ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

■

•1 v ' '

■ -

ocr page 4

Oqtleicrichtei|tle Verlialeii

OVER DE

vEVEN j^ï. pACï\AMENTEN,

ocr page 5

. -rfr

XW? quot;y-'T

.V., '' V:

«a

■r^^iiipi:i. jmpH

■ rV:;;

. ;:-v^

; 2 . i'ï -■ -

8c ^1,-: ■ ' ''.

■- ■' -•,

•:v;

■

quot;•$■!-■

• V '^V.;

•'v '1',

.:v-;V ■,-

Cfïé

:ii

gt;1 ■ ■ •■... - • V':-.v;.- t: -(.i

'W. '■■■

:■' . -. ;v t ■■ : v ; ., ■- -. ■;

' ■ •: quot; ■ ■

...

•- gt;•■ - i •■Ar

:v ■ P-.c-

■■ . .v.: v/ r V:; -J €■

-- - ; - ■■

■

.

'■, ' : • .... ■ ■■■ V' / ■ ' ■ quot;v' ' -'-T ■ ■ ''r ', '

-------

ocr page 6

Or\dei£ricl\tei]de Verklei)

OVER DE

^EVEN J-ï. ^ACÏ\AMENTEN,

ocr page 7
ocr page 8

Onderrichtende Verhalen

OVER DE

Zeven H. Sacramenten

•°°K •—

Naar het Engelsch

DOOR

C. A- GERARDS.

«'•quot;•L. COtsJV.

W

— ROERMOND. —

STOOMDRUK M. WATERREUS. 1895.

ocr page 9
ocr page 10

OORREDE.

Mfod is van eeuwigheid, één in Wezen en drievuldig in Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In zich selven is Hij oneindig gelukkig en buiten zich zeiven behoeft Hij niets. Toch schiep Hij in Zijn ondoorgrondelijke liefde het eerst de engelen opdat zij Hem, tot hun eigen geluk, zouden beminnen en dienen en gaf hun tegelijk niet de kennis van goed en kwaad een vrijen wil. Maar een overgroot aantal hunner, opgestookt door den aartsengel Lucifer, misbruikte de macht van dien vrijen wil, weerstreefde het doel hunner schepping en verloor de genade der aanschouwing Gods voor eeuwig. Echter werden de overige hemelsche heerscharen terzelfier tijd zoozeer bevestigd in de volmaaktheid en de zaligheid, dat zij onmogelijk meer konden vallen.

ocr page 11

Toen schiep God den menscli (volgens de leer van heilige Kerkvaders om de opengevallen setels der venuorpene engelen eenmaal in te nemen) en gaf ook dien loensch een vrijen wil.

AI aar de mensch misbruikte die edele gave ten kwade, verzette zich insgelijks tegen het doel van zijn Schepper en verviel in de straf van den eeuwigen dood. Hem uit dien jammerlijken toestand te redden en aan de belee-digde Majesteit Gods voldoening te geven, was slechts mogelijk aan God alleen. Daaroïn heeft de tweede Persoon der aanbiddelijke Drievuldigheid, het eeuwige JVoord Gods, de niensche-lijke natuur aangenomen en is Hij den mensch in alles gelijk geworden, behalve in de zonde. Hij nam de straf op zich, verloste geheel het menschelijke geslacht cn gaf het zijn oorspronkelijke bestemming weer tegelijk met de zalige verwachtingen, daaraan verbonden. Echter onder twee voorwaarden: ofwel de onschuld te bewaren, ofwel boete te plegen.

ocr page 12

Voor deze beide toestanden heeft Hij in Zijn grenzelooze Goedheid genademiddelen bereid, die Hij krachtens Zijn oneindige verdiensten en door de werking des Heiligen Geestes den niensch doet toestroonien uit zeven fonteinen van barnihartigheid, ontspringende in den Inst-hof Zijner Kerk. Deze zeven fonteinen zijn de Heilige Sacramenten, wier verbaart oozing en minachting den geestelijken dood en het verderf niet zich voeren, wier onwaardig gebruik daarenboven een heiligschennis is.

Dat onze Katholieke jeugd met eerbied, dankbaarheid, genoegzame kennis, liefde en vreugde, „wateren des hei Is moge scheppen uit de fonteinen des Zaligmakers'', is het doel van de volgende onderrichtende verhalen.

ocr page 13
ocr page 14

I.

Pp quot;Pnijfamni) Mil Jsf. [iaiimilin

of

ocr page 15
ocr page 16

ï)e \r00tk\r0T|(;l vini Hii|t I^kureqtiu^

OF

de cKii\(ie^doo|).

êezitc JfoojS^tatl.

et was daags voor Sint Laurentius van het jaar 1850. Op quot;Rochdale-Castle maakte men toebereidselen voor een groote plechtigheid. Reeds aan de vensters, wier gordijnen hoog waren opgehaald, en aan de feestelijke be-^ drijvigheid die er heerschte op de terrassen

en in het park, kon men bemerken dat er een buitengewone gebeurtenis op handen was. De meeste gasten schitterden evenzeer uit door hun godsvrucht als door hun hoogen maatschappelijken rang en stonden nu in groepjes hier en daar bijeen, om op dien dag den kleinen nakomeling van een menigte roemrijke voorvaderen — allen getrouwe kampstrijders voor het katholieke geloof — hun eersten welkomstgroet in het heiligdom aan te bieden. De tegenwoordigheid van zoovele hooge gasten en de feestelijke gelegenheid zelve waren het onderwerp van aller gesprekken.

Men had de laatste hand gelegd aan de versieringen in de

ocr page 17

slotkapel, en daar prijkte reeds op fluweelen kussens het prachtige erfelijke ridderzwaard, dat de jeugdige erfgenaam van het geslacht, naar overoud gebruik, met zijn kinderhandje moest aanraken, om zoo de eerste daad te verrichten van een Christen-ridder, terwijl zijn peter bij den doop de woorden uitsprak:

»Ik verkies als mijn deel op deze wereld:

Dit zwaard te trekken, alleen uit onderdanigheid aan mijn leenheer;

Met rechtvaardigheid;

Voor de eer van Christus.

Ook door vele, rijke gaven uit mijne bezittingen Mij steeds te ontfermen over Zijne armen.

Opdat Hij mij, strevende naar barmhartigheid.

Barmhartigheid doe verwerven.

Door mij eenmaal intrede te verleenen In het rijk Zijner zaligen. Amen!quot; —

Twee heeren, die in gezelschap van meer anderen de kapel bezichtigd hadden, keerden naar het terras terug en wandelden daar op en neer.

„'t Zal een treffende plechtigheid zijn,quot; zeide mijnheer Philips Dunn.

„Dat zal hetquot;, antwoordde zijn geachte begeleider, „maar het had reeds veel vroeger moeten gebeuren. Wij hadden minstens zes maanden eer hier moeten zijn 1quot;

Philips stemde ten volle met hem in en voegde er bij: „Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor dat het kind reeds gedoopt is.quot;

„In dat geval, hervatte mijnheer Lewis, zou mijn bezorgdhexl zorder grond en de ziel van het kind buiten alle gevaar geweest zijn. Maar, geloof mij op mijn woord, er is geen Doopsel toegediend, en ik kan het niet anders dan een beproeving van Gods Voorzienigheid noemen, dat zulke vrome en voorbeeldige ouders, enkel en alleen om de kerkelijke plechtigheden grootscher en luisterrijker te maken, hun eenig en vurig afgebeden kind acht of

ocr page 18

tien maanden lang ongedoopt hebben gelaten, bevlekt met de erfzonde en onder de heerschappij van den geest der duisternis.quot;

„Mijnheer Laurens beroept zich, om dit uitstel te rechtvaardigen, misschien op de eerste Christenen,quot; zeide Philips Dunn; «want deze hebben, uit vrees van de onschuld, waarmede zij in het Doopsel zouden bekleed worden, weer te bevlekken, dikwijls tot in hoogen ouderdom gewacht, eer zij dit Sacrament ontvingen. Gij weet dit immers veel beter dan ïk zelf.quot;

„Wij kunnen ons niet beroepen op feiten die door Kerk nimmer zijn goedgekeurd,quot; sprak Lewis; ien wij weten, dat zulk een uitstel door haar veroordeeld en de kinderdoop ten strengste aanbevolen werd, en wel op het Concilie van Milaan, gehouden in het jaar Onzes Heeren 1565 en in de vijfde Zitting van het groote algemeene Concilie van Trente, zoodat onze goede vriend hier, bij al zijn vroomheid — zijn onbetwistbare vroomheid — een onverantwoordelijk spel heeft gespeeld met de ziel van zijn kind, en wel, zooals hij zegt, enkel en alleen om de geheele plechtigheid tegelijkertijd en niet bij gedeelten te doen plaats hebben.quot;

„Het private Doopsel, waaraan gij de voorkeur zoudt gegeven hebbenquot;, deed zijn vriend opmerken, „is volgens de meening van mijnheer Laurens hetzelfde, alsof men een edelsteen wilde ruilen voor geslepen glas, of een schilderstuk voor de lijst; want hij beweert, dat, wanneer het wezenlijke deel van liet Sacrament reeds is toegediend, de herhaling der voorafgaande ceremoniën een onvruchtbaar werk is, daar deze vooreerst niet talrijk zijn en vervolgens meer dienen tot stichting en leering der aanwezigen, dan tot heil van het kind. Mijnheer Laurens had, om zich gelijk te blijven, ook volgens die meening moeten handelen en niet, zooals thans, met zooveel moeite de groote zaak, het eigenlijke Doopsel, uitstellen, alleen om tot grooteren luister der ceremonien de hoogste sieraden van onze geestelijkheid en onzen adel bijeen te kunnen roepen.quot;

„De heilige ceremoniën,quot; hervatte Lewis, „waarmede de Kerk het wezenlijk deel van het Sacrament des Doopsels doet vergezeld

ocr page 19

gaan, beteekenen en verklaren voorzeker de oneindig groote genade, welke het levendmakende water den mensch instort. Ik teeken echter protest aan tegen de meening van mijnheer Laurens, als zouden zij voor den jeugdigen doopeling weinig of geen nut opleveren. Die bewering zal hij aanstonds weersproken en weerlegd vinden bij het lezen dér gebeden, die door den priester in naam der Kerk tot God voor het kind worden opgezonden. Maar om op ons a propos terug te keeren, dat alles had reeds lang moeten gebeuren.quot;

„O,quot; zeide Philips Dunn lachende, „als gij bezorgd zijt geweest voor het leven van het kind, dan was uw vrees geheel ongegrond, geloof mij; want de erfgenaam van Rochdale is voortdurend omringd geworden door geneesheeren en kamerjuffers. De lampen werden in het vertrek nimmer uitgebluscht noch bij dag noch bij nacht, en de huisgenooten — die tusschen twee haakjes in aanhoudenden angst verkeerd hebben — ontvingen geregeld bericht omtrent den gezondheidstoestand; ook is de voedster, naar ik hoor, een uitstekende persoon. Maar, daar komt juist de vroegere erfgenaam die helaas nu van zijn waardigheid vervallen is; het zal hem goed doen, zijn ouden vriend weer te zien — de arme jongen!quot; —

Terwijl hij dit zeide, kwam Felix Rochdale, een frissche, levenslustige knaap van veertien jaren over het grasperk op hen toegeloopen en vatte Lewis bij de hand. „Nu gij hier zijt,quot; riep hij uit, „goed — nu bekommer ik mij om niets meer.quot;

„Ook niet om mij?quot; vroeg Philips Dunn lachende.

„Neen, mijnheer Philips,quot; antwoordde Felix met heftigheid; ',mijn tijd met u is voorbij, evenals uw tijd met mij. Maar dit is een trouwe vriendquot; en weer vatte hij Lewis bij de hand.

„Kom, kom, jonge man,quot; zeide Philips Dunn bemoedigend, »er kan nog veel veranderen en de goede tijd voor u zal wel terugkomen.quot;

„Ik verlang niet, dat hij terugkomt,quot; riep Felix wrevelig; „maar al ware dit ook het geval, en al ware ik nog eens erfgenaam van

ocr page 20

Rochdale — wat zal ik dan vinden? — vrienden in schijn — koude, gevoellooze harten — complimenten zonder geest en leven, gelijk aan het geschuifel der slangen! — Neen, mijnheer! Ik heb in de laatste tien maanden tien jaren geleefd, of nog langer! Ik leefde een lang leven, vol van kwelling, strijdig met vriendschap, eer en waarheid. Ik ben op dit oogenblik evengoed een Rochdale als vroeger; het bloed in mijn aderen is zoo rein, als het ooit geweest is. En dit wil ik u wel zeggen, mijnheer Philips, u, die de meest vertrouwde vriend zijt van mijn neef; als hij zijn kind in mijne armen had gelegd en tot mij gezegd had: »Felix ik ken uw goed hart — wij kennen elkanderquot; — of iets dergelijks, dan had ik voor hen beiden willen sterven. Niet omdat het geluk mij den rug heeft toegekeerd of wijl ik den titel heb verloren, dien ik eenmaal had kunnen voeren — niet daarom bloedt mij het hart, maar omdat men mij niet begrijpen wil, mij achteruit zet, omdat men mij vermijdt en bespiedt en met minachting verdringen wil — terwijl ik zelf verheven ben boven de grillen van het armzalige geluk. Dat is —quot;

„Dat is hoogmoed,quot; viel Lewis hem in de rede, en terwijl hij het gesprek met Philips afbrak nam hij Felix Rochdale met zich mede naar een meer afgelegen plekje van het park, „dat is hoogmoed. Laten wij ons niet te zeer vertoornen op de menigte die gewoonlijk wat onbarmhartig is, — ook al zijn daaronder eenigen uwer vrienden. Tracht grootmoedig te vergeten, dat men u heeft beleedigd, en laten wij liever wat met elkander spreken over de schoone ceremonien van dezen avond.quot;

„Goed,quot; zeide Felix; „maar daar zullen sommige dingen ter sprake komen, die, zooals gij mij zelf zult moeten toegeven, wat hard zijn om aan te hooren.quot;

gt;Er zijn op aarde heel veel dingen, beste Felix, die niet alleen wat hard, maar zeer hard zijn, en die wij toch moeten verdragen.quot;

„Jawel, maar op de eerste plaats moet ik u dit zeggen: Gij weet toch, dat men mij als peter aangewezen had.quot; —

ocr page 21

„Hoe nu, aangewezen had? Wie is dan thans daarvoor aangewezen?quot;

„Iemand, die grooter is dan ik; ik heb de eer, dien persoon te mogen vervangen wijl hij zelf te groot is om te verschijnen.quot;

»Dat alles te zamenquot;, merkte Ludwig op, »geeft u een schoone gelegenheid, bij God rijke verdiensten te verwerven; laat haar daarom niet ongebruikt voorbijgaan. Gij kent het spreekwoord: ;gt;\Vie zich zeiven overwint, is grooter dan een veroveraar,quot; want de strijd des menschen is niet alleen tegen vleesch en bloed, maar tegen de onderaardsche geesten der duisternis, die door hun val hun geestennatuur niet verloren hebben, en, hoewel verblind door het verlies van Gods aanschouwing, toch in scherpzinnigheid en verstand verre verheven zijn boven den mensch. Deze ontvangt echter door waakzaamheid en gebed zooveel genade van God, dat hij, toegerust met hemelsche wapenen, dien geestelijken strijd kan volhouden. Somwijlen verbinden deze onzichtbare vijanden zich met de verlokkingen der wereld — in het geluk; soms ook brengen zij de ziel tot vertwijfeling — in het ongeluk. Zij bekommeren zich niets om de verhouding waarin de mensch staat tot God; met een kracht en eene volharding, een beterezaak waardig, richten zij hunne bekoringen in overeenkomstig zijn toestand en zijne genegenheden, ontrooven hem, als zij kunnen, moed, geduld en hoop, en als zij eenmaal een speelbal zonder veerkracht van hem hebben gemaakt, hebben zij alles gewonnen i —

Maar God geve, dat dit bij u het geval niet zal zijn. Gij zijt noch onwetend, noch zwak van karakter, maar hebt genoeg zedelijken moed en kennis van datgene wat een Christen past, zoodat gij niet zult nalaten de onschuldige oorzaak van uw tegenwoordig lijden met liefde te bejegenen — zoo hebt gij mij althans in uwe brieven verzekerd, en ik geloof u. Laat dus de gedachte aan uw eigen leed nu varen en denken wij eens aan die kostbare ziel, die spoedig den drempel van een nieuw leven overschrijden zal, om gereinigd te worden van alle smetten der natuur en van de erfzonde, om een kind Gods te worden, een lid der katholieke Kerk,

ocr page 22

en gelijk gij, een erfgenaam, niet een erfgenaam van de armzalige, vergankelijke goederen van jgt;Rochdale Castle,quot; maar een erfgenaam des eeuwigen levens!quot; —

»Ja,quot; zeide Felix met nadenken, »ik bemin dat kind — zeer zeker — en zoozeer bemin ik het, dat ik bij mij zeiven er reeds over heb nagedacht, of dit schepseltje dan waarlijk schuldig is aan den dood der erfzonde en aan de verwerping van Gods aanschijn? Ik vroeg mij zeiven ook verder af, of een persoon, die niet gedoopt is, de overige Sacramenten met vrucht ontvangen kan?quot;

»Het Doopsel,quot; antwoordde Lewis, »is een van de twee Sacramenten, die door de ziel in staat van doodzonde kunnen ontvangen worden. Gij weet immers, dat men tot het waardig ontvangen der overige Sacramenten, behalve van de Biecht, in staat van genade, in staat van vriendschap met God moet zijn. Bovendien is het Doopsel volgens de leer der heilige Kerk, de deur en de ingang tot de overige Sacramenten, daar alleen door het Doopsel de erfzonde wordt weggenomen. Wat immers zou een lichamelijke verkwikking baten aan een dood lichaam? Niets. Eveneens zou het geheel vruchteloos zijn, de Sacramenten der levenden toe te dienen aan een doode ziel. De ziel moet herschapen zijn in een nieuw, geestelijk leven, eer zij door het Vormsel gesterkt, door het heilig Avondmaal gevoed en door het laatste Oliesel tot de intrede in het eeuwig leven voorbereid kan worden. Slechts een gedoopte ziel kan met vrucht de andere Sacramenten ontvangen, wijl zij zich bij haar wedergeboorte gescheiden heeft van al het bederf en de smetstoften, die de toestand des doods met zich voert. Vlekkeloos, tintelend van jeugdige schoonheid en beminnelijk treedt zij in het leven. Daar de heilige Drievuldigheid met hare gaven bij het Doopsel in de ziel nederdaalt, verdrijft zij niet slechts het booze, door aan de ziel den zachten smetteloozen glans der leliën weer te geven, maar verleent haar tegelijkertijd een werkelijke en blijvende genade, een merkteeken, een stempel, een zegel van Goddelijke schoonheid, een onderpand der hemelsche heerlijkheid, dat de ziel nimmer verliest, maar dat öp denjongsten

ocr page 23

dag duidelijk in haar zal uitschijnen tot haar meerdere verheerlijking of tot haar grootere verwerping.quot;

»Dat is een verheven, maar ook een vreeswekkende gedachtequot;, zeide Felix.. Hij zweeg gedurende eenigen tijd en voegde er eindelijk vragende bij; »Zouden er velen zijn, die de onschuld van hun Doopsel hebben bewaard?quot;

»Üm de onschuld des Doopsels te bewarenquot;, hervatte Lewis, «moet de herboren ziel reeds bij het eerste schemeren des verstands alles vermijden wat haar zou kunnen bevlekken. Tot dankbaarheid voor de ontvangene genade moet zij de vijanden van haren God-delijken weldoener verloochenen. Deze vijanden zijn drie in getal: de duivel met zijn booze inblazingen en bekoringen, de wereld met al haar valsche verlokkingen, ijdelheden, vleierijen en al hare pracht, en ten laatste het vleesch, waarmede zij gedurende haar pelgrimstocht op aarde vereenigd is, en hetwelk zij beheerschen en onderdrukken moet. Zie, hoe de reine en onschuldige ziel, bij haar intrede in het waarachtige leven, omringd is door doodsvijanden, die slechts wachten op het ontwaken des verstands, om haar te bezoedelen en te wonden! Toch zijn er eenigen, laten wij hopen zelfs velen, die de onschuld van hun Doopsel hebben bewaard. God geeft meer dan genoegzame genade om aan de bekoringen der vroege kindsche jaren te weerstaan, en heeft vervolgens het Sacrament des Vormsels ingesteld, om ons te versterken, eer wij den meer geweldigen storm der jongelingsjaren te doorstaan hebben.quot;

Felix zuchtte; want hij dacht aan de vele en verschillende Stormen, die hem-zelven gedurende de laatste maanden over het hoofd waren gegaan en zeide: »Ik hoop, dat ik mij bij al mijn bekommernissen en teleurstellingen niet aan haat schuldig gemaakt heb.quot;

»De liefde Gods is de dood van den haat,quot; hernam Lewis. »Maar blijf nu niet langer staan bij de dingen, die thans uw teergevoeligheid zoozeer gekwetst hebben, laat uw hart zich daarboven verheffen door het beschouwen der onveranderlijkheid Gods, bij wien zelfs geen «schaduw van onstandvastigheidquot; valt waar te nemen.

ocr page 24

maar die u in elke omstandigheid des levens even hartelijk bemint. Iedere wisseling in ons levenslot komt van Hem en geloof mij, niets kan u op dit oogenblik meer dienstig zijn tot den in-wendigen vrede en u voor de toekomst meerdere genade verzekeren, dan een vernieuwde onderwerping van uwen wil aan dien des Heeren.

Tracht gedurende de ceremoniën uwe doopbeloften te hernieuwen. Dit kan in stilte en onbemerkt geschieden; zijt gij daartoe bereid?quot;

»Ja,quot; antwoordde Felix, »wat mijn wil betreft, voorzeker; maar ik weet bijna niet, wat ik daarvoor te doen heb.quot;

»Volg slechts het Rituaal, en offer bij ieder antwoord, dat gij in den naam van het kind geeft, u opnieuw aan God op.quot;

Hier werden zij plotseling gestoord door de komst van een heer, die reeds lang naar hen gezocht had. Felix vond het verdrietig dat daardoor een gesprek werd onderbroken, dat voor zijn tegenwoordigen zielstoestand zoo rijk was aan troost en verkwikking.

SweeSe Jtoojdstuk.

■iHet is zeer vervelend,quot; zeide Felix wrevelig, »dat wij nauwelijks tien minuten met elkander ongestoord kunnen spreken.quot;

«Verdraag dat nu eens om mij genoegen te doen,quot; hervatte Lewis; »want die mijnheer Conway die daar aankomt, heeft mij heden op reis gezelschap gehouden. Hij is ook de laatste dien ik met Gods hulp tot de Moederkerk heb mogen terugbrengen, de laatste maar niet de minste. »Ha, goede vriend,quot; voegde hij den vreemdeling toe, die hen ondertusschen genaderd was, »gij ziet hier mijn vriend en petekind, den heer van Rochdale-Castle. Wij onderhielden ons juist over het Sacrament, hetwelk gij, mijnheer Conway, tot uw leedwezen slechts onder voorwaarde hebt kunnen ontvangen.quot;

ocr page 25

»Ja zeker, tot mijn leedwezen,quot; antwoordde Conway; »ik had wel gewild, dat men mij van de ongeldigheid van mijn eerste Doopsel overtuigd had, in plaats van er slechts aan te twijfelen.quot;

»Ik zie de wenschelijkheid daarvan niet zoo helder in, dat ik met u van hetzelfde gevoelen kan zijn, mijnheer Conway,quot; sprak Felix; »want het schijnt mij vreemd toe, het verlangen te koesteren, dat wij twintig of meer jaren — zooals bij u het geval is — mochten geleefd hebben onder den vloek der erfzonde en in het grootste gevaar voor onze zaligheid!quot;

»Toegegeven,quot; zei Conway; »maar als zich met de erfzonde ook een groot aantal andere, persoonlijke zonden heeft opeengestapeld — hoe troostend zou het dan voor mij geweest zijn, die twee en twintig jaren door middel van het Doopsel in de zee der vergetelheid te zien wegzinken, evenals de jaren, die de groote, heilige Augustinus in de ketterij had doorgebracht!quot;

»Goed!quot; zeide B'elix; »maar gij zijt Protestansch gedoopt. Ik zou mij niet kunnen verbeelden, dat een Doopsel, door ketters toegediend, geldig is.quot; —

»En toch, mijn waarde Felix,quot; kwam Lewis hier tusschenbeide, «moogt gij u niet slechts verbeelden, maar het zelfs als een waarheid gelooven, dat het Doopsel, door ketters toegediend een geldig Sacrament is. Dit is te allen tijde de leer geweest onzer heilige Kerk. Ik zou u daarvoor kunnen aanhalen de geschriften van den heiligen Augustinus, de getuigenissen van Vincentius Lirinensis, van paus Stephanus den eerste, de uitspraken van het Concilie van Capua in het jaar 389, het derde Concilie van Carthago en ontelbare andere bewijzen. Gij moet mij echter wèl verstaan: de Kerk eischt in dat geval ten strengste, dat zij het wezen en den vorm van het Sacrament ongeschonden bewaard hebben. Dat wil zeggen; dat de kettersche bedienaars het Doopsel hebben toegediend »in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes,1' dat tegelijk met het uitspreken dezer woorden, ook de afwassching met water hebbe plaats gehad zóódat het water gevloeid heeft en dat diezelfde bedienaar bezield zij geweest door de meening om

ocr page 26

te doen wat de Ker^ van Christus met het Doopsel beoogt, om te doen wat Christus heeft ingesteld.quot;

»Dat verwondert mij ten hoogste,quot; sprak Conway, hoe kan het eerste en noodzakelijkste Sacrament, het Doopsel, toegediend worden met zoo weinig bepaling omtrent den persoon des bedienaars, terwijl niet eens de priesters, maar slechts de bisschoppen krachtens hun wijding het Vormsel kunnen toedienen ?quot;

»Met de eigen woorden van uw tegenwerpingquot; hervatte Lewis hebt gij u zeiven het antwoord reeds gegeven. Juist wijl het doopsel het noodzakelijkste Sacrament is, onontbeerlijk voor allen die tot de zaligheid willen geraken, heeft Christus de toediening daarvan op alle mogelijke wijze vergemakkelijkt. De andere heilige genadebronnen kan men wel niet zonder zonde loochenen of minachten, maar zij zullen op den jongsten Dag toch geen reden zijn tot veroordeeling, indien zij in dit leven voor den mensch ontoegankelijk geweest zijn. Een kind sterft zonder doopsel en het is beroofd van de aanschouwing Gods, de gebeele eeuwigheid door; een ander is gedoopt — ik bedoel goed gedoopt — het komt er niet op aan door wien, en wordt onmiddellijk deelachtig aan de zaligheid en de vreugde des Hemels voor eeuwig. Laten wij nu een derde geval stellen en een van onze arme bekeerde negers tot voorbeeld nemen. Hij is gedoopt en leeft vele jaren zonder het kleed zijner onschuld te bevlekken, maar heeft geen gelegenheid tot het ontvangen der andere Sacramenten; hij sterft en zijn ziel treedt in het bezit van een hoogeren graad van heerlijkheid en zijn zaligheid is veel grooter dan die van een kind. Bewonder nu de wijsheid der Kerk die van Boven haar licht ontvangt en die de waardigheid en de heiligheid van den persoon, die deze deur des heils opent, gaarne over het hoofd ziet, terwijl zij, als de omstandigheden het veroorloven, die heilige handelingen opluistert door plechtigheden vol mysteries en de toediening daarvan in handen stelt van haar hoogste waardigheidsbekleeders. Gij zult daarvan als het aan God belieft, heden avond getuigen zijn, nu niet een ketter, maar een der eerste katholieke prelaten aan het

ocr page 27

kind van Rochdale den toegang openen zal tot de Kerk van Christus.quot;

»Ik begrijp u volkomen,quot; zeide Conway, »en zie, dat in godsdienstige en kerkelijke zaken veel schijnbare tegenspraak wordt weggenomen door genoegzaam onderricht. Maar, hoor eens hier, ofschoon wij Katholieken zeven Sacramenten aannemen en, om een voorbeeld te stellen, de Kerk van Engeland maar twee — zij zegt immers: Slechts twee Sacramenten zijn noodzakelijk voor de zaligheid, het Doopsel en het Avondmaal des Heeren — schijnt het mij toch toe, dat deze laatste, hoe zij ook in andere geloofspunten moge afwijken, onder dit opzicht niet met de katholieke leer strijdig is; gij hebt immers zelf de Sacramenten steeds verminderd en ten slotte tot één enkel noodzakelijk Sacrament teruggebracht.quot;

»Ja, tot een enkel,quot; antwoordde Lewis, »voor het geval, dat de onschuld des Doopsels bewaard gebleven en het ontvangen van een ander Sacrament niet mogelijk is. Maar verkeeren alle men-schen in dien toestand r Aan welk een verschrikkelijke onteering zou niet het heilig Sacrament des Altaars, dat waarachtige Avondmaal des Heeren, zijn blootgesteld, de groote menigte in aanmerking genomen, die tot dit verheven geheim nadert, als tusschen het Doopsel en dit banket der engelen niet een reinigend Sacrament was gelegen! Als men beweert, dat het Doopsel en het heilige Avondmaal de twee eenige «noodzakelijkequot; Sacramenten zijn, moet men bij alle menschen de reinheid en de kracht der engelen veronderstellen; maar de Kerk weet dit beter, en ontsluit zeven bronnen, opwellende uit de onuitputtelijke verdiensten van haren Bruidegom, terwijl zij leert dat voor het geestelijke leven der ziel vijf Sacramenten noodzakelijk zijn. De H. Thomas van Aquine verge, lijkt de behoeften van dat geestelijk leven der ziel met die van het lichaam: de mensch wordt naar de ziel geboren in het Doopsel; hij moet toenemen in wasdom en den injnnelijken leeftijd bereiken door het Vormsel; zijn voedsel ontvangt hij door het H. Sacrament des Altaars; als hij in ziekte is gevallen, wordt hij genezen door

ocr page 28

de Biecht; hij heeft behoefte aan medicijnen tegen de overblijfselen der ziekte en ontvangt die door het heilig Oliesel. Wat de twee andere Sacramenten betreft: het Priesterschap en het Huwelijk, deze zijn ingesteld voor bijzondere levensstaten en schenken genade en zegen tot vervulling der plichten die daaraan zijn verbonden.quot;

«Veronderstel,quot; zeide Felix, »dat een volwassene ernstig naar het Doopsel verlangt, en zich op alle mogelijk wijze daartoe voorbereidt, maar sterft, voordat iemand het hem kan toedienen, zou zijn ziel dan behouden zijn?

«Ongetwijfeld,quot; hervatte Lewis; »het Doopsel van begeerte wordt als geldig beschouwd, wanneer de volwassene bij zijn dood vurig naar het Doopsel verlangt en het uiterlijke teeken van dit Sacrament onmogelijk ontvangen kan. Maar mocht hij weer gezond worden en nalaten het uiterlijke teeken der inwendige genade te ontvangen, dan zou dit een doodzonde zijn, en indien hij zoo stierf, ware zijn ziel verloren.

«Veronderstel nu iets anders,quot; zeide Felix, «ouders en doop-horgen verlangen ernstig naar den Doop van het kind, en hebben alle toebereidselen reeds gemaakt, maar daar sterft het kind plotseling — zou die ziel nu behouden zijn?quot;

«Helaas, neenlquot; antwoordde Lewis; dat vurig verlangen naar het Doopsel, die vermorzeling des harten over bedrevene zonden, die voornemens voor de toekomst, die bij een volwassene den uiterlijken vorm kunnen vervangen in geval van nood, kunnen door plaatsvervangers niet verwekt worden.quot;

«Een derde vraag is deze,quot; zeide Felix: «moeten wij ons verheugen of bedroeven als een kind of een pas gedoopte bekeerling onmiddellijk na het ontvangen van dit Sacrament sterft?quot;

«Zeker moeten wij ons verheugen, overtuigd als wij zijn, dat die ziel in volmaakte zuiverheid den Hemel is binnengegaan. Door het Doopsel werden haar deze drie deugden ingestort, die men Goddelijke deugden noemt: geloof, hoop en liefde. Als dus een ziel pas gedoopt is, brengt zij deze kostbare gaven ongeschonden, maar ook ongebruikt aan den Goddelijken Gever terug. Zouden

ocr page 29

— i6 —

wij echter met den edelen moed, dien deze gaven in ons opwekken, niet het vurige verlangen koesteren, voor de zielen van anderen te werken, en het grootmoedige besluit vormen, voor Christus een groote schaar van geloovigen te winnen, al zouden daartoe ook jaren vol van inspanning en volharding noodig zijn?quot;

»Het zou wel een onedele zelfliefde zijn,quot; sprak Felix, »maar men zou, om zeker te zijn van zijne zaligheid, bijna verlangen, onmiddellijk na het Doopsel te sterven. Ik voor mij heb daar geen vooruitzicht meer op, en kan dit, evenals vele anderen, slechts als een onvruchtbaren wensch beschouwen; maar wij moeten den heer Conway geluk wenschen met zijn vromen ijver, die zoo vurig, zoo hartelijk, zoo verheffend is, als men bij een pas bekeerde slechts kan verlangen.quot;

«Terwijl ik zelf een gunstige gedachte had van mijn kalmte en beradenheidquot; hernam Conway, »en hoopte, dat mijn overgarg tot het Catholicisme niet den onstuimigen ijver van een nieuweling in het geloof zou verraden, maakt gij mij thans een waarlijk dubbelzinnig compliment!quot;

»Ik meen het goed, werkelijk goed,quot; antwoordde Felix. »Maar wat zal het mij baten, wanneer ik u alleen bewonder, en niet tracht het zielsgeluk te verkrijgen van iemand als gij, die aan de buitengewone genade zoo getrouw beantwoordt!quot;

Op dit oogenblik ging de bel; zij riep de aanwezigen tot het ontbijt; onze vrienden, die tot nog toe op eenigen afstand van het slot op en neer hadden gewandeld, spoedden zich nu met rassche schreden naar binnen. Daar ontwaarden zij, niet verre van hen verwijderd, het kleine kind, dat het voorwerp zou zijn van de godsdienstige plechtigheden van dien avond en van het blijde feest van den volgenden dag. De knaap keerde juist terug van de «wandeling,quot; zooals men het noemde, gedragen door een der dienstdoende kameniers en in gezelschap van die «uitstekende persoon,quot; zooals Philips Dunn de voedster genoemd had.

ocr page 30

Itoojdztn-ft.

Zoodra de ta]looze gasten met hun gevolg de slotkapel waren binnengetreden en de hun aangewezen plaatsen hadden ingenomen, zette zich de doopprocessie, met het kruis aan de spits, langzaam uit de groote zaal naar het heiligdom in beweging. Daar de jeugdige peetetante niet berekend was voor het liturgische gedeelte van haar taak, werd de kleine postulant naar de geestelijke wedergeboorte, door zijn voedster gedragen in een doopkleed van zwarte goudlakensche stof, dat meer woog dan het kind zelf. Men schreef den 9en Augustus; de hitte, of mischien ook het late uur, de gewone tijd voor het kind om te gaan slapen, hadden het zacht doen insluimeren, en de liefelijke rust op zijn rozenrood gezichtje vormde een scherpe tegenstelling met de voedster die hem droeg, en die, ofschoon onder ieder opzicht een sschoone vrouwquot; van mannelijke figuur en mannelijke kracht, toch — hetzij uit angstigheid of tengevolge van vermoeienis — bijna niet in staat scheen, haar taak te vervullen. Haar donkere oogen rolden rusteloos heen en weer, nu eens zag zij het kind aan, dan den bisschop, dan hire omgeving, en door haar wilde bewegingen bruischten voortdurend de brcede plooien van haar rijk zijden gewaad. Toen zij bij den ingang der kapel was gekomen, versperde de eerwaardige prelaat haar den weg. De ongedoopte mensch, die zich nog in den staat van erfzonde en dus onder de macht des duivels bevindt, heeft geen recht, den tempel des Heeren te betreden, dan nadat de voorgeschreven ceremonieën verricht zijn die hem tot het ont-vaquot;gen des Doopsels voorbereiden. Toen dan de bisschop naar het verlangen en den naam des doopelings had gevraagd en men het antwoord had gegeven, ging hij voort: »Laurens, wat verlangt gij van de Kerk Gods?quot;

»Het geloof,quot; antwoordden de doopborgen, waarvan de een Felix Rochdale was, die de plaats innam van den afwezigen doop-borg en die zich had voorgenomen gedurende deze geheele plechtigheid met inwendige godsvrucht zijn doopbelofte te vernieuwen, n. z. H. s.

ocr page 31

Weer vroeg de bisschop: »Wat schenkt a het geloof?quot; Doopborgen: »het eeuwige leven.quot; — De bisschop: »Als gij het leven wilt ingaan, onderhoud dan de geboden. Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten, en uwen naaste gelijk u zeiven.quot;

Daarna blies de bisschop driemaal in het aangezicht van het kind, tot verdrijving van den Satan en zeide: »Wijk van hem, onzuivere geest, en maak plaats voor den heiligen Geest, den Vertrooster.quot; — Dan maakte hij het teeken des kruizes op het voorhoofd des doopelings om aan te duiden, dat deze zich voortaan niet mag schamen voor het kruis van Christus, maar zich bij iedere gelegenheid openlijk als Christen moet uitspreken; hetzelfde teeken drukte hij op den mond en de borst van het kind om te kennen te geven, dat de doopeling het geloof en de wet van Christus in zijn daden en met zijn hart moet belijden en liefhebben. Daarna zegende hij het zout, legde daarvan een weinig in den mond van het kind en zeide: »Ontvang het zout (het teeker) der wijsheid. Moge het u tot genade strekken ten eeuwigen leven.quot;

Nu volgde het exorcismus of de bezwerings-formule, waarmede hij opnieuw den duivel beval uit te gaan uit het kind, in in den naam van Dengene, die Rechter is over leven en dood.

Daarna raakte hij het kind aan met zijn stool en leidde het, vergezeld van al de aanwezigen, de kapel binnen, om daar over hem het levendmakende water uit te storten, terwijl hij zeide: »Treed binnen in de Kerk Gods, opdat gij deel moogt hebben aan Christus in het eeuwige leven, amen!'quot; — Toen begon hij met de doopborgen de twaalf artikelen des geloofs en het Onze Vader te bidden, om te kennen te geven, dat de Kerk van Christus slechts degenen aanneemt, die deze geloofsbelijdenis afleggen en dit gebed verrichten.

Het exorcismus werd thans herhaald. Vervolgens bestreek de bisschop ooren en neusgaten van het kind met speeksel Ier herinnering aan de genezingen, die tie heilige Schrift ons met dezelfde ceremonie beschrijft, en om te beteekenen, dat zijn ooren geopend

ocr page 32

moeten zijn, om de leer van Christus aan te hooren, dat zijn mond bereid moet zijn, het geloof te belijden.

Na afloop van deze inleidende plechtigheden werd het geliefde kind ten laatste naar den doopvont gebracht en antwoordde daar door den mond van een zijner doopborgen op de vraag:

«Verzaakt gij den boozen vijand?quot;

»Ik verzaak.quot;

»En al zijne werken?quot;

»Ik verzaak.quot;

»En al zijne pralerijen?quot;

»Ik verzaak.quot;

»Onder deze voorwaarde,quot; dacht Felix bij zich zei ven, »heb ook ik het Doopsel ontvangen. Kan ik getuigen, dat ik daaraan getrouw ben gebleven, sinds de laatste plotselinge verandering in mijne vooruitzichten mij zoozeer van streek heeft gebracht? Had ik God niet moeten danken, wijl Hij mij de middelen aan de hand deed, om heel dien wereldschen praal te verzaken en te vermijden, die immers niet Zijne eer beoogt, maar die zijner vijanden? Hij doorliep in zijn gedachten snel de vijl jaren, waarin hij geëerd, gevleid, gestreeld was geworden door iedereen, behalve door zijn voogd en zijn trouwen vriend Lewis; en hij beken !e het zich zeiven rondborstig, dat gedurende de afwezigheid van zijn vriend de hoogachting voor al wat goed en schoon was bij hem langzamerhand was afgenomen. Noch zijn voogd, noch een andere leeraar, die hem was toegevoegd, hadden hem het gemis van dat jaar kunnen vergoeden. In zijn ziel drong een straal binnen van die zalige vrijheid des harten en deed in hem de hoop ontwaken, dat de tijd niet meer verre af zou zijn, waarop hij weer, evenals Lewis, op deze vergankelijke aarde zou nederzien met de oogen des geloofs, als een pelgrim, op weg naar een beter land, als een zoon op den terugweg naar zijn beminden vader.

Hij herinnerde zich de verzekering van zijn vriend, dat hij door de vernieuwing van zijn doopbelofte bij deze plechtigheden aan een nieuwe genade zou deelachtig worden, en met een innige

ocr page 33

vreugde, met een vreugde, welke slechts diegenen kennen, die zich van de banden der wereld hebben losgemaakt, sloeg hij weer den blik in zijn Rituaal en op zijn jeugdig petekind, en bemerkte nu eerst, dat het kind gedurende de droomen die hem hadden beziggehouden op de borst en tusschen de schouders gezalfd was geworden, en dat hij door zijn plicht werd geroepen om de geloofsbelijdenis af te leggen en op de gestelde vragen te antwoorden: »Ik geloof.quot;

En nadat nu al deze voorafgaande ceremonieën hadden plaats gehad, trad de prelaat plechtig op het kind toe met de vraag: »\Yilt gij gedoopt worden?quot;

»Ik wil,quot; was het antwoord.

Op dit oogenblik, terwijl allen met levendige deelneming, nieuwsgierig toeziende of biddende, den doopvont omringden, drong zich een jeugdige vrouw door de dichte rijen van het dienstdoerd personeel, baande zich een weg door de groepen van genoodigden, en gaf door haar zenuwachtige gebaren te kennen, dat zij het papier, hetwelk zij in hare hand hield, aan den prelaat moest overhandigen; een van de priesters, die den bisschop bij de lieilige handeling ter zijde stonden, gaf het dezen aanstonds in handen. Hij las het, maakte zijn assistenten met den inhoud bekend, stond een oogenblik in gedachten, keerde zich van den doopvont af, en wachtte nu op het Chrisma, om daarmede het hoofd van het kind te zalven, ten teeken, dat wij door het Doopsel vereenigd worden met ons hoofd, hetwelk Christus is. Daarna bedekte hij den doo-peling met een wit linnen kleedjen, het zinnebeeld der onschuld en zuiverheid, waarmede wij door het Doopsel versierd worden, en gaf hem een brandende kaars in de hand, ten teeken. dat de ziel van nu af aan door geloof en goede werken in de Kerk Gods moet uitschitteren en bereid zijn, om den Bruidegom te ontvangen met de wijze maagden en met alle heiligen, wanneer Hij ten tweede maal in Zijn heerlijkheid zal komen.

Aan allen, die rondom den doopvont stonden of die boven van de galerij het uitzicht hadden in de kapel, was het niet ont-

ocr page 34

gaan, dat het door de vrouw haastig overgebrachte papier de orde der plechtigheid veranderd had; anderen konden ofwel niet zoo goed zien, of volgden de handelingen niet met de vereischte aandacht, zoodat de geheele stoornis voorloopig slechts bestond in het ruis-schen der zijden kleederen en het vooroverreiken der halzen. De persoon, wien de zaak he: naaste aan het hart lag, was de vader van het kind, mijnheer Laurens Rochdale. Hij zocht tusschen de pilaren door vlak bij den doopvont te komen en wachtte met een smachtend verlangen op de kostbare woorden: »Laurentius ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestesquot; — maar zijn oor zou die kostbare woorden nimmer vernemen!

, Ondertusschen was er een nieuwe verwarring ontstaan. De jonge huisdokter, die gedurende het eerste gedeelte der ceremonieën voornamelijk zijn zorg besteed had aan de zwakke Lady Rochdale, wier gezondheidstoestand haar nauwelijks veroorloofde bij de doopplechtigheid tegenwoordig te zijn, had zich eveneens met moeite een weg gebaand door de menigte tot vlak bij den doopvont, en te midden der plotselinge ontsteltenis, door het geheimzinnige papier veroorzaakt, had hij zijn doel bereikt en was in de onmiddelijke nabijheid van het kind gekomen. De voedster zag hem niet, want hij bleef achter haar staan en hield zijne oogen strak op het kind gevestigd; eindelijk trad hij naar voren, hief het doopkleed op en boog zich over den jeugdigen knaap. Een oogen-blik later volgde een heftige strijd om het bezit van het kind, daar de geneesheer het aan de voedster wilde ontnemen. Nauwelijks had hij het haar uit de handen genomen, of zij viel met een luiden schreeuw bewusteloos neer — Dokter Boswell hield het, kind den bisschop voor, en sprak, met geweld zijn stem onderdrukkend, vol ontroering: «Monseigneur, het kind is dood.quot;

ocr page 35

JCoo

Terwijl den volgenden morgen — den feestdag van Sint Lau-rentius — de landlieden, die van het geheele voorval nog niets afwisten, in grooten getale opkwamen, om de Hoogmis bij te wonen en daarna deel te nemen aan den feestelijker! maaltijd en de landelijke volksspelen, had de lijkschouwing plaats bij het lichaam van den kleinen erfgenaam van Rochdale. Even voordat de ambtenaren van het gerecht kwamen, had Lewis ia een aangrenzend vertrek een der kamerjuffers bij zich doen ontbieden, want er liep onder de huisgenoöten een gerucht, dat zij van de geheele zaak veel meer wist, dan zij durfde zeggen.

»Rosa,quot; sprak Lewis, »zijt gij bereid, met standvastigheid en vooral naar waarheid te antwoorden op de vragen, die u zoo aanstonds bij de lijkschouwing zullen worden voorgelegd rquot;'

»Ja, mijnheer,quot; antwoordde quot;Rosa.

»Hebt gij misschien nog een of andere moeielijkheid waaromtrent gij mij eerst zoudt willen raadplegen rquot;

»Ik geloof het niet, mijnheer; ik dank u voor uwe goedheid; maar toch zou het mij zeer aangenaam zijn, later van uw aanbod gebruik te maken, wanneer ik in mijn persoonlijke aangelegenheid uw raad kon behoeven.quot;

»Zeker, Rosa. Gij kunt altijd vrij tot mij spreken; maar dit wil ik u nog op het hart drukken: onderzoek, eer gij met de anderen voor de gezworenen verschijnt, nauwkeurig voor God uw geweten en stort, om u zeiven te versterken, een kort, maar ernstig en ootmoedig gebed. Want anderen te beschuldigen . . .quot;

»Ik koester tegen niemand eenig boos plan, het grieft mij integendeel zeer diep, als anderen misdoen.quot;

»Dat hoor ik gaarne. Maar wees op uw hoede: verklaar, op de vragen die men u zal stellen, niets als zeker, wat u slechts waarschijnlijk of verdacht voorkomt. Daarmede hebt gij u niet in te laten, maar eenvoudig uiteen te zetten, wat gij werkelijk gezien en gehoord hebt. Ga thans heen, en God zij met u!quot;

ocr page 36

Toen Rosa werd voorgeroepen, om getuigenis af te leggen, van alles wat zij wist omtrent den geheimzinnigen dood van den jeugdigen erfgenaam van Rochdale, gaf zij het volgende antwoord op de verschillende vragen van den officier van justitie:

»Ik ben een van de dienstboden, in dienst van de voedster,, juffrouw Tinsel. Eenige weken geleden bemerkte ik, dat zich bij het kind de eerste verschijnselen vertoonden van bloedopstijging naar het hoofd. Ik ken de gewone voorteekenen van deze ziekte bij kinderen. Een heb ik daaraan zien sterven, een ander herstelde, maar bij dit laatste heeft men op den dood af een aderlating moeten beproeven, om het te redden. Gewoonlijk kwam de dokter, die onzen kleine van zijn geboorte af heeft bijgestaan, hem eens of zelfs tweemaal per dag bezoeken. Maar die heer heeft verleden week zijn arm gebroken en sinds dien tijd met hevige koortsen te bed gelegen. Nu is dokter Boswell gekomen, om de behandeling van bet kind op zich te nemen. Bij zijn derde of vierde bezoek beval hij, dat de kap van het hoofdje zou worden weggenomen, en gaf nog eenige andere voorschriften, waarvan de inhoud mij onbekend is. Eergisteren gaf ik opnieuw mijn bezorgdheid aan juffrouw Tinsel te kennen; ik zeide, dat de menigte kanten borduursels en de bonten voering in de kap, het hoofd van het kind te sterk verhitten, en dat dit bijzonder het geval is met de doopkap. Daarom verzocht ik haar, de voering er uit te mogen nemen. Ik bemerkte niet, dat juffrouw Tinsel het kind een slaapdrankje ingaf, maar wel een lepel met iets — de hemel weet, wat het mag geweest zijn! — dit gebeurde in den nacht voor het Doopsel, terwijl het kind ontwaakte. De flesch heb ik niet gezien en ik wist niet waar die te vinden was. Eer het kind in dien eigen nacht weer ter ruste werd gelegd, kwamen vele heeren met mijnheer Laurens bij ons, om het kind te zien. Ik hoorde juffrouw Tinsel zachtjes tot mijnheer Laurens zeggen, dat dokter Boswell niet genoeg op de hoogte was van het gestel van den kleine; »en hoe kan dat ookquot;, voegde zij er bij; »hij heeft hem immers niet van zijn geboorte af verzorgd zooals ik. Het gezel-

ocr page 37

schap mag hem wel bewonderen; ik zelf heb in mijn leven nooit zulk een schoonheid gezien, en juist heden ziet hij er zoo rozenrood, zoo heerlijk uit; hebt gij ooit zulk een blos en zulke oogen gezien?quot; — Toen het gezelschap ons had verlaten, sprak juffrouw Tinsel met mij en de andere voedster over de rijke doopgeschen-ken, die zij verwachtte, en over hetgeen zij bij dergelijke gelegenheden reeds ontvangen had — zij zeide, dat zij in schulden stak en dezen Doop om niets zou willen missen. Daarna paste zij hare kleederen voor de plechtigheid aan, en beval mij, eenige veranderingen aan te brengen, zoodat ik dien eigen nacht niets meer met den kleine te doen had. Gisteren morgen beval zij mij wederom voort te gaan met mijn werk, verre van het kind verwijderd. Zij kwam dikwijls naar mij toe en sprak veel, en scheen zeer vroolijk van gemoed te zijn. De andere voedster was bij het kind. Zij zeide, dat zij een opvoeding had genoten, die haar verre-verhief boven den dienstbaren stand, dat zij alleen uit hulpvaardigheid den dienst van voedster waarnam en dat deze haar alleen dragelijk was door de gedachte, dat het slechts korten tijd duurde. Zij was van plan, na den Doop aan mijnheer Laurens haar meening bekend te maken, en hem te verzoeken, dat zij voortaan slechts als gouvernante van het kind en als gezelschapsdame van lady Rochdale zou beschouwd worden. Zij liet mij ophouden met werken en vroeg mij nog, of ik geloofde, dat de lady lang zou leven, terwijl zij er bijvoegde; »Het is een goede ziel, maar zij hoort in haar kring niet thuis; zij had voedster moeten zijn, en ik, ik . . . edelvrouw van Rochdale.quot;

»Een uur voor het Doopsel gaf zij mij het toezicht over den kleine. Deze werd nu plechtig uitgedost. »Hoe prachtig zullen wij beide er uitzienquot; sprak zij —»het is een heerlijk schepseltje' — Ik maakte de bemerking, dat zijn kleur al te rood was, en dat als het wit van het oog zich zoo scherp afteekende tegen het overige gedeelte daarvan, men dit beschouwen moet als een opstijging van bloed naar de hersens. Daarop antwoordde zij: «Goed, men zal hem als het noodig is, wel aderlaten en trekpleisters op-

ocr page 38

leggen na liet Doopsel; maar wees thans bedaard, wat ik u bidden mag, en maak mijne zenuwen niet gaande.quot;

»Zij ging toen naar haar eigen kamer met de andere voedster, die haar bij het aankleeden behulpzaam moest zijn, en liet mij alleen met den kleine, die in plaats van op mij te letten of te glimlachen, onbeweeglijk rustig bleef liggen, zoodat mijn bezorgdheid steeds grooter werd. Ik bracht mijn hand bij zijne oogen, speelde met de vingers met hem, maar hij sloeg er nauwelijks acht op. Plotseling kwam in mij de gedachte op, dat het kind wellicht zonder Doopsel zou kunnen sterven, en na eenige oogenblik-ken te hebben overlegd, gevoelde ik, dat er geen tijd te verliezen viel, snelde naar een groote kan met water, vulde mijn hand daarmede en goot het over het hoofd en het gezicht van het kind, zeggende: »Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes Amen!quot;

Een huivering overviel hem door dat koude water, maar tevens had ik de zekerheid dat hij nog leefde. Tegelijkertijd rukte ik krachtig aan het koord, en de schel in de kamer der voedsters ging over. Voor dat er iemand kwam, bemerkte ik dat zijne wangen, waarvan het water afdruppelde, hun natuurlijke kleur verloren handen. Ik nam nog meer water en wiesch ze, maar zij waren en bleven bleek en levenloos. Op mijn luid alarm kwamen eenige dienstboden toegeschoten maar het duurde nog meerdere minuten eer juffrouw Tinsel kwam. Toen zij ten laatste haastig het vertrek binnentrad, riep zij uit: »Nu, wat is er? Wat zijt gij begonnen?quot; Ik zeide: »Het kind ligt op sterven,quot; waarna zij onverschillig ten antwoord gaf: »0, het lijkt er nog niet op! hij heeft geen goeden nacht gehad en wil nu zijn schade inhalen het wordt ook bijna tijd voor hem om te gaan slapen.quot; Zij be-lachte en bespotte mij en zond de dienstboden weg, terwijl zij tot hen zeide, dat de kleur van den knaap wel weer te voorschijn zou komen als hij goed geslapen had, en hun tevens op het hart drukte, het diepste stilzwijgen te bewaren over dat onnoodig geraas en die nietsbeteekende bezwaren. Zoo waren ook deze misleid

ocr page 39

en kon zij voortgaan met zich verder op te schikken. Mij zond zij nu eens hierheen, dan eens daarheen om honderde zaken, die zij noodighad; maar ik hield haar in het oog, en zoo bemerkte ik, dat zij de wangen van den kleine streelde. Maar dat zij aan zijn kin de band vastmaakte, die men later heeft gevonden, heb ik niet gezien. Ik moest schellen om het kamermeisje, dat haar een likeur moest brengen; mij echter liet zij niet gaan om den drank te halen, ja zelfs geen oogenblik mocht ik uit haar tegenwoordigheid. Zij zeide, dat het kind nu wel bijna ingesluimerd zou zijn — op dat oogenblik begon de groote klok reeds te luiden en kwam mijnheer Laurens zelf om te zien, of alles in orde was: hij prees juffrouw Tinsel zeer om haar uitstekende zorgen. Zij legde de wijsvinger op hare lippen en fluisterde, dat het eenige, wat zij wenschte, was, dat de lieve, kleine jongen wakker ware; maar als men hem thans wakker maakte, zou hij niet zoo gemakkelijk tot bedaren te brengen zijn; vooral kon zij het niet verdragen, dat men zijne handen aanvatte, en zij verzocht daarom mijnheer Laurens, geen toegang meer te verleenen aan dokter Boswell, die niets deed dan voortdurend de pols voelen enkel en alleen om haar te kwellen. Toen ik haar in zulk een druk gesprek zag, trachtte ik heimelijk weg te sluipen, maar zij had mij niet uit het oog verloren en gelastte mij, het zware doopkleed uit de groote zaal boven te brengen. Terwijl de processie reeds was opgesteld, wist ik te ontsnappen en wel om twee redenen die mij zwaar op het hart lagen: de eene was, dokter Boswell kennis te geven van den gevaarlijken toestand van het kind, de andere, een tweede Doopsel te voorkomen, want ik wist zeer goed, dat men het Doopsel wetens en willens niet tweemaal kan toedienen zonder heiligschennis.quot;

Tegelijkertijd bracht Rosa het papier te voorschijn hetwelk zij den prelaat bij den doopvont overhandigd had. Het luidde aldus:

«Hoogwaardige Bisschop!

Veroorloof mij u te melden, dat ik, ofschoon slechts een eenvoudige vrouw, het kind reeds gedoopt heb, omdat het in levensgevaar verkeerde; ik heb de juiste woorden tegelijk uitgespro-

ocr page 40

— 27

ken met de uitstorting van het water, zoodat gij het niet voor de tweede maal kunt doopen zonder heiligschennis.quot;

Op de vraag van den officier van justitie, waarom zij haren brief niet eerder afgegeven had, antwoordde Rosa: »Ik kon niet; ik had reeds de grootste moeite met het schrijven, en vervolgens wilde niemand hem voor mij naar de kapel brengen; ik denk, omdat niemand de overbrenger wilde zijn van zulk een boodschap, üoor het schrijven werd ik verhinderd naar dokter Roswell te gaan, eer deze de kapel binnentrad. Ook was het gedrang zoo groot, en hij met de lady in zulk een druk gesprek gewikkeld, dat ik hem eerst kon spreken nadat ik den brief bij den doopvont had afgegeven.quot;

»Goed,quot; zeide de officier; »uwe opgaven zijn zeer duidelijk. Gij kunt op dit oogenblik vertrekken, maar blijf voortdurend in onze omgeving, totdat wij met meer zekerheid weten, of deze kostelijke voedster als hoofdpersoon volgens eigen plannen is te werk gegaan, ofwel als medeschuldige.quot;

^Vijjdc JCoopotuil.

Niettegenstaande de duidelijke opgaven van Rosa bleef het gerecht nog den geheelen dag op Rochdale; de officier van justitie zette zijn nasporingen voort bij de huisgenooten en zelfs bij de vreemde gasten. De lange duur van liet onderzoek had zijn grond in de gestrengheid van den rechter, die nauwkeurig wilde navor-schen, of hier opzet dan wel toeval in het spel was, of aanstekelijke invloeden van buiten ofwel het vooruitzicht van het verkrijgen der doopgeschenken de eerste voedster hadden verleid, om den dood van het diepbetreurde kind eerst te veroorzaken en daarna te verbergen. Over den uitslag van dien prijzenswaardige!! ijver zullen wij later meer mededeelen, en thans ons bepalen met vol deelneming en medelijden de sponde te naderen van den armen, beproefden vader.

I

ocr page 41

Hij had, zooals wij reeds vermeldden, in de kapel met vurig verlangen het oogenblik tegemoet gezien, waarop zijn zoon het heilig Doopsel zou ontvangen. Van de eerste stoornis, die veroorzaakt was door het overhandigen van den brief, had hij niets gezien, maar wel had hij de oneenigheid bemerkt tusschen den geneesheer en de voedster om het bezit van het kind, en de verschrikkelijke woorden gehoord: »Monseigneur, het kind is dood!quot; — Verpletterd door zulk een ontzettenden slag nam hij het kind vol teederheid in zijne armen en wenkte den dokter, hem te volgen naar de sakristei. Daarna nam hij de kap van het hoofd van het kind weg, en zag den heer Boswell aan met een smeekend en vragend gelaat, of er dan niet het minste levensteeken meer aan het kind te bespeuren was. Ofschoon dokter Boswell volstrekt geen hoop meer had, opende hij de beide aderen aan de slapen en zeide: »Een uur vroeger, en het kind ware gered geweest!quot; »Is het dan werkelijk dood?quot; riep mijnheer Laurens luide, en daar hij de oorzaak van het sterven niet kende, en evenmin wist, dat de ziel door den vromen ijver eener maagd gered was, nam hij den knaap nogmaals in zijne armen en ging zoo door de deur der sakristei het kasteel binnen, waardoor hij echter het gezelschap vermeed en dus ook de troostrijke tijding niet kon vernemen, die vervat was in den brief en van wier inhoud reeds velen afwisten.

»Geen Doopsel, geen christelijke begravenis voor dit arme kind!quot; riep hij op vertwijfelenden toon, terwijl hij, met bet doode kind in zijne armen, naar zijn kamer snelde. — »0, mijn zoon! gij zult nimmer uwen God aanschouwen. Ik ben het, die u in het verderf heb gestort — wij zullen nimmer bij elkaar komen, hoe zoudt gij met uwen moordenaar te zamen kunnen leven — wij zullen elkander nooit meer zien, nooit, gedurende de lange, eindelooze eeuwigheid niet!quot;

— Toen hij bemerkte dat dokter Boswell tegenwoordig was, ging hij voort:

»Dokter, ik dank u, wijl gij zwijgt. Beproef het niet, mij te troosten; wij zijn beide Katholiek, wij weten, dat niets onreins

ocr page 42

den Hemel kan binnengaan. Deze ziel is verbannen van Gods aanschouwing — ik kan thans geen troost verdragen — er bestaat voor mij geen troost — sluit, bid ik u, de deur voor allen, die troost willen brengen — zelfs de verschillende leerstellingen van godvruchtige schrijvers omtrent den toestand der ongedoopte kin-d;ren verschaffen mij geen troost Ja, ik heb deze ziel ongelukkig gemaakt; maar wat ik thans nog doen kan, wil ik ook doen. Gij moet het kind balsemen. Kunt gij dat?quot;

»Ik kan het en sal het doen,quot; hervatte dokter Boswell; smaar ik moet eenige helpers en zekere materialen hebben. — Eerst morgen kan ik aan uw verlangen voldoen.quot;

jlk stel mij niet voor, daaruit genoegzamen, werkelijken troost te putten,quot; zeide mijnheer Laurens weer; »het dient alleen om het knagende zelfverwijt, dat mij op dit oogenblik verteert, eenigs-zins te verzachten. Niets ter wereld kan mij waarachtigen troost schenken bij het ongeluk van een ziel, rampzalig geworden door mijn eigen nalatigheid! en van welk een ziel?! De ziel van mijn eigen — de ziel van mijn eenigst kind!quot;

Terwijl dit treurig onderhoud gevoerd werd, gevoelden allen die zich buiten de deur bevonden, dat het plicht was, aan mijnheer Laurens de voor hem allergelukkigste en geheel onverwachte tijding over te brengen van het behoud van zijn kind. Men klopte en bonsde tegen zijn deur en riep op luide wijze om binnengelaten te worden, maar tevergeefs. Zijn kamerknecht had echter een dubbele sleutel op de deur zijner bibliotheek; hij gaf die aan den huiskapelaan; deze opende daarmede zacht het vertrek, en trad binnen, eer dat mijnheer Laurens hem den toegang kon verbieden terwijl hij zeide; »Het kind is gedoopt geworden — zijn ziel is de eeuwige glorie binnengegaan — dank en prijs God daarvoor!quot;

Daarna volgde de noodige verklaring. Maar nu ook zonk de gelukkige vader, overtuigd van de waarheid van hetgeen hij gehoord had, op de knieën, hield het lichaam van zijn kind, hetwelk hij nog steeds in zijne armen droeg en dat hem nu nog dierbaar-

ocr page 43

der was, omhoog en loofde en prees God. Zoo bleef hij eenigen tijd verzonken in stille vreugde en dankzegging; daarna stond hij op en legde het lichaampje in de armen van den kapelaan met de woorden. »Een christelijke begravenis en een glorievolle opstanding voor dezen kostbaren tempel eener zalige ziel!quot; Thans, dokter, behoeft gij hem niet meer te balsemen! Laat hem wachten op de verrijzenis der dooden, als hij een verheerlijkt lichaam zal ontvangen dat zich zal vereenigen met de ziel eens heiligen; want mijn kind is nu een heilige voor den troon van God en van het Lam, voor eeuwig.

Daarna verliet de hard beproefde en toch weer gelukkige vader het vertrek en bracht een uur door met op de teederste wijze het gebroken hart der ongelukkige moeder, lady Rochdale, weer op te beuren en haar tot die gemoedshoogte op te voeren waarop hij thans zelf stond. Hij gaf tot in de kleinste bijzonderheden voorschriften voor de lijkplechtigheden, ontbood Rosa bij zich, die eerst zeer verschrikt was, noemde haar zijne weldoenster en schonk haar levenslang een rijk jaargeld. Nadat hij eenige uren had doorgebracht te midden zijner gasten, verwijderde hij zich met zijn kapelaan, om zijne biecht te spreken als voorbereiding tot het feest van zijn heiligen patroon, waarop hij de heilige Communie wenschte te ontvangen. Laat in den nacht ging hij ter ruste, daar hij zich, zooals hij zich uitdrukte, door de gebeurtenissen van den dag sterk voelde aangegrepen, ofschoon hij nauwelijks op een ver-kwikkenden slaap durfde hopen. Toch viel hij in de zachte, onverstoorbare sluimering van een zaligen dood, om slechts te ontwaken in het rijk der afgestorvenen, om weldra, zij het dan ook niet onmiddelijk, zijn gezaligd kind te ontmoeten in »het eeuwige licht,quot; in «heerlijkheid en vrede,quot; in den schoot van den eeuwigen Vader.

De morgen was reeds ver gevorderd, toen de personen van het gerecht, die ter plaatse verschenen waren wegens het plotselinge sterfgeval van den erfgenaam van Rochdale, zich tevens kwamen scharen om het lichaam van diens vader, den heer Laurens

ocr page 44

van Rochdale. Maar bij deze treurige gebeurtenis deed zich geen enkele verdachte omstandigheid voor. «Gestorven volgens de beschikking Godsquot; was de eenstemmige uitspraak der gezworenen, en allen, die het edele gemoed van graaf Laurens van Rochdale meer van nabij hadden leeren kennen, gevoelden, wat zij verloren en wat hij daarentegen gewonnen had, namelijk het eeuwige leven in de zalen van de eeuwige woning Gods. En daarom vermengde zich bij allen vreugde door de smart.

Verre van alles en — de dood van het kind niet medegere-kend — onbekend met alles was onze jonge vriend Felix Rochdale. Toen de eivolle kapel langzamerhand was leeggestroomd, bleef hij nog alleen bij den doopvont staan in een toestand van volslagen verbijstering. liij kon nauwelijks geloof schenken aan hetgeen zooeven voor zijn oogen had plaats gevonden. »Het kind is dood.quot; — »0 God!quot; dacht hij bij zich zeiven, »hoe verschrikkelijk zijt gij! Maar wat is er eigenlijk gebeurd? -— Het kind is dood! Hij kon zijn gedachten van dit onderwerp niet aftrekken. In verwarde menigten, vol verschrikking, verdriet en troosteloosheid joegen zij door zijn hoofd. Ten laatste verliet hij, nauwelijks meer wetende wat hij deed, den doopvont en de kapel en begaf zich werktuigelijk naar zijn kamer, die hij eerst kort geleden betrokken had en waarin hij zich geheel had teruggetrokken, toen hij bij de bewoners van het slot geen huiselijk leven en geen liefde meer vond. Het vertrek lag tusschen de logeerkamers van de bedienden der tijdelijke be oekers, gaf uitzicht op den hoenderhof en was donker door het geboomte dat er voor stond; toch zag hij ook vandaar de verre heuvels van Westmoreland, waarheen hij steeds met gevoelens van weemoed, liefde en dankbaarheid zijn blikken richtte; want tusschen die heuvelen lag het liefelijke meer en het vriendelijke, boschrijke dorp met zijn ouderlijk huis. Daaraan dacht hij zeer dikwijls, even dikwijls cok aan de naburige latijnsche school, die hij aanvankelijk in deze jaren zijner jeugd had moeten bezoeken. Op zijn negende jaar echter was bij den rector een schrijven ingekomen, waarin aan dezen

ocr page 45

werd medegedeeld, dat de oudste telg van het huis Rochdale door den dood van zijn eenig kind, een dochter, er toe besloten was, den laatsten spruit der jongere linie te erkennen en als kind aan te nemen en dezen onverwijld een hoogere opvoeding en fijnere vorming te doen genieten. Wij hebben reeds gesproken van de vijf jaren, die volgden op de intrede van Felix Rochdale ia het beroemde kasteel zijner voorvaderen, van de groote gevaren, welke de vleierijen hem Opleverden, en van de waakzame en oprechte vriendschap van Lewis zijn voogd, die door woord en voorbeeld schoone en degelijke beginselen en eigenschappen in zijn gemoed plantte, en zijn gebreken met wortel en tak uitroeide, gebreken, bijna onvermijdelijk in een jeugdigen knaap, die zich eensklaps uit den burgerlijken stand, uit de omgeving der kostschoo' en uit den omgang met het volk weggenomen en tot zulk een hoogte verheven ziet en nu als eenige zoon, als wettelijke erfgenaam van een schatrijken neef en als heer van een ietwat kruiperig dienstpersoneel algemeen en in alles gevleid wordt. De hoofdtrek van Felix Rochdale's karakter was liefde tot de waarheid en bijgevolg ook liefde tot de gerechtigheid. De leeraar der latijnsche klas had hem aan mijnheer Laurens een begeleidend schrijven medegegeven, waarin ook de woorden voorkwamen: »itiijnheer ik sta u een van die zeldzame knapen af, wien nog nimmer een leugen over de lippen is gekomen.quot;

Kort na zijn veertienden verjaardag moest Felix zich vooreen langen, en waarschijnlijk gevaarlijken tijd van Lewis scheiden. Terwijl deze laatste afwezig was werd de kleine Laurens geboren; en ofschoon Felix in zijn liefde tot de gerechtigheid zich schikte in zijn onveranderlijk lot, moest hij een wreede en — daarvan was hij diep overtuigd -— noodelooze beproeving doorstaan, daarjuist degenen, die hem vroeger als hun afgod hadden vereerd, thans voor hem een smadelijke minachting en hardvochtigheid aan den dag legden, en de tijd die tusschen de geboorte van het kind en diens dood verliep was lang genoeg voor hem om de bitterste ervaringen op te doen en om hem te ontdekken aan

ocr page 46

welk een erbarmelijk bedrog de menschen ten prooi zijn in hun zucht naar de grootheid der wereld. Over dit onderwerp schreef hij meerdere brieven aan Lewis, zijn voogd, die in zijne antwoorden er steeds op wees, hoe »God, die de verschillende standen der maatschappij heeft geregeld en de levensstaten heeft geschapen, ook voor ieder daarvan passende genademiddelen heeft bereid; dat de arme, als hij »arm van geestquot; is, het beste, maar de rijke als hij »op zijn Mammon bouwtquot; het slechtste deel heeft en dat men bovendien ieder kruis, door den Heer ons opgelegd, met geduld moet dragen. Daar stond hij nu in zijn nederig vertrek en wierp een verren blik op de heuvelen van zijn geboorteplaats en ontwaakte uit zijn doffe, duistere droomerijen. Al de gevolgen, die het ongeluk van dit droevige sterfgeval voor de familie na zich moest sleepen, gingen voor de oogen van zijn geest voorbij. Hij dacht aan hetgeen hij geweest was, aan hetgeen hij had kunnen zijn, en aan hetgeen hij thans zijn zou en nam ten laatste het besluit — in zooverre als iemand, die van anderen afhankelijk is, een besluit kan nemen — zijn tegenwoordige verblijfplaats te verlaten en zich naar de hoogeschool te begeven. Met die gedachte, en vertrouwende op de bescherming Gods, viel hij in een diepen slaap.

JfoopitiilV.

De zelfverdediging van juffrouw Tinsel voor den officier van justitie, de bezworen leden der jurie en al de huisgenooten, was — zoo dacht zij althans zelve — een meesterstuk. Maar haar kunstmatige ontroering en haar onberispelijke, keurig afgewerkte rouwkleeding hielpen haar niets; integendeel, haar gedrag, dat geheel en al berekend was om indruk te maken, had een geheel andere uitwerking dan zij verwacht had, en versterkte de rechters in hun vermoeden, dat zij reeds lang te voren haar maatregelen D. Z. H. S.

ocr page 47

moest genomen hebben, en dat een allerschandelijkste drijfveer haar had aangezet, om het leven aan het arme kind te ontrooven. De eerste woorden die zij sprak, waren, ofschoon onderbroken door zuchten en tranen, rustig, aannemelijk, ja zelfs overtuigend; maar toen zij scherp in verhoor werd genomen en op verschillende strikvragen moest antwoorden gaf zij haar plan, om door haar verschijning en haar gebarenspel de gemoederen voor zich te winnen, op, en hield hare zaak voor wanhopig. Een schijn van waarheid had haar kunnen redden, de bewering, dat zij niet opzettelijk den dood van het kind had veroorzaakt, noch te voren besloten had dien dood geheim te houden; maar h;iar eigen natuurlijke aandrift bedroog haar. Een lang geoefende gewoonte van misleiden en huichelen had valschheid en logen voor haar tot een behoefte gemaakt zoodat zij zich zeiven tegensprak, verdichtte en verdraaide, totdat zij, in het net van haar eigen leugenweefsel gevangen, bij vonnis van het gerecht verklaard werd schuldig aan moord 7uet voorbedachten rade en naar de gevangenis van het graafschap werd overgebracht, om bij de eerstvolgende zitting van de rechtbank plaats te nemen op de bank der beschuldigden en haar vonnis aan te hooren. Door haar uitvluchten en verdraaiingen had zij niet slechts voor zich zeiven den kuil gegraven, maar ook de braafste en edelste leden der familie gedurende eenigen tijd in de pijnlijkste onzekerheid gehouden.

Des morgens vroeg van den anderen dag hoorde Felix de heilige Mis in een kleine kapel, die grensde aan de kamer van Lewis, en na met dien goeden vriend het ontbijt te hebben gebruikt en van hem de toezegging te hebben ontvangen van een spoedig bezoek waarbij Lewis hem zou mededeelen hetgeen er dien nacht was voorgevallen, begaf hij zich weer naar zijn klein vertrek. Er verliepen echter meerdere uren, eer Lewis een.gszins tot zich zeiven was gekomen te midden der verwarring en het weeklagen, dat reeds overal door het kasteel weerklonk, en eer hij zich kon heenspoeden naar Felix, die met smachtend verlangen op hem wachtte, maar wien hij een nieuwe, onrustbarende tijding

ocr page 48

moest komen brengen. Hij vond hem niet alleen, maar te midden van de kamer staande met een der huisknechts, wien hij scherp aanzag, en die zoo juist was binnengetreden met de half-onder-danig, half-onbeleefd uitgesproken boodschap; «Mijnheer Felix Rochdale, ik word door het gerecht gezonden — men verlangt uw tegenwoordigheid, als 't u belieft, mijnheer! — om u en ons allen in verhoor te nemen betreffende den moord van het kind van onzen heer.quot;

Deze woorden maakten op Felix den indruk, alsof de knecht, misschien van schrik, zijn verstand verloren had; hij zeide daarom op welwillenden toon: »Jakob, gij doet veel beter met naar dokter Boswell te gaan en u een ader te laten openen.quot; De man ging heen, en nu stelde Lewis met korte woorden, zoo voorzichtig en zacht als slechts mogelijk was, onzen jongen vriend in kennis van hetgeen was voorgevallen en de gevolgen die daaruit voortsproten, gevolgen, die door de handelwijze en de leugenachtige getuigenissen van een boosaardige vrouw zoo ingewikkeld werden, dat Felix Rochdale op het oogenblik, waarop hij in het bezit zou treden van titels en erfgoederen zijner voorvaderen, in de oprechtheid en onschuld van zijn karakter slechts met ijzing kon denken aan de duistere en ongunstige positie, waarin hij zich eensklaps verplaatst zag.

Lewis vreesde, dat de smart over het sterven van den heer Laurens Rochdale, die tot het laatste oogenblik toe, voor Eelix een oprecht, toegenegen vriend was geweest, hem thans ongeschikt zou maken tot het ondergaan van een verhoor, vooral wanneer dit niet met de vereischte behoedzaamheid en zachtzinnigheid geleid werd. Hij meende daarom dat het noodzakelijk was, hem daarop voor te bereiden.

Heeft de justitie het recht, mij een verhoor te doen ondergaan?quot; zeide Felix. Op de bevestiging, dat het gerecht iedereen kon oproepen ter beantwoording der te stellen vragen betrekkelijk het ongelukkige kind, antwoordde Felix: sWelnu dan! ik ben gaarne bereid, zooveel als ik vermag, eenig licht in deze treurige

ocr page 49

zaak te brengen, en ik had liever aanstonds moeten gaan. God geve, dat wij de waarheid ontdekken, en dat de gerechtigheid haren loop hebbelquot;

Met hetzelfde ernstig verlangen om mede te werken aan het opsporen der waarheid, waren Philips Dunn, dokter Boswell, en eenige andere goede vrienden van den heer Laurens Rochdale voor de gezworenen verschenen, en hun verhoor zou juist gesloten worden, toen Felix en zijn vriend binnentraden.

In het midden der zaal lagen üp een kleine tafel de doopkleederen en daarop in praalgewaad het lichaam van den kleinen Laurens. Felix was op dit tooneel voorbereid, en hoewel de tranen langs zijne wangen stroomden toen hij daarheen ging om het voorhoofdje van den kleine te kussen, wist hij toch spoedig zijn hevige gemoedsaandoeningen te beheerschen en zette hij zich neder aan de zijde van Philips Dunn. Maar slechts weinige vragen legde men hem voor, en deze waren zeer vriendelijk, en gemakkelijk te beantwoorden.

Groot was dan ook zijn verbazing, toen de officier van justitie het feit der misdaad en de verklaringen der getuigen samenvatte in de volgende bewoordingen;

»Mijne heerenl De eenige leiddraad, die ons in dit labyrinth tot gids kan dienen, moet gezocht worden bij een of anderen hoofdaanlegger, bij iemand, voor wien de dood van dit kind van zooveel gewicht was, dat hij zich gaarne de moeielijkheden en de gevaren op den hals haalde, die onvermijdelijk met zulk een waagstuk gepaard gaan. Ik zal er mij niet over uitspreken, mijne Heeren, wie die persoon is. Ik zal slechts eenige omstandigheden voor u ontwikkelen, waardoor, mijns inziens, eenig licht op de zaak geworpen wordt. Wij zien hier een kind, dat, al ware het de tiende — in plaats van de eerstgeborene geweest, door zijn schoonheid en blakende gezondheid den trots zijner ouders zou hebben uitgemaakt. quot;Het sterft aan een slagaderbreuk; en het is bevestigd en bewezen door de geneesheeren, dat in de apotheek de vloeistoffen zijn aangekocht ten einde dit onheil te veroorzaken. Zijn dood

ocr page 50

werd geheim gehouden door de eerste voedster, de persoon op wie het volle gewicht der misdaad rust; maar merkt het wel op, mijne Heereni — deze voedster zou door het leven van dit kind haar geluk steeds hebben zien aangroeien, en zij zelve was daarvan zoozeer overtuigd, dat zij meermalen openlijk groot ging op die toekomst; terwijl zij integendeel door den dood van het kind noodzakelijkerwijze een allerongelukkigste verandering in hare vooruitzichten en toestanden moest verwachten, behalve dan, wanneer zij werd omgekocht door een zeer groote som gelds. En wie, mijne Heeren, zou zulk een Judas-loon hebben kunnen uitkeeren? Ik zeg niets met zekerheid. Ik herinner u alleen aan het feit, dat wij hier ook een jongen man zien, een huisgenoot der kasteelbewoners, die, vijf jaren geleden, door den dood van een eenig kind, van eene dochter, erfgenaam werd, niet slecht van den titel, die hem ten slotte toch zou geworden, maar erfgenaam van al de akkers, van al het land, dat de heer Laurens Rochdale bezat. Na die vijf jaren van onbezorgd geluk, is deze jonge man tengevolge der onverwachte geboorte van een zoon — het kind, dat daar voor u ligt, — eensklaps uitgesloten van alle rechten en gunsten en volkomen afhankelijk geworden van de edelmoedigheid zijner bloedverwanten. Deze plotselinge verandering van omstandigheden is van den kant des heeren Laurens en diens familie gepaard gegaan met minachting en onverschilligheid, terwijl de jonge man zich door dit natuurlijke, maar onverstandige gedrag beleedigd gevoelt en dit omonwonden verklaart. Op den vooravond van het Doopsel gaf hij zijn wrevel in duidelijke bewoordingen lucht, maar (als wilde hij, om zijn geweten tot rust te brengen, aan het kind toch een zalig verblijf verzekeren in de andere wereld) hij scheen allervurigst te verlangen, dat het Doopsel zou worden toegediend voor dat het kind uit dit leven scheidde. Thans, mijne Heeren, hebt gij al de verkrijgbare getuigenissen gehoord, en behoef ik slechts deze laatste beschouwingen aan uw aandachtige overweging aan te bevelen, eer gij u verwijdert.quot;

Maar de gezworenen verwijderden zich niet. Er volgden eenige

ocr page 51

woorden, op zachten toon uitgesproken, eenige wenken en teekens — en men had beleefd en beslist tevens te kennen gegeven, dat er geen zweem van twijfel mocht bestaan aan de onschuld van den jeugdigen heer van Rochdale.

Zevende Jfoo^cStwfi.

Een week na de zooeven vermeldde gebeurtenissen, toen de levende gasten grootendeels naar hunne respectieve woonplaatsen waren teruggekeerd, en men de dooden aan den schoot der aarde had toevertrouwd, toen de ontsteltenis van den laatsten tijd begon te wijken en de rust van het huiselijke leven allengs terugkeerde, ontmoetten Felix en Lewis elkander op zekeren avond in den tuin; stilzwijgend wandelden beiden naast elkander voort, ieder bezig met zijn eigene gedachten; zij bereikten langs de steeds hooger stijgende paden, zonder daarheen bepaald hun doel te hebben gericht, het hoogstgelegen punt van het park, vanwaar men het landgoed in zijn geheele uitgestrektheid kon overzien. Zij zetten zich neder op een uit natuurhout gesneden bank en genoten een schilderachtig schouwspel. Voor hen lagen het park, de bosschen, de landouwen en de hobbelige heigronden met hun bergstroomen, en te midden van deze afwisselende natuurtafereelen verhief zich aan den oever van den machtig ruischenden vloed het oude kasteel, door een poort verbonden met het daarnaast gelegen nieuwe heerenhuis. »A1 deze dingen komen te laat,quot; zeide Felix met een zucht.

«Volstrekt niet!quot; hervatte Lewis. «Indien deze aardsche bezittingen u vroeger geschonken waren geworden, zouden zij in u gevonden hebben een kind vol grillen en luimen, met vroolijke levensopvatting, dat is waar, maar zonder behoedzaamheid, zonder volharding, vol van goeden trouw, maar met volslagen gebrek aan

ocr page 52

doorzicht, den speelbal van een stoet vleiers die u door hun eigen zwakheden en zelfzuchtige gezindheid zouden misleid en de strengheid en hoogheid van uwe levensopvatting bedorven zouden hebben. Thans hebt gij menigen bitteren dronk uit den kelk des levens geproefd. De toetssteen heeft u de oprechtheid doen blijken van hen, die zich uwe vrienden noemden. Gij zijt het voorwerp geweest van miskenning en veronachtzaming en in deze twaalf maanden van tegenspoed hebt gij meer geleerd dan in tien — neen, in twintig jaren van geluk. Wees God daarvoor dankbaar!quot;

»Ik vrees,quot; zeide Felix, »dat gij de verwachtingen, die gij koestert van mijn mannelijk gedrag in de toekomst, zult moeten opgeven. Mijn leven is vernietigd en bedorven. Al span ik mijn beste krachten in, om de schoone voorstelling, die ik mij eenmaal van het leven vormde, terug te koopen en mij op te heffen uit mijn kleinmoedigheid, toch schemert het mij voor de oogen en benevelt een wilde menigte van angstwekkende gedachten, als spookgestalten mijn gezicht. Deze onrechtvaardige aanslag op mijn eer, de verdenking die mij wellicht nog blijft volgen en het plotselinge verlies van dengene, wien ik nog kort geleden met trots en koelheid behandelde, terwijl ik vergat welk een dankbaarheid ik hem verschuldigd was — al die spookgedachten komen niet alleen, maar met een storm van andere gedachten die ieder haar eigen doorn in het hart steken! O, hoe ijselijk is het, telkens die verschrikkelijke gedachten te voelen ontwaken, onveranderlijk, blijvend — en geen afmatting des lichaams, geen inspanning van den geest kan hen meer beteugelen of verjagen!quot;

»Zulk een zielstoestand doet zich niet alleen voor bij u,quot; antwoordde Lewis. »Gij beschrijft daar niets anders dan de werking van overprikkelde zenuwen bij iedereen, in plaats van een grooten omkeer in uw gemoedsleven. Gij gevoelt zeer terecht berouw over de hoogmoedige wijze, waarop gij u tegenover mijnheer Laurens hebt gedragen; maar de zuiverste en aan God meest behagelijke droefheid over het verledene is die, welke zich metterdaad toont. Geef aan uwen overleden bloedverwant voldoening door vurige

ocr page 53

4° —

gebeden te storten voor de rust zijner ziel, indien zij nog in de gevangenis der geestelijke schuldenaars mocht zijn opgesloten; en als in de toekomst toorn of hoogmoed u weer kwellen, zeg dan tot u zeiven; Dit voorwerp van mijn prikkelbaarheid zal mij binnenkort even zacht en ernstig vermanen tot berouw en leedwezen, als thans het ontzielde lichaam van mijnheer Laurens reeds gedaan heeft. Als ik denk aan al de droevige gebeurtenissen dezer laatste week, dan kan ik niet anders zeggen, dan dat gij reeds eenigs-zins met het ongeluk hebt kennis gemaakt, en als gij nu voort-gingt met vast te houden aan uwe kleinmoedigheid, zou ik bij u een zedelijke lafheid moeten veronderstellen die gij zelfs niet aan den dag hebt gelegd, toen gij een slachtoffer dreigdet te worden van de eer en de achting der menschen.quot;

»Gij beproelt mijn geest wat hooger te doen stijgen,quot; zeide Felix, met een weemoedig lachje.

»Ja,quot; antwoordde Lewis. »Ik wil u den geest van een waren held, van een christelijk wijsgeer instorten. In elke droefheid, in iedere beproeving van het leven hebben wij ons zeiven slechts een korte vraag te stellen: Heb ik God beleedigd, ja of neen? Valt het antwoord goed uit, weg dan met weifelingen en vrees en angstvalligheden; want als wij ons door deze laten beheerschen worden wij ware hazeharten. Wij verkeeren in een voortdurenden angst van te mishagen aan de wereld, aan de wereld, die wij bij ons Doopsel toch plechtig verzaakt hebben.quot;

»Ach,quot; zeide Felix, »welk een storm van gedachten verwekt in mij dat woord »DoopseUquot; Ja,quot; ging hij na eenige oogenblikken voort, »nooit zal ik dien treurigen vooravond van Sint-Laurentius vergeten, waarop gij bij mij hebt aangedrongen op de vernieuwing mijner doopbeloften, mij een zielstoestand hebt beloofd vol van vrede, indien ik de wereld met al haar dreigende en haar verlokkende blikken onder mijne voeten vertrad, en mij alleen toewijdde aan God. En ik heb gedaan, wat gij mij hebt bevolen.quot;

»Als ik mij niet vergis, hebt gij dit ook op den dag der begrafenis gedaan.

ocr page 54

«Ongetwijfeld,quot; sprak Felix. »Toen ik als naaste bloedverwant onmiddelijk het lijk van den vader en den zoon volgde, en dacht hoe al de verwachtingen en plannen, die de kunstenaar omtrent zijn kunstwerk vormt, door den korten tijd van eenige uren voor altijd verijdeld worden, toen hield ik mijn tegenwoordigen toestand voor een even gebrekkig werk, en zonder moeite kon ik mij onthechten aan het bezit van zulke vergankelijke goederen. Maar geen bewijsvoering, geen beschouwing kan den indruk evenaren, dien de begravenis van het onschuldige kind op mij maakte. De reine, heilige sieraden, waarmede het was getooid, de witte stool des priesters, het vreugdevolle koorgezang en de psalmen van triumph en dankbaarheid, welke daarbij werden aangeheven, deden mij begrijpen wat het kind, door zijn scheiden uit deze wereld gewonnen had, en stelden mij duidelijk het nog veel grootere geluk voor oogen, hetwelk de getrouwe volwassen christen aan gene zijde van het graf te wachten heeft. En zie, daardoor verloor ik den moed en haatte mijn leven.quot;

»Het beste wat God ons geven kan, moest veeleer onzen moed doen ontwaken, om dien prijs te behalen,quot; zeide Lewis.

Beiden zwegen eenige oogenblikken, totdat Felix eindelijk meer opgewekt uitriep: »Uw woorden hebben mij goedgedaan, volgens ouder gewoonte; en nu wil ik u ook verklaren, wat mij voor de toekomst beangst maakt. Ik heb dien ouden, gladden baron tot gouverneur gekregen. Maar ongelukkig verschillen wij — hij en zoozeer in gevoelens en beginselen, dat t\\7ee engelsche edellieden, die dezelfde kerkleer en dezelfde politiek volgen, ons daarin nog niet evenaren.quot;'

Lewis glimlachte om deze scherpe opmerking, en zeide vervolgens: gt;Wees er God dankbaar voor, dat gij hetzelfde geloof hebt als Philips, dat heerlijk geloof, en laat elk ander verschil van gevoelen zich oplossen in dit punt van overeenkomst.quot;

»Maar bedenk het toch eens,quot; zeide Felix »of het mogelijk is, dat ik dezen weerhaan, dien heer Philips Dunn, na zijn laatste gedragslijn nog als mijn gouverneur kan hoogachten fquot;

ocr page 55

»Gij kunt hem hoogschatten,quot; hernam Lewis, som de vele goede eigenschappen die hij bezit, en gij moet alle beleedigingen vergeven en vergeten. Bovendien behoeft gij niet met mijnheer Philips Dunn in dagelijksch verkeer te leven; hij heeft hoofdzakelijk het opzicht en de zorg over uwe bezittingen. Er zal nog een tweede gouverneur bij u zijn.quot;

gt;En dat is —?quot; vroeg Felix haastig.

»Dat ben ik zelf,quot; gaf Lewis ten antwoord.

»Zijt gij dat zelf,quot; riep Felix op juichenden toon uit. »God zij dank! Welk een steen is thans van mijn hart afgewenteld!quot;

gt;Ik ben belast met de zorg voor uwe opvoedingquot; hervatte Lewis. »Het schijnt ons echter toe, dat gij van woonplaats en omgeving veranderen moet. Daarom was uw besluit, de hoog-school te gaan bezoeken, ons zeer welkom, en wij zullen dan ook spoed maken met het vervullen van uwen wensch. Thans strekt zich een nieuw veld van eervollen arbeid voor u uit, en ik gevoel, dat gij onze verwachtingen niet zult teleurstellen. Gij zult een hoog doel nastreven geen ander en geen geringer doel, dan door rechtschapen gezindheid, inspanning van den geest en vromen levenswandel niet slechts hoog te houden, maar nog in luister te doen toenemen den wijdschen en onaantastbaren roem der aloude bewoners van Rochdale-Castle.

ocr page 56

IL

PdpihsbI oan j^Ianra

of

k ^featsgmnpnis nan Bnnbn.

ocr page 57
ocr page 58

H e t V o i' rt) ^ e 1 v ci i] B 1 a r\ c a

OF

de j^ta at^geva]\gei)i^ vai) !(oi)tlei|.

amp;cz$tc Jfoo^'S^tufi.

ij beleven verschrikkelijke tijden, mevrouw Margaretha,quot; zeide de oud-burgemeester van Lincoln, die juist bij deze bejaarde dame een bezoek bracht — men was te Lincoln en schreef het jaar 1573 — »benauwde tijden; het beste is, zich rustig houden. Ik heb den moed niet, mij te bemoeien met de groote vragen van den dag, mijn eenig verlangen is rust. Laat komen, wat wil, als men ons maar niet te zeer het leven lastig maakt. Rust is het eenig doel waarnaar ik streef, en ik geloof, dat dit met u ook het geval is, mevrouw!quot;

»Zeker, mijnheer Nicolaas! God moge ons bijstaan!quot; antwoordde mevrouw Margaretha.

»Mij dunkt, dat gij goed zoudt doen met hier te blijven; in zulke tijden is het in een stad altijd beter wonen dan op een eenzame landhoeve. Men wordt ook niet gedwongen zich aan te

ocr page 59

»Gij kunt hem hoogschatten,quot; hernam Lewis, »om de vele goede eigenschappen die hij bezit, en gij moet alle beleedigingen vergeven en vergeten. Bovendien behoeft gij niet met mijnheer Philips Dunn in dagelijksch verkeer te leven; hij heeft hoofdzakelijk het opzicht en de zorg over uwe bezittingen. Er zal nog een tweede gouverneur bij u zijn.quot;

»En dat is —?quot; vroeg Felix haastig.

»Dat ben ik zelf,quot; gaf Lewis ten antwoord.

»Zijt gij dat zelf,quot; riep Felix op juichenden toon uit. »God zij dank! Welk een steen is thans van mijn hart afgewenteld 1quot;

gt;Ik ben belast met de zorg voor uwe opvoedingquot; hervatte Lewis. »Het schijnt ons echter toe, dat gij van woonplaats en omgeving veranderen moet. Daarom was uw besluit, de hoog-school te gaan bezoeken, ons zeer welkom, en wij zullen dan ook spoed maken met het vervullen van uwen wensch. Thans strekt zich een nieuw veld van eervollen arbeid voor u uit, en ik gevoel, dat gij onze verwachtingen niet zult teleurstellen. Gij zult een hoog doel nastreven geen ander en geen geringer doel, dan door rechtschapen gezindheid, inspanning van den geest en vromen levenswandel niet slechts hoog te houden, maar nog in luister te doen toenemen den wijdschen en onaantastbaren roem der aloude bewoners van Rochdale-Castle.

ocr page 60

II.

jy PflFinsd nan ^lanra nf

h ^kaf-sgraangniis nan Bonbn.

ocr page 61
ocr page 62

H e t Ar o f ii] ^ e 1 v li r\ 1] 1 a r| c ii

OF

de ^ta at^gevai|gei]i^ vai) oi|tlei\.

isczz tc Itoojdstu-fi.

ij beleven verschrikkelijke tijden, mevrouw Margaretha,quot; zeide de oud-burgemeester van T.incoln, die juist bij deze bejaarde dame een bezoek bracht — men was te Lincoln en schreef het jaar 1573 — «benauwde tijden; het beste is, zich rustig houden. Ik heb den moed niet, mij te bemoeien met de groote vragen van den dag, mijn eenig verlangen is rust. Laat komen, wat wil, als men ons maar niet te zeer het leven lastig maakt. Rust is het eenig doel waarnaar ik streef, en ik geloof, dat dit met u ook het geval is, mevrouw!quot;

»Zeker, mijnheer Nicolaas! God moge ons bijstaan!quot; antwoordde mevrouw Margaretha.

»Mij dunkt, dat gij goed zoudt doen met hier te blijven; in zulke tijden is het in een stad altijd beter wonen dan op een eenzame landhoeve. Men wordt ook niet gedwongen zich aan te

ocr page 63

sluiten bij een bepaalde partij. Wij kunnen dus nog al gerust zijn; mogen de zaken zich ten goede keeren!quot;

»Goed gesproken,quot; zeide de dame.

»Het is nu,quot; ging de burgemeester voort, »juist vijftien jaar geleden, dat koningin Maria gestorven is; gij dacht toen, dat het verstandiger was, hier te blijven. Gij zat in dienzelfden leuningstoel, in deze eigen kamer, toen ik u verhaalde, dat onze nieuwe koningin dagelijks de heilige Mis hoorde, dat zij de katholieke bisschoppen met groote welwillendheid had ontvangen en hun haar voornemen had te kennen gegeven, zich in Westminster te laten kronen volgens het gebruik harer voorvaderen en met den plechti-gen eed, de rechten en privilegiën der Kerk te zullen handhaven.

»Dat was een goede daad, heer burgemeester!quot;

»Maar van den anderen kant vaardigde zij een proclamatie uit, waarbij de opheffing der heilige Hostie werd verboden, waarbij zij de plechtigheden van de Engelsche staatskerk regelde en de protestantsche partij op meer dan e'éne wijze tevreden stelde.quot;

»Dat is waar, mijnheer Nicolaas.quot;

«Verzoening bewerken is een prijzenswaardige en verstandige daad en ongetwijfeld verlangde zij, evenals wij, naar rust. Vandaar ook haar koninklijke boodschap aan het volk, dat zij in haren staatsraad mannen had beroepen, aan wier zorgen de protestantsche belangen en de regeling van dien godsdienst waren toevertrouwd. En zoo stondtn er nog verschillende ware en valsche dingen in. Ik beloofde u destijds, van tijd tot tijd naar mijn beste vermogen u inlichtingen te verstrekken omtrent hetgeen waar en valsch was, ten einde u eenigszins gerust te stellen, te midden van de politieke stormen dier dagen.quot;

»Ik ben u zeer verplicht zoowel voor uw vroegere welwillendheid als voor die van tegenwoordig.quot;

»En toch, mevrouw! nauwelijks drie maanden na dat onderhoud tusschen ons beiden werden de bisschop van onze stad, de aartsbisschop van York, vier andere bisschoppen, de abt van Westmin-en dergelijke grootwaardigheidbekleeders der Kerk in den Tower

ocr page 64

opgesloten, wijl zij weigerden het geestelijk oppergezag der koningin te erkennen.quot;

gt;Helaas, ja, mijnheer!quot;

»0, mevrouw Margaretha! Gij hebt vier onrustige regeeringen beleefd met al hun wisselingen en lotgevallen, en gij zijt, naar ik vermoed, niet van zins, ook heden nog een werkzaam aandeel te nemen aan de heerschende godsdiensttwisten.quot;

»Het is reeds de vijfde regeering die ik beleef; want ik werd in het begin van deze eeuw geboren, in het laatste jaar van Hendrik den zevende — God geve hem de eeuwige rust — ik kan mij den laatsten koning Hendrik nog zeer goed voorstellen als een jongeling van hooge schoonheid, even schoon als goed van inborst.quot;

»Ja, mevrouw! Mijn tijdrekening is ongeveer dezelfde; ook ik zie de twee jonge prinsen Arthur en Hendrik nog levendig voor mijn geest. O mevrouw! bij het begin van iedere nieuwe regeering was de natie steeds vol van blijde verwachtingen en zoo hebben ook wij gehoopt. Maar thans, nu wij een weinigje voorzichtigheid geleerd hebben, is onze eenige wensch: rust! Mevrouw Margaretha, gij hebt in uwen jongen tijd zeker veel aan het hof verkeerd en van veel gehoord wat nimmer doordrong naar buiten?quot;

»Ik was zeer dikwijls aan het hof. De Hemel zij mij genadig!quot;

»En thans, mevrouw! nu gij uw leven en uwe bezittingen ongedeerd hebt bewaard te midden van al die gevaren en niets vuriger verlangt dan rust, zijt gij gewikkeld in een nieuw geheim, dat u beide dreigt te doen verliezen.quot;

Margaretha zweeg.

«Bedenk toch, dat het in zulk een moeielijken toestand voor u hoogst wenschelijk ware, een verstandigen vriend te bezitten, bijv. zooals ik, die als deelgenoot van uw geheim, ieder gevaar van u zou kunnen afwenden, zonder partij te moeten kiezen, besliste partij, dat wil zeggen openlijke partij.quot;

ocr page 65

Margaretha bleef steeds zwijgen.

»Daarom,quot; ging de burgemeester voort, szoudt gij goed doen, met mij in vertrouwen mede te deelen, wie die jonge dame is, die gij zoo behoedzaam van ieder respectabel gezelschap afhoudt.quot;

»Voor jeugdige personen van haar geslacht en leeftijd is een bescheidene verborgenheid altijd verkieselijker.quot;

»Maar haar stand.quot; —

»Mijn eenvoudige woning kan haar niets beters aanbieden, dat hetgeen zij geniet. Voor het overige heeft zij kamerjuffers; want zij is jeugdig en zwak.quot;

»Ik kan dus de eer van haar gezelschap niet genieten?''

»Wees zoo goed en stel u in plaats daarvan tevreden met het gezelschap van mevrouw Joanna, die slechts op mijn bevel wacht, om ons een allerheerlijksten warmen wijn en een confituur-taart te brengen, waarvan zij het recept heeft leeren kennen aan het hof der koningin.quot;

Bij deze woorden schelde zij en mevrouw Joanna trad weldra binnen met eenige andere dames en bracht den warmen vvijn en de confituur-taart waardoor de nieuwsgierigheid van den burgemeester vooreerst tot zwijgen werd gebracht.

Middelerwijl had op een van de kamers der eerste verdieping, welker meubileering veel rijker was, een lieftallig meisje van omstreeks 13 jaren aan een jeugdige persoon, maar toch van rijperen leeftijd, wier zachte en verstandige gelaatstrekken getuigenis aflegden van innigheid en diepte des gemoeds, luidop iets voorgelezen uit een boek. »Thans ben ik moede,quot; zeide Blanca, het boek dichtslaande.

»Zoo spoedig reeds?quot; vroeg Cecilia Feckenham. »Wil ik verder lezen?quot;

»Ja, dat had ik liever.quot;

Cecilia vatte het böek aan, maar had nauwelijks een bladzijde gelezen, of zij werd door Blanca onderbroken met de woorden: »Mag ik langoortje op mijn schoot nemen, terwijl gij leest?quot;

»Ik geloof,quot; zeide Cecilia, het boek op hare beurt dichtslaande.

ocr page 66

dat wij ons beter zóó met elkander kunnen onderhouden; daarom zal ik het boek maar wegleggen tot morgen; gij kunt indien gij dit mocht verkiezen, tot aan het avondgebed, ook met u zeiven bezig zijn.quot;

Het wezen, dat betite-d werd met den naam van «langoor,quot; was een klein tam, sneeuwwit konijntje, hetwelk Blanca aanstonds uit een mandje nam, om het diertje genoegen te doen, al was het ook niet met de vrijheid, dan toch met een soort van spelerij en plagerij, waarvan het volstrekt niet afkeerig was.

»Arm, klein langoortje!quot; riep I51anca uit; gij zijt geboren in een gevangenis, evenals ik! Gij zijt een arm, klein, angstig enteer schepseltje, evenals ik. Er kan nooit iets beters van u komen en van mij ook niet. Enquot; ging zij voort, om de aandacht van Cecilia te trekken, «wat zou het ook baten, dit onnoozele konijntje tot een uil of een haas of tot wat ook beters te willen opvoeden? Zoo is het juist met mij gesteld! Wat voor nut zou het opleveren, een Cecilia Feckenham of misschien zelfs een mevrouw Margaretha te willen doen groeien uit de arme Blanca Seymour?

»Ik ben dus hetzelfde als een welopgevoedde uil,quot; zeide Cecilia lachende; «maar ik denk, dat de vogel der wijsheid beter dienen kan als symbool van mevrouw Margaretha en ik zal dus volgens uw woorden gelijk staan met een haas.quot;

«Zeker,quot; antwoordde Blanca, «mevrouw Margaretha lijkt niet op een vluggen haas, zij is veeleer het sprekend beeld van een schildpad, die zijn pootjes en zelfs zijn kop onder zijn schaal kan samentrekken en op deze wijze zich verbergt en beveiligt. O, ik kan mevrouw Margaretha met niets beters vergelijken. Het is juist zooals Joanna zegt, zij bewaart haar geheimen en die van anderen achter slot en grendel.quot;

«Dat is een bewijs,quot; hervatte Cecilia, «niet alleen van een edel, maar ook van een vast karakter.quot;

«Dat begrijp ik,quot; zeide Blanca; «maar ik zou toch wel willen weten, waarom zij, in plaats van lady Lumley, de zorg voor mij op zich heeft genomen en waarom zij mij van het vriendelijke en

D. Z. H. S. 4

ocr page 67

vrije land naar deze treurige, duistere stad heeft overgebracht? En vooral zou ik willen weten — kom wat dichter bij, juffrouw Cecilia, want ik moet het in uw oor fluisteren — zou ik willen weten en gij kunt het mij ook zeggen — ik zou bovendien nog veel, heel veel willen weten, en als gij het mij zeidet, zou ik zoo innig veel van u houden — ik zou gaarne weten — kom hier, met uw oor vlak bij mij — ik zou willen weten, wie ik eigenlijk ben?quot;

»Een arm, klein, angstig, zwak, onnoozel konijntje,quot; antwoordde Cecilia.

»01quot; riep Blanca lachende, maar zeer opgewonden uit; »is dat dan de eenige opheldering omtrent mijn persoon?!quot;

»Een opheldering, hernam Cecilia, »wordt zelden met zooveel oprechtheid gegeven als waarmede zij door een ander verlangd wordt.quot;

»Goed,quot; zeide Blanca; »ik heb echter niet gevraagd; wat ik ben, maar : wie ik ben. Ik weet, dat ik een angstig, zwak schepseltje ben, en de reden daarvan ligt in de wijze, waarop men mij heeft behandeld, en diequot; voegde zij er lachende bij, »juist gelijkt op de behandeling welke een konijn ondervindt, en misschien nog wel slechter is dan deze; want het diertje gevoelt slechts schrik en a'^gst door de dingen die het in werkelijkheid ziet of hoort, terwijl het niets afweet van een verschrikkelijke toekomst en geen onheil vermoedt, zoodat het beter er aan toe is, dan ik; alles wel beschouwd, wenschte ik dat ik een konijntje was.quot;

»Als het u ernst was,quot; hervatte Cecilia, »zou ik mij de moeite getroosten, u te bewijzen, hoe ongeoorloofd zulk een wensch is, en hoe dat kleine, onschuldige diertje daar zonder gevaar kan voortleven in zijn angst en zwakheid, wijl Zijn Schepper niet meer van hem verlangt, terwijl Hij van u meer vordert en gij volstrekt niet zonder hoogere veredeling op aarde moogt blijven voortleven.quot;

«Waarom niet?quot; vroeg Blanca.

»Omdat,quot; antwoordde Cecilia, »aan het redelooze dier enkel en alleen het instinkt gegeven, maar aan u een redelijke ziel ingestort is, die de bekwaamheid bezit, haren Schepper te kennen,

ocr page 68

te beminnen en te dienen en deze eigenschap nog op volmaaktere wijze te ontwikkelen. Nog meer, gij zijt een Christin en dus niet slechts als menschelijk wezen verantwoordelijk voor deze natuurlijke gave des verstands, maar ook a!s uitverkorene voor al de genaden, die gij bij het Doopsel ontvangen hebt. Aan wien veel is gegeven, van hem zal ook veel gevraagd worden.

• o» •

Siveede 3foojdstnfi.

»Ik ben thans ernstig genoeg gestemd, juffrouw Ceciliaquot;, zeide Blanca eenige dagen na het pas vermeldde gesprek; »en waarlijk, ik heb groote behoefte aan ernst. Mevrouw Margaretha heeft een uur geleden met mij gesproken, en daarna heeft pater Antonius mij een examen afgenomen over deugd en ondeugd en bitter geklaagd, dat ik zoo weinig onderricht in den godsdienst heb ontvangen, en dat weinige nog zoo slecht gebruikt heb. Ik vroeg hem, of hij dacht, dat de koningin mij het hoofd zou laten afslaan; dit nam hij mij zeer kwalijk en vroeg mij op zijne beurt, wie mij zulk een gedachte in het hoofd had gezet? Ten laatste gaf hij mij nog vele goede lessen om mij troost en moed in te boezemen. Maar de reden van zijn bezoek en van zijn vermaningen heb ik u nog niet gezegd; ik zal namelijk voorbereid worden tot het heilig Sacrament des Vormsels.quot;

«Waarlijk? Het doet mij zeer veel genoegen dit te hooren,quot; antwoordde Cecilia, »en het is voor mij een dubbele vreugde, vooreerst omdat gij deze versterkende genademiddelen zult ontvangen, die u zoo noodig zijn, en vervolgens, wijl de Regeering, naar het schijnt, meer de verdraagzaamheid gaat beoefenen; want hoe zou anders de mogelijkheid bestaan tot het ontvangen van dit Sacrament, dat alleen door den Bisschop kan worden toegediend?quot;

»Is dan de bisschop alleen de bedienaar van dit Sacrament?quot; vroeg Blanca. »Dan is het mij een duister geheim en kan ik

ocr page 69

niet begrijpen, hoe mevrouw Margaretha er ook maar aan denken kan, mij bij deze vernieuwde godsdienstvervolging in gemeenschap te brengen met een van onze katholieke bisschoppen. Want ik hoor, dat zij allen of in den kerker zijn of in de verbanning, ofwel gemarteld worden. Gelooft gij wellicht, dat mevrouw van de koningin toestemming zal bekomen om een staatsgevangenis te bezoeken, of de zee over te steken ten einde een bisschop hierheen te brengen?quot;

»Er schiet mij daar juLt te binnen,quot; zeide Cecilia, »dat in buitengewone gevallen, en als er gegronde en ernstige redenen zijn, de macht om het Vormsel toe te dienen, door den heiligen Stoel aan een eenvoudig priester kan worden verleend; maar in dat geval moet toch het Chrisma door een bisschop gewijd zijn; en zoo heeft misschien ook pater Antonius of een ander het verlof en de macht ontvangen, dit Sacrament toe te dienen. Maar, gij spreekt daar van nieuwe vervolgingen! Ik heb van niets nieuws gehoord.quot;

»Ik ook niet; maar gedurende het lange gesprek met pater Antonius heb ik, uit levendige bezorgdheid voor hem en ook voor mij zeiven geen enkel zijner woorden aan mijn oplettendheid laten ontsnappen; want ik bemerkte spoedig, dat hij veel voorzichtiger en angstiger sprak dan gewoonlijk. Ook was niet, evenals anders, alleen de buitendeur gesloten en die op het portaaltje open, maar ook deze was gesloten en de wanden waren zoo dicht met tapijten behanger1, dat een vreemdeling zonder lang zoeken onmogelijk zou kunnen bepalen, waar de deur was; en toen ik den pater vroeg, welk nieuw onheil er dan weer dreigde, zeide hij, dat dit zaken waren, die wel hem, maar niet mij betroffen. Tevens gaf hij te kennen, dat het nog twijfelachtig was, of hij-zelf mijn voorbereiding tot het Vormsel leiden zou. Hij hoopte echter, dat gij, juffrouw Cecilia, in dit goede werk de behulpzame hand zoudt willen bieden aan juffrouw Anna Bailey, en het was mijn plicht, zeide pater Antonius, u niet slechts aan te hooren, maar ook na te volgen. — Als ik dit Sacrament met de vereischte voorbereiding zou ontvan-

ocr page 70

gen, verzekerde hij mij, dat ik op weg zou zijn om een ware en volmaakte christin te worden.

»Zonder twijfel,quot; antwoordde Cecilia. »De almachtige God zal u daartoe voldoende genade geven. Hij schiet nimmer in iets te kort. Hij is een allermilddadigste weldoener.quot;

»Pater Antonius,quot; ging Blanca voort, »zeide ook nog, dat de genaden, die wij in het Doopsel ontvangen, toereikend waren, om de kindsche jaren te versterken, maar dat ik daarop niet langer vermetel mocht voortbouwen, dan tot aan den tijd dien God heeft aangewezen voor het heilig Sacrament des Vormsels, om ons te stalen en te sterken in den rijperen leeftijd, en dat ik eigenlijk reeds gevormd had moeten worden, toen ik tot de jaren des onderscheids was gekomen. Ten laatste verzekerde hij mij nog, dat ik al mijn dwaze menschenvrees zou afleggen, als ik eenmaal door het Vormsel versterkt zou zijn geworden. Daarom zie ik ook getroost de toekomst tegemoet. Maar wat moet ik nu doen?quot;

«Vooreerst,quot; antwoordde Cecilia, »moet gij volkomen weten, welk een groote genade u te wachten staat. Bij het heilig Vormsel daalt de heilige Geest in de ziel neer, en stelt haar in staat, al de beloften gestand te doen, die zij bij het Doopsel heeft afgelegd, de beloften namelijk van te verzaken aan alles wat Gode mishaagt. De heilige Geest zal bij het Vormsel uwe ziel komen vervullen waarachtig en werkelijk, en haar een teeken indrukken hetwelk zij nimmer zal verliezen, een kenteeken, dat zij den god-delijken Gast in zich heeft opgenomen, en dat deze haar met Zijne zeven verschillende gaven heeft verrijkt.quot;

»Zeven verschillende gaven,quot; herhaalde Blanca met vreugde, »dan zal ik inderdaad rijk zijn!quot;

»Ik zal ze u,quot; ging Cecilia voort, »thans eenvoudig opnoemen, en later ieder afzonderlijk verklaren. Zij zijn de volgende: wijsheid verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht, vreeze.quot;

»Vreeze,quot; riep Blanca uit, »ik ben reeds halfdood van vrees! En moet ik nu als geschenk nog meer vrees ontvangen? Wat is

ocr page 71

dat vreemd, dat ik na de gaven die gij het eerst hebt opgenoemd, kracht en moed, ten laatste nog vrees bekomen zal!quot;

«Alleen daarom schijnt het u vreemd toe,quot; hervatte Cecilia, »wijl gij mij onderbroken hebt. Ik wilde zeggen: »vreeze Gods,quot; die iedere andere vrees verjaagt. En nu, juffrouw Blanca, moet ik zeggen, dat gij bij al uwe vreesachtigheid en angstigheid toch nog zeer weinig gevoelt van die heilige vreeze, die u aan niets anders moest doen denken, dan alleen aan God, en niet meer aan de voorbijgaande stormen eener vergankelijke wereld.quot;

»Zal die heilige vreeze Gods ook mijn vrees voor de koningin verdrijven?quot; vroeg Blanca.

«Voorzeker!quot; antwoordde Cecilia.

»En ook voor mevrouw Margaretha?quot;

»Ja, ook die, wanneer gij u ten minste met hart en ziel verheft boven die kinderachtige vreeze voor degenen, die slechts werktuigen zijn in Gods hand. Noch de koningin, noch mevrouw Margaretha, noch wie ook kan u het minste leed doen zonder Zijne toelating. Dat is gebrek aan geloof, dat is twijfelen aan Zijn vaderlijke liefde en bescherming, en toch hebt gij — al zijt ge dan ook niet gevormd — de gave des geloofs reeds ontvangen.quot;

«In het Doopsel, bedoelt gij?quot;

»Ja, de gaven van geloof, hoop en liefde zijn u ingestort, en deze worden door het Vormsel niet voor de tweede maal geschonken, maar slechts bevestigd. Maar waarom zijt gij zoo verschrikt en angstig?quot;

»Omdat ik de overtuiging heb, dat mevrouw Margaretha mij mijne vrijheid ontrooven en mij aan de koningin uitleveren wil. Want zij, en niemand anders heeft mijn reis over zee met lady Lumley verhinderd. Zij zeide, dat ik het koninkrijk niet mocht verlaten buiten weten der koningin, en toonde een bevel van Hare Majesteit, volgens hetwelk ik bij haar in gevangenschap zou moeten leven. Ik weet er ten minste geen anderen naam voor, want wat was het oude kasteel in Flens voor mij anders dan een gevangenis, en wat beteekenen die achterhoudendheid en die geheimzinnige

ocr page 72

manier van handelen, waarmede men mij omringt, anders dan dat ik voor de koningin een voorwerp ben van wantrouwen r Hoe zou dit in mijne jonge jaren het geval kunnen zijn, en waarom moet ik die slijten in zulk een afzondering, als ik niet van denzelfden stam ware als zij zelf? Men heeft er eenmaal een toespeling op gemaakt — en ik heb goed geluisterd — want heb ik er niet het hoogste belang bij te weten,, wie ik toch eigenlijk ben?quot; O, juffrouw Cecilia! kunt gij zoo hardvochtig zijn en mij zelfs den armzaligen troost onthouden, dien ik genieten zou, indien gij zeidet, wie mijne ouders zijn of wie zij waren, en wie ik zelf ben? Met meer vertrouwen en meer moed zou ik de gevaren van mijn verder leven onder de oogen zien, indien ik ook slechts een duister begrip daarvan had.quot;

»Ik zie niet in,quot; zeide Cecilia, «waarom ik voor u zou verbergen wat ik zelf daarvan weet, maar het is zeer weinig en niet meer dan hetgeen de andere vrouwen uwer omgeving weten. Als zeker is ons bekend, dat gij van koninklijken bloede zijt en daarom bewijzen wij u den passenden eerbied; maar van welke linie der koninklijke familie gij zijt, of in welken graad van verwantschap gij staat tot Hare Majesteit, dat weten wij niet. Wat echter voor ons boven allen twijfel verheven is, is dit: dat uw bestemming in de handen is van een alwijzen, almachtigen en algoeden Cod, die u aan kracht en sterkte meer geeft, dan Hij terugvordert.quot;

»Eén vraag nog,quot; ging Blanca voort, »zeg mij: leeft mijne moeder nog?quot;

»Ik zou het u niet kunnen zeggen; maar waarom vraagt gij ook niet naar uwen vader; '

»Omdat ik weet, dat hij dood is. Het is nu zes jaar geleden, dat men het mij als een plicht oplegde, voor de ziel van mijn vader te bidden, en daar ik goed toeluisterde, hoorde ik fluisteren, dat hij als staatsgevangene in den Tower gestorven was.quot;

»0,quot; zeide Cecilia, «brengt deze treurige werkelijkheid u niet tut de erkentenis van de waardeloosheid der titels en het ijdele der aardsche grootheid, die juist de bron zijn van uwe vrees en

ocr page 73

bekommernis? De oorsprong en de volmaking van uw grootheid moeten niet gezocht worden in het bloed der Tudors, niet in oogverblindende schoonheid, die, men moge koningin of een eenvoudig meisje van het land zijn, snel als een bloem verwelken, ook niet in een scherpzinnig verstand of in een diepe geleerdheid, maar alleen in de vruchten van dien Geest, dien gij, zooals ik hoop, spoedig zult ontvangen en die zijn: liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, goedheid, geduld. Deze vruchten zullen u doen opgroeien in Gods genade ten eeuwigen leven.quot;

»Kunt gij u herinneren,quot; zeide Cecilia den volgenden dag, »\vat wij gisteren over het Vormsel gesproken hebben?quot;

»Ik denk van wel,quot; antwoordde Blanca. »Ook heb ik zoo juist over dit Sacrament aan juffrouw Bailey iets hardop voorgelezen, en nog staat mij alles duidelijk voor den geest wat pater Antonius gezegd heeft over de sterkte, waaraan ik door dit Sacrament deelachtig zou worden. Eveneens heb ik uw uitlegging van de vreeze Gods goed onthouden, van die heilige vreeze, die de eenige gave was, welke ik niet kon overeenbrengen met de sterkte. De overige gaven beschouw ik alle als zulke, die bijzonder geschikt zijn, om van den mensch een waar en volmaakt Christen te maken. Wijsheid, verstand — maar welk onderscheid bestaat er tusschen deze beide gaven?quot;

«Men heeft mij dit zoo uitgelegd,quot; gaf Cecilia ten antwoord, »dat de wijsheid een gave is, die ons in staat stelt, onzen Schepper te leeren kennen door een juiste voorstelling van Zijn oneindige grootheid, en dit geschiedt voornamelijk door een diepe nederigheid, zonder door te dringen in de bijzondere leerstukken des geloofs; terwijl het verstand de gave is, om ieder geloofspunt te beschouwen. Begrijpt gij mij ?quot;

ocr page 74

»Ik geloof van wel; want het schijnt mij toe, dat deze uitlegging gelijkt op die welke ik laatst gehoord heb over beschouwing en overweging. Is dat niet zoo?quot;

»Zoo ongeveer. De volgende gave is de raad, waardoor wij verstaan; de bekwaamheid om in moeielijke en onverwachte omstandigheden met juistheid te beoordeelen en te besluiten, wat het beste is tot eer en glorie van God en de zaligheid onzer eigene ziel.quot;

»Dusquot;, deed Blanca opmerken, »wij zouden de gave van raad het best kunnen vergelijken met »de gerechtigheidquot;, die de weegschalen in balans houdt. Ik zal zeer blijde zijn, als ik deze gave ontvang.quot;

»En nu sterktequot; zeide Cecilia glimlachende, »hoe denkt gij daarover?quot;

»0,quot; riep Blanca uit, »dan zal niemand mij meer kennen, en ik zal ternauwernood mij zeiven herkennen. Ik sterkte bezitten! Het schijnt mij bijna onmogelijk toe.quot;

«Niets is onmogelijk voor den Geest Gods,quot; antwoordde Cecilia; »\vordt Hij niet beschreven als een opkomende, geweldige wind? Wie kan Hem weerstand bieden? En op een andere plaats wordt Hij voorgesteld als een zachte ademtocht, die stroomt waar Hij wil. Wie kan zich onttrekken aan Zijn invloed?

»0quot;, zeide Blanca zuchtende, »gij zijt een waar geestelijk gemoed, juffrouw Cecilia! Gij moet den heiligen Geest wel ontvangen hebben met zulk eene voorbereiding en in zulk eene volheid, dat Hij u nooit meer verlaat. Maar, zeg mij: zijt gij al eens in moeielijke of gevaarlijke omstandigheden geweest? Hebt gij bij u zeiven de werking van deze geestelijke sterkte reeds ondervonden ?

Indien ik mijzelven als voorbeeld mag aanvoeren,quot; antwoordde Cecilia, ïkan ik u naar waarheid verzekeren, dat mijn levenspaden van mijn prilste jeugd af vol zijn geweest van beproevingen en verlokkingen, des te gevaarlijker, naarmate zij meer verborgen waren. Maar ik weet niet, wat gij als het grootste bewijs van geestelijke sterkte beschouwt.

ocr page 75

«Volgens mijn gedachte,quot; antwoordde Blanca, «behoort er een bovennatuurlijke kracht toe, indien iemand in den tegenwoordigen tijd belijdenis aflegt van zijn katholiek geloof. Gelooft gij, dat de genaden en de gaven, die ik bij het Vormsel ontvangen zal, mij in staat zullen stellen, voor mijn geloof uit te komen?quot;

»Daaraan twijfel ik geen oogenblik; zij zullen u genoegzame kracht geven om alle bekoringen tot verloochening van het geloof te weerstaan, voldoende sterkte, om u zeiven onverholen en rondborstig te verklaren voor hetgeen gij zijt — een katholiek; sterkte en moed genoeg, om ketenen en verbanning te verduren, en zelfs het schavot te beklimmen en uw hoofd op het blok te leggen!quot;

Blanca sidderde bij deze woorden en stiet een doordringenden kreet van angst uit. Cecilia bemerkte te laat, dat zij de arme kleine had verschrikt, en dat zij, ter wille van den nog zwakken zielstoestand van Blanca, de uitdrukking harer eigen warme en verhevene gevoelens had moeten temperen.

Toen Blanca van haar schrik eenigszins tot zich zeiven was gekomen, zeide zij schuchter: «Gelooft gij dan waarlijk dat mij zoo iets te wachten staat?quot;

«Volstrekt niet,quot; antwoordde Cecilia vriendelijk. »Maar God heeft toch aan sommigen reeds in hun vroegste jeugd dien verheven geest van het martelaarschap gegeven, zonder dat zij er in werkelijkheid toe geroepen werden. Zoo had ik ook een klein nichtje — misschien leeft zij nog — die, toen men haar zeide, dat haar vader op het schavot den dood had ondergaan voor het geloof, van vreugde in de handen klapte en uitriep: «Mijn vader is een martelaar! Mijn vader is een martelaar! Denkt gij, dat ik hem in den hemel zal zien?quot; En toen men haar zeide, dat, als zij verkoos denzelfden dood te sterven, de koets aanstonds gereed zou zijn, om haar naar de plaats der terechtstelling te voeren, begon zij met de grootste opgewektheid haar toebereidselen te maken, op denzelfden jubeltoon voortgaande: »Aan mij hebt Gij dan gedacht, o mijn God? Ik zal dan martelares worden? O, wat zijt Gij goed!quot; —

ocr page 76

»Maar dat meisje was dan toch zeker gevormd,quot; zei Blanca; »welnu! mijn begeerte, om dit versterkende Sacrament zoo spoedig mogelijk te ontvangen, wordt hoe langer zoo grooter — welke is de volgende gave?quot;

»Kennis,quot; antwoordde Cecilia. »Het verlangen daarnaar wortelt zoo diep in onze natjur, dat onze geest vol zou worden van booze en slechte kennis, als deze goddelijke gave ons niet bijtijds werd ingestort en onze zielen met die kennis verrijkte, die alleen tot ons waar geluk dienstig is. Hij dus, die genoegzaam voorbereid is, om de gave der heilige kennis in het Vormsel te ontvangen, mag niet langer gevaarlijke en verderfelijke kennis putten uit verboden boeken en gevaarlijke gezelschappen.quot;

«Waarom ziet gij mij zoo scherp aan,quot; zeide Blanca, »en waarom spreekt gij zoo geheimzinnig?quot;

»Denkt gij dan,quot; ging Cecilia voort, dat gij u op behoorlijke wijze voorbereidt tot het ontvangen van den heiligen Geest, als ge terzelfder tijd uwen geest opvult met allerlei dingen, die Hem ten hoogste mishagen?quot;

«Jawel,quot; zeide Blanca, terwijl zij vuurrood werd van schaamte en lichtgeraaktheid, en haar best deed, het onderwerp door een uiting van trotschheid af te breken, »als ik u goed begrijp, juffrouw Cecilia, bemoeit gij u op dit oogenblik met iets, wat u in uwe verhouding tot mij volstrekt niet aangaat. Gij zijt mij toegevoegd als dame van gezelschap, niet als gouvernante of biechtvader. Juffrouw Anna Bailey is het eene, pater Antonius het andere, en de dingen, waarop gij u veroorlooft een toespeling te maken, gaan hen beiden aan, maar niet u.quot;

»Ik ben,quot; antwoordde Cecilia op zachten maar vasten toon, »met uw eigen goedvinden door uwen biechtvader aangesteld, om u behulpzaam te zijn in uw voorbereiding tot het Vormsel, en het is mijn plicht, u nogmaals te waarschuwen tegen een onwaardig ontvangen van dit Sacrament.quot;

»0,quot; zeide Blanca, »gij gebruikt zulke harde uitdrukkingen en jaagt mij maar altijd noodeloos schrik aan!quot;

ocr page 77

»Mijn uitdrukkingen zijn volstrekt niet te hard,quot; gaf Cecilia ten antwoord, »zij worden immers volkomen gerechtvaardigd, doordat gij voor uwen biechtvader en voor uwe gouvernante de boeken verbergt, die gij in het geheim van uwe dienstboden krijgt?quot;

Bianca wendde het hoofd af en antwoordde niets.

»Dat gij deze boeken hebt aangenomen en in het geheim bewaart, is kwaad onder verschillende opzichten; vooreerst is het een onoprechtheid tegenover degenen, wien gij uw volle vertrouwen moest schenken; vervolgens hadt gij uw vertrouwen niet mogen verspillen daar, waar het u uitdrukkelijk verboden was, dat is bedrog en ongehoorzaamheid; en ten laatste hebt gij daardoor anderen verleid om beide misdrijven te begaan. Dit zijn alvast de eerste gevolgen, welke het lezen van slechte boeken na zich sleept. —quot;

Bianca wendde zich om en zeide: »Hoe weet gij, juffrouw, dat deze boeken slecht zijn; hebt gij ze gelezen?quot;

»Neenquot;, zeide Cecilia, »ik ken niet eens den titel, maar mevrouw Margaretha —quot;

»Mevrouw Margaretha !quot; riep Bianca onthutst, »wat zou mevrouw Margaretha ?quot;

»Zij liet mij gisteren roepenquot;, ging Cecilia voort, »en vroeg mij of t/e de twee boeken, die op haar tafel lagen, gehaald had of had laten halen, boeken, die, zooals zij zeide, uitstekend geschikt waren, om de vruchten van een goede opvoeding, van goede lessen en goede voorbeelden in jeugdige gemoederen te verwoesten. Want, zeide zij, wat zou het baten, als wij de jeugd afhielden van de wereld met al haar goed en kwaad en haar tegelijkertijd toestonden zulke slechte, goddelooze boeken ongestraft in handen te nemen. Men kan even goed zijn borst inwendig willen verzachten met arsenicum en hopen dat men gezond zal blijven, als bidden, lezen en mediteeren en daarbij tevens vergif drinken uit zulke boeken!quot;

»Helaas ja! zeide Bianca, bleek en sidderende; »maar vroeg zij dan ook naar mij?quot;

ocr page 78

»Aan mij niet; maar toen ik verlof bekwam om heen te gaan liet zij Anna roepen.quot;

»Anna?l dan is alles verklapt! O, juffrouw Cecilia, goede beste juffrouw, spreek voor ons een goed woordje bij mevrouw Marga-retha, zeg haar, dat wij nooit weer een boek met verhaaltjes zullen lezen, als zij het ons slechts vergeven wil! Zeg haar, dat ik niet verder ben gekomen dan tot »de reus en de heks.quot;

»Maar zijt ge ook werkelijk niet verder gekomen?quot; vroeg Cecilia met doorvorschenden blik.

»Misschien nog een weinigje verder,quot; zeide Blanca.

»Ik breng geen boodschappen over,quot; hernam Cecilia, »als ik geen zekerheid heb van mijn zaak, ook wil ik u geen vrees meer aanjagen voor straf van menschen; maar ik heb van mevrouw Margaretha vernomen, dat deze boeken reeds sinds eenige maanden in huis zijn.quot;

Op dit oogenblik ging de deur zacht maar snel open, en de zooeven genoemde Anna, een juffrouw, ongeveer twee jaar ouder dan Blanca, snelde de k-^mer binnen en naar de kanapee, waarop de laatste was gezeten, viel bij haar neer, omhelsde hare meesteres en »0, Anna, Anna,quot; en »0, mijn goede juffrouwwas alles wat beiden konden zeggen, want aanstonds ging de deur nogmaals open, maar nu met meer gedruisch en veel langzamer, en mevrouw Margaretha trad binnen, vergezeld van juffrouw Joanna en Anna Bailey, welke laatste de bewuste slechte boeken bij zich droeg.

»0 Anna, Anna sta mij bij!quot; fluisterde Blanca; maar Anna verborg zich achter de hooge leuning van den armstoel, die voor mevrouw Margaretha werd aangerold. »Juffrouw Cecilia, sta mij bij!quot; riep zij uit, maar Cecilia ging steeds verder van haar weg; en Blanca, thans alleen gelaten en blootgesteld aan den aanval van het driemanschap, trok als laatste redmiddel de draperieën van den troonhemel boven haar over haar hoofd en riep: »üch, och, ik wenschte, dat ik een konijntje was!quot;

ocr page 79

^Viezde Jtoafditu^.

De strafpredikatie van mevrouw Margaretha was niet lang; want wat haar zwaar op het hart lag, drukte zij kort en bondig uit, terwijl zij tevens de ongewone kunst verstond om datgene te verzwijgen, wat beter gezwegen werd. Nadat zij zich overtuigd had, dat de boeken der beide beschuldigden, die tot aan den tijd waarop Cecilia was gekomen, de innigste vriendschap voor elkander hadden gekoesterd, met reden in beslag waren genomen, sprak zij, voordat zij haar vonnis velde, eerst eenige woorden over het wezen der ware vriendschap. gt;Onthoudt dit als een vaste waarheid,quot; zeide zij, »dat iedere genegenheid voor een of andere persoon, welke niet iets bepaald goeds ten doel heeft, noodzakelijk tot verkeerde dingen voeren moet: er is bij de vriendschap der jeugd geen middelweg; zij is ofwel een edele ijver en een vurig verlangen om den graad van deugd te bereiken, welken men in zijn vriend bewondert, ofwel ontaardt in een noodlottige toegeefelijkheid voor elkanders zwakheden, en dan zijn het niet meer vrienden, maar medeplichtigen. Hadden zulke personen elkander nimmer gekend, zij waren misschien heiligen geworden — maar door hun omgang met elkander zijn zij zondaren geworden.quot;

»Indien gij nu bevindt, dat uw zoogenaamde vriend u in uwe zwakheden vleit, weg dan met hem! Zijn goede eigenschappen mogen onder vele opzichten onmiskenbaar zijn, voor u is hij gevaarlijk; dat is het rechteroog, hetwelk uitgerukt, dat is de rechterhand, die afgekapt moet worden. Weg met hem, opdat gij moogt genezen in een meer gezonden dampkring; weg met hem. opdat, ten koste van zijn vriendschap, andere en betere beginselen en gevoelens in u mogen ontspruiten en opbloeien. Anna Gififord was, voordat zij in Blanca Seymour's gezelschap kwam, oprecht en braaf. Haar psalmen en de levens der heiligen waren voor haar een rijke bron van lectuur. Zelfs onder den arbeid zong zij zacht hare liedjes, en haar open oog en innemend lachje spraken duidelijk van hare tevredenheid met alles wat haar omringde —

ocr page 80

en wat is zij thans? Een arm, ellendig, kruiperig schepseltje — een huichelares en een leugenaarster!quot;'

Bij deze woorden liet de arme Anna het hoofd zinken op den leuningstoel, waarin Margaretha was gezeten.

»En Blanca Seymour,' ging de oude dame voort, »was, eer zij Anna Gifford had leeren kennen, bescheiden, vriendelijk, dankbaar en tevreden, vol weetgierigheid en gelukkig in hare omgeving. Maar thans is zij stijfhoofdig, ijdel, trotsch en ontevreden met haar gouvernantes en gezelschapsdames; en hoever binnen vier maanden het inwendig bederf door het lezen van deze verfoeielijke boeken reeds is voortgewoekerd, dat weet God alleen en pater Antonius. Vraagt thans elkander om vergiffenis voor de ergernis, die gij elkander wederkeerig gegeven hebt, en geeft elkaar een afscheidskus, want gij zult elkander niet meer zien!quot;

Op dit oogenblik wierp Blanca de gordijnen waarachter zij zich verborgen had, woest ter zijde en deed een sprong voorwaarts. »Wat,quot; riep zij uit, alkander niet meer zien?quot; En doodsbleekheid bedekte hare wangen en haar lippen beefden, zij kon niel verder spreken. Cecilia, die vreesde, dat zij in onmacht zou vallen, nam haar in hare armen en ondersteunde haar, toen zij hare weenende vriendin voor het laatst wilde omheizen. «Ach, Anna,quot; riep zij uit, »ik ga met u mede, wij zullen ons onderhoud verdienen met een winkeltje, de koningin zal mij wel zooveel geld willen leenen.quot; — Zij wist niet, wat zij zeide, en bemerkte niet, dat de arme Anna reeds lang was heengegaan en dat niet zij, maar Cecilia haar zoo hartelijk omarmde. De deur werd dichtgetrokken en beide waren alleen.

»Ik ben het, ik Cecilia,quot; zeide deze na een tamelijk lange pauze.

»0, juffrouw Cecilia,quot; riep Blanca uit, »waarom zendt de almachtige God mij zulk een verdriet over, nog voordat ik door het Vormsel sterkte heb ontvangen, en waarom kon deze verschrikkelijke mevrouw Margaretha niet wachten tot na dien tijd?quot;

»Ik heb haar hooren zeggen, dat degenen, die alleen hebben gezondigd, met elkander zullen moeten boeten, maar dat degenen

ocr page 81

die met anderen misdreven hebben, alleen hun straf moeten dragen en de woorden, die gij nu van haar vernomen hebt, stemden volkomen met dit uitgesproken beginsel overeen. Zij gelooft niet, dat, als Anna hier in huis bleef, gij genoeg zelfbeheersching zoudt bezitten, om allen omgang met haar te vermijden maar dat gij beiden dikwijls een gelegenheid zoudt zoeken, om in het geheim met elkander te spreken en elkaar dwaze gedachten in het hoofd te zetten. Aan zulk een voortdurende bekoring in uw onmiddelijke nabijheid weerstand te bieden, zou voor u veel zwaarder zijn, dan deze scheiding, hoe smartelijk zij ook wezen moge; ,vant leven te midden der gevaren zonder te vergaan of schade te lijden, verlangt God slechts van hen, die door de gaven des heiligen Geestes gesterkt zijn.quot;

»Gij meent dus, dat zij de harde woorden: »gij zult elkander niet meer zien,quot; slechts zoo bedoeld heeft; »gij zult elkander niet meer zien, voordat gij gevormd zijt?quot;

»Dat kan ik u niet zeggen,quot; hervatte Cecilia; »maar mij dunkt dat de hoop op wederzien zal afhangen van uw beider gedrag; want dat is het beste teeken van uw berouw. Maar hoewel ik volstrekt niet ongevoelig ben voor uwe droefheid, schijnt zij mij toch niet rechtvaardig toe in haar oorzaak. Ik zie wel, dat gij bedroefd zijt om het verlies van Anna, dat gij schaamte gevoelt over hetgeen gij gedaan hebt en spijt wijl gij de gunst van mevrouw Margaretha hebt verbeurd, maar ik bemerk bij u geen berouw of leed over de ontevredenheid Gods, welke gij u op den hals hebt gehaald. Vandaar dat uw droefheid onvruchtbaar is bij God, den Geest van waarheid en oprechtheid.quot;

«Waarlijk, juffrouw Cecilia,quot; zeide Blanca weenende, »gij zijt even streng als mevrouw Margaretha; maar ik hoop, dat God voor een arm, zwak meisje, zooals ik ben, meer toegevendheid zal be-toonen, dan gij beide.quot;

»En veronderstel zelfs,quot; hervatte Cecilia, dat gij Zijn afkeuring niet te vreezen hadt, wat geeft u dan het recht uw geest te laten verlokken door de leugenachtige voorspiegelingen zijner vijanden

ocr page 82

op het oogenblik, waarop Hij gereed staat u te bezoeken met zijn rijke gaven en genaden? Wilt gij uw hart ondankbaar voor zu!k een weldoener sluiten, en niet liever bij de reeds opgenoemde gaven ook nog de godsvrucht zien te bekomen?quot;

»De godsvrucht!quot; herhaalde Rlanca; »o zeker! ik heb die gave hoog noodig; want dan zou ik meer naar Gods stem luisteren, Hem meer liefhebben en beter zorgen, dat ik Hem niet meer be-leedigde. Misschien zou ik Hem dan even vurig beminnen als gij.quot;

»0, nog veel vuriger, zonder twijfel,quot; antwoordde Cecilia.

«Maar, zeg mij eens, hebt gij ook wel eens iemand anders bemind, behalve God?quot;

»Ik ben een wees en nog een kind; de eerste persoon, die ik beminde, was, zooals ik mij herinner, mijn oom, de eerwaarde abt van Westminster, aan wien ik alles te danken heb, wat ik bezit aan geestelijke wetenschappen en goederen. De waardigheid en heiligheid van zijn staat gaven hem in mijn oog een aanzien waarbij dj grootste wereldsche titels in het niet zonken. Hij was tegelijkertijd mijn oom, mijn beschermer, mijn biechtvader, mijn dierbaarste en meest vertrouwde vriend, ü, hoeveel schoone en eerbiedwaardige banden verbonden mij aan hem! Hij leerde mij, mijn eerste liefde aan God te schenken, hij drukte het mij als een vaste, onwrikbare waarheid in de ziel, dat geen liefde tot eenig menschelijk wezen, al steunt zij op de grootste verdiensten, al is de verhouding die zij doet ontstaan nog zoo heilig, geoorloofd is, wanneer zij de liefde Gods opzij dringt of op den achtergrond stelt. Wat andere aardsche banden betreft, waarschuwde hij mij, en ik herhaal u zijn eigene woorden, dat jonge meisjes niet te veel mogen toegeven aan de levendige indrukken die zij ontvangen, en die hen, als zij niet ten goede worden geleid, gemakkelijk op zij- en dwaalwegen voeren, zoodat zij in de liefde tot Jesus welhaast verflauwen en deze langzamerhand geheel prijs geven. Die herhaalde vermaningen maakten door Gods genade zulk een diepen indruk in mijn hart, en de vrees van ontrouw te worden aan mijn eerste, eenige en zuivere liefde, werd zoo groot, dat ik, D. z. H. s. c

ocr page 83

— 66 —

toen de jaren waren gekomen om de wereld in te treden, haar hi

zoo vol boosheid en opgevuld met valsche vrienden en verborgene g1

vijanden vond, dat ik mijn oude meesteres, bij wie ik tot nog toe a

gewoond had, om de gunst verzocht, bij haar te mogen terugkee- c

ren en mij in haren rustigen kring aan de huiselijke bezigheden 1

toe te wijden.quot;

»En wat voor bezigheden waren dat?quot; vroeg Blanca.

»Zij bestonden hierin,quot; antwoordde Cecilia; dagelijks de heilige Mis hooren in de abdij, mijn oude meesteres iets hardop voorlezen, het kleine huishouden waarnemen en een arme vrouw verplegen, die hevig met jicht werd geplaagd, en die vroeger mijn voedster was geweest.quot;

»En waart gij gelukkig?quot; vroeg Blanca.

»Ik was gelukkigquot; ging Cecilia voort, »tot aan den tijd waarop de abt in den kerker werd geworpen en de abdij werd opgeheven. Toen namen onze middelen af, de middelen die wij behoefden voor het heil onzer ziel en voor ons levensonderhoud; en onze ontberingen waren waarlijk groot. Maar God schonk mij in mevrouw Margaretha een vriendin, die reeds een biechtkind van den abt geweest was,^ten tijde dat hij de biechtvader was van koningin Maria. Wel kon zij mijn oom niet redden, maar mij heeft zij vele jaren ondersteund, en bij den dood van mijn oude tante deed zij mij ontbieden en zeide, dat zij genegen was, mij in haar huis op te nemen.quot;

»En hebt gij dan nooit verlangd te trouwen?quot; vroeg Blanca.

«Nooit,quot; antwoordde Cecilia.

«Met uw edele gezindheid en godsvrucht,quot; zeide Blanca, smoest gij wel veel gelukkiger zijn in een staat, waartegen zoovele anderen opzien. Wat mij betreft, ik moet bekennen, dat ik en Anna altijd gesproken hebben over trouwen.quot;

»0 gijquot; — sprak Cecilia, »zulk een gesprek is zeer onvoorzichtig, om niet meer te zeggen, vooral voor u, juffrouw Blanca, daar God u schijnt uitverkoren te hebben tot zijn bijzonderen dienst. Wees er van verzekerd, waartoe God 11 ook moge bestemd

4

ocr page 84

hebben, Hij zal niet nalaten, u door het Vormsel alle gaven en genaden mede te deelen, die gij in iedcren levensstaat noodig hebt,, als gij ten minste geen verdere hinderpalen stelt aan de werking des heiligen Geestes; wijd san Hem uw hart toe, ziedaar voorloo-pig uw grootste plicht. Hij klopt aan de deur van uw hart, Hij zoekt het, neemt het op met vreugde en geeft u zichzelven als loon — o Blanca! onze gedachten kunnen het niet vatten, welk een schat het is, het hart van God te bezitten!quot;

sDat is voor mij te wonderbaar, om te begrijpen,quot; zeide Blanca. »God is in mijn oog te groot, om Hem te beminnen op dezelfde wijze waarop ik een menschelijk wezen beminnen kan.quot;

»Gij zult het spoedig begrijpen,quot; antwoordde Cecilia; sHij zelf zal het u leeren.quot; Daarna voegde zij op zachten toon er bij : »Alwie bemint, kent den klank dezer stem.quot;

JCijoj'Sjtii ft.

»Waar is juffrouw Anna Baile}'?quot; zeide Joanna. »Men begint de oude koets reeds in gereedheid te brengen, er zijn twee huurkoetsiers besteld en drie draagkoetsen en een groote menigte paarden en wagens voor het huisraad — alles omdat wij naar het oude huis in Fens tenigkeeren en dat zonder iets aan mij te vragen, zonder mij iets te zeggen! En ik, te midden var mijn ingemaakte vruchten en pekelvleesch, heb nauwelijks den tijd om andere kleederen aan te trekken, alleen door die drukte en dat volpakken van wagens en koetsen!quot;

»Men vraagt, of gij zoo goed wilt zijn in te stappen,quot; was de boodschap van een meisje. »Wij zijn allen reeds klaar, behalve de personen die zullen plaats nemen in Mevrouw's eigene koets; deze zal den stoet sluiten.quot;

»Het is verschrikkelijk! Heeft men ooit gehoord van zulk een

*) Thomas a Kempis.

ocr page 85

— 68 —

*

hoon als dien, welken men mij aandoet, mij, een persoon op zulk een leeftijd en van zulk een ondervinding — achter mijn rug het geheime plan op touw zetten om naar Fens terug te keeren! —

Daar kan die Mevrouw Margaretha maken en breken wat zij wil, gaan en komen, zooals het haar belieft, en de koningin heeft er geen woord over te zeggen! De heele wereld zal dat een hek-senstreek noemen — maar ik weet het spoor om het geheim te ontdekken, een spoor van onberekenbare waarde, waarmee zelfs doctor Dee 1) eer in zou leggen!quot;

»Mevrouw Joanna, hier is uw reismantel!quot; zeide een ander meisje.

gt; Het isquot; ging Joanna voort, terwijl zij haar reismantel omwierp, »inderdaad een buitenkansje voor Mevrouw Margaretha dat het geluk der koningin, laat ik maar zeggen afhangt van het hare.

Vandaar dat Hare Majesteit zoo bezorgd is, dat haar toch niets zal overkomen, want anders liep zij zelf gevaar.quot; —•

ȟ, mevrouw Joanna,quot; fluisterde het eerste meisje, dat weer terugkeerde, haar toe: daar komt de dame zelf.quot;

ïZie zoo, mevrouw! ik ben gereed,quot; ging Joanna eensklaps weer met een vriendelijk gelaat voort. jWat zal die goede burgemeester toch wel zeggen van ons plotseling vertrek ? Och, och,

andere menschen mogen gaan waarheen zij willen, maar wij kunnen öns niet verroeren of het geschiedt op bevel,quot;

Eindelijk dan zette zich de lange stoet van koetsen en wagens van het huis van mevrouw Margaretha in beweging naar den groeten straatweg en vervolgde zijn tocht naar het oude kasteel te Fens, tot groot misnoegen niet alleen van mevrouw Joanna en vele andere dames, maar ook van juffrouw Bailey, die zich echter troostte met de gedachte, dat zij oud genoeg was geworden, om over niets meer verwonderd te zijn.

Bij de eerste halte, negen mijlen van Lincoln, zeide Marga- i

retha tot deze laatste:

1

Dr. Dcc was een beroemd astroloog ten tijde der regeéring van koningin Elisabeth, bij wie hij gunstig stond aangeschreven.

ocr page 86

»Gij moet nu een draagkoets nemen en met de twee boeren, die ik zal ontbieden om u te assisteeren, den stoet sluiten; want ik rijd met mijn koets niet verder.quot;

»En juffrouw Blanca?

»Gij zult u een tijd lang zoowel haar gezelschap als dat van Cecilia moeten ontzeggen. Wij hebben dit toertje met u medegemaakt uit beleefdheid en nu moge God u verder geleiden!quot;

sDan heeft het allen schijn,quot; zeide Bailey, jdat gij Lincoln slechts hebt verlaten, om Nicolaas Frosham, den burgemeester, te ontloopen, en gij wilt dus weer terugkeerenrquot;

jlk wil,quot; gaf de dame ten antwoord, sniet wat ik wil, maar wat een ander wil.quot;

»0, arme juffrouw Blanca!quot; zuchtte Bailey; gt;ik vrees voor u het ergste, zoolang deze onrustige bewegingen ten gunste der Schotsche koningin onze koninklijke meesteres dwingen, een scherp toezicht te houden en dubbele waakzaamheid te oefenen over haar familieleden.quot;

»Vaarwel, juffrouw7 Anna!quot; zeide Margaretha, zonder deze laatste opmerking te beantwoorden. AVees zoo goed en houd de jonge Anna Gifford wèl in het oog, zet ook het onderricht over het heilig Vormsel ijverig voort, want het zou kunnen gebeuren, dat een heer van de andere zijde van den Oceaan uw gastvrijheid kwam verzoeken. Ontvang hem goed; en als hij van u een wei-nigje wijn vraagt, kunt gij daaruit weten, dat hij de afgevaardigde van den bisschop is, — maar verlangt hij een weinig olie, dan kunt gij er uit besluiten, dat het de bisschop zelf is; en als pater Antonius nog tijdig genoeg daarvan in kennis kan worden gesteld, moet Anna gevormd worden, en wel voor het aanbreken van den dag; niemand mag er van weten, dan gij vieren en Marcus, de jager.quot;

»Hij is geen jager,quot; zeide Bailey lachende.

gt;Spreek over hem nooit anders, dan over een jager,quot; merkte de dame op.

»En mijn lieve Blanca,quot; sprak Bailey, op nieuw dit punt aan-

ocr page 87

roerende, »mijn leergierige scholier, aan wier vorming ik zooveel zorg heb besteed, met wie ik juist het eerst het onderricht van het Vormsel heb doorloopen, waar is zijr Wat hebt gij met haar voor, dat zij niet komt?quot;

t Anna Bailey!quot; zeide de dame, »wij zijn nu bijna veertig jaar vriendinnen die elkander hoogachten; twintig jaren lang heb ik u even oprecht vertrouwen geschonken, als gij mij; want het is zoet, een geheim met een ander te deelen; het aangename wordt daardoor dubbel aangenaam en het smartelijke valt lichter te dragen; gij kunt daarenboven een geheim evenlang bewaren als ik. Beoordeel ik u op dit oogenblik onrechtvaardig, mistrouw ik u? God behoede mij daarvoor! Maar dit geheim heeft zijn gevaren, en geloof mij, juffrouw Anna, dat het slechts tot haar eigen bestwil geschiedt, wanneer ik het u niet mededeel, hoe gij u ook moogt beklagen over het onvriendelijk stilzwijgen van Margaretha Wijc-keham.quot;

Bailey drong niet verder bij haar aan, daar zij zich troostte met de gedachte, dat het geheim van niet al te langen duur zou zijn, maar maakte in de koets plaats voor een der dienstmeisjes en steeg in de voor haar bestemde draagkoets, zoodat zij als de laatste van den stoet de achterhoede commandeerde, terwijl Joanna aan de spits het bevel voerde over al de koetsen en wagens. Anna Bailey had van haar jeugdige scholier geen afscheid kunnen nemen, en groot was daarom de verwondering van Blanca, toen zij mevrouw Margaretha het bevel hoorde geven, de verdere reis naar Fens te staken en terug te keeren, maar nog grooter toen men op drie mijlen afstands van de stad Lincoln eensklaps een breeden en langen rijksweg opging en versche paarden voorspande, die de oude koets pijlsnel in zuidwestelijke richting van de stad afvoerden.

Iedere afwisseling brengt opgewektheid in een jeugdig gemoed, en onze kleine heldin was, ondanks haar bekende vreesachtigheid, zoo diep er van overtuigd, dat men haar bij een bisschop wilde brengen om gevormd te worden, dat zij volstrekt niet ontstelde

ocr page 88

door het geheimzinnige van deze onverwachte en plotselinge reis. De afwisseling der landschappen, de frissche lucht en meer andere aangename indrukken werkten mede, om haren geest op te wekken en terwijl zij uit liet vensier lag, zong zij dan ook vroolijk haar lied, totdat men stilhield voor een hotel, waar de nacht zou worden doorgebracht. Het scheen, dat men hen reeds verwacht had; hoewel zij hier weer vrij geheimzinnig werden behandeld, betoonde men hun toch zooveel vriendelijkheid, dat zij het niet beter konden verlangen.

sJuffrouw Cecilia!quot; zeide Blanca, toen zij met haar vriendin alleen was, sik ben overtuigd dat ik spoediger gevormd zal worden, dan wij gedacht hadden. Misschien is de bisschop wel in dit huis verborgen!quot;

------HH—•

Se^9lt;5 Itoo'potu ft:

Onze vrienden waren reeds drie dagen onderweg geweest, toen zij de voorsteden naderden eener ontzaggelijke stad. Vooral op dien laatsten dag was Cecilia vervuld van bekommernis, en deze groeide nog aan, toen zij de stad zelve naderden, en zij met schrik gewaar werd, dat deze ontzaggelijke stad geen andere was dan Londen! Levendig medelijden en niet te verwinnen argwaan vervulden haar gemoed. »0,quot; dacht zij bij zich zeiven, »wat anders kan deze mevrouw Margaretha in haar schild voeren, met die ongelukkige juffrouw Blanca naar Londen te brengen, dan den toeleg, om haar als een slachtoffer over te leveren aan de wreedaardige luimen der koningin, die haar in den Tower zal opsluiten!quot;

Voordat zij Lincoln verliet, had zij vernomen, dat de hertog van Norfolk al zijn plannen tot bevrijding van koningin Maria Stuart van Schotland, die als gevangene zuchtte in het kasteel van Fotheringhay, had zien mislukken. Daaruit trok zij het waarschijnlijke besluit, dat de ontdekking zoowel van deze pogingen, als van den

ocr page 89

— 72 -

L _____________________________________________

_

opstand in het Noorden onder aanvoering van graaf Percy van Northumberland een aanleiding was geworden, om Blanca van haar vrijheid te berooven; en zij wist niet, of zij zich moest verheugen of niet, omdat dit jonge slachtoffer — want als zoodanig beschouwde Cecilia Blanca — thans haar gewone vreesachtigheid geheel ter zijde had gesteld en zich scheen bezig te houden met stille, inwendige, ernstige overdenkingen over haar naderende biecht en over het Vormsel, ofwel met bewondering de afwisselende na-tuurtooneelen beschouwde, welke de landschappen langs den grooten weg aanboden.

Maar medelijden en argwaan waren niet de eenige gevoelens, die Cecilia op dezen tocht pijnigden. Veel meer hinderde haar — want haar geweten kwam daartegen in verzet — het gestrenge oordeel, hetwelk zij, — terecht of ten onrechte, dat was haar niet duidelijk — over mevrouw Margaretna moest vellen, en als het arme kind haar overtuiging uitsprak, dat deze reis niets anders ten doel had, dan een bisschop op te zoeken, die hier of daar verborgen was, om haar het H. Vormsel toe te dienen, dan werd Margaretha's voorgewendde vriendelijkheid en kalmte van gemoed voor Cecilia geheel onverdragelijk, en met al de kracht van een edel en heldhaftig karakter zette zij haar zinnen op het ontwerpen van een plan, waardoor dit onschuldige slachtoffer eener bloedgierige staatkunde gered zou kunnen worden.

Op dat eigen oogenblik ging de koets eenigszins in de hoogte en ratelde over de steenen, onder de gewelfde poort door, den tuin van »Somerset-housequot; binnen. Zij mochten daar echter niet aanstonds uitstappen, maar moesten wachten, totdat het den poortwachter beliefde een gewonen huisknecht weg te zenden en een anderen meer deftige bediende te doen ontbieden, die tot Marga-retha zeide, dat zij seen zeer slechten dag gekozen had.quot;

Daarop verzocht de dame den man, nog eens naar binnen te willen gaan en te melden 5 dat zij de juweelen wilde teruggeven, die zij van een der hofdames had geleend, en dat zij tegelijkertijd een pak met nieuwe Lincolner-handschoenen medebracht.quot; Dit ge-

ocr page 90

heimzinnig bevel had de gewenschte uitwerking, de deur werd geopend, onze vrienden beklommen de trappen en werden voor dien dag en den volgenden nacht geherbergd in een reeks van prachtig gemeubileerde vertrekken, die tot groot genoegen van Blanca uitzicht gaven op de rivier. Zij zagen niemand van degenen wier gastvrijheid zij genoten, en zelfs Margaretha verliet hen weldra tot aan den volgenden dag; maar voordat zij de kamer uitging nam zij nog een klein schilderij van een der wanden, bracht haar gezelschap in een kleine vierkante ruimte daarachter, en zeide: »Als de groote klok zes uur slaat, klop dan op dit schuifje en blijf wachten op den heiligen man, die komen zal om uw biecht te hooren.quot;

Tot haar grooten troost was die priester niemand anders, dan pater Antonius, en Blanca biechtte onder vele tranen alles, wat haar geweten bezwaarde, en ontving de absolutie, die Goddelijke kracht waardoor de doode zielen weder tot het leven terugkeeren.

Daarna beval hij haar, hare gedachten en overwegingen alleen te richten op de voorbereiding tot het ontvangen van het Sacrament des Vormsels. Toen Blanca zich verwijderd had, nam Cecilia plaats bij den schoorsteen en onderhield zich langen tijd met pater Antonius, aan wien zij al haren twijfel, als haar vrees, al hare plannen bekend maakte, en verliet hem ten laatste met nieuw op-gewekten moed, thans veeleer een moed om te volharden, dan om te handelen. Na het avondeten verzocht Blanca aan Cecilia om nadere verklaring van de plechtigheden des Vormsels. »Ik heb aan pater Antonius gevraagd,quot; zeide zij, op welk oogenblik van de ceremonieën ik eigenlijk den heiligen Geest zou ontvangen? en hij gaf ten antwoord, dat het wezen van dit Sacrament bestaat in een tweevoudige zaak: de zalving met Chrisma en de oplegging van de handen des bisschops, en dat de Kerk niet heeft uitgemaakt, welke van deze beide handelingen het meeste medewerkt om het Sacrament aanwezig te doen zijn. De uitwendige zalving met Chrisma of heilige balsemolie, zegt hij, beteekent de inwendige genade en de vorm is deze: Ik te eken u met het teeken des kruizes

ocr page 91

en bevestig u met het Chrisma des heils, in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. En dan, voegde hij er bij, zal de bisschop mij een lichten kaakslag geven, om daardoor op zinnebeeldige wijze den geestelijken strijd aan te duiden, dien ik te doorstaan zal hebben, terwijl hij spreekt: »Vrede zij uiquot; Daarmede, zegt pater Antonius, wil hij mij verzekeren, dat ik nu sterkte genoeg bezit, om in mij den vrede te bewaren, er moge geschieden, wat er wil.

»Ik heb u niet dikwijls geprezen,quot; zeide Cecilia, «maar thans moet ik het doen. Gij hebt voorzeker bij pater Antonius goed opgelet omdat gij alles nog zoo nauwkeurig weet.

«Juffrouw Bailey heeft het mij reeds geleerd, dat voor ieder Sacrament drie zaken noodig zijn: vooreerst de instelling door Christus, vervolgens een inwendige genade en ten laatste een uitwendig teeken, dat de inwendige genade aanduidt. Dit uitwendig teeken moet noodzakelijk worden gesteld, wil de genade aan de ziel worden medegedeeld. Dit waren haar woorden, die zij mij voortdurend inprentte. Zonder deze zou ik de lessen van pater Antonius bijna niet begrepen hebben. O, die arme juffrouw Bailey! Wat spijt het mij, nu zij niet meer bij mij is, dat ik haar zoo dikwijls verdriet heb aangedaan! Ik zoude wel willen, dat ik dit bij haar goed kon maken!quot;

»Ik geloof,quot; gaf Cecilia ten antwoord, »dat juffrouw Anna zeer blij zou zijn, als gij haar de Ceremonieën in een brief beschreeft, en tevens welk een indruk de heilige handeling op u gemaakt heeft.quot;

»Dat zal ik met genoegen doen,quot; zeide Blanca, »en tevens kan zij daaruit zien hoe ernstig ik ben geworden, omdat ik dan, evenals zij, reeds brieven schrijf over godsdienstige zaken. Maar, wanneer zou ik gevormd worden ? Morgen r — Waar zou de bisschop zijn? — Hier in huis? — Zou pater Antonius het weten?

Op deze vragen antwoordde Cecilia niets dan: »Van dat alles weet ik niets af;quot; op dat oogenblik trad haar dienstbode binnen en berichtte, dat zij vroegtijdig ter ruste moesten gaan om morgen bij het aanbreken van den dag op te staan. Zij deden wat hun

ocr page 92

gezegd werd en sliepen een diepen slaap, maar hoelang, konden zij niet berekenen; want zij werden plotseling gewekt en kleedden zich in der haast aan. Men zette hun een klein ontbijt voor, waarvan Blanca iets gebruikte, maar waartoe Cecilia volstrekt geen eetlust toonde.

Reeds bij hun aankomst had Cecilia vermoed, dat zij in Somerset-house waren, en zij wist tot haar gröoten schrik maar al te goed, dat men langs de geheime trappen en gangen van dit huis de gevangenen bij het water bracht en hen daarover met de grootst mogelijke veiligheid en het grootste gemak naar den Tower voerde. Zij volgde nu Blanca, die arm in arm ging met mevrouw Marga-retha — een wijze en waardige voorzichtigheidsmaatregel van deze dame, daar Blanca anders ongetwijfeld vragen zou hebben gesteld, die den vereischten spoed hadden vertraagd, en waarop het arme, bevreesde meisje misschien geweigerd zou hebben mede te gaan. Thans echter lieten het duister en de moeielijk begaanbare weg, maar nog meer de beschroomdheid, die zij voor Margaretha gevoelde, zulke vragen niet toe, en zoo schreed ook Cecilia, zonder een kreet of ook slechts een woord te uiten, achter beiden voort. Onder het diepste stilzwijgen gingen zij de vele trappen af, door de groote, gewelfde gangen, en namen meteen plaats in een overdekte roeiboot. Het was doodstil. Men hoorde niets dan het klotsen der roeispanen en kwam aan den anderen oever der rivier.

Het sloeg op de Sin';-Paulskerk kwart voor tweeën, toen zij de plaats hunner bestemming naderden: de roeiers staakten hun vermoeienden arbeid, de boot gleed onder de »Traitors-Gatlt;^ of »poort der verradersquot; door, en werd vastgelegd aan den voe£ der

steenen trappen van den Tower.

.

gt;

ocr page 93

iöewnSe JCooföjtw k.

In het Zuidwestelijke gedeelte van deze vesting of staatsgevangenis, gewoonlijk White-Tower genaamd, in de bovenvertrekken van een kleinen toren, lag nu juffrouw Blanca, en voor haar knielde, zwevende tusschen hoop en vrees, haar vriendin, Cecilia Feckenham; want zij meende, dat het leven reeds ontvloden was aan het teedere, jeugdige lichaam, hetwelk daar onbewegelijk en doodsbleek voor haar lag en stortte een gebed voor de ziel. Maar het was zoo niet. Blanca opende ten laatste de oogen en richtte ze op haar trouwe vriendin. «Ik ben dan,quot; jammerde zij »een gevangene in den Tower, en nog wel, voordat ik de noodige sterkte heb ontvangen om dit verschrikkelijk lot te dragen! Slechts één wensch heb ik nog, namelijk dezen: dat ik hier en nergens anders dan hier bij een gevangen bisschop gebracht worde. O! juffrouw Cecilia, zeg mij toch, waar ik ben; gij, die altijd de de waarheid spreekt, zeg mij de volle waarheid, om Gods wille! Maak een einde, ik smeek het u, aan deze vreeselijke onzekerheid; gij ziet immers, dat ik nog een kind ben en geen kracht genoeg heb, om deze ellende te dragen!quot;

»Ik zal het doen,quot; zeide Cecilia troostende; »maar toch, wat ik weet, is slechts zeer weinig. Men behandelt mij niet vertrouwelijker dan u; en daarom kan ik u slechts van dienst zijn met hetgeen reeds bekend was, voordat wij Lincoln verlieten. Is dit waar, dan mogen wij hopen, dat gij in deze plaats van schrik versterking en troost zult vinden.quot;

»Dus is er toch een bisschop hier?quot; zeide Blanca meer opgewekt.

»Ja! een Schotsche bisschop. Hij wordt beschuldigd van deel te hebben genomen aan de poging tot bevrijding zijner koninklijke gebiedster, Maria Stuart, het is nog kort geleden dat hij met den hertog van Norfolk hier is opgesloten.quot;

»Dan hoop en wensch ik, dat hij nog steeds in leven en tevens hier moge zijn,quot; zeide Blanca met opgewondenheid; »en

ocr page 94

misschien is dit wel het eenige doel, waarom ik hier ben! Wat denkt gij daarvan, juffrouw Cecilia? Wat is uw oordeel? O, gij moet mij zeggen, wat gij hier omtrent denkt. Ach, hoe wreed zou het zijn, indien gij het mij niet zeidet!quot;

En nu brak zij in weeklachten en tranen los, en viel, daardoor uitgeput, in een langdurige bewusteloosheid, gelijk aan die, welke haar had overvallen, toen men haar uit de boot moest omhoog heffen en langs de trappen van den Sint-Thomas-toren haar cel van thans binnendroeg. Na eenigen tijd werd zij opgeschrikt door het knarsen van de grendels der buitenste deur en richtte zij haar schuwe blikken op de vreemdelinge, die met groote behoedzaamheid binnentrad. Het ivas de vrouw van den cipier, die met het opzicht over dit gedeelte van den Tower belast was. Zij bracht den vinger aan hare lippen en knielde neer voor de legerstede van Blanca; daarna sloeg zij met een vriendelijk lachje het kruisteeken, en maakte met hand en armen de bewegingen van een bisschop, wanneer hij het heilig Vormsel toedient; het was duidelijk dat zij hierdoor genoeg te verstaan wilde geven aan Blanca en Cecilia; de eerstgenoemde glimlachte en begreep de beteekenis daarvan niet, de laatstgenoemde had aanstonds haar bedoeling geraden en was op het punt een vraag te stellen aan deze haar zoo welkome vriendin, toen de vrouw, wederom den vinger aan hare lippen brengende, opstond en haastig het vertrek verliet.

Na verloop van een half uur kwam zij terug, ditmaal met verfrisschingen en met een brief van mevrouw Margaretha aan «mejuffrouw Cecilia Feckenham,quot; welke in onze taal overgezet aldus luidde:

»Deze regelen, door uw gehoorzame dienares en liefhebbende vriendin aan u gericht, dienen om u kennis te geven, dat gij voor morgen tegen het hanengekraai alles in gereedheid zult brengen en juffrouw Blanca zoo zult kleeden, als het past aan de heilige handeling die met haar voltrokken zal worden; gij kunt daarom twee vrouwelijke assistenten verwachten, die met alle behoedzaamheid en stilzwijgendheid de noodige diensten zullen bewijzen.quot;

ocr page 95

Met vreugde gehoorzaamde Cecilia aan dit bevel, en begon weldra met het toilet van Blanca, zoo vroolijk gestemd en met zooveel nieuwen moed, als de kleine vormeling zelf. Beiden waren verbaasd over de waarlijk koninklijke pracht der kleederen, die Margaretha bad bestemd en naar dc gevangenis gezonden om te dienen bij de heilige handeling, die toch slechts in een kerker zou voltrokken worden; deze dame had — misschien ook om Blanca met kalmte en waardigheid den glans te leeren verdragen, die haar vroeger of later zou omgeven — bevel gegeven, dat zoowel zij zelve als haar gezelschapsjuffers, bij ieder hoog kerkelijk feest in zulke rijke kostumen ter kerk zouden gaan als moesten zij voor de koningin verschijnen, terwijl zij hun op het hart drukte, dat zij dit moesten beschouwen als een uitwendige huldiging aan den onzichtbaren en oppersten Koning.

Opeens verscheen Margaretha zelf, vatte Blanca bij de hand, en geleidde het kind, dat haar in dezen doolhof van schrik als een troostenden engel beschouwde, naar een verderaf gelegen hoek derzelfde verdieping, naar een vertrek, dat met allen spoed was herschapen in een tijdelijke kapel, en tot dat doel naar behooren was versierd, zoodat dit anders zoo vunzige kerkerkamertje thans het hartverheffend schouwspel opleverde van een eerbiedwaardig heiligdom, waar lichtglans, blijde hoop en vriendelijke welkomstgroeten den binnentredende tegemoet zweven.

In het midden der kapel stonden een knielbankje en een stoel voor Blanca. Zij wachtte daar op de komst van den prelaat, die door God op zulk een wonderbare wijze bestemd was, het werktuig te zijn van Zijne genade voor de ziel van het jeugdige kind. Er klonken geen orgeltonen ter begeleiding van den hymnuó die werd aangeheven: »Kom, heilige Geest!'quot; men hoorde geen harmonie van zangstemmen, die het hemelsch lofgezang voortzetten.

Blanca knielde op haar plaats en was verdiept in godvruchtig gebed, toen er vlak bij liet altaar een deur openging. Zij hief haar hoofd omhoog en ontwaarde den gevangen bisschop van Ross, die vergezeld van twee priesters, binnentrad.

ocr page 96

Daarna werd de heilige Mis gelezen. Toen deze geeïndigd was, keerde de bisschop zich aan het altaar om, en zich met de handen op de borst gekruist tot Blanca wendende, sprak hij volgens de liturgie in het Latijn; »De heilige Geest kome over u en de kracht van den Allerhoogste beware u van zonden.quot;

Antwoord: »Amen!quot;

Daarna maakte hij het teeken des kruizes, en zeide: »Onze hulp is in den naam des Heeren.quot;

Antwoord: »Die hemel en aarde gemaaKt heeft.quot;

Bisschop: »Heer, verhoor mijn gebed.quot;

Antwoord: »En laat mijn geroep tot u komen.quot;

Bisschop: jgt;De Heer zij met u.quot;

Antwoord: ïEn met Uwen geest.quot;

Vervolgens strekte de bisschop zijn handen uit naar Blanca en sprak het volgende gebed: «Almachtige, eeuwige God, die u gewaardigd hebt, deze uwe dienaresse door het water en den heiligen Geest te doen herboren worden, en haar de vergiffenis harer zonden hebt geschonken, zend van den hemel op haar neer uwen zevenvoudigen heiligen Geest, den Vertrooster.quot;

Antwoord: »Amen!quot;

Bisschop: »Den Geest van Wijsheid en Verstand.quot;

Antwoord: »Amen!quot; —

Bisschop: »Den Geest van Raad en Sterkte.quot;

Antwoord: »Amen!quot; —

Bisschop: »Den Geest van Wetenschap en Godsvrucht.quot;

Antwoord: »Amenlquot; —

»Vervul haar met den Geest van uwe Vreeze, en teeken haar met het teeken van het kruis van Christus, en geleid haar in Uwe Barmhartigheid ten eeuwigen leven, door denzelfden Jesus Christus, Uwen Zoon onzen Heer, die met u leeft en regeert in de eenheid van denzelfden heiligen Geest, God van eeuwigheid tot eeuwigheid!quot;

Antwoord: »Amen!quot;

Na deze gebeden ging de bisschop weder zitten en zette men hem den mijter op het hoofd. Blapca werd voor hem gebracht,

ocr page 97

knielde neder, en de bisschop zalfde haar met den gewijden balsem in den vorm van een kruis op het voorhoofd, terwijl hij zijn linkerhand op haar hoofd legde en zeide: »Ik teeken u met het teeken des kruizes, en bevestig u met het Chrisma des heils, in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes.quot; Toen ontving Blanca den lichten kaakslag, die vergezeld ging van de woorden: «Vrede zij u,quot; zooals haar gouvernante haar dit reeds vroeger zoo nauwkeurig had verhaald.

Na de zalving en de handoplegging, de tweevoudige materie van het Sacrament des Vormsels, beklom de bisschop weer het altaar en sprak het volgende gebed:

«Bevestig, o God, hetgeen gij in ons gewerkt hebt in uwen heiligen tempel in Jerusalem; eere zij den Vader en den Zoon en den heiligen Geest, gelijk het was in den beginne en nu en altijd en in de eeuwigheid der eeuwigheden. Amen! Toon ons, o Heer, Uwe Barmhartigheid!quot;

Antwoord: »En geef ons uw heil.quot;

Bisschop: De Heer zij met u.quot;

Antwoord: »En met uwen Geest.quot;

Bisschop: »Laten wij bidden. O God, die aan uwe Apostelen den heiligen Geest hebt geschonken en bevolen, dat Hij door hen en hunne opvolgers ook aan de overige geloovigen zou worden medegedeeld, zie genadig neder op hetgeen wij, uwe arme dienaren, hebben verricht, en geef, dat het hart dergenen, wier voorhoofd wij met het heilig Chrisma gezalfd en met het teeken des heiligen kruizes geteekend hebben, door denzelfden heiligen Geest, die op hen is nedergedaald, tot een tempel Zijner glorie worde gemaakt. Gij, die met den Vader en den heiligen Geest leïft en regeert van eeuwigheid tot eeuwigheid, Amen!quot; Daarna gaf de bisschop aan de aanwezigen zijn zegen met de woorden; »Ziet, zoo zal hij gezegend worden, die den Heer vreest. De Heer zegene u uit Sion, opdat gij den voorspoed van Jeruzalem moogt aanschouwen al de dagen uws levens, en het eeuwige leven moogt bezitten Amen!quot;

ocr page 98

De gewone toespraak, die de bisschop gewoonlijk houdt na het toedienen van het Sacrament des Vormsels, ware hier voorzeker misplaatst geweest. Margare'I.a vatte Rlanca bij de hand, gaf een wenk aan Cecilia, en alle drie volgden zij den bisschop naar het aangrenzende vertrek, dat als sacristij had gediend en tusschen deze kapel en de kerkerkamer van den bisschop in was gelegen. Flier ontving de doorluchtige prelaat het meisje met de hartelijkste teederheid, zegende haar nogmaals en zeide; »Mijn lieve, beste kind! Ik mag op dit oogenblik met den psalmist tot ii zeggen: »Uw God heeft u gezalfd met de olie der vreugde boven al uwe genootenquot;; want duor het heilig Chrisma en de oplegging der handen is u een genade en een voorrecht te beurt gevallen boven al de kinderen van dit land, die niet in de gelegenheid zijn, dit eerbiedwaardige Sacrament te ontvangen. Hef dan uw hart omhoog en wees blijde! Wees blijde, omdat gij nu met den heiligen Paulus door God geroepen zijt, groote dingen te verduren voor Zijnen naam. Reeds door het Doopsel zijt gij een kind Gods geworden en nu kunt gij met denzelfden Apostel zeggen: Toen ik een kind was, dacht ik als een kind, sprak ik als een kind, en gevoelde ik als een kind; maar thans, nu ik gevormd en gesterkt ben geworden, leg, ik af de dingen die aan kinderen eigen zijn. De Goddelijke Voorzienigheid heeft U binnen deze vesting gevoerd, om kracht te ontvangen tegen alle soort van beproevingen; gij hebt haar ontvangen door de handen van een gevangene en door een mond, die binnen weinig tijds verstommen zal onder den bijl van den scherprechter; maar zij die u hierheen zonden, hadden andere bedoelingen, dan uw heilig Vormsel, en daar gij thans sterk genoeg zijt om die te vernemen, wil ik ze u, op verzoek van deze hooggeachte dame, hier mededeelen.quot;

»Als het u belieft, hoogwaardige bisschop!quot; zeide Blanca; »ik zal ze op mijne knieën aanhooren.quot;

Cecilia, die bij de deur stond, kon thans niet meer verstaan, wat er gesproken werd; want dc bisschop had zich tot Blanca voorovergebogen en fluisterde; toch was geen onrustige aandoening D. z. H. S. 6

ocr page 99

of beweging aan haar merkbaar, en toen zij den laatsten zegen had ontvangen, opstond en op haar vriendin toetrad, was de uitdrukking van haar gelaat wel zeer zenuwachtig, maar toch opgewekt, ernstig, doch bedaard. Thans ontvingen ook Margaretha en Cecilia den zegen van den doorluchtigen gevangene, verlieten den bisschop en keerden terug, maar niet meer naar den toren aan de Zuidwestzijde, welke tot nog toe voor Blanca bestemd was geweest, maar door tal van ruime, leegstaande vertrekken, naar een hoogere verdieping, totdat Margaretha ten laatste aan een deur klopte, waarboven het koninklijke wapen geschilderd was.

dc fitjte Itoojdstufi.

Toen onze vriendinnen het vertrek binnentraden, werden zij ontvangen door dezelfde twee juffers, die Blanca voor de plechtigheid van dien morgen hadden aangekleed.

»Weet zij er van?quot; vroeg een hunner fluisterend aan mevrouw Margaretha.

»Zij is van alles op de hoogte,quot; antwoordde de dame.

»Nu dan,'' ging de eerste voort, »dan is het misschien beter, niet langer meer te wachten;quot; en zij opende een deur, die van de voorzaal, waarin zij zich bevonden toegang, gaf tot een groote ruimte met hooge gewelven. Zij verzocht haar gezellin en Cecilia bij de deur te wachten, terwijl Blanca en Margaretha door het vertrek gingen, aan welks uiteinde eenige treden naar een meer verlichte balkonkamer voerden. Daar zat een dame in diepen rouw gehuld. Toen zij voetstappen vernam, stond zij op en ging achter een neerhangend tapijt staan, terwijl Margaretha en Blanca de trappen beklommen en wachtten, totdat zij zich weder zou ver-toonen. Dc vensters, of liever gezegd, de kijkgaten, waren iioog in den muur aangebracht, en daartusschen hingen eenige schilderijen en een Crucifix. Op de tafel lagen eenige gebedenboeken, rijk

ocr page 100

- 83 -

bezet met juweelen en verschillende naai-en borduur-gereedscliappen.

Blanca was in diepe gedachten verzonken, toen de dame opeens-te voorschijn trad, een buiging maakte voor Margaretha en weer op haren zetel plaats nam, terwijl zij beiden liet staan. Na eenige oogenblikken gaf zij echter met de hand een teeken, dat zij zouden gaan zitten, en strekte haar sidderende hand uit naar een rond album met portretten, dat voor haar op de tafel lag. Na eenige vruchtelooze pogingen om te spreken, kon zij eindelijk zeggen: »Is dit het jonge meisje, dat gij onder uwe hoede hebt, mevrouw Margaretha Wyckeham rquot;

»Dat is zij, moge uwe Hoogheid er niet aan twijfelen !quot; antwoordde Margaretha.

»Het zou een wreedaardig bedrog zijnquot;, zeide de lady, »als men haar wilde misleiden.quot;

»Dat zou het, ongetwijfeldquot;, was het antwoord.

»Met Sint Matthaeus wordt het al dertien jaar en vijf maanden!quot; zeide de lady ernstig nadenkende; daarna zich tot ISlanca wendende ging zij op ietwat scherpen toon voort: »Mag ik u verzoeken, jonge dame, u ongesluierd te vertoonen, zOoals ik zelf ben ?quot;

Blanca wierp haren sluier achterover en staarde de dame aan.

»Zeg eens iets tegen mijquot;, riep de lady vervolgens. «Spreek een woord als ik u hidden magquot;, herhaalde zij op meer bevelenden toon, toen Blanca aarzelde.

«Wat kan ik zeggenquot;, antwoordde onze kleine heldin ten laatste, »wat kan ik zeggen, edele vrouwe, dan dat ik wensch, dat uw hart elk mistrouwen moge verbannen en hetzelfde moge gevoelen als mijn hart.quot;

«Deze stemquot;, riep de lady uit, »deze stem komt uit de verbanning of uit de gevangeniscel en is een krachtij .-r bewijs, dan de vorm der gelaatstrekken. Maar ach! mocht mijn koninklijke nicht mij willen bedriegen, dan hnd zij veel liever mijn hoofd op het blok moeten leggen!quot;

»Zijt gij zoolang ongelukkig geweest, dat gij thans vreest.

ocr page 101

gelukkig te zijn?quot; zeide Blanca terwijl zij opstond en zich aan de voeten der dame nederwierp.

»0 mijn lieve jongen, wien ik verloren heb!quot; riep de dame, terwijl zij Blanca omhoog hief; »er is geen twijfel aan, dat is de stem van uw zuster; van wien anders, dan van een Seymour kunnen zulke muziektonen mij in de ooren klinken?''

»Het woord der koningin en ook het mijne,quot; viel Margaretha haar in de rede, »is er u borg voor, dat deze jeugdige persoon in waarheid is freule Blanca Seymour, geboren in deze staatsgevangenis van Londen, gedurende de eerste gevangenschap van uwe Hoogheid en van den graaf in 1560. Gij weet, hoe hij toen ter tijd verlof bekwam om, wegens de verwoestingen, door de pest in deze stad aangericht, u met zich mede te voeren naar zijne landgoederen, totdat het gevaar geweken zou zijn; en toen uwe Hoogheid en de graaf weder hierheen werden gebracht, was het kind ondertusschen toevertrouwd aan de zorgen van mevrouw Catharina Basset, een dame van onberispelijken levenswandel en een persoonlijke vriendin van uwe Hoogheid; vervolgens kwam zij onder de leiding van lady Lumley, en ten laatste werd ik met hare opvoeding belast, ik, die alles gedaan heb, wat mijn zwakke krachten vermochten, om haar een vorming en een omgeving te verschaffen, die pasten aan haar hooge afkomst.quot;

Terwijl mevrouw Margaretha deze woorden sprak, had de dame Blanca herhaaldelijk aan haar hart gedrukt en gestreeld, en langzamerhand begon in hare ziel de hoop te zegevieren over het wantrouwen.

»Ik geloof dat gij zeer veel van mij houdtquot;, zeide onze kleine heldin; »en zeer zeker — mijn hart zegt het mij — ben ik uw kleine Blanca.quot;

»Ik twijfel er niet meer aan!quot; zeide eindelijk de ongelukkige Catharina Grey, bezwijkende voor het machtig geweld van hoop

quot;*) Een jongere zuster van de oniielukkijje lady Jnne Cm;y. Zij w.iion beide achterkleindochters van Koning Hendrik V!1 en Mnrgnretl a 1 U'Ior. De hier genoemde lady Catharina werd, toen haar huwelijk met den graaf van Ilertforf voltrokken en openbaar geworden was, levenslang als staatsgevangene in den 1 ower opgesloten.

ocr page 102

en vreugde, waarvan haar hart zoolang verstoken was geweest; zij omarmde en kuste Blanca, en moeder en dochter lagen gedurende eenigen tijd in een lange, allerhartelijkste omhelzing. »0 mijn God! gij, die mijn arm gebroken hart weer opricht, en het vervult met een onuitsprekelijke zaligheid, bevestig in mij die gevoelens!quot;

«Bevestig ze!quot; herhaalde Blanca. szooals in haar reeds lang al het overige goede bevestigd is geweest. Ik ben dezen morgen gevormd en door de gaven des heiligen Geestes zoo sterk geworden, dat ik kracht genoeg bezit, om mijn leven lang bij u in den kerker te blijven, hetgeen, volgens de woorden van den bisschop bij God evenveel waarde heeft als het martelaarschap.quot;

Hier voelde Blanca de tranen harer moeder op hare wangen vallen; maar haar hart was zoo vol, dat zij verlichting zocht in het uitstorten harer gevoelens.

»Ik ontving heden, ging zij voort, wijsheid, om God boven het andere te stellen, en verstand voor de talrijke geboden, die Hij mij oplegt. Ook ontving ik raad, om ieder mijner handelingen wèl te wegen, en sterkte^ om alle moeielijkheden te overwinnen en kruis en lijden te dragen, en wetenschap, om mijn ziel te verrijken met heilige overwegingen, en godsvrucht^ om haar te vervullen van de liefde Gods, zoodat ik voortaan slechts zeer gaarne van Hem zal hooren spreken, en niets mij meer ter harte zal gaan dan dit: Hem niet meer te beleedigen maar slechts lief te hebben in denzelfden graad waarmede juffrouw Cecilia Hem bemint, die mij ook dit alles en nog veel meer geleerd heeft.quot;

»Mijn kind,quot; zeide de gevangene moeder, terwijl zij haar met »bekommernis aanzag, hebben zij u goed opgevoed in het katholieke geloofrquot;

»Ja,quot; antwoordde Blanca, nog steeds voortgaande met hetgeen Cecilia haar had geleerd; »en ik heb kracht genoeg ontvangen, om alle beproevingen van mijn geloof te doorstaan, kracht genoeg, om mij openlijk en vrijmoedig te verklaren voor hetgeen ik ben — een katholiek, voldoende sterkte, om zelfs het schavot te beklimmen en mijn hoofd op het blok te leggen!quot;

ocr page 103

»Houd op, houd op!quot; kreet de moeder, terwijl zij achterover in haren zetel zonk. »0, mevrouw Margaretha, hoe hebt gij zulk een daad kunnen verrichten!quot;

»Elisabeth moge ook al mijn koningin zijn, maar God is mijn koning, Mylady!quot; antwoordde Margaretha.

»0, Margaretha! Ieder weet, dat gij een ondoorgrondelijk leven leidt. De koningin durft u geen leed doen, zelfs niet eens de hand naar u uitsteken.quot;

»0 mevrouw mijne moederquot;, zeide Blanca, »hoor mij aan ten einde toe; ik heb ten laatste ook nog de gave der vreeze Gods ontvangen, die iedere andere vrees verjaagt en die in mij ook reeds de vrees voor de koningin en zelfs voor mevrouw Margaretha verdreven heeft.quot;

Mevrouw Margaretha glimlachte, en zeide tot Blanca: «Freule Blanca Seymour, neem dit perkament en vouw het zorgvuldig op; want het bevat een verklaring der koningin, dat gij deze vesting moogt verlaten, zoodra gij iets ouder zijt geworden, en dat, zoo lang gij hier verblijft, niemand u iets in den weg kan leggen. Ik had een harden strijd met hare Majesteit eer zij haar handteeke-ning onder deze artikelen had gezet. Bewaar daarom deze oorkonde zorgvuldig en verlies haar niet.quot;

»0, mevrouw Margaretha!quot; riep de dankbare moeder, »zoo-lang gij leeft, hebben wij niets te vreezen.quot;

»En ik, mevrouw Margaretha,quot; zeide Blanca, »hoe kan ik het ondoordachte oordeel, dat ik over u geveld heb, weder goed maken? Want ik heb u slechts beschouwd als mijn gevangenbewaard-ster en als het werktuig van mijn doodsvijandin.quot;

»Gij waart nog een kind tot heden morgen,quot; antwoordde de dame, »en daarom, spreek over die geheele zaak geen woord meer.quot;

»En nu,quot; ging zij voort, zich tot lady Catharina wendende, »als uwe Hoogheid het goedvond, zou ik bij u een jonge dame willen inleiden, uit wier vriendschap Blanca veel nut heeft getrokken, en die mij onlangs, toen wij in Somerset-house waren, door bemiddeling van pater Antonius, haar geestelijken vader, haar besluit

ocr page 104

liet weten, om, zoolang als Blanca hier in den Tower zou worden vastgehouden, haar lot te deelen en haar gezelschap te houden. Dit was haar vurigste wensch. Zij zou zich gevoegelijk kunnen aansluiten bij uw andere kamerjuffers. Jk geef van mijn kant gaarne mijn toestemming. Zij draagt een naam, die u welbekend is, dien van Feckenham.quot;

»Ach! de abt van Westminster!quot; zeide I.ady Catharina; »hoe-vele wonden bloeden er opnieuw in mijn hart bij het hooren van van dien naam! Ik verlang oprecht, zijn nicht te leeren kennen.quot;

»En ik wenschte,quot; zeide Blanca, sCecilia wel om iets te vragen en haar voor dit groote bewijs barer vriendschap te bedanken.quot;

Nu werden Cecilia en de twee andere juffers uitgenoodigd, in de balkonkamer te komen, en na een kort onderhoud met de beide oudere dames verzocht men Blanca, te zeggen, wat zij van haar vriendin verlangde, waarop zij antwoordde, dat het haar innigste verlangen was, dat men slangoortje,quot; het konijntje, liet komen. Echter wilde zij weten, of dit volgens de meening van Cecilia niet te kinderachtig was voor iemand, die nog pas gevormd was geworden. »Maarquot; ging zij voort, »ik geloof dat het toch beter is, het kleine slangoortjequot; aan de arme Anna Gifford te sturen.quot;

»Neen!quot; zeide mevrouw Margaretha: »gij moet het konijntje zelf houden; want al zijt gij gevormd, toch is het u geoorloofd een kleine, onschuldige vreugde te genieten.quot;

»\Vat zal hij over die trappen op- en afloopen, dat snaaksche langoortje!quot; zeide Blanca lachende, »maar wat kan ik dan aan Anna zenden ?quot;

»Geef haar,quot; antwoordde de dame, »een grooten lok van uw haar, zoo groot als hare Hoogheid het u zal toestaan, en ik zal dien zelf aan haar overbrengen.quot;

»En zeg haar,quot; ging Blanca voort, terwijl een der kamerjuffers haar den sluier afnam en een vlecht van heur haar losbond, »zeg haar, dat zij niet meer zulke dwaze wenschen koestere, maar tevreden zij met alles, wat God voor haar beschikt; want ook ik

ocr page 105

— 88 —

zelf, — al verlangde ik vroeger steeds naar meer vrijheid — gevoel mij thans zelfs in de gevangenis zeer gelukkig. Maar zij zal dit alles nog veel beter begrijpen, dan ik het haar zeggen kan, als zij eenmaal gevormd zal zijn.quot;

Toen de groote schoone haarlok aan mevrouw Margaretha werd ter hand gesteld, glansde er een traan in het oog der oude dame.

»En ik moet met Anna nog over meer spreken, voornamelijk, over hetgeen ik het eerst van juffrouw Cecilia, en op dezen dag van God zelf heb geleerd, over de zalige vreugde van Hem lief te hebben, en het verheven voorrecht, door Hem wederkeerig bemind te worden!quot;

ocr page 106

Ill,

De ]jiifl:|[aai:(iijc %nskf

ocr page 107
ocr page 108

D e Boe t v a a r d i g c % u ^ t e f i.

êetstc Jfoopiiitft.

eeds in Augustus van het jaar jS.... werd de laatste officieele maaltijd der ministers gegeven. Met deze zitting eindigde ook — zoo gingen de geruchten — de macht van het toenmalig kabinet, en mijnheer Forester, lid van dit ministerie, had laat in den avond afscheid genomen van zijn collega's, om naar zijn woning in de Stanhope-Street terug te keeren. Met ongeduld zag hij den tijd van rust tegemoet, ten einde een plicht te vervullen, die zijn geweten hem gebiedend voorschreef. Hij was in zijn binnenste Katholiek geworden, maar had nog geen gebruik gemaakt van zijn hooge voorrechten, en dit vervulde hem met gewetensangsten, die iederen dag grooter werden.

Aanstonds ging hij naar boven, naar de stille en verlatene huishoudkamers, om daar te wachten op de tehuiskomst zijner dochters, die naar het bal te Allmack waren; daar wierp hij zich neer op een sofa en was weldra verzonken in gedachten over het verledene en over de toekomst. Zoo had hij ongeveer een uur gezeten, toen Miss Forester terugkeerde, en wijl zij wist, dat haar vader haar wenschte te zien, trad zij, nog voor zich ter ruste te begeven, aanstond de kamer binnen, ging naar de sofa en vatte

ocr page 109

zelf, — al verlangde ik vroeger steeds naar meer vrijheid — gevoel mij thans zelfs in de gevangenis zeer gelukkig. Maar zij zal dit alles nog veel beter begrijpen, dan ik het haar zeggen kan, als zij eenmaal gevormd zal zijn.quot;

Toen de groote schoone haarlok aan mevrouw Margaretha werd ter hand gesteld, glansde er een traan in het oog der oude dame.

»En ik moet met Anna nog over meer spreken, voornamelijk, over hetgeen ik het eerst van juffrouw Cecilia, en op dezen dag van God zelf heb geleerd, over de zalige vreugde van Hem lief te hebben, en het verheven voorrecht, door Hem wederkeerig bemind te worden!quot;

ocr page 110

III.

Jit JSnefnaafMgs %ntm

ocr page 111
ocr page 112

De B o e t v a a i' tl i g e fyn $ t e i' 0.

êei^tc JCoojdstufi.

eeds in Augustus van het jaar iS.... werd de laatste officieele maaltijd der ministers gegeven. Met deze zitting eindigde ook — zoo gingen de geruchten — de macht van het toenmalig kabinet, en mijnbeer Forester, lid van dit ministerie, had laat in den avond afscheid genomen van zijn collega's, om naar zijn woning in de Stanhope-Street terug te keeren. Met ongeduld zag hij den tijd van rust tegemoet, ten einde een plicht te vervullen, die zijn geweten hem gebiedend voorschreef. Hij was in zijn binnenste Katholiek geworden, maar had nog geen gebruik gemaakt van zijn hooge voorrechten, en dit vervulde hem met gewetensangsten, die iederen dag grooter werden.

Aanstonds ging hij naar boven, naar de stille en verlatene huishoudkamers, om daar te wachten op de tehuiskomst zijner dochters, die naar het bal te Allmack waren; daar wierp hij zich neer op een sofa en was weldra verzonken in gedachten over het verledene en over de toekomst. Zoo had hij ongeveer een uur gezeten, toen Miss Forester terugkeerde, en wijl zij wist, dat haar vader haar wenschte te zien, trad zij, nog voor zich ter ruste te begeven, aanstond de kamer binnen, ging naar de sofa en vatte

ocr page 113

zijn arm met de woorden: »Vader, word wakker, zie en bewonder uw kleine Georgine. Hij zag haar aan met een mengeling van welgevallen en medelijden tevens.

«Ronduit gezegd,quot; ging zij voort, »uw departement van binnen-landsche zaken kan nog slechts ééne persoon aanwijzen, zooals ik ben, en dat is Julia; zij zou wel met mij mede zijn gekomen, maar er is nog een soiréetje waardoor zij verhinderd wordt. Waarom zijt gij niet wat vroeger teruggekeerd om ons beiden op ons laatste bal te komen opzoeken. Wie heeft u daar weer van afgehouden? Misschien die oude zorg — de staatsmachine? O, had haar toch laten draaien, zooals zij wilde, en waart toch naar ons toegekomen.quot;

»Ik ben ook werkelijk van plan, mijn ontslag te nemen uit staatsdienst, en deze gedachte houdt mij reeds meer dan twee uren bezig,quot; antwoordde mijnheer Forester; »daarom ook en nog om vele andere redenen, die er mede in verband staan, wilde ik u heden nog eens spreken, Georgine.quot;

»Hoe vader!quot; riep Miss Forester uit, »zegt gij uit eigen beweging uw staatsbetrekking op, of treedt het ministerie af?quot;

«Waarschijnlijk allebei,quot; antwoordde hij.

»Nu,quot; zeide zij, »op zulke veranderingen wordt door niemand meer gelet, want zij zijn aan de orde van den dag. In de volgende zitting wordt allerwaarschijnlijkst hetzelfde ministerie weer gevormd, en alles zal daarop neerkomen, dat gij eenige weken ledigen tijd hebt, om uit te rusten van de vermoeienis en nieuwe krachten te verzamelen, eer de werkzaamheden weer beginnen en de strijd opnieuw ontbrandt.quot;

»Het doet niets ter zake,quot; zeide mijnheer Forester, »ik heb vast besloten, den herfst in stilte te gaan doorbrengen op Wood-bank, waar ik — tusschen twee haakjes — grootelijks behoefte zal hebben aan uwen dienst en hulpvaardigheid.quot;

»Neen, vader, gij moet mij waarlijk verontschuldigen; Julia en ik hebben ons zeiven steeds geluk gewenscht, dat, ofschoon gij de jongste broeder zijt, uw vermogen in gezond verstand en geld

ocr page 114

bestaat, en dat wij nimmer gedwongen zijn, zooals onze arme nichten, in den herfst en in den winter boete te doen op de landgoederen van familie. Ik heb hooren zeggen, dat grootmoeder u dit Woodbank ten geschenke heeft gegeven, omdat zij van veel van u hield en opdat gij zoudt kunnen jagen en visschen. Neem vader, als gij mij niet uitnoodigt tot een reis op het vaste land, waar ik zeer naar verlang, dan ga ik liever met Julia naar Norham Court, of naar Frederik in Twickenham.

»Zijn dat dan geen landgoederen?quot; vroïg mijnheer Forester.

«Voorzeker; maar welk een verschil! Schaft Julia zich niet alle kunstwerken en gemakken aan, om alles, wat wij in de stad hebben, als het ware op te stapelen in Nordham? en ook de vrouw van Frederik heeft langzamerhand geleerd, wie zij moet uitnoodigen en wie zij moet passeeren.quot;

»Maar weet gij ook, of gij op Norham Court welkom zijt?quot;

»0 ja, vader! Lord Norham heeft mij immers verzekerd, dat hem dit juist zoozeer beviel in uw schoone dochters, dat zij'elkander zoo genegen zijn; dat hij nauwelijks wist, om wier hand hij vragen zou, en hij heeft vast beloofd, dat wij nooit de vriendschap zouden verbreken.quot;

»Maar het schijnt, zeide mijnheer Forester, dat gij dit alles in orde hebt gebracht, zonder ook slechts te vragen, of ik geneigd ben, van mijn beide dochters afstand te doen, ten gunste van mijn schoonzoon. En nu, Georgine, nu ik van u verlang, dat gij voor een tijd die voortdurende inspanning en onophoudelijke vermaken zult onderbreken, en nu ik u verzeker, dat het mij zeer groot genoegen zou doen, als gij er in toestemdet, met mij mede te gaan naar Devonshirequot;..........

» Ach neen, vader! ik kan niet; gij moet die gedachte laten varen!quot;

»Georginequot;, zeide haar vader, »hebt gij misschien op dit oogenblik voor iemand uwer kennissen bijzondere voorlietde, dan behoeft gij mij dit slechts mede te cleelen, en gij zult ondervinden, dat ik even goed als de vrouw van Frederik kan leeren, wie ik moet uitnoodigen en wie ik moet passeeren.quot;

ocr page 115

»Neen, vader, ik heb voor niemand voorliefde; maar ik kan niet breken met de partij van Almack, die onze partij is — met degenen, waarmede ik leef. Eenmaal verslappen is voor altijd een breuk veroorzaken. Dat onderscheid is zoo fijn, zoo teer, dat men het nauwelijks beschrijven kan, maar dit behoef ik tegenover u ook niet te beproeven, want gij zijt een der onzen. Gij weet wel dat het daarmede is als met het reukwerk, dat zich niet laat genieten door stand of vermogen of schoonheid, maar alleen door fijnheid van reukorgaan. Wie in ons gezelschap ingewijd is, kan het begrijpen. Het is de zoete geur, waarvan de zielen leven.quot;

»En daarom weigert gij zoo beslist mij een genoegen te doen?quot; zeide mijnheer Forester nog steeds kalm.

»Ja, vader, ik moet in dien kring met betoovering leven. Maar waarom gunt gij zoo iets niet aan Mathilde? Zij is in den bloei van haar jaren en heeft waarlijk een gezond verstand, al kan zij zich nimmer bij ons aansluiten.quot;

»Goed, Georgine,quot; zeide haar vader met een trek van diepe en grievende smart op het gelaat, »gij zijt opgegroeid tot hetgeen gij zijt — een meisje van voornamen stand, maar zonder hart. Laten wij er niet verder over spreken.quot;

Den volgenden morgen liet mijnheer Forester een vriendelijke boodschap brengen aan Juffrouw Arkwright, de gouvernante, flat het zijn verlangen was, dat Miss Mathilde hem, zoodra het haar zou gelegen komen, bij zijn studiën gezelschap zou houden. Toen dan ook de jonge Mathilde, hoogrood van verlegenheid, gezondheid en nieuwsgierigheid, van haar dagelijksche wandeling in het park terugkeerde, werd zij aangediend en met haren vader alleen gelaten.

»Ik behoef u niet te vragen, Thilde,quot; zeide mijnheer Forester, »hoe gij het maakt. Hebe zelf kan er niet bloeiender hebben uitgezien; en voornamelijk bij het einde van dit jaargetijde! Uw ontspanningen moeten wel zeer dienstig zijn voor uw gezondheid.quot;

»Ik heb geen ontspanningen, vader,quot; antwoordde Mathilde. »Ik hoop, dat gij mij op zijn laatst den achttienden van deze maand

ocr page 116

zult laten voorstellen; want Juffrouw Arkwright zegt, dat het zeer onzeker is, wanneer ik de deur uit zal komen.quot;

»Goed, Thilde; is dat uw eenig bezwaar? Ik vertrouw het, want gij ziet er nu juist niet zeer bedrukt uit.quot;

»Ik heb allerlei bezwaren, vader, die ik u wel gaarne zou willen mededeelen' als ik maar altijd bij u mocht zijn.quot;

»Nu, Thilde, al wenscht gij ook slechts daarom bij mij te zijn, om mij uwe bezwaren mede te deelen, toch doet het mij zonder twijfel genoegen, als gij mij uw vertrouwen schenkt, ofschoon ik nog weinig vleiende bewijzen van uw aanhankelijkheid aan mij heb. Maar, wat is dan uw eerste bezwaar?quot;

»Vader, mijne zusters hebben bijna alle juweelen en overige kleinodieën van onze goede moeder onder elkander verdeeld. Juffrouw Arkwright weet dat zeer goed, en toch hadden zij onder ons drieën verdeeld moeten worden. En toen Julia trouwde en in het bezit kwam van al de juweelen van Norham, kreeg Georgine de colleclie amethysten, de groote diamant en verschillende andere dingen terug, zoodat zij nu in het bezit is van al de sieraden van mama. En dit is alles behalve schoon,quot; zegt Juffrouw Tyler.

«Juffrouw Tyler!quot; zeide mijnheer Forester, »komt die nog altijd hier rquot;

«Doorgaans des Zondags, vader. Maar keurt gij de handelwijze tegenover mij — wat de juweelen betreft — goed?quot;

»Bedaar Thilde, ik zal over de zaak eens rijpelijk nadenken. Hebt gij nog iets anders op uw hart?quot;

»Ja, vader, wilt gij mij niet toestaan, dat ik ophoud met harpspelen? Ik heb er toch niets van dan onrust. Ik kan mijn instrument niet in het muziekzaaltje bewaren, want Georgine wil het in haar boudoir hebben, en mijnheer Dezi zegt, dat ik op geen andere spelen moet, omdat ik aan deze gewoon ben. Maar misschien, vader, koopt gij er wel een voor mij, die juist hetzelfde is.quot;

»Ik dacht, Thilde, dat de piano uw instrument was?quot;

»Ja, vader, maar Juffrouw Arkwright zegt, dat ik op geen enkel instrument een ster van de eerste grootte zal worden, en daarom

ocr page 117

beter deed, als ik mijn talenten besteedde op verschillande instrumenten.quot;

»Zeg mij eens, Mathilde, kunt gij iets opnoemen, wat u waarlijk gelukkig zou maken, of zal ik eens iets voor u uitdenken?quot;

Mathilde's nieuwsgierigheid was weder ontwaakt, en zij zag haren vader met schitterende oogen in het gelaat. »Denk er eens over,quot; zeide hij, »of gij gaarne mijn eenige begeleidster zoudt zijn op mijn reis naar Devonshire, om mij het oude huis met zijn omgeving te helpen opknappen, mij iets voor te lezen en aangenaam bezig te houden, met hetgeen gij hebt geleerd van uw meesters en gouvernantes sinds gij van de kinderkamer naar de leszaal zijt overgegaan.quot;

»Ja, vader!quot; riep zij met een uitstorting van onverwachte vreugde uit, »dat zou ik zeer gaarne — dat zou mij gelukkig maken. Want juffrouw Arkwright heeft geen lust meer in de opvoeding, en Georgine zegt, dat ik onhebbelijk ben, en Julia ziet nooit naar mij om, daarom wil ik u zeer gaarne vergezellen, vader.quot;

«Goed, mijn arme Thildequot;, zeide haar vader, »het schijnt dat wij beiden in denzelfden toestand zijn, dat wij niet in aanmerking komen, als er sprake is van hoffelijkheid of gezelligheid onder de leden onzer familie. Wij moeten elkander daarom beter leeren kennen en troosten.quot;

»Koning I-ear is met zijn Cordelia vertrokken,quot; zeide juffrouw Forester, toen zij weinige dagen later bij haar zuster in huis kwam en haar verlangen te kennen gaf, daar huisgenoote te worden; »wij moeten ons dus evenals Goneril en K.egan op stormen en [verwen-schingen voorbereiden.quot;'

Deze gevoellooze scherts werd uitgebracht op een zoeten toon, met een lachje en een oogslag waaruit meer bijtend sarcasme sprak dan men bij een of ander meisje van dien leeftijd kon vermoeden, behalve bij Georgine Forester. Het werd daarom niet slechts zonder protest, maar ook met bijzonderen bijval opgenomen, met dien zacht gelispelden bijval van de slachtoffers dei-onoprechtheid, die zij haar »standquot; noemde.

ocr page 118

cHuecSc Moojdótufi.

Ofschoon Mathilde zich reeds op haar reis gelukkig gevoelde, werd zij dit nog meer, toen zij bij haar aankomst te Woodbank bemerkte, dat de gezelligheid voor haar vader alleen van haren kant moest komen, en dat het dienstpersoneel met elkander wedijverde om haar te behagen en het leven te veraangenamen. De omgeving van het kleine landgoed was liefelijk. Een kristalheldere beek met forellen vloot door een boschje en door weilanden en begrensde het schoone stuk grond ten Noorden en ten Westen. Een groep oude beuken en olmen vormde plotseling in het Oosten aan den straatweg een gemakkelijke en zekere schuilplaats voor mogelijke bandieten; en ten Zuiden had men over een open grasvlakte een rustig uitzicht op de veraf gelegen punten van het landschap; op daken van huizen, torens van dorpen, op een brug, op een molen, op golvende en bonte velden en weilanden, die afstaken tegen den roodgekleurden bodem in het Westen.

Wel was Mathilde thans vele uren van den dag alleen, maar haar opvoeding, ofschoon onder godsdienstig oogpunt zeer gebrekkig, was bijzonder geschikt geweest, om dit eenzame leven niet slechts dragelijk, maar zelfs aangenaam voor haar te maken. Gewoon aan een voortdurenden toeleg op wetenschap en kunst, had zij thans een nieuwen prikkel tot het ontwikkelen van haar werkkracht, daar hij, die het hoogste doel van haar trots was geworden, haar verzocht had, uit gezellig tijdverdrijf een — wel is waar dikwijls partijdige — maar toch verstandige kritiek op haar arbeid te mogen uitoefenen.

Terwijl zij op zekeren avond met meer dan gewone opgewektheid speelde, zong, en haren vader iets verhaalde, hield zij plotseling op en zeide:

»Vader, vindt gij mij onhebbelijk?quot;

«Volstrekt niet, mijn lieve kind; mij dunkt integendeel, dat gij onder ieder opzicht veel beter gesteld zijt, dan ik' van een D. Z. H. S. 7

ocr page 119

meisje op uwe jaren zou kunnen verlangen. Is Juffrouw Arkwright uw voorbeeld geweest?quot;

»Neen, ik heb mij trachten te vormen naar Julia, voordat zij ons verliet, maar in den laatsten tijd naar niemand; want Juffrouw Arkwright wilde niet dulden, dat ik Georgine navolgde; deze, zeide zij, verdiende geen navolging, en als ik het deed, zou het 't zelfde zijn, alsof ik een vlinder achtervolgde met een knuppel.quot;

»En stond zij u dan niet toe, dat gij uw eigen lieftalligheid den natuurlijken loop liet?quot; zeide mijnheer Forester lachende.

»Neen, vader. Zij zeide mij, dat het volgens haar vaste overtuiging het beste was, als ik mij uit mijzelven vormde. Maar thans ben ik besloten u na te volgen.quot;

Mijnheer Forester maakte met schalkschen ernst een diepe buiging, en trachtte van Mathilde te weten komen, wat Juffrouw Arkwright aan hare leerlingen als het hoogste doel van hun streven had voorgehouden. Mathilde dacht een weinig na, en antwoordde daarop; »Om te worden als Julia.quot;

»Maar,quot; zeide mijnheer Forester, wat leerde zij dan aan Julia zelve ?quot;

»Dat kan ik u niet zeggen,quot; hernam Mathilde; swant als Juffrouw Arkwright met mijn zusters een vertrouwelijk gesprek voerde, was ik er nimmer bij. Zij was in den laatsten tijd meer hun vriendin dan hun gouvernante.quot;

»Sprak zij nooit met u over godsdienstige zaken?quot; zeide mijnheer Forester. «Stelde zij u nimmer een hooger voorbeeld ter navolging voor dan uwe zuster, hoe voortreffelijk ontwikkeld deze ook moge zijn?quot;

»Juffroiiw Arkwright heeft mij eens gezegd, vader,quot; antwoordde. »Mathilde, dat het voor haar een punt van eer was, zich niet te mengen in mijn godsdienstige gevoelens; maar Juffrouw Tyler heeft mij meermalen des Zondags een weinig daarover, gesproken, en mij de heilige Maagd en die andere heiligen als toonbeelden aangewezen, die hun jeugd aan God hadden toegewijd. Maar toch,

ocr page 120

ook juffrouw Tyler stelde mij steeds mijn zuster Julia voor oogen, want zij hield deze voor zeer vroom.quot;

»Wel komaan!quot; zeide mijnheer Forester vergenoegd en levendig; «houdt Juffouw Tyler nijn arme Julia waarlijk voor vroom? Nu, God geve, dat het zoo zijn moge, en dat al haar goede daden geen ander doel mogen gehad hebben dan Zijn welbehagen. Hij alleen ziet in het hart.quot;

Hier werd het gesprek onderbroken door den terugkeer van een bode met het antwoord op een schrijven, dat mijnheer Forester dien morgen naar den katholieken priester der naburige stad had verzonden. De inhoud bestond in bemoedigingen en vertroostingen

O O O

en in de belofte, dat de eerwaardige man hem den volgenden dag zou bezoeken. Terwijl hij dit bezoek afwachtte, was zijn geest bezig met de gedachten die hem thans voortdurend vervulden — hij wierp een terugblik op zijn leven als vader, als leeraar, als leider der publieke opinie, als schrijver over moraal en politiek, als redenaar en als man van uitgebreide vriendschapsbetrekkingen. Hij had veel moeten doen voor het Goddelijk Wezen, waaraan hij geloofde, hetwelk hij vreesde, en dat hij vereerde; en waarom bad hij niets gedaan? — Om een ziekelijke verfijning die hem evenzeer tot slaaf had gemaakt van de denk- en handelwijze zijner gelijken in het openbare leven, als Georgine, zijne dochter tot een slachtoffer om te worden rondgeslingerd in den draaikolk der wereldsche gezelschappen. In den kring van verlichten waarbij hij zich had aangesloten, was. evenals in den hare, godsdienst een overbodige zaak, getuigde van weinig beschaving, diende tot niets; maar reeds gevoelde hij zijn zedelijke zelfstandigheid terugkeeren in de stilte zijner omgeving, waar hij evenals de heilige Benedictus in zijn spelonk te Subiaco alleen was met zich zeiven, of waar hij zich kon onderhouden met zijn zielzorger, door wiens lessen en vermaningen hij weder in zulk een staat hoopte te komen, dat hij een geestelijke raadsman zou kunnen worden voor zijn jeugdige dochter, wier opgewekte en werkzame geest hem zooals hij zeer juist oor deelde, rijkelijk voor die moeite zou beloonen.

ocr page 121

Den volgenden morgen kwam de eerwaarde heer Selby, en er volgde een langdurig en zeer belangwekkend onderhoud; niet over de leer der Kerk, want daarmede was mijnheer Forester reeds lang vertrouwd; hij had zich daarvan gedurende de twee voorafgegane jaren langzamerhand maar grondig doordrongen, nu echter richtte hij al zijne gedachten en gebeden op de voorbereiding tot zijn aanstaande biecht.

»Maar eer wij hier verder over spreken,quot; zeide mijnheer Selby, szijt gij wel volkomen zeker, dat gij gedoopt zijt geworden?quot;

«Toen ik mijn navorschingen in de geschiedenis en in de leer der Kerk geëindigd had, heb ik ook dit punt niet vergeten,quot; antwoordde mijnheer Forester. »Het werd voor mij een levensvraag, of het Doopsel, dat ik in de Anglicaansche Kerk ontvangen had, geldig was, en ik besloot, zoodra ik over een vrijen dag kon beschikken, al mijn aandacht te besteden aan dit gewichtig onderzoek. Dien tijd vond ik in de herhaalde afzondering, die ik zocht op het landgoed, dat thans aan mijn broeder behoort, en waar de oude parochie-geestelijke van het dorp woonde, die, toen ik gedoopt werd, reeds acht en veertig jaren in bediening was geweest. Ik bemerkte, dat hij ontevreden en gevoelig werd toen ik het punt aanroerde, of zijn vroegere geestelijke werkzaamheid op de ver-eischte geldigheid aanspraak kon maken, en ik begon de rechtmatige vrees te koesteren, dat het mij met al mijn diplomatiek beleid niet gelukken zou, de zekerheid te verkrijgen, of hij in zijn jonge dagen het Sacrament des Doopsels naar behooren had toegediend. Anderhalf uur was ik bezig om tot mijn doel te geraken, zonder dat ik den geheimen drijfveer van mijn vragen verried. Ten laatste ontdekte ik bijna tot mijne teleurstelling, dat deze trouwe man juist in de verwarde dagen der vervlogene eeuw den vorm en den regel had geëerbiedigd van het katholieke Rituaal, dat men in de Kngelsche kerk bleef bewaren, en dat ik werkelijk de geheele verantwoording droeg van een gedoopten Christen. Ik keerde naar de stad terug en overwoog onderweg, dat ik — afgezien van de weinige onschuldige jaren mijner vroegste kindsheid

ocr page 122

T-

— loi —

— minstens veertig jaren te herroepen, te onderzoeken en allerwaarschijnlijkst ook te betreuren had. En dit te beproeven, scheen mij toe hetzelfde te zijn, als nauwkeurig en juist de oppervlakte te willen berekenen van een landschap dat bedekt is door een diepen en verradelijken Oceaan. »Ja,quot; ging mijnheer Forester voort, seen overzicht te verkrijgen van een lang leven, dat meer in nalatigheid en verwaarloo^ing van zijn plichten of in wereldsche beslommeringen is doorgebracht dan in rijp overleg en ernstig nadenken, schijnt aanvankelijk een zwaar, om niet te zeggen, onuitvoerbaar werk te zijn: en de geest is onrustig en onsteld door de overtuiging, dat, bijaldien het onmogelijk is, dit slechts daar vandaan komt, wijl wij vroeger verzuimd hebben, onze aandacht te schenken aan de verschillende mijlpalen en die in ons geheugen te prenten. Het is alsof wij een verren maar hopeloozen blik werpen over eene vlakte, waarover de golven der vergetelheid zijn heengespoeld en daarna tot stilstand zijn gekomen, als een reusachtige woestijn van water!quot;

»Maar,quot; zeide mijnheer Selby, »wat wij zonder bijstand niet kunnen, dat gelukt toch aan menschen van goeden wil.quot;

»Dat is zoo,quot; bevestigde mijnheer Forester. »Wij bidden onophoudelijk, en zie, deze wateren van vergetelheid beginnen te vallen; uit de ark van onze hoop ontdekken wij eerst de hooge toppen der bergen, welke in onze zedelijke wereld het meest zichtbaar zijn en die doodzonden worden geheeten; wij loven God er voor, dat wij ze hebben gezien en erkend, en dat is alles, wat wij voor het oogenblik kunnen doen. De watervloeden zakken steeds dieper en nu onderscheiden wij ook de kleine hoogten in onze wereld van schulden en gebreken, welke men dagclijksche zonden noemt, en zoo blijft alles weer — gedurende eenigen tijd. Als dan ten laatste het geheele land uit de wateren omhoog rijst, bespeuren wij woestenijen, die bebouwd hadden moeten worden en een weel-derigen, verwarden plantengroei die besnoeiing had geeischt — dat zijn onze zonden van nalatigheid. Maar dit is nog niet alles. Daarna doorkruisen wij — terwijl onze blik steeds helderder en

ocr page 123

onze kracht in het volhardend voortgezette onderzoek sterker wordt — de verschillende gedeelten van het zedelijke landschap, hoe wij van de wild dooreengegroeide streken en van de onvruchtbare plekken langzamerhand tot de hoogere heuvels zijn gekomen, en van daar tot de doodelijke rotsgesteenten; tusschen deze gedeelten is geen scherpe afscheiding waarneembaar; wel zijn zij met elkaar verbonden door een menigte bloemrijke, glibberige paden, zoodat wij, terwijl nog meenden op het eene pad te zijn, ach helaas! reeds op een ander waren; en, om deze beeldspraak te verlaten, wij bevinden na een volhardend voortgezet onderzoek des gewetens dat wij niets zijn dan zwakheid, zonde en ellende! Dit, eerwaarde heer, is het besluit waartoe ik gekomen ben in deze bijna kloosterlijke eenzaamheid waarin ik sinds den dag van mijne aankomst hier tot aan uw bezoek van heden geleefd heb.quot;

De genade Gods heeft u wonderbaar geholpen, mijnheer,quot; zei de de eerwaarde heer Selby. »Volhard in het gebed en in het moeielijke werk van het onderzoek des gewetens; graaf diep in den grond, opdat weldra de eerste steenen van het geestelijk gebouw kunnen gelegd worden, te weten: nederigheid en vermorzeling des harten.quot;

3foo

Toen mijnheer Selby de volgende maal terugkwam, werd Mathilde aan hem voorgesteld. Na een gesprek over godsdienstige zaken in het algemeen, verwijderde zich mijnheer Forester, en zeide de eerwaarde heer Selb}^ tot haar: »Mijn waarde juffrouw, ik weet, dat mevrouw uwe moeder uit Purtugal geboortig en Katholiek was, en dat volgens een voorwaarde bij haar huwelijk, de dochters, d. w. z. uw zusters en gij, katholiek gedoopt en opgevoed zouden worden.quot;

»Wil vader misschien daarover met mij spreken?quot; zeide Mathilde zeer verlegen.

ocr page 124

»Ja,quot; antwoordde mijnheer Selby. »Hij wenscht ernstig, dat gij een geloovig lid zult worden der heilige katholieke Kerk, waarin gij gedoopt zijt. Zijt gij in uw geloof onderricht geworden?quot;

»Eenigszins,quot; antwoordde Mathilde; zij kon het nog maar niet van zich verkrijgen haar vertrouwen te schenken aan een vreemdeling. Aarzelende voegde zij er bij: »Ik heb twee boeken.quot;

»Mag ik ze eens zien?quot; zeide mijnheer Selby. Mathilde stond op om de boeken te halen, maar haar lang uitblijven stelde zijn geduld op een zwaren proef; want eerst had zij haar vader opgezocht, en toen zij hem na lang dwalen door het bosch eindelijk had ontdekt, gevoelde zij zich bijna door eenzelfde verwarring aangegrepen als toen zij bij den priester was. Maar mijnheer Forester raadde de oorzaak daarvan en zeide na eenige voorafgaande vragen: »Mijn lieve Thilde, ik heb met vreugde bij u een groote waarheidsliefde en moed te midden van uwe bekommernissen bemerkt. Gij zijt uit een katholieke moeder geboren en overeenkomstig haar vrome wenschen en mijn plechtige belofte in de katholieke Kerk gedoopt. Daar ook heb gij uw eerste onderricht ontvangen. Gij zijt dus Katholiek, en daar gij het zijt, wees het dan ook goed! Uw karakter is niet van dien aard, dat gij iets huichelt, hetgeen gij niet zijt, of verloochent, hetgeen gij wel zijt.quot;

Mijnheer Forester, die het karakter van zijn dochter had leeren kennen, wist zeer goed, dat hij de juiste snaar had aangeroerd, en hij ging daarom voort: Indien gij, evenals uwe nichten, protes-tantsch waart opgevoed, zou ik zeggen: wees met hart en ziel, wat gij schijnt te zijn — handel volgens de onbeduidende plichten, die u worden opgelegd, bid en onderzoek, en indien gij mocht bevinden, dat gij gehouden zijt, meer voor God te doen, wordt dan katholiek en wel openlijk. Maar nu gij reeds katholiek zijt, moet ik u ook als zoodanig vermanen. De katholieke Kerk verlangt niet weinig van hare kinderen, zij verlangt veel. Maar gij, Thilde, zijt niet laf. Ga dus naar mijnheer Selby en doe uw best, grondig de plichten en verbintenissen te leeren kennen, die gij hebt in acht te nemen, opdat uwe

ocr page 125

— 104 —

werken voortaan het stempel mogen dragen van waarheid, moed en volharding.

Mathilde gaf geen antwoord, maar ging haar twee boeken halen, waarvan het eene een Fransche uitgave was van den »Weg des Hemelsquot; en het andere een catechismus. Zij bracht ze aan den eerwaarden heer Selby. Ook luisterde zij bereidwillig naar zijn woord, stond toe, dat hij haar onderrichtte, haar de moeie-lijke plaatsen van den catechismus verklaarde en haar zelfs voorbereidde tot haar eerste biecht. Daar zij echter niet het minste vermoeden had, dat haar vader katholiek wilde worden, kon zij het zich niet verklaren, hoe hij zelf zich zooveel liet gelegen liggen aan de vervulling harer godsdienstige plichten, daar toch de overige familie, zooals men gewoonlijk zegt, »er niet veel aan deed.quot; En toen haar vader des avonds in de huishoudkamer met haar alleen was, zeide zij: 2Vader, ik heb u voor eenigen tijd verzocht te zorgen, dat ik mijn aandeel zou ontvangen in de ju-weelen, en gij hebt mij beloofd, mijn zaak in overweging te zullen nemen; maar thans wenschte ik iets anders van u te vernemen, namelijk, ik bedoel — waarom moet juist ik meer voor God doen dan de overige leden onzer familie?quot;

»Lieve Mathilde,quot; zeide hij na een oogenblik stilzwijgens op haar half afgebroken vraag, »wij gelooven terecht, dat wij Dengene dienen, die de hoogste Rechtvaardigheid is, en dat Hij ons rijkelijk beloonen zal voor alles, wat wij voor Hem doen. Laten wij daarom niet denken aan het vele waarin anderen te kort schieten, maar alleen het oog gericht houden op onze verplichtingen.quot;

»Maar, vader,quot; zeide Mathilde, gt;een van beide: God moet er zich wel niet veel om bekommeren, of de anderen zouden hun plichten niet verwaarloozen. Zij, en gij kunt dan aan mijnheer Selby zeggen, wat wij gewoonlijk zeggen tot de leermeesters, die ons niet bevallen, dat hij voortaan weg kan blijven.quot;

»Goed, Thilde, ook dit zal ik in overweging nemen,quot; zeide haar vader; »denk er van avond niet verder aan, maar zing en speel wat voor mij, totdat ik klaar ben met dit schrijfwerk, even-

ocr page 126

als gisteren avond, zonder naar mijn oordeel te vragen, of een vleiend woord van mij te verwachten, maar alsof gij geheel alleen waart.quot;

»Maar het is mij onmogelijk te vergeten, dat gij hier zijt, of te denken, dat ik alleen ben,quot; want ik gevoel liefde en vrees tegelijk voor u, maar voor het grootste gedeelte liefde.quot;

Mijnheer Forester zette zich aan den arbeid, en Mathilde begon te zingen, spoedig haar ernstige vragen vergetende; haar vader echter — hoewel hij scheen te lezen — overwoog de belofte die hij haar had gedaan, en besloot bij zich zeiven, dat het 't veiligste was — indien hij haar volgens zijne inzichten wilde buigen en buigzaam houden — haar den volgenden dag van zijn gewichtig voornemen in kennis te stellen; daaruit zou voor hem ook de onvermijdelijke plicht ontstaan, te naderen tot het Sacrament der Biecht, ondanks den weerstand van den natuurlijken hoogmoed des harten.

Den volgenden morgen ontving Mathilde dan ook de vertrouwelijke en belangrijke mededeeling van haren vader, en de verrassing, de verwarring en de vreugde, die haar tegelijkertijd overweldigen waren zoo groot, dat zij een tijd lang alles vergat, wat haar tot nog toe had verontrust. Toen zij weder alleen was, en haar onrust op nieuw ontwaakte, meende zij eensklaps een allerschoonste oplossing der strijdvraag te hebben gevonden. Zij wilde deze onverwijld aan, haren vader mededeelen maar moest nog twee volle uren op hem wachten en die uren schenen haar eindeloos. Ten laatste zag zij de paarden in de laan aankomen, en ijlings snelde zij hem tegemoet. »Het is vandaag niet te warm voor u om te rijden, Mathilde,quot; zeide mijnheer Forester, »en ik weet zeker, dat het paard, hetwelk ik berijd, u uitstekend bevallen zal. Heeft men uw rijkleed reeds gebracht?quot;

»Ik geloof van wel, vader. Ik zal er eens naar zien en ik dank u hartelijk voor het schoone paard. Ik rijd zoo gaarne met u — maar vader, ik heb u iets te zeggen — iets van het hoogste gewicht.quot;

ocr page 127

Toen mijnheer Forester bemerkte, welk een ernst haar gelaat bij deze woorden ten toon spreidde, steeg hij af en liet de paarden wegbrengen, sloeg m3t zijn dochter den schaduwrijken weg door het bosch in, naar een lusthuisje waar zij het liefst verbleef en waar zij ongestoord konden spreken. »Waartoe die omslachtige voorbereiding tot het ontsluieren van het geheim, hetwelk gij mij mede te deelen hebt, Thilde?quot; zeide hij, want zij had hem verzocht, te gaan zitten, en haren arm om zijn hals geslagen.

»Vader,quot; zeide zij, »ik bemin u meer dan iemand anders, en ik ben u ook meer eerbied en dankbaarheid verschuldigd. Ik weet, dat gij zeer geleerd zijt en veel ondervinding hebt; want anders zoudt gij geen ambtenaar van den staat zijn, en nu wilt gij, na alle godsdienstleeringen zoo grondig bestudeerd te hebben, katholiek worden. — Daarom ben ik vol vertrouwen jegens u, en wil ik, als gij er geen bezwaar tegen hebt, op dit oogenblik bij u biechten, vader.quot;

»Mijn dierbare Thilde,quot; zeide mijnheer Forester, getroffen door haar vertrouwelijkheid en genegenheid; »God zal u zegenen voor uwe kinderlijke liefde, maar als gij de zonden en misstappen van uw leven aan mij zoudt willen biechten, zoudt gij een krachtelooze handeling verrichten. De macht om te bindenen te ontbinden is niet aan de leeken, maar alleen aan de priesters gegeven; tot hen alleen heeft Christus gesproken: »Wie u hoort, hoort mij, en wie u veracht, veracht mij.quot; En wederom : »A1 wat gij op aarde zult gebonden hebben, zal ook in den Hemel gebonden zijn, en al wat gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ook in den Hemel ontbonden zijn.quot; Deze verhevene en ontzagwekkende macht wordt alleen aan de priesters geschonken in het Sacrament des Priester-schaps en is zoo geheel en al een bovennatuurlijke gave, dat zij van den kant des priesters door geen zwakheid of zelfs door geen zonde — wat God verhoede — kan worden weggenomen. Als gij van uw kindsheid af gewoon zijt geweest, met eenvoudigheid des harten en geloof te biechten te gaan, dan biecht gij bij den priester als bij Christus zalven, dan hoort gij naar zijn stem als naar de stem

ocr page 128

van Christus en onderwerpt u aan zijne beslissing als aan de beslissing van Christus. Ik neem mij voor dit alles te gaan doen.quot;

«Biecht gij bij mijnheer Selby, vader?quot;

»Ja, Thilde, en al was mijnheer Selby ook minder ontwikkeld, minder innemend van karakter, minder vroom van levenswandel, dan hij thans is, toch zou ik niet naar een anderen priester hebben omgezien. Ik was reeds zeker van mijn zaak, eer ik hierheen reisde, en vandaar dat ik niet verlang naar een diepzinnig godgeleerde, naar een hoogbegaafden voorvechter van een of andere bepaalde geestesrichting en nog minder naar een man, die zijn hoorders weet te betooveren maar een weelderig leven leidt. Ik heb alleen een priester Gods noodig; een man, die van Godswege de zending heeft, mijn biecht te hooren, mij straf of voldoening op te leggen voor mijne overtredigen en mij te bevrijden van iedere smet der zonde, welke mij sinds mijn Doopsel heeft bezoedeld.quot;

»Vader,quot; antwoordde Mathilde, »ik verlang uw voorbeeld onder ieder opzicht te volgen. Daarom zal ik nauwkeurig acht geven op de lessen van mijnheer Selby en den Katechismus be-studeeren, bijzonder dat gedeelte, hetwelk handelt over de Biecht, en wat ik tot nog toe slechts werktuigelijk geleerd heb. Ook moet ik eens goed nadenken, over hetgeen hij mij op het hart heeft gedrukt, dat, hoe nauwkeurig ik ook mijn geweten moge hebben nagevorscht, ik toch al mijne krachten moet inspannen, om door een ernstig leven het eerste en voornaamste van de drie gedeelten der boetvaardigheid te verkrijgen, namelijk de ware vermorzeling des harten.

ocr page 129

tyiezde 3Coo|9»tu4.

Met bekeerlingen handelde de eerwaarde heer Selby volgenderwij ze: hij liet hen op de eerste plaats het Protestantisme afzweren en nam hen, voordat zij nog een handeling van den katholieken godsdienst hadden verricht, voor het uiterlijke in de Kerk op door een plechtige toespraak. Vervolgens trachtte hij hen tot boetvaardigheid te stemmen over de zonden en gebreken van hun vervlogen leven, diende hun onder voorwaarde het heilig Doopsel toe, en maakte hen daarna in een generale biecht nogmaals deelachtig aan de vergiffenis hunner zonden. De kroon op het werk was voor zulke begenadigde zielen de H. Communie.

De eerste godsdienstige handeling van mijnheer Forester bestond dus hierin, dat hij het Protestantisme voor altijd verzaakte — ophield met protesteeren tegen de ééne, heilige, katholieke en apostolische Kerk van Christus; en nadat hij een kort onderhoud had gehad met twee van zijn meest vertrouwde en hoogere dienaren, deed hij in tegenwoordigheid van Mathilde het geheele dienstpersoneel bijeenkomen, deelde zijn besluit mede, dat hij Katholiek wilde worden, en welke godsdienstige handeling hij daarom ging verrichten.

Daarna las hij zijn afzwering voor, en sprak ook de eerwaarde heer Selby eenige woorden van gelukwensching tot den nieuw-bekeerde tegelijk met een vermaning aan de verzamelde huisge-nooten.

Mathilde besteedde nu al haar vrijen tijd aan de voorbereiding die zij volgens haar belofte aan hare biecht wilde wijden, en waartoe het voorbeeld van haar vader een machtige prikkel voor haar was. Het onderzoek des gewetens werd haar vergemakkelijkt door voordurende gesprekken met den eerwaarden heer Selby. Deze deden haren geest boven de dorre lijst van zonden uitstijgen naar het doel, wat zij daarmede had beoogd, en voerden haar vervolgens terug naar hare hoofdzonde, de groote bron waaruit

ocr page 130

haar vele andere misdrijven voortvloeiden — en deze was na een nauwkeurig onderzoek geen andere dan de hoogmoed.

Deze zonde had zich het duidelijkst vertoond in haar gedrag tegenover haar zuster Georgine. Zij had in haar nimmer die oprechtheid van gemoed, die liefde tot de rechtvaardigheid, dat eergevoel en die bescheidenheid gevonden, welke haar zelve aangeboren schenen te zijn en die haar met onbeperkt vertrouwen haren vader deden aanhangen; maar veeleer een schijn van dubbelhartigheid, een kleinzielige eerzucht, een zelfliefde, waarop haar eigen edele geest met verachting neerzag; en Georgine, die een scherpen blik had, voorzag, dat zij aan Mathilde, al was deze drie jaar jonger, een onverschrokken zedemeesteres en een onomkoopbare richtster barer gebreken zou hebben. Toen Mathilde bij zekere gelegenheid bemerkt had, dat Georgine naar alles de handen uitstak om het zich toe te eigenen, en dat Julia dit zonder eenige aanmerking liet geschieden, was zij tegen haar uitgevaren en had uitgeroepen: »Nu, als gij niet edelmoedig kunt zijn, wees dan voor het minst rechtvaardig 1quot; Mathilde was toen eerst twaalf jaren oud en had nog geen ondervinding genoeg, om te kunnen weten, dat zij, door onpartijdige gerechtigheid te verlangen, iets eischte, dat voor de meeste karakters zeer zwaar, voor zeer velen onmogelijk is. Om strikt rechtvaardig d. w. z. onpartijdig te zijn, daartoe is een goed hart niet voldoende — het doet veel misgrepen, ook een helder verstand en een onbevangen blik zijn noodzakelijk; de geest moet zich vrij bewegen, met wetenschap doorvoed en gescherpt zijn — het eigen ik moet hebben opgehouden te leven.

»Mathilde,quot; zcide haar vader op zekeren avond, »ik geloof, dat gij niet genoeg van uwe zuster Georgine houdt.quot;

»Vader, ik kan geen genegenheid voor haar gevoelen.quot;

»Maar mijn beste kind, wat zou er van ons komen, als God op dezelfde wijze met, ons handelde? Wij zijne Zijne genegenheid onwaardig, en toch bemint Hij ons.

«Daaraan heb ik tot nog toe niet gedacht,quot; zeide zij, en verzonk in gepeinzen. »Vaderquot; ging zij na een oogenblik stilzwij-

ocr page 131

gens voort, »ik geloof toch, dat ik wel van Georgine houd; want ik zou het zeer verdrietig vinden, als zij ongelukkig was. Zij is zeer onderhoudend in den omgang; en afgezien daarvan, houd ik toch veel van haar, zonder te weten waarom: maar haar karakter mag ik niet lijden.quot;

»Maar Thilde, wie zijt gij toch, dat gij u zei ven aanstelt als rechter over het karakter van een ander? Hoe kunt gij weten, dat Georgine in de oogen Gods niet welgevalliger is dan gij meent?quot;

»0 vader,quot; hernam Mathilde, »ik weet zeer goed, wat aan God welgevallig is.quot;

«Waarlijk?quot; zeide mijnheer Forester; «laat mij eens hooren!quot;

»Hij bemint waarheid en edelmoedigheid en standvastigheid en plichtsbetrachting,quot; antwoordde Mathilde.

«Allemaal eigenschappen,quot; zeide haar vader, »die gij u zeiven toeschrijft en bij Georgine loochent. Maar, ik wil er niet verder om strijden en het u daarom gewonnen geven, maar ik vraag u: »Verlangt God niet meer? Waarom heeft Hij dan gezegd; Zalig zijn de zachtmoedigen! Zalig zijn de barmhartigen 1 Zalig zijn de vreedzamen! Zalig zijn de armen van geest!quot;

»Ga nu ook verder voort, vader, anders is uw aanhaling niet onpartijdig. Er zijp twee zaligheden, die in mijn voordeel pleiten. Vooreerst: Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid! Dat is bij mij het geval. Vervolgens: zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid! ik ben reeds dikwijls om die reden vervoled quot;e word en.quot;

O O

«Ach, mijn arme Thilde! zijt gij dan zoozeer verblind door eigenliefde, dat gij meent, dat de gerechtigheid, waarvan hier sprake is, zich laat vereenigen met het trolsche en rustelooze verlangen om u zeiven recht te verschaffen en wel zoozeer, dat gij, gelijk ik heb bemerkt, groot gaat op een gedrag, dat u veeleer tot droefheid moest stemmen?quot;

«Vader, ik heb mijn geweten reeds onderzocht en bevonden, dat ik trotsch ben.quot;

»En heeft die ontdekking u nog trotscher gemaakt? Als dit

ocr page 132

— Ill

het geval is, Mathilde — als gij willens en wetens deze zonde in u laat heerschen, deze zonde, door welke engelen gevallen zijn, als gij haar geen weerstand biedt, ja, er uw glorie van maakt — dan zijt gij — o, dat ik het van mijn eigen kind zeggen moet — dan zijt gij eeniger mate am de gevallen engelen gelijk.

Mathilde gaf geen antwoord. Haar vader ging voort; »En bedenk eens, o, Mathilde! wat dit zeggen wil.quot; Hier belette hem een hevige en smartelijke gemoedsbeweging verder te gaan. Ook gevoelde hij, dat zwijgen machtiger uitwerking zou hebben dan een groote omhaal van woorden.

Dit stilzwijgen duurde een oogenblik, daarna sloop Mathilde zachtjes achter hem om en legde haar hand op zijn schouder.

»Wil ik eens iets zingen, vader?quot;

»Als ge er lust toe hebt, Mathilde, ga uw gang.quot; Nu volgde er een lange pauze.

»Het is heden een zeer ongelukkige avond, vader,quot; begon zij weer. En opnieuw zwegen beiden gedurende langen tijd.

»Ik hoop, vader, dat ik niet trotsch ben op mijn hoogmoed.quot;

»I)at hoop ik evenmin, Mathilde,quot; was zijn antwoord; »want indien gij het waart, zou ik moeten denken, dat gij krankzinnig waart.quot;

Nu volgde weer een lange pauze, waarna zij zeide: »Vader, om bij God in genade te worden aangenomen, was het misschien beter, dat ik een ander gebrek had dan hoogmoed?quot;

»Zonder twijfel, Mathilde. Want wat zegt Hij, die van den troon zijner heerlijkheid nedergedaald is, om niet alleen voor ons te sterven, maar ook voor ons te leven door Zijn voorbeeld, en door ons de gerechtigheid te openbaren in haar vollen omvang? Wat moeten wij, volgens Zijn gebod, van Hem leeren? van Hem, die krachtens Zijn Wezen, de Waarheid, de edelmoedigheid, de onveranderlijkheid en de hoogste volmaaktheid is? »T,eert van mij,quot; zegt Hij, »dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben!quot; Ja, Mathilde, dat is de leer, welke de Heer van hemel en aarde aan trotsche menschen voorhoudt, zulk een moeielijke, jo, menschelij. kerwijze gesproken, zulk een onbegrijpelijke leer, dat God alleen

ocr page 133

112 —

*

haar kan voordragen, dat God alleen ons bekwaam kan maken, ^

haar te vatten. Lucifer is gevallen door hoogmoed; en ofschoon hij beroofd is van al zijn luister en zaligheid, toch blijft hij zijn trots bewaren en fluistert uit haat dienzelfden hartstocht in aan den mensch. En zoo ontvangt gij iederen dag, ja ieder uur ingevingen en lessen van deze twee meesters — van God en van den duivel. Kies nu; wien van beiden wilt gij erkennen en liefhebben?quot;

»Ach, welk een vraag!quot; riep Mathilde uit. Daarna voegde zij er bij: »Vader, ik zie, d;it ik vurig en ernstig bidden moet, opdat de zegen, dien ik enkel en alleen door de genade Gods verwerven kan, mij waarlijk ten deel moge vallen — die moeielijke, die verhevene, maar toch bereikbare deugd der nederigheid. Aan haar — daar twijfel ik niet aan — heeft mijn zuster Julia haar beminnelijkheid te danken. Juffrouw Arkwright was gewoon te zeggen, dat Julia een karakter heeft, waardoor zij allen voor zich inneemt, die het geluk hebben, met haar in aanraking te komen;

en waarlijk, als er ooit een volmaakt schepsel is geweest, dan is het Julia. Zij is zoo zachtmoedig, zoo geduldig, zoo inschikkelijk,

zoo vol van liefde, dat men niet weet, dat zij ooit iemands gevoel heeft gekwetst: haar geweten moet wel zuiver zijn van alle kwaad;

zij zal niet tot den biechtstoel haar toevlucht behoeven te nemen,

en ik wil er naar streven, te worden zooals Julia is.quot;

»Gij hebt volkomen gelijk, Mathilde,quot; zeide hij, »dat gij verlangt, naar hetgeen zoo prijzens- en navolgenswaardig is; en bij alles, wat gij van Julia gezegd hebt, voeg ik nog dit, dat zij haren vader nimmer ook slechts een uur lang heeft bedroefd. Maar dat gij meent, dat ge geen behoefte zoudt hebben aan de Biecht, indien gij ook waarlijk in alle opzichten de gemoedsgesteltenis van Julia hadt, en dat gij dan bij liet onderzoek van uw geweten slechts reden zoudt hebben tot vreugde en dankbaarheid, dat is hoogst waarschijnlijk een dwaling.quot;

Toen zij voor de laatste maal bijeen waren, zeide Mathilde tot haren vader: «Vader, ik geloof niet, dat ik God ooit vergeten heb.

Ik heb veel aan Hem gedacht, en met groote vreugde, als aan een

è

ocr page 134

wijzen en goeden Vriend; en zoo dikwijls als ik lieden zag, die arglistig en boos waren, sprak ik bij mijzelven: «Welaan, laat het wezen zoo het wil, God ziet de dwaasheid huns harten en zal hen wel bestraffen.quot;

«Maar, Mathilde, dat was de geest van wraak, een gevolg van de hoofdzonde van toorn en die regelrecht in strijd is met den geest van den Goddelijken Verlosser, die gezegd heeft: »Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.quot;

»Juist, vader; dat is ook de reden die mij van nu af aan verhinderen zal wraak te nemen. Ik laat alles aan God over, hoewel ik tevens hoop, dat Hij mij werkdadig wreken zal en wel nog beter, dan ik het zelf zou kunnen.quot;

»Een ernstige wensch, Thilde, is een gebed; en een gebed tot God, dat Hij den evennaaste moge straffen, is zooveel als dezen vervloeken. Wij hebben een uitdrukkelijk gebod ontvangen, dat wij voor onze vijanden moeten bidden, dat wij kwaad met goed moeten vergelden; en ook uw zoogenaamde liefde tot God is van zeer bedenkelijken aard, daar zij, naar ik vrees, groeten-deels eigenliefde is.quot;

»Maar, vader, ik heb God recht hartelijk lief om Hem zeiven en geheel zonder eenig eigenbelang.quot;

»Ik vrees, Mathilde, dat gij u zei ven bedriegt; want van een zaak ben ik volkomen zeker: gij hebt een onbepaald goede meening van ii zeiven, en daar is niet weinig ijdelheid bij.quot;

»Zulk een mensch gelijkt op een bromvlieg, die veel ge-druisch maakt, maar onwelluidend, onuitstaanbaar! O, hoe haat ik zulke menschen! Maar, vader, ik kan evenmin een gehuichelde nederigheid dulden, een nederigheid die kruipt en niets beteekent.quot;

'Ik ook niet, Mathilde; maar maak u toch geen inbeelding over uw waarachtige liefde tot God. — Gij zijt niet de eenige die zich zeiven in dit punt misleidt.quot;

sGij beschuldigt mij dus, vader, dat ik trotsch ben en wraakzuchtig en vol van eigenliefde en ijdelheid. Welnu, ik zal den moed toch niet verliezen; ik hoop tegen allen schijn in, dat ik den d. z. h. s. 8

ocr page 135

rechterstoel der boetvaardigheid nederig, vergevingsgezind, vol zelfverloochening en in stille dankbaarheid zal uittreden. Is dat mogelijk, vader?quot;

»0 ja, Mathilde; en God geve u Zijn almachtige genade, zonder welke ook deze goede voornemens onvruchtbaar zouden zijn!quot;

sVijjde- lioojdstub.

Julia en Georgine, de twee zusters, waren nog steeds in de stad. Men verwachtte nog eenige morgen- en avondpartijtjes voor de late bezoekers van Norham Court, waarbij tevens nog talrijke sterren van aanzienlijke grootte in de muziek, in de dicht- en schilderkunst zouden schitteren wier glans men niet mocht missen. En toen ook dit was afgeloopen, en wel met den gewonen uitslag, waarin de beide gevierde zusters zich steeds mochten verheugen, werd Georgine eerst een weinig, daarna ernstig ongesteld; en ten laatste moest, ondanks alle geneeskundige hulp en liefderijke verpleging, het vonnis geveld worden: dat haar toestand hopeloos was, en alle menschelijke wetenschap hier te kort schoot.

»Georgine,quot; zeide haar zuster vól bezorgdheid tot haar, »men zegt, dat gij zeer ziek zijt; uw toestand is verergerd.quot;

»Ach, hecht toch niet veel aan zulk gepraat,quot; was het antwoord; »ik gevoel mij iets beter, en het zal spoedig wel weer schikken.quot;

»Maar, men zegt, dat gij onmogelijk beter kunt worden,quot; zeide Julia.

»0 hoe bespottelijk!quot; riep zij uit; alsof ik juist nu van de wereld weggenomen zou worden, nu alles medewerkt tot mijn geluk en genoegen.quot;

»Maar het zou u volstrekt geen kwaad doen, lieve zuster, als gij een weinigje badt; want gij zijt zwakker dan gij meent. Alleen de koorts houdt uw kracht nog eenigszins in werking.quot; En zoo

ocr page 136

Was liet ook. Na een uur kwam de dokter terug en verklaarde onomwonden, dal juffrouw Forester den nacht niet door zou komen. Julia bracht hem naar het studeervertrek van lord Norham en verzocht hem daar om nadere ophelderingen. »Karel,quot; zeide lady Norham toen de dokter vertrokken was, »is het in dergelijke omstandigheden niet gebruikelijk — is het niet raadzaam, om iemand te sturen, die gebeden spreekt of leest?quot;

«Jawel, ik geloof, dat het niet kwaad is,quot; zeide de lord.

»Wilt ge dan om iemand sturen?quot; vroeg zij.

»Hoe? Ik om iemand sturen?quot; riep lord Norham uit. »Ik weet van zulke dingen niets meer af, Julia — gij kunt misschien niet terecht bij een van de bedienden?quot;

»Dokter Bright zegt, dat zij den dood nabij is,quot; zeide lady Norham, zonder antwoord te geven op zijn laatste vraag.

»Nu dan, als zij den dood nabij is, en men haar daarom moet voorlezen, kunt gij het dan zelf niet doen?quot;

gt;0 neen, ik kan dat niet doen. Ik zou niet weten, wat ik haar moest voorlezen; en naar mij zou Georgine toch niet luisteren. Zij zou mij uitlachen.quot;

«Maar er zal toch wel iemand in huis zijn, die voorlezen kan,quot; sprak hij. Lady Norham was een oogenblik besluiteloos; daarna ging zij voort: gt;Ik geloof, dat die gebeden van bijzonderen aard moeten zijn, want wij zijn — d. w. z. onze goede moeder wenschte het, en eigenlijk moest het ook zoo zijn — katholiek.quot;

»Goed; hier vlak bij, in de Earl-Street is een Roomsche boekhandelaar; ten minste ik denk het wegens de Crucifixen die er voor de ramen zijn uitgestald. Laat bij hem wat boeken halen.quot;

Lady Norham maakte zich gereed het vertrek te verlaten. gt;A!s ik maar wist,quot; zeide zij, gt;waar ik de personen moest zoeken, die in de kapel in de Warwick-street of in een andere kerk in de nabijheid de Hoogmis doen en den verderen dienst verrichten; maar ik weet het niet.quot; Zij was waarlijk verlegen met de geheele zaak; en lord Norham geraakte eveneens om harentwille in verlegenheid.

ocr page 137

gt;Als ik iets kon doen om u gerust te stellen, Julia, dan deed ik het; maar van zulke dingen heb ik niet het minste verstand. Ik had voor Georgine op deze wereld wel kunnen zorgen; maar om haar voor de andere wereld van dienst te zijn.....quot; —

gt;Misschien weet de boekhandelaar, over wien ge daareven gesproken hebt, wel een en ander,quot; zeide lady Norham.

iWat zou hij dan weten?quot; zeide haar echtgenoot lachende.

gt;Waar de heeren wonen, die in de Warwick-street de geestelijke bediening uitoefenenquot; antwoordde zij. ïAch, lach nu toch niet. Karei; de zaak is waarlijk te ernstig!quot;

»Ja zeker,quot; zeide zijn Lordschap. »Ik wil u volstrekt niet kwetsen, Julia; en ik verzeker u, dat ik zeer zeker niet gelachen zou hebben als ik geloofd had, dat het waarlijk zoo slecht met de arme Georgine gesteld was. Maar ik deelde tegen het gevoelen der doktoren in haar eigen meening.quot;

Lady Norham leunde tegen den schoorsteenmantel en begon te weenen.

jjulia,quot; sprak nu de lord weer, »zeg mij toch, wat gij verlangt. Wil ik om iemand schellen?quot; en hij trok aan het belkoord. Op dit teeken verscheen een dienaar van lord Norham, een Italiaan; men gaf hem te verstaan wat en hoe men wilde, en hij beloofde, aangegrepen door vromen ijver, aanstonds naar een van zijn goede vrienden te zullen gaan, die priester was en de bediening had van de naastbijgelegen kapel.

Julia keerde terug naar de ziekekamer; hier zag zij tot haar groote verwondering een geestelijke, dien zij niet kende, aan het ziekbed van haar stervende zuster knielen. Deze was door een der bedienden binnengeroepen en had tevergeefs zijn best gedaan om door zijn vermaningen en gebeden een gevoel van berouw op te wekken in het koude hart van zijn toehoorderesse.

Georgine lag daar met gesloten oogen. en als de vingers zich niet bewogen hadden, zou men zeker geloofd hebben, dat zij reeds gestorven was. Lady Norham vatte haar bij de hand. Zij bewoog zich een weinig en vröeg met zwakke stem; »Wat zegt gij?

ocr page 138

Ik kan niet hooren. Wie zijt gij? Julia? Ik kan u niet zien. — Waar is uw hand? Houd mij vast — laat mij niet alleen. Is dit nu sterven? O Julia, kom met mij mede — of iemand anders wie ook! Ik kan niet alleen gaan — alleen! Ach!quot; — zuchtte zij vol ontsteltenis en sidderende — »lk kan niet alleen gaan!quot; Nu begon een lange pauze. Ten laatste fluisterde Lady Norham den vreemdeling toe: ïls zij dood?quot;

»AIs zij dood is,quot; antwoordde deze met luider stemme, idan is zij ook waarschijnlijk verdoemd!quot; üp dit oogenblik opende Georgine de oogen en richtte ze op haar zuster, terwijl zij met de uiterste krampachtige krachtsinspanning de hand drukte, die haar vasthield. De blik harer oogen was die eener wilde vertwijfeling; en Julia, die toch reeds vol ontsteltenis was, en nu geloofde dat zij door een lijk, en nog wel door een lijk, welks ziel verloren was, werd vastgegrepen en aangestaard, zonk na een vruchte-looze poging om haar hand los te woelen, bewusteloos op het bed neer. Thans sloot Georgine de oogen, maar sprak duidelijk waarneembaar: »Ik mag nog niet sterven!quot; Daarna bleef zij gedurende een uur bewegingloos liggen, zonder dat men de minste verandering aan haar kon bespeuren. Ondertusschen was Vincen-zio met zijn eerwaarden begeleider teruggekeerd, en de arme Julia, die weer tot zich zeiven was gekomen van de hevige aandoeningen van angst en schrik, ontving den priester in een aangrenzend vertrek en deelde hem met een hart, verteederd door het smartelijkste verlangen naar de zoete vergiffenis van haren geloofsafval, aanstonds den zielstoestand harer zuster mede.

»Daaruit,quot; zeide mijnheer Blackwood, »mag ik besluiten, dat uw zuster zich nog het onderricht herinnert, hetwelk gij beiden hebt ontvangen, en dat zij gelooft aan de geheimen van onzen heiligen godsdienst: aan één God, één in Wezen en drievuldig in Personen; aan den eersten Persoon, namelijk God den Vader, den Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen; aan den tweeden Persoon, God den Zoon, die God en mensch tevens en de Verlosser der menschen is; aan den derden Persoon, God den

ocr page 139

heiligen Geest, die de uitverkorenen heilig maakt. Dat zij door het Doopsel in de Kerk Gods is opgenomen — dat dit Sacrament en de zes overigen kanalen der genade zijn, waardoor de verdiensten van Christus op de ziel worden toegepast, dat zij dus ook het gebed des Heeren en de Apostolische geloofsbelijdenis kent en er aan gelooft, dat alles zal ik haar niet herhalen, er zelfs niet van spreken, mits gij mij stellig kunt verzekeren, dat zij al deze punten voor Goddelijke waarheden houdt.quot;

»Ik kan voor haar goed geheugen borg spreken,quot; antwoordde lady Norham. »Het is altijd beter geweest dan het mijne; en ik herinner mij dat alles nog. En wat wij vroeger geleerd hebben, daaraan gelooven wij ook; aan ons geloof getwijfeld hebben wij nooit, maar wij hebben het geminacht en verwaarloosd.quot;

En nu bracht zij hem bij het sterfbed. Mijnheer Blackwood knielde bij Georgine neder en sprak met zachte maar hoorbare stem; »Mijn lieve kind, ik ben een katholiek priester: ik kom, om u de vergiffenis en den vrede Gods te brengen. Als gij mij hoort en verstaat, druk mij dan de hand.quot; Zij deed het. »Als gij kunt, geef mij dan hetzelfde teeken bij al de vragen die ik u doen zal. — Betreurt en verfoeit gij de onbedachtzaamheid en lichtzinnigheid van uw leven, uw ongodsdienstigheid en het verwaarloozen van uw plichten? Bekent gij, dat gij nu verdient, dat ook God u vergete en van zich afstoote?quot; Nadat de eerwaarde heer Blackwood op die wijze het eerste gebod had afgemaakt, doorliep hij insgelijks de overige geboden, en zeide vervolgens: »Zijt gij over dit alles diep bedroefd, en wenscht gij ernstig vergiffenis en zaligheid te verwerven, en dat de kostbare verdiensten van het lijden en den dood van Christus op uwe ziel worden toegepast?quot; Toen de druk op zijn hand zwakker begon te worden, sprak mijnheer Blackwood, sneller, om niet te lang met de absolutie te moeten wachten. Hij ging voort: »Vergeeft gij aan allen, die u beleedigd hebben, en bidt gij allen om vergiffenis, wie gij door een slecht voorbeeld of anderszins ergernis hebt gegeven? Belooft gij plechtig, dat, indien gij weder mocht genezen, gij een leven zult leiden, toegewijd aan

ocr page 140

den dienst van God? En verhef nu uw hart en volg mij in den geest, terwijl ik de akten van geloof, liefde, hoop en berouA' in het kort voor u zal verwekken, eer ik in Zijn naam de heilige absolutie over u uitspreek. O, mijn God, ik geloof in u, vermeerder mijn geloof; ik hoop op u, versterk mijn hoop; ik bemin u uit geheel mijn hart — o, leer mij u meer en meer beminnen; ik ben zeer bedroefd, omdat ik u beleedigd heb, maak mijn droefheid oprecht en welgevallig in uw oogen.quot; Daarna sprak de eerwaarde heer Blackwood de woorden der absolutie uit en begon met de zalvingen van het heilig Oliesel, terwijl hij voortdurend zijn stem zooveel mogelijk liet doordringen in het oor van het stervende meisje, dat onder de slotgebeden den geest gaf — en in het verschrikkelijke bijzonder oordeel, waarvan hare eeuwigheid afhing, »alleenquot; wasl Toen de voedster het doodsbed naderde, om der gestorvene de oogen te sluiten, en de overige dienaren met de weenende Julia het vertrek verlieten, vertrok ook de protestantsche geestelijke, begeleid door den persoon, die hem naar binnen gevoerd had.

Voordat de eerwaarde heer Blackwood het huis verliet, verzocht lady Norham hem om een onderhoud, en bad hem daarbij met oprechte deemoedigheid zijn bezoeken in het vervolg bij haar te willen voortzetten. »Maar zeg mij, eerwaarde Heer,quot; sprak ziji szeg mij, voordat gij heengaat, wat gij denkt van den staat rr.ijner zuster?quot;

»Mijn waarde lady,quot; zeide mijnheer Blackwood, »aan een doodsbed beslist de aanwezigheid van berouw loochenen, vooral wanneer er bewijzen voorhanden zijn van innige oprechtheid en vermorzeling des harten, is iets zeer gewaagds. Ik zou daartoe de vermetelheid niet hebben. Ik geloof, dat uw zuster geleefd heeft evenals gij, namelijk in de verloochening en volkomene veronachtzaming harer godsdienstplichten, en in het laatsfe uur van haar leven was dan ook alles tamelijk ontmoedigend voor haar. In geheel de heilige Schrift vinden wij slechts een enkel voorbeeld van een ziel, die nog zoo laat genade vond, opdat niemand vermetel zou vertrou-

ocr page 141

wen; maar tevens hebben wij hierin een voorbeeld opdat niemand wanhope. De Kerk geeft ons slechts recht om diegenen als verworpelingen te beschouwen, die in volslagen onboetvaardigheid, in onbeschaamde vermetelheid of in wanhoop sterven; ik heb het vertrouwen, dat dit bij haar het geval niet was. Het onvolmaakte berouw, hetwelk zij (te oordeelen naar de teekens, die zij gaf) scheen te bezitten, was het gevolg van de vrees voor God en voor Zijne oordeelen, vergezeld van de bereidvaardigheid om zich zeiven te erkennen als een rampzalige zondares, die de hel heeft verdiend, en van de hoop op barmhartigheid door de verdiensten des Verlossers. Dit berouw, dat onvolmaakt genoemd wordt en ook is, omdat het de zuivere, edele liefde mist, die het kenteeken is der waarlijk rouwmoedigen, heeft zij, naar wij hopen, bezeten. En ook dit was een geschenk van den barmhartigen God, die zich van een vreemde bediende om haar vrees in te boezemen en tegelijkertijd haar leven buiten verwachting nog een uur verlengde, waarin dit gevoel door de middelen die Hij heeft aangewezen, naar wij hopen, tot haar zaligheid dienstig is geweest.quot;

»Drukte zij u de hand,quot; zeide lady Norham, steen gij haar vraagdet, of zij, in geval zij weder herstellen zou, plechtig beloofde, een leven voor God te zullen leiden?quot;

»Ta,quot; antwoordde mijnheer Blackwood. »Maar de beloften van verbetering in geval van herstel, zijn — ofschoon zij uit een oprecht gemoed kunnen voortkomen, toch altijd slechts beloften van een slaaf onder de roede, en indien God ze aanneemt, doet Hij het, omdat Zijn Barmhartigheid grenzeloos en Zijn Liefde ondoorgrondelijk is.quot;

»Ach!quot; riep Julia uit, »het lot van haar, die met mij één van hart en ziel was, is dus hoogst onzeker. Wij verschilden slechts een jaar in ouderdom, — bij onze spelen, bij onze studieën, in onzen omgang waren wij steeds te zamen — van onze geboorte af onafscheidelijk te zamen — en nu! O Georgine!quot;

»Mijn waarde lady,quot; zeide mijnheer Blackwood, shoud u vast aan de hoop, die u moet bezielen bij het gebed voor deze ziel,

ocr page 142

die waarschijnlijk door God in genade zal zijn aangenomen, maar nog in de plaats der reiniging vertoeft. Er zijn voorbeelden geweest, ofschoon zij zeer zeldzaam waren, dat het berouw, de diepe smart over de zonden, zoo zuiver en zoo innig was, dat er een martelaarschap van liefde uit geboren werd en zulk een ziel verschijnt, naar wij met volle recht mogen gelooven, onmiddelijk gezuiverd en begenadigd voor Gods aanschijn. Indien ik u hoop zou geven, dat uw zuster in zulk een toestand heeft verkeerd, zou ik u misleiden en haar nadeel berokkenen. Haar tijd voor goede werken is helaas voorbij. Zooals de boom valt, blijft hij liggen; en al moge zij ook in genade zijn aangenomen, toch moet zij met de overige ledematen der lijdende Kerk de verkorting en verzachting harer straffen verwachten van het medelijden en de liefde der strijdende Kerk. Laat daarom de zusterlijke genegenheid, die op zulk een beminnelijke wijze tusschen u beiden bestond, daardoor behouden blijven, dat gij haar bij elk goed werk gedachtig zijt. Volbreng de boetvaardigheid, die gij aan God verschuldigd zijt, voor het verzuim der vroegere jaren, tegelijk als voldoening voor uwe zuster; en sta mij toe, dat ik u smeeke, dezen tijd van droefheid en afzondering 200 voordeelig mogelijk voor uwe ziel te besteden.quot;

Toen de eerwaarde heer Blackwood van lady Norham afscheid genomen had, ging zij naar haren echtgenoot, wiens medelijden en oprechte deelneming in het droevig verlies, dat zij had ondervonden, haar weldadig aandeden. Maar niet om door hem getroost te worden zocht Julia thans lord Norham op. Zij zeide tot hem: jKarei, toen de kleine Albert geboren werd, hebt gij mij beloofd, dat ge mij alles zoudt toestaan, wat ik u vroeg, al ware het nog zoo zwaar en moeielijk. — Ik zeide toen, dat ik niet wist, wat ik

ocr page 143

zoude wenschen; maar gij voegdet er aanstonds bij, dat ik een of ander zou uitdenken, en dat uw belofte niet werd gebonden door een langen duur van maanden noch jaren. Nu houd ik mij aan uw woord — nu, in dezen tijd van verlatenheid en smart; zult gij het nu ook gestand doen?quot;

iZeer zeker,quot; antwoordde lord Norham.

gt;Hoe? Mag ik vrij mijn godsdienstplichten waarnemen?quot; gt;Ongetwijfeld,quot; zeide hij weer; gt;maar heb ik u dan ooit daarin verhinderd; heb ik niet reeds lang er op gewacht, dat gij mij hierover zoudt spreken?quot;

gt;Hoe, Karei,quot; zeide Julia, gt;hebt gij daarop gewacht?quot; Was dat dan uw bedoeling toen gij mij de vrijheid gaaft u iets zwaars en moeielijks te verzoeken? Gij zwijgt, en dit is voor mij een teeken dat het waarlijk zoo is. Er zijn sinds dien tijd zes maanden ver-loopen — zes maanden van dubbele verantwoordelijkheid — te rekenen bij de vele jaren, die ik in zorgeloosheid en nalatigheid heb doorgebracht. Als ik u dit verzoek gedaan had, ten tijde van onze verloving, ware ik misschien aan al de weldaden van onzen heiligen godsdienst deelachtig geworden, en had ik ook de arme Georgine aangezet tot het volbrengen harer plichten. Maar ik kende u niet, Karei. Ik kende de volle goedheid en inschikkelijkheid van uw karakter niet. Ik vreesde, u te mishagen, en was, helaas, maar al te onverschillig omtrent de blijde verwachtingen of bange vooruitzichten in de andere wereld!quot;

gt;Nu dan, Julia,quot; sprak lord Norham, ïgij hebt mij laatst in 't kort uw geschiedenis verhaald: ik zal u nu eens iets zeggen van mij zeiven. Gij hebt indertijd een voedster gehad, die in Stanho-pe-street woonde, juffrouw Tyler, niet waar?quot;

»Ja, antwoordde Julia, plotseling door haar tranen heen glimlachende; »maar ik heb nooit gedacht, dat gij juffrouw Tyler kendet.quot;

jZij is van u weggegaan, ik weet het, om een verschil van meening tusschen haar en de gouvernante,quot; ging lord Norham voort, jen kwam, door welke omstandigheden weet ik niet, bij mij om mij te verplegen in een gevaarlijke ziekte, die mij juist overviel,

ocr page 144

voor dat gedenkwaardige soirée waarop de dames Forester werden voorgesteld. Juffrouw Tyler was katholiek, en trachtte mij te bekeeren. Misschien zou het haar ook gelukt zijn, indien mijne ziekte even pijnlijk was geweest als zij ernstig was. Intusschen heb ik toch veel daarvan onthouden. Haar onderhoud was echter niet zuiver theologisch. Zij sprak ook van de algemeen beminde en beminnelijke Julia, voorspelde mij een zeker geluk, als ik haar hart voor mij zou kunnen winnen, en deed haar aanbeveling vergezeld gaan van zulke verstandige en heldere bewijsgronden, dat ik later, toen ik de voorkeur wilde geven aan Georgine, bevond, dat de raad van juffrouw Tyler mij zoo vast aan mijn schip had gebonden, dat de stem der Sirene niet in staat was mij te verleiden. Degenen, die mij om mijn overhaasting belachten, hadden echter ook bemerkt, dat ik gedurende mijne ziekte in kennis gewonnen had. En nu, Julia, nog een paar bekentenissen, ofschoon zij u misschien onaangenaam zijn. Juffrouw Tyler had mij natuurlijk medegedeeld, dat gij katholiek waart; en ik was volkomen bereid, u alles toe te staan, en nog veel meer, dan in zulke gevallen gewoonlijk bepaald wordt. Vooreerst stond het bij mij vast, dat gij, vóórdat de publieke ceremonie in de protestantsche kerk plaats had, dien godsdienstigen troost zoudt genieten, die een katholiek kan ondervinden bij het ontvangen van het Sacrament des Huwelijks. Maar gij hebt mij nimmer daarom verzocht; en, ik beken het u openhartig, ik vond mij in mijn verwachting teleurgesteld!quot;

De scherpste pijlen van smart en verwijting doorboorden op dit oogenblik het hart van lady Norham.

»Ik vond mij teleurgesteld,quot; ging lord Norham voort, »en dit stemde mij des te onaangenamer, naarmate een vrouw, die licht heengaat over haar godsdienstplichten, ook in andere opzichten slechts zeer zelden standvastigheid van karakter zal bezitten: maar, omdat ik volstrekt geen predikant wilde zijn, predikte ik ook niet. Ik had mij voorbereid op kapellen, kapelaans, monniken en vasten; maar, neem mij niet kwalijk dat ik u dit compliment make, Julia

ocr page 145

— gij zijt de gemakkelijkste Katholiek geweest, dien ik ooit heb leeren kennen!quot;

»Ach, Karei, houd op met dat spotten!quot; riep zij weenend van schaamte en verdriet.

sGij hebt gelijk, Julia; het komt mij wel het minste toe, over godsdienst te spreken; laten wij dus daarover verder zwijgen. De goede juffrouw Tyler heeft mij, wat uw vroomheid betreft, eenig-zins verkeerd ingelicht; maar onder ieder ander opzicht ben ik haar dankbaarheid schuldig, want zij heeft mij het liefste en beminnelijkste vrouwtje van de geheele wereld aan de hand gedaan.quot;

Julia koos nu het hazenpad naar haar kamer, in welks eenzaamheid zij eenige verzachting ging zoeken voor de pijn, die haar doorgriefde. Daar zij niet gewoon was, berispt te worden, gevoelde zij onrust en ontsteltenis in haar gemoed; maar andere, veel ernstiger gedachten drongen zich op aan haren geest en deden haar weldra de berisping vergeten. Julia wist, dat de godvruchtige Katholiek, eer hij het Sacrament des Huwelijks ontvangt, zich in stille overdenking en met het doorvorschen van zijn geweten voorbereidt tot den rechterstoel der boetvaardigheid, en eerst, na door dit Sacrament gereinigd te zijn geworden, dat des Huwelijks in staat van genade ofwel tot nog overvloediger voordeel zijner ziel ontvangt. En hoe had zij zich voorbereid tot de plechtigheid, die haar den krans om de slapen zou drukken ? Tot op het laatste oogenblik omgeven door partijdige en begeesterde vereerders, die zich allen uitstortten in lofprijzingen van haar goedheid, zachtmoedigheid, schoonheid en andere voortreffelijke eigenschappen, zonder dat het toezwaaien dezer zoetgeurige wierook door iets anders werd onderbroken dan door juweliers en modemaaksters, en met slechts een vluchtig gevoel van zwakke dankbaarheid jegens het Wezen, waaraan zij de innigste genegenheid harer ziel verschuldigd was — ach, zóó had Julia Forester de hooge verplichtingen en de zware verantwoordelijkheid van haar nieuwen staat aanvaard: en zóó had zij voortgeleefd tot op dit uur, waarin zij met bitter zelfverwijt ontwaakt was.

ocr page 146

Mijnheer Forester had in een brief het verontrustende bericht van het gevaar van Georgine en onmiddelijk daarop de tijding van haren dood ontvangen. De slag was zwaar, vooral bij zijn tegenwoordige gemoedsgesteltenis, nu hij behoefte had aan een krachtiger troost, dan aan de weinig beteekenende verzekering dat »zijn verlies haar gewin was geworden.quot; Daar hij niets afwist van de heilzame verandering die in zijn dochter Julia had plaatsgegrepen en bevreesd was, dat Mathilde door de eenzaamheid te Woodbank geestelijkerwijze zou worden geschokt, besloot hij na eenig overleg, haar het nieuws niet mede te deelen, dat hij ter-zelfdertijd van lord en lady Norham had ontvangen, maar haar alleen te zeggen, dat hij om dringende redenen naar Londen werd geroepen, dat hij waarschijnlijk een week lang uit zou blijven, maar haar schrijven zou: hij hoopte dat zij zich gedurende zijn afwezigheid niet eenzaam zou gevoelen, daar haar hoofdbezigheid daarin zou bestaan, dat zij, verre van de schepselen, zich zou verheugen in de tegenwoordigheid van Dengene, die haar kon vervullen met allerlei heilige en gelukkige gevoelens.

Mathilde, die meende, dat haar beide zusters reeds Inng in Norham Court waren, kon riet vermoeden, dat familieaangelegenheden en plichten de oorzaak waren van deze plotselinge reis; zij dacht veeleer, dat staatszaken de afwezigheid van haren vader noodzakelijk maakten, waagde het derhalve niet een vraag te stellen, maar vergenoegde zich met hem te verzekeren, dat, hoe zwaar haar ook zijn afwezigheid voor een geheele week zou vallen, zij dien tijd toch zoo goed mogelijk zou gebruiken en zich troosten met de gedachte aan zijn beloofden brief. De hoofdbezigheid van Mathilde was nu de onmiddelijke voorbereiding tot haar biecht, die plaats zou hebben eenige dagen voor het feest van den heiligen Michael en alle Engelen, en waaraan zij zich toewijdde met al de kracht en de oprechtheid van haren geest. Haar vader drukte aan de huishoudster en aan de kamer-jufter van Mathilde bijzonder op het hart, haar niet voortdurend alleen te laten, maar haar aan te sporen, dat zij bij zijn terugkeer

ocr page 147

hem zou verblijden door een of andere kleine verrassing. Dit, dacht hij zeer terecht, zou het teergevoelige hart van zijn Mathil-de meer in aangename spanning houden, dan al het andere, waarmede zij zich gedurende zijn afwezigheid den tijd zou kunnen verkorten.

Toen mijnheer Forester deze kleine voorzorgen had genomen voor het welzijn van zijn kind, zond hij een boodschap naar mijnheer Selby, trok zich terug in zijn zitkamer en bereidde zich voor tot de laatste zijner vele biechten, die hij besloten had af te leggen over de verschillende tijdperken zijns levens, van de eerste schemering van zijn verstand af, tot aan den dag van heden toe.

Mijnheer Selby kwam en vernam het treurig bericht, waardoor mijnheer Forester genoodzaakt werd in der haast naar Londen te vertrekken.

gt;Eerwaarde heer,quot; ging deze voort, »ik had gewenscht mij beter te kunnen voorbereiden op uwe komst; maar ik wilde de reis niet ondernemen of nog langer wachten, zonder deelachtig te worden aan de zegeningen, waaraan ik thans zulk een behoefte heb. Wees dus zoo goed, het laatste gedeelte aan te hooren van mijn sinds lang voorbereidde biecht, opdat gij mij dan de rijke schatkamer van Gods ontfermingen moogt openstellen en de absolutie schenken over mijne zonden.quot;

»Hoe treurig ook de aanleiding is, die ons dwingt onze talrijke en allernuttigste samenkomsten te sluiten,quot; antwoordde mijnheer Selby »doet het mij toch genoegen, dat gij mij hebt laten roepen, om u thans voor de laatste maal aan te hooren. Gij hebt u alle moeite gegeven, om uw verleden zoo goed mogelijk te doorvorschen; gij hebt — voor zoover een biechtvader de gesteltenis van den biechteling kan beoordeelen — bewijzen gegeven van de meest oprechte droefheid uws harten; en gij zijt besloten met dezelfde oprechtheid aan uwen beleedigden God de u opgelegde voldoening te geven, wel wetende, dat God volstrekt geen behoefte heeft aan ons en onze armzalige voldoening, die reeds op zich zeiven niets beteekent en zijn welbehagen geheel en al

ocr page 148

onwaardig is; dat echter de liefde en de smart, waarmede zij wordt aangeboden, al zijn ook deze gevoelens zijne vrije gaven, ze aangenaam maken in zijne oogen en ons niet slechts het onmetelijke geschenk der vergiffenis voor het verledene verwerven, maar ook een grootere genade voor de toekomst. Breng dan, mijn vriend, het drievoudig offer van den zondaar — berouw, belijdenis en voldoening, en ik, een zondaar, even zwak als gij, maar tevens priester Gods, zal ik u in zijnen naam de heilige absolutie geven.quot;

* *

*

Na het ontvangen van dit reinigende Sacrament verliet mijnheer Forester aanstonds den eerwaarden heer Selby, begaf zich naar een meer afgelegen kamer, en stortte daar, alleen met God, zijn hart uit dat van de innigste dankbaarheid overstroomde. Daar hij alle reden had te vertrouwen, dat hij geen hinderpaal had gesteld aan de volle stroomen van deze bron van ontfermingen, kon hij nu voor zijn Schepper nederknielen in de herkregen onschuld des Doopsels. Driewerf gelukkige ziel, die, door uwen God begenadigd, de vreugde der engelen, de schrik der duivelen, en de vrede voor u zeiven geworden zijt — o, verlies uwen staat van genade niet meer!

Na een uur, doorgebracht in een allergelukkigste eenzaamheid, kwam het rijtuig voor, dat mijnheer Forester naar de naastbijge-legen stad op den postwagen zou brengen. Mathilde ontving de omhelzing en den zegen haars vaders, en zag den wagen, ook nadat zij dien uit het gezicht verloren had, zoo lang en met zulk een levendigen blik na, dat de afwezigheid haars vaders den band, die tusschen hen bestond, bijna niet scheen te verbreken — een band, die niet alleen heilig is in de natuur, maar nog heiliger, ja onvergankelijk in de eeuwige genade.

ocr page 149

Zevende Itooj-dotub.

Mijnheer Forester naderde Londen met grooten spoed. Hoe verlicht en gelukkig zou hij zich onder andere omstandigheden hebben gevoeld! bevrijd van den zwaren last der zonde — boetvaardig en geabsolveerd — zich verheugende in de verzoening met God, maakte hij toch voortdurend zich zeiven verwijten over het verzuim zijner plichten als vader. De dood van zijne dochter baarde hem thans dubbele droefheid. Het was voor hem een verlies en een straf — dat gevoelde hij. Als het graf hem ook slechts voor een enkel uur zijn doode had kunnen teruggeven, wat uur van diepe zelfvernedering zou dit voor hem geweest zijn! O zeker, zijn liefde, zijne tranen, zijne gebeden hadden zijn ijdel, lichtzinnig kind tot nadenken gebracht — en met den bijstand der almachtige genade ook tot God!

Vol van deze gedachten, bereikte hij het doel van zijne reis. Hij kwam aan bij lord Norham en werd vriendelijk en minzaam ontvangen. Lord Norham meende, dat het onder ieder opzicht kalmeerend zou werken, als het eerste bezoek gebracht werd aan de sterfkamer waar Georgine lag, en daarom stelde hij dit den heer Forester onmiddelijk na diens komst voor.

»Ik hoop,quot; zeide hij vooruitgaande, »dat alles zal zijn, volgens uw verlangens; Julia en ik weten gelukkig nog weinig af van zulke tooneelen — in ieder geval schijnt het ontwijfelbaar te zijn, dat zij beiden het voornemen hadden. Katholiek te worden.quot; —

De vrees die mijnheer Forester begon te vervullen, werd teruggedrongen, eer hij nog nadere verklaring kon vragen of ontvangen. Hij was reeds in het vertrek. Zijn oogen aanschouwden de doode. In hare handen, op de borst samengevouwen, hield zij een Crucifix, en een man, wiens kleeding den Katholieken priester deed kennen, knielde naast het doodsbed. Het was de eerwaarde heer Blackwood, die op verzoek van lady Norham dagelijks bij hanr aan huis kwam.

Fïet is niet noodig, in het breede te verhalen, wat er volgde.

ocr page 150

Het was mijnheer Forester, nis ware zijne dochter hem teruggeschonken; zij was voor hem in den dood meer, dan zij ooit in het leven voor hem geweest was; want de vreugden en de ijdelheden dezer wereld hadden hen op betreurenswaardige wijze van elkander verwijderd gehouden; maar nu waren zij in de eenheid der ééne heilige Kerk, wier ledematen zij waren, voor altijd onafscheidelijk met elkander verbonden.

Met een hart, nog dieper verootmoedigd door het bewustzijn onverdiende zegeningen te hebben genoten, en met een ziel, over-stroomend van dankbaarheid, woonde mijnheer Forester de toebereidselen bij tot de begravenis. Spoedig was alles afgeloopen. En nu bleef er weinig te doen meer over; afscheidswoorden tee-derder en inniger dan zij die sedert jaren hadden gekend, werden nu gewisseld tusschen lord en lady Norham en mijnheer Forester die de hoofdstad verliet, om op den vooravond van Sint-Michaël en alle HH. Engelen Woodbank te bereiken. Zijn aankomst was onverwacht. Mathilde zou dien middag voor de laatste maal ter Biecht gaan, eer zij op het feest van den volgenden dag het Allerheiligste Sacrament ontving. Plotseling vernam zij, dat haar vader was teruggekeerd, zich op zijn kamer bevond en haar wenschte te spreken. Zij snelde het vertrek binnen en vond hem zitten voor de tafel waarop een juweelkistje van buitenlandsch fabrikaat was opengeslagen. Mathilde zou het onmiddelijk herkend hebben, als zij er acht op geslagen hadde. Mijnheer Forester zag er bleek en onrustig uit, maar sprak op zijn eigenaardigen inne-menden toon:

«Mathilde, gij hebt mij geruimen tijd geleden verzocht, dat ik zou trachten mijn best te doen om de onrechtvaardigheid te herstellen die plaats heeft gehad bij de verdeeling van dejuweelen uwer arme moeder, welke zooals gij meendet, op onrechtvaardige wijze alleen door uwe zusters in bezit werden gehouden. God heeft u verhoord — misschien in Zijn verbolgenheid — zie, hier is alles — hier is alles, waarop gij aanspraak kunt maken. De arme Georgine kan u niet meer benadeelen.quot;

D. z. H. S. q

ocr page 151

Mathilde sprak of bewoog zich niet, gelijk dit haar gewoonte was bij hevige aandoeningen. Hare oogen waren dof op het juweelkistje gericht, en zoo bleef zij onbeweegelijk staan, totdat mijnheer Forester, die zich daardoor onaangenaam gestemd gevoelde, haar bij de hand vatte en zeide: »Ga zitten, lieve kind.quot; Mathilde luisterde werktuigelijk naar haren vader, stond ten laatste op en zeide;

»Deze juweelen behooren aan God!quot;

gt;Wat gij er ook mede wilt aanvangen, ik verzeker u, dat ik u in niets zal verhinderen, maar gij hebt immers nog tijd genoeg om na te denken, welke de beste bestemming is, die gij er aan geven kunt. Gij zoudt weder andere gedachten kunnen krijgen.quot;

«Neen, vader, nooit!quot;

»Nii, wat wilt gij er dan mede doen?quot;

»Ik wil ze opofferen,quot; sprak zij, stot uitboeting, tot voldoening voor mijn ongeduldig verlangen naar recht en voor de rustelooze wraakzucht waarmede ik naar de bestraffing van anderen heb verlangd. Vader, ik zou den biechtstoel gaarne willen naderen met een vernederd en vermorzeld hart; want wat strafbare gezindheden zijn — hoogmoed en wraakzucht!quot;

»Goed, lieve Mathilde, gij moogt met vertrouwen hopen, dat God een verootmoedigd en verbrijzeld hart niet zal versmaden.quot;

»ü, vader, gave God, dat ik ze de arme Georgine weder zag dragen; of nog liever, dat zij zelf ze aan God ten ofter bracht. Ik kan ze thans niet meer dragen. Ik zou gaarne zien — als gij daarmede genoegen neemt — dat zij aan de monstrans bevestigd werden en aan de kelk, die in onze toekomstige kapel op hooge feestdagen zullen gebruikt worden.quot;

»Ik meen mij te herinneren,quot; zeide mijnheer Forester, sdat gij eenige van deze kostbaarheden daartoe reeds bestemd hebt op den dag, waarop gij mij het eerst daarover hebt gesproken, toen ik ook voor het eerst een zucht van naijver bij u ontdekte; die en die alleen wil ik afzonderen voor het door u bestemde doel. De overige moogt gij gerust dragen, als de tijd van uwen rouw

ocr page 152

voorbij is, tot herinnering aan uwe dierbare moeder — en uit gehoorzaamheid aan mijn verlangen.quot;

»Maar op dit oogenblik, vader, bid ik u, bewaar ze alle zonder uitzondering — ik kan ze zelfs niet aanzien. En daar ik weldra den groeten zegen te wachten heb, die mij weder zal herstellen in Gods welbehagen en genade, vraag ik u, vader, met allen aandrang mijns harten, dat gij voor mij zult bidden, opdat ik zoo goed mogelijk voorbereid moge naderen tot het Sacrament der Biecht en tot u zoo onschuldig moge terugkeeren, als toen ik zestien jaar geleden na het H. Doopsel in uwe armen werd gelegd.quot;

Eenige uren later klopte Mathilde bij haren vader aan het studeervertrek, snelde, zonder een antwoord af te wachten, naar binnen en viel hem in de armen.

»Vader! hier is uwe onschuldige Mathilde! — nu zijn wij beiden in staat van genade!quot;

»Ik hoop het, mijn liefste kind!quot; zeide mijnheer Forester, terwijl hij haar diepbewogen omhelsde.

5 Gij hoopt het, vader,r' zeide Mathilde, terwijl zij haar hoofd ophief en hem met teleurgestelde verwaching aanzag; »is het dan niet zeker?quot;

»De hoop — de onfeilbare hoop — de Goddelijke hoop — wees daarmede tevreden in dit leven,quot; zeide hij; »de zekerheid behoort in den Hemel tehuis.quot;

»Hoop!quot; herhaalde Mathilde weer. »A1 de moeite die ik tot heden toe heb aangewend om mijn geweten te doorvorschen, al de tranen van mijn droefheid, over al mijn zonden en mijn dwaasheden in gedachten, woorden en werken — dat alles wordt dan met niets anders bekroond dan met een zwakke hoop? met niets anders dan met de slotwoorden mijner Biecht, toen ik om vergiffenis smeekte voor alles, waaraan ik mij na het strengste onderzoek niet meer kon herinneren, en toen ik zeide; »Van deze en van alle andere zonden, die ik nu niet indachtig ben, belijd ik ootmoedig mijne schuld?quot; Dat is dun waarlijk een teleurgestelde

ocr page 153

verwachting, en wel zulk eene, die nooit meer kan worden goedgemaakt; zij beneemt mij het vertrouwen op al de inspanningen van mijn geest van het begin af aan.quot;

»Mijn allerliefst kind,quot; zeide mijnheer Forester, «blijf kalm! Als ooit de hoop overgegaan is in zekerheid, dan was dit het geval bij u, toen ik u zooeven welkom heette; en moge het woord hoop u ook als een pijnlijke twijfel in de ooren hebben geklonken, gij moet weten, dat ik enkel en alleen over mijzelven zuchtte.quot;

Dit gevoel van nederigheid bij haren vader greep Mathilde sterk aan. De tranen stroomden uit hare oogen — zij vatte haars vaders hand en kuste die.

»0, vader! Gij twijfelt en zucht nog? Gijl die zoo volmaakt zijt in uw gedrag en die den godsdienst nimmer met minachting bejegend hebt? O, hoe wonderbaar is toch de nederigheid! Het is voor mij nog een geheim! Bid voor mij, opdat ik het moge leeren kennen!

ocr page 154

IV.

jjft JIlfaaF ff Pnniitaiil;

nf

5 F f- Q /10 f m a a I f- p m i it iu r n a r fi f.

6

ocr page 155
ocr page 156

A

fl e t A 11 li a r t e W' o o el b a i \ k

OF

Het ii fi t it| a:i 1 te ii\ i tl tl e i' i\ a c 1\ t.

êctjl'c Jfoo^jhit:.

e Novemberavond deed de schemering reeds vroeg vallen. Een eerbiedwaardige dame op jaren stapte met twee jeugdige reisgezellinnen in diepen rouw uit den postwagen waarmede zij de hoofdstad hadden verlaten trad de kleine wachtkamer binnen van een landhuisje. Daar wachtten zij op het rijtuig, dat van de andere zijde onderweg was, om hen eenige mijlen verder te brengen naar de plaats hunner bestemming.

»Is dit hier Devonshire, juffrouw Tyler?quot; vroeg het jongste der beide meisjes.

»Ja, hier zijn wij reeds in Devonshire,quot; was het antwoord.

»Claudia,quot; ging het kind voort, haar zuster aansprekende, »wij zijn dan eindelijk in Devonshire! waarlijk in Devonshire!quot; Het oudste meisje zat ondertusschen bewegingloos bij het vuur, zonder op die woorden te letten. «En gij weet het, Woodbank ligt in Devonshire,quot; voegde de kleine babbelaarster er bij — »Woodbank, onze toekomstige woning, en waar wij dus wel zeer

ocr page 157

spoedig zullen zijn. Hoe lang duurt het nog, juffrouw Tyler?quot;

»Nog ongeveer een uur,quot; antwoordde de dame.

»Nog een uur ongeveer ! hoort ge, Claudia?quot; ging het meisje voort.

»Ach, plaag uw zusje toch zoo niet,quot; viel juffrouw Tyler haar in de rede, »zij zal dat alles wel spoedig genoeg te weten komen en zelf zien. En denk, Helena, aan hetgeen ik u onderweg gezegd heb, dat gij, als wij in Woodbank komen, niet zoo luidruchtig zijt en zooveel praat; want anders houdt men u voor een meisje zonder eenige opvoeding; misschien zoudt gij dan volstrekt niet bevallen aan juffrouw Forester en gevaar loopen, dat zij u weer terugstuurde. Zij heeft een zeer fijne vorming genoten en is gewoon met beleefde personen om te gaan en daar gij haar niet op eens kunt navolgen, schiet er niets anders over, dan dat gij stil en bescheiden zijt en nauwkeurig let op alles, wat zij doet.quot;

jSpreekt zij dan niet?quot; vroeg Helena.

«Zeker, kindlief; maar haar gemoedsgesteltenis is geheel anders dan de uwe. Zij is op dit oogenblik de eenige dochter des huizes — de meesteres in het huis van haren vader, en zeer ernstig voor haar jaren. Op school was zij de jongste, en hoorde men haar stem bijna niet, en toch was zij veel ouder dan gij zijt.

»En waar zijn haar zusters gebleven?quot; vroeg Helena.

»De oudste is gehuwd,quot; antwoordde juffrouw Tyler, »en de andere zuster is, omstreeks twee maanden geleden, gestorven. Gij zult juffrouw Forester dus in diepen rouw aantreffen, evenals gij zelf zijt.quot;

»En hoe oud is zij nu?quot; was de volgende vraag.

»Morgen wordt zij zeventien jaar,quot; antwoordde juffrouw Tyler weer; »ik zal dit niet licht vergeten, want ik was de eerste die haar op de armen nam en met hare ouders en bloedverwanten aan de allerheiligste Maagd Maria opdroeg, opdat zij onder de machtige bescherming dier glorierijke Moeder een kind zou worden van God en van Zijne heilige Kerk. Want zij werd juist geboren op het feest van Maria-presentatie en ontving ook op dienzelfden dag de namen Mathilda Maria.quot;

ocr page 158

»Maria was drie jaar, toen zij met haar ouders opging naar den tempel,quot; zeide Claudia, die tot nog toe gezwegen had.

»En verder, Claudia?quot; zeide Helena op bemoedigenden toon; maar Claudia herhaalde slechts: »Maria ging met haar ouders op naar den tempel.quot;

Men kwam nu het kleine gezelschap berichten, dat alles gereed was, en zij stapten in het rijtuig van mijnheer Forester, hetwelk hen nog vroeger dan volgens de berekening van juffrouw Tyler, voor de poort van Woodbank bracht. Helena, die in haar levendige bewegelijkheid sprong en juichte, terwijl men de poort opende, gedroeg zich ingetogen en net, toen de wagen naar binnen rolde; en nadat juffrouw Tyler was uitgestapt, werd zij zelve door een dienaar van de treden geholpen; zij trad daarop het huis binnen en maakte een buiging voor den eersten persoon, dien zij zonder livrei zag en dien zij daarom voor mijnheer Forester hield. »Er is nog eer. kind in het rijtuig!quot; riep juffrouw Tyler plotseling, terwijl zij juist om zich heenzag toen het voertuig in een der bijgebouwen zou worden binnengereden. Daarop werd Claudia uit haar verborgen hoekje te voorschijn gehaald, en toen zij de zaal binnentredende, de schitterende lampen zag, kwam er een glimlach op haar gelaat en sprak zij; »Hier is de kerk.quot;

Nu verscheen Angelica, het kamermeisje van juffrouw Forester, om de nieuwaangekomene gasten te begroeten en hen te geleiden naar de toiletkamer barer jeugdige gebiedster; want zij waren vroeger te Woodbank dan men verwacht had. Met Claudia aan de hand, gevolgd door Helena en terwijl Angelica hen vooruitging, trad juffrouw Tyler het geopende vertrek van Mathilde binnen. Aanstonds snelde deze haar tegemoet, sloeg de armen om haren hals en riep uit; »Mijn lieve, beste juffrouw Tyler!quot; Daarna ontving zij de twee weezen, voor wie zij beloofd had een zuster te zullen worden, omarmde hen en heette hen welkom; het uiterlijk, dezer beide kinderen trok haar aan en zij beschouwde daarom de eene na de andere nogmaals met vernieuwde deelneming. Men had gezorgd, dat zij in de kamer der huishoudster zich konden ver-

ocr page 159

— 13« —

frisschen, terwijl Mathilde met haar vader in de eetkamer bleef, en dat zij daarna spoedig in de ontvangkamer zouden worden binnengeleid, wijl zij ongetwijfeld gaarne vroegtijdig ter ruste zouden gaan wegens de vermoeienissen der reis.

Terwijl Mathilde zoo aan het spreken was met juffrouw Tyler, en deze haar telkens Mathilde noemde, hoe zij ook haar best deed, om «juffrouw Foresterquot; te zeggen, riep Claudia uit: »Mathilda Maria!quot; en toen Mathilde haar verrast aanzag, voegde zij er bij: »Maria werd in den tempel aan God opgedragen.quot;

«juffrouw Forester,quot; viel Helena hier levendig in, »mijn zuster weet, dat het morgen het feest van O. L. Vrouw presentatie en uw geboortedag is: Juffrouw Tyler heeft ons dit gezegd. En als wij het vroeger geweten hadden, hadden wij een werktaschje en een speldenkussen voor u gemaakt.quot;

»Dank u, mijne lieve, goedhartige, kleine vriendinnetjes,quot; zeide Mathilde; »bidt in plaats daarvan voor mij, en ik zelf wil u op dit feest en mijn geboortedag bij onze eerste heilige Mis in onze nieuwe kapel gaarne aanbevelen aan de gebeden en de bescherming der allerheiligsteJMaagd. Juffrouw Tyler, wat een gelukkige avond is deze! Vader heeft de werklieden aangespoord, hun uiterste best te doen, opdat de ornamenten van het altaar en al het overige voor de heilige Mis in onze nieuwe kapel tegen morgen ochtend om negen uur en ook van avond voor het avondgebed gereed komen.quot;

«Waarom,quot; riep juffrouw Tyler uit, «maakt gij zulk een haast met den bouw en de voltooing eener kapel in zulk een korten tijd? Vreest gij dan niet voor de vocht?quot;

«Als wij de muren hadden moeten optrekken, dan zeer zeker,quot; antwoordde Mathilde; «maar de kapel bestaat uit het vroegere plantenhuis en de biljartkamer, en de Sakristei is de ingang van den tuin: ik hoop u dit alles morgen te kunnen laten zien.quot;

«Daar!quot; riep Angelica, die gedurende het gesprek de toilettafel in orde had gebracht, «daar gaat de bel reeds in de eetzaal;quot; en terwijl Mathilde aanstonds aan dat teeken gehoor gaf, begaven de gasten zich naar de kamer der huishoudster.

ocr page 160

Ofschoon juffrouw Tyler er bij was en zij gevaar liep zeer onbeleefd te schijnen, huppelde Helena lustig in het rond, totdat men haar uitnoodigde tot de volbeladen, veelbelovende theetafel. jAIs ik iets gaarne heb,quot; riep zij uit, jdan zijn het boterhammen, aan beide zijden met boter besmeerd, maar vooral room in mijn thee.quot;

»Dat zijn zeker geen zusters,quot; zeide mevrouw Carr, de huishoudster, tot juffrouw Tyler. »Dit daar is een liet, vroolijk meisje; het andere ziet er ernstiger uit, ofschoon het netter en fijner van vormen is.quot;

Juffrouw Tyler bracht haar hand zachtjes naar het voorhoofd met dien weisprekenden blik, die deze beweging gewoonlijk vergezelt en voegde er daarna bij: »Zij is geheel onnoozel maar oogenschijnlijk altijd gelukkig.quot;

»Maarquot; ging mevrouw Carr voort, »wat heeft men dan met hen voor, dat men hier zooveel belang in hen steltrquot;

»Ik zal u alles uitleggen,quot; antwoordde juffrouw Tyler, »al3 zij weg zijn, in de ontvangkamer bij het gezelschap.quot;

»Hoe!quot; zeide mevrouw Carr met een bijna spottend lachje «moeten er gezelschapsdames uit groeien?quot;

»Daar weet ik niets van,quot; was weer het antwoord van juffrouw Tyler, en beiden zetten nu het gesprek zacht voort.

»Nooit heb ik betere thee gedronken,quot; zeide Helena, wier kopje eenige minuten leeg was gebleven.

Mevrouw Carr wendde zich om en zag, over haar bril heen-starende, haar in het gelaat. »Kom,quot; zeide ze »gij zijt een levendig meisje en gij zult in de wereld vooruitkomen. Er is daar voor ii en voor uwe zuster nog thee in overvloed, en ook boterhammen. Hoe heet uwe zuster? «Claudia Nevison,quot; antwoordde het kind; »en ik heet Helena Anna Bradschaw.quot;

«Verscheidene geslachtsnamen,quot; merkte mevrouw Carr op; »gij zijt dus slechts halve zusters?quot;

De aandacht der waardige huishoudster werd nu van dit onderwerp afgeleid door de intrede van den heer zonder livrei, voor wien

ocr page 161

Helena in de zaal haar diepe buiging gemaakt had. Ook thans ging zij weder naar hem toe, om diezelfde buiging te herhalen, maar hem tevens te bedanken, dat hij haar had uitgenoodigd, met hem in zijn groot huis te komen wonen, waar alles zoo vroo-lijk en aangenaam was.

Toen de goedhartige keldermeester haar verwarring bemerkte, schudde hij haar de hand, verklaarde wie hij was, en beloofde, dat hij, al was hij dan niet de heer des huizes, toch alles zou doen wat in zijn macht stond, om haar het verblijf vroolijk en aangenaam te maken. Daarop ging hij zitten om eenige verfris-schingen te gebruiken, die aan hem even goed schenen te bevallen als aan de kleine Helena. Deze werd nu met Claudia door juffrouw Angelica medegenomen om haar beste kleederen aan te trekken, want zij zouden in de ontvangkamer door juffrouw Forester aan haren vader worden voorgesteld.

»Komaan mevrouw Tyler,quot; zeide nu mevrouw (Jarr, terwijl zij haar stoel dichter naar deze haar zoo welkome nieuwsbode toeschoof, »nu kunt gij ons op uw gemak van dit volkje verhalen en uitleggen, hoe het toch op de wereld mogelijk is, dat zij hier gekomen zijn. Ik ben maar altijd van gedachten, dat er wel huishoudsters maar geen gezelschapsdames van hen kunnen gemaakt worden.quot;

«Misschien wel beide,quot; zeide juffrouw Tyler.

»Hoe zoorquot;

»Ik meen,quot; hervatte juffrouw Tyler, »dat het de wensch was van hun overleden vader, dat mijnheer Forester deze kinderen daar een onderkomen zou verschaffen, waar het, volgens zijne meening, het wenschelijkste zou zijn voor hun godsdienst; daarop heeft juffrouw Mathilda zich zeiven aangeboden om het onderwijs der kinderen persoonlijk te leiden, en heeft mijnheer Forester geschreven, dat hij hen gaarne een jaar in zijn huis zou hebben, zoodat zij gedurende dien tijd tot hun eerste heilige Communie konden worden voorbereid: als dit jaar voorbij is, zal hij zien, wat er verder met hen moet worden aangevangen.quot;

»0, voor een jaar! Nu, dat verandert de zaak aanmerkelijk.

ocr page 162

En juffrouw Forester stelt zich dus voor, hen persoonlijk te onderrichten? Goed, ik hoop dat zij succes mag hebben.quot;

»Wat gij daar spottenderwijze zegt, stelt zij zich in allen ernst voor; en gij zult zien, dat zij uit liefde tot God ten einde toe volhardt.quot;

»Och kom, een arme stomme onderrichten? Hoe wilt gij het aanleggen, een domoor in den godsdienst of in een ander punt te onderrichten?

»Ik meende aanvankelijk, dat alleen de kleine Helena bij juffrouw Mathilde in de leer zou komen. Ik weet niet, wat mijnheer Forester met de oudste zuster voorheeft, maar sinds ik haar korte geschiedenis heb leeren kennen, gevoel ik veel belangstelling voor haar. Ik heb vernomen, dat zij op haar vijfde jaar zoo wondervlug van begrip en vroom was, dat haar moeder een voorbereiding van twaalf maanden voor haar eerste heilige Communie met haar begon, dat zij deze met het grootste welslagen ten einde bracht, en dat het kind toen reeds binnen enkele weken zou worden aangenomen, indien zij niet aangegrepen ware geworden door een boosaardige koorts, die zich ten slotte in de hersens vastzette, zoodat men voor haar leven vreesde. De arme moeder werd een offer van haar verdriet; zij stierf terwijl het kind bewusteloos lag, en nadat de kleine Helena ter wereld was gekomen. Claudia herstelde weer, zij geraakte onder vreemde handen, en of het nu te wijten is aan haar zwak verstand, ofwel aan de omstandigheid, dat men haar verwaarloosde, zij maakte in geen enVel opzicht vorderingen, behalve in het naaien, waarin zij het echter zeer ver gebracht heeft. Ik kan niet anders gelooven, dan dat zij een slechte leiding heeft gehad; de persoon, van wien ik dit alles ben te weten gekomen, heeft mij dan ook werkelijk met groote spijt verzekerd, dat het geld, hetwelk besteed moest worden aan haar opvoeding, nimmer tot dat doel aangewend is geworden. Maar God heeft dit alles wellicht toegelaten, opdat zij haar leven lang in kinderlijke onschuld zou kunnen bezitten; want zij heeft van haar moeder zulk een degelijk en vroom onderricht ontvangen, dat zij vol is van heilige gedachten.

ocr page 163

Alle feest-en vastendagen der Kerk kent zij op de rij af en heeft voor en boven alles slechts het oog gericht op haar toekomstige eerste heilige Communie: want daar dit de gebeurtenis was, die haar leven beheerschte, toen zij zoo gevaarlijk ziek werd, is haar geest nog altijd uitsluitend daarmede bezig.quot;

gt;Hoe oud is zij?quot; vroeg mevrouw Carr.

sik geloof vijftien jaar,quot; antwoordde juffrouw Tyler, sen die kleine is negen jaar. Maar, gij maakt van mij een groote babbelaarster, mevrouw Carr. Kunt gij er mij nu op uw beurt niets van vertellen, wat gij toch op dit stille land gedaan hebt, en waarom gij niet naar de baden zijt gegaan, of uwe vrienden bezocht hebt? Dit zijt gij toch gewoon, als wij na het seizoen de stad verlaten.quot;

«Zonder twijfel,quot; zeide mevrouw Carr, shet zou hier stil en vervelend geweest zijn, als niet allerlei veranderingen op touw gezet waren geworden. Vooreerst keerde mijnheer Forester, onze goede heer — en een goede heer is hij, dat moet ik zeggen — zich weer tot hetgeen hij en gij den ouden godsdienst noemt, en er ontstond in huis natuurlijk een soort wedstrijd, daar de meeste huisgenooten hier ijverig het onderricht bijwoonden van den eerwaarden heer Selby, den priester van Black minster. Het is een onwaardeerbaar groot gemak, de kapel onder hetzelfde dak te hebbïn, vooral bij koud en vochtig weer. Men kan niet bij iedere weersgesteldheid uit- en inloopen, vandaar ook dat ik in den laat-sten tijd weinig ter kerk kwam. Wij krijgen ook een kapelaan voor ons alleen, en ik heb reeds bevel ontvangen, voor zijn kamer te zorgen, want morgen wordt hij reeds verwacht.quot;

sDe reden waarom gij met verlangen naar een nieuwe huiskapel uitziet, is laag bij den weg,quot; zeide juffrouw Tyler lachende.

i Dat zeg ik ook,quot; sprak mijnheer Thompson op zijn beurt, »het schijnt haar, ten minste op dit oogenblik, meer te doen te zijn om een parapluie en een paar overschoenen te besparen dan om een waar privilege van den godsdienst te gemeten.

sik zon wel eens gaarne willen weten, hoe de kinderen he^

ocr page 164

in de ontvangkamer maken,quot; zeide mevrouw Carr, den aanval afwerende. — Maar ook wij zullen ons weer bezig gaan houden met onze kleine vrienden, die intusschen hun eersten indruk gemaakt en zeiven ontvangen hebben.

SweeSe

Toen mijnheer Forester na ongeveer een half uur bij Mathilde binnentrad, was deze juist bezig met een liefelijke aria te zingen onder begeleiding van harpspel. Reeds uit de verte had hij hare stem gehoord, maar hij was zeer verrast, nu hij zijn nieuwe huis-genoote Helena met een gelaat dat straalde van vreugde vroolijk zag dansen. Met veel genoegen staarde hij dit schouwspel eenige minuten aan; maar zoodra Helena hem bemerkte, sprong zij op hem toe, en daar zij door haar oefening tegenover den keldermeester volleerd was in haar eigenaardige manier van dankbetuiging, sprak zij deze ook thans met groot gemak uit, maar eindigde met de woorden: «Genadige heer, sinds ik hier in huis ben, heb ik dit reeds tweemaal herhaald en mijn hoffelijkste groeten uitgebracht, maar steeds voor den verkeerden persoon!quot;

sHet doet mij onuitsprekelijk veel genoegen, u in uwe nieuwe woning reeds zoo gelukkig te zien,quot; zeide mijnheer Forester, terwijl zijn lachje iets ernstiger werd, sen ik hoop, dat gij voort zult gaan met dansen. '

i Genadige heer, om voor u te dansen, moet ik mij schamen, want ik heb het nooit geleerd.quot;

iMaar gij zult anderen toch wel eens hebben zien dansen:' zeide hij op vriendelijken toon.

sDe laatste die ik heb zien dansen, waren honden,quot; antwoordde zij.

jgt;O Mathilde!quot; riep hij uit, terwijl hij nu luidop begon te lachen, maar Fransch sprak, sgij hebt hier een leerling, die, als ik mij

ocr page 165

niet vergis, uwen geest volop werk zal geven. Maar, waar is nu uwe zuster, mijn kleine vriendin?quot;

Claudia knielde, toen men naar haar vroeg, achter Mathilde en was bezig met de geelkoperen kopjes der spijkers in het muziekstoeltje te tellen. Zij ging daarin zoo geheel op, dat noch het ophouden der muziek noch de stem van mijnheer Forester haar tot de werkelijkheid harer omgeving kon doen terugkeeren.

«Mijne zuster is een weinig schuw,quot; zeide Helena, die er ontevreden over was, dat deze haar gebrek reeds had verraden.

Daarna fluisterde zij Claudia zacht iets in het oor, zoodat deze aanstonds opstond, naar mijnheer Forester toeging, voor hem bleef staan en glimlachte.

»Ik koester het vertrouwen,quot; sprak hij met de grootste vriendelijkheid in stem en houding, »dat gij u hier evenzeer op uw gemak zult gevoelen als tehuis; wees nu maar even opgeruimd als uw zuster.quot;

gt;r)e bewoners dier streken zijn nu eens vroolijk, soms treurig maar aanstonds daarna weer vol verrukking,quot; zeide Claudia.

Mijnheer Forester wierp een vluchtigen maar scherpen blik op Helena en had, naar het scheen, de waarheid reeds spoedig ontdekt: daar hij zich tegelijkertijd eenigszins driftig bewoog —

wat hij niet geheel had kunnen onderdrukken — werd zijn gemoedsaandoening aanstonds door haar bemerkt.

jO genadige heer!quot; zeide zij, de handen vouwende, »stuur haar niet weg! Lastig worden zal zij nooit. En zij zingt, mijnheer Forester, zij zal in uwe kapel zingen, o zoo schoon — en zij werkt allerfijnst, genadige heer — en zij beeft nog niet eens haar eerste H. Communie gedaan!quot;

iMijn lief klein meisje,quot; zeide mijnheer Forester, sverontrust u daarover niet; ik hoop, u beide gelukkig te kunnen maken.quot;

: Gij laai haar dus hier blijven? O genadige heer, zeg daarop ja! gt;

sZij blijft hier, en zal voorzeker waarachtig gelukkig worden,

als dit, gelijk ik hoop, haar eenig verlangen is: wees daarover dus niet angstig en bezorgd.quot;

| j

A

ocr page 166

»JaweI, goiiiidige heer, zonder twijfel. Gij laat haar dus niet heengaan?quot;

Mijnheer Forester zweeg en richtte zijn oog weer op Claudia, die, toen zij de woorden s eerste heilige Communiequot; had gehoord, op de plaats, waar zij stond, neergeknield was, zoodat mijnheer Forester meend :, dat zij dit deed, om een smeekbede tot hem te richten. Vandaar dat noch hij, noch iemand anders van de aanwezigen, het knielende meisje lang konden aanschouwen. Maar Claudia's gedachten waren alleen gericht op het voorwerp, dat deze woorden steeds levendig voor haren geest brachten; zij bleef knielen en glimlachte met die levendige uitdrukking die zulke hemelsche gedachten altijd te voorschijn kunnen roepen. Mathilde die vurig verlangde met haren vader alleen te zijn, belde nu om Angelica en gaf dc twee jeugdige vreemdelingen voor dezen nacht over aan hare zorg.

gt;0, lieve vader!quot; was nu haar eerste woord, smet hoe weinig zekerheid kan men vooruit bepalen, hoe men God in Zijn schepselen dienen zal. ik heb er mij op voorbereid, twee bedroefde weezen te zullen upr.emen en vertroosten; en nauwelijks zijn zij hier, of ik bemerk, dat de eene een vroolijk, levendig schepseltje is, (iat niet in het minste denkt aan hetgeen zij heeft verloren — maar alleen aan hetgeen zij kan winnen: en de andere — wat is zij? Is zij waanzinnig?quot;

»Ik zou bijna v ree zen van wel, Mathilde,quot; sprak hij, sen mij dunkt, men had ons van dit alles wel eerst in kennis mogen stellen, voordat zij kwamen. Maar misschien wist mijnheer Nescott er even weinig van als wij. Ik zal laten vragen, of Tyler hier kan komen.quot; Hij belde, en er verscheen een dienaar, i Laat Thompson hierkomen,quot; zeide de huisheer, en Thompson kwam onmiddellijk, »Hoor eens,quot; zeide mijnheer Forester tot hem, sof mevrouw Tyler dezen avond bij de hand is; en zoo ja, zeg haar dan, dat ik het genoegen wensch te hebben, haar op Woodbank te verwelkomen.quot;

Na verloop van een tijd, die meer dan voldoende was tot D. Z. H. S. IO

ocr page 167

volvoering van dezen last, werd er aan de deur getikt; Mathilde haastte zich, open te doen en de eerbiedwaardige mevrouw Tyler trad, gehuld in haar beste kleederen en met den gulsten lach op het gelaat, toe op mijnheer Forester die haar zijn hand tegenstrekte.

»Welkom, mijn oude vriendin,quot; zeide hij. Maar mevrouw' Tyler was niet in staat naar behooren te antwoorden. Nu zij eenmaal weer onder zijn dak was — een dak, dat voor haar zoolang een tehuis was geweest, en dat nu als een beschermende vleugel geworden was voor de katholieke beginselen, die zij daar zoo ernstig had gewenscht te zien terugkeeren, nu was dat alles te veel voor haar warmkloppend hart, dan dat zij niet diep geroerd zou zijn. Slechts door een teeken kon zij hem duidelijk maken, wrat er in haar omging. Maar ook mijnheer Forester bleef niet koud bij deze ontmoeting, jja Tyler,quot; zeide hij, ïik begrijp u in alle opzichten. Gun n eerst den tijd om tot u zei ven te komen, voordat wij verder spreken. Mathilde, speel nog eens iets op uw harp.quot; Mathilde deed het, en mijnheer Forester ging het vertrek op en af, terwijl zij verschillende aria's speelde, eerst krachtig en bruischend, daarna zacht wegstervende en zoo de aandoening vertolkende en bedarende der getrouwe dienares, die op dit oogenblik niets gevoelde dan innige dankbaarheid. Toen dan ook mijnheer Forester haar weer aansprak, was dit over een oogen-schijnlijk onverschillig onderwerp, namelijk, daarover, dat zij de twee jeugdige kinderen op zijn verlangen naar Woodbank had gebracht.

»Wist gij iets afquot;, sprak hij, »van den eigenaardigen toestand van het oudste dezer twee meisjes?quot;

»Niet eer, dan nadat ik uwen brief ontving, genadige heer,quot; antwoordde zij.

»Mijn brief?quot; vroeg hij ten hoogste verwonderd.

Mevrouw Tyler haalde nu den brief uit den grooten en goed-gesloten brieventasch, dien zij bij zich droeg, tc voorschijn, en mijnheer Forester las den volzin die haar in de mecning had gebracht, dat hij met den zwakken geestestoestand van Claudia bekend was. üeze luidde aldus: »Ik hoor van mijnheer Nescott, dat de

ocr page 168

toestand van de oudste der beide zusters, die niet de dochter is van mijnheer Bradschaw, maar van zijn vrouw uit haar vorig huwelijk, van geheel bijzonderen aard is.quot; — »Goed en wel, Tyler, maar luister nu eens verder: »AIs de wissel, dien ik heb afgezonden, niet toereikend is, schrijf mij dan aanstonds, want voorschotten behoeft gij in geen geval te doen.quot; — Volgens dit laatste was het toch duidelijk, dat ik op geen andere bijzondere omstandigheid doelde, dan op geldgebrek. Bij een meisje, dat zich in zulk een toestand bevindt, komt mij zoo iets zeer natuurlijk voor.quot;

«Mijnheer Nescott heeft mij over juffrouw Nevison gesproken, toen ik hem bezocht,quot; zeide mevrouw Tyler, »en verzekerde mij, dat hij in zijn eersten brief aan u op haar geestestoestand gezinspeeld had. Daarop ontving ik den uwe, toonde hem dien, en was, evenals hij, in de zekere overtuiging, dat gij uw plannen omtrent haar hadt gevormd, en dat ik haar met haar zuster onder uw dak moest brengen.quot;

«Zinspelingen zijn steeds half werk! quot; was het levendige antwoord van mijnheer Forester; want hij was ernstig bezorgd voor Mathilda, in wier edel aanbod, om deze kinderen op te voeden, natuurlijk niet was begrepen de drukkende zorg voor een persoon van zwakke en gebrekkige geestvermogens.

»Gij waart dus in de meening, juffrouw Tyler,quot; zeide zij, »dat ik Claudia's ongeluk reeds kende, toen zij mij daarstraks geluk wenschte met mijn geboortedag en mij aan het feest van morgen herinnerde? Ik heb het beschouwd als een buitengewone hoffelijkheid van zulk een jeugdige persoon.quot;

»ja,quot; antwoordde mevrouw Tyler, »ik dacht, dat gij met geheel haren toestand bekend waart.quot; Mathilde verhaalde nu aan haren vader, wat het arme meisje gezegd had, en hoe haar dit tegelijk met de verklaring van haar zusje zoo goed had bevallen. En mevrouw Tvler begon daarop, zonder te laten blijken dat zij voor Claudia wilde pleiten, te verhalen van haar vroeger uitstekend verstand, van haar godsvrucht, van het voortreffelijk onderricht in den godsdienst hetwelk zij had ontvangen, van haar ziekte, het

ocr page 169

sterven der moeder en haar getrouw geheugen met betrekking tot al hetgeen zij voor dat tijdstip had geleerd, kortom een herhaling van wat mevrouw Carr was te weten gekomen.

jZie eens aan,quot; zeide mijnheer Forester, jdan hoort zij eigenlijk eer in een opvoedingsgesticht, dan in den schoot eener particuliere familie.quot;

»JaweI,quot; antwoordde mevrouw Tyler, imaar dan toch eerst na haar eerste heilige Communie; want het ware niet wenschelijk dat zij zich daartoe moest voorbereiden in een opvoedingsgesticht.quot;

»Na haar eerste heilige Communie!quot; riep mijnheer Forester uit; gt;Tyler, gij meent het immers niet? Zooeven hebt gij mij nog gezegd, dat zij van den tijd af, waarop zij hare moeder heeft verloren, niets heeft kunnen leeren; een bewijs voor de zwakheid van haren geest.quot;

gt;Ik bedoel, genadige heer,quot; zeide mevrouw Tyler: »dat indien, de goede priester haar bekwaam genoeg verklaart, om tot het Altaar te naderen, hij ook tevens zal toegeven, dat zij geen onderricht meer behoeft.quot;

jAIs dit zoo is,quot; sprak mijnheer Forester, «hebben wij ons allen omtrent deze jeugdige persoon weer vergist, want men kan toch waarlijk niet spreken van zwakheid van geestvermogens bij iemand, die in staat is, alles te begrijpen en aan te nemen wat gevorderd wordt, om te kunnen naderen tot deze ontzagwekkende geheimenissen. Ik geef u dan ook mijn verzekering; als onze nieuwe kapelaan haar voor volkomen bekwaam houdt, haren God in de H. Communie te ontvangen, dan houdt ook ik haar voor volkomen bekwaam om als mijn huisgenoote te Woodbank te kunnen blijven.quot;

Nu werd het onderhoud overgebracht op familieaangelegenheden — op het jongste bezoek van mevrouw Tyler te Norham Court en weer kwamen er tranen in hare oogen toen zij sprak over de godsvrucht van lady Norham en de goedhartigheid van haren chtgenoot. gt; Heeft Julia een huiskapel?quot; vroeg mijnheer Forester.

»Als gij het u nog herinnert, genadige heer, was er indertijd reeds eene kapel.quot;

ocr page 170

— 149 —

gt;Zeker, die was er. Maar toen werd zij gebruikt als galerij voor schilderstukken en andere kunstvoorwerpen.quot;

♦ Maar nu,quot; ging mevrouw Tyler voort, iwordt zij geheel en al teruggegeven aan haar oorspronkelijke bestemming, en ik geloof dat zij voor de nachtmis van Kerstmis gereed moet zijn.quot;

gt;0 juffrouw Tyler!quot; zeide Mathilde, terwijl lij zich over haar heen boog eu haar bij de hand vatte. »Vader, mag ik het zeggen? — Ik zal met Kerstmis in de nachtmis mijn eerste heilige Communie doen!quot;

gt;Ja, beste juffrouw Mathilde, dat zult gij! Dan zal ik mij meer dan ooit verheugen in het: «Glorie zij aan God in den hooge en vrede op aarde den menschen die van goeclen wille zijn !quot;

»En hoe is Lord Norham zelf gesteld?quot; zeide mijnheer Forester. »Gij herinnert u toch zeker, dat hij een oude kweekeling van u is. En eveneens waart gij de persoon, die dit huwelijk hebt bewerkt!quot;

»Ach neen!quot; zeide de oude vrouw hartelijk lachende. «Maar gij weet het zelf, dat men niet kan nalaten te spreken van zijn innemendheid. Ik geloof dat met mylord alles nog goed terecht zal komen, en hij schijnt het besluit te hebben gevormd, dat my-lady voortaan niet het minst zal gehinderd worden in de vervulling van haar godsdienstplichten; en wat meer is, ik geloof dat zij het lieve wichtje — de kleine erfgename van Norham — aan het ware geloof deelachtig zal maken.quot; Op zulk een wijze werd het gesprek nog lang voortgezet.

gt;Dat alles is nu goed en welquot;, zeide mijnheer Forester, smaar wij mogen, hoe aangenaam ons gesprek ook zij, niet vergeten, dat gij ongetwijfeld zeer vermoeid zijt. en dat wij beiden behoefte hebben aan rust en slaap; laten wij elkander daarom een «goeden nachtquot; wenschen.

Â¥

ocr page 171

Qcz-dc Jfoo|3^tii li.

De kapel te Woodbank, die voor de eerste maal op het feest van Maria-presentatie — tevens den geboortedag van Mathilde — werd geopend, was gedurende de drie laatste maanden het gewichtige voorwerp geweest, waarop zich de bouwkundige talenten van mijnheer Forester hadden saamgetrokken — en op het geheel viel, volgens het oordeel van den ondergeschikten bouwmeester en r-.ndere mannen van het vak, slechts ééne zaak af te dingen, en ging het heiligdom mank aan één gebrek — maar gelukkig niet van ernstigen aard — het was te groot voor een kapel. Voor het priesterkoor had men de groote ruimte gebruikt van het vroegere plantenhuis, dat geheel verbouwd was geworden, terwijl het schip der kapel gevormd werd door de vroegere biljartkamer, die zoodanig verbouwd was, dat zij de grenzen harer voormalige uitgebreidheid verre overschreed. Het zangkoor was dicht bij de trap en bestond gedeeltelijk uit de bovenste treden daarvan, terwijl de muur aan de achterzijde eenigszins gebroken werd door een hoogte die dienst kon doen als galerij. Ook Mathilde had in de uitvoering van dit plan haar aandeel gehad en dikwijls haren vader met raad ter zijde gestaan. Niets overtrof den ijver dien zij aan den dag legde in het vervaardigen der teekeningen volgens de berekeningen en opgaven van haren vader.

»lk zal aan geen enkele plaats ooit meer zoozeer hechten als aan dit geliefde Woodbank,quot; zeide zij. »0 vader, welk een onderscheid is er tusschen het begrip dat ik mij nu vorm van geluk en dat hetwelk ik vroeger daaromtrent had. Hoe dikwijls heb ik u in Londen niet om dwaze dingen gesmeekt, maar in plaats van ze mij alle toe te staan, hebt gij mij aangespoord u naar hier te vergezellen.quot;

Mijnheer Forester had ook gehoopt, dat Mathilde verlof zou hebben bekomen, op dezen dag met hem neer te knielen en te communiceeren aan het altaar, dat hij op deze wijze voor zijn God had mogen oprichten, vooral daar mijnheer Selby er bij hem

ocr page 172

zoozeer op aangedrongen had, geen groote tijdsruimte te later: ver-loopen tusschen zijn generale biecht en het naderen tot deze heilige Geheimenissen. Vandaar dat hij na van de begravenis zijner dochter Georgine te Woodbank teruggekeerd te zijn, onmiddellijk was begonnen met zijn voorbereiding tot dezen Liefdemaaltijd en slechts een- of tweemaal met mijnheer Selby over dit verheven -onderwerp had kunnen spreken, toen deze hem reeds met alle kracht begon aan te zetten, de heilige handeling niet langer te verschuiven en zijn biechtkind na de laatste belijdenis bijna dwong spoedig aan de heilige tafel als gast te verschijnen. Mijnheer Forester zelf verlangde vurig naar het feestelijk oogenblik, waarop hij zijn eigen persoon en zijn huis zou mogen stellen onder de bescherming der allerheiligste Maagd en Moeder Gods; ook was hij niet alleen — want naast hem knielde zijn vriendin en dienaresse in wier gemoed de fakkel des geloofs krachtig brandde, en die sinds vele jaren de bijna vergloeide asch der katholieke godsdienstleer zooals die in zijn Kerk werd gevonden, had aangewakkerd, juffrouw Tyler; en Mathilde, die met stille aandacht naast hen lag, was in het diepst harer ziel er van overtuigd, dat deze beide communicanten allervurigste gebeden voor haar zouden opzenden, opdat ook haar weldra het geluk mocht te beurt vallen, waarin het haar nu nog niet vergund was te deelen.

In den loop van den dag vond mijnheer Forester gelegenheid den heer Selby te vragen, waarom hij hem zelfs tot spoed met de heilige Communie had aangezet, ja als het ware daartoe genoodzaakt had, terwijl zijn kleine Mathilde nog steeds tevergeefs naar dit hooge voorrecht hunkerde?

»Ik stelde deze vraag nietquot; ging mijnheer Forester voort, »alsof ik in dit punt — evenmin als in eenig ander — aan uwe wijsheid twijfelde; maar, mocht mijn vraag u onbescheiden voorkomen, be straf mij dan eenvoudig, door mij geen antwoord te geven.quot;

Mijnheer Selby antwoordde door de gelijkenis van den Zaligmaker over de twee schuldenaars aan te halen en besloot aldus: »\Vie van de twee zal hem het meeste hebben liefgehad?quot; Simon

ocr page 173

antwoordde en sprak: »Ik zou meenen, degene wien hij het meest heeft kwijtgescholden. En Hij sprak tot hem: »Gij hebt goed geantwoord.quot; »Dit, genadige heer,quot; ging de eerwaarde Selby voort, »is ook het geval geweest met U. Het hoogheilig Geheim is een liefdemaaltijd en alleen een hart vol wederliefde en berouw kan de volle waarde er van schatten. Gij hebt ook met ernstig nadenken over die groote zaak gelezen, en ieder werk daarover zoo bestudeerd, dat gij u zeiven genoegzaam beproeft hebt en u voorzeker niet meer in het gevaar bevindt, het lichaam des Heeren niet te onderscheiden. Uw hoofd en uw hart hebben bij dit wonder van liefde hun offer gebracht van vrome gedachten en wenschen en neigingen. Welnu, voor dit alles moet ik nog meer bewijzen hebben uit het hart van uwe dochter, eer ik kan getuigen — want ik laad daardoor een groote verantwoordelijkheid op mij —■ dat zij het geheimzinnig bezoek van haren verborgen God naar waarde weet te schatten.quot;

jgt;lk weet wel,quot; zeide mijnheer Forester, »dat de gevoelens van mijn kind veel meer diep en bestendig dan wel hevig en opvallend zijn. Maar ik geloof toch, dat wij mogen aannemen, dat God zijn goedkeuring hechten zal aan dien graad van godsvrucht, die in overeenstemming is met het karakter hetwelk Hij zelf aan de verschillende personen geschonken heeft.quot;

«Voorzeker,quot; antwoordde mijnheer Selby, »en ik wensch bij juffrouw Forester ook volstrekt niet een plotselinge verandering van karakter, een heftige uitstorting van gevoel en ontroering waar te nemen; want dit zou mij eer verontrusten dan bevredigen. Daarom wacht ik den tijd af — en ik geloof, dat hij niet verre meer verwijderd is — waarop zij evenals haar vader ten volle zal erkennen, dat het heilige Avondmaal het wonder aller wonderen is.quot;

Het verjaringsgeschenk van mijnheer Forester aan Mathilde bestond in een misboek van schoone teekening, met antieken band en in een aantal muziekboeken voor het koor der kapel, welke stukken bevatten, gearrangeerd voor het kleine getal kunstenaars die in den huiselijken kring te Woodbank te vinden waren. Op

ocr page 174

den avond van dezen dag had zij echter een organist en eenige zangers van de kapel te Blackminster uitgenoodigd, opdat aan het Lof, dat voor de eerste maal in zijn huiskapel zou worden gehouden, alle mogelijke plechtigheid zou worden bijgezet. Al wat godsvrucht en kunst konden bieden, werd in het heiligdom te zamen gebracht. Het rijke blanke altaarkleed, beladen met gouden borduursel, een fabrikaat uit de Lyonsche weverijen — de monstrans, bezet met de juweelen, door Mathilde ten geschenke gegeven — het schemerend waslicht en de wierookwolken — alles werd geofferd ter eere van dien God, wiens »vermaak het is, met de kinderen der menschen te zijn.quot;

Op het koor vormden orgel en zangstemmen een harmonieus geheel vol gevoel, ofschoon de uitgekozen nummers voor de meeste aanwezigen nieuw en dus minder indrukwekkend waren. Maar tegen het einde der ceremonie trof het welbekende »Tantum ergo,quot; dat onmiddellijk de Benedictie voorafgaat, met zijn majestueuze en toch eenvoudige melodie al de aanwezigen tot in het diepst van hun gemoed; velen weenden, en het kostte Mathilde moeite — niet te zingen; het ongewone daarvan schrikte haar echter af. Maar wat aan Mathilde moeite kostte, was voor de arme Claudia onmogelijk; — zonder acht te slaan op haar omgeving, zonder te letten op de blikken en teekens rondom haar, zong zij de lang onderdrukte gevoelens van haar hart uit, in zulke rijke en machtige tonen, dat degenen, wier stemgeluid was verzwakt, door haar weder werden medegesleept, dat nu ook Mathilde volgde en iedereen, die een stem had — zelfs de acolythen aan het altaar. En toen daarna de verzen en het gebed werden gezongen — heerschte de diepste stilte! — totdat het zacht geklingel werd vernomen van het Sacramentsklokje. — O, welk een machtigen indruk maakt juist dat zwijgen — gedurende de Benedictie! Aller aanbidding smelt samen tot één stem — maar bij het stille ademen van elk smee-kend hart, rijzen de meest onderscheidene gedachten, verzuchtingen en begeerten omhoog — begeerten, helder uitgesproken en opstijgende uit de zielewereld van ieder der aanbiddenden, terwijl het

ocr page 175

middenpunt, het voorwerp, het laatste doel en verlangen, de zon van al die geheimzinnige werelden opgaat, om haar zegenende stralen over alle uit te spreiden!

Na den afloop der plechtigheid werden de zangers uitgenoo-digd zich te verkwikken aan de ververschingen die voor hen gereed stonden •— terwijl mijnheer Forester en zijn dochter het verdere gedeelte van den avond doorbrachten in gezelschap van den heer Selby en den nieuw aangekomen kapelaan, mijnheer Harcourt. Daar onze vriendin Mathilde ondanks al haar heldhaftige besluiten toch nog slechts een nieuwelinge was op den harden weg van zelfverloochening en offer, zou het iets buitengewoon zwaars voor haar geweest zijn, mijnheer Harcourt hartelijk welkom te heeten, als men tengevolge van zijn komst haar den eisch had gesteld, dat zij in het vervolg zich de geestelijke vertroostingen zou ontzeggen, die zij aan haar eersten en met recht hooggeschat-ten zielsbestuurder dankte; maar zij had zoowel van mijnheer Selby als van haren vader de verzekering ontvangen, dat de eerste voortdurend haar biecht zou blijven hooien en zijn onderricht tot voorbereiding harer heilige Communie en ook daarna zou voortzetten. Alleen die belofte stelde Mathilde in staat hartelijk blijde te zijn om de komst van den kapelaan, die haar en de geheele huishouding het geluk verzekerde, dagelijks de heilige Mis te kunnen bijwonen en alle overige voorrechten der katholieke Kerk te genieten.

De eerwaarde heer Harcourt was reeds veertien dagen huiskapelaan te Woodbank — had dagelijks de heilige Mis gelezen, biecht gehoord, aan velen van het dienstdoend personeel onderricht gegeven in den godsdienst, was lederen dag bij het middagmaal tegenwoordig geweest en had zich dikwijls en lang onder-

ocr page 176

houden met mijnheer en juffrouw Forester. Ook had hij de kleine Helena van nabij leeren kennen en een gevoel van innige deelneming opgevat voor haar zuster, toen hij deze toevallig alleen ontmoette op den weg van de sacristei naar zijn vertrekken. Dat hij zijn toga en hoed droeg, scheen haar meer vertrouwen in te boezemen dan gewoonlijk; want in plaats van zich om te wenden, om hem te ontloopen, knielde zij voor hem neer, om zijn zegen te ontvangen — en verzocht hem daarna kalm en bedaard, met hem op zijn kamer te mogen spreken. Aanstonds voldeed hij aan haar verzoek, opende de deur van zijn zitkamer en noodigde haar uit, binnen te treden. Glimlachende deed zij het en met de woorden: »Dit is een heilige plaats!quot; En toen de deur gesloten was, voegde zij er zachter bij; »Gelooft gij ook, dat ik krankzinnig ben?quot;

Op deze vraag die hem in verlegenheid bracht, antwoordde hij: »Hoe kan ik over den toestand van uwen geest oordeelen: ik ken u immers niet?quot;

»Maar zijt gij bereid, mij op mijn woord te gelooven?quot; Sprak zij.

gt;0 ja,quot; was zijn antwoord, »ik geloof, dat alles wat gij mij zult zeggen, onrecht en waar is — en uit uw hart komt.quot;

»Dat verheugt mij,quot; zijde zij. »Ik spreek geen onwaarheid; en toch mistrouwt iedereen mij, en kan ik zelf voortaan aan niemand meer vertrouwen schenken. Daarom heb ik besloten te zwijgen — mijn hart spreekt. Ik ben niet krankzinnig, eerwaarde Heer, maar wel zeer onwetend, wat boeken en schoolondericht betreft. Nieuwe woorden kan ik mij niet verklaren; ik begrijp niet, wat de menschen bedoelen met die vreemde, nieuwe dingen waarvan zij spreken — en zij misleiden mij altijd.quot;

sMisleiden? In hoeverre?quot;

jZij brengen mij van de eene plaats naar de andere, om den tijd van mijn geluk te verschuiven; en nu is het reeds negenmaal Kerstmis en Paschen geweest, sinds ik voorbereid ben geworden tot Zijne komst.quot; Bij deze woorden viel Claudia op hare knieën en begon te weenen.

«Mijn lieve kind,quot; sprak mijnheer Harcourt, »ik zal u niet

ocr page 177

misleiden, op mijn woord! Ik beloof het u, en zal die belofte ook getrouw nakomen: Met aanstaande Paschen, op zijn laatst, zult gij uw eerste heilige Communie doen!quot;

»0, zeg dat nog eens,quot; sprak zij. En hij herhaalde zijn belofte.

»Nog eens!quot; zeide zij; en voor de derde maal herhaalde hij het. Nu ontsnapte haar een vreugdekreet terwijl zij uitriep; »Ei»-delijk heb ik dan een waren priester gevonden ! Want als Hij zou willen, zou Hij wel van zelf tot mij kunnen komen; maar Hij wil slechts komen door bemiddeling van zijn priester — en dan verborgen! — Maar ik zal hem aanstonds herkennen! De kleine witte hostie is Zijn vleesch en bloed — Zijn ziel en lichaam. Zijn Godheid en menschheid. Dan zal ik één met Hem worden! Hoelang ik daarnaar verzucht heb, dat weten de engelen en heiligen, en zij zullen zich verheugen. Zij zouden mij nooit misleid hebben want zij kunnen niet meer zondigen.quot;

«Claudia,quot; zeide mijnheer Harcourt, »ik geef aan uw zusje dagelijks onderricht, zou het u geen genoegen doen, als zij aan uw geluk mocht deelnemen?quot;

»Ja, want zij kan Hem mij toch niet meer ontrukken,quot; antwoordde Claudia. »A1 wordt het geconsacreerde Brood ook in duizend stukken verdeeld, toch bevat ieder dier gedeelten den ge-heelen Christus.quot;

»Dat is zeer waar,quot; zeide mijnheer Harcourt. gt;En bovendien is dit Sacrament bij uitstek het Sacrament van liefde; niet alleen van Christus' Liefde tot ons, maar ook van onze onderlinge, broederlijke liefde. De materie en het zichtbare teeken van het Sacrament is brood, i) bereid uit vele, innig met elkander verbondene tarwekorrels, en toont ons, gelijk de Apostel zegt, dat, evenals het Brood één (geheel) is, ook wij allen, ofschoon velen (in getal,) slechts één brood, één lichaam moeten zijn, wijl wij deelnemen aan dit ééne Brood, zoodat, als gij geen vergiffenis zoudt schenken aan degenen die u misschien op een of andere wijze hebben bedroefd,

i) Ongedeesemd tarwebrood.

ocr page 178

als gij hen — en bijzonder uwe zuster — niet zoudt liefhebben, de Goddelijke Bruidegom uwer ziel niet met liefde tot u zou komen maar met toorn — als een verslindend vuur.quot;

Claudia legde de hand cp haar hart en sprak: «Reeds negen jaren lang is het voor Hem bereid geweest, en sinds dien tijd heeft er geen boosheid in gewoond.quot;

»Maar, voelt gij nooit droefheid?quot; zeide hij.

»In mijn hart niet,quot; antwoordde Claudia.

»Waar dan?quot;

»Als men mij misleidt, heb ik hoofdpijn.quot;

»Zoudt gij ook bereid zijn, dezen lieden goed te doen, als dit in uwe macht stond?quot;

»De kus van vrede, ju de kus van vrede,quot; sprak zij, en begon daarna, oogenschijnlijk verstrooid, de knoopjes van zijn toog te tellen.

»Diis reeds sinds negen jaren,quot; zeide mijnheer Harcourt weer, is uw hart bereid geweest om zijn God te ontvangen?quot;

Claudia hield op en sprak: »Mijn hart zal de tempel worden van mijn God — Zijn heiligdom en Zijn tent; daarom moet het zuiver bewaard blijven van alle zonde.quot; Nu ging zij weder voort met het tellen der knoopjes.

»Hoeveel zijn het er?quot; vroeg hij.

»Ik weet het nog niet,quot; antwoordde Claudia, »maar er moeten drie en vijftig kleine, en zes groote zijn.quot;

«Zooveel?quot; zeide hij lachende, en nam tegelijkertijd een kleinen rozenkrans van den schoorsteenmantel.

Claudia's gelaat straalde van vreugde. »Waar hebt gij dit gevonden?quot; zeide zij; »ik heb ditzelfde kleinood, vele jaren geleden, verloren, en voortdurend naar iets gezocht, wat mij dit verlies kon goedmaken. Kr zijn wel vele koralen aan den harpstoel, maar zij zitten te diep in het hout. Mag ik deze eens tellen?quot;

«Gij moogt ze niet alleen tellen,quot; zeide mijnheer Harcourt, «maar als gij er devotie voor hebt, ook behouden en daaraan voor mij bidden.quot;

ocr page 179

Claudia telde, en vond den rozenkrans volledig; in den overvloed van haar geluk vroeg zij: »\Velk een dag is het heden, een blijde, een droevige, of een glorievollerquot;

»Het is,quot; zeide mijnheer Harcourt, terwijl hij den dag der week noemde, welke een Donderdag was, »het is een blijde dag.

»Dan,quot; sprak Claudia, »\vil ik bij Maria zijn, terwijl de engel haar de boodschap van God brengt — dan wil ik haar vergezellen over het gebergte, om Elisabeth te bezoeken — dan wil ik bij haar blijven, totdat mijn God in de gestalte van een Kindje geboren wordt — dan wil ik met haar medegaan, om Hem aan God den Vader in den tempel op te dragen en dan wil ik maar hier

begon zij te schreien.

gt;Komaan, het hoofd omhoog,quot; zeide mijnheer Harcourt; »zoek Hem maar ijverig en met nederig geduld drie dagen lang, en gij zult Hem ten laatste ook met Zijn gezegende Moeder in den tempel vinden.quot;

»Maar toen ik hem drie dagen lang met Maria gezocht had, heb ik nog negen jaren moeten wacnten — en ben altijd misleid geworden — en nu wacht ik nog.

»Gij zult niet lang meer behoeven te wachten,quot; was zijn antwoord; »herinner u slechts, wat ik u beloofd heb; het is spoedig Paschen.quot;

»Nu, dan ga ik getroost heen,quot; zeide Claudia, »en ik zal ijverig mijn rozenkrans bidden — en voor u bidden.

»l)oe dat,quot; antwoordde mijnheer Harcourt jen als uw zuster naar den catechismus komt, kom gij dan mede — God zegene u, mijn lieve kind!quot;

iAch, mijnheer Selby,quot; /.eide Mathilde, toen zij eenige malen het godsdienstonderricht had bijgewoond, dat mijnheer Harcourt aan zijn jeugdige leerlingen gaf — iik schrik bij tie gedachte, dat. ik reeds met Kerstmis mijnen i ioii zal ontvangen! Nooit zal ik gevoelen, wat flit arme meisje gevoelt, en toch weet ik, dat niemand een te verhevene gedachte kan hebben van dit ontzaggelijk Geheim. Ik begin reeds te gelooven, dat Claudia de meest begena-

ocr page 180

digde van ons allen is, want wat is iedere andere kennis, welke ook, en iedere andere neiging des harten, vergeleken hij de ver-eeniging die er bij een waardige Communie plaats heeft tusschen God en de ziel?quot;

»Dat zijn nu juist geen koude gevoelens,quot; zeide mijnheer Selby glimlachende en inwendig zeer vergenoegd.

gt;Maar,quot; ging Mathilde voort, »zij zijn toch slechts de weerkaatsing van den liefdegloed die Claudia's ziel vervult, en mijn hart zal weer spoedig tot zijn gewonen toestand terugkeeren. Ik durf wel zeggen, dat deze zoodanig is, dat het aan God boven alles de voorkeur geeft om wille van Hem zeiven en afgezien van loon en straf, en dat het zich, zoolang het voor Hem wandelt, kalm en gelukkig gevoelt; maar juist dit gevoel van Gods voortdurende tegenwoordigheid schijnt in strijd te zijn met de waarde, die ik hecht aan het heilige Sacrament. Ik heb het aan mijzelven bekend en wil het daarom ook voor u niet verbergen, dat ik in de stilte van mijn kamer, en in mijn bidvertrek met zijn godsdienstige sieraden, te midden van mijne boeken en andere rustige bezigheden even gelukkig en misschien nog gelukkiger ben dan in de kapel, en even waarneembaar de tegenwoordigheid Gods gevoel. Maar bij Claudia is dit anders. Het schijnt, dat het heilige Sacrament haar eenig waar geluk uitmaakt, en dat de kapel zelve, zonder dit Sacrament, slechts weinig aantrekkelijkheid voor haar heeft. Het is mij eerst heden opgevallen. Wij gingen volgens gewoonte naar de kapel, waar mijnheer Harcourt eerst een gebed verricht, eer hij niet het onderricht begint. Omdat de arbeiders weer op het dak werkten, was het tabernakel juist leeg. Men kon dit aanstonds bemerken aan de deur die openstond en de Godslamp die was uitgebluscht. Op dit gezicht begon Claudia te weenen en sprak: »Hij is niet hier!quot; Tegelijkertijd wilde zij de kapel weer verlaten, maar mijnheer Harcourt, die haar handelwijze volkomen scheen te begrijpen, gaf haar ten antwoord: «Maar i lij is dezen morgen toch hier geweest en zal er nog morgen weer zijn — en zoudt gij dan niet blijven en dc plaats vereeren waar Hij geweest

ocr page 181

is?quot; Zij bleef dan ook, en toen het onderricht van Helena geëindigd was, had hij de goedheid haar mede te nemen naar de sacristij, waar het heilige Sacrament op dit oogenblik bewaard wordt in het verguld kabinet en waar nu ook de Godslamp brandt; waarschijnlijk is zij daar nog, want zij schijnt daar haren eenigen schat te hebben gevonden en voor al het andere letterlijk dood te zijn. Zeg mij nu eens, mijnheer Selby, of deze godsvrucht tot de heilige Menschheid in onze tabernakels samen kan gaan met het voortdurend gevoel van Gods Alomtegenwoordigheid, — daar Claudia toch uitsluitend het ééne en ik het andere schijn te bezitten.quot;

»Als gij,quot; zoo luidde het antwoord van mijnheer Selby, »onder de nederige gedaante van brood met de oogen des geloofs Jesus Christus beschouwt, die in dit lichaam gekruisigd is geworden en die nu in ditzelfde maar verheerlijkte lichaam op wonderbare wijze onder öns woont, moet gij daar tegelijk met de menschheid oó'lt; de Godheid erkennen. Hij is m onze tabernakelen bij ons als God en mensch in onafscheidelijke vereeniging evenals de twee naturen in Zijn heiligen Persoon waren gedurende Zijn leven op aarde. Nu hebben diegenen van de patriarchen, die zich verheugden en juichten bij de gedachte, den toekomstigen Messias te zullen aanschouwen, ook altijd, zonder eenigen twijfel, de Alomtegenwoordigheid Gods gevoeld en erkend: Simeon en Anna —Zachnrias en Elisabeth — Joseph en de heilige Maagd leefden in een onafgebroken gevoel van Jehovah's Alomtegenwoordigheid — maar hoe groot was tevens niet de verrukking hunner heilige vreugde toen zij den menschgeworden God aanschouwden! Al was Hij een zwak kind, geboren in koude en armoede, en al bleven de gloriestralen, die Hem omringden, nog onzichtbaar, toch zegevierde hun geloof en heette den Verlosser der wereld welkom! En juist dit geloof is het, naar hetgeen ik van mijnheer Harcourt verneem, hetwelk deze jeugdige persoon in staat stelt. Hem te erkennen en te aanbidden, alsof Hij, zooals ook inderdaad het geval is, slechts de uitwendige gestalte eens menschen verwisseld heeft met de nog nederiger gedaante van brood. Dit noemt zij Zijne omsluiering, en zij gevoelt

ocr page 182

i6i

den invloed van Zijn tegenwoordigheid even krachtig, alsof zij met Magdalena Zijne heilige voeten omhelsde, of met Thomas Zijne wonden aanraakte; en men mag haar wanneer zij Zijne afwezigheid in het Sacrament betreurt, evenmin het geringste verwijt maken van minachting der alomtegenwoordigheid Gods, als aan Magdalena, omdat zij eenmaal uitriep: »Zij hebben mijnen Heer weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben!quot;

Voorzeker mag men niet meenen, dat de heilige, met de Godheid onafscheidelijk vereenigde menschheid zoo in onze tabernakelen woont, als zij in het graf was. Vele vrome personen die een tee-dere godsvrucht gevoelen voor den gestorven Zaligmaker in het heilig graf, bezoeken onze altaren met die gedachte en bespeuren zeer terecht een treffende overeenkomst in het zwijgen, de stilte en de rust van Jesus op deze beide plaatsen. Maar wij hebben meer dan den gestorven Christus, wij hebben den levenden! Bij den dood des kruizes werd de ziel van Christus gescheiden van zijn lichaam — en juist daarom voltrekt de Kerk op den heiligen Goeden Vrijdag geen nieuwe Consecratie, en laat zij geen Communie toe. Maar in de heilige Eucharistie hebben wij ook Zijne ziel 1 O wondervolle en boven alles verrukkelijke gedachte — wij hebben de ziel van Jesus! — en Zijn lichaam, niet meer lijdend, maar verheerlijkt, wonderbaar verrezen, wonderbaar ten Hemel opgeklommen, en thans wonderbaar op onze altaren tegenwoordig. Ja, als ik de heilige Hostie voor de geloovigen ter aanbidding omhoog hef, dan houd ik hun het wonder aller wonderen voor: want Zijne Liefde stelt zich niet tevreden, met slechts op onze altaren te wonen — neen, Hij bezoekt ook de zielen Zijner schepselen! «Komt allen tot mij,quot; spreekt Hij, gt;allen die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken!quot; O, bovennatuurlijke Spijze, die den geest verlicht, die het hart versterkt en verblijdt! — Gezegend zijn zij, die zóó het Lichaam des Heeren naar waarheid onderscheiden.quot;

D. z. H. s.

ocr page 183

tyijpe MoojSstufi.

Mathilde was reeds begonnen met de taak der opvoeding van Helena, haar gunstelinge, maar regelde die zoo, dat zij het on-dericht van den eerwaarden heer Harcourt hoofdzaak liet blijven en bovendien op aanranden van mijnheer Forester eenige vrije uren toestond, opdat het levendige kind genoegzaam ontspanning zou hebben en haar nieuw tehuis leeren liefkrijgen. De karakters der leermeesteresse en der leerlinge weken sterk van elkander af; en toch leidde die ongelijkvormigheid er misschien meer toe, om hen tot elkander te doen naderen, dan wanneer beide juist dezelfde gemoedsgesteltenis hadden bezeten.

Mathilde was ernstig, diepdenkend, in de deugd streng jegens zich zei ven en jegens anderen, en schonk haar volle genegenheid slechts dan, wanneer zij tevens haar goedkeuring kon schenken; iets wat zeer zelden het geval was. Zij was zich bewust, groots geestesgaven te bezitten, en gaf zelfs voor haar vader en haar leidsman slechts met groote moeite haar oordeel op; tegenover al de anderen volgde zij op terughoudende en besliste wijze haar eigen meening.

Helena echter, die spoedig een blik had geworpen in ieders karakter, nam die zwakheid op als een onvermijdelijken last van kaf en stoppelen, en als deze haar wat zwaar werd, wekte dit in haar geen verdriet maar veeleer vroolijkheid op. Zij hield van iedereen en wist in deze jaren van onbedachtzaamheid bijna niet te onderscheiden, aan wien zij haar vertrouwen kon schenken en tegenover wien zij eenigszins terughoudend moest zijn; maar daar zij zelf overtuigd was van de buigzaamheid van haar eigen karakter, schonk zij haar vertrouwen en onderwierp zij zich in haar oordeel gaarne aan diegenen, die haar het krachtigst tegenspraken.

Toen Mathilde op zekeren avond de bewegelijke Helena in tegenwoordigheid van haren vader onderrichtte en meende, dat hij zoozeer in zijn lectuur verdiept was, dat hij geen acht op haar sloeg, bemerkte zij toch, dat zijn oog met een goedkeurend lachje

ocr page 184

op haar rustte, maar tevens een zekere spotachtige vroolijkheid verried. Aanstonds gevoelde zij zich door angst aangegrepen: en toen het gewichtige klokje van negen den dag voor Helena uitgeluid had, en het tegenstribbelende kind naar boven was gegaan, begon zij; gt;Vader, als ik Helena onderricht en terecht wijs, ziet gij mij aan, alsof ik een groot kind ware, dat aan het schelden is tegen zijn speelpop!quot;

gt;Ik beken rondborstig, zulke gevaarlijke gedachten gekoesterd te hebben,quot; antwoordde hij, terwijl het uitdagende lachje nog steeds op zijn gelaat zweefde.

gt;Welnu, vader, dat is zeer ontmoedigend.quot;

gt;Volstrekt niet, Mathilde. Ik geloof, dat gij uw popje zeer doelmatig uitscheldt; vooral wanneer uw bedoelingen daarbij zoodanig zijn, als ik die uit het lesuur van dezen avond heb leeren kennen.quot;

gt;Vader, ik weet nog zeer goed, welk een taak gij mij hebt aangewezen, eer deze jeugdige personen hier aankwamen — namelijk, hun verblijf onder uw dak tot een zegen te maken voor hnn toekomstig leven. Dit doel kon, volgens uwe meening, het best bereikt worden, als zij zulk een opvoeding ontvingen, dat ook zij eenmaal als godvreezende en welgevormde leermeesteressen in de samenleving werkzaam konden zijn. Bij de arme Claudia is daarvan volstrekt geen sprake meer; maar Helena is zeer gevat.quot;

iZeker,quot; zeide mijnheer Forester, gt;en ik geloof, dat haar karakter evenveel buigzaamheid als ondernemingsgeest bezit, — twee eigenschappen, die zeer te waardeeren zijn in een persoon, wier toekomst deels van haar eigen werkzaamheid en deels van de gunst van anderen afhangt; maar zooveel vruchten zij kunnen afwerpen als zij in een goede richting worden voortgeleid, zooveel gevaar ook leveren zij op wanneer zij een vasten godsdienstigen grond missen.quot;

• Juist in dit punt,quot; antwoordde Mathilde, »maakt Helena mij bezorgd. Het blijkt mij niet, dat zij in alles enkel en alleen Gods welbehagen zoekt; zelfs kan ik het vermoeden niet van mij afweren.

ocr page 185

dat zij zich bij de bewoners van dit huis aangenaam zoekt te maken louter om wille van haar tijdelijke belangen.quot;

»Voor zoover ik een oordeel kan vellen,quot; zeide mijnheer Forester, shebt gij een zeer juist inzicht in het karakter van het kind; zij wil zich vrienden maken van de »onrechtvaardige rijkdommen,quot; zooals er geschreven staat; en — het zij tot haar eere gezegd — zij is op haar manier daarin zeer verstandig. Gij moogt die gesteltenis niet lijden, gij gevoelt er geen bewondering voor, gij keurt ze zelfs af — niets is duidelijker dan dat. Maar oefen intusschen geduld in het goede werk dat gij hebt aangevat. Haar eigenschappen zijn onbestemd, niet slecht en ook niet goed; dus op zich zeiven volsterkt niet slecht, en vatbaar voor een goede leiding. Vergeet daarbij ook niet, dat gij aan God en aan mij uit vrijen wil en geknield voor Zijn aanschijn uw opofferende liefde voor deze twee arme weezen beloofd hebt!quot;

Mathilde zweeg en haar vader ging voort: gt;De hoofdtrek van uw karakter, Mathilde, is gestrengheid. Wees op uw hoede voor die neiging. Haat de zonden, maar heb de zondaren lief. Wanr. ook tegen een zekere gewoonte, die in de wereld heerscht, om tal van gebreken te vergoelijken, die u misschien als bewijzen van hooge geboorte en adel des gemoeds toeschijnen, door bijvoorbeeld toe te geven aan een terugstootendheid tegenover andere, die een nederige en afhankelijke betrekking in de maatschappij bekleeden. Het schijnt mij toe, dat de gebreken der kleine Helena tot deze klasse behooren, en allerwaarschijnlijkst voedsel ontvangen hebben door een noodlottige opvoeding — nu valt het u op en gij verontrust u er over, dat gij bij al de handelingen van dit kind dat in alle opzichte afhankelijk is niet de zuivere drijfveer bespeurt, om alleen aan God te behagen. Ach, Mathilde, laten wij nu op onze eigene borst kloppen en uitroepen: «Heer, wees ons arme zendaars genadig!quot;

gt;Maar zeg mij dan toch, vader, hoe moet ik dit kind dan opvoeden tot heil van haar eigene ziel en tot dienstvaardigheid jegens anderen?quot;

ocr page 186

gt;Leer haar,quot; antwoordde mijnheer Forester, sop de eerste plaats God kennen, wijl gij verlangt dat zij Hem beminnen zal. want als zij Hem goed kent, zal zij Hem ook liefhebben, en als zij Hem liefheeft, zal zij Hem dienen. Hiernaar wordt met den besten uitslag gestreefd niet door diep ingewikkelde leeringen, nog minder,quot; voegde hij er glimlachend bij. gt;door uitschelden — want het is nog nooit gehoord, dat men iemand de liefde Gods heeft ingeschülden, maar daardoor, dat deze heilige leer met al de handelingen van den dag wordt saamgeweven, en dat gij bij uw edelen arbeid uw voordeel weet te doen met die eigenschappen die een ongunstigen invloed hebben uitgeoefend op het karakter van haar bekenden. Leer haar inzien, dat de godsdienst in dit huis niet een zaak is voor haar zuster alleen, maar het licht en de vreugde van ons allen; dat hij niet is een plicht zonder geest en leven voor de vroege morgenuren op Zon- en feestdagen, maar integendeel het geluk en de aangename afwisseling voor ons familieleven. Wat wy hoogschatten zal ook zij weldra hoogschatten; en vooral zal uw vrome voorbereiding en godvruchtige viering der heilige Geheimen in de nachtmis op het naderende Kerstfeest haar een veel krachtiger overtuiging instorten van de onberekenbare waarde van den godsdienst, dan alles wat zij geleerd heeft en nog leeren zal.quot;

«Maar, vader,quot; sprak Mathilde — en hield weer in gedachten op.

sik geloof, dat ik uw moeielijkheid reeds kan raden, Mathilde,quot; zeide hij »en ik geloof ook, dat ik ze uit den weg kan ruimen. Wat is er?quot;

gt;Zoudt gij niet meenen, vader, dat het gevaarlijk kan worden, als wij bij Helene de zucht om anderen na te volgen en bijval te verwerden aankweeken, daar zij er op die wijze toe gebracht kan worden. God te dienen uit liefde tot ons en niet uit zuivere liefde tot Hem zeiven?quot; «Als zij Dengene liefheeft en dient, wien wij liefhebben en dienen,quot; antwoordde mijnheer Forester, «daarom, wijl wij het doen, en om de hooge gedachte, die zij van ons heeft, dan begrijpt zij, dat het zoozeer beminde en hooggeschatte voorwerp boven alles hare liefde en haren dienst waardig is — op deze

ocr page 187

wijze zoekt God gewoonlijk jeugdige harten tot zich te trekken; en hierbij bestaat het gevaar niet, dat zij een huichelares zou worden, want ik bemerk, dat dit de reden is van uwe vrees; datgene immers wat God zelf begint, beschermt en bestuurt Hij ook tot een gelukkige uilkomst. Ons doel is, dat zij godvruchtig zal worde?i, maar niet dat zij het slecht zal schijnen. Hoe neemt zij de lessen van mijnheer Harcourt aan?quot;

»Zeer bereidwillig,quot; antwoordde Mathilde, gt;maar eigenlijk om geen andere reden, dan wijl zij daarin een oefening van haren geest ziet. Dezen morgen zeide zij uitstekend de les van gisteren uit het hoofd op, namelijk de voorafbeeldingen die onder de oude Wet bestonden van de heilige Eucharistie — het brood en den wijn, door Melchisedech den geheimzinnigen priester opgeofferd, en het wonderbare Manna in de woestijn. Insgelijks zegt zij haren Catechismus op met verbazend gemak; want zij is vlug van begrip — en daarbij angstig van gemoed; maar zij ziet bij ieder antwoord om zich heen, of niemand haar prijzen zal, en ik hoop, dat mijnheer Harcourt haar hierin zal teleurstellen. Claudia prijst hij nimmer.quot;

ilk vermoed, dat hij Claudia tot een hoogeren graad van deugd wil opvoeren,quot; zeide mijnheer Forester, gt;maar misschien,'' ging hij lachende voort, »misschien is hij ook van gedachte, dat een Zuidenwindje, ten rechten tijde waaiende, haar veilig zal doorvoeren tusschen de Scylla en de Charybdis, die een kind bedreigen, dat al te hardhandig behandeld wordt — tusschen de onverschilligheid en de moedeloosheid.quot;

Mathilde begreep de vingerwijzing van haren vader en vergat die niet; maar zij had op dit oogenblik nog andere, ofschoon minder belangrijke gedachten, dan die welke Helena betroffen. Zij wenschte bij den beroemden organist der Kathedrale Kerk les te nemen in het orgelspel. Het was een verlangen van haar, maar tevens een vroom offer en een overwinning over een gevoel van ijdelheid dat haar geen rust liet, maar haar deed vreezen, dat de krachtige greep harer vingeren op de piano lijden zou onder een

ocr page 188

veelvuldig spel op het orgel. »Bij het pianospel,quot; zeide zij, »heb ik geen ander doel, dan het gezelschap te vermaken, bij het orgel ben ik in den dienst van God.quot; Zij werd in haar nieuwe studie met den besten uitslag bekroond, en gaf weldra aan het orgel de voorkeur boven ieder ander instrument. Ook aan haren ontwikkelden smaak in het teekenen wenschte zij het hoogste doel te stellen; daar zij echter hiermede wilde wachten totdat zij naar Londen terug zou kceren en dan haar leermeester kon bezoeken, en het nu nog niet waagde, het altaar zelf op te sieren, copiëerde zij een of ander meesterstuk tot versiering der sacrist)-.

Itoojdïtufi.

De vooravond van het heilige Kerstfeest vond de geheele familie te Woodbank in volle bedrijvigheid — behalve Mathilde; en terwijl overal takken en slingers door nijvere handen werden uitgestrooid en opgehangen, en mevrouw Carr de beste stukken bestemde tot luisterrijker viering van de plechtigheid van morgen, was de jeugdige heldin van het feest in diepe eenzaamheid — onttrokken aan den blik van een ieder, buiten alle mogelijk ge-druiscli, dat de voorbereiding van haren geest tot het heilige eu geheimzinnige feestmaal, waarbij zij eindelijk mocht aanzitten, zou kunnen verstoren. Zij wist, dat het heilig uur naderde, maar kon zich met die gedachte niet vertrouwd maken. Zij las, hield overwegingen, verrichtte vele gebeden van voorbereiding, en bezag nu en dan het bruidskleed, dat haar tooien zou bij hare eerste heilige Communie.

• Welk een vreugde voorspellen mij deze kleederen,quot; sprak zij, terwijl zij nu eens den bruidstooi, dan weer het zwarte gewaad beschouwde, hetwelk zij zoovele weken lang gedragen had. »Welk een koud we'.en ben ik toch, en hoe martel ik mij vergeefs af, zonder iets te gevoelen! — O had ik maar een uur lang de liefde

ocr page 189

der arme Claudia 1 Waarom kan ik ook niet zoo beminnen als zij ?quot; Deze beschouwingen vervullen haren geest. Ten laatste schreef zij het volgend briefje aan mijnheer Seldy:

Hooggeachte, Zeer Eerwaarde Heer'.

Tot straf voor de trotschheid van mijn geest en de onbuigzaamheid van mijn hart, die zich bijzonder heeft uitgesproken op den dag, waarop ik mij in de eenzaamheid begon terug te trekken, heeft God mij overgelaten aan de koude, dorre, onvruchtbare bespiegelingen van mijn verstand. Daarom behoef ik u niet te zeggen, dat ik mij zeer ongelukkig gevoel! Voor mijn geest staan al de verschrikkingen van het gevaar, een onwaardige Communie te verrichten. Ik weet, dat gij uwe biechtkinderen te Blackminster niet kunt verlaten voor het door u bepaalde uur; maar wees toch zoo goed, en zend mij, zoo spoedig als het u mogelijk is, eenige regels. De bode zal er op wachten.

Met eerbied. Uw onder danige dienaresse

M. M. Forester.

Mijnheer Selby was verheugd over den nederigen toon van dit briefje, want hij maakte daaruit op, dat de schrijfster totgroo-tere loutering van haar ziel, aan een smartelijke beproeving onderworpen werd; dat zij een afkeer had van zich zeiven en niet wist, dat zij te midden dier dorheid des geestes aan God veel aangenamer was, dan wanneer zij zich — al was het ook met nog zoo weinig zelfvoldoening — verheugde over zijne onverdiende vertroostingen. Hij schreef haar dan ook het volgende antwoord:

gt;Ga voort met God aan te roepen, die zich een tijdlang verbergt, om de getrouwheid Zijner uitverkorenen te beproeven. Zeg uit den grond van uw hart: sAl zou Hij mij ook dooden, toch zal ik op Hem hopen.quot; Wees niet bevreesd voor een onwaardige Communie. Dat groote ongeluk overkomt sleehts aan dengene, die zich bewust is, in staat van doodzonde te leven, of aan hem, die op zulk een onverschillige en lichtzinnige wijze communiceert, dat

ocr page 190

men van hem getuigen moet, dat Iiij het Lichaam des Heeren niet onderscheidt. Daar uw laatste voorbereidende biecht nog zoo kort geleden is, moet gij alle bezorgdheid, als zoudt gij u in een van deze twee beklagenswaardige toestanden bevinden, verre van u afwerpen. Gij hebt geldig de absolutie ontvangen — gij gelooft vastelijk aan al de geheimen der heilige katholieke leer — en gij zijt liefdevol gezind jegens iedereen. Laat u daarom door niets afhouden van de deelname aan het Goddelijk Bruiloftsmaal. Mocht gij verlangen, mij nog eens in de biecht te spreken, dan ben ik na half elf gaarne daartoe bereid. Denk er intusschen wel aan, dat, wanneer God ons Zijne Liefde bewijst door inwendige vertroostingen, wij van onze liefde tot Hem het beste bewijs leveren in dorheid en verlatenheid des geestes.

üiv toegenegen

John Selby.

Mathilde werd door dit antwoord aangespoord, om in den duisteren en verlaten zielstoestand, waarin zij zich bevond, een act van overgeving aan Gods heiligen Wil te verrichten, en weldra gevoelde zij een gemoedsrust, die haar niet meer verliet, tot aan het bepaalde uur, waarop zij den biechtstoel binnentrad.

De huisgenoten waren langzamerhand tegen het uur van middernacht te zamen gekomen in het feestelijke groene palmbosch, waarin het heiligdom was herschapen. Hoog boven het priesterkoor schitterden tusschen bloemkransen en trossen roode beziën op een vergulde banderol de doorschijnende woorden: jGloria in excelsis Deo et in terra pax.quot; Het sloeg twaalf uur; de klok sloeg eenige tijd en hield daarna op — eerst met zacht geruisch en daarna in krachtige en volle accoorJen begon het orgel te spelen: »Adeste fideles, laete triumphantes, venite, venite in Bethlehem! Begroet gij allen, het pasgeboren Kindje van Bethlehem, dat op geestelijke wijze weer onder ons verschenen is!quot;

Mathilde was niet de eenige die in dien gezegenden nacht communiceerde; maar daar dit haar eerste heilige Communie, en

ocr page 191

dus ook haar bruidsmaal was, werd zij in haar witte feeslkleederen door haren vader afzonderlijk geleid naar den ingang van het heiligdom, in welks midden een kleine met bloemen versierde troonhemel voor haar was opgeslagen. Zij knielde neder — het gt;Confiteorquot; was reeds begonnen — een levendig gevoel der werkelijkheid greep ten laatste haar geest en haar hart aan. Zij aanschouwde het Lam Gods! Zij begreep wat het zeggen wilde: «Heer ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak!quot;; en tranen van nederige dankbaarheid stroomden van haar wangen, toen zij haren Verlosser in dezen gedenkwaardigen nacht van Zijne geboorte op onze zondige en ellendige wereld, in haar hart ontving en welkom heette!

De kleine Helena knielde neder op een plaats, waar zij het geheele voor haar zoo indrukwekkende tooneel kon overschou-wen en mijnheer Forester had goed gezien toen hij berekende, dat de diepe godsvrucht zijner dochter een machtigen invloed zou uitoefenen op haar leerlinge. De wangen van het kind gloeiden, haar hart klopte hoorbaar, en geheel vermorzeld van berouw legde zij haar hand in die van Claudia, haar zuster.

De eerste heilige Communie was nu een gebeurtenis geworden, die vurig verbeid, ijverig bespoedigd, met innige dankbaarheid gewaardeerd en nooit meer vergeten werd! Ook ging dit gastmaal te middernacht Helena nimmer uit het geheugen. Zij had den Vriend harer ziel aanschouwd, dien zij zoo hoog bewonderde en verlangde vurig eveneens met Hem het bruiloftsfeest te mogen vieren.

Toen de overige communicanten en de huisgenooten de kapel verlieten, eenige ververschingen gebruikten en zich daarna ter ruste begaven, was het bijna drie uur. Toch waren allen genoegzaam verkwikt en opgewekt tegenwoordig bij de Hoogmis, gedurende welke Mathilde weer het koor dirigeerde.

De avond bracht een aangename verrassing, die voor ieder lid van het huisgezin een bijzondere aantrekkelijkheid had. Veel werkte hiertoe mede een draagbare tooverlantaarn, die het geheim en tevens het middel van bestaan was voor een ongelukkig kunste-

ocr page 192

naar, dien mijnheer Forester kort geleden had leeren kennen. Zij was geplaatst aan het uiteinde der zaal en zoo kunstig ingericht, dat zij niet alleen een reeks schoone landschappen met perspectief te aanschouwen gaf, maar ook verschillende groepen van beroemde personen uit de geschiedenis, die de talentvolle kunstenaar door zijn levendige voordracht handelend deed optreden terwijl hij deze voorstelling kruidde met zeer afwisselende arecdoten. Onder de onontbeerlijke pauze droegen zijn twee knaapjes tot groot genoegen der toehoorders eenige zangstukjes voor, en waren zij zelf daarna even lustig aan de feesttafel die — wat rijke afwisseling en overvloed van spijzen betreft — door de goede zorgen van mevrouw Carr getuigenis aflegde van een vroolijk Kerstfeest.

Onmiddelijk na het heilig Hoogtij zag mijnheer Forester zich genoodzaakt Woodbank te verlaten. Hetzelfde ministerie trad met een enkele verandering weder op, en hij zelf hield zich door eer en goeden naam gebonden, zijn werkkring daarin voort te zetten. Nu werd het voor hem een punt van nadenken, of hij Mathilde tot de Paaschvacantie der beide Huizen met zich mede zou nemen of haar hier achter zou kten. Ook vroeg hij daaromtrent haar eigen oordeel, en op zekeren avond werd het gesprek daarover zoolang fluisterend voortgezet, dat Helena ongeduldig werd, omdat men zoo weinig notitie van haar nam, zich dichter bij de tafel schoof en onder de eerste pauze die voorkwam, uitriep: gt;Ik heb eens een vader gehad!quot;

Mijnheer Forester zag het kind aan en vond iets stootends in de tranen die zij stortte. Zij zelf zag hem eveneens aan en voegde er nu bij:

»Maar gij zult wel doen, wat goed islquot;

Ten laatste werd besloten, dat Mathilde, Helena, Angelica en het overige besturende personeel naar de hoofdstad zouden reizen, maar dat de andere personen, die bijna allen de lessen volgden van mijnheer Harcourt, te Woodbank zouden blijven. Dit viel nog des te gemakkelijker zoo te bepalen, wijl mijnheer Forester zijn huis in de Stanhope-street aan een zijner neven en diens huisgezin

ocr page 193

had afgestaan en het dienstdoend personeel daar genoegzaam in staat was allen te bedienen.

Juffrouw Tyler, die gewichtige persoon, mocht tol grooten troost van mijnheer Harcourt te Woodbank blijven, daar hij in haar een krachtigen steun vond om de kennis en de liefde der katholieke waarheid in de familie te verbreiden; ook was het een troost voor de arme Claudia, die bij dit gelukkige bericht lachte terwijl hare wangen gloeiden. De zusters gevoelden de scheiding van elkander diep, en zij gaven dit, ieder op hun eigenaardige wijze, te kennen. Helena weende, lachte en kuste haar; Claudia werd bleek en gaf aan Helena een keus uit al haar heilige kleinodieen. Drie maanden waren voor deze jeugdige harten een lange tijd.

Helena snelde nu heen, om afscheid te nemen van de huishoudster. gt;Adieu, mevrouw Carr! Adieu, adieu!quot;

gt;0 Hemel!quot; riep mevrouw Carr, jdat leeft bij de verandering! Nauwelijks is men verheugd geweest over de aankomst, cf men is weer even blij, dat men weggaat.quot;

gt;Arme mevrouw Carr,quot; zeide Helena, shoe beklaag ik u, dat gij niet mede moogt gaan naar de Stanhope-streetlquot;

De goede vrouw legde haar geliefkoosde lectuur — het keukenboek — in de kast, nam daarna haar bril af en sprak: »Mij beklagen, arm kind? beklaag liever u zeiven! Ik hoor, dat men van u een gouvernante wil maken, en ik heb daarvan reeds eer.ige ondervinding opgedaan. Geloof mij, men verdient daarmede niet altijd boterhammen die aan beide zijden besmeerd zijn. Neen, dan tienmaal liever het leven van een huishoudster op een goede warme plaats.quot;

Helena had nu haast om weg te komen, maar mevrouw Carr vatte haar bij de hand en ging voort; »Hier ben ik aan de spits van mijn leger, deel van mijn leuningstoel uit mijn bevelen rond, en als er aan de deur wordt geklopt, gun ik mijzelven behoorlijk den tijd, om den stoutmoedige, die mij verlangt te spreken — al is het zelfs mijnheer Thompson — toe te roepen: tBiunen!quot;

gt;Nu, adieu, adieu,quot; riep Helena, die het rijtuig in de verte

ocr page 194

hoorde aankomen. Daarna snelde zij de trappen af naar de vestibule en jubelde nog: »Adieu, adieu, groote, gemakkelijke, bijziende mevrouw Carr!quot;

»Juffrouw Forester, lieve juffrouw Forester,quot; sprak zij, toen zij een eind weegs hadden afgelegd, gt;mag ik Engelsch spreken ?quot; Het antwoord was bevestigend.

»Zeg mij dan eens,quot; ging zij voort, »wat zoudt gij liever zijn, huishoudster of gouvernante ?quot;

Mathilde antwoordde haar met een drievoudige vraag:

»Wat is meer waard voor de eeuwigheid — de ziel of het lichaam ?quot;

»De ziel,quot; antwoordde Helena.

»En welke belofte is er gedaan aan hen, die anderen in de gerechtigheid onderwijzen ?quot;

»Zij zullen schitteren als sterren gedurende de gansche eeuwigheid,quot; antwoordde Helena.

»En wat moet eigenlijk, afgezien van de hoop op belooning, de drijfveer zijn van al onze handelingen?quot;

Helena dacht een oogenblik na en antwoordde vervolgens: tde meerdere eer van God.quot;

lOverweeg dit alles eens terwijl wij ophouden bij deze haltplaats,quot; zeide Mathilde, gt;en dan moogt gij bij de volgende Engelsch spreken.quot;

Toen zij bij de lange reeks kwamen van de straten der voorsteden, die zich van alle zijden rondom de hoofdplaats uitstrekken, meende Helena bij iedere nieuwe rij huizen in de Stanhope-street te zijn.

gt;Soldaten, soldaten!quot; riep zij uit, toen zij de schildwachten bij het Hensington-Palace en kort daarop die aan de Knights-bridge-kazerne zag. »Wat ben ik blij, dat ik ze weer eens zie — en, o, kijk eens, Polichinel! Polichinel!quot; En toen zij onder de Apsley-poort doorreden begon zij weer: »Ik geloof, dat mijnheer Forester dezen schoonen boog mede heeft helpen bouwen, en behoort nu dit geheele park bij de Stanhope-street fquot;

ocr page 195

»Neen,quot; antwoordde Mathilde, »maar gij kunt daarin iederen morgen met Angelica gaan wandelen, zooals ik nog kort geleden gewoon was te doen. En nu, Helena, let eens op — ginds is de Stanhope-poort, en daar hebben wij eindelijk Stanhope-street. Breng haar uwen groet! want, mijn lief kind, zij is evenals Wood-bank uw tehuis.quot;

Helena, die haar gewaarwordingen eenigszins had leeren onderdrukken, uitte slechts een vreugdekreet toen de wagen stilhield en volgde Mathilde door de nieuwe omgeving van het vreemde Londen.

Reeds den volgenden dag nam Mathilde de taak op zich van haar vroegere gouvernante, juffrouw Arkwright, en begon Helena den cursus der studieën, die juffrouw Forester zelf eenmaal door-loopen had.

gt;Nu, Helena,quot; zeide mijnheer Forester bij het dessert, »hebt gij al de winkels in de Regent-street reeds gezien?quot;

»Neen,quot; antwoordde Helena, imaar ik heb allerlei soorten van spraakkunsten in de school gezien.quot;

De volgende dag was een Zondag, en onze vrienden woonden de vroegmis en later de Hoogmis godvruchtig bij in Stanhope-street. Mijnheer Forester was iemand die wekelijks communiceerde en hij noodigde ook zijn dochter meermalen vriendelijk daartoe uit. Mathilde beloofde haar schroomvalligheid te zullen overwinnen en gebruik te maken van het verlof van mijnheer Selby, maar niet eer dan nadat zij weer te Woodbank zou zijn teruggekeerd, en de vreugdevolle Paaschtijd den boetetijd der Vasten zou hebben vervangen.

Zevende 3föo|9^twft.

Eindelijk dan schemerde de Paaschmorgen voor de gespannen verwachting en hooggestemde vreugde van Claudia Nevison, en nooit maakte zich een uitverkoren bruid met meer opgewekt-

ocr page 196

heid gereed en met een diepere overtuiging, dat haar liefde in veel hoogïren graad zou beantwoord worden, dan dit jeugdig meisje zich voorbereidde tot de geheimzinnige bruiloft harer ziel. In de vroegmis zou zij tot de eerste H. Communie worden toegelaten, en met haar een groote schaar van degenen, die hun lessen en hunne voorbereiding onder de leiding van mijnheer Har-court hadden volbracht, en die zich bijna allen geluk wenschten, wijl zij tegelijkertijd met haar mochten communiceeren — zulk een «chting en eerbied had de eenvoudige en kalme godsvrucht van dit onbekende meisje aan een ieder ingeboezemd.

Mijnheer Harcourt, aan wien Claudia de zen gelukkigen uitslag harer studiën te denken had en die daardoor haar grootste weldoener was geworden, begon de blijde Mis der Opstanding met een hart vol deelneming en dankbaarheid; daar hij echter bezorgd was, dat zij tengevolge harer diepe aandoening bijzonder de aandacht zou trekken, had hij mevrouw Tyler verzocht een wakend oog te houden op de indrukken die de jeugdige cotnmunicante zou ondsrvinien.

Voor het begin der H. Mis had mijnheer Harcourt eenige woorden van gelukwensching en vermaning gericht tot diegenen der aanwezigen, die deel zouden nemen aan den Goddelijken liefdemaaltijd en zijn toespraak besloten met een grondregel, dien zij nimmer uit het oog moesten verliezen, en die een deel zou uitmaken van de zegeningen, welke zij, ieder naar de mate hunner voorbereiding, zouden deelachtig worden. »Dit Sacrament,quot; zeide mijnheer Harcourt, gt;is een grenzenlooze oceaan —uwe godsvrucht is de beker waarmede gij daaruit water put. Brengt daarom een grooten beker mede, die veel bevatten kan, en gij zult van dit water, dat ten eeuwigen leven ontspringt, zooveel met u mede-nemen, als gij slechts kunt dragen.quot;

Er waren in die vroegmis zestien personen en negen van hen mochten evenals Claudia voor de eerste maal aanzitten aan de heilige Tafel. De vrouwelijke communicanten waren eenvoudig gekleed en onder hen bevond zich Claudia, die door geen enkel

ocr page 197

uitwendig teeken de groote inwendige voorrechten verried, welke haar waren geschonken. En thans, nu het voorwerp harer vurige begeerten haar voor oogen werd gehouden — en tot ieder van hen gezegd werd: »Het lichaam van Onzen Heer Jesus Christus beware uwe ziel ten eeuwigen leven. Amenquot; i) was slechts een lichte siddering het welsprekende bewijs van den stroom van vreugde, die hare ziel overstelpte 1

Na het gewone korte oogenblik van stille overdenking stonden de communicanten van hun plaats op en keerden, vergezeld van degenen, die naast hen hadden neergeknield, naar hunne plaatsen terug. Onder hen bevond zich ook Claudia. Zij bleef voortdurend volkomen rustig in haar gedragingen, hield de oogen zacht neergeslagen, de handen gevouwen, en geheel haar houding was zoodanig, dat mevrouw Tyler, die haar eenige malen had aangezien, overtuigd was van haar kalmte en zelfbeheersching en zich weer overgaf aan haar eigen godsvrucht, waarin zij weldra zoozeer was verdiept, dat zij alles om zich heen vergat.

Na de H. Mis hield mijnheer Harcourt nogmaals een korte toespraak tot de aanwezigen en bemerkte tot zijn ontsteltenis, dat Claudia zich niet meer onder hen bevond. Ook mevrouw Tyler ontwaarde dit, maar niet voordat allen zich gereed maakten, de kapel te verlaten. Met al de behoedzaamheid die haar eigen was begon zij nu de jeugdige communicante te zoeken, maar tevergeefs. ' Weldra sloten anderen zich bij haar aan en hielpen haar in het opsporen der vermiste, terwijl de jongeren onder hen haar verzekerden, dat zij alle plaatsen zouden doorzoeken en haar aanrieden zich rustig naar de kamer der huishoudster te begeven en daar te ontbijten. Ondertusschen kwamen ook zij met elkander overeen, de opsporing uit te stellen, totdat zij hun feestelijk en rijk voorzien Paasch-ontbijt zouden hebben gebruikt. Deze wijze voorzichtigheid en zorg voor hun lichamelijke versterking stond aan Claudia, die volkomen in veiligheid was en zich gelukkig gevoelde, nog

i) Corpus Domini nostri Jesu Chrisli custodial animam tuam in vitam aeternam Amen. Woorden die de priester spreekt bij de uitdeeling der H. Communie.

ocr page 198

een vol uur toe van stille overweging in de schuilplaats, die zij zich had uitgekozen. Zij had zich namelijk naar een kamer begeven, die zeer zelden bezocht werd, wier venster diep in den muur terugsprong, en waar het gordijn nog was neergelaten; hier werd zij dan ook ten laatste verraden door het licht der lamp, die niettegenstaande het steeds helderder wordende daglicht een duidelijk zichtbaren schijn wierp op het gordijn. Zij had die lamp ter eere van den Goddelijken Bezoeker, dien zij in haar hart droeg, zorgvuldig van de sacristy naar deze eenzame plaats overgebracht en liet nu, neergeknield, den vrijen loop aan haar lang onderdrukte vreugde.

«Claudia,quot; sprak mijnheer Harcourt, »waarom zijt gij zoo spoedig na het ontvangen van het heilig Sacrament uit de kapel gegaan? De kapel is toch de aangewezen plaats om te bidden en te mediteeren.quot;

gt;Ik ben zelf eene kapel geworden,quot; antwoordde zij. »lk had geen andere noodig. Ik was het tabernakel, waarin het Allerheiligste rustte. Daar heb ik reeds zoovele jaren naar verlangd.quot;

»Dat is zeer waar, Claudia; maar door de kapel te verlaten — een plaats die toch heilig en ook stil genoeg is — loopt gij gevaar, den kostbaren schat dien gij in u omdraagt, te ontheiligen.quot;

gt;Men heeft mij gezegd,quot; antwoordde zij weer, «dat de engelen hun Koning omgeven en bewaken, zoolang Hij in mijn ziel en in mijn lichaam tegenwoordig is; dat zij mij op al mijne schreden vergezellen en dus ook bij mij blijven in deze kamer.quot;

gt;Ja, Claudia, hierin kan ik u niet tegenspreken; maar een andere maal zult gij toch in de kapel blijven, nietwaar? Niemand zal u daar storen. Evengoed als gij, is iedere andere communicant omgeven van engelen, totdat de heilige gedaanten geheel en al verteerd zijn. Gij moet echter niet meenen, dat ik ontevreden over u ben; want ik houd mij overtuigd van uwe gehoorzaamheid.quot;

Het eerstvolgende gedeelte van Claudia's leven was nu een streven naar het geluk van dagelijks te Communiceeren. Dit groote voorrecht was het gevolg van het volhardend en scherp onderzoek.

D. Z. H. S. 12

ocr page 199

— 178 —

waarmede de eerwaarde heer Harcourt de inzichten Gods omtrent zijn biechtkind trachtte te achterhalen. Verder besloot hij, haar met behulp van mevrouw Tyler even nuttig voor anderen als gelukkig voor zich zeiven te maken. Deze plannen, die de volle goedkeuring wegdroegen van mijnheer Forester, leidden er ten laatste toe, dat Claudia belast werd met de zorg voor de sacristy; deze langzame maar zekere vooruitgang kon intusschen niet gespaard blijven voor eenige moedwillige schets zoowel van zijn kant als van de zijde van mijnheer Selby, waarmede men zich hoofdzakelijk ten doel stelde de gezindheid en de voornemens van den ijverigen jongen kapelaan nader te leeren kennen.

sik heb nooit beweerd, dat Claudia Nevison het vlugste meisje van Devonshire is,quot; gaf mijnheer Harcourt glimlachende ten antwoord op een dergelijken aanval na het middagmaal. »Ik heb slechts gezegd, dat zij meer huishoudelijken zin heeft dan het halve graafschap, en dat is inderdaad ook zoo. Ik heb haar nog nimmer iets zien verrichten wat waarlijk dwaas was; en wat haar in het oog loopende neiging betreft voor het afgetrokksne en geheimzinnige, deze bewijst meer diepte van gedachten, dan diegenen schijnen te begrijpen, welke er slechts den spot mede drijven.quot;

»Gij zijt dus allerwaarschijnlijkst van plan een nonnetje van haar te maken?quot;

sZeker, daar denk ik over; maar het blijft tot nog toe slechts bij een gedachte. De reden voor het eerste is haar ongeschiktheid voor de wereld, zoowel wegens haar denkwijze en gezindheid, als haar praktische vaardigheid. Zij leeft slechts in het gezelschap van Dengene, die door de menschen veracht en verworpen werd, en zou zich het beste op baar plaats gevoelen onder Zijne uitverkorenen, wie de wereld niet waardig is te bezitten. Zij heeft niet de natuurlijke bedrijvigheid van Martha, maar veel meer dan dat; haar grootste geluk bestaat in een beschouwend neerknielen met de beminnende Maria.

sEn welke zijn dan de beweegredenen tegen haar intrede in een klooster?quot; vroeg mijnheer Seldy.

ocr page 200

»Haar langdurige gewoonte, volgens eigen geneigdheid te denken en te handelen,quot; antwoordde mijnheer Harcourt. uZij heeft te midden van anderen geheel op zich zeiven geleefd, en zou de regeltucht van het kloosterleven misschien pijnlijk vinden en de beproevingen van het noviciaat niet begrijpen — maar toch, dit kan geen onoverwinnelijke moeielijkheid zijn.quot;

gt;En waarom zou zij dan hier niet gelukkig kunnen zijn?quot; vroeg mijnheer Forester; swant ik verzeker u: zoo weinig als ik er nu over denk, haar naar een gesticht te zenden, zoo ernstig zou ik dit aanvankelijk voornemen doorvoeren, als ik mij niet overtuigd hield, dat zij hier een krachtiger invloed uitoefent dan ik zelf. Het zou, naar mijne meening, een waar ongeluk zijn, als zij Woodbank verliet; want reeds alleen haar dagelijks met de vurigste godsvrucht te zien Communiceeren, is een bron van geestelijke opwekking niet slechts voor de bewoners van mijn huis, maar ook voor al de vrome bezoekers onzer kapel.quot;

»Ik geloof,quot; sprak mijnheer Harcourt, sdat zij, zoolang me-Trouw Tyler leeft, hier even goeJ op haar plaats is als een klooster.quot;

»Maar de gelofte,quot; hervatte mijnheer Selby; sbegrijpt en schat zij de waarde der gelofte wel ten volle {quot;

»Ten volle,quot; antwoordde mijnheer Harcourt, en zij bereidt zich nu juist voor om die bij mij voor een jaar af te leggen.quot;

Toen mijnheer Forester en zijn kapelaan den volgenden dag omstreeks dienzelfden tijd weer bij elkander zaten, sprak de eerste nadat het onderhoud eenige oogenblikken onderbroken was geweest: »Wat verstaat gij dan wel onder de vereischte gesteltenis om dagelijks te communiceeren?quot;

sin het algemeen,quot; antwoordde mijnheer Harcourt, seen leven van afzondering, van gebed, van zelfverloochening; een diep gevoel van de onmetelijke weldaad, waaraan de ziel deelachtig wordt door het ontvangen van dit aanbiddelijk Sacrament, en een on-wederstaanbaar verlangen — een smachten naar deze bron van genade, die onvergelijkelijk rijker is dan al de andere genademiddelen der Kerk.quot;

ocr page 201

— i8o —

»Moet degene die dagelijks communiceert, volgens uwe meening, volmaakt zijn, of slechts naar volmaaktheid streven?quot; zeide mijnheer Forester.

sik zou meenen,quot; was het antwoord, »dat zijn levenswandel heilig moet zijn; wij kunnen echter van hem streng niet meer verlangen, dan het ijverigste streven naar volmaaktheid.quot;

sOnder een heiligen levenswandel,quot; zeide mijnheer Forester; gt; verstaat gij dan allerwaarschijnlijkst zulk eenen, waarbij de Evangelische Raden worden opgevolgd; maar nu zijn er toch ook personen, zelfs heiligen geweest, aan wie dit hooge voorrecht werd geschonken, niettegenstaande zij al de plichten van het dagelijk-sche leven te vervullen hadden.quot;

»Zeker zijn er zulken geweest,quot; sprak mijnheer Harccurt, imaar deze voorbeelden zijn zeer zeldzaam.quot;

slemand. die dagelijks communiceert, zal dan ook wel geen behoefte hebben aan de biecht,quot; merkte mijnheer Forester op, »want de eene communie is toch de beste voorbereiding voor de andere.quot;

sOngetwijfeld,quot; hernam de geestelijke; »maar hij is en bl'jft toch een mensch, en in de volgende uren van den dag kan de zuiverheid zijner ziel besmet of verduisterd worden hetzij door onachtzaamheid of door zwakheid, al ware het slechts in zijne gedachten.quot;

Mijnheer Forester zweeg een oogenblik en ging daarna weer voort:

sis het met te vreezen, dat bij het dagelijksch nuttigen der Heilige Communie de vurigheid, de liefde en de eerbied schade lijden, waarmede men tot dezen Goddelijken maaltijd dient te naderen?quot;

sik geloof neen,quot; antwoordde mijnheer Harcourt. »Het bewijs, dat men het hooge voorrecht van dagelijks te communicee-ren naar waarde schat en er bijgevolg ook inderdaad voordeel van heeft, bestaat niet in een gevoelige aandoening des gemoeds, maar in een bestendigen vooruitgang in iederen Christelijke deugd, ter-

ocr page 202

wijl de gemoedsaandoening eerst dan waarneembaar wordt, als de communicant door een of andere omstandigheid van het voedsel zijner ziel beroofd wordt. Juist dit geeft — zooals gij u wel zult herinneren — ons de heilige Franciscus van Sales aan als het echte bewijs van onze liefde tot God. Hij vergelijkt deze met bet beeld van een kind, dat sluimert in de armen zijner moeder: haar zalige vreugde met dit kind blijkt het duidelijkst als men op een of andere wijze beproeft het aan zijn stille rust te ontnemen.quot;

gt;Gij hebt daar straks,quot; zeide mijnheer Forester, ide uiterlijke hoedanigheden opgesomd, die vereischt «orden, om dagelijks te kunnen communiceeren, en daarbij ook de zelfverloochening genoemd. In welk een graad, meent gij, dat men deze laatste beoefenen moet?''

»Het is noodzakelijk,quot; antwoordde mijnheer Harcourt, »dat-men, wat den uitwendigen omgang met anderen belreft, ieder gezelschap vermijde, hetwelk ook slechs eenigszins een minder gods-dienstigen tint heeft, en dat men zich onthoude van alle wereld-sche vermaken. Wat de inwendige zelfsverloochening betreft, moet men verlangen, de laatste, de geringste van allen te zijn en door de wereld vergeten te worden, maar niet door Jesus, die ons rijkelijk schadeloos stelt voor al het andere. Gelukkig de ziel die den weg heeft gevonden, welke tot Zijne lief le voert en die dezen kostbaren schat zoo zorgvuldig mogelijk bewaart, die doordrongen is in het geheim van deze wederzijdsche liefde, hetwelk geen ander is dan de zoete rust der ziel in de armen van haren Goddelijken Bruidegom !

(51 c fi tM 3foo|'3i l ii f;.

»Zijt gij niet wel, Claudia?quot; vroeg Anna Tyler op zekeren morgen in de sakristy ? »Er moet nog heel wat voor de H. Mis worden klaar gelegd.quot;

ocr page 203

»Moet degene die dagelijks communiceert, volgens uwe meening, volmaakt zijn, of slechts naar volmaaktheid streven?1' zeide mijnheer Forester.

ilk zou meenen,quot; was het antwoord, »dat zijn levenswandel heilig moet zijn; wij kunnen echter van hem streng niet meer verlangen, dan het ijverigste streven naar volmaaktheid.quot;

sOnder een heiligen levenswandel,quot; zeide mijnheer Forester; »verstaat gij dan allerwaarschijnlijkst zulk eenen, waarbij de Evangelische Raden worden opgevolgd; maar nu zijn er toch ook personen, zelfs heiligen geweest, aan wie dit hooge voorrecht werd geschonken, niettegenstaande zij al de plichten van het dagelijk-sche leven te vervullen hadden.quot;

gt;Zeker zijn er zulken geweest,quot; sprak mijnheer Harcourt, smaar deze voorbeelden zijn zeer zeldzaam.quot;

slemand, die dagelijks communiceert, zal dan ook wel geen behoefte hebben aan de biecht,quot; merkte mijnheer Forester op, »want de eene communie is toch de beste voorbereiding voor de andere.quot;

iOngetwijfeld,quot; hernam de geestelijke; »maar hij is en bl;jft toch een mensch, en in de volgende uren van den dag kan de zuiverheid zijner ziel besmet of verduisterd worden hetzij door onachtzaamheid of door zwakheid, al ware het slechts in zijne gedachten.quot;

Mijnheer Forester zweeg een oogenblik en ging daarna weer voort:

»Is het niet te vreezen, dat bij het dagelijksch nuttigen der Heilige Communie de vurigheid, de liefde en de eerbied schade lijden, waarmede men tot dezen Goddelijken maaltijd dient te naderen?quot;

gt;Ik geloof neen,quot; antwoordde mijnheer Harcourt. »Het bewijs, dat men het hooge voorrecht van dagelijks te comtnunicee-ren naar waarde schat en er bijgevolg ook inderdaad voordeel van heeft, bestaat niet in een gevoelige aandoening des gemoeds, maar in een bestendigen vooruitgang in iederen Christelijke deugd, ter-

ocr page 204

— i8i —

wijl de gemoedsaandoening eerst dan waarneembaar wordt, als de communicant door een of andere omstandigheid van het voedsel zijner ziel beroofd wordt. Juist dit geeft — zooals gij u wel zult herinneren — ons de heilige Franciscus van Sales aan als het echte bewijs van onze liefde tot God. Hij vergelijkt deze met het beeld van een kind, dat sluimert in de armen zijner moeder: haar zalige vreugde met dit kind blijkt het duidelijkst als men op een of andere wijze beproeft het aan zijn stille rust te ontnemen.quot;

ïGij hebt daar straks,quot; zeide mijnheer Forester, ïde uiterlijke hoedanigheden opgesomd, die vereischt worden, om dagelijks te kunnen communiceeren, en daarbij ook de zelfverloochening genoemd. In welk een graad, meent gij, dat men deze laatste beoefenen moetf'

illet is noodzakelijk,quot; antwoordde mijnheer Harcourt, sdat-men, wat den uitwendigen omgang met anderen betreft, ieder gezelschap vermijde, hetwelk ook slechs eenigszins een minder gods-dienstigen tint heeft, en dat men zich onthoude van alle wereld-sche vermaken. Wat de inwendige zelfsverloochening betreft, moet men verlangen, de laatste, de geringste van allen te zijn en door de wereld vergeten te worden, maar niet door Jesus, die ons rijkelijk schadeloos stelt voor al het andere. Gelukkig de ziel die den weg heeft gevonden, welke tot Zijne lief ie voert en die dezen kostbaren schat zoo zorgvuldig mogelijk bewaart, die doordrongen is in het geheim van deze weder/ijdsche liefde, hetwelk geen ander is dan de zoete rust der ziel in de armen van haren Goddelijken Bruidegom !

dc A Lstc

»Zijt gij niet wel, Claudia?quot; vroeg Anna Tyler op zekeren morgen in de sakristy ? «Er moet nog heel wat voor de H. Mis worden klaar gelegd.quot;

ocr page 205

- I82 -

»Ik gevoel mij niet goed,quot; was het antwoord. »en kan ook niet zien.quot;

sKunt gij niet zien?quot; riep de goede vrouw ten hoogste verontrust uit en snelde heen om mijnheer Harcourt te roepen, die in de kapel aan het bidden was. Intusschen was Claudia op den grond neergezonken, men riep om hulp, bracht haar naar hare kamer, legde haar te bed en liet den dokter van Blackminster ontbieden.

Totdat deze kwam viel er geen verbetering waar te nemen. Men bad voor haar in de H. Mis en mijnheer Harcourt bleef te huis, om de uitspraak van den dokter af te wachten omtrent het toedienen der laatste heilige Sacramenten. Toen mijnheer Evans eindelijk kwam, deed hij zijn patiente aanstonds een aderlating-ondergaan, hetgeen bij haar een gemakkelijker ademhaling ten gevolge had. Ook sloeg zij hare oogen op, maar niettegenstaande haar herhaalde pogingen, was het duidelijk, dat zij niet zien kon. Weldra vielen zij weder dicht, en nu lag zij daar zonder eenig bewustzijn te hebben van hare omgeving.

Nog eens opende men haar een ader en wel zoo lang, dat haar teeder lichaam den stroom van het leven bijna geheel scheen te hebben uitgestort. Thans sloeg zij hare oogen op, richtte die vast en met half bewustzijn op mevrouw Tyler en zeide veelbe-teekenend: sMevrouw Tyler, ik vast nog altijd.quot;

Mijnheer Evans en de overige aanwezigen besloten uit deze woorden, dat zij haar verlangen naar cenige spijs wilde te kennen geven; maar juffrouw Tyler begreep zeer terecht, dat zij doelde op het dagelijksch voedsel harer ziel. Zij bracht dan ook nlles in orde, schoof de bidstoel van Clandia dichter bij het ziekbed, en verwijderde zich, om mijnheer Harcourt van haar verlangen in kennis te stellen.

Mijnheer Evans drukte intusschen Mevrouw Tyler op het hart, haar slechts zeer lichte spijzen te geven en vertrok met de belofte, zijn bezoek tegen den avond te zullen herhalen. Mathilde, die tegenwoordig was, en van hen had vernomen, dat Claudia's toe-

ocr page 206

- I83 -

stand zeer bedenkelijk moest heelen en dat zij nog lang kon lijden, zonder het volle bewustzijn terug te ontvangen, verkeerde in de stellige overtuiging, dat de h'ilige Communie aan de zieke thans gegeven zoude worden als Teerspijze. Zij riep dan ook Angelica om haar te helpen, haalde waskaarsen en bloemen van de sakristy en versierde het kleine altaar zoo schoon, als het haar bij zulk een spoed mogelijk was; zij spreidde er een doek en een geborduurde altaardwaal over uit en legde een andere over Claudia, die kalm en stil in het gebed was verzonken. Daarna vatte zij Helena bij de hand en begaf zich met haar naar de sakristy, waar mijnheer Harcourt in superplie en stool hen wachtte. Hij nam nu de heilige Hostie uit het tabernakel en bracht haar, voorafgegaan door het waslicht en de schel, eerbiedig naar de kamer der zieke. Mathilde en Helena knielden ter weerszijde van Claudia en baden te zamen het sConfiteor.quot; De eerste had ook het Rituaal in de hand om de toediening van het Vaticaan x) te kunnen volgen, maar tot haar verwondering gebruikte mijnheer Harcourt geen ander formulier, dan hij het gewone uitreiken der heilige Communie; en Claudia ontving de heilige Hostie met de haar eigen nederige en dankbare liefde.

Toen de aanwezigen zich na eenige oogenblikken van plechtige stilte verwijderden, ging Mathilde naar mijnheer Harcourt en zeide tot hem met herlevende hoop: ïGij gelooft dus niet, dat Claudia ernstig isr''

»Neem mij niet kwalijk,quot; was zijn antwoord, »ik geloof, dat zij aan de grenzen is eener betere wereld.quot;

slloe nuquot; — sprak zij, maar ging niet verder.

Mijnheer Harcourt begreep die half uitgesproken vraag, en antwoordde: «Als Claudia een maandelijksche of zelis een weke-lijksche communicante was, zou ik, zooals gij verwacht hadt, haar de heilige Communie als Teerspijze hebben geschonken; maar daar zij 'misschien en, volgens mijn gedachte, waarschijnlijk, nog

i) Eigenlijk: reispenning, teerspijze, versttrking vcor de reize naar de eeuwigheid.

ocr page 207

— 184 —

meerdere dagen leven kan, en ik met reden veronderstel, dat zij iederen dag verlangend naar het uur barer H. Communie zal uitzien, wilde ik haar van het dagelijks voedsel harer ziel niet be-rooven, door haar dit nu reeds te schenken als de laatste versterking op haren tocht naar de eeuwigheid.quot;

sKan de heilige Teerspijze dan niet meermalen gegeven worden ?quot;

iBinnen de tien dagen niet; dat is zoo de wetsbepaling der Kerk.quot;

Mijnheer Harcourt had inderdaad allen grond voor zijn handelwijze. Claudia bleef lijdende — en ontving iederen dag het Brood des Levens zonder iets anders te nuttigen. Op den vijfden dag werd een nieuwe dokter ontboden. Weer ging men over tot een aderlating; deze wijze van behandeling was, volgens zijn uitspraak. het eenig middel waardoor haar leven nog gered kon worden.

Gedurende den tijd harer ziekte hadden de vrouwelijke dienstboden om beurten bij haar gewaakt. Maar in den nacht, die voor haar de laatste zou zijn. sloten Mathilde en mevrouw Tyler geen oog dicht; van tijd tot tijd reikten zij haar den drank, dien zij zonder bewustzijn innam. Haar leven spoedde haastig ten einde.

gt;Zij is veel veranderd,quot; zeide Mathilde, toen het omstreeks twee uur in den morgen was; 5zou ik mijnheer Harcourt en de arme kleine Helena niet gaan roepen?quot;

»Gisteren avond om zeven uur, worstelde zij reeds met den dood,quot; zeide mevrouw Tyler, »en nu zij den nacht doogekomen is, geloof ik ook, dat zij het voor haar zoo gewichtige uur nog zal halen.quot;

Mevrouw Tyler nam nu een beker met verkwikkend vocht en richtte Claudia's hoofd eenigszins op; maar in plaats van den mond te openen, zooals gisteren avond, hield zij hare lippen vast op elkander, totdat men den beker weder wegnam, en zgide vervolgens; Het is reeds lang — twaalf uur!''

»Ja, lieve kind,quot; zeide mevrouw Tyler, smaar als gij nu communiceert, zal het voor u de heilige Teerspijze zijn; want gij gaat

ocr page 208

sterven. Neemt gij de versterking niet, die ik u geven wil, dan zult gij waarschijnlijk de reis alleen moeten aanvaarden — terwijl gij anders een verheven en glorievollen Reisgezel bij u zult hebben.quot;

»Zijt gij mevrouw Tyler?quot;

gt;Ja, lieve kind.quot;

»Gij hebt mij nog nooit misleid,quot; zeide het stervende meisje.

gt;Nooit; en ik zal het ook nimmer doen,quot; antwoordde de oude vrouw.

»Wij ontvangen de heilige Communie nuchter, om aan de wijze discipline der Kerk te gehoorzamen; maar in gevaar van sterven heft de wijze en de heilige Kerk dit gebod op. Gij weet immers, dat de Kerk niet alleen de macht om te binden, maar ook om te ontbinden ontvangen heeft. Daarom is het uw plicht, dezen drank te nuttigen. Mijnheer Harcourt heeft mij dit bevel voor u gegeven.quot;

Nu nam Claudia den verkwikkenden drank, en weinige minuten later gevoelde Mathilde, die de zieke bij de hand vatte, hoe de pols weder sloeg; maar tegelijkertijd vertoonde zich een doodelijken aandrang van bloed naar het hoofd door de gloeiende vlekken op hare wangen en daarop wijzende, zeide mevrouw Tyler met zachte stem, terwijl beiden van het bed weggingen; »De ziekte heeft haar toppunt nog niet bereikt, en toch sterft zij reeds van uitputting! In gevallen als dit vermag de kunst der menschenniets en wij zien thans duidelijk, dat God haar tot zich roept, om haar een ander en beter leven te schenken — een leven, dat ziekte noch smart noch ellende kent.quot;

»Hoe schoon ziet zij er uit!quot; sprak Mathilde. »A1 het pijnlijke en uitgeteerde is verdwenen. Kan dit nu wel de dood zijn?quot;

Toen het morgen werd, begaf Mevrouw Tyler zich naar de kamer van mijnheer Harcourt. Hij deed haar open en bepaalde omsteeks wanneer hij aan de stervende het heilig Sacrament zou brengen. Ondertusschen was ook de kleine Helena opgestaan en bevond zich weldra vol ontroering en bezorgdheid aan de zijde van Mathilde, wie zij zenuwachtig de hand drukte. Met tranen in

ocr page 209

— i86 —

de QOgen staarde zij op het kalme gelaat en de gestalte harer zuster. Het kleine altaar, dat iederen dag dienst deed, was weer versierd en verlicht, en de beker met wijwater benevens de palmtak stonden daarnaast. Al de vrouwelijke bedienden kwamen met godsvrucht bijeen, en mevrouw Carr bad voor zich zeiven en voor allen aan Claudia om vergiffenis en verzocht haar gebed.

Mevrouw Tyler wilde aanvankelijk niet toelaten, dat men Claudia stoorde, maar gaf ten laatste verlof, toen zij de reden van het verzoek vernam.

Claudia zeide; iWat moet ik dan vergeven? Iedereen is goed voor mij geweest — ik houd veel van een ieder uwer en bid voor allen. Maar bid gij ook wel voor mij ?quot;

Men hoorde nu het geklingel der kleine schel, waarmede Mathilde de komst aankondigde van den verborgen Koning der heerlijkheid, die op dit oogenblik door Zijn priester de sterfkamer werd binnengedragen. Mijnheer Harcourt plaatste de Ciborie eerbiedig op het altaar, en ging daarop naar Claudia. »Lieve kind, zeide hij, gt;gij weet toch, wat ik u heden kom brengen?quot;

Claudia antwoordde: ^Mijnen Heer en mijnen God!quot;

»En weet gij ook,quot; ging hij voort, sdat Hij heden meer voor u doen wil, dan Hij nog ooit gedaan heeft?quot;

»Dat weet ik,quot; zeide zij glimlachende; «mevrouw Tyler heeft het mij gezegd. Hij wil mijn Reisgezel zijn op den weg, dien ik nu moet afleggen. Hij wil mij met zich medenemen! Dat is wonderbaar! Móar Hij is alom tegenwoordig en almachtig. Hij is God! Wel zal Hij mij slechts in Zijn omsluiering vergezellen, maar ik zal Hem weldra aanschouwen te midden van den glans Zij.ier Majesteit! O gezegende en glorievolle Heer Jesus! Hier verborgen en veracht — maar daar God van alle heerlijkheid!quot;

Mijnheer Harcourt besproeide daarna het stervende meisje en haar legerstede, en begon de plechtigheid van de toediening der laatste •heilige Sacramenten; Mathilde gaf de antwoorden; — en voer de laatste maal ontving Claudia onder sacramenteele gedaante Dengene. die in het leven haar hoop en in het stervensuur haar vreugde was.

ocr page 210

- i87 -

Helena had niet vergeten, dat Claudia in de eenvoudigheid en de vurigheid van haar geloof aanstonds na haar eerste heilige Communie een lamp vóór zich geplaatst had, en zij meende nu volgens hetgeen zij geleerd had, dat bij de stervende communicante eveneens een lamp of waskaars diende te branden ter eere van den Goddelijken Gast, die haar nu nimmermeer zou verlaten. Toen dus Angelica de lichten op het altaar uitbluschte, en Helena door de ernstige blikken van Claudia in haar meening versterkt werd, nam het kind de grootste waskaars, stak die weder aan en plaatste ze vlak bij haar zuster. Weer zag zij Claudia aan en riep uit: gt;Het doet haar genoegen, dat ik het gedaan hebl — Zij weet, dat ik het gedaan heb! — Zij lacht mij toe — het doet haar genoegen!quot; en zij barstte in tranen los.

Claudia lag nu gedurende de overige uren van den dag met gesloten oogen onbewegelijk en schijnbaar in denzelfden toestand. Zij ontving het heilig Oliesel en men geloofde, dat zij bij kennis was; maar hare oogen hadden zich niet meer geopend sinds zij Helena glimlachend had aangezien, en geen woord was meer over haar lippen gekomen van het oogenblik, waarop zij haren biechtvader met zwakke stem de verzekering had gegeven, dat zij zich geheel met vreugde overgaf aan Hem, die haar alles in alles was. Even voor zevenen nam mevrouw Tyler haar plaats in bij het ziekbed; Mathilde knielde bij haar, en zij bleven eenigen tijd waken, terwijl zij bij tusschenpoozen zachtjes de gebeden der stervenden baden. Eindelijk bemerkten zij aan de vaneengescheiden lippen en de halfgeopende verglaasde nogen, dat Claudia's reine ziel aan het lichaam was ontvloden — en mijnheer Harcourt, die, met Helena aan de hand, op dit oogenblik binnentrad, leidde de gebeden voor de rust harer zalige ziel.

Claudia Nevison was de eerste der bewoners van Woodbank, die op het rustige kerkhof aan het einde der kayel bij het priesterkoor begraven werd; en meermalen werd het heilige Misoffer pn de heilige Communie voor haar opgedragen door diegenen',

ocr page 211

welke nu hoopten, dat zij Gods heerlijkheid reeds aanschouwde, en die er niet aan twijfelden, of hare gebeden voor hen stegen daarboven als wierookgeur omhoog.

Telken jare als zij van Londen of van het Vasteland Wood-bank kwamen bezoeken, plukte Helena de bloemen en het onkruid af dat op het nederig grasplekje om het graf harer zuster groeide, en dit geschiedde nog lang nadat zij reeds had opgehouden, een »kleine Helenaquot; te zijn. Maar nimmer bleef zij daar zoo langen tijd vertoeven en geen enkele maal stortte zij daar zoovele tranen als tien jaren na ons kort verhaal, toen zij van het altaar en het kerkhof te Woodbank voor goed afscheid moest nemen, Haar opvoeding, waaraan men alle zorg en moeite besteed had, was nu voltooid — haar weldoenster stond er onverbiddelijk op, dat het aanvankelijk- plan ten uitvoer zou worden gebracht — zij moest daarom binnen weinige dagen optreden als gouvernante van de jonge freules van Northam Court.

Haar vaderlijke en trouwe vriend, mijnheer Forester, had met zijn dochter voor Helena een jaargeld bestemd. Hij had haar gezegd, dat zij zich bij een of andere onvoorziene omstandigheid en in iedere verlegenheid tot hem moest wenden — en dit waren geen woorden zonder zin en beteekenis, maar, zooals zij wel wist, de voorboden van daden; en zij beproefde tevergeefs, de dankbare gevoelens van haar hart in passende bewoordingen uit te drukken.

»Vaarwel, Woodbank!quot; riep zij uit. «Vaarwel, dagen van vroeger!quot; De herinneringen aan hel verledene overweldigden weer haren geest; maar zij knielde neer bij het graf van haar zuster, en vond kalmte in het gebed. Daarna ging zij eenige oogenblikken vertoeven voor het altaar in de kapel. Daar dacht zij aan het «gastmaal van Mathilde te middernacht,quot; en aan het hoogtij door Claudia gevierd, bij de eerste morgenschemering — óók — en met dankbare en levendige hoop — aan haar eigen eerste heilige Communie op den Witten Donderdag van het volgende jaar.

Deze gedenkwaardige dug van de instelling van het allerheiligste Sacrament was voor Helena inderdaad een dag van hemelsch

ocr page 212

geluk — en vurig smeekte zij, dat God, de Alwetende en Almachtige, die Zijne gaven en genaden niet beperkt tot één bepaalde plaats, — hoeverre zij ook daarvan mocht verwijderd zijn — deelachtig zou maken aan de zegeningen en bijzondere gunsten van het altaar te Woodbank.

ocr page 213
ocr page 214

V.

Jh jlHij o.in pi ij ff

nf

gpf- hüilig Oliespl.

ocr page 215

■

ÉÉK

. ■; ; :.-lt;1;'.? ■

WÊMÊSms.

!

ocr page 216

De S b tl ij vat) d ly f

OF

flet l\eili^ Oliebel.

Sezzte Jtoojdstnfi.

enedicite,'' i) sprak de portier, een monnik van de abdij Clyff, toen hij tegen den avond de poort van het klooster opende voor een krijgsman die wenschte binnengelaten te worden. «Dominum,quot; 2) antwoordde de man in de wapenrusting, die hier geen vreemdeling was. Hij zond zijn klein gevolg van boogschutters weg en volgde den monnik door de kloostergangen om eerst, daar waar het paste, zijn eerbied te betuigen. Zij traden de Kerk der Abdij binnen, waar juist de eerste Vespers waren geëindigd voor den heiligen martelaar Placidus en zijne gezellen. De monniken sloten de zware boeken met hun klapperende haken en knielden daarna neder om de bede te herhalen der leerlingen van Emmaüs: Mane nobiscum, quoniam advespersscit, et inclinata est jam dies. 3)

1) Zegent. — 2) den Heer. — 3) Blijf bfj ons (Heer), want het wordt avond, en de dag neigt reeds ten ondergang.

ocr page 217

Weinige minuten in de Kerk waren reeds voldoende voor den krijgshaftigen bezoeker, en met haastige schreden begaf hij zich weer naar de gastenkamer en wierp daar eenige blokken hout in den vlammenden haard.

gt;Broeder!quot; sprak hij tot den monnik, die een oogenblik later bij hem kwam, ïlaten wij lustig en vroolijk zijn zoolang wij kunnen.quot; Daarna ontvouwde hij hem eenigszins breedvoerig de reden van zijn bezoek en voegde er ten slotte bij; »En wat hebt gij nu van avond voor mij te eten?quot;

»Kai pers en zeelten uit de vijvers, paling van Aron met wat kruiden en wortelen — daarbij eenige vruchten en versch brood met meede of een zacht likeurtje,quot; antwoordde de monnik.

»Heilige Maria, sta ons bij!quot; riep de gast uit. gt;Wilt ge mij soms nog altijd uwe vigiliën laten houden? In ernst gesproken, mijn goede broeder, ik had daar meer dan genoeg aan, toen ik hier nog als knaap was; al moogt gij mij geen vleesch brengen, wees zoo goed, en verkrijg voor mij in ieder geval van uwen hei-4igen vader verlof, een vogel te mogen eten — wild of tam, van Moorland of van de zee, het is mij hetzelfde, als ik maar een paar vleugels te zien krijg!quot;

Broeder Romanus glimlachte en ging aanstonds zoeken — wel 'niet naar een paar vleugels, maar naar den abt en gastheer. Hij deelde hem mede, dat de rinkelende voetstap, die men daar straks in de kerk had vernomen, van den jongen Ralph van Buckerel was, dat hij gewichtige tijdingen van den heer Gilbert de Mohun 'Overbracht en deze nog vóór het vallen van den nacht aan, den ^bt wenschte mede te deelen. Onmiddellijk na deze boodschap trad de abt de spreek- en gastenkamer binnen^ van Buckerel boog -zijn knie en ontving den zegen. Daarna echter richtte hij zich fier -en krachtig op, en maakte zich gereed, zijn eerwaardigen gastheer uit naam van zijn hoogen gebieder de wet voor te schrijven. »Heer Gilbert,quot; zoo was zijn woord, iheer Gilbert; mijnheer de abt, begint het dralen moede te worden, ofschoon hij dit nog niet wil beschouwen als een besliste weigering van zijn rechtmatige eischen.

ocr page 218

Hij laat u door mij weten, dat hij wel geen schrijver is, en de pen niet zoo vaardig kan voeren als de geleerde heeren, maar dat hij des te beter het zwaard hanteert en zijn eischen op de vaste goederen dezer abdij zal doen gelden met koninklijke goedkeuring. — De reden daarvan is, dat de stukken, waarbij heer Reginald de Mohun testamentaire beschikkingen heeft gemaakt ten gunste van dit stift, hetwelk toch reeds rijk genoeg is, van geen zegel voorzien zijn.quot;

gt;Ralph van Buckerel,quot; sprak de abt, »wij kunnen geen afstand doen, van hetgeen ons eigendom is; wij hebben deze vaste goederen in bezit, om ze over te dragen aan onze opvolgers, die, evenals wij, rentmeesters zijn van God, aan wien wij eenmaal strenge rekenschap zullen moeten afleggen. Hij heeft dan ook inderdaad onzen arbeid zoo rijkelijk met Zijne genade gezegend, dat het stuk grond, hetwelk eens een uitgestrekte wildernis was, waar de jagers van het hof rondzwierven en de vossen en roerdompen een toevluchtsoord vonden, thans is geworden de vallis florida, het bloeiende dal, waar de jeugdige landbouwers overvloedigen arbeid, de weduwen en weezen een vriendelijke woonplaats vinden. Blijf eens tot morgen onze gast, breng den nacht door in dit heilig tehuis van uwe kindsche jaren — stel u nauwkeurig op de hoogte van de bezittingen van dit zoogenaamd rijke stift, en ga dan heen om aan den ridder van Mohun te booschappen, waarin onze rijkdom eigenlijk bestaat 1quot;

»Men zegt, dat gij de vetste weiden en de bestbebouwde pachthoeven van het koninkrijk in bezit hebt,quot; hervatte Ralph van Buckerel, jmaar ik zelf ben geen rechter in deze strijdvraag; intusschen bedank ik u, heer abt, voor uwe hoffelijke gastvrijheid, en zal ik met genoegen een blik werpen op de plaatsen waar ik vroeger wel is waar betere, maar geen gelukkiger dagen beleefd heb. De eisch van mijnheer Gilbert berust echter niet op de verbetering of den achteruitgang der landerijen, maar daarop, dat zij hem volgens recht, krachtens nalatenschap toebehooren; want gisteren heeft men aan het hof bericht ontvangen van het overlijden van den jeugdigen heer Reginald.quot;

ocr page 219

»De jonge edelman is niet dood,quot; antwoordde de abt. »Hij leeft nog en heeft behoorlijk zijn handteekening en zijn zegel gezet onder het schriftelijk legaat zijns vaders.quot;

gt;Leeft hij nog?quot; riep van Buckerel uit. »Heer abt, kan ik er bij Gilbert van Mohun borg voor spreken, dat het verspreiden van dit gerucht leugenachtig is?quot;

iZeker kunt gij en moogt gij dat,quot; antwoordde deabt;»inaar het zou mogelijk zijn dat dit voorbarige nieuws nog voor uw terugkeer waarheid werd. Mijnheer Reginald is aan de grenzen eener betere wereld, heeft ook reeds de heilige Teerspijze ontvangen en wacht nu ieder uur op het heilig Oliesel.quot;

»Als hij sterft,quot; zeide Ralph van Buckerel, »meen dan niet, dat zijn bekrachtiging van het legaat der abdij ten goede zal komen — men heeft daarop bij den Heer Gilbert reeds gezinspeeld, maar als antwoord heeft hij openlijk gezworen, aan de spits van duizend boogschutters te zullen bewijzen, dat de handteekening valsch is. En inderdaad, heer abt, hoe hoopt gij — ingeval de jonge edelman sterft — te kunnen bewijzen, dat de naam en het zegel van Reginald de Mohun niet door een of anderen monnik zijn nagemaakt? Wie kent zijn schrift, en wie heeft hem eigenhandig het zegel er op zien drukken, behalve de bewoners van dit klooster? Wie zal heer Gilbert dwingen, geloof te hechten aan getuigenissen, die alleen door uw broederscliap worden afgelegd ? Ik geloof, voegde hij er glimlachende bij, gt;ik geloof, dat Ralph van Buckerel nu voor het eerst in zijn onbeduidend leven aan den geleerden abt van Clyfï stof tot nadenken gegeven heeft.quot;

De wakkere jonker had het geraden. Na hem voor dien nacht den zegen te hebben geschonken, verliet de eerwaarde abt de gastenkamer en begaf zich naar zijn vertrekken, waar hij een half uur over deze ernstige zaak nadacht en daarna den prior en den subprior deed ontbieden. »Vader Romuald, hoe gaat het met den jongen edelman?quot;

»Men moet zeggen, dat hij niet meer leefde,quot; antwoordde de subprior; »maar zijn pols slaat toch, ofschoon zeer zwak.quot;

ocr page 220

»Wat zegt onze broeder-geneesheer?quot;

»De menschelijke kunst vermag niets meer; maar toch kan hij nog vele uren leven.quot;

»Vader prior,quot; zeide de abt, »gij moet u nog voor het aanbreken van den dag op weg begeven naar het hof en bij den koning, die ons tot nog toe zeer gunstig gezind was, een audiëntie verzoeken. Hij is goed en toegevend van aard. Eens vermochten wij alles bij hem, maar thans, zegt men, wordt hij los op het stuk van godsdienst, daar hij zich zeiven aan ijdele gunstelingen bindt, die hem, in plaats van te gehoorzamen, trachten ts beheerschen. Laat mij u daarom op het hart drukken, koning Hendrik er aan te herinneren, dat wij een schriftelijk legaat in handen hebben, waaraan hij twaalf jaren geleden zijn volle toestemming heeft geschonken, en dat wel door baron de Mohun onderteekend, maar niet gezegeld is. Het betreft de vallis Jlorida, het bloeiende dal, dat overeenkomstig dit legaat voor altijd tot de goederen der abdij van Onze Lieve Vrouw van Clyff moet behooren. Zeg hem verder, dat eerst eenige weken geleden, de jonge edelman, die juist meerderjarig geworden was, deze heilige bakermat zijner kindsche jaren bezocht en de vroegere schenking bekrachtigd heeft, door in tegenwoordigheid der geheele broederschap van dit stiftsgebouw, en van zijn vriend Roger Titz Alen, die nu de zee is overgestoken, maar toen onze gast was, het zegel daarop te zetten en het eigenhandig te onderteekenen. Hebt gij dit gedaan, zoek dan met allen mogelijken ernst en aandrang van den koning een vaste waarborg te verkrijgen tegen het recht van den sterkste, waarmede de ridder de Mohun ons dreigt. Een koorbroeder en twee soldaten uit het gevolg van jonker van Buckerel zullen u vergezellen. Hij geeft hun een schriftelijke getuigenis mede, dat mijnheer Reginald nog leeft, en dat hij zelf hier blijft, om den uitslag dezer zending af te wachten en dien aan zijn gebieder mede te deelen.quot;

De prior maakte zwijgend een buiging — toen hij bemerkte, dat zijn tegenwoordigheid niet langer werd vereischt, knielde hij neder, ontving den zegen en trad op de deur toe; maar de sub-

ocr page 221

— 198 —

prior fluisterde glimlachende den abt iets in het oor, deze lachte eveneens en hield den prior terug met de vraag: gt;Maar vader prior, waar is het hof op dit oogenblik?quot;

»Ik weet het niet, heer abt,quot; antwoordde deze.

»Nu, God weet het toch,quot; ging de abt nog glimlachende voort, »en dat is zeker genoeg!quot;

•Wonderbaren bijstand verwacht ik niet,quot; zeide de prior, nu ook lachende — maar ik raad het wel: ons geleide zal ons bij den koning brengen.quot;

»Het hof,quot; zeide nu de abt, gt;verblijft nog steeds te Gloucester; het is een stevige dag reizens. Indien gij het verkiest, kunt gij voor uw vertrek de H. Mis nog lezen; behalve het gewone gebed in het koor pro fratribus absentibus, zal men ook in iedere H. Mis aan u denken.quot;

De prior wilde juist de deur openen, om te vertrekken, toen de broeder-ziekenoppasser binnentrad, met het bericht dat de jonge edelman van Mohun weer bij kennis was gekomen en dringend, verzoeht, dat de abt hem zou bezoeken en er toe besluiten hem thans deelachtig te maken aan de genade van het heilig Oliesel. Er volgde een korte beraadslaging, en de prior zeide op even nederigen als ernstigen toon: »Het gebed des gelopfs zal den zieke tot heil verstrekken, en de Heer zal hem verlichten!quot;

«Als dit nog op aarde vervuld wordt,quot; zeide de abt, gt;dan zullen wij lof- en dankliederen aanheffen. Maar mocht het slechts in een andere wereld het geval zijn, dan moeten wij hem zonder morren aan God afstaan. Vader prior, ik draag u op, mijnheer Reginald tot de heilige handeling voor te bereiden. Als God het wil, zullen wij die aanstonds na de Completen verrichten onder assistentie van geheel de broederschap en in tegenwoordigheid van Buckerel, onzen gast. gt;Vader Romuald,quot; ging hij voort tot den subprior, gt;ga nu eenigen tijd heen en houd onzen gastheer gezelschap — zoek het gesprek tevens op het Sacrament des Oliesels te brengen. Vroeger heeft Ralph van Buckerel de beteekenis en de waarde daarvan goed gekend, maar het zal nu in zijn geest

ocr page 222

— 199 —

wel begraven zijn onder een berg van muizenissen en dwaze ideeën^ die hij op het slagveld en aan het hof bijeengezameld heeft.quot;

Vader Romualdus stak nu het vierkante binnenplein over en ging naar de gastenkamer aan de overzijde — terwijl de prior zich naar dat gedeelte van het gebouw begaf, hetwelk bestemd was voor de adellijke kweekelingen der kloosterschool. Hij trad de ziekenkamer binnen, waar de stervende weldoener der abdij lag.

$wcedc 3£oop,gt;tuamp;.

»Dat is onze Sub-prior,quot; zeide broeder Paul, de gastenmees-ter, die, terwijl van Buckerel zich te goed deed, naar hem geluisterd en met hem gesproken had, ofschoon hij nu blij was, omdat hij werd afgelost.

iHoefquot; riep Ralph, verrast en met vreugde opspringende, »hoe, Fritz Arthur, mijn oude schoolkameraad, vroeger zulk een vroolijke snaak, is thans een monnik, die meermalen voor prior en soms zelfs voor abt speelt? Hoe is het op de wereld mogelijk'-'

— en hier vatte hij zijn vroegeren speelgenoot bij beide handen

— »hoe is het mogelijk, dat gij Sub-prior kunt zijn, eer ik nog sporen verdiend heb fquot;

gt;Ja, waarlijk, hoe is het mogelijk,quot; antwoordde dë monnik, den vriendelijken handdruk beantwoordende. »Het is om geen andere reden, dan om het geduld der broeders op de proef te stellen en daardoor hunne verdiensten te vermeerderen. Gij zijt bijna niet veranderd, van Buckerel,quot; voegde hij er bij; gt;doet het u genoegen, dat gij weer eens onder ons zijt ?quot;

»Ja en neen,quot; zeide Ralph. »Ik had liever alles teruggevonden, zooals ik het verlaten heb; denzelfden portier en vooral denzelfden gastenmeester. Wat dien goeden broeder betreft, die zoo blij is, omdat hij wordt afgelost, hij heeft dien post zeker juist daarom gekregen, wijl hij er liever van bevrijd was gebleven — het tegen-

ocr page 223

overgestelde van den lustigen ouden knaap van vroeger, die er wel mede in zijn schik was — en dat alles... om uw verdiensten te vermeerderen. Hal hal Gij ziet, dat ik nog even goed op de hoogte ben, als de beste novice van u allen. En wie is tegenwoordig wel novice-meester? Nog altijd vader William? Dat is dus op het oude gebleven. Maar zeg eens, heeft hij, kort geleden, mijnheer den abt weer op zijn rug geklopt, of weer een of andere dwaze streek uitgehaald bij zijn jacht op een novice die niet intijds binnen was ?quot;

»Kijk, kijk, van Buckerel,quot; zeide de jonge monnik, »ik geloof, dat gij u de kluchtige gebeurtenissen in onze abdij nog even goed herinnert als de ernstige 1quot;

»Ja zeker,quot; antwoordde hij; »zij wekken bij mij dikwijls aangename, dikwijls ook onaangename herinneringen. Zoo is er bijv. iets wat ik dag noch nacht vergeten kan; ik ben er eens door gered van den dood, toen een pijl mij had getroffen.quot; Bij deze woorden haalde hij een klein zilveren beeldje van Onze Lieve Vrouw uit zijn wambuis en kuste het.

De religieus aanschouwde dit met vreugde. gt;En uwe gebeden?quot; zeide hij vervolgens.

Maar de lichtzinnigheid van van Buckerel had reeds weer de overhand gekregen. Hij sloeg zijn sporen tegen elkander, zoodat zij luider inkelden, legde zijne handen gevouwen op de borst, zette het ernstigste gezicht van de wereld en begon op den hoogsten toon een lied uit te krijschen, dat de kweekelingen van het klooster pleegden te zingen vóór hun avondgebed. Maar vader Ro-mualdus wilde hem in zijn scherts niet storen en verheugde er zich over, dat hij de woorden van het lied nog zoo goed kende. Daarom verdroeg hij dat oorrerdoovende geschreeuw geduldig en bracht het gesprek ten slotte op het onderwerp, hetwelk hij op het oog had. Hij wilde hem namelijk voorbereiden om met eerbied en vrucht de plechtigheid van het heilig Oliesel bij te wonen.

»Sacramenten ?quot; zeide van Buckerel als antwoord op een vraag van, zijn vriend. »Of ik ze alle nog ken?quot; Wees daar zeker van.

ocr page 224

Hoevele er zijn? Wel, niet meer dan zeven, ofschoon er eigenlijk acht behoorden te zijn! Ook een Sacrament der Ridderschap moesten wij bezitten, als een dappere jonker zijn zwaard en zijn sporen ontvangt.quot;

»De plechtigheid der opneming in de Ridderschap is zeer indrukwekkend en met ille recht,quot; antwoordde vader Romualdus. gt;lk weet zeer goed, dat men eerst inwendig gereinigd moet zijn door de Biecht en uitwendig door het bad voordat men de heilige Communie ontvangt, voordat men tot Christen-ridder wordt verheven en zichzelven verplicht, het altaar, de weduwe en den wees te beschermen. Maar de Ridderschap mist de onontbeerlijke eigenschappen der van Godswege ingestelde Sacramenten. Ook is haar duur slechts tijdelijk en haar weldadige invloed beperkt. Het Doopsel — een wedergeboorte van den dood tot het leven — is tot aan het einde der tijden een weldaad voor geheel de mensch-heid. De geestelijke sterkte is eveneens een weldaad die zich uitstrekt tot allen en onafgebroken is van duur; vandaar hebben wij het Sacrament des Vormsels. Voedsel is een voortdurende weldaad voor alle zielen, en daartoe dient ons het aanbiddelijk Sacrament.quot; Bij dit woord sloeg van Buckerel tegelijk met den monnik godvruchtig het kruisteeken. »Het Sacrament der Boetvaardigheid,quot; ging vader Romualdus voort, gt;is een weldaad voor alle zondaren, en wie zal kunnen bepalen, hoe dikwijl® en hoevelen de onschuld van hun doopsel verliezen? Daarom mogen wij ook deze weldaad algemeen en voortdurend noemen. Het Sacrament dat nu volgt en waarbij wij blijven stilstaan omdat wij dezen avond bij de toediening er van tegenwoordig zullen zijn, is eveneens een algemeene en voortdurende weldaad. Als de ziel uit den tijd de eeuwigheid gaat binnentreden, wordt zij eerst gereinigd door de boetvaardigheid, met voedsel voor de reis voorzien door de heilige Teerspijze en ontvangt ten slotte de laatste en hoogste gunst der Kerk in het Sacrament des heiligen Oliesels.quot;

»Ik dacht,quot; sprak van Buckerel, gt;dat het laatste Oliesel de voltooiing was van het Sacrament der Boetvaardigheid, het slotge-

ocr page 225

overgestelde van den lustigen ouden knaap van vroeger, die er wel mede in zijn schik was — en dat alles... om uw verdiensten te vermeerderen. Hal hal Gij ziet, dat ik nog even goed op de hoogte ben, als de beste novice van u allen. En wie is tegenwoordig wel novice-meester? Nog altijd vader William? Dat is dus op het oude gebleven. Maar zeg eens, heeft hij, kort geleden, mijnheer den abt weer op zijn rug geklopt, of weer een of andere dwaze streek uitgehaald bij zijn jacht op een novice die niet intijds binnen was ?quot;

»Kijk, kijk, van Buckerel,quot; zeide de jonge monnik, »ik geloof, dat gij u de kluchtige gebeurtenissen in onze abdij nog even goed herinnert als de ernstige 1quot;

»Ja zeker,quot; antwoordde hijj gt;zij wekken bij mij dikwijls aangename, dikwijls ook onaangename herinneringen. Zoo is er bijv. iets wat ik dag noch nacht vergeten kan; ik ben er eens door gered van den dood, toen een pijl mij had getroffen.quot; Bij deze woorden haalde hij een klein zilveren beeldje van Onze Lieve Vrouw uit zijn wambuis en kuste het.

De religieus aanschouwde dit met vreugde. gt;En uwe gebeden?quot; zeide hij vervolgens.

Maar de lichtzinnigheid van van Buckerel had reeds weer de overhand gekregen. Hij sloeg zijn sporen tegen elkander, zoodat zij luider inkelden, legde zijne handen gevouwen op de borst, zette het ernstigste gezicht van de wereld en begon op den hoogsten toon een lied uit te krijschen, dat de kweekelingen van het klooster pleegden te zingen vóór hun avondgebed. Maar vader Ro-mualdus wilde hem in zijn scherts niet storen en verheugde er zich over, dat hij de woorden van het lied nog zoo goed kende. Daarom verdroeg hij dat oorrerdoovende geschreeuw geduldig en bracht het gesprek ten slotte op het onderwerp, hetwelk hij op het oog had. Hij wilde hem namelijk voorbereiden om met eerbied en vrucht de plechtigheid van het heilig Oliesel bij te wonen.

gt; Sacramenten ?quot; zeide van Buckerel als antwoord op een vraag van zijn vriend. »Of ik ze alle nog ken?quot; Wees daar zeker van.

ocr page 226

Hoevele er zijn? Wel, niet meer dan zeven, ofschoon er eigenlijk acht behoorden te zijn! Ook een Sacrament der Ridderschap moesten wij bezitten, als een dappere jonker zijn zwaard en zijn sporen ontvangt.quot;

»De plechtigheid der opneming in de Ridderschap is zeer indrukwekkend en met alle recht,quot; antwoordde vader Romualdus. »lk weet zeer goed, dat men eerst inwendig gereinigd moet zijn door de Biecht en uitwendig door het bad voordat men de heilige Communie ontvangt, voordat men tot Christen-ridder wordt verheven en zichzelven verplicht, het altaar, de weduwe en den wees te beschermen. Maar de Ridderschap mist de onontbeerlijke eigenschappen der van Godswege ingestelde Sacramenten. Ook is haar duur slechts tijdelijk en haar weldadige invloed beperkt. Het Doopsel — een wedergeboorte van den dood tot het leven — is tot aan het einde der tijden een weldaad voor geheel de mensch-heid. De geestelijke sterkte is eveneens een weldaad die zich uitstrekt tot allen en onafgebroken is van duur; vandaar hebben wij het Sacrament des Vormsels. Voedsel is een voortdurende weldaad voor alle zielen, en daartoe dient ons het aanbiddelijk Sacrament.quot; Bij dit woord sloeg van Buckerel tegelijk met den monnik godvruchtig het kruisteeken. »Het Sacrament der Boetvaardigheid,quot; ging vader Romualdus voort, gt;is een weldaad voor alle zondaren, en wie zal kunnen bepalen, hoe dikwijls en hoevelen de onschuld van hun doopsel verliezen? Daarom mogen wij ook deze weldaad algemeen en voortdurend noemen. Het Sacrament dat nu volgt en waarbij wij blijven stilstaan omdat wij dezen avond bij de toediening er van tegenwoordig zullen zijn, is eveneens een algemeene en voortdurende weldaad. Als de ziel uit den tijd de eeuwigheid gaat binnentreden, wordt zij eerst gereinigd door de boetvaardigheid, met voedsel voor de reis voorzien door de heilige Teerspijze en ontvangt ten slotte de laatste en hoogste gunst der Kerk in het Sacrament des heiligen Oliesels.quot;

»lk dacht,quot; sprak van Buckerel, »dat het laatste Oliesel de voltooiing was van het Sacrament der Boetvaardigheid, het slotge-

ocr page 227

deelte daarvan, evenals het Viaticum i) het slot is van al de com' nrninieën in het leven. Ik weet nog zoo goed, dat de oude broeder Macarius mij aanhoudend uitlegde, dat het laatste Oliesel de voltooiing was van het Sacrament der Boetvaardigheid, waardoor eerst tot in het diepst der ziel de wortel van het kwaad wordt uitgeroeid.quot;

gt;En hij had het bij het rechte eind,quot; merkte de subprior op.

»We willen het hopen,quot; antwoordde van Buckerel. «Voor het overige was het een groote babbelaar. Over die gt; wortels van het kwaadquot; preekte hij mij zoo lang en zonder ophouden voor, dat ik — toen ter tijd een onverbeterlijke deugniet — ten laatste opsprong en plechtig verzekerde, hem, als hij het waagde nog eenmaal daarvan te spreken, de weinige haren uit te zullen rukken, die hij nog om zijn kalen schedel had. Ik wilde hem daardoor bewijzen, dat ik in dit opzicht even verstandig was als hij. Leeft hij nog, die zachtzinnige en heilige oude man?quot;

»Neen,quot; antwoordde pater Romualdus, gt;hij heeft de maat zijner goede werken vol gemaakt en stierf bezield door levendig geloof en vurige liefde onmiddelijk na het ontvangen van dit Sacrament. De wortel van het kwaad was bij hem vernietigd, en zijn zwakke, grijze schedel werd door geen onheilige hand aangeraakt.quot;

»God geve hem de eeuwige rust,quot; zeide van Buckerel, «ofschoon ik eer geneigd ben te zeggen: »Heilige Macarius, bid voor mijlquot; En hoe maakt het die andere heilige der abdij, pater Franciscus ?quot;

»Hij is onze prior!quot;

gt;Prior! Die kranige, oude, krijgshaftige monnik is dus afgezet?quot;

»Neen, hij is dood.quot;

»Dood! — Een heele wereld van bekenden dood!quot; zeide Ralph en bleef en tijd lang in diepe gedachten verzonken. Ten laatste sprak hij:

i) H. Teerspijze.

ocr page 228

»Maar hoe komt het nu, dat gij en de oude broeder Macairius in uw leer van elkander afwijkt?quot;

»Wij wijken niet af — yij kunnen in geloofszaken volstrekt niet afwijken,quot; zeide pater Romualdus. »Het laatste Oliesel of de zalving vereenigt in zich de eigenschappen der overige Sacramenten. Als wij inwendig rouwmoedig gestemd zijn, reinigt het ons van de doodzonden, indien wij niet in staat zijn deze ie biechten of ze uit ons geheugen hebben verloren. Het sterkt ons tot den geestelijken strijd, evenals het Vormsel; ook is het de meest volledige kerkelijke aflaat, want niet alleen vergeeft het de dagelijksche zonden, maar ook de tijdelijke straffen, die wij daardoor hebben verdiend. Behalve dit alles, bezit dit Sacrament nog een geheel bijzondere eigenschap, een kracht die leven en gezondheid wekt, als deze den zieke voordeelig zijn. Naar aanleiding van deze reinigende kracht, die de kleinste zonde kan wegnemen, hetzij men zich deze herinnert, hetzij men ze heeft vergeten, mag men terecht van dit Sacrament getuigen, dat het de kwaal tot in den wortel uitroeit.......quot;

»Zonder die onrust van het berouw, van de Biecht of van de voldoening,quot; viel van Buckerel hem in de rede; gt;ja, dat is een Sacrament voor mij! Leve het laatste Oliesel 1 Geloof mij vrij: voor mijn laatsten veldslag zal ik het ontvangen; want al ben ik dan in doodsgevaar, toch zal ik zeer blij zijn, als ik weet, dat deze geestelijke wapenrusting onder mijn pantser verborgen is.quot;

»Gij maakt in uw redeneeringen luchtsprongen, die waarlijk vermakelijk zijn; neem het mij niet kwalijk, dat ik zulks zeg,quot; sprak de monnik. «Wilt gij deelachtig worden aan de weldaad van het H. Oliesel, dan moet gij in staat van genade zijn, d. w. z. gij moet zuiver zijn van doodzonde, doordat gij uwe onschuld ofwel bewaard, of de verlorene onschuld weer herkregen hebt, het kanaal der genade kan de ziel slechts toevloeien zonder den opgeworpen dam der doodzonde; want het is een Sacrament der levenden.'

»lk dacht,quot; zeide Ralph, dat het een Sacrament was voor lieden die op sterven lagen.quot;

ocr page 229

»Een Sacrament voor de geestelijk levenden,quot; ging pater Ro-mualdus voort. »Als wij van Sacramenten der dooden en der levenden spreken, doen wij dit met het oog op den toestand der zielen. Daarom moet gij u voorbereiden tot het reinigende Sacrament der Boetvaardigheid en het ontvangen met de vereischte gemoedsgesteltenis; gij moet geldig de heilige absolutie ontvangen, eer gij in staat zijt, de zegeningen te genieten van dit Sacrament, dat ik nogmaals het hoogste gunstbewijs der Kerk noem. In vroeger dagen hebt gij wellicht meermalen de gewone kerkelijke aflaten verdiend onder de heilige voorwaarden, die er aan verbonden waren. Het Sacrament des Oliesels eischt evenals iedere andere aflaat een rouwmoedige biecht als voorbereiding daar het in ge-wem gevallen, slechts de dagelijksche zonden kwijtscheldt en de daaraan verbondene tijdelijke straffen,

»Dat werpt een geheel ander licht op de zaak,quot; zei van Bucke-rel; »maar toch, omdat de meeste geestelijke vaders zeggen, dat de voldoening, die wij te betalen hebben, geen kleinigheid zal zijn, wil ik, niettegenstaande het berouw en de biecht, van deze weldaad der Kerk gebruik maken, zoodra ik in doodsgevaar ben.quot;

»Zacht wat!quot; sprak de monnik, «zacht wat! Ook hierin moet ik u alweer teleurstellen; gt;want alleen in een ziekte krijgt ge door gevaar van sterven recht op het H. Oliesel.quot;

»Zo.o? Men bekommert zich dus meer om een loomen, vadsi-gen luiaard in zijn bed, dan om een kloek soldaat in het vuur van den strijd?quot; riep Ralph uit; »hoe is dat mogelijk

»Zoo is nu eenmaal de instelling,quot; antwoordde de monnik, en voerde daarbij de volgende plaats aan uit de H. Schrift: »Is er iemand onder u ziek, dat hij de priesters der Kerk bij zich roepe, en dezen zullen over hem bidden en hem met olie zalven in den naam des Heeren; en het gebed des geloofs zal den zieke tot heil verstrekken, en de Heer zal hem verlichten; en zoo hij in zonden mocht zijn, zullen ze hem vergeven worden.quot; (Jac. V.

14-15)

»Nu dan, ik, die niet hoop te sterven op een bed zonder

ocr page 230

roem, maar met mijn borstharnas doorstoken en met de riddersporen aan mijne rijlaarzen, ik kan alle hoop op het laatste Oliesel wel laten varen. Ik zou — waarom mag ik er niet even goed een naam aan geven als mijn geestelijke overheid? — ik zou het willen noemen een Sacrament voor de vreedzamen. Die Reginald de Mohun is toch een gelukskind! Hij heeft gevochten en zijn bloed gestort en zijn sporen verdiend en is in den oorlog altijd even bevoorrecht als in vredestijd. Zoo mag hij nu dit laatste Sacrament weer ontvangen met al de zegeningen daarvan 1

•Hij heeft het geloof aan zijn God bewaard,quot; zeide pater Romualdus, »en hij ondervindt, dat de almachtige God zich niet in edelmoedigheid laat overtreffen.quot;

Van Buckerel was geraakt. »Fitz Arthur,quot; riep hij uit, »ik ben niet zulk een ongeloovigc en gevoellooze gelukzoeker als gij wel meent; houd daarom uw bedekte verwijtingen thuis.quot;

»Ik houd u noch voor ongeloovig noch voor ongevoelig, maar wel voor onbedachtzaam,quot; antwoordde de monnik. »Maar wij zullen morgen wel gelegenheid hebben verder te spreken, als wij weder bij elkaar komen; thans moet ik u verlaten, want het luidt voor de laatste maal voor de Completen. Ik heb verlof gekregen, de avondlecties op de gangen te verzuimen, maar in het koor mag ik niet ontbreken. Broeder Paulus zal u in tijds komen halen. Gij zult bovendien ook gewaarschuwd worden door het luiden der groote klok. Het schijnt, alsof ge weigert — komaan, gij zult dit laatste bewijs van Christelijke vriendschap toch wej willen betoonen aan uw ouden schoolmakker?quot;

»Zeker zal ik dat,quot; sprak van Buckerel, plotseling ontwakende uit een of andere pijnlijke overdenking. gt;Ik zal er mij op voorbereiden; maar — denkt gij, dat Reginald mij zal herkennen?quot;

»Ik geloof het niet; maar mocht dit wèl het geval zijn, met welk een dankbaarheid zal hij dan zien, dat zijn oude vriend door zijn gebeden hem bijstaat!quot;

»Mijn gebeden, ach, ach 1quot; zeide van Buckerel. »Zeg eens^ Fitz Arthur, geen spotternij 1 Gij weet en gevoelt, dat mijn gebeden

ocr page 231

niets meer zijn dan een verroeste en leege oude schee; het ga u goed, mijnheer de sub-prior!quot;

'S)ctdc Koofdstufa,

In een van de ziekekamers der abdij lag de jonge ridder di Mohun. Vele weken lang had hij in dit kloosterlijk tehuis zijner kindsche jaren doorgebracht tot herstel van een gevaarlijke wonde, en was langzamerhand tot bewustzijn gekomen van al hetgeen er met hem had plaatsgegrepen. Hij overdacht bij zich zelven, hoe dikwijls hij zich gestemd had tot godvruchtige gedachten, om daarna weer verstrooing te zoeken, hoe hevig vrees en hoop elkaar in zijn binnenste bestreden hadden, totdat hij ten laatste was gekomen tot nederige onderwerping, ja zelfs tot een dankbaar aanvaarden van deze verwisseling van den tijd met de eeuwigheid. En. juist tot deze hoogte, tot een volkomen gelijkvormigheid met den heiligen Wil Gods zocht de vrome schaar van kloosterlingen den zieke op te voeren — en hoe groot zijn verlies ook was voor hen allen, toch baden zij niet meer voor zijn herstel, maar slechts dat de aanbiddelijke Wil van God in alles volbracht mocht worden.

Er was thans volstrekt geen hoop meer, behalve in de kracht, die ligt in het Sacrament, dat hem weldra zou worden toegediend en waarop de prior hem in deze oogenblikken voorbereidde. «Mijn zoon,quot; sprak hij, »de laatste daad die gij verricht hebt vóór dezen langdurigen toestand van bewusteloosheid was het ontvangen der heilige Communie. Te voren hadt gij uw generale Biecht afgelegd en de heilige Absolutie ontvangen. Is er nog iets dat u verontrust fquot; «Neen, vader, ofschoon het misschien beter ware dat ik mij wat meer verontrustte.quot;

»In dit geval zeg ik u: werp alle zorg van u af,quot; hernam de i prior. »Houd u thans niet meer bezig met het onderzoek van uw geweten. God zij dankl Dat pijnlijke werk is niet voor uw laatste

ocr page 232

levensuur weggelegd — en door de kracht des heiligen Geestes, welke door het Sacrament, dat gij weldra gaat ontvangen, in de ziel stroomt, ontvangt die ziel — bij genoegzame voorbereiding zooals dit bij u het geval is — vergiffenis van alle zonden die nog zijn overgebleven, dus ook van die, welke gij niet kent of vergeten hebt, hetzij dagelijksche of doodzonden. Zonden dien men kent en waarvan men zich bewust is, behooren tot het Sacrament der Boetvaardigheid en worden dddr vergeven; deze onschatbare weldaad hebt gij reeds genoten: gij moogt dus met vertrouwen hopen, dat gij in staat van genade zijt en dus op waardige wijze dit levendmakende Sacrament zult ontvangen. Is het u niet lastig dat ik zooveel met u spreek ?quot;

»0 neen,quot; antwoordde de stervende jongeling. »U\V woord brengt kalmte in mijn gemoed en uwe lessen vermoeien mij veel minder, dan wanneer ik zelf mij alles van het verledene moet gaan herinneren. Terwijl gij spreekt, leer ik elk van die schoone waarheden op nieuw kennen en prent ze in mijn geest, en nu herinner ik mij ook, geleerd te hebben, dat deze heilige zalving de voltooing en de volmaking der boetvaardigheid is, omdat daardoor al de onvrijwillige tekortkomingen worden aangevuld.quot;

«Zeer zeker,quot; zeide de prior; »en buitendien heeft zij nog bijzondere eigenschappen. Zij schenkt dengene, die haar ontvangt, de levendige hoop, dat *de Heer hem zal verlichten;quot; zij geeft kracht tegen ongeduld, moedeloosheid en alle andere kruisen der ziekte, en een bijzondere bescherming tegen den boozen geest, die dikwijls juist in het laatste uur zijn hevigste aanvallen beproeft, gelijk er geschreven staat: »De duivel is tot u gekomen met grooten toorn, want hij weet, dat hij slechts weinig tijd meer heeft; ten laatste opent dit Sacrament de poorten der eeuwige zaligheid. Het gebed des geloofs zal den zieke tot heil verstrekken. En nu, mijn zoon, gedenk, dat ieder Sacrament de genade uitstort in die mate, als men zich daarop heeft voorbereid en in gelijke verhouding tot de gemoedsgesteltenis, waarmede men het ontvangt. De voorbereiding tot het laatste Oliesel moet bestaan in een streng

ocr page 233

— 2o8 -

onderzoek, of onze ziel ook bevlekt is met een of andere doodzonde waarvan wij ons bewust zijn, of die voor onzen geest herleeft; want, al is ook slechts een enkele aanwezig, zij moet door het Sacrament der boetvaardigheid worden uitgewischt, opdat de gestorvene ziel het leven kunne terug ontvangen. Is op deze wijze iedere hinderpaal uit het kanaal der genade verwijderd, dan kan de ziel vol vreugde en dankbaarheid de vleugelen uitslaan. Onbelemmerd tooie zij zich met de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde. Het geloof is de vrucht des heiligen Geestes, die in dit Sacrament onmiddelijk werkt; de hoop omvat al de zegenrijke vertroostingen van dit Sacrament — en de liefde ontwikkelt zich tot den hoogsten graad en is alleen gericht op den drieëenigen God, die dan Zijne Liefde voor u ten toppunt voert/' Hier hield de prior stil, en de ziekenoppasser zorgde voor de laatste lichamelijke behoeften van den stervenden jongeling.

Na verloop van een uur gaf de kleine bel, die des morgens bij het ontwaken en bij het einde van den dag voor het avondgebed luidde, het teeken tot het kleppen der groote klok, waardoor de plechtige processie der broederschap naar de sterfkamer werd aangekondigd. Het was nu tusschen zeven en acht uur des avonds en de onzekere schemering had zich opgelost in den vollen glans der maan aan den wolkeloozen hemel. Het zachte zilveren licht viel door de gewelfde, met beeldhouwwerk versierde vensters der sterfkamer, wierp een matten schijn op den stervenden jongeling en kuste hem op de bleeke handen vaarwel. Hij zag het en glimlachte. »Hoe schoon is reeds de aarde,quot; sprak hij, »hoeveel schooner moet dan niet de Hemel zijn 1quot;

De ziekenkamer, waar hij lag, was van het eigenlijke kloos.er gescheiden en de weg van het hoofdgebouwd der abdij daarheen, voerde dwars over het binnenplein. Daar Ralph van Buckerel juist aan de geopende deur van het gastenkwartier had post gevat, om op den monnik te wachten, die hem een plaats zou verschaffen, kon hij de processie van geestelijken even goed in oogenschouw nemen als vroeger, toen hij bij verschillende plechtige gelegen-

ocr page 234

— 209 —

heden als koorknaap medezong of zijn wierookvat met de rinkelende kettinkjes en de zoet-geurige wierookwolkjes omhoog zwaaide. Glimlachend en weemoedig rustte zijn blik op de knaapjes, die hem in hun koorkleederen vergezeld hadden, toen hij uit het groote portaal den kruisdager, die den stoet opende, was gevolgd. Nu, terwijl de oudere leden der broederschap uit de diepe schaduwen in het schemerende maanlicht te voorschijn traden, zocht hij zijn oude vrienden van zijn nieuwe bekenden te onderscheiden. Voorafgegaan door al de koorheeren en gevolgd door de leeke-broeders schreed de abt voort, den mijter op het hoofd, den kromstaf in de hand. Eindelijk kwam de gastenmeester, die zich van de processie had afgescheiden, naar van Buckerel toe en bracht hem zwijgende naar de voor hem bestemde plaats in de ziekenkamer.

Deze toediening van het laatste Oliesel in de abdij Clyff was voor al de aanwezigen even rijk aan troost als aan indrukwekkende en verheffende gevoelens. De jeugdige Christen-ridder, die dit Sacrament ontving, was door de waakzame quot;Voorzienigheid Gods bevrijd gebleven van een plotselingen dood op het slagveld en heengevoerd naar de heilige woning zijner vreedzame kindsche jaren. Daar, op zijn langdurig ziekbed had hij tijd en gelegenheid in overvloed om zich alles te herinneren, wat hij vroeger geleerd, en in zich te vernieuwen wat hij eenmaal gevoeld had. Ook had hij de schoonste gelegenheid om in rijke mate al die heilige genademiddelen te gebruiken, die hem konden voorbereiden tot de eeuwige aanschouwing Gods. Op dit oogenblik lag hij daar rustig en tevreden, in blijde afwachting van al de zegeningen, welke dit laatste Sacrament hem schenken zou, tot meerderen troost en grooteren rijkdom zijner ziel — dit Sacrament, de laatste godsdienstige handeling tusschen den Schepper en het schepsel, den Verlosser en den verloste, den Heiligmaker en den geheiligde.

Toen de kloosterbroeders de ziekenkamer waren binnengetreden, vormden zij twee rijen evenals in het koor, terwijl de oudsten zich vlak bij de legerstede van den stervenden jongeling plaatsten;

D. z. H. S. 14

ocr page 235

en nu hief de abt, die binnentrad het iPax huic domuiquot; i) aan, waarop allen antwoordden: gt;Et omnibus habitantibus in ea.quot; 2) Daarna besproeide de abt den zieke, het bed en geheel de omgeving en intoneerde daai'bij het ^Asperges mequot; enz., 3) dat door de kloosterbroeders werd voortgezet. En nu begonnen de schoone gebeden, welke heer Reginald reeds geheel van buiten kende, en die wij voor degenen, welke niet vertrouwd zijn met de taal der Kerk, hier in het Hollandsch laten volgen.

«Heer Jesus Christus, evenals wij deemoedig dit huis zijn binnengegaan, zoo moge ook met ons hier intreden de eeuwige zaligheid en het geluk des Hemels en de onverstoorde vreugde en de liefde vol van geloof en het heil dat geen einde heeft. Den boozen geesten zij het niet geoorloofd, deze plaats te naderen, en de engelen des vredes mogen hier wonen. Iedere verderfelijke tweedracht zij verre van hier verbannen. Verheerlijk, o Heer, Uwen heiligen naam aan ons, zegen f wat wij op dit oogenblik voornemens zijn te verrichten. — Heilig onze nederige intrede in dit huis, want gij zelf zijt heilig en barmhartig, en blijft met den Vader en den heiligen Geest van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.quot;

gt;Laat ons bidden tot onzen Heer Jesus Christus, dat Hij genadig gelieve te zegenen dit huis en allen, die daarin wonen; dat Hij hun Zijn heilige engelen als beschermers gelieve te schenken en verleenen, dat zij Hem dienen door de overweging van de wonderen Zijner Liefde; dat Hij genadig afwende alle macht, die hen zou kunnen schaden; dat Hij hen gelieve te bevrijden van alle vrees en onrust, en dat Hij hen in deze woning door Zijne Goedheid ongedeerd beware. Hij, die met den Vader en den heiligen Geest leeft en regeert van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen!quot;

»Laat ons bidden. — Verhoor ons, o heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, en gewaardig U Uwen heiligen engel van den Hemel af te zenden, opdat hij alle bewoners van dit huis

1) Vrede aan dit huis. — 2) Ea aan allen, die daarin wonen. — 3) Gij zult mij besproeien.

ocr page 236

beware, bewake, bescherme, bezoeke, en verdeclige. Door Jesus Christus onzen Heer. Amen.quot; •

Daarna werd de qo' psalm gezongen:

»Wie in de hulp des Allerhoogsten woont, * zal onder de bescherming van den God des Hemels verblijven.

Hij zal tot den Heer zeggen: Mijn toeverlaat zijt Gij en mijne toevlucht: mijn God, op Hem zal ik hopen.

Want Hij heeft mij verlost van den strik der jagers, * en van het grimmige woord.

Met mijne schouderen zal Hij u overlommeren, :i: en onder zijne vleugelen zult gij hopen.

Met een schild zal u zijne waarheid omgeven: * gij zult niet vreezen voor de vrees van den nacht;

Niet voor de pijl die vliegt bij den dag; niet voor hetgeen er in de duisternissen rondwaart; * niet voor den aanval en den duivel van den middag.

Duizend zullen er aan uwe zijde vallen, en tienduizend aan uwe rechterhand: maar tot u zal het niet genaken.

Slechts met uwe oogen zult gij het aanschouwen en de vergelding der zondaars zien.

Want Gij, Heer! zijt mijne hoop: * gij hebt den Allerhoogste tot uwe toevlucht gesteld:

Geen kwaad zal tot u komen, * en geen geesel uwe woon-tent genaken.

Want Hij heeft Zijne Engelen over u bevolen: :i: dat zij u bewaren op al uwe wegen.

Op de handen zullen zij u dragen: * opdat gij soms uwen voet niet stoot aan een steen.

Op adder en koningsslag zult gij, * en leeuw en draak vertreden.

Wijl hij op Mij gehoopt heeft, zal ik hem verlossen; * Ik zal hem beschermen, omdat hij mijn naam heeft gekend.

Hij zal tot Mij roepen, en ik zal hem verhooren: * mét hem ben Ik in de kwelling; Ik zal hem er aan ontrukken, en verheerlijken.

ocr page 237

— 212

Met lengte van dagen zal ik Hem vervullen, * en hem mijn heil toonen. Glorie zij den Vader, enz.

Vervolgens begon de abt het excorcismus, hetwelk de zalving onmiddelijk voorafgaat, en sprak: »In den naam des Vaders f en des Zoons f en des heiligen Geestes f worde iedere werking des duivels in u vernietigd door de oplegging onzer handen en door de aanroeping van alle heilige engelen, aartsengelen, patriarchen, propheten, apostelen, martelaren, belijders, maagden en alle andere heiligen. Amen.

Nu reikte men den abt de heilige olie over, en hij zalfde daarmede in den vorm van een kruis de geslotene oogen van de Mohun terwijl hij sprak: «Door deze heilige Zalving en Zijne aller-genadigste Barmhartigheid vergeve u de Heer alle zonden, die gij door het gezicht hebt bedreven.quot; Door dezelfde handeling te herhalen aan de ooren, de lippen, de neusgaten, de handen en de voeten, vernieuwde hij bij elk zintuig den vorm en de materie van het Sacrament, wijl wellicht door het gehoor of door de spraak of het gevoel, door de reuk of den smaak of door het bezoek van gevaarlijke en zondige plaatsen de onbevlekte heiligheid Gods in het leven van den zieke beleedigd kon zijn geworden.

Daarna sprak de abt de volgende gebeden:

gt;0 Heer Jesus Christus, die door den mond van uwen apostel Jacobus gezegd hebt: Indien er iemand onder a ziek is, hij roepe de priesters der Kerk tot zich, en zij zullen over hem bidden en hem met olie zalven in den naam des Heeren; sterk, bidden wij u, onzen Verlosser, door de genade van uwen heiligen Geest dezen zieke in zijne krankheid: heel zijne wonden en vergeef hem zijne zonden; verwijder van hem alle smart naar lichaam en ziel: verleen hem genadig weer een volledige gezondheid zoowel in- als uitwendig, opdat hij, hersteld door de hulp uwer genade, moge terugkeeren tot zijn vroegere plichten door Jesus Christus onzen Heer. Zie neder, o Heer, op uwen dienaar, die zucht onder de ellenden van zijn lichaam, en behoud de ziel, die gij geschapen hebt, opdat zij gezuiverd door deze kastijdingen, nog

ocr page 238

moge gered worden door deze uwe artsenij. Heilige Heer, almachtige Vader, die op velerlei wijze een teedere zorg draagt voor uwe schepselen, en over onze zwakke lichamen uwen zegen uitstort, indien wij uwen naam aanroepen, kom, en richt door uwe rechterhand uwen dienaar op, vrij van ziekte en weer gelukkig door de gezondheid. Maak hem sterk door uwe kracht, bescherm hem door uwe macht en geef hem terug aan uwe Kerk, met alle goederen die hem noodig of nuttig kunnen zijn, door Jesus Christus, onzen Heer.quot;

Dat waren de slotgebeden. Het Sacrament des Oliesels was toegediend. De abt gaf aan al de aanwezigen zijn zegen, en de

processie keerde op dezelfde wijze terug als zij gekomen was.

—

tyictde Itoojdziufi.

Den volgenden morgen dwaalde Ralph van Euckerel in de vroegte buiten het grondgebied der abdij en kwam door poorten en langs paden, die hem zeer goed bekend waren, op een hoogen heuvel, waar hij een heerlijk uitzicht had op de schoone landerijen van Onze lieve Vrouw van Clyff, welke in den gulden gloed der opgaande zon zich lachende voor zijne oogen uilslrekten. Terwijl hij het gastenkwartier verliet, had hij een blik geworpen op de vensters der ziekekamer, waar het laatste Oliesel had plaats gehad^ en daar hij gezien had dat zij openstonden, besloot hij daaruit, dat de Mohun den geest had gegeven. Hij zuchtte — en ofschoon hij in het eerste oogenblik aarzelde, om een gebed te storten voor een ziel, die door al de genademiddelen gezuiverd was, waagde hij zich toch spoedig aan een De profundis, en herhaalde dit nogmaals, terwijl hij zich omwendJe, een blik wierp op de abdij, en er ten slotte bijvoegde: gt;Amen, zoo zij het, gelukkige vriend! Bid voor een armen schildknaap, die geen enkel oogenblik een goede gedachte kan behouden, en die, al moest het hem ook het leven kosten, deze onderwereld zoo hartstochtelijk aanhangt.quot;

Hoe vroeg het ook nog was, toch kwamen de leekebroeders

ocr page 239

reeds uit de abdij en volgden zwijgende hun geleider naar de plaats van hun morgenarbeid. Ieder droeg zijn gereedschappen op zijnen schouder. Ter bestemden plaatse aangekomen, stelden zij zich in het gelid op en stonden op een gegeven teeken gedurende eenige minuten onbewegelijk, om hun arbeid aan God op te offeren en Hem te bidden, dat Hij zijnen zegen daarover zou uitstorten. Er volgde een tweede teeken en nu waren allen in de weer om de laatste hand te leggen aan de omheining van een nieuw afgebakend veld. Alles ging, volgens den geest van hun orde, in diep stilzwijgen, d. w. z. zij werkten in de tegenwoordigheid Gods. Van Buckerel sloeg hen een oogenblik gade; daarna richtte hij zijn blik op andere gedeelten van het landschap en trachtte nauwkeurig de uitgestrektheid op te nemen der vallis flo-rida, wier bezit hij op last van zijn gebieder, Gilbert de Mohun, aan de tegenwoordige bezitters was komen betwisten. Eensklaps werd hij getroffen en ongerust door het verkeerde zijne handelwijze, door zijn gevoelloosheid, door zijn ondankbaarheid, daar hij zich er toe geleend had, de eerste te zijn van een partij, dieniets minder ten doel had, dan het heilig verblijf zijner kindsche jaren te berooven. Het speet hem nu, dat hij zijn tegenzin, om zich bekend te maken aan den stervenden ridder de Mohun, niet overwonnen had, dat hij uit diens eigen mond niet de verzekering had ontvangen, dat het zegel en de bekrachtiging van het testament van den overleden baron waarlijk zijn eigen werk waren. Maar thans kon hij volgens zijn meening, de zaak van heer Gilbert niet ontrouw worden, daar hij ten gunste van het klooster even weinig bewijzen kon aanvoeren als vroeger; want hij mocht in zijn binnenste ook al overtuigd zijn van de rechtvaardigdheid zijner zaak, toch kon hij geen eed afleggen op het zegel en de handteekening van het testament, want sinds zijne kindsche jaren had hij het handschrift van Reginald van Mohun niet meer gezien.

iDood en verderf over mijn onnadenkendheid en overhaaste toeslemmingquot; riep hij uit. gt;Voor heer Gilbert ben ik dienstvaardig geweest; door het vuur zou ik voor hem zijn gevlogen, terwijl ik al die

ocr page 240

goede zielen hier vergeten heb — en nu dringen duizende herinneringen zich aan mijn geest op, zij maken zich geheel van mij meestelen doen heer Gilbert voor mij verschijnen niet als een trouwen ridder, maar als een knaap. Waarlijk, ik bereid mij op voorbeeldige wijze voor tot de opname in de ridderschap! Ik houd mij bezig met op dat oogenblik datgene te bestelen, wat ik later plechtig beloven moet te zullen verdedigen — het altaar, de weduwe en den wees •

Van Buckercl's gedachten werden steeds bitterder, de verwarring in zijn geest steeds grooter. Hij had zijn gebieder beloofdi zijn rechten te zullen handhaven; hoe zou hij kunnen handelen tegen zijn eerewoord in? Maar dat eerewoord was rechtstreeks in strijd met de belofte, die hij binnen korten tijd zou afleggen! In-tusschen had hij het eene gegeven, het andere nog niet. Bijgevolg! — hier schrok hij door een nieuwe gedachte. Had hij zich die eervolle gelofte der ridderschap niet onmogelijk gemaakt door een gedrag, waardoor zijn naam bedekt werd?

«Terecht heeft Fitz Arthur gezegd, dat ik gein gedachten heb,quot; riep hij uit; gt;want ik raak slechts uit de eene moeielijkheid om in de anderen te komen; en dikwijls is het nog niet eens zoo gunstig met mij gesteld, maar ben ik tegelijkertijd in verschillende netten gevangen! O mijn arm zwaard en mijne sporen!quot;

Terwijl zulke verontrustende herinneringen en vooruitzichten zijn geest bezighielden, werd het tafereel van het rustige, maar bedrijvige en vroolijke leren in het dal aan zijne voeten steeds bekoorlijker hoe hooger de zon aan den hemel steeg. Van alle zijden kwaaien en gingen landlieden met hun vee en in de verte zag men een menigte jeugdige snaken, den weg inslaan naar de kloosterschool. Zij gingen niet recht hun weg en bleven niet allen in militaire gelederen aaneengesloten, maar sprongen en dartelden in het rond, stoeiden en buitelden zooals knapen uit de dertiende eeuw dit pleegden te doen, ondanks de plechtige verzekeringen, die zij op hoogen leeftijd aan hun zonen en kleinzonen gaven omtrent hun ernstig gedrag in hun jongelingsjaren.

Van Buckerel keerde nu weer langzaam terug naar het kloos-

ocr page 241

ter. Hij gevoelde daartoe een bijzonderen aandrang; hij verlangde vurig de beslommeringen der wereld voor een oogenblik verre van zich af te werpen en troost te zoeken in den Hemel.

Niet gering was zijn verwondering toen hij de kerk binnentrad. Daar zongen de kloosterlingen het Te Deum. Aanstonds stemde hij met hen in, maar zijn verwondering werd nog grooter toen hij te midden van het hooge koor den jongen ridder de Mohun zag zitten, door de kracht des heiligen Oliesels opgewekt tot een nieuw leven, tot een verjeugdige gezondheid. Doordrongen van dankbaarheid, dat hij op zulk een wijze verlost werd uit de onaangename verwikkelingen, waarin zijn gedachtenloosheid hem gebracht had, vol van verbazing over de wonderbare vervulling van de belofte der heilige Schrift — en aangegrepen door een krachtig verlangen naar de vernieuwing der warme en wederzijd-sche vriendschap met de Mohun, knielde Ralph van Buckerel neer achter het gordijn van het koorhek. Met beide handen bedekte hij zijn gelaat en stortte nu, door geen menschelijk oog of oog gezien of gehoord, zijn overvol hart voor God uit. In dit verborgen hoekje bleef hij totdat de monniken het koor weder hadden verlaten en naar hun hand- of geestesarbeid waren teruggekeerd. Nog altijd gevoelde hij een inwendigen tegenzin, om zijn vriend van vroeger te ontmoeten, en hij verliet zijn toevluchtsoord niet eer, dan nadat hij hem met den abt had hooren voorbijgaan en den weg zag inslaan naar diens particuliere vertrekken.

gt;Nu heb ik, om zoo te spreken, voor de tweede maal het leven ontvangen,quot; zeide Reginald, toen zij de bibliotheek van den abt binnentreden. jWelk een verheven geschenk is datlquot;

gt;Ja, dat is het!quot; antwoordde de abt; jwant hij die door het gebed des geloofs van het doodsbed is opgestaan, ontvangt deze nieuwe genade uitdrukkelijk tot heil zijner ziel en met de vaste verzekering, dat, als liij een geloovig Christen blijft, hem nog een verhevene weldaad te wachten staat; beantwoordt hij echter niet aan Gods bedoeling, dan zal hem het algenieene lot ten deel worden van hen, die ondankbaar zijn voor buitengewoon groote wel-

ocr page 242

daden, dat zij namelijk beroofd worden, ook van de genaden, die zij reeds bezaten.quot;

iDat is het juist,quot; hetvatte de jonge edelman, »wat mij beangstigd maakt; want ik gevoel mij veel meer getrokken tot de verlokkingen der wereld, dan men aan mijn uitwendige ingetogenheid zou vermoeden; en als ik ze thans beschouw in het licht der waarheid, dan is dit slechts daaraan toe te schrijven, dat ik leef in deze heilige afzondering. Maar die moet ik weldra verlaten voor de noodlottige plichten der wereld — als ze ten minste noodlottig te noemen zijn.quot;

gt;De genade, waaraan gij nu deelachtig zijt geworden is niet van voorbijgaanden aard,quot; zeide de abt, »indien gij ernstig en met geloof u best doet, haar te bewaren. Zij zal bij uw blijven nog lang nadat gij deze kloostervertrekken zult verlaten hebben, tot aan het einde van uw leven. Zij geeft u de kracht, te midden der verlokkingen, neen; te zeggen. Het is echter goed, dat gij deze laatste vreest, want men moet zich niet vermetel daaraan blootstellen.

gt;Zoudt gij denken,quot; sprak heer Reginald, dat ik met dit nieuwe leven van den Hemel de roeping heb ontvangen, mij uitsluitend aan den dienst van God toe te wijden? Komt het u waar-schijnlijk voor, dat ik geheel en al van de wereld afscheid moet nemen ?quot;

»Ik geloof niet,quot; antwoordde de abt, »dat degenen, die door

het Sacrament des heiligen Oliesels tol een nieuw leven opgewekt zijn geworden, daardoor de roeping hebben ontvangen, hun stand en staat, waarin zij God tot nog toe dienden, te verwisselen met een anderen — maar wel, dat zij de plichten van hun staat op voorbeeldige wijze moeten vervullen en met de grootste getrouwheid en zorg deze nieuwe genade moeten bewaren en vermeerderen, door hunne gedachten en verlangens onophoudelijk boven den kring hunner dagelijksche plichten tot den Gever dezer genade te doen opstijgen, tot Hem, wien ter eere al deze plichten behooren vervuld te worden. Al hun denken en handelen moet

ocr page 243

slechts door één beweegreden worden geleid, de eer van God, terwijl zij met den heiligen Thomas van Aquine geen andere verzuchting om belooning moeten kennen dan: gt;U alleen, o Heer, U alleen 1quot;

gt;Als wij andere beginselen hebben, kunnen wij op den duur niet gelukkig zijnquot;, bevestigde de Mohun. gt;Maar het is ons toch niet verboden, mijnheer de abt, met dankbaarheid alles te genieten, wat God ons in dit leven schenkt; verder, meen ik, is het ons evenmin verboden, langs geoorloofden weg gelukkig te willen worden — bijv. door den roem van edele daden en door het beantwoorden aan een zuivere liefde Iquot;

»Dat is voorzeker geoorloofd,quot; zeide de abt, sen verdient niet alleen de goedkeuring der menschen, maar ook den Zegen des Hemels, in zooverre deze zegen als hoogste loon van zulke handelingen wordt nagestreefd en verwacht. Daar gij nu, mijnheer de Mohun, geen bijzondere roeping hebt ontvangen om het leven in hoogere kringen vaarwel te zeggen en uw eigen tijdelij-ken voorspoed voorbij te zien, zijt gij verplicht, al de gaven waarover gij kunt beschikken tot eer van God en tot welzijn van uw medemenschen te besteden naar uwe beste vermogens; gij moet daarbij echter niet alleen uw doopbelofte vervullen, maar ook beantwoorden aan de nieuwe genade, die gij zooeven door het heilig Oliesel ontvangen hebt. Daardoor is uwe onschuld vernieuwd en mag het dus ook voor u een tweede Doopsel heeten.quot;

»Voor deze genade moet ik mijn dankbaarheid door iets groo-ters toonen dan door een Te Deum in het koor der abdijkerk ', zeide Reginald. »Laat mij den ineengevallen klokketoren weder opbouwen en het nieuwe gedeelte van het klooster herstellen volgens de plannen van den overleden abt.quot;

»Neen, mijn zoon,quot; zeide de abt, »van uw weldaden jegens deze abdij hebben wij overvloedige bewijzen door de schenking der landerijen. Uw volkomen herstel verzekert ons het bezit daarvan, maar als de dood u aan ons ontnomen had, waren zij voorzeker de buit geworden van den roover.quot;

ocr page 244

»Hoe bedoelt gij dat, mijnheer de abt?quot; zeide de Mohun.

De abt deelde hem nu de eisch mede van zijn wettelijken, maar voorbarigen erfgenaam, heer Gilbert de Mohun — diens ernstigen of voorgewenden twijfel aan de echtheü van het zegel en van de bekrachtiging der testamentaire beschikking door den zoon — de komst van Buckerel en de beteekenis van zijn bezoek.

gt;En heeft Ralph van Buckerel zich laten vinden voor zulke lage boodschap?'1 riep mijnheer Reginald, »en dit, na zooveel roemrijke daden te hebben verricht, zooals die aan een koenen ridder passen fquot;

«Hij heeft zich laten gebruiken na zeker eerst goed gedronken te hebben,quot; zeide de abt, ien toen zijn hoofd niet meer in staat was met zijn hart te raadplegen.quot;

«Maar hoe zal ik mijn dankbaarheid jegens God voor deze laatste genade op een zichtbare en blijvende wijze toonen?quot; vroeg de Mohun weer.

»Gij bezit uitgestrekte landerijen,quot;' antwoordde de abt, »en honderden die aan uwe heerschappij onderworpen zijn, verwachten van u niet slechts bescherming en werken van barmhartigheid, maar ook de nog grootere weldaad van een voorbeeld, dat als een heldere en vaste vlam licht en warmte verspreidt op den weg van hun geestelijken pelgrimstocht.quot;

»Gij schijnt dus uw goedkeuring niet te hechten aan mijn plan, om de wonderbare genade des Hemels door een of ander heilig bouwwerk in de gedachtenis levendig te houden?quot;

«O zeker, integendeel,quot; antwoordde de abt. »Het zou mij zeer veel genoegen doen, als de beroemde kapel van Sint-Dunstan tot haar grootere schoonheid de voortdurende bescherming mocht ondervinden van u.v ridderlijk geslacht, en als de kerk der nabijgelegen stad onder de hoede van dienzelfden heilige vergroot en gerestaureerd werd. Daarop wenschte ik uwen dankbaren, vromen godsdienstzin te wijzen, maar die niet aan te sporen tot meerdere weldaden aan deze abdij. Want de kerk te Mohun heeft behoefte aan een toren, die in harmonie is met haar ruim middenschip.quot;

ocr page 245

»Nu, den toren wil ik bouwen, zoo waar helpe mij Godlquot; riep heer Reginald uit, gt;en het zal het eerste werk zijn van mijn nieuw leven — maar ach! wat zal er dan komen van den klok-ketoren der abdijkerk ?''

«Daarvoor,quot; zeide de abt, gt;is gezorgd door onzen gemeen-schappelijken vader, Zijne Heiligheid; hij heeft vernomen, dat wij door het instorten van onzen toren en door gebrek aan middelen om dien weder op te bouwen, in verlegenheid zijn, en een vollen aflaat verleend aan allen, die door het schenken van bouwstoffen, of door hun arbeid zullen bijdragen tot den wederopbouw, en wel gedurende zes maanden te beginnen met de lente van het volgende jaar.quot;

»Is zes maanden tijd genoeg?quot; vroeg mijnheer de Mohun.

«O zeker 1 ons klooster is zeer bemind en onze vrome vrienden zullen aan deze boete of voldoening gaarne de voorkeur geven boven iedere andere waardoor een aflaat verdiend kan worden.quot;

Reginald de Mohun drong thans niet verder aan op een schenking aan de abdij — maar eenige jaren later vermaakte hij, na aanvankelijk slechts het testament zijns vaders bekrachtigd te hebben, door een nieuwe beschikking, aan de vallis florida al zijn grondbezittingen te Salworth.

Hoofdïtufl.

»Vaarwel, Fitz Arthurquot;, riep van Buckerel, toen hij weer in de wachtkamer terugkeerde en daar den Superior vond, die op hem wachtte. »Ik verlaat nu u allen zoo gelukkig, alsof het de laatste Dag des Oordeels ware. Maar ik heb tot die vreugde rself niets bijgedragen; integendeel, ik ben hierheen gekomen met een boodschap van een halven dwaas, en nu ben ik zoo haastig om mij uit de voeten te maken als een pijl die op den boog gelegd is — daarom nog eens, vaarwel, ridder van de kapuce.quot;

»0, neenquot;, zeide de monnik; gt;zulk een afscheid neem ik niet

ocr page 246

aan. Ik houd mijzelven vast overtuigd, dat gij, van Buckerel, de plaats uwer eerste heilige Communie en uwer generale biecht niet zult verlaten, zonder deze heilige handelingen vernieuwd te hebben. Of bedrieg ik mij daarin zoo sterk ?quot;

«Biechten en communiceeren 1quot; riep van Buckerel uit, terwijl hij bleek werd.

»Ja, jaquot;, herhaalde de vriend zijner jeugd, «biechten en communiceeren.quot;

»Hoe komt gij er aan? In dezen toestand!..... Zondereenige

voorbereiding!...... met een hart dat gloeit van naijver en eerzucht......quot;

»Gij hebt nog meer dagen tot uwe beschikkingquot;, zeide pater Romualdus, «want uw verlof is, naar uw eigen getuigenis, onbepaald. Als wij dus de overige uren van dezen feestdag eens besteedden om over het onderwerp te spreken, dan zoudt gij den dag van morgen kunnen toewijden aan het stille onderzoek van uw geweten.quot;

»lk zou mij vreeselijk moeten vernederen, eer ik de communie kon ontvangenquot;, zeide Ralph.

»Des te beterquot;, antwoordde de monnik; gt;want de vernedering is de moeder der nederigheid.quot;

»De stiefmoeder, wilt gij zeggenquot;, sprak van Buckerel met een zucht; maar nu ging hem weer een andere gedachte door het hoofd, hij glimlachte en wilde juist verder spreken, toen mijnheer de Mohun de gastenkamer binnentrad en Buckerel de hand drukte met een gelaat vol hartelijkheid en toegenegenheid, terwijl hij zeide; «God heeft mij dus niet alleen mijn leven, maar ook mijn vriend teruggeschonken! Niet waar, van Buckerel?quot;

Het bloed steeg van Buckerel in het gelaat — hij deed een stap achterwaarts, schreed daarna weder haastig vooruit, greep de hand die hem werd aangeboden en riep uit met oogen waarin een traan onderdrukt werd: «In alles mij vooruit — zelfs in de vernedering van u zeiven!quot;

«Het is het voorrecht van den oudere,quot; zeide pater Romualdus,

ocr page 247

die door hetzelfde gevoel werd aangegrepen als de beide jongelingen, gt;bij zulke gelegenheden alle gekrenktheid verre van zich af te werpen, en het eerste de zeldzame dengd van nederigheid te beoefenen, die met haar heelenden balsem ieder pijnlijk werk licht maakt.quot;

«Reginald,quot; zeide van Buckerel, »gij hebt veel te vergeven!quot;

»Heb ik, Ralph?quot; sprak de Mohun. »Nu, al dat vele vergeef ik van ganscher harte.quot;

Toen pater Romualdus bespeurde, dat men een goed eind op weg was om de oude vriendschap te hernieuwen, verwijderde hy zich, begaf zich naar den abt en vroeg dezen verlof, om de gasten nog eenige dagen langer te mogen behouden. Dit werd gaarne toegestaan, en van Buckerel, wien een steen van het hart was gevallen, nu de lang gevreesde vernedering, namelijk het vragen van vergiffenis aan de Mohun, zoo gemakkelijk was afgeloopen, toonde zich volkomen bereid om te voldoen aan het verzoek van Fitz Arthur, zijn tweeden vriend, en in de vreedzame woning zijner jeugd weer eens te naderen tot de heilige Sacramenten. Een toenadering en verzoening had hij voor onmogelijk gehouden en was daarom niet slechts ver verwijderd gebleven van zijn vriend, maar ook van de kanalen der genade in de heilige Kerk.

De volgende dag werd dan ook geheel en al gewijd aan de stille voorbereiding tot het Sacrament der Boetvaardigheid, en laat in den avond had hij nogmaals een onderhoud met zijn vriend, den kloosterling, van Buckerel had pater Franciscus, den prior, tot biechtvader verkozen en den volgenden dag legde hij met een oprecht en berouwvol hart een biecht af over meerdere jaren zijns levens, nam de opgelegde poenitentie bereidvaardig aan en ontving daarna de absolutie des priesters.

Dienzelfden dag ontving ook de Mohun een bij zonderen boodschapper van het hof, die hem tal van vriendelijke gelukwenschen overbracht uit naam van vele edellieden en van den koning zeiven, en berichtte, dat de koning van zins, op zijn tocht langs den straatweg van Faunton naar Bristol een oogenblik te verpoozen in

ocr page 248

het kasteel van de Mohun en daar zijn gelukwenschen persoonlijk te herhalen. De jonge baron werd dus genoodzaakt onmiddelijk te vertrekken, en hij zou gaarne gezien hebben dat van Buckerel hem vergezeld had; maar Fitz Arthur, hun beider vriend, wilde zelfs niet toestaan, dat de laatste dit nieuws ook maar hooren zou: en de Mohun vertrok met zijn stoet gewapende manschappen, na eerst van den abt den zegen te hebben ontvangen en voor van Buckerel een dringende schriftelijke uitnoodiging te hebben achtergelaten, om hem zoo spoedig mogelijk le volgen.

Den volgenden dag was het de feestdag van koning Eduard den heilige, en des morgens bij de eerste Mis knielde onze vriend Ralph weder voor het altaar zijner eerste H. Communie, verhief zijn kloppend hart weer tot den Oorsprong en het Einddoel van zijg leven en ontving het goddelijke onderpand der onsterfelijkheid.

»Nu heb ik geen haast om weg te komen,quot; zeide hij tot pater Romualdus, die hem den tijd had gelaten voor een lange dankzegging en hem bij het ontbijt gezelschap hield; «maar nu gij mij zegt, dat Reginald gisteren naar Mohun is vertrokken, en dat het hof vandaag van Taunton naar Bristol trekt, ben ik verplicht mij ergens bij den stoet aan te sluiten. Misschien zijn zij nu nog op het eerste het beste kasteel.quot;

De tijd voor het vertrek was reeds bepaald, toen Ralph tegen den middag toevallig den pater-prior ontmoette en hem om zijn zegen verzocht, wijl hij van plan was naar Mohun te reizen.

»Wacht tot na het avondgebedquot;, sprak de monnik, sblijf tot dien tijd in het gezelschap van Hem dien gij ontvangen hebt.quot;

gt;lk ga niet om mij te verstrooien,quot; zeide van Buckerel, »of om een of andere oneerbiedigheid te begaan tegen den Goddelij-ken Gast, die mij heden zooveel eer heeft aangedaan.quot;

»Nu,quot; zeide de prior, «blijf dan nog eenige uren niet Hem alleen.quot; Van Buckerel legde er zich bij neer, en de oude monnik voegde er op hoogplechtigen toon bij: «Zoekt eerst het Rijk Gods en zijne gerechtigheid en al het overige zal u worden toegeworpen !quot;

ocr page 249

Met deze woorden verwijderde hij zich, en Ralph, die den tijd aan zich had, liet zich geheel beheerschen en doordringen van den indruk, welken de groote gebeurtenis van dien dag op zijn geest gemaakt had. Hij bracht de uren tusschen de Hoogmis en de Vespers door binnen de stille omgeving der abdij. De Completen begonnen om negen uur, maar liepen tengevolge van de plechtigheid van dezen dag, eerst lang na den gewonen tijd ten einde. Daarna volgde het Lof, waarin hij, evenals gedurende de Vespers, herinnerd werd aan de jaren zijner verlorene onschuld, die hij echter — volgens zijn vaste hoop — weer had terug ontvangen; hij vergat de schuldige wereld, die hij zoozeer had aangehangen en al dacht hij nu, na het ontvangen der heilige Communie nog aan zijn aanvankelijk plan, om zich aan te sluiten bij den hofstoet, dit geschiedde slechts met het vaste voornemen om geen duimbreed af te wijken van zijne plichten. Toen hij met zijn klein gevolg van boogschutters het gastenverblijf verliet, vernam hij van hen, dat de koninklijke stoet reeds een groot eind weegs gevorderd was, en dat zij om nog bijtijds de stad Bristol te kunnen bereiken, bij Dundry Pass links van den grooten ruiterweg moesten afslaan. Met allen spoed reden zij daaron:. de groote poort der abdij uit.

%c$dc 'KoojSstufi.

Een luisterrijke stoet bewoog zich op den feestdag van den heiligen Eduard van Taunton naar Bristol — koning Hendrik en zijn geheele hofhouding, vergezeld van de lijfwacht en andere krijgslieden, van speelluiden en potsenmakers, met vliegende vaandels en schetterende trompetten — en tal van vereenigingen in hun bontkleurige kostumen, die zich langs den weg hadden opgesteld om zich bij den optocht aan te sluiten, en 's vorsten intocht in de stad zoo plechtig mogelijk te maken. Toen de avond viel en de koninklijke stoet in het gezicht was, gaven de burgers

ocr page 250

de meest ondubbelzinnige en hartelijke bewijzen van de vreugde waarmede zij hun hoogen gebieder welkom heeten. Het garnizoen der stad, waaronder zich de aanzienlijkste burgers bevonden, trok, voorafgegaan door de herauten en de muziek, den vorst te gemoet, om hem den eersten huldegroet te brengen, terwijl hunne vrouwen en dochters, gedost in haar rijkste kleederen en versierd met haar kostbaarste tooisels, voor de vensters stonden der High-Street, langs welke de stoet door de Zuidpoort de stad binnen zou trekken.

Even buiten deze poort bevond zich Simon van Burton, de zesmaal herbenoemde burgemeester van Bristol. In volledig ambtsgewaad was hij gezeten op een gedrapeerde verhevenheid, en droeg in de eene hand de sleutels der stad, in de andere de teekenen zijner waardigheid. Hij maakte zich gereed, deze symbolen der macht met een alleronderdanigste toespraak aan de voeten des vorsten neer te leggen.

En nu vernam men zwak en daarna duidelijker het geluid der trompetten en clarinetten en het vreugdegejuich in Somersetshire-street; en de duizende hoofden uit de vensters waren alle gericht naar de Zuidpoort, en bloemkransen hingen gereed, om voor de voeten te worden geworpen van het koninklijk strijdros — toen plotseling een andere toon werd vernomen — strijdgedruisch en verwarde klanken, die het gemompel der gespannen verwachting deden overgaan in een ademloos stilzwijgen. Weldra zag men een ruiter in gestrekten draf de stad naderen en voor den burgemeester stilhouden.

«Verraad Iquot; schreeuwde hij, »de koning is overvallen en slechts met weinige getrouwen van het hoofdkorps der troepen afgesneden. Bewaakt de stad zorgvuldig, want het is den rebellen gelukt den intocht des konings te verhinderen. Luister niet naar het wachtwoord van den dag, maar houdt u aan het woord; »Waaktlquot;

Terwijl de lansier nog sprak zag men, tot nog grootere on-steltenis der inwoners, een bende ruiters pijlsnel de stad naderen. Simon van Burton stelde zich met zijn stoet van burgerlijke ambtenaren binnen de poort in veiligheid, en de valbrug werd juist

. z. H. s. 14

ocr page 251

neergelaten, toen men bespeurde, dat die aanrukkende ruiterdrom samengesteld was, uit Bristol's eigen waardige en vreedzame zonen. Zij hadden de stad verlaten, om meer luister bij te zetten aan den plechtigen intocht huns vorstens, maar, daar zij geen bevel hadden ontvangen tot strijden, waren zij zoo beraden en voorzichtig, als het hun in hoedanigheid van burgers paste, en snelden terug om de poorten der stad te bereiken; de lange staart van het laatste krijgsros ontkwam juist nog aan de uitstekende punten van den valbrug en overtrof dus de loffelijke zorg van den wachter om alles in veiligheid te brengen, door zijn snelheid.

Lang en verschrikkelijk was de nacht die in angstige spanning voorbijging.

De raad der stad kon, ondanks zijn bekende scherpzinnigheid, niet tot eenstemmigheid komen in het beantwoorden van de toch zoo gemakkelijke vragen; Waarom de koning de stad niet ongehinderd had kunnen binnentrekken? Waarom de vijanden, bijaldien zij in werkelijkheid aanwezig waren, de stad niet hadden aangegrepen? Hoe de troepen, gevormd uit de burgers, zoo gemakkelijk hadden kunnen ontkomen? Waarom zij ten slotte niet het minste hadden vernomen van alles, was toch in hun onmiddelijke nabijheid was voorgevallen? Het spreek van zelf, dat zulke ingewikkelde vragen in de dertiende eeuw evenmin als in de negentiende konden worden opgelost, zonder een lichamelijke versterking van den inwendigen mensch. Vandaar, dat er rijkelijk gesmuld werd door al degenen, wier militaire of burgerlijke betrekking hun recht gaf, zich dien troost te verschaffen bij de teleurgestelde verwachting — dat er zoo heerlijk en kostelijk werd gedronken, en de koning, ware hij tegenwoordig geweest, zeker geen geringen dunk zou hebben opgedaan van de?i roem der stad Bristol. Men moet namelijk weten, dat deze stad juist in dien tijd door geheel het land vermaard begon te worden wegens haar meesterschap op het gebied der kookkunst, vooral van schildpadden, opgevulde kalfskoppen en onvervalschte Xeres dranken. Maar de vraag betreffende het \e'moedelijke gevaar des konings en diens vertraging bleef

ocr page 252

onopgelost. Wel waagde een der jongere raadsleden de veronderstelling, dat de koning de eindelooze toespraak had willen ontloo-pen, waarmede de vroede burgerij, bij monde van het hoofd der stad, haren vorst had willen begroeten, en dat zich met goedvinden des konings een quasi-komplot van jeugdige edellieden had gevormd, om hem te verlossen van een plechtigen intocht, en hem gelegenheid te schenken, morgen de stad onverwacht binnen te trekken, maar dit vermoeden werd met verdiende afkeuring verworpen. De man, die zoo iets had durven veronderstellen, en tot nog toe het hoogste aanzien had genoten, die ook als opvolger van den burgemeester genoemd was, daalde in dien nacht diep in de alge-meene achting, en de beroemde van Burton bleef ook in het vervolg het onverdeelde vertrouwen der geheele stad genieten. Ofschoon het uitspreken van ongunstige vermoedens als gevaarlijk gold, sloeg toch menig deelnemer aan het feestmaal den spijker op den kop in het verklaren van zijn meening, waarom de koning niet was gekomen. Tegen den morgen kwamen er eenige berichten van personen, die den stoet uit Tauton gevolgd waren. Deze bevestigden vooreerst, dat de koning op een zijweg bij Dundry-Tower plotseling overvallen was geworden door een bende ruiters, die zich daar in hinderlaag hadden gelegd en op hun prooi losstormden, eer er gedacht kon worden aan weerstand, daar Zijne Majesteit hen met een of twee heeren van het hof ongewapend voorbijreed, en de soldaten, die vooruit gingen en volgden op eenigen afstand verwijderd waren. Verders deelden zij mede, dat de aanvallers het niet op den koning, maar op diens voornaamsten gunsteling, lieer Gilbert de Mohun, hadden gemunt, dat men, na zijn persoon bemeesterd te hebben, koning Hendrik had losgelaten, dat deze ten slotte ongedeerd naar zijn gevolg was teruggekeerd en met hen den weg had ingeslagen naar Bridgewater. Een derde boodschapper beroemde er zich op, niet slechts een toeschouwer te zijn geweest, maar een werkzaam aandeel in de schermutseling te hebben genomen, en verklaarde, dat de eerste berichten in zooverre met de waarheid overeenstemden, dat een troep gewa-

ocr page 253

penden (men zeide, dat er een van de eerste baronnen onder was geweest) den koning en den heer Gilbert de Mohun van de Dundry-street uit hadden overvallen en overmeesterd, voordat de escorteerende troepen in staat waren hen te verhinderen of te overweldigen: hun aanval was echter op hetzelfde oogenblik waarop hij scheen te slagen, verijdeld, door een handvol boogschutters die hen onverwacht aangrepen, juist toen zij hun buit naar een korvet wilden brengen, dat in Avon voor anker lag. De boogschutters, die in volle wapenrusting waren, vochten dapper met hun korte zwaarden, en hielden zóólang stand, totdat de overige troepen te hulp konden snellen. Zoodra koning Hendrik de saamgezworenen gevangen had genomen en bevel gegeven, dat de doode-lijk gewonde ridder de Mohun zorgvuldig verpleegd zou worden, vestigde hij zijn aandacht op den hoofdman der dappere schaar en sloeg hem, zooals men zeide, aanstonds tot ridder. Het verhaal, als zou de koning naar Bridgewater teruggekeerd zijn, was geheel uit de lucht gegrepen, hij had met zijn hofhouding en zijne troepen den nacht doorgebracht op het kasteel en in de stad Mohun en bevond zich nu op weg naar Bristol.

Het bericht van dezen laatsten boodschapper was volgens de waarheid en werd weldra door een ofticieele aankondiging bevestigd, ook bewees nu de ondervinding dat, als de nacht vol is van treurigheid, de vreugde komt met den morgen. Niets kon thans halen bij de begeestering, die alle standen der stad be^ielde, en waarmede zij niet slechts hun geredden monarch welkom heeten en gelukwenschen. maar ook wedijverden om den dapperen ridder te begroeten, die de weldoener was geworden van zijn vaderland.

De toebereidselen van den vorigen dag werden voor deze amp;ub-bele vreugde niet voldoende geacht; men vlocht frissche kransen en bracht een menigte vaandels en zinnebeelden en gedenkspreuken aan in de straat door welke de stoet het eerst de stad zou binnentrekken en boven het stadhuis, waar een tweede feestmaal gereed stond voor den koninklijken gast. Midden onder deze toebereidselen van minder gewicht, gaf de senaat van Bristol een nieuw

ocr page 254

blijk van zijn hooge «vijsheid, door weer een menigte bladzijden toe te voegen aan de lange gelukwensch, dien de koning zou moeten aanhooren.

Eindelijk dan begonnen al de teleurgestelde verwachtingen der burgers werkelijkheid te worden. Weer trokken de troepen uit en sloten zich in dubbele rijen aan bij den triumphstoetj weer ging de burgemeester op zijn hoogen zetel zitten met de sleutels in de eene, den schepter in de andere hand; de klokken luidden, trompetgeschal weerklonk en bazuinenklank en reeds stelde de voorhoede van den vorstelijken stoet zich voor de poort der stad in het gelid.

»Waar is de koning? O! waar is nu de koning en waar is de ridder, die hem het leven redde?quot; Nog niet, neen, nog komt de koning niet. Na de lichte ruiterij en de hooge staatsambtenaren, de burgerlijke en militaire autoriteiten, en tal van fiere baronnen, trotsch op hun schitterenden zegepraal bij Runnemead. En nu, ziet, daar — omgeven door een ander gedeelte der lijfgarde, rijden twee mannen. Zoo dikwijls het vreugdegejubel door de lucht klinkt, Zwaait de een met zijn zwaard en roept met de menigte uit: »Lang leve koning Hendrik!quot; Dat was de jeugdige held van den dag) Heer Ralph van Buckerel. De koning op een prachtig ros gezeten en in praalgewaad gekleed hield stil toen de burgemeester zich voor hem nederwierp en hem de sleutels der stad aanbood; en met al de beminnelijkheid, die onzen Hendrik den derde in zijne jeugd kenmerkte, verzocht de monarch hem, weer op te staan en de sleutels te behouden, terwijl hij zelf het rijk opgetuigde paard besteeg, hetwelk men voor hem bestemd had. De toespraak werd op verlangen des koning uitgesteld tot na het feestmaal, en daar het doorstane gevaar in zijn hart weer vrome gevoelens had opgewekt, beval hij dat de stoet zich rechtstreeks zou begeven naar de hoofdkerk der stad, de kloosterkerk der reguliere Augustijner-monniken, kort geleden verheven tot kathedraal.

En nu trok koning Hendrik dan eindelijk door de Zuidpoort zijn goede stad Bristol binnen en reed onder een storm van toe-

ocr page 255

juichingen en een regen van kransen en kostbaar reukwerk door de High-street, die, zoo hoog en zoo ver de blik slechts reiken kon, bezet was met blijde gezichten. Aan de eene zijde des konings reed Simon van Barton, de burgemeester aan de andere Heer Ralph van Buckerel, de jeugdige ridder, die gedurende zijn vreedzaam verblijf te Mohun zich in het bezit had weten te stellen van zijn gouden sporen; waarschijnlijk tengevolge van het voortdurend steigeren en springen van zijn edel ros kwam dit vurig begeerde kleinood onder de oogen van allen, die hem van de Zuidpoort af tot aan de kloosterkerk toe gadesloegen.

Er was in het breede middenscheep en in de betrekkelijk hooge zijbeuken dezer majestueuze kerk ruimte genoeg voor het gevolg des konings. Deze begaf zich naar het priesterkoor, waar door de kloosterheeren het aangrijpende Te Deum laudamus werd gezongen. Was het wonder dat onze vriend van Buckerel gedurende dit gezang zijn hart uitstortte in dankbetuigingen voor de geestelijke en tijdelijke weldaden, die hem in de laatste twee dagen op zulk een wonderbare wijze ten deel waren gevallen?

Ofschoon van Buckerel's geest op dit oogenblik niet geschikt was voor de overweging, dacht hij toch onwillekeurig aan de plechtige en, naar het scheen, prophetische uitspraak, die hem uit den mond van den prior had toegeklonken; »Zoekt eerst het Rijk Gods en zijne gerechtigheid, en al het overige zal u worden toegeworpen.quot;

»Indien ik,quot; sprak hij bij zich zeiven, »de abdij had verlaten zonder de heilige Sacramenten, dan zou ik mijne troepen te Toun-ton hebben aangetroffen, had mijn plaats ingenomen onder nüjn compagnie en niets gedaan, om mij beroemd te maken en mijn koning en het land te redden — maar nu, nu ik des avonds gebiecht, den volgenden morgen de heilige mis gehoord en gecommuniceerd heb, en ten slotte ook het avondgebed heb bijgewoond» nu had ik slechts nog tijd, om tot Dundry-Tower te komen, en dit is voor mij de kortste weg geworden tot geluk en glorie.quot;

ocr page 256

Zevende

Koning Hendrik bleef met zijn hof den geheelen winter en een gedeelte van de lente in zijn goede stad Bristol. Zijn vreugde werd door niets gestoord dan door den hopeloozen toestand van heer Gilbert de Mohun, die eenigen tijd geleden zijn voornaamste gunsteling was geweest. Deze ongelukkige man, die zich een gouden toekomst droomde, door de onbeperkte gunst van den monarch en den vermeenden dood van zijn bloedverwant, baron Reginald, — had de trotsche verachting, die hij gevoelde voor zijne gelijken ja zelfs voor zijn overheden, niet langer kunnen onderdrukken. Dit had ten gevolge, dat zich onder de verbolgen baronnen van het hof een komplot vormde, dat zich ten doel stelde, hem uit het rijk te verbannen, of, zoo dit mislukte, hem voor altijd van het levenslicht te berooven. Ook hier moest Ralph van Buckerel de vergeldende Gerechtigheid des Hemels weer erkennen, daar hij, die belast was geweest met de uitvoering van Gilbert's schen-nende plannen ten opzichte der abdij, buiten zijn weten en willen den dood van zijn meester zou veroorzaken. Het bleek uit het onderzoek, dat Gilbert's wonden niet doodelijk waren; maar de hevigheid zijner onbeteugelde hartstochten was het voedsel voor een nimmer onderbroken koorts, en daarom begonnen zij weldra een doodelijk karakter aan te nemen.

»\Vat kan ik voor u doen, Gilbert,quot; zeide de koning, toen hij met eenige heeren uit zijn gevolg den stervenden ridder op het kasteel Mohun bezocht.

gt;Wat Uwe Majesteit voor mij doen kan?quot; riep heer Gildert heftig uit. »Niets! Geen sterfelijke koning kan mij helpen. En wat den Koning der koningen betreft — wat heb ik ooit voor hem gedaan?quot;

»Ga thans tot Hem,quot; zeide de monarch, »en bereid u voor op Zijn genaderijke en geheimzinnige komst, totdat gij Hem eindelijk zult aanschouwen in de volle majesteit Zijner heerlijkheid. Men heeft mij gezegd, dat gij weigert u voor te bereiden tot de laatste heilige Sacramenten?quot;

ocr page 257

»Is het dan zoover met mij gekomen,quot; sprak de trotsche ridder met bitterheid, idat zelfs mijn koning uit medelijden met mijn toestand den geestelijke spreekt?quot; Na nog eenige woorden van innigen aandrang en waarschuwing te hebben gesproken, trad de koning aan een venster, in welks nis de slot-kapelaan op den uitslag wachtte van het gefluisterd onderhoud.

«Goede vader,quot; sprak de koning, «weigert de ridder alle genademiddelen ?quot;

»Tot nog toe, mijn vorst,quot; antwoordde de eerwaardige priester, gt;heeft heer Gilbert allen bijstand der Kerk afgewezen. Maar hij kent de waarde daarvan zeer goed en mogen dus vertrouwen, dat er, als de hevigheid zijner koorts verminderd is, wel kalmere en ootmoedigere gedachten zullen volgen.quot;

«Heer Gilbert,quot; zeide de monarch, zich weer tot den stervenden man begevende, «zoolanger leven in u is, zijt gij onze onderdaan, en moogt, zoo gij u niet zwaar tegen ons wilt vergrijpen, niet ongehoorzaam zijn aan ons bevel, ten minste, wanneer wij, wat God verhoede, niets gebieden wat in strijd is met Zijn heilige wet. Daarom bevelen wij u, uwe ziel voor te bereiden tot de biecht — en Hij zal u genadig vergiffenis schenken van uwe zonden! Dan, en dan alleen komen wij u weder bezoeken!quot;

De ridder vestigde zijn blikken op den koning, en hij kende hem veel te goed, om er aan te twijfelen, of dit wel zijn vast en onherroepelijk besluit zou zijn. Een hevige koorts greep hem aan, toen Hendrik het vertrek verliet, en toen hij ook de koninklijke hofhouding hoorde heengaan, viel hij in een verdooving, die de overige uren van den dag bleef voortduren.

In den nacht die daarop volgde, ontwaakte Heer Gilbert — vroeg zeer kalm en met belangstelling naar het bezoek en het vertrek des konings en tevens wie er op het kasteel waren. Toen hij vernam, dat zijn vroegere schildknaap Ralph van Buckerel na het vertrek des konings op eigen verlangen in het kasteel was gebleven, glansde een matte vreugde op het gelaat van Heer Gilbert.

«Laat hem roepen!quot; zeide hij. .t

ocr page 258

»Ik vraag allernederigst verschooning, heer ridder,quot; antwoordde de page, gt;ik geloof dat Heer Ralph slaapt.quot;

^Wat geeft dat, domoor?quot; schreeuwde de ridder zoo luidkeels, alsof hij volkomen gezond ware. «Ralph van Buckerel is op mijn bevel wel meer uit een diepen slaap opgestaan5 hij zal op 't oogen-blik ook wel iets voor mij overhebben.quot;

De page verwijderde zich, maar moest, eer hij den jeugdigen ridder kon wekken, eerst twee schildknapen wakker schudden, die met jeugdigen ijver hun vroegeren makker den zwaardriem hadden aangegespt en de sporen vastgesnoerd en nu aan zijn dienst verbonden waren. Maar deze sliepen nog vaster dan hun meester, en van Buckerel was op het vernemen van Heer Gilbert's verlangen spoedig gekleed en verscheen met een opgeruimd gelaat aan het ziekbed.

gt;Ralph,quot; fluisterde de stervende man, gt;gij hebt een goed hart en een vrijmoedige tong. Zou het met mij gedaan zijn?quot;

gt;Er is voor u niet veel meer hoop, dan voor een duif in den bek van een havik,quot; antwoordde van Buckerel, »behalve, dat gij het laatste Oliesel kunt ontvangen.quot;

»Hoe, wat is dat? Ik bemerk, dat ik vergeetachtig wordt,quot; zeide heer Gilbert.

»Het is het laatste Oliesel — het laatste Sacrament — d. w. z. niet volgens de rij af, want dan hebben wij het heilig Priesterschap en het huwelijk; maar voor een van deze beide laatste is uw tijd reeds lang verstreken, mijn goede ridder.quot;

»Ja zeker, ja zeker 1 — maar dat laatste Oliesel nu...?

gt;Is een wonderbaar Sacrament,quot; zeide Ralph, gt;is meer waard dan alle kruiden of geneeskundige drankjes! Gestel: iemand is halfdood, zooals gij bijvoorbeeld; de priester zalft hem met de heilige Olie, en als hij nog iets waard is, staat hij over een uur vol van leven, krachtig en wel op zijne voeten. Zoo is het met Reginald gegaan.quot;

»Laat de pestlquot; — mompelde Heer Gilbert.

»Ook al goed!quot; sprak Ralph; sals deze wereld te klein is om

ocr page 259

u beide tegelijkertijd in vrede te doen leven, ga het dan maar in de andere wereld zoeken. Misschien is dat ook beter voor u: want gij zult hem in de andere wereld vooreerst nog niet zien.quot;

„Neen, neen,quot; zeide de oudere ridder, „ik wil tot iederen prijs nog zoolang in deze wereld blijven, tot ik iets voor de andere gedaan heb.quot;

«Goed zooquot; sprak Ralph, »welnu, het eerste wat gij voor den Hemel te doen heb, is uwe zonden biechten, en daartoe hebt gij niet veel — gij moet aanstonds met het onderzoek uws gewetens beginnen.''

»Maar het is mijn tijd nog niet om naar den Hemel te gaan, zeg ik u,quot; sprak Heer Gilbert, «daarom wil ik eerst eens een proef nemen met dat laatste Oliesel.quot;

»Maar gij moet eerst uwe zonden biechten en de absolutie ontvangen, zeg ik u,quot; hervatte Ralph.

»Ga heen,quot; schreeuwde de oudere ridder, »gij zijt even zoi; als de anderen.quot;

gt;Als gij het te moeielijk vindt, uw geweten te onderzoeken,quot; ging van Buckerel voort, zonder zich te laten afschrikken, gt;dan wil ik het wel voor u doen; dat eigen werk heb ik niet lang geleden voor mij zeiven gedaan, en ben daarin thans zoo bedreven, als ooit te voren.quot; Hij begon nu aanstonds het leven van Heer Gilbert in 't kort te doorloopen, zoo goed als hij daartoe naar zijn eigene ondervinding in staat was — en drong voornamelijk aan op het berouw over de zonden, terwijl de oudere ridder somtijds luidkeels schreeuwde, dat hij ze niet bedreven had. Van Buckerel legde hem dan het stilzwijgen op met de woorden; gt;Goed, hebt gij dit niet gedaan, dan hebt gij nog wel iets bedreven, wat erger is. En laat nu uw ongevoelig hart vermorzeld worden van droefheid om het slechte voorbeeld, dat gij mij en den anderen schildknapen en pages gegeven hebt; en wijl gij mij uitgezonden hebt, om de monniken van hun eigendom teberoovcn; en wegens den slechten raad, dien gij voortdurend den koning hebt ingeblazen; en over deze en al uwe andere zonden, welke gij u op dit oogenblik niet

ocr page 260

meer kunt herinneren. Tracht aan uwe vijanden te vergeven, wie zij ook mogen zijn, en die u dezen stoot gegeven hebben op uweii weg naar de eeuwigheid — want gij hebt hierin slechts één keuze: nu of nooit. Het is zonder twijfel iets, waarvan het leven of de dood afhangt; gij moet biechten, eer gij kunt hopen op de mogelijkheid van herstel — daar komt juist de aalmoezenier.quot;

Van Buckerel verliet nu zachtjes het vertrek, en gaf den priester door een teeken te kennen, dat deze zijn plaats zou vervangen. Na verloop van een uur keerde hij weer terug en ontmoette onderweg den eerwaardigen geestelijke, die met een glimlach tot hem zeide; »Alles gaat goed.quot; Ralph trad binnen en aanschouwde met de innigste vreugde de vreedzame uitdrukking op het gelaat van den stervenden man. De oogen waren gesloten — maar zijn lippen bewogen zich in het gebed. Van Buckerel wilde hem niet storen. Hij beval echter, dat men hem in geval van nood onmiddelijk zou roepen, en ging naar beneden om op het terras de frissche morgenlucht in te ademen. Daar trof hij den jongen heer aan. Hij deelde aan dezen de gelukkige wending mede, die er in Gilbert's gemoed had plaats gegrepen en verhaalde met steeds toenemende vroolijkheid, hoe hij — Ralph van Buckerel — als geeestclijke voorlooper den weg bereid had voor den geestelijken vader.

Eenigen tijd later zag men in de Bristol-street de koninklijke lijfwacht naderen. Toen men dit aan Heer Gilbert boodschapte, scheen hij daarover verheugd te zijn, maar sprak geen woord. Iedere gehechtheid aan dit vergankelijke leven had hem verlaten, en toen men hem hieromtrent iets vroeg, gaf hij ten antwoord: »Zooals het aan God behaagt; ik mocht misschien nog eens meer misdaden begaan.quot;

Toen de koning binnengetreden was, bad Heer Gilbert hem om vergiffenis voor zijne vijanden, en slaagde er in die, na eenigen weerstand, te verkrijgen; daarna legde hij zijn hand in die van Heer Reginald, zijn bloedverwant, en beval dezen in de genadige bescherming des konings. De vorst en al de aanwezigen waren zeer ontroerd en gesticht door deze wonderbare verandering in den stervenden man. En toen Heer Gilbert spoedig daarna de

ocr page 261

spraak verloor, en men het dreigend voorteeken bespeurde, dat de mond zich voor altijd ging sluiten, was het hoog tijd niet langer te wachten met de toediening van het heilig Oliesel. Al de aanwezigen bleven de plechtigheid bijwonen. Onder de slotgebeden gaf de ridder van Mohun den geest, om, naar'wij vertrouwen, als een waar boeteling een onsterfelijk leven in te treden.

Het duurde geruimen tijd, eer de plaats van den bevoorrechten gunsteling aan het hof door een ander werd ingenomen; want Hendrik had door een pijnlijke ervaring, geleerd, hoe licht zelfs een braaf man door onbeperkte gunst bedwelmd kan worden. De goede verstandhouding aan het hof bleef een'tijd lang onverstoord.

Om het verdriet des konings [eenigszins te temperen, werden, begunstigd door het prachtige herfstweder, allerlei vermaken op touw gezet. Men hield roeiwedstrijden op den Avon, valkenjachten in de uitgestrekte velden en tal van andere feestelijkheden aan de oevers van deze stille rivier, welke in het late ]maar schoone jaargetijde in de volle schoonheid prijkten van hun weelderigen wilden groei.

Eer het koninklijke hof uit Bristol vertrok, om een tijd lang in de hoofdstad te vertoeven, had Hendrik meermalen de heerlijke bazieliek bezocht van Onze Lieve Vrouw, welke dientengevolge beroemd werd door geheel het koninkrijk. Zij was gelegen op de roode rotshoogte der stad. Daar ook werd de laatste godsdienstoefening gehouden, voordat hij Bristol verliet.

Dit heerlijke Godshuis was een gedenkteeken van de vroomheid en mildheid van Simon van Burton. Zijn vurigste streven, gedurende zijn lang en verdienstelijk leven, was de voltooing en de verfraaiing van dit heiligdom. Daaraan had hij zijn tijd, zijn gelde lijke vermogens en zijn invloed opgeofferd. En het loon voor zijn ijver bleef ook in dit leven niet uit. Zichtbaar rustte de zegen Gods op dit zeldzame bouwwerk, dat onder de bescherming zijner maagdelijke Moeder, Hem was toegewijd. In den loop der jaren werd het onder de handen van Canynge, hetgeen het is, op dit oogenblik — het wonder van het Westen.

ocr page 262

— 237 —

clcfitjtc Koo|'3jtu^.

De prediking van een vollen aflaat had een vrome geestdrift opgewekt, niet slechts onder degenen, die het bloeiende dal, de vallis florida bewoonden, maar ook bij de hoogere en lagere standen der nabijgelegen stad. Het verlies dat men geleden had door het vertrek van het koninklijk hof, werd door dit geestelijk feest meer dan vergoed. Men zag dan ook iederen dag een menigte boetvaardigen naar de biechtstoelen der verschillende kerken heen-stroomen, en daar de heilige Communie ontvangen, om zoo te voldoen aan de vereischte voorwaarden. Op de Vigilie van Pinksteren werden de biechtstoelen voor de laatste maal als het ware bestormd. Gedurende de drie volgende dagen van het hoogfeest zeiven was de heilige Tafel gedekt voor ontelbare aanzittenden, en weldra daarna vertoonde zich de krachtige werking dier hemelsche genademiddelen in roerende tafereelen. De aalmoezen en andere bijdragen der lijdende en zieken en de offers van armen en rijken stroomden der abdij toe, met zulk een ijver en in zoo grooten overvloed, dat men besloot den klokketoren niet slecht te herstellen, maar ook te vergrooten. Nadat er menige week gearbeid was, begon men den nieuwen bouw op te trekken op het bovenvlak van den ouden steenen kolossus. Het plan was, den toren te omgeven met kanteelen van uitgehouwen steen, welke heerlijke versieringen gebeiteld werden door den eenmaal verloren, maar thans berouwvollen zoon, den genialen Philips Starveling. Zijn geestelijke vader had hem als boete opgelegd, blootsvoets een pelgrimstocht te ondernemen naar de bron van den heiligen Winfridus; en daar de uitgeschreven aflaat hem in plaats van die gestrenge boetvaardigheid had aangeboden, zijn kunst aan te wenden ter eere van Gods huis, nam hij dien ruil met dankbaarheid aan.

Toen de abt en de prior op zekeren avond bij eikaarstonden en dat bedrijvig tooneel gadesloegen, traden twee rijken burgers uit de stad op hen toe, groetten de eerwaardige kloosterlingen en verzochten, dat hun uitspraak een strijd zou beslechten, dien zij

ocr page 263

zooeven onder elkander hadden gevoerd betreffende den gepre-dikten aflaat.

»Wij waren voornamelijk bezig,quot; sprak meester Roger, de herbergier, over den gemakkelijken ruil, dien onze arme vriend Star-veling heeft gedaan. Het is een aanmerkelijk onderscheid: barrevoets den pelgrimsstaf opnemen, of die schoone kanteelen metselen. Ik maakte nu bedenking (natuurlijk in alle bescheidenheid,) of het niet volmaakter zou zijn geweest, of het niet een rouwmoediger gesteltenis zou verraden hebben, als hij dien boetetocht ondernomen had. Wij hebben immers ook geen keuze kunnen maken tus-schen de oefeningen van boetvaardigheid 1 Met andere woerden, zou Starveling niet meer verdienste hebben verworven, als hij nederig en in het openbaar aan de heilige bron zijn berouw getoond had, in plaats van door dezen lichten arbeid, die hem als handwerksman nog grootere vermaardheid bezorgt en tevens voedsel geeft aan zijne ijdele glorie.quot;

gt;Wij mogen omtrent dit punt geen oordeel uitspreken,quot; antwoordde de abt. — Als wij geloofden dat hij in zijn tegenwoor-digen toestand meer lijden zou aan ijdele glorie, dan wanneer hij in 't publiek de reis had aanvaard naar de heilige bron, zouden wij gevaar loopen het gebod der Christelijke naastenliefde te overtreden. De vijand der zielen ligt met zijn bekoringen overal op de loer en kan zijn prooi grijpen onder alle omstandigheden, hoe verschillend deze ook mogen zijn — in de uitoefening der gewone plichten van onze staat en stand even goed, als in de buitengewone omstandigheden van het leven; ja, in het laatste ge-al is zijn pogen in den regel nog veel verderfelijker. Philips heeft groot gelijk, dat hij zich den aflaat ten nutte maakt, en dit geldt voor allen, die hem hierin navolgen; hoe zouden wij ons vermeten den aflaat, een geschenk van God te minachten of te verwerpen als een te gemakkelijke boetpleging, terwijl Hij-zelf zeer dikwijls en zonder eenig voorbehoud de tijdelijkke straffen voor de zonden vergeven heeft? Zoo verkreeg bijvoorbeeld Magdalena en de goede moordenaar een volledige kwijtschelding hunner tijdelijke straffen;

ocr page 264

en op dezelfde wijze ontvingen de rouwmoedige Corinthiërs van den heiligen Paulus een algeheele kwijtschelding der tijdelijke straffen of voldoening, die hem zoo zwaar drukten. Dat waren volle aflaten en daaraan was geen van de voorwaarden verbonden, die thans aan de geloovigen worden opgelegd.quot;

»Veroorloof mij u te zeggen, genadige heer abt,quot; sprak de waardige burger, terwijl hij een oogenblik voor zich uitstaarde, gt;dat mijn bedenkingen tegen het verdienen van den aflaat gedeeltelijk voortkomen uit eigen ondervinding; want waarlijk, genadige heer, gedurende de laatste Vasten werd mij door mijn geestelijken vader in de stad een allerstrengste boete opgelegd, en — of ik moest mij al zeer vergissen — met een aflaat scheen hij niet veel op te hebben. Ik ben van nature gastvrij — gij begrijpt mij wel, genadige heer, — vroolijk van humeur bij het wijnvat — wat los van tong als ik over de gunstelingen van het hof spreek, — nog al vurig in het verdedigen van onze stadprivile-gieën tegenover de baronnen — en ook meermalen een partij burgers tegen hen opgehitst als ik wat diep in het glaasje had gekeken. Voor al die zotternij, voor alles wat ik gedaan had en hetgeen niet paste aan mijn ouderdom en stand in de maatschappij kreeg ik als boete; — twee jaar vrijwillige verbanning uit onze goede stad Bristol. Als dat had moeten gebeuren, ware ik gestorven; want waar, genadige heer abt, waar zou ik, onpartijdig gesproken, zulk een tweede stad hebben gevonden? Maar God zij geloofd! De aflaat werd gepredikt en mijn verbanning veranderd in aalmoezen aan den Abdij.

»\Vat mij betreft,quot; zeide de andere burger, »ik zeg altijd; als iemand openbare boete heeft gedaan of daartoe bereid is, dan moet hij weer in het vriendschappelijk verkeer worden opgenomen. Wij moeten vergeven en het verledene vergeten; want is zoo iemand reeds niet in genade aangenomen door den almach-tigen Godf Ten minste, zoo is mijne meening — en ik hoop, dat onze eerwaarde vader er ook zoo over denken zal.quot;

«Zeker,quot; zeide de abt. »Wij zien thans op eene menigte hei-

ocr page 265

ge boetelingen, die in het reinigende Sacrament der Boetvaardigheid door hun God weer genadig zijn aangenomen; en terwijl zij reeds mogen aanzitten aan het gastmaal Zijner liefde, vervullen zij nu de uitwendige voorwaarden hunner wederopname; maar indien zij deze reeds in den geest, door hun begeerte vervuld hebben, mogen zij beschouwd worden, als hadden zij ook uitwendige boete gepleegd en alles hersteld, wat zij volgens de openbare meening misdeden.quot;

»De arme Philips heeft reeds drie schoone kanteelen gereed,quot; zeide de laatste spreker, meester Simon Hay, »en ik heb aangeboden, mijnheer de abt, ze hierheen te laten brengen; maar meester Julius Steenbreak zegt, dat het vervoer der bouwmaterialen uit onze stad naar hier zijn werk is, en dat hij aan niemand afstaat.quot;

»Meester Julius heeft gelijk,quot; sprak de abt. gt;Aan ieder van onze vrome weldoeners en arbeiders is door zijn geestelijken Vader een afzonderlijke werkkring aangewezen; daarbij is natuurlijk zorgvuldig rekening gehouden met ieders krachten, ook heeft men er ons over geraadpleegd. Zonder dezen voorzorgsmaatregel zou een eindelooze verwarring ontstaan zijn. Julius is niet in staat iets bij te dragen door het leveren van bouwmaterialen, want de steengroeve is zijn eigendom niet; daarom geeft hij eenige uren in de week zijn paarden en wagen in gebruik en kan dus ook, zooals hij terecht opmerkt, dit uitwendig middel, om den aflaat te verdienen, aan niemand anders afstaan. Een boeteling kan, wat de voldoening voor zijne zonden betreft, niet handelen volgens eigen gedachten en begeerten; hij moet zich nederig en onvoorwaardelijk onderwerpen aan de leiding des biechtvaders; hij mag echter wel wijzen op de moeielijkheden, die zich bij het volbrengen der boete zullen voordoen, en als de geestelijke vader ddn daarin verandering brengt, is hij volkomen verantwoord.quot;

»Welk een schoone en troostvolle gedachte is het ook,quot; ging de prior voort, tdat niet een koud, winstziek eigenbelang deze steenen te zamen voegt en met weergalooze kunst versiert, — maar

ocr page 266

dat het te danken is aan de nederigheid en den vurigen ijver der herschapen harten.quot;

Op dit oogenblik riep de groote klok de kloosterlingen tot het gebed, en nauwelijks was dit geëindigd, of twee andere bezoekers werden aangemeld. Wij zouden in hen aanstonds de twee mannen herkend hebben, die in den vorigen herfst hier een tijd lang huisgenooten waren, baron Reginald en Heer Ralph van Buckerel. De laatste kwam voordat hij Somsetshire verliet om zich naar de hoofdstad te begeven, afscheid nemen en den zegsn smee-ken over zijne reis. Beiden hadden den vollen aflaat onder de vereischte voorwaarden van biecht, Communie en goede werken, trachten te verdienen. Terwijl zij in de gastenkamer met den prior en den subprior hierover spraken, verklaarde van Buckerel niet te begrijpen, hoe hun vriend Reginald door dezen aflaat nog iets gewonnen hebben.

gt;Wat mij betreft,quot; ging hij voort, gt;ik ben best tevreden. Een oude monnik, die in deze abdij vrij wat te zeggen heeft, schreef mij een boete voor, waarbij ik al den moed van mijn nieuw ridderschap bijeen moet garen. Thans heb ik een goeden ruil gedaan. Maar dat onschuldige zieltje in die wapenrusting, hij, die reeds in staat van genade was, niet alleen door de Boetvaardigheid maar ook door het laatste Oliesel, hoe kan hij nog een aflaat noodig hebben ?quot;

»Het laatste Oliesel,quot; sprak de prior, «bezit de eigenschappen van een aflaat; kunnen wij nu van deze weldaden des Hemels te veel genieten? Stellen zich de Christenen er mede tevreden, slechts ééns in hun leven daartoe hun toevlucht te nemen, als hadden zij de zekerheid geen tijdelijke schuld meer op hunne zielen te hebben in het oog van Gods oneindige Rechtvaardigheid?

Wij hopen, dat degenen, die door het Sacrament des Oliesels tot een nieuw leven herboren zijn, in de genade Gods zullen volharden tot het einde huns levens; maar durven wij beweren, dat zich bij hen geen geringe fouten zullen vertoonen, waardoor zij de straf beloopen van het Vagevuur, welke echter kan worden weggenomen door den aflaat?quot;

D. z. H. s. iö

ocr page 267

»Nu,quot; zeide Ralph, »dan houd ik er voor, dat, als iemand, na het ontvangen van het Sacrament des Oliesels zijn gezondheid, heeft herkregen, en alle aflaten verdient, die er in de Kerk te verdienen zijn, hij voorzeker het Vagevuur niet behoeft te vreezen.

• Als de volmaaktheid zijns levens en van zijn gemoedsgesteltenis bij het verdienen dezer aflaten zoodanig is, dat zij aan de genade van den almachtigen God geen enkelen hinderpaal meer in den weg stelt, dan mogen wij zonder twijfel hopen, dat de schuld betaald is, en hij na den dood aanstonds het rijk der heerlijkheid zal binnengaan.

»Het verschil tusschen de gesteltenis van de Mohun en de mijne bij de prediking van dezen aflaat was aanmerkelijk groot,quot; ging van Buckerel voort. »Van mij kan men niet zeggen, dat ik daardoor veel op het Vagevuur heb uitgewonnen. Wel kwam ik vrij van de ontzettende boete, welke die oude monnik mij had opgelegd — maar die tijdelijke winst bepaalde zich alleen tot dit leven, en dit is, geloof ik, bij zeer velen het geval, die onze kerk helpen opbouwen. Wat de Mohun betreft, en misschien nog anderen, die geen strenge boete met een gemakkelijke behoeven te verwisselen, zij mogen zich wel verheugen, omdat hun vagevuur wordt verkocht. God geve, dat dit den eerstvolgenden aflaat ook met mij het geval moge zijn; want ik durf zeggen, dat ik in goeden trouw geloof, dat een nieuw leven voor mij begonnen is, sinds ik de toediening van het laatste Oliesel in de abdij van Clyft heb bijgewoond.

ocr page 268

VI.

Dp frater aan fjnrftimiljrif.

ocr page 269
ocr page 270

f)e pfie^'tef j^oi'tl^umbrië.

(Een Angelsaksisch verhaal.)

j

Qezstc JCoop^tw-ft.

ij moeten eenige schreden achterwaarts doen in den loop der tijden en zijn in de zevende eeuw, te Aidan, een stad in Northumbrië. De groote feestzaal van een der adelijke Thanen i) herbergt dezen avond twee van de doorluchtigste en vermaardste kerkvoogden der angelsaksische geestelijkheid, en vermaard, niet slechts om hun persoonlijke deugden, talenten en verdere eigenschappen die hun kerkelijke waardigheid tot grooteren luister verstrekken, maar ook om het verschil van meening, dat zich tusschen hen openbaart in het bestuur hunner onderhoorige bisdommen. Met kracht had reeds de machtigste van hen beiden beproefd zijn meening te doen zegevieren, maar even onwrikbaar ook hield de ondergeschikte prelaat vast aan zijne inzichten. Dat ook wijzen en goedgezinden somtijds in oordeel van elkander afwijken, is onvermijdelijk en ontstaat dikwijls uit de beste bedoelingen; en hoe beklagenswaardig dit ook was, is en zijn zal, toch dient het slechts om, ondanks

i) Een oude benaming der angel-saksische edelen.

ocr page 271

»Nu,quot; zeide Ralph, »dan houd ik er voor, dat, als iemand, na het ontvangen van het Sacrament des Oliesels zijn gezondheid heeft herkregen, en alle aflaten verdient, die er in de Kerk te verdienen zijn, hij voorzeker het Vagevuur niet behoeft te vreezen.quot;

»Als de volmaaktheid zijns levens en van zijn gemoedsgesteltenis bij het verdienen dezer aflaten zoodanig is, dat zij aan de genade van den almachtigen God geen enkelen hinderpaal meer in den weg stelt, dan mogen wij zonder twijfel hopen, dat de schuld betaald is, en hij na den dood aanstonds het rijk der heerlijkheid zal binnengaan.

»Het verschil tusschen de gesteltenis van de Mohun en de mijne bij de prediking van dezen aflaat was aanmerkelijk groot,quot; ging van Buckerel voort. »Van mij kan men niet zeggen, dat ik daardoor veel op het Vagevuur heb uitgewonnen. Wel kwam ik vrij van de ontzettende boete, welke die oude monnik mij had opgelegd — maar die tijdelijke winst bepaalde zich alleen tot dit leven, en dit is, geloof ik, bij zeer velen het geval, die onze kerk helpen opbouwen. Wat de Mohun betreft, en misschien nog anderen, die geen strenge boete met een gemakkelijke behoeven te verwisselen, zij mogen zich wel verheugen, omdat hun vagevuur wordt verkocht. God geve, dat dit den eerstvolgenden aflaat ook met mij het geval moge zijn; want ik durf zeggen, dat ik in goeden trouw geloof, dat een nieuw leven voor mij begonnen is, sinds ik de toediening van het laatste Oliesel in de abdij van Clyft heb bijgewoond.

ocr page 272

VI.

Dr fr-'mhr nan ^oFfliiiiiiljFi

quot;V

ocr page 273

I

WÊÊÊÊamp;Samp;mÊmk

«WAX ..

I i mSmm

ocr page 274

De priester \Tai| ]V[oi'tt\iirqbrië.

(Een Angelsaksisch verhaal.)

êeiitc

ij moeten eenige schreden achterwaarts doen in den loop der tijden en zijn in de zevende eeuw, te Aidan, een stad in Northumbrië. De groote feestzaal van een der adelijke Thanen i) herbergt dezen avond twee van de doorluchtigste en vermaardste kerkvoogden der angelsaksische geestelijkheid, en vermaard, niet slechts om hun persoonlijke deugden, talenten en verdere eigenschappen die hun kerkelijke waardigheid tot grooteren luister verstrekken, maar ook om het verschil van meening. dat zich tusschen hen openbaart in het bestuur hunner onderhoorige bisdommen. Met kracht had reeds de machtigste van hen beiden beproefd zijn meening te doen zegevieren, maar even onwrikbaar ook hield de ondergeschikte prelaat vast aan zijne inzichten. Dat ook wijzen en goedgezinden somtijds in oordeel van elkander afwijken, is onvermijdelijk en ontstaat dikwijls uit de beste bedoelingen; en hoe beklagenswaardig dit ook was, is en zijn zal, toch dient het slechts om, ondanks

x) Een oude benaming der angel-saksische edelen.

ocr page 275

alle bijkomende omstandigheden, de onveranderlijke éénheid des geloofs in haar vol en helder licht te doen uitschijnen. Dat ten minste, mag men verwachten van menschen, die van goeden wille zijn, en dergelijke beschouwingen hielden gedurende het feestmaal ook den kalmen maar oplettenden geest bezig van een jongeling, die tegen den rug leunde van den prachtigen zetel of troon, waarop zijn vader, de gastheer, gezeten was.

De jonge Edwin sloeg het eerst zijn blik op de meest indrukwekkende gestalte van beide gasten — den bejaarden aartsbisschop van Canterbury, Theodorus, primaat van geheel Brittannie. Aanvankelijk had hij met een zeker mistrouwen de gelaatstrekken van den primaat gadegeslagen, al zijn gewaarwordingen bespied en vooral was hem de blik dier oogen niet ontgaan, als zij vielen op den bisschop van York, den heiligen Wilfried, voor wien de knaap een hartelijke genegenheid gevoelde; die ook althans, naar zijne meening door den aartsbisschop zeer gegriefd was. Maar geen zweem van opgeblazen ijdelheid of persoonlijke heerschzucht kon Edwin ontdekken in dat heldere oog, waarin zich de volle ziel weerspiegelde van den onbuigzamen, maar verstorven kluizenaar van Farsus. Uit dat edel voorhoofd, hij gevoelde het, sprak veel meer dan de kennis van het kerkelijk recht en der kerkelijke tucht, waarin hij zoozeer uitmuntte; en wat aan allen overkwam, die den prelaat gewonnen en door de gedachte aan diens persoonlijke verdiensten genoodzaakt, hem gaarne den hoogen invloed toe te kennen die hij krachtens zijn heilig ambt liet gelden over * de andere kerkvoogden des lands.

Ofschoon echter de Saksische jongeling den aartsbisschop zijn bekende eerzucht vergaf, bleef hij toch zijn eigen bisschop, dien van York, allervurigst aanhangen, dien vader en weldoener van zijn bisdom, dat, hoe groot het ook was, toch over zijn geheele lengte en breedte getuigde van het zegenrijk bestuur en de gren-zenlooze weldadigheid van Wilfried: en aan diens onderhoorigheid kon Edwin niet denken, zonder met smart vervuld te worden. Niet alleen de kathedralen van York en de kerken van Ripon en

ocr page 276

Kircham met het klooster van deze laatste stad en dat van Lin-disfarn legden luide getuigenis af van het edele en vrome karakter des bisschops, maar ook in geheel het diocees, zoowel in de kloosters als in de parochiekerken, was de geest van den herder doorgedrongen, die geest, welke aan een onbezorgd en weelderig leven de verlokkingen tot zonde ontneemt en aan de eer van God alles toewijdt, wat kunst en langdurige arbeid aan kostbaarheid en schoonheid kunnen opleveren. In de kerken van York en Ripon waren al de heilige vaten van goud en zilver; de altaren schitterden van edelsteenen en sieraden van het kostbaarst metaal, en de kleederen der priesters en de tapijten van het heiligdom wedijverden daarmede in pracht en kostbaarheid. Bisschop Wilfried had vóór zijn bezoek aan dezen grafelijken burcht langer dan gewoonlijk gevast en gebeden, was in het prachtig slaapvertrek, dat men voor hem bestemd had, op stroo gaan rusten, terwijl hij voor de kerk van Ripon de rijkste geschenken had medegebracht, die in hun gouden met edelsteenen bezaaid pronkkastje scherp afstaken bij zijn hard en armoedig hoofdkussen. Deze geschenken bestonden in de vier Evangelieën, die onder zijn toezicht metgoud-letters op purperen grond waren geschreven en gebonden in prachtig geëmailleerde banden, een kunstwerk, waarin de rijkdom der stoffen werd overtroffen door de heerlijke teekeningen en bewon-derenswardige kunstvaardigheid der kloosterlingen. Dit schitterend bewijs van het groote talent der Northumbrische monniken werd op dit oogenblik door een bediende uit de kamer des bisschops naar de feestzaal overgebracht en aan de groote tafel door het gezelschap met nationale en vroome bewondering beschouwd. Eenige oogenblikken later verwijderde de gastvrouw zich met de aanwezige kamerjuffers en dienstmaagden: dit was het teeken van opstaan voor al de gasten aan de bijtafels; en terwijl het personeej en de huur-lakeien van het kasteel ieder aan hun eigen arbeid gingen, gaf vrouwe Eidwella den jongen Edwin een wenk om haar te volgen, zond hare kamerjuffers weg en stond weldra met haren zoon alleen op den wal aan de westzijde van het slot.

ocr page 277

De zon was ondergegaan en haar laatste glans week allengs voor het snel invallende duister. Edwin had verwacht, dat zijn moeder hem zou spreken over haar langdurige en angstige overpeinzingen, waarvan, zooals hij vermoedde, hij-zelf een tijd lang het voorwerp was geweest; maar al had Eidwella inderdaad dat plan, toch hield zij het voorloopig nog verborgen, en de jongeling, staande op den hoogen burcht en neerziende op den straatweg, die zich aan zijn voeten voortkronkelde naar de noordelijke hoofd-York, was haar in zijne gedachte reeds vooruitgeijld, bevond zich reeds onder het gevolg van zijn bisschop en deelde reeds in de zegeningen van zijn tweede tehuis. — Nooit had Edwin zich een andere toekomst gedroomd, nimmer een andere vreugde gekend, dan een henielsche. Door zijn ouders was hij toegewijd aan den heiligen dienst des altaars en reeds vroegtijdig hadjle heilige Wil-fried hem de zegeningen daarvan doen ondervinden. Alfric, zijn oudste broeder, sprak van heldendaden en avonturen en vond daarin zijn vermaak, terwijl de jeugdige Edwin door bijzondere genade begunstigd, dit alles aanzag met het linker oog; gene leefde voor zijn begeerten en illusiei^i, deze had reeds vroeg de roeping ont-tangen, zich zeiven geheel weg te schenken aan eene hoogere en reiner liefde.

Deze heilige bestemming, die door allen van zijn prilste jeugd af was toegejuicht, die om Edwin een zekeren kring had getrokken van eerbiedige genegenheid, bleef voor hem weggelegd, zonder bij de ouders eenigen tegenstand te ontmoeten — totdat de eerste slag hun familie trof: de dood van hun jongste kind, van een zoon, op wien zich langzamerhand al de verwachtingen ziiner britsche moeder hadden gevestigd. Ten tijde 'van hare verbindtenis met Oswald, den saksischen Than, kende Eidwella, het britsche meisje, nog niet die diepe gevoelens en dien fieren trots, welke zich eenmaal in haar gemoed zouden openbaren. Zij beminde en werd bemind, en deze liefde, tegelijk met een teedere zorg voor hare kinderen voldeed aan de verlangens Jvan haar hart gedurende zekeren tijd; maar toen na een reeks van jaren al haar britsche

ocr page 278

familiebanden door een ruwe hand vaneengescheurd waren en zij en als de jongste van vele kinderen de telg was gebleven van een adelijk vervolgd geslacht, toen overweldigde een machtig en onweerstaanbaar gevoel haar saksische neigingen en zij betreurde den onverbreekbaren band, die haar aan Than van Beornicia had verbonden. In het eerst wilde zij deze gevoelens zelf niet bemerken, later weerstond zij er aan, maar eindelijk gaf zij ze voedsel, sloot ze diep in haar hart, en reeds begonnen zij daaraan te knagen als de worm aan den rozeknop, stoorde de vrede harer ziel en bedreigde de vervulling harer plichten, totdat door den nacht een straal boorde van licht en warmte in de gestalte van haren kleinen Edwin. Eid-wella begroette die zalvende en zoete gedaante, als ware zij een rechtstreeksche ingeving des Hemels. Dit kind was dan door den Hemel bestemd, om het verloren aanzien van zijn geslacht weder te herwinnen en de wonden van haar hart te heelenl Alfric zou zijn vader als Than van Oostelijk-Northumbrië opvolgen, Edwin de bergen doorkruisen en evenals zijne voorvaderen een vorst en veldheer zijn van zijn verdrukt maar niet verwonnen britsch geslacht !

Dat was de hoop, waarmede zij zich voedde; haar eerste teleurstelling en tegenspoed bestond in een ongelukkige verwisseling van toekomst voor haar beide zoons. Uit beginsel van godsvrucht wist zij zich echter langzamerhand daarin te schikken. De jonge Egbert met zijn vroeg ontwikkelde, uitstekende talenten en zijn vrome gezindheid, gaven, die zoo vaak het deel zijn van hen, die op rijperen leeftijd tot een volmaakter leven znllen geroepen worden — deed de heerlijkste verwachtingen koesteren; hij beloofde een sieraad te zullen worden der Kerk, aan welke zijne moeder hem had toegewijd; maar lamheid en steeds toenemende wanstaltigheid maakten voor hem het priesterschap onbereikbaar, en met een smartelijken zucht was Eidwella genoodzaakt, hem te erkennen als den toekomstigen vorstelijken veldheer der britsche troepen en aan het altaar Gods een volmaakt offer te brengen in zijn broeder Edwin. Zoo verliepen er meerdere jaren totdat omstreeks een

ocr page 279

jaar voor het begin van ons verhaal een ziekte, daarna de dood Egbert opriep naar het hemelsch vaderland. Thans smeekte Erd-wella God allervurigst, dat Hij haar het gevraagde harde offer hetwelk zij in Edwin gebracht had zou vergoeden. Op den dag dat de prelaten het kasteel bezochten, stelde zij alles in het werk om haar kind een andere toekomst te verzekeren en besloot, zich tegenover hem zelven zoo krachtig te beroepen op haar moederlijke liefde en macht, dat hij alle plannen voor den dienst van het altaar zou opgeven.

Sweedc MoojSstu-k.

•Edwin,quot; zeide zijne moeder, terwijl hij naar den Zuidwestelijken hemel staarde, gt; denkt gij aan de dappere helden van onzen britschen bodem daarginds, die veel liever een veilig toevluchtsoord zochten in de bergen, dan hun schitterenden roem te verduisteren door zich te krommen onder het juk der Saksen? Rondom Landarf liggen nu uwe voorvaderen met roem begraven, rondom Landarf beweent een moedig, maar nu helaas vernederd volk zijn opperhoofden. Ik ben de laatste van het doorluchtige geslacht der Cadwalla's. Op mij rustten hunne blikken als op een tweede Boadicea. Maar ik ben gebonden door mijn betrekkingen met de Saksen — gebonden door de teederste plichten — machteloos, om deel te nemen aan hun heldhaftige plannen, Edwin! uw plicht is het, de veldheer te worden van uw britsche broeders. Spreek Vindt mijn stem weerklank in uw hart f Wilt gij een vorst worden, een krijgsman in den dienst der vrijheid en gerechtigheid? Spreekt!quot;

»Moeder,quot; antwoordde de jongeling, gt;mijn toekomst is, strijder en krijgsman te worden in de heilige gelederen der strijdende Kerk. In dat leger ben ik reeds aangeworven en kan mijn post niet verlaten, hoe sterk en hoe dierbaar de banden mij ook zijn die mij aan u vastsnoeren. Niet langer mag ik mijzelven afvragen, wie meer recht heeft op mijne toewijding, de Brit of de Saks.

ocr page 280

Beiden zijn Christenen en dus mijne broeders. Wij moeten één zijn in liefde als verlosten door Christus. Dring niet verder bij mij aan, bid ik u — anders ben ik genoodzaakt, te zeggen: iWie is mijne moeder, wie zijn mijne broeders?quot;

Eidwella zweeg een poos, daarna begon zij weer;

»Ik zou er niets tegen hebben, mijn zoon, als Egbert slechts nog leefde. — Hoe vurig hoopte ik, dat de woorden mijner lippen en de gevoelens van mijn hart hem zouden begeesteren met liefde voor zijn vaderland! Door u kon dan de roeping tot het priesterschap gevolgd worden; — maar nu God mijn hoogbegaafden en gehoorzamen zoon tot zich heeft genomen, geeft Hij mij juist daardoor het bewijs dat voortaan deze plichten zullen rusten op uwe schouders, Edwin 1quot;

»En wie zal dan priester worden?quot; vroeg Edwin.

gt;Anderen,quot; antwoordde Eidwella, »anderen, in wier aderen niet het bloed stroomt van den koninklijken Brit, dat bloed, hetwelk ontwerpen en heldenfeiten eischt, die een Brit waardig zijn. God wil de uitroeiing niet van het geslacht der Cadwalla's Priesters kunnen er gevonden worden bij honderden. Maar gij allen kunt de plaats innemen van uw gestorven vaderen en hen wreken.quot;

»Moge God het u vergeven, moeder!quot; hernam de jongeling met vaste stem, maar tevens met kinderlijken eerbied. «Alles wat de gehoorzaamheid mij als plicht oplegt ben ik bereid voor u te doen — en tot nog is de gedachte aan het altaar in mijn ziel zoo innig vereenigd geweest met uwe verlangens, dat het mij allersmar telijkst valt, eensklaps beide vaneen te moeten scheiden. Laat mij heengaan, moeder.quot;

«Blijf, Edwin!quot; riep Eidwella. «Zoudt gij ook dan nog weigeren als de heilige Wilfried u vermaande, naar mijne stem te luisteren; als hij u terugschonk aan het welzijn van vaderland en volk? Ik beroep mij slechts op dit ééne verhevene en heerlijke woord. Verwerpt God degenen, die de weldoeners zijn van hun geslacht? Zijn er ook geen heilige krijgslieden en vorstelijke martelaars? Beperkt Hij Zijne gaven en genade tot het Priesterschap? Zult gij

ocr page 281

niet met de edelste bewegredenen uw bloeiend vaderland verlaten voor ontberingen en gevaren van allerlei aard? Zult gij als vorstelijk bevelhebber niet veel krachtiger de vaderlandsliefde doen ontvlammen in de harten uwer dapperen, dan door uw leeringen — als gij een bijzonderen stand toebehoort en uw hart vervreemdt van al hun indrukken en gevoelens? Weigert gij een offer te brengen, als gij daardoor tallooze zielen kunt gelukkig maken, zoowel voor deze als voor de andere wereld? Hebben van de vroegste tijden af de braven en dapperen zich zeiven niet opgeofferd tot heil hunner medemenschen f Vergeet God deze grootmoedige zielen en blijft Hij in gebreke, den in hun leven van opoffering te sterken en te beschermen? Welaan, mijn zoon, breng een volmaakt offer, doe afstand van de neiging uws harten, word een martelaar gedurende mijn leven. Spaar u zeiven niet om mij, maar leef voor anderen, en bevorder zoo de meerdere glorie Gods!quot;

«Langer met u strijden, moeder,quot; zeide de jongeling, gt;zou dubbel gevaaar opleveren: de bekoring zou ingang kunnen vinden in mijn hart, en mijn eerbied voor haar, die daarvan de oorzaak is, zou schade kunnen lijden. Gij hebt u op onzen heiligen bisschop beroepen. Ik neem dat beroep aan: hij zal verklaren, of het offer, waarvan gij spreekt, bestaande is, d. w. z. of de heiligste en wonderbaarste gave Gods, welke al Zijn gewone genadegaven onmetelijk verre te boven gaat, die slechts aan zeer weinige geschonken wordt, maar hen dan ook verheft boven de innigste en ver-hevenste banden des bloeds en des vaderlands, of zij kan verlaagd worden tot een offer. Het priesterschap op zich zeiven is zulk een bovenmenschelijk offer, dat het mij een ongerijmdheid, een spotternij toeschijnt, daarvan af te zien ter wille van een zoogenaamd nog grooter offer — maar laten wij er niet verder over spreken...quot;

«Beloof mij slechts dit, mijn Edwin,quot; zeide de moeder: «Spreek over hetgeen ik u gezegd heb met den bisschop niet eer dan morgen vroeg. De klok luidt voor de completen. Ontvang eerst den zegen van uwe moeder; en wees overtuigd, dat God zelf dó Dr mijn mond tot u heeft gesproken.quot;

ocr page 282

Eidwella had haar bedoeling met dit verzoek. Zij wilde haren zoon vóór zijn en een dringend beroep doen op de dankbaarheid des bisschops, die in de jaren van hevige vervolging in haren edelen gemaal en in haar zelve oprechte vrienden had gevonden zoowel van zijn persoon als van zijne zaak, geloovige kinderen van zijn geestelijk huisgezin. Zoodra dus de completen waren geeïndigd en in het kasteel alles stil geworden, verzocht en verkreeg zij met nog een vertrouwelinge, bij den prelaat gehoor.

^Genadige Heer en hoogwaardigste Vader,quot; sprak zij, na den zegen te hebben ontvangen, gt;het zal ons ten hoogste leed doen, als wij uw heilig gezelschap binnen deze muren moeten verliezen) hoezeer wij ons ook verheugen, wijl de poorten van het schoone York zich weder zullen openen om u te ontvangen. Mijn echtgenoot de edele Than, heeft zich in alle gevaren als een trouw dienaar van uwe gerechtige zaak betoond, nooit door uitvlucht of onbescheidenheid den heiligen naam van »vriendquot; bevlekt. Hij bestond het, voor het altaar te strijden juist in den tijd toen de troon van ons Northumbrië overweldigd en omringd was door woeste, onmenschelijke vervolgers. Nimmer heeft hij bij dezen verdedigingsstrijd zijn eigen voordeel gezocht, maar altijd en alleen de goedkeuring zijn gewetens en de glorie der Kerk. Is het daarom goed gehandeld, hem een zoon uit de armen te rukken, in wien hij al zijn eigenschappen van geest en hart vereenigd ziet? Wij hebben wel is waar nog een kind, onzen eerstgeborene en beminnen hem met innige liefde, maar wij zijn niet, evenals zoovele ouders, blind voor het onderscheid dat God tusschen onze kinderen laat bestaan. Wij hadden nog een derden zoon, die Edwin, wat geestesgaven betreft, nabij kwam, maar hij heeft ons verlaten, om de plaats in te nemen, die voor hem was onder de koren der engelen. Wij treuren er niet om, dat hij nu zijn God dient in eindeloos gejubel en met eeuwige liefde; van hem, ons laatste dierbaar kind hebben wij afstand gedaan. Maar hoor mij nu ook aan, genadige, hoogwaardige bisschop! — God verlangt slechts een mijner kinderen als offerande. Geef mij daarom Edwin

ocr page 283

terug, die aanvankelijk daartoe bestemd werd, toen hij nog twee Keve broeders had. Hij is nog niet gewijd, hij heeft slechts de voorbereidende, mindere wijdingen ontvangen en deze zijn niet bindend. De dood van Egbert heeft ons den wil Gods duidelijk gemaakt. Edwin behoort aan Britannië en aan mij 1quot;

»Mijn dochter,quot; antwoordde de birschop met zijne gewone zachtheid, »heeft geen hemelsche vreugde uw hart vervuld, toen dit onschuldige en teedere kind voor de eerste maal aan mijne voeten knielde, om als ostiarius i) der kerk de massieve sleutels van het portaal, van de sacristy en van de schatkamer te ontvangen, toen wij hem vermaanden, zijn ambt getrouw te vervullen, opdat niemand bij vergissing of opzettelijk zou binnendringen, in het heiligdom dat aan zijne bewaking werd toevertrouwd. «Handel nu zoo,quot; zeiden wij tot hem, idat gij aan God rekenschap kunt geven, van hetgeen uw ambt u oplegt.quot; Daarna volgde zijn bevordering tot lector 2) in de kerk Gods; als zoodanig moest hij de lessen van het Oude en het Nieuwe Testament bij de godsdienstoefeningen luidop voorlezen, en de onwetenden onderrichten in de eerste beginselen van onze godsdienstleer. Daartoe gaf ik hem een leerboek en vermaande hem tot de strengste getrouwheid, opdat hij met vrucht voor zijne ziel het ambt van lector mocht uitoefenen. Dit heeft hij dan ook door Gods genade met heilige vreeze en nauwgezetheid gedaan. Zijt gij vervolgens niet met groote vreugde naar York teruggekeerd en hebt gij uwen zoon niet met des te grooter moederlijke teederheid omhelsd, toen gij hem bekleed zaagt met de macht van het Exorcismus? 3) Ik gaf hem het boek der Exorcismen in handen met het bevel, het aan te nemen en de macht te ontvangen, zijn handen op te leggen aar. hen, die bezeten zijn. Was de macht Gods niet verborgen in die reine handen, toen zij dien waanzinnigen lijfeigene van Abences-ter werden opgelegd, en de duivel op de vlucht sloeg, zoodat de man God verheerlijkte, in plaats van hem te lasteren? En toen

I) Deurwachter. — 2) Lezer — 3) Duivelbezwering.

ocr page 284

wij later onze toevlucht zochten binnen deze muren, werd gij toen met onzen droeviger; toestand niet verzoend, door de vreugde, dat gij uwen Edwin niet alleen terug mocht ontvangen in uwe woning en in uw a'men, maar dat gij in uwe slotkapel er ook getuige van mocht zijn, hoe wij hem den vierden graad verleenden, dien van acolylh? i) Toen ontving hij ait mijn hand de waskaars en de ampullen voor het water en de wijn met het bevel deze te gebruiken bij het heilig Offer onzer altaren. De mindere orden zijn hem dus reeds toegediend. Het is waar, zij hebben hem niet gebonden; het staat hem volgens het kerkelijk recht nog altijd vrij, terug te treden of verder te gaan. Het Subdiaconaat, dat hem te wachten staat, is, zooals gij terecht hebt opgemerkt, de eerste heilige Wijding, die hem aan de Kerk verbindt; maar mag een Christelijke moeder zoo spreken? Waar zijn de dagen van uw geloof? Waar is het martelaarschap van uw offer f — waar is uw brandoffer? Meent gij dat men God kan bedriegen door uitvluchten?! Hebt gij geen afstand gedaan van uwen zoon? Heeft de Goedheid Gods u niet reeds in dit leven overvloedig vergolden wat gij slechts kondt verwachten in het eeuwigheid? En indien deze buitengewone genade verworpen wordt, zoudt gij dan mcenen, dat God evenals tot nu toe ook de gewone genaden zal blijven verleenen, die Hij vroeger alleen schonk en waarvan gij destijds alleen rekenschap hadt af te leggen? Neen, mijne dochter! Hoor, en sidder bij deze vreeselijke waarheid! Wie de buitengewone gaven Gods verwerpt, verliest ook de gewone! De geest van zoo iemand is verduisterd en zijn hart ten prooi aan allerlei onstandvastige en ijdele gevoelens. Tevergeefs hoopt hij de zegening van vroeger te blijven genieten ; hij bemerkt en gevoelt ze bijna niet meer. Hij gaat achteruit op den weg der zaligheid, O! verschrikkelijk zal de angst zijn der ontrouwe zielen, die een dam hebben opgeworpen tegen Zijne verdere genaden — zij zelf worden maar al te dikwijls de strafwerktuigen in de wrekende handen van den rechtvaardigen God.

I) Lichtdrager.

ocr page 285

— 256 —

»Zoo spreekt de bedienaar der Kerk. Hoor nu de stem van den landgenoot, die u smeekt, de bijna uitgedoofde asch van tweedracht tusschen Britten en Saksen niet op nieuw te doen ontvlammen. Sedert eeuwen hebben nu reeds de inlanders en de vreemde kolonisten met elkander vreedzaam huwelijken gesloten en in de beste verstandhouding geleefd. Hoe is het dan toch mogelijk, dat gij u inbeeldt, het onkruid te kunnen verwijderen zonder ook de tarwe uit te rukken! Gij hebt in uw eigen familie een afbeelding van geheel het land — kinderen, die stammen uit inlandsche ouders, kinderen ook van de veroveraars van onzen vadergrond en toch beide deelende in dezelfde rechten. Wat kunt gij meer verlangen?quot;

»Gij spreekt van de angelsaksische provinciën, hoogwaardige heer,quot; antwoordde Eidwella. gt;Daar zijn zulke gemengde familiën voorzeker geen zeldzaamheid; maar daarboven in het Westen hebben de Britten zich onvermengd weten te bewaren. Nooit zijn zij overwonnen geworden en nooit zal men hen overwinnen; dat is hun edelste roem!quot;

»Het zij zoo,quot; sprak de bisschop. »Wij willen onze broeders in het Westen ook niet door verderen strijd overwinnen — mnar door de vreedzame banden eener wederzijdsche liefde; ik vrees echter, dat zij, door vreemde hulp te zoeken, over zich zeiven even goed als over ons een stroom van vreeselijke rampen zullen uitstorten. Meent gij dan, dat de Denen zullen landen, om het verlangen der Britten te vervullen, en dan weer vreedzaam onze kusten te verlaten? Hun woeste zeerooverijen hebben tot nog toe weinig hoop daarop gegeven — en uwe licht is het, dochter, juist wijl gij uit Britschen bloede stamt, uw stem tegen zulke verderfelijke verbonden te verheffen, alle ijverzucht te breidelen bij hen, aan wie de vadergrond toebehoort en iederen stam met aandrang te smeeken, dat hij iets van zijne rechten ten offer brenge, om den vrede en de kracht terug te schenken aan dit door onrust en tweedracht zoo diep geschokte land. O, het is een verschrikkelijk bedrijf, de sluizen der verwoesting te openen, en een

ocr page 286

kind, vol van heilige gedachten, toegewijd aan God, af tfe trekken van het altaar, om het te maken tot het werktuig van deze ellende!quot;

Eidwella knielde neder en sprak: sGeef mij uwen zegen, hoogwaardige Heer en vader 1 en gedenk mij in uwe gebeden; want mijn hart is zeer geschokt en mijn geest verward. Hoelang heb ik niet gehoopt, het vaandel van mijn volk hoog te zien wapperen! Maar God verhoede, dat ik daartoe zou medewerken door de verwoesting van mijn land! Zoo moet ik dan op eenmaal het verledene en de toekomst ten offer brengen? Vergeten dat ik een dochter ben der Britten? — de laatste van een koninklijk ge» slacht? — afstand doen van een Britschen zoon? Daarover moet ik nog verder nadenken 1 Intusschen, Hoogwaardige Heer, is Edwin uw eigendom. God moge mij kracht geven !

SWSc Jfoop^tu-d.

Men kan zich de sterk gebouwde burchten der oude Angelsaksen niet voorstellen zonder kerk, die door haar kunstvolle heerlijke bouworde de andere gedeelten van het kasteel vele eeuwen scheen vóór te zijn. Dit was het noodzakelijk gevolg van het geloof, dat in de levenswijze onzer voorvaderen een zelfverloochening deed heerschen, die men strengheid had kunnen noemen, die hen aanzette, alles aan den dienst van God toe te wijden wat de innigheid des harten en de kracht van den geest vermochten te geven. Zag men in de vertrekken der slotbewoners jaar in jaar uit niets dan de uitgehouwen steen en de eikenhouten vloer — de kerk had wanden van allerfijnsten Moorschen arbeid en een dak van looden platen, terwijl glas, van het vasteland aangevoerd, de plaats innam der houten tralies en linnen voorhangels, die men nog steeds zelfs in de pronkzalen van het kasteel aantrof. Ook door afzonderlijke familiën werden in die dagen de kerkelijk» Getijden gebeden, en op het kasteel van den NortJiiMwbrischen D. z. H. s. 17

ocr page 287

Than luidde de groote klok tusschen middernacht en het aanbreken van den dag voor de plechtigheid der Metten en Lauden, die door den slotkapelaan en de familie werden gezongen. In de dagen waarin ons verhaal voorvalt, vormde het getal aanwezigen bijna een volledig kloosterkoor. Dit is duidelijk als men denkt aan het bezoek der beide prelaten met hun geestelijkheid en verder gevolg. Na afloop van deze lange plechtigheid begaven de meeste leden der familie zich weder ter ruste, behalve in de zomermaanden, als men tegen den middag den slaap genoot; thans drong reeds het eerste zonnelicht naar binnen, toen de Lauden geeïndigd quot;waren, en op het kasteel heerschte alom vroolijke bevrijdigheid.

De hooge kerkvoogden waren na afloop der Metten en Lauden in het heiligdom gebleven. Bisschop Wilfried las nu een stille heilige Mis, onder welke eenige leden der familie het Brood des levens ontvingen, en in het gebed verzonken bleven tot het uur der Priem, waarop allen weder te zamen kwamen om tevens een toespraak van den slot-kapelaan bij te wonen. Daarna volgde een korte tusschenpoos waarin de lichamelijke krachten versterkt werden, vervolgens zong men de Terts, vlak voor de pontificale hoogmis, die door den primaat werd opgedragen. Al het landvolk in den omtrek van het kasteel stroomde bij deze laatste plechtigheid te zamen, zoodat de kerk nauwelijks groot genoeg was om de menigte te bevatten. Ook voor deze werd een eenvoudige predikatie gehouden door een geestelijke uit het gevolg der bisschoppen en de godsdienstoefeningen van de eerste uren van den dag werden besloten met het bidden der Sext.

In het slot zooveel als op de omliggende landerijen was alles weer aan den arbeid met hoofd en hand 5 allen hadden de kerk verlaten behalve de geestelijken en Edwin. Lang wachtte de jeugdige knaap aan de deur die toegang gaf tot de vertrekken der gasten. Weldra zou hij de zoo angstig verbeidde gelegenheid vinden, met zijn bisschop te spreken en diens beslissing te vernemen omtrent de eischen eener teergeliefde en eerbiedwaardige moeder. De eerste slapelooze nacht van Edwin's leven was bijzonder pijn-

ocr page 288

lijk geweest. Verschillende reden. en bewijzen, die hem van de lippen zijner moeder waren toegevloeid en daarom aanspraak schenen te maken op een kinderlijken eerbied, had hij moeten verwerpen, andere had hij erkend, en zoo was het groote beginsel, waaruit zijn antwoorden waren voortgekomen in zijn geest wel niet uitgewischt maar toch verduisterd. Doch gedurende de vroege morgenuren was hij in de kapel — vooral onder het heilig Misoffer — weer tot de volle en duidelijke erkentenis gekomen van zijn verheven roeping. Hij gevoelde, dat een genE.de als de roeping tot het Priesterschap door God niet wordt teruggenomen om wille van een hooger goed. Zulk een onttrekking moest veeleer een straf voor ongetrouwheid dan een belooning en een voorteeken van grootere genaden.

In deze overtuiging vond hij steun en sterkte. Met smart bemerkte hij echter, dat bisschop Wilfried hem voorbijging, zonder hem een teeken te geven, om hem te volgen, toch legde de prelaat zegenend zijn hand op Edwin's hoofd, terwijl hij in diepe gedachten den primaat naar diens vertrekken begeleidde. Daar had tusschen de beide prinsen der Kerk een lang en gewichtig onderhoud plaats, het laatste van vele — men sprak over het bisdom van York, over zijn ontzettende uitgestrektheid, over zijn verdeeling onder drie andere bisschoppen door den primaat. Dit laatste was geschied terwijl Wilfried voor de eerste maal zijn bezoek aflegde bij het pauselijk hof te Rome, en de overleden bisschop zijn laatste reis daarheen ondernam, ten einde bij het hoofd der Kerk te appelleeren, tegen een handeling die in zijn oog een willekeurige nachtoverschrijding was van den kant van den aartsbisschop van Canterbury en waarin hij volgens zijne meening niet kon berusten, zonder de rust en den vrede der onderhoorige bisdommen voor de toekomst in gevaar te brengen. Maar de stormachtige jaren van strijd waren nu eindelijk voorbij! Jaren van steeds heviger vervolging, van steeds grooteren kommer hadden den afgezetten en diep gekrenkten Wilfried door heel het land van de eene plaats naar de andere gedreven; twintig jaren lang

ocr page 289

.— 200

was hij verbannen geweest, en eerst op den avond van zijn leven werd de grijsaard deelachtig aan den stillen vrede om dien niet meer te verliezen voor zijn dood.

Het was voor Edwin bij het begin van zijn heiligen loopbaan een voorrecht geweest, door innige en heilige banden vereenigd te zijn met hem die het voorwerp was van de bijna algemeene afkeuring. Hij had persoonlijk ondervonden, hoe een heilige miskend en veroordeeld werd door degenen, die wat zuiverheid van meening en heiligheid van leven betreft, zijn gelijken, wat waardigheid en wereldsche macht aangaat, zijne meerdere waren. Hij had het zeldzame voorrecht genoten in vertrouwelijken omgang te mogen leven met een geest en een hart, dat geen ander doel kende, dan de meerdere glorie van God — dat met kinderlijk geloof op Hem vertrouwde, en Hem des te meer liefhad, naarmate de uitwendige omstandigheden zich des te dreigender .te zamen drongen om hem als een verpletterende menigte van getuigen aan te klagen van dweepzucht, trots, onstandvastigheid en wederspannigheid. Daaruit nu leerde Edwin, met welk een behoedzaamheid men over een duistere zaak moet oordeelen en spreken; en eveneens maakte hij zich vertrouwd met de geheimzinnige waarheid, dat het louterings-proces van heilige zielen, volgens de beschikking Gods, dikwijls zeer zwaar is, ja afschrik wekt bij de zwakken. Later, toen de aartsbisschoppen van Canterbury en York aan God hun rekenschap reeds hadden afgelegd, en de vrede aan de angelsaksische Kerk was teruggeschonken, gevoelde Edwin zijn vroegere warme liefde voor zijn gestorven bisschop in zich herleven. En geen wonder! Na het gewone langdurige onderzoek en rijp beraad had de heilige Stoel de canonisatie of heiligverklaring van Wilfried den grooten belijder uitgesproken. En niets, niets hoorde Edwin nu van den geleerden, scherpzinnigen en altijd gelukkigen Theodoras van Canterbury. gt;Hoe is dit mogelijk?quot; dacht hij bij zich zeiven, »Was de overledene primaat dan niet een man van voorbeeldigen levenswandel, van onverdachte rechtschapenheid een priester van voortreffelijke deugd? Ja, dat alles was hij en

ocr page 290

meer nog. Maar om tot de heiligverklaring te kunnen overgaan^ moet men bewijzen hebben van een heldhaftig en deugd, en hoe kan een heldhaftigen deugd beoefend worden in een leven van louter geluk en voorspoed?quot;

Onderlusschen leerde Edwin dat ook dit mogelijk is door Gods almachtige genade. Ook wie uitwendig altijd gelukkig schijnt kan in het verborgen den smaad en de smart deelen van zijn Verlosser, kan den kelk des lijdens drinken, zonder dat een men-schelijke blik het bespeurt! Er zijn er die voor het oog der wereld hun woontent hebben opgeslagen op den Thabor, maar die woon. tent uit eigen keuze overbrengen naar Calvarië — en dat dit het geval moest zijn geweest bij den heiligen Theodoras van Canterbury, wilde Edwin gaarne erkennen, toen hij het hoorde bevestigen door den mond der onfeilbare Kerk.

Wij zijn de gebeurtenissen vooruitgeloopen — wij moeten weder terugkeeren tot de twee heilige kerkvoogden, die beiden bij het stijgen hunner jaren veel toegaven, van hetgeen zij met zooveel strijd hadden trachten te veroveren. Bisschop Wilfried, thans aaits-bisschop van York, was uit Rome teruggekeerd met een uitspraak des Pausen, welke hij in zooverre gunstig kon noemen, als zij hem weder in het bezit stelde van het diocees van Northumbrië, dat men hem ontroofd had; echter werd ook de gedragslijn van den primaat goedgekeurd, en Wilfiied ontving bevel om in vereeniging met de overige bisschoppen een b.piald nantal prelaten uit zijn geestelijkheid te benoemen en met hen gemeenschappelijk dit uitgebreide bisdom te besturen.

Zijn verbanning uit Northumbrië op bevel des konings had slechts opgeheven kunnen worden door de ijverige pogingen van den weder verzoenden primaat, die door zijn invloed op den jeugdigen koning Aldfric het zoover wist te leiden, dat Wildfried niet slechts vrij in het land kon terugkeeren, maar ook zonder eenige inmenging der wereldlijke macht, onmiddellijk in het bezit kon treden van de kathedralen en kerken te York, Ripon, Hexham en Lindistarn en de volle rechtspraak uitoefenen in geheel zijn vorig

ocr page 291

diocees. Wilfried had het pallium ontvangen en bracht dit nu

C

mede uit Rome. Vandaar, dat hij den titel van aartsbisschop voeren en de handelingen verrichten kon, waartoe deze uitgestrekte jurisdictie recht geeft.

De nieuwe aartsbisschop bereidde zich dus voor op zijn vertrek naar York, en Theodorus, de primaat, had er in toegestemd, hem op zijn zegetocht binnen die stad te vergezellen en van zijn gastvrijheid in het aartsbisschoppelijk paleis gebruik te maken. Maar zie! daar kwamen boodschappers, die den laatste om dringende redenen naar zijn zetel te Canterbury terugriepen en hem verzochten, reeds den volgenden dag een lange reis te ondernemen — de laatste die hij op aarde doen zou. Zij voerde hem gedeeltelijk te water langs de Oostelijke kusten, gedeeltelijk over land door het graafschap Kent. In het kasteel waren nu ieders gedachten gericht op de hoofdstad in het Noorden, en niet slechts daar, maar ook door geheel Northumbrië werd snel de mare verbreid van het verdwijnen der oneenigheid tusschen de beide prelaten en van de gunstige gezindheid des konings. Van alle zijden verzamelden zich de wereldgeestelijken en kloosterlingen en de aanzienlijkste familiën, om hun bisschop na rtilk een lange afwezigheid in triomftocht naar zijn zetel te York terug te voeren.

tyiczdc- JfoofS^tu^.

Zoodra Edwin naar York was teruggekeerd, nam hij zijn plaats weder in onder de bewoners van het bisschoppelijk klooster, dat grensde aan de hoofdkerk, en waar de aartsbisschop met zijn kanunniken resideerde. De werkkring van deze laatsten bestond in het houden der godsdienstoefeningen en de opvoeding der jeugd. Hun tijd was regelmatig verdeeld, en zij verrichtten hun arbeid onder de oogen van den aartsbisschop of van den superio», die bij afwezigheid van den prelaat, met diens gezag bekleed was; zij waren onder ieder opzicht kloosterheeren, slechts met dit ééne

ocr page 292

onderscheid, dat zij, de stiftsheeren, de volkomen vrije beschikking behielden over hun persoonlijk eigendom, terwijl de monnikken daarvan afstand deden. Het getal kloosterheeren werd steeds aangevuld door jongelingen, die zij zei ven hadden opgevoed, en door zulken, die uit afkeer van de wereld, in hun heilige gemeenschap wenschten opgenomen te worden. De laatsten moesten daartoe echter een zeer langen en strengen proeftijd ondergaan.

In dat gezegend oord had de jeugdige Edwin met vele anderen van zijn stand en leeftijd een voortreffelijk onderricht ontvangen in de grondbeginselen der klassieke letterkunde en der godgeleerde wetenschap, en deze voorbereidende studiën zouden weldra door meer ernstige gevolgd worden. In zijn geestelijke leeraars had hij meesters gevonden in de wetenschap en het godvruchtig leven — in zijn studiegenooten onvermoeide mededingers: en Edwin's geesteskrachten, die gedurende zijn verblijf op het slot eenigszins waren ingesluimerd, ontwaakten opnieuw nu hij zich weer bevond op het terrein zijner vroegere gelukkige studiën.

Zoo verliepen er eenige jaren. Edwin's vorderingen hadden de stoutste verwachtingen zijner ouders verwezenlijkt; zijn eerwaardige leeraars zagen hun arbeid beloond door zijn toeleg en onbepaalde gehoorzaamheid, en ten slotte vermaande de aartsbisschop hem, zich voor te bereiden, tot den gewichtigen stap waardoor hij voor altijd het heiligdom zou binnengaan, lot de eerste der heilige wijdingen, hel Subdiaconaat. Onuitsprekelijk was de vreugde, waarmede Edwin deze tijding vernam, Edwin, die de kostbare gave zijner roeping tot nog toe met de uiterste zorgvuldigheid bewaard had, en zich op de andere wetenschappen slechts had toegelegd, opdat zij zouden dienen tot grooter sieraad van die eerste en voornaamste wetenschap: de liefde en den dienst van God. Doch wie kan de listige kunstgrepen van den boozen vijand berekenen? Wie kan gebieden over een toestand van ongestoorde rust? De jongeling had een langdurig onderhoud met zijn beminden vader, van alle zijden stroomden hem de gelukwenschen toe zijner geestelijke vrienden, zijn studiegenooten, met hem uitverkoren tot

ocr page 293

— I64 —

het doen van den beslissender! stap, deelden ten volle zijne vreugde. Vol dankbaarheid jegens God zonderde hij zich op zekeren dag af in een eikenboschje aan het einde van den uitgestrekten kloostertuin, om daar in de eenzaamheid na te denken over de toekomstige groote gebeurtenis, die hij van zijn prilste jeugd af met een onverklaarbare vreugde had tegemoet gezien. Maar die vreugde duurde niet lang meer.

Plotseling overviel hem een verschrikkelijk gevoel — alsof zijn hart met een priem doorstoken werd, een gevoel voor doode-lijken schrik, van afschuw voor zijn toekomst. Zij scheen hem een ondragelijke slavernij. Edwin wierp die gedachten van zich af en drukte het kruisbeeld aan zijn hart en aan zijn lippen. Maar de zielsangst keerde terug — hij wierp zich op de knieën, viel plat ter aarde en begon nu den strijd met het wapen des gebeds. En zie — daar traden voor zijn geest al de beweegredenen, waarmede zijn moeder hem vroeger hajl trachten te winnen voor de zaak harer eigen Britsche bloedverwanten; diezelfde blik harer oogen, diezelfde toon harer stem waardoor zij op zijne ziel zulk een diepen indruk had gemaakt, overweldigden hem met onweerstaanbare kracht; de verwijtingen bestormden hem en een stem fluisterde hem toe: »Nog is het niet te laat!quot;

Hoelang die pijnlijke worsteling geduurd had, wist Edwin zelf niet; de zware kloosterklok luidde voor de Vespers en, zonder aich ten volle bewust te zijn van hetgeen hij deed, sprong hij werktuigelijk op en snelde heen om zijn plaats in te nemen bij de processie in het koor der kathedraal. Zijn geest was verward, aijn hart benauwd — het bonsde. Hij kwam in het portaal, waardoor men over het binnenplein de hoofdkerk bereikte, en daar viel zijn oog op de spreuk, die met gulden letters in de kroonlijst was gegrift; «Mijn zoon, als gij den dienst van God aanvaardt, sta dan in de gerechtigheid en in de vreeze, en houd uwe ziel beleid tot de bekoring. Wee hun, die wankelen. Wee hun, die het geduld hebben verloren.quot; Die woorden drongen door zijn ziel! — En w«er drukte Edwin het kruisbeeld aan zijn hart en

ocr page 294

betrad het koor van dat heilig gebouw, waaruit in den loop der tijden de tegenwoordige, veel heerlijker Munsterkerk ontstaan is, maar dat volgens de meening van de toenmalige bewoners der stad onovertrefbaar was in grootte en schoonheid.

Dien avond werden de eerste Vespers gezongen van den heiligen Joannes den Dooper, met al de plechtigheid, die men aan de nagedachtenis van zulk een grooten heilige verschuldigd is; in een kathedraal, die al het grootsche en voortreffelijke bezat, wat de handen van romeinsche meesters destijds konden scheppen; met uitgelezen stemmen, gevormd door onvermoeide studie, welke op waardige wijze den Gregoriaanschen kerkzang vertolkten. Deze laatste werd gedurende het bestuur van den heiligen Wilfried niet jammerlijk verminkt en achteloos voorgedragen, zooals op vele onzer hedendaagsche zangkoren het geval is, maar met een gloed, een leven, een bevalligheid, waarvan men den weerklank kan opvangen in de Sixtijnsche kapel te Rome, in de hoofdkerken van Regensburg en Munster, in de abdijen der roemwaardige Benedictij nen-orde.

Edwin had zich voorgenomen, door geen enkel uitwendig teeken zijn inwendigen strijd re verraden; en hij zong zijn partij, die, wegens zijn voortreffelijke stem en roerende voordracht steeds gewichtig was, dezen avond met meer bezieling dan ooit. Maar hij had de bekoring slechts ontweken, niet ontwapend; de uitdrukking, waarmede hij zong, was meer het gevolg van gewoonte, dan van oogenblikkelijk gevoel. De heilige, aan wien hij dacht, kwam hem onbereikbaar voor, niet alleen wat navolging, maar ook slechts wat de voorstelling van zijn beeltenis betreft; en met ongeduld en een zekere ontevredenheid sloeg hij bij het einde der Vespers de zware boeken dicht en zocht tevergeefs troost in de stilte van zijn kamer.

De overtuiging, dat men God beleedigd heeft, veroorzaakt in de ziel een soortgelijke angst als de onzekerheid, of men Zijn heiligen Wil volbrengt, in een bepaalde onderneming of door het aanvaarden van een levensstaat, die wellicht niet de volmaakste'

ocr page 295

of bij al hare volmaaktheid, niet voor ons bestemd is — terwijl de onderwerping aan de van Godswege gestelde overheid en de vrede die daaruit moest volgen, verstoord worden door den twijfel, of wij ons zeiven genoegzaam aan onze geestelijke leidslieden hebben geopenbaard. Op zulk een wijze werden ook Edwin's geest en hart verontrust door zijn toestemming in een levensstaat, die lijnrecht in strijd was met een anderen; want nauwelijks had hij daarin rust en vrede gevonden, of die andere levensstaat vertoonde zich aan hem met al zijn bijzondere voordeelen; en daar hij bij zulk een heen en weer slingeren niet wist, welke de Geest Gods en welke die van den Bekoorder was, bracht hij angstige dagen en koortsachtige nachten door. Zelden barsten zulke stormen los boven den sterken en krachtigen geest; maar als zij eenmaal woeden, zijn zij verschrikkelijk I Dan is het de strijd van den wervelwind met de koningen des wouds — dan worden de vast ineengekronkelde wortels en vezelen uit den harden bodem losgescheurd 1

Zoo waren er vele weken en zelfs maanden verloopen; maar onder dien harden inwendigen strijd bleef Edwin bidden en luisteren naar de raa Igevingen van zijn geestelijken vader. Hij verdubbelde zijn geestelijke oefeningen en verstervingen, en bracht al zijn vrije uren zoowel des nachts als des daags door voor het altaar, in vurige aanbidding, in diepe vernedering voor het Allerheiligste. — Eindelijk berustte hij in de gedachte, dat deze toestand een beproeving Gods was, om hem te vernederen en te reinigen van alle eigenliefde en menschelijk opzicht. In deze laatste gemoedsgesteltenis, van ootmoedige onderwerping aan Gods H. beschikking, en waarin al de krachten en neigingen zijner ziel onderdrukt en onder het gewicht van een vreeselijke smart bijna verpletterd waren, vond zijn verlangen naar meer geloof, meer hoop, meer liefde en — als het mogelijk was — naar meer lijden, verhooring bij God. De bekoring, om tot een denkbeeldig welzijn van anderen een minder volmaakten staat te kiezen, dan die hem door God werd aangewezen, ging voorbij en daarmede ook de

ocr page 296

opgewonden en gejaagde zielstoestand, die zelf het grootste bewijs is voor het leugenachtige der verbeeldingen waardoor hij in het leven wordt geroepen.

En thans steeg van het altaar zijns harten een schitterende en vaste vlam omhoog; zij verspreidde licht en warmte over al de plichten, die hij nog te vervullen had voor zijn wijding ah Subdiaken op het aanstaande Pinksterfeest. Als onmiddellijke voorbereiding tot deze gebeurtenis trok Edwin zich terug in een nog grootere afzondering. Geen andere plichten kende hij nu dan stilzwijgendheid, geestelijke oefeningen, gebed, overweging, onderzoek des gewetens, gevolgd door een algemeene biecht over geheel het voorgaande leven en het aanhooren van toepasselijke vermaningen en onderrichtingen, hem gegeven door een bejaard en heilig geestelijke van het bisschoppelijke klooster.

Na het ontvangen van het heilig Subdiaconaat had Edwin de volgende verplichtingen; dagelijks moest hij het Breviergebed bidden en meermalen den diaken assisteeren bij het heilig Offer der Mis; na de Communie des priesters den kelk reinigen en dien met het Corporale wegdragen; onder de hoogmis het Epistel zingen of lezen. Na gedurende een jaar deze kerkelijke diensten te hebben verricht, werd hij toegelaten tot de volgende heilige wijding, die van diaken; en hoe meer hij het heilig Priesterschap naderde, des te gewichtiger en verhevener werden zijne verplichtingen. Hij mocht nu het aanbiddelijk offer van meer nabij naderen, het brood en den wijn bereiden en bij het opdragen der Offerande assisteeren. Hij zong of las het Evangelie en verklaarde het op iederen Zonen feestdag aan het volk. Hij diende het Sacrament des Doopsels toe, en mocht zelfs in gevallen van dringende noodzakelijkheid met bijzondere volmacht de heilige Communie uitreiken; ook begon hij nu het teeken te dragen der macht: de siola; om echter te toonen, dat die macht in den diaken nog onvolkomen is, droeg hij haar slechts over één schouder onder den anderen arm door.

Twee jaren lang bleef Edwin diaken. De bewonderenswaardige kracht om de gevoelens van anderen op te wekken en daarover

ocr page 297

— 268 —

te gebieden, welke tot nog toe in den jongeling gesluimerd had', ontwikkelde zich gedurende dien tijd machtig, en men zag in hem voor de toekomst den eersten redenaar van zijn tijd.

Toen Edwin's hoogwaardige bisschop en zijn geestelijke overheid bespeurden, op welk een uitstekende wijze hun leerling de eer van God en het heil der zielen nastreefde, moedigden zij hem krachtig aan om met de hoogst mogelijke volmaaktheid de kroon te zetten op het heilige werk van zoovele jaren. Edwin werd verheven tot de priesterlijke waardigheid; gedurende de maanden die deze hooge verheffing onmiddelijk voorafgingen, mocht hij zich onttrekken aan allen verstrooienden arbeid, en wijdde hij zijn uren geheel en al aan godvruchtige oefeningen en overweging.

tyijjdc Itoojdstufi.

Eindelijk brak de morgen aan waarop onze held door de oplegging der handen met een bovenaardsche macht zou worden bekleed als priester van Gods Kerk.

Edwin's nederigheid schrok terug voor zulk een hooge verheffing, en terwijl een vurige liefde hem bezielde voor de priesterlijke waardigheid hield van den anderen kant een heilige vreeze hem terug, en hij verzocht den aartsbisschop, in den onderschikten rang van diaken te mogen blijven. Zijn verzoek werd echter afgewezen. De heilige Wilfried kende te goed het hart van zijn geestelijken zoon, dat voor hem van diens prilste jeugd af als een heldere spiegel was geweest, en Edwin ontving bevel, krachtens de heilige gehoorzaamheid de hoogste rechten van lijn stand te aanvaarden.

Al de geestelijken der stad en de candidaten voor het heilig Priesterschap waren vereenigd op het hooge koor der kathedraal van York, terwijl een dichte volksmenigte het schip vulde. De aartsdiaken trad nu vooruit en sprak: »Dat zij, die tot de priesterlijke waardigheid zullen verheven worden, naderen!quot; De wijdelin-

ocr page 298

gen werden daarop door den notarius bij hunne namen afgeroepen en ieder hunner antwoordde afzonderlijk; »lk ben er.quot; Met het kasuifel over den linker arm, een wit linnen doek in de linkerhand en in de rechter een brandende kaars traden zij voor den bisschop. De aartsdiaken stelde hen aan den kerkvoogd voor met de woorden; »Hoogwaardigste vader, onze heilige moeder, de katholieke Kerk verzoekt u, dat gij de diakens, hier tegenwoordig, tot de priesterlijke waardigheid zult verheffen.quot;

De bisschop zeide; gt;Weet gij, dat zij het waardig zijn?quot; En de aartsdiaken antwoordde: «Voor zooverre de menschelijke zwakheid dit veroorlooft, weet en betuig ik, dat zij den last van dit ambt waardig zijn.quot; De bisschop hervatte: »God zij dank!quot;

Zijne doorluchtige Hoogwaardigheid wendde zich nu tot de geestelijkheid en het volk en kondigde hun zijn voornemen aan, de diakens, die daar voor hem nederknielden, tot priesters te wijden, zeggende: gt;Zeer geliefde broeders! Daar de stuurman van een schip en al de overige schepelingen in dezelfde omstandigheden verkeeren, voor zooverre zij evenveel reden hebben, om een behouden overtocht te hopen of den schipbreuk te vreezen, behoort hun gevoelen eenstemmig te zijn, wijl hun lot hetzelfde is. Daarom dan ook hebben de vaders bevolen, dat, bij de uitverkiezing van diegenen, welke tot den dienst des altaars bestemd worden, ook het volk worde geraadpleegd. Want indien ook al hun leven en .wandel aan de meesten onbekend is, licht zijn enkel daaromtrent onderricht; het is ook ontwijfelbaar zeker, dat ieder liever gehoorzaamheid bewijst aan een priester, tot wiens wijding men zelf zijn toestemming heeft geschonken. Wel is de levenswandel nu van deze diakens, die tot priester zullen gewijd worden, althans naar mijn oordeel, voorbeeldig en heilig, en verdient, zooals het mij voorkomt, dat zij een hooger eereambt deelachtig worden, maar opdat niet een, of misschien meerderen, door onbedachtzaamheid of hartstocht gedreven, tot een verkeerde keuze of door hun genegenheid zich laten misleiden, moet de meening worden gevraagd van geheel de menigte. Verklaart dan onbeschroomd, wat gij ook

ocr page 299

van hun handelingen of levenswandel weten moogt, wat gij van hun bevoegdheid denkt, en weegt uw getuigenis voor het priesterschap meer af naar hunne verdienste dan naar een of andere genegenheid. Indien dus iemand iets tegen hen heeft, hij trede met vrijmoedigheid vooruit en spreke tot meerdere eer van God en om Gods wille; echter moge hij acht geven op zijne woorden.quot;

Hier hield de bisschop eenige oogenblikken stil; daarna ging hij voort: .Zeer geliefde zonen, die tot de wijding van het priesquot; terschap wordt toegelaten, streeft er naar met alle krachten, die bediening waardig te aanvaarden en loffelijk te vervullen. Een priester moet offeren, zegenen, bestieren, prediken en doopen. Waarlijk, met groote vreeze moet men deze bediening aanvaarden; daartoe moet een hemelsche wijsheid, zuivere zeden en een langdurige beoefening der gerechtigheid ons voorbereiden en geschikt maken Vandaar dat de Heer, toen Hij aan Mozes beval, uit geheel Israel zeventig mannen te kiezen als zijn medehelpers die Hij met de gaven des H. Geestes zou verreiken, er bijvoegde: mannen, van wie gij weet, dat hun levenswandel beproefd is in Israël. Gij vindt naar waarheid uw afbeeldsel in die zeventig mannen en ouderlingen, indien gij door de kracht van den zeven-voudigen Geest, de wet der tien geboden onderhoudt en zuiver zyt van zeden, ja rijp in kennis en goede werken. Met diezelfde zinnebeeldige beteekenis koos ook de Heer in het Nieuwe Testament de twee en zeventig, en zond hen twee aan twee voor zijn aanschyn uit ter prediking _ om door woord en daad te leeren dat de bedienaren van Zijn Kerk volmaakt moeten zijn in geloof en deugden, gegrondvest in de tweevoudige liefde tot God en den naaste. Gedraagt u derhalve zoo dat gij door de genade Gods waardig zijt. te worden uitverkoren als medehelpers van Mozes en de twaalf apostelen, namelijk de katholieke bisschoppen, die door Mozes en de apostelen worden voorgesteld. Gewis in deze wonderbare verscheidenheid vindt de heilige Kerk haar bevestiging, haren uister en haar bestier; want in haar worden mannen gewijd van verschillende rangen - eenigen tot Opperpriesters, anderen tot

ocr page 300

priesters, weer anderen tot diakens en subdiakens; en uit zoovele en zoo verschillende ledematen ontstaat het ééne T,ichaar.'i van Christus. Welnu dan, zeer geliefde zonen, die door de keus onzer broeders tot onze medearbeiders zijt geroepen, bewaart in uwen levenswandel de volmaaktheid van een kuisch en heilig leven. Bedenkt, wat gij zult moeten verrichten; volgt na, hetgeen door uw bediening volbracht zal worden; gelijk gij namelijk de gehei_ men van 's Heeren lijden zult voortzetten, zoo moet gij ook uw lichaam doen sterven aan de zonde en begeerlijkheid. Uw onderricht zij een geestelijk geneesmiddel voor het volk Gods; de geur uws levens zij de verkwikking van Christus' Kerk; zóó moogt gij door woord en voorbeeld het huis van God, dat is, zijne kinderen, stichten. Dan zullen wij om uwe wijding, en gij wegens het aanvaarden van een zoo gewichtig ambt, niet de veroordeeling des Heeren te vreezen hebben, maar veeleer zalige vergelding van Hem mogen verwachten. Hetgeen Hij zelf ons door zijne genade verleene. Amen.quot;

Daarna stond de bisschop op, en legde zijn beide handen op het hoofd van Edwin en van de andere wijdelingen. Hetzelfde verrichtten al de aanwezige priesters. Terwijl nu de bisschop en de priesters hun rechterhand over de wijdelingen hielden uitgestrekt, sprak de eerste het volgende:

«Zeer geliefde broeders 1 Laten wij God, den almachtigen Vader bidden, dat Hij over deze Zijne dienaren, die Hij tot de waardigheid van Zijn priesters heeft uitverkoren. Zijn hemelsche gaven rijkelijk uitstorte: en dat zij, door Zijnen bijstand de genade mogen verwerven der bediening, tot welke Hij zich gewaardigt hen te verheffen. Door Christus onzen Heer. Amen.''

Laat ons bidden. — iBuigt de knieën.quot; Antwoord; »Staatop.quot;

»Verhoor ons, bidden wij U, Heer onze God, en stort over deze uwe dienaren uit den zegen f des heiligen Geestes en de kracht der priesterlijke genade, opdat zij, die wij thans als wijdelingen voor uw heilig aanschijn voeren, voortdurend den overvloed uwer gunsten mogen genieten. Door onzen Heer Jesus Christus,

ocr page 301

die met u leeft en regeert in de eenheid des heiligen Geestes van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.quot;

»De Heer zij met u.quot;

Antw. sEn met uwen geest.quot;

»De harten omhoog.quot;

Antw. gt;Wij hebben die verheven tot den Heer.quot;

»Laten wij den Heer onzen God danken.quot;

Antw. gt;Het is billijk en rechtvaardig.quot;

gt;Ja, het is waarlijk billijk en rechtvaardig, plichtmatig en heilzaam, dat wij ten allen tijde en overal u danken, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God — oorsprong van alle verheffing en uitdeeler aller waardigheden; door wien alles toeneemt, alles gevestigd wordt, terwijl Gij in een volmaakte orde de menschelijke natuur immer tot hoogere werking opvoedt. Vandaar de rangen der priesters en de bediening der Levieten, met de geheimvolle beteekenis hunner instelling; want, terwijl Gij tot het bestier der volkeren Opperpriesters hadt aangesteld, wildet Gij ook tot hunne hulp en ondersteuning mannen van mindere waardigheid, en van een ondergeschikte priesterorde uitkiezen. Zoo hebt Gij ook inde woestijn den geest van Mozes in de zeventig ouderlingen vermenigvuldigd, door wier ondersteuning hij lichtelijk het bestuur over een ontelbare volksmenigte voeren kon; zoo hebt Gij ook de volheid van Aarons geest op zijne zonen Eleazar en Ithamar overgebracht, opdat het aantal der priesters genoegzaam mocht wezen tot de offeranden en de menigvuldige viering der geheimen. Met dezelfde Voorzienigheid, o Heer, hebt Gij aan de Apostelen van Uwen Zoon medeleeraars des geloofs willen toevoegen, om door hen geholpen, over de gansche aarde het woord der prediking te verkondigen. Daarom bidden wij U, Heer, dat Gij ook onze zwakheid dezelfde hulp verleent; immers, hoe zwakker wij zijn, des te grootere behoefte hebben wij aan bijstand. Geef, bidden wij, almachtige Vader aan deze uwe dienaars de waardigheid des pries-terdoms. vernieuw hun gemoed door den Geest van heiligheid, opdat zij van U, o God, een ondergeschikt gezag ontvangen en

ocr page 302

door hunnen levenswandel aan een ieder tot onberispelijke voorbeelden verstrekken. Doe hen ijverige medewerkers wezen van ons, bisschoppen; dat de volmaaktheid aller deugden in hen uit-schittere, opdat zij een roemvolle rekenschap van hunne thans verkregen macht afleggen, en de belooning der eeuwige Zaligheid ontvangen mogen. Door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer Uwen Zoon, die met U leeft en heerschtquot; enz.

Nu trok de bisschop de stool van iederen wijdeling over diens rechterschouder, voegde haar kruiselings op de borst te zamen, en sprak; »Neem het juk des Heeren op; want Zijn juk in zoet, en Zijn last is licht.quot;

Daarna bekleedde hij hen met het kasuifel, dat intusschen aan de achterzijde opgehouden bleef, terwijl hij zeide: »Ontvang het priesterlijk gewaad, waardoor de liefde wordt afgebeeld; want God is machtig om in u de liefde en alle goede werken te vermeerderen.quot;

Antw. »God zij dank!quot;

Nu stond de bisschop van zijn zetel op, nadat hem de mijter was afgenomen en ging voort:

»0 God, bewerker van alle heiliging, van wien de ware wijding en volheid der zegening uitgaat, stort ook de gaven Uwer zeige-ning over deze uwe dienaars welke wij tot de waardigheid des priesterdoms doen opklimmen. Door den ernst van hun wandel en de zuiverheid hunner zeden mogen zij doen blijken, dat zij Ouderlingen zijn, naar de voorschriften door Paulus en Titus en Timotheus gegeven; opdat zij, door nacht en dag Uwe wet te overwegen, gelooven, wat zij vernamen; leeren, wat zij geloofden; navolgen, wat zij leerden; dat zij rechtvaardigheid, volharding, barmhartigheid, sterkte en alle deugden beoefenen, door hun voorbeeld onderwijzen, door hunne leering versterken; mogen zij de gaaf hunner bediening zuiver en ongeschonden bewaren, tot zaligheid van uw volk het Brood en de Wijn door een reinen zegen, in het Lichaam en Bloed Uws Zoons veranderen door een onoverwinnelijke liefde met een zuiver geweten, een waarachtig geloof, vol van den heiligen Geest, op den dag van Gods rechtvaardig-D. z. H. s. is

ocr page 303

heid en eeuwig oordeel, verrijzen tot den staat van volkomenheid, volgens de volheid van Christus' wasdom. Door denzelfden Jesus Christus, Uwen Zoon, die met u leeft en heerschl, in de eenheid van denzelfden heiligen Geest,. God in alle eeuwigheid. Amen.

Thans knielde de bisschop voor het altaar neder, en begon den lofzang Veni Creator, welke door het koor ten einde toe gezongen werd;

1. Kom, Schepper, Heilige Geest, bezoek de harten uwer geloovigen.

Vervul met hemelsche genade, de zielen die Gij geschapen hebt.

2. Gij zijt de Vertrooster, de gave van den allerhoogsten God.

De levendmakende bron, het vuur, de liefde en de geestelijke zalving.

3. Gij zijt zevenvoudig in Uwe gaven. Gij, de vinger van 's Vaders rechterhand.

Gij, de Beloofde des Vaders, die de tongen verrijkt door menigvuldigheid van talen.

4. Ontsteek het licht in onze geesten, stort Uwe liefde in onze harten.

Versterk met voortdurende kracht de zwakheid van ons lichaam.

5. Verdrijf den vijand verre, schenk ons ook den vrede.

Opdat wij, door U geleid, al wat schaadt op den weg des

levens vermijden.

6. Geef, dat wij door U den Vader mogen kennen en eveneens den Zoon.

En aan U, den Geest van beiden, ten allen tijde gelooven.

7. Aan God den Vader zij eere, en aan Zijn eenigen Zoon.

Met den Geest, den Vertrooster, nu en door alle eeuwigheid.

Amen. (Ofwel in den Paaschtijd: Aan God den Vader zij eere, en aan den Zoon, die van de dooden is verrezen, en aan den Vertrooster, in dc eeuwen der eeuwen. Amen.)

Daarna nam de bisschop weder plaits op het faldisiorium, ontdeed zich van zijne handschoenen en stak den bisschopsring aan zijn vinger. Achtereenvolgens kwamen nu de wijdelingen voor

ocr page 304

~ 275 —

hem nederknielen met de handen te zamen gevouwen. Eerst zalfde hij de vingers, die de Goddelijke Geheimen zouden aanraken, daarna de geheele binnenzijden der handen, en sprak daarbij; iWil, o Heer, deze handen wijden en heiligen door deze zalving en onzen zefgen.quot; Antw. »Amen.quot;

Dan maakte de bisschop over de handen van iederen wijdeling het teeken des kruizes er. ging voort met zijn gebed: «Opdat al, wat zij zegenen, ook gezegend worde, al, wat zij wijden, ook gewijd en geheiligd worde, in den naam van onzen Heer Jesus Christus.quot; Antw. »Amen.quot;

Daarna sloot de bisschop hun handen en werden deze door een der assistenten met een linnen band te zamen gebonden. Vervolgens gaf hij aan ieder den kelk met wijn en water en de pateen met een ongeconsacreerde hostie. Terwijl zij deze, ieder op hun beurt met de middelste- en wijsvingers tegelijk aanraakten, zeide hij: »Ontvang de macht, om de offerande aan God op te dragen en de H. Mis te lezen voor levenden en voor dooden. In den naam des Heeren.quot; Antw. »Amen.quot;

Nu wiesch de bisschop zich de handen en keerde naar zijn troon terug. Ook de priesters verwijderden zich en wiesschen hunne handen, terwijl de bisschop de heilige Mis voortzette met het vers: »Verhef, o Heer, Uwe macht, en kom, om ons heilig te maken.quot;

Daarop werd het Evangelie gezongen van den heiligen Lucas, het derde hoofdstuk, waarin gehandeld wordt over de zen iing van den heiligen Joannes den Dooper:

»Onder het bestuur der hoogepriesters Annas en Caiphas kwam het woord des Heeren tot Joannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn. En hij trad op in den geheelen omtrek ,-an den Jordaan, en predikte het Doopsel der boetvaardigheid tot v( rgitfenis der zonden: zooals geschreven staat in het boek der voorspellingen van Isaïas den profeet: »De stem des roependen in de uoestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijne voetpaden recht. Ieder dal zal gevuld, iedere berg en heuvel geslecht worden: wat krom

ocr page 305

is, zal recht, wat oneffen is, zal effen worden. En alle vleesch zal het heil Gods zien.quot;

Hierna werd de geloofsbelijdenis van Nicea gezongen, en gevolgd door het Offertorium uit de profetie van Zacharias. »Verheug u zeer, dochter van Sion; roep luide, dochter van Jerusalem; zie, uw heilige Koning en Verlosser komt.quot;

Na het Offertorium keerde de bisschop naar het altaar terug, nam plaats op het faldislorium, en ontving van ieder der nieuw-gewijden hun offer, namelijk een brandende kaars. Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid zette daarna het heilig offer voort, terwijl de priesters met hem medelazen en de consecratie verrichtten. Na de laatste strophe van het Agnus Dei, beklom de oudste der nieuwgewijde priesters de trappen van het altaar, trad aan de rechterzijde des bisschops en ontving van dezen den vredekus, die vervolgens door allen aan elkander werd overgebracht met den wederzijdschen groet: »Vrede zij u — en met uwen geest.quot;

Na afloop der heilige Communie hief de bisschop aan de Epistelzijde het volgende gezang aan, dat door het koor werd voortgezet:

»Ik zal u nu niet meer mijne dienaren, maar mijne vrienden noemen, wijl gij alles weet wat ik onder u gedaan heb. Alleluja.

«Ontvangt den heiligen Geest in u, den Vertrooster.

»Hij is dengene, dien de Vader u zenden zal. Alleluja.

nGij zijt mijne vrienden, indien gij volbrengt, wat ik u bevolen heb.

«Ontvangt den heiligen Geest in u, den Vertrooster.

«Glorie zij den Vader enz.

»Hij is dengene, dien de Vader u zenden zal. Alleluja.quot;

De nieuwgewijde priesters stonden nu voor den bisschop en legden, door het uitspreken van het Symbolum der Apostelen, belijdenis af van het geloof, hetwelk zij moesten verkondigen. Daarna kwamen zij ieder afzonderlijk voor den bisschop neder-knielen, die hun de handen oplegde met de woorden: «Ontvang den heiligen Geest. Wier zonden gij zult vergeven hebben, die

ocr page 306

zijn zij vergeven; en wier zonden gij zult behouden hebben, die zijn zij behouden.quot; Het kasuifel, dat hun tot nu toe op de schouders was opgebonden, ontvouwde hij vervolgens, zeggende: »De Heer omgeve u met het kleed der onschuld.quot;

Ten laatste legde iedere priester zijn handen in die des bis-schops, terwijl deze vroeg »Belooft gij aan mij en mijne opvolgers eerbied en gehoorzaamheid fquot; waarop zij antwoordden: »Ik beloof,'' en de bisschop omarmde hen een voor een met de woorden: »De vrede des Heeren zij met u,'' en allen antwoordden: »Amen.quot;

Nu sprak zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid hen aan op de volgende wijze: «Beminde zonen, omdat hetgeen gij behandelen gaat, zeer gevaarlijk is, vernaam ik u, dat gij omtrent de geheele wijze van Mis lezen, benevens het consacreeren, breken en uitdeelen der H. Hostie door andere, zeer ervaren priesters, u laat onderrichten, eer gij zelve tot het lezen der H. Mis wilt overgaan.'' Hier stond hij op van het /atóV/ör/ww en sprak op plechtigen toon: »De zegen van den almogenden God, den f Vader, den -j- Zoon en den heili f gen Geest dale over u neder, opdat gij gezegend moogt wezen in de Orde van het Priesterschap, en voor de zonden, de overtredingen des volks zoenoffers opdragen aan den almachtigen God, wien eere zij en glorie in alle eeuwigheid. Amen.quot;

Daarop keerde de prelaat zich naar het altaar en las het gebed der Communio uit den achttienden psalm:

»Zij springt op als een reus, om den weg te loopen.

»Haar uitgang is van het uiterste einde des hemels en haar opgang van de dagen der eeuwigheid.quot; En de Fostcommunio luidde: »Geef, bidden wij u, o Heer, dat de heilige geheimen, waaraan gij ons hebt deelachtig gemaakt, thans en in de toekomst ons als een geneesmiddel mogen strekken tot een krachtige vernieuwing des geestes. Door onzen Heerquot; enz. En voor de nieuwgewijden: «Behoed, o Heer, door uw altijddurenden bijstand degenen, die gij met uw Sacramenten verkwikt, opdat wij de werking uwer verlossing mogen gevoelen, èn in de heilige geheimenissen èn in onzen levenswandel. Door onzen Heer Jesus Christusquot; enz.

ocr page 307

»Laat ons, o Heer, Uwe Barmhartigheid ondervinden, te midden van uwen heiligen tempel.

»Wij bidden U, Heer, stort Uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des Engels de menschwording van Christus, Uwen Zoon hebben leeren kennen, door Zijn lijden en kruis tot de glorie Zijner verrijzenis mogen gebracht worden. Door denzelfden enz.quot;

»Wii bidden U, o Heer onze God, dat Gij ons niet ten prooi laat aan menschelijke gevaren, ons, aan wie Gij de vreugde schenkt, deel te mogen nemen aan de Goddelijke geheimenissen.quot;

Y. »De Heer zij met u.quot;

»En met uwen Geest.quot;

X. »Laat ons den Heer loven.quot;

1^. »God zij dank.quot;

V. »De naam des Heeren zij geloofd.quot;

Ij^. »Van nu af tot in eeuwigheid.quot;

»Onze hulp is in den naam des Heeren.quot;

1^. »Die hemel en aarde gemaakt heeft.quot;

f. »U zegene de almachtige God, de Vader f de Zoon f en de heilige Geest.quot; f

1^. »Amen.quot;

Daar bij deze priesterwijding ook eenigen het Diaconaat, het Subdiaconaat en de mindere orden hadden ontvangen, sprak de bisschop nu tot allen :

«Geliefde zonen, overweegt zorgvuldig de door u ontvangen wijding, en den last, die uwen schouderen is opgelegd. Tracht heilig en godvreezend te leven, en den almachtigen God te behagen, opdat gij Zijne genade verkrijgen moogt. Die Zijne barmhartigheid u gewaardige te verleenen.

'Gij allen, die tot de kruinschering of de vier mindere orden zijt toegelaten, leest eens de zeven boetpsalmen met de litanie, de verzen en gebeden.

Gij alleen, die tot het Subdiaconaat of Diaconaat bevorderd zijt, leest eens de Nocturne van dezen dag.

ocr page 308

»Gij, die priester zijt geworden, leest na uwe eerste Mis, drie andere Missen, namelijk van den heiligen Geest, van de H. Maagd Maria, alsmede voor de overleden geloovigen, en wilt ook den almachtigen God voor mij bidden.quot;

Daarna werd het laatste Evangelie gelezen, de nieuwgewijden trokken in processie heen --de plechtigheid was geëindigd.

Zoo was Edwin dan met vele dierbare vrienden zijner kindsheid toegelaten tot de innigste gemeenschap, die op aarde mogelijk is tusschen den Schepper en het schepsel.

Zesde Jfoopitu/».

En waar zou Edwin nu zijn eerste plechtige heilige Mis opdragen? In de kathedraal van Northumbrië's hoofdstad of in het geliefde heiligdom op het kasteel zijns vadersr Weer bracht hij de neiging zijns harten ten offer, en er werd vastgesteld, dat de verheven plechtigheid plaats zou hebben in de Munsterkerk te York, op den Hemelvaartsdag van het jaar 694.

Juist vóór dit gedenkwaardige leest was het den aartsbisschop Wilfried, den onvermoeiden ijveraar voor den luister van Gods huis, gelukt, uit Frankrijk een van de schoonste instrumenten te verkrijgen, dat in dien tijd voor zeer voortreffelijk werd gehouden en zich bijzonder leende ter begeleiding van kerkelijke muziek. Het was een orgel, hetwelk op dien dag voor het eerst zijn majestueuze, maar klagende tonen in de groote kathedraal deedhooren en dat — ook door de faam die reeds vooruitgevlogen was — duizende vrome nieuwsgierigen het heiligdom deed binnenstroomen.

Voor de ouders was het eerste plechtige Misoffer van hun zoon een gebeurtenis, gewichtiger en gelukkiger dan alle andere voorvallen in hun vervlogen leven. De edele Oswald was niet tevreden voordat hij op een of andere wijze deel kon nemen aan deze godsdienstige plechtigheid, en het gelukte hem een plaats te verkrijgen

ocr page 309

— 28(5 —

onder de lagere dienaren van het altaar; als zoodanig mocht hij nu optreden in de schaduw van het tabernakel.

Ofschoon vrouwe Eidwella, zelfs bij zulk een buitengewone feestelijkheid aan deze gunst niet kon deelachtig worden, wijl haar geslacht zulks verhinderde, knielde zij aan den voet van het priesterkoor op een voor haar bestemde plaats. Van het begin der Prae-fatie af zat zij daar onbewegelijk. Uit iedere afwisseling en buiging der haar zoo dierbare stem dronk haar ziel een beker vol zoetheid; onder de stille gebeden, die nu volgden, durfde zij nauwelijks ademhalen en het bloed schoot haar naar het hart terug, toen de bellen klingelden voor het oogcnblik der Consecratie. Alsof het kloppen van haar hart door de omgeving werd vernomen, alsof het haar gespannen verwachtingen zou verstoren, zoo trachtte zij zich zelf geweld aan te doen — en nu hoorde zij, waarneembaar en duidelijk — als hadde men haar aan den voet des altaars gedragen de zacht uitgesproken woorden van den pas gewijden priester — die woorden, waardoor hij als een andere Christus voor ons oog verschijnt en met Zijn gezag spreekt: »Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloedJquot; Terwijl dan de altaarschellen in het heiligdom de tweevoudige opheffing aankondigden, en de duizenden die reeds nederknielden zich nog dieper ter aarde bogen, meldde het koor der klokken van den toren der kathedraal aan de geheele stad de gezegende hoogheilige handeling.

Onder deze heilige Mis naderde niemand tot de heilige geheimenissen. De kelk werd genuttigd, en de ablutie of afwassching volgde daarop. De zacht ruisschende tonen van het orgel zwollen nu aan tot machtige accoorden van triumph en dankzegging en tot het gt;Ite missa estquot; jubelden de hosanna's langs de hooge gewelven. Allen wierpen zich vervolgens op de knieën om den zegen te ontvangen van den jeugdigen priester — vader, moeder, bejaarde geestelijken en de duizenden die het Godshuis vulden, terwijl Edwin in bet godvruchtige .vertrouwen op zijn waardigheid als «mtdeeler der geheimenissen Godsquot; met hand en mond den zegen uitsprak over alles wat hem in York eerbiedwaardig en dierbaar was.

ocr page 310

Maar het geloof aan de buitengewone genade, die den mensch geschonken wordt door de waardigheid van het heilig Priesterschap, moest in den edelen Oswald nog duidelijker uitschitteren en hij naderde daarom zijn zoon met een gouden kan, gevuld met welriekend vocht, wiesch de handen van den nieuwen priester, droogde die af met een kostbaren geborduurden doek, knielde neder, kustte ze, en verwijderde zich: dezelfde eerbewijzing brachten hem de andere priesters. Thans klom Edwin de trappen des altaars af om aan de blikken der menigte de handen te toonen, die zijn God hadden gedragen. Maar allen, die nu tot hem wilde naderen, werden door een gevoel, van eerbied teruggehouden, toen vrouwe Eidwella opstond om haar lippen te drukken op de gezegende handen. 01 wat zou op dit oogenblik voor het hart dezer moeder de glorie van heldendaden geweest zijn, of de verovering van een koninkrijk, vergeleken bij hetgeen zij thans gevoelde ? Wat kon halen bij de hoogheid van zijn staat, waardoor hij den Hemel op de aarde had doen nederdalen — waardoor hij den Schepper, den Verlosser, den Heiligmaker der wereld had mogen aanraken — waardoor hij nu gaven uitdeelde, waarop de engelen met eerbied nederzagen! Waarlijk, in rijke mate werd het haar vergolden, dat zij haren eigen wil had opgeofferd aan den wil van God; want zoo had zij zich een vreugde bereid, overvloediger, verrukkelijker dan door welk geluk ter wereld ook, haar geschonken kon worden.

De verheven gedachte, welke Edwin van den priesterlijken staat had opgevat, en. waardoor deze hem als een onbereikbare hoogte had toegeschenen, verloor, nu hij zich zeiven met die uitgelezen waardigheid bekleed zag, niets van haar oorspronkelijke kracht: daarom aarzelde hij geenszins, als priester de betuigingen van eerbied te aanvaarden, die niet aan den persoon, maar aan den gezant en dienaar Gods toekomen, daar immers al de eerbied die voor heilige personen of heilige zaken aan den dag wordt gelegd ten slotte op God-zelf, den Allerheiligste, terugslaat. Echter dienden de eerbewijzingen der menschen hem slechts tot grootere vernedering van zich zeiven. Wie met den geest des geloofs be-

ocr page 311

— 282 —

zield is — al draagt hij met Petrus de sleutelen van het Rijk der Hemelen — werpt zich neder aan den voet des Kruises en acht

•

zich den geringste van Christus' dienaren, niet waardig, bij zooveel menschelijke zwakheid, zóó door God te worden begenadigd.

Een jaar na de priesterwijding werd Edwin als missionaris gezonden naar de bergachtige en onvriendelijke streken van Nort-humbrië, waar het christelijke gedeelte der bevolking zijn moeie-lijken arbeid met den meesten ijver trachtte te beloonen. Hier wijdde hij zich met hart en ziel aan de vestiging en de zegepraal van het geloof, en de uitroeiing van de overblijfselen des heiden-doms. De weinige jaren, in dezen werkkring doorgebracht, waren jaren van opoffering. Te midden van toestanden, lijnrecht in strijd met fijngevormde beschaving, verliet hij slechts van tijd tot tijd zijn standplaats, om deel te nemen aan de bisschoppelijke synoden. Daar verschenen al de missionarissen en pastoors der parochiën, om rekenschap af te leggen van hun geestelijk bestuur, van den wasdom des geloofs in de hun onderhoorige districten, en om nieuwe wetten en wenken te ontvangen van hun kerkelijke overheid.

Ten laatste werd Edwin teruggeroepen naar het groote tooneei zijns levens, het College te York, waar hij belast werd met het toezicht op de theologanten van het bisschoppelijk Seminarie.

De aardsche loopbaan van den bejaarden Wilfried was bijna volbracht, en zijn laatste arbeid voor de Kerk Gods bestond in de stichting van nieuwe kloosterscholen. Eerst had hij de huizen van Ripon en Hexham voltooid, met wier oprichting hij reeds vroeger was begonnen, en die hij tot één geheel had gevormd met het vroegere Schotsche instituut te Lindisfarne, het verblijf zijner kindsheid. Men volgde daar den regel van Sint-Benedictus. Thans resideerde de prelaat voornamelijk in zijn geliefd klooster te Ripom en hierheen begaf Edwin zich meermalen om, evenals zoovele anderen, kostbare kleinodiën mede te voeren uit den rijken schatkamer van een leven, doorgebracht in gebed en heilige werkzaamheid. De heilige Wilfried liet zijn diocees na aan een man, die bemind werd door God en de menschen, den heiligen Joannes

ocr page 312

van Beverley, onder wiens bestuur onze Edwin van Benicia werd aangesteld als aartsdiaken. Het jaar 709 was getuige van den gelukzaligen dood des heiligen Wilfried in een van zijn pas gestichte kloosters, dat van Undulatn, thans Oundle, in Northamptonshiere. Zijn overblijfselen werden echter bijgezet in de Kerk van Sint-Pieter te Ripon, maar later gedurende den krijg ten tijde van den heiligen Odo tot meerdere veiligheid overgebracht naar Canterbury.

«Kostbaar is in de oogen des Heeren de dood zijner heiligen 1quot;

Met zijn nieuwen bisschop, den heiligen Joannes van Beverley, knoopte Edwin de innigste vriendschapsbanden aan en wijdde zich onder zijn bestuur aan een dubbele taak: de werkzaamheid in het bisdom en die aan het bisschoppelijk Seminarie te York. Terwijl hij zoo geheel in den geest van den heiligen Wilfried voortarbeidde tot welzijn der kloosters, vernieuwde hij zijn briefwisseling en persoonlijken omgang met den grooten weldoener en voltooier der kloosterhuizen, den trouwen medehelper van den overleden aartsbisschop, die den heiligen Benedictus van Engeland, gewoonlijk genoemd »St. Bennet Bisschop.quot; Reeds als jongeling genoot Edwin in het Seminarie de hoogste achting van dezen grooten leeraar in het godvruchtig en het werkdadige leven; ook zijn loopbaan als missie-priester en zijn huidige vermaardheid als uitstekend redenaar werden door den bejaarden kloosterling niet voorbijgezien. Gedurende hun veelvuldige conferentiën in de abdijen van Were-mouth en Jarrow deelde de heilige Benedictus aan Edwin tal van belangrijke bijzonderheden mede omtrent zijn langdurigen en allergelukkigste arbeid voor het onverzwakte leven der kloosterlijke tucht en voor den bloei van kunst en wetenschap binnen die heilige muren; hoe hij om onder zijn monniken vromen ijver op te wekken, de uitstekendste modellen van schilderkunst, beeldhouwwerk en bouwkunde uit de hoofdstad der Christenheid en andere streken van het vasteland daar had binnengevoerd.

Helaas! gedurende de achtste eeuw, die voor de kerken en kloosters in het Noorden van Engeland zoo gelukkig begonnen was, zweepte de verschrikkelijke, zoolang gevreesde geesel langs

ocr page 313

zijn kusten, en de eerbiedwaardige abdijen van Lindisfarne, Were-mouth en Jarrow vielen ten prooi aan de goddelooze roof- en moordzucht der Denen. Zij werden verwoest tot puin, maar hun roemwaardige gedachtenis bleef voortleven bij het nageslacht. Toen zeventig jaren van onafgebroken strijd waren voorbijgegaan wierpen zij het juk der barbaarsche overweldigers af, deden nieuwe kloosters verrijzen en begiftigden die met rijke geschenken. Weer bewonderde toen het oog heerlijke en majestueuze godshuizen — maar zonder dien eerbiedwaardigen ouderdom van de eerste en daarom steeds betreurde abdijen van Sint Wilfried en Benedictus.

Edwin begeleidde den heiligen Benedictus, die persoonlijk het bestuur van de abdij te Weremouth op zich had genomen, meermalen van daar uit naar Jarrow. Destijds droeg Ceolfrid daar mijter en staf. Deze abt was eenmaal de trouwe medegezel van Sint Benedictus op diens onderzoekingsreizen naar de volmaaktheid der verschillende kloosterregels. Bij die gelegenheid ook had hij vriendschapsbetrekkingen aangeknoopt met den geleerden kluizenaar — den eerwaardigen Beda, voor wien hij reeds lang een groote vereering koesterde. Hun bisschop, de heilige Joannes van Beverley, die Beda tot priester had gewijd, had reeds vroeg m hem een heilig sieraad, een glinsterende parel der Kerk gezien, en met zijn geestelijke overheid erkend, hoe vruchtbaar zijn arbeid eenmaal wezen zou voor de zaak van God en godsdienst. Beda stond te dien tijde, evenals onze priester, in de volle kracht der mannenjaren, en dezelfde groote geestesgaven die Edwin voor de eer van God besteedde als zielzorger en openbaar prediker, wijdde de heilige monnik te Jarrow aan datzelfde verheven doel als kluizenaar en gewijd schrijver. Beiden waren belast met de opvoeding der jeugd; en terwijl Edwin de studiën leidde in het bisschoppelijke Seminarie te York, had Beda zijn beroemde abdijschool zoowel voor zijn mede-kloosterlingen en voor geestelijken als voor leeken. Zij bracht vele en heilige leerlingen voort — hun aantal bedroeg meer dan zeshonderd. Ondanks dezen arbeid was hij een waar voorbeeld van kloosterlijke tucht, ijverig in de overweging

ocr page 314

— 285 —

en het gebed, steeds liefderijk en gehoorzaam, en vond, zijn werkkracht vermenigvuldigende, den lijd om ontelbare geschriften van waarde aan het Christenvolk te schenken. Hij maakte aanteeke-ningen op de heilige Schrift en de Kerkvaders en schreef ten slotte die werken, welke aan zijn naam een onsterfelijken roem hebben verzekerd.

Bij de talrijke en zware verplichtingen der heilige bediening had Edwin slechts zelden zijn geboorteplaats en zijn familie bezocht, ofschoon hij de zijnen nimmer vergeten had; maar nu moest hij aan de stem der kinderlijke liefde gehoor geven om een treurigen plicht te vervullen: hij werd geroepen naar het sterfbed zijner moeder. De edele Oswald, Than van Bernicia, was eenige jaren geleden haar naar een betere wereld voorgegaan, aan zijn oudsten zoon waardigheid en vermogen nalatende. Deze vervulde, in zooverre zijne geringere gaven en krachten dit toelieten, met getrouwheid en eer zijn ridderlijke plichten.

Vrouwe Eidwella had in haar weduwstaat, terwijl haar leven ten einde spoedde, al hare dagen gewijd aan de bevordering van den vrede. Dikwijls was haar tusschenkomst met den besten uitslag bekroond geworden en had zij de eendracht hersteld tusschen haren oudsten zoon en de britsche leden van haren stam in Wallis en in Cornwallis. Op haren aandrang ook ontweken de latere opperhoofden een bondgenootschap met de gevreesde Denen, in plaats van daarnaar te streven, en zij ontsliep kalm en zacht tot een beter leven, eer zij den verschrikkelijke geesel zag woeden, waarvan de heilige Wilfried voorspellend gesproken had. Zij stierf in de armen van hem, dien zij op aarde het meest liefhad, na uit zijne handen al de genademiddelen der heilige Kerk te hebben ontvangen; hij begroef ook haar stoffelijk overschot onder de gewelven der slotkapel naast dat van haar gemaal en hare overleden kinderen.

Hoevele jaren waren er niet verloopen, sinds Edwin voor het eerst had neergeknield aan den voet van dit altaar, en rondgewandeld op de wallen van dezen erfelijken burcht; thans, nu zulke

ocr page 315

— *86 —

innige banden gezwicht waren, gevoelden de twee broeders zich nog nauwer aan elkaar verbonden, en zij, op dit oogenblik de oudsten des huizes, wierpen met ontroerd gemoed menigen blik in het verledene. Wat al onderwerpen hadden zij ter besprekingl Maar weldra sloeg weer het uur van scheiden. Er kwam een renbode van den aartsbisschop, welke aan Edwin de vertrouwelijke en tevens officieele tijding aankondigde van zijn verheffing tot den openstaanden zetel van Hexham 1 Hij moest, volgens verlangen van den aartsbisschop, onmiddellijk vertrekken naar Bernicia, waar hij den metropolitaan zou aantreffen en zich kon voorbereiden op de aanstaande plechtige Consecratie.

• •• •§=:•♦• ■

Zevende JCoo^Sstu-d.

Edwin zou nu nog hooger opklimmen in de kerkelijke hiërarchie. De bisschopswijding zou hem niet alleen in waardigheid doen toenemen, maar hem ook deelachtig maken aan die macht, waardoor de volheid des Priesterschaps bereikt wordt. Deze macht bestaat voornamelijk in vier bedieningen; de bisschop moet op de eerste plaats de heilige wijdingen, op de tweede plaats het heilig Vormsel toedienen; vervolgens is hem het leeraarsambt opgedragen (want de bisschop is een leeraar en Vader der Kerk) en eindelijk rust op hem het bestuur van zijn onderhoorig diocees. Thans immers strekt zijn herderambt zich uit zoowel over de schapen als over de lammeren, of met andere woorden, niet slechts over de leeken maar ook over de geestelijkheid. De verschillende waardigheidsbekleeders in de Kerk, welke nog boven den bisschop staan, zijn slechts zijn meerderen in rang; en het zichtbare hoofd van alle Christen-geloovigen, de Paus, ontvangt, indien hij reeds bisschop was, geen nieuwe wijding, wel echter door zijn keuze de volheid en den hoogsten graad der priesterlijke en bisschoppelijke macht.

Buiten een bijzondere volmacht van den heiligen Stoel mag

ocr page 316

de bisschopswijding niet plaats hebben dan op een Zondag of den feestdag van een Apostel; en thans was de daartoe bestemde dag het feest van den heiligen martelaar Albanus, en had de Consecratie plaats in de prachtig versierde Kathedraal van Hexham. In het heiligdom waren twee altaren in gereedheid gebracht — een groot voor den consecrator of aartsbisschop — een kleiner voor den electus of benoemden bisschop. Daarop lagen de bisschoppelijke gewaden uitgespreid, daar ook stonden al de benoodigdheden gereed voor de plechtigheid. Op het bestemde uur verschenen de a-ertsbisschop, de electus, de twee assistent-bisschoppen, meerdere andere prelaten en een aanzienlijk getal geestelijken voor het hoogaltaar — en nadat de aartsbisschop een kort gebed had verricht, betraden hij en de electus de voor hen bestemde altaren en bekleedden zich daar met de heilige gewaden. Tot nog toe was Edwin als een priester gekleed geweest in superplie; en ofschoon de kerkelijke kleur van den dag rood was, waren toch zijne kleederen alle wit. Toen hij gereed was, trad hij, midden tusschen de assistent-bisschoppen voor den consecrator, die voor het altaar was gezeten — en de oudste der beide kerkvoogden sprak:

«Hoogwaardigste vader 1 Onze heilige moeder, de katholieke Kerk waagt van U, dat gij den priester, hier tegenwoordig, tot het zware ambt van bisschop zult bevorderen;quot; waarop de vraag volgde van den aartsbisschop: »Hebt gij het apostolisch bevelschrift:quot; Toen hierop bevestigend werd geantwoord, beval hij, dat het zou worden voorgelezen en door den benoemden bisschop de eed van trouw aan den heiligen Stoel zon worden afgelegd. Na afloop van deze ceremonie sprak hij; gt;God zij dank!quot; De consecrator nam vervolgens plaats op zijn zetel, en zette den mijter op. Ook de electus ging zitten, en nu begon de aartsbisschop op de volgende wijze den wijdeling toe te spreken:

»De oude verordening der heilige Vaders leert en gebiedt, dat hij, die tot de bisschoppelijke waardigheid is uitverkoren op de eerste plaats nauwkeurig in alle Christelijke liefde ondervraagd worde omtrent zijn geloof aan de heilige Drievuldigheid, omtrent

ocr page 317

verschillende gesteltenissen en eigenschappen, die bij zulk een ambt passen en met zorg moeten worden bewaard — overeenkomstig het bevel van den Apostel: »Leg niemand te spoedig de handen op;quot; dat verder hij, die de wijding zal ontvangen, onderricht worde, hoe een ieder, die tot dit ambt wordt uitverkoren, zich in de Kerk Gods moet gedragen; en dat ten laatste zij, die de heilige oplegging der handen voltrekken, onberispelijk zijn. Daarom, zeer geliefde broeder, vragen wij U krachtens deze macht en dit bevel in oprechte liefde, of gij al uw weten en denken naar uw beste vermogen wilt toetsen en onderwerpen aan den inhoud der heilige Schrift?quot;

De electus, die het hoofd ontbloot had, antwoordde: «Ja, uit geheel mijn hart wensch ik in alle punten toe te stemmen en te gehoorzamen.quot;

«Wilt gij,quot; ging de aartsbisschop voort, «zoowel door (voord als door voorbeeld aan de kudde, voor wie gij gewijd wordt, uit de heilige Schrift al datgene leeren, wat u daarvan bekend is?quot;

Edwin antwoordde;

»Ik wil.quot;

«Wilt gij de overleveringen des vaders en de verbindende bevelen van den heiligen apostolischen Stoel met eerbied aannemen, leeren en onderhouden?quot;

»Ik wil.quot;

»Wilt gij aan Petrus, den gelukzaligen Apostel, die van God de macht heeft ontvangen om te binden en ontbinden, en aan zijn plaatsbekleeder Gregorius II, en diens opvolgers, den bisschoppen van Rome getrouwheid, onderdanigheid en gehoorzaamheid bewijzen volgens de voorschriften der Canons?quot;

»Ik wil.quot;

»\Vilt gij het kwaad verre verwijderd houden van al usve handelingen en deze met den bijstand Gods slechts op het goede richten?quot;

»Ik wil.quot;

»Wilt gij met Gods hulp zelf de kuischheid en de matigheid

ocr page 318

— 289 —

beoefenen en de beoefening daarvan ook aan anderen leeren?quot;

»Ik wil.quot;

• Wilt gij u voor altijd aan de zaak van God verbinden,- ü terugtrekken van alle aardsche dingen, u onthouden van lage zucht naar gewin, in zooverre dit alles u slechts mogelijk islquot;

• Wilt gij zelf de nederigheid en het geduld bewaren en dit ook aan anderen leeren? '

•Ik wil.quot;

• Wilt gij ter liefde van God jegens den arme, den vreemdeling en alle hulpbehoevenden medelijdend en barmhartig zijn?quot;

• Ik wil.quot;

•Aan al deze en andere goede gave make u de Heer deelachtig en Hij moge u beware en sterken in alle goed.quot;

Allen antwoordden: »Amen.quot;

De aartsbisschop ging voort: «Gelooft gij naar de mate van uw verstand en begrip, dat de heilige Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de heiligen Geest één almachtige God is, en dat de geheele Godheid in de drievuldigheid één is ia wezen, één in natuur, één in eewigheid en één in almacht met één wil, met eenzelfde macht en majesteit, de Schepper van al het geschapene, vac Wien, door Wien en in Wien alle dingen zijn, die in den Hemel en op de Aarde zijn, zichtbare en onzichtbare, stoffelijke en geestelijke?quot;

De electus antwoordde op dit alles: »Ik neem het volkomen aan en geloof het.quot;

«Gelooft gij, dat in de heilige Drievuldigheid iedere Persoon de eene waarachtige, volkomene en onverdeelde God is?quot;

•Ik geloof.quot;

• Gelooft gij, dat de Zoon Gods, het Woord Gods, van alle eeuwigheid geboren uit den Vader, één van wezen, één van macht en in alles den Vader naar Zijn Godheid gelijk, in den tijd ontvangen is van den heiligen Geest en geboren uit Maria, die altijd maagd is gebleven; dat Hij twee geboorten heeft: één vóór alle tijden uit den Vader, één in den tijd uit eene moeder; dat Hij is

D. z. H. s. 19

ocr page 319

waarlijk God en waarlijk mensch, geheel en volkomen in beide C

naturen: niet een aangenomen Zoon, niet een schijnsel, maar de t

eeniggeborene en eene Zoon Gods: in twee naturen en van twee a

naturen, maar in de eenheid van slechts één persoon; onlijdelijk en onsterfelijk krachtens Zijne Godheid, maar dat Hij in Zijne 1

menschelijke natuur voor ons met een waar lijden des vleesches 1

heeft geleden en op den derden dag verrezen is: dat Hij op den :

veertigsten dag na Zijne verrijzenis met het lichaam, waarin Hij verrees, en met Zijne ziel ten Hemel is opgeklommen, en dat Hij zit aan de rechterhand des Vaders, en vandaar zal wederkomen,

om te oordeelen de levenden en de dooden, en een ieder te vergelden naar zijne werken, goede of kwade?quot;

De electus: „Ik neem alles en ieder punt atzonderlijk volkomen aan.quot;

De aartsbisschop: Gelooft gij ook, dat de heilige Geest is volkomen, onverdeeld en waarachtig God, uitgaande van den Vader en den Zoon, in alles één in wezen, één in macht en één in eeuwigheid met den Vader en den Zoon?quot;

»Ik geloof.quot;

«Gelooft gij, dat de heilige katholieke en apostolische Kerk is de ééne ware Kerk in welke het ééne ware Doopsel toegediend en de ééne ware vergiffenis van alle zonden geschonken wordt ?quot;

gt;Ik geloof.quot;

gt;Verwerpt gij alle en iedere ketterij, die zich tegen deze heilige katholieke Kerk verzet.quot;

gt;lk verwerp.quot;

«Gelooft gij ook aan een waarachtige opstanding van hetzelfde vleesch, waarmede gij thans omkleed zijt, en aan een eeuwig leven?quot;

»lk geloof.quot;

»Geloofc gij ook, dat het oude en het nieuwe Testament, de wet en de propheten, en Apostelen slechts een en dezelfden Oorsprong hebben, God, den almachtigen Heer?quot;

gt;Ik geloof.quot;

De aartsbisschop sprak nu tot slot: «Zeer geliefde broeder in

ocr page 320

Christus, moge door dèn Heer dit geloof in u vermeerderd worden tot uw waarachtige en eeuwige zaligheid.quot; Daarop antwoordden allen: »Amen.quot;

Edwin werd nu door de assistènt-bisschoppen voor den aartsbisschop geleid. Hij knielde neder en kuste hem eerbiedig de hand. De mijter werd den Consecrator afgenomen, terwijl Edwin aan zijn linkerzij stond, begon hij met de assistenten de heilige Mis. Zij baden gezamenlijk het »Confitearquot; en bleven bij den aartsbisschop gedurende de eerste gebeden en het einde van den epistel en het graduale. De assistent-bisschoppen leidden nu den electus naar zijn altaar. Daar ontdeed hij zich van de superplie, en werd hij bekleed met de tunica, de stoh, de dalmatiek, het kasuifel, de manipel, het kruis en de sandalen des bisschops.

Nu betrad hij het altaar, en las de heilige Mis tot het einde van epistel en graduale, zonder zich tot het volk te wenden. Daarna keerde hij zich tot den aartsbisschop die hem aldus aansprak: »Het is de plicht van een bisschop, te oordeelen, de Schrift te verklaren, te consacreeren, priesters te wijden, te doopen en te vormen. Laat ons bidden, zeer geliefde broeders, dat de Almachtige God, die in Zijn groote erbarming voor het heil Zijner Kerk zorg draagt, over dezen uitverkorene de volheid Zijner genade uitstorte, door Christus Onzen Heer. Amen.quot;

Nu knielde de aartsbisschop neder, en met hem de andere bisschoppen en geestelijken. Plechtig werd de litanie van alle heiligen gezongen en gedurende al dien tijd lag Edwin plat ter aarde.

Tegen het einde werd zij onderbroken; de aartsbisschop stond op, hield zijn staf op den electus gericht, hetgeen ook de andere bisschoppen deden en sprak het volgende gebed:

»Dat gij dezen uitverkorene gelievet te zegenen, f

gt;Wij bidden U, verhoor ons.quot;

gt;Dat gij dezen uitverkorene gelievet te zegenen f en te heiligen f. i

»Wij bidden U, verhoor ons.quot;

ocr page 321

»Dat gij dezen uitverkorene gelievet te zegenen f en te heiligen en te consacreeren.quot;

gt;Wij bidden U, verhoor ons.quot;

Hierop knielde de aartsbisschop neder, en de litanie werd voortgezet.

»Dat Gij U gewaardigt ons in uwe goedertierenheid te ver-hooren, o Zoon Gods.quot;

Wij bidden U, verhoor ons.quot;

jLam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.quot;

»Spaar ors, Heer.quot;

gt;Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.quot;

«Verhoor ons. Heer.quot;

gt;Lain Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.quot;

»Ontferni U onzer.quot;

gt; Christus, hoor ons.quot;

»Christus, verhoor ons.quot;

»Heer, ontferm U onzer.quot;

Bij het einde der litanie stonden allen op.

De aartsbisschop had de mijter op het hoofd, en Edwin knielde voor hem neer. Daarna nam hij het Evangelieboek, sloeg het open, en legde het zwijgend met behulp der andere bisschoppen op den hals en de schouders van den electus. Een van de geestelijken hield het in dien toestand vast. Nu raakten de aartsbisschop en de assistent-bisschoppen het hoofd van den wijdeling aan met beide handen en zeiden: »Ontvang den heiligen Geest.quot;

En, nadat hem de mijter was afgenomen, bad de aartsbisschop aldus; gt;Wees, o Heer, onze smeekbede genadig, en ontsluit voor dezen uwen dienaar de bron der hooge priesterlijke genade ea stort over hem uw werkdadigen zegen uit; door Jesus Christus onzen Heer, enz. Amen.quot;

»De Heer zij met u.quot;

»En met uwen geest.quot;

»De harten omhoog.quot;

»Wij verheffen ze tot den Heer.quot;

ocr page 322

«Laten wij den Heer, onzen God danken.quot;

»Het is billijk en rechtvaardig.quot;

•Waarlijk, het is billijk en rechtvaardig, plichtmatig en heilzaam, dat wij U altijd en op alle plaatsen dankzeggen, o heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, Gij bron van alle eere voor de waardigheidsbekleeders, die in heilige rangorde waken voor uwe glorie; O God, gij, die in geheimzinnigen en vertrouwelijken omgang Mozes, uwen dienaar, onderricht en u gewaardigd hebt, hem onder andere aanwijzingen voor den eeredienst ook de vormen der priesterlijke kleederen voor te schrijven, terwijl gij geboodt, dat Aaron, uw uitverkorene, gedurende de heilige handeling van het offer met zinnebeeldige gewaden zou bekleed zijn, opdat de nakomelingen een heilige kennis zouden putten uit het voorbeeld hunner vaderen, en geen enkel tijdperk uw leering zou missen; want gelijk bij de ouden de schoonheid der zinnebeelden eerbied inboezemde, is bij ons de ondervinding der werkelijkheid in de plaats getreden der duistere voorafbeeldingen. Door de kleederen van het priesterschap der Oude Wet hebt Gij ons de sieraden van den geest willen aanduiden; en ook thans komt de eer eens priesters niet voort uit den glans der kleederen, maar slechts door den glans der zielen. Want juist datgene, wat toenmaals aan het lichamelijk oog welgevallig was, wekte op tot overdenking van hetgeen er zinnebeeldig door beteekend werd. Daarom, o Heer, bidden wij U, schenk aan dezen, uwen dienaar, dien Gij hebt uitverkoren, opdat hij u diene in de waardigheid van hoogepriester, de genade, dat hetgeen door de schittering van het goud, door den glans der juweelen en door de verscheidenheid en rijkdom van borduurdsel dezer gewaden wordt beteekend, in zijn levenswandel en handelingen moge uitschijnen. Plaats uwen priester in de volheid van uwen dienst, en heilig hem — na hem met den hoogsten luister bekleed te hebben — door den dauw der hemelsche zalving.''

Hier zweeg de aartsbisschop. Hij knielde neder en hief den lofzang op den heiligen Geest aan; »Veni Creator Spiritus,quot; die door het koor werd voortgezet. Aanstonds stond hij weder op en

ocr page 323

nadat men hem den mijter had opgezet, nam hij plaats op het faldistorium, i) en zalfde het hoofd van den electus, die voor hem geknield lag, met de woorden; »Uw hoofd worde gezalfd en geconsacreerd tot het ambt van hoogepriester door den zegen des Hemels. In den naam des Vaders f en des Zoons f en des heiligen Geestes f Amen.quot;

Daarna ging hij voort met de prefatie: »Moge deze zegen, o Heer, overvloedig op zijn hoofd nederdalen, mogen zijne lippen er door verrijkt worden; moge hij doordringen tot alle deelen zijns lichaams, zoodat de macht van uw Geest hem inwendig vervulle, en uitwendig omkleede. — Rijkelijk mogen in hem wonen een standvastig geloof, een zuivere liefde tot God en een waarachtige vrede. Mogen zijne voeten in uwe oogen welbehagelijk zijn, om den vrede te prediken en de blijde boodschap van al het goede te brengen. Geef hem, o Heer, het ambt der verzoening met woord en daad, door de macht van teekenen en wonderen. Laat zijn spreken en prediken niet bestaan in du kunstmatige woorden der menschelijke wijsheid, maar in de openbaring van uwen Geest en in macht. Geef hem, o Heer, de sleutelen van het hemelrijk, opdat hij de macht, die gij schenkt moge aanwenden tot genadige erbarming, niet tot verderf. Alles, wat hij op aarde zal binden, zij ook in den hemel gebonden, en alles, wat hij op aarde zal ontbinden, zij ook ontbonden in den hemel. Wiens zonden hij zal behouden, dien mogen zij door u behouden, en wiens zonden hij zal vergeven, dien mogen zij door u vergeven worden. Wie hem vloekt, moge zelf vervloekt zijn; en wie hem zegent, moge met zegeningen vervuld worden. Moge hij, o Heer, de wijze en getrouwe dienaar zijn, dien Gij over de leden van uw huisgezin hebt gesteldi opdat hij hun spijze geve ten rechten tijde en ieder hunner opleide tot volmaaktheid. Moge hij ijverig zijn in waakzaamheid, vurig van geest; moge hij den hoogmoed verachten; moge hij nederigheid en waarheid liefhebben en nooit ter wille van lofprijzing of uit

i) De eigenaardige kleine zetel der bisschoppen bij pontificale plechtigheden.

ocr page 324

vreeze daarvan afwijken. Moge hij nimmer het licht aanzien voor de duisternis, en duisternis voor het licht; nimmer het slechte goed, en het goede slecht noemen, moge hij zich schuldenaar gevoelen van wijzen en eenvoudigen, opdat hij van aller wasdom vrucht oogste. Verhef hem, o Heer, op den bisschoppelijken Stoel, opdat hij Uwe Kerk besture en de kudde, die aan zijn hoede is toevertrouwd. Wees Gij-zelf, Heer, voor hem zijn gebiedende kracht, wees Gij zijn macht — wees Gij zijn sterkte. Vermenigvuldig in hem uw zegeningen en uw macht, opdat hij door deze uwe gave waardig moge zijn, genadig te werden verhoord in zijne gebeden, en onvermoeid blijve in uwen dienst. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen zoon, die met u leeft en regeert in de eenheid des heiligen Geestes, God van eeuwigheid tot eeuwigheid.quot; jAmen.'1

Nu hief de aartsbisschop den antifoon aan, die door het koor werd voortgezet; »De kostbare zalf op het hoofd, afdruppelende op den baard, den baard van Aaron.quot;

«Afdruppelende tot op den zoom van zijn kleed, gelijk de dauw van den Hermon, welke nederdaalde op den berg Sion en nu werd de honderd twee en dertigste psalm gezongen:

»Zie, hoe goed en liefelijk is het, als broeders te zamen wonen 1quot;

»Het is als de zalf op het hoofd, afdruppelende op den baard, den baard van Aaron, afdruppelende op den zoom van zijn kleed.quot;

»Als de dauw van den Hermon, die nedervalt op den berg Sion. Daar zendt de Heer Zijn zegen en leven tot in eeuwigheid.quot;

»Glorie zij den Vaderquot; enz.

Onder het zingen van den Antifoon en den psalm had de aartsbisschop zijn mijter opgezet en plaats genomen op het faldis-torium, terwijl Edwin met gevouwen handen voor hem neder-knielde; de eerste legde die nu kruiselings over de borst van den wijdeling en zalfde de geheele handvlakten zeggende: gt;Dat deze handen gezalfd worden door de heilige olie en het Chrisma der heiligmaking; gelijk Samuel David zalfde tot koning en profeet, zoo ook mogen zij gezalfd en gewijd worden: in den naam van

ocr page 325

God den Vader en den Zoon f en den heiligen Geest f en dat zij gelijk zijn aan het heilige kruis van onzen Verlosser, den Heer Jesus Christus, die ons verloste van den dood en ons het Rijk des Hemels opende.quot;

Daarna stond hij op en sprak: «Verhoor ons, o heilige, almachtige Vader, eeuwige God, en geef, dat wij datgene, waar wij in het gebed om smeeken, mogen verkrijgen door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.quot;

Vervolgens sprak hij tot den electus: »Moge God, de Vader van onzen Heer Jesus Christus, wien het behaagd heeft, u te verheffen tot de waardigheid van het hoogepriesterlijke ambt, zelf rijkelijk over u uitstorten het heilig chrisma en de geheimzinnige zalf, en u met de volheid van Zijn geestelijken zegen vervullen; f alles, wat gij zegent f zal gezegend zijn, wat gij heiligt, zal geheiligd zijn; en moge de oplegging dezer gewijde handen allen tot heil verstrekken. Amen.quot;

Daarna werd de staf gewijd, op de volgende wijze: «Laat ons bidden! — O God, steun der menschelijke zwakheid, zegen f dezen staf; en wat hij uitwendig voorstelt, bewerk gij dat door uw genadige Goedheid inwendig in den levenswandel van uwen dienaar. Door Christus, onzen Heer.quot;

Nu gaf de aartsbisschop Edwin den staf in de hand en ging voort: «Ontvang dezen staf van het herdersambt, opdat gij bij de verbetering van het kwade gestrengheid moogt paren aan zachtmoedigheid en gerechtigheid oefenen zonder bitterheid; en opdat gij door den lof der deugd te verkondigen de gemoederen uwer hoorders winnen moogt, zonder in uw vreedzame gezindheid de gestrenge berisping te verwaarloozen. Amen.quot;

Daarna werd de ring gewijd:

«Laat ons bidden! — O Schepper en Behouder der menschen. Bron der geestelijke genade en Oorsprong des heils, zegen f dezen ring, opdat allen, die met dit heilig zinnebeeld van trouw begiftigd worden, onder de machtige bescherming des Hemels tot het eeuwige leven mogen geraken. Amen.quot;

ocr page 326

Daarna besproeide hij den ring met wijwater, stak hem aan den vinger van den electus, zeggende: «Ontvang dezen ring, het onderpand van vertrouwen, opdat gij, versierd met het teeken der vlekkelooze getrouwheid, de bruid Gods, Zijn heilige Kerk, in ongeschonden eere moogt bewaren. Amen.quot;

Nu gaf de aartsbisschop tegelijk met de assistent-bisschoppen den nieuwgewijde het Evangelieboek in de hand met de woorden: • Ontvang het Evangelie, en ga en predik het aan het volk, dat u is toevertrouwd; want God is machtig, in u Zijne genade te vermeerderen. Hij die leeft en regeert van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.quot;

Daarop boden zij hem den kus des vredes aan, zeggende: »Vrede zij u;quot; en hij antwoordde: »En met uwen geest.quot;

Thans keerde de nieuwgewijde bisschop, begeleid door de assistent-bisschoppen naar zijn eigen altaar terug, en zette tegelijk met den aartsbisschop de heilige Mis voort tot aan het einde van het Offertorium. Dan begaf hij zich weer naar den consecrator en bood hem eerbiedig twee brooden, twee bekers met wijn en twee waskaarsen aan. Van dat oogenblik bleef hij met den aartsbisschop op hetzelfde altaar aan de Epistelzijde, las met hem de heilige Mis verder voort en ontving bij de Communie een gedeelte derzelfde geconsacreerde Hostie en van denzelfden kelk. Daarna plaatste hij zich aan de Evangeliezijde en bleef daar tot het einde der Mis. Alsdan ontving hij den mijter, geknield voor den aartbisschop, die het volgende gebed sprak:

»0 Heer God, almachtige Vader, wiens Goedheid steeds heerlijk en wiens Macht grenzeloos is, van wien iedere beste gave, en ieder volmaakt geschenk, en alle sieraad der schoonheid voortkomt) zegen f Gij en heilig f dezen mijter, die op het hoofd zal worden geplaatst van dezen uwen prelaat. Door Christus onzer Heer. Amen.quot;

De aartsbisschop besproeide den mijter met wijwater en zette hem Edwin op het hoofd, met de woorden:

»Wij zetten, o Heer, op het hoofd van dezen uwen prelaat en strijder den helm der beveiliging en des heils, opdat hij, de slapen

ocr page 327

versierd en het hoofd bedekt door de kracht der beide Testamenten, geducht moge schijnen in de oogen van de tegenstanders des geloofs en hun wederstaan moge als een dappere strijder door de rijke genade, die Gij hem schenkt, Gij, die het gelaat van uwen dienaar Mozes hebt verheerlijkt, zoodat het in het gesprek met u schitterde door de helderste stralen van uwe glorie en uwe waarheid; Gij, die bevolen hebt, dat een diadeem zou geplaatst worden op het hoofd van Aaron, uwen priester. Door Christus, onzen Heer.quot;'

Nadat vervolgens de handschoenen gezegend en gewijd waren, deed de consecrator den nieuwen kerkvoogd plaats nemen op den bisschoppelijken stoel, en gaf hem den kromstaf in de hand. Daarna keerde hij zich naar het altaar, en begon het gezang; »Uw hand zal gesterkt en uwe rechterhand verheven worden. Gerechtigheid en recht zijn de toebereidselen van uwen troon. Glorie zij den Vader enz.quot;

Thans weerklonken de plechtige accoorden van het »Te Deum,quot; en, vergezeld van de assistent-bisschoppen, deed de nieuwgewrde bisschop zijn eersten rondgang door de Kerk en gaf aan de menigte zijn zegen. Toen allen weer op het priesterkoor waren teruggekeerd bad de aartsbisschop aldus:

»Heer, verhoor mijn gebed.quot;

»En mijn geroep kome tot u.quot;

»Laat ons bidden. O God, Herder en Bestuurder van alle ge-loovigen, zie genadig neder op dezen uwen dienaar, dien gij hebt uitverkoren om uw Kerk te besturen; geef hem, bidden wij U, dat hij door woord en voorbeeld ten zegen zij, aan hen, over wie hij gebiedt, opdat hij met de hem toevertrouwde kudde, tot het eeuwige leven moge komen. Door Christus onzen Heer. Amen.quot;

Nu gaf de nieuwgewijde bisschop, terwijl hij alleen onder de andere prelaten zijn mijter ophield, op de volgende wijze den bisschoppelijken zegen:

• Gezegend zij de naam des Heeren.quot;

»Van nu af tot in eeuwigheid.quot;

»Onze hulp is in den naam des Heeren.quot;

ocr page 328

»Die hemel en aarde gemaakt heeft.quot;

»U zegene de almachtige God, de Vader f en de Zoon f en de heilige Geest f Amen.quot;

Nogmaals werd de vredekus gegeven en nadat het laatste Evangelie gelezen was, leidden de aartsbisschop en de andere bisschoppen den nieuwgewijde in plechtigen optocht weg.

Ten tijde, dat het diocees van Hexham in bisschop Edwin een nieuwen herder ontving, werd de kerk dier stad door de meest bevoegde kunstrechters voor een onovertroffen meesterstuk gehouden, aan deze zijde van de Alpen. Zij was het laatste en grootste werk geweest van den heiligen Wilfried, en juist deze omstandigheid gaf aan die kerk met haar klooster in de oogen van den nieuwen bisschop een nog hoogere waarde dan de schoonheid harer teekening en uitvoering. Wel wist hij ook daaraan zijn bewondering te schenken, maar veel meer rekende hij het zich een godsdienstigen plicht, niets in verval te laten komen van hetgeen door den heiligen ijver van zijn overleden vriend en vader zulk een hooge volmaaktheid had bereikt. Bisschop Edwin begon aanstonds met de visitatie van zijn diocees, vergezeld van zijn aartsdiaken en zijn kapelaan. Ook in de streken die men algemeen voor ontoegankelijk hield, of waarvan het gerucht liep, dat zij wegens de woeste zeden en het ruwe bijgeloof der bewoners vol gevaar waren, wist hij door te dringen. De bisschop was na de jaren van zijn missionaris-leven daar geen vreemdeling, en groote vreugde en dankbaarheid vervulde hem, toen hij weer herkend en met blijdschap ontvangen werd door de velen, die hij destijds bekeerd had. Met vurigen ijver trachtte hij hen te bevestigen in het geloof, op vele plaatsen stichtte hij parochiën, weinige jaren later bouwde hij kerken en godshuizen en het mocht hem op die wijze gelukken de overwinning des kruizes op de overblijfselen van het heidendom volkomen te maken. De vele en zware plichten van het bisschoppelijk bestuur konden den bisschop de vrije uren niet ontrooven, die hij zich aanstonds bij zijn intrede in het

ocr page 329

priesterschap had voorgeschreven, en waaruit hij nu sterkte putte voor zich en zijn diocees. Hij verzekerde zich zeiven zulke vrije uren door vroegtijdig opstaan en een wijze indeeling van zijn tijd. De kerkelijke gebeden werden evenals te York gezongen of gereciteerd door een reguliere gemeenschap, met dit onderscheid, dat te Hexham de leden daarvan onderhouden werden door de Benedictijner-monniken, wier abdij met de kerk, gelegen tegenover het bisschoppelijk paleis, verbonden was.

En hiermede nemen wij afscheid van onzen bisschop Edwin, die het »beste deelquot; verkoor, en met steeds grootere standvastigheid getrouw bleef aan iedere natuurlijke en bovennatuurlijke genade Gods!

ocr page 330

VII.

a n h a n I s EI

ocr page 331
ocr page 332

kÈZT lt;^7 •cA-y «cA»

■s\^gt;g\^gt;amp;quot;^gt;s\^.g\^gt;^\^vg\^quot;vg\®'vg\^vS\ggt;vg\SNv^\irv(o\jD'v(ê\Qgt;quot;\®\gN^\s\s\glt;v$\§xxS\sNgt;Qgt;\gNgt;^)\sNsS\^gt;

iVk,r\l\ciT\^el.

e ceremoniën waarvan de heilige priesterwijding vergezeld gaat, hebben sinds den tijd van ons verhaal in vele opzichten aanmerkelijke veranderingen ondergaan en zich langzamerhand ontwikkeld tot dat wonderschoon geheel, hetwelk wij thans bij deze hoogheilige handeling telkens kunnen aanschouwen. Er behoeft niet eens op gewezen te worden, dat deze uitwendige plechtigheden zijn voorgeschreven door het hoogste kerkelijke gezag, dat naar den aard en de behoeften der tijden meerderen luister weet bij te zetten aan de toediening der heilige Sacramenten. Het was misschien meer volgens de eischen eener strenge kritiek geweest, de ceremoniën der priesterwijding in dit werkje zóó te beschrijven, als zij plaats hadden in de zevende eeuw; maar dan had dit verhaal zijn doel gemist; dan waren onze jeugdige lezers vreemdelingen gebleven in het rijk der ceremoniën, zooals deze ten huidigen dage gebruikelijk zijn in Gods Kerk. Om hun onder dit opzicht een vergelijking mogelijk te maken tusschen de zevende eeuw en de onze, hebben wij uit de nasporingen van ervaren katholieke godgeleerden het volgende aanhangsel hierbij-gevoegd: I. Het Sacramentorium (Boek der Sacramenten) van den H.

ocr page 333

Gregorius den Groote, en de oude Ordo romanus (d. w. z. de verzameling van heilige gebruiken en plechtigheden uit den tijd waarop zij door den H. Gregorius werden ingevoerd) schrijven beide de zalving der handen voor bij de priesterwijding; in het laatste boek wordt er echter op aangedrongen, dat zij geschiede in den vorm van een kruis.

II. Het Sacramentarium bevat litaniën, die iets korter waren dan de tegenwoordige.

III. De derde handoplegging, waarbij de bisschop de woorden spreekt: »Ontvang den heiligen Geest,quot; dagteekent niet uit de vroegste tijden, volgens de meening van geleerde liturgisten. Het Sacramentarium vermeldt alleen de handoplegging, die door den bisschop tegelijk met de aanwezige priesters wordt verricht, en waarbij hij het gebed over de wijdelingen uitspreekt. De noodzakelijkheid van deze derde handoplegging schrijft men toe aan een kerkelijke bepaling.

IV. Het gebed op de zangwijze eener praefatie wordt ook in het Sacramentarium gevonden met een geringe afwijking. Het is ouder dan de tijd van den heiligen Gregorius.

V. De plechtigheid, waarbij de stola op den schouder van den wijdeling wordt gelegd en de woorden des bisschops, vindt men in den »Ordo.quot; Het Sacramentarium spreekt er niet van.

VI. Vóór de tiende eeuw is de hymne: »Veni Creatorquot; in het Pontificale romanum niet te vinden; wel staat zij vóór dien tijd als een gedeelte der ceremoniën reeds aangegeven in het rituale van verschillende afzonderlijke kerken.

VII. De oude Ordo romanus schrijft voor: het overreiken van den kelk met wijn en de pateen met brood. Het Sacramentarium zwijgt daarover. Ook latere ritualen vermelden hieromtrent niets. De noodzakelijkheid dezer ceremonie kan dus slechts verklaard worden door een gebod der Kerk.

VIII. Volgens oud gebruik ontving de bisschop bij het begin der heilige Mis gaven van het volk, welke deels geofferd, deels tot onderhoud der geestelijkheid besteed werden. De kaarsen, door

ocr page 334

de wijdelingen den bisschop aangeboden, kunnen beschouwd worden als een voortzetting van dit gebruik.

IX. Reeds lang is het in de Grieksche, zoowel als in de La-tij nsche Kerk de gewoonte geweest, dat de pas gewijde priesters, met de bisschop de heilige Mis medelazen. Uitdrukkelijk wordt dit vermeld in de overoude verzameling van canons en consiituties, die men aan de apostelen heeft toegeschreven : gt;Daarna bad de bisschop in stilte tegelijk met de priesters.quot; Boek VIU. Gap. 12.

X. De oude ritualen zwijgen over de geloofsbelijdenis. Het Goncilie van Toledo schijnt deze voor het eerst in 675 te hebben ■voorgeschreven, evenals de afzonderlijke belofte van gehoorzaamheid der geestelijken aan den bisschop, en van deu bisschop aan den métropolitaan.

Over de iu ij ding der Bisschoppen.

I. Gedurende meer dan twaalfhonderd jaren hooren wij niet de vraag stellen naar een schriftelijke volmacht van den Paus. De benoeming der bisschoppen was toen nog niet overgedragen aan den Stoel van Rome.

II. Volgens een oud gebruik was de Zondag aangewezen voor de bisschopswijding, en begon de plechtigheid gewoonlijk reeds vroeg in den morgen. De consecratie had plaats in de kerk van den benoemden bisschop.

III. In geen rituaal wordt er melding gemaakt van een afzonderlijk altaar voor den gekozen bisschop of electus. Dit schijnt in zwang gekomen te zijn, toen deze het heilig misoffer begon op te dragen tegelijk met den consecrator.

IV. Vroeger werd deze vraag: »\Veet gij, dat hij het waardig is?quot; ook aan de bisschoppen gesteld; thans blijft zij achterwege, wijl iedere bisschop zijn wijding ontvangt krachtens een bevelschrift van Rome.

V. De belofte van gehoorzaamheid van den bisschop aan den

d. z. H. s. 20

ocr page 335

oppersten bisschop van Rome schijnt te dagteekenen van het jaar 450. De eed van trouw werd er eerst aan toegevoegd in de elfde eeuw onder Gregorius VII. De noodzakelijkheid van deze bepaling moet gezocht worden in de tijdsomstandigheden.

VI. Het doel der verplichte reis der bisschoppen naar Rome (ad limina apostolornm), is, rekenschap af te leggen van hun bisschoppelijk bestuur. Deze verplichting was het noodzakelijk gevolg van een verandering in de kerkelijke regeltucht, waarvan wij reeds melding maakten, toen nl. de macht om bisschoppen te benoemen, voorbehouden bleef aan den heiligen Stoel.

VII. Het was steeds een onveranderlijke regel, dat bisschoppen slechts onder de heilige Mis geconsacreerd zouden worden. In de Ordo romanus was de gelezene Mis niet die van den dag, maar een andere, bijzonder bestemd voor zulke gelegenheden, üp vele plaatsen was het de mis sa de spirilu sancta.

VIII. Het gebed: »Zeer geliefde broeders,quot; vindt men, wat den inhoud betreft, in het Sacramentarium; daarin komt ook de litanie voor.

IX. De plechtigheid, waardoor het Evangelieboek op het hoofd van den electus wordt gelegd, is uit overoude tijd. Daarvan spreken de apostolische canons met de woorden: gt;Terwijl de bisschoppen en de priesters in stilte bidden en de dekens de geopende Evangeliën liggen op het hoofd van hem, die gewijd wordtquot; enz. Boek VIII Cap. 4-

X. Omtrent de plechtigheid van de handoplegging van een ieder, die tot bisschop werd gewijd, kan niet de minste twijfel de-staan. Echter heeft het sacramentarium niet het formulier: «Ontvang den heiligen Geest.quot;

XI. Ook in den ordo en in het sacramentarium vindt men het gebed: »Wees, o Heer, onze smeekingen genadig,quot; en eveneens in den vorm eener praefatie.

XII. De zalving der bisschoppen bij hunne wijding is geheel volgens het oude rituaal. Zij werden op het hoofd gezalfd met gewijd Chrisma, aan de handen met heilige Olie,

ocr page 336

XIII. In de ordo romanus vindt men vermeld de overhandiging van den ring en den staf. Deze ceremonie, die na de wijding plaats heeft, is het symbool der reeds geschonken macht. Omtrent overgave van het Evangelie-boek aan den bisschop zeggen de oude ritualen niets.

XIV. In de vierde eeuw wordt melding gemaakt van een offerande van den nieuwen bisschop aan zijn consecrator. Zij be-bestond uit dezelfde gave, als heden ten dage. Volgens den ordo romanus schijnt het, dat de nieuwe bisschop, na met zijn consecrator aan het heilig offer te hebben deelgenomen, zooveel van de geconsacreerde gedaanten ontving, als voldoende was, om gedurende veertig achtereenvolgende dagen te kunnen communicee-ren. Dat schijnt ook het doel te zijn geweest van het offer van brood en wijn.

XV. Het gebruik van den mijter bij de plechtigheid der bisschopswijding klimt, voor zoover wij weten, op tot de tiende eeuw. De Ordo spreekt van de handschoenen des bisschops.

XVI. De plechtigheid, den bisschop op zijn zetel te doen plaats nemen, is zeer oud, en maakte vroeger een aanzienlijk deel uit der geheele ceremonie. Op vele plaatsen werd hij; onder het vreugdegejuich zijner kudde door den adel van het diocees rondgedragen.

XVII. Omstreeks het begin der elfde eeuw vinden wij den lofzang »Te Deumquot; aangegeven als een gedeelte der wijdings^ plechtigheden. Het is echter waarschijnlijk dat hij reeds lang voor dien tijd werd gezongen.

XVIII. Het zeer oude werk, genaamd; »De constituties der Apostelen,quot; bevat, met een geringe afwijking, het formulier, waarmede dé nieuwe bisschop zijn kudde zegende.

XIX. De zegewensch: »ad rnultos annosquot; is zeer oud; wij hooren dien reeds ten tijde van den heiligen Augustinus. Ook werd hij gebruikelijk bij de sluiting van Conciliën, ,

ocr page 337

êctotc JCoojddu-d.

Nauwelijks had de zon op een vroegen October-morgen haar eersten goudglans geworpen op de koepels en torens van het Christelijk Rome, of twee engelsche jonge dames met hun Italiaan-sche dienstbode traden' de Chiesa de Gesu i) binnen en knielden neer bij den biechtstoel van pater Gower. Er verliep een uur — en de meisjes naderden het hoogaltaar om met een groote menigte godvruchtige geloovigen het Brood des levens te ontvangen. Daarop werd een tweede heilige Mis van dankzegging gehoord — en Constantia en Camilla verwijderden zich zwijgende met hun begeleidster door het steeds toenemende gedrang van aanbiddenden en verlieten dit Godshuis, waar in den volsten zin des woords iedere knie zich buigt in den naam van Jesus. Weldra hadden zij weer de Piazza dei Santi Apostoli 2) bereikt en daarmede ook hun tijdelijke woning.

Deze dag werd, wat het uiterlijke betreft, doorgebracht als iedere andere; op de godvruchtige oefeningen van den morgen volgde studie- en kunstgenot, daarna een vroolijke rijtoer, een bezoek aan goede vrienden, veelbelovende plannen voor de volgende dagen, scherts van oud en jong, gulle scherts, die niet wondde, scherts uit harten even zuiver en blij als de zilveren stralen der fonteinen in hunne nabijheid. Ten slotte wachtte hen een meer godsdienstige vreugde, toen zij op hun terugkeer naar het palazza langs de kerk reden, die wij zooeven hebben genoemd. De met sparregroen bestrooide trappen, de tallooze bezoekers, de kwistige versiering en de zee van waslicht gaven duidelijk het voorrecht te kennen van dit heiligdom boven al de andere kerken der eeuwige Stad. Daar konden de geloovigen den vollen aflaat verdienen gedurende de acht en veertig uren, dat het allerheiligste Sacrament op het altaar ter aanbidding was uitgesteld. En weer waren Constantia en Camilla aan elkanders zijde in de onmiddellijke tegen-

x) Kerk van Jesus. —

a) Plein der HH. Apostelen.

ocr page 338

woordigheid Gods, en weer stortte ieder van beiden haar dankbaar hart voor God uit, óók daarom, wijl Hij hun op dezen dag door den mond van hun geestelijken leidsman Zijn heiligen Wil had doen kennen omtrent hun toekomstigen levensstaat.

Maar het wordt voor hen hoog tijd, zich naar huis te spoeden; want reeds heeft het »Ave Mariaquot; geluid, en alwie spoedig na, misschien reeds vóór dit teeken binnenshuis moet zijn, tracht in allerijl de wet der heilige Stad te vervullen; en langs of dwars over het Corso rollen de koetsen, en vrouwelijke wandelaars stappen haastig voort naar hunne woningen, en bedelaars doen een laatste beroep op de weldadigheid, en in de straten die even te voren eenzaam en verlaten schenen, wordt het woelig en luidruchtig, en midden door dat gewemel vliegt het open rijtuig van mevrouw Eddington met haar kleindochters Constantia en Camilla naar huis. Het was het streven dezer eerbiedwaardige dame, niet slechts door den invloed van haren hoogen stand, maar ook in de kleinere bijzonderheden van het dagelijksche leven een leerrijk voorbeeld te geven, en te toonen, hoe zij bijna tachtig jaren lang een christelijk, godvruchtig leven had geleid.

Constantia en Camilla, de beide zusters, hadden zoo den geheelen dag met elkander doorgebracht, maar beiden bewaarden hun geheim zorgvuldig voor zich zeiven; want het ligt in de natuur van den mensch — al is zijn aarzeling overgegaan in een vast besluit — niet aanstonds die verandering te laten blijken. Bovendien hoorde ieder van hen in haar binnenste een stem, dat de keuze van haar zuster verschillend was van de hare. Zij bewoonden eenzelfde kamer, die door een groot scherm in tweeën was gedeeld; en na een gezelligen avond te midden van den vriendenkring hadden zij zich in hun eenzaamheid teiuggetrokken, om zoolang door te brengen in gebed en overweging, totdat zij in slaap vielen. Camilla opende echter voordat zij de lamp uitdeed, een vleugel van het scherm en zeide:

• Goeden nacht, Constantia.quot;

«Goeden nacht, Camilla.quot;

ocr page 339

sConstantia, hebt gij mij niets te zeggen?quot;

»En gij niet aan mij, Camilla?quot;

«Ik heb grootmoeder nog niet gesproken.quot;

»Ik ook niet.quot;

»Nu dan, goeden nacht 1quot;

«Goeden nacht!quot; En beiden zonderden zich af om met God alleen te zijn.

Toen zij den volgenden dag uit de kerk van de Jesuïten terugkeerden, verzocht de grootmoeder hen, zich gereed te maken, om voor het eerst te zitten voor hun levensgroote afbeelding in olieverf, een verrassing, die mevrouw Eddington reeds lang voor haar kleinkinderen bereid had; zij liet een voortreffelijk kunstenaar ontbieden, om beiden op hetzelfde doek af te schilderen.

»Men heeft mijne kleindochters,quot; voegde zij erbij, som hun sprekende gelijkenis reeds zeer dikwijls voor tweelingen gehouden; maar dezequot; — hier wees zij op Constantia, — „is ongeveer een jaar ouder, en misschien bemerkt gij in de uitdrukking van haar gelaat evenals ik een klein verschil tusschen haar en haar zuster, vooral als zij beiden over een of ander nadenken.quot;

Nu maakte de kunstenaar met het houtskool een lichte schets van de beide zusters, en verzocht deze tehuis te mogen afwerken, eer hij met het schilderstuk zou beginnen. Tevens vroeg hij, of mevrouw op het doek niet een symbool wenschte, dat aan de muziek, de schilderkunst of een of andere lievelingsstudie herinnerde en waardoor het schilderstuk vooral voor familie en vr.enden nog ia waarde zou stijgen.

gt;Zij zijn beiden muzikaal,quot; hernam mevrouw Eddington, gt;van poësie en schilderkunst houden zij zeer veel; gij kunt deze zinnebeelden daarom zonder overdrijving aanbrengen; intusschen heb ik altijd verlangd een meer geheiligde voorstelling van mijn Constantia en Camilla te hebben — ik bedoel, dat zij bijvoorbeeld in een kerk of in een kapel werden afgebeeld, of dat zij voorgesteld werden als die personen uit de heilige Schrift waarmede ik hen het best vergelijken kan. Een van hen heb ik reeds vergeleken

ocr page 340

met de sterke vrouw van wie het Boek der Wijsheid spreekt, maar dat idee bevalt mij niet om hetgeen er uit volgt; want dan moeten wij voor haar zuster een nieuw, een minder karakter uitdenken. Ook heb ik aan de heilige Zusters uit het Evangelie gedacht, maar daar stuit ik weer op dezelfde moeielijkheid, dat een mijner kleinkinderen voorgesteld zou moeten worden als meer begenadigd door den Goddelijken Meester dan de andere; ten laatste ben ik half tot bet besluit gekomen — maar ik wil eerst uw oordeel daarover hooren — dat oogenblik te kiezen uit de geschiedenis van Martha en Maria, waarop zij door hun Heer in gelijken graad begenadigd worden. Ik bedoel namelijk, toen Martha na den dood van Lazarus reeds met Hem gesproken had en terugkeerde naar Maria, die met vertrouwen hoopte op de wonderkracht van den Heer van leven en dood. De woorden van den Evangelist — ge zult u dit zeker herinneren — luiden aldus; „Zij (Martha) ging heen, riep in stilte haar zuster en sprak: De Meester is daar en roept u.quot;

Terwijl mevrouw Eddington deze woorden aanhaalde, sloeg de kunstenaar een onderzoekenden blik op de gelaatstrekken der beide zusters. Hij geloofde te kunnen bemerken wie van beiden Maria was, en wie Martha; maar dit gelukte hem niet, want hun volkomen gelijke opvoeding en de zachte uitdrukking van den zeventien- en achttienjarigen leeftijd deed hen beiden even geschikt schijnen voor het werkdadige als voor het beschouwende leven. Eer hij echter het vertrek verliet, had een tweede blik op Camilla de vraag opgelost, en hij beloofde, binnen eenige dagen met de teekening volgens de opgaven van mevrouw terug te zullen komen. Nog vóór dien dag hadden de beide kleindochters eerst aan hun grootmoeder, daarna aan elkander het geheim huns harten medegedeeld, de keuze, die zij volgens den raad van hun geestelijken leidsman voor de toekomst hadden gevormd. De eerbiedwaardige oude dame bevestigde deze keuze door haar volle toestemming en sprak tot de oudste: »Lieve Constantia, moge de almachtige God u getrouwheid en kracht geven, om uw eigene zaligheid te be-weiken, gelijk uwe moeder dit heeft gedaan, zoolang zij op de

ocr page 341

wereld leefde, en tevens het werktuig te worden tot Zijne meerdere eer in het goede voorbeeld en de leeringen, welke gij aan anderen schenken zult — om hen te winnen voor Zijne liefde en Zijnen dienst, en waardig te worden eens van uwen hemelschen Vader de woorden te vernemen: »Welaan, goede en getrouwe knecht, treed binnen in de vreugde uws Heeren!quot;

Daarna omhelsde mevrouw Eddington Camilla, zag haar hartelijk in het gelaat en glimlachte.

• Grootmoeder,quot; sprak deze, ook glimlachende, terwijl hare oogen vol tranen stonden en haar wangen met een lichten blos gekleurd waren, »gij zult niet verbaasd zijn, welke keuze wij ook gedaan mogen hebben, want gij schijnt onze harten altijd beter te kennen dan wij zeiven; daarom geloof ik, dat gij, voor wij u er over spreken, reeds ontdekt hebt....quot;

»Dat Hij, die machtig is, groote dingen aan u heeft gedaan, en dat Zijn naam heilig is,quot; ging mevrouw Eddington voort. gt;Maar laat mij u mededeelen, lieve kinderen, dat het geheim mijner wetenschap niet bestaat in een openbaring, maar in de ondervinding. Niet uit een droomgezicht heb ik leeren kennen, dat Con-stantia den huwelijksstand, Camilla den maagdelijken staat heeft uitverkoren. Gij weet, dat uwe geliefde moeder niet mijn eenige dochter was; zij had nog een oudere zuster, die door haar vroomheid van kindsbeen af blijk gaf van roeping tot den kloosterlijken staat, terwijl daarentegen mijn jongste dochter, op wie Constantia sprekend gelijkt, even duidelijk die gaven aan den dag legde, welke God verleent aan hen, die Hem in de wereld moeten dienen.quot;

»En wat zijn dat dan voor gaven?quot; vroeg Constantia rieuws-gierig, terwijl Camilla van ontroering geen woord kon uitbrengen.

•Vooreerst,quot; antwoordde mevrouw Eddington, »een onwankelbare overtuiging, dat men dien stand heeft gekozen, welken God van alle eeuwigheid voor ons heeft bestemd — dan, een trouwe waakzaamheid om zoo volmaakt mogelijk de plichten te vervullen van ,een sacramenteelen levensstaat, en ten derde dat zwijgen der

ocr page 342

hartstochten, dat de volharding voor ons gemakkelijker maakt en ons het vertrouwen van anderen verzekert.quot;

Kier werd het gesprek onderbroken door de komst van den kunstenaar; maar mevrouw Eddington liet nog dienzelfden avond den verderen loop aan den gedachtengang dien zij had begonnen en raadpleegde een bejaard geestelijke, die het grootste belang stelde in hare geestelijke belangens en die harer familie.

ilk weet niet, waarde mevrouw,quot; sprak hij, »of ik juist oordeel, maar na een langdurig nadenken over de roeping tot dezen of genen staat, kom ik tot het besluit, dat, waar de roeping tot den huwelijken staat aanwezig is, de godsvrucht der vrouw zich moet kenmerken door de volgende eigenschappen; ten eerste, haar liefde tot God moet veel meer gelijken op de verhouding van een kind tot zijn vader, dan op die van een bruid tot haren bruidegom; verder moet zij zich meer tot Zijn Goddelijke eigenschappen aangetrokken gevoelen, dan tot Zijn heilige menschheid, daar deze laatste aard van godsvrucht haar hart gedeeltelijk koud laat en, krachtens een natuurlijk gevoel haar niet alleen toestaat, maar zelfs gebiedt — haar liefde ook te schenken aan een schepsel. Ten laatste : daar alles wat God wil, volmaakt is, verleent Hij genade — bijzondere en krachtige genade, die verhindert, dat deze liefde overslaat tot een afgodische genegenheid, en haar ondergeschikt houdt aan die liefde, welke Hij voor zich zeiven vordert. Het hart moet pijn lijden ter wille van de trouw, die het aan deze genade verschuldigd is, aan ieder ingrijpen der menschelijke liefde in de rechten der Goddelijke liefde weerstaan, en niet alleen wat betreft de neigingen als echtgenoote, maar ook en wel bijzonder als moeder; want die laatste neigingen hebben misschien meer ontrouw jegens God veroorzaakt dan de eerste.quot;

»Dat begrijp ik zeer goed,quot; zeide mevrouw Eddington; gt;want het hart waakt veel minder tegen de zuivere en heilige verhouding van de moeder tot haar kind, en geraakt daarom onwillekeurig op een dwaalspoor.

Wat uwe opmerking betreft omtrent het verschil in de wijze

ocr page 343

van God lief te hebben, moet ik bekennen, eerwaarde heer, dat zij mij verrast heeft; want wel heb ik nooit het onderscheid zoo scherp ingezien, maar toch ben ik reeds voor eenige jaren, door mijn eigen kinderen, de moeder en de tante van deze meisjes, zorgvuldig gade te slaan, bijna tot hetzelfde besluit gekomen. Constanlia, de oudste mijner kleindochters, heeft van haar prilste jeugd af evenals haar moeder die heilige vreeze Gods getoond, die het begin der wijsheid is die ook onafscheidelijk samenhangt, met hetgeen gij de kinderlijke neiging tot God noemt. Haar karakter is kracht en standvastigheid tegelijk met een groote welwillendheid. Zij bemint mij en acht mij hoog, en gevoelt, dat zij naast God gehoorzaamheid verschuldigd is aan mij; maar buigzaamheid of toegeefelijkheid kent zij niet, mij uitgenomen, gevoelt zij zich bijzonder getrokken tot diegenen, tegenover wie zij zich eenigszins genadig betoonen kan. Haar jongste zuster, haar dienstmeisje, de armen, zij zijn verzekerd van haar opreshte toegenegenheid. Al degenen, die ik haar bij het beperkt aantal onzer vreemde kennissen tot vriendinnen heb gegeven, zijn of in jaren of in stand haar minderen; tegenover deze allen gedraagt zij zich zonder eenig teeken van haar meerderheid te doen blijken, maar steeds met het rustige gevoel van een innerlijke kracht, die geen ondersteuning van anderen behoeft, en met een welwillendheid, die ten doel heeft anderen met alle kracht te troosten en te helpen.quot;

»Maar,quot; bracht de eerwaardige prelaat hier tegen in, tals de kracht en de standvastigheid van haar karakter zoo groot zijn, dat zij in staat is, anderen te ondersteunen, zonder hun bijstand of hunne deelneming te behoeven, hoe zal zij dan de drukkende verplichtingen van het huwelijk kunnen dragen ?quot;

»Zij zal haren echtgenoot achten en gehoorzamen, evenals zij mij acht en gehoorzaamt,quot; antwoordde mevrouw Eddington, »want zij beschouwt zijn gezag als een gave hem door den Hemel ga-schonken; en daar hij nu alleen op haar gehoorzaamheid aanspraak zal maken, terwijl zij misschien te bevelen zal hebben over veel kinderen en dienstboden, zie ik haar bewustzijn van eigen kracht

ocr page 344

zonder eenige bezorgdheid aan, ja zelfs met een dankbare vreugde.quot;

ïKomaan, dan zou zij uitstekend geschikt zijn voor abdis,quot; zeide de eerwaarde geestelijke lachend.

«Voorzeker, onder verschillende opzichten,quot; antwoordde mevrouw Eddington; «maar de roeping ontbreekt, en daarom dank ik God, dat zij nooit heeft toegegeven aan aarzelingen of scrupulen omtrent een vermeende roeping tot den kloosterlijken staat. Eenige maanden geleden heeft zij met allen ernst over dit punt nagedacht en vurig Gods verlichting afgebeden, maar thans heeft zij op aanraden van haren geestelijken leidsman die gedachte voor goed uit haren geest verbannen.quot;

»Als dit het geval is,quot; zeide de prelaat, «dan, mevrouw, zou ik u een verbindtenis willen voorslaan, die volgens mijne meening volkomen beantwoordt aan uwe vrome bedoelingen met onze jeugdige vriendin. Ik bedoel met de edele familie Casano, met den jongen vorst, met wien geheel Rome geweend en geleden heeft.

»Ook wij hebben met hem geweend engeleden,quot; antwoordde mevrouw Eddington, »en wij schatten deze vrome en adellijke familie zeer hoog, maar Constantia zal nooit huwen met een weduwnaar.quot;

Op dit oogenblik trad Constantia de kamer binnen, maar daar zij bemerkte, dat haar grootmoeder een ernstig onderhoud had, zou zij zich aanstonds weer verwijderd hebben, hadde men haar niet uitgenoodigd te blijven en aan den verderen loop van het gesprek deel te nemen.

Ö wccdc JCoo jxituft.

»Gij wilt dus niet met een weduwnaar huwen, mijn kind fquot; zeide mijnheer Voldoni tot Constantia.

»0 grootmoeder!quot; — dat was alles wat zij kon antwoorden.

»Juist,quot; ging de prelaat lachende voort, «grootmoeder zal mij wel uitleggen waarom, en gij moet maar tusschenbeide komen, wanneer zij iets zegt, waar gij niet ten volle mede instemt.quot;

ocr page 345

»Heb ik dan laatst van u zelf niet vernomen,quot; zeide mevrouw Eddington, »dat het huwelijk, om onder alle opzichten een volmaakt Sacrament te zijn, slechts gesloten kan worden tusschen zulke personen, die nog nimmer door huwelijksbanden verbonden waren; dat de Kerk, ten bewijze, dat zij de tweede huwelijken wel is waar niet afkeurt, maar ook niet aanmoedigt, slechts bij het eerste huwelijk den bruidszegen schenkt? Toen ik dit nu aan Con-stantia mededeelde, riep zij uit: dat zij nooit zou instemmen met iets, waardoor de volmaaktheid van dit Sacrament gevaar zou loopen.quot;

«Voorzeker,quot; antwoordde de prelaat, »de volmaakte afbeelding van Christus en Zijn Kerk is slechts te vinden in het eerste huwelijk. Daar dit geheim, deze sacramenteele vereeniging onverbreekbaar is, en door geen ontrouw of slecht gedrag der echtge-nooten kan worden ontbonden, is slechts de dood van een der partijen in staat, aan de andere gelegenheid te schenken tot een tweede huwelijk.quot;

»Maar,quot; zeide Constantia, »daar de gemeenschap en de harmonie tusschen de beide zielen door deze scheiding niet wordt verbroken, duurt ook de sacramenteele vereeniging gedeeltelijk voort, nietwaar? dus moet zij ook, in zooverre zij voortduurt, aan de volmaaktheid der tweede verbindtenis in den weg staan, en verhinderen, dat deze sacramenteel is, niet waar ?'

»Het tweede huwelijk is allerzekerst een sacrament,quot; zeide de eerwaarde heer Boldoni, »als op den vorm en de materie niets valt af te dingen en de beide partijen een godvruchtige bedoeling hebben. Maar toch kan ik uw besluit, dien staat zoo volmaakt mogelijk te willen intreden, niet afkeuren. Integendeel, ik prijs uwe gezindheid des te meer, wijl gij op die wijze bereid zijt, afstand te doen van den rijkdom en den glans, die gewonnen kunnen worden door een hart, dat minder vast in God gegrondvest is. Heil u, mijn kind! Blijf steeds getrouw aan uwen naam, Constantial'' i)

i) Constantia beteekent: standvastigheid.

ocr page 346

»Lief kind!quot; zeide mevrouw Eddington, toen de prelaat zich verwijderd had, »daar gij zoozeer vasthoudt aan de volheid van het sacrament, moet gij het ook uw plicht rekenen, u in alles te voegen naar de verlangens der heilige Kerk. Gij weet bijvoorbeeld zeer goed, dat gij, zoolang gij minderjarig zijt, zonder mijn volle toestemming niet kunt huwen; verder weet gij ook, naar ik hoop, dat aan een verbindtsnis met de familie Sunderland niet te denken valt, daar gij met hen in een verboden graad van aanverwantschap staat. O Constantia, verzeker mij, dat dit beletsel u geen pijn doet, en dat gij de broederlijke goedharngheid van een jongen man slechts met de dankbaarheid van een zuster hebt beantwoord.quot;

Constantia hield den scherpen blik van haar grootmoeder zonder verlegenheid of ontroering uit en antwoordde: »lk zou zoo gemakkelijk niet te winnen zijn. Maar bovendien als Harry Sunderland voor iemand genegenheid gevoelt, dan is het voor Camilla.quot;

»Welaan, dan is het goed,quot; zeide mevrouw Eddington; »want Camilla is tot een hoogere bruiloft geroepen, en Harry moet zich een vrouw zoeken, die niet valt onder de verbodsbepalingen der heilige Kerk.quot;

»Wees er van verzekerd, grootmoeder,quot; ging Constantia voort, gt;dat ik met de genade Gods standvastig alles zal vermijden, wat strijdig zou kunnen zijn met het ontvangen van het sacrament des huwelijks in zijn geheele volheid. Hoogst ongaarne zou ik gebruik maken van een huwelijksdispensatie in een verboden graad, maar toch liever dit, dan met een weduwnaar huwen en zoo den bruidszegen verliezen.quot;

»Die uitdrukkingen, Constantia,quot; zeide de grootmoeder, gt;zijn te sterk. Wat de Kerk binden kan, kan zij ook ontbinden; en op hetgeen zij meent te kunnen toestaan, mag door niemand kritiek worden uitgeoefend.quot;

»En toch, grootmoeder,quot; zeide Constantia, »zie ik aan uw gelaat, dat gij u inwendig verlicht gevoelt, door mijn verklaring omtrent vorst Philips Casano en neef Harry.quot;

»Zeker, mijn kind, het zou mij volstrekt geen genoegen doen,

ocr page 347

als gij op een van deze beide verbindtenissen wildet aandringen.quot;

»En alles wat u geen genoegen doet, wil ook ik niet,quot; voegde Constantia er glimlachende bij.

Volkomen tevreden met deze verklaringen sprak mevrouw Ed-dington thans niet verder over de zaak; maar na verloop van eenige maanden moest deze noodzakelijk weder ter sprake komen, daar Constantia, zonder het zelf te weten, de aandacht had getrokken van een landgenoot, wiens familie door mevrouw Eddington hoog werd geacht en wiens keuze haar volkomen goedkeuring wegdroeg. De eenige vraag, die ter beantwoording overbleef, was de toestemming van onze heldin. Na de liefderijkste wenken van haar grootmoeder en na rijpe beraadslagingen met haren geestelijken leidsman, was de oplossing voor den jongen man allergunstigst, want, te oordeelen naar alles wat zij zag en hoorde, hoopte Constantia in mijnheer Richard Falconer een trouwen medgezel te vinden op den tocht naar het hemelsch Vaderland.

Het schilderstuk, voorstellende de beide zusters, was eindelijk geheel afgewerkt tot volkomen tevredenheid zoowel van den meester zeiven als van mevrouw Eddington — 't was een zeldzaam kunstwerk ! Op den achtergrond die beschenen werd door een sterk licht, hetwelk haar gelaat en geheele persoon bestraalde, lag Camilla in de knielende, overwegende houding van Maria uit het Evangelie; haar kleedij en de voorwerpen harer omgeving deden echter niet denken aan de groote boetelinge, maar gaven duidelijk een engelsch meisje uit den hoogen stand te aanschouwen, dat door een bijzondere genade geroepen was, reeds hier op aarde in haar hemelsch vaderland te leven. Men zag het gedeelte van ten orgel, en een zwaar boek, dat naast haar lag opengeslagen, vertoonde een rijkdom van kleuren en teekeningen, zooals de kunstvaardige handen der kloosterlingen uit de middeneeuwen ons die hebben nagelaten. Zij hield haren blik opgeslagen naar een kruisbeeld dat voor haar hing, en de kunstenaar was zoo gelukkig geweest een van die snel verdwijnende maar telkens terugkeerende .stralen der Goddelijke Liefde op te vangen en in verven op het

ocr page 348

doek te brengen, die van tijd tot tijd het gelaat der hemelsche bruid verhelderden.

Op den voorgrond stond Constantia. Haar uitdrukking en houding was die van iemand, die na rijp beraad en ernstig gebed, manmoedig opstaat tot handelen. Om haar in scherper tegenstelling te brengen met haar zuster en de moeielijkheid te overwinnen van een bijna volkomen gelijkenis van wezen, had de kunstenaar het oogenblik uitgekozen, waarop zij volgens het verlangen van haar grootmoeder mijnheer Boldoni de volgende woorden uit het Boek der Spreuken had voorgezongen: jgt;Zij gaf acht op haar huis, en at haar brood niet in ledigheid. Haar kinderen treden vooruit, en prijzen haar gelukzalig; en haar echtgenoot, hij verheft haar. Vele dochteren hebben zich rijkdommen verzameld; maar gij hebt hen allen overtroffen! Bedriegelijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid: een vrouw, die den Heer vreest, zal geloofd worden. Geeft haar van de vrucht harer handen: hare werken moeten haar loven in de poorten. Alleluja !quot;

De kunstenaar had tot nog toe eenige ondergeschikte gedeelten van het schilderstuk afgewerkt. Het portret van Constantia naderde zijn voltooiing, het wachtte op de laatste penseeltrekken van den meester, en mijnheer Nino had gedurende het vrome gezang met opzet het oogenblik afgewacht, waarop het schoone gelaat der zangeres de uitdrukking zou aannemen, die hij op het doek wenschte weer te geven. »Zeer schoon, mijn kind, zeer schoon,quot; zeide mijnheer Boldoni, «en ik geloof, dat gij met prophetische stem uw eigen lof hebt gezongen.quot; »0, eerwaarde heer,quot; riep Constantia nu sterk ontroerd uit; »God geve, dat ket zoo zij! Ja, ik wil treden in de voetstappen mijner zalige moeder en mijner grootmoeder, Hem dienen gelijk zij Hem gediend hebben, opdat ik met hen naar waarheid moge zingen: »Alleluja 1quot; Bij dit laatste woord van Constantia werd de laatste lichtgloed op het doek geworpen. Daar stond zij nu als een ware christin die in onbevlektheid voor God, den Vader, die weezen en weduwen bezoekt in hun droefheid en zich zeiven onbesmet bewaart van deze wereld.

ocr page 349

— 320 —

Niet lang na de verloving van Constantia met mijnheer Richard Falconer kwam haar nicht, eertijds Emilie Sunderland, thans mevrouw Dulmore, naar Rome. Constantia, wier geest vol was van haar toekomstige plichten, verheugde zich over het goede voorbeeld, hetwelk zij verwachtte van een persoon, die zij liefhad, en wier jeugd de navolging van dal voorbeeld voor haar des te gemakkelijker maakte.

Emilie was vier jaren gehuwd, en nog slechts twee en twintig. Zij had een sterk en levendig karakter, was uitstekend gevormd en allerhoffelijkst in den omgang. De wereld had haar warm en edel hart niet bedorven, en de liefde tot haar familie niet verzwakt. Integendeel, na een afwezigheid van vier jaren scheen het wederzien haar toe als een oase te midden der woestijn. De eene dag verliep na den anderen, en de aantrekkelijkheid van den familiekring werd voor Emilie steeds grooter. Haar zoontje, dat zij met groote vreugde wederzag, was het volmaakte evenbeeld van haren broeder Harry. Haar dochtertje — de eerstgeborene — was de sprekende gelijkenis van Constantia en Camilla. Haar familie gevoelde zich allergelukkigst, maar.... waar bleef gedurende al dien tijd de arme mijnheer Dulmore ?

Gedurende de eerste week van hun aankomst hadden de bloedverwanten zijner echtgenoote hem bijna niet gezien, ja zelfs zijn wegblijven nauwelijks bemerkt; men wist immers, dat hij in Rome bekenden had, en Emilie sprak er met geen woord over, dat hij zich niet bij zijn vrouw en kinderen vertoonde in het huis zijner tante. Maar mevrouw Eddington, die in stilte met scherpen blik het geluk van Emilie gadesloeg, vreesde, dat ook hier schijn mocht bedriegen, en wachtte nog slechts op eenige gelegenheden, om zekerheid te verkrijgen, of de jonge vrouw niet alleen of tenminste grootendeels de schuld droeg van hetgeen zij in 't geheim gevoelden. Zij ontdekte, dat Emilie zich tegenover haren man geraakt en terughoudend betoonde, zonder echter de aanleidende oorzaak daarvan te kunnen gissen. Het is waar, mijnheer Dulmore was eenigszins onbehouwen, en zijn manieren, hoewel steeds fatsoenlijk.

ocr page 350

waren juist niet hoogst beschaafd te noemen; hij kon de bevallige schranderheid en de veelzijdige kennis, die zijn levenslustige Emilie sierden, niet begrijpen, veel minder waardeeren — en zij had ten laatste, helaas, een weerzin opgevat tegen de minder fijne scherts en de telkens terugkeerende «kostelijke geschiedenissenquot; van haar prozaïschen echtgenoot. Constantia begon, even goed als mevrouw Eddington, te bespeuren dat Emilie tegenover dergelijke scherts en geschiedenissen zich trachtte te verweren door een menigte onderbrekingen, en bij gebrek aan deze hulpmiddelen, zich poogde te redden door een bedekte vlucht; het bedroefde haar, dat Emilie als vrouw op zulk een wijze haar teleurstelling te kennen gaf over iets, wat zij als bruid in hare liefde had voorbijgezien.

Op zekeren dag had mijnheer Dulmore het middagmaal bij hen gebruikt, en na afloop daarvan had Emilie zich verwijderd. Constantia ging haar opzoeken, en vond haar schreiende. »Als dat nu de vrucht is van een vierjarig huwelijk, Emilie,quot; sprak zij, »hoe verstandig is onze Camilla dan geweest met haar keuze 1quot;

»Ach,quot; was het antwoord, «beoordeel het huwelijk toch niet naar mijn toestand; ik heb verdriet, om redenen, die op u, Constantia, geen invloed zouden uitoefenen; en zelfs in dat geval zoudt gij mijn kruis met uw gewone geestkracht dragen. Ook als ik grooteren moed bezat, zou ik evenals de beste menschen, toch mijn zwakke zijden hebben, maar thans wordt ik juist gewond in de meest gevoelige deelen mijns harten.quot;

»Nu,quot; zeide Constantia, »dat schijnt iedere waarachtige beproeving te doen; want beproevingen zijn op zich zelf niet zoo zwaar, als juist de manier en de wijze waarop zij op ons werken, als zij ons tot kastijding of tot zuivering worden overgezonden.quot;

«Dat alles is waar, geleerd nichtje,quot; antwoordde Emilie, »zoo waar als al hetgeen uit den biechtstoel van pater Gower komt. Ik veronderstel ten minste, dat ook gij deze wijsheid daar geput hebt. Maar juist op dit oogenblik ben ik zoo vrij met hem van gevoelen te verschillen. Hij kan mij thans niet van dienst zijn. Gedurende mijn verblijf te Rome moet ik mij van een anderen leidsman voor-

D. Z. H. S. ai

ocr page 351

zien; als ik echter intusschen mijn hart eens wil uitstorten, ga ik naar tante. Jal in mijn beproeving heb ik behoefte aan de opwekking van een bejaarde, medelijdende en scherpzinnige vrouw!quot;

»Nu dan,quot; zeide Constantia, «raadpleeg grootmoeder; want waarlijk, zij is zeer medelijdend en scherpzinnig in iedere beproeving; onvermoeid in zulke werken van barmhartigheid, zoo dikwijls twijfelenden moeten voorgelicht, of bedrukten vertroost worden.quot;

»Mdar de oude vrouw weet ook met de roede om te gaan,quot; sprak Erailie, »en die zoolang te zwaaien totdat men in haar bereik komt — en dan valt de slag! Gij hebt het bloed der Sun-derlands in uwe aderen, daarom hoop ik, dat gij begrijpen zult, dat ik figuurlijk spreek en niet evenals mijnheer Dulmore zult meenen, dat mijn tante werkelijk een ijzeren roede hanteert!quot;

»0 zeker, ik begrijp u zeer goed,quot; zeide Constanria glimlachende, teen zij haar nichtje weer in opgewekte stemming zag. »Hoe is het, gaat gij niet mede terug naar de huishoudkamer? Kom, zing eens een stukje voor ons. Mijnheer Dulmore zeide, dat hij spoedig terug zou komen.quot;

»Is hij uitgegaan? Nu, dan ga ik aanstonds met uw mede. Ach, hoe aangenaam is het toch, bij zijn eigen lieve bloedverwanten te zijn. Daar openbaart zich een zekere onbeschrijfelijke zoete harmonie; zij plant zich nog sterker voort dan de natuurlijke gelijkenis; en daarom juist sta ik de huwelijken onder familieleden zoo sterk voor. Ik wenschte, dat gij een broeder had gehad, eens zoo oud en slechts half zoo wijs als gij, dan zou ik alles gedaan hebben, wat de Kerk had verlangd, om slechts met mijn neef te kunnen huwen!

Zij keerden nu naar de huishoudkamer terug, en Emilie zong met haar gewone, treffende voordracht lievelingsstukjes voor begeleiding van harp of guitaar, en verhaalde tal van onderhoadende anekdoten uit den goeden tijd van den ouden Sunderland, zooals zij zich uitdrukte. Juist was zij druk in het gesprek: »Denkt gij er ,nog wel eens aan Hendrik?quot; en: »Weet gij het niet meer, lieve tante?quot; toen haar echtgenoot terugkeerde. Zijn onschuldige

ocr page 352

uitroep; gt;Kijk, kijk, wat schijnt gij allen van avond vroolijk te zijn!quot; brak het onderhoud der familie af, maakte Emilie stil en verdrietig en deed haar tot mevrouw Eddington fluisterend het verzoek richten, of zij zich morgen eenige oogenblikken goedgunstig ter harer beschikking zou willen stellen.

.....

SW9e JfoopjtnA.

Toen Emilie eenige minuten voor den bestemden tijd de kamer van mevrouw Eddington binnentrad, was deze juist bezig met een »onfeilbaar middel tegen kiespijnquot; af te schrijven uit een oud recepten-boek der familie. Zij ging op een laag bankje aan hare voeten zitten en bleef zoo een tijd lang zwijgen. Daarna sloeg zij hare oogen op en sprak op half zwaarmoedigen, half schertsenden toon:

»Ach ! beste tante, hebt gij geen recept voor een misleidde vrouw ?quot;

»0 ja,quot; antwoordde mevrouw Eddington, terwijl zij eenige bladeren van het oude boek omsloeg en daarna ophield alshadde zij het gevraagde recept gevonden; »Neem eenzelfde hoeveelheid geduld, nederigheid, liefde en hoop; meng ze goed dooreen en gebruik dagelijks een portie.quot;

gt;Hoop!quot; riep Emilie . uit. gt;Gij bedoelt toch zeker de goddelijke hoop; want aardsche hoop heb ik niet meer! Zeker, beste tantej als ik een heilige was zou ik mij verheugen, in plaats van te morren, dat ik getrouwd ben met een man, die geheel buiten zijn schuld mij een prikkel is, om al de genoemde deugden in een heldhaftigen graad te beoefenen en op die wijze mijn toekomstige zaligheid en Gods meerdere eer te bevorderen 1quot;

«Gij hebt daar een predikatie gehouden voor u zei ven, üeve kind,quot; zeide mevrouw Eddington, gt;en ik behoef u slechts te herinneren aan de waarschuwing, gericht tot hen, die d^n wil huns Heeren kennen zonder dien te volbrengen — die door hun weder-

ocr page 353

spannigheid legen het duidelijke gebod van God uit vrije keuze en eigen beweging het ongelukkig lot voor zich begeeren, veel te lijden, niet alleen in deze wereld, maar ook in de andere. Hoe gemakkelijk konden zij door een edelmoedig aanvaarden van het hun opgelegde kruis vrede, ja zelfs vreugde op aarde vinden, en een zekere en onsterfelijke belooning tegemoet zien van Hem, wiens beloften waarachtig en getrouw zijn.

'Als ik hier rustig bij u zit,quot; antwoordde Emilie, »kan ik dit kruis even goed aannemen als elk ander; want ik neem het slechts in den geest aan. Alles wat gij mij zegt, is voor mij helder als .de dag; ik ben volkomen overtuigd, maar krachteloos om volgens mijn overtuiging te handelen. Er ontbreekt iels aan mijn karakter; en daar ik niet genoeg genade heb, om mij zeiven te kinnen overwinnen, als zulke gevaarlijke gelegenheden zich voordoen, handel ik voorzeker goed, met liever aanstonds de vlucht te nemen! Deze behoedzame vlucht nu heeft plaats, zoo dikwijls ik met mijn man in gezelschap ben van auderen. Ik kan wel met hem alleen zijn; want hij is oprecht en goedhartig — maar zoodra hij spraakzaam en levendig begint te worden, komt de armoede van zijn geest en het ongevormde van zijn smaak allerakeligst aan het licht — en ik houd mij liaver op een afstand, dan mijn onoverwinnelijke gevoeligheid op dit punt te doen blijken in tegenwoordigheid van spotzieke en on vertrouwbare lieden.quot;

»Maar juist die vlucht, welke gij behoedzaam en verstandig schijnt te vinden,quot; hervatte de oude mevrouw, »en die zonder twijfel een goed doel beoogd, ontstaat hoofdzakelijk door uw ziekelijke gevoeligheid. Niet ten onrechte zijt gij bezorgd, dat de wereld daardoor een ongunstig oordeel zou vellen over u en uwen goeden man.quot;

»Maar, beste tante, wat moetik dan doen? Ik heb reeds allerlei listige kunstgrepen verzonnen, om aan al het fraais wat Dulmore doorgaans verhaalt een andere wending te geven, of het ten minste eenigszins belangrijk te maken, daar het niet aan te hooren was van zouteloosheid, maar o wee! — dan ondervond ik weldra, dat

ocr page 354

ik gevaarlijk spel speelde — ik verloor mijn geduld en compromitteerde hem en mij zeiven. Daarom sloeg ik op de vlucht, maar als de vlucht nog niets helpt, wat zal ik dan aanvangen?

»Gij moet,quot; zeide mevrouw Eddington, met den bijstand des Hemels uw eigen hart zoeken te overwinnen.quot; Emilie zuchtte. De goede dame ging voort; »Het geval waarin gij verkeert, liefkind, is niet eenig. Wat ik tot u zeg, zeg ik tot een groote klasse van fijn gevormde, dwaselijk verwende jonge personen, die aan een ziekelijke gevoeligheid als aan een zekeren smaak en een zekere mode hebben toegegeven, en vervolgens door de overreding van vrienden of wel uit eigen aandrang een ingebeeld geluk hebben nagejaagd door zich voor altijd te verbinden met personen beneden hun stand. Ligt het verschil in de afkomst, dan is het kruis veel zwaarder dan wat gij nu draagt, want dat mijnheer Dulmore evenals honderde anderen niet zoo schitteren en pralen kan, als een Sunderland, is volstrekt geen wanverhouding tusschen u beiden. Ontstaat het verschil echter door de opvoeding, dan is de beproeving meer een huiselijk kruisje — meer iets verborgens — en zie, dit is bij u de kwaal.quot;

»Ja, waarlijk,quot; zeide Emilie zuchtende.

»Ik weet zeer goed,quot; ging mevrouw Eddington voort, »dat mijnheer Dulmore de jongste zoon was, en dat zijn vrome katholieke ouders alles besteedden om hun erfgenaam, zijn ouderen broeder, een alzijdige ontwikkeling en een onbeperkte vrijheid te schenken. Zóó moest hem een plaats verzekerd worden onder zijn gelijken. De jongste zoon groeide op onder hun pachtlieden, totdat op zekeren dag in diezelfden jongsten zoon niet alleen eenschoo-nen, schuchteren, ongeleerden man, maar ook door den dood van zijn ouderen broeder hun eenigen erfgenaam zagen. Hoe gaarne was hij gebleven hetgeen hij was, heer te midden van zijn dage-lijksche omgeving 1 Want hij bezat juist nog scherpzinnigheid genoeg, om te begrijpen, dat hij onder zijn gelijken een misplaatst figuur zou maken. Onder zulke omstandigheden dwongen zij hem, zich een vrouw te zoeken, maar hij luisterde niet eer, dan toen

ocr page 355

zij op hun sterfbed dien wensch herhaalden. Daar dong hij naar de hand der lieftallige, fiere, hooggeboren Emilie Sunderland en mocht haar voor zich winnen. Terecht vreesde zij de gevaren eener bekrompen, kleingeestige wereld, en hoopte in een vrome landstreek huiselijke plichten te zullen vinden, die aan God welgevallig en voor hare ziel verdienstelijk zouden zijn. Is deze voorstelling volgens de waarheid, Emilie?quot;

»Ja,quot; antwoordde zij. iDestijds was ik eenvoudiger dan thans. Ik dacht door mijn huwelijk met zulk een bezadigd en vroom man te zullen wjrden als hij. Ik dacht, als ik de wereld verliet, ook haar beginselen te zullen vergeten, en ik erken het, dat ik mij smartelijk teleurgesteld gevoel, omdat God mijn goede voornemens niet heeft aangenomen. Waarom ben ik niet gelukkig geweest met een goeden en trouwen echtgenoot, met twee lieve kinderen en met den rijkdom, die mij in staat stelt, ook anderen te ondersteunen en wel te doen? Waarom heb ik mijn man veracht en weerzin opgevat tegen zijn eigenschappen en zijn geheele gedrag ? Waarom ben ik niet blind geweest voor al zijn gebreken en heb ik geen open oog gehad voor het goede in zijn karakter? Waarom heeft God mij behandeld als een wereldschgezind meisje, dat gehuwd is, zonder te denken aan haar plicht tegenover Hem? Dat is zeer hard 1quot;

«Lieve kind,quot; zeide mevrouw Eddington, «waarom beproeft de almachtige God zijn meest getrouwe dienaren door de zwaarste beproevingen? Bedank Hem voor de groote genade die Hij u heeft geschonken, dat gij de leegte in uw hart, nooit hebt trachten aan te vullen door ijdele verstrooiing of gevaarlijke vriendschappen, daar Hij zelf dit verlangt te doen. Alleen in den schoot uwer familie hebt gij een geluk gezocht, dat bestaat in de gelijkheid van karakter en van gevoelens. Dank er God voor! Wij mogen ons echter hiermede niet tevreden stellen, want zonder de genaie Gods had de toestand veel erger kunnen worden. Wij moeten deze heftige terugwerking op uwe familie in toom houden; want zij gaat de grenzen te buiten, en zooals een dichter zegt: —

ocr page 356

• Wat als een donkere onweerswolk

zich tusschen onzen geest dringt, en de onzichtb're wereld; en die wereld,

dat beter vaderland, omhult.

ofwel de hoop daarop verduistert of gruwzaam rooft aan onzen geest, —

dat is: die eigen booze wereld die wij ons scheppen in de ziel 't is de afgod die zich oogenschijnlijk getrouw aan üod, onschuldig toont.''

»Ach! beste tante,quot; riep Emilie uit, gt; verlang toch niet te veel van mij 1 Heb geduld met mij! Ik kan tot deze volkomen vrijheid des harten nog niet geraken. Mijn kinderen zijn nog klein — mijn echtgenoot is gelijk aan een onbeschreven vel papier; en ik heb er behoefte aan, bij anderen medelijden en steun te zoeken. Gij beveelt mij. God er voor te bedanken, dat ik bewaard ben gebleven van andere en meer gevaarlijke genegenheden. Jal ik dank er Hem voor! Ik deed verkeerd, zeer verkeerd, toen ik dacht en zeide, dat Hij mij hard behandeld had. Zeker, de genade, die ik ontvangen heb, was grooter dan de getrouwheid, waarmede ik daaraan heb beantwoord. Maar ik bid u, laat mij mijn eigen dierbare familie liefhebben!quot;

»Wij allen hebben reden om te treuren over onze telkens terugkeerende ongetrouwheid aan de genade,quot; antwoordde mevrouw Eddington; »want onze heiligheid hangt af van onze getrouwheid, en als wij geen heiligen worden, is dit louter onze eigen schuld. De goede God wil, zooals gij weet, dat ieder onzer heilig worde! want heeft Hij niet voor u en voor mij en voor elk geschapen wezen, dat onsterfelijk is, een bijzondere plaats bereid in den hemel? Zijt gij niet van alle eeuwigheid er toe bestemd, de plaats in te nemen, die opengevallen is door den opstand van een hoovaar-digen engel? — Heeft Hij door het heilig Sacrament des Doopsels u geen geloof, hoop en liefde gegeven? — door het Sacrament des Vormsels kracht; door hst Sacrament der Boetvaardigheid vergiffenis van beweende zonden; in het heilig Avondmaal geestelijk voedsel; en in het Sacrament des Huwelijks bovennatuurlijkenbijstand om al de beproevingen en bezwaren aan dezen stand verbonden, te doorstaan ? En durft gij, die bovennatuurlijke hulp van

ocr page 357

God ontvangen hebt, durft gij thans nog denken, gevoelen en handelen, alsof gij alleen de verplichtingen op u genomen hadt, van een zuiver menschelijke genegenheid, die, eenmaal voorbijgegaan, aangevuld zou kunnen worden door andere aardsche neigingen ? Het is waar, zij dragen een onschuldig karakter, en zijn zelfs prijzenswaardig als zij ten rechten tijde en op de rechte wijze gevoeld worden; maar in het tegenovergestelde geval verdienen zij veroordeeling, en dit geval is aanwezig zoodra zij die leegte der ziel moeten aanvullen — die armoede des harten — welke God heeft toegelaten tot uw meerdere heiliging, om haar op den tijd, dien Hij daartoe bestemd heeft, te lenigen en aan te vullen door den overvloed Zijner goddelijke vertroosting.quot;

Emilie weende gedurende eenigen tijd in stilte; daarna sprak zij: »Gij dwingt mij dus niet, mijn echtgenoot zoo te beminnen, als ik hem eens dacht te beminnen ? Dat is ten minste eenige troost.quot;

'Ik weet niet,quot; antwoordde haar tante, »hoe hoog uwe verwachtingen destijds wel gespannen waren; want ten tijde van uw huwelijk waren wij verre van elkander verwijderd, en uwe brieven kenmerkten zich door kortheid en voorzichtigheid; daarop echter kunt gij gerust zijn, dat ik voorzeker niet meer van u verlang, en dat gij ook tot niet meer verplicht zijt, dan hetgeen de Kerk verlangt in het Sacrament, dat u tot huisvrouw heeft gemaakt. Laten wij daarom eens te zamen onderzoeken, wat destijds uwe verplichtingen waren; laten wij ook eens dieper nadenken over den bovennatuurlijken bijstand u geschonken, en voor wij scheiden, eenige praktische gevolgtrekkingen daaruit maken, opdat Gods genadige beschikkingen aan u vervuld mogen worden.quot;

Het gelaat van Emilie helderde op, zij stond op van haar stoel en sprak; «Laat mij dan het misboek halen en met u de mis nagaan »voor bruidegom en bruid,quot; en laat mij dan tevens een boek medebrengen dat ik van mijn oom en voogd ten geschenke heb ontvangen, maar dat ik niet zoo bestudeerd heb, als ik had moeten doen. Het is een soort catechismus over het Sacrament des Huwelijks.quot;

ocr page 358

Zij ging de boeken halen; toen zij echter daarmede naar haar tante wilde terugkeeren, kwamen de kleinen haar bij de kinderkamer tegemoet loopen, en daar zij dezen niet in hun verwachtingen wilde teleurstellen, zond zij een van de voedsters naar mevrouw Eddington, om deze te verzoeken, het onderhoud tot den volgenden dag uit te stellen.

3£oo|9.gt;t«'amp;.

gt;Beste tante,quot; zeide Emilie, toen zij den volgenden dag het gesprek voortzetten, »ik vind noch in het nieuwe Testament, noch in de ceremoniën der huwelijksmis, noch in de onderrichtingen van mijn catechismus eenig bevel, dat ik mijn echtgenoot moet liefhebben, wél dat hij mij beminnen moet!quot;

gt;Maar hebt gij ook de oorzaak ontdekt,quot; vroeg mevrouw Eddington, gt;waarora de heilige Schrift en de Kerk geen uitdrukkelijk gebod uitvaardigen omtrent die liefde, terwijl zij toch duidelijk voorschrijven, dat een vrouw haar man moet vreezen, eeren en gehoorzamen?''

»Neen,quot; antwoordde Emilie, «volstrekt niet! Wel is de zaak zelve mij opgevallen, maar over de reden daarvan heb ik niet nagedacht; ik begrijp het eigenlijk niet recht; het is alsof van al de voorwaarden tot het huwelijk de liefde de gemakkelijkste is.quot;

gt;Juist daarom is betreffende de liefde geen afzonderlijk gebod gegeven,quot; zeide mevrouw Eddington; »de apostelen evenmin als hun opvolgers konden zich zulk een onnatuurlijk schepsel verbeelden als een vrouw zoude zijn, die dengene niet liefhad, die voor haar moet zijn, wat Christus is voor Zijne Kerk. Hebt gij misschien in de heilige Schrift of in uw Catechismus een streng gebod gevonden, dat de moeder haar eerstgeborene moet liefhebben f Heeft God zelf niet in haar hart een onuitputtelijke bron van liefde geschapen, die alle geschreven wet overbodig maakt; heeft Hij, door Zijn liefde tot ons onophoudelijk te vergelijken met

ocr page 359

die van eene moeder tot haar kind, niet voldoende getoond, dat die liefde door Hem zeiven haar is ingeplant f Zegt David niet op gelijke wijze, als hij treurend nadenkt over de vriendschap van Jonathas, dat zij nog grooter was dan de liefde eener vrouw ? En juist zoodanig als Jonathas' liefde voor David was, moet de liefde zijn van een gehuwde vrouw. Zij moet zijn edel, standvastig, zuiver, nederig, onderdanig; in iederen blik harer oogen, uit elk harer handelingen moet het gelezen kunnen worden;

»Gij zult de eerste zijn in dit ons koninkrijk, en ik wil de tweede zijn, na ulquot;

»Ach, geef mij dan een David riep Emilie uit,quot; »en ik zal zijn Jonathas zijn 1quot;

»Lieve kind,quot; zeide haar tante, »ik weet, dat gij een goed hart hebt, uw verstand is scherp, uw karakter zuiver en open; daarom kan ik bij u aan geen lichtzinnigheid deuken in de opvatting van uw plicht, van uw verantwóórdelijkheid als vrouw amp;n als Christin. Gij hebt gezegd, en ik geloof het gaarne, dat het u minder zwaar valt uw echtgenoot lief te hebben, dan hem te vreezen, te eeren en te gehoorzamen; en alweer moet ik u verklaren, dat dit geen ongewoon verschijnsel is; gij zijt siechts een van de vele vrouwen, die zelfs tot een afgodische liefde zouden te bewegen zijn, mits zij uit de heilige Schrift en het ritueel van het Sacrament die onuitwischbare woorden konden doen verdwijnen, dat zij moeten vreezen, onderdanig zijn, eeren en gehoorzamen! Ja zelfs zouden zij onderwerping, vereering en gehoorzaamheid blijmoedig als een vrijwillig offer daarbij voegen; maar alleen wijl men dit van hen eischt als een plicht, komt de eigenliefde met onstuimige en strafbare weerspannigheid daartegen in verzet.quot;

»Dat zijn harde woorden,quot; zeide Emilie ernstig.

«Heeft de almachtige God ergens een uitzondering aangegeven op Zijn gebod, dat de vrouw haren man moet vreezen en gehoorzamen?quot; ging mevrouw Eddington voort. »Hangt de geheimzinnige — de sakramenteele afbeelding van Christu^ en Zijn Kerk af van de verschillende bekwaamheden, van de opvoeding, dc gemoeds-

ocr page 360

gesteltenis, den smaak en het karakter der echtgenooten? In geenen deele 1 Zij is onverbreekbaar tot in den dood 1quot;

»0 gelukkige Camilla!'' riep Emilie uit. »Gij hebt dengene tot bruidegom gekozen, wien de engelen aanbidden!quot;

»Mijn kind,quot; sprak mevrouw Eddington, »verhef ook gij uw hart tot den goddelijken Bruidegom der Kerk, van welke gij een waarachtig lidmaat zijt. Roep hem aan, opdat Hij zijne gaven overvloedig over u uitstorte: de gave des geloofs, waardoor gij erkent, dat uw echtgenoot Gods plaatsbekleeder is; de gave der hoop, die u alle lijden licht maakt, met het oog op de vreugde, die u daarvoor wacht; en de gave der liefde waardoor gij hem als den gezant van Christus bemint, en om zijnentwille uw aardsche verbindtenis meer en meer zult heiligen door standvastigen trouw aan de goddelijke liefde, waarvan uw huwelijk het zinnebeeld en het onderpand is. En nu, Emilie, laten wij, na al het gesprokene, overgaan tot het vormen van praktische besluiten. Vooreerst bid ik u: draag iedere Mis en iedere Communie aan God op, opdat Hij u de genade geve, uit uw hart met worstel en tak dien hoogmoed, die ijdelheid te rukken, die u geen rust laten door de gedachte, dat gij een man hebt gehuwd die minder begaafd is! Ik moet onophoudelijk wijzen op de waardige eigenschappen en de bekwaamheid van uwen man, en protest aanteekenen tegen uw oordeel over hem. Zie, daarin bestaat juist uw kruis, dat gij zulke gedachten hebt en er voedsel aan geeft; bid ernstig opdat zij voor u niet een valstrik worden, die u den vrede des harten ontrooft en de genade van den Koning der koningen doet verliezen. Denk telkenmale des morgens bij de overweging na, over hetgeen u door den dag kan overkomen, om u te beproeven en te verontrusten, en bid telkens de heilige Maagd, uwen engelbewaarder en uwe patroonheilige om bijstand, verhef ook uw hart door korte en vurige schietgebeden tot God in ieder gevaarlijk oogenblik — en gevaarlijk schijnen mij de volgende oogenblikken voor u te zijn: vooreerst, als gij te midden van uw familie en vrienden zijt, die gij u als het ideaal van voortreffelijkheid voor-

ocr page 361

stelt, en met wie gij uwen man vergelijkt. Vervolgens, als gij door de noodzakelijkheid gedwongen wordt het gezelschap te deelen zijner vrienden, wier ideeën en manieren n niet bevallen. Ten derde, als gij in de stilte uwer woning gedurende eenigen tijd met de verlangens van uw hart zijt bezig geweest, en dan tevergeefs uitziet naar een gewenschte wisseling van gedachten. Als ik het juist heb ingezien, dat deze drie omstandigheden voor u gevaarlijke beproevingen zijn, tracht dan daarin vooral op uw hoede te zijn, en herinner u des avonds bij het gewetensonderzoek met smart aan het ongeduld en de ontevredenheid waaraan gij u door den dag kunt hebben schuldig gemaakt; vernieuw het edelmoedig voornemen, u de vernedering en de versterving das harten te getroosten; dank God voor de rijke genaden, waarmede gij gezegend zijt geworden, en ga dan in vrede rusten. Ach! lieve kind, eenmaal zal voor den verschrikkelijken rechterstoel Gods niet gevraagd worden naar klassieke vorming of beschaafde manieren, of naar diepzinnige bespiegelingen en geestige gedachten — maar naar de getrouwheid, naar den ootmoed waarmede wij onzen plicht vervuld hebben!

Denk over dit alles eens na, bid vurig, en laten wij voor heden verder over de zaak zwijgen.

^Vijfde Itoojditwk.

De winter te Rome was voorbij — de Kerstnacht met zijn goddelijke vreugde; de plectige herinnering aan het lijden des Verlossers, en de Alleluja's Zijner verrijzenis. Kort na Paschen moesten onze vrienden met duizende anderen reeds de koele schaduwen van het land gaan opzoeken, en zij trokken daarom naar de villa van mevrouw Eddington. Daar bereidde Constantia zich voor op haar toekomstige verloving, en bracht Emilie, had goede voornemens als echtgenoote met prijzenswaardigen ijver ten uitvoer. Alles rondom haar scheen heerlijk en vruchtbaar als de

ocr page 362

zilveren golfjes en de olijfbosschen van dezen liefelijken oever — maar een duistere wolk kwam steeds dichter aandrijven en bedreigde andermaal het geluk niet van Emilie, maar thans van Constantia! Even voor de Vasten was te Rome een van die werkzame en gedienstige vrouwen aangekomen, die zich overal als vriendinnen opdringen. Deze vriendin der beide families Pomroy en Falconer had de dubbele taak op hare schouders genomen, 1eder dezer families met suikerzoete, venijnige vertrouwelijkheid zelfs van de kleinste bijzonderheden op de hoogte te stellen, waardoor de achting voor de beide verloofden benadeeld en hun wederzijdsche genegenheid verkoeld kon worden. Niemand verstond beter dan mevrouw Sotherly de kunst, hare vrienden op de meest innemende wijze te berooven van hun wederzijdsche hoogachting en zich zeiven door onafgebroken oefening in die ondankbare wetenschap te volmaken tot haar eigen groote veroordeeling 1 Toen dan eindelijk door haar arglistigheid tusschen de beide familiën reeds sinds eenige weken verwijdering heerschte, had het volgende gesprek plaats tusschen mevrouw Eddington en deze »vriendin,quot; die na een veertien dagen op het land te hebben doorgebracht, naar Trascati vertrok, waar mijnheer Richard Falconer en zijn moeder woonden.

»Adieu, mijn beste mevrouw Eddington, alles is klaar voor mijn reis naar Trascati; ik ben ten hoogste benieuwd, hoe ik het daar aan zal treffen. Het is verwonderlijk, dat gij evenmin als de goede Constantia met geen enkel lettertje hebt vernomen waarom mijnheer Richard nog niet hier geweest isl Schuld heeft hij er eigenlijk niet aan — maar het is een zwakheid van hem; hij heeft nooit een vast karakter gehad; hij hangt met hart en ziel aan zijn moeder, en deze bemint hem als haar afgod. Nu, dat is zeer natuurlijk; men weet, waarom hij dit verdient —maar, zooals ik ook aan Constantia gezegd heb, haar tijd zal weldra daar zijn, en het is voor haar plicht, hare rechten te doen gelden. Maar enfin! laat alles slechts aan mij over. Ik ken de goede mevrouw Falconer door en door. Ik mag haar zeer gaarne leiden. Gij zult

ocr page 363

die van eene moeder tot haar kind, niet voldoende getoond, dat die liefde door Hem zeiven haar is ingeplant ? Zegt David niet op gelijke wijze, als hij treurend nadenkt over de vriendschap van Jonathas, dat zij nog grooter was dan de liefde eener vrouw ? En juist zoodanig als Jonathas' liefde voor David was, moet de liefde zijn van een gehuwde vrouw. Zij moet zijn edel, standvastig, zuiver, nederig, onderdanig; in iederen blik harer oogen, uit elk harer handelingen moet het gelezen kunnen worden:

»Gij zult de eerste zijn in dit ons koninkrijk, en ik wil de tweede zijn, na ulquot;

»Ach, geef mij dan een David riep Emilie uit,quot; »en ik zal zijn Jonathas zijn!quot;

»Lieve kind,quot; zeide haar tante, »ik weet, dat gij een goed hart hebt, uw verstand is scherp, uw karakter zuiver en open; daarom kan ik bij u aan geen lichtzinnigheid deuken in de opvatting van uw plicht, van uw verantwóórdelijkheid als vrouw amp;n als Christin. Gij hebt gezegd, en ik geloof het gaarne, dat het u minder zwaar valt uw echtgenoot lief te hebben, dan hem te vreezen, te eeren en te gehoorzamen; en alweer moet ik u verklaren, dat dit geen ongewoon verschijnsel is; gij zijt siechts een van de vele vrouwen, die zelfs tot een afgodische liefde zouden te bewegen zijn, mits zij uit de heilige Schrift en het ritueel van het Sacrament die onuitwischbare woorden konden doen verdwijnen, dat zij moeten vreezen, onderdanig zijn, eeren en gehoorzamen! Ja zelfs zouden zij onderwerping, vereering en gehoorzaamheid blijmoedig als een vrijwillig offer daarbij voegen; maar alleen wijl men dit van hen eischt als een plicht, komt de eigenliefde met onstuimige en strafbare weerspannigheid daartegen in verzet.quot;

«Dat zijn harde woorden,quot; zeide Emilie ernstig.

«Heeft de almachtige God ergens een uitzondering aangegeven op Zijn gebod, dat de vrouw haren man moet vreezen en gehoorzamen?quot; ging mevrouw Eddington voort. «Hangt de geheimzinnige — de sakramenteele afbeelding van Christus en Zijn Kerk af van de verschillende bekwaamheden, van de opvoeding, dc gemoeds-

ocr page 364

gesteltenis, den smaak en het karakter der echtgenooten? In geenen deele 1 Zij is onverbreekbaar tot in den dood 1quot;

»0 gelukkige Camilla!'' riep Emilie uit. »Gij hebt dengene tot bruidegom gekozen, wien de engelen aanbidden!quot;

»Mijn kind,quot; sprak mevrouw Eddington, »verhef ook gij uw hart tot den goddelijken Bruidegom der Kerk, van welke gij een waarachtig lidmaat zijt. Roep hem aan, opdat Hij zijne gaven overvloedig over u uitstorte: de gave des geloofs, waardoor gij erkent, dat uw echtgenoot Gods plaatsbekleeder is; de gave der hoop, die u alle lijden licht maakt, met het oog op de vreugde, die u daarvoor wacht; en de gave der liefde waardoor gij hem als den gezant van Christus bemint, en om zijnentwille uw aardsche verbindtenis meer en meer zult heiligen door standvastigen trouw aan de goddelijke liefde, waarvan uw huwelijk het zinnebeeld en het onderpand is. En nu, Emilie, laten wij, na al het gesprokene, overgaan tot het vormen van praktische besluiten. Vooreerst bid ik u: draag iedere Mis en iedere Communie aan God op, opdat Hij u de genade geve, uit uw hart met worstel en tak dien hoogmoed, die ijdelheid te rukken, die u geen rast laten door de gedachte, dat gij een man hebt gehuwd die minder begaafd is! Ik moet onophoudelijk wijzen op de waardige eigenschappen en de bekwaamheid van uwen man, en protest aanteekenen tegen uw oordeel over hem. Zie, daarin bestaat juist uw kruis, dat gij zulke gedachten hebt en er voedsel aan geeft; bid ernstig opdat zij voor u niet een valstrik worden, die u den vrede des harten ontrooft en de genade van den Koning der koningen doet verliezen. Denk telkenmale des morgens bij de overweging na, over hetgeen u door den dag kan overkomen, om u te beproeven en te verontrusten, en bid telkens de heilige Maagd, uwen engelbewaarder en uwe patroonheilige om bijstand, verhef ook uw hart door korte en vurige schietgebeden tot God in ieder gevaarlijk oogenblik — en gevaarlijk schijnen mij de volgende oogenblikken voor u te zijn: vooreerst, als gij te midden van uw familie en vrienden zijt, die gij u als het ideaal van voortrelïelijkheid voor-

ocr page 365

stelt, en met wie gij uwen man vergelijkt. Vervolgens, als gij door de noodzakelijkheid gedwongen wordt het gezelschap te deelen zijner vrienden, wier ideeën en manieren n niet bevallen. Ten derde, als gij in de stilte uwer woning gedurende eenigen tijd met de verlangens van uw hart zijt bezig geweest, en dan tevergeefs uitziet naar een gewenschte wisseling van gedachten. Als ik het juist heb ingezien, dat deze drie omstandigheden voor u gevaarlijke beproevingen zijn, tracht dan daarin vooral op uw hoede te zijn, en herinner u des avonds bij het gewetensonderzoek met smart aan het ongeduld en de ontevredenheid waaraan gij u door den dag kunt hebben schuldig gemaakt; vernieuw het edelmoedig voornemen, u de vernedering en de versterving das harten te getroosten; dank God voor de rijke genaden, waarmede gij gezegend zijt geworden, en ga dan in vrede rusten. Ach! lieve kind, eenmaal zal voor den verschrikkelijken rechterstoel Gods niet gevraagd worden naar klassieke vorming of beschaafde manieren, of naar diepzinnige bespiegelingen en geestige gedachten — maar naar de getrouwheid, naar den ootmoed waarmede wij onzen plicht vervuld hebben 1

Denk over dit alles eens na, bid vurig, en laten wij voor heden verder over de zaak zwijgen.

Hoojditu-k.

De winter te Rome was voorbij — de Kerstnacht met zijn goddelijke vreugde; de plectige herinnering aan het lijden des Verlossers, en de Alleluja's Zijner verrijzenis. Kort na Paschen moesten onze vrienden met duizende anderen reeds de koele schaduwen van het land gaan opzoeken, en zij trokken daarom naar de villa van mevrouw Eddington. Daar bereidde Constantia zich voor op haar toekomstige verloving, en bracht Emilie, had goede voornemens als echtgenoote met prijzenswaardigen ijver ten uitvoer. Alles rondom haar scheen heerlijk en vruchtbaar als de

ocr page 366

zilveren golfjes en de olijfbosschen van dezen liefelijken oever — maar een duistere wolk kwam steeds dichter aandrijven en bedreigde andermaal het geluk niet van Emilie, maar thans van Constantia! Even voor de Vasten was te Rome een van die werkzame en gedienstige vrouwen aangekomen, die zich overal als vriendinnen opdringen. Deze vriendin der beide families Pomroy en Falconer had de dubbele taak op hare schouders genomen, 1eder dezer families met suikerzoete, venijnige vertrouwelijkheid zelfs van de kleinste bijzonderheden op de hoogte te stellen, waardoor de achting voor de beide verloofden benadeeld en hun wederzijdsche genegenheid verkoeld kon worden. Niemand verstond beter dan mevrouw Sotherly de kunst, hare vrienden op de meest innemende wijze te berooven van hun wederzijdsche hoogachting en zich zei ven door onafgebroken oefening in die ondankbare wetenschap te volmaken tot haar eigen groote veroordeeling 1 Toen dan eindelijk door haar arglistigheid tusschen de beide familiën reeds sinds eenige weken verwijdering heerschte, had het volgende gesprek plaats tusschen mevrouw Eddington en deze »vriendin,quot; die na een veertien dagen op het land te hebben doorgebracht, naar Trascati vertrok, waar mijnheer Richard Falconer en zijn moeder woonden.

»Adieu, mijn beste mevrouw Eddington, alles is klaar voor mijn reis naar Trascati; ik ben ten hoogste benieuwd, hoe ik het daar aan zal treffen. Het is verwonderlijk, dat gij evenmin als de goede Constantia met geen enkel lettertje hebt vernomen waarom mijnheer Richard nog niet hier geweest isl Schuld heeft hij er eigenlijk niet aan — maar het is een zwakheid van hem; hij heeft nooit een vast karakter gehad; hij hangt met hart en ziel aan zijn moeder, en deze bemint hem als haar afgod. Nu, dat is zeer natuurlijk; men weet, waarom hij dit verdient — maar, zooals ik ook aan Constantia gezegd heb, haar tijd zal weldra daar zijn, en het is voor haar plicht, hare rechten te doen gelden. Maar enfin! laat alles slechts aan mij over. Ik ken de goede mevrouw Falconer door en door. Ik mag haar zeer gaarne leiden. Gij zult

ocr page 367

mijnheer Richard zien, eer ik terug kom en ik ga toch slechts voor een week op reis.quot;

«Vaarwel, mevrouw Sotherly; niet alleen voor een week, maar voor eenige jaren! Gij hebt door uw bedilzucht niet alleen de aanstaande moeder en schoondochter van elkander vervreemd, maar ook Constantia bekend gemaakt met dingen, die haar langs een anderen weg ter oore hadden moeten komen, dan door den mond van haar toekomstigen echtgenoot. Gij hebt een allerpijnlijkst en loodzwaar geheim neergeworpen in het hart van een achttienjarig meisje, en een oprecht en berouwvol hart, zooals naar mijn innige overtuiging dat van mijnheer Richard is, beroofd, van zijn vrije keuze, om deze gebeurtenis uit zijn vroeger leven, bij de meest geschikte gelegenheid te openbaren. Zulke geheimen moesten iemand, die zich uitgeeft als vriendin, heilig zijn — in haar binnenste begraven blijven gelijk in het Sacrament der Biecht. Afgezien van den laster waardoor gij misschien meent aan mijnheer Richard een vriendschapsdienst bewezen te hebben — of hebt gij hem niet gewaarschuwd, als zoude er in onze familie een geheime ziekte heerschen ? — kwam die oorblazerij, ook al was uw leugentaal waarheid geweest, te laat. Gij zoudt de oorzaak geweest zijn, dat hij zich niet meer had kunnen terugtrekken, zonder nog grootere smart uit te staan, dan door het vervullen zijner belofte. Hij schreef mij dit vol heftige ontroering in een brief, dien ik van hem sinds ons verblijf hier ontvangen heb en waarin hij verklaart ingelicht te zijn omtrent den ongelukkigen geestestoestand van Constantia's oom, majoor Pomroy.

Ik heb hem volgens de waarheid geantwoord, dat deze de halve broeder is van haren vader, en geboren uit een andere moeder, om zoo mijzelven en mijn kleindochter vrij te maken van zijn onvrijwillige verdenking, als zouden wij voor hem een familieziekte hebben verborgen van den meest betreurenswaardigen aard. En nu, mevrouw Sotherly, laat mij hopen, dat gij in het vervolg uwen geest een waardiger werkzaamheid znlt verschaffen, en laat ons in vrede scheiden! Wat voor uitnoodiging Constantia u ook

ocr page 368

moge gezonden hebben, om met haar op reis te gaan of bij haar te verblijven — gij kunt deze uitnoodiging beschouwen als van nul en geener waarde door mijn onherroepelijk verzet daartegen; ik weet, dat zij wel is waar niet door de wet, maar door haar kinderlijke gehoorzaamheid aan mijn woord gebonden is.quot;

Mevrouw Sotherly, die voortdurend getracht had, mevrouw Eddington te onderbreken, begon nu voor zich zeiven een pleidooi van een half uur lang, zonder echter het geduld der oude dame te kunnen vermoeien of haar besluit te doen veranderen. Met droefheid in het hart reisde zij naar haar — nog steeds te trouwhartige vrienden te Trascati.

Na het vertrek van mevrouw Sotherly wachtte mevrouw Eddington stilzwijgend het oogenblik af, waarop Constantia zelf zou beginnen over het allersmartelijkst geheim, dat men haar had ontdekt, en zoo gebeurde het ook weinige dagen later, toen zij met elkander spraken over de groote voordeelen, welke het kinderlijk vertrouwen in den biechtvader oplevert. »Gisteren,quot; ging Conslantia voort, gt;heb ik pater Gower om raad gevraagd in een zeer bedroevende omstandigheid, die mij door een mededeeling van mevrouw Sotherly ter oore kwam; hij vermaande mij, grootmoeder, tegenover u niet de minste terughouding aan den dag te leggen. Iets wat mijn aanstaanden echtgenoot in mijn hoogachting kon doen dalen had ik nooit moeten voornemen, zeide hij, dan alleen uit uwen mond; maar nu ik het eenmaal wist, moest ik het pijnlijke geheim met al de ridderlijkheid en getrouwheid van een vriendenhart voor allen verborgen houden, behalve voor u, die nog mijn leidsvrouw zijt; en zelfs ook voor u indien ik mij reeds onder de bescherming had gesteld van mijn echtgenoot. In de laatste nachten heb ik niet geslapen: ik stond in twijfel of ik er met u over zou spreken — ik stelde mij vol verwarring voor, dat gij mijn betrekkingen zoudt afbreken — ik overdacht vol angst,

of ik nu nog gelukkig met hem kon zijn...... en hier bezweek de

zielskracht der arme Constantia, zij zonk op hare knieën, verborg haar gelaat in den schoot harer grootmoeder en schreide haar

ocr page 369

diepe smart uit. Mevrouw Eddington zuchtte. Toen Constantia weer eenigszins bedaard was, zeide zij;

gt;Elk woord, dat pater Gower gesproken heeft, is vol van de wijsheid die hem van Boven geschonken wordt. Zie er niet tegen op, lieve kind, mij die vlek op het vroegere leven van mijnheer Richard te ontdekken. Evenals gij weet ook ik het reeds van haar, die zich zijne vriendin noemt. Ik vind het inderdaad betreurenswaardig, maar laten wij daarover nooit meer, zelfs niet onder ons beiden, spreken. Wij willen ons best doen, juist zoo over hem te denken als vroeger. Wij hebben nooit geloofd, dat hij zonder gebreken was; maar wij wisten, dat hij goedhartig en rechtschapen was jegens de menschen en ootmoedig tegenover God. Het doet mij innig leed, dat hij zich nooit aan mij heeft geopenbaard met de gewone oprechtheid zijns harten; maar hij heeft zonder twijfel zijn geestelijken vader geraadpleegd en gevraagd, of hij met u over het verledene zou spreken of niet. Laten wij dus zijn zwijgen eerbiedigen ingeval hij dien raad heeft ontvangen, en zijn deemoedigheid met hartelijke genegenheid beantwoorden, als hij zich bereid toont, zijn misdrijf te erkennen. Belooft gij mij, Constantia, dat gij uw gedrag naar mijn raadgevingen zult inrichten?quot;

Constantia bleef zwijgen en weenen. Het valt ons in de jeugd zwaar de zondigheid en zwakheid onzer gevallen natuur volkomen in te zien en aan een vriend te vergeven, dat hij niet het volmaakte wezen is, hetwelk hij volgens de wet Gods zijn moest. Ten laatste zeide zij;

»Hoe kan ik mijn hand leggen in de zijne, die met bloed bevlekt is? Hoe kan ik mijn geluk toevertrouwen aan hem, die in de hevigheid zijner hartstocht een ziel, onvoorbereid naar de eeuwigheid heeft gezonden — en dat wel de ziel van een zijner vrienden?quot;

ocr page 370

JCoopjiu tz.

Terwijl Constantia en haar geliefde bloedverwante over het treurige onderwerp spraken, waarvan wij in het vorige hoofdstuk melding maakten, schreef mijnheer Richard Falconer den volgenden brief van Trascati naar Rome aan een zekeren majoor Dugdale, die hem kort geleden zijn aankomst uit Engeland had gemeld.

»Beste Vriend! Gij komt, naar ik hoop, juist op tijd. Ik zal mij houden aan mijn woord, want ik vertrouw met mijn toekomstige bruid en haar familie in goede verstandhouding te kunnen blijven. Kom naar Trascati, bid ik u, en vergezel mij naar Albano, daar woont juffrouw Pomroy met haar grootmoeder. Ik zal dan aan uw verlangen kunnen voldoen en u mijn vriendin persoonlijk voorstellen. God zij dank, daar Hij mij een vrouw schenkt, even goed en bezadigd a!s de uwe, mijn vriend; een vrouw, met wie ik een nog godvruchtiger leven hoop te leiden, dan ik dit door uwe zorg reeds twaalf jaren gedaan heb, sinds ik van het ziekbed ben opgestaan. God zij dank, dat ik haar een hand kan aanbieden, die niet schuldig is aan moord, al heeft zij ook bloed vergoten. Ik overval u misschien wat spoedig met mijn brief, ik ben veel te gejaagd, want ik kan redelijkerwijze niet gelooven, dat mijn zelfbeschuldiging door een of ander boosaardig persoon voorkomen of liever verijdeld zou zijn geworden; en toch benevelt zekere twijfel en verdenking mijn geest. Het is vandaag de geboortedag mijner moeder, en zij wil niet, dat ik uitga, anders hadt zij in plaats van mijn renbode, gezien en gesproken

Uwen toegenegen Richard Falconer.quot;

Toen de twee vrienden eenige dagen later te Albano aankwamen, werden zij bij mevrouw Eddington toegelaten. Zij vonden haar alleen, en weldra begon het gesprek over het treurige en ernstige onderwerp. Er volgde echter van weerszijden een breedvoerige en duidelijke verklaring en de eerbiedwaardige dame trachtte

d. z. h. S. 22

ocr page 371

— 33« —

den vrede te herstellen, heigeen haar ook volkomen gelukte. Toch bleef in het hart van Constantia een onderdrukt en bedwongen gevoel van smart leven, een gevolg — ook zeer goed verklaarbaar bij Christenen — van teleurgestelde verwachting. Constantia stemde er echter opnieuw in toe, de vrouw te worden van mijnheer Richard Falconer en kampte tegen het leed, dat zij gevoelde, wijl zij aan zijn karakter haar volle bewondering niet schenken kon. Maar haar edel hart wist dit offer te brengen; zij had eenmaal vergeven, en vermeed nu alles wat de gevoelens van haren bruidegom zou kunnen kwetsen. Binnen eenige weken was alles gereed voor de bruiloft: het huwelijk zou door den eerwaarden heer Boldoni voltrokken worden in de Sint-Paulus-kerk te Albano.

Deze kerk was Constantia dikwijls gaan bezoeken, als zij op haar wandelingen alleen en geheel vrij was; daar ook had zij wijl de reis naar Rome haar op het oogenblik niet mogelijk was — zich als biechtvader een der missionarissen uitgekozen, aan wier Congregatie deze kerk is toevertrouwd. Onder zijn leiding zou zij een achtdaagsche geestelijke afzondering beginnen, en een generale biecht afleggen van haar leven als voorbereiding tot het ontvangen van het heilig Sacrament des Altaars en dat des huwelijks. En zie, eindelijk brak het uur aan. Met een dankbaar hart voor alles wat de goede grootmoeder voor haar had gedaan en geleden van hare prilste jeugd af, smeekte Constantia om den zegen en de gebeden der oude dame; vervolgens richtte zij zich met diepe en bijna smartelijke ontroering tot haar zuster Camilla, van wie zij nu op dubbele wijze zou gescheiden worden, en vroeg haar met tranen in de oogen, om haar godvruchtige gebeden. Datzelfde verzoek deed zij aan haar nicht Emilie en aan al hare bekenden, zoodat zij, voor zooverre dit aan de menschelijke zwakheid mogelijk is, van haren kant alles in het werk stelde, om bij haar bruiloftsfeest de tegenwoordigheid waardig te worden van den Goddelijken Verlosser en Zijne heilige Moeder. Camilla had verzocht zich bij de geestelijke oefeningen van haar zuster te mogen aansluiten en mevrouw Eddington juichte het zeer toe, dat een bruid des Hemels

ocr page 372

zich onttrok aan de beslommeringen die de toebereidselen voor een aardsche bruiloft met zich brengen. Zij kon dit ook des te gemakkelijker toestaan, daar zij in de nimmer rustende en steeds bereidvaardige Emilie een hoogst talentvolle helpster had gevonden.

De laatste had nog niets vernomen van den pijnlijken gemoedstoestand waarin Constantia had verkeerd tengevolge van de over-drevene onrustbarende berichten van mevrouw Sotherly; maar toch had zij met haar gewone scherpzinnigheid bemerkt, dat er aan den hemel van Constantia's geluk een donkere wolk hing, en naar aanleiding van andere vertrouwelijke, meer uitvoerige mededeelingen van den kant der zoogenaamde »vriendin,quot; had zij de zeer natuurlijke gevolgtrekking gemaakt, dat die wolk was opgestegen eener-zijds uit de sentimenteele gevoelens van mevrouw Falconer, anders-zijds uit ontsluierde familiegeheimen.

»0! beste tante,quot; riep Emilie uit, toen zij op den gewichtigen morgen eenige bloemvazen op de ontbijttafel van het bruidspaar aan het vullen waren, «hoe dwaas en ondankbaar ben ik toch geweest, dat ik morde over mijn lot, ofschoon ik toch de volle genegenheid bezat en nog bezit van mijn man, terwijl de arme Constantia slechts met een verdeeld hart bemind wordt! '

sEmilie, ik begrijp u niet,quot; zeide mevrouw Eddington.

»Nu ja, tante, gij hebt dan wèl begrepen, hoe gij in de laatste maanden het verdriet en de onaangenaamheden uwer kleindochter moest deelen en verzachten; niemand wist er van, behalve gij; thans is het geen geheim meer en komt het mij voor, dat de ijverzucht van haar toekomstige schoonmoeder op de gehechtheid van Richard, voor een groot gedeelte daarvan de schuld is.quot;

»Het verdriet van Constantia in de laatste maanden,quot; antwoordde de eerbiedwaardige vrouw, «ontstond niet uit beproevingen, die grooter waren dan de almachtige God wist, dat zij dragen kon. Het Sakrament dat zij gaat ontvangen zal haar daartoe ook in het vervolg moed, kracht en leidzaamheid geven. Zij gevoelt reeds een kinderlijken eerbied en oprechte liefde voor mevrouw Falconer en denkt er niet aan, haar rechten als vrouw te laten

ocr page 373

gelden ten nadeele van een weduwe, de moeder van een eenigen zoon.quot;

»0 neen,quot; antwoordde Emilie. »Corstantia zal hr,ar plicht vervullen zooals het behoort en aan de gebade barer roeping getrouw blijven, maar er s'.aat haar nog een andere beproeving te wachten, waarop gij misschien evenmin als zij vermoeden hebt. Denk eens aan Richard's eerste aangeknoopte betrekkingen met juffrouw Sotherly, de behuwdzuster van onze goede praatzieke vriendin, — zij is nog in leven, ongehuwd, aantrekkelijk van persoon en — in Italië.quot;

»En woont op dit oogenblik in Florence met haar broeder,quot; ging mevrouw Eddington voort. »Ook majoor Dugdale, haar verloofde, is daar. Bij leven en welzijn zult gij hem morgen hier zien,quot;

»Zoo ! maar waarom moest zij juist nu naar Italië komen?quot; vroeg Emilie.

»0m redenen, geheel onafhankelijk van onze feestelijkheid,quot; antwoordde mevrouw Eddington. De goede juffrouw Sotherly weet er zelfs niets van. Zij is met haar jongsten broeder van Londen naar Florence gereisd, om te zien of haar oudste broeder, kapkein Sotherly inderdaad door eenzelfde krenking van geestvermogens is aangetast als vroeger, en of het dus niet haar plicht is, zich evenals voor eenige jaren aan de liefde tot haar broeder op te offeren en bij hem te blijven.quot;

»Beste tante,quot; riep Emilie uit, iwat ben ik verbaasd over hetgeen gij mij daar verhaalt! Mevrouw Sotherly heeft mij wel eens gezegd, dat haar man. de kapitein, mijnheer Richard Falconer en majoor Dugdale allen dienden in het regiment van kolonel Pomroy en elkanders boezemvrienden waren; en dat de beide laatsten sinds het «onherstelbaar verlies,quot; dat haar had getroffen, zich als broeders tegenover haar gedrag» n hadden. Onder dat verlies verstond ik aanvankelijk niets anders dan den dood van den kapitein. Maar nu wordt het mij duidelijk, dat zij nog ongelukkiger is dan een weduwe. O, zulk een ramp is erger dan de dqod! Die arme mevrouw Sotherly, hoe beklaag ik haar!quot;

ocr page 374

Mevrouw Eddington zweeg en rangschikte de bloemen. Na eenige oogenblikken begon Emilie weer; »Maar wat is eigenlijk de reden, dat juffrouw Sotherly zich zoo heldhaftig voor haren broeder opoffert? Herkent hij haar, en doet haar tegenwoordigheid hem zoo goed?quot;

»De aanvallen van kapitein Sotherly zijn meer het gevolg van geestverdooving, dan van waanzin,quot; antwoordde mevrouw Eddington; 3de eerste ooorzaak daarvan was een wonde, die hij aan het hoofd bekomen heeft. In den laatsten tijd is hij volkomen bij kennis, en daar hij zelf zoowel als zijn omgeving door de ondervinding de voorbehoedmiddelen tegen zulke aanvullen heeft leeren kennen, willen wij hopen, dat zij zich niet meer zullen herhalen of althans zullen verminderen. Toen de dokter, die hem met de meest lofwaardige toewijding behandeld heeft, goede hoop gaf, is mevrouw naar haar man teruggekeerd. Ondertusschen had juffrouw Sotherly er in toegestemd, dat haar huwelijk met majoor Dugdale weldra zou plaats hebben. Zij was tehuis bij baar jongsten broeder en binnen tien dagen zou de bruiloft gevierd worden. Maar zie, daar komt een brief uit Florence van een vriend van kapitein Sotherly! Daarin stond geschreven, dat de kapitein al te veel vertrouwende op zijn herstel, de reis te overhaastig had afgelegd en dientengevolge eerst door ^en lichte duizeling en vervolgens door een volkomen bewusteloosheid was overvallen. Hij geloofde echter, dat de opgeruimdheid, die zijn vriend gedurende de geheele reis aan den dag had gelegd door eenige dagen van rust wel zou terugkeeren. Verder schreef hij, dat mevrouw Sotherly naar Rome was vertrokken, en dat hij het zich tot plicht rekende, aan de familie te schrijven. Onmiddelijk na ontvangt van dezen brief hebben onze drie vrienden Londen verlaten en zijn zoo snel mogelijk naar Florence gereist. Kapitein Sotherly, die intusschen weer hersteld was, ontving hen persoonlijk en, zoo het God belieft, zal nu binnen weinige dagen ook die zoo dikwijls bemoeielijkte bruiloft plaats hebben.quot;

Emilie dacht een oogenblik na en zeide: »Het schijnt mij

ocr page 375

toe, dat de almachtige God aan de zuster van mevrouw Sotherly een edelen geest heeft geschonken, vol zelfverloochening maar aan haar zelve een karakter vol egoisme; ook geloof ik dat de eerste tot grootere dingen bestemd is, wijl zij haar plicht in kleine zaken getrouw vervuld heeft, maar dat de laatste de genade heeft verwaarloosd en daardoor haar karakter heeft verloren en een offer is geworden — niet van haar plicht, maar van allerlei hevige gemoedsaandoeningen waaitoe haar zenuwachtigheid niet weinig medewerkt; ja, als zij niet hoogst voorzichtig is, kan er van haar een echte zwendelaarster worden, die niets doet dan bezoeken afleggen, die evenmin huisvrouw als weduwe isl En toch, beste tante, hoeveel eerbied ik ook gevoel voor juffrouw Sotherly en het mijnheer Richard kan vergeven, dat hij haar bewonderde, toch geloof ik niet, dat men haar aan iedereen als voorbeeld kan stellen. Zij heeft een heldhaftige deugd beoefend gelijk de heiligen, terwijl mevrouw Sotherly, naar het schijnt, zich de zaken niet zal aantrekken al wordt zij honderd jaar. Echter weet ik ook zeer goed dat de Kerk niet aan de vrouw beveelt bij haar man te blijven, als hij krankzinnig is geworden, en bovendien meen ik te hebben vernomen, dat de harmonie tusschen hen beiden veel te wenschen overliet.quot;

»Laten wij,quot; antwoordde mevrouw Eddington, ïkrachtens de christelijke liefde veronderstellen, dat de tegenwoordigheid van mevrouw Sotherly voor den kapitein meer nadeelig dan voordeelig zou geweest zijn, en dat zij op raad van haren geestelijken leidsman zich een tijdlang heeft verwijderd; want de Kerk veroorlooft ook na het huwelijk een tijdelijke scheiding van samenwonirg, indien het leven van den eenen gevaar loopt door dat van den anderen.quot;

»Slechts een tijdelijke samenwoning,quot; herhaalde Emilie. »Dan is, volgens mijne meening, mevrouw Sotherly ernstig verplicht, tot haar man terug te keeren, want hij is op het oogenblik weer volkomen hersteld en heeft nog steeds zijn trouwen dienaar bij zich. Maar ach, beste tante,quot; ging zij levendig voort, »wat is het ge-

ocr page 376

makkelijk, te veroordeelen en een ander de wet voor te schrijven! Koe spoedig ziet men den splinter in het oog van zijn vriend en bemerkt men den balie in zijn eigen oog volstrekt niet! Volgens mijn gedachte stelt deze arme vrouw, die haar kruis wil ontvluchten, zich bloot aan een leven vol gevaar; zij kan daarbij niet rekenen op de bescherming der genade, daar zij niet krachtens de inspraak van God maar uit eigen willekeur van de eene plaats naar de andere trekt, zich overal indringt en door haar bedilzucht en lichtvaardigheid tweedracht stookt in de familiën! Ik ontdek in haar vele nuttige, uitstekende eigenschappen, waarmede zij niet volgens de voorschriften van haar plicht gewerkt heeft. Zij is voor mij een spiegel, waarin ik aanschouw, hoe verderfelijk het misbruik is der genade 1 Maar terwijl ik dit alles zoo helder inzie, mag ik zelf wel met diep berouw op mijn borst kloppen. Heb ik niet willen vluchten voor een kruis, veel lichter dan het hare? Dwaas, die ik wasl — heb ik niet gewenscht, datzelfde onafhankelijke, werkelooze leven te lijden, hetwelk zij leidt? Alleen uw woord te Rome keeft mij tot andere gedachten gebracht. — Ik wilde destijds mijnheer Dul-more den raad geven, dat hij een uitstapje zou maken naar Napels, en dit alleen opdat ik bij mijn familie zou kunnen blijven of ook een plezierreisje zou kunnen maken maar dan zonder hem'. Ik zie thans in, hoe verkeerd dat was, strikt genomen veel schuldiger dan het gedrag, waarover ik zooeven den staf heb gebroken. Had ik niet verdiend, dat mijn man voortaan zijn geluk buiten mij gezocht had? Zou ook mijn geweten niet beladen zijn geweest met zijn zonde, indien hij mij ontrouw ware gewaren!?quot;

Hier werd het gesprek afgebroken. Mijnheer Dulmore trad binnen met zijn klein meisje op den arm — en Emilie voldeed niet alleen gaarne aan zijn uitnoodiging, wat in den tuin te gaan wandelen, maar had in haar berouwvollen ijver om hem aangenaam te zijn, bijna de vaas met bloemen, welke naCast haar stond, omvergeloopen.

ocr page 377

ScüciiSS lloo^dïtii-k.

»0 Heer, heil mijner ziel 1 Gij die het bruidspaar van Cana zoo begenadigd hebt door uwe Goddelijke tegenwoordigheid en door uw wonderkracht, op de voorbede uwer allerheiligste moeder — sta ook ons ter zijde, wees ook in ons midden en geef door uw onuitsprekelijke Goedheid, dat onze aardsche bruiloft een waardige voorbereididing zij tot de bruiloft des hemels! Amen.quot;

Deze regelen had Constantia in haar afzondering geschreven en op den dag van haar huwelijk aan mevrouw Eddington overhandigd. Reeds vroeger had zij hare wenschen betreffende de wereldsche feestelijkheden duidelijk uitgesproken en al het overige aan de zorg harer grootmoeder en harer nicht Emilie toevertrouwd. Vervolgens had zij haar gedachten boven de beslommeringen rondom haar doen uitstijgen en haren geest onverdeeld gericht op de godvruchtige lezing, de overweging en het voorgeschrevene gewetensonderzoek. Het voornaamste punt harer beschouwing was het leven der allerheiligste Maagd. Welk een ernstige waarschuwing lag daarin opgesloten voor menige jonge vrouw, die er zich een verdienste van maakt, haren man al de loftuitingen en vleierijen mede te deelen, waarmede men haar in de wereld omgeeft. En terwijl zij door die herhaling en door haar opgewekte ijdelheid, de offers, aan haar eigenliefde gebracht, zelf ^rdubbelt en verdrievoudigt, meent zij misschien tegelijkertijd te behooren tot de vrome en getrouwe dienaressen van de nederigste aller schepselen, die tevens Koningin is des Hemels. Welk een zelfbedrog! Neen! toen Maria door den gezant van den Koning der Koningen werd geprezen en door haren Schepper tot den hoogsten trap van glorie werd verheven, verzweeg zij voor haren aardschen bruidegom alles! wat haar eigen lof kon bevorderen, totdat ten laatste de Almachtige zelf openbaarde welke groote dingen Hij aan haar gedaan had.

Haar nederigheid openbaarde zich ook in de gehoorzaamheid, die zij aan den heiligen Joseph, haren zichtbaren bruidegom, verschuldigd was. Onvoorwaardelijk onderwierp zij zich aan hem, toen

ocr page 378

hij haar den wil des Hemels verklaarde, volgens welken zij verre van haar ouderlijk huis, verre van hare bloedverwanten en wel voor onbepaalden tijd moest heen trekken naar een vreemd land. Zij twijfelde er niet in het minst aan, dat de plannen des Aller-hoogsten aan een ander, niet aan haar, de uitverkorene, werden medegedeeld. En hier bleek aan Constantia allerduidelijkst de plicht der vrouw; zich zei ven en haar verstand, in alles wat geen zonde is, aan den man te onderwerpen; hier leerde zij dat het dwaasheid is, zelfs uit scherts te twisten over de «rechten van de vrouw,quot; daar de Apostel die rechten aanmerkelijk heeft teruggedreven in veel enger grenzen dan waartoe de matelooze vrijgevigheid van onzen tijd die tracht uit te breiden. De vrouw moet volgens de leer des Apostels nederig zijn en onderdanig, zich geen gezag aanmatigen over anderen, behalve over hare kinderen, haar vrouwelijke dienstboden en de jongere personen van haar geslacht, en «volharden in het geloof en in de liefde en in de heiligheid met zedigheid, niet kwaadsprekend, nuchter, getrouw in alles.quot;

Welk een onuitputtelijke bron van heilige gedachten ontdekte Constantia in de beschouwing van het verborgen leven der allerheiligste Maagd! Zeker, reeds van haar prilste jeugd had men de blikken van haren geest daarop gevestigd, maar thans, nu zij uit den familiekring treden zal, om alleen te staan aan de zijde van haren man — hoe zegenrijk zal het thans voor haar zijn, als zij zich de gewoonte heeft eigen gemaakt, voortdurend in de heilige tegenwoordigheid van Jesus te Nazareth te leven! Welk een moed tot kalme volharding in die eentonige plichten zal zij scheppen uit de gedachte, dat wij geen enkel woord, geen enkele handeling van Maria vinden opgeteekend gedurende de eerste achttien jaren haars levens! — en toch, hoe heerlijk kwam de heiligheid van dat verborgen leven met den Godmensch aan het licht in de bovennatuurlijke kracht, welke deze teedere móeder aan den dag legde bij de verschrikkelijke gebeurtenissen, die op haar verborgen leven volgden 1

Wel zal Constantia niet Zijn zichtbare tegenwoordigheid kun-

ocr page 379

nen genieten in de vele eenzame uren, die haar wachten; maar zij had immers uit de heilige Schrift geleerd, dat Hij, gedurende zijn verblijf op aarde aan vele verworpelingen het voorrecht Zijner zichtbare tegenwoordigheid had willen schenken, terwijl daarentegen het getal der uitverkorenen, die Hem hadden ontvangen, slechts zeer gering was vergeleken met de tallooze menigte van wie Hij gesproken had: »Zalig degenen, die niet gezien en toch geloofd hebben !quot;

Op Constantia zou aanstonds na haar huwelijk de niet geringe plicht rusten van een groot vermogen te besturen. Mijnheer Richard hoopte dit nog te kunnen vermeerderen en zijn financieele raadslieden geven hem daartoe behartigenswaardige wenken. Constantia moest zich eenigszins leeren beperken; en waar van beperking geen sprake kan zijn, moest zij toch dikwijls het grootere genegen prijs geven voor een kleiner — niet op waanwijze, onverstandige manier, niet op hooghartigen toon, maar, zooals dit aan haar jeugd paste, met onschuldige vreugde, die haren echtgenoot het bewijs leverde, dat zij hem liefhad, niet om zijn bezittingen, maar om hem-zelven.

Uit den toren der kerk te Albano klonken de laatste toonen van het feestelijk klokgelui. Een stoet van koetsen reed den steilen rijweg op naar het heiligdom. Daar stapte het feestelijk gekleedde bruidspaar af bij de eerste poort van het voorplein, dat toegang gaf tot den hoofdingang der kerk. De heeren, die langs den nog stelleren maar korteren weg daarheen waren gekomen, ontvingen hen op de met sparregroen en bloemen bestrooide trappen.

Mijnheer Harry Sunderland geleidde als de naaste der bloedverwanten die op Italiaanschen bodem vertoefden, de bruid; de bruidsmeisjes en de overige leden van den stoet volgden, terwijl een van Italië's meesterkoren het: «Alleluja! Alleluja!quot; zong' »De Heer zende u hulp uit Zijn heiligdom, en zegene u uit Sion, Alleluja!quot;

De bruid en de bruidegom knielden op de voor hen bestemde

ocr page 380

plaatsen midden voor het altaar, de bruidsmeisjes naast de bruid, en de plechtigheid begon door de wederzijdsche verklaring van toestemming en getrouwheid, op de volgende wijze:

De celebrant i) vroeg den bruidegom; sRichardus Falconer, wilt gij Constantia Pomroy, hier tegenwoordig nemen tot uwe wettige huisvrouw volgens het gebruik van onze Moeder, de heilige Kerkfquot;

»Ja, ik wilquot; was het antwoord.

Daarna richtte de priester dezelfde vraag tot de bruid: «Constantia Pomroy, wilt gij Richardus Falconer, hier tegenwoordig nemen tot uwen wettigen man, volgens het gebruik van onze Moeder, de heilige Kerk?quot;

Constantia antwoordde: »Ja, ik wil.quot;

Nu beval de priester den bruidegom en de bruid hun rechterhanden ineen te leggen en sprak: »Ik verbind u in het huwelijk in den naam des Vaders f en des Zoons en des heiligen Gees-tes. Amen.quot;

Daarop gaf de bruidegom aan den celebrant den trouwring, die op de volgende wijze gezegend werd:

V. ïOnze hulp is in den naam des Hoeren.quot;

F|;. jDie hemel en aarde gemaakt heeft.quot;

Y. »Heer, verhoor mijn gebed.quot;

P^. »En mijn geroep kome tot U.quot;

V. »De Heer zij met u.quot;

Pj,. »En met uwen geest.quot;

»l,aat ons bidden. Zegen f o Heer, dezen ring, dien wij zegenen | in Uwen naam, opdat zij, die hem dragen zal een onverbreekbaren trouw beware jegens haren man en zoo voortdurend blijve in vrede en in uwen wil en steeds leve in wederzijdsche liefde, door Christus onzen Heer. Amen.quot;

Daarna besprteide de celebrant den ring met wijwater en gaf hem terug aan den bruidegom; deze stak hem aan den vierden

i) Priester die de plechtigheid verricht.

ocr page 381

vinger van de linkerhand der bruid terwijl de priester zeide: gt;In den naam des Vaders f en des Zoon en des heiligen Geestes. Amen.quot;

De bruidegom legde vervolgens in de hand zijner bruid een beurs, gevuld met goud en zilvergeld en sprak; »Met dezen ring trouw ik u, dit goud en zilver schenk ik u en met al mijn tijdelijke goederen begiftig ik u;quot; waarna de celebrant voortging;

$■. tBevestig, o God, wat Gij in ons gewerkt hebt.quot;

I|,. »In uwen heiligen tempel, die is in Jerusalem.quot;

»Heer, ontferm u onzer.quot;

»Christus, ontferm u onzer.quot;

»Heer, ontferm u onzer. Onze Vader,quot; enz.

»En leid ons niet in bekoring — maar verlos ons van den kwade.quot;

»Maak Uwe dienaars zalig.quot;

»Die op U, o mijn God, vertrouwen.quot;

gt;Zend hun, o Heer, hulp uit uw heiligdom.quot;

»En bescherm hen uit Sion.quot;

»Wees hun, o Heer, een sterke toren.quot;

«Tegenover den vijand.quot;

«Heer, verhoor mijn gebed,quot;

gt;En mijn geroep kome tot ü.quot;

gt;De Heer zij met U.quot;

»En met uwen geest.quot;

«Laat ons bidden:

»Zie neder bidden wij U, o Heer, op deze uwe dienaar; en begunstig genadig uw eigen instellingen, volgens welke Gij de voortplanting van het menschelijk geslacht hebt geregeld; opdat zij die door uwe beschikking aan elkander verbonden worden, door Uwe hulp behouden blijven. Door onzen Heer Jesus Christus enz.quot; Nu begon de huwelijksmis, waarvan de Introitus luidde als volgt;

»De God van Israël verbinde u met elkander en met u zij Degene, die zich over twee kinderen erbarmd heeft, en nu, o Heer, geef, dat zij nog luider verheerlijken.

gt; Glorie zij den Vaderquot; enz.

ocr page 382

«Verhoor ons genadig, almachtige en barmhartige God, opdat, hetgeen door uwen dienaar geschiedt, volmaakter worde door uwen zegen. Door onzen Heerquot; enz.

Epistel. Brief van den heiligen apostel Paulus aan de Ephesiërs V 22 33 „Broeders 1 Ue vrouwen moeten aan hunne mannen onderdanig zijn als aan den Heer; want de man is het hoofd der vrouw, gelijk Christus het hoofd is Zijner Kerk, Hij, de Redder zijns lichaams. Zooals nu de kerk onderworpen is aan Christus, zoo ook moeten de vrouwen dit zijn aan hunne mannen in alles. Mannen, hebt uwen echtgenooten lief, gelijk Christus de Kerk heeft liefgehad, en zich voor haar heeft overgeleverd, om haar te heiligen en te reinigen in het Doopsel des waters door het woord des levens, om de Kerk voor zich zeiven heerlijk te maken, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onbesmet zou zijn. Zoo moeten ook de mannen hunne echtgenooten liefhebben, als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, bemint zich zeiven. Want niemand heeft ooit zijn eigen lichaam gehaat, maar hij voedt en verzorgt het, gelijk Christus de Kerk: Want wij zijn ledematen van zijn lichaam, van zijn vleesch en zijn gebeente. Daarom zal de mensch vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen; en deze twee zullen zijn één vleesch. Dit geheim is groot; maar ik zeg: in Christus en in de Kerk. Aldus ook een ieder uwer; een ieder beminne zijn echthenoote als zich zeiven: de vrouw echter vreeze haren man.

Daarop werd het Graduale gezongen;

»Uw vrouw is een vruchtbare wijnstok aan de muren van uw huis — uwe kinderen zijn jonge olijfranken rondom uw tafel. Alleluja ! Alleluja I DeHeer zende u hulp uit het heiligdom en zegene u uit Sion. Alleluja! quot;

Evangelie volgens den heiligen Matthaeus. XIX. 3—6; Indien tijde kwamen de Pharizeën tot Jesus om Hem te beproeven en zeiden: gt;Is het den mensch geoorloofd zijn vrouw weg te zenden om iedere reden f Hij antwoordde hun en zeide: Hebt gij niet gelezen, dat Hij, die in het beginne den mensch schiep, hen als man en

ocr page 383

vrouw heeft geschapen en gezegd: Daarom zal de mensch vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen, en zij zullen twee zijn in één vleesch. Zij zijn dus niet meer twee, maar slechts één vleesch. Wat nu God verbonden heeft, scheide de mensch niet.quot;

Na het Evangelie sprak de eerwaardige prelaat den bruid en de bruidegom over de plichten, die zij nu op zich hadden genomen, waaraan zij plechtig trouw gezworen hadden tot het einde huns levens; en als zóó streng, als zóó verhelend schilderde hij hun die plichten — zulk een zelfbeheersching, zuiverheid van meening en volharding eischten zij, dat hij ten laatste uitriep:

«Mijne kinderen, als gij dit hoort, wilt dan niet uitroepen met de leerlingen die onzen Heiland omringden: «Indien het zoo gesteld is met den man en zijn vrouw, ware het beter niet te huwen 1quot; Want ik antwoord; d.w. z. slechts zij, — maar ook dezulken allerzekerst — kunnen deze geboden volbrengen aan wie de he-melsche sterkte verlichting en heiligmaking van dit Sacrament geschonken wordt.quot;

Daarna sloeg hij zijn blikken over het bruidspaar heen, dat vlak voor hem was gezeten en ging voort: gt;En nu ik in deze dichtbezette kerk zoovelen van onze gehuwde broeders en zusters zie uit den lageren stand, gevoel ik mij gedrongen, hun een woord toe te spreken van opwekking, tot volharding op hun ruw en moeielijk levenspad.

Ja, mijn arme broeders, gij hebt zeker veel te dragen 1 zijn er gevaren verbonden aan den rijkdom, ook de armoede heeft de hare, de armoede, wier offers moeten strijden met het lichamelijk gebrek — strijden met verwaarloozing en onverschilligheid — strijden wellicht met de bespotting en de verachting der rijken: en ach 1 maar al te dikwijls ook met het klagen en morren uwer echt-genoote. Uitgeput en ontevreden door ontbering en ziekelijkheid, staat zij U niet meer behulpzaam ter zijde, zij is voor u een last, en weigert, u die kleine, maar toch zoo onuitsprekelijk aangename diensten te bewijzen, die balsem zouden storten in de wonden van uw hart — de zindelijkheid in uw nederige woning verdwijnt, geen

ocr page 384

tevreden glimlach begroet u bij het binnentreden van uw vertrek — de weldadige deelneming in uwen zwaren arbeid, het hartelijke verlangen naar uw bijzijn, het onderworpen stilzwijgen, of het vriendelijke, innemende antwoord, dat uwen toorn ontwapent — alles gaat te loor. En. staat het zoo geschapen, dan moet een buitengewone genade u te hulp komen om te volharden in de getrouwe vervulling der plichten, die u door het Sacrament des Huwelijks worden voorgeschreven. En wat is de reden van dien treu-rigen huiselijken toestand ? Zegt het mij, gij allen, beminde zusters in Christus, gij, die geboren zijt in een stand, aan welken de verlosser boven iederen anderen de voorkeur heeft gegeven, in den nederigen stand, dien vele grooten der aarde edelmoedig uit vrije keuze omhelsd hebben om arm te zijn met Jesus — zegt mij, hebt gij vergeten, dat de Godmensch u gelukzalig genoemd en een heerlijk loon voorspeld heeft, indien gij uw lot draagt met gelatenheid en onderwerping:1 Wilt gij dan door uw morren en door den staat van armoede te verwerpen, oorzaak zijn dat ook gij, zelf verworpen wordt en uw plaats verliest onder de armen van geest, aan wie alleen het Rijk der Hemelen is toegezegd? Wilt gij door uw zorgeloosheid en verkwistende uitgaven gedurende den korten tijd van een voorbijgaand geluk, u zeiven en uw huisgezin ten prooi geven aan ontbering, aan ellende, die niet van God, maar van uw eigen ijdelheid en lichtzinnigheid komt, die daarom, zonder verdienste, maar integendeel vol van gevaarlijke beproevingen is? Wilt gij niet liever van dit oogenblik af de heilige voornemens gedachtig blijven, die gij gevormd hebt op den dag van uw huwelijk aan den voet des altaars? Moet gij God, den Almachtige, niet ernstig bidden, dat Hij de genade van het Sacrament des Huwelijks in u vernieuwe, opdat gij die in haar volheid moogt bewaren, opdat zij uwen bedrukten geest opbeure en trooste en uwe gewonde ziel geneze r Ja, laat mij hopen, dat allen die hier tegenwoordig, en door den onverbreekbaren band des huwelijks aan elkaar verbonden zijn van nu af aan met nieuwen moed den geestelijken strijd zullen beginnen. Wij weten toch, dat Hij, die voor

ocr page 385

— 3S2 —

hen is, veel machtiger is, dan hij, die tegen hen is daar Hij in dit Sacrament hun een onzichtbare wapenrusting heeft geschonken, waarmede zij aan de vurige pijlen van den vijand weerstand kunnen bieden. En nu, mijne broeders, laten wij onder hst aanbiddelijk Offer dat zal worden opgedragen, tot God smeeken, dat de verdiensten van het onbevlekte Lam, welke de kracht zijn van al de zeven Sacramenten, over alle echtgenooten, zij mogen jong zijn of oud, rijk of arm, met goddelijke mildheid worden uitgestort. Amen.quot;

Nu werd het Offertorium gezongen:

gt;Op U, o Heer, heb ik gehoopt; ik heb gezegd: gij zijt mijn God. Mijn lot is in uw handen.quot;

En de stille gebeden luidden:

«Wij bidden u, o Heer, neem genadig aan de gaven die volgens de heilige wet des huwelijks u worden opgeofferd, en wees Gij de voltrekker van het werk, waarvan Gij de grondvester zijt, door Christus onzen Heer.quot;

De prefatie en de canon der heilige Mis hadden plaats als gewoonlijk; na den Pater noster echter, wendde de priester, aan de epistelzijde staande, zich tot de bruid en den bruidegom, die voor het altaar nederknielden, en sprak over hen het volgende gebed;

»Neig genadig, o Heer, uw oor naar onze smeekingen, en bescherm goedertieren uw instelling, waardoor gij de voortplanting van het menschelijk geslacht geregeld hebt: opdat, hetgeen door uwe beschikking verbonden wordt, door uwe hulp ook worde behouden. Door onzen Heerquot; enz.

»Laat ons bidden. O God, die door uw sterke macht alle dingen uit niets gemaakt hebt: die na de beginselen van het heelal te hebben geregeld, den mensch naar liet beeld Gods hebt geschapen en hem de vrouw tot zulk een onafscheidelijke gezellin hebt gegeven, dat Gij haar lichaam uit het vleesch van den man hebt genomen, ons leerende, dat, wat gij uit één beginsel hebt samengesteld, nimmer mag gescheiden worden; o God, die de ver-bindtenis des huwelijks door zulk een verheven geheim hebt gehei-

ocr page 386

— 353 -

ligd, dat door dien band de geheimzinnige vereeniging van Christus en Zijne Kerk moest worden afgebeeld; o God, door wien de vrouw met den man vereenigd, en deze in den aanvang gestichte verbintenis begenadigd wordt met een zegening, die alleen noch door de straf der erfzonde noch door het strafvonnis bij de Zondvloed werd weggenomen: zie goedertieren neder op deze uwe dienstmaagd, die thans den hmvelijksstaat zal intreden en U daarom bidt, dat Gij haar door uwen bijstand zult beschermen. Haar juk, zij een juk van liefde en vrede: trouw en kuisch in Christus aanvaarde zij haar huwelijksleven, en blijve een volhardenden ijver toonen in de navolging der heilige vrouwen: moge zij welgevallig zijn aan haren man, gelijk Rachel: verstandig, als Rebecca: lang leven in onbevlekte trouw gelijk Sara. Moge de vader der zonde in haar geen enkele gemeenschap met hem bespeuren: Zij blijve standvastig in het geloof en in de geboden, verbanden met éénen man, en ontvluchte allen ongeoorloofde!! omgang. Haar zwakheid versterke zij dour de kracht der tucht. Moge zij ernstig zijn in hare zedigheid, eerwaardig in haar bescheidenheid; onderwezen in hemelsche leerling, vruchtbaar in haar kroost, beproefd in deugd en onschuld. Moge zij geraken tot de rust der zaligen en het rijk der Hemelen; mogen zij beiden hunne kindskinderen zien tot in het derde en vierde geslacht en een gezegenden hoogen ouderdom bereiken, door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer enz.quot;

De Celebrant vervolgde nu de heilige Mis en reikte na de nuttiging de heilige Communie uit aan het bruidspaar. De bruidsmeisjes en bijna al de leden van de bruidsstoet communiceerden eveneens. Daarna volgden de gebeden der Communie en der Postcommunie. »Zie, zoo zal ieder gezegend worden, die den Heer vreest, en moogt gij den vrede aanschouwen uwer kinskinderen in Israël.quot;

»Wij bidden u, almachtige God, doe over de beschikking uwer voorzienigheid uw zegenende genade afdalen, en behoud diegenen in voortdurenden vrede, die Gij rechtmatig met elkander verbonden hebt. Door Christus onzen Heerquot; enz.

D. z. H. s. 23

ocr page 387

En nu sprak de priester, voordat hij den gewonen zegen aan de geloovigen schonk, op plechtigen toon den huwelijkszegen uit: »De God van Abraham, de God van Isaac en de God van Jacob zij met U, en vervulle U met Zijn zegen: opdat gij moogt zien uwe kinskinderen tot in het derde en vierde geslacht en eenmaal het eeuwige moogt hebben door de genade van onzen Heer Jesus Christus, die leeft en regeert met den Vader en den heiligen Geest, één God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.quot;

Toen de biuidegom zijn bruid van het altaar leidde, gaf zij hem een teeken om stil te staan, en knielde eenige minuten neer bij het graf van den eerbiedwanrdigen Gaspardo del Buffalo, den stichter der missionarissen van het «allerkostbaarste Bloed.quot; Mijnheer Richard volgde haar voorbeeld, en heel de stoet wachtte tot dat het bruidspaar weder opstond en midden door de menigte landlieden heenging, die hun met luider stemme zegenwenschen toeriepen en om een aalmoes baden. Constantia had dit voorzien; daarom droeg iedere bruidsjuffer een kleinen witten zak vol zilverstukjes» die zij tot het laatste toe uitdeelden. De bruid had aan den bruidegom een schoon bewTerkte beurs met zilvergeld overhandigd en er ook zelve een voor zich behouden. Dit viel volkomen in den smaak van mijnheer Richard, die gaarne en rijkelijk weggaf.

»Mijn kind,quot; zeide mevrouw Eddington, toen zij weder tehuis waren, „waarom hebt gij alles verdeeld onder vreemden en niet liever onder onze buren en het dienstdoend personeel, onniddelijk rond mijn villa? Zij hebben zeker allen de heilige Mis bijgewoond, en velen hunner zullen voor U dezen morgen gecommuniceerd hebben!quot;

»lk heb niet alles, lang niet alles uitgedeeld, wat ik beschikbaar heb, grootmoeder,quot; antwoordde de bruid, en ik heb een lijst van allen, die wij gewoonlijk onze armen noemen. Daags voor onze

ocr page 388

retraite zijn Camille en ik in iedere hut geweest en hebben aan iederen bewoner een Scudo geschonken. Die goede menschen waren wel in de kerk, maar onder die menigte na de Mis.quot;

»De plechtigheid, die heden morgen in de vroegte met zulk een heerlijke uiting van de godsvrucht der Italianen begonnen is, zal dezen middag om drie uur worden voortgezet en om vijf uur met den zegen van het Allerheiligste besloten worden,quot; zeide mevrouw Eddington. „In dien tusschentijd zullen Camilla, Emilie en de andere gasten zich in den tuin of binnenshuis weten te vermaken; en om ons het verlies van uw bijzijn eenigszins te vergoeden, wil Albona, naar ik hoor, een declamator en een koor van tien zangers doen optreden; hun voordrachten zullen ons den tijd korten. Vandaag moet ik dus voor de eerste maal leeren, hoe ik vroo-lijk en blijde kan zijn zonder mijn kind.quot;

Mevrouw Eddington deed haar best, opgeruimd te schijnen, maar Constantia zag de tranen in hare oogen blinken en sloeg haar armen om haren hals. Op dit oogenblik kwam Emilie binnen-geloopen en zeide, dat reeds al de gasten bij den bruiloftsdisch waren verzameld, en dat ook de bruidegom de vreugde reeds door zijn tegenwoordigheid had verhoogd — waar nu de bruid bleef?

Die woorden van haar nicht herinnerden Constantia aan den inhoud der regels, die wij boven dit hoofdstuk hebben geschreven — haar hoofd rustte op den schouder harer grootmoeder, nu hief zij het op, vatte de haar aangebodene hand en liet zich, gevolgd door Emilie binnenleiden in de feestzaal, waar de gasten nog slechts wachtten op hare komst en die van mijnheer Boldoni, om plaats te nemen. Mijnheer Richard verbeidde aan de deur ongeduldig hare komst. Ook de eerwaardige prelaat, die na de plechtige hoogmis in de kerk zijn dankgebed had verricht, trad nu weldra binnen, om het gebed uit te spreken; allen namen daarop plaats aan de feesttafel.

Een week later ontving mevrouw Eddington per post een pakket, dal onder meer ook den eersten brief van Constantia Falconer aan haar grootmoeder bevatte. De pijnlijke bezwaren

ocr page 389

— 3S6 —

die haar huwelijk onmiddelijk waren voorafgegaan, hadden alle moeten vluchten voor een onwankelbaar vertrouwen op de toekomst — en uit de volheid van haar hart riep zij: „Waar is nu het kruis eener bruid?quot;

ocr page 390

i gt;f ft o ü 9,

I.

De Vooravond van St. Laurentius of ije Kinderdoop.

Eerste Hoofdstuk. ........3

Tweede „ .........11

Derde „ ........ • I1

Vierde „ .........22

Vijfde „ 27

Zesde ,, ........ • 33

Zevende „ .........38

ocr page 391

inhoud.

III.

De Boetvaardige Zusters.

Eerste Hoofdstuk.

Tweede „

Derde „

Vierde „

Vijfde „

Zesde „ Zevende

IV.

Het Altaar te Woodbank of het Gastmaal

te middernacht.

Eerste Hoofdstuk.

Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Zevende Achtste

V.

De Abdij van Clvf of het Heilig Oliesel Eerste Hoofdstuk.

Tweede „

Derde „

Vierde „

Vijfde

Zesde „

Zevende „

Achtste

91 97

I02

108 114 121

128

ocr page 392

7 —-

tnhoud.

VI.

De Priester van Norïhumbrië,

Eerste Hoofdstuk.

Tweede „

Derde „

Vierde „

Vijfde „

Zesde „

Zevende ,,

245 250

»57

262 268 279 286

vn.

Het Bruidskruis.

Eerste Hoofdstuk. ........308

Tweede „ .........315

Derde „ .........323

Vierde „ ......... 329

Vijfde „ .........332

Zesde „ .........337

Zevende „ ......... 344

303 30 S

Aanhangsel.

Over de wijding der Bisschoppen.

4

ocr page 393
ocr page 394

■ ■■•..■ : :

' ' ' '

■ ■ . ' - ■; .. : .' : - • : . ■

; t .. .kul

:gt; W-

- wC'-^ ' ' r

-• v~-^. ■■•;•' - ■ ^ V.--

■ Jamp;lZAi'ü' quot;

_

—

ocr page 395

wm.—^

;.: ■■ '1 '' ., ^ -M

-r

h; v

■•f' ■amp;■

■■■ ■ ' ■' • .- . ' 'V.quot; .•.■,■ - ', /gt;'•■, V' ;■ r ';

, vV, ■ • - - ; • ■ - .. ■■■ ■;■ ■ .„ , , ■. gt; -V-'-, . :

• ■

4 . H

! ^gt;v.K.-.,:. c..V'. ■• -r-.v; ' .-■.i' , ., ,::f-

■ •gt;/::-' :'- gt; ■ ,gt;;: v-

- ■• 'v :■•■ . .■.- -■• ..•■:• .. • ■ ■-•;- • •. . ' -.• •... ■■•. ••. . ■ •

'

. '■ ' -•' f\ \ ;' - ■• ir - vv . ■ ' • f '- ' '-'S ■ ■ ■ • ■' ' - -7' .quot;T: / : ' • ■ ' ■ ■.■' -

''.'l-y'') : f'y■gt; ,. lt; . , V'1' : ■' i 5- f'

'V.' ■' ■- -:•r ■ quot; tquot;-

- A ■ ■ ./:••■ - i% • 1

' ; iPÜi 11 te MÊ'm i ;v i®

___—

ocr page 396

#| s-/ ;

m

■ . • 1

■■■ v ; gt;-■ '■

te.quot; V.

■ ■ , , 'v;. -: :■ •

„ ip-ïy-ï1'

:■lt; ' ^ ' l y'

i ^

■i ■■

^HSR- -v ..4:*■

mmm: !-mm

i

-■ .■.■■■- ■ ■

■■■■ ■ ' - ' - 'i'v.-V';f; !

;V

'' ^ , 'x N ':0:yz:W^ .gt; ^

7iW W**

'

■ 1 v «

. ^

r A'

,■■- ■ • v. ....

ïtëejfas amp;,

•'-V-'-v' . :

M • . .

-ïï' ■

'

• t quot;quot;quot;■'

. : ■ r'. •

■

.•» - : V

• '•quot;■ • . ■quot; quot;-• ■':

■' rv;i - '■ Vv S'-'quot;.; '■ ..

â–