ocr page 1

n

-mm

ia

120

ocr page 2

(5)es. non den (ijpoch,

HUGO DE GROOTSTRAAT - ROTTERDAM.

O • ^ / C/ // '

^cvcH/u/ /vss/ ~yjsr/'r Jt, -^ a/cu

[I)uch-, 'papier- 'plaathanticl

'.vcH/iy van - yj OC ^S- r/y/f'/f/ar // (\j ^yyc/u/t ïyU //

l'LAATSINd VAN ADVKÜTKNTIKN

tegen den zelfde ji prijs als bij de Uitgevers.

ocr page 3

JjEEN

ocr page 4

DRUK VAN EDUAED IJDO. — LKIDKK.

ocr page 5

v^xvn

en!?

DOOR

H. ER MAX X.

ROTTERDAM,

(tkz. VA X DEN BK OE K. IS94.

ocr page 6
ocr page 7

VOORBERICHT.

Mot goeclvinclen van P. L. v. Ham merstein ') heb ik /.ijn vlugsclirift, dat vóór eenige weken onder den titel Wunder to Berlijn het licht zag, geheel en al voor Nederland omgewerkt. Die omwerking zal het boekje ten goede komen, omdat ik rekening hield met Nederlandsche toestanden.

Zonder profeet te zijn ken ik reeds voor de hoofdzaak het oordeel mijner lezers over mijn arbeid.

De Katholiek zal zeggen; „Die dokter uit X. redeneert gezond;quot; de Israëliet: „Dat ding levert mij geen splint op de predikant: „Liever Turksch dan Paapsehde rechtzinnige Protestantsche leek: „Zouden er dan werkelijk nog wonderen geschieden!quot; ?

Vermoedelijk zelfs heft een Israëlietisch student aan een onzer hoogescholen nii, zooals na de verschijning van 't werkje „Is er een God?quot;1 de armen weer hoog in de lucht onder den uitroep: „Hoe is 't mogelijk, dat men in onze 19''« eeuw met zulk een onzin voor den dag durft komen!quot;

Hot zij ook mij vergund een oordeel over mijn letterarbeid uit te spreken: hij kan niemand schaden, sommigen

J) Zie over dezen bekeerling mijn boekje Is er een God .' •/. TV. van Lewucoi, llooficwoei'd HO. Leiden.

ocr page 8

VOÜRBKRICHT.

VI

H. EKMAN.V.

nuttig zijn. Wie weet ot' God deze gedachten wisseling over wonderen niet zegent inet liet grootste aller wonderen; de bekeering eener ziel. O, moelit mijn boekje er iets toe bijdragen, dat de woorden van L. Ve uil lot omtrent zijn eigen persoon ook in een ander bewaarheid werden: „11 a été sourd, et il a entendu; aveugle et il a vu; paralytique, et il a marché; 11 éfcait mort, unc parole d'en haut l'n fait revivre!quot; Voor zulk een wonder heb ik mijn leven veil.

Gymnasium. Kaf,wijk h R :il Mei 1894.

ocr page 9

Voorbericht van Baron L von Kammerstein.

Van Protestantsche zijde inoent men zoo licht, dat wij, Roomschen, allo vrome verhalen, bijv. wonderen, geestverschijningen enz., die door een Katholieken schrijver worden te boek gesteld, aanstonds als een Evangelie of een kerkelijk leerstuk moeten aannemen. Dit is zoo weinig 't geval, dat wij niet eens ieder wonder op zichzelf, hetwelk omtrent een Heilige in het voorgeschreven brevier vermeld wordt, als een soort geloofsartikel of als een onbetwistbaar feit behoeven te gelooven. Om echter elk misverstand te dien opzichte uit den weg te ruimen, moeten volgens liet voorschrift van paus Urbanus VIII, allen die over wonderen schrijven, uitdrukkelijk te kennen geven, dat de door hen als bovennatuurlijk vermelde gebeurtenissen geen ander dan geschiedkundig geloof vragen. Dat de wonderen van 't Evangelie hunne bovennatuurlijke geloofwaardigheid behouden, behoeft geen betoog. Wanneer echter wonderverhalen uit ile gewone geschiedkundige bronnen worden gemeld, dan mag iedereen daaraan zooveel of zoo weinig gewicht hechten, als hem naar omstandigheden goeddunkt.

Dit voorschrift van paus Urbanus VIII geldt dus ook voor dit werkje.

Wien het lust talrijker wonderverhalen te lezen dan hier

ocr page 10

VOORIiERICIIÏ.

VIII

in eetiig'c bladzijden gedrukt konden worden, vindt ze bijv. in liet werk van Dr. Boissarie ').

Vele van de daarin vermelde berichten komen ook voor iu Das Christenthum, cap. 15: Moderne Wnnrler von L. v. Hammersteix (Trier. l'aulinus-Druckerei 1893). In dat belangrijk gesehrifr wordt tevens aan Dr. Paulus de vraag gesteld, of do wonderverhalen van 't Evangelie eem-natuurlijke verklaring toelaten.

') Lourdes. hisloirc mrdicale 1858—1891. oe éilit. IS'.M.

ocr page 11

Te Grindelwald in Zwitserland was een bont gezelschap bijeen: een rabbijn uit A., een Katholiek geneesheer uit N., een Protestantseh predikant uir G.. en uit li. een redacteur van een dagblad, die tot geene belijdenis behoorde. De heeren waren overeengekomen uitstapjes te doen naar den Faulhorn eu andere omliggende punten. Maar het ongunstig weder hield hen in het hotel terug; zij moesten derhalve onder elkaar eenig tijdverdrijf zoeken zoo goed en kwaad liet ging.

Het gesprek liep in den beginne over onverschillige zaken. Toen echter de geneesheer vóór het middagmaal het teeken des kruises maakte en bad, kwam een trek van misnoegen op het gelaat van den predikant. Den rabbijn en den redacteur deerde de zaak in quot;t minst niet.

Na liet diné maakte de geneesheer andermaal het teeken des kruises. Toen hardde de predikant liet niet langer en sprak: „Mijnheer, zou u niet ereis tot den H. Rok van Trier om beter weer bidden? De H. Rok kan dat immers wel klaarspelen ?!

Dr. X.: Houdt gij ii zoo dom, mijnheer, of zjjt gij zoo dom, dat gij zulken onzin uitkraamt?

Predikant: Ik verzoek van zulk een onbeleefdheid verschoond te blijven, dokter!

Dr. N.: Daartoe liebt gij geen reclit; de eene grofheid is de andere waard.

Pred.: Wat noemt gij dan een grofheid?

ocr page 12

10

Dr. X.: De dwaasheid, die-gij ons, Katholieken, toedicht als zouden wij tot de reliquieën bidden.

Pred.: Doet gij dat dan niet?

Dr. : Bidt gij misschien tot het portret van ons prinsesje Wil hel mi na, wanneer gij het een eereplaats geeft in uwe kamer?

Pred.: Xeen! Ik wil de beeltenis slechts eeren; een voorwerp eeren en tot dat voorwerp bidden is niet hetzelfde!

Dr. X.: Juist. En dus is 't ook niet hetzelfde het kleed des Verlossers eeren en tot dit kleed bidden. Het eeue doen wij, het andere niet.

Pred.: Gij schrijft echter den I I. Rok wonderkracht toe; derhalve bidt gij tot dien Kok.

Dr. X.: Bad dan misschien ook de vrouw in't Evangelie tot het kleed des Heeren, toen zij den zoom aanraakte en gezond werd ? ')

Pred.: Dat was iets anders!

Dr. X.: Waarin ligt dan het onderscheid?

Pred.: Dit voorval geschiedde ten tijde van Christus, maar de tijd van wonderen is nu voorbij.

Dr. X.: Voorbij? Als die tijd bij u, Protestanten, voorbij is, dan beklaag ik u. Bij ons. Katholieken, is die tijd niet voorbij.

Pred.: Hoe kunt gij zoo stout zjjn te beweren, dat er bij u nog wonderen geschieden?

Ü r. X.: Die stoutheid steunt op twee gronden:

1°. op talrijke, gestaafde feiten uit den tegenwoordigen tijd,

2°. op de H. Schrift.

Pred.: Op de H. Schrift? Mijn hemel! iioe kunnen de wonderen, naar het heet in onze dagen geschied, op den Bijbel steunen, die vóór achttien eeuwen geschreven is?

') Jlalth. ü : -20—'2-2.

ocr page 13

11

Dr. X.; Omdat in quot;t Evangelie van deu H. Marcus staat: „En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze teekeneu volgen (d. i. vergezellen): in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij sproken; slangen zullen zij opnemen; eu al is het, dat zij iets doode-lijks zullen drinken, het zal hun niet schaden ; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden'' ').

Pred.; En moet hieruit volgen, dat er nu nog wonderen geschieden?

Dr. N.: Zeker; er zijn ook thans nog menschen, die in Christus gelooven, eu aan de geloovige Christenen is de wondergavt' beloofd.

Pred.: Als gij de woorden zoo letterlijk opvat, dan wil ik vragen: waar zijn bij u, Katholieken, na den tijd der Apostelen, waar zijn zijn zij, die duivelen uitdrijven, nieuwe talen spreken, gift drinken zonder schade en kranken genezen door hun de handen op te leggen?

Dr. X.: Ik zal ze u noemen. Duivelbanning komt veelvuldig voor in 't leven der Heiligen. Ook m den laatsten tijd hebben priesters door middel van kerkelijke duivelbezwering booze geesten uitgedreven. Maar de ongeloovige Pers heeft voor dergelijke zaken enkel spot en hoon over; zij verwaardigt zich niet eens te onderzoeken -).

Nieuwe talen heeft bv. in de KJe eeuw de H. Fran-ciscus Xaverius gesproken. Wat het vergif betreft, men reikte den H. Benedictus, stichter der Benedictijnen den gifbeker; hij maakte daarover het teeken des kruises

^ Mare. 16. 17, 18. Vertaling volgens den Statenbijbel.

quot;) Nog erger. »Zeer juist is het,quot; aldus Prof. Kruin, «wat Lecky zegt: .... door beschaufde leeken. .. . wordt het verhaal verworpen niet omdat het niet behoorlijk gewaarborgd is, maar omdat het een wonder verhaalt.quot; Hier is sprake van een crucifix dat uit zijn wonden gebloed heeft. De Gids, 1860, II 45.

ocr page 14

12

en de beker sprong in stukken. Wonderbare genezingen kwamen ten jare 1891 te Trier in groot getal voor. toen de JI. Rok ter vereering was uitgesteld '). Van jaar tot jaar geschieden ze in nog veel grooter aantal te Lourdes. En de wonderen te Trier zoowel als die van Lourdes zijn door geneeslieeren onderzocht. Te Lourdes bestaat zelfs een vaste geneeskundige commissie, die de gebeurtenissen terstond onderzoekt en dan bepaalt of de genezing op natuurlijke wijze geschieden kon.

Pred.: Spreek mij toch niet van Lourdes en Trier! Wanneer de woorden van 't Evangelie zóó waren op te vatten, als gij ze opva'. dan moesten er bij ons, Protestanten, nog veel moer wonderen voorkomen dan bij u, Iloomschen.

D r. X.: En waarom ?

Pred.; AVjj bezitten het zuiverder geloof, en volgens de aangehaalde woorden van 't Evangelie is aan 't geloof de wonderkracht toegezegd.

Dr. X.: Hebt gij het „zuiver geloof?quot; Gij hebt maar een slap aftreksel van 't oude Katholieke!

P r e d.: Heeft onze groote hervormer L u t h e r de Kerk dan niet gezuiverd van vele misbruiken ?

Dr. N.: Ja, zooals men een kerk van misbruiken reinigt, wanneer men altaren en beelden stukslaat, muurschilderingen afkrabbelt, geschilderde ramen tot gruizelementen stoor.

Pred.: De belofte van Christus, dat allerlei wonderen de Geloovigen zouden vergezellen, doelde blijkbaar alleen op de Geloovigen uit den tijd der Apostelen!

Dr. N.: l'we Voetius dacht er een weinig anders over. „Hij is zelfs geneigd te gelooven,quot; zegt Prof. Eruin, „dat ook de eerste christen-predikers in Duitschland en

') Mgr. Korum heeft daarover een belangrijk werk geschreven

ocr page 15

elders hun zending door het doen van wonderen bekrachtigd kunnen hebben.quot; ')

P r e d.: Dat gevoelen steunt op het doel der wonderen ; deze moesten de invoering van het Christendom mogelijk maken.

Dr. X.: Welnu, indien wonderen toenmaals noodig waren om het Christendom te vestigen in 't oude Romeinsche rijk, dan zullen ook thans wel wonderen te stade komen, ten einde het Christendom in China, Japan of' in andere Uei-densche landen in te voeren.

Pred.: Doch de wonderen, waarvan gij spreekt, geschieden niet in China of Japan, maar in Duitschland en Frankrijk.

D r. N.: Denkt gij dan, dat er ook in Frankrijk en Duitschland geen ongeloovigen zijn, aan wie God door de wonderen van Lourdes en Trier een bewijs wil geven voor de waarheid van den Katholieken godsdienst?

Bovendien is dit bewijs volstrekt niet het eenige doel der wonderen.

Pred.: Welk ander doel zou God bij wonderen kunnen heoogen ?

Dr. X.: Bij voorbeeld de Geloovigen tot grooter vertrouwen te stemmen en hun ijver in 'tgebed te vermeerderen; een ongelukkige, een kreupele, een blinde enz. te helpen, kan mede een doel zijn.

Pred.: Wanneer gij in dien zin u beroept op de woorden van 't Evangelie, dan zou daaruit volgen, dat alle Geloovigen, volgens u dus alle Katholieken, de wondergave bezaten!

Dr. X.: Is deze tegenwerping ernstig gemeend, mijnheer?

Pred.: Zonder twijfel!

') De Gids 1866, II, hl. 4-2.

ocr page 16

14

Dr. N.: Staat cr clan bij Marcus te lezen, dat wonderen ioderen Geloovige afzonderlijk zullen vergezellen?

1'red.: Dat niet!

Dr. X.: Zoo kunt gij uit den aangehaalden tekst alleen besluiten, dat wonderen de menigte der Geloovigen over bet gebeel —genomen vergezellen zullen, niet ieder in ber bijzonder, ook niet bij eiken voetstap, maar altijd volgens onistandigbeden. liet tegenovergestelde zou onverstandig zijn.

Pred.; Waarom? Als één enkel wonder niets onverstandigs in zicli sluit, iioe zou er dan in eene boeveelbeid wonderen iets onverstandigs liggen opgesloten ?

Dr. Squot;.: Omdat door eene dergelijke menigte van wonderen uitzondering regel zou worden. Ook in de maat-scbappij is plaats voor gunsten en voorrechten. Maar altijd en overal voorrechten toekennen en gunsten bewijzen, dat is hetzelfde als de maatschappelijke orde verstoren. Zoo ook zou hot tegen Gods wijsheid zjjn, steeds en overal den loop der door Hem gestelde natuurkrachten te onderbreken.

De rabbijn en de redacteur hadden het gesprek met zekere heimelijke vreugde aangeboord; gaarne zagen zij, hoe „twee Christelijke orthodoxieën elkander opaten.quot; ') De geneesheer meende in 't eind, dat de beleefdheid vorderde ook tot hen het woord te richten. Mijnbeer Salomon, zeide bij tot den rabbijn, wat denkt gij van onzen redestrijd?

Rab.: Gij hebt, dunkt mij. geen van beiden gelijk.

Dr. ; Waarom?

Rab.: Wijl liet niet bewezen is, dat Jezus van Nazarerb de Messias was en wonderen heeft gedaan. Of gij gelijk hebt, hangt af van de vraag: is Jezus de Messias, ja of neen?

') Rusken Hnet.

ocr page 17

Maar dir moet ik u toegeven; de Dominee slaat ontegenzeglijk den bal mis.

P r e d.: Ik ? quot;Waarom ?

Eab.: Wel zeker! Als Jezus niet de Messias was, dan heeft toch heel uw Christendom geen beteekenis.

Pred.: Dat spreekt; maar Christus is nu eenmaal de Messias, en daarom is heel uw hedeudaagsch Jodendom het spoor bijster.

Rab.: Welnu, is Jezus de Messias, dan heeft Hij ook waarheid gesproken, en moeten de wonderen ook nu nog gelijk vóór achttien eeuwen „do Geloovigen volgenquot;.

Pred.: Dat blijkt niet uit zijne woorden. — Doch waarom zou Jezus niet de Messias geweest zijn?

Rab.: Ik keer liever de vraag om: waarom zou Hij het wèl geweest zijn ?

Pred.: Omdat in Hem lt;10 beloften vervuld werden en Ifij talrijke wonderen deed om zijne zending te bevestigen.

Rab.: Hoe weet gij dat?

Pred.: Uit de Evangeliën.

Rab.: Uit de Evangeliën? Is 't u dan onbekend, dat uwe beroemdste Protestantsche gódgeleerden, te beginnen met Dr. Paul us en David Strausz, Kuenen, Lorna n, P. Tiele. Prins, W. C. v. Manen enz. euz. de wonderen uit de Evangeliën wegredeneeren en die verhalen als mythen beschouwen, d. i. „louter vruchten der verbeelding van den godsdienstigen menscliquot;, of liever met Tiele als legenden, „die altijd, ik durf wel zeggen zonder een enkele uitzondering, een historische kern hebben, die kern zij dan grooter of kleinerquot;?

Pred.: Helaas! dat doen zij, want deze heeren behooren tot de rationalistische richting, maar ik ben een belijder van het geloovig Christendom.

Rab.: En welken waarborg hebt gij, dat uw oordeel het

ocr page 18

16

juiste is, en Dr. Paulus, Strausz, Kuenen , Loman ,

T iele enz. dwalen ?

Pred.; De waarborg ligt in de bewijsgronden. Beschouw de geschriften dezer heeren wat van nabij en zie eens wat zij bewijzen! Daar hebt gij bij voorbeeld Dr. Paul us ,). Hij leest in Matthëus, Marcus en Lucas het verhaal, dat Jezus niet vijf broodeu en twee visschen „vijfduizend man behalve nog vrouwen en kinderenquot; verzadigde, en er twaalf korven vol overbleven. Hoe verklaart Dr. Paul us dit leit. Volgens hem zou Jezus degenen, die van spijzen voorzien waren, hebben opgewekt daarvan aan hen, die niets bezaten, mede te deelen. En toch blijkt uit den samehhang, dat in liet geheel maar vijf broodeu en twee visschen voorhanden waren!

Rab.: Dat noem ik inderdaad een vermetelen uitleg dei-woorden.

Pred.: Een andere is vermeteler en vermakelijker. Petrus

moest voor Jezus en zichzelven de belasting van het dubbele drachme betalen, maar bezat geen geld. Toen beval Christus dat hij zou gaan visschen; den eersten visch, die aan den angel kwam, moest hij den bek openen en daar zou hij de muntstukken vinden. Maar zoo iets zou blijkbaar een wonder zijn! Dr. Paul us redt er zich uit. Hij zegt; Petrus zal die munten op de markt „vindenquot;, namelijk hij 't verkonpcit van den visch. Doch waartoe moet hij den bek van den visch openen? Heel eenvoudig! Hij moet toch den angel uit den bek halen! In een latere uitgave maakt de bedoeide heer het zich nog gemakkelijker. Hij stelt een andere lezint; voor, en volgens die lezing zou er geen sprake zijn van den bek van een visch, maar van Petrus' eigen mond; Petrus

') Zie L. von HamrtiB rste i n : öns ChrislenÜuim, blz. 7quot;2 01 on l^rof. Sell ets tegen Prof. K nen en.

ocr page 19

17

moest zijn mond (niet cleu bek van den viseh) opendoen, namelijk om den cisch oj) de nictrkf ((au te pyijzen, dan zou liij het noodige geld bekomen.

Het verhaal van Jezus' wandeling op de zee wordt volgens Schenkel aldus verklaard: Christus heeft aan het strand der zee gewandeld en de geheele wandeling op de zee heeft enkel in de ontstelde verbeelding der discipelen bestaan ').

Het is al te gek, zult gij zeggen. Mijnheer C. P. Tiele schijnt het dan ook voor eerlijker te houden een ander rationalistisch kunstje aan te wenden en in die wandeling „een schoon zinnebeeld te zien van den zielevrede, waarmee Christus voortschreed op de baren der onzekere levenszeequot; 2). Met de genezing van den melaatsche weet S c h e n k e 1 geen weg en redt zich niet de dubbele veronderstelling, dat niemand daarbij tegenwoordig was en de melaatsche zeker reeds im Wesentlichen genezen was'quot; quot;■).

Ziet gij, mijnheer Salomon! Tot dergelijke onsmakelijke verklaringen moet men zijn toevlucht nemen, als men de wonderen uit het Evangelie wil wegruimen!

Rab.: Ku ja, ik geef toe dat die wonderen niet zijn weg te redeneeren, wil men de Evangeliën zoo als zij daar liggen als getrouw historische verhalen laten gelden. Maar verdienen de Evangeliën werkelijk geloof?

Pred.; Om duizenden redenen. In elk geval verdienen zij evenveel geloof als de Ronieinsche en Grieksche clas-sieken. „In de geheele litteratuur der oudheid,quot; schrijft een der beroemdste Protestantsche godgeleerden. Prof. Tischendorf, „zijn weinige voorbeelden van zulk een

') Gids 1865, 3. hl/. 373. quot;) ibidem.

;:) ibulem.

ocr page 20

IS

grootsche historische geloofwaardiglieid nis onze vier Evangeliën.quot;

De handschriften, welke wij van de Evangeliën bezitten, zijn van veel oudere dagteekening dan die van bijna allo classieke schrijvers.

De oudste handschriften van Caesar, lacitus en Seneca zijn uit de negende, van de 250 handschriften van Hora tins maar twee uit de achtste eeuw. Eenige meer of minder beschadigde handschriften van ierentius. Gajus en Plan rus dagteekenen uit de vijfdeen eenige van V i r g i 1 i u s en Cicero uit de derde en vierde eeuw. Buitendien hebben wij enkel uit Herculanum eenige half verbrande papyrus-rollen van de eerste eeuw na Christus en uit Egyptische grafsteden eenige fragmenten van Hy peri des en Homerus' Ilias en volgens de laatste ontdekking ook een werkje van Aristoteles van de tweede en derde eeuw vóór Christus. Derhalve is het grootste getal der oude classieke werken, ofschoon meestendeels aooi Christus en met name de Grieksche reeds lang voor dien tijd geschreven, ons alleen in late handschriften uit de achtste en negende eeuw ongeveer of nog later bewaard gebleven. En toch houdt men ze over 't algemeen voor echt.

En hoe staat het met ons Nieuw Testament?

Wij bezitten daarvan nagenoeg honderd Grieksche handschriften: twee uit de vierde, twee uit de vijfde, andere uit de zesde, zevende en achtste eeuw.

Ziehier een lijstje van eenige handschriften met aanwijzing der eeuwen waartoe zij behooren:

ocr page 21

19

Matfchëus . . . .

Marcus.....

Lucas......

.Toannes.....

Handelingen der Apos-4 Gajus

4 Horatius

4 Plato . . .

Eeuw.

4 Caesar .

Tacitus


telen.....

()penbaring v. Joannes Brieven van den Tl.

Paulus. Virgilius

4 Homerus 4 Herolotus

10

11

11

. 11—12

Sophocles 4 Aeschylus 4 — 5 Plautus.


Terentius .... 4—5

Do echtheid on vroegtijdige oorsprong van de handschriften der Evangeliën zijn ook door andere historische getuigenissen beter gestaafd dan die der classic ken; aan wier echtheid toch niemand twijfelt.

Iemand, die in onze dagen beweren zou, dat de werken van Vondel niet van dezen dichter afkomstig waren, maakte zich belachelijk. En toch is Vondel reeds 215 jaar dood. Welnu zou iemand zich ook niet belachelijk gemaakt hebben, indien hij bijv. aan de Kerkvaders Barnabas (gest. omstreeks 60), Ignatius (gest. in 114), Clemens (gest. in 101), Polycarpus (gest. in 155), Justin us (gest. in 161) of Ire na ens (gest. in 202) gezegd had: de Evangeliën — die, let wel, reeds toen „de vier zuilen genoemd werden, waarop de over de geiieele aarde verbreide Kerk steundequot; — zijn niet afkomstig van de Evangelisten ?

Onder de opgenoemde Kerkvaders staat de H. I r e n a e u s het verste af van de Apostelen. Toen hij in 'tjaar 177. bisschop van Lyon werd en zijn werk tegen de dwaalleeraars schreef, was na den dood van den laatsten Apostel

ocr page 22

op verre na niet zooveel tijd verstreken als nu sedert den dood van Vondel,

Irenaeus was een leerling van Polycarpns, die in 'tjaar 155 den marteldood stierf, deze een leerling van den Evangelist Joannes. En wat schrijft nu Irenaeus - om van hem alleen te spreken — over onze Evangeliën? O. a. dit: „Zóó vast staan deze Evangeliën, dat zelfs de ketters daarvoor getuigenis afleggen en dat ieder hunner, daarvan uitgaande zijne leer tracht te bevestigen.quot; En dan volgt een prachtige bladzijde, waarin de groote bisschop over de Evangeliën van Matthëus, Lucas, Marcus en Joannes, en over de brieven van Petrus, Joannes en Paul us spreekt ').

De H. Ignatius van Antiochië, in 106 gemarreld, de H. Justin us, gest. in 1G7, roemen de Evangeliën.

De Proconsul vraagt den martelaar Speratus: „Welke boeken houdt gij in uw kast verborgen ?quot; 't Antwoord luidt: „De Evangeliën en de brieven van den H. Paulus.quot; Dat was in 'tjaar 180.

Die getuigenissen zijn te vermeerderen.

Rab.; Maar de Evangeliën gewagen van wonderen, en dat maakt hunne geloofwaardigheid bij ons verdacht.

Pred.: Gij slaat den spijker op den kop. De moderne ireleerden kunnen quot;'eerie wonderen verduwen. Wonderen zijn onmogelijk zeggen zij, en daarom verdienen wonderverhalen geen geloof. Maar de Evangeliën behelzen wonderverhalen, dus zijn zij onbetrouwbare oorkonden. Bij vele modernen echter is dat enkel een soort uithangbord, een

J) Migne: Patrol. Graec. 7. Zie L. v. I I a m m e r s t e i n : Die Wain -he'd i'lber Chvixtus unci die Evangeliën enz. waarin D o rn e 1 a X i e u-w e n li ii i s ontmaskerd wordt. Zie ook L. v. li a m ni e r s t e i n ; Ed/jar, IVe An 11.

ocr page 23

21

voorwendsel, waarom zij de Evangeliën bestrijden en voor andere boeken, die veel minder geloofwaardig blijken, liet tolhek openzetten. De eigenlijke reden hunner bestrijding ligt dikwerf hierin: de Evangeliën en de Christelijke godsdienst, waarvan zij den goddelijken oorsprong verhalen, leggen allerlei verplichtingen óp; zij eischen naleving van de rien geboden, vooral van liet zesde en zevende gebod, prediken dat men zijn kruis met geduld moet dragen, dreigen met de straffen der hel, wanneer men het woord van Christus niet gelooft en aan zijn wet niet gehoorzaamt. Die leer is een weinig lastig ').

De Evangeliën gewagen van wonderen, en dat maakt hunne geloofwaardigheid bij u verdacht?

Juist liet tegendeel moest daaruit volgen. Indien de oorspronkelijkste historische berichten over liet ontstaan des Christendoms g e e n e wonderen ver m e 1 d d e n dan zou hunne geloofwaardigheid betwijfeld kunnen worden. Immers liet is ondenkbaar, dat een godsdienst, zooals de Christelijke, die van den mensch vordert aan zoovele geheimen te ge-looven, — die in liet werkdadig leven zoovele offers oplegt en op zoovele martelaren roemen kan, zonder wonderen zich alom zou hebben uitgebreid. Daarom zingt Dante -):

„Kon zonder wondren de aarde zich bekeeren

Tot Christus, dan is dit reeds zoo verheven.

Dat de andren saam geen honderdst deel formeerenquot;.

') L. v. Hammerstein.

quot;-) Dunte, Parad. XXIV, 100

)gt;Se il rnondo si rivolse al cristianesmo, Diss'io, senza iniracoli, quest' uiio K tal, clie gli altri non sono il centesimo.1' De vertaling is van Mr. Joan Bohl.

ocr page 24

22

Doch sta mij nog eene vraag toe, mijnheer Salomon: houdt gij de boeken van Mozes voor geloofwaardig?

Rab.; Dat spreekt vanzelf! Gij weet immers, dat ik den Mozaïschen godsdienst belijd.

Pred.: Welnu! Ook in de boeken van Mozes staan vele wonderen vermeld, bjj voorbeeld hoe bij den doortocht der Israëlieten door de Hoede zee liet water aan beide kanten vaststond als een muur. Acht gij otn de wonderen onze Evangeliën niet betrouwbaar, dan verklaar ik om dezelfde reden uw Mozes geen geloof waardig.

Rab.: Dat is iets anders. Voor Mozes pleiten hechtere gronden van geloofwaardigheid.

Pred.: Integendeel! Ik geloof voorzeker aan Mozes'verhaal evengoed als aan onze Evangeliën. Maar wanneer ik mij op ongeloovig standpunt stelde, zou ik toch de aloude vertellingen van Mozes met heel wat meer waarschijnlijkheid onder de mythen en sagen of legenden rekenen dan de verhalen der Evangeliën, die uit den tijd der eerste Romeinsche keizers, dus uit een volstrekt geschiedkundig tijdvak, dagteekenen.

„En met meer waarschijnlijkheid dan de wonderen van Lourdes en Trierquot; viel de redacteur in.

Veroorlooft mij eene bemerking mijne heeren, ging hij voort. Neemt gij één enkel wonder, hetzij van Christus, hetzij van Mozes aan, dan verlaat gij ten eenenmale het gebied der moderne wetenschap, en zult onverbiddelijk genoodzaakt zijn zoo vroom als de vroomste kwezel aan de gebeurtenissen van Lourdes en Trier te gelooven.

Pred.: Maar mijnheer! ziet gij dan het hemelsbreed onderscheid niet tusschen Lourdes en Jeruzalem?

Red.: jSTeen! Te recht voerdet gij onzen Israëlietischen reisgezel te gemoet, dat liet Mozaïsch verhaal veel eerder oen mythe, sage of legende zijn kan dan de wonderverhalen

ocr page 25

van liet Evangelie. Nochtans met hetzelfde recht beweer ik, dat do berichten van 't Evangelie veel minder aanspraak op geloofwaardigheid hebben dan de wonderverhalen van Lourdes en Trier. Deze laatste toch dagteekenen niet uit den Romeinschen tijd, maar uit onze dagen. En zij zijn bekrachtigd door talrijke beroemde geneesheeren, bij wie gij nu nog naar welgevallen tot in de kleinste bijzonderheden een onderzoek kunt instellen.

Pred.: Hoe heb ik 't nu met u, inijuheer de Redacteur! Gelooft gij ook aan die zwendelarij ?

Red.: Dat bljjve hier onbesproken! Maar ik wilde u slechts bewijzen, hoe gij en mijnheer Salomon u zelveti tegenspreekt. Mijnheer Salomon gelooft aan de wonderen van Mozes, doch weigert zonder eenige reden geloof te hechten aan die van 't Evangelie. Maar met u, Dominee, is iiet niet beter gesteld; gij gelooft aan de wonderen van Mozes en aan die, welke Jezus naar men zegt, verricht heeft, doch niet aan de wonderverschijnselen van Lourdes en Trier. Dan moer, ik toch onzen Katholieken dokter prijzen; hij neemt het eene wonder zoowel als de anderen aan.

Rab.: Mijnheer de Redacteur behoort wellicht ook tot de reehtgeloovige ritramontanen ?

Red.: In 't minst niet! Nochtans stel ik de logische gevolgtrekking op prijs, waar ik zo ontmoet. Halfheid, die bewijzen erkent, wanneer het haar lijkt, maar even deugdelijke bewijzen verwerpt, als die niet in haren gedachten-kring passen, is mij gehaat.

Dr. X.: Ik dank u, mijnheer de Redacteur, dat gij een lans breekt voor de edelvrouw, de redeneerkunde, maar deze vordert gebiedend, alle drie soorten van wonderen aan te nemen: die van Mozes, van 't Evangelie en uit onze dagen.

Red.: Hoe kunt gij zoo iets van mij verlangen?!

ocr page 26

24

Dr. X,; Ik verlang liet uit kracht van liet afdoend bewijs, dat die wonderen werkelijk geschied zijn.

Red.: Kom, kom! Wat onmogelijk is, kan nooit bewezen worden, kan nimmer een feit wezen.

IJ r. N ; Dat staat als een paal boven water! Maar het is de vraag of een wonder onmogelijk is. Waarom zonden wonderen onmogelijk zijn?

Red.: Zij drnischen tegen de eeuwige en noodzakelijke natuurwetten.

Dr. N.: Behoort het tot de „eeuwige en noodzakelijke natuurwetten,quot; dat er op aarde menschen leven ?

Red.: Dat voorzeker niet, want in alle geval waren er in de tertiaire of kaenozoïsche periode nog geene menschen.

Dr. X.: Werd dan op de „eeuwige en noodzakelijke natuurwettenquot; inbreuk gemaakt, toen de eerste mensch te voorschijn trad?

Red.: Wie zou zulks willen beweren? Het lag veeleer in de natuurwetten zeiven, dat zich toen de eerste mensch ontwikkelde.

D r. X.: Wij moeten, naar ik zie, alvorens verder te redekavelen, elkander eerst omtrent onze grondbeginselen verstaan. Veroorloof mij derhalve tot duidelijke bepaling van uw standpunt de vraag: Zjjt gij Pantheïst of gelooft gij aan een persoonlijken God?

Red.: Ik geloof aan 't bestaan van een persoonlijken God, maar blijf nog altijd oneindig ver van 't geloof aan wonderen.

Dr. X.: Welke redenen hebt gij dan de mogelijkheid eens wonders te loochenen ?

Red.: De wetenschap heeft uitgemaakt „dat alle wereld-sche verschijnselen door andere wereldsche verschijnselen teweeg worden gebracht volgens regelen, die nooit eenige uitzondering toelaten; dat dus nergens, noch in de natuur

ocr page 27

noch in het menschelijk gemoed, willekeur voorkomt; dat liet weefsel van eindige oorzaken en gevolgen te dicht i.-?, om ergens plaats te laten voor den vinger Gods.quot;

Dr. N.: Indien dat is uitgemaakt, dan zijn godsdienst en zedeleer noodzakelijk van aard en wezen veranderd; „het geloof aan de \ oorzienigheid is dan één met het geloof aan den natuurlijken samenhang der dingen; het gebed wordt een godsdienstige overdenking, waarin niets gevraagd wordt, omdat verandering in hetgeen komen zal ondenkbaar is; dankbaarheid jegens den Gever alles goeds verandert in nederige berusting; deugd cn ondeugd worden zuiver menschelijke begrippen, van betrekkelijke, niet van absolute waarde.quot;

R e d.: Dat spreekt!

Dr. .: Dan belanden wij vanzelfbij de moderne wereldbeschouwing van Mr. v. Houten of een soort van Oos-tersch Fatalisme, met een Westersch kleed omhangen.quot;

.,Immers indien alle oorzaken,quot; zegt de wijsgeer F. Becker, „noodzakelijk hare gevolgen voortbrengen — ook op zedelijk gebied — dan is alles, wat er op aarde bestaat, bestaan heeft en bestaan zal, een noodzakelijk gevolg van noodzakelijk bestaande en noodzakelijk werkende oorzaken.quot; Met zulk een leer kan niemand een „Onze Wider'' bidden!

Ik wilde u echter nog vragen of de wetenschap zeker heefr bewezen „dat alle wereldsche verschijnselen door andere wereldsche verschijnselen teweeg worden gebracht volgens regelen, waarop nooit eenige uitzondering plaats heeft ?' Met andere woorden; beeft de wetenschap uitgemaakt, dat God die de oorzaak is der wereld en van hare wetten, Zichzelven het recht ontnomen heeft, om in een afzonderlijk geval eene uitzondering te maken op die wetten?

Red.: Zeor zeker! Ik lees u eenvoudig voor uit David Strausz. Ten einde de Evangeliën wegens hunne won-

ocr page 28

26

dervei'halen als ongeloofelijk voor te stellen, schi'ijtr hij het volgende:

„Dat een bericht niet tot dc geschiedenis behoort, oen verhaal zich niet zoo kan hebben toegedragen als verhaald wordt, zal wel voornamelijk blijken, wanneer dat verhaal als onvereenigbaar dient verklaard te worden met de bekende en bovendien overal geldende wetten. Onder deze wetten is eene der voornaamste, dat zoowel volgens alle juiste begrippen der wijsbegeerte als volgens de beproefde ervaring. de onafhankelijke causaliteit nooit in de schakel dei-afhankelijke oorzaken door bijzondere handelingen ingrijpt, terwijl deze causaliteit zich veeleer juist enkel openbaart in de voortbrenging van het geheele samenstel van eindige oorzakelijkheid en dezer wederkeerige werkzaamheid. Waar derhalve een verhaal ons van een verschijnsel ol eene gebeurtenis spreekt met de uitdrukkelijke of veronderstelde bewering, dat die gebeurtenis onmiddellijk door God zeiven (stemmen uit den Hemel, verschijningen enz.) of door Hem met tusschenkomst van menschen daartoe uit bovennatuurlijk bestel gemachtigd, (wonderdaden, voorspellingen) zou veroorzaakt zijn, daar hebben wij het in zooverre niet als een historisch verhaal te erkennen.quot;

Dr. X.: Dat noem ik eerst verbazenden bombast! Zonderling niet waar, dat die geleerde ongeloovige heeren hunne woorden met zulk een geheimvol duister omhullen? Naar allen schijn willen zij, dat men van verbazing den mond openspalkt, zich gewonnen geeft en uitroept: Het moet wel waar zijn, al kan ik alles niet verstaan!

Doch geef mij als 't u belieft een oogenblik uw boek, mijnheer, om de geleerdheid van Strausz op de keper te beschouwen!

R e d.; Lees zelf dan maar!

D r. X.: Tk lees vooreerst de bewering, dat een verhaal

ocr page 29

27

niet historisch kan zijn, wanneer het „met de bekende en bovendien overal geldende wetten van het verhaalde onver-eenigbaarquot; is. Dat beteekent in nuchter Hollandsch: een verhaal, dat iets vertelt, wat volstrekt niet gebeurd kan zijn, bijv. dat Mohammed de maan in zijn mouw heeft gestoken, is niet historisch! Daartegen heb ik niets in te brengen.

Red.: Zoover zijn wij liet dus eens!

Dr. X.: Deze eerste volzin van David Strausz was ook tamelijk eenvoudig. Maar nu komt de geleerdheid. Daar is sprake van „onafhankelijke causaliteit.quot; Vindt n goed mijnheer, dat wij ter wille van de duidelijkheid God lezen ?

Red.: Zeker!

D r. N.: Dan vind ik in deze zinsnede, de tweevoudige bewering: 1. liet druischt tegen de „juiste begrippen dei-wijsbegeertequot; aan, dat God door bijzondere handelingen in den loop der wereld ingrijpe: 2. deze zoogenaamde inbreuk strijdt ook met „alle beproefde ervaring.quot;

Keb ik Strausz goed begrepen, mijnheer?

Red.: Ja!

Dr. A'.: N\ ij hebben dus tot nu toe uitsluitend de bewering, dat zulk een inbreuk, m. a. w., dat een wonder in tegenspraak komt met: de wijsbegeerte en ervaring.

Eene bewering opzetten kan iedereen, maar bewijzen leveren — dat is een andere zaak. Gij wildet mij uit Strausz de onmogelijkheid van het wonder bewijzen. Waar blijft het bewijs?

Red.: Lees, bid ik u, de verdere regels uit Strausz!

D r. Nquot;.: Luister: „ Waar derhalve een verhaal ons van een verschijnsel of eene gebeurtenis spreekt,quot; die het kenmerk van iets wonderbaars draagt, „hebben wij in zooverre daarin geen historisch verhaal te erkennen.quot;

ocr page 30

Begrijp ik St raus z goed, clan vind ik dat hij gevolgtrekkingen maakt uit een bewering die nog niet bewezen is. Wat dunkt u ?

Red.: Ten minste hij heeft de onmogelijkheid van 't wonder nog niet aangetoond.

JÜ r. N.; Ik vat de lange zinnen van dien hooggeleerde in eenvoudig Hollandsch samen. Hij wil bewijzen, dat de Evangeliën met hunne wonderverhalen geen geloof verdienen. Het bewijs luidt: wonderen strijden met de wijsbegeerte en de ervaring. Dan volgt het besluit: derhalve verdienen wonderverhalen, zooals die der Evangeliën, geen geloof.

Met dergelijke logica wil ik u bewijzen, dat een verhaal, waarin van vuurspuwende bergen in Italië gesproken wordt, geen geloof verdient. Ik zeg: vuurspuwende bergen drui-schen zoowel tegen juiste begrippen der wijsbegeerte als tegen alle beproefde ervaring. Derhalve is dat reisverhaal over vuurspuwende bergen ongeloofelij k.

Wat zegt gij van deze redeneerkunde, mijnheer?

Red.: Deze logica zou stellig dwaas genoeg zijn. Zij vooronderstelt als bewezen, wat nog bewezen moest worden.

Dr. N. : En dat juist doet David Strausz. Hij vooronderstelt de onmogelijkheid van 't wonder, en die onmogelijkheid moest bewezen worden. Het ontbreekt dien heer dus volslagen aan alle logica, die toch de voornaamste grondvoorwaarde aller wetenschappen is. Maar omdat hij geleerd klinkende zinledige uitdrukkingen oin zicli heen slingert en zich met lange, geheimzinnige volzinnen omhult, geloofr men dat zijne geschriften wetenschappelijke waarde bezitten.

Red.; Gij springt ontzettend met David Strausz om. dokter!

Dr. X.: Uw David Strausz verdient werkelijk, dat men hem zoo behandelt.

ocr page 31

29

Xeen. dan houd ik het liever met Prof. Doe des, die wil dat ieder wonderverhaal onbevooroordeeld onderzocht; wordt; het te verwerpen op grond, dat wonderen onmogelijk zijn, is onwetenschappelijk, zegt hij ').

De moderne geleerden hebben 't opgegeven mijnheer, uit de wijsbegeerte de onmogelijkheid van 't wonder te bewijzen. Zij zijn daartoe niet in staat ook hierom niet, wijl hunne wijsbegeerte alleen maar twijfelen en critisee-ren kan. Twijfel en critiek. zegt Prof. C. B. Spruijt „be-hooren tot haar wezenquot;2).

En daarom neemt men zijne toevlucht tot de ervaring: „Niet op grond van een of ander wijsgeerig systeem,quot; declameert Re nan, „maar op grond van standvastige ervaring verbannen wij het wonder uit de geschiedenis.quot;

Red.: Ja, de ondervinding door tal van waarnemingen bekrachtigd, leert ons de onmogelijkheid van 't wonder.

D r. X.: Dat is in ieder geval veel te boud gesproken. Terecht denkt Prof. Fruin er anders over. .Men kan niet bewijzen, dat wonderen „in strijd zijn met liet wezen van (fod, dat zij in dien zin onmogelijk zijn .... onze wetenschap rust op ervaring, op waarneming van verschijnselen, en is daarom tot zulke absolute oordeelen niet gerechtigd.quot;'

Wat leert de ervaring, mijnheer?

Red.: Dat de wetten der natuur onveranderlijk zijn, alle uitzonderingen buitensluiten.

Dr. N.: Maar de ervaring zou toch hoogstens kunnen bewijzen, dat er geen wonderen bestaan, of wat hetzelfde is, dat de wetten der natuur die uit zichzelven vastheid hebben en dus niet zelve de oorzaak der uitzonderingen kunnen wezen, tot heden onveranderd bleven

') De Gids 1866 11 lil/.. 55.

-) Ibidem 1878 IV. t

ocr page 32

30

cl. i. altijd en overal zijn toegepast. Dat echter die wetten onveranderlijk zijn in dien zin, dat daarop nooit eene uitzondering kan worden gemaakt door Hem, die deze wetten gesteld heeft, zal toch wel niet door de ervaring-bewezen worden?

11 e d.: De moderne geleerden beroepen zich toch op de ervaring!

Dr. N.: Ik weet liet, maar op welke ervaring?... op hunne eigene ervaring of op die van alle menschen tevens ?

Red.: Op beide.

Dr. : De Eskimo heeft op Groenland nooit palmen gezien. Wat zegt gij, wanneer hij beweert: de ervaring leert mij dat er geen palmen zijn ?

J\ e d.: Dat is een domme bewering. Z ij n e ervaring leert hem hoogstens, dat er op Groenland geen palmen groeien; maar daaruit volgt niet, dat er in Indien geen palmen gevonden worden.

Dr. N.: Wanneer Mr. S. v. Houten, C. Tiele, Dr. Knappert en Loman nooit getuigen zijn geweest van een wonder, volgt daaruit dat er nooit wonderen zijn geschied en nimmer geschieden kunnen?

Kunnen zij zich beroepen op de ervaring van alle menschen ?

Red.; Vroeger gelooide men nog aan wonderen, maar men is nu toch algemeen overtuigd van de onmogelijkheid eens wonders! David Strausz zegt: „Deze overtuiging is zoozeer bewustzijn van den nieuweren tijd geworden, dat in het werkelijk leven de meening of bewering volgens welke eene bovennatuurlijke oorzaak, een goddelijke tus-schenkomst ergens onmiddellijk zich zou hebben getoond, stoutweg als onwetendheid of bedrog gestempeld wordt.quot;

Dr. X.: Daar hebben wij den Eskimo, die enkel zijn Groenland kent en verklaart, dat er geen palmen bestaan.

ocr page 33

31

Omdat Strausz alleen in kringen verkeerd heeft, voor wie elk geloof aan wonderen terstond gelijknamig is met onwetendheid of bedrog, daarom meent hij, dat de geheele wereld denkt zoonis hij en zijne vrienden. Het ontgaat dus zijne aandacht, dat Christenen, Joden, Mohammedanen, Brahmin en. Boeddhisten enz. enz. aan wonderen gelooven.

Goethe zou hier kunnen zeggen:

„Daran erkenn' ich den gelehrteu Herrn! —

Was Ihr nicht tastet, steht Euch meilenfern,

Was Ihr nicht faszt, das fehlt Euch ganz und gar. Was Ihr nicht rechnet, glaubt Ihr, sei nicht wahr. Was Ihr nicht wiigt, hat für Euch kein Gewicht, Was Ihr nicht münzt. das, meint Ihr. gelte nicht.quot;

Red.: Maar u zult toch wel instemmen met Prof. F ruin, als hij zegt: „Reeds nu is het geloof aan wonderen aan 't afnemen?quot;

Dr. y.: Al was dat geiieel waar, het zou niets bewijzen tegen de mogelijkheid van 't wonder. Doch het is slechts betrekkelijk waar, d. w. z. bij de Protestanten neemt het geloof aan wonderen af, niet bij de Katholieken. „De Katholieke Kerkquot;, zegt Prof. Wilde, „is daarin even conservatief, even vasthoudend, als de mathematicus in de waarheden zijner wetenschap.'1

De aandrang van pelgrims naar Lourdes gaat alle beschrijving te boven. Somtijds kwamen in één maand 10000 personen en in 1889 beliep het getal 120000. Een prachtige tempel, in gemengden stijl opgetrokken en waarin meer dan vijfhonderd kostbaar geborduurde vanen als zoovele giften van verschillende landen prijken, terwijl het getal geschenken in zilver en goud tot 10000 klom, getuigt van 't wondergeloof der Katholieken.

Bjj de Protestanten gaat het geloof aan wonderen den

ocr page 34

32

kreeftengang. (Jin maar nlloen van ons vaderland te spreken: Voetius reeds stond in zijne overtuiging niet vast op de boenen '), rle rechtzinnige Afgescheidenen waren weer zwakker in't geloof aan wonderen clan hij; Groen van Prinsterer was wederom zwakker clan deze, de heer Doe des nog zwakker clan Grroon 2). Het Hervormd Kerkgenootschap, de Remonstrantsche Broederschap, liet Evangelisch-Luthersch Kerkgenootschap, het Hersteld Mvangeliscli-Lathersch Kerkgenootschap, de Doopsgezinde Gemeente, de Evangelische Broedergemeenten, de Duitsche Evangelische gemeenten, het Anglican nsch Kerkgenootschap, de Apostolische gemeente re 's Graveuliage en clan nog de ontelbare Afgescheidenen van Afgescheidenen, de Doleerende en niet-Doleerende kerk enz. houden er allen een geloof of ongeloof aan wonderen op na, ieder volgens zijne gading, maar zouden de meeste p r e d i k ante n van al die hervormingen der Groote Kerkhervorming, wanneer van wonderen gesproken wordt, niet denken aan kindersprookjes of iets dergelijks ? Ook de strijd omtrent de Apostolische Geloofsbelijdenis wettigt een bevestigend antwoord :!). — „Trouwens, het kerkelijk vervalquot;, zeide K nep pel hout reeds in 't jaar 1878, „ligt in het Protestantisme zelf; het Protestantisme voert het beginsel van verderf in eigen ingewand, waarin het niet ophoudt te wroetenquot;.

') »AI zag hij (Voetius) het wonder 'met eigen oogen, hij zou toch niet geloovenquot;. Fruin. De Gids 18G6, li, 45.

-) ibidem 02.

Is het vermetel tevens aan Nederland te denken, waai' de Neue Lidlierische Kirchenzeitunj van de opleiding tot bedienaar van 't goddelijk woord in 4898 schreef: »De toestand op onze hoogescholen wordt immer treuriger. Koevele mislukte arme studenten ziet men! Als 1 en-gen aai's en huichelaars aanvaarden zij hun ambt!quot;

ocr page 35

m

Het eone leerstuk laat men vallen na liet andere ')•

Pred.: Gij bedoelt eigenlijk, dokter, dat die predikanten niet meer aan hede n daag sche wonderen gelooven, en daarin geef ik hun gelijk. Maar al geschieden er mi geen wonderen meer, wie durft staande houden, dat er vóór 1900 jaren geen wonderen gebeurd zijn?

Dr. N.: Ik durf bijna beweren, dat de meeste predikanten in Dnitschland en Engeland en minstens de helft der j^eder-laudsche bedienaren van het goddelijk woord stoutweg elk wonder ontkennen, de Verrijzenis van Christus niet uitgezonderd.

(Jij zeidet zoo even: „Al geschieden er nu geen wonderen meer,quot; daaruit volgt niet, dat zij vroeger niet gebeurd zijn. Die redeneering is zeer juist. Maar hoe weet gij, dat er thans geen wonderen meer plaats hebben ?

R a b.: Sa Mozes nog wonderen ? Zoudt gij een enkel kunnen noemen?

Dr. X.: Zeer zeker, doch laat mij eenige boeken uit mijn kamer halen.

M Ik kan niet nalaten voor ontwikkelde lezeigt; een merkwaardige bladzijde aan te halen nit de Eludes van Maart 1894. Wij lezen daar liet volgende :

M. I' rancis de l'ressensé a fait, Ie niois dernier, a Lausanne, qnatie conférences fort remarquables. II avait pris ponr sujet Ie mouvement tliéologique qui inclina rüniversité d'Oxford vers le eatholieisme, de 1S3.) a 1850. mouvement qui déterinina la eonveision des Newman et des Manning. I-orateur a loué la sincérité. la piété. la competence scien-tifique et la valeur morale de ees deux grands hommes. II a cité la poésie composée par Newman dans ses jours de doute et de recherches.

»0 Rome, disait Newman, o Eglise romaine. toi que j ai appelée la prostituée de Babylone, il faudra done qu'un jour je me jette dans tos Itras et te proclame ma more? O Pontife romain, toi que j'ai appelé 1' Antichrist, il faudra done qu'un jour je me jette a tes pieds? II faudra. o Eglise (1 Angloterre, toi qui rn'as élevé sur ton sein, il faudra que je

B

ocr page 36

34

Hier, om te beginnen, heb ik het Nieuwe Testament en uit de vele daar vermelde wonderen, lees ik u volgens de vertaling van den Statenbijbel de genezing van een blinde voor.

„En voorbijgaande zag hij eenen mensch, blind van de geboorte afquot;. En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Ivabbi 1 wie beefr er gezondigd, deze of zijne ouders, dat bij blind zou geboren worden? Jezus antwoordde: Xoch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; maav dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. Ik moet werken do werken desgenen, die mij gezonden heeft, zoo lang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan. Zoo lang ik in de wereld ben, zoo ben ik het licht der wereld.

Dit gezegd hebbende, spoog hij op de aarde en maakte slijk uit dat speeksel en streek dat slijk op de oogen des blinden en zeide tot hem: Ga heen, wasch u in het badwater Silóam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wiesch zich en kwam ziende.

De geburen dan en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde-'

t'abandonne? Oui, il Ie faut, ear senle 1'Eglise roniaine pent donner a ui on intelligence la vérité et a mon a me le sal ut.

Au moment «le couclure, AF, de Pressensé a ajouté. avec un profond accent de sincérité:

gt;iDe toutes parts, dans notre protestantisme, s'ólève un mème cri ; De la franchise, plus de franchise. On étudie, on arrive a des conclusions. a iles convictions personnelles que Tot» n'ose livrer an public. .Vaurai avec vous plus de franchise. La critique et la science moderne out ébranlé les fondements historiques de la foi chrétienne; on voit des contradictions entre la raison et la foi; on ne vent plus de dogmes, rnais une simple morale, et Ton ne sait sur quelle base l'asseoir. Le protestantisme reposait sur deux principes; l'inspiration divine de la Bible et la Justification par la foi a Jésus Sauveur. Chaque mot des Livres Saints était la parole de Dieu, et le Christ Sauveur était cr i en toutc vérité le Fils Eternel de Dieu, fait homme. Mais aujourd hui. qu a fait le protestantisme de ces deux fondements ? L'inspiration divine des Saints Livres, qui Vadmot encoie?

ocr page 37

Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.

Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend? Hij antwoordde en zeide: De mensch, genaamd Jezus, maakte slijk en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij: (ia heen aan hot badwater Siloam en wasch n. En ik ging heen en wiesch mij en werd ziende. Zij dan zeiden tot hem: Waar is dier* Hij zeide: Ik weet het niet.

Zij brachten hem tot de Farizeën, hem namelijk, die te voren blind geweest was. En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte en zijne oogen opende. De Farizeën dan vraagden hem ook wederom hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mjjno oogen, en ik wiesch mij en ik zie. Sommigen dan uit de Farizeën zeiden: Deze mensch is van God niet, want hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mensch, die een zondaar is,

))Qui refuserait aujounl hui de signer des deux mains la déclaration d'Edniorul Scliérer, a Genève, niant eet.te inspiration de TEcriture SaitUe. et sonlevant. il y a quelqnes années seulernent, de si vives protestations?

»Le Christ est-il encore cru et prèché comrne Dien réel, incréé et consubstantiel a son Père? II nest plus qu'un ètre purement hmnain: su divinité- si Ton garde encore cette expi-ession. n'est plus que la sainteté et la perfection morale. 11 ne reste plus pour guide aux ames protestantes que la conscience individuelle: de la un émiettement qui va saus cesse grandissant et qui n'a plus de raison pour s'arrèter.

wLn |»résence de ce spectacle, on se dernande si la véritc, si la vie snrnaturelle ne sont pas plus en süreté dans le catholicisme, si l'indi-vidualisrne protestant a le pouvoir «le résoudre les questions sociales. I.es ames religieuses veulent un dogme. une autorité, la certitude: or. ne sont-elles pas poussees ;i les demander a FEglise romaine, qui leur donne sou Credo invariable et semble avoir la clef des problèmes sociaux de notre époque. Ce que la conscience des Newman et des Manning a accepté, qui, a priori, pourrait le declarer faux ? Lorsque nous voyons dfs hommes d une si giande piété et d'une telle science se jeter dans les bras de l'Eglise romaine. qui oserait les blamer?.... Qui pourrait s étonner si d autres les suivent ? (^ni s:ut si le besoin legitime d'auto-rité et de croyances positives n'entrainera pas un certain nombre d ames n la suito de Newman et ile Manning? les consciences protestantes sont dans langoisse; n avant plus rien dans le présent, elles sont obligees de vivre du passé par les souvenirs.quot;

ocr page 38

36

zulke teekenen doen? En er was tweedracht onder hen.

Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat ze^'t o-ij van hem. dewijl hij uwe oogen geopend heeft? En hij zeidc: Hij is een profeet!

De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was on ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was. Ru zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?

Zijne ouders antwoordden hun on zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is • en dat hij blind geboren is; maar hoe hjj nu ziet, weten wijniet; hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zeiven: hij zal van zichzelven spreken. Dit zeiden zijne ouders, omdat zij de Joden vreesden: want de Joden hadden aireede te zamen een besluit gemaakt, zoo iemand hem beleed de Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden. Daarom zeiden zijne ouders: Hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zeiven.

Zij dan riepen voor de tweede maal den mensch, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten dat deze mensch een zondaar is. Hjj dan antwoordde en zeide: üf hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.

En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft hij u gedaan? Hoe heeft hjj uwe oogen geopend? Hij antwoordde hun; Ik heb het u aireede gezegd, en gij hebt het niet gehoord: wat wilt gij het wederom hooren? wilt gijlieden ook zijne discipelen worden ?

Zij gaven hem dan scheldwoorden eu zeiden: Gij zijtziju discipel, maar wij zijn discipelen van Mozes. Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar dezen weten wij niet, van waar hij is.

De mensch antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers

ocr page 39

wat wonders, dat gij niet weet, van waar In] is, en noch tan. lieeft hij mijne oogen geopend. En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is en zijnen wil doet, dien hoort Hij. Van alle eeuwe is liet niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heefr. Indien deze van God niet ware, hij zou niets kunnen doen.

Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren en leert gij ons? En zij wierpen hem nir.

Jezus, hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden en hem vindende, zeide hij tot hom; Gelooft gij in den Zoon van God? Hij antwoordde en zeide: Wie is hij, lleere! opdat ik in hem moge gelooven ? En Jezus zeide tot hem: En gij hebt hem gezien en die met u spreekt, dezelve is het. En hij zeide: ik geloof, Heere! En hij aanbad hemquot; ').

Pred.: Welnu, mijnheer Salomon, wat zegt gij van dit verhaal ?

R a b.: Als de zaak bewezen was, dan stonden wij voor een wonder.

Pred.: En waarom zou dit verhaal niet waar zijn?

Rab.: Omdat het; Evangelie van Joannes langen tijd na het gebeurde geschreven is.

L' r e d. : In alle geval werd het door een ooggetuige te boek gesteld.

Rab.: Het zou nog te betwijfelen zijn of het werkelijk van Joannes afkomstig is.

P r e d.: Alsof dat niet; sinds eeuwen vaststaat; daarenboven diende dan ook nog bewezen te worden, dat de boeken van .Mozes door Mozes geschreven zijn. Dat belet u echter niet aan de wonderen van Mozes te gelooven.

Red.: Ik van mijn kant geloof aan Mozes noch aan Joannes, en daarom stoor ik mij niet aan dat wonderverhaal.

') Joh. 0, 1—38.

ocr page 40

En zelfs al zou de vertelling waar zijn, die plotselinge genezing kan door suggestie of zenuwprikkeling verklaard worden.

Dr. N.: A la Dr. Paul us, niet waar? Vermoedelijk had dan ook de visch het muntstuk in den bek door middel van zenuwprikkeling! Denkelijk geraakten ook die vijf brooden en twee visschen in zulk een opgewonden zenuwachtigen toestand, dat zjj opzwollen en zoo voldoende waren om vijfduizend mannen en talrijke vrouwen en kinderen te verzadigen ! Maar voor die wonderen zal men wel weer een anderen uitleg vinden. De dolste veronderstellingen zijn niet dol genoeg, wanneer men vooropzet, dat wonderen onmogelijk of zelfs zeer onwaarschijnlijk zijn.

Red. In alle geval diende toch eerst de geloofwaardigheid der Evangelisten gestaafd te worden.

Dr. N.: Wilt gij dc geloofwaardigheid der Evangelisten aanranden, mijnheer, werp dan. als je blieft, de geloofwaardigheid van alle oude schrijvers: Tacitus, ïhucydides enz. enz. overboord. Geen enkele van alle classieken is zoo geloofwaardig als onze vier Evangelisten. De machtelooze pogingen, die wij in Fransche, Duitsche, Engelsche en Xe-derlandsche tijdschriften zien aangewend om de geloofwaardigheid van de schrijvers der Evangeliën in verdenking te brengen of te niet te doen, — de tegenstrijdigheid, die wij in zoo menige bijdrage van moderne geleerden ontmoeten '), het dooreenhaspelen van waarheid, verdichting en phantas-magorieën eener ziekelijke verbeelding, „verminking en verscheuïing van den tekst ter wille van moderne liefhebberijquot;, — het feit, dat de eene hooggeleerde liet kaartenhuis van den anderen met den min of meer krachtigen ademtocht

') o. a. Dr. A. v. Manen: Paulas, De Ifandelimjen dar Apostelen, «iie dooi* Prof. Schets zoo «Iegelijk werd weerlegd ïn De Katholiek 1801.

ocr page 41

39

Viin zijn geest omverblaast en dan met dezelfde kaarten een eigen huis opbouwt, totdat dit straks weer omvalt door den stoot van een derden Evangelie-slooper, zie dat alles reeds zou mijne overtuiging omtrent de geloofwaardigheid der gewijde schrijvers eer bevestigen dan schokken.

De een redeneert aldus: „De Evangelische verhalen zijn vol wonderen; wonderen zijn onmogelijk; ergo de Evangelisten zijn of schandelijke bedriegers of onnoozele bedrogenen geweest; het is niet de moeite waard langer met hen ons bezig te houden; geschiedenis kunnen wij er in geen geval uit leerenquot; ').

Een ander antwoordt: ,,Do Evangelisten waren eerlijke en verstandige racnschen; de zoodanigen kunnen geen wonderen (= ongerijmdheden) verhalen; ergo de Evangelisten verhalen geen wonderen.quot; 2).

Xieuweren zeggen alweer: „De Evangelisten zijn noch onnoozel noch oneerlijk te noemen, en toch verhalen zij wel degelijk wonderen; zoowel liet een als het ander is met de meeste zekerheid nit hunne schriften te bewijzen 3), dus .... het geloof der Evangelisten aan de realiteit van di ngen. die w ij niet kunnen a a n nemen dat g e-s c h i e d z ij n , is zelf een probleem, dat wij moeten trachten te verklaren uit algemeene waarheden, die geschiedenis en psychologie ons aan de hand doenquot; ').

En nu zie ik bijv. Prof. Lom an, v. Manen, Tic le enz. vergrijzen bij hunne boeken om dat probleem op te lossen. Hunne noeste vlijt bleef nog onbeloond, maar hot nageslacht zal met dankbaarheid hun werk voortzetten, en

J) De (xiils, '186*2, 1. -) iouiem.

:i) ibidem.

ibidem.

ocr page 42

40

eindelijk zal het licht schijnen in de stikdonkere duisternis, het licht der Duitsche en Nederlandsche wetenschap!

Xog oj) één punt, mijnheer, wil ik uwe aandacht vestigen; ik kan hier geen breede bewijzen opzetten; liet zon ons te ver voeren. Volgens u kan geen enkel wonder geschied zijn. Niet alleen do genezing van dien blinde, maar ook alle opwekkingen van dooden enz., zelfs de Verrijzenis en Hemelvaart van Christus verwerpt gij. Indien dit alles verdichting moet heeten of' zeker niet als wonder geschied was, dan zweefde geheel het Christendom in de lucht, had zich nooit zóó uitbreiden en millioenen van martelaren kunnen tellen, die voor quot;t geloof aan wonderen het leven lieten. Do wonderen van 't Evangelie zijn de volstrekt noodzakelijke vooronderstelling, de grondslagen waarop het Christendom werkelijk staat; denk die wonderen weg en de invoering van 't Christendom ware een onmogelijkheid geweest. Zoo waarachtig derhalve het Christendom voor aller oogen leeft, zoo waarachtig zijn die wonderen. Aan het werkelijk bestaan van 't Christendom ontleenen de wonderen van 't Evangelie een afdoend bewijs, dat zij metterdaad bestaan, en aangaande het wonder van 's Heeren opstanding, beweert Prof. Prins te recht, „dat zonder het aannemen van zulk een feit de vestiging van de Christelijke kerk op aarde een onverklaarbaar raadsel is.quot; ')

Red.: Laat dat alles maar rusten! Haal liever een wonder aan uit den laatsten tijd! Gij beweert liet te kunnen.

D r. N.: Ik lees u eenige bladzijden voor uit het merkwaardig boek van Dr. Boissarie: Lourdes, histoire niédicale, dat in 1891 de vijfde uitgave beleefde.

r

Pred.: Ik dacht wel, dat Lourdes weer te berde zou gebracht worden.

') De Gifls -18G2, 1, blz. 350

ocr page 43

41

Dr. N.: Geduld, mijnhcei', en gij zult zien, dat ik daartoe recht heb.

Vooreerst maak ik i op de omstandigheid opmerkzaam, dat de schrijver van dir werk een geneesheer is, die bijna vijf jaren de feiten van nabij heeft gezien en beweren durfr, dat talrijke geneesheeren daar ter plaatse genezingen aanschouwden, waarvoor niemand eene wetenschappelijke verklaring kon geven.

Vervolgens moogt gij niet vergeten, dat de geleerden der Salpétrière et van Nancy eindelijk begrepen hebben onmogelijk die genezingen te kunnen loochenen,

(Jok is het goed u door Dr. Boissarie te laten inlichten, dat driehonderd geneesheeren de genezingen van Lourdes bekrachtigen; die geneesheeren worden met naam en toenaam genoemd.

Gelieve ook in 't oog te houden, dat het geene genezingen zijn van dezelfde soort van ziekten. Men vindt er van ooglid-ontsteking, lymphatische wonden, verlammingen, gezwellen, waterzucht, zwarte en groene staar, aderspat, ziekte van 't mergbeen, doofstomheid, gewrichtsziekte, heuppijn, beeneter, kropgezwel, volslagen blindheid, borsttering in de laatste stadie enz. enz.

En thans lees ik, om den predikant daarmee te pleizie-ren, uit Boissarie liet wonderverhaal eener genezing voor, die niet eens te Lourdes zelf plaats had, maar te Oostacker in België, waar men ter eere van Maria een grot van Lourdes heeft opgericht.

Peter de Rudder, den 2 Juli 1838 te Jabbeke in Oost-Vlaanderen geboren, was als arbeider in dienst bij M. de Bus do Gisignies. Den 16 Februari 1867 trof hij op weg naar huis de zonen van Jean Knockaert, die bezig waren met houthakken. Peter zette den voet op een dwars liggenden boom, toen eensklaps een tweede

ocr page 44

42

op ilen eersten viel en het been van den arbeider brak op negen centimeter beneden do knie. Onder de vreeseljjkste smarten werd de ongelukkige naar zijne woning gedragen.

Dr. Affenaer, geneesheer van Oudenberg, zette het been en legde een verband. Vijf weken later vertoonde zich een groote wonde op den voet; er openbaarde zich verettering. Dr. Affenaer verklaarde onmachtig te zijn liet euvel te stuiten. Peter wendde zich toen tot 13r. Jacques te Brugge en later tot Dr. Verriert, geneesheer in dezelfde stad. Deze slaagden evenmin als Dr. Affenaer. Drie andere genecsheeren van Stabille, Varsena en Brussel waren niet gelukkiger. De arme lijder was na schrikkelijke pijnigingen verduurd te hebben, genoodzaakt een jaar lang liet bed te houden. Eindelijk herstelde hij zoover, dat hij met behulp van twee krukken kon voortstrompelen. Deze toestand duurde acht jaar en twee maanden.

Van kindsbeen aan was Peter vroom en godsdienstig. Zijn vertrouwen op de H. Maagd Maria kende geen grenzen. Toen hij over de wonderen hoorde spreken, die te Lourdes-Oostacker geschiedden, werd zijn vertrouwen nog versterkt. „Kon ik maar ter bedevaart naar Oostacker gaan.quot; zeide hij I „Ik koester de vaste hoop door Maria mijne genezing te verwerven.quot;

Doch hoe die reis te doen? Het onderdeel van 't been hield maar zwakjes aan het bovendeel; de voet was in alle richtingen beweegbaar; de hiel kon lot aan de hoogte dei-knie gebracht worden. De twee uiteinden van 't gebroken been waren drie centimeter van elkander verwijderd, wat men door 't vleesch heen duidelijk zien kon. Een groote en diepe wonde etterde aanhoudend.

Peter vestigde al zijn hoop op de H. Maagd van Lourdes en bereidde zich door vurige gebeden tot de pijnlijke bedevaart.

Ondersteund door zijne vrouw sleept hij zich den T'Ipu

ocr page 45

43

April 1875 up zijne krukken voort naar het station van Jabbeke, een half uur van zijn woning gelegen. Drie lange uren heeft hij noodig om dien afstand af te leggen. Drie mannen heffen hem in den waggon, die hem naar Gent brengt. Daar helpt men hem met moeite in een tram, vervolgens in de omnibus van Saint-Amand, die hem eindelijk op den weg van Lourdes-Oostacker nederzet.

Do arme kreupele bevindt zich nu in de laan, waardoor de bedevaartgangers trekken onder het bidden van den rozenkrans. Uitgeput van vermoeienis en pijnen, strompelt hij geholpen door zijne vrouw, op zijne krukken naar de verlangde grot. Eindelijk is hij or, maar bij gebrek aan krachten, zet hij zich neer op een bank. Hij heeft een brandenden dorst; op zijn verlangen reikt men hem een teug water uit de bron; dat verkwikt hem een weinig.

De andere pelgrims bestijgen volgens gewoonte driemaal achtereen den heuvel. Ook Peter wil dit doen, neemt zijne krukken op en komt met veel moeite tot voor het wonderbeeld, waar hij plaats neemt op een tweede bank.

Met een bewogen hart begint hij vurig te bidden, vraagt God om vergeving voor alle zonden zijns levens, werpt dan •i een blik vol vertrouwen en liefde op liet beeld der H. Maagd

en smeekt de Koningin des Hemels hem de gezondheid te hergeven om in staat te zijn voor zijne kinderen en hunne moeder het dagelijksch brood te verdienen.

Terwijl hij zoo uit de diepte zijner ziel bad, voelt hij een zonderlinge beweging in geheel zijn wezen. Buiten zichzelven, staat hij zonder de hulp zijner krukken op, gaat tusschen de banken door en zinkt voor het beeld der bloeder Gods op de knieën ....

Na eenige minuten van overdenking en gebed keert hij tot het werkelijke leven terug en bemerkt met verbazing, dat hij zijne krukken mist en op de knieën ligt. „Mijn

ocr page 46

44

God!quot; roept hij, „waar ben ik dan?quot; Daarna vestigt hij vol dankbaarheid en liefde de oogen op de H. Maagd en zegt: „O, Maria! zie, hier ben ik voor uw liefelijk beeld ... Dank, dank!quot;....

Daarna zijne krukken ziende, staat hij op en legt ze tegen de rots der grot ....

Zijne vrouw was een bezwijming nabij; de omstanders weenden van ontroering. Peter echter hoorde noch zag iets van hetgeen er rondom hem gebeurde. In zijn dankgebed verzonken volbracht hij de drie omgangen der bedevaart.

Het gelukt eindeljjk hem van de grot naar het kasteel van Courtebourne te geleiden. Daar overtuigde men zich van de volkomen genezing van het been. De twee ge-scheidene stukken waren vereenigd, en de wonde plotseling verdwenen; alleen een lichte blauwe vlek toonde de plaats der vroegere beenbreuk.

Te Jabbeke teruggekomen, begaf Peter zich eerst naar de kerk om God, den Gever alles goeds, te danken. Daarna keerde hij naar zijne arme hut terug, waar de tijding zijner genezing hem was vooruitgesneld. Zijne dochter Silvia viel hem snikkend om den hals. Het brave meisje had reeds in den vroegen morgen kaarsen opgestoken bij 't beeld van Maria. De kleine August herkende zijn vader niet, daar hij dezen nooit zonder krukken had gezien.

Dr. Affenaer schoten de oogen vol tranen, toen hij het been onderzocht. — „Gij zijt volkomen genezen!quot; riep hij uit; „uw been is gaaf als dat van een kind. Alle mensche-lijke heelmiddelen waren krachteloos, maar wat de geneesheer niet kan, Maria kan het.quot;

Elke week bezoekt de vrome arbeider de zegenrijke ffrot

~ iJ ~

en brengt daar uren door in dankgebeden.

De mare van deze wonderbare genezing verbreidde zich

ocr page 47

45

overal. De wetenschap kwam in opschudding: twee en twintig geneesheereu. onder wie een uit Parijs, brachten een bezoek aan Poter de Rudder ') en overtuigden zicli van liet wondervol fein.

Wat dunkt u van cit verhaal, mijnheer?

Red.: „'tls een lastig geval.quot;

Dr. N.: ü r. Boissarie zegt het volgende; „Een beenbreuk, die van acht jaren dagteekent, alle pogingen der wetenschap trotseert en waarvan de uiteinden der deelen drie centimeter van elkaar blijven en naar alle richtingen bewegelijk zijn, een beenbreuk van dien aard kan op geen natuurlijke wijze in één oogenblik geheeld worden. Een dergelijke genezing is nog veel merkwaardiger dan die van kanker en tuberkels; minstens is zij veel gemakkelijker te erkennen en loopt meer in 'toog.quot;

Xog eens; wat zegt hij daarvan, mijnheer?

Red.: Als deze geschiedenis waar is, dan moest ik ophouden liberaal te zijn en een pikzwarte ültramontaan worden !

Pr ed.: „Dit verhaal waar zijn?! 'tls een godslastering re denken, dat God de afgodische .Maria-vereering met wonderen zou bekrachtigen !

Dr. N.: Mij dunkt, Dominee, dat wij ons oordeel naaide feiten moesten regelen, niet de feiten naar onze vóór-oordeelen schikken.

Pred : Wat bedoelt gij daarmee?

Dr. N.: Dat wij uit de feiten, die voorhanden zijn, het besluit moeten trekken: de Maria-vereering kan bezwaarlijk afgoderij heeten, en dat wij niet omgekeerd uit het vóóroordeel aangaande de Maria-vereering ons moeten laten

') Dr. IJoissarie oièine edit. 1891, p. 194—198.

ocr page 48

4fi

verleiden, feiten te loochenen, die nief geloochend kunnen worden.

Pr cd.: Niet geloochend kunnen worden? Wie stelt zich borg voor de waarheid uwer vertelling?

ü r. X.; De geheele bevolking eener streek en tnli-ijke geneesheeren.

Pred.: Daaronder kan wel een dwaling of' misverstand schuilen.

Dr. X.: Welke? Heeft er wellicht geen beenbreuk plaats gehad? Was er geen wonde of is liet been niet eensklaps genezen? Of hebben alle ooggetuigen en ook Peter de Rudder zich vergist, zoodat gjj met Lom au zegt: „Wij weten, dat de indruk op onze retina of op ons trommelvlies, die bij ons teweegbrengt, dat wij de gewaarwordingen van zien en hooren verkrijgen, op zichzelf niet eens voldoende is om te bewijzen dat er iets buiten on* aanwezig is, waardoor die gewaarwording ontstond ?quot; 1).

Daarenboven dit feit staat niet alleen. In het boek van Boissarie vindt gij honderden wonderbare genezingen opgeteekend en bekrachtigd.

Pred.: Dan staat mijn verstand stil!

Dr. N.: Dat spijt mij van harte; het mijne niet.

Pred.: Ik zou nog eerder gelooven aan de wonderen door den H. Rok van Trier, dan aan die zwendelarij van Maria-wonderen.

Dr. X.: In alle geval handelt gij zeer goed ook deze feiten te onderzoeken, alvorens zo te verwerpen.

Red.: Feiten onderzoeken! — ja zeker, daarop komt alles neer. Gij zult nochtans, dokter, niet van ons vergen, dat wij onze geheele levenswijsbegeerte inrichten en regelen

') De Gids, -186-2 1. Mz. 338.

ocr page 49

47

naar zulk een op zichzelf staand feit, als dat van die plotselinge genezing van Peter de Rudder.

Dr. X.: „Een op zichzelf staand feit?quot; Ik kan honderden dergelijke feiten aanhalen. Als 'f u niet verveelt, zal ik u 4er nog een paar voorlezen:

Dr. Gragniard van Avallon legt in de Reine de VYonne het volgend getuigenis af omtrent de genezing eener dame:

„Ik heb juffrouw O har rr on vijf of jaren naar ik meen onder behandeling gehad wegens eene ernstige aandoening der wervelkolom. Ter oorzake van een verweekingsproces en de daarmee samengaande verzakking van de doelen der ruggegraat ontstond een ernstig gezwel, waarin zich aldra verettering voordeed. Dit alles werd bevestigd door Né la-ton, Piorry en Bouvier. Door gebrek aan eetlust, algeheele vermagering, aanhoudende koorts, slapeloosheid was de zieke den dood nabij. Door twee personen meer gedragen dan ondersteund, aanvaardt Léonie Chartron do reis naar Lourdes in gezelschap van een eerbiedwaar-digen priester, haar oom. nu onlangs in geur van heiligheid te Lormes gestorven. Jsaar best vermogen helpt men haar in het rijtuig, in den coupé, in den slaapwaggon. Te Lourdes wordt zij naar den bad vijver gebracht; zij gaat er in, treedt er genezen uit en wandelt licht en vroolijk heen en weer zonder iemands hulp. Haar gezwel was oogenblikkelijk verdwenen.

Sinds dien tijd is hare gezondheid altijd uitstekend geweest.

Ik ging een half uur met haar wandelen en was daarna meer vermoeid dan zij. Laat nu een knap geneesheer een dergelijke genezing eens verklaren; ik heb velen mijner ambtgenooten daartoe aangespoord; zij wisten geen verklaring te geven.quot; Dr. Boissnrie vervolgt: „Uitlegging

ocr page 50

48

overbodig! Een kwaal van Pott ') d. w. z. een beeneter in de wervels met verzakking van de ruggegraat, die van zeven of acht jaren dagteekent, kan onmogelijk zonder eenig merkbaar spoor na te laten, in één oogwenk genezen. Mee het volste recht besluit Dr. Gagniard, dat dit geval volstrekt onverklaarbaar is. Om het in zijn volle licht te plaatsen, moeten wij Mej. Léonie Chartron zelve laten spreken en het beslissend wetenschappelijk oordeel van haren geneesheer, Dr. Gagniard mededeelen.

Mej. Chartron verhaalt ons:

„Tot aan het jaar 1866, waarin ik den leeftijd van dertig-jaren bereikte, ben ik nooit ziek geweest. Xa eenige weken van onpasselijkheid, die ik niet kan verklaren, kreeg ik een lichten aanval van koorts. De ademhaling werd moei-lijk, mijne voeten weigerden hun dienst; ik kon mij niet bewegen zonder pijn en moest het bed houden. Ik ontbood toen Dr. Edmy Gagniard van Avallon, die na een nauwkeurig onderzoek „een knakquot; waarnam „van de wervelbeenderen,quot; duidelijker: eene der ernstigste aandoeningen der wervelkolom, waaraan de geueesheeren den naam geven van: ziekte van Pott.

Hij schreef een strenge kuur voor en zond mij naar de zilte baden van Salies, maar zonder goed gevolg. Ik keerde nog twee jaren achtereen naar die plaats terug, doch de uitkomst bleet dezelfde. Toen ging ik de zeelucht inademen, waarvan men mij den krachtdadigen invloed geprezen had. Ik liet mij naar Parijs brengen en door de corypheeën dei-wetenschap behandelen. Xélaton, Piorry, Bouvier waren eenstemming omtrent het ernstige van mijn toestand en rieden mij opnieuw het steunkorset, de bijvoetwol, de aanstrijking met jodium, de brand- of bijtmiddelen. Drie

) Percival Pott. gob. te Londen 1713 -J- 1788, lieroeniil heelmeester.

ocr page 51

49

jaar lang verduurde ik al die pijnigingen, totdat met den besten wil mijn arme gekwelde, verbrande rug deze al te krachtdadige geneeswijzen niet meer verdragen kon.

Ik werd steeds zwakker en magerder.quot;

Geen genezing meer hopende van natuurlijke hulp, besloot de zieke bovennatuurlijke te zoeken en reisde naar Lourdes. Zij schrijft verder:

„Het was een moeilijke onderneming. Op een kruk onder een arm eu met de andere hand op een stok leunend, vermocht ik maar eenige schreden te doen, en toch moest ik een reis aanvaarden van meer dan duizend kilometer, waarvan ik tachtig in een rijtuig had af te leggen om van Lormes te Ne vers te komen, waar de spoortrein mij verder zou brengen. . . . Om het even, de zegenrijke hand van Maria wenkte mij, de zoete stem dier moeder ruischte in mijne ooren. . . . Onder de zegenwenschen van vrienden en bekenden, die dit vaarwel als 't laatste beschouwden, ging ik den 12i;lequot; Juli 1869 op reis.... Maandagavond, 19 Juli, kwam ik fe Lourdes.

üen volgenden morgen reed ik in een rijtuig naar de kapel tor bijwoning van de H. .Mis en keerde niet al te vermoeid terug. Woensdag ging ik na 't ontvangen der H. Communie zeer behoedzaam in het badwater, dat reeds van zoovele wonderen getuige was. Nauwelijks had mijn voet den bodem geraakt, toeïi ik tot groote verbazing mijner tante, die nooit van mijne zijde week, mij zonder eenig toedoen van mijn kant buiten het water bevond. Hoe de zaak zich toedroeg, blijft mij een raadsel. Het ijskoude water hinderde mij niets; wat dit beteekent, begrijpt alleen degene, die zelf in die badkoni afdaalde. Ik was genezen.

Mijn gang, ofschoon nog voorzichtig, was vrij en lichf. Den volgenden dag woonde ik tot dankzegging do II. Mis bij eu reisde Maandag 20 Juli, het hart vol vreugde en

ocr page 52

50

dankbaarheid, naar Lormes. waar iedereen, die mij zag. over mijn gemakkelijken gang verbaasd stond.

Mijn goede oude dokter, door mij ontboden en op den drempel mijner woning ontvangen, kon zijne oogen nier gelooven. Maar toen hij zich van mjjne volkomene genezing overtuigd had, zeide hij op vasten, beslisten toon;

„quot;Wanneer zulk een gevaarlijke met een zwak gestel verbonden ziekte, zooals de uwe, de gestadigste verzorging zoowel als de pogingen van de hoofden der wetenschap trotseerend, van dag tot dag verergert en het kwaadaardigst karakter vertoont en dan op zekeren dag plotseling en eenvoudig door indompeling van één seconde in het ijskoude water geheel en al verdwijnt, zoo blijft ons niets over dan met Ambroise Paré te zeggen: „God heeft haar genezenquot;, en ik moet er bijvoegen: „door een wonder.'

Sinds dien gezegenden dag zijn twee jaren verloopen zonder dat ik iets van mijne oude krankheid heb gevoeld. Ik ben wel is waar, evenmin als vroeger van een ijzeren natuur, maar het gezwel is verdwenen en daarmee heel mijn kwaal. Ik kan loepen, trappen op- en afgaan, den berg bestijgen op wiens kruin onze kerk ligt, mij bukken en wederom oprichten zonder pijn, wat mij in mijn vreeselijke ziekte gedurende drie jaren onmogelijk was.

Léonie Chartron.quot;

Dr. Gagniard vat zijn indrukken aangaande de genezing van deze dame volgenderwijze samen:

Avallon, 15 December 1872.

Mevrouw!

De plotselinge, oogenblikkelijke genezing van Mej. Chartron te Lourdes is zonder eenigen twijfel wonderbaar en zoo geloofwaardig als iets ter wereld.

Gij moogt vrij de bekwaamste, kundigste en meest ervaren

ocr page 53

51

geneesheeren uitdagen, één voorbeeld aan te wijzen, waarbij buiten eenige geneeskundige behandeling de genezing intrad eener ruggegraaisverlamming in de laatste stadie, vergezeld van koorts, uittering en verettering van zes wervels. Zij zullen geen enkel dergelijk geval uit de gezamenljjke oor-kondeu der geneeskunde kunnen aanhalen.

Hoogachtend,

E. Gaguiard, Sen. Di1. Med. ').

Een ander geval: „ i) r. Ma sur el uit kille verhaalt de genezing van eeue zes-en-twintigjarige weeze, die sedert vijftien jaar het gebruik barer ledematen miste.

„Professor Pa rise geraadpleegd verklaarde de kwaal volstrekt ongeneeslijk. Inderdaad, armen en beenen waren door de Engelsche ziekte zeisvormig gekromd, de gewrichten overmatig gezwollen en bovendien was lier rechterbeen tien centimeter korter dan het andere.

En zie ! In één oogenblik, nadat de ongelukkige het water van Lourdes gedronken en een „ Wees r/eyroetquot; gebeden had, hernamen de ledematen hun vroegeren behoorlijken vorm, rekte het rechterbeen acht centimeter uit en kregen de knieën haren gewonen omvang.

Het meisje kon voor de eerste maal na vijftien jaren loepenquot; 2).

D r. B o i s s a r i e schrijft:

Bij de groote nationale bedevaart van 1887 hadden wij gelegenheid een elfjarig kind te zien, dat nagenoeg stekeblind was. Het linkeroog nam geen enkelen lichtstraal waar, en het rechter kon met moeite dag en nacht onderkennen.

') Boissarie, p. 167—171.

■) Hoissarie p. 17.quot;.

ocr page 54

52

Men moest het kind bij de hand leiden en liet eten in den mond geven.

Deze toestand duurde twee jaren. De moeder, die het kind tot ons bracht, verhaalde ons dat zij er vijf, deels bij hunne geboorte, deels in hun vroegsten leeftijd had verloren. De vader was in liet krankzinnigengesticht. Het eenige kind. dat haar overbleef, kon niet zien.

Het hoornvlies van beide oogen was niet doorschijnend meer en vertoonde dat gespikkelde, rimpelige, doffe, waaraan men de verspreide hoornvlies-ontsteking herkent; deze openbaarde zich als in marmeren vlekken. I it al die verschijnselen kon men met zekerheid de soortgelijke natuur der ziekte opmaken.

Bij het verlaten van 't bad kreeg de blinde eensklaps het gezicht terug. Alle omstanders bevestigden het feit en eene talrijke menigte vergezelde het kind naar de geneeskundige commissie.

Niet alleen kan het kind zelf den weg vinden, ook de kleinste voorwerpen en de beweging van een secondemvijzer onderscheidt het. Onderzoekt men de oogen met een loupe dan bemerkt men, dat het hoornvlies zijn glans en doorschijnendheid heeft herkregen. Hier en daar is nog een licht vlekje en wolkje overgebleven; maar het grootste gedeelte van 't hoornvlies is vrij. Het licht dringt tot in de diepte van 't o^g.

„Kan een verspreide hoornvlies-ontsteking,quot; zegt Dr. Boissarie '), „door een arbeid van langzame inzuiging na maanden en jaren genezen, nooit geneest zij oogen-blikkelijk.quot;

Een ander geval:

Den Augustus 1890 werd Francois Vion-Dury

1) Boissairie, p. 371—37*2,

ocr page 55

56

genezen van een afscheiding van 't netvlies aan beide oogen, die hem sinds zeven jaren stekeblind had gemaakt.

De genezene beschrijft zijn leed en herstel zoo nauwkeurig en volledig, dat de pen eens geneesheers moeilijk een vol-komener en overtuigender verhaal zou kunnen samenstellen : „Tegen half November 1882 moest ik van zes uur in den avond deel uitmaken van de rondgaande militaire wacht. Er viel een plasregen, zoodat mijne kameraden en ik druipnat waren. Tegen middernacht ontstond er brand in het café van 't raadhuis. Wij kregen bevel te helpen blusschen. Op de bovenste verdieping bevonden zich vier personen, die, koste wat het wil, moesten gered worden. Wij waren gelukkig genoeg hen aan 't gevaar te ontrukken. Bij het openen eener deur sloeg mij een groote vlam recht in 't gelaat. Van dat oogenblik ging mijn gezichtsvermogen zoo achteruit, dat ik na drie maanden niets meer zien kon. Men wendde in het hospitaal te Dyon alle pogingen ter genezing aan, doch vergeefs. Men constateerde de afscheiding van ?t netvlies der beide oogen en zond mij den 24sten Jfei ]883 naar mijne familie met eene toelage van 180 franken. Iedereen beklaagde mijn droevig lot. Te Bourg en Belley moest ik veel moeite doen om een ruimere jaarwedde te bekomen in plaats van eenvoudige, telkens vernieuwde gewone toelagen.

Den U'10quot; Juli 1884 ontving ik een jaarwedde van 600 franken en mijn ontslag uit den dienst. Weldra werd ik aangespoord pogingen in 't werk te stellen, ten einde verhooging van jaargeld te krijgen. Tot dit doel gaf mij D r. Dor het volgende schriftelijk getuigenis:

„Ik, ondergeteekende, med. Dr., woonachtig te Lyon, 2, Quai de la Charité, verklaar dat de buiten dienst gestelde soldaat Francois Vion-Dury van Lallev-riat (kanton iSantua, Ain) aan een afscheiding van liet netvlies dor beide oogen lijdt. Hoewel op 't linkeroog

ocr page 56

54

geen afscheiding van het netvlies opnieuw heeft plaats gehad, kan dit oog toch geen dag van nacht onderscheiden. Mot het rechter vermag Vion-Dury ternauwernood op een afstand van •50 cm. de vijt \ingtis te tollen, is derhalve ongeschikt oenigen arbeid te verrichten en moet als volslagen blind en ongeneeslijk beschouwd worden.

Lyon, 16 Sept. 1884. Dr- ^or-

In Augustus van hetzelfde jaar ging ik naar Lausanne om Dr. .M. Du four, een beroemd oogarts, te raadplegen. Bij diens afwezigheid onderzocht mij zijn assistent M. A er-re t en verklaarde, dat er niets aan te doen was.

Tk vroeg nu opgenomen te worden in het gasthuis van Confort (bij Bellegarde, Ain). Daar kwam ik den Ifi-ien Juli 1890.

Twee of drie dagen na mijne aankomst zeide Zuster Louise mij: „Arme man, gij zijt nog veel te jong (30 jaren), om stekeblind te zijn. Indien gij vertrouwen hebt en de H. -Maagd hartelijk bemint, dan zoudt gij door hare tus-schenkomst minstens zoover genezen, dat gij alleen loopen kunt.

Eiken dag herhaalden Zuster Louise en vooral Zuster Martha dezelfde woorden. Deze laatste voegd,e er bij: „Luister, wij zullen de kinderen voor u laten bidden; het gebed van kinderen is vermogend. Ik zal u water van Lom-des geven; gij wascht daarmee driemaal uwe oogen, en, indien gij een groot vertrouwen hebt, zal de IL Maagd u genezen.quot; — Ik antwoordde als altijd; „Ik verdien het niet!

Toch begon ik een negendaagsche oefening, die Vrijdag den Isten Augustus eindigen moest. Dien dag voelde ik geen beterschap. Den volgenden morgen zei ik aan do Zuster: „Gij hebt mij van 't water van Lourdes gesproken; geet

ocr page 57

55

mij ecu weinig.quot; Eenige oogenblikken later kwam Zuster M a r t h a met een vol flesehje binnen. Zij plaatste het op «Ie tafel zeggende: „Franeois, hier staat het.quot; — „Maar, goede Zuster, hoe noet ik dat water gebruiken? Heb ik een linnen doekje noodig?'' — „Xoen. gij bevochtigt eenvoudig uw vinger en strijkt daarmede over uwe oogen.quot; — ; »jjEii wat moet ik daarbij bidden?quot;quot; — „O. L. Vrouw van

Lourdes of Maria onbevlekt ontvangen!quot; — „„Maar goede Zuster, gij moest eens weten, ik verdien het niet! ... Er gebeurt iets in mjj ... ik weet niet, wat ik heb . . . Ach, laat mij met rust!quot;quot;

Ik wierp mij van vermoeienis op mijn legerstede... nam het flesehje en wilde het weer nederzetten, maar mjjn hand hield het krampachtig op de tafel vast ... ik aarzelde . . . j* het was een onverklaarbare strijd: zou 't mogelijk zijn?...

lafaard, die gij zijt... de duivel moet toch niet altoos uw meester blijven?... Door eene zenuwachtige beweging brak ik de kurk; met moeite kreeg ik het andere stuk uit den hals.— „Zalige Chanel, ik ben te onwaardig, vraag gij voor mij aan de H. Maagd, dat ik weer helder zien mag.quot;

Driemaal doopte ik den wijsvinger van de rechterhand in liet water en streek driemaal zeer vlug over de oogen. Bij den laatsten keer voelde ik ecu hevige smart, alsof een mes door mijne beide oogen sneed ... De Zuster heeft zicb zeker vergist en mij ammoniak gegeven. Om mij te overtuigen bracht ik het flesehje aan do lippen; nauwelijks had ik een droppel geproefd of met de snelheid van een geweerschot herkreeg ik het gezichtsvermogen. Ik kon de gordijnen, de kruisramen enz. onderscheiden. - „Simon, Simon, ik zie! (zoo heette mijn naaste buurman) roep eens gauw de Zusters!quot; Een andere lijder, die nog niec te bed lag, liep toe en zeide: „Als gij werkelijk ziet, zeg mij dan hoe ik gekleed ben.quot; — „„Gij draagt een pak van tricot, een das

ocr page 58

56

en een hoed.quot;quot; — „Waarachtig, hij ziet!quot; Toen haastte hij zicii om de Zusters te roepen; deze kwamen ijlings loegeloopen.

Intussehen was ik opgestaan. De Zusters troffen mij leunend op mijn bed met het flesehje in de band. Jk riep:

„Is 't mogelijk! Kan 't waar zijn!... Mijn God! mijn God! eindelijk! ... O, 11. Maagd Maria, boe goed zgit gij ! . . . Ach, mijn arme moeder, gij bebt mij op 't hart gedrukt dit te doen. Hoe gelukkig zoudt gij wezen, als gij mij nu zaagt! Welk een geluk in dit buis te zijn gekomen!quot;..*. Ik wierp mij op de knieën en riep: „Bidt, bidt, Zusters!quot; en samen baden wij.

Ik herkende achtereenvolgens enkele aanwezenden aan de stem. Tot zuster Gabrielle zeide ik; „O, boe zijt gij gekleed! Gij draagt een witten sluier, zooals de Zusters van Dyon. — Zjjt gij dat, zuster Martha, naar uw gang te oordeel en, hield ik u voor veel jonger.quot; — „„Houd de lamp wat terzijde,quot;quot; sprak zuster Louise, „„het licht kon zijn oogen hinderen!quot;quot; — „Neen, neen, liet hindert mij niets.quot; Men reikte mij een boek; ik las eenige regels. — „Zuster Martha, bier bebt gij mijn bril '); ik heb hem niet meer noodig; breng hem naar de I pel, en laten wij er ook heengaan om God te danken.'

Zondagmorgen woonde ik om balt' zes de H. Mis bij en ontving de II. Communie .... .Va de dankzegging bief de Pastoor bet „Magnificatquot; aan.

Sedert dien tijd zie ik zoo goed als vóór twintig jaren. Zaterdag den 16f,en Augustus vergezelde ik den Pastoor naar Bourg. Aan 't station van ChatilIon-de-Michaille kon ik liet kruis van den berg van Montières lieel duidelijk

1) Hij droeg een bril niet om beter te zien, want hij was stekeblind, maar om tie oogen, die zeer gevoelig waren, te beschermen.

ocr page 59

0 I

onderscheiden en ik wees den Pastoor op de maaiers in de weiden van Confort; dat is in rechte lijn een afstand van minstens drie a vier kilometer.

Dit bericht heb ik in tegenwoordigheid van de onder-geteekende getuigen voorgelezen en onderschreven.

F r a n c o i s V i o n - D u r y. ')

Verlangt gij nog meer wonderen, mijne heeren?

Red.: Ik ineen, dat wij er genoeg gehoord hebben, kamp;rlijk beken ik, dokter, nooit te hebben geweten, dat men ons zulke feiten kon aanwijzen. Wij zouden, dunkt mij, de wonderen van Lourdes haast evengoed gelooven als de wonderen van quot;t Evangelie en dan allen Katholiek moeten worden.

Pred.: Katholiek worden? Eer ik daartoe overging zei ik liever: van al die voorgewende wonderen is geen enkel werkelijk geschied.

Red.: Eu met welk recht beweert gij dat, mijnheer?

Pred.: Omdat ik nier Katholiek wil worden! Dnt is reden genoeg.

Red.: In zulk een redeneering schittert nu juist de logica niet. mijnheer.

Maar zijn dat nu inderdaad wonderen, dokter? want gij weet toch wel, dat niemand minder dan Dr. L. Knappert het wonder verwerpt met de onomstootelijke woorden: „Die vraag is beantwoord voor de rechtbank der wijsbegeerte !quot;

Dr. N.: Welken naam zult gij dan aan die feiten geven?

Red.: Ja, ziet gij! Vroeger hebben er gebeurtenissen plaats gehad, die onze voorvaderen voor wonderen hielden, „in oude dagen dachten de menschen nog zeer kinderlijk

') F»oissarie, p. 37*2—377.

ocr page 60

58

en onvolkomen,quot; zegt Dr. L. Knappert, — terwijl toeh die gebeurtenissen later bij het licht der wetenschap heel natuurlijk bleken. Welnu, de voorzichtige bescheidenheid verbiedt ons, al zijn wij kinderen van de li)'10 eeuw, ons zolven minder feilbaar te achten dan onze voorouders.

Dr. N.: Ik begrijp u! Gjj wilt zeggen; na verloop van jaren zal de wetenschap zulk een voortgang hebben gemaakt, dat de wonderverhalen van Lourdes heel natuurlijk kunnen verklaard worden.

Red.: Juist.

Dr. N.; Herinner u nog eens de plotselinge genezing van l'eter de lludder. „Een beenbreuk, die van aciit jaren dagteekent, alle pogingen der wetenschap trotseert en waarvan de uiteinden der deelen drie centimeter van elkaar blijven, naar alle richtingen bewegelijk zijnquot; en een groote, diepe wonde draagt, geneest eensklaps door indompeling in gewoon water, en wel zoo, dat het been gaaf is als dat van een kind. Gelooft u. mijnheer, dat de wetenschap die genezing ooit zal kunnen uitleggen? Het zou een geloof zijn, dat bergen verzet en sterker dan 't geloof aan wonderen

Red.: Gij weet, dokter, dat menige ziekte onverwacht en plotseling geneest; en al kunnen de doctoren van die genezing geen verklaring geven, zij beschouwen die toch niet als bovennatuurlijk en wonderdadig.

Dr. N.: Dat weet ik! Maar al te dikwerf blijft de geneeskunst machteloos tegenover hysterische kranken, er. zie de natuur geneest heu soms. De vallende ziekte, als ook verstandsverbijstering kunnen plotseling genezen. Verlamden krijgen soms het gebruik hunner ledematen terug door eeno hevige zielsaandoening, bij een brand bijvoorbeeld.

Hjj hersenziekten hebben talrijke, plotselinge genezingen door een natuurlijke of zedelijke oorzaak plaats gevonden.

ocr page 61

59

Maai' ongeloovige geneesheeren,quot; zegt Dr. Georges Sur bled '), beschouwen alle zieken, die naar Lourdes gaan, als zenuwlijders en schrijven de genezing toe aan hypnotisme of suggestie. En dat is een grove dwaling!quot;

Denk nog eens aan Peter de Rudder, mijnheer. Is hier iets van hypnotisme en suggestie waar te nemen? Is dat gebroken been, die wonde eensklaps door hypnotisme of suggestie geheeld? — „Hypnotisme beteekent slaapquot;, zegt Dr. Boissarie „en in den toestand van verwekten slaap krijgen wij door middel van suggestie verrassende dingen te zien .... Maar do zieken te Lourdes worden niet in den slaap genezen.quot; In 't koude bad slaapt men niet.

Dr. Boissarie verhaalt (blz. 331—336) de allertreffendste genezing eener een-en-twintigjarige dame, die noch van 't water van Lourdes gedronken, noch den voet gezet had in do badkom, maar na een kort gebed bij de grot, langzamerhand volkomen genas van een tering in haar laatste tijdperk.

„Deze gebeurtenis,quot; zegt Ur. Boissarie, „antwoordt op alle tegenwerpingen.quot; Zij moge den predikant wel eens doen nadenken over de Maria-vereering. Hij kan daaruit zien, dat niet het water van Lourdes noch Maria het wonder doet, maar God zelf door de voorspraak der Moedermaagd.

Red.: Gij zegt, dokter, dat zulke genezingen op alle tegenwerpingen antwoorden. Do mogelijkheid van wonderen wordt, naar ik meen, door vele moderne geleerden niet meer in twijfel getrokken. Maar men maakt toch de bedenking, dat wij nooit een wonder van een natuurlijke gebeurtenis kunnen onderscheiden, want daartoe moesten wij alle natuurwetten kennen.

') La Diorule dans ses rapporls avec la au-dicine oJ rinjr/ivne /)'/gt;• Dr. Georges Surble»!. Paris 180'2.

ocr page 62

lt;!(»

Dr. IS'.: Omdat wij de grenzen tnsschen liet natuurlijke en bovennatuurlijke niet niet wiskunstige juistheid kunnen aanwijzen, weten wij van eene menigte feiten niet, of zij aan deze of wel aan gene zijde der natuurwetten liggen. -Maar wat volgt daaruit? Dikwijls genoeg kan ik op een schilderij niet nauwkeurig de lijnen aanwijzen, waar bet rood ophoudt en het blauw begint, en toch kan elk gezond oog met zekerheid de blauwe van de roode kleur onderscheiden, Zoo zijn er ook werkelijk zeer vele gevallen, waarin ik ontwijfelbaar weet, wat de iiatuurkrachtcn niet vermogen; komt nu zulk een geval voor, dan weet ik bepaald, dat er een wonder plaats vindt1). Denk nog eens aan de beenbreuk van Peter de Rudder, mijnheer, en lees het werk van Boissarie.

Red.: Gij hebt mijne nieuwsgierigheid geprikkeld, dokter! ik zal uw raad opvolgen.

Dr. X.: Dat strekt u tot eer. Voor de meeste onaelooviffe

o O

geleerden bestaan de werken der Katholieken niet. Gij zijt eerlijk 1

Red.: Waarom zou ik bet werk van D r. Boissarie niet lezen ? Hij is ook een man der wetenschap. Ik zie nog niet in, waarom onze professoren en leeraars alleen de wijsheid in pacht hebben.

Dr. X.: Nog een woord. Indien gij na de lezing van dat boek er toe overhelt aan de wonderen van Lourdes te gelooven, deins dan niet terug voor de gevolgen, die daaruit logisch voortvloeien. Roepen die feiten u onwedersprekelijk toe: „Hier is de vinger Gods!quot; en zegt u het gezond verstand. dat God onmogelijk door een wonder Zijn goddelijk zegel kan hechten aan de dwaling, erken en omhels dan ook de waarheid, u door Gods vinger aangewezen, wees redelijk

') Zie daarovor Til man n Pesc.h: Die grossen Wellri'ilhsel, II. B.

ocr page 63

61

en moedig genoeg tot die Kerk te willen behooren, die alleen onder alle godsdiensten der aarde voor zieli liet getuigenis van waarachtige wonderen kan inroepen.

NABERICHT.

Ik heb den lezer nog iets te vertellen.

De rabbijn neemt tot heden de wonderen van Mozes aan en geene andere, de predikant staat nog aan ;t hoofd zijner gemeente; het vóóroordeel werkt altijd door, en .... vrouw en kinderen moeten eten. De redacteur met zijn gezond, onafhankelijk hoofd is thans een pikzwarte Ultramontaan van de gevaarlijkste soort.

Het geloof is een gave; hij heeft den moed gehad God daarom te bidden en met de genade mee te werken. Zulk een gebed wordt altijd verhoord; dat is zoo zeker als het bestaan van wonderen.

II. ERM.vxx.

Gymnasium Katiriji- n'U

ocr page 64
ocr page 65
ocr page 66
ocr page 67
ocr page 68