altijd vóór de samenstelling: geraadpleegd, gevrijwaard,geliefdkoosd, gewaarschuwd. Met uitzondering echter van de zooeven genoemde werkw., die onscheidbaar met een bijwoord zijn samengesteld en die het partikel ge geheel en al missen; overwogen, begrepen.
§ 327. Het tegenwoordig deelwoord wordt gevormd door de achter den infinitief te plaatsen; liggende, spelende, slaande.
§ 328, Voorts worden de werkw. verdeeld in regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Louter op den naam afgaande, zou men vermoeden, dat tot de onregelmatige werkw. alle werkwoorden gebracht werden, die op een of andere wijze van de regels der vervoeging afwijken, zooals; scheren, wegen, malen, laden, zeggen, enz. Dit is echter niet het geval. Tot de onregelmatige werkw. rekent men meer bepaaldelijk; weten, kunnen, zullen, mogen, moeten, durven, zijn, brengen, denken, dunken, zoeken, koopen, hebben, willen, doen.
Men verdeelt deze werkw. gewoonlijk in onregelmatig sterke en onregelmatig zwakke werkwoorden.
A. Onregelmatig sterke werkwoorden.
1. Daartoe behooren in de eerste plaats de zoogenoemde werkw. met een opgeschoven verleden tijd; weten, kunnen, zullen, mogen, moeten. Ze dragen dien naam, omdat de tegenwoordige tijd van die werkwoorden in vroeger tijd de onvoltooid verleden tijd van een ander werkwoord was. Deze werkwoorden missen dan ook in den 3don pers. enkelv. van den tegenw. tijd een t: hij kan, hij zal, hij mag (verg. hij neemt naast hij nam). Dat hij weet en hij moei op eene t
12
=1
176
Zwak Werkwoord.
Aantoonende Wijs en Aanvoegende Wijs v. d. Onvolt. Verl. Tijd.
Enkelvoud. 1. stam de of te.
2. stam det of tet.
3. stam de of te.
Meervoud. 1. stam t- den of ten.
2. stam det of tet.
3. stam den of ten.
Stork of Zwak Werkwoord.
Gebiedende wijs.
Enkelv.: stam.
Meerv.: stam t.
Ten opzichte van de persoonsuitgangen merke men nog op:
a. dat de lst0 persoon van den on volt. t e g e n w. tijd der aantoonende wijs oudtijds op e eindigde. Vandaar nog; Verzoeke van rouwbeklag verschoond te blijven. Zeyye f 2').â. In verheven stijl bezigt men die e nog wel: En hare deugden daargelaten, wedde ik, dat het meesterstuk der Hollandsche schilderschool (nl. de Schuttersmaaltijd) u levenslust leeren zal. (P.)
b. dat het enkelvoud v. d. gebiedende wijs bij do zwakke werkwoorden vroeger dikwijls op een e eindigde; vandaar nog; Gelieve voor brieven niet te bellen.
c. dat bovenstaande persoonsvormen die zijn, welke in de s c h r ij f t a a 1 het meest gebezigd worden. In de gewone omgangstaal gebruikt men soms heel andere vormen. Voor: vertelde hij niet1? zal men b.v. zeggen: vertelden-i-niet? Al deze bijvormen zullen wij hier niet opsommen. Alleen wijzen we er op, dat men zegt (of schrijft): je neemt, maar: neem je? (zonder/); dat men niet zegt (of schrijft): jullie komt, jullie kwaamt, maar: jullie komen, jullie kwamen (met het werkw. in den odon pers. meerv.); dat men schrijft: gij naarnt, gij la,ast, maar zegt: je nam, je las (met den klinker v d. l8'0quot; pers. enkelv.); dat men schrijft: gij hoordet (met t), maar zegt (of schrijft) je hoorde, hoorde-je? (zonder t).
§ 326. Het verleden deelwoord wordt gewoonlijk met behulp van ge gevormd: gehoord, gezien, gevangen.
Dit partikel missen:
a. de werkwoorden, die gevormd zijn door middel van een der voorvoegsels be, ge, er, her. ont, ver: beroofd, gebruikt, erlangd, herleefd, ontvangen, verraden.
177
h. de werkwoorden, die onscheidbaar met een bijwoord zijn samengesteld; ovenmjen, overtuigd, misrekend, doorloopen. Maar: overgewogen, weergegeven, doorgeloopen.
Dit partikel ge heeft ook niet steeds dezelfde plaats.
Bij scheidbaar samengestelde werkw. staat het steeds tusschen de beide deelen: overgewogen,prijsgegeven, ademgehaald, goedgekeurd, liefgehad.
Bij onscheidbaar samengest. werkw. staat het daarentegen altijd vóór de samenstelling: geraadpleegd, gevrijwaard,geliefdkoosd, geioaarschuivd. Met uitzondering echter van de zooeven genoemde werkw., die onscheidbaar met een bijwoord zijn samengesteld en die het partikel ge geheel en al missen: overivogen, begrepen.
§ 327. Het tegenwoordig deelwoord wordt gevormd door de achter den infinitief te plaatsen: liggende, spelende, slaande.
§ 328, Voorts worden de werkw. verdeeld in regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Louter op den naam afgaande, zou men vermoeden, dat tot de onregelmatige werkw. alle werkwoorden gebracht werden, die op een of andere wijze van de regels der vervoeging afwijken, zooals: scheren, loegen, malen, laden, zeggen, enz. Dit is echter niet het geval. Tot de onregelmatige werkw. rekent men meer bepaaldelijk: iveten, kunnen, zullen, mogen, moeten, durven, zijn, brengen, denken, dunken, zoeken, koopen, hebben, willen, doen.
Men verdeelt deze werkw. gewoonlijk in o n r e g e 1 m a t i g sterke en onregelmatig zwakke werkwoorden.
A. Onregelmatig sterke werkwoorden.
1. Daartoe behooren in de eerste plaats de zoogenoemde werkw. met een opgeschoven verleden tijd: weten, kunnen, zullen, mogen, moeten. Ze dragen dien naam, omdat de tegenwoordige tijd van die werkwoorden in vroeger tijd de onvoltooid verleden tijd van een ander werkwoord was. Deze werkwoorden missen dan ook in den 3den pers. enkel v. van den tegenw. tijd een t: hij kan, hij zal, hij mag (verg. hij neemt naast hij nam). Dat hij weet en hij moet op eene t
12
178
eindigen, komt, omdat de stam van die werkw. zelf reeds op een t uitgaat. Bovendien hebben sommige hunner in den tegenw. tijd twee stamklinkers; een eigenaardigheid juist van den verleden tijd van verscheidene werkwoorden; ik zal, wij zullen; ik kan, wij kunnen; ik mag, mij mogen. Oudtijds was dit ook het geval met den tegenw. tijd van weten {ik weit; wij witen; verg. H. D. weiss; wissen)-, terwijl wij bij moeten maar één klinker in den tegenw. tijd hooren, omdat deze tijd oorspronkelijk de verleden tijd was van een sterk werkw. van de zesde klasse (maten), welke werkw. in dien verleden tijd slechts één klinker hebben. (Verg. varen, voer, voeren, gevaren).
Van geen der werkw. met een opgeschoven verleden lijd weet men zoo goed de ontwikkelingsgeschiedenis naar beteeken is en naar vorm, als van het werkw. weten. Vandaardat wij den ontwikkelingsgang van dat werkw. zullen meedeelen, om een denkbeeld te geven van de wijze, waarop het met zoo'n werkw. met een opgeschoven verleden tijd is toegegaan.
a. weten. Oudtijds was er een sterk werkw. witen (spr. uit: wie-ten), dat zien beteekende; 't werd vervoegd als een werkw. van de 4dc klasse, aldus: wit, wait, witm(spr. uit: witten),gewiten. De verleden tijd weit of wait (later weet) beteekende dus: ik zag en als gevolg daarvan: ik bezit kennis. Aldus kreeg de verleden tijd de beteekenis van een tegenwoordigen. Naar aanleiding van dezen nieuwen tegenw. tijd vormde men nu een werkw. witen (spr. uit witten-, later weten), met de beteekenis van kennis bezitten. Men gaf aan dit nieuwe werkw. den klinker niet van het enkelv. van den nieuwen tegenw. tijd (t. w. ei), maar dien van het meervoud (t. w. i), omdat deze ook gehoord werd in de geheele aanvoegende wijs. (Verg. ik nam; wij namen; dat ik name). Dit nieuwe werkw. witen (later weten) was zwak; de verleden tijd was dus ik witte, dat tot wiste of wist verliep. (Verg. moeten, moeite, moeste, moest). Het verleden deelw. gewiten is nu geweten geworden. Men schrijft dus weten met een zacht heldere e, omdat die e uit eene i is ontstaan.
h. kunnen. Dit werkw. was oorspr. de verleden tijd van het sterke werkw. kinnen, dat vervoegd werd als een ww. van de eerste klasse, aldus: kinnen, kan, komen, gekonnen. De o van konnen is tot u overgegaan en alzoo weid dit/ci6Kwegt;2. (Verg. hondel en bundel; borger en burger). De tegenwoordige vormen
179
zijn: ik kan, ivij kunnen-, ik kon of ik konde-, het verleden deelw. is gekund.
c. zullen. Dit werkw. zal oorspr. de verleden tijd van het sterke werkw. zelen geweest zijn, dat vervoegd werd als een ww. van de tweede klasse, aldus: zelen, zal, zalen, gezolen. Zalen is langzamerhand zollen en sullen geworden.
De tegenwoordige: vormen zijn: ik zal, icij zullen; ik zou of zoude uit zolde; het verleden deelwoord ontbreekt.
d. mogen. Dit werkw. zal oorspr. de verleden tijd van het sterke ww. megen geweest zijn, dat vervoegd werd als een ww. van de derde klasse, aldus: megen, mag, magen, gemegen. De a, en de e van megen en magen zijn in een o overgegaan.
De tegenwoordige vormen zijn: ik mag, wij mogen, ik mocht (uit: moogde, moochde, moochte, mocJite, mocht)-, het verl. deelw. is gemoogd; van vermogen is het verl. deelw. vermocht.
e. moeten. Dit werkw. zal oorspr. de verleden tijd van het sterke werkw. maten geweest zijn, dat vervoegd werd als een werkw. van de zesde klasse, aldus: maten, moet, moeten,gemoeten.
De tegenwoordige vormen zijn: ik moet, wij moeten, ik moest (uit: moette, moeste, moest)-, het verleden deelw. is gemoeten; de gebiedende wijs ontbreekt.
2. Het werkw. durven is onregelmatig, omdat het in den verleden tijd naast den regelmatigen vorm durfde, ook een onregelmatigen vorm dorst heeft.
3. De vervoeging van het sterke onregelmatige werkw. zijn mag als bekend verondersteld worden. Men lette op het zwakke verleden deelw geweest (eigenlijk geweesd) voor gewezen.
B. Onregelmatig zwakke Werkwoorden.
1. Daartoe behooren in de eerste plaats: denken, brengen, dunken, zoeken, koopen.
Deze komen alle hierin overeen, dat hun onregelmatigheid voor een goed deel daardoor veroorzaakt werd, dat de uitgang de van den verleden tijd oudtijds onmiddellijk achter den stam van het werkwoord geplaatst werd en daarvan niet door eene e gescheiden was. (Verg. § 324.)
180
a. denken. Dit luidde oorspronkelijk dankjan en werd vervoegd: dank, dankte, gedankt. Door invloed van de volgendej/ ging de a van dankjan in e over; aldus ontstond eerst denkjen, later denken.
Van den verleden tijd dankte viel de n uit; dit ging steeds gepaard met de rekking van den voorafgaanden klinker, aldus ontstond daakte; voor de t ging de k vaak in ch over, aldus ontstond daachte; terwijl volgens een vaste wet in't Nederlandsch de klinker voor ch verkort werd, alzoo kregen wij dachte, dat tot dacht verliep. Op dergelijke wijze is gedacht uit gedankt ontstaan.
h. brengen uit brangjan; door invloed van de volgende./ ging de a van brangjan weer in e over; aldus ontstond brengjen, later brengen.
De verleden tijd brangde (zie bij dankte) werd braagde, braachde, braachte, brachte, bracht. Het verleden deelw. gebracht is op dergelijke wijze uit gehrangd ontstaan.
c. dunken had tot bijvorm donken; de verleden tijd donkte werd dookte, doochte, dochte, docht-, het verleden deelwoord i/ecZoc-M uit gedonkt.
d. zoeken. De oude verleden tijd was zoekte-, voor de t ging de k in ch over, aldus ontstond zoechte-, voor de ch werd de klinker kort, aldus ontstond zochte, dat tot zocht verliep. Op een dergelijke wijze ontstond gezocht uit gezoekt. De o van zocht en gezocht is dus een onvolkomen oe. (Verg. blom naast bloem).
e. koop en. De verleden tijd was eerst koopte-, voor de t ging een p vaak in f over, aldus ontstond koofte; voor de t ging een f alweer in ch over (Verg. gracht uit graft, van graven), aldus ontstond koochte-, voor de ch werd de klinker oo weer verkort, aldus kregen wij koelde, dat op den duur kocht werd. Op een dergelijke wijze ontwikkelde zich gekocht uit gekoopt. De o van kocht en gekocht is dus een onvolkomen oo.
Opmerking verdient nog, dat werken oudtijds een bijvorm worken had; de verleden tijd van worken was regelmatig work'e; dit werd worchte en door verspringing (metathesis) van r verliep dit tot wrochte en wrocht. Het verleden deelw. is geivrocht uit geworkt. De vormen wrocht en gewrocht worden alleen in verheven stijl gebezigd.
2. Do vormen van hebben mogen als bekend verondersteld worden. Zij hebben zich ontwikkeld uit den oorspronkelijken
ISl
vorm Vim hebben, Uw. hahjan, niet don bijvorm haven. (Verg. hij heeft uit hij havet, dat hevet en heeft werd). De verleden tijd had staat voor had de uit habda. (Verg. Got. habaida).
3. De onregelmatigheid van willen blijkt uit hij wil (zonder l); en uit den verleden tijd won. 'wouden naast wilde, wilden. De vorm wou ontstond uit ivolde, een bijvorm van wilde.
4. Het werkw. doen neemt te midden der onregelmatige werkw. een geheel eigenaardige plaats in, daar 't oudtijds noch een sterk, noch een zwak werkw. was. 't Vormde namelijk zijn verleden tijd door verdubbeling (reduplicatie) van zijn oorspr. stam da] de verleden tijd was dus dada, dat tot dede of deed verliep. In het verleden deelw. ge-Am-n komt die oorspronkelijke stam nog voor.
VIJFDE BOEK.
A. Hoofdzaken uit de leer der Woordvorming.
I. Samenstelling en Afleiding.
Do nioesto nieuwe woorden worden tegenwoordig door same li-stelling of door afleiding gevormd; vandiiardat wij over deze beide wijzen van woordvorming, die voor den tegenwoordigen tijd ongetwijfeld het belangrijkste zijn, hier eenigszius uitvoerig zullen spreken.
o. Samenstelling.
§ 329. Een woord is samengesteld, als het uit twee nog bestaande woorden is gevormd; stoommachine, doofstom, uitvinden. Een der leden van een samengesteld woordâof beide â kan zelf weer een samenstelling wezen: godsdienstoefening-, ivinteracondgodsdienst oefening.
§ 330. Oudtijds was de beteeken is van een samengesteld woord vaak niets anders dan de som van de beteekenissen dei-beide samenstellende deelen. Enkele van dergelijke samenstellingen zijn nog in onze taal overgebleven : godmensch {=god mensch); paardmensch, tcaterland {â water land), doofstom (= doof stom), veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien.
Tegenwoordig echter is de beteekenis van een samengesteld woord een geheel andere. Een bloempot is geen pot en een bloem; maar een pot, geschikt om er bloemen in aan te kweeken; een
183
turfmand is geen turf en een mand, iiijiai1 een mand, bestemd om er turven in te doen. Uit deze voorbeelden blijkt, dat een samengesteld woord tegenwoordig een ondersoort beteekent van de hoofdsoort, in het tweede lid genoemd. Zoo is een iv jnglas een bepaalde soort van glas: een glas, geschikt om wijn uit te drinken.
Het hoofdkenmeik van een samengesteld woord is, dat het twee begrippen voor onzen geest doet verrijzen, die wij tot één nieuw begrip vereenigen. Dat nieuwe begrip is dan een ondersoort van de hoofdrubriek, in het tweede lid genoemd. Het eerste lid wijst op een eigenaardigheid, een kenmerkende bijzonderheid van die ondersoort. Onder de vele soorten van kaarten, die er zijn, vormen b.v. de speelkaarten een afzonderlijke groep; het eerste lid wijst hier op de kenmerkende eigenaardigheid van die ondergroep: 't zijn kaarten, geschikt om er mee te spelen. Juist omdat nu het eerste lid van een samenstelling gewoonlijk zekere bepalende kracht heeft, daarom krijgt het ook gewoonlijk den klemtoon: landkaart, winkelhuis, uitgeven. Wanneer echter de samenstelling als zoodanig niet levendig meer gevoeld wordt, dan verspringt de klemtoon naar het tweede lid: hoogeschóol, hoogepriester, overwvgen, doorlóopen.
Als uiterlijk teeken van éénheid schrijft men de deelen van een samengesteld woord gewoonlijk aaneen, of wordt er een koppelteeken tusschen geplaatst: tuindeur, muziekdoos, Java-koffhi, Deli-tabak, in-bedroefd, groot-vizier; blauw-groene porceleinen potten.
Om als 't ware ook reeds voor 't gehoor te doen blijken, dat beide deelen van een samengesteld woord bij elkander behooren, worden zij vlug achter elkander uitgesproken; vergel. een edel man en een edelman; een hoogeschool en een hoogeschool.
§ 331. Tot voor weinige jaren was het algemeen de gewoonte â en het gebeurt nog dikwijls â om de samenstellingen te te verdoelen in eigenlij ke en oneigenlijke. Oneigenlijke samenstellingen waren dan dezulke, waarvan de beide deelen, los naast elkander geschreven, vrijwel dezelfde beteekenia hadden als het samengestelde woord zelf. Men bracht er b.v. toe woorden als: edelman, zuurkool, zoethout, blijspel, vergezicht e.a., die uit een substantief en een adjectief bestaan. Voorts woorden als; gezantschapshotel, stadsschoincburg e.a., waarin de beide leden van de samenstelling ineen naamvalsbecrekking tot elkander staan.
184
Tegenwoordig wordt deze onderscheiding â en m.i. op goede gronden â door velen verworpen, 't Woord zuurkool b.v. toch voldoet aan alle eischen, die men aan een samenstelling mag stellen, 't Woord verwekt bij ons twee begrippen: zuur enkooi, die wij tot één nieuw begrip verbinden; zuurkool is voorts de naam van een bepaalde soort van kool, door een barer hoedanigheden, in het eerste lid genoemd, van andere soorten van kool onderscheiden. En waar dit woord dan alle eischen van een samenstelling voldoet, daar bestaat er ook niet de allerminste reden, om het een oneigenlijke samenstelling te noemen; d.i. een samenstelling, die eigenlijk niet ten volle aan de eischen van een samenstelling beantwoordt. En dat de beide deelen van zoo'n oneigenlijke samenstelling, losgeschreven, vrijwel dezelfde beteekenis zouden hebben als de samenstelling, is ook volstrekt niet altijd waar. Het was b.v. voor menigen edelman te wenschen, dat hij werkelijk een edel man was; voor menig zoogenaamd blijspel, dat het werkelijk blij, vermakelijk mocht heeten.
Tegenwoordig spreekt men liever van samenstellingen en koppelin gen.
§ 332. Koppelingen zijn wordende samenstellingen; twee woorden, die bezig zijn een innige verbinding met elkander aan te gaan; ja, die zulks voor veler taalgevoel al gedaan hebben. In: ik maakte de schuit los was los vroeger niets anders dan een bijvoeglijke bepaling (van gesteldheid) bij de schuit; maar â zoo redeneerde men â als door mijn maken de schuit los en niet vast werd, dan was mijn maken ook een eigenaardig maken en zoo trad los in een nauwere betrekking tot de werking maken, in die mate, dat losmaken voor ons de benaming van één werking geworden is en los voor ons taalgevoel heelemaal geen bijvoegl. bepal. bij de schuit meer is. Daar sommigen echter dat nieuwe begrip losmaken nog niet gevormd hebban en los nog altijd een bepal. v. gesteldheid bij de schuit blijven noemen, is losmaken vooralsnog geen samenstelling, maar een koppeling. In 't zelfde geval verkeeren b.v. doodslaan, losrafelen, gladstrijken, buitmaken, geringschatten, slukslo.an. Lief hebben (oorspr.: lief achten; voor lief houden) wordt door allen echter als een samenstelling beschouwd.
§ 333. Vele woorden, die vroeger aan alle eischen van een samengesteld woord voldeden, voldoen daar tegenwoordig niet meer aan. In vroeger tijd riepen dergelijke woorden dus
185
twee begripiioii voor den geest onzer voorouders, die zij tot oén begrip konden vereenigen; terwijl zulks tegenwoordig onmogelijk is. Dit kon gebeuren, doordien één der leden van zulk een samenstelling â of beide â verouderde; of zoodanig van vorm veranderde, dat het geen herkenbaar woord meer is. Zulke woorden hebben vaak nog wel zoowat het uiterlijk van samengestelde woorden, maar voor ons beantwoorden zij toch niet meer aan het wezen van samenstellingen. Men noemt ze verholen samenstellingen. Vb.:
1. adelaar uit adel en aar; adel â edel, aar â vogel; adelaar beteekende dus: edele vogel. Aar of are was een zwak substantief en eindigde dus oorspr. op eene n; 't luidde dus in zijn vollen vorm aren; daarachter werd een d gevoegd en zoo ontstond arend; arend beteek ent dus: de vogel hij uitnemendheid.
2. bruidegom; gom bteekende vroeger man (Verg. fr. homme); bruidegom beteekende dus zooveel als de man van de bruid.
3. nachtegaal; gaal was de stam van het w.w. galen, dat vroeger geluid geven, zingen beteekende (Verg. gillen uit geilen uit galjan); nachtegaal was dus een geschikte naam voor een vogel, die in deu nacht zingt.
4. leidsel; sel staat voor seelâ touw; leidselis dus het touw, waarmee een dier geleid wordt.
5. huwelijk; leik beteekende vroeger dans, zang, spel; huwelijk was dus oorspr. het feest, dat bij het huwen gegeven werd; later werd het de naam van de echtverbintenis zelf. Stipt genomen, moest men dan ook schrijven huweleik en niet huwelijk, daar het tweede lid oorspr. leik en niet lijk geweest is.
6. herberg uit heerberg; heer â leger; herberg beteekende dus oorspr.: plaats, waar het leger geborgen wordt; meer in 't bijzonder verstond men er een kasteel onder, waarin de Komeiusche soldaten op hun tochten konden verblijf houden. Waren die soldaten er niet in, dan konden er ook reizigers overnachten; dezen gaven op den duur daarvoor een kleine vergoeding en zoo kreeg het woord langzamerhand zijn tegenwoordige beteekenis.
7. hertog uit heertog; tog van tiegen â trekken; de hertog was degene, die aan het hoofd van het leger uittrekt.
8. jonker uit jonkheer.
9. juffer uit jug en vrouw; jug (Verg. jeugd) beteekende jon*/.
10. Venray uit veen rade; rade (in verband staande met het werkw. roden â uitroeien) was in 't algemeen de benaming voor een open of ontgonnen plok in een bosch, een hei of iets dergelijks. Venrag oorspr.: een ontgonnen plek in het veen. Vergel. kerkerade â open plek, naar een kerk gebouwd is.
186
§ 334. Maar nu is het toch opmerkelijk, hoe spoedig woorden in samenstellingen van vorm veranderen en alzoo hun beteekenis verliezen. Terwijl b.v. het woord heer (leger) buiten samenstellingen in den loop der eeuwen onveranderd heer gebleven is, is het in herberg en hertog tot het onverstaanbare her verschrompeld; zoo vrouw in juffer tot ver\ en veen in venraij tot ven.
Als vanzelf dringt zich nu de vraag aan ons op: hoe komt het toch, dat leden van samenstellingen zoo ras tot onherkenbaar-wordens toe van vorm kunnen veranderen? Een hoogstgewichtige vraag, welker beantwoording ons tot hoogst gewichtige gevolgtrekkingen zal leiden.
Bedoelde oorzaak dan is geen andere dan de gemakzucht der menschen; laten wij er dadelijk bijvoegen: een gemakzucnt, die in dit geval prijzenswaardig is, daar zij ons veel overbodige moeite spaart. Bij het hooren van een samengesteld woord denken wij namelijk vaak niet aan de beteekenissen van de beide samenstellende deelen en verbinden wij die niet tot één nieuw geheel, maar denken wij eenvoudig aan hetgeen de samenstelling ten slotte beteekent. Zoo denken wij bij hongersnood niet aan: nood. door den honger ontstaan â wat het woord volgens zijn samenstellende deelen beteekent â maar eenvoudig aan: gebrek aan voedsel; zoo bij watersnood niet aan: nood door het water ontstaan, maar aan het overstroomd-zijn van uitgestrekte streken gronds, door het doorbreken van dijken of anderszins veroorzaakt. Zoo is een duizelingwekkende afgrond voor ons eenvoudig een diepe afgrond; en een duizelingwekkende vaart een zeer snelle vaart.
Maar waar wij dan bij vele samengestelde woorden niet zoo precies meer denken aan de beteekenissen der samenstellende deelen, daar is het ook niet noodig, die deelen angstvallig in hun oorspronkelijken vorm onveranderd en ongeschonden te bewaren en daar worden zij als onwillekeurig het slachtoffer van de loslippigheid der sprekers, waardoor zij bijwijlen tot onherkenbaar-wordens toe verminkt worden. Een woord, dat een deel uitmaakt van een samenstelling, houdt dikwijls geen voeling meer met het losse woord in de taal; het leidt een leven op zichzelf; verandert op eigen gelegenheid van vorm en kan â gelijk ons bij de afleidingen nader blijken zal â zelfs allerlei beteekenissen aannemen, die het losse woord nooit gekend heeft of zal kennen. Met een wetenschappelijken term drukt men dit alles in één woord uit, door te zeggen, dat een woord in een
187
aamenstelling geïsoleerd staat ten opzichte van het losae woord in de taal.
Bij zulke samenstellingen nu, die wij als zoodanig niet meer voelen, die wij als één ondeelbaar geheel beschouwen, verspringt de klemtoon gewoonlijk van het eerste naar het tweede lid (Verg. § 330); hoocjeschoól, hoogepriósfer, de zeedijk te Amsterdam, overwegen, doorloópen, misrékenen.
§ 885. Dat wij ons inderdaad bij vele samenstellingen de be-tcekenis der verschillende deelen niet meer voor den geest roepen, wordt door tweeërlei omstandigheid nader bevestigd;
a. dat wij spreken van gouden oorijzer; koperen strijkijzer; enz.
b. dat bij vele samenstellingen het tweede lid is weggevallen: min voor minnemoeder (= Uefdemoeder)] baker voor bakermoeder-, ivissel naast wisselbrief] winkel, volgens velen, uit winkelhuis (â hoekhuis)] mol uit molwerper {mol van moei, een der stammen van het ww. malen-, mol = aarde-, molwerper = beest, dat de aarde opwerpt).
S 886. In § 330 hebben wij gezien, dat het tot het wezen van een samengesteld woord behoort, dat het twee begrippen voor onzen geest doet verrijzen, die wij tot één nieuw begrip verbinden.
Later â in § 834 â is ons gebleken, dat wij gemakshal ve bij vele samenstellingen in 't geheel niet letten op de beteekenis dor samenstellende deelen; maar die samenstellingen als één ondeelbaar geheel opvatten. Vandaardat wij omgekeerd ook als samenstellingen beschouwen twee of meer woorden, die niet elk afzonderlijk meer een voorstelling in onzen geest oproepen, maar eerst te zamen eenig begrip uitdrukken. Tot zulke samenstellingen behooren b.v. gadeslaan, waarschuwen, kwijtschelden, krijgvoeren, ademhalen, diets maken, kond doen, palstaan, te berde brengen, zich schamen, zich verwonderen, zich verhazen, inderdaad, op-en top, mettertijd, af en toe, destijds, dermate, voorgoed, enz. enz. Dergelijke samenstellingen zijn gewoonlijk uit vaste syntactische verbindingen ontstaan, d. w.z. uit twee of meer woorden, die gewoonlijk te zamen voorkwamen en zoo als ongemerkt met elkander in nauwere verbinding traden; ook worden zij niet altijd aaneengeschreven.
Terwijl dus bierglas een samenstelling is, omdat het twee begrippen voor onzen geest brengt, die wij tot één nieuw geheel verbinden; zoo zijn kwijtschelden en gadeslaan samenstellingen, juist omdat zij niet meer twee begrippen voor onzen geest doen
188
verrijzen, eu wij ze derhalve wel als één ondeelbaar geheel moeten beschouwen. Dergelijke samenstellingen worden ook wol koppelingen genoemd.
§ 337 Ten slotte over de samenstellingen nog tweeërlei opmerking:
a. dat er sommige samenstellingen zijn, die bij wijze van uitzondering niet een ondersoort noemen van de hoofdsoort, in 't tweede lid genoemd. Daartoe behooren:
1. woorden als; roodhuid, wipneus, langoor, kwikstaartje e.d., die zeltstandigheden beteekenen, gekenmerkt door hetgeen de beide leden der samenstelling uitdrukken;
2. woorden als: durfal, bemoeial, weetniet, brekespcl, zoetekauw e. d., waaraan geheele zinnen ten grondslag liggen.
b. dat men tusschen de leden eener samenstelling vaak de verbindingsletters: e, en (of n), s of er bezigt.
e: zonneschijn, lampeglas, roodekool, Iwogeschool. Deze e was oorspronkelijk bij substantieven een deel van hot eerste lid (lampeglas uit lampje en glas); bij adjectieven de buigingsuitgang. Dat die e nu bloot een verbindingsletter is, vaak voor den rythmischen val van het woord ingelascht, blijkt uit woorden als: paardepoot. paardestaart, drinkebroer, brekespel, waar de e niet tot het eerste lid behoorde.
en (of n) was oorspronkelijk:
1. de meervoudsuitgang van het substantief: brievenbus, paardenstal, flesschenmand, naaldenkoker, sterrenkunde, zedenleer.
2. de uitgang van den zwakken tweeden naamval: 's-Hertogenbosch, 's-Gravenhage, Geertruidenberg.
3. een welluidendheidsletter: eendmei, hondenhok.
s was oorspronkelijk:
1. de uitgang van den sterken tweeden naamval: officiers-weduwe, visschersvrouw, gemoedsstemming, arendsklauw, lichaamsvorm. Naar analogie daarvan ontstonden: icaarheidsliefde, zielsbeklemming, vriendschapsbanden, leidsvrouw, leidsman, waarin vrouwelijke substantieven of verbale stammen de tweede-naamvals s gekregen hebben.
2. de meervoudsuitgang: visschersdorp, officiersuniform, arbeidersstand. Dat deze s bloot een verbindingsletter geworden is, blijkt daaruit, dat zij vaak gebruikt wordt, ook waar het eerste lid niet in het meervoud of in den genitief staat: vermogensbelasting, reddingsboot, jongelingsvereeniging.
189
er was oorspr. een meervoudsuitgang: eierschaal, hoenderhok, kalvermarkt.
Soms weifelen wij in het gebruik dier verbindingsletters: zinsdeel naast zindeel; reddingsboot naast reddingboot; Vondelspark naast Vondelpark; gezichtseinder naast gezichteinder.
Waar het nu vaststaat, dat deze letters tot bloote verbindingsletters, zonder eenige beteekenis, zijn afgedaald, daar is het ook zoo kinderachtig zich ernstig te verdiepen in de vraag, of men kurketrekker of kurkentrekker, boereivoning of boerenwoning, hazelip of hazenlip moet schrijven en daarom is het zoo wenschelijk, dat men den schrijvenden in het gebruik dezer verbindingsletters zekere vrijheid gunt. Niets is verderfelijker voor de lenigheid van den stijl, voor de vrije, ongedwongen uiting onzer gedachten, dan die nietswaardige verschilletjes tusschen de spreek- en de schrijftaal; verschilletjes, waardoor de schrijver voortdurend gedwongen wordt met zijn gedachten af te dwalen van de hoofdzaak â den inhoud â⢠tot allerlei onbeduidendheden betreffende den vorm. Waar wij in st beschaafde Nederlandsch algemeen zeggen hoerewoning (zonder n), zedeleer (zonder n), laten wij daar ook schrijven boerewoning, zedeleer en ons zelf niet den overbodigen last aandoen op grond van allerlei spitsvondige, theoretische gronden te gaan schrijven: boerenwoning, zedenleer. Ook in de schrijftaal moet die gulden les meer betracht worden: éénheid in hot noodige; vrijheid, waar zulks eenigszins mogelijk is. Zoo alleen ook kan de schrijftaal voor versteening, voor algeheele vervreemding van de spreektaal bewaard blijven.
b. Afleiding.
§ 338. Een woord is van een ander woord afgeleid, wanneer het door middel van een voor- of achtervoegsel van dat andere woord is gevormd. Onder voor- of achtervoegsels verstaat men letters of lettergrepen, die zelf geen beteekenis hebben, maar voor of achter woorden geplaatst worden, om daarvan nieuwe woorden te vormen. Zoo is onbegrijpelijk door het voorvoegsel on van begrijpelijk afgeleid; begrijpelijk door het achtervoegsel lijk van begrijp, den stam van het w.w. begrijpen; terwijl hegrijpen zelf weer door het voorvoegsel be van het w.w. grijpen is gevormd.
Een woord, waarvan een ander is afgeleid, heet het grondwoord van dat afgeleide woord. Zoo is begrijpelijk het grondwoord van onbegrijpelijk-, begrijpen het grondwoord van begrijpelijk.
190
§ 339. Tegenwoordig heeft zich bij de taalgeleerden de overtuiging gevestigd, dat die voor- en achtervoegsels vroeger woorden geweest zijn met een eigen beteekenis. Die woorden kwamen veelvuldig als eerste of tweede leden van samenstellingen voor en zijn eerst langzamerhand tot spraakgeluiden zonder eigen beteekenis; tot louter woord vormende elementen afgedaald. Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van sommige dezer voor- en achtervoegsels zal ons dit ten duidelijkste blijken.
a. schap. Schap was oudtijds een substantief, verwant aan het werkw. schapjan (het tegenw. scheppen), dat maken, vormen beteekende; het zelfst. naamw. schap beteekende dan ook vorm. gedaante, fatsoen (vergel. nog schappelijk). Zoo kon men vroeger van een ridder zeggen, dat hij van edeler scape, d. i. van een edele gestuite was.
Nu gaat een bepaalde vorm vaak gepaard met bepaalde hoedanigheden en zoo nam het substantief schap bij wijze van metonymia ook de beteekenis van hoedanigheid aan; men kon oudtijds b.v. spreken van de scapen (hoedanigheden) van een cirkel. In de beteekenis van hoedanigheid kwam schap nu dikwijls voor als tweede lid van een samenstelling; dronkenschap was de hoedanigheid, de toestand van dronken te zijn.
Schap gaf â en geeft â dus in de éerste plaats een hoedanigheid, toestand, later ook waardigheid le kennen: dronkenschap, blijdschap, gramschap, beterschap, vaderschap, priesterschap, koningschap.
In de tweede plaats ging het bij wijze van metonymia ook het gebied beteekenen, waarover een persoon met zekere waardigheid bekleed is: graafschap, heemraadschap.
Daar het vormen, het maken dikwijls bestaat in het vereenigen van verschillende deelen tot één geheel, zoo kreeg schap ook de beteekenis van vereeniging, verzameling en ging het verzamelnamen vormen: de ridderschap, de priesterschap, de vroedschap, de broederschap der notarissen-, zoo ook: nalatenschap.
Nalatenschap, rekenschap, wetenschap, iceddenschap zijn van werkwoordelijke stammen gevormd; landschap is waarschijnlijk gemaakt naar analogie van graafschap. Opmerking verdienen nog heerschappij, voogdijschap, maatschappij, die op twee achtervoegsels van gelijke beteekenis eindigen. (Verg. § 843).
191
b. dom. Dom is gevormd van den stam v. h. werkw. doen, door middel van het achtervoegsel m; doem verzwakte langzamerhand tot dom. Deze m moet de eenig overgebleven letter van een woord zijn; van welk woord het een overblijfsel is, heeft men echter op dit oogenblik nog niet kunnen vaststellen. De kracht van die letter is echter wel bekend. Deze m staat achter werk w oor del ij ke stammen en geeft te kennen:
1. het middel, om de werking te doen: helm (hel, stam van helen = bedekken; de helm is dus het middel, om het hoofd te bedekken); halm {hal = een der stammen van helen; de halm is dus het middel, om het graan te bedekken).
2. het product der werking: molm (uit moelm, van moei, een der stammen van malen; de molm is dus het product v. h. malen, van het fijnmaken); galm (het voortbrengsel v. h. f/a/eH = geluid maken)-, bloem (het product van het bloe-jen).
Het oude substantief dom (uit doem) beteekende evenzoo het voortbrengel van het doen, d.i. een daad, een handeling. Vergel. nog: wasdom.
Als gevolg van die daad geeft het ook een hoedanigheid, toestand, vroeger ook waardigheid te kennen: ouderdom, adeldom, rijkdom, vrijdom, eigendom. Vervolgens het gebied van den persoon, die zekere waardigheid bekleedt: bisdom (uit bisschopdom), hertogdom, prinsdom. En daar een werking dikwijls bestaat in het vereenigen van verschillende deelen tot één geheel, zoo ging dom, evenals schap, ook een verzameling te kennen geven: menschdom, rijkdom, engelendom.
Christendom, heidendom beteekenen nu: de godsdienstige begrippen der Christenen, der heidenen; men lette op de eigendom (recht v. bezit) naast hel eigendom (met een concrete beteekenis); heiligdom heeft de concrete beteekenis van heilige plaats, kerk, aangenomen.
c. lijk. Lijk beteekende oorspr. vleesch (Vergel. likdoorn = Hjkdoorn âdoorn in het vleesch; litteeken = lijkteeeken = teeken in het vleesch). Later ging het meer bepaaldelijk lichaam beteekenen (Verg. nog ons substantief lijk); en vandaar: gedaante, vorm, uiterlijk voorkomen (Verg. gelijk; geâ samen-, lijk = vorm; twee dingen zijn dus gelijk, als zij samen in vorm overeenkomen).
In de beteekenis van vorm, gedaante kwam lijk nu veelvuldig voor als tweede lid van samenstellingen. Zoo beteekende vrouwelijk oorspronkelijk: het voorkomen, de gestalte
192
van een vrouw hebbende; later kreeg het meer de beteekenis van: de hoedanigheden, de natuur, het wezen hebbende van een vrouw.
Het komt tegenwoordig voor: 1. achter substantieven en beteekent dan:
a. de hoedanigheden, den aard hebbende van het grondwoord: vrouwelijk, vriendelijk, kinderlijk, menschelijk, koninklijk, vorstelijk.
h. be hoerende aan het grondwoord: koninklijk paleis-, vorstelijk verblijf', de gemeentelijke (jasfabriek; de aartsvaderlijke knieën (Hagar). In dit geval kan het adjectief omschreven worden door den genitief van het grondwoord: het koninklijk paleis â het paleis des konings.
e. be hoor end e bij het grondwoord of in een of andere betrekking staande tot het grondwoord: adellijk, huiselijk, landelijk, natuurlijk, lijdelijk, zedelijk.
Men lette hier op synoniemen als meesterlijk en meesterachtig-, kinderlijk en kinderachtig.
2. achter adjectieven en beteekent Aaa: gekenmerkt door hetgeen het grondwoord aanduidt: armelijk, ziekelijk, iveekelijk, ouwelijk, kouwelijk.
3. achter werkwoorden en geeft dan te kennen: geschikt om de werking te doen of te ondergaan: ongeloofelijk, onmetelijk, bekoorlijk, schadelijk, sterfelijk, smartelijk. Vergel.-een aannemelijk kind en aannemelijke voorwaarden.
4. achter bijwoorden; achterlijk, innerlijk, uiterlijk.
Niet alleen bijvoegl. naamw., ook bijwoorden worden door lijk gevormd: scherpelijk, heuschelijk, beleefdelijk.
d. baar. Baar is verwant met het werkw. beren, dat dragen, voortbrengen beteekende; baar beteekende dan ook oorspronkelijk dragende: een vruchtbare hoorn was een vruchtdragende boom.
1. Uit deze beteekenis ontwikkelde zich die van opbrengende, met zich brengende, geschikt zijn voor: cijnsbaar, dunk-haar, dienstbaar, eerbaar, kostbaar, schijnbaar, strijdbaar (= geschikt voor den strijd), zichtbaar (= zich leenende tot zicht). In al deze gevallen staat baar achter substantieven.
2. Een zichtbaar teeken van Gods goedheid was oorspr.: een teeken, zich leenende tot zicht, waarin zicht een zelfst. naamwoord was. Later vatte men het meer op als: een teeken, geschikt om gezien te worden-, en naar analogie van zichtbaar kwam baar
193
nu achter stammen van werkwoorden te staan met de beteekenis van: geschikt om de werking te ondergaan: buigbaar, breekbaar, drinkbaar, eetbaar, tastbaar, enz. Zoo stond icj oorspr. ook alleen achter substantieven, met de beteekenis van hebbende: bloedig, handig, machtig, ijverig, geloovig, strijdig. Een geloovig man was dus een man, die geloof heeft-, langzamerhand vatte men een geloovig man echter op als: een man, die gelooft en zoo kwam ig ook achter stammen van werkwoorden: begeerig, inhalig, nalatig, bevallig.
Men lette hier op synoniemen als rekbaar en rekkelijk-, onuitputbaar en. onuitputtelijk-, onmeetbaar en onmetelijk-, onuitspreekbaar en onuitsprekelijk. De woorden op baar worden in eigenlijken, die op lijk in meer figuurlijken zin opgevat.
3. Brandbare, breekbare stoffen zijn dus stoffen, die gebrand, gebroken kunnen worden. Maar men kan brandbare, breekbare stoffen, ook omschrijven als stoffen, die gemakkelijk branden, die gemakkelijk breken; alsdan krijgen brandbaar en breek baar een actieve beteekenis. Naar analogie van dergelijke voorbeelden vormde men nu: vloeibaar, wankelbaar, bestaanbaar; waarin baar achter onovergankelijke werkw. staat met de beteekenis van: geschikt om de werking te verrichten.
Over de vorming van openbaar verschillen de geleerden van meening. Sommigen beschouwen het als bestaande uit open en baar (Verg. § 330) = open en bloot [een baar zwaard was oudtijds een bloot zwaard)-, anderen zien in baar den stam van het nu verloren gegane werkw. ghebaren = zich gedragen-, openbaar zou dan beteekenen : zich open gedragende. In 't eerste geval is open een b ij v o e g 1. n a a m w.; in 't andere een b ij w o o r d.
e. zaam. Zaam beteekende oudtijds zelf. (Verg. Eng. same â zelf). Het staat:
1. achter substantieven: deugdzaam, eerzaam, heilzaam. Een deugdzaam man is dus -- om zoo te zeggen â een man, die de deugd zelf, die de deugd in eigen persoon is.
2. achter stammen van werkwoorden: waakzaam, werkzaam, buigzaam, spaarzaam, duurzaam. Een waakzame hond is dus een hond, die uit zich zelf; die van nature waakt.
3. achter het telwoord een: eenzaam. Maar in dit woord is de beteekenis van zaam = zelf reeds verloren gegaan.
Men lette hier op het verschil tusschen lijdelijk en lijdzaam-, buigbaar en buigzaam. De woorden op zaam geven steeds te
13
194
kennen, dat iets van nature geschikt is om een werking te ondergaan*, terwijl de woorden op IvjJc en bactr eenvoudig uitdrukken, dat iets een werking kan verrichten of ondergaan, in 't midden latende, of dit met veel of met weinig moeite geschiedt.
f. aard. Aard is ontstaan uit hard, dat sterk beteekende en nog beteekent. (Verg. hard loopen; hard praten). Zoo be-teekenden Wolf art (uit Wolfhard), Ever hard, Bern hard (uit Berenhard) sterk als een wolf. ever of heer.
Het achtervoegsel komt 't meest achter substantieven en adjectieven; dronkaard, wreedaard, grijsaard, lafaard. Een grijsaard is dus iemand, die maar niet een beetje, maai die in hooge mate grijs is. Alleen in veinzaard en grijnzaard staat het achter den stam van een werkwoord, maar in dit geval is het verbasterd uit aar of er, dat juist achter stammen van werkw. staat. Soms is aard verkort tot erd: lompe)d, suffeid, leeperd. Met uitzondering van grijsaard hebben alle woorden op aard tegenwoordig eene ongunstige beteekenis aangenomen.
g. rik. Bik of rijk beteekende oorspr. machtig; dierikeGod beteekende b.v. de machtige God.
Stommerik beteekende dus eerst: iemand, die machtig stum is; vergel. verder: botterik, viezerik, dommerik, slimmerik.
§ 340. Niet van alle voor- en achtervoegsels is de beteekenis bekend, die zij als zelfstandige woorden hadden. Vandaardatmen de voor- en achtervoegsels in twee hoofdgroepen ver-deelen kan;
A. in zelfstandige voor- en achtervoegsels. Dit zijn dan die, waarvan men de beteekenis, die zij als losse wooiden hadcien, wel heeft kunnen opsporen. Daartoe behooren b.v.; aard, haar, heid (= toestand), dom, schap, oor (= uit), ont (â tegen), be (.âbij), enz.
B. in onzelfstandige voor- en achtervoegsels. Dit zijn dan die, waarvan men de beteekenis, die zij als losse wooiden hadden, tot'nog toe niet heeft kunnen vaststellen. Daartoe behooren b.v.; ke, el, ijn, je, nis, ing, aar, sel, st, enz. De taalgeleerden streven er natuurlijk naar, deze tweede groep zoo klein mogelijk te doen worden. Dat men echter ooit van alle voor- en achtervoegsels de oorspronkelijke beteekenis zal kunnen ontdekken, is hoogst twijfelachtig. Een woord toch, dat tot vooi- of achtervoegsel is
195
afgedaald, verandert zeer licht van vorm en wij moeten derhalve aannemen, dat reeds in de alleroudste geschriften veel voor- en achtervoegsels in verminkten vorm tot ons gekomen zijn, waardoor het vaststellen van hun oorspronkelijken, ongewijzigden vorm en daarmee van hun oorspronkelijke beteekenis nooit met volkomen zekerheid zal kunnen geschieden. En alle raden moet bij de woordafleiding uitgesloten zijn
§341. Bij de vorming van nieuwe afleidingen heeft de analogie een bijna niet te overschatten rol gespeeld. Bij het maken van een nieuwe afleiding door middel van zeker voor- of achtervoegsel heeft men zich toch niet angstvallig afgevraagd, wat wel de oorspronkelijke beteekenis van dat voor- of achtervoegsel was, maar is men vaak te rade gegaan met de kracht, die hot in zekere afleiding scheen te hebben. Duidelijk is ons dit gebleken bij de behandeling van baar. Naar analogie van zichtbaar, dat men opvatte als: geschikt om gezien te worden, vormde men een reeks van woorden als: draagbaar, eehtaar, drinkbaar, waarin baar een kracht kreeg, die niet regelrecht uit zijn oorspronkelijke beteekenis voortvloeide, maar die het door toevallige omstandigheden gekregen had. Naar analogie van geloovig, dat men opvatte als: die gelooft, kreeg men bevallig, begeerig, nalatig, waarin de oorspr. kracht van ig = hebbende geheel verduisterd is.
Een voor- en achtervoegsel is een eerste of tweede woord van een samenstelling geweest, maar een woord, dat in die samenstelling geïsoleerd stond (Verg §334); dat een leven ging leiden, onafhankelijk van dat van het losse woord in de taal; dat zelfstandig niet alleen van vorm, maar ook van beteekenis ging veranderen; en ten slotte zoozeer alle voeling met het losse woord in de taal verloor, dat het van een spraakgeluid met een eigen zelfstandige beteekenis afdaalde tot een louter woordvormend element. Eerst dan ook is een woord in waarheid eerst een voor- of achtervoegsel geworden, wanneer het door allerlei toevallige omstandigheden â door de machtige werking van de analogie vooral â allerlei beteekenissen aannam, vreemd aan het losse woord in de taal; beteekenissen, waardoor de oorspronkelijke kracht van het woord verduisterd is; en wel in die mate, dat het van een wooed (d.i. van een spraakgeluid met een eigen beteekenis) louter een middel is geworden, om van bestaande woorden nieuwe te vormen;
196
dat het van een woord tot een louter woordvormend element is afgedaald, of... opgeklommen, gelijk men wil. Zoolang men b.v. nog duidelijk besefte, dat schap in ridderschap het substantief schap = toestand was, zoolang was ridderschap een samenstelling en geen afleiding; eerst toen dat gevoel verzwakte en schap achter andere woorden een waardigheid, een gebied, een verzameling ging uitdrukken, â beteekenissen, die het losse woord schap in de taal nooit gehad heeft â eerst toen was het een achtervoegsel geworden.
§ 342. Niet alleen in vroeger dagen zijn woorden tot voor-of achtervoegsels geworden; nog heden gaat dit procés voort. Zoo is d o o d bezig een voorvoegsel te worden met v e r-sterkende kracht. In: hij lag doodstil op den grond zal doodstil wel als een samenstelling opgevat moeten worden; doodstil beteekent hier toch; zoo stil als iemand, die dood is. Doodstil vatte men echter kortweg op als: zeer stil; en naar analogie van dit woord vormde men nu; doodbedaard, doodeenvoudig, doodnatuurlijk; waarin dood zijn oorspr. beteekenis geheel heeft afgelegd en een voorvoegsel met versterkende kracht (= z e e r) geworden is.
Zoo worden goed en tuig achtervoegsels, die het middel te kennen geven, om zekere werking te verrichten: schuurgoed,poetsgoed, speelgoed, naaigoed; rijtuig, voertuig, werktuig, speeltuig. En zoo zijn er nog wel meer voorbeelden te vinden.
§ 343. Twee voor- of achtervoegsels hebben soms gelijke kracht. Zoo kunnen ont en ver beide weg beteekenen (ontvluchten, verwerpen); ing en nis stellen beide een werking als een zelfstandigheid voor (overwinning, begrafenis); lijk en baar kunnen beide te kennen geven : de geschiktheid om een werking te doen of te ondergaan (een aannemelijk kind vloeibaar water); ij en schap kunnen beide werkingsnamen en verzamelnamen vormen (voogdij, weddenschap; burgerij, ridderschap).
Van dergelijke voor- of achtervoegsels met gelijke kracht is in den eenen tijd het eene wat meer in trek, in een anderen tijd het andere. Zoo vormde men in de dagen van Hooft gaarne werkingsnamen door middel van het achtervoegsel nis, terwijl tegenwoordig daartoe ing in druk en levendig gebruik is; zoo gebruikte men vroeger vaak baar achter stammen van werkwoorden, waar wij tegenwoordig liever lijk zouden bezigen.
197
Aldus spreekt Beets van bekoorhre lentchloesems, Bilderdijk van sterfbre hand, waar wij van bekoorlijke lentebloesems en sterfelijke hand zouden spreken.
Nu is het soms gebeurd, dat achter een afleiding op eenig achtervoegsel in later tijd een ander achtervoegsel met gelijke kracht geplaatst werd, maar dat in dien lateren tijd meer geliefd was en dus meer tot het taalgevoel sprak. Aldus krijgen wij afleidingen met dubbele achtervoegsels: druppeltje, bloemelijn (el ijn), kindekijn (kijn uit ke ijn), maatschappij, voogdijschap), heerschappij. Van voogd b.v. werd door middel van ij de werkingsnaam voogdij gemaakt; achter welk woord in latei-tijd nog eens schap gevoegd werd, toen dit tot het vormen van werkingsnamen meer geliefd was, dan ij.
§ 344. Ten slotte moeten wij nog spreken over de zoogenaamde samenstelling door middel van afleiding.
Deze wijze van woordvorming bestaat hierin, dat door middel van één der achtervoegsels: er, ing, ig, sch van twee losse woorden een nieuw woord gevormd wordt; zulk een nieuw woord is een zelfstandig naamw. of een bijvoegl. naamwoord: broodbakker, houthakker, zakkenroller, boekverkooper, tentoonstelling, boekverkooping; hardnekkig, scherpzinnig, kwaadaardig, hardhandig, nieuwmodisch, alledaagsch, bovenaardsch. Zoo is broodbakker door middel van er gevormd van de twee losse woorden brood hakken-, kwaadaardig door ig van de losse woorden kicade aard.
IJ. Rechtstreeksche Afleiding.
§ 345 Deze wijze van woordvorming is voor het tegenwoordige Nederlandsch van veel minder gewicht, dan die door samenstelling of afleiding, omdat zij op dit oogenblik verouderd is; d. w. z. omdat er tegenwoordig door rechtstieeksche afleiding geen nieuwe woorden meer gevormd worden. Daar er echter nog verscheidene woorden in onze taal bestaan, die in vroegeren tijd op deze wijze gevormd zijn, moet hier ook met een enkel woord over de rechtstreeksche afleiding gesproken worden.
Een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord is recht-
198
streeks afgeleid, als het geheel, of nagenoeg geheel gelijk is aan een der stammen van een sterk werkwoord. Zoo zijn band, bond (Verg. binden, band, bonden, gebonden); drank en dronk (Verg. drinken, drank, dronken, gedronken)
rechtstreeks afgeleid.
De naam rechtstreeksche afleiding is zeer slecht gekozen, daar hij tot de gevolgtrekking aanleiding geeit, alsof rechtstreeks afgeleide woorden rechtstreeks â d. i. zonder hulp van voor- of achtervoegsels â van stammen van werkwoorden zijn afgeleid. Dit is echter niet het geval. Zulk een werkwoord en de daarmede verwante zelfstandige en bijvoegl. naamwoorden komen veelmeer allemaal van een nu veiloien spraakgeluid met zeer ruime beteekenis.
Alleen van de zes eerste klassen van sterke werkwoorden worden woorden rechtstreeks afgeleid. Dit komt, omdat de werkwoorden, die tot de andere klassen behooren, eerst in lateren tijd sterk zijn geworden; in een tijd, toen deze wijze van woordvorming reeds verouderd was.
Wij zullen nu een overzicht geven van de voornaamste woorden, die door rechtstreeksche afleiding gevormd zijn. Men bedenke hierbij, dat sommige sterke werkw. vroeger eenigszias anders vervoegd werden dan tegenwoordig (Verg. §322), en dat sommige klinkers in later tijd nog veranderingen hebben ondergaan.
Ist0 Klasse.
Met helycn (oudt. zwellen) is verwant; (blaasbalg; met ben/en: [hooi)berg, bo'g, burcht-, met bersten: barst- met binden: bende, hint, band, bond, bundel) met blinken: blank-, met dringen: gedrang-, met drinken: drank, dronk-, met dwingen: dwang; niet helpen: hulp; met klinken: klank, klink (van een deur); met krimpen: kramp; met slinken: slank; met springen: sprong, sprank (uit sprang); met stinken: stank; met vinden: vond; met leringen: wrang, wrong, wrongel; met zingen: zang.
2de Klasse.
Met beren (dragen) zijn verwant: baren, berrie, baar, geboorte; met breken: gebrek, braak, brok, breuk; met komen: komst, bekwaam-, met nemen: aangenaam (oorspr.: wat het aannemen waard is); met spreken: gesprek, spraak, spvook, spreuk; met steken: staak, stok, stuk, stek, stekel, met wreken: wraak, wrok.
199
3du Klasse.
Met bidden zijn verwant: bi'de,gehed; niet geven: gift, gave, gaaf (oorspr.: wat gegeven kan worden); met liggen: leger, laag, gelag â¢, met meten: maat, met vreten: vraat-, met bewegen: weg, gewicht, waag, wagen (werkw. en zelfst. naamw.); met weven: wafel; met zitten: zetel, landzaat,
4de Klasse.
Met bijten (oudt. splijten) zijn verwant: bijt, gebit, bitter, beitel, bete; met blijken: blik, blijk, bleek; met dijen (oudtijds dijgen): dik, dicht, deeseni uit deegsem; met drijven: drift, wandeldreef; met grijpen: greep; met knijpen: kneep; met krijten: kreet; met lijden: leed; met rijden: rit; met rijgen: rij, regel, recht; met rijzen: rijzig, reis; met schrijden: schrede; met slijpen: slip, sleep; met slijten: slet, sleetsch; met snijden: snit, snede; met splijten: split, spleet; met stijgen: steigen, steeg, steil {uit steigel); met tijgen [aantijgen): betichten; met wijken: week; met wrijven: wrevel.
5de Klasse.
Met bedriegen zijn verwant: bedrog, drogreden,gedrocht(oovs'pr.: bedriegelijk wezen); met bieden: gebied, bod, bode, beul (uit hendel; de beul moest den veroordeelde vroeger ook het vonnis aanzeggen; bieden beteekende ook aanzeggen); met buigen: boog, beugel, bocht, bochel; met druipen: drop, drup, droppel, druppel; met genieten: genot, genoot, nut; met kiezen (oudt. proeven): kost, te kust en te keur, keus; met klieven: kloof, kluft, klucht (kluft en klucht beteekenden vroeger in het algemeen: deel, stuk; in het bijzonder: tooneelstuk; later meer bepaaldelijk: tooneelstukmet opvroolijkenden inhoud); met kruipen: kreupel; met liegen: logen, leugen, loochenen; met luiken: luik, blok (uit belok â middel, om iets op of af te sluiten); met ruiken: reuk (uit roke): met schieten: schuit, schot, geschut, scheut; met schuiven: schoof; met sluiten: sloot, slot, sleutel (uit slotel); met sluipen: slop; met snuiten: snuit, snot; met stuiven: stof; met tiegen: tuig, tocht, toom, teug, teugel, tucht, tuk; met verliezen: verlies, los, loos (looze noten, looze zoldering), loozen, leus (oorspr.: sein om iets los te laten), te loor gaan, ie leur stellen; met vliegen: vlieg, vleugel, vlug, vlucht; met vlieten: vliet, vlot, vloot; met vriezen: vorst (uit vrost); met zieden (koken): zode (kooksel).
6110 Klasse.
Met gravn zijn verwant: graf, gracht (uit graft), groeve; met malen: gemaal, mol (uit molwerper â die de aarde opwerpt), molm, mul, meel (met ee uit aa); met varen: vaart, voer (een voer hooi b.v.), veer (met ee uit «a); met baten: bate, beter (uit bat-er), boel'-, boelen.
2Ã0
B. Nadere bijzonderheden betreffende de vorming der rededeelen.
A. De vorming der zelfstandige naamwoorden.
§346. Een samengesteld zelfstandig naamw. kan bestaan uit:
a. twee substantieven: boekverkooper, naaldenkoker, eendenei.
b. een substantief en den stam van een werkwoord:
spreekkamertje, leeszaal, spaarpot, draaimolen, naaimachine.
c. een substantief en een adjectief: hoogesschool, zuurkool, blijspel, laagvlakte.
d. een substantief en een telwoord: drieman, tienman, vierkant, tweespan, viersprong, tweegevecht.
e. een substantief en een bijwoord: voorkamer, achterhuü, dwarsstraat.
§ 347. Zelfstandige naamw. kunnen afgeleid worden door voor- en door achtervoegsels.
§ 348. De voorvoegsels, die zelfst. naamw. vormen, zijn:
1. aarts. Dit staat in verband met het Grieksche arc hi, dat eerste, voornaamste beteekent. In die beteekenis komt het dan ook voor in enkele woorden, die naar vreemde modellen zijn gevormd, zooals: aartsengel, aartsvader, aartsbisschop,aartsketter, aartshertog.
In Nederlandsche woorden, die niet naar vreemde modellen gevormd zijn, heefc aarts altijd een ongunstige beteekenis:
aartsschelm, aartsbedrieger, aartsgeweldenaar.
2. ant âtegen komt uitsluitend voor in: antwoord.
3. af. Dit voorvoegsel is hetzelfde woord als het bijwoord af, dat een verwijdering te kennen geeft: afval, afkomst, afbraak, afdak. Als voorvoegsel heeft het echter die beteekenis afgelegd (Verg. §341) en beteekent het niet of slecht: afgrond (âiets, wat â om zoo te zeggen â geen grond heeft), afgod (slechte, verkeerde God), afgunst.
4. et âopnieuw komt alleen voor in: efgroen [groen, dat na het hooien weer ontsproten is) en etmaal (telkens wederkeerewie tijdkring).
5. g e = s a m e n en vormt daarom in de eerste plaats v e r-zameinamen: gepeupel, gevolg, gespuis, gebroeders, gezusters,
201
gelieven] bij sommige dezer verzamelnamen vindt men bovendien nog den uitgang te: (jeboefte. gedierte, gevogelte, geboomte.
Voor stammen van werkwoorden vormt ge substantieven, die beteekenen:
a. de herhaling van de werking: geloop, gelach, gedraaf, geflikker, gemor.
b. het voortbrengsel van de werking; gebak, gebraad, gebouw, gezwel, gesticht.
c. het vermogen om de werking te verrichten: gehoor, gevoel, geduld.
Als verholen samenstellingen zijn te beschouwen: gezin [zinden â gaan; gezin voor gezinde â die met elkander op en neer gaan)-genoot [noot van nieten = bezitten, beschikken, nuttigen, genieten; land-genooten zijn zij, die samen hetzelfde land bezitten; gezel [zei v:gt;ii sdljan â wonen; gezellen waren oorspr. degenen, die samen woonden); gebuur [buur van buan = wonen; f/i-buren zijn zij,die samen âd.i. bij elkander â wonen); maat uit gemaat [matjan ~ spijzen; gematen waren zij, die te zamen aten); gemaal [maal â echtverbintenis).
6. on beteekent niet, zooals in: ondeugd, ongeluk, oneer, onrust; of slecht, zooals in: onmensch, onweer, onkruid, ontijd.
7. oor = uit komt voor in: oorsprong, oorzaak, oordeel (hetgeen men uitdeelt), oorkonde (stuk. waaruit men kennis put), oorlof (oorspr.: vergunning om uit te gaan). Over den oorsprong van oorlog verkeeren de geleerden nog in 't onzekere.
8. wan beteekent slecht, zooals in: wandaad, wangeluid, ivangedrag, wangeloof; of niet, zooals in: wanhoop, tvanorde, wantrouwen.
§ 349. Wij zullen nu de voornaamste achtervoegsels, die zelfst. naamw. vormen, gaan behandelen.
A. de achtervoegsels, die concrete zelfst. naamw. vormen:
1. aar. Dit staat achter stammen van werkwoorden [huichelaar, bedelaar, dienaar, leeraar, bewonderaar) en geeft dan de mannelijke personen te kennen, die de werking verrichten. Voorts staat het achter substantieven en vormt dan mede mannelijke persoonsnamen: leugenaar, lasteraar, redenaar, harpenaar.
Ons woord harp luidde oudtijds â als zwak substantief â⢠harpen en degene, die de harp bespeelde was een harpenaar (oudtijds dus door aar van harpen gevormd); zoo luidde onsmfc
(= redevoering) voorheen redene, waarvan door middel van aar het woord redenaar gevormd werd. Toen nu in later tijd van deze en dergelijke woorden de n (of en) afviel, dacht men, dat zij door middel van het achtervoegsel naar (enaar) gevormd waren en aldus ontwikkelde zich als bijvorm van aar het achtervoegsel naar {enaar): schuldenaar, bultenaar, kluizenaar, kunstenaar, weduwnaar, wiskunstenaar.
Ook van plaatsnamen worden door aar (naar, maar) mannelijke persoonsnamen gevormd; Enkhuizenaar, Utrechtenaar, Parijzenaar.
Langzamerhand vormde men ook diernamen op aar {lejoelaar, rammelaar) en plantnamen (hazelaar, appelaar, en naar analogie hiervan: rozelaar op laar) en eindelijk voorwerpsnamen: boezelaar, lessenaar, evenaar, beeldenaar.
Het achtervoegsel aar is vaak verzwakt tot:
2. er. Ook dit staat achter stammen van werkwoorden en vormt dan namen van m a n n e 1 ij k e personen, die de werking verrichten: lezer, schrijver, bedrieger, visscher. Langzamerhand vormde men ook diernamen op er: doffer, kater-, en ten slotte ook voorwerpsnamen en wel bepaaldelijk namen van werktuigen; stoffer, snuiter, veger, wijzer, boender, (met ingelachte d).
3. ier. Naar aanleiding van vreemde woorden als officier, palfrenier werden ook van Hollandsche woorden mannelijke persoonsnamen op ier (enier) gevormd; herbergier, tuinier, valkenier, hovenier, kruidenier.
Andere bastaarduitgangen, om mannelijke persoonsnamen te vormen, zijn i s t; bloemist, klokkenist, drogist, Calvinist, Gomarist, Darwinist-, iet (Grieksch ites); Israëliet, Mennoniet-, aan of iaan (Lat. anus): Lutheraan, Voetiaan, Thorbeckiaan, Arminiaan.
4. aard. Zie daarover § 339. Dit aard verzwakte tot;
5. erd in: blufferd, stommerd, slimmerd.
6. rik. Zie daarover § 339.
7. and. Dit komt slechts voor in: en verzwakt tot end in: vriend (uit vriend). Dit and is eigenlijk niets anders dan de uitgang van het verleden deelwoord; heiland (van hellen = heelen) beteekent dus etymologisch; de heelende; vijand (van vijen = haten): de hatende; vriend (van men â vrijen â beminnen): de beminnende.
8. ster. Dit staat achter stammen van werkwoorden
203
en vormt namen van vrouwen, dio de werking gewoonlijk verrichten: strijkster, loopster, werkster, bedriegster. Ook achter m a n n e 1 ij k e persoonsnamen op aar en ier staat het: leugenaarster, herbergierster, tuinierster, babbelaarster.
9. in Dit vormt van mannelijke persoons- of diernamen de namen onderscheidenlijk van hun vrouwen of wijfjes: bakherin, vorstin-, leeuwin, tijgerin. Heldin, herderin, waardin, godin e. d. beteekenen: vrouwen, in betrekking of hoedanigheden overeenkomende met de mannen, door het grondwoord genoemd.
10. e s. Dit vormt van man nel ij ke persoonsnamen do namen van vrouwe n, die door de in het grondwoord genoemde betrekking, stand, of hoedanigheid gekenmerkt zijn; zangeres, priesteres, dienares, meesteres, voogdes, martelares. Men lette op het verschil tusschen zangster [Muze, liedjeszangster) en zangeres.
11. egge (uit ege) vormde ook vrouwelijke persoonsnamen; 't komt nu nog slechts voor in; dievegge (uit dieoege); ege ging tot ei over en komt in dien vorm voor in: Jdappei en labbei (= bahbelaciitige vrouw).
12. ing, wel te onderscheiden van het straks te behandelen ing, dat abstracte substantieven vormt.
Dit ing heeft tot bijvormen: liug en eling, ontstaan doordat de l van den stam van sommige woorden op ing als een deel van den uitgang zelf werd aangezien. (Verg. Karoling, hemeling).
ing (ling, eling) vormt meest gemeenslachtige persoons- of diernamen, 't Staat;
a. achter substantieven, om de afkomst van een persoon te kennen te geven; West faling, Karoling, Meroving, Vlaming.
lgt;. achter plaatsnamen, om te kennen te geven, waar zekere persoon thuis behoort: stedeling, dorpeling, schepeling, kloosterling.
c. achter substantieven en vooral adjectieven, om personen te beteekenen, door zekere eigenschap gekenmerkt; kleurling, nieuweling, icoesteling, weekei ing, ouderling, jongeling (vroeger ook gemeenslachtig).
d. achter stammen van werkwoorden en beteekent dan den persoon, diede werking verricht of ondergaat:zuigeling, boeteling, leerling, smeekeling; huurling, verschoppeling, balling (uit hanling).
e. achter telwoorden: eenling, tweeling, drieling, eersteling.
f. achter het bijwoord niet: nieteling.
204
Diernamen op imj zijn b,v.: haring, bunzing, hokking e, a.
Nog zijn er enkele voorwerpsnamen door ing gevormd; zoldering, ketting, penning, schelling, krakeling.
13. el vormt van stammen van werkwoorden namen van werktuigen: klepel, sleutel, vleugel, hevel, heitel.
14. eel, van Franschen oorsprong, doet denzelfden dienst; truweel (troffel), 't Staat achter Nederlandsche stammen in; tooneel en houweel.
15. sel staat achter werkwoordelijke stammen en geeft te kennen:
a. 't middel om de werking te verrichten: blamvsel, verguldsel, behangsel, schoeisel, stijfsel, deksel.
h. 't voortbrengsel der werking; zaagsel, baksel, brouwsel, schepsel.
B. de achtervoegsels, die abstracte substantieven vormen;
1. e, de, te, die van adjectieven namen van als zelfstandigheden voorgestelde hoedanigheden vormen; koude, woede, liefde, hoogte, breedte, diepte. Sommige van deze woorden krijgen soms een concrete beteekenis; vlakte [vlakke streek gronds)-, hoogte [=heuvel)] groente wordt altijd concreet gebruikt.
2. heid, oorspronkelijk een substantief, dat aard, toestand beteekende. De godheid van Christus, de menschheid van Christus beteekenden dus oorspr.; Christus' aard van god en van mensch. Onze kindsheid beteekende dus oorspronkelijk; onze toestand van kind; tegenwoordig beteekent het meer den tijd, waarin wij nog kind waren.
Tegenwoordig staat heid het meest achter adjectieven en stelt de hoedanigheid dan als een zelfstandigheid voor; schoonheid, waarheid, lieftalligheid. Soms staat het achter een telwoord; eenheid, veelheid; een enkele maal achter een bijwoord; overheid (= concreet; de over ons geplaatste regeeringspersonen; abstract: het over iemand geplaatst zijn).
Vaak krijgen woorden op heid een concrete beteekenis'. een schoonheid, de Godheid, Zijne Hoogheid; de menschheid is een verzamelnaam.
Wanneer van eenzelfde adjectief een woord op te en op heid is gevormd, dan drukt het eerste een meer zinnelijke, het laatste een meer geestelijke hoedanigheid uit: hoogte, hoogheid; laagte, laagheid; koelte, koelheid; grootte, grootheid.
205
Men lette nog op het verschil tusschen kindsheid (jeugd) en kindschheid (~ het kindsch zijn; kindsch is iemand, die versuft door ouderdom doet en handelt als een kind).
3. ing vormt van stammen van werkwoorden zelfst. naamwoorden, die meestal de werking als een zelfstandigheid voorstellen: belegering, gunst, verteeder ing, overhaasting. Sommige krijgen een concrete beteekenis: woning, wandeling, zitting (van een stoel), kleeding, vergadering (= de vergaderde personen), S' â Nicolaas-verrassing.
4. ij (met zijn bijvormen er ij, ernij) is van vreemden oorsprong en vormt:
a. van persoonsnamen de namen van werkingen, door die personen verricht: voogdij, bedelarij, bedriegerij, dieverij, zotternij. In slavernij geeft het meer den toestand van slaaf te zijn te kennen.
b. van persoonsnamen de namen van plaatsen, waar die personen hun bedrijf uitoefenen: bakkerij, brouwerij, spinnerij, smederij.
c. verzamelnamen: burgerij, schutterij, boekerij, ruiterij.
Schilderij en rijmelarij geven niet de werking van den
schilder en rijmelaar te kennen; maar het voortbrengsel van die werking.
5. nis vormt abstracte substantieven van werkwoorden en van bijvoegl. naamwoorden: begrafenis, vergiffenis, groetenis, heugenis, vonnis (voor: vondnis); droefenis, duisternis, gelijkenis, ontsteltenis (uit: ontsteld nis). Sommige woorden op nis hebben een concrete beteekenis gekregen: hindernis, vuilnis, gevangenis, wildernis.
6. age, van vreemden oorsprong, staat achter werkwoordelijke stammen, en vormt daarvan abstracte substantieven, die een werking te kennen geven: vrijage, strijkage, lekkage, slijtage; stellage heeft een concrete beteekenis. Ook staat het achter substantieven en vormt daarvan verzamelnamen: pluimage, bosschage.
Ook de bastaarduitgangen ment en teit staan soms achter zuiver Nederlandsche woorden: dreigement, stommiteit, flauwiteit.
7. st vormt van stammen van werkwoorden verbaalsubstantieven: winst, vangst, dienst, gunst, last (uit ladst van laden).
8. Over dom en schap is reeds in § 339 gehandeld.
206
G. de achtervoegsels, die verkleinwoorden vormen.
Die achtervoegsels vormen die verkleinwoorden zoowel van concrete, als van abstracte substantieven.
Verkleinwoorden geven gewoonlijk te kennen, dat iets klein in zijn soort is: huisje, bloempje, tafeltje. Soms drukken zij iets minachtends uit: soldaatje spelen, het heertje uithangen, wat spreekt die vrouw een ordinair taaltje! â of iets liefkoozends: Mamaatje! zusje. Jantje, schotje. Ook stellen zij iets als van weinig beteekenis voor; ik heb mij maar een enkel keertje vergist; een leugentje om bestwil; een centje â als je blieft â mijnheer!
Enkele verkleinwoorden hebben geheel of bijna geheel hun karakter van verkleinwoorden verloren; enkele daarvan geven eenvoudig te kennen, dat iets klein is: een cent balletjes, een ons koekjes, JBnisselsche kooltjes, een dubbeltje, het mannetje en het ivijfje (van dieren).
Het achtervoegsel, dat tegenwoordig het meest gebruikt wordt om verkleinwoorden te vormen, is je, met zijn bijvormen pjc en tje: huisje, boompje, haantje. P/e wordt gebruikt,als het grondwoord eindigt op m, mits niet onmiddellijk voorafgegaan door een onvolkomen klinker: bloempje, boompje, wormpje; maar: hammetje, kommetje. Tje bezigt men, als het grondwoord eindigt op een klinker of een w, of op l, r, n, voorafgegaan door een volkomen of geheel toonloozen klinker: mamaatje,papaatje, knietje; vrouwtje, touwtje; schaaltje, kruimeltje, haartje, hamertje, boontje, schoentje Worden de l, r, n of m voorafgegaan door een onvolkomen klinker, dan wordt tusschen het grondwoord en den uitgang tja een e ingelascht: halletje, karretje, mannetje, hammetje; ook als in dit geval het grondwoord op g eindigt: bruggetje, vlaggetje. Let voorts op: rottinkje, koninkje e. d.
De woorden laatje, sleetje, e. d. moeten met t en niet met d (slaadje, sleedje) geschreven worden, omdat zij verkleinwoorden zijn van: la, slee en niet van: lade, slede, zooals men vroeger meende.
Oude verkleiningsuitgangen zijn: el, ke, ij n.
De uitgang el komt in verscheidene woorden voor, die wij tegenwoordig niet meer als verkleinwoorden gevoelen: dropptel, trommel, mazelen [maas = vlek), pukkel. Ke (met zijn bijvorm ske) komt nog een enkelen keer voor: kindeke, jongske, het penningske der â weduwe, boekske. Ke, el, ijn gingen vaak koppelingen aan (Verg. § 343) en leverden aldus kijn, lijn, ken op: kindekijn, maagdeljn, bloemelijn, jongsken.
207
§350. Alle zelfst. naamw , die niet kennelijk samengesteld, of rechtstreeks of middellijk afgeleid zijn, beschouwen wij als stamwoorden: huis, hoek, koe, ezel, varken, kachel, heuvel, hengel e d.
B. De vorming der bijvoegl. naamwoorden.
§ 351. Een samengesteld bijvoeg], naamw. kan bestaan uit:
a. twee adjectieven; doofstom (= doof stom, verg. § 330); kersversch (kers â kars = kras â goed; kersversch beteekendc dus oorspronkelijk: kras = gord en versch): roodbruin, donkergroen, edelachtbaar.
b. uit een substantief en een adjectief. De betrekking, die er tusschen het substantief en het adjectief bestaat, kan zeer verschillend zijn: prijzenswaardig, eervol (= der eere vol), rookvrij buskruit (= vrij van rook), schadinorijk (â rijk aan schaduw), sneeuwwit {wit als sneeuw), ijskoud, 'ijzersterk, bloemzoet, schijnheilig (= heilig in schijn), zeeziek (= ziek door de zee).
Vooral de jongere schrijvers gebruiken en maken dergelijke samenstellingen gaarne: het rijtuig naderde ijlings door de breede, lantarenverlichte, avondlevendige straten. (L. Couperus; lantaren-verlichte = door lantarens verlichte] avondlevendige straten = straten, levendig als op den avond).
c. uit den stam van een werkwoord en een adjectief: praatziek, babbelziek, weetgierig, spotziek.
d. uit een bijwoord een adjectief: weledel, ingelukkig, aloud, alwijs, overbeleefd, doornat, overgelukkig.
Andere woordsoorten kunnen als eerste leden van een samengesteld bijvoeglijk naamw. mede de kracht van een bijwoord krijgen: doodbedaard, doodstil, dolgraag, fonkelnieuw, splinternieuw, stokoud, stekeblind, enz.
§ 352. De ac htervo eg seis, die bijvoegl. naamw. vormen zijn:
1. er en el, die vroeger in druk gebruik waren, maar nu nog slechts in enkele weinige woorden voorkomen. Ze staan achter stammen van werkwoorden en geven te kennen, dat de bepaalde zelfstandigheid de werking verricht: bitter (=wat bijt), wakker (van waken), kreupel (wat als 't ware kruipt), schamel, vermetel.
208
2. ach tig, met of zonder den vollen klemtoon, beteekent:
a. hebbende; deelachtig, woonachtig, vreesachtig, heuvelachtig, bergachtig.
h. zweemende naar, gelijkende op: reusachtig (of reus achtig), fabelachtig (of fabelachtig), krampachtig, meésterachtig, kinderachtig, beestachtig, blauwachtig, oudachtig.
Achter stammen van werkwoorden beteekent het geneigd om de werking te verrichten: babbelachtig, schrikachtig, spotachtig, pldagachtig.
3. haftig = hebbende (in verband staande met haven â bijvorm van hebben). Het geeft te kennen, dat de bepaalde zelfstandigheid heeft hetgeen het grondwoord uitdrukt, of daarmee in hoedanigheden overeenkomt: ernsthaf tig, zeeghaftig, heldhaftig, manhaftig. Krijgshaftig beteekent: gaarne aan den krijg deelnemende.
4. en vormt stoffelijke bijvoegl. naamw.: gouden, koperen, ijzeren. Linnen staat voor lijnen. (Verg. lijnwaad, lijnzaad).
5. ig beteekent:
a. hebbende: machtig, dienstig, armoedig, aandachtig, hoofdig, handig, godvruchtig (vruchten = vreezen; godvruchtig = hebbende de vreeze Gods).
b. overeenkomende met; wettig (= overeenkomende mei de wet), bokkig, nattig, glazige oogen.
c. gewoonlijk de werking verrichtende; nalatig, hegeerig, bevallig, inhalig.
Ook vormt het van bijwoorden bijvoeglijke naamw. met dezelfde beteekenis: nietig, voormalig, toenmalig, nederig, huidig.
Woorden op erig, een bijvorm van ig, hebben een ongunstige beteekenis: slaperig, winderig, zeurderig, beverig.
Kwaadaardig, goedhartig beteekenden dus eerst; hebbende een kwaden aard, hebbende een goed hart; langzamerhand vatte men die afleidingen op als; zijnde kwaad van aard, zijnde goed van hart-, en zoo kreeg ig in sommige afleidingen de beteekenis van; zijnde. Zoo is een voorbeeldig gedrag een gedrag, dat een voorbeeld is voor anderen; gelijksoortige karakters zijn karakters, die gelijk van soort zijn. Vergel. nog: een zesjarig kind; een nuffig meisje; een prullig boek.
6. sch â met zijn bijvorm isch (wettisch = te- zeer aan de letter van de wet hangende) â staat:
a. achter namen van plaatsen, steden, landen, en beteekent
209
dan thuis behoor en de: hemelseii, hoofsch, steedsch, vaderlandsch, Engelsch, Zweedsch, Russisch, Saksisch.
b. achter per so ons- en diernamen; en beteekent aan overeenkomende met: kindsch, slaafsch, diefschc list, hondsch, boer sch.
c. achter stofnamen en vormt dan stoffelijke bijvoegl. naamw.: lakensch, duffelsch, neteldoeksch.
d. achter bij woord en en bijwoordel. uitdrukkingen en vormt daarvan bijvoegl. naamw. met dezelfde beteekenis: achterwaartsch, voorwaartsch, sijdelingsch, dagelijksch, linksch, rechtsch, binnenlandsch, uitheemsch.
7. loos, (samenhangende met (ver)üezen), beteekent zonder, niet bezittende: ouderloos, vaderloos, hulpeloos, moedeloos, werkloos, argeloos (erg of arg beteekent hier: kwaad vermoeden), kinderloos, spoorloos.
Men lette hier op het verschil tusschen: naamloos en nameloos; zinloos en zinneloos-, werkloos (zonder werk) en werkeloos (niets uitvoerende).
8. baar; 9. lijk; 10. zaam. Over deze achtervoegsels zie men § 339, waar die uitvoerig behandeld zijn.
§ 358. De voorvoegsels, die adjectieven vormen, zijn:
1. ge, oorspr. samen beteekenende (gelijk = samen in lijk, d. i. in vorm overeenkomende), maar nu slechts de beteekenis van het grondwoord een weinig versterkende: gestreng, getrouw, gewillig.
2. on â niet: onvriendelijk, onbeleefd.
8. aarts: aartsdom, aartslui, aartsconservatief.
% 354. Van de werkwoorden: bevlekken, beschaduwen, bedijken beteekenen de verleden deel w o orden: bevlekt, beschadmvd, bedijkt achtereenvolgens voorzien van: vlekken, schaduw, een dijk.
Naar analogie van dergelijke deelwoorden vormt men van substantieven adjectieven als: bemost, bebladerd. bedaagd, bejaard, bedauwd, beteekende voorzien van: mos, bladeren, dagen, jaren, dauw. Dergelijke adjectieven bestaan dus uit een substantief, voorafgegaan door be en gevolgd door d of t.
Evenzoo vormt men naar analogie van deelwoorden als: gekroond, gelapte schoenen (= voorzien van een kroon, voorzien van lappen) adjectieven als : gesteeld, geprikkeld, gespoord, gelaarsd, gedast, enz, beteekenende voorzien van: een steel, spikkels,
14
210
spovRn, laarzen, een das, enz. Dergelijke adjectieven bestaan dus uit een substantief, voorafgegaan door ge en gevolgd door d of t. Ook van substantieven, door een bij voegl. naamw. nader bepaald, maakt men dergelijke adjectieven: blondgelokt, breedgeschouderd, hoog getopt, zwartgerokt, witgedast.
§ 355. Als stamwoorden beschouwen we al die bijvoegl. naamw., waarvan niet duidelijk blijkt, dat zij samengesteld, of rechtstreeks of middellijk afgeleid zijn; kort, jong, rijk, edel, arm, warm, hoog e. a.
C. De vorming der werkwoorden.
§ 356. Werkwoorden zijn scheidbaar of onscheidbaar samengesteld. Ze zijn scheidbaar samengesteld, als de deelen in de vervoeging gescheiden worden (liefhebben, ademltalen); onscheidbaar als zulks niet het geval is (overwégen, raadplegen).
§ 357. Een samengesteld werkw. kan bestaan:
a. uit twee werkwoorden: spelemeien (uit spelen en meien = zich huilen vermaken), spelevaren, koekeloeren (.van koeken âhijken en loeren).
b. uit een werkwoord en een bijvoegl. naamwoord. Een bijvoegl. naamw. en een werkwoord vormen een samenstelling, wanneer zij te zamen één begrip zijn gaan uitdrukken. (Verg. hier vooral § 335). Vb. kwijtraken (= verliezen), liefkoozen, hoogachten (= vereeren), vrijspreken (âniet schuldig verklaren). Drukken het werkw. en het adjectief niet te zamen één nieuw begrip uit, dan vormen zij natuurlijk ook geen samenstelling. Zoo vormen b.v. hoog en achten, vrij en spreken in de volgende zinnen geen samenstelling: ik acid den prijs, dien gij voor het huis vraagt, te hoog; gij moogt hier vrij (= gerust) spreken.
c. uit een werkwoord en een zelfstandig naamwoord. Ook een werkwoord en een zelfst. naamw. vormen dan eerst een samenstelling, zoo zij te zamen den naam van één werking geworden zijn: ademhalen (â ademen), gadeslaan, plaatshebben (gebeuren), plaatsgrijpen (â gebeuren), doodverven, brandmerken, krijgvoeren (oorlogen). Zoo zijn feitelijk acht geven, acht slaan yoor ons samenstellingen geworden, ofschoon wij die woorden gewoonlijk nog niet aaneenschrijven.
211
d. uit een werkwoord en een bijwoord; wegvluchten, om-hopen, doorsnijden, ondergaan, overrekenen, samenkomen, weerklinken, weerkomen, misrekenen, misdoen.
e. uit een werkwoord en een of meer andere woorden, die in vroeger tijd het voorwerp, een bij woo r del. bepaling, of een ander zinsdeel bij dat werkwoord waren: zich schamen, zich verwonderen, zich schrap zetten, in den ivlnd slaan, de vlucht nemen (= wegvluchten), op den loop gaan (= wegloopen), er vandoor gaan, touwtje springen, te leur stellen, te loor gaan, in bezit nemen, in het lecen blijven (= niet dood gaan). Alle deze werkwoordelijke uitdrukkingen zijn voor ons samenstellingen geworden, omdat wij ze als óén geheel opvatten. De woorden, waaruit zij bestaan, zijn voor ons te zamen één werkwoordel. begrip gaan uitdrukken; en daarom zijn deze en dergelijke uitdrukkingen samenstellingen, ook al schrijven wij de deelen gewoonlijk niet aaneen.
Een zin als: hij neemt de vlucht moet m.i ontleed worden: hij â onderw.; neemt de vlucht â gezegde-, en niet: hij â ondenv., neemt â gezegde, de vlucht â⢠lijdend voorwerp. Zoo is in: hij nam de stad in bezit, de stad m. i. het 1 ij d e n d voorwerp bij in-bezit-nemen en mag men in bezit niet meer als een afzonderlijke bepaling bij nemen aanmerken.
§ 358. Afgeleide werkw. kunnen van andere woorden zijn gevormd, hetzij met, hetzij zonder behulp van voorvoegsels.
§ 359. Zonder behulp van voorvoegsels worden zij gevormd:
a. van zelfst. naamw.: visschen, ploegen, eggen, doppen, rentenieren, huizen.
b. van bijvoegl. naamw. Deze werkw. zijn overgankelijk en geven dan te kennen: maken tot hetgeen het grondwoord beteekent: witten, stijven, weeken, sterken, warmen, bleeken; of zij zijn o n o v e r g a n k e 1 ij k en beteekenen dan: wo r d en tot hetgeen het grondwoord noemt: groenen, rijpen, rotten.
c. van voornaamwoorden: mijnen, jijen en jouwen (z= jij en jou tegen iemand zeggen).
d. van bijwoorden: innen, uiten, opperen, vernederen (van neder), veroveren (van over), naderen, bejegenen.
Alle deze werkwoorden zijn zwak.
De van substantieven en adjectieven afgeleide werkw. hceten denominatieven. Vroeger eindigden zij gewoonlijk op jan; de j van dezen uitgang deed dikwijls een voorafgaande
212
a tot e overgaan: temmen (uit tamjan), krenken (uit krankjan), dekken (uit dakjan), schenden (uit schandjan). In sommige werkw. als; zaaien, groeien (Verg. groen), moeien (Verg. moe), bloeien (Verg. hloe-m) is de j van jan als een deel van den stam opgevat.
Bij andere werkw. heeft zich uit dien uitgang ./an den nieuwen uitgang igen ontwikkeld. Zoo was noodigen oorspr. noodjan, dat als nood-ij an werd uitgesproken; dit werkw. nood-ijan werd na verloop van tijd noodigen, door overgang van j in g. Andere werkw. op igen zijn b.v.; eindigen, vestigen, spijzigen, reinigen, verkondigen, vereenigen; waarnaast gewoonlijk ook vormen op e n voorkomen met geheel dezelfde beteekenis; nooden. verkonden, vereenen. Men maakt echter een onderscheid tusschen kruisen en kruisigen: het laatste werkw. beteekent alleen: aan 't kruis slaan; het eerste beteekent niet alleen: aan 't kruis slaan (kruis! Hem), maar ook: een kruis maken. Men verwarre deze werkw. op igen niet met werkw. op en, die van bijvoegl. naamw. op ig zijn afgeleid als: rechtvaardigen, matigen, heiligen, bevestigen.
Enkele denominatieven eindigen op den bastaarduitgang eeren: halveer en, kleineeren, waardeeren, voeteeren, stoffeeren, trotseeren.
% 360. Zonder behulp van voorvoegsels zijn ook gevormd:
A. de causatieven. Deze geven het veroorzaken van een werking te kennen, genoemd door een in beteekenis en vorm verwant sterk werkwoord. Zoo is vellen een causatief, daar het doen vallen beteekent.
De causatieven waren oorspronkelijk niets anders dan denominatieven. (Verg. § 323). Zoo vormde men van het substantiei drank, in vorm en beteekenis samenhangende met het sterke werkw. drinken (drinken, drank, dronken, gedronken) het denominatief drankjan (later: drenken) = drank geven, ot kortweg: doen drinken. Van het substantief val, in vorm en beteekenis samenhangende met den stam van het werkw. vallen, werd het denominatief va Ij an (later: ®eZ/e») gevormd; val jan beteekende: een val doen maken, of kortweg: doen vallen. (Verg. § 323 A.).
Niet naast alle causatieven heeft men echter in de oude geschriften een substantief terug kunnen vinden, waarvan zij gevormd zouden kunnen zijn. In dit geval kan er tweeërlei geschied zijn. Of dit substantief is er vroeger wèl ge\\ eest, maar
â 21S
het is bij toeval niet voor ons bewaard gebleven; quot;if het heeft inderdaad nooit bestaan en dan is zulk een causatief gevormd naar analogie van andere, die wèl van een of ander substantief zijn afgeleid.
Men bedenke echter wel, dat de causatieven voor ons op dit oogenblik geen denominatieven meer zijn. Onze voorouders mogen b.v. duidelijk gevoeld hebben, dat leggen, zetten, zoogen met een of ander substantief in verband stonden, wij voelen dit volstrekt niet meer en daarom zijn ze ook voor ons geen denominatieven meer. Voor ons zijn deze werkw. louter causatieven; d w. z. zij zijn voor ons werkwoorden, die het doen plaatsgrijpen uitdrukken van een werking, door een verwant sterk werkw. uitgedrukt. Ja, onder de werkw., die men gewoonlijk nog tot de causatieven rekent, komen er al enkele voor, wier causatieve kracht wij door het in-onbruik-raken van de verwante sterke werkw. al heel zwakjes meer gevoelen en die daarom op den duur zeker uit de rij der causatieven geschrapt behooren te worden.
Tot de causatieven rekent men dan gewoonlijk;
Klasse I. a. zenden uit sandjan van sand (naast sinden â gaan; Verg. § 323 en voorts: gezant en gezin uit gezinde â wat te zamen op en neer gaat).
b. drenken uit drankjan van drank (naast drinken).
c. wenden uit wandjan van ivand (naast winden â draaien).
Klasse II. d. kwellen uit kwaljan van kwal (naast kwelen â
pijn lijden).
e. (zich) generen uit genasjan van genas (naast genezen, vroeger beteekenende; behouden blijven-, in het leven blijven). Zich met cisch generen wilde dus oudtijds zeggen: zich met visch in het leven doen blijven.
Klasse III. f. leggen uit lag jan van lag (naast liggen).
g. zetten uit zatjan van zat (naast zitten).
Klasse IV. h. neigen uit neigjan van neig (naast nijgen, neig, negen, genegen). Neigen â oorspr. in 't algemeen; doen buigen â beteekent tegenwoordig slechts; een buiging maken; in alle andere beteekenissen gebruikt men het sterke werkw. nijgen.
i. leiden uit leidjan van leid (naast lijden, leid, leden, geleden). Het werkw. lijden of liden beteekende voorheen; gaan; leiden beteekent dus; doen gaan.
Klasse V. j. zoogen uit zougjan van zong (naast zuigen, z o u g, zogen, gezogen).
214
k, kloovcn uit Moufjan van klouf (naast het voorheen sterke klieven, klouf, kloven, gekloven). Het werkw. klieven beteekende vroeger splijten-, klooven is dus: doen splijten.
Klasse VI. I. voeren van voer (naast varen, roer, gevaren.).
Klasse VIL m. vellen uit valjan van val (naast vallen).
n. (ge)hengen uit (ge) hang jan van hang (naast hangen). Gehengen beteekende oorsponkelijk; (zijn zegel) aan iets doen hangen; en daarna kortweg; gedoogen, toestaan.
Gelijk men uit deze voorbeelden ziet, kregen de causatieven, die in verband staan met een sterk werkw. van de zes eerste klassen, oorspronkelijk den klinker van het enkelvoud v. d. verleden tijd van dat sterke werkw. (drenken uit drankjan); terwijl een causatief, dat met een sterk werkw. van de zevende klasse samenhing, den klinker van de onbepaalde wijs van dat werkw. kreeg [vellen uit valjan; niet uit vieljan).
B. de frequentatieven of werkwoorden van herhaling.
Deze zijn door elen of eren gevormd van den stam van een in beteekenis verwant werkwoord, en geven altijd een herhaling en soms ook een verzwakking te kennen van de werking, door het grondwoord uitgedrukt: huppelen, trappelen, wiegelen, schuifelen, bibberen (naast beven), klapperen, stotteren (n. stooten), bedelen (n. bidden).
Men wachte zich er voor, alle werkw., die op elen of eren uitgaan, als frequentatieven te beschouwen. Geen frequentatieven zijn:
a. die werkwoorden, welke van nog bestaande woorden op el of er zijn afgeleid: spiegelen, hengelen, breidelen, dobberen, beteren, verbitteren, hameren. Dit zijn niets anders dan denominatieven.
b. die werkwoorden op elen of eren, welke wellicht voor onze voorouders duidelijk een herhaling van een werking te kennen gaven, maar die zulks tegenwoordig voor ons niet meer doen: aarzelen, fluisteren, weifelen, luisteren, plunderen, wandelen. Werkwoorden: als: glinsteren, flikkeren, blikkeren kan men nog wel als frequentatieven beschouwen, daar zij op elen en eren uitgaan en duidelijk een herhaling van een andere werking te kennen geven, ook al zijn de grondwoorden niet meer in gebruik.
C. de intensieven of werkwoorden van versterking.
Deze zijn van andere werkwoorden gevormd, waarvan zij in beteekenis en vorm verschillen. In beteekenis, voorzoo verre
â¢215
zij een versterking van de beteekenis van het grondwoord uitdrukken; in vorm, voorzoo verre hun slotmedeklinker gewoonlijk een verscherping en hun stamklinker meestal een verkorting is van die van het grondwoord. Vb.: bukken (n. huigen), hikken (n. hijgen), wikken (n. ivegen), stikken (n. steken).
§ 3G1. Waar wij nu zullen overgaan tot de behandeling van de werkw., door voorvoegsels afgeleid, ga eerst een opmerking van meer algemeenen aard vooraf.
In § 341 is ons gebleken, dat bij de afleiding de analogie een buitengewoon groote rol gespeeld heeft. Bij het vormen van een nieuwe afleiding heeft men namelijk niet angstvallig rekening gehouden met de oorspronkelijke beteekenis van het gebezigde voor- of achtervoegsel, maar heeft men zich gewoonlijk laten leiden door de kracht, die het in zekere afleiding scheen te hebben; ja, een reusachtig aantal afleidingen zijn ontstaan in een tijd, toen het volk er niet het flauwste vermoeden van had, dat de voor- en achtervoegsels eens zelfstandige woorden met een eigen beteekenis geweest waren. Hieruit volgt onmiddellijk tweeërlei;
cf. dat het niet te verwonderen is, dat men de beteekenis van do overgroote meerderheid der afleidingen volstrekt niet kan opmaken uit de oorspronkelijke beteekenissen van grondwoord en voor- of achtervoegsel. Zoo helpt het ons b.v. ter verklaring van de beteekenis van: eetbaar, drinkbaar; ongeloofelijk, aannemelijk; schilderachtig, teekenachtig; al zeer weinig, of wij al weten, dat baar oudtijds dragende-, lijk. vorm-, uchtig, hebbende beteekende. Eetbaar wil toch volstrekt niet zeggen: dragende eet; schilderachtig niet: hebbende schilder.
b. dat een druk gebruikt voor- en achtervoegsel door het grillig spel der analogie in afleidingen een groot aantal beteekenissen kan hebben; een 7:00 groot aantal, dat het onmogelijk is, ze allo op te noemen. Van zulke voor- en achtervoegsels kan men in een beknopt overzicht alleen de voornaamste beteekenissen opnoemen, terwijl met allerlei fijne schakeeringen in hun beteekenis geen rekening kan gehouden worden.
Nergens blijkt dit alles duidelijker, dan bij sommige, druk in zwang zijnde, voorvoegsels, die werkwoorden helpen vormen. Het is b.v. niet mogelijk, alle beteekenissen, die be in afleidingen heeft, regelrecht af te leiden uit de oorspronkelijke beteekenis van dat voorvoegsel; evenmin als het doenlijk is, om b.v. alle beteekenissen, die ver kan hebben, in een beknopt overzicht op te sommen.
210
In het volgende overzicht zallon wij van de voorvoegsels, die werkw. vormen, dan ook slechts de oorspr. beteekenis opgeven met de voornaamste beteekenissen, die zij in afleidingen hebben.
§ 362. De voorvoegsels, die werkw. vormen, zijn: be, ge, er, her, ont, ver.
1. be; oorspr. beteekenis: bij. Het geeft tegenwoordig in hoofdzaak te kennen:
a. b ij: htirocpan (een predikant in een yemeentc hetvepen â dien predikant bij een gemeente roepen), bekomen (v. d. schrik), bevallen, helieven, behuoren.
b. een v e r k r ij g e n of een bereiken door middel van de werking, door het grondwoord genoemd: behalen, bekomen (â verkrijg en), bereiken, beërven
c. een voorzien zijn van, of een maken tot hetgeen hot grondwoord beteekent: bedijken, bemannen, bepalen, beperken, besteden (van stede = plaats), benadeelen, bedroeven, bevrijden, beangstigen, benauwen, bezwaren. In dit geval staat het voor zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden; in alle andere gevallen voor werkwoorden.
d. het brengen van een voorwerp bij een werking. Aldus maakt het van onovergankelijke werkwoorden overgankelijke: begaan, bewonen, beweenen, betreuren, bewaken, bevaren, beklagen.
e. het plaatsgrijpen der werking over de geheele uitgestrektheid van het voorwerp: beplanten, bezaaien, bezien, bekleeden, begrijpen, bebomven, beschouwen. In dit geval staat het voor werkw., die zelf al overgankelijk zijn.
2. ge. Oorspronkelijke beteekenis: samen. Eenigszins blijkt die beteekenis nog uit: gevallen, gelijken, geleiden. Een werking, die twee of meer personen te zamen verrichten, geschiedt gewoonlijk met meer kracht dan eene, die slechts door één persoon verricht wordt. Vandaardat ge vroeger in vele woorden een versterkende kracht had, hetgeen nog eenigszins blijken kan uit gedenken naast denken. Tegenwoordig heeft ge echter in de meeste werkw. niet de allerminste beteekenis meer, zooals blijkt uit: gelijken (naast lijken), gewennen (n. wennen), gelukken (n, lukken), geraken (n. raken), gevoelen (n. voelen), zich getroosten (n. zich troosten); alleen klinken de werkw. met ge soms wat deftiger dan die, welke dat voorvoegsel missen. Ook oudtijds
217
luidden tal van werkw. bijvormen met ge, welke volkomen hetzelfde beteekenden als de grondwoorden zelf; soms zijn die grondwoorden in den loop van den tijd verloren gegaan en de bijvormen met ge blijven bestaan: gedoog en (oudtijds naast doogen â dulden, lijden; vergel. mededoogen), genieten (naast het verloren-gegane nieten), geschieden (naast het verloren-gegane sc Meden).
3. er. Oorspr. beteekenis: uit; 't is de toonlooze vorm van oor, dat substantieven vormt. (Verg. 348). Vrij duidelijk blijkt die beteekenis van er â uit nog in: erkennen (= voor het kennen uitkomen)-, erbarmen (van barmen uit beurmen â medelijden hebben, beklagen, vamp;n armen = klagen; erbarmen is dus: doen uitkomen, doen blijken, dat men medelijden met iemand heeft), erachten (in: mijns erachtens â mijn achten, mijn meening doende uitkomen; of kortweg: volgens mijn meening).
In: erlangen {langen = reiken; verg. handlanger) en ervaren (varen = komen, gaan) beteekent het: door de werking van het grondwoord verkrijgen. Jfermneren is door voorvoeging van h ontstaan uit erinneren, hetwelk etymologisch beteekent: door te binnen brengen verkrijgen.
4. her = opnieuw, blijkens: herkauwen, herzeggen, herlezen, herdrukken.
5. ont. Oorspr. beteekenis: tegen. (Vergel. het voorvoegsel out bij de substantieven). Het geeft tegenwoordig in hoofdzaak te kennen:
a. tegen: ontzien (iemand, ontzien â tegen iemand opzien), onthonden, ontvangen, ontmoeten.
Als gevolg van ont = tegen drukte het vervolgens uit:
b. het tegemoetgaan van een nieuwen toestand; of duidelijker: het beginnen van de werking in het grondwoord genoemd: ontbranden, ontvlammen, ontwaken, ontslapen, ontbijten, ontspruiten, ontploffen, ontstaan, ontspringen (van een rivier, een bron e. d.).
Daar met het beginnen van een nieuwen toestand een vroegere vaak eindigt en verdwijnt, zoo kreeg ont ook de beteekenis van weg. In die beteekenis komt het tegenwoordig zeer dikwijls voor; b.v. wanneer het uitdrukt:
c. weg: ontvoeren, ontrooven, ontnonen, ontrukken, ontsnappen, ontgaan, onthopen, ontkomen.
d. het brengen uit een vroegeren toestand: ontwikkelen, ontdekken, ontsluiten, ontvouwen, ontluiken.
218
e. het wegnemen van hetgeen het grondwoord noemt. In dit geval staat het voor zelfstandige en b ij v o e g 1 ij k e n a a m woorden: onthoofden; ontbladeren; ontsmetten, ontkleeden, onttronen, onteer en, ontzenuwen, ontgroenen, ontnuchteren, ontheiligen, ontreinigen.
5. ver. Dit voorvoegsel is van verschillenden oorsprong en daarom heeft het in afleidingen dan ook een zeer verschillende beteekenis:
a. ver = weg: verwerpen, verjagen, verstooten, verdrijven, verstoppen, verbergen.
Ten gevolge van die beteekenis van ver = weg kon ver ook uitdrukken:
b. dat het onderwerp of v o o r w e r p v e r d w ij n t tengevolge van de werking, of althans daardoor in een ongunstigen toestand geraakt: vermoorden, verbranden, verbruiken, ver-drinken, zich verhangen, vergeven (= vergiftigen), verhongeren-, verkrachten, veronachtzamen, verleiden, verongelukken, verwaar loosen, zich verslapen, verweeren, vertwijfelen.
c. verkeerd of slecht: zich verrekenen, zich vergissen, zich verspreken, verwennen, verdenken.
ci ver â; voor, in de beteekenis van niet achter: verbinden, versper-ren, verschansen, ver-bloemen, verlinnen, verzanden, verzilveren.
e. ver = v o o r, in de beteekenis van ten behoeve van:
verzorgen, verplegen, verschaffen.
f. ver â voor, in de beteekenis van in plaats van. In dit geval kan het gewoonlijk kortweg door anders weergegeven worden en geeft het vaak een verwisseling te kennen: verbedden, verkleeden, verhangen (= op een andere plaats hangen), vervellen, verharen, vertalen, zich vermaken (oorspr.: zich anders maken), verhuizen.
Daar een verwisseling vaak gepaard gaat met het brengen van een zelfstandigheid in een nieuwen toestand, zoo ging ver ook beteekenen: maken of worden tot hetgeen het grondwoord beteekent: vergoden, verketteren,zich verbroederen, veretteren, zich vermannen, verblijden, verarmen, veraangenamen, vergelijken, verlossen, veredelen.
g. ver = over: vernachten, vermeesteren, verbluffen, verheeren.
Soms heeft ver weinig kracht, zooals in: vermeenen, verblijven,
verkrijgen, verhopen.
219
§ 363. Samen ö te Hing door middel van afleiding heeft bij die werkwoorden plaats, welke door iniddel van het achtervoegsel en zijn gevormd uit den stam van een werkw. en een substantief: knikkebollen, klappertanden, stampvoeten, kon-wieken, knipoogen. knarsetanden, reikhalzen (uit rekhalzen).
D. De vorming der voornaamwoorden.
S 364. Ten opzichte van de vorming van deze woorden merken we op;
a. dat zulk ontstaan is uit zoo-lijk, waarin lijk zooveel beteekende als: gedaante hebbend.
b. dat zoodanig ontstaan is uit zoo-daan-ig, waarin daan hetzelfde beteekent als gedaante-, zoodanig beteekent etymologisch dus; zoo een gedaante hebbende.
c. dat welk samengetrokken is uit wie-lijk; wie beteekent hue en lijk weer gedaante hebbend', welk beteekent etymologisch dus hetzelfde als hoedanig.
d. dat elkander samengesteld is uit elk en ander; elk is samengetrokken uit ie-lijk, waarin ie = eenig en lijk = gedaante, persoon; elk beteekent dus; eenige per soon; en elkander dus; eenige persoon den ander. Datzelfde ie komt voor in iegelijk, waarin gelijk (een bijvorm van lijk) alweer gedaante, persoon beteekende; iegelijk beteekent dus; eenige persoon.
e. dat malkander samengetrokken is uit man-lijk-ander; in man-lijk beteekent lijk zooveel als ieder (Verg. dagelijks) en man-lijk dus: ieder der mannen. Malkander beteekent dus; â ieder der mannen den ander.
/'. dat iets oudtijds luidde iet (Verg.; als niet komt tot iet, dun kent iet zich-selven niet); iet is verbasterd uit ie-wicht, waarin wieht â ding; iets beteekent dus; eenig ding.
Niets staat voor niet, dat samengetrokken is uit ne-ie-wicht â â niet eenig ding.
E. De vorming der telwoorden.
S 365. Ten opzichte van de vorming van deze woorden merken wij alleen op;
a. dat elf, twaalf zijn samengetrokken uit een-lif en twa-lif.
220
waarin lif hoogstwaarschijnlijk tien beteekent; elf en twaalf beteekenen etymologisch naar alle waarschijnlijkheid dus: een en tien-, twee en tien-, verg. dertien (uit drietien), veertien (uit viertien), vijftien, enz.
h. dat tig, voorkomende in twintig, dertig, enz., een oud substantief is, beteekenende: tiental.
c. dat geen ontstaan is uit neg-een â noch, niet een.
d. dat honderd met een voorafgaand hoofdtelwoord geen samenstelling vormt; men schrijve dus: drie honderd. Daarentegen: vierduizend, zesduizend, enz
F. De vorming van bijwoorden.
§ 366. De achtervoegsels, die bijwoorden vormen, zijn;
1. e: verre, aireede, dichte(hij), mode, luide. Deze e werd oudtijds zeer dikwijls gebruikt, om van adjectieven bijwoorden te vormen; tegenwoordig is zij als zoodanig vrijwel in onbruik geraakt. Het verschil tusschen adjectieven en bijwoorden bestaat tegenwoordig gewoonlijk niet meer in een verschil in vorm, maar in een verschil in dienst. (Verg. § 134 en § 136).
'2. en. Oudtijds gaf het een beweging van zekere plaats te kennen (vergel. nog: noordenwind, oostenwind.)-, tegenwoordig heeft het in de meeste bijwoorden, die er van voorzien zijn, geen duidelijk aanwijsbare kracht meer: hoven, heneden, binnen (uit be-innen), buiten.
3. er. Oudtijds gaf het een beweging naar zekere plaats te kennen (vergel. nog: ooskrspoor); tegenwoordig heeft het in de meeste bijwoorden, die er op eindigen, geen duidelijk aanwijsbare kracht meer: onder, over, neder, ginder, oi)xgt;er,inner(lijk),uiterUijk).
4. lijk, dat van bijvoegl. naamw. bijwoorden vormt:/leMsc/M^Vv-, beleefdelijk, gereedelijk, bepaaldelijk, voorzichtig lijk, kwalijk, gewoonlijk, waarlijk. Tegenwoordig wordt dit lijk dikwijls weggelaten en worden de adjectieven zonder eenige verandering in den vorm als bijwoorden gebruikt. (Verg. §§ 134 en 136).
5. lijks: jaarlijks, maandelijks, wekelijks. Dit lijks is het voorafgaande lijk, voorzien van de bijwoordelijke s; lijks beteekent in deze alleidingen: ieder.
6. lings: zijdelings, ruggelings, ijlings, tappelings, blindelings,
221
rakelings. Dit lings bestaat uit het achtervoegsel ling, dat ook substantieven vormt, gevolgd door de bijwoordelijke s.
7. waarts: huiswaarts, kerkwaarts, opwaarts, hemelwaarts, her-waarts, derwaarts (her = hier-, der â daar), achterwaarts. Waarts bestaat uit waart de bijwoordel. s; en beteekent: gekeerd naa/v, in de richting van.
8. gewijse: trapsgewijze, groepsgewijze, tirailleursgewijze, stuks-gewijze, steelsgewijze.
9. jes, tjes, kens: zachtjes, stilletjes, zachtkens, warmpjes, zoetjes.
10. s. Tal van substantieven, al of niet vergezeld van bijvoegl. naamw., stonden vroeger in den bij woord el ij ken genitief (Verg. § 227, en deden dus den dienst van een bijwoordelijke bepaling. Langzamerhand vatte men die woorden daarom als bijwoorden op: blootshoofds, heelhuids, geenszins, alleszins, goedsmoeds, daags, deels. Daar die woorden dikwijls op s eindigden, vatte men die s â oorspr. dus de s van den mannel. en onzijdigen genitief enkelv. â op als een middel, om b ij w o o r d e n te vormen en werd die s dus een a c h t e r-voegsel; men noemt haar de bijwoordelijke s: somtijds, dikwijls, namaals, terloops, eerstdaags, binnenslands (Verg. § 229), buitenslands, binnensmonds, onverwachts, rechts, links, intijds, desnood-s, enz.
§ 367. De samengestelde bijwoorden behooren bijna alle tot de soort, in § 331 bedoeld. Zij bestaan dus uit twee of meer andere woorden, die eerst te zamen voor ons een beteekenis hebben aangenomen: bovenop, onderaan, kortaf, iveleer (wellicht uit: wileneer = in vroegeren tijd), indertijd, uitermate, omtrent, overal, vooral, vanhier, vandaar, voorgoed, achtereen, enz.
Men lette hier op het verschil tusschen van hier, van daar (= van deze, van die plaats) en vanhier, vandaar (â om deze, om die reden): tusschen voor goed, voor zeker (= als goed, als zeker) en voorgoed, voorzeker-, tusschen Jioe zeer, hoe wel en hoezeer, hoewel (â ofschoon-, verg. § 118).
§ 368. Als stam woorden beschouwen wij al die bijwoorden, waarvan niet duidelijk blijkt, dat zij samengesteld of afgeleid zijn: hier, daar, nu, wel, ook, nog e. a.
222
G. De vorming van voegwoorden en voorzetsels.
§ 369. Over de vorming der voegwoorden en voorzetsels behoeven hier geen nadere bijzonderheden meegedeeld te worden. Op het einde van het eerste boek is toch uitvoerig de ontwikkelingsgeschiedenis van een groot aantal voegwoorden nagegaan (zie § 109â§ 120), terwijl in het tweede boek uitvoerig gesproken is over de wijzen, waarop woorden en woordgroepen tot voegwoorden zijn geworden (zie § 212). Tevens is ons toen gebleken de nauwe betrekking, die er tusschen voorzetsels en voegwoorden bestaat. Voor de vorming van sommige voorzetsels zie men nog § 120, waar over gedurende, slaande en dergelijke voorzetsels gehandeld is.
ZESDE BOEK.
Klankleer en Spelling.
A. Klinkers en Medeklinkers.
§ 370. Onder een letterklank â of kortweg: letter â verstaat men een ondeelbar en spraakklank; a, oo, ie, ei, m, p, 11.
Onder letter verstaat men ook het letterteeken, waardoor een letterklank schriftelijk wordt voorgesteld. Al de letter-teekens te zamen vormen het alphabet. Onze letterteekons hebben wij aan de Romeinen ontleend, die ze weer van de Grieken hadden overgenomen; terwijl de Grieken ze op hun beurt weer na het aanbrengen van vrij ingrijpende veranderingen van de Pheniciërs overgenomen hadden.
§ 371. De letterteekens worden verdeeld in enkelvoudige (a, e, igt;, enz.) en samengestelde (aa, ee, ie, ei, iig1, cli, enz.). Tot de samengestelde letterteekens behoort tegenwoordig ook sj in huisje, haasje, roosje e. d.; wij spreken die woorden toch niet uit als: huis-je, haasje, roosje, maar als: hui-sje, baasje, roosje, waarin de sj één letterklank geworden is, vrijwel gelijkstaande met de ch in Fransche woorden als: hache, hücheron e.d.
Ook de iig is nu een samengesteld letterteeken, oudtijds niet; toen bestond ng uit twee spraakklanken en dus ook uit twee enkelvoudige letterteekens, t. w. u gr (uitgesproken als g in Fransche woorden als: guerre, garron e. d.). De g had toen dus den klank van een zachte k: vandaar nog: koninklijk (van koning), rottinkje, harinkje e. d.
§ 372. Ons alphabet bestaat uit 26 enkelvoudige letter-
224
teekens; vier daarvan (nl. de c, q, x en y) worden meer bepaaldelijk vreemde letters genoemd, omdat zij uitsluitend in vreemde woorden voorkomen; met uitzondering echter van do c, voorzooverre zij een deel uitmaakt van het samengestelde letterteeken ch.
§ 373. De letterklanken worden verdeeld in klinkers en medeklinkers.
Bij het uitspreken van een klinker doen wij een klank; bij het uitspreken van een medeklinker meer een geruisch hoor en.
§ 374 Onder een lettergreep verstaat men een woord of' een deel van een woord, dat met één uitstooting van de lucht wordt uitgesproken. Een woord kan dus één- of meerlettergrepig zijn: koe, paar-denstal.
§ 375. Eindigt een lettergreep op een klinker, dan heet zij open; eindigt zij op een medeklinker, dan is zij gesloten: vre de \ aar de.
§ 376. Van een woord worden de lettergrepen soms met verschillenden nadruk of klemtoon uitgesproken. Men spreekt daarom van lettergrepen, die den hoofdtoon hebben; die den bijtoon hebben; of die toonloos zijn. In: pddr-denstdl heeft de eerste lettergreep den hoofdtoon; de laatste den bijtoon; en is de middelste toonloos.
§ 377. De klinkers worden verdeeld in enkelvoudige klinkers en tweeklanken. Een enkelvoudige klinker klinkt aan het slot evenzoo, als aan het begin; een tweeklank heeft aan het slot een anderen klank, dan aan het begin.
De enkelvoudige klinkers zijn: a, aa; e, ee; i, ie; o, oo; u, nn ; oe; en.
De tweeklanken zijn: ai; ei; ij; ui; on; an; aai, ooi, oei; aan, een, ieu.
§ 378. De enkelvoudige klinkers, met uitzondering van de oe en de en, worden op twee wijzen uitgesproken: volkomen en onvolkomen: jaar, das; (/een, men; dier, licht; door, dor; uur, prul. De onvolkomen uitspraak van de oe en de en is gelijk geworden aan die van de oo en de nu; en klinkt dus achtereenvolgens als o en n: blom (naast bloem); zocht (n. zoeken); spul naast spealen uit spelen.
Staat een volkomen klinker niet op het eind van een lettergreep, dan wordt hij iets langer aangehouden en heet dan gerekt: jaar, eer, bier, oor, duur.
225
Een klinker wordt in een toonlooze lettergreep toonloos uitgesproken. Die toonlooze klinkers worden verschillend geschreven, maar vrijwel geheel op dezelfde wijze uitgesproken: hemel, donker: nuffig, leeuwerik, monnik] Dokkum, Gorkum-, vriendelijk, eerlijk-, wekelijks, jaarlijks-, avond. Wil men te kennen geven, dat in: mijn, zijn, een de klinker toonloos uitgesproken moet worden, can schrijft men gewoonlijk: m'ii; z'n; 'n.
§ 379. De klinkers, die wij tegenwoordig in de woorden aantreffen, zijn soms uit andere klinkers ontstaan. Vb.:
a soms uit e: harte uit herte-, evenzoo aarde uit er de.
e soms uit a of i: steden, stad-, smeden, smid-, erg uit arg (Verg. erg denkend naast argwaan)-, lengte, lang-, sterk uit stark; zwemmen (Verg. HD. schwimmen); beschermen (Verg. HD. beschirmen); slechten uit slichten.
ee zeer dikwijls uit ei: verbreeden, verbreiden; Meen, klein; weenen, weinig; heelen, heiland.
ie zeer dikwijls uit iu (spr. uit: ioe): liegen uit liugan; bieden uit biiidan. Deze iu ging echter ook in ui of uu over, vandaar dat de ie, ui en uu in onze taal soms wisselletters zijn: buigen uit biugan; duur, dier; sturen, stieren; kuiken, kieken; luiden, lieden ; duitsch, dietsch; ruiken, rieken. Tusschen duitsch en dietseh; ruiken en rieken is op den duur verschil in beteekenis ontstaan.
o zeer dikwijls uit u (spr. uit: oe): kogel uit kugel; komen uit kumen; noten (HD. mess); logen (HD lügen).
oo zeer dikwijls uit au of ou: looiden uit loupen; koopen uit koupen; boomen (HD. baum); loochenen mtlaugnan (EG. lüuchnen); zoogen uit zougjan; klooven uit kloufjan.
ii soms uit o; burger, borger; plunderen, pionderen; gulden, golden; bundel, bondel; kunst, konst; drup, drop.
en dikwijls uit o tengevolge van volgende i of j (umlaut van o = en): leugen, logen; spreuk, sprook; keuken n. koken; sleutel uit slotel; zoo in de volkstaal: neuten uit noten; geuten mtgoten; zonen uit zeunen.
ei soms uit ege of a?e, waarin g in j of i overging: gezeid uit gezeged; geleid uit geleged; zeil uit zegel; meid uit maged; heining uit hagening.
ei een enkelen keer uit e voor n: einde uit ende; heinde uit hende uit handt (heinde is dus etymologisch: wat bij de hand is). ij uit lange i. /oo dijk uit dik (spr. uit: diek); bijten uit hl ten
15
226
(spr. uit: bieten)-, vandaardat men in sommige streken van ons land nog dikwijls een ie zegt, waar wij een ij laten hooren.
ou uit ol of al: gouden uit golden; zoude uit zolde; wou uit ivoude voor wolde; woud (HD. wald); koud (HD. kalt); hout (HD. holz); oud (HD. alt).
§ 380. De medeklinkers worden naar verschillenden maatstaf in verschillende soorten verdeeld.
§381. Naar het spraakorgaan, waardoor zij gevormd worden, verdeelt men ze in:
a. keelletters: cli, s, k, n^. De li, die vroeger ook een keelletter was, wordt tegenwoordig slechts door een sterke uitademing gevormd.
b. verhemelteletters: sj, j.
c. tongletters: t, d, s, z, 1, n, r.
d. lipletters: i», b, f, w, m.
§ 382. Naar de wijze, waarop de uitgeademde lucht de spraakwerktuigen verlaat, verdeelt men ze in:
a. schuringsgeluiden (spiranten): cli, g, sj, j, s, z, f. v en u. In dit geval schuurt de lucht door een nauw kanaal heen, gevormd door twee spraakwerktuigen, die dicht bij elkander gebracht zijn.
b. ontploffingsgeluiden (explosieven): k, t, d, v, 1) en ook w, wanneer zij aan het begin van een woord voorkomt. In dit geval worden de twee spraakorganen zoo dicht bij elkander gebracht, dat de uitgeademde lucht voor een oogenblik niet verder kan stroomen; worden de twee spraakorganen dan weer verder van elkander verwijderd, dan ontsnapt de lucht eensklaps als met een plof.
c. neusgeluiden: in, u en ng. De lucht ontsnapt dan door de neusholte.
d. de ra telingsgeluid en: r, 1. Het geluid wordt dan gevormd door een trillende beweging van één spraakwerktuig.
Een geheel afzonderlijke plaats neemt de li in, die eenvoudig gevormd wordt door een sterke uitademing.
§ 383. Twee medeklinkers zijn met elkander verwant, als zij door dezelfde spraakwerktuigen op nagenoeg dezelfde wijze gevormd worden, maar verschillen in de kracht, waarmee het geluid gevormd wordt. De eene heet dan de scherpe, de andere de zachte verwante medeklinker: cli en g; t en d; s en z;
227
p en b; f en v. De k is ook een scherpe medeklinker; de zachte verwante g (uit te spreken als g in 't Pransche guerre) komt in onze taal niet meer voor, behalve voor b of d, maar wordt dan als k geschreven; boekbinder, boekdrukker; zalrboek, zakdoek; ik bleef; ik denk. (Verg. § 349.)
De zachte verwante van de sj â geschreven als g â komt alleen voor in woorden, aan vreemde talen ontleend of in navolging van vreemde woorden gevormd; en klinkt dan als g in genie: plantage, stellage, vrijage, logement, horloge.
§ 384. Verder noemt men I, m, n, r (molenaar) en ng vloeiende letters; de andere vaste. De s en z heeten sisletters; dej en w halfklinkers, omdat zij vroeger nagenoeg als de klinkers i en oe werden uitgesproken.
§ 385. De medeklinkers, die wij tegenwoordig in de woorden aantreffen, zijn vaak uit andere ontstaan. Vb.;
r uit z; vroor uit vroos; verloor uit verloos; ver koor naast koos; zich generen naast genasjan. (Verg. 360, a.)
ck uit k: zocht n. zoeken; wrocht n. worken; dacht n. denken; wacht n. waken; smachten n. smaken; zwichten n. bezwijken.
ch uit f; gracht uit graft] lucht (HD. luft); klucht (uit kluft naast klieven)-, kracht (n. HD. kraft); zacht (n. HD. san ft); gehucht (naast hof-, gehucht dus uit gehofte â verzameling van hoven, van boerenhofsteden).
ch uit i), die eerst een f geworden was; kocht naast koopen; bruiloft naast loopen; gerucht (uit geroft, naast roepen)-, verknocht n. verknoopen.
b uit v; bibberen n. beven; kibbelen n. kijven; hebben n. haven; webbe n. weven; krabbe n. kreeft uit krevet; stribbelen n. streven.
li
B. De Spelling.
a. De spelling van De Vries en Te Winkel.
I. Hoofdregels.
§ 386. Het spellingssysteem, dat tegenwoordig vrij algemeen toegepast wordt, is omstreeks 1865 ontworpen door de hoogleeraren De Vries en Te Winkel. Het berust op eenige grondbeginselen, die men de hoofdregels van het stelsel zou kunnen noemen. Ze zijn;
T
228
1. de regel der beschaafde uitspraak: geef hij het schrijven van een woord door letterteekens al de letterklanken weer, die achtereenvolgens bij een beschaafde uitspraak in dat woord gehoord worden; of kortweg: schrijf een ivoord, zooals het door beschaafde Nederlanders uitgesproken wordt. Volgens dezen regel schrijft men b.v.: jaar, muts, huis, deur, pet.
2. de regel der gelijkvormigheid: houd bij het schrijven van een woord rekening met de klanken, die in zijn verbuigings-of vervoegingsvormen gehoord worden; of met de vormen, die het in afleidingen en samenstellingen heeft. Op grond van dezen regel schrijft men in strijd met de uiispraak: dag (uitgespr. dach) naast dagen-, iceb (uitgespr. wep) n. webhen-, hoed n hoeden-, bloed, bloeden, bloederig; zand, verzanden, zanderig. Soms wordt zelfs rekening gehouden met de vroegere verbuigingsvormen van een woord; zoo schrijven wij iemand en niemand (met d), omdat men vroeger in den 3aon naamval zeide: iemande, niemande.
3. de regel der afleiding: wanneer uit de tegenwoordige uitspraak van een ivoord niet duidelijk blijkt, welk letterteeken er gebruikt moet worden, raadpleeg dav de oudere uitspraak van dat woord. Deze regel wordt voornamelijk toegepast, wanneer er uitgemaakt moet worden, of wij een woord met ee of e, oo of o, ei of ij, s of sch moeten schrijven. Zoo schrijven wij b.v. in open lettergrepen:
ee, wanneer die letter ontstaan is uit den tweeklank ei: verbreeden, verbreiden; teeken, teiken.
e, wanneer zij ontstaan is uit een van de enkelvoudige klinkers a of i: steden, stad-, schepen, schip.
oo, wanneer die klank ontstaan is uit den tweeklank au ofou: zoogen uit zougjan-, klooven uit kloufjan.
o, wanneer die letter ontstaan is uit een van de enkelvoudige klinkers o of u: bodem-, kogel (uit kugel); genomen uit genumen. Verder schrijven wij:
ei, wanneer die klank zich ontwikkeld heeft uit den tweeklank ai: leiden uit laid jan; klein uit Main.
ij, wanneer die letter ontstaan is uit lange i: dijk: bijten-,grijpen. sch, wanneer die letter ontstaan is uit sk: visch (fisk); druischen uit druskan.
s, wanneer die klank niet ontstaan is uit sk: das, jas, bruisen. Zoo schrijven wij ook in strijd met de uitspraak; grijsaard, dronkaard, stommerd, leeperd, omdat aard en erd ontstaan zijn uit hard (= sterk-, verg. § 339).
229
4. de regel der overeenkomst of der analogie:
wanneer uit de uitspraak van een woord niet duidelijk blijkt, met welke letterteekens het gespeld moet worden, raadpleeg dan woorden, die op gelijksoortige xoijze gevormd zijn. Zoo schrijft men: dorpsschool naast dorpskerk-, varkensstal naast varkenshok-, oorlogsschip naast oorlogsvaartuig.
5. de regel der welluidendheid: pas de voorgaande regels niet toe, indien daardoor een woord op een wijze geschreven icordt, waardoor een onwelluidende uitspraak van dat woord in de hand gewerkt zou kunnen worden. Volgens dezen regel schrijft men in strijd met de afleiding: wijste, malschte (voor-.ivijsste, malschste); zoo ook: die man heeft iets grootsch, iets edels in zijn denkbeelden (voor: iets grootschs).
6. de regel van het gebruik: pas de voorafgaande regels mede niet toe, wanneer daardoor een woord geschreven zou moeten worden op een wijze, afwijkende van die, waarop het sinds langen tijd algemem (jeschreven is. Op dien grond schrijven wij het achtervoegsel heden met eene e, ofschoon die e uit ei ontstaan is; daarom schrijven wij ook op het eind van een éénlettergrepig woord steeds ee en oo {zee, mee- zoo)-, op dienzelfden grond schrijven wij huwelijk met ij, ofschoon die ij uit al ontstaan is. (Verg. § 333).
Eindelijk letten de beide hoogleeraren af en toe op de duidelijkheid en schrijven zij bijv. in strijd met de uitspraak: nog (met g), om het te onderscheiden van noch (=niet).
Uit deze hoofdregels vloeien voort de bijzondere regels voor het spellen der klinkers en der medeklinkers.
II. De regels voor het spellen der klinkers.
§ 387. Deze regels strekken vooral, om vast te stellen, of men een woord moet schrijven met e of ee; o of oo; ij of ei; ie of i; voorzooverre zulks uit de uitspraak niet blijkt.
§ 388. Men schrijft in 't algemeen eene zachtheldere e op het eind van een lettergreep, wanneer die e zich ontwikkeld heeft uit een enkelvoudigen klinker; en meer bepaaldelijk:
1. in woorden, waarnaast andere Nederlandsche, Hoog-duitsche ofEngelsche woorden staan, waarin a otigehoord wordt of werd. In 't Nederlandsch zijn namelijk vele a's door invloed van een volgende j tot e overgegaan; terwijl alle oorspronkelijk korte i's in open lettergrepen tot e gerekt zijn. Vb.;
228
1. de regel der beschaafde uitspraak: geef hij het schrijven van een woord door letterteekens al de letterklanken weer, die achtereenvolgens bij een beschaafde uitspraak in dat woord gehoord worden; of kortweg: schrijf een ivoord, zooals het door beschaafde Nederlanders uitgesproken wordt. Volgens dezen regel schrijft men b.v.: jaar, muts, huis, deur, pet.
2. de regel der gelijkvormigheid: houd bij het schrijven van een woord rekening met de klanken, die in zijn verbuigings-of vervoegingsvormen gehoord loerden; of met de vormen, die het in afleidingen en samenstellingen heeft. Op grond van dezen regel schrijft men in strijd met de uitspraak: dag (uitgespr. dach) naast dagen-, web (uitgespr. wep) n. webben-, hoed n hoeden-, bloed, bloeden, bloederig; zand, verzanden, zanderig. Soms wordt zelfs rekening gehouden met de vroegere verbuigingsvormen van een woord; zoo schrijven wij iemand en niemand (met d), omdat men vroeger in den 3don naamval zeide: iemande, niemande.
3. de regel der afleiding: wanneer uit de tegenwoordige uitspraak van een woord niet duidelijk blijkt, welk letterteeken er gebruikt moet worden, raadpleeg dav de oudere uitspraak van dat woord. Deze regel wordt voornamelijk toegepast, wanneer er uitgemaakt moet worden, of wij een woord met ee of e, oo of o, ei of ij, s of sch moeten schrijven. Zoo schrijven wij b.v. in open lettergrepen:
ee, wanneer die letter ontstaan is uit den tweeklank ei: verbreeden, verbreiden; teeken, teiken.
e, wanneer zij ontstaan is uit een van de enkelvoudige klinkers a of i: steden, stad-, schepen, schip.
oo, wanneer die klank ontstaan is uit den tweeklank au ofou: zoogen uit zougjan; klooven uit kloufjan.
o, wanneer die letter ontstaan is uit een van de enkelvoudige klinkers o of u: bodem-, kogel (uit kugel); genomen uit genumen. Verder schrijven wij:
ei, wanneer die klank zich ontwikkeld heeft uit den tweeklank ai: leiden uit laidjan; klein uit klain.
ij, wanneer die letter ontstaan is uit lange 1: dijk-, bijten-,grijpen. scli, wanneer die letter ontstaan is uit sk: visch (fisk); druischen uit druskan.
s, wanneer die klank niet ontstaan is uit sk: das, jas, bruisen. Zoo schrijven wij ook in strijd met de uitspraak: (grijsaard, dronkaard, stommerd, leeperd, omdat aard en erd ontstaan zijn uit hard (= sterk; verg. § 339).
229
4. de regel der overeenkomst of der analogie;
ivanneer uit de uitspraak van een woord niet duidelijk blijkt, met welke letterteekens het gesjoeld moet icorden, raadpleeg dan woorden, die op gelijksoortige wijze gevormd zijn. Zoo schrijft men: dorpsschool naast dorpskerk-, varkensstal naast varkenshok] oorlogsschip naast oorlogsvaartuig.
5. de regel der welluidendheid: pas de voorgaande regels niet toe, indien daardoor een woord op een wijze geschreven ivordt, waardoor een onwelluidende uitspraak van dat woord in de hand gewerkt zou kunnen worden. Volgens dezen regel schrijft men in strijd met de afleiding: wijste, malschte (voor: ivijsste, malschste)â , zoo ook: die man heeft iets grootsch, iets edels in zijn. denkbeelden (voor: iets grootschs).
6. de regel van het gebruik: pas de voorafgaande regels mede niet toe, wanneer daardoor een woord geschreven zou moeten worden op een wijze, afwijkende van die, waarop het sinds langen tijd algemeen geschreven is. Op dien grond schrijven wij het achtervoegsel/iedere met eene e, ofschoon die e uit ei ontstaan is; daarom schrijven wij ook op het eind van een éénlettergrepig woord steeds cc en oo {zee, mee-, zoo)] op dienzelfden grond schrijven wij huwelijk met ij, ofschoon die ij uit ai ontstaan is. (Verg. § 333).
Eindelijk letten de beide hoogleeraren af en toe op de duidelijkheid en schrijven zij bijv. in strijd met de uitspraak: nog (met g), om het te onderscheiden van noch (= n i e t).
Uit deze hoofdregels vloeien voort de bijzondere regels voor het spellen der klinkers en der medeklinkers.
II. De regels voor het spellen der klinkers.
§ 387. Deze regels strekken vooral, om vast te stellen, of men een woord moet schrijven met e of ee; o of oo; ij of ei; ie of i; voorzooverre zulks uit de uitspraak niet blijkt.
§ 388. Men schrijft in 't algemeen eene zachtheldere e op het eind van een lettergreep, wanneer die e zich ontwikkeld heeft uit een enkelvoudigen klinker; en meer bepaaldelijk:
1. in woorden, waarnaast andere Nederlandsche, Hoog-duitsche of Engelsche woorden staan, waarin a of i gehoord wordt of werd. In 't Nederlandsch zijn namelijk vele a's door invloed van een volgende j tot e overgegaan; terwijl alle oorspronkelijk korte i's in open lettergrepen tot e gerekt zijn. Vb.:
230
edel naast adel; dwepen n. dwapen; steden n. stad; besteden (n. stad = plaats)-, vegen n. vagen; verdedigen n. ver da,dig en; gene n. gindsch; neven n. nicht; schepen n. schip; schelen n. verschillen; schemeren n. schim; smeden n. smid.
2. in alle werkwoorden, die nu sterk zijn of het vroeger waren (uitgezonderd in; h e c t e n uit h e i t e n); benevens in bijna alle woorden, die van die werkw. gevormd zijn: nemen-, stelen-, gebeden (n. bidden)] hevel (n. heffen)] leger (n. liggen)] zetel (n. zitten). In dit geval heeft de e zich uit een i, a of een korte e ontwikkeld; zoo staat bede naast bidden; zich generen uit genasjan; in geven komt b.v. een oorspronkelijk korte e voor.
3. in woorden, waarnaastverwanteNederlandscheofHoogduitsche staan, waarin een onvolkomen e gehoord wordt:
bevelen, bevel; mede, met; deken n. dekken; bezie n. bes; gebreken, gebrek.
gele (HD. gelb)] weder (HD. wetter).
4. in woorden, waarnaast bijvormen met cu staan: sneven, sneuvelen; zeven, zeuven; lenen, leunen; stenen, steunen; tegen, teugen; peluw, peul.
5. in het meervoud van het achtervoegsel heid; ivaarheden] schoonheden; beroemdheden.
6. in woorden van vreemden oorsprong, waarin de e ui;: een enkelvoudigen klinker is ontstaan: jenever (Fr.genevre); ledekant (Fr. Ut de champ); peer, peren (Lat. pirum); neger (Fr. negrë)] planeten (Fr. plande); zegel (Lat. sigillum)] profeten (Fr. proph'ete).
§ 389. Men schrijft op het einde van een lettergreep een scherpheldere ee:
1. wanneer die letter ontstaan is uit een oud-Germaansche ai; in welk geval die ee soms nog met ei afwisselt: verbroeden, verbreiden] kleen, klein] heel, heelen. Heiland] teeken uit telken-, steenen uit stains. Uitgezonderd het achtervoegsel heden n, heid.
Die oud-Germaansche ai is in 't Hoogduitsch gewoonlijk tot ei overgegaan en soms ai gebleven; terwijl zij in 't Engelsch tot oa of o geworden is. Vandaardat onze scherpheldere ee beantwoordt aan een ei of ai in 't Hoogduitsch; en aan een oa of o in 't Engelsch. Alzoo: bleeke (n. HD. bleich); gemeene (HD. gemein); eene (HD. eine); geene (HD. keine)] weenen (HD. weinen); zeepen (HD. seife); weezen (HD. waise).
beer [mannetjesvarken), meerv. beeren (Eng. boar); reede (Eng road);
231
ceej) (Eng. sooy;); steenen (Eng. stowe); beenen, beenderen (Eng, bone).
2. wanneer die letter ontstaan is door samentrekking van twee lettergrepen: preeken uit prediken-, veeren uit vederen-, leeren uit lederen-, onweer en uit onwederen.
3. in de achtervoegsels eeleu, eereu, eezen, eesche; juweeien; studeeren; Portugeezen; EuropeescJie.
4. wanneer die lettergreep een woord is: zee; thee-, mee-, vee-, vree.
Uitgezonderd is het tusschenwerpsel hé!
§890. Men schrijft in 't algemeen een zachtheldere o op het einde van een lettergreep, wanneer die o zich ontwikkeld heeft uit een enkel voudigen klinker (een u of een onvolkomen o); en wel meer bepaaldelijk:
1. in werkwoorden, die nu sterk zijn of het vroeger waren (uitgezonderd: hopen, storten uit lowpen, stoMten)-, benevens in bijna alle woorden, welke van die werkw. gevormd zijn. In dit geval is de o gewoonlijk uit een u ontstaan: wij bedrogen; genomen; wij goten; logen (n. liegen)-, bode (n. bieden)-, bogen (n. huigen).
Uitgezonderd zijn de woorden, die samentiangen met een werkw. van de vijfde klasse, voorzooverre zij oudtijds den klinker van het enkelvoud van den verleden tijd van zulk een werkw. hadden; in dit geval is de oo toch ontstaan uit ou of au (liegen, lowg, lugen, gelugen). Zulke woorden zijn: zoogen uit zougjan (n. zuigen)-, klooien uit kloufjan (n. klieven)-, loochenen uit laugnan (n. liegen).
2. in woorden, waarnaast verwante Nederlandsche of Hoog-duitsche staan, waarin een onvolkomen o gehoord wordt:
goden, god; geboden, gebod; sloten, slot; broze, bros;grove,grof; schoten, schot; lot, loten, loterij.
zomer (HD. sommer)-, hopen (HD. hoff'en); open (HD. offen)-, hoorn of horen (HD. horn)-, koorn of koren (HD. kom).
3. in woorden, waarnaast verwante Hoogduitsche met u (of ii) of Engelsche met o staan:
boter (HD. butter)-, molen (HD. miihle); kogel (HD- kugel)-, noten (HD. nnss).
bodem (Eng. hottem); honing (Eng. honey)-, zool, zolen (Rug. sole).
4. in woorden, waarnaast andere met eu staan: logen, leugen; opsporen, bespeuren; zonen, zeunen-, sproken n. spreuken-, goten, geuten. Uitgezonderd: bloode naast bleu.
Deze eu is dan ontstaan door umlaut van o, d. i. door invloed
van een volgende i of j. In bleu is de cu ontstaan door umlaut van de scherpheldere oo.
5. in woorden van vreemden oorsprong, waarin de o niet ontstaan is uit au;
kronen n. Fr. couronne; tronen n. Fr. tróne; tonen n. Fr. ton; abrikozen n. Fr. abricot; mode n. Fr. mode; scholen (Lat. schola); ivoren n. Fr. ivoire; koper (n. Lat. cuprum).
§ 391. Men schrijft op het eind van een lettergreep een scherpheldere oo;
1. wanneer die letter ontstaan is uit een oud-Germaansche au of ou: koopen uit kaupen; loopen\x\iloupen-,hooren\i.\thausjan.
Die oud-Germaansche au is in 't Hoogduitsch gewoonlijk au (au) en in 't Engelsch ea geworden. Vandaar:
boomen (HD. öawm); droomen (HD. traum); ruoken (U D.rauclten) â , loochenen (HD. Uiuchnen); betoog en (HD. zeugen).
brood, brooden (Eng. bread)] hooren (Eng. hear); boon, boonen (Eng. bean); schoof, schooven (Eng. scheaf).
2. in woorden, waarin zij ontstaan is door samentrekking van twee lettergrepen:
boomen uit bodemen-, dooier uit doder.
3. in de achtervoegsels looze en gcuooten :/cmtto'toore,/«iiiJpdoco;;
landgenooten, echtgenooten.
4. in vreemde woorden, waarin zij ontstaan is uit au: kooien (Lat. caulis)-, Mooren (Lat. Maurus); verpoozen (n. Lat. pausa); poover (Fr. pauvre).
5. wanneer die lettergreep een woord is: soo, stroo, cloo. Uitgezonderd het tusschenwerpsel ho!
§392. Men schrijft met ei de woorden, waarin die letter is ontstaan: 1. uit een oud-Germaansche ai; in dit geval kan de ei met ee afwisselen: verbreiden, verbreeden; kleine, kleene; weinig n. iveenen; Heiland n. heelen.
Die oud-Germaansche ai is in t Engelsch in oa of o overgegaan. Vandaar: geit (Eng. goat); eik (Eng. oak); beide (Eng. botJi).
2. uit rekking van e voor n: einde (n. ende); heinde uit hende uit handi.
3. uit age of ege: meid uit maged; geleid uit geleged; peil uit pegel; zeil uit zegel; klappei uit klappege;'labbei uit lablege
4. uit de Fransche klanken ai, ei, é, ée: paleis (Fr. palais); feit (Fr. fait); porselein (Fr. porcelaine); balein (Fr. baleine);
â 233
sociëteit (Pr. société); pastei (Fr. paté); livrei (Fr. Uvrêe)-, vallei (Fr. vallée); karwei (Fr. corvee).
§ 393. Men schrijft met ij:
1. sterke werkw. (behalve het vroeger sterke scheiden) en bijna alle daarmee samenhangende woorden: lijken, blijven-, hijten, bijt; blijken, blijk.
Uitgezonderd zijn de woorden, die samenhangen met het enkelvoud van den onvoltooid verleden tijd der sterke werkw. van de vierde klasse; want dan is die letter ontstaan uit ai en moet dus als ei geschreven worden: neigen uit naigjan (n. nijgen)-, leiden uit laidjan (n. lijden)-, beitel (naast bijten, bait-, bijten beteekeade vroeger ook splijten); steiger (naast stijgen, staig).
2. woorden, waarin die letter ontstaan is uit een lange i; in dit geval hoort men in 't Friesch nog een ii (spr. uit: ic); 't Engelsch heeft dan vaak de i bewaard: dijk (Friesch: dük)-, zijl {sluis; Friesch: ziil); vlijtig (Friesch; fliitig).
lijf (Eng. life); gelijk (Eng. like); zwijn (Eng. mine); ij del (Eng. idle); rijk (Eng. rich).
3. woorden, die aan 't Fransch ontleend zijn en daarin i hebben; of die uit 't Latijn overgenomen zijn, en daarin i of een als i uitgesproken e hebben: cijfer (Fr. chiffrc); magazijn (Fr. ynagasin); patrijs (Fr. perdrix); rijst (Fr. riz).
bijbel (Lat. biblia); mijter (Lat. mitra); pijnboom (Lat. pinns); mijl (Lat. milia); stijl (Lat. stilus); krijt (Lat. creta).
Zoo ook het achtervoegsel ij, gebruikt in navolging van 't Fransche i of ie: galerij, galerie; partij (Fr. parti); en daarom ook: burgerij, boekerij, enz.
§ 894. Het letterteeken ie wordt in 't algemeen gebruikt, om den helderen i-klank weer te geven: riet, olie, tralie, provincie. Men gebruikt echter in dit geval een enkele i:
1. in de Latijnsche maandnamen; Januari, Februari, Juni en Juli.
2. op het eind van een lettergreep, die niet den hoofdtoon heeft: oliën, traliën, Jezuïtisme, fabrikant,provinciën,muzikant. Men merkt uit deze voorbeelden, dat die lettergreep niet aan het slot van een woord mag voorkomen; men schrijft b.v. wel tralie; maar: traliën.
3. in 't achtervoegsel iscli: afgodisch, practisch, theoretisch, wettisch, Frankisch.
M
234
III. De regels voor het spellen der medeklinkers.
§ 395, Daar deze regels van weinig beteekenis en algemeen bekend zijn, merken wij ten dezen slechts op:
a. dat een medeklinker, tusschenletter zijnde, verdubbeld wordt voor een onvolkomen klinker: hakker, mudden. De ch wordt echter nooit verdubbeld en van de sch alleen de s: kuchen, visschen.
Wordt die medeklinker door een volkomen of door een toonloozen klinker voorafgegaan, dan wordt hij niet verdubbeld: baker, hengelen. Uitgezonderd is het achtervoegsel uis; vonnissen, kennissen.
h. De onverbuigbare woorden schrijft men met een scherpen slotmedeklinker: met, tot, op. Duidelijkshalve schrijft men echter nog (Fr. encore) naast noch (Pr. ni).
e. De achtervoegsels nis en lijk verscherpen soms een vooraf-gaanden medeklinker. Aldus:
nis een voorafgaande d en t: beeltenis, verbintenis, ontstentenis-, liefelijk, lafenis, begrafenis.
lijk een voorafgaande v, z en ng: liefelijk, ongeloofelijk, vreeselijk, huiselijk) oorspronkelijk, aanvankelijk.
De g wordt voor lijk, wel in de uitspraak, maar niet in het schrift tot ch verscherpt: heuglijk, ontzaglijk, behaaglijk. Men lette op: hanheljk, belachelijk met ch; tegenover: bewegelijk,mogelijk, degelijk met g overeenkomstig de uitspraak.
d. Voor de t schrijft men in strijd met de uitspraak eene g in plaats van eene cli:
1. in werkwoordelijke vormen, waarin t persoonsuitgang en de g de laatste letter van den stam is: hij zegt, gij vliegt, gij moogt. Daarentegen: gij mocht, hij bracht, waarin t de uitgang van den verleden tijd is. (Verg. § 328, Bj.
2. voor het achtervoegsel te: hoogte, laagte, vroegte, menigte.
3. in Aagt uit Agatha.
e. In strijd met de uitspraak schrijft men ter wille van de afleiding van het woord soms eene d voor een s: rmfe (n. (4mröe); ginds (n. ginder)-, gids (n. Fr. galde)-, loods (n. Fr. loge, oudtijds als loodze uitgesproken); sinds (n. sedert) e.a.
f. In 't algemeen schrijft men een sch, wanneer de sisklank uit sk ontstaan is: visch (oudt. fisk)-, mensch (oudt. mannisk); druischen (oudt. drusken).
Ook schrijft men met scli de achtervoegsels lijksch, waartsch.
235
ling sell, wanneer zij bijvoegl. naamw. vormen: een dageljksche wandeling; een voorn: aar tsche beweging; een zijdeling scha wenk. In 't algemeen krijgen bijvoegl. naamw. van bijwoorden op s gevormd eene sch; slaafsch, onverhoedsch, rechtsch, iinksch, vergeefsch.
Worden bijvoegl. naamw. op sch als bijwoorden gebezigd, dan blijven zij sch behouden: barsch, frisch, valsch, troisch, norsch, hensch e. a.
g. Men onderscheide fonkelen (schitteren) van yonkelen {vonken afgeven).
h. Men schrijft te zamen met z; maar samen met s; samen toch is door assimilatie ontstaan uit teamen. Alzoo schrijve men ook; samenkomst, samenspreking.
i. Men lette op thaws, althans (met th) uit te hande, al te hande; naast nochtans uit nog-Aan.
IV. De spelling der bastaardwoorden.
§ 390. Sommige woorden, aan vreemde talen ontleend, zijn in den loop van den tijd zoo geheel en al in het Nederlandsch ingeburgerd, dat men soms niet zonder verwondering van de taalgeleerden verneemt, dat ze oorspronkelijk bastaardwoorden waren. Zulke woorden worden natuurlijk in de spelling geheel en al als echt Nederlandsche woorden behandeld: tafel, kaars, olie, paard, lamp, brief.
Van andere woorden, aan vreemde talen ontleend, gevoelen wij daarentegen nog zeer goed, dat zij van vreemden oorsprong zijn. De spelling van dergelijke woorden berust op de volgende twee grondbeginselen:
a. behoort het woord tot de taal der geleerden of is het een technische term, dan schrijve men het â zooveel de uitspraak toelaat â op de wijze, waarop zulks geschiedt in de taal, waaraan het ontleend is: autocratisch, theater, theologie, theorie, executie, telephoon, franco, hybridisch, gymnasium.
b. behoort het woord meer tot de volkstaal, dan schrijve men het zooveel mogelijk als een echt Nederlandsch woord: biljart, biljet, prinses, sekuur, kameraad, kolossaal, spektakel, stukadoor. Het is echter m. i, in strijd met dit grondbeginsel, dat men volgens de heeren De Vries en Te Winkel moet schrijven; quadraat, quaestie, qualiteit e. d., waar kwadraat, kwestie, kwaliteit m. i. beter zou zijn.
236
Als gevolg van deze grondbeginselen schrijft men b.v.; criliek (beoordeeling) n. kritiek (hachelijk)-, doder n. dokter (geneesheer)-, commies (bij de posterijen of aan het ministerie) n. kommies (bij de belastingen)-, locaal (plaatselijk) n. lokaal; cadet (van de militaire school) n. kadetje (broodje).
§ 397. Men lette er op, dat de i»li (uitgespr. als f) als begin-en tusschenletter geschreven moet worden in bastaardwoorden, van Griekse he afkomst: philosophie, philosophisch, philomeel, biographie, biographisch. Aan het slot van zulk een woord schrijft men echter f: photograaf, biograaf, philosoof, apocrief; vandaar ook: photografen, biografen, philosofen, apocriefe.
Men lette op telegraaf n. telegrafie, telegraphisch, telegrapheeren; van telegraaf vormde men telegrafist, vandaardat dit woord met Iquot; en niet met ph gespeld wordt.
h. De zoogenaamde âNieuwe spellingquot;.
§ 328. Toen de hoogleeraren De Vries en Te Winkel omstreeks 1865 bovenvermeld spellingssysteem bekend maakten, werd het dadelijk van vele zijden met groote ingenomenheid begroet; en na betrekkelijk korten tijd werd het algemeen toegepast, of streefde men er althans algemeen naar het toe te passen. Vooral werd het geprezen om den regel der afleiding en de voortreffelijke wijze, waarop die algemeene regel in de bijzondere gevallen toegepast was; daardoor was aan het geheele spellingssysteem een stevige, onvergankelijke grondslag gegeven en was de spelling van lal van woorden eens voor altijd op wetenschappelijke gronden vastgesteld. Wat er toch in den loop dei-tijden mocht veranderen, het feit, dat het woord steen oudtijds stains geluid heeft, staat voor eeuwig vast, en zoo wist men ook voor altijd, dat men steenen en niet stenen moet schrijven; waaraan men ook in de toekomst mocht twijfelen, het feit, dat tusschen vroeger tusken geweest is, staat alweer onwrikbaar vast en alzoo behoefde men ook nooit meer in het onzekere te ver-keeren, of men iïfsscliew of tussen moet schrijven.
Na 1891 â⢠het jaar, waarin dr. R. A. Kollewijn in bet tijdschrift: Vragen van den Dag een artikel plaatste, getiteld: Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging â kreeg dat
237
veelgeprezen spellingssysteem tal van bestrijders; tegenstanders, die naar niets minder streven, dan de spelling van De Vries en Te Winkel door een eenvoudiger stelsel te vervangen. En wat het rnerkwaardigste is: juist die regel van de afleiding, welke de beworidering opwekte van de mannen van 1865, is op dit oogenblik het mikpunt van de heftigste aanvallen. Kollewljn en de zijnen beweren namelijk, dat men bij het schrijven van een woord ui^t te letten heeft op de wijze, waarop het vroeger werd uitgesproken; maar uitsluitend op de wijze, waarop het nu. oi» dit oogexWilf; uitgesproken wordt. Om uit te maken, of men vis of viscli moet schrijven, moet men niet vragen, of onze voorouders vis of visk gezegd hebben, maar moet men letten op de tegeinflt;gt;oi'lli»e uitspraak van dat woord; en wanneer daarin geen sch gehoord wordt, dan schrijve men ook vis en niet viscli. De regels betreffende de schrijfwijze van ce of e; oo of o pleiten voor de groote taalkennis van de beide hoogleeraren; maar wat kan het ons eigenlijk schelen, of een e uit ai. of uit a of i ontstaan is? Wanneer wij â wat onloochenbaar het geval is â de zacht-heldere e op dezelfde wijze uitspreken als de scherpheldere e, daar schrijve men ook beide klanken met hetzelfde letterteeken. 't Is, alsof de beide hoogleeraren geredeneerd hebben: er moeten woorden zijn met een enkele e of o, en met een dubbele of oo op het eind van een lettergreep; en nu zullen wij eens OP wetenschappelijke gronden vaststellen, wanneer men een enkele uf een dubbele e of o op het eind van een lettergreep moet schrijven. Maar â wij herhalen het â niets dwingt ons er toe, d^n eens een enkele o, dan weer een dubbele oo te schrijven; waar beide letters den zelfden klank hebben, daar schrijve men ze ook met hetzelfde letterteeken.
De heeren De Vries en Te Winkel hebben zoogenaamd tot grondslag van hun spelling den regel der beschaafde uitspraak genomen; maar inderdaad is het aantal woorden, die louter volgens de beschaafde uitspraak geschreven worden, niet zoo bijster groot. De groote waarheid: schrijf eeu woord, zooals gij het uitspreekt is door hen te veel uit het oog verloren. De groote verdiensté van Kollewijn en de zijnen is, dat zij die gulden waarheid, door de beide hoogleeraren bedolven onder een stapel klankwetten en uit het oog verloren te midden van een omhaal van geleerdheid, weer in eere hersteld en in waarheid tot grondslag van hun spelling gemaakt hebben.
Wanneë'' De Vries en Te Winkel b.v. willen uitmaken, of
238
men druisen of druischen moet schrijven, da,n gaan zij in allerlei oude geschriften snuffelen en wanneer zij dan ergens in een oud-noorsch stuk het woord drusken vinden, dan zijn ze tevreden; dan weten zij eerst, dat men dmischere met scli moet schrijven. De heer Kollewijn gaat veel eenvoudiger te werk: hij spreekt het genoemde woord langzaam en duidelijk uit en omdat hij daarin geen scli, maar wel een s hoort, daarom schrijft hij ook druisen en niet; druischen. Ongetwijfeld ziet het woord druisen er in het begin wat mal voor het gezicht uit; nog maller ziet het er echter uit voor het gezond verstand van een gewoon mensch, van een niet-taalgeleerde. Het verschil in de methode van de heeren De Vries en Te Winkel en die van Dr. Kollewijn springt in 't oog: de spelling van de eersten is die van een paar geleerden, wier lust het is in oude geschriften te wroeten; de spelling van den tweede is die van een man van de praktijk, die recht en snel op zijn doel afgaat.
Dr. Kollewijn mocht van vele zijden instemming met zijn denkbeelden ondervinden; een âVereeniging tot vereenvoudiging der spellingquot; werd gevormd; een commissie benoemd, om voorstellen tot vereenvoudiging in te dienen; en na onderling overleg werden aangenomen de volgende voorstellen, die de grondgedachten bevatten van de zoogenaamde ânieuwe spellingquot;.
Voorstellen.
I.
De o wordt â evenals de a en m - - op 't eind van een lettergreep nooit verdubbeld: lopen, liefkozen, kolen, (groente, brandstof), zo ('t voeg- en bijwoord), enz.
De e wordt op 't eind van een lettergreep niet verdubbeld, behalve op 't einde van een woord, en van eenlettergrepige woorden met de daaruit voortgekomen afleidingen en samenstellingen : bleken (in alle beteekenissen), delen (planken, gedeelten), lelik, rede (ligplaats van schepen, verstand, redevoering), demoed, enz.;
.doch; dominee, zee, mee, wee, twee, enz.; en zeeschip, meegeven, weemoed, tweede.
II.
Met uitzondering van de vreemde woorden, voor zover die met hun eigen spelling worden overgenomen, schrijft men de
2S9
klank, die in bier, sier, Griek, beviel, Piet, dief, enz te horen is, altijd met ie. Dus:
in Januarie, Februarie, Junie, Julie evengoed als in larie, herrie, jullie-,
in tralieën, olieën, enz. evengoed als in knieën, harmonieën, enz.; in moiieveren, fabrlekant, Jezwietisme, enz. evengoed als in motieven, fabrieken, Jezwieten-,
in Russies, komies, Russiese, komiese, enz. evengoed als in kommies, kommiezen, valies, valiezen, enz.;
in biezonder (waarin de leek geen voorzetsel = het oude bi, bij, herkent).
III.
Waar een toonlooze klinker uitgesproken wordt, geve men hem ook in 't schrift weer; dus niet alleen dageliks, morjelik, de;/dik, hachelik, enz., maar evenzoo omjezeggelik, dra/jelik, heugelik, zorgelik.
IV.
Voor k â evenals voor g, ng en s, b.v. in droevig, lastige, koning, vonnis, enz. â wordt de toonlooze klinker met het teken i geschreven; vandaar niet alleen havik, haoiken, monnik,monniken, maar ook -lik, -like, enz. in eigenlik, dierlik, waarlik, dageliks, hartelike, enz.
Evenzoo is in overeenstemming met die spelling vóór -s in notaris, loeris, vonnis, enz. te schrijven: dreumis, lobbis.
V.
Men bezigt een spelling sch alleen dan, wanneer in de uitspraak ook werkelik s ch gehoord wordt. Dus: vis, wensen, vals, valse, russies, franse, hollandse, enz.
Behalve in thuis, waarvan de samenhang met âhuisquot; nog dooreen ieder wordt gevoeld, en in vreemde woorden, als theoloog, theater, thema en soortgelijke, schrijft men geen h achter de t. Dus; tans, altans, nochtans, tee.
Evenzo dient in erwt, kerstmis, -boom, enz. en bestje, waarvan de leek de etymologiese samenhang met het oude erwet, kerst, bestemoer niet meer kent of merkt, de overtollige ni et-uit gesproken letter te worden weggelaten. Dus: en, besje, kersmis.
240
VI.
Waar men algemeen in de beschaafde uitspraak geen n of s als tusschenletter in samenstellingen hoort, wordt er ook geen geschreven. Dus; zedeleer, hondehok, oorlogschip, enigzins, enz.; tegenover heldendaad, koningsplein, smidswerk, oogenhlik, enz.
VIL
In de zogenaamde bastaardwoorden wordt de /'-klank voorgesteld door f (niet door ph): fotografie, telegrafie, fantasie. Of bastaardwoorden, die algemeen gebruikt worden, al dan niet als nederlandse zullen worden gespeld, dient aan het inzicht en de smaak van de schrijver te worden overgelaten. Wie het woord als een vreemdeling beschouwt, zal vanzelf geneigd zijn het geheel of grotendeels te spellen, als in de taal geschiedt, waar 't aan ontleend is.
Het verdient evenwel de voorkeur om deze soort van woorden, indien ze in de volkstaal algemeen in gebruik zijn, met de lettertekens van gewone nederlandse woorden te schrijven.
Dus: politie of polietsie, tram of trein, rail of reel, accijns of aksijns, precies of presies, recept of resept, blouse of hloese. bouquet of boeket, shawl of sjaal, quinine of kieniene (pillen), diner of diiiee, directie of direksie, redaktie of redaksie, doleantie of doleantsie, vakantie of vakantsie, stampage of stampaazje, brochure of brosjure, predikatie of predikaatsie.
Opmerking. Hiertegen kan niet met reden het bezwaar worden ingebracht, dat de nederlandse lettertekens de uitheemse klanken vaak alleen bij benadering weergeven.
VIII.
Geograflese namen mogen niet door algemene spellingsregels worden veranderd. Evenals de famielienamen, behoren zij de eenmaal aangenomen en geijkte schrijfwijs te behouden; dus: Heerenveen, den Bosch.
IX.
In het beschaafd gesproken Nederlands is ten gevolge van hot regelmatig gebruik van een, geen, mijn, zijn, enz. vooï eene, eoien, enz. en door het verdwijnen van de slot-w in de buigingsuitgangen van bijvoegl. naamwoorden, lid- en voornaamwoorden de oudere
241
onderscheiding van een mannelik en vrouwelik taalkundig geslacht bij substantieven, die niet bepaald een man (netje) of vrouw (tje) noemen, verloren gegaan.
De kunstmatige (en daarom op zich zelf al te veroordeelen) poging om, met verkrachting van het eigenaardig karakter van onze tegenwoordige taal, in 't geschreven woord de oude onderscheiding te handhaven, veroorzaakt zoowel aan taalkundigen als leken veel onnodige en overbodige last en doet bij 't onderwijs een massa tijd verspillen.
Hierom schrijve men een in de 3do of 4ae naamv. enk. staand de, die (aanwijzend en betrekkelik), deze, zwarte, gekke, enz. steeds zonder n en vermijde zoveel mogeük het gebruik van de archaïstiese genietieven diens, des, der, dier, enz. (in plaats van van die, van de, enz.).
Daardoor ontwijkt men de nutteloze ongeriefelikheid om verzonnen geslachtsregels van buiten te leren, en elk ogenblik naar een woordenlijstje te moeten grijpen.
Voorts regele men zich in 't schrijven van hij (-ie), hem ('m), ze, en zijn, haar ('er, der) naar 't beschaafde spraakgebruik.
Opmerking. In vaste en staande uitdrukkingen, waar men verbuigingsvormen uit vroeger tijd nog uitspreekt of algemeen hoort, worden die geschreven. Dus: ten behoeve, desnoods, uitermate, grotendeels, enz.
Deze voorstellen vonden naast veel bijval ook heftige bestrijding en tegenkanting. Die tegenstanders kunnen tot eenige groepen teruggebracht worden:
a. enkele weinigen, die uit volle overtuiging een krachtig en beslist âOnaannemelijk!quot; laten hooren en in de spelling van De Vries en ïe Winkel een meesterstuk blijven zien, waarin op hoogst gelukkige wijze beide aan de eischen der wetenschap en die der praktijk is voldaan;
b. de aristocraten in de republiek der taal en letteren, welke wel hervormingen willen aannemen uit de handen van hooggeleerden, maar niet uit die van minder hooggeplaatston;
c. de conservatieven in den lande, die tegen alle ingrijpende verandering gekant zijn en dus ook tegen eene in de schrijftaal. En evenals alle conservatieven weten zij hun bekrompenheid en vasthoudendheid achter een schoone leuze te verbergen: zij
16
242
willen waken voor de schoonheid en zuiverheid van onze geliefde moedertaal, erfenis van onze onvolprezen voorouders!
d. de betweters en spelbrekers; zij, die er volkomen van doordrongen zijn, dat hervormingen in onze schrijftaal moeten aangebracht worden; maar die zich nu juist net niet kunnen vereenigen â op tal van afdoende gronden! â met de vereenvoudigingen, nu voorgesteld. Ronduit gezegd, kan ook ik mij niet met alle voorgestelde wijzigingen vereenigen; m. i. zou hot wenschelijker zijn alle volkomen klinkers door het dubbele, alle onvolkomen klinkers door het enkelvoudige letterteeken voor te stellen en dus te schrijven: jaaren, das; neemen, mensch; uur en, mud, enz. Maar het schijnt, alsof er tegen deze hervorming onoverkomelijke bezwaren bestaan en daarom is het verstandig, het bereikbare goede niet te verwerpen wegens het onbereikbare betere. Vooral de voorstellen betreflende de spelling der bastaardwoorden hebben veel tegenstand gevonden; en het moet erkend worden, dat woorden als kienienepillen, hnro, dinée (voor diner) in het eerst op ons gezicht een wonderlijken indruk maken. Maar aan den anderen kant wordt men toch ook vaak korrelig, wanneer men om allerlei keutelige redenen ielegraphie, telegra-p heer en, telegraphisch met ph en telegrafist weer met f moet schrijven; en te verwonderen is het niet, dat iemand dan een aanvechting krijgt, om al die geleerdheid overboord te werpen en de vreemde woorden eenvoudig te schrijven, zooals men ze uitspreekt. Bovendien vergete men niet, dat men volgens de nieuwe spelling een vreemd woord ook mag schrijven op een wijze, die meer herinnert aan de spelling van dat woord in de taal, waaraan het is ontleend. Na verloop van tijd kan dan blijken, welke wijze van spellen het meerendeel van het Nederlandsche volk het meest bevredigt en evenals in alle zaken, zal de minderheid zich dan naar de zienswijze van de meerderheid te schikken hebben.
De gevaarlijkste tegenstanders zijn echter de lauwen, de onverschilligen; die talrijke groep van personen, wien het volmaakt onverschillig is, of de spelling van De Vries en Te Winkel dan wel die van Kollewijn de gangbare is, omdat het hun niet het allerminst schelen kan, of zij een fout maken of niet.
Tot de voorstanders behooren in de eerste plaats tal van onderwijzers, die het dagelijks kunnen ondervinden, hoeveel last hun scholieren met de gebruikelijke spelling hebben en die naar het oogenblik snakken, waarop zij den tijd, dien hun leerlingen
243
nu moeten verbruiken niet het leeren schrijven van de woorden, kunnen aanwenden, om hun te onderwijzen, wat de woorden beteekenen. Voorts enkele hoogleeraren in de Nederl. taal; mannen, wien hun vak van wetenschap te lief is, om met de resultaten er van anderen te plagen. En ten slotte nog enkele andere belangstellenden. Tot hun eer moet echter gezegd worden, dat de voorstanders van de nieuwe spelling wakker, onvermoeid en op doeltreffende wijze propaganda voor hun zienswijze maken. Op doeltreffende wijze, daar zij geregeld enkele kranten en voortdurend artikelen, brochures, ja zelfs boeken in de nieuwe spelling doen drukken, om alzoo de oogen van het lezende publiek aan de nieuwe schrijfwijze te gewennen; om er die oogen â als 't ware â mee te verzoenen.
Bij de lauwheid van het groote publiek, bij de openlijke ot bedekte tegenwerking van de meeste autoriteiten, zou de nieuwe spelling m.i. echter nooit veel kans gehad hebben, algemeen toegepast te worden, indien de voorstanders van de nieuwe schrijfwijze niet in den laatsten tijd den steun gekregen hadden van verscheidene invloedrijke personen, die zich om geheel bijzondere redenen voor de vereenvoudiging van de schrijftaal interesseeren; een steun, die m. i. op den duur al krachtiger en krachtiger zal worden.
Door de gebeurtenissen van de laatste jaren zijn namelijk de oogen van geheel Europa en niet het minst van ons land gevestigd op onze stamverwanten in Zuid-Afrika; meer bepaaldelijk op die in de Transvaal. In de jaren van beproeving, die de Transvaal heeft doorgestaan, zijn de banden van vriendschap en broederschap tusschen ons en de Transvaalsche boeren nauwer dan ooit toegehaald. En velen in den lande zouden het als een zegen voor ons beschouwen, wanneer de Transvaal geheel en al voor de Hollandsche belangen, voor de Hollandsche taal en litteratuur gewonnen kon worden. De Transvaal moet voor ons worden niet een kolonie in ouderwetschen trant, maar een broederstaat op het Zuidelijk Halfrond, één met ons in afstamming, in taal en voor zoover mogelijk ook in gezindheid. Maar dat ideaal kan slechts bereikt worden, indien onze schrijftaal niet alleen een goed, maar ook een uiterst gemakkelijk werktuig is, om zijn gedachten aan anderen mede te deelen. Men mag niet verwachten, dat een eenvoudige Transvaalsche boer zich ooit zal verdiepen in de vraag, of hij een pijp heerebaai, dan wel een pijp heerenbaai stopt; of hij een
244
hoogv hoed, dan wel een hoogan hoed draagt. Onze schrijftaal heeft niet de minste kans op den duur algemeen ingevoerd te worden in een groot deel van Zuid Afrika. indien zij zich niet nauwer aansluit bij de beschaafde spreektaal; indien er niet uit verwijderd worden allerlei spitsvondige onderscheidingen, die de schrijvenden voortdurend hinderen in het vlugge uitdrukken van hun gedachten; indien â in één woord â in de regeling der geslachten, in de verbuigings- en vervoegings-vormen, en in de spelling niet wijzigingen aangebracht worden, als in den loop van dit werk zijn besproken.
Prof. Spruyt alhier, voorzitter van een vereeniging, die zich ten doel stelt de banden tusschen de Transvaal en ons land nauwer toe te halen, verklaarde dan ook openlijk op het jongste taalcongres te Dordrecht (zomer 1897), dat hij voor zich aan de spelling van De Vries en Te Winkel zoo niet gehecht, dan toch gewend was, zoodat hij in gewone omstandigheden er zeker niet aan zou denken, ze met een andere te verwisselen; maar waar voor taal en volk zoo groote belangen op het spel staan, daar moet het persoonlijk gemak wijken voor het algemeen belang. En dat belang eischte â naar hij meende â zonder eenig voorbehoud de invoering van meergenoemde hervormingen.
/00 zien wij alweer, dat het schijnbaar kleine soms inderdaad groot en belangrijk is!
c. Grammatische Figuren.
§ 399. Onder grammatische figuren verstaat men de vormveranderingen, die de woorden in den loop van den tijd ondergaan hebben, voorzooverre die niet veroorzaakt zijn door buiging en vervoeging, of door het overgaan van den eenen klinker of medeklinker in een anderen Die grammatische figuren bestaan:
a. in het plaatsen van een letter vóór een woerd (prothesis): smoel n. muil-, slinker n. linker; hekel n. akelig-, \ommer uit Fr. Vombre (de schaduw)-, nijver uit \n-ijver.
h. in het plaatsen van een letter achter een woord (par ago ge): iemanA; niemand; te mijnent; te zijnent; van mijnentwege; arend naast aren, aw âvogel (Verg. §333); schoen uit schoe (de n was hier eerst de n van het meervoud); hurchX. n. burg (van bergen, vergel. het lijf hergen}.
245
c. in het inlasschen van een letter middenin een woord (epenthesis): wijien (wijwater)] bevrijien n. vrij (Verg. §324); diender n. dienen-, daalder n. HD. thaler;zwaarder.
d. in het weglaten van een letter vooraan een woord (aphaeresis): 'k voor i/c; 'n voor een; er voor der uit daar.
e. in het weglaten van een letter achteraan een woord (apocope): vergif n. vergift] ik neem, ik /«oor uit ik nemv, ik hoore: krib, hart, haan e. d. voor kribbe, harte, ham.
f. in het weglaten van een letter middenin een woord (syncope): boogaard voor boomgaard] Muiden uit ynnuden â monden = 3do nv. van mond, in de beteekenis van monding (Verg. IJmuiden n. Uselmonde); rijtuig n. rijden; snijboon n. snijden] koomenij uit koopmannij (Verg. bakkerij)] kermis uit kerkmis.
Het uitstooten van den eenen klinker voor een anderen of voor h heet meer bepaaldelijk elisie: binnen uit be-innen] buiten uit be-uiten; thuis uit te /mis; thans uit te hande.
g. in het gelijkworden van den eenen medeklinker aan een anderen (assimilatie): mettertijd uit met der tijd] bulling uit bawling; misschien uit rnagschien (d. i. het kan geschieden)] pollepel uit potlepel.
h. in het samensmelten van verschillende klanken tot één (s y n a 1 o e p h e): dolen uit dwalen; zeide, luide uit zcgede, Icgede] namen uit tsamen voor te samen-, komen uit kyvemen.
i. in het verspringen van een letter, bepaaldelijk van r (metathesis): hamen, barnsteen n. branden-, dertien n. drie â versch n. frisch; vorst n. vriezen; gort n. grut ; nooddruft n. HD. nothdurft] kikvorsch n. HD. frosch. Verspringing van 1 heeft plaats in naald uit nadél.
Aanhangsel.
a. Het gebruik der Hoofdletters.
§ 400. Met een hoofletter worden geschreven:
1. het eerste woord van een zin en gewoonlijk het eerste woord van een versregel.
2. alle eigenn am e n, ook de als soortnamen gebezigde eigennamen: Jan, de Witt, Jan de Wit, Maandag, Juli, een Eembrandt.
246
3. de hoofdwoorden van titels: Weledele Heer! Z. M. de Koning.
4. bij voeg 1. naamw., van eigennamen afgeleid; de Fransche taal.
5. woorden, die een schrijver bijzonder wil doen uitkomen, benevens woorden, die op de Godheid betrekking hebben: Daar is een Christuskerk, niet in de gunst des Tijds, maar in haar Heiland sterk, (da Costa). God verlaat de Zijnen niet.
h. Het gebruik van het koppelteeken.
§ 401. Het koppelteeken wordt gebruikt;
1. in samenstellingen, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde b ij v o e g 1. n a a m w. voorkomen; Deli-tabak, Pruisisch-zuur.
2. tusschen twee adjectieven, beide van eigennamen uit de aardrijkskunde gevormd: de Fransch-Duitsche oorlog.
3. in a a r d r ij k s k u n d i g e namen, bestaande uit een eigennaam en een bijvoegl. naamw. of b ij w o o r d: Engelsch-Indië, Voor-Indië, Noord-zee, Oost-Zaan.
Worden van zulke samenstellingen adjectieven op sch gevormd, dan behoeft het koppelteeken niet gebruikt te worden: Noordhollandsch vee; Noordbrabantsch.
4. tusschen de deelen van titels, wanneer zij beide of een van beide bastaardwoorden zijn: vice-president; raadpensionaris ; kapitein-kwartiermeester.
5. in samenstellingen, waarvan het eerste lid alleen betrekking heeft op het eerste deel van het tweede lid en niet op dat geheele tweede lid: oude-mannenhuis; 's-Gravenhage; klem-kind ar schooltje; S1 -Nicolaasfeest; 's-Hertogenbosch.
6. bij min-gewone woordverbindingen: in-bedroefd-, ver-aff'e geluiden-, een vergeet-mij-nietje.
c. Het gebruik der leesteekens.
§ 402. De leesteekens geven te kennen, dat men bij het lezen een korter of langer tijd moet wachten; terwijl zij tevens de opvatting van het geschrevene vergemakkelijken. Vandaardat zij zoowel zin- als rustteekens zijn; met uitzondering echter van de aan halings te ekens en de haakjes, die alleen zin-te ekens zijn.
247
§ 403. A. Men gebruikt een punt, om een vrij lange rust te kennen te geven. Meer bepaaldelijk gebruikt men haar:
1. achter een zin, die geen uitroep of vraag bevat.
2. achter opschriften: Ivameis te huur.
3. achter verkortingen: Z. M.; Z. Exc.
B. een komma geeft een kortere rust te kennen. Men gebruikt haar;
1. in den enkelvoudigen zin tusschen de deelen van een veelvoudig zinsdeel, die niet verbonden zijn door en of of: Zijt gij wel eens in Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage geweeste
2. voor en achter bij stellingen of den naam van den aangesproken persoon: Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, heeft een half millioen inwoners. Karei, maak je werk af!
3. tusschen twee nevengeschikte zinnen, als de deelen door een voegwoord zijn verbonden. Is dit voegw. en of of, dan laat men de komma gewoonlijk weg: Ik blijf thuis, want ik ben ziek. Hij gaat naar Haarlem en ik naar Utrecht.
4. Tusschen twee zinnen, die onderschikkend verbonden zijn: Omdat ik ziek ben, blijf ik thuis.
5. in den enkelvoudigen zin, om een zinsdeel goed te laten uitkomen: hij liep, met zijn handen in de zakken, rustig voort.
C. een puntkomma geeft een vrij lange rust te kennen. Ze wordt gebruikt:
1. als een zin uit is; maar de volgende zin met den voorgaanden in nauw verband staat: weet, wat gij zegt-, denk, eer gij schrijfc of dicht, (de Génestet.)
2. tusschen twee nevengeschikte zinnen, die door een voegwoordelijk bijwoord zijn verbonden: ik beschouwde hem als mijn besten vriend-, toch heeft hij mij verraden.
3. daar een puntkomma een vrij lange rust te kennen geeft, gebruikt men haar ook voor en en of, indien men voor deze voegwoorden vrij lang moet rusten: hij zeide, dat hij nooit meer hij mij zou komen ; en ik hoop maar, dat hij het ook nooit meer doet.
4. tusschen zinnen, die onderschikkend verbonden zijnen waarin reeds vele komma's voorkomen: Wat mij betreft, ik hen Hollander van ouder tot ouder, maar ik heb bij andere onpatriottische ondeugden, een recht onhollandscJi ongeduld-, schoon ik mij-zelven het recht moet doen te verklaren, dat er niemand zijn kan, die met meer kalmte dan ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt uit de war maken. (Hildebrand.)
D. de dubbele punt wordt gebruikt als hetgeen volgt, dient
248
ter verklaring van het voorafgaande of vooreen opsomming.
Hij is volstrekt niet van voorname afkomst: zijn vader xoas een eenvoudige kruidenier. Die jongen verzamelt alle mogelijke dingen: schelpen, postzegels, knoopen, enz.
E. een vraagteeken staat na een vraag: Heht gij het nieuwe stuk van Sardou al gezien?
Ook geeft het te kennen, dat men omtrent iets in het onzekere verkeert: Wij ontvingen een telegram, vermeldende, dat de Engelsche (?) driemaster Baaru met man en muis vergaan is.
F. een uitroepteeken staat na datgene, wat als een uitroep gelezen moet worden: Brand! Brand! â Hoezee! â Leoe de Koning!
G-. het beletselteeken wordt gebruikt, om te kennen te geven, dat iemand om eene of andere reden den zin niet verder wil of kan voltooien. Stervend ivilde hij zijn geheim nog hekend
maken: âDe schat ligt hegraven in een diepe grot op het.....quot;
Voor hij den zin kon voltooien, was hij echter een lijk.
H. de gedachtestreep wijst op iets, wat wij niet verwacht hadden: De koning van 'Kokanje hield veel van zijn volk en nog meer van â champagne, (naar De Génestet).
I. de aanhalingsteekens dienen, om te kennen te geven, dat men iemands woorden letterlijk aanhaalt.
J. de haakjes dienen, om een tusschengeschoven zin of zinsdeel van het overige af te scheiden. Soms worden hiertoe een paar streepjes gebezigd. Ik heh dien man (het zal nu ongeveer twee jaar geleden zijn) het laatst in New-York gezien. Daar leefde â het sprookje schijnt waar op mijn eer â een moedige, goedige koning tceleer. (De G.)
AANTEEKENINGEN.
Aanteekening I (bij § 3).
Vulgens Den Hertog is een zin een persoonsvorm van een werkwoord, al of niet vergezeld van andere woorden, waardoor eene mededeel!ng, cene vraag of een gebod wordt uitgedrukt.
Deze definitie is m. i. niet goed.
In de eerste plaats zijn er tal van zinnen, wier inhoud men moeilijk als een mededeeling, een vraag of een gebod kan kenschetsen; dergelijke zinnen zijn b.v. die, welke een verzuchting, eenwensch of een aanmaning uitdrukken.
Maar in Den Hertog's definitie schuilt nog een veel grooter fout.
Om goed te kunnen begrijpen, wat eeu persoonsvorm is, dient iemand namelijk te weten, wat men in de taalkunde onder personen, getallen, tijden, wijzen der werkwoorden verstaat, altemaal begrippen, die eerst in den loop eener grammatica geleidelijk aangebracht worden. Om iemand echter voorloopig althans eenig denkbeeld te geven van hetgeen men onder een persoonsvorm verstaat, moet men minstens zeggen, dat het overblijfselen van vormen zijn, die oudtijds te kennen gaven, of het onderwerp van den zin eerste, tweede of derde persoon enkel- of meervoud was (Verg. | 269). Het woord persoonsvorm kan dus niet omschreven worden, voor het begrip onderwerp gedefiniëerd is en dit begrip kan al weer nietomaobreven worden, voor bekend is, wat een zin is.
Den Hertog maakt derhalve in zijn bepaling van zin gebruik van een woord (t. w. het woord persoonsvorm), dat niet gebezigd mag worden, voor al omschreven is, wat eigenlijk een zin is. Op dien grond mist Den Hertog's definitie alle wetenschappelijke waarde.
'tls anders wel jammer, dat die definitie in een wetenschappelijk stelsel onbruikbaar is. Zij toch wijst op het werkwoord, op den
250
persoonsvorm en diensvolgens op het gezegde als op liet hoofd-bestanddeel, de kern van den zin; zij doet den leerlingen bovendien een gemakkelijk middel aan de hand, om het gezegde van den zin te onderscheiden en als zij eenmaal maar weten, wat het gezegde van een zin is, vinden zij de overige deelen daarvan zonder veel moeite. Ik heb de stof in dit eerste boek dan ook zoo trachten te rangschikken, dat ik bij de omschrijving var. het begrip gezegde gebruik kon maken van het woord persoonsvorm.
Aanteekening II (bij § 12).
Velen meeneu, dat het belanghebbend voorwerp de zelfstandigheid beteekent, die als belanghebbende bij de werking van het gezegde betrokken is; die daar voor- of nadeel van heeft. (Zie b.v. Terwey, 9de druk § 11 en 191). En inderdaad is dit voorwerp in zeer veel zinnen de naam of de aanduiding van de zelfstandigheid, die voor- of nadeel van de werking van het gezegde heeft. Zoo b.v.in: ik geef u een gulden; men heeft hem een portefeuille met geld ontstolen. Maar aan den anderen kant zijn er toch ook verscheidene zinnen, waarin het zoogenoemde belanghebbend voorwerp volstrekt geen voor- of nadeel van die werking heeft, tenzij men aan de woorden v o o r- of nadeel een beteekenis opdringt, die zij in onze taal niet hebben. Zoo b.v. in do zinnen: ik klaag mijn vriend mijn nood; gij benijdt dien man deze mooie hetrekking. Heeft mijn vriend er nu werkelijk voor- of nadeel van, dat iK hem mijn nood klaag; heeft die man er nu inderdaad voor- of nadeel van, dat gij hem die betrekking benijdt? Mijn vriend hoort met leedwezen mijn klacht aan; die man bezit een mooie betrekking en vindt het wellicht onaangenaam, dat hij er om benijd wordt; 't zijn zelfhandelende voorwerpen; voorwerpen, die in verband met de werking van het gezegde iets doen; maar belanghebbende voorwerpen zijn het in dit geval niet.
Op voorbeeld van Den Hertog is het in den laatsten tijd gewoonte geworden, deze voorwerpen meewerkende voorwerpen te noemen.
Meewerkende voorwerpen; maar waaraan werken zij dan mee? Naar de verklaring van Den Hertog: aan de werking van bet gezegde. Zelf zegt hij het ergens: het onderwerp verricht een werking en het meewerkend voorwerp werkt door een eigen handeling daaraan mede. Ik geloof duidelijk te kunnen maken, dat bet zoogenoemde meewerkend voorwerp nooit aan de werking van het gezegde meewerkt, tenzij men alweer aan het woord meewerken een beteekenis opdringt, die het in onze taal niet heeft.
Meewerken aan eene handeling wil in het algemeen zeggen: het een of ander doen, waardoor het welslagen van die handeling bevorderd kan worden. Wanneer b.v. een dief ergens aan het inbreken is, dan
251
werkt zijn kameraad, die op den uitkijk staat, aan die inbraak mede en de rechter zal hem â en terecht â wegens medeplichtigheid aan den diefstal vervolgen. Werkte nu in den zin: de dief ontrukte den heer zijn gouden horloge, de heer aan het ontrukken van zijn eigen horloge mede; bevorderde hij het welslagen van die werking? li: geloof het niet. Mijns inziens deed de heer juist zijn uiterste best, om het ontrukken t3 verhinderen; met beide handen hield hij zijn horloge vast, totdat hij het eindelijk, zeer tegen zijn zin, moest loslaten. In genoemden zin was er maar één, die de werking ontrukken verrichtte en dat was de dief, het onderwerp van den zin; de heer deed zelt ook wel wat: hij hield het horloge vast, maar meewerken aan het ontrukken deed hij niet; de heer was een zelf handelend voorwerp, geen meewerkend.
Meer in het bijzonder wil meewerken aan een werking zeggen; een deel â en wel een ondergeschikt deel â van het werk verrichten. Wanneer een boekhandelaar zijn klant een pak boeken zendt, dan werkt zijn bediende, die het adres op het pakje schrijft, aan de werking zenden mede. Maar in den zin: de boekhandelaar zond zijn klant een pak hoeken, werkte die klant aan het verzenden van het boek in het allerminst niet mede. 't Is waar: hij had die boeken besteld of zou ze ter inzage ontvangen; maar het verzenden zelf' geschiedde door den boekhandelaar of zijn bediende. In genoemden zin verrichtte de boekhandelaar alleen (als het onderwerp) de werking zenden-, zijn klant had een werking verricht of zou er een verrichten, die met de werking van het gezegde in eenigerlei verband staat: 't is ongetwijfeld een zelfhandelend voorwerp; maar een meewerkend voorwerp is't niet.
Zooeven hebben wij gezien, dat de naam belanghebbend voorwerp op een kenmerk zoo niet van alle, dan toch van vele van die voorwerpen wijst; meewerken aan de handeling van het gezegde doen die voorwerpen nooit en kunnen zij ook niet doen, omdat het juist tot de taak van het onderwerp behoort, om de zelfstandigheid te benoemen of aan te duiden, die de werking van het gezegde verricht. En wanneer niet één zelfstandigheid die werking verricht, maar verscheidene, dan wordt het onderwerp meervoudig of veelvoudig. In: de haas en zijn knecht schilderen het huis helpt de knecht aan het schilderen mede; maar nu wordt de ook dadelijk
een deel van het onderwerp. De beste naam, die mij voor deze soort voorwerpen bekend is, is die van zelfhandelend voorwerp. Het 1 ij d e n d voorwerp staat tegenover de werking van het gezegde als een zelfstandigheid, die lijdelijk â als ware 't een levenloos iets â de werking ondergaat (de gulden wordt gegeven-, de appel wordt gegeten); maar het zelfhandelend voorwerp staat tegenover de handeling van het gezegde als een wezen, dat ook wat doet; het neemt den gulden aan; het zal den brief lezen; hec hoort mijn klacht aan en neemt deel in mijn droefenis.
252
Aanteekening III (bij § 16).
Tot staving vau onze bewering, dat alle voorwerpen althans op dit oogenblik geen noodzakelijke aanvullingen bij het gezegde meer zijn, moge het volgende dienen.
De werking teekenen kan in werkelijkheid niet plaats hebben zonder een persoon, die teekent; zonder een teekenpen, waarmee; een stuk papier, waarop wij (eekenen; zonder een teekening, die het voortbrengsel der werking is. In: Met een nieuwe pen teekent Hendrik op bruin papier een fraaie teelcenimj, zijn een teekenpen, het bruine papier, een teekening in de werkelijkheid dan ook alle even noodzakelijk bij de werking teekenen betrokken. Maar langzamerhand hebben wij ons die werking teekenen leeren voorstellen zonder tevens te denken aan de pen, waarmee; of het papier, waarop wij teekenen. Eu toen konden wij zeggen: Hendrik teekent een fraaie teekening. Nog later konden wij ons het teekeuen denken, zonder in de voorstelling te betrekken de teekening, die het voortbrengsel der werking is; en toen konden wij zeggen: Hendrik teekent. Ja, eindelijk konden wij ons zelfs het teekenen voorstellen zonder aan een persoon te denken, die teekent; en toen konden wij zeggen: Hendrik houdt op met teekenen. Toen wij zoo ver gevorderd waren, hadden wij het begrip teekenen in zijn volle zuiverheid leeren vormen; wij hadden ons toen dat teekenen leeren denken , losgemaakt van allerlei omstandigheden, die er in de werkelijkheid noodzakelijk bij betrokken zijn. Maar toen was ook in: Hendrik maakt een fraaie teekening, een fraaie teekening geen noodzakelijke aanvulling bij de werking van het gezegde meer en was Hendrik teekent een volledige mededeeling. Immers, wij hadden langzamerhand geleerd, te denken aan â en derhalve ook te spreken over â de werking teekenen, zonder tevens te denken aan â en dus ook te spreken over â het voorwerp van die werking teekenen, ofschoon dat voorwerp er in werkelijkheid noodzakelijk bij betrokken is.
Zoo kan de werking lezen in werkelijkheid niet plaatsgrijpen zonder een persoon, die leest; of een boek of iets dergelijks, dat gelezen wordt. Maar langzamerhand hebben wij, na veelvuldige waarneming van lezende personen, ons dat lezen leeren denken, losgemaakt van allerlei omstandigheden, die er in werkelijkheid alweer noodzakelijk bij betrokken zijn. Toen wij zoo ver gevorderd waren, dat wij b.v. konden zeggen: ik houd niet van lezen, toen hadden wij het werkwoordelijk bejrip lezen in zijn volle zuiverheid leeren vormen Maar toen was ook in; Jan leest een hoek, een boek geen noodzakelijke aanvulling bij de werking van het gezegde meer; en was Jan leest een volledige mededeeling, die niet de minste aanvulling meer behoefde. Immers, wij konden nu spreken over de werking lezen, zonderdat wij tevens behoefden te spreken over het voorwerp van die werking, ofschoon dat voorwerp er in werkelijkheid noodzakelijk bij betrokken is.
253
Niet alle werkwoordelijke begrippen hebben wij echter reeds zoo zuiver loeren vormen. In: ik begrijj) die zaak, ik beloof hem een gulden, (jij hoort mijn verzoek aan, gisteren overkwam hem een ongeval, zijn gedrag mishaagde mij, de vijand is de stad meester, gedenk te sterven, aijn de lijdende, belanghebbende of oorzakelijke voorwerpen werkelijk nog noodzakelijke aanvullingen bij de werkingen van het gezegde. Wij kunnen immers niet zeggen: ik begrijp, ik geloof, gij hoort aan, enz. Klaarblijkelijk kunnen wij ons die werkiugen begrijpen, beloven, acn-hooren, nog niet voorstellen, zonder tevens te moeten denken aan allerlei omstandigheden, die er trouwens dan ook in werkelijkheid noodzakelijk bij betrokken zijn. Wij mogen aannemen, dat in vroegere tijden, toen de menschen in het vormen van begrippen nog niet zoo ver gevorderd waren als wij, het aantal werkwoorden, waarbij de voorwerpen noodzakelijke aanvullingen waren, veel grooter was, dan nu; gelijk wij aan den anderen kant mogen veronderstellen, dat dit aantal in de toekomst voortdurend kleiner zal worden. En inderdaad â in volkomen overeenstemming met deze verwachting en betrekkelijkerwijze dus ook als een bevestiging van onze theorie omtrent de voorwerpen â vinden wij b.v. in Majesteit van Louis Couperus reeds een groot aantal werkwoord-n zonder voorwerp gebruikt, waarbij de overgroote meerderheid van het Nederlandscbe volk het voorwerp nog niet kan weglaten. Zoo lezen wij in genoemd werk: Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen. De prins is nog jong; hij wil weten en zien. Be hertogin had eerst niet willen gelooven. Een jong mensch vergeel gemakkelijk.
Nu is het wel waar, dat bijwoordel. bepalingen van plaats, tijd, maat e. a. soms ook noodzakelijke aanvullingen bij de werking van het gezegde zijn. Maar voorzoover ik kan nagaan, gebeurt dit echter niet dikwijls; en zoo zal het vroeger ook wel geweest zijn. Wij mogen derhalve wel aannemen, dat in vroeger tijden de voorwerpen in tegenstelling met de over-, overgroote meerderheid der andere bijwoordelijke bepalingen noodzakelijke aanvullingen bij de werkingen van het gezegde waren; maar â hoe dit zij â: dit kenmerk is nu in elk geval vervallen. Te beweren, dat de voorwerpen nu nog aan dit kenmerk voldoen, dat is loochenen, dat wij in den loop der tijden met reuzenschreden vooruit zijn gegaan in de kunst om zuivere begrippen te vormen, ook van werkingen.
Juist omdat het gemeenschappelijk kenmerk der drie groepen van voorwerpen is vervallen, daarom onderscheiden sommige taalgeleerden tegenwoordig slechts één soort van voorwerpen; t, w. het lijdend voorwerp. (Zie b.v. de Ned. Spraakkunst van dr. J. te Winkel; en de Beknopte Nederl. Spraakleer van C. G. Kaakebeen). De belanghebbende voorw. worden in hun stelsel dan de zoogenaamde datiefbepalingen; terwijl de oorzakelijke voorwerpen over verschillende soorten van bepalingen verstrooid worden. En werkelijk, er is voor eene dergelijke wijze van doen veel te zeggen. Neem b.v. de oorzakelijke
254
voorwerpen. In 'ï 14 hebben wij gezien, dat vele dezer voorwerpen niet meer de aanleiding of oorzaak der werking te kennen geven; ook zijn vele hunner geen voorwerpen meer; wat nnt kan het dan hebben, om nog steeds van oorzakelijke voorwerpen te blijven spreken? Mijns inziens zou het 't beste zijn, een deel dier voorwerpen bij de lijdende voorwerpen en de andere bij verschillende groepen van bijwoordelijke bepalingen in te lijven.
Mocht van deze grammatica mettertijd een herdruk noodig zijn, dan is het niet onmogelijk, dat ik dan ook de zoogenoemde belanghebbende en oorzakelijke voorwerpen niet meer tot de voorwerpen reken. Vooralsnog heb ik mij echter zooveel mogelijk aan de meest gebruikelijke onderscheidingen en de meest gangbare terminologie willen houden, om alzoo gelegenheid te krijgen die onderscheidingen en die terminologie aan een critisch onderzoek te kunnen onderwerpen.
Aanteekening IV (bij § 19).
*
In: Ernstig rees de grijsaard en sprak zijn zegen over het voor hem geknielde paar uit is ernstig ongetwijfeld een bijvoeglijke bepaling; 't geeft de gesteldheid van den grijsaard tijdens het rijzen te kennen. Maar ongetwijfeld heeft het ook eenige bijwoordelijke kracht gekregen, is het iets van het rijzen gaan zeggen; immers, wij denken ons dat opstaan als langzaam, bedaard geschiedende. En geen wonder! De gesteldheid toch van iemand tijdens hij opstaat, is van grooten invloed op de wijze, waarop hij die werking verricht. Iemand, die driftig, bleek van woede is, pleegt anders op te staan dan hij, die bedaard en kalm is. In: Ontsteld zag de predikant den rechtsgeleerde, aan is ontsteld ongetwijfeld een bepaling van gesteldheid bij den predikant; maar even zeker heeft het in hooge mate bijwoordelijke kracht gekregen, is het onwillekeurig ook de werking aanzien gaan bepalen. En geen wonder alweer! Iemand, die ontsteld en ontroerd is, ziet er anders uit dan hij, die kalm en bedaard is.
Welnu, bij wijze van beeldspraak heeft men vaak regelrecht aan een werking een hoedanigheid toegekend, die eigenlijk alleen het deel kan zijn van den persoon, die de werking verricht. In: het meisje lachte zenmvachtig wil men niet zeggen, dat het meisje zenuwachtig is, maar dat het lachen op een eigenaardige wijze geschiedt en wel op de wijze van iemand, die zenuwachtig is; zenuwachtig is in dezen zin een bijwoord en geen bijv. naamwoord. In; de varkens knorden lui wil men niet zeggen, dat de varkens lui zijn, maar dat het knorren op een eigenaardige wijze geschiedt en wel op de wijze van varkens, die lui zijn; lui is hier een bijwoord en geen bijvoeglijk naamw. Verg. verder: hij lachte valsch; statig schreed de dame over de straat; somber blikte hij rond; hij zag zijn zoon droevig aan.
255
Vooral sommige woorden, die vroeger de gesteldheid van een zelfstandigheid ten gevolge van de werking te kennen gaven, hebben langzamerhand zooveel bijwoordelijke kracht gekregen, zijn in zoo nauwe betrekking tot de werking getreden, dat zij voor ona taalgevoel met het werkw. een soort van samenstelling zijn gaan vormen. In vroeger tijd moest men bijv. den zin: ik maakte de schuit vast aldus ontleden: ik, onderw.; maakte, gez.; de. schuit, lijd. voorw.; vast, bep. van gesteldheid bij de schuit. Maar â zoo redeneerde men â als ten gevolge van mijn maken de schuit vast en niet los of stuk was, dan moest dat maken ook een eigenaardig maken geweest zijn en zoo trad het woord vast in nauwere aanraking tot de werking maken, en wel in die mate, dat vastmaken de benaming van évn begrip, van één werking geworden is; voor ons is vast in genoemden zin geen bep. van gesteldh. bij schuit meer, maar heeft het met het werkwoordelijk begrip viaken een innige verbinding aangegaan; voor ons is vastmaken een samengesteld woord. Zoo was in vroeger tijd in: ik sloeg den man dood, dood ongetwijfeld een bep. van gesteldheid bij den man; nu is doodslaan voor ons alweer de benaming van één nieuw begrip, nu is 't een samenstelling geworden. Zoo zijn ook: losmaken, losrafelen, pal staan, zich schrap zetten, diets maken, kond doen, gladstrijken, enz. voor ons samengest. werkwoorden. Een ontwikkelde jongen ontleedt den zin: ik maak de schuil los aldus: ik, onderw.; maak los, gez.; de schuit, lijd. voorw. En terecht! Voor hem ia losmaken één begrip. En wie zulk een jongen dwingt â wat velen nog doen â een dergelijken zin te ontleden, zooals onze voorouders dat deden en moesten doen, verfijnt diens taalgevoel door zulk onderwijs niet, maar verkracht en verstompt het.
Aanteekening V (bij § 115).
De Voornaamste ISeteekenisscu van het voegwoord of.
(naar het Woordenboek der Nederl. Taal.)
Er is twe-aërlei voegwoord of: het onderschikkend en het nevenschikkend, die in oorsprong en beteekenis ten zeerste verschillen. Daar het onderschikkende voegwoord of in menig opzicht merkwaardiger is, dan het nevenschikkende, zullen wij het eerste uitvoeriger behandelen dan het laatste.
A. Het onderschikkende voegwoord of.
Dit voegwoord luidde oudtijds iba en was oorspronkelijk een zelfst. naamw., dat twijfel, onzekerheid beteekende. Vandaardat het bij uitnemendheid geschikt was, om als voorwaardelijk voegw. dienst te doen; en als zoodanig kwam het dan ook b.v. in de middel-
eeuwen veelvuldig voor. Zoo zegt in het welbekende dierenepos Van den vos Reinaerde, Tibert de kater tot Heintje den vos: Wal souden wi eten, Rcinaert, oft (â indien) ie bleve?
Tegenwoordig is of ala voorwaardelijk voegw. vrijwel verouderd. (Zie | 84).
De gevallen, waarin of tegenwoordig gebruikt wordt, kunnen tot drie groepen teruggebracht worden.
Eerste groep. Daartoe rekenen wij die gevallen, waarin of nog indien beteekent, of een beteekenis heeft, nauw aan die van indien grenzende. Als zoodanig komt het voor:
a. als voorwaardelijk voegwoord: Of ge potlood en papier ter hand hadt, ik schetste u, hoe Jan uit vrijen ging. (P.)
b. als toegevend voegw. (Verg. vooral jJ 11 ó): Of gij al roept, het geeft u niet.
c. in vergelijkende bijzinnen: Hij groet mij, of wij elkaar jaren gekend hebben. Dit of is een afkorting van alsof. (Verg. vooral ^ 252 f.).
d. in wenschende zinnen: Och, of hij het niet gedaan hadde! Of hij zijn dwaling toch inzage.' Dit zijn elliptische zinnen, waarvan de hoofdzin weggelaten is. De laatste zin, volledig gemaakt, zou b.v. hebben kunnen luiden: Hoe gelukkig zou het zijn, of (=: indien) hij zijn dwaling inzage.
Tweede groep. Daartoe brengen wij die gevallen, waarin of als grammatisch verbindend voegwoord dienst doet. (Verg. ^211). Het staat dan aan het hoofd van een zin met t wij felachtigen, onzekeren inhoud. Wanneer men zich herinnert, dat of oorspr. een substantief was, twijfel, onzekerheid beteekende, dan begrijpt men, hoe geschikt het was om een zin met dergelijkon inhoud in te leiden. Als grammatisch verbindend voegw. komt het voor:
a. in lijdende voorwerpszinnen: Ik weet niet, of hij komt.
b. in oorzakelijke voorwerpszinnen: Hij twijfelde er aan, of hij wel goed. gehandeld had.
c. in onderwerpszinnen: Het is twijfelachtig, of hij wel de dader is.
d. in gezegdezinnen: De vraag is, of hij eens komt.
e. in bij voegl. afh. zinnen: De tivijfel, of hij wel goed gehandeld had, drukte hem vaak ierneer.
f. in elliptische zinnen: Of de school al begonnen zou zijn? Of hij nog leeft? Deze zinnen beteekenen: ik zou wel eens willen tveten, of de school al bigonnen zou zijn; of hij nog leeft.
Derde groep. Hiertoe brengen wij die gevallen, waarin of aan het hoofd staat van een bijzin, met ontkennende beteekenis; terwijl de hoofdzin mede ontkennend is. Als zoodanig komt het voor:
a. in bij voegl. afhankel. zinnen; Er was niemand, of hij was blijde. Zulk een zin luidde oorspronkelijk: er was niemand, hi en ware blijde. In dezen samen gestelden zin was hi en ware blijde een voor-
257
w a a r cl e 1 ij k e bij zin, die den v o r m van een hoofdzin had; het verband tusschen hoofd- en bijzin werd niet door eenig voegwoord uitgedrukt, maar kon eenigszins blijken uit de omstandigheid, dat het werkw. van den bijzin in de aanvoegende wijs stond. (Verg. | 81). In den zin: er /ras niemand, hi en ware blijde voegde men later duidelijkheidshalve het voorwaardelijk voegw. of in, maar uit gewoonte bleef de bijzin den vorm van den hoofdzin behouden. (Verg. ? 41), De zin werd dus: er was niemand, of hi en ware blijde. Nog later â in de dagen van Hooft â viel uit dergelijke constructies het ontkennende partikel en weg. Toen werd de zin, zooals hij tegenwoordig luidt: er was niemand, of hij was blijde. Zulk een zin beteekende dus oorspr.: ah hij niet blij was, dan was die iemand er ook niet; of anders: daar ivas iemand niet, als hij niet blij was.
b. in gevolgaanduidende bijzinnen: hij was zoo dom niet, of hij wist dat wel. Zulk een zin luidde eerst weer: hij was zoo dom niet, hij en wiste dat wel. Later werd hij : hij was zoo dom niet, of hij en wiste dat wel; ten slotte: hij iras zoo dom niet, of hij wist dat wel. Zulk een zin beteekende dus oorspronkelijk: als hij dat niet wist, dan kwam dat niet uit domheid voort; het was dus opzet.
c. in onderwerpszinnen: Het scheelde niet veel, of hij was gevallen. Zulk een zin luidde eerst weer: het scheelde, niet veel, hij en ware gevallen. Later werd hij; het scheelde niet veel, of hij en ivare gevallen; ten slotte: hel scheelde niet veel, of hij was gevallen. Zulk een zin beteekende dus oorspronkelijk: ah hij niet gevallen is, dan scheelde het toch in elk geval niet veel.
d. in tijdbepalende bijzinnen:' Nauwelijks was hij binnen, of hij ging zitten. Zulk een zin luidde eerst: nauwelijks was hij binnen, hij en ginge zitten. Later werd hij: nauwelijks was hij binnen, of hij en ginge zitten; ten slotte: nauwelijks was hij binnen, of hij ging zitten. Zulk een zin beteekende dus oorspronkelijk: als hij niet ging zitten, dan was hel, toen hij nog nauwelijks binnen ivas.
e. in beperkende bijzinnen: Hij gaat nooit uit, of hij heeft zijn hondje hij zich. Zulk een zin beteekende dus eerst weer: hij gaal nooit uit, als hij zijn hondje niet bij zich heeft.
B. Het nevenschikkend voegwooed of.
Dit is â gelijk reeds gezegd is â van geheel anderen oorsprong en geheel andere beteekenis, dan het onderschikkende voegwoord of. Daar die oorspronkelijke vorm echter zeer weinig de tegenwoordige beteekenis van het voegwoord opheldert, laten wij dien hier rusten. Tegenwoordig heeft of als nevenschikkend voegwoord:
17
258
a. eeu tegenstellende beteekenis: Jan of Piet, zwart of wit.
b. eeu gelijkstellende beteekenis: de zebra of Kaapsclie ezel, de condor of grijpvogel. De tegenstelling schijnt hier te bestaan in den anderen naam, dien men aan eene zelfde zaak geeft.
Aanteekening VI (bij § 130).
Dat er over zooveel werkingen, hoedanigheden en betrekkingen als over stoffeiijke zelfstandigheden gesproken wordt, of m. a. w. dat er zooveel abstracte substantieven zijn, spruit m. i. voort:
a. uit de levendige phantasie en de weinige natuurkennis van ons voorgeslacht. In de Zend-Avesta wordt b.v. gesproken van zekeren roemruchtigen koning van Bactrië, Jima, âden heer der volkeren, den roemrijkste van allen, die de zon ooit aanschouwd hebben.quot; In een van de aanroepingen van de Zend-Avesta heet het verder van dezen Jima dat de stralende glans van zijn majesteit in de gestalte van den vogel Varaghna van hem wegvloog, toen hij begonnen was, leugentaal te spreken. Jima viel toen verschrikt ter aarde en Mithra greep de majesteit. â Welnu, de schrijver van deze aanroeping sprak over de koninklijke hoedanigheden van Jima, alsof ze een schitterende vogel waren, die van hem weg kon vliegen en door een ander gegrepen kon worden. Maar hij stelde die majesteit niet met volkomen zelfbewustzijn voor als een vogel, neen, hij meende veelmeer, dat ze inderdaad een vogel was; hij kon zelfs den naam van dien vogel noemen: 't was de vogel Varaghna en Mithra kon die majesteit, dien vogel, grijpen, waarmee de schrijver zeker te kennen wilde geven, dat Mithra Jima de koninklijke waardigheid ontnam, omdat deze gelogen had. â Zoo meenden de oude volken in goeden gemoede, dat allerlei krachten der natuur wezens waren; wezens, die zij als goden vereerden en dienden. Ook zij stelden die krachten niet zoozeer als wezens voor, neen, ook zij dachten veelmeer, dat die krachten werkelijk wezens waren.
In hetzelfde geval verkeeren nu nog sommige letterkundige kunstenaars, die met een levendige phantasie bedeeld zijn. Wanneer zij over een abstractie spreken als over een stoffelijke zelfstandigheid, dan stellen ook zij die abstractie niet tegen beter weten in â om eens een rethorische versiering aan te brengen â als iets stoflélijks voor; neen, dan is die abstractie op het oogenblik, dat zij schrijven, voor hen werkelijk iets stoflélijks geworden. In Frans Netscher's âEen Incidentquot; (Nieuwe Gids; 2lt;ie Jaargang) lezen wij b.v.: Een walging, die den lust tot alles ontneemt, spreidde zich dikker en dikker over ham gedachten uit.quot; Men kan er zeker van zijn, dat op het oogenblik, waarop Netscher dezen zin neerschreef, die walging inderdaad voor
hem eten vorm van een of andere vieze, drabbige, drassige massa had aangenomen; een massa, die zich over iets kon uitspreiden en dat met al haar walgelijkheid kou omhulleu; het onzinnelijke bad voor hem de gedaante van iets zichtbaars, iets voel- en tastbaars aangenomen; de abstractie was voor hem een oogenblik werkelijk stof geworden. Mbg enkele sprekende voorbeelden uit hetzelfde fraai gestileerde stuk: Er hing in de slaapkamer een warme, intieme rust; de mollige, dikke stilte van zachte tapijten, sivare gordijnen en hooge zolderingen. â Maar zij plukte en pluisde tevergeefs aan haar vroeger leven; het was haar onmogelijk zich zelve een bepaald verwijt te doen. â Hd vertrek was vol van een deftige, mollige gezelligheid.
h. uit de neiging der menschen, om allerlei hoedanigheden en werkingen te personificiëeren; d. i. die als personen voor te stellen: eendracht, trouw, fortuin, onnoozelheid, ovenuinning, eenvoud, haat, euz., enz. Meestal berustte zulk een personificatie op een of anderen grond. Zoo stelde men b.v. de hoedanigheid eenvoudig als een vrouw voor (de Eenvoudigheid), omdat dit zulk een echt vrouwelijke eigenschap is. Vele van deze abstracties werden â vooral door de Romeinen â als godheden vereerd, waaruit volgt, dat men ze ten deele ook als werkelijk bestaande wezens beschouwde. In de meeste gevallen zal men die hoedanigheden en werkingen echter wel met zelfbewustzijn als stoffelijke zelfstandigheden, als wezens, voorgesteld hebben, overtuigd, dat zij inderdaad niet bestonden.
c. uit de onweerstaanbare macht van het voorbeeld. Naar analogie toch van deze voorbeelden ging men over een zeer groot aantal hoedanigheden en werkingen spreken, alsof 't stoffelijke zelfstandigheden waren en zoo werd het langzamerhand een soort van gewoonte, van sleur, om allerlei hoedanigheden en werkingen als stolfelijke zelfstandigheden voor te stellen.
Wij zijn er dan ook zoo aan gewend geraakt, hoedanigheden en werkingen als zelfstandigheden voorgesteld te zien, dat het ons in sommige gevallen bepaald moeilijk valt, te begrijpen, dat wij niet met een stoffelijke zelfstandigheid, maar met een kenmerk of werking van zulk een zelfstandigheid te doen hebben. Neem b.v. het woord schaduw. Ik herinner mij nog levendig, dat ik eens als jong onderwijzer niet durfde beslissen, of dit woord een abstract, dan wel een concreet zelfst. naamw. is. Volgens het voorgaande houd ik schaduw nu zeer beslist voor een abstract zelfstandig naamwoord; immers, 't is denaam van een zelfstandigheid, die niet uit stof bestaat. Maar hoe zijn wij aan het begrip schaduw gekomen? Soms is een lichaam donker, niet verlicht, doordien een ander lichaam, tusschen het eerste en een lichtbron geplaatst, hot licht onderschept. Dat niet-verlicht-zijn, die hoedanigheid donker, vatte men op als een ding op zich-zelf en dat ding noemde men een schaduw. Aan die schaduw kende men nu weer hoedanigheden toe, die eigenlijk alleen het deel kunnen zijn van
260
stoffelijke zelfstandigheden. Zoo zeggen wij b.v.: dc kerk wierp op dat plein een lange, breede schaduw; overal hadden sich breede stukken zwarte schaduw neergelegd. Door een dergelijke wijze van spreken kregen wij al meer en meer den indruk, dat een schaduw zelf iets stoffelijks is; een voorstelling â en dit is het geval bij tal van abstracte substantieven â waaraan wij ons nu ternauwernood meer kunnen ontworstelen.
't Is een bij uitstek nuttige oefening, na te gaan, wat er in den menschelijken geest is omgegaan, toen hij sommige abstracte zelfstandigheden â als doel, middel, tijd, enz. â vormde.
INHOUD.
Voorbericht.
Inleiding.
EERSTE BOEK.
Dc Leer can den Zin.
Bladz.
I. Definities van woord en zin.............1
II. De Hoofdbestanddeelen van den enkelv. zin.......3
A. De Voorwerpen...............ö
B. De Bijvoeglijke Bepalingen...........ll)
G. De Bijwoordelijke Bepalingen..........18
D. Onderwerp en Gezegde............-0
III. Bevestigende, vragende, ontkennende en elliptisclie zinnen . 27
IV. De samengestelde volzin..............29
a. Onderschikkend en Nevenschikkend Zinsverband . . 29
h. De Nevenschikkende Zinsverbinding.......33
c.. De Ondergeschikte Zinsverbinding........36
1. Onderwerps-, Gezegde-, Voorwerpszinnen.....37
2. Bijvoeglijke Zinnen............40
3. Bijwoordelijke Zinnen............44
Sa. Bijw. bijzinnen van plaats.........45
'Sb. Bijw. bijzinnen van tijd..........45
Sc. Iledengevende bijzinnen..........47
3d. Voorwaardelijke bijzinnen.........49
3c. Toegevende bijzinnen...........51
of. Bijzinnen van middel...........54
Sg. Gevolgaanduidende bijzinnen........54
oh. Doelaanwijzende bijzinnen..........55
3i. Vergelijkende bijzinnen..........55
Sj. Zinnen van hoedanigheid, graad of hoeveelheid 5G
3k. Bijzinnen van beperking..........57
3/. Verhoudingszinnen............58
Sm. Bijzinnen van modaliteit..........58
3gt;i. Bijzinnen van omstandigheid........58
4. Hoe sommige voegwoorden aan hun tegenwoordige
kracht zijn gekomen...........59
4a. Hoe de voorwaardelijke voegw. aan hun tegenwoordige kracht zijn gekomen.......(50
Bladz
4ft. Hoe sommige toegevende voegw. aan hun huidige
beteekenis zijn gekomen.........65
4c. De beteekenis van het voegw. opdat.....68
5. Verdeeling der bijwoordel. bijzinnen in enkele
hoofdgroepen ...quot;..........69
6. Elliptische, onvolledige en saamgetrokken zinnen 71
7. Beknopte Zinnen.............72
TWEEDE BOEK.
Do Leer der Woordsoorten.
A. Grondslagen van ons stelsel van indeeling der woorden. Hoofd
zaken uit de leer der woordsoorten
B. Nadere bijzonderheden omtrent de verschillende rededeelen
Zelfstandige naamwoorden Bijvoeglijke naamwoorden
Lidwoorden.......
Deelwoorden.......
Telwoorden.......
Voornaamwoorden ....
1. Persoonlijke voornaamw.
2. Bezittelijke voornaamw7.
8. Aanwijzende voornaamw
4. Bepalingaankondigende
5. Vragende voornaamw. .
6. Betrekkelijke voornaamw
7. Onbepaalde voornaamw.
Werkwoorden......
Bijwoorden.......
Voorzetsels.......
Voegwoorden......
Tusschenwerpsels.....
a.
b.
c.
d.
e. Æâ¢
oorn
k.
DERDE BOEK.
De Beteekenis en het Gebruik der Buigingsoormen.
1. Geslacht....................lli)
2. Naamvallen...................127
3. Getal......................135
Ill Bladz.
4. Trappen vau hoedanigheid of vergelijking........136
5. Wijzen.....................
6. Tijden....................1'-
7. Persoon en Getal.................1''
VIERDE BOEK.
Buigings- cn VerooegingsDormen.
A. Het Zelfstandig Naamwoord........... â 151
1. Het enkelvoud ................1^1
2. Het meervoud................l'j:gt;
B. Het Bijvoeglijk Naamwoord.............154
C. Het Voornaamwoord...............158
1. Het persoonl. voornaamw. ...........158
2. Het bezittelijk voornaamw............161
3. Het aanwijzend voornaamw............162
4. Het vrageud voornaamw.............163
5. Het bepalingaankondigend voornaamw.......168
6. Het betrekkelijk voornaamw...........164
7. Onbepaalde voornaamw.............165
D. Het Telwoord..................165
]â :. Het Lidwoord..................166
F. Het Werkwoord ................168
VIJFDE BOEK.
De W o o r d d o rm i n g.
A. Hoofdzaken uit de leer der Woordvorming.......182
1. Samenstelling en AÃeiding...........182
a. Samenstelling..............182
h. Afleiding................189
2. Eechtstreeksche Afleiding............197
B. Nadere bijzonderheden betreffende de vorming der rededeelen 200
a. de vorming der zelfst. naamw...........200
b. de vorming der bijvoegl. naamw..........-07
c. de vorming der werkwoorden..........-10
d. de vorming der voornaamwoorden........219
e. de vorming der telwoorden...........219
Æ. de vorming van bijwoorden...........220
ff. de vorming van voegwoorden en voorzetsels .... 222
IV
ZESDE BOEK.
K 1 a n h 1 e c r c n Spelling.
Bladz.
A. Klinkers en Medeklinkers..............223
B. De Spelling...................227
a. De spelling van De Vries en ïe Winkel
I. Hoofdregels....................227
II. De regels voor het spellen der klinkers .... 220
III. De regels voor het spellen der medekliukera . . 234
IV. De spelling der bastaardwoorden.......235
b. de zoogenaamde âNieuwe Spellingquot;........236
C. Grammatische figuren...............244
Aanhangsel.
a. het gebruik der hoofdletters...........245
b. het gebruik van het koppelteeken........240
c. het gebruik der leesteekens...........246
Aanteekeningen...................2411
R K GIS T E R.
Bladz.
aimcenschakelend zinsverband..............3c
aanleiding.....................11
aanwijzend voornw. (aard)...............103
(buiging)..............162
aar (als achtervoegsel).................201
aard (als achterv.)..................194
aarts (voor substantieven)...............200
(voor adjectieven)................209
abstracte zelfst. naamw.............80, 89, 91
achtervoegsel....................189
(zelfst. en onzelfst. achterv.).............194
aclitig (achter bijv. naamw.)..............208
ai' (als voorvoegsel)..................200
afhankelijke vragen..................39
alieiding......................189
(rechtstreeksche â)................197
ago (als achtervoegsel).................205
al (in toegevende bijzinnen).............53, 00
allesbehalve (voor beperkende bep.)...........57
als en alsof (hoe aan hun beteekenis gekomen).......60
alsof' (aan het hoofd v. e. vergel. bijzin)....................55
analogie (bij aileidingen)................195
ault;l (als achterv.)..................202
aut (als voorvoegsel).................200
attributief gebr. bijv. naamw...............93
asyndeton......................3ü
baar (als achterv.)..................192
be (voor werkw.)...................216
belanghebbend voorwerp................................8
beknopte zinnen...................72
bepalingen (definitie van â)............................5
bepalingen van oorzaak................12
bepalingaank. voornw. (aard)..............105
(buiging).............163
beperking (bepalingen van â)..............20
(bijzinnen van â)...............57
VI
Bladz.
betrekkelijke voornw. (aard)...............1UG
(buiging)........................104
betrekkingswoorden................77, 82
bevestigende zinnen..................27
bezittelijke voornw. (aard)................103
(buiging)..............161
kijaldicu (hoe een voegw. geworden)...........04
bijstellingen.....................17
bijvoegl. bepalingen..................16
zinnen...................40
bijvoegl. naamw. (aard)............. 83, 85, 92
(buiging)...............154
(vorming)...............207
bijvoegl. woorden...................83
bijwoordel. bepalingen.................18
zinnen...................44
bijwoorden (aard en verdeeling).........83, 85, 111
(vorming)......... .......220
bijzin (delinitie van - ).................30
causatieven.....................212
concrete zelfst. naamw...............80, 80
ilaar (hoe aan zijn bet. gekomen)............62
dat (betrekkei. voornw. of voegwoord)...........43
deelwoorden (aard en verdeeling)...........84, 06
denominatieven....... ...........211
dewijl (hoe aan zijn bet. gekomen). ... ......61
doel (bepal. van â)..................19
(bijzinnen van â).................55
doelaanwijzend nevenscb. zinsverb.............35
dom (als achterv.)............. .... 191
dood (als voorv.)....................196
o, de, te (als achterv.)...............204
eel (als achterv.)...................204
egge (als achterv.)..................203
eigennamen.....................(,i0
cl (achter subst.)...................204
(achter adject.)...................207
elliptische zinnen....... .......2, 28, 71
en (achter adject.)........... ......208
onkelv. en samengest. zinnen............................3
er (achter subst.)...................202
(achter adject.)..................207
VII
Bliidz.
er (voor werkw.)...................217
ertl (als achterv.)...................202
es (als achterv.)...................203
et (als voorv.)....................200
frequentatieven....................214
ge (voor subst.)...................200
(voor adject.)...................209
(voor werkw.)...................216
geen (als woordsoort).................100
gemeenslachtige woorden................126
geslacht (der zelfst. naamw.)...............119
gesteldheid (bep. van â)................17
getal (bij de zelfst. naamw.)...............135
(bij de werkw.).................147
gevolg (bepal. van â).................19
gevolgaanduidende bijzinnen...............54
gezegde.............................4
gezegde-zinnen....................37
guetl (als achterv.)..................196
grammatische figuren (aard en soorten)..........244
grondslagen (van ons stelsel van verdeeling der woorden:
beteekeuis; beteekeuis eu «Heust: vorming......77
grondwoord.....................1S9
liaftig (achter bijv. naamw.)..............208
lieid (als achterv.)..................204
her (voor werkw.)..................217
liet (het onbep. voornw. het als onderw.)..........24
lioe (aan het hoofd van onderwerps-, gezegde-, en voorwerpszinnen) 40
hoedanigheid (bep. van â)...............19
hoedanigheid;, woorden...............79. 83
hoeveelheid en graad (bep. van â)............19
(bijzinnen van â)..........56
lioewel (hoe toegevend voegw. geworden).........67
hoezeer (hoe toegevend voegw. geworden)............67
hoofdgroepen (samenvatting der bijw. bijzinnen in zeven â) . . 69
hoofdletters (gebruik der â)..............245
hoofdzaken (uit de leer der woorden)...........77
hoofdzin (definitie van ââ¢)...............30
hulpwerkwoorden (van wijze, van tijd, van den lijdenden vorm) 110
ier (als achterv.)...................202
ig (achter adject.)..................208
VIII
Bludz.
iii (als achterv.)...................203
iudien (hoe aan zijn bet. gekomen)...........63
infinitief......................142
ing (achter concrete subst.)...............203
(achter abstr. subst.)................205
ingeval (hoe aan zijn bet. gekomen)...........62
intensieven.....................214
klemtoon......................224
klinkers (aard, verdeeling)...............224
(overgang van den eencn klinker in een anderen) . . . 225
koppelingen...................134, 188
koppelteeken (gebruik van het â)............246
leesteekens (gebruik der â)...............246
letter, letterklank, letterteeken..............223
lettergreep.....................224
lidwoorden (aard en verdeeling)...........84, 'J4
(verbuiging)................116
lijdend voorwerp................. . . 6
lijk (als achtervoegsel).................191
loos (achter adject.).................209
medeklinkers (aard)..................224
(verdeeling)................226
(overgang van den eenen medeklinker in een anderen) 227
middel (bep. van â).................19
(bijzinnen van â)...............54
mits (hoe aan zijn beteekenisaen gekomen).........64
modaliteit (bepal. van â)................20
(bijzinnen van â)...............58
naamvallen (aard en verdeeling).............127
naamw. deel v. h. gezegde...............21
uademaal (hoe aan zijn bet. gekomen)..........61
nis (als achtervoegsel).................205
oiquot; (hoe van voorw. een toegev. voegw. geworden)......66
oi'sclioon (hoe een toegev. voegw. geworden)........67
omstandigheid (bepal. van â)..............20
(bijzinnen van â).............59
011 (voor subst.)...................201
(voor adject.)...................209
onbepaalde vooinw. (aard)...............107
(buiging)..............165
TX
Bladz.
onderwerp (v. d. zin).............4) ö, 20
(v. e. beknopten zin).............74
(zinnen zonder â)............24, 26
onpersoonlijke werkw..................10S
onregelmatige werkw. (aard en verdeeling).........177
«ut (voor werkw.)..................217
ontkennende /innen..................27
onvolledige zinnen..................71
oor (voor subat.)...................201
oorzaak (bepal. van â)................10
oorzakelijk voorwerp............. . . 11
opdat (ontwikkelingsgeschiedenis van â) ........68
overgankelijke en onoverg. werkw.............108
persoon (bij de werkw.)............. . . 147
persoonl. voornw. (aard) .... ...........101
(buiging)...............158
persoonsvorm........................................4
plaats (bepal. van â)......... .......18
(bijzinnen van â)................45
polysyndeton....................36
praedicatief gebruikte bijv. naamw...........93
redengevend zinsverband................35
redengevende bijzinnen.................47
regelmatige werkw...................177
rik (als achtcrv.)...................194
samengestelde woorden (geslacht der â)..........126
samengestelde zin (delinitie van â)......... . . 3
samengetrokken zinnen..............32, 71
samenstelling....................182
(door middel van afleiding)........197, 219
sch (achter adject.)..................208
schai» (als ach ter v.)..................190
Sfcl (als achterv.)...................204
soortnamen.....................90
spelling (van De Veies en Te Winket.)..........227
(Hoofdregels).................227
(bijzondere regels voor de spelling der klinkers: e, ee;
o, oo; ij, ei: ic, i)..............229
(regels voor de spelling der medeklinkers)......234
(â cler bastaardwoorden).............235
(Nieuwe â)..................-36
st (achter substant.)..................205
T
I
amp;
X
Bladz.
ster (als achterv.).......... ..........202
sterke werkw............. . . . 168
stofnamen..............................'.)()
amp;
tegenstellend zinsverband...............34
telwoorden (aard en verdeeling) .... . 84, 99
(buiging)....................105
(vorming)...... ... 219
tenware (hoe voorw. voegw. geworden) . . . . 04
tenzij (hoe voorw. voegw. geworden) . OS terwijl (hoe aan zijn bet. gekomen) .61
toegeving (bep. van -â)................19
(bijzinnen van â).................51
toen (verschil tusschen toen, en als en wanneer) ... 46
trappen vau noedanigh. of vergelijking (aard en verdeeling). . 136
(vorming). . . . 158
tijd (bepalingen van â) . . . . ........... 18
(bijzinnen van â).............. . . 45
tijden (aard, verdeeling, vorming). ...... ... 142
tnig (als achterv.)........................196
tusschen werpsels.............. . . . 118
veelvoudige zinsdeelen............. ... .'gt;2
ver (voor werkw.).....................218
verbindingsletters (e, en, s, er) . . . ......188
vergelijking (bepal. van â)........... 17, 20
(bijzinnen van â)......... ... 55
(onveil, bijz. van â).............56
verholen samenstellingen..... ................185
verhoudingszinnen..................58
verklarend zinsverband................36
verkleinwoorden (aard en vorming)....... . . 206
verzamelnamen en niet-verzamelnamen..... .....90
voegwoorden (aard)..................115
(vorming).................222
voorloopig onderwerp, gezegde, voorwerp..........40
voornaamwoorden (aard)............ 84. 100
(buiging)........... ... 158
(vorming).......... .... 219
voorvoegsel (definitie van â)....... ......189
voorwaarde (bepal. van â)..........................19
(bijzinnen van â)..............49
(onvoll. voorw. bijzinnen)...........50
voorw. voegw. (hoe aan hun kracht gekomen)........60
XX
Bladz.
voorwerpen............... , . . . G, 14
voorwerpsnamen...................90
voorwerpszinnen...................37
voorzetsels (aard)...................114
(vorming).......... ......222
vragende voornaamw. (aard).......... .... 105
(buiging)..............163
vragende zinnen......................................28
waar (= wanuoer).................40
wan (als voorv.)...................20.1
wanneer (hoe aan zijn beteekenis gekomen) ... ... 03
wederkeerende voornw. (aard)..............102
(buiging) .... ..... . . 161
wederkeerende (rellectieve) werkw.............109
wederkeerig voornw. (aard)........ ......102
(buiging)..............101
werkwoorden (aard en verdeeling)........ 2, 7, 78, 108
(vervoeging)................168
werkwoorden, die vroeger een belangt, en nu een lijdend voorw.
bij zich hebben..................................9
werkwoorden, die vroeger een oorz en nu een lijdend voorw. bij
zich hebben...................14
koppelwerkwoorden..............25, 109
woord (definitie van â)................................1
woordachikkirg (in hoofd- en bijzin)............31
wijzen (aard en verdeeling)...............187
ij (erij, ernij als achterv.)...............205
zaam (als achterv.)..................193
zelfslachtige woorden.................126
zelfstandig gebruikte woorden.......... ... 81
zelfst. naamw. (aard)................78, 89
(buiging)...............150
(vorming) . . .............200
zelfstandige werkw...................109
zin (definitie van â)............. ... 1
zinsverband (onderschikkend en nevensch.)........ . 29
zou (hoe aan zijn beteekenissen gekomen).........00
zwakke werkwoorden.................108