'7-^tC
iisii^H jv 5|
Sip V^v*;j ^
v .'»' -t\*J; .lt; ^ , v. vl
sssssiffic. v,r..v i*quot;»»
. i V -,
P-i â '
1 gt;5 ^
^gt;7gt;. /
- A * 4
; * gt; r^ .
^vTr ^
i-
\ t x. / nifM
]«« 'gt;. v fgt;^f t:..^
â 'â â ::7;: «'Vvfquot; ^ â¢;⢠^ / **lr V -a ^ â¢r.^s
**' V. '- 'l ^
J,' -'â ⢠'£^.
gt; â â â¢gt; lt;
^ , T-gt;
^ v;VJ ''^
ïiüm^. -r ⢠JA-' V1
⢠w. V^â' \ /Vi Æ v -f i
sas^P^-'Q
|l%é!Sfcr v% ,\ .; M s gt;*. f rlt;gt;^ |
gt;l ⢠X- ^ - *
Ãiii^i-?igt; '( ^, 'â ^'J :lt; t_- '/ V -
^ ⢠gt; I - . ' lt; V' ^ A quot;V ' ^Vrfr- F .
â¢â â gt; = vr ^ gt;/⢠⢠â
^-r^-V ^ V ⢠V JV.'' ⢠-. ^ ^r J
i '.i? gt; { i»jf v j ^ jf quot; t.v'. -quot; quot;quot;X ^*'. 'i
I ' - ; -gt; â quot; r.
; â 'iv ^y-f^ ^ V-.
;^ï _
â '. lt;â¢;-. gt; ^ â â â __
I
â
1
) ! *7
B® ©iiiiiiiil
zijne vijanden
Ã\ANKEN,
EN
onze plichten
DOOR
p.f.
^RIESTER.
»Christen is mijn naam, Katholiek is mijn bijnaam.''
PACIANUS.
ROERMOND.
M. WATERREUS, Drukker en Uitgever 1893.
Goedkeuring van Zijne Door). Hoogwaardigheid den Bisschop van Luik.
Wij hebben het werk 'De Godsdienst, zijne vijanden en onze plichten,quot; door den E. H. Franken, Priester, doen onderzoeken, en verheugen ons het niet alleen te kunnen goedkeuren, maar het om zijne wezenlijke verdiensten warm te kunnen aanbevelen.
| VICTOR JOS,
Luik, 15 Oct. 1S92. Bisschop van Luik.
Goedkeuring van Zijne Doorl. Hoogwaardigheid den Bisschop van Roermond.
Gezien bovenstaande goedkeuring en aanbeveling, stemmen wij gaarne toe dat voormeld boek hier wordt gedrukt.
P. J. H. RUSSEL,
Licent. in de Godgel., Kanunnik en boekenkeurder.
Roermond, den 18 April 1893.
Poorivoord-
Zoo ooit, dan is het vooral in onze dagen noodzakelijk, dat ieder Katholiek in zijn geloof versterkt, tegen de gevaren, welke zijn geloof bedreigen, gewaarschuwd worde, en de plichten van den oprechten Katholiek nader leere kennen.
Om hiertoe het mijne bij te dragen, aarzel ik niet, na geleerde en hooggeplaatste Priesters geraadpleegd te hebben, deze eenvoudige confer en tién in het licht te geven.
Moge de zegen des hemels op mijnen arbeid rusten, en het zaadkorreltje, door mij uitgestrooid, honderdvoudige vruchten voortbrengen tot glorie van God en tot zaligheid der zielen !
Hechtel, Januari 1893. De Schrijver,
(Belg. Limburg.) jj. p.
â [ H
fÃlÃi
p--.
18
.
- â - . , â â
...
H- H â
.
I 11 *â¢. â
WÃ i â
â
|M W^^i'
IH^^H â
,
:
L
Wkt de G(oel^dier\^t ?
Reddite, quae sunt Dei, Deo: â¢
Geeft aan God vrat God toekomt.
(Matth. XXII-2I.)
In de handelingen der Apostelen, ons nagelaten door den H. Lucas, wordt verhaald, dat de Apostel Paulus, omdat hij den christelijken godsdienst beleed, te Cesarea van oproer beschuldigd en in de gevangenis geworpen werd. De Landvoogd Felix liet op zekeren dag den H. Paulus uit de gevangenis bij zich komen, en hoorde hem over het geloof in Jesus-Chris-tus, d. i, over den christelijken godsdienst. Doch zoodra Paulus sprak over dc verplichtingen, welke de christelijke godsdienst oplegt, o. a. over de rechtvaardigheid en de zuiverheid, en daarenboven den landvoogd wees op het toekomend oordeel, werd de onrechtvaardige en ontuchtige Felix bevreesd. Ga â zoo sprak hij tot Paulus. â gt;Ga voor ditmaal henen.quot; i)
Zult gij diezelfde woorden tot mij richten, nu ik heden eene reeks onderwijzingen kom openen over den godsdienst, en over de verplichtingen, welke de godsdienst u oplegt? Zult gij
i) Aa. XXIV.
evenals de heidensche landvoogd zeggen: »Ga henen?quot; Neen, hiervoor vrees ik niet. Ik ben te zeer overtuigd, dat de godsdienst u boven alles dierbaar is, en bijgevolg, dat het u aangenaam zal wezen eenige onderwijzingen over den godsdienst te aanhooren, gelijk het mij aangenaam is, daarover te kunnen spreken.
Ziethier de wijze, waarop ik dit belangrijk onderwerp zal behandelen. Ik zal u achtereenvolgens onderrichten
10 over den godsdienst in het algemeen;
2° over den waren godsdienst;
3° over de groote weldaden van den godsdienst;
4° over de vijanden van den godsdienst;
5° over de verplichtingen, welke de godsdienst ons oplegt.
Moge God deze reeks onderwijzingen overvloedig zegenen! Mogen zij uwe liefde en achting voor den godsdienst zoodanig vermeerderen en versterken, dat nimmer iemand van u door den wassenden stroom van het heerschend ongeloof medege-sleept worde 1
I.
Ik stel heden als eerste vraag:
IFaf is de godsdienst? De godsdienst is de samenvatting van al de verplichtingen, welke de mensch ten opzichte van God vervullen moet. Welke zijn deze verplichtingen ? Eene der eerste lessen van onzen Catechismus wijst ze aan in het antwoord op deze vraag: Wat is den mensch van noode, om tot zijn einde te komen? Dat hij God kenne. God beminne en getrouwelijk tot het einde zijns levens diene. Dus de verplichtingen, welke op iederen mensch rusten, zijn: God kennen, Gcd be-
minnen, God dienen. Waaruit vloeien deze verplichtingen voort? Zij vloeien noodzakelijk voort uit de betrkekingen, welke er tusschen God en den mensch bestaan. Wie is God? Gcd is onze Schepper, onze Vader, onze Koning. Wie zijn wij? Wij zijn zijne schepelen, zijne kinderen, zijne onderdanen, die geheel van Hein afhangen. Welnu, gelijk een kind plichten te vervullen heeft ten opzichte van zijnen vader, een onderdaan tegenover zijn koning: zoo hebben wij ook verplichtingen tegenover God. Wij moeten Hem kennen; d. w. z. wij moeten weten wie Hij is, wat Hij van ons vraagt, wat wij Hem verschuldigd zijn. Wij moeten God beminnen en bijgevolg ook dienen, d. i. zijne geboden onderhouden, zijnen wil volbrengen.... Al deze verplichtingen worden saamgevat in dit ééne woord: ^godsdienstquot; Vandaar dat ik op de vraag: »Wat is de godsdienstquot; heb geantwoord: De godsdienst is de samenvatting van al de verplichtingen, welke de mensch ten opzichte van God te vervullen heeft.
Eene wereldsche vrouw, die gelijk veel anderen niet wist, wat de godsdienst is, die er ook weinig werk van maakte, en den godsdienst beschouwde als eene zaak, welke volgens tijd en omstandigheden moet veranderen, klaagde eens bij eenen Priester over het slecht gedrag harer dochter. Maar vrouw, antwoordde de Priester, zijn tusschen moeder en dochter zoodanige betrekkingen, dat eene dochter verplicht is hare moeder te eeren en te gehoorzamen? â Hoe Mijnheer â antwoordde de vrouw â ben ik hare moeder niet ? Laat ze nog zoo oud zijn, is zij niet altijd mijne dochter? Is het niet van mij, dat zij alles heeft ? Is zij niet altijd verplicht, mij te eerbiedigen en te beminnen? â Maar vrouw, hernam de Priester, die be-
10 â
trekkingen van gezag en onderdanigheid lusschen u en uwe dochter zijn misschien zaken, die volgens tijd en omstandigheden veranderen? â Veranderen! mijnheer â riep de vrouw uit â dat kan immers niet zijn; de rechten eener moeder op hare kinderen zijn onveranderlijk. â Gij gelooft dus, vrouw â antwoordde de Priester â dat er noodzakelijke betrekkingen zijn tusschen u en uwe dochter; gij gelooft, dat gij het recht bezit, haar te gebieden, en dat zij verplicht is, u te eeren en te gehoorzamen; gij gelooft, dat zulks niet eene zaak is welke volgens tijdsomstandigheden verandert, maar eene onveranderlijke en geheiligde zaak, welke steunt op uwe hoedanigheid van moeder en op hare hoedanigheid van dochter. Gij gelooft dit alles ? Ja, Mijnheer â zegde de vrouw â ik geloof dat zonder eenigen twijfel. Welnu (hernam de Priester) verander de namen: stel God in uwe plaats, en u zelve in de plaats uwer dochter; dan hebt gij den godsdienst.
Inderdaad, zóó is het. Gelijk er noodzakelijke en onveian-derlijke betrekkingen zijn tusschen de ouders en hunne kinderen, betrekkingen, waaruit voor de kinderen wezenlijke ver plichtingei i voortvloeien van eerbied, liefde en gehoorzaamheid: zoo bestaan er noodzakelijke en onveranderlijke betrekkingen tusschen God en den mensch: natuurlijke betrekking en, wijl God krachtens de schepping de Vader der menschen is, en de menschen zijne kinderen zijn; bovennatuurlijke betrekkingen, wijl God den mensch bestemd heeft tot een bovennatuurlijk geluk, waarop de mensch geen recht had, het ieuwig geluk des hemels.
Vandaar dat de H. Augustinus den godsdienst noemt »een band, die den mensch met God vereenigt.quot; i)
i) De vera releg. 2â113.
â II â
Vandaar ook, dat de godsdienst bestaan heeft, zoodra Adem, de eerste mensch geschapen was. Immers vanaf dit oogenblik waren er tusschen God en Adam betrekkingen van gezag en onderdanigheid, en bijgevolg ook verplichtingen, welke Adam ten opzichte van God vervullen moest.
Tot het vervullen dezer plichten, d. i. tot het belijden van eenen godsdienst, gevoelt zich de mensch van natuur aangedreven.
«Begeven wij ons in alle richtingen der bewoonde aarde, «doorkruisen wij de steppen van het aziatische hoogland, slaan »wij onze woning op bij de wilde stammen der oorspronke-gt;lijke bewoners vau Amerika, gaan wij opwaarts naar de lijspool, dringen wij door in de gloeiende zandwoestijn van »Midden-Afrika, overal waar een menschelijk wezen ademt, »daar wendt zich zijn oog naar boven. Overal waar een meu-«schelijk verstand denkt, al staat het ook op den laagsten trap »der ontwikkeling, daar heeft het gedachten van het goddelijke; soveral waar een menschelijk hart klopt, daar ondervindt het »een huiverig gevoel van het eeuwig. Waar eene menscbelijke »taal weerklinkt, al is zij ook nog zoo arm en nog zoo ruw, »daar heeft zij toch een woord, dat God noemt. En gaan swij eveneens terug door alle eeuwen der geschiedenis heen, ^dan vinden wij een woord bewaarheid, dat reeds vóór 2000 sjaren door Cicero gesproken werd; »Er is geen volk, hoe songetoomd en wild het ook zij, of het weet, dat men eenen »God moet eeren, ofschoon het juist niet weet welken 1) «Sedert zijn Amerika en Australië ontdekt geworden en «onderzocht, ontelbare nieuwe volkeren zijn in de geschie-1) Quaest. Ture I.
12
»denis opgetreden. Zijn woord staat onaangetast; alleen werd »het nog meer bevestigd. Zooveel eeuwen in de geschiedenis, szooveel bewijzen voor deszelfs waarheid.quot; i)
sAls gij de wereld rondreist, zegde reeds de heiden Plutar-chus, zult gij steden vinden zonder muren, zonder wetenschappen, zonder paleizen, zonder rijkdommen, zonder schouwburgen. Maar eene stad zonder tempels of goden, eene stad, waar geen gebeden gestort, geene offeranden opgedragen worden, heeft nooit iemand gezien. Het ware gemakkelijker eene stad te vinden in de lucht gebouwd, dan een volk zonder godsdienst.quot; 2)
II.
Hoedanig moet de godsdienst wezen? Staat het den men-schen vrij God te dienen, gelijk zij het goedvinden ?
Neen; de mensch moet God dienen, gelijk God zelf dat wil en voorschrijft. Wij zijn tegenover God, wat eei; onderdaan is tegenover zijnen Koning, een dienstknecht tegenover zijnen meester. Welnu, komt het den meester niet toe te bepalen, wat hij door zijnen dienstknecht wil gedaan hebben? Of heeft misschien de dienstknecht zelf het recht, zijnen dienst te regelen, gelijk hij goedvindt? Voorzeker neen. Hetzelfde geldt voor ons ten opzichte van God. Krachtens zijn gezag over den mensch heeft God het recht, te bepalen, hoe Hij door den mensch gediend wil worden, welken godsdienst de mensch moet volgen.
Heeft God van dit recht gebruikt gemaakt?
Ja. God heeft door de Aartsvaders en door de Propheten,
1) Hettinger-Apolog. â 2) Plut adr. Col.
â 13 â
en ten laatste bij monde van Zijnen eenigen Zoon, Jezus-Christus, en van de Apostelen tot den mensch gesproken, cm hem den waren godsdienst,, de ware geloofs- en zedeleer te openbaren.
Was deze Goddelijke, bovennatuurlijke veropenbaring noodigf Ongetwijfeld. Ziehier waarom.
God in zijne oneindige goedheid heeft den mensch geroepen tot een bovennatuurlijk geluk, het eeuwig geluk des hemels. Daarom bestaan er tusschen God en den mensch hier op aarde ook bovennatuurlijke betrekkingen, welke als de weg zijn tot dat bovennatuurlijk einde: God eeuwig aanschouwen in den hemel.
Dit kon de mensch niet weten zonder de Goddelijke veropenbaring. Wel kon hij door zijn verstand alleen weten, dat een natuurlijk geluk zijn einde was, en dat er tusschen God en hem natuurlijke betrekkingen bestaan, maar dat hij door God bestemd is tot een bovennatuurlijk geluk en er bijgevolg tusschen God en hem bovennatuurlijke betrekkingen bestaan: dit kon de mensch niet weten zonder de Goddelijke veropenbaring. Deze was dus volstrekt noodzakelijk, omdat, zoo leert het Vatikaansch Concilie i) God uit oneindige goedheid den mensch bestemd heeft tot een bovennatuurlijk einde, namelijk tot deelname aan goddelijke goederen, die 's menschen verstand geheel te boven gaan; want noch oog heeft het gezien, noch oor heeft het gehoord en nooit is het in 's menschen hart opgekomen, wat God bereeid heeft voordegenen, die Hem beminnen.quot; 2)
Maar ook voor die godsdienstwaarheden, welke 's menschen 1) Constit. * Dei FJh'us.quot; â 2) I Cor. II: 9.
â 14 â
verstand niet te boven gaan, b. v. dat er een God is, Schepper en Regeerder van hemel en aarde, looner van het goed en straffer van het kwaad... dat onze ziel onsterfelijk is en God boven alles beminnen moet, enz., ook deze waarheden zouden zonder de goddelijke veropenbaring niet door allen, of niet zonder twijfel en dwalingen, en dikwerf te laat gekend zijn geworden. Waarom? Omdat het natuurlijk licht van 's men-schen verstand door de erfzonde zoozeer verzwakt is, en daarenboven door de ongeregelde hartstochten zeer dikwijls verduisterd wordt.
Niets bewijst zoozeer de zwakheid van 's menschen verstand, en bijgevolg de noodzakelijkheid van Goddelijke hulp, als de geschiedenis der oude volkeren. Nauwelijks hadden zij zich van de zuivere bron der oorspronkelijke veropenbaring verwijderd, of zij vervielen in de afschuwelijkste dwalingen betreffende God en zijne geboden.
Niet alleen zon en maan, water en vuur, beelden van steen en hout aanbaden zij, maar ook stieren, katten, slangen, ja zelfs de groenten in hunne hoven, zoodat een oude dichter spottend uitriep; »0 gelukkige volkeren, voor wie de goden groeien in hunne hoven.quot;
In Mongolië aanbad men de koeien, in Syrië de visschen, in Thessalië de ooievaars, op het eiland Ceijlon aanbad men zelfs een apentand.... Daarenboven vereerden zij openlijk alle ondeugden. De Romeinsche Senaat ging zoover, dat hij eene zekere Flora, die tijdens haar leven eene openbare ontuchtige was, als godin uitriep, omdat zij haar testament ten voordeele van den Senaat gemaakt had. De Thraciërs eerden hunne goden door levende menschen te verslinden, de Mexicanen door
â IS â
duizende menschen op de altaren hunner goden te wurgeri. De Spartanen veroorloofden den diefstal; andere volkeren beweerden, dat overspel en doodslag geene misdaden, maar deugden waren. En nu nog in latere tijden, welke wreedheden heeft men bij die volkeren niet ontdekt? In China, b. v. meenen de ouders het recht te bezitten, pasgeboren kinderen te verstikken, in de rivier te werpen, of op straat neer te leggen, waar zij dan op vuilniskarren geladen en in eenen kuil gestoken worden. Op de kusten van Guinea wordt de vrouw, als de man gestorven is, levend met het lijk van haren man verbrand.
Hoe waren al die dwalingen, al die wreede en gruwelijke misdaden mogelijk? Omdat zij door hunne schuld de goddelijke veropenbaring verloren hadden. De noodzakelijkheid van een veropenbaarden godsdienst werd door de Heidensche wijs-geeren zelfs erkend. Zoo zegde o. a. de Heidensche wijsgeer Plato; »Niemand kan de godsvrucht leeren, tenzij een God als leidsman of leermeester voorafgaquot; i)
Welnu, God heeft zulks gedaan. Hij heeft aan de menschen den godsdienst veropenbaard, en deze godsdienst is de christelijke godsdienst. Die groote waarheid zullen wij bewijzen in eene volgende onderrichting.
Ik eindig deze eerste onderwijzing met de woorden van onzen Goddelijken Zaligmaker: Reddite ergo, quae sunt Dei, Deo: Geeft dus aan God, wat God toekomt 2) God als onze Schepper en Vader heeft recht op onze eer en aanbidding, op onze liefde en gehoorzaamheid. Laten wij ons van die plichten kwijten met de grootste zorg. Beschouwt den godsdienst niet als een juk, dat knelt, als een last, die ondragelijk is. God
1) In Epimonide. 2) Matth. XXII-21.
zelf verzekert ons: »Mijn juk is zoet, mijn last is licht,quot; i) Daarenboven op den godsdienst is toepasselijk het woord der H. Schrift: s Venerunt auiem viihi omnLi bonapariter cum ilia.quot; Met hem is alle goed tot onsgekomen. 2) Waar de godsdienst bloeit, daar bloeien alle deugden: daar bloeit de zuiverheid, de gehoorzaamheid, de rechtvaardigheid, de liefde tot den evennaaste enz. Integendeel, waar de godsdienst verdwijnt, daar heerschen alle dwalingen en ondeugden: haat en nijd, diefstal en onrechtvaardigheid, zelfmoord, oproer en verachting van alle gezag. Dit getuigde zelfs de goddelooze Rousseau met deze woorden: sik woonde liever in een bosch te midden van wilde dieren dan in eene maatschappij van menschen zonder godsdienst.quot; Laten wij dus den godsdienst beschouwen als den kostbaarste aller schatten! Laten wij den band, die ons met God ver-eenigt, door eene trouwe plichtsvervulling steeds nauwer toehalen, opdat wij, na hier op aarde met God vereenigd te zijn geweest, eens eeuwig met Hem vereenigd worden in den Hemel. Amenl
i) Sap* VII, 11. 2) Mat h. XI-30,
11.
De Cl\i'i^telijke Cfodsdicqst.
A Dom ivo factum est istud, ft est mirahile in oculls vost ris : â Dit is geschied door den Httr, en \rcnierbanr is her in onze oo ;en.quot; ( s. C\II-23.)
Overtuigd, dat de godsdienst u boven alles dierbaar is, heb ik verleden Zondag eene reeks onderwijzingen over dit belangrijk onderwerp geopend.
Ik stelde als eerste vraag: Wat is de godsdienst? De godsdienst, zooals wij toen hebben uitgelegd, is de samenvatting van al de verplichtingen, welke de mensch ten opzichte van God vervullen moet.
Deze verplichtingen volgen noodzakelijk uit de betrekkingen, welke er bestaan tusschen God en den mensch. Omdat God onze Schepper, onze Vader, onze Koning is, zijn wij Hem eer en aanbidding, liefde en dankbaarheid, achting en gehoorzaamheid schuldig.
Deze plichten opzichtens God vervullen, m. a. w. eenen godsdienst belijden, is den mensch van natuur eigen. Vandaar dat zelfs de heidensche wijsgeer Plutarchus zeide: »het is
De Godsdienst. 2
gemakkelijker eene stad te vinden in de lucht gebouwd, dan een volk zonder godsdienst.quot; i)
Maar hier doet zich eene moeielijkheid voor.
Indien alle volkeren eenen godsdienst belijden, waar is de godsdienst, door God zeiven veropenbaard? De Joden, de Turken, de Chineezen beweren allen den waren godsdienst te bezitten. De Christen integendeel antwoordt: Mijn godsdienst is de ware, de door God veropenbaarde.
Waarlijk, zóó is het. Van den Christelijken godsdienst kan met den Psalmist gezegd worden: Domino factum est istucV Hij is gegeven door God, zijn oorsprong is goddelijk. 2)
Deze waarheid wil ik heden op eene bevattelijke en eenvoudige wijze uiteenzetten. Ofschoon niemand uwer de waarheid van den Christelijken godsdienst betwijfelt, is nochtans zulk eene onderwijzing van het grootste belang. Zij zal u herinneren, welke dankbaarheid gij schuldig zijt aan God, die u zonder uwe verdiensten tot den waren godsdienst geroepen heeft boven zooveel anderen, die nog in de duisternissen van het heidendom en het ongeloof gedompeld liggen.
Beschouwen wij heden de waarheid van den Christelijken godsdienst: i0 uit de voorzeggingen in het Oude Testament, welke betrekking hebben op den Messias; 20 uit de voorzeggingen van Christus; 30 uit de mirakelen van Christus en zijne Apostelen, vooral uit het mirakel van Christus' verrijzenis.
1) Adv. Col. 2) Ps. CVII, 23,
â 19 â
I.
De Christelijke godsdienst, d. i. de godsdienst, door Jesus Christus verkondigd en den menschen opgelegd, is van godde-lijken oorsprong, en bijgevolg waarachtig.
Deze stelling blijkt ten duidelijkste uit de profetiën of voorzeggingen, opgeteekend in de H. Schriftuur, in de boeken van het Oude Testament.
Gij weet, wat een profetie is. Eene profetie of voorspelling is eene bepaalde en zekere voorzegging eener toekomstige gebeurtenis, welke natuurlijkerwijze niet kan voorzien worden. Wie kan zulke gebeurtenissen voorzien? Niemand tenzij God, voor wiens oogen de toekomst open ligt. Deze oneindige kennis kan God mededeelen aan eenen mensch, en dezen mensch honderde, ja duizende jaren te voren eene toekomstige gebeurtenis met alle zekerheid doen aankondigen. Hun, door wie God zulke toekomstige feiten doet aankondigen, geeft men den naam van profeten.
Welnu, opent de H. Schriftuur, die boeken, welke van heilige mannen door ingeving en zonderlingen bijstand van den H. Geest geschreven zijn. De boeken van het Oude Testament, d. i. de boeken, geschreven vóór Christus' geboorte, zijn rijk aan voorzeggingen betreffende een toekomsugen Messias of Verlosser.
»Ik zal â zoo spreekt God in de H. Schriftuur â uit uw «midden een profeet opwekken, aan u gelijk; Ik zal mijne »woorden in zijnen mond leggen, en hij zal tot hen alles zeg-«gen, wat Ik hem zal gebieden. Alwie zijne woorden, in mijnen gt;naam gesproken, niet aanhooren wil, zal in mij een wreker
â io â
»vinden.quot; i) Met deze woorden deed God vele jaren te voren aankondigen, dat er namens Hem iemand zou komen, die eenen godsdienst zou kenbaar maken, welke verplichtend zou wezen voor allen. Wat deed God in zijne oneindige wijsheid, opdat de wereld dien Godsgezant met volle zekerheid zou kern en? Hij voorspelde zijne geboorte, zijn leven, zijn lijden zijne verrijzenis, tot in de kleinste omstandigheden. Honderde jaren te voren voorspelde God door Zijne profeten, dat de Messias te Bethlehem uit eene Maagd geboren zou worden 2) dat Hij een Evangelie, eene blijde tijding, verkondigen en zijne leer door mirakelen bevestigen zou 3); dat hij een arm en verachtelijk leven zou leiden 4); dat hij eenmaal, gezeten op eene ezelin, ii zegepraal de stad Jerusalem zou binnentreden. 5) Wat betreft het lijden en sterven van den toekomstigen Messias, wordt er lang te voren aangekondigd, dat hij door eenen Apostel verraden en vooi' dertig zilverlingen verkocht zal worden 6); dat al zijne leerlingen hem zullen verlaten 7); dat hij bespuwd, door kaakslagen onteerd, en met verachting overladen zal worden, maar dat hij lijden zal zonder te klagen. 8) Joden en Heidenen â zoo voorspelde God verder zullen hem veroordeelen 9)5 tusschen de booswichten zal hij aan het kruis genageld worden, 10) terwijl de voorbijgangers hem zullen bespotten. 11) In zijnen dorst zal hij gelaafd worden met gal en azijn,12) zijne kleederen zullen verdeeW, en om zijn opperkleed zal het lot geworden worden. 13) Na zijnen dood â zoo voorspelde God â zullen zij hem neerleggen in het graf 14)
1) Deuter. XVIII. 2) Is. VII. 14, Mich. V. 2. 3) Is. LXI. 1. XXXV. 4.
4) Is. LUI. 2. s) Zach. IX. 9, 6) Ps. XL. 10, Zach. XIII. 7- 7) ZacJgt;-
XIII. 7. 8) Is. L. LUI. Thren. III. 3°- 9) I's H- 2. 10) Ps. XXI. 17. Is.
Lil. 13. 11) Ps. XXI. 12) Ps. 68. 13) Ps. XXI. 14. 14) Isaias LUI, 9.
van eenen rijken mensch, maar zijn lichaam zal in het graf niet blijven en niet tot bederf komen, i)
Dat al deze profetiën betrekking hebben op den Messias, wordt door de Joden zelfs niet ontkend. Evenals wij, getuigen de Joden, dat de boeken der H. Schrift, welke de voorspellingen bevatten, goddelijke boeken zijn. Maar in hunne rampzalige verblindheid loochenen zij, dat die voorzeggingen in Jesus Christus vervuld zijn geworden. En nochtans, alwie genoemde profetiën vergelijkt met het leven en den dood van Christus ziet zonneklaar, dat zij in Christus letterlijk vervuld zijn, bijgevolg dat Christus de ware Messias geweest is, die op de puinhopen der Joodsche Synagoog Gods Kerk stichten moest. Die zichtbare en volmaakte overeenkomst maakte op vele Heidenen zoodanigen indruk, dat zij ilaarom alleen dên godsdienst, door Christus verkondigd, d. i. den Chnstelijken godsdienst, omhelsden, uitroepende: A Domino factum est istud: Zulke godsdienst komt van God.
II.
Een niet mir.der overtuigend bewijs voor de waarheid van den Christelijken godsdienst is de getuigenis van Christus zeiven, door profetiën en mirakelen bevestigd.
Wij lezen in de H. Schriftuur, dat de Samaritaansche vrouw tot Jesus zeide: »Ik weet, dat de Messias komen zal; indien hij gekomen is, zal Hij ons alles verkondigen. Hierop antwoordde Christus: »Ik ben de Messias, ik, die met u spreek.quot; 2) Om de waarheid dezer getuigenis te bevestigen, deed Jesus
1) Ps. XV. 10. 2) Joan. IV. 25.
talrijke voorspellingen, welke letterlijk vervuld zijn geworden. Hij voorspelde, dat hij door Judas verraden, door Petrus driemaal verloochend, door de Joden ter dood veroordeeld, aan de Heidenen overgeleverd, gegeeseld en gekruisigd zou worden i) Meermalen voorspelde Hij, dat Hij den derden dag na zijnen dood levend uit het graf zou opstaan. Hij voorzegde, dat de tempel der Joden en de gansche stad ' Jerusalem verwoest zou worden; dat hij in plaats der Joodsche Synagoog eene Kerk zou stichten, welke zich over de gansche wereld zou uitbreiden en over alle vervolgingen zou zegenpralen 2) Bewijzen deze profetiën de waarheid van den godsdienst, door Christus gepredikt? Ongetwijfeld. God immers kan de gave van voorzegging niet geven aan iemand, die dezelve zou misbruiken, om de menschen te bedriegen en eenen valschen godsdienst op te leggen. Bijgevolg, ware Christus, gelijk de Joden beweren, een bedrieger geweest, dan hadde God zelf zijn bedrog goedgekeurd en bevestigd. Ik vraag u; is er grooterc godslastering denkbaar?
III.
Een derde bewijs voor de waarheid van den Christelijken Godsdienst zijn de mirakelen.
Gij weet, wat mirakelen zijn. Mirakelen zijn wonderlijke teekenen, die al de krachten der schepselen te boven gaan, en door zonderlinge hulp Gods gedaan worden. Een mirakel kan dus alleen door Gods hulp gedaan worden. Bijgevolg, als er tot bevestiging eener leer mirakelen plaats hebben, is het God
1) Matth. XX' 2) Matih. XXIII, XVI. 18, X. 16.
zelf, die de waarheid dezer leer bevestigt en goedkeurt. Welnu, Christus heeft tot bevestiging Zijner leer, d. i. tot bevestiging van den Christelijken godsdienst, tallooze mirakelen gedaan. Op de bruiloft van Cana heelt Hij water in wijn veranderd; den blinden gaf Hij het gezicht, den dooven het gehoor, den stommen de spraak, den lamgeborenen den gang weder; dooden zelfs verwekte Hij tot het leven. Ongetwijfeld kon Jesus in waarheid getuigen: iGelooft aan Mijne werken, als gij niet gelooft aan Mijne woorden.quot; gt;Mijne werken geven van mij getuigenis en bewijzen dat Mijn Vader Mij gezonden heeft.quot; i) De waarheid van den Christelijken godsdienst blijkt eveneens uit de mirakelen, gedaan door de Apostelen, door hen, van wie God voorzegd had: iHet woord van God, eerstin Sion gepredikt 2) zal door getrouwe getuigen gedragen worden 3) naar Afrika, Lydie, naar Italië, naar Griekenland, naar de verre eilanden, tot de volkeren, die gedompeld zijn in de schaduwen des doods, welke zij voor den Heer zullen winnen.quot; 4)
Onmiddelijk vóór Zijne Hemelvaart sprak Christus tot hen deze woorden: sGaat in de gansche wereld en predikt het Evangelie aan alle schepselen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal wezen, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. En â zoo voegde er Jezus bij â deze teekenen zullen hen volgen, die geloofd zullen hebben: in mijnen naam zullen zij booze geesten uitwerpen; nieuwe talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; hebben zij iets doodelijks gedronken, het zal hun niet schaden; aan de kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond worden.quot; 5) Zoo sprak Jezus, en wat geschiedde? gt;De 1) Joan. X. 2) K II. Mich. 11 3) Is. 43. 4) Is. LX. 52. 5) Marc. XVI.
Apostelen uitgegaan zijnde, predikten overal, terwijl de Heer medewerkte en het woord bevestigde door de wonderen, die daarop volgden.quot; i)
Doch het schitterendst mirakel is de verrijzenis van Chris-Uis, welke terccht de grondsteen van den Christtlijken godsdienst genoemd wordt.
Toen de Schriftgeleerden en Phariseën den Zaligmaker tot bevestiging zijner leer een mirakel vraagden, voorzegde hun Christus zijne opstanding uit het graf den derden dag na zijnen dood. 2) Welnu, dit wonder heeft plaats gehad en was zoo algemeen gekend, dat de Apostelen het openlijk [redikten, en velen daardoor bekeerden, zonder dat de Joodsche overheden hen ooit als verleiders of bedriegers durfden straffen. Ja, de bitterste vijanden van den Christelijken godsdienst, gelijk de geschiedenis ons leert, hebben de verrijzenis van Christus bevestigd. Het is waar, in hunne goddeloosheid hebben zij dit mirakel aan toovcrij willen toeschrijven, maar het feit van Christus' opstanding uit het graf hebben zij nooit durven loochenen.
Welnu, dat mirakel alleen is voldoende, om de waarheid van den Christelijken godsdienst te bewijzen. Ziethier waarom. Christus die waarlijk gestorven was, is levend uit het graf opgestaan ofwel door eigen macht, ofwel door de macht van God.
Heeft hij zulks kunnen doen door eigen macht, zooals H.j het wezenlijk gedaan heeft, dan volgt hieruit niet alleen, dat de godsdienst, dien Hij verkondigd heeft, goddelijk is, maar ook, dat Hij zelf God is. Is Christus levend uit het graf opgestaan door de macht van God, dan volgt eveneens de waarheid van
Mare. 1. c. 2) Matth. XII,
den (Jhristelijken godsdienst. Immers, Gods oneindige wijsheid en heiligheid laten niet toe, te zeggen, dat Hij zelf door een zoo schitterend mirakel het zegel zijner goedkeuring drukt op eenen godsdienst, die niet de ware godsdienst is. Zeer terecht riep daarom Richardus uit: Dominc, si error est, a te decepii sumusHeer, als wij. Christenen, dwalen, dan hebt Gij ons bedrogen.quot; Maar neen, B. B. wij, die den Christelijken godsdienst belijden, wij dwalen niet; wij. Christenen, wij kunnen met volle zekerheid getuigen: A Domino factum est isiud: Onze godsdienst komt van God, onze godsdienst is de ware.
Welaan dan, laten wij, die de waarheid van den christelijken godsdienst erkennen, dankbaar zijn jegens God, die ons tot dezen godsdienst geroepen heeft! Ongetwijfeld is dit eene groote weldaad. Geen wonder, dat oprechte Christenen daarin al hunne eer en roem stelden. Toen de H. Martelaar Diaconus voor de rechtbank zijn naam en zijne afkomst moest opgeven, antwoordde hij: Chrisiianus sum: ik ben Christen. De heiden-sche rechters, door dit antwoord verbitterd, deden zijn lichaam van het hoofd tot de voeten verscheuren, maar Diaconus bleef heihalen: C/iristianus suvi: ik ben Christen. Men verbrandde nu zijn lichaam met gloeiende platen; doch alles was vruchteloos...... hij leed en stierf met deze woorden: Christianus sum:
Ik ben Christen.... Ziet, zoo moeten wij ook spreken. Laat anderen zich beroemen op den naam van liberaal, van vrijdenker, van socialist enzl Onze eer, onze roem zij, altijd en overal te zeggen: Christirnus sum; ik ben Christen; want, zegt de H. Hieronymus, zijt zoo deftig van staat en afkomst, als gij wilt, hetgeen u het meest verheft, is, dat gij Christen zijt.quot; Amen. i) i) Epist. ad Paulinuni
U u U1U i 1U U1111 U 111111U U U U1U 1 OiOOêQOêG-OSOOSQO^-OSQOiOOIQOêO
5^55^5iji.?djzzjij 5JSJ5^3gt;
TTTTTT11111TTl11 [ i f I f III 111 f 11 M IT! 1111
III.
i)e dl\i4^telijke gotl^tlieq^t.
Digitus Dei est hie. (Exod VIII-19.)
Hier toont zich de vinger Gods.
Onder al de verschillende godsdiensten, welke er op aarde bestaan, er is ééne, die van goddelijken oorsprong en daarom de ware godsdienst is, n.1. de Christelijke godsdienst. Op dezen kan het woord der H. Schrift worden toegepast: A Domino factum est istud: Deze godsdienst komt van God. i)
Verleden Zondag hebben wij die groote waarheid reeds duidelijk bewezen: x0 uit de profetiën of voorspellingen van het Oude Testament, welke betrekking hebben op den toekomsti-gen Messias. Al die voorzeggingen zijn in Christus letterlijk vervuld geworden. Hieruit volgt, dat Christus de ware Messias geweest is, en dat de godsdienst, door Hem veropenbaard, de ware godsdienst is.
Diezelfde waarheid bewezen wij 20 uit de voorzeggingen van Christus, uit de mirakelen van Christus en van zijne Aposte-
1) Ps. CVII. 23.
â 27 -
len. Die mirakelen toch leveren het onwederlegbaar bewijs, dat de godsdienst, dien zij predikten, door God zeiven is goedgekeurd en bevestigd. Vooral het groot mirakel van Christus verrijzenis toont op de schitterendste wijze de waarheid van den Christelijken godsdienst, zelfs dan, als men, gelijk de Joden, beweren zou, dat Christus niet God maar eenvoudig mensch was. Immers, ware Hij slechts een mensch, dan is Hij den derden dag na zijnen dood levend uit het graf opgestaan door de macht van God. Welnu, het ware eene gruwelijke godslastering, te beweren, dat God eenen mensch zou hebben opgewekt, die een valschen godsdienst gepredikt had, te meer omdat Christus voorzegd had, dat die opstanding uit het graf zou plaats hebben en ten bewijze zou strekken van de waarheid zijner leer.
Ofschoon dit alles voldoende is, om ons te overtuigen, dat de Christelijke godsdienst door God veropenbaard is, wil ik heden nochtans terugkomen op deze voor ons zoo troostvolle waarheid, en u dezelve bewijzen:
i0 uit de wijze, waarop de Christelijke godsdienst zich verspreid heeft;
2° uit zijn schitterende zegepraal over de wreedste vervolgingen.
I.
Toen onze Goddelijke Zaligmaker zijn Apostelen het predikambt oplegde, was bijna de gansche wereld in de schandelijkste afgoderij en zedeloosheid verzonken. De Heidenen waren met zulke verblindheid geslagen, dat zij alles voor God hielden.
â 28 â
behalve God zeiven. Zij offerden aan zoogenaamde godheden, die niets anders waren dan duivelen, i) Van deugd of ondeugd hadden zij geen begrip-, want, gelijk Lactantius getuigt, 2) de ondeugden werden niet alleen niet vermeden, maar zelfs gëacht en gëeerd. Niet slechts het gewone Heidensche volk, maar zelfs hunne beroemde wijsgeeren verkeerden in dc afschuwelijkste dwalingen.
Ook onder de Joden waren allerlei dwalingen ingeslopen; de eerste veropenbaringen, welke God hun door Mozes en door de profeten had medegedeeld, waren gedeeltelijk vernietigd of vervalscht. Hun geest was verblind, hun hart bedorven. De Joodsche leeraars zeiven, die Gods wet aan het volk verklaren moesten, werden door allerlei dwalingen beheerscht, hun gedrag was loutere schijnheiligheid.
Dusdanig was de toestand der wereld, toen Jesus aan zijne Apostelen zegde: gt;Gaat in de gansche wereld, en predikt het «Evangelie aan alle schepselen; die geloofd zal hebben en ge-»doopt zal worden, zal zalig worden; doch alwie niet geloofd gt;zal hebben, zal veroordeeld worden.quot; 3)
Eene moeielijke taak rustte nu op de Apostelen. Zij moesten aan Joden en Heidenen een geheel nieuwen godsdienst kenbaar maken, eenen godsdienst, dien allen op straf der eeuwige verdoemenis omhelzen moesten. Hiertoe was noodig, dat de verschillende soorten van godsdienst, welke toen zoo menigvuldig waren, vernietigd werden; dat het volk zijne aloude gewoonten en gebruiken, waarin het was opgevoed, aflegde, dat de geleerdste en grootste wijsgeeren van onwetendheid en dwa-
1) I. Cor. X. ao. s Lib. 1- c. 13. 3) Marc. XVI. 15.
- 29 â
ling overtuigd werden. Zullen de Apostelen terugschrikken bij het beschouwen dezer moeielijkheden? O neen! zij zullen gaan en de volkeren alles onderwijzen, wat God hun bevolen heeft, i) Moeten zij dan een godsdienst verkondigen, die 's menschen driften streelt en met zijne natuurlijke geneigdheden overeenkomt? Neen; de Christelijke godsdienst, dien de Apostelen moesten verkondigen, was geheel in strijd met 's menschen geneigdheden. Nederig wezen, zijne vijanden beminnen, belee-digingen vergeven, lijden zonder te klagen, liever arm dan onrechtvaardig zijn, zuiver en kuisch wezen zelfs in gedachten en begeerten, de rijkdommen dezer aarde verachten, aan de wet getrouw zijn met opoffering van het leven: dit waren deugden, welke het heidendom niet kende, en welke het Evangelie bloeien deed in de meest bedorvene steden van het Ro-meinsche Keizerrijk. »Het Kruis heeft de harten overwonnen; die schoone overwinning behaald te hebben, acht ik roemvoller, dan den toestand der wereld ontsteld te hebben, omdat ik in de gansche wereld niets zie, dat zóó weerspannig, zóó trotsch, zóó ontembaar is als het hart van den mensch.
Daarenboven, de Christelijke godsdienst hield waarheden voor, onbegrijpelijk voor 's menschen verstand. 2)
Op straf der eeuwige verdoemenis zouden allen, die den Christelijken godsdienst wilden omhelzen, moeten gelooven aan het Mysterie der H. Drievuldigheid, hetwelk leert, dat er drie Goddelijke Personen zijn, en maar één God; het geheim der Menschwording van God den Zoon; het geheim van Christus' wezenlijke en waarachtige tegenwoordigheid in het Allerheiligste
1) Matth. XXVIII, 20. 2) Bossue^» I. Serm. pour l'Exalt. de la Croix,
Sacrament des Altaars, het geheim van de verrijzenis der dooden op den laatsten dag des oordeels enz. â
Eindelijk, de belijdenis van den Christelijken godsdienst scheen nadeelig te wezen voor 's menschen eer en goeden naam. Wie
toch was de Stichter van dezen godsdienst? Het was Jesus-Chns-
tus, die in een stal was geboren, en als de zoon van een armen timmerman beschouwd werd; Jesus-Christus, die als een oproermaker ter dood veroordeeld en aan bet schandhout van het kruis gestorven was. Welke reden voor Jood en Heiden, om te zeggen; Hoe! wij zouden eenen godsdienst omhelzen van eenen timmermanszoon, die zijn leven in een stal begonnen, en aan het kruis geëindigd heeft!
Waarlijk de verspreiding van zulk eenen godsdienst schijnt onmogelijk. Nochthans: jussit et crediium est: Christus gebood dien godsdienst te prediken, en men geloofde. In den begirne, als er buiten God niets bestond, igebood God en alles was geschapenquot;; i) eveneens, toen de wereld niets kende van den Christelijken godsdienst, gebood God hem te verkondigen, en de wereld geloofde; jussit et creditum est. (H. Augustinus.) De prediking van den gekruisigden Jesus was den Joden eene ergernis, den Heidenen eene dwaasheid 2) en nochthans, gelijk de H. Joannes Chrysosthomus zegt; Fost crucem orb is adfidem acces sit: de wereld heeft den gekruiste als God erkend. Digitus Dei est Inc....quot; Hier ziet men den vinger Gods.
Wie waren door Christus uitverkoren, om zijnen godsdienst over de gansche wereld uit te breiden ? Het waren gewone menschen, twaalf in getal. Hoe! twaalf menschen, om het aan-
I) Ps. XXXII. 9. 2) I- Cor. I. 23.
â 3i â
schijn der aarde te vernieuwen! Het waren dan ongetwijfeld twaalf machtige koningen, die met geweld van wapenen de volkeren zouden dwingen, cf met geld en rijkdommen omkoo-pen? O neen, het waren twaalf arme visschers, die volgens een uitdrukkelijk bevel van Christus geene beurs of reiszak mochten dragen, i) Schitterden zij wellicht door eene buitengewone wijsheid en geleerdheid, zoodat zij de volkeren door hunne weisprekendheid konden verleiden? O neen; hunne eenige kennis was het breien van netten voor de vischvangst. Zietdaar de mannen, tot wie Christus zeide; sGaat en onderwijst alle volkeren.quot; 2) Mannen zonder invloed, zonder macht, zonder aanzien, zonder rijkdommen, zonder geleerdheid worden door Christus uitgezonden, om eenen nieuwen godsdienst te prediken. sHetgeen dwaas is voor de wereld heeft God uitgekozen, om de wijzen te beschamen.quot; 3)
Waar zullen de Apostelen hunne schijnbaar onmogelijke taak beginnsn? Zullen zij gaan naar kleine en geringe dorpen, waar de menschen dikwerf minder onderwezen zijn? Neen, zij ver-toonen zich het eerst in de groote stad Jerusalem, in diezelfde stad, waar eenige dagen te voren hun Meester veroordeeld en gekruisigd was. Daar is het, dat die twaalf arme visschers den Christelijken 'godsdienst beginnen te prediken. Daar is het, dat Petrus zijne eerste toespraak houdt, welke hij sluit met deze woorden: »Dat bijgevolg geheel het Joodsche volk met volle zekerheid wete, dat God denzelfden Jesus, dien gij gekruisigd hebt, tot Heer en tot Christus gemaakt heeft.quot; 4) En ziet; nauwelijks heeft Petrus zijne twee eerste toespraken
1) Luc. X. 4. 2) Matth. XXVIII. 19. 3) I. Cor. I. 4) Act. II. 36.
geëindigd, of Sooo Joden laten zich doopen en omhelzen den Chrlstelljken godsdienst. Ik vraag u: moeten wij met uitroepen; Digitus Dei est lüc: hier toont zich de vinger Gods. j) Dezelfde Jesus, tegen wlen men korte dagen te voren geroepen had. Crucifige, crucifige Eum: Kruisig hem, kruisig hem; diezelfde Jesus wordt eensklaps door Soco Joden als Messias erkend, als God aangebeden. Waarlijk, zulk een uitwerksel komt van God, en het is wonderbaar in onze oogen. 2)
Na in de stad Jerusalem velen tot den Chrlstelljken godsdienst
bekeerd te hebben, verspreiden zich de Apostelen over de gansche wereld. Paulus gaat naar Antiochië en begint van daar zijne apostolische reizen; in de Grieksche stad A;hene spreekt hij voor de beroemdste en welsprekendste wijsgeeren; Petrus, na gepredikt te hebben in Klein Azië, begeeft zich naar
Rome, den zetel der ontucht.
Daar prediken zij niet alleen voor slaven en armen, maar ook voor wijsgeeren, wereldberoemd om hunne geleerdheid en welsprekendheid; daar verkondigen zij den Chnstehjken godsdienst ten aanhoore van machtige keizers en koningen. Vrijmoedig roepen zij allen toe; «De godsdienst, dien gij volgt, is valsch en goddeloos; gij moet uwe afgoden verzaken, uwe afgodsbeelden vernielen; Jesus van Nazareth, Jesus den Gekruisigde moet gij als den eenen waren God erkennen en aanbidden Welk een ijdcl ontwerp, zou men zeggen; en nochtans .creditum estquot; zij hebben geloofd. De Christelijke godsdienst telde in korte jaren overal menigvuk'ige belijders, met alleen onder het gewone volk, maar zelfs onder de geleerdste wijsgeeren.
In 245 schreef Tertullianus; «Wij zijn slechts van gisteren,
1) Exod. VIII. 19- 2) Ps- cvl1- 23-
â 33 â
en wij vervullen alles, wat gij, heidenen, bezit: uwe steden, uwe eilanden, uwe kampen, uwe paleizen, uwe openbare plaatsen; alleen uwe tempels laten wij u over.quot; i) De H. Justinus, gestorven in 163, getuigt dat er reeds in zijnen tijd geen gekend volk was, waar het Christen-geloof nog niet bestond. 2) Seneca zelfs, een heidensche schrijver uit de eerste eeuw, verklaart uitdrukkelijk, dat Christus' leer toen verspreid was onder alle volkeren. 3)
Was zulk eene algemeene verspreiding mogelijk met men-schelijke hulpmiddelen?
Neen, eene zonderlinge hulp Gods was daartoe noodig, te meer, omdat de Christelijke godsdienst van den beginne af aan de wreedste vervolgingen ten prooi was.
n.
De grijze Simeon had van Christus voorzegd, dat Hij gesteld was tot een teeken, hetwelk tegengesproken zou worden. 4) Dit is ook toepasselijk op den godsdienst: hij kan met de woorden van David getuigen: tSaepe expug7iaverimtme ajuvcnlute mea Zij hebben mij vervolgd en bestreden van af mijne opkomst. 5) De eerste beul der Christenen was de Romeinsche keizer Nero, die in het dertigste jaar na Christus' dood de reeks opende dier bloedige vervolgingen, waarin millioenen Christenen als martelaars zijn gestorven. Keizer Nero was, gelijk nu nog vele godsdiensthaters, een onkuischaard. Om zijne slechte driften te kunnen involgen, deed hij wat helaas! door Christe-
1) Apol. II. 37. 2) Dial, cum Try ph. 117. 3) Fragmoaia. 4) Luc. II. 34. 5) Ps. CXXV1II. i.
De Godsdienst, 3
â 34 â
nen somtijds gedaan wordt: hij bracht de nachten door in de straten van Rome. in de herbergen, en in de publieke huizen van ontucht. O, wat strekt het den Christelijker! godsdienst tot eer en glorie, dat hij het eerst vervolgd is door eenen on-kuischaard, die daarenboven zijn broeder en zijne eigene moeder vermoord had! â Op zekeren dag doet hij de stad Rome in brand steken; hij werpt de schuld op de Christenen, die nu in groote menigte i) aangehouden, met verachting behandeld en op allerlei wijze gemarteld worden. De Apostel Petrus wordt gekruisigd, Paulus wordt onthoofd. Andere Christenen worden met ijzeren haken gegeeseld en verscheurd; sommigen worden gestoken in beestenvellen, opdat de wilde honden hen levendig zouden verscheuren; velen worden met pek en was bestreken, daarna aan staken vastgebonden en 's nachts in brand gestoken. sDe Christenen ter dood,quot; zoo weerklonk het niet slechts in Rome, waar het bloed der Christenen door de straten stroomde, maar ook in andere provinciën. Drie eeuwen lang woedden die bloedige vervolgingen voort. Duizenden cn duizenden vielen als slachtoffers van hun geloof. Maar, zoo schrijft Tertullianus, het bloed der martelaren was het zaad voor nieuwe Christenen ; hoe meer men ons wegmaait, des te talrijker worden wij. 2)
Inderdaad, niettegenstaande al die wreede vervolgingen nam het aantal Christenen wonderbaar toe.
Plinius, proconsul van Bythinië, schreef aan keizer Trajanus: »De besmetting van dit bijgeloof (zoo noemde die heiden den Christelijken godsdienst) is niet alleen in de steden, maar
i) Ingens raultiludo, Tacitus Lib. XV. Ann. 44. 2) Apologia C. V.
ook in de wijken en buitenplaatsen doorgedrongen...... Verder
getuigt hij, dat de heidensdie tempels bijna verlaten, de hei-densche plechtigheden lang onderbroken waren: dat er zeer zelden een kooper gevonden werd voor de offerdieren, en dat de Christenen nog in groote menigte waren.
En later, in het jaar '236, toen gedurende bijna twee eeuwen het zwaard der heidensche dwingelanden eene ontelbare schare van Christenen had weggemaaid, getuigde nog keizer Maximinus: ȟe verderfelijke dwaling der Christenen heeft bijna gansch de aarde in verwarring gebracht; alles bijna heeft zich van de goden losgescheurd.quot;
Zal nu nog iemand beweren, dat de verspreiding van den Christelijken godsdienst een menschelijk werk is? Alwie zijne opkomst zonder vooroordeelen beschouwt, is gedwongen daarin den vinger Gods te erkennen en uit te roepen: A Domino factum est istud: Zulk een godsdienst komt van God. Want, zoo zegt de H. Awgustinus, 1) de wereld heeft den Christelijken godsdienst omhelsd of ten gevolge der mirakelen, of zonder mirakelen. Heeft die algemeene verandering plaats gehad ten gevolge van mirakelen, dan is het God zelf, door wien deze verandering gewild en bewerkt is. Heeft de wereld zich bekeerd zonder mirakelen, dan zou dit alleen het grootste aller mirakelen wezen en de waarheid van den Christelijken godsdienst ontegensprekelijk bewijzen. En daaro:n kunnen wij nogmaals met Richar-dus tot God zeggen; Domine, si error est, quern credimus a te decepti sunms: \ Heer, als wij, Christenen, eene dwaling geloo-ven, dan hebt gij ons bedrogen, want de Christelijke gods-
1) De civitate Dei XXII.
dienst is bevestigd door wonderen, welke slechts door U gedaan kunnen worden.quot; i)
Zietdaar de waarheid van onzen godsdienst bewezen uit zijne wonderbare voortplanting en zijne schitterende zegepraal over de wreedste vervolgingen.
Mij dunkt, ik hoor iemand zeggen: Waarom die stof voor ons? Predik die waarheid voor heidenen en ongeloovigen. Waarom dat hier doen, waar allen Christenen zijn, die aan
de waarheid van hunnen godsdienst niet twijfelen?.....
Het is waar, hier noemen allen zich Christenen. Heb ik dan de zaak niet goed overdacht? Heb ik mij vandaag vergist ? Neen, neen; ik heb mij niet vergist.
Als niemand de waarheid van den Christelijkcn godsdienst in twijfel trekt, hoe komt het dan, dat de godsdienst bespot, bestreden, tegengewerkt wordt ? Als niemand de waarheid van onzen godsdienst betwijfelt, hoe komt het dan, dat men door zijn abonnement of door aankondigingen nieuwsbladen ondersteunt, die dagelijks de afschuwelijkste en walgelijkste goddeloosheden verspreiden? Als niemand twijfelt aan de waarheid van zijnen godsdienst, vanwaar dan die dans- en nachtvergaderingen, die slechte gezelschappen en vereenigingen, welke de zeden en den godsdienst ondermijnen? Als niemand twijfelt aan de waarheid van den godsdienst, vanwaar dan die belachelijke spreuk: JÃe godsdienst is goed voor vrouwen en kinderen; wij hebben dien band niet noodig.quot;
Maar ik ga verder en vraag: Indien allen vast overtu.gd zijn van de waarheid van den Christelijken godsdienst, hoe
i) De Trinit I. C. 2.
â 37 â
komt het dan, dat zoovelen een leven leiden, hetwelk den godsdienst tegenstrijdig is?
Kinderen, de godsdienst, dien gij belijdt, zegt u: Obeditepa-reniibus per omnia: Gehoorzaamt uwe ouders in alles, i) En wat ziet men? Nauwelijks is rnen de kinderschoenen ontwassen,
of men erkent geen gezag meer.....Jongelingen en jonge dochters,
de godsdienst zegt u: 7cipsum casium custodi: Bewaart u zeiven kuisch. 2) Wat ziet men? Ik schaam ]mij hierop te antwoorden; de feiten spreken luid genoeg.......
Onrechtvaardige, de godsdienst zegt U: Redd:te omnibus delita: betaalt iedereen uwe schulden. 3) Wat doet men? Men stapelt de eene schuld op de andere, 's Lands wetten door bedrog kunnen ontduiken, wordt eene behendigheid, eene slimheid genoemd â Christene herbergier?, de godsdienst zegt U: Ne ponaüs offendiculum fratri; Weest geen steen van aanstoot voor uwen medebroeder. 4) En wat doet men ? Door dans en muziek lokt men de jonkheid in de herberg, waar men ze den ganschen nacht ophoudt tot jaar tijdelijk en eeuwig verderf.
Doch genoeg, om u te overtuigen, dat er velen zijn in de wereld, die niet overeenkomstig de voorschriften van hunnen godsdienst leven, dien zij nochtans als den waren, als den zaligmakenden godsdienst erkennen. Tk eindig daarorn met de woorden van den H. Gregorius: jDan alleen zijn wij ware Christenen, als wij den godsdienst, dien wij met onze tong belijden, ook toonen door onze werken.quot; 5) Amen.
j) Coloss. III. 20. 2) I. Tim. V. II. 3^ kom. XIII. 4) Rom. XIV. 13. 5) Hom. 26.
TV.
'De Christelijke godsdienst in' eenc algeiï|eei\e ei\ eeqe l\eilige wet vlu\ Go el.
Lex Domini im mam lat a :
De wet des Hecren is onbevlekt.
(Ps. XVIII-8.)
Een der wonderbaarste feiten, welke in den loop der eeuwen hebben plaats gehad, is ontegenzeggelijk de wonderbare voortplanting van den Christelijken godsdienst.
Twaalf arme visschers, mannen zonder geleerdheid, zonder rijkdommen, zonder macht of invloed, gaan op bevel van Jezus de wereld rond. Zij prediken eenen godsdienst, tot dan toe grootendeels onbekend; eenen godsdienst, die rechtstreeks aan-druischte tegen al de denkbeelden, lusten en driften der heidenen. Zij prediken hem op bevel van eenen Meester, die als een booswicht aan het kruis was gestorven. Kort na hunne prediking ontstaan er bloedige vervolgingen, om den Christelijken godsdienst te vernietigen. Drie eeuwen lang stroomt het bloed van duizenden en duizenden martelaren.
En ziet! niettegenstaande dit alles blijft de Christelijke gods-
â 39 â
dienst overwinnaar; de heidensche tempels zijn verlaten; alles bijna heeft zich van de goden afgescheurd. De gekruisigde Jezus wordt als God erkend, als God aangebeden.
Hier mogen wij wel uitroepen met Tertullianus: ïlncrcdi-bile, ergo Divinum't Is ongelooflijk, dus is het Gods werk. i) Ja, het is onbetwistbaar, de Christelijke godsdienst komt van God zeiven, is bijgevolg waarachtig.
Na u hiervan overtuigd te hebben, moet ik uwe aandacht vestigen op eene andere niet minder belangrijke waarheid, namelijk: dat de Christelijke godsdienst eene heilig.quot;, eene Goddelijke Wet is, wier voorschriften wij verplicht zijn na te komen.
Het bewijs dezer ontegensprekelijke waarheid zal u allen doen inzien en begrijpen, hoe veroordeelenswaardig die noodlottige onverschilligheid is in zake van godsdienst; eene onverschilligheid, waardoor helaas! vele Christenen in onze dagen zijn aangetast......
Hoe dikwerf ook hoort men onze hedendaagsche vrijdenkers riet zeggen: De godsdienst is vrij.... dien band heeft niemand ncodig.... eerlijk man zijn is genoeg.... enz...
Hoe valsch en ongerijmd het is, zoo te spreken, zal u blijken uit deze onderrichting.
IV.
De Christelijke godsdienst is eene heilige wet van God, wier voorschriften eenieder verplichten.
Wat is eene wet? Eene wet is een bevel, dat overeenstemt met het gezond verstand, en door het wettig gezag voor het al-
â 4° â
gemeen welzijn gegeven wordt, i) Welnu, al deze verehchte hoedanigheden bezit de Christelijke godsdienst in den verhe-vensten graad.
Hij is i0 een hevel, een gebod. Lang vóór de komst van Jesus Christus had God voorspeld, dat Hij voor allen, die de woorden van den Messias niet zouden aanhooren, een wreker wezen zou. 2) In den tweeden psalm getuigt Christus zelf: jlk ben door God tot koning aangesteld, om zijn bevel te prediken.quot; 3) Daarenboven, hoe sprak Jesus tot zijne Apostelen? »Gaat over de gansche wereld â zoo zegde Hij â predikt het Evangelie aan alle schepselen. Alwie geloofd zal hebben en gedoopt zal wezen, zal zalig worden; wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. 4) Aan mij â zoo sprak Jezus nog â aan Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Gaat dan en onderwijst alle volkeren.... leert hen onderhouden alles, wat ik u bevolen heb. 5)
Uit de aangehaalde woorden blijkt zonneklaar, dat de leer van Christus, de godsdienst, door Hem gepredikt, een gebod, een bevel van God is. Ongerijmd dus en dwaas is het te zeggen: De godsdienst is vrij. Waar God zelf verklaart, dat Hij degenen, die Christus leer verwerpen, wreken zal: waar Jesus zelf, de onfeilbare waarheid, verkondigt, dat de godsdienst, dien Hij geopenbaard heeft, een Goddelijk bevel is, en de on-geloovigen met eeuwige straffen bedreigt, daar kan van geene vrijheid spraak wezen.
Waarop steunen onze hedendaagsche vrijdenkers, als zij loochenen, dat de christelijke godsdienst eene wet is? Kun-
1) Leo XIII. Ene. Sapient. Christ. 2) Deut. XVIII. 3) Ps. II. 6. 4) Mare.
XVI. 15. 5) Matth. XXVIII. 18.
â 41 â
nen zij opwerpen, dat hij niet overeenstemt met het gezond verstand? Neen, want hij gebiedt riets, wat onmogelijk of onrechtvaardig is.
De kettersche leer, dat wij al de geboden van God, al de voorschriften van den godsdienst niet kunnen onderhouden en nakomen, is uitdrukkelijk veroordeeld in de kerkvergadering van Trente. God is oneindig goed en wijs. Hij kan ons dus geene verplichtingen opleggen, welke onze krachten te bovengaan. Hij is oneindig rechtvaardig; Hij zou derhalve de overtreders zijner geboden niet kunnen straffen, als het onmogelijk ware ze te onderhouden. Daarom zegt het Concilie van Trente: »God beveelt het onmogelijke niet; indien hij beveelt, vermaant Hij te doen, wat wij kunnen, te bidden om hetgeen wij niet kunnen, en Hij helpt ons, opdat wij kunnen.quot; Met behulp dus der goddelijke genade, welke God aan allen geeft, die bidden, kunnen wij zijne geboden onderhouden, kunnen wij al de plichten vervullen, al de voorschriften nakomen, welke de godsdienst oplegt. De ondervinding van meer dan achttien eeuwen bevestigt deze waarheid. In deze tijdruimte zijn duizenden en duizenden onder de belijders van den christelijken godsdienst zalig geworden. Nochtans, zij moesten dezelfde waarheden gelooven, dezelfde plichten vervullen als wij. De godsdienst immers, door Christus geopenbaard, is nog immer dezelfde: zijne geloofs- en zedenleer verandert niet.
De godsdienst beveelt ook niets, w;at onrechtvaardig is. Hij is, gelijk de Profeet zegt: Lex Domini immaculata: de onbevlekte wet des Heeren. i)
i) Ps. XVIII. s.
â 42
Hoe schittert hier de uitnemendheid van den godsdienst boven alle menschelijke wetten! Van deze zijn allen niet gekenmerkt met den stempel der rechtvaardigheid en billijkheid. Herinnert u slechts de ongelukswet van 1879, die de rechten schond van kerk en godsdienst. Dergelijke wetten kunnen niemand verplichten; integendeel, het is plicht haar te wederstaan, gelijk O. H. Vader de Paus uitdrukkelijk vermaant. 1)
Zoo is het niet met den godsdienst. Al wat hij leert, is waarachtig, al wat hij gebiedt is goed, rechtvaardig, beminnelijk en zedig; al wat hij verbiedt, is slecht. Er is niet eene deugd, welke hij niet aanmoedigt, niet eene ondeugd, welke hij niet veroordeelt; geene onrechtvaardigheid, geene boosheid, die hij niet afkeurt.
Zegt mij nu; ka;n er eene wet zijn, rechtvaardiger dan de godsdienst, eene wet, meer bekwaam, om den menscb beter te maken en het geluk der wereld te verzekeren, een bevel, dat meer overeenstemt met het gezond verstand?
Is dit bevel gegeven door het ivettig gezag? Deze vraag stellen, is haar oplossen.
Het wettig gezag berust bij hem, die het recht en de volmacht heeft, om iemand te besturen. De rechtvaard'ge en wijze wetten, die door menschelijke wetgevers gemaakt zijn, moeten zeker geiéerbiedigd worden. Alle dagen â zoo gaat een geleerd en godvruchtig schrijver voort â 2) zegt 'gij dit, alle dagen handelt gij diensvolgens. Immers alle dagen zetelen de rechters, om de overtredingen der wet te vonnissen; de gevangenissen worden geopend, om er de overtreders der wet
1) Ene. Libcrtas praest. 2) Gaumc.. Catéch. de persév.
â 43 â
in te sluiten. Gij herkent dus aan de menschelijke wetgevers liet recht van wetten te maken, en aan de onderdanen den plicht van te gehoorzamen. Zult gij nu dit wetgevend gezag, dat gij te recht aan zekere menschen toekent, aan God weigeren? Zijn Gods rechten minder heilig ? Is zijn gezag minder [wettig dan het gezag b. v. van den koning, van den meester of van den vader? Voorzeker, neen!
God, die tegelijk onze Koning, onze meester, onze vader is, heeft over ons volle gezag. Hij heeft ons geschapen, en daarom behooren wij gansch aan Hem toe, hangen wij geheel van Hem af. Hij heeft ons, zonder eenige verdiensten van onzen kant, uit enkele goedheid bestemd tot een bovennatuurlijk geluk, en daarom ook heeft Hij het recht, den mensch te bepalen, wat hij gelooven en onderhouden moet, om dat geluk te bereiken.
Doch genoeg: alwie God erkent, Schepper en Oppersten Heer, hij moet ook Gods gezag over den mensch erkennen, en kan bijgevolg niet loochenen, dat de Christelijke godsdienst een bevel is, door het wettig gezag gegeven.
Is hij ook gegeven voor het algemeen welzijn? Wie zal hieraan twijfelen? God, die in alles 's menschen geluk en welzijn beoogt, heeft Zijnen eenigen Zoon op de wereld gezonden, opdat allen door Hem tot de kennis der waarheid komen zouden. Waarom? Omdat God de zaligheid, het eeuwig welzijn der menschen verlangt.
Christus zelf komt herhaaldelijk hierop neder. Mijne schapen â zegt Hij â hooren mijne stem; zij volgen mij, en ik geef hun het eeuwig leven, i) sVerkondigt alle schepselen het Evan-
i) Joan. Xâ27.
â 44 â
gelie â zoo sprak Hij tot zijne Apostelen â dij gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden... De aanneming dus en de beoefening van den Christelijken godsdienst leidt ter zaligheid, tot 's menschen eeuwig geluk en welzijn, een geluk, zóó groot, dat de Apostel zegt: Noch oog heeft het gezien, noch oor heeft gehoord, en nooit is het in 't hart des menschen opgekomen, wat God bereid heeft voor hen, die Hem beminnen, i)
Zietdaar in het kort bewezen, dat de godsdienst eene wet is, d. i. een bevel, hetwelk overeenstemt met het gezond verstand en door het wettig gezag voor het algemeen welzijn is gegeven.
Voor wie is deze wet verplichtend? Voor alle menschen, niemand uitgezonderd. Gaat â zoo sprak Jesus, de Goddelijke Wetgever â leert alle volkeren,... predikt het Evangelie aan alle schepselen. Leert hen onderhouden alles^ wat ik u bevolen heb. 2) Wie maar één gebod overtreedt, is overtreder van geheel de wet. 3)
De godsdienst, door Christus veropenbaard, is dus eene al-gemeene reet. Al hare bepalingen en voorschriften zijn verplichtend voor alle menschen. Koningen en onderdanen, rijken en armen, geleerden en ongeleerden, kinderen en ouderlingen, beschaafde en wilde volkeren, menschen van heden en menschen van morgen: allen zijn aan die goddelijke wet onderworpen, allen zijn haar gehoorzaamheid en onderwerping schuldig. Voor alle menschen hetzelfde Evangelie, dezelfde geloofsartikelen, dezelfde geboden, dezelfde Sacramenten, dezelfde beloften, dezelfde straffen.
1) I. Cor. II. 9. 2) Matth. XXVIII. 19. 3) jac. II. 10.
â 45 -
Eindelijk de Christelijke godsdienst is eene heilige niet: heilig om zijnen oorsprong, heilig om de verplichtingen, die hij oplegt, heilig om de belooningen, welke hij ons toezegt.
Wie is hier de wetgever? Wiens naam staat op de eerste bladzijde van het wetboek van den godsdienst? Is het de naam van eenen wereldberoemden geleerde of van eenen machtigen keizer, van Lycurgus of van Napoleon ? Is het de naam van eenen Engel of Aartsengel ? O neen! het wetboek van den godsdienst draagt eenen naam boven alle namen; een naam, voor denwelken alle knieën zich buigen in den hemel, op aarde en onder de aarde: i) den ?iaam van God. Hij heeft het wetboek van onzen godsdienst gemaakt. Heilig dus is het, driewerf heilig om zijnen oorsprong.
Heilig ook is het om de verplichtingen, welke het ons oplegt. Die verplichtingen immers hebben betrekking op het lichaam en op de ziel, op den tijd en de eeuwigheid, op den mensch in het bijzonder en op de gansche maatschappij. Van het vervullen dier plichten hangt 's menschen geluk af niet alleen hier op aarde, maar ook hiernamaals in de eeuwigheid. Pax multa diligentibus legem tuam. 2) Vrede op de wereld, vrede na dit leven wacht allen, die de heilige wet van den godsdienst beminnen.
Heilig nog is dit wetboek om de daarin toegezegde belooningen. 's Lands wetten verbieden ook de misdaden, zooals moord, diefstal enz.; maar die wetten beloven geene belooningen aan hen, die niet stelen, niet moorden, of andere misdaden niet bedrijven. Doch het wetboek van onzen godsdienst belooft
1) Phil. ir. 9, 2) Ps. 118.
â 46 â
de heerlijkste belooningen aan allen, die het zorgvuldig nakomen. öp de laatste bladzijde van het goddelijk wetboek staan als het ware in gouden letteren Paulus' woorden geschreven: ïVrede en barmhartigheid aan allen, die dezen regel zullen gevolgd hebben, i)
Na dit alles laat ik u oordeelen, hoe ongerijmd en goddeloos het is, te beweren, dat alle godsdiensten even goed en waarachtig zijn, dat de godsdienst vrij is.
Hoe! Vrijheid van godsdienst! Waarom heeft God dan eenen godsdienst veropenbaard? Waarom zijnen wil aan de menschen kenbaar gemaakt en degenen, die zijnen wil niet volbrengen, met eeuwige straffen bedreigd?
Vrijheid van godsdienst! Kunnen er meerdere waarheden z'jn, tusschen dewelke tegenspraak is? Is de waarheid niet één en onverdeeld? Sluit zij niet noodzakelijk de dwaling uit, gelijk het licht de duisternis verdrijft ?
Vrijheid van godsdienst! Is God dan de waarheid en de dwaling evenzeer genegen? Is Hij onverschillig voor deugd en ondeugd, voor gehoorzaamheid en opstand?
Vrijheid van godsdienst! Wie verkondigen deze stelling, welke inbreuk maakt op de heilige rechten van God? Zij, die geen godsdienst hebben; zij, voor wie het juk van den godsdienst te knellend, de last van Gods geboden te zwaar is.
Geve God, dat die geest van vrijheid u nimmer beheersche! Gij, door het doopsel leerlingen van Christus geworden, gehoorzaamt steeds aan de bevelen van uwen Goddelijken Meester! Eerbiedigt de heilige wet van den godsdienst, volgt nauw-
i) Ad. Philippenses,
â 47 -
keurig al hare voorschriften, beschouwt ze nooit als eene onverschillige zaak. Koestert dezelfde gevoelens als de koninklijke Profeet, die zoo vurig tot God smeekte: »Heer, geef mij verstand en ik zal uw^ wet navorschen en haar volbrengen met gansch mijn hart. Geleid mij op den weg uwer geboden: want daarin heb ik behagen, i) Dan zult gij ook eenmaal op het einde uws levens met denzelfden Profeet kunnen uitroepen: sHeer, ik heb uwe geboden bemind: dat uwe barmhartigheid over mij kome. 2)
A A Jc A X j. A A A A A A A A A A A A A A A A AA A A A A A A A A A
Cj^â¬^QC^;0§QC^'C^â¬j§G0§Q0§Q0§Q
igt;C ü «)i i)S iSSi «5^ ^C» iji «M» «^. «J_j öu «yj c),» «X« «Jj» «^» «^ «^»
T11T T111111111 Iff 1111T 11quot; 1111T f 11T T T TIT M
V.
'])e Aveltlatlei) vai) tlei( dliris'tel ijkei] god^diei^t.
Pertransiit benefaciendo;
Hij is weMoende rondgegaan. (Act. X â38.)
Toen keizer Napoleon in ballingschap was op het eiland St. Helena, en aldaar een terugblik wierp op zijn leven, riep hij uit: »Hoe ongelukkig zou de wereld zijn zonder den godsdienst ! De groote weldaad, door mij aan Frankrijk bewezen, is het herstel van den godsdienst. Zonder dezen zouden de menschen elkander vermoorden om de schoonste vrouw of cm de grootste peer.quot;
Die keizerlijke ontboezeming hoorende, zult gij niet verwonderd wezen, dat ik heden mijne voordracht begon met deze woorden: Pertransiit bïnefacien.lo: Hij is weldoende rondgegaan. 1) Die schoone loftuiting, onzen Goddelijken Zaligmaker in het Evangelie gegeven, mogen wij met alle recht toepassen
I) Act x. 38.
â 49 â
op den Christelijker! godsdienst: ook hij is weldoende rondgegaan.
Om u daarvan te overtuigen, zal ik u in korte trekken den deerniswaardigen toestand schetsen, waarin de vrouw, het kind, de slaven en de armen verkeerden vóór de verspreiding van den Christelijken godsdienst.
I.
Schrik en droefheid grijpt ons aan, wanneer wij in de schrijvers der oudheid lezen wat de wereld was vóór het Christendom.
Het algemeen en heerscbei d karakter was eene onverbiddelijke hardvochtigheid en tevens eene zedeloosheid, die wij ons niet kunnen voorstellen. Zelfs tot de heidensche Romeinen durfde de H. Paulus openlijk zeggen; »Gij zijt zonder liefde, zonder trouw, zonder medelijden, vervuld met alle ongerechtigheid en boosheid; vol van nijd, ran moord en van kwaadaardigheid.quot; i) De vreemdelingen, de krijgsgevangenen, de overwonnenen, de slaven, de zieken, de schuldenaars, de armen, de kinderen, de grijsaards, de vrouwen, de werklieden, alles wat leed en arbeidde, in één woord de groote meerderheid van het menschdom werd geminacht en verdrukt. Het overige gedeelte wentelde zich in het slijk der afschuwelijkste zedeloosheid.
Zoo was de toestand der heidensche wereld vóór de komst van Jezus Christus.
Meent niet, dat ik het afzichtelijk tafereel der heidensche schandelijkheden met al te zwarte kleuren geschetst heb. Laat
i) Rom. I. 29. De Godsdienst.
4
ons in bijzonderheden treden, cn afzonderlijk spreken over de vrouw, het kind, de armen en de slaven!
Wat was de vrouw bij de heidensche volkeren ? Zij was een voorwerp van vernedering, van verachting; zij werd beschouwd als een laag, besmeurd wezen. Door het huwelijk werd zij niet de levensgezellin van den man en zijns gelijke, maar zijn volstrekt eigendom, zijne oprechte slavin, dagelijks aan alle soort van wreedheden blootgesteld. Naar eigen goeddunken verdreef de man haar uit zijne woning, en liet haar over aan schande en armoede. Velen werden door hunnen man onteerd en daarna verkocht. De veelwijverij en de gewoonte der echtscheiding was door de wetten erkend: eveneens was het recht over leven en dood, hetwelk de man uitoefende, gewaarborgd door de wet.
Zóó droevig was het lot der vrouw bij de heidenen.
Niet minder beklagenswaardig was het kind. Kind! O dit woord wekt bij ons een gevoel op van teedere liefde. Het ouderhart bijzonder ontvlamt in liefde bij het hooren van dat woord, hetwelk hen wijst op den V.ostbaarsten schat, dien zij op aarde bezilfen.
Was dit ook bij de heidenen het geval?
Luistert naar eenige wetsbepalingen, die betrekking hadden op het kind. Vóór zijne geboorte werd het niet beschouwd, als reeds behoorende tot het menschelijk geslacht; vandaar dat honderden vóór hunne geboorte werden gedood... Op den geboortedag mocht het kind straffeloos om liet leven gebrac'at worden.... Daarna liet de wet toe, ja gebood in zekere gevallen, dat kinderen te vondeling werden gelegd.... De vac'.er had het recht, zijne kinderen te verkoopen of aan de goden
op te offeren. Dikwijls werden onnoozele kleinen op een altaar verbrand in tegenwoordigheid van kennissen en bloedverwanten, die liederen zongen ter eere der afgoden. De kindermoord was bij de heidenen zóó algemeen, dat Tertullianus openlijk tot hen zegde: sOnder hen, die ons omringen en naar het bloed der Christenen dorsten, onder u zelfs, gestrenge overheidspersonen, die zoo gewelddadig jegens ons zijt, wie is er, die zijn eigen kind niet vermooril heeft?quot;
Deze afschuwelijke wreedheden worden nog gepleegd door heidensche volkeren. In Afiika worden jaarlijks kinderen geslacht, om een goeden oogst te bekomen. In Indië zijn er streken, waar kinderen door de landbouwers gemest en daarna gedood worden, om met hun bloed den grond te besproeien en vruchtbaar te maken. In China worden er duizenden in de straten neergeworpen, op vuilniskarren geladen, en met het vuilnis in den poel gestoken.
Welk eene ongevoeligheid, welk een verachting van de mensch-heid 1
Even deerniswaardig was het lot der slaven.
In de wetten der heidensche volkeren werd de slaaf genoemd »een ding, dat gekocht en verkocht kan worden.quot; De voorwaarden van dezen omnenschelijken handel waren bepaald door de wet, die aangaande de slaven, evenals betreffende de dieren, de bepaling inhield, dat hunne ziekten en gebreken aan de koopers moesten bekend gemaakt worden..... Allergruwelijkst waren de wreedheden, waaraan de slaven blootgesteld waren: zoo b. v. werden sommigen met een gloeiend ijzer op het voorhoofd gebrandmerkt, met zweepslagen tot den arbeid gedwongen, en 's nachts in onderaardsche holen aan kettingen
â 52 â
vastgelegd. De meesters hadden het volle reoht, hen tot schandelijke en eerlooze daden te dwingen, hen door wilde dieren te laten verscheuren, enz... Als bij de Spartanen het getal ⢠slaven of slavinnen te groot werd, zond men soldaten, die hen onverwachts tijdens hunnen arbeid op de akkers vermoordden... K' izer Caligula oordeelde, dat de dieren, welke voor de schouwspelen gebruikt werden, te veel aan voeding kostten, en beval daarom, dat slaven hun tot voedsel zouden toegeworpen worden.
Nog ten huidigen dage staat tusschen de puinen van het heidensche Rome het gebouw, dat ons herinnert aan de afschuwelijkste wreedheden, welke daar onder het bestuur der bloeddorstige keizers gepleegd werden. In dit gebouw, het Coliseum genaamd, kwamen dikwijls tot verlustiging der wreede Romeinen zwaardvechters bijeen, die elkander vermoordden, ofwel ongelukkige slaven, die met wilde dieren strijden moesten. Zoo dikwerf een slaaf of een zwaardvechter badend in zijn bloed neerviel, steeg onder de barbaarsche menigte de jubelkreet op: hoe habet, hij heeft het.
Wie zal naar waarheid schetsen het droevig lot der armen} Het zij voldoer.de, u te zeggen, dat de barmhartigheid als eene ondeugd, de ondersteuning der armen als eene misdaad beschouwd werd. gt;Wie den arme te eten geeft, zoo schreef een heidansche dichter, doet slecht; want hetgeen hij weggeeft, is verloren en daarenboven verlengt hij voor den arme een leven van ellendequot; i) Plato zelf, die beroemde wijsgeer, aar/.elde niet te beweren, dat de armen onzuivere dieren waren, die men uit het land moest verjagen. 2) Te Athene en in Egypte
1) Plautus. Trinum act. I. 2) De leg. Dial. 11.
werd een mensch, die geen brood had en er cm vraagde, krachtens de wet met den docd gestratt. »Onder het oude heidendom, dat geene godshuizen kende, had men twee middelen, om zich van den last der armen en gebrckldgen te ontdoen: den moord en de slavernij.quot; i)
Er zou nog veel droevigs te zeggen zijn over de werklieden, de schuldenaars en de gevangenen; doch hetgeen ik u hier heb medegedeeld, is meer dan voldoende, om u te doen begrijpen, hoedanig het lot der meesten was in de heMensche maatschappij.
Maar ziet! Met een kruisbeeld gewapend, trekken de Apostelen op bevel van Jezus de wereld rond. Zij prediken met denzelfden ijver voor rijken en armen, voor geleerden en onwetenden, voor keizers en onderdanen, voor meesters en slaven. Overal weerklinkt hun woord: »Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten. Dit is het eerste gebod, maar het tweede hieraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste beminnen als u zei-ven. 2) Mannen, bemint uwe vrouwen 3) Meesters, hebt gij een getrouwen dienstknecht, bemint hem als uwe eigene ziel; behandelt hem als eenen broeder. 4) Daar is geen Jood noch
Griek, daar is geen slaaf noch vrije man;..... allen zijt gij
één in Jezus Christus 5) God ziet den persoon riet aan. 6)
Liefde voor God, liefde voor elkander: zietdaar de leer van het Evangelie; eene leer, die zulken indruk maakte op de Heidenen, dat zij uitriepen: Ziet, hoe de Christenen elkander beminnen !
i' Chafaubriand. 2) Muth. XXH, 3) Ephcs, V. 25 4) Ecclcs XXXIII.
31. 5) Gal. III. 6) Act. X. 34.
Nadat het eeuwenoude heidendom drie eeuwen lang eenen strijd op leven en dood tegen den Christelijken godsdienst gevoerd heeft, ziet men de afgoden met hunne tempels ineenstorten, de schandelijke plechtigheden van den afgodendienst verdwijnen, de spelen der bloedige strijdperken ophouden. De man bemint zijne vrouw, de vader zijne kinderen; de meesters beminnen hunne onderdanen; de ongelukkigen worden getroost, de zieken ondersteund, de armen liefdevol bijgestaan.
Ego vici mundum: Zoo kan de godsdienst getuigen: Ik heb de wereld overwonnen, niet door dwang of geweld, maar door haar weldoende rond te gaan.
Doch, vergeet het niet, de godsdienst heeft niet opgehouden, zijne weldaden met kwistige hand over de wereld uit te storten. Sinds meer dan 1800 jaren gaat hij de wereld weldoende rond, predikt hij liefde en eendracht, zachtmoedigheid en geduld, medelijden en liefdadigheid, gehoorzaamheid en onderwerping. »De godsdienst â zegt Mgr. de Ségur â bewijst ons alle goed. Hij neemt op, verzorgt en verzacht, ja voorkomt zooveel mogelijk alle menschelijke ellenden. Hij beschermt de kindschheid; en in zijn heilig medelijden met de zwakheden van het kind heeft hij alom toevluchtsoorden voor verlatene, zieke en ouderlooze kinderen opgericht. Tot bescherming en ondersteuning der jeugdige ambachtslieden heeft de godsdienst huizen gesticht. Door den godsdienst zijn de gasthuizen, hospitalen en liefdegestichten in het leven geroepen ter verzorging van ongelukkigen, van zieken en gevangenen, ter verpleging van afgedwaalde en uitgeputte reizigers, ter verbetering van zedeloozen enz... De godsdienst ook heeft aan onze nieuwere
maatschappij beschaving aangebracht; en al onze verhevene begrippen van viijheid, broederliefde en liefde voor de armen, wie heeft ze ons ingegeven? Niemand, tenzij de Christelijke godsdienst.quot; i)
Gelukkig de volkeren, die deze tastbare waarheid erkennen! Gelukkig het land, waar de godsdienst in eere is! Reeds de grieksche wijsgeer Xer.ophon getuigde: jDe steden en volkeren, die het meest verkleefd zijn aan den godsdienst, zijn altijd de duurzaamste en de verstandigste geweest.quot; 2) Bewonderenswaardige zaak â roept Montesquieu uit â de christelijke godsdienst, die schijnbaar uitsluitend ons geluk in het ander leven beoogt, maakt daarenboven ons geluk uit in het tegenwoordige. 3)
Integendeel ongelukkig het volquot;-, ongelukkig het land, dat den godsdienst minacht e.i verliest! «Daar is, gelijk reeds de heiden Cicero bekent, geene maatschappij, geene getrouwheid, geene rechtvaardigheid meer.quot; 4)
Geen wonder, dat onlangs een Mir.ister in Oostenrijk deze merkwaardige verklaring aflegde: sOj dat het kapitaal riet ont-»aarde in een gouden k.tlf, moet de godsdienst geëerbiedigd xworden, en mag niets, wat daarop betrekking heeft, in een sLespottelijk daglicht gesteld worden. Het leven na dit leven »mag niet worden voorgesteld als een herschensc' im, als iets, gt;wat verouderd is. In het algemeen moet het geloof in God : door allen gëeerbiedigd worden. Wanneer gij zoo handelt, swanneer grj het ontzag voor de tien geboden handhaaft, zal »het gemakkelijk wezen de Maatschappij en den Staat te be-»schermen tegen hen, die het zevende gebod overtreden. Daar-
i) de S '^iir, I sti 11ct. f:rn. r) M -mor. Socraf. I. 3) De l'espiit dts lois.
L. 34. ch. 3. 4) De naturn Deorutn I 4.
â S6 â
»entegen, wanneer de godsdienst is verdwenen, zal alle gezag »vernietigd worden, en met den besten wil der wereld zullen »zij, die het bestuur in handen hebben, machteloos zijn tegen ide dieven.quot; i)
Wat zegt ons de goddelooze Voltaire? »Overal, waar eene maatschappij bestaat, is de godsdienst noodzakelijk.quot; 2) Waarom? Omdat zonder godsdienst geen eerbied voor het gezag, en zonder eerbied voor het gezag geene maatschappij mogelijk is.
Immers, als de menschen zóó ver komen, dat zij het Goddelijk gezag, waaruit alle ander gezag voortvloeit, verachten, en God noch zijne wetten eerbiedigen, dan miskennen zij ook weldra alle ander gezag; dan overtreden zij ook de mensche-lijke wetten. Het denkbeeld van macht en plicht wordt uitgevaagd, al de banden der maatschappij verslappen. Men zegt met reden: »Waar God geen altaar heeft, daar hebben de koningen geen troon,quot; en door de koningen versta men hier alle gezag. Een heimelijke haat, een algemeene geest van weerspannigheid, broeit onophoudelijk in de zielen der menschen; de hoofden der maatschappij, in hunne macht en in hunnen persoon bedreigd, zijn genoodzaakt het juk te verzwaren, en weldra barst het oproer uit.
De droeve tijden, welke wij thans beleven, bevestigen deze waarheid.
Geheel de beschaafde wereld roept ons toe: Een vijand staat vóór de deur, een vijand ontzaggelijk door zijn groot getal, schrikbarend door de woeste driften, die in zijn boezem
1) Graaf Falkenhayn, Minister van Landbouw. Juni 1890. 2) Traité de la tolerance, ch. XX.
â 57 â
koken; een vijand, van wien niets te verwachten is, dan omwenteling, wanorde, moord en vernieling; een vijand, waarmede de samenleving eene worsteling zal moeten aangaan op leven en dood: die vijand is het Socialismus, zoo terecht het kind van het tibcralismus genoemd. Immers sedert eene eeuw heeft het liberalismus dagelijks aan het volk gezegd: Alle macht, alle gezag komt uit het volk; het volk is de oorsprong, de bron Van alle recht. Met zijn gezond verstand heeft het volk er spoedig bijgevoegd; Indien alle macht, alle recht uit mij komt, dan kan ik ook die macht, djt recht naar willekeur wijzigen, inkorten of geheel intrekken. Ik kan dus ook het recht van eigendom veranderen of nietig verklaren, de goederen en rijkdommen aan hunne tegenwoordige bezitters ontnemen en gelijkelijk onder de burgers doen verdeelen. i)
Zoo heeft het liberalismus, de vijand van den godsdienst, den weg gebaand tot het Socialismus, hetwelk thans de maatschappij bedreigt. Genieten â zoo schreeuwen nu die kinderen van het liberalisme â genieten willen wij; aan ons de rijkdommen, aan ons de geneugten, welke zij verschaffen, aan ons het aandeel, waarop wij recht hebben! Eigendom is diefstal..... En tegelijk werpen zij zich met woest geweld op de
huizen en bezittingen der rijken.
Wie zal een dam opwerpen tegen den aanrollenden stroom van het Socialismus? Wie zal de standen- en rassenhaat, die in onze dagen zoo hevig ontbrandt, uitdooven? Wie den ondergang der maatschappij tegenhouden? De godsdienst, alleen de godsdienst is hiertoe in staat.
Ja, »het is duidelijk â zegt Onze H. Vader Paus Leo XIII i) Het Socialisme door Mgr. Ruiten.
â »zoekt men naar een geneesmiddel voor de lijdende maat-»schappij, alleen het herstel van het openbaar en bijzonder »leven, naar den geest van het Christendom, kan dat middel «zijn.quot; i) Indien de koningen der aarde â zoo spreekt de H. Augustinus â en alle volkeren, de vorsten en alle rechters, de jongelingen en jonge dochters, de kinderen en grijsaards zorgvuldig de voorschriften van den Christelijken godsdienst nakomen, dan zal op aarde de maatschappij geluk en voorspoed genieten.quot; sDan zal ieder huisgezin een afbeeldsel zijn »van den hemel, en de groote weldaden, daaruit volgende, zul-»len niet binnen de muren van het huisgezin ingesloten blijven, »maar zich ook over de landen uitstorten.quot; 2)
Moge eindelijk het liberalismus zonder God, dat het socialis-mus vervloekt en zich tocli geene moeite spaart, om den godsdienst uit het hart des volks te rukken, zijne dwaling inzien! Mogen zij, die de volkeren besturen, de oojen openen voor het licht der waarheid en den godsdienst de eereplaats geven, die hem toekomt! Dan zal vrede en eensgezindheid terugkeeren tusschen de verschillende klassen der maatschappij; de strijd tusschen arbeid en kapitaal zal ophouden, de werklieden zullen zich niet op een dwaalspoor laten brengen door socialistische onruststookers. Rijk en arm, patroon en werkman zullen broeders zijn onder elkander.
Wat ons betreft, laten wij immer den godsdienst eerbiedigen, hoogachten en b minnen! Schaart u nooit aan de zijde van hen, die den Christelijken godsdienst, onzen grootsten weldoener, bestrijden, en alzoo de bron sluiten van ons tijdelijk en eeuwig geluk! Amen.
1) Ene. de eo :ditione opifie, 2) Lr.o XIII Ene. 2S Dec. 1878.
VI.
rl)e Kei'k vaij C{l\ri^tu^.
Credo Rcclesiam: Ik geloof de Kerk.
(Symb. Xic.)
In verschillende onderwijzingen heb ik u gesproken over den Christelijken godsdienst. Ik heb u aangetoond, 1° dat de Christelijke go.lsdienst de ware godsdienst is, door God ver-operbaard; 2° dat de Christelijke godsdienst de grootste wel doener is van den mensch; 3° dat de Christelijke godsdienst eene goddelijke wet is, wier voorschriften voor eenieder verplichtend zijn. Hiermede zouden wij onze reeks van onderwijzingen over den godsdienst kunnen sluiten, indien er niet verschillen le en met elkander tegenstrijdige godsdiensten waren, wier volgelingen zich beroemen, den waren Christelijken godsdienst te belijden. Niet alleen de Katholieken, maar ook de Protestanten, de Anglicanen, de Schismatieken in Rusland en Griekenland beweren, dat zij de zuivere leer van Christus volgen. En nochtans, gelijk er slechts één God is, zoo kan er ook maar één ware godsdienst zijn. Unus Dominus, una fides. 1)
i) Act. Epl.es. IV. 5.
Wij moeten dus onderzoeken, wie den zuiveren en onver-valschten godsdienst van Christus belijden. Dit onderzoek zal voor ons zeer troostend wezen, want daaruit zal blijken, dat alleen de katholieke godsdienst de ware Christelijke godsdienst is.
Hoe zullen wij deze waarheid bewijzen? Wij zullen deze waarheid bewijzen door aan te toonen in verschillende onderrichtingen :
1° Dat Christus zijnen godsdienst heeft ingericht in eene maatschappij, m. a. w. dat Christus eene Kerk heeft ingesteld.
2° Dat Christus aan Zijne Kerk uitwendige kenteekenen heeft gegeven;
3° Dat alleen de Rooinsch-Katholieke Kerk die kenteekenen bezit, en bijgevolg alleen de ware Kerk is, die den godsdienst van Christus zuiver en ongeschonden bewaart.
I.
Jezus Christas heeft werkelijk en persoonlijk zijnen godsdienst ingesteld onder den vorm eener ware maatschappij, genaamd de Kerk.
Wat is eene maatschappij? Eene maatschappij is eene ver-eeniging van menschen, die hunne afzonderlijke krachten aaneensluiten tot een gemeenschappelijk doel. Om die vereeniging van krachten tot het gemeenschappelijk doel te bekomen, is er in iedere maatschappij één bestanddeel volstrekt noodzakelijk, namelijk een opperhoofd, eene overheid, die de afzonderlijke krachten vereenigt en ze richt naar het doel, dat men bereiken wil. Alzoo, in eene zangmaatschappij zal men nooit eene welluidende uitvoering van een zangstuk bekomen, indien
â 6i â
iemand de stemmen niet verdeelt, regelt en tot een welluidend geheel samenbrengt.
Tot eene maatschappij is dus vereischt i0 een gemeenschappelijk doel voor hare leden, en 2° gemeenschappelijke middelen, onder eene overheid tot het algemeen doel aangewend.
Welnu, zulk eene vereeniging of maatschappij heeft Christus ingesteld voor de belijders van zijnen godsdienst. Hij heeft gewild, dat zijne volgelingen een gemeenschappelijk doel zouden nastreven door gemeenschappelijke middelen onder eene door Hem gestelde overheid.
Het doel, naar hetwelk al de volgelingen van Christus streven moeten, wordt door Hem zeiven meermalen aangeduid. »Mijne schapen â zegt hij â hooren mijne stem, zij volgen mij, en ik geef hun het eeuwig leven, i) De Zoon des men-schen is gekomen, om zalig te maken, wat verloren was. 2) Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloedig hebben.quot; 3)
Het eeuwig leven, de eeuwige zaligheid is dus het doel, naar hetwelk de volgelingen van Christus streven moeten.
»God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid.quot; 4)
Hoe zal de Christen dit verheven doel bereiken? Gelijk in eene zangmaatschappij geen welluidend concert mogelijk is, als ieder zanger zijne stem, gebruikt, zonder om te zien naar de andere leden; gelijk in de burgerlijke maatschappij de een den ander moet bijstaan, om een tijdelijk voordeel te bekomen, dat ieder mensch uit zich zeiven, afgescheiden van de
1) Joan. X. 27. 2) Luc. XIX. io. 3) Joan. X. 10. 4) Tkessal. V. 9.
anderen, niet zou kunnen verkrijgen; zoo heeft ook Christus gewild, dat zijne volgelingen hunne krachten zouden vereenigen, om zekerder, gemakkelijker en beter hunne eeuwige zaligheid te bewerken.
Dit verheven doel moest dan volgens den wil van Christus bereikt worden door gemeenschappelijke middelen: door belijdenis van hetzelfde geloof en door deelname aan dezelfde Sacramenten onder de leiding van eene door Hem aangestelde overheid.
Waaruit blijkt ons deie uitdrukkelijke wil van Christus? Uit de macht, welke Hij den Apostelen verleende, om overal het geloof te verkondigen, de H, Sacramenten toe te dienen, en de geloovigen onder de leiding van den H. Petrus te besturen.
Zoolang Christus op aarde rondging, was Hij zelf Leeraar, Priester en Herder. Toen Hij deze wereld verlaten had, wilde Hij zich van twaalf uitverkorene leerlingen als zoovele werktuigen bedienen, om het drievoudig ambt van Leeraar, Priester en Herder uil te oefenen. Hierom bekleedde Hij zijne Apostelen met de macht en de zending, welke Hij zelf van Zijnen he-melschen Vader ontvangen had.
Mij is alle macht gegeven â zoo sprak Christus tot hen â in den hemel en op aarde. Gaat derhalve en onderwijst alle volkeren, of, zooals het bij Marcus luidt, predikt het evangelie aan alle schepselen i) Vanaf dit oogenblik kon iedere Apostel zeggen: »In de plaats van Christus bedienen wij een gezantschap en het is, alsof God door ons vermaant.quot; 2)
Doch Jezus zegde hun niet alleen: Onderwijst en predikt,
1) Matth. XYIli. 18. Marc. XVI. 13. 2) II. Cor, V. 20.
Hij voegde er ook bij: Doopt hen in den naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes.... ^Gelijk de Vader mij gezonden beeft (zoo had Hij vroeger reeds tot zijne Apostelen gesproken,) zoo zand ik u; Wier zonden gij vergeeft, zijn vergeven ; en wier zonden gij wederhouden zult hebben, zijn wederhouden.quot; i) In het laatste Avondmaal, na brood en wijn veranderd te hebben in zijn Lichaam en Bloed, zegde Hij; â sDoet dit tot mijne gedachtenis.quot; 2)
Bekleed met deze macht, om den geloovigen de H. Sacramenten toe te dienen, konden zich de Apostelen terecht noemen »dienartn van Christus en uitdeelers van Gods H. Mysteriën.quot; 3)
Eindelijk door de woorden; iLeert hen onderhouden alles, v. at ik u bevolen hebquot; 4) en door deze: s Alles, wat gij op aarde binden zult, zsl in den hemsl gebonden zijn, 5) gaf Christus zijne Apostelen de volmacht en het recht, van alle men-schun gehoorzaamheid te vorderen aan hunne voorschriften en de wcersf annigen door geestelijke straffen tot gehoorzaamheid te dwingen.
Tot hiertoe waren de Apostelen met gelijke macht bekleed: zij gehoorzaamden aan Christus, hun Opperhoofd, en maakten met Hem de opkomende Kerk uit. Maar Christus moest terug-keeren tot zijnen Vader in den hemel; daarom koos Hij zich eenen plaatsvervanger, dien Hij met de hoogste kerkelijke macht en waardigheid bekleedde, den H. Betrus. Onder zijne leiding moesten de Apostelen hun ambt van leeraar, priester en herder uitoefenen. Onder zijn oppergezag moesten Christus'
- 64 -
volgelingen door de aangewezen middelen hun verheven doel, de eeuwige zaligheid bereiken.
Hoe de Zaligmaker den Apostel Petrus met dit oppergezag bekleed heeft, wordt ons duidelijk verhaald in de H. Schriftuur.
Daarin lezen wij, dat Jezus hem die oppermacht beloofde. »Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik luijne Kerk bouwen..... En ik zal u de sleutelen geven van het rijk der hemelen, d. i. van de Kerk.quot; i) Wat bcteekenen deze twee zinnebeeldige zegswijzen? Zij beteekenen niets anders, dan dat Petrus de volheid der macht over allen ontvangen zoude. Gelijk een gebouw zijn bestaan aan de grondslagen dankt, zoo ook zal de Kerk hare eenheid, hare duurzaamheid aan het gezag van Petrus ontleeren..... Door de uitdrukking «sleutelen
van het rijkquot; wordt zoowel in de taal der H. Schrift, als in de overige Oostersche talen, de oppermacht, het oppergebied beteekend.
Wat Jezus aan Petrus beloofde, heeft Hij ook volbracht. Verpaatst u aan het meer Tiberias, waar Christus na zijne verrijzenis aan zeven zijner Apostelen verscheen. Driemaal vroeg Hij aan den Apostel, die hem even dikwijls verloochend had; »Simon, bemint gij Mij?quot; Petrus antwoordde door eene driemaal herhaalde en treffende betuiging van liefde. Toen sprak de Zaligmaker tot Hem; »Weid mijne lammeren, weid mijne schapen,quot; 2) d. i. bestuur mijne gansche kudde, niet. slechts de gewone geloovigen, maar ook de Bisschopen en priesters.
Vatten wij nu al deze punten te samen, wat volgt dan? Dat
i) Matth. XVI. 19. 2) Joan- XXI. 16, 17.
â 65 â
Christus zelf zijnen godsdienst heeft ingericht onder den vorm eener ware maatschappij; dat Hij persoonlijk en werkelijk eene godsdienstige maatschappij heeft ingesteld, welke wij de Kerk noemen. Christus immers, zooals wij aantoonden, heeft aan zijne volgelingen gemeenschappelijke middelen gegeven, om een gemeenschappelijk doel te bereiken. Door belijdenis van hetzelfde geloof, door deelname aan dezelfde Sacramenten, door onderdanigheid aan hetzelfde oppergezag moeten zij komen tot hunne eeuwige zaligheid. »Wij velen zijn één lichaam in Christus, maar elk afzonderlijk leden de een van den ander.quot; i) Deze Kerk, door Christus ingesteld, bestaat zij nog? Ongetwijfeld. Zij bestaat nog en zal blijven bestaan tot liet einde der wereld; want Gods woord is onfeilbaar: »de poorten der
hel zu.ien haar niet overweldigenquot;....... Ik ben met u tot het
einde der wereld.quot; 2)
Hieruit volgt klaarblijkelijk; 10 dat de Kerk van Christus onfeilbaar is, dat wil zeggen, dat zij niet kan dwalen in zake van geloof of zeden. Eene Kerk immers, die dwalen kan in hare geloofs- of zedenleer, kan de Kerk van Christus niet zijn.
De reden hiervan is duidelijk. Christus toch, de eeuwige Waarheid, heeft aan de overheid zijner Kerk beloofd, dat Hij haar in het prediken des geloofs en in het bestuur der geloo-vigen tot het einde der wereld zal bijstaan, 3) dat Hij haar den H. Geest zou zenden, die alle waarheid leeren zou, 4) en dat het geloof van het Opperhoofd der Kerk nooit zou bezwijken. 5)
Uit die belofte, dat de Kerk zal blijven bestaan tot het
1) Rom. XII. s- 2) Matth. XVI. 3) Matth. XXVin. 13. 4) Joan. XVI 13.
5) Luc. XXII. 32.
De Godsdienst. c
einde der wereld, volgt 20 dat Petrus en de Apostelen wettige opvolgers moeten hebben, zoolang de wereld bestaat: opvolgers, die evenals zij de macht bezitten, om te onderwijzen, de H. Sacramenten toe te dienen en de geloovigen te besturen. God immers wil, dat alle menschen zalig, worden en tot de kennis der waarheid komen. 1) Welnu, om tot de zaligheid te komen heeft de mensch behoefte aan Gods genade, aan de prediking des geloofs en aan een door wetten geregeld bestuur. Bijgevolg moet er tot het einde der wereld in Christus' Kerk eene bevoegde macht wezen, die de menschen onderwijst en bestuurt, en tevens hun de H. Sacramenten, die bronnen van genade, toedient.
Zijn de geloovigen vrij om zich aan die bevoegde macht te onderwerpen of niet? Geenszins; ieder lid van Christus' Kerk, ieder geloovige Christen is streng verplicht, zich aan de wettige macht te onderwerpen. Wie daaraan twijfelt, versmaadt het woord van God zeiven. Immers, toen de Zaligmaker zijne Apostelen beval, het Evangelie te prediken in de gansche wereld, voegde Hij er uitdrukkelijk bij; «Die geloofd zal hebben en gedoopt zal wezen, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben zal veroordeeld worden.quot; 2) »Als iemand naar de Kerk niet luistert, aanziet hem dan voor een heiden of tollenaar, d. i. voor een ongeloovige. 3) iDie u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij. 4) Deze woorden van Christus bewijzen ten duidelijkste, dat ieder geloovige verplicht is, zich aan de H. Kerk te onderwerpen.
Eene andere vraag, welke hier gesteld kan worden, is deze:
1) I. Tim. II. 4. 2) Marc. XVI. 16. 3) Matth. XVIII. 17. 4) Luc. X. 16.
â 6; -
Is iedereen verplicht lid te worden van Christus Kerk? Deze verplichting rust op allen. Ziethier waarom. Christus wil dat alle menschen door den godsdienst tot de zaligheid komen; bijgevolg wil hij ook, dat zij leden worden van die geestelijke maatschappij, welke Hij tot bewaring van den godsdienst heeft ingesteld. Daarenboven: alle menschen zijn verplicht den Chris-telijken godsdienst te omhelzen, wijl deze de ware, de zaligmakende godsdienst is. Welnu, het eenig middel, om de ge-loofs- en zedenleer van den Christelijken godsdienst te kennen is de Kerk. Vandaar die gekende woorden: Extra Ecclesiam nulla salus: Buiten de Kerk geene zaligheid. »Niemand, zegt de H. Augustinus, wordt zalig, die Jesus Christus niet heeft voor Hoofd; maar niemand zal Jesus Christus voor hoofd hebben, indien hij niet heeft toebehoord aan zijn lichaam, d. i. aan de Kerk.
Eveneens zegt de H. Cyprianüs: »Degene, die de H. Kerk
niet voor zijne Moeder wil erkennen, zal God niet hebben tot
\
Vader. Gelijk niemand buiten de ark aan de wateren van den zondvloed heeft kunnen ontsnappen, zoo zal ook niemand, die buiten de Kerk leeft, de eeuwige verdoemenis kunnen ontkomen. i)
Velen zijn er, die bij het hooren dezer stelling »Buiten de Kerk is geene zaligheid,quot; ofwel uit dwaling, ofwel uit kwade trouw uitroepen: Durus est hic sermo: Dat woord is hard; wie kan het hooren? 2)
Nochtans, niets is liefdadiger. Is de geneesheer wreed en onverdraagzaam, als hij den zieke zegt: 1 Zonder deze en die
i) De Unit. Ecclesiae. 2) loan. VL 61.
voorzorgen is geene genezing mogelijk:quot; Was Noë wreed, toen hij de menschen tot bekeering opwekte en waarschuwde: »Bui-ten de ark is geene behoudenis rquot;
Den grondregel j buiten de Kerk geene zaligheidquot; verkondigen, is leeren, wat Christus zelf geleerd heeft; is het voorbeeld volgen der Apostelen en der Martelaren, die zich zeiven hebben geslachtofferd, om allen te zeggen: Treedt Christus' Kerk binnen, want buiten haar is de zaligheid niet mogelijk.
5Daarenboven in deze stelling: »buiten de Kerk geene za-»liglieidquot; moet evenals in iedere strafwet, zegt Mgr. Dechamps, seen woord worden aangevuld, namelijk het woord vrijwillig, somdat elke strafwet vordert, dat er schuld zij, en schuld heeft op hare beurt twee voorwaarden; het feit en den wil. Op deze »vraag alzoo: gelooft de Kerk, dat diegenen zullen verloren «gaan, die geboren en opgevoed, daar, waar zij de wet van sJesus-Christus niet konden kennen, in eene onoverkomelijke sonwetendheid dienaangaande verkeerden, maar die overigens »al het goede, wat hun bekend was, getrouw hebben vol-sbracht? Op deze vraag moet men antwoorden: Neen.quot; i)
De reden hiervan is duidelijk. Eene wet kan nooit het geweten binden van degenen, die haar niet kennen.
Bovendien, aan hem, die doet wat in zijn vermogen is, weigert God de genade niet.
De mensch, die het licht zijner rede gevolgd en geleefd za) hebben overeenkomstig datgene, wat hij te goeder trouw voor de waarheid hield, kan niet veroordeeld worden. »Men kan, zoo zegt wederom Kardinaal Dechamps, met het hart tot de
i) Le libre examen d© la vérité de la foi. 40 entr't.
Kerk behooren, zonder er met het lichaam deel van te maken. Is het niet duidelijk, dat ieder mensch, die te goeder trouw is, met het hart tot de Kerk behoort, omdat hij tot haar zoude toetreden, indien zij hem bekend was? En hebben allen, die de oprechte en algemeene begeerte hebben, om de waarheid aan te nemen en Gods wil te volbrengen, niet die gezindheid?.... Zij worden daarom reeds door God beschouwd als tot de Kerk te behooren, en zullen onfeilbaar zeker van Hem de kennissen ontvangen, die tot de zaligheid noodig zijn. Christus is voor alle menschen gestorven, en de genaden om zijne verdiensten geschonken, worden uitgestort op allen. Niemand derhalve blijft van de vruchten der Verlossing verstoken zonder zijne eigene schuld, d. i. zonder dat hij aan de genade weerstand heeft geboden, en ieder zal geoordeeld worden naar die genaden, welke hij ontvangen zal hebben.
Is er eene leer, zoo vraagt Mgr. Dechamps, die zachter en tevens schrikwekkender is; zachter voor de arme verblinden, wanneer hunre onwetendheid niet schuldig is, en schrikwekkender voor de ondankbaren, als zij om het licht te ontwijken, dat hun tegenstraalt, in de duisternissen de redenen gaan zoeken tegen Gods rechtvaardigheid? i)
Zietdaar in het kort aangetoond, dat Christus onze Zaligmaker, tot bewaring van zijnen godsdienst eene Kerk heeft ingesteld; eene Kerk, waartoe iedereen ten minste met het hart moet behooren en aan wier gezag zich iedereen moet onderwerpen, die zalig wil worden.
Danken wij God voor deze instelling! De Kerk immers is onze onfeilbare leermeesteres, die ons onderwijst in de zuivere
â 7° â
waarheden des geloofs, in de onvervalschte leer van Christus. Laten wij dus altijd zonder den minsten twijfel alles gelooven, wat zij ons te gelooven voorhoudt! â De Kerk is onze geestelijke Moeder, die ons tijdelijk en eeuwig welzijn behartigt, en met zorg ons geleidt op den weg des Hemels. Laten wij ons bijgevolg door de Kerk geleiden, en niet door hare vijanden, die niet ons geluk en welzijn, maar hun eigen voordeel zoeken 1 â De Kerk is het scheepje van Petrus, hetwelk door de opgezweepte golven heen en weer geslingerd kan worden, maar nooit of nimmer vergaan zal. Laten wij dus niet vreezen, hoezeer ook de goddeloozen samenspannen, om Christus' Kerk te vernietigen! Gedenken wij steeds die goddelijke woorden tot Petrus gesproken: iGij zijt Petrus (d. i. steenrots), en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.quot; i) Amen.
i) Matth. VXI 18.
. I?
; '
rn
VIL
f)e ééT\l\ei(;l ei] heiligheid dei4 3£ei'k.
Credo unam, sanctam Ecclesiam: Ik geloof de ééne, heilige Kerk.
(Symb. Nic. Art. IX.)
\
Toen de Apostel Petrus de Godheid van Christus had beleden met deze woorden: gt;Gij zijt Christus, de Zoon van den levenden God,quot; antwoordde hem de Zaligmaker: Simon, gij hebt gezegd, wie Ik ben, en ik op mijne beurt zeg u, wie gij zijt: Gij zijt Petrus (d. i. steenrots) en op deze steenrots zal ik Mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen, i)
Deze heerlijke belofte heeft Christas vervuld. Hij heeft tot bewaring van den Christelijker! godsdienst eene Kerk gesticht, d. i. eene geestelijke maatschappij, waarin de gelcovige Christenen vereenigd zijn door de belijdenis van één en hetzelfde geloof, door de deelneming aan dezelfde Sacramenten, en door de gehoorzaamheid aan één en hetzelfde Opperhoofd.
li
II â jj|
Die Kerk van Christus, buiten dewelke de zaligheid niet mogelijk is, bestaat nog en zal blijven bestaan tot het einde
i) Matth. 16. 18.
i
der wereld. Dit heeft Christus beloofd, en zijne Goddelijke beloften kunnen niet falen.
Doch welke Kerk is de Kerk, door Christus zeiven ingesteld ? Het antwoord op deze vraag kan voor ons, Katholieken, niet twijfelachtig wezen. Ons sCredoquot; luidt: Credo unam, Sanc-tam, Catholicam et Apostolicam Ecclesiam: Ik geloof de ééne, heilige, katholieke en apostolische Kerk. i) Deze geloofsbelijdenis bevat de vier uitwendige kenteekenen, welke Christus aan zijne Kerk gegeven heeft. Zij moet één, heilig, katholiek en apostoliek wezen.
Welnu, alleen de Roomsche Kerk bezit deze vier kenteekenen, waaruit volgt, dat zij alleen de ware, alleen de zaligmakende Kerk is.
De tijd laat mij niet toe, deze troostvolle waarheid in ééne onderrichting te bewijzen. Wij bepalen ons heden bij de twee eerste kenteekenen; bij de éénheid en bij de heiligheid van Christus' Kerk. Credo imam et sancta)n Ecclesiam: Ik geloof de ééne, heilige Kerk. 2)
I.
Het eerste kenteeken van Christus' Kerk is hare éénheid. De Zaligmaker zelf heeft dit uitwendig teeken aan zijne Kerk gegeven, door haar af te beelden als éénen schaapstal, die slechts éénen Herder heeft 3) als één huisgezin, dat maar één hoofd heeft 4) als één lichaam, waarvan al de ledematen volkomen vereenigd zijn. 5) Daarenboven, wijl de éénheid het kenmerk
1) Symb. Nic. Art. IX. 2) Symb. Nic. 3) Joan. X 16. 4) Coloss I. 18. 5) I. Cor. XII 12.
â 13, â
is van al wat schoon is, i) moet natuurlijk ook de Kerk van Christus, de schoonste aller instellingen, dat kenteeken bezitten. sDe eenheid â zegt de H. Augustinus â vormtéén volk; zonder éénheid is het geen volk, geene maatschappij geene Kerk meer: het is verwarring.quot;
Waarin bestaat die éénheid? Zij bestaat in de belijdenis van één en hetzelfde geloof, in de deelneming aan dezelfde Sacramenten, en in de onderwerping aan één en dezelfde wettige overheid.
Beschouwt de Roomsch-Katholieke Kerk! Wonderbaar is hare éénheid sinds meer dan -achttien eeuwen. Zij heeft vanaf hare instelling altijd en overal hetzelfde geloof beleden, dezelfde H. Sacramenten erkend, dezelfde onderwerping aan hare wettige overheid gevorderd.
De schoone woorden, welke vóór 1700 jaren de H. Ireneus schreef, hebben nog niets van hunne waarde verloren. »Of-«schoon verspreid over de gansche wereld, behoudt de Katho-»lieke Kerk het apostoliek geloof met den grootsten ijver, alsof »zij één en hetzelfde huis bewoonde; zij gelooft het op dezelfde swijze, alsof zij slechts éénen geest en één hart bezat; met «wonderbare overeenstemming belijdt en leert zij hetzelfde ge-sloof, alsof zij maar éénen mond had. Ofschoon de talen in «de wereld verschillend zijn, het geloof nochtans is één en ^hetzelfde. Gelijk er slechts ééne en dezelfde zon is, die Gods «schepselen verlicht over de gansche wereld, zoo schijnt ook soveral hetzelfde licht, de leering der waarheid; en deze lee-mng verlicht alle menschen, die tot de kennis der waarheid
1) H. August.
«willen komen. Hoe welsprekend ook een bedienaar der Kerk «zijn moge, toch zegt hij nooit iets anders, dan de andere; «want niemand is boven den Meester, en al de waarheden der «overlevering blijven altijd dezelfde, al worden zij zonder wel-«sprekendheid voorgedragen.quot; i)
Zóó sprak de H. Irenaeus vóór 1700 jaren. Konde die groote Kerkvader thans op aarde terugkeeren, veel, zeer veel zou hij veranderd vinden; maar het eenige, ja letterlijk het eenige, dal Irenaeus nog onveranderd vinden zou, is het Katholiek geloof. «Het Christelijk geloof en de Katholieke Kerk â zegt de H. Augustinus â heeft nooit veranderd.quot; 2)
Hier mogen wij wel uitroepen inet den beroemden Lacor-daire-: «Welk een voorrecht, lastig voor allen, die het niet bezitten 1 Eene onveranderlijke leer, terwijl alles in de wereld verandert : eene leer, welke arme grijsaards in eene plaats, genaamd het Vatikaan, bewaren, en welke zonder andere verdediging weerstand biedt aan den loop der tijden, aan de droo-men der wijzen, aan de plannen der koningen, aan den val der keizerrijken! Welk wonder, om anderen te logenstraffen! Ook hebben alle eeuwen, zulke glorie benijdende, zich zeiven beproefd. Beurtelings zijn zij gekomen aan de deur van het Vaticaan; zij hebben er aangeklopt op eene vreeselijke of belachelijke wijze. De leer is buiten gekomen onder de zwakke gedaante van eenen zeventigjarigen grijsaard. Zij heeft gezegd: Wat verlangt gij van mij? â Verandering. â Ik verand.'r niet. â Maar alles is veranderd in de wereld: de sterrenkunde, de scheikunde, de wijsbegeerte zijn veranderd; waarom zijt gij
1) Adv. hr.er. L. i. C. 3. 2) Lib. I. c(ra Juiion. VI. 36.
altijd dezelfde? â Omdat ik van God kom, en God immer dezelfde is. Maar gedenk, dat wij heer en meester zijn; wij hebben een millioen mannen onder de wapenen; wij zullen het zwaard trekken; het zwaard, dat de tronen vermorzelt, zal ook het hoofd kunnen snijden van eenen grijsaard, of de bladeren verscheuren van een boek. â Het zij zoo! Het bloed is het reukwerk, dat mij altijd verfrischt heeft. â Welnu, ziehier de helft van mijn purper; sta ter wille van den vrede een offer toe, en laat ons deelen. â Behoud uw purper, o keizer; morgen zal men u daarin begraven, en wij zullen over u het Alleluia en de Profundis zingen, welke nooit veranderen.quot;
De Roomsche Kerk is bijgevolg één in hare leer, één in haar geloof. Eén ook is zij in hare Sacramenten. Zij bezit en erkent de zeven H. Sacramenten, door Christus ingesteld. Overal, waar Katholieken zijn, worden dezelfde Sacramenten toegediend; overal wordt hetzelfde Misoffer opgedragen. De leden der Roomsch-Katholieke Kerk, waar zij zich ook bevinden, hetzij in Afrika of Azië, in America of Europa, overal hebben zij het gebruik van dezelfde H. Sacramenten, welke Christus heeft ingesteld.
De Roomsche Kerk is ook één in haar bestuur.
Immers in welke landen hare leden ook wonen, allen staan onder één en hetzelfde Opperhoofd, den Paus van Rome, die als opvolger van den H. Petrus met het oppergezag bekleed is, en aan wien alle Bisschoppen, alle priesters en alle geloo-vigen onderworpen zijn.
Zietdaar de wonderbare éénheid der Roomsch Katholieke Kerk.
Beschouwt nu de Protestantxhe Kerk, die eveneens zich de
â 76 â
ware Kerk noemt. Bezit zij de éénheid, dit eerste kenteeken der waarheid? Neen. Hare geloofsleer verandert gedurig.
Wat de Protestanten heden als waarheid aannemen, wordt morgen door hen verworpen. Men vraagde eens aan den Pro-testantschen hertog van Saksen, genaamd Georgius, wat de volgelingen van Luther geloofden. Hij antwoordde: ïWat zij dit jaar gelooven, weet ik; maar ik weet niet, wat zij het volgend jaar gelooven zullen.quot; Laval, een bekeerde Protestant, getuigde eveneens: «Gedurende mijne twijfelingen had ik verschillende protestantsche leeraars bij mij vereenigd. Wij wilden ons onderling verstaan tot het maken eener geloofsbelijdenis, maar nooit konden wij het eens worden.quot; Terecht dus zegde Rousseau: sDe Protestansche leeraars weten niet meer, wat zij «willen, noch wat zij zeggen. Men vrage hun, of Christus God »is, zij durven niet antwoorden. Men vrage hun, welke myste-»riën zij aannemen, zij durven wederom geen antwoord geven, j,Men weet noch wat zij gelooven, noch wat zij niet gelooven, ïnoch wat zij schijnen te gelooven. De eenigste wijze, die zij hebben, om hun geloof te toonen, is het geloof van anderen te bestrijden.quot; Een Protestantsche leeraar getuigde zelf, dat men gemakkelijk op de nagelbreedte van eenen duim kan schrijven al wat de Protestanten éénparig gelooven. i)
De Protestantsche Kerk kan bijgevolg de Kerk van Christus niet zijn, omdat haar de éénheid, dat eerste kenteeken, ontbreekt. Ditzelfde geldt voor al de andere godsdienstige maatschappijen in de gansche wereld. Geen van hen erkent een oppergezag, wiens beslissingen in zake van geloof en zeden on-
i) Ilurter's Geburt en Wiederg. 11. S. 112.
feilbaar zijn; vandaar bij hen geene éénheid van geloof, geene éénheid, wat betreft de H. Sacramenten. Daarentegen in de Katholieke Kerk is alles één. Eén herder, ééne schaapstal i) gelijk er slechts één God, één Heer, één geloof, één Doopsel is. 2)
II.
Het tweede kenteeken, door Christus aan zijne Kerk gegeven, is hare heiligheid. Dit getuigt de Apostel Paulus met deze woorden: »Christus heeft zijne Kerk liefgehad en zich zeiven voor haar overgeleverd, opdat hij haar zoude heiligen... opdat Hij zelf zich de Kerk heerlijk zou aanbieden, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbende, maar opdat zij heilig en onbesmet zou wezen. 3)
Beschouwt wederom de Roomsch Katholieke Kerk. Heilig is zij in haren Stichter, Jesus-Christus, die geene zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog gevonden is. 4) Heilig is zij in hare leer. Hare geloofspunten behelzen de zuivere waarheden door God veropenbaard; hare zedenleer bevat niets, dan hetgeen den mensch tot deugd en heiligheid opwekt. sBeoor-«deelt de leer der Kerk â zegt de H. Augustinus â naar «hetgeen zij openlijk leert op den predikstoel, als het volk jin menigte samenstroomt, om van haar te leeren, heilig te «leven op aarde, om eenmaal gelukkig te leven inden Hemel. »Wat zult gij daar hooren, tenzij de prediking van Gods «geboden, de verkondiging zijner wonderen, en de gebeden »orn zijne genaden?quot; 5)
i) loan. X. 16. 2) Eph. IV. 3) Ephes, V. 25. 27. 4) I. Petr. II. 22. 5) De Civit. Dei.
Heilig is de Katholieke Kerk, omdat zij bezit de zeven H. Sacramenten, door Christus ingesteld, als zoovele bronnen van heiligmaking voor allen, die ze waardig ontvangen.
Heilig is de Katholieke Kerk, omdat zij bezit het heilig en aanbiddelijk Misoffer, die zuivere offerande, door den Profeet Malachias lang te voren aangekondigd, i)
»Heilig is de Kerk in hare ceremoniën, heilig in al de plechtigheden, welke zij gebruikt, om God te vereeren, en Hem de hulde te bewijzen, welke Zijne Opperste Majesteit toekomt.quot; 2) Heilig is de Roomsche Kerk in haar beste deel, d. i. in een groot getal harer leden. »Vanaf hare opkomst tot heden toe heeft de Katholieke Kerk leden geteld, die door een deugdzaam en heilig leven hebben uitgeschenen, en wier heiligheid door onbetwistbare mirakelen is bevestigd geweest. Getuigen hiervan de apostelen, en na hen zoovele heilige martelaars, bisschoppen, maagden, koningen en keizers, heiligen uit alle standen en van allen ouderdom. En heden nog, uit welke Kerk staan zij op die moedige zendelingen, die ouders, bloedverwanten en vrienden, vaderland en rijkdommen verlaten, om de alleen zaligmakende leer van Christus in verafgelegene Janden te gaan verkondigen? Die heldhaftige Missionarissen, die de gevaren van zeeën en wildernissen trotseeren, den marteldood tarten, om ongelukkige medebroeders, die nog in de duisternissen van het ongeloof gedompeld zijn, tot het licht van het ware geloof te brengen? Uit welke Kerk staan zij op die reine en heilige maagden, die vader en moeder, zusters en broeders vaarwel zeggen, om zich in een klooster tusschen
1) Malac. I; 11 2) S. Optatus. I/ib. ctra Parm.
vier muren op te sluiten, en daar hunne levensdagen aan de boetvaardigheid en aan den dienst van God toe te wijden? Uit welke Kerk komen zij, die reine en heilige maagden, die alles, wat hun op de wereld toelacht, rijkdommen, vermaken en weelde, verlaten, om in gasthuizen de zieken te verzorgen, dikwerf ten prijze van haar eigen leven? Uit welke Kerk staan zij op, die heldinnen der Christelijke liefdadigheid, die zoo terecht genoemd worden tzusiers der armen,quot; die zeiven den kost gaan bedelen voor arme en gebrekkelijke menschen?quot; i)
Zietdaar zoovele vruchten van heiligheid, welke de Katholieke Kerk nog dagelijks voortbrengt. Geen wonder, dat de vijanden van Kerk en godsdienst hiermede den spot drijven, en dat het kleed van een kloosterbroeder of kloosterzuster hunnen haat opwekt.
Een bewijs te meer, dat de talrijke Kloosterorden een sieraad zijn van Christus' Kerk hier op aarde, die waarlijk een heilige Kerk is.
Men zegt ons: In de Katholieke Kerk zijn vele leden, die niet heilig leven. Dat is zoo, maar dit is geen bewijs, dat de Kerk zelve niet heilig is De H. Augustinus heeft die opwerping reeds beantwoord, toen hij aan de ketters van zijnen tijd zegde: »Houdt toch eens op, de Katholieke Kerk te lasteren. De fouten, welke gij laakt, keurt de Kerk niet goed; integendeel, zij tracht onophoudelijk hare ontaarde kinderen te verbeteren.quot; 2) Al hare leden hier op aarde heilig, en hiernamaals eeuwig gelukkig maken, is het eenig verlangen, het eenig streven der Katholieke Kerk.
i) De Christen onderwezen. Peeters en Monsieurs. 2gt; De mor. Eccl. Catb. c. 3a. 35.
Beschouwt na dit alles de Kettersche en Schismatieke Kerken. Ook het tweede kenteeken ran Christus' Kerk bezitten zij niet. Noch wat haar hoofd, noch wat hare leer betreft zijn zij heilig. De Protestantsche Kerk werd gesticht door een hoovaardigen T.uther, die het klooster verlaten had, om een heiligschennend huwelijk te kunnen aangaan, alsmede door Calvijn, die eveneens een onkuischaard was. De Anglicaansche Kerk in Engeland, waar in deze tijden zoo talrijke en beroemde bekeeringen plaats hebben, werd gesticht door koning Hendrik VIII, eenen losbandigen overspeler. De Schismatieke Kerk in Griekenland en Rusland werd gesticht door Photius, die zich onderscheidde door eerzucht en huichelarij.
Zij hebben dus niet de heiligheid in hare stichters. Hebben zij misschien dat kenteeken in hare zedenleer? Evenmin.
De stichters zeiven van het Protestantismus hebben als grondwaarheden geleerd, dat de goede werken nutteloos en zelfs schadelijk voor de zaligheid zijn; dat het geloof voldoende is, om ons tot vrienden van God te maken; dat de mensch, eenmaal voor God gerechtvaardigd zijnde, zeker zalig wordt, welke zonden hij ook bedrijft; dat God in ons het kwaad doet evenals het goed, en ons verdoemt of zalig maakt, zonder schuld of verdienste van onzen kant.. .. Wie kent niet de beruchte woorden, welke Luther eens schreef aan zijnen vriend Me-lanchton r i IVees zondaar en zondig sterk, maar geloof nog «sterker en verheug u in Christus, die de overwinnaar van »zonde, dood en wereld is. Wij moeten zondigen, zoolang wij »in dit leven zijn. Het is voldoende, dat wij door de rijk-»dommen Gods het Lam erkennen, hetwelk de zonden der »wereld wegneemt; van dat Lam kan geen gevaar onsafschei-
â 8i â
»den, zelfs al zouden wij op eenen dag duizend en duizend malen ontucht en doodslag bedrijven.quot; i)
Zietdaar de verfoeielijke leer der Protestanten; eene leer, die aanleiding gaf tot bederf der zeden, tot omverwerping van alle godsdienstige en burgerlijke wetten, tot vernietiging van alle onderdanigheid en afhankelijkheid. Ten bewijze strekt ons de bloedige Fransche Revolutie, die een natuurlijk gevolg was der Protestantsche leer.
Luther zelf zag reeds met schrik, welke vrachten zijne leer droeg. »Het is bijna, zoo schrijft hij, of ons Duitschland, sedert het licht des Evangelies geschenen heeft, door den duivel bezeten is; de vreeze Gods is verdwenen.... het is een zondvloed van alle ondeugden. Wie van ons zou begonnen zijn te prediken, indien wij voorzien hadden, dat er zulke ergerlijke zaken en rampen uit zouden voortkomen? 2)
Na dit alles vraag ik u, of zulk eene Kerk met eenigen schijn van waarheid kan beweren, de waarachtige Kerk van Christus te zijn? Neen! Eene Kerk, die noch de éénheid, noch de heiligheid bezit, kan de Kerk niet wezen, door Christus ingesteld. De Katholieke Kerk alleen bezit die kenteekenen. Zij is de ware Bruid van Jezus, zij draagt de kenteekenen der éénheid en der heiligheid op haar voorhoofd.
Aan God zij dank, duizendmaal dank, dat Hij ons allen in zijne Kerk heeft opgenomen ! Daar vinden wij, vereenigd door hetzelfde geloof en onder hetzelfde gezag, overvloedige middelen, om heilig te leven en onze zaligheid te bewerken.
Moge weldra het uur aanbreken, waarop de Ketters en
1) Lutheri Epist. a Joan. Aurifdbro col atae. Jena 1556 Deel I pag. 545.
2) Werken van Luther, uiig. door Walch, Hall; 1737â53.
De Godsdienst. 6
â 82 â
Schismatieken in den schoot der Katholieke Kerk terugkeeren? Moge het aantal bekeeringen, dat vooral in Engeland zoo groot is, meer en meer toenemen! haten wij met dit inzicht vurige gebeden ten hemel opzenden! Laten wij, door broederlijke liefde gedreven, bidden en smeeken, dat onze afgedwaalde broeders terugkeeren tot den schaapstal van Hem, die de Weg, de Waarheid en het Leven is, en die zoo vurig verlangt, dat er maar eéne kudde zij onder éénen Opperherder?
Amen.
VUL.
De Kerk ïb katholiek ei) iipostoliek.
Credo ratholiram et apostolicnm eeclesiaw;
Ik geloof de katholieke en apostolische kerk.
(Symb. Nic. Art. IX.)
Toen God eertijds besloten had, de wereld om hare zedeloosheid te vernietigen, wilde Hij, dat er eene ark gemaakt zou worden, welke Noë en zijn huisgezin van den dood zou vrijwaren.
Deze ark is een afbeelding van de Kerk, welke Christus op aarde gesticht heeft. »Gelijk niemand buiten de ark aan de wateren van den zondvloed heeft kunnen ontsnappen, zoo zal ook niemand, die door eene schuldige onwetendheid of vrijwillige verblindheid buiten de Kerk geleefd hteft, de eeuwige verdoemenis kunnen ontkomen.quot; i)
Hieruit begrijpt gij, van welk belang het is voor eenieder, de ware Kerk van Christus te kennen. Is het moeielijk tot de/.e kennis te komen? Neen, want Christus heeft gewild, dat zijne waarachtige Kerk gemakkelijk zou kunnen gekend worden. Met dat inlicht heeft Hij haar eenige eigendommen of ken-
i) H. Cyprianus. De unitate Ecc'esiae.
- 84 -
teekenen gegeven, waaraan zij gemakkelijk te kennen is. Welke zijn dan de kenteekenen der waarachtige Kerk van Christus? Deze zijn, gelijk de Catechismus U van kindsbeen af geleerd heeft, o. a. deze vier; iJ dat zij één is, 20 dat zij heilig is, 3° dat zij katholiek, 40 dat zij apostolisch is.
In onze voorgaande onderwijzing hebten wij reeds aangetoond, dat de Roomsch-Katholieke Kerk de twee eerste kenteekenen bezit; dat zij alleen één, zij alleen heilig is. Eén is zij in haar geloof, dat altijd en overal hetzelfde is; één in haar bestuur, wijl zij staat onder één Opperhoofd, den Paus van Rome. Heilig is de Roomsche Ker'; in haren oorsprong, wijl zij gesticht is door Jesus-Christus zei.en; heilig ook in een groot getal harer leden.
Nu blijven nog twee kenteekenen over, eveneens aangeduid in de geloofsbelijdenis van Nicea met deze woorden :
Credo catholicam et apostolicam Ecclesiam: Ik geloof de Katholieke en Apostolische Kerk. 1)
I.
De ware Kerk van Christus moet zijn Katholiek, d. w. z. algemeen, zoo onder opzicht van leer, als onder opzicht van tijd en plaats.
Van Jesus, den Stichter van Gods Kerk, wordt in de H. Schriftuur gezegd: Hij zal heerschen van de eene zee tot de
andere...... al de koningen der aarde zullen hem dienen..... al
de volkeren zullen Hem gehoorzamen. 2) Van het Oosten tot het Westen â zoo voorspelde Jesus â is mijn naam groot order de volkeren, en op alle plaatsen wordt in Mijnen naam
1) Art. IX. Symb. Nic. 2) Pi. LXXI. 8.
- 85 -
een zuiver offer opgedragen, i) Aan zijne Apostelen zegde Jesus: Het Evangelie, dat ik predik, zal gepredikt worden in de gansche wereld tot eene getuigenis voor al de volkeren. 2) Gaat dan, onderwijst alle volkeren, lien leerende onderhouden allei^ wai ik u bevolen heb. 3)
Uit al deze woorden volgt zonneklaar, dat de Kerk, welke Christus tot bewaring van den godsdienst heeft ingesteld, moet zijn katholiek of algemeen ; d. i. dat zij alle waarheden, door God veropenbaard, moet bezitten, en dat zij zich moet uitstrekken over de gansche wereld.
Welnu, beschouwt de Roomsche Kerk. In haar is de zuivere leer van Christus zonder eenige wijziging bewaard gebleven. Meermalen hebben de Ketters en de goddeloozen beproefd, tegenspraak t° vinden tusschen de leer van Christus en de leer der Roomsche Kerk, maar ai hunne pogingen zijn vruchteloos gebleven. Onze Kerk heeft altijd de leer van Christus ongeschonden bewaard, niets heeft zij veranderd, niets vermeerderd of verminderd. Daarom zegde ook de H. Cyrillus van Jerusalem: »Zij wordt katholiek of algemeen genoemd, otndat zij algemeen, zonder verandering of vermindering, alle geloofswaarheden leert.quot; 4)
De Roomsche Kerk is ook algemeen onder opzicht van tijd en plaats. Ref ds op het eerste Pinksterfeest predikt de H. Petrus het Evangelie in verschillende talen aan personen uit alle volkeren onder den hemel. 5) De H. Paulus getuigt dat reeds ten zijnen tijde het Evangelie gepredikt werd in de gansche wereld, en dat het overal vruchten voortbracht 6) De H. Ire-
1) Malach. I. 2) Matt'l. XXIV. 14. 3) Mutth. XXVIII. 19. 20. 4) Catech. XVIII. 5) Act. 11. 5. 6) Coloss. I. 6.
naeus in de 2'le eeuw schreef van de Roomsche Kerk. »Zij schittert als de zon in de gansche wereld.quot; i) De H. Cypria-nus, die leefde in de 3de eeuw, vergeleek reeds de Kerk met eenen boom, die zijne takken over gansch de aarde uitbreidt 2) Geen wonder, dat de Roomsche Kerk van den beginne af de Katholieke Kerk genoemd is. Die naam â gelijk de H. Cy-rillus zegde â is de eigennaam onzer algemeene moeder, die de bruid is des Heeren. Zij wordt Katholiek genoemd, omdat zij verspreid is over gansch de aarde, van het eene uiteinde der wereld tot het andere.quot; 3) »De naam van Katholiek, zegt de H. Augustinus, is onze kerk, met uitsluiting van alle ket-tersche sekten zóó eigen gebleven, dat, wanneer men een ketter vraagt naar de kerk der katholieken, er geen ketter is die zijnen tempel of zijn bedehuis toonen durft. 4) Als gij in eene stad komt, zoo spreekt de H. Cyrillus, vraagt niet, waar de kerk of Gods huis is; want ook de ketters noemen hunne kerk de kerk Gorls; maar vraagt, waar de katholieke Kerk is; dij naam is ons aller moeder, onze kerk, eigen. Ditzelfde kunnen wij nog herhalen. Met den geleerden Kardinaal Dechamps. Aartsbisschop van Mechelen, moeten wij uitroepen; ïls de al-agemeenheid der Roomsche Kerk niet zichtbaar als de zon? Zij »alleen op aar.le strekt hare armen uit tot alle volkeren; zij alleen stort hare woorden en haar bloed over gansch de we-»reld; zij alleen heeft kinderen bij alle volkeren; zij alleen sdoet hare geloofsbelijdenis zingen in alle talen.quot; 5)
Zeggen wij dus met den H. Augustinus: »Ik blijf in de
- 87 -
Roomsche Kerk, omdat zij alleen onder zoovele kettersclie Kerken den naam van Katholiek behouden heeft.quot; i),
Inderdaad, geene Kerk is er, tenzij de Roomsche Kerk, die dat kenteeken der algemeenheid bezit, door Christus aan zijne Kerk gegeven. Alzoo de kerk der Schismatieken strekt zich niet verder uit dan Rusland, Griekenland en Engeland, in welke landen zij bovendien in verschillende sekten verdeeld zijn. De Kerk der Protestanten heeft geen ingang gevonden, f tenzij in landen, waar de bewoners door geweld gedwongen werden dien godsdienst te omhelzen. Hoevele streken zijn er niet in Europa, die den Protestantschen of Schismatieken godsdienst niet kennen ? De Katholieke Kerk integendeel strekt zich uit van Oost tot West, van Noord tot Zuid. Zij is overal, waar ketters zijn; doch de ketters zijn niet overal, waar zij is. En mdien ook de ketters zich uitbreidden tot alle landen, dan nog zouden zij niet kunnen katholiek genoemd worden, omdat hun de eenheid ontbreekt.
Daarenboven het aantal Katholieken overtreft ver het getal andersdenkenden. Er zijn 83 millioen Schismatieken, 123 mil-lioen ketters, in ontelbare sekten verdeeld, en ruim 220 millioen Katholieken, die allen e'én en hetzelfde geloof belijden, alsof zij éénen geest en één hart hebben.
Wie kan dus ontkennen, dat de Roomsche Kerk waarlijk algemeen isr Wie kan ontkennen, dat zij is het tijk Gols, hetwelk Christus vergeleek met een mostaardzaad, dat gezaaid wordt, opgroeit en een groote boom wordt, op wiens takken de vogebn des hemels rusten? 2)
1) Ctra EpLt. Fund. C. IV. 2] L r:, XIII. 19,
11.
Er blijft nu nog een vierde kenteeken, door Christus aan zijne Kerk gegeven; zij moet apostolisch zijn.
Christus bouwde zijne Kerk op den grondslag der Apostelen, en niemand kan een anderen grondslag leggen, dan Hij gelegd heeft. Aan de Apostelen, door Hem verkozen, schonk Hij de macht, om te prediken, de H. Sacramenten toe te dienen en de Kerk te besturen, en deze macht ging alleen op hunne wettige opvolgers over.
Wat volgt hieruit? Hieruit volgt, dat alleen die Kerk de ware Kerk is, welke door de Apostelen is gesticht, waarin de Paus, de Bisschoppen en de priesters langs eene onafgebroken lijn van de Apostelen afstammen, en waarin altijd dezelfde geloofswaarheden geleerd, dezelfde H. Sacramenten toegediend worden als in de dagen der Apostelen.
Welnu, de Roomsch-Katholieke Kerk is die Kerk, welke de Apostelen gesticht en over gansch de aarde uitgebreid hebben. Niemand ter wereld kan onze Kerk een anderen oorsprong aanwijzen. Daarentegen de Kerk der Protestanten werd gesticht door Luther in de i6dc eeuw; de Anglicaansche Kerk door Koning Hendrik VIII, eveneens in de i6£: eeuw; de Kerk der Schismatieken door den Patriarch Photius in de 85te eeuw. Zij zijn dus niet, wat de Kerk van Christus wezer moet, en wat de Roomsche Kerk in waarheid is: apostolisch in haren oorsprong
De Katholieke Kerk is ook apostolisch in hare leer. De leer der Roomsche Kerk is volmaakt dezelfde als de leer der apostelen. Nooit heeft iemand kunnen bewijzen, dat de
â 89 â
Roomsch-Katholieke Kerk een enkel leerstuk heeft verworpen, hetwelk in de geschriften der Apostelen vervat is, of dat zij ooit een geloofspunt heeft aangenomen, hetwelk daarmede in strijd was. Wat meer is: nooit heeft de Roomsche Kerk eene waarheid tot geloofspunt verheven, zonder eerst te hebben aangetoond, dat de Apostelen ofwel mondelings ofwel schriftelijk diezelfde waarheid geleerd hebben.
De Katholieke Kerk is ook apostolisch in haar bestuur. quot;iSog altijd staat zij, gelijk ten dage der Apostelen, onder Bisschoppen en onder één zichtbaar Opperhoofd, Nog altijd is zij diezelfde kudde, staande onder éénen Herder. In de Roomsche Kerk alleen is er vanaf den H. Petrus tot den tegenwoordigen Paus eene wettige opvolging van herders, erfgenamen van de macht, door Christus aan zijne Apostelen geschonken. Neemt de geschiedenis in de hand, begint van I.e.) XIII, den huidi-gen Paus, klimt op van jaar tot jaar, van eeuw tot eeuw, en zoo zult gij eindelijk, zonder de opvolging der Pausen ooit onderbroken te zien, komen cot den H. Petrus, op wien Christus zijne Kerk gebouwd heeft. Hetzelfde geldt voor de andere Apostelen: ook zij hebben hunne opvolgers in de Bisschoppen der Katholieke Kerk. Deze onafgebrokene opvolging trof zoozeer den H. Augustinus, dat hij zegde: iHetgeen mij in de Kerk houdt, is de al ijddurende opvolging der Bisschoppen vanaf den H. Petrus, aan wien de Heer de zorg zijner schapen toevertouwde, totaan hem, die tegenwoordig zetelt op den stoel van lezen Apostel, i)
Op dit kenteeken der waarheid hebben zich de verdedigers
i) Ctra Ep. Fund. C. IV.
â 9° â
van den Katholieken godsdienst altijd beroepen. Sprekende van de ketters, zegde reeds Tertullianus: »Laat hen eens den oorsprong aantoonen hunner Kerk; laat hén eens de onafgebroken opvolging hunner Bisschoppen aanwijzen en langs hen opklimmen, totdat zij aan een Apostel komen.quot; i) Dat vermochten de ketters toen niet, en dat vermogen zij nu evenmin. Zij allen moeten bekennen â en dit is hunne eeuwige beschaming â dat hunne kerk later ontstaan en bijgevolg niet apostolisch is. Is zij niet apostolisch, dan kan zij ook niet de ware Kerk zijn, vermits Christus zijn Kerk op den grondslag der Apostelen gevestigd heeft. Ubi Petrus, ibi Ecclesia: Waar Petrus is, daar is de kerk. Welnu, Petrus is alleen in de R. K. kerk: daar alleen is de rots, waarop Christus zijne Kerk ge-bou.vd heeft; daar alleen leeft Petrus voort in den Paus, die namens God de Kerk bestuurt.
Welk een geluk voor ons allen, in den schoot der Room-bche Kerk geboren en opgevoed te zijn! Hechten wij ons meer een meer aan deze goede en zorgvuldige Moeder! Kleeft haar gelooi aan, volgt hare leering; gehoorzaamt aan den Paus, den plaatsvervanger van Jesus zeiven; gehoorzaamt aan den Bis-schop, dien de 11. Geest heeft aangesteld, om de Kerk Gods te besturen; 2) gehoorzaamt aan uwe priesters, die, met den Paus en de Bisschoppen vereenigd, 11 onderwijzen en besturen in hetgeen de zaligheid aangaat. Ja heilig zij u ten allen tijde het godJeiijk j.ezag der Katholieke Kerk; hare luister, hare uitbreiding zij uwe vreugd en blijdschap! Vrees noch scliaam-
1) De praescr. C. 32. 2} Act. XX. 2S .
â 9i â
te, eerzucht noch winstbejag weerhoude u ooit. te toonen, dat gij ware kinderen zijt der Katholieke Kerk! Vraagt men j, wie gij zijr, antwoordt steeds vrijmoedig, evenals Pacianus: sCHRISTEy IS MIJN' NAAM, KATHOLIEK IS MIJN BIJNAAM.quot; l) Amen.
I) Epist. I. ad pymfr.
1 i 15i 11 j ,11 iUUlUUU UÃUÃÃUUUU
^YYffffffffffffYjfffffYfYffffffYffffffY
IX.
De llktliolieke Kerk onvergankelijk.
âPortie inferi non pracvnlebunf adv er sus cam:quot; De poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
(Matth. XVr-i8.)
Toen de Apostelen door hunne predikatiën en mirakelen duizende menschen te Jerusalem bekeerden tot den Christelij-ken godsdienst, werden zij op bevel van den Hoogen Raad der Joden in de gevangenis geworpen. Maar een Engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde hen naar buiten, zeggende: xGaat heen, en verkondigt in den tempel aan het volk al de woorden des eeuwigen levens.quot; Toen de Apostelen overeenkomstig dit bevel des Engels wederom met onverschrokken moed predikten, werden zij opnieuw voor den Joodschen Raad gebracht, die nu voornemens was hen ter dood te veroordeelen. Doch een der raadsleden, met; name Gamaliel, verzette zich tegen dit voorstel, zeggende; Laat die menschen begaan! Is de godsdienst, dien zij pred,-ken, een menschelijk werk, dan zal het van zelf te niet gaan:
â 93 â
maar komt het van God, dan zult gij het toch niet kunnen vernietigen, i)
De uitkomst heeft geleerd en leert nu nog, dat Gamaliel de waarheid gesproken heeft. De Katholieke godsdienst, door Christus veropenbaard en door de Apostelen gepredikt, is het werk van God, en daarom onvergankelijk. Deze waarheid mogen wij in onze onderwijzingen over den godsdienst niet stilzwijgend voorbij gaan, wijl in onze dagen van goddeloosheid en vrijdenkerij zoo luid geschreeuwd wordt, dat de Katholieke Kerk haren tijd gehad heeft, dat de Katholieke godsdienst zijnen ondergang nabij is.
Ik wil u heden de dwaasheid en ongerijmdheid dezer god-delooze spreuk aantoonen:
i0 uit de plechtige belofte van Jesus-Christus zeiven, 2° uit de ondervinding van meer dan achttien eeuwen.
I.
Dat de Katholieke godsdienst voor velen een voorwerp is van haat en afkeer, dat hij ten allen tijde bestreden en vervolgd wordt, mag ons niet verwonderen. Christus zelf heeft dit voorspeld, als hij aan zijne Apostelen zegde; sZij hebben mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen; de dienaar is niet beter dan zijn Meester.quot; 2)
Moeten wij vreezen, dat de goddeloozen in hunne helsche plannen zullen gelukken? Neen, want Christus heeft uitdrukkelijk beloofd, dat de Katholieke Kerk over alle vervolgingen
1) Actuum C. V. 2) Joan. XXII. 16.
zal zegenpralen. In het Evangelie, geschreven door den H. Mattheus, vinden wij die plechtige belofte opgeteekend.
»Jesus â zoo lezen wij daar â kwam in de streken van sCesarea Philippi; en Hij ondervraagde zijne leerlii gen, zeg-»gende; Wie zeggen de menschen, dat ik ben, ik de Mes-»sias? Zij nu zeiden: Sommigen houden u voor Joannes den »Dooper, anderen voor Elias, anderen nog voor jeremias of jeenen der Profeten. Jesus zegt tot hen: Doch gij,
«wie zegt gij dat ik ben? Simon Petrus antwoordde en zegde; gt;Gij zijl Christus, de Zoon van den levenden God. Jesus ant-ïwoordde en zegde: Zalig zijt gij, Simon, vav /(?«(?, want
»vleesch en bloed heeft u dat niet veropenbaard, maar mijn »Vader, die in den Hemel is. En ik, ik zeg: Gij zijt Petrus, »en op deze steenrots zal ik Mijne Kerk bouwen, en de poor-
»TEN DER HEL ZULLEN HAAR NIET OVERWELDtGEN.quot; l)
Ik vraag U, kon Jesus uitdrukkelijker spreken r Zijne woorden duiden genoeg aan, dat de Kerk vervolgd en bestreden zal worden, maar zelfs geen helsch geweld â zegt Jesus â zal haar kunnen vernietigen, iPortac inferi ?ion praevalebuni ad-versus earn.quot;
Deze heerlijke belofte vernieuwde Jesus na Zijne opstanding uit het graf. Aan Zijne elf Apostelen verschijnende, sprak Hij: Aan Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde! (iaat dan, en onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; hen leerende alles, wat ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met U
ai- de dagen tot het einde der wereld. 2)
I) Matth. XVI. 13. io- 2) Maiti. XXVIII.
Hier dus belooft Jesus aan zijne Apostelen en aan hunne opvolgers Zijnen Goddelijken bijstand. Hij belooft, dat Hij Zijne Kerk zal verdedigen en beschermen. Hoelang ? Jesus zegt: Usque ad consummationcm saeculi; Tot het einde der wereld.quot;
Zietdaar, wat Jesus beloofd heeft. Gedenkt wel: Jeaisis God. Welnu, als God zelf verzekert, dat Hij Zijne Kerk tot het einde der wereld zal bijstaan en dat de machten der hel haar niet zullen vernietigen, wie zal dan nog voor de Katholieke Kerk vreezen ?
Doch ik weet het, er zijn hedendaags overal zoogenaamde iierlichtequot; mannen, die hat Evangelie, waarin die Goddelijke beloften slaan opgeteekend, voor eene fabel, voor een verdichtsel aanzien; terwijl zij alle leugens en verzinsels van goddelooze dagbladen als evangelie beschouwen. Die waanwijzen halen grimlachend de schouders op, als men hun de eene of andere waarheid uit de H. Schriftuur bewijst. Voor hen zal ik de onvergankelijkheid van den .Katholieken godsdienst bewijzen uit de ondervinding van bijna 1900 jaren.
II.
De geschiedenis der Katholieke Kerk is eene gedurige zegen-praal. Vanaf hare opkomst tot heden heeft zij altijd alle vervolgingen en vervolgers, alle ketters en ketterijen glansrijk overwonnen.
De vervolging, welke op Calvarië tegen Jesus, haren Stichter begon, heeft drie eeuwen voortgeduurd. Niet alleen in het Ro-meinsche keizerrijk, maar ook in andere koningrijken woedde driehonderd jaren een bloedige strijd tegen Kerk en godsdienst. De dood der Christenen â zegt een Heidensche geschiedschrij-
â 96 -
ver i) â was toen een openbaar vermaak, een spel geworden. Men bekleedde ze met dierenhuiden, en liet ze door honden verscheuren, men klonk ze aan het kruis, men besmeerde ze met pek en was, en stak ze in brand als lichtlampen voor den nacht.quot;
De troon der Pausen en der Romeinsche keizers bestonden beiden te Rome, Op dezen zetelde de groote Nero, meester, heer en hoogepriester der wereld, bedekt met het keizerlijk fluweel, bekleed met eene tot dan toe onbekende macht. Op den anderen troon zetelde een schamele visscher van Bethsaïda's meer, zonder zwaard, zonder goud noch zilver. Naast den keizer zit, almachtig om zoo te spreken, het heidendom, met gansch de begoocheling der goden, met kennis en wetenschap, met rijkdommen en verleidende bekoorlijkheden. Petrus is daar met eene zedenleer, die rechtstreeks de driften aanrandt van de veroveraars der wereld. Zij gingen een doodelijken strijd aan tegen elkander. Wie moest, menschelijkerwijze gesproken, bezwijken? Petrus zonder twijfel, Petrus en zijne nieuwe leer. Petrus, die niets bezat, dan de sterkte zijner krachteloosheid!... En nochtans, Petrus' scheepje zoo dikwerf door het woest geweld der rukwinden, door de onstuimige baren heen en weer geslingerd, blijft altijd boven, altijd even onverdelgbaar.... 2)
Na eene bloedige worsteling, welke drie eeuwen voortduurde, en honderd duizenden Christenen als martelaren vallen zag, werd aan de Kerk vrede en vrijheid geschonken door keizer Constantijn den Groote.
Om den vooruitgang van den Katholieken godsdienst te be-
1) Tacitus, a) John MilUij. Hiao're (les E;ats du Pape.
â 97 â
letten, verwekte toen de duivel zeer gevaarlijke en verderfelijke ketterijen. Arius, Macedoniu.3, Mahomet en zooveel anderen deden achtereenvolgens de Kerk talrijke verliezen ondergaan ; maar, gelijk de H. Gregorius zegt, hoe meer men haar om de waarheid vervolgt, des te meer wordt zij in de waarheid bevestigd. i) Glansrijk was de zegepraal, welke de Kerk over al die ketterijen behaalde.
Doch ziet, in de 16e eeuw barst een der hevigste stormen los, welke ooit de Kerk teisterden. Door oneerlijke en verraderlijke middelen ziet men overal het Protestantismus opkomen. Geweld, bloedige vervolging, arglist en lastertaal, teugellooze vrijheid aan de schandelijkste hartstochten geschonken, misbruik van de onwetendheid en zwakheid des volks, onbeschaamdheid in het volhouden der duidelijkste dwalingen, vleierij jegens de ketterschgezinde vorsten, samenzwering en opstand tegen de Staatsopperhoofden, die hunne plichten getrouw bleven: 2) zietdaar de middelen, welke gebruikt werden, om de Protestant-sche ketterij uit te breiden. Maar God waakte over Zijne Kerk. Terwijl Duitschland, Holland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Engeland en Schotland het waar geloof verloren, breidde zich de Katholieke Kerk meer en meer uit in Heiden-sche en ongeloo vige landen.
Met volharding worstelde de Kerk tegen de ketterij der Protestanten, toen deze eindelijk de vreeselijke Fransche Revolutie voortbracht, wier aanvoerders openlijk den ondergang van den Katholieken godsdienst durfden aankondigen. Bisschoppen en
1) in job. c. VI. s) De Goddelijke teloflen der Kerk, doer Mgr. Rut'en. De Godsdienst.
- 9» -
Priesters werden vermoord, het bloed der getrouwe Katholieken werd bij stroomen vergoten; de kerken werden ontheiligd en omvergeworpen, de kerkgoederen verkocht. tZou min niet mogen gelooven, zegt een Protestantsch geschiedschrijver, dat het voor altijd met het Pausdom gedaan ivas ? Ja, menschelij-kerwijze gesproken, scheen de toestand der Kerk hopeloos. Maar God heeft zijne Kerk recht gehouden en haar te midden harer droefheden altijd weten te troosten door het voorbeeld der martelaren, door de geleerdheid der Kerkvaders, door ontelbare heiligen van allen stand en geslacht, door de groote bekeeringen der ongeloovige landen, alsook door de vreeselijke straffen, waarmede Hij hare vervolgers heeft geslagen.
Beschouwt ten slotte den vreeselijken strijd, waarvan wij in onze dagen getuigen zijn. De Vrijmetselarij en haar getrouwe handlanger, het Liberalismus, wenden alle mogelijke middelen aan, gt;om Gods Kerk tot de hardste slavernij te brengen, de «grondslagen, waarop zij rust, omver te werpen, en de god-gt;delijke kenteekenen, waardoor zij glansrijk schittert, te ver-gt; minderen. Ja, wat meer is, men wil haar, als het mogelijk »ware, van het aanschijn der aarde uitroeien.quot; i)
Moeten wij voor de H. Kerk vreezenr De H. Joannes Chrysostomus antwoordt ons: »Van alle kanten rijzen de baren, »de storm is zwaar, maar wij vreezen niet overstelpt te wor-»den, want wij zijn geplant op de steenrots. Dat de zee woede, »zij zal den steen niet kunnen losmaken; dat de golven zich «oprichten, zij zullen het scheepje ran Petrus niet kunnen verszwelgen. Niets is machtiger dan de Kerk. Zij is sterker dan
i) Encycliek van Z. H. Paus Pius IX, 21 Nov. 1873.
â 99 -
»de hemel zelf. Dt Hemel en de aarde zullen voorbijgaan^ zegt «Jesus-Christus, mijne woorden zullen niet voorbijgaan. Welke «woorden? Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne »Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen tegen haar niets ^vermogen.quot; Wilt gij niet aan de woorden gelooven, gelooft aan de feiten. Hoeveel tyrannen hebben niet beproefd de Kerk te verdrukken! Hoeveel brandstapels, ovens, wilde dieren, scherpe zwaarden! En zij hebben niets kunnen uitrichten. Waar zijn die vijanden: Ze zijn overgeleverd aan de vergetelheid. En de Kerk, waar is zij? Zij schittert met meer glans dan de zon. De werken, die deze menschen gedaan hebben, zijn dood. Zij. die door de Kerk zijn geheiligd, zijn onsterfelijk. Indien nu de Christenen, wanneer zij zoo weinig in getal waren, niet overwonnen konden worden, hoe zoudt gij ze kunnen overwinnen, wanneer het heelal vol is van hunnen godsdienst ? Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden «zullen niet voorbijgaan.quot; i)
Laat dus dien helschen kreet weerklinken : Weg met het papen-ras'. Laat een Vrijmetselaar, die in Italië Paus en Kerk zoo bitter heeft vervolgd, uitroepen: -xDe Katholieke godsdienst moet ten onder!quot; 2) Laat ongeloovigen en goddeloozen, vrijdenkers en vrijmetselaars roepen en schrijven: De Katholieke Kerk heeft haren tijd gehad'. De Kerk â zoo spreekt Monseigneur de Ségur 3) â bestaat weidra negentien honderd jaren, en bijna even lang heeft men dat van haar gezegd. Zoo schreef in de eerste eeuw van het Christendom een proconsul aan keizer
1) S. Joan. Chrys. Hom. ante eicil. d. i et 2. 2) Woorden van Crispi. 3) Gemeenzame antwoorden enz.
Trajanus: »Binnen kort zal men niet meer hooren spreken van den gekruisigden God, dank aan de vervolging.quot; Trajanus is dood; de gekruisigde God heerscht nog altijd in de wereld.
Drie eeuwen later beroemde zich Keizer Juliaan de Afvallige, dat hij »de doodkist van den Galilecr in gereedheid bracht,quot; d. w. z. dat hij den godsdienst en de Kerk van Christus zou
vernietigen..... Juliaan is gestorven, Christus en zijne Kerk
leven noij.
In de zestiende eeuw sprak Luther over het Pausdom als over eene afgesletene zaak. O Paus â zegde hij â o Paus! tijdens mijn leven was ik voor u eene pest; na mijnen dood zal ik uwen ondergang bewerken...... â Luther is overleden, zijne ketterij komt overal tot ontbinding, het Pausdom blijft altijd levendiger, altijd bloeiënder, altijd meer geëerbiedigd.
Voltaire, die zijne brieven teekende: Voltaire, die mei Christus den spot drijft; Voltaire, wiens ecnig doel was, den ce.r-looze te verpletleren, hij schreef aan een zijner vrienden: »Het «verveelt mij, altijd te hooren zeggen, dat twaalf mannen den skatholieken godsdienst hebben kunnen stichten; ik wil doen »zien, dat één man in staat is, om hem te vernietigen. â «Binnen twintig jaar â schreef hij aan een ander â zal de
»Galileër veel spels hebben.quot;....... En twintig jaren later, dag
voor dag, stierf Voltaire wanhopig als een verdoemde. Hij riep eenen priester, maar zijne vrienden beletten, dat een priester het sterfbed naderde.
In 1864 sprak een vrijmetselaar, wiens naam gij allen kent, deze woorden: »Er is op aarde een lijk, dat den vooruitgang belet. Dat lijk is het Katholicismus; ja, de katholieke gods-
â ioi -
dienst is een lijk..... Al hebben wij het nog niet geheel in den
grafkuil geworpen, wij hebben het toch eenige stappen nader bij den grafkuil gebracht.quot; Zoo sprak in 1864 op een vrijmetselaars feest te Antwerpen Pieter van Humbeek. Hij werd 15 jaren later Minister van Onderwijs, en stelde toen alle pogingen in het werk, om den katholieken godsdienst te begraven.... IJdele pogingen! Sinds meer dar twee jaren ligt hij zelf in den grafkuil, terwijl de katholieke godsdienst leeft en bloeit.
Uit dit alles ziet gij welk eene dwaasheid en ongerijmdheid het is te zeggen, dat de Kerk haren tijd gehad heeft, dat de Katholieke godsdienst zijnen ondergang nabij is. »Nooit, zegt de H. Chrysostomus, nooit zullen de helsche machten haar overwinnen, omdat God in haar is.quot; j) »De volkeren â zoo riep keizer Napoleon op het eiland St. Helena â de volkeren gaan voorbij, de troonen storten in, maar de Kerk blijft.quot;
Geene vrees dus voor de Kerk, die in onze tijden zoo hevig aangevallen, zoo vurig bestreden wordt! Geene vrees voor haar, welke de machten der hel nooit zullen overweldigen! Maar vrees voor u zeiven, vrees voor het vaderland! Vrees voor u zeiven: kan het scheepje van Petrus niet vergaan, gij kunt vergaan. Gij kunt door de stormen van het ongeloof van Petrus' scheepje worden afgerukt en schipbreuk lijden. Weest dus op uwe hoede, en smeekt dikwijls met de Apostelen: Domine, salvo, nos, perimus: Heer, red ons, wij vergaan. 2)
Vrees ook voor het vaderland: want hetgeen gebeurd is met andere landen, waar voorheen de Katholieke godsdienst bloeide
1) Homdli® sur son expulsion. 2) Matth VIII. 25.
102
en wier volkeren thans in de duisternissen van het heidendom en in de schaduw des doods gezeten zijn, dit kan ook met ons land gebeuren. Niet ijdel is Gods bedreiging : »Het rijk Gods zal van u worden weggenomen, en gegeven aan een volk, dat deszelfs vruchten voortbrengt.'' i)
Gebeden dus, vurig gebeden, dat het katholiek geloof in uw vaderland immer bloeie en dal België blijve, wat het tot heden geweest is, trouwe dochter van Christus1 H. Kerk.
AMEN.
i) Malih. XXI. 43.
ywEEDE PEEL,
0e Btiróeit sfl« Ie» i«klie»s{.
X.
Oorkakeii vaT\ liuiiiieri C[otl^diei^tl\aat.
Al ie nat i a vita Dei per ignorantiam, quae est m ill/s, propter caecdatem cordis ipso rum: Zij zij a vervreemd van het leven Gods om de. onwetendheid, die in hen is, en om de vei blindheid huns harten. (Ephts IV, 18.)
sEen vreesdijke en onverbiddelijke strijd is ontstaan tusschen »het ücht en de duisternis, tusschen de waarheid en de dwa-»ling, tusschen deugd en ondeugd, tusschen Belial en Christus. gt; Vijandige menschen pogen de zaken van onzen II. Godsdienst »aan te randen en met voeten te treden, de kiem van alle «Christelijke deugden uit te roeien, overal eene teugellooze en «Godtergende vrijheid van denken en van leven te verspreiden,
â I04 â
»de geesten en de harten der onervaren menigte en der on-»voorzichtige jeugd door dwalingen te bederven, alle goddelijke »en menschelijke rechten omver te werpen, en, ware het mo-ngelijk, de Katholieke Kerk geheel te verdelgen en dezen H. «Stoei van Petrus te vernietigen.quot; i) Zóó sprak veertig jaren geleden, Paus Pius IX, roemrijker gedachtenis.
Die vreeselijke strijd te^en den Katholieken godsdienst duurt nog immer voort. Ofschoon Christus uitdrukkelijk verklaard heeft, 2) dat Hij tot het einde der wereld met Zijne Kerk wezen zal en dat de helsche machten haar riet zullen overweldigen ; ofschoon de ondervinding van meer dan achttienhonderd jaren leert, dat de Katholieke godsdienst, als zijnde Gods werk, niet vernietigd kan woiden, toch worden Kerk en godsdienst gehaat en vervolgd.
Wat is hiervan de oorzaak ? Deze vraag wil ik heden beantwoorden, en u aantoonen, dat velen den godsdienst haten en verachten :
i0. omdat zij den godsdienst niet kennen,
2°. omdat zij slaven zijn hunner driften, slaven vooral dar onrechtvaardigheid en der onkuischheid.
I.
Sprekende van hen, die steeds met bespotting en verachting van den godsdienst gewagen, zegt Monseigneur de Ségur:
«Kennen i\] den godsdienst? Hebben zij hem nauwkeurig icnderzocht? Hebben zij iets daarin ontdekt, wat anderen er
1) Allocution de N. S. P. Ie Pape, tenue en consistoire secret, le 20 Mai 1850. 2) Matth. XXVIII 20, XVI. 18.
»niet in zagen ? Neen, het zijn meestal menschen van zeer â¢oppervlakkige opvoeding, die sedert lang het weinige, wat gt;zij in hunne kinderjaren van het Christendom leerden, ver-â¢Â»geten zijn, en die, naarmate met de jaren hunne slechte «driften toenamen, naarmate zij meer deherbergen, koftiehui-»zen, verdachte plaatsen, slechte gezelschappen en societeiten «bezochten, meer en meer vijanden van den godsdienst zijn «geworden.quot; i)
lgt;e godsdienst is eene wetenschap, die niemand bezitten kan zonder grondige studie. Vandaar, dat degenen, die zich door God geroepen achten, om het volk in de geloofs- en zedenleer van den H. Godsdienst te onderwijzen, jaren en jaren moeten studeeren, alvorens zij de H. Priesterwijding kunnen ontvangen.
Hebben de godsdiensthaters zulke studiën gedaan r Neen. Hoe willen zij dan over den godsdienst spreken? Zij maken zich hierdoor even bespottelijk als een blindgeborene, die redeneert over kleuren.
Er was eens een Pater, die eene Missie predikte op een dorp. Lene brave vrouw kwam tot hem en sprak weenende : «Ach, Eerwaarde Pater, wat ben ik ongelukkig! Ik heb con zoon, die de Kerk niet meer bezoeken wil. Wat moet ik doen ? Geef mij eens goeden raad. ' iDoe uw best â zoo zegde depriester â uwen zoon zoover te brengen, dat hij de preeken dezer missie bijwoont; dan zal hij we; veranderen.quot; Zuchtend antwoordde de brave vrouw; «Helaas, Pater; ik heb daarvoor mijn best gedaan, maar hij zegde mij : Moeder, te Parijs heb ik de zaken beter leeren kennen : ai dat preeken en kerkgaan dient tot
i) Gemeenzame onderwijzingen. Tom. I
â io6 â
niets; gij moet mij nooit meer daarvan spreken.quot; â »Heelt uw zoon studiën gedaan?quot; vraagde de Pater. â »Wel neen,quot; antwoordde de moeder, gt;hij kan noch lezen, noch schrijven:quot;
Wat dunkt u van dien jongeling? Hij kon lezen noch schrijven, en toch rekende hij zich onder die zoogenaamd verlichte mannen, voor wie preeken en kerkgaan niets beteekenen. Die jongeling is niet de eenige. Men vindt er hedendaags velen, die nauwelijks in een kerkboek kunnen lezen, nauwelijks hun naam kunnen teekenen, en toch in zake van godsdienst geleerder willen zijn. dan de priesters, ja geleerder dan de Paus en de Bisschoppen.
Maar ook onder hen, die wellicht veel verstand hebben, veel kennissen bezitten van and-'re wetenschappen, b. v. van muziek, van letterkunde enz. ; ook onder dezen treft men er aan, die zelfs de eerste beginselen der christelijke leering niet kennen. Zij geven zich voor groot en geleerd uit bij onwetenden, maar zij durven den mond niet openen in het bijzijn van geleerde menschen, die in staat zijn hun te antwoorden. Gij zult misschien zeggen; Het ware toch te verwonderen, dat personen, die over alles weten te spreken, ja zelfs te schrijven, in zake van godsdienst zoo onwetend zijn.... Dit verwondere u niet 1 Zegt mij eens : welke studies hebben zij gedaan ? Kinti zijnde, hebben zij hun catechismus in zooverre geleerd, dat zij bekwaam geoordeeld werden voor hunne eerste H. Communie. Daarna hebben zij nog eenige jaren wat Fransch geleerd, misschien op de eene of andere neutrale of onzijdige kostschool. Doch later ? O later hebben zij niets meer gelezen, dan slechte boeken en dagbladen, die, gelijk Z. D. H. de Bisschop van Luik opmerkt, sdrop voor drop een vergif in hunne ziel gestort
gt;hebben, hetwelk doodelijk is voor het geloof.quot; Zoo is bij hen ten volle bewaarheid het woord van den Profeet: Facta est Veritas in oblivionem: Zij hebben de waarheid vergeten i) en nu lasteren zij, hetgeen zij niet kennen. 2)
Met de preeken en onderrichtingen, die zij wekelijks aan-hooren, drijven zij den spot, zoo niet in de kerk zelve, dan tenminste in de herbergen ; ja, ouders zijn er, die ternauwernood uit de kerk in hunne woning zijn teruggekeerd, of zij beginnen den priester, die gepredikt heeft, te beknibbelen en te hekelen. In hunne goddelooze verwaandheid gaan zij somtijds zoo ver, dat zij durven zeggen: »De priesters gelooven zeiven niet, wat zij prediken.quot; Is het dan wonder, dat zij uit de onderwijzingen geen vrucht trekken, en in zake van godsdienst onwetender zijn, dan kinderen, die hunne Eerste H. Communie nog niet gedaan hebben r Een jongeling, medewerker aan twee liberale nieuwsbladen, 3) bood zich onlangs bij zijnen Pastoor aan, om ondervraagd te worden voor het huwelijk. O, die verlichte schrijver! Hij kende de eerste beginselen der christelijke leering niet meer. En zulk een jongeling levert strijd tegen den godsdienst!
sHet is dus al te waar, dat geleerden niet altijd verlicht zijn door het ware licht.quot; 4) Kenden zij den godsdienst, zij zouden hem beminnen en hoogachten.
De Fransche letterkundige Laharpe knoopte op twintigjarigen leeftijd vriendschapsbetrekkingen aan met den goddeloozen Voltaire, en werd spoedig een zijner vurige aanhangers.
Eenige jaren later in de gevangenis geworpen, had hij den
i* Isai£s 59. 2) ]rdae v. 10. 3) Journal de Gand en Flandre Libérale. 4) Leibnitz... Pensées Tom. I. pag. 222.
â io8 â
tijd, om over zijne dwalingen na te denken, en den godsdienst, dien hij verachtte, beter te leeren kennen. Door Gods genade getroffen, bekeerde hij zich oprecht, en gaf hij het verhaal zijner bekeering in het licht. In dat verhaal richt hij tot alle onge-loovigen en godsdiensthaters deze merkwaardige woorden: Ik heb onderzocht en ik heb geloofd; onderzoekt, en gij zult evenais ik gelooven. Terecht sprak Tertullianus; Dit alleen vraagt de godsdienst, dat men hem niet veroordeele. zonder hem te kennen. i) Dat zij dus, die den godsdienst bestrijden, eerst leeren, wat hij is. 2) sDat iede-een, gelijk Z. H. de Paus ons zegt, «naarmate van zijne middelen en zijn verstand, van de Chris-stelijke leer eene grondige studie make en zijn best doe, tot gt;eene zoo volmaakt mogelijke kennis te geraken van de gods-ïdienstige waarheden, d:e voor de menschelijke rede vatbaar »zijn.quot; 3)
XL
Eene andere oorzaak, waarom velen den godsdienst haten, is, dat zij niet zelden slaven zijn hunner driften en hartstochten.
»Het is de heerschappij der zinnen,'1 zoo spreekt een geleerde Bisschop, «welke belet helder te zien in de zaken van gt;God. De hartstochten zijn als dikke nevelen, welke uit de jdiepte van het geweten opstijgen, en zich komen plaatsen «tusschen het oog der ziel en de zon der waarheid; zij zijn »als wolken, welke de stralen van de eeuwige gerechtigheid sterughouden. Scheur dat voorhangsel vaneen, en het zal we-
i) Apolog. c. 1 Christianae.
2) Pascal. Pensees 2e part. art. II. 3) Ene. Sapientiae
â io9 â
«derotn licht worden in uwen geest, en de godsdienst zal zich «opnieuw aan u toonen in al den glans van zijne onvergelij-skelijke zekerheid.... De godsdienst beteugelt de hartstochten sdes menschen; hij beveelt hem, zijne zinnen te beheerschen «in plaats van zich er door te laten overmeesteren; hij gelast »heni, volgens het schoone gezegde van Descartes, zijn hart »zoo hoog te houden, dat het stof het niet bereiken kan. Dat «is het, wat men in den godsdienst vreest, dat is het, wat «daarin hindert, mishaagt en zwaar valt, en men houdt zich, «alsof men er niet meer aan gelooft, om niet ie doen, wat hij ivoorschrijji.quot; i)
Ditzelfde getuigde eens in eenvoudige taai de werkman, die zijnen Pastoor, sprekende over het Liberalismus, vraagde: «Mijnheer Pastoor, als het zesde en het zevende gebod niet bestonden, zouden dan hier niet allen katholiek zijn ?quot;
In de wet Gods zijn er vooral twee geboden, die den schuldige hinderen, en die de wereld niet bemint : iDoe geen overspel of onkuischheid ooit,quot; en -uwacht u van stelen of onrechtvaardig leven.quot; Laat deze twee geboden vervallen, dan zal de godsdienst veel getrouwe vrienden rondom zich vereenigen, die nu hem vijandig zijn.
Ziet dien mensch zoo gec-erd in de wereld! Vóór eenige jaren was hij arm; tegenwoordig is hij bemiddeld, rijk misschien. Hoe is hij tot zulken welstand gekomen? Men weet het niet, of liever, men weet het al te wel, maar men durft niet spreken. Die mensch haat den godsdienst; hij zou hem willen vernietigd zien en houdt niet op, tegen hem uit te vallen. Hij
i) Mgr. Freppel, Bisschop van Angers.
110
lacht en spot met allen, die den godsdienst beoefenen; hij is een godsdiensthater. Weest hierover niet verwonderd! Een schuldige bemint den rechter niet, die hem veroordeeld heeft. Welnu, hij weet dat de godsdienst zijn rechter is, die hem veroordeelt. Het zien eener kerk, het zien vooral van eenen priester, alle teekenen van den godsdienst, hinderen hem. Eenen priester ziende, zegt hij onwillekeurig bij zich zei ven; »Zietdaar den vertegenwoordiger van eenen godsdienst, die mij veroordeelt, en dien ik haat. Zweeg hij nog, ik zou hem kunnen verdragen; maar door zijne stem te verheffen tegen de ondeugden, doet hij denken aan mijne onrechtvaardigheden. Hij is het, die mij dat goddelijk gebod herinnert: Wacht u van stelen of onrechtvaardig leveji. Uit zijnen mond hoor ik dat vreeselijk woord : Non dimittitur peccatum, nisi restituatur ablatum. i) Geen vergiffenis zonder teruggave.quot;
Ziet naast dezen onrechtvaardige dien jongeling. Zoolang hij het pad der deugd bewandelde, beminde hij den godsdienst, omdat zijn gedrag daarmede overeenstemde. Maar op zekeren leeftijd gekomen, heeft hij het zalig pad der deugd verlaten, en aan zijne driften en hartstochten den vrijen teugel gegeven. Hij is nu een onkuischaard. Geene gelegenheid laat hij voorbijgaan, wat meer is, hij jaagt de gelegenheden na, om zijne driften te kunnen voldoen. Ook hij is een godsdiensthater geworden. Geen wonder 1 Nu toch is voor hem de godsdienst een onverbiddelijke rechter, die hem gedurig toeroept: Non mxchaberis; Doe geen overspel of onkuischheid ooit. Exite de medio Babylonis: Gaat uit het midden van Babyion, verlaat
i) S. Augustinus.
uwe slechte wegen. Maar neen! Hij wil zijne slechte wegen niet verlaten, hij blijft zich wentelen in het slijk der ontucht, Ãm zijne driften te kunnen voldoen, om anderen te kunnen overhalen tot bevrediging zijner onkuische hartstochten, zegt hij: »Dat is geen zware zonde; die geneigdheid is den mensch aangeboren; God heeft medelijden met 's menschen zwakheid.quot; Ja, zoo spreekt hij, maar door al die drogredenen kan hij de stem niet smoren van den godsdienst, die hem zonder ophouden toeroept: Neque molles regnum Dei posside-bunt: Geen onkuischaards zullen het rijk des hemels bezitten. i)
Zietdaar, hoe de onrechtvaardigheid en de onkuischheid twee bronnen zijn, waaruit dikwijls de haat tegen den godsdienst voortkomt; een haat, dien zij voeden, zoolang zij slaven zijn hunner driften. »Als de driften zwijgen, dan komt het het geloof terug.quot; 2) Dit bewijzen veel ongeloovigen en godsdiensthaters op hun sterfbed. Dan verlangen zij de HH. Sacramenten te ontvangen, waarmede zij vroeger den spot dreven ; dan vragen zij eenen priester, die voorheen een voorwerp was van haat en verachting; dan bekennen zij, »ongeloovig te zijn geweest, wijl hun hart bedorven was, en dat niet zoozeer hun geest, als hun hart genezing noodig heeft.quot; 3)
Overtuigend is de bekentenis, welke een ketter. Theodorus van Beza, aflegde op tachtigjarigen leeftijd. Na een redetwist met den H. Franciscus van Sales bekende hij zich overwonnen door de geleerdheid van dezen grooten Bisschop. De ketter
1) I. Cor. VI, 10. 2) D AIemb^rt, Abus de la critique en maticre de religion. 3) Bekentenis van Bouguer.
zet zich neder, spreekt niet meer, houdt de oogen terneergeslagen, terwijl hij inwendig aan de hevigste onrust ten prooi is. Eensklaps staat hij op, opent de deur der andere kamer en doet een jeugdig meisje binnenkomen. «Ziedaar zegt de ketter aan Franciscus van Sales â ziedaar, waarom ik ketter ben.quot; Ofschoon tachtig jaren oud, (zoo wilde hij zeggen) ben ik slaaf eener vvulpsche drift; deze drilt heeft van mij eenen afvallige gemaakt, en niettegenstaande mijne grijze haren, is mijn hart nog zóó bedorven, dat ik de macht niet heb, mijn schandelijken keten te verbreken, i)
Doch genoeg, om u te overtuigen dat het geenszins overdreven is, wat een Priester, rijp in jaren en ondervinding, mij kort geleden zegde : «Onder hen, die den katholieken godsdienst verachten en bestrijden, vertrouw ik er weinigen op het punt der zuiverheid.quot;
Ik roep u dan toe met Rousseau, die, hoe goddeloos ook, somtijds de waarheid sprak: gt;\Vilt gij nooit twijfelen aan de waarheden van den godsdienst? Bewaart uw hart in zulken staar, dat gij nooit iets van deze waarheden te vreezen hebt.quot; Behalve de kennis van uwen godsdienst is de zuiverheid des levens noodig, om den godsdienst te beminnen. gt;Want, zoo ispreekt Christus zelf, alwie kwaad doet, haat het licht en »komt niet tot het licht, opdat zijne werken niet berispt wor ïden; maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat »zijne werken openbaar worden, dewijl zij in God gedaan zijn.quot; 2) Volgt deze vermaningen, gij, die den Katholieken godsdienst
1) Conférences sur le Catho]ici-me par i'Abbé De mange Tome I par 33. i) joan HI.
bemint, opdat uwe liefde nooit verkoele! Volgt deze vermaningen, ook gij, mijne broeders, wier liefde voor den - godsdienst misschien verzwakt is! Houdt uw hart in zulken staat, dat gij niets van den godsdienst te vreezen hebt. Dan zal in u het woord van Jesus bewaarheid worden; Cognoscctis veri-taiem, ei Veritas liberabit vos: Gij zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken, i)
A M E N.
i) Joan. VHF. 32. De Godsdienst.
3
XL
Kwade trouw der g o tlsd i e r\ 11\ k te ril
Mf.ntita k^t inkj'jitas sim:
De boosheid heeft tegen zich zelve gelogen.
(Ps. XXVI, 12.)
Dat er hedendaags velen zijn in de wereld, die den katholieken godsdienst haten en verachten, is een feit, hetwelk niemand kan loochenen.
Wij hebben aangetoond, waaruit die haat tegen den godsdienst dikwijls voortkomt. Bij velen spruit die haat voort uit onwetendheid; zij kennen den godsdienst niet, en hierom lasteren zij hem. Anderen zijn slaven hunner driften, slaven vooral der onrechtvaardigheid en der onkuischheid, welke ondeugden door den godsdienst worden veroordeeld. Vandaar, dat een beroemd geleerde eenmaal zegde : »Meermalen heb ik verlangd, onder de godloochenaars eenen aan te treffen, die matig, eerlijk en kuisch was, maar nooit heb ik zulk eenen gevonden.quot; i) Vandaar ook, dat een der beroemdste redenaars van Frankr'jk op den predikstoel in de O. L. Vr. Kerk te Parijs uitriep : »Weest kuisch, en gij zult Christenen zijn.quot; 2)
1) La Bruyère, Caractères ch. XVI. 2) Lacordaire.
Over dit belangrijk punt hebben wij in onze voorgaande onderwijzing voldoende gesproken. Doch wetende, sdat het, gelijk de H. Leo zegt, i) eene groote godsdienstigheid is, de schuilplaatsen der goddeloozen te ontdekken, en in hen den duivel, dien zij dienen, te verslaan,quot; kom ik u heden nog spreken over de kwade trouw, waardoor onze H. Godsdienst aangerand wordt. Ik kom u aantoonen, dat de vijanden van het katholiek geloof zeiven niet gelooven, hetgeen zij zeggen en schrijven.
I.
Indien zij zeiven geloofden, hetgeen zij tegen Kerk en godsdienst rondbazuinen, dan moest ook hun gedrag met hunne woorden overeenstemmen. Gelooven zij waarlijk, dat b. v. preeken cn kerkgaan tot niets kan dienen, waarom komen zij dan niet alleen des Zondags, maar somtijds ook op gewone dagen naar de Kerk? Gelooven zij, dat brave menschen, die dikwerf de H. Mis bijwonen, louter schijnheiligen zijn, waarom willen zij zeiven dan de H. Mis bijwonen ? Gelooven zij, dat de Biecht, gelijk zij zeggen, een uitvindsel is van de priesters, waarom willen zij zeiven dan op zekere tijdstippen van het jaar aan den biechtstoel verschijnen? Van den eenen kant beschouwen zij den godsdienst als eene dwaasheid, van den anderen kant willen zij toch voor godsdienstig doorgaan.
Onder elkander spotten zij met de heiligste waarheden van het geloof; onder elkander zeggen zij, dat de godsdienst een uitvindsel is van de Bisschoppen en de priesters, om te kunnen
i) Serni. VIL cap. IV.
tgt; do mineer en;quot; onder elkander spreken zij met verachting van deugdzame en godsdienstige menschen. Maar ziet! Zijn zij in tegenwoordigheid van godsdienstige personen, wier gunst en genegenheid zij noodig hebben, dan vleien zij hen om hunne godsvrucht; dan spreken zij niet zelden met lof van den priester, dien zij inwendig niet kunnen verdragen. Meniita est ini-quitas sibi: Zoo liegt de boosheid tegen zich zelve, i) Wat bewijt dit? Dit bewijst, ofwel dat zij het geloovig en godsdienstig volk willen misleiden en bedriegen, ofwel, dat zij zeiven niet gelooven, wat zij tegen Kerk en godsdienst zeggen.
Dat dit laatste menigmaal het geval is. bewijst ons de ondervinding.
Heeft de vader, die tegen den godsdienst spreekt en uitvalt, die dagelijks in zijn huis slechte dagbladen ontvangt, waarin de godsdienst aangerand wordt, heeft zulke vader eenen zoon, die op sttidie moet, plaatst hij dan zijn kind in een opvoedingsgesticht, waaruit God en godsdienst verbannen zijn? Dit zou hij moeten doen, indien hij meende, dat de godsdienst slecht is, want niemand wil, dat men zijn kind de dwaling leere. Doet hij zulks? Neen; hij plaatst zijnen zoon in een gesticht, waar hij weet, dat hij eene godsdienstige opvoeding zal ontvangen. Bewijst dit niet, dat de vader overtuigd is van de waarheid en van de noodzakelijkheid van den godsdienst, ofschoon hij hem alle dagen aanrandt?
In het begin dezer eeuw was er een man, die veel tegen den godsdienst, tegen de priesters en kloosterlingen geschreven had. Hij had ééne dochter, die hij teeder beminde. Op
I' Ps. XXVI. 12.
zekeren dag bracht hij zijn kind naar eene kostschool, en waar r Naar eene kostschool van religieusen.
In de vorige eeuw eeuw leefde te Parijs zekere Diderot, een vrijdenker, zóó goddeloos, dat hij o. a. in eene openbare vergadering durfde zeggen: Men moest den laatsten koning met den laatsten priester ophangen. Op zekeren dag bracht een zijner vrienden hem een bezoek. Diderot was bezig, den Catechismus uit te leggen aan zijn eenig dochtertje. Zijn vriend drukte zijne groote verbazing uit over die handelwijze, maar de goddelooze Diderot antwoordde; »Welken beteren grondslag sdan den godsdienst kan ik aan de opvoeding mijner dochter »geven, opdat zij eens worde gehoorzame dochter, getrouwe sechtgenuote en deugdzame moeder? Mijn vriend, wij kunnen shet niet ontkennen, er is geene zedenleer, welke tegen die jvan het Evangelie kan opwegen. Moge mijne dochter voor »haar geluk en het onze gelooven, beminnen, en beoefenen aalles, wat de Catechismus inhoudt!quot;
Den goddeloozen d'Alembert vraagde men eens aangaande een kind, in hetwelk hij belang stelde, of het moest voorbereid worden tot de Eerste H. Communie. »Zonder twijfel â antwoordde hij â want als de jeugd geen godsdienst heeft, vervalt zij spoedig tot zedeloosheid.quot;
Ziet gij nu, met welk recht wij op de godsdiensthaters de woorden van David toepassen: Mentita est iniquilas sibi: De boosheid liegt tegen zich zelve: zij zeiven gelooven nier, wat zij tegen Kerk en godsdienst inbrengen.
â ii8 â
II.
Een ander bewijs, dat zij tegen den godsdienst spreken, alleen om den grooten man uit te hangen, ofwel uit eigen belang, ofwel uit ijdele eer- en heerschzucht, geven zij in oogen-blikken van gevaar, in zware ziekten en vooral bij het naderen van den dood.
Er komt een hevig onweder: de bliksem doorklieft de lucht, de donder ratelt op vreeselijke wijze. De godsdiensthater wordt met schrik en angst bevangen; hij spot nu niet met heilige en godsdienstige gebruiken. O neen, ook hij maakt een kruis-teeken, eerder nog somtijds dan anderen, wier godsdienstig
9
gedrag hij dagelijks beschimpt.
Doch vooral bij het naderen van den dood verdwijnt zijne dwaze wijsheid. Dan verlangt hij naar de H. Sacramenten, dan vraagt hij eenen priester, om door eene oprechte biecht zijn geweten te ontlasten, 't Is de laatste stem van Gods genade, welke zich doet hooren. Gelukkig hij, die ze niet verwerpt in dit beslissend oogenblikl
De Katholieke Kerk bestaat nu meer dan 18 eeuwen. In al die jaren is er nooit eén Katholiek geweest, die op zijn sterfbed van geloof veranderd heeft, ofwel ongeloovig geworden is, Daarentegen veel ketters en ongeloovigen, veel vrijdenkers en godsdiensthaters zijn er, die zeiven in het stervensuur tot het Katholiek geloof zijn teruggekeerd, en anderen, die op het sterfbed lagen, daartoe hebben aangespoord.
De bibliotheek van het klooster der Dominicanen i) te Rome
i) Van St. Maria der Minerve.
bezit onder talrijke handschriften eenen zonderlingen brief, door Luther aan zijne mosder gezonden.
De arme vrouw, die haren zoon niet wilde beschuldigen, en vreesde voor eeuwig van hem gescheiden te zijn, vraagde hem, of zij van godsdienst moest veranderen en zijne nieuwe denkwijze aannemen. De hoogmoedige Sakser wilde zijne moeder niet medeslepen in zijnen val en antwoordde haar: vNeen, blijf Katholiek; ik wil mijne moeder niet bedriegen of verraden.quot;
De moeder van Melanchton, een der voornaamste aanhangers van Luther, had zich door haren zoon laten overhalen, om Lutheraan te worden. Op haar sterfbed liet zij haren zoon roepen, en in dit uiterste oogenblik ondervroeg zij hem plechtig; »Mijn zoon, door uwen raad heb ik de Katholieke Kerk verslaten, om den nieuwen godsdienst te omhelzen. Ik ga voor »God verschijnen, en ik bezweer u bij den levenden God mij te »zeggen, zonder iets te verbergen, in welk geloof ik moet sterven.quot;
Melanchton boog het hoofd, en zweeg een oogenblik..... de
liefde van den zoon streed in zijn hart met den hoogmoed van den ketter. tgt;Moeder â antwoordde hij eindelijk â de Protestanische leer is gemakkelijker, de Katholieke is zekerder.quot;
De markiezin van Chatelet, eene vriendin van den godde-loozen Voltaire, herhaalde gedurig, dat de godsdienst eene dwaasheid was; maar uitgestrekt op haar sterfbed werd zij door angst en wroeging zoozeer gekweld, dat zij den goddeloozen Voltaire, haren verleider, vraagde: gt;Mijn vriend, wat moet ik doenquot;quot; »Kies het zekerste,quot; antwoordde Voltaire. De markiezin volgde dezen raad. Zij deed eenen priester komen, ontving de laatste H. Sacramenten en stierf als Christen, i)
i) Annegar's Weltgeschichte. B. 7.
In de Vereenigde Staten van Amerika werd de dochter ziek van eenen overste, die openlijk als vrijdenker en godloochenaar gekend was. Op haar sterfbed deed de dochter haren vader roepen, vatte hem bij de hand, en sprak met zachte stem: sVader! weldra ga ik sterven; zeg mij nu: moet ik gelooven, zooals gij mij geleerd hebt, dat er geen God, geen hemel, geene hel bestaat; of moet ik gelooven, hetgeen mijne brave moeder mij leerde:quot; Deze woorden troften den vader; hij boog zich neder op zijn stervend kind, en antwoordde, bitter weenende: jMijn kind, geloof alleen, wat uwe moeder u geleerd heeft.quot; i)
Vaders en moeders, die hunne kinderen opvoeden in verachting van den godsdienst, in haat legen den Priester; vaders en moeders, die hunne kinderen durven leeren, dat de Biecht een uitvindsel is van de Priesters, dat het genoeg is, aan God alleen te biechten, gelijk de Protestanten doen: zouden zij zóó nog spreken, als zij waren neergezeten aan het sterfbed van een hunner kinderen? En zij, die ongelukkigen, die, om hunne onkuische driften te kunnen voldoen, durven zeggen: Dat is geen groote zonde; God zelf heeft den mensch geschapen met die driften en hartstochten....: zouden zij dit nog volhouden, als zij, die door hen verleid is, op haar sterfbed lag en hunnen raad zou vragen r Neen, duizendmaal neen! Dan zouden zij zeggen: Kies het zekerste, biecht uwe zonden.
Doch niet alleen raden zij dit anderen, zij zeiven volgen dien raad, als zij den dood zien naderen. O ja! laat het beslissend oogenblik voor die godsdiensthaters gekomen zijn. het oogenblik, waarop zij zich moeten losrukken van hur.
i) Moral in beispielen, S. 273.
onrechtvaardig verkregen geld of goed, van deze of die persoon, waarmede zij in schandelijke betrekking leefden: dan maakt de onrust zich meester van hun hart. Het geloof, dat uitgedoofd was door de bedorvenheid des harten, begint te herleven; het geweten, dat zij vroeger door allerlei drogredenen tot stilzwijgen gebracht hadden, ontwaakt... Willens of onwillens zien zij zich geplaatst op den boord der eeuwigheid. Nu vragen zij eenen priester, opdat deze hun den vrede des harten zou wedergeven: en de priester, dien zij altijd op de schandelijkste wijze bespot en gelasterd hebben, wordt nu hun beste vriend.
Vóór eenigen tijd stond ik aan het sterfbed van eenen man, die wel is waar geen godsdiensthater was, maar in zake van godsdienst kond en onverschillig was geweest. Opeens riep hij, de oogen keerende naar zijne vrouw en kinderen, die met mij het sterfbed omringden: »Helaas! de verleiding was hier zoo groot; ik heb mij ook laten medeslepen; maar als God mij de gezondheid terugschenkt, zult gij mij anders zien leven, dan ik tot hiertoe geleefd heb.quot;
Eindigen wij de reeks dezer treffende voorbeelden met ons een oogenblik te verplaatsen aan het sterfbed van den godde-loozen Voltaire!
Zietdaar den man, die besloten had den godsdienst van Jesus-Christus te vernietigen. Geheel zijn leven was een helsche strijd tegen geloof en godsdienst, tegen Kerk en priesters. Met schaamtelco^e goddeloosheid verspreidde hij door woord en schrift de verderfelijkste leeringen... » Verpletteren wij de cerlooze!quot; d. i. de Katholieke Kerk: zoo luidde het ordewoord van Voltaire en zijne aanhangers...... Doch ook voor hem naderde het uur van sterven. Meermalen reeds had hij, op den
rand van het graf geplaatst, zijne dwalingen gedoemd en herroepen. Ook nu ontbood hij eenen priester, om zijne biecht te hooren, maar zijne goddelooze vrienden, die zijn sterfbed bewaakten, beletten zulks. «Vertrekt van hier â zoo riep hun de stervende toe â gij zijt de oorzaak van den toestand,-waarin ik mij bevind; vertrekt van hierlquot; Ziende, dat geen priester verscheen, verviel hij tot wanhoop. Nu met eene jammerlijke stem, dan op den wroegingstoon, maar dikwijler in eenen aanval van woede, hoorde men hem roepen; Jesus Christin, Jesus Christus'. Toen de dood nabij was, maakte een nieuwe aanval van wanhoop zich meester van zijne ziel. gt;Ik gevoel â zoo riep hij uit â ik gevoel eene hand, die mij voor Gods rechterstoel sleept.quot; Dan verslagen blikken naar het voeteinde zijner legerstede werpende, riep hij: De duivel is daar; hij wil mij vastgrijpen.... Ik zie hem.... Ik zie de hel.... verbergt ze mij. En Voltaire, die aan eenen zijner vrienden i) geschreven had: ïlndien ik kan, zal ik lachende sterven,quot; stierf, in razernij en wanhoop zich zeiven met zijne nagels verscheurende, terwijl hij uitriep; Ik ben verlaten van God en van de menschen.quot; Vreeselijke dood! Een dood, die ons herinnert aan de woorden der H. Schriftuur; »De zondaar zal zien, en vergramd worden, hij zal op zijne tanden knarsen en razend worden: het verlangen des zondaars zal vergaan. 2) Onnoodig, ons nog aan het sterfbed van andere goddeloozen te verplaatsen. De aangehaalde voorbeelden zijn voldoende, om u te toonen, hoe de hevigste godsdiensthaters in het stervensuur de waarheid van den katholieken godsdienst aannemen.
1) d'Alumbert. 2) Ps. CXI,
en zoo bewijzen, dat de H. Geest waarheid spreekt, als Hij zegt: Mentita est iniquitas sibi; De boosheid heeft gelogen tegen zich zelve, i)
Moget gij deze waarheid steeds voor oogen houden, en ook daardoor opgewekt worden, om gedurende gansch uw leven aan den godsdienst gehecht te blijven! Dan zal vrees noch angst, vertwijfeling noch wanhoop u folteren op uw sterfbed. O neen! dan zult gij met kalmte den dood zien naderen, met gerustheid de komst van den Goddelijken Rechter verbeiden, uit wiens mond gij dit troostvolle woord zult hooren; Welaan, goede en getrouwe dienstknecht, omdat gij over weinig getrouw geweest zijt, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde des Heeren. 2)
A M E N.
1) I's. XXVI. 2) Matth. XXV. 21.
UIUlUl li Uiii ini 1 111111111111111111 â¬^â¬)§Q0§Q0§Q0^0i3â¬)§Ql^Qâ¬^30§Q
f111111!I 111T!11TiTf r 111TM IT11TTTTITTI
XII.
Hnr|i\e o|nvei'pii}gei] tegen tie 'Biecht.
,,Ko£o nu Ion vos fratres, ut obscrvetis cos, qui disseusioucs et offeudicula, praeter dnctrinam, quani vos didicist/s, frn'uui ; ct declinatc ab illis:quot; . !'lt; b:d u, broeders, wel acht te geven cp lien, die verdeeldheden en ergernissen verwekken tegen de ietr, die gij geleerd hebt; en ontwijkt hen. i)
In den tweeden brief aan zijnen leerling Timotheus, Bisschop van Creta, schrijft de Apostel Paulus, dat er een tijd zal komen, waarin velen onder de belijders van het Christendom de zuivere leer van het Evangelie niet meer zullen verdragen, en zich keeren zullen tot fabels. 2)
Zulk een tijd â gij ondervindt het dagelijks â is de tijd, dien wij beleven. In zulke omstandigheden is het meer dan ooit de plicht van den Priester, gehoor te geven aan de vermaning van den H. Paulus: »lk bezweer u voor Godenjesus Christus, die levenden en dooden zal oordeelen: predik het woord, houd aan, gelegen of niet gelegen (d. i. zonder te letten, of zij het gaarne hooren of niet,) wederleg, smeek, bestraf in alle langmoedigheid en leering.quot; 3)
1) Rom. XVI. 17. 2) rde Tim. IV. 3. 3) 2 Tim. IV. 1, 2.
Om dezen plicht te vervullen, heb ik u reeds tweemaal gesproken over de valsche profeten, die hedendaags in de wereld uitgaan als bestrijders van den Katholieken godsdienst. Ik heb u aangetoond, dat zij, gelijk de Apostel Paulus zegt, vervreemd zijn van het leven Gods om de onwetendheid die in hen is, en om de verblindheid huns harten i) en dat zij zeiven niet ge-looven, hetgeen zij zeggen.
Verre van mij te veronderstellen, dat gij geloof hecht aan de goddelooze opwerpingen, welke zoogenaamde herbergphi-losophen in stad en dorp tegen den godsdienst uitkramen. Nochtans zal het nuttig wezen, eenige opwerpingen in het kort te wederleggen, opdat gij altijd, gelijk de H. Petrus zegt, 2) gereed zoudet wezen, om antwoord te geven aan eenieder, die u reden afvraagt van de hoop, die in u is.quot;'
I.
Onder al de instellingen van den Katholieken godsdienst is er geene, welke de godsdiensthaters zoo hevig aanvallen als het K. Sacrament der Biecht.
De Biecht â zoo schreeuwen zij â dient voor niets; zij is uitgevonden door de Priesters. Aan God alleen biechten, gelijk de Protestanten doen, is voldoende.
Zietdaar eenige goddelooze en ongerijmde cpwerpingen tegen de Biecht. Meent niet, als gij die dwaze opwerpingen hoort, dat het iets nieuws is. O neen! zoo schreeuwden reeds over jaren en jaren de Protestanten en andere ketters. Hon-derde malen zijn die opwerpingen wederlegd door Katholieken,
1) Ephes. IV. 18. 2) I. Petr. ITT. 15.
beroemd om hunne geleerdheid. Ik behoef dus niets te doen, dan hunne woorden te herhalen.
De Biecht is eene uitvinding der priesters: dit is eene opwerping, even bespottelijk als goddeloos. Bespottelijk: want welke priester zou zich vrijwillig eene bediening opleggen, die zoo onaangenaam, zoo moeielijk en zoo bezwarend is als de Biecht, indien God zelf hem daartoe niet verplichtte? Daarenboven, zij die zeggen, dat de biecht een uitvindsel is van den Priester, dat zij eens zijnen naam noemen, dat zij eens zeggen, waar en wanneer hij leefde 1 Kunnen de goddeloozen hierop antwoorden? Neen. Dit alleen bewijst reeds, hoe bespottelijk zij zich maken. Immers, ware de Biecht uitgevonden door eenen Priester, de geschiedenis zou ons melden, wanneer en waar hij leefde.
Doch ik ga verder en zeg: Dat de Biecht een uitvindsel is van den eenen of anderen Priester, is eene goddelooze bewering.
Slaat het Evangelie open! Daarin wordt ons verhaald, dat Jesus-Christus twee verschillende malen over de Biecht gesproken heeft. De eerste maal belooft hij den Apostelen, dat Hij hun de macht verleenen zal, om de zonden te vergeven. «Voorwaar, ik zeg u â zoo spreekt Jesus â alles, wat gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ook ontbonden zijn in den Hemel.quot; i)
Deze belofte vervult Jesus op Paaschdag, den dag zeiven Zijner opstanding uit het graf.
De Apostelen zijn, bevende van angst, vergaderd in de eetzaal te Jerusalem. Zij hebben zich daar opgesloten uit vrees
i) Matth. XVIII. IS.
voor [de Joden, die twee dagen te voren hun Goddelijken
Meester hadden gekruisigd...... Eensklaps, ofschoon de deuren
gesloten zijn, verschijnt Jesus in het midden zijner Apostelen
en zegt hun: jVrede zij u: vreest niet, ik ben het.....quot; Dit
gezegd hebbende, toonde hun Jesus zijne doornagelde handen en voeten, alsook zijne doorstoken zijde, om hen te overtuigen, dat Hij waarlijk dezelfde Jesus was, dien de Joden hadden gekruisigd. Hierna sprak Jesus wederom; «Vrede zij u! Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u... Ontvangt den H. Geest; wier zonden gij vergeven zult hebben, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij wederhouden zult hebben, dien zijn zij wederhouden.quot; i)
Wie kan ontkennen, dat Jesus zelf hier aan zijne Apostelen, de eerste Priesters, de macht schenkt, om de zonden te vergeven of niet te vergeven, naarmate zij het gepast zullen oor-deelen ? Bijgevolg is de Biecht de uitvinding van Jesus, van God zeiven. Alwie zulks niet gelooft, is in den ban der H. Kerk, volgens de onfeilbare leer der Kerkvergadering van Trente, die ons voorhoudt; «Indien iemand zegt, dat de Biecht in de Katholieke Kerk geen oprecht en eigenlijk Sacrament is door Christus onzen Heer ingesteld.... anathema sit: hij zij vervloekt.quot; 2)
II.
Maar, zeggende Goddeloozen, aan God alleen biechten, gelijk de Protestanten doen, is voldoende.
1) Joan. XX. 2) Canon I. sess. XIV.
- I2S -
D',t is gemakkelijker, minder vernederend, maar voldoende is het niet. Het zou voldoende wezen, als God het zoo bepaald had; maar God heeft het anders gewild; bijgevolg hebben wij niet te kiezen, maar slechts te gehoorzamen.
Op den dag zijner verrijzenis heeft Jesus zelf â zooals i'; daareven aantoonde â aan zijne Apostelen, de eerste Priesters, eene dubbele macht toevertrouwd; de macht, om de zonden te vergeven, en de macht, om de zonden niet te vergeven of te wederhouden. Die groote macht moet de Priester uitoefenen met omzichtigheid en met volmaakte kennis der zaak. Welnu, om te weten, of hij de zonden vergeven of niet vergeven mag, moet hij dezer getal en soort, alsook de gesteltenis van den biechteling kennen. Gelijk een wereldlijke rechter geen vonnis kan vellen, geene uitspraak kan doen, zonder de zaak, waarover hij beslissen moet, geheel te kennen: zoo kan ook de biechtvader geene uitspraak doen, als hij de soort en het getal der zonden niet kent. .Welnu, kan hij ze kennen, als de biechteling zelf alles niet oprecht belijdt? Voorzeker neen. Bijgevolg heeft Christus zelf die belijdenis opgelegd.
Ware het voldoende, aan God alleen de zonden te belijden, wat zou daaruit volgen? Dat niemand meer zou te biechten gaan. Want wie zoude zóó eenvoudig zijn, van op eenen smeekenden toon, vóór de voeten var. eenen mensch, eene genade te vragen, welke men zonder hem zoo gemakkelijk zou kunnen verkrijgen? Men oordeele hierover door hetgeen hedendaags gebeurt. Niettegenstaande de zekerheid, dat de Biecht aan den priester verplichtend is, weigeren velen die belijdenis te doen. Wat zou het zijn, indien men voldeed, met in het geheim des harten zijne zonden aan God te belijden? Dan zou
niemand meer te biechten gaan. Doch waartoe zoude dan de heerlijke macht dienen, welke Jesus aan zijne bedienaren verleend heeft, om de zonden te vergeven of te wederhouden r Zij zou gansch belachelijk worden, wijl de priesters nooit de gelegenheid zouden hebben, die goddelijke macht uit te oefenen.
Bijgevolg, alwie beweren, dat de belijdenis der zonden aan eenen Priester niet noodig is, moeten ook beweren, dat Jesus Christus met zijne Apostelen gespot heeft, als hij hun de macht schonk, om de zonden te vergeven: dat Hij bedrogen en gelogen heeft, toen Hij hun zegde: sWier zonden gij vergeeft, zijn vergeven, wier zonden gij wederhoudt, zijn wederhouden.quot;
Beweren zij dit, dan zijn ze ook Godloochenaars.
Derhalve zijn de christenen verplicht, hunne zonden, ten minste alle doodzonden, bekend te maken aan eenen Priester; wie biecht op Protestantsche manier, bekomt geen vergiffenis... Deze tastbare waarheid blijkt nog duidelijker, als men nagaat, hoe men altoos van der Apostelen tijden af bij de Priesters gebiecht heeft.
Alzoo de aartsbisschop van Keulen, Hildebrandus, was de biechtvader van keizer Karei den Groote, die leefde duizend jaar geleden. â In de 8stlt;: eeuw was de H. Martinus de biechtvader van Koning Karei Martel... Dit leert ons de geschiedenis. â Dertienhonderd jaren geleden schreef de H. Joannes Climacus: gt; Nooit is het gehoord, dat de zonden, welke men in de Biecht belijdt, openbaar gemaakt zijn. God wil dit zoo, opdat niemand voor de Biecht zou terugschrikken.quot; i) Veertienhonderd jaar geleden zegde de H. Joannes Chrysostomus:
i) Seal, Gr. 4. De Godsdienst.
9
»Menschen hebben van God eene macht ontvangen, die aan Engelen en Aartsengelen nooit is toegestaan. Nooit is aan die hemelsche geesten gezegd; wiens zonden gij vergeven hebt, zijn vergeven, i) â Vóór 1500 jaren sprak de H. Basilius: »Men moet noodzakelijk zijne zonden bekend maken aan diegenen, die de macht over Gods geheimenissen hebben ontvangen.quot; 2) Vóór 1600 jaren schreef reeds de geleerde Origenes: »Indien wij over onze zonden berouw hebben, en dezelve belijden, niet alleen aan God, maar ook aan degenen, die daaraan hulp kunnen toebrengen, zullen die zonden ons vergeven worden. 3)
Vóór 1700 jaren zegde Tertullianus: »Is het beter u te verdoemen met uwe zonden te verzwijgen, dan u zalig te maken met uwe zonden te biechten rquot; 4)
De H. Clemens, leerling van den H. Petrus, zegde in zijn tweeden brief aan de Corinthiërs: gt; Als wij de wereld verls.ten hebben, kunnen wij niet meer biechten of boetvaardigheid doen.quot; 5) Eindelijk de Apostelen en Evangelisten zeiven spreken van de Biecht. O. a. zegt de H. Lucas, dat een groot getal Christenen tot de Apostelen kwamen, om hunne zonden te belijden. 6) Zij wisten, dat Jesus zelf tot de Apostelen gezegd had: Wier zonden gij vergeeft, zijn vergeven.
Oordeelt nu over de kennis en de rechtzinnigheid der godsdiensthaters, die beweren, dat men zijne zonden niet aan eenen Priester behoeft te belijden. Zij miskennen niet alleen het gezag van Jesus Christus en van de Kerk, maar zij onderdrukken nog de stem der natuur, die tot alle schuldigen roept.
1) Lib. 3 d» Sac. 2) Lib. c. 4- 3) Hom. 32 in Lev. 4) De Poen. 10. 5) Ep. ad. Cor. n. 8, 6) Act. XIX, 18.
â i3i â
Geene vergiffenis zonder berouw, geen berouw zonder bekentenis zijner misdaad.
III.
Maar â zoo schreeuwen nog de goddeloozen â waartoe dient de Biecht?
Wie spreken zoo? Zoo spreken degenen, die nooit biechten: degenen, die op zekere tijdstippen van het jaar in den biechtstoel nederknielen, niet om hunne zonden rechtzinnig te belijden, maar alleen om niet met den vinger te worden nagewezen. Hun dient de Biecht voor niets, tenzij tot zwaardere verdoemenis.
Doch voor anderen is zij van het grootste nut.
De biecht, zegt Mgr. de Segur, is het schild der volharding en der deugd. â De biecht geeft en bewaart den vrede des harten, zonder dewelke geen geluk bestaat. â De biecht voorkomt eene menigte misdaden en ongelukken. â De biecht richt den diepgevallen zondaar op uit den poel der zonden. â De biecht vooral schenkt den stervende, ook na de grootste misdaden, troost en betrouwen. â De biecht, Rousseau zelf getuigt dit, doet bij de Katholieken veel onrechtvaardigheden en diefstallen herstellen. â De biecht, zoo sprak zelfs de goddelooze ^ oltaire, is eene uitmuntende zaak, een teugel voor de ingewortelde misdaden. â Men moet bekennen, aldus een Protestantsch geleerde, dat er in den chris-telijken godsdienst niets schooner, niets lofwaardiger is dan de Biecht, i) â Het beste van alle besturen â zoo schrijft een
i) Leibnitz System, theol. de Confess.
â i32 â
berucht godsdiensthater â zou een godsdienstig bestuur zijn met den rechterstoel der biecht, i)
Wat maakt het na zulke bekentenissen, dat er hedendaags waanwijzen, valsche profeten rondloopen, die zeiven de biecht haten en daarom ze hatelijk willen maken bij anderen? Hun gedrag is even bespottelijk als dat van den blinde, die u zeggen zou; De zon dient voor niets.
Deze onderwijzing sluitende, meen ik geene betere vermaning te kunnen geven, dan die, welke de H. Paulus weleer gaf aan zijnen leerling Timotheus. Int ent os vos volo: zoc zeg ik eerst nog met den H. Augustinus; Weest zeer aandachtig, want die woorden passen zeer goed op het gedrag van velen onder hen, die de Biecht haten en verfoeien.
«Weet dit â zegt de Apostel Paulus â dat er in de laatste »dagen gevaarlijke tijden zullen komen; de menschen zullen seigenlievend zijn, geldgierig, verwaand, hoovaardig, lasteniars, ^liefhebbers van vermaken meer dan van God, hebbende wel
»eene schijn van godsvrucht, maar hare kracht verloochenende.
gt; vermijd dezulken. Want tot dezen behooren zij, die de huizen sbinnendringen, en zich meester maken van met zonden be-»laden vrouwspersonen, welke door menigerlei lusten gedieven
«worden..... Slechte menschen en bedriegers zullen tot erger
«voortgaan, dwalende en in dwaling brengende, doch g j, %ol shard in hetgeen gij geleerd hebt.quot;
Amen,
i) Histoire philos. et polit. du commerce des Indes
Hnr|i]e be^cliultlignigeii tegei\ de Priesters.
Xe ju o vos scducat inavibus verbis: Dat niemand n verleide door ijdele woorden. (Epbe** \'â6.)
Een man, die gedurende gansch zijn leven Oppermeester was van de vrijmetselaars, wiens woorden als zoovele bevelen aangezien werden, gaf aan zijne volgelingen ook dezen raad:
sDe priesters zijn vertrouwelijk; schildert ze af als wantrouwig en valsch... Wij moeten de macht der priesters belachelijk en nutteloos maken. Een woord behendig uitgevonden en in zekere huizen op listige wijze gesproken, opdat het van daar in de herbergen en van de herbergen op straat kome, kan somtijds eenen mensch dooden.quot;
Deze raad wordt door de godsdiensthaters trouw gevolgd. Allerlei beschuldigingen brengen zij in tegen de Priesters, om bij het geloovig volk alle achting en eerbied, alle liefde en genegenheid voor zijne priesters uit te roeien. In mijne onderwijzingen over den godsdienst mag ik dit punt niet stilzwijgend voorbijgaan, want het gebeurt maar al te dikwijls, dat men, gehoor gevende aan die beschuldigingen, eerst vijand wordt van de Priesters, en daarna van den godsdienst zeiven.
â 134 â
I.
Het eerste, wat den l'riesters sinds jaren en jaren verweten wordt, is, dat zij willen heerschen, of gelijk men zegt, domineer cn. Dit woord komt gedurig over de lippen der godsdiensthaters. Past op â zeggen zij â past op voor de do mi-natie der pastoors.
In Gods naam, wat verstaan zij toch door dominatier Vrijmoedig, onbevreesd de waarheid prediken; met alle vrijheid de stem verheffen tegen de dwaling, vooral tegen de heden-daagsche dwalingen van Liberalismus en Socialismus; waarschuwen voor de gevaren, die geloof en zeden bedreigen; vereenigingen of societeiten alkeuren, welke de jeugd bederven: is dat misschien domineeren r O daarmede moeten de priesters steeds voortgaan. Dat heeft Jesus-Christus hun door woerd en voorbeeld geleerd.
Wat de godsdiensthaters zijn in onze dagen, bijzonder in de dorpen, dat waren de Phariseën ten tijde van Jesus. De Pha-risecn waren uitwendig zeer godsdienstig; hierom werden zij door het volk geacht en zóó groot was hun gezag, dat het volk, door hunne uitwendige godsvrucht misleid, alles geloofde, wat zij zegden, en zoodoende in allerlei dwalingen verviel.
Wat deed Jesus, om het volk tegen die huichelachtige Phariseën te waarschuwen? Hij predikte met alle vrijmoedigheid en riep het volk toe; »Wacht u voor de valsche profetea, die in schaapskleederen tot u komen, maar inwendig verscheurende wolven zijn... Wee u Pharisecn, zoo riep Jesus, wee u, schijnheiligen ! Gij zijt gelijk aan een wit gepleisterd graf, dat van buiten schoon, maar van binnen vol verrotting is... Gij adderen-
gebroedsel, hoe kunt gij spreken, wat goed is, gij die zelf slecht zijt ?'' i)
Zoo sprak, zoo predikte Jesus tegen de Pharisecrs, wier godsdienst niets was dan huichelarij, om het volk te bedriepen. Ik vraag 11: handelde Jesus zóó, om te kunnen domineeren, uit partijzucht ? Neen, niet om te domineeren, maar uit bezorgdheid voor het geloof en den godsdienst van het volk.
Welnu, dat voorbeeld volgen de priesters, niet uit heersch zucht, maar uit zucht voor het waar geloof, uit zucht voor den Kath. godsdienst, uit zucht voor de zaligheid der zielen, die God aan hunne zorgen toevertrouwt. Daarom spreken zij over de godsdiensthaters, daarom maken zij hen aan het volk bekend, daarom openbaren zij, zooveel mogelijk, hunne plannen en ontmaskeren hunne schijnheiligheid.
Ik weet, dat er velen zijn in de wereld, die zulks afkeuren, zeggende, dat die handelwijze der priesters oneenigheid verwekt in de parochies.
In vrede leven niet iedereen, is zeer gemakkelijk, als men iedereen laat leven volgens zijn lusten en genegenheden; maar mag de Priester dit gedoogen? De Kerk heeft hem het woord Gods als wapen gegeven, dat hij onbevreesd gebruiken moet in den strijd tegen de dwaling. »Zoekt geen rechter te worden â zegt God â als gij den moed niet bezit, het geweld der boozen tegen te gaan.quot; 2)
Indien de priesters die zoogenaamde tdominaiie''' betrachtten, dan zouden zij, evenals de vijanden van onzen godsdienst, het volk vleien en toegeven; dan zouden zij op den
1) Matlh. Vil 15, Matth. XXXIII. Matth. XII. 2) Eccl. VII. 6.
predikstoel de harde waarheden verzwijgen, en veel door de vingers zien, om zoodoende aan het volk te behagen, om volksmannen te worden. Maar omdat zulks hun oogmerk niet is, daarom handelen zij in alles volgens plicht en geweten, en zeggen zij in navolging van den H. Paulus: »Zoek ik aan de menschen te behagen? Indien ik behaagde aan de menschen, zou ik geen ware dienaar zijn van Christus, i)
II.
Eene tweede beschuldiging tegen de Priesters is deze: In plaats van tiicls ie prediken, dan het Evangelie, honden zij zich op den predikstoel gedurig bezig met politiek; want herhaaldelijk komen zij terug op het Liberalismus, op de lezing van dagbladen, op de scholen enz.
Hierop antwoordt ons Z. D, H. de Bisschop van Luik :
»De reden dszer zonderlinge bewering is gemakkelijk te vin-uien. Die personen hebben nog te veel godsdienstigheid be-shouden, om het Katholiek geloof en de Christelijke zeden sgeheel en al te verwerpen, maar zij hebben cr niet genoeg smeer, om beide volkomen te belijden en na te leven ; zij «zouden in geloof en zeden wat minder nauwgezetheid en wat smeer toegevendheid willen, gelijk ze zeggen, opdat de H. Kerk »zich mochte verzoenen met de nieuwe begrippen en vrijheden svan onzen tijd, die pronken met den naam van vooruitgang. jHet Evangelie, zoo meenen zij, kan dit niet afkeuren, daar sintegendeel zijne leer van vrede en menschlievendheid zulks ïvereischcn.
i) Galat. I. 10.
»Wat zij beoogen, oir. reden van groot eigenbelang, is ge-jmakkelijk te raden. Om de onrust te stillen van hun gewesten, dat aarzelt tusschen plicht en velerlei begeerlijkheid, szoeken zij de priesters te doen zwijgen over de hedendaagsche jdwaalbegrippen in zake van godsdienst, bijzonder over die, »welke zich verschuilen onder het masker van wetenschappe-»lijken en maatschappelijken vooruitgang. Zij verdragen niet, 5 dat men hun b. v. voor oogen stelle, hoe eene denkwijze, »die gelijk het Liberalismus, tal van kerkelijke gedoemde dwa-»lingen meent te kunnen overeenbrengen met eene trouwe ^vervulling der Christelijke plichten, door Jesus-Christus is ver-joordeeld geworden, als Hij in het Evangelie zegt; Niemand ïkan twee heeren dienen i) ofwel; Die niet met mij is, is tegen tmij. 2) Zij willen niet aannemen, dat de lezing van dagbladen ten boeken, die de Katholieke Kerk in hare leering, in hare srechten, in hare bedieningen, ja in alles bestrijden en bespot-ïten, eene lezing dus, weike voorzeker gevaarlijk is voor hun igeloof en als zoodanig door de Kerkelijke overheid verboden, s veroordeeld is geworden in het Evangelie door Jesus-Christus, »als Hij zegt; »Die het gevaar bemint, zal daarin vergaan,'' »en elders; »Zoo iemand niet luistert naar de Kerk, hij weze svoor u als een heiden en een tollenaar.quot; 3) Zij willen niet »gelooven, dat een schoolstelsel van onzijdig onderwijs, d. is seen onderwijsstelsel, waarin Onze Heer Jesus-Christus niet j erkend wordt als God, noch zijne leering als waarachtig, snoch zijne geboden als verplichtend, waardoor de kinderen sgevaar loopen, onwetend of onverschillig te worden in zake
â 134 â
I.
Het eerste, wat den Priesters sinds jaren en jaren verweten wordt, is, dat zij willen heerschen, of gelijk men zegt, domi-neercn. Dit woord komt gedurig over de lippen der godsdiensthaters. Past op â zeggen zij â past op voor de do mi-natie der pastoors.
In Gods naam, wat verstaan zij toch door dominatie? Vrijmoedig, onbevreesd de waarheid prediken: met alle vrijheid de stem verheften tegen de dwaling, vooral tegen de heden-daagsche dwalingen van Liberalismus en Socialismus; waarschuwen voor de gevaren, die geloof en zeden bedreigen; vereenigingen of societei-ien afkeuren, welke de jeugd bederven: is dat misschien domineerenr O daarmede moeten de priesters ste-'ds voortgaan. Dat heeft Jesus-Christus hun door woord en voorbeeld geleerd.
Wat de godsdiensthaters zijn in onze dagen, bijzonder in de dorpen, dat waren de Phariseën ten tijde van Jesus. De Pha-risecn waren uitwendig zeer godsdienstig; hierom werden zij door het volk geacht en zóó groot was hun gezag, dat het volk, door hunne uitwendige godsvruclit misleid, alles geloofde, wat zij zegden, en zoodoende in allerlei dwalingen verviel.
Wat deed Jesus, om het volk tegen die huichelach'.ige Pha-riseën te waarschuwen? Hij predikte met alle vrijmoedigheid en riep het volk toe: iWacht u voor de valsche profeten, die in schaapskleederen tot u komen, maar inwendig verscheurende wolven zijn... Wee u Pharisecn, zoo riep Jesus, wee u, schijnheiligen ! Gij zijt gelijk aan een wit gepleisterd graf, dat van buiten schoon, maar van binnen vol verrotting is... Gij adderen-
â *35 â
gebroedsel, hoe kunt gij spreken, wat goed is, gij die zelf slecht zijt ?quot; i)
Zoo sprak, zoo predikte Jesus tegen de Phariseers, wier godsdienst niets was dan huichelarij, om het volk te bedriepen. Ik vraag u: handelde Jesus zóó, om te kunnen domineeren, uit partijzucht ? Neen, niet om te domineeren, maar uit bezorgdheid voor het geloof en den godsdienst van het volk.
Welnu, dat voorbeeld volgen de priesters, niet uit heersch-zucht, maar uit zucht voor het waar geloof, uit zucht voor den Kath. godsdienst, uit zucht voor de zaligheid der zielen, die God aan hunne zorgen toevertrouwt. Daarom spreken zij over de godsdiensthaters, daarom maken zij hen aan het volk bekend, daarom openbaren zij, zooveel mogelijk, hunne plannen en ontmaskeren hunne schijnheiligheid.
Ik weet, dat er velen zijn in de wereld, die zulks afkeuren, zeggende, dat die handelwijze der priesters oneenigheid verwekt in de parochies.
In vrede leven met iedereen, is zeer gemakkelijk, als men iedereen laat leven volgens zijn lusten en genegenheden; maar mag de Friester dit gedoogen? De Kerk heeft hem het woord Gods als wapen gegeven, dat hij onbevreesd gebruiken moet in den strijd tegen de dwaling. »Zoekt geen rechter te worden â zegt God â als gij den moed niet bezit, het geweld der boozen tegen te gaan.quot; 2)
Indien de priesters die zoogenaamde * dominaiiequot; betrachtten, dan zouden zij, evenals de vijanden van onzen godsdienst, het volk vleien en toegeven; dan zouden zij op den
1) Matlh. VII 15 Matth. XXXIII, Matth. XII. 2) Eecl. VII. 6.
predikstoel de harde waarheden verzwijgen, en veel door de vingers zien, om zoodoende aan het volk te behagen, om volksmannen te worden. Maar omdat zulks hun oogmerk niet is, daarom handelen zij in alles volgens plicht en geweten, en zeggen zij in navolging van den H. Paulus: »Zoek ik aan de menschen te behagen? Indien ik behaagde aan de menschen, zou ik geen ware dienaar zijn van Christus, i)
II.
Eene tweede beschuldiging tegen de Priesters is deze: In plaats van niets te prediken, dan het Evangelie, honden zij zich op den predikstoel gedurig bezig met politiek; want herhaaldelijk komen zij terug op het Liberalismus, op de lezing van dagbladen, op de scholen enz.
Hierop antwoordt ons Z. D. H. de Bisschop van Luik :
»De reden dszer zonderlinge bewering is gemakkelijk te vin-ïden. Die personen hebben nog te veel godsdienstigheid be-shouden, om het Katholiek geloof en de Christelijke zeden sgeheel en al te verwerpen, maar zij hebben cr niet genoeg smeer, om beide volkomen te belijden en na te leven; zij «zouden in geloof en zeden wat minder nauwgezetheid en wat »meer toegevendheid willen, gelijk ze zeggen, opdat de H. Kerk »zich mochte verzoenen met de nieuwe begrippen en vrijheden svan onzen tijd, die pronken met den naam van vooruitgang. »Het Evangelie, zoo meenen zij, kan dit niet afkeuren, daar sintegendeel zijne leer van vrede en menschlievendheid zulks i vereischen.
i) Galat. I. 10.
»\Vat zij beoogen, om reden van groot eigenbelang, is ge-»makkelijk te raden. Om de onrust te stillen van hun gewesten, dat aarzelt tusschen plicht en velerlei begeerlijkheid, »zoeken zij de priesters te doen zwijgen over de hedendaagsche »dwaalbegrippen in zake van godsdienst, bijzonder over die, jgt;\velke zich verschuilen onder het masker van wetenschappe-»lijken en maatschappelijken vooruitgang. Zij verdragen niet, ïdat men hun b. v. voor oogen stelle, hoe eene denkwijze, »die gelijk het liberalismus, tal van kerkelijke gedoemde dwa-»lingen meent te kunnen overeenbrengen met eene trouwe »vervullmg der Christelijke plichten, door Jesus-Christus is ver-soordeeld geworden, als Hij in het Evangelie zegt; Niemand *kan twee heeren dienen i) ofwel: Die niel met mij is, is tegen *mij. 2) Zij willen niet aannemen, dat de lezing van dagbladen ten boeken, die de Katholieke Kerk in hare leering, in hare srechten, in hare bedieningen, ja in alles bestrijden en bespot-ïten, eene lezing dus, welke voorzeker gevaarlijk is voor hun ïgeloof en als zoodanig door de Kerkelijke overheid verboden, »veroordeeld is geworden in het Evangelie door Jesus-Christus, »als Hij zegt: »Die het gevaar bemint, zal daarin vergaan,'' »en elders: »Zoo iemand niet luistert naar de Kerk, hij weze »voor u als een heiden en een tollenaar.quot; 3) Zij willen niet «gelooven, dat een schoolstelsel van onzijdig onderwijs, d. is »een onderwijsstelsel, waarin ünze Heer Jesus-Christus niet jerkend wordt als God, noch zijne leering als waarachtig, »noch zijne geboden als verplichtend, waardoor de kinderen «gevaar loopen, onwetend of onverschillig te worden in zake
- 138 -
jvan godsdienst, ja hun geloof te verliezen, zij willen niet ge-slooven, zeg ik, dat zulk een onderwijsstelsel in liet Evangelie «veroordeeld is geworden door O. H. Jesus-Christus, wanneer »Hij zegt; sik ben de weg, de waarheid en het leven,quot; en »verder »zoo iemand verergernis geeft aan één van die kleine «kinderen, die in Mij gelooven, ware het beter voor hem, met icon molensteen aan den hals geworpen te worden in de «diepte der zee. i)
«Het zou te lang worden â zoo gaat Z. D. H. de Bisschop voort â ^nog andere voorbeelden aan te halen; deze zijn vcl-»doende, om de oogen te openen van hen, die zich laten mis-«le'den door den geest der eeuw, door dien geest, waarover sde Heer zich beklaagt bij den profeet Ezechias, zeggende : »Zoon des menschen, zij willen u niet aanhooren, omdat zij smij niet aanhooren willen,quot; en bij den profeet Daniël: »Zij «hebben u niet verworpen, maar mij, opdat ik over hen niet sheersche.quot; 2)
III.
Een derde verwijt tegen de Priesters is dit; Ia plaats van zich allee7i bezig te houden mei de zaligmaking der zielen, bemoeien zij zich zelfs mei kiezingen; zij zouden alles willen le-sturcn.
Luistert, wat hierop geantwoord wordt door Z. D. II. den bisschop van Namen ; «Niets is verder van hun gedachte. Het-jgeen de geestelijkheid verlangt, hetgeen zij vordert, is, dat ar iaan het hoofd van het land trouwe en rechtvaardige mannen
Joan. XIV. 6. Matt'i, XV11I. 6. 2) Var:tenbr'ef 1883.
«zijn, die besturen, niet ten voordeele eener partij, maar van »liet algemeen belang. De geestelijkheid vraagt, dat degenen, jdie besturen, geen openbare vijanden zijn van den godsdienst, «maar dat zij den godsdienst erkennen als den voornaamsten «grondslag der maatschappelijke orde, en den godsdienst alle ivrijheid laten, om zijnen invloed te gebruiken voor het wel-»zijn der samenleving en het geluk der zielen.... Wat vraagt »de geestelijkheid aan de gemeente? Zij vraagt, dat degods-ïdienstige belangen niet zouden verwaarloosd worden, dat men sde Kerk wel onderhoude, dat de onderwijzer goed den gods-s dienst leere, dat hij aan de kinderen en aan de parochie het svoorbeeld geve van een Christen-leven, dat de politie werke som alle wanorde te beletten, Daarbij bepalen zich de eischen sder geestelijkheid. Zijn ze overdreven en gaan ze buiten haar »bereik ? Hebben ze niet tot doel het welzijn der inwoners sen huisgezinnen, veel meer dan haar persoonlijk belang? En »indien men er steeds zooveel mogelijk aan voldeed, zouden »de gemeenten niet gelukkiger zijn?quot; i)
Maar als de Priesters niet alles besturen willen, waarom bemoeien zij zich dan met kiezingen?
Omdat de vijanden van den godsdienst hen daartoe noodzaken, door het zuiver politiek terrein te verlaten en den godsdienst van alle zijden aan te randen.
sNochtans, met welk recht zou men de geestelijkheid kun-snen beletten deel te nemen aan de kiezingen? Is de priester »geen belgisch burger? Waarborgt de grondwet zijne rechten «niet, gelijk deze van andere burgers? Stelt hij geen belang,
i) Herderlijke brief van 19 Maart 1875.
ïevenals anderen, in de goede keus der volksvertegenwoordi-»gers? Is hij zoo bekwaam niet, ja meer bekwaam om de sverdiensten der candidaten te beoordeelenf
»De Priester dus, in de kiezingen tusschenkomende, oefent seen recht uit; daarenboven vervult hij eenen plicht, want hij »moet overal den godsdienst, dezes rechten en vrijheden ver-idedigen. Nu, deze rechten loopen dikwijls gevaar aangerand »en miskend te worden in de wetgevende vergaderingen. Hoe «menigmaal overrompelt de politiek het godsdienstig terrein iten nadeele van de wetten der Kerk ! Bijgevolg is het van ïbelang, dat ze er ook verdedigers vinde. Het kiesterrein joverlaten aan zijne vijanden, ware vanwege den Priester een s verraad. Het is zijn plicht er te verschijnen, tenzij zekere somstandigheden, die hij zelf te beoordeelen heeft, hem zouden stoelaten zich te onthouden.quot;
Maar â zegt men â de Friesier is toch alleen verplicht ziek bezig te houden met de zaligmaking der zielen,
sDat is eenigszins waar â zoo antwoordt Z. D. H. de Bisschop svan Luik â maar, mag hij dan zwijgen en werkeloos blijven, »als eenig gevaar de zaligheid der zielen bedreigt? 'Welken znaam dat gevaar ook hebbe, de oorzr.ak van verderf heette jonderwijs, wetenschap, wet of politiek, de priester moet ze saantoonen, en zoo mogelijk afweren. Een doodelijk vergit, al »noemt men het nog zoo vreemd, al smaakt het nog zoo zoet, »blijft toch vergif, en wee hem, die het inneemt! Zagen wij «iemand de hand uitsteken, om het in te nemen, wie zou niet ïtoespringen en het hem ontrukken ? Welnu, gelijk wij in zulk jgeval den lichamelijken dood van onzen naaste beletten moesten, zoo is ook de priester verplicht den geestelijken dood te
»beletten der hem toevertrouwde zielen. Dezen plicht vervul-»lende, verdient hij geene berisping, maar des te meer lof en «dank, wijl hij beveiligt, wat boven al te beveiligen is; het gt; leven der ziel.quot;
Hiermede meenen wij op voldoende wijze de beschuldigingen, welke gij zoo dikwijls tegen de Priesters hoort inbrengen, weerlegd te hebben.
Ik vermaan u dan met den H. Paulus : Ziet wel toe, dat niemand u misleide door ijdele woorden, i) »Velen zijn ijdele sklappers en verleiders, die wederlegd moeten worden, die jgansche huisgezinnen omkeeren, met te leeren wat niet be-jhoort, om vuil gewin.quot; 2)
lUijft met uwe priesters vereenigd; bewijst hun eerbied om hunne verhevene waardigheid; gehoorzaamt hun om het wettig gezag, dat zij over u uitoefenen ; weest hun dankbaar om de groote en menigvuldige weldaden, die zij u bewijzen. Als de godsdiensthaters u tot verzet en opstand, tot afkeer en haat tegen uwe priesters ophitsen, antwoordt hun, wat voorheen koning Lodewijk antwoordde aan zijne hovelingen, toen zij hem afkeerig wilden maken van den priester 3) die hem met apostolische vrijheid vermaand had : »Hij heeft zijn plicht gedaan ; laten ook wij onzen plicht doen !quot;
A M E N.
ij) Vastenbrief 1883. 2) Ephes. V. 6. 3) Tit I. 10. 11. 4) Bourdaloue.
XIV.
Hiii|i\e pogingei] tot bevorJerii^g vai| liet
/â 'x voh/s ips/s exur^mt viri loqucntcs perversa.... tfitnproMer vigilate : Uit uw midden zelf zullen mr.n-ncn opstaan, die verkeerde dingen leeren.... daarom
Act. XXâ30)
Menigvuldig zijn de middelen, welke de godsdiensthaters gebruiken, om het volk ongodsdienstig en ongeloovig te maken. Met dat inzicht maken zij goddelooze opwerpingen tegen de heiligste waarheden van het Katholiek geloof, bijzonder, zooals wij vroeger gezegd hebben, tegen de Biecht. Met datzelfde inzicht brengen zij allerlei dwaze en lasterende beschuldigingen in tegen de Priesters, wel wetende, dat afkeer van den priester vanzelf leidt tot afkeer van den godsdienst.
Een ander middel, dat de godsdiensthaters aanwenden, om het katholiek geloof uit de harten der menigte te rukken, is de bevordering van het zedenbederf, s Verspreidt de ondeugd cnder j het volk â zoo luidt hun ordewoord â maakt bedorven »harten, en gij zult geen katholieken meer hebben. De katho-alieke godsdienst vreest den degen niet, maar vallen kan hij
waakt.
«door het zedenbederf; laat ons nooit ophouden te bederven.quot;
Dien helschen raad volgen de godsdiensthaters, i0 door slechte boeken en nieuwsbladen, 20 door zedelooze gesprekken.
I.
Niemand kan ontkennen, dat de drukpers in onze tijden eene macht is geworden, die tot in de uithoeken des lands haren invloed doet gelden. Dagbladen, tijdschriften, romans, feuilletons worden bij duizendtallen geschreven en verspreid.
In katholieke huisgezinnen, waar eertijds de catechismus, de Bijbelsche geschiedenis of een godvruchtig kerkboek de eenige leesboeken waren, vindt men nu, ik zal niet zeggen slechte, maar toch gevaarlijke nieuwsbladen en geschriften. Of zijn ze niet gevaarlijk die romans, die feuilletons, waarin bv. liefde, niets dan liefde, schering en inslag is? De H. Alphonsus overdrijft niet, als hij zegt: sliefdesgeschiedenissen ontsteken de begeerlijkheid der zinnen, doen de hartstochten ontwaken, die den wil gemakkelijk medeslepen, of ten minste zóó zwak maken, dat, waanneer zich de gelegenheid voordoet, eene niet zuivere genegenheid op te vatten, de duivel het hart geschikt vindt, om er zich meester van te maken.... Het gift dezer boeken dringt van lieverlede in de ziel; het maakt zich meester van den geest, bederft den wil en eindigt met het dooden der ziel. De duivel heeft wellicht geen krachtiger en zekerder middel, om eene jonge dochter voor zich te winner, dan het lezen van die giftige boeken.quot; 1)
Katholieke ouders, die deze waarschuwing hoort, welk eene
1) Oeuvres compl. par Dujardin T. XI. p. 3.
â 144 â
reden voor u, om de lezingen uwer kinderen te bewaken !
Doch ik moet hier vooral uwe aandacht vestigen op die slechte schriften, welke de ontucht voorstaan, en de zuiverheid uit de harten der christenen willen verbannen. Zulke boeken zijn de slechte romans, en bijna alle feuilletons, welke men in de ongodsdienstige nieuwsbladen alle dagen aantreft.
Wat geven zulke boeken en geschriften te lezen ? Om het vuur der onkuischheid in het hart der lezers te ontsteken, worden er met de verleidendste kleuren de eerlooste zaken, de walgelijkste geschiedenissen verhaald. De schandelijkste liefdesbetrekkingen, ja overspel en echtbreuk, worden er aangeprezen en verheerlijkt; priesters en kloosterlingen worden afgeschilderd als de onzedelijkste menschen der wereld. De biechtstoel wordt er voorgesteld als een stoel van ontucht; zelfs met de maagdelijke zuiverheid van Maria wordt op walgelijke wijze de spot gedreven.
Zietdaar de geschriften, welke de godsdiensthaters verspreiden, om het volk te bederven: geschriften, waarvan de schrijvers zeiven gelijk Rousseau en Voltaire getuigen : »Ik kan geen mijner boeken beschouwen, zonder te sidderen.... Ik heb mijn leven doorgebracht, met boeken te schrijven, waarvan de helft nooit het licht had mogen zien.quot;
Hoe is het mogelijk, zult gij zeggen, dat zulke boeken door een Katholiek gelezen kunnen worden ? Een vluchtige blik, in dergelijke bladen of romans geslagen, is meer dan genoeg, om ze onmiddellijk met afschuw in het vuur te werpen.
Bedriegt u niet 1 De verhalen dier zedelooze schrijvers zijn op zulke wijze ingekleed, dat sierlijkheid van stijl, schoonheid van voorstelling den lezer bekoort, en ongemerkt medesleept.
Zij, die beweren, dat zulke lezingen op hen geen indruk maken, worden terecht vergeleken met een vuil besmeurd kleed, waarop men de nieuwe vlekken niet meer ziet. Hij wist het wel, die zedelooze schrijver, wiens handelwijze zoo tegenstrijdig was met zijne gevoelens, dewijl hij de slechte romans veroordeelde en nochtans zelf zulke romans maakte; hij heeft het luide gezegd en zijne woorden verdienen overwogen te worden: * Nooit zuivere dochter, die romans leest lquot; Zij mogen zich vleien op de eerbaarheid van haar gedrag, zich verontschuldigen over hare inzichten : nooit zuivere dochter, die romans leest.
Verachting dus, diepe verachting voor die zedelooze bladen en boeken, welke de godsdiensthaters verspreiden, om de harten te bederven en zoo het aantal Katholieken te verminderen! Leent het oor aan het streng verbod, dat vijftig jaren geleden de Bisschoppen van België in een gezamenlijken herdersbrief hebben afgekondigd, waarin zij zeggen :
i0. sDoor het gezag, dat wij van God ontvangen hebben, »hernieuwen wij voor zooveel in ons is, het verbod, dat de jH. Kerk op straf van doodzonde gedaan heeft, van boeken, »dagbladen, tijdschriften, tegenstrijdig met het geloof of de »zeden, onder welken naam of vorm het zij, te drukken, te 2 verkoopen, rond te dragen, uit te deelen of te geven.
2°. »\Vij vernieuwen ook het verbod, aan al de kinderen »der H. Kerk gegeven, van ze te koopen, te aanvaarden, te »lezen, te bewaren, te prijzen, aan te raden.
3°. sWij herinneren de vaders en moeders, de meesters en »meesteressen, de onderwijzers en onderwijzeressen, dat zij »zwaar verplicht zijn, te beletten, dat de kinderen ofonderda-snen die schriften zouden lezen.quot; i)
i) Bcvelbrief van 5 Aug. 1843. 10
â 146 â
Heilig zij u immer dit streng verbod der H. Kerk, opdat noch gij, noch uwe kinderen, noch uwe onderdanen een vergif indrinken, dat de kuischheid besmeurt, de driften ontsteekt en het geloof doodt 1
II.
Een ander middel, dat wordt aangewend, om de ondeugd onder het volk te verspreiden, zijn de slechte, de zedelooze gesprekken. Gelijk veel godsdiensthaters door eigene ondervinding weten, dat uit bedorvenheid des harten weldra godsd enst-haat volgt, zoo zijn ze ook door ondervinding overtuigd, dat zedelooze gesprekken de goede zeden bederven.
Laat mij door verschillende feiten uit het dagelijksch leven aantoonen, hoe zij tot dit middel hun toevlucht nemen.
Zietdaar twee jongelingen, die met elkander bevriend zijn. De eene heeft achting voor den godsdienst, eerbied voor den Priester, godsvrucht voor de H. Sacramenten, die hij maandelijks ontvangt. De andere, door slechte lezingen bedorven, spot met Biecht en Communie, veracht den Priester, haat den godsdienst. Wat doet hij nu, om de godsdienstige gevoelens van zijnen vriend te verzwakken en uit te dooven? Hij neemt zijn toevlucht tot dubbelzinnige, en langzamerhand tot zedelooze gesprekken, die, zooals de Apostel zegt, de goede zeden bederven. 1) Korten tijd later is die voorheen zoo godsdienstige jongeling van het goede pad afgedwaald en godsdiensthater geworden. Geen wonder, want, zoo spreekt de H. Arnbrosius, j zoodra iemand onkuischaard wordt, begint hij af te vallen van het ware geloof.quot;
1) Col. III. 8.
- 147 â
Eveneens handelt de godsdiensthater met het meisje., waarmede hij verkeert. Hij ziet, dat het godsdienstig is, gaarne bidt, maandelijks tot de H. Sacramenten nadert. Wat doet nu die jongeling ? Begint hij reeds bij zijne eerste bezoeken met Kerk en godsdienst, met geloof en priesters, met biecht en Communie den spot te drijven ? O neen; want alsdan zou dat godsdienstig meisje aanstonds de verkeering afbreken. Wat doet hij? Eerst zal hij het meisje, dat misschien altijd nog kuisch geweest is, bederven door slechte gesprekken. Jn den beginne zijn het slechts dubbelzinnige woorden, doch later spreekt hij de vuilste taal zonder eenige schaamte. Ziet hij, dat het meisje daarin behagen heeft, dan begint hij uit te vallen tegen geloof en godsdienst, tegen Kerk en priesters, en weldra is alle godsdienstzin bij het meisje verdwenen, om plaats te maken voor haat en minachting. De bedorvenheid des harten heeft haren geest verblind.
Gaat in een huisgezin, waar de ouders den godsdienst niet genegen zijn, al schijnen zij het somtijds te wezen. Kondet gij onbemerkt hen afluisteren, wat zoudt gij er hooren? Gij zoudt er niet slechts hooren spotten met de Kerk, met den godsdienst, met de priesters, met de sermoonen enz., maar gij zoudt er ook onkuische taal hooren spreken. Niet alleen man en vrouw zullen dit doen onder elkander, zij zullen het zelfs doen, als zij met hunne kinderen aan tafel zijn gezeten. Waarom die vuile gesprekken? Omdat zij ook van hunne kinderen godsdiensthaters willen maken. Vaders en moeders, die hieraan schuldig zijt, beeft en siddert voor het oordeel!
Wat hoort gij in sommige herbergen, als zich daar godsdiensthaters bevinden? Loopt gewoonlijk hun mond niet over
waarvan hun hart vol is? Gaan zij somtijds niet zoo ver, dat zij O. L. Vrouw zelve, de Moeder van Jesus, tot voorwerp nemen hunner vuile gesprekken? Zoo volgen zij den raad van het hoofd der Vrijmetselaars: «Verspreidt de ondeugd onder het volk... maakt bedorven harten, en gij zult geen Katholieken meer hebben.quot; En helaas! vele herbergiers laten dit stilzwijgend toe. Mijn God, mijn God, wat zullen zij eenmaal tot hunne verontschuldiging kunnen inbrengen?
Verre van mij, eenen herbergier nadeel in zijne nering te wen-bchen! Dit belet echter niet tot de ouders te zeggen, dat vele kinderen hedendaags den weg naar de herberg te vroeg kennen.
Gave God, dat het nog ware, gelijk vóór eenige jaren! Toen, -ooals een godsdienstig huisvader mij kort geleden opmerkte, toen durfde een jongeling van 20 jaren zich niet in lt; ene herberg vertoonen. Nu echter ziet men, door eene onverklaarbare toegevendheid der ouders, jongelingen van zestien jaren de herbergen bezoeken: die scholen van bederf, welke oikwijls voor de godsdiensthaters de geliefkoosde plaats zijn, waar zij door slechte en zedelooze gesprekken de jeugd bederven, om alzoo hunne ongodsdienstige partij te versterken. V/ie de jeugd bezit â zoo denken zij terecht â bezit de toekomst.
Ik eindig met de woorden van Onzen Goddelijken Zaligmaker: ïWee de wereld om hare ergernissen! Het is onveimij-delijk, dat de ergernissen komen, doch wee den mensch, doör vrien de ergernis komt! Het ware hem beter, met een molensteen aan den hals in de diepte der zee geworpen te worden. 1)
I) Matth. XVIII. 6.
Mochten onze afgedwaalde broeders, die door slechte boekeii en nieuwsbladen, door ontuchtige en zedelooze gesprekken de ondeugd en de godsdiensthaat onder het volk verspreiden, door die stem des Heeren, door dat vreeselijk wee bewogen worden en tot inkeer komen! Dat hunne tong niet langer meer dc wagen zij, waarop de duivel rondrijdt, i)
Laten wij, door broederlijke liefde gedreven, het onze bijdragen voor hunne oprechte bekeering! Laten wij uit liefde voor zoovele zielen, vrijgekocht door het kostbaar bloed van Jezas-Christus, gehoor geven aan de dringende bede Onzer Moeder de H. Kerk, die iederen Zondag door den mond i;:ircr Priesters ons toeroept: Laat ons vurig bidden voor de bekeering der ongelukkige zondaars, die zich schuldig maken, .urn de zonden van godslasteringen, verwenschingen en ontucAligi gesprekken !
Werkt met uwe priesters samen, gij vooral katholieke ou icr.;, om uwe kinderen te onttrekken aan de talrijke gevaren, die hunne zeden en hun geloof bedreigen! Ondersteunt al hunne pogingen, welke zij daartoe in het werk stellen uit liefde .oor God en voor de H. Kerk, uit bezorgdheid voor uw eeuw'jen tijdelijk welzijn, het woord indachtig der H. Schriftuur: »Deugd en rechtvaardigheid verheft een volk, maar de zonde maakt de volkeren ongelukkig.quot;
A M E X.
i) H. Basilius.
iimiiiuiiuuiuu uiuuuiiiiuiu
52 fesc sk amp; 3-0^ quot;frgê ïb s? m se se sesesesesese s.-'sesesesesesgseseseseseseseüesgse^g
T T11T T T T1T T T T T TIT f11T T If 11T TIII11 IIIT U
pERDE pEEL.
â ^c pltelktt I» J|ft%ttcke8.
XV.
Het gel ooi.
Qui non credidcrit, condemmbitur: Wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. (Marc. XVI â16.)
in het jaar 1890 heeft onze H. Vader, Paus Leo XIII, eene belangrijke Encycliek uitgevaardigd, waarin Z. H. op zoo treffende wijze leert, welke de plichten zijn, die wij als Katholieken jegens Kerk en Staat, vooral in onze dagen van toenemend zedenbederf en ongeloof, te vervullen hebben.
Aan het slot van deze gewichtige Encycliek, welke u destijds in haar geheel is voorgelezen, richt Z. H. de Paus tot de Hw. Piisschoppen deze ernstige vermaning : jgt;\Vij hebben, naar het sons voorkomt, hiermede ongeveer alles besproken, wat de 5 Katholieken in onze dagen vooral te doen en te laten hebben.
»Er blijft alleen over, en dit zal uw voornaamste zorg wezen, »Eerbiedwaardige Broeders, alles in het werk te stellen, opdat »onze stem overal doordringe, en allen beseften van hoeveel «belang het is, de lessen, welke dit schrijven bevat, in beoefe-ming te brengen.quot; i)
Om te voldoen aan dit verlangen des Pausen, dat zonder tvijfel ook het verlangen is van onzen Hoogwaardigen Bisschop, kom ik u thans op de bijzonderste plichten wijzen, die ieder Katholiek èn als kind der H. Kerk èn als burger vervullen moet. Welke zijn onze bijzonderste plichten jegens de II. Kerk? Deze zijn, gelijk onze H. Vader de Paus in zijnen omzendbrief rnet zoo groote wijsheid leert;
i0 Gelooven, wat de H. Kerk te gelooven voorhoudt, 2° Het geloof openlijk en moedig belijden,
3° Op zich zeiven waken en alle maatregelen nemen om het geloof te bewaren,
4° De geboden en voorschriften der H. Kerk nakomen, 5° De H. Kerk met innige liefde beminnen,
6° De rechten en belangen der Kerk voorstaan en verdedigen. Den Omzendbrief des Pausen en de Herderlijke brieven van verschillende Bisschoppen tot leiddraad nemende, wil ik u achtereenvolgens deze plichten nader uitleggen.
1.
De Kerk heeft van Jesus-Christus, haren Goddelijken Stichter de macht ontvangen, om als eene ware meesteres al de geloo-
i) Ene. aSapientiae Christianae.
vigen te besturen en te onderwijzen. Koning en onderdaan, priester en leek, rijk en arm, iedereen is aan de Kerk gehoorzaamheid schuldig volgens die Goddelijke uitspraak: »Indien iemand naar de Kerk niet luistert, beschouw hem als eener heiden.quot; i)
Waartoe verplicht ons deze gehoorzaamheid ?
Zij verplicht ons 10 alles te gelooven, wat dc II. Kerk ois te gelooven voorhoudt.
Wat is gelooven? Gelooven â in godsdienstigen zin genomen â is eene waarheid voor zeker houden op gezag van God, die ze ons veropenbaard heeft.
Dat God vele waarheden heeft kenbaar gemaakt, valt niet te betwijfelen. Hij heeft tot de menschen gesproken eertijds bij monde der aartsvaders en profeten, en later bij monde van zijnen zoon, Jesus-Chrislus, evenals Hij de eeuwige Wijsheid zelve.
Dat wij alle waarheden door God veropenbaard, gelooven moeten, is duidelijk. God immers is dc eeuwige Waarheid, die niet kan liegen of bedriegen, of niet bedrogen kan worden. Bijgevolg, zoodra wij weten, dat deze en die waarheid door God zei v en is bekend gemaakt, kan er van twijfel geen spraak meer wezen.
Maar hoe kunnen wij weten, welke waarheden door God zeiven veropenbaard zijn: »In zijne wonderbare goedheid en swijsheid heeft ons God een middel gegeven, om te weten, »welke waarheden wij moeten gelooven. Hij vordert van ons sgeene langdurige en moeielijke navorschingen, om die waar-
i) Matt'i. XVIII. 17.
»heden te ontdekken: navorschingen, waartoe het grootste deel sder menschen onbekwaam is en waarbij de grootste verstan-»den gevaar loopen te verdwalen. Hij stelt ze ons voor door seen eenvoudig raiddel, dat alle zekerheid en alle gemak op-s levert. Dat middel, gij weet het, is de onderwijzende of kerende Kerk.quot; i)
Wie verstaat men door de leerende of onderwijzende Kerk ? Hierdoor verstaat men den Paus, en ook de Bisschoppen met den Paus vereenigd. Zij maken de onderwijzende Kerk uit, die door Christus zeiven belast is geworden, den menschen voor te houden, wat zij moeten gelooven. Als zij uitspraak doen over waarheden, die het geloof betreffen, moeten wij ons verstand onderwerpen en hunne beslissingen aannemen als beslissingen van God zeiven. Immers aan Petrus, en in hem aan zijnen opvolger, den Paus van Rome, heeft Christus zelf gezegd: pasce agnos vteos, pasce oves me as: Weid mijne lammeren, weid mijne schapen 2); confirma fralres tuos: versterk uwe broeders. 3)
Na alzoo den Paus van Rome volle gezag te hebben geschonken, om het volk in het geloof te onderwijzen, stelde Jesus de andere Apostelen aan als zijne medehelpers. Tot hen, en zoo tot hunne wettige opvolgers, de Bisschoppen, sprak de Zaligmaker: sMij is alle macht gegeven in dsn Hemel en op aarde. Gaat dus en leert alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, dej Zoons en des H. Geestes, loert iicn onderhouden alles, wat ik U bevolen heb; en ziet. Ik ben met U alle dagen tot het einde der wereld.
1) Vastenbrief van 7.. 1). H. den Bisschop \an L'iik 1SS0, 2) Tcan, XXI. 17. 3) I.uc. XXn. 32.
Bijgevolg hebben de Paus en de Bisschoppen de macht en het bevel ontvangen, ons alles voor te houden, wat wij verplicht zijn te gelcoven.
Heeft Christus ook geboden, geloof te hechten aan al de waarheden, welke ons door hen worden voorgesteld? Ongetwijfeld, zooals blijkt uit deze woorden van onzen Goddelijken Zaligmaker: »Alwie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden.quot; i) «Indien iemand naar de Kerk niet luistert, houd hem voor een heiden.quot; 2)
Hoe duidelijk deze woorden van Jezus ook zijn, toch hoort men niet zelden de ongeloovigen zeggen: sMaar hoe! Wij zouden alles moeten gelooven, wat de Paus en Bisschoppen ons voorhouden: Zij zijn toch menschen, gelijk wij.quot;
Zeker, de Paus en de Bisschoppen zijn menschen, maar zij zijn niet menschen, gelijk wij. Waarom niet? Omdat zij door Christus zeiven met eene bijzondere macht, met een bijzonder gezag bekleed zijn, dat hen onderscheidt van al de andere geloovigen, ook van de priesters. Hetgeen Petrus en de andere Apostelen waren in de eerste tijden der Katholieke Kerk, datzelfde zijn nu de Paus en de Bisschoppen. Tot hen alleen heeft God gesproken; Onderwijst alle volkeren: predikt het Evangelie aan alle schepselen. Die u hoort, hoort Mij; die u veracht, veracht Mij. 3)
Kunnen dan de Paus of de Bisschoppen zich niet vergissen, als zij ons voorhouden, wat wij moeten gelooven? Neen, vergissen kunnen zii zich niet. Waarom niet ? Omdat God hun
1) Marc. XVI. 16. 2) Matth. XVIII. 3) Luc. X. 16.
in zaken, die het geloof of de zeden betreffen, de gave verleend heeft der onfeilbaarheid.
Christus stichtte zijne Kerk, opdat in haar en door haar de geopenbaarde waarheden onvervalscht bewaard zouden blijven. Tot dat einde schonk Hij haar het voorrecht der onfeilbaarheid. Dit voorrecht komt toe aan de onderwijzende Kerk, d. i. aan den Paus en ook aan de Bisschoppen, die met den Paus ver-eenigd zijn.
Waarin bestaat die onfeilbaarheid? Zij bestaat hierin, dat de onderwijzende Kerk, door den bijstand van den H. Geest, niet kan dwalen, zich niet kan vergissen in hare leer of voorschriften over geloofs- en zedeher. Dit wil zeggen; x0 dat de Kerk nooit eene dwaling als geloofspunt kan voorstellen; 2® dat zij nooit eene zedenleer kan verkondigen, in strijd met de wetten der natuur, of met Gods geboden, of met de leer van Christus; 30 dat de Kerk nimmer kan dwalen, als zij eene leer veroordeelt strijdig met het geloof of met de christelijke zeden, ofwel als daarmede overeenkomstig goedkeurt.
Dat de Paus, en ook de Bisschoppen, met den Paus ver-eenigd, dit voorrecht der onfeilbaarheid bezitten, blijkt ons uit de H. Schriftuur. Christus zegt tot de Apostelen: Gaat derhalve en leert alle volkeren.,, en ziet. Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der eeuwen. 1) Terwijl Christus aan zijne Apostelen het leerambt opdraagt, belooft Hij met hen te zullen zijn tot het einde der wereld; bijgevolg blijft Hij met hunne wettige opvolgers gedurende alle eeuwen. Christus echter zou met hen niet kunnen blijven, indien zij dwaalden
1) Matth. XXVIII. 19, 23.
- iS6 -
en eene andere leer, dan zijn Evangelie verkondigden. Omdat nu alles, wat Christus belooft, zeker vervult wordt, en Hij altijd met de leeraars der Kerk blijft, kunnen zij in de ge-loofs- en zedeleer niet dwalen.
Even duidelijk blijkt deze waarheid uit de volgende woorden van Jesus, gesproken tot Petrus: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen, i) Konde de onderwijzende Kerk in zake van geloof of zeden dwalingen verkondigen, dan zou de gansche Kerk in dwaling vervallen, omdat alie geloovigen verplicht zijn, hare leer te volgen. Maar danf Dan zouden ook de poorten der hel, d. i. de leugen en de dwaling over de Kerk zegevieren.
Wijl dit echter volgens de belofte van Christus zeiven niet geschieden kan, zoo volgt duidelijk, dat de leerende of onderwijzende Kerk onfeilbaar is, als zij eene leer bepaalt over geloof en zeden, welke door de gansche Kerk moet gehouden worden.
Kunnen de Paus of de Bisschoppen nieuwe geloofspunten uitvinden r Dit beweren de ongeloovigen, maar zij dwalen. Het Katholiek geloof kan niet veranderen, het blijft immer hetzelfde. Zijn dan de geloofsartikelen sedert het bestaan der Kerk niet talrijker geworden ? Na de prediking van Jesus en de Apostelen zijn er geene nieuwe geloofspunten bijgekomen ; want alle waarheden des geloofs zijn aan de Apostelen veropenbaard geweest. Dit getuigde Christus zelf aan zijne leerlingen zeggende: Alles, wat ik van den Vader gehoofd heb,
i) Matth. XVI.
is u door mij kenbaar gemaakt.... Als de Geest van waarheid is gekomen, zal Hij u alle waarheden leeren.quot; i)
Uit de woorden van Jezus blijkt duidelijk, dat er na den tijd der Apostelen geene nieuwe waarheden des geloofs zijn bijgekomen. Bijgevolg, als de Paus, ofwel de Bisschoppen, met den Paus vereenigd, het een of ander punt tot geloofspunt verheffen, gelijk b. v. over eenige jaren de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, de Onfeilbaarheid van den Paus, dan vinden zij geene nieuwe waarheden uit, maar zij stellen ons waarheden te gelooven voor, welke door God reeds veropenbaard zijn bij middel der H. Schriftuur of der Apostolieke traditiën of overleveringen.
Als nu de Paus of de Bisschoppen geene andere waarheden te gelooven kunnen voorstellen, dan die, welke door God zeiven zijn bekend gemaakt: als zij daarenboven in die voorstelling niet kunnen dwalen; wat volgt dan daaruit? Daaruit volgt zonneklaar, dat wij vastelijk moeten gelooven alles, wat zij ons te gelooven voorhouden, hoe onbegrijpelijk sommige waarheden ook zijn. Ik weet het, de zoogenaamde vrijdenkers verzetten zich tegen die leering, zeggende, dat zij niet gelooven, wat zij niet zien of niet begrijpen. Hierover zal ik u spreken in eene volgende onderrichting.
Ik eindig heden met de vermaning van den Apostel Paulus: State in fide: Staat vast in uw geloof, gedraagt u manhaftig en wordt versterkt.quot; 2) Verre van u alle ongeloovigheid, ja verre van u alle moedwillige tvvijfell Gelooft vastelijk al de waarheden, die de H. Kerk te gelooven voorhoudt. Of gij ze
1) Joan. XV. 15, XVI. 13. 2) I, Cor. XVI. 13.
â 154 â
Bijgevolg hebben de Paus en de Bisschoppen de macht en het bevel ontvangen, ons alles voor te houden, wat wij verplicht zijn te gelooven.
Heeft Christus ook geboden, geloof te hechten aan al de waarheden, welke ons door hen worden voorgesteld? Ongetwijfeld, zooals blijkt uit deze woorden van onzen Goddelijken Zaligmaker: »Al wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden.quot; i) «Indien iemand naar de Kerk niet luistert, houd hem voor een heiden.quot; 2)
Hoe duidelijk deze woorden van Jezus ook zijn, toch hoort men niet zelden de ongeloovigen zeggen: sMaar hoe'. Wij zouden alles moeten gelooven, wat de Paus en Bisschoppen ons voorhouden? Zij zijn toch menschen, gelijk wij.quot;
Zeker, de Paus en de Bisschoppen zijn menschen, maar zij zijn niet menschen, gelijk wij. Waarom niet? Omdat zij door Christus zeiven met eene bijzondere macht, met een bijzonder gezag bekleed zijn, dat hen onderscheidt van al de andere geloovigen, ook van de priesters. Hetgeen Petrus en de andere Apostelen waren in de eerste tijden der Katholieke Kerk, datzelfde zijn nu de Paus en de Bisschoppen. Tot hen alleen heeft God gesproken: Onderwijst alle volkeren: predikt het Evangelie aan alle schepselen. Die u hoort, hoort M;j; die u veracht, veracht Mij. 3)
Kunnen dan de Paus of de Bisschoppen zich niet vergissen, als zij ons voorhouden, wat wij moeten gelooven? Neen, vergissen kunnen zii zich niet. Waarom jiiet ? Omdat God hun
1) Marc. XVI. 16. 2) Matth. XVIII. 3) Luc. X. 16.
â iS5 â
in zaken, die het geloof of de zeden betreften, de gave verleend heeft der onfeilbaarheid.
Christus stichtte zijne Kerk, opdat in haar en door haar de geopenbaarde waarheden onvervalscht bewaard zouden blijven. Tot dat einde schonk Hij haar het voorrecht der onfeilbaarheid. Dit voorrecht komt toe aan de onderwijzende Kerk, d. i. aan den Paus en ook aan de Bisschoppen, die met den Paus ver-eenigd zijn.
Waarin bestaat die onfeilbaarheid? Zij bestaat hierin, dat de onderwijzende Kerk, door den bijstand van den H. Geest, niet kan dwalen, zich niet kan vergissen in hare leer of voorschriften over geloofs- en zedeleer. Dit wil zeggen; 10 dat de Kerk nooit eene dwaling als geloofspunt kan voorstellen; 2° dat zij nooit eene zedenleer kan verkondigen, in strijd met de wetten der natuur, of met Gods geboden, of met de leer van Christus; 30 dat de Kerk nimmer kan dwalen, als zij eene leer veroordeelt strijdig met het geloof of met de christelijke zeden, ofwel ais daarmede overeenkomstig goedkeurt.
Dat de Paus, en ook de Bisschoppen, met den Paus ver-eenigd, dit voorrecht der onfeilbaarheid bezitten, blijkt ons uit de H. Schriftuur. Christus zegt tot de Apostelen: Gaat derhalve en leert alle volkeren.,, en ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der eeuwen. 1) Terwijl Christus aan zijne Apostelen het leerambt opdraagt, belooft Hij met hen te zullen zijn tot het einde der wereld; bijgevolg blijft Hij met hunne wettige opvolgers gedurende alle eeuwen. Christus echter zou met hen niet kunnen blijven, indien zij dwaalden
1) Matth. XXVIII. 19, 2D.
â 156 â
en eene andere leer, dan zijn Evangelie verkondigden. Omdat nu alles, wat Christus belooft, zeker vervult wordt, en Hij altijd met de leeraars der Kerk blijft, kunnen zij in de ge-loofs- en zedeleer niet dwalen.
Even duidelijk blijkt deze waarheid uit de volgende woorden van Jesus, gesproken tot Petrus; Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. 1) Konde de onderwijzende Kerk in zake van geloof of zeden dwalingen verkondigen, dan zou de gansche Kerk in dwaling vervallen, omdat alie geloovigen verplicht zijn, hare loer te volgen. Maar dan? Dan zouden ook de poorten der hel, d. i. de leugen en de dwaling over de Kerk zegevieren.
Wijl dit echter volgens de belofte van Christus zeiven niet geschieden kan, zoo volgt duidelijk, dat de leercnde of onderwijzende Kerk onfeilbaar is, als zij eene leer bepaalt over geloof en zeden, welke door de gansche Kerk moet gehouden worden.
Kunnen de Paus of de Bisschoppen nieuwe geloofspunten uitvindenDit beweren de ongeloovigen, maar zij dwalen, liet Katholiek geloof kan niet veranderen, het blijft immer hetzelfde. Zijn dan dc geloofsartikelen sedert het bestaan der Kerk niet talrijker geworden ? Na de prediking van Jesus en de Apostelen zijn er geene nieuwe geloofspunten bijgekomen: want alle waarheden des geloofs zijn aan de Apostelen veropenbaard geweest. Dit getuigde Christus zelf aan zijne leerlingen zeggende: Alles, wat ik van den Vader gehoord heb,
1) Matth. XV!.
is u door mij kenbaar gemaakt.... Als de Geest van waarheid is gekomen, zal Hij u alle waarheden leeren.quot; i)
Uit de woorden van Jezus blijkt duidelijk, dat er na den tijd der Apostelen geene nieuwe waarheden des geloofs zijn bijgekomen. Bijgevolg, als de Paus, ofwel de Bisschoppen, met den Paus vereenigd, het een of ander punt tot geloofspunt verheffen, gelijk b. v. over eenige jaren de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, de Onfeilbaarheid van den Paus, dan vinden zij geene nieuwe waarheden uit, maar zij stellen ons waarheden te gelooven voor, welke door God reeds veropenbaard zijn bij middel der H. Schriftuur of der Apostolieke traditiën of overleveringen.
Als nu de Paus of de Bisschoppen geene andere waarheden te gelooven kunnen voorstellen, dan die, welke door God zeiven zijn bekend gemaakt; als zij daarenboven in die voorstelling niet kunnen dwalen: wat volgt dan daaruit? Daaruit volgt zonneklaar, dat wij vastelijk moeten gelooven alles, wat zij ons te gelooven voorhouden, hoe onbegrijpelijk sommige waarheden ook zijn. Ik weet het, de zoogenaamde vrijdenkers verzetten zich tegen die leering, zeggende, dat zij niet gelooven, wat zij niet zien of niet begrijpen. Hierover zal ik u spreken in eene volgende onderrichting.
Ik eindig heden met de vermaning van den Apostel Paulus: State in fide: Staat vast in uw geloof, gedraagt u manhaftig en wordt versterkt.quot; 2) Verre van u alle ongeloovigheid, ja verre van u alle moedwillige twijfell Gelooft vastelijk al de waarheden, die de H. Kerk te gelooven voorhoudt. Of gij ze
1) Joan. XV. is, XVI. 13, 2) I, Cor. XVI. 13.
- 158 -
begrijpt, of niet begrijpt, zegt altijd met volle overturging; Ik weet, wien ik geloof; ik ben zeker van de waarheid. Gelooft vastelijk, niet omdat gij in de Katholieke Kerk geboren en opgevoed zijt; niet omdat anderen gelooven, niet omdat gij die waarheden in den Catechismus geleerd hebt, of door de Priesters hoort prediken! Neen, dat moet de reden niet zijn, waarom gij gelooft. Wij moeten gelooven, omdat God, die ons de geloofswaarheden veropenbaard heeft, de opperste en onfeilbare waarheid is, die niet kan liegen, noch bedriegen, noch bedrogen kan worden.
Dat geloof is noodig, om aan God te behagen; dat geloof is de grondslag onzer rechtvaardigmaking; dat geloof eindelijk is noodig ter zaligheid. »Alwie geloofd zal hebben en gedoopt zal wezen, zal zalig worden; wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden, i)
i) Marc. XVI.
:!
â ï- .
'H !
sb-
( 1
ii
i
Vj
cé» ^ïr sïr 4r
if gt;
â ,'fl
i quot;J
XVI.
- 11
Het geloof aai) tie irjvstcrie^.
/Voli esse incrcdulus, sed fidelis: Wees niet on-geloovig, maar geloovig. (Joan. XXâ27.)
Een der bijzonderste plichten van iederen Katholiek is, vas-'telijk te gelooven alles, wat God veropenbaard heeft en de H. Kerk ons te gelooven voorhoudt.
De Paus alleen, alsook de Bisschoppen, met den Paus ver-eenigd, maken de onderwijzende Kerk uit, die door Christus zeiven gelast is, den Christenen voor te houden, welke waarheden door God veropenbaard zijn en bijgevolg geloofd moeten worden. In de voorstelling van die waarheden kan de Kerk niet dwalen, omdat Jesus haar het voorrecht heeft geschonken der onfeilbaarheid.
Uit deze leering volgt van zelf, dat wij aan geene enkele waarheid van ons Katholiek geloof mogen twijfelen. Wij kunnen en moeten gelooven alles, wat de H. Kerk ons te gelooven voorstelt.
Die leering verwerpen onze hedendaagsche vrijdenkers, zeg-
r
: i
!;| ⢠i
i
Bil
â¢li
P !
â i6o â
gende: sik geloof niets, of ik moet het zien en begrijpen. Aan mysteries gelooven, is onredelijk.quot;
Ieder geloovig Katholiek is overtuigd, dat juist het tegenovergestelde waarheid is. Nochtans oordeel ik het nuttig, dit punt breedvoeriger te bewijzen, en u heden aan te toonen, hoe dwaas en onredelijk die zoogen?amde vrijdenkers handelen.
I.
Op het einde der vorige eeuw sprak een koning tot een geleerden Bisschop: sMeent gij niet. Monseigneur, dat het tegenwoordig eene eeuw is van verlichting?quot; sSirel â antwoordde die Bisschop â als gij dat zoo wilt, dan zal ik onze eeuw eene eeuw van verlichting noemen, maar er aanstonds ook bijvoegen, dat de duivel de lamp vasthoudt en bijlicht.quot;
De waarheid van dit antwoord gevoelen wij des te beier, als wij sommige verlichte mannen onbeschaamd hooren zeggen; » Wat ik niet zie^ dat geloof ik niei.,,
Zij zien God niet, en dus zeggen zij, aan geen God te willen gelooven; ze zien hunne ziel niet, en daarom zeggen ze ook, aan geene ziel te willen gelooven, dood is dood; ze zien de H. Drievuldigheid niet, zij zien niet de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars, en daarom gelooven ze niet; zij zien of begrijpen niet, hoe Maria Moeder van Jesus kon zijn, en tegelijk Maagd kon blijven, en omdat ze dit liiet begrijpen, gelooven zij het niet.
Overtuigt hen, zooveel als gij wilt, dat de gansche schepping het bestaan van God zonneklaar bewijst; overtuigt hen, dat zij eene ziel hebben, die zij in zich voelen werken, den-
ken en leven: overtuigt hen, dat gedurende 18 eeuwen de verstandigste, geleerdste en heiligste mensdien aan bovengenoemde mysteriën geloofd hebben, dat duizenden voor dat geloof zijn gestorven: zij, die verlichten, willen niet overtuigd worden. Zij willen geen God, die hen zal oordeelen, dus moet Hij geloochend; zij willen geen hel, waar zij gestraft zullen worden, dus moet zij ontkend worden. Maar hun geweten roept luide: Er bestaat een God, er bestaat eene ziel, er bestaat eene hel! Om dat knagend geweten den mond te stoppen, zeggen zij: Wat ik niet zie, dat geloof ik niet!
Welke dwaasheid! Zij doen gelijk de struisvogels, die door den jager achtervolgd, den kop in het zand steken, de oogen sluiten en zoo als het ware, schijnen te zeggen: Ik zie den jager niet, dus ziet hij mij ook niet.
Een Priester-Missionaris uit Europa kwam eens in Indie bij een heidenschen vorst, om hem bekend te maken met de waarheden van ons heilig geloof. De vorst luisterde met veel aandacht, en was reeds ten deele voor het Katholiek geloof gewonnen, toen hij den Priester vraagde, hem het een en ander van Europa te vertellen. Met belangstelling luisterde die vorst naar de bijzonderheden, welke hem de Priester verhaalde. Maar toen deze vertelde, dat 's winters in Europa het water der rivieren somtijds zoo hard werd, dat er menschen over konden loopen, toen riep de vorst, die in de warme landstreek van Indic nooit ijs gezien had: Houd op; wat gij vertelt, is een leugen; dat is onmogelijk; en omdat gij mij leugens opdischt, kan ik uwe woorden over den godsdienst evenmin gelooven.quot; Hij wilde niets meer van den godsdienst hooren, en bleef heiden.
Wat dunkt u van dezen vorst? Omdat hij nooit ijs gezien
De Godsdienst. n
102
had, wilde hij niet gelooven, dat water in ijs kon veranderen. Groote dwaasheid, zult gij zeggen! Welnu, even dwaas zijn degenen, die in zake van godsdienst niets gelooven, of zij moeten het zien en begrijpen. En toch meenen zulke mannen, dat zij veel verstand hebben. â Doch, wat meer is, zij zijn met zich zeiven in tegenspraak; want de gansche natuur is vol onbegrijpelijke zaken, die zij nochtans gelooven »Van welken kant wij ons keeren â zoo sprak de goddelooze Voltaire â moeten wij deze twee zaken erkennen: onze diepe onwetendheid en de oneindige macht van onzen Schepper.
Wij gelooven b. v. dat het brood, hetwelk wij eten, in onze .zelfstandigheid overgaat, maar begrijpen wij, hoe dat geschiedt? AVij gelooven, dat de kern van eene vrucht, welke wij in de aarde steken, eerst verrot, daarna uitschiet, een boom wordt, die bladeren en vruchten voortbrengt: maar begrijpen wij, hoe dat geschiedt? Wij hooren den wind waaien, maar wie heeft tot heden toe voldoende uitgelegd, wat eigenlijk de wind is? Wij weten, dat wij bestaan, maar begrijpen wij, hoe de ziel zich heeft vereenigd met het lichaam? Dat zijn allen mysteriën in de natuur; en nochtans de grootste vrijdenker gelooft daaraan. En wanneer God spreekt, dan durft een nietig schepsel zeggen: »Ik geloof u niet; ik moet het eerst zien of begrijpen.quot; Het is juist, omdat wij de mysterien, door God veropenbaard, niet begrijpen, dat wij ze moeten gelooven; want hetgeen men ziet of begrijpt, dat gelooft men niet, dat weet men.
Zeer terecht roept een godvruchtig schrijver den ongeloovige toe: O zwakke en hoovaardige mensch, die u zeiven niet begrijpt, die zelfs het zandkorreltje niet begrijpt, dat gij met de voeten trapt, wat staat het u schoon, aan niets te willen ge-
i|| %
â y|i iji
Will ii
Iwin
ii! 1
looven, dan aan hetgeen gij begrijpt! Er zijn overal mysteriën in de natuur; en wij voegen er bij, waren er geen mysteriën in den godsdienst, dan zou de godsdienst valsch zijn. Waarom? Ziethier de reden. Een godsdienst, om waarachtig te zijn, moet van God komen en noodzakelijk van God en van goddelijke zaken spreken. Welnu, wat is God? Wat zijn goddelijke zaken anders, dan zaken, die wij met ons beperkt verstand niet kunnen begrijpen? Daarom riep de Wijze Man terecht uit: Aardsche zaken begrijpen wij moeielijk : quae autem in coelis sunt, quis investigahit: Wie zal dan de hemelsche zaken begrijpen ?
De onbegrijpelijkheid eener zaak is dus geene reden, om ze niet te gelooven.
Maar â zegt de ongeloovige â hoe kan het redelijk zijn, mysteriën te gelooven, die ons verstand te boven gaan?
Die vraag stellen is hetzelfde als vragen; of God meer weet, dan wij, en of God ons kan verplichten, waarheden te gelooven, die ons verstand te boven gaan ? Welnu, dat God, wiens kennissen oneindig zijn, ons daartoe kan verplichten, zal geen verstandig mensch betwijfelen. Indien God ons verplichten zou, die mysteriën te begrijpen, dat ware onredelijk van Zijnen kant; maar God verplicht ons daartoe niet. Het eenige, wat Hij vordert, is, dat wij die waarheden op zijn woord gelooven. Dat is redelijk. Immers wij zijn schepselen van God, en als zoodanig behooren wij Hem toe en hangen geheel van Hem af. Welnu, wat is redelijker, dan dat wij ons aan Hem onderwerpen met al de vermogens onzer ziel? Ja, gelijk het redelijk is, zijnen wil te onderwerpen aan God door het onderhouden Zijner geboden, ofschoon die geboden strijdig zijn met 's men-
â 164 â
schen driften; zoo is het ook redelijk, ons verstand te onderwerpen door het geloof aan de mysterien, welke God veropenbaard heeft.
Men zegge niet, dat de mysteriën, omdat zij boven ons verstand zijn, noodzakelijk tegen ons verstand strijden en daarom niet geloofd kunnen worden; want boven en iegen het verstand is voorzeker niet écin en hetzelfde. Tegen ons verstand is dit, hetwelk iets ongerijmds of onmogelijks bevat; maar boven ons verstand is datgene, hetwelk zóó verheven is, dat ons bekrompen verstand niet in staat is, er het wezen of den grond van te begrijpen. Ongetwijfeld ware het eene dwaasheid iets wat boven ons verstand is, te gelooven, zonder dat God er de waarheid van betuigd zou hebben; maar eens gesteld dat God zulk eene waarheid bevestigd heeft, is het ten hoogste onverstandig, ze niet te gelooven.
Hieruit volgt, dat degenen die de mysteriën verwerpen, omdat zij ze niet verstaan, zoo handelen, alsof zij zeiven de opperste wijsheid waren, alsof er geen wezen bestond, dat hen in wijsheid overtreft, alsof er geen God bestond, die oneindig volmaakt en wijs is; en zoo loochenen zij God, en maken zich zeiven God. Niet minder dwaas is hun gedrag, als dat van een jong kind, hetwelk niet zou willen erkennen, dat het van zijne ouders en meesters moet onderwezen worden, aan hen geenszins zou willen gelooven, en alleen voor waar houden, hetgeen het door eigene ondervinding zou geleerd hebben. 1)
Wie zijn de dwazen, die dat kind navolgen? Het zijn vooral ce hedendaagsche vrijdenkers, die zich alzoo laten noemen,
1) Lambrecht, Verklaring van den Mechelschen Catechismus.
omdat zij elk gezag verwerpen over hun verstand. Zij willen door eigen denken, door eigen onderzoek komen tot de waarheid, zoodat in het oog van den vrijdenker niets waarheid is, dan wat hij zelf heeft gevonden, of wat hij begrijpt.
Hoe onredelijk dit is, blijkt voldoende uit de groote overeenkomst, welke er bestaat tusschen de vrijdenkers, die zoo heeten, zonder ooit te denken. Het zijn allen mannen van hetzelfde weefsel; zij zeggen allen hetzelfde; want allen volgen een vrijdenkershoofd, gelijk de schapen hunnen herder. Evenals in eene zangschool de meester voorzingt en al de leerlingen te zamen datgene nazingen, wat zij gehoord hebben van hunnen meester; zoo is ook de groote hoop der vrijdenkers een trouwe weerklank van de openbare meening, van een dagblad, van een stout spreker in herbergen en sociëteiten. â Zij zeggen, dat zij aan niemand eenig gezag over hun denkvermogen toekennen, en zij durven niets denken of zeggen, dan wat hun is voorgedacht of voorgezegd; zij weigeren aan God, die openbaart en aan de Kerk, die in Gods naam ons leert, te gelooven, en zij gelooven blindelings aan een dagblad, wiens schrijver zij niet kennen, aan snoevers,die geen geloof verdienen, i) Zeker, medelijden, diep medelijden verwekt het zelfbedrog van den vrijdenker, die beweert in het zuiver licht van zijn verstand te wandelen, en niettemin de slaaf is van vooroordeel en menschelijk opzicht. »Zeggende wijzen te zijn, zijn zij dwazen geworden. 2)
Moge deze onderwijzing U overtuigd hebben, hoe onredelijk het is, geen geloof te hechten aan de mysteriën van onzen
1) liet geloof van den Christen door A. van Gestel S. j. 2) Rom. I. 2.
godsdienst! Fratres vigilate, slate in fide, i) Broeders, weest op uwe hoede en staat pal in uw geloof. De tijd, dien wij beleven, is gevaarlijk. Overal vindt men ongeloovigen, die met de heiligste waarheden van ons Katholiek geloof spotten en ze onbeschaamd verwerpen. Vooral de mysteriën, zooals de H. Drievuldigheid, de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus in het H. Sacrament des Altaars, de Maagdelijkheid van Maria trachten zij in herbergen en societeiten voor te stellen als onmogelijk en strijdig met 's menschen verstand. Luistert niet naar hunne drogredenen! Luistert alleen naar de H. Kerk, die u de waarheden des geloofs voorhoudt; waarheden, waaraan de grootste en geleerdste mannen ten allen tijde geloofd hebben ! Onderwerpt uw zwak verstand aan het onfeilbaar woord van God, die ons al die waarheden veropenbaard heeft! Zalig zijn zij, zegt Jesus, die niet gezien, en toch geloofd hebben. 2)
Laat u niet wijs maken, dat het genoeg is eerlijk man te zijn! Die zoo spreken, bedriegen zich deerlijk.
«Vooreerst, het is bekend â zoo zegt Z. D. H. de Bisschop »van Luik â dat velen van hen, die zoo spreken op verre »na niet zijn, wat ze zeggen en willen schijnen. In hun ge-»drag zijn zij doorgaans geene toonbeelden van zedigheid. »Hunne losbandigheid blijft somtijds geheim en verborgen, »maar dikwerf is de zedeloosheid eene smet op hun leven, en »misschien was de zedeloosheid de oorzaak, waarom zij den »godsdienst hebben verzaakt.
sWij spreken hier recht uit, niet om de geheime slachtoffers gt;van lage driften aan minachting prijs te geven, maar om de
1) I. Cor. XVI. 13. 2) Joan. XX. 29.
»zwakheid van sommigen onder u te wapenen tegen de ver-»leiding van zulke voorbeelden: om u ni°t te laten besluiten, gt;gelijk soms gebeurt, als men slechts het schijnbaar geregeld gt;gedrag van mannen zonder geloof nagaat, dat men braaf kan »leven zonder Katholiek te zijn.quot; i)
Al ware dit zelfs mogelijk, wie het geloof geheel of ten deele verliest, gaat den eeuwigen dood te gemoet.
De H. Franciscus van Sales bevond zich eens in gezelschap van eenen mensch zonder geloof, die zegde: iGodsdienst of geloof heb ik niet en wil ik niet hebben; ik ben eerlijk man, dat is mij genoeg.quot; Vriend, antwoordde de H. Franciscus, als gij eerlijk man zijt, hebt gij niets van de galg te vreezen, maar indien gij in God niet gelooft, dai zal het zeer slecht met u gaan in het oordeel.quot; Zoo sprak Franciscus: zoo spreekt ook God, de eeuwige waarheid: »qui non crediderit, condem-nabitur:quot; Wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. 2)
AMEN.
1) Vastenbrief van het jaar 1880, 2) Marc. XVI. 16.
(Matth. X. 32.)
In zijnen brief aan de Romeinen schrijft de Apostel Paulus; »Met het hart gelooft men ter gerechtigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid,quot; i) d. w. z. het geloof des harten, door den mond beleden, maakt den mensch gerechtig voor God en zalig.
Hieruit ziet gij, dat niet alleen het geloof, maar ook de belijdenis van het geloof vereischt wordt, om zalig te kunnen worden.
XVII.
Wat het geloof aangaat, hierover hebben wij gesproken in de twee vorige onderwijzingen, waarin wij aangetoond hebben, dat wij verplicht zijn, alles te gelooven, wat God veropenbaard heeft en door de H. Kerk ons te gelooven voorhoudt, en dat het zeer dwaas en onredelijk is, niet te gelooven, wat men niet ziet of niet begrijpt.
1) Rom. X. 10.
Heden kom ik u spreken over de tweede verplichting, welke rust op iederen Katholiek, nl. over de belijdenis van het geloof.
I.
Het streng gebod, zijn geloof te belijden, is tweevoudig: iu het verbiedt ons, iets te doen of iets te zeggen, waarin eene verzaking van het geloof ligt opgesloten; en 2° het gebiedt ons, door woorden en werken ons geloof uitwendig te belijden. Beide verplichtingen zijn ons opgelegd door Jesus-Christus zelven met deze woorden; sAlwie Mij belijdt voor de menschen, hem zal Ik ook belijden voor Mijnen Vader, die in den Hemel is.quot; Integendeel: swie Mij verloochent voor de menschen, hem zal Ik ook verloochenen voor Mijnen Hemelschen Vader.quot; i)
Het streng verbod, ons geloof te verzaken, verplicht altijd en in alle omstandigheden; want nimmer is het toegestaan, zelfs niet uitwendig alleen, zijn geloof te verloochenen.
Wie verzaken hun geloof ?
i0. Degenen, die het uitwendig verloochenen.
Dit is het geval, als men leerstelsels uitkraamt, tegenstrijdig aan het geloof, gelijk sommigen doen uit eigenzinnigheid, ofwel uit ijdele hoovaardigheid, om mannen van verstand te schijnen. Men verzaakt eveneens zijn geloof, als men gesprekken voert, die een ander met reden doen twijfelen, of men nog het waar geloof bezit.
Hieruit kunt gij besluiten, dat geloofsverzakers zijn degenen, die b. v. zeggen: Er is geene hel, God is te goed, om den
i) Matth. X. 33.
â 170 â
mensch met eeuwigdurende pijnen te straffen,... er bestaat geen vagevuur,.... de Biecht is eene uitvinding van de priesters,.....wat
men ziet of niet begrijpt, is men niet verplicht te gelooven,.....
mirakelen zijn onmogelijk....... dood is dood enz.. Zulke leerstelsels uitkramen, is het geloof uitwendig verloochenen.
Eveneens kan men als geloofsverzakers aanzien degenen, die gedurig met de heiligste zaken van onzen godsdienst den spot drijven; met de H. Sacramenten, met de H. Mis, met de sermoenen, met de Congregaties enbedevaarten, met de priesters en kloosterlingen enz. Onder hen kunnen er wezen, die inwendig zoo ongeloovig niet zijn, als zij het uitwendig schijnen; maar hetgeen zij tegen geloof en godsdienst, tegen Kerk en priesters uitkramen, doet met reden veronderstellen, dat zij hun geloof geheel of ten deele verzaakt hebben.
Doch niet alleen door woorden, maar ook door zijn gedrag kan men uitwendig zijn geloof verloochenen. Dit is het geval, als men zich onbeschaamd en hartstochtelijk aan allerlei zonden en ondeugden overgeeft. Zoolang de zonde binnen zekere grenzen blijft, schrijft men ze toe aan de zwakheid van onze menschelijke natuur; maar als de zonde alle palen en perken te buiten gaat, bevat zij eene verzaking van het geloof. Vandaar als iemand openlijk ergernis geeft door een langdurig slecht leven, dat men van hem zegt: 't Is een goddelooze, een mensch zonder geloof, zonder geweten. Deum factis mgant: Zij loochenen God door hunne daden. 1)
Wie verzaken nog hun geloof ?
20. Degenen, die een ander geloof veinzen.
1) Tit. I. 16.
Zulks deden in de eerste tijden der Kerk, die Christenen, die gedurende de vervolgingen, om de doodstraf te ontkomen, de valsche goden der heidenen vereerden. Ofschoon zij in hun hart den waren God erkenden, en inwendig die dwaze afgodsbeelden verfoeiden, toch waren zij geloofsverzakers, omdat zij zich heidenen veinsden.
Ook werden zij door de Kerk als afvalligen, als verzakers van hun geloof beschouwd en behandeld.
Integendeel spreekt de H. Schriftuur met den grootsten lof van den negentigjarigen grijzaard Eleazar. Men wilde hem dwingen zijn geloof te verloochenen en tot teeken dezer verloochening varkensvleesch te eten, hetgeen den Joden verboden was. Eleazar weigerde, en verkoos voor zijn geloof te sterven. Eenigen zijner vrienden stelden hem voor, in 't geheim ander vleesch te geven, dat hij eten mocht. De koning zou dan mee-
nen, dat Eleazar verboden vleesch gegeten had, en alzoo zou
â¦
hij niet veroordeeld worden. Doch de negentigjarige grijzaard antwoordde kloekmoedig: iLiever sterven, dan een ander geloof te veinzen; huichelen betaamt niet aan mijnen hoogen ouderdom.quot; En hij verkoos den marteldood.
Wij bewonderen die standvastigheid in het geloof, ofschoon Eleazar daartoe verplicht was. Hadde hij het voorstel zijner vrienden aangenomen, dan had hij uitwendig door veinzerij zijn geloof verloochend.
Als wij ons dat voorbeeld herinneren, wat moeten wij dan zeggen van sommige Katholieken, die alleen uit menschelijk opzicht, alleen uit vrees voor spotternij zich somtijds even ongodsdienstig, even ongeloovig veinzen, als degenen, in wier tegenwoordigheid zij zich bevinden: Katholieken bv. die op
reis zijnde des Vrijdags vleesch eten, omdat anderen, in wier gezelschap zij komen, het doen ; Katholieken, die niet uit overtuiging, maar om den eenen of anderen verdediger van het Liberalismus te voldoen, deze leering, door de Kerk veroordeeld, prijzen en goedkeuren; Katholieken, die zoo ver gaan, dat zij in de gezelschappen der ongeloovigen met de plechtigheden en voorschriften der H. Kerk durven spotten, hoezeer soms tegen de verwijtingen van hun geweten in.
Niet zoo gij! Neen, met den H. Apostel Paulus durven wij van de meesten uwer zeggen : »Wij vertrouwen van u, geliefden, iets beters en gelukzaligers, al spreken wij ook aldus, i) Wie verzaken eindelijk nog hun geloof ?
3°. Degenen, die hun geloof verbergen in omstandigheden, waarin zwijgen gelijk staat aan eene oprechte geloofsverzaking.
Alzoo, gij hoort ongeloovige, kettersche en goddelooze taal spreken, en gij zwijgt, als gij met reden kunt veronderstejlen, dat uw stilzwijgen voor eene goedkeuring der dwaling wordt aangezien: gij verzaakt uw geloof; want in zulke omstandigheden geldt het woord van Jesus : aWie niet met mij is, is tegen mij. 2) En hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de toegevendheid en onverschilligheid, waarmede men de vijanden van geloof en godsdienst aanhoort, eene ware goedkeuring schijnen, die de ongeloovigen versterkt ?
sTerugschrikken voor den vijand â zoo spreekt Z. H. Paus s Leo XIII â en het stilzwijgen bewaren, wanneer van alle «kanten om het hardste geschreeuwd wordt tegen de waarheid, sis de daad van een man zonder karakter, of van iemand, die
i) Hebr. VI. 9. 2) Matth. XII. 30.
jaan de waarheid van het geloof twijfelt. In beide gevallen is szoodanig gedrag schardelijk en zonde tegen God: het is in »strijd met ieders welz jn; het is alleen voordeelig voor de rvijanden der Kerk. Want niets vermeerdert zoozeer de stout-»moedigheid der boozen, als de zwakheid der goeden. Daaren-^boven verdient de lauwheid der christenen zooveel te meer ïblaam, omdat dikwijls zoo weinig noodig is, om de dwaalleer ste wederleggen, en indien men zich meer moeite wilde ge-stroosten, zou men altijd zeker zijn, gelijk te hebben.quot; i)
Maar â zegt men â hoe meer men tegenspreekt, hoe meer men de zaak verergert.
Dit kan gebeuren, maar gewoonlijk is het slechts een ijdel voorwendsel; want het is niet noodig, met zulke ongeloovigen te redetwisten, doch men is verplicht te toonen, dat men die goddelooze en kettersche taal haat en veracht. Eenige woorden zijn somtijds voldoende, om zulk een verwaanden snoever den mond te sluiten: maar in ieder geval, indien gij niet antwoorden kunt, gij moet ten minste door uw gedrag toonen, dat gij verafschuwt, hetgeen tegen geloof en godsdienst wordt uitgekraamd.
II.
Niet alleen is het verboden, zijn geloof uitwendig te verloochenen, te ontveinzen of te verbergen: wij zijn daarenboven verplicht, ons geloof te belijden door woorden en werken.
Wanneer verplicht die belijdenis? Zoo dikwijls de eer van God, of het welzijn van den evenmenscli dit vordert.
i Ene. Sapientiae Christianae.
Wat zijn er hedendaags talrijke slechte Christenen, die de heiligste waarheden en voorschriften van het geloof durven aanranden ?
Tegen dezulken moeten wij opkomen en met alle vrijheid spreken, zoo dikwijls men het met vrucht doen kan, hetgeen meermalen het geval is. Als wij uit zwakheid, uit menschelijk opzicht, of uit vrees voor spotternij zwijgen, dan schamen wij ons voor God; en voor hem, die zich voor God schaamt, zal ook God zich schamen in het oordeel.
Laten wij dus spreken, als dit noodig is, met voorzichtigheid, zonder drift of opgewondenheid, maar laat ons spreken. Wij mogen zoo bevreesd niet zijn; want een christen, die zóó laf, zóó zwak is, dat hij met geloof en godsdienst laat spotten, uit vrees, dat men hem paap of kwezel, fanatiek of pastoorsman noemen zal, is maar een halve Christen, voor wien men weinig achting kan hebben. Geldt dit voor ieder in het bijzonder, het geldt meer nog voor die Christenen, die stilzwijgend met geloof en godsdienst laten spotten in hun eigen huis, bv. in hunne herberg. Zij blijven te kort aan hunne plichten van Christen, en aan hunne plichten van staat. Ja, herbergiers, gij vooral moet spreken, als in uwe herberg de waarheden van het geloof door valsche profeten worden aangevallen. Help; een vriendelijk woord niet, wat dan ? De H. Schriftuur zegt het u in twee woorden: Ejice derisorem: Werp den spotter buiten, i)
Wij moeten ons geloof belijden, 20. door onze werken, d. w. z. door te leven volgens de voorschriften van ons geloof.
De Zaligmaker heeft gezegd: «Alwie geloofd zal hebben en
II Prov. XXII. 10.
gedoopt zal zijn, zal zalig worden.quot; i) De H. Gregorius de Groote maakt hierop de volgende bemerking: »Misschien zal «iemand, die woorden van Christus hoorende, bij zich zeiven «zeggen: Ik heb geloofd; dus zal ik zalig worden. Ja, hij zal jzalig worden, indien hij zijn geloof toont in de werken. Want »hij heeft het oprechte geloof, die met de werken niet loochent, swat hij zegt met woorden. Daarom getuigt de H. Paulus van »sommige niet oprecht geloovigen; dat zij met dan mond be-ïlijden God te kennen, maar dit loochenen door hunne daden. »En de H, Joannes: dat hij, die zegt God te kennen, maar »zijne geboden niet onderhoudt, een leugenaar is. i) Daarom j moeten wij de oprechtheid van ons geloof toetsen aan ons »leven. Dan zullen wij oprechte geloovigen wezen, als wij met »de werken volbrengen, wat wij zeggen te gelooven.quot;
Ik eindig deze onderrichting met de vermaningen, welke een doorluchtige Kerkvoogd in het jaar 1S88 richtte tot de geloovigen van Zijn Bisdom. 2) »Verre dan, verre van U, dat gij ooit aan de belijdenis van uw geloof zoudt te kort blijven, wat die belijdenis u ook moge kosten ! Immers wat baat het den mensch, indien hij de gansche wereld winne, maar zijner ziel verlies lijdt.quot; 3)
Bedenkt hierbij echter wel, dat het niet voldoende zijn zou, indien gij uw geloof met woord en daad zoudt belijden, alleen in het bijzonder leven: in den huiselijken kring, in den ge-meenzamen omgang met uwe vrienden en in de Kerk \ neen, gij moet ook in het openbaar en burgerlijk leven voor uw ge-
1) Marc. XVI. 16. 2) I. Joan. II. 4. 3) Vastenbiief vanZ.D. H. den Bisschop van Breda. 4) Matth, XVI. 26,
â 176 â
loof uitkomen. Wij voegen er dit bij, om u te waarschuwen tegen de hedendaagsche dwaling van sommigen, die beweren durven, dat de Godsdienst wel goed is voor het bijzonder leven, en daarom ook binnen de muren van huisvertrek en kerkgebouw moet besloten blijven, maar dat men in het openbaar leven, in zijne burgerlijke zaken zich niet behoeft te regelen naar de voorschriften van Kerk en Godsdienst.
Luistert eens, hoe treffend onze H. Vader, Paus Leo XIII in een zijner onsterfelijks Zendbrieven die dwaling heeft gelogenstraft :
»Het is niet geoorloofd eene andere gedragslijn te volgen in »het openbaar leven, zoodat men het gezag der Kerk eerbiedigt sin zijn huiselijk leven, maar in het openbaar leven verwerpt. sDit zou immers eene verbinding zijn van het kwade met het «goede; dit zou den mensch met zich zeiven in tegenspraak »brengen; terwijl hij integendeel altijd zich zelven moet gelijk «blijven, en in geen enkele zaak en in geen enkele omstan-ïdigheid des levens mag afwijken van de voorschriften der «Christelijke deugd.quot;
Gij hoort het, ook in het openbare leven moet de Christen-mensch zich Christen toonen, en zich als Christen gedragen. Zóó leert u de H. Vader zelf. En geen wonder! Het is immers onmogelijk in den mensch den Christen van den burger te scheiden. In beide hoedanigheden is hij voor zijne daden verantwoordelijk voor God, die de Heer en Meester is van den mensch in zijnen geheelen omvang, en die hem zal oorceelen volgens de heilige Evangeliewet, die zich niet laat verdeelen.
1) Ene. Immortale Dei 1 Nov. 1885.
â 177 â
Neen, die goddelijke wet laat niet toe, dat, wat aan den mensch als Christen verboden is, hem zou geoorloofd zijn als burger ; maar in al de handelingen zijns levens moet de Christenmensch zich regelen naar de voorschriften van het H. Geloof, wat het hem ook kosten moge. Immers er staat geschreven: Justus ex fide vivit: De rechtvaardige leeft uit het geloof, i)
Denkt daaraan, ouders, en wacht u wel uwe kinderen naar de godsdienstlooze of ongodsdienstige scholen te zenden, in de hoop, dat zulks later voor hen eene aanbeveling zal wezen bij hen, die der Katholieke Kerk ongenegen zijn. Denkt daaraan gij, die ambten of betrekkingen bekleedt, of zoekt te verkrijgen, en wilt toch nimmer uwe godsdienstplichten verwaarloozen of, wat erger is, U aan de ongodsdienstige partij aansluiten, om daardoor, zooals men zegt, in de wereld vooruit te komen. â Denkt daaraan ook, vooral bij het gebruik maken van uw kiesrecht. »Als Katholieken zijt gij verplicht alleen dengene te kie-»zen, van wien gij door u zei ven of na ingewonnen raad van «godsdienstige en vertrouwbare personen, de overtuiging kunt shebben, dat hij zijn ambt tot het ware heil van Kerk en Staat izal bekleeden: namelijk ter verbetering van de zedelijkheid gt;en tot voortgang van den godsdienst. Indien gij uit lafheid »of traagheid niet kiest, ofwel indien gij om de gunst van een »invloedrijk persoon, of om ander tijdelijk voordeel te gewin-»nen, een man kiest, van wien het te vreezen is, dat hij uwen jgodsdienst benadeelen, en vooral het godsdienstloos onderwijs gt;der jeugd bevorderen zal, dan zijt gij voor God mede ver-»antwoordelijk voor al het kwaad, dat hij zal stichten.quot; 2)
1) Hebn. X. 38. 2) Mgr. von Ketteler, Bisschop van Nfainz. De Godsdienst.
12
â 178 â
Wij vermanen u dan, dat gij ook in het openbaar en burgerlijke leven als brave Katholieken voor de belijdenis van uw geloof zoudt uitkomen, en immer zóó handelen, zooals gij dat naar de leer en de voorschriften der Kerk verplicht zijt te doen.
Wat de belijdenis van uw geloof u ook moge kosten in dit vergankelijk leven; 't is niets in vergelijking van die heerlijke belofte van onzen Goddelijken Zaligmaker:
Wie mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in den Hemel is. 1)
AMEN.
1) Matth. X. 32.
XVIII.
De rqitMelei], on] l)et geloof te bewkreii.
Depositum custodi: Bewaar liet u toevertrouwde pand. (I Tim. 11â20.)
Toen de Donatianen door hunne ketterij van het geloof wa-ren afgevallen, schreef de H. Augustinus: iHet is bedroevend, u daar te zien liggen als afgesneden ranken.quot; Diezelfde klacht moeten wij herhalen, als wij hedendaags een blik werpen in de wereld. »Men kan het zich niet langer ontveinzen, in onze Christelijke maatschappij zijn er velen, die r.iet meer aan het Christendom gelooven. i)
Hetgeen de H. Kerk door den mond des Pausen en der Bisschoppen ons leert en voorhoudt, ons voorschrijft of verbiedt, durft men in twijfel trekken, tegenspreken, loochenen; vooral de mysteriën van ons heilig geloof worden met minachting verworpen, alsof het strijdig ware met ons bekrompen verstand, waarheden te gelooven, welke wij niet kunnen begrijpen.
Evenals het zedenbederf meer en meer toeneemt in de \ve-
1) Laforet, I'ourquoi 1 or. ne croit pas.
â i8o â
reld, zoo dringt zich ook die geest van ongeloof meer en meer oi) den voorgrond. Daarom is het noodig in deze laatste onderwijzing over het geloof u aan te toonen, welke middelen gij moet gebruiken, om den kostbaren schat des geloofs ongeschonden te bewaren.
I.
Een eerste middel, om het geloof te bewaren, wordt ons aangewezen door den H. Paulus met deze woorden; «Bewaar het schoone pand door den H. Geest, die in ons woont' i) d. i. door de genade en den bijstand van den H. Geest, dien wij moeten afsmeeken door een ootmoedig gebed.
Het geloof is niet uitsluitend een werk van ons verstand en van onzen wil; het is nog meer een werk van Gods machtige genade. Tegen hen, die van oordeel waren, dat 's menschen natuurlijke krachten toereikend zijn, om in Christus te kunnen gelooven, heeft de Kerk vastgesteld: »Indien iemand beweert dat men door de natuurlijke kracht, en zonder de verlichting en de ingeving van den H. Geest, aan het Evangelie kan ge-looven, deze wordt door eenen dwaalgeest misleid. 2)
Niet lang geleden zegde een jongeling, opgevoed in een Aihe-neum van den staat; gt;Ik zou wel gaarne gelooven, maar ik kan niet.quot; Men antwoordde hem; Bid en gij zult gelooven. 3)
Dit ondervond de fransche vrijdenker Ismard, die omstreeks 1830 stierf, nadat hij de 33 laatste jaren van zijn leven in boetvaardigheid had doorgebracht. Gedurende de Fransche revolutie had hij zich berucht gemaakt door zijne woede tegen
1 2 Tim. 1. 14. 2) Conc. Arau?. 3) Duhayon, Or.djmchtbgen b'.z. 20.
â ISI â
godsdienst en priesters. In de wetgevende Kamers had hij openlijk gezegd »De wet is mijn God; ik ken geenen anderen.quot; Gelijk velen in dien tijd verloor hij zijne goederen en werd vogelvrij verklaard. Om de guillotien te ontsnappen, verschuilde hij zich in eene onderaardsche krocht. t)aar opende Ismard de oogen voor het licht der waarheid. Gedurende zestien maanden besteedde hij dagelijks 15 uren aan de studie der christelijke geloofsleer, en kwam eindelijk tot volkomene overtuiging. Weldra â zoo schrijft hij zelf -â erkende ik, dat het verstand in die studiën op een dwaalspoor geraakt, als de deugd het niet geleidt, en de liefde den blinddoek niet wegneemt. De waarheid is gelijk aan eene vlam, welke door het nederig gebed wordt aangeblazen, en door eigenwaan gebluscht wordt. Daarom begon ik te bidden, en door het gebed kreeg ik rust in het hart, helderheid in den geest. 1)
Een vader vraagde aan Jesus de genezing van zijn kind. De Zaligmaker antwoordde: Indien gij geloof kunt hebben: alles is mogelijk voor hem, die geloof heeft. Aanstonds antwoordde ( de vader: sik geloof. Heer, doch help mij, waar mijn geloof
te kort schier. 2 â Herhalen wij dikwijls dit schoon gebed: het zal de krach: van ons geloof wezen. 3)
II.
Hel tweede middel, om het geloof te bewaren, is de nederigheid des gees fes.
Onze Goddelijke Zaligmaker sprak op zekeren dag tot de ongeloovige Phariseën: aGij wilt tot mij niet komen, gij wiit
i) Ismard. De ' r-unortalité de Tame. 2) Marc. IX. 23. 3) Vastenbrief, Luik 1S80.
in mij niet gelooven, maar ik ken u; ik weet de oorzaak van uw ongeloof, en waarom gij moedwillig de oogen sluit voor het licht der waarheid; het ontbreekt u aan liefde tot God; gij zoekt niet aan God te behagen, gij zoekt u zeiven.quot; i)
Hoogmoed dus was de oorzaak, waarom de Phariseën niet wilden gelooven; hoogmoed is ook nu eene oorzaak, waarom velen hun geloof geheel of ten deele verliezen. Zij willen op onredelijke wijze uitmunten door hun verstand. Zij hebben zekere kennissen, zekere geleerdheid, en daarom houden zij hunnen geest bezig, met over het geloof te redeneeren, met te orderzoeken, hoe en waarom dit zóó is, en niet anders. Daardoor komen sommigen tot volslagen ongeloof; anderen, zonder juist hun geloof te verzaken, worden toch min of meer Ka:ho-lieken op hunne manier.
«Oppervlakkige kennis, die men zoo gaarne voor geleerdheid uwil laten doorgaan, is voor velen de naaste gelegenheid van ïde verschrikkelijke zonde des ongeloofs. Zij maakt den mensch lijdel en hoovaardig: en hoe kan hij gelooven, die glorie zoekt »bij de menschen? zegde Jesus tot de Joden. Die veelweters sversmaden de eenvoudige, maar duidelijke en zaakrijke on-:derrichtingen der priesters; zij sluiten zich aan bij hen, die svan ongeloovige wetenschap vol zijn: zij laten zich opnemen sin genootschappen en vereenigingen, waar in gemeenzame ge-xsprekken of openbare voorlezingen met de geestelijkheid gespot wordt, en de godvruchtige oefeningen der braven worden ge-sschimpt; zij lezen gretig boeken, tijdschriften, maar het liefst «dagbladen, waarvan geen nummer verschijnt zonder eene las-
i) [oan. V. 42.
- I83 -
stering te bevatten van kerkelijke personen. Is het te verwon-ideren, dat zij hun geloof verliezen ? Hunne halve geleerdheid »maakt hen vatbaar voor alles, wat tegen het geloof, de Kerk gt;en den godsdienst gesproken en geschreven wordt; maar door gt;de zwakheid van hun karakter zijn zij niet bij wille, endoor »de oppervlakkigheid hunner kennis zijn zij niet bij machte, »om te wederleggen, wat tegen de waarheid wordt ingebracht. »Zij zijn te ijdel en te trotsch om te rade te gaan bij hen, »die de vereischte kennis, de goddelijke wijding en de kerke-»lijke zending hebben, om hen te onderwijzen en in het geloof gt;te versterken. Zij gelooven niet meer; of beter gezegd, in plaats gt;van te gelooven aan Christus, den Goddelijken Leermeester, ien aan de onfeilbare Kerk, gelooven zij aan den eersten den ïbesten, die op hoogen toon en met evenveel minachting als »oppervlakkigheid tegen de van God geopenbaarde Kerkleer ^uitvaart.quot; i)
Zietdaar, hoe sommigen, door een geheimen hoogmoed misleid, het gelooven op gezag versmaden, om door het vrije en eigendunkelijk onderzoek den weg naar de waarheid te zoeken.
Nu begrijpt gij, waarom de Apostel Paulus aan zijnen leerling Timotheus schreef; O Timotheus, bewaar het toevertrouwde pand, en vermijd de onheilige nieuwe woorden, en de tegenstellingen der valachelijk zoogenaamde wetenschap, door welke te belijden sommigen ten aanzien van het geloof zijn afgevallen. 2)
1) Het gele of van den Christen. V. Gestel S. J. 2} I. Tim. VI. zo 21.
â 184 â
III.
Een derde middel, om het geloof ongeschonder! te bewaren is een zuiver geweten of de reinheid van zeden. Dit leert ons wederom de Apostel Paulus in zijn brief aan Timotheus, waar hij zegt: »Behoud het geloof en een goed geweten, hetwelk sommigen verstieten en zoodoende aan het geloof schipbreuk leden. 1)
Wat deed onze Goddelijke Zaligmaker, vooraleer Hij in Palestina zijne leer kwam verkondigen? Hij zond den H. Joannes den Dooper, om de menschen door boetvaardigheid te bereiden voor het geloof. Wat deed de H. Petrus? Alvorens de nieuwbekeerden door het doopsel onder het getal der ge-loovigen op te nemen, legde hij hun de boetvaardigheid op over hunne zonden. Wat deed de H. Philippus Nerius? Aan vele Protestanten, die Katholiek wilden worden, doch nvoeie-lijk daartoe konden besluiten, gaf hij geene tv/istgeschr ften, maar de levens der heiligen, die tot verafschuwing der zonden en tot godsdienstigheid stemmen: en die proef werd altijd met den besten uitslag bekroond.
Welnu, gelijk de bekeering des harten den weg moet banen voor het geloof, zoo is ook de reinheid des harten, de zuiverheid van zeden, een noodzakelijk middel, om het geloof te bewaren.
Waaruit komt bij velen het ongeloof voort? Het spruit gewoonlijk voort uit de bedorvenheid des harten. Men wil niet doen, wat het geloof gebiedt, niet laten, wat het verbiedt, en daarom wil men, dat, wat het geloof leert, niet waar zij. Zoo
i) I. Tim. I. 19.
- iSs -
brengt de booze wil het verstand in dwaling, dat eindelijk begint te oordeelen, niet meer volgens het licht der waarheid maar volgens de inblazingen van het hart. Ik heb â zoo schrijft een Eerwaarde Pater Jezuïet â ik heb een jongeling gekend, die na eene zeer goede opvoeding genoten te hebben en na stichtend te hebben geleefd in zijne jeugd, ten laatste zijn geloof geheel verloren scheen te hebben. Hij beleed openlijk een volslagen ongeloovig liberalismus; hij spotte met den godsdienst. Werd er iets tegen de geestelijkheid gezegd of geschreven in de slechte bladen, welke hij trouw las, hij had geene rust voordat al de menschen der plaats het van hem gehoord hadden; hij vervolgde de geestelijken met schimp en hoon, en hij zegevierde, als hij hunne plannen had kunnen verijdelen; met één woord, hij was, wat men in België noemt: een libre-penseur, een vrijdenker.
Maar tot zijn geluk zag hij na eenige jaren dwalens het rampzalig einde zijner wegen in, en keerde terug tot zijn vroe-geren Christelijken levenswandel. Eens dat ik met hem sprak, vraagde ik hem, hoe hij zoovele geloofswaarheden had kunnen loochenen, die hij èn nu én weleer zoo vastelijk geloofde. Maar â was zijn antwoord â denkt gij, dat ik ooit waarlijk getwijfeld heb? Ik twijfelde eigenlijk niet, maar ik wilde twijfelen. Ziehier, hoe het met mij gegaan is. Omtrent mijn achttiende jaar moest ik den strijd der jeugd strijden; doch ik viel. Na herhaaldelijk opstaan viel ik altijd weer, en ik kon mij niet voorstellen, dat voor den mensen een ander geluk mogelijk was, dan in het voldoen zijner zondige genegenheid. Daarom wenschte ik, dat er geen hemel, geen God, geen hel was; geen hemel, dien ik slechts kon bekomen ten koste van mijn zondig
voorwerp; geen God, die getuige was mijner schandigehandelingen; geen hel, waarin ik eenmaal voor mijne zonde zou gestraft worden. Ik maakte veel gedruisch; luide zeide ik, dat mets waar was van alles, wat het geloof ons leert, in de hoop van mij zeiven te overtuigen. Nu begrijpt gij, hoe ik als van zelf een geloovig Christen moest worden, toen ik door Gods beschikking en genade werd losgerukt van het voorwerp, dat mijn hart had verleid, i)
Deze geschiedenis, ons beschreven door een Eerwaarden Pater Jezuïet, is de geschiedenis van zeer velen, die hun geloof niet hebben bewaard. Met dezulken is het nutteloos te twisten, nutteloos hen te willen overtuigen; maar het slijk der zonde moet van hun hart worden weggevaagd. Alleen met de zuiverheid huns harten, met de reinheid hunner zeden zal het geloof hunner jeugd terugkeeren.
IV.
Een laatste middel, even noodzakelijk, om den kostbaren schat des gcloofs te bewaren, is het vluchten der gevaren. Door velen wordt dit hedendaags uit het oog verloren.
Vandaar dat Z. D. H. de Bisschop van Luik ons jaarlijks op den eersten Zondag van den Advent waarschuwend herinnert: ïVeel Christenen stellen zich in gevaar van het geloof te «verliezen door hunnen omgang met vijanden van den gods-»dienst, en door de lezing van slechte boeken.... De vijanden »van den godsdienst, die wij op het oogenblik meest bedoelen, »zijn die welke spreken en handelen tegen de H. Kerk, tegen
i) Van Gestel S. 1. Het geloof van den Christen.
»hare rechten, instellingen en bedienaars, tegen hare leeringen, »voorschriften en geboden. Met zulke mannen omgaan, d. i. hun gt;gezelschap zoeken en gewoonlijk met hen verkeeren, ofwel »deel maken van de vereenigingen, die zij oprichten, om hunne «dwaalleer te ondersteunen en te verspreiden, de vergaderingen ibijwonen, waar zij hunne begrippen blootleggen en voorhou-»den, dat is zich in gevaar stellen van het geloof te verliezen... ïMen stelt zich insgelijks bloot aan ditzelfde gevaar door het «lezen van slechte boeken, en slecht zijn niet alleen de boeken, »die strijden tegen de zeden, maar ook die, welke door de «vijanden des geloofs uitgegeven worden tegen den godsdienst. »....En wat de dagbladen van denzelfden aard betreft, deze zijn «nog slechter dan de slechte hoeken, en het is zonder twijfel «eene groote zonde tegen het geloof, zich er op te abonneeren »of ze gewoonlijk te lezen, zonder daartoe om gewichtige en «billijke redenen, verlof te hebben bekomen.... Wijl die nieuws-«bladen dag op dag de slechtste driften streelen en opwekken, «zoo giet hunne lezing drop voor drop en ongemerkt een versgif in de zielen, dat doodelijk is voor het geloof. Een droe-«vige en veel herhaalde ondervinding levert hiervan al te veel «bewijzen.quot; i)
Z. D. H. de Bisschop van Breda vermaande eveneens in het vorig jaar de geloovigen van zijn bisdom:
«Wilt gij de kostelijke gave van uw geloof bewaren, zoekt dan geen omgang met ongodsdienstige personen, en wacht u wel, ooit leden te worden van hunne vereenigingen en vergaderingen. Neen, maar volgt integendeel getrouw de vermaning
i) Herdcrbrief van Z, D. H. Mgr. Doutreloux.
â i88 â
op, die wij met den Apostel der volkeren thans zoo dringend tot u richten: »Ik bid u, broeders, wel acht te geven op hen die verdeeldheden en ergernissen verwekken tegen de geloofsleer, die gij geleerd hebt, en wijkt af van hen,quot; vlucht hen i) Weest daarom ook immer zeer voorzichtig in de keuze uwer vrienden; en gij vooral Ouders, let wel op degenen, met wie uwe kinderen omgaan, en nog meer bijzonder dan, als het er voor hen op aankomt zich door het H. Sacrament des huwelijks te verbinden; dan vooral moet gij de waarschuwing van den H. Apostel Paulus ter harte nemen; »wil het juk des huiue-lijks niet dragen met de ongeloovigen.quot; 2)
Hebben wij u reeds zoo ernstig gewaarschuwd tegen den gemeenzamen omgang met personen, wier gesprekken den godsdienst en de zedelijkheid ondermijnen; met nog veel meer ernst moeten wij u waarschuwen tegen het lezen van slechte romans en dagbladen, omdat die lezing voor u nog ontzettend meer gevaarlijk en schadelijk is.
Immers indien de redeneeringen, die gij slechts van tijd tot tijd uit den mond van slechte vrienden hoort, en die zoo spoedig voorbijvliegen, toch reeds zoo verderfelijk voor de reinheid van uw geloof en zeden zijn; hoe veel meer verderfelijk en verpestend zal dan op u de lezing werken van boeken en dagbladen, waarin die goddelooze en zedelooze redeneeringsn blijvend staan uitgedrukt en voortdurend ten allen tijde door u gelezen en herlezen kunnen worden!
Geen wonder dus, dat onze Moeder de H. Kerk in hare teedere bezorgdheid voer het zielenheil harer kinderen, altijd
1) Rom. XVI. 17. 2) II. Cor. VI. 14.
â 189 â
het lezen van slechte boeken ten strengste verboden heeft.
Wij mogen niet nalaten hier met ons Provinciaal Concilie deze, voor onzen tijd zoc bijzonder passende waarschuwing en vermaning, tot u te richten; ïDaar echter in onze dagen gt;het gift der verleiding niet zoozeer in groote en met vertoon »van wetenschap bewerkte boekdeelen, maar veel meer in »kwade en goedkoope boekjes en in openbare daartoe vervaar-»digde dagbladen wordt verspreid, opdat het vergilt des te «gemakkelijker eiken stand van menschen en vooral de arge-gt;looze jeugd zou bereiken, zoo vermanen Wij onze onderhoorige gt;Geloovigen en Wij smeeken hen bij God en om God, dat »zij dusdanige verderfelijke geschriften,.... toch nimmer lezen, »of, wat de zonde nög zou verzwaren, door hur. eigen geld «ondersteunen.quot; 1)
Deze zoo ernstige vermaning van ons Provinciaal Concilie moet gij vooral ter harte nemen, Ouders en Oversten, op wie de plicht rust de onsterfelijke zielen uwer kinderen en onder-hoorigen tegen de besmetting van ongeloof en zedenbederf te bewaren. Indien gij toch bij het heerschen eener besmettelijke ziekte reeds zoo angstvallig bezorgd zijt om alle voorwerpen uit uw huis te weren, die hen naar het lichaam zouden kunnen besmetten en een tijdelijken dood doen sterven; hoeveel te meer dan moet gij uit uwe huizen die verpestende boeken en dagbladen verwijderd houden, die hunne onsterfelijke zielen bezoedelen en van een eeuwig gelukzalig leven berooven kunnen.
Mocht echter soms voor U zeiven, uit hoofde van uw ambt of voor den handel, een of ander van die slechte dagbladen
2) Syn. l'rov. Tit. III. c. ITI.
â iqo â
inderdaad onmisbaar zijn, leest dan daarvan niet meer, dan gij voor uw doel noodig hebt te weten; maar waakt dan ook, Ouders en Oversten, waakt en zorgt, zooveel gij kunt, dat zulk een verderfelijk dagblad nimmer in de handen van uwe kinderen of andere huisgenooten komen kunne. Immers doet gij dat niet, dan zou op U van toepassing zijn die schrikwekkende uitspraak van den H. Apostel Paulus: ïZoo iemand voor de zijnen en inzonderheid voor zijne huisgenooten geen zorg draagt, hij heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongeloovige.quot; i)
Zietdaar u gewezen op de gevaren, welke gij met alle zorg vermijden moet, om het geloof niet te verliezen.
Welaan dan. Broeders! weest op uwe hoede, dat gij niet door de verleiding van dwaze menschen medegesleept, van uwe vastheid in het geloof vervalt, maar wast op in de genade en in de kennis van onzen Heer en Zaligmaker Jesus Christus. 2) Bedenkt echter wel, dat gij vóór alles en boven alles d e verlichting en versterking in het geloof moet verwachten van God, en dus van Hem afsmeeken door het gebed. Daartoe vermaant u dan ook dringend onze H. Vader zelf in zijne Encycliek met deze treffende v/oorden : »Wijl het geloof in onze harten iniet slechts ten allen tijde bloeien, maar ook bestendig moet saangroeien en grooter worden, daarom moet men zeer dik-swijls met de Apostelen nederig en vurig den Heer bidden »en smeeken: Heer, vermeerder ons geloof.quot; 3)
Bewaart ook de nederigheid des geestes. Weest niet zoo
1) I. Ti:::. V. 8. Herderlijke brief van Z. D. H. Mgr. Leijten. Bisschop va» Breda. 189T. 2) II. Petr. III, ió. 17. 3) Encycl. Sapientiae Christianae.
verwaand, alles te willen begrijpen, wat de H. Kerk te gelooven voorhoudt, of te willen weten, hoe en v/aarom dit zóó is en niet anders; maar geeft uw verstand gevangen, om aan Christus te gehoorzamen, i)
Bewaart de zuiverheid des harten, de reinheid van geweten. Immers de dagelijksche ondervinding leert maar al te goed, hoe waar het is, wat de H. Paulus getuigt: Zij die het goed geweten verstieten, hebben schipbreuk geleden aan hun geloof. 2) Eindelijk sbid ik u, broeders, wel acht te geven op hen, die verdeeldheden en ergernissen verwekken tegen de leer, die gij geleerd hebt, en vermijdt hen.quot; 3)
«Vlucht derhalve den omgang met personen, die weinig »werk maken van hunnen godsdienst, die met godsvrucht en ivroomheid spotten. Wie den omgang met zulke personen »niet vlucht, maar nauwe vriendschapsbetrekkingen met hen «aanknoopt; wie zich aansluit bij vereenigingen en genootschap-»pen, die door een ongodsdienstigen geest beheerscht worden, «zal bezwaarlijk zijn geloof bewaren.
sWacht u ook voor het lezen van boeken, maandschriften »en dagbladen, die Kerk en godsdienst bevitten en onchriste-»lijke beginselen verkondigen, en alzoo uw geloof ondermijnen. «Weert zulke geschriften uit uw huis, en zorgt dat dezelve »ook door uwe huisgenooten niet gelezen worden.
«Zegt niet, dat gij op uwe hoede zult zijn, om niets aan te »nemen van wat gij hoort of leest tegen het geloof; want gij »toont daardoor, een ijdel betrouwen op u zeiven te stellen. «Daarom zal God, die de hoovaardigen weerstaat en den ne-
1) II. Cor. X. s, 2) I. Tim. I. 19. 3) Rom. XVI. 17.
â 192 â
\
sderigen genade schenkt, 1) ook u om uwe roekeloosheid aan iu zei ven overlaten, en gij zul^ helaas! de waarheid onder-»vinden dier uitspraak van den H. Geest: Wie het gevaar be-gt;mint, zal er in vergaan.quot; 2)
Geve God, dat gij de ernstige waarschuwingen, in deze onderwijzing vervat, ter harte nemet! Dan zult gij op uw sterfbed den H. Paulus kunnen nazeggen: »Ik heb den goeden strijd gestreden, mijnen loop volbracht, het geloof bewaard: voor het overige is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke God, de rechtvaardige Rechter, mij zal geven.quot; 3)
A M E N.
1) Jac. IV. 6. 2) Vastenbrief \an Z D, H. den Bisschop van Breda 1888. 3) Tim. II. IV. 7.
xix.
De gelioomiaiiilicitl ei] de liefde jegei|S de H. Kerk.
Honora matrem luam: Eer uwe moeder. (Ephes. VI. 2.)
De moeder, welke op deze plaats der H. Schriftuur door God wordt aangeduid, is onze aardsche moeder, uit wie wij geboren zijn, en die voor onze opvoeding zich alle opofferingen getroost, moeite noch arbeid gespaard heeft. Deze moeder moeten wij eeren, eeren vooral door onze liefde en gehoorzaamheid.
Maar wij hebben op aarde nog eene geestelijke Moeder; eene Moeder, die in het H. Doopsel ons het leven der ziel geschonken heeft: eene Moeder, die hare kinderen van af de wieg tot aan het graf met de teederste liefde verzorgt, met allerlei gunsten en zegeningen overlaadt. Die Moeder â gij weet het allen â is onze Moeder de H. Kerk: Sancia Mater Ecclesia.
Ook deze Moeder zijn wij eerbied schuldig: ook haar moeten wij onzen eerbied toonen door gehoorzaamheid en liefde.
De Godsdienst. 13
V
â 194 â
Dezen tweevoudigen plicht wil ik u thans voor oogen stellen. Ik wil u aantoonen:
i0 Dat wij allen aan onze Moeder de H. Kerk moeten gehoorzamen;
2° Dat wij allen onze Moeder de H. Kerk moeten beminnen en liefhebben.
I.
Toen onze Goddelijke Zaligmaker Zijne Kerk instelde als eene volmaakte en 'onafhankelijke maatschappij, stelde Hij eene overheid aan, welke Hij de macht verleende, om de ge-loovigen te besturen: d. i. de macht, om wetten te maken, vonnissen uit te spreken, misbruiken uit te roeien.
Deze macht is noodzakelijk voor het bestaan der Kerk, gelijk zij noodig is voor iedere maatschappij. Verbeeldt u, dat hier te lande geene wereldlijke overheid was, die de macht bezat, om wetten te maken en om de overtreders van die wetten te straffen: wat zou gebeuren? Weldra zou de grootste wanorde heerschen, en het land zou ten onder gaan.
Evenmin zou de H. Kerk kunnen bestaan, als er geene geestelijke overheid ware, in wier handen de macht berust om wetten te maken, bevelen te geven, *te straffen enz.
Wie bezitten deze wetgevende macht? De Paus en de Bisschoppen. Van wien hebben zij die macht ontvangen? Zij hebben ze ontvangen van Jesus-Christus zeiven, die eerst aan Petrus alleen, en later aan Petrus en de Apostelen te zamen zegde: Alles wat gij gebonden zult hebben op aarde, zal ook gebonden zijn in den Hemel; en wat gij ontbonden zult heb-
ben op aarde, zal ook in den Hemel ontbonden zijn, i) d. w. z. alles, wat gij, Petrus, en ook gij. Apostelen, zult beslissen, alles wat gij zult vonnissen, alles wat gij zult voorschrijven, of ten opzichte des geloofs of ten opzichte der zeden, alles zal in den Hemel bevestigd worden; zoodat uwe beslissing en uw vonnis de beslissing en het vonnis van den Hemel zeiven zullen wezen.
Geen twijfel dus, of Petrus en de Apostelen hadden van Jesus de wetgevende macht ontvangen.
Is diezelfde macht overgegaan op hunne opvolgers: den Paus en de Bisschoppen? Ja; die macht moest op hen overgaan, omdat de Kerk bestaan moet en bestaan zal tot het einde der wereld, hetgeen volstrekt onmogelijk zou wezen, als in de Kerk geene overheid ware, die de volmacht bezit, om wetten te maken, straffen te bepalen, en misbruiken uit te roeien.
Zijn wij verplicht, aan deze kerkelijke overheid te gehoorzamen? Christus zelf geeft ons het antwoord op die vraag. «Indien iemand naar de Kerk niet luistert, houd hem voor een heiden.quot; 2) »Die u hoort, hoort Mij; die u veracht, veracht Mij.quot; 3)
De H. Paulus spreekt niet anders, als hij aan de inwoners van Thessalonica schrijft: »Gij weet, welke voorschriften ik u
gegeven heb door den Heer Jesus...... wie daarop niet let, hij
veracht niet eenen mensch, maar God.quot; 4) Eveneens getuigen de H. Vaders, dat wij God niet kunnen hebben als Vader, en geen deel kunnen hebben in Zijn rijk, indien wij de H. Kerk
1) Matth. XVI. 19; XVIII. iB. 2) Matth. XVIII. 17. 3) Luc, X. 16. 4) I. Thets. IV. 8.
â ig6 â
met willen erkennen als onze Moeder, en ons aan haar niet willen onderwerpen.
Tegen de valsclie leer der ketters, die beweerden, dat men niet verplicht is de geboden der H. Kerk te onderhouden, heeft het Concilie van Trente uitdrukkelijk verklaard: sAls iemand zegt, dat de gedoopten vrij zijn van alle geboden der H. Kerk, zoodat zij niet verplicht zijn die te volgen, tenzij ze zich daaraan uit vrije keus willen onderwerpen, hij zij in den ban.quot; i)
Allen dus, die door het Doopsel leden der Kerk zijn geworden, zijn aan de Kerk gehoorzaamheid schuldig.
Deze verplichting betreft niet alleen de vijf bijzondere geboden der H. Kerk: De geboden Heiligdagen zult gij vieren tnz., maar ook de andere kerkelijke wetten en voorschriften, b.v. het gebod van nuchter te zijn, als men de H. Communie wil ontvangen, de wet nopens het drukken, verspreiden of lezen van slechte boeken en dagbladen, enz. Ook aan deze wetten en voorschriften moeten alle Katholieken zich onderwerpen, willen zij met de daad Katholiek zijn.
Maar helaas! hoevelen zijn er, die op Zondagen de H. Mis vrijwillig verzuimen! Hoevelen, die zonder wettige reden vleesch eten op verbodene dagen! Hoevelen, vooral in de steden, die bunnen Paaschplicht niet vervullen! Hoevelen in sommigedor-pen, die hun Paschen slechts in den schijn houden! Hoevelen eindelijk, die slechte boeken en dagbladen lezen zonder toestemming der kerkelijke overheid! En toch geven dezulken
I) Sess. VII. c. 8.
â 197 â
zich den naam van Katholiek, terwijl Tesus-Christus hun 200 uitdrukkelijk verklaart: sAlwie naar de Kerk niet luistert, houdt hem voor eenen heiden.quot; Mochten dezulken toch eens hunnen hoogmoed overwinnen, en onderdanig zijn aan hunne Moeder de H. Kerk !
Een treffend voorbeeld van gehoorzaamheid gaf weleer de geleerde Fénelon, Aartsbisschop van Frankrijk. Hij had een boek geschreven, waarin hij onvrijwillig eene kettersche dwaling leerde, om dewelke dat boek door Paus Innocentius XI werd gedoemd en veroordeeld. Wat deed nu die geleerde Bisschop? Hij zelf beklom in zijne kathedraal den predikstoel, las met luide stem den brief voor, waarin de Paus het boek veroordeelde, en verklaarde, dat hij zich aan de uitspraak des Pausen ten volle onderwierp. Tevens vermaande hij de geloo-vigen, dat ook zij altijd aan de geestelijke overheid zouden gehoorzamen. De tranen, welke het volk stortte, bewezen den nederigen Bisschop, dat zijne btem de stem niet was eens roe^ penden in de woestijn.
Moget ook gij, met dezelfde gevoelens immer bezield zijn, en de vermaning velgen van den Apostel Paulus : sWeest in alles gehoorzaam, omdat dit behaagt aan God.quot; 1)
Als Z. H, de Paus of Z. Hw. de Bisschop iets gebiedt of vooischrijft, gehoorzaamt blijmoedig, al zou het u ook offers kosten! Als Zij iets verbieden, bv. de slechte lezingen, ofwel iets veroordeelen, bv. eene onrechtvaardige wet, onderwerpt u aan hunne beslissingen. »De H. Geest â zegt de Apostel Paulus â heeft de Bisschoppen aangesteld om de Kerk van
I) Cvl. III. zo.
â 198 â
God te besturen.... Gehoorzaamt hun, want zij dragen den last uwer zielen, waarover zij eenmaal rekenschap zullen geven aan den Oppersten Rechter.quot; 1)
II.
Een tweede plicht voor iederen Katholiek is: de H. Kerk te beminnen.
Ontaard is het kind, dat geene liefde heeft voor zijne moeder; ontaard ook is de Katholiek, die zijne moeder de H. Kerk niet bemint. Aan haar toch hebben wij naar ziel en lichaam de grootste weldaden te danken. Beschouwt 's menschen leven vanaf de wieg tot aan het graf, gij zult herhalen, wat eertijds de Joden getuigden van Jesus: Bene omnia fecit: De Kerk heeft alles welgedaan.
Wie is het, die in uwe eerste levensstonden u verhief tot kinderen Gods, tot erfgenamen des hemels5' De H. Kerk door het Doopsel. Wie is het, die u, kind zijnde, den weg des Hemels aangetoond, en onderwezen heeft in de noodzakelijkste aller wetenschappen? De H. Kerk bij monde barer Priesters. Wie is het, die u eene redplank aanbiedt, zoo dikwerf uwe ziel schipbreuk lijdt op de stormachtige zee dezer wereld? De H. Ker'c door het Sacrament der Biecht. Wie is het, die u zoo dikwijls spijzigt met het Lichaam O. H. Jesus-Christus? De H. Kerk door de Communie. Christene echtgenooten, wie is het die uwe vereeniging heeft ingezegend, waardoor gij gratie ontvangen hebt, om de zware plichten van dan gehuwden staat
1) Act Ap. XX. 28; Hebr. XIU 17.
â 199 â
naar behooren te vervullen? De H. Kerk door tusschenkomst van den Priester.
Als eene doodelijke ziekte ons aan het sterfbed zal kluisteren; als de pijnen ons zullen kwellen, de naderende dood ons zal beangstigen, en de duivel ons misschien tot wanhoop zal aanlokken: wie is het, die in dat beslissend oogenblik ons moed en troost, kracht en sterkte geven zal? De H. Kerk door hare troost- en genademiddelen, de laatste H. Sacramenten. â Als ons koude lijk bewegenloos in de doodskist zal nederliggen, wie zal dan vooral denken aan onze arme ziel ? De H. Kerk, ja, de H. Kerk. Wordt uw verstijfde lichaam voor de laatste maal dezen tempel ingedragen, o dan is het onze Moeder de H. Kerk, die den Priester doet smeeken : «Engelen en Heiligen des Hemels, komt deze ziel te gemoet en biedt haar aan voor het aanschijn des Allerhoogsten.quot; Gedurende den lijkdienst, terwijl uwe vrienden en kennissen wellicht zijn uitgegaan, zal uwe Moeder de H. Kerk niet ophouden, Gods barmhartigheid voor uwe ziel af te smeeken. Wordt daarna het lijk uitgedragen, opnieuw doet de H. Kerk den priester smeekend zingen : In paradisum dcducant te angeli: Dat de Engelen u het paradijs binnenleiden! Is de doodskist in het kille graf neergelaten en san aller oogen onttrokken, ja later, veel later nog, als gij reeds door vriend en bloedverwant zijt vergeten, dan nog leeft gij voort in de gedachtenis der H. Kerk, welke dagelijks den Priester in de H. Mis doet bidden: «Heer, schenk aan allen, die in Christus rusten, de plaats van verkwikking, licht en vrede.quot;
Maar »ofschoön de Kerk uit zich zelve het heil der zielen «en de gelukzaligheid des Hemels beoogt, toch is zij in de
200
»orde der aardsche dingen de bron van zoo voortreffelijke en sgroote voordeelen, dat zij er geen talrijker en aanzienlijker izou kunnen verschaffen, zelfs al ware zij eerst en vooral in-jgesteld om het geluk van dit aardsche leven te bevorderen.quot;
Zoo schrijft O. H. Vader Paus Leo XIII. i) En terecht, want ook op onze lichamen vloeien de weldaden der Kerk neder, ook onze tijdelijke belangen worden door haar behartigd.
Wat ware de vrouw zonder de Kerk? Eene slavin, eene verstootelinge uit de maatschappij. Wat ware de man zonder de Kerk? O, misschien waart gij in uwe jeugd weggeworpen voor de wilde dieren, gelijk zooveel duizenden kinderen in China en andere afgodische landen; en ware dit uw lot niet geweest, gij zoudt een heiden zijn, verzonken in al de ondeugden van wreedheid en wellust, aan het heidendom eigen. Dienstboden, wat zoudt gij wezen zonder de Kerk? Slaven, die niet als redelijke schepselen Gods, maar als het verachtelijk vee behandeld werden. Ja, dat ware onze toestand zonder de H. Kerk; want zij alleen heeft geleerd, dat de man zijne vrouw moet beminnen als een deel van zich zeiven, dat de ouders hunne kinderen moeten beschouwen als dierbare schatten des Hemels, dat de meesters hunne dienstboden als gelijken moeten behandelen. De H. Kerk schrijft rijken en armen, meesters en werklieden hunne wederzijdsche plichten voor; plichten, wier trouwe vervulling eene bron is van geluk en welvaart, doch wier verzuimenis de grootste onheilen na zich sleept, gelijk hedendaags vooral de ondervinding bewijst. iDe »groote dwaling van onzen tijd is de miskenning van he'; feit,
En:. Immort. Dji.
X
â 20I -
»dat de Kerk alleen de volkeren tot welvaart brengt. De Kerk »zou dit nog doen, als zij vrij was in de uitoefening van haren ïinvloed en in het aanwenden der noodige hulpmiddelen.quot; i) Zij is de liefdevolle moeder, die overal weldoende rondgaat. Per-transilt bene/aciendo. 2)
Als wij die groote weldaden der H. Kerk gedenken, worden wij dan niet opgewekt, om haar vurig te beminnen? O ja, het hart vervuld met dankbaarheid, vereenigen wij onze stem met de stem van den H. Augustinus, en roepen wij met vreugde: sKatholieke Kerk, waarachtige Moeder der Christenen, gij zijt sliet, die aan de menschen leert niet alleen éénen waren God ste aanbidden, en alzoo de afgoderij uit de wereld verbant, »maar die hun ook voorhoudt, hunne broeders te beminnen »op zoo volmaakte wijze, dat alle menschelijke ellenden, hoe »verschillend ook van aard, in die liefde een krachtig hulpsmiddel vinden! Gij zijt het, die beurtelings kind met het skind, sterk met den jongeling, bedaard niet den ouderling, »de waarheid leert en tot de deugd opwekt, volgens de kracht »der jaren en het begrip van het verstand. Gij zijt het, die sdoor eene zuivere en getrouwe eendracht de vrouw aan den jman onderdanig maakt, niet om dierlijke driften te voldoen, nmaar tot behoud van het menschelijk geslacht, vandesamen-»leving en van het huisgezin. Gij zijt het, die den man heersschappij geeft over de vrouw, niet om de zwakheid van haar sgeslacht te misliandelen, maar om haar steun te wezen en »haar te behandelen volgens de wetten der rechtzinnigste liefde. »Gij zijt het, die door eene vrije dienstbaarheid de kinderen
i) Z. H, Leo XIII tot de D iirsche pelgrims in Mei 1890. 2) Act. X. 3S.
202
»aan de ouders onderwerpt, en aan de ouders een heilig gezag «geeft over hunne kinderen. Gij zijt het, die de broeders met »den band van den godsdienst vereenigt, met dien band, die «heiliger en sterker is, dan de band van het bloed. Gij zijt »het, die de wetten der natuur en de genegenheden van den »wil eerbiedigende, de wederzijdsche vriendschap en verbinte-»nissen door eene heilige liefde versterkt. Gij zijt het, die gt;aan de dienaars leert hunne meesters te dienen, minder uit »vrees dan uit liefde. Gij zijt het, die de meesters goed en «barmhartig maakt voor de dienaars, door de gedachte aan «God, hunnen algemeenen Meester. Gij zijt het, die niet «slechts door de banden der samenleving, maar ook doo- de «banden der broederlijkheid de burgers, de volkeren en alle ïtnenschen met elkander vereenigt door de herinnering aan «hunnen algemeenen oorsprong. Gij zijt het, die aan de konin-»gen leert zich zeiven ten dienste te stellen voor de volkeren, »en aan de volkeren te gehoorzamen aan hunne koningen. «Gij zijt het, die met volmaakte nauwkeurigheid leert aan j wien de eer, aan wien de toegenegenheid, aan wien de eer-ibied, aan wien de vrees, aan wien de vertroosting, aan wien «de vermaning, aan wien de opwekking, aan wien de berisping, gt;aan wien de kastijding toekomt, toonende, dat dit alles niet «toekomt aan allen, maar dat men aan allen de liefde ver-ischuldigd is, en dat men niemand mag beleedigen.quot; i)
i) De Morib. Ecc. Cath. c. 30.
O Katholieke Kerk, o Moeder aller geloovigen, uit dankbaarheid voor al die weldaden zweren wij u eeuwige liefde, eeuwige trouw, eeuwige gehoorzaamheid. In uwen schoot willen wij leven en sterven.
AMEN.
Wij ii|oetei| oi|ke Aloeelei' de H. Kerk vertledigei).
T.ah o ra sic ut bonus miles Christi-ycsu : Werk als een goed soldaat van Jesus-Christus.
(2 Tim. II: 3)
In onze voorgaande onderwijzing hebben wij gesproken over de liefde en de gehoorzaamheid, welke wij allen schuldig zijn aan onze Moeder de H. Keik.
De gehoorzaamheid vordert, dat wij gewillig volbrengen, alles wat de H. Kerk krachtens haar wettig gezag voorschrijft, en gewillig laten, wat zij verbiedt. De liefde vordert, dat wij haar onze dankbaarheid bewijzen voor de menigvuldige en onwaardeerbare weldaden, die wij van haar ontvangen hebben en nog dagelijks ontvangen. Maar het is niet genoeg, met een dankbaar hart uit te roepen: O katholieke Kerk, o Moeder der Christenen, u bemin' ik, u zal ik altijd beminnen. Wij moeten onze liefde toonen door daden, door werken. Welnu, zulks doen degenen, die in onze voor de Kerk zoo droevige tijden als hare verdedigers, als hare beschermers optreden.
â 205 â
Op dien bijzonderer, maar zoo dikwijls miskenden plicht, wil ik heden uwe aandacht vestigen.
I.
Eene dwaling, hedendaags vrij algemeen, is deze; dat het voldoende is. Katholiek te wezen in zijn bijzonder of privaat leven, dat men in het openbaar leven den godsdienst mag ter zijde stellen, en zich, gelijk men zegt, onzijdig of neutraal mag houden.
Ik veronderstel, dat uwe eigene moeder beleedigd en vervolgd wordt; gij, ofschoon haar kind, blijft eenvoudig toeschouwer, en alhoewel gij uwe moeder zoudt kunnen verdedigen, gij doet het niet; gij blijft onzijdig. Ik vraag u; Vervult gij dan uwe kinderlijke plichten ? Voorzeker neen. Welnu, 't is hetzelfde met de H. Kerk. Zij, ons aller Moeder, wordt tegenwoordig door de Vrijmetselarij, door het Liberalismus, door het Socialismus en zooveel andere vijanden bestreden en vervolgd. Mogen wij, hare kinderen, onzijdig blijven, en doen, alsof er niets gebeurt ? Neen, duizendmaal neen ! De wereld is tegenwoordig in twee kampen verdeeld; de eenen zijn vóór, de anderen zijn tegen Kerk en godsdienst. Is het in zulke omstandigheden mogelijk te zeggen : Ik ben niet vóór, en ook niet tegen de Kerk ; ik ben onzijdig ? Dat is niet mogelijk, zooals de Hw. Bisschoppen van België leeren in hunnen herderlijken brief van het jaar 1843. dezen geweldigen op-»stand der dwaling tegen de waarheid, in dezen oorlog tus-gt;schen den duivel en Jesus-Christus, al wie het niet openlijk »houdt met zijnen God en Zaligmaker, staat tegen Hem op.quot;
- 2O6 -
Hetzelfde leert Onze H. Vader de Paus, zeggende:
»Het is de plicht der Katholieken, zich te toonen, gelijk zij gt;zijn, met open vizier aan alles het hoofd te bieden, alles te gt;verduren, om den onwaardeerbaren schat des geloofs te be-»waren. Er kunnen hedendaags slechts twee scherp afgedeelde »kampen zijn: het kamp der Katholieken, vast besloten, om gt;altijd en tot eiken prijs vereenigd te blijven met de Bisschop-»pen en met den Paus, en het vijandelijk kamp, dat hen be-gt;strijdt. Zij, die uit lafheid zich niet durven vertoonen, en »die liever tusschen twee kampen blijven, zullen daardoor reeds »de gelederen der vijanden versterken.quot; i)
gt;Het gaat dus niet aan â zoo spreekt een geleerde Bis-»schop â in de groote en gewichtige zaak onzer godsdienstige belangen, in den rampzaligen strijd, welken de macht »der duisternis hedendaags tegen Paus en Kerk, tegen God ien godsdienst heeft aangebonden, koud en onverschillig te »blijven. Men moet daarin noodzakelijk partij kiezen. Christus »toch, onze God en Zaligmaker, heeft uitdrukkelijk verzekerd: »Niemand kan twee heeren dienen, want hij zal óf den eenen »haten en den anderen liefhebben, óf den eenen voorstaan en »den anderen verachten;quot; 2) en wederom: »Die niet met mij lis, is tegen mij, en die niet met mij vergadert, verstrooit. 3) «Bijgevolg is het voor ons, als ware en rechtgeaarde kinderen ïder Kerk, niet genoeg in den hevigen en verwoeden strijd, idien wij beleven, stand te houden en daaraan 1 sterk in het »geloof, weerstand te bieden,quot; wij moeten daarenboven de
1) Z. H. Leo xm tot de Vereeniging der Kath. Jongelingschap in Italië 1890. 2) Matth. VI. 24. 3) Luc. XI. 23.
gt; goede zaak, lt;le groote en heilige belangen van Paus en Kerk, gt;van God en godsdienst: naar best vermogen beschermen en »voorstaan.quot; i)
Maar, zeggen sommigen, gedreven door eene valsche voorzichtigheid, hoe meer men strijdt voor de goede zaak, des te meer worden onze vijanden opgehitst.
Luistert, wat Z. H. de Paus hun zegt; »Zijn zulke menschen »vóór of tegen de Kerk? Men zou het niet kunnen zeggen. »Van den eenen kant komen zij er voor uit, den Katholieken «godsdienst te belijden, maar tegelijk willen zij, dat de Kerk »de verdediging toelate van zekere leerstellingen, welke met »den godsdienst in strijd zijn. Zij zuchten over het toenemend gt;ongeloof en zedenbederf, maar zij dragen geene zorg, een »enkel geneesmiddel tegen die kwalen aan te brengen. Het «gebeurt zelfs niet zelden, dat zij er de maat van vermeerde-»ren, hetzij door eene al te groote toegevendheid, hetzij door
»een verderfelijk verontschuldigen........ Hunne voorzichtigheid
»is wel die, welke de H. Paulus noemt wijsheid des vleesches »en dood der ziel, 2) omdat zij aan de wet Gods niet onder-sworpen kan zijn. Niets is minder geschikt, om de kwalen »te verminderen, dan eene dergelijke voorzichtigheid. Het plan gt;bestaat, door de vijanden vastgesteld, waarop velen zich be-»roemen, den katholieken godsdienst, die alleen de ware gods-»dienst is, te verdrukken. Om dat plan te volvoeren, durven »zij alles wagen; want zij weten zeer goed, dat, hoe meer zij gt;hunne tegenstanders doen sidderen, zij des te gemakkelijker ihunne verderfelijke ondernemingen ten uitvoer zullen brengen.
1) Vastenbrief van Z. D. H. Mgr. Godschalk. Bisschop van 's Bosch 1890.
2) Rom. VIII. 6. 7.
- 2o8 -
»Bij ge volg dezulken, die de voorzichtigheid des vleesches besminnen, en doen, alsof zij niet weten, dat ieder Christen een «dapper soldaat moet wezen van Christus, die beweren de sbelooning der overwinnaars te bekomen door te leven als «lafaards en niet mede te strijden: dezulken zijn niet instaat, »den inval van het vijandelijk leger af te slaan, maar zij on-
idersteunen hen in hunne plannen......... Zij echter handelen
szeer goed, die zoo dikwijls het noodig is, den strijd aanvaar-»den in de vaste overtuiging, dat het onrechtvaardig geweld sten onder moet gaan en overwonnen zal worden door de «heiligheid van het recht en van den godsdienst. Zij 'ontwikskelen eene heldendeugd den ouden waardig, wanneer zij, om sden godsdienst te beschermen, optreden tegen de vermetele spartij, die voordurend het Christendom blijft bestrijden en 3 niet ophoudt den Paus, die in hare macht gevallen is, te sbelagen.quot; i)
Verre dus van ons, bloote toeschouwers te blijven in den toenemenden strijd tegen Kerk en godsdienst! Laten wij naar vermogen de rechten der Kerk, de belangen van den godsdienst beschermen en verdedigen! Lahora sicui bonus miles Chrisii. 2) Werk als een goed soldaat van Christus. sDe Christenen zijn voor den strijd geboren, en hoe heviger de strijd is, hoe meer men op de overwinning met Gods hulp kan rekenen. Hebt vertrouwen â zegt Christus â 3) ik heb de wereld overwonnen. 4)
1) Ene. Sapientiae Christ'.anae, 2) II. Tim. H. 3. 3) Joan. XVI. 13. 4) Ene. Sap. Christ.
â zog â
II.
Mf] dunkt, ik hoor u thans vragen ; Hoe kunnen wij dien plicht vervullen? Hoe kunnen wij Kerk en godsdienst beschermen en verdedigen ?
Dit kunt gij op verschillende wijzen, waarvan ik slechts de voornaamste zal aanstippen.
Gij treedt op als verdediger uwer Moeder de H. Kerk, 10 zoo dikwijls gij uwe stem verheft tegen degenen, die in uwe tegenwoordigheid hare rechten, hare leering of hare bedienaars aanranden.
Luistert hier nogmaals naar de schoone woorden van onzen H. Vader, die zegt; »Als de omstandigheden het noodzakelijk mnaken, dan zijn het niet alleen degenen, die de Kerk besturen, gt;wier plicht het is, voor de onschendbaarheid des geloofs te »waken, maar gelijk de H. Thomas zegt: Eenieder is gehou-»den openlijk voor zijn geloof uit te komen, hetzij om de gt;andere geloovigen te onderrichten en aan te moedigen, hetzij iom de aanvallen der tegenstanders af te slaan, i) Terug-»schrikken voor den vijand en zwijgen, wanneer van alle kan-sten om bet hardst geschreeuwd wordt tegen de waarheid, is »de daad van een man zonder karakter, of van iemand, gt;die twijfelt aan de waarheid van het geloof. In beide ge-gt;vallen is zulk gedrag schandelijk en zonde tegen God; het is «strijdig met het heil van eenieder en van allen; het is alleen «voordeelig voor de vijanden der Kerk. Want niets vermeer-»dert zoozeer de stoutmoedigheid der boozen, als de zwakheid gt;der goeden.quot; 2)
1) S. Thom. 2 2de q. 3 a. II ad. 2. 2) Ene. Sap. Christ. De Godsdienst.
14
- 2 IO -
JVij treden op als verdedigers der Kerk 2° indien wij naar vermogen bijdragen aan liefdewerken en genootschappen, welke het behoud of de uitbreiding van het Katholiek geloof ten doel hebben. Genootschappen van zulken aard zijn b. v. het genootschap van den H. Franciscas Salezius, hetwelk ton doel heeft het behoud des geloofs in het binnenland; het genootschap der H. Kindschheid, waardoor duizende kinderen in de Heidensche landen uit de klauwen des duivels bevrijd worden; het genootschap van de voortplanting des geloofs, hetwelk beoogt de uitbreiding van den Katholieken godsdienst bij de ongeloovigen. Andere liefdewerken, die eveneens de welvaart en den bloei der Kerk bevorderen, zijn; de St. Pieterspenning, de Kath. Universiteit van Leuven enz.
Wij treden op als verdedigers der Kerk 30 indien wij boeken, geschriften, dag- of weekbladen verspreiden en ondersteunen, die oprecht Katholiek zijn. Hier geef ik nogmaals het woord aan den Roomschen Opperpriester. gt; Omdat het voor-maamste middel, waarvan de vijand zich bedient, de druk-ipers is, welke grootendeels door hen gesteund en beheerscht swordt, daarom moeten de Katholieken de goede drukpers te-igenover de slechte plaatsen tot verdediging van waarheid en «godsdienst, en tot ondersteuning van de rechten der Kerk.quot;
En wat de dagbladschrijvers in het bijzonder aangaat, tot hen zegde onlangs nog Z. H. de Paus; gt;De pers en de Kerk gt;moeten samenwerken, om het menschelijk geslacht op te voe-jden. De dagbladen hebben hedendaags eene groote macht, jen moeten mij helpen, om een godsdienstigen en liefdadigen
»geest te verspreiden, ea om de grondbeginselen eener gezonde gt;zedeleer te onderwijzen.'' i)
IVy treden op als rerdedigers der Kerk 40 indien wij bij gelegenheid eener verkiezing onze stem verleenen aan dezulken, die zich openlijk als oprechte Katholieken verklaren. Deze plicht wordt ons eveneens door Zijne Heiligheid den Paus voorgehouden. »j\Ien moet â zoo zegt hij â personen steu-men, wier eerlijkheid bekend is, en die beloven, zich voor de sKatholieke belangen verdienstelijk te maken. Om geen enkele »reden kan het geoorioofd zijn, boven hen mannen te verkie-»zen, die vijanden zijn van den godsdienst.quot; 2)
Wij treden op als verdedigers der Kerk 50 indien wij voor haren bloei en zegenpraal strijden met het wapen des gebeds «Gij kent â zoo spreekt wederom Z. H. de Paus â gij kent sonzen tijd, die in waarheid voor de christelijke maatschaupij «bijna even noodlottig is. ais ooit te voren het geval is geweest. AVij zien immers, hoe bij zeer velen het geloof, de grondslag
1) Z. H. Leo XIII 'ot eer. Lorréspondent van een ^ meriPaansch dagblad. 1890.
2) Ene. Sap. Clirist. â Ziehier omtrent dit belangrijk punt eenige vragen en antwoorden, getrokkt-n ui: een fransehen Catechismus:
V. â Hoe kunnen wij verkrijgen, christelijk geregeerd te worden .J
A. - Wij kunnen verkrijgen, christelijk geregeerd te worden, door bij de verkiezingen voor zulke raarmen te stemmen, die besloten zijn de belangen van den Godsdienst en var; de maatschapp.ji te verdedigen.
V. â Bestaat er een plicht, bij verkiezingen zijne Siem te geven?
A. â Ja, het is plicht Lij de verkiezingen zijne stem te geven.
V. â Is het eene zonde, bij de verkiez.ngen slecht te stemmen?
A. â Ja. het is eene zonde, bij de verkiezingen slecht te stemmer..
V. â Wat beteekent. bij de verkiezingen slecht stemmen?
A. â Bij de verkiezingen slecht stemmen betee ent, voor mannen stemmen, die niet besloten zijn, de belangen van den Godsdienst en der maatschappij te verdedigen.
^⢠â Waarom is het eene zonde, bij de verkiezingen slecht te stemmen?
A. â Omdat men zich daardoor verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat degene, aan wien men zijne item geeft, doen kan. (Kardinaal PLACE)
»der christelijke deugden verloren gaat; hoe de liefde verflauwt; shoe de Kerk van Jesus Christus van alle kanten met geweld sen list wordt aangevallen; hoe tegen het Pausdom een verswoede strijd gevoerd wordt; hoe zelfs de grondslagen van »den godsdienst met steeds toenemenden overmoed onderniijnd sworden.... In dezen kommervollen en rampzaligen staat van szaken, wijl het kwaad zoo groot is, dat alle menschelijke ^hulpmiddelen daarbij te kort schieten, blijft er niets over, dan s-van Gods almacht deszelfs verbetering af te smeeken. Daarom ïliebben wij gemeend, de godsvrucht van het Christenvolk tot ïeen meer ijverig en volhardend inroepen van Gods alvermo-»geriden bijstand te moeten aansporen.quot;
Zoo luiden de woorden van onzen H. Vader den Paus in eenen omzendbrief aan HH. H\v. de Bisschoppen, waarin Zijne Heiligheid het bevel hernieuwde, de gansche maand October aan de vereering van O. L. Vrouw van den Rozenkrans toe te wijden, en tevens voorschreef, bij het gebed van den Rozenkrans dagelijks een door Hem zeiven opgesteld gebed te voegen tot den H. Jozef, den Beschermheilige der Kerk.
Zult gij weigeren aan dien oproep van Jesus'plaatsvervanger te voldoen ? O neen! Bereidwillig zult gij gehoor geven aan Zijne stem, en de vurigste gebeden voor het welzijn der Kerk ten Hemel opzenden.
Overtuigd van uwe goede gesteltenissen, roep ik ten slotte u allen toe; Ora et labor a: Bid en werk. Ja, gebeden, vurig gebeden voor de H. Kerkl Volhardend gebeden tot Maria en Jozef voor hare uitbreiding, voor hare zegepraal! Naar vermogen gestreden voor hare eer, voor hare belangen, voor hare rechten! De zaak der Kerk is de zaak van God.
gt; Weest niet van hen, die zich ten verderve aan hunne piich-sten onttrekken, maar staat vast in uw geloof tot zaligheid juwer ziel.quot; i) iZijt sterk in den Heer en in Zijne almogende »kracht. Kleedt u aan met de wapenrusting Gods, om bestand »te zijn tegen de hinderlagen des duivels,... om ten kwaden sdage pal te staan en in ailes volmaakt stand te houden. Staat »dan, uwe lendenen omgord met waarheid, uwe borst met het sharnas der gerechtigheid, de voeten geschoeid met bereidwil-ïligheid op den weg van het Evangelie des vredes. Beschermt »u in alles met het schild des geloofs, waarmede gij de bran-»dende pijlen van den booze kunt uitdooven; neemt ook den ïhelm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is «Gods woord.quot; 2)
Zalig de mensch, die, mee deze wapenrusting bekleed, de rechten van God en van de K. Kerk verdedigt! Hem is de palm der overwinning verzekerd. Hij strijdt den goeden strijd; hem is de kroon der gerechtigheid weggelegd.
A M E X.
1) Hebr. X. 39. 2) Ephes. VI. 10, 19.
-tr 4-. sir -lt;tr 4, ^
r.y-' ' 5r t_J^ -Sr .j -V ^ '-V c-/^ -»-
XXL
Wij moeteii oiize wereldlijke overl\eid eerbiedigen en gelioorzan]ei|.
.RedJiir. quae sur: Cisaris, Caesari: Geeft den Keizer, wat den Koizer toekomt.
(Ma'th. XXIIâ21)
Er bestaan op aarde twee machten, die beide van God komen en in onderlinge overeenstemming aan het welzijn der menschelijke maatschappij moeten werken, om haar tot hare eeuwige bestemming te voeren: de macht der Kerk en de macht van den Staat.
Tegens beide machten hebben wij plichten te vervullen. Daarom rust op mij de taak, na u volgens de leering van Z. H. den Paus uwe plichten jegens de H. Kerk te hebben voorgehouden, u te herinneren aan de plichten, welke gij als burgers jegens den Staat, jegens uwe wereldlijke overheid vervullen moet.
Veel valsche meeningen, groote vooroordeelen heerschen in onze dagen over dit punt.
Men noemt den godsdienst een vijand van het vaderland en men zoekt het maatschappelijl. leven voordurend van het gods-
â 215 â
dienstige af te scheiden, God en de menschelijke maatschappij vijandig tegenover elkander te plaatten.
Vooral heft men tegen ons, Katholieken, allerlei klachten er. verwijtingen aan, waardoor men ons in onze hoedanigheid var. staatsburgers en als zonen des vaderlands in het hart wil treffen.
Geene klacht is meer onrechtvaardig, geene beschuldiging meer ongegrond. Een oprechte Katholiek, die de voorschriften van den godsdienst naleeft, moet noodzakelijk een goede burger, een trouwe zoon des vaderlands wezen.
Deze waarheid is duidelijk voor iedereen, die niet met vrijwillige verblindheid is geslagen.
De vervulling immers der burgerplichten wordt door de Katholieke Kerk haren leden niet slechtj aanbevolen, maar ais eene gewetenszaak opgelegd. Sinds achttien eeuwen vermaant zij ons naar het voorbeeld van haren Goddelijker! Stichter: jGeeft den keizer, wat den keizer toekomt,quot; d. i. eerbiedigt en gehoorzaamt uwe wereldlijke overheid.
I.
Ieder Katholiek moet zijne wereldlijke overheid eerbiedigen. Deze verplichting is ons, kind zijnde, in de christelijke leering voorgehouden.
Hoe dikwerf toch heeft de Priester, die ons in de noodzakelijkste aller wetenschappen onderrichtte, ons gevraagd; sW'ie vers'taat men door vader en moeder in het vierde gebod?quot; Dan luidde ons antwoord: »Onze ouders, van wie wij geboren, zijn, en alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke.quot; s\Yie zijn onze wereldlijke oversten?quot; zoo vraagde de Priester verder;
»der christelijke deugden verloren gaat; hoe de liefde verflauwt; »hoe de Kerk van Jesus Christus van alle kanten met geweld sen list wordt aangevallen; hoe tegen het Pausdom een verswoede strijd gevoerd wordt; hoe zelfs de grondslagen van »den godsdienst met steeds toenemenden overmoed onderniijnd s worden.... In dezen kommervollen en rampzaligen staat van szaken, wijl het kwaad zoo groot is, dat alle menschelijke ^hulpmiddelen daarbij te kort schieten, blijft er niets over, dan »van Gods almacht deszelfs verbetering af te sraeeken. Daarom i.hebben wij gemeend, de godsvrucht van het Christenvolk tot seen meer ijverig en volhardend inroepen van Gods alvermo-»genden bijstand te moeten aansporen.quot;
Zoo luiden de woorden van onzen H. Vader den 1'aus in eenen omzendbrief aan HH. H\v. de Bisschoppen, waarin Zyne Heiligheid het bevel hernieuwde, de gansche maand October aan de vereering van O. L. Vrouw van den Rozenkrans toe te wijden, en tevens voorschreef, bij het gebed van den Rozenkrans dagelijks een door Hem zeiven opgesteld gebed te voegen tot den H. Jozef, den Beschermheilige der Kerk.
Zult gij weigeren aan dien oproep van Jesus'plaatsvervanger te voldoen ? O neen 1 Bereidwillig zult gij gehoor geven aan Zijne stem, en de vurigste gebeden voor het welzijn der Kerk ten Hemel opzenden.
Overtuigd van uwe goede gesteltenissen, roep ik ten slotte u allen toe: Ora et labara: Bid en werk. Ja, gebeden, vurig gebeden voor de H. Kerk! Volhardend gebeden tot Maria en Jozef voor hare uitbreiding, voor hare zegepraal 1 Naar vermogen gestreden voor hare eer, voor hare belangen, voor hare rechten! De zaak der Kerk is de zaak van God.
sWeest niet van hen, die zich ten verderve aan hunne piich-9ten onttrekken, maar staat vast in uw geloof tot zaligheid suwer ziel.quot; i) »Zijt sterk in den Heer en in Zijne almogende »kracht. Kleedt u aan met de wapenrusting Gods, om bestand »te zijn tegen de hinderlagen des duivels,... om ten kwaden 'dage pal te staan en in alles volmaakt stand te houden. Staat »dan, uwe lendenen omgord met waarheid, uwe borst met het sharnas der gerechtigheid, de voeten geschoeid met bereidwil-ïligheid op den weg van het Evangelie des vredes. Beschermt su in alles met het schild des geloofs, waarmede gij de bran-sdende pijlen van den booze kunt uitdooven; neemt ook den ihelm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is »Gods woord.quot; 2)
Zalig de mensch, die, met deze wapenrusting bekleed, de rechten van God en van de Fï, Kerk verdedigt! Hem is de palm der overwinning verzekerd. Hij strijdt den goeden strijd; hem is de kroon der gerechtigheid weggelegd.
A M E N.
1) Hebr. X. 39. i) Ephes. VI. 10, 19.
Wij joelen or^e Avereldlijke overl\eid eerbiedigen eii gehoorzarqei].
Redditc. quae su-gt;;: 'caaris. Caesari: Geefi den Keizer, wat den K- ;;:rr toekomt.
(Ma'th. XXIIâ2i)
Er bestaan op aarde twee machten, die beide van God komen en in onderlinge overeenstemming aan het welzijn der menschelijke maatschappij moeten werken, om haar tot hare eeuwige bestemming te voeren: de macht der Kerk en de macht van den Staat.
Jegens beide machten hebben wij plichten te vervullen. Daarom rust op mij de taak, na u volgens de leering van Z. H. den Paus uwe plichten jegens de H. Kerk te hebben voorgehouden, u te herinneren aan de plichten, welke gij als burgers jegens den Staat, jegens uwe wereldlijke overheid vervullen moet.
Veel valsche meeningen, groote vooroordeelen heerschen in onze dagen over dit punt.
Men noemt den godsdienst een vijand van het vaderland en men zoekt het maatschappelijk leven voordurend van het gods-
â 215 â
dienstige af te scheiden, God en de menschelijke maatschappij vijandig tegenover elkander te plaatten.
Vooral heft men tegen ons, Katholieken, allerlei klachten en verwijtingen aan, waardoor men ons in onze hoedanigheid van staatsburgers en als zonen des vaderlands in het hart wil treffen.
Geene klacht is meer onrechtvaardig, geene beschuldiging meer ongegrond. Een oprechte Katholiek, die de voorschrifter. van den godsdienst naleeft, moet noodzakelijk een goede burger, een trouwe zoon des vaderlands wezen.
Deze waarheid is duidelijk voor iedereen, die niet met vrijwillige verblindheid is geslagen.
De vervulling immers der burgerplichten wordt door de Katholieke Kerk haren leden niet slechts aanbevolen, maar als eene gewetenszaak opgelegd. Sinds achttien eeuwen vermaar.; zij ons naar het voorbeeld van haren Goddelijken Stichter: iGeeft den keizer, wat den keizer toekomt,quot; d. i. eerbiedigt en gehoorzaamt uwe wereldlijke overheid.
I.
Ieder Katholiek moet zijne wereld.ijke overheid eerbiedigen. Deze -erplichting is ons, kind zijnde, in de christelijke leering voorgehouden.
Hoe dikwerf toch heeft de Priester, die ons in de noodzakelijkste aller wetenschappen onderrichtte, ons gevraagd; »\Vie verstaat men door vader en moeder in het vierde gebod?quot; Dan luidde ons antwoord: »Onze ouders, van wie wij geboren zijn, en alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke.quot; ï\Vie zijn onze wereldlijke oversten?quot; zoo vraagde de Priester verder;
en wij haastten ons te antwoorden; »Onze Souverein, en de genen, die onder hem ons besturen.quot;
Gelijk dus een kind zijne ouders moet eerbiedigen, zoo moet ook ieder burger eerbied en achting hebben voor zijne wereldlijke overheid, dat is voor degenen, die aan het hoofd staan van het land, van de provincie en van de gemeente. Door de macht, welke zij als plaatsbekleeders van God uitoefenen, door het ambt, dat zij in de maatschappij bekleeden, zijn zij boven de gewone burgers verheven, en daarom hebben zij recht op dezer achting en eerbied.
De tweede plicht, die rust op iederen Katholiek, is de ge-hoorzaamkei'.
Onze H. Godsdienst beveelt, dat men aan de rechtmatige overheid als plaatsbekleeders van God, van den hoogsten der wetgevers, moet gehoorzamen en eerbied bewijzen, en dat men hunne verordeningen, zoolang deze niet in strijd zijn met goddelijke of kerkelijke geboden, uit liefde tot en uit onderdanigheid aan God, alzoo niet enkel als gevolg van dwang en uit vrees voor straf, zonder tegenwerping moet nakomen.
Wie zulks niet doet, handelt uitdrukkelijk in strijd met hetgeen hij, als Katholiek, verplicht is te doen.
Hij verbet zich tegen de leer en het voorbeeld zoowel van Jesus Christus, als van zijne Apostelen en de geheele Katholieke Kerk.
Jesus Christus begon zijne onderdanigheid aan de staatswetten reeds in zijne wieg; Hij liet toe, dat zijne geboorte a's die van een gewoon menschenkind in de openbare registers van Bethlehem werd opgeteekend. Ook later heeft Hij nimmer de staatswetten, die niet in strijd waren met de wet zijns He-
217
melschen Vaders, overtreden. Om aan eene belasting, Hem persoonlijk betreffend, ondanks zijne armoede, te kunnen voldoen, verwaardigde Hij zich zelfs een mirakel te wrochten. â Toen men Christus eens met eene verkeerde bedoeling afvroeg, of het geoorloofd was den keizer belasting te betalen, antwoordde hij aanstonds: «Geefc aan God, wat God toekomt, en den keizer, wat den keizer toekomt.quot;
Ook de Apostelen hebben, zoolang het zonder overtreding der goddelijke wetten mogelijk was, steeds gehoorzaamheid betoond aan de wereldlijke wetten, en dezer navolging anderen ingeprent.
»Alle macht komt van God â zegt de H. Paulus â; wie de macht wederstreeft, weerstreeft Gods bevelen.quot; i) Vermaan de Christenen â zoo schreef hij aan Titus â dat zij aan de overheid en de machten onderdanig zijn, en dat zij aan hunne bevelen gehoorzamen.... 2) De H. Petrus leerde: aledereenon-derwerpe zich aan de rechtmatige overheid, want er bestaat geen zoodanige dan van God.
De H. Katholieke Kerk heeft eveneens de gehoorzaamheid jegens de wereldlijke overheid steeds als plicht en gewetenszaak erkend, en degenen, die het tegendeel wilden bewijzen, zooals Calvijn, weerlegd en bestreden. 3)
Nooit heeft de Kerk opgehouden tot alle Katholieken deze vermaning te richten: Obedite praeposUis vestris: Gehoorzaamt aan uwe oversten. 4) In onze tijden vooral, waarin het heer-schend ongeloof oproer en verzet predikt tegen alle wettig ge-
1) Ron. XII'. 2) Tit. in. i. 3) AgOi'itn, ConfreniVn 4 Hcbr. Xlll. 17.
- 2l8 -
zag, klinkt luider dan ooit de stem der Kerk; Iedereen zij gehoorzaam aan de hoogere machten, want alle macht komt van God. i)
Getuige hiervan de laatste omzendbrief van Z. H. den Paus, sprekende over de plichten der Katholieken als staatsburgers. »De macht der wereldsche overheid â zoo zegt Zijne Heilig-»heid â is voor de christenen eerbiedwaardig. Zij zien in die «macht, zelfs wanneer de overheid minder waardig is, eene ^afstraling der Goddelijke Majesteit. Zij eerbiedigen de wetten jen komen ze na, niet uit vrees voor geweld of bedreiging, »maar ter wille van het geweten; want niet den geest der vreeze »heeft God in ons hart gelegd.quot; 2)
Wat zeggen ons die weinige woorden: Zij herinneren ons, dat het voor lederen Katholiek eene gewetenszaak is, aan zijne wereldsche overheid te gehoorzamen en hare wetten na te komen.
Zijn wij gehoorzaamheid schuldig aan alle wetten: Neen, volstrekt niet; onrechtvaardige wetlen kunnen niemand verplichten. Wordt er eene wet gemaakt, gelijk vóór eenige jaren het geval was, ilie bij monde van den Paus of de Bisschoppen veroordeeld wordt sals zijnde gevaarlijk en nadeelig, »als zijnde bevorderlijk tot voortplanting van ongeloof en on-sverschilligheid, als zijnde een aanslag tegen het geloof en de »godsdienstige rechten van het volk,quot; 3) dan mag en moet ieder oprecht Katholiek vrijmoedig zeggen: N071 posswnu;; Aan onrechtvaardige wetten kunnen wij niet gehoorzamen.
Is dit mijne persoonlijke leering? Neen: het is de leer van
1) Ro:i:. XIII. 2) Tim. I. 7. 3) Mnnderrcnt der Horgw. Bisschoppen van
België. 1879.
Z. H. den Paus, Jesus' plaatsvervanger hier op aarde. Luistert met aandacht naar zijne woorden, en prent ze diep in uwen geest, want er kan nog eene wereldlijke macht optreden, die door onrechtvaardige wetten Kerk en godsdienst aanrandt.
»Het gebeurt â zoo spreekt Z. H. de Paus âdat de plich-»ten, welke de burgers opzichtens den staat vervullen moeten jin tegenspraak zijn met de plichten, welke de godsdienst hun «oplegt. Dit komt hieruit voort, dat degenen, die aan hoofd »van den Staat zijn, ofwel de heilige macht der Kerk niet »achten, ofwel haar willen onderwerpen aan hunne heerschzucht. »Vandaar de strijd: vandaar de gelegenheid, in den strijd moed »ie toonen. Tweeërlei tegenstrijdige bevelen worden aan de «burgers gegeven: beide nakomen is onmogelijk; niemand kan i iivee heerc7i dienen, i)
Aan wien van beiden in zulk geval gehoorzamen? Dit kan niet twijfelachtig zijn. jHet is niet geoorloofd, zijne plichten »jegens God ontrouw te worden, om aan de menschen te be-»hagen, of Christus' wetten te overtreden, om eene aarsche «overheid te gehoorzamen, gelijk het niet is toegestaan, de »rechten der Kerk op te offeren, om niet ongehoorzaam te «schijnen aan eene menschelijke wel. Oportet Deo magis obe-dire quatn hominibus; Men moet eerder aan God, dan aan de »menschen gehoorzamen... In zulk geval moet iedereen altijd »en zonder aarzelen hetzelfde antwoord geven, dat Petrus en gt;de andere Apostelen gaven aan de Joodsche Overheid, die »van hen iets vorderde, wat ongeoorloofd was.... Zeker, noch »in den oorlog, noch in den vredestijd mag een Katholiek, die
i; Ma'th. VI. 24.
220
sgelröuw blijft aan zijne overtuiging, zich in plichtsbetrachting »door iemand laten overtreffen, maar desniettemin moet hij sbereid wezen, eerder alles, den dood zelfs, te verduren, dan »de belangen van God en zijne Kerk ontrouw te worden.quot;
Uit deze leer smeden de vijanden van het geloof een wapen tegen de Katholieke Kerk, zeggende, dat zij den opstand goedkeurt tegen het wettig gezag.
Deze beschuldiging is onrechtvaardig. JÃe Katholieken, zoo «vervolgt Onze H. Vader, weigeren niet de verschuldigde ge-»hoorzaamheid aan den vorst en aan de wetgevers, maar zij »willen hen niet volgen alleen in zulke zaken, waarover zij sgeene macht hebben, omdat zij zonder bevoegdheid van Gods skant en tegen Gods wil zijn uitgevaardigd, en derhalve noch »rechtvaardig, noch wettig kunnen zijn.
»Dit is, gelijk gij weet, ook de leer van den H. Apostel sPaulus. In zijnen brief aan Titus i) vermaant hij de Christe-men, den vorsten en machten onderdanig te zijn en hunne «geboden te volgen. Terwijl hij er echter bijvoegt, dat zij voor talie goede werken bereid moeten wezen, geeft hij te verstaan. gt;dat, wanneer de menschelijke wetten ooit iets inhouden, wat stegen Gods wet is, het recht en plicht is, haar niet te ge-shoorzamen. Ook de Prins der Apostelen heeft hun, die hem gt;de vrijheid wilden ontnemen het Evangelie te verkondigen, »vrijmoedig geantwoord: Oordeelt zeiven, of het rechtmatig is gt;jegens God, u meer te gehoorzamen dan God; wij kunnen »toch onmogelijk verzwijgen, wat wij gezien en gehoord heb-gt;ben.quot; 2)
ii Tit. III. i 2) Act. IV. 9 10.
- 22 1 -
sWij moeten dus â zoo besluit Zijne Heiligheid de Paus â saan de menscbelijke wetten gehoorzamen, maar nooit mogen »vvij daarbij iets te kort doen aan de rechten Gods: dat is »de heilige plicht der christenen, dat is ook hun eerste en »voortreffelijkste plicht, waaruit de andere voortvloeien, i)
Rust deze plicht op iederen katholiek? Ook op degenen, die zich door eed verbonden hebben, de staatswetten uit te voeren? Ongetwijfeld. De eed immers, dien sommige burgers bij het aanvaarden van een ambt of eene betrekking moeten afleggen, verplicht alleen tot de uitvoering van billijke en rechtvaardige wetten, omdat zij slechts aan zulke wetten getrouwheid zweren. Zij zweren geene getrouwheid en kunnen geene getrouwheid zweren aan wetten, die met de wet van God of met de wetten der H. Kerk in strijd zijn; want niemand ter wereld kan zich door eed verbinden tot iets, wat kwaad en verboden is.
Bijgevolg moeten ook zij, die een staatsambt bekleeden, niettegenstaande hun afgelegden eed, alle medewerking aan de uitvoering van onrechtvaardige wetten weigeren. Z. H. de Paus zondert niemand uit, als hij in zijnen aangehaalden omzendbrief zegt: sWanneer de staatswetten blijkbaar van de godde-»lijke wet afwijken, wanneer zij in tegenspraak zijn met de »wetten van den Christelijken godsdienst en van de Kerk, wan-»neer zij het gezag van Jezus Christus zeiven in Zijnen Op-»persten Plaatsbekleeder en hoogepriester schenden, dan is »het onrechtvaardig haar te gehoorzamen, dan is het plicht »haar te wederstaan, en dit niet alleen in het belang der Kerk,
i) Ene. Sap. Christianae.
â 222
»maar ook in het belang van den Staat zelven, tot wiens ver-»derf alles moet strekken, wat ten nadeele van den godsdienst »geschiedt.quot; i)
Na de uiteenzetting der Katholieke leer betreffende de gehoorzaamheid aan onze wereldlijke overheid, blijft mij slechts over, u te wijzen op het treffend voorbeeld der eerste Christenen.
Hunne onderdanigheid aan de wereldlijke overheden, hunne gehoorzaamheid aan 's lands rechtvaardige wetten was zóódanig, dat Tertullianus zonder vrees voor tegenspraak kon schrijven; gt;Wij betalen nauwkeurig en zonder bedrog de algemeene belastingen, en de ontvangers van het rijk zijn zeer tevreden, dat er Christenen in de wereld zijn, omdat de Christenen dien plicht vervullen uit geweten en godsdienstigheid.quot; 2) Zóó groot was hunne eerbied en achting voor de wereldlijke overheid, dat zij ten tijde der wreedste vervolging de vurigste gebeden voor haar welzijn ten hemel opzonden. »Wij aanroepen â zoo schreef Tertullianus â voor de zaligheid der Keizers (en die keizers waren de bloeddorstige Nero, Domitianus, Decius en andere wreede dwingelanden) den eeuwigen God, den waren God, den levenden God; wij vragen voor hen een lang leven, een vreedzaam rijk, een geduri-gen vrede, dappere legers, deugdzame onderdanen en eene algemeene rust.quot; 3)
Volgt dat toonbeeld uwer voorzaten in het geloof! Bidt voor den koning en voor allen, die onder hem u besturen! Gehoorzaamt uit plicht en geweten uwe wereldlijke overheid in alles, wat billijk en rechtvaardig is! Gebeurt het echter, dat men u
1) Ene. Sap. Chriit. 2) Apol. c. 30. 3) Afol. c. 30.
â 223 â
tot gelioorzaamheid aan onrechtvaardige wetten dwingen wii, toont u dan onwrikbaar gelijk de eerste Christen! Zij offerden hun bloed en leven, eerder dan met overtreding van Gods wetten de onrechtvaardige wetten hunner wreede vervolgers na te komen.
Aan den Keizer, wat. den Keizer: am God, wat God toekomt. Dat was hunne leuze: dat zij ook immer de onze! »De «bovennatuurlijke liefde tot de Kerk en de natuurlijke liefde ïtot het vaderland zijn tweelingzusters, die een en denzelfden svader hebben, namelijk God zeiven.quot; i)
Dit begrepen de oude Romeii en, wier schoone zinspreuk was: pro aris et focis: Voor altaren en haardsteden.
Beminnen ook wij ons vaderland en onze wereldlijke overheid, doch vergeten wij nooit deze waarheid: Wie zijn vaderland waarachtig lief heeft en het waarlijk gelukkig wil zien, moet naar vermogen er toe bijdragen, dat geloof en godsdienst in eere gehouden worden. Dan zal rust, vrede en ge luk heerschen.
A M E N.
i) Ene, Sap. Christ.
Jnhoudstafel.
EERSTE DEEL.
De godsdienst.
1. Wat is de godsdienst............
jjj'j De Christelijke godsdienst is de ware godsdienst. IV. De Christelijke godsdienst is eene algemeene en eene hei
lige wet van God..............38
V. De weldaden van den Christelijken godsdienst. ... 48
VI. De Kerk van Christus.............59
VII. De éénheid en heiligheid der Kerk....... . yr
VIII. De Kerk is katholiek en apostoliek........83
IX. De Katholieke Kerk is onvergankelijk.......92
TWEEDE DEEL.
De vijanden van den Godsdienst.
X. Oorzaken van hunnen godsdiensthaat........103
XI. Kwade trouw der godsdiensthaters........114
XII. Hunne opwerpingen tegen de Biecht.......124
XIII. Hunne beschuldigingen tegen de Priesters.....133
XIV. Hunne pogingen tot bevordering van het zedenbederf. 142 DERDE DEEL.
De plichten der Katholieken.
aj Ah kinderen der H. Kerk.
XV. Het geloof................150
XVI. Het geloof aan de mysteries.........159
XVII. De belijdenis van ons geloot.........168
XVIII. De middelen, om het geloof te bewaren.....179
XIX. De gehoorzaamheid en de liefde jegens de H. Kerk. 193
XX. Wij moeten onze Moeder de H. Kerk verdedigen. . 204
b) Als burgers.
XXI. Wij moeten onze wereldlijke overheid eerbiedigen
en gehoorzamen.............214
ââ
Geloofd zij Jezus-Christus I
L
.Vvâ¢â¢ N. ^ ⢠T ⢠. / - ⢠\4 M ⢠â¢â ; ,^r^- .
j ^ .7^Slill
fe/ v W â ' /: ;- gt;rX 1 ^ V'l '\
l v Avt'
n
T
--â â¢
* . i quot;t A
â¢quot; V ,t . ^Vv
--Sâ. , k ~ v-
VA
r _ ^ ^ â¢
^ . Sk-gt;, /4. t' . .. r?xamp;?m£amp;samp;amp;
f7^Kgt;* '' - gt; ' T's'' . ' lt;S a
f* : . f Tquot; ⢠v ^
V gt;1 V - vgt;^
gt;â : :; V/-;^
^'4^ ; quot;â
F * Jvgt;lt;'. f-â T' â ^Vv -, Lr x ^
. X '^.fT y^K'^K \ 'y ^ Vqi^fSflil.;
A ^fifaro
f, 4 iV' quot; t * r-tMmamp;mt.
r-xv,' » -v. - .. \ X-quot;^Ppl*
rf; \ .. ^,' 'quot; ^ y, 1*. quot;tiifS®.
⢠quot;T .-r , v. \ ^ ,^5
â â gt; ^ .â -Jt-' r yi** ⢠i jwm^imm-
f? /T i' lt;⢠- ^ T ⢠.â
tx*ï \ 'A Vl ^ *.^f«ri»IW
v, va v 1 v*-?.gt;-Jr * :i 1
X _ vjjw'X T/X vlt; ^â â 7T'
â¢gt;.'lt;-% x^;-⢠⢠v^.ite'ifgi
â i . , * t. «â¢* ' '' ,; iaggfeggePawbffiB
kr.% v r^f.
1 quot;X *. Æ Y â * ' »
K '
V *.'gt; ' \ ^ ï
. * gt; quot; K *â¢* â - 'quot; V-
k ; V ' 'l'\^ 'X ^
â . gt;14. ^ ^ 4 ' , Ir. Zri
\.Jr⢠â quot; j . ,
i''V â quot;t- -»lt;lt; yS'' w iT- ff y- -, ^v-, .V;^, ^'tiiaiÃiï
.ü'*-gt;?L ^ ,/.. lt;'â¢#'
''O V