DE ROOMSCH-KATHOLIEKE MILITAIR.
DE
U-iwiuulME ILIÃAIR.
HANDBOEK
VOOR
R. K. JïUliïaireii,
vooral voor leden van
R. K. Militaire Vereenigingen^
^ ,,OOR
H.BRANDOUW, C. S. S. R. « '
Direkteur tier R.K.'Militaire Vereeniging
TE
'8-HKRTOGENBOSCH. --
Stoora-Snelpersdruk van P. STOKVIS amp; Z
's-Hertogenbosch.^sAi^A^.
tün
jUt
Kerkelijke Goedkeuring-
Door onzen Hoogwaardigeu Pater Generaal, NICOLAÃS MAUEON, daartoe gemachtigd, staan wij toe, dat het boekje getiteld âde Eoomsch-Katholieke Militairquot; gedrukt worde.
Amsterdam, '28 Januari 1892.
J. C. MEEÃWISSEN C. S. S. R.
Sup: Prov. Holl.
IMPRIMATUR.
Büscoduci, die 17 Martii 1892.
J. J. VERSTERREN, Rector.
ad hoc delegatus.
INLEIDING
»(â¢
Van verschillende kanten wordt er tegenwoordig sterk aangedrongen op de zedelijke rerhetering van Jut kazerneleven. En met recht: tvant de kazerne, zooals zij thans is, mag geen aanspraak maken op den eervollen naam, dien sommigen haar geven, van kweekschool van allerlei deugden. Het tegenovergestelde is helaas dikwijls waar: voor zeer velen is zij eene kweekschool van allerlei ondeugden. Duizenden jongelingen, die haar godsdienstig en onschuldig binnentreden, verlaten haar zonder godsdienst, zonder deugd, overgegeven aan hunne driften en hartstochten.
De groote vraag is dus: welk is het heste middel om de zedelijke verbetering
VI.
ran de hazerne te doen gelukken? En hierop luidt het antwoord: wilt gij dc kazerne zedelijkerwijze verbeteren, tracht dan eerst en voor alles den godsdienst onder de militairen te herslellen. Want hoe nuttig en noodzakelijk de medewerking van den Staat en de ijvervolle bemoeiingen der militaire overheden ook zijn, niets zal meer bijdragen, om de christelijke en maatschappelijke deugden in de kazerne aan te kweeken en te doen bloeien dan de godsdienst. Wordt deze niet uit de kazerne verbannen, mag deze er vrijelijk binnentreden, om zijn iceldadiqen invloed zonder belemmering aan de militairen te doen gevoelen, dan zal het goede aldaar stand houden, het minder goede verbeterd en het slechte binnen enge perken worden teruggedreven.
't Is deze gedachte vooral, die mij bewogen heeft een klein hoekje samen te stellen, handig in het gebruik en matig van prijs, waarin ik mijnen JR. K. landgenoot en, die hetzij door eigene keuze, hetzij door dwang van de wet, zich aan de gevaren var, het kazerneleven blootstellen, eene handleiding ver-
VII.
schaf, om gedurende hun diensttijd hraaf en godsdienstig te leven. Ik zal dit boekje in tuee deelen splitsen. In het eerste zal ik ontwikkelen, wat de godsdienst leert omtrent den militairen stand, de verplichtingen, die hij oplegt, de gevaren, irelke hij oplevert en de middelen, irelke de godsdienstige militair n.oet aanirenden, om aan die verplichtingen te voldoen en de gevaren te vermijden. In het tweede zal ik verschillende oefeningen aangeven, welke de R K. militair dagelijks, wekelijks, maandelijks en hij verschillende omstandigheden kan verrichten, om zich in cdles door den godsdienst te laten leiden. Het zal dus, gelijk ik hoop, een zeer leerzaam en n uttig hoekje zijn.
Ik hied het allen R. K. militairen aan, omdat allen daaruit veel voordeel kunnen trekken zoowel voor hun eeuwig als voor hun tijdelijk geluk. Maar vooral richt ik het tot de leden van R. K. Militaire Vereenigingen, omdat het hij dezen eerder kan rekenen op een gunstig onthaal en nuttig gebruik dan hij de anderen.
VIII.
Moge het dan door degenen, tot wie het gericht wordt, niet versmaad worden! Mogen zij het lezen en herlezen! Mogen zij er een nuttig gebruik van maken hij de verschillende godsdienstige oefeningen, welke zij bijwonen, en het niet ongelezen veroordeelen tot een onverdiende gevangenisstraf en een eenzame opsluiting in hun koffer of kist!
Dit is cle vurige wensch van den Schrijver.
INHOUD
EERSTE DEEL.
Blz.
Hoofdst. L Dk militaire stand
in het algemeen . 1
â II. Plichten, welke uit
den militairen stand voortspruiten. . . 29
A. Altjemeene Plichten. ... 31
1. Plicliten tegenover God . 31
2. Plichten tegenover den
Dienst........45
3. Plichten tegenover de Mili
taire Overheden .... 70 i. Plichten tegenover de Medemakkers ......85
5. Plichten tegenover de Burgers . .......100
B. Bijzondere Plichten.... 106
1. Plichten van Overheden . 10(gt;
2. Plichten van hen, die met
Administratie belast zijn. 132
3. Plichten bij Wachten, Exer
citie en op Marsch . . . 136
Xi INHOUD.
4. Plichten in de Kantonue-menten en bij Inkwartie-
5 PlicMen in het Hospitaal . 150 6'. Plichten gedurende den
Oorlog........1,:)1
Hoofdst. TIL Gevaren, welke aan den militairen
STASD VERBONDEN ZIJN......
IV. Middklen, welke de R. K. Militair moet aanwenden,
OM ZIJNE MILITAIRE PLICHTEN GrOED TE VERVULLEN EN DE GEVAREN', AAN ZIJN STAND VERBONDEN, TE VEKMIJDEN . . 192
8 I. Natuurlijke Middelen. . â 193 1. H et Verachten van het men-
schelijk Opzicht ⢠⢠⢠â iyo 1. Het Vluchten van slechte
Gezelschappen. . ⢠⢠⢠^7 3. Het Bezoeken der R. K. Mi-
litaire Vereemging. . ⢠ff* R II. Bovennatuurlijke Middelen. tAf
1. Het Gebed.......242
Ii3
inhoud. xi.
2. Het Geregeld ontvangen der
H.H. Sakramenten . . . 259
3. De Grodsvrucht tot de Al
lerheiligste Maagd Maria. 276 § III. Bijzondere Middelen teqen
drie militaire Hoofdzonden. 295
1. Middelen tegen het Vloeken
en Godslasteren . . . . 296
2. Middelen tesren de Onkuisch-
heid........327
3. Middelen tegen de Dron
kenschap.......392
TWEEDE DEEL.
A. Godvruchtige oefeningen
voor iederen dag . . . 431
1. Kort onderricht over het
gebed .......4-31
2. Morgengebed......434
3. Avondgebed......441
4. Gebeden voor en na het
eten.........448
5. Gebeden gedurende den dag 450
B. Godvruchtige oefeningen 453
voor iedere week . . . I. Het aandachtig bijwonen van
het H. Misoffer .... 453
XII. INHOUD.
1. Kort ouclerriclit over het
H. Misoffer......453
2. Gemakkelijke wijze om de
H. Mis godvruchtig bij te wonen.... ... 458
II. Over het aanhoor en van Gods
woord in de predikatie . 473 Gebed voor en na de preek . 475
III. Or er het bijwonen van het
Lof op Zon en Feestdagen. 476 Gebeden gedurende liet Lof . 471 C. GODVRÃCH'! IGK OEFENINGEN
VOOR IEDERE MAAXD . . 486
I. Het waardig ontvangen ran
het II. Sakrament der Biecht........486
1. Kort onderricht, over de
Biecht........486
2. Gemakkelijke manier om
zich op waardige wijze tot het H. Sakrament (lei-Biecht voor te bereiden. 498
II. Het u-aardig ontvangen van
de H. Conwiwiie .... 513
1. Kort onderricht over de
H. Communie.....513
2. Voorbereiding tot de H. Com
munie ........517
inhoud.
'6. Dankzegging ua de IJ. Com-
mmiie........527
D. Vkrschillexde gebeden' . 541
1. Gebede7i tot God.....5il
Litanie van den Zoeten Naam
Jezus....., . . . 5il
Litanie van het Allerheiligste
Sakranient.......545
Litanie van het lijden van
Jezns Christus . . . . 550 Toewijding van ziclizelven aan Jezus Christus onzen God-delijken Veldheer .... 55» Hernieuwing van de plechtige opdracht afgelegd bij de aanneming als lid der E. K. Militaire vereeniging. . . 558;
2. Gebeden tot Maria . . : . 565 De Engel des Heeren . . . 565 De 15 Geheimen van den Rozenkrans .......566
Dagelijksch gebed quot;tot Maria
om kracht in de bekoringen. 568 Litanie der Allerheiligste
Maagd........569
Krachtig gebed om eeue gunst
van Maria te verwerven. . 572 Gebed tot Maria om vergiffenis der zonden.....573
xiii.
INHOUD.
Gebed om de liefde te verkrijgen tot Jezus eu Maria . . 575 Gebed om de genade der volharding tot aan den dood . 577
3. Gebeden tot de H.H Patronen, 579 Litanie tot de H H. Krijgslieden ........ 579
Gebed tot den H. Auga?tinus en den H. Antonius, de bijzondere patronen der Ver-
eeniging........
Gebed tot den H. Aloysius om de deugd van zuiverheid . 585
4. Verschillende gebeden. â ⢠â 586 Gebed om in den militairen
stand braaf en godsdienstig
te leven........586
Gebed om de overwinning
over zijne hartstochten . . 588 Gebed tegende godslasteringen 590 Gebed tegen de onzuiverheid. 592 Gebed tegen de dronkenschap. 596 Gebed voor het Vaderland. . 597 Gebed voor den vrede . . . 598 Gebed voor den Koning. . . 598 Gebed voor zijne ouders . . 599
XIV.
584
EERSTE DEEL.
HOOFDSTUK I. De militaire stand in het algeiMeen.
Gelijk er verscheidene levensstaten zijn, tot welke God den mensch roept, zoo zijn er ook verschillende standen, waarin Hij hem wil geplaatst zien. Die standen echter verschillen onderling' zeer veel. Want, behalve dat de verrichtingen van den eenen geheel en al onderscheiden zijn van die der overige, is de eene stand daarenboven voor de maatschappij veel noodzakelijker dan de andere; wordt de eene boven den anderen voor den mensch eervol en verheffend genoemd; kunnen de gevaren voor de zaligheid van den eenen dikwijls niet vergeleken worden met die van een anderen.
Stellen wij nu den militairen stand onder dit drievoudig opzicht tegenover de andere, welke wij in de maat-
schappij aantreffen, dan zien wij aanstonds,quot; dat hij een van de noodzakelijkste standen'is voor de maatschappij, een der eervolste voor den mensch, maar tevens ook een der gevaarlijkste voor de zaligheid.
1°. De militaire stand is een der noodzahelijkste standen voor de maatschappij.
Alle standen, die volgens Gods wijze Voorzienigheid in de maatschappij bestaan, hebben ten slotte één en hetzelfde doel. Alle werken mede tot haar voortbestaan, hare ontwikkeling, haren bloei. Toch bereikt niet iedere stand dat doel op dezeltde wijze. De eene streeft er slechts zijdelings naar, de andere daarentegen rechtstreeks. De koopman b.v., de handwerksman, de landbouwer en zoovele anderen oefenen de verschillende verrichtingen van hun stand uit zonder op de eerste plaats aan de ontwikkeling of den bloei der maatschappij te denken. Voor alles zinnen zij op eigen tijdelijk welzijn, op eigen tijdelijk geluk. Hun voornaamste streven is vooruit te
3
aan- komen in de wereld, de eer en het
ake- aanzien hunner familie te verhoogen.
PPiji De zorg- voor de algemeene belangen
isch, laten zij over aan anderen. Niettemin,
kste omdat er tusscben de maatschappij en hare leden zulk eene gemeenschap
fler van goederen bestaat, dat alles, wat
aat_ aan de verschillende leden voordeelig is, ook tevens ten bate komt van de maatschappij zelve, werken ook zij,
'Jjze door zich op hunne bijzondere belaii-
PPU gen toe te leggen, krachtdadig mede
het- tot het algemeen welzijn,
tot Tegenover deze standen echter staan
'quot;gS er andere, wier rechtstreeksch en on-
lere middellijk doel het is, te zorgen voor
De de instandhouding en den bloei der
aar, maatschappij. De algemeene belan-
eks. gen van het Land en zijne inwoners,
laE5 hetzij de geestelijke, hetzij de tijdelijke,
iren gaan bij hen voor alle andere per-
ge11 soonlijke belangen. Zij dragen zorg
rste voor den godsdienst van den Staat,
den voor zijne onafhankelijkheid, voor
oor den vrede en eensgezindheid der bur-
vel- gerg. zij trachten het maatschappelijk,
iun burgerlijk en huiselijk leven op den
te godsdienst te gronden en volgens de
goddelijke en kerkelijke wetten te regelen. Zij weren alle vijandelijke invallen van buiten, verzekeren de inwendige rust en beschermen de belangen van godsdienst, koopvaart, handel en nijverheid. Zij besturen het Land door wijze en rechtvaardige wetten, handhaven het recht en beslechten de twistgedingen. In één woord terwijl de andere standen zich rechtstreeks toeleggen op hunne eigene en persoonlijke belangen en slechts zijdelings die der maatschappij bevorderen, staan zij bij voorkeur de algemeene belanden voor van den Staat en zijne onderdanen, zonder evenwel hunne bijzondere belangen daarbij te verwaarloozen.
Zij worden daardoor in menig opzicht noodzakelijker voor de maatschappij dan de overige standen. Want evenals in het menschelijk lichaam, hetwelk uit verschillende 'ledematen is samengesteld, die ledematen het noodzakelijkst zijn, welke het meest tot zijn leven en gezondheid medewerken, zoo zijn ook in de maatschappij, welke uit verschillende standen bestaat, die standen het noodzakelijkst, welke het
5
â
te meest bijdragen tot haar voortbestaan, ke bare ontwikkeling en haren bloei. iu- Daar mi de militaire stand zich m- onmiddellijk ten doel stelt, de alge-lel meene belangen van den Staat quot;en nd zijne onderdanen te behartigen, moet 31^ hij ongetwijfeld beschouwd worden de als een noodzakelijke stand in de maat-rjjl schappij. Met recht heeft men dan ikg ook beweerd, dat de priester, de rechter gt;!!- en de militair de drie groote stennis punten zijn, waarop tegenwoordig de an maatschappelijke orde berust. De â¢en godsdienst is de eerste en noodzakeer- lijkste grondslag van den Staat zonder jn. dezen is er voor hem geen voortbe-3n. staan, geen ware ontwikkeling en bloei ïht mogelijk De geschiedenis getuigt en pij de rede bevestigt, dat God, die zich als zeiven aan ieder mensch afzonderlijk ;lk als einddoel stelt eu van de streving ;n. naar dit doel niet alleen zijn eeuwig lie. maar ook zijn tijdelijk geluk laat afijn hangen, ook onder dezelfde voorwaarde ;oo welvaart aan den Staat heeft verze-Ike kerd. De priester, die aan de menschen jie den godsdienst leert kennen en beoefe-liet nen, Averkt bijgevolg op de eerste plaats
i
6
mede tot den bloei der maatschappij. Na hem komt de rechter. Want zijn de verschillende verhoudingen der burgers onderling niet op rechtvaardigheid gegrond, kan iedereen straffeloos de rechten zijner medeburgers ontkennen of schenden, dan wordt het Rijk in zich zeiven verdeeld en kan het op den duur onmogelijk staande blijven. Er moet dus noodzakelijk een stand zijn, die de goede rechten van anderen handhaaft en verdedigt het onrecht bestraft, de geschillen He-slecht, de twistenden verzoent. Maar ook de onafhankelijkheid van den Staat moet tegen de heerschzuchtige plannen van een vijandelijken nabuur beveiligd zijn. De inwendige onlusten, in den eigen boezem des Lands ontstaan door ouderlingen haat en partijzucht der burgers, moeten met kracht onderdrukt, de belangen van godsdienst, koopvaart, handel en nijverheid met ernst beschermd en verdedigd worden. Met deze taak belasten zich de militairen, die op een wenk huns Konings het bedreigde vaderland te hulp komen de inwendige beroeringen onderdruk-
1
7
lij. ken en de belangen der burgers be-
'ju schermen. Het leger is dus zoowel
er noodzakelijk voor liet onafhankeliik
ir- voortbestaan des Rijks, als voor ile
af- verzekering der inwendige rusten debe
jrs scherming quot;der algeineene belangen van
â dt de burgers. Doch is dit waar, dan moet
en ieder militair, die hiervan overtuigd is,
ide bij zich zeiven de volgende troostelijke
ijk gevolgtrekking maken : dat God, door
ten wiens Voorzienigheid niet alleen de
igt bijzondere personen maar ook de ver-
be- schillende Eijken bestuurd worden,
a,ar dan ook bepaaldelijk wil, dat sommige
aat menschen om het welzijn van den
iien Staat te bevoi deren, dieii stand aan-
igd nemen en dat hij bijgevolg voor hen,
ien die daartoe door God geroepen zijn,
lan een door God gewilde stand is.
cht Deze waarheid wordt ons allerdui-
ler- delijkst bewezen uit Gods handelwijze
nst, ten opzichte van het Joodsche volk.
met Wat toch zien wij doorloopend in de
ien. geschiedenis van het Oud Verbond ?
(rili- God gebiedt herhaaldelijk aan zijn
ngs volk den oorlog te verklaren aan dezen
men of genen volkstam. Hij noemt zich
â¢uk- zeiven den oppersten aanvoerder in
I
den strijd, bepaalt het aantal krijgers, dat mede ten oorlog moet optrekken, verbiedt sommigen om aan de krijgsoefeningen deel te nemen, kiest het oorlogsterrein uit, beschrijft de wapenen, waarmede zij tegen den vijand moeten strijden, staat hun voortdurend bij, ja verricht zeer dikwijls de grootste wonderen om hun de overwinning te verzekeren. De aanvoerders in den strijd worden uit naam van God gezegend, de gesneuvelden verheerlijkt, de overwinnaars met roem gekroond. Hetzelfde zien wij ook verscheidene malen gebeuren in de geschiedenis van het Nieuw Verbond. Waar God zich dan zoozeer de belangen aantrekt van den militairen stand, daar kan het niemand vrijstaan te twijfelen, of hij is een door God gewilde stand, voor welken Hij evenals voor de andere standen in de maatschappij sommige menschen bepaaldelijk uitkiest.
Een gewichtige reden dus voor iedereen, die door God tot den militairen stand geroepen is, om zijn stand hoog te achten en te beminnen. Ik zeg met opzet, âvoor hem, die door
God geroepen is.quot; Want daar de meeste jongelingen, die tegenwoordig bij ons leger worden ingelijfd, niet zooals vroeger uit eigene vrije keuze en uit liefde het militaire leven aanvaarden, maar door de wet gedwongen de kazerne binnenkomen, kan er bij hen geen spraak zijn van roeping doch alleen van goddelijke toelating. God bestemt hen wel is waar niet voor den militairen stand, Hij laat echter toe, dat zij er in worden opgenomen. Maar ook deze regeling der (iiodde-lijke Voorzienigheid vordert van hen onderwerping aan hare raadsbesluiten. Met hoeveel weerzin zij dan ook tegen den last van het militaire leven opzien, met welk een rechtmatig verlangen zij wenschen naar bevrijding, toch moeten zij zich schikken in het onvermijdelijke en het juk, dat hun gedwongen wordt opgelegd, niet ondragelijker maken door ontevredenheid en gemor. Dit is voor hen het beste middel om zich aangenaam te maken aan God, zich zeiven veel verdriet te besparen en zich met hart en ziel op hun nieuwen stand toe te leggen.
10
2°. De militaire stand is een van de edelste standen, waarin de tnensch kan worden opgenomen.
Drie zaken vooral maken, dat de eene stand boven den anderen voor den menseh eervol en verheffend wordt. Het zijn de belangen, welke hij voorstaat, de offers, welke hij ter behartiging dier belangen van zijne leden vraagt en de heilzame gevolgen, welke hij door zijn streven voor de maatschappij voortbrengt. Naarmate die belangen hooger, de offers zwaarder en die heilzame gevolgen talrijker zijn, naar die mate is de stand in zich edeler en voor den menseh eervoller, 't Is om deze reden, dat de priesterstand de edelste stand is in de maatschappij. Niemand toch staat hoogere belangen voor dan de priester, die zorg draagt voor 's menschen eeuwig-geluk, niemand is zoozeer als hij een man van edele zelfopoffering, die zich alles maakt voor allen, om allen voor Christus te winnen (I Cor. IX, 19), niemand werkt krachtiger mede tot het tijdelijk welzijn zoowel van de
1
11
?«« maatschappij in het algemeen als van
sc;t ieder harer leden in het bijzonder dan hij, die op God wijst als op deu oorsprong, vanwaar de maatschappij is
de uitgegaan en op het doel, waartoe
3or zij moet terugkeeren.
dt. Doch ook de militaire stand mag or- om gelijke redenen aanspraak maken ar- op de achting van alle weldenkende len menschen. Geen mindere belangen ke toch, gelijk wij gezien hebben, dan at- de onafhankelijkheid van den staat, üe de vrede en rust der burgers, de beier scherming van godsdienst, koopvaart, jn, handel en nijverheid zijn hem toever-ich trouwd. De Koning, die als hoofd er. van den staat geroepen is, om de er- onafhankelijkheid van het Land tegen at- iederen aanval van buiten teverdedigen, ire die in zijue hoedanigheid van âVader lie des Vaderlandsquot; het geluk zijner dg onderdanen moet behartigen, door ien hen tegen alle inwendige onlusten te Ich beveiligen en hunne geestelijke en )or tijdelijke belangen te beschermen, is 9), niet bij machte aan deze zware verbot plichtingen te voldoen, tenzij zijne de eigene onderdanen hem daarin kracht-
12
dadig bijstaan. Doch daar het welbegrepen belang van den Staat uit-drnkkellijk verbiedt, dat alle burgers ten allen tijde de wapenen dragen, daarom kan die hnlp slechts dooreen beperkt getal worden verleend. Dit uitgelezen getal zijn de militairen. Zij zijn de mannen, die in naam der overigen den Koning krachtdadig bijstaan in zijn roemvol streven.
A an hen vertrouwt de vorst de voornaamste belangen toe van het Land en zijne inwoners. Zij moeten in vredestijd verhinderen, dat inwendige onlusten twist en tweedracht zaaien tusschen vreedzame burgers, dat onderlinge vijandschappen de gemoederen verdeelen. Zij moeten gedurende den oorlog eene sterke borstwering vormen, die den vijand belet, zijn be-geerige plannen ten opzichte van den Staat te volvoeren, die hem dwingt een rechtmatige voldoening te geven voor de geschondene rechten van het vaderland. Zou zulk een stand nu niet het volste recht hebben op de achting en hoogschatting van alle weldenkende menschen ?
13
Nog duidelijker wordt dit, iudien wij bedenken, dat de militairen niet dan ten koste van zeer groote offers de hun toevertrouwde belangen naar behooren kunnen verdedigen. Want niet alleen in de dagen van oorlog maar ook in vredestijd zijn de offers, welke van hen gevorderd worden groot en talrijk. Vooreerst zij moeten scheiden van ouders en bloedverwanten, vrienden en kennissen; zij moeten zich onttrekken aan de zoete genoegens van het familieleven. Hoe pijnlijk dit valt zoowel aan de ouders als aan _ de kinderen, weet iedereen, die getuige geweest is van het oogen-blik, waarop de dienstplichtigen een laatste afscheid namen van hunne dierbare betrekkingen, of die de gretigheid ziet, waarmede zij gebruik maken van het toegestane verlof, om hunne ouders te bezoeken. Daarenboven door de wet opgeroepen, laten zij dikwijls een vader of moeder met talrijk gézin in behoeftige omstandigheden achter, met het droevig vooruitzicht, dat juist door hunne afwezigheid de armoede in het gezin zich
14
dubbel zwaar zal doen gevoelen. Hierbij komt nog, dat de diensttijd gewoonlijk samenvalt met die jaren, waarin de dienstplichtigen den meesten aanleg hebben om zich in hunnen stand te bekwamen en zij dus door den dienst hierin verhinderd worden, zelfs meer dan eens eene goede, winstgevende betrekking verliezen. Groote offers hebben zij zich dan reeds moeten getroosten, voordat zij de kazerne zijn binnengekomen.
Zijn zij nu eenmaal ingedeeld, welke nieuwe offers wachten hun dan nog in de toekomst ? Zij moeten zich oefenen in den wapenhandel en daarom zijn het gedurende geruimen tijd, van den vroegen morgen tot den laten avond, niets anders dan allerlei militaire oefeningen, die hen bovenmate vermoeien eii waarbij zij niet zelden vele onheusche behandelingen en pijnlijke beleedigingen moeten ondergaan van ondergeschikte overheden. Zij moeten de strenge militaire discipline onderhouden, hebben eene lijdelijke gehoorzaamheid te betoonen aan ieder militair, die boven hen in rang ver-
15
r. heven is, worden voor de geringste
e. overtreding hunner reglementen, voor
n de kleinste tekortkoming aan den
s! eerbied hunnen superieuren verschul-
;n digd, streng gestraft, worden soms
or door een korporaal of sergeant uit-
11; gekozen, om de zondenbok te zijn, op wien deze vrijelijk hunne gal kunnen
te uitspuwen. Zij moeten gehard worden
3n tegen de ontberingen en vermoeienissen
jn ' van den oorlog, en daarom worden zij gedurende de dagen van den dienst-
ke t'J'l gewend gemaakt aan een hard
30- fin moeilijk leven. Een gedwongen
cb verblijf in de kazerne, die soms aan
im de _ eerste eischen eeuer fatsoenlijke
in huisvesting niet voldoet en daaren-
en boven dikwijls gelegen is in de minste
Ij. buurten der stad, eeue voeding, waar-
te .' aan zij zich dikwijls niet goed kunnen
en gewennen, eene ligging op hard stroo,
u- moeilijke wachtposten gedurende koude
ail winternachten, afmattende manoeu-
^ij vres, vernederende hulpbetooning aan
jjg de dienstboden hunner superieuren
zijn bun deel.
[er En bleef het nog slechts bij deze
ir. offers. Maar neen, nauwelijks is de j â
16
oorlog met al zijne verschrikkingen piaat
uitgebroken, of nog grootere worden âgu,
van hen gevorderd. Want bij de volgf
tegenwoordige manier van oorlogvoe- zich .
ren, waarbij niet zoozeer de persoon- eil zi
lijke moed en dapperheid der strijders Versc
als wel de getalsterkte des legers, de juist
kracht der vuurwapenen en de koude . aans
berekening over den zege beschikken, achti
wacht den meesteu hunner een zekere scher
dood of eeu rampzalig leven ten ge- Vü
volge van verminking? Wie zal dan redei
niet erkennen, dat de militair, die de hun
hoogste tijdelijke belangen van het de r
Land en zijne inwoners ten koste van voor
zulke offers beschermt en verdedigt, cian
een onvervreembaar recht heeft op de were
achting der burgers. Nu is het wel WOr(]
waar, dat vele der bovengenoemde voor
offers niet uit den militairen standiu Vord
zich zeiven beschouwd voortkomen, eige]
maar uit den veranderden toestand van e]f v
het militarisme sinds Napoleon I, iieic|
evenmin valt het te ontkennen, dat de (ieze
meeste offers niet vrijwillig gebracht iiet
maar gedwongen worden aangenomen, 0ver
daar de vrijwilligers zooveel mogelijk woei uit het leger wórden verdrongen om
i '
17
plaats te maken voor de dienstplichtigen, doch dit belet niet, dat allen, die volgens de tegenwoordige regeling zich aan die offers moeten onderwerpen en ze in plaats van anderen, die er van verschoond blijven, moeten brengen, juist daardoor een geheel bijzondere aanspraak mogen doen gelden op de achting van alle weldenkende men-schen.
Voegt men hierbij nog als laatste reden, de heilzame gevolgen, welke hun steven voortbrengt zoowel voor de maatschappij in het algemeen als voor ieder harer leden in het bijzonder, dan moet de waarheid van ons beweren voor een ieder nog duidelijker worden. De twee voorwaarden, die voor de welvaart van den Staat gevorderd worden, zijn vooreerst zijne eigene vrijheid en onafhankelijkheid en vervolgens de vrede en eensgezindheid zijner onderdanen. Waar een dezer beide zaken ontbreekt, waar het Land -niet vrij is van vreemde overheersching of waar inwendige woelingen -de onderlinge samenwerking verbreken, daar zal de vrije
18
1
ontwikkeling van den Staat belem- schai
tnerd, de welvaart der verschillende iona;'(
standen onmogelijk zijn. Dewijl nu leidt
de militaire stand deze beide levens- de o
voorwaarden aan den Staat verzekert, kan ]
is hij een zeer voorname steun gewor- kan
den voor het Land en zijne inwoners eigei
en verdient hij bij gevolg de hoog- op 1 achting van al diegenen, wier belan- : eerv gen hij bevordert. | onwi
Dan, hoe edel de militaire stand gero
ook zijn moge, een feit is het, dat hij hanc
(althans in zijne mindere graden) door door
velen beschouwd wordt als zeer on- dadi
aanzienlijk, ja dat er zelfs verschei- wan
dene plaatsen zijn in ons dierbaar tot I
vaderland, waar de militair wordt bij
geminacht en zijn gezelschap ont- pene
vlucht Wat kan hiervan de oorzaak ten:
zijn ? Het is duidelijk : niet in den zijn
stand maar bij de verschillende leden, lasti
welke dien stand vormen, moet zij ken
gezocht worden. Legden alle mili- de
tairen er zich op toe, om den adel dooi
van hun stand door hunne persoon- gen
lijke deugden te sieren, ieder soldaat well
zou overal geëerd, zijn gezelschap om teuj strijd gezocht worden. Doch het eert
19
im- schamlelijk levensafetlrag, dat menig ule iono-eling- geclurende de dienstjaren nu leidt, verlaagt hem en zijn stand in ns- de o^gen van vele burgers ? Hoe 3rt, kan liet ook anders ? Welk uurger toch or- kan den militair achten, die door zijn ers eigen gedrag een schandvlek werpt og- op het kleed, dat hij draagt, op den m- eervollen stand, waarvan hij zulk een onwaardig lid is! Wanneer hij, die md geroepen is, om de orde eu rust te hij handhaven, haar voortdurend stoort oor door zijne dronkenschap en al de bal-[)ii- dadighedeu, welke daaruit volgen; lei- wanneer hij, die de wapenen draagt lar tot bestrijding van 's lands vijanden, rdt bij twisten en vechtpartijen die want- penen keert tegen eigene landgenoo-lak ten ; wanneer hij de waardigheid van len zijn stand onteert door vloeken en gods-en, lasteringen, door zedelooze gesprek-zij ken en goddelooze taal, wanneer hij ili- de zedelijkheid met voeten treedt, del door de deugd van anderen te bela-311- : gen, door plaatsen te bezoeken, waar lat wellust en ongebondenheid den vrijen om teugel vieren, hoe kan dan een burger liet eerbied en ontzag voor hem gevoelen?
I
20
Zal hij hem dan niet veeleer verachten en zijn omgang vermijden? En ecgt; wanneer hij in zijne garnizoensplaats niet één enkel militair, maar, helaas, mj zoovelen van allerlei wapenen zich aan aj( zulke schanddaden zich ziet schuldig va maken, is het alsdan niet natuurlijk, ^e) dat hij een afkeer opvat voor geheel den militairen stand, en hen allen je6 zal verachten en ontvluchten ?
Wilt gij dus, E. K. militair, dat js
men u de eer en de achting niet (ir weigere, waarop gij volgens uw stand
aanspraak hebt, tracht hem dan nooit mj
door een onedel gedrag te ontsieren. (ie Volg dan niet de uitspattingen en
het liederlijk gedrag na van hen, die iJ0
de dagen van hun diensttijd beschou- 0.e wen als dagen, waarin zij ongestraft
en onopgemerkt hunne lage harts- gtl
tochten kunnen involgen, maar stel yj
u ten voorbeeld die brave medebroe- ]je
ders, welke zich in alles laten leiden mj
door de voorschriften van plicht en j-y
geweten. En ik twijfel niet, of gij vv.
zult weldra ondervinden, dat dit het uj
ware en eenige middel is, om n den 0]]
eerbied en achting te verzekeren, die zjj gij volgens uw stand verdient.
21
3°. Ten slotte de militaire stand is een der gevaarlijkste voor de zaligheid.
Welken stand de mensch in de maatschappij ook moge bekleeden, altijd vindt hij daarin naast vele gevaren, die zijne eeuwige zaligheid bedreigen, ook vele middelen, waardoor hij den hemel kan winnen. Alleen de militaire stand schijnt in dit opzicht misdeeld. Want geen stand is er, die tegenover zulke groote en dreigende gevaren zoo weinig middelen kan stellen. Het volkomen gemis aan den weldadigen invloed van den godsdienst, die niet alleen uit de kazerne verbannen is, maar daarenboven dikwijls in zijne verhevenste geheimen verguisd, in zijne heiligste bedienaren gelasterd, in zijne trouwste beoefenaren bespot en in zijne uitoefening door allerlei dienstbezig-heden bemoeilijkt wordt, steltdenE, X. militair in het naaste gevaar om dien kostbaarsten van alle schatten, het ware en alleen zaligmakend geloof, niet meer op prijs te stellen, aan zijne onfeilbare waarheden te twijfelen, zijne beoefening te verwaarloozen.
22
Van den anderen kant wordt zijne zedelijkheid bedreigd door de rampzalige gevolgen van ledigen tijd en verveling, door de verleiding van slechte vrienden, de bespottingen van scliaanitelooze medemakkers, de dui-zende kwade voorbeelden, die hij van den vroegen morgen tot den laten avond moet aanschouwen, de verschillende naaste gelegenheden van zondigen, die zich ongezocht in menigte aan hem voordoen. Hierbij komt nog de zwakheid van karakter, welke in onzen tijd, die zulk eene behoefte heeft aan degelijke menschen, zoo algemeen is, de kwade gewoonten, oan welke menig militair reeds voor zijne aankomst in de kazerne min of meer onderhevig was, de jeugd en de omgang met jeugdige personen, die allen den prikkel der hartstochten zoo levendig in eigen boezem gevoelen, de onttrekking aan het waakzaam oog van vader eu moeder, hetwelk de militair tot dan toe altijd gevreesd en geëerbiedigd had, in één woord duizenden oorzaken, die zich vereenigen om zijne eeuwige zaligheid te ver-
23
ijdelen. Tegenover deze gevaren nu staat de militair alleen met eigeu persoonlijke krachten. Wil hij over-winuen, dan moet hij allerkrachtdadig-ste pogingen in het werk stellen. Dan moet hij aan een vastberaden karakter een vastbesloten wil pareu om met Gods genade, koste wat het wil, zijne zaligheid te bewerken, zich door niets van het goede te laten aftrekken of tot het kwade te laten overhalen. Dan moet hij bij een voortdurende waakzaamheid over zich zeiven en eene onophoudelijke vlucht der gevaren, een vlijtig gebruik maken van de weinige middelen, welke hem ten dienste staan. Doch daar de meesten daartoe niet willen besluiten, vallen zij als slachtoffers van de gevaren, welke hen dreigen eu maken zich in de jaren van hun diensttijd aan meer zonden schuldig, dan zij dikwijls in geheel hun volgend leven zullen bedrijven; of ook, zij worden zoozeer aan den toestand van zonde gewoon, dat zij voor goed het pad der ondeugd blijven bewandelen en zoo eenmaal verloren gaan. Niet zelden dan ook zijn vloeken,
24
dronkeuschap, onkuischheid in al hare uitspattingen, verlies van geloof de treurige erfschat, dien de militair na volbrachten diensttijd in het burgerlijk leven medebrengt.
' En dit is de voornaamste reden, waarom brave en godsdienstige jongelingen zoozeer bedroefd zijn, wanneer zij door de loting worden aangewezen, om het burgerlijk tegen het militaire leven te verwisselen ; waarom goede en godvreezende ouders met angst en beven den dag zien naderen, waarop hun zoon de kazerne zal binnentreden. Zij hebben het zoo dikwijls gehoord, die brave jongelingen en godvreezende ouders, welke gevaren* het kazerneleven den jeugdigen en onervaren militair aanbiedt. Zij kunnen misschien wijzen op jongelingen uit hunne eigene gemeente, wie weet het, op een broeder, op een zoon, die vroeger reeds gediend heeft en in wiens levensgedrag na voltooiden diensttijd een volslagen omkeer en verandering was waar te nemen. Zelf weleer door een droevige noodzakelijkheid gedwongen de kazerne binnen
te treden, heeft menig vader van nabij het g-evaar leeren kennen en herinnert hij zich nog levendig, welk een moed en standvastigheid er vereischt wordt om aan de dreigende gevaren het hoofd te bieden. Geen wonder dan ook, dat de jongeling beeft bii de bedachte aan den strijd, die hem onder de wapenen wacht, dat het hart zijner ouders bedroefd wordt en zich met angstige bezorgdheid afvraagt: Wat zal er van mijn zoon geworden in den dienst, zal ik hem even deiml-zaam terugzien, als.ik hem nu afsta' i)au, hoe gevaarlijk de militaire stand ook zijn moge, hoevelen er niet bestand bleken tegen de gevaren van net soldatenleven, toch behoeft de R K. militair zich daar door niet te laten ontmoedigen. Want iedereen, die wil mar ernstig wil,kan in den dienst zijn geloei en zeden rein en onbevlekt bewa-i en. âPerditw tua, Israël. (Osee. xiii-9.) Uw ondergang hebt gij aan u zeiven te wijten, Israël.quot; Dat velen en zeer velen gedurende hun diensttijd schade hebben geleden aan hunne ziel 1W ten slotte toch aan hen zeiven. Hadden
26
zij een vastbesloten wil gehad, om zich door mets van God te laten aftrekken, om zijne geboden en de voor-schritten der H. Kerk stipt na te leven ; hadden zij daarom de gevaren vermeden en 'de middelen ter volharding aangewend, zij zouden even goed hunne deugd 'bewaard, ja zelfs vermeerderd hebben als een H. Mauritius, een H. Sebastianns, een H. Victor en die 10.000 militairen, welke door de H. Kerk de eer der altaren zijn waardig gekeurd en thans overal als heiligen worden vereerd en aangeroepen ; zij zouden even godsdienstig hebben geleefd als die brave en godsdienstige soldaten, welke, God zij geloofd, ook tegenwoordig nog in ons leger worden aangetroffen. Want waar de gevaren ter zaligheid zoo groot en menigvuldig en de middelen ter volharding zoo klein en gering zijn, daar staat God een ieder, die een ernstigen wil heeft en de hem ten dienste staande middelen aanwendt, op buitengewone wijze met zijne genade bij, volgens de woorden van den H. Paulus: (I Cor, X-13.) âGod
is getrouw en Hij zal niet toelaten, dat gij boven uwe krachten beproefd wordt, maar bij de beproeving zal Hij u uitkomst geven, opdat gij kunt volhouden.quot;
Wilt gij dus, dierbare militair, aan al die gevaren voor de zaligheid ontsnappen, houd u dan altijd voorbereid op de gevaren, welke gij in uw stand zult ontmoeten. Omhels het militaire leven met blijmoedigheid, omdat God u daartoe roept; met liefde, omdat het voor u zoo eervol en verheffend is; maar tevens ook met vrees, omdat gij er gevaren zult ontmoeten, wier bestaan gij tot nu toe niet vermoed, wier verleidende kracht gij nog nooit ondervonden hebt. Wees daarom niet gelijk aan die onbezonnen medemakkers, welke de gevaren niet vooruitzien, maar zich blindelings aan dezelve overgeven, zonder ooit middelen te beramen om daaraan weerstand te bieden. Doch houd u van het eerste oogenblik uwer aankomst in de kazerne op uwe hoede, want menigeen is reeds den eersten avond door een slechten vriend inge-
28
wijd iu de geheimen der misdaad en naar de plaatsen gebracht, waar nooit een fatsoenlijk menscb, laat staan een Christen, den voet moest binnenzetten. Tracht de gevaren vooruit te zien en de middelen te bepalen om aan hunne verleiding te ontkomen.
Vergeet het nooit, dat gij niet alleen in dienst staat van een aardschen Koning, maar dat gij eerst en voor alles soldaten zijt van Jezus Christus en daarom niet alleen plichten te .vervullen hebt als militair, doch ook plichten als christen. Tracht dan beide plichten goed te vervullen, u zeiven tot wapenspreuk en krijgsleus deze woorden kiezend van den H. Petrus: (I. Petri II. 17.) âVreest God, eert den Koning-!quot;
HOOFDSTUK II.
Plichten, welke uit den militairen
stand voortspruiten.
Niet voor alle menschen zijn de plichten, welke zij te vervullen hebben, dezelfde. Behalve de algemeene, die door de wetten van God en van de de Kerk aan allen zonder onderscheid worden opgelegd, heeft ieder katholiek daarenboven nog bijzondere plichten welke voortkomen uit den levensstaat, dien hij gekozen heeft.
Zij die in de wereld den ongehuw-den staat beleven, hebben geheel andere plichten te vervullen dan de gehuwden. Deze wederom andere dan de priesters, do priesters wederom andere dan de kloosterlingen. Zoo brengt ieder levensstaat zijnequot; bijzondere verplichtingen mede.
Doch niet alleen uit den levensstaat, dien men heeft aangenomen, ook uit den stand, welken men bekleedt in de maatschappij, komen verschillende plichten voort, die voor den eenen mensch geheel anders zijn dan voor den anderen.
30
Zijn rijke menschen b.v. gehouden van' hun overvloed mede te deelen aan de armen, de armen worden op hunne benrt aangemaand, de rijken niet te benijden, maar zich tevreden te stellen met hnn lot. Gebiedt God aan de overheden hunne onderhoorigen met liefde te behandelen, hun geene lasten op te leggen, die te zwaar en te moeilijk zijn, van de onderdanen vordert Hij gehoorzaamheid aan de voorschriften quot;hunner meerderen, getrouwe uitvoering hunner bevelen. Kunnen werkgevers niet zonder onrechtvaardigheid het billijk loon aan hunne arbeiders onthouden, de arbeiders van hunnen kant moeten zich met dat billijk loon tevreden stellen en mogen door geene ongeoorloofde middelen de patronen dwingen hun hooger loon te geven, dan waartoe zij zijn overeengekomen.
quot;Wat God dus van ieder mensch vordert, is dit: dat hij behalve zijne algemeene plichten als mensch en als christen ook nog die bijzondere plichten vervulle, Avelke uit zijn staat en zijn stand in de maatschappij voortkomen.
31
i Welke zijn mi die bijzondere plich-
i ten van een R. K. militair? Zij zijn
) vele; eeuige binden hem altijd, andere
i slechts in bijzondere gevallen. Voor
i de duidelijkheid, zullen wij de eerste
I algemeene en de tweede bijzondere
i plichten noemen.
e
II A Algemeene Plichten.
ii
e 1. Plichten tegenover God.
i. Er zijn helaas, maar al te veel
i- militairen, die meenen, dat de gods-
u dienst onvereenigbaar is met' hun i- | stand, die denken, dat zij, om flinke
;h en degelijke soldaten te worden, den
!ii godsdienst eenvoudig over boord moe-
Ie ten werpen, 's Morgens en's avonds voor
in en na het eten bidden, vinden zij dan
ae ook vlakaf bespottelijk ; des zondags naar de H. Mis gaan, op tijd naderen
ch tot de H.H. Sakramenten, daarmede
ne hadden zij sinds langen tijd gebroken;
ils uit godsvrucht tot de H. Maria een sca-
;h- pulier of een rozenkrans bij zich dra-
en gen, aan die bijgeloovigheid zouden
rt- zij zich voor geen geld ter wereld willen schuldig maken. En niet tevreden met
i
32
zelf hunne godsdienstplichten geheel en al te verwaarloozen, trachten zij nog daarenboven brave en godsdienstige wapenbroeders tot navolging van hun voorbeeld over te halen.
Heeft iemand het gewaagd, op de kamer te bidden ot een kruis te maken, vloeken en verwenschingen zijn niet zelden de belooning voor zijn moedig gedrag. Weet men, dat de een of ander zondags trouw de H. Mis bijwoont, of op tijd biecht en communiceert, men wijst hem dikwijls met den vinger na en wacht zich voor hem in den omgang. Heeft men bij toeval gezien, dat iemand een rozenkrans of een scapulier draagt, onder hoon en spotgelach wordt dat nieuws aan anderen medegedeeld. Belachelijke voorstellingen der geheimen van den godsdienst, schandalen op rekening van priesters en religieuzen zijn niet zelden het onderwerp van gemeenschappelijke gesprekken. In één woord, getrouw aan hunne leuze, dat de godsdienst niet tehuis behoort in de kazerne, verwaarloozen zij zelve hunne godsdienstplichten en quot;sparen geene moeite om ook anderen daartoe over te halen.
33
1 ' Die ongelukkigen! Zij begrijpen
r niet, dat zij op de eerste plaats sol-
e daten zijn van Jezus Christus, dat zij
ii voor alles in den dienst staan van
den Koning der koningen en dat bij-
e gevolg de godsdienst de eerste en
i. noodzakelijkste plicht is, dien zij in
â t den dienst te vervullen hebben,
g. In het Oud verbond (Num. II. 2.)
)f beval God aan Mozes, dat de Joodsche
j- soldaten hunne tenten zouden opslaan
'i- rondom de ark des verbonds. âDe
iii zonen van Israel zullen legeren een n ieder^ in zijne eigene legerafdeeling, al bij zijn eigen banier, zijn eigen krijgs-of teeken rondom de ark des Verbonds.quot; ;ii Waarom, vraagt hier een geleerd u- schrijver, waarom moesten de Joodsche ir- soldaten rondom de ark des Verbonds, Is- hunne tenten opslaan ? Was het al-:ui leen om de ark des Verbonds het en voornaamste zinnebeeld van hun gods-ke dienst, tegen vijandige aanslagen
te verdedigen? Zijn antwoord is lst ontkennend. Neen, niet alleen om haar Br- te beschermen, had God dit zoo best- paald, maar ook om de Israëlitische om soldaten te herinneren, dat al stonden , 3
j
34
zij iu (leu dienst van een aardsch vorst, zij op de eerste plaats verbonden waren aan den dienst van Got), en alleen slechts door Hem goed te dienen met reden mochten hopen trouw te blijven aan hun koning. En met recht. Want alleen hij is een goed soldaat, die tevens een goed christen is._ Daarom sprak de H. Petrus (I Petri. II17.) deze woorden, die vooral bij katholieke militairen hunne volledige beteekenis ontvangen. âVreest God, eert den Koning.quot; Als wilde de Apostel zeggen : Waar de vreeze Gods niet voorafgaat, daar zal de dienst des Konings niet volgen, want een ieder die trouw wil blijven aan zijnen vorst moet trouw blijven aan God, aan wien de vorst zelf zijn gezag ontleent. Dit is dan ook het eenparig gevoelen van alle vorsten en militaire overheden, dat soldaten, die zich niets aan den godsdienst laten gelegen zijn, hunne plichten als militair niet of zeker niet ten volle zullen vervullen. De groote Keizer Constantinus placht te zeggen: Het is onmogelijk, dat een soldaat getrouw blijft aan zijn vorst.
35
ich wanneer hij niet getrouw is aan God.quot;
en Een zeker Grieksch Keizer beval eens
en twee zijner voornaamste officieren aan
ten de valsche goden te offeren en hunnen
te waren godsdienst te verloochenen,
ht. Een hunner toonde zich, om de gunst
at, des Keizers niet te verliezen, bereid
ar- het gevraagde offer te brengen. De
7.) ander daarentegen was zelfs niet door
â ke bedreigingen van zijn plicht af te bren-
nis gen en verklaarde liever te sterven dan
ieu zijn God te verloochenen. Wat deed
ig- nu de Keizer ? Den laatsten behield
iet hij in zijnen dienst en overlaadde
les hem met eerbewijzen, den eersten daar-
ler entegen ontnam hij al zijn gezag,
rst omdat, gelijk hij zeide : Ieder militair,
ien die niet getrouw is aan God, vroeg
t Is of laat in de tijden des gevaars even-
Jle eens ontrouw wordt aan zijn koning.quot;
lat Ook het Reglement van krijgstucht
ds- (§ 2.) erkent deze waarheid : âDaar
ch- de godsdienst de bron is van alle ge-
ten luk, deugd, waren moed en troost,
0te moet ook in den krijgsstand een ieder
ju : zich tot betrachting derzelve bevlij-
iol- tigenquot;. Doch zelfs al konden wij al
rst, deze getuigenissen van zulke bevoegde
I
36
rechters niet in het midden brengen, dan zou een enkele blik in het dage-lijksch leven der militairen voldoende zijn, om het gezegde aanstonds te bewijzen. Wanneer ik vraag: wie zijn degenen, die gedegradeerd worden,'die zoovele maanden verstoken zijn van het dragen van den sabel of de bajonet ? Wie worden er met een rood paspoort naar Imis gezonden of veroordeeld tot de klasse van discipline, cachot, provoost, tot zooveel pond daags ? Wie liggen in het hospitaal ten prooi aan de schandelijkste en walgelijkste ziek ten ? Zijn het niet dezulken, die hunne-godsdienstplichten verwaarloozen, die nooit bidden, die zondags niet naar de H. Mis gaan maar naar de herberg, nooit of hoogstens eenmaal in het jaar biechten en communiceeren; die altijd spotten met brave en godsdienstige militairen ?
Wie daarentegen verwerven zich de achting hunner overheden; wie maken bevordering in den dienst; wie kunnen bij het verlaten der kazerne een zakboekje toonen zonder straf ? Het zijn bijna altijd die sol-
37
daten, welke uit den godsdienst geleerd hebben hunnen oversten te gehoorzamen niet uit hoop op belooning of uit vrees voor straf maar uit liefde tot God; die de militaire regiemeuten opvolgen niet uit dwang of noodzakelijkheid maar uit ware toegenegenheid voor Gods H. Wi), welke daarin vervat is.
Laat u daarom, E. K. militair, door niets bewegen uwe eerste en voornaamste plichten, uwe godsdienstplichten te verwaarloozen. Geef geen gehoor aan de dwaze taal van menig wapenbroeder, die in uw godsdienstig gedrag een scherp verwijt zal zien voor zijne ongodsdienstigheid en u daarom zal zeggen, dat de jaren van den dienst jaren van vrijheid zijn, jaren waarin gij u niet om God of gebod behoeft te bekommeren, dat bidden den militair verlaagt, dat het bijwonen der H. Mis goed is voor vrouwen en kinderen, dat biechten en communi-ceeren zaken zijn, die in den militairen stand niet te pas komen, dat er tijden zijn in 's meuschen leven, waarin men niet meer behoeft te loopeu aan den
38
leiband van priesters en geestelijke overheden. Want, helaas, zoovelen, die aan deze woorden geloof sloegen hebben hunne dwaling eerst ingezien toen het te laat was, toen zij met hunne onschuld ook tevens de kostbare genade des geloofs verloren hadden! Spiegel u dus aan hun voorbeeld en vermijd den strik, dien men u spant.
Doch hoe zult gij nu als militair uwe godsdienstplichten kunnen waarnemen ? Om alles in twee woorden te zeggen, antwoord ik u: doe alles, wat de godsdienst u voorschrijft, in zoover gij quot;dat in uwen stand kunt doen ; laat alles, wat hij n verbiedt.
1°. Doe alles, wat de godsdienst u â voorschrijft.
a) Laat niet na iederen dag tot God te bidden. Verhef des morgens aanstonds na het blazen der reveille uw hart tot God en bedank Hem, dat Hij u gedurende den afgeloopen nacht, waarin zoovele menschen gestorven ' zijn, zoo liefdevol bewaard heeft. Kunt gij onopgemerkt het H. Kruisteeken maken, laat dit dan niet achter.
39
Draag vervolg-ens al uwe werken aan God op. Vraag Hem de genade, om gedurende dien dag alle monden te vermijden, vooral die welke gij dikwijls bedrijft of waartoe gij het meest bekoord wordt. Bid in stilte de akten van geloof, hoop, liefde en berouw. Vergeet niet de drie wees gegroeten te bidden ter eere van Maria's Onbevlekte Ontvangenis, om de genade te verkrijgen van zuiverheid naar ziel en lichaam. Al deze gebeden kunt gij gemakkelijk verrichten onder het wasschen en aankleeden, dan is er niemand, die er iets van opmerkt. Gelijk gij den dag begonnen zijt met het gebed, zoo moet gij hem ook met het gebed eindigen. Hebt gij om eene of andere reden niet kunnen deelnemen aan het avondgebed der militaire vereenigiug, bedank God dan voor al de genaden u gedurende den loop van den dag bewezen. Onder zoek na aanroeping des H. Geestes uw geweten. Verwek over de fouten, welke gij misschien bedreven hebt, een hartelijk akte van berouw. Bid de drie wees gegroeten. Beveel u ge-
40
durende den nacht aan God, aan * Maria, aan uwen Engelbewaarder en slaap, na u zediglijk ontkleed te hebben, in met de gedachte aan Gods H. Tegenwoordigheid. Bid ook vóór en na het eten. Val niet, gelijk de re- â delooze dieren dat doen, op uw voedsel aan, zonder uwen Schepper te bedanken, maar bid onopgemerkt vóór en na het eten een wees gegroet of doe in uw hart eene of andere verzachting. Vergeet ook niet herhaaldelijk tot God uwe toevlucht te nemen in gevaren naar de ziel, in moeilijkheden en bekoringen, want wie alsdan bidt, overwint, wie niet bidt, wordt overwonnen. Indien kwade gedachten u lastig vallen, zeg dan : Jezus sta mij bij, Maria, kom mij te hulp! Hoort gij anderen vloeken, zeg dan in u zelveu: Geloofd zij Jezus-Christus of mijn Jezus, harmhartigheid voor de rloelcers ! Merkt gij, dat anderen vuile of ergerlijke taal spreken, luister er niet naar, maar ga weg, of kunt gij dat niet, bid dan een weesgegroetje om zuiver te blijven, of zing een liedje. h) Denk er' aan, dat gij onder
41
doodzonde verplicht zijt des Zouclags en op de gebodene Heiligendagen de H. Mis bij te wonen, tenzij gij door wettige redenen daarin verhinderd waart. De Zondag dient niet alleen tot ontspanning des lichaams, maar op de eerste plaats tot heil van uwe onsterfelijke ziel. De menscli, die gedurende 6 dagen hard gewerkt heeft, kan door die zorgen voor zijn aardsch geluk lichtelijk de groote belangen zijner onsterfelijke ziel min of meer verwaarloosd hebben; op den zondag kan hij al die geledene verliezen gemakkelijk herstellen. Geldt dit reeds voor alle menscheu, hoeveel te meer zal het dan niet gelden voor de militairen, die gedurende den loop dei-week nooit van God hooren spreken, ja dikwijls in de kazerne met God hooren spotten. Verzuim dus nooit, indien gij niet door wettige redenen van dienst verhinderd zijt, op die dagen de H. Mis bij te wonen, en wil het ongeluk, dat gij zeer dikwijls door dienst b. v. door nachtwacht van Zaterdag op Zondag in de waarneming uwer kerkelijke plichten belet wordt,
42
vraag dan aan uwen sergeant-majoor verandering van dienstregeling. Luister ook niet naar diegenen, welke u zullen nitnoodigen, om onder den tijd der H. H. Missen wat te gaan wandelen of eene herberg te bezoeken. Woon, indien gij kunt, niet eene stille H. Mis maar de Hoogmis bij, en geef ouder de predikatie goed acht op de woorden welke de priester u in naam van God toespreekt. Onthoud u verder van dien dag te ontheiligen door zondige werken zooals door drinkpartijen, het bezoeken van slechte huizen of gevaarlijke plaatsen, het wandelen met slechte kameraden, doch zorg des middags aanwezig te zijn in de namiddag oefeningen, het lof of de vespers.
c) Nader op tijd tot de H. H. Sa kramenten van biecht en communie. Onder de_ militairen zijn er zoovelen, die hun Paaschplicht geheel en al ver-Avaarloozen, er zijn ook anderen, die slechts eenmaal per jaar biechten en ter communie gaan. Volg geen dezer na, doch maak een nuttig en veelvuldig gebruik der H. H. Sakramenten.
43
Ga geregeld iedere maand te biechten en ter communie, gelijk gij gewoon waart, voordat gij in dienst kwaamt of zooals ten minste de yeelgrootere gevaren van liet militaire leven n aanraden, eri bereid n op eene waardige wijze tot bet ontvangen voor. Ontbond ook goed, dat biechten en commnniceeren twee gebeel verscbil-lende sakramenten zijn, die niet noodzakelijk aan elkander moeten verbonden worden. Laat daarom het biechten niet na, omdat gij den volgenden dag door dienst verhinderd zijt te communiceeren, ga in zulk een geval toch biechten.
d) Eindelijk tracht eene groote godsvrucht te hebben voor Maria, uwe Moeder. Wanteen waar dienaar van Maria gaat nooit verloren. Draag u daarom dikwijls aan Haar op, stel u iederen dag onder Hare bijzondere bescherming, roep Haar vooral aan in de bekoringen en laat uit vrees voor bespotting niet na den rozenkrans of het scapulier van Maria godvruchtig te dragen.
44
2°. Van den anderen kant vermijd alles, wat de godsdienst u verbiedt.
_/lt;) Lees daarom geen couranten, tijdschriften, volksblaadjes of boekwerken, die tegen het katholiek geloof geschreven zijn, of waarin gespot wordt met de heilige en verhevene geheimen van onzen H. Godsdienst, of waarin allerlei leugenachtige verhalen en schanddaden op rekening van priesters en kloosterlingen de ronde doen.
h) Knoop geen innige vriendschap aan met andersdenkenden, vooral wanneer zij dikwijls spreken over het geloof. Ontvlucht eveneens de eigene geloofsgenooten, die geene godsdiens tige overtuiging meer hebben, of niet voor hun geloof durven uitkomen.
c) Hoort gij op de kamer anderen over het geloof twisten, openlijk hunne bezwaren tegen een of ander geheim uitbrengen, iets vertellen ten nadeele van geestelijken of kloosterlingen, meng u dan niet onder de twistenden, blijf niet staan om hunne twijfels aan te hooreu of te wederleggen, luister
niet naar de vertelsels die zij u op-disschen. Integendeel vertrek zoo spoedig; mogelijk van de kamer, of kunt gij het niet, zoek dan uwe verstrooiing in eene of andere bezigheid, want bijna altijd zal het gehoorde meer nadeel dan voordeel aan uwe godsdienstige gevoelens toebrengen.
Tracht gij aldus u op de beoefening van den godsdienst toe te leggen, dan zal deze u op zijne beurt den dienst vergemakkelijken en u de kracht schenken om al de verdere plichten, die uit den militairen dienst voortkomen, goed te vervullen.
2. Plichten tegenover den dienst.
âVreest God, eert den Koning.quot; (I Petri. II. 17.) Na de getrouwe vervulling zijner godsdienstplichten moet er voor den militair niets zoo heilig zijn als de stipte vervulling zijner dienstplichten. De godsdienst immers leert, dat het voor den mensch niet voldoende is, gehoorzaamheid te be-toonen aan de goddelijke en kerkelijke wetten, maar dat hij zich daaren-
46
boven moet toeleggen, om te voldoen voo
aan al de verplichtingen, die voort- lijk
komen nit den stand, welken liij in de de
maatschappij bekleedt, 't Is daarom, voo
dat de H. Paulns (Eph IV 1.) schrijft; de
âIk bid u, broeders, dat gij n waardig iuw
o-edraagt volgens den stand, waartoe de j
o*ij door God geroepen ^ijt. Wil woi
dns de militair aan God behageu, dan ten
moet hij na zijne godsdienstplichten De
zi]ne voornaamste zorg wijden aan mij
zijne dienstplichten. zie
Deze nu zijn tweevoudig. De eerste vai
bestaan in het goed onderhouden van bel
de krijgsartikelen, die hij met eigen zie
hand onderschreven heeft, in de stipte dri
opvolging van al de voorschriften wi
van krijgstucht, inwendigen dienst vri
enz.: in één woord in de gehoorzaam- gr
beid aan alle militaire reglementen. de De andere bestaan in den eerbied, â ru
en gehoorzaamheid, welke de militair ta;
verschuldigd is aan den persoon en lie
de bevelen zijner overheden. en
Alleen over de gehoorzaamheid aan oe
de militaire reglementen zal hier ge- pi
sproken worden. Zi
Mlt; n vindt niet zelden militairen, ee
47
voor wie de krijgstucht een ondragelijke last is, die zich niet dan met de uiterste moeite en alleen uit vrees voor straf kunnen onderwerpen aan de verschillende voorschriften van den iuwendigen dienst, ja die zelfs door de gestrenge militaire strafwetten niet worden afgeschrikt, hunne reglementen in gewichtige punten te overtreden. De groote reden hiervan kan, dunkt mij, geene andere zijn, dan dat zij zich nooit ernstig hebben doordrongen van de noodzakelijkheid en het groote belang hunner dienstplichten. Zij zien in de reglementen niet den uit-drukkelijken wil van God, maar alleen willekeurige bepalingen, die hunne vrijheid aan banden leggen. Zij begrijpen niet hoe verdienstelijk het is, de schijnbaar nietige en dagelijks te-rugkeerende handelingen van het militaire leven met de grootste volmaaktheid te verrichten eu al het lastige en onaangename hunner dagelijksche oefeningen met geduld en onderwerping aan Gods H. Wil te aanvaarden. Zij zijn er niet van overtuigd, dat eene getrouwe vervulling hunner
48
dienstplichten tegelijk met de onderhouding- der Goddelijke en Kerkelijke wetten voor hen noodzakelijk is ter zaligheid. Geen wonder dan ook, dat er bij zulk eene inwendige gesteltenis geen spraak kan zijn van eene nauwgezette plichtsbetrachting.
Wat aan de natuur bevalt, zal hartstochtelijk nagestreefd, wat moeite kost, inet zorg vermeden worden. Durft men zich niet onttrekken aan een of ander voorschrift uit vrees voor straf, men zal morren, inwendig misnoegd en verstoord wezen, soms openlijk zijn tegenzin te kennen geven, misschien zelfs vloeken en verwen-schingen tegen den dienst uitbraken. Zich hierbij niet bepalend, zullen enkelen de vrees voor straf afleggen, hunne plichten verwaarloozèn en wat er ook uit moge volgen, eenvoudig doen, wat hun goeddunkt.
Ten einde zich nu voor zulke afwijkingen te bewaren en zich met ijver toe te leggen op eene stipte vervulling zijner dienstplichten, be-schouwe de R. K. militair, hoe noodzakelijk, hoe verdienstelijk en hoe
49
fier- verheven het is, alles, wat de regle-
ijke meuten hem voorschrijven, zoo goed
ter mogelijk te vervullen,
dat 1° Het is noodzakelijk. Zoowel het
enis leger als de militair zelf hebben er
uw- groot belang bij, dat alles, wat de dienst voorschrijft, nauwkeurig worde
rts- opgevolgd.
eite Wat toch zou er van ons leger gelen. worden, indien de krijgstucht door de lan militairen niet in al hare voorschriften ees met stiptheid onderhouden of de be-dig palingen van den inwendigen dienst ims 611 der andere reglementen niet goed en, werden nagekomen ? Zouden de ka-en- zernen, die plaatsen moeten zijn van en. de hoogst mogelijke orde, geene len plaatsen worden van onbeschrijfelijke en, wanorde ? Zouden de militairen die ^t aan geene reglementen stoorden, â¡n, iets anders zijn dan een bandelooze en teugellooze troep, die, wel verre rf. van te zorgen voor de inwendige ^t rust des lands, haar voortdurend zou (te verstoren door allerlei uitspattingen )e- en brooddronkenheid, alle woelingen d- en onlusten zou bevorderen, de geesel oe en de schrik zou worden van vreed-
4
50
zame burgers, zooals op kleine schaal de oiiderviinling dit zoo dikwijls bewijst van sommige plichtvergeteue militairen? Hoe zouden de legers zijn, die gedurende den oorlog de belangen des vaderlands moeten verdedigen, of zijne geschondene rechten wreken ? Zouden het geoefende, goed gedisciplineerde en moedige troepen zijn, die tegen den vijand werden opgeworpen, ot troepen, die in de krijgskunde slecht onderwezen, aan geene militaire tucht gewend, van 'moed en vaderlandsliefde verstoken, den vijand eene gemakkelijke overwinning moeten bezorgen? Voor het leger derhalve is de stipte onderhouding van alle reglementen noodzakelijk,quot;zoo wel in vredestijd als gedurende den o irlog. Maar niet minder noodzakelijk is zij ook voor iederen militair in het bijzonder. Let men op zijn eeuwig geluk, dan is het zeker, dat hij door zijne dienstplichten grootelijks te verwaarloozen zijne zaligheid niet zal bewerken. Want om in den hemel te komen, moet hij niet alleen de geboden onderhouden van God en van
51
haal ile Kerk, maar ook die plichten ver-; bé- vullen, welke voortkomen uit den teue stand, waartoe God hein geroepen gers heeft of waarin hij met diens toelating â de geplaatst is. De vervulling dezer ver- standsplichten, wordt hem niet minder liten door God bevolen, dan de onderhon ding poecl zijner geboden. Gelijk dus de militair ;peii zijne eeuwige zaligheid in gevaar â¢den brengt door een goddelijk of kerkelijk de gebod te overtreden, hetwelk op zware aan zonde verplicht, zoo stelt hij zich even-van zeer bloot aan het gevaar om verven, loren te gaan, door een of ander punt rer- van liet reglement te overtreden, het-het welk hem op doodzonde bindt. Zulke ion- reglementen nu zijn er in menigte, ike- Ik herinner slechts aan het verbod nde van vloeken, dronkenschap, liederlijke iud- conduites, het toelaten, dat iemand tair 's nachts over de palissaden klimt, ïijn het bezoeken van slechte huizen, dat verraad, opstand, muiterij, het over-ijks geven of vrijwillig verlaten van een iiet wachtpost gedurende den oorlog, enz. nel enz. Daarenboven is eene voortdu-ge- rende en algemeene verwaarloozing ran van dienstplichten evenmin van groote zonde vrij te pleiten.
I
52
Maar er zijn nog andere redenen. Niet alleen het geweten verplicht hem tot onderhonding zijner reglementen, ook de verschillende tijdelijke voor-deelen, die uit het goed nakomen der bepalingen en voorschriften volgen, zijn eene krachtige beweegreden tot ijverige betrachting derzelve. Een militair immers, die zijne dienstplichten niet goed behartigt, heeft gedurende zijn diensttijd een moeilijk en onaangenaam leven. Hij is bijna nooit vrij van straf, iedere inspectie doet hem vreezen, altijd dreigt hem het rapport over plichtverzuim. De overheden hebben hunne achting voor hem verloren, zullen gemakkelijk aanmerkingen en klachten, die over hem worden uitgebracht, gelooven, en daarenboven zijne goede bedoelingen dikwijls verkeerd uitleggen. Uit den dienst met groot verlof naar huis teruggekeerd, zal het gerucht over zijn slecht gedrag hem dikwijls reeds zijn voorafgegaan. Als gevolg daarvan ziet men hem in de plaats zijner inwoning met zekere verachting aan en weigert hem niet zelden op te
53
euen.
;hem nemen in die betrekking- of in dien
nfe]] dienst, waarin hij voor zijn vertrek
^oor- 'naar de kazerne werkzaam was. Di)c]i
i (]er al zon dit ook niet liet geval zijn,
gen wat is er dan in de toekomst te ver-
i^tot wachten van een jongeling, die zidi
Een gewoon heeft gemaakt zijne plichten
ich- te verwaarloozen en zich heeft over-
3(1,j, gegeven aaneen zedeloos en losbandig
: en leven?
ooit Geheel anders is het gesteld met den loet militair, die zijne plichten goed waar-het neemt en zijn best doet om al de bepaal.. liugen zijner reglementen stipt na te [em leven. Waar anderen vreezen voor leiv straf, daar kan hij volkomen gerust zijn em door het getuigenis vau zijn geweten, ej] dat hij zijn plicht vervuld heeft, .â¢ea Zelden dan ook staat zijn naam op ieu de lijst der gestraften en gebeurt het uig soms, dat hij eene of andere straf rer beloopt, het is altijd eene zeer geringe, kIs Zijn goed gedrag verwerft hem de ir- achting zijner superieuren, die bij er menige gelegenheid zooals b.v. bij het ui vragen van verlof en permissie, het te aanstellen van een oppasser, het vergeven van een winstgevend baantje,
54
de bevordering tot korporaal, enz., dikwijls daarvan de duidelijkste blijken geven. Daarenboven, omdat zij overtuigd zijn, dat hij in het algemeen zijne plichten nauwgezet nakomt, wordt een klein verzuim van zijnen kant gemakkelijk door de vingers gezien, of zijne bedoeling daarbij ten goede uitgelegd. Met groot verlof naar de ouderlijke woning teruggekeerd, kan hij een zakboekje toonen zonder straf en als bewijs van zijn goed gedrag dikwijls aan zijne ouders of vroegere overheden eene loffelijke getuigenis van zijn kapitein overleggen, zoodat hij dan ook met liefde wordt opgenomen in die betrekking, waarin hij voor de loting werkzaam was. Eindelijk aan tucht gewend en goed doordrongen van de noodzakelijkheid om zijne plichten met zorg te vervullen, geeft hij gegronde hoop, dat hij na zijn diensttijd zijne burgerlijke en maatschappelijke plichten niet zal verwaarloozen.
2°. Eene andere beweegreden voor den R. K. militair, om zich met zorg te kwijten van alles, wat de regie-
55
nienten hem opleggen, is de groofe scJint ran rerdiensten, wélken hij daardoor voor den hemel kan verdienen. Want geen stand misschien biedt zooveel gelegenheid aan om zich rijke schatten van verdiensten voor God te vergaderen. Wanneer een militair zijn best doet om alle bepalingen zijner reglementen uit liefde tot God zoo volmaakt mogelijk op te volgen, dan zal hij gedurende de korte dagen van zijn diensttijd bij God meer verdiensten verzamelen, dan hij anders zou verkrijgen door verschillende jaren in den burgerstand zijne plichten getrouw te vervullen. Waarom ? \ oor-eerst, omdat hij zich in den militairen dienst meer moeite zal moeten geven voor eene nauwgezette plichtsbetrachting dan in den burgerstand. De betrekking toch, waarin hij werkzaam was, voordat hij bij de militie _werd ingelijfd, liet bedrijf, waarop hij zich toen toelegde, het handwerk, hetwelk hij toen uitoefende, waren de betrekking, het bedrijf, het handwerk zijner eigene keuze. Hij wilde zich op dat alles met hart en ziel toeleggen, om-
(lat hij daarin zijn vermaak en genoegen vond. Vandaar, dat het hem gewoonlijk niet veel moeite kostte, om alle handelingen te stellen, welke daartoe vereischt werden. Doch van den militairen stand kan men niet getuigen, dat hij door de meeste militairen met liefde aanvaard is. Verreweg het grootste getal miliciens en, zooals ik door ondervinding weet, ook zeer vele vrijwilligers hebben geen liefde maar een afkeer van hun stand. Zij zijn militair geworden uit noodzakelijkheid, uit armoede, soms zelfs geleid door onedele bedoelingen. Werd het hun toegestaan tot het burgerlijk leven terug te keeren, of konden zij eene fatsoenlijke betrekking verkrijgen, zij zouden niet lang twijfelen in hunne keuze, doch aanstonds den dienst verlaten. Zij gevoelen bijgevolg niet dien prikkel, welke hen vroeger aanspoorde, om de handelingen te verrichten, welke hun stand van hen vorderde. Vandaar ook, dat zij meer geweld moeten gebruiken tegen zich zeiven om alles wat de dienst hun voorschrijft, zoo
57
^ volmaakt mogelijk te verrichten. Dat hierdoor nu de verdienstelijkheid hunner goede werken niet weing verhoogd wordt, behoeft voorzeker geene nadere verklaring.
Daarenhoven, welke zijn de plichten hun door de verschillende reglementen opgelegd? Voor het oog der menschen meestal kleine en nietige zaken, die zeer menigvuldig zijn, dagelijks terug-I komen en zeer veel moeite kosten aan de bedorven natuur des menschen; maar daarom juist des te verdienstelijker worden, wanneer zij uit liefde tot God met groote volmaaktheid verricht worden. Op het slagveld, wanneer hij slaat tegenover den vijand i en goed en bloed moet veil hebben, om de belangen van het vaderland te verdedigen, dan is de militair groot in de oogen der wereld, dan zijn dé plichten, welke op hem rusten verheven. Maar hoe grooter zij zijn gedurende den oorlog, des te geringer schijnen zij te zijn gedurende de gelukkige dagen van den vrede. De eerste 6 a 8 weken van zijn diensttijd gaan voorbij met het aauleereu van de oefeningen der re-
crutenschool, oefeningen, die menig-toeschouwer onwillekeurig een glimlach op de lippen brengen en die waarlijk belachelijk zonden zijn, werden zij niet gewettigd en noodzakelijk gevorderd voor het groote doel, waartoe zij gericht worden: de militaire opleiding van den soldaat. Is de recruut eenmaal afgericht, ook dan zijn het niet anders dan schijnbaar geringe plichten, welke de dienst van hein vordert. Ku eens is het poetsen van uitrusting, wapenen en mon-teering, wegbrengen van waschgoed, plaatscorvée. Dan wederom wordt hij gecommandeerd tot verschillende excèrcitieën, wachten en patrouilles. Den eenen dag is het inspectie, den anderen theorie. Kortom wat hij te verrichten heeft zijn voor het meeren-deel zaken, die weinig geschikt schijnen om de eigenliefde van den militair te streelen en hem eene groote gedachte te geven van zich zeiven. Doch daarom juist wordt dit alles voor hem des te verdienstelijker, indien hij het uit liefde tot God'zoo volmaakt mogelijk verricht. Want het getuigt van groo-
tere liefde en toewijding aan God, zulke kleine zaken goed te doen, dan andere met zorg te verrichten, die uit haren aard groot en verheven zijnen 's menschen eigenliefde streelen.
Waren de voorschriften der militaire reglementen nu nog maar gering in aantal of de oefeningen, welke de militairen moeten verrichten zeer afwisselend en niet bijna dagelijks dezelfde, de stipte vervulling daarvan zou niet zooveel bezwaar opleveren. Maar neen, talrijk zijn de voorschriften van den invvendigen dienst en van de andere reglementen, talrijk ook de verordeningen van militaire overheden Van het oogenblik der reveille tot aan het avondappél is bijna ieder uur door een of ander voorschrift geregeld, door eene of andere oefening bezet. Voortdurend schrijft nu deze, dan gene bepaling hun een zekere houding, een zeker werk, eene zekere oefening voor, en bijna altijd zijn het dag in dag uit dezelfde oefeningen. Geen zwakke deugd of geringe liefde tot God is dus voldoende, om al die vele, kleine, dagelijks terugkeerende plichten op boven-
60
1
natuurlijke wijze te vervullen, niet uit sleur of uit gewoonte, maar uit liefde tot God en zoo goed mogelijk. Doch geene geringe belooning zal dan ook het deel zijn vau den militair, die zich zal hehhen beijverd, om dat alles zoo volmaakt mogelijk te verrichten. Tot hem zal Christus met bijzondere liefde eenmaal zeggen: âKom, goede en getrouwe dienstknecht, omdat gij getrouw geweest zijt over het kleine, zal ik u stellen över het groate, ga binnen in de vreugde uws Heereiï.quot; (Matth. XXV. 21.) Ten slotte, hoe lastig moeten de onderhouding der reglementen en het verrichten der dagelijksche oefeningen niet vallen aan de bedorvene natuur des men-schen, waarvan de militair even goed de lasten gevoelt, als ieder burger.
De bedorvene natuur des menschen verlangt naar vrijheid. Doch waar is de militair, die ten volle over zijne vrijheid kan beschikken? Dikwijls tegen zijn zin gedwongen om het militaire leven te aanvaarden, tegen zijn zin genoodzaakt om in den dienst te verblijven, moet hij om zijne regie-
61
menteu op te volg-en en rle verschillende oefeninjven, welke zij voorschrijven te verrichten, voortdurend eigene vrijheid en eigen vrijen wil verloochenen. Want de ondergeschiktheid, zeggen de reglementen, is de ziel van den militairen dienst, eene lijdelijke gehoorzaamheid wordt er gevorderd van iederen mindere in rang aan zijnen meerdere; de krijgstucht bestaat in de hoogst mogelijke orde, in de allerspoedigste uitvoering der gegevene bevelen zonder de minste tegenspraak, in eene onvermijdelijke bestraffing der geringste nalatigheden of misslagen.
De bedorvene natuur des menschen verlangt naar genot en zinnelijke voldoeningen. Doch waar wordt de zucht naar genoegens meer verstorven dan » in den militairen stand ? Een gedwongen verblijf in onaangename en donkere kazernen, een voortdurende omgang met makkers, die hem dikwijls afschrik inboezemen door hun dronkenschap, vloeken en oneerbare taal of hem voortdurend bespotten om zijn godsdienstig gedrag, eeuevoeding
62
die li em niet altijd bevredigt, eeue ligging op hard stroo, vervelende en dagelijks terugkeereude oefeningen, urenlange wachtposten in onaangename buurten, of bij regenachtig en koud weder, afmattende manoeuvres en zoovele andere zaken, ziedaar op welk eene wijze zijn zucht naar genot in den dienst verstorven wordt. Weinige standen kan men dan ook aanwijzen, waarin zooveel opoffering van den eigen wil, zooveel verloochening van de zucht naar eigen vrijheid, zooveel verstervingen van de zinnelijke natuur gevraagd worden als in den militairen stand. Doch is dit waar, dan zijn er ook weinige standen, waarin zooveel gelegenheid wordt aan geboden om de edelmoedigste deugden te beoefenen en zich vele verdiensten voor den hemel te vergaderen.
3. Eene laatste beweegreden eindelijk, die de militair moet aansporen eene stipte gehoorzaamheid te be-toonen aan zijne reglementen, is de verhevenheid van iedere hepahng, der reglementen en van iedere oefening die zij voorschrijven. Inderdaad, hoe
63
nietig' en gering den militair zijne dienstplichten ook mogen voorkomen, hoe weinig verheven het hem ook toeschijne te poetsen, te corveëen, te schilderen voor een wachthuisje, etc., etc., toch is het voor iederen militair, die de zaken beoordeelt naar hare juiste waarde, groot en verheven.
Wat toch geeft aan dc menschelijke werken hunne waarde ? Is het soms het werk zelf, dat zij verrichten ? Neen, want alle werken der menschen, hoe groot en verheven zij in zich zelve ook mogen schijnen, blijven ten slotte maar menschelijke werken, d. w. z. werken van nietige en eindige schepselen, die uit zich zeiven niets kunnen, doch alles verrichten door geleende krachten, door krachten, die God hun schenkt. Zij hebben dus in het oog van God alle evenveel waarde, het zijn alle beuzelarijen en nietigheden, die uit haar zelve niet in staat zijn. God te behagen Het eenige, wat in staat is, waarde te geven aan onze werken, ze groot en verheven te maken in de oogen van God, is de overeenstemming, die Hij waarneemt tusschen
64
het werk, dat wij verrichten en ziinen H. Wil, die dat werk voorschrijtt. Is het werk op zich zeiven niets, zoodra de Wil van God dat werk gebiedt, wordt het in Gods oqgen groot en verheven, omdat het gericht wordt naar een oneindig doel, de vervulling n.1. van Gods H. Wil, die oneindig volmaakt is. Het nietigste werkie ontvangt dan in zijn oog een oneindig grootere waarde, dan het verhe-venste werk, hetwelk zonder zijnen Wil geschied is. Daarom zegt een zeker schrijver, dat indien God aan zijne Engelen beval, den hemel te verlaten en zich op aarde te begeven, ten einde daar stroohalmen of graan-korreltjes te verzamelen, zij zich gelukkig' zouden achten met zulk eene verhevene zending en met blijdschap op aarde zouden nederdalen, om het goddelijk bevel te volbrengen.
Past de R. K. militair deze waarheid op zijne dienstplichten toe, welke
gevolgtrekking moet hij dan daaiuit noodzakelijk maken ? Deze, dat de bepalingen der militaire reglementen, de oefeningen, welke zij hem voor-
65
ien schrijven, zelfs de kleinste en nietigste, jft. groot en verheven zijn, omdat zij sts, overeenstemmen met den H. Wil van ge- God. Door hem tot den militairen oot stand te roepen, of ten minste door rdt toe te laten, dat hij bij de militie ing werd ingelijfd, gaf God hem het bevel, dig alle plichten te vervullen, welke uit kje dien stand voortspruiten. Daar nu iin- de reglementen de militaire plichten he- nader omschrijven, wil God uitdruk-nen kelijk, dat deze stipt worden opeen gevolgd.
lan Indien alle militairen van deze waar-
te heid beter doordrongen waren, hoe
'en, zouden zij dan alles, wat op den dienst
an- betrekking heeft, geheel anders be-
ge- schouwen, dan zij tot nu toe gedaan
ene hebben! Tot hiertoe zagen velen in
liap deze zaken niets anders dan moeilijke
het bepalingen, vervelende voorschriften, willekeurige beperkingen van hunne
lar- vrijheid. Geen wonder dan ook, dat
:lke zij niets met liefde deden, maar alleen
[â¢uit slechts uit vrees voor straf, dat zij
de nauwelijks de kans schoon zagen om
ten, straffeloos tegen hunne reglementen
)or- in te gaan, of aanstonds werden zjj
I
66
overtreden, ja, dat sommigen zelfs 1,
door geen vooruitzicht van straf te 1
konden weerhouden worden hunne tair plichten te verwaarloozea. Doch heeft
zich eenmaal de overtuiging in hen heit
gevestigd, dat alles, wat de regie- ^eij
meuten voorschrijven, een uitvloeisel y00 is van Gods H. Wil en dat de over- 2,
eenkomst met dien aanbiddelijken Wil toe
alleen onze werken groot en verheven sein
maakt, dan zullen zij ook begrijpen, zjjn hoe zij door den minsten plicht, dien
hun staat medebrengt, goed te ver- omf
vullen, een werk verrichten, hetwelk eil
groot en verheven is. Zij zullen bijge- scii( volg overtuigd zijn, dat zij door de
gehoorzaamheid aan de geringste Yeil
voorschriften hunner reglementen, door aiie
het verrichten der nietigste bezig- ilun
heden, zooals poetsen, corveeën, wacht- huu
houden, excerceeren, enz. enz. God 0p
meer behagen, dan door al het andere, ^ jg.
dat zij op dien tijd konden doen, al 0f j
was het ook bidden of communiceeren. ^Et
Dat de R. K. militair zich dus ern- ^Ki
stig van deze gewichtige waarheden âuo
trachte te doordringen en als besluit n(l0
zich voorneme: , âve
I
67
1. Altijd eeue ware hoogachting te hebben voor de verschillende militaire reglementen, ze niet te overtreden uit zucht naar grootere vrijheid, uit verlangen naar een gemakkelijk en zinnelijk leven of uit vrees voor menschelijk opzicht.
2. In het bijzonder legge hij zich toe op de onderhouding van die voor-schriften, welke betrekking hebben op zijne verhouding tot zijne overheden, de goede orde in de kazerne, zijn omgang met medemakkers en burgers en het goed verrichten der dagelijk-sche oefeningen. Hij betoone daarom zijnen oversten altijd den voorgeschreven iu-_ en uitwendigen eerbied niet alleen in hun bijzijn maar ook in hunne afwezigheid en bevlijtige zich hunne bevelen aanstonds en stiptelijk op te volgen, zonder ooit uitwendige teekenen te geven van tegenzin of inwendig le morren en te klagen. ,Een ieder, zegt het Reglement van âKrijgstucht (Inl. § 3), moet met ge-ânoegen en zonder morren zijn plicht âdoen en de ongemakken geduldig âverdragen.quot; Hij zorge onmiddellijk
68
op te staan bij het blazen der reveille. toe
niet te mankeeren op liet middag-- vu
en nog veel minder op het avond- zij:
appèl. Is hij in de kazerne, hij hand- da
have de goede orde en onderhoude me
alles, wat de reglementen van in- On
wondigen dienst hem aldaar voor- hei
schrijven. Is hij buiten de kazerne, ;
zijn gedrag tegenover de burgers zij nic
van 'dien aard, dat het eerbied en vo
hoogachting afdwinge. Hij vermijde hij
daaróm de verdachte straten en ver- vu
bodene huizen, geve zich uiet over scl
aan dronkenschap, menge zich niet ve:
in twisten of vechtpartijen, vluchtte oei
alle losbandigheid en ruwheid van als
manieren. In zijn omgang met de dif
medemakkers tracbte hij van den Hi
eenen kant niemand te beleedigen, vo
maar allen met christelijke naasten- tol
liefde te behandelen, van den anderen of
kant zich uiet te laten verleiden door ve
slechte voorbeelden van anderen, ge
doch hen veeleer tot dengdsbetrachting uk
op te wekken. Bij de verschillende dii
militaire oefeningen, die, hetzij in vo
hetzij buiten de kazerne, plaats heb- me
ben, legge hij zich met hart en ziel du
I
69
toe op eene nauwgezette plichtsvervulling. In één woord, hij trachte zijne reglementen zoo te onderhonden, dat men van hem kan getuigen, wat men eenmaal zeide van Christus: Omnia henefecit (Marc. VII 13.) Hij heeft alles wel gedaan.
'6. Doch daar de E. K. militair niet alleen aan de menschen maar vooral aan God moet behagen, zorge hij bovennatuurlijk te zijn in de vervulling zijner dienstplichten. Hij be-schouwe daarom alle bepalingen der verschillende reglementen en al de oefeningen, welke zij voorschrijven, als de uitdrukking van Gods H. Wil, die daardoor te kennen geeft, wat Hij van hen verlangt en legge zich voortdurend toe, die plichten uit liefde tot God en niet uit vrees voor straf of uit menschelijke behaagzucht te vervullen. Hij v'erzuime niet 's morgeus bij het ontwaken de goede meening te vormen om alles, wat de dienst hem dien dag voorschrijft, voor God te verrichten. Die goede meening herhale hij meermalen gedurende den loop van den dag, zoo-
70
veel mogelijk voor iedere militaire oefening, doch zeker voor die, welke bii hem natuurlijkerwijze meer tegenzin verwekken. Want zonder goede meening hebben de beste zaken geene waarde voor God, met haar worden de nietigste verrichtingen in Zijne ooo'en kostbaar en verdienstelijk. Daarom zegt de H. Paulus (I Cor. XBI): .Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij âgij iets anders doet, doet alles tot quot;meerdere eer en glorie van God. Dat dus de E. K. militair bij ieder werk tot God zegge; Mijn God, ik doe deze oefening b. v. dit poetsen, deze wacht, deze corvee etc. uit liefde tot ü.
Door zich op deze godvruchtige gewoonte toe te leggen, zal hij een gemakkelijk middel vinden, om al het onaangename en het moeilijke zijner dienstplichten geduldig te verdragen en zich vele verdiensten voor den hemel te vergaderen.
3. PlicMen tegenover de militaire Overheden.
Onder al de plichten, welke de reglementen den militair voorschry-
71
ven, ziju er geene, waarop zij met zooveel klem eu nadruk wijzen, als op die, welke hij te vervullen heeft tegenover zijne overheden. Die plichten staan reeds uitgedrukt op de eerste bladzijde, waarmede de reglementen van krijgstucht en inwendi-gen dienst aanvangen, zij worden herhaald en nader omschreven in verschillende artikelen, die daarop volgen, zij worden den militairen bekend gemaakt onder do krachtige woorden âde Koning gebiedt, de Koning wilquot;, zij worden gehandhaafd door ingrijpende maatregelen en zware straffen. Wel een bewijs dus, dat zij beschouwd worden als dè grondslag, waarop alle goede orde en welvaart in den krijgsdienst berust, 't Zal daarom zeer nuttig zijn, er hier afzonderlijk over te handelen.
Welke zijn dan de plichten, die ieder militair volgens de reglementen tegenover de militaire overheid te vervullen heeft? Zij worden teruggebracht tot deze twee hoofdplichten : lo. gehoorzaamheid aan hunne bevelen, 2o. eerbied voor hun persoon.
72
Met betrekking tot den eersten plicht, de gehoorzaamheid aan de hevelen der overheden, zegden de reglementen:
âDe ondergeschiktheid is de ziel âvan den militairen dienst, derhalve âis elk militair, van wat rang of âstaat hij ook zij, gehouden zijnen âmeerderen in rang en bijgeval van âgelijken rang zijnen meerderen in âdienstjaren (de inwendige dienst zegt âleeftijd) alle gehoorzaamheid te bewijzen.quot; (R. v. K. art. 1,)
âElk militair is verplicht in den âdienst de orders hem gegeven door âdengenen, die boven hem gesteld is, âterstond en zonder daartegen te âredeneeren, te gehoorzamen en getrouwelijk te volbrengen, behoudens âhet recht om, wanneer hij zich door âdie orders bezwaard vindt, daartegen âzijne klacht in te brengen.quot; (R. v. K. âart. 2.)
âAan overtreding der krijgstucht
âmaken zij zich schuldig...... Alwie
âuit losheid of onachtzaamheid verruimt uit te voeren, hetgeen, waartoe âhij gecommandeerd is, of te vol-
73
âbrengen (ie orders, welke aan hem âdoor iemand in hoogeren rang ge-âsteld, gegeven zijn, ook dan zelfs, âwanneer die order bestaat in het âuitvoeren of doen uitvoeren van eene âgeordonneerde straf.quot; (R. v. K. art. 10gt;
En met betrekking tot den tweeden plicht, den eerbied voor den persoon der overheden, bepalen zij :
âElk militair, van wat rang of âstaat hij ook zij, is gehouden zijnen âmeerderen in rang en in geval van âgelijken rang zijnen meerderen in âdienstjaren (de inwendige dienst âzegt leeftiid) allen eerbied te bewii-âzen.quot; (R. v. K. art. 1).
âOok buiten den dienst zal een behoorlijken eerbied van den mindere âtot den meerdere worden in acht âgenomen.quot; fR. v. K. art. 2).
âAan overtreding der krijgstucht
âmaken zij zich schuldig......Alwie
âzijnen meerderen oneerbiedig behan-âdelt, kwalijk bejegent, tegen dezelven âmort, zich onbetamelijke uitdruk-âkingen veroorlooft, of zich met woor-âden of met gebaren over hunne âhandeling onvergenoegd toont.quot; (R. v, K. art. 16.)
74
En met recht. Alwie slechts eeuig begrip heeft van den militairen dienst, zal aanstonds inzien, dat de gehoorzaamheid aan de bevelen der overheden en de eerbied voor hun persoon eene militaire deugd is, die nooit genoeg kan worden ingescherpt en tegen eiken prijs moet worden gehandhaafd. Want zij en zij alleen is de voornaamste grondslag van de krijgstucht. Zonder haar geen orde in de kazerne, geene mogelijkheid om zich te bekwamen tot den oorlog, geene kans van overwinning gedurende den strijd. Wat baten aan het leger de bekwaamste aanvoerders in den krijg, wanneer hunne bekwaamheid afstuit op den onwil hunner minderen ? Waar is de officier, die zich zeiven in staat acht, de militaire opleiding van den soldaat te voltooien, hem te bekwamen voor de krijgsoperatiën, wanneer hij zijne commando's niet opgevolgd, zijne orders niet ziet uitgevoerd? Waar blijft de orde in de kazerne, wanneer een ieder doen kan, wat hem goeddunkt en zich niet stoort aan de bevelen zijner overheden ? Geen wonder
75
dan, dat insubordinatie een der grootste vergrijpen is, die men in den dienst kan aantreffen, en dat de militaire wetten (R. v. K. 28â54) de zwaarste straffen bepalen voor allen, die in dit punt schuldig zijn.
Maar nog krachtiger dan de reglementen eischt de godsdienst van iederen militair gehoorzaamheid aan de bevelen zijner oversten en eerbied voor hun persoon. Hij immers stelt de overheden voor als plaatsbekleders van Jezus Christus, die van God zelveu het recht ontvangen hebben om te gebieden, door Hem Zeiven met gezag bekleed zijn en wier bevelen daarom stiptelijk opgevolgd, wier personen altijd moeten geëerbiedigd worden, 't Is om deze reden dat de H. Paulus (Rom. XIII. 1) zeide: âEen ieder moet der macht, âdie over hem gesteld is, gehoor-âzaamheid betoonen, want er is geen âmacht danvan God.quot; En op eene andere plaats: (Rom. XIII 7.) âGeeft aan âallen, wat gij hun schuldig zijt, ont-âzag aan wien gij ontzag, eerbied aan âwien gij eerbied schuldig'zijt.quot; De
76
godsdienstvervolgensbeschouwtiedere â * te
ongehoorzaamheid aan de bevelen der ra
overheden, iedere oneerbiedigheid te- d(
genover hun persoon als eene onge- ra
hoorzaamheid, eene oneerbiedigheid zc
tegenover God. (Rom. XIII '2.) âDie gt;â h(
âaan de macht wederstaat, wederstaat w
âaan God.quot; Hij eindelijk handhaaft hc
het gezag der overheden niet alleen hi
door tijdelijke en voorbijgaande straf- la
fen, zooals de reglementen doen, maar hc
ook door geestelijke en eeuwige straf- k]
fen. (Hom. XIII 2.) âDie aan de la
âmacht wederstaan, zullen Gods ver- ⢠ai
âvloeking op zich aftrekken.quot; Daar vc
derhalve moet de R. K. militair vooral ee
de kracht zoeken, ora zijne verplich- d(
tingen tegenover zijne superieuren li;
goed te vervullen. En zeker, waar in
anders dan in den godsdienst zal hij hi
de krachten vinden om aan zoovele ' in
oversten, iu zoovele zaken en op zlt;ilk al
eene volkomene wijze te gehoorzamen ? w
Waar anders dan in den godsdienst oi
zal hij de kracht putten, om niet- hi
tegenstaande de fouten en gebreken, dc
die hij soms in zijne overheden be- 1 H
speurt, hen toch altijd in- en uitwendig ki
77
te eerbiedigen ? Was het met de militairen evenals met de meeste onderdanen, die slechts één enkelen meester dienen, de gehoorzaamheid zou hun niet zoo moeilijk vallen, maar het groot getal overheden, aan hetwelk ieder mindere eene lijdelijke gehoorzaamheid moet betoonen, maakt hun de beoefening dezer deugd uiterst lastig. Van den Koning, die met de hoogste macht over de militairen bekleed is, daalt het gezag trapsgewijze langs verschillende rangen en graden af, tot aan den minsten soldaat, die voor een oogenblik met de leiding eener oefening belast is, of op wien de verantwoording rust eener handeling. Aan deze allen moet de mindere in rang gehoorzamen. Doch hoe zal hij dit nu kunnen doen, zoo hij niet in den godsdienst geleerd heeft, dat alle macht, waarmede zijn overste, wie hij ook zijn moge, bekleed is, onmiddellijk van God komt, die aan hem zijn gezag wilde mededeelen, om de welvaart des legers te verzekeren ? Hoe zal hij in staat zijn die duizende kleine en lastige voorschriften, hem
78
dagelijks door zip korporaal, ziju sergeant, zijn majoor, zijn kapitein etc. gegeven, naar behooren op te volden, indien de godsdienst hem niet geleerd heeft, deze te beschouwen als uitvloeisels van den Goddelijken Wil, die hem door middel der overheden wordt kenbaar gemaakt ? Hoe zal het hem mogelijk zijn, altijd en m alles eene lijdelijke gehoorzaamheid te betoonen, gelijk de reglementen haar omschrijven, indien hij de strai-fen vergeet, waarmede de H. bchni-tuur den ongehoorzamen bedreigt, of de beloouingen niet indachtig is, welke God aan zijne onderwerping verbonden heeft?
Even als de volmaakte gehoorzaamheid onmogelijk is zonder den godsdienst, even onmogelijk is zonder dezen ook de ware eerbied, welke de militair aan zijne oversten verschuldigd is. Het geloof toch maakt den K. K. militair gewoon, alleen te zien naar het goddelijk gezag, waarmede de overste bekleed is eu niet minder goede hoedanigheden, die hem als mensch kunnen aankleven. Een
79
u ' overste blijft uit kracht zijner aau-
in stelling- overste, en zijn gezag hangt
te niet ar van zijn goed of minder goed
et gedrag, maar alleen van de Goddelijke
Is verordening. Geen verschil van gods-
il, dienstige gevoelens, geen hardheid of
ju ruwheid van manieren, geen zedeloos
al ot ongebonden leven zelfs, mogen
in eenigen afbreuk doen aan den eerbied,
id welken ieder mindere verschuldigd
en .aai1 zijne meerderen. Waren de
if- Keizers, aan wie de eerste christenen
if- moesten gehoorzamen, geene heidenen,
of quot;JJ ^u,1 valsclien godsdienst, dik-
i . wjjis de verregaandste ongebondenheid
'ig ü11 amp;roo^ste hardvochtigheid paarden ?
i 40C^gt; over 1x611 sPrekend gebood
m- j quot;- Petrus aan alle christenen en
is- s aan de militairen : âWeest,
;en , nomdat God het wil. aan alle men-
air flSchehjke overheid onderdanig,zoowel
jsgt; âaan den koning, die de opperste âmacht bezit, als aan den overste, die
lar »â¢u hem gezonden is. Eert een ieder,
de quot;w est God' eertiedigt den Koning,
de gt; «Vy eest met alle vrees onderdanig
em ninet alleen aau de braven en beschei-
Ceu ïjdenen, maar ook aau de hardvoch-âtigen en onbeleefden.quot; (I. Petr. II.)
80
Dat dus de militair, die zijne plichteu tegenover zijne superieuren altijd goed wil vervullen, zich in alles door den godsdienst late geleiden. Op welke wijze zal hij dat doen ? ..
1°. Door zorg te dragen, dat zijne gehoorzaamheid aan de bevelen der meerderen, en zijn eerbied voor hun persoon altijd bovennatuurlijk Z1jnj In hun bevel moet hij niet het bevel zien van dezen of genen mensch, maar het bevel van God zeiven; m hun persoon moet hij niet den mensch eerbiedigen, maar God, met wiens gezag deze mensch bekleed is. Zoo deed Christus, die in den persoon van Jozef en Maria altijd God zag en vereerde, in hunne bevelen altijd den Wil van zijn hemelschen Vader erkende en gehoorzaamde. Ditzelfde vordert ook de H. Paulus, waar hij zegt (Eph.VI.5.) âOnderdanen, weest
gehoorzaam aan uwe meesters als âaan Christus.quot; Voorzeker, de militair, die zich gewend heeft, op deze wijze zijne oversten te beschouwen, zal nooit behoeven te vreezen, dat hy de plichten, welke hij tegenover hen te
81
vervullen heeft, zal verwaarloozen; want het is juist het gebrek aan
feloof, dat de minderen aanspoort uunen overheden niet te gehoorzamen of oneerbiedig te behandelen. Hij zal dus gehoorzamen niet alleen in de tegenwoordigheid zijner overheden, maar even goed in hunne afwezigheid ; hij zal daarbij niet geleid worden door onedele of lage bedoelingen, b.v. om straf te ontgaan, om hun te behagen, doch alleen door het verheven doel, om aan God te behagen, wiens gezag hij in de oversten erkend heeft. Ook de eerbied zal, voortkomend uit hetzelfde beginsel, inwendig wonen in zijn hart en zich uitwendig toonen in zijne daden. Hij zal dus nooit nieuwsgierig het gedrag zijner oversten nagaan, om hunne geheime fouten te ontdekken en hen daarna te verachten ; integendeel hij zal zich veeleer beijveren, om het berispelijke, wat hij misschien in hun gedrag zou waarnemen, ten goede uit te leggen. Nooit ook zal hij hun die uitwendige teekenen van eerbied onthouden, welke de militaire tuchteloof, dat de minderen aanspoort uunen overheden niet te gehoorzamen of oneerbiedig te behandelen. Hij zal dus gehoorzamen niet alleen in de tegenwoordigheid zijner overheden, maar even goed in hunne afwezigheid ; hij zal daarbij niet geleid worden door onedele of lage bedoelingen, b.v. om straf te ontgaan, om hun te behagen, doch alleen door het verheven doel, om aan God te behagen, wiens gezag hij in de oversten erkend heeft. Ook de eerbied zal, voortkomend uit hetzelfde beginsel, inwendig wonen in zijn hart en zich uitwendig toonen in zijne daden. Hij zal dus nooit nieuwsgierig het gedrag zijner oversten nagaan, om hunne geheime fouten te ontdekken en hen daarna te verachten ; integendeel hij zal zich veeleer beijveren, om het berispelijke, wat hij misschien in hun gedrag zou waarnemen, ten goede uit te leggen. Nooit ook zal hij hun die uitwendige teekenen van eerbied onthouden, welke de militaire tucht
6
82
voorschrijft. Hij zal zich niet bij anderen over hunne handelwijze beklagen, niet oneerbiedig over hen spreken, hun gedrag niet openlijk afkeuren, of door hatelijke gezegden hun eer en goeden naam wegnemen. Mocht hij soms gegronde klachten hebben over hunne handelwijze, dan mag hij de middelen gebruiken, welke de militaire wetten hem toestaan, en, zonder den eerbied uit het oog te verliezen, zich wenden tot een hooger gezag.
Hij zorge 2». dat zijne gehoorzaamheid aan de bevelen der oversten en zijn eerbied voor hun persoon algemeen zij.
Bijgevolg gehoorzame hij aan lederen overste en in alle zaken.
Ieder overste bekleedt de plaats van God, ieder order, dat hij uitvaardigt, , wanneer het niet klaarblijkelijk eene zonde is, bevat den uitdrukkelijken Wil van God. Ik zeg, indien het ge-bodene niet klaarblijkelijk eene zonde is, want in zulk een geval gelden de woorden van den H. Petrus (Act. V. 29.) » .,men moet God meer gehoorzamen
83
dan den menschen.quot; De E. K. militair van deze waarheden doordrongen, maakt dan ook geen onderscheid tus-sr.hen overheden van hoogeren en lageren rang, doch tracht allen gelijkelijk te gehoorzamen en te eerbiedigen, ja naarmate het gezag geringer is, naar die mate gehoorzaamt en eerbiedigt hij het met meer liefde in de overtuiging, dat hij daardoor des te aangenamer wordt aan God.
Evenmin ook kan men bij hem eenig onderscheid bespeuren in de wijze, waarop hij zijne plichten waarneemt tegenover goede of slechte, vriendelijke of lastige overheden, maar
gedachtig aan de woorden van den Petrus (I. Petr. II 18) âweest on-âderdanig aan alle overheden zoowel âaan goede als aan kwade,quot; tracht hij allen zonderonderscheid te behandelen. Doch niet alleen tot alle oversten, maar ook tot alles, wat hem geboden wordt, strekt zijne gehoorzaamheid zich uit. Hij legt zich niet bij voorkeur toe op datgene, wat hij gaajne verricht, of wat hem geene moeilijkheden en ongemakken oplevert, maar
84
volgt, zoowel in aangename _ als in onaangename, in eervolle als in vernederende werkzaamheden den Wil op van God, die hem door zijne oversten is bekend gemaakt.
Hij zorge 3°. dat zijne gehoorzaamheid aan de bevelen der oversten en zijn eerbied voor hunnen persoon roZ-ledig zij in hare onderwerping. Ten eincle hierin naar wensch te slagen, vervnlle hij zijn plichten tegenover hen met blijdschap, zoeke zich met door verontschuldigingen van een of ander bevel te ontslaan, klage noch morre inwendig, spreke zijne overheden niet tegen, toone zich niet gramstorig, en keure hunne orders in het bijzijn van anderen niet af. Want alwie denkt op deze wijze zijne plichten te vervullen, bedriegt zich zelven, maakt zich onaangenaam aan God en wordt strafbaar volgens de reglementen. Hij volbrenge vervolgens zijne plichten aanstonds, zonder zich herhaalde malen te laten waarschuwen of een nieuw bevel af te wachten. Want de krijgstucht, zeggen de reglementen, bestaat in eene allerspoedigste
S5
uitvoering der gegeven orders. Elk militair is verplicht de bevelen, hem in den dienst door zijne meerderen gegeven, terstond te gehoorzamen en getrouwelijk te volvoeren. Hij vol-brenge ze ten slotte nauwgezet, door juist te doen, wat hem gezegd is, niets meer of niets minder, door alles te verrichten in de voorgeschrevene houding, het vastgestelde tenue, op de aangewezene plaats en den bepaalden tijd. In één woord, een ieder trachte op zulk eene wijze zijne plichten tegenover zijne overheden te vervullen, dat hij daardoor krachtdadig medewerke tot het wel betrachten van 's Lands dieust.
4. Plichten tegenover de Medemakkers.
De getrouwe opvolging der weder-zijdsche plichten, welke de menschen tegenover elkander te vervullen hebben, is de grondslag, waarop de meuschelijke samenleving rust. Tracht iedereen van den eenen kant de rechten van zijn evennaaste te eerbiedigen en van den anderen kant te voldoen aan de verplichtingen, welke hij tegen-
86
over hem heeft aangegaan, dan blijft de schoone orde in de maatschappij bewaard, en wordt de samenleving j voor den mensch, die van nature maatschappelijk is, een bron van vrede, geluk en troost. Worden daarentegen de rechten van anderen ge-scnonden, ot komt het eene lid der maatschappij de verplichtingen niet ua, welke het tegenover de andere leden te vervullen heeft, dan is de orde in de maatschappij verbroken en wordt de samenleving een ondragelijke last.
Ziedaar eene waarheid, welke de ondervinding dagelijks bewijst en die ook ten volle van toepassing is op de samenleving in de kazerne. De wet verplicht de militairen, om gedurende de dagen van hun diensttijd % gemeenschappelijk te wonen. Een i voortdurende omgang met dezelfde makkers is daarvan het noodzakelijk gevolg. Van den vroegen morgen tot den laten avond zijn zij dan ook met elkander in het nauwste verkeer , Denkt men nu aan het groote verschil, dat er bestaat tusschen die
87
militairen, welke, ofschoon zij geheel vreemd zijn aan elkander, toch door de wet in ééne kazerne vereenigd worden, verschil van geboorteplaats, verschil van opvoeding, stand en leeftijd, verschil van inborst en karakter, verschil van uitwendig gedrag en godsdienst, dan kan het niet anders ot er moet tusschen hen verdeeldheid ontstaan en de samenleving zal ondragelijk worden, indien zij zich niet wederzijds bevlijtigen, om de plichten, welke zij tegenover elkander te vervullen hebben, goed na te komen. Van het hoogste belang is het daarom, dat de militairen de plichten, welke de samenleving hun oplegt, goed kennen en trouw beoefenen.
Welke zijn dan die plichten ? Geene andere dan die, welke de christelijke naastenliefde hun voorschrijft, want deze deugd regelt de verschillende betrekkingen der menschen onderling. Door haar erkent de militair in zijn medemakker, die hem geheel en al onbekend is, een natuurgenoot, die evenals hij het bestaan te danken heeft aan Gods oneindige liefde ; een
88
zoon van denzelfdeu Vader, die ook hem geschapen heeft; een medebroeder, die evenals hij door het dierbaar bloed van .lezus Christus is vrijgekocht, een medeërfgeuaam, die gelijk hij geroepen is, om Glod in alle eeuwig-heiil te loven en te prijzen. Door haar wordt hij aangespoord, dien medemakker te beminnen, hem alle goed toe te wenschen, dat hij verlangt voor zich zeiven, hem alle weldaden te bewijzen, die hij voor zich van anderen verhoopt, van hem alle kwaad af te weren, waarvan hij zich zeiven
faarne bevrijd zag. In één woord, oor haar alleen kunnen alle bezwaren, die voor de samenleving in de kazerne uit het verschil van leeftijd, karakter, godsdienst enz. voortkomen, geheel en ten volle worden verwijderd.aarne bevrijd zag. In één woord, oor haar alleen kunnen alle bezwaren, die voor de samenleving in de kazerne uit het verschil van leeftijd, karakter, godsdienst enz. voortkomen, geheel en ten volle worden verwijderd.
Met recht mag men dan ook aannemen, dat het reglement van krijgstucht niets anders bedoelde, daneene nadere verklaring te geven van het groot gebod der naastenliefde, toen het, sprekend over de betrekkingen der militairen onderling, bepaalde: âde beste eensgezindheid behoort ook
âin den dienst plaats te hebben, alle âpartijschappen moeten vermeden wor-âden, een ieder moet met genoegen âen zonder morren zijn plicht doen, âzich tot eigene en auderer verbete-âring en tot voorkoming van elkanders âmisstappen bevlijtigen, de onge-âmakken geduldig verduren, elkander âwederkeerige achting toedragen, âeenstemmig zijn tot het welzijn en âde eer van een ieder in het bijzonder âen van het korps in het algemeen, âen dus ook tot het welbetrachten van 's Landsdienst medewerken. (R. v. K. Inl. § 3.gt; Hetgeen met andere woorden beteekent: de betrekkingen tusschen de militairen onderling moeten alle geregeld worden door de wetten der christelijke naastenliefde. Dat de R. K. militair zich daarom met hart en ziel toelegge op de beoefening dier deugd. Doch hoe moet hij het aanleggen om in deze moeilijke deugd naar wensch te slagen ?
Hij zorge lo. bezield te zijn met eene ware en hovennatuurNjke liefde voor zijne medemakkers. Men kan iemand beminnen met eene natuurlijke of bovennatuurlijke liefde. Wan-
90
neer men een ander bemint alleen om zijne natuurlijke hoedanigheden b. v. om uitwendige schoonheid, edele begaafdheden, aangenaam karakter, zachte inborst, dan bemint men hem met eene natuurlijke liefde. Die liefde is in zich goed, maar niet edel genoeg om onder de christelijke deugden te worden opgenomen. Zij is daarenboven ook niet standvastig, omdat zij slechts zoolang standhoudt, als die uitwendige hoedanigheden op ons hart haren invloed uitoefenen. Zij is ten slotte ook zeer gevaarlijk, omdat zij gemakkelijk overslaat tot eene onreine en zondige liefde. Bemint men daarentegen iemand niet om zijne uitwendige hoedanigheden, maar om God, wiens beeld hij in zich ronddraagt, door wiens Bloed hij is vrijgekocht, aan wiens Rijk hij eenmaal zal deel hebben, en Die ons gebiedt hem te beminnen, dan heeft men tot zoo iemand eene bovennatuurlijke liefde. Zulk eene liefde nu wil God, dat wij elkander toedragen. Wanneer dus de militair zijn medemakker op zulk eene wijze bemint, dan heeft hij eene ware naastenliefde, dan beoefent
91
i hij eene christelijke deugd, dan blijft
die liefde standvastig en verdwijnt zij niet, hoezeer de persoon, die be-â¢, mind wordt, uitwendig moge veran-
a deren, dan is er ook geen gevaar,
e dat zijne liefde hem ooit te ver zal
voeren en ontaarden zal in eene vleeschelijke en onreine liefde. In s God moet ieder militair derhalve de
eerste en voornaamste beweegreden vinden, om zijne medesoldaten te be-p minnen.
i. Hij zorge 2o. zijne liefde uit te
:, strekken tot al zijne medemakkers.
t Alleen diegenen beminnen, die van
i- dezelfde plaats komen als wij, of die
n zich tegenover ons welwillend be-
r toonen, of wier inborst en karakter
met het onze overeenkomt en koud i- ^ of onverschillig zijn tegenover de anil deren, is geen ware naastenliefde. Dat t doen de Heidenen ook, zegt Christus it (Matth. V. 57.) Neen, de liefde van den e militair moet zich uitstrekken tot al l, zijne medemakkers zonderonderscheid, r onverschillig welke hunne geboorte-p plaats, hun leeftijd en stand, hun ij inborst en karakter, huu uitwendig t
92
gedrag of hun godsdienst zijn moge. Of zijn zij, die van andere plaatsen komen, niet evengoed onze naasten als diegenen, welke met ons een zelfde woonplaats gemeen hebben ? Kan het eene deugd genoemd worden, alleen hen te beminnen, die ons genegen zijn, of vordert de christelijke naastenliefde ook niet, dat wij diegenen, welke wij natuurlijkerwijze zouden haten, op bovennatuurlijke wijze om God liefhebben ? Zijn de militairen, op wier levensgedrag veel valt aan te merken, of die in een anderen godsdienst zijn opgevoed, niet ongelukkig genoeg, en verdienen zij van onzen kant niet eene medelijdende liefde? Ieder militair, die aan God wil behagen, moet zich beijveren, om niemand zijner medemakkers van zijne liefde uit te sluiten. Zeker, hij mag ongetwijfeld diegenen meer liefde toedragen, met wie hij reeds vóór zijne aankomst in de kazerne vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt, of die door hun goed karakter en hunne zachte inborst zijne bijzondere genegenheid afdwingen, of
93
in wie hij eigene geloofsgenooten mag begroeten, maar dat hij daarom zijne liefde niet weigere aan anderen : noch aan vreemde en onbekende medebroeders, omdat ook zij zijne naasten zijn; noch aan diegenen, welke een tegenstrijdig karakter hebben met het zijne, of stootend en onaangenaam zijn in den omgang, omdat in znlk een geval zijne liefde slechts zuiverder en verdienstelijker wordt; noch aan slechte medemakkers, omdat niettegenstaande de gebreken, die hen aankleven, hun persoon toch altijd moet bemind worden; noch aan hen, die eene andere godsdienstige overtuiging hebben, omdat ook zij, indien zij ter goeder trouw dwalen, eenmaal deel kunnen hebben aan het geluk des hemels. En is er onder de militairen iemand, dien hij kent als door en door godsdienstig, dan is het uiterst raadzaam, dat hij met dezen eene geheel bijzondere quot;vriendschap aanga, ten einde aldus elkander tegen de gevaren van verleiding en tegen het menschelijk opzicht te steunen.
Hij zorge 3°. edelmoedig te zijn in
94
zijne liefde tegenover zijne medebroeders.
Eene liefde, die om aan den beminden persoon te behagen, zich zelve geen enkel offer kan getroosten, is geene liefde, maar baatzucht. Een baatzuchtige bemint zijnen naaste enkel en alleen om zijne gaven, om het tijdelijk voordeel, dat hij voor zich door 'deze liefde hoopt te verkrijgen. Vandaar zal hij nauwelijks zien, dat er voor hem niets meer te verwachten is, of zijne genegenheid ontaardt in koudheid en onverschilligheid. Zoovele grooten, rijken en machtigen dezer wereld, die door eeue grillige wending der fortuin van aanzien, rijkdom of macht beroofd werden, hebben het ondervonden en kunnen de waarheid van het spreekwoord getuigen: âin den nood leert âmen het best zijne vrienden kennen.quot; ,, De ware liefde alleen kan die oprechte edelmoedigheid mededeelen, welke geene perken kent in hare opofferingen. Zij zoekt niet haar eigen belang, maar het belang van diegenen, welke zij bemint. Zij is bereid ieder- lt; een te helpen en liij te staan, zijne
95
lasten te verlichten, zijne moeilijkheden te verminderen, al moet zij zich daardoor nu en dan een offer laten welgevallen. Zulk eene edelmoedige liefde vordert God van den militair. En hoe dikwijls vindt hij in de kazerne daartoe eene ongezochte gelegenheid! Wat is de recruut met hulpeloos en onervaren, wanneer hij pas de ouderlijke woning heeft verlaten en zich op eens in eene onbekende stad verplaatst ziet, in eene onbekende kazerne, waar alles hem vreemd is; op duizenden vragen zou hij zoo gaarne een antwoord verkrijgen, maar tot wien zal hij zich wenden ? De R K. militair, met eene edelmoedige naastenliefde bezield, trekt zich het lot van dien ongelukkige aan. Hij brengt hem liefderijk op de hoogte van alles, wat de recruut moet weten, om zijne plichten als christen en als militair goed waar te nemen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat sommige militairen, niettegenstaande hun goeden wil de militaire oofeningen maar niet vlug kunnen aanleeren, of de meest gewone han-
96
delingen van hun dienst, zooals b. v. het poetsen van wapenen, zelfs na ernstige pogingen niet naar hehooren kunnen verrichten ? Een liefdeloos of baatzuchtig medemakker zal hem in dat geval hulpeloos achterlaten of alleen tegen eene geldelijke vergoeding zijne diensten verleenen. Doch een militair, die edelmoedig is in zijne liefde, gevoelt zich aangespoord, den onbedrevene bij te staan zonder eenige vergoeding, zelfs al_ moest hij daarom het genot van uit te gaan een enkele maal opofferen. Een onverwacht bezoek van ouders, bloedverwanten, vrienden of kennissen zal plaats hebben, terwijl men gecommandeerd is voor eene of andere oefening. Bij zulk een bezoek zou men gaarne van dienst ontslagen zijn, om zich met grootere vrijheid en ongestoord met zijne bezoekers te kunnen onderhouden. Er wordt door de overheid goedgunstig eene of andere permissie verleend, waarvan men gaarne gebruik zou willen maken. Toevallig echter moet men in plaats van een ander invallen voot kamerwacht enz.
97
en wordt men gedwongen om tegen zijn zin op de kamer te verblijven. Hoe vnrig zou men dan wenschen, dat een ander ons bij die oefening verving ! Doch hoe zal dat verlangen vervuld worden, indien men onder zijne medemakkers geene edelmoedige vrienden aantreft, die bereidwillig voor dat oogenblik den dienst voor ons willen waarnemen, zonder vergoeding alleen uit liefde. Zoo zijn er duizenden gelegenheden, waarin eene edelmoedige naastenliefde het geluk zal uitmaken van de samenleving in de karzerne, terwijl koudheid en onverschilligheid haar zal veranderen in een ondragelijken last.
4 . Hij zorge ten slotte geduldig te zijn in zijne liefde tot de mede-makkers. Waar meuschen zijn, daar zijn ook menschelijke gebreken, daar is het bijgevolg onmogelijk, om alle onderlinge wrijving, iedere botsing van verschillende karakters, iedere beleediging te voorkomen. Men vindt altijd menschen, die ons om eene of andere reden vijandig gezind zijn en geene gelegenheid om ons hunne af-
98
gekeerdheid te toonen, ongebruikt quot; k laten voorbijgaan. Altijd ook zijn er jj karakters, die afstootend en hinderlijk tf zijn in den omgang. Alwie nu niet n bezield is met de_ ware christelijke naastenliefde, kan in zijn verkeer met J» g-j anderen deze moeilijkheden niet te j,] boven komen, hij verliest zijn geduld, ai stuift op in toorn en maakt zoo- ^ doende voor zich en zijne kameraden m de samenleving onmogelijk. Demili- w tair echter, die zijne medebroeders oprecht liefheeft, handelt geheel anders. Hij verdraagt stilzwijgend de g.£ beleedigingen, die hem door de boos-heid van anderen worden aangedaan, m( zoekt zich niet te wreken over het na begane onrecht, tracht zijne medemili- hu tairen niet aan te sporen, de vriend- m( schap met hen af te breken, vormt W( in de kazerne geene partijschappen, clr die de pest zijn voor de onderlinge u samenleving; maar geleid_door veel bo edeler gevoelens, zoekt hij zijne be- zn leedigers te verontschuldigen, of, zoo om hem dit onmogelijk is, bewaart hij wa althans de eensgezindheid. En be- de! handelt hij op d«ze wijze zijne v'er- is
zaï
99
klaarde vijandeu en tegenstrevers, nog veel inschikkelijker zal bij zijn tegenover al diegenen, wier karakter niet strookt met het zijne.
Ziedaar dan, dierbare militair, het groote middel om gelukkig te zijn in de kazerne, het groote middel om alle voordeelen te genieten, die uit de onderlinge samenleving met uwe medemakkers volgen en alle nadeelen, welke hieraan verbonden zijn, te ontgaan.
Tracht tegenover allen het sfroot gebod der naastenliefde zoo volmaakt mogelijk op te volgen. Bemin uwe medebroeders met eene ware en bovennatuurlijke liefde, sluit geen enkel hunner van uwe liefde uit, wees edelmoedig in het brengen van die offers, welke de liefde van u vordert, gedraag u geduldig in het lijden, dat u hetzij met boos opzet, hetzij zonder boos opzet wordt aangedaan: en gij zult een waar geluk smaken in den omgang met uwe kameraden en de waarheid ondervinden van de woorden des profeets: âo hoe zoet en aangenaam is het als broeders eendrachtig te zamen wonen'quot; (Ps. CXXXII, 1).
100
61
5. Plichten tegenover de Burgers.
Het behoort tot de bijzondere plich- sc
ten van den militair, de inwendige d(
rust van het Land en zijne inwoners m
zooveel mogelijk te verzekeren. Ieder Z(
soldaat is geroepen om den vrede en de
de eensgezindheid tusschen de burgers de
te handhaven, om te voorkomen, dat tr
inwendige woelingen en onlusten de te
gemoederen verdeelen, om te beletten, va
dat onderlinge haat en vijandschap ui
de krachten van den Staat ondermijnen. W(
Dit volgt onmiddelijk uit het dubbel ge doel, hetwelk de militaire stand in
het algemeen en ieder zijner leden in âv
het bijzonder moet nastreven. âa
Om echter met vrucht aan die edele âd
roeping te arbeiden, is het niet vol- âb
doende, dat de militair beschikke over âsi
de macht der wapenen en goed be- ât
dreven zij in de krijgskunde, ten âh
einde de uitbarstende onlusten met âd
kracht en geweld te kunnen tegen- ,.h gaan, neen hij moet ook door zijn
waardig gedrag bniten de kazerne pli
alle ongeregeldheden trachten te voor- tu
komen, door van de burgers eerbied âa
J
101
en ontzag voor zijn persoon af te dwingen, hij moet hun in zijne ver-;h- schijning een onderpand geven van ge den vrede, door zich in alles een min-;rs naar te toonen van orde en rust. Ier Zoodoende zal hij van den eenen kant en de kwaadwilligen beteugelen en van 3rs den anderen kant den vreedzamen verlat trouwen inboezemen, 't Is daarom niet de te verwonderen, dat de reglementen en, van krijgstucht en inwendigen dienst iap uitdrukkelijk spreken over de plichten, en. welke de militairen tegenover Je bur-bel gers te vervullen hebben, in âElk militair, zegt het Keglement iln âvan krijgstucht art. 7., welke zich âaan excessen of baldadigheden schul-lele âdig maakt, waardoor aan vreedzame rol- âburgers of ingezetenen in hunne perver âsonen of goederen eenig nadeel is be- âtoegebracht, zal behalve de straf ten âhem deswege op te leggen gehou-met âden zijn te vergoeden de schade door jen- âhem veroorzaakt, etc.quot;
zijn De artikelen 20, 21, en 24 verklaren
jrne plichtig aan overtreding der krijgs-
oor- tucht âAI wie zich schuldig maakt
bied âaan kijverijeu en vechterijen____met
102
âburgers of ingezetenen, of wie geringe * v
âexcessen, baldadigheden of msolen- b
âtieën pleegt op straat of in burgerhui- e
âzen of in drankwinkels, voor zooverre h
âdezelve uit dronkenschap, brooddron- b
âkenheidoflosbandigheid zijn geschied. t
âAlwie zich aan lichte strooperijen a
âschuldig maakt., Alwie zich in den a âdrank te buiten gaat of zich aan
âliederlijke conduites overgeeft.quot; a
En met recht, want wat is er verder k
felijker voor de eer en het aanzien van si
ons leger, dan het slechte levensge- t( drag, dat menig jongeling gedurende
zijn diensttijd leidt? Van waar komt ie
het, dat de edele militaire stand, al- d
thans in zijne mindere graden, door d
velen beschouwd wordt als een onaan- ei
zienlijke stand in de maatschappij, d^
ja dat er vele plaatsen zijn in ons di
dierbaar vaderland, waar de militair ri
wordt geminacht en zijn gezelschap gi
ontvlucht ? Die oorzaak, zooals ik ei
hierboven (bladz.lamp;) reeds in hetbreede tc
heb aangetoond, is niet te vinden in ü
den militairen stand, maar in de leden, ei
welke hem vormen. Gedroegen de w
militairen zich buiten de kazerne T
i
103
ge ' waardig, zij zouden den burgers eer ?n- bied inboezemen en voor hun persoon ui- en voor hun stand, doch daar zoovelen rre helaas, zich in hun omgang met de )n- buitenwereld ergerlijk aanstellen, vat-ed. ten vele menschen een afkeer op voor jen alles wat de uniform draagt en verten achten zij hen.
,an Wilt gij dus, R. K. militair, de achting verwerven vau alle weldenier kende burgers, leg u dan toe op d ran stipte naleving der plichten, welke gij ge- tegenover hen te vervullen hebt. ide lo. Gedraag u altijd en tegenover )mt iedereen op waardige wijze, zoodat al- de kwaadwilligen in u geen voorstan-oor der maar een verklaard tegenstander an- erkennen en u leeren vreezen, terwijl pij, de vreedzame burgers in uw gedrag ons de liefde zien uitschitteren voor orde, tair rust en vrede en daardoor als van zelf hap gedwongen worden u te eerbiedigen ik eu te vertrouwen Wees daarom een ede toonbeeld van orde en zedelijkheid, i in Behandel iedereen op eene minzame len, en beleefde wijze zonder ruwheid in de woorden, gebaren of handelingen, srne Toon u afkeerig om ooit de hand te
I
104
leenen tot iets, wat door goddelijke, kerkelijke of menschelijke wetten verboden is. Wees integendeel bereidwillig in het bewijzen van diensten, die met uwe militaire plichten niet in strijd zijn.
2o. 'Onthoud u van allen omgang met slechte en bedorvene vrienden uit de burgers. Een braaf militair, die de waardigheid van zijn stand goed begrijpt, acht zich ver boven zulke ongelukkigen verheven, eu veracht hen. Zoekt hij om zich te ontspannen, gezelschap, het is altijd een fatsoenlijk gezelschap, waardoor zijn goedé naam niet in verdenking komt.
3o. Vlucht als de pest die gemeene straten, herbergen en kroegen, waar dronkenschap en ongebondenheid heer-schen, en die voor zoovele militairen de oorzaak zijn geworden, dat zij hunne zaligheid, hun eer en goeden naam, hun geld en hun goed, hunne streepen en hunne gezondheid hebben verloren. Liever duizendmaal sterven dan ooit een voet in zulke huizen, ja
105
ie, J in zulke straten te zetten. Vergeet
jr- dit nooit!
[él- 4». Zorg, dat gij u nooit wikkelt
3U in onderlinge twisten en veclitpartijen
iet tusschen burgers en militairen of tusschen militairen van verschillende
ug wapens. Welk eene schande toch
en voor u, indien gij eens in opgewon-
,ir, denheid eens anders bloed zoudt vcr-
nd gieten ! Hoe zoiult gij u ooit in uw
en volgend leven van dien bloedvlek
er- kunnen rein wasschen ? Welk eene
ut- diepe vernedering, indien een militair
ijd in een gevangeniswagen of door
)or politieagenten wordt opgebracht, om
ug in een tuchthuis voor zijn wangedrag
uit te boeten!
;ne 5o- Neem u bijzonder voor al het
iar bovengenoemde in acht op Zon- en
er- Feestdagen, op dagen van traktement,
â¢en v hij kermis en vastenavondgelegen-
zij heden, want telken jare bewijst de on-
[eu dervinding, dat militairen, die zich
me overigens goed gedragen, bij zulke
)en omstandigheden zich zelven dikwijls
ren , zeer ergerlijk aanstellen.
1Ã6
B. Bijzondere Plichtkn.
In de vorige hoofdstukken heeft de militair de plichten leeren kennen, van welker onthouding hij zich nooit ontslagen kan rekenen eii die daarom algemeene plichten genoemd werden. Thans zullen wij die plichten beschrijven, welke hem door zijn graad in de militaire hierarchie, door zijne bediening of door de oefeningen, waartoe hij gecommandeerd is, worden opgelegd. Ook deze bijzondere plichten zijn zeer menigvuldig.
1. Plichten van Overheden.
In iedere maatschappij en in iederen stand treft men twee klassen van menschen aan Men vindt er sommigen, die met gezag bekleed zijn en gebieden, men vindt er anderen, die zich aan dat gezag onderwerpen en de gegevene bevelen uitvoeren. De eersten noemt men overheden, de anderen heeten onderdanen. Dit is de orde, die God heeft ingesteld, zoowel tot welzijn van de maatschappij iu het algemeen, als van iederen
107
-a stand in het bijzonder. Wie datgezag uit de wereld zou willen wegnemen, zou de geheele ivereld willen om-keeren, de grootste wanorde doen heerschen, waar eenmaal de hoogste
; orde was en iets beproeven, dat vlak af onmogelijk is, want overheden en onderdanen moeten en zullen er altijd zijn. In de Katholieke Kerk b.v. berust het gezag bij den Paus en de Bisschoppen en bij hen, die door dezen met eene wettige zending belast zijn en een gedeelte hunner kudde ter verzorging ontvangen hebben, zooals de pastoors en hunne medehelpers de priesters. Zij allen hebben het recht wetten voor te schrijven, aan welke de gewone geloovigen zich moeten onderwerpen. In de burgerlijke maatschappij is het de Koning,' die door middel zijner ministers het Land regeert en tot heil van den Staat verordeningen maakt, aan welke alle burgers moeten gehoorzamen. Eveneens is het in de verschillende standen. Doch in geen stand zien wij die schoone orde zoozeer gehandhaafd als in den militairen stand. Van den
_
108
Koning, die de hoogste macht voert over het leger, daalt het gezag, zooals wij vroeger reeds zeiden, trapsgewijze langs verschillende rangen en graden af tot aan den eenvoudigen soldaat, die voor een oogenblik niet de leiding eener oefening belast is, of op wien de verantwoording rust eener handeling. En van den jong-sten recruut, die zoo even de kazerne is binnen gekomen, klimt de onder-geschiktheid langs verschillende rangen en graden op tot aan den Koning, aan wien alle militairen ondergeschikt zijn.
Gelijk nu de onderdanen plichten te vervullen hebben tegenover hunne overheden, zoo hebben ook deze op hunne beurt plichten te vervullen tegenover hunne onderdanen. Wij kunnen ze allen terugbrengen tot deze drie: waakzaamheid, goed voorbeeld en liefdevolle behandeling. Over ieder een kort woordje.
a.) Waakzaamheid. De bedoeling des Konings bij het instellen eener militaire hierarchie kan geene andere geweest zijn, dan het welzijn van het leger
109
t â ' te verzekereu eu deszelfs bloei tebe-â¢- vorderen. Onmachtig om in eigen
i- persoon de belangen van geheel liet
n leger voor te staan, stelt hij oversten
n aan, die hij in meerdere of mindere
it mate naar gelang van hun rang met
s, zijn gezag bekleedt. Hij legt hun
it als eersten plicht op, het welzijn van het leger in het algemeen en van ie ieder militair in het bijzonder te be-r- hartigen, stelt hen verantwoordelijk i- voor het gedrag hunner minderen, geeft hun de krachtigste dwangmid-3- delen in de hand, om de onderhouding der militaire wetten te handhaven en te vordert van sommigen zelfs, dat zij r- bij het aanvaarden van hun rang een ie eed afleggen van getrouwheid aan jr den Koning, gehoorzaamheid aan de se wet, onderwerping aan de krijgstucht. 3: Wel een bewijs, hoe nadrukkelijk hij m wil, dat iedere overheid volgens zijn er rang de belangen van den militairen
stand en zijne leden behartige. es Doch hoe zal een meerdere aan dit
re verlangen des Konings kunnen volst doen zonder op de eerste plaats waak-er zaam te zijn op de stipte onderhouding van alle militaire reglementen ? Van
110
hunne onderhouding immers hangt zoowel voor den militair zeiven als voor geheel zijn stand alles af. Worden de reglementen goed nageleefd, dan is de bloei des legers verzekerd, worden zij echter verwaarloosd, dan is deze onmogelijk. De reglementen nu spreken vooreerst van de onder-
feschiktheid, welke zij de ziel van en militairen dienst noemen en die zij op allerlei wijze nader verklaren en zelfs door bepaling van de zwaarste straffen weten te handhaven. Maar spreken zij niet evenzeer van de stipste vervulling der godsdienstplichten en van de handhaving der zedelijkheid onder de militairen ? Of zegt niet het Reglement van Krijgstucht (Inl. § 2): âDaar de godsdienst âde bron is van alle geluk, deugd, âwaren moed en troost, moet ook in âden krijgsstand een ieder zich tot be-âtrachting derzelve en tot eene zedige âlevenswijze bevlijtigen; de godslas-âteringeu, het vloeken moeten worden ânagelaten eu zullen de meerderen âhierin en in al, wat de handhaving âder goede zeden kan bevorderen hunne
Ill
âininderenmet een g-oedvoorbeeld voor-âgaan.quot; Bepaalt niet artikel 4: âAlle âcommaudeerende officieren der corp-rsen zijn verantwoordelijk voor de on-âbehoorlijke conduites hunner onder-âhoorigen, voor zooverre zij door eene âal te groote toegevendheid ofonacht-âzaamneid, daarvan als medeoorzaken âworden gehouden.quot;
Waarom zien wij dan zoo dikwijls de dienstplichten met kracht door de overheden gehandhaafd en de plichten van godsdienst en zedenwet, die toch ook door de Reglementen worden voorgeschreven, min of meer verwaarloosd worden ? Hoe komt het, dat er tegenwoordig in den lande zoovele stemmen opgaan, die dringend de zedelijke verbetering eischen van het kazerneleven en met kracht wijzen op die verregaande goddeloosheid, dat schreeuwend zedenbederf, die ijselijke godslasteringen, die menigvuldige dronkenschappen, dat herhaald bezoeken van slechte huizen, die wanorde, in één woord, welke men in sommige garnizoensplaatsen met droefheid onder de militairen
et
lis
r-
%
d,
in
5n r-iii ie in r-ii.
n t-ir )f 5-'
!t i,
n
e
ii
1 ri
r
5
a
112
moet opmerken ? Is het niet voor een groot gedeelte, omdat de overheid dikwerf in gebreke blijft, om de beginselen van het kwaad des noods met strenge maatregelen tegen te gaan ? Wanneer die goddelooze gesprekken krachtdadig geweerd, die dronkenschap en godslastering dadelijk bestraft, die overtreding der reglementen onmiddelijk werd tegengegaan door iedere overheid volgens de macht, welke zijn rang hem verleent, zouden de kazernen dan niet spoedig een geheel ander aanzien krijgen ?
Dat daarom iedere overheid, maar vooral zij, die door hunne inwoning in de kazerne en hunnen dagelijkschen omgang met hunne minderen, hunne gebreken beter kennen, eens ernstig nadenken, in hoeverre zij misschien in deze aan hunne verplichtingen zijn te kort geschoten en als medeoorzaken moeten beschouwd worden. Dat zij zich de groote verantwoording en dequot; schrikkelijke rekenschap duidelijk voor oogen stellen, die zij daarvoor eenmaal aan God moeten afleggen en dan besluiten:
113
1». Zorg te dragen, dat hnnne ouderhoorigen hunne godsdienstplichten niet verwaarloozen. Gedoogt daarom niet, gij, militaire overheden, dat iemand onder de minderen met den godsdienst of met godsdienstige militairen spotte, noch dat zij, die tot verschillende gezindten behooren, onder elkander over godsdienstzaken twisten, wat dikwijls een oorzaak kan worden van groote oneenigheid. Verleent aan een ieder de gelegenheid om op Zon- en Feestdagen de H. Mis bij te wonen, gelijk artikel 174 van den âInwendigen Dienstquot; dat bepaalt : âOp Zon-en Feestdagen âAvorden slechts de onvermijdelijke âdiensten van huishondelijken aard, âzoomede de vereischte wacht- en âpatrouillediensten verricht. Diensten, âwelke gevoegelijk op den dag te âvoren kunnen worden verricht of tot âden volgenden dag kunnen worden
âuitgesteld......zullen op die dagen
âniet mogen worden gevorderd.....
âop bedoelde dagen moeten de onderofficieren, korporaals en manschap-âpen â voor zoover zij niet gestraft
114
âof in dienst zijn, â in de gelegen-âlieid worden gesteld, om gedurende âde uren voor de godsdienstoefening
âbestemd naar de kerk te gaan......
âDe commandeerende officieren waken âer voor, dat hun die gelegenheid âworde verschaft, zonder dat het ânoodig zij, dat door de militairen âdaartoe vooraf vergunning gevraagd âworde.quot;
Vraagt iemand, die door nachtwacht van Zaterdag op Zondag dikwijls verhinderd is de H. Mis hij te wonen, verandering van dienstregeling, weigert ze hem dan niet. Wordt hij genoodzaakt voor de reveille de kazerne te verlaten, ten einde vóór het soepeten de H H. Sakramenten op die dagen te kunnen ontvangen, verleent hem daartoe goedgunstig de gelegenheid, voor zooverre de gegeven orders dit toelaten. Wanneer gij weet, dat de een of ander niet voldoet aan zijn Paaschplicht of aan het kerkelijk gebod om op zondag de H. Mis te hooren, vermaant hem dan op zachte en vaderlijke wijze, doch bijzonder wanneer hij in gevaar is
115
van te sterven of door eene ernstige ziekte wordt aangetast, zorgt dan vooral dat hij door het ontvangen der laatste H.H. Sakramenten op de groote reis naar de eeuwigheid versterkt worde.
2o. Maakt eveneens het besluit, met ijver te waken over het zedelijk gedrag uwer minderen. Bestrijdt daarom vooreerst de vloeken en de godslasteringen, waarvan de muren der kazerne zoo dikwijls weergalmen.
Houdt u aan de woorden uwer Reglementen : âde godslasteringen, het vloeken en het zweren moeten worden nagelatenquot; (R. v. K. lui. § 2.) en vindt gij soms in uwe minderen onwil of verzet, maakt dan gebruik van de dwangmiddelen, welke de krijgstucht n aanbiedt. Bestrijdt vervolgeus met al de u ten dienste staande middelen de onzedelijkheid, die zoovele verwoestingen onder den militairen stand aanricht. Gedoogt nimmer, dat onzedige gesprekken of gezangen vrijelijk vernomen worden hetzij op de kamers, in de wachthuizen, gedurende de militaire marschen of wanneer ook.
I
116
Straft met de uiterste gestrengheid alle onzedige handelingen tnsschen de militairen, indien zij ooit mochten plaats vinden. Belet op alle mogelijke wijze die ontijdige verkeeringen en meer nog het bezoeken van slechte huizen, waartegen de 'Keglementen zelfs in de kazerne maatregelen bepalen. Tracht vooral te beletten het zoogenaamd onderhouden van meisjes n kamers of het verschaffen van een .huis in of buiten de gemeente. Geeft 'ook nimmer uwe toestemming, om na het avondappèl het kwartier te verlaten, dan alleen in buitengewone omstandigheden en dan nog eerst wanneer gij verzekerd zijt, dat men geen slecht doel of oogmerk hebbe. Laat ook allen, die des nachts de muren van de kazerne overkliinmen, terdege kennis maken met de militaire straffen en verontschuldigt niet de wacht, die door onachtzaamheid daartoe gelegenheid gegeven heeft. Verleent ook nimmer zoogenaamde nachtpassen, die door niets gewettigd worden en alleen strekken tot dekmantel der boosheid, die het nachtelijk
117
duister uitkiest, om werken te verrichten, die het daglicht niet mogen zien. Dit alles en nog meer besluit een waakzame overste uit de bepalingen der Reglementen, welke iedereen, die zich overgeeft aan liederlijke conduites, schuldig erkennen aan overtreding der krijgstucht, en de verantwoordelijkheid van de minderen overbrengen op die overheden, welke door te gxoote. toegevendheid of onachtzaamheid, als medeoorzaken moeten beschouwd worden. Bestrijdt eveneens in uwe onderhoorigen de dronkenschap, waarvan hét Crimineel Wetboek (art. 16) zegt: âDaar mili-âtaire personen zich inzonderheid ten âallen tijde voor dronkenschap behoo-âren te wachten, zal in het krijgsvolk âte lande de opzettelijke of vrijwillige dronkenschap nimmer en de toe-âvallige niet lichtelijk tot verzachting âof wegneming der gewone straf op âde misdaad gesteld, mogen dienen quot; Behandelt daarom ieder militair, die zich aan drank te buiten gaat, als strafschuldig. Kortom, waakt met de uiterste zorg over de onderhouding
118
der militaire Reglementen, niet alleen ta
in zooverre zij den eigenlijk gezegden dii
dienst betreffen, maar ook in zooverre ch
zij in verband staan met de gods- le^
dienstige gezindheid en de zedelijk- ge
heid uwer minderen. Gij zult u daar- de
door niet slechts voor God van alle gc
schuld vrijwaren, maar ook ontzaglijk zij
veel biidraaren tot den bloei van ons lii
leger. ie(
b.) Goed voorbeeld. Een tweede sh
plicht, die op de overheden rust en lij
ook door de reglementen gevorderd g£
wordt, is het goed voorbeeld aan de ho
minderen. âDe meerderen zegt het st
âRegl. van Krijgstucht (Inl. § 2.) zul- vc
âlen hierin (d. w. z. in de beoefening w:
âvanden godsdienst, de betrachting van zo
âeene zedige levenswijze, het nalaten yt
rvan vloeken en godslasteringen) en in
âin al, wat de handhaving der goede de
âzeden kan bevorderen, hunne minde- zi
ârenmeteengoed voorbeeld voorgaan.quot; g(
En met recht. Want niets werkt ver- dc
derfelijker op den mindere dan een m
slecht voorbeeld, hem door zijnen m
meerdere gegeven. Een van beide dc
toch is noodzakelijk; ofwel de mili- vt
J
119
leen tair wil gedurende de dagen van zijn
den diensttijd zich toeleggen op een
3rre christelijk, godsdienstig en zedig
)ds- levensgedrag, ofwel hij wil die dagen
lijk- gebruiken, om aan zijne hartstochten
iar- den vrijen tengel te vieren. Inheide
alle gevallen nu zal het slechte voorbeeld
:lijk zijner meerderen voor hem verderfe-
ons lijk zijn. Wil hij het eerste, dan ziet iedereen aanstonds, dat hij, bij de vele
iede slechte voorbeelden, welke hem dage-
â en lijks door verschillende medemakkers
erd gegeven worden, eene dringende be-
i de hoefte heeft aan iemand, die hem
het steunt en in het uitvoeren zijner goede
zul- voornemens behulpzaam is. Doch bij
ing wien zal hij die hulp en steun eerder
van zoeken dan bij zijne overheid, wiens
ten voorbeeld altijd zulk een machtigen
en invloed uitoefent op zijn hart ? Is
ede de overste stipt in het onderhouden
ide- zijner godsdienstplichten, zedig in zijn
n.quot; gedrag, minzaam in zijn omgang met
rer- de minderen, matig in zijne levenswijze,
een nauwgezet in het vervullen zijner
nen militaire plichten, dan zal de mindere,
iide door dat voorbeeld in zijn voornemen
lili- versterkt, de kracht vinden om te
.,1
II ,
120
weerstaan aau de kwade voorbeelden, tocl
de verleiding en bespotting van slechte dan
kameraden. Vindt hij echter in het wee
voorbeeld zijner meerderen geen steun, ziel
dan zal de moeilijkheid om in de ove
kazerne braaf en godsdienstig _1e te
leven hem dubbel zwaar vallen, ja, gen
indien hij zwak en onstandvastig is is i
van karakter, zelfs zoo zwaar voor- wal
komen, dat hij alle verdere pogingen bep
om zich op een deugdzaam leven toe har
te leggen, spoedig zal opgeven. _ var
Wil de mindere daarentegen zijne mei
dienstjaren gebruiken om met vrijen al
teugel zijne hartstochten in te volgen, mei
dan is liet slechte voorbeeld zijner in
superieuren nog verderfelijker. Waar- in om ? Omdat hij dan zal aangemoedigd len
worden, blindelings voort te hollen op ma
het pad der ondeugd. Wanneer een I
onderhoorige ziet, dat zijne overheid toe
zich niet stoort aan de inspraken van Rej
plicht en geweten, ongodsdienstig een
leeft, deu geheelen dag den mond vol zor
heeft van onzuivere taal of dubbel- 1
zinnige scherts, zich overgeeft aan vul
liederlijke conduites, dikwijls drinkt ove
of vloekt, in een woord zijne harts- we
- _____L
121
ïlden, tochten volop involgt, wat is er
echte clan natuurlijker, dan dat hij in
i het Aveerwil van de stem zijns geweten teun, zich achter het voorbeeld zijner
ii de overheden zal verschuilen en om hun g te te behagen, hunne fouten zal navol-i, ja, gen, misschien zelfs overtrelfen ? Wat ig is is er dan natuurlijker, dan dat alles, voor- wat zulk eene overheid zou willen ngen beproeven, om bij zijne minderen de ii toe handhaving der godsdienstplichten,
van zedelijkheid en militaire tucht
zijne met kracht door te zetten, geheel en
rijen al vruchteloos wordt ? Uf kan hij
Igen, met gezag optreden, die verwaarloost
ijner in zich zeiven te verbeteren, wat hij
'aar- in anderen verbeterd wil zien ? Zul-
digd len zijne woorden eenigen indruk
!ii op maken op het gemoed zijner minderen ?
een Dat iedere overheid zich daarom
â heid toelegge, volgens het voorschrift der
van Reglementen, zijne onderhoorigen met
istig een goed voorbeeld voor te gaan. Hij
[ vol zorge bijgevolg :
)bel- lo. Nauwgezet te zijn in de ver-
aan vulling zijner dienstplichten, zijnen
inkt overheden de voorgeschrevene onder-
,rts- werping en eerbied te betoonen, de
J
122
Reglementen stipt op te volgen, ten einde zoodoende met recht hetzelfde te knnnen vorderen van zijne minderen.
2o. Hij legge zich toe op een christelijk en echt godsdienstig leven. Hij trachte in zijn privaat leven en in al zijne handelingen zich door den godsdienst te laten geleiden, hij ver-znime niet des Zondags de H. Mis bij te wonen, meermalen in het jaar te naderen tot de H. H. Sakrameiiten en schame zich niet als een degelijk katholiek, een trouwe zoon zijner kerk bekend te staan.
3o. Hij zij vóór alles een waar toonbeeld van zedelijkheid. Vloeken en godslasteringen mogen nimmer aan zijne lippen ontvallen. Zijne zedelijkheid moet zelfs bij de kwaadwilligen boven alle verdenking staan. Hij zij zedig in zijn gedrag; zedig in zijne woorden, zoodat niets onbetamelijks en dubbelzinnigs uit zijnen mond vernomen worde; zedig in zijne handelingen, niet alleen door de verbodene plaatsen te vermijden, maar ook door alle personen en gezelschappen te ontvluchten, waar zijue deugd gevaar
123
kan loopen. Hij vermijde ook zooveel mogelijk allen gemeenzamen omgang met vrouwen beneden zijnen standen rang b. v. dienstboden of dochters zonder vermogen en zij op zijne hoede geene huwelijksbetrekkingen aan te knoopen met onkatholieken. Eveneens trachte hij zijnen minderen het voorbeeld te geven van een matig leven. Is een ieder die zich aan drank te buiten gaat strafschuldig, nog veel eer een meerdere, die aan deze rampzalige ondeugd onderworpen is. In één woord hij trachte zoo te leven, dat de goedgezinde militairen door zijn voorbeeld worden aangespoord hunne plichten goed waar te nemen, de kwaadwilligen zich niet op zijn onbehoorlijk gedrag kunnen beroepen, en niemand zijner minderen eene gegronde aanmerking kan maken, wanneer hij volgens de Reglementen van hem vordert eene stipte vervulling der dienstplichten, eene getrouwe beoefening van den godsdienst en de handhaving der openbare zedelijkheid zoowel in als buiten de kazerne, c.) Liefdevolle behandeling. De
124
laatste plicht, die door de Reglementen aan de overheden wordt opgelegd, is eene liefdevolle behandeling van de minderen door de meerderen. Als grondslagen van de ondergeschiktheid stelt het Reglement van Inwendigen Dienst de volgende artikelen, waarin deze plicht duidelijk erkend wordt: Art. 1. âZijne âMajesteit de Koning begeert, dat bij âalle korpsen eene trapsgewijze ondergeschiktheid worde onderhouden, âwelke, zonder iets 'vau hare kracht âte verliezen, zacht en vaderlijk zij, âen op rechtvaardigheid gegrond, âalle onderdrukking uitsluit, terwijl âzij de ondergeschikten tot het waar-ânemen hunner plichten aanhoudt. â âDe Koning wil, dat de soldaten met âzachtheid en menschlievendheid wor-âden behandeld, dat hun nimmer âonrecht worde aangedaan, dat zij in âhunne meerderen in alle opzichten âwelwillende voorgangers vinden, dat âde straffen, welke sommige hunner âmochten verdienen, overeenkomstig âde wet worden toegepast en dat de âofficieren hen leiden, besturen en
125
âbeschermen met die zorg enbelan^-âstelling, welke zij verschuldigd zijn âaan mannen, van wier dapperheid âen gehoorzaamheid zij een gedeelte âvan hunnen roem te verwachten âhebben.quot;
Art. 2. âBij het voorschrijven van âdeze gehoorzaamheid vordert Zijne âMajesteit echter, dat de orders over-âeenstemmen met de wet of gegrond âzijn op rede en billijkheid en Hij âverbiedt aan eiken meerdere, van âwelken graad of rang ook, zich immer âeenige beleedi^ende uitdrukking te-âgen zijne ondergeschikten te ver-âoorlooveu.quot;
Eu om deze bepalingen te haiulha-ven, zegt het Regl. van Krijgsdienst art. 8: âAan overtreding der krijgs-âtucht maken zij zich schuldig : alwie âin hoogeren rang gesteld zijnde, âzich eenige feitelijkheden of honende âuitdrukkingen tegen zijne onderge-âschikten veroorlooft of eene onbehoorlijke correctie tegen dezelven âuitoefent of doet uitoefenen.quot;
Met geheel bijzonderen nadruk en klein wijzen dus de Regiemten den
126
A5
militairen overlieden op dezen plicht. Wien ook zou zulks verwonderen? Ãf vragen het belang van den dienst, het recht van de minderen eu de rechtvaardigheid in de meerderen niet gebiedend, dat alle superieuren hunne ondergeschikten liefdevol hehaudelen ?
Zonder liefdevolle behandeling toch van den mindere staat het gezag der meerderen niet op vaste grondslagen De dwangmiddelen, over welke de overheden kunnen beschikken, om van hen eene lijdelijke gehoorzaamheid te vorderen, kunnen wel voor een tijd, maar niet op den duur de ondergeschiktheid, welke de ziel van den militairen dienst is, waarborgen. De muiterijen, die zoo dikwijls en m zoovele legers plaats vonden en gewoonlijk uit liefdelooze behandeling voortkwamen, geven daarvan het doorslaandst bewijs. Wanneer de minderen niet door het vaderlijk en zachtzinnig bestuur der meerderen geleerd hebben, dezen te beminnen en hun met liefde te gehoorzamen, dan wordt er dikwijls niet veel gevorderd, vooral niet bij hachelijke omstandig-
137
heden, om hen aan te sporen, het juk der dienstbaarheid af te werpen eu zich tegen liet gestelde gezag met kracht en volharding te verzetten. Liefdevolle behandeling der minderen is dus wel degelijk eeu der grondslagen van den militairen dienst, zooals de Reglementen zeggen, en verdient derhalve door alle overheden te worden behartigd. Daarenboven ook al werd zij niet door de Reglementen voorgeschreven, zou dan de rede aan den mindere het recht, om haar voor zich te vorderen, niet volmondig toestaan ? Om welke reden toch zou men hun zulk eene liefdevolle behandeling kunnen weigeren ? Behooreu zij niet tot de naasten, die God ons gebiedt te beminnen ? Hebben zij al geen offers genoeg gebracht, voordat zij de kazerne binnentraden, moeten zij deze niet iederen dag in den dienst herhalen en wachten hun m de toekomst, wanneer de oorlog eenmaal zou uitbreken, nog niet veel grcotere offers ? Waarom hun juk dan nog verzwaren door eene liefde-ilooze behandeling ? Teu slotte zijn
128
de overheden van hunnen kant zelf D;
uit rechtvaardigheid verplicht, zich ge
minzaam en welwillend jegens hunne en
ondergeschikten te betoonen, want tei
het standbeeld, hetwelk zij zich in we
den oorlog door hun beleid en hunne tei
dapperheid hopen op te richten, moet zij
noodzakelijk tot voetstuk hebben de da;
trouw, de verknochtheid en de dap- hei
perheid hunner minderen. Wat toch vej
vermag een overste gedurende den nai
oorlog uit te richten en hoe kan hij ied
met roem beladen uit den slag terug- bre
keeren, indien niet zijne soldaten, i
door zijne woorden aangevuurd en gij
door zijn voorbeeld opgewekt, zelf wil
dapper strijden en hem zoo de over- uin
winning vergemakkelijken ? Eeue van
zware verplichting rust derhalve _op hui; iederen overheidspersoon om zijne ; Vei minderen liefderijk te behandelen, maar â sch:
vooral geldt dit van die onderge- zel\
schikte overheden, welke door hun hun
voortdurenden omgang met de min- met
deren in de kazerne, meer in gevaar bew
zijn, dien plicht te verwaarloozen en bar(
hun het leven onaangenaam te maken; u e
ik bedoel de sergeants en korporaals. dan
129
slf Dat zij vooral zich ^oed doordrin-ch gen van al hetgeen hier gezegd is ne en zich beijveren daarnaar te handelen, nt ten einde van zich het verwijt af te in wenden, hetwelk hun dikwijls niet ne ten onrechte wordt toegevoegd, dat )et zij het leven van den gewonen solde daat in de kazerne door allerlei on-ip- heuschheden, plagerijen en kwellingen )ch veronaangenamen. Doch om hierin len naar wensch te slagen trachte een hij ieder het volgende m beoefening te ig- brengen:
en, 1°. Behandel uwe minderen zooals
en gij zelf gaarne door uwe meerderen
self wilt behandeld worden. Laat hun
er- nimmer moedwillig iets ontbreken,
ene van hetgeen hun toekomt. Weiger
op i hun niets, waarop zij recht hebben,
ijne [ Verzorg altijd eerst uwe onderge-
aar schikten, voordat gij deukt aan u
â ge- zeiven. Tracht door uwe minzaamheid
liuu hun vertrouwen te winnen, zoodat zij
ain- I met een gerust hart en uit eigen
aar beweging u hunne moeilijkheden open-
i en baren. Mocht het gebeuren, dat zij
:en; u eene of andere zaak vragen, geef
tals. dan daartoe, indien gij kunt, goed-
9
130
gunstig verlof of tracht voor hen het verlangde te verkrijgen. Toon eeue bijzondere goedgunstigheid tegenover jonge recruten; zijn zij soms niet vlug in het aanleeren der militaire oefeningen, wees dan geduldig en onthoud u van alle smadelijke bejegening, honende uitdrukking of onbillijke straf.
2°. Vorder van al uwe minderen eene lijdelijke gehoorzaamheid, maar doe liet met zachtheid en zonder hartstocht. Onderscheid daarom misslagen van misdaden, vooral wanneer zij meer uit onkunde voortkomen dan uit boosheid. Toou tot zelfs in het bestraffen eene zachtheid, die strekt tot verbetering en wacht u voor eene gestrengheid, welke voert tot verstoktheid. Hij toont zich zoo groot, de overste die, zonder gebruik te maken van de dwangmiddelen der krijgstucht, alleen door de liefde over de harten zijner onderhoorigen weet te heerschen!
3o. Wees van den anderen kant niet al te gemeenzaam met hen, zoodat de eerbied, welken zij u moeten
131
toedragen, min of meer zou lijden. Gedraag u derhalve als overheid altijd met een zekeren ernst en deftigheid, wees voor hen goed en liefderijk, maar blijf op een afstand. Stel vooral geene handeling, die u eenigszins van hen afhankelijk maakt b.v. het leenen van geld, hetwelk de reglementen zoo streng verbieden, het aannemen van geschenken van hen of van hunne familieleden.
4°. Zijn er onder uwe minderen sommige stijfhoofdigen, kwaadwilligen of onverbeterlijken, die gij meermalen met goedheid doch vruchteloos vermaand hebt, laat hen dan ter dege kennis maken met de hiilitaire straffen, want dikwijls is voor dezulken de vrees voor straf bet eenige middel ter verbetering.
5°. Ontstaat er tusschen hen twist of oneenigheid, tracht dan de twistenden te scheiden, vooraleer de twist
f rooter wordt en overslaat totdadelijk- rooter wordt en overslaat totdadelijk-
eden, en wanneer gij weet, dat eenigen zeer vijandelijk tegenover elkander gestemd zijn, voorkom dan, zooveel gij kunt, dat zij met elkander alleen gelaten worden.
132
6°. Ten slotte vlucht de ^ramschaj), waut zonder zelfbeheersching zult gij dikwijls de grenzen van matigheid, van redelijkheid en waarheid te buiten gaan op gevaar af van onrechtvaardig te straffen. Bepaal dus nooit de straf in een oogenblik van opgewondenheid, maar tracht eerst uwe bedaardheid terug te krijgen, om dan eene billijke straf op te leggen.
2. Plichten van hen, die met Administratie heiast zijn.
Onder de militairen zijn er sommigen. die om, het groot vertrouwen, hetwelk hunne overheden in hen stellen, met eenige administratie belast zijn. Zij moeten wel is waar op gezette tijden rekening en verantwoording geven van hun beheer, maar toen is daardoor iedere gelegenheid tot onrechtvaardigheid niet afgesneden, daar er in de administratie altijd zaken zijn, die gemakkelijk aan de nasporing ontsnappen. De groote plicht, welke deze militairen dus te vervullen hebben, is de eerlijkheid. De
133
T
j), menschelijke hebzucht is er evenwel pj voortdurend op uit zich zeiven te d, verrijken en schrikt ter bereiking van li- dit doel zelfs niet voor onrechtvaar-it- dige middelen terug. Van den an-)it deren kant zijn er dikwijls eenige e- praktijken of misbruiken, die, omdat vc zij door anderen onderhouden worden, m gemakkelijk als eene verontschuldi-ding kunnen worden aangezien, achter welke men zijne eigene on-i- rechtvaardigheid tracht te verbergen.
Derhalve moet de R. K. militair, aan wien eenige administratie is toever-n- trouwd, zich krachtig tegen alle be-!n, koringen van oneerlijkheid wapenen, si- de slechte praktijken, die hij gevolgd ist ziet niet overnemen, zich de belofte ;e- of den eed, dien hij heeft afgelegd, )r- herinneren, denken aan de zware ar straffen, waarmede het Crimineel Wet-â id boek alle overtreders bedreigt; kor-ie- tom hij moet het onwrikbaar besluit tie nemen, eerlijk te blijven, koste, wat an het wil. Ten einde zich nu de be-ite oefening dezer deugd te vergemak-te kelijken, gedenke hij het volgende: De l0- Hij wachte zich voor alle on-
134
rechtvaardige overeenkomsten met de leveranciers der levensmiddelen of benoodigdheden. Hij drage zorg voor de behoorlijke maat bij het ontvangen of uitreiken van vivres en fourage, zie goed toe, dat er niet eene mindere kwaliteit worde geleverd, dau bij contract bepaald was, zette geen valsche of fictieve posten op de rekening. In één woord, hij vennijde alles, wat zijn geweten hem in zulke zaken als onrechtvaardigheid verwijt.
2°. Hij plaatse nooit zijne hand-teekening onder een stuk, dat onwaarheid bevat, of van welks inhoud hij zich niet te voren door overlezing overtuigd heeft. Hij teekene nimmer stukken in blanco.
3°. Hij volbrenge altijd de mutatiën en de verandering vau personeel op den waren tijd, nooit te vroeg, maar ook nooit te laat. Hij sta niet toe, dat een verlofganger vóór den bepaalden tijd vertrekke of na den verschenen termijn terugkome, niettegenstaande de mutatie, het vertrek, de » aankomst of beide op den eigenlijk bepaalden dag worden opgeteekend.
135
4°. Moet iemand buiten zijn garnizoen een dienst verrichten, dat hij dan zijne declaratie van reis- en verblijfkosten naar waarheid opgeve en niet voor een verblijf van b.v. drie dagen, waarvan slechts een enkelen dag aan den dienst besteed is, drie dagen in rekening brenge.
5°. Moet hij lotelingen uit eene zeer verwijderde provincie afhalen, dat hij dan nooit aan sommige hunner, die gedurende de reis langs de oiiderlijke woning komen, permissie verleene de ouders te bezoeken, terwijl de troep voorttrekt, met afspraak om bij een volgend of nog later nachtkwartier bij den troep terug te komen. Want daaruit zal noodzakelijk volgen, dat een of meer manschappen geen in-kwartierbiljet noodig hebben, dat de soldij, welke per dag betaald wordt, niet uitbetaald kan worden, dat de monsterrol, die het geheele personeel bij den afmarsch present moet bevatten, een leugen zal inhouden, dat het gemeentelid, hetwelk het verschuldigde bedrag in zijn geheel plaatst, moet omgekocht worden en dat deze of
136
wel de commandant van het detachement onrechtvaardig geld opstrijkt.
6°. Ten slotte zorge iedereen, aan wien soms eenige gelden ter bewaring zijn toevertrouwd, oplettend te zijn, dat ze goed verzekerd en bewaard worden. Dat hij ze altijd van zijn eigen geld afgescheiden houde en ze op zulk een wijze beware, dat hij ieder oogenblik van den dag dezelve kunnen verantwoorden.
Nog meer gevallen zijn er, waarin de eerlijkheid van hen, die met eenige administratie belast zijn, soms op den proef gesteld wordt, doch wat gezegd is, zal voldoende zijn, om hun de onrechtvaardigheid van sommige andere praktijken te doen gevoelen, en hen aan te sporen het gepleegde onrecht te herstellen, het in de toekomst mogelijke te voorkomen.
3. Plichten hij Wachten, Exercitie en op Marsch.
Indien de R. K. militair goed doordrongen is van al datgene, wat wij
137
gezegd hebben over de gehoorzaamheid, welke hij aan zijne Reglementen verschuldigd is, dan zal hij op wacht zijnde, alles, wat de inwendige dienst daaromtrent bepaalt, nauwkeurig onderhouden. Hij zal derhalve de wacht, waartoe hij gecommandeerd is, niet door onachtzaamheid verzuimen, zich wel in acht nemen zijnen post niet te verlaten of daarop in slapendenof beschonken toestand gevonden te worden. Evenmin zal hij na bezetten tijd aan iemand, die daartoe geene machtiging heeft, toestaan, het kwartier te verlaten, of aan de gearresteerden eenigen kost of drank bezorgen enz; Want door al deze zaken zou hij zijne Reglementen overtreden, zich vergrijpen tegen de krijgstucht en in sommige gevallen zelfs grootelijks kunnen zondigen, zooals b.v. door toe te laten, dat iemand 's nachts de kazerne verlaat, met het schandelijk doel om zich aan wellust over te geven.
Doch behalve deze plichten hem door de Reglementen opgelegd, zijn er nog andere, die door deze niet besproken
138
worden, omdat zij meer voortkomen uit, het geweten van ieder militair in het bijzonder. Ook deze moet hij niet verwaarloozeu. Zij kunnen aldus in hef kort worden samengevat;
1°. Hij vluchte zoowel op post als in de wachtkamers de ledigheid, die voor een iedereen, maar vooral voor den militair, een bron is van veel kwaad. Hij trachte bijgevolg zich in de wachtkamers onledig te houden met het lezen van een of ander nuttig hoek, zooals b.v. zijne .Reglementen, het boekje dat hij nu leest, eene schoone maar zedige geschiedenis. Nooit echter leze hij boekwerken, kranten of tijdschriften, die tegen het katholiek geloof geschreven zijn of verkeerde denkbeelden onder het volk trachten te verspreiden, gelijk de socialistische couranten; evenmin die, waarin onder bedekte vormen en aan-genamen stijl het zaad der ontucht in zijn hart zou binnenkomen. Worden er passende en ontspannende gesprekken gevoerd, hij neme er deel aan; maar nauwelijks zullen zij overslaan tot oneerbare taal, dubbelzinnige
139
woorden of gevaarlijke scherts, of hij zal ze aanstonds ontvluchten, door zich om eene of andere reden te verwijderen of ze beletten door zijn gezag.
2°. Hij late ook niet toe, dat er, om welke reden ook, burgerlijke personen in de wachthuizen worden toegelaten, vooral niet als het personen zijn van een ander geslacht, en daar sommige wachten geschieden in achterbuurten, vermijde hij allen omgang met verdachte personen.
3*. Staat hij op post, hij late zijnen gedachten niet den vrijen loop, geve aan zijne oogen. en ooren, geen volkomen vrijheid om alles op te merken, wat hij ziet en hoort; want alsdan zal hij menigmaal zijn wacht niet verlaten, zonder in verkeerde gedachten of begeerten te hebben toegestemd. Hij beijvere zich daarom in die oogenblikken goede gedachten in zich op te wekken, herhaaldelijk kcrte schietgebeden te verrichten of bidde een rozenhoedje, de litanie van Maria enz.
4°. Soms ook kan het gebeuren, dat zijne hulp wordt ingeroepen bij
140
vechtpartijeu, welke in naburige huizen, vooral in publieke of slechte huizen, plaats hebben. Dit geldt nog meer bij gelegenheid van patrouille-dienst. Een braaf militair, bevreesd voor eigen zielsgevaren, zal die hulp niet ongevraagd aanbieden, maar wordt zij gevorderd, dan zal hij alles doen, wat noodig is tot het oogen-blikkelijk herstel der rust, zonder zich verder met iets te bemoeien, overtuigd, dat hij anders gevaren zou beloopen, die hem misschien op de wacht zelve ofwel na aflossing daarvan, in eene groote zonde kunnen doen vallen.
Om aan de verschillende exercitiën en andere militaire oefeningen, gelijk het beboort, deel te nemen, zorge de militair bij tijds aanwezig te zijn in het voorgeschreven tenue, ten einde on-middollijk op het appèl te kunnen verschijnen. Hij trachte alsdan vooral den tegenzin, dien hij misschien voor zulk eene oefening gevoelt, te onderdrukken. Daartoe is de goede meening om haar tot eer van God te verrichten, een uitstekend middel. Hij zij oplettend op alles, wat zijn overste hem
141
commandeert, en trachte het aanstonds zonder traagheid of verveling te verrichten. Nimmer geve hij door woorden of gebaren zijne afkeuring te kennen, spreke nochin-noch uitwendig tegen, maar wapene zich met geduld, en onderwerpe zich met liefde aan Gods H. Wil, ten einde alzoo vele verdiensten voor den hemel te vergaderen. Dit is tevens ook het beste middel om de reglementen goed te vervullen, welke voorschrijven: âeen âieder moet met genoegen en zonder
âmorren zijn plicht doen----de onge-
âmakken geduldig verdragen.quot; (R. v. K. Inl. § B).
Gedurende de militaire marschen, begeve hij zich nimmer zonder verlof van den chef buiten het gelid en volge hij nauwkeurig alle bepalingen van het marschreglement op. Is de tocht afmattend en het weder warm, hij geve niet al te veel toe aan den prikkel, dien hij gevoelt, om zich door drinken te verfrisschen, dewijl de moeilijkheid van het marcheeren daardoor telkens grooter wordt. Ook drinke hij niet uit het water der slooten
142
langs den weg, omdat dit soms aan zijne gezondheid groot nadeel kan toebrengen. Maar vooral onthoude bij zich van bet overmatig gebruik van sterken drank. Hoe minder jenever hij neemt, des te gemakkelijker zal de marsch hem vallen, hoe meer hij daarentegen drinkt, des te lastiger zal het hem zijn de anderen te volgen en des te meer moeite zal hij zijnen kameraden veroorzaken. De ondervinding van lederen marsch bevestigt het. Wat toch is alsdan de gewone
fescbiedenis ? De grootste jenever-elden zijn het eerst van allen onbekwaam om te volgen. De een kan niet voort en moet onder geleide medegenomen of op een kar worden geladen, een ander begaat schandaal op schandaal en hindert zijne makkers zoozeer, dat men hem dikwijls langs den weg moet achterlaten, en hem na het uitslapen van zijn roes met provoost of nog erger moet straffen.
Gedurende den marsch spreke of zinge hij ook nimmer, wanneer het hem niet is toegestaan. Eveneens onthoude hij zich van alle smadelijke
143
uitdrukkingen of baldadigheden, waardoor rustig voorbijtrekkende menschen worden gehinderd. Maar bovenal zij hij op zijne hoede, om geen deel te nemen aan het zingen van oneerbare liederen. Het is een droevig verschijnsel, dat de officier bijna nooit verlof kan geven om te zingen, of aanstonds vinden sommigen hierin de gelegenheid, liederen aan te heffen, die kwetsend zijn voor de zedelijkheid en zeer stootend voor medebroeders, wier hart rein en kuisch is. Een overste, wien het heil zijner ondergeschikten dan ook ter harte gaat en de kiesche gevoelens van velen hunner niet wil kwetsen, verbiede die schandelijke gezangen en doe door een of ander teeken h.v, door het opsteken van de bajonnet, zulk een ergernis ophouden.
4. Plichten in de Kantonnementen en bij Inkwartiering.
Onze plichten goed waar te nemen, wanneer de oogeu der overheden op ons gevestigd zijn en wij ons verzekerd kunnen houden, voor iederen
144
misslag- gestraft te zullen worden, is zulk eene groote kunst niet; maar getrouw te blijven aan onze plichten, ook dan, wanneer wij aan het waakzaam oog der superièureu onttrokken zijn en de vrees voor bestraffing niet zoo groot i?, dit is een teeken van ware en soliede deugd. Wie zich in zulke omstandigheden gelijk blijft en met denzelfden ijver als vroeger zijne verplichtingen nakomt, toont, dat de deugd diepe wortelen in zijn hart geschoten heeft.
Bij iedere inkwartiering en bij iedere kantonneering nu wordt den militair de gelegenheid aangeboden, zich zeiven op deze wijze te beproeven. Want daar de levenswijze alsdan noodzakelijk vrijer is dan in de kazerne, de reglementen hem minder binden dan anders eu het waakzaam oog der overheden niet altijd in staat is hem te bereiken, kan het niet anders, of hij wordt meer overgelaten aan zich zeiven en zal door zijn gedrag moeten toouen, of hij waarlijk deugdzaam is, of niet. Een braaf en godsdienstig militair, die gewoon was
145
zijne plichten te vervullen niet uit vrees voor straf maar uit hoogere beginselen, zal bij inkwartiering even geregeld leven als vroeger. Want zijne deugd is geen schijndeugd, die afhangt van zekere plaatsen, zekere tijden of zekere omstandigheden, doch zij is ware, soliede deugd, die haren zetel heeft in zijn hart en hem altijd wijst op de verplichting om God altijd, overal en in alle omstandigheden te dienen. Stelt men echter tegenover hem een ongodsdienstig militair, die tot nu toe alleen uit menschelijke beweegreden zijne plichten vervuld heeft, dan zal het gedrag van dezen laat-sten bij inkwartiering geheel anders zijn dan in de kazerne. In de kazerne toch was hij gebonden aan de voorschriften zijner Reglementen, daar waren overheden, die een waakzaam oog hielden over zijn gedrag, daar dreigde hem voortdurend het rapport over plichtverzuim en als onvermijdelijk gevolg eene spoedige bestraffing; bij inkwartiering echter is hemgroo-tere vrijheid toegestaan, daar kan hij het nauwlettend oog zijner superieu-
146
ren min of meer verschalken, daar wordt ieder vergrijp tegen de reglementen niet onverbiddelijk gestraft. Is het dan wonder, dat hij hierin eene schoone gelegenheid ziet, om zijne hartstochten eens goed bot te vieren; dat hij door deze gedachte geleid, zich overgeeft aan vloeken en godslasteringen, aan dronkenschap en overdaad, aan ontucht en liederlijke gedragingen, aan vechtpartijen, mishandelingen en diefstallen ? En dat dit alles in werkelijkheid meermalen bij zulke gelegenheden geschiedt, bewijst de treurige ondervinding. Op hoevele plaatsen beweent menig huisgezin het kortstondig verblijf van eenige militairen in zijn midden ? Hoevele jongelingen, vroeger braaf en onschuldig, zijn door het slecht voorbeeld van plichtverget en soldaten bedorven en hebben leeren vloeken, drinken en ontucht bedrijven? Hoevele eerbare dochters of dienstboden zijn als gevolg der inkwartiering voor geheel hun leven geschandvlekt ? Als prooi der verleiding, soms zelfs als slachtoifers van barbaarsch ge-
147
weld, verloren zij den kostbaarsten van alle schatten, hare eerbaarheid en haren goeden naam. Heeft de burger dan geen recht te vreezen, wanneer hij verneemt, dat er in zijne gemeente eene langdurige inkwartiering zal plaats hebben ? Kan men het hem kwalijk nemen, dat hij geen geld ontziet, om de militairen, die bij hem moeten ingekwartierd worden, bij anderen uit te besteden ?
Met geheel bijzondere zorg moet de R. K. militair zich daarom beijveren bij inkwartieringen kantonneering, zijne plichten goed te vervullen. Hij besluite derhalve:
1°. De volgende bepalingen zijner Reglementen nauwkeurig op te volgen: âHet is de wil van den Souverein, âdat de grootste orde en volmaaktste âeendracht tusschen de burgers en âmilitairen zal heerschen. Het is aan âalle militairen, welken rang zij ook âmogen bekleeden, verboden, de in-âgezetenen te beleedigen of onheusch âte behandelen; zullende de overtre-âders hiervan volgens de gestrengheid âder wet worden gestraft.quot; (Regl. op de huisvesting art. 9,'.
148
âDe commandeerende officieren der âkorpsen zullen nauwkeurig acht ge-âven, dat alle desorders, zoo op marsch âals in de huizen der burgers, kracht ⢠âdadig worden te keer gegaan en âniet gedoogen, dat soldaten meer âvorderen, dan waarop zij volgens âden inhoud van dit besluit aanspraak âkunnen maken.quot; (Marsch-Regl. art. 6).
'2°. Wees tevreden met het biljet, hetwelk u gegeven wordt, tenzij het bestemd ware voor een huis, dat tegen de zedigheid strijdend is. In dat geval moet gij bij tijds om verandering verzoeken.
3°. Vergenoeg u met de ligging en het voedsel, dat u aldaar gegeven wordt en wat de Reglementen voor iederen dag bepalen. Voldoet het niet geheel en al aan uwe verlangens en zijn de menschen, bij wie gij ingekwartierd zijt, arm, toon u dan menschlievend en wees tevreden met uw lot. Kunnen zij n echter beter onderhouden, vermaan hen dan eerst liefderijk, doch blijven zij onwillig, dien dan uw beklag in bij de overheid. Wacht u altijd van iets met
149
harde woorden of met mishandelingen te vorderen, waarop gij geen recht hebt. Wees inschikkelijk en volg, zooveel gij kunt, de dagorde des huizes.
4'. Betoon ook aan alle hnisge-nooten eene gepaste beleefdheid; wees minzaam in uwe gesprekken, onthoud u van godslasteringen of onzuivere woorden; toon u ijverig in het vervullen uwer godsdienstplichten. Ontwaart gij, dat gij bij Roomsch-Katholieken zijt, vraag dan den weg naar de kerk, de uren, waarop de H.H. Diensten verricht worden, enz. Zijt gij bij andersdenkenden, beleedig hunne godsdienstige overtuiging dan niet, spreek nimmer met hen over geloofszaken, maar draag zorg, dat zij door uw gedrag onzen H. Godsdienst leeren eerbiedigen en hoogachten.
5°. Wees zeer zedig tegenover de dochters en dienstboden van het huis en van de plaats uwer inkwartiering. Spreek haar nooit aan zonder bepaalde en gewettigde reden en toon u dan zoo bescheiden mogelijk. Vlucht
150
alle familiariteit en gemeenzameu omgang, welke niet anders dan op uw beider ongeluk kan uitloopen.
6°. Bezoek ook zelden de herbergen en gebruik datgene, wat gij verlangt, in het huis uwer inkwartiering, ten einde alzoo het gevaar te vermijden van dronken te worden en door den drank verhit, met burgers of militairen te twisten en te vechten. Hotidt gij u streng aan dezen levensregel, dan zult gij alle gevaren, waarvan hierboven gesproken is, vermijden.
5. Plichten in het Hospitaal.
Hoe onaangenaam de tijd van ziekte aan den militair ook moge toeschijnen, altijd is zij eene kostbare genade van God Wijze redenen, redenen, die Zijne liefde onmiskenbaar aau-toonen, bewegen God, om de militairen gedurende de dagen van hun diensttijd dikwijls met eene of andere ziekte te bezoeken. Nu eens wil Hij hen aansporen om het pad der zoude te verlaten en zich op een deugdzaam leven toe te leggen. Het middel
151
daartoe is in Zijne hand de ongesteldheid, welke Hij hun overzendt. Dan wederom zoekt Bij hun eene geschikte gelegenheid aan te bieden, om de straffen, welke zij om hunne fouten hiernamaals moesten lijden, reeds op aarde uit te boeten en zich daardoor de pijnen van het vagevuur te verkorten. Aan menigeen zendt Hij ook eene ernstige ziekte over, om hem eene goede voorbereiding te geven voor een zaligen dood en hem eene gelukkige eeuwigheid te verzekeren, welke hem anders ongetwijfeld zou ontsnapt zijn. En altijd is de onpasselijkheid voor ieder militair een tijd, waarin hij door lijdzaamheid, geduld en overgeving aan Gods H. Wil vele verdiensten voor den hemel kan ver-gadereu. 't Is echter te betreuren, dat de ziekte zoo zelden als eene genade beschouwd wordt, doch bijna altijd als een last en dat er bij gevolg ook zoo weinig door den mensch gedaan wordt, om uit zijne ongesteldheid voordeel te trekken voor zijne ziel.
Daar nu de E. K. militair ook aan
152
dit gevaar blootstaat, moet hij zich ^ toeleggen, om zulk eene kostbare genade niet ongebruikt te laten voorbij gaan; daarom trachte hij zich de volgende punten diep in het geheugeu te prenten, ten einde ze in ziekte toe â¢-te passen
1°. Hij beschouwe zijne ziekte met de oogen des geloofs eu ga aandachtig bij zich zelven na, welke van de vier redenen, die hierboven zijn opgegeven, God kunnen bewogen hebben, hem met lichamelijk lijden te bezoeken.
2°. Hij verdrage geduldig zijne pijnen en oft'ere die aan God op in vereeniging met het lijden van Jezus Christu?, Wiens Kruis hij dikwijls in den geest zal aanschouwen. Hij denke aan zijne zonden; aan de straffen, welke hij daardoor van Gods rechtvaardigheid heeft te verwachten, aan de schoone gelegenheid, welke hem wordt aangeboden, om zich op een goeden dood voor te bereiden; aan den schat van verdiensten, welken hij door zijn geduld voor den hemel kan winnen. Is de ziekte pijnlijk, dan herhale hij voortdurend dit schiet-
153
1 gebed: âHeer, Uw wil geschiede,quot; of het volgende: âJezus, ik wil met en voor U lijden.quot; Daarenboven zorge hij altijd zijn rozenkrans bij zich op het bed te hebben en bekleed te zijn gt; met het scapulier, ten einde alzoo Maria's moederlijkeu bijstand te mogen ondervinden.
3quot;. Bestaat er gevaar voor zijn leven, of is het te vreezen, dat hij buiten kennis zal geraken, zooals b.v. bij typlms-koortsen, dan stelle hij i aanstonds orde op de zaken van zijn geweten en bereide zich voor, om te biechten en te communiceeren. Hij ontbiede alsdan een biechtvader, welke hem niet mag geweigerd worden, daar artikel 238 âder voorschriften | van het militair hospitaalquot; bepaalt:
| âEen geestelijke.....heeft vrijen
âtoegang tot de kranken, wien het âgeldt, zoolang hij dit voor de ver-âvulling zijner herderlijke plichten ânoodig acht.quot; Hij wachte daarom geen oogenblik om van dat recht gebruik te maken en een priester te ontbieden, want eeue minuut uitstel is soms voor eeuwig te laat. Wordeu er onver-
154
hoopt bezwaren gemaakt, dan vrage hij naar den Commandant zijner Compagnie of naar een officier of onderofficier, die Eoomsch is, opdat deze hem tot handhaving van zijn recht bijsta. Tegelijk ouk zorge hij voor zijne tijdelijke aangelegenheden. Heeft hij soms nog eenige schuld te betalen, hij voldoe aan die verplichting, hetzij door zijne in bewaring gegevene gelden, hetzij door zijn te goed op het kleedingsfonds, hetzij door een verzoek tot kwijting gericht aan zijne ouders.
4°. Welke de aard zijner ziekte of de hevigheid der smarten ook zijn moge, hij onderwerpe zich aan alle voorschriften des geneesheers, zoowel wat de voeding als wat de ligging betreft; hij gebruike alle middelen, welke deze hem voorschrijft op het bepaalde uur en in de juiste maten, al waren zij uiterst bitter of onaangenaam, en wachte zich wel de medicijnen weg te werpen, zooals art. 211 hem verbiedt. Eveneens gehoorzame hij aan de ziekenoppassers, vooral daar, waar zij de verordeningen
155
van den dokter opvolgen, of iets gebieden tot handhaving der goede zeden of der orde in het hospitaal. Jegens zijne verplegers toone hij zich dankbaar, tegenover zijne medezïeken minzaam.
5° Is zijne ziekte niet gevaarlijk, zoodat hij goed in staat is zijne reglementen te onderhonden, dan trathte hij de verschillende âvoorschriften van het militair hospitaalquot; op te volgen. Eenige dezer, welke hem meer van nabij betreffen, zijn :
Art. 209. âDe in het hospitaal ver-âpleegde zieken zijn verplicht, de âorders door de officieren van gezond-âheid en administrateurs gegeven, âalsmede de voorschriften van politie âstiptelijk na te komen. Eveneens âmoeten zij opvolgen de bevelen, hun âdoor het verdere personeel geëm âployeerden tot handhaving der goede âzeden of tot hun eigen welzijn âgegeven. Zij zullen het perso-âneel geëmployeerden en minderen be-âleefd behandelen. Bij overtreding âdezer bepaliugeuzijnzij strafschuldig. âHebben zij zich over eene of andere
156
.handeling van dat personeel te beklagen, dan geven zij daarvan kennis -aan de administrateurs, die de zaak
quot;doormiddelvan het dagelijksch rapport
âter kennis brengen van den chet âder inrichting, die gehouden zal zijn, âzich persoonlijk van het al dan niet gegrond zijn der klachten te verzekeren en daarnaar zijne maatregelen
âte nemenquot;. . , t ⢠i
Art. 211. âHet is verboden m de ziekenzalen te rooken, kaart te spelen, iets te doen wat de zindelijkheid, de Voede orde of rust in de zalen kan verstoren, gekleed op de bedden te quot;liegen, de medicijnen weg te werpen quot;of dranken te verkoopen of te ver-quot; uilen quot;
quot; 6°. Hij volge ook nooit het voorbeeld na, dat velen helaas, maar al te dikwijls geven, door in 't geheim voedsel, drank of andere zaken te doen binnenbrengen. Hij beklage zich nooit over de handelwijze zijner ge-neesheeren, die hem soms tot spoedig herstel zijner geschokte gezondheid, voleens den aard zijner ziekte, dieet, y y of % portie toestaan, maar
7?
157
â
houde zich overtuigd, dat hij, die hem ; behandelt, het best weet, welk voed-
; sel en in welke hoeveelheid tot zijn
t beterschap noodig is.
f 7°. Evenmin toone hij zich onte-
., vreden over de geringe soldij, die
t hem in het hospitaal uitbetaald wordt, maar bedenke, dat het ingehoudene n moet strekken, tot bestrijding der onkosten, die voor de ziekte gemaakt ^ worden en menigmaal het bedrag der ii, geheele soldij ver te bovengaan. Ie 8°. Hij trachte liefderijk te zijn
ui tegenover zijne medezieken, hun kleine te diensten te bewijzen, hen te troosten en in het lijden en wanneer zij in geeste-r- lijken nood zijn of halsstarrig een priester weigeren, tot betere gedachten op n-- te wekken. Van den anderen kant al zij hij zeer voorzichtig in zijn om-im gang-, zoodat hij geene vriendschaps-te betrekking aanknoope met hen, die ich dikwijls onzedige gesprekken voeren ge- of met het geloof spotten, of om hun lig losbandig leven aan eene schandelijke jid, ziekte ten prooi, in het hospitaal zijn eet, opgenomen. Mocht het soms gebeu-aar reu, dat hij om de eene of andere
158
noodzakelijkheid, met hen op dezelfde zaal komt te liggen, dan zorge hij door hun omgang noch naar lichaam noch naar ziel besmet te worden.
9°. Hij zij waakzaam op het goed onderhonden zijner godsdienstplichten en verwaarlooze daarom niet zijn morgen- en avondgebed. Ook gedurende den loop van den dag trachte hij zich met eenige godvruchtige gedachten bezig te houden, vooral met die, welke ontleend zijn aan het bitter lijden van Christus. Daarenboven zorge hij altijd zijn rozenhoedje op bed bij zich te hebben en liet dikwijls te bidden. Dit is eene gemakkelijke devotie, die door niemand wordt opgemerkt eu voor hem een bron zal worden van troost en kracht in het lijden. Bestaat er gelegenheid om de ü. Mis te hoo-ren, dan denke hij aan het kerkelijk gebod . der^Zondagviering en verznime niet op Zon- en Feestdagen dat verheven offer bij te 'wonen, indien tenminste .-'zijne,'ziekte het hem veroorlooft, a Hetzelfde verrichte. hij op de werkdagen. Is zijne ziekte van lan-
159
geren duur, hij nadere meermalen tot de H. H. Sacramenten.
10°. Maar vooral wachte hij zich voor het lezen van slechte boeken, tijdschriften of dagbladen. Zoo dikwijls tracht men door het lezen vau zulke zaken, zich de verveling, die aan de ziekte eigen is, dragelijk te maken, terwijl men niet inziet, dat men daardoor aan de kwalen van zijn lichaam eene nog veel gevaarlijker ziekte naar de ziel toevoegt. Zondt gij derhalve weten, dat er in de bibliotheek van het hospitaal zulke boeken gevonden worden, lees ze dan nooit. Mocht misschien het grootste gedeelte der lectuur min of meer verdacht zijn, vraagt dan boeken aan den Direkteur der Vereeniging of aan den priester, die met de zorg van het militair hospitaal belast is.
11° Zijt gij hospitaalsoldaat, vergeet dan noait artikel 210 van het Reglement, dat zegt: âDe zieken-,oppassers mogen zich nooit onttrek-âken aan eene behoorlijke oppassing .,der zieken, zelfs al worden zij door âhen kwalijk bejegend.quot; Heb daarom
160
f
voor de zieken de teederste zorg, volg uw in alles de voorschriften der genees- ^al1 heeren en de bepalingen der Regie- kU11 menten omtrent de behandeling en verzorging der verpleegden. Behandel (lei1 de verpleegden liefderijk, beur hen op bij droefheid, troost hen in het lijden.
Doch draag niet minder zorg voor hunne onsterfelijke zielen, (xeef zelf 1 een goed voorbeeld van zedelijkheid, onzi belet zooveel gij kunt alle godslaste- (le ringen, alle zedelooze of ongodsdien- J1161 stige gesprekken. Verleen geen toe- Oo gang aan slecht befaamde personen, zou welke de zieken komen bezoeken. zou Weer alle slechte boeken, tijdschrif-ten en dagbladen. Bespeurt gij, dat w.lz de toestand der lijders gevaarlijk 00K: wordt, tracht hen dan over te halen S®11 om orde te stellen op de zaken van huu geweten. Neem alle vooroordee-len, ontsproten uit vrees voor de'biecht, an,:l weg, versterk hen tegen het men- vey schelijk opzicht. In één woord span i al uwe krachten in om uw medebroe- e der te redden. Dan zult gij met recht mogen vertrouwen op zijne dank-baarheid, wanneer hij eenmaal door S
161
?olg uw toedoen in de haven der geluk-
ees. zalige eeuwigheid is aangeland, en
gle_ kunt gij met reden voor u zei ven bij
0 en uwen dood een gunstig vonnis van
Q^el den Eechter verhopen.
u op
den. 6. Plichten gedurende den oorlog. foor
zelf Indien de zonde door den val van leid, onzen eersten vader Adam niet in iste- (^e wereld was gekomen, dan kon [ien. men als zeker aannemen, dat de oortoe- met zyne verschrikkingen nooit nen, zou hestaan hebben. Dan immers ken! zouden de gestrenge wetten der hrif- rechtvaardigheid niet alleen door de dat bijzondere personen onderling, maar rlijk 00k ^oor de verschillende Rijken te-alen geuover elkander altijd geëerbiedigd van zii11 geworden, dan hadde het eene â¢dee- zich n^et ten koste van het echt andere zogkeu uit te breiden en te men- vergrooten en ware de oorlog bijgespan onbekend geweest. Nu echter )roe- zonde eenmaal gepleegd is en de â¢echt kwade hartstochten als gevolgen der ank- zonde zoowel bij de volkeren in het door algemeen als bij iederen mensch in
1 quot;
162
het bijzonder zijn opgewekt, nu kan het geweld dikwijls niet anders dan door geweld gekeerd worden en is de oorlog in vele gevallen onvermijdelijk en noodzakelijk. Geen wonder dan ook, dat wij van de vroegste de ki tijden af, de volkeren onderling in regel bloedige oorlogen zien gewikkeld. der
Doch indien de oorlog in sommige de te gevallen noodzakelijk is, dan volgt daaruit, dat God hem in sommige gevallen wil en dat Hij aan alle militairen, die er aan moeten deelnemen, iiitdrukkelijk gebiedt, de plichten te vervullen/welke de krijgsdienst en de godsdienst hun alsdan opleg-aren. Welke zijn de plichten van den E. K. militair m tijd van oorlog ?
De Reglementen vorderen gehoorzaamheid in de minderen, trouw in de meerderen, dapperheid en vaderlandsliefde in beiden. De godsdienst-schrijft nog andere plichten voor, die verschillen naarmate het vóór den oorlog, gedurende den slag of na den strijd is. Over beide een enkel woord.
1°. Zoo ooit dan vooral in den oorlog moeten de minderen eene stipte gehoorzaamheid betoonen aan de be-
163
velen der meerderen. Hoe zeer de gewone strijders ook kunnen roemen op vaderlandsliefde en moed, toch ïrmij- zullen die beide deugden bij hen meer onder schade dan voordeel toebrengen aan egste de krijgsoperatiën, indien zij niet ge^ ng in regeld quot;worden door het krijgsbeleid d._ der meerderen. Want daar volgens mige de tegenwoordige manier van oorlog volgt voeren de overwinning meer afhangt mige vande getalsterkte des legers, dekracht alle der vuurwapenen en de goede bere^ kening der overheden dan van persoonlijken moed en dapperheid, moet vooral het krijgsbeleid der overheden de handelingen der minderen leiden en besturen. Een generaal, die zijn leger ter overwinning wil aanvoeren, heeft dan ook een geheel plan van de wijze, waarop de oorlog zal gevoerd worden, ontworpen.
Schijnbaar nietige en geringe orders door hem uitgevaardigd, sluiten zich dikwijls zoozeer daarbij aan, dat hunne veronachtzaming het leger aan een groote nederlaag kan blootstellen. Weet de mindere nu niet goed te gehoorzamen, maar volgt hij in Min-
164
de drift de inspraken van zijn moedig en vaderlandslievend hart op, dan zal hij, in plaats van met zijn overste samen te werken, hem tegenwerken, zijne plannen verijdelen, verwarring te weeg brengen onder de gelederen en de krachten des legers verdeelen. Dat de mindere daarom trouw de gegevene bevelen nakome; zijne instructie aan niemand bekend make, tenzij het geoorloofd of noodzakelijk is ; het toevertrouwd parool, contrasigne eu woord voor zich als heilig beware. Dat hij nooit, hoe groot het gevaar ook zijn moge, een toevertrouwde post verlate, of een gegeven order verwaarlooze uit te voeren, daar het verraad, het verlaten van een wachtpost of het verzuimen van een gegeven order dikwijls de grootste rampen kan aftreliken over het leger. Dat hij ook nooit door het voorwenden eener ziekte, die hem bij de reserve zoude kunnen doen terugkomen of wel bij de ambulance brengen, zich aan het gevaar onttrekke.
2a. Doch moet in de minderen
1
165
moe- vooral de gehoorzaamheid nitschitte-op, ren aan de bevelen der overheden, de zijn meerderen moeten bezield zijn met een gen- onkreukbare trouw^ die door niets kan ver- worden omgekocht. Wat baat het, r de of het beleid van den generaal een 2:ers goed doordacht krijgsplan ontworpen rom heeft, wanneer het verraad dat plan gt;me; omverwerpt? Wat baat het, of de end minderen met leeuwenmoed het bezit )od- van eene of andere stad tegenover ooi, den vijand verdedigen, wanneer eene als verraderlijke hand (ie poorten der stad hoe in het geheim ontsluit? Dat daarom een iedere militaire overheid zich wel een overtuige, dat het eene lage en verte foeilijke misdaad is, verraad te ple-quot;la- gen aan het Land, den eeil van trouw, er- aan den koning gegeven, in de oogenier blikken des gevaars schandelijk te :an verbreken. Dat hij niet alleen uit hij vrees voor God, die alle verraders ler op verschrikkelijke wijze zal straffen, ide niet alleen uit vrees voor de militaire bij strafwetten, welke hem met den kogel iet dreigen, maar ook uit vrees voor de j diepste verachting, waarmede vriend en en vijand op den verrader neerzien,
166
zich late weerhouden, van ooit tot dooi
den vijand over te loopen of verlokt schi
door het geld eu de tijdelijke gun- dez»
sten, die hem worden aangeboden, de z
met den vijand in verstandhouding lijk
te staan. Dat hij nooit de plannen ziet
der hoogere overheden of de krijgs- nig
operatiën, die hem in vertrouwen zijn bev
medegedeeld, aan den vijand of aan die
andereu bekend make ; of medehelpe de:
om levensmiddelen, wapenen en am- tra
munitie in het vijandelijk kamp bin- di(
nen te voeren, .ia, dat hij zelfs, in- relt;
dien hij krijgsgevangene wordt, liever Ie1
alles onderga, dan ooit zijn leger door aa
verraderlijke openbaringen schade te ba
w
berokkenen.
3°. Eindelijk eeu laatste algemeene he
plicht, die zoowel in de minderen als m
in de meerderen vereischt wordt, is o1
liefde voor het vaderland en persoon- E
lijke dapperheid. De moed geeft den a
militairen kracht om het bedreigde n
vaderland ten uiterste toe te verde- d
digen, en de vaderlandsliefde houdt n
op hare beurt den moed der strijders I
staande, wanneer hij anders misschien ^
zou bezwijken voor de overmacht of 1
167
t tot door het vooruitzicht eener waar-
â¢lokt schijnlijke nederlaag. Waar een van
?un- deze beide deugden ontbreekt, daar is
den, de zegepraal voor de strijders onmoge-
Jing lijk; waar beide aanwezig zijn, daar
men ziet men dikwijls de zege door wei-
ijgs- nigen op een veel sterkeren vijand
zijn bevochten. Dat daarom ieder militair,
aan die zich ten strijde aangordt, vooral
elpe deze twee militaire deugden in zich
am- trachte op te wekken en te verleven-
bin- digen. Dat hij zich de geschonden
in- rechten van het dierbaar vaderland
iver levendig voor cogen stelle, deuke
loor aan het schandeli.fk juk van dienst-
ï te baarheid, waarmede de vijand hem wil beladen en zich het harde lot
sne herinnere, dat de overwonnenen zoo
als menigmaal onder de verdrukking der
, is overwinnaars hebben moeten gevoelen.
0«- Daarin zal hij de kracht vinden, om
len alle gevaren te trotseeren, zich door
jde niets, zelfs niet door onvermijdelijk
de- doodsgevaar, te laten afschrikken,
idt maar met moed te strijden en alle
ers krachten in te spannen tot behoud
ien van het dierbaar vaderland, tot hand-
of having van zijne erkende rechten en
168
tot voldoening van iedere beleediging den staat door zijne vijanden aangedaan.
Ziedaar de drie algemeeue plichten, welke de Reglementen den militairen gedurende den oorlog opleggen.
Doch behalve deze plichten legt ook de godsdienst den R. K. militairen eenige plichten op, welke zij voor den oorlog, gedurende den oorlog en ua den oorlog moeten vervullen, en wier trouwe naleving van onberekenbaar nut is zoowel voor het leger als voor den militair zeiven.
1°. Voordat de oorlog begonnen is, vraagt de godsdienst van den R. K. militair:
«. Eene volkomene berusting in en overgeving aan Gods H. Wil. Hoezeer ook de oorlog in staat zij, den militair door de gedachte aan den krijgsroem, welken hij zich verwerven kan, aan te trekken, hij is echter nog meer geschikt, hem afteschrikken door de gedachte aan al de jammeren en ellende, welke hij zal aanschouwen en niet het minst door de gedachte aan eigen doodsgevaar, hetwelk in
169
den oorlog altijd dreigend is. Een militair nu, die zich niet door den godsdienst laat leiden, wordt door de gedachte aan den dood gemakkelijk terneergeslagen, en vindt in zich zeiven niet de kracht, om den oorlog met blijdschap te gemoet te zien en zijne militaire plichten goed te vervullen. Een godsdienstig militair echter, ook al laat de gedachte aan een dreigenden dood hem niet koud en onverschillig, is niet terneergeslagen, gaat met eene heilige hlijd-st'hap de gevaren van den oorlog le gemoet en is vast besloten, zijn plicht getrouw te blijven, omdat hij zich geheel en al heeft overgegeven aan den H. Wil van God. Hij weet het. God roept hem ten strijde en legt Hij hem zware verplichtingen op, dan staat Hij hem ook des te overvloediger met zijne genade bij, om die plichten goed te vervullen. Daarenboven, God is de meester van leven en dood, Hij richt de vijandelijke kogels, en geen hunner zal hem in het minst kunnen deren, indien het niet met de plannen van Gods Voor-
17G
zienigheid overeenkomt. En zelfs al had
moest hij in den strijd bezwijken, iiidilt;
valt hij dan niet als slachtoffer van is 3
eene der edelste deugden, welke hij herl
kan beoelenen, sterft hij dan niet op noei
het veld van eer, beladen met roem ovei
voor de menschen en met groote ver- wie
diensten voor God ? De eerste plicht gro
alzoo, welken de godsdienst den R. K. vol
militair, voordat de strijd begonnen der
is, voorschrijft, is eene volkomene be- pei
rusting en eene algeheele overgeving dei
aan den H. Wil Gods. zo(
h. Een tweede plicht is het geled. wi
In de tijden van echt christelijk ge- de
loof trokken de strijders nooit ten mi oorlog op, zonder eerst door het ge-bed den zegen van God over hunne
wapenen te hebben afgesmeekt; de b(
frootste veldheeren, die in de eeschie- rootste veldheeren, die in de eeschie- g
enis door hunne overwinningen be- d
roemd zijn geworden, vertrouwden o
meer op hun gebed dan op hunne z
wapenen. Zoo lezen wij b.v. van o
den H. Henricus, keizer van Duitsch- a
land, dat hij nooit een slag tegenover t
den vijand zou wagen, indien hij niet 1 eerst door het gebed de overwinning
171
â
fs al had voorbereid. En met recht. Want ken, indien het waar is, dat God, de Heer van is der legerscharen, zooah Hij zich 3 hij herhaalde malen in de H. Schrift t op noemt, indien Hij bijgevolg beschikt oem over het krijgsgeluk der strijdenden, ver- wie ziet dan niet, van welk eene icht groote kracht het nederig en vertrouw-⢠K. vol gebed der strijders moet zijn, om oen den zegen van God over hunne wa-be- penen te doen nederdalen ? Duizen-ing den voorbeelden dan ook kan men zoowel in de gewijde als in de onge-gt;ed. wijde geschiedenis aantreffen, waarin de overwinning klaarblijkelijk alleen 'en moet worden toegeschreven aan het gebed.
ne De K. K. militair, wien het ware
de belang van het vaderland ter harte ie- gaat, zal zich dus voor den strijd 'e- deze waarheid herinneren, en daarom en onder vele gebeden en vurige ver-'ie zuchtingen van God de overwinning in over den vijand afsmeeken. O indien h- alle militairen zich op deze wijze
er tot den oorlog voorbereiden, van welke Bt verbazende overwinningen zou de
g wereld in den loop der tijden getuige
zijn!
172
c. Doch behalve door het gebed moet de E. K. militair zich ook tot den oorlog voorbereiden door het waardig ontvangen der H. H. Sacramenten. De grootste knust immers, die de mensch hier op aarde kan beoefenen, is de kunst van wel te sterven ; van een goeden dood toch hangt ten slotte alles af; eeuwig geluk of eenwig ongeluk. Ieder mensch, die waarlijk verstandig wil leven, moet daarom altijd voorbereid zijn tot zijn dood. Toch zijn er omstandigheden in het leven van ieder mensch, waarin die voorbereiding met grooteren ernst en met meer zorg moet verricht worden. Deze omstandigheden zijn dan aanwezig, wanneer er een klaarblijkelijk gevaar bestaat voor zijn leven. Wie zich alsdan niet op den naderenden dood voorbereidt, is óf krankzinnig óf in de boosheid verhard en veroordeeld ter verdoemenis.
Dewijl nu het doodsgevaar nooit dreigender en onvenhijdelijker is dan gedurende den oorlog, kan de E, K. militair het nimmer voor God
173
verantwoorden, indien hij zich voor den strijd niet door het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht en der H. Communie op eeneu goeden dood zou voorbereiden, 't Is waar, men vindt militairen, die wanneer het oogenblik van strijden is aangebroken, zoo lichtzinnig zijn, dat zij de genademiddelen der kerk verstoeten en al hunne kracht putten in den jenever, dien zij met zulke mate drinken, dat hun verstand bedwelmd en hunne driften tot verdedigingswaanzin toe zijn opgevoerd. Men vindt er anderen, die door eene langdurige gewoonte van zondigen, vooral van onzedelijkheid, de stem van hun geweten als het ware versmoord hebben en halsstarrig weigeren hun geweten door eene rouwmoedige biecht van al zijne zondesmetten te zuiveren. Doch laat het vijandig vnur zich met al de hevigheid van den eersten aanval openen, hoe verschrikkelijk is dan niet hun toestand? Een oogenblik te voren, toen men hun sprak van biechten, was de spotlach nog om hunne lippen ; nu echter, voor het onmidde-
-â
174
lijk aanschijn van ^den dood, die hun ~ w
tegengrijnst, en met het oog: op de rc
rampzalige eeuwigheid, die zich voor re
hen opent, nu doet de vrees hun di
hart ineenkrimpen, en zouden zij k gaarne alles opofferen, om slechts een
oogenblik te kunnen biechten. Of zoo di
zij op dat oogenblik den dood nog R onverschillig te gemoet zien, wie ijst
dan niet bij de gedachte aan de ramp- pl
zalige eeuwigheid, die voor hen be- al
gint om nooit meer te eindigen? m
Dat dan de R. K militair zich nooit df
aan de gevarenvan den oorlog blootstel- m
le, zonder eerst door eene oprechte en as
rouwmoedige biecht orde gesteld te w
hebben op de zaken van zijn geweten m en zich door de H. Communie tot
den strijd te hebben gesterkt; dat ley
hij dien grooten plicht niet verzuime zi;
uit vrees voor de aanmerkingen van gs
godsdienstlooze medemakkers; dat aii
nij niet eene zekere doodsverachting, Hj
(die echter spoedig geweken is) putte b]j
in een overmatig gebruik van sterken bi(
drank, maar veeleer vertrouwe op be
den bijstand van God, zijn vader, en za
op de bescherming van Maria met de
ge
_L.
175
wier scapulier hij bekleed is, wier rozenkrans hij bij zich draagt, want reeds zoo menigmaal hebben deze in den oorlog de kracht der vijandelijke kogels vernietigd.
2°. Is de strijd eenmaal begonnen, dan vordert de godsdienst van den R. K. militair het volgende:
a. Eene stipte vervulling van die plichten, welke de Reglementen hem alsdan voorschrijven, d. w. z. in den mindere vooral gehoorzaamheid aan de bevelen der overheden; in den meerdere eene onkreukbare trouw aan vaderland en vorst; in beiden warme vaderlandsliefde en waren moed.
b. Eene behoorlijke zorg voor eigen leven, zoodat men van den eeuen kant zijn leven, waar het gevorderd wordt, gaarne prijs geeft, maar het van den anderen kant niet zonder noodzakelijkheid aan dreigend doodsgevaar blootstelt; want de natuurwet verbiedt den mensch, zich het leven te benemen of het leven zonder noodzakelijkheid in gevaar te stellen. Dat de R. K. militair zich daarom nooit be-geve naar plaatsen, waar zijn plicht
176
hem niet roept, zich niet roekeloos uit verkeerd geplaatsteu moed of zucht naar krijgsroem op punten stelle, waar hij het zeker mikpunt is van vijandelijke kogels of uit hoop van mogelijk te slagen, zich overgave aan onvermijdelijk doodsgevaar.
c. Eene ware naasienliefde, die alle gevoel van haat en vijandschap tegenover den vijand, dien hij bestrijdt, uitsluit, hem niet beschouwt als een persoonlijken vijand, maar als een vijand van den Staat, en hem aanspoort, om zonder zijne plichten te verwaarloozen tegenover hem gematigd te zijn, en zonder wraakzucht.
3°. Eindelijk na den strijd eischt de godsdienst:
a. Dankbaarheid tegenover God, indien de wapenen gezegend zijn en de overwinning bevochten is; of zoo het krijgsgeluk zich gekeerd heeft naar de zijde des vijands, hermting in Gods II. Wil.
h. Een vurig gebed voor de gesneuvelde medemakkers, die voor de goede rechten van vaderland en vorst hun leven hebben opgeofferd, eu eene
177
waardige begrafenis ran hun stoffelijk overschot.
c. Liefdevolle verpleging van de gekwetste militairen, die zooveel mogelijk in hnime tijdelijke eu geestelijke behoeften moeten worden bijgestaan.
d. Eerbied voor dekrijgsgerangenen, die men niet wreedaardig vermoorden of op eene onbehoorlijke wijze mag kwellen, maar die men met liefde en zachtheid moet behandelen.
e. Zachtmoedigheid tegenover de inwoners eener veroverde stad of geno-mene plaats. Bijgevolg geene wreedheden, mishandelingen en geweldenarijen gepleegd op afgeleefde grijsaards, zwakke vrouwen of onschuldige kinderen ; daar alle beleedigingen van vijandelijke ingezetenen, zoolang deze rustig zijn en geene schade berokkenen, ongeoorloofd on onrechtvaardig zijn en zelfs de generaal verplicht is, ze met de grootste gestrengheid bij zijne minderen te voorkomen.
f. Rechtvaardigheid tegenover de bezittingen des vijands, wiens goederen men niet mag plunderen, wiens hui-
12
178
zeu en landerijen men niet mag verwoesten zonder uitdrukkelijken last van den generaal, die het voor God zal moeten verantwoorden, indien hij met overtreding vau bet krijgsrecht en alleen geleid door persoonlijke wraakzucht, het bevel daartoe uitvaardigt.
HOOFDSTUK III.
CtKVARKN, welke aan den militairen stand verbonden zijn.
In iedereu stanil vindt men o-evaren, die de trouwe vervulling der plichten bemoeilijken; maar, of er wel een stand in de maatschappij is, die voor zijne leden zulke sroote en menigvuldige gevaren medebrengt, als de militaire, mag men met reditbetwijfelen. Het zal daarom nuttig zijn, dat wij, na in het vorig hoofdstuk den E. K. militair gewezen te hebben op de plichten, welke hij te vervullen heeft, hem in dit hoofdstuk waarschuwen voor de gevaren, die hij in zijnen stand zal ontmoeten.
't Is waarlijk bedroevend te zien, welk een omkeer er dikwijls heeft plaats gehad in het levensgedrag van menig jongeling, die eenigen tijd in
180
de kazerne heeft doorgebracht! Vóór zijn vertrek wit de ouderlijke woning was hij braaf en godsdienstig. Hij woonde des Zondags eeue, soms meer H. H. Missen bij, verzuimde niet des middags aanwezig te ziju bij het lof of de vespers, naderde op tijd tot de H. H. Sacramenten, bad met godsvrucht zijne dagelijksche gebeden, had liefde Aroor deii rozenkrans en het scapulier van Maria, in één woord, hij was godvruchtig, hij leefde uit het geloof Doch beschouwt dienzelfden jongeling, nadat bij eenige maanden in den dienst heeft doorgebracht! Welk eene treurige verandering dikwijls! Hij is flauw geworden in het gebed; aan de dagelijksche gebeden, die ieder christen verricht, wordt niet meer gedacht. Woont hij 'sZondags de H. Mis bij, het is dikwijls op zulk eene wijze, dat hij, om anderen niet te ontstichten en te verergeren, misschien beter deed met weg te blijven. De H. H. Sacramenten, tot welke hij vroeger op geregelde tijden naderde, zijn voor hem, alsof zé niet meer bestonden, en men mag
181
blijJe zijn, indien hij ten minste met den Paaschtijd zijne kerkelijke plichten vervult. De rozenkrans en het scapulier zijn verloren of liggen, als gevolg van menschelijk opzicht, on-gebruikt in koffer of kist. Kortom de godsdienstige jongeling van weleer heeft bijna geene godsdienstige gevoelens meer, zijn geloof sluimert. Ja, somtijds gaat het nog verder; zijn geloof lijdt geheel en al schipbreuk en hij is gelijk geworden aan een on-geloovige. Hij spot met de waarheden, welke hij tot nu toe geloovig had aangenomen, twijfelt aan geheimen, die zijn verstand' niet in staat is te doorgronden, durft anderen uitdagen hun geloof te bewijzen of verklaart vlak af, dat hij aan niets meer gelooft.
Van waar die beklagenswaardige verandering ? Van de yevaren, welke het militaire leven den godsdienst aanbiedt. Die jongeling, vroeger zoo godsdienstig, vond in de kazerne een volslagen gemis aan den woldadigen invloed van den godsdienst. Niets sprak hem van God of de geopenbaarde
i
waarheden; de noodzakelijke dienstverrichtingen, welke op Zon-en Feestdagen moesten geschieden weerhielden hem dikwijls van de waarneming zijner godsdienstplichten. Daarenboven hoorde hij soms op de kamer openlijk spotten methetgeloof;belache-lijke voorstellingen der geheimen van den godsdienst, schandalen op rekening van priesters eukloosterlingen deden de ronde ; nieuwsbladen van ongodsdienstige strekking lagen in decantine voor hem ter lezing; ongeloovige boekwerken werden hem door dezen of genen vriend geleend. Hij zag-, hoe vele zijner geloofsgenooten des Zondags, in plaats van naar de H. Mis te gaan, de herberg bezochten, het nnttig gebruik der Sakramenten verwaarloosden en toch de achting van velen genoten. Niet zelden ook was hij getuige van de laffe aanmerkingen, waaraan brave en godsdienstige militairen blootstonden. Hij knoopte vriendschapsbetrekkingen aan met kameraden van eene andere godsdienstige gezindheid, waardoor het geloof dikwijls het onderwerp werd van ouder-
183
linge besprekingen, terwijl hij wegens ongeleerdheid niet altijd op de tegenwerpingen kon antwoorden. Ten slotte was er niemand, aan wien hij rekening behoefde te geven van zijn godsdienstig gedrag, want vader en moeder waren ver verwijderd en konden gemakkelijk bedrogen worden. Zoo werd zijn godsdienstzin en vroomheid hoe langer zoo minder en verlooide militair zijn bovennatuurlijk geloof. of, indien hij het door een wonder van Gods genade nog bleef behouden, was het toch werkeloos en zonder eenigen invloed op zijn leven.
O had hij die gevaren niet beloopen, had hij tehuis kunnen blijven, hij zou dezelfde godsdienstige jongeling zijn gebleven !
Doch ziet hier eeneu anderen jongeling, die voordat hij militair werd, een voorbeeld was van zedelijkheid voor geheel zijne gemeente. Nog nooit had zijn mond vloeken of godslasteringen uitgesproken, vloeken van anderen te moeten aanhooreu was zijn grootste marteling en ging hem door merg en been. Onzuivere of dubbel-
184
zinnige woorden, slechteliederen waren hem een gruwel, hij zou ze nooit ongestraft in zijne tegenwoordigheid hebben toegelaten. . In zijnen omgang met anderen was hij er altijd op bedacht de reine en engelachtige deugd van zuiverheid ongeschonden te bewaren ; matigheid in het gebruik van drank had hij zich tot regel gesteld; in één woord, hij was een man van goede zeden. Die jongeling komt in de kazerne. Zal hij volharden ? Zal hij de kazerne even rein en onschuldig verlaten als hij haar is binnengetreden, zonder te hebben leeren vloeken, onzuivere taal spreken, ontucht bedrijven of zich bedrinken ?
Zeker het is mogelijk. Er zijn. God zij dank, vele voorbeelden van militairen, op wie de dienst niet deu minsten schadelijken invloed heeft uitgeoefend, ja die door een voortdurenden strijd tegen de gevaren, de kazerne nog beter verlieten, dan zij er waren binnengetreden. Doch wat is het meest te vreezen? Dat die jongeling misschien reeds spoedig zijne deugd en zedelijkheid zal verloren hebben.
185
Want op het punt van zeden zijn de gevaren, welke de militaire stand zijnen leden aanbiedt, zoo groot en menigvuldig, dat zij moeilijk overdreven kunnen worden. De militair zelf, die tegen de gevaren moet strijden, heeft vooreerst zooals ieder mensch eeue bedorvene natnur, die voortdurend tot liet kwaad overhelt. Wel kan hij door zich zeiven onophoudelijk te bekampen eene zekere gemakkelijkheid voor de deugd verkrijgen, maar nooit zal die natuur zoo overwonnen worden, dat zij hem niet meer tot het kwaad zil aansporen. Die bedorvenheid der natuur wordt vervolgens bij menig militair nog vermeerderd door sommige slechte gewoonten van zondigen, welke hij voor zijnen diensttijd reeds had aangenomen en die hij nog niet heeft afgelegd, of die, bij aldien hij ze heeft afgelegd, toch zeker zijne geestelijke krachten verminderd en het gevaar om te hervallen vooral in het militaire leven vergroot hebben. Daarenboven hij verkeert in den gevaarlijksten tijd van zijn leven, in de jaren der jongelingsschap, waarin de hartstochten zich
186
gewoonlijk met ongekende woede verheffen eu hem een rusteloozeu en allermoeilijksten strijd aandoen. Hierbij komt nog, dat alle toezicht over zijn zedelijk gedrag als het ware is weggenomen. Had hij tot nu toe liet waakzaam oog van vader en moeder ge vreesd en ontzien, nu zijn deze ver van hem verwijderd en kunnen zijn gedrag in den vreemde niet nagaan. Is hij zoolang hij in de kazerne woont onder het toezicht zijner superieuren, ofschoon hun oog op zijn zedelijk gedrag ook niet altijd even nauwlettend is, buiten de kazerne is hij vrij en kan hij ongestoord zijne hartstochten involgen. Voegt men hier ten slotte nog bij, dat de militair dikwijls zeer zwak van karakter is en de wilskracht niet bezit om het eenmaal genomen besluit, koste wat het wil, door te zetten en ten spijt van moeilijkheden ten uitvoer te brengen, wie vreest dan niet het ergste, wanneer hij let op de vele en dreigende gevaren, die zulk een militair gedurende zijn diensttijd moet ondergaan van den kant zijner medemakkers,van de garnizoensplaats, van de dienstregeling, enz ?
1
187
ver- De medemakkers, met wie hij moet ; e|| omgaan, ziju evenals hij van jeugdigen *rbij leeftijd. Ook zij gevoelen in eigen 1 ze- boezem zoo levendig den strijd der 'ge- liartstocliten en menig liunner is niet lak- I bestand tegen den storm en valt als ge slachtoffer zijner driften. Van daar ver dat velen vloeken en soms voortdurend zijn vloeken, vuile en ergerlijke taal uit-an. slaan, slechte liederen zingen, onge-ont paste en zondige verkeeringen aan-'ei1» gaan, zich bedrinken, slechte huizen quot;e- bezoeken, in één woord duizenden iud kwade voorbeelden geven. Die voor-en beelden nu, het is bekend, oefenen alen tijd een machtigen invloed uit op het tte hart van hen, die ze zien. Hoe zal :er dan de militair, gelijk hij boven be-ht ; schreven is, die zulke kwade voor-en ; beelden voortdurend voor zijne oogen te moet hebben, daar hij door de wet geen â dwongen wordt bijna altijd met zijne lli makkers om te gaan, de verderfelijke 'e | kracht daarvan kunnen ontgaan, vooral [k : op den langen duur? Is het niet te jd verwonderen of liever is het niet -r bijna een wonder van zedelijke kracht s» en grootheid, wanneer hij hen niet
188
navolgt in hunne ongebondenheid ? Nog duidelijker wordt dit, indien men hierbij gedenkt, dat sommige plicht-vergetene militairen, die in de zedelijkheid van anderen een scherp verwijt zien hunner eigene slechtheid, niet nalaten brave militairen te plagen, belachelijk voor te stellen en voortdurend door hunne kwaadaardige aanmerkingen lastig te vallen, of dat sommige onschuldige jongelingen reeds in de eerste dagen van hun diensttijd eene vriendschap aangaan met slechte kameraden, wier ondeugd hun onbekend is.
Treuriger wordt het nog, indien de garnizoensplaats zelve medewerkt om de gevarenvoor de zedelijkheid desmilitairs te verhoogen, indien het plaatsen zijn, waar het teestvieren aan de orde van den dag is, waar bi] gelegenheid van kermis of vastenavonddagen de ongebondenheid en liederlijkheid zich zonder schaamte vertoonen, waar slechte huizen zijn, tot welke iedereen toegang heeft of waar personen bij duisternis ronddwalen, met liet doel om anderen te verleiden.
189
Eindelijk ook de rampzalige gevolgen van ledigen tijd en verveling, brengen er het hunne toe bij, om de zedelijkheid van den militair te bedreigen. Waar moet de militair, die zijn dienstwerk verricht heeft, zijn ledigen tijd doorbrengen ? Op de kamer ? maar dan begeeft hij zich dikwijls onder allerlei gevaren. Ãp straat ? maar ook daar zijn de gelegenheden van zonde groot en menigvuldig. Inde herberg? is het daar voor hem minder gevaarlijk? Waarheen dan ? Het antwoord zou zijn : iu de militaire vereeni gingen. Daar zonden zij een krachtig ! bolwerk vinden tegen alles, wat hen dreigt. Doch Avijl verscheidenen dit aangeboden middel versmaden, wat blijft er dan over?
Geen wonder dus dat vele en zeer vele militairen in de gevaren bezwijken, dat verlies van geloof- koudheid en onverschilligheid in den godsdienst, gewoonte van vloeken en godslaste-ren, zucht naar geestverdovende dranken, onzuiverheid in al hare uitspattingen de treurige erfschat zijn, die menig milicien na volbrachten
190
diensttijd naar huis medebrengt. Geen wonder, dat menig jongeling iu de korte dagen van zijn diensttijd meer zonden bedrijft, dan hij in geheel zijn volgend leven zal bedrijven, ja dat sommigen zoozeer de gewoonte van zondigen aannemen, dat de zonde voor ben als het ware een tAveede natuur is geworden en zij zich nooit of niet dan na een langdurige en groote krachtsinspanning van hare slavenketenen kunnen ontdoen. Zonder vermetelheid mag men dan ook beweren, dat menigeen die thans voor eeuwig door God verworpen is en de straf zijner misdaden uitboet in de hel, het te wijten heeft, aan de gevaren van het militaire leven, welke hij niet naar vermogen ontvlucht Leeft.
Dat iedereen, die uit vrije keuze den militairen stand zou willen omhelzen, zich daarom voordat hij daartoe overgaat eens ernstig afvrage, of hij wel krachten genoeg bezit om zulke groote en dreigende gevaren het hoofd te bieden. En bijaldien zijn onderzoek hem niet een ware verzekering geeft, dat hij met ge-
191
gronde reden mag- hopen die gevaren te kunnen overwinnen, laat hein dan verzaken aan het tijdelijk voordeel, hetwelk hij misschien door dien stand te aanvaarden, kan verkrijgen, liever dan zich in gevaar te stellen, zijne ziel en zaligheid te verliezen. Maar van den anderen kant, dat hij, die niet uit vrije keuze doch door de wet gedwongen, de kazerne binnentreedt, zich reeds van den eersten dag af wapene tegen de gevaren, welke hij in zijnen nieuwen stand zal ondervinden. Dat hij zich niet uit onbezonnenheid blindelings daarin werpe, maar ze van te voren trachte te kennen en te voorkomen, dat hij het vaste besluit make, ieder gevaar voor zijn geloof of zedelijkheid aanstonds te ontvluchten en de middelen aan te wenden, die daarvoor noodzakelijk zijn. Want doet hij dit niet, hij zal in zijn persoon het groot getal slachtoffers der gevaren van den militairen stand met een vermeerderen en door zijne er-genissen voor vele anderen een oorzaak zijn van diepen val.
HOOFDSTUK IV.
Middelen, welke de K. K. militair
moet aanwenden om zijne militaire plichten goed te vervullen en ds gevaren, aan zijnen stand verbonden, te vermijden.
Al zijn de gevaren, welke de mill taire stand medebrengt, nog zoo groot, toch kan ieder die wil, maar ernstig wil, er braaf en godsdienstig leven. De 10,000 militairen, welke de kerk als heiligen vereert, zijn daarvan een doorslaand bewijs. In geheel andere tijden dan wij thans beleven, te midden van vee! grootere gevaren, te midden van bloedige vervolgingen, bleven zij trouw aan God, legden zich toe op eene stipte plichtsvervulling, vluchtten de gelegenheden, ja verkozen liever te sterven dan hun geweten door zoude te bezoedelen.
193
En vraagt gij nu, waarin het geheim lag van hunne bewonderenswaardige kracht, dan luidt het antwoord: in het aanwenden der middelen, die ter volharding in de deugd voor hen noodzakelijk waren. Wil de E. K. militair dus standvastig blijven, dan moet hij het voorbeeld dier onverschrokken christenstrijders navolgen en dezelfde middelen gebruiken, die zij ter volharding hebben aangewend.
Om dit gewichtig hoofdstuk, waarvan voor hem zooveel afhangt met zorg te behandelen, zullen wij eerst spreken over de natuurlijke middelen, die hij moet aanwenden ter volharding ; daarna over de bovennatuurlijke middelen en teu slotte zullen wij eenige bijzondere middelen aangeven tegen de drie groote zonden, welke vooral door militairen gepleegd worden.
§ I. Natuurlijke Middelen.
1. Het verachten van het Menschelijk Opzicht.
Geen vreeselijker wapen kan de
13
194
duivel tegen vele brave en godsdienstige militairen aanwenden, dan de ijdele menschenvrees, het ijdel men-schelijk opzicht.
Met waren godsdienstzin en liefde voor de dengd uit de ouderlijke woning vertrokken, komt de jeugdige militair voor het eerst de kazerne binnen. Zijn oog ontmoet vele zaken, voor welke hij inwendig walging heeft; zijne ooreu vernemen goddelooze of onzedelijke taal, vloeken en godslasteringen, die hij in zijn hart verafschuwt. Als natuurlijk gevolg van zijn onbedorven gemoed spiegelt de inwendige afkeer, welken hij voor dat alles gevoelt, zich uitwendig op zijn
felaat af en zoekt hij zich aan al ie gevaren te ontrekken. Maar nauwelijks hebben sommige oudere militairen bespeurd, dat godsdienstige gevoelens en goede zeden in zijn hart heerschen, dat vloeken en onzedige gesprekken hem een gruwel zijn, of aanstonds spannen zij samen, om hem van zijne onschuld te berooven. Laat ons zien (zoo zeggen zij met de god-deloozen uit het boek der Wijsheid
195
Houfdst. II) of hij niet een van de onzen is, en zoo niet, laten wij hem omsingelen en bevechten tot dat hij aan ons gelijk worde.'quot;
En nu begint er voor den armen jongeling een strijd, waaruit hij maar zelden als overwinnaar terugkeert. Men maakt hem op de kamer bespottelijk. lacht met zijn godsdienstzin, vloekt soms opzettelijk in zijne tegenwoordigheid of voert de lieder-lijkste gesprekken. Dat hij naar de H. Mis geweest is, op zijn tijd biecht en commmiiceert, des avonds trouw de militaire vereeniging bezoekt, dat alles wordt als belangrijk nieuws rondgebazuind.
De jongeling houdt eenigen tijd stand; maar weldra begint het hem te vervelen, zich voortdurend het mikpunt te zien van sommige wapenbroeders. De vrees voor nieuwe aanmerkingen wordt al grooter en grooter. Reeds tracht hij zijne plichten in het geheim en ongemerkt te vervullen. Doch ook dit ontgaat niet aan den scherpen blik zijner bespotters. Nu ziet hij geene uitkomst meer; en om
196
zich voor goed aan al die plagerijen te onttrekken, verloochent hij zijne plichten, volgt in blinde drift de anderen na en slaat het pad des ver-derfs in. Ziedaar helaas, de droevige geschiedenis van zoovele brave militairen, die gevallen zijn als slachtoffers van het meuschelijk opzicht!
Het eerste, wat de E. K. militair, die zijne plichten goed wil waarnemen, zich dus moet voornemen, is het meuschelijk opzicht te verachten en zich niet te storen aan praatjes van anderen. Hij ga daarom aandachtig na, hoe laf, hoe schandelijk en hoe dwaas het is voor een militair eenig gewicht te hechten aan het mensche-lijk opzicht en zich door een ijdele vrees voor de aanmerkingen en bespottingen van slechte wapenbroeders van het vervullen zijner plichten te laten afbrengen.
1°. Het is eene yroote lafJieid. Wat toch is het meuschelijk opzicht? Het meuschelijk opzicht is ten slotte niets anders dan het goede, dat men doen wil, achterlaten en het kwade, dat men niet doen wil, bedrijven uit vrees
197
voor de aanmerkingen der menschen. Is dit nu reeds bij iedereen een tee-ken van groote lafheid, hoeveel meer nog bij een militair. De militair immers moet meer dan alle andere menschen een man van karakter zijn, die zich door niets ter wereld een haar breed van zijnen plicht laat afbrengen. Heett hij eenmaal post gevat, dan mogen geen kogels, geen overmacht van vijanden, geen zeker vooruitzicht van den dood hem bewegen, den toevertrouwden wachtpost te verlaten. En handelt hij anders, dan is hij in den vollen zin des woords een lafaard, die volgens de militaire strafwetten den kogel verdient.
Doch wat doet nu een militair, die zich door het menschelijk opzicht van de vervulling zijner plichten laat aftrekken ? Hij maakt zich nog aan eene veel grootere lafheid schuldig dan een soldaat, die uit vrees voor den dood zijn wachtpost verlaat. Deze toch wordt ten minste bedreigd door een wezenlijk en zeer groot kwaad, dat in staat is hem te verschrikken. Houdt hij stand op den eenmaal ge-
198
vatten post, dan weet hij zeker, dat een vijandelijke kogel hem het leven zal benemen, het leven, dat hij met recht beschouwt als zijn grootste tijdelijk goed. Maar wat heeft een militair te vreezen, die wijkt voor het menschelijk opzicht ? Een vijandelijken kogel, levenslange gevangenschap, lichamelijke verminking? Neen, niets van dat alles; geen liaar op zijn hoofd zal gekrenkt worden, men zal wat met hem lachen, men zal hem lastig vallen evenals een klein hondje ons soms door zijn blaffen lastig valt, en hij, die op het slagveld den dood onverschrokken onder de oogen moest zien, hij bezwijkt voor een spotwoord ! Toen de Romeinsche keizer aan den H. Mauritius met zijne 6600 soldaten de kenze gaf, om aan de afgoden te offeren of te sterven, toen luidde het mannelijk antwoord, âliever sterven dan trod te beleedigen door iets wat zonde is! Doch voor den slaaf van het menschelijk opzicht, geldt het niet eene kenze tusschen leven of dood, maar eene keuze tusschen deu lof en den blaam van slechte menschen,
199
wier verachting voorjhem juist de grootste eer is. En om hunne afkeuring te ontgaan, verloochent hij plicht en geweten, draait hij God den rug toe ! Welk eene lafheid!
Daarenboven, hoe belangrijker de post is, welken den militair is toevertrouwd, des te laffer is het, zulk een post om nietige redenen te verlaten. Welnu de gewichtigste post van de wereld, den militair niet door een aardschen Koning, maar door God, den Koning der Koningen toevertrouwd is de zorg voor zijne eigene ziel en zaligheid. âSalva animam tnam.quot; Maak uwe ziel zalig, luidt het wacht woord, door God aan iederen militair bij zijne geboorte gegeven. Die post, de zaligheid van ieder mensch, heeft God ten koste van de grootste moeite en opofferingen op den vijand, den duivel, veroverd. Daarvoor is Hij mensch geworden, daarvoor heeft Hij 33 jaren te midden van de grootste armoede en vernederingen geleefd, daarvoor heeft Hij onder onbegrijpelijke smarten zijn leven gegeven. Is er dus ooit een post gewichtig in de
200
oogen van God, en belangrijk op deze wereld, dan is het zeker deze. Getuigt het dan niet van groote lafheid zulk een gewichtigen post, dien de Koning niet dan met de grootste moeite op den vijand veroverd heeft en waaraan hij 'de hoogste waarde hecht, om de nietigste reden prijs te geven, om een spotlach van slechte medemakkers ?
2°. Maar niet alleen is het involgen van het menschelijk opzicht laf, hei is ook allerschandelijkst. Wat toch is er schandelijker voor den militair, die geroepen is om de vrijheid van het land en zijne inwoners tegenover een sterken vijand te verdedigen, dan dat hij zelf zijne eigen, persoonlijke vrijheid, waarvan een ieder die slechts wil, meester is, en die door geen geweld van wapenen kan gedwongen worden, nog niet weet te verdedigen tegenover praatjes van anderen; dat hij uit lalfe vrees voor een spotlach ot eene aanmerking van nietswaardige menschen zijn eigen wil gevangen geeft, en zich gedurende de dagen van zijn diensttijd veroordeelt tot eene
201
schandelijke slavernij ? Want ja, eene slavernij, eene schandelijke slavernij verduurt hij, die zich aan het menschelijk opzicht stoort. Of is het
feen schandelijk slavenleven, altijd atgene te moeten doen, wat men niet wil doen, en nooit iets te kunnen verrichten, wat men gaarne zou willen uit vrees voor bespotting- van sommige medemakkers. De militair zou braaf en godsdienstig willen leven, zijn plicht zet er hem toe aan, de stem vau zijn geweten vordert het, de wet van God gebiedt het,een schandelijk slavenleven, altijd atgene te moeten doen, wat men niet wil doen, en nooit iets te kunnen verrichten, wat men gaarne zou willen uit vrees voor bespotting- van sommige medemakkers. De militair zou braaf en godsdienstig willen leven, zijn plicht zet er hem toe aan, de stem vau zijn geweten vordert het, de wet van God gebiedt het, maar hij durft niet!!'.! Wat zouden zij wel van mij denken, wat zou die en die wel zeggen, vraagt hij. En die ééne vraag verlamt al zijné zielskrachten, ontneemt hem de vrijheid van handelen. Hij heeft een afschuw van die vloeken en godslasteringen, die onzuiverheid die dronkenschap, dat ongodsdienstig leven, waaraan hij zich overgeeft, hij wilde zoo gaarne doen gelijk zijne medemakkers, die zich over de praatjes van anderen niet bekommeren. Maar wederom rijst de vraag, wat zouden zij wel van mij denken of zeggen ?
202
En opnieuw worden zijne zielskrachten verlamt en volgt hij gedwee den wil zijner wreede meesters. O schandelijke dienstbaarheid! In zaken, die geene betrekking hebben op godsdienst en zeden, zal hij zich aan het oordeel van anderen niet storen, maar bedaard zijn gang gaan. Indien iemand hem beleedigt, hij zal met kracht aandringen op eerherstel, maar bespot men hem om zijne deugd, maakt men zich vroolijk om zijne nauwgezette plichtsvervulling, wat zijn grootste eer is, dan is hij uiterst gevoelig voor die aanmerkingen. Hij trekt zich terug, alsof hij een misdaad begaan had, durft zijnen beleediger geen enkel woord toespreken, verloochent zijne vrijheid van handelen, versmoort de stem van ziju geweten en verlaat God, om anderen te volgen in hunne zondige afwijkingen. Is er grootere schande voor den militair denkbaar? Zou men hem aanraden zijnen bespotters eene aanmerking te maken over hun eigen slecht levensgedrag, hij zou het niet durven wagen, zij zouden hem zeggen ; Bemoei u met u zeiven
203
en niet met ons. En in plaats van hetzelfde antwoord te geven op de aanmerkingen, welke deze zich veroorloven over zijn gedrag, wordt hij verschrikt en weet niet beter te doen dan zijne manier van leven naar de hunne in te richten. O, hoe beklagenswaardig zijn die slaven van het menschelijk opzicht, welk een schandelijk juà van dienstbaarheid moeten zij tegen hun zin dragen.
8°. Ten slotte,, welk eene dwaasheid is het voor den militair, zich aan het menschelijk opzicht te storen. Of is er grootere dwaasheid denkbaar, dan zich zeiven te veroordeelen tot eene schandelijke en harde slavernij en daarbij niets te winnen, ja zelfs alles te verliezen ? Welnu tot zulk een lot veroordeelt zich ieder militair, die zich door het menschelijk opzicht van de vervulling zijner plichten laat afbrengen. Een slaat, hoe vernederend zijn dienstwerk ook zijn moge, ontvangt ten minste loon voor zijn slavenarbeid. Hij wordt door zijn meester gevoed en onderhouden. Doch welk loon ontvangt de slaaf vau het menschelijk
204
opzicht ? Niets anders dan verachting. Hij ziet zijne medemakkers naar de oogen, durft zich nooit vrij bewegen moet altijd tegen zijn eigen wil handelen uit vrees van de achting van anderèn te verliezen. En in plaats van door zijne onderdanigheid hunne achting te winnen, kan hij die bij zijne slechte wapenbroeders niet verwerven, en verliest hij haar daarenboven bij de goeden en braven, 't Is waar, slechte .en plichtvergetene men-schen spotten met anderen, die braaf en godsdienstig leven, maar zoolang zij nog niet verzonken zijn tot het laagste peil van zedelijkheid en alle begrip van eer en deugd verloren hebben, gevoelen zij in hun hart altijd voor hen een zekeren eerbied en erkennen zij hunne zedelijke meerderheid Hun geweten verwijt hun onophoudelijk, dat zij niet leven zooals dezen, eu dat pijnigend gevoel van zelfverwijt prikkelt hen aan, zich aanmerkingen te veroorloven omtrent hun
fedrag. Zien zij nu, dat hunne woor-en invloed hebben op hun hart en hen aansporen tot plichtverzuim, dan
205
is hunne zedelijke minderheid verdwenen en gaat bij hen de achting verloren voor eene deugd, die niet. bestand bleek tegen hunne flauwe en spottende aanmerkingen. Van den anderen kant zullen brave en godsdienstige militairen, ziende, dat een hunner medemakkers zich niet stoort aan de praatjes van anderen, doch in alles handelt volgens plicht en geweten hem inwendig eene ware lioog-achting toedragen en niet nalaten hem bij te staan, zooveel zij kunnen. Laat hij zich echter, om anderen niet te mishagen, van de vervulling zijner plichten aftrekken, zoo beschouwen zij hem als een man zonder karakter, als een lafaard en verliezen zij de achting, welke zij hem tot dan toe hadden toegedragen. Ja, wat meer is, ook God verliest zijne achting voor een militair, die zich stoort aan het menschelijk opzicht. âDie zich over mij geschaamd zal hebben bij de menschen, zegt Hij (Luc. IX. 26.) over dien zal ik mij schamen bij den hemelschen Vader.quot; Hij zal hem van zich afstooten, Hij zalquot; hem de vree-
206
selijke woorden toevoegen: ânescio vosquot; âIk keu u nietquot; voor eeuwig zal Hij hem veroordeeleu naar liet helsche vuur, waaruit zijne medemakkers, om wier gunst te verkrijgen, hij God verloochend heeft, hem nooit zullen kunnen bevrijden. Hoe dwaas is het dan het menschelijk opzicht in te volgen! Wapen u daarom, dierbare Militair, reeds van het eerste oogen-blik, dat gij de kazerne binnen treedt, tegen dat ongelukkig menschelijk opzicht, en laat u nooit door de spotternijen van anderen van de beoefening uwer plichten afbrengen. Luister altijd naar de stem van God en van uw geweten. Vraag u zeiven niet af, wat zullen anderen van mij deuken of zeggen, maar stel u de vraag; wat zal God van mij denken, wat zullen mijne goede ouders, mijn geestelijke leidsman, mijne brave en godsdienstige medemakkers van mij zeggen ? Overweeg hoe laf het is. God den rug te keeren om ellendige menschen te behagen: hoe vernederend het voor u is, slaaf te zijn van anderen; hoe dwaas, zooveel te doen
1
207
om de afkeuring- van sommigen te oirtgaan en de achting van allen te verliezen.
Maak daarom het besluit, u in alles te regelen naar plicht en geweten, en verder eenvoudig door te gaan, zonder u aan iemand te storen. Dan zullen de aanmerkingen der slecht-gezinden spoedig vau zelf ophouden, dan toont gij u waarlijk groot en verheven, dan kunt gij verzekerd zijn gelukkige dagen door te brengen gedurende uw diensttijd, de hoogachting te verwerven van allen, die u kennen, goeden zoowel als kwaden, en vele verdiensten te verzamelen voor ,den hemel.
2. Het vluchten van slechte Gezelschappen.
Een ander middel, hetwelk de militair, die de gevaren aan zijnen stand verbonden, wil vermijden, moet aan wenden, is het vluchten van slechte gezelschappen.
De mensch is van nature een maatschappelijk wezen, dat wil zeggen:
208
hij gevoelt beiiuette om zijn gelijke te beminnen en door hem bemind -te worden. Vandaar dat hij zonder vrienden niet kan leven. Niets is bijgevolg billijker, dan dat hij de vriendschap van anderen tracht te winnen. Doch hier komt eene belangrijke vraag, die menigeen verzuimt zich zeiven te stellen: Wie zal hij tot zijne vrienden uitkiezen ? Zoekt hij vriendschapsbetrekkingen aan teknoo-pen met brave en godsdienstige menschen, dan zal hij daarin niet alleen een krachtig middel vinden, om zijn geluk op aarde te verhoogen, maar tevens ook een veilig onderpand hebben voor zijne eeuwige zaligheid. Want de voorbeelden vau deugd, hem door zijne vrienden gegeven, zullen een machtigen invloed op zijn hart uitoefenen en hen van zelf tot eene stiptere plichtsbetrachting aansporen. Daarom noemt God in de H. Schriftuur diengene gelukkig, die zulk eenen waren en goeden vriend gevonden heeft (Eccli. XX V. lii.) Doch even gelukkig als hij is, die eenen waren en goeden vriend gevon-
209
den heeft, even ongelukkig is diegene, welke zich vergist heeft in zijne keuze en in plaats van eenen goeden, eenen slechten vriend heeft aangetroffen. Want ook bij hem zal de invloed van het slechte voorbeeld krachtig werken op zijn hart en hem ongemerkt overhalen om het pad der deugd te verlaten.
Aan dat gevaar nu van zich slechte vrienden te kiezen en door hun voorbeeld verleid te worden, staat de E. K. militair gednrende de dagen van zijn diensttijd meer dan anderen bloot. _Ver van ouders, bloedverwanten, vrienden en kennissen verwijderd, wordt hij naar eene garnizoensplaats overgebracht, waar alles hem vreemd en onbekend is. Hij wordt met verscheidene makkers in de kazerne ver-eenigd, moet voortdurend met hen omgaan, en heeft dag in dag uit dezelfde omgeving. Wat is er dus natuurlijker, dan dat hij zich bij sommigen hunner, die hem meer aantrekken, aansluit, en reeds in de eerste dagen nauwe vriendschapsbetrekkingen met hen zal aangaan ?
210
Heeft hij nu het ^eluk, in die vrienden, welke hij zich heeft uitgekozen, ware en opréchte Christenen te ontmoeten, dan vindt hij in hen een krachtigen stenn ten goede, amicus fidelis protectio forfis, want een getrouwe vriend, zegt de H. Schriftuur, (Eccli. VI. 14) is een sterke steun. Doch wil het ongeluk, dat zijne vrienden slechte christenen zijn, dan kan men hem niet genoeg beklagen, want spoedig zal hij door dezen worden verleid, hunne kwade voorheelden navolgen en zich aan een zondig leven overgeven, 't Is bijgevolg voor den militair van het hoogste gewicht, dat hij zich altijd er op toelegge, de slechte gezelschappen te vermijden. Om deze reden beschouwe hij eens aandachtig, hoe. gevaarlijk het is, vriendschapshetrekhingen aan te gaan met slechte vrienden, en het gezelschap te zoeken van ongodsdienstige of zedelooze menschen.
Ook al had God in de H. Schriftuur ons niet herhaalde raaien gewezen op het gevaar van slechte vrienden en kwade gezelschappen, de natuur-
211
lijke rede en de treurige ondervinding van zoovele ^eeuwen zouden meer dan voldoende zijn, om ons daarvan volkomen te overtuigen. De rede immers stemt geheel en al in met de woorden van God, die zegt âAmicus stuit or um sirnilis efficieturquot; (Prov. XIII. 20.) De vriend der zondaren zal aan hen gelijk worden. En waarom ? Vooreerst om den invloed van het slechte voorbeeld, dat, door Gods genade niet onschadelijk wordt gemaakt, doch verbonden met de bedorvene natuur des menschen, den militair een dubbelen strijd aandoet en hem de overwinning dubbel moeilijk maakt. De militair heeft uit zicïi zeiven reeds moeite genoeg om staande te blijven ; zijne bedorvene natuur spoort hem voortdurend tot het kwade aan en dit met zulk eene hevigheid en zulk eeu volharding, dat menigeen in den strijd bezwijkt. Komt zich nu bij dezen vijand nog een andere voegen, namelijk^ de verleiding van het slechte voorbeeld, dan is het uiterst moeilijk, dat hij staande blijft en ziine deugd niet vroeg of laait verliest. Want
212
men wil van zelf navolgen, wat men door anderen ziet doen, niets zet den menscli meer tot handelen aan, dan het voorbeeld hem door anderen gegeven, vandaar het spreekwoord âvoorbeelden trekkenquot;. Nu kon God, het is waar, door zijne genade de verleiding van het slechte voorbeeld onschadelijk maken en de zwakke krachten van den militair versterken; doch zal God zijne genade niet weigeren aan iemand, die zich vrijwillig en zonder reden aan het naaste gevaar van zondigen blootstelt ? Een militair die zich zooveel mogelijk aan het gevaar van zonde onttrekt en daarom slechte vrienden en kwade gezelschappen vlucht, mag met recht op Gods genade hopen, indien hij door de voorschriften van den dienst genoodzaakt wordt, in hun gezelschap te verblijven, want hij zoekt het gevaar niet, maar het gevaar zoekt hem. Doch iemand, die vrijwillig slechte vriendschappen sluit of kwade gezelschappen zoekt, hij bemint het gevaar en hoopt dus vermetel op Gods bijstand en genade. Vandaar dat God ook tot hem zegt:
213
die het gevaar bemint, zal er in vergaan. (Eecl. III. 17.) Al heeft dus de militair in den beginne den levendig-sten afkeer van het ongodsdienstig en zedeloos leven, dat hij zijne vrienden ziet leiden, al tracht hij hen zelfs door zijne woorden tot een beter leven aan te sporen: langzamerhand zal door de kracht van het slechte voorbeeld zijn eigene bedorvene natuur worden opgewekt, de godsdienstige gevoelens zullen ongemerkt verflauwen, de achting voor de deugd zal al minderen minder worden, eindelijk overgaan in koudheid en onverschilligheid en ten slotte zal hij zijn vroeger gedrag geheel en al verloochenen.
Een tweede reden, waarom slechte vriendschappen zoo gevaarlijk zijn, ligt in de natuur zelve der vriendschap. De vriendschap, zegt men, vindt gelijken nf maakt gelijken. Twee men-schen, die met elkander vriendschapsbetrekkingen hebben aaiigegaan,waren van het eerste oogenblik af, waarop zij zich verbonden, reeds aan elkander gelijk, ofwel zij zullen het spoedig
214
worden. Dat wil zeggen, zij waren ofwel beiden goed of slecht, ofwel de een was goed en de ander slecht. In dit laatste geval zal de slechte door zijn omgang met den goede zijn zondig gedrag iu den regel niet verbeteren, maar de goede zal door zijn omgang met den booze zelf slecht worden. Dit volgt onmiddelijk uit de natuur der vriendschap, die de vrienden aanzet om elkander te behagen. De natuurlijke neiging, die men voor elkander gevoelt, de vrees om de achting en de vriendschap te verliezen, het menschelijk opzicht, waardoor' men zich tegenover hem schaamt, anders te zijn dan hij is, dat alles spoort de goede vrienden aan,dekwade handelingen van anderen eerst stilzwijgend te verdragen, daarna te vergoelijken en ten slotte na te volgen. Luister eens naar hetgeen de H. Augustinus omtrent dit punt van zich zèlven getuigt:
âIk liep met zulk eene groote ver-âblindheid in mijn verderf, dat, wan-âneer ik eenige mijner gezellen zag, âdie zich beroemden op hunne buiten-
215
âsporigheden en wulpschheid, en âzich daarover te meer verheugden ânaar mate zij schandelijker en eer-âloozer waren â ik mij zelf schaamde âniet zooveel gedaan te hebben. Al-âdus deed ik het kwaad, niet alleen âom het vermaak te hebben van dit âte doen, maar zelfs om er over geprezen te worden, en in plaats dat âhet door de zonde is dat men de âverachting verdient, was het om de âverachting te ontgaan, dat ik mij âmeer en meer aan de zonde over-âleverde, en wanneer ik niet zooveel âgedaan had als de bedorvenste en âonzedigste van allen, beroemde ik mij âop zaken, die ik niet had bedreven, âuit vrees dat ik zooveel verachte-âlijker zou zijn, als ik min bedorven âzou geschenen hebben.quot;
Zoo zal het ook in den regel met den braven militair gaan, die een slechten vriend heeft of kwade gezel ⢠schappen bezoekt. Al verafschuwt hij b. v. nog zoozeer die onzedige taal, welke zijn vriend spreekt, nu en dan zal hij toch niet nalaten, er mede te lachen, om hem te behagen, vooral
216
wanneer zij op geestige wijze wordt uitgebracht; dat eerste lachen voert tot meer lachen, soms begint hij reeds zelf er een woordje bij te voegen en nog maar weinig tijd, of hij zal voortdurend vuile taal spreken. Dan zal hij door zijn gedrag de woorden des Apostels bevestigen, I Cor. XV. 33. âdat oneerbare gesprekken de goede zeden bederven.quot; Hij zal overgaan van het woord tot de daad en zedeloos en losbandig gaan leven. Volle waarheid bevat dan ook het spreekwoord: Zeg mij, met wien gij verkeert en ik zal u zeggen, wie gij zijt.
Doch niet alleen de natuurlijke rede bewijst dit, orik eene treurige ondervinding bevestigt het en deze ondervinding is zoo oud als de wereld.
Nooit of bijna nooit heeft men gehoord, dat een slechte vriend door zijn omgang met een goeden van gedrag veranderd is, maar bijna altijd heeft de ondervinding het tegendeel bewezen. 't Was om deze reden, dat de Joden van het Oud Verbond zoo dikwijls vervielen tot afgoderij en verregaande zedeloosheid: zij had-
217
den vriendschapsbetrekkingeu aangeknoopt met volkereu, waarmede God juist om het gevaar van verleiding te voorkomen, hen verboden had, vriendschappelijk om te gaan. 't Was om dezelfde reden, dat zoovele heilige en uitstekende personen in het Nieuw Verbond, meuschen zegt de H. Augus-tinus, aan wier heiligheid ik evenmin twijfelde als aan de heiligheid van een Hieronymus, diep gevallen zijn en hun leven in Gods ongenade eindigden, 't Was eindelijk ook om deze reden, dat zoovele militairen, die als brave en godsdienstige jongelingen de ouderlijke woning hadden verlaten, soms na eenige weken of eenige maanden in den dienst te hebben doorgebracht, aan godsdienst en zedelijkheid vaarwel zeiden en een allerschandelijkst leven geleid hebben. Wat was er gebeurd ? Zij hadden een slechten vriend gevonden, de duivel, die hen niet door zijne inblazingen tot zonde kon verleiden, bekoorde hen in de gedaante van een vriend, evenals hij onze eerste ouders bekoorde in de gedaante van een slang. Die vriend wist hun lang-
218
zamerhaiul de begrippen van godsdienst en zedelijkheid te ontnemen, hij stelde het kwaad verleidelijk met de schoonste kleuren voor, juichte hun toe en moedigde hen aan zoodra hij zag, dat zij eenigszins voor zijne schandelijke verleiding begonnen te zwichten. En wat zijne woorden begonnen hadden, werd door zijn voorbeeld, helaas voltrokken. Hij ging hen voor in het vloeken en het spreken van onzuivere taal, in dronkenschap en het bezoeken van slechte huizen, in ongodsdienstigheid en ongeloof. Geen wonder dan ook, dat zijn goede vriend tegen zulk eene verleiding niet bestand was en jammerlijk omkwam.
Daarom, dierbare militair, wacht u voor slechte vrienden en kwade gezelschappen. Weet gij niet, vraagt de H. Schrift, dat een vogel niet gevangen * wordt zonder strik, (Eccli. IX. 12.) dat wie met pek omgaat, er mede besmet wordt (Eccli. XIII. l.)dat een weinig zuurdeeg voldoende is, om een geheele massa deeg te verzuren? (Gal. V. 9). En
fij zoudt in uwe deugd willen volhar-en zonder die slechte gezelschappen teij zoudt in uwe deugd willen volhar-en zonder die slechte gezelschappen te
219
ontvluchten? Neen krachtiger mannen dan gij, waren er niet tegen bestand. Al waart gij dan nog zoo braaf en godsdienstig, al had uwe deugd tot nu toe alle gevaren overwonnen, indien gij de slechte gezelschappen niet vermijdt, zult gij zeker vroeg of laat het verlies uwer deugd moeten betreuren.
Doch welke slechte gezelschappen moet de militair gedurende zijn diensttijd vooral vermijden ?
Hij zorge 1°. alle vriendschapsbetrekkingen te voorkomen of af te breken met zijne eigene medemakkers, van wie hij weet, dat zij slechte en plichtvergeten Christenen zijn. Dus militairen, die ongodsdienstig leven, hunne kerkelijke plichten verzuimen, met het geloof spotten of altijd wat te zeggen hebben op brave en godsdienstige wapenbroeders. Eveneens militairen, die zedeloos en ongebonden leven, dikwijls vuile of dubbelzinnige taal spreken, zondige verkeeringen aangaan of slechte huizen bezoeken, herhaaldelijk dronken zijn of voortdurend vloeken. Want van hen allen
220
feldt het woord der H. Schriftuur: eldt het woord der H. Schriftuur: Hscedeah iniquo et deficient mala abs te, Eccli. VII. 2- Vlucht den zondaar en de rampzalige gevolgen zoowel naar lichaam als naar ziel, die uit zijne vriendschap voortkomen, zullen voor u ophouden.
2*. Eveneens vermijde hij het gezelschap te zoeken van slechte kameraden uit den burgerstand. Want de ondervinding getuigt het, dat zij die soms ongehinderd de verleiding van eigene wapenbroeders doorstaan hebben, niet bestand bleken tegen de kwade voorbeelden van hunne vrienden buiten de kazerne.
3°. In het bijzonder wachte hij zich voor het aangaan van verkeerin-gen met personen van het ander geslacht. Hoe treurig is bet niet te zien, dat in grootè garnizoensplaatsen zoovele krijgslieden hun militair eergevoel verloren hebben en eene verkeering aangaan met meisjes, die gewoonlijk door haar onbeschaamd en zedeloos gedrag de verachting der burgers op zicli getrokken hebben. Wat anders toch kan men van zulke ontijdige en eenzame verkeeringen ver-
221
wachten, dan verlies van eer en deugd, dan rampzalige gevolgen die onherstelbaar zijn? Koevele jongelingen zijn door de gevolgen van zulke ver-kêeringen voor hun leven geschandvlekt ; hoevele anderen, die zulk eene verkeering door een huwelijk voltooid hebben, beweenen thans hunne dwaasheid met heete tranen, nu zij anderen gelukkig, zich zeiven ongelukkig zien, nu zij de straffende hand van God in hun huwelijk dubbel zwaar gevoelen ! Vlucht dus, zoolang gij in den militairen dienst zijt, allen omgang met personen van het ander geslacht.
4°. Ten slotte schuwe hij als de pest de gemeene straten en slechte huizen, waar de H. Deugd openlijk met voeten getreden wordt en de bezoekers hmme eer, hun geld, hunne gezondheid, hunne streepen, ja hunne ziel verliezen. Helaas, dit kwaad woekert openlijk voort in zoovele garnizoensplaatsen, het verteert dikwijls de beste krachten van ons leger, verlaagt den militairen stand ongemeen in de oogen van alle weldenkende
222
menschen, schenkt aan de burgerlijke li' maatschappij zoovele bedorvene ledematen, en bevolkt de hel metduizendeu verdoemden ! Wanneer zal men eens door allerkrachtdadigste middelen dien gruwel der verwoesting doen ophouden ?
3. Het bezoeken der R. K. Militaire Vereeniging.
Bij de twee vorige middelen ter volharding sluit zich in de laatste jaren een derde middel aan, welks nuttig gebruik den E. K. militair een zekeren waarborg geeft tegen de vele en groote gevaren, welke hem in zijnen stand bedreigen. Dat middel is het volhardend bezoek der E. K. Militaire Vereeniging.
Vóór 1856 bestond de E. K. Militaire Vereeniging niet. De jongelingen, die vóór dien tijd het burgerlijk tegen het militair leven moesten verwisselen, waren geheel aan eigene krachten overgelaten, en misten dien machtigen steun, welken
223
hunne opvolgers in de Militaire Ver-eeniging zonden vinden. In October echter van hetzelfde jaar, werd de eerste kiem voor deze zoo nuttige instelling gelegd door den Heer Legge, gepensioneerd onderofficier der Artillerie te Bergen-op-zoom. Door eene langdurige ondervinding volkomen op de hoogte van de gevaren, welke het kazerneleven den R. K. militair aanbiedt en ooggetuige van de vele slachtoffers, welke het jaarlijks onder den militairen stand aanrichtte, zocht sergeant Legge een dam tegenover de gevaren op te werpen en poogde eenige militairen over te halen, zich in hunne vrije avonduren bij hem te vervoegen, om zich op passende wijze door onschuldig spel te vermaken en door eenige godvruchtige oefeningen te sterken. Aanvankelijk mocht het hem slechts gelukken, een drietal jongelingen op deze wijze aan het verderf te onttrekken. Maar Gods zegen, die op zijne edele pogingen rustte, kwam hem ter hulp. Weldra sloten zich meer militairen bij hem aan en zoo ontstond na weinige jaren de
224
Militaire Vereeniging, welke, aan de zorgen der Kerk toevertrouwd, door de pausen goedgekeurd en met verschillende geestelijke gunsten verrijkt, spoedig in bloei toenam, hare vertakkingen door geheel Nederland verbreidde, overal de bewondering verwierf van burgerlijke en militaire autoriteiten, en het krachtigst bolwerk is, dat heden tegen de gevaren van het kazerneleven kan worden opgeworpen.
Met het volste recht dan ook moet het bezoeken van zulke vereenigingen, aan ieder militair als een heilige plicht worden voorgehouden. Daarom zullen wij in het kort aantoonen, welke groote nadeelen van den eenen kant uit het niet bezoeken der R. K. Militaire Vereenigingen voortkomen en van den anderen kant, welke groote voordeelen aan hun volhardend bezoek verbonden zijn, ten einde daardoor den E. K. militair aan te sporen, de Vereeniging van het eerste oogen-blik zijner indiensttreding tot aan het oogenblik, waarop hij de wapens inlevert, trouw te blijven bezoeken.
225
1. Nadeelen, die uit hei niet hezoe-ken der R. K. Militaire Vereeniging voortkomen
Een K. K. militair, die de Vereeniging niet ijverig bezoekt en blijft bezoeken, staat gedurende zijnen diensttijd bijna geheel en al buitenden weldadigen invloed van den godsdienst; verkeert in een onvermijdelijk gevaar van zijne zedelijkheid te verliezen, en berooft zich van vele tijdelijke gunsten zoowel gedurende zijn diensttijd als daarna.
1°. Hij staat gedurende zijne dienstjaren bijna geheel en al huiten den weldadigen invloed van den godsdienst. De godsdienst heeft de dubbele roeping, 'smenschen eeuwig geluk hiernamaals te verzekeren en zijn tijdelijk geluk hier op aarde te bevorderen. Vandaar dat zijn invloed op het leven van den mensch niet anders dan zeer nuttig en zeer weldadig kan zijn. De godsdienst immers houdt den mensch terug van de zonde en spoort hem aan, zich toe te leggen op de beoefening der deugd; de godsdienst geeft hem kracht om al de plichten
15
226
van ziju stand goed te vervullen en moed om de gevaren daaraan ver-bonden, te overwinnen; de godsdienst troost hem bij wederwaardigheden, sterkt nem in het lijden, maakt hem geduldig te midden van de kruisen en beproevingen, geeft hem den vrede des harten en die blijde opgewektheid, welke het kenmerk is der ware kinderen Gods; in één woord de godsdienst is de grootste schat der menschen en werkt meer dan alle andere zaken, meer dan goud en zilver, meer dan eer en grootheid, meer dan pleizier en genoegen mede om het geluk des menschen ook hier op aarde te bevorderen.
Doch om die groote voordeden uit te werken, moet de godsdienst beoefend worden. Want laat hij den meusch koud en onverschillig, spreekt hij niet tot zijn hart, deelt hij aan dat hart zijne warmte niet mede, dan gaan al de bovengenoemde voordeelen verloren en is de mensch naar ziel en lichaam ongelukkig. Welnu, zulk een ongelukkig leven, beroofd van alle voordeelen, welke de godsdienst
â
227
daaraan kan mededeeleu, wacht den meesten militairen, die de Militaire Vereeniging nooit of bijna nooit bezoeken. Zij leven voort ten eene-male verstoken van den weldadigen invloed van den godsdienst, zij missen allen gloed en bezieling, welke hij aan godsdienstige militairen schenkt. En waarom ? Omdat de R. K. militair, die de Vereeniging kan bezoeken, maar haar uit lauwheid of menschelijk opzicht niet bezoekt, den godsdienst zelveu in het geheel niet of maar zeer flauw zal beoefenen. De gevaren immers, welke zijn godsdienst bedreigen, zijn te groot en te menigvuldig, dan dat hij ze op den langen duur zou kunnen overwinnen met versmading van den krachtigen steun, welken de Vereeniging hem ter beoefening van dea godsdienst aanbiedt, 't Is waar, de militair kan op zijn tijd bidden, de H. Mis bijwonen, biechten en com-municeeren, kortom den godsdienst beoefenen; maar de groote vraag is, of hij het zal doen, indien er niemand gevonden wordt, die hem aan zijne
228
godsdienstplichten herinnert ? In de Militaire Vereeniging nu worden deze plichten voorgehouden en uitgelegd, daar wordt hem hunne beoefening gemakkelijk gemaakt. Doch waar geschiedt dit buiten de Vereeniging' ? In de kazerne, die godsdienstloos is ? Bij zijne medemakkers, waar verschil van godsdienst heerscht, waar verscheidene ongodsdienstige menscheu zijn, waar de godsdienst dikwijls verguisd en godsdienstige militairen soms bespot worden, waar de uitoefening van den godsdienst dikwijls door dienstverricntingen verhinderd wordt? Geen wonder dan ook, dat bijna allen, die den steun der Vereeniging versmaden en aan zich zeiven willen overgelaten zijn, bezwijken onder de verschillende gevaren en hnn godsdienst geheel verloochenen ofmaar zeer flauw beoefenen en bijgevolg verstoken zijn van al de zegeningen, welke hij aan godsdienstige militairen schenkt.
Een tweede nadeel, dat uit het niet bezoeken der E. K. Militaire Vereeniging voortkomt, is het onvermij-
229
i delijk gevaar van de zedelijkheid te verliezen. Het geloof gaat over het algemeen niet zoo spoedig verloren als de zedelijkheid. Vandaar dat met betrekking tot de zedelijkheid dena-] deeleu, uit het niet bezoeken der Militaire Vereeniging voortgesproten, nog grooter en algemeener zijn, dan met betrekking tot den godsdienst. Hebben wij dan ofrk zooeven gezegd, dat de meeste militairen, die de Vereeniging niet bezoeken, ongodsdienstig worden of zelfs het geloof verliezen, nu aarzelen wij niet te verklaren, dat alle of bijna alle militairen, die de Vereeniging niet bezoeken, terwijl zij het kunnen doen, in het naaste gevaar verkeeren, van een zedeloos en losbandig leven te leiden. De reden daarvan is duidelijk. Zij i versmaden het krachtigste middel, dat God hun aanbiedt, en zijn bijgevolg gelijk aan soldaten, die zonder wapenen tegen een overmachtigen vijand moeten strijden Immers de Militaire Vereeniging is juist opgeworpen als een dam tegen de gevaren voor godsdienst en zedelijkheid. Tegenover de
230
kwade voorbeelden van sommige plicht- 1 vergeten militairen, stelt zij het goede voorbeeld van brave medemakkers; tegenover de verleiding van slechte vrienden plaatst zij den omgang met ^ goede vrienden; tegenover de spotten- t de aanmerkingen van eerlooze medegezellen de hoogachting van fatsoenlijke en eerzame medebroeders; tegenover de rampzalige gevolgen van ledigen tijd en verveling de heilzame uitwerkselen eener aangename en passende ontspanning. Verzuimt de militair nu zulk een krachtig middel aan te wenden, hoe zal zijne zedelijkheid dan niet verloren gaan ? Want God helpt niet den overmoedige, die op zich zeiven betrouwt en de middelen, welke hem worden aangeboden, versmaadt, maar alleen den nederige, die zich zijner zwakheid bewust is,' en de noodzakelijke middelen om te overwinnen aanwendt. Mocht u deze reden nog niet genoeg overtuigen, raadpleeg dan de ondervinding en sla eens een blik in de ronde. Wie zijn diegenen, die zich zoowel in, als bui ten de kazerne door een schandelijk le-
231
vensgedrag onderscheiden ? Wie zijn de vloekers, de dronkaards, de on-zuiveren ? Zijn het niet bijna altijd diegenen, welke niet tot de Vereeni-ging zijn toegetreden ? En mocht het soms gebeuren, dat een of ander lid der Vereeniging zich aan dezelfde misdrijven schuldig maakt, is het dan niet doorgaans juist iemand, die de Vereeniging slechts zelden bezoekt en hare voorschriften slecht onderhoudt ?
Eindelijk het laatste nadeel, dat de militair zich zeiven berokkent door de Vereeniging niet te bezoeken, is de herooring van véle tijdelijke gunsten, zoowel gedurende zijn diensttijd als daarna.
De Militaire Vereeniging toch zoekt juist door de tijdelijke gunsten, welke zij haren leden aanbiedt, zoowel gedurende hun diensttijd als daarna, de jongelingen tot zich te trekken, ten einde hun zoodoende voor de gevaren van een zedeloos en godsdienstloos leven te bewaren. Daarom ontziet zij geene kosten en moeilijkheden, om den militair gedurende zijne vrije
232
uren de aangenaamste ontspanning te geven, die hij maar kan wenschen. Eeiie groote verscheidenheid van allerlei spelen staan hem ten dienste. Goede en pleizierige lectuur is er in overvloed; couranten en dagbladen juist van die plaatsen, waar de militairen wonen, liggen voor een ieder ter inzage op de leestafel. Verteringen behoeft niemand hunner te maken; verlangt hij soms het een of ander te gebruiken, het wordt hem alles in groote hoeveelheid en goede qualiteit tegen den geringst mogelijken prijs verschaft; ja zeer dikwijls wordt hij gulweg onthaald op broodjes, bier, koffie, tabak, sigaren enz., terwijl daarenboven verschillende kleine prijzen en belooningen hem worden geschonken. Aan al deze voordeden wordt de militair, die de Vereeniging bezoekt, ruimschoots deelachtig. Stelt men nu tegenover hem een ander militair, die niet in de Vereeniging komt, van hoevele weldaden blijft hij dan verstoken ? Waar moet hij zijn ledigen tijd doorbrengen ? Op de kamers van de kazerne, die gewoonlijk
233
niets aantrekkelijks hebben ? Op straat, waar het rondslenteren spoedig gaat vervelen ? In akelige herbergen van de laagste soort, (want in fatsoenlijke herbergen wordt hij dikwijls niet toegelaten) waar hij slechte waar krijgt tegen grof geld, en geen passende, ontspanning vindt? In slechte huizen, waar helaas de meesten aanlanden, en zich overgeven aan schandelijke en menschonteerende genoegens, hunne waardigheid, hunne eer en gezondheid opofferen en alles peperduur moeten betalen, en dat van zoo'n mager traktement? Van welke voordeelen berooft hij zich dus, die uit lauwheid of menschelijk opzicht de Militaire Vereeniging verzuimt te bezoeken!
Daarenboven geeft de Militaire Vereeniging hare leden de zekerheid, dat zij hunne dienstplichten niet zullen verwaarloozen en niet voor mankee-reu op het appèl, voor excessen en baldadigheden gestraft worden ; van beu zijn geen vechtpartijen, liederlijkheden en dronkenschappen uit te boeten iu de provoost of in de klasse
234
van discipline, daar zij hen voor dat alles behoedt. In de Vereeniging immers vindt de militair geene makkers, die hen tot al die losbandigheid zullen aansporen.
Op deze wijze geeft de Vereeniging hem het dubbel voordeel, dat hij zijnen ledig'en tijd door allerlei aangename ontspanningen op passende wijze doorbrengt en tevens alle rampzalige gevolgen voortkomt, die voor hen, welke de Vereeniging niet bezoeken, gewoonlijk uit dien ledigen tijd voortspruiten. Ook van deze yoor-deelen berooft zich dus de militair, als hij de Vereeniging niet bezoekt. Door zijn eigene bedorvene natuur aangespoord, zwichtend voor de verleiding van slechte vrienden, genoodzaakt om op eene of andere wijze zijn vrijen tijd te dooden, zal hij zeer gemakkelijk komen op plaatsen, die voor hem uiterst gevaarlijk zijn en hem in de gelegenheid stellen, zich dronken te drinken, baldadigheden uit te voeren, te twisten of te vechten, een liederlijk en losbandig leven te leiden. Dat alles nu zal als noodza-
230
kelijk gevolg hebben, dat hij zich dikwijls vergrijpt aan de krijgstucht en zoodoende kennis maakt met de militaire straffen.
Ten slotte, welk een nadeel berokkent hij, die de Militaire Ver-eeniging niet bezoekt, zich dikwijls niet voor zijn volgend leven! Wanneer de jongeling bij het verlaten der kazerne wederom in de burgerlijke maatschappij treedt, zal het hem zeker aller-voordeeligst zijn, een loffelijk getuigenis van den Direkteur der Ver-eeniging te kunnen toonen, waarin vermeld staat, dat hij zich gedurende den diensttijd godsdienstig en zedig heeft gedragen. Hoe menigmaal opent zulk een eervol diploma liem niet den weg voor eene of andere betrekking, waarin hij zich gaarne geplaatst zag? Hoe menigmaal ook wordt zulk een diploma door zijne toekomstige overheden als voorwaarde gesteld, zonder welke hij die betrekking niet kan verkrijgen ? Wat volgt er dus uit voor militairen, die de Vereeniging niet bezocht hebben ? Daarenboven van hoeveel waarde is het niet voor den militair, te weten, dat hij geheel zijn
236
volgend leven kan rekenen op de gunst en de voorspraak van den Direkteur, telkens als hij die noodig heeft; het bewustzijn rond te dragen, dat hij door zijn edel gedrag gedurende zijn diensttijd zich de achting verworven heeft van alle weldenkende menschen zijner gemeente? Dezen toch zullen niet nalaten, hem op allerlei wijzen voort te helpen en te ondersteunen, terwijl zij een medemakker, die zulk een diploma niet verdiend heeft, aan zijn lot overlaten, üroote nadeelen derhalve wachten den militair, die gedurende zijn diensttijd de Ver-eeniging niet bezocht heeft. Hij is bijna geheel en al onttrokken aan den weldadigen invloed van den godsdienst, zijne zedelijkheid wordt voortdurend in de hoogste mate door allerlei gevaren bedreigd en hij berokkent zich vele tijdelijke nadeelen zoowel in, als na den dienst.
Hoe geheel anders daarentegen is het gesteld met een ijverig lid dei-Militaire Vereeniging ! Hoe groot zijn nilt;t de voordeelen, die voor hem aan het volhardend, bezoek der Militaire Vereeniging verhonden zijn /
237
1°. Hij leeft in de kazerne onder den weldadigen invloed van den godsdienst. Hij ma^ al de zoete vruchten, welke de godsdienst afwerpt, plukken. Door zijn gestadigen omgang met brave militairen in zijne godsdienstige gevoelens bevestigd, door herhaalde aanmaningen van den Direkteur tot beoefening van den godsdienst opgewekt, door de gemeenschappelijke gebeden en geestelijke oefeningen in zijn geloof versterkt, kan hij niet alleen met reden hopen, aan zijn geloof getrouw te blijven te midden van alle gevaren, maar hij zal ruimschoots aan zijnen weldadigen invloed deelachtig worden. De godsdienst zal hem terughouden van de zonden, welke hij anderen ziet bedrijven en hem krachtdadig aansporen, vooruit te gaan op het pad der deugd. Hij zal hem de krachten geven om al zijne plichten goed te vervullen en den moed om de gevaren, welke zijn stand hem medebrengt, te overwinnen. Is hij in wederwaardigheden, de godsdienst zal hem troosten; komt het lijden hem pijnigen,
238
in den godsdienst vindt hij zijne sterkte; ondervindt hij in zijn stand vele kruisen eu beproevingen, door den godsdienst gesteund, zal hij dat alles met liefde uit Gods hand aannemen. In één woord in den godsdienst zal hij zijn geluk en zijne tevredenheid stellen, eu deze zal hem die heilige blijdschap en opgewektheid mededeelen, welke alle godsdienstige menschen hier op aarde ondervinden.
2°. Hij heeft een grooten en zekeren v aarhurg. dat zijne zedelijkheid te midden van zoovele gevaren niet zal verloren gaan. Want hij wendt alle middelenquot; aan, welke hij kan aanwenden om die gevaren te vermijden, derhalve mag hij met grond vertrouwen, dat God hem aan die gevaren zal onttrekken, of ten minste hunne verleidende kracht voor hem zal breken. De Vereenigin^, hij weet het, is het krachtigst bolwerk, dat tegen de gevaren voor de zedelijkheid' wordt opgeworpen, omdat het alle oorzaken van ontzedelijking regelrecht bestrijdt. De vereeniging is
239
daarenboven liet bijzonder werk van God, door Hem in deze laatste tijden aan de militairen g-eschonken, juist om hen tegen de gevaren van hunnen stand te beveiligen. Hoe zou hij dan door tot die Vereeniging toe te treden en haar getrouw te bezoeken, zich niet beschut mogen rekenen tegen het gevaar van zijne zedelijkheid te verliezen ? En komt de ondervinding dit niet bevestigen ? Getnigt zij niet door den mond van alle Direkteuren, dat alwie een trouw en ijverig lid van de Vereeniging blijft eu hare voorschriften goed opvolgt, verzekerd kan zijn, dat zijne zedelijkheid gedurende zijnen diensttijd geen schipbreuk zal lijden? Ja, hebben vele militairen na hun diensttijd niet verklaard, dat zij door het goed bezoeken der Vereeniging gedurende hun soldatenleven beter hebben geleefd dan vroeger, toen zij burger waren?
3°. Eindelijk hij deelt ten volle in alle tijdelijke voordeelen, welke de vereeniging hem zoowel in als na zijnen diensttijd aanbiedt. Voor hem alle uitspanningen, welke de vereeniging
240
haren leden geeft, om den ledigen tijd op aangename en onschadelijke wijze door te brengen; voor hem de verzekering, dat hij de rampzalige gevolgen van vrijen tijd en verveling niet zal ondervinden en niet wegens verzuim zijner dienstplichten aan de straffen der krijgstucht zal ourler-worpen worden; voor hem de bemiddelende tusschenkomst vandenDirek-teur, die zich met liefde bereid zal verklaren, hem in al zijne behoeften zoo geestelijke als tijdelijke, zoowel in als na den diensttijd, bij te staan en te ondersteunen. Groot dus zijn de voordeelen, welke aan het trouw bezoeken der Vereeniging verbonden zijn, en dwaas is de militair, die ze versmaadt.
Neem daarom, dierbare militair, het vaste besluit, de Militaire Vereeniging voortdurend te bezoeken en te blijven bezoeken van _ den eersten dag, waarop gij in dienst treedt, tot aan den laatsten dag, dien gij onder de wapenen doorbrengt. Stoor u niet aan de praatjes van andere kameraden, die dikwijls smalen op de Vereeniging, haar Direkteur en
241
hare leden, en hun best zullen doen om u van het bezoeken der Ver-eeniging af te houden. Gewoonlijk zijn het zulke militairen, die in uw flink gedrag een verwijt zien voor hunne eigene flauwheid van karakter en in hun hart verlangen zouden, u na te volgen, maar door het men-schelijk opzicht of door hunne sterke hartstochten overwonnen, den moed niet hebben het te doen.
Denk, dat de Militaire Vereeniging voor u het krachtigst middel is, Avaardoor gij u aan de gevaren van het kazerneleven kunt onttrekken, dat _ het bijgevolg uwe eigene schuld is, indien gij door die gevaren overwonnen wordt. Denk aan de vermaningen van uwen geestelijken herder. van uwe goede ouders, die u zoo nadrukkelijk gezegd hebben, dat gij de Vereeniging moest bezoeken. Denk aan de stellige belofte, die gij hen daaromtrent bij uw vertrek naar de kazerne gegeven hebt. Denk eindelijk, hoe God, die juist in deze tijden de Vereeniging heeft opgericht, uitdrukkelijk wil, dat gij haar bezoekt en
16
242
blijft bezoeken. En maak cTaarom een krachtig voornemen iederen dag, tenzij gij door ziekte, verlof of dienst verhinderd zijt, de Militaire Ver-eeniging te bezoeken.
§ II. Bovennatouklijke Middelen.
In den strijd tegen de gevaren van zondigen staat de militair niet alleen, is hij niet geheel overgelaten aan eigen natuurlijke krachten. IS'eeii, God verklaart zich bereid, hem ieder oogen-blik op bovennatuurlijke wijze te versterken, met en voor hem te strijden, indien hij slechts de middelen wil aanwenden, waardoor hij dien god-delijken bijstand kan verkrijgen. Deze middelen zijn vooral: het gebed, het geregeld ontvangen der Sakramenten, en de godsvrucht tot de allerheiligste Maagd Maria.
1. Het Geheel.
Onder al de middelen, welke God ons gegeven heeft, om onze eeuwige zaligheid te bewerken, is er geen, dat
243
m ^ in zijn oog zulk eene hooge waarde heeft, als het gebed. De geheele st H. Schriftuur bewijst ons onweder-
ir- legbaar, dat God het gebed beschouwt,
als het groote, algemeene en meest gt; zekere middel ter zaligheid. Vandaar, n. j dat Hij aan ieder meusch, van welk geslacht, welken leeftijd, welken stand m hij ook zijn moge, waar hij zich moge
ai, bevinden of waarmede hij zich ook
in | moge bezighouden, uitdrukkelijk ge-Dd biedt: (Luc. XVIII. 1.) OpoHet semper
n- ; or are et non deficere. Gij moet altijd ir- bidden en er nooit mede ophouden,
n, En met recht; want het verband, het-
dl welk er bestaat tusschen onze eeuwige
d- zaligheid en het gebed is zoo groot,
ze dat onze zaligheid ten slotte van het
et , gebed afhangt. Het spreekt dus van in, zelf, dat de militair, wiens zaligheid
te ^ door zoovele gevaren bedreigd wordt, dit machtig middel niet mag ver-waarloozen, maar zich met ijver op het gebed moet toeleggen. Daarom trachte hij zich ^oed te overtuigen ns van deze groote waarheid, welke wij
a- in het kort zullen bewijzen: alwie
at hidt, wordt zalig; doch alwie niet
bidt, gaat verloren.
244
Om zalig te worden, worden drie zaken vereischt. Wij moeten de zonde vluchten; wij moeten de deugd beoefenen en wij moeten sterven in staat van heiligmakende genade. Welnu, voor ieder dezer drie zaken is het gebed een noodzakelijk vereischte. Om de zonde te vluchten moeten wij bidden; om de deugd te beoefenen moeten wij bidden en om zalig te sterven moeten wij ook bidden. En ziedaar de drie groote redenen, waarom alwie bidt, zalig wordt, maar alwie niet bidt, verloren gaat.
1°. Wij moeten bidden om de zonden te kunnen vermijden, want het gebed is het krachtigst wapen in den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid. Het leven immers van den mensch op deze aarde is een voortdurende strijd (Job. VII l.) Tegen wie nu is die strijd gericlit? Is het tegen aardsche vijanden, die wij met geweld van wapenen kunnen overwinnen? Neen, zegt de H. Paulus, onze strijd is veel moeilijker. Wij hebben een geestelijken strijd te voeren, een strijd niet tegen de vijanden van ons lichaam, maar tegen de vijanden van onze ziel.
245
Wij moeten strijden tegen den duivel, die rondloopt als een brieschende leeuw, zoekende, wien hij zal verslinden; tegen de wereld, die er voortdurend op bedacht is, ons hart van God at te trekken en aan de aarde vast te hechten; tegen een vijand, die ons altijd vergezelt en nooit niet rust laat, ons eigen bedorven vleesch eu onze booze hartstochten. Drie machtige vijanden bewaken ons dus dag en nacht Drie machtige vijanden zijn er voortdurend op uit, ons in de zonde te doen vallen. En hunne aanvallen zijn zoo rusteloos, hunne bekoringen zoo hevig, hunne aanslagen zoo sluw berekend, dat wij onmogelijk weerstand kunnen bieden en zeker zullen bezwijken, indien God ons niet het gebed als middel had gegeven om hen te overwinnen. Het gebed, zegt daarom de H. Chry-sostomus, is het groote wapen, hetwelk al de vijanden onzer zaligheid verslaat. Bidden wij in den groeten strijd des levens, nemen wij in de bekoringen tot God onze toevlucht, dan kunnen wij verzekerd zijn, dat wij niet zullen overwonnen worden;
246
want uitdrukkelijk heeft de Zaligmaker gezegd: âBidt, opdat gij niet valt in de bekoringen.quot; (Matth. XXVI. 41.) Doch indien het gebed het groote middel is, om onze vijanden te overwinnen, hoe zullen wij dan kunnen overwinnen, indien wij dat gebed verwaarloo-zen? Een soldaat, die zonder wapenen tegen een machtigen vijand moet strijden, zal zeker overwonnen worden; eu zouden wij dan zonder wapenen de overwinning willen behalen op vijanden, die veel gevaarlijker zijn dan al de vijandelijke legers der ge-heele wereld ? Keen, zegt terecht de H. Thomas, die in den strijd des levens niet bidt, die God niet aanroept in de bekoringen, is verloren. En hij bewijst dit door den val van Adam. Adam, zegt de JEL Kerkleeraar, (P. I. q 94 art. 4) had vóór de zonde niet eene bedorvene natuur zooals wij. Hij had geene duisternis in zijn verstand, geen zwakheid in zijn wil, geen kwade begeerlijkheid in zijn hart. En toch, wij weten het, hoe jammerlijk was zijn val. Aan welke oorzaak is het dan toe te schrijven
247
dat Adam gevallen is? De Heilige aarzelt geen oogenblik te verklaren, dat Adam gezondigd heeft, omdat hij niet heeft gebeden ; had hij gedurende de bekoring zijn toevlucht genomen tot God door middel van het gebed, de duivel zou hem niet over-wonuen hebben.
Ja, dit is de groote reden,waarom er zoovele doodzonden op de wereld gebeuren: de menschen bidden niet m de bekoringen. Zij verzuimen het krachtige wapen ter hand te nemen, waarmede zij al de vijanden hunner zaligheid kunnen verslaan. Hebt gij zelf, dierbare militair, ooit het ongeluk gehad God met eene zware zonde te vergrammen, raadpleeg dan uwe eigene ondervinding en zie of de ver-waarloozing van het gebed niet de reden was, waarom gij in de zonde hebt toegestemd? Waarom hebt gij misschien in gramschap gevloekt, waarom u laten verleiden tot het spreken van oneerbare taal of het bedrijven van schandelijke zonden, waarom zoo dikwijls behagen gehad in onzuivere gedachten en begeerten? Was
248
God dan niet machtig genoeg om u bij te staan, of bestond er geen middel om Gods bijstand te verwerven, of werdt gij soms gedwongen te zondigen ? Neen, geene bekoring is zoo hevig, of God is machtig genoeg, om ons van die bekoring te verlossen; liet middel om den bijstand van God te verkrijgen wordt u altijd aangeboden ; geene macht, welke ook, kan u dwin gen te zondigen, indien gij zelf niet wilt. Zijt gij dan misschien dikwijls bezweken, zoo komt het alleen hier vandaan, dat gij God in de bekoring niet hebt aangeroepen, dat gij niet hebt gebeden. Wilt gij dus de zonde vluchten, dan is het noodzakelijk, dat gij bidt.
2quot;. Maar niet alleen is het gebed noodzakelijk, om de zonden te kunnen vermijden, het is ook noodzakelijk om de deugden te beoefenen, want het gebed is het gewone kanaal der goddelijke
Senade. Het is een leerstuk van ons ..Geloof, dat de mensch zonder de hulp en den bijstand der goddelijke genade niets verdienstelijks voor den hemel kan verrichten. De mensch immersenade. Het is een leerstuk van ons ..Geloof, dat de mensch zonder de hulp en den bijstand der goddelijke genade niets verdienstelijks voor den hemel kan verrichten. De mensch immers
249
heeft uit zich zeiven niets anders clan natuurlijke krachten, en door deze natuurlijke krachten van lichaam en ziel kan hij wel zijne tijdelijke welvaart bewerken en zijn aardsch geluk verhoogeu, maar meer niet. Is de mensch op deze wereld arm, hij kan door zijne natuurlijke krachten, door spaarzaamheid en vlijt rijk worden; is hij outwetend, door zijnen onver-moeiden toeleg op de wetenschappen kan hij geleerd worden; heeft hij eene g-eringe en onaanzienlijke betrekking in de maatschappij, niet zelden gelukt het hem, zich door talenten, en natuurlijke begaafdheden tot een eervollen post te verheffen. Doch is er spraak van bovennatuurlijke werken, van iets te doen, wat verdienstelijk is voor den hemel, dan kan de mensch uit zich zeiven volstrekt niets doen, dan moet God hem voor alles, zelfs voor het geringste werk met zijne genade bijstaan. Wat kan er op het eerste gezicht gemakkelijker zijn dan den Zoeten Naam van Jezus eerbiedig uit te spreken ? En toch de H. Paulus verzekert ons, dat wij om
250
dien Naam aldus uit te spreken, be- B
hoefte hebben aan Gods genade. Wat ig
schijnt ons minder moeite te kosten, G
dan het verwekken van een goede ge- d
dachte ? Eu toch diezelfde Apostel d
zegt het uitdrukkelijk, de geringste » b
goede gedachte, die wij hebben, komt h
niet uit ons zeiven, maar uit God. d
(1 Cor. XII. 3.) Ja, om ons van die w
waarheid nog beter te overtuigen, o:
verklaartde Zaligmaker uitdrukkelijk, d
dat wij zonder Hem, d. i. zonder Zijne E
genadé, volstrekt niets kunnen ver- z
richten, wat verdienstelijk is voor den ii
Hemel. âIk ben de wijnstok, zegt d
Jezus, gij zijt de ranken, zonder Mij e,
kunt gij niets doen.quot; (Joan. XV. 5.) z
De genade van God is dus noodza- «
kelijk voor ieder goed werk. p
Doch hoe zullen wij die genade g van God kunnen verkrijgen? Wat ' h
zal het kanaal zijn, langs hetwelk v
die genade van God op ons afvloeit? j
Het eenparig antwoord van alle God- z
geleerden luidt; dat kanaal is het a
Ãebed. Door het gebed, zegt de ebed. Door het gebed, zegt de o
Bonaventura, krijgen wij alle goed ' n
en worden wijbevrijd van alle kwaad. j
251
Het gebed zegt de H. Cbrysostomus, is het groot kanaal, langs hetwelk God al zijne genaden aan ons mededeelt. Ook de H. Schriftuur erkent deze waarheid. Ik vind daar ontel-* bare getuigenissen van God, dat Hij bereid is, ons op ieder oogenblik van den dag, alle genaden te geven, die wij noodig hebben, maar het is altijd onder één en dezelfde voorwaarde, dat wij er van onzen kant om bidden. Ego exaudiam. Ik zal u verhooren, zegt God, Ik beloof het u. Ik zal u in overvloed mijne genade schenken, doch onder ééne voorwaarde, cum clamahit ad me, als gij er Mij om zult gebeden hebben. (Ps. XC. 15.) Do-minus exnudivit me, zegt David, de Heer heeft mij verhoord en mij alle genaden geschonken, waaraan ik be-' hoefte had, doch wanneer ? cum cla-mavero ad eum, (Ps. IV. 1), toen ik ze Hem heb afgebeden. Ja God gaat zoover, dat Hij onder eede belooft, aan iederen raensch alle genade te geven, welke hij verlangt, maar het is altijd onder dezelfde voorwaarde, dat hij van zijnen kant er om bidt:
252
âVoorwaar, voorwaar, Ik zeg het u, âal wat gij den Vader in mijnen naam âzult gevraagd hebben,zal Hij n geven.quot; (Joan. XV. 16.) Het gebed is dus het gewone kanaal der genade. Behalve de genade van het ware geloof, zegt de H. Augustinus, lt; De clono persev. Cap. XVI.) die God geeft aan wieu Hij wil, en behalve de genade van boetvaardigheid, die God soms ongevraagd uit louterebarmhartigheid verleent, wordt aan den mensch geen enkele genade gegeven, of hij moet er om bidden.
Staan nu deze twee waarheden onwrikbaar vast, dat wij zonder de genade van God niets goeds voor den hemel kunnen verrichten en dat genade alleen verkregen wordt door het gebed, wie zal dan de deugden kunnen beoefenen zonder bidden ? Deugdzaam zijn, wil toch niet zeggen, minder zondigen dan vroeger, nu en dan eens goede werken verrichten; neen, een deugdzaam mensch is hij, die geen doodzonde meer bedrijft, en de gewoonte heeft van goede werken te verrichten. Een dronkaard beoefent niet de deugd der matigheid, omdat hij enkele ma-
253
len of gedurende eenige dagen aan den drank verzaakt. Een onzuivere is nog niet in het bezit van de schoone deugd der zuiverheid, omdat hij minder zondigt dan vroeger, of voor eon zekeren tijd een zondige verkeering afbreekt, een slecht gezelschap verlaat. Een vloeker is nog niet van zijne kwade gewoonte genezen, wanneer hij in het begin een weinig minder doekt. Neen willen dezulken met recht beweren, dat zij de deugd beoefenen, dan moeten zij voortdurend daarin standvastig blijven. En hoe zullen zij dat kunnen zondergebed? Indien er voor een enkel goed werk reeds eene genade vereischt wordt, welk een ontzettend getal genaden wordt er dan niet vereischt, om deugdzaam te zijn, dat is: om voortdurend goede werken te doen ? Indien er geen enkele genade verkregen wordt zonder gebed, hoe zal men dan voortdurend genade van God verkrijgen zonder gebed ? O indien alle militairen die groote waarheid eens goed begrepen, dat zij om voortdurend de deugd te kunnen beoefenen, ook- voortdurend
254:
moeten bidden, wat zouden zij dan gr
van het gebed een ijverig en vol- de
hardend gebruik maken! En hoe en
verrassend zouden de vruchten zijn ve
van zulk gebed! Welkeen omkeer va
zou er in het levensgedrag var. menig tv
militair zijn op te merken! vf
3°. Eindelijk de laatste reden m
waarom het gebed noodzakelijk is, dlt;
viuden wij hierin, dat wij zonder het m
gebed niet zalig zullen sterven, want k(
het gebed is de sleutel des hemels. w
Om in den hemel te komen, moet God 1c
ons de genade geven der volharding, lf
dat is, om te sterven in staat van d
heiligmakende genade. Deze genade o
is de grootste, die God aan den ii
mensch kan geven, want van haar e
hangt het af, of wij eeuwig gelukkig v
zullen zijn of eeuwig ongelukkig. z Groot voorzeker is de genade van ⢠1 voorspellingen te doen, van wonderen
te verrichten, de genade van kennis i
en wetenschap, maar hoe groot zij 1 ook zijn mogen, zij brengen den â !
mensch nog niet in den hemel Caïphas : had de gave vau voorspellingen te 4 ( doen; Judas verrichtte in zijn leven ' i
255
*
an groote wonderwerken; Salomon had
ol- tie g-ave van wijsheid en wetenschap,
oe en toch is Judas zeker voor eeuwig
ijn verloren gegaan en wordt de zaligheid
_er van Caïphas en Salomon zeer be-
ig twijfeld. Nog grooter is de genade van het ware geloof, van een vol-
'ii maakt berouw over zijne zonden, van
is, de liefde Gods, van de H. H. Sakra-
'et meuten, maar ook deze genaden wer-
at ken nog niet uit, dat men zeker zalig
s. wordt. Hoe velen, die het ware ge-
»d loof van God ontvingen, hebben het
?, later verloochend, hoevele zondaren,
n die een volmaakt berouw gehad hebben
le over hunne zouden, zijn later opnieuw
u in de zouden teruggevallen en voor
tr eeuwig verworpen, hoevelen werden
g van Gods bijzondere vrienden later zijne bitterste vijanden eu stierven in
n ⢠haat tegen God, hoevelen, die dik-
u wijls in hun leven de H. H. Sakra-
s meuten hebben ontvangen, ziju toch
j verloren gegaan? Welke is dan de
ii 1 genade, die den mensch ten slotte
s zalig maakt ? Het is de genade der
3 4 eindvolharding, de genade, van te
i ' sterven in Gods vriendschap. Deze
256
is de laatste en grootste genade, die God ons geven kan, de genade, die de zaligen onderscheidt van de verdoemden, de genade, die eenmaal van God ontvangen, in eeuwigheid niet kan verloren worden. Welnu wilt gij die grootste vau alle genaden ontvangen, bid dan en bid zonder ophouden, want gij ontvangt haar op greene andere wijze dan door het gebed. De H. Augustinus {De donopersev. Cnp. F7.)getuigt het uitdrukkelijk, supplici-ter eniereri potest. Zij kan alleen verkregen worden door een nederig en volhardend gebed. Door een volmaakt berouw verkrijgt men de vergiffenis zijner zonden; door goede werken verdienen wij vermeerdering van genade en recht op den hemel, indien wij ten minste in staat van genade sterven; maar verdienen, dat wij sterven in staat van genade, dat kan niemand; deze genade heeft God zich zeiven voorbehouden, gelijk de Kerkvergadering van Trente (Sess. VI. Cap. 13.) verklaart: Zij kan van niemand anders verkregen worden, dan van Hem, die de macht heeft om dengene, die staat, staande te hou-
257
den, opdat hij volliardecd staats God nu geeft die alleen aan degenen, welke er om bidden: Constat Deum gratiam perseverantiae non dare nisi petentihus. Het is een al-gemeene regel van Gods Voorzienigheid, zegt de H. Augustinus. Wilt gij dus zeker zijn, dat gij in Gods genade zult sterven en eenmaal den hemel zult binueu gaan, dan is er geen ander middel dan het gebed. O welk eene groote waarde heeft dan het gebed ! En hoe noodzakelijk is het voor den militair, dat hij het slechte voorbeeld van vele zijner medemakkers, die nooit bidden niet navolge, maar zich ijverig op het, gebed toelegge! Dat 'de R. K. militair zich daarom ernstig van die waarheid doordringe: alwie bidt, wordt zalig, alwie niet bidt, gaat verloren en het â saste besluit make zich ijverig op het gebed toe te leggen Tot dat einde onderhoude hij alles, wat wij op bladzijde 38, sprekend over de plichten tegenover God, van het gebed gezegd hebben. Hij verrichte met aandacht zijn morgen- en
17
258
avondgebeden, verzuime niet iu stilte te bidden vóór en na het eten, ver-heffe zijn hart tot God enkele malen gedurende den loop van den dag, vooral des middags, wanneer zijne dienstverrichtingen zijn afgeloopen en hij veel ledigen tijd heeft. Op bijzondere wijze trachte hj te voldoen aan bet groot gebod van te bidden op Zon- en Feestdagen; vooral verzuime hij nimmer te bidden bij iedere bekoring, want wie alsdan niet bidt, kan zeker zijn, dat hij vroeg of laat iu zonde valt, h i zegge dan en her-hale: Jezus, Maria, Jozef, staat mij bij! ofwel; Mijn Jezus, barmhartigheid ! Iu één woord hij trachte, voor zoover zïju stand het hem toelaat, een man te worden van ^ebed, en het gebed te beschouwen, als_ het krachtigste wapen in den strijd tegen de vijanden zijner zaligheid, als het gewone kanaal, langs hetwelk hem alle genaden toevloeien, als de groote sleutel, die hem den hemel zal openen.
259
tilte 2. Het geregeld ontvangen der
ver- H. H. Sahramenten.
alen
dag, Om den R. K. militair nog meer
sijne te versterken in den zwaren en moei-
)pen lijken strijd, welken hij te voeren
üp heeft tegen de vijanden zijner zaligheid,
loen geeft God hem behalve de genade,
Iden die hij verkrijgt door het gebed, ook
ver- nog andere zeer krachtige genaden
ilere door middel van de H.H. Sakramenten
)idt, en vooral door het H. Sakrament dei-
laat Biecht en door de H. Communie. De
her- militair, wien de stipte vervulling
mij zijner plichten ter harte gaat, en die
'â¢tig- zich wil wapenen tegen de gevaren
^oor van zondigen, welke zijn stand hem
een aanbiedt, verzuime daarom niet een
het godvruchtig en veelvuldig gebruik te
ich- maken van deze twee krachtige mid-
i de delen ter volharding. Hij stelle zich
ge- niet tevreden, zooals velen zijner mede-
alle makkers dat doen, met alleen in den
Dote Paaschtijd, of hoogstens een enkele
Qen. maal meer in het jaar te biechten en te communiceeren, maar trachte zooveel mogelijk iedere maand tot .de H.H. Sakramenten te naderen. Ja.,
260
indien hij door de ondervinding geleerd heeft, dat zelfs die tijdruimte voor hem te lang is om zich in Gods genade te bewaren, of indien de biechtvader met het oog op zijne zwakheid en op de groote gevaren, die hem omringen, hem een veelvuldiger gebruik der H.H. Sakramenten aanraadt, of indien de liefde voor zijne ziel en voor Jezus hem daartoe aansporen, dan verdubbele hij zijnen godsdienstigen ijver en kome nog meer biechten en communiceeren. Ten eindehem hiertoe aan te sporen, zullen wij in het kort nagaan, welke groote nadeelen aan de verwaarloozing der H.H. Sakramenten verbonden zijn.
Nadeelen aan de verwaarloozing der H.H. Sakramenten verhonden.
Een militair die zelden tot de H.H. Sakramenten nadert, zal op den duur de zonde onmogelijk kunnen vermijden; naarmate hij langeren tijd de Sakramenten verwaarloost, zijne zonden èn in getal èu zwaarte zien toenemen; al de rampzalige gevol-
fen ondervinden, die uit een voort-urenden toestand van zonde ge-en ondervinden, die uit een voort-urenden toestand van zonde ge-
261
boren worden en zich in het naaste gevaar stellen van in doodzonde te sterven.
1° Hij zal op den duur de zonde onmogelijk hunnen vermijden. De militaire stand immers, gelijk wij reeds herhaaldelijk gezegd hebben, is een van de gevaarlijkste standen voor de zaligheid. Heeft ieder mensch hier op aarde te strijden en wordt hij voortdurend aangevallen door de drie groote vijanden zijner eeuwige zaligheid, die nu eens afzonderlijk, dan wederom met vereenigde krachten hem tot de zonde trachten over te halen, voor denmilitair is die strijd nog veel heviger en zijn de aanvallen zijner vijanden nog veel vervvoeder. Om hem nu tegen liet gevaar van te zondigen te behoeden, heeft God hem in de H.H. Sakramen-ten, vooral in de Biecht en in de H. Communie, zoovele middelen gegeven om te volharden. Telkens toch als hij biecht en communiceert, wordt de heiligmakende genade, waarmede de doodzonde onvereeuigbaar is, in zijne ziel hersteld of vermeerderd, en worden zijnegeestelijke krachten versterkt.
262
En alsof dit nog niet voldoende ware, wil God hem daarenboven, telkens als hij deze H.H. Sakramenten ontvangt, het recht geven op geheel bijzondere genaden, waardoor hij in gevaren de zonde kan ontvluchten. In de H. H. Sakramenten heeft hjj dus een zeker onderpand der overwinning, een krachtig middel ter bestrijding der zonde.
Maar als nu de militair dit middel verwaarloost, en bijna nooit te biechten of te Communie gaat, hoe zal hij de zonde kunnen ontvluchten ? Wanneer ik weet, dat een vijand, die veel machtiger is dan ik en daarenboven goed gewapend, mij voortdurend achtervolgt, en ik ga dien vijand ongewapend te gemoet, is het dan wonder, dat ik door hem overwonnen word ? De ondervinding bewijst dan ook allerduidelijkst, dat militairen, die slechts eenmaal per jaar of hoogstens een enkele keer meer tot de H.H. Sakramenten naderen, niet bestand zijn tegen de gevaren van zondigen en korten tijd, nadat zij gebiecht en gecommuniceerd hebben, in de vorige zonde terugval-
263
len. In de eerste dagen, nadat zij de H.H. Sakramenten ontvangen hebben, kan men duidelijk de werking daarvan aan hen bespeuren. Zij hebben hunne vloeken, hunne onzuiverheden, hunne dronkenschappen en verdere zonden in den biechtstoel beweend en verfoeid, zij hebben aan den priester beloofd, de naaste gelegenheden van zonden te vluchten en de middelen aan te wenden, welke hun werden voorgeschreven. Vandaar dat zij in den beginne hunne driften bestrijden, hunne hartstochten beteugelen, het gezelschap van slechte vrienden vermijden, het mensthelijk opzicht met voeten treden, de Militaire Ver-eeniging bezoeken, in één woord een ander leven leiden. Maar spoedig wordt de indruk, welken de IJ.H. Sakramenten op hun hart gemaakt hebben, al minder ; de hartstochten beginnen wederom bet hoofd op te steken; de moeite, welke zij gevoelen om braaf en godsdienstig te leven, wordt al grooter; zij zoeken wederom nu en dan de naaste gelegenheden van zondigen op, verwaarloozen de middelen
264
hun door den biechtvader voorgeschreven, en het duurt niet lang, of zij zijn de oude zondaars van vroeger. Van waar die geheele omkeer in hun
fedrag ? Van geen andere oorzaak an van het verwaarloozen der H.H. Sakraraenten. Zij waren wel is waar opgestaan uit hunne zonden, maar hunne krachten bleven door de zonde van vroeger gewond. Zij waren gelijk aan zieken, bij wie het doodsgevaar geweken is, doch die aanstonds wederom kunnen instorten, indien zij niet voortdurend krachtige middelen ter versterking gebruiken. Hadden zij hunne zwakke krachten door een nuttig gebruik der H.H. Sa-kramenten gesterkt, zij zouden de zonden hebben blijven vermijden.edrag ? Van geen andere oorzaak an van het verwaarloozen der H.H. Sakraraenten. Zij waren wel is waar opgestaan uit hunne zonden, maar hunne krachten bleven door de zonde van vroeger gewond. Zij waren gelijk aan zieken, bij wie het doodsgevaar geweken is, doch die aanstonds wederom kunnen instorten, indien zij niet voortdurend krachtige middelen ter versterking gebruiken. Hadden zij hunne zwakke krachten door een nuttig gebruik der H.H. Sa-kramenten gesterkt, zij zouden de zonden hebben blijven vermijden.
2° Maar niet alleen is het waar, dat de militair, die zelden te biechten of te Communie gaat, op den duur de zonde onmogelijk kan vermijden, hij kan ook verzekerd zijn, dat zijne zonden, naarmate hij langer wacht, ook telkens èn in getal èn in zwaarte zullen toenemen. En de reden hiervan is duidelijk. Iedere doodzonde, zegt de
265
H. Gregor ius, waarover men geene boetvaardigheid doet, brengt door haar eigen gewicht den zondaar noodzakelijk tot eene andere doodzonde. Want iedere zonde verzwakt de geestelijke krachten van den monsch, versterkt de kwade driften en hartstochten en vermindert den toevloed van Gods genade.
Heeft een militair het, ongeluk gehad, eene doodzonde te bedrijven, en blijft hij met die doodzonde voprtloo-pen, zonder haar door eene goede biecht en eene waardige H. Communie uit te wisschen, dan komt hij zoo gemakkelijk van die eene doodzonde tot een tweede, van een tweede tot een derde ; en naarmate hij langer zal wachten met het ontvangen der H.H. Sakramenten, worden zijne doodzonden telkens grooter in getal en zwaarder in boosheid.
Hoevele duizenden malenziet men ook deze waarheid niet door de dagelijk-sche ondervinding bewezen! Werpt slechts een blik op die militairen, welke nooit of bij-na nooit biechten, zijn het niet bijna alle vloekers, vuil-
266
sprekers, onzuiveren of dronkaards ? . ] En hoe zijn zij zoo ongelukkig ge- 5 worden ? Door een enkele doodzonde, t die zij niet door boetvaardigheid hebben uitgewischt. Zij hadden het kwaad 1 bedreven ; in plaats van nu deze zonde ] aanstonds door de biecht uit hun hart » weg te nemen, bleven zij er mede lt; voortloopen. Spoedig ontstond er in a hun hart eene zekere genegenheid i voor de zonde; deze genegenheid ver- | oorzaakte, dat zij dikwijls in die t zelfde zonde hervielen ; bij de ééne 1 soort van zonde voegden zich weldra 1 andere soorten, waaraan zij zich tot nu lt; toe nog niet hadden schuldig gemaakt; 1 toen werd hun hart aan dien onge-lukkigen toestand min of meer ge 1 woon, de eene zonde volgde op de andere, en binnen korten tijd waren 1
die ongelukkigen zoover gekomen, ;
dat zij geen schrik meer gevoelden lt;
voor de beleedigiug Gode aangedaan, i
het kwaad volstrekt niet meer telden, ja (
zonden bedreven zonder het te gevoe- (
len. Waren zij aanstonds na die eerste i
zonde tot inkeer gekomen, hadden i
zij door het waardig ontvangen der l
267
H.H. Sakrameuten zich met God verzoend, zij zouden dien rampzaligen toestand niet gekend hebben.
3° Een derde nadeel, dat voor den militair uit de verwaarloozing der H.H. Sakramenten volgt, zijn al de rampzalige gevolgen, die uit een toestand van zonde geboren worden. De vrede des harten is verloren; de biecht wordt hoe langer zoo moeielijker; de gelegenheid om iets voor den hemel te verdienen, gaat onherroepelijk voorbij en de bekeering wordt telkens onwaarschijnlijker. Vooreerst de militair, die in zijne zonden blijft voortleven, heeft geen vrede meer in zijn hart. Non est pax impiis. Voor den godde-looze, zegt de H. Schriftuur,(Isai. L VIL 21.) is er geen vrede meer. Altijd gevoelt hij den knagenden worm van het zelfverwijt, altijd is zijn hart in onrust, dag en nacht wordt hij achtervolgd door die vreeselijke gedachte : ik ben een vijand van God en God haat mij. Kon hij die stem maar versmoren ! Doch neen ! te vergeefs beproeft hij daartoe alle middelen, te vergeefs tracht hij door nieuwe
268
zonden en uitspattingen ziju geweten tot zwijgen te brengen: telkens zal het met meer klem en nadruk hem zijne afwijkingen verwijten. Welk een beklagenswaardige toestand!
Het spreekt van zelf. dat in zulke omstandigheden het middel, waardoor hij den vrede des harten kan terugbekomen, eene volledige en rouwmoedige biecht, hem afschrikt; want door langen tijd in zijne zonden te blijven voortleven, heeft hij zich dat middel uiterst moeilijk gemaakt. Om eene goede biecht te spreken, zou hij zijne zonden moeten kennen en belijden. Maar zal hij Avel den moed hebben, die lange lijst van zonden op te maken en haar daarna met oprechtheid aan den biechtvader te belijden ? Hij moet vervolgens die zonden haten en verfoeien, de gelegenheden, welke tot de zonden aanleiding gaven, vermijden, den omgang met die slechte vrienden afbreken, de kwade gezelschappen vluchten, den drank, waaraan hij verslaafd is, vaarwel zeggen. Maar zal hij daartoe wel kracht hebben, hij, de on gelukkige slaaf der zonde, die het kwaad heeft leeren
269
beminnen en met duizend ketenen er aan bevestigd is? Wat blijft er dan, heiaas, voor hem over, dan telkens dieper en dieper in de zonde weg te zinken, en alle gelegenheid, om iets voor den hemel te verdienen, onherroepelijk te laten voorbijgaan ? Want ja ook dit nadeel ondergaat de militair, die het gebruik der H.H. Sakra-menten verwaarloost, dat hij niets kan verdienen voor den hemel. Terwijl zijne medemakkers, die zich door een nuttig gebruik der H.H. Sakra-menten voor de zonden bewaren, door alles, wat zij verrichten in staat van genade, zelfs door de nietigste en eenvoudigste handelingen, rijke verdiensten vergaderen voor den hemel, verdient hij niets en kan hij niets verdienen, zoolang zijn zondestaat voortduurt, zoodat al die tijd voor hem verloren tijd is. Eu ook al sterft hij later in Gods genade, toch blijven op hem de woorden der H. Schriftuur van toepassing (Ps. LXXV. 6.) âZij sliepen hunnen slaap, niets is in hunne handen,quot; met ledige handen, zonder verdiensten verschijnen zij voor het
270
oordeel van God. Wel dwaas zijn . te
dan de militairen, die zelden de wo
H.H. Sakrameuten ontvangen! zoi
4°. Eindelijk het laatste nadeel, ste
dat de militair, die zelden biecht en hoi
communiceert, zich zeiven berokkent, te
is het naaste gevaar van in doodzonde du;
te sterven en zoo voor eeuwig verloren die
te gaan. Een van tweeën toch is na
zeker; Ofwel de dood overvalt hem tei
plotseling, zonder hem den tijd te en
funnen, om zich door het ontvangen unnen, om zich door het ontvangen le\
er laatste H.H. Sakrameuten op zijne da
reis naar de eeuwigheid voor te be- bli
reiden ; en dit is een gevaar waaraan ve
de militair even goed, ja nog meer zij
dan ieder mensch bloot staat; hij vo
denke slechts aan den oorlog, aan Hj
ongelukken bij manoeuvres, aan het zij
slaan van paarden bij het paarden- lu
volk, enz. In dit geval zal hij voor va eeuwig zijne dwaasheid beweenen, ⢠de
wanneer het te laat is. Ofwel de dood zij
sloopt langzaam zijne krachten, en zii
ook dan is het zeer te vreezen, dat gf
hij hem neervelt op een oogenblik, zi;
waarin hij in staat van doodzonde af verkeert. De redenen zijn niet moeilijk
â
4
271
I
jn . te vinden. Want vooreerst het gele wone gevolg van een langdurigen zondestaat is verstoktheid en ver-il, steendheid des harten. De zondaar sn houdt niet op God door zijne zonden t, te beleedigen, hij wederstaat voort-ie durend aan de genade van bekeering, \n die God hem aanbiedt. Wat is er dus is natuurlijker, dan dat God zijne genade m terugtrekt, zijn hart laat verstokken ;e en hem in deze versteendheid uit het n leven oproept ? Daarenboven een zoute daar, die langen tijd in doodzonde 3- blijft leven, is door zijne hartstochten n verblind en ziet het gevaarlijke van sr zijn toestand niet in, deukt er bijge-ij volg niet aan om zich te beteren, n Hij ziet niet meer met de oogeu van it zijn verstand of van het geloof, hij i- luistert niet meer naar de inspraken r van Gods genade, hij kent niet meer ), | den weg van Gods geboden, maar d ziet, luistert en oordeelt alleen naar n zijne kwade driften en zondige gene-,t genheden. Ja, zoover gaat dikwijls c, zijne verblinding, dat hij groote 'en e afgrijselijke zonden, vooral tegen het k (3d* gebod, aanziet, als een menschelijke
.
272
zwakheid, als een onvermijdelijke zaak, zoodat geen biechtvader, die aan zijn sterfbed ontboden wordt, in staat is hem te overtuigen van de boosheid zijner handelingen. Daaibij komt nog dit: Ook al biecht zulk een zondaar, ook al ontvangt hij de Sakramenten, toch is het verre van zeker, dat hij een waar berouw heeft over zijne zonden. Een hart,^tot op het sterfbed aan de misdaadquot; gehecht, zal zich uiterst moeilijk in eenige uren oprecht tot Grod bekeeren; daartoe is eene buitengewone genade noodig, welke God in het algemeen niet schenkt aan den gene, die tot het uiterste toe daarmede gespot heeft. Ten slotte, al zou zulk een zondaar zich op zijn sterfbed met God verzoenen door eene rouwmoedige biecht en eenewaardige H. Communie, dan nog is het te vreezen, dat hij sterft in doodzonde. Zoovele verouderde zondaars hebben op hun sterfbed de genade ontvangen eener ware bekeering, zijn voorzien met al de H.H. Sakramenten, welke de Kerk aan stervenden toedient en zijn toch verloren gegaan! Wat
273
ke was de oorzaak van hun ongeluk ? m De naaste en onmiddellijke oorzaak at was de laatste bekoring van den id duivel, gevoegd bij hunne zwakheid og- door de gewoonte van zondigen ver-ir, kregen. Maar de meer verwijderde in, oorzaak was het verzuim der H.H. Sa-liij kramenten gedurende hun leven. Zij ne waren wel is waar op het sterfbed ed bekeerd, doch de vroegere gewoonte ch had de zonde voor hen in een tweede ht natuur veranderd, had hen gesteld ne iu eene zekere noodzakelijkheid van ke zondigen, die hen uiterst zwak maakte in tegenover de bekoringen. De duivel oe van zijn kant ziende, dat hem nog te, maar weinig tijd overbleef en dat ju van dit oogenblik hun bezit voor ue eeuwig afhing, stelde hun eene bekome ring voor over dezelfde zaken, waarin te zij vroeger hun zondig vermaak le. zochten, die bekoring was zoo lievig, eu zoo verleidelijk, als zij er tot nu toe bu nog nooit eene ondervonden hadden. 311 Was het dau wonder, dat zij, die in ke gezonde dagen, toen hun geest nog ut frisch en helder was, voor lichtere at bekoringen gewoon waren te bezwij-
I
i
274
*
keu, uu met een half dood lichaam 1
en een uitlt;?eputten geest daaraan ten
geen weerstand boden, toestemden, zoo
stierven eu zoo voor eeuwig verloren paa
gingen? Hadden zij zich slechts door twe
een waardig eu veelvuldig gebruik der van H.H. Sakrameuten voor dit treurig 2'
uiteinde gevrijwaard; hadden zij door nac
dikwijls te biechten eu te communi- bek
ceeren gezorgd, dat de zoude voor van
hen geen tweede natuur had kunnen het
worden, zij zouden niet voor de be- zelf
koriug bezweken en in rampzaligen in
toestand gestorven zijn! kee
Dat de R. K. militair zich dan door de
eeue ernstige overweging van deze ook
vier groote nadeelen, aan het verwaar- te
loozen der H.H. Sakrameuten nood- mui
zakelijk verbonden, late afschrikken Sak
het voorbeeld te volgen van die wapen- â kan
broeders, welke huuneu Paaschplicht voo verzuimen of' hoogstens een of twee 8(
maal per jaar biechten en communi- met
ceereu; dat hij integendeel besluite op
een waardig en veelvuldig gebruik bed
te maken van deze groote genade- hen
middelen der H. Kerk. Hij neme zich nog
daarom voor: 14 (
275
am 1°. Gewoonlijk iedere maand tebiech-lan ten en te communiceeren en dat en, zooveel mogelijk op een vooraf beren paalden dag b. v. lederen eersten, oor tweeden, derden of vierden Zondag Jer van de maand.
rig 2°. Gebenrt het soms, dat hij door
oor nachtwacht van Zaterdag op Zondag
mi- belet is te communiceeren, dan ont-
oor vange hij toch den dag van te voren
leu het ii. Sakrament der Biecht. Het
be- zelfde geldt voor die militairen, welke
ïeu in het hoogst zeldzaam geval ver-keeren, van alleen slechts met Pagchen
oor de H. Communie te kunnen ontvangen,
eze ook zij verzuimen niet iedere maand
ar- te biechten. Want biechten en com-
od- municeeren zijn twee verschillende
ien Sakramenten, die zeer goed van el-eu- ⢠kander kunnen gescheiden worden,
cht vooral om geldige redenen, vee Bquot;. Raadt de Biechtvader hem aan
mi- met het oog op zijne groote zwakheid,
lite op de veelvuldige gevaren, welke hem
nik bedreigen, of ook uit verlangen om
de- hem in de deugd vooruit te doen gaan,
ich nog meer te biechten b. v. om de 14 dagen, hij versmade dien raad niet.
i
I . '
276
4°. Eveneens stelle hij het biechten de
niet uit, wanneer hij het ongeluk ge- alge
had heeft, God door eene doodzonde tege
te vergrammen, maar biechte, wanneer de (
hij het kan, nog denzelfden dag of Mar
anders zoo spoedig mogelijk. Hij zal Haa
daartoe altijd gelegenheid vinden bij gro(
den Direkteur der Tereeniging of bij gez'
een anderen biechtvader, die in plaats die
van hem over zijne zonde te berispen, rall
hem zal prijzen, dat hij de zonde zoo uoe
spoedig verafschuwt en zich niet te wij
rusten durft begeven met eene dood- bij
zonde op zijn geweten. doo
5°. Hij ga zooveel mogelijk bij der denzelfden biechtvader. I
6°. Hij trachte die beide II.H. Sa- dar
cramenteu zoo waardig mogelijk te ver
ontvangen, en onderhoude daarom Chi
alles, wat wij later over het waardig . On
biechten en communiceeren in het voc
tweede deel zullen zeggen. nie
On
3. De Godsvrucht tot de Allerheiligste die
Maagd Maria. vil
Na het gebed en het waardig ont- a£
vangen der H.H. Sakramenten heeft dai
i
277
hten de R. K. militair nog een laatste ^ ge- algemeen hulpmiddel in den strijd Dude tegen de gevaren van het krijgsleven: neer de devotie tot de Allerheiligste Maagd g of Maria. Is het niet billijk, dat wij i zal Haar vereeren, die door God zelf be-i bij groet werd als âvol van genade en f bij gezegend boven alle vrouwenquot; ; Haar, aats die vol van den H. Geest, voorzegde: pen, ^alle geslachten zullen mij zalig :zoo noemenquot;? Is het niet natuurlijk, dat t te wij Haar aanroepen om voorspraak ood- bij Haren Goddelijken Zaon, Haar die door Christus zeiven aan ons tot Moebij der gegeven is ?
De Allerheiligste Maagd Maria is Sa- dan ook te allen tijde aangezien en k te vereerd, als de machtige hulp der rom Christenen: Auxilium Christianorum. rdig . Onder dezen titel roept de Kerk haar het voortdurend aan in de schoone Litanie, welke te Harer eere is opgesteld. Onder dezen titel ook smeeken al 'gste diegenen, welke zich in gevaar bevinden God door de zonde te belee-digen. Haren bijstand eu bescherming ant- af. Niets is daarom natuurlijker, dan eeft dat de militair, die misschien meer
j
278
dan alle andere menschen, in het gevaar verkeert, God door de zonde te beleedigen, tot Haar zijne toevlucht neme, en zich door eene ware en standvastige devotie tot Maria Hare voortdurende bescherming waardig make. Ten einde hem hiertoe aan te sporen, zullen wij in het kort aan-toonen, welke heilzame gevolgen er voor den R. K. militair uit de godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd Maria voortkomen, en welke middelen hij moet aanwenden om eene ware godsvrucht tot Haar te verkrijgen.
Heilzame gevolgen, die uit de godsvrucht tot Maria voortkomen.
De R. K. militair, die zich toelegt op eene ware en standvastige godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd Maria, vindt in die godsvrucht eene machtige, eene zekere en eene voortdurende bescherming tegen de gevaren, welke zijn stand hem oplevert.
1°. Eene machtige bescherming. Maria immers is de Moeder van God en daarom vermag Zij op het Hart van God meer dan iedere andere Heilige, ja meer dan alle Heiligen te zamen.
279
Door Haar goddelijk Moederschapheeft Maria een zeker recht, om voor Hare dienaars aan God alle genaden af te bidden, die zij noodig hebben en gevoelt God zich als hot ware gedwongen, Haar niets van alles wat Zij voor hen vraagt, te weigeren. Vandaar dat de H. Antonius zegt: Het is onmogelijk, dat de Moeder van God niet vérhoord wordt, wanneer Zij bij haren Zoon voor ons tusschenbeide kómt. Maria vervolgens is niet alleen Moeder van God, maar daarenboven het heiligste en volmaakste van alle zuivere schepselen, die ooit bestaan hebben of zullen bestaan, en hierdoor wordt Haar invloed op het Hart van God nog verhoogd. Want indien de Heiligen meer quot; bij God vermogen, naarmate zij hier op aarde meer in heiligheid hébben uitgeschitterd, hoe onbegrijpelijk groot moet dan niet de macht zijn, die Maria uitoefent op het Hart van Haren God, Zij, die alle Engelen en Heiligen in heiligheid ver te boven gaat ? Maria eindelijk heeft meer dan alle andere Heiligen hier op aarde verdiend. Zij alleen heeft God nooit
280
door de minste zonde beleedigd, nooit eeue enkele genade verloren, altijd de deugden in den volmaaksten en heldhaftigsten graad beoefend, alleen ouder allen liet groote gebod der liefde volmaakt opgevolgd en zoodoende ieder oogenblik van Haar leven Hare verdiensten bij Grod verdubbeld. Daar nu de maat der verdiensten voor de Heiligen in den hemel ook de maat is van limine macht, met hoeveel recht mag Maria dan niet vertrouwen, dat Hare bede nooit onverhoord zal blijven ?
Volkomen overeenkomstig de waarheid zijn dan ook de woorden der Heiligen, die Maria's gebed voor Hare dienaren in kracht gelijk stellen met een bevel en Hare macht zoozeer ver-heff'en, dat zij Maria eene smeekende almacht noemen, die alles door Haar gebed kan verkrijgen, wat God door Zijne natuur kan uitwerken.
Welk eene troostvolle waarheid voor den militair, die zich met ijver en volharding op de vereering van Maria toelegt! Want voor wie zal Maria meer bidden dan voor Hare
281
trouwe dienaren; wie zullen eerder Hare machtige bescherming ondervinden, dan zij ? Zeker Maria's bescherming strekt zich uit tot alle menschen. (ieen zondaar is er zoo groot, ot Maria gevoelt nog medelijden met hem eu is aanstonds bereid hem te verhooren, indien hij met vertrouwen Hare hulp eu bijstand inroept. Maar zij, die het meest in Hare gunsten deeïen, voor wie Maria zelfs ongevraagd de machtige tus-scheukomst van Haar vermogend gebed zal aanwenden, zijn degenen, welke zich met ijver op Hare vereering toeleggen. Gelukkig dan de militair, die deze waarheid begrepen heeft eu zich met volharding op de godsvrucht tot Maria toelegt! want hij zal daarin de krachten vinden, om al zijne militaire plichten goed te vervullen en de gevaren aan zijnen stand verbonden te vermijden.
'2°. Eene zekere hescherming . Maria is niet alleen Moeder van God, Zij is ook Moeder der menschen. Verzekert het eerste Moederschap aan al Hare dienaren Hare machtige bescherming, het
282
inveede Moederschap belooft hun Hare zekere bescherming. Wie toch is meer genegen ons bij te staan en te beschermen dan onze eigene Moeder ? En is Maria niet in veel verhevener zin onze Moeder dan zij, die wij hier op aarde met dien zoeten naam begroeten ? Onze aardsche moeder is onze moeder geworden door den wil van het vleesch, Maria is onze Moeder geworden door den Wil van God. Onze aardsche moeder heeft ons gebaard voor het tijdelijk en vergankelijk leven, Maria baarde ons voor het geestelijk en onvergankelijk leven. Aan het kruis werd Zij door de Goddelijke beschikking van Haren Zoon aan ons tot Moeder gegeven en heeft Zij ons als kinderen aangenomen. Van dat oogen-blik af ontvlamde in Haar Hart niet een aardsche, maar eene bovennatuurlijke en hemelsche liefde voor ons, itare kinderen; kende Zij slechts één verlangen, Haren invloed op het Hart van Haren Zoon tot ons voordeel aan te wenden en ons in al onze behoeften bij te staan. Vandaar, dat Zij met zooveel liefde Haren Zoon voor
283
onze zaligheid ter dood opofferde, dat indien de benlen ontbroken hadden om Christus aan het kruis vast te hechten, Maria, gelijk de Heiligen verzekeren, liefde genoeg zou bezeten hebben, om Hem met eigen hand voor ons welzijn aan het kruis vast te nagelen. Was nu die liefde, welke Maria, nog op aarde verkeerende, ons toedroeg, reeds zoo buitenmate groot, was Zij toen reeds zulke eene zekere bescherming voor allen, die op Haar vertrouwden, o hoe veel grootev zal Hare liefde dan thans niet zijn en hoeveel meer zekerheid hebben wij niet van Maria's verlangen om ons bij te staan, nu Zij ten hemel is opgenomen en daar de behoefte van Hare kinderen beter kent en meer in staat is ons te helpen ? Neen, de verheffing tot Koningin van hemel en aarde is voor Maria geen reden geweest om ons te vergeten, maar wel een spoorslag om ons nog meer te beschermen, vooral daar Zij in den hemel is aangesteld als Koningin van barmhartigheid en met volle handen kan putten uit de schatkamer van Gods
284
genade. Gelukkig dan de militair, die op Maria's bescherming zijn hoop en zijn vertrouwen stelt en zich door een 'ware en standvastige devotie Hare hulp en bijstand zoekt waardig te maken; want hij vooral, zal meer dan anderen met zekerheid mogen rekenen op Maria's machtige bescherming. Met geheel bijzondere voorliefde zal Zij hem bijstaan in zijne zielsgevaren; Zij zal de kracht der bekoringen voor hem verbreken, hem aan de verleiding van slechte voorbeelden onttrekken, hem de middelen doen aanwenden om de zonden te ontvluchten en de deugden te beoefenen, en zoodoende een zekere waarborg zijn voor zijne volharding.
3quot;. Eene voortdurende bescherrnincj. Maria is Moeder van God en Moeder der menschen; Zij staat tusschen God en de menschen in, verbindt den hemel aan de aarde. En daarom is Zij de groote Middelares der genade geworden, het kanaal, langs hetwelk alle genaden van God op de menschen afvloeien. Zonder Maria ontvangen wij geen enkele genade, door Haar
285
ontvangen wij alle genaden. Maria bewijst ons alle genaden, genade naar het lichaam, genade naar de ziel. Maria helpt ons in tijdelijke omstandigheden, geeft een gelukkige uitkomst in hachelijke toestanden, troost ons in droefheid, sterkt ons in het lijden, geneest ons bij ziekten, redt ons in de gevaren des lichaaras. Maria verlost ons uit de zonde, bewaart ons voor den val, verkrijgt ons vergiffenis en de genade der bekeering, draagt zorg voor onzen geestelijken vooruitgang, vermeerdert in ons de goddelijke deugden van g-eloof, hoop en liefde, kweekt de zedelijke deugden aan, staat ons bij in den doodstrijd en leidt ons den hemel binnen. Maria vervolgens bewijst hare weldaden aan alle menschen, aan mannen, vrouwen en kinderen; aan gehuwden en 011-gehuwden, aan priesters en leeken, aan kloosterlingen, aan burgers en militairen. Allen moeten van Maria hulp ontvangen in de verschillende omstandigheden des levens, in de verschillende verplichtingen, welke staat en stand medebrengen. Eu niet
286
alleen behoort de aarde tot Maria's rrjks^ebied, neen Hare macht strekt zich 'uit tot over de grenzen van dit leven. Maria toch geeft verkwikking aan de zielen in het vagevuur en redt haar uit die pijnigende vlammen. Door Maria en m vereeniging met Haar dragen de Heiligen hunne gebeden aan God op, door Haar ook verkrijgen zij de gunsten, welke zij ons verleenen. Ja zelfs de Engelen, zegt de H. Bernardus, danken aan Maria de grootste weldaden. Maria eindelijk bewijst Hare weldaden altijd. Zij heeft niet' zooals de Koningen en de grooten dezer aarde Hare spreekuren. neen Zij is voor een ieder en altijd toegankelijk. Geen uur is te vroeg, geen tijd te laat; over dag e_n des nadits, op iederen stond, altijd is Maria bereid Hare gunsten en weldaden uit te deelen. Iedere leeftijd mag tot Haar naderen; het kind zoowel als de jongeling, de man en de grijsaard, allen vinden bij Maria gehoor. Nooit wordt iemand door Haar verstooten, na een heilig leven, na een leven doorgebracht in de grootste zonden en
287
misdaden, ja zelfs in liet allerlaatste oogeublik op het sterf bed, altijd kunnen wij zekerheid hebben, dat Zij ons zal verhooren, als wij Haar aanroepen. In één woord, Maria is voor ons het groote kanaal geworden der genade, Zij geeft ons alle genade. Zij geeft die genade aan alle mensehen, Zij geeft die genade altijd. O welk eeue machtige beweegreden moet deze gedachte voor den R. K. militair zijn, om zich met ijver en volharding op de godsvrucht tot Mariatoete leggen! Hij heeft voortdurend zoovele en zoo groote genaden noodig, om zijne plichten goed waar te nemen en niet in de gevaren van zondigen te bezwijken. Door Maria kan hij al deze genaden overvloedig verkrijgen, want Hare schatkist is de schatkist van Jezus, die onuitputtelijk is. Hoe zal hij dan zonder Haar aan te roepen en te vereeren, de noodige genaden kunnen verkrijgen om te volharden ?
Dat de R. K. militair zich daarom Maria's machtige, zekere en voortdurende bescherming trachte waardig te maken door een ware en stand-
288
vastige godsvrucht jegens Haar. Doch de
welke middelen zai hij hiervoor aan- Moe
wenden ? Hij zij bezorgd Maria en ]
te vereeren. te beminnen, en aan te wori
roepen. iede:
1° Mafia vereeren. Als Moeder van waa
God is Maria zoo verheven, dat wij op
Hare grootheid nooit genoeg be- iede:
wonderen, Hare waardigheid nooit van
genoeg kunnen vereeren. Want door liefd
de onuitsprekelijke eer, die Haar te ders
beurt viel, van Moeder te worden van te 1
haar God, werd Maria een geheel Haa
eenig en onvergelijkelijk wezen, dat : stele
alle Engelen en Heiligen verre te legg
boven gaat, en onmiddelijk op God bevc
volgt. Vandaar dat Zij met recht aan- de .
spraak mag maken op eene geheele dan
bijzondere vereering van den kant spoo
der menschen ; niet alsof wij Maria aan,
zouden mogen aanbidden; slechts op
domheid of haat kan dit aan de Kerk Di
verwijten; de kerk aanbidt God sche
alleen, maar eert en roept Maria aan, ook
als de Moeder van God. te vt
De Kerk heeft dan ook voor Maria een
een geheel bijzonderen eeredienst inge- God
steld. Het geheele jaar door viert zij rech
289
de gedachtenis aan de verhevene Moeder van God door allerlei feesten en plechtigheden. Geheele maanden worden aan Hare vereering toegewijd; iedere week heeft haren bepaalden dag, waarop Maria, de Moeder van God, op bijzondere wijze vereerd wordt; iedere omstandigheid nit het leven van Maria wordt met blijdschap en liefde in herinnering gebracht. Broederschappen en Congregatiën worden te Harer eer opgericht, kerken aan Haar toegewijd, Kloosterorden ingesteld, die zich als bijzondere taak opleggen de vcreering van Maria te be vorder en._ Kortom de Kerk vereert de Allerheiligste Maagd Maria meer dan alle andere Heiligen te zamen en spoort hare kinderen onophoudelijk aan, zich op geheel bijzondere wijze op Maria's eeredienst toe te leggen.
De E. K. militair, die Maria's bescherming wil ondervinden, trachte dus ook deze verhevene Moeder van God te vereeren. Hij herdeuke dikwijls met een gevoel van dankbaarheid jegens God de groote en verhevene voorrechten, die Maria in en door Haar
19
. 290
Goddelijk Moederschap ontvangen heeft eii verlevendige in zijn hart de hoogachting', welke li ij Haar van zijne jeugd af heeft toegedragen. Hij stelle het zich tot eenen heiligen plicht, vooral gedurende de Meimaand 01 October-maand, het beeld van Maria dagelijks te bezoeken, en, indien zijne dienstverrichtingen hem daartoe de gelegenheid verschaffen, aanwezig te zijn quot;bij het lof of het rozenhoedje. Hij nadere op alle groote feestdagen van Maria tot de tafel des Heeren en bereide zich op die feesten voor door eene waardige biecht en een onbesproken levensgedrag. Geen Zaterdag late hij voorbijgaan zonder op eene of andere wijze, b. v. door eene kleine versterving te beoefenen, Maria geëerd te hebben. Den Rozenkrans en het Scapulier, die twee groote teekenen van Maria's vereering, drage hij altijd bij zich; hij late ze dus niet uit vrees van het meiischelijk opzicht in koffer of kist ongebruikt liggen en zorge, wanneer hij ze.verliest, zich aanstonds anderen aan te schaffen.
2° Maria beminnen Verdient Maria
291 '
als Moeder van God de godsdienstige vereeringvau iederen militair, als zijne Moeder verdient Zij zijne liefde. Hoe toch zon hij eene Moeder niet beminnen, Wier liefde voor hem grooter is dan de liefde van alle moeders tezamen voor hare kinderen ? De godsvrucht tot Maria bestaat dus niet alleen in Haar te_ vereeren, maar ook in Haar te beminnen. Eu hoe zal de militair uu het best zijne liefde voor Maria toonen ? Vooreerst door alles te vermijden, wat Haar kan bedroeven en bij gevolg door de zoude uit liefde tot Haar te out-vluchten. Wantgeen grootere droefheid kan Maria worden aangedaan, dan dat men Haren Zoon beleedigt, dien Zij zoo vurig- bemind heeft en zoo gaarne door alle menschen bemind ziet. Wil de militair Maria dus beminnen, dan beijvere hij zich, alle bèleedigingeu van God te vermijden, maar vooral zulke beleedi-gingen, die hem den haat en de vijandschap van God op den hals halen. Vervolgeus trachte hij ook Maria te behagen door de navolging Harer deugden. Zoo wij Maria waarlijk beminnen, zegt daarom de H. Alphonsus,
⦠292
moeten wij ons best doen Hare deugden na te volgen, want hierin bestaat de grootste eerbewijziug, die wij Haar kunnenbetoonen.Zij alleenkunnen zich ware kinderen van Maria noemen, die de deugden zoeken te beoefenen, waarvan Zij ons het voorbeeld heeft gegeven. Welke deugden nu zal Maria vooral van den militair verwachten ? Een levendigen haat tegen de zonden, verbonden met het vluchten der naaste gelegenheden en het aanwenden der middelen ter volharding; de zachtmoedigheid in den omgang met anderen; de gehoorzaamheid aan de voorschriften zijner reglementen en de bevelen zijner superieuren; de liefde voor den godsdienst vereenigd met het gebed en het nuttig gebruik der H H. Sakramenten en vooral de liefde voor de schoonfe en engelachtige deugd van zuiverheid.
3° Maria aanroepen. Doch bij deze liefde bepaalt zich de ware godsvrucht tot Maria niet. Neen zij erkent Maria als de groote uitdeelster van Gods genadegaven, als het kanaal, waarlangs ons alle genaden, welke Christus
293
ons door Zijn kruisdood verdiend heeft, toekomen; en daarom tracht zij Maria voortdurend aan te roepen. De militair, die waarlijk godsvrucht toont tot Maria, zal dus dikwijls door vurige gebeden en verzuchtingen Maria's machtige bescherming afsmeeken. In gevaren naar het lichaam, in droefheid en lijden, in ziekte en tegenspoed is Maria zijne toevlucht, zijn troost en zijn sterkte. In moeilijke bekoringen en gevaren van zondigen gaat hij met vertrouwen tot Haar.
Heeft hij soms het ongeluk gehad zijn God zwaar te beleedigen, door Maria zoekt hij een waar berouw over zijne zonde te verkrijgen. Haar roept hij aan in alle kwellingen en benauwdheden. Maar vooral in den strijd tegen de zonde van onzuiverheid, zoekt hij zich Maria's machtige bescherming te verzekeren. Vandaar dat hij zich iederen morgen en avond met ziel en lichaam aan Maria zal opdragen en Haar vereeren zal door de sehoone devotie der drie Weesgegroeten ter eere van Hare Onbevlekte Ontvangenis; vandaar dat hij nooit
j;
294
zal nalaten Mi ieder gevaar, hetwelk die engelachtige deugd bedreigt, dour een of ander schietgebedje zich aan Maria aan te bevelen; dat hij Haar dikwijls en met aandrang de genade zal vragen van toch altijd te bidden bij iedere bekoring; kortom dat hij, overtuigd van de noodzakelijkheid van Maria's tusschenkomst in het groote werk zijner zaligheid, alle pogingen zal in het werk stellen om Maria gunstig voor zich te stemmen, en Haren voortdureuden bijstand te ondervinden.
Gelukkig dan de militair, die zich met ijver en volharding toelegt om Maria op deze wijze te vereeren, te beminnen en aan te roepen, want hij zal de waarheid ondervinden dezer woorden, die de Kerk de gezegende Moeder van God in den mond legt: Qui me in-venerit in ven iet vitarn et hau riet salutem a Domino; Die Mij vindt door middel van eene ware en standvastige devotie jegens Mij, zal hier op aarde het leven der g'enade vinden, dat wil zeggen, zal hier op aarde mijne machtige, zekereen voortdurende
295
reik bescherming ondervinden, de zonde [oor ⢠vluchten, de deugden beoefenen, God
aan trouw dienen en daardoor zijne eeu-
aar wige zaligheid eenmaal zeker ver-
ade werven.
den
hij, § III- Bijzondere middelen tegen
ejd' drie militaire hoofdzonden.
Il6t
xlle ' Ofschoon ieder militair, die een nut-
om tig gebruik zal maken van de natuur-
[eii lijke en bovennatuurlijke middelen,
té welke wij hem tot nu toe hebben voorgesteld, met reden vertrouwen
net magi tij zich in ziju stand voor
ton de gevaren van zondigen behoeden
eu zal, dunkt het ons toch allernuttigst,
ar- hier tot grootere zekerheid zijner vol-
die harding in de deugd, nog eenige
ran bijzondere middelen aan te geven te-in- ' gen drie verschillende zouden, welke
t-iet den edelen militairen stand grootelijks
ndt ontsieren eu bekend staan onder den
nd- naam van soldatenzonden ; ik oedoel:
ier de godslastering, de onzuiverheid en in- : de dronkenschap, 't Is waar, deze drie
rde zonden, helaas, vinden hare slacht-
ide offers in alle standen der maatschappij.
296
Er zijn overal meuschen, die vloeken, die onzuiver leven, die zich aan dronkenschap overgeven en hun getal is maar al te groot. Maar of er wel een stand is, waarin die zonden, vooral de twee eerstgenoemde, zoo dikwijls voorkomen, of waarvan het gevaar ten minste zoo groot is als in den militairen stand, is moeilijk te betwijfelen. Vandaar dat het allernuttigst is, door eenige bijzondere middelen den R. K. militair tegen die zonden te behoeden; wij zullen daarom achtereenvolgens spreken over de godslastering, de onzuiverheid en de dronkenschap
1. Middelen tegen het Vloeken en Godslasteren.
Om met ernst te besluiten zich voor vloeken te bewaren, of, als het vloeken eenmaal gewoonte geworden is, zich koste wat het wil, van die rampzalige gewoonte te ontdoen, moet de militair op de eerste plaats de groote boosheid van het vloeken duidelijk leeren inzien. Het eerste middel tegen het vloeken is dus de kennis van het kwaad.
297
1°. Kennis van het kwaad. Wat is vloeken ? Om bij deze belangrijke stof geen verkeerde denkbeelden te kweeken, dienen wij vooraf onderscheid temaken tasschendeverwenschingvan zich zeiven, van den naaste, en de verwensching van God, of Godslastering. Eene zware verwensching van zich zei ven, of van den naaste, als zij ernstig is gemeend, is eene groote zonde; maar de verwensching van God,voortkomend uit den wil van God te versmaden, hetzij die uitwendig of inwendig geschiedt, is een der grootste doodzonden, welke de mensch kan bedrijven; eene doodzonde, die. getuigt van verregaande vermetelheid en ondankbaarheid; door geen enkele schijnreden gebillijkt wordt; geene verontschuldiging toelaat; groote ergernis verwekt; zware straffen van God op den vloeker aftrekt; en als zij uit gewoonte begaan wordt, een zeker teeken is van eeuwige verwerping.
a. Vloeken is een der grootste doodzonden, welke de mensch kan bedrijven. Want de vloek g:aat regelrecht tegen God in eu randt Hem onmiddellijk en in eigen persoon aan. Andere zon-
298
den b. v. ontucht, dronkenschap, dief- ya
stal, gaan niet regelrecht in tegen God, oo
maar tegen een gebod, van God, doch loo
door te vloeken, vergrijpt men zich on- la
middellijk aan God zeïven. (S. Ephr. g(
Par. II.} Aperuerunt os in Excelsum. Zij 01
openen hunnen mond tegen God zeiven. H
De vloeker durft den heiligen en aan- is biddelijken Kaam van God, die niet al- â¢
leen bij de Joden en de Christenen, maar n
zelfs bij de Heidenen met den grootsten si
eerbied wordt uitgesproken, met slechts y
ijdel gebruiken of misbruiken, maar hij i(
drijft zijne boosheid zoover, dat hij God j
zelf durft versmaden en verachten; ^
contra ipsam Deitatem a git, (St. Athan.) q hij randt God zelf onmiddellijk en in
eigen persoon aan en maakt zich dus l
schuldig aan eene zonde van gekwet- i
ste Majesteit. Die zich vergrijpt aan (
een afgezant des konings, doet den i
koning zeker eene groote beleediging ,
aan; maar durft hij het wagen, den geheiligden persoon des konings onmiddellijk aan te vallen, dan is de beleediging volmaakt en heeft de boos- | held haar toppunt bereikt. En hierin juist ligt de eigenaardige boosheid
299
van het vloeken. Geen wonder dan ook, dat er bijna 2:eene zonde grootere boosheid heeft dan de zonde van godslastering, en dat de godgeleerden geen woorden genoeg kunnen vinden, om hare boosheid te beschrijven. De H. Chrysostomus getuigt: Geene zonde is goddeloozer, dan de zonde van vloeken en godslasteren ; en de H. Hiero-nymus (in Isai. cap. XVIII) zegt het nog sterker: Jsiets is afschuwelijker dan het vloeken, want tegenover een vloek is iedere andere zonde kleiner. En de H. Thomas : De godslastering is in zich de grootste van alle zonden. (2. 2. q. XIII. art. 3.)
h. Eene doodzonde, die getuigt van verregaande vermetelheid en ondankbaarheid. Want wie is de mensch, die God zulk eene zware beleedigiug durft toebrengen ? Het is een stofje, een niets, dat alleen door den Wil van God bestaat en ieder oogenblik van zijn leven van God afhangt. Saccus stercorum et esca vermium, een vat vol bederf, eene spijs der wormen. (St. Bernard.) Hij weet het. God is een oneindig groot en' machtig Koning, Hij is vreeselijk in zijnen toorn, niets kan Hem weer-
300
staan, millioenen eng-elen omringen Zijnen troon, gereed om Zijne bevelen aanstonds uit te voeren. Hij wil, en de aarde opent hare ingewanden en verslindt de vijanden van Zijnen H. Naam ; Hij gebiedt, en een vuur daalt af uit den hemel en verslindt zijne lasteraars. En toch de vloeker kent geene vrees, hij, de zwakheid en nietigheid in eigen persoon, durft den machtigen God bespotten en versmaden. Hij vreest een aardschen vijand en zal zich wel wachten hem tè be-leedigen, omdat hij beducht is voor zijne wraak. En God, tegenover Wiens macht alle aardsche macht zwakheid is, Dien niemand kan ontvluchten. Die den vloeker overal tot in de geheimste schuilhoeken met Zijne wraak kan vinden, durft hij lasteren en door zware vloeken beleedigen. Hoe, zegt de H. Gregorius Nazianzeuus; (Orat. XXI.) de duivelen beven en sidderen alleen op het hooren noemen van Gods Naam, en gij durft dien Naam lasteren en vervloeken! Welk eene vermetelheid, welk een overmoed!
Vervolgens aan welke ondankbaar-
801
heid maakt de vloeker zich niet schuldig ? Iemand kwalijk bejegenen, die ons geen kwaad gedaan heeft, is grootei boosheid ; maar een weldoener beleedigen, die tot op het oogenblik, waarop wij hem aanranden, ons de grootste weldaden bewijst, is daarenboven een verregaande ondankbaarheid. Ook hieraan maakt de vloeker zich schuldig. Hij vergeet vooreerst alle weldaden, die God hem ooit bewezen heeft, algemeene en bijzondere weldaden, weldaden naar de ziel en naar het lichaam; en in het bijzonder de groote weldaad, dat God voor hem gestorven is, om hem niet te verdoemen en dat Hij misschien reeds zoo dikwijls het vonnis van verdoemenis, hetwelk de zondaar door zijn vloeken en door andere zonden verdiend had, heeft ingetrokken. Hij vergeldt vervolgens die weldaden met de zwartste ondankbaarheid, door de weldaden zelve en den schenker van die weldaden te verachten. Hij gebruikt eindelijk als middel om God te beleedigen, juist eene der grootste weldaden die hij van God ontvangen had, de gave der spraak, die zoovele
-r
302
menschen missen ; de tong, die in het hei
Doopsel geheiligd is en waarop zijn zin
God zoo dikwijls gerust heeft in de val
H. Commnnie. , vei
c. Eene doodzonde, die zelfs door vlc
geen enkele schijnreden gebillijkt wordt. eei
Want wat heeft een vloeker aan al tw
dat vloeken ? In andere zonden vindt er
de mensch nog eenig voordeel of ver- on
maak. Een dief wordt door zijn stelen vh
rijker; een onzuivere vindt in zijne gc
schandelijke vermaken een oogenhiik- wi kelijke, zij het dan ook menschontee-
rende voldoening; een kwaadspreker sc
ziet door zijn lastertaal een vijand zi,
door anderen eerloos verklaard ; een . gj
meineedige ontkomt door zijn meineed st
een vernederend vonnis. Maar welk sc
voordeel, welke voldoening heeft een h(
vloeker door zijne vloeken, wat wint G
hij er mede ? Is hij arm, hij wordt h
er niet rijker door; is hij ongelukkig K
hij wordt door het vloeken niet ge- G
lukkiger. Is hij ongeduldig tegenover v
een mensch of een dier, deze zullen Z
door zijne vloeken niet andershandelen. v En toch vloekt men den geheelen dag « u
door ; en dat om de geringste kleinig- z
303
heid. Een ander doet iets tegen onzeu zin, â een vloek ; men stoot zich, men valt, â eeu vloek ; er wordt een kaart vergooid in het kaartspel, â een vloek; men geeft een commando, â een vloek; men vertelt iets, â om de twee zinnen een vloek; ja men stelt er soms eer in te vloeken en wedijvert onder elkander, wie God het best door vloeken kan heleedigen. O welk een gestreng vonnis zal die vloekers later wachten !
d. Eene doodzonde, diegeene verontschuldigingen toelaat. Eeu vloeker zoekt zijne vloeken altijd te verontschuldigen; maar neen, zegt de H. Chryso-stomus, niets kan den vloeker verontschuldigen. Hij zal zeggen, ik meen het zoo kwaad niet, ik vloek niet om God te heleedigen. Maar waarom vloekt hij dan? Is het soms om God te eeren? Kan hij de zware beleediging van God, die onafscheidelijk aan den vloek verbonden is, daarvan afscheiden ? Zullen zijn kapitein of zijn overste, wanneer iiij tegenover hen smadelijke uitdrukkingen gebezigd heeft, tevreden zijn met de verontschuldiging: ik heb
304
het zoo kwaad niet bedoeld, ik deed het niet om u te beleedigen ? Of zullen zij de woorden naar hunne be-teekenis uitleggen en hem geducht straffen'? Geene onbedachtzaamheid derhalve kan den militair, die vloekt, verontschuldigen, ja zij verzwaart soms zelfs zijne schuld in zooverre, als zij getuigenis aflegt van zijnen geringen eerbied voor Grod, en weinig vrees voor de zonde.
Hij zal vervolgens zeggen : ik vloek niet zonder reden, als ik vloek, is het alleen maar, omdat ik driftig word, of omdat ik anders mijn gezag niet kan laten gelden, omdat ik anders bij mijne medemakkers niet in tel ben, want iedereen vloekt. Schoone redenen voorwaar om te vloeken ! Hij vloekt, omdat hij driftig wordt; maar mag hij wel driftig worden ? Is dat niet de eene zonde door de andere verontschuldigen? Een militair, die vloekt uit drift, bezwaart zijn geweten nog meer in plaats van het te verlichten, want hij doet twee zonden : vloeken en driftig worden, en is derhalve dubbel schuldig. Wanneer iemand een moord begaan heeft en de
305
rechter vraagt hem; waarom hebt gij dien mensch vermoord ? en hij antwoordt : ja ik werd zoo driftig, dat ik naar een mes greep en hem doodstak ; zal de rechter dan zeggen : Goed, dat is een reden, die geldig is en daarom spreek ik u vrij. Of zal hij zeggen ; Ik veroordeel u wegens manslag tot zooveel jaren gevangenisstraf; want iemand uit drift vermoorden is ongeoorloofd, waarom zijt ge zoo driftig geworden ? Hadt gij n zeiven bedwongen, gij zoudt geen moordenaar zijn. Daarenboven, kan God het helpen, dat de militair driftig wordt ? Moet hij, omdat anderen hem plagen, omdat iets tegen zijn zin uitvalt, omdat hij valt of zich stoot, omdat zijn paard niet wil stilstaan, enz. driftig worden en zijne drift verhalen op God ? Eene schoone reden, omdat ik met een ander twist heb, of op een ander vertoornd ben, ga ik een derden, die geheel en al buiten de zaak staat, vervloeken en verwenschen, en die derde is niet een mensch, zooals ik, maar God ! Hij vloekt omdat hij anders zijn gezag niet kan laten gelden; maar wat is zijn
20
306
gezag tegenover het gezag van God? ' all,
Is het niet raillioen malen beter dat mo
zijn gezag schipbreuk lijdt dan het vei
gezag van God ? Daarenboven is wel kei
het vloeken (een zonde die hem de ver- de
achting van al zijne minderen op den gt; zoc
hals haalt) het middel orn zijn gezag En
te handhaven, of is het niet juist het in
middel om zijn gezag te verkleinen? ten
Zal hij niet door liefde en zachtheid is
meer vermogen op de harten zijner het
onderdanen dan door ruwheid en ge- Hr weid? En kan hij niet altijd zijn
gezag handhaven door zijne toevlucht wa
te nemen tot de straffen der krijgs- dei
tucht ? he(
Hij vloekt, omdat iedereen vloekt en Eg
hij anders niet in tel is hij zi jne mede- ze]
makkers. Maar moet hij zondigen, (liâ¬
omdat anderen zondigen? Wordt de g0(
zonde daardoor lichter ? Dan zijn de 1 ree
militairen, die vroeger den marteldood i)e(
ondergingen om de zonden te out- wj
vluchten, welke hunne medebroeders wo
bedreven, doch die zij niet wilden . le-v bedrijven, wel groote dwazen geweest! j- iai
Neen de R. K, militair moet een man flai
van plicht en geweten zijn; al zag hij iiei
307
0lt;l? alle anderen zonden bedrijven, dan
dat moest hij nog pal staan en liever ster-
liet yen dan het voorbeeld zijner medemak-
wel kers volgen. Daardoor alieen zal hij zich
^er- de achting van amleren verwerven,
den gt;⢠zoowel van goeden als van kwaden.
zaf? En al mocht hij soms ook wat minder in tel zijn bij sommige plichtverge-
611 ? tene wapenbroeders, wat dan nog?
heid is hunne verachting niet juist de
jner heerlijkste lofspraak op zijne deuo-d ?
8'.equot; Hij zal ten slotte zeggen: de vloehen
Z1.in ontvallen mij, zonder dat ik het ivil,
licht want ik vloek uit gewoonte. Al we-
'JS?3quot; derom een reden die de boosheid van liet vloeken geheel en al wegneemt!!!
t Een dief, die honderdmaal steelt, is
(c«e- zeker minder schuldig dan een dief,
gâ¢' die zich voor de eerste maal eens anders
t de g-oe(| toeeigent ? Een moordenaar, die
u de 1 reeds verscheidene inenschen gedood
lood heeft, is niet zulk een doortrapt boos-
ont- wicht als iemand, die in een vlaag van
ders woede vonr liet eerst een ander om het
Iden leven brengt! Waar zouden wij aan-3est â i landen, indien de dwalingingang vond,
man dat de gewoonte van zonde de boos-
ë 'nJ heid der zonde verminderde of veront-
308
schulclig'de ? Dan zou het nog treuriger niet
uitzien met de vloekers, de onzuiveren, jj0(
de dronkaards, de onrechtvaardigen gre
enz. Keen de gewoonte van zondigen ^0q
maakt den menseli veel schuldiger. Zij ]as(
geeft te kennen, dat de wil in het zon- â gCia
digen verhard is. Met recht dus mag de en
hT Clirysostomus zeggen, dat niets sch
den vloeker kan verontschuldigen. _ haf
e. Eene doodzonde, die groote ergernis 0p(
verweid. Want voortdurend hooren mn
vloeken leert anderen vloeken. Na
Zeker er zijn altijd menschen ge- ge
weest, die God durfden lasteren, doch ric
hun getal is nooit zoo groot geweest ch
als tegenwoordig en hunne godslas- ,\e:
teringen werden vroeger altijd ten zjj
hoogste afgekeurd en bestraft, v ele ge
en groote zonden gebeurden by de bo
heidenen, maar hun eerbied voor hunne | wf
Goden, die toch geene Goden waren, gi
was zoo groot, dat zij zich wel zouden lui
gewacht hebben, hen te smaden of te ja
lasteren. De geschiedenis verhaalt Wl
dan ook van een Atheensch wijsgeer, YC
die ter dood veroordeeld werd, omdat w
hij de Goden gelasterd had. En welk hi
een eerbied had het Joodsche volk ei
309
iser 1 niet voor de verheven Naam van God?
;ren. jjoe stond het op als één man, en
igen greep naar steenen om diengeue te dooden, die den H. Naam van (jod ge-
'⢠Zij lasterd had ! Wat zien wij in de ge-
zonquot; ' schiedenis der christen volkeren tot en met de Middeleeuwen meer uit-
niets schitteren dan eerbied voor God en
n- . haat tegen zijne lasteraars? Op alle
?rnis openbare stukken, op munten, op de
loren muren der huizen las men âdat de Naam des Heeren geprezen zij.quot; De
1 gequot; gewone groet, die men tot elkander
doch richtte, luidde; âGeloofd zij Jezus
veest Christus.quot; De zwaarste straffen dreig-
slas- ,ien de godslasteraars. Nu eens werden
ten zij publiek op het schavot ten toon
Vele gesteld met een opschrift op hunne
'j d0 borst, dat zij gevloekt hadden; dan
lunne wederom werd hunne tong met een
aren,' gloeiend ijzer doorstoken ; soms werd
inden ^U11 de tong uit den mond gesneden ;
of te ja indien zij zich niet verbeterden,
haalt werd de doodstraf niet zelden aan hen
Sgeer, I voltrokken. In één woord, vroeger
gt;mdat| waren de vloekers zeldzaam, en werd
welk hunne zonde algemeen verafschuwd
volk en Zwaar gestraft. Doch waarom zijn
310
tegenwoordig de vloekers zoo menigvuldig , en wordt die zonde door zoovelen niet meer verafschuwd ? Omdat de vloekers uit hun aard ergenis-wekkend zijn. Naarmate het getal vloekers vermeerderde, vonden die vloeken meer navolging, en naarmate de vloeken menigvuldiger werden, verdween de vrees er voor meer en meer. Vraag eens aan dat kiud, hetwelk nauwelijks fatsoenlijk kan spreken, en toch reeds vloekt, waar het die vloeken geleerd heeft ? Helaas, de kleine heeft de goddelooze woorden vernomen uit den mond der grooten; het heeft vader of moeder bij huiselijke oneenigheden hooren vloeken; het heeft op straat, die vloeken gehoord uit den mond van beschonkene of twistende menschen. En zoo is het eveneens in de kazerne. Hoe kan men verklaren, dat jongelingen, die nog nooit gevloekt hadden, voordat zij de ouderlijke woning verlieten, ja zelfs een afschuw hadden van het vloeken, niet lang nadat zij de kazerne waren binnengetreden, de vrees voor het vloeken aflegden, vele vloeken daags uitspraken, ja zelfs
311
vloekten in eene taal, waarvan zij niets verstonden ? Het is, omdat de muren van de kazerne zoo dikwijls van vloeken weergalmen, omdat er zoovele mi litairen zijn die vloeken en men zich zoo gemakkelijk gewoon maakt aan alles, wat men voortdurend hoort.
Æ. Eene doodzonde, die de zwaarste straffen van God over den schuldige aftrekt. De grootheid eener beleedigi ng wordt afgemeten naar de grootheid der straffen, waarmede zij gestraft wordt. Welnu nooit werd eene zonde zoo zwaar gestraft als de zonde van vloeken en godslasteren. âWee! eeuwig âwee, zegt Isaias,(Isai. 1. 4; over ieder, âdie den God van alle heerlijkheid zal âgelasterd hebben!'' Kiet alleen had God aan de Joden het bevel gegeven den godslasteraar te steenigen, maar Hij wilde zelf ten allen tijde door ingrijpende straffen den meusch een heilzame vrees voor die zonde inboezemen. In de Oude Wet zien wij het verschrikkelijk strafvonnis voltrokken aan den veldheer Sennacherib. Zoolang hij andere zonden pleegde, werd hij door God gespaard, maar nauwelijks had
312
hij God gelasterd, of een Engel doodde in éénen nacht 185,000 man van zijn leger, terwijl hij zelf na weinige dagen door zijne eigene zonen van het leven beroofd werd. Ook in de Nieuwe Wet zijn de voorbeelden van zulk een strafgericht niet zeldzaam, 't Is waar, God, die zich vooral door ons wil doen beminnen en niet vreezen, en die altijd eene geheele eeuwigheid ter zijner beschikking heeft, straft in de meeste gevallen niet zichtbaar en onmiddellijk, en in die lankmoedigheid van God vindt de zondaar aanleiding om met den goddelooze van de H. Schriftuur (Eccli V. 4-.) uit te roepen: Peccavi et quid triste accidit mihi ? Ik heb gezondigd, ik vloek iederen dag en toch gaat alles mij goed en ontvang ik geene straf. Doch dat zulk een zondaar vreeze, want âon-â voorzien zegt de H. Schriftuur âvEccli. V. 9.) zal Gods gramschap âover hem komen en in den tijd der âwraak zal Hij hem verdelgen.quot; Hoe menig godslasteraar stierf plotseling, terwijl zijne godslasterlijke woorden nog niet waren weg gestorven? Hoe
313
vele anderen, die in hun leven met God gespot en zyuen H. Naam gelasterd hadden, stierven in wanhoop op Gods barmhartigheid ?
Hoevelen eindelijk bleven met God spotten tot aan het oogenblik van hunnen dood en gingen zoo vloekend de eeuwigheid in, waar zij thans de straffen lijden voor hunne misdaden? Hoe menigmaal ook trekken de vloekers zichtbare straffen van God af over hun vaderland en hun huisgezin? Zoodat de H. Chrysostomus eertijds tot de inwoners van Antiochie kon zeggen: âVanwaar komen de onheilen, die u treffen, dan van de vloeken en godslasteringen, die in uwe stad geheerscht hebben ?quot;
g. Eene doodzonde, die als zij uit gewoonte begaan wordt, een zeker tee-ken is van eeuwige verwerping.
Een vloeker voert dezelfde taal als de duivelen en de verdoemden en daardoor, zegt de H. Antoninus,(P. II. tit. VILCap. 5.) toont hij duidelijk, dat hij eenmaal zeker deel zal uitmaken van het gezelschap der verdoemden. De geheele eeuwigheid door zullen de duivelen en ver-
314
doemden God lasteren, vervloeken en verwenschen. De vloeker doet dit reeds op aarde en hij doet liet iu zekeren zin nog met gr cot ere boosheid. Vraag aan de duivelen en de verdoemden in de hel, waarom zij God lasteren en zij zullen u tot antwoord wijzen op de onbegrijpelijk groote en eeuwige straften, waarmede God hen pijnigt. Doch stel dezelfde vraag aan de vloekers en zij zullen moeten bekennen, dat God steeds als een liefderijke vader voor hen gezorgd heeft. En toch durven zij God lasteren, hun eigene verdoemenis afsmee-ken en de vervloeking van God over zich afroepen. Is dat niet een zeker teeken, dat zij eenmaal door God zullen verworpen worden ? âZij hebben, âzegt David, (Ps. CVIII. 17.) de vervloeking bemind, zij hebben zich âzeiven verwenscht en tijdens hun leven âzoovele duizenden malen huu eigene âverdoemenis van God afgevraagd, de âvervloeking zal op hen nederdalen. Zij zullen ontvangen, wat zij zoo vurig verlangd hebben 1
Ziedaar dan het eerste middel om de vloeken te voorkomen of de ge-
315
woonte van vloeken af te breken: zich goed doordringen van de boosheid van liet vloeken. En zeker, indien alle militairen met ernst overdachten, wat wij hier in het kort van de groote boosheid dezer zonde gezegd hebben, zouden zij dan zooals nu bij velen het geval is, zoo maar goedsmoeds en in koelen bloede kunnen vloeken? Gelden ook hier niet de woorden van de H. Schriftuur (Jerem. XII. 1\.) Deso-latione desolata est (minis terra, quia nemo est qui recogitet corde ?quot; een van de grootste redenen, waarom zoovelen vloeken, is dat zoo weinigen over de boosheid van het vloeken nadenken ? Dat daarom ieder militair zich van dat middel bediene en dikwijls en ernstig naleze en overdenke, welk een groote boosheid het vloeken in zich besluit.
2. Tweede Middel. Het vluchten dek oorzaken van het vloeken.
Niet zelden ziet men, dat militairen, die genoegzaam overtuigd zijn van
316
de groote boosheid van het vloeken, en telkens, wanneer zij een vloek hebben uitgesproken er quot;lvvâ¢lt;J.lg over bedroefd zijn, toch die onge lukkige gewoonte van vloeken maar S afleggen. Wat kan hiervan de reden zijn ? Een zeer voorname reden is, dat zij zich geen moeite genoeg geven, om de oorzaken van de vloeken tegen te gaan ^
vriiwillig eene oorzaak laat voortbe ItaaTi wil noodzakelijk het gevolg, hetwelk uit die oorzaak voortkomt. Welke zijn dan vooral voor de militairen de oorzaken van vloeken. ^ ij kunnen er drie verschillende aangeven: de driftigheid, het menschel^ opzicht en de voortdurende omgang
meJ ^èflri/tiDheid. Be drift is 011-
p-etwiifeld de voornaamste ooizaak fan het vloeken; want het getal van hen, die vloeken uit kiltere boosheid, alleen uit verlangen om God te be leedigen, is gelukkig zeer genng. Gewoonlijk dan ook geeft de vloekei zelf de drift aan als oorzaak, waarom gj gevloekt heeft. En met recht.
317
âWaut de drift, zegt de H. Hierouy-âmus, (Ep. ad. Dena.) is de deur, waar-âdoor alle zonden ingang1 vinden tot âde ziel. De drift is eene ongelukkige âhartstocht, die om de nietigste rede-ânen voortdurend wordt opgewekt en âals zij eenmaal opgewekt is,deramp-âzaligste gevolgen na zich sleept zoo-âwel naar het lichaam als naar de âziel. Zij brengt het hart van den âmensch geheel in wanorde, verstoort âzijne gewone kalmte en bedaardheid âvan handelen, beneemt hem voor het âoogenblik het gebruik van zijn verstand, doet hem niet luisteren naar ârede of billijkheid, maar alleen naar âde inspraken zijner hartstocht en âtoont hare uitwerking zelfs op het âlichaam, dat veranderd en misvormd âwordt.quot; Met recht dan mocht de âlf. Basilius zeggen (Hom, XXI.) een âdriftig mensch heeft eer het voorkommen van een wild dier, dat belust is âop moord, roof en vernieling, dan van âeen mensch.quot; Het spreekt dan ook van zelf, dat een militair, die zich niet verzet tegen zulk een vreeselijke hartstocht, noodzakelijk zal vallen in
318
alle zonden, waartoe eene onbeteusfelde dritt aanleiding geeft en vooral iu de zonde van vloeken en godslastereu. Om n hiervan te overtuigen, hebt gij slechts een militair gade te slaan, die niet geleerd heeft zijne gramschap te bedwingen. Wat doet hij ? Eeu medemakker heeft hem, naar hij meent, beleedigd; de eene of andere zaak staat ïem in den weg ; het werk, dat hij onder handen heeft, wil niet opschieten ; hij heeft het ongeluk zich tegen een of ander voorwerp te stoo-ten, enz. enz. Aanstonds is zijn prikkelbaar gemoed ontvlamd en geraakt hij in gramschap, 'lij ziet niet meer, wien hij voor heeft; deukt er niet meer aan, wat hij doet; verstaat niet meer, wat hij zegt; doch laat zich door zijne drift medesleepeu. Voortdurend neemt zijne woede toe, hij raast en tiert, een vloed van gruwelijke godslasteringen, ijzingwekkende vloekeu en verwenschingen, hemel tergende smaadwoorden ontsnapt zijnen mond. Ja niet zelden zoekt hij zich in zijne woede te wreken op God, roept' alle duivelen uit de hel op,
319
venvenscht zich zeiven, zijne ziel, zijne zaligheid, zijne medemakkers, en is niet eerder te bedaren, dan nadat zijne hartstocht heeft uitgewoed. En dan? O ja dan is de militair, indien hij ten minste nog vatbaar is voor wroeging, dan is hij bedroefd en treurt hij over de rampzalige gevolgen zijner drift. Maar waarom heeft hij zijne drift den vrijen teugel gelaten; waarom zich niet tegen de oorzaak zijner vloeken verzet? Had hij zich in den beginne eenig geweld aangedaan en zijne gramschap trachten te bedwingen, hij zou niet gevallen zijn in de zonden, welke hij nu betreurt. Het eerste, wat een militair dus doen moet, om niet te vloeken, is na de overdenking van de boosheid dei-godslastering, de beteugeling zijner drift en het aankweeken van den geest van zachtmoedigheid. Hij herinnere zich daarom dikwijls de woorden van Christus: (Matth. XII. 19.) Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig van harte ben; hij beschouwe het voorbeeld van Jezus, Die, om hem de beoefening dier schooue deugd ge-
320
makkelijk te maken, zweeg tegenover de menigvuldige en grievende be-leedigingen, Hem duor _ zijne eigene schepselen aangedaan; hij trachte naar dat voorbeeld het ongelijk,hetwelk hem wordt aangedaan, geduldig te dragen en vooral te zwijgen. Alleen langs dezen weg mag hij met reden hopen zijne gramschap te bedwingen, en zich voor hare treurige gevolgen, de vloeken en godslasteringen.tebewaren.
h. Het menschelijh opzicht. Eene andere oorzaak van het vloeken is het menschelijk opzicht. Er zijn onder de militairen sommigen, die er een eer in schijnen te stellen, goed te kunnen vloeken. Vloeken, zeggen zij, is krijgshaftig; vloeken is een bewijs dat men durft; vloeken is een middel om zijn gezag te doen gelden en te handhaven. En van deze stelling uitgaande, vloeken zij niet alleen zonder eenige terughouding, maar zien zelfs met eene zekere verachting neer op militairen, die zich niet daaraan bezondigen en noemen hen lafaards.
Voor menig militair, die zwak is van karakter, is deze beproeving te
321
zwaar. Het duurt niet lang, of met weerzin en tegen de stem van zijn geweten in, begint hij de eerste vloeken uit te spreken; die eerste vloeken worden weldra gevolgd door andere en niet zelden wordt zulk een militair met verloop van tijd een eerste vloeker. Tegenover deze oorzaak van vloeken kan de militair niets anders stellen dan een vast besloten wil, zich niet te storen aan de praatjes van anderen, eenvoudig zijn plicht te doen en verder de minachting van gewe-tenlooze medemakkers in den grond van zijn hart te versmaden. Hij leze daarom aandachtig na, wat wij op bladz. 193 over het menschelijk opzicht gezegd hebben, en gedrage zich dienovereenkomstig.
c. De omgang met vloekers. De vloeker, gelijk wij gezien hebben, is een ergenisgever. Hij spoort door zijn kwaad voorbeeld anderen, met wie hij voortdurend omgaat, aan zich ⢠eveneens aan vloeken over te geven. ^ Juist aan dit ergenisgevend karakter van de vloekers moet men het toeschrijven, dat men te allen tijde aan
21
322
de militairen de ondeugd van vloeken ^
verweten heeft. Een militair dus, die e]
zich voor vloeken wil bewaren en de i1(
waarheid van het spreekwoord niet v
wil ondervinden; âwie met pik om- Zl
gaat wordt er mede besmeurd,quot; ai vluchte het gezelschap van die ramp-;
zalige medemakkers, welke niet soms g
en bij hoogst zeldzame uitzonderingen g(
zich een vloek laten ontvallen, maar ej
die voortdurend vloeken; want ver- jj,
mijdt hij hun gezelschap niet dan kan S(
het niet anders, of hij zal vroeg of g
laat aan hen gelijk worden, gelijk e]
wij op bladz. 207, sprekend over het a
gevaar van slechte vriendschappen, n
overvloedig bewezen hebben. z.
3°. Derde middel. Goed voor- h
nemen en gebed. Eindelijk een laat- S(
ste middel tegen het vloeken is een j]
krachtig besluit, van zich nooit aan zj
die zonde schuldig te maken en een v
vurig gebed, ten einde van God de a
genade te verkrijgen, om dit besluit -g
getrouw te blijven. Een krachtig be- y,
sluit vap, wat het ook kosten moge, ^
nimmer te vloeken, brengt wonder- ^
bare uitwerkselen te weeg in het hart ^ van den militair; want van den eeneu
323
kant sterkt het zijne zwakke krachten en van den anderen kant vermindert het de moeilijkheden. Nimmer te vloeken, of, wanneer men die rampzalige gewoonte min of meer heeft aangenomen, zich met geweld tegen die gewoonte te verzetten, is geene gemakkelijke zaak, vooral niet voor den militair. Daarvoor worden ver-eischt eene groote maat van zelfbe-heersching, waardoor hij zijne gramschap weet te bedwingen, eene edele grootheid van ziel, waardoor hij koud en onverschillig blijft tegenover de aanmerkingen van slechtgezinde medemakkers, eene voortdurende waakzaamheid over zich zeiven, waardoor hij in iedere omstandigheid het gezelschap van vloekers weet te vluchten. Doch hoe zal hij al deze voortreffelijke zielshoedanigheden verkrijgen zonder vast besluit, van zich nooit of nimmer aan een vloek schuldig te maken? Heeft hij zich eenmaal onherroepelijk voorgenomen eene of andere zaak te doen of te laten, dan vindt hij in dat besluit de noodige krachten om alle hinderpalen te overwinnen en alle
322
de militairen de ondeugd van vloeken k
verweten heeft. Een militair dus, die e
zich voor vloeken wil bewaren en de },
waarheid van het spreekwoord niet v
wil ondervinden: âwie met pik om- z
gaat wordt er mede besmeurd,quot; a
vluchte het gezelschap van die ramp- d
zalige medemakkers, welke niet soms g,
en bij hoogst zeldzame uitzonderingen d
zich een vloek laten ontvallen, maar e
die voortdurend vloeken; want ver- jj
mijdt hij hun gezelschap niet dan kan g,
het niet anders, of hij zal vroeg of g
laat aan hen gelijk worden, gelijk e
wij op bladz. 207, sprekend over het a
gevaar van slechte vriendschappen, n
overvloedig bewezen hebben. z
3°. Derde middel. Goed voor- ^
nemen es gebed. Eindelijk een laat- s,
ste middel tegen het vloeken is een f
krachtig besluit, van zich nooit aan z
die zonde schuldig te maken en een v
vurig gebed, ten einde van God de a
genade te verkrijgen, om dit besluit j
getrouw te blijven. Een krachtig be- y
sluit vap, wat het ook kosten moge, ^
nimmer te vloeken, brengt wonder-j ^
bare uitwerkselen te weeg in het hart jj van den militair; want van den eenen
323
kant sterkt het zijne zwakke krachten en van den anderen kant vermindert het de moeilijkheden. Nimmer te vloeken, of, wanneer men die rampzalige gewoonte min of meer heeft aangenomen, zich met geweld tegen die gewoonte te verzetten, is geene gemakkelijke zaak, vooral niet voor den militair. Daarvoor worden ver-eischt eene groote maat van zelfbe-heersching, waardoor hij zijne gramschap weet te bedwingen, eene edele grootheid van ziel, waardoor hij koud en onverschillig blijft tegenover de aanmerkingen van slechtgezinde medemakkers, eene voortdurende waakzaamheid over zich zeiven, waardoor hij in iedere omstandigheid het gezelschap van vloekers weet te vluchten. Doch hoe zal hij al deze voortreffelijke zielshoedanigheden verkrijgen zonder vast besluit, van zich nooit of nimmer aan een vloek schuldig te maken? Heeft hij zich eenmaal onherroepelijk voorgenomen eene of andere zaak te doen of te laten, dan vindt hij in dat besluit de noodige krachten om alle hinderpalen te overwinnen en alle
324
moeilijkheden te boven te komen. Doch is zijn voornemen minder sterk, dan zal hij op den duur niet stand houden tegenover de gevaren, maar vroeg of laat bezwijken. Dat de militair daarom iederen morgen eu iederen avond zich krachtig voor-neme, dien dag uiet te vloeken; dat hij zijn besluit hernieuwe in oogen-blïkken, waarin hij zich tot gramschap en toorn voelt aangehitst; dat hij de vloeken inwendig verafschuwe, die hij zoo dikwijls door anderen hoort uitspreken; dat hij zich door een of ander schietgebed b.v. Geloofd zij Jezus Christus, of Mijn Jezus barmhartigheid voor de arme vloekers, tegen hunne verleidende kracht trachte te wapenen; ja dat hij om zijn voornemen te versterken, zich zeiven een of andere boete oplegge, telkens als hij het ongeluk mocht gehad hebben van te vloeken b.v. dien dag niet te rooken, eene aalmoes te geven aan een arm mensch, enz. Doch hoe vast het besluit, dat de militair gemaakt heeft van niet te vloeken, ook zijn moge, hij verzuime niet door een vurig ge-
325
bed aan God de genade te vragen van volharding in zijn besluit. Want de mensch is zoo zwak, dat hij zelfs de krachtigste voornemens niet zal volbrengen, indien God hem daartoe niet de genade verleent. De geschiedenis van ieder mensch bewijst het meer dan overvloedig. Hoe dikwijls hebben wij de krachtigste besluiten gemaakt, en hoe dikwijls ook is het bij besluiten gebleven! Wil dus de militair volharden, dan moet hij dikwijls aan God de genade vragen, om zachtmoedig te zijn en zich niet tot drift te laten verleiden; de genade om het menschelijk opzicht met voeten te treden en alle vriendschap met vloekers af te breken; de genade, om een levendigeu afschuw te hebben voor het vloeken en voortdurend te bidden in de verschillende gevaren van vloeken. Alleen op deze wijze mag hij met reden vertrouwen, dat hij zijn besluit zal gestand blijven.
Ten slotte nog een enkel woord voor die militairen, welke eene gewoonte van vloeken hebben aangeno-i, die zij verafschuwen en waar-
jn.
rk, ad
,ar
de
eu
ar
lat
ïn-
hij it-ler is-â )or eren; er-ere ante en, rm be-ieft
326
tegen zij zich met kracht verzetten, 2. maar die hun soms bij verrassing en
tegen hunnen wil een vloek op de j lippen brengt. Dat zij zich door zulk
een ouvrijwilligen vloek niet laten die ontmoedigen, doch met vertrouwen
voortgaan op den ingeslagen weg. ma
Want wanneer een militair zijne ge- wij
woonte verafschuwt en met ijver en viCi
volharding de oorzaken van vloeken tin
zoekt te vermijden en de middelen gtr
aanwendt om zich van zijne slechte vvi:
gewoonte te ontdoen, dan zeggen alle me
godgeleerden, dat een vloek hem tegen mi
zijnen wil, bij verrassing en uit kracht (iu
van gewoonte ontvallen, door God niet do,
beschouwd wordt als zonde. Ja wat w
meer is, indien hij telkens na het dif
uitspreken van zulk een vloek de zij
woorden zegt: âGeloofd zij Jezus ee]
Christusquot; zich voor God vernedert ini
en zijn voornemen om niet te vloeken no
hernieuwt, dan kan hij zeker zijn, di( dat hij bijzonder aangenaam wordt
aan God en mag hij met het grootste LE
recht vertrouwen, binnen korten tijd ve
geheel en al van zijne ongelukkige rE
gewoonte genezen te zijn. quot;W
327
2. Middelen tegen de Onkuischheid.
De strijd tejren de zonde van on-kuischheid is de moeilijkste strijd, dien de mensch hier op aarde te voeren heeft; een strijd, waarin hij veel gemakkelijker overwonneling dan overwinnaar is. Quotidianu pugna, rara victoria: dagelijks, zegt de II. Augus-tinus moeten wij tegen die zonde strijden, zelden behalen wij de overwinning. En geldt dit van ieder menscli, het geldt nog meer van de militairen, wier zedelijkheid voortdurend zoowel in als buiten de kazerne door allerlei gevaren bedreigd wordt. Willen zij dus als overwinnaars uit dien strijd wederkeeren, dan moeten zij nog meer dan de andere menschen een vlijtig gebruik maken van de middelen, welke ter overwinning noodzakelijk zijn. Welke zijn dan die middelen ?
1°. Het eerste middel is eeke
levendige afschuw van die zonde, verkregen door de overweging barer boosheid en afschuwelijkheid.
Wat is onkuischheid ? Onkuischheid
328
is eene doodzonde en wél eene doodzonde, d-.e door God bijzonder gehaat wordt; den mensch op onbegrijpelijke wijze verlaagt; voor hem de bron wordt van alle andere zonden; hem schier onweerstaanbaar dwingt te zondigen en te blijven zondigen en de rampzaligste gevolgen voortbrengt naar lichaam en ziel, voor tijd en voor eeuwigheid:
a. Onkuischheid is eene doodzonde. Niets ziju onzuivere menscheu zoo gewoon, dau huuue schandelijke zonden door allerlei uitvluchten te willen verschoonen. Alles wordt door die ongelukkigen aangewend, om hunne schuld te verminderen en de stem van hun geweten tot zwijgen te brengen. De eeu beschouwt de onkuischheid als een onvermijdelijk gevolg der men-schelijke zwakheid, als eene hartstocht, waartegen hij zich te vergeefs zoekt te verzetten; een ander noemt het gebod om kuisch te leven een onmogelijk gebod, dat niemand kan opvolgen, omdat het 'smenschenkrachten te boven gaat; een derde gaat nog verder en schaamt zich niet door allerlei schandelijke redeneeringen,
329
hem door zijn verdierlijkt hart ingegeven, te beweren, dat onkuischheid eene geheel natuurlijke zaak is eu bijgevolg geene zonde kan zijn; ja zeer dikwijls wordt de deugd der kuischheid op allerlei wijze openlijk geschonden eu geeft men aan die zonden den schoonklinkeuden naam van welvoegelijkheiden welgemanierdheid. En zoo trachten veleu hunne schandelijke zonden van onkuischheid door allerlei drogredenen te verontschuldigen. Doch wat de onzuiveren ook mogen uitdenken, om zich van schuld vrij te pleiten, onkuischheid met volle kennis en vrijen wil bedreven, is en blijft een monster van boosheid, onkuischheid is en blijft doodzonde. De stelligste bewijzen verzekeren het. Het gezond verstand des menschen, en de inwendige overtuiging van een rein en onbedorven hart laten hieromtrent geen den minsten twijfel over. En wat hier alles afdoet, het onfeilbaar Woord van God verkondigt het allerduidelijkst. Ten tijde van den H. Apostel Paulus, toen de Christenen te midden der Heidenen
330
leefden, werden door de Heidenen, die zich overgaven aan de verregaandste zedeloosheid, dezelfde verontschuldigingen ingebracht als tegenwoordig. De Heidenen zochten de Christenen, wier reinen levenswandel zij bewonderden, door verschillende drogredenen tot onzuiverheid aan te sporen. De Apostel nu, bezorgd voor hun geestelijk heil, waarschuwt hen tegen die ergerlijkewoorden en zegt(Eph. V. 6.)vNemo âvos seducat inanibus verbis;quot; âLaat âniemand n door zulke ijdele woorden âverleiden.quot; âHoe enim scitote intelli-gentes,quot; âwant weet en begrijpt het: âgeen onzuiveren zullen deel hebben âaan het Kijk van Christus en van God.quot; En in zijnen eersten brief 6e Hoofdst. 9e vers aan de Corinthiers, in wier midden eenige onzuiveren leefden, herhaalde hij zijne woorden; ânolite errarelquot; âWilt toch niet dwalen: âgeen hoereerders, geen onzuiveren, âgeen ontuchtigen zullen het Rijk Gods beërven.quot; Duidelijker kon de H. Paulus niet spreken; hij noemt de onkuisch heid eene zonde, die oris buiten den hemel sluit en wat is dat anders dan
â
tsi
331
eene doodzonde? Of zouden soms de dagelijksche zonden ons ook buiten den hemel sluiten ? Zou God ons om kleine en geringe fouten voor eeuwig van zich afstooten en verwijzen naar de hel ? Neen, zulk eene handelwijze is geheel in strijd met Zijne oneindige goedheid en met de liefde, die Hij ons heeft toegedragen. Alleen de doodzonde kan die rampzalige scheiding te weeg brengen. Wat de onzuiveren dan ook mogen zeggen, het is niet te ontkennen: onknischheid is doodzonde.
Ja wat meer is, onknischheid is altijd doodzonde. Andere zonden, die uit haren aard doodzonden zijn, kunnen in zekere omstandigheid dagelijksche zonden worden. Diefstal b.v. is doodzonde; doch heeft het voorwerp, dat gestolen is, eene kleine waarde, dan is diefstal dagelijksche zonde. Kwaadspreken is uit zijnen aard doodzonde; doch is het nadeel, hetwelk men een ander door zijn kwaadspreken toebrengt, gering, dan is het slechts dagelijksche zonde. Maar zoo is het niet met de onkuischheid. Ieder onzuiver genoegen, iedere ongeoorloofde
332
voldoening, die rechtstreeks gezocht en bedoeld wordt, is altijd doodzonde. Doodzonden bijgevolg zijn vrijwillige onknische gedachten, vrijwillige on-knische begeerten, in den regel vrijwillige onkuische woorden, gesprekken of gezangen, eveneens onkuische oogopslagen, kussen, aanrakingen of handelingen. Van al deze zonden gelden de woorden des Apostels, dat zij voor hare bedrijvers den Hemel voor zich sluiten en het hellevuur openen. (I. Cor. VI. 9.)
h. Onkuischheid is eene doodzonde, die God bijzonder haat. God haat iedere zonde, omdat iedere zonde strijdt tegen Zijne oneindige Heiligheid ; toch zijn er sommige zonden, die God op geheel bijzondere wijze haat en onder deze komt zeer zeker ook de onzuiverheid. En waarom ? Omdat de zonde van onkuischheid eene geheel bijzondere beleediging toe- j voegt aan geheel de H. Drievuldigheid. Vooreerst is de zonde van onzuiverheid eene versmading van God den Vader. Bij de schepping schiep God den mensch naar Zijn beeld en ge- |
333
lijkeuis. Hij drukte in 's menschen ziel Zijn eigen beeld af, verzegelde haar met Zijn goddelijk zegel. Daardoor werd de mensch, die uitzich zeiven niets was dan een weinig stof en asch, groot en verheven en het voorwerp van Gods welbehagen, Die Zijn beeld in hem erkende en bewonderde. Doch wat doet nu de zonde van ouknischheid ? Zij misvormt niet alleen die gelijkenis, maar wischt haar geheel en al uit; zij verbreekt dat goddelijk zegel, berooft den mensch van zijne grootheid en welbehaaglijkheid voor God, en doet God den Vader derhalve denzelfden smaad aan, dien een zoon zijnen vader zou aandoen, door onder zijne oogen zijn portret te verscheuren. De zonde van ouknischheid is vervolgens eene versmading van God den Zoon. Want zij schendt een lichaam, dat verheven is geworden, wijl Jezus Zich met dezelfde natuur heeft willen bekleeden; dat daarenboven door de Verlossing Christus' eigendom is geworden ; door het Doopsel Hem is toegeheiligd, en door de nauwe vereeniging met het
33é
lichaam van Jezus in de H. Communie als vergoddelijkt is. 's Menschen ledematen zijn bijgevolg door de geheimzinnige vereeniging, die er bestaat tusschenbem en Christus, de ledematen van Jezus Christus. Zijne oogen, zijne handen, zijn hart behooren Jezus toe. En zou nu de mensch door de zonde van onkuischheid die ledematen van Jezus dienstbaar maken aau de zonde ? Die ledematen onteeren en verlagen ? Welk een smaad en oneer zou hij Jezus daardoor aandoen!
Ten slotte, de zonde van onkuischheid is eene versmading van God, den H. Geest, Het hart van den mensch is een tempel van den H. Geest. Weet gij niet, vraagt de Apostel aau de eerste Christenen, (I Cor. VI. 19.) dat
fij tempels zijt van den H. Geest en at de H. Geest in U woont ? Dien tempel nu besmeurt de onzuivere door zijne onkuische zonden. Met heilig-schennende hand rukt hij in zijn hart dien tempel van den waren God omver, breekt het altaar af, dat aan God was toegewijd, den troon, waarop Hij gewoon was te zetelen, en richtij tempels zijt van den H. Geest en at de H. Geest in U woont ? Dien tempel nu besmeurt de onzuivere door zijne onkuische zonden. Met heilig-schennende hand rukt hij in zijn hart dien tempel van den waren God omver, breekt het altaar af, dat aan God was toegewijd, den troon, waarop Hij gewoon was te zetelen, en richt
335
er een altaar op voor zrju afgod, de onkuischheid, een troon voor den on-zuiveren duivel. Met geweld ontheiligt hij dien geestelijken tempel, wijdt he_m toe aan den eeredienst der onreine hartstochten en stelt zich daardoor gelijk met die ongelukkigen,welke hunne heiligschennende handen slaan aan kerken, die zij berooven van hare sieraden en altaren, en veranderen van plaatsen van godsvrucht en heiligheid in plaatsen van ongebondenheid en zonde.
Geen wonder dan ook, dat geheel de H. Drievuldigheid, gevoelig voor den smaad, welke de onkuischheid Haar aandoet, die ongelukkige zonde op geheel bijzondere wijze haat en verfoeit. Geen wonder, dat God de Vader, die na de schepping getuigde, dat alles goed en volmaakt was, omdat Hij overal Zijn beeld zag weergegeven; nadat de zonde van onkuischheid over de wereld algemeen verspreid was, zulk eene walging gevoelde voor den mensch, die door zijne zonden Zijn beeld vernietigd had', dat Hij bedroefd werd, spijt gevoelde den mensch ge-
336
schapen te hebben, en besloot de schepselen, die zoo moedwillig Zijn beeld door de zonde vernietigd hadden, tegelijk met alles, wat door hunne aanraking bezoedeld was, door den zondvloed te verdelgen. Geen wonder, dat God de Zoon levendig getroffen door den smaad, Hem in Zijn geheimzinnig lichaam aangedaan, met verontwaardiging den onknischen zondaar toespreekt: âCui assimilasti me f' (Isai. XL. 25.) Ongelukkige! met wien hebt gij Mij durvenquot; gelijk stellen ? âprqjecisti me post corpus tuumquot; (Ezech. XXIII. 35.) gij hebt Mij ten achter gesteld bij uw eigen lichaam; rme servire fecisti in peccatis tuis (Isai XLIII. 24.) gij hebt Mijne lede maten dienstbaar gemaakt aan uwe schandelijke voldoeningen. Geen wonder, dat de H. Geest, verontwaardigd over de ontheiliging, die de onkuisch-aard Zijnen tempel aandoet, hem verwijtend toevoegt: idolistuis,quae fecisti, polluius es,quot; (Ezech. XXIV. 4.) door de afgoden, die gij u gemaakt hebt, door uwe schandelijke driften, zijt gij zelf verontreinigd geworden
337
en hiermede niet tevreden, hebt gij de hand uitgestoken naar Mijnen tempel en haar bezoedeld ; âpolluerunt domum meani.quot; (Ezech. XXII. 26 ) gij hebt Mij als een voorwerp van afschuw voor u gemaakt, âposuerunt me dbominationem s/fc?V'(Ps.LXXXVII. 9.) maar vrees, want eenmaal zal Ik al die gruwelen op u verhalen; âpo-nam contra te omnes abominationes tuas.quot; (Ezech. VII. 3.)
c. Onkuischhetd is eene doodzonde, die den mensch op onbegrijpelijke wijze verlaagt. Toen de mensch in eere was, zegt de H. Schriftuur, (Ps. XLVIII. 13.) heeft hij zijne grootheid niet begrepen, maar zich met de dieren gelijk gesteld en is hen gelijk geworden. Vernederend vonnis, dat over iederen onzuivere wordt uitgesproken! Naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, toegerust met de edelste hoedanigheden van lichaam en ziel, is de mensch waarlijk groot en verheven, bezit hij eene waardigheid, die slechts weinig onderdoet voor die der Engelen. Doch in plaats van zich overeenkomstig zijne waardigheid te
338
gedragen, gaat hij door de schandelijkste driften en hartstochten die waardigheid door het slijk sleuren, verloochent al die edele hoedanigheden, waardoor hij ver boven derede-looze dieren verheven is, en maakt zich aan hen gelijk. Want, zooals de H. Bernardus terecht zegt; de hoogmoed is de zonde der Engelen, de onrechtvaardigheid die der men-schen, maar de onzuiverheid die der dieren. Verblind door zijne lage lusten, bekommert hij zich niet om den adel van zijne goddelijke afkomst en zoekt hij zijn genoegen in de modder der ontucht. Het spijt hem bijna, dat hij als mensch is geboren en in zijn verstand, zoowel bij zich zeiven als hij anderen, een teugel vindt voor zijne schandelijke lusten en booze hartstochten. In eén woord hij is naar lichaam en ziel verdierlijkt en verdient teu volle den vernederenden naam, waarmede de H. Schriftuur hem noemt, van een onreinen hond, (Apoc. XXII- 15.) van een zwijn,' dat zich rondwentelt in den draf zijner ontucht. (II Petri. II. 22.) Hij denkt als eeu dier zou
339
denken, hij spreekt als een dier zou spreken, hij handelt als een dier. Ta, wat nog erger is, de onkuische verlaagt zich tot beneden het dier. Want het dier vindt in zijn instinct nog een teugel, die het houdt binnen de palen door de natuur voorgeschreven, het dier gunt zich niet alle voldoeningen, welke het in staat is te genieten, maar de ontuchtige is teugelloos in zijne hartstochten. Hij misbruikt zijn verstand, om door uitgezochte listen zijne bedorven hartstochten voldoening te schenken; hij misbruikt zijne vrijheid, om de schreeuwendste buitensporigheden te plegen; hij misbruikt zijn geld, zijn gezag, zijne vriendschapsrechten ; in één woord alles, om alle gevoel van menschelijkheid uit te schudden en zich te verdierlijken.
Had de H. Hieronymus nu niet gelijk, toen hij geene zoude zoo schandelijk en menschonteerend noemde als de zonde van onkuischheid ? Geen wonder dan ook, dat de onkuische geschandvlekt is niet alleen in de oogeii van God, zijne Engelen en zijne Hei-
340
ligen, maar ook in de oogen der kan menschen, ja zelfs in die van de deel- denk genooten zijner schuldige vermaken en zelf van de duivelen. God, die de zuiver- n heid zoozeer bemint en zijn vermaak vindt te weiden tusschen de lelien, dat wil zeggen, om te gaan met zuivere zielen, heeft een onuitsprekelijke walg van den ontuchtige; de Engelen, die zuivere geesten zijn, wenden met afschuw het gelaat van hem af; de Heiligen, die op aarde geen schoouere deugd gekend hebben dan de zuiverheid en met zooveel moed uit liefde tot die deugd gestreden hebben, ver-achten_ hem in het diepste van hun hart; ieder weldenkend mensch ontvlucht hem alsot hij door eene besmettelijke ziekte was aangestoken:
zijne eigene medemakkers, hoezeer ook deelgenooten zijner schuldige vermaken, hebben allen eerbied voor hem verloren; ja zelfs de duivel, zegt een heilige, heeft zulk een afschuw voor den onzuivere, dat hij hem met grooten weerzin tegen de zuiverheid bekoort en alleen gedreven door zijnen grimmigen haat tegen God daartoe
341
der kan besluiten. En wat de onzuivere deel- denkt van zich zelven, hoezeer hg en zelf het verlagende van zijne schan-lver- delijke driften gevoelt, bewijst de na-â¡aak tuurlijke schaamte, waarmede hij zijne i dat zonde voor het publiek poogt te vere verbergen. Waarom anders zoekt hij r^g bij voorkeur stille, afgelegene en verborgene plaatsen? Waarom hult hij zijne zonde het liefst in den dekmantel van nachtelijke duisternis ? Waarom durft hij zijne schanddaden nooit bekennen en schrikt hij dikwijls niet terug voor meineed, om zijne onschuld bij anderen staande te houden? Waarom kan men hem ongestraft van andere zonden beschuldigen, maar duldt hij niet, dat zijne zedelijkheid zelfs in de minste verdenking gebracht wordt ? Waarom anders, dan omdat hij zelf levendig gevoelt, op welk eene onbegrijpelijke wijze hij door de zonde van onkuischheid verlaagd wordt ?
d. Onkuischheid is eene doodzonde, die voor den mensch een overvloedige bron wordt van alle andere zonden. âWanneer de onreine geest,zegt Jezus,
34:2
âhethart van den meusch binnentreedt, âdan neemt hij zeven andere duive- ste âlen in zijn gevolg mede, die nog âslechter en boozer zijn dan hij zelf, ^ ren zij gaan zijn hart binnen en \vo-ânen daar.quot; (Matth. XII. 45.) Door si£ deze woorden wil de Goddelijke Za- âi ligmaker ons te kennen geven, dat jjj, de onzuiverheid eene der zeven hoofd-zonden is, die bijna alle andere zonden ei in haar gevolg heeft en aan zich dienst- 01 baar maakt. En met recht. Een onzuiver üj mensch, die zich door zijne harts- y1( tochten laat medeslepen, valt van afgrond in afgrond en wordt zoozeer 0 de slaaf van zijne hartstochten, dat y hij blindelings gehoorzaamt aan alles, ^ wat deze hem voorschrijven en tot o alles in staat is, Geene zonden zijn zoo s groot, geeue gruwelen zoo ongehoord, lt; of de onzuivere kan ze bedrijven, ] wanneer zij ter voldoening van zijne schandelijke lusten noodzakelijk zijn. ( De onzuiverheid kweekt afgunst en jaloerschheid, haat en vijandschap,
twist en tweedracht tusschen de leden van hetzelfde huisgezin, tusschen vrienden en betrekkingen. De
343
onzuiverheid doet de goederen van het huisgezin verkwisten of de handen uitsteken naar de bezittingen van anderen. 'tls om aan hare eischen voldoening te geven, dat de moordenaar den dolk wet, waarmede hij zijn slachtoffer zal doorsteken, of het vergift bereidt, hetwelk eenen gehaten mededinger zal verwijderen. Zij spoort hem aan, om met trouwelooze beloften en bedriegeiijke eeden de deugd van onscliuldigen te behagen; zij schrikt niet terug voor de gruwzaamste heiligschennissen gepleegd op geheiligde plaatsen, aan God gewijde zaken of personen, indien hij daarin een middel ziet, om zijne onzuivere oogmerken te bereiken. Zij eerbiedigt geen geheiligde banden van bloed- of aanverwantschap, die de natuur zelve gelegd heeft. De bedorvenheid des harten, als gevolg van herhaalde on-kuischheid, brengt het ongeloof over de aarde en scheurt geheeTe volkeren van de ééne en ware zaligmakende kerk af; stort wanhoop en vertwijfeling in de harten der menschen; doet hem sterven in koudheid en onver-
344
schilligheid met de vreeselijkste godslasteringen op de lippen in het gezicht Tan eene eindelooze en rampzalige eeuwigheid; of geeft hare slachtoffers het rampzalige besluit in, met geweld een einde te maken aan een bestaan, dat van wellusten oververzadigd een walg en afkeer heeft van het leven. In één woord de onknisch-heid is de vruchtbare bron van alle zonden en misdaden.
e. De onkuischheid is eene zonde, die den niensch schier onweerstaanbaar dwingt te zondigen en te blijven zondigen. Een dief steelt alleen, wanneer hij in de gelegenheid is, of door geldgebrek gedrongen wordt. Een vloeker zal gewoonlijk niet vloeken, of hij moet door drift vervoerd zijn. Een dronkaard bedrinkt zich alleen, wanneer hij geld heeft om de herbergen te bezoeken. Maar een onzuivere, die aan de hartstocht verslaafd is, (en hoe spoedig is men aan die ongeluk-lige hartstocht niet verslaafd!) zondigt schier voortdurend. De eerste gedachte, waarmede hij opstaat, is eene onzuivere gedachte; de gedach-
345
ten, waarmede hij zich gedurende den loop van den dag bezig houdt, zyn eveneens vol van onreine voorstellin-gen; de laatste gedachte, waarmede hij inslaapt, is wederom een gedachte, die hem geheel onwaardig is; ja zelfs gedurende den slaap wordt die keten van schandelijke voorstellingen niet verbroken. De onzuivere zondigt vervolgens op allerlei plaatsen. Al zoekt hij bij voorkeur geheime en verborgene plaatsen, hij schaamt zich niet soms openlijk in tegenwoordighied van anderen te zondigen; ja geen plaats is zoo heilig, of zij wordt door den onzuivere bezoedeld, indien zijne hartstocht hem daartoe aanzet. De onzuivere zondigt op allerlei wijzen; nu eens zijn het gedachten, dan begeerten, dan oogopslagen, dan woorden, dan kussen, dan aanrakingen enz. Nu eens zondigt hij met zich zeiven, dan met anderen, nu eens met personen van hetzelfde geslacht, dan wederom met die van het ander geslacht, nu eens met gehuwden dan met ouge-huwden, nu eens met bloedverwanten
346
dan wederom met aanyerwanten, ja zelfs de heiligste banden, door natuur of godsdienst gelogd, worden door hem niet ontzien. De onziiivere zondigt met al zijne vermogens van ziel en lichaam. Het verstand wordt misbruikt door onreine gedachten, de verbeelding door oneerbare voorstellingen, de wil door schandelijke verlangens en begeerten. De zintuigen des lichaams, de oogen, de ooren, de mond, de handen en voeten, ja het geheele lichaam is in dienst der zonde. In één woord de hartstocht van onkuischheid maakt zich meester van geheel den mensch, zij spoort hem voortdurend aan tot allerlei zonden op allerlei wijze bedreven, vermenigvul digt zijne zouden tot in het oneindige en zegt nooit âhet is genoeg, ik ben voldaan,quot; maar vraagt altijd meer en is onverzadelijk. Geen wonder dan ook, dat de mensch, die zich aan deze zonde overgeeft, in den volsten zin van het woord een slaaf wordt, die aan de zonde verkocht is âvenumdatus sub peccato'' (Hom. VII. 14.) ja, dat hij een juk op zich heeft genomen,
347
dat hij niet dan met de uiterste inspanning kan afwerpen.
O hoe vele ongelukkigen zuchten onder het schandelijk juk der onkuisch-heid, beweenen hunne ergerelijke afdwalingen met oprechte tranen van berouw,stellenpogingen iuhetwerk,omde kluisters, waarmede zij aan de zonde verbonden zijn, te verbreken, maken na iedere zoude duizenden voornemens om zich te verbeteren en vallen nochtans telkens bij de eerste bekoring in de zonde terug! Waarom? Omdat de zonde eene tweede natuur is geworden; want de gewoonte van zondigen, zegt de H. Isodorus, (Lib. II. cap. 39) verandert de zonde in eene tweede natuur. Het is waar, men kan zich verbeteren, getuigen de H. Augustinus en zoovele andere Heiligen, die vroeger groote zondaren waren; maar niet dan ten koste van voortdurende en bovenmenschelijke inspanning, doch daar geen andere zonde zoozeer de krachten van's men-schen wil ontzenuwt als de zonde van onzuiverheid, is het alleszins te vreezen, dat de onkuische hoe
348
langer zoo dieper in de zonde zal begraven worden en wanhopend aan zijne eigene bekeering zich gewonnen geeft en door zijne hartstocht laat leiden, waar deze wil.
f. De onkuischheid is eene zonde, die voor den mensch de rampzaligste gevolgen voortbrengt naar lichaam en ziel, voor tijd en voor eeuwigheid. Ieder zondaar plukt bittere en wrange vruchten van zijne zonden; maar voor niemand zijn die vruchten zoo bitter en wrang als voor den onzuivere. Want de onzuiverheid werkt uiterst nadeelig op zijn lichaam, verwondt zoowel de natuurlijke als de bovennatuurlijke krachten zijner ziel, maakt hem ongelukkig op aarde, en nog veel ongelukkiger na zijnen dood. De onkuischheid werkt vooreerst uiterst nadeelig op het lichaam van den onzuivere. Men vraagt zich soms af, waarom een jongeling, die eertijds frisch, gezand en sterk scheen, binnen koeten tijd geheel en al veranderd is ? De frissche kleur van zijn gelaat is verdwenen, de levendigheid en de uitdrukking zijner oogeu is
349
vergaan, zijne vroolijkheid en levenslustigheid, waardoor hij de ziel was van ieder gezelschap, heeft opgehouden te bestaan. Hij is bleek geworden, zijne oogen staan flets, hij onttrekt zich zooveel mogelijk aan vroolijke en opgeruimde gezelschappen, is liever niet aangesproken en alleen, in één woord hij kwijnt zichtbaar, en ouders en bloedverwanten zijn reeds beducht, dat eene of andere sleepende ziekte hem weldra aan het ziekbed zal vastkluisteren. O konden zij slechts eenen enkelen blik werpen in zijn hart, het geheim zou spoedig voor hen zijn opgelost! Zij zouden de ziekte weten, 'die knaagt aan het leven van hunnen zoon, zij zouden zien, hoe de ongelukkige gewoonte van alleen, zonder getuigen tegen de H. Deugd te zondigen, de krachten van zijn lichaam uitput en bezig is een lichaam te sloopen, dat in de kracht des levens als een offer der onkuischheid moet sterven. Ons hart wordt dikwijls zeer pijnlijk aangedaan, indien wij groote ziekenhuizen en hospitalen bezoeken en wij zien
350
daar al de verschrikkelijke gedaanten, waarin menschelijk lijden en ellende zich vertoonen. Langdurig lijden, vergezeld van vreeselijke pijnen en benauwdheden ; afzichtelijke en walgelijke ziekten; jammerlijk misvormde ledematen; het bederf, reeds vóór den dood, het bezit van het lichaam der menschen aan het leven betwistend. Wij vragen ons zeiven dikwijls af, hoe kan God zulk lijden voor den mensch toelaten ? Waarom gebiedt Hij niet aan den dood, een einde te maken aan zulk een pijnlijk en langdurig martelaarschap ? En wij vergeten de woorden der H. Schriftuur : per quae â peccat quis. per haec et torquetur. (Sap. XL 17.) waarin gij gezondigd zult hebben, daarin zult gij gestraft worden. Die ongelukkigen zijn dikwijls onzuiveren, welke door de pijnen des lichaams de zonden in het lichaam bedreven uitboeten; want volgens de verklaring der geneesheeren, brengt geene zonde meer ziekten over de aarde dan wellust en ongebondenheid. Hoe dikwijls zelfs gaan bij de onzuiveren die andere woor-
351
den der H. Schriftuur in vervulling-: âstipendia autem peccati mors-.quot; de straf van de zonde is de dood. (Rom. VI. 23.) Hoevele jongelieden, door hunne buitensporigheden te vroeg oud geworden en als versleten door de ondeugd, zijn gestorven in eenen leeftijd, waarin zij nog vele jaren levens konden verwachten. O indien wij de graven der kerkhoven konden openen en alle slachtoffers der onkuischheid oproepen, hoe ontzettend groot zou hun aantal zijn! Ja de onkuischheid is degroote vijandin van het menschelijk lichaam. Zij put de krachten van het menschelijk lichaam uit, maakt jongelingen in de kracht van hun leven gelijk aan afgeleefde grijsaards, verspreidt over de aarde zoovele ziekten en ellende, doet zoovele menschen voor hun tijd ten grave nederdalen.
De onkuischheid wondt vervolgens zoowel de natuurlijke als de bovennatuurlijke krachten der menschelijke ziel. Het verstand van den onzuivere wordt verduisterd, hij kan zich bijna niet meer bezig houden met ernstige
352
gedachten, of met gewichtige zaken; zijn geheugen vermindert en zijne verbeelding verzwakt; hij is den ge-heelen dag bezig met alles, wat voedsel kan geven aan zijne hartstocht, en daarom vergeet bij te denken aan datgene, wat zijne plichten hem voorschrijven. Maar vooral zijn wil wordt beroofd van alle kracht. Alles, wat hem maar eenige moeite en inspanning kost, is hem onmogelijk. Misschien zal hij zich soms geweld willen aandoen, maar dat geweld duurt slechts een zeer kort oogenblik en wordt spoedig opgevolgd door onmacht en machteloosheid. Met recht zeide dan ook de beroemde Fransche geneesheer Tissot: âGeene aansteke-âlijke ziekte verzwakt zoozeer de ânatuurlijke krachten, ontzenuwt zoo-âzeer de'jeugd, verstompt zoozeer het âgeheugen en het verstand, als de on-âkuische liefde.quot; Hetgeen door de ondervinding bevestigd wordt, die leert, dat eene onzuivere, welke zich door zijne hartstocht laatmedesleepen,nooit een man van zaken is, maar weiiemand, die zijne zaken verwaarloost en als
353
hij getrouwd is, zijn huisgezin vroeg of laat tot den bedelstaf brengt.
Doch is de wonde, welke de on-kuischheid aan denatuurlijke krachten der ziel toebrengt, reeds zoo groot, hoe groot zal de wonde dan niet zijn, welke door deze zonde aan hare bovennatuurlijke krachten wordt toegebracht ? Is een onzuivere reeds zoo weinig waard voor aardsche zaken, hoe veel minder zal hij dan waard zijn voor geestelijke zaken ? Zijn verstand is geheel en al ontoegankelijk voor het schitterend licht des geloofs; wat meer is, zijn geloof wordt dikwijls geheel ondermijnd en lijdt niet zelden eene volkomene schipbreuk. Zoek bij hem geene waarheden, die, door een bovennatuurlijk licht bestraald, zijne gansche ziel beheerschen en voor hem eene voortdurende beweegreden worden van groote en verdienstelijke daden; verwacht niet bij hem eene heldere kennis van God en de geopenbaarde waarheden zooals over de waarde zijner ziel, de boosheid der doozonde, de verschrikkelijkheid der eeuwige
28
354
hel. Neen âde vleescligezinfle mensch, âzegt de H. Apostel Paulas, (I Oor. âII. 14.) begrijpt niet wat van den rgeest God is,quot; hij is te zeer met zijne gedachten gehecht aan de aardsche zaken, dan dat hij tot de overdenking van God en de goddelijke zaken kan opklimmen. Gelukkig zelfs mag hij zich achten, indien hij het geloof aan die bovennatuurlijke waarheden niet verliest, want duizenden malen bewijst de ondervinding de waarheid der woorden van den H. Alphonsus: âHet bederf van het hart stijgt op ânaar het hoofd en doet er het geloof âuit verdwijnen.quot; Dat er tegenwoordig zoovele ongeloovigen zijn, zoovele openbare spotters met God en de geopenbaarde waarheden, is vooral toe te schrijven aan de onzuiverheid. Was hun hart niet bedorven door die ongelukkige hartstocht, zij zouden geene moeite maken alle waarheden, die zij nu verwerpen, aan te nemen. Waarom toch spot de onzuivere met de hel ? Omdat hij, bevreesd voor de straffen, die hij eenmaal zal moeten ondergaan, zich gaarne wijs wil
*
355
maken, dat er geene hel is. En gelijk het verstand van den onzuivere buiten den invloed van het geloof is en derhalve overgegeven aan de grofste onwetenheid omtrent de geopenbaarde waarheden, zoo heeft zijn wil niet de versterking der meer overvloedige genade en blijft dus als 't ware overgegeven aan zijne oorspronkelijke bedorvenheid. Te vergeefs zult gij bij hem de deugden zoeken, die een christen passen; hij zal ze niet beoefenen, of zoo hij zich ook al op die deugden wilde toeleggen, hij vindt geene krachten om daarin te slagen. âWant de onzuiverheid, zegt te recht âde H. Thomas a Villanova, werkt âgelijk een vuur en laat bij de men-âschen, die het heeft aangetast, niets âonaangeroerd; het verstikt alle deug-âden in de ziel, neemt al het goede, âdat haar versiert daaruit weg en âontneemt haar zelfs de krachten om âhet goede te willen.quot;
Eindelijk de onzuiverheid maakt den mensch ongelukkig in den tijd en in de eeuwigheid. âOmdat gij mij ver-âgetenheb^ zegt God (Ezech.XXII.35.)
356
âen mij verworpen hebt om de lusten âuws lichaams te bevredigen, draag ânn ook uw kwaad,quot; d. w. z. draag nu reeds hier op aarde de straffen, welke gij om uwe zonden verdiend hebt. Verschrikkelijk strafvonnis, dat hier op aarde den onzuivere met de zwaarste en meest verscheidene straffen bedreigt, welke soms afzonderlijk, soms vereenigd aan dezen of genen zondaar voltrokken worden! Straffen naar het lichaam, hetwelk nu eens met pijnlijke en vernederende ziekten
feslagen, dan wederom in den bloei er jaren als een offer van den dood wordt nedergeveld; straffen naar de ziel, die in hare edelste vermogens gekrenkt wordt, en niet zelden de slachtoffers der onkuischheid van het gebruik des verstands beroofd en opgesloten ziet in gestichten voor krankzinnigen; straffen in tijdelijke zaken en ondernemingen, die dikwijls voor onzuiveren niet gelukken, maar door Gods vloek getroffen, hoelanger zoo meer achteruitgaan ; straffen in de dierbaarste betrekkingen, in echt-genoote en kinderen, die door de geld-
357
verkwisting der onreinen dikwijls van gebrek en ellende omkomen, of door God van hunne zijde worden weggerukt ; straffen eindelijk in het geweten, waaruit voor de onkuischen alle vrede gebannen is, dat door wroeging verteerd, hen dikwijls zulk een walg geeft voor het leven, dat zij het rampzalig besluit maken door zelfmoord een einde aan hetzelve te maken. En o welke straffen wachten hen in die lange, eindeluoze eeuwigheid ! Want de onkuiscliheid is de zonde, die de meeste menschen in de hel brengt en in de hel het zwaarste gestraft wordt. âVangt de duivel, âzegt de H. Alphonsus, door de andere âzonden de zielen als met een angel, âdoor de onzuiverheid vangt hij haar âals met een net.quot; En daarom aarzelt hij niet te verklaren, dat âallen, die âverdoemd worden, ofwel om de zonde âvan onkuischheid of ten minste niet âzonder de zonde van onkuischheid aan âde eeuwige straffen worden overge-âleverd.quot; Worden de andere zonden zwaar gestraft, deze zonde, die zoo dikwijls bedreven wordt, vindt geheel
358
eigenaardige straffen, wier verschrikkelijkheid de stoutste verbeelding verre te boven gaat.
Dat de R. K militair, die zich voor de zonde van onkuischheid wil bewaren, de waarheden, welke wij hier hebben uiteengezet, ernstig over-denke; dat hij ze niet eens maar zeer dikwijls overleze, ten einde daardoor een levendigen haat en een grooten afschuw van die zonde bij zich op te wekken. Want is hij niet bezield met een grooten haat tegen de zonde van onkuischheid, dan zal hij bij de vele gevaren, die hij beloopt van tegen de H. Deugd te zondigen en bij de verleiding, waarmede de bekoringen van onzuiverheid zich aan zijn geest voordoen, zeker de krachten missen, om zich rein en onbevlekt te bewaren. Doch aan dien levendigen. afschuw voor het kwaad, voege hij ook eene gestadige vlucht der gevaren van onzuiverheid.
Tweede middel : Het vltichtem
van de gevaren der onzuiverheid.
Een militair, die vlucht voor den vijand is een lafaard en stelt zijn leger bloot
359
aan eene nederlaag. Doch in den strijd tegen de vi.ianden van onze zaligheid en vooral in den strijd tegen de zonden van onkuischheid is het juist omgekeerd. âDaar, zegt de H. âPhilippus Nerius, zijn de lafaards âd. w. z. zij, die de gevaren van zengde vluchten, de overwinnaars, ter-âwijl de moedigen, d. \v. z., zij, die âsteunend op eigen krachten zich vrij-âwillig aan de gevaren blootstellen, âde overwonnenen zijn.quot; De militair, die kuisch en rein wil leven, moet bijgevolg de gevaren van onkuischheid vluchten. Doch welke zijn nu die gevaren ? Wij zullen ze samenvatten onder deze vijf: de ledigheid, de onmatigheid, het lezen van slechte boeken, de vriendschap met slechte vrienden, de omgang met personen van het ander geslacht.
a. De ledigheid. Ledigheid, zegt het spreekwoord, is het oorkussen van den duivel. De H. Schriftuur bevestigt dit door te zeggen ; (Eccli. XXXIII 29.) âdat de ledigheid den mensch veel âkwaad geleerd heeft.quot; Dit geldt vooral van de zonde van onkuischheid.
360
Een ledig mensch, die lui en vadsig is en zich gewoon maakt dikwijls niets te doen, is doorgaans een onzuiver mensch. De reden daarvan is duidelijk; want de ledigheid opent de deur voor allerlei onzuivere gedachten, voorstellingen en begeerten, die van zelf uit ons bedorven hart voortkomen en op hare beurt ons tot onzuivere woorden en onzuivere handelingen aansporen. Daarom zeide de H Bernardus: (De inodo bene vi-veudi cap. XV.) âeen ledig mensch âheeft geen duivel noodig om hem tot âzonde te bekoren, daar zijn bedorven ânatuur hem van zelf tot zonde zal âaanzetten.quot; En met recht: Duizenden slechte gedachten en begeerten, alle zouden van onkuischheld, die alleen en zonder getuigen geschieden, vele oneerbare gesprekken en gezangen, verschillende onkuische werken kunnen aan gene andere oorzaak worden toegeschreven, dan aan de luiheid, de vadsigheid, het niets doen. Dit is zoo waar, dat zelfs de heidenen door deze oorzaak de verregaande zedeloosheid verklaarden, waaraan
f
361
de meesten hunner zich overgaven, en dat hunne dichters en wijsgeeren aan allen, die kuisch wilden leven, den raad gaven, zich van de ledigheid te onthouden en met ijver op eene of andere zaak toe te leggen. De militair, die zijne zuiverheid op prijs stelt, vluchte dus de ledigheid. Hij ga niet, zooals sommigen zijner wapenbroeders doen, dag in dag uit onmiddellijk na de middagoefeningen op zijn stroozak liggen en zich in den vollen zin des woords overgeven aan luiheid, maar wachte den bepaalden tijd van slapen af, tenzij hij zich dien dag bijzonder vermoeid hebbe, of door nachtwacht aanmerkelijk van zijne nachtrust heeft moeten missen, en toch, zelfs in dat
feval doet hij beter te wachten tot e gewone tijd van slapen daar is, omdat de nachtrust, welke aau de militairen gegund wordt, altijd lang genoeg is. Gedurende den tijd, dien hij in de wachtkamer doorbrengt, zorge hij eveneens de ledigheid te ontvluchten. Hij houde zich daarom bezig met bet lezen van een goed boekeval doet hij beter te wachten tot e gewone tijd van slapen daar is, omdat de nachtrust, welke aau de militairen gegund wordt, altijd lang genoeg is. Gedurende den tijd, dien hij in de wachtkamer doorbrengt, zorge hij eveneens de ledigheid te ontvluchten. Hij houde zich daarom bezig met bet lezen van een goed boek
362
of met aangename enpassende gesprek- on:
ken. Staat hij voor een wachthuisje ny
te schilderen, dan geve hij aan zijne Ef
gedachten niet den vrijen loop, maar âh:
drage zorg zich met goede en heilige ân;
gedachten onledig te houden of nu de
en dan een weinig te bidden, daar we
hij anders in groot gevaar verkeert of
ongeoorloofde gedachten in zijnen pli
geest toe te laten en in zonde te zij
vallen. Eveneens zorge hij des Zon- de
dags of wanneer hij in den namiddag le(
vrij van dienst is, niet doelloos langs re
de straten te slenteren, of te blijven kt
hangen op de kamer, maar begeve in
zich aanstonds, wanneer hij niets te w
poetsen of geen ander werk in de ki
kazerne te verrichten heeft, naar de bï
Militaire Vereeniging, waar hij zich in
op aangename wijze kan ontspannen in
zonder de rampzalige gevolgen van le
ledigen tijd en verveling te moeten d(
vreezen. hi
b. De onmatigheid. Een tweede st gevaar voor de kuischheid is de on- j b( matigheid in het gebruik van spijs j o1
en meer nog in het gebruik van drank. s(
Onmatige menscheu zijn of worden sj
363
onzuivere menschen. De H. Hiero-nymus getuigt het vlakaf: (Lib. II. Ep. VI.) âIk zal nooit gelooven, ze^t âhij, dat onmatige menschen kuische âmenschen zijn.quot; Eu gelden deze woorden in het algemeen van iedereen, welken leeftijd hij ook bereikt hebbe, of in welken stand hij ook moge geplaatst zijn, hoeveel eerder zullen zij dan niet van toepassing zijn op de militairen, die zoowel door hunnen leeftijd als door hunnen stand toch reeds aan zoovele gevaren van on-kuischheid zijn blootgesteld. De hitte immers van het jeugdig bloed, hetwelk nog vol frischheid en levenskracht in hunne aderen rondstroomt, brengt het lichaam van zelf dikwijls in opstand tegen de rede, het vleesch in verzet tegen den geest; de verleiding, die zij zoowel in als buiten de kazerne ondervinden, maakt het hun reeds moeilijk genoeg om weerstand fe bieden aan alle onzuivere bekoringen, welke hen voortdurend overvallen. Gaan zij nu door eigen schuld, door een onmatig gebruik van spijs en vooral van drank den opstand
364
van het vleesch tegen den geest nog grooter maken en de bekoringen van onzuiverheid vermeerdereu en verzwaren, wat anders zal er dan uit volo-eu dau zoude eu herhaalde zoude? Wil de militair dus kuisch en zuiver leven, dau vliede hij de onmatigheid en onthoude zich zooveel mogelijk van alleu sterken drank. âWant âde sterke drank, zegt de H. Hiero-ânymus, (Epist. ad Eustoch.) is een âder eerste wapenen, waarmede de âduivel de jeugd aanvalt. De jeugd âiu vereeuiging met sterke dranken âis een dubbel vuur voor de ouzuiver-âheid. Waarom, vervolgt hij, zullen âwij dau olie iu het vuur storten ? âWaarom geven wij aan het lichaam, âhetwelk uit zich zelf vurig genoeg âis, datgene, wat het nog meer doet âbranden?quot; In de volgendebladzijdeu zullen wij bij de bespreking der dronkenschap uitvoeriger hierover handelen.
c. Het lezen van slechte hoeken. Nog gevaarlijker voor de goede zeden dan de ledigheid en de onmatigheid is het lezen van slechte boekeu. Die
365
eenmaal een slecht boek gelezen heeft, heeft gewoonlijk zijne zuiverheid voor langen tijd, soms zelfs onherroepelijk verloren. Want de behendige en verleidelijke wijze, waarop de onzuiverheid in die boeken wordt voorgesteld, aangeprezen en verdedigd, de aaiige-name stijl en de levendige schilderingen, die erin voorkomen, de kunsten en listen, waarmede de held van den minnehandel zijne oneerbare plannen zoekt te bereiken, de hartstochtelijke uitdrukkingen en teedere ge-⢠voelens, welke hem worden toegeschreven, de toegeeflijkheid, waarmede men zijn groote zonden tracht te vergoelijken, datalles is uiterst geschikt om een zeer nadeeligen invloed op het hart van den lezer uit te oefenen en hem in eens te bederven. Een slecht boek mist dan ook bijna nooit zijn doel. Het laat altijd een aller-levendigsten indruk achter in de ziel van hem, die het leest, vermindert den afschuw voor het kwaad, vervult zijn hart met onzuivere gedachten en inbeeldingen, die hij niet meer als zonden aanziet, wekt in zijn binnen-
366
ste begeerten en verlangens op, die Hij
hij niet meer als allerschandelijkst sle(
beschouwt, spoort hem aan tot onzni- sch
vere handelingen, die hij als kleine doe
misstappen zag verdedigd, en prik- en
kelt zijne leeslust dikwijls op zulk de
eene wijze, dat hij ten slotte in niets in
genoegen vindt dan in zulke boeken, nie
zich aan hunne lezing verslaaft en dri
geheel en al onzuiver wordt. Hoe zij'
menig jongeling helaas zou door eigene del
ondervinding de waarheid dezer woor- len
den kunnen bevestigen ! zej
Niet minder dus dan voor de beide. be(
vorige gevaren van onkuischheid moet is
de militair zich ook wachten voor an
dit gevaar. Hoe dikwerf toch wor- en
den in de bibliotheken van de cantines zw en de hospitalen boeken aangeboden,
die iu meerdere of mindere mate zulk i va
een verderfelijk vergift voor de zeden en
bevatten ! Hoe dikwerf ook trachten nii slechte en bedorvene militairen hunne 1 ov
medemakkers door het uitleenen van sc
dergelijke schandschriften te verlei- na den! De militair, die zijne kuischheid l ^ op prijs stelt, make daarom het vaste 1 sti
besluit nooit zulke boeken te lezen. no
367
lie Hij beschouwe, hoe schandelijk die
est slechte boeken zijn, zoowel om hun
ui- schrijver, als om linn inhoud en hun
ne doel. De schrijver is altijd een door
ik- en door bedorven mensch, bij wien
ilk de onzuiverheid is doorgedrongen tot
;ts in het merg zijner beenderen, en die
;n, niets anders wenscht, dan zijne onreine
en driften over te storten in het hart
oe zijner lezers. De inhoud is de schan-
ne delijkste, die men zich kan voorstel-
)r- len; wat men niet openlijk zou durven zeggen of doen, staat daar onder
de. bedekte termen te lezen. Het doel
iet is nog schandelijker, want het is geen
or ander dan den mensch te verdierlijken
ir- en zijne ziel te vermoorden door het
es zwadder der ontucht.
:n, Doch niet alleen outhoude hij zich Ik van de lezing van boeken, die door 2n en door onzuiver zijn, hij leze ook ju nimmer die boeken, welke handelen ne | over flauwe minnarijen en liefdegein schiedenissen, en gewoonlijk met den )i- i naam van Romans bestempeld worden, id i Want ofschoon deze boeken niet rechtte streeks onzuivere boeken kunnen geil. noemd worden, zijn zij dikwijls toch
368
veel gevaarlijker dan deze, omdat de
onzuivere boeken door het kwaad on- va]
bewimpeld te leeren, aan allen, die c
nog eenig begrip van zedelijkheid me
hebben, een afschuw veroorzaken, ter- zuj wijl de Ãomans op het eerste gezicht
niet kwaad schijnen, het verstand van ze(
den lezer schijnen te ontwikkelen, zijn ])et
gevoel streelen en daardoor, lang- gCj
zaam wel is waar maar des te zeker- we
der, onzuivere liefde in zijn hart out- jj
steken. De militair onthoude zich (|ji.
derhalve zoowel van de eerste als van gpj de laatste soort van boeken. Maar
daar hij dikwijls van te voren, wan- ⢠gje neer hem een boek ter lezing wordt aangeboden, niet zal weten, welk
soort van boek hij in handen heeft, | Vg
neme hij zich nog ten slotte voor, | jlu
nooit een boek, dat hij niet kent, te gje
lezen, zonder het eerst aan den Direk- \
teur der Vereeniging te hebben ge- i y-
vraagd, of, (zoo hij tot dezen niet kan !
naderen,) zonder het aan de goed- 1 sc]
keuring van andere brave en gods- | jjg
dienstige militairen te hebben onder- H:
worpem Dit zal een krachtig middel f c|g
zijn om alle listen van den duivel | re
369
te verijdelen, die hem door de lezing van slechte boeken tracht te verderven.
d. De vriendschap met slechte kameraden. Een vierde gevaar voor de zuiverheid is de omgang met slechte kameraden. âDie met pek omgaat, zegt het spreekwoord, wordt er mede besmeurd.quot; Een militair, die vriendschappelijk omgaat met medemakkers, welke geene achting hebben voor de H. Deugd van zuiverheid, doch haar dikwijls schenden door onzuivere gesprekken, slechte liederen, oneerbare handelingen of het bezoeken van slechte huizen, zal onmogelijk tegen de verleiding dier [vrienden bestand zijn, de kostbare parel der zuiverheid verliezen en de deelgenoot worden hunner zondige vermaken. Want een slechte vriend leert het kwaad aan zijne kameraden door woord en daad; hij versterkt hen in het kwaad door zijne toejuichingen, bespottingen en schaamtelooze ergenisseu, maakt voor hen het kwaad onvermijdelijk door zijnen voortdurenden omgang. Wil de militair zijne ziel 'dus zuiver en rein bewaren, dan moet hij die slechte
t de on-die leid ter-icht van zijn nff-cer-)iit-sich van aar an- : irdt elk eft, 3or, , te ek- i ge-ian ed-
ds- ; ier- s del 1
370
vriendschappen vluchten, gelijk wij op bladzijde 207 uitvoerig hebben aangetoond en zich goede vrienden trachten te verschaffen, die hij bij voorkeur moet kiezen uit de leden der R. K. Militaire Vereeniging.
e. De omgang met personen van het ander geslacht. Het laatste en grootste gevaar voor de zuiverheid is de omgang met personen van het ander geslacht. Die een vonk vuur werpt in een hooischuur, kan verzekerd zijn, dat er weldra een hevige en verwoede brand zal ontstaan. Eveneens ook kan hij, die den gemeenzamen omgang zoekt met personen van eeu ander geslacht, zich overtuigd houden, dat het onreine vuur der hartstocht | weldra groote verwoestingen zal aanrichten in zijne zieh Want niets wekt zoozeer de onzuivere liefde op als het gezelschap van ongelijke personen. Menschen, die reeds ver in de heiligheid gevorderd waren en bij wie de pijnlijkste martelingen soms niet in staat waren geweest, hen van de beoefening der deugd af te trekken, zijn diep in zonde gevallen door eenen
371
al te gem eenzamen omgang met personen van een ander geslacht. Vele militairen ook, die doof waren gebleven voor de verleiding van slechte vrienden en met kracht aan de andere gevaren hadden weerstand geboden, vonden in zulk eenen omgang hun ongeluk. Kortom dit laatste gevaar is het meest dreigend van alle gevaren ; die zich aan dit gevaar niet onttrekt, is zeker onherroepelijk verloren.
't Is om deze reden, dat de H. Schriftuur ons voortdurend op dit groot gevaar wijst en zegt: (Eccli. IX. 9.) âWeest indachtig, dat door âden omgang met vrouwen menig âman verloren is gegaan, want zij âontsteken het onkuisch vuur in de âhartenquot; en op eene andere plaats ; (Eccli. XLII. 12 en 13.) âVerkeert niet âonder vrouwspersonen, want gelijk âde mot uit het laken voortkomt, zoo âkomt ook de boosheid van den man âvoort uit de vrouw.quot; Een militair dus, ilie zijne kuischheid niet wil verliezen, wachte zich voor allen ge-meenzamen omgang met personen van
372
het ander geslacht. Is liij soms ver- kig
plicht door eene ware noodzakelijk- \va
beid met zulke personen om te gaan, wo:
b. v. als hij oppasser is of wanneer aar
bij ingekwartierd is enz., dan boude ayc
hij zich altijd op een eerbiedigen af- vin
stand, vlncbte alle gemeenzaamheid gel
en gedrage zich tegenover haar uiterst aai
zedig. Heeft hij echter geen reden, sch
welke hem daartoe verplicht, dan Za
onthoude hij zich van allen omgang de
met haar. Hij wachte zich ook voor mo
liet bezoeken van gezelschappen, waar zal
personen van verschillend geslacht bij- Me
een komen en de zedigheid zoo licht- be^
zinnig gekwetst wordt. Eveneens ver- om
mijde hij op kermis- en vastenavond- en
dagen, of bij andere feestelijke ge- wa
legenheden uit te gaan met meisjes; zul
onthoude zich van het aangaan van bes
verkeeringen gedurende de dagen hei
van zijnen diensttijd, daar uit zulke Me
verkeeringen bijna nooit een huwelijk ge
zal voortkomen en zij gewoonlijk voor die
beiden het verlies van eer en deugd ba
ten gevolge hebben. Doch bovenal zoi
wachte hij zich voor het bezoeken de
van slechte buizen. Het is ongeluk- di(
373
ver- kig, dat in groote ganiizoensplaatsen,
;Iijk- waar die schandelijke huizen altijd
aan, worden aangetroffen, zulk een groot
neer aantal militairen van allerlei wapenen
oude avond op avond in zulke huizen te
i af- vinden zijn, en daar eer en fatsoen,
iheid geld en gezondheid, ziel en zaligheid
terst aan de voldoening der laagste en
sden, schandelijkste genoegens opofferen,
dan Zal dat kwaad dan altijd straffeloos
;-ang de beste krachten van het leger
voor moeten verteeren? Zullen die ramp-
vaar zaligen dan nooit tot inkeer komen ?
tbij- Men vlucht een choleralijder, men is
icht- bevreesd een typhuslijder te naderen,
ver- omdat men bang is voor besmetting
ond- en voor een tijdelijken dood! Maar ge- 1 waarom vlucht men dan niet veeleer
ges; zulke ellendige wezens, die iedereen
van besmetten naar lichaam en ziel en
igen hem lichamelijk en geestelijk dooden?
ulke Men rekent het tot oneer, een vriend
elijk genoemd te worden van personen, voor , die door een gerechtelijk vonnis open-
ugd baar eerloos verklaard zijn, en men
enal zou vriendschap willen bewijzen aan
iken de eerlooste menschen van de wereld,
[uk- die het verachtelijkste uitschot zijn
374
van de maatschappij, door alle weldenkende meuschen gehaat eu gevlucht worden; aan meuschen, die bij hun leven reeds het teeken der verdoemenis met onuitwischhare letteren op hun voorhoofd gedrukt dragen, en een voorwerp zijn van afgrijzen voor Ciod, zijne Engelen, zijne Heiligen, ja zelfs voor de duivelen?
Men weigert zijne liefde te geven aan trouwelooze vrienden en mén bemint trouwelooze vrouwen, die voor een ieder toegankelijk zijn, geen greintje liefdein hun hart gevoelen,alleen slechts tegen vuil geld te benaderen zijn en, imlien zij haar slachtoffer kunnen bestelen, het niet zullen nalaten! Uschande voor den militairen stand, die door zulke lage hartstochten ontsierd wordt! O droevig vooruitzicht voor een leger, waarin zulke verwijfde meuschen moeten strijden! De militair vluchte dus als de pest die gemeene huizen en late zich niet verleiden, daar ooit een voet in te zetten, zelfs niet uit nieuws-
fierigheid, want daardoor alleen be-rijft hij reeds doodzonde, wijl hij zich in groot gevaar stelt de U. Deugd
375
te schenden. Hij vennijde zelfs die straten, waar zulke rampzalige wezens wonen, door te gaan, want zelfs dit zal dikwijls voor hem voldoende zijn, om zijne zuiverheid te verliezen. In één woord hij vluchte alle gevaren van onzuiverheid, welke hij in zijnen stand aantreft.
Maar dit is nog niet voldoende om kuisch en rein te leven. Wil de militair met reden hopen, dat hij alle bekoringen van onzuiverheid zal overwinnen, dan moet hij nog daarenboven de middelen aanwenden, om zich in de deugd van zuiverheid te versterken. En deze middelen zijn de waakzaamheid en het gebed.
Derde middel : De waakzaamheid en het gebed. â Vigilcde et orate, ut non intretis in tentationemWaakt en bidt, sprak Christus tot zijne Apostelen, opdat gij niet valt in de bekoring. (Matth. XXVI. 41.)
a. Waakzaamheid. Gebrek aan waakzaamheid heeft ten tijde van oorlog vele sterke en onneembare vestingen in de handen doen vallen der vijanden; maar onvergelijkelijk
376
grooter is liet getal zielen, die ten ge- l
volge van datzelfde gebrek een prooi \
geworden zijn van den duivel en jam- d
merlijk vielen in de schandelijke zonde c
van onzuiverheid. De militair wordt, o
evenals ieder ander mensch, elk ij 1
oogenblik van zijn leven door de vijan- , ]â¢
den zijner zaligheid bespied; altijd zijn 2
deze erop uit, hem tot zonde te ver- ;
leiden, en nooit wenden zij hunne 2 f oogen van hem af. Is hij nu niet ^ 1 voortdurend op zijne hoede en tracht t
hij niet door eene voortdurende waak- j 1 zaamheid de aanslagen zijner vijan- ; ( den te verijdelen, dan valt hij vroeg [ 1 of laat in een onbewaakt oogenblik : ( onder hunne slagen. Duizenden voor- [
beelden zoowel van het Oud als van i
het Nieuw Verbond bevestigen het, :
en menig militair, die deze regelen leest, zal deze waarheid door eigen 1 ] ondervinding moeten getuigen. Waakzaamheid is bijgevolg een noodzakelijk middel om kuisch te leven. Doch waarover moet de militair waken ?
Over twee zaken; orer zijn hart en orer zijne zintuigen, want beide kunnen hem in het verderf storten. Het
377
hart van den mensch is door de zonde van Adam bedorven en gelijk geworden aan eene onvruchtbare aarde, die uit haar zelve niets anders dan onkruid voortbrengt. Voortdurend komen er in dat hart allerlei verkeerde gedachten op en ontkiemen zondige genegenheden. De eerste zorg van hem, die de zuiverheid on-geschonden wil bewaren, moet derhalve zijn te waken over de gedachten en genegenheden van zijn hart. Hij moet terstond alle kwade gedachten en verkeerde voorstellingen uit zijn hart trachten te verwijderen, door zich onmiddellijk met andere gedachten bezig te houden, of beter nog door eene of andere verzuchting tot God op te zenden, want dóet hij dit niet, dan is hij verloren. âDe duivel immers, zegt de âH. Hieronymus: (in Cap. IX. Eccli.) ,.is gelijk aan eene slang. Zoodra eene âslang eene opening vindt, die groot âgenoeg is om er met haren kop door âte komen, dan zal zij ergemakkelijk âmet geheel haar lichaam doorkomen. âEveneens wordt ook de duivel, die
378
âhelsche slang, gemakkelijk meester âvan ons hart, indien wij zijne eerste âbekoring niet onmiddellijk en met âkracht tegengaan.quot; Daaiom waarschuwt de H. Schriftuur: (Eccli. XXL2.) âvlucht de zonde als op het gezicht âeener slang.quot; Speelt men in het begin een weinig- met de bekoring, of denkt men het is zoo erg niet, wanneer de bekoring in hevigheid toeneemt, zal ik er mij met kracht tegen verzetten; dan is het onvermijdelijk, dat men zal bezwijken ; want de zwakheid van het menschelijk hart is zeer groot, vooral met betrekking tot de zuiverheid en 's menschen gedachten gaan gewoonlijk sneller, dan hij zelf wil en zullen hem tegen zijnen zin meevoeren. Een ieder overdenke daarom met ernst den wijzen raad van den H. Ber-nardus: (lib. de int. domo C. 22.) âVerwerp de kwade gedachte aan-âstonds zoodra gij haar voelt opkomen. âIndien gij haar verwerpt, zal zij u âverlaten, of zoo zij u niet verlaat, âzal zij u ten minste niet bezoedelen, âzoolang gij haar afkeurt en verfoeit. âVerwerpt gij de gedachte echter niet âdan wekt de gedachte behagen, het
379
âbehagen leidt tot toestemming, de âtoestemming brengt tot de daad, de âdaden vestigen de gewoonte, de ge-âwoonte gaat ten slotte over in eene âzekere noodzakelijkheid en deze âvoert tot wanhoop of tot onboet-âvaardigheid.quot; Hetzelfde geldt van de verkeerde genegenheden, die zich zoo dikwijls in het hart trachten te vestigen. Eene kleine zinnelijke genegenheid, vooral indien zij personen van het ander geslacht tot voorwerp heeft, schijnt in den beginne zulk een groot kwaad niet; doch indien men haar niet bestrijdt en aanstonds uit het hart tracht te verwijderen, dan neemt zij allengs in krachten toe, ontaardt weldra in eene vleeschelijke genegenheid en gaat tenslotte op in eene misdadige en onzuivere gemeenschap. Met recht mocht dan ook den H. Cyprianus (De dono Pudicitiae) zeggen: âdat hij, die âeene kleine zinnelijke genegenheid âniet bestrijdt, gelijk is aan iemand, âdie een jeugdige slang aan eigen âboezem opvoedt; de slang zal zich âweldra ontwikkelen en dengene, die âhaar heeft opgevoed, door haar ver-
380
âgift dooden.quot; De militair, die liefde heeft voor de H. Deugd, wake derhalve over de gedachten en genegenheden van zijn hart, en tracnte aanstonds iedere verkeerde gedachte en iedere zinnelijke genegenheid uit zijn hart te verwijderen.
Doch met nog grootere zorg wake hij_ over zijne zintuigen-, want de zintuigen van den mensch, die God gegeven heeft als middelen om de deugden gemakkelijker te beoefenen, worden dikwijls de grootste bondgenooten van allerlei ondeugden en vooral van de onzuiverheid. Dit geldt in het bijzonder van de oogen, de ooren en den mond. De militair wake dus op de eerste plaats orcr zijne oogen. âDe âoogen zegt de H. Schriftuur: (Jerem. âIX. 21.) zijn de vensters, waardoor âde dood binnenkomtquot; dat wil zeggen, de oogen zijn dikwijls de groote oorzaak, dat de mensch zich aan onzuivere zonden schuldig maakt. Eu met recht. Indien men aan zijne oogen alle vrijheid geeft en ze vestigtT op voorwerpen, die voor de H. Deugd gevaarlijk zijn, op personen van het
381
ander geslacht, op platen, schilderijen of beelden, die onkuisch of onzedig zijn, hoe zal men dan bevrijd blijven van onzuivere gedachten en begeerten, hoe zal men zich dan niet dikwijls aangespoord gevoelen tot onzuivere woorden of werken ? David, de man naar Gods hart, is door zijne oogen bezweken en gevallen in eene zware zonde van overspel en doodslag, en zooveleu vóór en na hem zijn op de zelfde wijze tot onzuiverheid verleid. Hoe dikwijls is een enkele oogopslag het begin geweest van eene gebeele reeks van onzuivere zonden! Hoevele meuschen zouden nooit de zonde van onkuischheid bedreven hebben, indien zij altijd waakzaam geweest waren op hunne oogen ? Daarom noemt de H. Hieronymus (in vita Hilarion) die onvoorzichtige oogopslagen âprincipia moriturae virginiiaiis,quot; âhet begin van âden ondergang der zuiverheid,quot; en âwaarschuwt ons de H. Schriftuur: (Eccli. IX. 9.) âvestig nimmer uwe âoogen op eene maagd; opdat die blik âvoor u geen steen des aanstoots zij _en u in zonde doe vallen.quot; De mili-
382
tair wake dus met zor^f over zijne oogen, en zij meester over zijne blikken. Hij late zich nooit door onvoorzichtige nieuwsgierigheid verleiden tot het aanzien van onzedige beelden,platen, schilderijen of voorstellingen, die door de boosheid der menschen soms op de eenvoudigste voorwerpen voor dagelijksch gebruik, b. v. op sigarenpijpjes, worden aangetroffen. En beeft hij bij toeval zulk eene oneerbare voorstelling gezien, hij wende zijne oogen onmiddellijk af en versterke zich tegen de verleiding door een of ander gebed. Maar in het bijzonder bewake hij zijne oogen tegenover personen van een ander geslacht. Hij volge daarin het voorbeeld van den H. Man Job, die een verbond had aangegaan met zijn oogen om nooit over eene maagd te denken, dat wil zeggen om nooit eene maagd zoo aan te zien, dat er onzuivere gedachten uit konden voortkomen. Hij vestige dus nooit zijne oogen met eenig verwijl op een meisje om haar eens goed aan te zien en op te nemen, weersta aan de neiging om diegenen te beschou-
383
wen, welke door opzichtelijke kleeding of uitwendige gaven zijne oogen trekken ; want wapent hij zich niet tegen dat gevaar, dan zal het onreine vuur Aveldra in zijn hart ontbranden en misschien duizenden zonden ten gevolge hebben.
Hij wake vervolgens over zijne oor en. Hoe dikwijls immers zal hij door zijne ooren niet te sluiten voor de onzuivere taal, die op de kamers, in de wachthuizen, gedurende de militaire oefeningen, onder den rusttijd, etc., wordt uitgeslagen, zijne ziel met de zonde van onzuiverheid besmeuren! Door de wet gedwongen tot een gezamenlijk verblijf met wapenbroeders, die vuile taal spreken, kan de goedgezinde militair zich dikwijls niet lichamelijk aan de verleiding onttrekken. Wat zal er dan van hem geworden, indien hij den raad niet opvolgt van den wijzen man: (Eccli. XXVIII. 28.) ..Sepi au res tims spinisquot; plaats voor uwe ooren een heg van doornen, dat wil zeggen, sluit uwe ooren door middel van de waakzaamheid voor die ergerlijke woorden! Een militair
384
I
die kuisch wil blijven, behartige Jaar-om dien raad en wake over zijne ooren. Kan hij zich uit het gezelschap van vuilsprekers verwijderen, hij doe het; is dit hem echter onmogelijk, dan trachte hij niet naar het verhaalde te luisteren, of de woorden door het neuriën van een of ander liedje onverstaanbaar voor zich te maken.
Eindelijk hij tvake over zijnen mond.
Welk een groote weldaad is het niet te kunnen spreken ! Hoeveel menschen zijn er, die niet kunnen spreken, omdat zij stom zijn! Welk een groote ondankbaarheid zou het dan niet zijn, God door onze woorden te beleedigen! En toch de militair, die niet waakt over zijne woorden, zal zich noodzakelijk aan die ondankbaarheid schuldig maken; want hij zal evenals zijne medemakkers vuile gesprekken voeren, dubbelzinnige woorden zeggen of deelnemen aan on-kuische liedjes. De militair wake dus over zijne woorden; hij vrage met den psalmist (Ps. CXL. 3.) Fone Donline custodiam ori meo: stel Heer, eene wacht aan mijnen mond.
385
en onthoude zich wel van die dubbel-ziuuige uitdrukkingen, die schandelijke raadsels, die oneerbare gesprekken en ergerlijke liedereu, weike zulke treurige gevolgen voortbrengen, zoowel bij den spreker als bij de toehoorders. Hij trachte zich niet te verontschuldigen door te zeggen, dat hij het niet doet om God te beleedi-gen, maar alleen om te lachen, om den tijd door te komen. Want dat : zijn geene redenen, die de beleediging en' vau wettigen. âDie met den
3ei[ âduivel wil lachen, zegt de H. Petrus âChrysologus, zal zich nooit âkunnen verblijden met God.quot; Hij wende ook niet voor, dat het zulk een groot kwaad niet is; want, behalve dat een zuiver gemoed ijst bij ile minste uitdrukking, die strijdig is met de H. Deugd, is het wel degelijk kwaad, zoowel voor den vuilspreker, wiens geest door onreine gedachten besmeurd wordt, als voor de hoorders, die het gesproken woord in hun hart bewaren, daardoor dikwijls vele bekoringen tegen de H. Deugd ondervinden, en menigmaal in zonden
25
386
toestemmen. Hij trachte dus zijnen mond te betengelen, en geen enkel woord uit te spreken, wat ook maar in de verte de H. Deugd zou kunnen schenden. Doch met de waakzaamheid vereenige hij het gebed.
b. Gebed. God is de groote Gever van de zuiverheid. Dat de mensch te midden van alle gevaren, die zijne zuiverheid bedreigen, toch rein en kuisch blijft leven, is zeer zeker te danken aan zijne eigene medewerking, maar meer nog aan de genade van God. Zonder voortdurenden en krach-tigen bijstand van God zou de mensch daartoe niet in staat zijn. 't Was daarom, dat de wijze koning Salomon zeide: ('Sap. VIII. 21.) âDaar âik wist, dat ik niet zuiver kon âblijven, of het moest mij door God âgegeven worden, heb ik tot God âmijne toevlucht genomen door middel âvan het gebed en heb ik aan God âde genade van zuiverheid gevraagd.quot; Wil dus de militair zuiver leven, dan moet hij zich van Gods hulp en bijstand trachten te verzekeren door een nederig, vertrouwvol en volhardend gebed.
387
Maar dat gebed moet noodzakelijk gepaard gaan met een vastbesloten wil, om de middelen te gebruiken, die ter verkrijging der zuiverheid noodzakelijk zijn en de gelegenheden te vermijden, welke de zuiverheid in gevaar brengen, of met andere woorden met het vaste voornemen om zuiver te blijven of om zich te be-keeren. Anders zou het gebed vermetel zijn. Toen de H. Augustinus nog diep in zijne onzuiverheid begraven lag, bad hij God wel om de genade van de zuiverheid te verkrijgen, maar hij vreesde, dat God hem te spoedig zou verhooren en zulk een gebed werd natuurlijk door God verworpen. IConf. lib. VIII. cap. IX.) De militair, die zich gaarne zuiver wil bewaren, legge zich dus toe op het gebed. Hij vrage aan God dikwijls en met aandrang de genade om alle gevaren voor de H. Deugd te vermijden en alle middelen aan te wenden, die ter volharding noodzakelijk zijn. Doch hiermede niet tevreden, trachte hij vooral te te hidden op het oogenUik zelf, dat de bekoring hem aanvalt. Dan vooral
i
388
sterke hij zich met korte en vurige of (
schietgebeden, zooals: Jezus, Maria, ken
Jozef, staat mij bij! â Mijn Jezus, de
ha rmhartigh eid!â Maria,mijne moeder, teg
help mij; laat niet toe, dat ik in zonde her
valle! Zou de bekoring nog voortdu- wil
ren, dan bidde hij een Onze Vader of del
Weesgegroet en blijve zich aldus aan gei God aanbevelen, tot de bekoring ge-
weken is. Want, gelijk wij reeds die
vroeger (bladz. 242) bewezen hebben, var
die in de bekoringen bidt, overwint, Wi
die niet bidt, wordt overwonnen. En dei
daar eene treurige ondervinding maar helt;
al te dikwijls geleerd heeft, dat er zui
menschen zijn, die, als zij bekoord Zij
worden tegen de H. Deugd vau pri
zuiverheid, niet denken aan bidden, hel
daarom vrage hij nog bovendien aan zai
God de bijzondere genade, om bij aa
iedere bekoring aan de verplichting Da
van bidden te denken en overeen- ste
komstig die verplichting te handelen. wi
Voegt' hij, wanneer hij het ongeluk vei
mocht hebben van slaaf te zijn van te
die rampzalige zonde, daarbij nog bei
ten slotte den oprechten wil om zich in
te bekeeren, dan kan het niet anders ge
389
u'ige of God, die de grootheid der gevaren riria, kent, waaraan hij is blootgesteld en ?0ms, de zwakke krachten, waarmede hij «der, tegen die gevaren moet strijden, zal onde hem zeker bijstaan, hem de over-tdu- winning schenken over zijne schalier of delijke hartstochten en hem de genade aan geven om rein en kuisch te leven, ge- Vooral zal dit waar zijn, indien hij eeds die genade afvraagt door hemiddeling ben, ran da Allerheiligste Maagd Maria. nut. Want Maria is de groote patrones En der zuiverheid. Geen enkele Heilige aaar heeft zulk eene liefde gehad voor de t er zuiverheid als Maria. Zoozeer stelde aord Zij 'hare maagdelijke zuiverheid op van prijs, dat Zij liever aan de eer van den, het Goddelijk Moederschap zou ver-aan zaakt hebben, dan schade te lijden bij aan Hare maagdelijke zuiverheid. ting Daarom is Zij de krachtigste bescherm-een- ster geworden van allen, die zuiver elen. willen leven. Niemand, die zijne zui-eluk verheid aan Haar aanbeveelt, behoeft van te vreezen, dat zijn vertrouwen zal nog beschaamd worden'. Maria zal hom zich in de gevaren bijstaan, zijne bekorin-iers ; gen verminderen, de kracht harer
390
verleiding- voor hem breken, en de allerkrachtdadigste genaden van God verkrijgen. Wordt hij bekoord, een enkel Weesgegroet of een enkel godvruchtig'uitspreken van Haren Naam zal den duivel verdrijven met zijne bekoring; is hij ongelukkiglijk in zonde gevallen, Maria zal hem de genade verwerven van een waar berouw en eene oprechte bekeering. De militair verzuime dus niet zijne zuiverheid te stellen onder Hare hoede, hij roepe Haar aan in de bekoringen, drage godvruchtig Haar scapulier, en vergete toch nooit iederen morgen en iederen avond drie Weesgegroeten te bidden ter eere Harer Onbevlekte Ontvangenis om van Haar de genade te verkrijgen van zuiverheid naar ziel en lichaam. Want door dit kort gebed met aandacht, volharding en vertrouwen verricht, hebben duizenden en duizenden men-schen zich zuiver kunnen bewaren te midden van de grootste gevaren en hebben duizenden anderen, die aan de zonde van onzuiverheid verslaafd waren; de genade verkregen hunne
391
hartstochten te overwinnen en zuiver te leven.
Ten slotte voege hij bij dit gebed het veelvuldig gebruik der HH. Sa-kramenten. Het H. Sakrament des Altaars wordt genoemd de wijn die maagden voortbrengt, het brood der engelen. Hierdoor wordt ons te kennen gegeven, welk eene groote kracht de menscli, door het ontvangen van het maagdelijkLichaam enhet allerzuiverst Bloed van Jezus verkrijgt tegenover alle bekoringen van onzuiverheid, en hoe hij door middel van de H. Communie zich rein kan bewaren of rein kan worden. Het H. Sakrament der Biecht vergeeft hem zijne zonden van onzuiverheid en geeft hem daarenboven het recht op verschillende genaden, waardoor hij alle aanvallen van de vijanden zijner zuiverheid kan wederstaan. Vandaar dat de H. Thomas zegt, dat de biecht ons de genade geett om de zonden, die wij bedreven hebben, in het vervolg te vermijden, of, als wij ze nog nooit bedreven hebben, te voorkomen. Hoe meer een militair dus zal biechten en comnm-
392
niceeren, des te meer ook zal hij tegen de ongelukkige zonde van onzuiverheid behoed zijn, des te meer zal hij krachten ontvangen om de gevaren te vermijden en de bekoringen te verwerpen. Dat hij daarom niet nalate, dikwerf tot die HH. Sakramenten te naderen, gelijk wij, sprekend over het nuttig gebruik der H U. Sakramenten, op bfadz. 259 gezegd hebben.
3. Middelen tegen de dronkenschap.
Na de middelen te hebben aangewezen, waarmede de militair zich behoeden kan voor de zonden van godslastering en onzuiverheid, moeten wij nog ten slotte de middelen aanwijzen, die noodzakelijk zijn ter voorkoming of ter verbetering van de dronkenschap ; want ook deze verfoeilijke ondeugd maakt, helaas, vele slachtoffers onder de militairen. Sommigen zijn dikwijls en herhaaldelijk in kenne-lijken staat van dronkenschap; anderen zijn bijna nooit geheel en al dronken, maar ook nooit geheel en al nuchter; wederom anderen onthou-
393
den zich gewoonlijk van het overmatig gebruik van sterke dranken, maar kunnen toch niet nalaten bij zekere feestelijke gelegenheden, zooals bij kermis en vastenavonddagen, bij dequot; opkomst der recruten of het vertrek van hen, die met groot verlof gaan, etc., zich aan den dranl? te huiten te gaan.
Aan deze allen geven wij de volgende middelen op, om de dronkenschap te vermijden.
1 . Kennis van het kwaad. Wat is de dronkenschap? De dronkenschap is eene allerschandelijkste zonde, die den mensch op onbegrijpelijke trijze verlaagt;â de dronkenschap is een aller-noodlottigste zonde, die de nadeeligste gevolgen heeft, zoowel voor den dronkaard zeiven, als voor anderen,
a. De dronkenschap is eene allerschandelijkste zonde, die den mensch op onbegrijpelijke wijze verlaagt âDe âdronkaard, zegt de H. Chrysostomus, âis de schandvlek van het menschelijk âgeslacht.quot; En met recht. Niemand doet zulk een oneer aan de mensch-heid aan als een dronkaard. Want
394
hij verloochent openlijk ten aan-schouwe van anderen de waardigheid des meuschen door zich gelijk te maken aan het dier, ja zich tot beneden het dier te verlagen.
De overheden van Sparta, eene beroemde stad in Griekenland, wier inwoners bekend stonden als buitengewoon matige menschen, hadden eens een dronken slaaf openlijk op de markt ten toon gesteld, om door het gezicht van zulk een verdierlijkt schepsel alle inwoners, maar vooral de jeugd, een grooten afkeer tegen de dronkenschap in te storten. Het zien van dien man, die, geheel en al van zijn verstand beroofd, niet meer wist wat hij deed, trof het volk zoozeer, dat het met afschuw zijn gelaat van dat vernederend schouwspel afkeerde en uitriep: Ã welk een schande doet deze ongelukkige de menschheid aan, die uitwendig de gedaante van een mensch behouden heeft, en toch in waarheid niet verschilt van het dier! En zij hadden gelijk, want welk onderscheid is er tusschen een dier en een dronken mensch? Waardoor is een dron-
395
ken mensch boven het dier verheven ? Is het soms omdat hij handen en voeten heeft, omdat hij een lichaam bezit, begaafd met vijf edele zintuigen ? Keen de zintuigen der dieren zijn dikwijls veel volmaakter en veel beter ontwikkeld dan die der menschen, het lichaam der dieren wint het dikwijls in vlugheid en beweeglijkheid, in kracht en sterkte van dat der menschen. Welke mensch heeft zulk eene scherpte van gezicht als de arend, wiens reukorgaan is zoo ontwikkeld als dat der honden, wie is vlug als een tijger, sterk als een leeuw ? Het groot quot;verschil tusschen menschen en dieren, hun grootere voortreffelijkheid bestaat hierin, dat de mensch verstand heeft, het dier niet. Door die edele gave des verstands is hij veel volmaakter en verhevener dan alle dieren te zamen, is hij in volle waarheid Koning der schepping. Gaat dit gebruik van het verstand nu verloren, dan is voor de oogen der menschen het verschil tusschen hem en het dier weggenomen. Gebeurt dit zonder zijne schuld, zooals bij krankzinnigheid.
I |
!
j.
396
dan verdient hij ons medelijden; doch geschiedt dit door zijne schnld, dan wordt de mensch verachtelijk. Dit laatste nu is het gevolg der dronkenschap. Een dronken mensch berooft zich vrijwillig van het gebruik zijns verstands en sleurt daardoor zijne eigene waardigheid schandelijk door het slijk. âZijn verstand, zegt âde H. Chrysostomus, is beneveld, het âdenkvermogen geheel weggenomen of âschrikkelijk verward.quot;Zie't dien dronkaard! Wat is er behalve de uitwendige gedaante menschelijks aan hem te bespeuren? Hij kan niet meer zien, niet meeren hooren, niet meer spreken, hij kan niet meer loopen, maar waggelt! Soms valt hij midden in het slijk der straten neder, soms zelfs ligt hij als een lijk uitgestrekt op den grond, zoodat de voorbijgangers zich angstig afvragen: is die man dood of levend. Zijn tong is gezwollen en slaat dubbel, hij stamelt onsamenhangende en onverstaanbare klanken, is oploopend en driftig, soms zelfs woedend en razend, vloekt, laat zich allerlei lage en gemeene uitdruk-
397
kin gen ontvallen; kortom hij heeft alleen de uiterlijke gedaante van eenen mensch, voor het overige is hij gelijk aan een dier. En bleef het nog maar hierbij. Maar neen, de dronkaard verlaagt zich tot beneden het dier. âEen honden een ezel,zegt de H. Chry-âsostomus, zijn nogbeter dan hij.quot; Want een onredelijk dier vergenoegt zich en stelt zich tevreden met datgene, wat noodzakelijk is voor zijn levensonderhoud en verwerpt alle overdaad, tei'-wijl een dronkaard maar drinkt en blijft drinken, ofschoon hij reeds meer dan verzadigd is, ja zelfs de nadeelige gevolgen van zijne dronkenschap reeds waarneemt. Als een dier genoeg gedronken heeft, houdt het op. Neem 4 slechts de proef. Geef aan een paard :|l een emmer water, zoodra zijn dorst gestild en aan de behoefte der natuur voldaan is, zal het geen droppel meer drinken; alle moeite, die men zich aandoet om het meer te laten drinken, is verloren moeite, want een dier kent zijn maat. Alleen de dronkaard kent
feen maat. Zoozeer verlaagt hij zich, at men ter zijner beschaming hem
398
moet wijzen op het voorbeeld der redelooze dieren. Ter voorkoming' of ter verbetering van andere zonden stelt men aan de menscheu het voorbeeld voor van Jezus Christus of van zijne Heiligen. Ziet, zegt men, hoe Jezus Christus of zijne Heiligen deze of gene deugd beoefend, deze of gene ondeugd bestreden hebben. Maar den dronkaard wijst men op het voorbeeld der dieren, tot hen zegt men; de dieren zijn veel beter dan gij, ziet naar een paard of eene koe, van hen kunt gij leeren matig te zijn. O hoezeer verlaagt de dronkenschap dan den mensch! Zij maakt hem gelijk aan de dieren, ja vernedert hem tot beneden de dieren. Maar hoezeer vernedert zij ook den Christen! Door de zegenrijke Menschwording en Verlossing van Gods Zoon heeit de mensch als cbristen eene waardigheid verkregen, die zoo groot en verheven is, dat hij haar zelf niet kau begrijpen. Zijne ziel is de woonplaats geworden van God, een tempel, waarin de H. Geest zijn behagen schept, en waarin Hij zijne rustplaats gevonden heeft. Zijnlichaam
399
is op geheel bijzondere wijze geheiligd eu zijue ledematen zijn op geestelijke wijze ledematen geworden van Jezus Christus. Doch wat doet nu de dronkaard ? Hij verontreinigt ilien tempel door hem aan den afgodendienst toe te wijden, hij ontheiligt zijn lichaam door er een werktuig van te maken voor de zoude. Wie immers is de God der dronkaards? Waar is de tempel, in welken hij zijnen God aanbidt? Helaas, zegt de H. Paulus, (Philip. III. 18.) met tranen in de oogen moet ik het bekennen, er zijn van die ongelukkige menschen in de wereld, die in plaats van God, hunnen Schepper, te dienen, hunnen buik tot God maken, quorum Deus venter est, er zijn van die ongelukkige menschen, die aan niets anders denken, naar niets anders verlangen, van niets anders spreken dan van drinken en nogmaals drinken. Die ongelukkigen zijn de dronkaards, hoezeer vergeten dus die rampzaligen hunne waardigheid als Christen! Hoezeer trachten zij alles, wat hen verheffen en groot kan maken in de oogen van God, te vernietigen!
400
Geen wonder dan ook, dat dronk- nn
aards veracht zijn bij den mensch en vo
bij God. Elk fatsoenlijk mensch zo
schaamt zich in aanraking te komen zo
met dengene, die door zijne dronken- al
schappen eene schandvlek werpt op vo de menschelijke waardigheid. Komt de
dronkaard in een of ander gezelschap, Zoi
men draait hem den rug toe ; zegt hij (h
iets, het wordt niet geloofd ; doet hij ra
iets, het wordt niet geteld ; âo, zegt d(
men, 't een dronkaard;quot; vraagt hij zi
iets op vertrouwen, het wordt hem vt
geweigerd. Kortom hij is gebannen gi
uit de fatsoenlijke samenleving. Ja w
zelfs bij diegenen, welke hem het meest is
moeten beminnen, bij ouders en bloed- z(
verwanten, bij vrouw en kinderen, zi
verliest hij alle achting en liefde. En o(
hoezeer God dengene haten zal, die zi zijne waardigheid als christen zoozeer » is
verloochent, behoeft geen verderen d
uitleg. Hij zal hem niet alleen later ^
in de gansehe eeuwigheid door eenen d
onverdragelijken dorst folteren en aau b
hem, even als aan den rijken vrek, y een druppeltje water weigeren om gt; h
zijn verschroeide tong te lesschen, g
onk- maar zelfs reeds hier op aarde ten
h eu volle de straf doen dragen voor zijne
nscli zonden, want de dronkenschap brengt
men zoowel voor den dronkaard zeiven
ken- als voor anderen de rampzaligste ge-
t op volgen voort.
it de 5. De dronkenschap is e.ene nood-
hap, lottige zonde, die zoowel voor den
t hij dronkaard zeiven als voor anderen de
t hij rampzaligste gevolgen heeft. Wat is
:e8't de dronkaard voor zich zeiven? Voor
^ hij zich zeiven is hij 1°. de moordenaar
liem tan zijne eigene ziel. Want er is
nen geene zonde zoo laag en afschuwelijk,
Ja waartoe de dronkaard niet in staat
eest is. Vandaar dat de H. Angustinus
'ed- zegt, een dronkaard is geheel en al
fen, zonde; zijne oogen zijn zondig, zijne ooren zijn zondig, zijn hart is zoiuligj
die zijn tong is zondig, in één woord hij
;eer » is aan de zonde verkocht âvennm-
ren datus sub peccato.quot; En met recht,
ter Want een dronkaard is een ongods-
ien dienstig mensch. Zijne kerk is de her-
lan berg; aan God en zijne ziel wordt
ek, verder niet gedacht. Komt hij uit de
om ' herberg in de kazerne terug, dan is er
ei1) geen spraak van bidden. Als hij
402
Zondags eene stille H. Mis bijwoont, on
is het reeds veel en vraag niet, of aa
hij in de kerk met aandacht bidt, of hc
oplet onder de predikatie, want ge- da
woonlijk is hij alleen lichamelijk bij o^
het K. Misoffer tegenwoordig en menig ze
dronkaard misbruikt den tijd der g
preek tot voldoening vau zijne schan- zi delijke hartstocht, op gevaar af van
het verdere gedeelte der H Mis o:
te verzuimen. Op zijn tijd te na- z:
deren tot de H.H. Sakramenteu, ook si
daarvan heeft de dronkaard een af- g
schuw, gewoonlijk gaat hij slechts o
eenmaal in het jaar biechten, soms d
zelfs durft hij het gebod der H. Kerk e
van met Pascheu te naderen tot de z
tafel des Heeren, geheel en al ver- I
waarloozen. Zoo leeft hij buiten den r
weldadigen invloed van' den gods- c dienst, ja verwaarloost hem zelfs dik- gt; (
wijls geheel en al. Een dronkaard is (
verder een onhuischaar cl. âIn den ster- i
âken drank, zegt de H. Schriftuur, 1 â(Eph. V. 18.) ligt wellust.quot; En zooals wij vroeger reeds zagen, de H. Hiero-nymus getuigt, (Epist. ad Eustochiam)
dat hij nooit zal gelooven, dat een
mt, onmatig niensch, dus zeker een dronk-
of aard, een kuisch mensch is. Men
, of hoort wel eens zeggen, het is jammer,
ge- dat deze of gene zoo drinkt, want
bij overigens valt er niets op hem te
lig zeggen. Doch die zoo spreken ver-
Ier gissen zich, want onmatige menschen
ui- zijn onkuische menschen. Voor het oog
an der wereld mogen zij zich niet aan
lis onkuischheid overgeven, in hun hart
ia- zijn het onkuische, wellustige men-
ok schen. De rede, gelijk wij vroeger
if- gezegd hebben, bewijst het en de
its ondervinding komt hetbevestigen. Een
ns dronkaard is verder eentiristziekmensch
rk en een vloeker. Niets prikkelt zoo-
Ie zeer de driftigheid, als de drank,
r- Door drank verhit, wordt de zacht-
ïn aardigste mensch soms woedend als
s- een wild dier. Het geringste woord, k- . de nietigste tegenspraak doet hem in
is drift opstuiven; met iedereen, die hem
r- maar iets in den weg legt, zoekt hij
r, twist en tweedracht; dikwijls zelfs
Is kan hij vreedzame menschen, die hem
)- in niets hinderen, niet met rust laten i) ' en valt bij tegen hen uit, slaat en
n mishandelt hen. Vanwaar komen die
404
bloedige vechtpartijen, die wreede moorden vooral bij kermissen en feestelijke 'gelegenheden ? Zijn zij niet op rekening te schrijven van de dronkenschap? Wat anders dan de dronkenschap is dikwijls ook de oorzaak van de goddelooze vloeken en gruwelijke godslasteringen ? Wanneer men een dronkaard aandachtig gadeslaat, zon men dikwijls meenen, dat hij met den drank tegelijk een aantal duivels heeft ingezwolgen, die hun helschen haat tegen God door middel van zijne tong lucht geven. Zoo zet de dronkenschap haar slachtoffer aan tot boosheden en gruwelen, die het van Gods liefde en vriendschap berooven, zijne ziel vermoorden en voor eeuwig zullen nederstorten in den vreeselijken afgrond der hel. Met recht dan mocht de H. Paulus zeggen: geen dronkaards zullen in den hemel komen! (I Cor. VI. 10.)
Doch niet alleen is de dronkaard de moordenaar van zijne eigene ziel, hij is daarenboven onh de moordenaar ran zijn eigen lichaam. Want de dronkenschap ondermijnt de gezondheid, berooft den mensch van
T
405
zijne beste levenskrachten en sleept hem dikwijls in den bloei zijner jaren naar het' graf. De H. Schriftuur (Eccli. XXXVII. 34.) getuigt het, rdat âvele menschen om hunne dronken-âschappen een vroegtijdigen dood ge-âstorven zijn.quot; En alle geneesheeren staven dit getuigenis door hun gezag. In N.-Amerika te Boston hebben 75 geneeskundigen, waartoe later l'iOO anderen zijn toegetreden, de volgende verklaring onderteekeud: .,De sterke âdrank brengt den gezonden mensch âgeenerlei nut. aan, hij veroorzaakt âintegendeel vele ziekten en zelts den âdood. Dikwijls geeft hij aan de ziek-âten, die uit andere oorzaken ontstaan, âeen hardnekkig en gevaarlijk aan-âzien.quot; 150Ã geneeskundigen in Engeland onderteekeuden, âdat elke gedistilleerde drank niet alleen geheel âonnoodig, maar ook schadelijk is voor âde gezondheid, vele gevaarlijke ziek-âten veroorzaakt en dat de volkomene âonthouding ervan veel tot behoud âder gezondheid zon bijdragen.quot;' Hetzelfde zien wij in Duitschland, waar 1055 dokters verklaarden, âdatde st erke âdrank voor de gezondheid nadeelig
406
, , 0----- . â terke____ __________
âleu bevat, vele gevaarlijke ziekten âveroorzaakt, de genezing van andere âbemoeilijkt en dat de volkomene ont-âhouding ervan voor liet behoud âder gezondheid eu tot verlenging âvan 's menschen leven veel zon bij-âdragen.quot; En om van onze Neder-jaudsche geneesheeren niet te zwijgen, in de jaren 186Ãâ1862 hebben meer dan 500 geneeskundigen soortgelijke verklaringen afgelegd. Geen wonder dan ook, dat de ondervinding deze getuigenissen bevestigt. Hoe dikwijls zien wij niet jungelingen vóór hun tijd grijs geworden, ten prooi aan langdurige, pijnlijke en slepende ziekten, in den bloei hunner jaren ten grave gesleept door herhaalde dron-kenschappen! Kunnen wij wel de couranten openen, zonder ongelukken te lezen veroorzaakt door dronkenschap ? De eene stikte in eene jeneverberoerte, een ander verdronk, deze werd overreden, gene viel van een steiger tengevolge van dronkenschap.
In het jaar 184:5 zijn er alleen in Engeland 50.000 menschen gestorven
407
door onmatigheid ia het drinken. En de. berekeningen, die ieder jaar in de verschillende landen gemaakt worden van de verschrikkelijke gevolgen der dronkenschap, bevestigen de woorden van Baco: âGeen ondeugd verwoest âzoovele menschen of verderft zoo veel âgoeds als de dronkenschap. Zij ver-âduistert het verstand, benevelt het âgeheugen, mismaakt de schoonheid, âverlamt de krachten, ontsteekt het âbloed, veroorzaakt inwendige, uit-âwendige en ongeneesbare wonden en âdoodt de lichamen.quot; Met recht mocht dan professor Vosmaer, een Neder-landsch geleerde, zeggen: âSterke âdrank moet niet drank genoemd wor-âden, maar vloeibaar vuur. De jene-âverdriukers jagen in vollen galop ânaar het graf.quot;
De dronkaard is ten slotte voor zich zeiven de verwoester van tijdelijk en eeuwig geluk. De dronkaard is een diep beklagenswaardig mensch, wiens tijdelijk en eeuwig geluk, zoolang hij zijne rampzalige gewoonte van drinken niet atiegt, voor goed gebannen is. Heeft hij de rijkdommen dezêr wereld,
408
door overdaad en wanbestuur zullen zij wegteren als sneeuw voor de zon; zijne tijdelijke zaken gaan achteruit door zijue verwaarloozing en afwezigheid ; de goede en winstgevende betrekkingen, die hij bekleedt, verliest hij wegens wangedrag, onoplettendheid of oneerlijkheid; en weldra is hij aan de bitterste armoede ten prooi, moet zijn stand verlaten om vernederende dienstwerken te verrichten of zijn brood langs de huizen te gaan bedelen. Hoe véle bedelaars en onge-lukkigen loopen er niet in de straten van groote steden, die weleer rijk en aanzienlijk waren, maar tengevolge van hun dronkenschap vreeselijke ellende lijden! In zijn huisgezin heeft koudheid en onverschilligheid de liefde vervangen, die vrouw en kinderen hem eenmaal toedroegen; met recht beschouwen zij heiii als den verwoester van hun huiselijk geluk en vrede, als de groote oorzaak hunner armoede, kommer en ellende, en dikwijls zullen zij hem dit met bittere woorden verwijten. De maatschappij verwerpt hem als 'een lid, dat harer geheel en
409
al onwaardig is, haar verlaagt door. zijne verfoeilijke dronkenschappen en al ondeugden, welke daaruit voortkomen. Zijn geweten verwijt hem onophoudelijk zijne schandelijke zouden en afdwalingen, en God, die den zondaar tegelijk met zijne zonde haat, stoot hem van zich af. O hoe zeer gevoelt de ongelukkige dan al het droevige van zijn toestand! Zijnlevens-geluk is verwoest; hij beklaagt zich, weent en zucht over zijn ongelukkige hartstocht, geraakt in woede tegen zich zeiven, en zal de heiligste voornemens maken om zich te beteren. Maar, helaas, hij heeft gewoonlijk geene krachten om uit zijnen rampzaligen toestand op te staan, en 'ziedaar zijn ongeluk volkomen. De kracht dei- gewoonte sleept hem met ijzeren slavenketen voort op het verderfelijke pad der dronkenschap. Het gezelschap van een dronkaard, het gezicht, de reuk, de gedachte zelfs aan drank is voldoende om zijne schandelijke neiging op te wekken en eenen onverzadelijken dorstte ontsteken. Zoo leeft hij diep ongelukkig
410
overgegeven aan een hartstocht, die hij haat, maar waarvan hij zich niet kan ontdoen, maand in maand uit, jaar in jaar uit, altijd ellendiger, naarmate hij langeren tijd aan 'den drank verslaafd is. (iee'ne vermaningen of smeekiiigen van vrienden of kennissen, ouders of bloedverwanten, vrouw of kinderen, ge'ene aanhoudende ziekte of ongemakken, geene bittere armoede en ellende, geen gedachte aan hemel of hel zijn in staat hem van zijne ongelukkige hartstocht te genezen, hij blijft voortleven in zijne zonden, tot dat een of ander ongeluk hem plotseling uit het leven wegrukt, of eene slepende ziekte hem voert naar de eeuwigheid, waar hem verschrikkelijke straffen wachten en hij te laat zijne dronkenschappen zal verwenschen en vervloeken. O wie zou bij het gezicht van zulke noodlottige gevolgen, welke de dronkaard door zijne hartstocht over zich aftrekt, geen levendigen haat en afschuw in zich gevoelen en het krachtig besluit maken, zich nooit aan dronkenschap over te geven.
411
Maar niet alleen voor den dronkaard zeiven brengt die verfoeilijke zonde de noodlottigste gevolgen voort, ook anderen moeten deze ruimschoots ondervinden.
Want wat is de dronkaard voor anderen ? De dronkaard, zegt de H. Anibrosius, is vooreerst voor anderen een nutteloos wezen. Superflua creatura. Een dier dient den mensch gedurende zijn leven of zooals de slachtdieren, na zijn dood, maar een dronkaard deugt voor niets. Hij deugt niet voor zich zeiven, want hij is wreed voor zijn lichaam en ziel; hij deugt niet voor anderen, want hij strekt hun tot last en tot nadeel; hij deugt niet voor het leger, want hij wordt er de schandvlek van en is een onbruikbaar lid; hij deugt niet voor het werk, want hij bederft het; hij deugt niet voor vrouw en kinderen, want hij is hun beul; hij deugt niet voor de aarde, hij deugt niet voor den hemel, hij deugt slechts voor ééne zaak: om tot straf zijner zouden van dronkenschap voor eeuwig door God verworpen te worden. Maar niet alleen
412
is een dronkaard voor anderen een nutteloos wezen, hij is ook een hoogst schadelijk wezen, want door zijne dronkenschap wordt hij een onrechtvaardig-, een hardvochtig en een ergerlijk mensch. Een dronkaard is onrechtvaardig. Als hoofd des huizes maakt hij schulden op schulden, belast al zijne goederen, verkwist het goed van vrouw en kinderen en brengt hen tot den bedelstaf. Als kind weigert hij het loon van zijn werk aan zijne ouders af te dragen, gebruikt alle listen en bedrog om op de onrechtvaardigste wijze het geld van zijne ouders machtig te worden; als werkman steelt hij de goederen zijns meesters, de gereedschappen, die aan zijn meester toebehooren en verkoopt dat alles voor een spotprijs, om zijne schandelijke begeerte naar drank voldoening te schenken; als kameraad leeft hij voortdurend op den zak van anderen, leent zonder het geleende terug te geven of maakt misbruik van vertrouwen door zich zonder voorkennis zijner vrienden met hun goed te verrijken. Kortom de dronkenschap
413
is de vruchtbare bron van verschillende onrechtvaardigheden, die jaarlijks geschieden. Drie vierden der diefstallen moeten aan die ongelukkige hartstocht van drinken worden toegeschreven. Zij vult de gevangenis met veroordeelden, gelijk blijkt uit de statistieken, die opgeven, dat. er in Engeland alleen 15.000 mannen en 10.0(10 vrouwen tot gevangenis waren veroordeeld om misdaden door de dronkenschap veroorzaakt.
Een dronkaard is voor zijnen even-mensch ook hardvochtig en wreed. Treedt die huisgezinnen eens binnen, waar de man een dronkaard is, wat al tooneelen van wreedheid en hardvochtigheid zult gij daar niet aanschouwen? Vrouw en kinderen zijn ten prooi aan de grootste ellende en vergaan dikwijls van kommer en gebrek op liet oógenblik, dat de dronkaard met zi]ne ongelukkige gezellen in de herberg drinkt en zich vroolijk maakt. In zijne woning ontbreekt dikwijls het hoogst noodzakelijke huisraad, meermalen is zelfs het bed te gelde gemaakt om schu'ldeischers
4M
te betalen of eenig levensonderhoud te bekomen. Schamele kleederen, of beter gezegd, lompen dekken de ledematen van de leden des huisgezins, wier goede kleederen verpand zijn, om aan den verfoeilijken dorst van hun vader te voldoen. Een weinig hard brood met water, of spijzen door eene medelijdende hand aangeboden maken hun soberen maaltijd uit. Tegen de grimmigheid van kil en koud weder, of tegen de vorst hebben zij dikwijls geene beschutting, geene verwarming. Wiens hart zou niet van medelijden vervuld worden voor zulk een droevige toestand? AVie zou niet alles doen, wat in zijn vermogen is, om zulke ongelukkige menschen te helpen ? Doch wel verre dat het gezicht van zooveel jammeren den dronkaard eenige gevoelens van zacht- 'jj heid en menschlievendheid instort, wordt zijne wreedheid dikwijls zoozeer verhoogd, dat hij aan vrouw en kinderen hun rampzaligen toestand verwijt. Hij vloekt en raast tegen die ( ongelukkigeu, vordert met harde woorden -en ruw geweld de laatste
415
penningen, welke zij door hard werken in de week verdiend hebben, of die de christelijke liefdadigheid ter hunner ondersteuning had afgezonderd. AVordt aan zijnen eisch niet onmiddellijk voldaan, dan regent het weldra slagen op slagen, dan volgen er mishandelingen, zoo gruwzaam, zoo laag en gemeen, dat men ze dikwijls zijn grootsten vijand niet zou kunnen aandoen, dan gebeurt het niet zelden, dat de verdierlijkte dronkaard alle gevoel van menschelijkheid uitschudt eii eigen vrouw en kinderen jammerlijk verwondt of misdadig vermoordt. O, die vervloekte drank !
Een dronkaard is ten slotte een ergernisgevend mensck. Een dronken mensch sticht onberekenbaar veel kwaad op de wereld. Waar hij zich ook moge bevinden, in de herberg, op straat, te huis, te midden zijner kameraden, altijd is zijn omgang besmettelijk, altijd geeft hij groote ergernis. In de herberg spoort hij anderen tot de zonde aan door het spreken van vuile taal, het zingen
416
van slechte liederen, door vloeken en stig
godslasteringen, door spotternijen over aiie
het geloof, door het venvekken van gev
twist en oneenigheid. Op straat ont- Wa
sticht hij allen, die hein ontmoeten, n0g
door zijne lage en gemeene uitdruk- i0tt
kiiigen, liederlijke gebaren, wellus- tncl
tige handelingen. Te huis ver- in \
waarloost hij de verstandelijke en te
godsdienstige ontwikkeling zijner kin- zijn
doen, geeft als echtgenoot én vader lijk
een slecht voorbeeld aan zijne onder- 0Ve
hoorigen, is de oorzaak, dat deze hem dat
vervloeken en verwenschen, en zich nis
om hem aan zeer groote zonden schul- \)ur
dig- maken. Te midden zijner kame- een
raden eindelijk stelt hij geen teugel wo;
aan zijne ergernissen en wordt hij ma
voortdurend een steen des aanstoots, hij
Zoo wordt de drank een duivelsch ]
vergift, waardoor de zonden over de vol
aarde op onbegrijpelijke wijze worden hei
vermenigvuldigd. ' -we
Wil de militair zich dus van dron- leg
kenschap onthouden, dan trachte hij loo
op de eerste plaats eenen levendigen cip
afschuw van die verfoeilijke ondeugd de:
bij zich op te wekken door eene efn- leo
i
417
stige eu herhaalde overweging van alles, wat wij over den aard en de gevolgen dier ondeugd gezegd hebben. Want voor hem lis de dronkenschap nog schandelijker en zeker even noodlottig als voor den burger. Wat toch is schandelijker, dan een militair in uniform dronken langs de straten te zien rondslingeren en getuige te ziin van alle balddadigheden en liederlijke gedragingen, waaraan hij zich overgeeft? Wat is vernederender, dan dat hij als verstoorder der openbare rust tusschen politieagenten naar het bureau wordt overgebracht ? Welk een schandvlek wordt daardoor geworpen niet alleen op zijn persoon, maar op geheel den stand, waarvan hij zulk een onwaardig lid is ?
Daarenboven welke schadelijke gevolgen vloeien noodzakelijk uit die herhaalde dronkenschappen voort, zoowel voor hem zeiven als voor het leger? Voor hem zeiven venvaar-loozing zijner militaire plichten, disciplinaire straffen, degradatie, verwijdering uit de gelederen; voor het leger overtreding der bevelen en
27
418
reglementen, verzet tegen de overheid, wanorde in de kazerne, ergerlijk gedrag tegenover de burgers en m tijd van oorlog lafheid in den strijd, lage wreedheid jegens overwonnenen of krijgsgevangenen. De militair verfoeie dus de dronkenschap zooveel hij maar kan; dit is het eerste middel om zich voor die ondeugd te bewaren, want men vlucht en vermijdt, wat men haat en verafschuwt.
Tweede middel: Het vluchten
der naaste gelegenheden van dronkenschap. Qui cavet laqueos securus erit. (Prov. XI. 15.) Die de strikken vermijdt, zegt de H. Schriftuur, zal veilig zijn. Voor den dronkaard komen de strikken, die hem door den duivel gespannen worden, neer op deze drie : de herberg, het gezelschap van dronkaards, en eindelijk de drank zelf.
a. De herberg. Altijd in de kazerne te zijn, begint den militairen spoedig te vervelen en is daarenboven gevaarlijk voor geloof en zeden. Met het volste recht benuttigen zij dan ook hunne vrije uren, om zich buiten de kazerne te ontspannen. Doch waar
In
419
zullen zij dien tijd doorbrengen ? Ouders, bloedverwanten of kennissen hebben de meesten in de garnizoensplaats niet; wandelen wordt hun dikwijls door regenachtiquot;' of guur weder onmogelijk gemaakt; doelloos langs de straten op eu neer gaan, heeft voor hen op den duur geene aantrekkelijkheid. Waar zuileuvelen dan aanlanden ? In de herberg. En ziedaar dikwijls de eerste stap gezet op het gevaarlijk pad der zonde. Want de beste herberg is voor menig militair gevaarlijk, omdat zij voor hem eene leerschool wordt van dronkenschap. In het eerst bezoekt hij haar niet geregeld, doch bij tusschenpoozeu, blijft er niet te lang eu bepaalt zich dikwerf bij onschuldige dranken (koffie of bier) in geringe hoeveelheid gebruikt. Langzamerhand echter begint hij meer behoefte te gevoelen aan het bezoeken dier plaatsen, brengt er geruimen tijd door en vermeerdert zijn gebruik. Reeds heeft hij het nu eu dan gewaagd zijne lippen te zetten aan geestrijke vochten. De smaak en de prikke ling dier dranken, gevoegd bij het
420 \
voorbeeld van medemakkers, die nooit ^
iets anders gebruiken, spoort hem vra^ aan, om daarmede voort te gaan en
het duurt niet lang, of de militair reed
wordt een volslagen dronkaard, die , ^1'1
lederen vrijen avond, wanneer hij â¢eei slechts geld heelt, in de herberg te vinden is. Zoovelen, die later wegens
voortdurende dronkenschappen uit de W1JZ
felederen verwijderd zijn, moeten aan vreri!
eze oorzaak hun ongeluk toeschrij- val1
ven. De militair vluchte dus de i00®
herberg en make het besluit er zelden wat een voet in te zetten. Deze waar-schuwing geldt nog meer voor die
garnizoensplaatsen, waar de militair. (:']e
omdat hij algemeen door de burgerij yoe
wordt geminacht, geen toegang kan ^11
verkrijgen tot fatsoenlijke herbergen, ^!?â¬
maar gedwongen is, zich naar die .j'
femeene herbergen, die verfoeielijke
roegen te begeven, welke te recht ^'a
schuilplaatsen der dronkenschap, pest- onJ|
holen van goddeloosheid en zedebederf 2611
genoemd worden. Wie daar slechts retllt;
enkele malen is binnengetreden, kan 11611
zeker zijn, dat hij binnen zeer korten v.00
tijd aan den drank verslaafd is. rin^
i_L
4:21
looit Maar, zal misschien de militair
hem vragen, waar meet ik dan mijne vrije
n en uren doorbrengen? Het antwoord is
itair reeds vroeger gegeven: in de R. K.
jie Militaire Vereeniging, welke in de l }jij ' meeste garnizoensplaatsen is opgericht.
â te Daar vindt hij ruimschoots gelegen-
gens heid om zich op de aangenaamste
ft de wijze te ontspannen, de verveling te
aan vermijden en zich voor de gevaren
hrii- va11 dronkenschap, ongeloof en zede-
de loosheid te behoeden. (Vergelijk hier
ilden wat wy 0P bladz. 222 over de R. K.
aar- Militaire Vereeniging gezegd hebben.)
die gezelschap van dronkaards.
tair. Gelijk de militair, die zich voor het
o-erii vloeken bewaren en kuiscb wil leven,
\an den omgang moet vermijden met
geu vloekers en onzuiveren, zoo ook moet
diè hij, die matig wil leven, het gezel-
liike schap ontvluchten van dronkaards,
â¢echt Want iemand, die met een dronkaard
pest_ omgaat, wordt, voordat hij het weet, ïderf ze^6611 dronkaard. De verschillende
;chts redenen, welke zijne rampzalige vrien-
kan hebben om te drinken, hunne
irten voortdurende aansporingen, goedkeuringen, spotternijen over zijne ont-
I
I
honding, hun kwaad voorbeeld, dat v
alles zal weldra een allernadee- d
ligsten invloed oefenen op zijn bart p en hem binnen korten tijd een ver-
acbtelijken slaaf maken der dronken- si
schap. Daarom waarschuwt hem de si H. Schriftuur: (Prov. XXIII. 19, 20.) â '{ n
Audi fili mi, esto sapiens...... noli esse d
in conviviispotatorum: Hoor mijn zoon, v
en wees wijs, wil niet aanzitten aan n
de tafels der dronkaards ;cift rae? cujus z
patri vae ? cui rixne ? cm foveae ? cui â
sine causa ruinera ? cui suffusio oculo- t
rum, not ine his qui commorantur in vino d
et student calicibus epotandis (XXIII. 29 t
en 30.) Want over wien komt wee, g
over wiens vader komt wee? Met wien o
komt twist ? Aan wien worden bin- v derlagen gelegd? etc. Over wien an- g ders dan over hen, die bij den wijn en t
sterken drank verwijlen en hun best c doen om vele bekers te ledigen ? De z militair vlucbte bijgevolg de drinke- c broers en verwijdere zich uit hun a
gezelschap, zelfs dan, wanneer zij hem z
net verleidelijk aanbod mochten doen, 1
op bun eigen kosten te tracteeren; t
want dit kan een sluwe list des dui- 1
.
423
dat veis zijn, waardoor hij een slachtoffer,
adee- dat hem anders zeker zou ontsnap-hart pen, tracht te bemachtigen,
ver- c. De sterke drank zelf. Het groot-nken- ; ste gevaar van dronkenschap is de
m de sterke drank zelf. Een dronkaard, die
, 20.) niet vast besluit, nimmer meer een
i esse druppel drank te drinken, zal nooit
zoon, van zijne ongelukkige hartstocht ge-
l aan uezen worden. Het baat hier niet te
cujus zeggen : âik zal mij bij eene bepaalde
? cui âmaat houden, die ik nooit zal te bui-
â )culo- ten gaan,quot; want de ondervinding leert,
irino dat zij, die het kwaad niet met wor-
11.29 tel en al uitroeien en zich niet voor
wee, goed alle gebruik van sterken drank
wien ontzeggen, spoedig in de oude ge-
hin- woonte van zondigen terugvallen En
i an- geen wonder, want indien de reuk of
ijn en het gezicht van geestrijke vochten
best dikwijls de hartstocht der onmatigen
_? De zoo sterk opwekt, dat zij als door een
inke- onwederstaanbaar geweld vervoerd
hun worden en geen rust vinden, totdat
i hem zij zich aan volkomen overdaad heb-
ioen, ben schuldig gemaakt, welk een mach-
;ren; tigen indruk zal de smaak van dat
dui- heilloos vocht dan niet teweegbren-
j
424
gen ? Iedere stad, ieder dorp kan op zulke voorbeelden wijzen. Overal ziet men dronkaards, die ter verbetering van hnnne rampzalige .gewoonte oen 1 heilig besluit maakten nimmer meer sterken drank te drinken, dat besluit soms jaren lang gestand bleven, en toch opnieuw in hunne zonden terug vielen, nadat zij bij eeneof andere gelegenheid het gewaagd hadden een weinig van dat heilloos vocht te drinken. De militair, die zich dus eenmaal aan den drank verslaafd heeft, ontzegge zich voor goed alle gebruik van sterken drank en late zich door geen enkel voorwendsel van zijn besluit afbrengen. Een dronkaard zegt niet zelden, dat de onthouding van allen drank schade zou toebrengen aan zijne gezondheid. Doch aangenomen dat zulk een beweren waarheid bevatte, is het dan niet oneindig veel beter schade te leiden aan het lichaam dan aan de ziel? Van twee kwaden moet men het geringste kiezen. Maar daarenboven de bewering is bepaald valsch. Zij is een dekmantel, waarachter de dronkaard zijne onverstorvenheid
i25
tracht te verbergen, zij is een voorwendsel, dat de hartstocht hem ingeeft. De bekwaamste geneesheeren, over dit punt geraadpleegd, verklaarden, dat de grootste dronkaard aan zijne gezondheid niet den minsten hinder zal toebrengen door zich in eens en voor goed den sterken drank te ontzeggen. Een ander voorwendsel is ontleend aan den aard der militaire werkzaamheden. Wij moeten, zegt men, in koude en regen wacht doen, marchee-ren, exerceeren, dikwijls werken in den natten grond, moed hebben tegenover den vijand enz. enz., wat is er dan beter dan dat wij een matig gebruik maken van een weinig jenever ?
Hierop kan men antwoorden, dat de wereld duizenden jaren bestaan heeft, zonder dat de menschen gedistilleerde dranken kenden, en dat alle groote werken, welke gedurende dien tijd zijn tot stand gekomen, alle groote oorlogen, die gevoerd zijn, alle schitterende overwinningen, die bevochten werden, zonder sterken drank verricht zijn. De oude Grieken, Komeinen, Gralliërs en Batavieren hadden zich in
J
426
den krijgsdienst onvergelijkelijk meer vermoeienissen te getroosten dan de tegenwoordige militairen, en toch deden zij dit zonder jenever, brandewijn en cognac. Zij vonden de noo-quot;dige verfrissching in een matig gebruik van wijn/bier of andere onschadelijke dranken. Verfoei daarom, dierbare Militair, allen sterken drank en maak een krachtig besluit nooit, om welke reden ook, een druppel van dat heilloos vocht te proeven, want anders zult ge opnieuw in uwe vroegere gewoonte van dronkenschap terugvallen.
Derde Middel. Vkrsterving en Gebed. Ziedaar het laatste middel, dat nooit mag verwaarloosd worden. Versterving; immers hij die het lichaam daardoor in bedwang 'houdt, het zelfs weigert, wat het zonder zonde zou mogen genieten, zal zeker zich tegen overdaad kunnen vrijwaren; de versterving daarenboven bedwingt de zinnelijke neigingen, zal daardoor dus het verlangen naar prikkelende, opwekkende dranken verminderen, ten laatste zelfs uitdoven. En het gebed
427
â behoeven wij daarover nog afzonderlijk hier te spreken, na al wat wij er vroeger reeds van gezegd hebben? Zijt gij nog vrij van den hartstocht der dronkenschap, voeg bij de aangegeven middelen een dagelijksch gebed om er van bevrijd te blijven, en gij zult zeker verhoord worden. Zijt
fij integendeel reeds de slaaf van ien hartstocht geworden; heb toch moed en bid; het bidden zal u kracht verleenen, om de aangegeven middelen ter beterschap te gebruiken; het bidden zal u kracht verleenen, de opkomende bekoringen te overwinnen; het bidden eindelijk zal u kracht verleenen in het goed gebruik dier middelen te volharden uw leven lang.
Wend u dan door een oprecht gebed tot Jezus en Zijne heilige Moeder Maria ; wie, die oprecht hunne hulp inriep, met het waarachtig verlangen om zich te bekeeren, is ooit door Hen verstooten ?
TWEEDE DEEL.
GEBEDEN EN GEESTELIJKE OEFENINGEN.
r
i
(ste stig ver' mili ste stig ver' mili A zijn 2 A spri God de gev
3 A
de is 1: het
4
A. GODVRUCHTIGE OEFENINGEN VOOR IEDEREN DAG.
1. Kort onderricht over het
gebed in het algemeen.
1 Vr. Welk is eeue der voornaamste oorzaken, waarom de ongodsdienstigheid en de losbandigheid zoovele verwoestingen aanrichten onder den militairen stand ?
Antw. Omdat er zoovele militairen zijn, die niet bidden.
2 Vr. Wat is het gebed?
Antw. Het gebed is eene samenspraak met God, waardoor wij aan God de gevoelens, de begeerten en de behoeften van ons hart te kennen geven.
3 Vr. Is dat gebed noodzakelijk ?
Antw. Ja; voor diegenen, welke tot
de jaren des verstands gekomen zijn, is het zoo noodzakelijk, dat zij zonder het gebed niet zullen zalig worden.
4 vr. Waarom zullen zij, die tot
432
de jaren des verstands gekomen zijn, zonder het gebed niet zalig worden?
Antw. Omdat zij zonder het gebed; 1° de zonden niet kunnen vermijden, 2° de deugden niet kunnen beoefenen, 3° niet zeker zijn van de genade der eindvolharding.
5 Vr. Wat kunnen wij door het gebed verkrijgen ?
Antw. Alie gunsten zoowel naar ziel als naar lichaam, zoowel voor ons zeiven als voor anderen.
6 Vr. Waarom kan men dat alles door het gebed verkrijgen ?
Antw. 1° Omdat God oneindig machtig is en ons dus alles kan geven; 2° omdat God oneindig goed is en ons dus alles wil geven; 8° omdat God oneindig getrouw is in zijne beloften en ons dus alles zal geven.
7 Vr. Mag men in het gebed alle zaken op dezelfde wijze aan God vragen ?
Antw. Neen; alleen de geestelijke zaken, welke betrekking hebben op onze ziel en zaligheid, mag men aan God onvoorwaardelijk vragen, maar de tijdelijke zaken, die betrekking hebben op ons aardsch geluk, b. v.
433
de gezondheid, de vooruitgang in zaken, het welslagen van onze ondernemingen, slechts voor zooverre zij ons nuttig zijn ter zaligheid.
8 Vr. Hoe moet men bidden ?
Antw. 1° Met groote nederigheid ;
âHet gebed des nederigen dringt de âwolken door, en gaat niet weg van . â's Heeren aanschijn, voordat het ver-Bbooringvindt.quot;(Eccli.XXXV.21.)âGod âheeft op het gebed der ootmoedigen ânedergezien en hun geroep niet ver-âacht.quot; (Ps. CL 18.)
2° met groot vertrouwen: âGelooft âdat God u alles zal geven, wat gij âaan Hem in het gebed zult gevraagd âhebben.quot; (Matth. XXI. 22.) âVraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan,quot; (Marc. XI. 24.)
3° met volharding : âHet voortdurend âgebed des rechtvaardigen vermag veel.quot; (Jac. V. 16.)
9 Vr. Waaraan moet men het dan toeschrijven, dat velen bidden en niet verhoord worden ?
Antw. Omdat zij aan God zaken vragen, welke hun naar de zielnadeelig
28
434
r-^i
zijn, of omdat zij niet bidden met de
vereischte gesteltenissen. âGij hebt niet âontvangen, zegt de H. Jacobus, om-âdat gij niet goed gebeden hebt.quot; (Jac
10 Vr. Wanneer behoort men tej bidden ?
Antw. 's Morgens als men opstaat, 's avonds als men slapen gaat, vóór en na het eten, bijzonder als men in de kerk is, doch bovenal wanneer men eenige bekoring of moeielijkheid heeft.
2. Morgengebed.
Zoodra gij na het hlazen der reveille ontwaakt, moet gij u aanstond-s stellen in Gods H. Tegenwoordigheid, Maak daarna, indien gij het onopgemerkt kunt doen, het H. Kruisteeken en verricht uw morgengebed. Wee* niet gelijk aan zoor. el en, die evenals redelooze dieren den dag aanvangen zonder God te bedanken, misschien zelfs met God te heleedigen door vloeken, onzuivere gedachten, werken enz.
Ãebt gij niet veel tijd om uw gebed te verrichten, vergeet dan niet ten minste onder het ivasschen en
aam
de c dag, rerli dien de alle tcell in i lie/c gevo ter vaiu de en l 'â des (jehe
li
M TJ ' jvoo btnv dat vele e:en
435
et (lamp;aanMeeden: T God te bedanken voor it nietl de genotene rust en voor den nieuwen om-f dag, dien Zijne goedheid u wederom (Jac.l verleent. 2° Draag al de werken van dien dag aan God op. 3° Vraag Hem de genade om gedurende dien dag alle zonden te vermijden vooral, die, irelke gij dikwijls bedrijft. 4° Herhaal in stilte de akten van geloof, hoop, liefde en berouw. 5° Vergeet in geen geval de 3 Wees gegroet en te bidden ter eere van Maria's onbevlekte Ontvangenis, met de meening daardoor de zuiverheid te verkrijgen naar ziel en lichaam. 6° Hebt gij meer tijd, b.v. des Zondags, verricht dan het volgende gebed.
Dankzegging.
In den imam des Vaders enz.
Mijn God, ik aanbid I,' en ik bemin U uit geheel mijn hart. Ik dank U voor al de weldaden, die Gij mij ooit bewezen hebt, maar vooral hiervoor, dat Gij mij dezen nacht, waarin zoovele menschen gestorven zijn, zoo genadig bewaard hebt, en mij nu we-
436
derom een nieuwen dag geeft om U te dienen.
Opdracht der goede werken.
Daarom dan, dierbare Jezus, offer ik U alles, wat ik heden doen of lijden zal, op. Al de werken van dezen dag wil ik verrichten tot Uwe meerdere eer en glorie. Al het lijden zal ik bereidwillio; aannemen uit liefde tot U. Daarenboven maak ik het voornemen alle aflaten te verdienen, welke ik dezen dag kan verdienen, en ik bid U dezelve toe te passen zoo op mij, als op de zielen vuu het vagevuur, bijzonder op.....
Voornemen.
Ik neem mij vastelijk voor, dezen dag geheel en al aan uwen H. Dienst te besteden, en daarom verklaar ik dat ik geen enkele zonde vrijwillig zal bedrijven. Ik zal de gelegenheden tot zonde vluchten, de middelen aanwenden, welke mijn biechtvader mij heeft aangewezen óf uwe genade mij
ingee
wach
voor
lieid
na,
drijf
legen
bezie
bijzo
437
0lT. r ingeeft. In het bijzonder zal ik mij wachten voor deze bepaalde zonde.... voor deze bepaalde naaste gelegenheid .... (Ga hier eenige oogenhlikken na, welke zonde gij gewoonlijk be-nffp, drijft, in loelke gevaren of naaste ge-' legenheden van zonde gij gewoonlijk bezwijkt, en maak dan daarover uw bijzonder voornemen.)
Gebed om de noodzakelijke genade.
Maar, o mijn Jezus hoe zal ik met grond mogen vertrouwen, dat ik mijn voornemen zal uitvoeren, indien Gij mij daartoe niet de noodzakelijke krachten en genade geeft. Bewaar mij dan dezen dag op geheel bijzondere wijze, geef mij Uwe krachtdadige genade om de zouden te vermijden en de deugden te beoefenen, verwijder van mij de naaste gelegenheden en gevaren van zonden, en schenk mij die kostbare genade van altijd bij iedere bekoring aanstonds tot U mijne toevlucht te nemen en te bidden. Allerheiligste Maagd Maria, gedenk, dat ik geheel de uwe
438
ben; bewaar en bescherm mij als uw goed en uw eigendom. Sta mij bij iu alle bekoringen, welke de duivel mij zal verwekken, vooral in de bekoringen tegen de H. Deugd van zuiverheid. ('Bid hier de drie Weesgegroeten ter eere van Maria's onbevlekte Ontvangenis, om door Hare bemiddeling de zuiverheid te verkrijgen naar ziel en naar lichaam.)
Eu Gij, alle Gods lieve Heiligen, bijzonder Gij Heilio-e Militairen, bidt God voor mij, opdat ik Hem niet beleedige. H. Engelbewaarder, Gij zijt mij door God als beschermer gegeven, bewaar en bescherm mij dan, opdat ik dezen dag niet in vrijwillige zonden valle.
Akte van Geloof.
Mijn Heer en mijn God, ik geloof, dat Gij één zijt iu Wezen en drievuldig in Personen, de Vader, de Zoon en de H. Geest. Ik geloof dat God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid voor ons is meusch geworden, gekruist, gestorven en ver-
489
rezen. Ik geloof, dat Gij het goede loont en het kwade straft. Deze en alle andere geheimen, welke de H. Kerk ons voorhoudt om te ge-looven, geloof ik vastelvjk, omdat Gij, die de eeuwige Waarheid zijt, het zelf geopenbaard hebt. In en voor dit geloof wil ik leven en sterven.
Akte van Hoop.
O barmhartige God! ik hoop met een vast vertrouwen door de oneindige verdiensten van Jezus Christus, van U te zullen bekomen het eeuwig leven en alle middelen, welke daartoe noodzakelijk zijn. Dit hoop ik, omdat Gij het beloofd hebt, die oneindig goed zijt, almachtig en getrouw in Uwe beloften. In deze hoop wil ik leven en sterven.
Akte van Liefde.
O mijn God ! Ik bemin U boven al, uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel en uit al mijne krachten, omdat
440 .
Gij in U zeiven liet Opperste Goed zijt, dat alle eer en liefde waardig is. Ik bemin mijnen evennaaste gelijk mij zeiven om U, en wensch, dat alle menschen ü beminnen: In deze liefde wil ik leven en sterven.
(Paus Benedict us XIV, heeft den li'quot; December 1754 aan allen, die deze drie akten hidden, zoo dikwijls zij dit doen, eenen aflaat verleend van 7jaren en 7 quadragenen (d.i. 7X40 dagen.) En indien zij dit eene geheele maand doen, een vollen a flaat onder de gewone voorwaarden.)
Akte van Beroutv.
Mijn Heer en mijn God! mijne zonden zijn mij leed, uit den grond van mijn hart, uit het diepste van mijne ziel, niet alleen omdat ik daardoor den hemel verloren en de hel verdiend heb, maar ook, en vooral, omdat ik daardoor ü. die mijn Opperste Goed en alle liefde waardig zijt, heb vergramd. Ik haat en verzaak al mijne zonden uit liefde tot L', en ik maak een vast voornemen mijne
Ui
zonden te biechten, mijn leven te beteren, de gelegenheden te schuwen, ja liever te sterven dan U, o mijn God, nog ooit met eene doodzonde te vergrammen. Amen.
3. Avondgebed.
Gelijk gij den dag met het gebed begonnen zijt, zoo moet gij ook den dag met het gebed eindigen. Zijt gij lid der Militaire Vereeniging, dan kunt gij volstaan met het avondgebed, hetwelk daar des avonds door de leden gezamenlijk verricht wordt. Zijt gij echter door eene of andere omstandigheid verhinderd deel te nemen aan dat gemeenschap-pelijk gebed, doe dan het volgende;
1. Bedank God. voor alle weldaden, welke Hij u gedurende den loop van den dag bewezen heeft;
2. Onderzoek na aanroeping des H. Geest es uw geweten ;
3. Verwek een hartelijk berouw over de bedrevene zonden en maak een rast voornemen uw leven te beteren /
442
4. Bid de akten van geloof, hoop, liefde en beroutv;
5. Beveel u voor den nacht aan God, aan Maria, aan uwe H.H. Patronen, aan uwen Engelbewaarder;
6. En slaap, na uw zediglijk ontkleed te hebben, in, met de gedachte aan God, zonder te luisteren naar de gesprekken van anderen.
Dankzegging.
In den naam des Vaders enz.
O God, ik val eerbiedig op mijne knieën neder, en bedank U uit geheel mijn hart, voor al het goede, dat Gij mij gedurende dezen dag bewezen hebt; Gij hebt mij dezen dag wederom gespaard; Gij hebt mij zoo overvloedig gespijzigd; Gij hebt de krachten van mijn lichaam en ziel in stand gehouden; Gij hebt mij beschermd tegen vele gevaren; Gij hebt mij nog vele andere genaden gegeven, die ik nu nog niet kan inzien en begrijpen. Ik dank U dan voor dat alles door Jezus Christus, Uwen Zoon, onzen Heer.
443
Aanroeping des H. Geestes.
Laat mij, o God, tegenover Uwe weldaden de ondankbaarheden zien, waaraan ik mij heb schuldig- gemaakt. Kom, H. Geest, verlicht mijn verstand en geef mij de genade mijne zouden te kennen, het kwaad te zien, dat ik gedaan, en het goed, dat ik verzuimd heb.
Onderzoek des gewetens.
Daal hier eenige oogenhlikken in u zeiven, en vraag u af: Heb ik heden gezondigd ?
Met gedachten : Heb ik vrijwillig en met pleizier nagedacht over on-kuische, godslasterlijke, ongeloovige of wraakzuchtige gedachten en begeerten? Heb ik den wil gehad eenig kwaad te doen ? Heb ik vrijwillig behagen geschept in kwaad, dat anderen bedreven hebben, b. v. in vuile taal, oneerbare liedjes, onzuivere handelingen ?
Met woorden : Heb ik zelf geen vuile taal gesproken of oneerbare
444
liedjes gezongen ? Heb ik niet gespot met het geloof of met heilige zaken, b.v. den rozenkrans, het scapulier ? Heb ik niet den spot gedreven met deugdzame militairen ? Heb ik geene vloeken of zware verwenschingen uitgesproken ? Heb ik anderen door kwaadspreken of laster niet aanmerkelijk in huunen goeden naam benadeeld ?
Met werken : Heb ik geen slechte dingen gedaan of zoeken te doen met mij zeiven of mot anderen ? Heb ik niet gestolen ? Ben ik niet dronken geweest? Heb ik mij niet vrijwillig in de naaste gelegenheden begeven, b.v. door in slechte huizen te zijn, met slechte makkers te loopen, eene zondige verkeering aan te knoopen ?
Door verzuimenissen : Heb ik mij wel van gevaarlijke gezelschappen of gevaarlijke plaatsen verwijderd, toen ik daartoe de gelegenheid had ? Ben ik des Zondags zonder reden uit de H. Mis gebleven ? Ben ik de oorzaak geweest, dat anderen door mijne ver-zuimenis een zwaar gebod hebben overtreden ?
Door vreemde zonden: Heb ik
445
door woord of daad anderen geholpen om te zondigen? Heb ik anderen niet verleid of trachten te verleiden door schoone woorden, bespottingen, bedreigingen, enz. ? Heb ik aan anderen geen ergernis gegeven ? Heb ik de zonden van anderen, waar ik het kon doen en moest doen, belet?
Ondersoek u ten slotte over uwe stautsplichten, en over het voornemen van dezen morgen, van deze of gene Vepaalde soort van zonde te vermijden. Heht gij uw voornemen verbroken, ga dan de oorzaak daarvan na, en verwek daarna de volgende oefeningen :
Akte van Berouw.
O oneindig goede God! Ik heb XJ heden wederom zoo dikwijls beleedigd! s Ach is dit dan de dankbaarheid, welke ik U geef voor alle aan mij bewezene weldaden? Ja ik ben beschaamd over mij zeiven, want ik erken nu de grootheid mijner schuld. Ik ben niet meer waardig uw kind
genoemd te worden...... Maar Gij,
o Goede God, beste der Vaders, Gij
446
zijt oneindig goed en barmhartig. Daarom keer ik met vertrouwen tot U weder, en ik bid U met tranen van leedwezen in de oogen! Ach vergeef mij al mijne zonden, zoowel die, welke ik lieden als die, welke ik vroeger bedreven heb. Zij zijn mij leed uit den grond van mijn hart. Ãn dit niet alleen, omdat ik daardoor den hemel verloren en de hel verdiend heb, maar vooral, omdat ik daardoor ü, die mijn Opperste Groed en alle liefde waardig zijt, heb vergramd. Ach ware het mij gegeven, dat kwaad wederom goed te maken! Ach hadde ik TJ toch nooit vergramd!
Voornemen.
Ik neem mij vastelijk voor met de hulp Uwer genade mijne zonden oprecht en zoo spoedig mogelijk te biechten, al de gelegenheden van zonden te vluchten, al mijne plichten volkomen te vervullen, ja liever te sterven dan U, mijn goéde God, nog ooit wetens en willens door eene zware zonde te vergrammen. Tot teeken
447
van mijnen goeden wil zal ik terstond mijne bekeering beginnen en bijzonder deze.....zonde in mij uitroeien.
Vergeef mij, Barmhartige Vader, gelijk ik uit liefde tot Ã, vergeef aan al mijne vijanden!
{Verwek 'daarna, zooals gij hij het morgengebed gedaan hebt, de drie akten van geloof, hoop en liefde. Beveel u aan de bescherming van de Allerheiligste Maagd Maria, van uw Engelbewaarder, van uwe H.H. Patronen, bid vooral de 3 Wees gegroeten en zeg vervolgens:)
O Maria, mijne Meesteresse, mijne Moeder, ik wijd ü toe mijne oogen, mijne ooren, mijnen mond, in één woord geheel mij zeiven. Gedenk, dat ik geheel de Uwe ben; bewaar en bescherm mij als Uw goed en Uw eigendom.
Goede Meening.
Mijn God het oogenblik van rnst is aangebroken. Ik wil dan rusten enkel en alleen om U te behagen; en daar ik altijd, zelfs gedurende mijnen slaap met à wensch vereenigd te blijven,
448
daarom neem ik mij voor, ü door iedere ademhaling, iederen polsslag, iedere klopping van mijn hart te loven, te beminnen, te danken, zooals de Heiligen dat doen in den hemel. H. Maria, zegen deze toewijding: en neem mij dezen nacht onder Uwe bescherming. {Begeef u daarna te hed met de gedachte aan God. Vergeet niet mc rozenhoedje mede te nemen. Sla uwe armen kruiselings over de borst te zamen en houd ze onder de bovenste deken. Tracht vervolgens in te slapen onder het verwekken van korte schietgebeden, b.v. Mijn Jezus, barmhartigheid! Maria ik bemin U! Indien gij des nachts wakker wordt, verhef dan aanstonds uw hart tot God; en mocht het soms zijn, dat de eene of andere kwade gedachte zich aan uwen geest voordoet, zeg dan terstond â . o' Jezus, Maria, liever sterven dan zoo iets te denken, te willen, te doen !
4 Gebedek voor en na het eten.
In de kazerne zult gij vele voorbeelden zien van wapenmakkers, die
449
vóór en na het eten niet bidden. Volg hun voorbeeld niet na en val niet op het voedsel, gelijk de redelooze dieren dat doen, zonder God, den Schenker van alle goed, te loven. Hebt gij den moed niet ten aanschonwe van anderen te bidden, of acht gij het, om spotternijen te voorkomen,'beter dit niet openlijk fe doen, bid dan ten minste een Onze Vader of een Wees gegroet in stilte, of wei richt tot God de volgende verzuchting:
Vóór het eten.
Heer, ik dank U voor de spijzen, welke Gij mij in Uwe goedheid geeft. Ik wil die spijzen niet gebruiken om mijne zinnelijkheid te bevredigen, maar om mijne levenskrachten te bewaren qji te vermeerderen, ten einde TJ steeds beter te kunnen dienen.
Na het eten.
Heer ik dank U voor de genoten weldaden ; geef dat ik door een heilig leven U daarvoor mijne dankbaarheid moge betoonen. 29
450
5. Gebeden gedurende den loop van den dag.
Wanneer Uod u gebiedt.: âGij racet âaltijd bidden en nooit met bidden âophouden,quot; (Luc. XVIII. 1.) dan vordert Hij voorzeker niet, dat gij voortdurend hetzij met den mond, hetzij met het hart gebeden uitspreekt, dit toch zou voor ons onmogelijk zijn; maar dan wil Hij, dat gij uitdrukkelijk bidt op tijden, welke bijzonder aan' het gebed gewijd zijn, en dat gij den overigen tijd zooveel mogelijk met Hem vereenigd blijft en uwe werken aan Hem opdraagt. Daarom vermaande de Apostel de eerste geloovigen: (I. Cor. X. 31.) âhetzij âgij eet, het/.ij gij drinkt, hetzij iets âanders doet, doet alles in den naam âvaii God,quot; Bijgevolg: , .
1. Draag iederen morgen in het algemeen al uwe werken aan God op.
'2. Herhaal die goede meening zooveel mogelijk voor ieder bijzonder werk, dat gif gaat verrichten, door te zeggen; God, ik offer U dit werk, b.v. deze corvée, deze exercitie, deze
451
wacht, deze patrouille, dit poetsen, enz. op. Ik wil het doen uit liefde tot U, bewaar mij gedurende dien tijd van zonde.
3. Indien kwade gedachten of bekoringen u lastig vallen, zeg dan: Jezus, help mij! Maria, toon nu,dat gij mijne Moeder zijt! Weg duivel, ga naar de hel; daar is uwe plaats.
4. Hoort gij andereu vloeken, verfoei dan hunne daad en zeg: Geloofd zij Jezus Christus, of mijn Jezus barmhartigheid voor de arme vloekers. Zingen anderen op marsch, in de wacht, of op de kamer vuile liedjes, zing dan in stilte een of ander Marialiedje. Hoort gij andereu vuile taal spreken, luister er niet naar, maar verwijder u, en kunt gij u niet verwijderen, omdat de dienst u noodzaakt op die plaats te blijven, verafschuw dan inwendig die ergerlijke taal en zeg: Mijn Jezus, geef mij liefde voor de H. Deugd van zuiverheid.
5. Valt de dienst u somwijlen hard en moeielijk, draag dan die moeielijkheid aan God op eu zeg: Heer, haast U
4quot;2
mij te helpen, of: mijn Jezus, Gij hebt zooveel voor mij geleden, licht, dat ik iets voor U lijd.
6. Zijt gij op wacht, moet gij exercee-ren of andere militaire oefoniugen doen, verricht van tijd tot tijd een klem scbietgebedje b.v. mijn Jezus, ik bemin U; Maria, ik hoop op U ; mijn Jezus, barmhartigheid.
7. Hebt gij, nadat gij afgericht ziit, in den middag vele vrije uren, breng deze dan niet door op straat, of in gevaarlijke gezelschappen ot in de kazerne, maar kom zoo spoedig mogelijk naar de Militaire Vereemgmg en ga, indien gij op uwen weg eene kerk voorbij komt, deze even binnen om wat te bidden.
8. Vergeet niet, dat de Zondag op de eerste plaats de dag des Heeren is eu u wordt gegeven, om aan de belangen te denken van uwe eene en onsterfelijke ziel. Stel u daarom op dezen dag niet tevreden met eene stille H. Mis, doch woon, indien gij kunt, eene Hoogmis bij, en 's mul-dags het lof.
I
B. GODVRUCHTIGE OEFENINGEN VOOR IEDERE WEEK.
I. Het aandachtig bijwonen van het H. Misoffer.
1. Korte ondkrrichtino over het H. Misoffer.
1 Vr. Welke is de heiligste en meest verhevene handeling, welke erop aarde kan verricht worden ?
Antw. Het opdragen van het H. Mis-offer.
2 Vr. Waarom is het H. Misoffer de heiligste en meest verhevene handeling, welke er op aarde kan verricht worden ?
Antw. Omdat in het H. Misoffer op eene onbloedige wijze juist hetzelfde offer aan God wordt opgedragen, hetwelk eenmaal op eene bloedige wijze werd opgedragen aan het kruis.
3 Vr. Welk offer werd er dan aan God opgedragen aan het kruis?
454
Antw. Daar offerde Jezus Christus, de Zoon van God, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, die voor ons is mensch geworden, zich zeiven op eene bloedige wijze aan God den Vader op, en stierf den allersmartelijksten en schandelijksten kruisdood, 'om te voldoen voor onze zonden.
4 Vr. Wordt nu datzelfde offer ook opgedragen in het H. Misoffer ?
Antw. Ja, want ook in de H. Mis offert Jezus Christus, de Zoon van God, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, die voor ons is mensch geworden, zich zeiven aan den He-melschen Vader op, maar niet op bloedige doch op onbloedige wijze.
5 Vr. Welk verschil bestaat er tusschen het Kruisoffer en het H. Misoffer ?
Antw. Er bestaat tusschen die beide offers geen werkelijk verschil, wantin beide offers is Jezus Christus de Offeraar en de Offerande. Alleen kan men zeggen :
a. In het H. Kruisoffer offerde Jezus zich op bloedige wijze aan den Hemelschen Vader op; in'het II. Mis-pffer echter op eene onbloedige wijze.
455
h. In het H. Krnisoffer verdiende Jezus voor ons alle genaden; in het H. Misoffer past Hij Zijne verdiensten op ons toe.
c. Eet H. Kruisoffer is slechts eenmaal en op eene plaats opgedragen; het H. Misoffer wordt meermalen en op verschillende plaatsen opgedragen.
d. Aan bet Kruis offerde Jezus Zich op zonder tusschenkomst van priesters; in de H. Mis doet Hij zulks door bemiddeling zijner priesters.
6 Vr. Wat is dan het H. Misoffer ?
Antw. Het H. Misoffer is bet onbloedig offer van de Nieuwe Wet, waarin het Lichaam en het Bloed van Jezus Christus onder de gedaante van brood en wijn aan den Heruelschen Vader wordt opgedragen.
7 Vr Uit hoevele deelen bestaat bet H. Misoffer?
Antw. Uit drie voorname deelen : 1° de Offerande, 2° de Consecratie, 8° de Nuttiging.
8 Vr. Wanneer beeft de Offerande plaats ?
Antw. Na het Evangelie, als de
456
priester, na gezegd te hebben âDomi-nus vobiscumquot;, den kelk ontdekt en het brood en den wijn aan God opdraagt.
9Vr. Wanneer heeft de Consecratie plaats?
Antw. In het midden der H. Mis, even voordat de priester, onder driemaal herhaald luiden van de altaarschel, de H. Hostie en later den Kelk opheft.
10 Vr. Wanneer geschiedt de Nuttiging ?
Antw. Op het einde der H. Mis, als de priester, na driemaal gezegd te hebben â Domine, non sunt diynitsquot;, zich zei ven met het Lichaam en Bloed des Heeren voedt.
11 Vr. Welke is het voornaamste van deze drie deelen ?
Antw. De Consecratie, omdat door de woorden, welke de priester onder de Consecratie uitspreekt, het brood en de wijn ophouden te bestaan eu veranderd worden in het Goddelijk Lichaam en Bloed van Jesus Christiis.
li Vr. Is men soms onder doodzonde verplicht de H. Mis bij te wonen ?
457
mi- I Antw. Ja, op alle Zondagen en op
en J alle gebodene Feestdagen.
Dp- 13 Vr. Wanneer zondigt men groo-
; telijks tegen het gebod, van op Zon-
.tie eu Feestdagen de H. Mis bij te wonen ?
Antw. 1°. Als men zonder wettige
[is, - redenen op die dagen de H. Mis ge-
â¢ie- heel of gedeeltelijk verzuimt. Wettige
ar- redenen zijn b.v. ziekte, noodzakelijke
elk dienstverrichtingen, zooals wacht, etc.
i Gedeeltelijke verzuimenis van de H.
ut- Mis is doodzonde, wanneer men bij een der drie voornaamste deelen van
[is, ; de H Mis niet tegenwoordig is, of
gd ⢠een aanzienlijk gedeelte der H. Mis
squot;, 1 niet bijwoont. Ook dient opgemerkt,
ied dat hij, die door den dienst verhinderd
l is eene latere H. Mis bij te wonen,
3te : verplicht is de H. Mis bij te wonen,
| die vroeger gelezen wordt.
)or | 2°. Als men de H. Mis niet bijwoont
Ier | zooals het behoort; b.v. door met op-
od I zet ouder de geheele Mis te slapen,
en | te praten, te lachen, naar alle kanten
ijk Eï rond te zien of zich vrijwillig zoozeer
as. I te verstrooien, dat men niet weet wat
id- | er aan het altaar plaats heeft.
ti? | 1 Vr. Is het nuttig de H. Mis bij
| te wonen ?
458
Antw. Ja, want op geen anderen tijd is God meer bereid onze gebeden te vèrhooren en onze verlangens toe te staan, dan wanneer wij Hem die gebeden en verlangens aanbieden in vereeniging met het offer van Zijn Goddelijken Zoon.
15 Vr. Wat kunnen wij door het H. Misoffer verkrijgen?
Antw. Alles, wat wij van God be-geeren, zoowel voor ons zeiven als voor anderen, zoowel naar het lichaam als naar de ziel.
2°. Gemakkelijke wijze om de H. Mis
godvruchtig bij te wonen.
Om de H. Mis met groot voordeel voor onze zielen bij te wonen, moeten wij ons met den priester vereenigen, en ons de vier doeleinden voorstellen, waarvoor het H. Misoffer is ingesteld. Deze zijn 1°. Om door de nederige erkenning van Gods Opperheerschappij, Hem eene oneindige eer te bewijzen. 2quot;. Om op waardige wijze voor onze zonden aan de Goddelijke Rechtvaardigheid voldoening te geven. öo. Om
459
God te bedanken voor alle weldaden, welke Hij ons ooit bewezen heeft. 4°. Om Zijn bijstand te verzoeken en de genaden, die wij behoeven, at te vragen.
Ten einde ons hiertoe op eene gemakkelijke en eenvoudige wijze in staat te stellen, raadt de H. Leonar-dus a Portu Mauri tio ons aan, de H. Mis te verdeelen in vier verschillende deelen en ons gedurende ieder dier deelen met de overweging van een dezer doeleinden bezig te houden.
Daar deze manier om de H. Mis bij te wonen, behalve haar eigen voortreffelijkheid, ook dit bijzonder eigen heeft, dat zij zich gemakkelijk zoowel op Missen van langeren als op die van korteren duur laat toepassen, zullen wij haar hier volgen.
1' Gedeelte: Van het begin der H. Mis tot aan het Evangelie.
Gedurende het eerste gedeelte der H. Mis, van het begin tot aan het Evangelie, moet gij u bezig houden met de overweging van het eerste doel,
460
waarvoor het 11. Misoffer is ingesteld, n.l. om door eene nederige erkenning van Gods Opperheerschappij God eene oneindige eer te geren.
Stel u daarom zoo levendig ntogelijk Gods oneindige grootheid en uwe nietigheid voor oog en, en verneder u op dat gezicht met Jezus Christus voor God. Erken oprecht, dat gij niets zijt in vergelijking met Gods oneindige Majesteit, dat gij niet waardig zijt, nietig stof en asch, voor zulk een grooien God te verschijnen. Toon ook die gevoelens van nederigheid in uw uitwendig gedrag door u zoo zedig en ingetogen mogelijk in de kerk te gedragen, eerbiedig te knielen, niet te lachen, 'te praten of rond te zien, en herhaal langzaam en aandachtig dit gebed :
O mijn God, ik aanbid U en erken ü als mijn Heer eu Meester. Ik getuig, dat ik alles wat ik heb en alles wat ik ben, enkel en alleen aan U te danken heb. Ik zie, dat Gij als mijn God en mijn Meester recht hebt op eene oneindige eerbewijzing, maar daar ik van mijnen kant in volslagen onmogelijkheid verkeer, U ooit zulk
461
eene eer te bewijzen, vereenig ik mij met Jezus Christus, die Zich Zeiven hier aan ü opdraagt eu ik bied U de vernederingen aan, waardoor Jezus aan het kruis Uwe Opperheerschappij geëerd heeft en die Hij gedurende de H. Mis op geheimzinnige wijze hernieuwt. Wat Jezus hier doet, o He-raelsclie Vader, dat wil ook ik doen. Met Hem verneder ik mij voor Uwe Oneindige Majesteit. Met dezelfde gevoelens en door dezelfde vernederingen, waardoor Jezus U aanbad en vereerde, aanbid en vereer ik U ook. En ik verheug mij, als ik zie, dat Uw Allerheiligste Zoon ö in mijne plaats op zulk eene allervol-maakste wijze eert.
Sluit hier uw kerkboekje; tracht uit u zeiven dergelijke akten te doen, als hier zijn opgegeven, en betoon uwe blijdschap over de oneindige eer, die God den Vader van Zijn Zoon ontvangt. Herhaal dikwijls de volgende ivoorden: Ja mijn God, ik gevoel mij overgelukkig met de oneindige eer, die Gij door deze H. Mis ivederom zult ontvangen. Ik ben er uitermate ver-verheugd over, dat ik TJ op waardige
462
wijze geëerd zie, en ik bid U, die gevoelens in mijn hart ie vermeerderen.
Blijf voortdurend met deze gevoelens bezig, en zijt gij niet in staat dergelijke gevoelens uit u zelven op te wekken, vul den overigen tijd dan aan door het hidden van het rozenhoedje. O, op welke eene volmaakte wijze zult gij uwe eerste schuld tegenover God aflossen, indien gij aldus de H. Mis bijwoont!
2' gedeelte. Van het Evangelie tot aan de Consecratie.
Bet tweede doeleinde, waarvoor de H. Mis is ingesteld, is, aan God eene waardige voldoening te geren voor al de zonden, waardoor wij Hem in ons leven hebben heleedigd. Doordring u daarom wel van deze waarheid, dat de beleediging, die God door een enkele zonde wordt aangedaan, zoo groot is, dat, al zouden alle menschen en Engelen zich vereenigen, om God daarvoor eereboete en eerherstel te geven, zij nooit daarin zouden slagen, want de beleediging, die God door de zonde
463
wordt aangedaan, is oneindig en iedere voldoening, die menschen of Engelen zouden kunnen geven, is noodzakelijk eindig. Ga vervolgens aandachtig het getal en het gewicht na van al de zonden, waardoor gij God ooit in uw leren beleedigd hebt, en besluit dan, welke eene voldoening gij verplicht zijt aan God voor zoovele en zware zonden te geven. Denk eindelijk aan de gemakkelijke wijze, waarop gij door middel van het H, Misoffer aan God eene waardige coldoening kunt schenken voor al uwe zonden, omdat Jezus Christus zich zeiven in het H. Misoffer ieder en dag op geheimzinnige wijze aan den Hemelschen Vader opdraagt als een slachtoffer voor de zonden der menschen, en zeg daarom met een vernederd en berouwvol hart:
Ziellier o God aan uwe voeten den verrader, die zoo dikwijls tegen U is opgestaan, maar die mi, doordrongen van het levemligste berouw, aan ü vergiffenis vraagt over zijn opstand. Ja, mijn God, ik haat en verzaak uit geheel mijn hart die vele en zware oeleedigingen, welke ik ü heb aan-
464
gedaan, eu om den smaad te herstellen, offer ik ü al de voldoeningen op, die Jezus U op dit altaar geeft. Ik bied ü aan al de verdiensten van Jezus Christus, Zijn heilig en onschuldig Bloed, Hem zeiven, met Godheid eu Menschheid, als een waardig slachtoffer, hetwelk al den smaad U door mijne zonden aangedaan wegneemt en Uwer oneindige Rechtvaardigheid eene volkomene voldoening schenkt. En daar Jezus op dit altaar mijn Middelaar en mijn Voorspreker wordt voor Cwen troon, daar Zijn Allerkostbaarst Bloed bij ü voor mij om vergiffenis vraagt, vercenig ik mijne stem met die van Zijn Goddelijk Bloed en vraag U om barmhartigheid en medelijden. Jezus H. Bloed roept voor mij om ontferming, ook mijn bedroefd en vermorzeld hart roept om erbarming. O God van Goedheid, indien de tranen, die ik over mijne zonden schrei, üw Goddelijk Hart niet treffen, laat à dan ten minste verteederen door de zuchten van Uw stervenden Zoon, laat de verdiensten, die Jezus aan het kruis verwierf voor alle men-
^Ji.
465
schen, door de kracht van dit H. Mis-
^ offer ook vergiffenis verwerven voor
bied mijne menigvuldige en groote zonden.
^\1S j Ja, dit vertrouw ik, door de kracht
ildïg vall uw goddelijk bloed, o, Jezus, zult
' 611 Gij mij de vergiffenis verwerven van
quot; al mijne, zonden en de genade om ze
door : tot aan mijn dood toe alle te beweenen.
jemt Sluit hier wederom uw kerkboek-en tracht u toe te leggen op het ver-
!nâ ⢠krijgen van een tvaar berouw over
m 11 uwe zonden en van een groot vertrou-
^ wen op de verdiensten van Jezus Chris-
^erquot; tus, door welke mee zonden zullen
om uifgewischt worden. Verricht dikwijls
Hlquot;® | vurige schietgebeden, b.v. O, Bloed van
loed (ien Qnschuldige wasch de smetten van
611 den schuldige! o Jezus, door Uwe
voor n onden vergeef mij mijne zonden! enz.
oefd Vraag aan God de genade van een
|.arquot; naar berouw, de volledige vergiffenis
tlien ooA- van de straffen, die gij door uue
men zonden verdiend hebt, de kracht om
quot;e11' naar het voorbeeld ran den H. Petrus,
eren rfe jj Maria Magdalena en alle ware
'den boetelingen uue zonden tot aan uwen
5zus - dood te beweenen.
len- Blijf met deze gevoelens bezig tot
dU
466
aan het oogenhlik der Consecratie, sel,
wanneer gij met nog grooteren aan- te i
drang en meer vertrouwen aan God zijn
de vergiffenis uwer zonden moet af- Vor
vragen. hel
â roep
3. Gedeelte. Van de Consecratie tot gelu
aan de Communie. uit,
: dan,
Gedurende dit gedeelte der H. Mis aam
zult gij u moeten toeleggen, om aan verp
den 'liemelschen Vader ' door middel der
van Jezus, zijn eetügbeminden Zoon, de
uwe dankbaarheid te hetoonen voor al sche
de gunsten en genaden, die God u ooü n.l. i
heivezen heeft. ' Ga daarom een oogen- gen
blik aandachtig na, welke gunsten en : dam
genaden gij gedurende uw leven van van
God ontvangen hebt: algemeene en rerv
bijzondere weldaden, gunsten naar het Maa
lichaam, gunsten naar de ziel. Denk Heil
er aan, hoe God als een liefderijk gen Vader zorg gedragen heeft voor uw , O
licha im, door het ie voeden, te kleeden met
van ziekten te bewaren, enz. Hoe God welc
met nog grootere zorg gewaakt heeft zoov over uwe ziel, door haar van de erf-i die
zonde vrij te wasschen in het H. Doop- bewi
1
467
die, sel, met zijn eigen Lichaam en Bloed an- te roeden in de H. Communie, met xod zijne genade te versterken in het H. af- Vormsel, van de eeuwige straffen der hel te bevrijden in de Biecht en u te roepen tot het eeuwig en volmaakt tot geluk des Hemels. Begrijp hieruit, tvelk eene zware verplichting van dankbaarheid gij tegenover God hebt Mis aangegaan, en hoe gij nooit aan die aan verpichting zoudt kunnen voldoen zonddel der het offer der H. Mis. Want door 'oon, de H. Mis kunt gij aan God een ge-r al schenk geven van oneindige waarde ooit n.l. het Lichaam en Bloed ran zijn eeni-gen- gm Zoon, Jezus Christus. Gebruik n en ' daarom dit offer, om uwe verplichting van van dankbaarheid tegenover God te en vervullen; noodig de Allerheiligste r het Maagd Maria, alle Engelen en alle 'Jenk Heiligen uit, om hunne dankbetuigin-erijk : gen met de uwe te vereenigen, en zeg : ⢠uw | O mijn God, ik zie mij overladen '.eden met allerlei alg-emeene en bijzondere Cod weldaden, met gunsten en genaden, heeft zoowel naar ziel als naar lichaam, erf- die Gij mij bewezen hebt en nog zult ')oop- bewijzen iu den tijd en in de eeuwig-
J
468
heid. Ik erken Let, Uwe barmhartigheden ten mijnen opzichte zijn groot en verplichten mij tot eene oneindige dankbaarheid. Welnn, o (rod, ik ben bij machte de schuld, die ik tegenover U heb aangedaan, op volkomehe wijze1 te voldoen. In het H. Offer der Mis geeft Jezus mij Zijn eigen Lichaam en Bloed en dit geschenk van oneindige waarde ofTer ik U op in ruil voerquot; al de gunsten en weldaden, welke Gij mij ooit bewezen hebt. Neen, ik behoef niét te vreezen, dat Gij dit geschenk niet met liefde zult aannemen en dat ik aldus aan mijne verplichting van dankbaarheid niet zou kunnen voldoen, want Jezus alleen is evenveel waard als al dat gene, wat ik van U ontvangen heb, of nog ooit zal ontvangen. H. Moeder .Maria, H.H. Engelen des hemels, gij alle Gods Lieve Heiligen, helpt mij om God op waardige wijze mijne dankbaarheid te betoonen, en offert als betuiging mijner erkentelijkheid niet alleen deze H. Mis aan God op, maar alle andere H.H. Misoffers, die heden op aarde zullen worden opge-
469
dragen, opdat Gods liefde op volledige
at wijze bedankt zij, voor al de genaden,
^e die Zij mij bewezen heeft en nog in
m eeuwigheid zal bewijzen.
;r Met ivelk een vreugde zal God zulk ;e1 een bewijs van erkentelijkheid van uwen is kant aannemen! Hoe zal Hij door ra zulk een geschenk volkomen bevredigd ii- zijn! Hoe zal Hij daardoor worden lil aangespoord u steeds groot ere welda-n, den te bewijzen ! Herhaal dus voort-n, durend die zelfde gevoelens van dank-it baarheid tot aan de Communie, tracht n- ze telkens volmaakter te verrichten, en ie ! wees er wel van overtuigd, dat het et , het beste middel, om bij voortduring ;n i meer en groot ere weldaden te verkrijgt gen, de dankbaarheid is voor de reeds it : ontnangene weldaden, eere dankbaar-a, heid, welke gij kunt bewijzen door het le ; H. Offer der Mis.
)d
r- ; 4' Gedeelte. Van de Communie tot aan
i- ; het einde der H. Mis.
\-
p, I Het laatste gedeelte der H. Mis moet
ie j bijzonder besteed worden, om nieuwe
e- I gunsten en iveldaden, zoowel voor u
m
als roor anderen, aan God te vragen. Begin daarom, indien gij niet werkelijk kunt communiceer en, met eene geestelijke H. Communie Verlevendig uw geloof aan Jezus heilige en aanbiddelijke tegenwoordigheid; zie hoe de priester het geluk heeft, dien Jezus in zijn hart te ontoangen, en tracht ook in u een groot verlangen op te ivekken, om aan datzelfde geluk deelachtig te worden en Jezus, uw Opperste Goed, in uw hart te ontvangen, zeg dan:
Mijn Heer en mijn God, ik geloof, dat Gij hier wezenlijk tegenwoordig zijt in liet H. Sakrament des altaars. Ik bemin U bovenal en ik wenschte ü in mijn hart te ontvangen. Maar dewijl ik dat niet op werkelijke wijze doen kan, zoo smeek ik IJ, om ten minste op geestelijke wijze in mijn hart te komen Zie ik omhels ü, als hadde ik U reeds werkelijk ontvangen, ik vereenig mij met U, laat niet toe, dat ik nog ooit van U gescheiden worde.
Nadat gij u alzoo op geestelijke wijze met uwen God vereenigd hebt, moet gij er op bedacht zijn vele gunsten aan
I
471
Hem te vragen. Verlevendig dan uw vertrouwen, wetend, dat Jezus met en voor ii bidt en vraag aan den Hemel-schen Vader door Christus, alles wat gij verlangt. Zeg Hem :
O mijn God, ik weet het, ik beu al Uwe weldaden te eeueumale onwaardig. Ik erken, dat ik niet verdien verhoord te worden om de grootheid en de menigvuldigheid mijner zonden. Maar zoudt Gij het gebed kunnen verstooten, dat Jezus U van dit altaar, waar Hij zich zeiven tot Uwe glorie slachtoffert, voor mij opdraagt? O Vader in den hemel verneem de stem van het Bloed Uws Zoons, verneem die stem,welke beter enkrachtiger roept om ontferming, dan het bloed van Abel riep om wraak, en verleen mij om wille van Jezus goedgunstig alle genaden, die mij ter eeuwige za]ig: beid noodzakelijk zijn. Verleen mij de volkomene vergiffenis mijner zouden, de genade om in uwe vriendschap te leven en in uwe liefde uit deze wereld te scheiden. Ja, aangemoedigd door mijn vertrouwen op het gebed van Jezus, Uwen Zoon, durf ik U
472
vragen, al de genaden, die mij noodig zijn om de deugden aan mijnen stand verbonden te beoefenen, en degevaren, die het militaire leven mij aanbiedt, te vermijden. (Vergeet hier niet ver-trouwvol met God te spreken over alles, wat n in uwen stand moeite kost, over de gevaren, die gij in of buiten de kazerne hebt, over de deugden, die gij gaarne zoudt wenschen te bezitten, enz.)
Door de kracht van dat Goddelijk Bloed vraag ik U ook de bekeering der ongeloovigen, ketters en zondaren, het eeuwig en tijdelijk gelnk van hen, die met mij door de banden van bloed of van vriendschap verbonden zijn. Eveneens vraag ik U de verlossing van de zielen uit het Vagevuur.
Blijf met volharding in deze gevoelens voortgaan, hid voor u zelnen en voor uwe vrienden, voor uwe ouders en voor uwe kennissen ; bid voor alle behoeften zoowél voor uwe ziel als voor uw lichaam ; bid voor geheel de Kerk om de volheid van alle goederen, de bevrijding van alle rampen; in één woerd bid vurig met vertrouwen, bid
473
met volharding^ en wees overtuigd dat uwe gebeden, gevoegd hij de gebeden van Jezus Christus, onfeilbaar zeker zullen verhoord worden.
II. Over het aanhooren van. Gods woord iu de predikatie.
âWie uit God is, zegt de H. Joau-ânes (VUL 47), die aanhoort Gods âwoord.quot;
Een van de krachtigste middelen, om de waarheden van ons H. Geloof en de voorschriften der Christelijke zedenleer goed te leeren kennen, of, als men ze reeds kent, niet te vergeten, is liet aandachtig aanhooren van Gods woord in de onderrichtingen of predikatiën, 't Is op deze wijze, dat de Joden en de Heidenen aan de genade des geloofs zijn deelachtig geworden en de Kerk van Christus op aarde verbreid is. 't Is van datzelfde middel, dat God zich ook nog heden ten dage bedient, om ons te onderwijzen en tot onze harten te spreken. Want âdie u hoort, zegt God sprekend van Zijne priesters, hoort Mij.quot;
474
(Luc. X, 16.) Volg dan niet het voorbeeld van die militairen, welke nieeneu, dat zij de preek best kunnen missen en zich daarom gedurende de preek uit de kerk verwijderen, op gevaar af van te laat iu de H. Mis terug te komen of haar geheel en al te verzuimen. Zit. ook niet met opzet te slapen, of houd u niet vrijwillig met andere zaken bezig, maar luister aandachtig naar al hetgeen de priester u in den naam van God zal zeggen. Zie niet nieuwsgierig de kerk rond, maar houd uw oog onafgebroken gevestigd op dengene, die u in naam van God toespreekt. Vergeet niet, dat de zonden van onwetendheid, waarin men vervalt door vrijwillige verwaar-loozing der preek, zonden zijn, die door God worden toegerekend. Overweeg dan aandachtig 's priesters woorden, pas ze niet toe op anderen maar op u zeiven, en herhaal dikwijls gedurende de predikatie de woorden van den profeet Samuel: Spreek Heer, want uw dienaar luistert quot; (1. Reg. III. 10.)
476
Gebed voor de preek.
Kom, H. Geest, vervul de harten Uwer geloovigen en ontsteek in hen het vuur Uwer Goddelijke Liefde. Zend Uwen Geest uit, o Heer, en alles zal herschapen en het aanschijn der aarde zal vernieuwd worden. O God, die de harten Uwer geluovigen door de verlichting van den H. Geest hebt onderwezen, geef, dat wij door dienzelfden Geest de ware wijsheid mogen verkrijgen en ons over Zijne vertroosting altijd mogen verheugen. Door denzelfden Christus onzen Heer.
Gebed na de preek.
O Heer Jezus Christus, ik dank U, dat Gij heden het zaad van Uw Goddelijk woord zoo overvloedig in mijne ziel hebt uitgestort. Gedoog niet. o Heer, dat dit zaad door deii boozen vijand ooit uit mijn hart worde weggenomen of door aardsche en onzuivere begeerten worde verstikt. Maar verleen integendeel, dat Uw woord door Uwen zegen in mij hondervoudige vruchten mogen voortbrengen. Amen.
476
III. Over het bij wonen van het Lof op Zon- en Feestdagen.
Na het godvruchtig bijwoueu vau het H. Misoffer en het outvaugen der H.H. Sakramenteu, is er uiets, wat Jezus zoo aangenaam eu ous zoo voor-deelig is, als het godvruchtig bezoeken vau het H. Sacrament des Altaars, vooral wanneer het op plechtige wijze ter aanbidding is uitgesteld, zooals
Ãedurende het Lof. Dan vooral zetelt ezus op Zijn troon van liefde, bereid oin eeu ieder, die tot Hem nadert, met de rijkste gunsten en zegeningen te overladen. Daarom stemmen dan ook alle Heiligen en geestelijke schrijvers in met de woorden van den zaligen Suso, waar hij zegt, dat God op geene andere plaats eerder onze gebeden verhoort dan ia Zijn H. Sa-krament.edurende het Lof. Dan vooral zetelt ezus op Zijn troon van liefde, bereid oin eeu ieder, die tot Hem nadert, met de rijkste gunsten en zegeningen te overladen. Daarom stemmen dan ook alle Heiligen en geestelijke schrijvers in met de woorden van den zaligen Suso, waar hij zegt, dat God op geene andere plaats eerder onze gebeden verhoort dan ia Zijn H. Sa-krament.
De militair, van deze waarheid overtuigd, zal dan ook in vrije oogen-blikken meermalen de eene of audere kerk in gaan, om Jezus in Zijn H. Sakrament een oogenblik te bezoeken eu voor zich de krachten te
477
vragen, gedurende den diensttijd zijne plichten goed te vervullen en de gevaren van het militaire leven te vermijden. Maar vooral zal hij zich beijveren, op den Zondag het Lof bij te wonen, ten einde niet gedurende den ganschen middag zijn tijd in ledigheid door te brengen.
|Gebeden gedurende het Lof.
Voorher ei ding sgehed. (Van den H. Alphonsus.)
Heere Jezus Christus, die om de liefde, welke Gij den menschen toedraagt, dag en nacht op onze altaren rust onder de gedaante van brood, terwijl Gij daar vol goedheid ons afwacht en met liefde allen ontvangt, die komen om ü in hot allerheiligste Sakrament te bezoeken â ik geloof, dat Gij daar wezenlijk tegenwoordig zijt; ik aanbid U uit den afgrond van mijn niet, en bedank U voor alle genaden, die Gij mij bewezen hebt, maar voornamelijk hiervoor, dat Gij mij U zeiven in dit H. Geheim ge-
é78
schonken, Uwe allerheiligste Moeder Maria tot eene Voorspreekster gegeven en mij geroepen hebt, om U in deze kerk te bezoeken.
Ik groet dan op dit oogenblik Uw liefdevol Hart en doe dit, om U te bedanken voor de groote weldaad der instelling van dit H. Sakrament en om TI eenige vergoeding te geven voor den hoon, dien Gij van Uwe vijanden in dit heilig geheim te dulden hebt. Ik wil ook lieve Jezus, door ü hier te bezoeken, U aanbidden op al die plaatsen van de wereld, waar Gij in Uw H. Sakrament niet genoeg vereerd of het meest verlaten zijt. Ik bemin U, lieve Jezus, uit geheel mijn hart, het doet mij leed, dat ik Uwe oneindige Goedheid voorheen zoo dikwijls vergramd heb. Onder inroeping van Uwen bijstand, maak ik thans een vast voornemen, van U nooit wederom te beleedigen; en van dit oogenblik af, wijd ik mij, hoe ellendig ik dan ook ben, geheel en al aan U toe. Ik maak U meester van mijnen wil, van mijne neigingen, van alles, wat mij toebehoort. Doe met
479
mij, wat Gij wilt ; ik smeek U alleen om Uwe IT. Liefde, om de volharding in het goede tot het einde toe en om eene volmaakte gehoorzaamheid aan Uwen H. Wil. Ontferm U over de zielen van het vagevuur en voorna- ira melijk over de zielen dergenen, die tijdens hunnen levensloop hier op aarde, de meeste godsvrucht hadden tot het Allerheiligste Sakrament of tot de H. Moeder Gods Maria. Ook de ongelukkige zondaars beveel ik ü aan lieve Jezus. Ik vereenig, o mijn dierbare Verlosser, al de gevoelens van mijn hart met die van Uw liefdevol hart, en zoo vereenigd, offer ik ze aan Uwen hemelschen Vader op en in Uwen naam smeek ik Hem, die uit liefde tot U aan te nemen en mijne gebeden te verhooren.
Bezoek.
Iedereen schept behagen in zich te bevinden in het gezelschap van een vriend, die hem dierbaar is. Moet het ons in dit tranendal dan niet alleraangenaamst wezen, in het gezelschap
480
te zijn van den besten der vrienden, van Jezus, die vermogend is, om ons alle goed te doen, die ons met geestdrift bemint en daarom ook zich gedurig met ous bezig houdt ? Zie, daar in het H. Sakrameut, daar kunnen wij ons met Jezus, den besten onzer vrienden, onderhouden, zoo lang wij verkiezen, daar kunnen wij met het grootste vertrouwen gemeenzaam met Hem spreken en ons onderhouden met den Koning der Koningen. Zeer gelukkig voorzeker mocht Jozef van Egypte genoemd worden, toen in den kerker, waarin hij opgesloten lag. God met Zijne genade nederdaalde om hem te troosten; maar duizendmaal gelukkiger zijn wij, die op deze aarde van ellende altijd bij ons hebben onzen menschgeworden God, die al de dagen onzes levens door Zijne wezenlijke tegenwoordigheid ons bijstaat met zooveel liefde en medelijdend gevoel. Hoe troostvol is het niet voor den Dngelukkigen gevangene een vriend te hebben, die hem bemint en zich met hem onderhoudt, hem troost, hem hoop geeft, hulp verleent en er altijd op
481
bedacht is, hem nit zijnen ellendigen staat te redden! Maar daar is Hij onze goede vriend, Jezus Christus, daar in het H. Sacrament des Altaars, van waar Hij ons, arme gevangenen in dezen kerker der wereld toeroept: Ecce ego vobiscum sum; zie, altijd blijf Ik bij n; als wilde ! i ij zeggen: Ik ben opzettelijk uit den hemel in dezen kerker nedergedaald, om u te troosten, te helpen en te verlossen ; laat Ik u dan ook welkom wezen; houd het altijd met Mij en verbind u geheel en al aan Mij, dan zult gij uwe ellende niet meer gevoelen en daarna met Mij in Mijn Koninkrijk komen, alwaar Ik u volmaakt gelukkig zal maken.
U God van onbegrijpelijke liefde, vermits Gij U gewaardigd hebt, uit liefde tot ons uit den hemel op onze altaren neder te dalen, zoo neem ik mij voor, U daar dikwijls te komen bezoeken. Ik wil, zooveel ik maar kan, genot hebben van Uwe allerzoetste tegenwoordigheid, die het geluk der heiligen in den hemel uitmaakt. Ach, dat ik gedurig in
31
482
Uwe H. tegenwoordigheid konde zijn, om U te aanbidden eu U mijne liefde te betuigen.
O ik bid C, lieve Jezus, wek Gij mij op, wanneer ik uit lauwheid of uit menschelijk opzicht verzuimen mocht, U in het H. Sakrament te bezoeken. Ontsteek in mij een vurige begeerte om gedurig bij U te zijn in dit geheim van Uwe liefde! Liefderijke Jezus, hadde ik U toch altijd bemind en altijd getracht U te behagen! Maar dat troost mij, dat er nog tijd overschiet om dat te doen. Ja dat wil ik dan ook doen. Oprecht wil ik U beminnen o God van liefde, oprecht wil ik de zonde vermijden. Mijn Opperste Goed, mijn Schat, mijn Al, uit al mijn krachten wil ik U beminnen.
Geestelijke Communie.
Lieve Jezus, ik geloof, dat Gij in het Allerheiligste Sakrament des altaars wezenlijk tegenwoordig zijt. Ik bemin U bovenal en wenschte U in mijn binnenste te ontvangen. Maar dewijl ik dat thans niet werkelijk doen kan,
483
zoo smeek ik U, om ten minste op eene geestelijke wijze in mijn hart te komen. Zie ik omhels U, als hadde ik U reeds werkelijk ontvangen en ik vereenig mij geheel en al met U. Laat niet toe, lieve Jesus, dat ik mij ooit van U afscheide.
Begroeting van Maria.
De godvruchtige Bernardinus de Bustus roept uit: O zondaar, wie gij ook zijn moogt wanhoop niet, maar neem uwe toevlucht tot Maria; wees zeker van door Haar geholpen te zullen worden, gij zult Haar vinden met de handenvol barmhartigheid en genaden Weet, voegt hij er bij, dat die goedertie-rendste Koningin nog vuriger begeert uw wel te doen, dan gij verlangt door Haar begunstigdte worden.Altijdmijne lieve Moeder Maria wil ik God bedanken, dat Hij mij U heeft leeren kennen. O hoe ongelukkig zoude ik zijn, indien ik ü niet kende of vergat tot U mijne toevlucht te nemen, hoe slecht stonde het dan met mijne zaligheid geschapen ? Maar neen lieve Moeder, ik ken ü, ik bemin U, ik
484
heb een volslagen vertrouwen in U en lu Uwe handen stel ik geheel mijne ziel.
Gebed tot Maria.
Tot U, o allerheiligste en onbevlekte Maagd Maria, Hemelkoningin, Moeder van God en ook mijne Moeder, totU, o Voorspreekster en Hoop der zondaren, neem ik de ellendigste van alleu op ditoogenblik mijne toevlucht. Met den diepsten eerbied kniel ik voor U neder, o groote Koningin, en ik bedank U voor al de genaden, die ik door Uwe voorspraak heb verkregen en voornamelijk hiervoor, dat Gij mij van de straffen der hel, zoo dikwijls door mij verdiend, bevrijd hebt. Ik bemin U, allerbeminnelijkste Maria en om de liefde, die ik U toedraag, beloof ik voor altijd uw dienaar te wezen, en zooveel in mijn vermogen is, te maken, dat ook anderen U beminnen. Op U is mijn vertrouwen gevestigd, Gij moet mij ter zaligheid gt; geleiden. Neem mij dan aan o Maria, voor uwen dienaar, laat mij schuilen
485
n u onder den mantel van Uwe harmhar-lieel ti^heid. En dewijl Gij zoo vermo-: gend zijt bij God, bevrijd mij, smeek j ik U, van alle bekoringen of wel verkrijg voor mij de noodige krachten i om tot aan mijnen dood toe, die alle ekte te overwinnen. Verwerf mij o alleredel- heiligste Maagd eene ware liefde tot jtU j Jezus Christus, door Uwe voorspraak zon- I hoop ik ook eenen goeden dood te van sterven. Om de liefde, die Gij aan icht. óod toedraagt, smeek ik U, mij altijd voor Uwen bijstand te verleenen, maar n ik voornamelijk in de laatste oogenbik-[e ik ken van mijn leven. Houd niet op !gen met mij te beschermen, totdat Gij mii mij gelukzalig ziet in den hemel, tviils ^ waar ik U bedanken en Uwe barm-hartigheid zal prijzen in eeuwigheid. aria ; Zoo geschiede het. Amen.
aag, ;
r te |
'gen
be- | -
wen ;
heid iria, ;
dien
C. GODVRUCHTIGE OEFENINGEN VOOR IEDERE MAAND.
I. Het waardig ontvangen van het H. Sakrament der Biecht.
1° Kort onderricht over het H. Sakrament der Biecht.
a. Over de Biecht in het algemeen.
1 Vr. Wat is de Biecht ?
Antw. Een van de zeven Sakramenten der Nieuwe Wet, in hetwelk de zonden, die na het Doopsel begaan zijn, dooide priesterlijke macht vergeven worden.
2 Vr. Welke zonden kunnen in de Biecht vergeven worden ?
Antw. Alle zonden, die na het Doopsel begaan zijn, hoe groot en menigvuldig zij ook mogen wezen.
3 Vr. Is dat onfeilbaar zeker ? Antw. Ja, want Jezus Christus, de
Zoon van God, die niet liegen of bedriegen kan, heeft, toen Hij dit H. Sa-
487
krament instelde, tot zijne Apostelen en in hen tot hunne opvolgers, de priesters gezegd: âWier zonden gij vergeven zult hebben, dien zijn zij vergeven.quot; (Joan XX. 23.)
4 Vr. Wanneer oefent de priester in den biechtstoel zijne priesterlijke macht uit?
Antw. Op het oogenblik, dat hij ons de absolutie geeft.
5. Vr. Wat zijn de gevolgen van de absolutie?
Antw. 1°. Wij verkrijgen daardoor vergiffenis van onze zonden; 2°. kwijtschelding van de eeuwige straffen der hel, welke wij door die zonden verdiend hebben; 3°. naarmate van onze meerdere of mindere goede gesteltenis, ook meerdere of mindere kwijtschelding der tijdelijke straffen; 4quot;. 'een bijzonder recht op dadelijke genaden, om niet meer in de zonden te hervallen.
6 Vr. Is het dan niet nuttig, dikwijls b.v. iedere maand, te gaan biechten ?
Antw. Ja, dat is zeer nuttig, zoowel om de bovengemelde voordeelen,
488
die aan het H. Sacrament der Biecht verbonden zijn, als om de groote na-deelen, die uit het zeldzaam biechten vooral voor militairen, volgen.
7 Vr. Welke zijn dan die nadeelen?
Antw. 1°. Die slechts zelden biecht,
zal, vooral wanneer hij militair is en dus in zoovele gevaren van zondigen voortdurend leeft, de zonden bezwaarlijk vermijden. 2°. Die slechts zelden biecht, blijft langen tijd in doodzonde voortleven, kan bij gevolg gedurende al dien tijd niets voor den hemel verdienen en zal van zelf de eene doodzonde op de andere stapelen. 3°. Die slechts zelden biecht, stelt zich in het grootste gevaar van geheel zijn leven te blijven zondigen, en eenmaal in doodzonde te sterven, en dat zoowel bij een onverwachten als bij een vooruitgezienen dood.
8 Vr. Is men soms onder doodzonde verplicht te biechten?
Antw. Ja, 1°. volgens het gebod der Kerk, eenmaal per jaar; 2°. volgens Goddelijk gebod, ails men in gevaar is van te sterven; 8°. als de biecht het eenige middel is om den
489
val in doodzonde te voorkomen. 4°. Is liet raadzaam aanstonds te biechten, wanneer men het ongeluk heeft gehad eene doodzonde tè bedrijven.
9 Vr. Wat wordt er vereischt van den kant des biec'itelings, om een i goede biecht te spreken ?
Antw. Drie zaken: berouw, belijdenis en voldoening.
h. Over het Berouw.
1 Vr. Wat is het berouw?
Antw. Eene droefheid des harten
en eene verfoeiing van de bedrevene zonden, met een vast voornemen zijn leven te beteren en de zonde niet meer te bedrijven.
2 Vr. Is dat berouw noodzakelijk? Antw. Ja, het is zoo noodzakelijk,
dat zonder berouw de vergiffenis der zonden onmogelijk is.
'6 Vr. Welke zijn de eigenschappen van een goed berouw ?
Antw. Deze drie. Een goed berouw moet zijn: 1° inwendig, 2° bovennatuurlijk. 3° algemeen.
4 Vr. Wat is een inwendig berouw ?
490
Antw. Een berouw, dat voorkomt uit het hart. Het is dus niet voldoende, dat wij een akte van berouw met den mond uitspreken ol' uit ons kerkboek aflezen; indien ons hart daaraan g-een deel zou hebben, wordt ons de zonde niet vergeven.
5 Vr. Wat is een bovennatuurlijk berouw ?
Antw. Een berouw, dat wij door middel van het gebed van God verkrijgen, en dat daarenboven voortkomt niet uit eene natuurlijke, maar uit eene bovennatuurlijke beweegreden.
6 Vr. Welke zijn de bovennatuurlijke beweegredenen voor een goed berouw ?
Antw. 1°. De gedachte aan den hemel, dien wij door onze zonden verloren hebben; 2» de gedachte aan de hel, die wij door onze zonden verdiend hebben 3° maar vooral de gedachte aan God, die in zichzelven zoo oneindig beminnelijk en ten opzichte van ons zoo oneindig goed is, en dien wij toch door de zonde hebben durven' beleedigen.
7 Vr. Wat is een algemeen berouw ?
i'
491
Antw. Een berouw, dat zich uitstrekt over alle doodzonden, die wij bedreven hebben.
8 Vr. Is bet genoeg, dat men over zijne doodzonden bedroefd zij ?
Antw. Neen, men moet ook het vaste voornemen hebben, ze in de toekomst nooit meer te bedrijven.
9 Vr. Welke zijn de eigenschappen van een goed voornemen ?
Antw. Deze drie: Een goed voornemen moet zijn: 1° vast, 2° krachtdadig, 3° algemeen.
10 Vr. Wat is een vast voornemen ?
Antw. Een vast besloten wil, om,
wat het ook kosten moge, in het vervolg de doodzonden te vermijden.
11 Vr. Wat is een krachtdadig voornemen ?
Antw. Een voornemen, hetwelk besluit 1° de middelen aan te wenden, die ter voorkoming der zonden noodzakelijk zijn en 2° de gelegenheden te vermijden, die voor de zonden de naaste oorzaken zijn.
12 Vr. Wat is een algemeen voornemen ?
Antw. Een voornemen, dat besluit
492
alle doodzonden te allen tijde te vermijden.
c. Over de helijdenis.
1 Vr. Wat is de belijdenis ?
Antw. Eene rouwmoedige bekentenis van de bedrevene zonden, aan den biechtvader gedaan, met de meening om er de H. Absolutie over te ontvangen.
2 Vr. Hoe moet die belijdenis zijn ?
Antw. Die belijdenis moet zijn:
1° oprecht, 2° volledig, 3° rouwmoedig.
3 Vr. Wat beteekènt eene oprechte belijdenis ?
Antw. Dat men geen enkele zonde van die, welke men verplicht is te biechten, vrijwillig achterhoudt; dat men het getal zijner zonden niet vrijwillig verkleint of vergroot; dat men de noodzakelijke omstandigheden, die den aard der zonden veranderen ot die de biechtvader noodzakelijk moet weten, openbaart; dat men iéts, wat zeker doodzonde is, niet voorstelt als twijfelachtige doodzonde; dat meu zijne zonden niet met opzet zoo ver-
493
ward, zoo spoedig of zoo zacht biecht, dat de biechtvader ze niet kan begrijpen of verstaan.
4 Vr. Wat beteekent eene volledige belijdenis ?
Antw. Dat men al de doodzonden, die men na een ernstig onderzoek des gewetens gevonden heeft, biecht vol-
fens getal, soort en omstandigheid, ie de soort verandert.ens getal, soort en omstandigheid, ie de soort verandert.
5 Vr. Moet men ook de dagelijksche zonden biechten ?
Antw. Neen, men is daartoe volstrekt niet verplicht, maar het is toch goed en voordeelig zulks te doen.
6 Vr. Wat beteekent biechten volgens getal ?
Antw. Dat beteekent, zeggen, hoe dikwijls men eene zonde van dezelfde soort heeft gedaan, of meent gedaan te hebben. Dus heeft men b.v. 10 maal gevloekt, dan moet men zeggen: ik heb tien maal gevloekt, en niet 8 of 12 maal. Weet men het juiste getal niet, dan moet men het vermoedelijk getal biechten. Weet men zelfs het vermoedelijk getal niet, dan moet men
494
zeggen, hoeveel maal ongeveei' per dag, per week, etc.
7 Vr. Wat beteekent biechten volgens soort ?
Antw. Dat beteekent, zeggen, welke zonden men gedaan heeft: ot het zonden waren van godslastering, of van dronkenschap, of van onzuiverheid, etc.
8 Vr. Wat beteekent biechten volgens omstandigheid ?
Antw. Dat beteekent, die omstandigheden noemen, welke de zonden van soort veranderen en van ééne zonde twee of meer zonden maken. Zoo b.v. heeft iemand met een persoon van het ander geslacht tegen het 6 gebod gezondigd, en die persoon was gehuwd, dan moet hij deze omstandigheid uitdrukken, want hierdoor wordt het eene andere soort van zonde, het wordt overspel, en zoo iemand voegt bij zijne zonde van verergenis en onzuiverheid nog eene derde zonde, namelijk van onrechtvaardigheid. In de biecht alzoo moet men die omstandigheden noemen, welke de zonden van soort veranderen of van ééne zonde twee of meer zonden maken.
495
9 Vr. Is het groot kwaad eene doodzonde vrijwillig in de biecht te verzwijgen ?
Antw. Ja, dat is eene groote doodzonde van heiligschennis en men verkrijgt in dat geval niet alleen geene vergiffenis van de zouden, die men biecht, maar voegt er nog eene nieuwe zoude van heiligschennis aan toe.
10 Vr. Wat moet hij doen, die vrijwillig eene doodzonde in de biecht verzwegen heeft ?
Antw. 1°. Hij moet alle doodzonden, welke hij vroeger in die heilig-scheunende biecliteu beleden heeft, opnieuw biechten, omdat die heilig-schennende biechten geene goede biechten waren, en dus geene vergiffenis der zonden konden geven. 2°. Hij moet die zonden noemen, welke hij heiligschennend verzwegen heeft, volgens getal, soort en omstandigheid, die de soort verandert. 3°. Hij moet het getal noemen van de heiligschennend e biechten en communiën, waaraan hij schuldig is.
11 Vr. Is die biecht goed geweest,
496
waarin men onvrijwillig, buiten zijn weten, eene doodzonde verzwegen heeft ?
Antw. Ja, zulk eene biecht is goed en vergeeft alle doodzonden, zelfs die, welke men aldus vergeten heeft, doch men is gehouden de zonde in de eerstvolgende biecht te noemen.
12 Vr. Mag men, als men eene dood zonde vergeten heeft, te communie gaan zonder eerst te biechten ?
Antw. Ja, als men die onschuldig heeft vergeten; zij moet echter in eene volgende biecht nog beleden worden, daarom moet men bezorgd zijn die wel te onthouden.
13 Vr. Waarop moet men vooral letten, als men alleen dagelijksche zonde te biechten heeft?
Antw. Dat het voor de geldigheid der Biecht volstrekt noodzakelijk is een oprecht berouw en goed voornemen te hebben, en daarom is het goed bij de dagelijksche zonden nog eens in het algemeen de doodzonden van het vorig leven te sluiten, b.v. de onzuiverheden van vroeger, teneinde
497
daarover opnieuw een waar berouw te verwekken.
d. Over de voldoening.
1 Vr. Wat is men verplicht te doen, als men den biechtstoel verlaten heeft ?
Antw. Dan is men verplicht de poenitentie te volbrengen,die de biechtvader ons heeft opgelegd.
2 Vr. Wanneer moet men de poenitentie volbrengen ?
Antw. Op den tijd en de wijze, die door den biechtvader bepaald zijn; heeft hij daarvoor niets bepaald dan is het raadzaam, dit zoo spoedig mogelijk te doen.
8 Vr. Waartoe dient de poenitentie.
Antw. 1°. Om te voldoen voor de tijdelijke straffen, die wij voor onze zonden aan de goddelijke Rechtvaardigheid verschuldigd zijn; 2° als hulpmiddel, om niet meer in de zonde te hervallen.
32
i98
2°. Gemakkelijke manier om zich op waardige wijze voor het H. Sa-
krament der blecht voor te bereiden.
Bereid u reeds eenige dagen te voren door ingetogenheid, gebed en goede u-erken voor, om van God de genade af te smeeken u oprecht te hekeer en en uwe biecht met de rereischte gesteltenissen te spreken. Stel u voor, dat deze biecht de laatste is van uw leven en gij aanstonds na de biecht zult moeten sterven.
Voorbereidingsgebed.
O Heilige God! die altijd bereid zijt om de zondaars in genade te ont-vangen, vooral wanneer zij met een berouwvol en verootmoedigd hart tot U wederkeeren, zie barmhartiglijk neder op mijne arme ziel, die ua zoo menigvuldige zonden bedreven en Uwe genade zoo dikwijls verstooten te hebben, opnieuw tot ü wederkeert, om door het H. Sakrament der Biecht kwijtschelding en vergiffenis harer
499
zonden te verwerven en wederom in Uwe genade te worden aangenomen. Verleen mij dan de genade om de noodzakelijke voorbereiding, die voor zulk een verheven Sakrament gevorderd wordt, goed te verrichten; verlicht mijn verstand, opdat ik al mijne zonden goed moge kennen ; vermorzel mijn hart, opdat ik er een waar berouw over gevoele; versterk mijnen wil, opdat ik met kracht besïnite mijn leven voortaan te verbeteren; bestuur mijne tong, opdat ik al mijne zonden oprecht moge belijden en laat niet toe, dat ik in eene zoo gewichtige zaak iets achterlate, wat de vergiffenis mijner zouden zou kunnen verhinderen.
H. Maria, Moeder der genade, toevlucht van de ellendigste en meest verlatene zondaars, bid voor mij, opdat ik deze biecht moge verrichten, als ware zij de laatste van mijn leven.
Ga nu over tot het onderzoek van uw geweten ; vraag u at, welke zonden gij bedreven hebt tegenover God, tegenover uwen naaste, tegenover u zeiven. Ga nu de personen met wie, de tijden
500
waarop, de plaatsen waar gij gezondigd hebt. En tracht van alle zonden zooveel mogelijk het juiste getal te achterhalen. Ten einde u dat alles gemakkelijk te maken, vindt gij hier de voornaamste zonden, waaraan gij u in uwen militairen stand kunt schuldig maken, opgegeven.
Onderzoek van geweten.
Zonden tegen het Isquot; Gebod.
1. Den Paaschplicht verzuimen,hoelang ? Slechte biechten spreken, hei-ligschennende communiën doen, hoe dikwijls ? (De slechte biechten moeten herhaald worden.)
2. De poenitentie, door den biechtvader opgelegd, vrijwillig vergeten.
8. Vrijwillig toestemmen in gedachten of twijfels tegen hetgeloof, daarover met anderen spreken.
4. Spotten met de Kerk, den Paus, de priesters, of met pleizier naar goddelooze taal luisteren.
5. Ongeloovige en kettersche boeken lezen, bewaren, of aan anderen uit-leenen, aan hoeveel?
501
6. Nooit of bijna nooit bidden; zondigen omdat God goed is; of wanhopen aan de Goddelijke Barmhartigheid.
7. Zich beroemen over zonden, die men bedreven heeft; of over kwaad, dat men niet gedaan heeft.
8. Geloof hechten aan bijgeloof, tooverij,of zich daarmede bezighouden.
2' Gehod.
1. Met een eed valschheid of leugentaal bevestigen.
2. Zweren, dat men zonde zal doen; b.v. dat men wraak zal nemen.
3. Vrijwillig godslasterende gedachten bij zich houden of uitspreken.
4. Met vermaak naar godslasteringen hooren; ze inwendig naspreken; anderen daartoe opstoken, of, als men het kan en moet doen, ze niet beletten.
3' Gebod,
1. Zonder wettige reden op Zonen Feestdagen de H. Mis verzuimen; of door zijn schuld veel te laat komen; of onder de voornaamste deelen slapen,
502
praten, lachen of vrijwillig verstrooid zijn.
2. Anderen door oneerbiedige handelingen of door praten verstrooien.
3. Op Zon- en Feestdagen geruimen tijd slafelijken arbeid doen zonder noodzakelijkheid.
é' Gebod.
1. Aan ouders of overheden weder-spannig zijn; niet willen gehoorzamen, in belangrijke zaken.
2. Hun door een slecht gedrag veel verdriet aandoen. Hen grootelijks kwaad maken, verachten of verwen-schen, haten, slaan of bedreigen. Door list geld afpersen tot nuttelooze verteringen.
3. Voor de overheden. Hunne minderen mishandelen. IIen doorslechte voorbeelden ontstichten; het kwaad niet beletten, dat zij kunnen en moeten beletten; de handhaving verzuimen der reglementen, vooral van die, welke betrekking hebben op den godsdienst en de goede zeden.
|
rillig verstrooid eerbiedige han-ten verstrooien, lagen geruimen i doen zonder irheden weder-ii gehoorzamen, ht gedrag veel en grootelijks ten of verwen-edreigen. Door uittelooze ver- Hunne min-üi doorslechte i; het kwaad men en moeten â¡g verzuimen van die, welke en godsdienst |
503 5' Gebod. 1. Merkelijk kwaad doen aan den evennaaste door vechten, slaan, verwonden of moorden. 2. Hen zwaar beleedigen met scheldwoorden of verwijtin^en; hun in ernst den dood of een ander groot kwaad vrijwillig toewenschen. 3. Zwareu haat dragen. Hoelang ? Wraak nemen door woorden of daden. Den wil hebben om zich te wreken. Hoelang ? 4. Ergernis geven; aan anderen kwaad leeren; of anderen tot liet kwaad aansporen; of toejuichen, als zij het doen. 5. Twist en tweedracht zaaien onder anderen. 6. Zich zeiven of anderen erg driftig maken. Zich zeiven of anderen groot kwaad toewenschen. 7. Door zijne kwade driften zijne gezondheid merkelijk benadeelen. 8. Zich aan dronkenschap overgeven. Anderen daartoe aansporen. 6' en 9' Gebod. 1. Vrijwillig pleizier hebben in onzuivere gedachten. |
504
2. Vrijwillig bezig blijven met onzuivere begeerten.
3. Met vermaak slechte platen of oneerbare beelden en schilderijen beschouwen.
4. Onzuivere boekwerken lezen, bewaren, aan anderen leenen, aan hoeveel ?
5. Slechte liederen zingen of met vermaak hooren zingen.
6. Vuile en dubbelzinnige woorden spreken, er om lachen, brave militairen er mede plagen.
7. Zich zeiven op eeue oneerbare wijze bezien of aanraken.
8. Hetzelfde doen bij anderen, oneerbare kussen geven, onkuische werken doen ; met hoeveel personen, en met welk soort van personen ?
y. Zich begeven in de naaste gelegenheid van zonden b.v. met onzedige menschen verkeeren, zich begeven in slechte huizen, ook al doet men er geene verdere zonde, omgaan met slechte vrienden, slecht verkeeren.
10. Anderen onkuischheid leeren, hen daartoe aansporen.
505
7' m 10' Gebod.
1. Vrijwillige begeerte hebben om te stelen. Hoe dikwijls? Stelen. Hoeveel?
2. Andere merkelijke schade toebrengen; helpen of opstoken om te stelen of schade toe te brengen.
3. Het gestolen goed niet terug geven; de schade niet herstellen, als men kan.
4. Expres schulden maken, die men niet betalen kan.
5. Ontrouw zijn in administratiën. Bedrog plegen in gewicht, maat, gehalte van brood, vivres en fourage. Door 'vrijwillige onachtzaamheid toevertrouwde zaken laten bederven.
6. Opzettelijk valsche opgaven doen van betalingen, leverantiën of daaraan medehelpen.
8' Gehod.
1. Liegen in zaken van groot belang.
2. Kwaadspreken van anderen, zoodat de goede naam wordt weggenomen, of iemand zwaar belasteren.
ren met on-
;e platen of Iderijen beken lezen, leenen, aan
gen of met
ge woorden ave militai-
e oneerbare
nderen, on-iuische wer-ersonen, en neu ?
naaste ge-â . met onze-ich begeven il doet men mgaan met ïrkeeren. beid leeren,
506
3. Zonder ernstige redenen van anderen groot kwaad vermoeden.
4. Anderen aansporen tot groot kwaadspreken of zwaar lasteren.
5. Den goeden naam van anderen, dien men hen ontnomen heeft, niet willen herstellen.
3' Gebod der H. Kerk.
De geboden vastendagen niet onderhonden, als men er toe verplicht is, of vleesch eten op verbodene dagen zonder verlof, b. v. als men met verlof is. Anderen daartoe opwekken.
Wamieer gij dan met behulp van Gods genade uive zonden hebt leer en hennen, verneder u dan daarover diep voor God, en leg u toe op het verkrijgen van een waar berouw, door na te denken: lo dat gij door uwe zonden den schoonen hemel verloren en de rampzalige hel verdiend hebt, en dat, zoc God u op dit oogenblïk liet sterven, die straf aanstonds aan u zou voltrokken worden. 2° dat Jezus voor die zonden, welke gij nu moet biechten, zooveel geleden heeft, en bij
507
gevolg, dat gij door uwe zonden een van de heulen zijt geweest van Jezus. 3° dat God veel te goed is geiveest voor u, om door uwe zonden vergramd te worden; dat Hij daarenboven zóó oneindig heminnelijk is, dat niemand hier op aarde, niemand der Hemelingen, ja, zelfs niet Maria, zijne eigene Moeder, Hem ooit genoeg kan beminnen, en dat gij in plaats van zulk een God te beminnen, Hem bedroefd hebt. Nadat gij op deze wijze de zonde hebt leeren verfoeien als het grootste kwaad der wereld, verwekt gij langzaam en aandachtig het volgende gebed.
Akte van Berouw.
Ziehier voor uwe voeten, o God, den verrader, die U zoo dikwijls be-leedigd heeft, maar die nu door Uwe genade getroffen, droefheid gevoelt over de beleedigingen, welke bi] U heeft aangedaan en U ootmoedig smeekt om medelijden en erbarming. Een vernederd en verootmoedigd hart, o Heer, zult Gij niet versmaden. (Ps.L.)
508
Ik dank U, o God, dat Gij mij tot heden toe bewaard hebt en mij niet in mijne zouden hebt laten sterven.
Om de verdiensten van Jezus, die aan het kruis voor mijne zonden gestorven is, hoop ik, dat Gij, die mij tot nu toe geduldig verdragen hebt, mij ook wederom in liefde zult aannemen, nu ik tot ü wederkeer en ik hoop en ik vertrouw dat Gij mij in deze biecht alle zonden zult vergeven, die ik ooit gedaan hebt. Mijne zouden, o God, zijn mij van harte leed; het spijt mij, dat ik ze bedreven heb, onidat ik daardoor den hemel verloren en de hel verdiend heb. Doch niet alleen om de eeuwige straffen, welke ik :loor mijne zonden verdiend heb, ben ik er bedroefd over. Neen, wat mij de meeste droefheid veroorzaakt, is, dat .ik U, die de oneindige Goedheid zijt, door mijne zonden heb vergramd. Ik bemin U, o Opperste Goed! En omdat ik U bemin, ben ik bedroefd over de beleedigingen, die ik U heb aangedaan. Ik het U verlaten; ik heb U niet de eer gegeven, waarop Gij recht hadt; ik heb Uwe genade,
509
Uwe vriendschap veracht, ik heb U, o Heer, vrijwillig verloren. Vergeef mij om de liefde van Jezus al mijne zonden; ik gevoel er een groot berouw over uit den grond van mijn hart, en ik haat en verzaak ze alle. O mijn God, niet alleen de doodzonden, die ik bedreven heb, zijn mij leed, maar ook de dagelijksche zonden, omdat ik U ook door deze be-leedigd heb. Ik neem mij voor in het toekomende nooit meer vrijwillig te zondigen. Ja, mijn God! ik wil liever op dit oogenblik sterven, dan ü nog ooit vrijwillig te beleedigen.
Nadat gij u aldus tot de biecht hebt voorbereid, moet gij met geduld op het oogenhlik wachten, tvaarop gij in den biechtstoel znltivordentoegélaten. Tracht intusschen uw best te doen, om de vrucht uwer voorbereiding niet te verliezen, door ongeduldig te worden, nieuwsgierig rond te zien, voor den biechtstoel ie praten of te lachen; maar neem uwen rozenkrans en hid aandachtig, tot dat uwe beurt is gekomen, of hid eenige andere gebeden, die gij hierachter zult vinden. Zijt gij den
510
biechtstoel binnengegaan^ kniel dan eerbiedig neder en zeg tot den biechtvader : Eerwaarde vader geef mij den zegen. Daarna zegt gij de voorhiecht: 2k belijd mijne schuld enz. Noem vervolgens litre zonden met oprechtheid, zonder door valsche schaamte geleid een enkele doodzonde te verzwijgen. Belijd het eerst de grootere zonden, daarna de kleinere. Zeg zelf het getal van uwe zonden en laat die vraag niet over aan den biechtvader. Vergeet ook niet, de noodzakelijke omstandigheden er bij uit te drukken. Hebt gij al utve zonden oprecht, volledig en rouwmoedig beleden, zeg dan de nahiecht.
Blijf vervolgens aandachtig toehoor en, naar al datgene, wat de biechtvader u, in naam van God, zal zeggen; prent zijne vermaningen diep in het geheugen; neem u voor de middelen te gebruiken, die hij u zal voorschrijven, en de gelegenheden te vermijden, waartegen hij u zal waarschuwen. Verwek 'daarna nogmaals een hartelijk akte van berouw, en wacht biddend de absolutie des priesters af, die u van uwe zonden zal ontslaan.
511
Gebeden na de Biecht.
Hebt gij den biechtstoel verlaten, ga dan niet aanstonds de kerk uit, maar dank God eenigen tijd voor de groote genade, die hij u bewezen heeft, dat Hij u wederom in zijne vriendschap heeft aangenomen. Denk, aan hoe-velen God die genade niet bewezen heeft, hoevele anderen, die genade nooit meer zullen ontvangen, omdat zij in hunne zonden gestorven en door God verworpen zijn. Hernieuw dan op-niiiuw uw leedwezen over de bedrevene zonden ; maak nogmaals een vast voornemen, ze niet meer te bedrijven; denk na over de middelen, welke de biechtvader u heeft voorgeschreven, over de belofte die gij hem gedaan hebt van deze of gene naaste gelegenheid te vermijden, en zeg daarna het volgende gebed.
O mijn allerdierbaarste Jezus, welk eene groote dankbaarheid ben ik U niet verschuldigd; door de verdiensten van Uw kostbaar bloed hebt Gij mij, naar ik hoop, de vergiffenis mijner zonden geschonken. Ik dank U daar-
512
voor uit geheel mijn hart; ik brand .. van verlangen om Uwe barmhartig- 7 heden de geheele eeuwigheid door in 9)1 den hemel te loven. Tot nu toe, o . mijn God ! heb ik U dikwijls verloren, quot; maar in het vervolg wil ik U niet meer verliezen. Ik wil veranderen sPoe( van leven. Gij verdient al mijne liefde; ik wil U dan ook met geheel mijn hart beminnen. Ik wil niet meer van ü verwijderd worden. Ik heb 1o U beloofd liever te sterven dan U nog te beieedigen; ik vernieuw deze belofte en wil er tot aan mijnen dood toe aan getrouw blijven. Ik beloof U dé naaste gelegenheden van zouden te vermijden en deze middelen (noem zé) aan te wenden, ten einde niet meer te zondigen. Maar Gij kent mijne zwakheid, o mijn God! verleen mij dan de genade, U getrouw te blijven, zoolang ik leven zal. Help mij, telkens als ik wederom tot zonde zal bekoord worden, en geef mij de genade, om aanstonds door het gebed tot U mijne toevlucht te nemen. Help mij, o Maria, Gij die de moeder der
1
dien Ai 2
de
aard . Ai Jezu twee die aan heid Vlee binn 3
ons 1
513
volhardingf zijt; op U stel ik al mijne hoop.
Volbreng na dit gebed de poenitentie, )icii welke de biechtvader u heeft opgelegd.
'niet 9V rJcen ^oe ^ ^an 200
spoedig mogelijk.
II- Het waardig ontvangen van de H. Communie.
^ u 1°. Kort onderricht over de deze Heilige Communie.
1 Vr. Wat is de kostbaarste schat, dien wij op aarde kunnen bezitten ?
Antw. De H. Communie.
2 Vr. Waarom is de H. Communie de kostbaarste schat, dien wij op aarde kunnen bezitten ?
, Antw. Omdat door de H. Communie Jezus Christus, de Zoon van God, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, die voor ons mensch geworden eu aan het Kruis is gestorven, met Godheid en Menschheid, Ziel en Lichaam, Vleesch en Bloed komt wonen in ons binnenste.
3 Vr. Waarom wil Jezus wonen in ons binnenste ? 33
514
Antw. Om zich zoo inuig mogelijk met ons te vereenigen en de spijs te worden van onze onsterfelijke zielen.
4 Vr. Wat drijft hem hiertoe aan?
Antw. De onbegrijpelijke liefde, die
Hij ons toedraagt en welke niet bevredigd is, tot dat Hij zich ten nauwste met ons vereenigd ziet.
5 Vr. Welke weldaden geeft ons dat verblijf van Jezus in onze harten?
Antw. Alle weldaden, want als wij God bezitten, bezitten wij alles en kunnen wij niets meer verlangen; maar in het bijzonder verkrijgen wij 10 eene vermeerdering der heiliginakende genade, die het leven onzer ziel is, en 2o een geheel bijzonder recht op verschillende genaden, om de zonden te vluchten en de deugden te beoefenen.
6 Vr. Wat wordt er vereischt, om aan die weldaden van Jezus verblijf in onze harten deelachtig te worden?
Antw. Dat wij de H. Communie in waardige gesteltenissen ontvangen.
7 Vr. Welke zijn die waardige gesteltenissen ?
Antw. 10 Dat men zuiver zij van
515
doodzonde. 2» Dat men nuchter zij van af 's nachts 12 uur.
8 Vr. Welke zoude zou men doen, als men vrijwillig in staat van doodzonde, of niet nuchter de H. Communie zou ontvangen?
Antw. Eene groote doodzonde, eeue zonde van heiligschennis.
9 Vr. Is het voldoende, dat men met deze algemeene gesteltenissen ter Communie gaat?
Antw. Neen, voor zulk eene verhevene handeling moet men zich nog op geheel bijzondere wijze voorbereiden.
10 Vr. Waarin bestaat die bijzondere voorbereiding ?
Antw. Hieriu: 1° Dat men zooveel mogelijk vrij trachte te zijn van da-gelijksche zonde, 2® dat men een vurig 'jverlangen naar de H. Communie bij zich zeiven opwekke, 3° dat men de jgevoelens van geloof, hoop, liefde, jberouw en nederigheid in zich trachte I te verlevendigen.
11 Vr. Hoelang past het, dat men met die bijzondere voorbereiding bezig [blijve ?
516
Antw. Ten minste een kwartier uurs.
12 Vr. Wanneer is men verplicht onder doodzonde de H. Communie te ontvangen ?
Antw. lc Ten minste eenmaal in het jaar gedurende den Paaschtijd. 2o Als men in gevaar is van sterven.
13 Vr. Is het nuttig de H. Communie meermalen in het jaar, b. v. maandelijks, te ontvangen ?
Antw. Ja, want de H. Communie is 1° eene spijs voor onze zielen.
Eene spijs nu wordt meermalen genuttigd. De H. Communie is 2° een geneesmiddel voor onze zielskwalen. Een geneesmiddel nu neemt men zoolang, totdat men genezen is. De H. Communie is 3° een krachtig wapen, dat de vijanden onzer zaligheid : verslaat. Een wapen nu blijft men is'j hanteeren, zoolang de vijanden ons aanvallen.
14 Vr Hoe dikwijls moet men dan de H. Communie ontvangen ?
Antw. De eerste christenen deden het dagelijks ; doen wij het dan ten minste maandelijks, en nemen wij daarvoor eenen vooraf bepaalden dag b. v. den
517
j.ten 2quot;⢠3quot; of 4:en bondag van iedere u»1:8; maand.
)licht
116 te ! 2. Gemakkelijke manier om op
. i eene waardige wjjze de H.
1 m ^ Communie te ontvangen.
iven. Gebeden voor de H. Communie. Gom- â¢
n ge-1° een valen.
men . De 2: wa-
htijd.
rven.
Dom-
vquot; Toen de Koninklijke Profeet David . \ zijn volk wilde aansporen om met ijver nunie ; fe arheidm aan den houw van Jeru-lelen. salem's tempel, sprak hij tot hen deze noorden : âOpus grande estquot; (i. Par. XXIX I.) Het is niet een gewoon en \ alledaagsch, maar een zeer groot en zeer verheven werk; er moet een huis | (jehouwd worden niet voor de menschen, . ! maar voor God zeiven. Dezelfde woor-gneiu ; dierbare Militair, moet gij u toe-t men, Spreken 0p dezen morgen nu gij u a on» ; gciat bereiden om de H. Communie te i ontvangen. Gij zult een zeer groot a aan j en een zeer rer}leren weri: verrichten;
, \gij gaat in uw hart een troning bou-eu nei \ wen njef v00r (je menschen, maar voor minste | q(hj^ omdat gij door de H. Communie ar voor |0^ ge}ieci bijzondere wijze een lerende
518
tempel wordt van God, een tvaarachtifj verblijf der Godheid.
Wel rust er dus op u eene zware verplichting, de verplichting namelijk uw hart zoo tv aardig mogelijk tot de komst van God voor te bereiden. En welke voorbereiding zal Jezus nu eer van u vragen, dan een levendig en nederig geloof aan zijne H. Tegenwoor digheid in het H. Sakrament? Niemand, zegt de H. Augustinus, mag de H. Communie ontvangen, of hij mod eerst vol nederigheid qelooven aan God, die onder de nietige gedaante van brood tot hem wil komen. Om deze reden toont de priester u alvorens gij tot de tafel des Heer en zult naderen, den God onder broods-gedaante verborgen, en zegt hij: âEcce, Agnus Dei; ecce qui tollit peccata mundiy Zie hier het Lam Gods, zie*, hier, Dengenen, die de zonden der wereld wegneemt. Om diezelfde reden ook riep in vroegere eeuwen een dienaar der Kerk op het oogenblik, dat de geloovigen zouden naderen tot de-communiebank . âAccedite cum fide'* nadert met een levendig geloof. Ver-
519
chtig\ wijder dan met de oogen des geloofs den sluier, ivaarachter Jezus zich
ware \ verbergt en zeg met een geloovig hart. \elijki
0t^ Akte van Geloof en Aanbidding.
i eer i
y en O dierb'ar'e Verlosser, het is waar,
voor mijn geloof is hier noodig. Brood en
Nie- niets dan brood schijnen mijne zin-
ig cle tuigen hier waar te nemen. Ik zie
mod U hier niet met den luister Uwer
aan Godheid, of met die heerlijkheid, waar-
lante . mede Gij ü aan Uwe leerlingen op
Om ; den berg Thabor vertoond hebt. Ik
al- ' zie hier niet dat Lichaam, hetwelk
'.eren Gij uit liefde tot mij hebt aangenomen,
â )ods- en waarin Gij voor mijne zaligheid
Ecce zoovele smarten geleden hebt. Ik zie
ccutn hier niets anders dan den schijn van
;, zi(i brood, en toch geloof ik vastelijk, dat
r We.- er op het altaar geen brood aanwezig
â¢eden is- Neen het zijn slechts nietige ge-
die- daanten van brood, die Gij in Uwe
) dam liefde laat voortbestaan, om II des te
ot lt;h ⢠gemakkelijker met mij te vereenigen
Hde! ' ei1 mij alle vrees te benemen van tot
Ver- U te naderen ; het zijn slechts sluiers,
520
waarachter Gij ü verbergt, om mijn
feloof op te wekken en te vermeer- 1 eren. Laat de ongeloovige üwe aanbiddelijke tegenwoordigheid in het H. Sakrament dau loochenen, laat de ketter spotten met Uwe liefdevolle instelling: ik voor mij, ik geloof vas-telijk, en voor dat geloof ben ik bereid ieder oogenblik mijn leven te geven, dat Gij, o Jezus, tweede Persoon der H. Drievuldigheid, met Godheid en Menschheid, Ziel en Lichaam, Vleesch en Bloed, daar tegenwoordig zijt. Ik geloof, dat Gij daar tegenwoordig zijt met hetzelfde Lichaam, dat geboren is uit de Allerheiligste Maagd Maria, met hetzelfde lichaam, dat estorven is op het kruis, ten derden age heerlijk is verrezen en nu vol majesteit zetelt aan de rechterhand des Heinelschea Vaders. Ik geloof, , dat Gij daar tegenwoordig zijt met ' hetzelfde Bloed, hetwelk Gij in Uw H. Lijden voor mij vergoten hebt, met datzelfde Hart, hetwelk na Uwen dood met een lans doorstoken werd. O mijn God, vermeerder en versterk mijn geloof, en geef mij de genade
521
IJ als mijn God te eeren en te aanbidden, zooals de Engelen en Heiligen dat doen in den hemel.
Maar zoudt gij levendig kunnen gelooven, dat die oneindig groote God uw hart heeft uitgekozen om er zijne woning in te vestigen, zonder n diep voor dien God te vernederen en vol droefheid over wve zonden, met den hoofdman van het Evangelie uit te roepen-, âDomine non sum dignus;quot; Heer ik ben niet waardig, (Luc. VIL 5.J dat Gij komt onder mijn dak, doch spreek slechts een enkel woord en mijne ziel zal gezond worden ? Hoe ! de he -â melen zelfs zijn niet geheel schoon voor Gods oogen, de Cherubijnen en Serafijnen bedekken hun gelaat met hunne vleugelen, omdat Hij in hen nog vlekken vindt, en gij zoudt u verstouten tot God zoo vertrouwvol te naderen en Hem in uw hart te ontvangen! Verneder u dan voor dien oneindig heiligen God, en zeg Hem vol nederigheid met de gedachte aan uwe onwaardigheid:
Akte van Nederigheid en Berouw.
O liefdevolle Verlosser, vergeef het mij, wanneer ik vrees, U in mijn hart
522
te ontvangen, en terugschrik bij de gedachte aan mijne onwaardigheid. Gij zijt mijn God, ik ben uw schepsel! Gij zijt de oneindige Heiligheid, ik ben een arm en ellendig zondaar! In U vind ik niets dan oneindige volmaaktheid, in mij vind ik niets dan fouten, gebreken en zonden ! ü zingen de Engelen het heilig, heilig, heilig tegen, mij verwijt de duivel al de zonden, die ik gedurende geheel mijn leven bedreven heb ! O mijn God, ik werp mij dan in het stof van mijn niet voor 13 neder en erken, dat ik niet waardig ben, U in de H. Communie te ontvangen, dat ik zelfs niet waardig ben, hier voor Uw aanschijn te verschijnen, om de grootheid en menigvuldigheid mijner zonden. Hoe dikwijls heb ik uwe genade vrijwillig verloren; hoe dikwijls heb ik voor eene nietigheid U, o groote God, vrijwillig den rug toegekeerd en het schepsel hooger geacht dan mijn Schepper! O, indien Gij met mij niet gehandeld hadt volgens Uwe oneindige barmhartigheid, maar volgens Uwe onverbiddelijke gestrengheid.
523
j de waar zou dan op dit oogenblik mijne
leid. plaats zijn ? Zou zij niet gevonden
)sel! worden in het diepste van de hel?
ik Ik zou dan ook niet tot ü durven
*ar! naderen, indien ik U niet hoorde uit-
vol- roepen : âEum, qui venit ad me, non
dan ejiciam for as.quot; Hem, die berouwvol tot
gen mij wederkeert, zal ik niet afstooten.
ilig fjoan. VI. 27.) O Jezus, heb dauk
de voor dat liefdevol woord ! Ja, nu weet
aijn ik wat mij te doen staat, om op
, ik waardige wijze aan Uwen liefde-
lijn maaltijd te mogen aanzitten. Ik moet
ik mijne zonden beweenen, ze haten en
)m- verfoeien. Ik bid U daarom, help mij
liet om een waar berouw over al mijne
lijn zonden te verwekken. O mijn God,
en het spijt mij uit geheel mijn hart, dat
loe ik zoo quot;snood geweest ben, Uwe liefde
lig met ondankbaarheid te vergelden. Ik
Dor betreur met ware tranen van berouw,
rij- al mijne zonden, groote en kleine,
liet bekende en onbekéiule, alle zonden
ijn in één woord, die ik ooit bedreven
iet heb. Ik haat ze, omdat ik daardoor
in- den hemel verloren en de hel verdiend
;ns heb, maar nog veel meer, o mijn God,
id, omdat ik daardoor U, die zoo onein-
524
dig bcminlijk in U zeiven en zoo goed voor mij geweest zijt, heb vergramd. Ik hoop van Uwe goedheid, dat Gij ze mij reeds vergeven hebt; maar mocht zulks niet het geval zijn, o Jezus, vergeef ze mij dan op dit oogenblik, opdat ik ü met een zuiver hart moge ontvangen.
Doch niet alleen moet gij u toeleggen op gevoelens van geloof en aanbidding, van nederigheid en l'eromv, gij moet nog grootere zorg aanwenden, om in uw 'hart vurige gevoelens op te welckcn van liefde en verlangen. Want waarom toch wil Jezus dezen_ morgen in uw hart nederdalen ? Het is vooral om wee liefde te vragen en uw hart geheel te hezitteu. Jezus verlangt uwe liefde, en daarom weet Hij geen krachtiger middel aan te wenden, dan zelf u zijne oneindige liefde te toonen en zich zeiven als spijs te geven aan uwe ziel. O kond et gij een blik werpen in Zijn Goddelijk Hart, gij zoudt zien hoe het klopt van liefde en verlangen naar 11! Neen, Jezus denkt niet meer aan de zonden, waarmede gij hem vroeger beleedigd hebt; Hij
525
denkt aan niets anders, dan aan liefde. Met een heilig ongeduld telt Hij de oogeriblikken, die Hem nog van uw bezit verwijderd houden. Beantwoord dan die liefde met wArme wederliefde, die vurige heqeerte met een hevig verlangen naar zijne komst en zeg:
Akte van Liefde en Verlangen.
O dierbare Verlosser, hoe zou ik langer kuimen weigeren U te beminnen met al de lietde, waartoe mijn hart in staat is, nu zie ik, dat Gij heden uit liefde tot mij den hemel verlaat en nederdaalt op dit altaar, ten einde ü met mij te kunnen vereenigen en de spijs te worden mijner ziel ? O God van oneindige liefde, dit bewijs Uwer liefde alleen is reeds meer dan voldoende, om mijn hart voor eeuwig door de banden eener vurige liefde aan U vast te binden! Gedoog dan, o liefdevolle Jezus, dat ik U bemiune. Ja, mijn God, ik bemin U alleen, ik bemin U bovenal,
526
ik bemin U met al de krachten mijner ziel. Laat de wereldling zich tevreden stellen met de ellendige goederen dezer wereld, laat hij zijne liefde schenken, aan Aien het hem goeddunkt; ik voor mij, dierbare Zaligmaker, ik wil geen andere liefde dan de Uwe. Ik stel mijn eenig genot, mijne hoogste zaligheid, in U te beminnen, en verklaar
feen grooter ongeluk te kennen, dan oud en onverschillig te zijn voor uwe liefde. Kom dan, o Jezus, mijn eenige liefde, mijn eenige rijkdom, mijn eenige schat, en ontsteek zelf in mijn arm hart de vlammen van liefde, waardoor ik mij zoo gaarne voor U verteerd zag ! Greef mij, tegelijk met de gave Uwer H. Liefde, ook een groot verlangen, mij met U in de H. Communie te vereenigen. O mijn God! Gij noodigt mij uit, U te ontvangen, maar ik van mijnen kant noodig ü uit, mijn arm hart niet te versmaden. Kom dan, Heer Jezus, want mijn hart verlangt naar U, mijn hart verzucht naar U. Gij hebt in mijn hart eene wonde van liefde geslagen, Gij ook zijt de eenige, die door uwe komst
die wonde kunt genezen. âVeni domme, noli tardare!quot; Kom dan, o Heer Jezus wil niet toeven!
Met deze en dergelijke gevoelens van geloof en aanbidding, nederigheid en berouw, liefde en verlanqen, moet gij u bezighouden, tot dat het oogenblik der H. Communie aanbreekt. Wanneer de priester alsdan de H. Hostie omhoog heft en driemaal zegt: â Dor mine, non sum dignus^' Heer, ik ben niet waardig, dat gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts een enkel woord en mijne arme ziel zal gezond worden, klop dan driemaal op uwe borst en herhaal nederig dezelfde woorden. Begeef u daarna zediglijk naar de Communiebank en ontvang met liefde den God uwer ziel.
Gebeden na de H. Communie.
Wanneer gij, na de H. Communie ontvangen te hebben, op utve plaats zijt wedergekeerd, volg dan niet het voorbeeld na van hen, die aanstonds hun kerkboek openen en de gebeden na de H. Communee daaruit aflezen;
528
maar tracht eemqen tijd door te brengen met in uiv hart God te bedanken voor zijne groote iveldaden, Hem uwe goede voornemens en beloften voor de toekomst aan te bieden en van Hem zoouel voor u zeiven als voor anderen allerlei gunsten en genaden af te smeek en. Gevoelt gij, dat uw aandacht gaat verflauwen, open dan uw kerkboek en lees langzaam en oplettend de gebeden, die daar staan op geteekend.
Akte van Dankbaarheid en Liefde.
De H. Geest vermaant cns door den mond van den Wijzen man: (Eccli. XIV. 14,) âPuriicula boni dati non te praetereat.quot; Laat zelfs het geringste gedeelte van een groote gift niet ongebruikt voorbijgaan. Deze woorden mag men met het volste recht toepassen op den tijd na de H. Communie; want dan hebben wij de grootste gift ontvangen, die wij op de aarde kunnen ontvangen, dan bezitten wij Jezus en met Jezus alle andere goederen.
Daarom moet de tijd na de Com-
529
munie op de eerste plaats een tijd zijn van dankbaarheid en liefde. Zie, âzegt de H. Chri/sostomus, gij hebt in âuive liefde tot Jezus misschien reeds âdikwijls verlangd, den Zaligmaker âder wereld te zien in zijne mensche-âlijke gedaante, gij zoudt u gelukkig âachten iets te bezitten, wat aan Hem âhad toebehoord; maar zijn uwe vurigste xcenschen niet verre overtroffen, âtelkens als gij het geluk hebt de Communie te mogen ontvangen ? âDan hebt gij Jezus niet met mee âoogen mogen aanschouwen, dan bezit âgij niet iets, wat Hem heeft toebehoord, maar dan hebt gij Jezus zelf, âdan zijt gij rijk door het bezit van âuwen God. Welke dankbaarheid zijt âGij Hem derhalve niet verschuldigd !quot; Stort daarom uw hart uit in dankbetuigingen en zeg Hem:
O Jezus, heb dank voor Uwe onuitsprekelijke goedheid! Met Godheid en Meuschheid, Ziel en Lichaam, Vleesch en Bloed, zijt gij nedergedaald in de arme woning mijner ziel. Ik bezit nu Dengenen die mijne grootste liefde en mijn eenigste schat is.
530
O was Zaccheus dan zoo gelukkig, toen sein hij den Zaligmaker in zijn huis mocht die ontvangen, verwelkomde hij Hem met U i zooveel blijdschap, gaf hij op zulk ik eene ondubbelzinnige wijze zijne dank- arn baarheid daarover te kennen; met koi hoeveel grootere blijdschap moet ik Jezus dan niet verwelkomen, hoeveel
frootere dankbaarheid moet ik Hem an niet betoonen, nu Hij de spijs is geworden van mij, ellendig en zondig schepsel ? Welaan dan, mijne ziel, verban alle andere gedachten, om U alleen beziff te houden met Jezus, die zijn verblijf houdt in uw hart en zeg Hem : O Jezus, mijne eeuige liefde,
mijn opperst en hoogste goed! wees welkom in de arme woning van mijn hart. Ja ik beken het, de woning, die ik p bereid heb, is nietiger dan de woning van Zaccheus, kleiner en armoediger zelfs dan het stalletje van Bethlehem. In Zaccheus woning werdt gij ontvangen met de grootste blijdschap^ met de vurigste liefde, In het stalletje van Betlehem waren Engelen, die Uwen lof verkondigden. Herders,
die U begroetten. Koningen, die Uge-
531
schenken aanboden, een os en een ezel, die U verwarmden. Jozef en Maria, die ü aanbaden. Maar in mijn hart vind ik niets, wat U kan aantrekken. Mijn arm hart is vol zonden en gebreken, koud en onverschillig voor Uwe liefde gehecht aan de schepselen en vervuld van ongeregelde verlangen. O hoe hebt Gi] mij dan zoozeer kunnen beminnen ! Wat hebt gij in mijn hart gevonden, dat U aantrok? lieb dank dan, o Jezus, voor uwe onuitsprekelijke weldaad. Ja dank, duizendmaal dank! O H.H. Engelen, die bij de geboorte van Christus in onnoemlijk aantal zijt nedergedaald, om Uwen God te loven en te prijzen, prijst, looft en dankt Hem ook thans, nu Hij opnieuw in mijn arm hart is geboren !
Maar, o mijn God, hoe zou ik U mijnen dank kunnen betuigen voor de onmetelijke liefde, die Gij mij hebt toegedragen, zonder tevens mijn hart in warme wederliefde te voelen ontgloeien ! Indien Gij mij het eerst bemind heb, het is enkel en alleen om daarna ook door mij bemind te worden.
532
Gedoog dan, o dierbare Verlosser, dat ik U mijn hart en mijne liefde aanbiede. Zie hier is dat hart, arm en beroofd van deugden, vol gebreken, lonten en hartstochten, maar toch met een vurig verlangen bezield, TJ zooveel mogelijk lief te hebben en te beminnen. Gij zegt tot mij, o Jezus: âDüectus meus mthiquot; mijn beminde is de mijne; maar ik haast mij er bij te voegen : âet ego illiquot; en ik ben de zijne, want van dit oogenblik af wil ik U en niets anders dan U beminnen. Komt, o schoone vlammen van liefde, die daar branden in het liefdevolle Hart van mijn Jezus, ontsteekt in mijn arm hart dat heilig vuur, verteert en vernietigt in mij alle aardsche genegenheden, die in mijn hart wonen en mij zouden beletten geheel aan mijnen God toe te behooren.
Voornemens en Beloften.
De tijd na de II. Communie is op de tweede plaats een tijd van goede voornemens en beloften voor de toekomst, âQui manducat me et ipse vivet
533
propter me.quot; Die mijn vleescli eet en mijn hloed drinkt, zegt Jezus, (Joan. VI. 58.) moet niet meer voor de tve-reld of voor zich zeiven, maar enLel en alleen voor Mij leiden. Wilt gij dus hennhvoorden aan de verwachtingen van Jezus, dan moet gij na de 11. Communie beloften doen van getrouwheid en gehechtheid aan zijn persoon, van standvastigheid in de deugd, van vlucht der zonde. Zeg Hem daarom niet een vastbesloten hart:
O dierbare Jezus, Gij hebt u op zulk eene iuuige wijze met inij ver-eenigd, opdat ik door Uwe liefde getroffen, het besluit zou maken, van eeuwig en onherroepelijk aan U toe te behooreu, en mij door niets ter wereld ooit meer van Uwe liefde te laten afscheiden. Welnu, o dierbare Verlosser, met den Profeet (Ps. LVI. 8,) antwoord ik U: âParatum cor tneum, mijn hart is bereid.quot; Heb ik U vroeger een tijdlang miskend, thans wil ik geheel de Uwe zijn, en verklaar ik voor hemel eu aarde, dat ik nooit iets anders wil beminnen dan U. Ik haat
534
en verzaak alle zonden, waardoor ik ü ooit vergramd heb; ik verzaak de naaste gelegenheden van zonden, welke de oorzaak geweest zijn van mijnen val en ik wijd van dit oogen-blik af mijn lichaam en mijne ziel met al hare vermogens en werkingen aan U toe. Ik wil mijne oogen niet hebben, dan om ze af te wenden van al de ijdelheden dezer wereld en ze door de noodzakelijke versterving aan U toe te wijden. Ik wil mijne ooren niet meer gebruiken, dan om ze te sluiten voor onzuivere, dubbelzinnige en ongodsdienstige gesprekken en ze alleen te openen voor alles, wat mij meer aan Uwe liefde kan verbinden. Mijne tong zal mij niet meer dienen, om godslasteringen en verwenschin-gen iiit te braken en anderen door mijne woorden te ergeren, maar om U te danken voor alle weldaden, die Gij mij bewezen hebt en om door gepaste vermaningen mijne medebroeders van de zondèn af te houden. Ik wil mijn verstand niet meer aanwenden om na te deuken over ongeoorloofde en oneerbare zaken, om wraakzuch-
535
tige gedachten te voeden of middelen te beramen om U te beleedigen, maar enkel en alleen om beweegredenen te vinden om U voortdurend meer te beminnen. Mijn geheugen zal mij dienen om mij mijne vroegere zonden te herinneren; en dit niet om mij opnieuw met de gedachte aan het bedreven kwaad te verlustiseu, maar om met ware gevoelens van leedwezen U vergiffenis te vragen voor al de beleedigiiigen, welke ik U heb aangedaan. Mijn wil, die mij vroeger gediend heeft de zonde met meer boosheid te bedrijven, zal van dit oogenblik af geheel en al gelijk zijn met Uw Goddelijk Welbehagen. In één woord, dierbare Verlosser, ik offer U heden op, alles wat ik heb, alles wat ik kan, alles wat ik ben, mijne zinnen, mijne gedachten, mijne gevoelens, mijne neiging en, mijne vrijheid, mijne ziel en mijn Tichaam. O goede Jezus, versmaad deze voornemens niet. Laat het U eene glorie zijn aan de Engelen een hart te toonen, dat gloeit van liefde tot U en met onverbreekbare banden aan II gebonden is,
536
nadat het ü vroeger zoo dikwijls veracht en versmaad heeft.
Gebeden.
Op de derde plaats is de tijd na de H. Communie een tijd van gebed. Er is geen tijd waarop God meer bereid is, ons gebed te ver hoor en, dan in de oogenhlikken na de H. Communie, tvant dan zijn de gebeden, welke wij storten, niet alleen onze gebeden, maar ook de gebeden van Jezus, die zich met ons vereenigd heeft. Dan zetelt ±hj tn ons hart als op een troon van genade en roept ons toe: â Mij is alle âmacht gegeven in den hemel en on âaarde; (Matth. XXVJU. 18.) vraag
'vt/^ enA suit wkrijgen (Joan. JiVl. M,) Besteed daarom goed die korte oogenhlikken en zeg;
O dierbare Jezus! Hoe zoudt Gij mi] nog iets kunnen weigeren, nadat U zeiven zoo liefdevol aan rnii geschonken hebt! Of is iedere genade, iedere gunst, die ik U afsmeek niet oneindig minder dan Gij zeiven 9 Met het volste vertrouwen, dat Gij mijne
|
gel | |
|
! |
ik |
|
all | |
|
no | |
|
he | |
|
are | |
|
du | |
|
va | |
|
da | |
|
R( | |
|
te | |
|
m | |
|
ve hl | |
|
UI zo | |
|
ra | |
|
zc | |
|
ve | |
|
VJ | |
|
:â |
to |
|
: |
in |
|
g | |
|
V( | |
|
b | |
|
si | |
|
d | |
|
z | |
|
v\ |
537
wijJs gebeden niet zult verstoeten, vraag ik U dan vooreerst voor mij zeiven alles, wat mij naar ziel en lichaam noodig of dienstig is. Mijn God, ik heb U vroeger beleedigd, geef mij de i de genade die bedrevene zouden voort-Er durend te betreuren en door een boet-â¢eid vaardig leven de straffen, welke ik de daarvoor tegenover Uwe oneindige nie, Rechtvaardigheid heb aangegaan, af tvij te koopen en te verminderen. Geef 'iar mij ook de kracht, om U in het ich vervolg van mijn leven getrouw te telt blijven en U niet wederom door nieuwe an zonden te beleedigen. Verwijder van die mij alle naaste gelegenheden van op zonden ; sta mij bij in de bekoringen ; ay verleen mij alsdan de groote genade 'n. i van aanstonds door het gebed mijne lie \ toevlucht tot ü te nemen. Bewaar mij voor slechte vrienden en slechte 'ij gezelschappen; verbreek voor mij de at verleidende kracht der slechte voor-'ij beelden, die ik zoo dikwijls in mijn e, stand moet aanschouwen; verminder
3t de gevaren, en geef mij een onver-it zoenlijken haat tegen al datgene, e waardoor ik U opnieuw zou kunnen
538
beleedigen en Uwe genade verliezea. Geef mij daarenboven Uwe heilige liefde en de vulharding in deze liefde tot aan liet oogenblik van mijnen dood. Maak dat ik mijn hart moge onthechten van de ellendige goederen dezer wereld, van personen, zaken, plaatsen, die mij van Uwe liefde zouden kunnen aftrekken.
Maar niet alleen voor mij zeiven, o goede God, bid ik U; iieen ook voor mijne ouders, broeders en zusters, voor mijne bloedverwanten, vrienden en kennissen vraag ik Uwe gunsten af. Zegen hen naar het tijdelijke, in zoover dit overeenkomt met hun geestelijk heil, maar vooral zegen hen naar de ziel. Geef hun evenals mij eene groote droefheid over de bedre-vene zonde, een grooten haat tegen nieuwe zonden; bewaar hen in Uwe liefde, en geef hun de genade van eenen zaligen dood. Stort ook Uwe zegeningen uit over den Koning en over ons dierbaar Vaderland, wees ook
fenadevol voor mijne wapenbroeders, ie dezelfde gevaren voor hunne zaligheid beloopen als ik.
539
Strek Uwe bescherming uit over onzen H Vader den Paus, de Bisschoppen en alle priesters; verleen aan Uwe Kerk den zoo lang gewensch-ten vrede en bevestig Tiaar tegen al hare vijanden.
Doch in het bijzonder bid ik TT voor de zondaars. Ik besef nu zoo levendig het geluk, dat ik bezit, in Uwe liefde en genade te zijn opgenomen; maar helaas, de zondaars kennen de waarde Uwer vriendschap niet; in blinde hartstocht hollen zij voort op het pad, dat leidt ten eeuwigen verderf. O God, verlicht die ongelukkigen; laat hen den rampzaligen toestand, waarin zij zich bevinden, toch goed gevoelen, opdat zij door het gezicht van hunne ellende afgeschrikt, berouw gevoelen over hunne zonden, een ernstig voornemen maken hnn leven te beteren en zich op het volbrengen Uwer geboden toe te leggen.
Eindelijk, dierbare Zaligmaker, roep ik ook Uw medelijden en ontferming in voor de ar ine zielen in het Vagevuur. Zij lijden daar zulke groote pijnen, eu kunnen zich niet de minste
540
verlichting in hun lijden verschaffen. Herinner U dan. o God, dat die zielen Uwe bruiden zijn, die hier op aarde ten einde toe volhard hebben en daarom door U zoo'vurig bemind worden. Herinner U het Goddelijk Bloed, dat ook voor hen vergoten is, en geef hun om wille van dat Bloed verzachting in huu lijden en vermindering van hunnen straftijd.
Nadat gij u aldus hebt toegelegd op de dankzegging na de H. Communie, hegeeft gij u tot uwe gewone bezigheden Vergeet evenwel niet de weldaad, die Jezus u bewezen heeft, en tracht daarom dezen dag zooveel mogelijk in verceni-ging met God door te brengen. En daar de Communiedag voor u gewoonlijk O]) een Zondag of Feestdag valt, verzuim daarom niet na den middag het Lof hij te wonen.
T
D. VERSCHILLENDE GEBEDEN.
1°. Gtebedkn tot God.
Litanie van den zoeten Naam Jezus.
Heer, ontferm U onzer.
: Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm, U onzer.
Jezus, hoor ons.
Jezus, verhoor ons. God, HemelscheVader, ontferm ü onzer. God Zoon, Verlosser der wereld. God, H. Geest,
H. Drievuldigheid, eeu God.
Jezus, Zoon van den levenden God, g Jezus, Luister des Vaders,
Jezus, Glans van het eeuwig licht, ^ Jezus, Koning der heerlijkheid, 3 Jezus, Zon van Rechtvaardigheid, cl Jezus, Zoon van de H. Maagd Maria, o Beminnelijke Jezus, n
» liewondorenswaardige Jezus,
Jezus, Sterke God,
Jezus, Vader der toekomende eeuwen.
512
Jezus, Engel van den grooten raad, Allermachtigste Jezus, Allerverduldigste Jezus, Allergehoorzaamste Jezus,
Jezus, Zachtmoedig en ootmoedig
van harte,
Jezus, Minnaar der zuiverheid, Jezus, God van vrede,
Jezus, Oorsprong des levens, Jezus, Voorbeeld der deugden, Jezus, IJveraar der zielen,
Jezus, Onze God,
Jezus, Onze toevlucht,
Jezus, Vader der armen,
Jezus, Schat der geloovigen, Jezus, Goede Herder,
Jezus, Waar licht,
Jezus, Eeuwige wijsheid,
Jezus, Oneindige goedheid,
Jezus, Onze weg en ons leven. Jezus, Blijdschap der Engelen, Jezus, Koning der Aartsvaders, Jezus, Meester der Apostelen, Jezus, Leeraar der Evangelisten, Jezus, Sterkte der Martelaren, Jezus, Licht der Belijders,
Jezus, Zuiverheid der Maagden, Jezus, Kroon van alle Heiligen,
543
Wees genadig-, spaar ons Heer.
Wees genadig, verhoor ons Heer. Wees genadig, verlos ons Heer. Van alle kwaad, verlos ons Jezus. Van alle zonden.
Van Uwe gramschap.
Van de lagen des duivels,
Van den geest der onkuischheid, : Van den eeuwigen dood.
Van de verachting uwer goddelijke uitspraken,
Door het geheim uwer H. Mensch- ^ wording, ZL
Door uwe geboorte, S
Door uwe kindsheid, o
Door geheel uw goddelijk leven, S Door uwen arbeid en vermoeie-
nissen, S
Door uwen doodsangst en uw S lijden.
Door uw kruis en uwe verlatenheid,
Door uwe kwijningen.
Door uwen dood en uwe begrafenis, Door uwe verrijzenis,
Door uwe vreugde.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons Jezus.
544
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, verhoor ons Jezus. Lam Gods, dat weg-neemt de zonden der wereld, ontferm IJ onzer Jezus.
Laat ons bidden.
Heer Jezus Christus, die gezegd hebt, vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en U zal geopend worden; verleen ons, bidden wij U, de genegenheid Uwer goddelijke liefde, opdat wij U uitgeheel ons hart beminnen, de liefde door woord en daden toonen en nimmer ophouden ü te loven.
Schenk ons, Heer eene altijddurende vrees en liefde voor uwen H. Naam, omdat Gij nooit uwe hulp onttrekt aan hen, die Gij in uwe liefde bevestigt. â Die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Achter deze litanie kunt gij met zeer veel vrucht hidden, het gebed tegen de godslastering, hierachter aangegeven.
545
Litanie van het Allerli. Sakrament des Altaars.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God HemelscheVader, ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld,
God, H. Geest,
H. Drievuldigheid, één God,
Levend brood, dat uit den hemel
zijt nedergedaald.
Verborgen God en Zaligmaker, onder de zichtbare gedaante van O brood en wijn, ^
Tarwe der uitverkorenen, £
Wijn, die maagden voortbrengt, B Voedzaam brood en vermaak der
koningen, 0
Altijddurende Offerande, g
Zuivere opdracht, £?
Vlekkeloos Lam,
Allerheiligste Maaltijd.
Spijs der Engelen,
Verborgen hemelsch brood. Gedachtenis van Gods wonderen. Bovennatuurlijk Brood, 33
546
Vleesch geworden Woord, onder ons
wonende, ontferm U onzer. H. Slachtoffer voor onze zonden, Kelk van Zeo-enin^,
Geheim des Gelooft,
Hoogwaardig en verheven Sakra-ment.
Allerheiligste Offerande,
Zoenoffer voor levenden en dooden, Hemelsch behoedmiddel tegen de
aanvallen der zonden,
Wonder der goddelijke liefde, Kostbare gedachtenis van het lijden des Heeren,
Geschenk, dat alle volheid te boven gaat.
Voortreffelijk blijk der liefde van
onzen God,
Overvloedige bron van Gods milddadigheid,
Verhevenst en eerbiedwaardigst Geheim,
Troostvol onderpand onzer onsterfelijkheid,
Sakrament, vreeselijk voor de hel en dat onze zielen verlevendigt, Brood, door de macht van het Vleeschgeworden Woord zijn ei-
547
gen Vleesch geworden, ontferm U onzer.
Onbloedige Offerande,
Spijs des levens, aangeboden door
het Leven zelf,
Verheven maaltijd, waarbij de En- 0 gelen tegenwoordig zijn en die- » nen, ' g»
Sakrament en band van liefde, g Opdracht van eenen geslachtoffer-den God, die zich zeiven op- ^ draagt, g
Geestelijke zoetheid, die in haren g i eigen oorsprong gesmaakt wordt, r4 | Verkwikking der heilige zielen, Teerspijs dergenen, die in den 1 Heer sterven.
Onderpand der eeuwige zaligheid. Wees genadig, spaar ons Heer.
Wees genadig, verhoor ons Heer. Wees genadig, verlos ons Heer. Van het ongeluk uw lichaam en bloed onwaardig te ontvangen, verlos ons Heer.
Van de begeerlijkheid des vleesches,
verlos ons Heer.
Van de hoovaardij des levens, verlos ons Heer.
548
Van de begeerlijkheid der oogen, verlos ons Heer.
Van alle gelegenheid om U te be-
leedigen,
Om de groote begeerte, welke Gij gehad hebt, van dit Paaschlam met uwe leerlingen te eten, lt; Om den diepen ootmoed, waarmede £[ Gij de voeten uwer leerlingen g gewasschen hebt, o
Om de brandende liefde, waarme- g de Gij dit Sakrament hebt inge- ^ steld, £
Om uw dierbaar bloed, hetwelk 5 Gij ons in de offerande des altaars hebt gelaten.
Om de vijf wonden, welke Gij uit liefde tot ons in uw allerheiligst lichaam ontvangen hebt, Wij zondaren, wij bidden U verhoor ons.
Dat het ü believe het geloof, deu eerbied en de liefde voor dit wonderbaar Sakrament in ons te bewaren en te vermeerderen, wij bidden ü verhoor ons.
Dat het ü behage ons door eene nederige, oprechte belijdenis onzer zon-
549
den tot het dikwijls nuttigen van deze H. Spijs voor te bereiden, wij bidden U verhoor ons.
Dat het U behage ons voor alle ketterij, ongetrouwheid en verblinding des harten te bewaren, wij bidden U verhoor ons.
Dat het U behage ons door de kracht van deze hemelsche spijs te omier-steunen en te versterken bij het naderen van den dood, wij bidden IT verhoor ons.
Dat het U behage den overledenen de eeuwige rust te verleenen, wij bidden U verhoor ons.
Eeuwige Zoon van den waren God, wij bidden U verhoor ons.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O God, die ons in dit wonderbaar
Sakrament de gedachtenis van uw
550
lijden hebt nagelaten, geef, bidden wij ü, dat wij de H. Geheimen van nw Lichaam en Bloed zoo eerbiedig vereeren, dat wij de vruchten Uwer Verlossing gedurig in ons mogen ondervinden, die met den Vader eu den H. Geest leeft en heerscht in alle eeuwigheid. Amen.
Deze litanie kan men zeer geschikt hidden gedurende de H. Mis, vóór of na de H. Communie of onder het lof.
Litanie van het lijden onzes Jleeren Jezus Christus.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Jezus, hoor ons.
Jezus, verhoor ons.
Hemelsche Vader, waarachtig God.
ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.
God, H. Geest, ontferm U onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm P onzer.
551
Jezus, vleeschgeworden Woord en vernietigd in uwe Menschwording, ontferm U onzer.
Jezu?, ter onzer liefde behoeftig
geworden,
Jezus, tot zulk eene armoede gebracht, dat Gij niets hadt om er uw hoofd op te doen rusten,
Jezus, die in de woestijn 40 dagen
en 40 nachten gevast hebt,
Jezus, die ter onzer vertroosting 0 door den duivel hebt willen be- 3 koord worden,
Jezus, gelasterd in uwe wonder- ^ werken en beschuldigd van door de kracht van Beëlzebub, den -1 prins der duivelen, de duivels uit g te jagen, S
Jezus, Koning der heerlijkheid, die r4 in Jerusalem uwe intrede deedt, om aldaar het werk onzer verlossing te voltrekken,
Jezus, voor Uwen Vader ter aarde neer geworpen in den hof van Olijven, en met de misdaden van geheel de wereld beladen,
Jezus van droefheid overstelpt, ju doodsangst gebracht, en in
550
lijden hebt nagelaten, geef, bidd( wij U, dat wij de H. Geheimen vf nw Lichaam en Bloed zoo eerbied: vereeren, dat wij de vruchten Uw Verlossing gedurig in ons mogen o dervinden, die met den Vader eu d( H. Geest leeft en heerscht in al eeuwigheid. Amen.
Deze litanie kan men zeer geschi hidden gedurende de H. Mis, vóór na de H. Communie of onder het Ic
Litanie van het lijden onzen Ileeret Jezus Christus.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm TJ onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Jezus, hoor ons.
Jezus, verhoor ons.
Hemelsche Vader, waarachtig Go'
ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, on
ferm U onzer.
God, H. Geest, ontferm ü onzer. H. Drievuldigheid, één God, outfer {J onzer.
551
Jezus, vleeschgeworden Woord en vernietigd in uwe Menschwordiug, ontferm U onzer.
Jezu?, ter onzer liefde behoeftig
geworden,
Jezus, tot zulk eene armoede gebracht, dat Gij niets hadt om er uw hoofd op te doen rusten,
Jezus, die in de woestijn 40 dagen
en *iü nachten gevast hebt,
Jezus, die ter onzer vertroosting 0 door den duivel hebt willen be- » koord worden, S5
Jezus gelasterd in uwe wonder- g werken en beschuldigd van door de kracht van Beëlzebub, den ^ prins der duivelen, de duivels uit § te jagen, »
Jezus, Koning der heerlijkheid, die r1 in Jerusalem uwe intrede deedt, om aldaar het werk onzer verlossing te voltrekken,
Jezus, voor Uwen Vader ter aarde neer geworpen in den hof van Olijven, en met de misdaden van geheel de wereld beladen,
Jezus van droefheid overstelpt, ju doodsangst gebracht, en iu
552
eene zee van smarten verzonken, ontferm ü onzer.
Jezus, uit al uwe lichaamsdeelen
een bloedig zweet stortende,
Jezus, door eenen trouweloozen Apostel verraden en voor eenen geringen prijs als slaaf verkocht,
Jezus, die den verrader Judas met
liefde omhelsd hebt,
Jezus, gebonden en gekneveld naar q Annas en Caiphas gesleept en g. als lasteraar aangezien, g2
Jezus, beschimpt, bespot en in het g
aangezicht geslagen,
Jezus, naar Pilatus geleid en van ^ oproer en wederspannigheid be- § schuldigd, g
Jezus, die voor Herrodes versche- ^ nen, en als een dwaas met een spotkleed omhangen zijt,
Jezus, wreedelijk gegeeseld, door zweepslagen verscheurd en in bloed zwemmende,
Jezus, met doornen gekroond, met eenen scharlaken mantel omhangen en aan het volk voorgesteld, Jezus, achter den boosdoener Bar?
553
rabbas gesteld, ontferm U onzer. Jezus, door Pilatus lafhartig veroordeeld en aan de woede uwer vijanden overgelaten,
Jezus, door smarten uitgeput en met een zwaar kruis beladen, naar den Calvarieberg gaande, Jezus, uitgestrekt en genageld op een hout en onder het getal der booswichten gerangschikt,
Jezus, man van smarten, o
Jezus, gehoorzaam tot den dood, g. ja tot den schandelijken kruis- S5 dood, g
Jezus, vol zoetaardigheid voor hen, ^
die ü met gal en azijn laven, Jezus, die voor uwe beulen bidt en § hen bij uwen vader verdedigt, S Jezus, die uwe eer en uw leven ^ voor onze verlossing hebt opgeofferd,
Jezus, die aan het kruis door de vurigheid uwer lietde tot ons uwen geest hebt gegeven.
Wees ons genadig, spaar ons Jezus. Wees ons genadig, verhoor ons Jezus.
Wees ons genadig, verlos ons Jezus.
554
Van alle kwaad, verlos ons Jezus. Van eenen onvoorzienen en haastigen dood,
Van de listen des duivels. Van gramschap, haat en alle kwade
begeerten,
Van pest, hongersnood en oorlog. Van den eeuwigen dood,
Door uwen doodstrijd en uw bloedig zweet.
Door uwe wreede geeseling,
Door uwe doornenkroon,
Door uw kruis en lijden.
Door uwe dorst, uwe tranen en
uwe naaktheid,
Door uwe H. vijf wonden.
Door uwen dood en begrafenis, Door uwe H. Verrijzenis,
Op den dag des oordeels Wij zondaren, wij bidden U verhoor ons.
Dat uwe verdiensten en uwe voorbeelden niet nutteloos voor ons zijn, wij bidden ü verhoor ons. Dat onze eerste wetenschap zij, U o Jezus, uit liefde tot ons gekruist, te kennen, wij bidden ü verboor ons,
555
Dat wij steeds uwe voetstappen voor onze oogen en in ons hart hebben, en dezelve trachten na te volgen, wij bidden U verhoor ons.
Dat wij onzen roem slechts stellen in de kruisen, die ons met ü vereenigen, wij bidden U verhoor ons.
Dat wij o Jezus! door uwen dood in ons te dragen en uit te drukken ons vleesch met zijne ondeugden en kwade begeerten kruisigen, wij bidden ü verhoor ons.
Dat wij dood zijnde voor de zonde, met à een nieuw leven mogen beginnen, wij bidden U verhoor ons.
Dat wij na deelgenoot geweest te zijn aan uwe smarten en opofferingen, ook eens deel mogen hebben aan uwe onuitsprekelijke vertroostingen, wij bidden ü verhoor ons.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons Jezus.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons Jezus.
Lam Gods, dat wegneemt de zouden der wereld, ontferm U onzer Jezus,
556
Laat ons bidden.
O Jezus, die ter liefde van ons geleefd, geleden en U zeiven aan den dood onderworpen hebt, verleen ons de genade van met U en voor TJ te lijden, opdat wij in uwe liefde levende, lijdende en stervende, eeuwig aan uwe verheerlijking mogen deel hebben in den hemel. Amen.
Deze litanie kan even als de vorige zeer geschikt gebeden ivorden onder de H. Mis, vóór of na de H. Communie, gedurende het lof, maar vooral bij de voorbereiding tot het H. Sacrament der Biecht.
Toewijding van zich zeiven aan Jezus Christus, onzen Goddelijlcen koning en aanvoerder.
O opperste Koning, Heer van al het geschapene ! Ofschoon onwaardig uwe oneindige Majesteit te dienen, nochtans aangemoedigd door uwe minzame uitnoodiging en vol verlangen om onder uwe heilige banier te strijden, wijd ik mij geheel aan U toe. Voor uwen goddelijken troon neder-»
557
gcbogeu, verklaar ik in de tegenwoordigheid van Maria en van gelieel het hemelsche hof, dat. mijn vurig verlangen en miju vast besluit is, 0 alleen te dienen, door de vlucht der zonde, de beoefening der christelijke deugden en het nauwkeurig volbrengen van al de plichten, welke mijn stand mij oplegt. Daarom, o God, ontvang mijne vrijheid, mijne ziel en mijn lichaam; al wat ik ben, al wat ik heb, al wat ik kan, wijd ik aan uwen dienst toe. Ik erken geen anderen heer of meester buiten U. Ik verzaak plechtig den duivel met zijnen aanhang, ik verzaak aan zijne werken dat is aan de zonde, ik verzaak aan zijne ijdelheden, aan zijne verleiding,aan zijne bedriegelijke voor-spiegelingen. Ik ben zou vast besloten U mijn Goddelijken Veldheer te volgen, waarheen Gij ook gaan moogt, dat niets bekwaam zal zijn, mij van uwe liefde te scheiden; geene verleiding van slechte medemakkers, geene bespotting van plichtvergetene wapenbroeders, geen gevaar, geen vervolging, ja zelfs geen dood.
558
|
Ontvang, o groote Koning, Heer der Heerscharen mij onder het getal nwer strijders. Ontvlam mijn hart door het vuur uwer goddelijke liefde, versterk mij met uwe genade, en maak dat ik altijd over mijne vijanden moge zegevieren. Amen. Hernieuwing der Plechtige Opdracht van zich zeiven, afgelegd bij zijne aanneming als lid der R. K. Militaire Vereeniging. Gelijk het voor den christen allernuttigst is, van tijd tot tijd zijne Doop-geloften te hernieuwen, zoo is het den militair allervoordeeligst de beloften te herhalen, die hij hij zijne aanneming als lid der R. K. Militaire Ver eeniging heeft afgelegd. Ten einde hem hiertoe tn staat te stellen laten wij de gebeden en phchtigheden, die de opdracht vergezellen, woordelijk volgen. |
De Eerw. zaam v âIk N. heid â va van zijne 1â alle EngeM lieve Heilig Augustinufe , _ die ik dere patro⢠my op deze⢠lig â als_ â der Mâ zullen leye= trouw te vervullen dig zijn- dapper te ook â en â wil ik iquot; immer wm alle soort |
559
Akte van Opdracht.
I De Eertv. Bestuurder zegt deze langzaam voor en de nieuwe ledt n zeggen ze luid op na.
âIk N. N. â in de tegenwoordigheid â van den Almagtigen God â van zijne lieve moeder Maria â van alle Ãngelen, â en van alle Gods lieve Heiligen, â vooral van den H. Augustinus â en den H. Antonius,
â die ik heden â tot mijne bijzondere patronen verkies, ik verbind â-my op dezen dag â plechtig en heilig â als esn braaf â en ijverig lid
â der Militaire Vereeniging â te zullen leven. â Ik neem mij voor â trouw mijne plichten â als krijgsman te vervullen, â en, mocht zulks noo-dig zijn â voor vorst en vaderland â dapper te strijden, â doch even trouw ook â en zonder menschelijk opzicht
â wil ik mijne godsdienstplichten â immer waarnemen. â Ik beloof â alle soort van zonden â te vermijden,
560
â maar vooral â Godslasteringen,
â dronkenschap â en ontucht. â Ook zal ik beletten, â zooveel in mijn vermogen is, â dat mijne on-derhoorigen â- zich daaraan plichtig maken. â Dit beloof ik, â en vertrouw â met Gods genade â edelmoedig â mijn woord gestand te blijven. â H. Maagd Maria, â ik wil uw zoon zijn, wees Gij mijne moeder. â H. Augustinus â H. Anto-nius â beschermt gij mij â nu en in den dood, â Amen, het zij zoo.â
Onmiddellijk na deze akte volgt de formule van aanneming.
|
Et ego in Nomine S. S. Trinitatis, et ex facultate mihi concessa, vos omnes adscribo so-dalitati militnm, sub patrocinio SS Augustini et Au-tomi, vosque par-ticipes declaro omnium gratiarum et |
En ik in den naam der Allerh. Drieëenheid en door de mij verleende macht,neem U allen aan in de Militaire Ver-eeniging onder de bescherming van de H. H. Augustinus en Antonius, |
561
|
indulgentiarum a Summo Pontifice Pio Papa IX So-dalitati huic con-cessarum, Deum ac Dominum nostrum Jesnm Christum enixe deprecaiis,ut vos in sancto Dei servitio conforta-re, in pace mutu-aque charitate con-servare, et perse-verantiam in fide ac gratia conce-dere dignetur. In nomine Patris, etc. |
en verklaar u deelachtig aan de gunsten en aflaten, welke aan deze broederschap door Z. H. Paus Pius IX zijn verleend, onzen God en Heer Jesus Christus vurig smeekende, u te versterken in zijn heiligendieust, in vrede en onderlinge liefde te bewaren en de volharding te verlee-leenen in het geloof en de genade. In den naam des Vaders, etc. |
Daarop worden de leden met wijwater hesproeid.
Terwijl men zich gereed maakt tot het inzegenen der Medailles, worden eenige strofen ran een lied gezongen, waarna het
34
562
|
gebed dei v. Adjutorium nostrum in nominè Domini. R. Qui fecit coe-lum et terram. v. Dominus vo-biscura. r. Et cum spi-ritu tuo. oremus. Omnipotens sem-piterne Deus, qui Sanctorum imagines sculpi aut pingi non reprobas, ut quoties illas oculis corporis in-tuemur, toties eo-rum actus et sanc-titatem ad imitan-dum memoriae oculis meditemur; has quaesumus i-zegening. |
v. Onze hulp is in den naam des Heeren. r. Die hemel en aarde gemaakt heeft. v. De Heer zij met u. r. En met uwen geest. laat ons bidden. Almachtige en eeuwige God, die het maken of schilderen van afbeeldingen der Heiligen niet verbiedt, opdat, zoo dikwerf wij die met de oo-gen des lichaams beschouwen, wij de navolging hunner daden en heiligheid met de oogen |
563
|
magines in hono-rem et memoriam Beatissimse Virgi-uis Marise, Matris Domini nostriJesu Christietbeati Au-gustiuiCoufessoris Poutificis adapta-tas, benefdicere et sanctifficare dig-neris, et prsesta: ut quicumque coram illis Beatissimam Virginem et bea-tum Augustinum suppliciter colere et honorare stu-duerit, illorum me-ritis et obtentu, a te gratiam in prse-senti, et seternam gloriara obtineat infuturo Pereum-dem Christum Do-minum nostrum. Amen. |
des geestes zouden overwegen: wij bidden u, gewaar-dig deze afbeeldingen, ter eere en ter gedachtenis van de Allerzaligste Maagd Maria, de Moeder onzes Heeren Jesus Christus, en van den H. Augustinus vervaardigd teze-tgeneu en te hei-fligen, en verleen: dat allen, die voor dezelve de Alier-heiligste Maagd en den heiligen Augustinus ootmoe- diglijk zullen trachten te vereeren, door hunne verdiensten voor het tegenwoordige uwe genade en voor de toekomst de eeuwige ver- |
564
heerlijking mogen genieten. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
Nadat de medailles met icijwater besproeid zijn, worden zij uitgedeeld, en bij het omhangen zegt de Eerw. Bestuurder
|
Accipe, frater, numismahocbene-dictum, singulars signum nostrse so-dalitatis St. Au-gustiui, ut ita in-dutus sub ejus pa-trocinio vivas: In nomine Paftris et Fitlii etSpifritus Sancti. Amen. |
Ontvang, mijn broeder, deze gezegende medaille, het onderschei-dingsteeken onzer vereeniging van den H. Augusti-nus, opdat gij hetzelve dragende, voortdurend onder zijne bescherming levet. In den naam des Vafdersen des fZoons eade^t H. Geestes. Amen. |
565
log'en 2. Gebeden tot de Allkrheiligste Door Maagd Maria.
/hris- Daar God de allerheiligste Maagd Heer. Maria ver boven alle andere heiligen verheven heeft, is het ook passend, : dat wij na God Maria op eene geheel vater bijzondere wijze yereeren. De kerk h'eld, gaat ons hierin voor. N iet alleen wijdt ^erw. zij geheele maanden aan de bijzondere vereering dier verhevene Moeder toe, niet alleen herdenkt zij iedere week mijn op den Zaterdag Maria's verhevene ge- voorrechten, maar zij noodigt hare â¢â ilJe, kinderen uit, zich dagelijks op geheel 'hei- bijzondere wijze op de vereering van izer Maria toe te leggen. De R. K. mili-van tair zal daarom zijn best doen, dien isti- wensch der kerk zooveel mogelijk op l'et- te volgen en zich in het gebed dik-ide, wiils aan Maria aan te bevelen.
der
jng. De Engel des Heeren.
;am Dit gebed wordt 's morgens, 's mid-
des dags en 's avonds verricht, ter dank-H. bare herinnering aan deMenschwording i. van het Eeuwig Woord en ter eere
van Maria's goddelijk Moederschap.
De Engel des Heeren heeft aau Maria geboodschapt;
566
En zij heeft ontvangen van den II. Geest. â Wees gegroet.
Zie de dienstmaagd des Heeren;
Mij geschiede naar uw woord. â Wees gegroet.
En het Woord is vleesch geworden;
En het heeft onder ons gewoond. â Wees gegroet.
Bid voor ons H. Moeder Gods,
Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.
Laat ons bidden.
Wij bidden U, Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des Engeis de menschwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door Zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis mogen gebracht worden. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
l)e 15 geheimen ran den Rozenkrans.
1°. De 5 blijde geheimen:
Eerste geheim: de Boodschap des Engels aan Maria; 1 maal het onze Vader, 10 maal het Weesgegroet, Glorie zij den Vader.
Tweede geheim : de Bezoeking van
567
Maria aan hare nicht Elizabeth; 1 maal het onze Vader, 10 maal het Weesgegroet, Glorie zij den Vader.
Derde geheim: de Geboorte van Christus in den stal te Betlehem; 1 maal het onze Vader, 10 maal het Weesgegroet, Glorie zij den Vader.
Vierde geheim: de Opdracht van Jesus in den tempel; 1 maal het onze Vader, 10 maal het Weesgegroet Glorie zij den Vader.
Vijfde geheim: de Terugvinding van Jesus in den tempel; 1 maal het onze Vader, 10 maal het Weesgegroet, Glorie zij den Vader.
2°. De 5 droevige geheimen :
Eerste geheim: de Droefheid van Jezus in den hof van Olijven; 1 maal Onze Vader, 10 maal Weesgegroet. 1 Glorie zij den Vader.
Tweede geheim: de Geeseling van Jezus; 1 maal Onze Vader, 10 maal Weesgegroet, 1 Glorie zij den Vader.
Derde geheim: de Krooning van Jezus met doornen; 1 maal onze Vader, 10 maal Wees gegroet, 1 Glorie zij den Vader.
Vierde geheim : de Kruisdragingvan Jezus; 1 maal onze Vader, 10 maal
568
Wees gegroet, 1 Glorie zij den Vader.
Vijfde geheim : de Kruisiging van Jezus; 1 maal onze Vader, 10 maal Weesgegroet,! Glorie zij den Vader.
3o. De 5 verheerlijkte geheimen :
Eerste geheim: de Verrijzenis van Jezus; 1 maal onze Vader, 10 maal Weesgegroet, 1 Glorie zij den Vader.
Tweede geheim : de Hemelvaart van Jezus; 1 maal onze Vader, 10 maal Wees gegroet, 1 Glorie zij den Vader.
Derde geheim : de Nederdaliug van den H. Geest over de Apostelen ; 1 maal onze Vader, Wees gegroet, 1 Glorie zij den Vader.
Vierde geheim : de Ten hemelopneming van Maria; 1 maal onze Vader, 10 maal Wees gegroet, 1 Glorie zii den Vader:
Vijfde geheim: de Krooning van Maria als Koningin van hemel en aarde; 1 maal onze Vader, 10 maal Wees gegro9t, 1 Glorie zij den Vader.
Dagelijkseh gebed tot Maria om kracht
in alle bekoringen, vooral in die tegen de H. Deugd.
O mijne Meesteresse, o mijne Moe-
569
(ier, ik offer mij zei ven geheel en al aan U op. En om U te bewijzen, dat ik ü ben toegedaan, wijd ik U heden toe mijne oogen, mijne ooren, mijnen mond, mijn hart, ja geheel mij zeiven. Daar ik alzoo de Uwe ben, o goede Moeder, bewaar en bescherm mij als uw goed en uw eigendom.
Schietgebed hij de behoringen.
O mijne Meesteresse, mijne Moeder, gedenk dat ik geheel de uwe ben. Bewaar eu bescherm mij als uw goed en uw eigendom.
Litanie ter eere van Maria.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons. â
God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ont-u onzer.
God, H. Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer.
570
H. Maria, bid voor ons. g. Moeder Gods,
H. Maagd der maagden, Moeder van Christus,
Moeder der goddelijke genade, Allerreinste Moeder, Allerzuiverste Moeder, Ongeschondene Moeder, Onbevlekte Mo^der^
Minnelijke Moeder, Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers, Allervoorzichtigste Maagd, Eerwaardige Maagd, Lofwaardige Maagd,
Machtige Maagd, Goedertierene Maagd, Getrouwe Maagd,
Spiegel der rechtvaardigheid, Zetel der wijsheii.
Oorzaak onzer blijdschap. Geestelijk vat.
Eerwaardig vat.
Schoon vat van godsvrucht. Geestelijke roos.quot;
Toren van David,
Ivoren toren.
571
Gulden huis, bid voor ons.
Ark des verbonds,
Deur des hemels,
Morgenster,
Behoudenis der kranken,
I Toevlucht der zondaren,
1 Troosteres der bedrukten,
f Hulp der christenen, St
j Koningin der Engelen, ^
t Koningin der Aartsvaders,, ^
Koningin der Profeten, §
Koningin der Apostelen, o
Koningin der Martelaren, g
Koningin der Belijders,
Koningin der Maagden,
Koningin van alle Heiligen,
Koningin zonder erfzonde ontvangen. Koningin van den Allerheiligsten
Rozenkrans,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, verhoor ons Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, H. Moeder Gods, verstoot onze gebeden niet in onzen nood.
272
maar verlos ous altijd van alle gevaren. O glorierijke en gezegende Maagd, onze Koningin, onze Middelares, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon.
Bid voor ous, H. Moeder Gods! Opdat quot;wij waardig worden de beloften van Christus.
LAAT ONS BIDDEN.
Wij bidden U, Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de Boodschap des Engels de menschwording van Christus uwen Zoon, gekend hebben, door Zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der Verrijzenis mogen gebracht worden. Door denzelfden Christus onzen Heer.
Krachtig gebed om van Maria eene gunst te verkrijgen.
Gedenk, goedertierendste Maagd, dat het nog nooit gehoord is, dat iemand, die tot U zijne toevlucht nam, uwen bijstand inriep of uwe voor-
573
spraak afsmeekte, door ü is verlaten geworden. Aangemoedigd door dit zelfde vertrouwen, o Maagd der Maagden, snel ik tot TJ en werp mij al zuchtende onder het gewicht mijner zonden voor uwe voeten neder. O Moeder van het Eeuwig Woord, versmaad mijne gebeden niet, maar neem die genadig aan en gewaardig TJ ze te verhooren.
Gebed tot Maria om vergiffenis der zonden.
O Maria, allerliefste Moeder van mijnen God, ziehier aan uwe voeten een el-lendigen zondaar, een slaaf der hel, die tot U zijne toevlucht neemt en op U al zijn vertrouwen stelt. Het is waar, ik verdien het niet, dat Gij mij nog aanziet, maar ik weet, dat, dewijl uw Goddelijke Zoon gestorven is, om de zondaars zalig te maken, Gij niets meer verlangt, dan hen te helpen. O Moeder der barmhartigheid, sla uwe oogen op mijne ellende en heb medelijden met mij. Ik hoor dat een ieder U de toevlucht der zondaars,
574
de hoop der wanhopenden, den bijstand der veriatenen noemt. O wees' dan ook mijn bijstand ! door uwe voorspraak moet Gij mij zalig maken, om de liefde van Jezus haast U mij te helpen, reik uwe hand aan eenen ellendige, die gebukt gaat onder den last zijner zonden en zich aan U aanbeveelt. Ik weet dat Crij er genoegen in vindt eenen zondaar te kunnen bijstaan; kom mij dan nu te hulp, daar gij mij helpen kunt. Door mijne zonden heb ik Gods genade verloren en mijne ziel in het verderf gestort, ik werp mij nu in uwe handen, en zeg nu wat ik doen moet om mij weder met mijnen God te verzoenen, want ik ben bereid alles te doen, wat Hij mij gebiedt. God wil, dat ik mij tot U wende. Hij wil dat ik uwe barmhartigheid inroepe, opdat niet alleen de verdiensten van uwen Zoon, maar ook uwe gebeden mij helpen, en mij van de eeuwige verdoemenis bewaren. Ik neem dan tot U mijne toevlucht, o Maria. Gij bidt voor zoovele anderen, bid ook Jesus voor mij; zeg Hem, dat Hij ook mij vergeve, en Hij zal het
575
zeker doen; zeg Hem, dat Gij mijne zaligheid verlangt en Hij zal mij zonder twijfel zalig maken. Toon aan de wereld, hoeveel goeds Gij aan diegenen bewijst, die op TJ betrouwen. Amen.
Dit gebed is een krachtig middel tot voorbereiding bij het ontvangen ran het H. Sakrament der Biecht of om Gods genade terug te krijgen, als men l het ongeluk heeft gehad, eene doodzonde te doen.
Gebed om de liefde te verkrijgen tot Jezus en Maria.
Ik weet o Maria, dat Gij het edelste, het verhevensl.e, het reinste, het schoonste, het milddadigste, het heiligste, in één woord het. allerbemin-neajkste zijt van alle schepselen. O, dat allen U toch kenden en beminden gelijk Gij het verdient! Intus-schen troost het mij, dat er in den hemel en op aarde zoovele gelukzalige harten zijn, die uwe goedheid en schoonheid beminnen! En bijzonder verheugt het mij, dat God u meer
576
dan iemand, ja dan alle menschen te zanien bemint. O mijne allerbeminnelijkste Moeder! ik arme zondaar bemin U ook, maar mijne liefde is noff zoo zwak en ik wensch ü voortdurend teederder te beminnen. Ach, bekom mij deze genade, want de liefde tot U quot;is een teeken, dat men uitverkoren is om eenwig te leven, zij is eene genade, welke God geeft aan allen, die Hij wil zalig maken.
Ik erken ook, lieve Moeder, hoeveel dankbaarheid ik verschuldigd ben aan uwen (roddelijken Zoon, ik erken, dat Hij verdient op oneindige wijze door ons bemind te worden. Daarom moet Gij dan ook, die niets zoozeer verlangt dan Hem van allen bemind te zien, mij de genade bekomen van Jezus vurig te beminnen. God geeft ü alles, wat Gij verlangt; bekom mij dan ook de genade, van mijnen wil zoo nauw met dien van God te vereenigen, dat niets in staat zij, mij van Hem te verwijderen. Ik zoek noch de goederen dezer wereld, noch hare eer, noch hare rijkdommen; alles wat ik verlang is, dat wat Gij
577
mij het vurigst begeert te geven n.1. de liefde tot God. Zou het mogelijk zijn, dat Gij dit verlangen, hetwelk ü zoozeer behaagt, niet zoudt willen vervullen ? Neen, Gij helpt mij nu reeds, Gij bidt nu reeds voor mij. O ja lieve Moeder bid en houd niet op te bidden, tot dat gij mij gelukzalig ziet in den hemel, buiten gevaar God nog te kunnen verliezen en verzekerd, van Hem met U, o alleneederste Maagd, de geheele eeuwigheid door te kunnen beminnen.
Gebed om de genade van volharding tot aan den dood.
O Koningin des hemels, na langen tijd een ellendige slaaf geweest te zijn des duivels, kom ik mij nu voor altijd aan uwen dienst toewijden, ja ik verbind mij van heden af, om U geheel mijn leven te eeren en U altijd te dienen, Neem mij dan genadig aan, en verstoot mij niet, gelijk ik dat verdien. O mijne Moeder, op U heb ik al mijne hoop gevestigd, van ü verwacht ik al mijn geluk. Ik
35
578
loof en dank God, die mij enkel uit barmhartigheid, dat vertrouwen op U gegeven heeft; want ik houd het voor eeue groote verzekering van mijn eeuwig geluk. Helaas vroeger ben ik in zonde gevallen, alleen omdat ik U niet heb aangeroepen, maar nu hoop ik, dat God mij om de verdiensten van Jezus Christus en om uwe gebeden vergeven heeft. Doch ik kan opnieuw de goddelijke genade verliezen, het gevaar is nog altijd hetzelfde, want mijne vijanden waken immer. Ach hoevele bekoringen blijven nog te overwinnen. O mijne allerheiligste Koningin sta mij dan bij en gedoog niet, dat ik opnieuw een dienaar worde der zonde; bescherm mij altijd. Ik weet, dat, zoo ik mij aan U aanbeveel, Gij mij zult helpen en dat ik met uwen bijstand alles zal overwinnen; maar dat is juist wat ik vrees. Ja ik vrees, dat ik vergeten zal, U in de bekoring aan te roepen, en dien ten gevolge voor eeuwig verloren zal gaan. Ach neen Maria! laat dit niet toe; ik bid U verwerf mij de genade, dat ik U in
579
al mijne bekoringen moge aanroepen; maak, dat ik altijd bij de aanvallen der hel tot U mijne toevlucht neme en uitroepe: help mij Maria ! liefste Moeder, laat niet toe,quot; dat ik God opnieuw door de zonde verlieze.
3 Gebeden tot de hh. Patronen.
Litanie van de HH. Krijgslieden.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm TJ onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons Christus, verhoor ons. God Hemelsche Vader, ontferm. U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, 2 God, H. Geest. £
H. Drievuldigheid, één God, ® Heer, God der Heerscharen, ^
Gij, die de koningrijken vestigt, cl Gij, wiens rijk geen einde heeft, o Gij, aan wien alleen de grootheid, n de eerj de overwinning toekomt ? Gij, in wiens handen onze toekomst ligt,
580
H. Maria, Koningin des Hemels, onze
beschermster, bid voor ons. H. Michaël, vorst van het hemelsch heer en gij gelukzalige geesten, die over de vijanden des Allerhoog-sten hebt gezegevierd, bidt voor ons. H. Aartsvaders, en gij, H. Strijders van het oud verbond, die in den strijd de bescherming des Heeren zoo dikwijls ondervonden hebt, bidt voor ons.
H. Krijgslieden, die in alle eeuwen de kerk van Jezus hebt verheerlijkt en verdedigd, bidt voor ons. H. Valentinus,
H. Theodorus.
H Meletius,
H. Eustachius
H. Georgius, o
H. Mauritius, n
H. Sebastianus, g
H. Adrianus, «gt;
H. Marcelius,
H. Romanus,
Alle HH. Koningen en Vorsten, bidt
voor ons.
H. Henricus, bid voor ons, H. Lodewijk, bid voor ons.
581
H. Ferdinand, bid voor ons, H. Stephanus, bid voor ons, H. Eduard, bid voor ons, H. Casimirus, bid voor ons.
Alle H.H. Priesters en kloosterlingen, die krijgslieden geweest zijt, bid
voor ons. .
H, Joannes Gnalbertus, bid voor ons, H. Joannes de Deo. bid^ voor ons, H. Ignatius van Loyola, bid voor ons, H. Camillus van Lelüs, bid voor ons, Gii, edelmoedige strijders, die den dienst van den staat hebt weten te vereenigen met den dienst van Crod, bidt voor ons.
Gij, die dapper gestreden hebt voor
vaderland en vorst.
Gij, die de overwinning Denaala ö hebt over uwe hartstochten, onze
o D
gevaarlijkste vijanden,
Git die U zuiver bewaard hebt te lt;! midden van de gevaren en de o verleidingen dezer wereld, 0
Gij, die aan de eeuwige goederen g en rijkdommen de voorkeur hebt gegeven boven de genoegens dezer aarde.
Gij, die na de opofferingen van dit
582
kortstondig leFen, voor eeuwig met eer en heerlijkheid gekroond zijt, bidt voor ons.
God, die aan de H. Krijgslieden de liefde voor Uwe wet en de heldhaftigheid der Christelijke deugden hebt ingeboezemd, wij bidden U verhoor ons.
Geef, dat wij naar hun voorbeeld den geest vangeloof dagelijks in ons zeiven vermeerderen en'over-eenkomstig dat geloot ons leven ^ ten allen tijde mogen inrichten, ^ Dat wij U mogen beminnen met squot;. geheel ons hart, met geheel onze ^ ziel, met al onze krachten.
Dat wij Uwe geboden en de geboden Uwer Kerk stipten getrouw mogen onderhouden,
Dat wij de dagen, die aan Uwen H._ Dienst bijzonder zijn toeg-wijd, mogen heiligen,
Dat wij Uwen aanbiddelijken Naam
nooit ijdel gebruiken,
Dat wij dien allerheiligsten Naam nooit door vloeken of godslasteringen onteeren.
Dat wij onze geestelijke en onze
⢠D1
CD
lt;
CD -ï
cr o
O ȉ lt;
O ö
583
I wereldlijke overheid steeds mogen eeren en gehoorzamen, wij bidden U verhoor ons.
Dat wij onzen evennaaste mogen beminnen gelijk ons zeiven uit liefde tot U,
Dat wij nooit het leven, de eer of de goederen vau onzen broeder op onrechtvaardige wijze aan- J. randen,
Dat wij een grooten afschuw mo- g; gen hebben van gramschap, laster, g-kwaadsprekendheid, leugentaal » en geveinsdheid, jrl
Dat wij nooit ons lichaam en onze ziel onteeren door de schande- g lijke zonde van dronkenschap of onkuischheid,
Dat wij in den geest van boetvaardigheid al de moeilijkheden en opofferingen van onzen staat 5quot; mogen verdragen.
Dat wij eindelijk door de hulp Uwer genade mogen ingaan in het Koninkrijk der hemelen.
Lam Godsquot;, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons. Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons Ueer.
O O
584
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, ontferm U onzer.
Bidt voor ons H.H. Strijders des Heeren,
Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.
LAAT ONS BIDDEN.
God, die in uwe wijsheid en goedheid ons in de H.H. Krijgslieden groote voorbeelden en machtige beschermers verleent, geef ons op hunne voorspraak de leerzaamheid des elóofSj de standvastigheid der hoop, e vurigheid der liefde en den eeuwi-
Sen overvloed uwer oneindige barm-artigheid. Door Jezus, Christus, uwen Zoon, onzen Heer Amen.en overvloed uwer oneindige barm-artigheid. Door Jezus, Christus, uwen Zoon, onzen Heer Amen.
Gébed tot den H. Augustinus en den
H. Antonius, de bijzondere patronen der Vereeniging.
O groote H. Augustinus en H. Antonius, die ons door God tot bijzondere patronen gegeven zijt, slaat, bidden wij U, eenen goedgunstigen blik op deze Militaire Vereeniging, die voor ons het grootste middel is, om aan
585
de gevaren van zondigen, welke aan onzen stand verbonden zijn, te ontkomen. Maakt, dat zij voortdurend bloeie, zoowel door het aantal als door de degelijkheid barer leden. Geeft, dat de welgemeende pogingen, welke zij voortdurend aanwendt tot welzijn der militairen, steeds meer en meer mogen gelukken, dat zij zoowel in stonelijken als in zedelijken zin den steun van alle weldenkende menschen mogen genieten. Schenkt aan hare leden die broederlijke liefde en eensgezindheid jegens elkander, die liefde en hartelijke toegenegenheid voor hun geestelijken bestuurder, welke den besten waarborg uitmaken voor haren inwendigen bloei en vruchtbare werkzaamheid. In één woord, zegent eene instelling, van wier nut Gij zoo goed overtuigd zijt, en die zich zoo vertrouwvol aan uwe hoede aanbeveelt.
Gebed tot den H. Aloysius om de deugd van zuiverheid.
Groote H. Aloysius! ware spiegel van engelachtige zuiverheid, ik stel
586
de reinheid van mijne ziel en van mijn lichaam onder uwe minnelijke bescherming, U zeer ootmoedig smeekende mij te willen aanbevelen aan Jezus, het Lam zonder vlekken en aan Zijne welbeminde Moeder, de Maagd aller maagden Gedoog niet, dat mijne ziel ooit besmeurd worde met de minste vlek van onzuiverheid, maar zoodra gij mij in gevaar ziet, kom mij dan ter hulp en sta mij bij. Verban uit mijn hart alle oneerbare gedachten en voorstellingen, door eene heilige overweging van den gekruisten Jezus en Zijne H. Moeder, door een zalige overdenking van de eeuwigheid en de pijnen der hel, opdat ik door vrees en liefde in mijn hart, mij steeds kuisch en onbevlekt moge bewaren. Onze Vader. Wees gegroet.
4°. Verschillende gebeden.
Gebed om in den militairen stand braaf en godsdienstig te leven.
O dierbare Jezus, ik heb het zoo dikwerf ondervonden, groot, ontzaggelijk groot zijn de gevaren, welke
587
mijn stand mij aanbiedt. Ik begrijp het dan ook ten volle, dat, indien Gij Uwe genade als het ware niet verdubbelt, en mij voortdurend naar lichaam en ziel bijstaat, ik voor de verleidende kracht der gevaren spoedig zal bezwijken en Uwe genade vrijwillig zal verstoeten,
felijk helaas eene treurige ondervin-ing uit mijn vroeger leven getuigt. O barmhartige God, het is daarom vooral, dat ik U dringend smeek, mij voortdurend met uwe genade te ondersteunen. Help mij dan vooreerst om alle vrijwillige gevaren van zonden te vermijden, geef dat ik alle personen, plaatsen en gelegenheden vluch-te, die mij een steen des aanstoots kunnen zijn; dat ik zoo over mijne oogen, mijne ooren, mijne tong, over al mijne zintuigen en ledematen wake, dat mijne ziel nooit met zonde bezoedeld wordt. Maar, o mijne dierbare Jezus, in den dienst doen zich lederen dag verschillende gevaren van / zondigen, zelfs geheel omgezocht voor, en hoe gemakkelijk zou het niet kunnen gebeuren, dat ik, door die geva-
588
ren verrast en overgelaten aan de zwakheid van mijnen wil, in het kwaad zou toestemmen, dat ik niet vrijwillig gezocht heb. Schenk mij daarom de genade lieve Jezus, om in de bekoring en in het minste gevaar van zonde aanstonds mijne toevlucht te nemen tot het gebed, de HH. Namen van Jezus en Maria aan te roepen en zoo over mijne vijanden te zegevieren. Verleen mij ook nog de kracht om doof te zijn voor al de aanmerkingen, bespottingen en afkeuringen van slechte medemakkers en mij niet door menschelijk opzicht van het goede te laten aftrekken of tot het kwade te laten verleiden.
O Maria, ondersteun mijn gebed bij den troon van Uwen Goddelijken Zoon, en verkrijg mij de genade braaf en godsdienstig gedurende mijnen diensttijd te leven, en Jezus niet door zouden te vergrammen.
Gebed om zijne hartstochten te overwinnen.
O God, die mij het groot geschenk hebt gegeven mijner vrijheid, laat niet
589
toej dat ik nog langer die vrijheid prijs geve aan den duivel en de speelbal worde mijner eigene hartstochten. Help mij die 'slavernij verlaten, waarin zij mij gebracht hebben en waarin ik ellendiglijk zucht. Getuige van mijne ellende, ziet Gij wat de gramschap, de gulzigheid, de wulpschheid. de luiheid op mijnen geest vermogen, hoe zij mij verleiden tot vloeken en godslasteringen, tot dronkenschap, tot zonden van onzuiverheid in ontelbare menigte begaan en op allerlei wijze gepleegd, tot veroutachtzaming der plichten, mij door den godsdienst en mijnen staat voorgeschreven. O God, laat dat ellendig slavenjuk toch ophouden. Ik verfoei al die ongeregeldheden van ganscher harte. Het is mij leed, dat ik mij zoo dikwijls heb laten medesleepen, dat ik de voldoening eener ellendige hartstocht gesteld heb boven de vervulling van Uwen Goddelijken Wil. Doch mijn besluit is genomen; ik wil die slavenketenen der zouden verbreken, ik wil de zonden vermijden, ik wil mijne vrijheid gebruiken, om mijne hartstochten te oe-
590
strijden, tot dat ik ze overwonnen heb. Het is in Uwen naam, o God, dat ik de wapenen opneem. Voornamelijk dezen hartstocht (noem haar) zal ik trachten te overwinnen, voornamelijk met deze slechte gewoonte (noem haar), die mij reeds tot zoovele zonden heeft aangespoord, zal ik trachten te breken. Ik zal tot dat einde veel bidden, waakzaam zijn op mij zei ven, de gelegenheden vermijden, de middelen aanwenden, welke mijn biechtvader mij heeft voorgeschreven. In één woord van mijnen kant zal ik alles doen^ wat Gij van mij vordert, sterkt Gij mij dan met uwe genade, en geef, dat geene moeilijkheden in staat zijn mijnen moed te verminderen en mijn voornemen te verhinderen.
Gebed tegen de Godslasteringen.
Ik beken het, o God, dikwijls laat ik mij door ongeduld vervoeren, de minste tegenstrijdigheid, de geringste tegenspraak doet mij zoo menigmaal in gramschap opstuiven en maakt dat
591
ik mij bezondig door vloeken en godslasteringen. Het is dus voor mij noodzakelijk, die natuurlijke oploopendheid te overwinnen, en mij toe te leggen om kalm en geduldig te zijn te midden van al datgene, wat mijn drift kan opwekken. Ik weet het, o Jezus, dat het schandelijk is, zoo onverdraagzaam te zijn tegenover anderen, daar ik juist door mijn driftig en onhandelbaar karakter het geduld van anderen zoo dikwijls op de proef stel. Ik weet, dat zulk een gedrag een leerling van Christus, die de zachtmoedigheid zelve is, en mij toeroept, leert van mij, dat ik zachtmoedig van harte ben, geheel en al onwaardig is. En toch, o mijn God, vind ik in mij zeiven geene krachten, om dien ongelukkigen hartstocht te overwinnen. Ik bid U dan, o Jezus, kom mijn onvermogen te hulp. Geef mij een vast besloten wil, om wat het ook kosten moge, die ongelukkige gewoonte van vloeken en hare oorzaak, de gramschap, te overwinnen. Her-rinner mij steeds het schoon voorbeeld van zachtmoedigheid, zoo dik-
592
wijls door U gedurende uw geheel leven, maar vooral gedurende de da-
fen van Uw lijden gegeven. Verwij-er van mij de gelegenheden, die mijne drift kunnen opwekken en wanneer ik soms inwendig verstoord beu, geef mij dan de kracht, om mijnen mond niet te openen en naar uw goddelijk voorbeeld te zwijgen. Eindelijk, dierbare Zaligmaker, indien ik, meer uit kracht der gewoonte dan uit boosheid van wil, ooit wederom eene godslastering mocht uitspreken, geef, dat ik dan aanstonds die daad moge verfoeien, en door een schietgebed, bv. Geloofd zij Jezus Christus, den smaad U aangedaan trachte te herstellen. O Jezus nederig en zachtmoedig van harte, maak mijn hart gelijk aan het Uwe !
Gebed tegen de onzuiverheid.
O God van oneindige zuiverheid, die om Uwe liefde voor de kuischheid te toonen, uit eene Maagdelijke Moeder hebt willen geboren worden ; Gij weet hoe gaarne ik mij om U te behagen,
|
. |
op |
|
len | |
|
mo( | |
|
: |
de |
|
VOO | |
|
. |
Al |
|
bed | |
|
dac | |
|
kw | |
|
vel | |
|
en | |
|
ten | |
|
ver | |
|
lev | |
|
zijl | |
|
die | |
|
bel | |
|
Go | |
|
Ma | |
|
dai | |
|
ku | |
|
mij | |
|
lip | |
|
va | |
|
en | |
|
U | |
|
ge | |
|
mi |
II
593
op een rein en zuiver leven zou willen toeleggen. Doch, o mijn God, hoe moeilijk valt het mij vooral gedurende de dagen van mijnen diensttijd dit voornemen ten uitvoer te brengen! Al had ik niet tegen eene booze en bedorvene natuur te strijden, wier gedachten van mijne jeugd af tot het kwade geneigd zijn, al kwam de duivel mij niet voordurend met slechte en oneerbare voorstellingen verontrusten, de duizende gevaren, die mijne zuiverheid dagelijks in het militair leven moet ondergaan, zouden genoeg zijn, om mij voor mijne volharding in die H. Deugd te doen vreezen. Ik beken het dan ook gaarne, o uiiju God, indien Gij en Uwe H. Moeder Maria mij niet voortdurend bijstaan, dan zal ïk mij nooit zuiver en rein kunnen bewaren en evenals zoovele mijner medebroeders in die schandelijke ondeugd van onzuiverheid vervallen. Kom mij daarom ter hulp, en doe mij inzien, hoezeer die ondeugd U bedroeft, welke eene vreugde zij geeft aan den duivel, en hoezeer zij mij verlaagt tot beneden het dier.
36
594
Dat de vreeselijke straffen, waarmede Gij den onzuivere straft, niet na zijnen dood, maar zelfs reeds gedurende zijn leven, mij afschrikken, van ooit mijne booze lusten en neigingen in te volgen. Dat het Bloed van Uwen Goddelijken Zoon, zoo overvloedig bij zijne geeseling en doornen-krooning voor de onzuiverheden der menschen vergoten, mij van de boosheid dier zonde diep overtuigen. Maar, groote God, verlicht niet alleen mijn verstand, versterk ook mijnen wil en geef mij de genade, alles, wat die Engelachtige deugd zou kunnen schenden, te vluchten. Stel een wacht aan mijne oogen, opdat zij zich nooit vestigen op iets, wat in mijnen geest onzuivere â gedachten -zou Jtunnen opwekken of ongeregelde verlangens doen ontstaan in mijn hart. Omring mijne ooren met eene haag van doornen, j opdat zij gesloten blijven'voor alles, wat de reinheid mijner ziel zou kunnen {schaden. Bind mijne tong door^eene heilige schaamte, opdat zij nooit een werktuig worde om het zwadder der ontucht in de harten
595
van andereu nit te storten. In een woord raaak, dat ik met de uiterste zorg1 wake over mijne zintuigen, en alles verwijdere, wat voor mij eene ^gelegenheid zou kunnen worden van i zonde. Geef mij ook eene groote liefde voor de H. Deugd van zuiverheid, waardoor ik aanstonds iedere gedachte, iedere begeerte, die strijdig is met de H. Deugd, uit mijn hart trachte te verbannen. Bewaar mij voor allen omgang met slechte en bedorvene vrienden, en schenk mij de noodige krachten, om het menschèlijk opzicht, dat mij zou aansporen eene zonde te bedrijven, die ik verafschuw, edelmoedig met voeten te treden. Eindelijk, dierbare God, aeef mij de groote genade van te bidden bij iedere ibekoring tegen de H. Deugd van Zuiverheid. Het is deze genade vooral, die mij ten slotte de overwinning zal bezorgen tegenover alle aanslagen van den duivel, de wereld en het vleesch. O goede God! minnaar van 'zuivere zielen, verhoor mijn gebed, en maak, dat ik gedurende de dagen van mijn diensttijd een zuiverden
596 ttocl
kuisch leven leide. O Maria, aller-f die zuiverste Maagd, verwerf mij de ge- in i nade, getrouw te zijn aan Uwen Zoon weli en Hem nooit door zonden vanonzui- zoo1 verheid te bedroeven. ynooi
[ik
Gehed tegen de dronkenschap. vnu
de
O groote God, doordrongen van stac een grooten atschuw voor de enge- eens lukkige zonde van dronkenschap, die dat ü zoozeer beleedigt, den mensch ge- aan lijk maakt aan een redeloos wezen, ged en zulke rampzalige gevolgen voort- hebt brengt, zoowel voor den dronkaard zeiven als voor andere menschen, bid ik U toch niet toe te laten, dat ik mij ooit aan deze zonde schuldig G make. Doordring mijn hart voort- zier durend van de gedachte, hoe nietig best het genoegen is, dat aan den drank Uw is verbonden en hoe smartelijk de diei gevolgen zijn, welke de overdaad na alle zich sleept. Verleen mij den moed besi de gelegenheden te vluchten, de per- alle sonen. die aan deze ondeugd veralaafdi dat zijn te vermijden, en mi] zeiven ge- en weid aan te doen, om mijne harts-
597
tochten te bedwingen. Geef, dat ik die dranken vooral vermijde, welke in mij de driften en hartstochten opwekken, en van de andere slechts nzui- zooveel gebrnike als de natuur of de y noodzakelijkheid vereischen. Geef, dat | ik als waar christen, die de verster-). ving mnet beoefenen, mij toelegge op de matigheid, opdat ik door de ge-vau stadige beoefening dier schoone deugd onge- eens deel moge hebben aan het geluk, p, die dat Gij voor allen, die zich hier op h ge- aarde een heilig geweld hebben aanwezen, gedaan, in den schoonen hemel bereid iroort- hebt. Amen.
kaard
a, bid Gebed voor het Vaderland.
lat ik
aller-e ge-Zoon
mldig Groote God ! door wiens wijze voorvoort- zienigheid alle Eijken dezer wereld nietig bestaan en bestuurd worden, stort drank Uwen goddelijken zegen uit over ons jk de dierbaar Vaderland. Bewaar het voor ad na alle rampen en onheilen, voor oorlog, moed besmettelijke ziekten, watersnood en i per- alle verdere onspoeden. Gedoog niet, slaafdi dat de inwendige rust door onlusten
n ge-harts
en wanordelijkheden gestoord worde,
598
dat de gemoedereu der burgers verdeeld worden door onderlinge twisten, partijschappen en vijandelijke gezindheden, maar bewaar allen in ouderlingen vrede en eensgezindheid, opdat allen rustig mogen streven naar het | groote doel, dat zij zich voorstellen, hun tijdelijk geluk hier op aarde te verzekeren en h'Mi eeuwig geluk te bewerken iuden sctioouenhemel. Ameni '
Gebed voor den Vrede.
God! van Wien de heilige verlangens, de goede besluiten en de rechtvaardige werken komen, geef aan uwe dienaren den vrede, dien de wereld niet geven kan, opdat onze harten Uwe geboden beminnende, en wij van de vrees voor vijanden ontheven, door Uwe bescherming onze dagen iu veiligheid mogen doorbrengen.
Gehed voor den Koning.
Verhoor Heer, de gebeden, welke i wij U voor onzen geëerbiedigden
za
599
Koning opdragen, versier? hem met alle deugden, welke een Koning passen, maak hem gelukkig op deze aarde, stort door zijne hand alle heil, zegen en welvaart over zijne onderdanen uit, en ondersteun hem krachtdadig met Uwe genade bij de vervulling van de verhevene plichten, welke Gij hem hebt opgelegd.
Gebed van een militair voor zijne Ouders.
O, Grod, die mij geboden hebt mijne ouders te eeren, geef mij npzichtens hen ware gevoelens van eerbied, gehoorzaamheid en kinderlijkel liefde. Vergeld hun duizendvoudig'al het goede, dat zij mij tot nu toe reeds bewezen hebben, en voortdurend nog zullen bewijzen. Schenk hun hier op aarde een gelukkig leven, maak hen rijk in deugden en verdiensten voor den hemel, en geef hem na dit leven de onvergankelijke kroon, die aan de zaligen is weggelegd.
J
INHOUD,
EERSTE DEEL.
Blz.
Hoofdst. I. De militaire stand
in het algemeen . . 1 â II. Plichten, welke uit den militairen stand voortspruiten... 29
A. Algetneene Plichten. ... 31
1. Plichten tegenover God . 31
2. Plichten tegenover den
Dienst. ,....._ 45
3. Plichten tegenover de Mili
taire Overheden .... 70 i. Plichten tegenover de Medemakkers .......85
5. Plichten tegenover de Burgers ........1Ã0
B. Bijzondere Plichten.... 106
1. Plichten van Overheden . 106
2. Plichten van hen, die met
Administratie belast zijn. 132
3. Plichten bij Wachten, Exer
citie en op Marsch . . . 136
VI. INHOUD.
4. Plichten in de Kantonne-menten en bij Inkwartie-. âring........143
0. Plichten in het Hospitaal . 150 6. Plichten gedurende den
Oorlog........101
Hoofdst. III. Gevaren, welke
aan den militairen stand verbonden
zijn......178
â IV. Middelen, welke de K. K. Militair moet aanwenden, om zijne militaire plichten goed te vervullen en de gevaren, aan zijn stand verbonden, te vehmijden . . 192 § 1. Natuurlijke Middelen. . . 193
1. Het Verachten van Let men-
schelijk Opzicht ... .193 1. Het Vluchten van slechte
Gezelschappen.....207
3. Het Bezoeken der R. K. Militaire Vereeniging. . . 222 § II. Bovennatuurlijke Middelen. 242 1. Het Gebed.......242
inhoud. yn.
2. Het Geregeld ontvangen der
H.H. Sakr amen ten . . . 259
3. De liodsvrucht tot de Al
lerheiligste Maagd Maria. 276 § III Bijzondere Middelen tegen
drie militaire Hoofdzonden. 295
1. Middelen tegen het Vloeken
eu Godslasteren .... 296
2. Middelen tegen de Onkuisch-
heid . ;......327
3. Middelen tegen de Dron
kenschap.......392
TWEEDE DEEL.
A. Godvruchtige oefeningen
voor iederen dag . . . 431
1. Kort onderricht over het
gebed .......431
2. Morgengebed......484
3. Avondgebed......441
4. Gebeden voor en na het
eten.........448
5. Gebeden gedurende den dag 450
B. Godvruchtige oefeningen 453
voor iedere week . . . I. Het aandachtig hijwonen van
het H. Misoffer .... 453
iNHOÃD.
1. Kort onderricht over het
H. Misoffer......453
2. Gemakkelijke wijze om de
H. Mis godvruchtig bij te wonen.......458
II. Over het aanhooren van Gods
woord in de predikatie . 473 Gebed voor en na de preek . 475
III. Over het hijwonen van het
Lof op Zon- en Feestdagen. 476 Gebeden gedurende het Lof . 477 C. Godvbtjchtige oefeningen
voor iedere maand . . 486
I. Het waardig ontvangen van
het H. Sakrament der Biecht........486
1. Kort onderricht over de
Biecht........486
2. Gemakkelijke manier om
zich op waardige wijze tot het H. Sakrament der Biecht voor te bereiden. 498
II. Het waardig ontvangen van
de H. Communie .... 513
1. Kort onderricht over de
H. Communie.....513
2. Voorbereiding tot de H. Com
munie ........517
vilt.
inhoud.
3. Dankzegging na de H. Communie ........527
D. Verschillende gebeden . 5il
1. Gebeden tot God.....5il
Litanie van den Zoeten Naam
Jezus.....' : . ⢠â¢
Litanie van het Allerheiligste
Sakrament.......5i5
Litanie van het lijden van.
Jezus Christus .... 550 Toewijding van zichzelven aan Jezus Christus onzen God-delijken Veldheer .... 556 Hernieuwing van de plechtige opdracht afgelegd bij de aanneming als lid der K. K. Militaire Vereeniging. . . 558
2. Gebeden tot Maria .... 565 De Engel des Heeren . . . 565 De 15 Geheimen van den Rozenkrans ......_ ⢠566
Dagelijksch gebed tot Maria
om kracht in de bekoringen. 568 Litanie der Allerheiligste
Maagd........569
Krachtig gebed om eene gunst
van Maria te verwerven. . 572 Gebed tot Maria om vergiffenis der zonden.....573
J
INHOUD.
Gebed om de liefde te verkrijgen tot Jezus en Maria . . 575 Gebed om de genade der volharding tot aan den dood . 577
3. Gebeden tot de H.H Patronen, 579 Litanie tot de H H. Krijgslieden ........ 579
Gebed tot den H. Augnstinus en den H. Antonius de bijzondere patronen der Ver-
eeniging........584
Gebed tot den H. Aloysius om 585 de deugd van zuiverheid . 586
4. Verschillende gebeden. . . . 586 Gebed om in den militairen
stand braaf en godsdienstig
te leven........588
Gebed om de overwinning
over zijne hartstochten . . 590 Gebed tegende godslasteringen Gebed tegen de onzuiverheid. 592 Gebed tegen de dronkenschap. 596 Gebed voor het Vaderland. . 597 Gebed voor den vrede . . . 598 Gebed voor den Koning. . . 598 Gebed voor zijne ouders . . 599
X.
Kerkelijke Goedkeuring-
Door onzen Hoogwaardig:en Pater Generaal, NICOLAUS MAURON, daartoe gemachtigd, staan wij toe, dat het boekje getiteld âde Roomsch-Katholieke Militairquot; gedrukt worde.
Amsterdam, 28 Januari 1892.
J. C. MEEÃWISSEN C. S S. R.
Sup: Prov. Holl.
IMPRIMATUR.
Büscodüci, die 17 Martii 1892.
J. J. VERSTERREN, Rector. ad hoc delegatus.