itex'iüwé L«s Veov» V -v } ;_
HAE
iN quot;â BI
' V' â
BIBLIOTHEEK
TAM
MIDDELNEDERLANDSCHE LETTERKUNDE
OKDKS EBDACTIB TAK
Prof. Dr. J. VERDAM,
UBT MEDEWERKING TAM
Prof. Dr. J. TE WINKEL en Prof. Dr. J. PRANCK.
JACOB VAN MAERLANT'S
Strophische Gedichten,
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
DOOB
Dr. JOH. FRANCK en Dr. J. VERDAM,
Hoogleeraar te Bonn. Hoogleeraar to Leiden.
'âH Ã
JACOB VAN MAERLANTS
STROPHISCHE GEDICHTEN.
INSTITUUT DE VOOYS
VOOR NEDERLANDSE TAAIEN LETTERKUNDE AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
BIBLIOTHEEK
VAN
Middelnederlandsche Letterkunde
ONDER REDACTIE VAN
Prof Dr. J. VERDAM,
Hoogleeraar te Leiden,
MET MEDEWERKING VAN
Prof. Dr. J. TE WINKEL, _ Prof. Dr. J. FRANCK,
Hoogleeraar te Amsterdam. Hoogleeraar te Bonn.
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
JACOB VAN MAERLANTS
Strophische Gedichten
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
DOOR
Dr. JOH. FRANCK en Dr. J. VERDAM,
Hoogleeraar to Bonn. Hoogleeraar te Leiden.
AAN DE NAGEDACHTENIS VAN
E E L O O V E R W LJ S
(t 28 Maakt 1880),
DEN GRONDLEGGER DER UITGAVE
van
MAERLANT'S STROPHISCHE GEDICHTEN,
WORDT DEZE NIEUWE DE WERKING
TOKO KWUl) DOOK
ZIJNE VRIENDEN
FRANCE EN VERDAM.
VOORBERICHT.
Een enkel woord ga aan de Inleiding vooraf tot toelichting van het ontstaan dezer uitgave en van het aandeel, dat elk der beide bewerkers daarin heeft. Toen de uitgever aan den tweeden bewerker de noodzakelijkheid eener nieuwe uitgave van Verwijs' Strophisehe Gedichten te kennen gaf, en hem uitnoodigde deze voor de pers te willen gereed maken, begreep hij dat hij zich aan deze taak kon noch mocht onttrekken, doch hij hield het in het belang der zaak voor wensehelijk, hiervoor de medewerking te winnen van zijn vriend en vakgenoot Franek.
Wij beiden, die voor omstreeks 20 jaren met Verwijs, den stichter der uitgave, de Strophisehe Gedichten gezamenlijk hadden gelezen, haar door onze studie van nabij in hare voortreffelijkheden en leemten hadden leeren kennen, en bovendien de vriendschap hadden genoten van onzen betreurden voorganger, beschouwden ons zeiven als de aangewezen personen om het werk van Verwijs voort te zetten en te trachten het te houden op de hoogte en het peil der middelnederlandsche taal- en letterwetenschap. En zoo is dan door onze, bij velerlei verschil van inzicht in enkele onderdeelen steeds eendrachtige, samenwerking deze nieuwe uitgave tot stand gekomen. Dat zij noodzakelijk was, beschouwen wij als een verblijdend bewijs van belangstelling in de Middelnederlandsche letterkunde en van de toenemende studie der Mnl. taal. Dat zij in vele opzichten van de vorige uitgave verschilt, is ons het even verblijdende bewijs dat in de 20 jaren, welke sedert haar verschijnen zijn verloopen, de studie der Mul. letterkunde en taal beide eene groote schrede voorwaarts hebben gedaan. En wij houden ons overtuigd, dat niemand zich over dit verschil tusschen de beide uitgaven meer zou hebben verheugd dan onze voorganger zelf, die tot het verheffen van de Mnl. studiën tot wetenschap zooveel heeft bijgedragen.
Hut genoemde verschil komt slechts voor een klein gedeelte voort uit het feit dat intusschen allerlei nieuw materiaal is gevonden. De vooruitgang, als men dien in deze uitgave mocht zien, is veeleer toe te schrijven aan eene gewijzigde philologische methode. In het streven oni de voorwerpen harer beschouwing zoo objectief mogelijk te leeren hegrijpen, moet de wetenschap zich telkens weder losmaken van vooroor-deelen zoowel ton opzichte van hare grondstellingen als van de bijzonderheden, en tevens steeds nieuwe middelen opsporen om tot die juiste kennis te geraken. Dergelijke nieuwe elementen van het philologisch onderzoek kunnen op zich zelf onbelangrijk schijnen, niettemin werken zij tot bereiking van het groote doel mede en moeten daarom niet worden gering geacht. Wij spreken do hoop uit dat uit onzen arbeid moge blijken, èn dat wij oprecht gestreefd hebben naar objectiviteit, en dat ook voor de meerdere en juistere kennis van Maerlant en zijne werken nog nieuwe middelen konden worden gevonden.
De eerstgenoemde bewerker heeft de vier Martijns bearbeid met inbegrip van de daarbij behoorende aanteekeningen, alsmede de Inleiding, welke door den tweeden is vertaald; de tweede, de andere Strophische Gedichten met de aanteekeningen en de Woordenlijst, die op nieuw is bewerkt, doch waarin natuurlijk veel kon blijven van hetgeen door Venvijs in de vorige uitgave, en goed, was gezegd. Doch geen enkel deel van het werk is ter perse gezonden, zonder dat het door den ander was onderzocht en over verschilpunten eenstemmigheid was verkregen.
Voor de ons verschafte collatie van het Groningsche hs. hebben wij een woord van dank te brengen aan Dr. P. Leendertz Jr.; voor die van het Weener hs. aan Dr. Aleida Nijland te Rotterdam en aan Dr. W. de Vreese, te Cient; voor die van het Oxfordsche aan Dr. K. Priebsch te Liverpool en Prof. Max Förster te Bonn. Denzelfden dank brengen wij voor ondervonden welwillendheid met betrekking tot het uitleeuen van handschriften aan de bestuurderen der Universiteitsbibliotheken te Cient en Heidelberg, alsmede aan die van de Koninklijke Bibliotheken te 's-Gra-venhagc en Stuttgard.
En zoo ga dan nu deze nieuwe uitgave de wetenschappelijke wereld in, getuigenis afleggende zoowel van onze jarenlange onverstoorde vriendschap, als van ons gemeenschappelijk streven om de ons beiden dierbare Middelnederlandsche taal- en letterwetenschap naar ons vermogen te bevorderen.
JOU. I'RANCK. JAC. VKRUAM.
INLEIDING.
De in dit boek door ons op nieuw uitgegeven gedichten worden, na den onvergelijkelijken Reinaert, vrij algemeen voor het beste gebonden, wat de middelnederlandsche dichtkunst heeft voortgebracht. In elk geval verdienen zij eene grondige en nauwkeurige philologische behandeling. Al het materiaal is voor deze uitgave op nieuw vergeleken, voor liet grootste deel door ons zelf, voor een kleiner door de welwillende hulp van anderen, waarvoor in liet voorbericht dank is betuigd.
I. DE HANDSCHRIFTEN.
De teksten zijn ons bewaard in de volgende handschriften, waarbij voor de Martijns een oude druk moet worden gevoegd:
1. Voor de drie Wapene Martijn'sl).
A, het Comburgsche Hs., kol. 1126 (regel IS) â kol. 124c (regel 20). Het lis. bevindt zich als nis. poët. et phil. fol. n0. 22 sedert 1805 op de Koninklijke Bibliotheek te Stuttgard, en behoorde vroeger tot de boekerij van de abdij Comburg aan den Kocher. Het is uitvoerig beschreven door Kausler, Denkmaler, dl. 1, bl. XXIXâLH; vgl. ook Martin, Inleiding op Rei)iaert, bl. V. Het bestaat uit verschillende eerst later vereenigde hss. Onze gedichten bevinden zich in het tweede, dat 36 regels heeft op iedere kolom, en geschreven is met eene hand, volgens Kausler uit de eerste helft der 14de eeuw (t. a. p. XXXV en XL). Behalve enkele verzen ontbreekt hier Mart. Ill, Strophe 19â22.
C, het Zutphensch-Groningsche hs., een keurige perkamenten codex met twee kolommen van 48 tot 51 regels; het is uitvoerig beschreven door P. Leendertz Jr., die ook de tot nu toe onuitgegeven gedichten daaruit heeft bekend gemaakt {Tijdschrift 14 , 265â283: 15 , 81â99; 270â276; 16, 25â43; 129â141). Het hs. is in het klooster Mariën-
l) Zie over ilen titel bl. X.YXI.
DE HANDSCHRIFTEN.
weerd aan de Linge waarschijnlijk niet lang na 1339 vervaardigd (t. a. p. 14, 268 vlgg.). Van der Drievoudieheide (de derde Marlijn) staat op f. 202aâ204amp;; van Jacob ende van Marline (de eerste Martijn) f. 204câ 209amp;. De tweede Martijn ontbreekt, hetgeen verklaard kan worden uit het feit dat alleen geestelijke gedichten in het hs. zijn opgenomen. Ook ontbreekt Wap. M. Ill, Strophe 37.
B. liet hs. der Pelgrimage van der mensceliker creaturen l), afkomstig uit de boekerij van Van Hulthem, thans berustende in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. Verwijs zegt er van (Wap. Mart., bl. XXXIX vlg.): »Daarachter (juister ware: achter in het hs.) bevinden zich twaalf bladen van eene andere hand, die de Mar lijm bevatten, in twee kolommen van 40 tot 43 regels, geschreven in een net, rond schrift, waarschijnlijk ongeveer uit het laatst der XIVde eeuw. Aan het begin is eene grootere i'oode aanvangsletter, en bij elke nieuwe strophe eene kleinere.... De drie gedeelten volgen zonder de minste afscheiding of uiterlijke kentee-kenen onmiddellijk op elkander.quot; Zie ook Verdam, Tijdschr. 14, 94.
E, de Heidelbcrgsche fragmenten. Bij Mone, üebersiehi 445 vlg., worden zij beschreven als twee ongelijk afgesneden bladen van een perkamenten hs. uit de XIVde eeuw in 4°, met twee kolommen van 46 verzen en roode aanvangsletters. Het eerste blad is afgesneden midden door de kolommen 2, 3, 6, 7, waardoor het begin en einde der verzen ontbreekt. De fragmenten waren tusschen de borden van den band der Lertura lihri inslitutiomim may. Nycasii de Voerda (Keulen 1493 f0.) ingelijmd en aan beide zijden met leder bedekt. Alleen aan den rand kwamen eenige letters te voorschijn, waarop Mone het dekleder losmaakte; uit het ingedrukte wapen van Keulen besloot hij, dat het boek daar gebonden was en het hs. zich ook waarschijnlijk daar had bevonden (Verwijs, Wap. M., bl. XL1I vlg.). Hier ontbr. .1/. Ill, Strophe 20. Van deze beide aan Mone toebehoorende bladen is er maar één aan de Heidel-bergsche Ãniversiteits-Bibliotheek gekomen (bevattende Wap. M. I, 371â 554; II, 314â338; III, 1â20; 114â159), het tweede is verloren 2). Mone heeft herhaaldelijk het niet zeer duidelijke hs. niet goed kunnen lezen, en dan in zijn afdruk de eene of andere lezing opgenomen, welke hij meende dat er staan kon en die in den samenhang het best paste. Waarschijnlijk was op de keuze zijner lezing ook van invloed het hs. Heber, bij ons hs. (?, waarnaar hij hot cijfer der strophen heeft bijgevoegd. Op sommige plaatsen kunnen wij niet vrij groote zekerheid zeggen, wat er moet gestaan hebben, doch op andere is dit niet mogelijk: or bleef ons dus niets anders over, dan voor het verloren gedeelte te blijven bij
1) Vgl. Verdam in Versl. an Meded. d. Kon. .-lead., AM. Letterk., 1805, bl. 139â146.
2) Vgl. Baitscli, Uie ;iUiloiitaclieii Hss. der Uiiivers. Biblioth. in Heidelberg, nquot;. 440, bl. 211.
XII
DE HANDSCHRIFTEN.
hetgeen Mone heeft laten drukken, ook daar waar wij zoogoed als zeker kunnen zeggen, dat het niet zoo in liet hs. heeft gestaan.
F, het papieren hs. Clignett-Semire, uit het midden der XVde eeuw, waarin behalve de Martijns zich ook bevindt een tekst van den Dietscen Doctrinale. Zie Serrure in Vad. Mus. 1, 122, en Jonckbloet in de Inleiding op Doet. bl. XLII vlg. Na den dood van Serrure kwam het hs. in handen van een Antwerpschen boekverkooper, en daarna werd het eigendom van Delia Faille, op wiens auctie het door de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage werd aangekocht voor 660 fr.; het hs. is aldaar bekend onder het nummer O 261. Zie Verdam in Tijdschr. 14, 94 noot; De Vreese in Belfort van 1893, bl. 218; vgl. aid. 129 l).
D, de Antwerpsche druk, waarvan het eenig bekende exemplaar zich eveneens in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage bevindt; zie Campbell, Annates, nO. 1026. De druk is uitgegeven in 1496 bij Hendrik den Lettersnider te Antwerpen in 120 op 44 bladen, onder den titel »Dit is Wapene Martyn.quot; De groote aanvangletters van elk boek zijn rood gekleurd. Hier ontbreekt Mart. Ill, Strophe .33.
O, het ms. Canon. Misc. 278 der Bibliotheca Bodleiana te Oxford, waarvan ons Dr. R. Riebsch 1) en Prof. Max Förster mededeelen: Perkament en papier, XVlle eeuw, 162 bladen; uit 4 afzonderlijke stukken bijeengevoegd. Belangrijk is hier stuk II, bl. 5â83, perkament, met 25 regels per kolom, roode aanvangsletters aan iedere strophe, alleen de eerste blauw en rood op gouden grond, de beginletters der regels op eene roode streep, katerns van 8 bladen. Inhoud: Jac. van Maerlant's Wapene Martyn (I, II, III) benevens de Latijnsche vertaling door Joh. Bukelare. Opschrift (5a): »Incipit Wapen Martin theutonice translatus latine a Joanne Bukelare, presbytero, editus Sluse obnixius rogante magistros ut si quid in hoe opusculo deviaverit vel minus bene ordina-verit sibi benigniter sit indultum. Prologus (tot zoover rood, verder zwart). Me delectat scribere etc.quot; De zeven eerste strophen komen, vergeleken met de uitgave van Serrure, Vad. Mus. 1, 125 vlgg., daar voor in de volgorde II, I, HIâVI en 1* (Quo, qua, ubi die et unde), dat hier te recht tot den proloog is gebracht. Fol. Ir begint; »Waphene Martin, hoe salt gaen.quot; Op iedere strophe volgt dan de Latijnsche vertaling â 'gt;).
G, het Hs. van Heber, thans in de Universiteits-Bibliotheek te Gent. Zie over dit hs, Serrure, Vader 1. Mu.s. 1, 122 en 4, 55 vlg.; Verwijs,
XIII
1
) Vgl. Dr. R. Priebsch, Deutsche Hss. in England, bl. 173 vlg.
DE HANDSCHRIFTEN.
Wap. Mart. XLI vlg. Het is een perkamenten codex, klein 80, waarin de versregels als proza doorloopen, doch de regels zijn door : van elkander gescheiden, de coupletten beginnen met eene roode letter; meestal is de beginletter van een regel insgelijks rood gekleurd. Het hs. bevat o. a. eene bloemlezing uit den Spiegel Ilistoriael, een klein gedeelte uit den Leekenspiegel en den eenig bekenden tekst van den Hindus, den Vierden Marlijn en der Kerken Clayhe. Zie de volledige beschrijving van den inhoud in Versl. en Meded. der Kon. quot;Vlaamsche Academie, 1888, bl. 381â384. De drie Martijns beslaan R 119â129 van het hs. Aan den tekst ontbreken Wap. M. I, strophe 13, 22, 31, 32.
W, alleen de tekst van den derden Martijn, is bewaard op f0. 2180.â 220è van hs. nO. 13,708 van de keizerlijke Bibliotheek te Weenen, tegen het einde van de 14de eeuw geschreven met eene duidelijke hand. Zie Sp. Hist. Tweede Par tie, Inl. IâIX, vooral bl. VIII, no. 15. Dat hier niet de Eerste en Tweede Martijn zijn opgenomen, verklaart zich uit het t. a. p. beschreven karakter van den codex. De varianten van dezen tekst zijn, naar het niet zeer betrouwbare afschrift van een der beambten der Bibl. te Weenen, door Verwijs medegedeeld op bl. 24Câ249 zijner uitgave der »Strophische Gredichten.quot;
Verder vermelden wij nog een niet door eene letter aangeduid fragment van 13 verzen, de tiende strophe van M. II bevattende, hetwelk voorkomt in een Hs. in 12° op papier en perkament, groot 75 bladen, uit de 15de eeuw, afkomstig uit het »Oude Conventquot; of »St. Jan-Evangelisten husequot; te Weesp, thans berustende in de Kon. Bibl. te 's-Graven-hage en medegedeeld door F. H. G. van Iterson, Stemmen uit den Voortijd, bl. 187.
Van deze hss. waren tijdens Verwijs' uitgave en O geheel onbekend, F slechts gedeeltelijk en W onnauwkeurig. Het grootste deel er van, A, E, O, G en W, is, evenals de nog te noemen vertalingen, in Vlaanderen vervaardigd en de overige C, B en F evenals D, de oude druk, niet ver van daar; F is vermoedelijk in de provincie Antwerpen geschreven, en de schrijver van het hs. van Marienweerd (C) was zeker niet uit die streek geboortig.
2. Voor het fragment Van den Verkeerden Martine
alleen het Zutfensch-Groningsche hs., f. I960â19Ge/. Zie boven bij 1, hs. C en Leendertz, Tijdschr. 14, 274, nO. 10.
3. Voor de Disputatie
A, de Comburgsche tekst, op R 124e, regel 22, tot 128f/, regel 5. Zie boven bij 1, hs. A en Kausler t. a. p. bl. XL, n0. 7.
C, de Groningsche tekst, op f. 193aâ195«!. Zie boven bij 1, hs. C en Leendertz t. a. p. bl. 274, n0. 8.
4. Voor het gedicht Van den vijf Vrouden
alleen het Zutfensch-Groningsche hs. f. 195dâ19G/lt;.
5. Voor het gedicht Van ons Heren Wonden
XIV
DE HANDSCHRIFTEN.
C, het Groningsche hs., f. 10fk/â197/): zie boven bij 1, hs. C en Leendertz t. a. p. bi. 275, nquot;. II; Tjdschr. 14, 102 met de letter '} aangeduid l).
U, een door Moltzer gevonden Utrechtsch hs.; zie Tijdschr. 8, 1â6, waar door Moltzer de tekst naar dit lis. is bekend gemaakt.
G, hs. ti0. 72/97 der boekerij van handschriften en oude stuks van het Bisschoppelijk Seminarie te Brugge (»de bibliotheek van de Patersquot;), bl. 7Or vlgg., uitgegeven door De Grheldere, Tijdschr. 13, 130â135, en in zijne Dietsce Rimn, bl. 86â90 (aanteekeningen aid. bl. 191â195); Tijdschr. 14, 102 B genoemd.
B, het Haagsche Hs. der Pelgrimage f. 1356â136a, daarin gevonden door Verdam en bekend gemaakt Tijdschr. 14, 94 vlgg ; de tekst is daar met H aangeduid. Aan het gedicht gaat in het hs. vooraf een ander, dat er mede in nauw verband staat, en vermoedelijk van denzelfden maker is, of althans aan den tekst van O. H. Wonden is aangepast. Het is afgedrukt Tijdschr. 14, 97 vlg.; zie aid. 99 vlg. over het verband der beide gedichten.
6. Voor Die Clausule vander Bibele, en
7. Van den lande van Overzee
alleen het Groningsche hs., vgl. boven bij 1, hs. C. Het eerste gediclit staat aldaar f. 198câ201« (Leendertz t. a. p. n0. 13), het andere 207ftâ 210c (Leendertz, n0. 18).
8. Voor Der Kerken C lag he alleen het hs. van Heber (zie boven bij 1, hs. O), f. 129»-â131«; zie Versl. an Meded. Kon. Vla. Acad. 1883, bl. 384, en vgl. Vad. Mus. 1, 275 vlg. Eene collatie van dit gedicht door De Vreese is gedrukt Tijdschr. 13, 256.
II. DE LATIXNSCHE EIS' DE FRANSCIIE -VERTALING DER WAPENE-MARTIJNS.
De Latijnsche vertaling der Martijns was tot voor kort slechts in één hs. bekend, waaruit het door C. P. Serrure in Vad. Mus. 1, 116â190 is uitgegeven 2). Dit in 1453 te G-ent geschreven papieren lis., waarin de vertaling op f. 238r tot. 250?- voorkomt, berust thans in de Stadsbibliotheek te Bergen in Henegouwen. Daarbij komt dan nu het boven genoemde Oxfordsche hs. De vertaling, die evenals het oorspronkelijk in strophenvorm is gedicht en den inhoud zoo getrouw mogelijk weergeeft,
!) Wij zijn van de door Verdam in Tijdschr. 14 gebruikte aanduidingen der hss. afgeweken, omdat anders C en -B, waaruit ook andere gedichten afkomstig zijn, niet overal dezelfde beteekenis zouden hebben.
2) Ook afzonderlijk verschenen onder deu titel: Jacob van Maerlant's drie boeken van den Wapene Marlijn, in het Latijn vertaeld door Jan Bnkelare, voor ile eerste mael, naer het eenig bekende hs. ia het licht gegeven door C. P. Serrure, (lent, 1855, 80.
XV
XVI DE LATI.TNSCHE EN DE FRANSCHE VKRTALING DER WAPENE MARTIJNS.
is van de hand van een priester, Johannes Bukelare, die naar het Oxfordsche hs. te oordeelen te Damme {»Slusequot;) woonde. Men stelt gewoonlijk zijne vertaling in het midden der 14de eeuw; zie Serrure t. a. p. 120; Verwijs, Wap. M. XXVlIl vlgg., ook onze aant. op M. II, 14. Wij laten de vraag daar, of deze dateering juist is: de bewijzen zijn niet zeer klemmend en de zaak moet eigenlijk op nieuw worden onderzocht.
De Fransche vertaling, die geheel in de versmaat en den strophen-vorm van het oorspronkelijk vermoedelijk voor den druk werd bestemd, is tusschen 1477 en 1481 te Brugge bij Joh. Brito (Britoen) gedrukt. Voor eenige tientallen jaren moet zich te Brugge nog een exemplaar van dezen druk hebben bevonden. Sedert ongeveer het midden dezer eeuw zijn er de sporen van gevonden door James Weale en den toenmaligen archivaris Bossaeri; zie vooral Paul Fredericq, Tijdschr. 4, 275â291 en vgl. nog Campbell, Annales n0. 1027 en Petit, Bibliographie bl. 104, n0. 521 V. Uit eene mededeeling van M. Bradshaw aan Campbell leidt Fredericq af, dat de eerste nog in 186G het volledige exemplaar heeft gezien, doch andere mededeelingen schijnen zich hiermede niet best te laten vereenigen. Wat er met de bladen na hunne ontdekking is gebeurd, is niet duidelijk. Fredericq kon t. a. p. de met M. I, 1â208 en 313â520 overeenkomende gedeelten openbaar maken, en gaf tevens het reeds vroeger bekend gewordene uit, nl. M. II, 118â130 en 144â156 1). Eene tweede reeks coupletten, door Gilliodts van Severen, archivaris van Brugge teruggevonden, en bevattende (hoewel hier en daar geschonden en onvolledig) M. I, str. 17â24; II, str. 6â21 en 26, en III, str. 1â11 wordt eerlang uitgegeven door Fredericq in Tijdschr. 17.
III. DE VROEGERE UITGAVEN2).
1. De Wapene Martijns.
a) naar afzonderlij ke handschriften.
De eerste Martijn naar het Groningsche hs., door A. C. W. Staring
A
1) Volgens eene vriendelijke mededeeling van Jhr. Mr. N. de Pauw bezit hij sedert ongeveer '20 jaren een afschrift van nog andere gedeelten der Fransche vertaling, en wel «zes tot acht der naderhand in originali zoek geraakte strophen.quot; Daar ons de mededeeling eerst gewerd toen onze tekst was afgedrukt en ook de druk der aanteekeningen reeds een goed eind gevorderd was, en ons buitendien het afschrift niet onvoorwaardelijk ter beschikking gesteld kon worden, zijn die gedeelten aan onze uitgave niet ten goede gekomen. Voor de kritiek van den tekst zouden zij om straks te vermelden redenen geene waarde gehad hebben. In hoe ver zij overigens tot het recht verstand der teksten zouden hebben kunnen bijdragen, zal blijken, als de bezitter, die nog meer van het verlorene hoopt te vinden, er toe overgaat om het afschrift uit te geven.
2) Zie Petit, Bibliographie bl. 101â100, 1'20 vlgg.; Te Winkel, Gesch. d. Ndl. Lett. bl. 320â329; 330 ; 345â348.
DE YKOEGERE UITGAVEN.
van den Wilclenborch, met eene inleiding en aanteekeningon van M. Siegenbeek, in Nieuwe Werken v. d. Mij. d. Ndl. Lelterk. Ill, 2de stuk (1834) bl. 81â225 â aid. bl. 68â80 ook de «Verkeerde Martijnquot; door Siegenbeek.
II Martijn naar het Haagsche lis. door M. Siegenbeek, in N. Werken v. d. Mij. d. Ndl. Lett. V, 2de stuk (1841) bl. 125â148.
III 3Iai,tijii (Vander Drievoudiehede) naar het Gron. hs. door Gr. J. Meijer, Nalezingen oy* het Leven v. Jezus (18.'!8), bl. 121â152 1).
Alle drie de Martijns werden naar het Comburgsche hs. uitgegeven door E. von Kausler in Denkmaler, dl. 2 (Tubingen 1844) bl. Gilâ696 (aanteekeningen daarop in dl. 3, bl. 356â380). De Heidelbergsche fragmenten door Mone, Anzeiyer zur Kunde der deutsehen Vorzeit VII (1838), bl. 244â258.
ji) naar verschillende handschriften zijn de drie Martijns uitgegeven door Verwijs in zijn academisch proefschrift »Jacob van Maerlant's Wapene Martijn met de vervolgenquot; (Deventer, 1857), en later in »Jacob van Maerlant's Stropliische Gedichtenquot; (Biblioth. v. Mnl. Letterk. 24â26, Groningen 1880).
2. Disputacie â a) volgens de afzonderlijke hss. Naar het Groningsche door L. Ph. C. van den Bergh in N. Werken v. d. Mij. d. Ndl. Lelt., V, 2de stuk (1841), bl. 17â48; dooi- J. van Vloten in Kleine Ged. v. Jao. v. Maerlant (Haarl. 1878), bl. 19â40. â Naar het Comburgsche hs. door Kausler, Denkni. dl. 2, bl. 677â698 (aant. dl. 3, bl. 380â396).
fgt;) volgens beide hss. door Verwijs, Stroph. Grd. 80â99; door Franck, Mnl. Gr a mm. (Leipzig 1888), bl. 172â179.
3. Van den vijf Vrouden, door Van den Bergh, t. a. p. bl. 47â50; Van Vloten t. a. p. bl. 41â43; Verwijs, Stroph. Ged. bl. 100â102.
4. Van Ons Heren Wonden â a) volgens de afzonderlijke hss. Naar het Groningsche door V. d. Bergh t. a. p. 51â57; Van Vloten t. a, p. bl. 44â48; Verwijs, Stroph. Ged. bl. 103â106. De uitgaven naar de later gevonden hss. zijn boven bij die hss. zelve (bl. XV) genoemd.
/)) naar alle handschriften. Ontwerp van een critischen tekst door Verdam bij zijne uitgave van den Haagschen tekst (/gt;') in Tijdschr. 14, 108â110.
XVII
5. Die Clausule van der Bibele, door L. Ph. C. van den Bergh
!) Meijer zegt op bl. 121 dat hij voor de uitgave twee hss. nauwkeurig heeft vergeleken, doch hij voegt er niet bij welke, en in zijne uitgave geelt hij geene enkele variant op. Zie over zijne wijze van teksten uitgeven Versl. en Meded. Kon. Acad. -1898, bl. Kii» vlgg.
DE VROEGERE UITGAVEN.
t. a. p. bl. 58âS3; Van Vloten, bi. 44âG9; Venvijs, Stroph. Ged. bl. 107â123 i).
G. Van den Lande van Oversee, door H. van Wijn, Huiszittend Leven, dl. 2 (1812), bl. 30Câ322; L. G. Visscher, Bijdr. tot de oude Letterk. (1835), bi. 140â153; Verwijs, Bloeinl. uit Mul. dichters, dl. 2 (1859), bl. 100â107; (2de uitg. (1880), bl. 100â107); J. F. J. Heremans, te zamen met n0. 7, Gent, 1870; Van Vloten t. a. p. 82â91; Verwijs, Stroph. Ged. 124â131; Alb. Verwey, met n0. 7 in Jac. Maerlani (1894).
7. Der Kerken Claghe, door J. F. Willems, Mengelingen van his-torisch-vaderl. inhoud (1827), bl. 45â58 (met facsimile van vs. 1â 46), L. Gr. Visscher, t. a. p. 156â164; Buddingh, Een paar hladz. uit de Gesch. der Kerkhervorming (1855), bl. 47â54; Verwijs, Bloeml., dl. 2 (lste en 2de uitg.) bl. 93â100; Heremans, zie n0. 0; Var. Vloten t. a. p. 92â100; Verwijs, Stroph. Ged. bl. 132â138; Verwey, zie n0. 6.
IV. ONDERLIXGK VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
1. De Handschriften en de oude druk der Wapene Martijns.
XVIII
In den Anxeiger der Zs. für dentsehes Al ter turn u. deutsche Litt. dl. 8 bl. 127 vlgg. is eene poging gedaan om de Hss. te classificeeren. Wat daar werd aangevoerd, is niet in alle opzichten meer houdbaar, vooreen deel omdat er niet overal genoeg op is gelet, dat Mart. 11 in Hs. C en enkele strophen in andere hss. ontbreken, doch ook omdat intusschen allerlei nieuw materiaal is gevonden, tengevolge waarvan weliswaar het toen geschetste ontwerp niet behoeft te worden ter zijde gelegd, maar toch enkele trekken en onderdeelen er van moeten worden gewijzigd. Vooral een der nieuwe hss. is eene welkome aanwinst voor bepaalde methodische quaesties, waarop wij onze aandacht hebben te vestigen. Wij willen eerst de beteekenis van hs. G in dit opzicht toelichten en dan van onze classificatie zoo kort mogelijk rekenschap geven. Om het moeilijk onderzoek uitvoerig uiteen te zetten, daartoe ontbreekt het hier aan de noodige ruimte: grootendeels moeten wij er ons toe beperken, het materiaal aan te wijzen, waarmede men ons ontwerp kan controleeren. Wij moeten zelfs bij voorbaat om toegevendheid verzoeken, als het ons niet altijd gelukken mocht in het doolhof van kruiselings door elkander loopende, het oog verwarrende paden den rechten weg te vinden, en uitkomsten te verkrijgen, welke in geen enkel opzicht in tegenspraak zijn met andere, bij een ander deel onzer onderzoekingen verkregen. Ook moeten wij ons leedwezen uitspreken, dat wij, tengevolge van deze in-
') De Ijij Petit, Mnl. Bibliographie, ouder u0. 524 (acnb) genoemde »18 clan sulciv' bevatten »Der Kerken Clagliequot;, niet de «Clausule van der Ribelequot;.
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
gewikkelde verhouding der hss. en deze groote moeilijkiieden, er niet overal in geslaagd zijn den tekst te construeeren met eene zoodanige zekerheid, als wij wel zouden hebben gewenscht.
Hs. G heeft op verschillende plaatsen later aangebrachte verbeteringen, die voor een deel met lezingen der andere hss. overeenstemmen. J/. II, 115 heeft het also hi selva siet, zooals AFDOG, maar daar boven staat ghi .... (jluct, en hi .... ghiet is do lezing van li. â II, 198 hebben de anderen dan scadc, A : dan al scade. G had ook dan scade, doch verandert deze lezing aan den kant in dan el scade. quot;Waarschijnlijk is bedoeld el dan scade, en overeenkomst met A dus twijfelachtig. â II, 271 ontbreken in FDOG de aanvangswoorden met mi, doch G heeft ze in het vorige vers na di : ze kunnen trouwens door den schrijver tengevolge van eene zelfstandige conjectuur ingevoegd zijn. â¢â II, 330 heeft G swaer in plaats van vaer en de juiste lezing aan den kant. Daar allo andere hss. vaer hebben, zal ook het voorbeeld van G wel deze lezing gehad hebben, en behoeft men dus niet aan te nemen, dat vaer uit een tweede hs. afkomstig is: de afschrijver zag de door hem gemaakte fout en verbeterde haar naar de lezing die in zijn voorbeeld stond. â I, 80 kwam G eerst met A overeen in do lezing dia voor dat, doch heeft het laatste aan den kant er voor in de plaats gesteld. â I, 252 heeft G : van nuwen dinghen (doch van op den kant), in plaats van nieuwe din-ghen: het staat evenwel in deze lezing alleen. â I, 514, waar B leest ongave, O gave, CD quade en AEF goede, heeft G in den tekst het bnw. uitgelaten en aan den kant goede toegevoegd: daar de plaats juist bijzonder moeilijk is, is het niet aan te nemen dat wij hier alleen met eene later weder goedgemaakte vergissing te doen hebben. â I, 097: »lichtre ware dan een santquot;, schrijven FI) waeric (O waren), ook G waric, docli verbeterd in ware. â 1, 492 had G oorspronkelijk de met CE FD O overeenstemmende lezing menich tsine {CD tsjn, O tsin ('?)), doch verandert tsine aan den kant in sin, gelijk ook/gt;'en A {tnenichsins) hebben. â 111, 47 had G zeer juist valsch, doch stelt daarvoor aan den kant vlas in de plaats, gelijk W leest.
xtx;
Al zou nu ook een eenigszins critisch afschrijver op eenige dezer veranderingen zeer goed vanzelf hebben kunnen komen, zoo is het toch niet twijfelachtig, dat de schrijver van G naderhand naar andere voorbeelden veranderingen heeft aangebracht. Doch dan zijn wij ook gerechtigd tot de onderstelling, dat hij niet alleen naderhand, doch ook reeds onder het schrijven een of meer andere hss. voor zich had. Vooral duidelijk blijkt de op deze wijze te verklaren verwantschap met hs. .4 1). I, 11
!) Wij doen opmerken dat, in dit onderzoek, met lis. .4, B of A, B enz. in den regel niet die hss. zelve alleen worden bedoeld, maiir ook alle vroeger bestaande, die in onze schets (zie beneden XXXII) liggen tusschen die letters en het naaste kruispunt, gelijk ook op mogelijke zijliniën.
ONDKHLIXGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTENquot;.
heeft G met AB bespotten tegenover bescatten (scatteri) van CFDO. â I, 318 ontbreekt wijsheit als in AG, terwijl al de anderen â ook Ægt;, waarop wij wijzen omdat men bij Verwijs het tegendeel vindt opgegeven â het woord hebben. â I. 422 komt liet alleen van allen met A overeen in de lezing doghet, alle anderen hebben trouwe-, ook heeft het
I, 525 met A gemeen het niet oorspronkelijke vers: emle sine mande hadde ghevelt in plaats van tfolc dal men te live helt der andd.; 1, 87 G G als ACE int ertsche dal, FDO i. helsche d. â I, 941 construeeren AG Want hier omme themelsche lam / wart mensche tenser (aire) bederve, daarentegen de andd. Hier omme iv. m. th. lam / tonser aire b.: uit zijn tweede voorbeeld schijnt G aire te hebben ingevoegd; ook I, 962 komen A en G in eene onjuiste constructie met want tegenover de andd. overeen. Ygl. nog 1, 13; 76; 181; 483; 543; 578; 593; 866; 871; 875; 885;
II, 295 1). Voor bekendheid met B spreken door hun aantal de volgende plaatsen: I, 55; 98 {G edelheit, B ydelheit; t. edel herte); 154; 685; 693; 841; 886; II, 1 (wel toevallig); 4 vlg.; 8; 115 (zie boven bl. XVIII); 116; 225. Ook moeten er betrekkingen tusschen G en FIJ of F bestaan hebben, docli daarover schijnt het beter eerst later te spreken (zie bl. XXIII).
De schrijver van G heeft dus â dit mogen wij aannemen, al blijft ook menigmaal zijne wijze van doen ons raadselachtig â behalve zijn eigenlijk voorbeeld meer dan éénen anderen tekst geraadpleegd 1). Eene bevestiging van onze meening zou men ook hierin kunnen vinden, dat in Mart. III al deze afwijkingen bij de overeenstemming met W in de schaduw komen. Zie ook boven (bl. XIX) over III, 47. Hoogstens zou men voor invloed van A in dit gedeelte vs. 463 kunnen aanvoeren. Hieruit volgt, dat de eclectische behandeling alleen voor G geldt en niet ook reeds voor de gemeenschappelijke bron van G en W : immers dan moesten ook dergelijke betrekkingen voor GW kunnen worden aangewezen, en
XX
1
Als G II, 2GS een overgeslagen vers aan den kant aanvult in een vorm, die van dien der andere liss. geheel en al afwijkt, dan is hierin wel niet te zien een spoor van eene ons onbekende redactie, maar aan te nemen dat de schrijver het vers willekeurig invulde, waarschijnlijk omdat hij geen voorbeelden bij de hand had. I, 31 '(â hebben wij in de varr. de kantteekening van G als glosse van het volgende vers aangezien, »een woort ghemeno es om die minnequot;, nl. «dat si es blentquot;, doch wij zien nu dat toch wel eene verbetering van vs. (313 en) 314 bedoeld is. Uit onze hss. kon die niet voortvloeien.
ONDERLIKGE VERAVAITTSCIIA P DER HANDSCHRIFTEN.
dat is niet het geval, want vs. 91 (AOGW) en 175 {BOW) kunnen hiervoor niet in aanmerking komen. Do reden, waarom de schrijver in Mart. III zijn voorbeeld op zulk eene geheel andere wijze behandelt dan in 1, ontgaat ons te eenen male. De onderstelling dat de andere door hem geraadpleegde hss. den Derden Martijn niet zullen hebben bevat, is onaannemelijk, en hot feit dat liet Weener hs. alleen Mart. III heeft, baat evenmin tor verklaring, want de schrijver daarvan had een boek met de drie Martijns voor zich (zie bl. XXXIII) i).
Wij zien dus, dat een schrijver behalve zijn eigenlijk voorbeeld een of meer andere hss. gebruikt 2); hij volgt dit nu en dan ook zonder dat wij de reden er van kunnen inzien. Op sommige plaatsen maakt hij er meer gebruik van dan op andere; in sommige gedeelten schijnt hij zich meer aan het eene te houden, in andere weer een ander hs. te raadplegen. Ook op andere wijzen kan men zich de werkzaamheid van een middeleeuwsch schrijver voorstellen. Hij kan de verschillende gedichten, ieder in zijn geheel, naar verschillende codices hebben afgeschreven; hij kan op verschillende tijden al de gedichten naar verschillende hss. afschrijven, waarbij dan reminiscencen van vroeger invloed op de woordkeus kunnen hebben; hij kan ook enkele plaatsen, zonder dat hij ze juist vroeger heeft afgeschreven, uit het hoofd hebben gekend.
Doch ook voor hot toeval moet in elk geval eene groote speelruimte worden gelaten. Als de schrijvers door gelijke motieven werden geleid, zijn zij ongetwijfeld meer dan men a priori zou willen golooven, op dezelfde veranderingen gekomen. Er zijn zeker ook bepaalde praktijken bij het eerzame schrijversgild in meer of minder vast gebruik geweest. Daarom hooft men wellicht moor zekerheid, als men de verwantschap der hss. grondt op hot aantal der overeenstemmingen, dan op enkele weinige, al schijnen die ook meer afdoende te zijn.
De in de bovengenoemde recensie (in Anz.) voor overeenstemming van AC aangevoerde bewijzen, geput uit verkeerde lezingen, vervallen deels geheel en al, deels zijn zij minder klemmend dan hot toen scheen. I, 385 hebben wij met de andere groep doghet in don tekst opgenomen, maar het is niet zeker dat dit juist is. Nomen wij daarentegen aan, dat ere van AG oorspronkelijk is, dan zou men zich de verandering in de andere groep kunnen verklaren uit de zucht om de herhaling van ere te
1) Terwijl G in if. I vier strophen uitlaat â het aantal wordt, daarmede in overeenstemming, aan het slot als 71 , in plaats van 75, opgegeven â is in M. lil geenc enkele leemte. Is .)/. Ill met bijzondere zorg geschreven ten gevolge van de waarschuwing van Maerlant aan het begin? En meende de schrijver zich beter hieraan te kunnen houden, als hij zich richtte naar één hs., dat tevens den vulgaattekst bevatte? In if. II heeft, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, geen der 6 hss. eene leemte en slechts eens zijn twee verzen (194 vlg.) verzet; dit zal toch ook wel geen toeval zijn.
2) Vgl. Verdam in Tlieoph. bl. 10.
XXI
ONDERLIXGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
vermijden. Daar evenwol Bukelare 434 heeft propter jvs suda sudores, zoo is liet de vraag of er niet oorspronkelijk een ander, derde, woord heeft gestaan: in dit geval zou de overeenstemming van en C toevallig kunnen zijn. â De belangrijkste plaats is 1, 759 vlgg., waar evenwel de juiste lezing niet te bepalen is. Dat onze tekst (naar BD) weinig waarborgen van oorspronkelijkheid heeft, hebben wij reeds in de Aant. doen uitkomen, doch bij de onderstelling, dat AC de echte lezing heeft bewaard, waren de afwijkingen der andere groep moeilijk te begrijpen. Is hot in de aant. geuite vermoeden aangaande do ware lezing juist, dan zou de overeenstemming van AC wellicht nog als toevallig kunnen worden beschouwd, hoewel de waarschijnlijkheid niet zeer groot is {niemcn in vs. 7G3 zou dan oorspronkelijk kunnen zijn). Er blijven dan nog slechts over I, Gfi; 311 vlg., en III, 1G3 (uitlating van willen of van ivilen), die alleen niet den doorslag kunnen geven. Als dus A en C niet moeten worden bijeengevoegd, gelijk wij voor onze tekstredactie wM aangenomen en ook in de graphische voorstelling aangeduid hebben, dan zouden de hss. niet in twee groepen â 1 AC, 2 de anderen â maar in drie, 1 A, 2 C, 3 de anderen, moeten worden verdeeld, en de onder aan den tekst herhaaldelijk onderstelde aanleiding om ook de andere hss.groep, te beginnen met B, te volgen, zou aanmerkelijk geringer worden.
Al de andere hss. te zamen komen onderling overeen, tegenover A en C in I, 23G (ffoei ende scat, voor lijf e. s.); 290 vlg.; 774; II, 77; 189 (de afwijking van O wordt als van latere dagteekening beschouwd) en III, 489 (III, 1G3 kan niet onvoorwaardelijk worden meegerekend; zie boven bij AC). Deze plaatsen zijn wel voldoende om den ouderlingen samenhang der groep BâG(JF) te bewijzen; vgl. nog I, 63; G7ö; II, 222; III, 392. Daarbij komen nog die plaatsen, waar wij de lezing van deze groep als met die van AC gelijkwaardig hebben gekenschetst. Gezamenlijk spreken zij of voor AC of voor de overigen; het laatste wel eerder, daar de eenheid van AC ook elders minder zekerheid heeft: vgl. I, 21; 61; 109; 221; 251; 3G6; 448; 45G; 480; 715. Minder gewicht leggen de plaatsen van J/. II in de schaal, daar A hier C niet naast zich heeft; 18; 36; 40; 73; 75; 102; 107; 177; 184; 194 vlg.; 211; 212; 217; 232; 239; 245; 259; 2G4; 322 1). Ook eenige der beneden besproken plaatsen zouden hierbij kunnen worden gevoegd, waar het eene of het andere hs. der tweede groep èf toevallig of onder den invloed van een ander hs. afwijkt.
In den boezem van de groep Bâ(r(l(r) onderscheidt zich evenwel nu
l) Eonc dergelijke verhouding der lezingen valt in Mart. III minder op te merken , een bewijs dat liier om de eene of andere reden de hss. zelve tot elkander in eene andere verhouding staan dan in I en ü. Vermoedelijk is de reden hierin te zoeken, dat de nieuwe redactie der Vulgata {EâW) hier in Mart. UI bijzonder sterke wijzigingen heeft aangebracht.
XXII
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
weder B door grootere zelfstandigheid: in gemeenschappelijke fouten komen in tegenstelling met B met elkander overeen: 1) EFDOG I, 271; 389; 409 (de strophe ontbreekt bij ö); 4C9. â 2) EFDOGWÃll, 2â5; 184 (?); 271 (waar de grootere verandering van OW waarschijnlijk op EFDO berust); 278; 284 (voor E niet met zekerheid uit te maken; in bijzonderheden wijken enkele liss. nog meer af); 338. â 3) FDOG en FDOGIV, daar waar E niet bewaard is, I, 108; 669; 675; 724; 775; 11, 57; 81; 271 (?); III, 36; 476(?de lezingen stemmen wel niet overeen; maar hebben dit gemeen dat zij eenvoudiger zijn dan die van ACB); 481 (O leest niet rnoorl, gelijk is opgegeven, maar poort). Daarbij zon nog eene reeks van andere gevallen kunnen worden gevoegd, waarin afzonderlijke hss. vermoedelijk door zelfstandig aangebrachte conjecturen of verbeteringen zich van de andere hebben afgescheiden. Zoo komt I, 240, 486 weliswaar O met EFD overeen en evenzoo, zij het ook met eene later aangebrachte verandering, 483, doch de lezingen van G staan, zooal niet zeker dan toch zeer waarschijnlijk, onder den invloed vaneen der hss. ABC. â III, 318 kan O; I, 175 vlg. en III, 461 D (I, 175 ook (??); III, 60 F door eene conjectuur stoornis in de verwantschapsverhouding hebben veroorzaakt; zoo ook I, 312; 443; 660; II, 71. Hiertoe brengt men ook het best de overeenstemmende lezingen EOGW (ook Bukelare) Hf, 301, van EOG I, 221 en van EO {G ontbr.) I, 283, waar dus F en I) of FT) eene verbetering heeft aangebracht; en met eene soortgelijke onderstelling verklaart men ook het best de beide plaatsen I, 335 vlg. en 417 vlg., waarvan de eene met het oog op de andere gewijzigd is. Eene groepeering FDG blijkt uit I, 179; 574; 659; 697; 769; II, 115; 194; 262; 317 (alleen op deze weinig zeggende plaats is i?, hier niet met FDG overeenstemmende, bewaard); EEG I, 501 vlg.; EFGW l\l, 288; DOG I, 509. Ook deze feiten zou men wellicht in denzelfden zin willen uitleggen, nl. door de onderstelling, dat O, of D en O, of E en F veranderingen hebben aangebracht. Maar de groepering FDG heeft voor het minst eene andere beteekenis; zie verder onder bij FG. De door de hss. EFOGW en den druk vertegenwoordigde tekstredactie kan men als de Vulgata kenschetsen. Daartoe behoorde ook het voorbeeld der Fransche vertaling en één van die van Bukelare.
Eene nadere verhouding tusschen FDG blijkt met vrij groote zekerheid uit M. I, 10; 17 vlg.; 200; 483; 685; 734; 876; 11, 225; III, 460 (over 476 zie boven FDOGIV; over III, 94 beneden bij CBFDO; over III, 24 beneden bij A F O); hiertoe ook I, 593? Op deze plaatsen ontbreekt, behalve I, 200 en 483, weliswaar E, maar eene groepeering EFDO blijkt elders niet, of wij verklaren haar anders (zie boven). Onder de opgenoemde plaatsen zouden I, 10; 483 (vgl. daar ook hi tegenover sijn sin); 685; 734, verder er voor pleiten, dat O op grond van de in FD bewaarde lezing zijn tekst heeft veranderd. Eene groepeering FDOG{W),
XXIII
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
afgezien van plaatsen waar E ontbreekt, komt daarentegen niet voor; I, 243 kan niet meerekenen.
Het duidelijkst blijkt in de groep der Vulgata een inniger samenhang aan den eenen kant van F en D, en aan den anderen van G en W. Voor Ft) vergelijke men I, 3; 170; 174; 180; 271; 348; 729; 753; 839 (?); 843; II, 41 vlg.; 72 (het adj. ontbr.); 85 (? biten op quitcn berustende?); 178; 185; 239; 258; 274; 279; 283; 317; III, 1G3; 463 (vgl. de aant); 473; zie ook beneden bij BEFD III, 217 en bij BFI) I, 7C. Voor het meerendeel zegt iedere der overeenstemmende lezingen op zich zelve weliswaar zeer weinig, en afdoende is eigenlijk geene enkele, maar toch schijnt hun aantal, waarbij nog eenige andere minder gewichtige plaatsen gevoegd kunnen worden, alsmede verscheidene punten van overeenkomst ten opzichte van taal en orthographic, op eene nadere verhouding te wijzen 1). Er moet evenwel ook op gewezen worden, dat in geheele einden plaatsen van eenige bewijskracht te eenen male ontbreken. Men heeft dan aan te nemen dat het eene of andere hs. van zijn voorbeeld is afgeweken om een ander te volgen. Zoo schijnt in de eerste strcphen van Mart. II F door D ter zijde gesteld te zijn 2).
Voor de combinatie GW vergelijke men III, 47; 54; 61; 270â272; 310 vlg.; 377; 473; 476 vlg.; 486. Hier staan deze beide hss. op zulk
') Kr is daarom ook minder waarschijnlijkheid, dat de opgenoemde gevallen, waar dit op zich zelf mogelijk zou zijn, moeten worden verklaard als sprekende voor eene combinatie FDO, waarbij dan ondersteld wordt dat O later naar andere hss. wijzigingen in de lezing heeft aangebracht.
Binnen de groep FDO is om deze reden eene nadere verhouding tusschen DO niet mogelijk. De overeenstemmende lezingen in I, 17; 571; 028; 886 (deze plaats zou eerder voor FDO pleiten); 111, SI8; 227; 252; 410; 489 moeten wij dus voor toeval aanzien, of uit eene latere verandering van F verklaren. Men zal dit ook voor 111, 98 (waar overigens niet, gelijk in de varr. staat, O met F in de lezing mit grooter were overeenstemt, maar mil groter eere leest) niet onwaarschijnlijk vinden, liij de vaststelling van den tekst trollen wij eene opvallende overeenkomst van D en O aan 111, 378. Doch de toen reeds uitgesproken twijfel is gebleken alleszins gegrond te zijn geweest; immers door een hernieuwd onderzoek is gebleken, dat O evenals de anderen heeft zone («limit desen zone, vut desen wondequot;). Wat deze plaats betreft hellen wij nu over tot eene geheel andere rnee-ning, dan die welke .1 uz. 8, 1.'gt;0 is voorgedragen en die wij ook nog bij de bewerking van den tekst in deze uitgave hebben voorgestaan. In overeenstemm.ng met de duidelijk genoeg sprekende overlevering houden wij, in weerwil van Bnke-lare's vertaling (vs. 442) Jhesn Christi lateribus ac ipsius vulneribus voor de oorspronkelijke lezing sone : waarom toch ook zou de voor de hand liggende conjectuur side van alle schrijvers alleen bij D voorkomen Zoo is ook beter te begrijpen wies, in den volg. regel, dat dan niet, gelijk in de varr. is voorgeslagen, behoeft veranderd te worden : mit desen wonden is als eene appositie toegevoegd, zonder invloed te hebben op de constructie. ISij nader inzien past in den samenhang sane, over wien in de vorige strophen met name wordt gesproken, veel beter dan siden.
XXIV
ONDERLIJTGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
eeno kenschetsende wijze tegenover alle andere, dat aan hunne nauwe verwantschap geen twijfel kan bestaan. Ook in bijzonderheden is do overeenkomst zoo groot, ais men nauwelijks in eene copie verwacht. Men overtuige zich door eene vergelijking van welke verzen men wil: zelfs een blik in de varr., waar GTT' herhaaldelijk alleen staan, is voldoende. Desniettemin is ook een vrij groot aantal afwijkingen te constateeren; vgl. 2; 3; 4; 6; 10; 11 en verder â om alleen de belangrijkere te noemenâ-55; 77; 98; 145; 185; 202; 203; 22G; 241; 299; 307; 309; 314; 315; 353; 382; 392; 445; 446; 403. Er zullen dus wol middelschakels tus-schen de beide hss. in liggen, maar dan blijft in elk geval de letterlijke overeenkomst merkwaardig. Doch vgl. de noot op bl. XXI. Op deze plaatsen schijnt (i veel vaker bij het oorspronkelijke gebleven te zijn dan W. De gemeenschappelijke bron van G en IF stellen wij voor door TF*.
Duidelijk is ook de betrekking tusschen OGW-. vgl. III, 103; 173; 239; 310 (? zeer onzeker l); 322; 325; 473; 470 (?). Met deze combinatie OGW in Marl. III, zou in 1 en II overeenkomen de verwantschap uitgedrukt door OG. Maar de gevallen, die daarvoor zouden kunnen pleiten, nl. I, 211; 215; 582; 74G; II, 41 (?) hebben niet veel bewijskracht. Iets meer gewicht legt I, 759 in de schaal, doch hier verkeeren wij te veel in liet onzekere; zie boven bij AG. Het waarschijnlijkst dunkt ons, dat O behalve zijn eigen voorbeeld ook IF* gebruikte : maaralleen voor don Derdon Martijn. Had misschien de tekst van de Driavoudichcde in den codex TF* der drie Martijns, waaraan ook G zich zoo angstvallig hield, een bijzonder gezag?
Op grond van deze waarneming, dat O meer dan één hs. gebruikt, kan men dan ook op eene reeks van plaatsen, waar het, zeker of waarschijnlijk, in strijd met de groep waartoe liet behoort, eene oorspronkelijke lezing heeft bewaard, aannemen, dat het deze uit eene andere bron, een met A verwant hs., heeft geput. Vgl. I, 40; 205; 337; 420; 672; 784; 871; II, 41 (?); 192 (?); 293 (doch vgl. de aant. op I, 417); 312; III, 10; 02; 149; 318. Minder waarschijnlijk is het, dat op deze wijze ook eenige gemeenschappelijke onnauwkeurigheden zouden te verklaren zijn, I, 123; 504; 859 2). Zeer opmerkelijk is ongetwijfeld de overeenstemming van O met A in 1, 604, maar wij kunnen niet gelooven dat O het woord vry eenvoudig van A zou hebben overgeschreven, als het aan wi druul geen redelijken zin zou hebben kunnen hechten (vgl. do aant. t. a. p.). Wij weten niet wat van de plaats te denken. Vgl. verder beneden over OE en OB.
1) Tale van Gil' zal wel als te dale moeten worden opgevat.
2) I, 765 ontbreekt in hs. A , en O heeft hier een vers dat in Mavi. 11 thuis hooit. Maar tusschen deze feiten bestaat geen innerlijke samenhang, want het volgende vers bewijst dat O vs. 705 nog in zijn voorbeeld vond en dat hij eene willekeurige verandering maakte.
XXV
XXVI ONDERLINGE VERWANT SCI F AP HER HANDSCHRIFTEN.
Met deze laatste beschouwingen zijn wij voor O tot soortgelijke uitkomsten geraakt, als wij boven voor G hebben verkregen i). Ook bij nog andere hss. zullen wij dezelfde wijze van doen moeten aannemen.
Vooreerst moet de invloed van C op de Vulgata of enkele hss. daarvan worden overwogen. CE F O G, waar D eene verandering kan hebben aangebracht, treffen samen in I, 300 (het is niet geheel zeker, in welk hs. de oorspronkelijke lezing staat: waarschijnlijk is het r/helove; dan lag de verandering in antwoorde op grond van dergelijke inleidende formules als »Martijn, du seghes wel ende waerquot; vrij wel voor de hand); 361 (niet zeer zwaarwichtig); zoo ook 413 (waar ook A dezelfde fout heeft als C {G ontbreekt)). Hier is wel aan te nemen dat de fout in AG en in E enz. onafhankelijk van elkaar is ontstaan. Op dezelfde wijze moeten beoordeeld worden II, 115 en III, 70; op de laatste plaats zal O wel veranderd hebben: het liet die in plaats van dat in het volgende vers staan. â CF DOG I, 2; het is onzeker wat de juiste lezing is. â CFDO 1, 30, waar E ontbreekt en G kan veranderd hebben: een geval dat niet goed te gebruiken is, daar A en B in de lezing eerst wellicht toevallig konden samentreffen. â CFOG I, 395â97 (waar E ontbreekt en ü kan veranderd hebben), waar de overeenstemming wel niet bloot toevallig kan zijn. Zeer onbeduidend is CFDO in I, 937, waar G verbeterd kan hebben. â CFDO {E ontbreekt, G verandert?) I, 11; 20; (voor 30 zie boven); 944. â III, 18 zijn C en {F ontbr.) DO wei onafhankelijk van elkander op bringhe gekomen. â CD O treffen ook I, 223 samen, maar wellicht hebben zij toch de oorspronkelijke lezing. I, 305 kan wel niet meerekenen. â CFDG (E ontbr., O verandert?) I, 44, waar de overeenstemming zeer goed toevallig kan wezen. Voor CED zou ook nog I, 271 vlg. in aanmerking kunnen komen. Het is niet geheel onwaarschijnlijk, dat Ff) ook op de lezing vlien van C berust, waardoor het misverstand beter te verklaren zou zijn: dan zou men kunnen aannemen, dat de geheele groep dezelfde lezing heeft gehad, en dat E, O en G naar andere hss. verbetering hebben aangebracht. Bij moeilijke plaatsen laat het zicli zooveel te eerder denken, dat andere hss. werden geraadpleegd. Intusschen schijnt ook hier aan toeval te kannen worden gedacht, en dit des te eerder, daar de afschrijvers bij naeri zich een onbehaaglijk of terugstootend schepsel hebben kunnen voorstellen. â Beneden zal over de combinatie CEG{ IV) worden gesproken. Men zou haar ook hier eene plaats kunnen geven, als men nl. uitgaat van de onderstelling dat het voorbeeld der groep EI)O opzettelijke veranderingen heeft aangebracht. Alles te zamen genomen moet men erkennen dat de invloed van C op
1) In I, 107; '292 (07 en 347 zijn te onbeduidend) kan zoowel door G als door O eene verbetering zijn aangebracht; anders zou rnen eene combinatie CBFD moeten aannemen. Daarentegen kan in III, 91 de fout van .1 en GW zelfstandig gemaakt en uit de laatstgenoemden misschien ii\ O gekomen zijn.
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
de Vulgata volstrekt niet als bewezen mag worden beschouwd; doch de mogelijkheid is niet uitgesloten, en wij hebben hem dan ook als mogelijk op de figuur (beneden XXXII) aangeduid. Voor Mart. III is een dergelijke invloed wel niet aan te nemen.
Eene combinatie AE zou men wellicht willen opmaken uit I, 349. Doch daar buiten deze plaats voor overeenstemming alleen I, 229 en III, 287 kunnen worden aangevoerd, moeten wij deze gevolgtrekking wel laten varen, en aannemen dat beide hss., overeenkomstig eene gewone voorstelling, onafhankelijk van elkander dor ons voor dor minne hebben in de plaats gesteld, en dat deze verandering dan ook de wijziging van die in endc in beide hss. heeft tengevolge gehad. Ook hetgeen voor eene combinatie CE zou kunnen worden aangevoerd, I, 239; 285; III, 277, kan niet als afdoende worden aangemerkt. I, 519 kunnen de meeste hss. onafhankelijk van elkander tot de lezing dat, of E zelfstandig tot do juiste conjectuur die gekomen zijn. Wij duiden de mogelijkheid dat E ook A en 6', of wellicht oen hs. waaraan zoowel A als C tot voorbeeld heeft gediend, geraadpleegd heeft, in onze figuur niet aan: hierbij moet men intusschen niet vergeten, dat van E slechts ongeveer 650 verzen bewaard zijn. III, 2 vlg. volgt E blijkbaar zijne groep en heeft diclU in vs. 2 bij toeval uitgelaten.
XXVII
Ook UE is niet zeker, hoewel wij in onze figuur de mogelijkheid hebben aangenomen, dat E door O zou zijn gebruikt, op grond van I, 405; 484; 551 (men lette er evenwel op, dat in hetzelfde vers O ook met B overeenkomt); III, 140 vlg.; 144; 155 (waar behalve OE ook C het woord drie niet heeft); 100: 205 (?). Hoewel op de éóne plaats, III, 140 vlgg., twee verzen op dezelfde wijze zijn omgezet, mochten wij het toeval niet buiten rekening laten. I, 418, een vers dat in verband met I, 33G moet worden beschouwd, maakt in elk geval den indruk, alsof O een ander hs. heeft nageschreven. â Als een bewijs voor AEO kan III, 62 wel niet in aanmerking komen; onk I, 3S0 is te onzeker. Er zou anders voor deze combinatie ook nog overeenkomst van taalvormen, zooals b.v. I, 416, kunnen worden aangevoerd 1). Daarentegen komt O met B opvallend overeen I, 115; 551 (vgl. hierbij boven bij OE): vgl. verder I, 775; 823; II, 187; III, 227 (wel toevallig); 434; 477. Daarbij zou men kunnen voegen BDO I, 534; 552 (zie straks bij BI)), alsmede CBO III, 107; 176; 434, het laatste in de onderstelling dat Ban C toevallig overeenkomen. Op deze gronden meenden wij in onze figuur
l) Eene betrekking tusschen E en G W, of omgekeerd de onderstelling dat FDO op grond van een ander hs. van hunne groep zouden afwijken, kan men uit lil, 170; '180; 20G; 208; 348 daarom niet alleiden, omdat hier E niet kan worden gecontroleerd (zie bl. Xll) en G op Mone's lezingen waarschijnlijk niet zonder invloed was. In E ontbreekt strophe '20; ook in G was ze eerst vergeten en volgt nu na '21, maar samenhang tusschen deze beide feiten moet niet worden gezocht.
OXnERLIXGK VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
ook de mogelijkheid van liet gebruik van B door O te moeten aanduiden. Over AO zie boven.
Wij keeren nog eens tot (1 terug, dat op een tamelijk groot aantal plaatsen overeenkomst en verwantschap vertoont met al moet worden erkend, dat een groot deel er van ook eene andere verklaring toelaat. Wij vermelden hierbij ook enkele overeenstemmingen alleen in de taalvormen: I, 854; S5G; II, 99; 107; 138 vlg.; 141; 158 vlg.; 1G4; 250; 257 (eig. FDd); 304; 316; 328. Ook in den vorm. van den naam Jferien komen zij overeen. Hiertoe behoort dan ook wel do boven besprokene combinatie FDG, en wij moeten daarbij aannemen, dat öf O hs. FD (d. i. de onderafdee-ling die door F en 1) is vertegenwoordigd) heeft geraadpleegd, öf dit onderstelde hs. omgekeerd Cl. Wij geven aan het eerste der beide gevallen de voorkeur, alleen reeds op grond van deze overweging, dat ook deze combinaties (FG en FDG) in Mart. III niet voorkomen,- dewijl G zich hier uitsluitend houdt aan ir* l). Wanneer, gelijk men zal zien, FG alleen uit het slot van I en uit 11 is op te teekenon, dan volgt tevens daaruit, dat I) in dit gedeelte onder den bijzonder sterken invloed van een ander hs. staat.
In de onderstelling dat ook F nu en dan andere hss. heeft gebruikt, zou ook uit het voorafgaande eene combinatie DG kunnen worden afgeleid. Zij gaan samen I, 29; 56 (men merke op dat de beteekenis van de geheele plaats door de afwijking gewijzigd wordt); 559; 617; 857; II, 96; 148; 195; vgl. ook I, 688. Het zwaarst weegt de overeenstemming in de volgorde der strophen I, 924 vlgg. Met zekerheid is hiervan niets te zeggen. Jlisschien was de fout in de geheele groep van B af aanwezig, en hebben O en F naar een ander voorbeeld, B zelfstandig veranderd. Dat strophe 72 niet op zijne pilots stond, was gemakkelijk te zien, en door de verplaatsing werden althans de beide strophen van bijbelschen inhoud bij elkander gebracht: dat 1) hier onder den invloed van B hoeft gestaan, is moeilijk aan te nemen. In geen geval is het geraden uit de tot nog toe aangevoerde gevallen met zekerheid de gevolgtrekking te maken, dat F naar verschillende hss. werkte; des te aangenamer is het dus, dat hij het ons op eene merkwaardige wijze zelf verraadt, nl. III, 270 vlg.: de schrijver had zijn gewone voorbeeld FâW voor zich en buitendien een met B verwant hs. Wij mogen daarom ook Hl, 239 aan eene samensmelting van twee verschillende lezingen denken. Wellicht zag hij ook I, 251 vlgg. een ander hs. (AC) in.
XXVIII
Wij namen zoo even en ook elders hier en daar aan, dat ook de druk naar meer dan één hs. is bewerkt. Het is al a priori onwaarschijnlijk
J) Voor FGW zou kunnen worden aangevoerd III, 50, waar evenwel toeval in het spel kan zijn; voor FDGW III, 34; 293. Als ook niet hier de overeenkomst toevallig is, dan zou de mogelijkheid overblijven dat VF* het voorbeeld van I'D heeft gebruikt.
osderliNjE verwantschap der iiandsciiriftek.
dat de redactor liij zijne «verbeteringquot; van den tekst zich tot één lis. zou hebben beperkt, en des te meer indien, gelijk wij zien, althans in de kringen waarin de Vulgata bekend was, zelfs bij afschrijvers van handschriften dezelfde wijze van doen zeer gewoon was. Dat een met B verwant hs. tot zijn materiaal behoorde, besluiten wij uit I, 413; 759 vlg.; 821; II, 151; 2C9; ook uit I, 380, warrover straks nader. Ook ai zijn er onder deze plaatsen slechts twee, waaraan men bewijskracht wil toekennen â bij I, 759 vlg. is het voor dit betoog onverschillig, of do lezing van BD oorspronkelijk is of niet (vgl. de aant.) â zoo behoudt toch onze gevolgtrekking hare kracht1), want het spreekt vanzelf, dat wij de sporen dezer »verbeteringenquot; niet verder kunnen vervolgen. Immers waar J) in zijn eigenlijk voorbeeld de eene of andere wijziging aanbracht, zal dit meestal geweest zijn om de juiste lezing te herstellen, en wij kunnen dus deze werkwijze van 1) alleen dan herkennen als hij van zijne gewone groep afwijkt, nl. als eene fout van F of van FOG of EFOG enz. niet bij hem gevonden wordt. Eenige dergelijke plaatsen zijn reeds boven hier en daar bij de combinatie EFOG(W) en elders besproken. In dit licht beschouwd, is het voorzeker eenigszins opmerkelijk, dat naast FOD niet op meer plaatsen overeenstemming tusschen F O alleen aan te wijzen is: I, 213 kan men haast niet daarvoor aanvoeren, en verder zou men hier nog slechts II, 220, den ongewonen genitief willens kunnen noemen.
Behalve met B komt J) met B en AC overeen I, 300; 660; naar een tot de afdeeling A of C behoorend hs. zou het zich ook gericht kunnen hebben III, 239 (? A ontbreekt hier); 314; 461; onbeduidend is de overeenstemming bepaaldelijk met A III, 26 en 27. Bij den Derden Martijn heeft dus de redactor wellicht een ander hs. dan B geraadpleegd.
xxix
Ten slotte moeten nog eenige moeilijke plaatsen in het kort worden besproken, die men als tegen onze onderstellingen pleitende zou kunnen aanmerken. AKFG I, 514: die plaats is te onzeker om er iets mede te kunnen uitrichten; zeker zijn er verbeteringen aangebracht, wellicht ook op grond van andere hss. â AF. De overeenstemmende lezingen in I, 57 ; 93; 386; 800 zijn geen van alle van dien aard dat men er geen toeval in zou kunnen zien; ook AFG I, 691 beschouwen wij als zoodanig. â A F O stemmen III, 54 vermoedelijk slechts toevallig overeen, gelijk anderzijds 6' en B. ilen mag aannemen, dat van E of F af in de hss. (dus in {E)F01)W*) de oorspronkelijke lezing nog bewaard was, en dat EDO (ook I) nog afzonderlijk) verandert; zoo ook TT*. Eenvoudiger zou de zaak zijn, als in plaats van in mijn siele: in al mijn side of liever
1
Dewijl G eveneens 1) heeft gebmikt, zoo zo» ook overeenkomst tusschen BDG mogelijk z.ijn, hetgeen wellicht voor I, 784 en de plaatsing dei' verzen 67(1 en (571 is aan te nemen. Doch BFDG 1, 312 zal, voor een deel althans, wel op een toeval berusten.
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
nog al mijn siele als de oorspronkelijke lezing mocht worden aangenomen. â I, 85 scoon{h)eit echt kan gemakkelijk tot de lezing scone/ecM aanleiding hebben gegeven. De font ligt III, 92 te zeer voor de hand, om daaruit iets te besluiten. â A FOG I, 5C7 vlg. eveneens te onzeker; I) sluit zich wel bij B aan. De lezing hout, imper., is overigens door vs. 5G1 vrij wel te verklaren. Dat liout, bnw. (»desen drien poenten so wes houtquot;) de oorspronkelijke lezing zou zijn, is niét waarschijnlijk. II, 269 nemen wij de combinatie BIgt; aan. â AFDOG tegenover 5, dat II, 115 alleen de naar alle waarschijnlijkheid juiste lezing heeft bewaard, kan zeer wel toevallig zijn; vgl. ook beneden bij het hoofdstuk over de onvolkomen rijmen. â CBFDO III, 194: tot eene vervanging van het ongewone porc door wille kunnen verscheidene hss. uit zich zelf gekomen zijn. â Voor CEG{ IV) zou men I, 309; 503; III, 125 kunnen doen gelden. Zelfs bij de opvallendste dezer fouten, I, 309, is het toeval niet uitgesloten: den schrijvers speelde eene gedachte door het hoofd als: »wij dienen God met lijf en ziel.quot; Zie verder boven bl. XXVI, bij «invloed van C'op de Vulgata.quot;) â COG I, 506: de verandering iu tette lag voor de hand. En al ware dat niet zoo, dan zou nog deze plaats alleen weinig bewijzen, dewijl èn O èn G juist de hss. zijn, die alle mogelijke andere hss. hebben geraadpleegd. G I, 862 vlg. kan des te eerder toeval zijn, daar de beide verzen met eene O beginnen. â Ook BEFD, III, 217, is wel zuiver toeval. â I, 76 kan wel door de twee afschrijvers die de lezing hebben, B en FD. oec (so) siet men voor oechsien en geschreven zijn, en II, 239 is met de geringe overeenkomst (ende) niets aan te vangen. â OW III, 463, weder eene zeer onzekere plaats. Als Maerlants tekst oorspronkelijk mocht geluid hebben die met (of vaii) sonden hem vervaren, schijnt de mogelijkheid niet uitgesloten, dat de geheele groep van E of F af dit nog had; behalve FD zou dan G eene verandering hebben aangebracht en wel naar een ander voorbeeld. Dat zoowel AC (of A en C) alsook B op de lezing verswaren zouden gekomen zijn; is niet geheel onwaarschijnlijk. â Moeilijk is uit te maken of een toeval aanwezig is in I, 380. Nemen wij aan dat de verschillende lezingen berusten op ende die om den scatte en ende dien om den scatte (zie de aant.), dan kunnen A, B, E en F uit zich zelf eene verandering hebben aangebracht; en I) en G zich naar Z?, O zich naar E hebben gericht. A en E naderen elkaar wel bij toeval. â Ook over 1, 593 is het oordeel moeilijk. Hebben F en O toevallig dezelfde leesfout, of had de geheele groep meest, hetwelk 1) willekeurig veranderd, G verbeterd heeft? Tus-schen de lezingen van C en 1) (of FO) bestaat wel geen verband. â Bij I, 251 vlgg. is de verhouding over het algemeen niet zeer ingewikkeld, maar in het tweede vers schijnt 1gt; dat aan B ontleend te hebben. Opmerkelijk is hi in vs. 253 bij FD tegen hunne constructie in. Is het uit een ander hs. afkomstig?
Alleen vermeld mogen dan nog worden ACB (?) I, 476; AB (?) I, 30;
XXX
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
AEF (genitief in pi. van nom.) I, 229; A KI) I, 537 (vgl. 538); AFG
I, 691; AOG{W) I, 292; 347; III, 91; AGIV III, 87 (zie bij de vair.); 200; BE III, 270; BF I, 838; EF l, 550; III, 215 (? hieraf); EED III, 178; EG I, 353.
Ook het uiterlijk der liss. doet nog eenige criteria aan de hand. In E (zie aan 't begin van M. III in de varr.), F, D, O, G en W, dus in de Vulgata, worden de afzonderlijke gedichten boeke genoemd. 1), O en W hebben den titel IVapenc Marlijn, maar aan deze bijzondere overeenstemming beantwoordt de verwantschap der hss. voor het overige niet: het zal in dien tijd de algemeen bekende titel geweest zijn. Bij A luiden de opschriften dander Martin; de derde Martin; bij C van Jacob ende van Marlijn en van der Drievoudicheide. Gelijk A heeft ook G voor I geen opschrift, voor II Dander Marlijn 1). Deze overeenkomst spreekt wel voor het gebruik door G gemaakt van de hssklasse A: doch men zou te ver gaan als men in het ontbreken van den titel van III bij G eene bevestiging wilde zien van de onderstelling, dat het zich nu meer aan JV* houdt. G en TV komen overeen in de opgave van het aantal strophen en verzen aan het slot, welke G bij alle drie de Martijns heeft en die dus ook voor W* moet aangenomen worden.
Niet zonder belang voor de kritiek is de vraag, of de archetypus, waarop onze gezamenlijke hss. teruggaan, reeds fouten heeft gehad. Wij nemen met meer of minder beslistheid fouten aan in al de ons bewaard gebleven hss. op de volgende voor een deel ook in de aant. behandelde plaatsen: I, 30 vlg.; 209; 423; G27; GS0 (in hetzelfde vers nog eens: de zeer onzekere conjectuur doei verwijt, tot verbetering dier fout voorgesteld, bedoelt alleen een gebrek in de metriek te verhelpen); 687;
II, 140 (of, als men in onze meening niet deelt, 136): III, 54; 72 vlg.: 487; 499 2). Ook III, 163 zou de gemeenschappelijke bron alreeds wilen gehad kunnen hebben, en III, 485 is misschien dal tegen het gezag van alle hss. te schrappen. Daarbij komen wellicht nog enkele plaatsen, waar onvolkomen rijmen zouden kunnen worden verwijderd, gelijk III, 20G; zie beneden. Enkele malen, waar slechts één lis. de vermoedelijk juiste lezing heeft bewaard, als G I, 20; B (en G) II, 115; G II, 28; B (en D) I, 413, bestaat de mogelijkheid, dat die een gevolg is van eene conjectuur. Maar op al deze plaatsen is het met de overlevering zoo gesteld, dat het meer of minder waarschijnlijk is, dat de oorspronkelijke lezing voor een deel althans nog in de voorbeelden onzer hss. be-
J) Op bl. 46 bij Je varr. is dit verzuimd op te geven.
-) Vgl. voor den conjunctief in een vergelijkenden zin, nog Augustijnken, Sl. Jans Ew. {O VI. Ged. dl. 3, bl. 141) 950 «glielije dat men ghescreven si'equot; (:). Ook Mone, Anzeiger 4, 70, 54 is misschien te lezen »alse de ewangelie ons vertellequot;, in plaats van vertelde (in bet rijm met bestetien, gesellen enz.), indien niet, hetgeen minstens zoo waarschijnlijk is; salse de ewangeliën ons vertellenquot;.
xxx r
ONDERLIKGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
waard was: immers al stemmen do hss. ook hier en daar in onoorspronkelijke lezingen overeen, zoo is dit hieruit te verklaren dat daarin slechts kleine fouten schuilen, die gemakkelijk door verkeerd lezen of verschrijvingen konden ontstaan. Het is dus mogelijk, dat de archetypus enkele dezer fouten reeds heeft gehad, maar het waren dan alleen kleine, nog niet ver van de ware lezing afstaande, fouten, en in dit opzicht belet ons niets aan te nemen, dat hij het werkelijke origineel nog zeer nabij kwam.
Onze onderstellingen, in eene figuur overgebracht, geven nu het volgende beeld van de onderlinge verhouding der teksten;
Voor het bepaalde geval dat er tusschen A en C geene nauwere verwantschap bestaat, valt hun snijpunt niet midden in de lijn AX, maar valt het met X samen.
Nadat de klassen A en C of de klasse AC zich had afgescheiden, onderging het origineel eene kleine bewerking, die aan het snijpunt ligt van B en W*; daaruit ontsproot de klasse B. De hss. die deze afdee-lingen vertegenwoordigen, A, C en B, onderscheiden zich volstrekt niet door hun hoogen ouderdom. Zij schijnen eenigen tijd buiten het verkeer te hebben gestaan, b.v. in afgelegen kloosters te huis te behooren; de hss. vertoonen geenerlei inwerking van andere hss. Later werd eene iets sterker afwijkende redactie opgesteld, misschien eenigermate staande onder den invloed der klasse 6', de Vulgata, gelegen aan het snijpunt van E en W*. Deze heeft blijkbaar op plaatsen met een levendig, ook letterkundig, verkeer, denkelijk in de grootere steden van Vlaanderen te huis gehoord: aan de schrijvers, die van deze redactie copieën moesten
XXXII
ONDERLINGE VEUWANTSCIIAP DER HANDSCHRIFTEN.
maken, stond de gelegenheid open om daarbij copieën van andere hss. te raadplegen; ook materiaal uit de klassen A, C en B lag binnen hun bereik, en zij werkten in den regel naar verschillende voorbeelden. Alleen hs. E schijnt de redactie der Vulgata tamelijk zuiver te hebben bewaard. Misschien had de tekst van het gedicht vander Drievoudicheidr in deze redactie een bijzonder gezag, zoo dat hij minder aan invloeden van andere hss. blootstond.
Nergens blijkt, dat er hss. bestaan hebben met slechts één der drie gedichten. Dat G slechts I en II, IF alleen III bevat, heeft een bepaalde reden. W zegt vrij duidelijk, dat hij den tekst genomen heeft uit een hs., waarin de drie Martijns voorkwamen. De boven uitgesproken meening , dat meermalen voor de controle bij het cene der drie gedichten een andere tekst gebruikt werd dan bij het andere, sluit niet noodwendig dergelijke codices met één gedicht in. Zooveel is zeker, dat al onze hss. uit voorbeelden met de trilogie zijn afgeschreven, en dat de drie gedichten al zeer vroeg, zoo niet van den aanvang af, vereenigd zijn geweest.
Wat de plaats betreft, die aan de hss. toekomt ten opzichte van de kritiek van den tekst, zoo behouden A en C de waarde, die hun steeds is toegekend. Zij zijn te zamen, of wel ieder afzonderlijk, de vertegenwoordigers van de redactie die het dichtst bij het oorspronkelijke is gebleven. Op een hoogeren rang, dan hem tot heden door de uitgevers is toegekend, mag B aanspraak maken, als de eenige getuige voor den oudsten vorm der tweede redactie, en die, daar hij niet onder den invloed van een ander hs. heeft gestaan, dus deze redactie zuiver afspiegelt. Het samentreffen van B met A O of ook met een dezer beiden is voor de kritiek van groot belang.
Minder beteekenis hebben de hss. der Vulgata, vooreerst omdat zij de jongste redactie bevatten, ten andere omdat zij in den regel naar verschillende voorbeelden bewerkt zijn. Maar juist daardoor krijgen zij toch ook weder eene eigenaardige beteekenis, omdat zij niet zelden elementen der oudere redacties hebben bewaard. Zij zijn tengevolge daarvan en niet alleen K â de oudste en zuiverste vertegenwoordiger dezer redactie â maar ook alle andere, behalve TF, dat naast G nauwelijks op eene zelfstandige positie aanspraak kan maken, een geschikt middel ter controle, doch ten gevolge van menigvuldige vermengingen gaat deze controle zelve vaak gepaard met allerlei bezwaren.
Of aan A dan wel aan C de voorrang toekomt â eene vraag, die bij de Disputatie terugkeert â is niet gemakkelijk te beslissen. Misschien kan men in O meer willekeurige veranderingen constateeren dan in A. Doch vooral eene uiterlijke omstandigheid heeft bij de keuze van een teksths. aan A den doorslag gegeven, en wel het feit dat in 6' de tweede Martijn ontbreekt. Wèl moet hier aan de combinatie BâG een hoogere waarde (waar zij staat tegenover A alleen) worden toegekend dan elders
XXXIII
ONDERLINGE VERWANTS' '11 .VP HER HANDSCHRIFTEN.
(waar zij AC tegenover zich heeft), doch het kan geen groot verschil maken, als wij in weerwil van deze iets verminderde bewijskracht van A ook hier niet zonder noodzakelijkheid van A zijn afgeweken.
quot;De voorbeelden van Bukeiare. Indien reeds de schrijvers van afzonderlijke hss. zich de moeite gaven, naar verschillende voorbeelden te werken, dan kan ons dezelfde wijze van arbeiden bij den vertaler in liet Latijn allerminst verwonderen. I, 23C') spreekt voor een tekst AC tegenover de anderen; met G alleen stemt overeen I, 179 cor internum, lerrens. Voor A alleen zou men kunnen doen gelden I, 819 hide cede f idelit er, maar de vertaling kan evengoed de lezing der overige hss. weergeven, zooals A zelf die met trouwe omschrijft. Voor .1 hebben wij bovendien nog de vertaling van 1, 543 2) doen spreken, maar dan kan licht ook nog in een der andere hss. gestaan hebben 3). Met (' strijdt de vertaling van I, 30!) 4); vgl. ook I, 141 (hier ontbreekt .1), en waarschijnlijk wijst ook III, 189: purge nostras, Jhesu, meutes, leti tenebris sedentes, ac per fruit i one Deitatis conrernentes nos salva, op smake, de tegenover die van AC staande lezing. Voor BD pleit 1, 759 J); zoo ook III. 217 1) wel voor BEF1) (of O); bij EO GW sluit zich aan III, 301 in cuius aula Dorninus ... totus inhabitavit, en 1, 335 4) kan wellicht voor EO in het bijzonder worden aangevoerd. Vgl. ook II, 17, dat voor BDOG schijnt te spreken. Voor ABO pleit 111, 176 4), evenwel niet zeer krachtig, daar ook andere hss. allicht (nogV) daer in plaats van dat kunnen gehad hebben. Als met A en B in strijd zou men 1, 566 -4) kunnen beschouwen. Ill, strophe 8 en 9 volgde Bukelare waarschijnlijk een hs., dat ook verkeerdelijk al aan hoven (in vs. 92) en de andere adverbia (onder enz.) had toegevoegd, doch dat bewijst niet zeer veel, daar de verandering zeer voor de hand lag. III, 163 4) was de juiste lezing willen misschien nog in een van zijne voorbeelden bewaard. Voor D alleen schijnt III, 378 te spreken: Jhesu Christ i lat er i bus acipsius rulneribus. Maar het is de vraag of de lezing siden werkelijk vóór den druk heeft bestaan, en of niet de vertaling evenzeer slechts op eene conjectuur berust, als de lezing zelve (zie boven bl. XXIV noot). Voorzeker mag men ook uit II, 122 4) niet besluiten tot eene bijzondere betrekking met F: ook in een ander hs. kan Bukelare zeer licht verkeerdelijk scat voor stat hebben gelezen.
Uit deze opmerkingen mag men afleiden dat Bukelare ten minste drie hss. zal gebruikt hebben, een van de klasse AC of C, een van de klasse B en een van de Vulgata; al moet men erkennen, dat hij op enkele
XXXIV
1
â l) Zie de aant. achter den tekst.
ONDERLINGE VERWANTSCHAP DER HANDSCHRIFTEN.
plaatsen onder den invloed eener reminiscens, misschien ook uit de La-tijusclie kerkelijke literatuur, toevallig gekomen kan zijn tot eene met de lezing van een bepaald hs. overeenstemmende vertaling.
Als het vaststond, in welken tijd de vertaling is gemaakt, dan zouden wij daarin een geschikt uitgangspunt hebben voor het bepalen van den ouderdom van enkele redacties. Voor een hoogen ouderdom spreken de uitkomsten van ons onderzoek juist niet. Het schijnt althans niet geraden de verschillende lezingen van Bukelare te verklaren uit de betrekking tot eene oudere klasse van hss., waarin de bij hem voorkomende lezingen alle voorhanden waren, ook al hebben wij boven (bl. XXI vlg.), voor de vertaling van I, 385 de mogelijkheid toegegeven dat die uit de ons bekende hss. niet kan verklaard worden. Tegen eene zoodanige poging-verzet zich het door ons ingestelde onderzoek der hss.
Met den tekst van Bukelare moet men dus in ieder geval voorzichtig zijn ten opzichte van het bepalen zijner waarde voor de kritiek van den tekst, ook omdat hij meermalen zijn origineel niet goed heeft begrepen: vgi. de aant. bij I, 181 vlgg. en 144. Op nog ééne plaats vestigen wij de aandacht. TH, 254 vlgg. heeft de vertaling:
expurget cordis aream.....
exstirpet et sysaniam ex cordis agro variam,
rjuam Sathanas con se vit.
B. heeft blijkbaar wïón, »wijdenquot;, opgevat als rcieden, waarvoor eerst in de latere middeleeuwen de thans nog bij het volk gebruikelijke vorm wiejen, wieën opkwam: deze plaats kan dus waarde hebben voor do bepaling van den ouderdom der vertaling (Franck, .1/«/. Gramm. § 114, 5; Van Heiten, bl. 204).
Het voorbeeld van de F ranse he vertaling daarentegen was, voorzoover dit uit het overgebleven deel van het werk kan worden opgemaakt, alleen de Vulgata. De aandacht verdienen de volgende plaatsen: I, 11 las de vertaler in zijn voorbeeld stellig hescatten, als CF O; I, 31 is de vertaling alleen in strijd met C (zie de aant.); 335 vlg. komt zij overeen met li 0{ G); in 422 beantwoordt zij aan trouwe, gelijk alle hss. hebben behalve AG; in 443 had het voorbeeld waarschijnlijk du herrs (ghi held) als EFOG; 467 Jacop als de Vulgata; 514 gave of goede als AEJ-'OG; omtrent 418 geeft het Fransch geen uitsluitsel. Dat de vertaler, vs. 492, in zijn voorbeeld sin zou gevonden hebben, is niet noodig aan te nemen, en ook, alles samengenomen, niet waarschijnlijk.
Uit deze opmerkingen blijkt, dat het boven (bl. XVI noot) uitgesproken oordeel over de waarde der vertaling voor de kritiek van den tekst, juist mag worden genoemd.
2. De beide hss. der Di sputacie.
Natuurlijk is het volstrekt niet noodig, dat de voorbeelden der Dis-
* *
xx::v
ONDERLINGE VEUWANTSCMAT nfill HANDSCHRIFTEN.
putacie in de beide hss. A en C tot elkander op dezelfde wijze gestaan hebben als bij de Martijns, doch er is, zoover wij zien kunnen, niets tegen de onderstelling in te brengen, dat diezelfde verhouding ook hier tusschen A en C heeft bestaan. Daarom zijn wij niet zonder bepaalde redenen van A afgeweken, hoewel tegen eene eclectische behandeling van den tekst binnen bepaalde grenzen geen bezwaar kan bestaan. Dat de voorbeelden over het algemeen betrekkelijk na aan elkander verwant moeten zijn geweest, komt overeen met hetgeen wij omtrent A en C bij de Martijns hebben opgemerkt. Kenschetsend daarvoor zijn ook enkele fouten van C, als 112; die werelt al voor die waerheii (ivaereit ? w'eit?) al (A die waerheit al = hal).
3. De hss. van Van ons Heren Wonden.
Een hernieuwd onderzoek heeft ons gebracht tot een inzicht in de verhouding der vier hss. en hunne waarde voor de tekstcritiek, dat gedeeltelijk van het Tjdschr. 14, 108 vlgg. voorgedragene afwijkt.
Dat C en U nader tot elkander staan, blijkt vooreerst uit de gemeenschappelijke fouten (23? zie onder aan den tekst), 40 [die joden sure), 43 en 44; 51; 6C; 7G (wane, wan), 94â96; 98; 117.
B en O komen in twijfelachtige lezingen overeen in 38; 54; 78; 79; 100 vlg.; 109; 120, doch er is geene enkele plaats onder, die als direct foutief moet worden beschouwd. Toch hebben wij vs. 54 op grond van liet Latijn liet praeteritum in den tekst gezet, vs. 78 de lezing van CU overgenomen, en deze ook in vs. 54 (swareri), 100 vlg. en 120 als de mogelijk juiste gekenschetst!), hetgeen ook wel in 109 (o tegenover ay) zou kunnen geschieden. Gemeenschappelijke fouten van G en B hebben wij aangenomen vs. 100 (zijn tegenover zij) en 20 (saliye scare voor dene scare). Ook op de laatste plaats is het toeval niet geheel en al buitengesloten, want de juiste lezing was, gelijk men ziet, moeilijk te begrijpen, en voor iemand, die haar verduidelijken wilde, lag het woord salich zeer voor de hand. Daarnaar schijnt het ons duidelijk, dat weliswaar B en G kunnen berusten op een gemeenschappelijk voorbeeld, waarin reeds enkele fouten aanwezig waren, doch dat dit hs. over het algemeen veel beter was dan de gemeenschappelijke bron van ('U\ immers bij de daarin aanwezige fouten, boven vermeld, komen van de voorloopig als twijfelachtig gekenschetste lezingen, nog die, waar wij, en wel terecht, BG zijn gevolgd. B en G te zamen leggen dus veel meer gewicht in de schaal dan CU.
XXXVI
Andere combinaties, die men behalve de besprokene, tegen onze onderstellingen zou kunnen aanvoeren, zijn niet zeer zwaarwichtig: 34 BTT oii.se herle, i'G mine her te; 53 BU met de juiste lezing die dorperhede tegenover C die die dorperhede, G die alle d.; 8ü BC Sent, GU Sende;
l) Dit is aangeduiJ iloor hot teeken = in de varianten; meteen?, indien de ^elijkstellinii; niet als geheel en al gerechtvaardigd kan worden beschouwd.
ONDRIvLINGK VKliWANTSCH Al' DER HANDSCIIKIFTKN.
102 BC meuNcheil, GU mcnschc; het is niet geheel zeker, wat op de beide laatste plaatsen de ware lezing is. Maar meer moeilijkheid veroorzaken twee plaatsen, waar B alleen do juiste lezing heeft bewaard, nl. vs. 4 alretiera, waartegenover do overeenstemming van GU nog wel toevallig zou kunnen zijn, en vooral 26 vlg. B staat hier alleen met eene lezing, die overeenkomt met hot Latijn, als wij, gelijk ook wel bedoeld zal zijn, desprxiione of desjicctive met roronatum verbinden. CGU komen in hoofdzaak overeen, maar de woorden zelve niet met het Latijn, immers eene constructie als welke Anz. 4, 401 is voorgesteld (om der Joden loorne met gescoort en bebloei to verbinden), is eigenlijk niet zeer waarschijnlijk en bij do lozing van G in het geheel niet mogelijk. Eene nadere verwantschap van CGU blijkt nergens elders. Dus zullen zij wel do oorspronkelijke lezing hebben bewaard, en de dichter had ditmaal, wat despedione betreft, zijn voorbeeld willekeurig vertaald. Dozo bewering zal men bij do eigenaardigheid en do beslistheid dor lezing van B opvallend vindon. Maar do zaak is wol op oone oenvoudigo wijze to verklaren. Do bewerker van OHW in B is ongetwijfeld dezelfde persoon als do maker van hot Tijdschr. 14, !)7 vlg. afgedrukte gedicht, waarover boven bl. XV wordt gesproken, en deze kende volgens vs. 123 ook de lat. hymne. Hij bemerkte het gebrekkige der vertaling en schijnt reeds in zijne eigene verzen eene poging te hebben gedaan om haar te verbeteren, immers daar vinden wij, 97 vlg., weder eene andere opvatting:
daerna die crone van den doorne,
die hi droech hem sol ven te to me.
Dat zou met hot Latijn overeenkomen, als men nl. despectionc verbindt met indinatinit, gelijk ook Verwijs doet bl. 163. Naderhand kan hij dan weder tot een ander inzicht gekomen zijn en daarnaar den tekst der mul. hymne hebben veranderd !). Hij kan dus eene met die van ÃUG overeenstemmende lezing in zijn hs. gevonden en deze willekeurig naar hot Latijn veranderd hebben1). Het blijft natuurlijk ook mogelijk, dat in ile hss. eene gemeenschappelijke fout school, welke de bewerker van J1 öf op grond van het Latijn öf naar eigen inzicht trachtte te verbeteren, doch voor het overige zijn er in den archetypus geen fouten met zekerheid te constateeren. De verkeerde pluralis, in vs. 17, levert daarvoor geen bewijs, en vs. 88, waar wij wel aan de mogelijkheid eener fout gelooven, komen de hss. onderling niet eens alle overeen.
XXX 11
1
) Nog ingewikkelder wordt de zaak als men ziet dat in de verzen , gedrukt in Tijdschr. 14, 07, evenals in CC de crone wordt aangesproken; in redactie li der mnl. hymne daarentegen (vgl. ook het opschrift der strophe) het hoofd, zooais in hs. G en den lat. hymnus. Kende de maker der zooeven genoemde verzen en de redactor van B verschillende mnl. vertalingen?
DE ÃIJMliN.
Wij wijzen or nog op, dat G, hoewel slordig geschreven en ten gevolge daarvan lang niet zonder feilen, in 39 en -10 alleen van allen de ware lezing heeft bewaard; met G is dit het geval in vs. 20, met TJ in vs. 35. Ook in 13 staat ü het dichtst bij de nergens voorhanden ware lozing, doch hier moet de archetypns nog het woord seghesalich hebben gehad.
V. DE RIJMEN.
Mot het oog op do kritiek van den tekst hebben wij ook twee kwesties dor rijmkunst te behandelen, die dor minder goede lettergreeprijmen (»rührendo roiinoquot;) en dor rijmen met eene overcomplete u.
a) Minder goede lettergreep- of silberijmen.
Zooals bekend is, laten do mnl. dichters dat rijm toe, waarbij ook do consonanten vóór de rijmende vocalen dezelfde zijn. Zij gaan daarin niet zoo ver als do Fransche dichters, die op hot »rime richequot; jacht maken, maar wij krijgen toch den indruk, dat zij in den regel ze volstrekt niet weerden, als zij zich aan hen voordeden 1).
Wij kunnen deze rijmen in verschillende klassen indeolen naar gelang van de uit een aesthetisch oogpunt meerdere of mindere volkomenheid, die wij er aan toekennen, en welke men er op dezelfde wijze en naar een soortgelijken maatstaf ook vroeger aan schijnt toegekend te hebben. â-1. Verbinding van etymologisch of althans in beteekenis geheel verschillende gelijkluidende woorden, van homonymen, als was, »eratquot;: was, cera, M. T, 105, 112; tale, »taalquot;: betale (het ww.), 120, 130; of quani; mesquam, 511, 512. â 2. Verbinding van simplex en compositum, of van verschillende composita (gaen\ vergaen, M. IF, 57, G2) of van hetzelfde suffix in verschillende woorden (like, b.v. in wirelike: kerstenlike). â 3. Verbinding van etymologisch verwante doch tot verschillende soorten behoorende woorden, als dat leven: si leven. â 4. De herhaling van hetzelfde woord met een gering grammatisch verschil, als de inf. wesen: (wi) wesen: of (wi) wesen: (si) wesen, of eindelijk (si) leven: (si) leven. Van deze laatste weinig kunstige wijze van rijmen, welke van de onmiddellijk voorafgaande niet altijd met zekerheid is te scheidon 2), hooft
1) Wij vestigen ile aandacht op de grammatische rijmen (herhaling dei'/.ell'de rijmwoorden in andere grammatische vormen) van M. 1, strophe 3(5, waar de vormen ghevraecht (particip.), verdvaechl (â verdraghe et), behaeclU (3e pers.), 'jeclaeitil (particip.), wuechl (= waghe et) in de o-i ijmen, en vraghen, verdraghen, behaghen, chighen, waghen als infinitieven in de 6-riJmcn staan.
2) Ook tusschen de andere door ons geformuleerde klassen zijn nn en dan de grenzen niet scherp te trekken. Vgl. b.v. ten opzichte van 1) en 2) gevallen als jaghen: bejag hen en staen: vemtaen.
XX.Will
DE HI.IMEN.
Maerlaiit zich, naar Franck's onderzoekingen, Inleid, op Alex., bl. LXXIII vlgg., in het algemeen onthouden. Het zou evenwel zeer goed mogelijk zijn, dat men aan het rijm in strophische gedichten, ten einde de bezwaren, daaraan verbonden, eenigermate te verminderen, eenen iets minder strengen eisch had gesteld, vooral voor de niet onmiddellijk op elkander volgende rijmregels, waarin afwijkingen van den regel minder hinderen. De ons overgeleverde tekst onzer gedichten vordert in dit opzicht een bijzonder onderzoek. In overeenstemming met de uitkomsten van de onderzoekingen omtrent de wijze, waarop Maerlant in andere vormkwesties handelt, zal de onderstelling niet bevreemden, dat hij ook in dit opzicht zoo streng en nauwkeurig mogelijk is te werk gegaan. Aan den anderen kanl mogen wij niet nalaten er op to wijzen, dat op zich zelf de mogelijkheid bestaat, dat sommige hss. in dit opzicht een strengeren eisch zouden kunnen hebben gesteld dan M. zelf t).
Van de talrijke in de hss. aanwezige minder goede lettergreeprijmen 2) zijn er in onzen tekst verscheidene niet opgenomen. Op eene zeer enkele uitzondering na hoeft daarbij niet de overweging ons geleid, of deze rijmen van Maerlant waren of niet, maar hebben wij ons in dezen alleen behoeven te honden aan de regelen, voor de critiek der hss. gestold. .1/. 1, 040 b.v. hebben wij niet daarom in den tekst bederven gezet, om het silberijm xterven: besterven te vermijden, maar omdat A alleen tegen alle andere hss. te zamen niet kan opwegen. Niet opgenomen zijn .1/. I, 70 en 85, 262 en 267 (het rijm zou overigens om het verschil in betee-kenis te verdedigen zijn: onze tekst berust alleen op .1); 406 en 412; óOü en 506: 561 en 567; 030 en 040; II, 100 en 115 (waar onze tekst
1) l!.v. M. II, ()5 D veminnen in pl. van verwinnen (: ijlu'H'inneii): I, 780 J{ benioede, FU vermoede in pl. van bevroede (: vroede: vgl. evenwel onder aan den tekst): zie nojj; .1/. ill, 4Slt;) GW in verband niet 489, en Disp. 45quot;» A en C, alsmede de later aangebrachte verbetering van G. M. 11, '115; en Mâ l, bgt;0 en 1515. Men zon hieraan ook kunnen denken in gevallen als M. 11,326, waar AEG hebben tvaer (: waer), de audd. claer; verder I, 267 e. e.
2) Van deze rijmen komen er. alle te zamen genomen, behalve eenige onzekere, o. a. de meeste van die welke in den tekst nader worden onderzocht, voor: in den eersten Marlijn 36 (op 75 strophen), in den tweeden 15 (26 str.), in den derden 23 (39 str.), in Verk. .1/. 4 (8 str.), in Disp. 27 (46 str.), in Claus. 37 (42 str.), Oversee 19 (19 str.), KCl. 15 (18 str.). Dit is in verhouding tot het geheel niet zeer veel. Deze verhouding evenwel percentsgewijze uit te drukken, is daarom niet geraden, omdat deze rijmen volstrekt niet alle tot dezelfde soort behooren en dus van zeer ongelijke beteekenis zijn. Rijmen als was («eraf') en was (»ceraquot;) waren wellicht gezocht, terwijl dat met dezulke als gelike : crachtelike zeker niet het geval is geweest Nog mag wel worden opgemerkt dat in Ctens. str. 34 twee gevallen en in 33 ook een of wellicht twee voorkomen. Is dit toeval of zoekt hier de dichter deze rijmen? In de beide gedichten uit M.'s latere periode komen ze meer voor, doch wij wagon het niet te beslissen, of dit als. een bewijs van grootere dan wel geringere kunstvaardigheid moet worden aangemerkt.
XXXIX
DE IM.IJIEN.
alleen op B en de later aangebrachte verbetering van G berust; in vs. 109 zou ook xpirl in pl. van siet passen); 302 en 312; III, 105 en 109; 2()7 en 271 : 4ö() en 4UC; Verk. M. 68 en 77 (vgl. de aant.). Het twijfelachtige geval in Fr. 2 en 5 (zie de aant.) behoeft niet te worden mede-gerekend, daar dit gedicht verder een dergelijk rijm niet heeft; hetzelfde geldt van OI1W 25 en 27 (z. de aant.), waar verder slechts goedertierc (vs. 2); alretiere (vs. 4).
Er blijven nu nog de volgende: ,1/. I, 14 en 18 yhedughen dit: nu dat no dit, dus eens dit zonder, eens met nadruk in eene vaste formule; I, 68 en 77 ere. Ere (in den laatsten regel als persoonsnaam gebruikt);
I, 430 en 43!) men vint: mer... vitit; in ieder der beide verzen kon evengoed hsereven kint staan {bestreven kint = hesereven siet, waarnaast men ook bescreven hoort vindt, Rijmb. 138; e. e.), zoodat men zich verwondert dat .¥. hier geen afwisselend rijm heeft aangebracht. Een soortgelijk geval vinden wij 1, 924 en 927, waar wij evenwel volgens de meerderheid der hss. eenmaal kint in den tekst opnemen. 1. 488 en 492 ghetrect, deelw. en tred, 3de pers.; het verschil in werkwoordsvorm kan hier wel als verdediging worden aangevoerd; wellicht werd ook in do uitdr. »onder die edele sijn ghetrectquot; do eigenlijke beteekenis minder duidelijk gevoeld. I, 536 en 542 riset: gheriset, dus simplex en compositum, maar zonder verschil in beteekenis. 684 en 687 var di Ijt: voren lijf, maar ongetwijfeld niet oorspronkelijk, waarover zie de aanteekening.
II, 131 en 137 sonde r g het al: sonder ghetal; 250 en 256 ic volghes minen eersten waarde en lieg I tie van eenen waarde-, de gissing van Verwijs van eenen oorde komt ons niet waarschijnlijk voor; III, 199 en 206 vint.... bescreven: dus eist bescreven- Verwijs stelt voor in den tweeden regel te lezen ghesereven: doch waarschijnlijker is heseven: vgl. Oversee 123 en Mul. Wdb. op beseffen, 5). Ill, 367 en 376 sijn vleesrh ende syn hloet: dijn v. e. dijn bloet, waarschijnlijk met opzet woordelijk herhaald. Verk. Mart. 70 en 79 daer: daer; op de eerste plaats zou voor den zin zeer goed passen daer (bijw.), waarvoor heel licht verkeerdelijk daer kan gelezen zijn; vermelding verdient nog, dat in den eersten Mar-tijn eveneens daer voorkomt in de aan deze strophe beantwoordende, aan welker rijmwoorden de dichter zich in den Verk. Mart. bij voorkeur houdt. Disp. 44 en 50 onbesmet: onbesmet; ook behalve om het rijm levert de plaats moeilijkheden op, vgl. de aant.: daar wordt ook de mogelijkheid overwogen, dat het rijm niet oorspronkelijk zou zijn. Disp. 107 en 117 tlanghe leven: tlanghe leven-, in de aant. is eene gissing van Verwijs onaannemelijk verklaard, en wat de tekstoverlevering betreft kan de lezing niet worden betwijfeld. Clans. 417 en 426 out van seven jaren: te haren vijftiene jaren, vgl. de aant.; de opmerking is niet onge-past, dat deze strophe uit een stilistisch oogpunt bijzonder gebrekkig is. ïwee voor het overige geheel onverdachte gevallen levert KCl. op, nl. 35, 37 In ... sach: noit man en sach en 41, 44 traken ... varen: leven
XL
DE KIJMEN.
voren. Vgl. nog 171 en 180 rvas rjheëert: so dat n nl die iverell rni en '22(i en 232 alinde: ellinde, die wel door liet taalgevoel als twee verschillende woorden zijn opgevat.
Van deze 1G gevallen zijn er eenige op den eenen of anderen grond te verdedigen, en moeten enkele met eenige waarschijnlijkheid gestold worden op rekening dor gebrekkige traditie. In elk geval blijven er dan toch nog ongeveer 8, waarbij hetzelfde niet kan worden aangevoerd. Ook daaronder kunnen wellicht enkele, vooral in die gedichten welke maar in één hs. zijn bewaard, onoorspronkelijk zijn, ook al is er overigens geen reden om de lezing te wantrouwen i). Doch in het algemeen kunnen wij met het oog op do tekstoverlevering, waarin een aantal van dergelijke geheel onverdachte rijmen voorkomt, niet beweren, dat ook in deze strophische gedichten als strenge grondregel zou hebben gegolden, de herhaling van hetzelfde woord in het rijm tot eiken prijs te vermijden. Op de genoemde plaatsen uit KCl. b.v. kan tegen de beide genoemde plaatsen geen twijfel worden gekoesterd, on dit des te minder daar de dichter oud was en aan het gedicht waarschijnlijk de laatste hand niet is gelegd. Maar daarom mag men niet zoo ver gaan, dat men eik zoodanig rijm in de hss. voor oorspronkelijk aanziet, maar moet men, met de noodige behoedzaamheid, ze bij de tekstcritiek doen medetellen onder de punten van beoordeeling eener slechte tekstoverlevering. Gelijk ook in andere opzichten veroorlooft M. zich hier en daar afwijkingen van de gewoonlijk in acht genomen strengere regels: indien de zaak anders ware gelegen, dan zouden wij deze rijmen meer aantreffen. Een betrouwbaar uitgangspunt geeft de verbinding van simplex en compositum aan tic hand of van verschillende composita met nauw verwante be teekenissen. Van deze komen er 27 voor, en daarnaast 30 gevallen, waarin hetzelfde suffix rijmt in verschillende woorden, b.v. âlike of ghelike: âlike; âhr.dr, âtiere, ânië 1). Hierbij vergeleken is het getal der minder goede silberijmen toch veel geringer cn dat zal ongetwijfeld niet toevallig zijn.
XLI
1
Hierbij zijn niet meegerekend gevallen als verslaen: staen; outline, vine; mesbaerde: openbaerde, die wij tot de bovengenoemde le klasse brengen; doch wél (klasse 2) gedaen : onderdoen; doen: ondoen; verdoel: ondoet; doene : ver-doene; slael: bestaet; gaen: vergaen; toehoorde: hoorde: geivinnen: verwinnen; verladen: geladen; jaghen: bejaghen; hinde: hekinde; inne: in inne; overwaer: waer; bewaert: onbeivaerl; teren: tonneren; vrede: onvrede; ma te: ommate: nemmere: enimermere; eont: oncont; verdoren: doren (znw.); goede (bnw.): goede (zelfst.nw.).
DE IÃ1.1MEN.
b) Rijmen waarin eene overcomplete n is.
Gewoonlijk neemt men voor de ranl. dichtkunst aan, dat in het rijm op de slot-M van onbeklemtoonde lettergrepen niet behoeft te worden gelet en dat men b.v. zonder aarzelen ie hore : te vuren: metten heren, : acre op elkander heeft laten rijmen. Doch zoo algemeen als hij hier is gesteld , kan men den regel toch niet laten gelden. Maerlant b.v. hoeft deze rijmen zooveel mogelijk vermeden, en als zij bij hem worden gevonden, komen zij veelal ten laste van de onachtzaamheid der afschrijvers of van het eene of andere gebrek in de tekstoverlevering; doch wol zal men moeten aannemen, dat M. ook in dit opzicht gelijk in andere dergelijke gevallen nu en dan eene uitzondering op den door hem erkenden regel heeft toegelaten. In elk geval moeten zulke rijmen worden beschouwd als eene afwijking van de nauwkeurige uitspraak en van de goede rijmkunst en daarom veroischt ook deze kwestie, of zij in deze kunstige strophen werden toegelaten of niet, een nauwkeurig onderzoek.
XL11
Mart. II, 55 hebben niet alleen de hss. /gt;' on D, maar ook F en .1 minnen (de laatste, in strijd met Kausler's en Verwijs' opgave, minne), en daar deze vorm als plur. of als zwakke declinatie volkomen gerechtvaardigd is, behoeven wij hierover verder niet te spreken, evenmin als over II, 245, als wij daar volgens BDG eoninghinne in den tekst hebben gebracht. III, 330 heeft alleen de schoolmeesterachtige afschrijver van F het enkv. zijde, voor de rechtvaardiging van het mv. verwijzen wij naar de aant. op III, 377. Disp. 64 vlg. zou men kunnen denken dat in beide hss. saken: spraken gekomen is in plaats van het oorspronkelijke sake: sprake- doch daar in elk geval in alrehande spraken (mv.) natuurlijker is dan sprake, en onghehoorde saken uit een logisch oogpunt ook als een enkelvoudig begrip (= iets omjehoords) kan worden beschouwd , zoo Iaat zich de constructie dit dinet mi wesen onghehoorde saken zeer goed verdedigen: in het Mnl. staat herhaaldelijk bij een meervoudig subject het ww. in het enkv.; vgl. Jonckbloet, Mnl. ep. versbouw 121 vlg.; Stoett, Synt. § 443 !) Als hier een fout moet worden aangenomen, wat naar onze meening niet noodig is, dan zou die nog eer in dinet (dinckt of dincke, 1. dinckë) moeten worden gezocht dan in sake. Ook 220 gebruikt de dichter een slechts enkele malen in het rijm voorkomenden plur. monden in plaats van den dat. sing, monde (vgl. het
!) Hier mogen nos een aantal voorbeelden voor dezen syntac.tisdion regel worden bijgebracht: Seyh. 10110 (subj. saken); Sp. l;i, 55, 10 (subj. dinghe); l4, H, 15; l7, 60, 48; 02, 11; I», 77, 59: IV3, 11, 66; IP, 30, 17; II', 10, 07; III7, 5, 15; 50, 70; Alex, 11, 1080 (vgl. de aant.); IV, 527 (vgl. de aant.); Troijen (uitg. Verdam) 10830; Sat. BI. I, 8; 11, 2504; IV, 204; Rijmb. 0400; 12080 ; 23014; Lsp. I. 20, 55; 'Veest. 038 (praed. duncl); Doet. II, 126; Wal. 10077; ./,. v. ./. bl. 214; Brab. VI. 4264 ; 0443; VII, 4735; Glor. 387; Lansl. 332.
DE RIJMEN.
gloss, op mont). Deze vorm laat zich behalve uit de analogie van met ogen sien, met oren horen, met handen tasten e. a. ook eenigermate verklaren uit liet feit dat en ireet wie een pronominaal begrip is, te vergelijken met side, waarbij meermalen ook hot \vw. in het mv. staat; vgl. Stoett, Synt. § 441. In de eerste strophe van OHW kunnen de vier rijmen alle of op -iere of op -ieren uitgegaan zijn; en er bestaat geen reden om juist die hss. te volgen die daarin afwisseling hebben aangebracht. Verder zou in vs. 23 bij de lezing van CU, die misschien de oorspronkelijke is, gemakkelijk aan waren kunnen worden gedacht, doch de beide hss. schrijven het hier vreemde ware, hetgeen men wel met een beroep op de aanr. bij Or. 19 kan rechtvaardigen. Claus. 344 is het sing, sonde zoo natuurlijk, dat men wel geen bezwaar hebben zal tegen de geringe verandering. Eenigszins anders staat het met de volgende strophe. Wel staat aan de verandering van hner ghegaren saten in luier ghegare .sate niets in den weg (liet enkv. kan zelfs gewoner genoemd worden dan het mv.), en ter caritate is voor Maerlant minstens even goed als ter caritaten, doch in de hier noodige beteekenis »naar behoo-ren, de juiste maat hebbendequot; geeft het Mnl. Wdb. slechts voorbeelden van te maten, niet van te mate. Weliswaar is overeenkomstig mnd. to mate en mhd. xe maze een mnl. te nutte te verwachten, maar gesteld al dat dit voorkomt, te maten is toch in elk geval de gewone vorm i), en wij kunnen dus wellicht de opmerking niet ontgaan, dat onze kritiek hier op een zwakken grondslag rust. Toch houden wij ons tengevolge der uitkomst van ons onderzoek voor gerechtigd, twijfel te koesteren aan do juistheid der overlevering. Boven alle bedenking verheven schijnt ons daarentegen in Oversee, strophe 4 de rijmverbinding riande : tanden : panden : anden. 'Zoo is het ook de vraag of aid. in vs. 117 seden in het rijm met lede enz., argwaan behoeft te wekken, hoewel ook het metrum in dien regel niet in orde is. Als de dichter zich hier veroorlooft wat hij elders tracht te vermijden, zoo kan dit als niets anders beschouwd worden dan als eene inconsequentie, die hier nog bovendien uit verminderde zorgvuldigheid tengevolge van den hoogen leeftijd kan worden verklaard. Men zal er in geen geval aan twijfelen, dat M. ook in de moeilijke gedichten zooveel mogelijk er naar heeft gestreefd, de onnauwkeurigheid in het rijmen van woorden O]) 9 en on te vermijden.
VI. DE MAKER DER STROPHISCHE GEDICHTEN.
XLI1I
Dat Jacob, de persoon die in de drie eerste gedichten de samenspraak houdt met Martijn, Jacob van Maerlant is, staat vast. In hot ontwerp
') Tc male heeft ook ile bet. matig, in niet zeer f/roote male ontwikkeld, welke eenigermate eene tegenstelling vormt niet ile boven genoemde: in die opvatting heeft de uitdr. ook den vorm te mate. Wellicht is hierin de reden te zoeken, dat het in de andere opvatting niet in dezen vorm schijnt voor te komen.
DE MAKKK DKR STRdl'IllSCIIE GEDICHTEN.
eener Inleiding voor zijne vStrophische Gedichtenquot; meent Verwijs dan ook te recht, dat een betoog op innerlijke gronden berustende (zie Jonck-bloet, Geselt, d. Mnl. Dichtk. II, 112 vlgg.; Verwijs, Wap. Marl., Inl. bi. VâXII), of Maerlant de dichter is der Martijns, thans wel onnoodig is geworden.quot; Ieder, die ook maar oene iets meer dan oppervlakkige kennis heeft van de Mnl. letterkunde, zal de overeenkomst van deze gedichten opmerken met de andere werken van Maerlant in taal, stijl en gedachten, en wat in dit opzicht door Verwijs, Jonckbloet, Te Winkel e. a. is gezegd, waaraan ook onze aanteekeningen en glossarium nog het een en ander toevoegen i), mag als afdoende worden beschouwd. Maar ook do uitwendige getuigenissen, vooral die welke ons opgeteckond zijn door zijne vertalers, leerlingen en navolgers, en die doorVerwijs, Wap. Marl. t. a. p. en Slroph. Gei/. IXâXIII zijn bijeengebracht, behoeven thans niet weder te worden herhaald. Zij verklaren uitdrukkelijk, dat M.Iacop van Maerlantquot; deze gedichten heeft gemaakt en toonen dat zijn daardoor verworven roem nog lang bij zijne landgenooten bleef voortleven.
Dispiitade: Clausule, Oversee rn Kerk. Clayhe zijn, zoo wat den geest als wat den vorm betreft geheel in den trant van onzen dichter (Verwijs, Slroph. Ged. XIII; Jonckbl. Mul. Dichtk. II, 147 vlgg.), zoodat ook daarvan het geestelijk vaderschap van Maerlant niet wordt betwijfeld. De Ih's/j. bevindt zich in hs. A achter de Martijns, in C tusschen een stuk uit den Sp. hisl. en Vijf Vrouden, en te midden van andere gedichten van Maerlant; ook Claus, staat in datzelfde hs., en Or er see komt na den Eersten Marlijn. KClaghe is eveneens te zamen met de Martijns in één hs., nl. G, bewaard, en het hs. zegt in het opschrift uitdrukkelijk gt;gt;Dit dichte oec Jacob van Marlant.quot; In Claus, en Orersee noemt in de laatste strophe de dichter zich Jacob, waarmede Maerlant zich zelf meermalen aanduidt -). Voor zijn vaderschap mag men ook den strophen-vorm aanvoeren, eene variatie van de strophe dor Martijns 3); zie het volgende hoofdstuk.
Ee.nige bedenkingen, die men aan de taal kan ontleenen, mogen wij niet onbesproken laten. In de eerste plaats de rijmverbinding der klanken ö en oe (ndl. or) in drie strophen van Orersee: str. 7 sone (geschreven socne, »füiusquot;) 'en ver motie (geschr. vermoene) met doene, coene enz.; str. 10 vennone (geschr. vermoene) met baroene, doene enz.; str. 17
') Vgl. nog M. I, en Franc. Hi; KCI. 40 en Rijmb. 25485, en zie beneden in het hoofdstuk over den tijd waarin de Stiopli. Ged. zijn ontstaan over M. I en Tvoijen en Alexander.
'-) Zie Jonckbloet, Ndl. Lelt. II, 77 vlgg.
;l) Aan do door Verwijs, Wap. Mart. hl. X aant. medegedeelde plaatsen uit de Martijns, welke met die uit de andere strophische gedichten te vergelijken zijn, voegen wij de volgende toe; M. I, 35G en Ov. '2'!8; .1/. 1, OOS vlgg. en KCI. (5(3 vlgg.; M. I, 7'2(j en Disp. 476 (vgl. de aant. op Alex. VI. 1232); .1/. Ill, lC(i en KCI. 41. Vgl. ook Disp. 209 vlg. en Ov. 4; Disp. 300 en KCI. 84; 158; Disp. 411 vlg. en Ov. 51; Ov. 220 en KCI. 212; Mart. 1, 047 en Verk. Mart. 11.
xuv
DK ItAKEK OER STKOrHISCHE GKDICHTEN.
onyhcicone (gesolir. onghewocne) met noenr, coenc enz. Vermoeae is conj. praes. van vermonen (Franck op Flandrijs bl. 151; Van Heiten, Mul. Spraakk. bl. 57), dat in vorm overeenkomt met ags. mynian, »van plan zijn, strevenquot;, on in beteekenis met ohd. (In)niunirj6n, (bi)miiiiiiin; mlid. müne'jfn, müngen; ags. iniinegiaii, »aanmanen, bezweren, dringend aansporen.quot; Wij hebben in deze rijmen de verbinding van ue (ndl. oe) met eene o uit een vroegere ii (ook bij ijom'ï); of ook de umlaut (ö, ndl. e») bij deze kwestie in aanmerking komt, is niet met zekerheid uit te maken. Het rijm van oe met deze o schijnt in een aantal teksten geoorloofd te zijn i). Doch in de andere stroph. ged. komt het niet voor, en ook in de andere werken van M. is het zeer zeldzaam. Bij de Inl. op Alex, besproken vijf gevallen hebben wij nog slechts Troyen 37562 soene »tiliusquot; : coenc te voegen. Op vier van deze plaatsen is echter een der beide rijmwoorden een vreemde eigennaam, en de beide andere, waarvan nog ééne onzeker is, staan in zeer slecht overgeleverde teksten.
Bij deze eigenaardigheid in het rijm komen ook andere de taal betreffende, zoowel in Oversee als in KClaghe. In hot eerste merken wij op het veelvuldige gebruik van den conjunctief in bijzinnen (zie de aant. op vs. 19); den vreemden vorm re te (vs. 39), waarin de klankwijziging niet is te verklaren; de nominatiefvormen dienste (vs. 46) en anxte (vs. 134); de vreemde uitdrukking ene redene bont (vs. 241); de elders niet voorkomende ww. inghieten, intr. (vs. 03), gheicepen (vs. 6S) en masseren (vs. 242); ook is het bovengenoemde vermonen verder uit Maerlant niet opgeteekend en komt bladen behalve hier (vs. 159) slechts voor in den Vierden Mar tijn en KGl. 36.
XLV
In KClaghe treft ons het tweemaal herhaalde gebruik van een naar analogie van raden of hu ten sterk deelw. versmaden (vs. 30 en 131),
!) 01' dit altijd, dan wel alleen voor bepaalde consonanten geschiedt, moet nog worden onderzocht. Vgl. Franck over Mul. iï in /s. /'. d. Alt. 24, '2quot;) vlgg. en 355 vlgg.; Inl. op Alex. l.XX vlgg.; Mul. Gramm. § '20 vlgg., en vooral het materiaal, bijeengebracht door Van Heiten, Mnl. SpranhU. § 5(gt; en § 'Mh. Uit den Ls/i. zijn de volgende oe : o rijmen opgeteekend: gewone : te doene (I, 43 , 53); orisoene ; (/tieiroene (11. '17, 73); r/hewoene : te doene (II, 41, If); lil, 3, 007); doen (ww.): daddoen (III, 1, 53); weldoen : wederloen (lil, '2. 101). De beide lnatste zijn wellicht te verklaren door overbrenging uit ie doe, dat op so en vro rijmt. In den Lanceloot komen minstens 40 gevallen voor, waarin o ~ ö zijn kan, vooral met een der rijmwoorden sone, (jone en ghewone, terwijl rijmen van oe : o uit o zelden gevonden worden. In L. o. II. komt het rijm none : te doene of noene 7 maal voor, eenmaal gewone : te doene en eens Jode : moede (bnw.); geen ander. Dat kau natuurlijk niet alles toevallig zijn Wij rneenen hier nog eens de waarschuwing (lui. op Alex. bl. I.XXI1I) te moeten herhalen, dat men uit deze feiten niet den algemeeueu regel moet alleiden, dat het onzuivere rijm o : oe geoorloofd was. Zoo komt men uiet tot eene nauwkeurige kennis van de oudere taal, en berooft men zich van een niet te versmaden hulpmiddel voor de bepaling van herkomst eu ouderdom der teksten. Wij zijn in dezen nog lang niet waar wij wezen moeten.
DE MAKER DER STROPItlSCHK GÃDICHTElf.
hetgeen elders slechts gevonden wordt bij Boendale (Brah. Y. V, 4947). Op de eerste plaats is weliswaar nog eene andere zwarigheid (zie de aant.), waarom de reeds Anzeiger 8, 160 uitgesproken twijfel aangaande de juistheid der lezing ook nu niet geheel kan worden onderdrukt, doch ten opzichte der tweede kan een dergelijk bezwaar niet worden gemaakt, en de mogelijkheid van dezen vorm moet dus voor dit gedicht worden toegegeven. Andere woorden, vormen en uitdrukkingen, die elders niet bij Maerlant of in het geheel niet voorkomen, zijn behalve versmaden en bladen (zie boven), tonen (vs. 95; zie Inl. op Alex. bl. LXXXVIll); de uitdrukkingen ewe.s- fijn mal,-en (vs. 78) en gesel sijn op in de bet. gekant -.ijn tegen (vs. 136), de geapocopeerde vormen logenaar en maertelaer (vs. 108 en 112), welke moeilijk in -are kunnen worden veranderd, dewijl men dan een voor Maerlant niet wakrschijnlijken vorm dare (vs. 105) zou moeten aannemen l); de vorm alinde (vs. 220), welke evenals anden (Orersee 52) vooral bij Brabantsche schrijvers schijnt voor te komen; hiermel (vs. 228; zie Inl. op Alex. bl. LXXXV); ook het gebruik van ic voor men is ais eene eigenaardigheid aan te merken.
Voor een deel kunnen deze bijzonderheden wel gesteld worden op rekening van een Brabantschen of Antwerpschen afschrijver, wiens hand men in vormen als sueken (KCI. 111, 196) en kneden (ATV. 181) kan herkennen. Verder kan inon ter verdediging aanvoeren, dat M. ook elders hajjax legornena gebruikt en ook in zijne overige werken nu en dan nieuwe en ongewone vormen in zijne taal heeft opgenomen. Ook is ongetwijfeld gedurende zijne langdurige werkzaamheid zijn taalgebruik aan allerlei wisselingen onderhevig geweest, en is M. zelf waarschijnlijk geen man geweest met zulke vaste beginselen in vormkwesties, dat op zijn spraakgebruik een eigenaardige stempel werd gedrukt, en het onder allo omstandigheden onmiddellijk zou kunnen worden herkend. Doch behalve allerlei opmerkingen over de taal zullen wij ook afwijkingen in strophen-bouw, rhythmiek en de rijmen hebben te constateeren, en de afwijkingen in liet taalgebruik zijn hier zoo menigvuldig, dat zij niet geheel zonder beteekenis zijn of alleen aan het toeval zouden kunnen worden toegeschreven. Er moeten voor de beide gedichten bijzondere omstandigheden worden aangenomen, waaronder zij zijn gemaakt. Bevond Maerlant zich wellicht in eene omgeving, welke een ander dialect gebruikte dan het hem gewone, of stond hij onder bijzondere letterkundige invloeden, toen hij ze dichtte? Hoe dit zij, de gedichten aan M. op grond der bovengenoemde beschouwingen te ontzeggen, daarvan kan geen sprake zijn. Tegenover de feiten, die vóór Maerlant spreken-), kunnen de bezwaren
!) Tenzij men, hetgeen niet geheel onmogelijk is, clare ais bijwoord zou willen opvatten.
2) Om strikt eerlijk te zijn, zon men kunnen toegeven ilat ile woorden «dit is Jacobs vontquot; (Oo. 235) niet een onwedeiiegbaar bewijs behoeven te bevatten van
xr-vi
DE MAKER DKR STRnPItlSnlF. OEDICHTEK'.
niet als overwegend worden beschouwd. En vooral deze overweging moet hier den doorslag geven, dat het niet is aan te nemen dat, indien er naast Maerlant een dichter had bestaan, niet hem te vergelijken en in staat om gedichten te scheppen zoo hoog staande in verhevene gedachten en gloed der overtuiging, zelfs de naam van dezen dichter ons niet zou zijn bewaard, terwijl het beeld van Maerlant ons zoo duidelijk door de geschiedenis wordt geteekend.
Wat de beide hymnen Vijf Vrouden en O. H. Wonden betreft, tegen Maerlants auteurschap is herhaaldelijk een meer of minder sterk uitgesproken twijfel geopperd; ::ie Verwijs, Stroph. Ged. hl. XIV vlg.; Jonckbl., Gesch. II, 143 noot; Franck in Anz. 8, 126 vlg.; Vei-dam in Tifdschr. 14, 101 vlg. Doch als afdoende kunnen in geen geval de ingebrachte bezwaren worden beschouwd. Als in den J'tjiiihjhpl, waar Maerlant, onafhankelijk van Petrus Comestor, feiten en gebeurtenissen uit het O. Test. verklaart als op andere uit het N. Test. doelende, de toepassing van de vier paradijsrivieren op de wonden in Christus' handen en voeten, gelijk die in OHW gevonden wordt, ontbreekt, zoo is daartegen op te merken, dat Maerlant de bron, waaruit de vier paradijsrivieren ontspringen, op Maria betrekkelijk maakt, waarmede de in OHW gegeven voorstolling zich minder goed laat vereenigen. Ook Glans, en Rijmb. komen in dit opzicht niet overeen, want in Glans, wordt het paradijs zelf op Maria toegepast, en de bron op Jezus. Dergelijke vergelijkingen en allegorieën waren in een zoo groot aantal en verscheidenheid in omloop, dat het niet kan verwonderen, als een dichter zich afwijkingen veroorlooft in voorstellingen, die niet tot de kerkelijke dogma's behoorden. In de taalvormen der beide hymnen kunnen wij niets ontdekken, dat Maerlant's aanspraken zou verzwakken. Doch aan den anderen kant mag de omstandigheid, dat wij hier te doen hebben met strophische gedichten , die in dezelfde hss. staan, waarin ook andere dergelijke gedichten van Maerlant zijn opgenomen, evenmin als een afdoend bewijs worden beschouwd. F. Vrouden staat tusschen Disp. en Verk. Mart., OHW tus-schen het laatste en een zeker niet van Maerlant afkomstig gedicht »Van den seven Ghetidenquot;. Het hs. bevat ook verscheidene andere gedichten van andere makers. Doch wij moeten de vooralsnog onbesliste kwestie nog eens ter sprake brengen, als wij in de volgende hoofdstukken den strophenvorm, den stijl en Maerlants verhouding tot zijne bronnen bespreken.
ÃXVII
Vooraf ga hier alvast de opmerking, dat ten opzichte van vorm on stijl de onder den titel »Van den Verkeerden Martinequot; bekende verzen geheel en al met de algemeen erkende gedichten van Maerlant overeen-
M.'s auteurschap, maar ook zouden kunnen beteekenen; «dit is een gcilidit, waarin op de wijze van Jacob onbewimpeld de waarheid wordt gezegd, een moivel »kim-mijnquot; voor de grooten, gelijk .1. beeft gevonden of gedicht.quot;
DK MAKER TIER STROPHISf'HE r.EDICirTE^.
XL VIII
komen en wel zoo sterk, als men dit ook bij de meest slaafsche navolging door een ander niet zou verwachten, üe maker volgt zooveel mogelijk met behoud van dezelfde rijmen en woorden den aanvang van Marl. I, op eene enkele plaats ook met eene reminiscens uit een later gedeelte van den Eersten Martijn, nl. vs. 11 (= .1/. I, (gt;47). gt;Het spreken van de waarheid heeft aan de dichters .lacob en Martijn ook niet het geringste voordeel aangebracht; alleen met liegen en bedriegen komt men verderquot;. Daarover zijn J. en M. het eens, dat zij het nu ook eens met deze zooveel voordeeliger kunst zullen beproeven. En nu wordt van het standpunt der woordverdraaiende vleiers eene vermakelijke poging gedaan, om het tegendeel te bewijzen van hetgeen in de eerste strophen van Mart. I is gezegd. Leendertz zegt Tijdsei/r. 14, 274: »het waarschijnlijkst dunkt mij, dat de maker nooit meer dan deze 8 strophen heeft willen parodieeren: alleen op deze wijze begrijp ik, waarom hij in vs. 29 prologe gezet heeft op de plaats van Maerlant's dyalogequot;. Deze beschouwing is zeer aannemelijk, en waarschijnlijk zal dus onze opmerking overprologJie onder aan den tekst moeten worden gewijzigd.
De dichter staat hier geheel op hetzelfde zedelijke standpunt als Maerlant, aan dezelfde ethische beschouwingen, die de laatste met heiligen ijver verdedigt, geeft hij uitdrukking met bitter sarcasme. Als nu de maker van deze verzen Maerlant kenschetst als »een snodel ries, die cume tusschenkent swart ende witquot; (vs. 17 vlg., 9ó vlg.), dan is toch wel de vraag gewettigd, of zich een ander, zelfs in scherts, eene dergelijke uitdrukking zou veroorloofd hebben aangaande iemand, die in de kringen der gelijkgezinden het hoogste aanzien genoot. Daaruit volgt dan dat men deze verzen alleen kan toekennen aan Maerlant, aan wien ook de stijl en de versbouw ons noodzaken te denken i). Deze onderstelling
1) Verwijs, Wnp. M. bl. XXVII wijst er te recht op, dat liet gedicht aan Jacobs vriend Martijn wordt in den mond gelegd, doch in het vermoeden dat deze Martijn in werkelijkheid de dichter zon wezen, kunnen wij hem niet volgen: wij zien hierin slechts eene fictie. Omtrent den persoon van den te Utrecht wonenden vriend hebben wij niets kunnen opsporen, en weten niet of Verwijs, die in zijne Inleiding een hoofdstuk zou gewijd hebben aan «de persoon van Martijn en zijne betrekking tot het Sticht ', bonwstollen tot zijne beschikking had die ons onbekend zijn gebleven. Wij kunnen het vermoeden uitspreken doch niet met zekerheid zeggen, dat de nadere kennis der belde mannen kan samenhangen met M.'s verblijf te Utrecht, dat vermoedelijk valt tusschen ISTO en 1275 (Te Winkel, Gesch. bl. 340). Voor de volledigheid verwijzen wij nog naar Serrnre, Vad. Mus. 2, 120â131 en doen nog opmerken, «lal ghemeen (vs. 30) eigenlijk een met M/s spraakgebruik strijdende vorm is; ook tus.se/ienkennen, in vs. 18 ex conjectura in den tekst gebracht en «ie aitdr. tusschen hveen (vs. 70) in de hier vereischte bet. (zie het Gloss.) komen elders bij M. niet voor. â Men heeft meermalen in M. II, li vlgg. het bewijs willen zien dat de daar besproken scheiding niet lang te voren zon hebben plaats gehad, en dat «lus in den tijd der vervaardiging van M. I «Ie beide vrienden nog op dezelfde plaats woonden. Doch daarvan staat eigenlijk niets te lezen. Oever-
DE MAKER DER STROPHISCHE GEDICHTEN.
voor zedelijk onmogelijk verklaren (zie Te Winkel, Gesch. 328 noot 2) kan men, naar liet ons voorkomt, wel alleen dan, als men, tengevolge van de kenschetsing van het gedicht als eene parodie, zich niet volkomen duidelijk voorstelt wat eigenlijk de inhoud is. Yan hoe menig voortbrengsel der satirische literatuur van den ouden en nieuwen tijd zou men dan het auteurschap aan de makers moeten ontzeggen. Het schijnt ons daarom geraden, de slechts verwarring stichtende benaming »parodiequot; te vermijden voor den Verkeerden Marlijn, die bitter ernstig gemeend is, en naar ons oordeel zonder twijfel Maerlant tot dichter heeft.
VU. DE BOUW DER STROPJtEX i).
Als wij de beide hymnen Vijf Vrouden en O. II. Wonden uitzonderen, komen al de strophische gedichten, op enkele afwijkingen na, die beneden nog nader moeten worden besproken, in bouw met elkander overeen, en wel in het rijmschema aah j aab / aab / aahb. Deze vorm is afkomstig uit de mlat. rhythmische poëzie, of uit de romaansche, waar strophen van deze soort in groeten getale voorhanden zijn. Zij zijn wel niet, gelijk men vroeger aannam, ontstaan door de ontwikkeling van een referein of stokregel, welke met het è-rijm zich telkens aan een rijmpaar aa aansloot, maar zóó, dat bij de twee lange regels (b.v. 8 â w / 7 - â //8 â ^ Æ
melding van hunne verschillende woonplaats dient wellicht alleen om de volgende gedachte meer te doen uitkomen. Ook is het mogelijk dat Martijn het verwijt dat hij zich niet meer in gedichten uit, ontzenuwen wil door de herinnering aan de moeilijkheid van geestelijk verkeer, gelegen in den grooten afstand die hen scheidt. Nog minder kan hetgeen men uit de genoemde plaats lezen wil er in liggen, als men zich met onze gissing meer in vs. 17 vereenigt. Doch in geen geval kan men uit de plaats besluiten, dat M. vóór die scheiding in Maerlant zou gewoond en daar den Martijn gedicht hebben. â De geheele in M. 11 geschilderde toestand is overigens ook slechts eene fictie. immers in weerwil van den vermeenden afstand voeren zij hun gesprek. Ook Jacobs klacht dat zijn vriend slechts oogen heeft voor «weelde ende ghewinquot; zouden wij niet gaarne met Verwijs zoo letterlijk opvatten, dat wij daaruit afleidden dat het misschien handelsbelangen geweest zijn die de reden waren van Martijn's vertrek naar Utrecht. Wij zouden ons integendeel volstrekt niet verwonderen, als er te eeniger tijd eene Latijnsche samenspraak werd gevonden, waarin op dezelfde wijze als in de Martijns twee vrienden op verschillende woonplaatsen met elkaar een gesprek hielden, en hieruit zou blijken, dat de geheele persoon van Martijn een gewrocht is van M.'s dichterlijke verbeelding.
!) Vgl. Ferd. Wolf, Ueber Lain, Sequenzen u. Leiche bl. Iâis en 214 nooc55; Willi. Meyer, Der Ludus de Anlichristo, und Bemerkungen nber die lal. lihythmen des XII Jlt.s. in Sitzungsber. der k. bayer. Acad. d. W., Philos.-Philol. Classe, 1882, l bl. 41 vlgg.: Schipper, Engl. Melrik 1, 309 vlgg.; Grundr. d. Hom. Phil. 11, 1 passim; Grundriss der Germ. Phil. II, 1, bl. OÃO vlgg.; Naetebus, Die nichtly-rischen slrophenformen des Altfranzösischen; Maus, Peire Cardencds Strophenbau in «Ausgabcn u. Abhandlungenquot; van Stengel, dl. V.
*
XlJX
DE BOUW PER STROPHEX.
7 ^ â i), die oorspronkelijk alleen aan liet einde van den langen regel rijmden, het gedeelte 8 â ^ werd herhaald, en eveneens rijm ontving.
Zoo ontstond de vorm-a /-a /--h //----c /------c /-h 2),
welke in het Latijn en op het voorbeeld daarvan ook in het Romaanseh on het Engelsch op allerlei verschillende wijzen verder werd ontwikkeld. Hoe talrijk en veelsoortig deze vormen ook zijn, de bij Maerlant gebruikelijke strophe vinden wij tot onze verwondering nergens terug. Eene ISrege-lige strophe met, naar het schijnt, soortgelijk rijmschema als bij Maerlant, vermeldt Wolf eerst uit de latere Italiaansche en Duitsche poëzie (bl. 38 en noot ÃS), maar noch in de Latijnsche noch in de Fransche of Engelsche literatuur schijnt zij voor te komen. Kenschetsend voor onze strophe is, behalve de herhaling van het rijm aa (in plaats van aa, cc, dd) en het vaststaande getal van vier strophenafdeelingen (disticha), vooral de volmaakte gelijkheid dier vier deelen met betrekking tot de volgorde der rijmen en den bouw der verzen, en de verdubbeling van het è-rijm aan het eind, die wij met vollen stemval of staartregel aanduiden. Ontwikkeling van het oorspronkelijke rijmschema aab, cch tot aah, aab vinden wij ook in het Latijn e. e., maar in den regel is daarmede eene veel grooterc vrijheid van beweging verbonden, zoo b.v. de omkeering der volgorde in den vorm aahhaa. Ook vindon wij elders wel 12regelige, of ook ISrege-lige strophen, maar nergens met de gezamenlijke kenmerken van die van Maerlant. Vooral hot karakteristiekste in de mnl. poëzie, de slotregel met herhaald i-rijm, zoekt men elders te vergeefs. Ook bij soortgelijke strophen met minder dan vier afdeelingcn, b.v. in die van 7 of 10 regels is die verdubbeling van den slotregel elders bijna niet aan te wijzen. En toch moet zij stellig als gevolg eener organische ontwikkeling worden beschouwd. De strophe der lat. rhythmische poëzie heeft zich oorspronkelijk wel onder den invloed der melodie ontwikkeld. Doch toen de strophen niet meer in de eerste plaats bestemd waren om te worden gezongen, maar slechts werden gelezen, en dus de zang niet meer in staat was aan het slot der strophe eene bijzondere uitdrukking te geven, moest de behoefte gevoeld worden om uit het vers zelf een volleren stemval te ontwikkelen, vooral om de eentonigheid der vier geheel gelijkvormige afdeelingen te verminderen. Do slotregel kan daarom te gelijk met de gelijkmaking der rijmen zijn opgekomen, m. a. w. uit eene strophe aah, ... enz. kan onmiddellijk en rechtstreeks eene strophe aab... aahh zijn ontstaan. Als wij nu deze eigenaardige kenmerken elders niet, en in het Ndl. als regel aantreffen, dan is het niet te gewaagd, deze volmaking der strophe als een verdienste der Nederlandsche poëzie
1) Het arabische cijfer geeft het aantal lettergrepen aan: âbeteekent slepend , ^ â staand slot; / duidt de caesuur aan in liet midden van den langen regel (einde van het halfvers); // het einde van den langen regel.
2) - beteekent hier liet halfvers.
L
DE BOUW DER STROPIIEN'.
te beschouwen, en zoo lang andere feiten niet tot eon ander oordeel nopen, zonden wij niet weten waarom wij deze verdienste niet aan. Maerlant zelf zonden toeschrijven, bij wien deze vorm zoo dikwijls en zoo regelmatig terugkeert. Overal waar wij deze strophe elders in het Mnl. vinden, hebben wij of niet bepaalde navolgers van Maerlant te doen, of althans mot werken, die onder zijn invloed kunnen zijn ontstaan1).
Als wij nu de strophe zelve meer in bijzonderheden nagaan, dan vinden wij veelvuldige afwisselingen. In M. 1 en II, en in Verk. Mart., als ook in Disp. zijn de a-rijmen zonder uitzondering staand, de i-rijmen slepend; in M. III is, eveneens zonder uitzondering, hot tegendeel het
!) De strophe der Martijns is precies nageJami in den Wapenc Pioyier: zoo ook in den Vierden Mart., behalve dat deze in den vorm doorknede dichter de disticha nog tweemalen herhaalt, en dus eene strophe van 10 regels maakt. Ook in de OVl. Lied. e. Ged. bl. 436â439 komt een gedicht voor geheel in de strophe van Maerlant, deels met afwisselend staande en slepende deels nitslnitend met slepende rijmen, gedicht, en met kortere ft-rijmen, waarvan de dichter blijkens den inhoud zeer goed onder M.'s invloed kan hebben gestaan. Eveneens is in de OVl. Gcc/. het tweede gedeelte van het «onderwijs van Schepenenquot; (dl. '2, bl. 65 vlgg.), waarvan vs. Iâ167 overeenkomen met I). Doet. 11, 3501â3666, van vs. 16iS af gedicht in M.'s strophe: in de laatste is het b-rijm aan het slot in plaats van tweemaal zelfs driemalen herhaald. Meestal zijn de verzen met ^-rijmen van die der «-rijmen niet verschillend in aantal heffingen, dus zooals in Overzee en KCL, ook in Clans. Zoo b.v. in het laatstgenoemde gedicht, in het vers in Mone's Anzeiger IV, 69 (Kirege-lige strophen met onnauwkeurige rijmen), in de drie strophen, waarmede de Tweede Partie van den Sp. aanvangt, en waarvan de derde door de uitgevers voor eene monorime is aangezien, en bij Maerlants navolger Velthcm aan het slot van zijn Spiegel Historiael. Na vijf 13regelige strophen gaat hij in eene kunstige lyrische maat over, en besluit dan met eene strophe van het rijmschema aaab j aaabbbb. In een vroeger deel van zijn werk komt eene lOregelige strophe voor (.S'/». dl. 3, bl. 405), die door uitlating van een der afdeelingen uit de kregelige kan zijn ontstaan. Eene soortgelijke lOregelige strophe bezigt Hild. onder nquot;. LX. Tot eene 7regelige beperkt zich de dichter van den Flandrijs II, 67â144; alleen de laatste strophe heeft S regels; aah / aabbb. Daar blijkbaar de bedoeling is, de b-rij men van de andere in aantal heffingen te doen verschillen, mogen wij hier wellicht aan eene rechtstreeksche navolging van Maerlant denken. Ook de maker van Scale en Clerc beproeft meermalen de 6-rijmen korter te maken, docli vergenoegt zich met eene strophe van het rijmschema aabaab; alleen in str. 14 en 40 herhaalt hij den slotregel. De 7regelige strophe (aabaabb; b-rijmen niet verkort) vindt men ook Denkm. 3, 18'2. Wij vermelden nog Hildg. n0. XI.V met het rijmschema aaabcccbb (niet zooals Te Winkel, Gesch. bl. 487 noot 2 opgeeft); daarentegen laten wij de strophe van den Rinclus en van het Glossenlied op hel Ave Maria bij Blommaert, OVl. Ged. '2, 57â59 ('lkregelig met hot schema aabaabbbabba) en andere vormen, als ababbaba bij Ilildg. (Te Winkel t. a. p. noot 3) of ababbebe bij Hildg. (t. a. p.), Kausler 3, 126, De Gheldere Dielsce Rime bl. 114, of ababbbce bij De Gheldere, Dielsce Rime bl. 53, hier buiten becchouwing. De rhythmus is in de navolgingen, met uitzondering van den IV Mart., in den regel minder goed dan bij Maerlant, dikwijls veel slechter, nu en dan, gelijk in den Flamlr. en bij den redactor van den druk der Wapene Martijns zelfs uiterst gebrekkig.
TT -jt
LI
DE BOUW DEIt STROPHEN.
geval. In Claus, zijn al de rijmen, al weder zonder uitzondering, slepend. Buitendien vinden wij in dit gedicht de bijzonderheid, dat de beide slot-strophen monorimen zijn 1). Deze orde van zaken vinden wij daarentegen niet in KCl. en Oversee: hier wisselen staande en slepende rijmen af, zonder dat men daarin eene bepaalde regelmaat kan ontdekken. AVij krijgen de volgende voorstelling [m = mannelijk (staand); v = vrouwelijk (slepend): de eerste letter geldt voor alle a-rijmen, de tweede voor alle i-rijmen der strophen): Oversee: mv â vm â vv â mv â vm â mv â vv â mv â mv â vv â mv â vm â vv â mv â vv â vv â vm â vv â mv.; KClaghc : vv â vm â vm â vm â vm â vm â vm â vv â mv â mv â vm â vm â vm â mv â vv â vm â vm â vv. In hot laatste gedicht vindt men dus veel meer vm, in het eerste meer mv.
Een ander nog meer kenmerkend onderscheid schijnt men veelal geheel over het hoofd te hebben gezien 2). In de Martijns, den Verk. Mart. en de /)isji. hebben de regels met i-rijmen overal 3 heffingen en de a-rijmen 4; daarentegen bestaan even regelmatig in Claus., Ov. en KCL ook de i-iijmen uit 4 heffingen.
In tegenstelling tot al de andere gedichten staan nu do beide hymnen: die zijn gemaakt in eene 12regelige strophe van dezen vorm 3): 4 â a j 4 â ^ a I 4 â b II i â ^ a / 4 â ^«/4 â i/4 â ^ e I i â wc/4 â b H 4 â ^c/4 â ^0/4 â h, d. i. zij houden zich aan het metrum van hun origineel, hetwelk zich heeft ontwikkeld uit de strophe, waarin het beroemde kerklied Slahal Maler is gedicht -i). Alleen in de laatste strophe van OHW is het rijm c aan a gelijk gemaakt. Gelijk bij alle ndl. navolgingen veroorloofde zich de vertaler de vrijheden van den ger-maanschen versbouw; de trochaïsche of jambische rhythmus wordt niet streng volgehouden, de dalingen kunnen uit meer dan ééne lettergreep bestaan en ook ontbreken. In Fr. is in het begin het streven zichtbaar naar een trochaïsch metrum; doch al meer en meer wordt de voor-
1) De voorlaatste strophe heeft slechts regels, «och er zijn er ongetwijfeld ook hier oorspronkelijk '13 geweest; vgl. de aunt, op vs. 521. Vgl. ook over mnl. monorimen Tijdschr. II, 285 noot.
-) Wel niet om deze reden heeft Verwijs in zijne uitgave de Disp. onmiddellijk op de Martijns doen volgen. Te Winkel, Maerlants Werken - 473 vlg. heeft er wel op gelet, maar toch niet duidelijk genoeg doen uitkomen, dat het verschijnsel een doorgaande regel is.
3) Voor de Nederlandsche strophen beteekent het cijfer het aantal heffingen; â w slepend; â staand rijm; één verticale streep het eind van den regel; twee streepen, van het distichon.
-I) Vgl. Meyer t. a. p. bl. '17(5; over de hymne zelve, Lisco, Slahal Haler (fier-lijn, 1843): N. C. Kist, Arch. v. Kerk. Gesch. 3, 401; Willems in Belg. Mus. 3, 443 vlgg.; Mone, Hymnen 2, 147 vlgg.; Keyser, Beilr. zur Gesch. u. Erkl. d. all. Kirchenhymnen, 11 (Paderborn, â¢188()), 110â102; Julian, A dictionary of Ilym-nology (Louden, 1802), bl, 1081 vlgg.
LII
DE BOTJW DER STROPIIEN'.
slag toegelaten. In OHW daarentegen, hebben de meeste verzen een voorslag.
Als wij nu op eene strophe van dezen vorm de eigenaardigheden der ndl. strophe overbrachten, dan zouden wij krijgen : 4 â ^ a j i â ^ a j 4 â b Ij 4: â -^ « / 4 â w a / 4 â i // 4 â ^a/ 4 â ^ ; 4 â ft // 4 â ^aj 4 â ^ a I i â amp; 4 â h- en als wij hierin in plaats van ^ â h stellen â dan hebben wij de strophe der Clmts. Ook in het Latijn komen strophen alleen met slepende rijmen voor; zie bij Meyer t. a. p. bl. 174 een voorbeeld met regels van 8 â ^ met het rijmschema aaabbba, cc dd ee. Doch veel komt deze gelijkmatige aanwending van hot vers 8 â ^ in lat. strophen niet voor, en wij moeten als mogelijk aannemen, dat de slepende //-rijmen door den dichter willekeurig voor de staande zijn in de plaats gesteld i). De dichter is in het begin er blijkbaar op uit om zijn gedicht trochaïsch in te richten. Als men hier en daar een min of meer vreemden klemtoon door de vingers ziet, behoeft men vóór do ri(le strophe in het geheel geen voorslag aan te nemen. Daarin openbaart zich ongetwijfeld de invloed eener lat. strophe, die tot voorbeeld heeft gediend, mogelijk die eener lat. bron van het gedicht zelf.
Dezelfde strophe vinden wij ook in Ov. en KCl., alleen met dit onderscheid, dat de a- en /^-rijmen meestal in geslacht-) verschillen, doch zóó dat nu eens de a-rijmen, dan weer de i-rijmen staand zijn. Deze afwisseling zal wel niet te stellen zijn op rekening van lat. voorbeelden, maar veeleer als een bewijs aan te merken, dat Maerlant in zijne kunst gekomen was tot eene grootere zelfstandigheid, die hem eene vrijere beweging veroorloofde. Wij trachten dan ook niet de verschillende vormen, die wij hier aantreffen, tot evenveel verschillende lat. strophen terug te brengen, maar beschouwen ze als zelfstandige variaties van een bepaalden grondvorm, die ook hier de strophe van den Maria-hymnus zou kunnen geweest zijn. Het is ook inderdaad minder waarschijnlijk, dat M. de vrijheden en nieuwe vormen der ndl. poëzie op de meest verschillende lat. voorbeelden zou hebben toegepast, dan dat hij daarmede eene of althans eenige weinige grondvormen steeds zelfstandiger heeft bewerkt.
Ten slotte de strophe der Martij ns. Als wij den voorslag buiten rekening laten, dan herkennen wij daarin het beroemde vers der «vagantenquot; 7^â/7^ â /G â w (Meyer, bl. 112, 114, 165 vlgg.), welke, ook met den vorm aab der dysticha, zóó gewoon is in de wereldlijke en geestelijke literatuur, dat het bijna ongerijmd zou zijn, tusschen de voorliefde van Maerlant en zijne navolgers juist voor deze strophe en de voorkeur voor de uit den bovengenoemden regel ontwikkelde strophe in do Latijnsche en Romaansche poëzie geen samenhang te vinden. Dit belet
1) Voor de beide laatste strophen van Claus, met één rijm, kan men zelfs deze verandering noodzakelijk noemen.
2) Vgl. de benamingen mannelijk en vrouwelijk rijm.
LUI
DE BOUW DER STROPHEX.
evenwel niet dat met het gebruik van het voorbeeld de zelfstandige ontwikkeling van de ndl. strophe kan zijn samengegaan. Men vergete niet, dat eene volmaakt overeenstemmende strophe niet is aan te wijzen, alleen de vorm van het distichon 7 ^ â a, 7 ^ â a, 6 â ^ i in menigvuldige combinaties en variaties. Wanneer men zelfstandig de regeling der disticha en den staartregel invoerde, kon men ook zelfstandig er toe komen, de è-rijmen met ééne toonheffing te verkorten, en ze dus duidelijker van de andere te onderscheiden. Daarmede is ongetwijfeld de klankrijkste, meest harmonische en tevens levendigste vorm der hier ter sprake komende strophen bereikt. Het is van belang te weten dat Maerlant in een deel van Mart. I een lat. gedicht van den vorm 8 ^ â « / 8 ^ â b jj 8^ â a / 8 ^ â b jj 8 v-/ â « Æ 8 ^ â b 11 8 ~~ a I 8 ^ â //, en in Disp. een van den vorm 8 w â a I 8 ^ â a / 8 â b Ij 8^ â a / 8 ^ â a / 8 ^ â ö // 8 ^ â a j 8^ â (?/8w â b jj en een tweede met dezelfde verzen en het rijmschema ahabbaabab in zijne Martijnstrophe heeft omgewerkt. Vooral liet laatste gedicht toont dat zij hem de strophenvorm bij uitnemendheid was geworden, ook voor een gedicht van zuiver geestelijken inhoud.
De afwijking in den bouw van M. III zon men tot een latijnschen vorm 8 â a j 8 â wa/5w â h (Meyer, bl. 174) kunnen terugbrengen. Maar bij de nauwe betrekking tusschen dit gedicht en de beide andere zal men er ook hier wel do voorkeur aan geven, daarin eene opzettelijk door M. gebrachte verandering te zien. Hij wilde waarschijnlijk dit gedicht, waaraan hij blijkbaar hooge waarde hechtte, ook uiterlijk van de andere onderscheiden. Misschien vond hij in de mindere levendigheid van de veranderde versmaat eene geschikte uitdrukking voor de plechtigheid van den inhoud.
Indien werkelijk de gedichten waren ontstaan in de volgorde, waarin wij ze hier achtereenvolgens hebben behandeld, Fr. en O HU'., CL, O eer see,, KOL, Marl. I, II, Verk. M., III Marl., Disp., dan zouden wij inderdaad eene geleidelijke ontwikkeling van den vorm der strophe daarin kunnen herkennen. Maar beneden zal blijken, dat voor Ov. en KCL deze volgorde niet kan worden volgehouden. Wij moeten dan aannemen, dat M. in deze beide gezangen tot een ouderen vorm is teruggekeerd. In elk geval mogen wij de geheele soort van strophen als oorspronkelijk neder-landsch beschouwen en in het bijzonder die der Martijns den naam »strophe van Maerlantquot; geven.
Gelijk men ziet, behoeft de afwijkende vorm der strophen van OilW. cn Fr. niet noodwendig daaraan te worden toegeschreven, dat ook do lat. hymnen, waarnaar zij zijn vertaald, in een ander metrum waren vervat. Immers ook in andere gevallen heeft M. aan een door hem zelf gekozen vorm boven dien van het origineel de voorkeur gegeven. Ook kan er een argument tegen M.'s auteurschap aan worden ontleend; in elk geval moeten wij aannemen, dat M., als hij de dichter is, zijne ontwikkeling in dezen nog niet geheel had doorloopen, en dat ze dus als
LIV
OPMERKINGEN OVER VERSBOUW EN STI.IL.
werken zijner jeugd moeten worden aangemerkt: eene beschouwing, waarvoor, gelijk wij zien zullen, ook andere gronden kunnen worden aangevoerd. Zie beneden, bi. LXI.
Vin. OPMERKINGEN OVER VERSBOUW EX STIJL.
De schoonheid van strophische gedichten hangt voor een deel af v;,n de zorgvuldige inachtneming der overeenstemming tusschen de door den zin voorgeschreven rijzing en daling van den toon en de rhythmische beweging van hot vers. Hetgeen men in dezen van onze strophen mag verwachten is, dat aan het einde van het vers eene kleinere, aan het slot van elk distichon eene grootere pauze valle. Natuurlijk kunnen in deze deelen zelve op rhythmisch daarvoor geschikte plaatsen nog andere pauzen liggen. Dat men gevreesd heeft voor eene zekere eentonigheid bij eene strenge en regelmatige inachtneming van deze regelen, is nergens waar te nemen. Veeleer moeten wij daar waar wij in dit opzicht eene storing opmerken, aan slordigheid denken of aan vrijheden, welke men zich om de eene of andere reden veroorloofde, en dus aan een gebrek in den kunstvorm.
Nu is hot niet gemakkelijk hier de juiste grenzen te trekken, dewijl voor allerlei dingen, b.v. het verbinden van verschillende zinsdeelen, het al of niet instellen van eene pauze en dgl., vaste, in alle gevallen doorgaande regels en voorschriften moeilijk te stellen zijn. Doch wij zouden in elk geval een enjambement veroordeelen, als grammatisch eng verbonden taaldeelen door eene rhythmische pauze van elkander waren gescheiden, en het aldus afgescheiden deel niet althans mot een natuurlijk rhythmisch rustpunt samenviel, b.v. als de zin niet doorloopt tot aan hot einde van den volgenden regel, maar in het midden daarvan plotseling ophoudt. Dergelijke gevallen komen slechts zeer zelden voor. Wij willen evenwel ook dezulke hiertoe brengen, waarbij het einde van den zin of een deel er van komt na de tweede toonheffing l). In Vr. is van dezen aard niets op te merken, want vs. 43 vlg. die u hrochle / bliscap yroot in u gedoelde is de grammatische samenhang tusschen hrochte en bliscap niet zoo heel eng, en het eind van den zin valt met het einde var. het vers samen.
LV
In OH W. merken wij op: 4 vlg. alreiiere j vrucht; 11 (?) die helsche yloede j weent ende emmer wenen sal; ook wel 23 daer si in ware / ghe-vanghen in der langher nacht \ 20 te toorne j Clode; 33 metier rehire rose j
l) Men moet evenwel in zijne beoonleeling voorzichtig zijn. B.v. (voor einde van liet vers gebruiken wij hier /, voor einile van het distichon //, voor grammatische rustpoos :) Vr. 40 sijl r/lienaclich ende sochte j mi, die also diere cochle, dan meenen wij dat niet gelezen moet worden soc/ite / nu : die also d.c.. maar soc/ite / ; mi d. a. d. c. Zoo behoeft naar onze meening ook Claus. 10 vlg. niet met enjambement gelezen te worden.
OPMERKINGEN OVER VERSBOUW EN STIJL.
Jhesus; 47 daer die hcclaghen haer dorperhede j in sijn] bovendien zijn hiertoe met meer of minder recht te brengen 50 vlg., 53 vlg., 58 v]g., 59 vlg., G2 vlg. Vgl. ook de stroeve verbinding in 80 vlg. offerde God lonser bate / diemen queisen niene mach j sijn bloet. Dus verscheidene cn daaronder bedenkelijke gevallen.
Claus. 37 dat yhise / licht verloost; 58 si sal dijn hovct emmermcn / hedivinghen ende al dim lede (beter ware si sal hedivinghen emviermcre / d. h. e. a. d. /.); 88 dat ie bedrlve [ so mijn leven] 102 daer dat leet so menechfoiide / is; verder, met meer of minder recht, 112 v., 115 v., 158 v., 180 v., 202 v., 20(5 v., 238 v., 267 v., 281 v. dien ghi so reine ende so wale hieldt; (335 v.?); 3G1 v., 437 dat hi hem openhacrde j hare.
Oversee 14 die kerke is van haren lene j ontervet; 37 dat menne tc liaise ride j voor di] 51 dn sout hemelrike panden / op Gode] over 54 zie de aant.; 138 daer hie / ghinc om onsc salnhede; 187 brenghen ten hoghen / rike; verder 197; 200; 213.
KClaglie 32 daer hi lach / ghevaen enz.; 84 omrne dat hi tfolc wilde gheraden / ten iccghc dat hi verdoolt sack; op de moeilijke plaats, 118 vlgg., schijnt tweemaal na elkander enjambement voor te komen; vs. 90 vlg. zal wel niet in rekening behoeven te worden gebracht.
I 31 art. 206 dit en schijnt te pointe niet gheleet j tordcel; 244 dat si portiers waren ghesat \ ter hellen] 621 nu henemet dat venijn j van ghie-recheden, Marlijn] verder 641; 707; doch 55, 202 en 439 zullen wel niet medetellen.
II Mart. 48 den onbekenden / Marline; 205 vlgg. die ficrlike haren kin / ie mi waert draghet j ende haer ghespin / van minnen els draghcl te s{t)ade; verder 245, 270; misschien ook 189.
III Mart. 4 dat si dit dicht laten bliven / rene; 7 hem sal becliven / mijn ban] stroef zijn ook do hierop volgende verzen ende sine sulne afwriven / niet moghen nochtan. Maar de strophe schijnt opzettelijk op eene ongewone wijze gestileerd te zijn; vgl. bij vs. 4 in de varr.; 137 den Ile-leghcn Gheest leerwi den doren / unt desen comcnde, en onmiddellijk daarna ondoe sijn oren j elc mensche; 283 dus wille hi uien hemel dromen j ons ] verder 415; 440; 475; misschien ook 98 (vgl. daarmede 101), 155, 304. Vrij talrijk zijn minder stuitende plaatsen als 200 esscr an bleven / een ewelike ommeganc] ook 264; 346; 437; 444; e. e.
Verk. Mart. Wel niet als enjambement kan beschouwd worden vs. 70 vlg. so blivet daer I ere (met bijzonderen nadruk) daer slant here.
Disp. 70 hegoort j met sonderlinghen blomen; 115 ende stal den roof, dien hi ghedreven / hadde int tanglie leven (vooral daarom te vermelden, omdat hier twee gevallen onmiddellijk na elkander voorkomen); 136 hi keert in corter ure / onsterveiike; verder 296; 449 (alleen in A), 466; 472; 478; 587; 593; misschien ook 21; 50 (z. de aant.); 219; 336; 498; 543 (551 is hiertoe, in weerwil van onze interpunctie (vgl. de noot op bl. LV) niet te brengen).
LVI
OPMEKKINGEN OVEI! VERSBOUW EN STI.IL
Ook op de inrichting der zinnen met betrekking tot de vier afdeelingen der strophe willen wij een blik slaan. Hot natuurlijkst is dat de vier disticha i), waaruit de strophe bestaat, vs. 1-3; 4âG; 7â9; 10â13, logisch bij elkaar hooren, en er dus tusschen de verschillende afdeelingen eene sterkere interpunctie valt, of dat er althans tusschen de verschillende perioden en disticha een niet merkbare tegenstrijdigheid bestaat. Als voorbeelden noemen wij M. I, str. 9, waar ieder deel der strophe eene afzonderlijke groep vormt (achter 3 vraagteeken, achter 6 en !) punten) en II, str. lü, waar in de geheele strophe wel geen punt staat, maar toch de zins- en strophenafdeelingen harmonisch overeenkomen. In het algemeen zal men wel deze indeeling dor strophe hebben nagestreefd, doch het spreekt vanzelf, dat zij niet altijd streng is vol te houden. Het meest hindert ons eene afwijking van dezen regel, als de zin in één regel van hot volgende distichon doorloopt 2).
Dit komt op de volgende plaatsen voor (de romeinsche cijfers wijzen de strophe aan, de arabische de verzen der strophe, waaraan de interpunctie van den tekst wordt toegevoegd 3). Cl. II 3, 4; IV 3, 4; â 9 10; â V G 7. â VI 9 , 10 vlgg. â VH G, 7 â XIV 9 10, â XVHI 3:4. â XIX 9, 10. â XX 8., daarachter twee eenigszins gezocht aangebrachte verzen â XXX 3, 4; â G, 7; â XXXI 9, 10. -â XXXIH 3 4; 5. 6 en daarmede in den namvsten samenhang 7 vlgg. â XXXIX 9:10. â Overs. VIII 5; G, 7 vlgg. -J) â X 2 : 3 4 vlgg. â KC1. I 9: 10? Aldus volgens onze interpunctie, doch de zin in deze strophe is niet zeker en een sterker leesteeken na 9 waarschijnlijk; vgl. de aant. â III G 7, â X 3 4 vlgg. in het nauwste verband â XH 8; 9, 10 vlgg. â XV G, 7. â Disp. 5) VII, 2.34 vlg. â VIII 2.3,
') Onder distichon verstaan wij hier en elders een onderdeel of afdeeling der strophe, al bestaat deze ook niet uit twee verzen. Ook couplet heeft eene ruimere beteekenis aangenomen.
2) Ook hier kan men de tegenwoordig gebruikelijke of door de uitgevers gebezigde interpunctie niet in alle gevallen als maatstaf nemen; zoo schijnt b.v. Disp. strophe 6 de natuurlijke indeeling voorhanden, ook al hebben wij na6een komma, na 7 een punt gezet.
â¢!) Vr. en O UW. blijven hier buiten beschouwing; het karakter van hunne strophen verschilt, althans in het tweede gedeelte, vrij sterk van die der Martij ns; zij moet aldus worden ingedeeld 1â3, 4âü; 7â'12: de beide gedichten volgen in dit opzicht den rhvthmus van hun voorbeeld. Dienovereenkomstig heeft OUW weliswaar herhaaldelijk eene sterkere interpunctie achter vs. 0, maar Vr. nooit; zoo al dadelijk in de eerste strophe, waar en 10 nauw bij elkander hooren, doch achter 8 een; staat.
'') Zeker is dit geval intusschen niet: de bet. van overwacv is hier niet geheel duidelijk en do mogelijkheid schijnt niet uitgesloten dat men moet groepeeren 4 5 0:7 8 9.
quot;â ) Over VI 6, 7 zie noot 2 op bl. LVII. Ook XXXVIII heeft 3; 4., maar hier staat de zin den natuurlijken rhvthmus wel niet in den weg.
LVII
OPMERKINGEN OVEK VERSBOUW EN STIJL.
4 vlgg. i) â IX 5; G, 7 vlgg. â XI, G 7 vlgg. â 9. 10. â XII G, 7? â 9, 10? â XIX 9 10. â XXXVI 6 7; â 9, 10. â XXXIX G, 7? â XLIII 8 . 9 10 vlgg. â XLVI 9, 10; â I Mart. V 3 4; â VII G 7: â XVI 9 10? â XXI 9, 10. â XXII 9, 10, â XXX G 7; â XXXVIII G 7; â XXXIX 3,4. â XLI G 7. â XLIV G 7; LXXI 9, 10. â LXXV G, 7. â 9, 10.â II Mart. I 9, 10. â IV 9 10. â VUI 9: 10. â IX 9, 10. â X 3 4. â XI 3, 4 â XIX 9 10. â XXIII G, 7. â 9 10. â XXIV 9, 10. â XXV 9, 10. â III .Mart. Ill 9, 10. â XI 9 10; â XVIII 3, 4: â XX 9 10. â XXIX 3 4. â Verk. Mart. I 9 10;.
Veel geven deze laatste onderzoekingen wel niet, doch zij zijn in ieder geval de aandacht waardig en eene nauwkeurige ontleding van den rhythmus zou wellicht nog zekerder middelen van beoordeeling aan de hand doen. Ook hier blijkt dat de Martijns wat den vorm betreft het hoogst staan: alleen voor Overs, zouden zij in dezen moeten onderdoen. Eenigszins opvallend is het naar verhouding vrij groote aantal malen in .1/. II; waarbij men nog moet opmerken, dat hier in 8 van de 11 gevallen de grammatische rustspoos niet valt na vs. 9, maar na 10. Als men de zaak niet voor toevallig wil verklaren, zou men kunnen mecnen, daf hier eene kleine afwisseling in den strophenbouw opzettelijk is bedoeld, en dus hier do vierregelige afdeeling der strophe niet komt aan haar slot, maar in het voorlaatste distichon. Alleen in str. XXIII gaat met deze verdeeling ook eene sterkere interpunctie na 7, in plaats van na G, gepaard. Doch ook buiten den II Mart. komt deze van den regel afwijkende indeeling naar verhouding het meest voor. Ook in Dinp. is het aantal onregelmatige indeelingen naar verhouding vrij groot, maar hier moeten wij er opmerkzaam op maken, dat van de 13 gevallen 7 behooren tot de 14 eerste strophen, die uit het eene door ons aangewezen lat. gedicht zijn vertaald, terwijl in de 32 overige strophen slechts ü gevallen voorkomen. Hot duidelijkst komen in dezen de zware tekortkomingen in Claus, aan den dag. Voegen wij daarbij de veelvuldige enjambementen, dan kunnen wij reeds uit deze twee feiten besluiten tot eene mindere kunstvaardigheid in strophenbouw en rhythmiek, welke met gebreken van anderen aard gepaard gaan. Men merke op, hoe onhandig M. hier meermalen is in het afsluiten der disticha, b.v. vs. 59, 182, 255 en hoe weinig beteekonis vaak de staartregel heeft. Een vluchtige blik is voldoende om te toonen, dat ook de versificatie hier veel onbeholpenor is dan b.v. in de gelijksoortige strophe van Oversee en KCL
LVIII
Ook in het gebruik van noodrijmen heeft men een middel om de meerdere of mindere kunstvaardigheid te controleeren. Zij zijn over het algemeen in vergelijking met andere mnl. gedichten, vooral wanneer men let op de moeilijkheden aan don vorm verbonden, niet talrijk. Met eenige
') Aldus waarschijnlijk volgens C; volgens A zou de interpunctie na 3 vallen; vgl. de aant.
OPJIERKINGESquot; OVER VERSBOUW EN STIJL.
zekerheid kan men hiertoe brengen uit I Mart. vs. 201 dats anschijn] 329 dats waer; het gohoele vs. 565 de.se twee houl niet voor scheren] in dezelfde strophe ook wel _Æowe ende out (569) en des tres bout (567), als dit juist is overgeleverd (de strophe is over het geheel niet bijzonder goed uitgevalion). Eindelijk zou men ook vs. 828 cdset noch es beschreven als zoodanig kunnen aanmerken, en, als men naar een zeer strengen maatstaf oordeelt, hier en in de andere gedichten verscheidene andere uitdrukkingen behalve de boven aangegevene: eene juiste grens is hier moeilijk te trekken. Uit den 11 Mart. hebben wij niets opgeteekend, daarentegen uit III Mart. vs. 135 aïse wijt ]ioren\ 176 dit nes (jhcen scheren] 206 dus eist tjescreven; 312 dus eist bekint; 322 als ic sprac ere, (z. d. aant.); 331 dus eist becant; 345 als ie scrive; 466 sonder enich sparen; 494 ««'m dat scaet of vroomt; ook wel 327 in dien tiden. Disp. 154 dats bekint] 165 (?) en trouwen] 229 metter spoet; 503 alse. ons die wise leren. In Claus. vs. 82; 162; 187; 251; 299 {mede); 422: 429; als men do grenzen iets scherper trekt, ook 5; 81 ; 279; 468; 500. Uit Ov. zou men misschien de uitdr. in vs. 59. 135 en 190 kunnen aanvoeren, doch in KC1. hebben wij niets dergelijks opgemerkt, noch ook in de beide hymnen iets van dien aard gevonden.
Opvallend is dus in dit opzicht Jl/. II [, doch de moeilijkheid der stof en de gebondenheid aan bepaalde dogma's, welke de vrijheid van beweging belemmerden, verklaren o. i. dit verschijnsel voldoende. Xog moeilijker zou het zijn ten opzichte van het gebruik van zinverwante uitdrukkingen , als sonder twivél ende urnen (If. 1, 5); clacr ende oghesien ende openbaer (75 vlg.), de grenzen tusschen gangbaar spraakgebruik â in hot Mnl. moeten zulke uitdrukkingen, blijkens de talrijke, welke nog heden in het Ndl. bekend zijn, ook buiten de dichtertaal gezocht zijn geweest â en gelogenheidsfraze te trekken. De grootste bezwaren schijnt men in dit opzicht te kunnen inbrengen tegen Mart. I i), die overigens tot de beste en meest afgewerkte gedichten van Maerlant behoort. quot;Wij behoeven hierin niet eene tegenstrijdigheid te zien, maar moeten uit het feit eerder het besluit trekken, dat de synoniemen hier voor den dichter een opzettelijk aangewend stijlsieraad zijn geweest, of op zijn hoogst een geoorloofd middel om moeilijkheden in de dictie of de rhythmiek te overwinnen.
Wat behalve don fijnen rhythmus aan onze gedichten de grootste bekoorlijkheid bijzet, is ongetwijfeld de buitengewone levendigheid in de uitdrukking door do aanwending van vragen en uitroepen, en hare aanschouwelijkheid, welke door beelden, spreekwoorden en door het gebruik van concrete in plaats van abstracte uitdrukkingen wordt bereikt. In de vier Martjns, de Disp., alsmede in de beide laatste gedichten van den bundel
1) Vgl. behalve ile reeds genoemde plaatsen nog vs. 103 , 400 , 541, 615, OKI vlg., 040, 714 vlg., 730 vlg.. 775, 800, 044, 055 vlg., 050.
LIX
OPMERKINGEN OVEU VERSBOUW EN STIJL.
valt hierin geen merkbaar onderscheid waar te nemen. Dat deze levendigheid van stijl voor een niet gering gedeelte als eene verdienste van 31. moet worden beschouwd, kan men met juistheid opmaken uit die gedeelten van M. I en IHsp. waar wij zijn werk met een lat. origineel kunnen vergelijken. In beeldrijkheid staat wellicht Disp. bij de Martijns achter, en van deze moeten ook in levendigheid .1/. II en III voor M. I onderdoen. Maar de eenigszins gezochte casuspositie van II en de abstracte inhoud van III, waarbij nog komt de angstige zorg van den dichter om zich niet in strijd met de bindende dogma's der kerk uit te drukken, zijn wel voldoende om dit verschil te verklaren.
Een geheel anderen indruk maken in dit opzicht Jr., OT1Wen Clans., waarin de vragen en uitroepen zoogoed als geheel ontbreken en de aanwending van spreekwoordelijke of overdrachtelijke uitdrukkingen veel zeldzamer is. Beeldrijkheid is ook hier op te merken, doch zij is in de meeste gevallen eene eigenschap van het origineel, of van algemeen bekende overleveringen, waaruit de dichter put. Wie hierop achtslaat, hem kan onmogelijk liet verschil ontgaan tusschen de Claus, en de overige gedichten van M. Nog moer staan hierbij achter de beide hymnen, door totaal gemis van die eigenaardigheden, die aan de andere gedichten eene zoo groote levendigheid bijzetten. Het minst geslaagd schijnt OilIV.
Alles samengenomen kan men zeggen dat wat den vorm betreft Hart. I het hoogst staat. De verzen zijn vloeiend, levendig, goedgebouwd1), slechts zelden door noodrijmen ontsierd; en de gedachten worden door kernachtige en eigenaardige uitdrukkingen verduidelijkt. De dichter is hier zijn onderwerp meester, en reeds nu kan worden gezegd, dat onmogelijk een werk van de jeugd kan zijn een gedicht, waaraan wij zulke verdiensten moeten toekennen. Op dezelfde hoogte staat het fragment Vcrk. Mart., en wat de beeldrijkheid der taal betreft, volgt het naast daaraan KCl. Wat Disp. aangaat, is het van belang op te merken, dat in het begin de sporen der vertaling zichtbaar zijn; het volgende deel, str. 15â33, ook grootendeels vertaling, veel hooger staat; daarna weder eenige strophen den indruk maken van minder gemak in de bewerking (33â38), doch dat liet gedicht in liet laatste gedeelte weder de blijken draagt der kunstvaardigheid van den dichter op zijn hoogtepunt. De verschillen welke men hier opmerkt, zijn te verklaren of uit het onderscheid tusschen woordelijke vertaling en vrijere bewerking, of uit de meerdere of mindere ingenomenheid, waarmede de dichter zijn onderwerp behandelt.
IX. DAÃKERIXG DER GEDICIITEX.
LX
In twee opzichten druischen de uitkomsten van de boveii ingestelde onderzoekingen in tegen de tot heden geldende inzichten aangaande de
1
Vgl. over de rhythmiek der gedichten de ietwat rhetorisch gestelde maai' fijne lofspraak bij Te Winkel, Maerlant - 474 vlg.
DATEERING DEK GEDICHTEN.
dateering der gedichten, nl. wat de Clausule betreft en de Martijns.
Met do eerste kwestie behoeven wij ons niet lang op te honden, dewijl eigenlijk nooit een bewijs geleverd is voor de onderstelling, dat de Claus. behoort tot M.'s latere periode. Op de bekende woorden, Bijmb. 01 vlgg., moet men ook in het algemeen niet te veel nadruk leggen, doch zeker mag men daaruit niet het besluit trekken, dat M. behalve de »loghenlike saken, die (hem) die lichtheit dede maken vander herten endc vanden sinne ende van der wereliker minnequot; niet ook in zijn eersten tijd geestelijke gedichten zou hebben kunnen maken.
Uit het bovenstaande bleek duidelijk dat M. rhythmisch nog minder geoefend was en den eigenaardigen stijl der strophische gedichten nog niet tot een hnogen trap van volkomenheid had ontwikkeld. Claus, kan alleen een werk uit M.'s jeugd zijn, en zal misschien dagteekenen uit denzelfden tijd als zijn Troyen, waarmede het wat de taal betreft verscheidene punten van overeenkomst vertoont. Welk een hoogen graad M.'s vereering voor de hemelkoningin reeds had bereikt, toen hij Alexander en Troyen dichtte, wordt in het licht gesteld door Te Winkel, Gesch. I, 318 en 320 l).
De beide hymnen gaan, als zij van Maerlant zijn, chronologisch nog voor Claus. Maar alles samengenomen, kunnen ze niet met zekerheid aan M. worden toegeschreven. OIIW zou wel vóór Claus, kunnen zijn gedicht. Maar hoe dan te oordeelen over Fr., dat weliswaar in sommige punten overeenkomst heeft met OHIV, in andere daarentegen afwijkt en veel grooter bedrevenheid vertoont 2) ? Dat M. later nog eens tot dezen vorm zou zijn teruggekeerd, komt ons niet waarschijnlijk voor. liet is zelfs de vraag of TV. en O/IIF van éénen en denzelfden maker zijn. De verzen zijn in het laatste gedicht veel minder vlooiend dan in het eerste: dit is strenger trochaïsch gebouwd en is vrij van de in OIIW betrekkelijk vaak voorkomende enjambementen. Het is natuurlijk denkbaar, dat in Vlaanderen ook anderen in dezelfde taal en soortgelijken stijl als M. Latijnsche hymnen hebben vertaald.
Wat de Martijns betreft is het eigenlijk onverklaarbaar, dat men ze â wij bedoelen hier vooral M. I en II â terwijl ze zoo hoog staan in inhoud en vorm, tot heden algemeen voor werken van M.'s jeugd heeft gehouden; zie o. a. Jonckbloet, Gesch. d. Ndl. Lett. II, 120; Te Winkel, Gesch. 320.
') Dat in Cl. eenige toepassingen van ouiltestamentische zaken op Maria voorkomen die in den Rjmh. ontbreken (z. de aant. op 134, 235, 274, 280, 287), kan niet tot eene bepaalde gevolgtrekking leiden, want wij weten niet, in boe ver M. bier stond onder den invloed van een origineel of van zijne tbeologiscbe studiën. Eerder zon het tegendeel iets afdoen, nl. als in den Bijmb. of den Sp. (l3, 6, 25 vlgg.) de eene of andere vergelijking staat, welke in Claus, ontbreekt, dewijl men mag aannemen dat M. in Claus, bijeengebracht beeft al wat bem met betrekking tot bet onderwerp bekend was.
-) Vgl. ook beneden bl. LXIX.
I.XI
DATEERING DER GEDICHTEN.
LXII
Eerstgenoemde gaat zelfs zoo ver (t. a. p. 50 v]g.) de meening uit te spreken, dat Mart. I zelfs wel M.'s eerste werk zon kunnen zijn. Do hoofdoorzaak van deze dwaling is zonder twijfel oen onjuist inzicht in den inhoud van Mart. II, die merkwaardig genoeg, tot voor korten tijd zonder tegenspraak gegolden heeft voor een minnedicht: men stelde zich den maker voor als een hoog romantisch gestemd en verliefd jonkman. En in werkelijkheid hebben wij hier te doen met een geestesvoortbrengsel van een kalm redeneerend man met een rijp verstand. Maerlant werpt de vraag op, als twee vrouwen, waarvan hij de eene bemint die evenwel van hem niets wil weten, terwijl de andere, die hem onverschillig is, hare zinnen op hem heeft gezet, zich bevonden in levensgevaar l), en het slechts in zijne macht stond, ééne van beide te redden, welke hij dan van den dood moest bevrijden. Terwijl Martijn eerst hot goed recht van den hartstocht verdedigt, wordt hij er later van overtuigd, dat de hartstocht tot zwijgen gebracht en trouwe aanhankelijkheid beloond moot worden. Deze oplossing is niet zoozeer die, welke men van een algemeen menschelijk standpunt verwacht, maar veeleer die, welke door de kerkelijke zedeleer wordt gepredikt. Men kan wel zeggen dat een jong man met een warm hart met een zoo koel antwoord in deze kwestie niet tevreden zou hebben kunnen zijn. Alleen een man van eenigszins rijperen leeftijd, die eenmaal do macht der liefde had gevoeld, kon het academische thema op deze academische wijze behandelen.
Als Maerlant van zich laat zeggen, dat hij een goed oogje op de vrouwen en steeds den mond van hen vol heeft, of als hij zich elders over vrouwen en de liefde uitlaat (I, str. 33, str. 52, vs. 924 vlgg.; II str. 2,4, 5 vlgg.), dan kunnen wij deze uitingen niet van dien aard vinden, dat die noodwendig op een jongen man moeten wijzen. Integendeel , als hij nadrukkelijk verklaart dat de zinnelijke liefde alleen dan kan worden goedgekeurd, wanneer scamelheit en trouwe er de kenmerken
') Met de liefde des dichters of der vrouw staat dit levensgevaar in niet het geringste verband. Men moot zich b.v. voorstellen, dat de man en de beide vrouwen ge/.eten zijn in een bootje dat, door een storm beloopen, in gevaar is van te zinken, en alleen belionden kan worden, indien eene der beide vrouwen over boord wordt geworpen. Zoo doet b.v. Anthonis de Roovere in een lang gedicht getiteld: «Van twee amonreuse vrouwen een argumentquot; op bl. 86â91 van zijne «Rhetoricale werekenquot; (Antwerpen, 1562); in de fra. vert. {l'ijdschr. '17, 37) zitten â¢/ij beide in de gevangenis. JUnil in vs. 83 is de uitdr. voor dat levensgevaar. Ook str. 10 moet niet anders worden opgevat: de voorzin ('196â201) vat nog eens de in de eerste strophen geschilderde situatie samen {of is voorwaardelijke partikel), de nazin de oplossing in den geest van .lacob. De juiste uitlegging is gegeven door Te Winkel, Geselt. 326, en Mevr. Van GelderâVan de Water, Tijdsehr. 8, 228 vlgg.; voor de onjuiste vgl. Jonckbloet, Gesch. d. Sdl. Lett.ll, 44 vlg. Ook Kausler en Verwijs â zie zijne aant. op 11, 92 â- hebben eene verkeerde opvatting van de situatie in M. II gehad. Toch kan men niet zeggen, dat Maerl. door zijne woorden die onjuiste opvatting zou hebben veroorzaakt, behalve wellicht door vs. 81.
IlATEERING DER GEDICHTEN.
van zijn; on als hij M. I, str. 72, zicli niet weerhouden kan om zonder merkbare aanleiding midden in zijne verdediging der vrouw op hare wuftheid te wijzen en dan deze karakterfout weder door de lichtzinnigheid der mannen vergoelijkt, dan schijnen ons deze uitingen veeleer te wijzen op iemand die reeds lang niet meer over deze dingen dacht met de eenzijdigheid der jeugd. M. is ons een bewijs, dat de diepe vereering-van Maria met een fijn ontwikkeld gevoel voor het vrouwelijke in het algemeen gepaard ging i). Uelijk hij zijn leven lang een hartstochtelijk vereerder van de Moedermaagd is gebleven, zoo heeft hij ongetwijfeld ook zoolang hij leefde met warmte over vrouwen en liefde gesproken.
Nog minder zeggen andere plaatsen, die men heeft bijgebracht of zou kunnen bijbrengen. M. noemt zich Mart. I, 310 een onwijs rent. Doch dit is slechts eene van die sterke uitdrukkingen, die men aan de beeldrijke taal en den rijmdwang moet toeschrijven, ook wel aan eene zekere primitieve manier van uitdrukken, die M. slechts zelden geheel schijnt te hebben overwonnen. Noch onwijs (vgl. OIIW G4 die duvele onwise) noch rent (vgl. I, 212; 842; ook Tcest. 3354 vlgg.) dwingen aan een jong mensch te denken. Op dezelfde wijze zijn te beoordeelen I, 137 mijn, sin.... aZ.se een ries; 11, 48 den onbekenden Martine; 11, 201 runt grammarien. Ook II, 144 stout seriant moet men niet te woordelijk opvatten: onmiddellijk daarop volgt de bedreiging; »men zal u voor een kind in het verstand houdenquot; 2). Ook dat vele van de in de Martijns uitgesproken gedachten reeds in de vroegere werken van M. worden aangetroffen (zie de door Verwijs, Wap. Mart. bl. VII vlgg. uit Jonck-bloet's Mnl. Dicht 1c. aangeh. plaatsen; en Te Winkel, Maerlanfs Werken passim), doet niets ter zake. quot;Wij nemen de woorden over van Te Winkel, Gesch. bl. 320: »De Eerste .Itartijn is zeker het belangrijkste van al M.'s gedichten: het bevat de kern dor beginselen, die wij ook in zijne andere werken hier en daar uitgesproken vinden.quot; Juist de omstandigheid dat in Mart. I M.'s philosophic zich over de gewichtigste levensvragen
') Zoo vergeeft ook Martijn, tot een ander inzicht gekomen, I, ÃGG al oiighe-cloul alten vrouwen.... oinme die vromve hoghe; vgl. daarmede Troijen vs. 10070 vlgg. In samenhang met deze plaats heet het aid. 10082; »al vint men mechden die hem sinten in kerkeren lieten ende vaen, tormenteren ende slaen, ende hem andoen grote pine enz.quot;, waarmede M. I, str. 0-2 voor een deel woordelijk overeenstemt. IJeze verzen staan niet bij Bénoit, maar de eerstgenoemde plaats is uit liet Fransch (vs. 13437 vlgg.) vertaald. Daarin hebben wij een vrij zeker bewijs, dat M. 1 later moet gedicht zijn dan Troijen. Dat men uit de overeenstemming ook moet besluiten, dat liet verschil in tijd niet groot kan zijn geweest, achten wij daarom nog niet noodzakelijk.
^ Hoe ver men hierin gaat, bewijst wel het feit dat men zelfs uit ,1/. 11, '24 al hestu wilt, du werts noch tam heeft willen lezen dat de dicliter nog jong moet geweest zijn. De bedoeling kan toch alleen zijn, dat Martijn zijn vriend, die hem al te onstnimig tot dichten had aangespoord, wat kalmer wil stemmen. Bnkolare vertaalt Iko cornu noli pecti, potero jam vayus flecli.
LXIII
DATEERING HER GEniCIITEN.
uitstrekt, dat do dichter blijkbaar kwesties behandelt, die hij dikwijls heeft overdacht, is voor de vraag naar den ouderdom van het gedicht van het hoogste belang. In deze beheersching der stof ligt zeker voor een deel de oorzaak van de betrekkelijke volkomenheid van den vorm. Doch daarom behoeft men wederom niet zoo ver te gaan, dat men nu den dichter zou gaan maken tot een oud man: hij moet alleen eene zekere levensrijpheid bezeten en eene zekere hoogte in de kunst bereikt hebben. Wanneer dit kan zijn geweest, is moeilijk te zeggen. Want de andere werken van M., waarvan de dagteekening is te bepalen, zijn niet van dien aard, noch zijn ook de uitgaven er van daarop aangelegd om een eenigs-zins zeker en gedetailleerd oordeel over Maerlants kunst gemakkelijk te maken. D:.e werken zijn öf slecht overgeleverd èf zij behandelen weinig poëtische stoffen, of zij geven slechts de hss., doch niet -Maerlants eigenen tekst terug. Ook aan innerlijke bewijzen voor de juiste dateering ontbreekt het in ons gedicht. Uit I, G19 vlg. »over see noch opten Rijn soudemen niemen ontlivenquot;, wilde C. A. Serrure, Letterlc. Gesch. v. Vlaand. bl. 312 vlg. opmaken, dat M. I gemaakt is tusschen de jaren 1283 en 1288. Hij meent in de woorden eene toespeling te zien »op de worsteling der Christenen tegen de Mahomedanen, welke het innemen van Ptolemaïs voorafging, alsook op den Limburgschen oorlogquot;, o. a. door den slag van Wöringen (Weeringen) bekend. Te Winkel ziet {Gesch. 321 noot 1) hier geen toespeling op bepaalde feiten, maar op den aanhoudenden strijd in het Oosten en de geweldenarijen der roofridders aan den Eijn. Het is moeilijk in dezen te beslissen l).
Dat Mart. II spoedig op I is gevolgd, wordt algemeen aangenomen:
') Sp. lil'1, 25, 33 vlgg. zegt M.:
Dese Severus Sulpicius Maecte eenen dyalogus,
Dats een bouc van II personen,
Die met goeden redenen ende sconen Onderlinghe deelen haer wort Ende deen seget ende dander antwort,
en III7, 'IS aan liet slot. bij de bespreking der werken van Gregorius den Groote: Sine exemple ende sine wort,
Die hi tellet in waren saken ïote Pietren, sinen dyaken,
In dyalogus, weetmen wale.
Die spreect van tweerande (.1. tweer liede ?) tale,
Alse een meester ende sijn knecht:
Deen vraget ende dander berecht.
liet Latijn zegt op beide plaatsen lib. 19 c. 8 en lib. '23, c. 25 alleen scripsit per (hjaloyum en geeft dus geene aanleiding tot deze uitweiding, welke merkwaardig is bij iemand, die zulke dialogen zelf heeft gemaakt: nog merkwaardiger zou zijn, als wij zouden moeten onderstellen dat zijne eigene dialogen reeds lang te voren waren uitgegeven en dus onder het publiek in omloop waren.
LX IV
TMTEEIUNG DTR GEnrrfrTETf.
hetzelfde moet ook van III gelden. Immers welke reden kon er voor M. anders bestaan om een thema, hetwelk met J/. II en de meeste stukken van I zoo weinig overeenkomst heeft, te behandelen in denzelfden vorm van eene samenspraak tusschen Jacob en Marlijn, welke zich mot vs. li vlgg. rechtstreeks aan de andere Martijns aansluit? Met zulke woorden zou hij toch wel niet na lange jaren aan deze hebben herinnerd. Ook hebben wij boven reeds opgemerkt (bl. XXXIII), dat, voorzoover wij kunnen nagaan, de drie teksten steeds gezamenlijk overgeleverd zijn. Er is ook, meenen wij, niets wat tegen eene dergelijke onderstelling zou indruischen. Men heeft eene' engere betrekking aangenomen tusschen .1/. Ill en Rjmh. (z. Verwijs, Wap. Mart. bl. XXI vlgg.), doch ook hier heeft Jonckbloet zich door zijne scherpzinnigheid tot gewaagde combinaties laten verleiden. Wij kunnen ook niet inzien, hoe het gedicht over de Drieëenheid de strekking zou kunnen hebben, om den wegens den Rijmb. gerezen twijfel aan des dichters rechtgeloovigheid tot zwijgen te brengen. De eerste strophe bevat niets anders dan eene vermaning aan de afschrijvers om zijn gedicht, hetwelk de hoogste waarheden, het hoofddogma van het christelijk geloof behandelt, niet door hunne gewone willekeurigheden en slordigheden te verminken l).
Disp. 199 vlgg. en 391 vlgg. wordt gezinspeeld op de vreeselijke tijdsomstandigheden en het verlies van het Heilige Land. Maar een vast uitgangspunt voor eene nauwkeuriger tijdsbepaling is deze toespeling niet. In het gebied der Christenen in Palestina hadden sedert 1244 geene groote veranderingen plaats gegrepen. Wilde men aan Maerlant's woorden »want ic ghenen prinche en vant, die daerwaert steken dorste die hantquot; eene bepaalde beteekenis hechten en daarbij denken aan de kruistochten van Lodewijk IX van Frankrijk, dan kan men, met Te Winkel, Maer-lani's Werken^ 1G2, Disp. eerst plaatsen na Lodewijks dood, dus na 1270.
l) Opmerkelijk is in dit verband ook liet gebruik van ê als umlaut van d: I M. 05 were, 370 ivoekenere, lil, '243 en 420 alreneesl. In de overige gedichten komt dit niet voor, want ivecrt, (gt;v 190 lis., kunnen wij niet in rekening brengen, en de verhouding van rete {Ou. 30; tot rate is niet duidelijk. Elders bij M. rijmt deze r eens in Alex. IV, 923 drossete (een eenigszins verdachte vorm, vooral daar bijstaat in het niet zuiver mnl. afschrift van den Alex.), in gekruiste rijmen, en dan eerst weder Ttjnib. 7342 mere, en in den Sp. (zie de pl; bij Van llelten, bl. 31 vlg.). Ook buiten het rijm komt het in de mil. hss. van zijne werken zeer zelden voor. Over de parallelplaatsen van het rijm hedimt, [, 074, is Inl. op A lex. bl. LXXXV gesproken. In Troijen komt het gebruik van dure naast diere meer voor, nl. 1057, 10125, 17655 (vgl. de var., Troijen (nitg. Verdam) bl. 201), 23003, 27701, 35205; zoo ook vuur, 32019 (waar het rijmwoord mure is, kan men aan maisiere denken), maar behalve vóór r slechts eenmaal Inden, nl. 8205. Dit en dure worden ook in Rijmb. en S;j. meermalen gebruikt; in Sp. ook huden, heden. Bedilden vindt men behalve M. I, 074 slechts eens in Franc., en tweemaal in Sp. (behalve de t. a. p. vermelde plaats ook Sp. IV2, 51, 03). Waarschijnlijk moet dus Mart. 1 chronologisch niet geplaatst worden vóór die werken van M., waarin deze ê en ü iets vaker worden gevonden.
LXV
DATEERING DEK GEDICHTEN.
Indien in don uitval togen het nepotisme, vs. 345, werkelijk, gelijk in de aant. als mogelijk wordt aangenomen. Jan van Nassau, Elect van Utrecht, wordt bedoeld, dan zou de terminus a quo voor Disp. zijn 12C7 (Blok, Gesch. I, 231). Doch er zullen in M.'s tijd wel meer gevallen van nepotisme zijn voorgekomen, waarop M. hier doelen kon. De vorm van het gedicht maakt liet raadzaam het ontstaan er van te plaatsen in een tijd, niet veel van dien van het dichten der Martijns verschillende; en indien in de boven voorgedragen beschouwingen aangaande den vorm niet te veel toeval in het spel is om daaruit eene tijdsbepaling der gedichten af te leiden. dan zou o. i. de Disp. eer vóór dan na do Martijns moeten worden geplaatst.
Do beide nog overige gedichten, KCl. en Ov., die èn door hun metrum èn door hun toon eng verbonden zijn, moeten om de klacht over den val van Akka op den Mei 1291 {Overs, str. 4 vlgg.; vgl. ook str.
1 en 2, en vs. 189 vlgg.) op zijn vroegst gesteld worden in 1292 l).
LXVI
Dewijl er geen sprake van zijn kan, de Martijns en Disp. eveneens in dezen tijd te plaatsen, zoo moeten wij aannemen, dat M. weder opzettelijk van do strophe der Martijns is afgeweken. Misschien meende hij, dat bij den ernstigen inhoud beter een minder levendig metrum paste, gelijk hij dan ook reeds voor M. Ill eene iets plechtiger variatie had gekozen. Als in de vroegere gedichten de afwisseling van mannelijk en vrouwelijk rijm streng methodisch wordt toegepast, en in de latere niet, dan is dit alleen te beschouwen als een geoorloofd middel, dat de dichter toepaste om zich de rijmkunst iets gemakkelijker te maken, doch men kan daarom nog niet zeggen, dat hij handelt tegen de regelen der kunst. Eerder zou men nog hieraan kunnen denken bij de enjambementen en daar waar gebrek heerscht aan overeenstemming tusschen rhythmische en grammatische rustpoozen. Ook op de rijmen met overcomplete n in Ov. en de lettergreeprijmen in KCl. moet hier nog eens de aandacht worden gevestigd. Het laatste gedicht staat ongetwijfeld door zijn rijkdom van gedachten en den krachtigen ernst zijner taal bovenaan, maar het is niet te ontkennen dat de schoonheid en aanschouwelijkheid der beelden niet altijd wordt geëvenaard door nauwkeurigheid van den logischen
DATEERING DER GEDICHTEN.
samenhang, en dat nu en clan de onderlinge samenhang der gedachten ietwat vaag en onduidelijk is. En dit is zeker niet of althans niet alleen de schuld der tekstoverlevering. Men krijgt den indruk, alsof het den dichter niet gelukt is, aan zijne denkbeelden den daarvoor in alle oji-zichten passenden vorm te geven; alsof wij een ontwerp voor ons hadden, waaraan de laatste hand niet is gelegd. Het gedicht zelf levert geene gegevens op voor eene juiste dateering; de toespeling, die waarschijnlijk gelegen is in vs. 92 vlgg., is tot heden voor ons niet duidelijk, waarschijnlijk bedoelde hij bepaalde kerkvorsten, wier macht hij vreesde, maar die hij niet nader aanduidt l). Doch misschien is het wel beter, niet Oversee maar KGlaghe als Maerlant's zwanenzang te beschouwen.
X. MAERLANT'S BROXXEX.
De Latijnsche hymne, welke aan O//FF ten grondslag ligt, is reeds door Verwijs gevonden in een Arnhemsch hs. 2). Het gedicht wordt daar beschreven met de woorden »Eigmi de passione Domini, vexillo crucis et vulneribus Christiquot;. Zij staat ook bij Mone, Lat. Hymn. d. Miltelalters 1, 159 vlgg., waar echter eene aanvangs- en slotstrophe voorkomen, die in het Arnhemsche hs. zoowel als in de vertaling ontbreken. Ook in de volgorde der strophen is eenig verschil 3). De hymne is gedrukt door Verwijs in zijne Siroph. Ged. bl. 1G'2â104 en door Verdam in Tjdschr. 14, 102. Het oorspronkelijk van de andere hymne staat bij Dreves, Analecta Hijmnicci }[edii aevi XV, 95 vlg. 4). Verwijs had gewezen op
â¢) Ook aangaande vs. 105â107 zou men kunnen vragen ol' liet noodzakelijk is dio op den dicliter zelf te doen slaan. Als men sai/ic als praescns opvat (vgl. Crrimm , Gramm. i, 040), en zich het gebruik van ic herinnert voor men, dan zal men hot niet onmogelijk vinden dat ook daar een geestelijk lieer bedoeld kan zijn, dien de dichter niet noemen wil.
2) Onder andere gedichten op do laatste 30 bladen van het Hs. »Liber monasterii ad Fontem li. Marie pi-ope Aernheym, canon, regularium ordinis s. Angnstiniquot;; zie Catal. v. d. openbare Ãibl. van Arnhem, 1858, bl. 242.
3) Vgl. daarover Tijdschr. 14, 104 noot met 08. Ten opzichte der volgorde van de 4de en Ode strophe volgt Verwijs in zijne uitgave Mone, omdat deze in het logisch verband de ware moet zijn. Wij zijn hem daarin natuurlijk niet gevolgd, nu alle vier de teksten in de volgorde overeenstemmen (zie bl. 115 in de vai r.).
IJXVII
'') De lat. tekst luidt als volgt:
DE GAUDI1S U. M. V.
|
i. i Gaude, virgo mater Christi Quae de sancto concepisti Spiritu mirifice, Gabrieli credidisti |
5 Praemunita quae fuisti Caritatis indice. Verbo sancto mox repleta Spe conceptus eras laeta. Propter liane laetitiam |
Varr. (vgl. de noot op bl. IA IX). 1 O Maria muter
MAERLAKT'S BRONNEN'.
TjXVIIT
het gedicht »Corona Mariaequot; van Bonaventura {Opera, etl. Venei, XIII, p. 347; vgl. Mone II NO. 454 en 455) alsmede op Mone II NO. 457, en het vermoeden uitgesproken, dat ons gedicht hoogstwaarschijnlijk eene vertaling was van eene der talrijke hymnen de Gaudibus beatae Mariae1), die insgelijks met dezelfde woorden aanving als het eerste door hem aangehaalde gedicht (Gaude virejo, mater Chrisli, quae per aurem con-cepisti) en waarvan elke strophe wordt besloten met eene bede als in het tweede {Stroph Ged. bl. 160). Aan dit vermoeden beantwoordt het gedicht bij Dreves; alleen staat hier, merkwaardig genoeg, niet ijuaeper aurem concepisti, maar quae de Nando concepisti spiritu mirifiee.
|
10 Virgo pia, sic impleta, Veniente vitae meta Mc ducas ad gloriam. |
35 Ne repelli sinas a te l.oca ad lueifera. |
|
Gaudc, quia salvatorem Naturalem contra morem â 15 Peperisti domlna; Tuae laudis ad honorem Me praesenta peccatorem Tua cum familia. Tn de partu laeta tall Mihi Uice sis finali Salus et solatium. Ne sim Mammae gehennali Pro reatu criminali Datus ad supplicinm. 3. '25 Gaiide postquam te turbavit Et dolorem provocavit Sequens nati passio, Te laetam post restauravit, Laetiorem reformavit 30 Cliristi resurrectio. Virgo plena pietate, Rcfiilgentis novitate Laeta me laetifica, Nee oppressum gravitate 40 45 50 60 |
Gaude, virgo, dum scandebat, (jiiem scandentem subvehebat Nubes super sidera, Astra tenens eligebat Sedem dignam, qua sedebat Dei patris dextera. Propter eins elevamen Atque tuum consolamen Tna post gravamina, In extremis adju vamen Et ruinae relevamen Confer mihi, domina. Gaude, quae time laetabarls, Dum in coelum levabaris, Spes salutis hominum, Quorum noxam recordaris Et pro qiübus deprecaris Incessanter Dominum. Tu medela noxae dirae, Mihi veils subvenire Mortis in itinere, Et cum dies erit irae, Quain qnis nequit praeterire, Noli me relinquere. |
lO Cum qua salus est concreta 12 Spem salutis sentiam
morem 14 Genuisti genitorem 15 Virgo, mater, filia
17 debitorem 23 Mentem tuam conturbavit
28 Sed te laetam restauravit 34 Ne oppressum
bundus aseendebat 38 Corpus suum subvehebat
in te laetabaris.
1) De bewering van Brandl in Paul's Gmndr. II, '1, OÃ.i, dat in Engeland in den regel 5, op hot vasteland 7 «bliscapenquot; worden opgeteld, is niet geheel juist.
13 Naturalem contra 16 Tuae prolis ad 26 dolure 27 Christi passio
35 Nee repelli 37 Laeta-
3!» Coeli super 49 Quantum
MAERLATTT'S ISRONNETr.
Het is in weerwil daarvan zeker, dat deze bewerking de bron onzer vertaling is, want ook datgene waarin zij van Bonaventura verschilt, wordt in onze vertaling gevonden. De vertaler kende waarschijnlijk ook de andere hymne of het begin er van. Overigens heeft Bonaventura met den mnl. tekst geen grootere overeenkomst dan de hier afgedrukte bewerking, en ook de overeenstemming van nl 457 bij Mone, vs. 74 vlgg. ascendentem dimi vidisti filium met schr sagliedi ane (vs. 37) kan tegenover de doorloo-pende overeenkomst met de hymne bij Dreves !) niet in aanmerking komen.
Er is hier eene volmaakte overeenstemming in de geheele inrichting, de volgorde der »vroudenquot; of »bliscapenquot; eu den vorm der strophe; ook de gedachten en de uitdrukking er van komen zoo vaak overeen, dat men naar geene andere bewerking als bron van den mnl. tekst behoeft om te zien. Natuurlijk kunnen naast de ons bekende redactie nog andere met verschillen in enkele onderdeden in omloop zijn geweest. Doch in de wijze van vertaling is er een zeer merkbaar verschil met OHW. Hier is in den regel woordelijke overzetting; in TV. beweegt de vertaler zich vrijer, vooral in den overgang tot de aan de verschillende »vroudenquot; aangeknoopte gebeden en den inhoud er van. Hem moeten de gewone voorstellingen en uitdrukkingen van den Mariacultus ten dienste gestaan hebben, waardoor eene grootere vrijheid tegenover het orgineel mogelijk werd gemaakt. Als hij dezelfde is als de vertaler van OHW, dan had hij intussehen merkbare vorderingen gemaakt. Met de grootere afhankelijkheid van liet origineel zou de mindere bedrevenheid in den vorm zeer goed overeenkomen, die bij OIUV aan den dag komt. Strophe C van Fr. vinden wij bij Dreves niet: het is dezelfde, waarin het rijm c aan het rijm a is gelijk gemaakt (zie boven bl. Lil), eu niets verhindert ons aan te nemen, dat zij door den vertaler aan de hymne is toegevoegd. Het zou zeer aardig met onze boven voorgedragen beschouwingen overeenkomen, als wij hierin den eersten stap mochten zien tot de ontwikkeling van de door M. zelf uitgedachte strophe der Martijns.
In de Versl. en Meded. d. K. Acad., Afd. Lett. 189G, bl. 133 vlgg. heeft Verdam reeds vermeld, dat wij ook het oorspronkelijk van het eerste deel der Disp. hadden teruggevonden in een bij Paul Meyer, Daurel et Beton, bl. LXXV gedrukt latijnsch gedicht. Dezelfde tekst is naar andere hss. uitgegeven door Peiper, Arch. f. Litteraturgesch., van Schnorr. v. Carolsfeld, VH, 418 vlgg. 2). De uit 9 achtlettergrepige, dus
') De vertaling staut nog dichter bij de door ons naar Dreves medegedeelde varianten uit twee ïegernseesche liss. dan bij den anderen lat. tekst; vgl. vooral de varr. op vs. 13â15.
-) LAMENTATIO BEATE MARIE All CRliCEM.
4. , Fructurn non tibi debitum?
Crux, de te volo conqueri: Fructus quera virgo peperi
Quid est quod in te reperi Nil debet Ade veteri
Vuyr. '1 opschrift Disputacio beate virginis Marie et sancto crucis 2 Quia nunc in tc
4 IVuctum peperit ü Non
LXIX
maehlant's bronnen.
lxx
met staand rijm gedichte, jambische verzen bestaande strophe, met het driemaal herhaalde rijm aalt, is, gelijk reeds vroeger is gezegd, door M. in do hem eigene strophe omgezet. Aan het Latijn beantwoorden de strophen
|
Fructum gustanti vetitum; Intacti fructus uleri Tuns non debet fieri 9 Culpe non habens ineritum. 2. Cur pendet qui non meruit? Quid qnod te non abhorruit , Cum sis reis patibulum? Cur solvit (|iie non rapuit? Cur ei qui non nocuit Es penale piaculum? lii qui vitam tribuit Mortique niuhil lt;lebuit 18 Mortis propinas poculuin ? 3. Te reorum ilagitiis Te culparum suppliciis Ordinavit justioia: Cur ei-fro justum impiis, Cur virtutem cum viciis Sociavit nequicia? Redditur pena premiis, Oll'ensa benellciis, 27 Honori coatumelia. 4. Ueis in te pendentibus, Homicidis, latronibus, Inllicta est maledictio; .lusto pleno virtutibus, Ornato carismatibus Debetur benedictio; Ergo quid ad te pertinet? Cur vita mortem sustinet? 3ü Habitus fit privatio. UESPONSIO CRDCIS AD DEATAM virginem. |
Meorum decus palmitum; De tuo llore fulgeo, De tuo fructu gauileo, Redditura depositum. Dulce pondus snstineo, Dulcem fructum possideo. 45 Mundo, non tibi, genitum. C. Christus mortem non meruit; Quiil, si mori disposuit Ut morte mortem tollerut? Ligno lignum opposuit Et solvit quod non rapuit Ut debitores liberct. In Adam vita corruit, Quam secundus restituit, 54 Ut vita mortem superet. Ulinns1) uvam non peperit; Quid tamen viti deperit, Qnod ulmus uvam sustinet? Fructum tuurn non genui, Sed oblatnm non respui, Ut culpam pena terminet. A te mortalem habui, Iinmortalem restitui (53 Ut mors in vitam germinet. Tu vitis, uva filius; Quid uve competentius Quam torcular quo premitur ? Cur pressura fit purius Nisi quia jocundius Vinum sincerum bibitur? Quid uva passa (V. pressa) dulcius? Quid Christo passo gratius In cnjiis morte vlvitur? |
1
Aan den rand bijgeschreven com-paratio
7 Intactus 11 Quid est quod te non'obrult 15 suppllcium 17 Morü 22 cum
inpüs 24 Sociante 28 inde 30 est ontbreekt 36 sit (?) 37 opschrift Sequitur responsio saluitico crucis 3S Cui tibi totum; Me t t. 44 Dulce pondus 4Cgt; (Jui si m. 48 mortem morte 50 Et soluit que; Exsoluit quod 54 germinet 60 Ut (Nee) pena culpam 03 transeat 70 allen passa
MAE RL ANT'S BRONNEN.
2â14 der ranl. vertaling, welke het oorspronkelijk op den voet volgt, doch met die mate van vrijheid, welke een gewijzigde vorm noodzakelijk maakt. In M.quot;s 2lle str. zijn 23â26 toegevoegd, in de S116 3Câ39, in de 4de en 5de worden eveneens de 8 verzen van het oorspronkelijk tot 13, terwijl de Gtle en T»16 aan éóne lat. strophe beantwoorden; hetzelfde is het geval met de 8ste en 9de (9 berust op de drie laatste regels van de lat. 7de) en met de 10de en llde str. Str. 12 komt overeen met 8 vss. der lat. Sste, terwijl de 9de gebracht is tot str. 13, welke overigens, evenals 14, weder aan ééne lat. beantwoordt.
Bij eene zoodanige wijze van werken moesten enkele nieuwe gedachten, die men in verhouding tot het origineel gemeenplaatsen noemen kan, worden toegevoegd. Zoo zijn b.v. van Maerlant vs. 108â117. Doch het is onnoodig, om deze en dergelijke toevoegselen naar een ander origineel dan het medegedeelde lat. gedicht om te zien !).
Strophe 15 en 10 vormen den eenigszins stroeven overgang tot een nieuw gedeelte van het ndl. gedicht, waarvan wij eveneens de bron gevonden hebben, nl. in een gedicht dat naar een uit St. Jacob te Luik afkomstigen codex gedrukt is in Roman. Forschungen VI, 54 vlg. (vgl. bl. 28 vlg., 430 en 452) en naar een hs. uit Hclmstedt (in Brunswijk) bij Milchsack, Hymni et Sequentiae I, 142. Het gedicht 2) bestaat eveneens
LXX1
|
9. Multi se justos simulant; Filinm a te postulant Et ad me non respiciunt; Sed postquam michi creditus Et apud me depositus, Extra me mon inveniunt: Querant in meo stipite, Sug(g)ant de meo palmite 81 Fructum tmim quem siciunt. 80 twee hss. suggant, een sugant 87 moi ') Het letten op dergelijke gemeenplar bijdragen om te beslissen of M. vertaalt ( '2) ' Quid ultra tibi facere, Uinea mea potui? Quid potes michi reddere, Qui pro te cedi, conspui Et crucifigi uolui? Et tu pro tanto munere. Baptismi fracto federe, Presumis uiee mutui Rursum me crucifigere 10 Et habere contemptui. Belangrijke varianten: 10 ostentui |
10. Respondeas ypocritis; «Filinm meum queritis Quem cruci dudum credidi: Jam non pendet ad ubera; Pendet in cruce, vulnera Corporis monstrat lividi. Eum in cruce qnerite, Guttas cruentas bibite, 00 Emulatores perfidi!quot; istrans. .tsen zon misschien nu en dan iets kunnen lan wel zelfstandig dicht. 2. Existimasti temere Et me et mundo perfrui? Non possunt michi uiuere, Qui non sunt mundo mortui; At tu, quas sperni docui, Non cessas opes querere, Relicto Cristo paupere, Et quem signare uolui Paupertatis karactere t20 Mundano uacas luxui. |
maeklant's bronnen.
lA'xii
uit aclitsilbige jambische verzen met het zeldzame rijmschema ahahhaahah, en dus uit strophen van 10 regels. Twee op elkander volgende strophen hebben telkens dezelfde rijmen. M. heeft de lste lat. stroj^lic gemaakt tot de 17dB en lSd0 in het Mnl., waaraan de 19Je en 20ste zelfstandig zijn toegevoegd; aan de 2de lat. beantwoorden 21 en 22; aan de 3de 23 en 24; aan de 4de 25 en 20: met de beide lat. 5 en 6 komen in het mnl. overeen str. 27â30. De twee slotstrophen van het Lat. worden in
|
3. Uerum a sanctuario Proilit ista malilia Et a cleri contagio Monstra creantur omnia, Qui dil'lUiit luxuria Tiirpique inarcet ocio In apparatu regio Facitijue mutatoria Do meo patrimonie, oü Qui sto nuilus ad liostia. Quid, quod ipsa religio Crucem feit in angaria Et cuin datur occasio Recurrit cum lotitiii Ad pepones, ad allea. Simulate negotio, A plangentis olficio Red it ad secularia. Qui derelicto pallio iO Fugatur ab Egyptia. 5. Quasi non ministerium Creditum sit pastoribus, Sed regnum aut imperium, Nondum precinctis renibus Uacuisque lampadibus Usui pant sacerdocium Pensantque lane precium. Et non curant de ouibus De quorum sanguis ouium 50 Est requirendus manibus. |
G. Meum ire uicarium Meis decet in pascibus, Meumque patrimonium Meis dari pauperibus Non ignavis parentibus, Et in ouile ouium Non ingressi per ostium, Sed uol ui uel muneribus Quesitis per llagitium 00 Abutmitui' honoribus. 7. Propc est dies domini; Mei, qui me diligitis, Tune conformes ymagini Me sicut sum uidebitis: Beati, qui nunc plangitis. Quia eonsolabimini; Nam vos, qui me sequimini. Super sedes sedebitis Et, qui nunc iudicamini, 70 Mecum tune iudicabitis. At uos, qui gloriamini Operibus illicitis, Qui uobis mortem domini l'iodesse non perrnittitis, Qui Lazari et diuitis Exemplo non terremini, Cum ipso puniemini; Quidquid tarnen feceritis, Dum licet conuei timini 80 Ad me et salui eritis. |
3C vlg. stimulataque uicio/simulato negocio 40 fugerat 45 extinctisque 52 meis deceret passibus 55 ignaris ü'2 mee 72 in opuhus.
.Met eene zelfde gedachte als dit, begon ook een and^r lat. lied; z. Mone I, bl. 172; Anmialre-Bnlletin dr la Sociétc tie VUist. itc France 1885, bl. 104, en Bandini, Cataloyus Cod. Lat. Bi-bliotliecae Mediceae Laurentianae, dl. IV, bl. 588: âHomo vide quid pro te patior, si est dolor, sicut quo crucior. Vide clavos, quibus ennfudior. per quinque plagas nunc aperior.quot; Vgl. ook Orers. 4 vlgg. en het gedicht âGod van den Cruce sprect te diquot; (Lett. N. 11'. V1, bl. 210 vlgg.).
maerlaxt's broxxex.
den mnl. tekst niet terug-gevonden: met 31 en 32 neemt de dichter eene andere avending' door tot een kruistocht op te quot;svekken. Alleen de laatste verzen zijn voor 3S7 vlgg. gebruikt. De verhouding tot het oorspronkelijk is hier dus niet dezelfde als bij het vorige gedicht: de dichter is vrijer tegenover zijne stof en de zelfstandig aangebrachte toevoegselen zijn belangrijker van inhoud. Vgl. ook boven bl. LYIII en LX. Zijn de beide deelen niet te gelijk vertaald, of is het verschil hieruit te verklaren, dat de dichter vooral in dit gedeelte in zijn element was, waar hij eene boet-prediking houdt tegen do wereld en in het bijzonder tegen de geestelijkheid, alsmede eene eenigszins mystieke zelfkastijding aanbeveelt? Eenige reminiscencen in den Rinclus, die wij beneden zullen aanwijzen, zijn alle uit dit gedeelte. Is dat toeval, of heeft het ook afzonderlijk bestaan? Ygl. hierover nog beneden bl. LXXXV1II.
Voor den strijd tusschen oog en hart in Jf. I, 677 vlgg. had reeds Kausler, Denkm. 3, 357 noot 1 herinnerd aan het bij Wright, The Latin poems, commonly attributed to Walter Ma.pes, bl. 93 vlgg., gedrukte gedicht: »Dispiitacio inter cor et oculumquot;, doch op deze mededeeling schijnt weinig acht geslagen te zijn. Het gedicht is ook gedrukt in Archiv. f. Litteraiurgesch. YII, 424 vlg.: vgl. ook Archives des Missions scieniifqiies et litter air es 2de serie, dl. 30, bl. 2541).
') DISPUTATIO INTER COR ET OCULUM.
i. Quisquis cordis et oculi non sentit in se iurgia,
lx xiii
|
Non r.ouit qui sunt stimuli, Causam nescit periculi, Cii v procaces et emuli Cor sic affatur oculum: Te fomitem, te stimulum Tu domus mee ianitor Familiaris proditor 0. Nonne fenestra diceris, Nonne quod nides r.equeris Cur non saltem quas ingeris Aut quare non erueris |
que culpae seminaria: cur alternent conuicia replicent in se uicia. ))Te peccati piincipium, te mortis uoco nuntium hosti non claudis hostium; cur foues adversarium? qua mors intrat ad anirnam? ut bos ductus ad uictimam? sordes lauas per lacrimam? mentem fermentans azimam ?quot; |
43. Cordi respondet oculus:
iniuste de me (|uereris;
|
Tibi sum senilis sedulus, Nonne tu milii praecipis Non ego, tu te decipis: 17. Cur dampnatur apertio Sine cuius obsequlo Quod si fiat irreptio, Si quod recepi nuncio, |
exequor quicquid iusseris. sicut et membris ceteris? nuncius sum, quo miseris. corpon necessana, cuncta languent officia? cum sim fenestra peruia, que putatur iniuria? |
Varianten. 1 Si quis 5 fontem 8 cur foues : admittis 9 iotrahit 12 exueris Strophe 5 na de Ode 18 officio 19 quo irrepio per me fenestra
maerlant's broxnen.
Dc groote overeenkomst, zoowel in de gedachten zelve als ook in de uitdrukking er van laten niet den minsten twijfel, of dit gedicht moet de bron zijn van hot Sste quodlibet van M. I, strophe 51â59. In het bijzonder vestigen wij nog de aandacht op de overeenstemming van fa-miliaris proditor met vrienddije riant (vs. 690), van quare non erueris met men stake bet ute ... sitlkcn pant (vs. 690 vlg.), van niiHo pulvcrc queni immittain pollueris mot noit van mi tuwert lac een stof, cd quaernt mi innc (vs. 707 vlg.). Maar het gebruik, door M. van het origineel gemaakt, is hier nog vrijer dan in de Ditp. De dichter behandelt zijne stof veel zelfstandiger: hij laat uit en voegt too, en acht zich ook minder door de woorden van het Latijn gebonden. De 50 verzen van het oorspronkelijk zijn in de bewerking tot 117 geworden, en de beide eerste, strophen alsook de laatste zijn van M. zelf. Wij kunnen hier eerder spreken van eene bewerking dan van eene vertaling. Ook dit onderscheid is voor de dateering van Mart. I niet zonder gewicht.
De beide door M. gebruikte 1 )isputationes, evenals het gedicht Quid ultra tihi facere worden toegeschreven aan don kanselier der Parijsche Universiteit, Philippe de Grève, een geestverwant van Maerlant; zijne werkzaamheid valt in het tweede kwart der 13de eeuw. Wij komen straks nog even op hem terug (bl. LXXVII) l).
Dit is wat ons bekend is van doorloopende geschriften, waaruit M. heeft geput. De vraag, of hij nog andere bestaande werken heeft vertaald of bewerkt, kan noch. bevestigend noch ontkennend beantwoord worden. Van Claus, heeft Van den Bergh het vermoed op grond van vs. 20. Maar uit M.'s -woorden â men lette ook op de eischen van het rijm â is dit niet met voldoende zekerheid op te maken. Eerder nog zou de trochaïsche maat aan het begin wijzen op een latijnsch origineel. Doch in geen geval kan men op grond hiervan onderstellen, dat er een lat. gedicht van dezelfde inrichting en gelijken omvang heeft bestaan. Bij het begin der levensbeschrijving van Maria, vs. 404, haalt M. Joh. Damascenus aan. Bedoeld is diens Homilia prima in iJonnitionem B. 31. V. (in het 2de deel der Opera (Parijs, 1712), c. G en 7, bl. 862; vgl.
LX NIV
|
21. Addo quod nullo puluere ' Nullum malum te Iedere De corde mala prodeunt: Uirtutes non intereunt, 25. Dum sic uterque disputat Ratio litem amputat Reum utrumque reputat, Nam cordi causam imputat, 21 Adde 24 introeunt 25 osculo !) Zie over hem het opstel van Peip Grundr. d. Bom. Philol. II, '1 , 3li8 vlg |
quem immittam pollueris, potest nisi consenseris. inuitum nichil pateris, nisi culpam admiseris.quot; soluto pacis uinculo, diffnntiuo calculo; sed non pari periculo: occasionem oculo. 28 culpam. _t in Arch. f. Littcratnrgcsch. Vil, 400vlgg.; |
maerlant's bronhen.
ook de aant. op Claus. 27). Doch daar vinden wij niet eens de door M. opgegeven tijdsbepalingen en getallen terug, en de lat. tekst heeft over het geheel niet veel stof aan 31. geleverd. Dan bewijst de aanhaling toch wel, als zij niet ook uit het mogelijke origineel is overgenomen, dat M. zelf aan de â trouwens vrij onbeholpen â¢â compositie van het gedicht oen werkzaam aandeel heeft gehad. Mogelijk had hij een lat. gedicht voor zich bij het eerste gedeelte, tot str. 24, en heeft hij zelfstandig de schoonheid van Maria geschilderd, en de schets van hare levensgeschiedenis, alsmede de eenigszins vreemd hier ingelaschte strophen 35 en ;5C toegevoegd. Evenals het gedicht over hart en oogen kunnen natuurlijk ook andere bij de Martijns zijn gebruikt. Maar juist bij deze gedichten is de innerlijke waarschijnlijkheid zeer groot, dat wij daarin zelfstandige scheppingen van M.'s geest te zien hebben, eeno beschouwing, welke ook Verwijs (ïïr/j}. Mart. XI vlg.) en Kausler (Denkni. 3, 357) toegedaan waren. Hetzelfde geldt van Oversee en KCiaghe. Wij hebben boven aangetoond, dat bij deze gedichten de vloeiendheid in don vorm voor oorspronkelijkheid spreekt, al moet men ook erkennen, dat de dichter zich in bekende en hem dierbare gedachtenkringen bewoog, zoodat hij die zelfde bedrevenheid, ook al was hij slechts vertaler, hier aan den dag had kunnen loggen.
Men heeft ook op den franschen dichter Eutebeuf gewezen als op een M. voor oogen staand voorbeeld. Inderdaad herinneren reeds twee titels zijner werken La Complainte d' Outremer en De la vie don Monde ou Ccst la Complainte de Sa in te Eglise aan 31.'s beide laatste gedichten, en als men de karakterschets van Jubinal of Paulin Paris leest, dan zou men menigmaal zeggen er eene over Maerlant te lezen i). Doch men leert daaruit alleen dit, hoe licht eene onvolledige karakteristiek op een dwaalspoor kan voeren. Want in werkelijkheid heeft onze Vlaamsche dichter met zijn even hartstochtelijk als onverholen uitgesproken verontwaardiging over de zedelijke ontaarding der menschheid en zijn ietwat zwaarmoedig temperament bijna niets anders gemeen met don wuften franschen dichter, die met dezelfde sierlijkheid en dezelfde rijmknnstjes eene opwekking tot een kruistocht schreef als eene »goede boerdequot;, dan dat zij beiden als schrijvers zich hebben bezig gehouden met de onderwerpen en de vragen van den dag. Wij ontmoeten in hunne gedichten dezelfde kwesties van algemeen belang, dezelfde aan de orde zijnde vragen, en indien wij in hunne inkleeding nu en dan eenige overeenkomst opmerken, dan behoeft daartus-schen geen inniger band te bestaan dan thans tusschen de hoofdartikelen van
') »Le fait predominant de ses rimes, celui qui revient sans cesse dans ses virulentes strophes, c'est son amour pour les croisades et sa liaine eontre le clergé.... Remarquons pourtant que T'. n'attaque jamais nl le dogme ni Dieirquot;,
Jubinal, Oeuvres Coiupl. de li.-, I, ^XUl iv. Of «La poësie en est.....gonllée
d'amei tinne et d'indiguation coutre les désordies de la société en general et do l'ÃgUse en particulierquot; (II, 30).
lxxv
MAEKTjANT S ÃRONNEÃT.
twee dagbladen van dezelfde richting. Van invloed van den Franschen dichter op den Vlaamschen kan rnen inderdaad niet spreken: M.'s afkeer van de Fransehe poëzie is al a priori hiertegen een bezwaar. Niettemin bestaat de mogelijkheid dat hij do gedichten van R. heeft gekend en daaruit de opwekking om dezelfde onderwerpen te behandelen geput heeft. Het eerst zou men nog kunnen denken aan een rechtstreeksch gebruik van R.'s gedicht Complainte da Sainie Eglise, en wel niet, gelijk men zou verwachten, bij het evenzoo betitelde gedicht Der Kerken Claghe, maar juist bij O eer see (Rutebeuf, uitg. Kressner, bl. 181 vlgg.) l). Doch de overeenstemming bepaalt zich ook hier tot gedachten, welke men ongetwijfeld in dien tijd honderdmaal op allerlei verschillende wijzen geuit zal vernomen hebben, en wanneer van rechtstreekschen invloed sprake was, dan zou hef niet zijn die van den Franschen dichter en zijn dichttrant, maar uitsluitend van het gedicht zelf, hetwelk aan eene ook in zijn gemoed opkomende gedachte uitdrukking had gegeven.
Dergelijke parallellen uit de literatuur zijn natuurlijk niet zeldzaam. Veel is al van dien aard in onze aanteekeningen vermeld, de Bijbel bij M. I, 210; 327; 415 2)j 475; 782; Gregorius de Groote bij M. I, 210; het Symbolum Alhanasianiun bij 111, 318; Bernardus Sermoenen bij Cl. 443; Joh. Damascenus bij III, 105; Claus. 27, e. e.; Albertus Magnus de Laudihus B. M. bij Cl. 27, e. e.; de Aurea Legenda bij KOL 30; eene hymne de Trimtaic bij 111, 105; Thomas van Aquino bij III, 1G3: Bo-naventura bij Cl. 3; Alanus ab Insulis bij M. I, 576; Jac. de Vitri, Ilist. Oc.cidentalis bij Disp. 300; de Sassenspiegel bij M. I, 521. Vgl. ook II, 211 en 214. Ook aan ongewijde lat. schrijvers heeft hij nu en dan eene gedachte ontleend, b.v. aan Ovidius .1/. II, 124; aan Juvenalis I, 927.
Het talrijkst zijn, wat bij den aan bepaalde dogmen gebonden inhoud niet te verwonderen is, dc plaatsen uit Mart. III, die bij andere schrijvers worden teruggevonden. Men vermoedt dat M. bij dit gedicht twee geschriften van Vincentius van Beauvais heeft gebruikt, nl. De Sancta Trimtaie en Dc Dei fllio, mitndi liedernptore; vgl. vooral Verwijs, Wap. Mart. XXXII vlg. Doch daarvan is niets met zekerheid te zeggen, zoolang wij deze schriften zelve niet kennen. Opmerkelijk zijn in elk geval eenige plaatsen, welke herinneren aan de eveneens (zie bl. LXXIV) aan Fhil.de.
') Vgl. 30 vlgg. rnet Overs. 'Ml vlgg.; 58 vlgg. en Complainte cVOutre Mer (Kressner bl. 19 vlgg.) vs. 151 vlgg. met Overs. 118 vlg.; Compl. 04 vlgg. met Overs. 144 vlgg.; 102 vlgg. met Overs. 157 vlgg., waar ook met li membre de Dieu Maeiiants f/oc/.s leden woordelijk overeenkomt.
2) De daar te vergeefs gezochte plaats is te vinden in Jezus Sjraclt X, 0: avaro au tem nihil est scelestius, niet in de boeken van Salomo. M. heeft zich hier dus in den persoon van zijn zegsman vergist; of hij volgt hierin eene ook elders voorkomende verkeerde meening, wellicht voortspruitende uit eene verwarring van Ecclesiasles (»de Predikerquot;) en Eeclesiaslieus («Jezus Syrachquot;).
LXXVI
MAERLANT'S BRONNEN'.
LXXVII
|
Grève toegesclirever verzen »Dijaloi 420 vlg-g.). Vgl. met .1/. Ill, '200â25 Pater, uerbum, spiritus Natus erueem patitnr Hinc speratur amplior Quo hinc nil humanura est en uit str. 42 Vict a cedit Ratio, Verder mot III, 40â44 (ook met I, Miror ignorantiam Dum more mortalium |
us fulei et rationisquot; (Archit;. VII, 1 Di/al. str. 39: tres sunt in personis; non exclusus tronis: palma cum coronis, nisi rationis, Fides coronatur. 2G1â200) Dyed. str. 40: qua sic excecaris, diuina scrutaris. |
Met III, 183 vlgg. vergelijke men Augustinus bij Migne, dl. 34, kol. 388: »deus, ipse nec per tempus nec per locum motus nioveat temporaliter et localiter creaturam suamquot;; verder â ook wel naar Augustinus â Rabanus Maurus 1)6 universo (Migne, dl. 111, kol. 26): »[Dcus] Immensus (juod euncta concludat, et ipso a nullo concludatur; met III, 443 liet opschrift van een hoofdstuk bij Richard van St. Victor, nl. »Quomodo Spiritus sanctus est Amor Patris et liiiiquot; (Migne, dl. 196, kol. 1011); misschien mag men ook voor III, 150 vlgg. [de* vader daerheil) lierin-neren aan Rab. Maurus (Migne, dl. 111, kol. 702, aldus onjuist aangeh. in het Register, dl. 219, bl. 24): gt;Filius [dei] splendor lucis et speculum sine macula.quot; Eene met III, 157 vlgg. overeenstemmende gedachte, waarvoor wij in de aant. naar Thomas van Aquino hebben verwezen, had M. ook kunnen vinden bij Rab. Maurus De Universo (Migne, dl. 111, kol. 26): »Trinitas appellata, quod flat totum unum ex quibusdam tribus, quasi trinitas: ut memoria, intelligentia et voluntas, in quibus mens habet in se quamdam imaginem divinae trinitatisquot; (naar Augustinus, De Trinilate. Migne, dl. 42, kol. 984). Vgl. ook Kausler, Dcnkm. 3, 378 noot.
Thans moge nog een aantal andere plaatsen in de volgorde der gedichten ter vergelijking worden aangevoerd.
I M. 196 vlgg. Voor de geheele voorstelling in deze strophen laten wij de plaats uit Greg, de Groote, Dialogen, Lib. IV cap. XLIV (Migne, dl. 77, kol. 404) hier volgen.
Petrus. »Scire velim quomodo justum sit, ut culpa, quae cum fine perpetrata est, sine line puniatur.quot;
Gregor. «Hoc recte diceretur, si districtus judex non corda hominum, sed facta pensaret. Iniqui enim ideo cum fine deliquerunt, quia cum fine vixerunt. Nam voluissent utique, si potuissent, sine tine vivere, ut potuissent sine fine peccare. Ostendunt enim quia in peccato semper vivere cupiunt, qui nusquam dosinunt peccare, dura vivunt. Ad magnam ergo
maerlant's uronnen.
lxxviii
justitiara jurticantis pertinet, ut nnmquam careant supplioio, qui in line vita minquam voluerunt carere peccato.quot; Reeds bij Augustinus »De eivi-tate Deiquot; (^[igne, dl. 41, kol. 725) wordt overwogen »an hoe ratio jnsti-tiae habeat. ut non sint extensiora poenarum tempora, quara fuerint peccatorum.quot;
I M. 339 vlgg.; Hjjmnus Ruperti ad Spir. Sanct. (Migne, dl. 168 j kol. 1633):
|
tu patris indnlgentia, ex te luit consilium traxisti de coelo Deum tu es amor per quem Deo fecisti domum corporis septem columnis editum |
tu vera Christi charitas, salvationis hominum, in uternm femineum, conjuncta est nostra caro, in matre lilio Dei per septiformara gratiam. |
I M. 404 vlgg.: Salviani Massiliensis presliyteri »Adversns Avaritiatnquot; (Migne, dl. 53, kol. 181): »alioqui inaestimabile malum est bonis a Deo datis non bene uti. Avaro enim, inquit Scr. sacra, nihil est scelestius, et pessimum et feralissimum morbi genus, divitiae conservatae in malum doraini sui.quot; Kol. 182: ^Non enim ipsae divitiae por se noxiae, sed meutes male utentium criminosae.quot;
Vgl. voor dezelfde plaats en I, 833 vlgg. ook Alanus, Liber de Planclu Nature (Jligne, dl. 210 kol. 466):
Non census, non divitias, non divitis usum Damno, si victor animus ratione magistra Snbjectas sibi calcat opes, si denique census Nobilis auriga ratio direxerit usum ').
I 3f. 547 ff. Precies dezelfde gedachten over de »nobilitasquot; vinden wij reeds in Hieronymus' brieven (Migne, dl. 22, kol. 1214), b.v. de woorden; »nec interest, qua quis conditione natus sit.quot;
Cl. 365 vlgg. S. Anselmi Ilomiliae (Migne, dl. 158, bl. 645): »Virgo Maria.... quani virginitas mentis et corporis, quasi murus, ita undique vallavit, ut nullus unquam libidini ad eam esset accensus.quot;
Cl. 378 vlgg. Augustini Sermones supposititii, Serm. CXXIII (Migne,
1) Ook aan de daaraan voorafgaande woorden (kol. 404) herinneren meer dan eens de woorden van AI.: sProh dolor! Metallorum onera largiuntur honores, ad metalli pondera ponderatos. Jam non Caesar, sed minimus est omnia, quia ab individuallbus usqne ad generalissimam, honores singulos tamquam mediator per-currit. Nummus patriarcha noster est, episcopos et archiepiscopos inthronizat, alios archidiaconalibus adoptat olïiciis, alios denique aliarura dignitatum et ol'ficiorum coaequat negotiis. Quid plura? nummus vincit, nummus mundum regit, nummus imperat universis.quot; Dit werk van Alaen is als dat van M. een dialoog. â Kausler zegt Denkm. 3 , 357 noot: »eine reihe von stellen [in den Martijns] erinnert ins besondere audi an den von dem dichter selbst angeführten Alan von Lille.quot;
MAERLANT'S BRONNEST.
dl. 39, knl. 1991): »crevit cnim in eius partu integritas corporis potius quam decrovlt, et virginltas ampliata est pothis qiiam fugataquot; l).
Wat den inhoud betreft heeft de klacht van Jezus in Disp. en do beide laatste gedichten verscheidene punten van aanraking met een gedicht Planctus Ecclesie, dat bij Dreves, Analcda 15, 252 vlg. uit een hs. van Chartres gedrukt is. Op enkele plaatsen wordt de betrekking bijna woordelijke overeenstemming 2).
Uit de aangevoerde vergelijkingen (zie ook Kausler, Denkm. 3, 384 noot) behoeft nog niet te worden afgeleid, dat do aangehaalde werken steeds rechtstreeks M. s bronnen zijn geweest: zij moeten voornamelijk aantoonen, dat zijne gedachten, meer of minder op gelijke wijze ingekleed, in de literatuur kunnen worden teruggevonden. Wie in de mlat. letterkunde belezen is, zal niet alleen de overeenkomstige plaatsen aanmerkelijk kunnen vermeerderen, maar ook met moor zekerheid kunnen uitmaken, of wij bij Maerlant de kennis juist van eene bepaalde bewerking mogen veronderstellen, ilen zou dan wellicht ook samenhangende gedichten of geschriften als bronnen van M. kunnen aanwijzen, in plaats van de hier door ons opgesomde losse plaatsen. Doch wij houden ons overtuigd, dat men die niet voor al de gedichten zal vinden: bij M. I en III, Overs, en KClarjhe zal wel de compositie van Maerlant zelf zijn. Minder zeker zijn wij omtrent Claus., .1/. 11 en de rest der Disp. Ook de oorspronkelijke gedichten zijn, het moet worden erkend, voor een groot deel uit reminiscencen opgebouwd; zij bevatten de gedachten, die den dichter door de school, uit de kerk en door zijne lectuur waren bijgebleven, en die bij hem den vorm van vaste overtuigingen hadden aangenomen3). Daaraan heeft hij in meer of minder gelukkige eigene
') De toepassingen van feiten uit het O. T. op Maria worden behalve in de in de aantn. genoemde gesclniften ook in groot :iant;il gevonden in oen gedicht bij Milchsack, llijmni el Sequenliae, hl. 148 vlg. Maar slechts op ééne plaats zou men eone nauwere betrekking fiisEchen M. en dit gediclit kunnen zien, nl. in vs. 353â356, vergeleken met Claus. 105âHO:
Ista scala est quam videt Jacob celos tangere
Per quam homo non diffidet ad superna scandere.
-) De beide eerste strophen mogen hier met het oog op het hegin van Ovcs. worden medegedeeld (men ziet tevens dat mammon'e, vs. 21, niet behoeft te worden bestreden):
Animales Sarraceni Bethlem sanctam rapuere,
Mittunt in me gladios, Peremerunt ineolas,
Multa pravitate pleni Jerusalem foedavere,
Meos necant fillos, Violarunt violas,
Et ut domini terreni Moschelas ibi fecere,
Faciunt exitios. Fugarunt Christicolas.
â ') Dit is ook het geval, als bijzonderheden uit zijne vroegere werken, die hij toen uit de eone of andere bron putte, in deze gedichten terugkeeren. Opmerkelijke overeenkomst vindt men daar waar hij in de strophische gedichten de geestelijk-
LXXIX
MAERLATÃl's BRONNEN.
composities ecne dichterlijke uitdrukking gegeven, die ons bekoren, daar zij uit het diepst van zijn gemoed voortgekomen zijn.
Van do versmaat dezer gedichten gelooven wij liet quot;waarschijnlijk gemaakt te hebben dat die uit mlat. rhythmen door Maerlant zelf is gevormd. De bijna dramatische inkleeding bij de Disp. -was hem door Phil, de Grove's gedichten aan de hand gedaan. De verspreiding van den didak-tischen dialoog in de kerkelijke literatuur is voornamelijk te danken aan den voorgang van Augustinus !). Het voorbeeld, in dezen door M. rechtstreeks gevolgd, zouden -svel do dialogen van Gregorius den Groote geweest kunnen zijn. Er is althans naar onze meening niets in te brengen tegen de onderstelling, dat hij de boven aangehaalde plaats uit zijne werken zelve voor oogen heeft gehad, en niet, gelijk in de aant. (op bl. 157) is gezegd, door tusschenkomst van Thomas van Aquino.
\l. Ol'MEKKIXCK.N OVKK IXIIOI'D KX 8AMENSTKLLIXG.
Het is niet onze bedoeling te trachten, eeno doorloopende uiteenzetting van den inhoud en de samenstelling onzer gedichten te geven; doch wij houden het voor wenschelijk eenige hierop betrekkelijke detailkwesties te bespreken.
Van den Eersten Martijn geeft Te Winkel, Gesch. 322â32G eene vrij uitvoerige ontleding, waarin wij op één punt eene verbetering aanbrachten; zie de aant. op I, 210. Niet geheel juist is het ook als Te Winkel zegt: »Veel samenhang tusschen de verschillende onderwerpen is er nietquot;: de dichter heeft althans getracht er zooveel mogelijk samenhang in te brengen. Do grondgedachte van het eerste vraagpunt is: »den braven man gaat het slecht in de wereld en de gewetenlooze vloier geniet voorspoedquot; en het tweede luidt: »hoe een rechtvaardig God do boozen kan laten gedijen ten koste van de goeden?quot; De vrager wordt gerustgesteld door hem er op te wijzen dat, al moge het den zondaar hier op aarde ook menigmaal voor den wind gaan, op dien voorspoed de eeuwige straf in de hel volgt en dat zijn geheele geslacht zal te niet gaan. Hiermede in duidelijk verband staat dan de derde vraag, »hoe het met de rechtvaardigheid Gods is overeen te brengen, dat de straf eeuwig-duurt, terwijl de zondaar toch slechts ten hoogste een menschenleven lang het kwade doet?quot; Het antwoord moet daarin worden gezocht, »dat de rechtvaardige rechter niet de daden der menschen oordeelt, maar de gezindheid des harten.quot; ».Iaquot;, erkent Jacob, »al ghepeins es openbaer
lieid onder handen neemt met Alex. VJI, G27 vlgg. (bij Gautier VII, 3G0 vllt;rg.). Vgl. ook M. I, 831) vlgg. met Alex. VU, (107 vlgg. Zoo hebben wij ook enkele parallellen tusschen M. 1 en Troijen aangewezen (boven bl. LXI1I noot 1) en ook op enkele andere is reeds vroeger kortelijk do aandacht gevestigd.
') Zie lind. llirzol, Der Dialog., ein lillerar-hislorischer Versnelt, \\,h\. 310 vXgg.
LXXX
OPMERKINGEN OVER IX1IOUD EX SAMENSTELLING.
vooi- hemquot;, en nu wordt daaraan vastgeknoopt eene bespreking der kwestie, »dat dan toch niet alle goede daden van een mensch, die met eene doodzonde is bezwaard, als waardeloos kunnen worden beschouwd i): dit is in strijd met G-ods liefde, waarover uitvoerig wordt gehandeld. Daaraan wordt dan eene beschouwing over de verschillende soorten van liefde vastgeknoopt 2). Nu verwisselen in het midden van het gedicht, str. 36, Jacob en Martijn hunne rollen, en begint eene tweede serie van vraagpunten, die met de vorige niet in verband staat. Allereerst vraagt Martijn, waar het verschil in stand, het onderscheid tusschen edelen, vrijen en lijfeigenen vandaan komt, daar toch alle menschen van Adam afstammen. Jacob heldert dit op, en toont aan, dat daardoor de gemeenschappelijke afstamming niet wordt wederlegd. Nu vervolgt Martijn: - als dan alle menschen broeders zijn, hoe komt hot dan, dat zij elkander zoo dikwijls ten bloede toe vervolgen?quot; De daarop volgende vraag, »of de liefde in het hart of in het oog oorsprong neemtquot; staat, het is waar, niet in innerlijken samenhang met de vorige, maar waarschijnlijk is toch althans een uiterlijk verband bedoeld in de tegenstelling van minrcs van den ponden (vs. 050) en gherechte minne (G53). Zoo moet de herinnering aan het jongste gericht (vs. 759 vlgg.) dienen als aanknoopingspunt van de volgende vraag, »of rijkdom dan wel armoede beter is ter verwerving van het eeuwige levenquot;, en wordt ook de laatste kwestie (vs. 871 vlgg.) »of de vrouwen de schuld dragen van al het kwaadquot; met de voorafgaande beschouwingen, over het jongste gericht en het eeuwige leven in verband gebracht. Over de grondgedachte van den Tweeden Martijn hebben wij boven (bl. LXII) gehandeld; ook over de Drievoudichede en Clausule willen wij hier niet spreken. Daarentegen moeten wij over Disp. iets uitvoeriger zijn.
De aanvangsstrophe schildert Maria's ziclesmart bij het kruis; dan volgt
!) God is niet zoo onbarmhartig, als sommige al te ijverige theologen (Boendale zegt «minderbrueder ende jacopinequot;) liet voorstellen. »Als God dezen maar naar de hel wilde zenden, dan waren wij hen kwijt en dan zouden zij in hun ijver wellicht de poort der hel even vast voor ons sluiten als thans die des hemelsquot;. Dit is wel de bet. van quot;1 iIâ2i7. Ygl. de paraphrase in Teesteye 2425 vlgg. en llnkelare: »o fiat id quod orem! Cerberi sint in clausula, luce verna caritnra, vi minuendo forem, ne qnis intret doloremquot;. Dezelfde gedachte keert, anders geformuleerd, in str. 23 terug; ook vs. 293 vlg. zullen wel geene andere gedachte bevatten; «die van den watre maecte wijnquot; is ongetwijfeld slechts eene omschrijving voor God; vgl. de aant.
-) liet is eenigszins vreemd, dat in deze uiteenzetting vs. 3SG met 38.quot;) dooreen finaal dat is verbonden; de beide zinnen zijn, gelijk de bewijsvoering der volgende strophe toont, veeleer als tegenstelling van elkander op te vatten. Daarom verbindt Bukelare ook anders: «Placa deum, hunc adores; propter jus suda sudores, nee lassus delicias. Vane landis subter llores hii latent adulatoresquot;, en lis. A heeft niet dnt, maar hoidli (d. i. hoed «, Mnl. Wdb. 3, (gt;4(1) dat. doch alleen dooi' F gevolgd {Wacht dat) en tegen liet metrum.
Lxxxr
â¢X-
orjrerkiivr.ex over inhotjd ex samenstelling.
de vertaling van den woordenstrijd tusscheu Maria en het kruis tot vs. 182. Maria ziet in, dat Jezus vrijwillig sterven wilde om de menschheid te redden. Hij heeft ons het kruis nagelaten, dat tot in het diepst der hel zijne kracht behoudt. Nu volgt na eene inleidende strophe over den treurigen toestand der christenheid en het verlies van liet Heilige Land, van vs. 209 af, eene klacht van Christus, van het hoofd over de leden, waarvan de inhoud, gelijk wij zagen, weder naar een lat. gedicht is bewerkt. De klacht moet zicli blijkbaar aan de laatste verzen van den woordenstrijd aansluiten, doch zeer geleidelijk is de overgang niet. Met de wending »ik zie dat alle kwaad komt -gt;uter sacristiëquot;quot; (a sanctuarió) stort de gekruisigde zijn toorn uit vooral over de geestelijkheid, die in al hare leden, tot de bedelorden toe, verdorven is door de zucht naar wereldsche genietingen. Ue zich daaraan aansluitende vermaning heeft weder betrekking op de gansche christenheid, niet op de geestelijkheid alleen, doch zonder dat deze nieuwe wending wordt aangeduid: een misstand, die in de bewerking sterker uitkomt dan in het origineel. »Keert tot mij terug, trekt heen en bevrijdt liet Heilige Land! Het is niet over mijne ellende, dat ik klaag, want ik ben lieer van het heelal, ik denk alleen aan uw zieleheil.quot; Na deze woorden van Christus zegt dan de dichter: »wat zullen wij, arme menschen, nu doen! Onze voornaamste hoop was op Maria gevestigd. Maar â en daarmede komt M. weder op het eerste deel van liet gedicht terug â van het kruis hooren wij dat zij ons maar weinig baten kan als wij niet met Christus lijden, en de gekruisigde zelf richt tot ons de bitterste verwijtenquot;. De zondaar, zoo heet het dan verder, zoekt het heil (»des levens edele vruchtquot;) aan den »boom des levensquot; i). Maar niets kan baten daar waar »des levens edele vruchtquot; wordt geschonken (de weg tot het eeuwig heil wordt
lxxxii
OrjIERKINGEN OVEI) INIIOUO EX SAMENSTELEIÃTG.
opengesteld), als men niet Jezus lijden smaakt. Den rappel dos levensquot; zie ik aan Maria hangen (als liet ware als zuigeling aan hare borst) en aan het kruis. Wat is nu de levensboom? Waarheen zal ik mij wenden? Doch ik heb een goed vertrouwen; aan beide zijden vind ik gegronde hoop. Nu treedt Ontferming op en bevestigt de reeds gevonden beslissing: »wie het kruis zoekt, vindt aan zijn voet ook de Moedermaagd, en wie Maria zoekt, vindt haar onder het kruis. Men moet noch de hulp der eene noch van het andere versmaden.quot; Daarna besluit de dichter met eene aanroeping van Jezus, Maria en hot kruis.
Men heeft zich liet gelieele gedicht voor te stellen als een visioen: de dichter ziet den Heiland aan het kruis hangen en de weeklagende moeder daarbij staan. Tusschen hen vieren ontspinnen zich nu de dramatische tooneelen. Het hoofdgebrek in de samenstelling is hierin gelogen, dat de toestand waarin de Moedermaagd klaagt over den dood van haar zoon, d. i. volgens de lste strophe het oogenblik der kruisiging, en die waarin de gekruisigde klaagt over de verdorvenheid der wereld, moeilijk dezelfde kunnen zijn. Doch zoo slecht als het wel eens is afgeschilderd, is het gedicht niet. Eenheid in de conceptie is er, het moet erkend worden, niet: maar men kan eene poging doen om dit feit te verklaren. Disp. bestaat blijkbaar uit drie zelfstandige onderling verbonden stukken. Van twee hebben wij liet lat. oorspronkelijk aangewezen: van het derde mogen wij een lat. orgineel onderstellen, en dit dos te bepaalder, daar wij het hier uitgesproken oordeel hadden gevormd, vóór dat wij de verzen Quid ultra tihi facere hadden gevonden. Het derde gedicht, overeenkomende met str. 37 tot 45 (of 4G) zou tot titel kunnen hebben Quae sil vera arbor (of lignum) vitae. Do moeilijkheden zouden merkelijk verminderen als wij aannamen, dat oorspronkelijk slechts I en III te zamen waren verwerkt, althans str. 33 en 34 sluiten uitstekend aan de IS116 aan, en de natuurlijkste opvatting van 30 is â in strijd met den samenhang waarin zij nu staat â dat daarin alleen van Maria en het kruis gesproken werd, gelijk ook in alle volgende. Str. 35 zou dan tot beter verband later kunnen zijn toegevoegd, en het is niet ondenkbaar dat ook vs. 4(33 om deze reden is gewijzigd. De klacht van Jezus staat in elk geval met het geheel slechts in een zeer los verband, en het is ook vooral daardoor dat de ongunstige indruk over de samenstelling van het geheel veroorzaakt wordt.
Terwijl in Orersee de gedachtengang niet opzettelijk behoeft te worden besproken, zijn er in KGlaglie, in menig opzicht zoo nauw met Oi. verbonden, zeer vele moeilijkheden, die het juist verstaan in den weg staan (vgl. bl. XLVI vlg.). Naar onze meening is de inhoud uitsluitend gericht tegen de slechte priesters, gelijk de dichter in de eerste strophe duidelijk doet uitkomen. Doch niet overal blijkt des dichters bedoeling even helder, en men kan geene omschrijving geven, waardoor de moeilijkheden in het begrijpen van den ouderlingen samenhang geheel verdwijnen. Dit is niet
LXXXIII
Lxxxiv neoorneeling der gedichten : hun koeir en invloed
onzo scliuld, maar ligt, gelijk wij boven hebben trachten in het licht to stellen, aan den dichter zelf.
XII. BKOORDEELING DER GEDICHT EX; HUN ROEM EX INVLOED BIJ DE TIJDGENOOTEN.
Men brengt aan Maerlant's beeld een valschen trek aan, als men â hetzij opzettelijk hetzij onwillekeurig â hem voorstelt als een man met een scheppend vernuft, als een hervormer die de strooming van zijn tijd heeft geleid. Zijne werken zijn zonder twijfel een spiegel van zijn tijd, de tweede helft der 13de eeuw, maar niet in dien zin, als of hij aan het hoofd zijner tijdgenooten zou hebben gestaan. Zijne werkzaamheid moet vooral zoo worden opgevat, dat hij de in de school te vergaderen kennis en den inhoud der buitenlandsche, vooral der latijnsche, letterkunde, voorzoover die valt binnen het gezichtsveld van een streng kerkelijk opgevoed man, door haar in de volkstaal weer te geven, algemeen toegankelijk heeft willen maken. Hierom populariseerde hij geschiedenis en natuurwetenschap, staatkunde on godgeleerdheid, en met dit doel schreef hij ook zijne strophische gedichten. Zoo is hij de voornaamste vertegenwoordiger der burgerlijk-didactische richting geworden, en wel eenigszins democratisch getint. Men vergete daarbij evenwel niet dat eene uiting als .1/. I, 547 vlgg., welke vooral als bewijs van zijne democratische gezindheid wordt aangevoerd, reeds door Hieronymus was uitgesproken, cn dat, wanneer M. aan deze gedachte eene scherp geformuleerde uiting geeft, men dit moet toeschrijven zoowel aan het feit, dat de kwestie zelve in zijne dagen weder aan de orde was gesteld, als hieraan, dat zij hem door en uit zijne lectuur zelve bijgebleven was. Hoe weinig recht men heeft, hem eenvoudig als vertegenwoordiger, laat staan als kampioen, dor moderne burgerij voor te stellen, blijkt wel het duidelijkst hieruit, dat de van de gilden uitgaande beweging, welke zich reeds in zijn tijd in zijn eigen vaderland op het levendigst deed gevoelen, hem niet heeft geschokt: in zijne werken heeft zij althans geene uitdrukking gevonden. Wij kunnen uit zijne talrijke werken niet eens zien, aan welke zijde hij in dezen strijd heeft gestaan. Indien een zijner latijnsche autoriteiten zich over deze dingen had uitgelaten, dan zou ons zijn standpunt in dezen eerder bekend zijn geworden. Nu had hij geene aanleiding daaromtrent eene mededeeling te doen, evenmin als hij b.v. in zijne schets der aardrijkskunde in Alex, en Troyen iets aangaande zijn eigen vaderland heeft te zeggen. AVat de strophische gedichten maakt tot het beste van zijne poëtische werkzaamheid, is het feit dat hij daarin, zij het ook zegslieden en voorbeelden volgende, vragen behandelde, die voor hot grootste deel actueel waren, die hij met zijn geest omvatte en bij welker behandeling hij zich dus van de boeien eener bloote vertaling kon ontslaan. Maar wij durven b.v. ook zonder verder bewijs beweren.
BIJ DE TIJDGENOOT EX.
dat hij het thema van Mart. II niet zelf heeft uitgedacht, doch het in den eenen of anderen vorm behandeld hier of daar heeft aangetroffen !).
Al mag men dus, naar onze meening, Maerlant niet plaatsen op het standpunt van een vérziend en oorspronkelijk denker, al is zijn horizon eenigszins beperkt te noemen, zoo kan men hem toch, bepaaldelijk met het oog op de hier besproken werken, den roem toekennen van een echt dichter. De wijze, waarop hij moeilijke vormen heeft overwonnen, bewijst dat hij zonder voorbehoud mag gerekend worden tot de schrijvers, welke heerschappij bezitten over de taal. Mogen ook hier en daar bedenkingen oprijzen aangaande juistheid en fijnheid van uitdrukking en andere boven behandelde kwesties, en zijne woorden ons niet altijd even juist gekozen toeschijnen, over het algemeen kan men instemmen met den lof, die aan deze gedichten is toegekend. Noch in liet met mystiek doortrokken werk zijner jeugd, de Clausule, noch bij de in den grond droge uiteenzettingen in den 3Iart. II, ontbreekt de dichterlijke bekoring; zij is in hooge mate aanwezig zelfs in de dogmatische redeneeringen van Mart. III: en vooral daar waar de diepte der overtuiging of de gloed van den hartstocht haar kracht en kleur bijzetten. Het hoogst staat hij, wanneer hij als een ij veraar voor een werkdadig christendom de leer van Jezus predikt en zijne geeselslagen doet neerkomen op de zedelijk ontaarde kerk. AVij onderschrijven daarom ook Jonckbloet's oordeel over Jezus' klacht in de Dis/i.: (»dit deel) is niet alleen het best geslaagde van dit gedicht, maar behoort zelfs tot het nitmuntendste dat de mnl. Poëzie heeft aan te wijzen, en laat zich het gevoegelijkst vergelijken met de beste partijen van den Wapene-JSIartijri' {Gesch. cl. Adl. Lett. 2, 144). Door een zeker schemerlicht, dat hier en daar heerscht in liet vermoedelijk laatste gedicht van M., ckr Kerken Clayhe. wordt de bekoring der hartstochtelijke taal eer verhoogd clan verzwakt.
LXXXV
Dit talent, de kunst om voor niet alledaagsche en soms ingewikkelde gedachten eene gepaste uitdrukking te vinden, in overeenstemming met de eischen der dichterlijke behandeling, en nu en dan dit te doen op eene wijze en in een vorm, welke ons niedesleepen, komt des te sterker uit naarmate liet zeldzamer is in Maerlants andere werken. Talrijk zijn de plaatsen daarin, welke men zonder de hulp van het oorspronkelijk niet goed kan verstaan, en het is volstrekt niet te verwonderen, dat men vroeger aarzelde de Strophische Gedichten toe te kennen aan den dichter van Nat. BI., Rijnib. en Sji. Jlist., of zelfs zo hem ontzegde. Het verschil is zeker niet geheel alleen te stellen op rekening van den dichter. Voor een deel is de schuld te zoeken bij de hss., en de uitgaven zijner werken, ook de critische, hebben niet alles gedaan om M.'s tekst te
') De kwestie behoort wel in het hoofdstuk over de zoogenaamde Coors d'amour te huis. Docli ia liet hoek van Andreas CapcUanus De Amore (recens. K. Trojel, Kopenhagen 1892) schijnt zij niet voor te komen.
LXXXVI BEOOlïDEETitNG HER GEDICHTEN'; HUN KOEM EN INVLOED
zuiveren van hetgeen niet komt te zijnen laste, maar van de afschrijvers. Hetgeen men in die uitgaven uitsluitend heeft beoogd, is hoogstens uit den tekst te verwijderen al wat het recht verstaan van den zin in den weg staat. Maar er is ook te letten op eigenaardigheden van de taal, do taalvormen, en den stijl der verschillende schrijvers, en deze op te merken en te kennen is voor de beoordeeling van verschillende plaatsen even noodzakelijk, als uit een logisch oogpunt noodig is de beantwoording der vraag naar de juistheid of onjuistheid er van. Evenwel zelfs indien wij er in slaagden overal M.'s eigene woorden te herstellen, dan zou toch het verschil nog niet geheel wegvallen. M. heeft zich niet overal weten vrij te honden van beperktheid van opvatting en ongelijkmatigheid van bewerking. Hij heeft dikwijls gebrekkig vertaald en getracht teksten en passages weer te geven, tegen welker bezwaren hij niet was opgewassen ^). Wanneer wij zien, hoe gepast en krachtig hij aan den eenen kant reeds in zijne eerste werken gedachten vermag uit te drukken, en hoe stijf b.v. in een van zijne beste werken (M. II, 242) de vertaling is uitgevallen dor definitie van Jmor, dan bemerken wij duidelijk het verschil tnsschen Maerlant, die voor eene hem eigen geworden gedachte de uitdrukking vindt, en Maerlant, die een voor hem veel minder gewoon denkbeeld uit eone vreemde taal in zijne eigene overzet. Hij was geen man van strenge zelfcritiek en bij zijne veelomvattende werkzaamheid heeft hij zich niet den tijd gegund om zijn werk zorgvuldig te herzien. Daarmede komt overeen de meermalen bij hem opgemerkte en ook boven besproken inconsequentie in zaken van zuiver formeelen aard.
Gewichtiger dan deze poging van onze zijde om deze gedichten zoo objectief mogelijk te beoordeelen, is de vraag, welke waarde de tijdge-nooten er aan hebben gehecht. Hier kan men allereerst wijzen op het groote aantal hss. Van de Martijns hebben wij er 7 (één zonder M. II), bovendien één alleen met II (het door Van Iterson uitgegeven fragm.), één alleen met III en een ouden druk. Berichten uit den ouden tijd houden in, dat cr hss. der Martijns in het bezit geweest zijn van burgerlijke familiën: Nap. de Pauw heeft in Necl. Museum, dl. II (1879), bl. 147 en 1G9 aangetoond, dat in 1353 een exemplaar in het bezit was van den handschoenmaker Jan de Beere en zijne huisvrouw Margriete van Wachtbeke te Gent, en een ander in 1388 nagelaten werd door Jan Wasselins, eveneens te Gent.
Van 01 fWonden zijn nu 4 hss. bekend, van Disp. 2; de overige gedichten evenwel ieder slechts in 1 hs. Deze ongelijkheid is wellicht te verklaren: wij komen er straks nog even op terug. De Martijns werden de vertaling in hot Latijn waardig gekeurd; misschien is dit meer dan
') Vgl. de aant. op Sp. IIIs, 55 , 34, en met de daar gecritiseerde plaats b.v. de voortreltelijk gestileerde lil', 42, 1 vlgg.
lil.I DE TI.IDGF.NOOTEX.
eenmaal geschied (z. Te Winkel, Gesch. 329 noot 1); buitendien verschenen zij in eene Fransche vertaling.
Wij weten, dat Boendale de Martijns meermalen heeft aangehaald. Bij één citaat, Teest. 3G22, heet Maerlant »die dichter hoghequot;, bij een ander, Lsp. 111, 3 , 576 vlg. wordt gevoegd »alse ons die wise orcondenquot;. Het bekende oordeel van Boendale over Maerlant als dichter is dus voor een niet gering gedeelte gegrond op de Stroph. Gedichten. Daar wij in Verk. Mart. niet het werk van een navolger kunnen zien, maar dit als een gedicht van Maerlant zelf beschouwen, hebben wij in de eerste plaats Boendale te noemen, als wij den niet geringen invloed der gedichten nagaan op de oudere letterkunde. Zijn eveneens in den vorm van een dialoog vervat leerdicht Jans Teesieye is voor een deel slechts eene uitbreiding van plaatsen uit' Mart. I en III, met woordelijke aanhaling zijner bron. Ook in andere werken van B. vinden wij dergelijke woordelijke citaten. Te Winkel, Gesch. bl. 328, noot 3, vergelijkt de meer uitvoerige overeenkomstige plaatsen. Bovendien wemelt vooral Tcesteye van reminiscencen, als 140 = M. I, 18; 153 en 209 = M. I, 388: 171 vlg. = M. I, 221; 532 vlg. = .1/. 1, 800 vlgg.: 842 = M. 1, 443 var.; 852 = M. 1, 40; 891 = M. II, 139; 935 = M. I, 593 hs. B- 1172 vlgg. = M. I, 560 vlgg.; 1182 = M. II, 12; 2078 = M. I, 547; 3154 = M. I, 147, e.e. De inhoud van 3791 vlgg. is wel ook M. I, 708 vlgg. behandeld, maaide woordenkeus veroorlooft misschien ook aan Disp. te denken (str. 14, e. e.). Dacht B. bij 1524 vlg. aan Cl. 40 vlg.? De overeenstemming zegt niet veel, maar wij wilden haar niet onvermeld laten, omdat van dit gedicht nog zoo weinig sporen in de letterkunde aangewezen zijn 1). Menigmaal laten B.'s gedachten ook toe aan KCl. te donken, vooral 3170 vlgg., maar de woorden zelve bewijzen geene bekendheid met dit gedicht.
IAXXVII
De navolger, die het dichtst Maerlant op zijde treedt, is de dichter van den zoogenaamden Vierden Marlijn (z. Te Winkel, Gesch. 324 noot 1, en 328 noot 2), die zijn werk zelf als eene voortzetting van M.'s gedichten beschouwt. Ook treden dezelfde woordvoerders, Jacob en Martijn hierin op. De strophe van Maerlant is weliswaar door bijvoeging van nog twee disticha aah tot de overmatige lengte van 19 regels uitgebreid, maar in weerwil van de daarmede gepaard gaande vermeerdering der moeilijkheden is de dichter in kracht en vaardigheid het meest met M. te vergelijken. Ook in gedachten staat hij hem het naast, hoewel woordelijke overeenkomst slechts zelden voorkomt. Vgl. IV M., 209 met I, 412 (en de aant.); IV, 473 met I, 777; IV, 565 met I, 808 (en do aant); IV, 006 met I, 141 (z. de aant); IV, 757 met I, 296: IV, 758 met I, 863; IV, 823 met I, 165; vgl. ook hladen (boven bl. XLV). Do strophen 17 vlgg. en 22 vlg. zouden onder den invloed van Overs, en
') Vermeld zij hier nog do overeenstemming van Vod. II, 2012 met M. 1, li?.
LXXXVIll BEOORDEELING DEI! GEDICHTEN HUN HOEM EN INVOED
KCl. kunnen staan, hoewel zekere overeenstemmingen in de woorden niet zijn aan te wijzen. Vgl. ook IV, 385 vlg. met KCl. 91 vlgg.
Eene rechtstreeksche en door don dichter zelf erkende navolging, maar meer in den vorm, is do Waj/cne Rogier van Jan de Weert. De dichter verdeelt zijn gedicht zorgvuldig in drie doelen, naar het voorbeeld der drie Martijns; z. Te Winkel, Gesch. 419 vlgg. en 328 noot 2. Niet alleen zijn do begin- en slotwoorden der vragen en antwoorden van Jacob ea Martin woordelijk nagevolgd, maar ook elders vindt men talrijke ontleo-ningen en reminiscencen. Vgl. Itorj. 50 vlgg. met III 31. 53 vlgg.; R 100 met M. I. 594; R. 121 vlgg. met J/. I, 781 vlgg.; R. 131 vlgg. met M. I, 885 vlgg.; R. 338 mot J/. II, 261; R. 524 vlgg. met .1/. I, str. 53; R. 712 mot M. I, 700 vlg.; R. 1139 met M. II, 247 ; R. 1194 met M. I, 177; R. 1348 mot .1/. 1, 781; R. 1411 met M. I, 533; bij R. 586 vlgg. is aan M. III, str. 21 vlgg. gedacht en Jan de Weert's schildering der Gracie, 911 vlgg., is eene navolging van str. 32 vlgg. van ilf. III over den Heiligen Geest. Voor den inhoud vergelijke men ook R. 303 met J/. I, str. 53 vlgg.
Een soortgelijken indruk als door Maerlants gedichten ontvangt men door den Rinclus van Gielis van Molhem en den voortzetter van zijn werk, Heinrijc (Te Winkel, Gesch. 409 v]gg.). Wij wijzen op Rincl. 40 en KCL str. 12; Rincl. str. 31 vlgg. herinneren op verschillende plaatsen wat den inhoud betreft aan Maerlant, en 378 komt zelfs woordelijk overeen met M. I, 788. Rincl. 510 vlgg. en 580 vlgg. wordt dezelfde stof behandeld als KCl. 107 vlgg.; ook in str. 78 zou men kunnen meenen herinneringen aan M. I, str. 43 te hoeren; vs. 1320 vlgg. in de beschrijving der Quade ionghe komen eveneens »anklangequot; voor aan M. I en Verlc. Mart. (1338 plueken van den stove, als J/. 1,9; vgl. Verk. Mart. 9 pluckers van den stovej.
Maar de vertalers hebben zich overal gehouden aan hun voorbeeld, waarvan zij ook de strophe, eene 12regelige met het rijmschema aabaabbbahba, getrouw hebben gevolgd, en men moet dus aannemen, dat Maerlant zelf het Fransche origineel heeft gekend, of â wat waarschijnlijker is â dat zich bij de beide dichters soortgelijke van buiten werkende invloeden openbaren. Toch schijnt Maerlant bij de mnl. vertalers, en wel bij beide, niet onbekend te zijn geweest. In den Rincl. herinnert vs. 524 vlg. aan Bisp. 307 vlg.; 679 vlg. aan Bisp. 299 vlgg. en 1414 »dat ghi ie op hare loechtquot; (als moeder), aan Dixp. 252: juist in deze met M. overstemmende plaatsen wijken hier do vertalers af van hun Eransch origineel 1). Misschien mag men ook bij Rincl. 140G sugen van haren soghe denken aan soortgelijke uitdrukkingen in Bisp. 166 en 436.
') Op de tweede der genoemde plaatsen (str. LYI) b.v. vindt men in liet Mnl. «tiine achte niet dat naecter limit daerme maerte groot gelnnt'', de vertaling van fra. »kil n'avoit de povre pitié ne vers Dleu amonr ne paürquot;.
BIJ DK TIJDGENOOTEN.
Het schijnt dus wel dat daar waar de vertalers leefden en werkten althans Maerlant's Dispulacic bekend is geweest l).
In het door Blommaert, OVI. Ged. 2, 57 uitgegeven (/losseiiiied op liet Ave Maria, gedicht in hetzelfde rijmschema als de Rinclus (anhaahbhahha) komen fiok enkele plaatsen voor, die aan Maerlant doen denken. Zoo herinnert b.v. vs. 5 (»tonsen ghewinne.) dat voor uwe comste was dimiequot; zeer duidelijk aan Claus. 400; vs. 12 »dat hine ter noot bekinnequot; aan Vrouden 23, en misschien ook vs. 106: »bidt liem, die water verkeerde in winequot;, aan ,1/. I, 293.
Ook de strophische samenspraak Scalc cudc Clcrc (Te quot;Winkel, Gesch. 810) wordt onder de navolgingen genoemd. Het is waar, zij behandelt een soortgelijk thema als liet eerste deel van M. I; vs. 195 vlg. »clerc, hebt herde wel verstaen, wat woorde uut miuen monde gaenquot;, herinnert aan M. I, 573 vlg.; beide gedichten gebruiken de uitdr. graven (delven) onderspit (vgl. de aant. op .1/. I, 20); en omumjaen mcl [Sc. en Cl. 231 ; M. I, 388). Sc. ru Cl. 9 kan worden vergeleken met M. I, 725 vlg., 52 met Ov. 40, en zoo kan men de mogelijkheid niet loochenen dat de maker van Sc. en Cl. Maerlants gedichten heeft gekend. Doch eene grondige kennis er vanjjiijkt nergens: het voorbeeld kan don berijmer, die èn in de uitdrukking zijner gedachten èn iu de rijmkunst een brekebeen schijnt geweest te zijn, alleen in de verte voor oogen hebben gestaan.
Op Hildegaertsberchs bekendheid met Maerlants strophen wijst Te Winkel, Gesch. bl. 483 noot 2 en bl. 494. Vgl. ook Hild. n0. LXYI, vs. 42, 78, 89, 104, 118; n0. LVII1, 30 vlgg. (36 = M. I, 786), 92 vlgg., 175 vlgg., welke plaatsen meer of minder duidelijk aan M. herinneren, ook aan zijne latere gedichten. Ook is in het Gloss, herhaaldelijk aan overeenstemming in het spraakgebruik herinnerd; zie b.v. bij sas, val, vaeu, vlini, mast, ocjesieu e. e.
LXXXIX
Uit onze aanteekeningen op J/. I, 210(?), 335, 887, 612 (?) bleek dat ook de schrijver van don Sp. der Leken, alsmede van den Sp. d. Souden onder den invloed van M.'s gedichten kunnen hebben gestaan. Van het eerstgenoemde werk vergelijke men nog f. 12r: »doch so laet mi naken au uwen boort, ic sal ju dit ontbinden mit reden gereetquot; met 21. II, 150 vlgg., en van hot tweede f. 52a: »de niet to eiker redene sede de wonden, naghele of.' dat bloot syne redene ware nerghen to goed; de armoede de Christus leet is em verweten to eiken eed'' met Disp. 235â 240. Voor mogelijke bewijzen uit een veel lateren tijd vergelijke men onze aant. op .1/. I, 553 en Anz. 8, 150 en de noot. Maerlants roem als vereerder der heilige Maagd verkondigt een gedicht, afgedrukt bij N. de
') Bind. 1326 wordt verweert gebruikt geheel op dezelfde wijze als KCI. '179. Daaruit alleen kan natuurlijk geen gevolgtrekking worden gemaakt; voor de eigenlijke bcteokenis geeft liet 1'ransrh geen licht (vgl. het gloss.).
XC BEOOUDEELIXG DER GEDICHTEN: HUN TtOEJE ENZ.
Pauw, Mnl. Ged. en fragm. 1 vlgg. (vgl. vs. 17 vlg., 70 v]g., 132 e. e.)1). Ongetwijfeld zijn hier en daar bij verschillende schrijvers nog andere herinneringen aan M.'s gedichten te vinden. Ook maken wij er in dit verband nog eens op opmerkzaam, dat uit het gebruik van de ISregelige strophe en de daaruit ontstane vormen naar onze meening rechtstreeksche of althans middellijk werkende invloed van M. kan worden afgeleid.
Als wij nu de duidelijk blijkende ontleeningen nog eens overzien, dan bemerken wij dat het vooral Marl. 1 met zijn rijken inhoud is, die tot navolging en ontleening heeft gediend, terwijl de tot ons het meest sprekende gedichten hierbij veel minder in aanmerking komen. Zonder twijfel zijn zij er op aangelegd geweest, om ook de tijdgenooten mede te sleepen. Als wij van deze werking zoo weinig zien; als zelfs een zoo slaafsch navolger als Jan de Weert geene bekendheid toont met Overs, en KClaghe, ook niet met Disp. -), dan is liet misschien geen bloot toeval, dat wij van die gedichten maar twee of zelfs maar één hs. overhebben tegen acht der Mardjns. Het oppervlakkig beschouwd eenigszins vreemde verschijnsel kan misschien op de volgende wijze worden verklaard. Ook M. I bevat uitvallen tegen de geestelijkheid, maar ze zijn niet zoo heftig, als in de andere strophen, hebben niet zulk eene algemeene strekking, eu komen, tusschen allerlei andere behandelde kwesties als liet ware verscholen, niet zoo sterk uit. Terwijl men de Martijns navolgde, kan men er tegen op hebben gezien, de andere, van toorn gloeiende, aanvallen op de kerk en al zijne leden, de hoogst geplaatste niet uitgezonderd, na te volgen, en de kerk heeft ook wellicht de middelen gehad, en ook gebruikt, om de verspreiding er van tegen te werken; deze middelen kon men ten opzichte van den leek Jlaerlant wellicht gemakkelijker in praktijk brengen dan tegenover de leden der kerk zelve, die een dergclijken toon aansloegen. Wat Jan de Weert zegt van M. (Wap. lloy. 73); »ende voer sijn dicht thoeft hi bootquot; is misschien niet alleen toepasselijk op zijn in dit verband met name genoemden T'jmh jhel. De Ypersche dokter zelf schijnt evenwel voorzichtiger geweest te zijn dan de dichter van Marl. IV, die ook de andere strophische gedichten van zijn voorganger zich tot voorbeeld stelde, doch daarom ook van zich zeiven moet zeggen (vs. 878 vlgg.), dat hij
wel menegen vaer doechde stille ende openbaer
met valschen orconden.
Heren waren hem te swaer,
') Hier wordt in liet bijzonder gedoeld op liet gedeelte uit den %). (dl. 3, bl. 405), waar Maria's lof wordt gezongen. â Het gedicht staat ook in een lis., berustende in het stedelijk archief te Keulen.
'-) Alleen uit Itorj. 440: »in weelden mi versmorequot;, vergeleken met Oo. 40 kan die bekendheid niet worden afgeleid.
WIJZE VAN UITGAVE.
omme dat hi dicwile wert gewaer
harre quader sonden,
er.de hise spaerde niet een haer,
hine verweet hen hier ende daer,
te â wel menegher stonden.
Onder deze heeren zullen ook -wel kerkelijke geweest zijn.
xirr. wijze van uitgave.
Wij hebben er naar gestreefd aan de teksten een zoodanigen vorm. te geven, waarin zij, voorzoover dat met onze hulpmiddelen en met inachtneming der grootst mogelijke behoedzaamheid te bereiken was, naar onze meening hot meest met de bedoeling van den dichter overeenstemmen , zoowel wat den zin als wat de taalvormen betreft. Verbeteringen, die wij mot voldoende zekerheid als zoodanig konden beschouwen, hebben wij dus in den tekst opgenomen. De spelling hebben wij â en daarin was ons de vorige uitgave reeds voorgegaen â onder bepaalde regels gebracht. AVij zijn van meening dat op dit punt, hetwelk, juist opgevat, uit een wetenschappelijk oogpunt alle belang mist, den uitgever volle vrijheid toekomt, en dat hij, als hij dit om praktische redenen noodig keurt, gerust iscr, hooft., yhene in den tekst mag brengen, ook al was hij overtuigd dat de dichter zelf jjser, hoeft, gene geschreven heeft.
Dergelijke zuiver orthographische zaken zijn in de varr. öf niet of slechts eens vooral vermeld. Zoo ook niet g voor gh, sc voor sch, x, voor s, spellingen als welcker voor welker; ma ex, icx, dinx, spreex voor inaecs, ics enz. A schrijft herhaaldelijk eene onjuiste h aan liet begin der woorden, als hu, hute, somtijds ook O, zelden JS; het omgekeerde komt eveneons bij A voor, b.v. oghe voor hoghe. Hetzelfde hs. gebruikt vlaamsch ou voor'oe vóór labialen en gutturalen, hetgeen ook in B niet zelden, minder vaak in F en O voorkomt. Spellingen als u-ort, hort (= hoort), omcert, waar wij oo, cc hebben geschreven, vindt men vooral in A en (?. A en C gebruiken menigmaal het afkortingsteeken van er ook voor aer, b.v. in haer, maer, swaert. B en O, soms ook A, schrijven vrouwe. B gebruikt bij voorkeur i na eene vocaal als teeken der lengte, b.v. gemald , wair. Vermelding verdient wellicht nog het gebruik van 1c voor e b.v. koen [M. II, 43) in IJ. Ook van het aaneenschrijven van vormen als mochtesoe voor mochte soe of het splitsen van andore als wel doen voor weldoen, hebben wij het onnoodig geoordeeld rekenschap te geven. De hss. zelve komen in deze dingen bijna nooit overeen. Met uitzondering van deze en dergelijke gevallen zijn allo varianten nauwkeurig opgegeven. Uit de rangschikking er van hebben wij getracht zooveel mogelijk ons inzicht te doen blijken in de ontwikkeling van de eene lezing uit de andere. De verschillende lezingen die zonder tusschenruimte op elkaar
xci
WIJZE TAN UITGAVE.
volgen beantwoorden voor den inhoud geheel aan elkander en hebben betrekking op volkomen hetzelfde gedeelte van den regel in den tekst als waarop de eerstgenoemde der daar aangehaalde lezingen slaat: b.v. III, 239 beteekenen de varianten; C heeft »es dies ic niene wikequot;, B: »es ende ics ne wikequot;, F'. »es ende icken wikoquot;, O GW »es dien ic wikequot;. Het teeken : staat tusschen de in de varianten voor de duidelijkheid herhaalde lezing van den tekst en dio der afwijkende hss.; het teeken = vóór eene lezing beteekent dat die lezing evenveel kans heeft om de oorspronkelijke te zijn als die van den tekst; waar wij daarvan niet volkomen zeker waren is dit door een ? na = aangeduid.
Al naarmate de oen of de andere der beide bewerkers een bepaalden tekst in eersten aanleg te bearbeiden had, zijn wel kleine verschillen in critisehe grondstellingen op te merken; ook in de wijze van het aangeven dor varianten (in Disp. b.v. hebben de zonder letter opgegeven varr. betrekking op C, zie bij vs. 3, en niet op A) en de orthographic. Ook is de beslissing of eene verbetering in den tekst moest worden opgenomen dan wel alleen in de aanteekeningen vermeld, niet altijd volkomen consequent uitgevallen, gelijk men licht kan begrijpen. In de beide laatste gedichten zijn verschillende vormen blijven staan, meer of minder ^n strijd met M.'s taalvormen, b.v. weert {Or. 19G), almcchtich (KOL 27); sneken (42 e. o.), (181), ftocH (bijw., 108), saechte (195).
Doch vooreerst zijn deze gedichten slechts in één hs. bewaard, waardoor men met dgl. vormen niet kan te werk gaan op dezelfde wijze als wanneer een tekst in meer hss. is bewaard; ten tweede is boven, bl. XLV vlgg., aangetoond dat ook andere eigenaardigheden in deze gedichten vooral of uitsluitend in Brabantsche teksten zijn gevonden, zoodat het mogelijk is dat ook de bovengenoemde vormen van den dichter zelf afkomstig zijn.
Hetgeen wij verder aangaande bepaalde plaatsen in het midden hadden te brengen, is öf in de varr. of in do aanteekeningen vermeld: enkele verbeteringen en toevoegselen vindt men achter de woordenlijst.
xnr
WA PENE MARTIJ N.
I.
i.
»Wapene, Martijn! hoe salt gaenV Sal die werelt iet langhe staen
In dus cranken love?
So moet vrouwe ver Ere saen Sonder twifel ende waen
Rumen heren hove.
Ic sie den valschen wel ontfaen,
Die de heren connen dwaen
Ende plucken van den stove;
Ende ic sie den rechten slaen,
lïede bespotten ende vaen Alse die mese in de clove,
Recht offene God verscrove.
2.
Hoe langhe sal ghedoghen dit God, die alle dinc besit
Opschrift: niilhreelil hij J BFOG; C van iacob cmle van Martijn: /) Dit is Wapenc Martijn; vcjl. ook de mededeelimj van dun afschrijver in lm. tl', bij UV»;i. M. Ill en in lis. O.: Incipit Wapen Martin theutonice, translatns latine etc.: bij li aan den kant Dat eerste boec heeft in i.xxi clanselen. â I. \ 110 Waphene li Wapen AllO Martin FG Merten FG saelt â '2. II de = CFDOG dese II lang DG iet ontbr.â3./gt; desen cr. glielove Fgelove â 1. CO sal = I IC DOG mijn vr. ver: F saw BGDO ontbreekt; vgl.vs.b5 Feeren Deei- â b.GHFDOG tvviuel â⢠ti. FDOiier heeren â 7. Bdie valsche F DC den sealcken Odie scalke â S. I) die h. .1 eonen H d'staen â tl. BO plocken â '10. FDO Ende ontbr FD d. gherechten O ilie gherechte â 11. GFG Beiile CFO bescatten T) scatten .1 beuaen â Ii. lil) als CFG die I) den â Ki. .1 Heclits Cl lïei'hte II nllen G ol lien /â quot; often G oebtene /gt; of hern C verscroven It DO verscone.
14. .1 loe II lang s. Iii dogben
Wapene Martijn. I
^â quot;1
-1 i'^
Vy
10
15
STROPIIISCTIE GEDICHTEN.
In sine heerscapië,
Dat die goede vleeut ende bit Ende hem ne doocli no dat no dit, Dat hi iet ghedië?
20 Al gaet in den helschen pit,
Eist blaeu, graeu, swart of wit, ^ | Hets ghetrouwe als die sië.
Recht man delvet sonder spit,
Hine hevet te pointe niet ghehit 25 In neghere baelgië.
Mi es leet dat ic waer lië.
Laet ons, Martijn, over een Hier at' spreken onder ons tween In dit dialoghe,
30 Wanen eerst quam dese ween,
Dat die wilen so onweert scheen
Nu sit also hoghe.
Ic sal vraghen ende vleen;
Berecht mi, ja of neen,
35 Van dat ic di betoghe!
Ledicheit es vrome negheen,
| Aerbeit vint vier in den steen,
UI. /gt; sijn C /.ijnie II lieerscepie CF heerscappie â 17. DO Wat die F Dattio II t vleenwet 11 llent CG vleet I) smeeet ende : It ol'
Cllll liiilt /â quot; biil â 18. FDO Knde niithr. B ne oxlhr. HFIt iloecli ilat C nnrli il noch II noch â l'-'. C Zoe dat F Datti I) Dattet
/,â v0 f) ijjf.!- â Vs. 20â'l'i en quot;2^â'25 in onifinkcvrde volgorde bij ('â â 20. /) Het s- n.1 = ^6 varet H wairtet. â '21. CFG i'est C bl. eest fïr. eest s\v. eest \v. = UFDOG graen (G gr. eest) blaen F1IG sweit /.y; oft â '2-2. Z) Het es II Tes .1 ecne zie â 23. 11 1!. als een in. G Die leehte m. G gi-aeft C onder Fp. â '21. 1IG Hij en CU FOG heeft It heeftet G poente lil) pnnte â '25. A ne gheer = UFO ne ghene C, onghene, F gheene It gheender .'1 balgye li talie â '2t». C is.
'27. .1 Martin FC Merten â '28. Hier af: O Te gader C onlbr. li of â 29. I) desen G ilese â lit). C Wanne D Van waen /1 dat eerst eerst «).: Gonsq. CFftO q. (O cam) ons O deese F desen .1 die. Hor hrl va-s oorspronkelijl; ;/(â¢-luid heeft is niet uil Ie maken. â :M. .1 HF DOC \)A onlhrreUl. ook in de fra.verl. (Tijd se hr. 'i. 278) It ter wijlen li ontweit CltOC onwaert â⢠32. . 1 HFItOG Kilde mi S. so (/â¢' dns). C hr.efl in vs. 3-1â32 de in den tekst opgenomen lezing vermoedelijk zelf (jeredUjeerd. Misschien is de oorspronkelijke: die w. s. o. sch. / nil sit hi so h. â 33. A Ic vraghe lm B sal di â 3'f. FDO antwoordt C Ant-werdt II Ende antwert C 10. andwoorde; = Knde antwoort It mij nn OC ofte /â¢' oft â 35 di : A hn Conthr. â 3(1. G I.edecheit .1 T.edichede r.'vroem D en is I'll gheen â 3.7. G Maer arb. It Mer aerb. C vijnt
2
EERSTE MART UN.
I'X.
Daerbi ontsteect dat droghe. '⢠Nu spreect, ende ic ghedoghe.»
4.
40 gt;Spreken , Jacop , lievo compaen ! Waer soudic dat hebben verstaan,
Dat ic daer toe dochte, Te verelaerne dinen waen,
Die in twifele ware bevaen? 45 Dats dat ic niet en vermochte. Doch en willies niet afstaen,
In wille dine bede ontfaen,
Die dit ane mi besochte. God sende mi den hemelschen traen 50 Ende moet mine sinne dwaen,
Want hi mi diere cochte ' Ende iet gherne vulbroclite.
Martijn, doe die werelt began,
Man te verheffene boven man,
55 Doe schiet mijn vrouwe ver Ere Don dorper ende wijsdem den dan;
Daer trouwe ende doghet was an.
Dien liiet soe sijn here.
Nu maken die heren een ghespan 60 Ende gheven der Eren enen ban Ende willen niet dat soe kere.
Sech mi, wanen dit venijn ran,
r; Waerbi /? onsteict G ontstect d. troége â 30. Cl spi ert = C ;prec /â¢' iet.
40. I) Spreket CDF Jacob â 41. B soude ic dat C zomlict Cl dit â 42. I) hier toe â 43. BCFD verclaren â 44 B mit O met HO twivele CD twivel Cl) is FG es â 45. T) ics C niene â 46. B wille ic C) wille icx C wil i.-s F wilics = BCFDG ontgaen â 47. BD Ic en F Ic D wil 7) sine b. wel O die 1). van dl B beide â 48. CD aen G versochte FDO sochte â 4lt;.l. CF seinde I) sendt â 50. BO moete G minen sin BFI) zinnen â 52. h soe gaei-ne F gheerne B gairne CBFG volbrochte.
53. AD Martin FG Merten F doen BO als BG de â 54. BCFD verheffen â 55. DF Doen BG So schiet O verstac BDO ver onlhr. â 56. F Van d. d. BOG dorpere DG dorp. wijsde si (G wisessi) CF wijsde hem O e. den wijsen dan â 57. A F Knde daer B doecht C doeghede DG lach an â 58. O liet B so CFOG zij D vvesen h. â 59. G de /gt;' een onl.l/r. â (VI. = BFDOG en w. /» so CFG zij â 62. BFDG Segt O Secht A w. tfenijn F w. d. fenijn B waen d. v. C wanne d. v. /gt; vvaent fenijn G «|iiani
1*
STROPIIISCTIE GEDICHTEN.
Tooch mi redene daervan,
Want ic gherne lere,
Ga Wies scxüt dat liet were.
G.
gt;»Jacop, mi dinct overwaer:
Sint dat edelheit hadde vaer
Te pijnne omme die ere Ende sne trac den scalken naer,
70 Die raden nu hier, nu daer,
Ende niet schelden den here,
So es edelheit worden so swaer,
Dat soe te clemmene heeft ommaer Ende daelt in lane so mere.
75 Dits mi al der werelt claer Ende oghesien ende openbaer;
Dus es verbannen Ere Ende wederstaen ten kere.
7.
Nu mere bi der sonnen lecht 80 Dat al der werelt oghen berecht Bi sire edelre naturen:
Alse dat swerc daer jeghen vecht Entie nevel met sire drecht,
Sone can soe tier uren 8ij Niet ghetoghen haer scoonheit echt;
03. C Toegh Ui l) Toicht O Ernie toci lit G Toont igt; i-edon â Fs. 04 rn 05 in omf/ehccrdt' volgorde bij C. â 64. Fit iet F gheerno ft gairne â 05. I) Wiens IICO scout JilK» «liittet C dat dit.
()('). .1 Martin C Martijn G .(acob CFDG dnnot â (»7. C '/ijnt G Sent D Smit .1 dat ontbr. â â OS. O |iiiiene G pinenne H pijne CFà pinen GBFDG om â CtO. li so {en zoo ook verder) Ci'IIG /i ttrecte OG tlic scalko
H de scalko â 71. FOG niet en lgt; n. in G scelt â li. GD is /â¢' os del (i. pi. vim eilel) lieite .1 worden sw. â 73. C F DG si U tcleminen C te clinimene FD te dimmen h onmaer â 74. O danct .1 sinct F int 1. C je 1. IIDOG zo 1. F meer â 75. CIIG Dats nn D Nn ist I! al ter â 70, .1 oirlie sien e. o. G oeghscijn al o. G oeclisiens al opp. O den ghesinde o. HFDoic ill oeck soe) zietmont (/â ' /.. wel) o, â 77. is II die ere.
70 O Nn ontbr. AGG rnerct DO merket .1 lecli F licht G lecht uit licht verbeterd â 80. AG Die; in G aan den kant veranderd in Dat FU ot;he F bericht â 81. GG siere /â¢' hare D haoi' -1 edelre ontbr. DO nutnere â 82. UFO Als O volc d. tseghen â S3. GHItG l'.nde die
It mit D sijnre d. G siere dreft â S4. till Zo en c. GFDG ?i
FG te diere DO te dier â S5. /i toghen CFghetonen B hairre C sconeit A FO si one lecht
4
EERSTE MARTIJN.
Aldus verdonkert die scalke knecht
Die edele creaturen,
Alse hi hem daer ane hecht Ende hare edelheit verplecht,
Ofl Dat soe laet gheduren
Bi hare den scalken suren.
8.
Sint scalke droeghen overeen Dat neen wart ja ende ja neen,
Ende hem dat wijsheit dochte,
05 Ende edelheit daer omme green,
Want daer wasdom ute scheen,
Wanen dat comon mochte,
So es edel herte worden steen,
Want haer ontfaremt dinc engheen 100 Dan daer men ghelt ute cnociite.
God gheve hem den langhen ween.
Die te cnaeuwene gaf dit been Don edelen ghedochte,
Want hire moort an wrochte.
9.
105 Wat sal seghel ende was
Ende brieve, die ghewaghcn das
Van dat dese heren gheven ?
Ilets al niet, hets een ghedwas;
Alse lief hadt mi een Avilt Sas Oft een Vriese bescreven.
SC). ri)()G Dus â 87. .1 Die onlhr. /gt;crejituerc â SS. ///â¢'/gt;Als /gt;aoii .1 ci'.ht â 89. (!I'D haer .1 «lie e. IJ ydelhcit â 00. C zi /â¢' zij h sij (i si {eu zóó ooi; verder) .1 ^hedueren â 01. CFI) liaer (lt;JJ «lio scalke .U»* sneren.
Oti. CF(i Zint dat lgt; Snnt (gt; Siden /gt; scalken h die scalcken - 1Kgt;. It Kndo ii. = ('JllKKr was CDOG e. ja was â 04. G hen â 05. F om â 0(». .1 Wat d. li Wantei (i Om datter .1 waesdoni (!G wasdoem lgt; wasdoeme B F DG nnt â 07. G Wane I) Van waen dat : =GBFh soctâOS. O So worden edele GJilJ is G edele li. G edelheit IJ ydelheit O so steen â 00. I) Van h. FO Dat h. IJG hare GJJO ontlaermet F ontfermde DG en ontfermt G dinglie .1 gheen FG negheen â 100. .1 Van G onlhr. C/) tghelt GUI DG nut â '101. GB Av god G ghef A we lOk2. AG enanwene HD cnanwen O cnaghene F knaghen F dat â '103. H ydelen â 104. G hiere D hier G ;llie _ 105. // seighel â 100. /â¢' Oil IJ Of G Ofte ABDO brieven â 107. .1 Wat dese G die h. = ? 6W/Mantsheren â 108. IVG Kn es {F Mets) el niet dan (O dan een .') gh. D liet en is anders niet d. g. A hes een li ende een â 100. GO hat BF had D hadtiet = BFDOG wilt onlhr. â MO. GBF Of G Och te Vreese
STROPHISOHE GEDICHTEN.
Trouwe es brooseher clan een glas;
Die hier te voren so stere was,
Soe es tebroken bleven.
Ic waens noit landshere ghenas,
115 Die scalke te sinen rade las,
Hine moeste int ende sneven Ende sulc sijn slands verdreven.
10.
'Martijn, du berechts mi wel:
Hierbi sijn die heren fel 120 Ende wandel in die tale.
In weeter wat toe segghen el.
Die scalc hout boosheit over spel,
Hi pijnt, hoe hi doghet versmale.
Caym slouch den edelen Abel,
125 Dus soect die scalc sijns heren vel,
Hoe hine ghetrect te dale.
God, die ons noch doemen sel,
Biddic dat hi den duvel In den joncsten male 130 Metten scalken betale.
11.
Martijn, nu berecht mi dies:
Berecht een God, die noit en wies,
Alle creaturen,
1 1 1. C is {en zóó ook verder) A broscher O broodier = CBG eenonlbr.â I I'i. h. t. voren : OG uilen Fwilen eer D ter wilen B stare C starke OG staei c â 1 llgt;. .1 So FO ontbr. = J3FOG es nu D gliebroken F te nieute â '114. .1 wane noyt dies 1. C waen dies noyt liere I) waent noyt lierte en O wane n. Iie'e dies F w. n here G w. n. h. en. Wellicht te lezen luae (en?) ghenas; vgl. us. 107. â 115. ontbr. bij A BO scalke met (/? scalc mit) hem te r. DG tsinen G iaden â 116. BD Hien moste CBFD eynde G in dinde â 117. GF /nlke G selke sijn slants : 6'J5DO sijns lants G hars lants yl es slands/'es slans
11S. .1 Martin FG Meiten {eïi zóó ook verder) B Mertijn D berechtes G berecht â 119. Igt; herten â 120. B wankele D wankel G wandelbaer B de â 1*21. B En FD 1c en F wat ontbr. â ISS. FDG scalke CG houdt FG loeslieit â 123. OG Knde p. A CO die d. O dnecht G doecht .1 sinale â 1 '24. C Cayn OG si. doot I) versloech BG edel 1)0 goeden 125. C scoert d. scalke G suect d. scalke F smeect d. tsc. ontbr.) 1) s. herten wel F sinen here wel â 1 *26. I) 11. hi hem IJ llo hijt G ghetrecke GBFD trect O mach trecken â 127. B Gode d. o. domen â 128. FDG Hein b. G Bid ic F datti â 120. FO lesten BJ) laetsten â 130. BG M. (G Met den) scalc O Met sulcke scalcken.
131. G nu ontbr. G bericht â 132. F 1gt;. oft G Bericht O Hegiert B n. ne Fl) nye en G niene â 133. F Maec.te a. O A. die h Allen
f)
EERSTE MARTIJN.
Twi hevot die quado clan don kies 135 Entie goede valt int verlies?
Wie salt over recht curen?
Mijn sin seghet mi als een ries:
Ui die Adame tlijf inblies,
Die meester der naturen,
140 Hevet bevolen - mere ende besies!
Dese dinc â eist waer, so gliies! â
Der blender avonturen,
Die verkeert telker uren.»
12.
:gt;»Jacop, soeh, bestu vordoort?
145 Avonture es maor oen woort Van ghovoinsder spraken.
Brincstu onghelovo voort?
God siet alle dinc ende hoort;
Wiltu den duvel maken ?
150 Wat hevet dijn horto dus bocoort,
Dattu holts ant legher boort?
Die papen sullont smaken;
So wortstu verbrant ende versmoort,
In gave om dijn siole niet een oort.
155 Men mach mot sulken saken Godo niet ghonakon.
134. CUI V heeft O heeft dan B ileu q. ='? CISPO ilan onlhr. U sineii â l;!5. CIJO Kmle ilie II Eiulc ile 1 heeft al tv. G v. in tf. â KiCi. .1 saelt (IC, sul ilit II sal JICI'I) voir G vore lgt; v. nu C rechte G cueren â lo7. .1 segfthet C zeeght Hl'HG seit A eenen - 138./gt;'ili CU Adticm Æ) Adam CFG dlijf â '139 O De C meister .1 natueren â HO. IIFUG Heeft FJ)G inerct â 141. ontbr. bij .1 C is d d. waer O Deser dijne FG eest I) ccs â u blinder CF blijnder A aventneren li avontuie G avonturen II avontueren ââ 143. B ure.
144. CG Jacob, cn zóó overal C zegh JIFI) segt CFI) bistn AG gcdcel-leljli ook 7)'verdort, wort, hort enz.â 145 /)'/â¢'Avontucre IJ Avontuer .1 Havent me G IJavont. /â ' en es m. G ens m. II es wair C is nier I) en is meer II en \v.â 140. II ghepeynsden saken /â ' glievensder G geveysder 147. Il üiingstu lireingstu O liiinghtu â 14'.t. 1)0 Wilstu â 150. .1 Wie CBG heeft U dine HIJG dus onlbr. C versmoert O verstoort â 151. C heides FC hels IJ bolides CFI) aent II an F dlegher II leggher CD laegher O argber â bi'i. C zo, lent FOG sclent â 153. .1 werdstu C wordstu F wortstu D werstu ende : CHI) of C vermoert â 154. B lune en II 1c en F Kii C niet o. d. ziele. AO dine s. I) n. s. U dijn ziel G di B een toirt G enen toert. W'ellichl oor-sjironkt'ljli In gave om dine siele een oort. â 'Ugt;5. I) Men en II mit G selken A dusdanen â- 150. lt;gt; Te g. n. gheraken.
7
STROPHISCHE GEDICHTEN.
13.
God on was noit moede no mat;
Int wout en es loof no blat Buten siere hoede.
160 Al dat es in elke stat
Dat behoet lii ende besat
Met godliken goede.
Al ghehinghet hi dan dat,
Dat die quade ghewinnet scat Kiö Ende menne heet den vroede: /
So hi hoghere sit upt rat,
So hogher val, so meere plat In der helseher gloede Onder der duvele roede.
14.
170 Die rechtste wech ter hellen waert Entie aire cortste vaert
Dats ghelue in sonden.
Als men gheen mesdoen ne spaert Ende men emmer voort verswaert 175 Die siele ghebonden ,
Ende dan gheschiet, als men begaert,
Ende men en roect, wiere mesbaert,
Xu noch te ghenen stonden:
So comt die doot, diet al vertaert, ^ 180 Onversien, want hets haer aert, ^
Vs. 157âdeze strophe ontbr. in G â 157. CD nie D moe C nocli â 158. Cl) en is B nes (op ries cjelijkende) C noch loof noch â 159. B sine CO sire F sijnre /gt; sijn behoeden AF hoeden â UK). CD isâ 1()1. O besit li v â l(quot;»k2. =? CFD godliker O goeden Fl) hoeden â 1()3 C gheheinglit F gheliiiu t 1) ghehenghet â KVi. B ghewint F wint â 165. BI) men hem CF men C heitet A d. \ roeden C die woede (zöö tvellicht te lezen) B óie woedeâ1 ('»(') CliFJ) hogher CBI) opt â 1(37. F meerder D swaerder O swarer H hogher â 168. B hellen A FIK.) gloeden â 169. BFD d. duvelen C des duvels AFJJO roeden.
170. Fl) D(Mi rechten CG rechste O rechte .1 helen â 171. CBDG Kmlc die Fl)() aider O naeste 6' snelste â i7fc2. JJ Dat is â 17li. CO Alsemen C misdoen CB e. o. en â 174. O m. noch daertoe versw. F wert versw. I) wort v. AF bezwaert â 175. A zielen F met sonden gh. O m. laste g. C daerin g. 176. dan : Oal F DOG dat men 1 als hem F bcgl iccrt B gaertâ177. menen : BF.I)0 nieten C nieiic: lees nicne ? O rouke BOG \vi(! /â¢' wie dat C wie dats Cli misbairt F DG mesvaertâ 178. 1) tot â179. FG Dan CDO coemt C vei uaert O verswaert FDG d. niet {D niemant) en (G nicne) spaert â ISO. B Onvoirzicn G Onvorsicn FD want unthr. D liet is G dats C hoer JJ her â
8
EERSTE MARTMN.
Panden van den ponden,
Die niemen ne can ghegronden.»»
15.
quot;Martijn, du heves mi bekeert Ende ghewijst ende gheleert 185 Van dies ic niet en wiste.
Al sie ic meer den quaden gheëert, Mijn hei te en werdes niet verseert
Noch in ghenen twiste.
Al hevet hi meer dan hi verteert, !!)() Ende lii wint dat hi begheert Met scalcheit ende niet liste; Ghinder wert hi ghedestruweort Ende ghebonden ende ghemecrt; \ Sine kindere gaen te quiste
/ 195 Ghelijc enen miste.
16.
Martijn, waerstu niet so wreet, Ene dine, die ic niet en weet,
Sondic di gherne vraghen: Twi sijn die sonden Gode so leet, 200 Dat hi den sondare es so heet In wraken ende in plaghen ?
Want gheen sondare in sonden steot Langher dan sijn lijf es breet, Twi torment liine niet slaghen
181. F Om te j». .\(r v:in haren p. â I8k2. G n. en C nieman en /â¢'/gt; nyemant en O mement en .1 nieinenc li niemen.
-JSI5. IJ Maertijn .1 .lacop li hebs C lieefs â 185. CBFDO V. datâ K.s. 18(»â 554 ook in E, de Heidelbergsche fragmenten. â 186. jö mee trdieqmnleâIS7./gt;' Mine h. werd ets C werdets D wert des â 188.0 N. oec 6'englienen (7 neglie-nen â '189. ('.BUG heelt hi EF heei'ti â IDO. I) hi onthr. = CHEF DG }_rhe-wint .1 begaert â lOi. II Mit... mit, en zoo ooi* later C scalcheide BFh scalehedén E scalheden G sealcheiden â '192. C wordt CE ghedestrueeil 493. G E. gehindert e. geonneert I) ghevanghen â 104. I) Sijn C kijnder FG kinder BJ) kinderen â 105. B bosen m. /gt; vuylen m.
100. B Maertijn, E Merten, en zoo overal CE F en w. .1 vreet â 107. DG Een F DO dat ie G dies ie C niene â 108. I) Sonde iek EG n .1 hn C onthr. CF gheerne Hh gairne - 100. I) Hoe â c200. /â¢'Datti Datti es CB!) zondaer C is, zoo ook later FDO wreet â 201. Met w. e. mit â 202. CBIgt; sondaer A s. langhersteet G en steet â 203. t In sonden dan G Lsmghere â 204. B toinieriten i) hi hem C plaghen
n
STROPHISCHE GEDICHTEN.
205 Ewelike, sender verscheet?
Dit en schijnt te pointe niet gheleet Tordeel, dorstics ghewaghen,
Al en weten wijs wien claghen.»
17.
»»Jacop, die alle herten kent 210 Sent den sondare recht torment Na der herten ghedochte.
Omme dat hi wilde als een rent
Altoos leven ende ongheënt,
Up dat wesen mochte,
215 So es hi ter hellen ghesent
Daer hi ewelijc is gheschent,
Want sijn wille dat wrochte.
Besie dine herte al omtrent!
Dincti dese redene blent 220 Die ic hier toebrochte?
Xeent, diet wel besochte.-
18.
-Martijn, du seghes wel ende waer,
Ende dine redene es claer Ende licht te verstane.
'205. (', Kwelekc KI) Ewelijc /â¢' Eeuwelijc â 206. HIK) 1). sch. O l)iii scli. i'. Hit nes Uil te |iimte E te [loente C te rechte (i geleidt E ghecleet â 'iOT. // Toiiil. /â¢'(â ' Duid. Il Dneni. B iloiste les E torsticx 208. II Alue AU Al U weiten \vi wiens O wetens wij T) weet icx F weet is E wetict.
200. I-']aco\gt;, G hicoh op den kant bijgevoegd .1 CUE DOG goil ilie .1 alle onlhr. Onze /(ss. gaan naar alle waarschijnlijkheid lenig op de lezing .1., goil die alle li. U.; .1/'' en G wilden het metrum in orde brengen. Het zon evenwel ook kannen zijn dat de in den tekst opge â omen lezing van F die van den arehetypus was; vgl. de varr. bij 11 f 504 EG kint. â 210. C Zeiiuit E Sind E de Uil solidair G sondere B menicli t. E tormiiit â 211. U zijIIro h. G siere h. â 212. CBEG Om G wonde I'll wille /â .' wilt CEEO alse â 2*13. EEIKI ende ontbr. G ongeendt /â ' onghehent (I zonder lient E onbekent â 214. GBEG Op dut I) 0|i dattet â 215. ()G Daer omme CBD is, c.n zoo ook elders â 21(3. U ll. li. nemmermeer en went /â¢' eenwelic G ewelec GO ewelike C wordt EF weil ll blijft â 217. Deze regel ontbreekt niet in A , gelijk Verwijs zegl op gezag van Kansler. â 21S. E liesiet FBOG liesicli GBEDOG dijn E u -â 210. CE Dnncti G diinct ill E Dinct ii D Dniut n D reden â 220. E haer t. F voort br. â 221. U Neen so ll N. sy EOG Neense â? Neen soe EOG diese.
222. II Maertijn E glii segt I'll segghes B segs G segts â 22'i. CDU Knde ontbr. II reilen -1II die es (is) G die zijn 1) is wel â 224. Ueze regel in G o/i den kant bijgevoegd. ll lichte (I licht oec llll verstaen
in
EERSTE MARTIJN.
225 Al ghepeins os openbaer
Vor hem, die tellet alle haer
Ende wat die hemel heeft ane.
Ja, lovere, gras, dach ende jaer,
Dropele, sant, es hem niet swaer 230 In telne te bevane.
Ui hevet ypoerisië ommaer Ende leghet hem met wraken naer,
Die in hare bane Pleghen omme te gane.
19.
235 Soete Martijn, men leset dat:
Al gavic wech lijf ende scat
Ende ghedoghede grote coude,
Ware ic in hooftsonden mat,
Het en diedde mi niet een blat;
240 Die nieuwe wet spreect ende doude.
Die ons dus naeuwe maken den pat Te hemele waert ende so glat Ic wilde, God selve wonde Dat si portiers waren ghesat 245 Ter hellen: si souden tgat
So houden met ghewoude,
Datter cume iemen in sonde.»
'2ki5. El) Alle BK gliepens D gliepeynse (i tgliepeys 1) sijn EG oppenb.â ±i(gt;. CUE F DO Voer CU telt /) al O thaer â quot;2'2 7. B de E ilen EEC heuet 1gt; aeii â 228. CE EG lover BO loveren D lovers E dach gras G gers â 229. C Droepele EEG Dropel O Dropelen H Dropels AE zants E waters E nes EG en es â 230. EOG tellene DE tellen B bevaen EEDG be-stane D bestaen; oorspronkelijk beslane? â 231. E Ypocrise heeft hi CBEG heeft .1 en andd. ypocrijie C ypocriten D ypocrite El) onmaer â 232. CE leeght h. B leecht h. G leit hen D volghet hier E hen in. wrake .... â 233. O rnet haer in D haren baenâ 234. /*'PI. mede om /)0 Pleghet Gom /)gaen.
235. EG Suete Mei ten CEDG leest E siet ... â 230. CBD gane ic
E gaef ic BDEOG w. goet {O goed G gont) e. E w. goet......â
237. I) doghede O doechde E doegh . . . g . . te conde B groot â 238. E Waric... . oftsonden.e. .. /gt;'/*' Waer C Weer â 239. C Hen vromede E Mn vroede (vroede?) !gt; 11. en holpe EOG Kn h. D Ten h. E een ... â 240. E Sprect d. niewe wet.... EDO Spreect (E Sprect) de {D die) nnwe w. C nnwe B nyewe C wit B seghet G onlbr. .1 e. tonde CU e. die (// de) onde â 241.
E mak.....â 242. B Ten CBEEDG hemel 1) e. oeck E gla .. â 243. E
wonde I) wildet EO wilde dat G wondt I) selver E selve w . . . â 244. C 1). ze El) poirtiers O porters E gheset â 24(\ = (/OG hoeden 7^ghew...â 247. A Dattre B comen 1) nan E yement D yeinant .1 iemene E in co-men E son ...
11
STUOriIISCIIE GEDICHTEN.
20.
»»Jacop, inenecli proeft endo coort
Der helegher scrifturen woort 250 Ende wanese ghegronden;
50 clapt liijt leken liode voort
Die gherne nieuwe dinghen hoort,
Wat hi hevet vonden.
Selve verstaet hijs niet een oort:
255 Dits meerre mesdaet dan moort,
Dat si Gods woort dus wonden.
Hier naeyen sijt, hier eist ghescoort,
Hier breect een naghel, liier een boort.
Wapene van don honden 200 Nu ende tallen stonden!
21.
Wanen si die woort ghegronden saen,
Daer die wortele ave staen
Gheplant in hemelrike?
51 jaghen vele ende clene si vaen,
265 So willen si tesamen slaen
Ghelike ende onghelike.
Dies latic mijn vraghen gaen,
'iiS. CUFDO menich E proeft e.... F becoiit â W24U. CFG heiliger 1) licy-liglieu E lieylegher scrifturen ... .1 wort, vort enz. â 250. /I waense CG wjientse BEF DO wanense AF wel gh. â 251. = BEFJJOG Dan = C cl. hi, BEFOG clappeii {E lappen) zijt allen lieden (C Imien) E li. ...â 252. CVjU Dat /i/*'glieerne I) gaerne G van (dit aan den kant hij geschreven) nu wen dingen C nnwe CO dinghe E dinghen ... â 253. I) Van dat hv hevet ghe-vonden BEOG si hebben C heeft â 254. J) Selver CBDG en v. O verstaet (?) /.ijs I3G verstaen z ijs is vers taens sijs Tl niet ee.... BFO woort â 255. FU meerder E mere CBO misdaet E dan m... â 250. E won ...â257. CEF h. eest BIJ h. ist OG daer eest E ge...â 258. Deze reyel onlbr. hij B EFI) brect G gebrect DOG daer een b. E et'n 1) . . . â 259. B Waphene O Waphe E DG Wapen ED over die G o. den F o. dese â 260. C en B te allen st. D tot a st. G in elke stonde.
201. B de D dat A wort, en zoo ook elders bij .1 e. a. CG woerde O worden zaen E d. wt gegrond .... â 202. die : B te EDG wortelen H wortelen alle A CEO ane B of D aiquot; E st... â 204. jEquot;. Vele s.j. ende (denkelijk te schrappen) : B maer /â¢' rner EDOG onlbr. C elein D tcleyne E luttel O lettel E si v... â 205. BEFDG Dan O Dus wanen DG sijt .1 tsainen EFDO te gader G te gadere â 200. CF DE Ghelijc G Tgelike G dongel. â 207. C l)t's D Van dien O Hier af C lael ie /? dijn =! CBFDOG staen E s____
12
EERSTE MARTIJN.
Want liet dinct mi best ghedaen Dat ic liier af wike,
'270 Dan ic viele in doinmen waen.
Nutter eist dat vlie de naen,
VDan hi te campe strike Jeghen den kempe eerlike.
22.
Of God ten joncsten daghe sal 275 Ghepeins ende woort berechten al,
Daer wi oint in mesdaden:
Soudi, als enen onwerden bal,
Weldaet werpen int helsche dal,
So ware hi sonder ghenaden.
28U Neen hi. En es niet so smal Van weldaden dat glietal,
Hen wert van grade te graden Van Gode ghedanct, die noit en hal Wat men wel dede ofte stal.
285 Gherechtichede sonde scaden,
En hoorde God niet die baden.
208. F Want ontbr. CFUG dunct C bet E ... *200. Deze rcr/rl ontbr. bij O H icker of â c27(). Deze regel ontbr. bij E II vóór viele eene letter, ivaarschjnljk w, bij vergissing i. pl. van v(iele) .1 viel /â ' vele /â ' ju eenen (i. 0 doemen â c27'l. A Ende n. EFDOG Beter (Kt eest h ist II is EEG es dat vlie : UG dat hi vlie AO d. li. vliet E d. vliet O vlien l'l) d. ic vlie EEOG die n. (/â¢' naem E n...) CD den n. li den aen. De oorspronkelijke vorm van het vers is onzeker. Mogetijk zijn de lezingen: dat hi vlie (vliet) of dat vlie (vliet) of hi vlie (vliet) met de naen {als nomin.) of den naen {als dat.), vlien den naen; daaruit is de tekstredactie gekozen, die niet verkeerd kan worden verstaan. â CFD 1). ic 01) ten 27li D Teglien G kimpe D kern-per C eei l... .
274â286: Deze strophe ontbr. bij G. â 274. E/⢠Ol't Li Als E dagli.... â 275. E Wort e. gepens berecht.. . . HE Ghepens F en O woerde OF berichten â 270. E Wan dat w. ye in. OFD oyt HO ye .1 in oint m. C misd. â 277. OH Sonde hi D Sondhi O Twij zonde hij O HET DO een onwaert {E onvvert HF onweert); deze lezing, met eene vrije constructie van het adj. in den nominatiefvonn , had wellicht in den tekst moeten zijn opgenomen. â 278. D worpen E hels.... â 279. El) waer C weer E ... waer h. s. gh. â 280. GO hi ontbr. E ... hi G het en is li hets F ne es â 281. E ... e\ .. . den d.t getal O al dat D int â 282. E .... van O En GFTJ Ende H lïet Gd werde FD wort EE grade â 283. E .... gode EO geloent .1 n. en al
H m. ende al O n. hal O niene hal ED nie en hal â 284. E......wel OUD
Dat O wel otdbr. liD() of â 285. E . . . hticheit /â¢'(ihcrechticheit ffherech-
ticheide OE sonder sc. â 280.....dede g. n. d. hade .1 Hen OH imtbr.
HO de baden.
STROPHISCHE GEDICHTEN.
23.
Dat seit dat ghelove mijn:
God moet in hem selven sijn,
Hine mach el niewer wesen.
290 Hi es gherechticheden fijn
Ende ghenadicheden, dats anschijn;
Hi es al een van desen.
Die van den watre maecte wijn,
Hine es sijns selves niet eighijn.
2!)quot;) Wat so die doren lesen,
Jacop, hout dat ghelove dijn!
Hets menich onbeseheden swijn Te priesterscap gheresen,
Die niet en mach ghenesen.»»
24.
:J0() gt;Martijn, dijn ghelove es goet,
1c bem dies seker ende vroet,
Weldaet wert niet vergheten.
Laet hem begaen, diet ghelden moet,
Ende diet al bi redene doet!
303 Nemmeer en willies weten.
Hi es diet al maect ende behoet;
E .... stu «lat geloven O Het 1) Wat OG sejihet C zeeght lrG
tgheloove C «lie ghelove â quot;288. E.....o«l â c289. K ... rnnches nie waer
lilt Uien C els 1) anders A nieweren F niewers I) niewei t C nerglien â 290. E .... es C130 Go«i is BEFDOG ghei'echticli {O gliereclitech F ge-iia«]i«li) emle f. {E sijn) â fc20I. E .... gherechtich C ghena«Jicliei«len A glie-iia«]iclie«lo UFDOG glieuadich {G geiia«lech) l) dat is G «lat es wel CltFDO aenscijn â 202. IC. op de plaats van vs. 295,.... s al =? A Hets O Het es G Dits Ji als een F alleen C allene â 203. E ... . van /gt; den onlhr. E wattere G w ate re GBJ) water â 204. E ... es /? Nes C Die en is O Kii es G Ui nes lgt; Hi is EFDG selfs I) niet onlhr. F eyghin U eghijn â 205. E {op de plaats van 202) .. . wat FD Soe wat G Wat «lat O Wat zij A «lore E «loen O zotten â 201). E .... op SEFG hout (6' homle) tgh. I) liontet gel. C hout «lie gli. F mijn â 207. E .. .. menich G Want li. menecli ('.
ombesceiden E onbesneden B onbesceldich â 208. C Ter E.....riesterscape
F DG priesterscape O priesterscepe C verresen â 200 E.... niet en can =? A F DG Dies B niet mach F DG n. en can C niene c. O niemende c. (= ? can).
300. E .... en «lijn FD «line C andworde O andwoorde E antwor«le F antwoinle G antwordde â 301. E . . ben B Dies bin 'w A be CG ben F bin â 302. E .... «laet = CFDOG en wert {C waert D wort) CE nie â 303. E .... hem becaem â 304. E .... et also re«lenen AFG redenen D reden â 305. E .... eer U Nernmer GDO Niet meer GFD wil i«*s â 300 E.... «liet .1 es «li«' ghene «liet al beh. F maecte BC hoedt
14
EERSTE MART UN.
Alse die hinne haer kiekine broet,
Heeft hijt al beseten.
Hi ghevet ons siele, vlcesch ende bloet, 310 Hi hoet ons vor die helsche gloet,
Dat wi niet werden verbeten Ten joncsten noch tereten.
25.
Martijn, menieh parlement Ende seghet dat die minne es blent,
315 Ooc eist een woort ghemene.
Omnie dat ic ben een onwijs rent,
So mac mi dese woort bekent,
Want en es niet clene.
Es dat waer, so es minne torment,
320 Die hare volghede, ware gheschent Ende onteert al rene.
Nn seghet elc wise al omtrent Dat minne, dat soete instrument,
Gode van Nazarene 325 Brochte in desen wene.
307. E.... ne hinne ö Also die henne teye br. F Glielijc d. Chenne A hare (l har CF «lie CG kiekene EFD kiekon C broedt 308. E... hijt h Soe heeft F hij al â 300. E .... enen hem vl. e. bl. CG Wy ^lieven hem s. J1FD gheeft C vleiseli O lijf D bluet â 310. E .... et ons C(i hoedt F behoet O wacht CB voer G vore B de h. A den helscen â
311. E.....niet F DG niet en C niene C tereten yl tesleten â 31,2./i ... axsti'n
BFDG j. daghe FG no O dooreten F doirgheten G geton DE tesleten li ghesleten AC verbeten: bij AC hebben de rijmwoorden van vs. 311 en 31L2 van 11 la a t s g ew i sseld.
313. E ... en G menech B die meneghe à die meyninghe O maei^t p. FG perlement â 314. E ... in segghen G K. segghen {onderaan bijgeschreven. denkelijk mei betrek king lol den volgenden regel Es om die minne dal si os blent) C Men zeeght F M. seit BD seyt A dat onlbr. B die onlhr. â 315. E ... est e. tac gh. O Doch eist CFG eest D ist â 316.E ... iet ic CBFDG Om F bin â 317. E ... t. mi B Maec m. FDO Maect m. C make G maect FG d. woirdo C d. redene ED d. dinc Jf deser dijn â 318. E ... es in wijsheit cl. FD En es (D Ten is) niet \v. cl. A ennes n. cl. B ons wyslieit n. cl. O en es w. n. cl. â 310. E .... aer ... es D Eest F dit 1) mine â 320. E . ... v . . .. de waer A l) Entie CF haer G volgde D volchde A volghet CFJ) waer A es â 3'*21. ...nte....l rene C ondeen
D alteene â 3212.....get.. wise BFD seit C wise ommotronl â 323. E
.... ane dat /) Oaer B tsoete FG d. /nete A d edele â 324. F ...van D God BO Jhesnm â 325. /» lirochten /gt; Uroeht C lirachl CD dese.
15
STUOPHISCHE GEDICHTEN.
26.
Jacop, dijn vraghen es swaer.
Doch proeft men bi redene claoi'
Drierhande minne.
Deerste es caritate, clats waer,
330 Die es sonder pine ende vaer,
Ende daer woont God inne.
Dander trect die werelt naer,
Om ere , om goet staet al haer gaer;
Dits ene bastaerdinne.
335 Die derde minne eescht die jaer, ,
Als bi naturen elc sijn paer.
Al noch sijn si dinne,
Die deser volghen bi sinne.
27.
Deerste minne es so groot,
340 Dat al ene dat God gheboot
Vulprijsde niet haer waer de.
Jane trac soe themelsche broot Hier neder in der magheden scoot Onder der Joden swaer de V 345 Minne es God, merct al bloot!
Wie mochte els bringhen in der noot Hem diet al vervaerde,
826. FO vraglie â 327. BE mit D met A in BEG redenen D reden F proeft-men openbaer â 328. G Di ieraiule â 820. 6r Dierste CF Die ierste es : .1 «lats C heit â 380. 7gt; Si is /1 Dies C ende sonder vaer â 832. C. Die ander li triict de â 888. Æ) eer G steet /gt; is B al onthr. C hoer G hare â 334. ED Dats F Dat es O Ende dat es G Ende dats HE een O de F bastaert-dinne â 8^.5. /gt; De EOG derde eescht {G eyscht) die (die onlhr. O) hloyende j. All heescht I) eyschet F eyschen JiJ) de j. â 88(5. CBG Alse I) na-tuere AliDG elc doet O e. sonc.t E kiest â B Als noch =? CEFD Al doch G Mer doch li die dinne â 888. B deiser E dese EFDOG met s.
830. EG Dierste C Die ierste C goet â 340. A HF alleene C alle die EDOG al dat CEFDGO god ie; oorspronkelijk alle dat G. ie? â 841. BD Volpr. C Volprijsden F En volprijsde G En volprese G n. hare li mit hairre D hv met haer A EOG weide (F weerde â 842. CE Ja en FD Ja G Want F DG sy trac G trecte F themels â 848. li maichden GEFDOG maghet â 344. E O. die goede warde meden A FOG zwerde C s weerde â 845. G Desem. 7? goet /gt;'mere D merctet AGG dat merct F die m. O dit rn.: lees dat mere? â 841). GEI) \V. mochten O W. brochte FO anders D onlhr. C breinghen O onlhr. E den H de G selker â 847. CF rei neerde D vei waerde AOG verwerde
16
EERSTE MARTI,JX.
Dan hi hem selven daer in besloot,
Die dor minne sijn bloet root 350 Storte liier neder op daerde Ende in minnen openbaerde?
28.
Wien dat selke minne es cont,
Alse caritate, hi es ghesont,
Men machene niet verblenden.
355 Al laghe hi in der hellen gront,
Ware hi daer mede ghewont,
Hine ware niet in ellenden.
Maer God en wille den riken vont Ghenen sondare, ghenen hont 360 Nemmermeer toe senden :
Die edele have, dat diere pont Smaect allene der vriende mont;
Men mach haer lijf doen enden Ende niet die siele schenden.
29.
365 Dander minne es onbehoet.
Want soe staet om terdsche goet
Ende om der werelt ere.
Dits die minne, die dicken doet
348. J) Dat O Daer lii : .1 die FD selven onthr. /Mime â 340. .-IKKmlo dor II der G iloie CFDO doer Ji minnen C die iniiine AE ons C bloet ll bluet â 350. li Stnrte H hier neder onlhr. EDOC neder onlbr. III'C op ACEG derde F deerde O de erde II die airde â 351. llllC E. (G sine) minne /â ' minne A hem o. ^oppenbarde G o]ipeiibeiile .1 CEOopenberc|e.â 352. II 0 dien selke G W. so s. II Wie so s. J1CEF zulke â 353. HE FC Als EC ghewont â 354. HEG machen G maghene Fh mach liem EF verblinden â 355. HE ware bi 1) waer hi â 35(1. G Op dat h. w. d. Cl' VVaer 11 hire in. â 357. UDC Ui en CFJ) waer 1)0 allenden â 358. B Mar Cl) Mer CD en wil G en wilt O en wilse Ji wille niet â 350. CUD zondaer F no genen â 360. AOG Nemmermeere H Nemmer E sinden D sevnden â 3(il. r, Den CD edel CE F DOG gave // h. tdiere â 302. C liet sm. /â¢' Smaecte alleen B de vremden {of vreinden) m. EI'D vrienden â 303. C boer lt;11 ijlquot; O hier tlijf G har 1. E sinden D eynden â 304. EVDOG Mae,- n. C Mei' n. // de z. sceynden E seinden.
305. CD Die ander G onbehoedt E oinbehoedt F ombehpet â 3G6. â (? vi/l. vs. 307 lt;!/(. 370) BEFDOG na G omt aerdsebe H taertsche E dei tsee /â¢' deertsche â 307. =? CHD 01' O Ofte O oinme HE CD na .1 weerelt -368. G Dit es D Dit is HG de m. I'D minne (l dickent CEI'UG ilii ke
Wapene Martijn. o
17
STR0PH1SCHE GEDICHTEN.
Ridderscap wesen verwoet 370 Enten woekenere.
Want die ridder niet gheroet,
Iline verslijt vleesch ende bloot,
Updat sijn prijs mere.
Dander, al ware ghelt de vloot 37quot;) Ende hem vlooide in sinen moot,
Hem sonde noch also sere Dorsten alst dede ere.
30.
Dese minne heeft onderscheet Van hem, die om die ere steet 380 Ende die om den scatte.
Wiltn ere hebben, wes gheroet To latene, dat Gode es leet!
Pijndi to doene datte.
Dat hem lief os ende hi heot:
385 Wes vrome ende om die doghet sweet,
Dat men di niet en matte Onder der idolre gloriën cleot,
Daer menostraudië met omme gheet,
Want hare tongheplatte 390 Smelten also sneeclatte.
MO. .1 Rndderscap w. O Trudderscap werden G verwoedt â 370. BCDG Ende den O Ende oec den A woeke heere F wokennere 11 won km- eero O won-kerero G woekerere â 37-1. UW. do E Wanttie HG riddere .1 rnddcr Kh'IKI niet en GG nicne II slievi'oel W bevroet G ghei oert /â¢' gliedoet E doet â 'Mi.
Ill) lli EG verslit â 373. GEFDG Op d. O O........ d. G ghemere 11 niet
mere â 374. A Tander G Die ander GDI) waer I) CE F al ghelt
CEII die F een â 375. O liet hem v. C vloyde liem II vloeyende EFIIG den m. O de m. â 37(1. E noch onlbr. E v.oe z. â 377. C als A dant lgt; iladc II eerre.
370. .1 om die om die /?ommo EFDOO ii;i â -ïHO. .lOKntie ^./?/â¢/)iMide C om die F lt;1111 der werelt G dienen omme die HU dient den A pijnt om den EO pinen om den; zin (h; aanteekeniny hie.rachtc.r. â 381. /)6' Wilstn G so wes O hereet â 3S'2. GFI) laten I) god â 3S3. .1 Pijn di II Pijnt gt;li IC piiitti (? niel meer te, le.zen) I) Pijnt u Cllll te doen .-1 omme I) al (latte â 384. I) Dat nnthr. H 1. sy /' is 1. F es 1. .1 ende dal GHFD 1,1 ,|| â :{85. c vroom .1 vrotncrh E vromich Al) ende onlbr. 11 omme F oulhr. II de doocht El'DG doghet AC die eere A sneet â :i8(i. .1 Ihnitti dat F Wacht dat C niene II niet â 387. E ydelder â 3X8. I! ministrandio EDG die (de) meneghe I) soe mcnighe F inenech C111) mede I I) om 038. I'D haer G tongen pl., lt;llt;! overigen tonghe pl. â 300. FD Smeltet E als FIgt; als een G als die C sneclatte BO snee clatten.
18
EERSTE MARTI.FN.
31.
Ere te minne, dats ene dinc,
Daer noit herte met omnie ghinc,
Soene was van renen aerde.
Bestu out of jongheline,
395 Doe wel altoos ende bedwinc Diere herten hovaerde!
Prijs, die in lodders tonghe liinc,
En was noit wert ere oghen winc Onder die goede waerde.
400 Onwerden lof vlie ende ontsprinc,
Die meneghen vaet ende wilen vine,
Die dat woort begaerde Ende dat weldoen spaerde.
32.
Goet te hebbene ende scat 405 Ende tamelike te nuttene dat,
Dats een salich leven.
Maer goets minne maect een gat,
Dat nemmermee mach werden sat,
Al wilde ment hem al gheven.
410 Minne van goede es ghehat Vor Gode in die hoghe stat,
Daer die inghele beven.
Dese souwet der eren pat,
Want soe moet int helsche vat;
301â410. Di'zc heide slrophen ontbreken hij G â .'501. II Sero O mimiein-CFD minnen E hebben «lats : EF es CIJI'DO een â 302. E nov {zeer onduidelijk) herte : O man CSD meile CF om I) om en â 303. .1 Sone H Soe en CEF /.ine tl Sy en O Mine = de anderen\p.'mclt;\ â 304. CU lilstn H out man of Jongeling E oi't 305. EFO Doet HEFh altois wel F. emle onthr. = EFII ilwim; II ihving; .1 ontsprine â 3gt;!Ki. It Dire CEFHd Di.jnre A Die It harte F hoveerde E hoverte {zeer onduidelijk) â⢠1107. tl 1'. iinlie I. DO tonghen It hing â 308. CHEF Was II niet /â¢' weert Hl) waert O onthr. E eender BC een:; FIKI een Fll oghe O oeghe â 300. It goeden F weerde â 400. F Onweerden II Onwaerden E Onwaerdeghen It loof FE vliet C onsprinc â 401. C menghen ltd meniglien F tneneghe II menighe.
404. CIIEFII hebben â 405. F temelic C teinelijc I) redelljck It zalirhlilie EO met eeren CHEF nntten II ghebruyeken â 40(1. II Dal is e. hevliih â 4(17. II Mer CIIEFII gods â 408. = lt;le anderen nemmermeer It m. zijn zat 400. EIKl haer al /â ' al hier â 410. C Minnen ttt' gode .1 wert HE ghehadt â 411. in andere Voer â 412. F enghele All inghelen ItE inglen It leven â 413. ACEFO scuwen It heren - 414. FO zij moeten Itt-'ti hat O gat; bat is mogelijk de juiste lezing.
1!)
2*
STROPHISC1TE GEDICHTEN.
415 Salomoen lievet bescreven :
En es niet erghers bleven.
33.
Die derde minne eeschet de tijt,
Alse die nature ontbijt Die bloeiende jare.
420 Dat es tedelste delijt â
Alse hare scamelheit besnijt,
Ende men trouwe hevet mare â
Dat men vint tor werelt wijt,
Want soe talre stont verblijt,
425 Alse oft al liare ware.
Ilaer hope nemmermeer teglijt.
Die aldus sijn lijf verslijt,
Maect sine sinne clare;
Hi nes gheen futselare.
34.
430 Minne es, alse men bescreven vint.
Gracht die twee herten tsamen bint
In een rene wanen.
Dattie minne hetet blint,
Gomt dat menich es so kint,
435 Dat hi hem laet verspanen.
415. A Salemoen CJID Salomon I) heeftet â 411». A EO Ennes I) Ten is C Het en is II Het is F Want ten es CEO aerghers F arghei s II arglier D achter U gebleven. Na deze strophe heeft hs. O O. Laiulibns oijlatis pravorum ne pereatis. DU staal waarschijnlijk op vs. 37H o/yf/.
417. C dorde A heescht O lieeft CFG eyscht II eyscliet COG die EF ilen T) te â 4'1S. G Also .11F DO Als ÃF bi naturen elc O die nature elc (!) HE ombijt G ontbijdt â 419. U De 0 Der bloyender iaren. Vijl. cle aant. bij vs.'S36. ^ 4gt;20. BEFG Dats C Dit is E dat edelste F dat de. Igt; die e. G de e. Cl) jolijt; â 421. Fl) Als CHEF luier â 422 in E op de plaats v. 425 â 422, AC dogbet C heeft â 423. allen Die C vijnt â 424. f.'Btc aire EFD taldrr EO tijt â 425 in E op de plaats van 422 â 425. lil) Als of bet A Rechts oft F Oft EFG Gelijc oft (G ocht) EFD al haer C baer al â 42ö en 427 bij E in oincjeheerde volgorde. 4l2G. G Har F Maer A onthr. C minne CE glijt FT)G ghelijt â 42S. E Maer maect sijn s. D sinnen C /iele A claer â 420. Hl) Hien es EF Ende en es COG Ende hi ues .1 Want god en es; = ende (bi) en es // gbene A futselaer.
430. G M. alsoe men CBEFDO als â 431. C Ks cracbt /lt; harten C te samen H te gader G te gadere A unlhr. â 432. A Tsamen in ='! CHEFDOG enen reinen (G reenen) wane (C wanen) â 433. A Datte II Dat de FC O D. die t: 1). men die â 434. C Coemt B Dat comt .1 Doet C menecb /-'die menighe â 435. F DaUi E Dattie IJ ter spane
20
EERSTE MAim.IN.
Sine connen minnen niet een twint,
Die wandel sijn aise die wint,
Si rollen buter banen.
Ic wane, mer also vele vint 440 Minres in trouwen gheïnt,
Alse men doet swarter swanen.
Dus laet haer minne afplanen.
35.
Martijn, ic ben wel berecht:
Het seghet al, heren ende knecht, 445 Vrouwen ende joncfrouwen,
In sanghe ende in rime slecht,
Dat si met minnen sijn verplecht,
Ende men cans niet bescouwen.
Mi dinke dat al die wèrelt vecht 450 .leghen der reenre minnen lechl Ende volghen ontrouwen.
Menich seghet nu ende echt:
Mijn sin is ane u ghehecht So sere, ic wane bedouwen ;
455 Aclitre maken si de mouwen.
36.
Jacop, du hebs mi oil ghevraecht,
Ende ie antwoorde ende verdraecht,
436. U Si cn .1 concii C n. ontwint â 4)»7. /gt; wanckel H loozcr hJF als /gt; also /gt; dan /gt; ilc 438. Ji al bntcr (* al buten der /gt; bnten die EFCr buten â 430. /gt; lek waender men . 1 (.00 waen IÃF() men /â¢7gt; /.oe W). ('. Mime El) Minners O Minnaers Cr Minneren /gt; lionwe uilen ghehint 441. CBEhOG AIsmen d. F Alst d. G Als d. F/â¢' swerter IJ zwairtor /» zwane â 'ii-. . 1CB hare .1 af plane B oilquot; plane.
443. F Meiten, en zoo overal EFOG M. dn lieues {G heeft F jzhi hebt) mi b. B bin I) bom =? . l/gt;des wel â 444. HF seit /gt; seggliet. AY^segiihen (KI al onlhr. G eest heer eest kn. HFDO here 44r). IJ Vrouwe .1 jonevr. G jonvr. FG jollV. - WW en 447 in onnfeheerde votcfonle hij .1 - MO. G rimon â 447. Ji si sijn met O van m. 4VS. caens /gt; cant l) ean dat F eaent G can/e F niet onlhr. .1 beseauwen = DFFDOG gesconwen 44Vgt;. BEO dinet GFDG dnnet FF dat ontbr. G al onlhr â 450. .1 der onlhr. GBOG reinre FFL) reynder O plecht â 451. F F DOG der o. â 452. G Meneeh G seeeht HF seit â 453. I) sinne .1 so ane n CFD aen n BFO an n B gheecht â 454. C. Zo \r .1 Dat ie; lees So, ic? P waen F!) verdouwen â 455. GDOG Achter /gt; Van achter FF Maer achter lees maecsi? GFFDO die.
450. G Jacob, zoo ook verderop GG heefs F!) heves F ghi hebt oit ; G altoes =? BEF 1)0 onlhr. .1 ghevraghet, veidiaghet enz. â 457. EFl) Ende onlhr. .1 and wort El) antwoert, O andwerde (?) G ende ic
'21
STUOPHISCHE GEDICHTEN.
Nu willic, Martijn, vraghen.
Waenstu, dat mi wel boliaccht,
460 Dattu mi dus hoves ghejaecht?
Neent, wistics wien claghen.»» â
«Martijn, vrient, wat helpt gheclaecht?
Vrach dattu wilt', ende ic waecht,
Ic wilt al verdraghen.
465 God helpe mi, want hi vermaecht,
Dat mijn sin so werde ghevaecht,
Dats di moete behaghen.
Ic wille dantwoorde waghen.»
37.
Lieve Jacop, so berecht mi:
470 01' dat volc al comen si
Van den eersten Adame,
Twi es deen edel, dander vri,
Die derde eighin man daorbi?
Wanen quam dese name?
475 Twi seghemen ton dorpere: -spi!
Ganc wech! God onnero di!
Du best der werelt scame - ?
Die edele hevet al tghecri:
]\Ien seghet: -willecome ghi!
i58. CD wil ic /â ' wil iet Morten al vcnlragcn hier ook B Mm-tin â 4.V.I. EC WatMuli II ilattet COG ilats II behaghet, glicjaglu-t enz. â li glii mi (I. In'lit C tins onlbr, H ln'lis /J liobstc /â ' lu'vcs dus C vcriiieglit â⢠/|IVI. Ill) Neen (',!â¢' wist ic lll'.h wistict 6' wiont â 40'2. /gt;' vrient onlbr. CO li()l|il KF liiil|it lgt; salt â 401!. CJI Vraccli lih'Utl Vruci'lit /' wat tin O wattn wils ll willet =? CEh'IX) emlc onlbr. C ie onlbr. C'vaeelit
Ui' glicwaeelit. Jlel iviv. gliewaglieu [Kist hier niet in den zin ran âiiiitwoonieii''; C heej'l wellicld ic nilyeluten en ghewaoelit = ghewaghe het nl* 'nnpernlicl' motul vraeeli oixjeval. Hel schijnt in weerwil van de laaloloiiic mei vs. 108 i/cwenscld de Irziini der andere lis*. = ie waglie liet over te nemen: ook de overige woorden der b-rijmen worden in de a-rijmen Icriirjr/cvonden. â 464. II Ie wille antwoirilcii wa-glien (â 468) â 465. KF luilpe li lielp /â¢' liijt â⢠466. 11 siniieti worden glie-naeclit /â¢' wonle II vervagliet â 467. EO Dat EC n C mi O hij dij ED miiet 468. EU wil ACI'dC daiidwo(e)rdc II de antworde E daiiwocrdo I) dan die woei'den E draghen.
469. II Soete, EEIKKI onlbr. so : CKEOC nn, B onlbr. C bericht â¢â 470, II Oehte F Oft EG tfolc E al onlbr. â 471. CJCFC iersten â 472. I) Xn is E eest II eydel â 473. II He C Ende die dorde eyghen d. II eghin EFI) eyghen â 174. CJI Wane II Van waen /)'qiiamen /â¢' ipiam ons I EEC ilcseii â 475. It Nn BEl'DG seit men C /.egbctiiK'n EEC loten I) lotten lil) dorpro CEEHC dorper CBE li I'll Hi - 476. BH oneere â 477. C bist li biste â 478. II Ue ll edel C edele man B heeft C heest â 'i7'.'. IJ Mc HEI'DC seit II welcomen
EERSTE MAHTMN.
â 180 Ditgt;; dies ic mi vergrame,
Want hot clinct mi ontanio.»^
38.
'Marlijn, den monoghon cs bcdoct Die dinc, daer dijn sin np meet,
Ende dn vraghes wol verre.
185 Want hevet oen porsemior ghobleet Enten lieden thare ontpeet.
So wille hi sondor inorro Onder die edelo sijn ghotrect;
Al ware lii dusentfout bevlect,
l!)() Tghelt claerton van den terre.
Dits die dine, die liedc weet Dat monich tsiju te winne trect Ende maecter God om erre,
Entie siele in werre.
3!).
4!)5 Snle waent dat tfole eighijn
Comen es van den quadon Caijn,
Die vermoorde Abollo,
Ende dien God verdoemt hiet sijn.
Dit en es niet waer, Marlijn,
500 lgt;i redone, die ic telle:
480. V. Huis ilacT ....... v. = JJEI-'IKX! Uit doet ilut ic in. {(â mi unthr ) â
481. DO Wan tot CIH'C iluiut.
482. Cl-: DG O lien onU»-. /â¢' die L! iiiciiiglicn It ini'iii^lic f.'fe'/''iiicnuli quot; mcniili dinc, tiiiir ïitcl een vt'i'wiJzinijNtcclgt;'Cii unit dtu kun! hjfii'vowjd. 483. li Dit 'I. I'D llic dimt O Km it1 dijnct licm groot C n s /â ;/â¢' sijn s. H syno -iniii' quot; iii CHEF op â 484. EO Maer du lt;! j^i vraeoht O sprekers â 485. I) Waeu EFO Al Clli:I 'd heeft Tl personier /â¢' iicrsenier i.'perse meer O persemir IIEFI) ülieplert '(811. CDT) Kilde den ('. Inden (.'/gt; tliaer C onlplei l EFliO ontreet â i87. HO Hi w. C Mi wil EO Mi will nn onhrslmnr); = lii
wille O wil /â wilt d w. iioclitau -.....i88. H deydele O sijn onthr. -
480. CO waer CHEho dusentvoiit F dnsent'ont .1 C lont O diisenteeliwerl -4,.10. O claertene O rlaert liein /â¢' claret II claerstene lx l dei /gt;' sterre â 4(11. /â¢' 1». dinc dien O Dit is dat dinck dat O Mil d. alzo O do (ü/i clan lutiil) dinc AJiED lieden O die liede C de linie /â¢' die lieden O wrect â 4,.1'i. .I Ende inenich sins te E Dat elc U tsin (?) EF tsine O tsine, op den huil in til. hiervan sin H zin O winnene EFI) winnen â 493. I) rnaect daer II gode (e onduidelijk of uitgevlakt)-, E gode oin : BG mede â 45t4. CBUOG Ende die (/j de) II siel -l die w.
405. FO Selc .1 Nn w. snle CH vole FIX! dat v: = volc â «Mi. .1 Cayliijn HFII Cayni ââ «18. H Emle ontbr. F Entie CEO die II verdomt O heet â 490. ED Dit nes BE Dits O D. es al hieghene EF Mertijn â 500. AB redenen E rededenen D reden O ic n
STRO PUI SC HE GEDICHTEN.
Want al dat gheslachte sijn,
Scrivet ons die bibele fijn,
Verdranc die lovie l'elle;
Maer tfalsche dorper lij c venijn,
005 Dat Cayn droecli, dats noch anschijn An meneghen, die ic spelle Van herten sijn gheselle.
40.
Sulc waent dat van den qnadon Cham,
Dien Noë, sijn vader, was gram,
510 Want hine niet en decte.
Dat eighin vole van hora quam,
Want hem svader vloec mesquam:
Hi doolde, diere np inecte;
Al vintmen dat dongave ram 515 Dicken wint dongave lam ,
Dits der rudarise secte.
Van den edelen Abraham Quam eighin volc, als ic vernam,
Die oint ter eren trecte 520 Ende noit hom bevlecte.
501, 502. Et'ii W. ons scrijl't {E seit G wijst) lt;lio bibele (/â¢' bybel O bibel) lijn Kat al dat glioslaclite {EG gheslechte) sijn â 501. /Jiil unlbr. glieslaeilitc â â l(G Alse ons scrijl't die biblc .1 Besciijl't â 503. .1 die lovie : ll ililnvio G in dilnviü HOF ilie diluvie EG in die delovie (G deluvie) â 504. BC Mei' BI' tvalsche E dat valsce C valsch G scalc A O dat D dorperlic /gt; doi perlike â â 'O.». AHFD Caym dats : = GBFOG es EDG noch onlhr. EDO aeu-scijn G inseijn â 500. GE Acn JS Bi ü menighe C zomen O somiglieji ABEEL) telle â 507. B sine.
â iOS. Sir. 40 cu 41 hij G in omgekeerde volgorde â 508. ./â¢'Selc w. dat vüU'\. i.lth.1' l)(gt; Cam i)00. /* Dies AB I)oe JJGO Daer E Wantj de verschillende lezingen zijn moeilijk overeen te hrejigcn en kunnen lumwelijks verklaard worden nil de onderstelling dal er oorspronkelijk die {dat. = dien) heeft geslaan. O u|gt; w. DG O]) \v. â 510. O Dat I! Ornme dat EE DO Om dat; = Om dat of' Dat 1' bi bom II en onlhr. â 511. liygendoeme EFD eygben O deyrrliiii G deyglien â 512. G swacr DG svadeis fc' des vaders E des tsvaders .1 sijns vader O zijns vaders G bein op den kunt achler vloec bijgevoegd (.'bequam - 5Kgt;. /I dolde Bh' d. o|i G die derop II die daer op E op micte â 514. A vindmen G vijntinen li d. de ongave O dattie gave CD dat die (inade AEE dattic quot;-oede G dat die, goeile op den kant; in weerwil van de bezwaren uit hel oogpunt der hssverhoiuling aan de lezing verbonden is ongave in den leksl opgenomen; quot;oede ijeefl in den samenhang geen zin. /.ie de aanteekening. â 515. GEEIJO Dicke. G Dicwile BD tong. G tongheve â 510. II de rudairsser C der ruder I) d. tndai ins O il. rnder lierler G zeete 517. II eydelen O goeden â 518. C/i7,7gt; eygben O ode! CD alsict â 510. ABEDOG Dat GUEDOG oyt E noyt â 520. A Noeb DOG hem noyt en E h. n. C h. nie E b. niet en.
24
EERSTE MARTLTN.
41.
Martijn, dat duutsche loy vertelt,
Dat van onrechtre ghewelt
Eighindoem es comen.
Alse een prinche wan wijch up tfelt,
525 Tfolc , datnien te live helt,
Dat dede hi verdomen Ende vercopen omme ghelt.
Dits volc, dat men eighin schelt Ende men scalc hoort nomen.
530 Nature gaet haren rechten telt,
Maer aventure wast ende smelt Meneghen te vromen Ende tonneren hem somen.
42.
God ghedoghet om onse mesdaet,
535 Dat één gheslachte neder gaet Ende een ander riset.
Wie mach weten sinen raet'.'
Ui kent, wiene mint of liaet,
Die al die werelt spiset.
540 Die meest tsinen dienste staet,
Men siet dat sijn oir ende sijn saet Meest in die ere gheriset.
521. .) tdiuitsclie O die d. C die dietsche B thoude G dwalsche 1) die /' ons vertelt C.IJOE onreeliter G onglicrecliter quot; ongherechtiger gliereeliter
r)fc2li. GOFG Kighendoein BE Kvgendoin h Eyghendoerne It gheeomen â .gt;24. /gt;7'quot; Als, en zoo ooi; elders in deze en andere Hss. anderen prince .1 verwun \v. CG verwan O wiji li wan II wan wijch; =? verwan n|i tt'elt /â 'wijgli (â¢'/-' i'. uit j en zoo ooi; eldersâ525. .1G Knde sine viande iiadde ghevelt iJTvolc O daer te â 520. Kh'DO Dede men {(gt; m. doe) B deide AG hiet AEÃG verdoemen â 527. BFIlom â 52S. /;l)it is G Dats = GEFOG tfo\c Jgt; t\o\c .1 norli ey. III'DOG eyghijn GE eyghen ,1 telt â 529. CEIIG dat men . 1/â ' noemen -- 530. AE natuere /gt; rechten 0/(76/*. â 531.Mer die a. Bi'OOG avonture E avontuere .1 snelt (f'lt;jl. T. en l.rflh. 5, 40 .Inntn.; doch smelt van al do anderen Heeft minstens een even goeden zin). â 532. BI' Den m. G Zomcghen li onvromen â 533. C En B te o. 1) tonvromen G hen.
534. JIO ghehinghet I) ghehenghet BO omrne de (O die) I) doer die 'F doir ons G dor onse ('.lil' misdaet â 535. OG deen geslechte Fgheslecte
/gt;' neidcr /â¢' onder EO tonder G te niente â 536. C dat een D rijsen â 537. /gt;' weiteii It sine =? .17?// stncl â 538. G kint â! AEFIXt weet /â¢' wien G wie hen Iti) wie hem â 530. G Mi die 1 - alle de â 540. /â¢'meeste GJJG te sinen â 541. EF seit B hoir EG oer G eere E ende ontbr. It ende saet â 542. G in doere E in eren EFDG riset
25
STROriIISCHK GEDICHTEN.
Dan also tfolc wort so quaot,
Dat die wot Gods versmaot,
545 Wort hot to valle ghowiset
Ende van niemene ghoprisot.
43.
Mine rooc, wione droech ol' wan,
Daer trouwo ende doghet os an Endo reno es van sodon;
550 Uut wat lande dat hi ran,
Dats, dien ie der namen an
Van der edelheden.
Al vercochtinon selkon man,
Hons niemon dione ghorovon can 550 Siero doghodachtieheden.
Mi dinke dat edolhoit began liter roinro herten dan Mot dogheden besneden,
Endo beghint noch heden.
44.
560 Martijn, oftu clemmen wout
Ter edelheit, drie pointe hout,
Die ic di sal leren:
Wos nerachtich , minne niet dat gout,
(â lid ImiiIi', EOF Maer It Mer It dit voir. wordt /' wort â ;»4i.
Iiallol /)'//(' Dat liet HG ilo C wit li we te (â¢' versmaedt â 515. G So wen lel /»' Wartet ' .7' Wordet IJ Wuft /iO Wenlet 111) ten .gt;4tl. CE nieincii l h nveniaiit.
547. Kh Mi eiL CIII'IXKl meet FG wieu G ochte (li'\v;uI tilübf. 54S. tt \'|i datter GHG wijsiieit e. d. (/gt;'⢠doei^lict) (I diieclit e. eere /â tr. e. ecre es : O leit 540. GlihJh'O reine I) rcyn /' is; in 548 echler es 550. EF Noeli uut /â¢' dat onthi'. F quaiu â 551. Ill) Ihit is O hie es /â¢' die
ie ; 110 ^ixl II der name GD den namen OE der eren /lt;quot; jan Igt; f.l'1 II 552. V. reeliter HO V. glierecliter II edelheiden â 553. G vereochte men II vereoelitene F vereoept men lt;) al s. GEFI) znlken II sulke enen â 554-. G En es n. d. O Nvemant hem F N. en es d, O Niement es d. .!/»/â die liem G die
F beroven. Iliev cindi'jt hel car.sl:; r/edeeUe der llcitlelherdachc fniginenlen. 555. G Hem s. d. II. S. doeclitaelitielieiden CF Sijnre doeclidaclitielieden I) Sijnre dogheamp;htieliede â 550. O dinct CDG dunct F dune C dat onlbr. H eydel-liede â 557. Deze reijel onlhr. bij 13 CJIO Ute D Wt F Uut G reeni e /â¢'rovnder !) suver ende reyndei- â 55H. CFD doeglnlen IJ donehden 13 besneyden O wel besneden â 5511. Ook deze reffel onlbr. bij .13, DG !v duet.
5(i(). GD eliminen â⢠501. D Der CJ3ÃO pointen G poente /â¢' poenten â 50'2. f) dj uil D u â 503 â.507 luiden hij 1) \Yes waraebtieb ende stout / Dese twee puncten, soe weest bout , Dese twee en bout niet voer scheren / Wes neerach-
2fi
EERSTE MAI!TUN.
Wos orarchtich menichfout,
565 (Dese twee hout niet vor scheren) Wes waerachtich ende stout.
Dese drie pointe, des wes bout,
Die sijn al vul eren.
Hens niemen dan, jonc no out,
570 Dien du scalc dinken sout,
Sender die weldaet deren Ende doghet tondogheden keren.
45.
Waerheit, Jacop, ie hebbo verstaen Uut dinen monde redene gaen 575 Vul rechtre waerhede.
A1 spreect in sinen l^oec Alaen,
Dat edelheit quam sonder waen
Van veroudder rijehede:
Die edelheit mach men af dwaen;
580 Wert men arom, so eist ghedaen,
Men valt in doude stede.
tk-11, limine niet dat gout / Wes ccracliticli meniclifont / hie siju ill vol eeren 5(33. (gt; Weest C nacrechtieh G nereehteeh /1 enrle m. O ende mint AUG tgout F neer. inenichfoutâ 51)4. () Mndt^ weest /â¢' \V. e. minne niet tgout Cgt; eereclitech (lt; meniehvout â 505. ('. twee oulhr. IJ twe |»ointen G en houde n. vore /gt; en anderen voir, zoo ook ciders (gt; (vyl. 508) twe zijn al viil eeren - 5()0. C wareftich /1 /gt; weraelilich 567. .1 |». vaste liout l^OG pointen {(gt;(! poenlen) wel (onlbr. FG) hout Gil (vr/l. h 5(gt;4) pointen (/gt; punten) des wes hout (/gt; houd). De oorspronkelijke lezing schijnt hier niet bewaard. Men zon hier wellicht cene constructie van \Hmt niet een yenitief kunnen aannewen, niet de het. )wertrouwende o/»» (zie Mnt. Wdb.) of ook vijverirj in iets, zich op iets toe-Iciiyende». welke in hel Mint. aan balt met een yen. ciyen is, en lezen: deser m poente so wes i»out. â 568. A So hestu v. /â¢'(»* Want si sijn al (6r zonder al) v. e. (ryl. 565) Ende nemet niet voor seeeren GFG vol â 569. AG Hennes n. {G niemau) 1! Met nes n. G V.n es n. /gt; Ten is oeek nvemant O Niiunent ei\ es /â¢' So en nieiuent A li F HG dan ontbr. no I G ende lgt; ol' â570. 1 scalc dan Ægt; serf GF duncken â 571. F S. hein O Danne lgt; Dan II die onthr. â 572. Gli K. alle (II a. die) dóeclit vei keeieu DG doeclit F londoeghden /gt; tot ondoechden; oorspronkeliik iLiule doghet verkeren?
571 gt;. G Waereit li Trauwen G Te waren FIK) ontbr. Jacop ; F Merten (gt; ontbr. J) heb DO wel v. â 574. F DG Woerde {FD Woerden) u. «1. (/gt; dine) m. /gt; Ute BO woirden G woert: = woorde of' woort â 575. Gil F DG Vol GFD rechter DOG gherechter allen waerheden {G waerheiden), rijcheden, steden enz., behalve A waerhede, F stede, bede, milthede, O heede â igt;7(». iG sprect G zeit GD zinen (/gt; sine) boeken O boeke /gt; A lane â 577. /gt;' waene â 578. ,-1 verhouderder O ouerouder GDFD ouder - i)70. F Dese /gt;Sulcke A del heit D edelhede li of â 580. D Wart FD Wort G Wordt O aerm GB arm F erin D arme C eest BD ist â 581. B «Ie oude steiden G seden
27
STROl'IIISCHE GEDICHTEN.
Maer rene edelheit dats een traen,
Die dorper lierte niet can ontfaen;
Die ghevet dor smenschen bedo 585 God in sire niilthede.»
46.
»»Jacop, ie hore an dine woort,
Dat alle menschelike gheboort
Van Adame begonde.
Hoe es die maechseap so testoort,
590 Dat deen den andren vernioort?
Dits jammer ende sonde.
Nijt es weder ende voort Meester int lant ende in die poort,
Tfolc es worden honde.
595 Secht mi, also diet giierne hoort!
Te vraghene ben ie becoort,
Alse diet gherne ondervonde Van begliinne ten gronde.»»
47.
Martijn, hovaerde ende nijt 600 Entie aire eerste strijt
Begonste in liemelrike,
r)8k2. ( Mor (iOonlhr. lgt;lrD() iciiie C rein /gt; cydHlieWc iliits : = C.Bh OCr es â¢â 583. HFD dorpers harte (,/â¢' lierte) ('. iiiene FG niet en .1 nie (l mach .1 conste 584 en 585. O Maer god vut zijnro milt heden / Die gheelse d. sin. hoede â 584. HFDd gheoft doer G dore G tsm. .1 smeinschon
J{ beiden â 585. FG dore (/â¢' dor) sine m. (' zijnro syne B rijchedon.
58ri. C h. aen /gt; hoer wel aen DG dijn A wort, ghebort enz., behalve voort, boeoort â 587. h inenschelijc â 588. CB Adaem I) Adam O eerst b. â 580. GO Twi /gt; Nu O dit /» dat B maosoop G mansc.ap GFOG dus FO verst. P ghost. â 500 en 501 bij in onigeheerdevolgorde â 500. (reen Fl) anderen O dus v. G nu v. â 501. lil) Dats GO janier 503. F() Meest \pt I. ende h I-lest opt I. of G Beide in die lande ende G op dlant /gt; in dorpe F de li onlbr. â 504. GD Tiiolo is G De liede sijn /gt; w'don DO honden â 505 en 50(gt; bij GFOG in omgekeerde volgorde; in verband daarmede wijkt ook hel begin van 507 af. â 505. A Seoh C Zegh BO Segt FG Berecht I) als diet GF nis die BO gairne â 500. F vraghenne /gt; vraghen li bin I) ick nn â 507. /gt; Als d. G Knde diet FOG Kndo Lees ook in ABI) mei andere inlerijunriie â vs. 50() als lusschenzin â: Knde (diot)? Uà gairne i^gheerne â 508. GBG te.
500. ook B Martin A FG houerde -â (100. GD Ende die F IJ alder GF ierste â OOI. B Begonde GD Begonst F Beglian
28
EERSTE MARTI,IN.
Alse Lucifer te sire ontijt In den hemelschen clelijt Wilde sijn Gods ghelike.
005 Daer viel In in den helschen bijt,
Daer hi nemraermeer en slijt,
Maer blivet ewelike.
Nu sent hi dor die werelt wijt Sijn venijn ende sijn vlijt,
fil() Ende wille dattet blike,
Alset doet jammerlike.
48.
Twee woorde in die werelt sijn,
Dats allene »mijn» ende dijn :
Mochtmen die verdriven,
615 Pais ende vrede bleve fijn.
Het ware al vri, niemen eighijn,
Manne metten wiven.
Het ware ghemene tarwe ende wijn;
Over see noch upten Rijn G2() Ne sonde men niemen ontliven.
Nu benemet dat venijn Van ghiericheden, Martijn,
Ende doet al achtre bliven Ende ander loy bescriven.
49.
625 God, diet al bi redone doet,
002. G Doe F siere Cl) zijnre â 603. J) iolijt â 604. F Wildy â 605. G So = CBFDG int helsche â 606. en sl. : = CB F DO verslijt, G en veiblijt â 607. li M. hi blijfter /gt; Ui blijfter F Ende blivet G Ende blijft C Ende /;i 1 blijven F eenw. â 608. F sendt C seint I) seyndt Ci? doer Gr dore /''ie (1 der â (»01). A Mijn I) fenijn CBG sinen vl. FG nijt â 610. /â¢'/gt; wil './â¢' «Int licL I) dat G dat bi â 611. C Als liet G Alsoe bi COG jamerlike.
(Vlc2. J) woerden â 613. B Dits F alleen C al G al gader G mine B m. eynde â 614. JJ Mocbternen dese â 615. D Payse CFDG bleven â 616. CIS FT) waer G al ont.br. A ende n. C nieman J) nyeinant F niemens /gt; egbijn â 617. BOF Mannen G De manne D Die mannen â 618. A war BG ware dt' overigen waer Fh gbemeen G tarnwe C water â (V10. C Overze /â¢' Over lt;lie zee C n. op den = BFDG ende optcn (G op den) â (^iO. CBIX) Sonde m. F Men sonde oir G M. s. C nieman FD nyeinant G niemene - 621. F benoemt B beneyment I) dat lenijn C tvenijn â 622. G gbiereitbeiden C gbiriclieiden .1/? dit M. CO dat M. G lieve M. II Maertijn F Mertijn â 623. G doodt allen behalve .1 achter â 624. G love.
625. (J Güüf F redenne AB redenen G ridenen
2!)
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Gaf dat wandel ertsclie goet
Den menscheit ghemene,
Dattere mede ware ghevoet Ende ghecleet ende gliescoet G30 Ende leven sonde rene.
Nu es ghierecheit so verwoet, Dat elc settet sinen moet,
Omme al te hebbene allene.
Hier omme stortmen mensclienbloet C35 Hier omme stichtmen metter spoet Borghe ende hoghe stene Meneghen te wene.»
50.
»»Jacop, ic hebbe wel verstaen Dat hot waer es sonder waen, (i40 Dattu hier heves ontbonden.
Goets es ghenoech, lietment gaen Int ghemene ende hem ontfaen,
Die aerme worden vonden. Dus viele alle orloghe saen, G4r) Dus mochtmen die siele dwaen Ende claren van den sonden. Miltheit heeft hare macht ghedaen, Vrecheit leert die werelt vlaen; Dit proeven ende orconden 650 Die minres van den ponden.
020. F GalV CB dit Ægt; wanckel A herdsclie B erdtsche Cl) aertsce FO eertsehe â (gt;27. Allen Der m. O Den menschen al D gheineyne, eu zoo overal -eyne io deze sir. â 628. FG Datter m. C Dat daer in. /gt; Datter de inensclu' in. I) Omdat liier met O O. zij daermede F waer DG sonde sijn O zouden zijn â (530. A. I. sondon O sonde leven â O'Vl. li Maer nu es ghierichede C gliiriclieii â F DG set li stellet à nu settet O voet â (333. CFJ) Om C al onlhr. C li I'D hebben â 034. bij I) op de plaals van 035. â 034. FD Hierom A stord-inen li steurt m. CFJ) smensc.hen â 035. FD II. om B IT. omme so G Knde /gt; strijtmen â (i3(). JiG Borghen /^Borch U li. onlbr. â 037. /gt; Briughen te HF Den m.
038. li Wairhede J. ie heb v. CD heb â 030. Ti Dattet O Dat C Dat al D Dattet al FG Dat dit â 040. COG hier onlhr. H heefs O hebs nu â (Vil. C gnoech G lietement â (»42. D ghcmeyne li gherneen â (»43. FD arme A arem (1 arm C worde 1) ghevonden â (»44. HF So D Soe CF viel al C oer-loeghe li oirloghe â (»45. O Mndc men inoehte HI) So F Soe G mochteincn
li de A zielen â G40. li elaerse () den ou//»'. -('»47. ^7,7gt;0 haer OiS, Vreetheit ... vaen (»49. CB(J Dat li proven e. oirr. â 050. G De C min-ners DO miunaers F winners G meesters.
30
EERSTE MARTIJN.
51.
Jacop, ene dine mac mi cont:
Alse die mensche wert ghewont
Van gherechtre minne,
Doet der oghen wandel vont,
655 Of cornet uter herten gront Dit evel te beghinne?
Ic liet mi costen wel een pont,
Ende ics vreet ware teser stent;
Mac mi dies in inne!
6G0 Mine redene blivet onghesont,
Mine beschede dit dij n mont;
Ennes wijsheit niet dinne,
Naer dat ic redene kinne. gt;
52.
»Martijn, du best een vreemt druut, 665 Dn sprekes alse een Vriese runt,
Die noch noit en minde.
Alrehande edele frunt Gomt van minnen nut ende nut,
Die noit dorper en kinde.
070 Hem can ghehelpen el gheen ernut,
Die stille mint of overluut,
051 O ,1. maeet mi een d. /gt; ere FDG een; lees een? maec FDfl
iriaect â⢠052. H minre C wordt 7J wort A es â 053. =? Clll) 0 Met CHFD L'lieri'chler O noyaeler ACF minnen â 654. O Doet dat II Doer II wanilele I) wanckel â 055. F Oft G Oc.lit A Al C coeraet Fcomt ü comtet /gt; wten â 050. liFt) ten C beghinnen â 057. D lietet â 0)58. CBDO Dat i. GFIgt; waer CUFDG te deser F ter d. â 059. Git Maer FIX) Maect lilt des ('. in innen FG een inne I) een eynde O te liinne â⢠OOtO. GFIIG Mijn treden l-()G hcile Gil blijft O blin-.'S â 001. D^ze reijel onlhr. lij .1. Iil-G Mi en dat
O daer af â 002. /? Hens G En es C Ilets Igt; Knde is /â¢' Want en es (I Wiens
FG niet w. d. I) met w. d. G dinnen â 003. CFDOG Na /' reden G kinnen.
004. G bes Git bist D biste A eene .-1 vri dr. O vry dr. C vreimle /â ' vrenit â 005. ,1 sprecx It spieicts G sprects A recht als â 000. II nn iiocb li, II noit noeli â 007. It Alrande FDG Alderii. GlIXtG edel â OOS, I, Coenit If vander minnen â 000. FT)OG Dat I) live Itl) en onlbt'. G bekinde â 070 t'n 071 in omgekeerde volyonle hij ItDG (.-1 In'rfl, ffelijl; ooi: / quot;. dezelftje volyonle nh C.: heide kan de oors/tf. lezin;/ zijn). â 070. ItFDOG Hem en G In G e. gelfien Flgt; vnaeli helpen (/â ' hulpen) G e. jrhepeinsen It helpt GG els gh. O Lrh. ander It ander â 071. JJO ofte /â oft
31
STROPHISCHE OEDICHTEX.
Dan hem tevel toesinde.
Der herten enter oglien virtuut Willie dat hier mede si beduut.
675 Proef, of ie dit ontbinde Entie redene bevinde!
53.
Een swaer orloghe ende een swaer strijt Ende daertoe een ewelijc nijt
Es tusschen der herten enten oghen.
G80 Die herte den oghe verwijt:
gt;Dii best, die mijns niet ne vermijt,
Bi di bem ic bedroghen.
Du best emmer open wijt Eiker son den, die vor di lijt.
685 Du best vrientf dits gheloghen.
Sluut dine dore tenegher tijt,
Daer so menich dief voren lijt.
Bi di bem ic doorvloghen;
Dies claghic den hoghen.
G72. CBFDG dan die F DG devel C toeseinde F toesende â (»73. CRDG ende iler h hogei- F vertuut G viertuut â 674. CD Wil ic F haer in. DOG hier bij Wellicht is dat le schrappen. â 675. JJFDOG Prouft of : F DOG hoe C wat C dit on tbr. li ombinde â 676. CBI) Ende die JJ de FG r. ondervinde D reden bewinde.
677 CB oerl. 0 e. e. str. D ende str. FG een zw. str. A e. e. groot strijt; te lezen zooals FG of I)? â 678. Cewelic F eeuwegelijc G vreselee B verwijt â 670. C tusghen CF!) t. therte BG ende den o. CD ende oghen. Wij durven niet met Verwijs de lidwoorden iveylaten; misschien echter mag men lezen es tusschen dherte ende doghen. J)ewjl niet aan te nemen is, dat Ma er I an t hierbij eene persoonsverbeelding het geslacht van herte zal hebben afgewisseld, is tegen het gezag der hss. overal het vr. geslacht in den tekst opgenomen. â 680. allen Therte ACFDG oghen O ooghen li altois verw. altois is zeker niet oor-spronkelijk j maar er schijnt toch wel, o»j het metrum , iels te ontbreken : moet men lezen aldus? Of mag men aannemen dat de oorspronkelijke lezing geweest is »therte den oge doet verwijt» , welke uitdr. ook voorkomt Mar. v. Nijm. 13, 308; Hein. I, '2742? â 681. G bes CF bis D biste O /.ijs Jt minnens CFDG niet ne O nieue (?) 7gt; niet B vernijt â 682. CF Bedi CBDG ben F bin FO doruloghen â 683. CF bist G bes BD biste D ynmier AO ontbr.
li hopen O opene O ende w. A talre tijt 684. F Elke s. A Eiken besonder HF sonde CBD voer G vore â 685. li Ende vr. dit nes niet g. G Bestu vr. dits ongelogen li bist Fl) hetes O heetse FD hets F niaer tes â 686. C lt;1. duere F dijn dore G dijn doen D dijn herte â 687. A so ontbr. CUFD voer De conjectuur van Verw. ([ocv laat zich niet voldoende verdedigen: zie de Aant. â 688. G Oftic werde doreulogen CF lied! D Daer bij AFDho-droghen â 689. FD Dat claghe ick ACBF den oghen O over doghen.
:52
EERSTE MAIiTIJX.
fgt;9() Wapene, vriendelijc vijant!
Dor di doghic meneghen brant
Ende meneghe coude.
Wapene, datti nature vant! Waerdi verboden lums ende lant 695 Ende des menschen houde, So ne bonde mi gheen bant, Lichtre ware dan een sant
Al gader mine scoude. Men stake bet uut nietter hant 700 Ende versmoorde sulken pant Onder donrene monde,
Up dat nature wonde. gt;
Die herte sweech ende toghe sprac;
gt;Mi dinct, dat u sin ghebrac,
705 Vrouwe coninghinne,
Dat ghi mi tiët u onghemac,
Want noit van mi tuwaert lac
Een stof, al quaemt mi inne.
Alsemen mi somwile ute stac,
710 Wat dochte daerna smeinschen sac?
Sijn welvaren was dinne.
Sonder noot maecti gheerac Ende werpt up mi uwen hac,
690. BDG Wapen B vriendelic G vriendelec â 691. C11 Doer H iloglie ie O iloech ic nu BDFO menighen AFG pant â 692. O E. oec DFO me-nighe BC menieli G wel menech â 693. DG Wapen .1 Wach = CF dat n. di, BG dat n. dit .1 oil v. IJ ye v. â 694. G Ware di â 695. B des sm. â 696. BG So en â 697. CS F DOG Lichter O waren FD waer iek G waren verbeterd uit warie â 698. O Alle m. â 699. II best FDG bat IIF ute Bmitter â 700. G selkeu l. al sulkeii â /01. IH)G dnnreine C die onreine II tie reyne â 702. C Waert dat. F natnere.
703. Allen Therte /â¢' swecli HFI) ende ontbr. FG dogbe f)() de oghe II die tonghe â 704. /â¢' Ic wane dat CG dunct B dincke Ãduncke Odi = CF DOG sins I' ontbrac â 706. FDG tijt â 707. O van mi noit F uil n. C v. mi quam di noit I! te n wert /gt; tnwert G ontbr. F en I. â 7(19. I) sorn-wilen O somtiits /â¢' Als men s. mi CFG mitstac â 710. C docht 11 doochde lilt smenschen C des menschen â 711. F Ende w. O welnaert ilie /; es dine D seer d. â 712. /) note B maict ghi 1) maecte hl .1 gheerac o/ ghetrac C ghetrac â 713. CO waerpt FD worpt G al uwen
Wapene Marlijn. K
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Ende ic n vrouwe kinne 71ö Ende mine godinne.
56.
Merket, vrouwe, ende besiet,
Dat ghi over mi ghebiet
Alse over alle uwe lede.
Menne conde u ghescaden niet,
720 Waert so, dat ghi van u schiet Alle dorperhede.
Maer alse ghi bi mi bespiet Dinghen, die ghi ane u tiet,
Volghedijs gherne mede.
725 Ghi sijt alse teranke riet,
Dat den winde volghet ende vliet. Uwe onghestadichede Maect u den onvrede.»»
57.
Dit orloghe hevet ghevelt,
730 Alse men hare den twist vertelt,
Vrouwe Redene bi beschede.
Bede gader soese schelt,
Eiken deelt soe daer sijn ghelt;
Niet ghelike bede.
735 Baersculdich soe die herte spelt,
7U. A Dat ic â 715. Tl F DO Over rn. G Als over m. = Over; dit is wellicht het oorspronkelijke; men mort dan vrouwe tnsschen komma's plantam en ids vocatief beschouwen. A coninghinue.
716. CB Merct â 717. /â¢quot; Wat â 718. H alle levde FOG al I'D quot; â 710. â CBFDOG Men OG conste 1) mochto lgt; scaden â 720. FG so nnthr. Fi) stiet G sciet of' stiet â 721. 11 dorperheide â 722. 11 Mar ('. Mer met
mi _ 723. COG Dinghe «/gt; Dine O ghi tuwaert Ji ghi mi ane G ghi ane di â 724. C Volghedi H Volghe icx /â¢' Volghics G So volgics O Mostics volghen F geerne 11 gairne O onthr. â 725. II recht als, O recht alse (?) F DG dat cr.
c ranke It cranc; =? cranke â 72fi. = CF DOG metten w. (C wijnde) D volcht /â¢' waeyt â 727. /â¢quot; Van ghestadichede II Dwe .\lt;il) U G Dijn II on-ghestadicheide â 728. O M. ons II onvreide.
729. C orloeghe II oirloghe CBF heeft I'D hevelt 7.i0. l.l'D liaer li
telt _ 731. O reden B besceide C gheschede â 782. FDG Reide BI) te
âader CFDOG sise â 733. G Ende deelt eiken B Elke FD deilt CFDOG si F in de plaats van d. s. gh. utond eerst haer ghelt â 734. F Maer n. g. b. O M. enenghelijc niet b. D M. n. ghelijc als b. â 735. CG Rarsc. II Baensc. CFDOG si, en zon ook riders II de herte D therte /⢠dat herte BF stelt G scelt
34
EERSTE MARTI.IN.
Alse die soe over voghet helt Ende vrouwe, hi haren ede.
Maer des ghevalles ghewelt,
Dat hi siene die herte dwelt 740 Tiët soe des oghen ghelede,
Dus delet soe die vede.
58.
Martijn, liierbi moghestu sien ,
Weder die oghen die herte tien So die herte die oghen:
745 Alse die herte wille vlien,
Oinine niet die oghen spien;
Da er nes gheen ghedoghen.
Maer het es der herten plien,
Alsoe dor doghen siet desen of dien,
750 Daer soe haer toe wille boghen:
So moet al hare wille gheschien,
Toghe moet liën ende ghien,
Daer dore quam ghevloghen Minne int vertoghen.
59.
755 Jacop, dine redene es claer,
Al dinct soe den ghenen swaer,
Die lettel ghevroeden.
73«. C die sie DG die si ABFO iliese I) voecht â 738. F Mer O Met; is Ne ware Ie lezenquot;? FG dies D deses FG ghevals O onghevals /gt; valsclies â 730. II sine I) sien C lieve allen therte â 740. CF DG Tijt F sijt DG der .-1 oghes â 741. G Aldus C.FJJG deilt /-'den vrede ^die weede de rede.
742. B Mairtijn CF maelitu II mnchstu G mogedi â 743. G doegen 6 der herten de overigen therte Fantien - 744. r; Of II die herten de overigen therte I) th. doet li ile o. â¢â 745. O Wanneer li Als zij MtDO therte CFG dat h.
li de oghen w. /⢠willet C wil h willen .1 ontien â 740. 11 Om n. .1 Om n. dan C Om n. al F Om niet eest dat O So seadet n. dat G So es om n.
0 de G der o. ghespien â 747. C Doer des oghen ghed. /â¢quot; Itaer en niet dan doghen I) Daertoe en is O Daer en zij G en es â 748. F Mer IIF hets A hets emmer â 74!). B Als doghen doirsien alle overigen Alst G dore CD doer H die oghen C oghen C dien of â 750. H Dair so hare; de overigen Daert hem GD hem wil toe D wil G wilt /â¢' poghen O toeghenn â 751.
1 I) alle C onthr. I) haer AGFG sijn O zijnen â 752. I) Die oghen moeten F Doghen m. G Doege III) engien â 753. Cl) D. doere B D. toe F Daert dore I) Daert doer â 754. G in tfert. li int betoghen.
755. 1) reden â 756. CFD dnnct si 11 den oghen â 757. B Uttel CFI) luttel
3*
35
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Ic weet dat wel over waer,
Dat het ware der sielen gaer,
700 Dat wi ons wilden hoeden.
Wilde die herte maken ommaer Dat hare die oghen sendden naer,
Hine dorstera niet vermoeden,
Dat hi beven sonde daer,
7(55 Daer God sal doemen openbaer Ende wisen ten gloeden,
Die hier ten sonden spoeden.
60.
Berecht mi, Jacop , oftu wout:
Weder es sekerst int behout 770 Rijcheit, so aermoede?
Eist clerc, leec, jonc of out,
Het dinct mi wesen gadergout,
Al staet naer den goede.
Aermoede prijstmen menichfout;
775 Men seghet, hets seker ende bout,
Vor rovers sonder hoede.
Doch minnen si vor dwater smout,
Si scuwen hongher ende cout.
758. â CF DOG dut ontbr. O wel zeker- â 751). 1) Dattet waer rl. s. g. C Dat siere sie\en ware gheen vaer O Datter z. w. gh. v. /â¢quot; Die der s. luidde v, C Ilat die ziele weer zonder v. A Die z. ware al sonder v. â 760. 1» willen h'OG Die (/â¢' Ende) hem wilde (G wouden) h. AC Endo in sekerre (C zeker) h. â 761. /â¢' Ende sijn lierte ra. DG Wonde A BO tlierte D dat h. G sijn h. JJD onmair â 76'2. A Daer /â¢quot; haer C hoer UDC) hem 11 de o. I'G dogen O de oeghe HI'D senden C zeinden O zonde G bringen /â¢' vaer â 76:?. I) Wi en dorsten n. v. .4 Niemen dorstera v. C N. en dorfte v.; = dorfte O Ten d.
IjfO dorste hem G dorste â 764. /)D. wi souden b. O D. het zoude b. F Datti H leven â 765. ontbr. bij A ; O Daer minne niet en hent haer iaei': vyl. Tl Mart. vs. 336 G Daer ontbr. H domen - 766. O E. daer god zal w. â 767. G hen hier F haer O tot.
76S. C Bericht /) ofstu â 769. F DG VVelck G s. es II s. est C zekerste is F seker es D is zeker; = sekerste es G in db. CFI) in b. â 770. C So r. C Rijkheit C of Fl) oft HF armoede. â 77-1. CF DOG Eest C monic cl. ionc A leec cl. j. F oft H oudt â 772. .1 H. dine CG II. dunct HO Al dinct D Al dunctet F Al duncket FD mi gaderen gout G rai algader wesen bout â 773. F Ende st. al 1) E. st. G E. si staen = C HF DOG na â 774. DG Arm. Ij F HG prisic O prise ic li menichvout â 775. F DOG Want soe (/â¢'/gt; sy G het) es C zeeght 13 seit A soe es H so es; vgl. vu. 816 vlgij. F sekerst e. b. BO sekerst int behout {vgl. 769) G seker e. stout â 776. BO Voer r. C Van rouer â 777. HF voir G vore B twater =? F DOG water BI) tsm. â 778. B coudt
EERSTE MAR TUN.
Eist als ic mi bevroede,
780 So dolen dese vroede.»»
61.
Marlijn, ic mete di vul dit vat:
Upten stoel, daer Moyses sat,
Sitten die gheleerde.
Dat si wisen, doe al dat!
785 Si wisen di den rechten pat;
Wel hein, diere hem an keerde!
Maor in weldoene sijn si lat .
Si heten vasten, si sijn sat;
Ne volghe niet sulken lieerde!
7!)0 Si minnen niet voor den scat,
Haer hant es altoos sonder gal;
Noint vole was boven der eerde.
Dat meer goets begheerde.
62.
Die meerre menechte es dusdaen.
79ö Doch so vintmer sonder waen,
Al sijn si selsiene,
Die den ertschen goede ontgaen Ende aermoede ontfaen Bi heleghen engiene.
800 Si lieten hem bluwen ende slaen,
770. G Also ic CFD Eest H Est C alse ics F O zo ic .1 ghevioede JJ bcmoede l'O vermoede; wellicht i* bemoede het oorspronkelijke. â 780. desen I) der werelt vr.
781. DOG di ontbr. CBFDG vol B F DG dijn v. O din v. 6*dat v. = dijn â 78k2. G Op den ii Bi den il berch d. M. op 78li. A Daer sitten If D. saten F \\\\ die â 784. CF Wat CF di lieten BDG di raden FIX) doet G doech â 785. «li .1 bi â 78(1. Cl' het eerste hem ontbr. UDC dier C die daer FI) aen = ? COG toe â 787 en 788 bij O in omgekeerde volgorde â 787. C Mer O ontbr. IJ in weeld. C int weldoen FD in w. /gt; soe l. O sere I. If lac â 788. C eten vast zy drinken sat h heyten te v. IJ ende si s. sadi â 789. Cl)() En C volch FC) volght F herde â 790 en 791 bij O in omgekeerde volgorde. â 790. = III) Si en COFG Sine niet : G geen dine G vore .1 vor â 791. G Hare hande sijn C sonder ontbr. â 79',2. CFOG Noit en {() en ontbr.) was I) N. en qnam C b. die e. G I). deerde /gt;opter e. /'op deerde â 793. C Die AC goeds li tgoet FDO scats G den scat.
794. BFDO Meeste FO menichte /^menicht menegbe partie /idustaen CFDG dus ghedaen â 795. I) Noclitan v. .1 so ontbr. C vijntmen â 797. FD eertschen HO aertscen C aerdsclien â 798. C die aerm. HFC arm. AFt) anevaen â 799. D Di lieleghe F lieyleghen C der lieiligher I) engienen 800. = CF)DOG Si (Ci Ende) laten G ben CliOFD blouwen
;!7
STROl'H ISCHE GEDICHTEN.
Tormenteren ende vaen
Ommo die helle tontfliene.
Hier in waert sekerst vulstaen,
Want die hem in dit doopsel dwaen,
805 Sijn seker Gode te siene,
Ende hem niet te messchiene.
63.
Die Gods sone toghet ons dat,
Die evengheweldich sit ende sat Don vader in den rike 810 Hi bete in dese aerme stat In der reinre magheden vat
Harde oomoedelike,
Daer hi cume oit soghes was sat Ende ghedoghede meneghen godsat 815 Van sinen onghelike â
Dat aermoede es een pat,
Die dor den hemel maect een gat,
Ende niet en beswike,
Die hem met herten wike.
64.
820 Waenstu, Martijn, weeldich, vet Ende ghecleet nu wel, nu bet,
Varen int langhe leven,
Ende Jhesus naect, int bleet besmet,
801. /gt; Torrnentieren F Tormenten G Oer tormenten /*' vlaen. Wellicht is deze lezinrj de oorspronkelijke. â 802. CFDG Om .1 CF tontvl. li te ontvl. I) te vliene â 803. // est C zekerste F tsekerst te CBFDG volstaen â 804. .1 dien G hen I) in die G in den â 805. O S. sculdidi â 806. .1 Noch hem G Ende hen F misschiene C mischiene.
807. G De C zoene C thoeghet F toecht o. G toent o. O toechde zelue /gt; toent ons selve â 800. AO in sijn â 810. CFO beette G beitte .1 beete li. d. arme CFU die aerme G der armer â 8i i. F Hier neder in FG reinder (i maeglieden FDG maghet .1 Marien â 8iw2. FJ) Heide CBF!) oetm. â 81-». (! Dat FO e. ye .1 e. /gt; bina F was soghes CO wart I) weit â 8*14. HFh doghede O leet .1 m. gadsat CHF meniglien godsat (F gods hat) O menich qnaet ghewat DG menegen liat â 8IC). ]J Die aerm. G Maer arm. O Reyne aerm. F Arm. C die pat - 817. CJi!) doer 818. .i E. soe n. en B E. soene niet C E. si niene I) E. si hem niet en F Datti hem n. en O Want zij niet en zal .1 eerder beswike dan bel wike; aun de letters is met zwartere inkt iets veranderd. â 819. ABO hare CD haer .1 met trouwen li mit, en zoo ook elders.
820. FO w. ende v. 821. BD Sijn gh. F Chieriir gh. C ghecleedt O gh. zo lanc zo bet â 822. BF Ernie v. G in dl. O int ewicli â 823. li hinc naect (gt; hinc G in dbi. FJJ met bloede G genet
38
EERSTE MARTMN. 39
Ende sine rechtre side ghesplet 825 An thout was verheven? Of dat hovet van onser wet Met scarpen doornen was beset,
Alset noch es bescreven:
Eist dattu wesen wilt sijn let, 830 Magherlike drine ende et,
Lere weelde begheven,
Oftn moets sware sneven.
65.
Niet en segghic, dat rijcheit sent Die siele in den torment,
835 Op datment nutte niet rechte.
Maer sekerst es, vlien dat serpent,
Dan wandelen daer omtrent,
Dat het di niet bevlechte.
Want rijcheit maect deii mensche so blent, 840 Dat hi Gode niene kent;
Dus scheet men van den lechte Ende wert van levene een rent,
Dan valt men int helsche convent.
Dus bringhet in die echte 845 Die duvel sine knechte.
Hu24. G E. in s. side l'l») sijn allen hehalveA rechter Owasgli. â 825. Il Aent houte w. /â¢'Aenl eruce \v. .1 Ende au tli. (zonder v/ns) Dair hi an th. w. O Ende was ant li. â S-ili. 6' Oolite I' Op .1 tliovet CHIi dat hoeft FG dat lioot â 8-27. /â¢quot; scerpen â 82S. O Alst h'G Alsoet CU Also alst /gt;' Als ('.h noch ontbr.
li was â S'iO. C Wiltu \v. /â¢' Maer wiltu sijn DG Eeesi II weisen wils O zijn wils -l wilt sijn 1) wilt wesen een s. lil /â¢'(.' gods let â ÃWO. DF Ma-
gherlijc II driiict â 831. /â¢' Leer ll Leert â 8:« Cl) Of dn G Ochte du (I /.nis lid swaeiiijrk G swarlijc /â¢quot; zwairlic.
833. C Niene s. H Niet s. C rijcheit â 834. .1 zielen /â¢' in dat O in dat ewich G int helsche â 835. O by r. 11K⢠te r. â 831). HG Mei C zekerste ll heter /(/Hst /'tr eest /Me vl. H/Hserp. â 837. .l/-7Me w. Oaldaer â 838. Itll Dattet dl CO Dit dl F Datti G Ende dat di li F DO niet en G onlhi-, Obeuechte ///â ' bevlecte â 830. .1 Maer C den meneghen /lt; deu menighen (I menighen G meneghen F eenen 11 dat volck t.Yj so onlhi'. â 840. /*quot; llatti /gt;Dal-t(!t HFD niet en ll bekent â 84,I. CBO Daer C sceedinen 11 sceethi G scheedt hl /â¢' lichte â 842. C wordt F wort I'll leven â 843. AG Daer Uil Kalina O Dus /â ' Ende: ook dan van is denkelijk niet het oorsfii-onkelijki;: misschien Sn dat men valt? II valt hl F valt .1 in den helschen scent H In h. c. G Int h. covent O Int convent /â ' int h. torment D In den torment â 844. G Aldus =? HO Dair 1). de viant iu h. 6'jB bienghet/''brincti in : li u
.1 echte, hetwelk erhtei- waarschijnlijk ook voor hechte staat â 845. O l'.rl alle zlne k. G De h li sineu.
MWWMHUMIMaMMMWMK
STIiOPH ISCTIK GEDICHTEN.
66.
Jacop, du spreecs wel endo waer.
Die wech es naouwe ende swaer
Endo sere onghetreden,
Met aermoede te clemmene daer,
850 Daer men levet sender vaer In eweliken vreden. » »
Martijn, so tree die aerme naer,
Dele liem stille ende openbaer Van dire weeldicheden!
.S55 Ere der kerken enten ontaer!
Het wert ten joncsten daghe claer,
Daer di God sal besteden Met sinen lieven leden.
67.
Es die wee li naeuwe ende hooch,
S(iO Daer Jhesus bi te hemele vlooch Dats passie ende aermoede â:
Oftu meer hebs dan di dooch,
Om die Gods hulde pooeh,
Dele van dinen goede!
865 Dine fiere herte booeti
Ten aermen mensche ende toocli
Ontfaermieheit van moede!
God selve, die noit en looeh Enten milden noit bedrooch,
S4(i. C sprekes G sprees BO segs A seges D segghes; seglies het. oovsprouLc-lijke, in, (tansluiliïKj aan vs. 833? â 847. .1 Maer die G hoge e. s\v. â 84S. Cl) /eer â 849. HG arm. .1 aermoeden Cte dimmen /â¢'dimmen /^dimtmeu â 850. G leeft â 851. Ii Mil G Ende met BO eweliker â 852. /â¢'/gt; so ontbr. G nn ChlH) trect = CBOG den a. â 853. CBG Ende d. (C deile B deel) DO deelt F deilt G hen â 854. iG V. (6' Na) dijnre rijdieden Gl) dij ure GB weid. â 855. hl) Eert C In = GBFI)OG die {G de) kerke G endo den o. JJ e. die o. I) e. to. G e. op den o. â 850. G wordt HI) wort (.* te F lesten I) daglien FG maer â 857. B Dat di G Datti B bestelden DG besceeden.
850. AO Die (o De) w. es â 860. DG god G'te hemele bi B ten hemel FDic hemel â 861. G Na passien e. aeiinoeden BF arm.; zoo ar naast aev meermalen in de verschillende hss. â 802 en 803 bij Gen G in omgekeerde volgorde.â 802. Gl) Heefstn (/gt; Hebstu) m. G Eest dattn m. lieefs IJ Oft du F heues B heefs â 803. G O. den middelen wech so j). B die ontbr. â 804. G So d. GF Devle I) Deel G goeden â 805. li toocli F poech â 800. G F DG Den F lieden GD Do ontbr.; lees Ten aermen waert? .1 pooch â 807. D Ontferm. â 808. B ne â 800. GiiOG Ende den D Noch d F Xo. ii. G n. *'ii D nie en GO niene F en
40
EERSTE MART UN.
870 Sotto di in siere hoedo
Baten des viants roede ! -
68.
-Jacop, die werolt maect ghescal Ende tiënt den vrouwen al,
Dat wi in sonden sneven;
875 Want leve viel don eersten val,
Daer wi omme int ertsche dal Noch alle sijn verdreven.
So segghen si, groot ende smal,
Dat soe Adame therte stal,
880 Die hem hare liet vergheven.
Secli mi, wien men tien sal Dit verlies sonder ghetal,
Daer wi omme moeten beven,
Also enden sal dit leven.»»
69.
885 »Martijn, hine es niet vroet.
Die mi tiët, dat hi mesdoet,
Kent hi vrome of scade.
Ic sie die see, ie sie die vloet,
Tc settere willens in den voet 890 Bi enen dommen rade :
Wien maghics draghen evelmoet,
Of mi die stroom metter spoet
S70. C Zet di G Sctti BOG sire CFD sijnre F hoeden â 871, O der vi-uiiden d des duvels CBFU dei' {D die) duvele {LU) duvelen G duvel): = der du vele F roeden.
87k2. O de w. I) menicli â H73. A thyent C tvet I) thiet O hi na den G overal â 874. C in den z. â 875. CBFDO eva FG iersten â S7(). GD om F al om AB int erdsche G in derdsche G int aertsce F 1)0 in tlielsche â S78. BI) Nu G Doch O .la ende /'.Ja zij r. (1 si alle li si dat â 879. IJ Adaem â 880. G haer G van hare F v. haer ï) hier â 881. HF DO Sent li wiement DG wien ment Fwient men .l/gt;thven â 882. O D. vernoy groot ende smalâ883. O wi onlbr. Cl) om A in Fselen .t/i sneven â 884. eynden endden.
885. 1) hi en B hi AG die ghene en .1 es, het overige iveyyescheiird B n. wel vr. GGO n. harde vr.; = wel of liarde? â 88G. mi : li andren F eenen G enen anderen O yemende I) yemant Fl) tijt G aen tyet li dan .1 m, het overirje weyyescheurd. G misdoet â 887. G Kende hi vroem G li ijl F hine G ochte I'D oft .1 ende â 888. A niet duidelijk: vloot of vloot â 889. O Ende z. G13D() setter F setle .1 willins 1) die v. â 801. G Wie magh ic /gt; mach icx A evel (er heeft eerst iets anders gestaan) m. I'DG evelcn m.â 892. G Ochle F Oft BO de, G die o/gt; den kant G storm /gt; slorme GB met groter sp.
11
STIiOPHISCHK GEDICHTEN.
Draghet in den ghewade?
Of ic quaet kenne ende goet 8!)ó Ende ic mi veinse verwoei,
Men salt claghen spade,
Dat ic mi verlade.
70.
Snlc tiët der vrouwen upsien,
Dat si hem dat herte ontien 900 Alse die steen die naelde.
Hi dinct mi mesdoen in dien,
Wilde hi der waerheit ghien,
Dat hi daer toe taelde.
Wat moghens vrouwen, dat manne plien 900 So naeuwe om hare scoonheit spien ?
Wies diese daer toe liaelde?
Wilde die claghere te tide vlien,
Sone mochtem niet messchien,
Ende hi den sin verstaelde,
910 Eer hem therte daelde.
71.
Vrouwen sijn bi naturen goet;
Si slachten den wine enter gloet.
Die de werelt verbliden.
Die des wijns te vele in doet 915 Ende te naer den viere set den voet,
Hine cans niet gheliden.
S03. G Draecht HOC in riie I'll in den C in C onghewade â 894. F Oil G Ende = CliG can â Sitö. O mi zeiven CFDG mi willens: willens ia denkelijk niet oorspronkelijk F vense DE veise â 890. AE saelt F sael.
H98. FG Sele .1 thveni (gt;G tient F tyen lgt; claghet .11' I Hi i len C.BFG opzien â SO!). G hen /â¢' ilen mans l'DG li. therte lgt; ontdieii â 900 BO de n. â 901. (i Die dunken G Si dunken I I) dnnct (7/-quot;misdoen â 902. Z)Wil hi; G men H lien /â¢'Iven â 903. HE Van dat O Wie dat; schreef' Maerl. Wat dat (of So wat)? hi : G men â 904. /â¢' mogen G de vrouwen H ontbr. BC mannen F mans â 905. G Te n. Com ontbr, *l \i\t 'il)(I haei (i hm O zien â 900. CDG Wie is BE W. was ll W. waest EO diesertoe O diese toe â 907. G Wonde HEU elaghei' B te tijt .1 In tijt â 908. OBI) So en CBEDG mochte (/gt; mocht) hem B meschien C mischien â 909. ontbr. bij Jl â 910. G sijn herte ontdaelde.
911. G van n zoet .1 natueren â 9I'2. F slechten F wijn H wiuen CBEIIDG ende iler â- 9Hi il dese w. â 914. .1. Want wie = ('.BEO te vele des (pnlbr. EO) wijns U veel â 915. O Ente n. (?) C.EDOG na /(stelt 910. BI) lli en .1 caens CB cant G caent IJ can dat
â 12
EERSTE MARTIJN.
Waren die manne also behoet,
Dat si oghen, sin ende moet Wel consten besniden,
920 So ware vrouwen minne spoet.
Nu werden si van minnen verwoei Diere dompelike toe tiden.
Dit doet vrouwen beniden.
72.
Dat men lettel ghetrouwe kint 925 Vrouwen, claghic niet een twint Bi ere maniere:
Want wat so men vele vint,
Wert onwert ende onghemint,
Ende men copet ondiere.
930 Manne sijn loser dan die wint;
Hare scone claghen vrouwen verblint,
Want si sijn goedertiere.
Grote sonden hi hem bewint,
Die valsche woorden vrouwen toe sint;
935 God die moetene schiere
Senden ten helschen viere!
73.
Wat mochte ver leve dat Adam Dor haren wille den appel nam,
Dat wi noch besterven ?
017. I-I) W. mannen H Wair een man /gt;'/â¢quot; so â H I), hire horte sin I) 1). si daei' ieglion s. /â ' o. hert sin â MO. /â quot;. comlen B conste â 950. In .1 het beyin van dezen en de heide volyende regels afgescheurd .-l ... ware CD waer FD vrouwe C minnen â O^l. A . . . vorden FD worden /gt; minneâ 92'2. A . . . domp. CFD domlike li doinlike; = dom(me)likc.
924. De volgorde der strop hen is hij . 1 ('.OF nis hoven, hij à en G 1'/. 7 /â¢'gt;. hij B 1*2. l't. 13 â C Want .1 te 1. CBFIHH} luttel (OG lettel) trouwen R kent BFD vint â 925. BO An v. G Ane v. FD Aen v. BFOG «lat {pntbr. G) ne (OG en, onthr. F) cl. twint D d. claglie lek t\v. C n. en twiut. â 920. CBFDO eenre FD manieren â 927. O w. men so HG so w. men CFD wes men G vele op den kant â 928. C Wordt O Wort BFD Es F onweert BIJ onwairt â 929. B coept â 9110. BI) Mannen dan : C dal G die onthr. B wijnt â 931. COD Haer I) schoen â 932. FL) goedertieren â 9ii3. C In groten BDO Groter; dit laatste wel oorspronkelijk F sonde B bewijnt â 934. /gt; Diet valsch woert COG woerde F woort â 935 C G. hi BFD moeten C moet hem G moetse â 930. O Hringhen ten vagheviere C Zeinden.
937. B inochts C mocht B vrou liua CF DO Kva ad m. - 9! IS. I'.UI'Ã Doei O Om â 939. CBFO noch alle IJ noch al
43
STKOPl] tSCHE OEmCIITF.X.
66.
Jacop, du spreecs wel onde wacr.
Die wech os naeuwe ende swaer
Ende sero onghetreden,
Met aermoede te clemmene daer,
850 Daer men levet sonder vaer In eweliken vreden.
Martijn, so tree die aenne naer,
Dele hem stille ende openbaer Van dire weeldicheden!
855 Ere der kerken enten ontaer!
Het wert ten joncsten daghe claer,
Daer di God sal besteden Met sinen lieven leden.
67.
Es die wech naeuwe ende hooch,
860 Daer Jhesus bi te heniele vlooch Dats passie ende aermoede â:
Oftu meer hebs dan di dooch,
Om die Gods hulde pooch,
Dele van dinen goede!
865 Dine fiere herte booch
Ten aermen mensche ende tooch
Ontfaermicheit van moede!
God selve, die noit en looch Enten milden noit bedrooch ,
S4(gt;. C s|irekes G sprees BO segs /â¢' seges D segglies; soglios het. ooivpronl.c-l'jkc, in aansluitimj aan vs. 8.ri3? â 847. .1 Maer «lie (I hoge c. s\v. â 84S. Cl) /.eer â 849. HG arm. .1 aermoeden C te dimmen /*'dimmen I) dimtineii â 850. G leeft â 851. li Mit G Ende niet BO eweliker â 85,2. 11) so ontbr. G nu CF DO trect = CBOG den a. â 853. CBG Ende d. {C deile B deel) DO deelt /⢠deilt G hen â 854. I G V. (G Na) dijnre rijcheden Cl) dij ure CU weid. â 855. I'l) Eert C In = CBb DOG die {G de) kerke G ende den o. ./)' e. die o. i) e. to. C e. op den o. â 85(3. C wordt HD wort C te F lesten I) daghen FC maer â 857. B Dat di C Datti B bestelden DG besceeden.
850. AO Die {() De) w. es â 860. DG god G te heniele bi Bten hemel FDie hemel â 8G1. C Na passien e. aermoeden HF arm.; zoo ar naasl aer meei'-nialen in de verschillende hss. â 8G2 en bij C en G in omgekeerde voifjorde.â 862. CD Heefstn (/gt; Hebstu) m. G Eest dattu in. heefs lgt; Oft du F heues B heefs â 8()Ii. C O. den middelen wech so p. IJ die ontbr. â 864. G So d. CF Deyle 1) Deel C goeden â 865. B toodi F poech â 866. CF DG Den /â¢'lieden CB DO ontbr.; lees Ten aermen waert? .1 pooch â 867. I) Ontferm. â IJ ne â 869. CBOG Ende den 1) Nodi d. F No. d. C u. en D nie en CO niene F en
40
EERSTE MART UN.
870 Scttc di in siere hoedo
Buten des viants roede ! -
68.
Jacop, die werelt maect ghescal Ende tiënt den vrouwen al,
Dat wi in sonden sneven:
875 Want leve viel den eersten val,
Daer wi omme int ertsche dal Noch alle sijn verdreven.
So segghen si, groot ende smal,
Dat soe Adame therte stal,
880 Die hem hare liet vergheven.
Secli mi, wien men tien sal Dit verlies sonder ghetal,
Daer wi omme moeten heven,
Alse enden sal dit leven.»»
69.
885 »Martijn, hine es niet vroet,
Die mi tiët, dat hi mesdoet,
Kent hi vrome of scade.
Ie sie die see, ic sie die vioet,
Ic settere willens in den voet 890 Bi enen dommen rade:
Wien maghics draghen evelmoet,
Of mi die stroom metter spoet
871). C Zet di (gt; Setti BOG sire CF1) sijnre /â ' hoeden â 871. O iter vi-auden G des duvels CU I'D der (D die) duvele {lil) duvelen C duvel); - der lt;luvele F roeden.
87k2. O de w. /gt; menicli â 873. A thyent C tvet 1) thiet O bi na den U overal â 874. C in den /.. â 875. CBFDO eva FG iersten â 876. Cl) om F om .\B int erdsche (ï in denlsche C int aertsee F DO in thelsche â 878. Hl) Nu G Doch O Ja ende /*\)a zij r. G si alle B si dat â 879. /gt; Adaern â 880. C haer G van iiaie F v. haer 1) hier â 881. HF DO Segt B wiement DG wien ment F wient men ADthyen â 882. O D. vernoy groot ende smal â883. O wi ontbr. CD om .1 in F selen . 1 U sneven â 884. eynden 6'endden.
88.). D hi en li hi AG die ghene en .1 es, het overige iveyyescheiird li n. wel vr. CGO n. harde vr.; = wel o/ harde? â 88C. mi ! li andren F eenen G enen anderen O yemende D yemant FD tijt C aen tyet li dan .1 m, hel overiye weyyescheard. C misdoet â 887. C Kende hi vroem G hiji F hine (i ochtc I'D ott .1 ende â 888. .1 niel duidelijk: vloot of vloet â 8S1,). O Linie z. CBDO setter /⢠sette .1 wiliins D die v. â 80'J. C Wie mngh ic /gt;mach icx .t evel {er heeft eerst iets anders ff es taan) m. F DG evelen m.â SO'i. G Ochle F Oft B() de, G die O/) den kan! G storm D storme CB met groter sp.
41
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Draghet in den ghewade?
Of ic qnaet kenne ende goet S'Jö Ende ic mi veinse verwoei,
Men salt claghen spade,
Dat ic mi verlade.
70.
Snlc tiët der vronwen upsien,
Dat si hem dat herte ontien 900 Alse die steen die naelde.
Hi dijict mi mesdoen in dien,
Wilde hi der waerheit ghien,
Dat hi daer toe taelde.
Wat moghens vrouwen, dat manne plien nor. So naenwe om hare scoonheit spien ?
Wies diese daer toe liaeldeV Wilde die claghere te tide vlien,
Sone mochtem niet messchien,
Ende In den sin verstaelde,
910 Eer hem therte daelde.
71.
Vrouwen sijn bi naturen goet;
Si slachten den wine enter gloet,
Die de werelt verbliden.
Die des wijns te vele in doet 915 Ende te naer den viere set den voet,
Iline cans niet gheliden.
Sill}. 6' üiaecht BOH in die I'll in den (â in C ongliewade â 894. /â Oft G Emle = (IHG can â 895. O mi zeiven CA'DG mi willens; wWlena is denkelijk niet oorspronkelijk I' vense DE veise â 89G. AE saelt F sael.
898. FG Sek .1 llivcnl OG tient F tyen li claghet .1 l- llC den C.BFG ojizion â 899. G hen F den mans FDG li. therte ll ontdien â 9ül) BO de n. â 901. G Die dunken G Si dunken Fll dunct Ci'1 misdoen â 902. II Wil hi ; G men II lien /'I ven - 903. HF Van dat O Wie dat; schreef Maerl. Wat dat (of' So wat)? hi : G men â 904. /â ' mogen G de vronwen II ontbr. BC mannen F mans â 905. G Te n. Com ontbr. ó \\\i GDlt;l haer (j har O zien â 90('). GIlG Wie is III-' W. was (I W. waest Flt;l dieser toe ll diese toe â '.107. G Wonde HFIl clagher II te tijt .1 in tijt â 908. Glill So en CIII'IIG mochte (I) mocht) hem H meschien ('. mischien â 909. unlhr. bij Jl â 910. G sijn herte ontdaelde.
911. G van n zoet .1 natneren â 91*2. /â¢' slechten /â¢' wijn H winen GHFIXIG ende der â 91 il O dese w. â 914. A. Want wie = GIIFd te vele des (unlhr. FO) wijns H veel â 915. O linte n. (?) GFDOG na /(stelt 910. IIll lli en .1 caens Gil cant G caent ll can dat
42
EERSTE MARTIJN.
Waren die manne also behoet,
Dat si oghen, sin ende moet Wel consten besniden,
!)20 So ware vrouwen minne spoet.
Nu werden si van minnen verwoei;
Diere dompelike toe tiden.
Dit doet vrouwen beniden.
72.
Dat men lettel ghetrouwe kint 925 Vrouwen, claghic niet een twint Bi ere maniere:
Want wat so men vele vint,
Wert onwert ende onghemint,
Ende men copet ondiere.
030 Manne sijn loser dan die wint;
Hare scone claghen vrouwen verblint,
Want si sijn goedertiere.
Grote sonden hi hem bewint,
Die valsche woorden vrouwen toe sint;
935 God die moetene schiere
Senden ten helschen viere!
73.
Wat mochte ver leve dat Adam Dor haren wille den appel nam,
Dat wi noch besterven ?
(.U7. I'D W. mannen 11 Wair een man III' so â '18. H D. hire hci'te sin I) I). si ilaei' ieglien s. /â¢' o. liert sin â '.HO. /â¢'. comlen II conste â 020. In .1 het begin van dezen en de heide volgende regels afgescheurd .-1 . . . ware CD waer FD vrouwe C minnen â OtM. .t . . , vorden FD worden I) minneâ 922. A . . . domp. CFD domlike li dotnlike; = dom(me)like.
024. De volgorde der slrophen is hij ACÃF als hoven, hij à en G 7'/.
hij B 7-2. 7'/. 7.'i â U24. C Want .1 te 1. CBFDOG luttel (OG lettel) trouwen li kent HFD vint â 925. BO An v. G Ane v. FD Aen v. BFOG dut {oathr. G) ne {OG en, onthr. F) cl. twint D d. cla^lie ick tw. C n. en twint. â 02(». CBFDO eenre FD manieren â 927. O w. men so HG so w. men CFD wes men G vele o/j den kan! â 928. C Wordt O Wort BFD Es F onweert BD onwairt â 929. B coept â BI) Mannen dan : C dat G die onlhr. B wijnt â 931. COD Haei' l) schoen â 932. FD goedertieren â 9i)lgt;. C In groten BDO Groter; dit laatste wel oorspronkelijk F sonde H bewijnt â 934. D Diet valscli woert COG woerde F woort â 935 C G. hi Bt'D moeten C moet hem G moetse â 93(). O Ihinghen tei» vagheviere C Zeinden.
937. D mochts C mocht li vrou Kna CF DO Kva ^-1 adm. â 9! IS. HIJ I'D Doer O Om â 939. CBFO noch alle D noch al
43
STROPHISCHE GEDICHTEN.
940 Ic waenre ons vordoel ave quam:
Hier omme wart mensche themelsche lam
Te onser aire bederven.
Mi versoende den vader gram Ende wijsde ons den wech enten dam 045 Toter hogher erven.
Selsienre dine noit man vernam,
Dan die maghet Gode maecte so tam,
Dat hi hem ene werven Dor ons liet bederven.
74.
IKKI Wat maken quaetsprekers ghescal ?
Vrouwen dadent weina al,
Dat dit wonder gheschiede.
AI dat es ende wesen sal Ende oint was sonder ghetal,
955 Inghele ende liede,
Benediden groot ende smal Maria, die ghenas den val Van menscheliken diede.
Soe was, die rovede ende stal 960 Die sielen int helsche dal,
Die Lucifer beghiede Dat ware sine maisniede.»
040. FI) waender B voordeel O daei' ave B of Fl) af â 941. AG Want li. o. themelsche O Daer o. FDOweit i) mensch 50 man Fthemels â 042. AG Wart mensche tonser CO Tot o. FD Tonser O aller D aider .1 onlbr. .15 bederve â 043. C des â 044. CF DO Hi w. A ons ontbr. O ons daer van daen hi cam CBG ende den HG dan â 045. O Al tot dei- I) Ter upperster erve â 040. CB Selsenre FÃ Selsender OG Vremder â 047. BOOG D. dat F Dat B de FG een G maecht DO god m. B maecte gode â 048. A hem ontbr. DG eenwerven â 040. CBFD Daer A Om D hier 1. b. .1 wilde sterven.
050. O quade tonghen â 051. B welnaer D bina F bijna â 052. .1 dit niet rjeheel duidelijk, door Kan tiler oit gelezen, BG dat 053. B «lat was es O es of F es oft â 054. AF E. dat CU DOG oyt F ye. â 055. CF Enghele B Inglen D Inghelen O Beede inghele li e. alle â 056. C Benedide BFG Benedien O Ghebenedien .1 Beueden; benediën Ie lezen'. â 057. O Marie (?) = CFDG Marien .1 die onlbr. D sy â 058. .1 meinsch. C menschelike li misseliken O ghe-dieden â 050. CLtFD es G roofde â 0(gt;ü. FD /.iele â OlVl. allen, behalve CO. Dies; de foul is wel veroorzaakl daardoor dal de afschrijvers hel relatief op dal lieten slaan. B ghebiede â 002. AG Want het was /gt; Dat was F Dit was C Dat waer O Over Jl Ende ui AF rneiseniede I) mesmiede O inesnyede G meyssiniede. Misschien luidde het vers oorspronkelijk alleen Sine inaiseniede.
44
EERSTE JIARTIJN.
75.
gt;»Jacob, du best den vrouwen hout,
Du gheves den mannen al de scout;
905 Ic wane, iet best ghedoghe.
Ic vergheve al onghedout Allen vrouwen, jonc ende out
Omme die vrouwe hoghe,
Daer ons af quam onse behout.
970 Ghedanct si soes menichfout.
Dat soene uphilt met soghe,
Die ons benam dat helsche cout.
In hare bem ic te endene bout Onse dialoghe.
975 In vraghe nemeer no en toghe.
003. CD bist O zijs O de B homlt â 0(14. on.l.hr. bij H G geels F mans als CFO die 065. AG wanict C waen iet II wane ic â %li. ') vei-glieeft â lt;j(i7, fp Alle â 068. CFO Oin d. II Doir d. 11 Om eene â 960. De vnl-gende verzen bij G in de volgorde 070. 072. 07!. 060. 073. â 060. G Van hare conit ons onse H ol' /' ons 1». â 070, li Glieloelt Ll'G zi zi ü soe sy si II so sie O zij soe = CDOG dnsentvout II dnsenticlivoiit â 071. G Dienne ojdi.
HD si liem J1 0[)lielt CFD o|iliielt â 07-2. FDh. tlielsclie â 073. Fin liaer C Tot liaer CBDG ben F bin li te eynden G tindenne C ten einde â 074. I) Onser bevder â 075. BD Ic- en F l'.n AFG neinrneer II nemmer CDO niet meer A no ne CD tiocIi en II no O noch lees in vr. meer no toghe?
Bij O volgt Explicit liber primus Incipit liber secundus.
Bij G volgt Hier es dierste boec nte dat heeft i.xxi clauselen ende elc clausele heeft \iii verse ende hier volget dandei' boec ende heeft in xxvi clauselen ende eh^ clausele oec xui verse.
45
STROPHISCHE GEDICHTEN.
1)40 Ic waenre ons vordeel ave quam:
ITier onune wart mensche themelsche lam
Te onser aire bederven.
Hi versoende den vader gram Ende wijsde ons den wech enten dam 1)4a Toter hogher erven.
Selsienre dine noit man vernam,
Dan die maghet Gode maecte so tam,
Dat hi hem ene werven Dor ons liet bederven.
74.
Of)!) Wat maken quaetsprekers ghescal ?
Vrouwen dadent weina al,
Dat dit wonder gheschiede.
Al dat es ende wesen sal Ende oint was sonder ghetal,
i)55 Inghele ende liede,
Benediden groot ende smal Maria, die ghenas den val Van menscheliken diede.
See was, die rovede ende stal Die sielen int helsehe dal,
Die Lucifer beghiede Dat ware sine maisniede.»
940, Fl) waender B voordeel O duer ave B ofquot; Fi) af â 941. AG Want h. o. tliemelsclie O Daer o. FDOwert Dmenscli BO man Fthemels â 042. AG Wart mensche tonser CO Tot o. FD Tonser O aller D aider .1 on tbr. \B bederve â 943. C des â 044. CFDO Hi w. A ons ontbr. O ons daer van daen hi cam CBG ende den HG dan â 945. O Al tot der I) Ter upperster erve â 046. CB Selsenre F IJ Selsender OG Vremder â 047. BOOG I). dat F Dat B de FG een G maecht DO god m. B maecte gode â 048. A hem ontbr. HG eenwerven â 040. CBFD Daer .1 Om D hier l. b. .1 wilde sterven.
050. O qnade tonghen â 051. B welnaer D bina F bijna â 052. .1 dit niet ticheel duidelijk, door Kansier oit gelezen, BG dat 053. B dat was es O es of F es oft â 054. AF II. dat GBDOG ovt F ye. â 055. CF Enghele B Inglen D Ingheien O lieede inghele li e. alle â 056. C Benedide BFG Benedien O (xhebenedien ,1 Beneden: benediën ie lezen! â 057. O Marie (?) = CFDG Marien .1 die ontbr. à sy â 058. A meinsch. C menschelike Ji missel ik en ö ghe-dieden â 050. CBFD es G roefde â 0(gt;0. AV) ziele â WyV. allen, behalve CO de font is wel veroorzaakt daardoor dat de afschrijvers hel relatief op dal lieten slaan. B ghebiede â 062. AG Want liet was I) Dat was F Dit was 6'Dat waer O Over B Ende al AF rneiseniede D rnesmiede 0 mesnyede G meyssiniede. Misschien luidde hel vers oorspronkelijk alleen Sine maiseniede.
11
EERSTE MARTIJN.
75.
gt;»Jacob, du best den vrouwen hout,
Du gheves den mannen al de scout;
905 Ic wane, iet best ghedoghe.
Ic vei'gheve al onghedout Allen vrouwen, jonc ende out
Onnne die vrouwe hoghe,
Daer ons af quani onse behout.
970 Gliedanct si soes menichfout.
Dat soene uphilt met soghe,
Die ons benam dat helsche cout.
In hare bem ic te endene bout Onse dialoghe.
975 In vraghe nemeer no en toghe. â¢
963. CD bist O zijs O de B lioiidt â 0('4. ontbr. bij J! G geels F mans als CFO die !I65. .16' wanict C waen iet li wane i(t â (I6(gt;. O ver-jflieeft â 0fi7. FD Alle â (.)68. CFO Om d. li Doir d. D Om eene â 96!). De volgende verzen bij G in de volgorde 070. 'dT'i. 074 . 060. 073. â 060. G Van hare eomt ons onse H nl F ons b. â 076. li Glieloett CFG zi zi D soe s_v si B so sie O zij see = CDOG dusentvout II dnsentichvont â 071. G Dienne oph.
HD si liem 11 opbelt CFD ophielt â 072. FD b. tbelsclie â 073. Fin haei-C Tot haer CBDG ben F bin D te eynclen G tindenne C ten einde â 07'i-. 1) Onser bevder â 075. BD Ic en /â¢' Kn A FC nemmeer II nemmer CDO niet meer A no ne CD noch en /ï no O noch lees in vr. meer no toghe ?
Bij O volr/t Explicit liber primus Incipit liber secundus.
Bij G volgl Hier es dierste boec ute dat beeft i.xxi clauselen ende ek- clansele heeft xiii verse ende hier volget dander boec ende heeft in xxvi elanselen ende ele clansele oec xm verse.
4 ij
II.
I) AM) EU MAR TUN.
i.
»Martijn, slaepstu? slaept dijn sin?
Spree! hebstii gheen spreken in ?
Du dinkes mi verdoren.
Dune achtes meer no min,
5 Dan omme weelde ende om ghewin.
Wiltu di dus versmoren ?
Waert al dijn, dat comt, int Swin,
flout, selver, stael, loot, iser, tin,
So blevestu verloren,
10 Daetstu ter doghet gheen beghin.
Hef up dijn hovet ende dinen kin!
Tontijt waerstu gheboren!
Hebstu dichtens versworen?quot;
2.
»»Jacop, du woens in don Dam
Opschrift: Dander Marlijn bij .1: F hier begint den anderen boeck D Dat an-derde Boeck. Voor (i zie arm hat slot van 1. De rjehecle uthsl ontbreekt in C.
1. I! Maertijn C Mertijn /â¢quot; Sliiepstn Merten BG slaep â '2. AD Spreeot r Sprect .-1 lieuestn G heefstn F hebdi â 3. I'D dnnkes .-1 dinx G dunes II dincts â 7 A al verd. â 4 B Du en achts anders Gachts anders D noch â 5. BG D. w. ende g. /â¢'/) op w. ende g. = O ende gh. â 7. I! VVaor al di FDOG Al waert G dine O in BO zwin D /wint F zwijn â 8. FD silver loet stael ys. O loot ontbr. G loet ende tvn B fiond sulver looi e. tin â !â¢. F Nochtaii hl. D N. blivense G bleefstu â 10. G En daedstu F Hadstn der d. D der duecht O ghewip â -11. FO Heft RDG hooft F hoot FD dijn k. â 12. FDOG Tontide G wordstn â 'IB. .-1 Heuestn dat dichten F Hebdi DG dichten.
14. F wones
DANDER MARTIJN.
15 Encle ic tUtrecht; dies ben ic gram,
Dat wi dus sijn verscheden.
Weetstu wat mi meer mesquam ?
Dat ic bate noch nie en vernam Ant dichten van ons beden.
20 So es mi die sin worden so lam,
Dat icker node weder an quam;
Dit doet mi verleden.
Du wees mi als een stotel ram.
Al bestu wilt, du werts tam;
25 Lere dine woorden cleden Soetelike ende ghereden!»»
3.
gt;Martijn, vrient, hebbic messeit,
Ic hems te beterne ghereit,
Ic wils al up di bliven.
30 Maer verstant mi ende ontbeit:
Ene dine, die mi upt herte leit,
Willie di bescriven,
Daer hare die werelt mede meit,
Ne dade dat lief worde leit:
35 Ende dats minne van wiven.
Wat dat es in dese werelt breit,
Stede, bossche , borghe ende preit,
Soudemen ver driven,
Wildemen minne ontliven.
15. G tuutrecht 0 tutrech .4 te Dorderecht FDG lies /? bin O hern â 16. D ghescheden â 17. FG Wetti D Weetti FG watter D wes .1 oit mesq. EDO meest in. G meest at' m. F aue m. â 18. B Dats dat = BFDOG ic noyt bate (/gt; baet) en {ontbr. B) v. â IV). FOG Aent B An. â SO. G Dies es mijn s.
FT) mijn s. B de z. â Ll\. G vele te noeder F aen â BD Dat B deit G deedt F DO doet â 23. li weex mi a. e. slotel D wrecs mi a. e. gliestoten G stoetenden â 24. =? FDOG Al ontbr. BD bistn 11 warts /gt; wordes F werts G so werde BFO noch tarn â quot;quot;IT*. D Leert // dijn /' woirde OG worde â 20. F Soetelijc G Soetelec /) reeden.
27. B Mairtin IJ heb ic â 28. O Te b. be icx BD bens G beens /'bins F beteren D beeteren B beter FDG bereit â 20. F [s .1 np hn â 30. BG verstaet B onbeyt A ontbint â 31. BFG Ken G dat mi /gt; mi B int â 32. A Die w. hn â 33. /? hair F hier G vermeyt â 34. FDOG En; en zoo ook elders G daedt B Ne wair ooc O waere I. BFD waer 1.; = ware? â 35. FD Ende ontbr. â 31). FDOG Al dat â BFDOG in die. â 37. A BDO Steden bossche borghe I A bosch berch B bnrghen busschen /) borch bosch O borghe bosschen; lees bosch, borch? BFO ende ontbr. â 38. O Sonde minne â 30. F Wondem. G Constem. O mense o. B minnen.
47
STROPIIISCIIE GEDICHTEN.
4.
40 -gt;»So? Jacop! Dit was oint dijn doen:
Van vrouwen moeste dijn sermoen
Of beghinnen, of enden.
Waerstu een dorper, du spraecs van coen;
Nu es dine herte dies ontfloen.
45 Doch willies mi ghenenden Ende steken af minen caproen Ende horen, watti hiertoe spoen,
Dattu den onbekenden Martine niene laets gheroen.
50 Al haddie ane twee iserine scoen,
In mochte di niet ontwenden.
Nu spree! ie saelt ontbonden.
5.
»Martijn, du sout mi verstaen:
Ene vrouwe wel ghedaen 55 Ilevet mi ghevaen met minnen.
Al dat Gode es onderdaen Lietic omme hare gaen,
Moehticse ghewinnen.
Nochtan weetic wel sonder waen,
GO Dat soe mijns niet en acht een spaen;
Mijn herte doet mi bekinnen:
Al souder omme die werelt vergaen,
40. = BFDOG So ontbr. BFDOG oyt G n doen â 41. D Diittn v. vi'. «1. s. F Dat v, vr. d. s. G V. vr. te makene d. s. O moeste ontbr. B moetstu â 42. D Begh. moets of F Begh. meest oft O Begh. ofte B Altois begonnen of
G Oft......oft BFD eynden G inden. De aan alle hss. ten grondslag liggende
lezing in vs. 41 vlg. komt wellicht, behalve A , O het meent nabij. â 43. F spnikes H koen â 44. FDG dijn J) des F dus B ontvloen â 45. B wil ics /) ghenenden â 46. B E. wille ofst. I) striken F oll' B mijn â 47. B horen ontbr. /gt;' wat di â 48. F omb. G onbekinden â 40. B Mairtin i) Martijn F Merten G Mertene B niet FT) niet en F laet â 50. BT) an F new B twe
BFDG yseren, wellicht an en iseren te schrijven â 51. BF En DG lek en F mocht di .1 mochtn i) mocht n G ontwinnen â 5C2. B vrach O vraech FDG vraecht; = vraech of vrach F en«le ic BB sal B onbenden G ontbinden.
53. B Mairtijn B salt O znis D snlste F seis G mi ontbr. â 54. D Een â 55. G heeft = BFDG bevaen OG minne â 56. D god B goede D was B ende daen 57. .'1 al om h. B om h. FDOG om {G dore) haren {!) haerre) wille â 58. B Mochte icse â 50. F lyic BFD wel ontbr.; wellicht te recht â 60. F Si ne a. m. niet 6'Sine gave om mi niet O my Ben ontbr.â 61. BG Mine B harte D hert F M. sin G doedt B bekennen â 62. B alle FDOG die (O de) w. om {G omme) v.
48
DANDER MARTUN
Dat soe mi niet en sonde ontfaen In hare herte binnen,
65 Hier toe nes gheen verwinnen.
6.
Ene ander vrouwe es, die mi mint Boven al dat soe levende kint
Met ghestader trouwen,
Die mi gheprijst es niet een twint,
70 Maer die scoonste, die men vint,
Ende bloeme van allen vrouwen.
Nu es mijn herte so hart een vlint,
Dat soe hare iet daertoe verbint,
Dat soese wille scouwen.
75 Hoe lieve upsien soe mi toesint,
Het dinct mire herten sijn een wint.
Soe liete liare eer bedouwen,
Eer soere om quame in rouwen.
7.
Martijn, nu hore ende verstant:
80 Dese twee sijn in een bewant.
Dat oosten moet seens leven.
Nu hebbic de macht in mine liant:
Welker ic wille brekic den bant Ende maghet hare al vergheven;
ftt. F Sine s. mi niet Ben ontbr. â 64. FD haer //harte â (gt;r». F en es/gt; en is G es. D versinnen â 66. BFD Een D vron â 67. O alle die zij lgt; kent â 68. /) ^liestailigher li trouwe â 60. BF I). in mi geprijst es (/gt; niet een) tw. D D. mijn gheprijs en lievet tw. G D. in rninen prijs en macli tw. O 1). en minne ic n. e. tw. Oorspronkelijk waarschijnlijk Dier {pok dies is mogelijk) minne gheprijst es niet een twint; rgl. Bnkelare vs. 81 «amor iste nil laudatnr.)) â 70. li Mar de DG Maer sy is die FO Sij es d. â 71. li hlome à bloem O speghH FG spieghel BD boven D alle â 72. G s. vaste IJ soe een glint F s. ver-blint Ji blint â 73. IJ I). hem daert. niet O 1). het d. hem vet li hair d. vet F haer d. niet G hare d. niet en; = daertoe iet â 74. O D. (een woord nit-fiewischf) haer w. B hyse BFDGiet w. â75. = HF DOG lief H nps. ow//gt;r. â 76. FD du net mij ure h. G d. mi D sijn ontbr. oen : HD al G algader F ontbr.; de oorspronkelijke lezing is niet nil te maken. â 77. HFI) liet BFhOG haer I) eer ontbr. TiFDOG in (O an F te) stinken (O stu ken) houwen â 7X. /gt; soer /gt; sy daer A oinrne G iet om.
79. H Mairtin; e}i zoo ook elders lgt; nn ontbr.; hoert â 8(1. I) bedwant (/. bedwanc?) O verbant â 81. li des eens F DOG der eenre {G eere) G dieven 82. liFD die D machte AF mijn D die â 83. li Welker ir vrede d. b. A Welc. F wil DOG breke ic A ic Ineke â 84. O rnaecht FD macht HG mach F haer
Wapene Martijn. 4
49
SÃROPHISCHE GEDICHTEN.
85 Dene moet emmer laten den pant, Den liefsten, die Ood oint vaat;
Hiertoe sijn si verdreven. Ne lieoh mi niet als een truwant, Maer secli mi, an welken cant '.)() Dine lierte es bleven,
Ende welke du liets sneven ? gt;
8.
Jacop, dins glieens vraghens waert: Die de waerheit niene spaert,
He vet dit saen ontbonden.
!)5 Het es emmer der herten aert,
Dat soe daerwaert tijt ende vaert, Danen hare quamen die wonden. Al sout al varen hinderwaert,
Wat so welvarens begaert, 100 Nu ende tallen stonden:
Ic verloeste, die mi therte beswaert. Soudic hare dan doen smaken tswaert? Dat ware ondervonden Meerre moort dan sonden.
9.
105 Tonghe liegliet, maer therte niet;
Want so wat dat herte ghebiet,
Wilmen emmer vulbringhen.
Squot;). F Booii /â¢' m. puimoei' .-1 inootoi' HDO K.iiiiïior (0 Iniinnr) mooi ilor.o (I) deen) U glieven il. |i. Igt; iiuiten il. p. (I ghenieten il. |). F Ijiten il. canl C breken d. bant â Kti. li liefste O bartsten O dien L'oil : G nalnre FIKHl ve II vet â ^7. II beilr. fï gedr. â S8. Fl) Ne nnllu'. II liegli l'DO lieebt /I tiiwant (eerder dan tnivant) â⢠80. IIl'DO segt F aen (! ane I) amler HU welker C welkere â 9(1. All Dijn (I Ks ilijn li. Igt; gheblevenâ (H. II dewelke Fl) welker II snelven O leven.
HF ilits II ten is O dit en es HU geen (I wart, spart imz. â 93. Ij FIK KI niet en â 94. Hl'll Heelt â 95. Fll liets »â 9(1. II dalrwert /â ' derwaert ll derwaerts I) gaert (1 gart â 97. I) Van daen baer i|. de F haer â 9S. ik; sondt AU in der vaert II in die vaert F ghinderwaert O hinderuaert (I liinder-warl â 99. Wat so : II So wat dat O Wat dat I) Dat fG Al dat i-'begbeert 11H1. II te allen h tot a. â 101. II verleeste F verloste II lossede I) loste lil 1 verswaert - 19'i. II Sonde ie Fl) haer dan doen I ~ lil IKK, laten /⢠tzweert â 103. II waer â Kl'i. Fll Meerder B danne.
105. II Die tmiglic III'DC licclit lees herte? â 10(1. HG W. so wat tli. F Soe w. tb. II Maer wat so tb. G gbebiedt â 107. liü Willemen ll Wiltuien FG Dat wilt men ll yniinei', i'n zon ooi: ri'nh'nijt IIFG volbr.
50
DANDER MARTI,IX.
Wat, es Naerchisuse gheschiot, Die sine vorme spieghelt ende siet llü Int water sonder minghen?
Mant ende mont lü daerwaert hiet, Hi bit, hi clagliet sijn verdriet;
Nature ne wils ghehinghen, Dat hem can ghehelpen iet. 115 Hi doolt, alse hi wel selvo ghiet; Mine constem niet bedwinghen, Mine staerf i)i desen dinghen.
10.
Medea toghet ons solve dat,
Die rovede ende stal haers vader scat 120 Ende versloech haren broeder Om Jasoene, dies haer cume bat.
Soe liet conincrike ende stat,
Vader, suster ende moeder.
Nochtan, daer soe allene sat,
125 Wijsde hare redone don recliten pat,
A1 volghode soo den loeder.
Maer tiierte was hare so mat,
Daer minne in hadde ghemaect eon gat:
Wille hilt den roeder,
130 A1 was die redone vroedor.
11.
Exempel vindic sonder ghetal,
Die mot mi soudon liën al ,
10K. F Was O was A naersins D narcisciis O narchisiis G narciussc F narsisus â 100. F forme sp. e. lietâ 110. (i In lt;1 water â 111. A dure w't/gt; djierwei l /â¢'derwaerl G daertoeâ ll^. 7? bid /gt; bidt Ãended. FDG chwcUt â l ili./1 Natuere: zoo ook elders in (Fit en andere ffss. A FOG wils {G wonts) ulet â 114. F liatti
G conste gehulpen A niet â 115. F Mine d. Oonlhr. A dolt G doelde G also FDG wel onlhr. F bijt O in hem selven AFDOG siet G horen hi . . . siet: ghi . . . ghiet â 116. O Nochtan conste bi hem n. dwinghen G const bem EG conste sijn herte D conste B dwinghen â 117. 1) start' FG sterf.
118. BG toocht F toont â 119. G bars D haer BED vaders â 120. O vermoorde â 121. B Jazonne F Narsoen J) Jasoen D die /1 b' G bare 122. F scat â 123. F ende s. G s. brooder e. â 124. B Nocbtanne G si seine sat â 125. BFDOG haer I) reden â 126. G volgbesi â 127. G dat was
F/) hair â 12R. D bad in gb. â 120. //belt FD hielt â VM). G i\e f) onthr. I) reden.
1)»14 B Kxempclen I) vinde irk - 132. D s. liden F Iveii s.
51
STROPHISCHK GEDICHTEN.
Dat ic hare tleven gave,
Die mi therte rovede ende stal. 135 Jacop, mac mi gheen ghescal!
Hier en schedics niet ave. Al tfolc, dat woont sonder ghetal Bede up berch ende in dal,
Eist coninc ofte grave:
140 Sijn proeven wert hier jeghen smal, Hen sal niet wert sijn een bal Ghevullet met drave.
Also helpe mi sente Bave!» gt;
Martijn, du best een stout seriant. 145 Dats een vast cnoop ende een vast bant, Die niemen mach ontbinden. Die cnoop, die Alexander vant, Ontcnochte sijn swaert, niet sijn hant, Alse hijs hem wilde bewinden. 150 Laet mi ghenaken an uwen cant, Men sal u vroetscap te hant
Tellen metten kinden.
Also vele, alse dioden mach een sant Jeghen Casselberghe in Vlaenderlant, 155 Sal dieden hier u vinden.
Al waendi mi verblinden.
-133. I'D liaei FG dieven â 134. B tharte DG roofde â 135. Ti rnacc I'D maect OG en inacct mi : O ons /â¢' onthr. â â 136. O H. met en B en onlbr. II sceidics J) scheyde ic â 137. AS tvolc â I3R. /â¢' Int lant op b. e. int dal (⢠In borge in stede e. in dal li berg D Ijeiglie A vp dal â 130. FG Con. bortoglie o. (F ende) gr. B 1st D Eest li ofte ist D of â I W. allen Dijn li proven F waer G ware /? wart Dtieghen â- 141. D Enile en sal FG En zal dij n. weert (G wert) s. O En z. el n. zij dan een BD waert â 142. /â¢' Glievult lil) Gbevollet G Al ghevnlt FDG cave O soghten cane â 143. D Soo helpt B help FG bnlpe FD sinte.
144. A .lacop B Martin G bes D biste O sergant â 145. BD vaste, hehh' nuilen D ende onlbr. O eiule een b. F ende b., lt;ligt; oorspronkelijke li'.:inij ? â 14(i. /)' nieman /â ' niement /gt; nyemant BFDG en eau â 147. G Dien cn. dien
D Hi'ii kn. O bant .1 bant of vant â liS. G Ontcnoecbte F Ontcnocht F zweert .1 sw't, zoo als h.r. ook in vs. Kt'i G sw. metter b. D sw. inet zijnre b. I i',). (i wonde D wil - 150. A I.. glietaken D aen BFG dinen â 151. 11 Gbi snit. nocb v'ste (I. n (^i'ste?) vroescap lgt; Uwe vr. snldi (1 dijn vr.
OG al te bant â 153. .1 also d. m. /gt; als belpt 154. B ('assenbercb FDG Casselbepcli - 155. bier : OU nn G dijn B binden
r.2
DANDER MA lï Tl.IX.
13.
Ghi wilt sterken uwe woort,
Die ghi nu hier bringhet voort, Met truffen ende poëtriën. 160 Of Medea dede moert,
Ende liem Narchisus hevet versmoort,
Dats minne van sottiën.
Dit woort »minne» ende datter toe hoort En was met sonden noit begoort Itiö Noch met ribaudiën.
Wien dat reine minne becoort,
Diene mach niet sijn bedoort.
Dies sullen met mi liën Die meesters van clergiën.
14.
170 Les tonde ende tnieuwe testament Ende besie al omtrent
Alle die heleghe liede:
Wie was van minnen oint gheschent?
Wien maecte oint minne lilent,
175 Die ane Gode ghiede?
Si minden vrouwen wel bekent,
Scone ende edel, up sulc covent.
Dat hem God lt;gt;ir beriede.
Al dogheder omine somich torment,
ISO Sulc alse minne der joghet sent:
157. 1)1)0 staikeu â 158. mm I /gt; ons /gt; onlbr. O hier uu FG p;h. met iavelen bringet (/â¢' labuien brinct); lees Die ixlii liicr br. ? â 150. h M. fabulen e. p. (»' Ende niet potrien F OlV m. poeterijen /gt; Mit tinten ende mit p. .1 ende met - i(iO. /» Of hem Merchisns heeft versm. F Oft ('gt; Ofte 161. /gt; K. Medea d. die m. If hem ontbr. .1 Naersns F Narsisus /gt; Narciscus (i K. Nareins hem heeft Fl) heeft O onlbr. â HW. Hl) hits â Hgt;!gt;. /â¢'/gt; Minne e. d. t. behoort d beh. - '164. F Was /» Ne was noyt A met minnen !)(gt;(, nie F niet FG becoert - - 165. F Ofl /gt; ribaendien O rabondien 166. BG W. so r. F Wie /o r. I) VVient reyn: â wien so li begoert â 167. FGD Ili ne = HF DOG verdoert â 168. FG selen â 169. G clercgien.
170. BO Leest D Dit is donde F douwe e. dn. G doude e. dnuwe â 17i. = OFDG besich BO wel al â 17ci. BFDOG lieilige â 17li. B oyt l'DO ie G ni0 â 174. JPJ) Wie B m. die m. ye blint O oyt F I) ye G ni. minne nie â 175. B an F aen â 476. I) minde â 177. Fl) Sr oen edel : â BFDOG wijs G selc D snleke 1) convent â 178. G hen .1 hoyr II oyt F eer D eere â 179. Q doechder FD om somich : B menich FO znlc G selc D de snlck â 180. G Alselc D ter doghet G joecht BOG toe sent
STIiOriIISCIIE GEDICHTEN.
Wie was diere of messchiede Ghelijc heidinen diede?
15.
Abraham was ver Saren man.
Doe sine amië heffen began 185 Boven haerre vrouwen,
Daer en was gheen houden an,
Hine dedese wech, want redene verwan
Ende sine herte vul trouwen.
(Jlieen edel man no wijs en can l'JÃ Minnen sonder redene dan;
Dit mach men wel bescouwen.
Sulke minres ghenieten den ban,
Die metter mesdaet maken ghespan;
Die minres willic blouwen,
195 Want dats minne vul rouwen.
16.
Of ic dan sette minen sin Daer ic en mach meer no min
An winnen dan scade,
Ende mi ene andere so hevet in,
181. Cr Wien A BOG waest DG dier 0 datter DG at'A omrne â 18k2. JJ liedinon h den lieydenen G d. heidinen.
183. FOG vrou S. li vrouwen Zara D vrou Sara â 184. F Die 0 Als G onlbr. BF zijn = IbFOG verheiren D te verh. â 185. BOG Hare {O Haei) boven G harre b barer FD zijnre â 180. a hen F es b onlbr. jDaen â 1S7. BFDOG Ui ABFG deedse O zantse .1 w. r. vernam F w. reden verwan I) reden v. BO verre van dan G om redene daervan; om BO mmj men ook aan eene lezing ver Redene in pi. van want redene denken. â 188. BDG Sine {DG Sijn) h. was vol (D vul) tr. O Dat dede zijn h. v. tr. F Ende volghede der ontrouwen â 180, O (Ui. wijf nocii man en G Negeen BFDG heilich {G heilecli) m., hel oorspronkelijke is wellicht niet bewaard. DG noch BFDG wijf â 100. G Ghemiunen D reden â 101. G Dat â 102. G Alselkeu minneren F miuuers I) mimiaers /J gheift men d. FG gevic d. Dgeve ii k d. O verdienen: oorspronkelijk sulken m. ghevic den b. ? â 193. B mitter misd. â 104 en 105. = ! bij BFDOG in omgekeerde volgorde â 104. FD Sulcke miuuers (/V minnaers) G Als-elke minneren D wil ick â 105. BF Dits m. O Dat es m. D Daer is m. G Daer in. os; want van J is denkelijk niet oorspronkelijk FDG vol.
IOC». FD Oft G Ochte â 107. G no meer D noch â 198. G Ane F Aon A dan al sc. G d. el sc.: el op den kanl, gemeend is denkelijk el dan sc. Zoo oorspi o)ikeljk ï of heeft Maerl. Ane w. geschrevenquot;? â 100. O een eene andrc F een ander h. BG andre D een soe ander heeft B heeft
DANDET! MART UN.
200 Dat soe haer selven ende al ghewin Mi jan vroe ende spade:
Mi dinke, dat ie meer sculdich bin Hare, die mi coos int beghin Ende ane mi blivet ghestade,
205 Dan hare, die fierlike haren kin
Te mi waert draghet ende haer ghespin Van minnen els draghet te sade,
Ende diere ic omme niet bade.»
17.
» Jacop, of ghi niet en acht 210 Exempele, die ic voort hebbe bracht,
Ic wille te bibele keren.
Die minne hadde over Adame macht,
Soe verwan met haerre cracht Den vroetsten aire heren.
215 Van hem sijn wi alle ghewracht;
So eist recht, dat hem elc slacht,
Men maghet wel doen met eren.
Minne over redene vervacht,
Wie sore omme weent of lacht:
220 Vrouwe leve moestem leren Sijns willen ontberen.
18.
Wat machte hadde Samsoen,
200. /â ' Die li. s. G har selue I) liaer o. liaer gli. quot;201. lt;ï au F aut h
üaiul .1 vio f'IXi vroech - 202. Odiuct l' IK' ilunct /)'nioost â 20igt;. /' /' ilari
C in ilbegli. â 204. Jll) au /â¢' acu 1'lJG blijft â 20quot;gt;, /â¢' liaer 1) onlbr. /â¢' fiei lijc li lierlick G liei lec â 200. /â¢' wei t I) ontby. â 207. Hl) eliler O el /â¢' elwaert G elre JSF draecht B de stade Igt; te rade â 208. 11 die FltG dier; missclWeii heef! hal /iron, er uors(gt;ronllt;elijk niet tjeslaan B dicker lgt;G ieker HF om u. 11 om DG niet oiuuie FG en b.
200. G uidit â 210. F Exeiu|ieleii I) Kxeui|iel F lieb voirtgliebracht
Hl) heb IJ gliebr. â 211. G So willic I) wil â lil'DOG ter IJO liilile FJM'i bibeleu â 212. II De lgt; onlbr. â BFDOG op BF Adaeui ll Adam 213. .1 verwanne Gr harre .lij barer F bare 0 lierte .1 macht â 214. G vroeui-steu AFDO van allen F heere â 215. G siwi Dal â 216. FII ets r. I)G eest II est H elc man F slecht â 217. = BFDOG Klc BFDO macht G maecht â 218. I) hoven die reden .1 vervacht uil verwacht verbelcrd BUO vernacht F vermacht â 210. O W. /equot;e II Wier sore F Wier G Wiere I) Wie datter lil) om F oft IJ ofte â 220. I) Vrou I'D Eva FG moeste bcm I) moste hem 11 mosten â 221. A Siju onlbr. FO willens.
222. li machten D macht B so hadde HFDUG Sampsoen
55
STKOPHISCHE GEDICHTEN.
Of David, of Salomoen Jeghen die cracht van minnen?
225 Daer nes toe recht gheen doen;
Sorobabel in sijn sermoen Doet ons wel bekinnen,
Dat wien so vrouwen minne ontspoen,
Iline mochte nemmermeer gheroen 230 In siere herte binnen,
Hine moeste al sinen sin ontdoen Ende volghen hare, al ware soe ghevloen.
Oft hem selven ontsinnen.
Hier toe es gheen verwinnen.
19.
235 Jacop , sech , verstaestu niet,
Wat dit woort Amor bediet,
Dat in Dietsch luut 'Minne ?
Elc letterkijn, diet wel besiet,
Hout in een woort: sinne ende bespiet 240 Der minnen cracht daer inne!
Aldus ontbindet tLatijnsche diet:
Porringhe, die den sin wech tiet,
Die tsere trect ten beghinne Entio redene gheinoeten pliet.»
G Ochte FDO onibr. /''oft 6'oclit /Jende //Zal. â ^25. .1 ue es l) en is (! en es F en was A toe reeht toe gh. If jeglien eruelit gh. G j. cnu lit noch FIX) jeglien gh. Jeghen kan nalaurlijh tegenover toe van A oorspr. wezen; z. verder de aunt. â (KI Wien {G So wien) «hit vr. I) Soe wien vron F Soe
wie vrouwe Fl) spoen, O in ontspoen verbeterd â tWO. /gt; mochte n. G mach n. F mocht niet /gt; mach anders niet â 'quot;iliO. HF DG sijn /gt;' harte - fc231. Fl) Hij Ji moste F moest DG moet Fl) alle Os. zinc {lees zimie?) IJ sine zinnen G sine sinne F zijn zinne D zijn zinnen FD ontdoen â 23l2. BOG h. die hem ware (G es) gh. {B ontdoen) FD d. h. is {F waren) ontvloen; = hare die hem ware ghevloen A so â 'ilW. B Of OG Ofte â *2^4. toe ; B jeghen = B(J nes FG en es D es is.
2a:gt;. BFD segt F verstaelstn G en verstadi â 230. .1 Dat 237. BG diétsche F dniitsch(; I) dnytsche AG lundt D Invt 238. Ji ietterkin D letter 230 = liFDOG II. e. w. in .1 sinne h. B ^ (acht?)ende h. FD ende b. O haer Ij. G nn b. Het teeken in H is vreemd voor den imperatief acht; ook sinne van A heeft niet veel ivaarsch jnlij/»heid voor zich. Misschien luidde de oorspronkelijke tekst hont een woort inne; bespiet â 241. bij O gelijkluidende niet 245 B onthint FD(0) ontbant FDG dl at. A Latijndsche D liet â 242. O die die den B s. ontiet â 243. bij O getijkliddende met 240 B Ende tseer A hitser een F Die dat zeere I) Diet seer G Die sere A trect onlltr. â 244. B Ende FDG Die de D leden AG tontmoetene O te ghemoeten 1) te ghemoete F «â¢henieten
i
DANDEI! MARTI,IN.
245 Aldus ontbant ende beschiet Mijn meester, alsict kinne, Of mijn verstaen os dinne.
20.
Of dit minne es, alset es,
Wcs des seker ende ghewes: 250 Ie volghes minen eersten woorde. Over waerheit liïc des:
Soene smaecter swaert no mes,
Die mi therte dorboorde.
Herte, nemmermeer ghenes, 255 No gherust, no ghetes,
Lieghic van enen woorde!
Proef dattu wilt, Jacop, ende los: Dies os mijn herte wol gholes, Dat ie mi eer vermoorde, 260 Eer icse sterven hoorde.» '
21.
â¢Martijn, runt gramarien.
Du ploghos, dies rude liedo plion,
Die twaro niet willen liön;
Mosdaden, die den wisen messchien, 265 Salmon niet in exemple tien,
M aoi- Godo bonodiën.
Die ons daerbi leert sondon vlien Ende up ghorechte minne sien.
245. /quot;/Mi' Dus = Itl'DOC! o. (/gt;' üiitlaut) mi â '246. quot;(gt;' al/.oe iet li hl gt; iils it- (i versiime â 2^7. F Oft (i Ochto /gt; verstant.
*248. (i Ochte I'DG alst /gt; als hit 249. O S(» w. s. G St) sijt des s. /gt;/â¢' Dies sijt s. If lek bon s. â tioO. h'Cl volclis It volghs /gt; vol^lie lgt; den eersten FC iersten - quot;251. /gt; Die wairli. F O. ware .1 li je HFDÃd lilt;^ i»quot; â 25,2. F sni. oni DG smaecte II zwart F zweert A swert DG nocli â 25^. /gt;/gt; doirb. - 254. I'D Tliertr â 255. BDG Noch .... nocli = JJDOG iilMMii-tf /gt;* gliesces â 25G. F Lieghe ic â 257. G Pr. .lacop d. w. F Jacob proeft d. w. 1) Jacop proeft wel iJFOG wils â 258. FG Des BO mine F wel vóór mijn O irhetes G geres FD ghewes â 250 = BFDOG versmoerde.
2(VI. /gt; rund D rnvt â 202. B pleeclis G does FJ) des BO dat FDG vele 1. JiD lieden â 2(iB. D D. waerheyt node I. FG D. dware niet en 1. O en w. A wille 2()4. /â¢' Misd. G Mesdade G wise O lieden = HF DOG glie-schien â 265. G En sal /«'exempel J? exemplen D exempelen â 2(37. .1 sond' â 268. G E. hem altoes ontsien; de reyel op den kant bijgeschreven B rechte
57
STROPUISCHE GEDICHTEN.
Ic swere di bi Marien,
270 Dat ic di doe noch heden ghien Met mi, oftu best een paiïen,
Ofte in heresiën,
Of van sduvels partiën.
22.
Nu hore na mi ende verstant:
275 Wie was, die eerst minne vant,
Dan God, die selve es minne ?
Al dat oint maecte sine hant,
Al minnet sire herten bant Met beschedenen sinne.
280 Ja, Lucifer, den helschen viant,
Ne liaet hi niet, dats becant,
Noch en dede van beghinne.
Dat hi sit in der hellen brant,
Dat dede der hoverden pant,
285 Der helscher coninghinne;
Daer blivet hi altoos inne.
23.
Dat dit waer es, proef wel dat:
Ware eneghe dine van Gode ghehat,
Soe en mochte niet gheduren.
290 Die onghetellede Gods scat
Ill/ Dies (li Des) liopic ;iu M. .4 zwerdi dat O zweert /â ' zweore F 'H.i ilij â ^70. II di ontby. G di met mi doe O doe ontbr. B heyden /⢠lyen â 271. FDOG Met ini ontbr. /'oft dn 7/of du Goclitedn Flilst 1) liiste /â paien â *272. FD Oft B Of iu : F een O freaesien â 273. FD Olt f; Ochtt G des d. U duvels O sviauts DOG paert. G op den kant bij linzen regel sophiste met een verwijzing steeken achter oclite.
27 i. D Martijti li. F Merten mi li. B llore G hor â 275. II wast G waest 7' ierst B ontbr. B die m. â 27(i. B ij:, zelve die es â 277. B ovt G noeit Ol' ye II m. ye FD sijn â 27H. O Dat in. B D. mint G Mint al D .Minnet (⢠slere FD sijme JS liarten â 27'.i. F ghestaden D glicstadiglien â 28(1. G l-ndleire 7.'l.ncifaer il. v.â 281.dats; 7)datOes â 282. BG No B ne deide â 283. 7quot; Datti D sidt FD den helschen â 28i. BFDG doet B hovalrdc II liovaerdien .1 pont B bant â 285. HG Die {G He) helsche A FO coninghin-nen â 28(i. li IU hlijfter a. G Altoes blijft hiei'e F blijft.
287. AFI) proeft 11 proef ic wel : O al â 288. BFD Waer IS enighe D cenich G enech in den regal verbindt Maerlanl gebat niet met van, maar mei vor o/ met; zie Mnl. Wdb. s. v. F gnehaet â 280. .1. Hen F Dat en D Ten G Kii F mocht A gliediieren â 200. FD Den onghetelden O Die onghetelcle G Dongetelde B godssat
DANDER MARTIJN.
En was noit tontfarmene mat
Sine creaturen,
Up dat mens hem met trouwen bat.
Maer Lucifer sit encle sat 295 Altoos ende telker uren In der fierre hoverden stat Ende nemmermeer wort hijs sat.
Dus en mach sire naturen Ghene ghenade gheburen.
24.
300 Of men dit bi redenen weet,
Dat God niemene lievet leet:
Wien ghevet bi tlanghe leven?
So den ghenen, die hem es wreet,
So die hem met minnen heet 305 Onderdaen es bleven ?
Ic dart wel segghen up minen eet:
Sine hovescheit ware onghecleet,
Liete hi den ghenen sneven,
Die al tsinen dienste steet.
310 Dies ghelijcs willic ghereet
Den loon hare weder gheven,
Die dor mi lust beven.
25.
God ghevet al, clene ende groot,
Dies die mensche lievet noot;
'2'.! 1. .1 Hen G uie li te o. /) tontfermen sat O ontfaermous lat â = BO Sijnre Cï Siere, /â¢' Sinen 1) Alle sineu â '203. J' Om il UI) men â ? BFDG m. herten (ü harten) â '294. B Lucifaer die sit â '2'.C). = lil- l)'I Nu G ende onthr. D tallen 1 huren â It In die liei'e hovaerdien U lierer /â¢quot; fierder IS houaiden â '207. FJ) Knde onthr. O Daer hi n. vv. zat I) en w. .-1 wet /â¢' wort â '208. 11 sleie J) sijnre â '200. It Glieeii I) Negeene .1 ghenaden .1 /â ' ghebueren.
800, 301. O Of g. niemt (!) h. 1. Dat mö dat by redene \v. â 300. B Nu dat m. hi Flgt; Oftmen G ocht men 1) reden â 301. G n. en F[) niemant en BUG heeft â 302. BFUG gheeft 1:1 gt; dlanghe â 304. /gt; h. niet m. h. FG in. sinne â 305. U is ghebleven â 306. F derre G der D derf O nemen liiur ook B up .1 mijn beheet; wel voortgevloeid uit de spelling heet (rf. i. eet) â 307, U Sijn huescheit BOG houesscheit FU waer â 308. A FJ) Liet O Lie HU gonen B sneiven â 300. BOG te sinen â 310. II Des gh. O Dieir gh. FIK! Dies (1) Diens) ghelijck (G gelike) BU wil ic F beroet â 311. BFI) haer â 31'2. BFD Doir G Dore O te benen (of henen?) BG leven Fl) te 1.
313. I) gheeft G cleine FU clein â 314. Hier hegiul het tweede gedeelte der Heidelbenjsche fragmenten, looiende lot 111 20 E Des BUG de
59
315
60
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Dit proeft men bi sinne.
Hi storte dor ons sijn bloet root Ende ghovet ons thcmelscho broot,
Up dat men weder minne.
Dor neghenen wederstoot,
Daer ons sonde oit mede scoot,
Ne laet bi ons daerinne,
Lenghen wi thooft hem in den scoot.
oo
Sonde soe smaken dan die doot,
Die ie mi so hont kinne,
So ware mijn vroeden dinne.
26.
Waerheit, Jacop, dits al claer;
Maer liet was mi te vindene swaer,
Dattu hier hebbes ontbonden.
Ic lië verwonnen openbaer:
Mine minne es der sielen vaer
Ende besmet met sonden.
Du seghes daer an wel ende waer:
Redene hevet minen waen ommaer,
Dit hebbic ondervonden.
Nu moete ons God ghebringhen daer,
Daer minne niet cu ent haer jaer.
Enten lesten stonden Vriën met sinen wonden!
)gt;I5. O promie ick = BEFDiJ met s. â Kh' stortte /gt; stortede IJ tloir I'd om /gt; bluet - 'M7. HE gheeft /*'/gt; Hi glieeft Cl E. hi gheeft HO dat hem. - IV1H. h! Om Cl meime /gt; men hem oil). /gt; Doir EE(KJ Om lgt; Om oeck /gt; ghene /gt;gheiien â 1^20. E noit sonde /gt; ye s. 6'ie 0 ontbr.â ^21. /gt; Sone I. E laeti â .rik2k2. O tiiovet E thoet = BE F à (KI tli. in sinen sc. â 323. (1 Soudtsi Ml so I) hi .1 maken O danne vóór sm. /j'den d. â 32'i'. I) houdt â 3-25. Igt; waer II vroede /gt; vroedomme O wijsheit.
3fc2(). IJ Waerhede /gt; VVaerlijck O Seker (1 Kntrouwen !gt; dit is al el. Ã1 dis al waer (1 dit es w. .1 du segghes w. â 327. O dit w. mi F( 1 mi was F mi wacst BEI) vinden â 328. F mi hier (1 mi ran hiei- hij E alleen h te zien, er schijhI h te s/aan Fl) heves /gt; helts E heeft 320. (1 oppenh. --330. fiF dats = ? iJOFd «Ier ontbr. (1 swaer, daarvoor den kant xnev â 'SM. IJ hexmii â 332. E Gin segt D segghes B(1 segs F d. ane O liier an B ontbr. â 333. /gt; Mijn reden heeft U heit EFOC1 heeft FD mijn w. Wellicht heeft M. mijn waen {nomin., redene acc.) geschreven: Bnkelare vs. 377: rationis egens quare videor â 334. BEF!) Dat F heb ic â 335. EFD moet â BEFG bringhen /gt; brenghen â 336. .1 Daer ontbr. B en ontbr. A end Cl endt E int h eyndet (1 h:ne â 337. Bl)(l luide ton F Nu enten BO laetsten â 33R. O Vrvc IJ ij Cl aan het slot Amen; Hier es «lander boec nte die xxvi clanselen in heeft ende hier volgt de derde boec; bij O Explicit secundus liber Ineipit tertius.
320
330
335
Til.
VAN DER DRIEVOUDECHEIÃE.
i.
Ic mane mannen metten wiven,
Die dit snllen lesen of scriven,
Upten hoghesten ban,
Dat si dit dicht laten bliven ö Rene, dat siere niet in en driven Woort, lettre, af no an.
Doen sijt ooc, liem sal becliven Mijn ban, ende si ne sulne afwriven Niet moghen nochtan.
10 Hennes gheen spot dit van keitiven,
Opscln ift: als hoven, bij C: A dit es de denle Maitijn; E den derden bouc; /â¢' liior begint den derden boeck: U Dat derde fioeck; bij W Hier willic setten den derden boee van Wapen Merten clie Jacob van Maerlant maecte. Om dat lil van den geloeve sprect so williekene hier setten; voor O en G zie aan het slot van- /.
1. II den m. E manne â 2. KFD dit dicht OG W il. geiliclite CI. zoelen Et 'DOC', 11' lesen E oft CEG ofte IFende â li. BCDG Op den Clioechsden Bâ-VK hoech-sten â 4. EFDOGW D. sijt reine (IF leene) 1. {G I. reene) â 5. I! Feine EFDOGW Ende /.iere (O sire) niet in {E toe) C d. sire C ende sire. Men zon kunnen meenen, dat de lezing der meeste hss. (EâIK) in vs. 2â5 ile natunr-lijkste en daarom ook lt;le oorspronkelijke is, en dal AC en II (uedeetlcljl: ook E) onafhankelijk van elkaar, door de herinnering aan de formule in het begin van oorkonden, lol het veranderen dei' lezing gekomen zijn {waarhij dan It ten slotte vergat dicht in vs. 2 weg Ie laten), maar he! is ook mogelijk, dal M. hier opzellelijk van de gewone zegswijze afweek. â 6. HG \V \V. (11 no) lettere C W. nnrh litter I'D W lettei' E W. letteren {slechts Ite, een verkorlingsteeken is niet meer Ie zien) O Woor lettere A T.ettre wort II of CED uoch ftlV'ochte /'oft â 7. C oec ontbr. GW hen â 8. AEE Minen EED ende onthr. .1 en C zoelent EED selen GW selenne 11 of \vr. A wilven â 0. C M. oec niet A N. af in. GW gemogen â 10. li Het nes El'DO Ew es G Hens C lilt en Is = ? lit',EED dit ontbr. GW' katijven
62 STROPHISCHE GEDICHTEN.
Hets daer ic mi omme liete ontliven. Eer icker schiedo van.
Nu hore die leren can!
2.
gt;gt; gt;Jacop, \vi hebben onderlinghe 15 Ghehandelt messelike dinghe,
Nu antwoort mi up een:
Lere mi, eer ic di ontspringhe,
Hoe ic mijn herte daertoe dwinghe,
Te kenne hem dien wi vleen.
20 Ic lese somwile ende singhe:
Gode te kenne bi sinen ghehinghe Es leven sonder ween.
Dits waerheit claer ende ghinghe;
Subtijl ware therte, diet bevinghe,
25 Want hogher dinc nes gheen.
Nu antwoort onder ons tween!»»
3.
Martijn, du vraglies wel hoglie.
Al vloghic boven der inghele vloghe,
Boven Cherub ende Seraf,
30 So wetic wel, dat ic en moghe Berechten, dat te vullen doghe.
Met woorden hier af.
11. W liet os EFDO om C eer om GW liever om A TICEFIl liet E iiliuen â quot;12. II seeile C sclioilt;le â Hi. C Hoert ini ilie i('t 1) hoor .IA' hoort E lere.
14. ooi, W Jacob hier en later â 15. W messeleke F inisselike C menegher-hamle AF dinghen â 16. C Andworde E antw't W antwerdt â 17. CU Leer AE Leert GW Ende leert A hu o. â 1H. I! mine D hert C /.iele ('.DO hringhe â 10 en 20 ontbreken hij F â 10. E Hem te kinnen II kennene GW kinncne Cl) kennen I) hem ontbr., die E vlien â 20. 11 leise I) somwilen .1 ende in s. â 21. CBOGW IJat g. /) Dat god F Hem; = Dat gode GW te kinnene CD te kennen O kennen A dinghe â 22. /â ' Die lenende es â 23. OWaerhede eist cl. zo iet singhe C W i)it es /â¢' Tes F w. claerheit AD claer waer AFD ghehinghe C biechtinghe â 24. CTIFD waer â 25. TtO es, de overigen en es (is) COG engheen W negheen â 26. C Andworde mi (mi bij correctie ingevoegd) G N. antwort mi W N. antwerdt mi BFGW tns-sr.hen C tusgen O onthr.; = tnsschen.
27. IK ooh Merten CFD vr. mi IK vraechs wel ; = ? CBFOGW te â 28. h vloeeh ic CO yngle F ingelen B englen D enghelen â 20. .1 Chernhin C Ceriih DSernh ylFCheraf, de anderen Seraph â . Cberichten /gt; dat,di II ten vollen toirhe CFGW vollen 32. C In w. /gt;M. reilen l'ltC \\' 11 if't !I.
f
i
VAN DER DRIE VOUDECHEIDE.
Alle sinne sijn te droghe;
Alle creaturen, hoemen poglie,
35 Ne doghen niet een caf,
Dat hare enich te vullen toghe.
Maer verscaerp dijns sinnes oghe,
Hore wat scrifture mi gaf,
Hout in diere herten graf!
4.
40 Moyses spreect in sinen boeken :
Beesten, die den berch besueken.
Moeten sijn ghesteent.
Beeste es die mensche, die wille roeken. Te naeuwe omine die Godheit loeken;
4!quot;) Hets recht dat liijt beweent.
Du soecs mi in allen hoeken Met rime sender valsch van doeken:
Es dit goet? ic wane neent!
Du telles mi metten wisen, doeken:
50 Waert goet? ic souder di om vloeken;
Ic wane, dine herte meent,
Dattu mi lieves verbeent.
5.
» Jacop, du en souts di niet vergramen;
Ic souds mi in mijn siele seamen,
55 Haddict oint ghedocht.
ri.i. ltlgt; zinnen â 34. FDGW hoement HO lino ko nion W poeglu^ â 3!quot;). i: iloeulien It on oaf â 36. H I), iiair e. C D. Iioii- o. I) Dattcr «. (1 IK hat liane (W haerre) enecli DWG vollen /''volle FDGW doghe O dooglie â 37. /;
Mor C Mer nu II versoep F vei-scerpe DGW versoerp alltm behalve .1 sins_
3S. (', lloer /â¢'/gt; Hoort OWG Knilo hore CDG W w. mi se. g. O w. lt;Ii(gt; so. W screftnre F ili â 30. GW llondet F(gt; Slinit I) Sluyt dat in ; /â ' niet HO ilire CFDGW dijnie.
40. lll'GW sprect 13 sine â il. C Dio b. 11 Die beeste C borgli II do berghon soekon â 4'2. O gliescent F vereent â 43. C lieest Fll is hi d. w.
GUI) wil â 44. Bende om FGW o\t\ /Jin O vp W do â 45. 11'Hot os_
40. H soncts; waarschijnlijk te lezen soekes. â 47. AJJ rimen GO valsoheit /gt; valsohe W vlas G valsch, aan den kant vlas O bonken â 48. 11 Eist li Eest
.1 goed â 40. ötelts GW tels Cmet w. â |o. C Dorstic ic li Wairtt W ili aan den kant, A hu AO omme â TA. G waen GFG dijn il harte /gt; dat m. G weent â ;»12. li hebs GW hoefs G verleent 11 verbient.
â AOG soiuls di G zoelt di 11 sals di F salti â 54. FW sonts .1 wils; wellicht wildes te lezen: linkehire 05: vellem me voreenndari G in mi /.elven 11 in mijn sol ven GW in mijn herte AFO al rnijn leven D al te sere â 55. II Had iok /â¢' lladdic dal li Had icx IIFG oit GDW ie (ye) O yet
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Ooc liïcs metti te samen,
Dat die hoocheit der hoghere namen
Te verre niet en dooch ghesocht.
Al waert dat alle dingle quamen,
(gt;0 Sine consten die Godheit ghehamen;
Dits al afghecnocht.
Lere minen cranken sin, minen lamen,
Ghewont metter sonden bramen,
Van dattu vermocht,
(55 So es mijn wille vulbrocht.»»
6.
»Martijn, mere in dinen sinne :
God es een wesen vor alle beghinne,
Tedelste boven al.
Sijn wesen es, alsict kinne,
70 Dupperste goet, dupperste minne,
Dat es of wesen sal.
Sijn ghewerke, daer men kent inne.
Es so groot, dat si sijn dinne,
Diet bekennen, ende smal.
75 Sine wijsheit es coninghinne Boven alrehande ghewinne Ende boven al gheval,
Daer boven of hier int dal.
rili. A Oecs F ly ic D\ye ick A lijes COGW met ili D tsamen â rgt;7. /? ilo A liogre, de overigen hoghei' â ö8. V Niet te v. O te nauwe 11 niet cJoclit F niet ontbr.- zóó oorspronkelijk! â 59. CO Jie in^le It lt;1. enghelen 1) d. ynghelen G U' dinge F ilinglien â 60. BD eonden .-l eonnen I) constens C lioecheit D onthr. CF DOG W niet gh. A CF ghehamen DOGW gheraraen â 01. C Dit li Het es al : GW eiken U ofgh. A af ghenocht â 02. BFDGW Maer 1. C Mei- eer; =? Maei- lere Cm. sin O mijne sin minen 1. : Bden I. FIX) I.; ~oo ook W, maar op dim kant minen niet flauweren inkt hijgeooegd. ïfoe Miiert. dezen regel geschreven heeft , is niet uit te maken. â 01$. IK Ge-wondt inelleii II lilameiiâ-64. C V. dat dn II Dat li â 65. O wil C.Ui'D H' vollii'.
00. /.' Mairtijn, en zóó ook elders FB merct UGIV nu mere 71 nu meret CF m. wel â 67. C voer T-V vore F11 al â- 6H. 7) Die e. It! IV' De. C Knde te. â 00. C alse iet GW also ic FD als ic B bekinne â 70. 110 Tu. C Die oeverste GW Doverste /) Die opperste CFD god A godheit O tlio npp. m. Itli d. (II de) opp. in. C ende d lioecliste m. GW doverste m. - 71. CFDO Die; Maeil. z(d den relatieven zin wel met goet en niet met minne verbonden hebben. O ofte F UW oft G ocht â 72. ABCOGW Sine AD ghewerken /' werken GW d. menne 11 dairment GW kint â 73. AFDOGW Sijn A si so gr. â 74. I) Te kennen = HF kennen CGW kinnen â 75. Fl) Sijn SO wijshede â 76. C Bouuen 11 alrande !l alderliande O al anderen â 77. C bunnen G alle U alrehande â 78. C bonnen U ocht FBO ende
VAN DER DRIEVOUD ECU EIDE, 65
7.
Don heniol erule den troon inerke:
80 God es boven al sinon yliowerke Ende onder al sine dine;
Hi os buten al â nu herke!
Ende binnen al; dit hout wel sterke!
Hier ute niene sprine!
85 Ooc segghen ons die wise clerke:
11 ine es niet ghedeelt in perke â
Hier toe dine herte dwinc!
Ma er gheheel in eiken inerke,
Buten, binnen, in water, in sworke; 90 Hier in dine lierte brinc Sonder losen wine!
8.
Boven es God alse here,
Die besittere es enunerinere Alles dies men weet.
95 Onder, alse die in allen kere Die dinc hout moghendelike sere
Jeghen al verscheet;
Buten, alse die met sire were Sijn were behoet, dat hem en dere
79. A unten tr. I) ende des troens W throen AG nu m. CO die m. h te mereken B gemerke â SO. C bonnen O es al boven s. A allen s. CGW allo sine I'D sijn wereke (/) wereken) â SI. A CFG W allo I'll sijn â «2. C Noi'li os lii I) b. wilt hior na bereken O b. dit r.'U' b. alle ilinc /â ' b. al hort A li F O merke â 83. .1 Alse diet b. w. ende et. GTFallo dinc DG otilhr.
T) b. dit vers te reken GW boude BO wel onlbv. B stareko â Si. C Ende bieinut FDGW nut A nine CBFDGW niet en â 85. C Nocb li ons onl.lir. O ile \V onlhr. T) clereken â 8(i. B Hi es W Hi en es A niet achter gh. J3FÃGW geiloilt B parke ]) pereken â ST. AGW' II. in: Vfll. lis. !I0 CF UW dijn â 88. C Mor al gb. CFD elke BA' nu m. D merken GW werke â SO. It watre ll swereken â 00. I) Hierinno A Hier too C In ilit O H. of CFDG dijn B harte F dwinc O niet en br. â 01. AGW eonegben I. O eenigh 1. C bosen.
O'l CBDGW I!. {ooi: C bonen) al â 0:i. CHI) besitter ll ymmenneere â 01. B A. dat m. Æâ Al dies m. fAli'e dinc diemen â 05. GW O. al a. C also onthr. B met all. CFD alle â 00. IF De H Sijn mi' houdt C moe-gbentlike II mogendelic GW mogendelee FD mogbende 6' li' ende scrc â 07. F Eeuwelic sonder v. O Zonder enich onderscheet A Ende j. C. .letheus DGW alle B weerstoot â OS. G I!. al a. D als met groter w. O a. d. m. S'⢠11 siere G sier - 00. li boet C beboodt GW behnedt .1 vervuil (w/l.
vs. -100)
WitIwtn' Mtiriijn. 5
STROPHISCHE GEDICHTEN.
100 Negheen dine, cont no heet;
Binnen, alse die met sire lere Sijn were vervult niet selker ere,
Dat ewelike steet,
Wient lief si ofte leet.
9.
105 Boven es God onghedraghen;
Neghene dine en mach hare beelaghen,
Dat hise iet verlast.
Onder sonder last van waghen,
Want hem en moeiet rusten no jaghen;
110 Sijn wesen es so vast.
Buten en breet niewer sijn daghen,
Want hi es altoos sonder vraghen
Waert, voghet ende niet gast.
Binnen vervult hijt jeghen plaghen,
115 Dat sine dine met.ghenen vlaghen Ne sijn ongherast,
Noch ghequetst een bast.
10.
Van énen God spreken wi, van énen,
Dien wi Vader ende Sone menen
100. .-1 Negheene BO Gliene CFD Gheen; lees Gliene? CDGW noch â 101. G B. :il a. Igt; als niet sijnre VV siere â 102. IJl) vervolt CBFDO snl-
1;,.,. _-103. hij o = joo C Daert F .eeuwelic D ewelijck TF stet â â¢! Oi.
A I'D oft C; oolite.
105. AHDGW B. al 0 bonnen O al o. A ghedraghen â 100. C Noch ghene II Ghene GW Negeen I'D Gheen HC en onlhr. II m. ghecl. C haer A onlbr. FBO W hem; lees Negheen (Gheen) nf mach gheclaghan ? â 107. I) hijt - cfif) jpt onlbr. â 108. GW O. al U last onlhr. â 100. O r. en moyt AC moyet FDG moyt UW moeyt C rasten A onlhr. CD noch A hccfl iaghen, met draghen, en r/een verbetering aan den kant â 111. GW B. al AF en nnthr. G W emle en AD br. hl F breyt by O brect (?) GW breidt 11 nauwer D nyenwers GW nieinverlnc /(sine ACdraghen (/1 niet laglicn) â 112. .1 es in eiken daghen altoos : FGW al â 113. rt\'. w. II Werdt CFG U Weert GH' voecht A met â 114. Hier beginl hel laatste r/edeelle der lleidelb. fraymenlen, loopende tot vs. 362. GW li. al ende vervullet ,j. p. HD vervolt E verhoedt C hi jeghens â 115. BEFB zijn li were 115â 117 ontbreken bij O; voor twee rer/els is ruimte r/elaten â 110. E Niet en 17 En = CEFGW si lgt; si vet â 117. IT No D ghequest GW enen C van enen.
118. bij I) de (jeheele regel Pan spr. wi v. e. CG spreke wi C emle van B ilan van: men zal wel spreecwi moeten schrijven â 119. FD Die C zoene
G6
VAN DER ÃRIEVOUDECHEIDE.
120 Ende den Heleghen Gheest;
Ende weet wel, dat wire ghenen Sa groot noemen of so clenen,
Datter iemen es meest.
Eénen God segghen wi, enen renen;
125 Noch vervogheden, noch verlenen Esser ane verbeest.
Die sinen sin so laet verstenen,
Dat hi dies loochent, hi moet wenen Ende ewelec sijn ghevreest 130 In den helschen tempeest.
11.
Wi setten den Vader voren,
Onghewonnen ende ongheboren
Ende vor al beghin;
Daer na den Sone uut vercoren,
135 Van hem ghewonnen, alse wijt horen.
Eer oint beghin ghinc in;
Den Heleghen Oheest leerwi den doren Uut desen comende. Ondoe sine oren Elc mensche ende sinen sin 140 Ende late tghelove niet testoren;
Want, al hadt die werelt ghesworen.
Sine condent om gheen ghewin Ghegronden meer no min.
'I -0. AKF Enten allen behalve A heileghen â I '21. El) Ende nnlhr. EC, 11' wet F weten U' wiere BEFO wi I) wi ie CE enghenen F\V negh.â 122. E grot it grote G groten OW groet en Ti nomen C menen of : BE FC, U' no D noch l) eleynen â 12:!. H Dattet A yemene C iement li F DO enich E jc-ghen â -12'f. D Een C zegghe C emle e. r. â 125. CO Nd E vervoegilen F vervogeile C vervogliemle GW vervpecht FOG 11' no I) verclenen CEGW verbenen â 120. A Sone esser EFGW En esser D Emle isser O Esse; = En esser
HEI) an C aen C ghevreest Gil' vervreescht â 12S. O I), hier in doelt CGll' hi iles El'l) hijs C loghent /â¢' loeghent 110 bewenen â 120. .1 eenwe-like JiOG ewelike 11 eweleke El) ewelijc E ewelio.
CBEFDO voer G vore EFDGW alle â 134 A naer C zoene, znö nol; chiefs, F soen â 135. O V. desen GU'also G alst Ff) wij â 130. CIlEhll oyt O ye GU noyt â 137. allen behnlve A heil. allen hehatve C (en O?) leeren wij II de â 138 en 130. fn IC hel het/in niel leeshnrtr â 13S. /,' Wte I) dese 11 desen tween G d. II A eommende C (tomen .1 heeft vóór ondoe een: El) ontdoet F ontoe 11' onttoe O onlhr. EFDGW dijn â 130. O Ellren {lt;lenl;elijk l'.lken) I) dynen s. 14-0 e/i 141 /n onvjelieerdc volrj-orde bij EO â 140. O Daeromme en latet niet test. C en laet BEEDG \l' latet /* geloeve â 141. I) hat GW hads II al de w. G alle die w. â 142. H So en 11 Si en Chh ronden II eonsten II conde G conste O eondement B omme G gheen onlbr. - 143. C Dit gh. O Ghegiouderen Cl) noch B ol.
G7
STROPHISCHE GEDICHTEN.
12.
Eei^ of achter, tijt of stonde â
145 Dat verstaet van minen monde! â
Was noit an dese drie.
Don Vader setten wi als ten gronde,
Daer alle doghet ute begonde,
Die men versta ofte sie;
150 Den Sone alse wijsheil diet al conde,
Des Vader claerheit ende sine orconde,
Die van hem en schiet nie.
Die van den Heleghen Gheest ontbonde,
Haerre twier minne hire in vonde.
155 Dese drie waren ie
Eén God, des ghelovet mie!
13.
Niemen es, wille hi iet maken,
Iline moet in hem selven smaken Eerande triniteit:
160 Want hi moet moghen dor dinc ghenaken, Ende lii moet connen die dinc gheraken.
Of hets hem al ontseit;
Ooc moet hi willen daeromme waken:
â¢144. EO E. achter C oc.htc â ofte (E)FDW oft â oft (ofte) â145. DG verslant C vernoemt KW luit (\vt) â Vtli. C En is niet ilan ilese EGWKnw. F oyt O n. hende an â I 47. CII' /.otte wij O setten C alse Donlbr. HEI'DOtc â '14S. C doeghet III) dnecht CEO nut I! af F ane lgt; an â 140. C.ltDCW ver-staet EDW oft O bezie â 150. D Des soens w. C zoene I) al jomle O wel conde â 151. EFG vaders DG 11quot; waerheit E vermoedelijk claei cit, alleen. claer is duidelijk C cl. van sire FA'à sijn F oirc., hij A is con in orconde en vs. I'iO in conde als 0 geschreven â 15'2. E een sc.. den /? scieden C scieile O ghesciet â 153. H van onlbr. allen behalve .1 heilegh. of liéiligh.
AE ontbonden â 154. 13 Hairer CFD llaer E Hare TE Harre 1)0 tvveer F Iwee UE beder GIE beider E woert CBEFDW lii daer O daer
E vonden â 155. CEO drie onlbr. =? CBFDGW oyt ende ie E (waren)... ... ye. â 156. F god onlbr. GU' d. glieloeft m. (G mi) iJO glielovets m. (Bmi) FH en waarschijnlijk E gheloeves in. C diet wel bezie; = gheloves mie.
157. FDOGW N. (Fl) Niemant) en es .4 Niemens C Niement is li Kiemen cs EFDGW wilt hi i. C die i. wil â 158. D Hi O hem ontbr. E waken â
150. E Eend (?).....U' Eenrande CFOG Eenreb. B Enigherb. A Drierande â
IfiO. F Want nntbr. A bi d. d. moet m. C moeghen EO onlbr. C ter E geraken â Kil. onlbr. bij E, O E. hem daer pinen te gb. /â¢' Ende onlbr.
A conen C onlbr. om die d. F der d. GIT ter d. D ton d, â 102. G
Ochte U' Ofte EFI) Oft GIF bot es C outsell vcrbeleril uil onselt â 1113. willen : HEF wllen OG\\' bl wilen D dicwil AC onlbr. ÃEFG om
68
VAN DER DRIEVOUDKCHEIDE.
Macht, const, wille, deso drie sakcn 165 Vintmen in die menschelicheit.
Die dese note wel can craken,
11 ine darf beiden nochte haken,
Iline vint in éne Godheit Drie personen ghereit.
14.
170 De-se God, daer wi af leren,
D(,ct troon, sonne ende sterren keren
Ende al dat roerende si.
Sijn rusten es nochtan so vul eren.
Dat hem niet en can ghederen 175 Gheen porren verre no bi.
Ili es daer hi was, dit nes gheen scheren;
Iline wille minderen no meren;
Hi es sijn selves vri.
Hi doet hare alle dinc gheneren.
180 Sine rijcheit mach niemen verteren.
Alle steden vervullet hi,
Dus leret tghelove mi.
15.
Gode beskuit enghene stede,
Maer alle steden beluuct hi mede
164. O Maecli 6'Gracht i? conste C cm\e \v. â 165. CVijntm. E \i\ tier; misschien is hel lidw. niet oorspronkelijk l\ menschelech. E nicnscliolijch. /â¢' mciisclieit /gt; godheit â 166. C desen noten E cnaken vermoedelijk door Mone verkeerd gelezen â 167. EFDGW' derf C niet b. CD noch BEFDW no (J oi'te â 168. F Hij v. I) Hy en v. daer vijnt E een â 169. CEW' persone
.1 gheleit BO gheseit.
170. J5 of â 171. --1 sonne troen GW throen ED crone B s. mane st. GW' st. e. sonne BEF!) ende onlbr. AFD sterreâ 17k2.EFI)\\ ruer. â 173. OGU' Nocht s. r. es B Sine ruste D Sijn wesen EFI) nochtan onlbr. E al v. b al soe vol â 175. i) Gh. dinck C na noch l)i J) noch B of Pochte VFofte â 176 daer : CE DG IV dat O was onlbr. C d. en is gh. O dijns gh. is danesjgh. GW dans gh. F dats gh. IJ ten is gh. A sender â 177âIS^ bij O in de volgorde 170, 181, 180, 177, (178,) IS-i. â 177. Cl) wil E wilde F wilt GU'niach BEW mindren G menderen C minren O niijnre CD noch â 178 in pi. hiervan {zie bij 177) bij O Ende maecter af gheen ghecrv = CBEFDG U ' sij ns JïF selfs AE so vri â 179. CB haer FO hier AEl) onlbr. O aire C elcke O dijnc â 180. Fh Sijn O lijchede B en m. GW en can E can CFO niement I) niemant â 181. E Maer a. B steiden IK dinc CEFOG vervult BD versolt â IS^i. B gelove F dat gh. CF leert.
183. CBEFI) God FJgt;0 en b. GW en beslnt GB en slnyt (slnnt) E vervult BO negh. AEFDG gheene â 184. CB Mer GW stede CB bcluket EO beslunt F beslnvt GW beslnt /gt; vervolt
69
STROPHISCHE GEDICHTEN.
185 In sino godlicheit.
Die jare keert sine moghenthode.
Ende niet es dat hem keren dede;
Sine macht ea so breit.
Gracht no noot no onvrede li)0 Ne mach hem doen onledichede,
Hoe so die sake gheit.
So ghestade es God in den sede,
Datteno cracht no ghene bede Uut sinen pore en leit.
195 Dits al waer gheseit.
16.
Heden, ghister es onse leven,
Ende daers ende an ghedreven,
Si het cort ofte lanc;
Maer alsemen vint van Gode bescreven 200 Dit woort -heden , esser an bleven Een ewelike ommeganc,
185. E Met CE zire FDG sijnre GW godlecli. K godlijcli. CO godlieit â 1S(». U' Ue .1 Sine CUED jaren E keren JJGW sijn â 187. I) Maer n. en is E hjis n. es (?) FN. en es GW E. n. en es .1 ilattene CBEFO datten; ninar daar hel woord hier den nadruk moet hebben, zal de oorspr. leziny wel zijn hem als in DG W C verkeren â 188. I) Sijn O cracht Hel vers wordl wellicht beter met Kausler niet het voUjende verbonden. â 18(.gt;. C Noch cr. noch n. noch O Macht EFOGW hel eerste no ontbr. I) noch noot : .1 macht FDGW noch CEJJOG11' gheen {E ghenen) o. B ghene beide â 190. E Maect W onledech. I) onleidicheide E onsedichede â 101. bij I) staat deze regel in de pi. van 105, hier: Dit is dat onderscheyt DGW II. dat O So hoe â lO'i. /) ghestadich O god in ontbr. ABO sine lgt; sijn C die E de; het lidwoord is waarschijnlijker dan het possessivum, hetwelk niet licht in het eerste zon veranderd zijn. B seide E lede â 493. JJFGW Datten Cl) Dat hein cm-'ht : C macht O miede G noch E ghenen .1 onlede BE onvrede. Onlede van A zou weliswaar voor den zin passen , maat' daar ongetwijfeld ook li met CFDOGW overeenstemt, terwijl het alleen het slot van 180 en lOli heeft verwisseld, hebben wj de tekstredactie van Verwijs overgenomen; .1 zal lot zijne lezing onlede wel door onledichede in vs. 190 gekomen zijn. â 194. C Dnten EG W poere CBFUO wille C en ontbr. â 195. bij I) =. 101 der anderen G Dit es.
190. .1 .leden CB linden CE gistren 7gt;7*ï/U' ghisteren O gestaen (gestren?) es : B ende EFI) ons â 197. CBO E. daer es Fl) Daer es A gheen hende EFI) een eynde GW' endde GW ane CB ghegheven â 108. CEFGW Met si D Weder hot s\r O Eist; = Met si F corte GW ochte EU oft CU of â 100 en '200 bij E in omgekeerde volgorde. â 100. C Mer E M. soe men: vint BDGW alsrnen v. GW van g. vint {G vent) C vijnt â 200. iy linden CIH) so isser C aen A af G ave W ane of ane I) ghebleven â 201. .1 Den eeweliken ('.EU evvelijc F eeuwelic GW ewelee B ommegang
70
1
205
VAN DER DK1EVOUDECHEIDE.
Daer gheen cnde an mach cloven,
Noch gheen beghin en waert verheven.
Sijn wesen es so stranc;
Siere jeghenwordicheit es beneven Dat was ende wert â dus eist bescreven Ende nu es ghemanc In dese werelt cranc.
if
17.
Martijn, nu on clach no crone!
Dits één God in drie persone,
Daer ic af sproke die.
Even gheweldich, even scone,
Even gholijc in werelt, in trone
Sijn dose enegho drie.
Redone en draghet hier niet de crone,
Maer tghelove, sonder hone,
Dat en twifelde nie.
Wat eren hadwijs of wat lone.
Dat wi, die niet doghon een bono,
Gheloven, dat elc sie ?
Nu antwoort mi ende ghie!â '
JJFU eyiule G eniklii W inde C begliiii W mie en mach I) en mach aen CO aen G ane â 203. EFJJW gheen onlbr. I'D en wert E wert HOG vvertter (G wertcr) \V en werter .1 an w't O gliegheven â 204. E Wies w. B Strang â 205. CB Sine ED Sijn E Sijmler O Sire E jeghen-waeid. BF jeghenwoerd. D tegenwoertl. Ur jeglienwenlech. E es beven (gt; esser bleven F es be weven â 200. CF D. w. e. is U Dit w. dit woert EG IV 1). es e.
was CFW eest B est D ist â 207. JJ dat nn C eest ü eist â 208. Odeser(?)
.1 weerelt EGW simnc.
20'.). F nn ontbr. B claech C claghe EFD claegt Cl) noch en OW no
en W croene E cl. n......â 210. GW Dit es B drien E i. ...â
214. B of C sprac te die O \Vdi E D. wi af lesen d... â 212. GH Es e.
g. ende e. C ghelike E E. gh. ev.....â 213. C ghelike O staerc C
der w. ende in den A iiemel in F die w. BW throne F water trone E werelt.... â 214. BEOeneghe Igt; ewighe E dv... â 215. £â /gt; Heden CEFGW en onlbr. E dragt BFGW diaecht I) derf F hier af U'die D ontbr.
E dr. haer al.... â 246. C Mer W hoenne E ho .. â 217. BEFD Des {F I )ies)
en twifele {EFD twivelt) O twinelicâ218. 6'ere jÃFDOG hadden wijs (O wij)
W hadde w. FDW oft G ofte D wat onlbr. W loenne E wijs... â
210. onlbr. bij E â CBO Of C wie B niet onlbr. IJGW niet en F weert en sijn C ene b. W ene boenne B ene tone â 220. C Gheloeft W Ghe-loefde Cr Geloefden F Gheloeve D Tghelove E elc siere... (?) â 221. U' ant-werdt CO andworde A ende onlbr. F met herten e. gh. E ende g..
71
I
1
210
215
220 202. W negeen
STRDPI 11SCH E GEDICHTEN.
18.
gt; Jacop, ic lië ten beghinne,
Dat ic subtijlre woort van sinno Niot en hebbe ghehoort,
225 Dan du mi hier maecs in inne;
Doch proevic wel ende kinne:
Tg grondene dcse woort,
Daers onse redene toe wel dinne,
Ons en trecke ghelove ende minne 230 Upwaert ter hemelscher poort,
Daer God es loon boven ghewimie,
Ende daer tghelove es coninghinne.
Nu antwoort mi bet voort,
Of ics niet en hebbe verboort.
19.
235 An den Vader van hemelrike Ende an den Sone dies ghelike
Ende an don Heleghen Gheest So es mijn ghelove also rike,
Dat één God es, des ic ne wike,
240 Hoe so ic werde ghevreest.
Maer sech mi alse claer, dat blike.
Hue die Sone, die ewelike Den Vader is aireneest,
22^2. C ic ïiiulworde E beg... â EG siibtijlder C woenlc GW ilinc
E w........â 224. C Nio BIJ heb E geh ... â 225. B maeets
FGW ut. jruiecs hier D gheves inne = B aen inne C jui inne, F inne E my maecs.... â 220. GIF Oec C proeve ic Bh prove ic emie : -I en U' bekinne E wel.... â 227. CE gronde F gronderen O gronderene â 228. BEDGW Daer es C Dat /gt; ghelove C onze r. is wel E F ons E r.
t..... â 220. B trncke F trect AFJ) tgh. E tgelo......â 230. \\' Opweit
I) Opwaerts E hemelscer.... â 231. E Daet /gt; loon onlbr. .1 al gli. Cl)
alle gh. J^bov......â 232. E dart tg. e.... â 233. CO and worde IKantwerdt
FIJGW' bat E bat.... â 234. EF1) Oft GW' Op dat C iet BE en onlbr. ABC heb A verhort O ghehoort E hebbe doe...
235â2S7. Sir. /ifâ22 onlbreken bij .1 â 235. U' Ane E Aen EDO In O d.
heere E he.......â 236. O Ende on tbr. U'ane 6* aen EDO in CO zoeno
O der Fl) des E des......â 237. W ane F 1)0 in nllen heilighen U'
gheist E g.....â 238. EFOGW Es lgt; soe r. E also..., â 230. C d. ic.
niene B ende ics ne F e. icken E e. ic... OGW dien ic; = ende ics ne â 240. F DC 11 II. dat ic C II. zoet E\\. ic O Zo houde ic LJ worde C woerd e vereest E ghevr.... â 241. C Mer C zegh BEFO segt G secht BOGW so EFIf onlbr.\ = so COW d. het G d. in £* d .... â 242. C zoene E die e.... â 243. DE alder n. {F ne .. .) F aldernaest U' aire meest
VAN DER DRIKVOUDECIIEIDE.
Menscheit ontfinc van onsen slike,
245 Dat di die ghone nieno beswike,
Endo hi di gheve vulleest,
Die minst waert endo was meest.
20.
Ende omdat dit nioete ghediën,
So biddewi der maghet Marien,
250 Dieno maghet ontfinc
Ende maghet ghenas, des wi al lien,
Daer wise omme benediën,
Dat si starke onse dine Ende moete claren ende wiën 255 Dinen sin ende van sonden vriën,
Dat therte si sender wine Van alrande dorperniën.
Du no moots mi ooc niet tiën,
Dat ic di te na ghinc;
2G0 Maer minen wille vulbrinc ! gt;
21.
»Martijn, die val van Lucifere,
Dor hovaerden ende dos nijts horo,
'244. CE oiitlionc B onsen ghelike Ee.... â '245. jE1 Bidt datti u niet bet.... li I). lt;11 god niet OGW D. di (di onthr. O) d. {O de) gli. niet en /â¢'/gt; I), lii die (./gt; «k') gli. niet en â '246. OGW di doe (O toe) v C doe di v. A'die gliene v.; = doe CBFDGIV volleest E gh. v.... â 1247. BEF minst was e. {E oulhr.) wort (/*' wert E...) OG wart D wert W werdt.
248. Deze sir. onthr. ook bij E. Bij G slaan deze en de volgende str. verkeerd; doch mei a) en b) heefl de afschrijver de font hersteld. â 248. F om dat rnoete gli. C om d. onse bede te bet gh. GW om d. ie dit (U' dat) m. gebien B{0 ?) omme 1) moet ghescien â 240. O So ontbr. BJJO bidden wi FGU'biddie F maecht â 250. W Dienne D Die hem O D. den godsone DU' maeeht â 251. m. was als wi 1. GW m. bleef O m. dioueh (rU'dies CW nWc EO ontbr. â 252. 1)0 Ende daeromme (/gt; alle daerom) b. B alle o. F al om C noch gheben. â 258. D stereke OGW ghesterke /â¢'soe stereke C onze, ook elders. I) ons â 254. C moet I) moeten B claersen â 255. C Minen z. O Onsen s. /gt; Dyne zinnen. Wij schrijven dinen â vgt. vs. 245 vlgg. â omdat het ons minder waarschijnlijk voorkomt dat minen in dinen zon veranderd zijn. De vertaling van Bakelare vs. .300: «expnrget cordis a ream» is onbepaald; doch dat in ons gedicht den sin zon gestaan hebben, is zeer twijfelachtig. D ende ontbr. C ende so â 250. B herte /) dat herte â 257. B alreh. I) alderh. O alderande F enegherande G 1 \ aire C enighen; = '! enegherande â 258. O (/hine moet G Ende dn ne moets W E. dn en moet â 250. di : O hu B te naer â 200. C Mei' mine B vul-bring FDW volbrine.
201. EO den B Lueifaer W Luiere E van.......â 202. EFG W \\o\erden
JJ hovaerdien C nijds E e. de.....
73
STROPIIISCHE GEDICHTEN.
Die was also groot,
Dat vele ingle ontgouden sere,
265 Die met hem waren buten kere Ende vielen in die doot.
Doe dede God den mensche die ere,
Dat hine gheschiep, om dat hi lore Te doene dat God gheboot 270 Ende besitte dan emmermere Der ingle stoel te haerre onere,
Ende nutte themelsche broot Sonder wederstoot.
22.
Dit heeft die duvel vernomen 275 Ende es toter menscheit comen,
Sprekende int serpent Ende hevet tonser onvromen Onse voorders ghedaen verdomen Ende swaerlike gheschent.
280 Dit was sijn sonderlinghe beromen.
Dat hi algader, niet hem somen,
Ti'olc hevet verblent.
Dus wille hi uten hemel dromen Ons, dat ons die hemelsche blomen
263 ontbr. bij E â 204. /gt; veel CE inglen i/englen ingliele /? ontgolden /gt; bccoclitcii E ontg ... â 265. /gt; Dies â 13 F DG \V uten E waren... â 260. C viel BW' de E do do.. â 207. EE Doen D mensclien E god
daer.....â268. E....C l) lii hem EEJJOGW sciep E om datti GW op
dat hi I) iii hem I. â 200. E.....nedat T) doenâ270. E.......date.
HE te besitten I) sonde besitten O dan besitten EW besitten C lii l)esit CF DO dan ontbr. 1) ymmermere F in pi. van dan e.; te hare onneere â ''III. E..., en st. B Dier B inglen ED yngheien G W ingele B ter iiarei* onn. C te hoeren ere EFDO met groter ere GW ende vort meere â 272. ^...tten GW Ende ontbr. OW mitten tli. FD mitten themels C nut dat hemelsee - - 273. E.....eneghen w. FO S. enighen w. IJ S. enich w.
274. E.....eelt B Die W de O viant â 275. E.....es C tot der
BI) totter /gt; ghecomen â 270. E.....ende O Spreken â ''lil. E.....et
CF DG W heeft 6* te o. BO vromen â 278. E.....orders /gt; vorvaders =
EFDOGW doen EFW verdoemen â 270. C.....lijc F swaerlic I) swaer-
lijck â 280. E.... \ sijn B sonderlanghe E sonderlijc EFW hevoemen O
betomen â 281. E.....Igader F Datti C allegader B met GW hen
U' soemen â 282. E.......s h. CWG Dat vole B Tvole CBFW heelt
E verbiint â 283. E.....ti u. CD wil hi F wilti GW wilde In O hi
ons GW hemele W droemen 1) doornen â 284. E.....dat ons DGW Om
dat ons EO Dat ons C Den menselie dat hem 11quot; h. bloemen 7/ hemel blomen
74
VAN DER DRIEVOUDECHEIDE.
285 Niono werden bekent,
Daer hi af was ontwent.
23.
Die Godssone sach den man verraden Enten viant van overdaden In roeme sere groot â
290 Ende wildem staen in staden,
So dat hi bi sire ghenaden
Marien dat ontboot,
Die met hem saen waert gheluden Sender last of point van seaden;
295 Ende sonder eneghen noot
Moeste soene soghen ende baden,
Die alle dinc macli versaden,
Ende houden in haren scoot;
Dies hare niene verdroot.
24.
300 Al gheheel ende al te male Ruste in die maghet smale
Gods sone, Gods kint,
Ende al gheheel ooc also wale Was hi in des vaders sale 305 Met hem, en twifelets twint!
285. E.....werden ombekent BFDGW Niet en BF worden C worde D
weide Cï\V souden worden (IK werden) â 280. E.....te was gewent Bof
/*' es C w. blent.
2S7. E.. ds sone \\' De godssone, naar C godszoene, vanwege den klem-loon door ons in een woord ff esc!t reven . 1E verladen â 'â iSR. E.. w v. vul van CBJJOGIV Ende den GW vol o. F vol van o. O in houerdadon â 'iS'.).
E..... cme gr. O Ende in B rome C roeme uil rome veranderd GÃ
seer GW' so â 200. E........di liein BFDOGW wilde liem G wil li. â 201.
li.....bi F datti E\V siere C zier EJD sijnre â 292. E..... dat â 2113.
E......en saen FDGW saen met hem G Dat zi m. li. worde BED wei t -
204. E........t o ft D\V oft G ende EGW poent h pimt F pijn .1 va â
205. E.......eneghen stoot G Oi'te GBO enighe U' enege â 200. E.....
me soghen F Moest sine I) Most sy hem â 207. E......dhic can .1 din-
ghen G dinghe â 20S, E.....den G handen B hare â 200. E.....er
niet en G Dat \V Dats GEI) haer .1 nine FDGW' niet en B niet.
300. E.....heel â 301. E.....in .1 So r. B rnstede \V Unstew GDG Kuste
hi F llusti B der EOG W' der m. {G maechden) zale â 302. E........s
sone G Die godsoene BDO Die g. s. .1 Gods moeder: = Die g. s. GW ende g.
k. â 303. E.........algeh. .1 E. also wel oec alte male GU' Ende onlbr.
F e. oic ED onthr. â 304. E..........des F Kusti O hi oïilhr. D
sijns = CO vader â 305. E............twivelt O Dies en twifei ic GVrhem
een in twivels (\V twifels) B twifelts G twifels FD twivels; lees twi'eles? G niet een tw.
75
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Dio menscheit, dans ghene hale,
En besloot niet in desen dale
Die Godheit, diet al bint:
Die Godheit hevet ghene pale;
:110 Die menscheit, dat meent mine tale,
Ontfinc God, diet al mint,
In hem; dus eist bekint.
25.
Even gheweldich ende here Es bi ende was emmermere 315 Den Vader in die Godheit;
Maer eist dat men ter menscheit kere,
So was hi vele minder sere
Naer die menschelicheit.
Naer die Godheit, spreect onse lere, 320 So was onstervelijc sijn ere;
Dit es een bescheit.
Die menscheit doghede, alsic sprac ere,
Ghesele, naghele ende dat spere;
Die doot ende ander leit 325 Enter Joden pleit.
26.
Die menscheit liet hare besniden,
Dopen, proeven in dien tiden
/i.........elicit O da es gheen FF flats gheen I) en is gheeii U «lies
nes ghene C des en is gli. â 307. E........ot \V Ende b. 7* Die b. D hn
beslnyt .1 Ne sloot F niet ontbr. /1 in dien â 308. E......lieit F vine
O kint â 309â 311 ontbr. hij E 309. C godlieheit li heeft CFJJOGW en beeft FD geen G negene â 310. GW' Maer rn. BF dat ontbr. t mijne l) dats mine t. O ontfinc naer m. t. GW ontf. hier t. â 341. C Ontfiene
OGW ontbr. O De godheit D bint â 312. E.......j (?) est D li. selven
dus : \V daer CFW eest Ji est CF bekent.
313. E.......vveldich ende : F even â 314. E......ende es O Was hij
e. zal zijn G W. hi e. blijft FW W. hi e. es B ende wart D ymmerm. â
oir». E.....godheit FOG Die \l De CDOW der â 31(5. E.......men
C Mer CFGO eest B est D ist B datment Cmen tero^ör. O mensclui â 317. El) os (is) A'G U'minder vele C minre sere : !⢠meere â 318 cn 310. = CBE FDG TV Na â 318. Ur de E «Ier C menschlieh. \\' menselieleeh. â 319. /) der GW spreet EFDGW mijn 1. O mine 1. â 320. E Es hi onsterfelijk emmermere B So ontbr. EFD onsterfelije h -lick IJ onsterllijc GW -lec siju ere B onse here â 321. GW D. was CF) hits â 322. U ygt;e Ji rnensche E doeghde D ontbr. OGW doechde vele mere â 323. C Der naglen wonden e. Igt; Oheselen naghelen o. E nagle W e. tspere AD e. spere â 324. C Ende die W De â 325. CBD Ende dei F Onder der O Cruce ende der GW Tcruce e. d. (lt; joeden E ghepleit.
326. E Dit m. ( '.BED haer â 327. E Dorperen I) proven O te dien C in desen
VAN DER DRIEVOUDECHEIDE.
Vanden ouden viant;
Soe liet hare vaen ende benideu,
330 Dorboren hande, voete, siden;
Soe staerf, dus eist becant.
Die siele wilde ter hellen tiden,
Daer soe die ghene wilde verbliden,
Die de duvel bant.
335 Ay! hoe si Gode benediden
Die heleghe, diene saglien striden Jeghen des duvels brant,
Daer hise inne vant!
27.
Die God heit wecte van dode te live 340 Tfleesch dat hi van den renen wive Vrouwe Marien nam.
Hi trooste sine lieve keitive,
Hier twee, hier drie, hier vier, hier vive; Met hem In eten quam.
340 Dus es die Godssone, als ie scrive.
God ende mensche; elc man blive
Hier in ghehoorsam!
Es ooc enich sin so stive,
Die jeghen dit ghelove kive,
350 Hem sal themelsehe lam ïen joncsten wesen gram.
28.
In den hemel es hi ghevaron,
Daert die sine an saghen twaren,
328. BI) helsclien v. â 320. 11 Sn 1. hi hare E Sio W Si (ÃEI) haer K hinilen â 330. allen hnhnlve A Doerb. AJIIl handon voeten 7? vootc liaiulen = CBDGW emle s. F zijde â 331. E Hi steil' l) Ende steil' EC.EW' eest 7gt; est I) ist â 332. TT Do â 333. E sio W si /1 de gone â 334. C die dn. O den viant â 335. AF benedyen â 336. W De F(0?) heilighe C.HDil heiligiien E\V heilegen D ilien -1 alse sine â 337. B Jeghens O viants â 338. A binnen EFDOGW ute {E unt) piant (GIF geprant).
339. C (rod weckede 11' De /) wrecte E leechde O vorwecte E doden â 340. C Dat nl. de overigen behalve E Tvl.* /â¢' datti 11 revue de overificn behalve .1 reinen â 341. EG 11 Vrouwen C Ver â 342. I) sinen 6'ir eative /â¢' kerstine â 343. F. II. .n. .m. .mi. hier W hier m ontbr. â 344. fill' hen â 345. C godsoene. de overigen gods sone; zie hij vs. 2(97 GW also â 34(i. A Gode â 347. /1(0?) H. inne G In desen AW ghehorsam â 348. E Ware G oer ontbr. EGW e. (GlVr eneeh) man â 350. EFI) Op h. O Up h. â 351. E Te IID j. daghe F laetsten d. = GBKOGW werden F worden.
353. E Daer die sine waren (de t/eheele regel) lt\\ G de F te /gt;' ane s. liFII aen s. Oir saeghen OG1T te w. Igt; tvaren
STROPHISCIIE GEDICHTEN.
Tes vaders rechtre hant;
:355 Daer hi altoos sender sparen Den vader bidt vor sine caren,
Die hem hier sijn bocant.
Nocli comt hi hem hier verbaren,
Doemen die werelt met sinen scaren 3G0 Enten helschen viant.
Sonne ende mane sal hi verclaren,
Die bi Adame verdonkert waren;
Lucht, water ende lant Sal purgeren een brant.
29.
3G5 Al waest dat hi dus uprande,
Hi liet den sinen hier te pande
Sijn vleesch ende sijn liloet Te sacreerne in priesters hande.
Wie was, die sulke gave becande, 370 Of beter, of so goet?
Ay God! nu brec onse bande Ende verghef ons dine amie
Ende dinen evelen moet!
Dat onse mont ende onse tande 375 Smaken moet sonder scande
Dijn vleesch ende dijn bloet.
Dat nut dire siden woet.
.int. OGTl' To (los h Tot lies O vader (?) CJiDEGW ici-litor â .'(55. /â ' Die liij C omlo sonder â 356. I) bidt nnlhr. CBDEFOG voor 11' vore â 1158. (I Noch zal li. h. iiior comen v. E Noclitan sal hi liem (liior nnlhr. nol; hij /â¢') v. C eoemt C! 11' lil hier liotn oppenbaren â K5'.t. C Domen O Vcrdoenien II Dienen (!W Ho w. doemen F sire I) sijnre â ÃSGO. CJUKtGW Knde don â .Kil. I'D onilo O'ilh)', â 302. E Di C Ailaorn lgt; Adam Einde der tleidelh. frnrinienlen. â 3(53. CLocht (met eene. v hoven o) Gil'l.oclit III) Wator Im lit â 3C)i. H piirgieron 11' pnergeren D eon parant.
365. II wast = CO eest I! est C opwaert r. W opr. â 3(i6. Iiior to : F ITto .-1 daer te C to â .167 GW lioilech bl. â 368. CD sacreren II consacreren G 11 consaci'oerne O consacreene C ints pr. I) in spr. â 369. HG U W. os d. II W. ist d. /*' W. dus GW selko /â ' alsulko G iliorre; of siilki- oorspronh'elijl; es, is Iwijfeldclilich. Ill' havo G cande â 370. G Ochto 11' Ocht /â¢' Oft II onlhr. HG W hetere GW ochto /â¢â oft IIDOGW also â 371. HFII broect - 372. OFI) vorgheeft O nwo â 373. (I uwen II evolmoot â 374. li ons in. o. on^ G hande â 375. G Dat sm. IIG II' moeten GO al sondor â 376. A Sijn vl. o. sijn C vleisch II' e. d. heilech G dijn heiloch C il. rode â 377. U ute CFDGW dijnre -I sire.
78
VAX DER DRIEVÃUDECHEIDE.
30.
Uut deser siden, uut desen wonden,
Wies Godheit niemen mach ghegronden, 380 Noch wies nienschelicheit,
So vloeiden ende begonden Die sacramente te dien stonden
Ende alle salicheit.
Nu hebbic di tghelove ontbonden,
385 So ic naest hebbe ondervonden,
Na mire moghentheit.
Die dit ghelove vast orconden,
Aflaet groot van haren sonden Es hem altoos ghereit,
390 Up dat mer in vulsteit.
31.
gt;Jacop, du berechts mi scone.
Nu berecht mi van den persoue,
Diemen heet Helich Gheest,
Hoe mijn ghelove sonder hone 395 Te hem clennne ende winne die crone,
Die aire gaven es meest;
Want van den Vader enten Sone Hebbic bi di, dat di God lone,
37H. II Ute It {ook 01) desen siden ACBFGW desen sone (C zoene), zit» fnlci-'linrj. Wellicht heeft er oorspronkeljk gestaan uut des siden uut des wonden, of ook Jesus in pi. van des B ute desen wonde â 370. F niement h nyemant /â¢V) can 1) cant BG W en can â 880. O No B Nu O wiens C sine II' inensclielech. â 384. O Zij vl. e. zij b. AG vloyden ende C vloyden ende so W vloyen ende F vloeyende B vloeyende eerst ende D vloeyde eerst emle /â¢' betonde. Of de regel zoo als hij in den tekst, staat juist is, is zeer te tie-tioijfelen, maar het woord eerst van B en D heeft at leen de ivaarde van een conjectunr. Misschien schreef Maerlant Vloeiende so begonden â 38fc2. U' He ABFD sacramenten F tien \V die {zonder te) â 383. Van aire TF saleclieit â 384. A Ne hebbe mijn *rh. CF heb ic D di ontltr. h'OGW' u â 385. B iet C nauste D best l) heb â 381». O Naest 11' rniere Fl) mijnre C moegentheit â 387. BGW vaste G ork. F oirc. â 388. li Ollaet W grot â 380. G hen F ghereet /gt; bereyt â 300. GW men daer in G hire inne GDGW volsteit F volsteet.
301. /gt; berechtes G berichts F berecht â 302. G Nu sech BFDOGW Uerecht G mi noch DG my nu; Nu schijnt niet oorspronkelijk te zijn. G dien â 303. I) hoyt UFOGW heilich Gl) heilighe â 304. O Dat m. gh. zij s. I) Wou â 305. C hemwart FD dimmen e. winnen de 11' gewinne d. cr. A spanne cr. â 30(). AY) aider li haven /gt; ist â 307. /) ende den â G li FOG W e. van den â 308. li Hebbe ic G Heb ic A Hebdi rui dat Fl) Heb ick ghehoert dat O van di li bedi AFDGW dat u
79
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Scone berecht verbeest.
400 Dies clanke di der martelare vrone Daer boven in den lioghen trone Ende gheve di vulleest,
Datture coins onglievreest.» gt;
32.
Martljn, ons leert die scrifture,
405 Dat één God ende éne nature Emmer sijn dese drie,
Altoos even na ghebure,
Ende verscheden te ghere ure,
Noch en verschieden nie.
410 Vader, kint: â verstant ter cure!
Uut deser dobbelre Gods dure â
Wie caent ghegronden, wie? â
Coomt die gheest, die soete gure.
Die rene Godheit entie pure;
415 Hier up proef ende sie
Met herten ende dies ghie!
33.
Dits die troost, die alremeeste:
Hem, die arem sijn van geeste,
Leert hi blide sijn;
420 Hi es in pinen altoos feeste.
Hi doet meneghen, die was heeste,
IW0. O fioet C berichte GW vervreescht A cnlt;le verb. F mi v â WO. /â ' Des ilaiie ie Mai ien sone O ihiue.k A de GH' die 7?0 martel;iren Cl) mai -telien 6'niiirtilie 11'martielie 7?/gt; vrome â 101. /â ' hoizlieii oulhr. U'tliroene â iOii. C K. ili irheiie ilie v. CDI'GW' volleest â 403. Dat dure GW Dattnere I) Dattu daer O IJats dn daer (â (! coems /â¢' comes I) eoemst G moets eomen 11' moet (â¢.
Il11. Z? Mairtin 11' de screftnrcâIDT).. 11' ende nnthr. HTIlW een n. FU' natuere â 4(Mi. D Altoos â 407. Il Emmer W nagebuere â⢠408. W E. en (, Noeh CFO gheenre D gbeender GVFnegeenreâ 400. .1 en ont.hr. F verscbee-ilen /? sceden â 410. G kijnt DO sone â 411. B lite II d. dobelre ('. d. dobbel F ilesen dubbelen GW desen (bij G n/i dtin kant) dobbelen FG duere â 4'12. IW cant C can â 41 li. BIT) So comt GW Comt FG snete W gnere li gbnre â 414. CFDGW reine li line CBDWG ende die li' pnere â 415. D Hier proeft lt;gt; Dit proef wel TT' en anderen op â 41(1. F Metter b. /.' harten C des Fl) onlbr.
417. Deze sir. nnlhreekt hij T) â AC aire meest; hij C ook alle volgende rijmwoorden op -eest It a. neeste â 4TS. 11' Hen IIO aerin FC U' arm C aerme â 420. /â ' Hij beeft O ranwen â WT. /â ' den menigen C ierst was
80
VAN DEK DUIEVOUDECIIEIDE.
Sijn stiver ende fijn.
Wapene God! die dat verbeeste,
Dat hi van sinen vulleeste 425 Smaecte een dropelkijn,
Die ware Gode die alreneeste,
Want ghene vrese van tempeeste Noch negheen venijn Ne scaedde der sielen sijn.
34.
430 Dits des Vaders ende Soons gave,
Rij'cheit boven aire have,
Fonteine des levens al.
Wie so gheporret wert hier ave.
Wat rijcheden dat men hem gave 435 Sonde hem dinken smal.
Rijcheit, die coninc hevet of grave, Nes tiendendeel van enen cave
Ghemict jeghen dit gheval.
Jhesns, die rustes in den grave,
440 Met deser edel heit so lave Ons, alse men rumen sal Dit arme ertsche dal.
35.
Dits des Vaders ende des Soons minne,
Dits caritate, daer altoos inne
422. GW Snvei' wesen e C Sijn suvei- wys e. â 423. Gil' Wapen II Wapliene .1(0?) ilio dit C vreest â 424. CFOG 11' voll. â 425. C 11' (Hicsin. O Moc-lito smaken C droopelkijn â 426. HO Ui C waer CF goi! /gt;' de aire Gil' ilalie C aire AFO aire meeste â 427. F \V. geen Gil' Negene â 428. .1 Nncli nee CB glieeu O euglieeii F gheenrehande /â¢' feniju â 429. CF En seade II En scalt;let O Mochte scaden.
430. O des vader CF vaders I) vader GW svader B des zoens O des soens C zoens FGW tsoens; gelijk dit laatste is ook misschien soens van A en I) op te vatten. â 431. F R. die boven DGW alle C alrehande â 433. Gilquot; VV. dat F So wie D Wie CFG W gepoi t C wordt It wort .1 porret vort li. have â 434. BF rijcheit 1) rijeheyde GIF rijcheiden dat men : II so ni. CF DOG 11' men BO m. h. els C m. anders; oorspr. w. r. men hem (els?) gave?â435. It ïsonde 11' Sonde ii GOG 11'dunken (duncken) /' dunken wesen â 436. ode CD heeft !} lieift O gheeft FD oft â 437. CFG 11' En is (es) It Ten es B tienste deel D tiende d. = CBFItOGW niet van It een â 438. Bit Te mic-ken(e) F Ghemaect A Ghehacht O Glierekent G il' Gheprijst .1 voi' dit â 439. CO .Ihesu G du die r. A F DGW die ruste â 440. 1} eydelheyt D edelhevde A helicheit â 441. C 0. allen â 442. C aerine .1GII' erdsche F eertsche IIDO aertsche C aei'dsce.
443. G U' D. svaders CFJt I». vaders A e. d. sons (?) G e. tsoens I 'D e. soens C e. zoens â 444. G 1). karitate F Dit k. C Ende c.
Wapeue Marlijn. 6
SI
STROPHISCHE GKDICHTEN.
445 Rust die triniteit.
Hi es die der propheten sinne Leerde ende maecte in inne
Des Godssoons menschelicheit.
Hennes conine noch coninghinne,
450 Die nemmer ai'laet ghewinne Van sire onsalicheit,
Hine hebbe een traen, al waert ooc dinne, Van desen dauwe tsinen beghinne; Al welvaren es ontseit,
455 Daer dese es onghereit.
36.
Dese leerde den apostelen twaren Alle tonghen, die doe waren
In die werelt breet;
Dese gaf den martelaren 460 Dat si consten sonder mesbaren Ghedoghen menich leet;
Dese can de sinne verclaren,
Die met sonden hem verswaren,
Ende tcoude maken heet.
465 Sinen lieven, sinen caren
Deelt hi sonder enicli sparen Dat godlike cleet Dat nemmer meer vergheet.
445. COG Ruste W de â 440. FOW Hits ilie li der onthr. C men-schelijcli. IT -lecheit â 447. tl makede = CFII an inne â 448. Igt; Die C gods/oene Igt; gods sone; ook hij I' godssoens iti één woord â 449. C üen is /? Ten es FOGIV' Ln es HOW no â 450. D emmer O nemmermeer = CBFGW emmermeer A af laet I! of laet â 451. 11' siere Cl) sijnre O liare â 452. FP hel) GW enen ll eest OGW waere (W ware G waer) tii A oe C oer. lalp.r hijgeschreuen FDOGW onlbr. â 453. CD te sinen O te haren D ten â 454. D Alle .1 F DO es hem â 455. FOG W zijn (sijn) o.
450. II te ap. BG W te waren /' apostelen tvaren â 457. A A. die doe ; BI) ie â 458. W de w. C der w. A dese weerelt FW breyt â 450. I) leerde 1 r mertel. â 400. CKF uonden I) connen C misb. FDO sparen â 401. FOG H Doeghen lief ende leit C Doghen .1 harde menich ACTJ leit. Waarschijnlijk hadden oorspronkelijk de h-rijmen in deze strophe ei â 402. C die s. BD die zinnen O den zin â 403. .1 D. de s. hebben verswaren Fll D. mits Adame (D by Adam) verdonckert waren G D. hen m. s. versw. 11' D. hen in. s. vervaren O D. h. van s. vernaren. â 404. ll dat coude C coude /''11 heit â 465. II 1. caren â 400. DW Deilt C Glieeft B al sonder F altoes s. GH' enech F onthr. â 467. C godlijc GW' godleke FW cleit â 408. I) Dwelck C nuninienn. = CB tegeet, F ti^ niente gheil O vergheit 6'H' en vergeit.
82
VAN DEK DRIEVOUDECHEIDE.
Wat helpt? Martijn, sin ende tale 470 Die begheven mi al te male,
Meer te sprekene voort.
Elc persoon, verstant mi wale,
Es God, ende dies nes ghene hale, Van drien, daer men af hoort; 475 Doch eist waer één, die berch ende dale Schiep ende al tgrote ende al tsmale,
Daer af tellen alle woort.
Ne gane niet over dese pale!
Hout dit in dire herten sale,
480 Sone wertstu niet versmoort In die helsche moort.
38.
Ware ooc iemen die wedersprake Dit ghelove ende dese sake,
Hi ware ewelike verdoomt;
485 Recht waert dat men in den brant stake,
Ende daerna thelsche vier smake,
Daerne die duvel in droomt.
Helpt God , dat ie daer gherake,
Daer ic sie, daer ic af make:
4fi0. Dezi- strophe onthr. hij C .1 Wt FG W hulpt â 471. D Maer /?/â quot;/; spreken â 472. D verstaet F persone; zöri tc schrijven? â 473. (1\Vlt;) Es se Ivo (O Es een) god sonder haele (liale) D g. dats gheen /â¢quot; g. «Hts ghene â 474. A V. dren B men of O glii af â 475. B en eist IK en eest FG eest J) es DOG maer F\V mer B berg â 47C. OGVV Ghesciep .1 e. alt gr. e. alt sm. B e. al d. gr. e. al dat sin. F DO gr. e. sm. G IK daer bi groot ( VV grot) e. sin.; de oorspronheljke vorm van dezen regel is vermoedelijk niet bewaard. â 477. G W Tellen bier af ende a. w. FD D. men af tellet a. w. B of BO spreken â 478. Ne onthr. hij D â 479. IT' Houdt BD Maer hout O M. slunt 1)lt;gt; dit onthr. FG\\' dijnre â 480. F wortstu It werst u â 481. /JII' de FDGWb. poert O helle moert.
482. CFIgt; Waer iement U) yemant) IJ yement C diet â 483. C Dese gb.â 484. CF Die O Di D onthr. GFD waer F eeuwelijc GD evvelije W evveleke li verdomt, de overigen hehhen oe; misschien is overal in het rijm o te schrijven. â 485. GU' menne â 481). OW' E. int b. v. daer na rake CB E. bi D E. dat belscbe â 487. allen Daermen of Daer men den duvel (O den viant .1 die duvele); vgl. ooi: de varr. vs. 'ill.'!. /gt; droomt /'dromt, de anderen ihoemt â 488. /1 Nn h. /â¢' Hulpt HG Help O Helpe W Helpt mi; = belpe of help FD daer tmttir. G d. noch â 4H(.t. .1 Dat ic zie G Dat ic dat zie; Dat liFGW' s. ende dair ic smake DO s. ende sm.
6*
STROPHISCHE OEDICIIÃEN.
490 Die Godheit onghenoomt.
Sone trect mi niet de helsche drake Met liem ter eweliker wrake,
Daer nienien ute cooint,
Wien dat scaet of vroonit.
39.
495 »»Amen, Jacop, lieve glieselle!
Mi dinet dat ic di sere quelle,
Doch liaddics groten noot.
Alsic dit lese ende spel le,
Maghic leren, als ic vertelle,
500 Mijn ghelove al bloot,
Daer ic bi scuwen mach de helle,
Up dat ic mi daertoe versnelle,
Te doene dat God gheboot.
God die de doot wrac van Abelle,
505 Bringhe ons noch ter hogher celle,
Dats in Abrahams scoot,
Naer dese corte doot! »
490. .1 al o. liUen -oemt, slechts li -ooint â 49'J. \V Soe en (1 \V niet nnlln-. CHI' hW «lie â 492. GW Niel ter O lot ew. li owelike /â¢' eeuwe-liker 498. A letterlijk gelijk 487 .1 C niement /â¢'/gt; nyemant \V ute en CFDG uyt en allrn coemt behalve 11 comt â 494. G \V VV. d. scaeilt li \V. soet seaet CF Wient sc(h)aedt /gt; Wien tscaet C oft F\V ofte G ochte allen vroemt.
495. C Ay mi J. â 490. B dinke O dijnke CFDW dunet AGW (IDu /gt; seer â 497. GW I). al des liaddic n. dl) iiad ics CJi grote â 498. C dese dim*, leere â 499. GW Magic C Machie O icker l)i 1. OGW iet â 501. U' scninen â 502. VV en andd. opdat â 503. Fli doen â 504. li Knde die doel O Ende die de d. GW Die de d. = Die de doot; vgl. f, '209 (l die die li vvraec T) wraecte â 505. D Brenghe GW Moet ons bringhen FDOGW noch ontbr. â 506. C Dat is A. â 507. BFDGW Na Cdeser menschliker d. Aan het einde bij A Amen: bij C Amen â Amen â Amen; bij # Amen, en met roodt letters Et sic est finis, sit lans et gloria trinis; bij O O. Explicit. Deo gras; hij G hier es de derde boec ute, die xxxix clauselen in heeft ende elc clausele xm verse, ende hier volcht de vierde boec ende deze indt op xix elc clausele; bij W Hier es ute de derde boec van Wapen Merten die Jacob van Marlant dichte ende hi heeft in xxxix clausulen ende elc clausule heeft xm verse: bij D Amen, ?n daarna het volgende onderschrift:
Hier es voleyndt ende met groter diligencien ghecörrigeert een seei- notabel ende profitelic boeexken gemaect by den groten philozophe ende poete Jacop van Meerlant. Gheprendt in die stat van Hantwerpen. In die Camerstraet naest (.en gulden eenhoren. By mi Henrick die lettersnider. Anno .M.CCCCXCVI. den XXVilI. dach in Augusto.
Merct gheleerde, bekent van binnen hit notabel boeck int beghinnen .
H4
VAN DER DRIE VOUD EC 11EIT)E.
Ghemaect na mate der dvaloghe By Jacop Meerlant wijs van sinnen,
5 Poete, rethorisien groot int kinnen.
Rnerende van Godliken sakcn hoge.
Welcke matery ende dicht vol minnen Knde correct (/. incorrect) geworden is int dinnon By scrivers simpel van veimoghe;
10 Doch naersticheyt doeck int innen
'Ievet gecorrigeert om duechs gewinnen Knde 'm prente ghestelt claer int betoghe,
Om te verscherpen elt;x sin ende oghe.
liet bovenstaande gediclitjc komt ook voor in /â¢' met enkele afwijkende lezingen, die hier volgen â 1. Merckt ââ 'i. notable â naer m. van â 4. Deur Jakob van Meyrlant â 5. Rethorizijn en poele groodt i. bekinnen â fi. Hurende v. god-deUjckke â 7. materies â 8. Is seer inkorreckdt gli. int d. â 9. Deur â 10. Maer neerst. seer kloeck int vinnen â II. om dencht te winnen â '1*2. E. ghestelt in printe â '13. en o. â Daarop volgt met dezelfde aanmerkelijk jongere hand dan die van het hs. zelf eene passage naar M. van Vaerncwijck's Belg hi ca His tor ia van dezen inhoud: «Uier is volleyndt end(? medt groot,e dilighentie ghekorrigeenlt een zeer notabel ende proivlelijck boeck, dadt ghemacckdl is deur den grooten ghe-leerden pliilozoplie emh* poeet .lakoh van Mevrlandt (dil komt ook met enkele varianten voor in den oikIimi drnk, die er dan op laat volgen: wgheprendt in die stadt van Hantwerpem»). Maivns van Vaernewijck in zijn boeck ghenaernt Bel-ghica I listeria in zijn derde boeck int wvi cappittcl schrijft aldus van dezen Mer-lant: »»Te Dam me een kleyn stat in Vlaenderen bij Drngghe leyt begraven die konstige Vlaemsche poete ende retorizien Jacob van Meerlant onder «Ie clock en, wiens handen alle beyde even dapper int sclnijven waren emlc heeft onder onder ander an Ier {aldus) snbtijle wereken, daerin hij veel wonderlijckheden der naturen verhaelt. welck boeck hier achter oock bi j staedt ende is bij avonturen van hem zelf beschreven, want het seer om is, ende heeft oock ghemaeckt dit voorgaende boeck, dwelck ick oock inden druck ghehadt hebbe in quarto ende oock in octavo. Ende dit boeck dat hier na volcht, den dnvtschen doctrinael, is oock ghedruckt in quarto.»^) De woorden van V. luiden aldus: »Te Damme... daer die constige Vlaemsche poete Rhetorisien Jacob van Meerlant onder die cloecke begraven licht, wiens handen beyde even dapper int schrijven waren: hv heeft ons onder ander subtile wereken nagelaten een boec, genoemt der natneren blomme, daer in hv veel wonderlycheden der naturen verhaelt.»
85
VAN DEN VERKEERDEN MARTINE.
(fragment.)
1.
Wapen Jacop, hoe salt gacn?
Wilwi dese heren bestaen Te werpene nten love?
Wat lone wanewijs ontfaen?
ó Niet, dan men on.s nut sal slaen Tote eiker heren liove.
Nutter es smeken anevaen:
Men wert daer bi gheminnet saen, Want pluckers van den stove 10 Drinken nu den rijnschcn traen;
Waerheit lievet haer macht ghedaen, Ui vedelt vor die dove,
Die heren schelt van rove.
2.
Hoe langhe sal ghedoghen dit 15 Edelheit, die die werelt besit Met hare voghediën,
Dat een snodel ries besmit,
Die cume tusschenkent swart ende wit, Heren wille castiën ?
20 Wine hebben te pointe niet ghehit; Heren werder omme verhit Met al hare partiën.
Titel Miirlijn â 10. lijnsschen â li. luier â 10. vogheilie â 10, 22 liorc 18. tussclieii(keiit ontbr.).
VAN DEN VERKEERDEN MAR TINE.
Lieghen, drieghen wint wat soot bit; Smeken, striken wel voecht ende sit: 25 Sullen wi iet ghediën,
Wi moeten hier an liën.
3.
T.aet ons, Jacoigt;, over een Hier af sproken onder ons tween In descn prologhe,
30 Hoe wi leren vensen ghemeen,
Vor gout vercopen keselsteen,
Om te clemmene hoghe.
Waerheit cu wint dinc engheen, Smekers hebben dat hogheste leen, 35 Waersaghers nappe es droghe.
Wilwi scuwen armoede ende ween,
50 laet ons wisselen ja omme neen, Dat dinct mi dat ons doghe. Antwoorde van dat ie toghe! -
4.
40 gt; Antwoorden, Martijn, lieve compaen? Tc hebbe vor waerheit verstaen,
Sint dat ics mi bedochte,
Dat wijs scade hebben ontfaen.
Dat wi met waerheide willen ommegaen 45 Laet ons ontvallen sochte!
Ie wille smeken anevaen;
En wan met waerheit noil een spaen.
Dat mi iet te baten brochte.
Waerheit heeft al te bitteren traen, 50 Si laet haer volghers al verslaen;
Waert dat si iet vermochte,
51 holpe die met haer vochte. gt;
Jacop, doe die werelt began Man te heffene boven man, 55 Doe en kende niemen die ere.
Maer sider dat si heren ghewan,
23. hid â '27. .lacob â '29. lees iliiiloglie ? â 30. gheineen liijf/eooe clcnnneii â¢â 33. wailieit â 39. Andwordet â 40. Antworden .lacop I. huer â 54. hollen
STKOPHISCHE GEDICHTEN.
So maken die heren een ghespan
Om doghet ie lane so mere.
Dorpers, die ligghen in den dan, GO Die willen tale maken hiervan Ende lastren eiken here.
Nu sech mi, dat ie niet en can:
Welc hare sal hebben der eren ban: Of die dorper sonder lere,
Gó Of die rike es sere?
G.
Martijn, mi dinct overwaer,
Dat van den heren openbaer
Gheboren es die ere.
Doe die h af; dat es waer, 70 Van heren name so blivet daer Ere, daer stont here.
Dorpers herte es so swaer,
Dademense clemmen, haer quame vaer ïe value al te sere.
75 Laet den dorpre varen blaer,
Van eren quite! Wat soudesi daer V Si waerre al buten ere,
In liove so vintmer mere.
Nu mere bi der sonnen lecht,
80 Dat here op ere niet en vecht,
Want si sijn na ghebure:
Noch swerc noch ooc des nevels drecht Beneemt bi daghe niet haer recht,
Die dach en schijnt daer dure.
Hó Al wil dan soinicli dorper knecht Heren ere verdonkeren echt,
Iline mach, het werct nature.
lieren sijn so in eren ghehecht Ende van herten soete ende slecht,
90 Dat si sijn telker ure
Bedocht bet dan ter cure.
(13, 88. luier â ü;!. sel â 74. Yalleii â 75. voren â 77. ware; al is oul; hul (uiverh. daer (waerre = ware er) in den zin niet slrikt noodtij, zoo is hel toch xvaavschijnlijk dal de dichter hel overeenkomstig hel gewone sprnaligehruik en voor de duidelijkheid hier gebezigd heeft â 79. merct
VAN DEN VERKEERDEN MARTINE.
8.
Men seghet dat scalke droegen overeen, Dat neen wert ja, ende ja wert neen; Ili looch die dat vortbrochte. !)ö Snodel en verstaen dinc engheen,
Want nie wijsheit in hem en scheen,
So donker es haer ghedochte.
Wijsman spreect so tusschen tween, Dat domme herte, hart als een steen, 100 Ghegronden niet en mochte.
Dat ware jammer ende groot ween, Sonde een snodel besitten dat leen, Dat die wijsman cochte Met pensene so onsochte.»»
loecli suomlel â (.)7. luier â 401. waer.
ENE DISPUTATIE VAN ONSHR VROUWEN ENDE VAN 1gt;EN HEILEGHEN CRUOE.
i.
Wat inochte Maria segghen daer,
Dacr soe yach met herten swaer
Haren sone hanghen!
Donker wart die middach claer,
Want nature hadde vaer;
Die sonne es verganghen.
Wel mochtsoe driven groot mesbaer,
Stille int herte ende openbaer;
Om sterven mocht haer langhen.
Dus mochtsoe claghen overwaer,
Wringhen hande ende sliten haer,
Ende met naten wanghen Dese wort dus anevanghen:
2.
Cruce, dijus beclaghic mi:
15 Twi eist dat ic vinde an di A 124'/ Die vrucht, die mi toehoorde?
Die vrucht, die ic droech maghet vri,
Wats dat soc Adame sculdich si.
Dien de viant verdoorde?
Opschrifl ontbreekt in A; C onzer en zoo in vele woorden /.. â '2. A so C si C siiaer en zoo herhaaldelijk in A en C n voor \v â -i. C {verder zullen de leziii'ien van C zonder letter worden aangeduid) Horen s. â 4. Ende d. wert â (i, .1 l)c â 7. mochte si â 0. Omme s. moclite huer I. â 10. moctitsi â It. .1 hiuiileu oude slilten = C hande, sliten â 13. Die .1 anc vanghen en zoo herhanldelijk in .1 en C saniengestelde wtv. vu neen lt;J each reven.
14. .1 dies â 15. = es dat ic â 16. AC toe horde en zoo ook elders herhaaldelijk o voor oo â 17. .1 dronch â '18. C VV. d. si A Wat so - 10. die viant
C 193«
o
10
DISPUTACIE.
20 Mijns reinen lichamen vrucht, o wi! Ne sonde an di niet hanghen bcdi
Wantene noit sonde becoorde. Es dit recht ? te waren ni! In welken so verbuerde hl 25 Dies met enen woorde?
Hens niemen diet oit hoorde.
Twi hanghct die niet hevet mesdaen? Hoe dorstu don goeden vaen?
Doe den quaden pine!
;3() Die nie en rovede sie ic vlaen, Den onsculdighen an di slaen
Ende hanghen onder die dine.
Die lieven ghevet moet hier haen,
Ende dies niet verdiende een traen, 35 Drinct van dinen venine.
Wanen quam di die stoute waen,
Dattu dorres vor hem ghestaen,
Die van enen risekine Di coos dus vrouwe te sine?
4.
40 Di ordineerde die rechte wet,
Dattu hem best torment gheset,
Die mesdadich wert vonden.
Twi houtstu hem ghevaen int net,
Die aire mesdaet es onbesmet?
45 Dits doghet verwerret met sonden!
Mi dinke dat men weldoen verghet, lt;' 1936 Men loont hem wers die dienet bet:
Dits onrecht tallen stonden.
Dane es ontseit, elcsins belet:
50 Die an di hanghet, es onbesmet
20. .1 Mijn r. lachamcn C vrucht oii/hr. â 21. Nh onibr. .1 audi - 22. iioyt ot zoo ook elders y voor i in tweeklanken. â 'l1quot;!. Wanten noyt s. becoiMlc -twaren â quot;iö .-1 Eens '27. AC hi die C niene rnisdaen â 30. niet en r. s. ic vaen â 31. .4 on-scnldeghen A audi en zoo meermalen elders â 32. .1 die/.ine â 33. diet tleven A hier aen â 34. A niet dies C dies noit = C verbnerde â 3ö. Wane â 37. staen â 30. = C Di gaf .1 tsine
40. A Die C Hi â 41. l)ist hein â 42. I). met mesdaden wort â 43. henestnâ 44. misdaet es omb. â 45. verwariet â 40. dinct. = (.* weldoens â 47. lunet â 50. ombesmet
91
02 STROPHISCHE GEDICHTEN.
Van dogheden ende ontvonden, A 125(1 Al hanghet lii tusschen tween honden.
Mordenaren die roof bestaen,
Die liede wonden ende slaen, 50 Bestu gheset te wraken.
Den rechten, met dogheden bevaen, Verchiert niet helicheit ende dorgaen,
Dien sonde al ere ghenaken. Hieromme dinket mi mesdaen, 60 Dattu liem die men niet dar dwaen, Dus onwert dorres maken.
Twi moet dat leven doot onfaen ? Dit dinct mi wesen sonder waen Ongehoorde saken 6ö In alrehande spraken.»
(5.
Dat Cruce der Maghet dus antwoort: »In hebbe, Vrouwe, eren niet een oort,
TIens mi al van u comen.
Die vrucht. Vrouwe, die u toehoort, 7Ã Die mine telglie verchiert, begoort Met sonderlinghen blomen,
Lië ic dat ghi brocht, maghet, voort. Nu es soe gheseilt an mijn boort, Soe keert noch u te vromen. 75 Al draghedi rouwe om dese moort, Al oost, al west, al simt, al noort Sal hem noch dies beromen Dat Jliesus hem liet domen.
51. Van misdaet e. o. â 52. II.
53. .1 lieden C lude â 55. gesent ter â 57. Versiert m. heylicheden â 58. heere â 59. dinct mi misdaen â 01. onwaert â 64. A spraken â 65. A sak 66. and wort A antwort, en heide ook in de andere regels ort, toehort enz.
67. I en zoo ook elders kleine fjetallen door een Romeinsch cijfer weergegeven.
68. .1 Ens m. a. v. hu c. â 69. A lm â 70. A telghen C versiert â 7i. = sonderlinger .1 bloemen â 72. Tlijc d. gi bracht â 7)i. es hi â 74. Si
.4 keert hn noch â 75. omme â 76. A smid C znut ende nort â 77. beroemen.
DISPUTACIE.
7.
Tc draghe, Vrouwe, an ininen mast 80 Die soete vrucht, tlien soeten last. Niet tuwen boef allene Ne wart hi mensche, dese gast:
Dor u en dede hijs niet een bast, Maer dor die werelt ghemene. 85 Hier omnie lieefti in u gherast,
Ende dorwaden ende dorpast Dit leven vul van wene. A 1256 Hi wille die werelt in dogheden wast,
Ende elc si in nierkene vast 90 Sijii leven oomoedieh ende rene Ende inicke up weelde clene.
8.
Ie liës: hine verbuerde niet Doot, passie no verdriet.
Waest of hi sterven wonde, 05 Want sijn sterven der doot verbiet Die macht, daer soe bi verriet Alle jonghe ende oude? lt;' An thont was her Adame messchiet.
An mijn hout hire om sijn leven liet, 100 Alse een kempe boude.
Ui gaut den roof, alsemen wel siet, Daer hi an niet alse vele alse iet Mesdaet hadde of scoude,
Ende al dor sinenschen houde.
105 Doei'ste Adaem gaf ons den val,
Dander Adaem versoenet al:
Hi gaf ons tlanghe leven.
80. ilen soeten last â 81. A bouf C behoef â 82. .11: Nu C wert lii mens-scheit â 83. A lm en onthr. enen 1). â 85. heeft hi .1 lm â 00. =
('. oetmoedich, rene â 91. micken 0|i.
(,13. noch â 94. .1 Al waest dat hi â 95. der onthr. â 9('). si .1 verdriet _
99. hier omme lijf = .1 leven â 101. .1 j:alt C alsinen â- 102. .1 an onthr. C Daer hi niet an also v. als i. â 103. Misdaet haddo no s. â loi. .1 smeinsrlieii C al ouer sinen geen h.
105. Deiiste Adam â 100. Adam â 107. cofte = .-1 gaf C ons onthr.
strophische gedichten.
Die doot viel in den helschen wal, Daerse emmermeer in wesen sal; 110 Daers Lucifer in hieven,
Die ons maecte al tghescal,
Want hi Adame die waerheit hal, Die ons brochte in dat sneven.
Hier omme quam Christus in dit dal, 115 Ende rovede den viant ende stal Den roof, dien hi ghedreven Iladde int lang he leven.
10.
Die stake die don wijngaert hout,
Dies liïc ende dies ben ic bout, 120 Ne wan niet die rosine.
Wies mach die druve lieeschen scout Van mesdaden up dat hout ?
Hennes gheen recht anschine.
A 125c In bem van roeme niet so stout,
125 Dat ic mi trac an die ghewout Uwes kints moeder tsine;
Maer doemen mi boot sulc sout,
Daer niet dooch jeghen selver no gout. An mi ghecruust te pine, 130 Ontfinghic die vrucht dine.
11.
Alsic dinen sone ontfinc,
Waest ene stervelike dinc
Naer menschelike nature.
Nu en screye no hant ne wrinc, l:i5 Maer dinen groten rouwe dwinc: Hi keert in cortre ure Onstervelike: dan lach ende sine!
108. helsclien dal â 109. Daer si altoes = .4 emmermeer â 11'2. A. ende «lie werelt al .1 A. die waerlieit al â 113. die ons ontbr. â '116. A rol' C die hi.
MS. wijngart â 110. lijc A lijt C ende ben dies bout â 120. En â l-M drnue dan eissehen .1 lieeschen â l^i. misdaden dan opâ 1C23. Kn es â l'ü. ben â 125. /. antrac? â 126. .1 Uwes door dezvlfd*' hand verbeterd uit wes. C te sine â 127. Mar doemen m. b. sulken sout .1 sont of sout â l'i^. I). ne d. j. steen no g. â ter A ter, doch de r uitgeschrapt.
133. Na mensscheliker â 134. A liande C en â 135. Mar â 13(gt;. eorter â 137. .1 ontstervelike ('. onstervelic danne laclie.
94
DISPUTATIE.
Hi versoent noch menighen ballinc,
Alst vorsprac die Scrifture,
140 Die Lucifer, die lose, vine.
Hi roert noch an der hellen rinc;
Hi breect die helsche mnre.
Die porten entie dure.
12.
Dn best die wijngaert, die druve dijn Icint: 145 Wat es orbaerliker twint Dan tpersoor te wine,
Daer men den wijn niet utewint Ende so perst ende so bint,
c i1j:w Dat hi te boter schine,
150 Ende menne meer te drinkene mint? Wat es datmen soeter vint Dan gheperste beerkine,
Alser dat soete sap nut rint?
Ic bem tpersoor, dats bekint:
155 Wats soeter dan tkint dine,
Gheperst in der pine?
In dijns kints doot es tleven al.
Nu maken ypocriten ghescal A 12')lt;l Ende veinsen hem vul rouwen;
160 Om dijn kint bidsi groot ende smal,
Haer bidden es sonder ghetal;
Up mi wilsi niet scouwen.
Maer nu iii rust hier np mijn stal.
Ens nieinen dies genieten sal,
165 Hine moet au mi en trouwen Sughen die quale die hi qual An mine telghe, of niet een bal Ne dooch hem haer berouwen,
Sine moeten sijn teblouwen.
138 A meneghen C noch ontbr. â 139. voersprac â 140. A outline â 141. an ontbr. â 14*2. = C den helsschen A niuere â 143. ende die AC dnere.
144. bist wijngaert A wijgaert â 145. A orbarliker â 146. = C ton wine â 147. mede wt wint â 150. = C Ende de meer te drinkene in. /1 drinken â '159. gheperst A beyerkine â 153. nte â 154. ben tp. dat es â 150. (leperset.
1;gt;7. = .1 leven â 150. vol â 160. bidden si â 161. Ilner â 102 Op mi willen si â 103. A M. nn rust hier np C Mor hi rust nn hir'i' op â 105. te mi - 107. ininen telge .1 telghen â 108. Kn d. h. hner b.
95
STROPHISOHE GEDICHTEN.
14.
17(1 Seghet den ypocrlten dat:
gt; Ghi soect an mi mijn kint glievat,
Den cruce liebbict bevolen.
Mijn kint es numeer sughens sat, Hi lianct ant crnce naect ter stat: 175 Siet sine wonden sniolen.
Gaet, etet der spisen die lii at, Maect u met sinen dranke nat,
(Jaet leren tsire scolen.
Lose bidders, hout sinen pat, 180 Cruupt na liem dor tselve gat, Of anders suldi dolen In den lielschen iiolen. - gt;
15.
Maria sweech, ende soe verslont Dat liare tCruce waer orcont, 185 Ende dat hi sterven wilde,
Ilaer sone, om te makene gliesont Altemale die werelt ront
Ende hi ons tenen schilde Sijn cruce gaf ende maecte cont, 190 Dat tote in die hellegront Sine macht behilde.
Hier omme benediët elc mont Christus, onsen riken vont. Die dor ons was so milde,
A I2(in 195 Dat hi den Vader stilde.
16.
Nu hoort mijns heren Jhesus gheclach ,
Ende merct of hi claghen mach
170. = C Secli â 171. A souct an mi uwes kints gerat â 173. = C zngens mat â 174. hanget a. c. nu {niet naect) â 177. A hu .4 nat = C sat, doch het laatste kan alleen juist zijn, indien men in vs. 173 de lezing van C mat hoven sat van A verkiest â 178. te sire â 179. =? A Bose â 182. den helsschen A «lie helsche.
183. A so C si â 184. huer A ware â 186. Huer s. om te maken A ende om te makene (/. omme maken?) â 180. makede kont â 190. D. hem Vote in der hellen gront â 101. = C cracht â 102. A benedyet C henedijt.
100. A hort hier. C her â 107. .1 olquot; die
DISPUTACIE.
Up dat kerstinhede.
Ennes niemene onder den dach, C 191quot; 200 Diet oint vreseliker staen sacli, Dan het staet nu ter stede.
Hets al verloren, o wi, o wacli! Dat heleghe lant, daer hi in lach Begraven na menschelichede. 205 Hoort hier rouwe sonder verdrach, Hoort hier swaer hantgheslach, Hoort hier swaren onvrede: Thovet claghet over die lede.
17.
Sech , mensche, mere ende hesie,
210 Saghestu meerren rouwe nie
Dan du an mi heves vonden?
Wat mochtic meer doen dor die Dan hanghen sterven, proef ende ghie, Met aldus swaren wonden ?
215 Merc up di selven ende spie:
In welken dankestu mi ie,
Dat ie gout dine sonden ?
Mi es alse der aermer bie,
Die thonech wint ende en weet wie 220 Diet nutten sal met monden Of danken tenegher stonden.
18.
Vor desen danc ende vor dit goet,
Dat ie mijn lijf, mijn vleesch ende bloet Dor di hebbe versleten,
225 Toghestu mi dinen fieren moet,
Alse die toopsel werpt onder voet
108. 0|i die k. â 190. En es niemen â '200. oyt â '20'2. Dannet nn stnet â '201^. heylige I. d. ic in 1. â 204. mensschel, p.n zoo nok elders. â 205. = C liier een suaei hantfteslacli â '200. = C hier rouwe sonder verdrach â '20S. A oner al die 1.
'2-10. Zaghestn m. r. ye â 211. A ane â '215. A up die s. C op di s. e. bespie â 210. = C dankestuns m. nye A je â '217. A glial! â '21S. armer â '2'iO. .4 Diet thonich vint eude weet w. C Die thonieli winnet ende en w. w. â 2*20. .-t Dit n. s. tn. monde â 221. A teenegher stonde (! tenigon stonden.
'2'2'2. ende dit g. â '2'2:!. mijn vleysch lijl' e. lil. â '2'2i. A Dner â 225. T. in dinen â '220. AU d. doepsel worpt
WKfjeiw Marlijn c. n. Ged. 7
97
STROPHISCHE OEDICHTETf.
Ende wilt mijns al vergheten,
Ende dorres mi als een hont verwoet Passiën, crucen metter spoet, â¢jüO Dornaghelen ende dorspeten,
A i'2V)lj Ende verwijts mi die selve vloet,
Die nut mire siden woet,
Ende en wils niet gheweten Hoe nouwe iet noch sal meten!
19.
235 Waenstu, in hore meneghen eet:
Mijn lijf, mijn doot, mijn bloet, mijn sweet,
Di menichwerf versweren ?
Ja, al dat menschelike leet,
Dat ic dor di ontfinc ende leet, 240 Verwijtstu mi tonneren.
Dat arme menschelike cleet,
Dat ic anedede dor di ghereet,
Daer hondstu met dijn scheren Ende vloecst in dinen moede heet.
245 Du best te mi waert also wreet,
Mochstu, du souts mi deren Ende uten hemele weren!
20.
Nochtanne es dit niet ghenoech:
Hare die mi, maghet, droech 250 In hare suvere lanke,
C nut Ende mi baedde ende dwoech,
Ende moederlike up mi loech,
Dune sweers van hare tondanke.
Nu ne vindstu el neghene ploech,
255 Die di mach winnen enich ghevoech Jeghen die helsche stanke,
Dan soe die den viant versloech
quot;227. will â enen hont â 230. Dornaglen â '231. A ilüt selve bloot (uocr dat hee/'t er eerst waarschijnlijk de (jestaan) â 232. A hunt AC minen siden, iii/l. vs. 538, Wap. M. lil, 377 vllt;i. â 233. E. dune wils â 234. nauwe A â C ic.
'235. en hore menigen A heet â 236. A mijn lijf mijn bloet mijn doet mijn /w. â 237. A Die C Dat menichwarf versueren â 240. = C Verwiten â 242. andede â 243. houtstu mede d. s. â 244. A vloncst â 246. A Moghestn â 247. A linten C lie mei.
248. Nochtan A ghenouch, dronch enz. â 240. Hore â 250. hore A laneke, tondancke enz. â 252. op â 253. A zwers C suers hner 254. en vinstn els gene |». A plonch â 256. helssche â 257. si
08
DISPUTACIE.
Ende sinen fieren hals verwoech:
Soe es die wijngaertranke,
260 Die seliinct dontfarmighe dranke.
21.
Waenstu, mensche, weelde plien,
Sonden volghen, weldaet vlien,
Mijns enter werelt pleghen ?
Dune sout mijn anschijn niet besien,
260 Wiltu di metter werelt tien;
Els hoet di daer jeghen!
A vgt;(\c Du moets di setten in dien
Dat di die werelt doot sal ghien,
Oftu waers versleghen,
270 Of en sal di niet gheschien
Met mi te levene; in weet wien Du di dan laets ontweghen:
Dijn sin es onghedweghen.
22.
Nu staet dijn sin al an den scat:
275 Verstant dat ic di lere dat,
Dattune niet souts minnen.
Nu soecstune dor die vloede nat,
Die werelt dore in elke stat:
Dine versaet gheen winnen!
280 Du best mijns al worden sat:
Den naeeten Jhesus, dat rene vat,
Ne wiltu niet bekinnen.
Maer weeldich enter doghet lat,
Ende van edelen wine mat 28;quot;) Es smorghens dijn beghinnen,
Ende snachts versmoort van sinnen.
23.
Nochtan al dese overdaet Sie ic dat rijst ende upgaet
259. Si es d. wijngartr. â 200. Si sc. dontfarmigen.
201. A meinschen C weelden â 263. ende der â 204. A souts Caenscijn â 200. hout di der â 207. A moets die /. setten «li? â 208. A Dat du dei-werelt doot salt ghien â 200. A werts â 271. eu weet â 272. = C Di du dauue.
274. al onlbr. â 275. .1 Verstaet â 270. .1 uiue â 277. .1 souestune dor di â 28i. A reene en zoo hev/inuldelljk oe in eene opene Ic tier (j reep; (', reine â 2S2. Ne onthr. 283. M. w. ende ter d. I. â 284. .1 vou (?) â 285 .1 suiaer^hins â 280. (! nachts A zinne.
288. op gaet
STROPHISOHE GEDICHTEN.
I
Uter sacristië:
290 Vleschelijc leven, vlesclielijc vaet,
Luxurie ende fier ghelaet,
Daers thovet af clergië.
Dien sijn abijt wale staet Ende dicke nieuwe cleder ontfaet,
295 Dien ghevemen prelatië.
Mijn erve, daer ic online was gliebaet Int rode bloet, nut die mi haet;
Ie roepe ende ic castië Naect, buter compaengië.
24.
Ic aie dat ree wel ghecleet,
Dat no weder cout no heel Niemen mach ghedoghen;
Die spise edelijc ghereet,
Den besten wijn diemen weet,
Scone nappe voortghetoghen.
Ic doghe hongher ende leet,
Ic roepe, dat mi de storte sweet,
»Broot!» vor haren oglien.
Si segghen; »Hore hoe die triwant bleet!
Hi ga daerne die duvel gheleet!»
Al soudic al verdroghen,
Hare herte en mach niet boghen.
25.
In ordinen sie ic wel,
Dattere menich an haer vel 315 Ghecruust sijn entie claghen;
Dan soecsi onscult of iet el,
Ende keren hem an der werelt spel
Int abijt dat si draghen.
In heren rade sijn si fel,
280. .1 Vor s. â 200. .IC vre(e)selijc Iweemaal â 292. Ilaer es tliocft of â â C Die sijn iliere abijt wel s. â 204. .4 eleedere â 20a. gevet p. 200. .1 I.eive â 208. .1 roupe â 290. Naect (nie.l raect) bittei-.
;!(»(). = diere g. â 'Wl. D. weiier cout â 302. A Niet en C N. eau g. â SOÃ. eilellike â 304. wijn ooc ii. â 305. .1 vort togen â 307. .1 roii|ie C dat mi dat starke sneet â 30«. Iioren â 309. Hort li. d. truwant â 312. Ilner li. macdi.
3-13. online â 314. Datter liuer vel â 315. ende die â 3i(). .1 soncsi C onsi nlde â 310. Iioren r. C 310 en 320 in. ornfiekeenle vnlijnrde, doch de juiste is door slerreljes vóór aan de regels hersteld.
100
300
C 194c A 120(/
305
310
DISPUTACIE.
:}20 Bendich sere ende snel,
Hoe si scat bejaghen.
Men weet sulken dient ghevel,
Dat hi vloeke sonder ghetel Bejaghede in sinen daghen:
325 Noch bidtmen hem meer plaghen.
26.
Sulc es die ontcropen scheen Der werelt ende liet haer leen
Ende leerde den beggaert maken;
Die liet bedinghe ende ween,
330 Up thout te slapene ende up steen Ende dat langhe waken.
Nu loopt hi ghelijc der reen Die werelt dore alineen,
Waer hi hare mach ghenaken.
335 Egypten, daer hi teerst in green,
Dinct hem so goet, dat hem engheen Jherusalem dinct smaken:
Ic kenne al dese saken.
27.
A 127« Ic hebbe bevolen, in loochens niet,
340 Den prelaten tander diet Ende mine ervelichede;
Nu coomt een prinche ende ghebiet,
Dreghet, bidt ende miet,
Ende maect groten onvrede,
345 So dat hi sinen neve uptiet
In bisscopdoeme of anders iet,
Daer groot ghewin volghet mede.
Uptie wulle men al siet:
Der scape sorghe men al vliet;
350 Ileeft men die werdichede,
Tscaep beveelt men den vrede.
320. Hclicndicli â 322. A wet C diet â 323. .1 ghetal â 325. (I liiiinien .1 biiiuiK* onduidelijk: ook imen of tiiien kan bedoeld zijn.
327. luier â 330. op th. te s. of op s. â 332. den reen â 333 .1 Der w. â 334. A Daer hi C huer â 335. = C eerst in dween â 337. .4 .llieusalem â 338. kinne .1 alle.
339. .4 voleu C on loghens â 340. dander â 341. .1 henielicliede â 342. cornt e. p. en g. â 343. C Drogen bid â 345. opliet â 346. biscopd. â 348. Op die wille rnen ende siet â 340. ontvliet â 350. waerdicliede â 351. den rede.
101
STROPHISCIIE (rEDICHTEN.
28.
Al os een van lettren naect, !
c i'j-Ui Sot, luxurieus ende mesraect,
Hi coomt in met ghewelde.
355 Mine gracie es niet diene maecf ;
Ic bem die ghene die sijns ontsaect;
Men acht niet dat ic schelde.
Maer ic segt, die ewelike waect:
Die rente, die so soete smaect,
300 Coomt noch ten langhen ghelde,
Daermen in die helle, die blaect,
Tenen sekeren daghe ghestaect,
Antwoorden moet, hoe men tolde Die scape upten velde.
29.
365 Die mine erve dus grijpt an,
Die ic met minen bloede wan,
Dats een wulf, gheen lieerde.
llevet hi die rente dan,
Hem ne roect waer die wulf ran,
370 Die dat scaep verteerde.
Absolucie, seghel, ban Es al te cope mettien man;
Hem en roeket wiet deerde.
Haddi sijn bejach daervan,
A 127/) 375 So haddi daer hi omme began Ende twi hi begheerde,
Hoe hi gheregneerde.
30.
Ic segghe dat elc antwoorden moet,
Waer wulle, vleesch ende bloet 380 Vanden scape belende.
353. .1 mcsiaccl â 'â ontraect â 354 , 3110. A coomt C cumt 356. ben (.1 bc) onsaect â 357. ic scedi; â 358. ^eirge lt;1. emv. vaect â 35'.l. = C te snaren â 3(13. Andwoiden â 3C4. = C I). scaep op minen v.
3115. A in. lierve C mijn e. â 3(10. Mat ic â 3(17. wolf Al.' henle, verteree, dei'do enz. â 369. .1 ne ronet w. «Ie w. C en roect vv. die wolf â 370. .'1 scap 371. ende bun â 37'2. A copen â 373. roect uien deerde â 37'i. llevet bi â 375. Imdde lii â 37(1. A twi = C twi dat â 377. A H. li. liem genie generde. 37!). A Waer hi w. C Waer vleiscli vel e. li. â 380. scaep
102
103
DISPUTACIE.
Welc o(ic so die wulf verdoet,
Eist van den herde onbehoet,
Hi gheldet tsire schende.
Hennes niemen uoc so vroet, 38;quot;) Die mi onttekent quaet of yoet,
Want icse oint alle kende.
Nu keert te mi waert mettor spoet; Ie bein die u mine aerme ondoet;
Souwet die helsoho elende,
390 Eer icker u in sonde.
31.
Ontfarme u dat ic theileghe lant Gheghoven liebbo minon viant Om wrake van uwen sonden:
Want ic ghenen prinoho on vant, 395 Die daerwaert stoken dorste do hant, Dies gavict den honden.
IJroect alle der sonden bant,
Neemt mijn tekin, ic sets u pant Dat sijn mine vijf wonden 400 Vaert tote Suriën ant sant,
Ghi suit slaon tfolc onbecant In wol corten stonden:
Mine macht mach niemen ghegronden.
32.
Al claghic, ons niet mine noot: 405 Ilemole, orde, clone endo groot.
Es al in minon handen;
Maer dat ghi mint de langho doot,
Ende mi scuwen wilt al bloot,
Dats onrecht vul van scanden. 410 Neemt dat ic biode oude boot.
Mijn tokijn; ghi suit themolsche brool
C l!)5fi
A 127c
;i81. (ice die wolf â I^c^t viindeii â geit te sire sc. â iSNi. Kii cgt; â 385. 1 mie onteekent C mi ontekent â 38ü. eit â 387. .1 mi wsier â iWS. hen (.1 b(') .1 lm C mijn arme â 389. â1 t', lielsche onthr. A li. Iieleude â 3(.I0. .( lm C ie u ilaer in.
391. .1 hu f.' ic {later hij gevoegd) tlieylige â 393. .1 huwen â 3,.I4. preji-sche â 395. ilarwaprt s. wihle ilie h. â 39fi. A ghauic C geniet â 398. lek ij 11 â-399. A vonden â 401. = C Ghi slaet dat vole ombeeaiit â 403. can niement gronden.
405. â (ï Hemel â 407. minnet die lange â 409. vol â 410. ende dat ic boot â 411. Ghi moget hemehike al bloet {dn fjeheelc fegel)
STR()PII ISCr 1K (;KDIC11TEN.
Up mi daermede panden.
U sal su ver en mijn bloet root,
1c ondoe u minen scoot,
415 Quite van allen banden ,
Vri van helsclien vianden.
33.
Wat maghic, aermen, segghen dan,
Ic arem besondicht man,
Over mi allene,
420 Ende voort over al tghespan,
Dat nut Adaems vleesche ran
Ende ver leven ghemene?
Meerre hope quam mi noit an,
Dan up hare diene wan,
425 Die quam in desen wene,
Om te versoenne den ban,
Die onse vader Adaem began,
Ende tCruce troost mi clene An die Maghet rene.
34.
430 Dat Cruce seghet Marien dat:
Wat so men bit of datmen bat
An hare up ghenaden,
Dat het niet en dooch een blat,
Men en moet comen daer ter stat 435 Daer tCruce staet gheladen,
Ende werden van den dranke sat,
Daer hi af dranc, daer hi af at,
Diet al he vet dor waden.
Maria swighet alse mat 440 Ende es ons te beschermene lat,
Alse oft soe onberaden Ons ware te stane in staden.
412. üp â il3. A Hu s. zuueren m. bloot C suureii â 414. .1 lm â vaiulen helsschen.
417. = C arme â 418. besondicli mei eene latei' hovengeschreven t â 4W21. \te A. vleissche â 422. verveven â 424. op hore â 42(). versoenen â 427. Dat o. v.
4B1. = C bidt of wat men â 432. hore op g. â 433. Dat dat â 434. Menne in. c. eerst t. s. â 435. Daert ter. â 430. worden â 437. of at â 430. lat â 440. mat â 441. of si omb. â 442. = C Ware ons.
1(11
DISPUTACIE.
35.
Die solve ghevet ons groten vaer,
Die daer hanghet openbaer 445 An dat cruce ghesleghen,
Ende gaet ons met dreghene naer,
A I27rf So dat ons es al te swaer,
Die der werelt pleghen.
Hebben wi ghene hulpe daer 450 Men ons hebben sal onmaer,
So werden wi bedreghen.
Nu soeken wi met redenen claer Die vor ons dan spreket waer:
Helpt ons daer gheen deghen,
C 1056 455 So moeten wi ontweghen.
36.
Nu willic dan een parlement Over dat sondeghe covent
Tusschen hem tween beghinnen.
Dat Cruce liët ende bekent,
460 Dat alle rouwe was gheënt,
Alse hem God liet bekinnen Stervelijc vor die menscheit blent;
Nu spreeeti, dat si sijn ontwent,
Die hem niet so versinnen,
465 Dat sine soeken an thout ghesehent.
Maria swighet, alse die ons sent Ten Cruce, willen wi winnen Aflaet van sire minnen.
37.
Die sondare, die hem sere ducht,
470 Soect des levens edele vrucht Au thout van den levene,
443. geelt â 445. A cruce = C hout â 446. A met eereu â 441). llebbewi 450. = C üaerineu AC ömaer â 451. worden â 4515. A J). v. o. spreket «liiu waer = C Wie v. o. spreke bet daiine w. â 455. /1 Soe rn. wie o. C Wi worden daer verslegen.
450. danne een parlanient â 457. sondige â 458. T. dese twee â 4(30. .1 allen (l wert geent (geënt) A glielient â 46J. God hem â 463. spreect hl 465. ant thout â 467. wille wi â 46lt;S. = C Hliscap v. s. m.
470. A Souct
inri
STKOPHISCHK GEDICHTEN.
Dat Adaem met sire ontucht Verloos, ende al die soete lucht,
Daer men niet weet van snevene.
-17quot;) Nu ne diet hope nochte vrucht,
Nochte volghen nochte vlucht,
Daermen dit pliet te ghevene,
Hine moet met tranen maken vucht Sine oghen, ende proeven hoe versucht â 180 Jhesus in sinen bevene,
Die an thout pliet te clevcne.
38.
Den appel, diet al leven doet, A 128a Sie ic dat die Maghet voet
Met haren edelen soghe;
185 Daer neemt hi wasdoem ende spoet.
Voort sie ickene hanghen bebloet
An dat Cruce hoghe.
Wie sal mi dies maken vroet,
Welc haerre dat ic heten moet 190 Thout dat tleven toghe;
Of diene moederlike broet,
Of dat cruce, daer hi an stoet,
Doene sach menich oge Sterven met ghedoghe?
39.
495 Boom van levene nes waer een:
Welc haerre dan van desen tween
Es thout dat wi begheren ?
Of soe daer hi in vleesch ende been Ontfinc sonder man negheen 500 Ende sonder enich deren,
Of thout daer hi an leet die ween ?
Die sonne vervoer, het scuerde steen,
Alse ons die wise leren.
472. AC Adam â IT'i. niene â 475. en lt;lict h. no vr. â 476. Noch te volgen iwu li ter vl. â 478. inoetse â 480. Ook C bevene.
48,2. = C Die a. â 484. horen e. /.oge â 485. .1 wuesdoni â 486. 6' ickon â 489. A li. lt;1. i. heeten rnoghe C hoie lt;1. ic heiten moet â 4(.)0. = C leven â 40fc2. hi ontbr. â 403. Daerne.
405. Om van I. es â 496. liner danue â 408. 01quot; hi ilaer in vleyscli â 400. en geen â 501. .1 liet die ween C leet den w. â 502. verginc ende s. s A achter vervoer nen punt. â 503. Als
DISPUTACIE.
An welken honden wi onse leen,
505 Of welc haerre sullen wi vleen ?
0 l'jöc Wistewi an wien ons keren,
So mochten wi coraen teren.
40.
Die Maghet droech sonder saet Den appel daer al tlijf an staet 510 Van der menschelichede,
Dat eruce, want men an hem slaet,
Es die den appel gherne ontfaet
Ende ghevet hem sine rijphede.
Elc, alsemen ter redenen gaet,
515 Dinct mi wesen, sonder baraet,
Thout sonder stervelichede.
An welken es onse toeverlaet:
Of dese, of die, wie ghevet ons raet?
A 128ft Dese twee dinken mi mede
520 Gheïnt in ene stede.
41.
Nn bem ie tusschen hem tween ghestaen,
Encle ie en weet te welken gaen,
Ter Crucen so ter Maghet.
Ie bem in enen soeten waen:
525 Hier snghet hi den soeten traen Ende kintschelike hi clagliet;
Int eruce heeft hi die aerme ontaen ,
Alse diet algader wille ontfaen,
Dat omme ghenaden jaghet.
530 Waer ic lope, hens niet mesdaen;
Ic mach in sekerre havene slaen:
Elc mi so wel behaghet,
Dat ic blive onversaghet.
42.
Die Moeder es die hare bewint 535 Te cussene ende te helsene tkint,
504. lioudewi â .â quot;)().quot;». welc liorc sul Ie wi â 507. moclito wi.
508. AC die dioech (.t dmncli) â 500. tlijf al â 510. iiieiisscliclijchede â 513. sine te schrappen? â 514. als men te redenen â 545. mi sijn .1 heraet â 518. .1 i^eheeft C Of d. of wie gevet ons den r. â 520. .1 Gheliint
.Vil. ben (A bê) ic t. li. n â 522. ic onthr. A ten welken â 523. Ten rnice uf t. m. â 524. ben â 520. kinsschelike â 527. danne ondaen â 520. Knde omme g. â 530. VVaric misdaeii â 531. seker â 533. ic ben o.
534, 530. hner â 535. Té lielsene ende te enssen imer kint
107
STKOPHISCHE GEDICHTEN.
Alse dies hare can ghelaten.
Dat Cruce den selven an hem bint,
So dat hem uter siden rint Dat bloet van caritaten.
540 An die Maghet, die hi mint,
Eist dat hi melc sughen beghint, *
Der menscheit te baten, i
Maer ant Cruce hi utesint
Onse lijfnere, daer men in vint i
545 Die sonden al verlaten,
Daer wi in waren verwaten.
43.
Die Maghet es die voren gact,
Ende brinct ons vrucht ende saet Van den langhen live;
550 Dat Cruce , datter hoghe staet,
Es dat metter vrucht ver saet I
Ons, honghereghe keitive.
Haerre gheen es goet versmaet, ^
Want elc es onse toeverlaet.
555 Wie es die dit bedrive (' I95rf Dat hi ons gheve gansen raet,
An welken men sekerste vaet ? A 128c Ontfaermicheit, nu scrive,
An welken ics best blive!
44.
560 Ontfarmicheit aldus antwoort:
Ic ga metten rechte voort
Ende metter ghenaden.
Up mijn vonnesse merct ende hoort:
Die teen soect, hi es verdoort,
565 Laet hi hem tander ontwaden.
Diene an thout soect vermoort,
5:;k. .1 nton siilmi, vijl. vs. 2:i'2 en Claus. '2520. â 539. bloed â 541. Ks dut â
.'â¢13. niaiquot; A lm te sint.
r»4S. bringet â 551. Es «lie ons m. doget v. Wellicht heefl Maerlant overal cruce i rouivelijk gebruikt. â 55k2. .1 hongliereglien C hongerige â 553. liuer en geen es so groet v. â 555â557 on tbr. in A â 558. Ontfarmicheit â 559. An wien ⢠lat ics.
560. A dus AC antwort (C andwort), vort, hort, vermort, begort, daarentegen .1 verdoort ((.' verdort), durboort ((.* dorbort), hoort (C boit) â 503. Op â
5()4. deen .4 sonct â 505. dander .1 t. ontbliven {iets kleiner geschreven) â 5(5(). .1 souct
los
DISPUTACIK.
Hi vint dat lierte staen dorboort,
Die Maghet in tranen baden.
Elc es an andren begooi't:
570 Daei- teen es, tander es an sijn boort;
Si sijn dies beraden,
Gheen wille andren versmaden.
45.
Die hem an die Maghet hout,
Ne steect daerbi niet met ghewout 575 Van hem dat Cruce ons Heren.
Merct dat soe staet onder thout,
Ende tswaert der passiën scarp ende cout
Hare lierte doet verseren.
Hieromme si elc sondare bout,
5ft0 Drive rouwe ende onghedout,
Bidde der Maghet vul eren ,
Dat soe verbidde sine scout,
Ende diene der Crucen omme tsout.
Dies men niet mach ontberen,
585 Sone sal hem niemen deren.»
46.
Appel van levene des Paradijs,
Jhesus, die hanghet an dat rijs Des Crucen, Here, ghenaden !
Moeder, Maghet, rene ende wijs,
590 Die niemen gheeft te vullen prijs,
Staet ons, Vrouwe, in staden !
Soete amie, soete amijs,
A 128d Ons en helpt in aire wijs
U Cruce, wi sijn verraden,
595 Sijn wi jonc of sijn wi grijs;
Ons versmoort anders thelsche ijs,
Ghine helpt ons ontladen Van onsen mesdaden.
AMEN.
507. A vint hem therte sijn tl. â 5G0. an den a. â 570. Waer ileen es ilamler.
574. AC steect {wel te lezen stake) C Ende steect niet van hem m. g. A int {I. init) gewout â 575. Daer bi dat â 576. A Mercti si A stoet â 577. A tsweet C tsnaeit d. p. scaer hout â 578. Hner â 581. vol â 582. si â 5811. den cruce sont â 584. omberen â 585. A niemene.
586. .4 A|i|iele â 587. = C hanges â 590. gevet to vollen â 591. an staden â 50!!. = (', helpe â 504. .1 llu c. w. s. verladen â 506. .1 hijs â 508. misdaden.
109
VAN DEN VIJF VHOUDEN.
i.
(j ]Maria, vrouwe uutvercoren , Ghi ontfinghet in u oren
Van den Heilighen Gheest n kint; Gabriël brochte n te voren, 5 Doe lii u twort sprac in doren,
Dies ghi twifelet niet en twint. Daer ontfingdi bider tale,
Dies ghi vro waert, scone sinale; c lOOo Om die vroude diemen vint
10 Die u daer bequam so wale,
Ontfaet mi ten lesten male.
Eer dat mi die viant bint.
Dochter , moeder ende maghet,
Jeghen dat nature draghet,
15 Brochti uwen vader voort.
Salighe oghen, dat ghi saghet!
Salich, daer ghi binnen laghet,
Jhesus, des hoghes Vaders woort!
Dor die bliscap, die ghi inne,
20 Edele maghet, hadt van sinne Omme die salighe gheboort.
Helpt mi dat ic mijn leit verwinne,
Ende ic u ter noot bekinne,
Vrouwe, daer therte scoort.
Titel Van don v bloemen (de afschrijver had o/j den kant. gezet: »van don vi bloemen» {vcjl. I^elit, nquot;. 817: »(lit sijn de vu bloemen») en dit was door den rubricator rjeschreven; doch daarna is de. i doorgeschraittï) â 1. wtvereoren â (». tvvifelt; zie de aant.
10. Zaligbe en zóó herhaaldelijk woorden )net /. gespeld.
«ppquot;
i
VAN DEN VIJF VROUDEN.
3.
25 Vro so waerdi ooc, Marië,
Doe Jhesus, u sone vrië ,
Vander doot te live opstont.
Recht eest dat elc kerstijn lië,
Ende u love ende benedië 30 Onuue dit elc ghelovich mont.
Maghet vol van aire doghet,
Ghi die aldus waert verhoghet,
Als u selven wel es cont,
Helpt mi, uutvercoorne joghet,
35 Ter noot, want ghijt wel doen moghet,
Jeghen den feilen helschen liont.
4.
Selve saegdi ane, Vrouwe,
Dat u kint na sinen rouwe
Ter rechter hant sijns Vader clani,
40 Daer hi taelman es ghetrouwe
Ende bidt den Vader, dat hi scouwe
Die wonden die hi dor ons nam.
Om dese opvaert, die u brochte Bliscap groot in u ghedochte,
45 Want u also wel bequam,
Sijt ghenadich ende sochte Mi, die also diere cochte Jhesus, u kint, dat soete lam.
5.
Ghi waert vro ter vijfter werven 50 Doe ghi ons allen te bederven
Gheheel bi Gode waert gheset.
U verscheden was gheen sterven,
Maer wissel toter hogher erven:
Van u nes op derde let.
55 Omme dese opvaert sonderlanghe,
Daer u omme loven met sanghe
Alle dingle ombesmet,
Helpt mi, Vrouwe, dat ic ontganghe
lono p.)i zoo in den regel v nis n geschreven. â 3fi. lielssclien â 4C2. «'nier â 40. vv'ven â 50. beilarven â 52. Ju v. w. g. stui ven â 5!». ïirven â 54. V. u es op denJe geen l. VyL Claus. 508.
Ill
STROPHISCHn; GEDICHTEN.
Inden lesten hartvanghe 60 Voi* des onreins viants net.
G.
Spieghel boven alle wive,
Ontfaet dese love vive
Van uwen vijf vrouden groot; Laet u lief sijn datment scrivre Gö Ende dat behouden blive,
Niet omme dat ghijs hebt noot, Maer om dattet mi, keitive , Sta te staden tenden den live Voor des viants wederstoot, 70 Ende mine harde herte stive Daermede also dordrive,
Dat si si suver vor die doot!
A M E N.
(VI. alloii â fir». K. om «lat.
112
VAN ONS HEREN WONDEN.
i.
Alsemen merket alle maniere,
Bistu, Jhesu goedertiere,
Pai-adijs vol weelden al,
Want die vader alretiere 5 Vrucht, goet, soete ende diere,
In di plante sonder ghetal.
Diere passie vrucht, die goede,
Ende die vloet van dinen bloede,
Daer du milde of waers int dal,
10 Maecte ende an onse armoede,
Daer noch omme die helsche gloede Weent ende langhe wenen sal.
2.
Seghesalich cruce ons Heren,
Ons die dolen constu leren
C {hel Groningsche lis.) nergens een opschrift: U (hel Ulrechlache ha.) Totten gliecruusteu .lliesma; (! ihel Brugsche lis.) Dit sal men secgen vor onsen here ant cruce: B (het Haag ache As.) Ten beeliie ons heren.
1. /f merct in allen CUB manieren â 2 = ? GB So bcstii (li liistn) 11 .lliesns CB goedertieren U goedei tiren â 3. G vul weilden â 4. U goedertiren G goeilertieren C sonder falgieren â 5. C Goeden vrucht soeten e. dieren I Vrochte goede sute e. diere B zoet Hel is ook niet onmogelijk dat de vier rijmklanken oorspronkelijk op -ieren uitgingen. â 7. I Der passien vrochte G Dine B Dijnre passien B de g. â 8. U E. om d. â 0. I), die (B dn, niet die, zooals Tijdschr. t'lt;, IO'2 gedrukt is) U af CL' waerst C hier int â 10. lat. /inein fecit C Maecstn e. G Maecte een e. II Maect eynde U Dent es (?) dn an onse : CU onser â 11. CU D. omme (U om) noch U helsch geloede â- 12. U Went C e. emmer w.
Tweede Strophe Opschr. U Ten cruce ons heren; G Dit sal men secghen ten cruce â 13. C Zalich cr. U Seghelijc cruus G llelich werde cruce B O salich cr. he lezing seghesalich is van .1. \V. Muller. Acad. Proefschrift, Stelling V â li. G Hem d. d. U canstu G soiistn
Wapene Marlijn e. a. Ged. 8
STROPHISCHE GEDICHTEN.
15 Den wech daermen altoos in lacht.
Den troon ondoestu ons met eren Ende slnuts, die ons wille deren,
Die helle, met ons lieren cracht.
Di nighic oin den Here mare,
20 Die bi di die clene scare
In den hemel hevet bracht,
Ende met di bant den portenare,
Brac die helle, daer si in ware Ghevanghen in der langher nacht.
3.
25 Di, hooft ghecroont metten doorne,
Nighic, dattie Joden, te toorne
Gode, croonden als volc verwoet,
Ghescoort in nienighe stat bi hoorne Ende bebloet in den dorboorne,
30 Spieghel der groter ootmoet!
Edele crone preciose,
Ghevarwet metter reinre rose Jhesns, diet al wesen doet,
Verclare onse herte roekelose,
35 Van sonden doornich ende bose,
Ende maecse suver ende goet!
15. = UG in onlhr. â lö. B ondoetstu G omJaetstu II mit en zon ooi; verderop â- 17. Int. clandis U slmirsto Tl sliint. G sloots G weerst CUB willen C wilden â18. G kracht i? macht â 1(1. UG II Die nige ic \at. propter illum
G omme il. h. U om die eere G om lt;iie lieve â 20. bi di : [/ hide lat. yregent, pusillum G It salige sc. U grote schaere â 21. C ghebracht â 22, II E. mitti h. G E. met ombant C E. bant U... ende b. (lat. per hoe vexillum) G' die poor-tenaie â 23. B Ende brac G E. brachts B d. h. daer si zware G met di die daer in zw. â 24. B Gh. waren in 1. G Gevangnesse w. ter I. G der donker. Wellicht ware het juister geweest in den tekst te schrijven daer si sware. Ghevanghen waren in langher nacht.
Derde Strophe Opschrift U Totter crone ons heren 11 Dit sal men secghen toten hoofde ons heren â 25. CU Die (U Di(e?} hoeft crone (U onzeker) GB Den hoofde geer., lat. ave! caput U mette (?) doernen G met doorne B mit doorne: = met â 20. CU N. om der Joden torne, waarop bij U nog sorgic volgt, G N. den ioden te toren B Nige ic â 27. CUG Die gode G cruusten C alse. Of de in den tekst opgenomen lezing van B de oorspronkelijke is, is zeer onzeker; zie de Inl. â 28. U Gheschoert B Gewont UB menigher G stede C bi thorne U biit.... â 20. C in dat U doerb. B doorb. â 30. G Speghel â 31. U Edel G O edele B O heilige G precioze â 32. ontbr. in G lat. tinxil B Gegreynt B mitter C met der U renre â 33. .Ihesns, als genitief naar G li, U .Thesnm C Van ihrl'm; lat. plasmatoris Gleven doet â 34. Cl Verclaer lat. mens humana U ons CG mijn G roukeloze â 35. lat. spinosa CG tornich II toornich G boze â 3(1. (HI K. maectse CU Maecse.
114
VAN ONS HEREN WONDEN.
4.
Rechterhant, ghenaghelt dure, Ute tli vloeit die soete gure,
Als dat water Phison doet, 40 Die dorneghelden die sure, Die verdoemde creature,
Die ongeloveghe Joden verwoet: Di eric ende anebede,
Di biddic ende versoeke mede, 45 Alse die leghet onder voet,
Dattu mi brenghes in die stede,
Daer die beclaghen haer dorperhede In sijn, ende icker in bliven moet.
Luchterhant, di groetic mede,
50 Dornaghelt metten scarpen snode Des naghels stijf ende lanc;
Virrdr Strophr. Door Verwijs is de vierde Strophe {van C) in overeen si emming met. een (ter heide Lat. teksten tot de zesde gemaakt, doch de andere Lat. tekst heeft dezelfde volgorde als al de mnl. hss. en het gedicht in Tijdschr. 1 'i hl. OS. Opschrift U Totter rechter hant; G Dit es toter rechter hant â 37. C Die r. h. U Di r. h. G duere â 38. G Hute di B VVt lt;li C Daer wt U D. ute CG vioyt U sute G guere â 39. GB Alst w. LT Als dvv. G nut Fison B wt Fyson U uten Ph. (naar G. lat. velut Physon rivus) â 40. Di Cdorne gelden U doerquelden G duernaghelden B doornagelden Cr di znere Gi' die joden s B wel zure â 41. B v. creaturen G verdoomde creatueren; creature hij Gi' is mv., zie van fielten § 288. 2. â 4,2. B D. ongeloovige i. G Donghevallighe (= ? ook Sp. f8, .quot;gt;*2, 15 en var. B wisselen de lezingen ongevallich en ongelovich af) ioeden G Dat ongelovich volc â 43. B Di eer ic G Di zo heeric G Di suchtic U Die eysche ic, lat. te honoro B aenbede â 44. G Ende bidde U Ende bid B Di bid ic G Di nighic G ende verzouke G ene visike L' een visiken, lat. te requiro te imploro; de door Verwijs voorgestelde lezing versiken wordt doov versoeke van GB overbodig, doch de lezing van GU visike berust wel op *versike, dat voorgekomen schijnt uit het streven om het begrip versoeke te versterken; vgl. ook suchten in G, vs. .7.7 en syschen in U,vs. rgt;A {ogl. het gloss. o\) eischen).â
45. UGB Als U lege onde.....â 46. U Dat dn G bringhes B de â 47.
U D. d. beclaghe G I), ic beclaghe B D. si die clagen G huer G mine â 48. B In sinen rike ende = ? U in onthr. G Ende maectse zuver ende goet {uit strophe 3 herhaald).
Vijfde Strophe Opschr. U Ter slinker hant G Dits toter luchter hant â 40. = ? GU Di {G Die) slinckerhant (hant in U onleesbaar) G die gr. B gruetic â rgt;0. B Doorn. G met den sc. = G metter scaerper B mitter scerper {het geslacht van snede wisselt af; vgl. Rose 117!) en var. B: Sp. ft. li, li en var. B) â rgt;1. lat. perforata clavo GU Die nagel
115
8*
STKOPIIISCIIE GEDICHTEN.
Du deels ons na Gyons sede Dine beke, die dorperhede Ons afdwoech ende menighen stanc. 55 Di, edele wonde, wi anebeden
Ende nighen met ootmoedicheden,
Als die soetste ader die noit ontspranc.
Bi di onne ons God dat wi treden Opten viant ende staen in vreden 60 Ter doot, daer ons die wijch wert stranc.
6.
Fonteine van den paradise,
Daer vier rivieren uut van prise
Lopen, diet al maken nat,
Waerbi die viande onwise 65 Verloren hebben macht ende spise Ende noch beven omme dat;
Edele sidewonde reine,
Dies ghelike was noit fonteine,
Noch sulc dranc quam nie in vat; 70 Di erewi alle ghemeine;
Tjeghen tfenijn groot ende cleine Stopt dine medicine elc gat.
7.
Wonde van den rechtren voete,
Uut di loopt die beke soete,
52. C .leclst U deelste L'G gyon â 53. CG Die b. f/...beko, lat. rivum Imim C ilie die d. G die alle il. â 54. C O. afiliioech II O. afdwaet G Ofdw.iet; lat. Uwisli G e. menighe =? GU den snaren {U sw.) â 55. GH Die U Dine (?)
H wi aenb. G ic anebede â 5(1. U Ende onztiker G Di nighic U oet-moedicbede G omoedichede â 57. L' Alse die sute G adre 13 ontbr. G nie 1' ontbr. U ontspian .. â 58. lat. per te; II God gonne ons il. wi bi di t. G Daer bi jonne mi dat ic trede U on ons â 5*.*. G Up den viand e. sta â CO. I' ons d. weeh wort G mi d. wijch es.
/«.«/e Strophe Opschr. U Ter wonden van der side G Dits ter wonden ons liei-e i zide â 62. U riviren B rvvieren GB \vt UG ute â 63. G springhen = V die al G die alle â (i4. C viant II wanden G onwize â 05. LI li. ilacli rnaclit â 00. lat. Iremnli; GU noch doen o. UB orn â 07. G sijtwonde G zidi wonde U rene â 68. U Diere g. G Dijns g. B Dies gelijc B en was noyt G wort
noit = UG was nie â 00. U sulke dranc..... G selc B noit G int â
70. G Di zo eeren wij B Di eren wi G alle ghemeene G al ghemeyne â 71. GG Tieghen U Thegen B Tegen G tvenijn = UB venijn â 72. U dijn G Gestoppet si met di elc g.
Zevende Strophe Opschr. U Ter wonde des rechters voets G Dits ter wonde van den rechter voete â 73. UD rechteren G luchtreu â 74. II Wt di U Ute di G llnte di C Daer wt U liep G vloyt
llf)
VAN ONS HEREN WONDEN.
75 Of het Tigris ware, die vloet.
Mensche, henen quam di die boete,
Dattu clemmes ter hogher groete,
Daer altoos es vrede goet.
Door den loop van desen gate 80 Offerde God tonser bate,
Diemen quetsen niene mach, sijn bloot. Wonde, wijs ons die strate,
Ende dat te tide, niet te late.
Als ons die doot naken moet.
8.
8;quot;) Luchter voet, nut dinen gate Sent sijn bloet tot onser bate
Ili die God es ende man.
Du best ghelijc der Eufrate,
Want du dwoeghes af alle hate,
!M) Daer ons die nacht helt in den ban.
Soete naghel, soete wonde,
Soete bloet, dat inder stonde
Uut dinen heilighen gate ran,
Bi di moeten winnen ghesonde 1)5 Die traghe misdadighe honde.
Die hope draghen an di dan!
75. C Uit T. I' Ofte T. Als of T. II Als hot T. U waor - 7(1. C Monsselio G onlbr. lat. per hiinc rivum (I wane IJ wan G hier of Misschien Ir lezen licuof, dnl slechts zeer zelden in hel Mnl. is (inngelrolfen {Mul. Willi.
doch dal wel gewoner znl yew eest zijn dan de weinige voorheelden zonden doen vermoeden; vgl. het in vla. geschriften zeer gewone dunof 6' zo q. ons â 77. U Dat «In G I), wi U clcms C climrnes B clyrnmes G cleininen â 7S. Bin G vr. ondc goet li vr. e. groot: is endo oorspronkelijk in spijt can het Int. vnlti /m.r esl slabilis)) ? â 7'gt;. G hor «li loept lat. per hoe vnlnns hoc foramen GIJ van dinen â 80. G god ooc G ton/er baten LI tot onse bate G dor o. I». ~ 81. lat. deus itnpassilnUs; IJ Die men n. q. en mach bloet {onzeker) /gt; Daer men niet »'ii qnetst s. bl. G Sijn ghebenedide blort; lees Diemen niet en qnetst, s. bl.? â Sk2. G ilelighe wonde wijst Jf W. glii wijst B inde str, â li K. dat te t. emle n. te I. G Dat te tijt e. n. te I. 1' Dat die tijt coem n. te 1. lt;1 1). d. t. coemt niet en I.
Achtste Strophe (fpschr. U Ter slinckeren voete G Dits ter wonde vanden Inclitren voete â 85. G Slinker IJ Slincker G limit Gt'li wt I' gaten â S(i. B Seynt â GU Sende B s. bl. ooc tonser G bi ooc toot onser: lees ooc tonser? / baten â 87. U Hcde die G lgt;i di die li is Gi' was, lat. dens-honio â 88. G D. biste U Die bist li Dn bist CU gelike GU eniraten â 80. G droges ons af die li. U dwoges ons af die baton G ot' dwonglies al die baten: oorspronkelijk ons af die bate? â 00. BLJ bilt G helpt LJ in ban â 01. t' Snete n. sue te â 0'2. ir Snete = CU in dier â 03. BC Wt U üten dinen gate G Uten bel. g. â 04. lat. resnrgat, G moet wi bebben U moeten wi b. â 05. GU Wi G mesdagbe: lat. enwndetnr homo pravns â 00. G D. li. an ili dr. G Hope so drage wi an di U Hoep so drager (?) wi acn di; lat. in te lt;}ni spem hahnit.
117
STKOPHISCHE GEDICHTEN.
9.
Dochter, moeder van den kinde,
Die dijn kint saechs hanghen te winde, Wat rouwen doghestu ende wat leet! 100 En es glieen mensche diet ondervinde,
Nocli so heilich diet ontbinde,
Want die menscheit niet en weet.
Van rouwen moet dorboort wesen Mine herte sonder ghenesen,
105 Die verdient heeft cout ende heet,
Dat si niet en si verdoemt bi desen,
Met pinen dorgaen ende dorlesen,
Want si ten sonden was ghereet.
10.
Ay Johan, ewangeliste,
110 Du waers hoeder ende sacriste
Der cameren, daer God in lach;
Dese werelt hout mi in twiste;
Help mi daer ic omme ghiste Ende dies ic ghere al dat ic mach! 115 Ic vermane di biden wene
Ende bi den rouwe die niet was clene,
Xeyende Strophe Opschr. U Tot onser Vrouwen G Dits toot onser Vrouwen â Ji van dinen â 08. lat. lt;]ne vidisti, G Dattn h. zaghes C Daer ghi u kint saget li. U Daer du en sages h. â 09. G rauwen B doochstu C dogedi wat : = GLT welc, B ontbr. leet : G zeer â 100. U En is B Ten is gheen inensche : B niement CU geen herte C die CU bevinde â 101. CU Nocli {U No) tonge so Of niet wellicht CU in vs. lOO en 101 de oorspronkelijke lezing bewaard hebben, is moeilijk uit te maken. G helich â 10!2. C inenssclieit = ? GU mensche â 103. G rauwen B moete U doerboerd B doorboort â 104. BCU Mijn G genezen â 105. G D. hevet v. CU Want v. heeft U coud G eet â 100. Bij G 106 en 107 in omgekeerde volgorde U Dat niet en si C Dat niene si GB Dat zi niet en zijn G bi dezen â 107. G Ooc doorg. e. dor-lezen BU doorgaen ende (U och in pl. van ende) doorlesen â 108. CU Want t. s. G te /.ouden C es.
Tiende Strophe Opschr. U Tot sente Johan Ewangel.... G Dits ane sinte Jan ewangeliste â 100. CU O J. G iohannes â 110. CU waerst G hoedere CU behoeder U ende... â 111. = ? BC earner â 112. GB. Die w.; lees Die werelt (houdet?)? 1? houdnii..... G twijste â 113. U Melpe GB Helpt
BU om â 114. CU E. dat U gheer al d. G gherne dat U al dat.... â 115. G bemane â 116. Ji Bider r. G. E. bi den rauwe B niet en was U niete
118
VAN ONS HEREN WONDEN.
Die dijnre herten gaf den slach,
Daer du Gode versmaet saghes rene,
Dattu mi makes der scaren ghemene,
120 Die God verloste opten vridach!
117. C Daer dijn herto U Ihier die heite I' gaf den.... â 'HH. lr versiniicn sagest i-c .... H vei-saemt sages r. G /ages versmaet allene â 110. /gt; I*at du ons niaecs U inakest G maects L' scaren.... â 120. C verloeste I verleest U oji den G upden G vrindacli = (vgl. de Aant.) C paesdach L paesd.... Onderschrifl in tl Amen.
119
DIE CLAUSULE VAjS DER BIBLE.
i.
( l!)8c Waort dats mi Maria onde,
Met enen besmetten monde
Prijsdic gherne suverhede,
Haer te eren, die noit sonde 5 No en dede no en conde,
Noch ghepeinsen dorperhede,
Indien dat si mi ontbonde,
Si die menighe sware sonde Heeft gheganst met hare bede,
10 So dat mi ter lester stonde Jhesus Kerst so reine vonde,
Dat hi mi ter lester stede Decte onder sine lede.
2.
Nadien dat ic wille waken Ommo dichten ende omme maken
Rime van der moeder ons Heren,
So waert onrecht, sonde mi vaken;
Maer ic bidde, dat si doe smaken
So mijn dichten ende mijn leren.
Dat ic moet in Dietscher spraken Fraye rime also gheraken,
Haren lieven Sone teren,
Dat hi in der lester wraken
:i. Hs. zuuei licdc cn zoo lal van woorden mal / gespeld en v als n geschreven.â Iiur â S. monglie â 9. Iiorc Ij. â 15. Om d. e. om w. â 18. Mei' â '20. Diiutschcr â 2'2. Horen llieien
15
'20
DIE CLAUSULE A7AN DEU BIBLE.
Mijns niet on moet ontsakon,
25 Maer sijn ootmoet an mi keren,
Alle den duvelen tonneren.
3.
Ghi sijt bi den Paradise Wel betekent, Vrouwe van prise,
Daer uut spranc deerste fonteine,
Recht in der selver wise Quam van u der enghele spise,
Die ghi droeghet, Maghet reine,
Ende om her Adaems onwise Vanden appel ende vanden rise Al hier quam in desen weine.
Dus ghevielt ons wel te sise Bi u, Maria Vrouwe, dat ghise Hebt verloost, groot ende cleine.
Die in die werelt sijn ghemeine.
4.
Wilen in der eerster ure Maecte God, seit die Scrifture,
Van der erden den here Adame,
Eer noit quam in derde vure;
Om datsi was reine ende pure,
Gevewi haer magheden name.
Recht in der selver figure Droeghedi boven die nature
Sonder smette ende sonder blame Uwen vader, creature,
Die noch noit en wart te sure Clein no groot uwen lichame:
Moeder sidi sonder scame.
5.
Doe her Adaem sonde dodo,
Dreighode God tor selver stede öö Dat serpent met u wel sore;
Hi sprac: Je sal setten onvrede Tusschen di oude twijf mode:
Si sal dijn hovot emmermere
ousakcii â -5. Mor s. o. aoii â .ÃU. I, hier cn 4ü ilcser? â lil. u unlbr. â 43. uure â 45. Geve wi luier maegli. â 57. ïnsgheii /. dat wijf?
121
30
35
45
50
c l'iSrf
STROPHISCHE UEDICHTEN.
Bedwinghen ende al dine lede. -60 Dus hebdi, Vrouwe, die moghenthode Van Gode boven Lucifere.
Dor uwe grote ootmoedichede Ontfaet, Vrouwe, mine bede,
Ende dwinghet so den helschen here, 65 Dat hi mine siele niet ontere.
6.
Doe God die werelt wilde wieden Van den sonden, die gheschieden
In so menigher manieren,
Ontflo Noë met sinen lieden 70 Entie an sine ghelove ghieden,
In die arke nietten dieren.
Tscliip duncti mi wel bedieden;
Want die nie van u en schieden, En can nieman ghevisieren,
7n Wat groter sonderlingher mieden God ten lesten hem sal bieden,
Daer die du vele sullen grongieren Ghelijc den leuwe enten stieren.
7.
Doe Noë dreef met sinen wive, 80 Ende met hem noch ses keitive
In die arke, dat waren si achte, Waerdi, Vrouwe, daer ic af scrive, Die duve, die van der olive
Den telch daer ghedraghen brachte, 85 Die drie te troostene entie vive.
Duve sidi van uwen live
Sohder galle, simpel ende sachte. Helpt mi, Vrouwe, dat ic bedrive So mijn leven, dat ic blive 90 Also reine in mijn ghedachte, Dat God mijns ten lesten achte.
8.
Sara loech, om datsi sonde Een kint draghen in haer oude.
122
7^. euscieden â vi â tetroesten â Kgt;. 11111-
li;}, onliiet â 70. aen
| | â k
DIE CLAUSULE VAN DER RIULE.
Want het dochte haer wonder weson.
9ó Dat betekent ons die vroude,
Die ons quam tonsen behoude,
Daer wi alle bi sijn ghenesen,
Want g'hi sonder mannes scoude Droecht dat vleisch dat vander monde 100 In Paeschdaghe es verresen.
Quijt ons van der helscher conde, c ni'ja Daer dat leet so menichfoude
Is, dats nieman can ghelesen Tdnsentichste deel van desen.
9.
105 Ghi sijt die ledre, Moeder, Maghet, Daer die Bible af ghewaghet.
Die Jacob sacb slaen ten trono. Wie so hope an u draghet, Ghi brincten al onghevraghet 110 Toter eweliker crone.
Die u sine sonden claghet,
Ghi helpt hem dat hi bejaghet
Aflaet; ghi sijt van hoghen lone.
Bedi ben ic al onversaghet,
115 Ghine suit doen des ghi plaghet Hier te voren, Vrouwe scone: Gherechte hope en is ghene hone.
10.
Ghi sijt Rachel, die hier te voren Met Jacoppe was vercoren,
120 Dat was des salichs Joseps moeder; Egypten hadde ghesijn verloren, Sonder spise ende sonder coren,
En waer dat hire af was behoeder. Vrouwe, van u wart gheboren 125 Sonder smette ende sonder toren Jhesus Kerst, der sielen voeder; Leert ons na dat rechte horen Entie sonden al testoren,
123
Ende maect ons van sinne vroeder, 130 Want u kint is onse broeder.
V)4. luier â IU8. aen â 117. grerechte â 119. iacob â Ende w. â 1^8. En tie /.. alte storen.
124 STROPHISCHE GEDICHTEN.
|
11.
Ghi sijt tfaetken, Vrouwe scone,
Daer dor die vrese van Faraone
Moyses in wilen screide;
Ghi sijt tflies, daer vanden trone,
Dor den stouten Gedeone
Hem die salighe dau in meide.
Ghi sijt die vrouwe, die Salomone, '
Om tontfane wijsheit te lone,
Sochte over so menighe heide.
En daeddi, niet ene bone Ghetrooste hem die sonder ter crone;
Ic waense hem God ontseide:
Ghi sijt troost ende hulpe beide.
12.
Dits die wonderlike doren.
Die Moyses hier tevoren
Bernen docht ende niet en brande.
Van den Joden was si gheboren,
Die scarpe waren alse sporen
Ende onsen Here daden scande;
Maer si was daertoe vercoren
Moeder te sine sonder toren, 1
Recht als die branie gheen vier en cande.
Alle warewi verloren,
Maer dat God wilde testoren Bi deser vrouwen die viande,
Die ons hadden in haren bande.
13.
Ghi sijt manna van soeter smake.
Dies die Joden ghene brake Hadden binnen viertich jaren,
160 Doe si laghen buten den dake,
Ende hem altoos enghene sake
|
In die woestine ghebrac tewaren.
Ghi droecht den worm, die den drake Lucifere met onghemake
/. Hor vrese? â lii4. dut van â 137. Salomoeiie â KiW. tontfacn â i'tl. Wan â 150, 154. Mor â 151. sijn â 1 r^. Kcch Ijoino, du vcrbelcrintj (ook ni.
us. I'M) is van Venvijs (Stroph. Gcd. l ill noot). â â IT)!!, ware \vi â loli. Iiorenâ gt;
158. I. engliene? â ITiO. xi.
t
135
140
145
150
(' lUilA
155
DIE CLAUSULE VAN DER IUJ5LE. 125
165 Rovede ende alle sine scaren.
Doe ontfinc Adaem die wrake Van des serpents valscher sprake,
Daer hi omme moeste varen Ter hellen ende langhe misbaren.
14.
170 Ghi sijt die steen, daer wilen dede God dor Moyses ghebede
Die clare fonteine nut springhen.
Vrouwe, u grote ootmoedichede,
U suverheit, u goedertierenhede 175 Holpen ons Gode bedwinghen,
Ende brochten alhier ter stede,
Daer hi noit en hadde vrede,
lline moeste striden ende dinghen Altoos om onse salichede,
180 So dat sine viande daermede
Also speelden, dat sine hinghen.
Dien dingle loven als si singhen.
15.
Maria, edele Vrouwe goede,
Ghi sijt betekent bi der roede,
185 Die tserpent droech van metale. Die ghevenijnt waren in den bloede,
Saghen sise an, domme of vroede,
Si ghenasen altemale.
Noch en sidi niet so moede,
190 Ghine hebt der gheenre hoede,
Die gherne van u horen tale;
Hoe qualike soot met hem stoede,
Ghi brocht u kint wel in den moede,
Dat hijt vergave dor u wale 195 In der lester waghescale.
16.
Ghi sijt die pot van finen goude,
Daer manna in rusten woude,
Dien God van den hemel sende;
Ghi sijt die dorre roede, die oude,
170. ilio wilen. /V verbeterhui is van Van Vloten â 174. .aoeileitiornliede â iT^i, 174. tbnteyne, noyt â 1^7. nen
STROPIIISCHE GEDICHTEN.
200 Die noten droech bi Goods ghewoude;
Ghl cont siende maken die blende.
Ghi sijt die slingher, daer die boude David mede te sire vroude C HHif Den starken Goliase schende:
205 Ghi droecht sonder mannes scoude Den selven God, die van der monde Adaem maecte : sijt ons ghehende ,
Edele Vrouwe, ten lesten ende!
17.
Der scrifturen horic liën,
210 Dat wilen soude vermalediën Balaam dat Joodsche here;
Aldaer sprac hi van Marien Scone in sire propheciën Ende hietse sterre van dor mere; 21quot;) Die sterre coos God tere amiën,
Want hi wilder mede ontfriën
Altemale die helsche were.
Die deser sterren niene vertiën,
God salse metten bloede wiën,
220 Dat uut sire siden ran an tspere:
Helpt ons, Vrouwe, wi hebbens ghere!
18.
Ghi sijt Jahel, die vrouwe cleine,
Die Sisaroene versloech alleine,
Die so stare was ende so mare:
225 Al tfolc ontsaghene ghemeine.
Also verwondi, Maghet reine,
Lucifere ende sine scare.
Ghi holpt uut desen weine,
Aire ghenadicheit fonteine,
230 Menighe siele die was in vare;
Uwes kints voete ende beine Entie hande gheverwet in greine.
Die ons bi u gheseint was hare,
Verloosset al ende ghi daer nare.
19.
235 Maria, ghi sijt die edel gaerde,
Die haer nter wortel baerde 201. /. maken blende? â 209. lyen, ook vertyen, wyen â 211. here, mere were cmz. dio.I ecno kleine a boven de eerfile e â 222. .laliel verhelen! uil rarhel -22^. alleine verbeterd nil allene â 228. I. nte? vgl. de Aanl. â 2ti(). hur
12f)
DIE CLAUSULE VAN DEU BIBLE.
Van Jesse, nader Scrifture.
Die bloeme daer af was die waerde Jhesus Kerst, die luttel spaerde 240 Om ons te drinkene dat sure;
Daerop ruste, als hi begaerde,
Die Heiligheest, die hier op daerde Uwen lichame lieiligiiede aldure,
Entie u suverheit vermaerde.
245 Edele Vrouwe, sijt in onse ghevaerde,
Dat ons in der lester ure Die duvel niet en si te sture.
20.
Old sijt twater, dat wilen ere David begaerde, die here,
250 Van Bethleëm der fonteine.
Dat drie riddre ende nemmere Haelden met wel groter ere Dor die viande ghemeine,
Entie hem avontuurden sere C 11)!W 255 Rede ten gane enten kere.
Ghi sijt soete, suver ende reine;
Iline is so wijs, diet vollere Wies ghi werdich sijt emmermere;
Dat wi segghen dat is cleine,
260 Want ghi sijt naest Gode alleine.
21.
Dits Abisach Sunamite,
Die wilen den coninc Davite
In sire groter ouden diende;
Bi haer sliep hi met delite,
2G5 Nochtan bleef si sijns lives quite:
Dat wisten wel des conincs vrionde.
En diendi Gode niet met vlite Vor ons, so ne is so heilich heremite.
In wane sijn spel hem ontsiende;
270 Van uwes lieves kints verwite Ende van Lucifers ghebite Sone ontghinghe niet die tiende.
Weder werende no vliende.
'240. (Iiinkoii â 241. ruste hi als â 243. opt a., vyl. 431; of I. optei-? â 240. nm hd. melrnm te lezen ilie ^i-ote of die edele here? â 2ri2. Iliielile â 254. nvon-tnrden â 2(kï. groten â 204. Imr â 2(i0. waeue
127
STROPHISCHE GEDICHTEN.
22.
Men leest in Ezechiëls tale 275 Dat hi an ons Heren sale
Ene porte sach besloten vaste,
Daer God door in stilre hale Sonde liden altemale
Ende nemmermeer ander gaste.
280 Dat was u lichame, scone smale,
Dien ghi so reine ende so wale Hieldt, datter God in raste;
Hine maecte u suverheit niet vale,
Uutvercoren nachtegale,
285 Met sinen ghebenediden laste:
IIi was tseil dat hinc an den niaste.
23.
Edel Maghet, Vrouwe fine,
Ghi sijt probatica piscine Van Jherusalem der stede,
290 Daer een man van sire pine Ghenas bi swaters medicine,
Ende sijns evels hadde vrede.
In aire tijt doedi anschine,
Opembaer ende stillekine,
295 Vrouwe, uwe ghenadichede.
Die an u leghet therte sine,
Ghi loosten nut sduvels venine,
Ende brencten met uwer bede Ter eweliker rusten mede.
24.
300 Men mochte nemmermeer, Marië,
Ontbinden al die prophecië,
Diemen vint van u bescreven.
Van u so spreect Ysaië,
Daniël ende Jeremië,
300 Die uwen prijs hebben verheven. C 200« Abacuc ende Zacharië,
Johel, Naüm ende Abdië
quot;â ll'.K misschien Ik lezen nemmeer â '280. licham â quot;i'Kl. aenscine â 307. Abilië {Int. vorm Alxlias) d. i. Obadja; zoo ook Aggeüs, Haygai: Soplionie, Zephanja Malacliië, Maleachi; Aman /.s zei;ar bedorven voor of verward met Amos.
128
DIE CLAUSULE VAN DER BIBLE.
Ende ander die met Gode leven; Aggeüs, Aman, Sophonië,
310 Oseë, Jonas ende Malachië:
Bedi moet ics begheven.
Helpt mi, Vrouwe sender sneven!
25.
Dese vrouwe, dese maghet,
Die den duvel noch versaghet, 315 Was so claer na den lichame: Die nature hadde haer bejaghet Die scoonheit, daer haer mede bedraghet
Al dat hevet menschen name.
Wat helpt daer omme ghevraghet? 320 Van haren live was ghevaghet Alle smette ende alle blame;
An haer en was niet ghetraghet;
Haer ghelike wart nie verdaghet,
Noch gheboren van Adame 325 No so reine no so bequame.
26.
Hare haer was scoonre dan goutdrade â Want die nature vant in rade,
Dat sijs haer gonste allene â
Haer vorhooft slecht ghelijc den plade 330 Ende witter dan die lelieblade;
Hare oren wel te maten clene; Wijnbrauwen bruun, sonder ghegade; Die oghen blide ende ghestade Ghelijc den carbonkelstene.
335 Die rode i-ose bat ghenade
An hare lier: het ware scade,
Vondemen so wel gheverwede ene In dese werelt al ghemene.
27.
Noit en maecte die nature 340 Nese bat gheset ter cure,
No lippe so soete an monde.
311 I. so moet o»i hot metrum? â 310, 317. hm- â 321) horen 329, 331. hur â 322, 32(1, 330. huer â 320. gomlitiile â 330. witte sclujiilijk met Vei-wijn te lezen spade: vgl. de Aaiit. â 341. aen Wapene ifiirlljn e. a. Ged.
129
â 323, 328,
â 330. waar-
9
STROPHISCIIE GEDICHTEN.
Wat wonder eest dat vloit daer dure So menighe bede telker ure,
Die verbidt des menschen sonde?
345 Haer tande wit, reine ende pure;
Noit was man die kins figure So scone ghevisieren conde.
Soeter no saligher creature En wart moeder nie te sure,
350 Sint die werelt eerst begonde,
No liier na in ghere stonde.
28.
Haer hals witter dan die swane Of dan ivore of dan boucrane,
Te lane no te cort, maer te mate. 355 A1 leide elcman den sin daer ane,
En seide nieman na winen wane, c -2006 Hoe wel hare haer ghegare sate.
Hare arme lane naden welstane,
Witte hande ende welghedane,
300 Altoos ondaen ter caritate.
Nu sijt ghereet. Vrouwe, tontfane Den sondare, die sine trane Gherne laet oin sine ommate Ende doet datten God niene hate.
29.
365 Magheden vantmen hier tevoren, Van scoonheden uutvercoren,
Maer onghelijc waren si Marien:
Haer scoonhede dede die manne verdoren, Die hare minne node omboren 370 Ende begaerdense tere amiën;
Maer noit man en wart gheboren,
Sach hi Marien, datten beeoren
Mochten enighe dorperniën.
Bi hare wart noit man verloren,
375 Maer ghebetert, als wijt horen.
Alle die op hare liën;
Hets recht dat sise benediën.
:Vf4. zonden â :!4rgt;, 352 , 358 , 368. Inn- â â 34ti. kints f. I)i' wheterinfi is van Mevrouw van (ivhh'.r. ycb. Van de Water {Tljdschr. R, 225 vlijt/.). â 340. niet moe-iler te s. Vi/I. va. 50. â 351. No hier no â 354. mei- te maten â 357. Imr hoor «.'hegiiren saten â 30(1. caritaten â 354, 307. nier. â 3(17. marie â 309. hore â 371 , 375. Mer.
130
DIE CLAUSULE VAN DER lUKLE.
30.
Ja, sint datsi droech den Here,
Diese brochte te suiker ere,
38(1 Als moeder ende maghet tsine.
Wies haer scoonheit ielanc so mere; Uut haren oghen scheen telken kere Een licht ghelijc den sonnenschine, Dies menighen wonderde wel sere. 385 Hoe mochte hem gheschien enighe dere. Die sien mochte die scone fine! Ay God, ghef mi dat ic beghere Ende dies ic harde node ombere,
Dats dat ic na deser jjine 390 Scouwen moet die moeder dine!
31.
Al haddic alle die const van sinne Die die werelt oit hadde inne Of hebben sal emmermere,
Dies wordic harde wel an inne,
395 Sone condic u , coninghinne,
Volprisen in neghenen kere.
Bi hare wart ghemaect die minne Tonser joien, tonsen ghewinne,
Tusschen den mensche ende onsen Here, 400 Die vor hare coomste was dinne.
Want ic u so ghenadich kinne,
Vrouwe, so biddic u dor u ere,
Dat ghi mi quijt van allen sere.
32.
Men leest in Janne Damascene,
405 Dat Maria , die maghet rene,
Harde tilike was vercoren.
Dinghel bootscaptse allene G 200c An vader ende an moeder ghemene
Ene langhe wile te voren.
410 Gheheilicht was si harde clene.
Eer si oit quam in daertsche wene
.'iSO. tfi sine â ri8'2. horen â 385. mocht â 301. had ic conste â 39(1. in ghenen â 397. haer â 390. Tnsglien - 4(ti. bid ic â 4(18. An vader au m. â 400. wile ghemene, doch ghemene iloorgi'.slrei'.pl â 411. int aertsce w.
0*
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Of van moeder wart gheboren.
50 vol dogheden was noit enghene:
Des sijn si harder danne stene,
415 Die node van hare spreken horen.
En ware si, het ware al verloren!
33.
51 was out van seven jaren,
Doesi gheoffert wart vanden haren,
Ende besloten ten tempel ons Heren 420 Seven jaer onder magheden scaren;
Doe moestsi met Joseppe varen.
Daer was si ses maende, dats gheen sceren, Doe quam dinghel metter maren Te Nazareth, ende bootscapte tbaren, 425 Daer hem die kerstine alle an keren.
Te haren vijftiene jaren,
Sonder smette ende mesbaren.
Was si moeder met groter eren Ende bleef maecht, dat moghedi leren.
34.
430 Drieendertich jaer met groter waerde Was die vrouwe hier op daer de
In groter joien met haren kinde.
Wat wonder wast, dat si mesbaerde,
Daer sine crucen sach onwaerde?
435 Daer wart haer suur dat sine minde.
Maer doe hi sijn verrisen verclaerde,
Weetmen dat hi hem opembaerde Hare, want hise moeder kinde.
Doe voer die rouwe al haerre vaerde, 440 Want dat si minde ende begaerde Was hare dicwile ghehinde,
Want Jhesus at met sinen ghesinde.
35.
Wie mochte die langhe ende die brede. Die hoocheit ende die diephede
414. dan â 415. Imr â 410. waer waer â 417. Vf/l. Sp. K', c. DO. â 420. maegheden â 4'24. tliaren. â 430. Drie ende xxx â 4:$2. horen â 420 xv â 4:i0. mei â 4:i0, io\i\ve vprhelvnl uil nrouwe â 441. hur â 442. Vijl. Wait. Marl. lil . 342â344.
132
DIE CLAUSULE VAN DER BIBLE.
445 Van hare ghenadichoit ghegronden ?
Niemen, dat weet ic gherede,
Uedi si versoende die vede
Van onsen dorper liken sonden. Ten vruchteliken gheschedo,
450 Maria, sijt in onse ghelede
Alset coomt tor lester stonden,
Ende deet ons met uwen clede,
So dat wi van allen lede
Quijt ende vri ende al ontbonden 455 In den lesten werden vonden.
36.
Die lancheit, Vrouwe, van uwer ghenaden Die staet elken man in staden Toten einde van sineii live: (' 200/ Die breetheit heeft vanden misdaden
400 Alle die werelt breet ontladen,
Die quamen vanden eersten wi ve; Die hooeheit heeft den hemel beraden Van den valle, die si daden Die nu sijn helsche keitive;
465 Die diepheit heeft die helle dorwaden Ende verloost, die om u baden Moer dan dusent jaer ende vive:
Dus eest ghescreven als iet scrive.
37.
Na Jhesus opvaert levede die goede 470 Maria in Johannes hoede
Drieentwintich jaer ende mere,
In reinicheden ende in ootmoede,
In bedinghe ende andre goede
475 Wat wonder wast, al was si moede. Al begheretsi met spoede
Te siene haer kint ende haren here?
Wilen sach sine onder die roede Ende bespringhet al met bloede: 480 Nu begheret si wel sere Te siene sine grote ere.
440. /. To den om hel metrum? â 400. Die alle ilie doch 'mei stipjes onder Die â 4()7. wel te lezen vijf dusent, zie de Aanl. â 471. xxiii (claarenleyen vs. 430: drie ende xxx). â 471 IJel hier ontbrekende vers kan b.v. ijelnid hel)hen: «Daer in si was in allen kere» {of «ennnerinere») â 477. Tezien hur
133
STROPHISCHE GEDICHTEX.
38.
Van haren einde wistic wat scriven,
Want ghelijc sondighen keitiven En mochte haer gheen herte breken. 485 Al inoestet vleesch ene wile bliven,
Ende die siele ten Sone opcliven,
Die doot mochter niet an wreken.
Si is endo was spieghel van wiven.
Al wildese God laten ontliven,
490 Daer en waren sweren no steken.
Daer was van meer dan van hem viven Ghehoort den inglen bliscap driven: Dat moghewi sonder valsche treken Gheloven ende coenlike spreken.
39.
495 Seventich jaer ende twee ooc mede Moghedi horen datse God dede
Hier op aertrike leven.
Josaphat dat was die stede,
Daer mense groef na die lantssede:
500 Dus moghewijt lesen bescreven.
Daer en vintmen vleesch no lede,
Jlaer al gheheel in groter vrohede
Voer si haren Sone beneven:
Dits onse ghelove ende onse ghede. 505 An haer es al onse salichede
Naest Gode allene, diet al mach gheven: Die op haer liët, mach niet sneven.
40.
Boven alle inglen scaren Ende boven allo martelaren 510 So es dese Vrouwe, verheven; C 20la Naest Gode so is si ghevaren
Met siele ende met live twaren,
Daer si ewelike sal leven.
Tienvoude sonne mochte niet verclaren 515 Die grote scoonheit van haren,
484. hur â 485. moestet tvl. â 494. hem onlbr. vivc â 402. inglicl â 40 Dertich. Zie dc Aant. â 407. L aerderike? â 408. Vyl. Lsp. II, 58. \'M vlgg.; 51 1â3 en Vijf Vrouden 54 â 503. horen â 505, 507, 5i6. hur â 500. jiI onlh Dc invoeging is van Verwijs; die van en vóór macli m 507 is niet slriktnoodig.-514. mocht; /. en mochte v.? â 515. zie de Aant.
134
DIE CLAUSULE VAN DEI! BIBLE.
Die Gort hare heeft ghegheven.
Scoonst der hemelscher pilaren,
Daer God op ruste dor ons misvaren,
Daer du Gode sijs beneven,
520 Bidde vor ons als dingle beven!
41.
Ghebenedijt van allen monden Sidi, Vrouwe, tallen stonden,
Daer dese rime om begonden,
Ende alle Heilighen dies mi onden 525 Al ben ic besmet met sonden -Dat ic ghedicht hebbe ende vonden Van der scoonre Vrouwen, der blonden,
Fraie rime, ende dat ombonden Dattie boeke een deel orconden:
530 Niemen en mocht al ghegronden.
Nu quijt ons, Vrouwe, vanden honden,
Dat wi bliven onverslonden!
42.
Jacop heeft ghemaect van hare.
Die so scone is ende so clare,
535 Datter werelt openbare
Te segghene onverwinlic ware;
Ende bidt dat sine beware Tor lester stont, die sere is sware,
Dat lii te rusten vare 540 Met hem toter blider scare,
Ende sine quite van den vare Vor Hem, die sonden heeft ommare.
Dat lline te sire ghenaden spare Ende lline dan bringhe dare,
545 Daer nemmermeer en einden jare!
A M E N.
516. liaer tievet â Til?, pylareii. Vijl. Lsp. II, (10, 101 vlij. â ö'ii. .In/t deze strophe onlbreelit een vers: zie de Aunt. â .ViO, ics â Jacob â /eggen â 537 vl'jij. zie de \lt;inl. â 542. ilie do zomlen 545. en ontbr.
135
VAN DEN LANDE VAN OVERSEE.
i.
( -OH/» Kersten man, wats di ghescliiet?
Slaepstu ? line ne clienstu niot
Jhesum Christum dinen here?
Peins, doghedi dor di enich verdriet, 5 Doe hi hem vanghen ende crucen liet, Int herte steken metten spere?
Tlant, daer hi sijn bloet in sciet,
Gaet al te qniste, als men siet:
Lacy, daer en is ghene were!
10 Daer houdt dat Sarracijnsche diet Die Kerke onder sinen spiet Daerneder, ende doet haer groot onnere Ende di en dunkets min no mere!
Die Kerke is van haren lene 15 Ontervet: dijn herte is van stene,
Kerstijn, en gaet het di na.
Si is dijn moeder, die ie mene.
Die di suver maect ende rene,
Alsmen di in die vonte dwa.
20 Satanas kinder alghemene
Hebben die mammorie allene
Beset op dat di toebesta.
Nu roept die Kerke met groten wene:
»Jhesus Kerst van Nazarene,
4. iloghedc lii, het kan wellicht ook zonder verandering als dogedi worden gelezen. â J l, li. keirke â 13. dien d. â 16. en ontbr., óf te lezen gaet het di niet na? â 20. kijnder â toe besta en zoo ook elders samengestelde ww. vaneengeschreven. â 23. keirke â 24. Jhesns kijnt vgl. vs. 53. Kint schijnt hier niet de juiste nitdrnkking.
VAN DEN LANDE VAN OVERSEE.
25 Men rovet dat erve dat di toega:
P u g n a pro p a t r i a!»
3.
Omme scat so gaepstu wide;
Elc is op andren vol van nide,
Ende dinèn God heefstu vergeten. 30 Die door di ontdede sine side,
Roept »help!» op di te desen tide,
Ende claghet: des wiltu niet weten I Hoe moghestuut laten dus ter lide, Dat dat vole vermaledide 35 So verre ghepaelt heeft ende ghemeten? God proevet di in desen stride: Ui doghet, dat menne te halse ride Voor di, ende du bist vast gheseten, Sughende an der weelde reten!
4.
40 In weelden sitstu hier versmoort,
So dat met di is onghehoort C 2o'gt; Gods lachter ende sine scande.
Dune peins niet om die moort,
Die tot Akers in die poort 45 Wrochten die Gods viande.
Daer is Gods dienste ghescoort,
Cloostre ende huse sijn testoort,
Tvolc verbeten van wreden tanden.
Kerstijn man, twi en trecstu voort?
50 Waerom sitstu hier verdoort?
Du sout hemelrike panden
Op Gode, wiltu dien lachter anden ! J
5.
⢠I - gt; * , J*
Jhesus Christus van Nazarene Gaf van Akers der porten ene 55 Name, die was -vermaledijd.
Daer voorsprac hi van den wene,
Die opt kerstine volc ghemene ,
Ghevallen is in corter tijt. t-
27. Om â 'So. tei lido â .Vi. uiulcn verbeterd uit pandeji â 53. te lezen Kerst? â 5(gt;. waarschijnlijk te lezen Daer v. Iii bi; zie de Aant.
137
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Tc diere porten, also ic mene,
60 Waren ierst uutghetrect die stene,
Ende een inganc ghemaect so wijt,
Dat die Sarracine onrene Allo ingoten, groot ende clone;
Ende daer becochten si den strijt 65 Die op Gode hadden ghelijt.
6.
Men ghinc daer houwen ende slaen; Die kerstine worden scer ondacn:
Hem mochte gheen weren ghewepen. â Si moesten alle die doot ontfaen 70 (Daer jeghen mochte niet ontstaen), r 4 Die niet ontspronghen in schepen.
Men sach daer laten meneghen traen: Kerstijnheit wart sonder waen
50 jamerlijc int vel ghenepen.
75 Men mach janier hierin verstaen:
Die predicare dede men vaen,
Ende alsijt crucifix ghegrepen,
51 dadent achter straten slepen!
7.
Joncfrouwen van religioene,
80 Suver ende van heiligen doene,
Onsuverden die Sarrasine.
Wiemen hoorde die was soo coene Die Jhesus noemde, Marien soene.
Men dede hem torment ende pine. 85 Men briet sulken ghelijc den hoene.
Side wart onthalst bi den caproene,
Sulc ghescout ghelijc den swine.
Ghi heren, ghi princen, ghi baroene, Hoe coomt dat hem elc niet vermoene 90 Met live, met goede ghereet te sine. Te suverne tlant van den venine?
8.
Kerke van Romen, tree dijn swaert, ( 2(t'.hi Dat di van Gode ghelaten waert,
71. Ic lozen in den sclicpcu? â 75. iiiniitici' â 1\). .lonlVouwcn â SI), sounc vernioeiio vjl. voor hel rijm Alex. Inl. lxx vhj.; Franc!;, Mul. Grcmini
§ 20; Van Hellen, Mul. Spraukl;. JMi en vs. 'HO en 21H. â 01. siiveren
1:38
4
VAN DEN LANDE VAN OVERSEE.
Kerstijnheit hevet te doene heden!
95 Besie oft vlegghe hevet of scaert Ant einde of daer middenwaert;
Ende oftuut overwaer vinds versneden,
50 spoet di danne metter vaert,
Ende doe al onghespaert
100 Een van betren snede smeden!
Qualike is het gheachterwaert;
Diere cardinale aert Die is van alsulken seden,
Hi street na seat met allen leden.
9.
105 Alse thooft gulselike ontfaet
Den wijn, die sine kele doorgaet,
Het ontkeert alle die lede.
Die mont hi roept; hi slaet, lii vaet,
Hi verset dat wale staet,
110 Bene faelieren ende voete mede.
Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,
51 is dronken ende al sonder raet,
Die hovet is van kerstijnhede.
Sine heeft gheen lit dat haer bestaet,
115 Keiser, coninc noch prelaet,
Het en is mids der ghierichede Ontkeert van goeden seden.
10.
Hoort, ghi heren, ghi baroene,
Wes die Kerke u vermoene:
120 Si seit: si hevet tiende ghegheven Daer si noit of te haren doene Profijt ghecreech van enen boetoene,
Dat sijt weet of heeft beseven.
Wat dadi in Tunes, in Arrogoene?
125 Jeghen wien waerdi daer coene? i( Rl '
Wat eren hebdi daer beweven?
Waert dat u die duvel niet en spoene, '
Ghi naemt met u te uwen verdoene li Van uwen rechten goede beneven,
130 Ende hulpt der Kerken, daer si tnoet beven.
(M\. dllecu de A run Ant is gedeeltelijk leesbaar, op het overige van het woord ligt een inktvlek â daennitldon waert â 07. vijudl vermeden â 107. onkeert â 111, li)0. Iveirke â 113. hoeft 110. gliirieliede â 117. aan het vers schijnt uit een nietrisch oog inent iets te ontbreken: ook het rijm (ede: eden) ivekt achterdocht. â HO. Vgl. vs. 83 en 80, â 130. keirken.
139
STROPHISCHE GEDICHTEN.
i * '11-Wat scatte hiesch Jhosus die,
Doe hi Tiet met naglen drie
Aent cruce naghelen sine lede? j
Hen doghede man die anxte nie,
135 Die hi doghede, ghelovets mie,
Om di te brenghene ter hoochede.
Wie is hi nu, wie is hi, wie,
Die hem volghet na, daer hie Ghinc om onse salichede?
140 Mi dunct dat elc ommesie.
Wat hi begrijpt, offer af plie
Ghemac te eomen ende weeidichede:
Eis niet, hi blivet mat op die stede.
12.
|
lt;'210a Alse vallen prelatiën
14n In kerken ende in canosicn,
Daerwaert spoedet metter vaert.
Deen gaet smeken, dander vriën;
Daer siet men der simoniën Sere toghen haren aert.
150 Wie sijn si, die daer tvette af siën ?
Die therte hebben met reinaerdiën
Van binnen bewist ende wel bewaert.
Men hevet wat doen van clergiën:
Met loosheden, met scalkerniën 155 Machmen eomen in Gods wijngaer^;
Dus blivet tfruut al onbewaert!
Daermen Gods leden mede sonde voeden I
Ende quoken in hare aermoeden.
Dat hebben al gheblaet die ghiere.
KIO In sal niet seamen doen die goeden,
Maer hem moehte therte bloeden,
Die houden die amiën fiere!
Ay mi! of si te hope stoeden,
Endese alle die duvele loeden,
l(i5 Ie waenre niet ontghinghen viere,
133. luicgolon â 143. Is â lili. Daeiwaer â IT'O. syeu â 150. IVuut â
Kil. Mer
140
VAN DEN LANDE VAN OVERSEE.
Sine souden alle ter lielscher gloeden Wel neder onder der du vele roeden:
quot;Tc sie den hoop so putertiere,
Ende die doghet in hem so diere!
14.
170 Scalcheit he'eft die provende groot,
Diviniteit gaet om haer broot:
Dit sietmen nu alle daghe.
Kerke, clach ! du heves noot;
Dune vinds in desen wederstoot 175 Niewer ghenen vrient noch maghe.
Elc ondoet wel sinen scoot Jeghen dijn rente, maer si sijn bloot
Te wederstane die slaghe.
Al storte Jhesus sijn bloet root 180 Noch enewerf, daer hijt wilen goot,
Die doghet is overal so traghe,
Men vonde cume die daerwaert saghe.
15.
Coninghen, graven ende hertoghen, Dieop^uidren orloghen 185 quot;quot;quot;Ende om een clene dinc verraden,
Peinst wat Jhesus wilde doghen.
Om u te brenghene ten hoghen
Rike, daer altoos is ghenaden.
Sijn huus, sijn lant staet doorvloghen 190 Ende verwoest, alsmen mach toghen,
Ende u en dunct niet siere scaden?
Ghi hebt hem sijn bloet ontsoghen, Twi ontkeerdi hem u oghen?
Ghi hebt enen andren last gheladen, C 210/) 195 Ende laet uwen God versmaden?
16.
Nu weert tijt, datmen sonde
Den schilt van sabel ende van goude
Toghen ende van lasuren.
Die niet voort treedt alse die boude,
17(1. Si-nlkli. â m. vijtuis â 177. mor 17«. wedeistaen â â¢1«7. brenglieu â ju
141
142 STROPHISCHE GEDICHTEN.
200 Ende wreect sire moeder, daer hi af houde Sine kerstenheit, hi salt verburen. Twi wil elc leven met groter vroude, Sonder hitte ende sonder coude,
Recht na sijn ghevoech ter curen ? 205 Het moet al sterven, jonc ende oude: Peinst wat Jhesus ghedoghen wonde i Dor uwen wille ende besuren, { lt;quot; Eer overgaen u tijt encTe uren.
17.
Neemt den schilt vermelioene,
210 Die Jhesus droech omtrent noene Op den goeden Vridach,
Doe hi den camp vacht alse die coene, Daer hi verdinc maecte ende soene Ons jeghen Hem diet al vermach. 215 Vonde men prencen ende baroene,
Alsmen hier voormaels plach te doene , Die Kerke en dade niet sulc gheclach; Want si was des onghewoene Bi Godefroits tiden van Bulgoene, 220 Ende bi Carle, die node sach ,
Dat si stoot ontfinc of slach !
18.
Wat vaerdi in desen daghen Met valken bersen ende jaghen,
Ghi lantsheren, ghi civeteine!
225 Hoordi niet die Kerke claghen ?
Of ghi sijt van haren maghen,
Openbaer liëts int pleine!
Dordi uwes kerstijnheits ghewaghen,
So moeti den schilt draghen,
230 Dien God veruwede met roder greine.
Hine liet hem niet versaghen Ons te loossene uter plaghen,
j Die vloeiet uter hellen fonteine
Ghemanc met torment ende met weine. v --â
'2Ã8. Waer T)c verhetering is van Verwijs. â 209. Neont â '21;!. verding â 21S. vtjl vs. 8;i. â lil. lijets â 228. kerstijnheids â 229. uit een metrisch oogpunt schijnt aan het vers iets le ontbreken. â 233. vlo vet â 234. I. ende weine?
VAN DEN LANDE VAN OVERSEE.
19.
235 Ghi heren â dit is Jacobs vont -Houdt dit kimmijn in den mont,
Vant an desen breidel ouwen;
Later u mede sijn ghewont Binnen in uwer herten gront; 240 Vant die weelde hier verspuwen! Het is ene redene bont: âf â
Hier masseren so menich pont
Ende dat aerme volc verduwen. God make ons allen so ghesont 245 Met rechten ghelove ter lester stont, Dat der sielen te min mach gruwen Van Sathanase, den feilen ruwen !
143
237. Vanc kuwen â 242. massere â R Leenderlz Sr. {Navorschev 10. 422).
243. verdullen, de verheiernui is van
DER KERKEN CLAÃHE.
In dit ghedichte settic voren:
Wie dat doniiet heeft vercoren, ' '/ â¢:
Van hem en comt neghene l)laine â
Al eest dat hem de quade storen,
5 Si hebben daer af haer toebehoren â
Daerbi swighic liaren name.
Die in tghemene sait sijn coren Op den steen ende onder den doren,
Hi wilde datter goede vrocht af quame: 10 Wat mach die saiere dan verboren? ' . ,
Bi quaden herden bliven die scaep verloren;
Die bie trect honech uter branie,
/ rv Dats der coppen onbequame.
^ â 2. , .. m M,.-
/ ' (Ui
Daer wijngaert wies ende edel coren,
15 Sal seker staen distelen ende doren,
Alst ter werelt ende gaet. \ â â¢/â¢'/ tquot;'quot;' :
Sr., ' Ocht Antkerst nu es gheboren, ..w. .
Ende sine jongheren lopen voren V Dorstict segghen, ic wane jaet.
20 Es een dorper, scalc, versworen,
Mach hi gheven, men salne horen T Spreken in der heren raet.
Al heeft een sot op thooft ghescoren
Opschrift dit «lichte oec iacob van Marlant. 18 r.lanselo. Fr//, de collatie van W. de Vreese in Tijdsein'. 1 ^, 250. â 2, 3, (gt;. V(/t. voor de fjedachte Oversee 160r ))in ^al niet seamen doen die goeden» â 0. vroehte â 11. scape â 16. endde
DER KERKEN CLAGHE. 145
O/rt-cryy
Een brede crune toten oren,
Æ ^ 25 Hi nes te vroeder niet een saet:
Ui es vroet die wel verstaet.' quot;
3.
Almechtich God, staet ons in staden,
Ende hulpt mi bi uwer ghenaden!
Ic sonde gherne doen gliewach, 30 Hoe dierste crune was versmaden,
Die sente Petere was gheladen
TAnthiochen, daer hi lach Glievaen sonder alle mesdaden,
Omine dat hi tfolc wilde gheraden 35 Ten weghe, dat lii verdoolt sach.
Nu gaen si op die crune bladen, ' /' Die ghiereghe, die niemen en mochte versaden. Ic wane noit man en sach Vole so ghierech omme bejach!
4.
40 Si doen hen alse meesters horen:
Si craken ons die note voren,
Selve sueken si tear nol.
Aldus doen si tfolc verdoren.
Dien si souden leven voren 45 Ende bewisen goet bispel.
Hoe vele saets dat blijft verloren â¢
Op den steen ende onder den doren.
Dat seit die Ewangeliste wel.
Om dat die herden nu sijn doren 50 Ende met weelden hen versmoren.
So sijn die wolve nu rebel,
Nidech, ghierech ende fel.
â¢c
-r -
7
Hoe menecli wolf es nu haerde Onder die scaep van groter waerde, 55 Daer Cristus omme storte sijn bloet. Die de waerheit niet en spaerde
M7. In lezen Dio L'icro clie mei Verwijs, öf die gliiereghe niemen p. m. Ovev het r/elijke rijm zie de A mil. o/; Disp. 117 en Claus. Wd en 45. goet exempel (op een doorr/eschrapl iiis|iel) iO. dat (hs.. niel d 54. heide, weide; 56, 57 sparde, onvervulde; (gt;2, 03 hovarde, parde heilege bloet. vr/l. vs. 234.
Wapene Marlijn e. a. Ged.
V.?
de Jn us) â 53, â 55. sijn
4-1, / _
V/
10
STROPHISCIIE GEDICHTEN.
Ende sprake als die onvervaerde, *
Hem quame menich fel ghemoet! 'â¢
Corte rocke, brede swaerde t' -GO Sijn nu nuwe, ende langhe baerde â , _
Trouwe es ghetrocken onder voet â Ghierecheit ende hovaerde,
Diere eledere, hoghe paerde.
Opter heilegher Kerken goet Gó Toont nu menech fieren moet.
6.
Ic peise dicwile, alsic wake,
Dat Lucifer, die helsche drake.
Heeft ghestort dit quade venijn.
Ele es nu ghierech omme wrake,
70 Besmet met menegherande sake,
Ende niemen en wilt sculdech sijn.
Doch roepen si met luder sprake Om diere spise van goeden smake,
Ende waer men coopt den besten wijn. 75 Jhesus hinc an des crucen stake,ï Dorstech, met groten onghemake:
Hem schincte men galle ende aisijn,
Omme te makene onsen fijn! v
146
â yiOl-S^tStyi
Hi es onvroet, die metten boghe 80 Tstrael schietet van goeden vloghe,
Daer hi hem selven met gheraect. Wat helpt, dat ic waerheit toghe,
Ende ic selve na vordeel poghe,
Mijn recke ghecleet ende Jhesus naect? 85 Sich hoe Jhesus clam int hoghe Hanghende an dat cruce droghe. Die onsen pais heeft ghemaect.
Al eest dat ic met herten doghe,
Welde verblent meneghe oghe; 90 Lettel iemen es die smaect
Dlicht, daer mijn oghe op waect.
8.
Noch haddic liever ruumdic dlant.
Dan ic seide wie dat pant
00. ïjtttte â 03. Dierre c. â warheit â 84. gecleeclt
Y s crvâ¬gt;-uf^.
DER KERKEN CLAGHE. 147
Der heilegher Kerken lievet ghedaen, 95 Maer dus sprect hi die dware bevant, Dat niemen en mach niet vnulre hant Eens anders anschijn scone dwaen.
Ocht dan een ghierech tierant cV â . . /â â Anedraghet sijn diere ghewant,
100 Salie hem te rade gaen ?
Ja ie, willie sijn ghescant,
Gheworpen in der hollen brant,
Ende daer ewelee binnen staen,
Ende sijn bedroghen in dommen waan.
9.
105 Wat saghie in den spieghel claer ?
Mijn oude leven, mijn graeuwe haor,
Hoe sterven es met mi gheboren!
Het es nu menech loghenaer,
Die smeken ende decken dwaer,
110 Als hen die heren souden horen.
Tfordeel sueken si oppenbaer:
Sine willen niet sterven martelaer,
â Leefden doch alse confessoren!
,u'....... Dat ware hen te doene swaer:
115 Si willen volghen den heren naer,
Sitten in die tafele voren;
Heefse God aldus vercoren ?
10.
Es dese redene waer, so ghies Die bescoren draghet sijn vlies:
120 Een dorper daer die heren saten Ter tafelen â heeft hi sijn verkies Gheset in tfordeel, even ries
Iliue sal hem selven niet ghematen,
Alse hem avonture opblies,
125 Ende hem tgheluc toewies-;
Hine volchde niet der rechter straten. _ Ic hore hen claghen hare verlies;
Ic hadde onrecht, stoordic mi dies,
Als si tfordeel moeten laten,
130 Die in weelden redene haten.
95. I. ilvvaer om Iwl niflrmn ? zoo ook '229; vgl. vu. 109 en Disp. I en var.â IOC. giaeu â 1*20. ter r. s. â '1'27 en ISS in omgekeerde volgorde.
10*
- I-
STROPHISCHE GEDICHTEN.
11.
Redene es nu sere versmaden,
Hare es so swaren last gheladen, â ,
Daer si onder leit verplet.
Wondic met redenen mi beraden,
135 Het sonde tallen steden scaden:
Daer es so menech op gheset!^
Die node clemmen ocht diepe waden,
Die gaen in Gods wijngaert bladen Ende sniden af die druve vet.
140 Dat sijn si ende hare ghegaden,
Die tfolc leren van goeden daden,
Ende en becommeren hen niet daermet, Wie es der heilegher Kerken let.
12.
Die selden van couden verwarmen 145 Ende ooc van honghere carmen,
Daer men hen elene ghenade doet,
Dat es dat roepen van den armen:
»Ay here! en saels u niet ontfarmen,
So dat mijn lichame werde ghevoet?» 150 Dus roepen si met idelen darmen,
Met sieken leden, met naecten armen;
Ghi sit in weelden bi der gloet,
Ghi en laetse niet bi u gheharmen,
Ghi jaechse die ghi sout besearmen, 155 Ende hebt der heilegher Kerken goet.
Dat u te rechte noit en bestoet.
13.
Nu wacht uwes i-echts, ghi wert ghedaghet! U recke der armen cledere draghet, 'gt;
U poghen es te gaderne scat.
160 Wie es so coene die u vraghet,
Wanent u coint dat ghi bejaghet?
U hant es altoos sonder gat.
Menech arm mensche hem beclaghet,
Dat ghi hen niet en gaeft daer ghise saghet, 165 Ghi woudet volghen der heren pat.
151. naecte â 164. Wellicht out het metrum met Van Vloten te lezen Ghiue gaeft hen niet daer ghise saghet
148
DER KERKEN CLAGHE.
U hoocheit sal noch sijn ghelaghet!
Hoe was die riko man gheplaghet,
Doen hi den armen Lazarnse bat,
To makene sino tongho nat!
14.
170 Sict, hoc es dit rechte verkeert!
Die te voren was gheëert,
Leit nu ghevallen in die scande.
TIadde hi ontfermecheit gheleert,
50 ware hi bleven onverseert:
175 Nu moet hi in den helschen brande.
Wie heeft den dorper daer ghcmeert Int dal daer die duvel reert?
Wat doen nu sijn lecITcf tande?
Oft ghi in weeldon sit verweert,
180 So dat u al die worelt oert,
Huedt u vore des viants bande!
Hi jaecht altoos in sine warande.
15.
Hino derf nochtan niet vele jaghen
Noch ooc logghen te nauwe laghen: p'
185 Hot staets so vele in siere hoede!
Al woude God die werelt plaghen, /-
Svolcs os so vole verslaghen
Ende versmoort in den bloede,
Sine sijns te boter niet diet saghen.
190 Elc es ghierech om bojaghen,
Ende onvervaert van Gods roede.
Ic dart wel segghon sonder vraghen:
51 doen sware bordenen draghen.
Van dragheno wordic lichte moede,
195 Al waert dat men mi saechte loede.
16.
Die sueken om te sitteno boven, __
De quade in hare aüüte loven,
Si hebben nu die cokeno vet.
Alssi metten horen hoven,
200 Diepe drinken, dat si stoven,
168. Om het metrinn liever Ic lezen Lazarus â IT'.I. sijt; vgl. vs. 152; Oversee 40 en 50; Wrake 11, quot;.â¢â¢27. â 185. staeJs â 188. I. in siuen blueile?
149
O â¢- â
l/'
i'quot;-.
STROPHISCHE GEDICHTEN.
Sine slapens maer te bot.
Sine schelden die heren niet om roven, Si connen hemelrike gheloven,
Die selve met sonden sijn besmet! 205 Dus maken si tfole verscoven,
Als si singhen gaenUinrtfóvon, , quot; -Ende men den doden kersen' set, Die daer onder leit gheplet.
17.
Dits der heilegher Kerken claghen 210 Van den jammerliken slaghen,
Die de meneghe op hare slaet!
Eest dat ghi sijt van haren maghen, So moetti nuwe wapene draghen,
Keren ende wreken dese overdaet. 215 Des en laet u niet versaghen,
Ghine set u in der waghen:
God sal sijn u toeverlaet.
Die dit quade noch sal verjaghen, Hem sal eeii salech dach bedaghen, 220 Doet hi der heilegher Kerken raet,
Als die in ghetrouwen dienste staet.
18-
Nu siet of hijnet valcn minde:
Die Gods scape lïoit en kinde ;
Hi wilt dat ickene berde scrive! ' 225 Dus gaensi vore alse die blinde
Ende leiden die scaep in grote alinde,
Alse hen volghen die keitive.
Hier mot makic mijns dichtens inde: Wi bidden Hem die dwaer bekinde, 230 Dat Hi die quade noch verdrive i\.
150
/
Ende ons sinen Heileghen Gheest toesinde, \Die ons troosto in dit ellinde Dor sijn heilogho wondon vivo,
So dat de Kerke in eren blivo!
A M E N.
201. iner â 206. te. lezen Als die s. g.? zie de A nut. â 222.oflii verbei erin;/ is van Verwijs (Taalg. 4, l'il). Vr/l. nok Mnl. Wdh. op itienncn. â 226. scape alendc â 227. leytlve, er stond eerst waarschijnlijk ceytive â 229. ilware, vijl. 95 en 100 â 234. de heilege kerke {vyl. vs. 55), het bmv. is wellicht door het voorgaande vs. in den tekst ingeslopen: het is de vraag, of hel ook niet in 231 nwet worden geschrapt.
A AIT EEKENINGEN.
KERSTE MART1.IN.
Vs. 7. Dewijl het, zoo niet onmogelijk, dan toch onwaarschijnlijk is, dat de dichter hij het enkv. dot ralschen het w\v. van den relatieven zin in het mv. gebruikt heeft, zoo zal den valschen als dat. plnr. op te vatten zijn. Wat Stoett, .\fiil. Si/iiI. § 36 dienaangaande opmerkt, is niet alleen op de wvv. doen en l/ilru toepasselijk, maar ook op de werkwoorden van waarneming, waarbij, als zij een afhankelijken infinitief bij zich hebben, het object in den datief kan staan; vgl. Tenvey in Taaien Uiteren 1, 96, die ook eene poging doet om de constructie te verklaren. Het is wellicht niet onnoodig hier nog eenige voorbeelden te doen volgen.
Bij doen. Toren 1578; Franc. 8141; Ripnh. 3781; 14551; 17731; 21769; 22197; 23161 varr.; Sp. P», 32, 5; 1«, 22, 48; F, 8, 25; lil4, 16, 40; me, 13, 34; lil, 14, 81; IV:i, 4, 87; Wal. 10159; Br ah. Y. V, 3380; Grin/h. I, 3146; Limb. VI, 2766; Salad. 259; Wrake I, 663; Segh. 2340; MLooji 1. 582; Openh. Joh. 13, 12; Ler. v. Jez. bl. 95 (so doedi hen (mv.) breken dat ghebot Gods). Vgl. nog vooral Segh. 2380: »enter felre vrouwen, mijn wijf, sal ic in enen tor doen sinten ').
Bij laten, Heim. (nitg. Kansier) 514; Sp. 1-, 13, 5; 14, 13; 21, 11; 14, 32, 45; 59, 15; Uil, 41, 49; IIP, 32, 4; 1U4, 4, 63; IVl, 31, 61; IV2, 15, 18; Yst. BI. 2026; Segh. 2311; 2560; 9347; Heehi 3383; Grimh. U, 2414; Wrake 111, 2216; Tien PI. 1620; vgl. ook Verwijs, Wap. Marl., aant. op II, 49.
Bij si en, Rijmh. 17233; Sp. IH'l, 12, 32; HF, 29, 64; IV2, 53, 18; Limh. VI, 16iS9; Heelu 3540.
Bij horen. Claus. 209; 492 (daer was ghchoort den mghelen bliscap driven); Nat. BI. II, 1426; Sp. 111«, 9, 38; HF, 28, 46; IVl, 45, 22; IV», fragm. 1, vs. 55; Limh. 11, 1922; Brah. Y. IV, 642; VII, 5051.
1) In den Segh. komt de gen. van vrouwelijke persoonsnamen voor ace. elders niet voor en zal dus ook hier wel niet bedoeld zijn.
AAXfKEK KMXI.EX,
Bij heten, Sjgt;. 14, 51, 29; F, 20, 14; Wal. 6450.
Bij vinden, Sji. IV2, 58, 30.
De infinitief hoeft in den regel actieve beteekenis, doch dat de con-struetie ook liij een passieven inf. voorkomt, toont de boven l.iij doen aangehaalde jJaats uit den Segh., vs. 2380. Voor de door Terwey gegeven verklaring, dat liet verschijnsel bij laten zou zijn begonnen, kan ook dienen Openh. Joh. 2, 20: »du ghedoghes rfm «twc Jhezabel prophetiën te leerne.» Vooi'al merkwaai-dig zijn Ityrnb. 24832: gt;wiltu dat wi gebieden den licnielschen viere descn lieden te verterne altemale?», en MLoop IV, 2124: :gt;dat den lieden plaoh te plaghen.»
A s. 11. Voor de lezing bespotten spreekt ook Bukelare's vertaling vs. 10: »(cerno) justuin vapnlare, derideri, mancipare.» Spotten en slaen â worden ook elders verbonden; zoo b.v. Sp. 1 ][1. 7, 70: »inen ghinckene spotten ende slaen. gt;
As. 20. Kausler, Denkni. 3, 359 vlgg. verklaart de uitdr. sender spit delven naar analogie van zegswijzen als gt;graben ohne 1 lacke, scbniieden ohne Hainraer», d. i. vergeefsclie moeite doeti, niets uitrichtcn. Hij vat dus spit 021 als »het werktuig wmirinode men spit of graaftquot;; men zou zich voor deze verklaring kunnen beroepen op Koolman 3, 278: »spii. das eiserne Stichblatt des Spatens» en op Halma: »spit, vr. spade, béche.» Intusschen is deze bet. voor het 3Inl. niet bewezen en is de gewone opvatting van het woord in het Ndl. eene andere, ook in het Ndd. bekend, nl. ^diepte te bereiken met eene schop in do aarde- (Van Dale^ 1420). Ook hiei-uit zou delven sonder spit de liet. kunnen ontwikkelen van niets uitrichten, er, zoo schijnt zich Bukelare de uitdrukking voorgesteld te hebben, daar bij haai* weergeeft door .gt;fodit sod nil fodietur. gt; Nog eene andere opvatting heeft spd in dezelfde uitdrukking volgens de verklaring van Verwijs op eene plaats bij Hild. (190, 74):
Dio ucn wil quiiet, ilic ander guet,
Sulc is sot cikIc sulc is vroet Ende elc heeft willo in hem selven.
Dwaer een seker spil te delven.
Die sineu wille set in iniiten:
Daer coint men by ter rechter straten.
Hier kan de bet. zijn de uit te graven diepte, het gat dat men door graven of spitten mankt. Vgl. Hild. Gloss, en de bet. van spit bij Koolman: »ein ausgestochenes oder ausgetorftes Loch.» Deze bet. heeft spit ook in de samenstelling onderspit, dat alleen bij C voorkomt, en dat in het Mnl. bekend was, behalve in de hier voorkomende uitdr. dal onderspit del ren, ook in (dal) onderspit graven (Scale en Cl. 18), d. i. »het onderste, diepste gedeelte van een kuil uitgraven en gevaar loopen van door eene aardstorting bedolven te worden» (Ndl. Wdh. op onderspit; vgl. Mnl. Wdb.
I MAKT. vs. 7âVS. 30.
op delven); in hot Nell, ook in het onderspit zijn, raken. Evenwel heel il uii lel ijk is noch de oorsprong der uitdrukking' noch do ontwikkeling dor boteelienis de minste zijn, door een ander overwonnen worden, er het slechtst of het ongunstigst aan toe zijn. Ook Halma kende den oorsprong niet meer; wèl geeft hij do uitdrukkingen in het onderspit leggen (d. i. liggen), in het o. zijn, maar verklaart onderspit als gt;la broche d'en lias.» Hot is daarom ook des te moeilijker uit te maken, in hoeverre de lezing van C als de oorspronkelijke dan wel als eene meer of minder gelukkige conjoctuur moet worden aangemerkt, doch de zin is in ieder geval duidelijk.
Ys. 24. Verwijs vindt in dit vers eene toespeling op tie naar de vcr-scliillende kleederdrachten onderscheidene standen, inzonderheid geestelijken en leeken. Do lat. vertaling:
In Cochito submergotur Omnis coloi' qui miscetur
bewijst intusschen, dat Kukelare er deze toespeling niet in heeft gezien.
Vs. 30 vlgg. Het is vreemd, dat in weerwil van de duidelijke betee-kenis (Bukelare: »queratur: hic unde fletus viliter, tam vilis olim rpialiter in altuin jam levaturgt;) niet alleen allo hss. behalve C, die de in don lekst opgenomen lezing alleen door eene conjectuur kan hersteld hebben, overeenstemmen in de lezing:
VViinen eerst qiiiiin ilesc ween,
Die wilen so onwert scheen Eiule nu sit so hoijlie,
die de vereischte beteekenis niet hebben kan, maar ook de fransche vertaling :
Dout viennent ces tribulations Qui jiiilis, coiiuue nous savons,
Kstuienl si tresfort luiys,
Kt a |ireseiit, coiiinie cler veons,
Sambleut aux seigneurs si bons,
welke op eene woordelijk daarmede overeenstemmende tekstredactie berust, dezelfde, aan den vereischten zin niet voldoende, constructie herhaalt. De zaak wordt eenigszins begrijpelijker, als men aanneemt, dat de onder den tekst als tie oorspronkelijke aangenomen constructie:
Wanen eerst quam dese ween,
Die wilen so onwaert sceen Nu sit bi so lioglic,
in het nazindeel een inleidend ende heeft gehail, gelijk b.\ . Franc. 30311 vlgg.
Hort voort, wat ile gone iloet:
Die minile niebten ende neven Eudc boni lieel'ti tsijn gegeven Knteu armen niet een twint;
zie meer voorbeelden Mnl. Wdh. op ende, kol. 037. Er zou dan slechts
153
AANTREK'ENO'GKX.
in dc apodosis liet uitvallen van het vnw. hi behoeven te worden aangenomen, om ile zaak te verklaren.
Vs. 49. Vgl. Marl. 111, 452: »hine hebbe een traen van desen daxiwe» en Sp. F, 39, Tti dc uitdr. »enen laven mottier cracht van hen'ielrike.»
Vs. 102. Spreekwoordelijke zegswijze, ontleend aan de bekende fabel bij l'haedrus I, 23. Vgl. Vad. Mus. 5, 372: »werpt den hondt een been inde kele, gy zult hem viiUic {spoedig, weldra) paeyen.quot;
Vs. 107. Dese heeft hier de bepaalde beteeken is van dc legenwoordige, dr iicdeudaagsclte. Zie daarover Tjdschr. 10, 5; S/t. Hist. lui. lxii; Liedeb. van Tielman Susalo 11: gt;dese coxkens en aerdighe moxkens si gaan al lonckende onder liaer c-loxkens», en Vierde Marl. 289: »(/cse coninge leggen grote lagen; deen wilt den anderen verjagen.»
Vs. 109. Vgl. Sj). IIU . 93: Der Vriesen privilegie, uit welk hoofdstuk de volkshaat tegen de Friezen, waarvan ook Maerlant niet vrij was, ten duidelijkste blijkt. Elders, Sp. IV5, ü, 18, spreekt hij van die Vriesen inde. Zie ook Stoke 1, 242 vlgg. en IVap. M. I, 6(55: du sprekes al se een Vriese ruul. Over Sas zie het Gloss.
Vs. 141. Met onze redactie van den tekst stemt nauwkeurig overeen Bukelare (vs. 158 vlgg.):
Sensus liebes sic clictavit:
Qui in Adam llatunri flavit,
Imperator nature,
Confitere, rem mandavit Hanc (si verum, quis negavit?)
Fortune perobscure,
Semper variature.
Daarentegen staat dichter bij de door Verwijs verkozen lezing van C, waarbij men hevel als hevel het moet opvatten, Kerk Cl. 118 vlg.:
Es dese redene waer, so gliies Itie buscorcn draghet sijn vlies,
en vooial Vierde Marl. 606:
Es dit waer, Merten, so ghies!
Vs. 154. Bij de pronomina schijnen volgens de beste hss. in den nom. en ace. sing. fem. de vormen op -e voor Maerlant de gewone geweest te zijn; dc oude onverbogen vormen, als Kerk. Cl. 25: een brede crime; Franc. 505: in een stede; Sj). 1V1, 26, 53: al sijn gewelt; 1V2, 45, 119: een onscr dochter; Hein/. 103: sin macht, zijn betrekkelijk zeldzaam.
Vs. 162. Indien de eenvoudige lezing van O »met godliker goede» (vgl. Fü met godliker hoeden) de oorspronkelijke was, dan zou de afwij-
154
I MART. VS. 49âVS. 175.
king der overige liss. en hunne onderlinge overeenstemming niet te begrijpen zijn. Maar het is niet gemakkelijk te zeggen, wat do eigenlijke bet. is van »al dat es.. dat besat (God) niet godliken goede»; do lat, vertaling (vs. 185 vlgg.) »omnis rerum principatus sue ditioni datns divinitus crcdalur -is niet duidelijk; in het Finnsch schijnt het vers «gmee et bicn fc'i vient de luy» do vertaling van den mnl. zin te zijn. Moet men de woorden aldus weergeven; alles behoedt en behoedde (met den in het Mnl. gewonen pro-teronhnsteron, Taalk. Bijdr. 1, 123), beschermde hij (vgl. vs. 308) met van Hem afkomstige, door Hem geschonken eigenschappen â¢'? Eenc constructie »enen besitten met goede» , waarin besillen do bot. vrrvullcn zou hebben, is niet aan te nemen, daar besitten in dozen zin slechts in het pass. part. beselen voorkomt; vgl. Wdb. op besitten, 7). Men zal
beaat hier wel als den 3d0quot; pers. praes. van hr.settcn hebben op Ie vatten: vgl. Mnl. Gramm. § 34 en 16U; Van Holten § 2U1 Opm. 2; Mol. 1!)797 ; S]). 1 \'2, 71), 3 ( of is sal daar praet. van sitlcnV). 'Besetien met godliken goede» zal beteekenen toerusten met van God afkomstige of goddelijke goederen of zegeningen.
Ys. 165. Voor den buigingsvorm den vroede, vgl. Mnl. Gramm. § 211; Van Heiten § 324 c. Gelijk in C die vroede (/gt;' leest die woede, niet, gelijk in de van', verkeerdelijk gedrukt is vroede) hoeft Vierde Marl. 823 »hieten mi die vroede», waar de uitgever wel te recht »die vroede» tus-schen aanhaliiigsteekens plaatst.
Vs. 166. Hetzelfde spreekwoord vindt men in den Sp. uit verschillende lat. schrijvers, nl.
tip. lil2, 15, 27 vlgg. {naar Claudianus):
lc en etage nemmermere Diittie scatc clemme ter ere;
Want Goil laet daeroinme gescien,
Alsi hein sclvon lioghe sieu,
Dat te swaerre si de val Atse lii tuincleu sal int dal.
Vgl. hiermede 1'', 7, 1â9 {naar Caesar).
Ilia, 15, 25 {naar Amhrosius):
Want so liogere es die stegher.
So die vat es hoger endo leglier,
waar do in het Mnl. Wdb. op lage gemaakte verandering van hoger in dieper wel onnoodig zal zijn; men vatte hoger endc leger als één begrip op, en vertale van eene groolere hoogte in eenc lagere diepte.
Hls, 9, 87 {naar Isidorus);
155
So liogren staet, so swaerren vat.
Vs. 175. Bukelaxe 2U0 vlgg.
A ANTEKKENIXGEX.
Quando ncphas per veternuin Mens gravatur in etenium Peccatis mancipata.
Met yehonden is dus bedoeld »iu sonden gliebonden», vgl. Mnl. Wdb. op binden, o) en beneden 238: »in liooftsonden mat.» Versclüllende liss. vonden rjhchondoi zonder nadere bepaling vreemd en hebben liet woord door toevoegsolen verduidelijkt.
Vs. 181 vlg. Bukelare's vertaling der niet zeer duidelijke woorden luidt (vs. 200); »tunc mors venit, cor internum terrens {vgl. C »diet al vervaert)», non pensans supermini, auferre congregata in juste eumulata.» In het Mnl. Wdb. is de regel ^iie niemen en can gcgronden» verbonden mei ncrl â de van de onze afwijkende woordvoeging is daartegen een niet onoverkomelijk bezwaar, al is het vreemd dat alle hss. in dezen overeenstemmen â en de bet. overeenkomstig B.'s vertaling aldus opgevat 'dan komt de dood, wiens aard of natuur niemand doorgronden, niet zijn verstand begrijpen kan en neemt de vergaderde schatten weg.» Daar tegenover staat eene geheel andere up vat ting, waarbij het bovengenoemde bezwaar niet geldt, en waarbij het eind der strophe meer met hot begin wordt in overeenstemming gebracht, nl. deze: 'dan komt de dood en neemt die rijk'liiinmen in beslag, berooft iemand van die geluksgoederen, die niemand begrijpen kan, d. i. van de hemelsche gelukzaligheid.» Ponl wordt ook vs. Htil van geestelijke goederen gebruikt, en zoo zal de plaats dus wel moeten worden opgevat; ook Verwijs heeft, blijkens zijne verklaring in het gloss. »pont, schat, bezitting» er dezen zin aan gehecht.
Vs. 208. Vgl. vs. 4(31 en OS!). en met de in den laatste regel voorkomende uitdr. »dies claghic den hogheh» het ndl. bnw. yodycklaagd. d. i. sehandeijk.
Vs. 210. Zie de aanm. onder aan den tekst, en vgl. Yst. Bi 4235: Here, die alle herten kent
De uitdr. is ontleend aan den bijbel. Vgl. Ps. 7, 10: Jerem. 11, 20; 17, 10 (ik, de Heere, doorgrond het hart en proef de nieren) en Openh. 2, 23. Voor den inhoud der geheele strophe vgl. Velth.' Vlil, 23, 24:
Gregorius se it in een sermoen;
Hets recht dattie gene seer Sender btiscap hebben emmermeer,
Die novt en wouden derven niet Oft sonder sonde wesen yet:
Si sonden wel sonder inde Leven, als iet an sulken vinde,
Ende hi sonder inde mocht dan Sonde doen,
en Sj). d. Lrken 34r (over het hs. vgl. Lsp. dl. 3, bl. 340, Bijlage D):
t MART. VS. 181âVS. 265.
Sinte Barnaert seit.............
Dat niet en h;imt in der hellen swaer
Dan die quade wille, ende mit hem verdient (?)
l)ese werden in der helle ewich gepijnt,
Want die wille had ewelic gesondicht, had si mogtn . . .,
Aldus seit sente Aiigiistinus ende Gregorius inede.
Vgl. Thorn. Aquiii. Opera Omnia T. VU, p. 124: »Uiicle «licit Gregorius XXX1Y Moral. «pio«l inkpii voliiissent sine fine vivere, nt sine fine jjotuissent in iniqnilatibus permanere.
Deze «loor M. gestelde kwestie is «loor Te Winkel (Gest-h,. 4. Ndl. Letter k. 1, 323), die eene overigens nauwkeurige ontleding geeft van «len Eersten Martijn, niet juist genoeg gefunnuleenl. :gt;Niet «le misdaad gt;, aldus moet het antwoord luiden, gt;wordt gestraft, maar «le wil om te zondigen, «lie alleen door oene oorzaak bmten hen, hun dood, «)phoudt. Leefden y.ij eeuwig, zij zouden ook eeuwig blijven zondigen, en «lus is eene eeuwige straf ook geene onrechtvaardigheid.»
Vs. 228. Vgl. Bukelare 262:
Frondes, llores, «lies cUiri,
Gutta cum arena (in) rnari Nee ipsi grave scire.
Vs. 235. Vgl. Bukolaro 271 vlgg.
Martine, dicit scriptura,
Vitam darern, es et plnra Ac sufferrem algorem,
Festnce non foret cnra,
zooals in AC. Geen «Ier andere hss. maakt van de opoffering van het leven melding. Is onder het weggeven gt; van het lijf gt; wellicht lt;1' lijf-eigenscliap te veistaan of het doen van do kloostergelofte? lt; H' heeft .M. gedacht aan I Cor. 13, 3: gt;al ware het dat ik mijn licliaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had «le liefde niet, z«x) zou het mij geene nuttigheid geven»? Voor de laatste «ipvatting spreekt vs. 240, waar liij zich op het Oude en Nieuwe Testament beroept. Doch misschien heeft hij zich slechts voor de algemeene strekking «Ier vraag, welke hij trouwens door Martijn laat bestrijden, op den bijbel beroepen. Of «loeit hij op het oeno of andere leerstuk der kerkvaders of der kerk?
Vs. 241â247 zijn bijna letterlijk overgenomen in Boendale's Teesteye 2424 vlgg.
Vs. 251. Over een manl. of onz. znw. enkv. liet zie A/tz. der Za. /. deidscltes Alt er t. 8, 146 en Mal. Wdh. 4, 522.
Vs. 265 vlg. Vgl. Bukelare 305 vlgg.
1Ã7
A ANTKKKFXTXfiEX.
Frustra datur Mis venari:
Impari par coequari,
Proportio nec ilata.
Ghstlilce cnde. onglielike, d. z. ongelijksoortige dingen: »zij vergelijken of stellon gelijk het ongelijksoortige, willen lt;le goddelijke dingen niet den menselielijken maatstaf meten, naar menschelijke Itegripjion uitleggen.»
Vs. 2G8. Over de verwarring van comparatief en superlatief vgl. Fmnck op Alexander, hl. 420 en Herm. Ziemer, Fm//. Syntax der Indg. Comparn-iion (Beijijn, 1884), hl. 60 vlg.
Vs. 283. De vertaling van Bntelare 326 vlg.:
Dei, rerum conditio Qneni non latet initio,
is onnamvkeurig. Het Mnl. helen komt niet, gelijk Verwijs Stroph. Ged. Gloss, aanneemt, voor in de het. van lat. Mere aliquem, voor iemand verborgen zijn, het het. alleen verbergen, verzwijgen. Vgl. Mnl. Wdh. oji helen.
Vs. 292. De bet. van het vers, die door Buk. niet begrepen is, is: »lnj is ten opzichte van deze (beide eigenschappen) geheel gelijk, hij is even genadig als rechtvaardig.» Vgl. Sp. F, 42, G: »herte ende ziele was allene» (era/ cor unum et anima una. Act. Apost. 4, 82); is, 52, 10: »wort ende sin si dat (/. dat si) alleene (geheel gelijk] lat. mentem verba .segunntur); Hild. 92, 50: »wü ende macht is niet alleen»; L. v. J. c. 222: »dat si allene (geheel één) werden gelijc dat wi een sijn.» Zoo ook Rijmb. 24676:
Dat sullen wi glieloven algader Dat die heliglie Drievoudichede Alleen es in die godlichede
{vair. alleens, een). Al een, alleen, allene is in deze bet. gelijk aan alleens {al eens), d. i. hel bijw. eens versterkt door al-, vgl. Sp. Iquot;, 39, 49:
Alsemen die brieven las overeen VVaest alleens van desen tween.
Alex. II, 610:
Het ware alleens daer van hem heiden.
en vgl. Mnl. Wdh. 1 , 345. Zie nok vooral de aant. op vs. 340.
Vs. 294. De bedoeling van den regel is niet duidelijk, ook niet Buke-lare's vertaling (vs. 537 vlgg.):
Qui fecit, instar Indi,
Aqnam vinnm, obstupesce!
Se dat, nobis totnm esse.
Deze woorden doen vermoeden, dat B. den zin aldus heeft begrepen:
i mart. vs. 20Râvs. 335.
»hij behoort zich zeiven niet in eigendom toe», '1. i. »liij behoudt zich (zijne goddelijke eigenschappen) niet voor zich zclven, maar wil zich aan ons geven. ' Hierdoor wordt dan nader Gods goedertierenheid (»genadichede») aangeduid. Uit de onmiddellijk voorafgaande woorden »die van den watre maecte wijnquot; zou men kunnen opmaken dat er eene andere eigenschap van God wordt bedoeld, nl. zijne almacht (indien de woorden niet bloot eene omschrijving zijn van »God» ; vgl. vs 209). Zoo heeft Verwijs den zin opgevat blijkens zijne interpunctie; »hi es sijns selves, niet eigijnquot; (de uitlating van niet in D zal wel op eene drukfout berusten). Aldus opgevat wordt de regel gelijk aan Wap. M. Ill, ITS: »lii es sijns selves vri.» Doch gesteld dat men den regel verklaren kan »lüj is niet aan zich zeiven onderworpen of ondergeschikt, is vrijmachtich», togen welke verklaring de woorden geen bezwaar zijn, dan is alleen dan de vermelding dezer eigen-scliap van God hier gepast, indien er Gods vrijmachtige genade door wordt uitgedrukt. Dit is niet onmogelijk, doch de opvatting van Bukelare laat zich in het verband nog beter verdedigen; do komma van Verwijs scheen het in geen geval wenschelijk In den tekst op te nemen.
Ys. 309. De lat. vertaling, vs. 356 vlgg.:
Vitam dedit hora nona,
Dulcis cantat Antiphona,
Vita, qua donabitur Nobis et salvabitur
steunt de in onzen tekst opgenomen lezing. Maar het is zooi- de vraag of Mae riant met de woorden bedoeld heeft wat Bukelare er in heeft gelegd.
Vs. 329. Toespeling op I Joh. 4, 18: »Er is in de liefde geene wees, maar de volmaakte liefde sluit de vrees buiten, want de vrees heeft pijn, en die vreest is niet volmaakt in de liefde.»
Vs. 335 vlg. Met een beroep op Bukelare 376 vlgg.
Tercius (amor) tempoi um jocosa,
Ut natura generosa Par legit per iJulcorera,
heeft Verwijs de lezing van E in den tekst opgenomen en het vermoeden uitgesproken, dat doet van eenige hss. in vs. 336 uit soerl verknoeid zou zijn. Hoewel nu werkelijk soect in O is voor den dag gekomen, en ook G in 335 overeenstemt met EO, en de fra. vert. »]a tierce veult gonuerner jonesse'qui quiert sou per » een met laatstgenoemden overeenkomenden tekst onderstelt, zijn wij toch op grond van de verhouding der hss. genoodzaakt tusschen de lezingen van CF en ABDG te kiezen. In beteekenis komen beide overeen; doel in 336 is vervangend hulpww. en slaat dus in bet. met eexdd gelijk; vgl. de beide lezingen Rijmh. 33571 en var. tl doet liep ... neder alse twater in reynech weder» en »alse twater doet in reynech
159
A ANTEE KKXrVGEN.
weder.» Die beteekenis kan sleclits zijn : »de derde soort van liefde ver-eisclit de jaren (d. i. bepaalde, de voor die liefde geselükte of aangewezene, de bloeiende jaren, waarin, gelijk M. b.v. Sp. IV2, 77, 08 zegt, de menscli »der juegliet voelen beghint»); die jaren der jeugd â een beperkte tijd dus, in tegenstelling niet de beide andere soorten der liefde, die hunne werking het geheele leven door doen gevoelen â zijn voor die liefde een even noodwendige voorwaarde, als de natuur in ieder schepsel den drang heeft gelegd om zijn wederpaar te zoeken: de vereisclite leeftijd is »het wederpaar » der geslachtsliefde. In vs. 335 zou ook de lezing van F eyschen niet »die jaer» als ondw. oen goeden zin geven.
De afwijkende lezing der liss. is ongetwijfeld onder den invloed van vs. 417 vlgg. ontstaan. Het is evenwel niet duidelijk, hoe deze laatste plaats de opvatting van Verwijs zou bevestigen, wanneer deze is: ;de derde soort van liefde vereischt den tijd, waarin ieder schopsel zijn wederpaar zoekt»: zij zegt alleen iets uitvoeriger wat in vs. 835 te lezen staat. Het is bovendien niet eens zeker, dat E en O dezen zin in hun woorden hebben gelegd, en niet wellicht eveneens hebben willen zeggen: »de derde minne vereischt een bepaalden tijd, juist zooals (nis op te vatten als vergelijkende, niet als temporale conjunctie) ieder schepsel zich in zijne jeugd een gade zoekt»; ook do woorden van Bukelare {nt enz.) kunnen moeilijk iets anders beteekenen.
Vs. 340. Gelijk aan don voet der bladzijde is gezegd, is liet niet zeker dat liet vers oorspronkelijk aldus heeft geluid: door de in den tekst gebrachte lezing laten zich de overgeleverde lezingen liet best verklaren. Wij hebben voor de duidelijkheid al ene geschreven, dat slechts graphisch van allciie verschilt en betrekkelijk zelden naast deze laatste schrijfwijze voorkomt. Vgl. vs. 292 en de aant., waaruit reeds bleek, dat allene niet slechts alleen , skchlft beteekent, maar ook andere opvattingen toelaat , die zich aan de verschillende beteekenissen van een aansluiten, en welke kunnen worden weergegeven door «gelijkelijk, liet eene zoo goed als het andere, volledig, geheel en al», ook «voortdurend, altijd door», fra. uniment. Zoo zou op onze plaats nlleiie kunnen beteekenen alle.i gelijkelijk, d. i. allen zonder uil-zoiideriitg, en dal relatief vnw. zijn, öf in allene dal kan alleue als liijw. en dat als onbepaald relatief (= wat) worden opgevat , zoodat dan allene dal hetzelfde is als so wat dat {ie, dat zes liss. hebben, kan ook te gelijk met de lezing allene in den oorspr. tekst hebben gestaan). Dit gebruik van allene (vgl. ook Oversee 21) is in het Mul. Wdh. weliswaar vermeld, maar moet toch nauwkeuriger en uitvoeriger worden beschreven. Hier nog slechts het volgende tot toelichting. Vierde Mart. 448: »wijf, man ende kint es al eens {evenzeer, = allene) ontsteken»; Vijf Wonden 118: »daer du Gode versmaet sages rene» (= alrene); hs. G allene; Wap. M. 1, 012: »twee woorde in die werelt sijn, dats alleue »niijn» ende »dijn»»; (de bedoeling is iiier zeer zeker alleen, slechts, doch opmerkelijk is dat C heeft
1G0
I MART. VS. 340-VS. 380.
»al» en G »alga(lor.» Met mv/.c plaats te vergelijken is Sp. V, 16, 18 var.: »paycli hem allcne te samen» naast tlis. »payecli hem allen te samen» (docli hier zal nil,vie wel eene schrijffout zijn: ook J3 en L hebben allen). Nog boter past I4, 58, 59: »allene dat wi niet en begheren dats on se», vertaling van »omnia possidemus queewnque non cnpimus», waar lis. B heeft »alle dine die wi enz.» Vooral is van belang de mededeeling van Do Bo, dat in 't Popcringsche aleen, allecne behalve de bet. scul ook den zin heeft van entièrement, lout-d-fait, b.v. »die twee broeders zijn aleene zot {entièrement foils); daar Mijnheere, zei de ouderling, gij hebt het nu {het liedje) alleene» {in zijn ge]teel).
Vs. 348. Voor de constructie bij dan vgl. vs. 947; Verk. Mart. 5; 2Lil. Wdb. 2, 52 vlg. Op grond hiervan hebben wij aangenomen dat ook in vs. G72 de lezing van AO, waar na dan het vnw. »dio» is verzwegen, de ware kan zijn. De lat. vertaling 764 vlgg. »hoc amore vtüneratus, nil hunc jnvat ingustatus amor, quem pcroptavit» zegt met andere woorden hetzelfde: »geen geneesmiddel kan hom helpen dan liet voorwerp zijner liefde.» Boeh de mogelijkheid bestaat, dat die der andere hss. te onrechte in AO ontbreekt.
Vs. 355. Bat dit beeld in de middeleeuwen meer werd gebruikt, bewijst Sp. d. Leken 181?- (zie bij vs. 210):
Wie mit dese rechte minne wert gewont,
Al laghe hi inder hellen gront,
Die minne sonde sijn pine verdriven,
Ghelijc dat die heilighen scriven.
Misschien ook heeft dit gedicht de Mart jus gekend en hier nagevolgd.
Vs. 358. Bike vont gebruikt M. ook van wereldsche goederen; zoo b.v. Troijen 23608; Sp. 1113, 48, 74.
Vs. 380. quot;Wij hebben aangenomen dat de ww. puien (van AEO) en dienen (van BDG) ter verduidelijking zijn bijgevoegd. Missclüen zou het het best geweest zijn de eenvoudigste lezing van C (en F) »Ende om den scatte» in den tekst op te nemen; ook do fra. vertaling kiest de eenvoudigste uitdrukking: »de ceste amour a difference asses d'estre riche ou honnoures», terwijl Bukelare (vs. 427 vlgg.) vertaalt: »hii distingmmtur amores, ambit alter nam honores et alter divitias.» Maar dewijl dienen in den samenhang minder goed 2gt;ast, kan het zeer goed uit een voornaamwoord die (of dien) zijn voortgekomen: ook ABOG herhalen het vnw. Van de daardoor ontstaande constructie »van hem die om die ere stoet ende [van hem] die om den scatte [stoet]» of »van hem die om die ere steet endo [van] dien [die] om don scatte [steet]» kunnen wij wel goene voorbeelden bijbrengen, maar zij behoeft daarom nog niet betwijfeld te worden, daar zij slechts eene der vele vormen van eene zinssamentrekking vertoont. Vgl. b.v. lijtnh. 513: »dattone {den inensch) God soude wachten mode, ende
Wapcnc Marlijn e. a. Ged. 11
101
AAHTEEKENINGEÃf.
die man die heliglie stede», en de verzen 27099 vlg. van den afsclirijver; »endo diet dichte, ende sullen lesen, endo daer ment leest tii sullen wesen, van hare zonden moetsi ghenesen.»
Vs. 389. De vroegere uitgaven schrijven tonglie platte. Maar ook al kon men plat in de cene of andere beteekenis van glad, b.v. ylad, slim, listig (vgl. ndl. dial, een platje, een guit) weergeven, dan zou nog de zin te wenschen overlaten, immers niet do tongen zelve zijn het die smelten: ook hebben alle hss. behalve G tonge, terwijl liet mv. van tonge is tongen. Plat in de bet. ccn slag dien men hooren kan, een klets is een geliefkoosd woord van Maerlant; vgl. boven vs. 107; Rijmh. Gloss.; Sp. I7, 55, 35; ni2, 15, 15; 1113, 40, 39; 1113, 41, 100; IU6, 27, 103; IIF, 30, 49; lil7, 37, 20; Halb. Aanl. 328. Tongeplat kan dus eene samenstelling zijn met dezelfde bet. als mhd. der xungen she (Lexer 2, 951); hd. zungen-schlag; fra. coup de latigue. Ook ndl. klets en klap hebben behalve de bet. slag, die van geklets, zinledig gesnap, oiibeduidend gebabbel, ijdel geklap, {zottc)klap. Bukelare vertaalt vs. 438 vlgg. »niveas blanditias horum non alMtias.» Met onze plaats vergelijke men Y. d. Hagen, Minnesinger 3, C8(ï:
Da ich ilocli wande erweiben heil,
Da ist min lob alsam der sne zergangen,
heeft mij niets opgebracht, en Wander 3, 17G8: »geborgter Ruhm und Marzenschnee sind heute da und mom nicht mehr.»
Vs. 412 d. i. bij het laatste oordeel. Vgl. Clans. 520 Vierde Mart. 209; »daer dingele solen beven» (ook Teest. 3847) en Lsp. IV, 11,1 vlgg.:
Die anxt sal daer so groot siju Voor des rechters gram aenschijn,
Daer hi dat oordel sal gheven,
Dattie yngle sullen heven.
Van de vrees der menschen voor het jongste gericht staat beven, Wap. M. I, 764 en 883 (in het doodsuur); Wap. Rog. 553: »-\vilsoe ooc â¢weldoen van haer steken, so wert Lucifer haer deken, daer teovent al hevet.» Vgl. ook Sp. 1113, 5) 133: »dat prisic een heilech leven, -weldoen ende alse zondaren beven.» Van den angst der duivelen spreekt O. II. Wonden 66. Van do minnepijn gebruikt M. beven, Wap. M. U, 312; van gevaar of nood. Oversee 130; van koude of ontbering, Sp. Hl7, 62, 25.
Vs. 415. M. heeft bij deze strophe ongetwijfeld het oog op Salomo's Spreuken en den Prediker, misschien vooral Pred. 5 en 6, doch eene nauwkeurig overeenkomende plaats is niet te vinden. Vgl. ook Sp. I8, 60, 23 vlgg. Misschien ook stond hem het, trouwens elders, nl. 1 Timoth. 6, 10, geboekte bijbelwoord vooi den geest: »de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad.»
162
i jiAiiT. vs. 389âvs. 492.
Vs. 417. Zio ile aant. op vs. 835. Bnkelaro (vs. 472) vertaalt: »tereins tempore colatur cum natura prestidatur veris aniios florentes»; de fra. vertaling: »la tierche amour est procedant de jonesse de cuer florissant comme chose do verdour floris.» Vreemd scliijnt de lezing dogJict van AG voor trouwe, vs. 422. Bnkelaro heeft: »cjnando rubor amplexatur amantinm fidas mentes»; de fra. vertaling: »qnant en villonie on ne.... et en loyaultc len va avant.» Doch als men de lezingen van 548, 819 en Wap. M. IT, 293 vergelijkt, krijgt men den indruk, alsof trouwe, dat op al die plaatsen door een ander woord is vervangen, in de bet. getrouwheid niet overal even gewoon meer was. Vgl. ook 924 vlg. en do Aant.
Vs. 423. Hoewel D en G in 420 gt;Hlie iele) edelste dolijt» schrijven, is hot niet aan te nemen dat M. delijf vr. (of manl.) zal hebben gebruikt. Eerder mag men onderstellen, dat de schrijvers het betr. vnw. die in 423 verkeerdelijk op trouwe hebben laten slaan in plaats van op delijt.
Vs. 444. Knecht kan mv. zijn; vgl. Mal. Gramm. § 198; Van Helton § 250, doch ook kunnen verschillende getallen verbonden worden overeenkomstig het in het Mnl. heerschende streven naar afwisseling. Zie verschillende gevallen Mul. Wdb. op go, 8), en een paar voorbeelden van de afwisseling der getallen Oversee 175: «genen vrient noch mayhe»; 205: »het moet al sterven, jouc oude oude»] Franc. 42GG: »waert man of wive.»
Vs. 440. De fra. vertaling hoeft »en chant et on dis» ; Bukelare vs. 505: srithmo, cantu.» Daarnaar tc oordcolon moet »sleclito rime» de bot. hebben van niet gezongen verzen.
Vs. 454. Bukelare's vertaling (513): »sum complutus amoris roramine» is onjuist: zij berust op hot verkeerd verstaan van douiven. Zie het Gloss.
Vs. 463. Wij hebben den vorm mach van vraghen behouden, die meermalen voorkomt, b.v. Wap. M. H, 52 var.; vgl. verder Van Heiten § 214. Do imperatief had blijkbaar ten gevolge van zijn eigenaardig accent eene neiging voor korte vocalen; zoo vindt men niet alleen imperatieven ids mac, doch {Wap. M Hl, 209) van ww. met rekbare vocaal {Mnl. Gramm. § 129; Van Holten t. a. p.), maar ook van ww. met oorspronkelijk lange; zoo behoeft ook do mogelijkheid van een imper. bias van blasen niet betwijfeld te worden; vgl. ook doch en lach van doen en laten.
Vs. 475 vlgg. Vgl. Jezus Syrach (vert. v. V. d. Palm) 13, 24 vlg.: »als de rijke spreekt, dan zwijgen allen, en verheffen zijne rede tot aan de wolken; als de arme spreekt, dan zegt men: wat is dat voor een?»
Vs. 492. Do lat. vertaling, 557 vlg. »multa gens hinc oxcitatur et ad lucra provocatur» zou men wellicht eerder als een bewijs voor do lezing-van A »Ende meniehsins» kunnen aanvoeren. Doch daar alleen A aan het
n*
103
AAIfTEEKENINÃEgt;*.
begin van don regel Eude liceft, en allo andere hss. Dal, zoo is hot waar-seliijnlijkor dat M. tsijn of tsine (CEFG), dan sin of sins geschreven heeft, dat alleen mogelijk is, als de regel niet met dat begon.
Vs. 514 vlgg. Ook de fra. vertaling heeft in vs. 514 gave of goede gelezen:
Une bonne et salnne brebis Porte bien aignel malsain pourris,
Car pareil est souuent veus.
Av noble Abraham de dien amys Sont succede serfs et chetis,
»gelijk van een gezonden ram dikwijls slechte lammeren komen, zoo stammen do lijfeigenen af van don edelen Abraham.» Maar deze zin kunnen de regels van onzen tekst niet hebben; daartegen spreekt èn al in vs. 514, on ook vs. 516. Do verhouding dor hss. wijst ook veeleer op oen oorspronkelijk quade of ongave, dan op goede of gave; ook Bukelare (vs. 584 vlgg.); «agnnni vervex juvenilis pravum gignit saope solis (? op een uitgeschrapt si lis); hinc error introïvitquot; hoeft wel eene dergelijke lozing voor zich gehad. Heeft juvenilis do bot. van te jong? Indien liet in bot. met gave zou overeenkomen, kunnen wij ook in zijne â woorden geen logischen samenhang ontdekken. Maerlant Avil zeggen: »Hoewel op grond van de waarneming dat een slecht kind vaak van slechte oudere komt, diegenen gelijk schijnen te hebben, die beweren dat do lijfeigenen afstammen van don ontaarden Cham, zoo hebben zij het in dezen mis: de lijfeigenen stammen integendeel van den goeden Abraham af.» Strikt genomen strookt deze voorstelling niet al te best met Maerlants beschouwing over de onvrijon (vgl. vs. 547 vlgg.) en dickc, dat ook de beide vertalingen hebben, verstoort, naar het schijnt, don samenhang. Doch in weerwil van deze moeilijkheden zien wij geene andere mogelijke verklaring. Bij de vergelijking heeft de dichter zonder twijfel gedacht aan een bekend spreekwoord; vgl. »blauwe duiven krijgen blauwe jongen» (Harrebomee 1, 150; ook Wander 4, 1041); »kwaad hoen, kwaad kuiken» (Harr. 1, 178; ook Wander 1, 75); »uilen broeien uilen» (Harr. 2, 351; vgl. Wander 1, 902: »em eul von eulen, ein schalck von schalck»); »zulk een tronk, zulk een jonk» (Harr. 1, 3C4); »bu;ite bullen, bunte kalber; dulle bullen govt dulle kiilwer» (Wander 1, 509); »wie dor widder so die scliafe» (Wander 5, 222); alsmede
Scliapken slachten na de rammen
Un de twige na dem stammen,
Joach. Rachel, Dithmarsche F re ge, Strophe 5 (Sach, Joach. R, ein Dichter und Schulmann des 17 ,///.'«, Sleeswijk 1891) en
T)as Böcklein folgt den Rammen,
Der Apfel fiillt nicht weit geineinlich von den Stammen, Joach. Rachel, Satyr. Ged.. IV Satire.
1G4
I JIAET. VS. 514-VS. 521.
Vs. 521 vlgg. Ilotzelftlo ondenverp behandelt Roendale in zijn Tccsteye vs. 1942 vlgg., en aan hot einde van zijn betoog zegt hij (vs. 1977):
Ende aldus so besceyden
Dus die oude rechten,
Dat yrst begonsten dienstknechten.
Mot de Duutsce loy en die oude rechten wordt op don Sassenspiegel gezinspeeld, die dus roods zoor vroeg ook in de Nederlanden bekend vas, gelijk al door Mone werd opgemerkt in zijn Anxeirjer 7, 251. Het oorspronkelijk, tusschen 1215 en 1235 door Eiko von Rcpgow of Eopechomve, een Schout nit hot Anhaltsche, in hot Latijn opgesteld, en op verzoek van Graaf Hoyer von Falkonstein tusschen 1224 en 1230 (?) in het Dnitsch vertaald, kreeg spoedig eene groote vermaardheid, was reeds in den loop der 13de eeuw in geheel Duitschland verbreid, en word in alle gerichten van Saksen en van vele andere staten als wetboek gebruikt. Do verbazende menigte handschriften, moor dan 150 in getal, deels in de Opporduitsche, deels in de Nodersaksiseho taal en in andere Duitsche tongvallen, getuigt voor de algemoone bekendheid. Dat het boek reeds in de 13de eeuw ook in ons land bekend was, blijkt uit deze strophe van Maerlant. In het Ne-dcrlandsch schijnt liet boek eerst in de 14lle eeuw bewerkt en vertaald te zijn. De jongste volledige uitgave der verschillende hss. met do glossen is van B. J. L. Bquot;. De Geer van Jutphaas in de werken der Vereeniging tot uitgave der Bronnen van het Oude Yaderlandsche Recht, Eerste Reeks, n0. 10.
In de uitgave van Homeyer luidt de passage (III, 42) waarop Maerlant doelt, aldus !);
God hovet den man na ime selven gebeldet, undo hovet ine nut siner martore1) geledeget, don enen also den anderen, ime is die arme also beswas 2) als die riko. Nu ne latet jük nicht wnnderon,' dat dit buk so luttel segot von dienstliido rechte, went it is so manichvalt, dat is niemau to ende komen kan; under iowelkem bischope undo abbodo undo ebbo-dischon hebben die dionstlüde sundorlik recht, dar ummo ne kan ik is nicht bescoiden. Do man ok recht irst satto, do ne was non dienstman unde waren al die Indo vri, do unse vorderen her to lande quamen. An minen sinnon ne kan ik is Jiiuht upgenemen *) na der warheit, dat ioman des andoren solo sin; ok ne hebbe wies nou orkündo. Doch secgen summe lüde, die der warheit irre varen, dat sik egenscap irhüvo an kaine, die sinen bruder irsluch; kainos geslechte wart verdelget, do do werolt mit watere toging, dat is nicht ne bief. Ok socgon summo Hide, it quome
165
1
Vertt. martelien, passion. 3) Vertt. na, hemclijc, sibbe.
2
O Vertt. begrijpen, opgenomen, opghevenon(?).
AANTEEKENINGEN.
egcnscap von kam, noos sone. Noo segcnde twono sine sonc uncle anmc driclden ne wuch l) lie nene egeuscap; kam besatte affricam mit sime geslechte, som bloif in asia, japhet unse vordere besatte Enropam, siis ne bleif ir nen 1) des anderen. So secgen snmme lude, egenscap queme von ismahele; die liilge scrift het ismahele der demon sone, anders no ludet so nener egenscap ummc ine. So soogen snmme Inde, it queme von esau; jacob wart gesegenet von sinera vadere nnde hiet ine here wesen boven sine brndere; esau ne vlukede he nicht, noch egenscap ne wuch he nicht. Wie hebben ok noch in nnsem rechte, dat nieman sik selven to egen gegeven ne mach, it no weder lecge sin erve wol. We mochte doch noe oder ysaac enen anderen to egene geven, sint sik selven nieman to egene gegeven mach. Ok hebbe wi orkünde des mer. Got ruwede den sevenden dach. Die seveden weken gebot he ok to haldene als he den joden die e gaf nnde ims den hilgcn geist. Den seveden manet gebot he ok to haldene, untie dat sevede jar, dat liet dat jar dor losunge; so solde man ledich laton nnde vri alle die gevangen waren nnde in egenscap getogen, mit also gedaneme gerede, als man si vieng 3), pf si ledich unde vri wolden we sen. Over sevenwerf seven jar quam dat veftegiste jar, dat het dat jar der vrouden, so muste aller manlik ledicli unde vri wesen, he wolde oder newolde. Ok gaf uns got orkündes mer an enem penninge, dar man ine mede besochte, do he sprak: latet den keiser sines beldes geweldich unde godes belde gevet gode. Dar bi is uns kundich von godes worden, dat die mensche, godes belde, godes wesen sal, unde swe ine anders iemanne to seget danne gode, dat he weder got dut. Na rechter warheit so hevet egenscap begin von gedwange unde von vengnisse unde von unrechtcr walt 4), die man von aldere in unrechte wonheit 5) getogen hevet, undo nu vore recht hebben wel.
Ys. 525. Bukelare, vs. 596 vlgg.: »cum dux victor bellicorum campo fuit occisorum superstes custoditur.»
Ys. 543. Bukelare, vs. G17: »tnnc cnm vulgus in peccatum labitur.» Op grond lüervan hebben wij de lezing van A in den tekst behouden.
Ys. 553 vlgg. Ygl. A. Genlincx, Ilooftdcuchden {a. 1GG7) bl. 50 (van den herdruk, bezorgd door Prof. J. P. N. Land); »A1 wordt hij (een aocd man die slechts aan de rede (jehoor geeft) by gheval voor slaef verkocht, ende moet eene ellendige dienstbaerheyt nytstaen, evenwel ook alsdan soo is hij vry.»
IGG
|
2) Vert. hore glieen. se vint; rayt sodauen rechte als men B) Vertt. ghewoonte, wonheyt. |
1
3) Verll. om also glieJScn reden als men
i mart. vs. 525âvs. 576.
Vs. 566. Bukelai'C 641 vlgg.; »sis lionestus, cmrralare nolis aunim ncc amare; hoc monita tenere debcs; audax vemm fare; tria cordi raclicare hoc docot ot complere.» Op grond hiervan hebben wij, tegen het gezag van AB, waeraehtich in don tekst opgenomen: anders zou er voei voor te zoggen zijn geweest â we(e)rachtich te schrijven, daar dan alle drie do aanbevolen eigenschappen op denzelfden klank uitgaan. Stout zou als synoniem evengoed bij werachtich als bij waerachtich passen.
Ys. 567. Gelijk aan den voet der bladzijde is opgemerkt, is do lezing »des wes bout» niet zeker. Vgl. overigens Disp. 118: »dies liïc ende dies ben ie bout» Teesteye 1504 »dos benic bout», alsmede de soortgelijke uitdrukking »sijds vast», Rincl. 981.
Vs. 576. De hier bedoelde Alaen is Alanns de Insulis (van Eijsel), 1128â1202, om zijne verbazende geleerdheid Doctor Universitatis genoemd. Onder do menigte der door hem geschreven werken heeft vooral do Cyclopaedia Anticlaudiani sen dc officio viri honi veel naam i). In dit allegorisch gedicht wordt door do Natuur, bijgestaan door de Hoofddeugden, nadat zij eerst God om eene volmaakte ziel had gesmeekt, een volmaakt mensch geschapen. Aan het einde van Roek VII komt de beschrijving voor van zoodanig mensch, versierd met alle deugden, toegerust met allo be-kwaamheden, veredeld door do beoefening van kunsten en wetenschappen.
Dien nieuwgeschapen mensch ontbreekt enkel de adeldom, welke hem door do Fortuin, do moeder van den adel, verschaft wordt. Na eenige voorafgaande uitweidingen, dat men bij hot geven geen bijoogmerken moot koesteren, noch hoop op vergelding, maar alleen handelen uit louter mildheid, volgt L. VU, p. 121 (in de uitg. van Wright Satiric. Poets li, 360):
Solaquc nobilitas et simplex gratia mentis Infurmet munus, et doni comliat usum.
Post alias sua dona libens ot laeta dedisset F ilia Fortunae, casus cognata propinqui Nobilitas, si quid proprium cessisset in ejus Sortom, quod posset Naturae lege tueri.
Sed quia nulla potest nisi quae Fortuna ministrat,
Nil sine consilio Fortunae perficit, immo Matris adire domum disponit filia, gressum Aggreditur, superatque viae dispendia cursu.
167
Kauslor (Dcnkm. Ill, 366) zegt »koiiie ganz entsprechende Stelle» te hebben kunnen vinden, en meent eenige gelijkheid te ontdekken in do Summa dc arte pracdicandi, onder Nohilitatis vanitas in de folio-uitg. zijner O/icra omnia door Do Visch, Antw. 1654 (Migne, dl. 210, bl. 557).
1) De hier aangehaalde uitg. is: Cyclopaediae Anticlaudiani, sen dc officio viri honi, libri novem, heroico carmine conscripti. Antw., 1011; vgl. Migne, dl. 210, bl. 117,
AANTEEKEXINGEN.
Men zio over Alanus: Grundr. d. liom. rhilol. Ill, bi. igg en 385, en eene ontleding van den Anticlaudianus bij Gervinus, Gesch. d. deidschen Dichtungi II, 126â128.
Ys. 012 vlgg. Vgl. Sp. d. Sonden (Hs. te Münster) *) 3144:
Van Seneca dus gescreven staet;
Dat vole solde al in rusten loven,
Waren twee woorden verdreven,
Dat (l. Dats) «mijn» nnd »dijn.»
Vs. 027. Het door alle hss. veranderde onz. geslaelit van menscheit komt in het volgende vers weder duidelijk aan don dag (dattero = dat hot ero). Vgl. o. a. rijchcit, vs. 833 vergeleken met 835; kcrstinhe.it, Oversee 228; Sp. 16, 26, 42; F, 82, 74; dl. 1, bl. -458, vs. 51 (aid. 85 vrouwelijk gebruikt); 1V2, 24, 18; IV3, 17, 49; scoonheit, Limh. VIII, 1734; Bcatr. 184; Lorr. fr. 111, 122 (nitg. Matthos). Vgl. Van Heiten § 265 Opm. 2.
Vs. 064. De opmerkelijke variant van AO »vri {vrij) druut» maakt hot twijfelachtig, of vrcemt de oorspr. lozing is. Of berust do lezing op eene verschrijving, veroorzaakt door het volgende »Vriese runt»? â Voor don vorm vreemt (vremt) naast vreemde {vremde) vindt men bewijzen genoog, b.v. Sp. mi, 16. 45; HP, 23, 89; U13, 24, 7; 1113, 31, 46;1V1, 56, 4.
Vs. 072. Zie de Aant. op vs. 348.
Vs. 080 vlgg. Vgl. Nat. Bl. II, 419:
Omme die genoeclite van den oghen,
Die hem niet connen gedoghen.
Noch diemen sat niet can gemaken Te siene scoone niewe saken:
Dat sijn die veynsteren, dat verstaet,
Daer die doot bi ter zielen gaet.
Vs. 685. Bij de door ons aangenomen lezing is de vereisehte zin, dien Bukelare vs. 780 weergeeft met »fallor in te confisnm» en dien B en O verknoeien, slechts door de in den tekst gebezigde constructie (»du bost vrient? gij zoudl een vriend zijn?) tc verkrijgen. Misschien staan FT)O. die hden hebben, nader bij de oorspronkelijke lezing. Vgl. vs. 690: »vrien-delic viant», in M.'s bron »familiar is prod Hor.»
168
Vs. 687. Dat de bijna onmiddellijke herhaling van voren (vor) lijt in dezelfde beteekonis oorspronkelijk zou zijn, is in hooge mate onwaarschijnlijk. Do gissing van Verwijs door tijt is, om van andere bezwaren niet te spreken, ook daarom niet overtuigend, omdat zij niet verklaart, iloe aiie hss.
1) De tekst, oorspronkelijk zuiver Mul. (Vlaamsch), is evenals de Alexander en de Troyen door een afschrijver iu een ndd. dialect overgeschreven.
I MAKT. VS. 612-VS. 759.
voren lijt hebben kunnen schrijven, wanneer er oorspronkelijk stond dor ijl. Verwijs zou zich op Wajp. Roy. vs. 522 vlgg. hebben kunnen beroepen:
Dio meinsche es ghelijc cere stat Die moet zijn bewaart;
Elc zin es een (h)open gat.
Dor twelke in mach trecken, dat Lichte die stat ') bezwaert,
welke onmiskenbaar onder don invloed van de plaats uit Wap. M. staan. Doch deze verzen bevatten te gelijk een beeld uit het ridder- en krijgswezen, en dit is ook het geval met de vertaling van Bukelare, die zich steeds zoo dicht mogelijk aan zijn voorbeeld aansluit (vs. 781 vlg.) »te precor claudis (h)ostia, ne captent hostes spolia.quot; Van dit beeld wordt in don tekst niets teruggevonden, indien de lozing der hss. of van Verwijs de oorspronkelijke is, doch wèl indien men leest »daor so menich dief voor {of voren) rijt»] vgl. voren sitten, Sp. 13, 5, 2; voren ligglien, F, 77, 68; voren staen, 11U, 36, 102; voren trecken, Bijmh. 14832; voren eomen, Ferg. 3815; voren geien, Hild. 183, 26; Bralt. Y. VI, 11689; Sp. 1\T8, 52, 88. Ook Nat. BL V, 684 is lijt vermoedelijk voor rijt verschreven. Een »ridende diefquot; schijnt vreemd, doch men bedenke, dat ook een bandiet, een struikroover, een roofridder en dgl. in het Mnl. dief worden genoemd; vgl. dief â latro, Sp. IIFgt;, 8, 28, alsmede de voorbeelden in het Mul. Wdb. en in het I). 1170., en vooral Elegast 203 vlgg. In het Mlid. worden riten unde rouben verbonden (Lexer op riten).
Vs. 689. Bukelare, vs. 783 vlg. :gt;IIeu! per te sum divisum, clamans ad Paradisum.» Vgl. de Aant. op vs. 208.
Vs. 737. De zin vereischt; »Redene beschouwde liet hart als voogdes ende heerscheres.» Bukelare 838 vlgg.; »Reuni cor ab hac culpatnr, quod ut tutrix appellatur ab (/. et?) hera visionis. Hoc contingens sejie (V) datur quod cor falso infirmatur visu deceptionis.» Die in vs. 736 kan wat den vorm betreft evengoed nominatief (= licdene) als accusatief (= herte) zijn. Het laatste is evenwel het natuurlijkste en het pers. vnw. (.sr) moet dan nom. zijn. Dit is evenwel in de oudere Mul. schrijftaal in den verzwakten vorm se zoo zeldzaam, dat wij, ook voor de duidelijkheid, met CDG .soe in den tekst hebben opgenomen. »Des glievalles ghewelt» is »de macht van het toeval» {Mnl. Wdb. 2, 1781), wat Bukelare door contingens weergeeft en dat in 31.'s bron orcasio heet.
169
Vs. 759. AVij hebben de lezing van BI) gevolgd, omdat de tekst van Bukelare (vs. 868 vlgg.) »doctus hoe negare nescit: spiritus semper artles-
l) Hs. die de stat.
AANTEE KENINGEN'.
cit ut homines salvontur» daarvan ccne woordelijke vertaling is. Do een-lottorgrepige vorm gaar komt ook vs. 333 in het rijm voor; vgi. Zs. f. d. Alt. 2G, 337. Maar de samenliang en do woordvoeging krijgen daardoor iets vreemds, on hot zou â daar de lat. vertaling geen afdoend bewijs is voor de oorspronkelijke lezing â met hot oog op do andere hss. overweging verdienen of niet wellicht de tekst van M. geluid heeft;
Dat sire sielen ware gheen vaer,
Die hem wilile hoeden;
Wilde die herte enz.
Zoo zou Ui in vs. 763 beter te begrijpen zijn, als slaande op 7G0: nu moeten wij aannemen, dat uit het voorafgaande het begrip »niensch» moet worden ontleend, en dit is niet zonder bezwaar. Ook kan men moeilijk hi voor verschreven houden uit nI, soe, met betrekking op herte, gelijk O hooft (ten d. i. dat herte en) dorstem enz.); evenmin zijn de lezingen van 1) (wi) en van AG {niemen) te vertrouwen, hoewel dit laatste in onzen tekst zeer goed zou passen. Er blijft dus in dezen nog eenige twijfel bestaan.
Vs. 77quot;). Toespeling op den bekenden lat. versregel (JuvenaJis X, 22): »cantabit vacuus coram latrone viator.» Vgl. Huygens, Ilofwjck, vs. 2611.
Vs. 782. M. doolt lüor op de woorden van Jezus bij Matlh. XX111, 2 vlgg.: »de Schriftgeleerden en de riiarizcën zijn gezeten op den stoel van Jlozes enz.»
Vs. 788. Vgl. Bukelare 898 vlg.; »Implc jussa ipie tibi jejuna'dicimt saturi.»
Vs. 806. Dewijl Stoett, Synt. § 66 bij den ace. c. inf. â die niet als eene navolging uit het Latijn moet beschouwd worden â voor de constructie met te slechts één voorbeeld geeft, volgen hier nog eenige plaatsen. Sp. Ji, 45, 52: »dat hi eerst vingherlijn vant man te draghone an die hant» ; III6, 19, 35: »]ii hoopte hem te ghesciene in ene kerstine kerke te vliene»; Lsp. I, 33, 49: »dicke ]ileoclitnien te ziene op aertrike hem goet te ghesciene»; verder Franc. 7962; lijmh. 32597; 32924; Sp. I5, 5, 66; F, 97, 16; m2, 20, 24; Rein. I, 3016; II, 2067; 6940; Amand II, 2257; Teest. 1414; Br ah. Y. VU, 10384; Ede.iv. 1893; MLoop III, 1225; Glor. 111; iVef/. Proza 94; 95; 332 tweemaal. Daaronder zijn ook voorbeelden met curen (besluiten), ovcreendraghen, maken, raden, pleghcn. als regeerende ww. Vgl. nog Nat. BI. U, 3802: »niet so selsiene en es alse iemen te comcne... daer die harinno worpt haer jonghe.»
Vs. 808. Sit ende sat. Voor den protheron hustoron zie Taalk. Bjdr. 1, 123; Wap. M. II, 294 en boven do aant. op vs. 162. Dezelfde verbinding van het praes. en praet. van hetzelfde ww., waarbij ook het prae-teritum vooraf kan gaan, komt ook voor op de volgende plaatsen: Franc.
170
i makt. vs. 775âvs. 809.
G6: »clie ons sach ende siet dus risen»; Troyen 15.359: »bidic ende bat»; tip. 1', 12, 48: »vant noch en vint»; Nat. TH. V, 229; »vint ende vant», Sp. P, 30, 20: »ooc vint men daer ende wilen vant gagates»; Disp. 431: »bit ende bat»; 410: »bicde ende boot»; Nat. UI. 11 1809: »plien ende plaghen»; Sp. 11II, 20, 1: »die Goten liieten of noeli heten»; III4, 29, 22: »noit stont no staet»; Franc. 3151: »doet ende dede»; C954: »leigt ende lach»; 8p. Ill8, 29, 30: »daer ic af seide ende segge»; III8, C6, 91: »soe dede ende noch doet»'; I- , 37, 37: »ne sochten wijt niet noch en soeken»; Wap. liocj. 1706: »conste no can»; Vierde Marl. 565: »et ende at»; 634: »die hadde ende lioeft al sijn ghebot»; Rind. 1070: »hi wrect ende wrac.» Uit plaatsen als Wap. M. I, 555â559 en III, 408 vlg. kan men zien, hoe de eigenaardige uitdrukkingswijze is ontstaan. Doch dat liet eene redefiguur is geworden, blijkt daaruit dat men alleen vormen mot een duidelijk onderscheiden klank aldus kan verbinden, ra. a. w. wel sterke ww. en do zwakke die daarop gelijken (soeken ende sochten, seide tnde sernjr), raaar niet een gewoon zwak ww. met zijn praeteritum (b.v. leeft ende leefde, voerde ende voert en dgl.). Sp. 17, 57, 2 wordt lat. nuncupatur weergegeven door »Avenioen hiel oft heet»: ook daaruit blijkt dat wij lücr met eene opzettelijk aangebrachte stijlfiguur te doen hebben.
Vs. 809 vlgg. Deze moeilijke strophe luidt bij Bukelare vs. 925 vlgg. aldus:
Filius dei monstravit, Judeus colaphizavit
Regnaturus et regnavit Vituperabiliter.
Cum patre perhenniter; Paupertas, que se ditavit
Se nasci humiliavit Juste, celum penetravit
Ex Maria, quam sacravit, Sustinens pacienter:
Virgine humaniter, Iluic cede fidenter
Quem nutrivit et lactavit; (hs. fideliter).
Bukelare laat dus het begin der Strophe (tor/het ons dat) op hot voorafgaande slaan; datzelfde doen zeker ook BGO en F, en misschien heeft M. dit ook bedoeld. Dan zou achter vs. 809 en 815 een punt moeten staan, en dat in vs. 810 het artikel zijn bij armoede, dat herhaaldelijk onz. voorkomt: zie Mnl. Wdb. en vgl. o. a. nog Sp. III2, 31, 34; III8, 88, 10; Lsp. UI, 4, 490; voor het weifelen tusschen vr. en onz. vgl. Sp. I8, 75, 33 met I8, 77, 13, alsmede tekst en varianten op deze plaats, en liier vs. 774 en 798. Wij hebben er evenwel de voorkeur aangegeven, vs. 810â815 als tusschenzin te beschouwen, en dat in vs. 807 te laten slaan op 816 vlgg. Een dergelijke lange tusschenzin is geen bezwaar; zij komen ook elders meermalen bij Jlaerlant voor. De zin der laatste verzen is: »armoede is een pad dat ten hemel leidt, en zij laat hem niet bedrogen uitkomen (door Buk. weder niet goed begrepen), die zich aan haar van harte toewijdt.» In 818 zou het wellicht beter geweest zijn voor het pronomen der overige hss. [si, hem) het neutrale pronomen het in den tekst te brengen, in plaats
171
AANTKEKEXTNGEN.
van het met G gohool weg te laten. Do vreemde conj. heswike, vs. 818, is misschien boter te verklaren als dat in 81G conjunctie is. Maar zij zon wol als potentialis, ook in den hoofdzin, kunnen worden verklaard, indien hier niet wellicht eene andere beschouwing geldt, en wel de volgende. Evenals in het Mhd. (zie Paul, Wul. Gramm.2 § 346) »wenn an einen Relativsatz ein zweiter mit unde anzuknüpfen ware, man haufig in demonstrative Construction übergeht, jedoch mit der AVortstollnng des Eelativsatzes», (b. v. »dcn mir mm vater ouch beschiet und mir an sine lêre riet»; fdnin sin herre sin guot bevilhet, und er da mite getriuwehche wirbet»), construeert men in het Mtd.; zoo b. v. Wrake, III, 1154 vlgg. »ghi die in oncuuscheden staet .... ende u gheen dinc en smaect»; Rijmb. 18854 vlgg.: smaer M diet u heeft gheghoven ende ghijt hier laet dor sine Avet» ; vgl. ook 28285 vlgg. en Troyen 58(J1 (vóór 5860 is wel eene leemte aan te nemen). Daarmede zou overeenkomen »endc hel niet en beswike», niet den conj. in den relatieven zin, waarover men vergelijke do aant. op Oversee 19. quot;Weliswaar is vs. 818 vlg. eigenlijk geen parallel van den relatieven zin maar van den hoofdzin, doch eene dergelijke verwarring aan tc nomen, schijnt niet gewaagd. â Na het in de aant. op vs. 417 vlgg. gezegde, zou do lezing trouwe in vs. 819, hoewel zij slechts in A voorkomt, evengoed als 11, 293, de voorkeur hebben verdiend.
Vs. 839. Of den mensche van A do oorspronkelijke lezing is, is twijfelachtig. Het gewone woord voor den verbogen naamval van men is ecu, gelijk lüer F heeft (vgl. ook 886 en varr.), dat M. ook meermalen in den nomin. gebruikt; zie Mnl. Wdb. op een, 2), en een (ene), bijw.; buitendien Ileim. 1266; 1269; Franc. 3759; Sp. D, 31, 46; l6, 52, 31; 1°, 55, 56; 16, 56, 74; 18, 35, 11; 1», 44, 29; 15, 3, 12; Nat. BI I, 203 (varr. man); 11, 2611 (an eens hals); Hl, 2188 (varr. een man); Alex. X, 292. Troyen 34567 staat in denzolfden zin een nominatief man: »vian en was noch nie so vro, als ic was doe ic haer ontvloo.» Doch voor den verbogen nv. zal men wol niet man mogen aannemen, evenmin als voor het Ndl. en lid.; wèl kan M. den man geschreven hebben; zio Mnl. Wdb. op man, kol. 1075.
Vs. 852. Terwijl anders in den regel een nieuwe spreker met het begin eener strophe aanvangt, valt hier Jacob midden in de strophe Martijn in de redo; Maorlant wilde daardoor zeker aan den dialoog eenigo afwisseling geven of het vuur der redeneering uitdrukken.
Vs. 871. Evenals hier wisselen ook II, 273; III, 274; 334; 337; 487 e. e. duvel en viant af, zonder dat men mot zekerheid kan zeggen, wat oorspronkelijk is. M. gebruikt beide woorden. Viant staat in de stroph. gedichten Wap. M. Hl, 288; 328 (oude (vair. helsche) viant); 360 (helscho v.); Disp. 19; 257; 416; Vijf Vrouden 60; 69; Vijf Wonden 59; 64; Claus. 155; vorder b.v. Sjgt;. HF, 7, 32; UI3, 10, 28 vlgg.; HP, 10, 45; IH5,
172
i mart. vs. 839âvs. 948.
25, 20; III3, 30, 68 (in hetzelfde hoofdstuk ook duvel); lioido -woorden wisselen af b.v. 1113, c. 29; I IH, e. 7; e. 45; III5, c. 10; III8, r,. 59; vgl. 1117, 13, 33 met 1117, U, 17.
Vs. 880. Vgl. Buk. 1007: »quod jier Evam Adam stiütus virus hausit invide.» Do datief (tore) staat met eenc bepaling met door gelijk. Zie Mnl. Wdb. op laten, kol. 199 en de aant. op Mart. I, 7. Doch hare ka:i ook ace. zijn. Vgl. Grimm, Gramm. 4, 029 vlg., Paid, Mhd. Gr.2 § 299.
Vs. 887. Aan deze plaats heeft waarschijnlijk de berijmer gedacht van den Sj). d. Leken 177 r (vgl. Lsp. dl. 3, bl. 342);
Of ic mit domheit op een sant gae sitten Dair Jagelix die vloot over pleecht te vlieten,
Ende bi mijnre traecheit beghinne te slapen,
Of die vloet dan comt eer ic can waken,
Ende ic mi van water niet mach vrion,
Hoe wil ic dat der aventnren dan tyen?
Want had ic my wijslic te voren versonnen,
Te tijt had ic den water ontronnen,
Mer mijn versumicheit heeft mi brocht in deren,
Dat ic wel lichtelic had moghen keren.
Vs. 923. Zie Moltzer in Noord en Zuid 9, 13G, die te recht ids de eenig mogelijke bot. van den regel omschrijft: dit maakt dat men aan do vrouwen een kwaad hart toedraagt.
Vs. 924. Vgl. de aant. op vs. 417. Do eenvoudigste lezing zou wol zijn: »dat men lettel trouwen kint an(e) vrouwen, (dat) en claghic twint», doch wij hebben haar niet in den tekst opgenomen, omdat ook in C â opmerkelijk genoeg â de praep. an ontbreekt.
Vs. 927 vlgg. Vgl. Sp. 18, 77, 49 {naar Juvcnalis):
Niet nes so diere, vondemens vele,
Men sout copen omme niet te spele.
Vs. 934. Aan het vers schijnt uit een metrisch oogpunt iets te haperen. Tegen de omzetting «vrouwen valsche woort», pleit de eenstemmigheid der hss. Misschien is valsch woort (C) met don klemtoon van eene samenstelling uit te spreken; vgl. os. lósword, loswerk] ndl. hoogtijd, hd. hoch-zeil en dgl. Vgl. ook mnl. hoonwoort, waarin hoon het germ. bnw. kan zijn.
Vs. 948 vlg. Bederven staat hier in de bepaalde beteekenis van dooden; vgl. Mnl. Wdb. 1, 628 vlg., en is in plaats van sterven van A (over het etym. verband dor boido woorden zie Klnge op verderben; Fra nek op bederven en sterven) naar de andere hss. in den tekst opgenomen, omdat in de strophe reeds besterven in het rijm staat. â Eene werven hem laten bederven of sterven is te vergelijken met Hein. I, 2005; »ic dar wel
173
.V-VNTE E k-ENIXGEN'.
sterven one waerf»; vgl. Rein. II, 2004: »ic en mach doch niet dan eens sterven» (ook Proxa-Rein.). Het was eene gewone nitdr.; vgl. Troyen 3528: »(loeli en moghon wy mer eens sterven»; 40008: »wat is na lives omganghe anders dan emmer ene doot» (vgl. Oii. Ged. 1, 74, 01; »al maclimen sterven eenwarf ontstaen, altoos en mach mens niet ontgaenquot;). Ene werven sterven zal dus de bet. hebben van »den onvermijdelijken, den toch eenmaal zeker ons wachtenden dood ondergaan.» De nitdr., waarvoor men in dezen zin eerder die ene werf sterven zou verwachten, sclüjnt mot eeno andere ene werf sterven te zijn samengevallen en verward, waarin eneiverf de bot. heeft van eenmaal, op een onhepaalden tijd in de toekomst, lat. aliquando. Vgl. Mnl. Wdb. op een werf, 2). Voor onze plaats zou men de nitdr. kunnen weergeven door »den raenschelijken dood ondergaan, sterven als een mensch.»
Vs. 9G2 d. i. «waarop Lucifer als zijne onderhoorigen, zijne dienaren aanspraak maakte.» Vgl. Mnl. JFdb. op meisniede, en Troyen 21280; 2400G. â De voorstelling, dat Maria de zielen in de hel zou verlost hebben , vindt men ook Claus. 465 vlgg. Vgl. de Aant. aid. 467 en Te Winkel, Maerlanfs Werken'2 117.
DANDER MARTIJN.
Vs. 7. In de in Wap. Roy. 868 vlgg. nagevolgde strophe komt dit vers woordelijk terug;
Waert al dijn, dat comt int Zwin,
Der zielen daet gheen ghewin,
Wiltu weldoen begheven.
Bij Bukelare, vs. 7 vlgg.; »licet tui fore densus SI use thesaurus im-mensus, nil prodest; condempnaris.» Vgl. het Gloss, op swin.
Vs. 14 vlgg. Bij Bukelare 18 vlgg.; »In Dam fossa tui lecti sub cam-panis, et Trajecti moror, sic separamur.» Deze vertaling strookt met de boven op bl. 85 medegedeelde woorden van Vaerncwijck: »Te Damme... leyt begraven.... Jacob van Meerlant onder de doeken.» Maar hoe komt de vertaler tot de ongerijmdheid om Martijn een gesprek te laten houden met een overledene? Er schijnt wel geene andere verklaring mogelijk dan deze, dat Maerlant reeds gestorven Avas toen Bukelare zijne vertaling maakte, en deze met schoohneesteraclitige nauwkeurigheid de woorden »Jacob, du woons in den Dam» dienovereenkomstig wijzigde. Vgl. Te Winkel, Ndl. Lett. 1, 317. Serrure wil Vad. Mus. 1, 120, uit het feit dat de woorden »clt; moror Trajecti» niet door B. veranderd zijn, afleiden
174
1 MAKT. VS. 962â11 JIAKT. VS. 140.
dat Mart ij n, »dio waerschynlyk ook wel wezenlyk zal bestacn Lobben» op denzelfden tijd nog in loven was.
Vs. 17. Do afivijkonde lezingen oil, meest, ane doen vermoeden, dat de oorspronkelijke lezing hier verloren is: daarom hebben wij naar Buke-lare 21 vlgg.: »scis plus teduit amplecti carmen, quo nos cerno plecti; nam rithmo nil lucramur» bij gissing meer in den tekst opgenomen, waardoor althans de bedoeling der oorspronkelijke lezing kan worden weergegeven. De beteekenis (»nog meer dan onze scheiding») kon licht door de schrijvers worden misverstaan. Hetzelfde begrip kan trouwens ook door den superlatief meest (naar lil) O G) zijn uitgedrukt.
Ys. G9. Zie de aant. aan den voet dor blad/.. Behalve aan do daar voorgestelde redactie zou men ook nog aan andere knnnon denken, nl. aan »dior minne ml gheprijst es twint», of dichter bij G: »dior minne ghoprison in mach twint.»
Vs. 73. In het Mlul. staan ihl, ie, ie man, iemer in afhankelijke zinnen mot dat meermalen in negatieven zin. In liet Mnl. is dit geen regel, doch er zijn toch ook in onze taal gevallen, dio nog nader moeten worden onderzocht, waarin de ontkenning kan wegblijven. Hier wijzen de hss. op een dergelijk geval. Vgl. Stoett, Sijnt. § 375, en versclüllende voorbeelden in zinnon mot moor, Mnl. Wdh. 4, 1298 vlg., waar ook op fra. plus de gewezen wordt; zoo ook Sp. IV2, 20, 52 en bij Mhd. mèr; vgl. nog twint en hore zonder ontk.; Oversee 153; Flandr. IH, 146: »dattio ccntauroen van groter smerto weet wat doen»; Courhy I, 810: »also menich ridders slach was daer ghogoven in vele jaren»; II, 398: »niet no quam hi so zaen, die untvaort was eerst ghedaen», en do aant. aid., alsmede Mnl. Wdb. op en on no.
Vs. 79. Zie over den gedachtengang in den Tweeden Mnrtijn Te Winkel, Kdl. Lett. 1, 320 vlg.; Tjdsehr. 8, 228 vlgg. en 320. Vgl. ook de Inleiding.
Vs. 98. Hot is opmerkelijk, dat hoewel de uitdrukking hinderwaert varen volstrekt niet ongewoon was (zie Mnl. Wdb. op hinderwaert) de hss. op deze plaats eerder op hindervaert wijzen, gelijk ook Hild. 21, 32 staat. Misschien is do uitdr. hinde rvaert varen naast de boven genoemde in gebruik geweest.
Vs. 122. Bukolaro las scat (als F), vs. 143: srognum, censum proiecit», doch do fra. vertaler stat: »et laissa royaulme et manoir.»
Vs. 124. Maerlant dacht liierbij aan de bekende schildering bij Ovid., Metam. VII, 20: »video meliora proboque, deteriora sequor.»
Vs. 140. Het is luin geen twijfel onderhevig, dat door Martijn, die van do juistheid zijnor opvatting vast overtuigd is, al tfólc enz. als mogelijke
175
AANTEEKENINGEN.
tegenstanders worden gedacht. Daar Martijn zich bereid verklaart den strijd met de geheele wereld aan te binden, wordt hij dan ook door Jacob »een stont seriant» genoemd. Zoo heeft ook Bukelare do zaak opgevat (vs. 159 vlgg.): »Montis vallisque agmina silent.... sed respondere nequennt per probaniina.» Silcre gebruikt B. in den zin van niets tegen iets kunnen inbrengen, mei den mond vol tanden staan; vgl. zijne vertaling van III, 409 vlg. »silent vilentque oumes, verba, vires et sormones.» De door Verwijs, Stroph. Ged. 144 vlg. voorgedragen meening is onhoudbaar. Men zou ook met Kausler in vs. 13G schedet mi in plaats van schedics kunnen lezen, waardoor de zin wordt hersteld: de gemeenschappelijke fout der hss. zou gemakkelijk te verklaren zijn uit het feit, dat de zin in den volgenden regel doorloopt, m. a. w. uit hot enjambement, waarbij herhaaldelijk knoeierijen der hss. voorkomen: dan zou in 140 Dijn kunnen blijven. Maar de Lat. vertaling spreekt duidelijk voor onze opvatting; ook past vs. 144 uitstekend bij iemand, die de geheele wereld ten strijde uitdaagt. Wij hebben daarom boven deze verandering do voorkeur gegeven aan oeno andere, die men evenmin te stout zal kunnen noemen, nl. Dijn in vs. 140 togen het gezag van alle hss. in S/jn te veranderen.
Vs. 150. Bukelare 174: »Mc fari sine paululum»; fra. vert. »si jo puis estre de toy oys» {gehoord). Deze vertalingen wijzen niet op de in het Mnl. Wdh. op cant aangonomene vijandige opvatting: »als ik u maar eens ter zijde kom, u in do flank aantast, u aanval.» Ware deze bedoeld, dan zou de bet. dor uitdr. overeenkomen mot ndl. iemand op zijde komen. Docli de bedoeling kan ook zijn: »laat mij aan uwe zijde komen, naast u komen om mot u te sproken.» Zoo vat ook Verwijs, Str. Ged. bl. 145, den zin op, dien hij weergeeft door »zoo ik eens aan hot woord kom om u te weerleggen, zal allo wijsheid, die gij hebt uitgekraamd, van weinig waarde zijn.» Vgl. Kal. BI. II, 2929: coomt yemen an sinen cant, aan ei aliquis appropinquat.
Vs. 154. Casselherch, bij Bukelare Casletulum, thans Cassel, ook Moni-Cassel in hot Département du Nord. Zie Guieciardini, Beschr. d. Nederl. 306â308 (vort. v. Kiliaen).
Vs. 187 vlg. Vgl. de Aant. in de varr. Onze lezing van den tekst, die het dichtst bij A staat, is wel niet do oorspronkelijke. Jacob schetst den strijd tusschen verstand en hartstocht, en daarvoor moet ook liet voorbeeld van Abraham dienen. Het is daarom waarschijnlijk, dat herte met redone eone tegenstelling hoeft gevormd, en dat sine herte van BDGO als ace. bij verwan behoorde; vgl. Bukelare 215 vlg.: »nec amplius cupit iHam cor eris {zijn ten opzichte van haar verhard hart, zijn voor haar gesloten gemoed'? öf l. eins?) adamare.» Schreef M. misschien: »want redone {of ver BedenV) verwan Sine herte met trouwen», d. i. »hot verstand overwon
176
it mart. vs. 150âvs. 214.
zijn hartstocht door (middel van) do hmvoiijlcstromv gt; ? Vgl. vs. 218: gt;niinno over redone vervacht» en 242 (uit Huk.) »animi inotns ration! ohstans.»
Vs. 189. Bnk. 220 vlg.: gt;1101110 poiitns ociam amat nj^ per jiriidontiam. Voor edel van A bewijst deze vertaling niets. Vgl. voider de :iant onder aan den tekst.
Vs. 192. De uitdr. »deii ban ghenioten» komt elders niet voor, maar wel de soortgelijke »vonnesse genieten»; zie Mul. Wdb. op genieten, .quot;)). gt;Eiien den ban geven» gelijk de meeste hss. hebben, vindt 111011 ook l, GO (enen ban), Hild. 82, 98: gt;men ghift der eren nu den ban», en Sj*. IV1, 87, 13; »verdienen den ban», de lezing van O, staat ook W'up. Rog. 7G1. Andere uitdr. zijn gt;don ban hebben . Ver!:. Marl. 68; gt;den b. ont-faen», II up. Rog. 886; Sji. 1112, 5. 65; »don b. anlogghen». IV:', 29. 92; »b. upwerpen», III^, 4, 34; »011011 b. beraden», IV2, 14, 22; inden ban (banne) doen, ULO, 54, 10; IV2, 50, 51; â brenghen, IVi, 44, 51; 55; Vierde Mart. 87; â legghen, IVaji. Rog. 682; â werpen, Sji. IV2, 38, 79; â vallen», 1I[5, 6, 57. naast hot gewone gt;in den b. sijn», 1 [ifi, 54, 17; â houden, OlIW. 9(1. â »Don ban ontbinden», Sji. IV2, 73, 37; »den ban versoenen», Disp. 426.
Vs. 211. De in deze en de volgende strophe genoemde mannen, nu en dan ook nog andore, doen iu do middeloouwsche letterkunde herhaaldelijk dienst als bewijzen van de macht dor liefde. Bij Maori,-ml zelf komen zij nog eens zoo voor, nl. S]). Ill1, 39, 23 vlgg. (naar Hioronymus). Zoo ook Noch meer van, den Wiven 93 vlg. Adam, Samson en Salomo beliandelt Reinni. v. Zweter 167, 103; vgl. de tuint, van Roethe aid. VToor de Joodscho parabel van Zerubbabel, dat de vrouw machtiger is dan de koning en de wijn, doch alleen voor do macht der waarheid moet bukken, vgl. men .syy. P, 15, 23â72; het verhaal is daar bewerkt naar Flav. Josophus, Aidiq. Jud. XI, 3 (oenigszins anders in de Apocrypho Boeken, 111 Esdra, e. 8). Hetzelfde verhaal vindt men Rjmh. 17801â17833; Lsp. I, 32, 81â106; Limb. XI, 417â466.
Vs. 214. Do voorstolling dat Adam in verstand alle menschon overtrof, berust op bijbelplaatsen, b.v. Oen. 2, 19: »want als de Heere God uit do aarde al liet gedierte dos velds en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zoo bracht hi die tot Adam, om te zien hoe hij ze noemen zou, en zoo als Adam alle lovende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn. De latere middeleeuwen zagen, uit Talinudistische bronnen puttende, in Adam do verpersoonlijking van alle geestelijke en lichamelijke volmaaktheid. Zoo heet hij in hot in de vorige aant. vernielde gedicht van Reimnar von Zweter »der edel ivtse. vrT Adam.» Vgl. Rincl. 144, waar van Adam gezegd wordt: »van so subtilen man waost wonder, dat hi ter noot sijns sins wordt sender, oude ons allen eygon maocte.»
Wapene Marlijn e. a. Ged. 12
177
aanteeickotngen.
Vs. 218 vlgg. Btik. 250 vlgg. »Amnr, vincis et offendis, fas nefasque comprehendis; ploremus, gaudeamus ac veile cai-eamus.»
Vs. 225 vlgg. Bij Bukelare luidt de plaats (259 vlgg.): »amor iste passionis, rare consolationis ad premium laboris sensum iiiutat, malis, lionis.» Recht in onzen tekst kan als versterkend bijwoord van yheen worden opgevat, vgl. Rjmh. 430: wechi aire meest»; Sp. UI4, 40, 27: »bina recht al doot»; I6, 48, 44: »rechts al vul worme.» In denzelfden zin wordt ndl. dial, rechtaf (recldof) gebruikt in de Ijeteekenis van in één woord, juist, b.v. in »dat is rechtof gemeen.» Of moet men recht door «eigenlijk» weergeven? vgl. lid. uitdr. als »dagegen gibts kein rechten mittel», ndl. niet recht b.v. in »ik ben niet recht wol; mijne meening is niet redd gevat», d. i. niet volkomen, niet juist, of ook eigenlijk niet] Nat BI. XII, 267: »hi es root, maer niet so recht, dat hi maect dat donker leclit.» Men zou naar A een bijw. recht toe kunnen aannemen, in den zin van ndl. rechtaf, nl. in één woord, kor! en fjord, kortom, doch deze opvatting wordt door de andere hss., waarin toe ontbreekt, niet bevestigd, en een woord rechttoe is tot heden in het .Mul. niet gevonden. Recht wordt in elk geval door AB en Cf gesteund tegen de eenvoudiger lezing van FDO. Heeft men quot;wellicht aan het znw. recht in de bet. fas te denken en te lezen: gt;daer nes toe {of jeghen) recht no gheen doen», daartegen helpt noch recht noch iets anders wat men (er tegen) doet? Vgl. de woorden fas nefasque van Buk., aangehaald in de vorige Aant.
Vs. 241 vlgg. Hierin schuilt eene rhetorische aardigheid, in de Middeleeuwen niet ongewoon, namelijk om aan elke letter van een woord eene beteekenis te geven, waarin tie hoofdhoedanigheden van het daarin vervatte begrip worden uitgedrukt. Zoo vermeldt Mone, Uehers. 170, een gedicht op de vier aanvangsletters van Mors'. »Met vier letteren Mors ^espelt.» In het Hulth. Hs. komt een gedicht voor, getiteld: »VII letteren ^aer men mede Wapene spelt i).» Die zeven letteren zijn zeven bloemen, en wel de volgende: Vvaerhede, Vromicheit, Anteeren, Pinen, Edelhe.it, Noden'ï), Ere. Willem van Hildegaersberch geeft in een zijner gedichten naai- de eerste letters van Dondnus eene opsomming van de zeven deugden. die eenen heer moeten versieren ?gt;). Hij gaat op dezelfde wijze te werk als Maerlant met A/nor.
Int Latijn staet menich woert,
Daer menicli lioglie leer in stect,
Alsmen die waerheit al vertrect.
Uten Latijn wort mi vertoghen,
1) Serrure, Vad. Museum, I, 352 vlgg.
2) Zoo moet in vs. 132 gelezen worden, in plaats van Naden, gelijk de uitgave heeft. quot;Verg. te hove bidden in vs. 135. 3) Ged. 71â72.
178
Hoe dat grote lieren inoghen Horen naem in eren liouden Ende altoes edel sijn gheschouden. In den Latijn noemt men aldus
IT MA UT. VS. 21Sâm MART. VC. G.
170
|
Enen heer Domimis. Dat woort is van letteren seven, Ende elke letter can gheven |
Een woort, dat hem sa! toebehoren, Die den naem te recht sal voeren, Ende wye die letteren al!e heeft. |
Mit recht inen hern den name gheeft.
Die zeven deugden zijn: D'iseretio, Obedientia, Müericwdia, lualitia, Nohilitas, Ueritas, Sapient ia. Vgl. ook Limh. Serm. 104 c: »an dir sal sin muiier es. An din worde sin agte bucstave: daer ane saldi verstaen agte dogode die der volcomen inensche hebben sal.» Die letters Avorden achtereenvolgens verklaard: munda, mine- uereeunda, scemelch' leta, rrolikr. insta, geregl; ereeta, opfjerigl; robusta, xtarc; electa, er koren; sociata, tuegevugt. Verwijs maakt uit de woorden van Bukelare, vs. 275 vlgg.: â¢gt;Motus coj- facit vagari et sepius errare. Ratio tamen dominari uequit atque principari sen motibus obstare» op, dat de door M. bedoelde verklaring van Am or is Animi Motus Obstans Rationi. Aan de juistheid is niet te twijfelen, al moet men met Verwijs erkennen, dat er in Maerlant's verklaring eigenlijk meer ligt, dan de Latijnsche woorden aangeven.
Vs. 2C4. Mi messchiet is synoniem met ie mesdoe, evenals rui ejheschiet (of gevalt) met ic dor, iets wordt door mij verricht. Vgl. Mn!. Wdh. op geselen, 4), en latei' op misseien, alsmede het eveneens gebruikte miscomen. Zoo ook hd. genchelteti (11, 5, in Grimm's 117//.): vgl. ook Krone 1797G; EiUiart 512(1; Jolanthe 3038; 3453 e. e.
Vs. 312. Hoewel het rijm van leven, w\v. en leren, znw. geen zwarigheid ojjlevert, zoo hebben wij toch niet geaarzeld A O te volgen en heven in den tekst op te nemen; vgl. de aant. op I, 412. Ook de woorden van Bukelare, vs. 350: gt;i[ui ad centrum cor transfodit mag men met Verwijs ten gunste van deze lezing aanvoeren, al bevatten zij ook niet juist de vertaling van dit vers.
VAN DER DRIEVOUDIGHEDEN.
(de derde martijn).
Vs. 1 vlgg. Do vertaling van Bukelare, vs. 1 vlgg.: »Monoo vos in-specturos presens scriptum vel lecturos sub penis anathematis hnic nichil addituros; volo i-ithmos permansuros» geeft zoogoed als niets voor het bepalen der oorspronkelijke lezing. Terwijl iitspeeinro*. lecinro.i sjireekt voor sullen van AC' en li. die het woord dicht hebben in vs. 4, zou presens scriptum weer meer spreken voor de hss., die in de plaats van sullen dicht hebben in vs. 2.
Vs. G. Uit de plaatselijke beteekenis van af ende au, af ende toe (vgl. Sp. 1118, 42, 21: gt;so langhe ginc hi toe ende af ) d. i. in de richting naar
AASTEfnCENTNOKJf.
ons loe en van om af, ontwikkelen zidh evenals bij wech ende weder, en voort ende weder {weder ende voort), algemeenere; vgl. ncll. af en toe, af en aan, dat in liet. niet nu en dan gelijkstaat; Versl. en Med. Kon. Acad. 1890, lil. 11; wvla. af en toe (De Bo); nmd. af nnde an, af of an, af unde to (Lubben 1, 18); hd. ah und %u, ab und an (Heyne, I). Wtb. 1, 2); eng. off and on. Hier zal het evenwel beter zijn af en an met driven te verbinden, en te verklaren, »dat zij in het gedicht geen woord afdriven (weglaten) no andriven (toevoegen).» Vgl. Sp. I8, 18, 36: »te doene den hooftbisscop af ende an»-, aid. 15: gt;daden haer bisscopjie af ende an.... in haren ban»; Nat BI. IV, 33: »dits wonder, dat (d. i. dat bet, het dier) of ende ane dus doet tweerhande ghedane»; Sp. 18, 1, 8: »ende men af ende an bi rade heren core biden senatuxen»; zoo ook af- ende aemetten (Mul. Wdb. 1, 144). â Voor de in do woorden gelegene waarschuwing en bedreiging vergelijke men Openb. 22, 18; «indien iemand tot deze dingen toedoet» en 1!): »indien iemand afdoet van de woorden dezer profetie enz.» Vgl. ook Alex. I, 1402; Hein. n, 7791 vlg.
Vs. TiO. Indien waart yoet, hypothetische zin was bij den hoofdzin »ic souder u om vloeken gt;, dan zou de bedoeling slechts kunnen zijn: «indien hel goed was u te vloeken»; of »indien het vergund was mij onder de verstandigen te rekenen»: geen der beide gedachten schijnt ons de ware te kunnen zijn. Wij hebben daarom â zonder dat wij beweren hot juiste getroffen te hebben â waert goet opgevat als vraag, en met dezelfde be-teekenis als het voorafgaande Es dit yoet, »zou zou iets goed of geoorloofd zijnquot;? (Neen), gij verdiendet veeleer dat ik er u om vloekte!» C heeft intusschen met zijn Dorste ic de woorden opgevat in den eerstge-noemden zin, die, het moet erkend worden, niet onmogelijk is.
Vs. 54. Wij meenen dat in vit/n siele de oorspronkelijke lezing is, die uit de gedeeltelijk synonieme {in mijn her te), gedeeltelijk verkeerd gelezen of overgeleverde uitdrukkingen der hss. is op te maken, doch merkwaardig genoeg in geene der acht hss. is bewaard. Vgl. bij vs. 103 en 487. De uitdrukking »sich in seine seele schamen» vindt men I). Wtb. 8, 2114; vgl. ook Wander, D. Sprichwörterlex. 4, 93, nquot;. 57 vlgg. Ook ndl. is in de ziel in de bet. van in het diepste van zijn gemoed overbekend; vgl. b.v. »dat smert mij in de zich (Weiland 6, 304).
Vs. 55. Do vertaling van Bukelare vs. 71 vlg.: »deus nequit indagari; hoe utique scivissem» geeft weinig licht voor hot elders niet voorkomande ww. ghehamen. De verklaring, in het Mnl. Wdb. op liet voetspoor van Verwijs van het woord gegeven (vgl. op ge hamen en hamen), is niet zoo zeker, of er blijft nog reden tot nader onderzoek. Zoo zou men kunnen vragen, of niet de â bij vergissing onder de varr. niet opgenomen â lezing van B gheamen ons eene vingerwijzing geeft om den oorsprong in eene andere richting te zoeken. Van het weglaten der begin-/? is in dit
180
m mart. vs. 50âvs. 105.
lis. geen spoor, en er is dus reden voor de vraag, of liet woon] misschien ook hetzelfde is als hd. ahmen in ncichahmen; mhd. dmm\ nmd. amen. De eig. bet. is een vat {aam) meten, en daaruit kan zich ontwikkelen de opvatting peilen in een rnimeren zin, welke hier zeer goed past.
Vs. 62. Voor de woordvoeging van den zin vergelijke men Tronen 3118; »oin mijn,re snster, om mijnre earen. - Andere voorbeelden met het possessief zijn niet opgeteekend, doch wel met een, b.v. Hp. IV1, 4lt;.ï, 53: »efH heilech man, een omoedech sere»; I7, 95, 24 var. »een heiieghe vrouwe, ene goede.gt; Meermalen zijn do beide zinsdeelen niet ende verbonden, b.v. Alex. IX, 97lt;); 'dien starken mure entien harden ; Sp. |7, 95, 24: ene heiieghe vrouwe ende 'â ne goede»; vgl. nog Sp. 111-, 44, 41: III7, 24, 27: lil6, 7, 60; III3, 28, 3, en Van Holten g 314 on 316. Dikwijls ook wordt bij het tweede zinsdeel liet lidw. en de praepositie weggelaten: Franc. 7537: niet enen heten wille ende groot -; Rijmb. 5529: enen langen wech ende onsachten gt;; Rein. II, 3390: mot soeten worden ende sconen»; N. Dort. 2664: minen armen sin ende cranken ; Franc. 877: »sinen cranken lechame ende ven-ast. gt; Zie verder Van Heiten t. a. p. Door uitlating van ende krijgen wij zoo de verbindingen minen armen sin cranken of cranc», gelijk hier FDO gt;minen armen sin lamengt;- hebben. Vgl. Couchy 1, 160: 'die edele vrouwe vri»; 469: den werden goeden valke wit-; Sjh II4, 37, 12: ene edele scone maget rike»; Sp. I1, 10, 51: -sine soete miltheit groot ; Franc. 3585: gt;die helege ewangelie waer.-Mogelijk zou ook zijn: gt;minen armen sin den lamen.- Eene andore in het Mnl. niet zeldzame verbinding is b.v. Sp. 13, 42, 7: diere spise entie groot.-
Vs. 83. Vgl. Sp. 1118. 0, 61: -ende mense {dc waarheid) int herte houde sterke.»
Vs. 92 vlgg. Vgl. JJmh. Serm. f. 121e: »Got es in allen dengen ende es buten allen dengen, ende on eser nit in bevaen ende en eser ooc nit ute besloten. His {hi is) boven allen dengen onverhaven ende onder allen dengen onbedroct.»
Vs. 105 vlgg. Bukelare's vertaling der strophe geeft weinig licht; ook hij heeft haar niet goed begrepen en waarschijnlijk was de tekst, waarnaar hij vertaalde, reeds niet geheel vrij meer van fouten. Zijne verzen (123 vlgg.) luiden:
Immensus, inell'abilis Semper infatigabilis;
Est Deus, inrnutabilis, Hospes, nee hospes 1) labilis
Nulli rey molestus. Hic ubi dies festus;
Perfectns est et stabilis, Hic nunquam iiascibilis,
Nee pondo ponderabilis, Qui semper (est?) mirabilis;
Nee frigus fert, uec estus, Do lioc non siuii conqnestus.
Qui cunctis dat comestns.
l) De door Verwijs voorgestelde verandering van liet tweede hospes in hoslis is overbodig.
181
AANTEEKENINOEX.
182
Meer helpt oen door Venvijs naar Mone, Lat. Hymn. 1, 14 vlgg. medegedeeld gedicht, waai bij deze opmerkt: »Das Lied ist nach der Aiileitung dos apostolischen Glaubensbokenntnisses eingerichtet, wie die v. OUâü4 deutlieh anzcigen; die Glaiibensaitikel sind duivh die Zxisanunonstellung der Gegensatzo erlautert, wclcho Lohrweise auch anderc dogmatische Lieder befolgen nach Gregorius M. moral. 2, 20» (t. a. pl. 17). Wij laten hot gedicht in zijn geheel volgen, daar de geheele behandeling van het onderworp, hoewel aanmerkelijk korter, met die van Maerlant overeenkomt.
1)K S. TRIN1TATK.
Ad patreni.
|
Alpha et jI , magne Deus, Heli, heli. Deus meus, Cnjus virtus totum posse, Cujus sensus totum nosse, 5 Cujus esse suinmum bonuiri, Cujus opus quidquid bonuru. Sujier cuncta, subter cuncta, Extra cuncta, intra cuncta. Intra cuncta, nee inclusus, lü Extra cuncta, non exclusus, Super cuncta, nee elatus. Subter cuncta, nee substrains. Super totum pnesidendo, Subter toto sustinendo, 15 Extra totum complectendo, Intra totum es inplendo. Intra nusqnam coarctaris, |
Extra nusqnam dilataris. Subter nullo fatigaris, 'â¢iO Super nullo sustentaris. Mundum inovens non moveris, Locum tenens non teneris, Tempus mutans non mutails, Vaga firmans non vagaris. 25 Vis externa vel necesse Non alternat tuum esse, Heri nostrum, eras et pridem Semper tibi nunc et idem, Tuum, Deus, hodiernum 30 Indivisum, sempiternum. In hoe totum pnevidisti, Totum simul perfecisti, Ad exemplar summa' mentis Formain pruistans elementis. |
Ad filium.
|
35 Nate patri coa'qualis, i^atri consubstantialis, Patlis splendor et (igura; Eactor factus creatura Carnein nostram induibti, 40 Causam nostram assumpsisti. Sempiternus temporalis, Moriturus immortal is, Verus homo, verus Deus:, Impermixtus homo-Deus, 45 Non conversus hie in carnem, Nee miuutus propter carnem, Nee assumptus est in Deum, Nee, consumptus propter Deum. Patri compar deitate, |
50 Minor carnis veritate, Deus pater tantum Dei, Virgo mater sed et Dei. Jn tam nova ligatura Sic utraque stat natura, 55 Ut conservet quidquid erat. Eactus quidem quod non eiat, Nostei iste mediator, 1ste noster legis dator, Circumcisus, baptizatus, 60 Crucifix us, tn mulat us, Obdormivit et descendit, Resurrexit et ascend it. Sic ad cmlos elevatus Judicabit judicatus. |
Ill MART. VS. 105âVS. 141.
183
Ad spiritum sanctum.
|
65 Paraclitus increatns, Ncfjue factus ncque natus, Patri consors genitoque, Sic procedit ab utroque, No sit minor paritate, 70 Vel discretus qualitate. Quanti illi tantus iste, Quales illi talis iste, Ex quo illi extunc iste, Quantum illi tantum iste. 75 Pater alter sed gignendo, Natus alter sed nascendo, Flamen ab his procedendo, |
Tres sunt unum subsistendo. Quisquis trium plenus Deus, 80 Non tres tarnen di, sed Deus. In hoc Deo, Deo vero Tres et unum assevero, Dans usiae unitatem Et personis trinitatem. 85 In personis nulla prior. Nulla major, nulla minor. Unaqiueque semper ipsa Sic est constans atque fixa, Ut nec in se varietur. 00 Nec in ullam transmutetur. |
Er is geen twijfel, of Maerlant heeft een dergelijken tekst voor zicli gehad. In vs. 108 (wat den zin betreft = »siil)ter nulïq fatigarisv liij Alone) kan wagen niet, zooals Verwijs meent, -waggelen - beteekenen, maar is een znw., vgl. ohd. wduji, gewicht; mnl. wage (b.v. RunsVi. 5, 261: »Christiis bordene is lidit van waghen, endo ai dat hi laedt, dat helpt hi draghen»; Lied. c. Leis. 47, 1(5; »op sijn schoudere moeste hy draghen een cruyee van so swaren waghen» â¢, ook als benaming van een bepaald gewicht, vgl. Kil. en De Bo), alsmede de vertaling van Bnkelare en de bij vs. 92 aangehaalde woorden uit Limh. Serm. In het volgende vers behoeft men rusten no jag hen niet woordelijk te vertalen, de bedoeling is: hij wordt van geene werkzaamheid vermoeid, is onver}norihaar (bij Buk. »semper infatiga-bilis»). »Rusten » en -gt;jaghen gt;, eigenlijk elkanders tegenstelling, staan hier als waren zij zinverwant muist elkander; vgl. hetzelfde bij mnl. rolghen endevlien, Akx-. IX, 387 (zie ook het Gloss.) en bij ndl. loven en bieden. Vers 111 komt overeen met lat. -extra nusipiam dilataris - (bij Mone), d. i.: hij is buiten alle dingen, maar zijn wezen breidt zich daarom niet uit-, d. i. maar verwijdert zich niet van het geschapene, want hij is steeds ten opzichte zijner schepping te beschouwen als huisheer en eigenaar, en niet als bezoeker of gast (zie beneden).» »Coarctarisgt; (bij Mone) wordt in het Mnl. niet teruggevonden; wat bij Maerlant op binnen (vs. 11-1) volgt, is geene ontvouwing eener nieuwe zijde van Gods wezen, maar met andere woorden eene herhaling van vs. 101â104. Naar aanleiding van vs. 111 verwijst Kausler, Denkm. 3, 378, nog naar eene plaats bij Johannes Damascenns, die in de lat. vertaling luidt;
»Deus universa replet, nullo circum termino definitus. Quodsi enim extra locum aliquem esset, oporteret ipsum illo terminari a quo destitueretur. Cum ergo totus in nniverso existat, neqnaquam ex aliis in alia loca migrat, a quo replentur omniagt; {Sar-ra Iforallela, Tit. XL Vil, T. 11, p. 751 der uitg. van Lequien, Parijs 1712).
Vs. 141. Vgl. Troyen (uitg. Gailliard en De Pauw) 5254; al hadt alle
A XTKEK EXI-N'CKX.
die wcrll ghesworen.» Vgl. ook Wap. 31. JI, 62: »al souder oinmo die ivercll vergaen gt;; Troycn 18673: »iil sout daei' cille die wcrll vromen.» â Dc bedoeling' der geliccle passage is: -ieder Iioore het en geloove liet, want mot liet vorstand kan men hot toch niet begrijpen. Ygl, vs. 215 en Buk. 162 vlgg. »firmissimo teneamus fidem, cpiam nos astruamus; sen itari contremisce.»
Vs. 151. De Ijat. vertaling geeft geen antwoord op de vraag, of dner-hcit dan wel waerheit moet gelezen worden. Vermoedelijk is hot eerste juist; vgl. in het Lat. gedicht op bl. 182 de woorden (ad /ilium): putris splendor et figura. gt; Waerheit van DGW kan onder den invloed van or-comle, eveneens een juridischo term, in den tekst gekomen zijn. De gewone bet. van waerheit als rechtsterm is eene heeedigde verklaring {II. v. Ulr. Gloss.). Ook dar en, elarinye, claernesse zijn als rechtstermen bekend.
Vs. 163. Ook liier hoeft geen der bekende hss. de echte, door Verwijs herstelde, lezing, nl. willen, bewaard. En juist in willen ligt de cardo quaestionis. - ]Sa van tie goddelijke drieëonheit te hebben gesproken, noemt M. in aansluiting aan Thomas van Aipniio (Te Winkel, Maerl? 104) ook eene bij don mensch, zonder welke hij niets vermag, en deze bestaat uit machl, const, rciUc (v. 164). Bij Btikolare vs. 183 vlgg. ziet men zeer dtddolijk, wat de dichter bedoeld heeft:
184
|
Qiiiciiiii(|ue velit faccic Quid, iu sc dobot sapere Triphariiiin respcctum. Kern adeat quam capere |
Vclit sive contiugere, Vel ceptiini est neglectum. Veile debet, insistere Scire, posseque poscere, |
An opus indiiectuin.
Vs. 170 vlgg. Tot beter verstand en tevens tot rechtvaardiging van onzen tekst laten wij weder tie vertaling van Bukelaro (198 vlgg.) hier volgen:
ilic deus, de quo scribimus, Immobilem liunc credimus,
Celuiii inovet, ut legimus, A niotu non ledetur.
Ac omne quod movetur. Est ubi fuit dominus;
In quo semper quiescimus, In deo majus ucc minus,
Sui juris liabctur.
Voor vs. 178 zie de aaut. bij 1, 294.
Vs. 194. Het door A in den datief pore, door EG 11' in den vorm poe re bewaarde znw., waarvoor de andere hss. wille hebben, gebruikt M. ook Sp. I8, 26, 83: »doch daden si inenegen poor om sinen toren, hoe dat sine mochten doden.» Volgens deze gegevens kunnen wij het het best door streven weergeven, waarbij ook zeer goed passen zoude het ww. poten, door Oudem. 5, 683 uit Stalpaert van der Wielo aangehaald: »hy liet dc woelden staen en ginck naar kommer poren â¢gt;, indien nl. dit ww.
m JIAHT. vs. 151âvs. 318. 185
hier werkelijk toe behoort. Of ook zonder poer uit »den Langen Ailieu» van Ed. de Dene vs. 01 er iets mede te maken lieeft, is niet zeker. Mogelijk zon ook zijn samenhang met een nog in het AV'vJa. bestaand woord poer: Do Bo: ygt;poer geven, met driftig geweld iets aanvangen, poeren, zich bewegen {roeren en poeren), aanraken, roeren.» Do woordfamilie zon dan synoniem kunnen zijn met porren â waarmede zij evenwel wat den vorm betreft niet moet vereenzelvigd worden â en zou dan poer (met oe) geschreven moeten worden, want de tegenwoordige uitspraak is oen zekerder getuigenis dan eene vroegere schrijfwijze.
Vs. 215 vigg. Bukelare 254 vlgg.;
Kiilei, non rationis Qini mercede, quibus donis
Arguinentis crude protiis, Digni suillus aut coronis,
De ijnis non dubitamus. Quud cernimas, credamus?
Vs. 218. Vgl. Alex. X, 202: - wat eren soutstu hebben dies of wat lone of wat prise gt; (lat. »quae tua laus... vel quae tua gloria»).
Vs. 235 vlgg. Bukelare 278 vlgg.:
In Patre, Nato, Flamine «Unus Deus cognomine
Stat (ides mis {mem) fninissime Extat» â hinc nolo cedere â
Radicitus fundata: Morte non formidata.
Des in vs. 239 heeft betrekking oji het geloof en bet. gt;waarvan ik niet afga -; het slaat niet op God. gelijk sommige hss. het opvatten.
Vs. 255. Zie de Aant. bij de varianten. De onbepaalde uitdr. den sin is toch, nadat »dat si starke on se dinc» voorafgegaan is, niet zoo onwaarschijnlijk, als het daar is voorgesteld.
Vs. 271. Vgl. b.v. Sp. III7, 23, 35: »dat hi vlie te sire onneren»; R/jinh. 15008; 18894; 24614; enz.
Vs. 296. Vgl. Disp. 251; L. o. II. 434 vlg.; 866 vlgg.
Vs. 302. Venvijs nam in aansluiting aan Kausler de lezing »Gocls moeder, Gods kind» in den tekst op, en schreef er bij: »de lezing van het Comb. Hs. is schooner, en Gods kini als antithese van Gods moeder, de appositie van viayhet stnale, veel meer in den geest dezer middel-eeuwsche mystiek» (vgl. Slroph. Ged. bl. 67). Wij moeten met het oog op de hss. deze overweging ter zijde laten. Doch wenschelijk zal het zijn te lezen Die Godssone, waarbij de tautologie minder sterk uitkomt. Bukelare heeft vs. 351 vlgg.: »in cujus aula (vgl. de varr. EOGW: .der maghet sale» en Rnusb. 3, 149: »dat si (de minne Gods) Christum sant in .Marien sale») dominus, verbum patris et filius, totus inhabitavit.gt; Stond er wol-licht in zijn hs. Gods ivoort'?
Vs. 318. Vgl. hot door Te Winkel, Maerlanl2 107 aangehaalde sym-holnm Athanasianum 33: »aequalis Patris secundum divinitatem, minor
A ANTKCK'KXIXGKX.
Patre secundum hiunanitatem»; Bukelare vs. 368 vlgg.: assumpto
honiino, es patre minor nomine tua nativitate», en het boven (KL 182) aangeliaalde gedicht, vs. 49 vla'.: »patri compar deitato, minoi' earn is veritate.»
Vs. 322. In Wap. .1/. III komt eene overeenkomstige plaats niet voor; misschien dacht M. aan do 63e on 64e Strophe van Wap. M. I. Dat hij naar een ander work dan de Martijns verwijzen zou, is wel niet aan te nemen.
Vs. 328. Vgl. de Aant. bij 31. I, 871. Bij Vincentius wordt de duivel herhaaldelijk antiquissiimcs hostis genoemd, ook wel met bijvoeging van generis hurnani. Zio Griimn, MythA 826 en Van den Bergh, Wdb. d. Ndl. Mifth. 28. Ook de naam fielsche drnke (vs. 491) was bij onze oude schrijvers veelvuldig in gebruik, cn evenzeer aan kerkelijke Latijnschc schrijvers ontleend, bij wie do duivel onder den naam van antiquus unguis, anguifer hostü, saevissimus draco enz. bekend is. Zie Grimm t. a. p. bl. 833.
A's. 332. Over de nederdaling ter helle vgl. L. o. II. 3931â4503; Lucid. 1936â1957; Sj). I7,c. 34; Lap. 11, 36, 1355 vlgg.; O. II. Wonden 23; Bed. d. Misse 854 vlgg. Zie ook de aant. op O. II. Wonden 120.
Vs. 362. Dezelfde voorstelling van het verbleeken van zon cn maan door den zondenval vindt men ook Ripnh. 306;
Sonne erulc mane van groter scanie,
Sterre ende ooi- ilierc stene Ne behilden niet alleene')
Van haerre cracht dat vijftehdeel:
Tc voren hadden sijt al geheel.
Vs. 377 vlg. In den eersten regel zijn de hss. eenstemmig in de juiste lezing »nut dire siden -, doch in don tweeden hebben de meeste aiut desen siden', hoewel Christus, gelijk bekend is, slechts eene door den steek met de speer veroorzaakte wonde in ééne zijde hoeft gehad (O. H. Wonden 67). Dat deze voorstelling, die aan »uut desen siden» ten grondslag ligt, hoewel onjuist, meer voorkomt, bewijst vooreerst Bukclare's vertaling van deze plaats, vs. 442; --Ihosu Christi lateribus ac ipsius vulneri'uis emanare ceperunt sacrata», en verschillende andere plaatsen, nl. M. Ill, 330; 'dorboren hande, voete, siden»; Nat. Bl. II, 1428; »dat bloet dat nut Jhesus siden woet»; Disp. 538 (.-I uten siden C uter s.); 232 [heide hss. »uut niinen siden»). Daarentegen Claus. 220: metten bloede..., dat nut sire siden ran an tspere» en Oversee 30; Die door di ontdede sine side.»
Vs. 381. Bij Bukelare 444; «emanare ceperunt.» Wij zeggen onderaan den tekst dat tie oorspronkelijke lezing onzeker is. Bij Wap. M. J, 30 zien
i) Zie de aant. bij Wap. M. 1, 340 en '20'i.
186
in mart. vs. 322âvs. 403.
wij eon soortgelijk geval: ook daar moet liet begrip -xyn oorsprong nemen worden uitgedrukt, en wijken de liss., waarvan ook daar sommige eerst hebben, onder elkander af. Kan ook op beide plaatsen roorl. -voor den dag, te voorschijn» gestaan hebben? Voortkomen en voortvloeien zouden, althans in liet Ndl., op beide plaatsen de aangewezen woorden zijn
Vs. 400. Volgons de hss. kan zoowel martelare (AliO) als martelie {G(F)DG IF) oorspronkelijk zijn. Iiij Hnkelare 466 Inidt de vertaling, niinder nauwkeurig, aldus; »liinc landant indesinenter omnes sancti congruenter, qui det (/. dent?) tibi largius trui dono celitns» Vrone is znw. = ofri. frdna. Vrone is in hot Mul. zeldzaam. In de bot. overste, hoer komt hot (buiten samenstelling) elders niet voor. Slechts vindt men het als een uit de oude epische poëzie overgebleven term, als lmw. gebezigd van zaken. Zie fragm. 67, 50 (uitg. N. de Pauw): gt;ontnaghelt wert dat edel liloet {Christus) van den urnce vrone» (hel heilige kruis, eig. hel kruis des }ieeren\ vgl. verscliillende soortgelijke verbindingen bij Lexer 3, 529 op vron, bnw.); en Brand. 819, 1745 en 2230. Der martelare vrone» schijnt een epische term te zijn met de bet. de overste der martelaren, vermoedelijk oen naam van Christus, den grooten lijder. Daarmede komt in bet. overeen »der marteliën vrone», de martelaar hij uitnemendheid, Christus- eig. de heer (de eerste, de opperste) van {in) het martelaarschap, (Mul. Wdh. 4, 1197). Vgl. 31. 111, 261: «Lucifer, der hovaerden ende des nijts here*, en Vondel 5, 486, waar Maria Stuart met eon ander beeld »bron der martel-adren gt;, martelares bij uitnemendheid, wordt genoemd l). Uit een metrisch oogpunt is de lezing »der martéliën vrone» wellicht meer aan te bevelen: de eene lezing kon gemakkelijk uit de andere (marteVe (= martelare) en martelie) ontstaan. Bukelare heeft de uitdr. niet aldus, maar als een collectief opgevat; het is zeer twijfelachtig of hij daartoe recht had.
187
Vs. 463. Men mag aan de lezing van FD nlie mits Adame verdonckert waren» niet te veel gewicht hechten (het is eene herhaling van vs. 362), maar ook verswaren hebben blijkens do varr. slechts AG. Bukelare heeft, vs. 536 vlgg.; »Fundo lumen mundo tristi cecos corde quos vidisti illustrans beneficiis» , en Maerlant hoeft dus hoogstwaarschijnlijk een ww. ge-bruikt dat eene tegenstelling vormt niet verclaren en waarin dus werkelijk de opvatting van F wordt teruggevonden. En onwaarschijnlijk is hot niet, dat verswaren deze bet., nl. die van troebel maken, verdonkeren, in zodelijken zin besmetten, heioedelen, gehad heeft. Er zijn nl. in het Mnl. sporen van eene bet. van saner als tegenstelling van helder, nl. Nat. BI. 111, 2759: »elc voghel vliecht meer int claer dan in die lucht dicke ende swaer» (lat. »sereno aëre gaudet et multo ^'his vagatur in eo (piam in turbido»);
l) De dooi' Van Leunep en ook in liet Mnl. Wdb. op gadelen geuite meening, dat marteladren een onjuiste vorm voor martelaren zou zijn, is onhoudbaar. Bron en adren behooren bij lietzelldc beeld.
AANTEEKENIJfGEN.
N. Doel. 551 var.: gt;ilic wijn bereiden of maken claerl), die droeve, lane es ende swaer, si doden die Inde oude maken cranc» (ook hier moet swaer een synon. zijn van droeve (troebel) en lam (drabbig); dat swaer hier zou zijn iidl. zwaar, d. i. kopjrig, naar het hoofd stijgend {Bloeinl. Gloss.) is mogelijk, maar niet bewezen). De bet. bedroefd, droeve, die swaer in verschillende genu, tongvallen heeft, grenst aan die van donker, somber, niet helder-, vgl. ook mol. sal{d), donkerkleurig, eng. sad, droevig, somber. Wij mogen het er dus wel voor houden, dat hein verswaren met sonden «Ie bet. heeft gehad van zich met zonden besmetten, bezoedelen. Ook zou do bet. kunnen zijn zich door zonden log (vgl. Wap. .1/. 1, 72) maken, Diaken dat men zijne lichtheid of veerkracht verliest. Vgl. vooral Limb. Serin. ilSp, waar do beide begrippen donker en log dooreenspelen: »wie mag dat sin, dat hooftsonde der selen so groten scade duet, ende maese so swaer dassise versenot in dor hellen....; dat sultdi aldus verstaen; die sonde sie cleeft sicli ane der selen also also gi siet dat gestupbe stieft op geluttert gout [den goudglans doet tanen, verbleeken), nogtan en es tgout nit tonedelre, mar hets te donckelrc; also rerdonckelt die sonde die sile (vgl. Wap M. I, 86 vlgg., waar eveneens de begrippen donker en log dooreenspelen), dasse van dir donckelheit hare schoonheit verlist, ende henct sig an der selen so vaste dat die ligte sole so swaer wert, dasse van derre swaerheit velt in den afgront van der hellen. gt; Men zon, indien verswaren het juiste woord niet ware, ook kunnen denken aan vérswarten (rerswaevten), Sp. 17, 13, 62; Is, 28, 37; Limh. Serm. 113«? tweemaal-, (ook Rijmb. 3844?), of aan vervaren, hetwelk in twee hs. staat en dat uit de bet. verduisteren, van hemellichamen gezegd (vgl. T)isp. 502, de aant. op Alex. Ill, 1173; Sp. 1115, 22, 12), den zin van verdonkeren, intr., zou kunnen ontwikkelen (vgl. ook verschieten), doch geen van beide zouden hier (in hot rijm) gemakkelijk in den tekst kunnen worden gebracht, zonder van de lezingen der hss. willekeurig af te wijken.
Vs. 472. Do vorm persoon komt incermalen voor; zoo b.v. Sp. F, 60, 55 var.; F, 82, 21 var.; DU, 27, 65; UI5, 5, 24; 48; 1118, 9, 85; Vod. Mus. 1 , 329, 41 ; 347, 81. Doch de gewone vorm is persone.
188
Vs. 4S7. Verwijs schreef in zijne eerste uitgave: »daer hem die duvel in droomt», doch keerde in de tweede, dor Stroph. Ged., tot de lezing der hss. terug. Hij allen eerbied voor do overlevering meenden wij evenwel bij zijne verbetering te moeten blijven: do lezing der hss. »mcn werpt den duivel in het hellevuur» schijnt ons toe van gezonden zin ontbloot, Vgl. vs. 283 en Wap. Bog. 739: »so salse Lucifer in die helle dromen.» De tekst van Bukelare 563 vlgg. »inter faces comhurentes cum dyabolo lu-gentes pereant talione» doet in dozen niets af: cum dgabolo beteekent
l) (I. i. 'jere.cd maken, bereiden. Deze bet., in JJloeml. Gloss, aan het woord claer toegekend, is juist, en in liet Mnl. Wdb. op claer te onrechte ontkend.
UT MART. VS. 472âVKRK. MART. VS. 18.
slechts in lift helsclie vuur. Hot is wel vreemd, dat allo hss. zonder uitzondering eene lezing hebben, die naar onze meening geen gezonden zin geeft, doch ook l.ij M. 111, 54 en 1C;5 hebben wij iets dergelijks opgemerkt.
Vs. 499 vlgg. Do plaats is moeilijk, indien men niet gt;als ic vertelle» als een zinledig toevoegsel wil beschouwen. Voor do opvatting gt;als ik opsom («/. wat gij mij verteld, medegedeeld hebt)» zou men kunnen aanvoeren Sp. I8, G3, 27: »vertelle dine tide ende dine jare» (Vine. gt;nii'nora annos tuos»), gelrk alle drie de hss. heblion. Maar ook do uitdrukking »leren mijn ghelove» in plaats van »1. dat ghelove» . is eenigszins vreemd, hoewel ook Bukolaro, vs. 578 vlg. (»hoc legendo sum dl vin us, non a fide peregrinus») het zor) schijnt te helilien opgevat â terwijl juist de zin daei ic bi scuwou mach do helle» zeer goed als object l»ij leren zou passen. Het is daarom wellicht boter de komma achter vertelle te schrappen, en de woorden te verklaren als: -indien ik oprechtelijk aan mijn geloof uiting geef.» Op grond van de gewone uitdrukking »dat soit dat ghelove mijn» (vgl. IVap. M. I, 287 en Mul. Wdb. 2, 1280) zou men kinmen vragen of »alse mi vertelle mijn ghelovequot; ook beteekenen kan: »gelijk mijne overtuiging mij zegt», d. i. »naar mijne innige overtuiging), indien niet do conjunctief deze verklaring in den weg stond. Doch bij het veelvuldige gebruik, dat juist in de Stroph Ged. van den conjunctief, ook ten gevolge van rijmdwang, gemaakt wordt (zie de Aant. op Over-see 19), zou de conj. althans denkbaar zijn, en inderdaad is XaL BI. X, 459: gt;petrocilinum is heet ende droghe, als ons Platearius toghe» de conjunctief bij het vergelijkende ui*. hoe vreemd ook uit een logisch oogpunt, althans voor ééne groep der hss. bewezen. Vgl. andere voorbeelden van conj. uit rijmdwang bij het vergelijkende nis (gelijc) bij Dr. Engels, De conj. hij Maerl. g G2, Optu. 4 en § G5.
VAN DliN VERKEERDKN MARTI NE.
Vs. 18. Zie Versl. en Meded. Kon. Acad. 1885, bl. 298â3Ã8. Het hier in den tekst gebrachte tusschenkenneu is behalve in Wap. Rog. 1S2G, nog gevonden Sp. d. Soiulen (lis. te Munster) 45/;: »dat eik de eomen is to sijnen jaere und tmschenlceniien quaet und goet, eene weiff des jaers em bijchten moet», en 8Grt: »dat hoverde is dat rechte tekijn und daer de duvel bi al voren lu-ischenlcent de em to behoren.» Ook tusscensceiden, dat nog heden in het Wvla. bestaat, komt in het Mul. voor {Pelgrimage 12«), alsmede tusscensceit (Jh. v. 1348, 45i; Pelgrimage 2lt;Z; Kil., De Bo). Het ww. kan van het znw. ziju afgeleid, waardoor eene uitspraak tüsscensceiden (met klemtoon op tusscen) mogelijk is: de oorspronkelijke accentuatie moet geweest zijn tusscenscéiden (vgl. ndl. onderkennen). Hier is eveneens eene uitspraak tüsscenkennen voor liet vers een vereischte. Misschien stond
AANTKE k'KNrNTiKN.
tusschen als praepositie en is liet w\v. (kc/il, sceit?) daai,vó(')r uitgevallen. »Zwart niet van wit kunnen onderscheiden» komt ook elders als kenschetsing van een aartsdomoor voor; zoo h.v. bij Joach. Rachel, Satyr. Geel. (I en VI): »sie kennt nicht weiss noch schwarz.» Vgl. Wander, I). Sprichwtlex. dl. 5, op schwarz, nO. 23; Harrebomee 2, 51 »/lt;: »die niet wit en zwart kent mag niet mede» en »men zou hem wel wijs kunnen maken dat wit zwart is.»
Vs. 77. Natuurlijk kan »buten ere sijn» beteekenen »zonder eer zijn, geene eer hebben»; vgl. b.v. Heim. 77; »want die werelt wai'e buter ere sonder wet.» Er zou dan, dewijl ere ook subject is, eene woordspeling bedoeld zijn. Doch veel meer is te zeggen voor de opvatting van ere als comparatief in den zin van liever. T)o bedoeling der regels is: »wat zoude eer toch doen bij den dorper, den geringe iu stand (in zijn afgelegen verblijf, in »den dan»)! zij zou veel liever daarbuiten zijn; aan het hof, bij de groote lui, vindt zij barer waardig gezelschap!» Op deze wijze vermijdt men ook de herhaling van hetzelfde woord in het rijm.
Vs. 84. De An%. der Zs. f. D. AU. 8, 152 uitgesproken twijfel is bij nader inzien niet gerechtvaardigd. Tegen een zin als »bij dag schijnt het daglicht, ziet men het daglicht ook in weerwil van wolken en nevel» is niets in te brengen. Deze uitdr. »de dag schijnt or door» kan eene spreekwoordelijke zegswijze zijn geweest. Vgl. Vondel's Leeuwend. Inhoudt-. «toen zagh men den dayh door het orakel», xug men licht in (de duisternis van) het orakel.
DIE DISPUTACIK VAN DEN HEILIGHEN CRUCE.
Vs. 14. Uit het Lat. »crux, de te volo conqueri» blijkt dat de lezing van 6' adijns», de ware is, en niet gt;dies» van A.
Vs. 18. Uit het Lat. »frnctus quem virgo peperi non debet Ade veteri» blijkt, dat de lezing der beide hss. juist is en dat Verwijs ongelijk had, toen hij tegen het gezag van A en (' »Adame» (dat.) veranderde in Adaem» (nom.). De bedoeling is: »de vrucht lt;lie ik als maagd ter wereld heb gebracht, wat is het dat die schuldig is aan Adam, waarom moet die boeten voor Adam, die zich door den duivel liet vei lokken?» Vgl. Verst, en Meded. Kon. Acad. (Afd. Lett.) v. 1895, bl. 4 vlg. Het best komt met het Lat. overeen de lezing van C: »wats, dat si Adame sculdich si.»
Vs. 27. Hi na hangel, dat .1 en C hebben, is om het metrum uitgeworpen.
100
VERK. MAKT. VS. 77âBtSP. VS. 40.
101
Vs. 32. Die dine van C is de ware lezing, niet die nine van A. De bedoeling is »lien die liij u behooren, die den kruisdood verdiend helilieii, de ergste misdadigers.»
Vs. 30. De opmerking van Kausler (Deiikm. 3, hl. 386), dat liet woord »Vrouwe», gezegd van het Kruis, op eene vertaling uit het Latijn zou kunnen wijzen, wordt door den Latijnschen tekst niet bevestigd, waar de in deze regels uitgedrukte gedachte niet voorkomt. Ook is er nee in het Mnl. even vaak vrouwelijk als onzijdig (vgl. .1/«/. HW/a 8, 2150 vlg.), en kan dus ook zonder dat aan eruce het vrouwelijk geslacht worden toegekend. Vgl. vs. 523 en 583 (waar het woord in A vr., in C onz. wordt gebruikt); Rijmh. 1331; 1G08; 2020 : 5064; 13107; 21207; 25818; 26325; 26513. En al ware cruce alleen onz., zelfs dan zou nog het kruis onder de gedaante eener vrouw kunnen worden voorgesteld. Zoo wordt b.v. I('ap. M. IU, 232 dal gelove eveneens gt;coninginnegt; geheeten. Docli Maerlant doelt lüer op eene bekende kerkelijke voorstelling, dat Christus (of God, voor het middeleeuwsche kerkgeloof is dit hetzelfde; vgl. o. a. Mnl. U'dh. 4, 1042 de uitdr. God maken) liet kruis, eens een klein rijsje (vgl. de in DBoec van den Iloule uitgewerkte legende), uitverkoren had om van schandhout de boom des levens bij uitnemendheid, de heerscheres dei-aarde, te worden. Waarschijnlijk stond hem liier voor den geest de plaats uit Ezedi. XVH, 22 vlgg., waarop ook Albertus Magnus doelt De laudibus B. Mariae, 1. XII, c. 6 § 12 (Tom. XX, 428); »Ipsji (Maria) etiain lignum humile, de quo Dominus Ezech. 17: »Exaltavi lignum humile, cruceni scilicet, vel Mariam, ipiae exaltata est merito humilitatis suae, in matrem Domini et reginam paradisi.» gt; Ook in 1 «itijnschc Kruisliederen wordt het Kruis als de edelste, de koningin van alle boomen verheerlijkt. Zoo b.v. in een gedicht van Venantins Fortunatus, Ja passione Domini bij Mone, Lat. lit/a/uen des Miüelalters, I, 131;
Crux fidelis, inter omnes arbor ana nobilis,
Nulla silva talem profert fronile, llore, genuine, üulce liguum, dulces clavos, ilulce [loiulus sustiuet.
Zie ook Daniel, Thesaurus Hymnologicus II, 340, 36;
|
Crux ave benedicta! Per te mors est devicta, In te pependit Deus, Rex et salvator meus. |
Tu, arhorum Herf ina, Salutis medicina Pressorum es levamen, Et tristium solameu. |
Vs. 40â52. In deze regels zijn moeilijkheden. Vooreerst is de uitdr. elcsins belet eenigszins vreemd; verder komt oidiesatel, dat beide hss. heh-ben, reeds in 44 als rijmwoonl voor; eindelijk hebben in vs. 51 A en C' eene lijnrecht tegenstrijdige lezing: .1 dogheden, 6' misdaet. Ook is de
A ANTEKKKNTNGEN.
gewone hot. van ontvinden in hot Mnl. niet, door ecu vonnis wij verklaren. bevrijden, vrijspreken, zooals Verwijs hot woord opvat, maar door een vonnis ontriemen, lat. ahnegare, ohjudicare, mnl. ook ontwison of ont-talen. Zie Rijinh. Gloss, oji ontfinden; Volth. I, 33, 28; VIII, 32, GO; Amand II, 4863; N. Doet. 1866; Rincl. 1007; Merl. 128; 7250. ilisscliion heeft de oorspronkelijke redactie aldus g-elnid:
Dane es ontseit, elosins belet Die (nl. hem die) an ili hanghet onbesmet.
Van dogheden ende ontvonden:
Ili hanghet tusschen tween honden,
d. i. »aan hom dio daar onschuldig aan het kruis hangt, wordt do dank voor het goede dat hij hoeft gedaan, geweigerd, op allo wijzen tegengewerkt en beknibbeld, afgetroggeld, door listige stroken afhandig geinaakt (dezelfde bet. hoeft het ww. ontvinden o. a. ook V. Doel. 1066); hij hangt daar (zelfs) tusschen twee misdadigers aan het kruis.» liet verbinden van »van dogeden» niet onbesmet i) in plaats van mot dane, waarbij hot dan oorspronkelijk behoorde, kan aanleiding gegeven hebben tot do in beide hss. voorkomende lezing. Doch do overeenstemming van A en C (met uitzondering evenwel van de lozingen dolt;jcden en mesdriel) blijft, het moot worden erkend, togen deze onderstolling een bezwaar. Het Latijn, dat dezelfde gedachte eveneens in drie rogels uitdrukt:
Redditur pena premiis,
OU'ensa beneficiis,
Honori contumelia,
waarin beneficiis aan »dogedongt; van .1 herinnert, schijnt de boven voo -gedragen opvatting eerder te bevestigen dan te bestrijden. Of moot voor do(jeden van .1 ondogeden gelezen worden? Voor de rijmen vergelijke men Rijndi. 3664: »also was Maria al onbekent van allen mannen, oude omhe-smet, oude van der werelt ornbelel.» Is wellicht ook in deze strophe op oene dor beide plaatsen onbelel te lezen? Doch vgl. do noot.
Vs. 65. Vgl. tip. JV2, 42, 77: gt;dat waren ongehorde saken» (: spraken).
Voor vs. 66 vergelijke men Alex. VI, 20!): »hi es ongheraect in alle wet», d. i. naar de gebruiken van alle rolkeren. Do twijfel togen deze verklaring, in do aant. geopperd, is ongegrond.
Vs. 73. Do door Verwijs in het gloss, gegeven verklaring van seiIon, nl. binden en bort, nl. plank, hout (zie aid. seilen en boert) is weliswaar niet zeker, gelijk reeds in het Mnl. Wdb. op boort (1, 1366) is gezegd (seilen kan ook xeilen zijn en bort ook seiieepshoord) maar zeer
l) Wil men eens het herhaalde rijmwoord onbesmet verwijderen, dan schijnt het het best, voor onbesmet is vs. 44 te lezen onbeslet, dat op eene zelfde voorstelling berust als gevaen int net, vs. 43.
102
msp. va. (35âmsp. vs. 117.
waarschijnlijk. Beide lieeldeu kunnen hier bedoeld zijn. De zin is: »thans is uw zoon aan mij vastgenageld, met mij vereenigd (maar dit zal niet altijd duren), eens (weldra) wordt hij weder van mii verwijderd n ten zegen (als hij wordt begraven en daarna verrijst uit het graf). Vgl. -s. 130. Noch heeft hier, evenals in vs. 77 en 141 en meermalen in hot Mul,, de bet. van op een niet nader aangeduiden tijd in de toekomst, eens. Vgl lat. 42: » redd it u ra depositum.»
Vs. 82. De lezing van de beide hss. nu is onjuist: wij hebben haar in w. veranderd, welke verbetering door het lat. vs. 44: »dulcem frnetum possideo, mundo, non tilii, genitiun» wordt bevestigd.
Vs. 94. Vgl. het Lat. gedicht, vs. 40 vlgg.: »Christus mortem non meruit quid si mori disposuit nt morte mortem tolleret: ligno lignum ojj-Ijosuit.» In overeenstemming hiermede hebben wij de lezing van C gt;waest of lii s. w.» in den tekst opgenomen, al blijft de uitdr. eenigszins vreemd. Wij hebben aldus do woorden opgevat: »was het ook dat hij sterven wilde? wilde hij misschien sterven?» Men zou evenwel dan eerder dat dan of verwachten. Daarom verdient do vraag overw oging of men ook moet lezen: wats of of wat of, welke uitdrukking in het Mhd. {wax oh) en Mud. (wat of) voorkomt, in de bot. hoe zou het zijn als? indien nu eens'i en met een vragenden zin mot wellu-ht? misschien') gelijkstaat. Bij de lezing-van A »al waest dat hi» moet men vs. !)4 met 98 verbinden, en vervalt het vraagteeken achter vs. 97. â Want in vs. 95 moet opgevat worden in de bet. zoodal, waarvan talrijke voorbeelden in hot Mul. zijn aan te wijzen (vgl. Tjchehr. 5, 93), of nog liever als opdat, dus als een finale conj., en onmiddellijk met 94 verbonden, niet door oen kommapunt ervan gescheiden worden. Zie een tweede voorbeeld van hetzelfde gebruik van want, Sp. Ii, 53, 91:
Van desen goden liebliic gheset,
Want ghi verstaen snit te bet Dat lieiie quaet waren in haer leven,
Die die heidine hebben verheven ïe goden.
Vgl. voor den zin Disp. vs. 185:
dat hi sterven wilde,
Haer sone, om te makene gesont Alternale die werelt ront.
Vs. 99. Do gedachte en de tegenstelling mot 98 worden puntiger en tevens het metrum beter, als men ant hout loost in plaats van an mijn hout. Vgl. lat. 49: »ligno lignum opposuit.»
Vs. 117. Leven is reeds vs. 107 als rijmwoord gebruikt, doch tegen de door Verwijs voorgestelde verandering in bemn zijn bezwaren: de aan
Wa/jene Marlijn e. a. Geel. 13
aantekkkninokn.
dat lange heven toegekende beteokenis »(le tijd, waarin Lucifer van Adams val tot de komst van Christus over de wereld heerschte» kan aan die woorden niet eigen zijn. Eerder zal de bedoeling wezen »liij nam den duivel den roof weder af, dien hij aan liet eeuwige loven, waarvoor de menschon door God bestemd waren, had toegebracht.» Vgl. Claus. 165 en de aant. aid. Alleen is bij deze opvatting' in eenigszins vreemd. Ook elders komt hetzelfde rijmwoord tweemaal in dezelfde strophe voor; zie daarover de Inleiding.
Vs. 163. Nu moet liier als voegwoord worden opgevat; dienovereenkomstig hebben wij in den tekst, tegen de hss., opgenomen de lezing: »mi hi rust hier up mijn stal, ons niemen enz.» Vgl.podquam in den lat. tekst.
Vs. 174. De lezing naect van A verdient de voorkeur boven nu van C. Vgl. 281 »den naecten .lliesus», en het lat. gedicht vs. 86: »pendet in crnce, vulnera corporis monstrat lividi.» Evenwel, deze gedachte kan ook alleen uitgedrukt zijn door vs. 175: »siet sine wonden smolen.»
Vs. 188 vlg. Vgl. L. o. II. 3005:
Cruce, flu salt wesen scilt â¢legen elx duvels gewilt.
Vs. 218 vlgg. De door Franek, Anz. d. Zs. f. T). AU. TV, 399 voorgestelde en door Verwijs (Stroph. Ged. bl. 156) overgenomen lezing, laat hij Anz. VIII, 152 te recht weder varen. De lezing van den tekst is te verdedigen. Hierbij moet men eene ellips aannemen en verklaren »wie (datiet es) diet nutten sal.» Doch ook DU van A kan de oorspr. lezing zijn. De vorm monden, die door het rijm geboden wordt, blijft eenigszins vreemd. Gewoon is viel monde. Zoo b.v. Sji. P, 56, 29; I7, 89, 40 (metten monde); 18, 37, 58 (overal met spreken verbonden); Nal. Bl. X, 248: »gedronken met monde»; vgl. Marl. I, 362: gt;smaect der vriende mont.» Voor de bedoeling van deze en de voorafgaande verzen vergelijke men Sjj. IV3, 17, 49: »onse Here verweet den kerstijnliede menege eere die lii hem dede, ende si hem niet en dancten dies.»
Vs. 235. Waarschijnlijk te lezen:
Wuenstii, in hore in menegen eet Mijn lijf, mijn doot, mijn bloet, mijn sweet Di menichwaerf versweren.
Vgl. uit de door De Vries, War. bl. 98 gegeven lijst van 17de-eenwsche basterdvloeken o. a. Guus bloei, Gans dool, Gans -wonden en Gans Ik liter* (waarschijnlijk longen, Mul. Wdh. op lichte), alsmede Pots marter [Mul. Wdh. op marter); bi den lanken {Mul. Wdb. op lanke), Goedthals 131: »al swoeren de mans by laucken, by billen, sy en mogen niet anders doen dan de vrouwen willen»; Sacr. 310 (en 1256): »Ic saelt wel
194
Bisp. vs. 1 G.'iânisi'. Vs. 307.
doen by den zwetenU-, Vad. Mus. 1, 86, 13: »anders niet dan bloei ende sweet lioort men daer [in de kroeg) jammerlike zweren ende meneghe on-tamelike eedt.» Venmten, in G vs. 240 liangt evenals versweren in vs. 237 van h.ore af.
Vs. 253. Dune si veers, te verbinden mot vs. 248: gt;nochtanne es dit niet genoech.» Tondnnke moet verbondon worden met van hare, d. i. te haren opza-lite, wat haar betreft. De geheele uitdr. beteekent om haar te hoomn, te smaden. Doch ook is mogelijk dat men verklaren moet »di;ne sweers van hare (hij haar) hare tondanke.»
Vs. 257. Dan soe. Men zon verwachten dan hare. Uitzondering op den ook voor hot Mnl. geldenden regel, dat voor en na dan gelijke naamvallen staen. Het vnw. is hier in overeenstemming gebracht met het logisch ondw. van den hoofdzin, in plaats van met het grammatische.
Vs. 207. De zin der verzen is: »Cïij moet er u op voorbereiden dat do wereld u dood zal verklaren evenals of gij verslagen waart, of het zal n niet te benrt vallen met mij te leven; laat gij u dan door den eon of ander (ne weel wien op te vatten als so wien, door wien gij n dan ook laat) daarvan afbrengen, zoo is uw gemoed onrein.» Voor in tveei wien vergelijke men vs. 219 en lt;S)y. 11R 41, 5: sodat ic niet en weet wat dede dat wi merreden» (lat. »nobis neseio qua necessitate renioiantilms»).
Vs. 290. Tn weerwil van de overeenstemming der beide hss. hebben wij niet geaarzeld de door Verwijs voorgestelde lezing in den tekst op te nemen. Vreselijc geeft hier geen zin en vleeschelijc komt in de nog heden gewone opvatting reeds herhaaldelijk in het Mnl. voor; zoo U.v. Franc. 2887: »datmen hem geene ere ne leide an als enen geesteliken man, maer als enen vleescheliken goliaert sondemen hebben onwaert gt;; Bern. Serm. Wintersl. 2d: gt;onse qnade vleyschelil-e begheerten ende ooek alle onse qnade gheneigelicheden». Vgl. lat. carnalis (liij de kerkvaders), ivo., char nel.
Vs. 295 (/hevemen, d. i. ghevetmen. Vgl. Sp. U, 34, 31 mndemen; II, 28, 3G seyemen; D, 37, 2 pleijemen-, II, 38, 13 tehnen; B, 41, 4 doe men; 12, 1, 60 lesemen enz. Zie Van Holten § 213.
Vs. 300. Vgl. de treffende overeenkomst dezer plaats met de Hist. Ovcidentaüs van Jacob van Vitri, 343: »mnlta vest ia at mutator ia ad ostentationem vanitatis in pertim extendnntnr, et Cbristi panperes fame et frigore cruciantur.» Vgl. ook Mart. 1, 820â832.
Vs. 302. Moifen hier op te vatten in de hier en daar meer voorkomende beteekenis behoeven. Vgl. Mnl. Wdb. op mogen. Of men vatte aajyea op in de gewone bet. kunnen en vertale »dat gt; door omdat.
Vs. 307. »Ic roepe dat mi de storte sweet», vgl. liincl. 524: »(hi) riep dat hem die kele smart.»
13*
AANTEEKENINGEN.
Ys. 325. De lezing der beide liss. geeft een goeden zin en er is geen reden het vers als onzin te brandmerken, zooals door De Vries en Verwijs (Siroph. Ged. bl. 01 noot) is gedaan. De beteekenis is: »hij werd in zijn leven vervloekt en nog meer (ui. de helsche, do eeuwige) straffen worden over zijn hoofd afgebeden.»
Vs. 335. Egypten is de zinnebeeldige voorstelling der wereld, met toespeling ojj »de vleeschpotton van Egypte», waarnaar de kinderen Israels terug verlangden (Exod. XVI, 3); Jeruzalem, die van het kloosterleven.
Vs. 345 vlgg. Maerlant maakt hier misschien eene toespeling op Bisschop Jan van Nassau. Zie de aant. op Oversee, vs. 123, en Blok, Gesch. 1, 281â234, vooral 234.
Vs. 348 vlg. Een zeer gewoon beeld, waaronder de zorg en de misbruikon der geestelijke herders worden voorgesteld. Vgl. Rjmb. 27023:
Dat lii (Petrus) sine scaep sonde voeden,
Wisen, teren ende behoeden.
Vgl. Ruusb. 2, 191; »si soeken die wolle meer dan tscaep», doch ook Pelgrimage 10c; »scheren so mach u herde wel u harder te sijnre noot, mer van vlane en heeft lii ghene (/. ghenen) orlof; Pelgrim Sa: »somtijt mach ii pastoor u wel al te nae scheren, maer hj' en heeft geen oorlof u te villen, want hem is de schare gegeven om te scheren, ende niet het mes om n onredelic te villen.» Dat de uitdrukking spreekwoordelijk was geworden, bewijst Sp. F, 67, 19; alse die tscaep minde alleene om die wnlle, maer groot no clene sone achti...., hoe lü hem den wulf verwere.»
Vs. 351. »Eneii den rede bevelen», in C, beteekent iemand aan de koorts aanbevelen, hem de koorts toewensdien. De hooge prelaten, wien het slechts om de waardigheid en de rijke inkomsten, niet om het ziele-heil der hun toevertrouwde kudde te doen is, scheren eerst duchtig hunne schapen en zenden hen dan weg met de nog heden vooral onder Israëlieten gebruikelijke verwensching; »krijg de koorts!» Do uitdrukking »enen den vrede bevelen» van A is veel fijner en bijtender. Zegenend, met vroom gebaar en heilige zalving breiden zij over de gevilde kudde de handen uit onder het uitspreken der zegenbede; Vrede zij ulieden! Vgl. ter verklaring der uitdrukking een gedicht, getiteld Ene bevelinghe, vs. 51 vlgg. {Vod. Mus. 2. 398â400; Altd. Bldtt. 2, 268);
Ie hevels mi in den selven vrede Die God onder sine jongheren dede,
Doen hi int huus quam te hein Ende seide: Pax Vohis. eyo sum \
vgl. Rumh. Avondst, bl. 19, vs. 13; »ic bevele mi in den heileghen vrede»; en lis. Openb. Joh. (te Parijs), vs. 27; »ic bevele mi den zeiven vrede.» Vgl. ook Sp. Ill1, 42 , 27; »(si) spreken metten monde vrede, maer therte meent al gierechede.»
190
Disp. vs. 325âDisp. vs. 46S.
Vs. 358: »ic, die emvelike imecl (of wake). Zie Stoett, Synt. § 435 en 436 en de door Verwijs {Stroph. Gcd. bl. 92 noot) aangehaalde voorbeelden: Disp. 388: »ie bem die u mine arme oiidorigt;- Rind. 920: »Edel man die mi dorper noemt] Wap. M. Ill, 439: »Jliesu, die ru.stes» (var. ruste); O. II. Wonden 45; cnx,.
Vs. 37G. De verandering van twi in twit (d. i. het zilvergeld), \oorge-steld door Do Vries (Stroph. Ged. bl. 93), is overbodig. De bedoeling is (in vs. 377 heeft C de ware lezing): ^als hij er sleelits voordeel van had, dan had hij datgene â waarnaar hij streefde en waarom hij verlangde aan eene hooge kerkelijke betrekking te geraken. ;
Vs. 411. Vgl. Oversee 51: ;gt;du sout hemelrike panden oj) Grode, wiltu dien lach ter anden.»
Vs. 416. Dat aerm van C als aerminc moet worden opgevat, gelijk Verwijs meent (vgl. ook Am. IV, 400) is door niets bewezen. Aerm st;uit voor ciermen, de interjectie, die met ach (tvach) armen (aermen) gelijk staat. Zie voorbeelden van armen en aerme in denzelfden zin Mnl. Wdh. 1, 459 en vgl. het Gloss, op armen.
Vs. 431. hitâbat. Zie Wap. M. II, 294 en vooral tie aant. op Wap. M. I, 808.
Vs. 446. Dregene van C geeft een goeden zin, doch de lezing van A wordt er volstrekt niet door verklaard. Misschien moet men voor met eer en van .1 lezen met err ene. Hein. U, 761 var. gt;haer kinder ende haer ghesinde haeldene mit erreu ende mit claghen», is misschien met deze plaats te vergelijken: op beide zon erren wellicht door dreigen kunnen worden weergegeven.
Vs. 453. Do lezingen van A en B beide geven een goeden zin. Waer spreken (bij J) bet. borg spreken, honj zijn, zich borg stellen. Vgl. het Gloss, op ware; voor den eenigszins vreemden geapocopeerden vorm n-aer vindt men een steun Sp. I3, 9, 73, waar do nitdr. nemen waer voorkomt, eveneens in het rijm. Vgl. Zs. f. I). Alt. 26, 339. De lezing van C: »wie vor ons spreke bet danne waer» beteekent: gt;die beter (meer) dan de waarheid voor ons spreekt gt;, d. i. »die onze gebreken en zonden vergoelijkt, ons beter voorstelt dan wij in waarheid zijn, een goed woord voor ons doet.» De door De Vries in Stroph. Ged. bl. 157 voorgestelde verandering is overbodig.
Vs. 468. Hoe de afwijking der lezingen van A (»aflaet») en O (»bli-scap») te verklaren is, is niet te zeggen. Op de beide andere plaatsen, waar een dergelijk verschijnsel wordt opgemerkt, nl. vs. 51 (.1 dogheden C mesdaet) en 446 (A eeren C dregene) heeft G de meest aannemelijke lezing; en ook hier schijnt hliscap in den zin van gt;de hemelsche geluk-
197
AANTEEKTCJfINGEN.
zaligheid» do voorkeur te verdienen boven aftact. De bedoeling zal zijn: «indien wij de vrucht van zijne liefde voor ons. de hemelsche zaligheid, beërven willen.»
Vs. 492. Do uitdrukking gt;aan hot kruis staan», in plaats van het gewone hangen, vindt men ook elders, b.v. Vad. Mus. 2, 396, 72: »dat cruee..., daer ane stoet u eneghe sonc ghenichelt vaste»; O. II. Pass. 24, G61: »hy stoet ghespykert an dat cruus»; Haclowijoh, Proxa 22: »lettel es onser, die... sijn cruce met hem willen draghen ende met hem ane den cruce willen staen.»
Vs. 501. Do lezing van A »Uet die ween», laat zich verdedigen, als men ween opvat in den zin van »het (treurige) aardsche leven.» Ygl. vs. 35; Disp. 425 en Wap. M. 1, 323: »dat minne... Gode van Nazarene brochte in desen wone» (varr. in dese wette, waarmede te vergelijken is do lozing van A »die ween», vr.). Zoo is -die lange ween» oene mnl. uitdrukking voor liet eeuwig verderf. Zie een voorbeeld Wap. .1/. 1, 101. Ook hot Mhd. kont een vr. znw. we'uie, geween. Claus. 228 staat eveneens wein, doch daar kan het kwalijk het aardsche leven betookonen. Daarom zal men aldaar in plaats van »uut desen weine» wol moeten lezen »uut den hel-schen woino», of ook »uut den langhen weine.» Het eerste schijnt liet incest aan to bevelen.
Vs. 504. De door Van Berkum in Tjdschr. 12, 47 gogovon verklaring dezer uitdr. is in hot Mnl. Wdb. (4, 260) verworpen; z. aid.
Vs. 519. De door Verwijs, Slroph. Ged. 97 noot, voorgestelde verandering van mede in bede moot verworpen worden, omdat daardoor een onzuiver c-rijm in den tekst zou worden gebracht. Vgl. Franck in Zeitschr. f. D. Alt. 25, 30 vlgg., vooral bl. 41.
Vs. 536. Do in hot Gloss, en in het Mnl. Wdb. (2, 12U1, ób) op deze plaats aan hem gelaten toegekende beteekenis zich veroorloven, de vrj-lieid nemen is van elders niet bewezen. Het is daarom wellicht beter, het ww. hier op to vatton in do gewone beteekenis xich honden, in iets, geschikt, voor iels zijn (aid. a), en den regel te verklaren als eene die daarmede weet om le gaan, waarvoor xij zoo uitnemend geschikt is, wat zoo wel past bij haar liefhebbend moederhart.
Vs. 560. Ygl. het pleidooi van Ontfermherticheit in don Maskaroen.
Vs. 567. Eonigszins ongewoon geconstrueerd voor »lii vint (daer) staen, dat herte dorboort, die Maghet in tranen baden», d. i. »liij vindt (daar) de Maagd, mot oen doorwond hart, in haro tranen staan baden», of »hij vindt (daar) staan de M., in haar tranen badende». Vgl. 213: hanghen sterven, welke woorden in do vorige uitgave te onrechte door een komma gescheiden waren.
ins
DISP. VS. 492-VIJF VROTJDEN VS. 2.
199
Vs. 577. Vooral om het epitheton scarp is de lezing van C tswaert verre te verkiezen boven die van A, nl. sweet. Do lezing van C »seaer hout» zal wel op een misverstand berusten en zonder waarde zijn. Van een bnw. scaerhout of schaerout is althans geen spoor te ontdekken. Misschien wijzen de woorden op de oorspronkelijke lezing scncrp cont, waarin scacrp als bijw. bij coul kan worden opgevat. Nog heden is ndl scherp koud bekend, gezegd van het weder.
Vs. 5S9. Ook do copulatieve samenstelling vwedermagct komt reeds in het .Mul. voor. Zie b.v. Lanc. 11, 4. Ook Diar/cl moeder] zie b.v. Pelgrim 68c: »o wel socle maget moeder, doet dat ie mijn herte morwe met trainen (/. tranen) ende dat my dijne gracie beschijne.»
VAN DEN VIJF VROUDEN.
Vs. 2. Wij hebben hier met eene mystieke voorstelling te doen. welke in de middeleeuwen zeer verbreid was, en die wij ook bij Albertus Magnus, de laudihus B. Mariae VII, 7 (Tom. XX, 215) aantreffen. Aldaar wordt de H. Maagd vergeleken met Aurora, en worden van dit woord een aantal mystiek-etymologische verklaringen gegeven, als »Aurora, ab auro, ab aura, en ook ab au re, quia concepit per aurem.» Unde dicit Cant. 5; aDilectus meus, i. e. Deus [later, luisit in me manum suam, i. e. filium, per foramen auris meae. Ideo canit ei Ecclesia: »Concepis(i per aurem Dorninum nostrum, ul benedicta dicaris inter omnes mulieres.» Zie ook Gold. Schniiede 1278 vlgg.
|
Dir braht eiu engel sinen gruoz Vene uz (Ier himele kóre: Der want sich durch din óre Zno diner brüste reine, Dar imie er wart ze beine U:iil in daz vleiscli verwandelt, |
Daz noch der priester handelt An aller sünden ahte. Geliukes vil nns brahte Avè, dei veterliche sprnch, Der durch din ore, an allen brucb, Dir gie ze hei/.en unde sleich. |
Deze voorstelling kan aangevuld worden met hetgeen wij elders lezen, nl. dat de »coiiceptio per aurem» plaats had nadat Maria hare bereidwilligheid en gehoorzaamheid had aan den dag gelegd met de woorden: »My ghescie na dinen woorden. Doen die heylighe Gheest dat verhoirde, dat bequam der minnen Gods soo wale, dat si Christum sant in Marien sale» (Ruusb. 3, 149). Vgl. Dort. I, 520: »tgheloove dede Mariën ... den hey-leghen Gods sone ontfaen, des gheweest en hadde niet, liadt siere ane ghetwivelt iet.» Daarop doelt ook Vijf Vrouden vs. 6.
De dichter schijnt zich liier het rijm oren,: doren te veroorloven, omdat
AA^'TEKKEXIXÃ EX.
feitelijk door do samensmelting van dc oren tot doren wat den vorm betreft een ander woord ontstaat. Men kan natuurlijk ook aan do eene of andere corruptie denken, en dan is geene gissing zou aanbevelenswaardig als binnen doren of hinden doren te lezen in plaats van in doren. Do bet. der uitdr. in hare kamer, in huis komt overeen niet ingressus der vulgata (Lnc. 1, 28). Vgl. Mono, Hymn. 11, bl. 55, nquot;. 362: «angelus ad virginem subintrans in conclave virginis fonnidinem demidcens inquit; »avo!»» en n0. 363: »Verbum bonum et suave pandit intus in conclave et ex Eva fonnans ave»; Sp. 1°, 38, 15: »dus quam daer die hemolsee gesollo in hare heimelike cello....; ic waen soe, boslotenre duere...., den Vader bat van hemeMke»; Limb. Serm. 73c: »dat dor ongel in ginc, dats oen teken dat liise in vant onde nit op der straten». Voor do bot. der uitdr. :gt;binden doren» vgl. lijn dj. 12267: »teerst dattu cooms binder dure sal tkint sterven» (lat. »in introitu tuo morietur puer»).
Vs. 6. Twivelei is als praoteritum op te vatton, = twifeledet, Hwifeledl. Vgl. Mnl. Gr. g 113, 4; Van llelten, Mnl. Sjrraakk. bl. 271 vlg.
Vs. 10. De lezing die van het lis., welke Verwijs in dal wilde veranderen, is goed. Zie vooral Franck in Anx. f. D. Alt. 8, 153 vlg. en Mnl. Wdb. 2, 150.
Vs. 13. Eene in de middeleeuwen zeer geliefde mystieke voorstelling. Vgl. Vad. Mus. 2, 412, 10 vlgg. in een gedicht ^Van ons Heren r/heboorte»:
Die dochter moedcrlijc ontfiuc 1 Vader, dochter, daer hise wrochte
JJen vader, ende lü waert haer kint Moeder, soone, doen sine brochte
Meiischelijc, ende bleef oit sint Menschelike int ertsche leven;
Vader, sone ende broeder, Daer sijnse suster, broeder bleven.
Ende si dochter, suster, moeder, '
Vgl. ook O. 11. Wonden 97 en zie Rutebeuf (uitg. Kressner, a. 1885), bl. 201 in oen gedicht les IX joies Nostre-Dame:
ïu es et virge et fille et mere,
Virge enfantas le fruit de vie,
Fille ton lil, mere ton pere.
Vs. 17. De aanteekening op dit vers en de voorgestelde verandering van salich in sale (Stroph. Ged. bl. 161) moeten vervallen. Salige oghen is vocatief of liever een uitroep (vgl. lat. o oculos bealos), en do bet. der regels is: »0 oogon van Maria, zalig om hetgeen gij zaagt; zaJig gij (Maria). in wien gij, Jezus, gerust hobt.gt;
Vs. 23. De door Verwijs noodzakelijk geachte invoeging van mi is onnoodig. Ook is beter, hot gt;scoren des herten» als algemeen, op alle menschen toepasselijk, voor te stollen. Scoren van het hart gezegd (vgl. ndl. hartverscheurend) bet. hetzelfde als breken. Vgl. hartvanc, van den angst in hot laatste oordeel gezegd, in vs. 59.
200
VIJF VROUDEN VS. 6-VIJF WONDEN VS. IS.
Vs. 70. De in hot MnL Wdb. op cl ore cl riven gegeven verklaring is niet juist; dordrive, dat alleen een 2'le pers. enkv. van den imper. kan wezen, kan niet van Maria gebruikt worden, die steeds met 7/«' wordt aangesproken i). Men vatte liet woord niet op in don zin van doordringen, vcrmdlcn, maar in de intr. opvatting van doortrokken u ordcu. Vgl. de intr. beteekenis dringen van driven (Mnl. Wdb. 2, 418) en de bet. yüien bij De Bo 2(10. Misschien doelt op deze opvatting (dooriroklcen worden zou wellicht ook in de bet. gereinigd worden kunnen worden opgevat) ook hot woord mver in het laatste vers van het gedicht.
VAN DEN \ 1.1 F WONDEN.
Vs. 1 vlgg. Ook in den Lsp. 1, 21, 103 vlgg. worden de paradijsrivieren met de wonden van Christus vergeleken, doch het thema wordt geheel anders uitgewerkt.
Vs. 10. Voor de verhouding der verschillende lezingen vergelijke men Rijmh. 34S29: »Mer makic der hystoriën ende », en var. C\ »hier makie an dystorie encle.»
Vs. 13. De in den tekst opgenomen lezing seghesalich is van Dr. J. W. Midler. Uit een oorspronkelijk seghesalich is zoowel segheljc van U, als salich van BC (op welke lezing wellicht die van Cf helieh, werde berust, doch Cf hoeft meer wiUekeurigo afwijkingen) te verklaren. Weliswaar wendt seghesalich vooral van personen gebruikt, zooals b.v. Wal. 1479; Segh. 3353, 3371; e. e.; Serv. TI, 1196, doch Rein. T, 6782 wordt hot eveneens van eene zaak gebruikt (»u oom leerde mi eens een les, dat soer scghe-salich es don ghenen die camp vechten moet»). Ter bevestiging der op eene gissing berustende lezing kan men nog aanvoeren Segh. 3371 var., waar het woord, evenals in BC van O. II. Wonden door salich is vervangen, en op Proxa-Rein.'ï 135, waar voor segesalich de lezing sere salich in de plaats is gekomen.
201
Vs. 18. Dr. J. Heinsius slaat in de XIlIe stelling van zijne dissertatie (Klank- en Buigingsleer van de Taal des Slaten-Bjbels, 1897) voor te lezen »sluuts die ons willen deren.» Het mv. willen van CUB (G wilden) verstaan wij niet; de relatieve zin heeft betrekking op helle, niet, op gt;allen
l) Ontfaerme 11 ilat ic enz., Disp. 391, is geen imper., maar conjunctief van het onpei's. \vw. ontfaermen. Vgl. ook Rein. 1, (58: ontfaerme (conj.)i\ mierescade; ook 72; daarentegen 318: ontfaemict en: 4'20 onlfareml (imper.). Vgl. ook Rincl. 1011 : «en wondere u miere woorde niet.»
AANTEEKENIXGEIf.
die het op ons verderf toeleggen», waarbij kwalijk dc helle als oppositie kan worden gedacht. Onze tekst is eene getrouwe vertaling van het Latijn-sclie: «portas pandis vere lucis, fauces claudis hostis trucis, divina potencia.»
Vs. 20. »Do clene scaro» zijn de heiligen van het Oude Verbond, die Jezus verloste bij de nederdaling ter helle. Verg. Wap. M. III, 332 vlg. en de Aant.
Vs. 22 vlgg. Hoewel do verzen het Latijn slechts zeer onnauwkeurig weergeven, zoo is toch de door Verwijs {Stroph. Ged. bl. 165) voorgestelde lezing »Brac die helledore sware, Ende bant den portcnare Gevangen in der donker nacht» niet aan te bevelen, omdat in alle hss. eenstemmig gevangen slaat op dene scare. Ook is vreemd het asyndeton Brac van CU (naast Ende brac van BG). Doch eene voldoende en afdoende verbetering is tot heden niet gevonden.
202
Vs. 25 vlgg. Men zou, afgaande op het in de Inl. medegedeelde mnl. gedicht, vs. 97, allicht kunnen incencn, dat de lezing van CU hooflcrone in weerwil van het Laüjn, de oorspronkelijke is, doch uit do volgende regels blijkt overtuigend, dat niet de doornenkroon, maar het hoofd zelf moet worden aangesproken. Wellicht bevat de bovengenoemde lezing eene herinnering aan eene andere hymne, waarin eerst het kruis en daarna de kroon werd toegesproken. Ook in den volgenden regel is de oorspronkelijke lezing niet met zekerheid vast te stollen. Zeker is dat de maker van hot bovengenoemde gedicht een tekst als dien van B voor zich heeft gehad en daarin eene kleine wijziging heeft gebracht, waardoor op do in vs. 87 uitgedrukte gedachte: »Hi die God is ende man» gezinspeeld wordt. Of evenwel daardoor oorspronkelijk hot begrip despectionc van den Latijnschen tekst is uitgedrukt, i* niet uit te maken, doch niet onwaarschijnlijk; C, U en G hebben eene andere lezing, wflke uit de bovengenoemde verklaard kan worden, wanneer men aanneemt, dat eerst die van G, en daaruit weder die van CU is ontstaan; evenwel de gedachte, door deze tekstredactie uitgedrukt, is in het Latijn niet terug te vinden, en de lezing heeft dus in dezen minder gezag. â Het minst zekerheid bestaat er aangaande de woorden hi thorne (bi hoorne) in vs. 28, die ook door de andere nr. C gevonden hss. niet duidelijk zijn geworden. Aan de door Verwijs {Stroph. Ged. bl. 166) voorgestelde verandering in bi tsloren, in zich zelve reeds niet aanlokkelijk om de bet. van sleuren 1), kan, nu er vier teksten zijn
1) Sloren komt, zoover ons bekend is, slechts tweemaal in het Mnl. voor, nl. Profijt. Liedeb. 179, 4; »A1 ben k-k als sot beghect, bespot, gliedwaest, rjhesloort, ghcslotert (deerlijk {jeliavcnd, niet aan splinters geslagen, gelijk in het Gloss, staat) en Mcrl. 21548: »ene scone vrouwe, die die Seynen hadden bi den haer in enen pleine, ende sloordense also na haer paert» (vgl. 21503 en 'tV7: slepedese). He het. is dezelfde als die van ons slenren, en het woord zon dns alleen dan hier passen, als Chrigt;tus naar de strafplaats gesleept was, hetgeen met de algemeen gangbare overlevering geheel in strijd is.
VIJF WONDEN VS. 20âVS. 66.
in plaats van één, in het geheel niet meer worden gedacht. Nog veel minder aan de ingrijpende veranderingen, t. a. p. voorgesteld dooi' De Vries, door wien drie van de vier rijmeu willekeurig zijn veranderd: ook deze zou zonder twijfel tegen het gezag van vier hss. in met zijne conjec-turen niet voor den dag zijn gekomen. .Met dat al blijft de vraag, wat hi tlwrne of hi hoorne eigenlijk is of wezen moet, ook thans nog onbeantwoord. Men kan gissingen wagen, en het vermoeden uitspreken dat hi thonic beteokent iiiel woede, irreedhcid (in welk geval hetzelfde rijmwoord tweemaal gebruikt zou zijn). Men kan meenen, dat hi thonic staat vooi hi die dome (vgl. harenthare â hare ende dare), beantwoordende aan lat. (trouwens niet hier in den lat. tekst voorkomend) per spinas (waarvan hetzelfde geldt als bij de eerstgenoemde gissing). Men kan het er voor houden, dat een deel van het hoofd is bedoeld (vgl. Limh. Serm. l-tórf: »sin godelic hooft es al vol gesteken met dornen tot der schedelen»), en denken aan horrn, als deel van het achterhoofd. waarvan het Mul. JVdh. 3, 600 een voorbeeld geeft (vgl. ook de afleiding hornic, harninc, hooric. bij Kil. en Tenth), in welk geval men niet hi maar totem den tekst zou verlangen. â het blijven slechts meer of minder waarschijnlijke gissingen, en het ware licht moet over deze plaats nog opgaan.
Vs. 33. De uitstekende verbetering van Verwijs van JhrVm (Jherusalem) in Jheswn wordt door do andere hss. bevestigd: Jeins, God de Zoon, wordt ook elders als plasmatw omnium, als de Schepper voorgesteld. Zoo b.v. Velth. VI, 32, 19, waar gesproken wordt van Maria:
Die met haere groter suverhede
Verdiende dat si droech gerede
Den rnakere van al dat ye gewas,
zie Stroph. Gcd. bl. 167. Vgl. Velth. 1, 23, 40: U (van Maria) doghet..., die ghi te lene hebt van Jherusalem (/. Jhesuin) Nazarene». Daarentegen wordt niet door de hss. bevestigd de door Do Vries t. a. p. voorgestelde verandering »der greinen rosé», welke ook onnoodig is: het begrip verwen is reeds in den regel uitgedrukt, en dat rosa in de middeleeuwen bepaaldelijk gebruikt word van het hloed van Christus, zien wij uit do aanhaling van Due., »cernis liosam, hoc est, Dominici corporis sanguinem» (uit Ambrosius). Nog heden is rose in het Fra. (en het Ndl.) behalve als benaming der roos, ook in de bet. roxeklenr, rozerood bekend. â De lezing dornich, welke blijkens het lat. spinosa de ware is, en die alleen in hs. U is bewaard, was reeds voorgesteld door Verwijs, Stroph. Ged. bl. 104 noot.
Vs. 45. Over den 3deu pers. Ier/het, in plaats waarvan men zou verwachten leghe, gelijk een der hss. ook heeft, zie de Aant. op l)isp. vs. 358.
Vs. 66. De door De Vries (Stroph. Ged. bl. 104 noot) voorgestelde verandering van doen in droeven, hoewel op zich zelf eene verbetering, is
203
AANTEEKEMNGEN.
niet bevestigd door de andere lis.s., die moer in overeenstemming met lat. iremuli, beven hebben.
Vs. 70â72. Do door Do Vries voorgestelde, keurige doch willekeurige, veranderingen, in deze regels zij n door de andere hss. niet bevestigd. Doch hierin had De Vries gelijk, dat het begrip medicina in den nml. tekst moeilijk kon worden gemist (vgl. vs. 72 in de drie later gevonden hss.), al stond de vertaling dan ook niet daar waar De Vries haar verwachtte, en al werd daarvoor ook niet het woord ersedie, maar medicine gebruikt. De woorden .-gt;Ave, salve, gaude, vale» der Lat. hymne komen ook elders verbonden voor (Mone. Lat. Hymn. 1, 1(31). Zoo zijn ze de aanvang van eene Oratio quae dicitur Crinale healae Mariae Virginis, bij Mone 2, 268.
Vs. 76. Tienen klinkt ons vreemd, omdat wij het slechts kunnen verbinden met ww., in de bet. voor!, wej. Doch de oorspronkelijke opvatting van hier (waaruit de zooeven genoemde is voortgekomen) is ook elders nog aan het woord eigen, nl. Sp. HF', 17, 17: »dat ic henen (»uit deze stad») ben geboren», en Bloend. 1, 70, 324: 'henen omtrent twee milen.» Zie. Mnl Wdh. op henen. Over eene mogelijke lezing heuof zie de Aaut. in de van-.
Vs. 83. Geen der beide lezingen »als die tijt coomt, niet en late» en »(ende) dat te tide, (ende) niet te late», bevredigen volkomen. Ook geven zij beide het Lat. »sit ergo michi solamen istud vnlnus et jnvamen» slechts onvoldoende terug. Men zou kunnen vermoeden, dat ie tide ontstaan is uit eene oorspronkelijke lezing toetiden, d. i. xich verlaten op, doch eene bevredigende redactie van het vers in dezen geest is niet te vinden.
Vs. 97. Vgl. voor dit vers de Aant. op Vijf Vrouden vs. 13.
Vs. 98. De uitdr. »te winde hangen» komt ook voor Sp. 13, 8, 30 »Cyrus vingene anderwarf ende heeftene te winde ijehanrjcn (opgehangen, aan de galg gehangen)». Eene andere uitdr. voor hetzelfde begrip is windewaien, Elerj. 802: »ic wille mijn kele windewait, en es die con ine niet hierbi.»
Vs. 106. Bidesen, dat alle hss. hebben, kan wel idets anders beteekenen dan ten gevolye hiervan, met betrekking op vs. 105. Venvijs sloeg voor te lezen na desor, vgl. lat. »ne in fine condempnetur.»
Vs. 107. Alle vier de hss. zijn in de lezing »met pinen doorgaen ende doorlesen» eenstemmig, en er kan dus geen sprake zijn van het overnemen der zeer scherpzinnige, doch weder even willekeurige, veranderingen, voorgesteld door De Vries, Stroph. Ged. bl. 168. Tegen elesen, dat hier voor lenen wordt in de plaats gesteld, moet bovendien bezwaar worden gemaakt, èu omdat het woord iu dezen vorm eerst in het latere Mnl. en dan nog slechts dialectisch wordt gevonden (zie Mnl. Wdh. op clesen).
204
VT.TF WOyDKN VS. 70-VS. 120.
èn omdat de e met die der andere rijmwoorden niet overeenkomt (Anz. 8, 157). Ook op andere plaatsen van O. II. Wonden komt, gelijk wij zagen, de mul. tekst niet letterlijk met den latijnschen overeen, en daarin alleen is geen voldoende grond voor hot aanbrengen van tegen het gezag der hss. indruischende veranderingen.
Vs. 120. Welke der Vieide lezingen »opten Vridach» en »opten Paes-dachgt; de ware is, hangt van de middeleeuwsche in dezen gangbare voorstellingen en ovérleveringen at. Volgens de beschrijving in Van den Levene On-t Heren, 41()] vlgg. en Sp. I1, Sé, 2 vlgg. is Vridach beter. Doch daar staan andere getuigenissen tegenover. Vgl. b.v. Lucid, (vertaling van hot Elucidarium van Anseliuns van Canterbury) 1037 vlgg.
V. Waerlieneu voer ons sceppers treest Als hi sciet uter werelt tempeest?
A. Mit Enoch enile Elyas inl paradijs....
Tot XL wilen !) so was hi ilaer {in het graf)
Ende opten derden dach daernaer Ter tijt van der minnacht rechte Verloste hi nter hellen sijn knechte,
Abraham ende sijn ander vrient,...
Ende Adarae, den eersten man,
Ende menige, die ie niet genoemen can Unt den torment van der hellen...
Ende leedese int soete paradijs.
Dezelfde voorstelling ook in den Lsp. II, a 36, waar het Evangelinm Nicodemi wordt gevolgd, en in eene berijmde bewerking van het bekende Speeulmn salvationis nostrae, waarvan een hs. berust in het Britsch Museum, en oen uittreksel voorkomt in het Verslag van Oailliard en De Flou, die dit hs. het eerst hebben bekend gemaakt, in Ver si en Meded. der Vla. Acad. 1896, hl. 287:
(Dat) Christus ooc ter middernachte Up stont, also wij gheloven bloot.
Van zinen slape, dats van zire doot,
20,*)
Ende hi doe ter hellen trac Ende al der hellen poorte brac Ende leedde /.ine vriende mede Uter hellen.
1
verrees hi vander doot.»
AANTEKKKNÃfGKJf.
DIE CLAUSULE VAN DER BIBLE.
Str. 3â23. De prototypen van Maria in het 0. Testament, die in de volgende strophen voorkomen, zijn natuurlijk alle naar de traditioneele kerkelijke voorstelling, en komen bij tal van beroemde Middeleemvsche godgeleerden, in dicht en ondicht, veelvuldig voor. Grootendeels vinden wij ze ook in Maerlant's Rijmbijbel, waar zij telkens in het verhaal worden ingevlochten, terwijl zij in de Historia Scolastica ontbreken.
Zoo schreef S. Bonaveutnra een gedicht, getiteld : Laus bentae Viryinis Mariae {Opera VTI, 408), dat met Maerlant's gedicht niets gemeen heeft dan alleen de vergelijkingen. Het begint aldus:
Sancti Bonaventurae eximii ecclesiae doctoris opusculu rn iuser ip I u m:
Lans Bealne Viryinis Mariae.
Opuscuhun hoc, quod Laus Beatae Mariae appellatur, Salutationem Angehcam continet, scilicet Ave Maria: ita tarnen ut iuxta singulas litteras eiusdem octonis versibus Virginis laudes celebret Auctor, et unumquemque octonarium ordiatur a littera Salutationis Angelicae, donec tota compleatur. Praeterea 1!) Saerae Scriplurae lods Beatissimam Dei Genilricem Markim docet adwnbratam, ut ex contextu apparet. Hannn figm-annn series est quae sequitur:
1. Figurata luit per fontem, qui ascendcbat Je terra, ut liabetur (jen. '2 (onthr. hij M.).
II. Figurata fuit per lignum vitae plantatum in medio paradisi, Gen. '2 (ontbr. bij Mj.
III. Figurata fuit per paradisurn rigatuin a tluvio voluplatis, Gen. '2 (str. 3).
IVr. Figurata fuit per arcam Noe, per qiiain fuit ^enus humanum tempore diluvii conservatum, Gen. 6 el 7 {str. C).
V. Figurata fuit per arcum, quem Dominus dedit Noe, Gen. 9 (ontbr. bij M.).
VI. Figurata fuit per scalam, quam Jacob in sommis vidit, Gen. '28 {str. ^1)
VIL Figurata fuit per rubum, qui ardebat, nee oornburebatur, Exotl. 3 {str. 1-2). VUL Figurata fuit per vas, in quo servatum fuit Manna, Exod. 16 istv. -Ki, vs. \â3).
IX. Figurata fuit per virgam Aaron, liabuit fructum praeter opus naturae,
Num. 17 {str. 10, vs. 4â5).
X. Figurata fuit per stellam et per virgam, de quibus prophetavit Balaam, Num. 24 {str. 17).
XL Figurata fuit per concham Gedeonis, de qua habetur Judic. 6 (str. 11, vs. 4âC).
XII. Figurata fuit per domum Domini, quam aedificavit Salomon, et gloria Dei
earn implevit, 3 Reg. 6 (ontbr bij M.).
XIIL Figurata fuit per Abigail, quae fecit parein inter Nabal et David, 1 Reg. â 25 (ontbr. bij M.).
XIV Figurata fuit per Judith, quae Holofernem peremit et popiilum liberavit, Judith 13 {ontbr. bij M.).
20G
CtAÃS. VP. 1âVS. 31.
XV. Figurata fnit per Esther, quae Aman fecit suspendi et Mardothaeum cum populo liberari, Esther 7 (on tbr. bij M. I.
XVI. Figurata fuit per columbam, quae attulit ramum olivae Noe et (lliis suis in arcam, Gen. 8 (str. 7).
XVII. Et per perticam, quae tulit serpentem aeneum iu deserto, Sum. '21 (atr. 15). XVIIi. Figurata fuit per portam clausam, per quam vir uou transivit, Ezech. 44
{sir. '22).
XIX. Figurata fuit pei- mulierem, quam vidit Joannes, Apuc. 12 (onlbr. bij M.).
Vs. 7. Verwijs las clatsijt in plaats van de lezing van het lis. dalsi, doch. ontbinden heeft hier niet te lieteekenis verklaren, duidelijk maken, maar die van verlossen, bevrijden, eig. losmaken, zooals uit de volgende regels der strophe blijkt.
Vs. 27. Verg. liijmh. 411:
eene fonteiue van groten prise Quam uten erdsclieu paradyse,
Die gliaf natheit in geerre tijt Al om ende omme de warelt wijt
Gold. Schrniede, 530 :
Ein wazzer üz dem paradis Teilet in vier ende sidi:
Daz ist bi dir bezeicbenlich.
Zie ook Joh. Damasceni Opera, 11, 857 B.: Albertns Maguus, de lau-dilnis B. Mariae, L. XII, c. 1 , § 2.
Vs. 31. Het in het Hs. ontbrekendé u kan hier niet gemist worden. Der enyele spise is eene in de Middeleeuwen zeer gewone benaming van Jezus. Zie Runsbr. V, 14, 13: »Hi is oec der ini/helen spise», en verg. Albertns Magnus, 1.1. Ij. Xll, c. 5, § 2 (Tom. XX, 385): »Christns manna.... Quia manna dictum est pan is Angelorum. linde in Psal.: Panem Angelorum manducavit homo, quia virtute qua Angeli subsistunt, creatus est ille panis, hoe significans, qu'od de coelis venturus erat i|ui spiritua-liter pasceret eleetos suos.» En aid. 38C, 4: »Hoc manna.... dicitm panis Angelonun..., quia significat Christum qui est panis Ani/elorum.» Zie ook S. Beruardi Opera, p. 1307 1)., en Mone, Lateinische Hymnen des Mittelalters, I, 272, 19:
Ave panis Angclovum,
Salus, vita miserorum,
Qui restauras omnia.
De uitdr. komt ook voor Limb. Serm. 138«: »Geliker wis alse hi na gotliker art der ent/ele spise was ende noch es in himeMke, also es hi worden ene spise der menschen na inenscheliker art in ertrike.» Vgl. aid. 158Zgt; de uitdr. »der engele broot.»
207
Die fonteine bediet Manèn, Die droech Jliesum «leu vriën, Diet al met doechden maecte nat.
AANTKEKENINGKN.
208
Vs. 40. Verg. Rjmh. 683:
|
Dat Adam van der reinre erde Was ghemaect, met groter weide, Die ii ie smette luidde ont fa en. Noch ooc nie was ondaen Noch met /iloeghen noch met spaden, Noch besmet mot gheenen daden, Zie ook Sji. 115; 23, 230: Dat God Adame wilde doen wesen Ghemaect van der reinre erden, Eer si smette van onwerden |
Hetekent die reyne Marië, Die soader eneghe dorpernië , Niet alse plegen andre wive, Ombesmet van haren live Den Godsone brochte ende wan, Sonder gheselscap van enighen rnan. Oyt iewer af hadde bejaget. Dus was die erde magel, Daer Adaem af dat vleesch ontfmc. |
Verder Joh. Damasceni Opera, I, 295 E: ,Jx. v x pSr év o v yxp yij: o Sc^puTTo: TTSTrXxTTOupyyiTxr â , Albertus Magnus, 1.1., L. VIII, c. 1, § 1. Zio ook Le hesant de Dien (uitg. van Ernst Martin), 1189:
Quant Dens le premer home fist Del limon que de terre prist,
La terre esteit virge pucele.
Vs. 60. Zie Gen. III, 15, en verg. Rjnih. 726;
Dese worde machmen draghen Toter moeder Gods Marien,
Die den duvel met siere partien Altoes dwinghet ende jaghet.
Al eist dat hi die hare lashet.
Zio ook Rntebenf II, 151, 34 (vgl. uitg. Kressner, 1885, IJ. 202, 34):
|
Tii as le trayteur tray; Tu as souz tes plantes triblee La teste dou serpent hay. Tu iez com eschiele ordenee |
Qui le pooir as envay De la beste desliguree, Par cui li monde dechay. |
|
Vs. 66. Verg. Rjmh. 1181: Die arke, daer metten lieden Noë in vlo, die mach bedieden Wel met groter redenen Marien, Daer God mede wilde vriën Die werelt al van Lucifere. Die te Mariën hebben ghere |
Ende altemale in hare vlien, Uern ne mach niet messchien Noch hier, noch ten langen live: Dies es soe arke, daer keitive In wiken ende dat lijf ondraghen. Want soe hoort eiken mensche claghen. |
Zie ook Joh. Damasc. II, 836 B., 854 A.; Albertus Magnus, 1.1. Ij. XI, c. 9; Mone, Lat. Hymn. II, 400, 41; 410, 4; 436, 22, enz.
Vs. 79. Verg. Rijnih. 1219;
f'I,AITS. VS. 10-VS. 10Ã.
|
Die iluve bediet onser Vrouwen, Die ter arken keerde met trouwen, Die ilen telcli van iler oliven Brochte ghedraghen den keitiven. riolive bediet pays ende vrede; Want wie so in der zerechede |
Ende in den sonden es bevaen, l.aet hi sine herte an hare staen, Maria soe ne bezwijetene niet; Soe brinct te payse sijn verdriet, Ende inaect liaer kint te liem zachte, Reciit alse die duve dolyve bra-lite. |
Vs. 92. Do twee eerste verzen dezer strophe komen woordelijk overeen met vs. 1803 vlg. van den Rjuib. Aan di â vergelijking van Maria met do lachende Sara is daar een geheel cap. gewijd. Zie vooral vs. 1809â18;}! i;
|
Wat moeghen wiere anders an scouwen Hanne Marien onser Vrouwen, Die jeghen nature drouch Jbesumme, daer si online loucli, Sonder smette ende sonder sonde, Sonder last ende sonder wonde Van haren reynen maegdoeme? Hi was die vrucht ende soe die bloeme. Heide droeghen si jeghen nature, Als ons hier tellet die SC rif In re; Want Sarra ghebrac niet, sonder juegt, |
Ende Maria want met haerre duegt, Ende alremeest bi der Gods ghenaden, Dat soe met laste wart gheladen, Die haer reynecheid verclaerde Ende hare in gheene dinc verswaerde: Dats Jhesus, onse rechte .joye, Ende onse lachghen, die van vernoye Ons lossen sal met siere ghewelt, Ghelijc dat hi siere moeder helt Moeder te sine in reynechede, Jeghen der naturen sede. |
35, 42 (nitg. Ivressner, Tn yez la droite Sarray.
11, 400:
Tn es Sara nobis ridens
Risus ac praeludia,
Tibi risnm dari videns Isaac ex gratia.
Zie ook Rutebeuf. 11
2(12):
en .Mono, Lnt. Uipnn.
|
Vs. 105. Verg. Itijmh. 2427: Die ledre, als ic vroet bym. Es die dochter Joachym, Die soe droech die salighe Anne, Troost aire wive ende aire manne. Die soete edele maghet Marië, Daer ic up hope ende altoes lye. Die twee leederbome sijn mede Omoede ende ooc suverhede. Die van der erden te hemele ghingen, Ende Gode in haren lechame ontfingen, Also rneneghe stap alser toe hoorde Ne mochtic met gheenen woorde Gheseggen (mijn sin es so cranc): Die leederbome waren so lane. Also ne mochtic in gheere wijs Zio ook Joh. Damasc. II, 83C B., c. 31, § 17; Mone, Lat. Hi/nin. 11, Wapene Marlijn e. a. Ged. |
Marien duegt ende haren prijs Noch hare ghenaden niet vnlscriven Noch dat ie quam van wiven. Up dese leedre moeten wi cliven. Of alle ghader verloren bliven. Hen ware of soet selve dede. Met gherande behendechede Ne quamen wi in hemelrike. Soe es onse troost vaste ende rike; Wine clemmen niet, soene doet: Van hare sal ons cornen die spoet. Emle eist dat wi up hare ghien , Goil, diere up was ghesien , Sal ons die bant bieden mede Ende helpen bi haerre ghebede. 804 A., Albortus Magnus, 1.1., L. 480, 78. li |
X,
A A KT KEK FXIXG FX.
Vs. 109. Dr. R. C. Boer, in do XIVde stolling aclitor zijn academisch proefschrift »Oervaroddssagagt; (1888), stelde voor ouverclaghet te lezen in plaats van onghewnghet. Deze verandering is onnoodig. Otighewinghel bet. ongetwijfeld, huiten allen twijfel, eig. xoo dat men {iets zeker -weet en dun) er niet naar behoeft te vragen. Het woord komt ook voor Vierde Mart. 219; S}). li5, 23, 241. Vgl. Kerk. Cl. 192: gt;ic dart wel segghen souder vraghen» en Claus. 819: »wat helpt daer omme ghevmglietV» â Bovendien komt verdagen (en rereiager) slechts in Oostmnl. voor, en onrerclagiiet eveneens slechts Sasseu^/i. 1, 117, 203.
Vs. 118. Verg. Rijmh. 8207;
|
Joseph ilie Egvpten behelt Dats Jliesus, die met sieie gliewelt Al die werelt heeft verloost Ende van bedwange vertroost. Joseph was scone, zuver ende vroet, Van hem quam den meneghen goet. Onse here Jliesus ooc die was Die scoenste, daer ic ie af las, Ende van aire wijsheid fonteyne, Ende van vleessche zuver ende revne. |
Josephs moeder Rachel So scone was cnme iemen el No meer vercoren van haren man; Ende bediet onse Vronwo dan. Die scone was ende untvercoren Voor alle die ie waren gheboren, Met Ooile, dor hare zuverhede Ende dor hare grote omoedechede: Dies droech soe Jhesus sonder man. Dat was die saleghe Joseph dan. |
Zie ook Rutebenf, TT, 155, 41 (Kressner, bl. 202):
Tu yez Kachel la desirrée.
Vs. 131â133. Verg. Tiijmh. 3471, waar van het gt;vactkin gt; gezegd wordt:
Dit betekent den lechame Marien, Soe droech onsen here Moises,
Dien soe also wilde castiën Jliesus, die beweende des
Met penitenciën, die soe nam, l)at wi laghen in die sonden.
Datter noit sonde in quam.
Zie ook Gold. Sehm. 1944â1951, en verg. aid. de Inl. XXXIV.
Vs. 13G. Oppervlakkig is het ww. hem meien hier vreemd gebruikt, maar de dichter dacht hij die salige dan aan Christus, die onder het beeld van den dauw wordt voorgesteld.
Vs. 134â136. Zie Richt. VI, 37, en verg. Rijmh. 7523:
|
Dat vlies, dat sachte es ende wit. Es die lechame omhesmit Van der reinre maghet Marien, Die alle tongen henediën. Die dan die vallet heimelike Upter erde van hemelrike, |
Also hi dede in dat vlies, Dats Jhesus, sijt seker dies. Die heymelike in hare quam, Ende hare ghaf, ende niet ne nam, Meer zuverheden dan soe hadde eer, Ende heleghetse emmermeer. |
Zie ook Joh. Damasc. 11, 85C, 8G4; Mone, Lat. Hgmn. II, 291, 12; 297, 18; 430 , 43 ; 43G, 37; Gold. Sehm. XXXV; Rutebenf, IT, 155, 43.
CLAT7S. VS. 109âVS. 16G.
I'll
Tn den Rjnih. ontbreekt cle vergelijking mot de Koningin van Sheba; doch verg. Albertus Magnus, 1.1. L. AT1, c. 13 (Tom. XX, 199â203), on aki. S 3: dlaoo rogina, ill est, .Maria designata est per reginam Saba, do qua sir legitur 2 Reg. 10 ot 2 Pai-al. 9: Regina Saba ingress;! est in Jerusalem cum comitatu multo, ct divitiis, et camelis portantilius aromata et aurum infinitum nimis et gemmas pretiosas, et venit ad Salomoncm, et locuta est ei universa quae habebat in corde suo: et docuit eam Salomon imiversa verba quae proposuit. Et paulo jiost; Rex antem Salomon (iquot;ilit reginae Saba quae voluit et petiit ab eo, exeeptis his quae ultro obtulerat ei munere regio. Et nota, quod 2 Paral, legitur, quod rex Salomon deilit reginae Saba multo plura quam attiderat ad eum. Haec regina signal Mariam, qnae appellatur regina. nt supra. Saba interpretatür eonversio vel inceusio. Haec est Maria, i|uae peecatores convertit et eornm affectus per e.haritatem ineendit.
Vs. 144. Verg. Rijnib. 36Ã1 :
|
Die doren, die daer bernen doclite, Ende dien dat vier niet ne inoclite Ghescaden, bediet Marien, Die alle tonghen benedyen, I lie was van den Jueden gheboren, Die bediet sijn na den doren. Tfier was die heliglie Gheest, Die tiare lielpe ende vulleest Ghaf, dat soe hare reynechede Behilt bi Gods ghenadeehede. |
Ol'te anders: in derre maniero Dattie doren van den viere Onghescaed was al omtrent, Also was Maria al oinliekenl Van allen mannen ende ombesmet. Knde van der werelt ombelet, Daer soe in leefde ende in was, Uheliker wijs, nu merket das, Dat tfier den dorne niene deerde. Noch sine blade niet verteerde. |
Zie nog Joh. Damasc. II, 854 A; Albertus Magnus, 1.1. L. XII, c. 6, § 3; Mone, Lat. ILpnn. II, 411, 17; 420, 10; 429, 8; Gold. Schm. XXXIâXXXII en vgl. 147 vlg. van ons gedicht.
Vs. 157. Zie Exod. XVI, 14â20, en verg. Rijmb. 437ó:
|
Manna dats die reyne Marië. Die soete vrouwe cntie vrië; Die worm die uten brode wies Dats .Iliesns vleesch. Nu merct dies; |
Die worm was al sender vade:*, Knde Jhesus, onser alie herader, Quam sondei' vader van Mariëu: Des gheloven sullen wi lyen. |
Zie ook Albertus Magnus, 1.1. L. XII, c. 5.
In vs. 16() wordt wrake doer Dr. Van Vloten onjuist opgevat als straf. De zin is; Doordat Jezus Lucifer en zijne gezellen beroofde, werd Adam gewroken over de slang. Dit berooven van den duivel ziet op de neder-daling ter helle. Verg. / Mart. 959; Disj). 115; OHW 23; ty. I7, 34, 4; 39, 28; fj.sp. 2, 36, 1700; Ij. o. H. 2370; Ma.sk. 21; I/imb. Semi. 125e on Mone t. a. pi. II, 281, 110 met Aanteekening.
14*
AANT EE K KXIN^EX.
212
Vs. 170. Men leze met Yan Vloten daar in plaats van die, of anders ont.tpringhen in plaats van uutttjtrinijhen. Den zin onveranderd te laten, zooals Verwijs {Strop!i. (red. lil. 112 noot) wil, laat de constnictie niet toe. Verg. Rijmb. 5897, waar evenwel niet Maria, maar Jezus met do watergevende rots wordt vergeleken.
|
Uie marbersteen es .lliesus Kerst, Die lavet nu iler zielen Jeist. Ten eersten slaghe bleef lil droglie; Dat betekent dat si wel hoglie Die ridders Gode liadilen gheset; Ende omme te bespottene bet Hadden sine met doornen ghecroont Ende met purpre wel ghescoont. |
Ende mettien riede sloeglien ant hooft; Maer gheen idoet, dies ghelooft, Leestmen dat daer van liem brac. Maer doemenne in die side stac. Doe ontspranc die fonteine. Die menighe siele inaecte revne: Dit bediet die twee slaglie Die Moyses sloedi in dien daghe. |
Zie ook Albertus Magnns, 1.1. L. Xll, c. G, § 9 (Tom. XX, 435); Mone, t. a. pl. 11, 430, 3G.
Vs. 175. Tegen de lezing Gode bedwingen d. i. Hem vermurwen, eig. temmen, tam maken, behoeft uit het oogpunt der middeleenwsche godsdienstige begrippen geen bezwaar te worden gemaakt; er is daarin niets profaans gelegen in een tijd toen men zieh de verhonding van God tot den mensch onder zuiver menschelijke vormen dacht. Veel erger klinkt ons b.v. eene uitdrukking als Gode maken, welke men in het MnL Wdh. op maken kan naslaan. De door De Vries voorgestelde verandering in bedingen is daarom overbodig.
|
Vs. 183. Verg. Rijmb. 5961; Dit serpent, dins gheene saghe. Was upgheset te middaghe: Also was Jliesus onse eoninc. Die voor ons an die crnce binc. Te middaghe uptien vriendach, Daerne menech Juede ansach, Dor ons hoghe ant hout verheven. Verg. ook Mone, t. a. p. 11, 430, |
Hi es die ons ghesonde mach gheven Van des ghevierds serpents venine, Diene hier in dat herte sine Metten gherecbten love ansiet. ' Die roede diet droech bediet Maiiën die Jhesumme droech, Daer meneghe siele omme loech. 57. |
Vs. 190â198. Zie Exod. XVI, 33, en verg. Rijmb. 4394;
|
Aaron nam enen goudinen pot Daer hi dat manna in dede. Manna bediet hier ter stede Jhesus, entie pot Marien. Hi raste in hare, sullen wi lyen. Als manna dede in die crnke. |
In haer herte, in haren buke, Ende hine sciet niet, van hare, Gheliker wijs dat men dare Manna hilt in den pot sochte. Dat mens emmermere ghedochte. |
Verg. ook Joh. Dainasc. 11, 854 A.; Mone, t. a. pl. 11, 430, 04.
claus. vs. 170âvs. 222.
Vs. 199â201. Zie Num. XVII, 8, en verg. Theoph. 1004 en Ripnh. 5849:
Die rnedc, ilie ,;egheii nature Die den lieligiien .lliesus, (ten vriën,
Noten droech ai daer ter nre, Droecli sender mans scoud,
Die betekent wel Marien, Ernie al bi der lt;iods ghewoud.
Verg. Joh. Damasc. U, 836 H.; Albertus Magnus, I.I. L. XII, c.. 6, g 21 (Tom. XX, 438); Mime, t. a. p. 11, 430, 50; 420, 9; 434, 5, 436, 29; Gold. Schm. XXXIII.
213
|
Vs. 202â2(14. Verg. Rijmb. 9257: Dese slingre bediet Marië, Uie edele maghet entie vrië; Entie steen diere ute vloocli ftelt;iiet hem die noit ne looeli; Ende Golyas bediet den viant, Die eerst den niet van sonden vant. |
Haddene niet die steen gheroeht, Wi waren eighijn ende vercocht Onder hem bleven emmermere. Mariën moghen wijs danken sere, Ilie ons desen steen ghedroech, Dies meneghe salighe siele loech. |
Zie ook Rutebeuf, II, 154, 31 (Kressner, bi. 202):
II fu la pierre et tu la fonde,
Qui de Golie |irist venjance.
Zoo ook Mone, t. a. p. 11. 434, 9; 436, 32.
Vs. 209. Zie Num. XXIV, 17, en verg. Rjmh. 6147:
|
(Balaam) seide: »Ute Jacoppe sal risen Ene sterre.» Hier wilde bi prisen Mariën Sterre van der- mere. Die gheboren was uten here. «Ende ene roede», sprac hi, »sal couien Ute Israel, die sal verdomen Verg. Theoph. 1007 en Sernire, aldus wordt aangeroepen: |
Ende slaen van Moab die heren.» Dats jhesus, die met groter eren Van Maiiën wart gheboren, Ende alle die lieden sal testoren Die in die sonden hem verhouden, Ende hem an afgoden houden. Vad. Mus. U, 407, 69, waar Maria |
Sterre der zee, helpt ons ter noet,
Staet ons in staden, ons anxt es groet.
Scoert ons scip: soe siwi doet.
Sender u siwi sender boet.
Zie ook Mono, t. a. p. II, 317; 216; 218; 220; 228; 400 ; 409; 426, enz.
Vs. 22'.
Zio liifht. IV, 17â22, en verg. Theoph. 1002 en Rijmb. 7384:
|
Jubel betekent die behagle Entie scene maghet Marië; Cisaras ende sine partië Dats Lucifer ende sine scare, Die verwonnen sijn bi hare. Die naghel mach bedieden mede Die slotel haerre reynechede, Daer see den duvel mede verwan; Die melc die .label ghaf den man |
Dat es .Ihesus menschelichede, Die Lucifene bedreech mede. Die hamer, daer see mede sleech. Ghelijct den cruce ghenoech. Bi Mariën reynechede, Ende bi Jhesus menschelichede, Ende bi den cruce es openbare Ghesconfiert des duvels scare. |
AAXTEEKENEVGEX.
214
Vs. 228. Voor uut desen -urine zal â waarschijnlijk gelezen moeten worden md den hclschen weine. Zie voor deze plaats de cuuit. liij Disj). 501.
Vs. 232. JJe door Verwijs voorgestelde verandering van voeie in hande en van hrnidr in side is overbodig. Uit de noot op vs. 170 blijkt duidelijk, dat volgens de overgeleverde voorstelling uit do zijde geen Moed vloeide, maar water (in den bijbel ^bloed en water»). Vgi. ook O. II. Wonden 37â45.
Vs. 235. ZieJcs. XI, 1-
I; Kom. XV, 12, en vgl. (laid. Schni. 638:
|
Jesse, iler künccliche stam, Warf uf die bernden este, Da von din tugentveste Künne uf Sióne blucte. Da/, du, lebende ruote, Crist, den snezen mandelkern. Traden soldest und gebern, |
Des waren die propbèten jiiric, Die stikte mahten nnde wiric Din lop und dinen werden pris. Wol dir, geblnomtez himeins, Daz du gewüehse uf erden ie! Kein dine en wart so reine/, nie Als din gebeneditiu IVulit. |
Zie ook Albertus Magnus, 1.1., L. XII, c. 6, § 22 (Tom. XX, 438); Mone, t. a. p. 392 ; 397, 14: 410, 18; 421, 11 ; 426, 11, enz.
Ys. 248. Zie 1 Citron. XI, 17 vlgg., en verg. Rijmh, 10755:
|
Maria die maghet revue Es twater van deser fonteyne. Dat David so sere beghaerde. Eer soe ye quam uptie aerde Beghaerde hare coemste menech man. Die ie ghenomen niene eau. Die drie die twater haelden mede Dedieden die Diievoudechede, Enen God in drien persone, Ys. 261. Zie / Kon. I, 15, en ver Dese maeght, al sonder zaghe, Bediet Mariën onser Vrouwen, Die met sonderliker trouwen Gode diende ende noch dient Tal re stont voor hare vrient. Soe es moeder, maghet, coninchinne. De laatste verzen verklaren vs. 265 Zie Mone, t. a. p. II, 292: Ave regis gentium Sponsa Sunamitis, Sitim pel lens mentium, Radix verae vitis. |
l»i wies crachte dattie scone Maria ter werelt quam. Dat David dat water nam, Ende hijs niene dranc rnin no nie-e, Maer hi olteret onsen Here liediet dattie Moeder ons lieren Hare van rnanne sonde keren' Ende Gode gheolVert wesen Dit meent die jeeste die wi lesen. g. Rijm!). 10878: Ghetrouwet hadsoe, alsict kinne, Josepphe den ouden enten ghetrouvven, Die niet ne kinde onser Vrouwen, Ghelijc als David hadde Abysach, Daer hi niet niensclieiike hi lach . Ai was soe sijn ghetrouwede wijf. van ons gecliclit. Per te, lux errantium, Detur i»ax contritis, Flamma discordantium Sullocetur litis. |
claus. vs. 228âvs. 313.
Ys. 274. Zie Exech. XLIY, 1â2, en verg. Joh. Damasc. II, 843 E; 864 C. De besloten (leur was een hij de Middeleeirwsche dichters zeer geliefd beeld: zie ffolrf. Srhni. XXXII, en aid. 1781);
Dü bist daz künicliche tor, Von dein Ezechiél uns seit,
Durch daz Got rnit gewalte schreit, Und ez «locli vant beslozzen.
Zie ook Lueid. 1600 vlg.; Lsj). II, 6, 172 vlgg.; Mone, t. a. j'. II, 429, 15; 436, 42.
Vs. 283 vlg. De beteekenis dezer regels wordt duidelijk door de vergelijking van Megenberg's Burh der Natur, hl. 221: »Phi/lomcna, daz ist só vil gesprochen sam ain liepswinderinne, want si swindet und nimt ah von rehter lieh ers gesanges nnz in den tót. Dü schol auch wizzen, daz zehant wenn d'm nahtigal geunkauscht hat, so verleusct si die klarhait irr stimm, sam l'linius spricht, und gewinnet ain ander stimm iind verandert ancli ir varb. gt; De onbevlekt ontvangen Christus kon dus nooit de kleur hesmetten of bezwalken van de kuische maagd Maria.
Vs. 286. De vergelijking van Maria met den mast van een schip is niet ongewoon. Verg. Alhertus Magnus, dr Inuclihus B. Marine, L. XI, c. 8, § 5 (Tom. XX. 318): »Dommus autem venturus de coelo in terrain per hanc navem, hunc malum specialiter consideravit, respiciens humili-tatem ancillae suae, et infantum ei complacuit pretiositas, speeiositas et sublimitas mali, quod rpiasi inhaerens liuic male descendit ])er eum de sublimitate eoeli in navem uteri virginalis.»
Vs. 287. Zie ,/o/V. V, 2 vlgg.; lijmh. 23757â802, waar echter de vergelijking met Maria ontbreekt. Verg. Alhertus Magnus, de Jcmdihus B. Marine L. IX, c. 17 (Tom. XX, 245), waar de woorden van een onbekenden Latijnschen dichter worden aangehaald, die met die van .Ai. groote overeenkomst hebben. .^Et hic eleganter quidam dicit Mariae:
Tu piscina puritatis, i In quam reus et perversus,
Rore plena pietatis, Si contritus et conversus
215
In qua Deus maiestatis j Se deponat, exit tersus
Voluit descendere;
A peccati vulnere.quot;
Vs. 311 vlg. De interpunctie in Verwijs' uitgave berustte op het verkeerd begrijpen van het vers. De bedoeling kan geene andere zijn dan deinrom moet ik er van afzien. Misschien moet men om liet metrum lezen »bedi so moet ics hegheven». In den volgenden regel moet men «sonder sneven» met »vrouwe» verbinden, en weergeven door robnaakle vrouwe.
Vs. 313â318. Om deze verzen wel te verstaan, bedenke men in de
AAXTEEKKNINGEN.
eerste plaats, dat so in vs. 315 hier niet opgevat moet worden als Ha, tam (in welk geval er oene apodosis mot dal zou moeten volgen), maar dat dit woord hier absoluut staat in den zin van zeer, uiternl. Nog zeggen wij dus in uitroepen: ik beu xoo blij! enz. en die overgang van betee-kenis huil zich door eene zeer natuurlijke ellips gemakkelijk verklaren. Maar in 't Mul. werd so ook buiten uitroepen aldus gebezigd, en vooral bij Maerlant treft men dat meermalen aan. Zoo Sj). Illquot;, 25, 40:
Dose vant dut Roemsche rikc Gedestruweert so jammerlike.
Ill'', 2(), 7, waar sprake is van Carthago,
Dat wel ghetnannet was van binnen Ende gliewapent cmle so vast.
Daar volgt wel dat, maar dit hangt niet af van .so: hot behoort bij hor!ile in vs. 4.
Evenzoo 1116, 32, 68:
Daer lil up sinen emle lach ,
Was omiiien. daermen toesach,
Die hemel, ende liet was so daer Voer hem langhe al openbaer.
Ziehier nog een voorbeeld uit Lane. II, 14903, waar van een »vreselic serpentgt; gezegd wordt:
Alst sach dat vor hem was Lanceloet,
Het warp vier init doe so groet,
Ende verbernede daer ter stede Sinen wapenroc ende sinen halsberch mede.
Vgl. echter ook Anz. 8, 157. Wat de volgende verzen betreft, die aan de uitleggers vrij wat hoofdbreken gekost hebben, de ware bedoeling daarvan , »de natuur had haar alleen de schoonheid geschonken waarmede al wat mensch heet hot gezamenlijk stellen moet» d. i. -zij vcreenigde in zich de schoonheid van alle vrouwen te zamen gt; (vgl. Gloss, op bedragen), was reeds aangewezen door De Vries in het Gloss, op den Lekensp. Eene dergelijke gedachte vindt men niet alleen in de daar aangehaalde plaats uit den Fery. vs. 1198â1200, maar nog bij Cats in den Selfslryt (I, 1836) zegt Joseph tot Sephyra:
Gy hebt in u alleen, dat meer als hondert menschen Uyt ganscher herten gront van Gode sonden wenschen.
Vs. 327. De door De Vries voorgestelde verandering (Stmph. Ged. 116 noot) is overbodig, wanneer men vs. 327 vlg. èn op het vorige èn op hel volgende betrekkelijk maakt. Vgl. met deze plaats Troijcii 32484 vlgg.
Vs. 330. Smcle komt hier niet te pas. Een tweede exemplaar van zulk Bi'ne schoone gelaatskleur te vinden, zou niet jammer, neen. het zou
claus. vs. 327âvs. 346.
onmogelijk zijn. Mpii zal wel moeten lezen het ware spade, cl. i. het zou Icuxl zijn dat men er zoo eene vond, het zon lang duren, het zou nooit gebeuren, men vond niet licht enz. Verg. Reinaert I, 1-180:
Dat si spade sullen verwinnen Also vele eren van mi.
Zoo ook Wap. 31. I, 896:
Men salt etagen spade,
Dat ic mi veilade.
Vgl. ook Benecke 22, 489/), waar spate gelijkgesteld wordt met nicht leicht. Het woord komt ook elders in dezen zin (met een futurum of conditionalis verbonden) herhaaldelijk hij Maerlant voor; zoo h.v. Troyen 9Hr)4: 17952; 20886; 20890 (te spade); 22841; 29495 e. e.; (al) te spade, 24631; 24765; 24811. Spade is dus, althans in een bepaalden tijd, een lievelingswoord van Maerlant geweest. Maar eene met onzen tekst overeenkomende uitdr. diet ware spade - komt elders niet voor. Tegen de verbetering van Verwijs kan dit als een bezwaar worden ingebracht. Ook zon graphiseh stade nader staan, indien dit. hetgeen volstrekt niet onmogelijk zon zijn, ware aan te wijzen in de bet. eoi, gelnk, een gelukkig toeval, een hu Hen-kansje. Deze opvatting staat zeer dicht bij die van geschikte gelegenheid, lat. opportunitas.
Vs. 346. Zie Tijdschr. 8, 226â228 en vgl. de beschrijving der schoonheid van Maria in deze en de volgende strophe met die van Velthem Vlll. 34, 86 vlgg.:
217
|
86 L' hooft rout, u haer blont, U kelc wel gescepen, U ogen ilaer, Iiruun openbaer, Daers niet au raesgrepeii. 90 ilets icclit dat si si lovelijc sere: lln in haer woonde, maketse ere. Li nese recht, lanc ende sleclit, Ende breet wel ter maten; U mont clene, suver ende rene, 95 U lippen van scouen state. En waerdi niet welgernaect, Dat dochte mi sere ongeraect. 1quot; anscijn smal, ende gracelijc al, Ene rode verwe daer in gesait; 100 Ront ii kinne, een dal daer inne, |
Oft van yvore waer gedrait. Waer an haer vet onthraeet, Onso Here haddel an haer gesaect. LI oren lane in die mate, 105 Te maten dimie; van goeden state, Van suverheden besceden. II arme lanc, u vinger blanc. Alle slecht in haren ganc, Die nagele wel besneden. 110 U soete borste, daeran die Vorste Sine nootdorste nam van sinen dorste, Die waren ember van werdicheden. Die bene van haren wel openbaren, Dats wel te weten ter waerhedeu, 115 Si droegen den Here der claerheden. |
Vgl. mot deze beschrijving ocnor schoone vrouw de eveneens zeer gedetailleerde van Polyxena, Trogen vs. 7035â7066. â Omgekeerd vindt men
AAOTEEKENINGEN.
kins voor hints geschreven, b.v. Rlneml. 1, ftO, 382 vlgg. Zie Mnl Gr. § 111, 9; Van Hel ten 196.
\ s. 351. Voor de dooi' ons in den tekst gebrachte lezing na vgl. D'OjjPh lis. 4M|9; in onsen tydon ... en was nie so sconen wijf als die sijn . ... noch hirvuci en wort Mununertnt'or ; 20116: noch noyt en leefden in eertrycke ridder init soo groter eren, nooh hierna en doet niimmermere»; -0840: »scoonre en droech nie croon noch hierna en doet nummermeer»; ooi; 7034.
^ s. 3:)7. De verldaring van Verwijs in Slrophische (ielt;l. lil. 357, is reeds verwoi'pen in hot Mnl. Wdh. op gegare, en Anx. S, 157. Geheel onaannemelijk is de onderstelling, dat het woord horst dooi- gegare zon zijn weergegeven; nog onwaarschijnlijker door voorgegare, om niet van gegade te spreken. Neemt men er aanstoot aan, dat Maerlant, tnsschen de beschrijving van de verschillende ledematen in, over do kleeding spreekt, dan is dit bezwaar door eene omzetting van twee gedeelten der strophe nit den weg te riiimon. Leest men vs. 355â357 na vs. 358â360, dan \olgt na de lofrede nji Maria's heerlijk lichaam de beschrijving van hare eenvoudige doch keurige kleeding, en daarna de inroeping harer genade. Ook fro yen 6610 vlgg. wordt de schoonheid eener vrouw beschreven, en daarbij komt eveneens voor ende (si was) ghecleet ooc wel. Vgl. ook Sp. JIH. 47, 46: Martijn sprac...: »te mi was die maget Marie, Tecla ende Agneete» ... ende (hi) bescict ons ... hare gedane ende haer gegare.»
Vs. 404. Zie Sp. I6, 29, waar omtrent de boodschap van Maria's geboorte door den Engel aan den hoogbejaarden Joachim het volgende voorkomt:
Verstant wel, dijn wijf Anne Van hare sal di eene dochter comen,
Jintie saltu Maria noemen.
Dese sal van Idndscher name fiode lief sijn ende bequame,
Ende f/heheileclit oec le voren,
Eer soe sal sijn 'jheboren.
Verg. Mono, t. a. p. 11, 7, 5;
Ãt femlna dilueret Quod femina polluerat,
A labe haec originis Praeservabatur criminis.
De twee laatste verzen nit don Sj). drukken hetzelfde uit als vs. 410_
411 van onsen tekst, on de Latijnsche verzen zijn eene toespeling op Maria's onbevlekte ontvangenis. Zie nog Lsp. II, 3, 69â154, en verder Dr. Te Winkel, Maerl. Wérken % 119â123.
218
claus. vs. 351âvs. 427.
Ys. 410. De verandering van harde dene in tharen leve door De Vries (Sfroph. Ged. III. 182) is gekunsteld en onaannemelijk: bij leen in hel Mul. Wdh. zal men te vergeefs eene uitdrukking zoeken, die met de hier iloor Do Vries ondei-stelde in bet. overeenkomt, nog daargelalen dat zij liier. waar gesproken wordt van de heiliging van Maria door Gorl. die toch moeilijk met de opdracht van een ambt kan worden vergeleken, zeer ongepast zou zijn gebruikt. Het kan niet ontkend worden dat tussehen de woorden »harde clene» (d. i. cds heel klein kind] vgl. Sp. Hifi. , 10: »twee dochtre, diere bleven elene. ' Hlquot;, 6, 35; »hi staerf in siere wiegen clene»), en de volgende regels eene tegenstiijdigheid bestaat, doch deze kan men opheffen, door een climax aan te nemen, die wij door jo of neen (na diarde clene.) zouden uildrukkcn. Ook lanr/e in vs. 4((9 behoeft niet in onlanr/e veranderd te worden; men kan niet zien, waarom men een tijd van negen maanden niet »ene lange wile» zou kunnen noemen, en tusschen tilike (406) en me Icimje icile (409) behoeft geen verband te worden gezocht. Vgl. nog Rijmh. 145(56: \vi vinden lesende van hem dat hi (Jeremici) ghehelecht was te voren, eer hi ie was gheboren ; 16183; »den helighen Jeremias, die in der moeder helech (var. fragm. Lettert. geheilecht) was - (Jcreiii. 1, 5).
Vs. 422. De woorden xlats geen scoren gt; maken een eenigszins vreemden indruk, en zijn misschien bedorven. Vs. 422 moet met 423 in onmiddelijk verband worden gebracht en dus niet door oen punt daarvan worden afgescheiden.
Vs. 426. De verandering van Verwijs gt;te haren vijftiene, twaren gt; kan geene verbetering worden genoemd: het schijnt bedenkelijk aan een mnl. dichter eene lezing toe te schrijven, welke men de eerste zou zijn om voor eene andore betere te willen geven, en die men zelf als een gt;nood-schot» beschouwt. Ook is liet nog niet zeker, dat de mnl. dichters de herhaling van gelijke rijmklanken, die men bijna iu alle mnl. strophische gedichten aantreft, absoluut veroordeelden, en daarom is het beter de eenvoudige lezing van het hs. te behouden. Vgl. de Inleiding.
Vs. 427. Mesharen behoeft niet, zooals Verwijs meende, in mesvaren verandenI te worden. Het drukt meermalen uit het verkeeren in een Iren-rigen of beklagenswaardigen, ook lichaineljken toestand. Vgl. Mart. I, 177 en Claus. 169. â Als znw. gebruikt is het woord synon. van mesbaer (b.v. Sp. D, 53, 21: het ginc hem in den live also die steke van enen knive: hi creesch van groten mesbare») en van hantgeskwh {Mnl. Wdh. op nquot;. 2), en kan o. a. ook gt;lichaamssmart gt; of »pijn» beteekenen. Voor de bet. van mesharen in dezen zin, die hier bedoeld is, vgl. Clans. 50; Rijmb. 1809: »Ouser vrouwen, die... drouch .Ihesumme, daer si omme louch, sonder smerte ende ... sondor last»; 21227 : tien tiden ... ghenas
219
AANTEEKEXINGEN'.
die niaghet sonder vaer ende Ronder noot ende sender pinegt;; ook 1323; 21338; Sp. F, 42, 7; Amand II, 2332; Mone (. a. pl. 34, 12; 56, 31 vlg.; 182, 8 e. e.
Vs. 443. Uit vs. 468: Dus eest gescreven als iet scrive», Vilijkt dat Maoriant hier zijne denkbeelden ontleende aan een toen zeker vrij algemeen bekenden schrijver. Die ongenoemde is de H. Bernard. Strophe 35 en 36 zijn ontleend aan de preeken: »7«. Assumpliom B. Mar me», Sermo IV (Divi Bernardi Claraevallensis Abbatis primi Opera Omnia, ed. Parisiis, 1602, in fol.), p. 256 X., L.:
»Quis ergo misericordiac tujie, o henedicUi, longitmlincm ct latitiKiiriem, sublimi-tatetii et profniidiiiri fjiuieat investigarc? Nam loiigitiilt;lo eins usque in diem novis-simum invocaiitibiis earn subvenit universis. Latitudo eius replet orbem terrarum, u tua (jiioque inisericonlia plena sit oinnis terra. Sic et subliinitas eius civitatis supernae invenit restauratioiiom, et prot'unduin eius sedentibus in tenebris et in umbra mortis obtiimit redemptionem.»
In de Mnl. vertaling; Sinte Bernwrdus Sr.nnoncn, Somerstuck (Zwolle 1485), fol. CXX m, aldus:
quot;Wve sal daor omme, o salige Maria, die lancheyt ende die breetheit, die hoecheit ende die dyeptheit uwer baiitilierticlieit iiiof;lt;'ii doeisicn? Want dio lanclieit uwer barmhei ticliheyt coemt te Imlpe al den ghenon, dye liacr oetmoedelycke aenrepen al totten jongsten dage toe. Die breetheyt uwer barmherticheit vervollet al den ommeganc der warelt, soe ilat al die warelt oer mede vol is van uwer barmhei-ticlieit ende ghenaden. Ende die hoecheyt uwer barmliertieheyt lievet ghevondeu ilie wedcriuakinge der hemelscher stat .llierusaleiu. Ende die dieptlieyt uwer bann-herticheit heeft den ghenen, die sat en in du ust ern isson ende inden seheme lt;ies dodes, verlossinge vercreghen.»
Vs. 44!). Eene soortgelijke uitdrukking vindt men Sp. UI5, 3, 63: -te doemesdaghe te diere vruchtelikere plaghe»; vgl. III-, 30, 89: inden swaren paerlemente. -
Vs. 462. De bedoeling van vs. 462â464 is niet »de hoogheid uwer genade hooft den hemel bezorgd (aan hen), die nu in de hel rampzalig zijn, van of uit den val, dien zij deden» (Stroph. Gril. 120 noot), maar -de hoogheid uwer genade heeft den hemel schadeloos gesteld voor liet verlies geleden dooi' den val der kwade engelen, d. i. zij heeft den mensch waardig gekeurd om in den hemel de plaats der kwade engelen in te nemen. - De woorden zijn de vertaling der bij Bernardus (zie boven) in deze woorden uitgedrukte gedachte: »et subliinitas (misericordiae tnae) civitatis supernae invenit restaurationem. gt; Vgl. Mul. Wdb. op beraden, 7) en. Anz. 8, 157.
Vs. 467. Do dichter bedoelt, dat door Maria's genade de rechtvaardigen van het Oude Verbond uit de hel werden verlost, hetgeen volgens de kerkelijke voorstelling geschiedde door Jezus' nederdaling ter helle. Vgl. de
220
claus. vs. 443âvs. 101).
aant. op O. Ff. W. 120 en Wap. Mart. TIT, 332â338. »Meer clan dusend jai'e vive» (aldus leze men met Venvijs, indien nl. dit eene jnisfe uitdrukking' is, voor »5000 jaar», waarvoor het eigenlijke bewijs ontbreekt) of gt;meer dan vijfdusent jaer ende vivegt; (gelijk men le/.en moet, indien de eerstgenoemde lezing onjuist is) waren er sedert den zoudenval tot de verlossing door Christus verloopen. Vgl. Feest. 1888 vlgg.
Hier na ilie helle brac, Vijf cluseut jaer eticlf. mere
Daer hi sine vrienile nut trac, | Ende daerin leidde onse Here
F.nde ontsloet hemelrijc saen, I Sine vriende allegader
Dat gesloten liadde ghestaen j Ende settese ter recliterhant sijn-; Vad°r.
Zie ook Eerste BH se. v. M. 782, waai' Adam zegt:
O Here, nu eest wel oppenbaer.
Dat wi jaer tuwer weerden Hier hebben geseten.
Limb. Serin. 1256; »meer dan vifdusenl jaer;» Hild. 154, 111; vijf dusent jaer of daer by.» Op andere plaatsen vindt men het getal met grootere nauwkeurigheid. Vgl. Sp. TG, 42, 50â53, waar het getal 5109 wordt opgegeven voor het aantal jaren tot Jezus' geboorte, on Lsp. TT, 40, 3Gâ38, waar hetzelfde getal staat (doch hot blijkt daar niet duidelijk of de 32 of 33 Tevensjaren van Christus daaronder begrepen zijn), en Vocab. Copiosus op Adam: »ante â¢Jhesum duo ce minus uno milia iiuin-i|ue, LTT hondert iaer één min, tot annis fuit Adam in gehenna antequam Salvator noster liberavit ipsum gt; (waai' hetzelfde jaartal geldt gerekend van Jezus' dood). Vgl. ook Lsp. LL, 36, 1445:
over vijf dusent jaer
Ende over twee hondert, hier naer, So sal op aertrike cornen scone Die hoghe vraeye Gods Zone,
waar de variant heeft »over vijf hondert» , in overeenstemming, zooals in de noot wordt medegedeeld, met Nicodemi Evangelium, cap. XTX.
Vs. 469. Zie Sp. Iquot;, 47, 21.
221
|
Some scrifturen si belijen Van der moeder Gods Marien, Dat soe upt ander jaer daer naer, Naer ons Heren upvaert claer, Mensceliken ende dede, Ende soe int selve jaer oec mede |
Met vleesche upvoer over een. Nu dinct mi seggen Damasseen, Dat soe met .lanne Evangeliste, Die hare heimelicheit wiste, Levede XXlllI jaer: Onse Here selve weet dat waer. |
Verg. Lsp. TT, 55, 31 vlgg., waar in plaats van 24 jaar slechts 14 wordt opgegeven:
Want Epyphanus heeft bescreven. Dat Maria was in dit leven Viertien jare altegader Na dat hoer kint voer tsinen Vader.
a axteek ekixgex.
Vs. 482. Zie Sp. Tquot;, 48â52, en 1 treedvoeriger Lsj). TI, 55â59. Ter verklaring van vs. 483âOü verg. Lap. 11, 58, 105:
|
))Alsoe ghi in al uwen stonden Nie ghewont smette van zonden, Alsoe en sal in den grave Uwe lichame niet nemen ave)). En aki. c. 59, 45: Sulke meesters willen toglien, Dat Maiia niet en mochte doghen Der «loot pine no haer verdiiet, Doe si van den live schiet. Noch oec Jan, om datsi twee Leden der «loot bitter wee, Doe si .Ihesum sterven saghen |
Thant ghinc Marien ziele claer In den reinen lic.liarne daer, Ende quarn nten grave saen, Ende es in den hemel ontfaen. Aen dat cruce so doorslaghen, Wies pine ende smerte Hem ghinc dooi' haer herte, Daer of haer pine was so groot, Dat si ghelijc was der doot, Ende datsi omme die selve zaken Pine der doot niet en mochten smaken. |
Zio ook Sp. I7, 52, 24:
Die worme die sijn des vleescli scende, Endt hier af so was Jhesns quite.
Dies machmen geloven met vlite. Dat hi mede wilde vryen Daer af die nature Marien:
Want Jhesus vleesch ende dat hare Dat was al een al openbare.
Vs. 495. Telt men de getallen in str. 33, 34 on 37 lgt;ij elkander oj), dan verkrijgt men 72, en dus moet met Verwijs dertkh (XXX) in seventieh (LXX) worden veranderd. Ook in den Sp. stelt M. de jaren, die Maria na Jezus' dood oj) aarde doorbracht, op 24 (zie de Aant. liij vs. 4C9), en wij lezen daarom met Verwijs nevcntü-lt, niet xextich. naar de voorstelling van den Lxp.
Vs. 498. Ju-s-aphat, gewoonlijk liet dal Josaphat geheeton, is hetzelfde als het Kidrotidal, ten oosten van Jeruzalem; door de christenen wordt het ook Mariadal geheeten. Reeds in de 4lle eeuw komt de naam dal Josaphfd voor. In de nabijheid vindt men nog heden eene kapel met het graf van Maria, waarheen naar de legende de apostelen het lijk van Maria droegen en begroeven, en waar de H. Maagd tot aan hare hemelvaart lag. Vgl. Sevenste Bliscap v. Maria, vs. 1314: »don suveren lichaem seldi dragen in dat dal.. van Josephat...; ghi selt daer vinden .... een nyeu graf enz.» Aan de plaats is ook eene op eene verkeerde uitlegging van Joël 3, 7, berustende traditie verbonden, dat aldaar het laatste oordeel zal plaats hebben. Vgl. Velth. Vin, 18, 40: gt;daer selen si (die vercorne entie cpiade) bliven in dat dal van Josephat... ende des rechters sententie ontbeiden eer si van daer mogen sceiden gt; (aldus te lezen voor anebieden en scieden), bij Vincentius: gt;in valle Josaphat». Josapliat bet. de lieer richt: daaruit is de laatstgenoemde traditie te verklaren. Vgl. Baedeker, Palüstim, bl. 98 vlg.
fiAtrs. vs. 4S2âvs. 515.
Vs. 503. Zie Lap. TT, 59, 1;
Ghelijc ilatinen en vint Van Mai iiiii licthaine twint In alien desen aertrike,
Reeht also in ilier glielike Kn vintmen van Sinte Jamie niet,
en vgl. de aant. op vs. 508.
Vs. 504. Over gede is in Anz. 8, 158 on in het Mul. Wdh. oji go do uitvoerig gehandeld. Hot woord moet liior in deu algemoonon zin genomen worden van hplcentmix, belijdenis (niet uitsluitend van zouden), in welke het. Wap. M. ITI, 28 var. G. ook biechtinge wordt gebruikt. De vooronderstelde ogerm. vorm *gihHha wordt gevonden in ohd. pigiheda, oon-fossio» (Müllenh.-Scherer, Denkin. - 295, 69). Het eenige trouwens niet onoverkomelijke, bezwaar tegen het woord is dat het nergens elders is opgeteekend. En zelfs al kon het bewezen worden, dat ge.de niet heeft be-staan, dan zou nog gelede, door De Vries voorgesteld, moeten worden verworpen, èn om de e. die met de andere rijmklanken niet overeenkomt, èn omdat daarvan alleen Maria het onderwerp zijn kan, en gelove dan een ander ondw. zou hebben dan gelede. Eerder zou dan nog gehe.de passen.
Vs. 508. Over de lichamelijke hemelvaert van Maria zie Sjt. 17, 52, 8:
menech heilecli clerr ilie pliet In goeden wane te houdene dat,
Dat Maria, dat reene vat,
In liernelrike es te samen Met ziele ende met lachamen,
Knde dit moetmen glieloven wel;
ook l7 47, 27 (boven. hl. 221). Zie ook de Sevenste Bliseap ran Maria. en vgl. Vijf Vrouden 49â54, vooral vs. 54; Van n nes op derde let.'
Vs. 515. De gissing van De Vries, dat voor »van haren gt; moet gelezen worden »van naren» is zeer vernuftig, maar hoewel eeu vorm naren op zich zelf geen bezwaar oplevert (vgl. Lxp. 1, 12, 47 en .1/. en IV. Ileitn. 1870; »daer naren» en Lane. Til, 26018: »eiion naren ridengt;), zoo is toch de uitdrukking van naren in den door De Vries aangenomen zin van van nabij, {van verre niet,) op verre na niet [Stroph. Ged. hl. 185) te eenen male onbewezen, en do vergelijking mot niegcrim naer, nieuwer naar, mrgensna kan deze leemte in de bewijsvoering niet aanvullen. Van haren op te vatton als van hare, in de het. van het bezitt. vnw. hare is grammatisch onmogelijk. Men zou kunnen vragen of ook bedoeld kon zijn ; »dio .grote scoonheit van den haren» (van haar hoofdhaar), doch de uitsluitende vermelding van dit gedeelte der lichamelijke schoonheid van Maria zou hier vreemd zijn en ongemotiveerd. Daarom verdient de vraag overweging of
AAXTEKICRNTNGEN,
men ook moet lezen »van n haren» in don zin van het gewone: »van enen hare», en verklaren; eene tienvoudige zon zon niet in het minst de haar door God verleende schoonheid in glans overtreffen». Vgl. b.v. Sp. i8, 3, 38; »ne inaer niet van enen hare no oonsti jegen Jaeobpe gestaon.» Voor voorbeelden van het gebruik van twee in eene ter aanduiding eener sterke ontkenning gebruikelijke uitdrukking vergelijke men: twee peren (paren) Lanc. UI, 44778; Wal. 3806; Ferg. 2983; Glur. 143; Ovl. (led. 3, IOC, 83; Lsjj. I, 28, 31; 31 Loep II, 2236; Stoke Vil, 206; Ep. fragm. 194, 273; Wap. Hog. 2421); twee penningen, Lanc. li. 6770 (vgl. Mor. 1512: vier denieren); twee taetsen. Wal. 9904; twee carstaingien, Ovl. Ged. 1, 18, 1483; twee sleen, Ferg. 1326; 5120; twee cave. Melib. 673 var. (I. een cave), Hild. 46, 147; twee schulpen. De Jager, N. Verseh. bl. 129; twee sanen, t. a. p. 132; twee sporen, t. a. p. 488; twee miten, t. a. p. 71 vlg.; twee lenschen, t. a. p. 79; (niet van) twee basten, RincL 123. Vgl. ook drie noten. Wal. 6122; (5927.
Vs. 521 vlgg. Dal in do voorlaatste strophe, die slechts 12 regels telt, terwijl alle andere, ook de laatste, eveneens in één rijm gedicht, ei 18 hebben, is reeds opgemerkt in Anz. 8, 158. Doch het is moeilijk te zeggen, waar de uitgevallen regel kan gestaan hebben; dit kan slechts geweest zijn na vs. 3, 4, 5 en 12.
Vs. 539 vlgg. Do verzen zijn niet in orde, gelijk behalve uit den vorm van vs. 539 ook blijkt uit de verwarring der denkbeelden: vs. 537 vlg. spreken over het doodsuur, 589 vlg. van het eeuwige leven, 541 vlg. van het laatste oordeel en 544 vlg. weder van hot eeuwige leven. Waarschijnlijk zijn hier verzen van hunne plaats geraakt , hetgeen bij eene monorime nog eer mogelijk is dan ergens anders: ook aan de vorige strophe ontbreekt iets. De verzen kunnen b.v. aldus geluid hebben:
537 Emle bidt dat sine beware
538 Ter tester stout die sere is svvare,
541 Ende sine quite van den vare
542 Vor hem die sonden heeft ommare,
543 Dat liine te sire ghenaden spare,
539 Dat hi dan te rusten vare
54Ã Met Hem toter blider scare
544 Ende Hine dan bringhe dare,
545 Daer nemmenneer en einden jare!
Meer dan eene gissing is dit niet: alleen een tweede haiidschril't zou in dezen zekerheid kunnen brengen. In het. Mnl. Wdb. is met in %gt;.. 540 opgevat in de bet. tot (vgl. met, 7, kol. 1503 en Sp. HD, 45, 100 vlgg.
1) Vooral in het rijm komt deze uitdrukking voor, welker rijmklank daarvoor uitstekend kon dienen: vandaar ook voor een deel het veelvuldige gebruik.
CLATTS. VS. 521-OVERSEE VS. 19.
»claer wi fille moeten varen metten heilegen martelaren»), en hem als slaande op Maria. Hoewel het laatste hier niet strikt noodig is {md hem kan hier ook beteekenen tot God), zoo is de mogelijkheid niet te ontkennon. Zie de voorbeelden bij hi (kol. 421) en vgl. nog Sp. IVl 2, G7, »Ver Bertraet..., die hi met groter werdichede mettem lult al haer leven : ende dedem (var. Brab. Y. dede hare) haren wille gheven.»
VAN DEN LANDE VAN OVERSEE.
Vs. 4. Alleen om het metrum enicli weg te laten, schijnt bedenkelijk, en des te meer, omdat enich hier en elders met liet liijw. soms in liet. overeenkomt, welk begrip men hier niet gaarne mist. Evenmin sclüjnt het geraden, in vs. 12 claerneder weg te laten.
Vs. 19. Voor het gebruik van den conj. in een zin, ingeleid door het temporale als en andere temporale conjuncties, zie Dr. Engels, Conj. hij Maerlant bi. 72; vgl. Stoett, Synt. § 503, en voor een conj. in zinnen met ccr(dat), voor{dat), tot(dat), wanneer in do 17de eeuw. Van Heiten, Vondel.-gr. § 1R1 en 190*.
Vgl. nog Leeuwend. 458:
Wanneer de noordstar verre in 't zuiden om ga dolen.
De winter sneeuw en ys, de zomer zaet ontbeer,
Dan neemt de min van my, mijn hart van n zijnquot; keer;
Dat Pan genezen zal de langgeproefde smart.
Wanneer de wilde boogh hem mlcke naer zijn hart;
Wanneer ze in onze beeck zich toie en ga bekyeken En spiegelen, dan zietze alleen henr wederga.
Wanneer haer dit hehaegh, dan zal zy 't openbaren.
Voor het gebruik van den conjunctief in relatieve zinnen, als in vs. 22 on 25, vgl. men Engels, t. a. p. bl. 75 vlg.; Lsj). 1, 28, G: »(die) sinen lichame niet en gheeft dies hem bederf [ind.) ende betame (conj.)»-. Oversee 118: gt;hoort wes die kerke u vennoene*; 200: »siere moeder daer bi af Uoude sine kerstijnheit» ; Wap. Marl. I, 818; 111, 149; 220; Ãisp. 490 ; (gt;//!('23.
Waijeite Marlijn e. a. Ged. 15
225
aid. 201:
aid. 494:
on aid. 818:
A ANTE E K' ENDTG EX.
Wanneer de woordsvorm is sijs of si, dan kan evengoed conj. als indie, zijn bedoeld; zoo b.v. L*ji. I, 25, 33: gt;dit.s lt;lie redene, daerbi ertrike eerst ghemaect si»; 1, 46, 115; »also vele mach si mi gheraken die sculdich ben deser saken, alse hem die scnldech si». Zoo ook Merl. 5860; 22284; Praet 2295; 4795; Lsp. II, 36, 169!); I, 25, 121; Esop. L1I, 16; Sp. 115, 7, 61; 29, 19; II4, 1, 45; 11«, 25, 85; Claus. 519; Jmand
I, 489; Segh. 4246; Wal. 4464; Lorr. II, 136; V, 35; 11'rijt. .1/. HI, 172 1). Voor liet gebruik in de 17de eeuw vgl. Van Heiten t. a. p. § 182 Opi ii. 1.
Voor den conj. in andere soorten van zinnen vgl. men vs. 37: »lii doget dat menne te halse ride» (Engels, bl. 27 vlg.); 89: »lioc coomt dat hem clc niet vernioene met live, met goede gereet te sine (in een suhjectsxin);» 140: mi dnnct dat elc ommesie wat hi begrijpt offer af plir (Engels, bl. 66 vlg.) gemac te comeirgt; (Engels bl. 48 vlg.); Leeuweml. 535:
'l Is beter dat men ilit een oude kennis vergh',
en 355:
't Is wonder dat een zoon, gewonnen en ^eteelt Van Godtheèn, v.oo verMint, lafhartig hlijve en teder,
Zich zelve te.irens my zoo klein kennn en verneder'
En najancke eene inaeght, die maegh noch moedei' kent.
Vs. 21. De verandering van mammorie in inoniborie is onnoodig: de lezing van liet hs. geeft een uitstekenden zin. Men vatte mammorie op in den zin van Moliainiiiedaansclien godsdienst of in het alg. afgodendienst, en be set ten in don zin van inrichten, invoeren, instellen. Zie Mnl. ]l'dli. op besettcn, 6, h) en mamerie, en vgl. Anz. 8, 159 met (Verwijs in) Stroph. Ged. bl. 187.
Vs. 51. Vgl. dezelfde uitdr. »iet op enen panden» Disp. 412.
Vs. 55. Eene der poorten van Akers werd de Titrris maledicta genoemd, omdat volgons de overlevering in die poort de zilverlingen zonden geslagen zijn, voor welke Judas den Heer verraden had. Die overlevering is door Gauthier Vinisauf, den geschiedschrijver van den kruistocht van Richard Leeuwenhart, medegedeeld: »Est et tnrris, quam Maledictam nominant, et muro qui urbem amplectitur insidet; quae, si vuig! opinio fidem meretur, hoe ideo nomen insumsit: nam argentei, quibus Douiinum ludas proditor vendidit, ibi facti fuisse dicuntur» (Gale, Hist. Angl. Scriptor es,
226
II, 272). Dat Maerlant den naam van Vervloeid aan die jioort door Jezus zeiven laat geven, mist natuurlijk allen historischen grond; doch waar-
1) Dat sijs en si zoo vaak voor een werkelijken indicatief zijn gebruikt, is voor een goed deel ongetwijfeld een gevolg van de bovengenoemde dubbelzinnigheid.
OVEHSEE vs. 21âvs. 78.
schijiüijk deelde hij de overlevering mede, zooals hij ze vernomen had. »En hij was de oenigo niet,» zegt Do Vries, »dio in dien vloeknaam oene voorspelling zag van het lot dat Akers trof. Eon dor tijdgenooten, die hot groote feit beschrijven, de Venetiaan Marinus Sanntus in zijn Liher Sec-retonmi FideUnm Cruris (bij Bongars, Gesta Dei prr Francos, Tom. 11). sprekende van don diepen val der eenmaal zoo bloeiende stad, zegt (p. 231): gt;Inste proinde Malcdicia voeata est turris illa, qna maledicta gons Saracenica subintravit: ot cpii iili nomen imposnit, eventnm tam diri infortnnii, nesciens qnid ilicerot, pröjihotavit». Als ernstig-geschiedschrijver laat liij in liet midden, wie don vloek had uitgesproken, maar zijne toepassing is dezelfde als bij Maorlant».
Zie verder over deze strophe de belangrijke mededoeling van De Vries in Taalk. Bijdr. 2. 67â71.
Hoe geweldig de indruk was, dien de val van Akers maakte, en die lang bleef voortduren, blijkt uit hot Boec van der Wraken, omstreeks 1350 geschreven i). Zie aid. B. Ill , 724âS87, 1789â1872. â Daer in vs. 56 op te vatten als gt;;bij die gelegenheid» is voor den zin niet voldoende, er moet staan, dat Christus door het geven van dien naam de voorspelling uitsprak. Vgl. Taalk. B/Jdr. 2, 68 de woorden van De Vries: »daarraede voorspelde hij de ramp die nu onlangs het geheele Christenvolk getroffen had». Men leze daarom: »daor vorsprac hi hi van den wene».
Vóór name schijnt ene te ontbreken, als nl. niet name gheven oene staande mnl. uitdrukking geweest is: ene in 53 slaat op poorte, en moest grammatisch eigenlijk in den datief staan. Aan oene constructie »apo koinon» is hier wel niet te denken, daar, in strijd met den daarvoor geldenden regel, ene hier betrekking zou moeten hebben op twee verschillende nomina, poorte en name.
Vs. 7«. Verg. Wrake 111, 740:
In de kerke, te Gods onwerden.
Stelden si beesten ende perden:
Tcnicitixe Gods ons Heren Slei|iteii si, Gode tonneren,
Achter strate in die stede.
en aid. 1799:
Die cruciflxe ten selven stonden,
Die si in die kerken vonden,
Sleypten si onwaerdelike Achter straten in den slike,
â lliesum Cristum te hlamen.
') In de Xederl. Ged. nit dp. veertiende eemv, van Jan Boendale, FTein van Aken en anderen, nitg. door Snellaert.
15*
AANTEEKENEfGEN.
Vs. 81. Het is niet noodig onsuveren als eene andere schrijfwijze voor ontsuveren te beschouwen, hoewel natunrlijk ook dit mogelijk is. Docli naast ontsuveren heeft ook mnl. onsuveren, denom. van onsuve.r, bestaan met dezelfde beteekenis. Men vindt hot o. a. Breidmb. ölv: »die dwalinghen ... init welcke dat heilighe laat (jheonzuvert ende bevlect wert»; Praet 2091: »God es fine znvorhede...; zo wee hem dieze {rd. de jilaats daar God moet ontrangen worden) onzuveren dode ende Hem ontfinc daer in te zine»; Nat. III. VIII, 147; »naclits liem ionsuveren in droome» {vair. V. A. B. tonsnveme, dus in geen lts. ontsuveren); zoo ook Sjt. hs, 52, 37 var. L., waar het ths. ontsv/veren heeft, in overeenstemming met het meer gewone mnl. spraakgebruik. Ook liet mhd. kende unsübern.
Vs. 86. Do door De Vries in dezen regel voorgestelde verandering (Stroph. Ged. 188 vlg.) is onaannemelijk en overbodig tevens. Onaannemelijk, daar in de eerste plaats een ww. ontliodcn nergens voorkomt, en hot gebruik van hi in den zin van o]j de wijze van door den voorsteller zeiven onbewezen moet worden genoemd; overbodig, daar liet inderdaad bij de geloovige christenen in hooge mate de verontwaardiging moest opwekken, dat het zwaard der Sarracenen zelfs geen eerbied had betoond voor het gewijde ordegewaad der geestelijken. Dit wordt door Maerlant uitgedrukt mot de woorden »sullt;; wart onthalst bi den caproene» (een deel der gewijde kleeding), waarin bi, dat eigenlijk beteekent langs, hier met in weerwil van gelijkstaat. Vgl. Anz. 8, 159, en, voor de heiligheid van dencaproen. Franc. 3359, waar Franciscus van een ordebroeder, die tegen do gelofte der gehoorzaamheid gezondigd had, den caproen liet
Int vier warpen om dat doen,
Dat elc merken sonde de zake,
Met iioe zonderlanger wrake Dat men sonde in aire stede Slaen die overhorichede.
Vs. 97. De door Verwijs voorgestelde verandering van overwaer in iewaer, welke graphisch niet te verklaren is, voldoet ook niet geheel voor don zin. Daarentegen is zijne verbetering van het hier geheel ongepaste vermeden in versneden om het volgende van beteren snede zoogoed als zeker. De bedoeling van den regel is wellicht: »en als gij liet in werkelijkheid, zonder eenigen twijfel, inderdaad door snijden stomp geworden vindt, als gij overtuigd zijt dat het onbruikbaar geworden is». Het metrum wordt door de omzetting van vinds en overwaer veel verbeterd.
Vs. 108 vlg. Over deze beide regels is veel geschreven. Ongetwijfeld moeten zij niet worden veranderd op de wijze, voorgesteld door Dr. A. W. van Geer in eene der stellingen achter zijne dissertatie: »die mont hi roept; die kant si slaet; si verset dat wale staet», welke noch graphisch
228
OVERSEE vs. 81âVS. 1 2H.
te verdedigen is, noch in de hier vereischte schildering van een dronken lap bijzonder goed past. Weliswaar zon men in den samenhang verwachten dat in de volgende regels alleen lichaamsdeelen werden genoemd, en vs. 1(18 zon aan dit vereischte voldoen, als men het verandert, op de wijze voorgesteld Anz. 8, 154 in die mont roept: slaet [cnde?) met! Cvgl. Sp. I'J, 07, 37 »die mont riep wapene groot», var. »riep hnlpe groot»). Slaet, vaet, of meest in het enkelv. vanc, slach, is de gewone alarmkreet. Ygl. Rein. I, 1538: gt;doe riep die pape: nu vmic, slach!» en 1549: »(lii) riep lude: slach cmlc ca! - (II, 1575: vanc emk slach; 1585: slach ende va; Proza-Rein. ^ 34: slae endc ranyhe en slae ende me). Doch dan blijft dezelfde moeielijkheid bestaan voor vs. 1()9, waarvoor eene soongelijke verbetering niet gevonden is. De mogelijkheid bestaat echter, de verzen ook zonder verandering te verklaren, indien men over het bezwaar heenstapt dat in vs. 108 en 109 do geheele persoon wordt genoemd (/lt;/), daar waar men slechts de vermelding van bepaalde lichaamsdeelen zon verwachten. Immers versellen beteekent niet alleen op eene andere plaats zetten (zoo b.v. Klooster r. Diepenv. I, 32: doe rersetten sie sij (haar) wat, omdat sic wat sachter sitten solde»; de vroeger voor deze plaats aangenomen betee-kenis door elkaar gooien of overhoop iverpen is niet te bewijzen), maar versetten kan ook eene andere nog niet opgemerkte beteekenis hebben, welke hier in don samenhang past, nl. mismaken, misvormen; vgl. hd. verstellen. Dit woord wordt juist gebruikt van de gelaatstrekken; vgl. b.v. Fis. v. 1348, G0«: gt;als ghi vast, ne werf niet droeve als die ypocriten, want si versetten hare anscijn dat si den mensce (l. van den menscen) worden ghezien vastende» (Mcdth. G, 16: externiinant facies snas»; in de Statenvert. gt;sy mismaecken harc aengesichten â ). Na al do verschillende meer en minder waarschijnlijke gissingen, die ten slotte toch niet voldeden, mag wellicht deze nog wel worden uitgesproken, dat de regel beteekent: gt;hij {de dronlcaard) mismaakt alles wat (anders, in een nuehteren toestand) iemand goed staat. d. i. gelaatstrekken, gang, houding, kortom al wat den mensch tot sieraad kan verstrekken, wordt door den dronkaard mismaakt en onkenbaar gemaakt. Hierbij past vrij wel de vorige regel: »de mond schreeenwt, hij gedraagt zich als een razende gt;.
Voor vs. 110 vergelijke men Sp. III3, 7, 60: »hem faelgiorden alle de lede».
Vs. 123. In 1268 vaardigde Paus Clemens IV brieven uit voor eene algemeene kruisvaart en stond aan Koning Lodewijk IX het tiende gedeelte toe der inkomsten van de geestelijke goederen voor den tijd van vier jaren, op voorwaarde dat deze vorst een kruistocht zou ondernemen. De kerkvergadering te Lyon besloot in 1274 ook tot het heffen van zulke tienden van geestelijken en kloosterlingen, voor den tijd van zes jaren. mits deze mede voor een kruistocht zonden worden gebezigd. Ook in ons
92!1
AA N TEEK ENING l'.X.
liind luid ilie tiendheffing plaats, doek de aanzienlijke daardoor verkregen som kwam in handen van den Elect van Utrecht, Jan van Nassau, die deze gelden verdonkerde. Zie Moll, Kerk. Gcsch. r. Ned. II1, 2!), maar vooral Delprat, lid /«Wow Utrecht en hel graafschap Holland onder Icerlce-lijken ban, in het Kerkhist. Archief 327, 353.
Vs. 124. De tweede kruistocht van T.,odewijk den Heilige was gericht togen Tunis (1270); een kruistocht tegen de Moeren niet inArragon, maar in Portugal had plaats in 1148 onder Koenraad HE.
Ys. 140 vlg. Over den conjunctiof zie de Aant. bij vs. 19.
Vs. 143. De bedoeling der beide eerste woorden is indien dit niet xoo is, indien dit niet het geval is. Doch dit kan niet worden uitgedrukt door is niet, wèl door es {is) des niet, dns door ees (eis) niet. Zoob.v. Wal. 6315:
In ilesen toi-en Hebdi ons brocht; twi lietiuo ingaen,
ïwiket ontsloten emle ondaen?
Haildijt gesloten, des en ware niet.
Vgl. Segh. 7345:
Mijn neve lievet wonden ontfaen;
Gode danr, des bin ic twint,
d. i. dat is met mij niet het gernl, dat is met mij zoo niet, zie Mnl. Wdh. op niet, I, b, en T- en Letterb. 2, 152, waar wordt aangehaald Lirnh. VI, 1492: »al en ben ic dies selve niet», d. i. al is dit niet op mij zei ven toepasselijk, rd is dit niet met mij het geval. Ook ist niet is mogelijk, welke uitdr. hetzelfde beteekent; zie een voorbeeld Pelgrim Sb: »hot was diegene selve die scheen ghehoornet te wesen ende het en was niet.» Vgl. ndl. het is nietes.
Vs. Kil. De uitdr. »dat herte bloedet mi -, welke gewoonlijk van heftige smart wordt gebruikt, waardoor iemand wordt aangegrepen (vgl. Orinnn, Wtb. 2, 178) staat hier van den angst voor cene naderende smart. De bedoeling is: zij mochten wel van angst in elkaar krimpen.
In vs. 164 is »se alle» voorwerp en »die duvele» onderwerp, en de zin deze: »als zij allen op een hoop of bij elkaar stonden, en de duivelen ze oplaadden om ze naar de hel te voeren, ik geloof dat er maar een enkele aan hunne handen ontsnappen zou».
Vs. 167. Wel neder, d. i. zeer, heel diep. De uitdr. is te vergelijken met wel na (naer), d. i. zeer ludr/j, heel dicht hij] een ivel luttelkjn, d. i. een heel klein eindje-, wel af, d. i. een eind weg {Vrouw. e. M. \' 111. 180).
OVERSEE V.S. 124-KERKEN CE. VS. !).
Vs. 197. Hiermede worden bedoeld Brabant, een veld van sal iel met een gouden leeuw; Ylaanderen, een veld van goud met eei; leeuw van sabel; Frankrijk, een veld van lazuur mot gouden leliën; misschien ook Holland »cen gulden banier mitten roden leuwe» (Matth. Anal. 3, 147).
Vs. 208. Ook Nat. BI. IH, 324(1 vindt men daer verschreven voor ccr.
Vs. 229. Aan het vers schijnt iets te ontbreken. Misschien is te lezen .â »so moeti den selven schilt draghen»?
Vs. 238. Wouden heeft de ruimere beteekenis treffen, niet altijd inet de bijbetoekenis van pijn. Vgl. Wap. M. I, 356; gt;a] laghe hi [de menscJi) in der hellen gront, ware hi daer mede {niet de goddelijke liefde) ghe-wont, hine ware niet in ellenden», en Lett. X. IJ'. 52, 95, 10: »maect die wonden met my ghewont (/. mi metten wonden g.)», lat. (aki. bl. 94): »fac me plagis vulnerari. gt;
Vs. 241. /?//e redene hout, eene niet sluitende manier van doen, eene tegenstrijdigheid. Vgl. Am. f. d. AU. 8, 160, en eene soortgelijke uitdr. Wap. Rog. 570: »hot dinke mi so vremde een liet.»
Vs. 242. He verandering van hier in heren is geheel overbodig: ook zou dan de constructie in den volgenden regel vreemd zijn. Hier bet. natuurlijk hier oji narde. Vgl. vs. 240 en Anx. 8, 160.
DER KERKEN CLAGHE.
Vs. 9. De door Dr. A. Klnyver in de 15lt;le stelling achter zijne dissertatie voorgeslagen lezing: AVaendi datter goede vïochte af quame» is graiihiscii niet te verdedigen. De bedoeling der niet zeer duidelijke strophe is denkelijk do volgende: Ik bedoel in dit gedicht alleen de slechte geestelijken â als die zich door mijne woorden gekwetst voelen, hebben zij niet meer dan hun verdiende loon â maar over dc goede geestelijken of zaaiers heb ik het niet; immers hij die zaad strooit op steengrond en tus-schen doornen wierp dat zaad uit op hoop dat er goede vrucht van zou komen (met de beste bedoelingen), hoe kan men hem dan verantwoordelijk stellen voor den slechten uitslag? Neen de slechte herders zijn hot die do schuld dragen van het verderf der aan hunne zorg toevertrouwde kudde (onder de zorg der goede herders gaan de schapen niet verloren) of (onder een ander beeld uitgedrukt) uit denzelfden bloesem der braamstruik zuigt de bij honing, terwijl do spin er venijn uit zuigt.» Vgl. Stem men 2: gt;hy
231
AA XTEKKKXIN» iKX.
(dc onreine) slacht der 1 iyo, die dat hoonich uuttrecket nut den bloemen, dair die spinne, dat es die onrcyne van herten, venijn nut trecken», Anz. S, 150 noot en vs. 46â54, waar dezelfde beelden temgkeeren.
Vs. 15. Seker kan do bet. hebben van ongetwijfeld, en als zoodanig hier bedoeld zijn, doch men zou dit gaarne vervangen zien dooreen woord mot eene duidelijker, meer sprekende beteekenis. Er is evenwel geen woord aan te wijzen, dat hier past en waarvoor seker verschreven kan zijn. Indien seker de bet. van onkruid kon hebben, dan zou deze uitlegging te verkiezen zijn, doch er is slechts een znw. seker bekend (Lubben; Deutsches Wth. 5, 659; Diefenb. ojj citrulli) mot do bet. sisser, grauwe erwt, en dat woord kan daarvoor niet dienen.
Vs. 30. Petrus was eerst Bisschop te Antioclüë, als blijkt uit S]gt;. I8, 14, 16 vlgg.:
l'ietei wart metter vaert In Antyochen onthaelt met eeren,
limlc daer maecten hem die lieren Eenen stoel, alst os bescreven,
Ende liebbene bisscop verheven.
Aldaer sat hi over waer Kerstijii bisscop VII juer.
Verg. Lsjk II, 40, 43â46. Van zijne gevangenschap te Antiochie wordt noch in den Sj). noch in den Lsjj. melding gemaakt. Deze overlevering vinden wij in de Aurea Legenda, waar van liet feest van Sinte Pieter ad Cathedram (vgl. Grotefond, Zeiirechn. 153) het volgende gezegd wordt (naar de Mnl. vertaling in Pass. II',, uitg. 14S9, /'. 206 c): »Dese fee.*-te viert men om dat sinte Pieter verheven was eerlic ende geset tot Anthio-chien in eenen setel.... Doe sinte Pieter te Anthiochien predicte, so seide Theophilus die prince van der stat tot sinte Pieter: »Pieter, waer om verkeerstu mijn volc?» Ende doe hem Petrus Cristus ons Heeren gelove predicte, so dede hy hem vangen ende en lieten toten noch te drincken geven». â Panlus beproeft hom te verlossen, geeft zich uit voor »een meester van vele consten», en verkrijgt eindelijk van Theophilus, dat Petrus in vrijheid zou gesteld worden, zoo hij den zoon van Theophilus, die roods 14 jaar dood was, opwekte. Dit geschiedde, en de jongeling verrees uit het graf. Hierop volgt f. 207 a: -Het schinet dat al dit niet wol te geloven en is, dat Panlus van scalcheden versiert sonde hebben, dat hi so voel dingen maken conste, of dat hi die belofte van den jongelinc gedaen sonde hebben, die viertien jaor doot was. Doe geloefde in onsen Heer Theophilus ende alt volck van Anthiochien ende veel ander, ende stichten een schone kerc, ende int midden der kerken setten si een hogen zetel, ende deden daer sinte Peter op sitten, dat si also hem souden mogen syen ende horen, ende daer sat hi seven jaer in».
KEUKEN CL. VS. 15-VS. 105.
Ook over de »eorsto cnme», die Petrus te Antiochië ontving â oone andere, mede niet algemeen aangenomen kerkelijke voorstelling â geeft liet Pass. W. f. 208 «, b ons licht;
»Die derde saec daer die feeste om gheset quot;was, dat is om die a\aerdichcit van der clerken crune. AVant men sal weten dat sonüglie Inyden seggen, dat der clercken cru no liyer eerst begonste, want doen Sinte Peter te Anthiochiën predicte, tor scanden van Cristus ons Heren naem, scoren si hem dat haer van den tojipe van sijn hoofde. Ende dit gafmen daer na al der clergyen in eeren, dat den prince der apostelen ter scanden was gedaen om Cristus ons Heren wille».
Wat bij M. gezegd wordt, komt eigenlijk niet overeen met den inhoud der Mer genoemde overlevering; z. Anz. 8, 1G0.
Vs. 59. Tegen de korte rokken wordt ook elders als tegen een onzedelijke dracht strijd gevoerd, /ie Wrake 11, 458:
Die manne draghen cledere mede Cort tote hare scamelhede.
Vs. 62. Men kan ook van ghiereclipit en de volgende znw. als gezegde beschouwen »sijn nu nuwe» uit vs. 62, indien men, gelijk in de uitgave geschied is, vs. 61 tussehen halten plaatst. Doch het laat zich ook denken, dat dit laatste des dichters bedoeling niet geweest is, en dat na ghierccheit een w\v. uitgevallen is met de bet. heerscheu, den sehepter xivaaicn.
Vs. 72. Doch, vormt misschien eene tegenstelling met een in »sculdich sijn» vervat denkbeeld: :niemand wil zijn mond oirenen om schuld te belijden , maar wel om elkaar mede te deelen, waar het lekkerste eten en drinken te krijgen is».
Vs. 85 vlg. Men moet zich de kruisiging aldus denken, dat Christus eerst aan het dwarshout genageld en vervolgens tegen den in den grond staanden kruispaal in de hoogte geheschen werd. Vgl. Lane. Hl, 7260: als hi {Christus) anden cruce clam {aan het kruis geheven werd).» Clam int hoghe kan natuurlijk ook beteekenen dam te hemele (vgl. Vijf Vrouden 39), en zoo is deze plaats ook opgevat in het Mul. Wdb. op clemmen, doch de herinnering aan Jezus' heerlijkheid schijnt hier niet gepast: veelmeer wordt hier eene indrukwekkende schildering venvacht van zijne diepe ellende.
Vs. 105. Do verzon bedoelen waarschijnlijk uitdrukking te geven aan deze gedachte: »ik voel mijne jaren klimmen, mijn haar vergrijzen, en ben mij van mijne sterfelijkheid meer dan ooit bewust, en daarom zal ik zeggen wat mij op het havt ligt en mij niet bezoedelen met een lougon, gelijk zoo velen zich niet schamen te doen alleen om hun tijdelijk voordeel. gt; Doch ook kan de bedoeling deze z\jn: »alleen reeds door den r.piegel word
233
AAXTREKRXIXl 1KN.
ik aan ile vergankelijkheid van liet aanlsche herinnerd, dit moesten ook de leugenaars en de vleiers bedenken.»
Vs. 113 is door Verwijs in do noot niet jnist verklaard door »al leefden /.ij als belijders, al schonen zij een heilig leven te leiden.» De bedoeling is ^als zij dan ten minste maai' als confessoren leefden.» Vgl. do lGlle stelling achter de dissertatie van Dr. A. Klnyver, waar evenwel te onrechte do invoeging van hot onderwerp si wordt voorgeslagen. Ook in het praet. conj., indien deze wijs de bet. van een adhortatief heeft, kan bij den 3(len pers. hot vnw. wegblijven. Vgl. Vail. Mus. 1, 38quot;), 32:
Al waei t dat sake dat si hoorden
Die dine {I. Dine) die hem niet goet en dochten,
Gebaerden of sijs niet en rochten,
d. i. 'dan uioestcn ~j doen alsof zij er niet om gaven»; Limb. Vil, 590:
En ware dat si saghen dat Dat wi te sere waren verladen,
Son qtiamen ons dan te staden,
en Sev. Vroeden 3148:
Sidermeer dat lii ware doot,
Haer en liolpe geen rouwe groot;
Verdroecht so si scoonste moclite.
Dat waer haer best in allen gedochte.
Zie vorder Teksicritiek bl. 21, en Stoett, Mul. Synt. g 154.
Vs. 118 vlgg. In deze strophe is de redeneering niet zeer duidelijk, en wellicht is de tekst hier en daar bedorven: zoo hebben wij b.v. aangenomen., dat vs. 127 en 128 van plaats moeten verwisselen, en ook ei-en ries is niet boven bedenking verheven. Verwijs heeft vs. 118 vlg. tot hot voorafgaande betrokken, en do strophe verklaard: Js dit waar, laat dan hij die oen geschoren krnin draagt, liet bekennen, d. i. zegt mij, of dit waar is, gij, geestelijke hoeren!» En dan (vs. 120 vlgg.): ^Een dorper (een onwaardig geestelijke), wanneer hij met de hoeren aan tafel zit, ids hij zijno zinnen gezet heeft op aanzien en winstbejag, altijd oven vermetel, zal zich niet matigen.» To recht noemt hij nrn ries bevreemdend. Doch wellicht bot. even hier altijd eren (Verwijs) of in houije mate {Mul. ⢠Vdh. 2, 794). Jlen kan »deso redone» in vs. 118 ook op de nn volgende rede-neoring laten slaan: dan moot na vs. 119 (waarvoor door Franck in Anz. 8, 1(50 eene andere verklaring is voorgeslagen) een : staan, zooals in onze uitgave. Deze opvatting van Verwijs, eenigszins gewijzigd door vs. 124 vlg. met 123 in verband to brengen, is als de eenvoudigste boven meer gewrongen verklaringen en constructies (waarin men b.v. vs. 119 met »een dorper » van vs. 120 verbindt) to verkiezen. Vlies wordt slechts zelden van
234
KEUKEN CL. VS. I 13âVS. 206.
inensclien gelmiikt; hot beteekont eig. schapenvel of vacht en wordt ook van andere dieren gebezigd. Misschien heeft Maerlant Ider opzettelijk een woord gekozen, dat in kleur met ons huid gelijk staat. Doch dat liet niet strikt noodig is, dit aan te nemen, bewijst o. a. V.'ap. Hou. 625; ^loe Adaem van der weerelt seiet, ter eerden terdine vlies hi liet», d. i. dr aardsche vacht, het stoffelijk omhulsel.
Vs. 144â147 behoeven niet te worden omgezet, zooals door Verwijs is gedaan (bij hem: 147, 144, 146, 145). De zin is: »zij die konde en honger lijden overal waar men geen oog voor hunne ellende heeft, dit is het gekerm van die ongelnkldgen: Ach, here enz.», d. i. »dit is het hulpgeschrei der ongelnkldgen, die koude en honger lijden: Ach heer! enz.».
Vs. 170. Hechte hier op te vatten als bijw. in de bet. cjchrrl rn nl. totaal at juist. Do zin is: gt;ziet, hoe gansch anders de toestand geworden is; de toestand van beiden is totaal anders dan vroeger of juist omgekeerd. gt; Zie verder het Gloss, op rechte. â In vs. 157 heeft recht do bet. van het rccht dnt op iemand toegepast icordt, de straf, de uitspraak, het vonnis. Zoo b.v. ook Mjh. 2, 74: nies sijn wi bleven eyndrechtelik eyns rechts aen onsen boele heren Johanne greve van Cleve», en 75: »si soelen eyn recht segghen binnen verten nachten.»
Vs. 206. Beide singen en den doden kersen setten zijn kerkelijke handelingen: singen bet. het leien der mis (Sp. flH, 7, 63; IV-, 30, 39; vgl. besingen, 11H, 27, 16), en liet tweede is een deel van eene lijkdienst. En toch zijn, naar het ons voorkomt, de woorden geen van beide in deze bet. op te vatten, althans do bedoeling wordt ons alsdan niet duidelijk. Hen heeft hier veeleer aan een spreekwoord te denken, nl. »singen voor die dove (o/'den doven)» in bet. van vedelen voor die dove» (Verk. Mart. 12) niet verschillend. Wellicht zou daarbij toch singen ook in de bet. de mis lezen kunnen worden opgevat; men vindt de eene en de andere opvatting in verschillende spreekwoorden, zoo b.v. Wander, D. Sprichiutler. 4, 1040: »einem tauben messe lesen ist verlorene arbeit gt;: »wer einem tauben die Glocke lautet, einen toten mit weihrauch beriluchert und einem tnmkeuen noch mehr einschenkt, bemüht sich umsonst» (nieuwgrieksch, doch ook hd. bij AVander 5de deel. Aanhangsel), gt;einem tauben messe singen»; gt;dem tauben ein liedlein singen gt;; gt;at synge to viiser for den dove (deensch); 4, 1256: .â¢man kann dem toten {ook dein tauben) keine zwei messen lesen»; Harrebomée 1, 146 b: »inen zal voor geenquot; doove twee missen zingenquot;. De bedoeling van de regels is dus wel: »zoo brengen zij het volk in de war, want hunne woorden, die met hunne werken in volslagen strijd zijn, hebben evenveel uitwerking op de schare, als wanneer zij (men) voor de dooven een liedje zingen (of eene mis lezen) of als het laten branden van kaarsen voor dooden, die toch niets meer zien kunnen». Indien dit de juiste
235
AANTEEK KXINOEX.
opvatting is, loze men in vs. 206: »als die singen gaen» voor »a]s si enz.» gt;Dic flaer onder leit geplet» beteekent wel niets anders clan »die onderden grond begraven ligt», eig. »plat uitgestrekt ligt». Vgl. Hooft, Gcd. 1, 48: »rein van hart inzonderheit was zij die hier onder leidt» (uit een grafschrift).
\rs. 222. Do verbetering van Verwijs in »of hi met valen minde» zal om do gewoonheid der nitdr. met valen iiieiiiien (Mul. Wdh. 4, 1424â 1426) wel cle ware zijn, alhoewel niet in het lis. op eene wijze staat, die verwarring met mol buiten shiit: â /.. de noot onder aan den tekst. Doch zijne omschrijving »zie nu. indien hij slinksche wegen insloeg, het spoor bijster was, die tiods schapen nooit kende, wil hij nog wel dat ik hem herder noem» (Taakjids 4, 128) laat aan duidelijkheid te wenschen over. Be «ter geeft men de woorden weer, of door: »ziet nu eens, of hij ook op een dwaalweg verkeerde die enz.» of door: »of dat ook een huichelaar verdient genoemd te worden, die als geestelijke zijne gemeente nooit gekend heeft en toch herder genoemd wil worden.» Men vatte of op als het vraagwoord (waarop dan het antwoord: ongetwijfeld, zoor zeker, mnl. ie ivane jaot moet worden aangevuld) en niet als do hypothetische conjunctie in-dien. Een anderen voorslag om vs. 222 te verklaren zie men Mn/. IVdb. 4, 1426. Voor do uitdr. met valen mennen» vergelijke men nog Woeste, Ulb. d. Wostfüi. Mioidarl: ini ridt op me falen perre» d. i. ;gt;er ist auf verkehrtem wege; er macht wind, er macht grossen aufwand und hat nichts dazu», en Sehweiz. Idiot. 1, 822.
236
VERKLARENDE WOORDENLIJST ').
achten, zw. w\v, trans., M. II, 209schen, bij nitbr. M. I, 442,uitdelgen,
239 var., letten op, acht geven op,' vernietigen. Vgl. ralat. planare, era-
ook met den 2den nv.; Cl. 91, otn i clere, expungere.
iets geven, zich aan iets laten ge- afscheden (-scheiden), st. ww.
legen liggen, zich iets aantrekken-, intr., ,1/. II, 130, afgaan van, af te
ook intr. met eene bep. met om me, brengen zijn van {eene meening).
M. II, 4. Over den eig. overtolligen genitief
achter (achtre), bijw., van plaats, es, zie Mnl. Wdb. 1, 262 en vgl.
M. I, 455, achter-, van tijd, M. Ill, afgaen (1 , 228), alsmede M. II,
144, later. 250: âie volghes minen eersten
achter, voorz.; achter straten, woorde.quot;
Ov. 78, langs den iveg, over den weg, afstaen, st. ww. intr., met den 2den
Vgl. MnL iVdli. 1, 17, en het aldaar nv., M. I, 40, afstand doen van
vermelde ndl. achterwege. (eene taak, een plicht enz.), zich ont-
achterwaren. zw. ww. trans., Ov. trekken aan.
101, bewaren, beheeren. afsiën, st. ww. trans., Ov. 150, af-
aen. Zie ane. zijgen, afscheppen. Vgl. siö.
aen. znw. m., M. I, 271 var., het- afsteken, st. ww. trans., afstooten,
zelfde als naen; z. aki. afduwen-, a. den cap roe n, de
aernien. Zie armen. muts afnemen, M. 11, 40 (var. af-
afdriven. Zie anedriven. striken).
afdwaen (dwoech, ghedweghen), afstriken. Zie bij afsteken,
st. ww. trans., M. I, 579; OHW. aysijn, znw. m. KGL 75, azijn.
54; 89, afwasschen, wegwisschen, al, vnw., al; 2de nv. als, M. III,
wegnemen. 147, van alles.
affïhecnocht, deelw. bnw., M. III, al, voegw., KCl. 180, alsof. Vgl.
61, uitgemaakt, eig. ontbonden, op- Mnl. Wdb. 1, 328.
gelost, tot zekerheid gebracht. aldoch. voegw., M. I, 337 var.,
afenopen. Zie afghecnoeht. doch, evenwel, echter.
afplanen, zw. ww. trans., eig. [iets aldure, bijw., Cl. 243, door en door,
dat geschreven is) uitvegen, uitwis- geheel en al.
1) M. I, 11, 111, verkorting van Deerste Martijn, Dander Martijn, Van der Drie-vondichede; VM. Van den Verkeerden Martine; Disp. Ene dispntacie en/.; Vr. Van den Vijf Vrouden; OHW. Van Ons Heren Wonden; Claus. Die Clausule van der Bible; Ov. Van den Lande van Oversee; KCl. Der Kerken Claglie. De in de aantee-keningen en in liet Glossarium gebruikte afkortingen van andere mnl. scbrijvers zijn dezelfde als in liet Middelnederlandsch Woordenboek. Onnoodig was liet bij elk artikel naar dat Wdb. te verwijzen; daar waar ons dit om de eene of andere reden wen-schelijk voorkwam, is dit boek uitdrukkelijk genoemd.
WOORDENLIJST.
288
|
«il een, al ene. Zie de aant. op M. I, 292 en 340, en vgl. vs. 613. algliemene, bijw. Cl. 338. Geheel en in zijn geheel (misschien is liet woord hier als hnw. op te vatten in de bet. (jeheel); Ov. 20, OHW. 70 var. (t. alle ghemeyne) te xamen. gezamenlijk. Vgl. Mul. JVdb. op gemene. alinde, znw. vr., 7iCl. 226, ellende-, vgl. ellende; de beide vormen rijmen op elkaar in dezelfde strophe, alineen. bijw., Dinp. 333, altjddoor, voortdurend. Zie Mnl. Wdh. 2, 529 op e e n. allende. Zie ellende en alinde. alincchtich, bnw., KOL 27, almachtig. alnoch, bijw., M. I, 327, nog, nog lieden, ook nu nog. alrene, bijw., M. I, 321, geheel en al, totaal. alretiere, onb. telw., OHW. 4, allerlei ; eig. van allen aard of soort. als (a 1 s e), bij w.; a 1 s e met een infin. met te, C7. 380, namelijk, te 'weten; gelijk, zooals, op de wijze van, al se die boude (= boudeiike). Or. 199, stemt el ij li, onvervaard', al se die coene, Ov. 212; als die onvervaerde, Cl. 57, onvervaard, zonder vrees. also, bijw., noch also sere, M.\, 376, nog wel zoo erg, dubbel zoo zeer. Vgl. Mnl. Welb. 1, 37 1 en Alex. V, 186. altoos, bijw., met eene ontkenning verbonden, volstrekt niet, volstrekt geen. Cl. 161. ande, znw. vr. M. III, 372, ijver, naijver-, ook toorn, verbolgenheid (van God). anden, zw. ww. trans., Ov. 52, wreken. anednigen, st. ww. trans., KCl. 99, dragen, aanhebben (kleederen), anedriven, st. ww. trans., af- no an driven, M. Ill, G, wegnemen noch toevoegen. Zie de aant. anehebben, zw. ww. trans., M. I, 227, aan zich hebben, beveitlen. anecomen, st. ww. intr., Disp. 423, met den 3den nv., iemand overkomen, hem vervullen, bezielen. |
anescijn (an-, -seine), bnw., M. I, 291; 505; Disp. 123, blijkbaar, duidelijk ; a. doen. Cl. 293, blijkbaar doen worden, toonen. anetien. st. ww. trans., M. I, 743 var., aantrekken, aanlokken. anetiën, st. ww. trans., M. I, 886, aantijgen, te laste leggen, verwijten. anetrecken (hem iet â), st. ww. trans., Disp. 125, xich iels aanmatigen, aan zich trekken. anevaen. st. ww. trans., M. 1,798; VM. 46, aanvangen, beginnen. antkerst, znw. KCl. 17, antichrist. Zie voor de middeleeuwsche voorstollingen aangaande den Antichrist de uitvoerige schildering bij Velth. VIII, cap. 5â9. antwoorden, zw. ww. intr., Disp. 363; 378, zich verantwoorden, verantwoording eloen, rekenschap geven. anxte, znw. vr., Ov. 134, angst, be-nauwdheid. Vgl. voor den vorm dienste. arch, bnw., M. I, 151 var., slecht, verkeerd, erg-, ant arger boort, aan lager wal. Zoo ook Grivib. II, 1660; vgl. aid. 1650: âaen da-ger endequot;. armen (a erin en), tusschenw., Disp. 417, helaas, o wee! hetzelfde als (w) a char men {Mnl. JVdb. 1, 450). Vgl. Rijm!). 2878: armen, var. la-cen; Tiiet e. Lich. 43: eterme (ook Disp. 417 var.). avonture (a venture), znw. vr., M. I, 142; 145, toeval, noodlot; KCl. 124, geluk, fortuin. avonturen (liein â), zw. ww. we-derk.. Cl. 254, zich aan gevaar blootstellen, zijn leven wagen. baden , zw. ww. intr., beulen, een bad nemen; overdr., in de uitdr. in tranen baden, Disp. 568; trans., M. III, 296; Disp. 251, baden, ivas-schen, reinigen; overdr. enen in bloet baden, Disp. 296, doen baden, dompelen in. â Baden, M. I, 286, van bidden. baelgie. znw. vr. Eig. het ambt van den baljuw, bij uitbr. hoog amht, hooge post, M. I, 22 (bij Buk. vertaald door dominatus). De bet. is |
woordenlijst.
239
|
niet gehied, rechlsgebied (Slroph. Ged. Gloss. 194; Mul. Wdb. 1, 513). *baenscul(lich, bnw.,M. I, 730 var., waaarschijnlijk verkeerde lezing voor baersculdioh; z. aid. en vgl. Mnl. Wdb. 1, 510. baersculdich, bnw., M. I, 730, kennelijk schuldig, volkomen als schuldig erkend. Zie Huyd. Proeve 2, 523 bal, znw. m., M. I, 277, bal; bij nitbr. kleinigheid, iets van weinig waarde-, niet een bal, M. II, 141; Disp. 1C7. bal line, znw. m., Disp. 138, hailing, ook ran de hemelvreugde uitgeslolene. ban. znw. m., M. II, 192, straf der verbanning', enen den ban geven. M. I, 60, hem verbannen, uitbannen-, M. III, 3; 8; Disp. 371; 426, banvloek-, ÃHW. 90, rechtsgebied, jurisdictie , in de uitdr. enen in den ban houden, iemand in zijne macht houden-, der eren ban, VM. 63, rechtspraak uit naam van Vrouw Eer. Zie de aant. bij M. II, 192. bane, znw. vr., baan, speelbaan, ook betreden weg-, in eens bane omgaan, M. I, 233, iemands partij volgen, zich met iemand ophouden of afgeven-, buter banen rollen, I, 438, het rechte spoor verlaten, den koers kwijtraken, op een dwaalspoor zijn. bant, znw. m., Disp. 415; KCl. 181, band, boei] enes bande breken, M. II, 88; III, 371, iemands boeien verbreken, hem in vrijheid stellen-, der sonden bant breken, Disp. 397, de kluisters der zonde verin eken, zich aan de macht der zonde ontworstelen -. Cl. 156, boei, als zinnebeeld van bedwang , overheersching; des her-ten bant, M. II, 278, bafid, gehechtheid, genegenheid van het hart. baraet, znw. o., bedrog-, son der b., Disp. 515, in waarheid, inderdaad. baren, zw. ww. wederk. Cl. 236, zich vertoonen, te voorschijn komen. baren, znw. o., Cl. 424, kind. Zie MnL Wdb. 1, 583. bast, znw. m. en o., schors van boo-vien of ook schil, dop van vruchten-, niet een bast, van enen bast, M. III, 117; Disp. 83, volstrekt niet, hoegenaamd niet. |
bastaei'dinne, znw. vr. het vr. van bastaert, M. I, 334, ontaarde. bat, znw. o., dat helsche bat, de hel, M. I, 414 var.; vgl helsche cont, M. I, 972; helsche ijs, Disp.596-, der hellen fenteine, Or. 238, bij welke voorstellingen liet denkbeeld van vreeselijke kende op don voorgrond staat. Zie Van den Bergh, Ned. Myth. 97, en L. o. If. 3957; 3966; 4137 vlg. bat. Zie bet. bate, znw. vr., M. II, 18; VM. 48; OHIV. 80; 86; Disp. 542, voordeel, whist. Have (Sente â), znw. m. iiaro, de vriend van St. Amand, M. II, 143. Dat hij zeer geëerd werd in de Nederlanden bewijzen de talrijke aan hom gewijde kerken (te Haarlem, en 23 in België). Zie Kheinsb-Düringsf. Gal. Belg. 2, 192; Grote-fend, Zeitrechn. 14; Mnl. Wdb. op b a m i s s e. bedaghen. zw. ww. intr., KCl. 219, dagen, aanbreken. bede. Zie beide. bederve, znw. vr., M. I, 942; Vr. 50, nut, voordeel. bederven, st. ww. trans., M. I, 949 var., dooden, ombrengen. Vgl. de aant. berti, 1 iij w., daarom ; b e d i want, Disp. 21, daarom omdat, omdat-, â voegw.. Cl. 447, omdat. bedieden (beduden), zw. ww. trans., M. I, 674, aanduiden, schetsen-, M. II, 236; Cl. 72, beteekenen. bedinghe, znw. vr., Disp. 329; Cl. 473, het bidden; ook bede, gebed. bedecht, deelw. bnw. van hem be-d i n k e n; wel b. s ij n, VM. 91, verstandig zijn, met overleg te werk gaan. bedoren, zw. ww. trans., M. II, 167 verdwazen (in het Mnl. Wdb. niet vermeld). bedouwen, zw. ww.intr., .1/. 1, 454; II, 77, wegsmelten, wegkwijnen. Vgl. ndl. dooien. Het woord heeft met dauw niets te maken. Vgl. Mnl. Wdb. op bedouwen en douwen, bedraghen (-droech, -draghen, -dreghen), st. ww. trans., Disp. |
WOORDENLIJST.
240
|
451, aanklagen, veroorclerlen; hem b. met, CL 317, zich met iets hekelpen, het er mede stellen. Vgl. Lsp. Gloss, en Mnl. Wdh. 1, 654. bedriven, st. ww. trans.; enen b., M. II, 87 var. , drijven, aandrijven, noodzaken; iet b., Disp. 555, bewerken , tot stand brengen; Cl. 88, volvoeren, ten einde brengen. bedwinghen, st. ww. trans., Cl. 59, onderwerpen, temmen-, 175, zacht stemmen. beerkijn (b e y e r k ij n), znw. o., Di*p. 152 en var., kleine bezie, besje. Vgl. Ndl. Wdb. op beier, en Mul. Wdb. op m oer b e y e. begaen, st. ww. intr. onr., .1/. I, 303, te werk gaan] laten begaen, zijn gang lateji gaan, de zorg voor iets aan iemand overlaten. Vgl. Mnl. Wdb. 1, 690. begaren. zw. ww. trans., M. I, 176; 402; Cl. 249: 870; 440, begeren, wenschen, naar iets verlangen. begeven, st. ww. trans., ook met den 2clen nv. van een aanw. vnw., M. I, 831; Cl. 311, van iets afzien of afstand doen, hei laten varen. beggaert, znw. m., Disp. 328, leeke-broeder, lid eener vrije godsdienstige vereeniging, het mannelijk van be-gine. Zie Mnl. Wdb. 1, 703. begien, zw. ww. trans., M. I, 961, bekennen, verklaren. Vgl. gien. beginnen, st. ww. trans, en intr.; b. om, Disp. 375, het op iets toeleggen, er naar streven. Vgl. ndl. daar was het om begonnen, dat was de toeleg, en Flandr. I, 445; Cl. 523, daar dese rime om begonden, te wier eer dit gedicht gemaakt is-, Disp. 427, de oorzaak zijn van. begoort (begort). Zie begorden. begorden, zw. ww. trans., als met een gordel verbinden, vasthechten-, b e g o r t (begoort) a c n enen, Disp. 569, aan iemand gehecht, verknocht, verbonden; b e g o r t (b e g o o r t) met ere dine, Disp. 7 0, verbonden , beladen met iets; ook M. II, 164: begoort mot son den (het in Stroph. Ged. Gloss, en Mnl. Wbd. op grond van deze plaats aangenomen ww. b ego ren heeft niet bestaan). Vgl. Zevecote 26, waar van een neus gezegd wordt: âmet eenig puyst begortquot;. |
begripen , st. ww. trans., Ov. 141, aanvatten, beginnen, ondernemen. behont, znw. o., M. I, 769; 969; Cl. 96, behoud, redding, zaligheid. beide (bede), vnw., heide; beide â e n d e, M. 1, 11, èn â èn, niet alleen â maar ook. bejacli, znw. o., Disp. 374; KCl. 39, voordeel, winst. bejaghen, zw. ww. trans., Disp. 321; 324; Cl. 112; KCl. 161; 190, verwerven, verkrijgen-, met den 3den nv., Cl. 316, bezorgen. beke, znw. vr., OHW. 53, beek, bron. bekennen (bekinnen), becande en b e k i n d e, zw. w w. trans., Disp. 461 ; KCl. '2-29, kennen, doorgronden-, Vr. 23, erkennen, of ook leer en kennen-, M. III, 369, opmerken, leeren kennen. bekent, deelw. bmv. van bekennen of van hem bekennen, M. II, 176, öf beroemd, vermaard, of verstandig , wijs. Vgl. onbekent en Mnl. Wdb. 1 , 786 vlg. becliven, st. ww. intr., metdenHden nv., M. III, 7, iemand aankleven, op hem blijven rusten. becomen, st. ww. intr. met den Sden nv., Vr. 10; 45, behagen, welbehaaglijk zijn. becoinineren, zw. ww. trans., kivel-len, bezwaren; als wederk., hem â met, KH. 142, zich het hoofd met iets h-eken. becopen, zw. ww. trans., Ov. 64, bezuren, ontgelden, de treurige gevolgen van iets ondervinden. becoren, zw. ww. trans., M. I, 150; Disp. 22 , in verzoeking brengen, verleiden; becoort te. Ml, 596, be-lust op; dorpernie becoort mi, Cl. 372, slechte gedachten komen bij mij op, eig. brengen mij tot het kwade; M. II, 166, aanlokken, aanlachen (deze bet. en de plaats, waar het woord tot onze opvatting nadert, zijn in het Mnl. Wdb. niet vermeld), belenden, zw. ww. intr., Disp. 380, belanden, blijven. Vgl. Taalk. Bjdr. 1, 65. beletten, zw. ww. trans., Disp. 49, beknibbelen. |
quot;WOORDENLIJST.
241
|
belukcn, st. ww. trans., M. III. 1R4. omsluiten, omvatten. bemanen, zw. w\v. trans., OHW. 115 var., op het hart drukken, bezweren; t. vermanen. bemoeden (hem â), zw. -ww. we-derk., 31. I, 779 var., vermoeden, denken, het er voor houden. bendich, bmv., Disp. 320, bchendüj, slim. beneven, bijw., Or. 129, daarenboven, bovendien-, met den 3den nv. enen b. sijn, Cl. 519, iemand nabij zijn-, enen b. varen. Cl. 503, in iemands nabijheid komen, naar hem toe gaan. beniden, st. en zw. ww. trans., M. I, 923; 111,329, haten, vijandig behandelen, bestrijden. bequaine, bnw., Cl. 325, berallig, bekoorlijk, liefelijk, van liet uiterlijk ; of lief, beminnelijk, van liet karakter. Vgl. soete. beraden, st. ww. trans., M. II, 178, bezorgen, verschaffen-, Cl. 462, schadeloos stellen-, eig. van het noodige voorzien na een geleden verlies. â wederk., hem beraden met, KCl. 134, te rade gaan, overleggen met-, beraden sijn, met den 2den nv., Disp. 571, besloten zijn of ook. gestemd zijn, gezind zijn. Vgi. onberaden, beraet, znw. o., Disp. 515 var., bedrog-, hetzelfde als baraet (Mnl. Wdb. 1, 573 vlg.). berecht, znw. o., il/. III, 399, leering, onderrichting, inlichting, bericht. berechten, zw. ww. trans., M. I, 80, te recht helpen, aaniem. dcjuiste richting aanwijzen, dus hier verlichten ; enen b., met den 2den nv., M. I, 131; 443; III, 31; 391; 392 e. e., ietn. over iets onderrichten, hem inlichten-, enen b., J/. I, 132, besturen, beheersclien ; iet b., J/. I, 275, berechten, over iets recht spreken. bernen (praet. brande), zw. ww. intr.. Cl. 140, branden. beroemen, beromen (hemâ), zw. ww. wederk. met den 2den nv , Disp. 77, zich op iets beroemen; als znw., .1/. III, 280, gesnoef, grootspraak. bersen, zw. ww. intr., jagen met Wapene Mavtijn e. a. Ged. |
speurhonden; ook, Ov. 223, met jachtvogels of stootvogels jagen, hetzelfde als beten en in rivieren varen. bes.it, J/. I, 161, waarschijnlijk voor beset, 3den pers. sing, praes. ind. van besetten. Zie de Aaat. bescatten, zw. ww. trans., il/. 1,11 var., iem. mei geldelijke lasten bezwaren, hem geld afpersen, hem plukken. bescheiden (beschiet, besohe-de n), st. ww. trans., V. I, 661; II, 245, uitleggen, verklaren. bescheiden, deelw. bnw. .1/. II, 278, wijs, verstandig. bescheit (bescheet), znw. o., .1/. III, 321, zeker bericht, zekerheid; J/. I, 731, oordeel, of ook beslissing, uitspraak. bescheren, st. ww. trans., KCl. 119, scheren, van de vacht van een dier (zie eene plaats bij vlies), ook van de tonsuur. beseffen (besief, beseven), st. ww. trans., Oo. 123, bemerken, bespeuren, gewaar worden. besettcu. zw. ww. trans., J/. I, 1G1 (vgl. be sat), voorzien van (vgl. de aant.); Ov. 22, instellen, grondvesten, stichten, inrichten. besien (geb. wijs besie of besicli), st. ww. trans., J/. I, 218 en var.; II, 171 en varr., bezien, beschon-Aven, nagaan. besitten, st. ww. trans., bezitten, in bezit nemen; beseten hebben, J/. I, 308, bezet houden, voor iets waken. Vgl. Mnl. Wdb. 1, 1050, 5). â Voor be sat, -1/. I, 161, zie bij besetten. beslnten. st. ww. trans.; Cl. 276, sluiten, dichtdoen; il/. III, 183, ow«-sluiten, omvatten; Cl. 419, opsluiten, ook aan iemand eene bepaalde plaats tot verblijf aanwijzen, hem in eeti-zaamheid afzonderen; hem b e s 1 u-ten in {nl. in der mageden scoot), il/. I, 348, zich opsluiten in , rusten in. besmet, deelw. bnw.. Cl. 2, onzuiver, onrein. Vgl. onbesmet, besniden, st. ww. trans., .1/1,421; 919, beteugelen, beperken, betoomen, eig. besnoeien; besneden met â IC |
AVOOKDRXLT.TST.
|
(loglicd cn, .V. I, 558, gcronnd vut, voorzien van, begaafd met deugden. Ygl. .Vh/. 1(7/6. 1, 1ÃGS. besoeken, z\v. ww. trans., bezoeken, ergens komen; M. Lil, 41 , cl c n (h e i-ligon) berch b., op den berg komen, een voel zetten op den berg. Vgl. Exod. 19, 13: âomnis qui te-ligerit montem, lapidibus opprime-tur, sive jumentum sive homoquot;; j\[. 1, 48, vragen naar iets (besochte, varr. versochte, soebte); JU. I, 221, onderzoeken, nagaan. besondich, bnw., Disp. 418 var. zondig. De jongere vorm. die van den tekst, is besondicht (in de var. is de t later boven hot woord bijgeschreven). bespien, zw. ww. trans., il/. II, 239, bespieden, naspeuren, nagaan. bespringhen (be sprong hen), CV. 479, besprengen, bespuiten. bostaen (bestoet), st w\v. trans., VM. 2; Disp. 53, wagen, ondernemen-, intr., KCl. 15G, toekomen: Ou. 114, verwant zijn, behooren tot. besteden, zw. ww. trans., M. I. 857, plaatsen; aan iemand eene plaats, eene verblijfplaats, aanwijzen. besuren, zw. ww. trans., Oc. 207, lijden, verduren, mei smart doorstaan. beswiken, st. ww. intr. met den 3den nv., M. I, 818; 21. III, 245, in den steek laten, aan zijn lot overlaten. bet (bat), bijw., beter: M. III, 233, meer. betalen, zw. ww. trans., betalen-, enen betalen met, il/. I, 130, iemand begiftigen, beschenken met, d.i. iemand overleveren aan, hem (den boosdoener) ter beschikking stellen van {den duivel). Vgl. Taalk. Bijdr. 1, 70 vlg. betekenen, zw. ww. trans., Cl. 28-, 184, aanduiden, bedoelen. beten, zw. ww. intr., .1/. I, 810, nederdalen uit den hemel. De gewone uitdrukking voor de ontvangenis van Jezus in den schoot der II. Maagd {Mnl. Wdb. 1, 1150). beteren, zw. ww. trans., J/. II, 28, boete doen voor iets, het goedmaken. betoghen, zw. ww. trans., M. I, 35, toonen, aan iemands aandacht onderwerpen . Vgl. v e r t o g h e n. |
bevacn (bevinc, bovaen), st. ww. trans, M. 1, 11 var., vatten, gevangen nemen-, I, 230, omvatten-, III, 24, bevatten, begrijpen-, deelw. be-vaen in, bevangen in [iets): be-va en met, Disp. 50, vervuld, versierd met. bevelen, st. ww. trans., M. I, 140; Disp. 172; 339; 351, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen. bevellen, zw. ww. trans., Jf. 1, 729 var., ten einde brengen, beëindigen, een twist. beven, zw. ww. intr., beven, sidderen, huiveren. Zie de aant. op -1/. 1, 412. â⢠Als znw., Disp. 480, doodsstrijd. bevinden, st. ww. trans., KCl. 95, door onderzoek uitvinden, te roeten komen-, M. I, G7G; OHW. 100 var., begrijpen, doorzien, beseffen. bevleehten, st. ww. trans., M. I, 838, omkronkelen, in zijne kronkels verstikken. bewant, znw. o., M. II, 80, toestand, vgl. lui. bewandtniss, en mnl. be-w e n d e n. bewaren, zw. ww. trans., Oc. 152, van het noodige voorzien, uitrusten, toerusten. Zie Mnl. Wdb. 1, 1205. beweven, st. ww. trans., Oc. 12G, verwerven, behalen. bewinden (hem), st. ww. wederk., M. II, 149; Disp. 534, zich onderwinden , iets ondernemen, zich er toe zetten; M. 1, 933, op zich nemen, op zich laden, eene schuld, eene verantwoordelijkheid. bewisen, zw. ww. trans., toonen-, een bi spel bewisen, KCl. 45, een voorbeeld geven. bewisten (bewesten), zw. ww. trans. Ov. 152, voorzien van, uitrusten of toerusten met. In het Mnl. WJb. is te onrechte identiteit aangenomen van wessen en got. wasjan: dit laatste moet weren luiden, en bestaat nog in eng. wear. liet woord behoort bij mlul. ohd. ags. osa. wist, levensonderhoud. bidden, st. ww. trans., bidden, opt. praet. baden, M. 1, 286; met den 3den nv., Disp. 325, afsmeeken over iemand, hem toewenschen. |
WOORnEXLI.IST.
243
|
bie, znw. vr., Disp. 218; KOL 12, I/ij. biechtinge, znv.'. vr., 31. Ill, 23 var., belijdenis. bieden, st. \v\v. trans., Disp. 410; Cl. 76, bieden, aanbieden^ schenken] M. 11, 111, uitstrekken, richten. bijt, znw. ra. en o.. bijt, opening in het ijs; helsche bijt, de hel, .1/. I, (gt;05; zie soortgelijkeuitdrquot;. bij bat, en meer voorbeelden Mnl. Wdh. op bijt. binden, st. ww. trans., M. I, 193; III, 834, binden, boeien] den wijn b inden, Disp. 148, wijn persen; (met sonden) binden, (inzonden) verstrikken, M. 1, 175, vgl. de aant.; het al binden, M. Ill, 308, samenvatten, in zich besluiten. binnen, bijw., voorz. van plaats en tijd, .1/. lil, 114, binnen] Cl. 159, in, gedurende. bispel, znw. o., KCl. 45, voorbeeld. bladen, zw. ww. trans., Ov. 159; KCL 138, oogsten, plukken, woven, wegstelen; intr., op iet bladen, KCl. 30, teren op, leven van. blaer, bnw., VM. 75, naakt, kaal. blame, znw. vr., Cl. 48; KCl. 3, schande, blaam, kwade naam. blat, znw. o., blad, boomblad, M. I, 158; niet een b., M. I, 239; Disp. 433, geen zier, volstrekt niets. blecken, zw. ww. trans., M. I, 485, rillen, bij nitbr. iemand berooven, tot op het hemd toe uitkleeden, in welken zin ook ndl. villen gebruikt wordt. Vgl. ndl. bnw. blik, d. i. van rel ontbloot (Van Dale); vanwaar blikaars of hlikgat. blent. Zie blint. bleten, zw. ww. intr., Disp. 309, blaten] bij nitbr., schreeuwen, janken. blide, bnw.; Cl. 540, rroolijk, verheugd] Cl. 333, opgewekt, levendig, helder (van oogen). blint (blint), bnw., blind; J/. 1,219, dom, dwaas, onverstandig of ook onverstaanbaar, onbegrijpelijk [ook Sp. 10, 5(), 70); M. 11, 174; Disp. 462. dom , verblind. bliven (deelw. bleven), st. ww. intr.. KCl. 11 , worden met het bijdenkbeeld van duurzaamheid; J/quot;. 1,41(3; 11, 90, bleven sijn, vgl. |
Mnl. Wdh. en Grinira, Wtb. 2, 91 vlg.; des bliven ane, ook op, enen, .V. II, 29 en var.; zich naar iemands {scheidsrechterijk';) uitspraak voegen] Disp. 559, het met iemand houden., zich aan iemand houden. blode (bloot), bnw., Gr. 177, laf, geen moed of kracht hebbende om. bloeden, zw. ww. intr., bloeden] dat her te bloed et mi, Ov. 161, in eone andere opvatting dan thans; zie do aant. bloeme, znw. vr., bloem] .1/. II, 71, het (de) uitgelezene; J/. III, 284, die heraelsche bloemen (var. he ra el blom en), de hemelsche ge-hikxaligheid] vgl. Flor. 1207 vlgg. bloot (Or. 177). Zie blode. bloot, bnw., bloot, naakt] â â- bijw., al bloot, Disp. 408, eenvoudig, zonder omwegen, of ook openlijk (Mnl. Wdb. 1, 1322). blonwen, bluwen, st. ww. trans., .1/. 1. 800 en var., II, 194, ranselen , geeselen. boef, znw. o., Disp. 81, behoefte, nut, voordeel] tuwen boef, te uwen behoeve. Uit behoef. boete, znw. vr., O UW. 76, beterschap, genezing, heeling. boetoen (bottoen), znw. m., Ov. 122, knop, knoop, fr. bonton; bij uitbr. kleinigheid. boglien, zw. ww. trans., ,1/. I, 865, neigen, buigen] wedork., hem boglien, J/. I, 750, overhellen, nei-ging gevoelen] â intr., Disp. 312, huigen, zwichten. bone, znw. vr., boon-, niet een b., 2L lil, 219; Cl. 140, geen zier, volstrekt niet. bont, bnw., sierk afstekend, vloekend, van kleuren; Ov. 241, innerlijk tegenstrijdig, inconsequent, van eene redeneering. boort, znw. m. en o., 1/. I, 151, scheepsboord (vgl bij lage); ane en es boort sijn, Disp. 570, aa)i iemands zijde zijn, onafscheidelijk aan iemand verbonden zijn. boort (.1/. I, 258). Zie bort. bordene, znw. vr., KCl. 193, last; eng. burden, hd. biirde. bort (boort), znw. o., -1/. 1, 258, |
WOORDENLIJST.
241:
|
plank, hout (vgl. Mnl. Wdb. 1, 1387); ook van het kruis, Disp. 73 (indien nl. daar s e i 1 e n moet worden opgevat als hinden). boxicraen, znw. o., Cl. 353, fijn linnen, damast. bout, bmv., .1/. I, 775; 973; Disp. 100; 119; 579; Cl. 202 (attributief vóór het zmv.); Or. 199, stoiit, moe-dig. onvervaard] met den 2den nv., M. I, 507, gerust op, vertrouwende op; over eene mogelijke andere bet. zie bij de varr. op die plaats, boven, bijw., J/. Ill, 105, horen-, KCl. 196, horenaan, vooraan, aan het boveneind der tafel. â voorz., Cl. 61, horen-, Cl. 47, tegen, in strijd met- vgl. ndl. horennatimrlijk. braden, st. ww. trans., Or. 85, levend verbranden, roosteren. brake, znw. vr., Cl. 158, gebrek. branie, znw. vr. CL 152; KCl. 12, braamstruik, brem, ook braamhosch; in fig. toepassing, 2L III, 63, doorn. brant, znw. m., J/. Ill, 304, brand, ruur; M. I, 691, gloed-, helsche brant, der liollen brant, des duvels b., KCl. 102; 175; M. II, 283; III, 337, het helsche ruur. brede, znw. vr., Cl. 443; aid. 459 b r e e t h e i t. broden (breiden), zw. ww. intr., M. III, 111, zich uitbreiden, zich in de breedte uitrekken-, aid., in de varr., trans., uitbreiden. Vgl. de aant. bl. 183. breet, bnw., wijd, breed, ruim-, die we relt breet, J/. III, 458; II, 30; Cl. 460, de wijde icereld; van hot leven, lang, M. I, 203. breken, st. ww. trans., breken, verbreken ; e n e s bant breken, zie bant; openbreken, die helle breken, OHW. 23; ook LoH. 425; 3144; 3929; Bed. d. Misse 855. â intr., M. I, 258, ontbreken, of ook breken, stukgaan. bringen, onr. zw. ww. trans., met een voltooid deelw., gedragen bringen. Cl. 84, aandragen, aanbrengen, aankomen met. broeden, zw. ww. trans., .1/. I, 307, broeden op, bebroeden-, Disp. 491, koesteren, verzorgen. |
broot, znw. o., Disp. 308, brood-, om sijn broot ga en. Or. 171, bedelen-, t hemelse he broot, Disp. 441, hemelsche spy's, de hemelsche gelukzaligheid-, themelsche broot, M. I, 342, omschrijving voor Christus (hot brood, dat uit den hemel is nedergedaald, Joh. 0, 33â35). Vgl. spise. celle, znw. vr., woning, verblijf-, die hoghe e., M. 111, 505, de hemelwoning, de hemel. Zie Mild. Gloss. civetein, znw. m., Or. 224, iemand met een ivereldlijk gezag of een hoog regeeringsambt hekleed; eng. chieftain. daeh, znw. m., dug; VM. 84, daglicht. Vgl. do aant. daerneder, bijw.. Or. 12, terneder. Vgl. hd. darnieder en Tijdschr. 1,135; Mnl. Wdb. op daerneder. daghen, zw. ww. intr., .1/. III, 111, rertoeven, verblijf houden. Vgl. de aant. op bl. 183. daglien, zw. ww. trans., KCL 157, dagen, dagvaarden, voor den rechter roepen. dac, znw. o., dak', but en den dake CL 160, in de open lucht. dal, znw. o., M. II, 138, dal, vallei, ook laagte-, te dale, naar de laagte, naar beneden (vgl. ghetrecken); hier int dal, M. III, 78; OHW. 9, hier op aarde; i n d it dal, Disp. 114, hetzelfde; in desen dale, .1/, III, 307, in dit aardsch bestek, binnen aardsche of eindige grenzen-, thelsche dal, M. I, 960; Disp. 108 var.: KCl. 111, de helsche diepte (vgl. pit), de hel. dalen, zw. ww. intr., dalen, naaide laagte gaan-, in moreelen zin, M. I, 91Ã, zinken. dam, znw. m., 1/. 1, 944, eig. aarden ical, dijk, bij nitbr. (evenals ndl. dijk), iverj, pad. Zie Hild. Gloss, en Mnl. Wdb. 2, 47. dan, znw. m., .1/. I, 56; VM. 59, woud, bosch, afgelegen plaats^ vooral als oord, waarheen men iemand verbant. dan, voegw., vgl. danne; M.\, 543, |
â \VOOm)KXLTJST.
245
|
maar, dan (vair. maer). Vgl. Mnl. Wdb. '2, 54, 3, rloch ook de aant. op bl. 1C6, waar in de lat. vert. lunc staat, danken, zw. ww. trans., danken, bedanken-, M. 1, 283; lil, 400, he-loonen, vergelden. danne, bij w. en voegw., Disp. 453; Cl. 414; Ov. 98 , dan. Op de laatste plaats is de bet. niet van daar, hetgeen wat den vorm betreft mogelijk zou zijn. quot;Vgl. dan. dat, voegw., Ov. 128, voorzoover, lat. quantum (Mnl. Wdb. 2, 88); Disp. 301, omdat (t. a. p.). deel. znw. ra. en o., deel-, een deel. Cl. 529, het een en ander; bijwoordelijk gebruikt, gedeeltelijk. deghcn, znw. m., Disp. 454, held. hier van Christus. decken, zw. ww. trans.. Cl. 13, decken onder sine lede, met zijn lichaam beschermen, onder zijne vleugelen dekken. Misschien stelde men zich Christus in zijne heerlijkheid evenals de engelen met vleugelen voor. Eene andere uitdrukking is decken met sinen clede. Cl. 452, iemand beschermen tegen de aanvallen van een ander-, KCl. 109, verzwijgen, verbergen. delen, zw. ww. trans., O77IF. 52, deelen, toededen; enen sijn geit delen, 31. I, 733, hem geven wat hem toekomt-, J/. I, 741, uitwijzen, door een vonnis beslechten, met het bijdenkbeeld âaan ieder een deel der schuld geven.;' delijt, znw. o., .1/. I, 420; Cl. 2G4, vermaak, genoegen, genot, lust; dat hemelsche delijt, M. I, 003, de hemehreugde, de hemel. deren. Zie bij weldaet. derven. Zie dor ven. dese, vnw., M. I, 107, de tegenwoordige , hedendaagsche. Vgl. de aant. aid. * destrueeren, zw. ww. trans., 31. I, 192, vernietigen, te gronde richten, verderven. |
dialoge, znw. m. en o., 31. I, 29; 974 (vgl. V3I. 29), samenspraak. Onz. wordt het woord ook gebruikt Eng. hss. 1, 135: »dit dyalogus es ghedeilt in vier boeke». Zie over mnl. zinverwanten var. dialoge Su-ringar, Seneka Leren XXIV vlg. dieden. zw. ww. intr., 31. I, 239; Disp. 475, baten, helpen, van nut zijn- 31.11, 153; 155, beduiden,, be-teekenen, van kracht zijn. dief, znw. ra., roover, stru ikroover. Zie de aant. op .1/. I, C87. dienen, zw. ww. intr. met den Bden nv., 31. I, 380 var,, leven voor. dienste, znw. vr., Ov. 4G, dienst. diepe, bijw., diep, Kf'l. 137. diepe waden, vgl. dorewaden; diepe d r i n k e n, KCl. 200, diep in het glas kijken, zwaar drinken, eng. to drink deep. diere, bnw., Disp. 293; OHW. 5; KCl. 63; 73; 99, duur, kostbaar-, Ov. 109, moeilijk te krijgen, zehhaam. diere, bijw., Disp. 300, kostbaar, rijkelijk; diere copen, Vr. 47, duur, voor een hoogen prijs koopen. Vgl. ondiere. diet. znw. o., 31. I, 958; II, 182; 241; Disp. 340; Ov. 10, mik; tla-tij nsc lie diet, .1/. II, 241, de menschen die Latijn spreken. dietsch, bnw., 67. 20, Xederlandsch. Zie Verwijs in Taalk. Bijdr. 1, 217 vlgg. dieke, bijw., Disp. 294, dikwijls. dicwile, bijw.. Cl. 441; KCl. 06, dikwijls. dilovie, znw. vr., 3L 1, 503, de zondvloed. Vgl. lovie. dinghen, zw. ww. intr., Ct. 178, pleiten. dine, znw. o. en vr., ding, zaak-, mv. dinghen, 31. I, 252; ook Sp. Is, 3, 50 (van een nom. dinghel vgl. Sp. 1quot;, 31, 03; âhet ware onschone dinghe, dat iemeno an die galghe hinghe); d i n c e n g h o e n, 31. I, 99; FM. 33; 95, niets-, van een persoon gebruikt, ene ster-vel i k e d i n c, Disji. 132, een sterveling. (linken. Zie dunken. dinne (dunne), bnw., .1/. I, 337: 602; 711; II, 325; III, 73; 0.400, dun, schraal, gering-, ook gering in aantal, zeldzaam, dun gezaaid. disputacie, znw. vr., titel van een der gedichten, samenspraak, dialoog. |
woouriENr.i.isT.
24G
|
tweespraak, redekavelivj. Zie over andere mnl âdisputaciesquot; Suringar, Seneka Leren XXIV, en over de soort van gedichten, Belg. 5, 70. diviniteit, znw. vr., Ov. 171, cjod-geleerdheid. dobbel, bnw., M. III, 411, dubbel. doec, znw. m., doek; s o n d e r v a 1 s c h van doeken, .1/. III, 47, zonder er doekjes om te winden, ronduit, openlijk. Vgl. Mnl. Wdb. 3, 229. doen, onr. ww. trans., doen, vgl.de aant. op ,1/. 1, 7 ; sine macht g e-daen hebben, Jf. I, G47; FM. 11, geen macht of invloed meer hebben, afgedaan of uitgediend hebben-, doen dat. Cl. 304, maken dat, bewerken dat-, dat doet dat, J/. 1, 434 var. dat komt daarvandaan, dat komt omdat, (t. comt dat); te doene hebben. Or. 94, noodig hebben; m en he vet wat doen van. Or. 153, men weet niet wat men aanvangen of uitrichten zal met-, en daeddi. Cl. 140, als gij er niet geweest waart, eng. but for you-, vgl. C/. 410; en ware si, en Mnl. Wdb. op in a e r; als vervangend hulpww., Ov. 210 (= vinden)-, M. I, 377 (= dorsten). doen. znw. o., Ov. 121, dienst, gebruik, md-, hetzelfde als behoef; zie Mnl. Wdb. 2, 254; Ov. 80, wandel, levenswijze. doghen, praet.-praes., deugen, van waarde zijn, van nut zijn, baten, passim. doghen, zw. ww. trans., lijden, moeten dulden, moeten uitstaan, passim, doghetachticheit (doechcl-, doocht-), znw. vr , M. I, 555 en varr., deugdelijkheid , waarde. dolen, zw. ww. intr., M. I, 513, dwalen, eene verkeerde meening aankleven-, Disp. 181, verdwalen, op eene ongewenschte plaats te recht komen. dompelike (domme-, dom-), bijw., .1/. I, 922, donr. op eene domme, onverstandige ivijze. donker, bnw., VM. §1, duister, verduisterd, beneveld, van het verstand, doopsel (dat doopsel, tdoopsel, toopsel), znw. o., Disp. 226, de |
door den doop bexegelde opneming â in het Christendom. door, znw. m., J/. 1, 295; III, 137; KCl. 49, gek, dwaas-, hd. tor. doornich (dornich), bnw., OHW. 35, doornig, bij uitbr. hardnekkig, halsstarrig. dorde (derde), telw., ]\[. I, 417 en var.; 473 en var , derde. doredrlven, st. ww. intr., Vr. 71, doortrokken worden; zie de aant. doregaen (dor-), st. ww. trans., Disp. 57; OHW. 107, doordringen, doortrekken; Ov. 100, gaan door. dorelesen (dor-), st. ww. trans., OHW. 107, doorgroeven, doorwonden. doren (doorn, dorn), znw. m., OIIW. 25 (collectief), doornen, stekels; KCl. 8; 15; 47, (collectief) doornstruiken; Cl. 144, doornbosch, braambosch. dorenaghelen (dor-, -neghelen), zw. WAV. trans., Disp. 230; OHW. 40; 50, doornagelen, met een nagel doorboren; ook scheidbaar vervoegd, OHW. 37, door en door nagelen, doornagelen. Vgl. Brugman 2, 304: âdie handen mitten plompen nagelen doorghenegheltquot;. dorepassen (dor-), zw. ww. trans., Disp. 86, met moeite doorkomen of ten einde brengen, een weg, een tocht. Vgl. mlat. transpassare. doreqnellen, zw. ww. trans., OHW. 40 var., door en door pijnigen, folteren. Vgl. Mnl. Wdb. 2, 333. dorespeten, zw. ww. trans., Disp. 230, doorsteken, eig. ntet een spit of spiets doorboren. dorevlieghen, st. ww. trans., J/. I, 088, als met een pijl doorboren, doorschieten (misschien ook heelt het woord, als men bij hot beela van vs. 087 (vgl. de aant.) blijft, hier eene soortgelijke bet. als op de volgende plaats); Ov. 189, (een land) met een leger afloojien en platbranden. dorewaden (door-, dor-), st. ww. trans., Disp. 80; 438, doorwaden, en fig. doorworstelen; Cl. 4(55, tot aan den bodem toe doorgaan. dorper, znw. m., M. II, 43, dorpeling, boer; I, 50; 069; hd. 120; 170, laag, verachtelijk mensch, man |
WOORHEN LIJST.
247
|
zonder heginselrn â , als bmv, M. F, 583; KOI. 20. dorperheit, znw. vr., OU IV. 47; SH; Cl. G, onreinheid, gemeenheid. (lorperlijc, bnw., .1/. 1, 504; Cl. 448, laag, schandelijk, gemeen. dorpernië, znw. vr., M. III, 257, laagheid, gemeenheid, ontcerende zonde-, Cl. 37.'5, mv., lage, gemecne gedachten. dorren, praet.-praes., durven, passim, dorven, praet.-pracs., behoeven, passim, douwen {dooien, smelten). Zie bedouwen. draf, znw. o., J/ II, 142, heeste-roeder, bepaaldelijk zemelen. Vgl. Mnl. Wdb. 2, 374. draglien, st. ww. trans, (droech,! gh c dreg hen), dragen-, .1/. 1,547; Cl. 32; 47 ; 93 ; 09 ; 378, dragen (eene vrucht in den schoot); Fr. Ik,gepaard gaan viel, vicdehrengrn; minne; draghen, 21. 11, 207, liefde koesteren, liefde toedragen (doch vgl. s a d e); hope draghen ane, OHIV. 9G; CL 108, zijne hoop vestigen op. drake, znw. ra., slang, draal:-, helse h e drake, M. Ill, 491 ; KCl. 06, de duivel. Zie de aant. O]) .1/. Ill, 328, en vgl. IIild. Gloss, dranc. Zie ontfermich. drecht (var. dreft), znw. vr., M. 1, 83; T il/. 82, jacht, vaart, drift. Vgl. Tijdschr. 4, 212. dreft. Zie drecht. dreghen (dreighen), z\v. ww. trans., Disp. 343; 44ü; Cl. 54, dreigen. drieghen, st. ww. trans., r.1/. 23, bedriegen. drievoudicheit, znw. vr., titel van M. III, drievuldigheid, drieëenheid. driven, st. ww. trans., Disp. 110, bedrijven, verrichten-, een en de driven ane, .1/. Ill, 198, een eindpunt of grens stellen aan, vgl. Hild. Gloss.; bliscap driven. Cl. 492, vreugde bedrijven, aan den dag leggen. droglie, bnw., droog-, als znw.. If. I, 38, dat d r o g h e; KCl. SG, met een verschroeide keel, met een brandenden dorst-, M. III, 33, lam, slap, onbruikbaar, eig. dor. |
dromen, zw. ww. trans., M. 111, 283; 487, dringen, duwen, stooten. dropel, znw. m., M. 1, 229, druppel; verkhv. dropelkijn, III, 425, druppeltje. druut, znw. m , .1/. I, 004, gast, klant, snaak, eig. vriend. Zie Verwijs in Hap. Mart. Gloss, bl. 137. dachten (homâ), zw. ww. wederk., Disp. 409, beducht, bevreesd Jjn. dnere (dure), znw. vr., .1/. III, 411; Disp. 143, deur, poort. dunken (dinken), zw. ww. onjiers., J/. 1, 94; Disp. 330 , 337 ; 515; 519; II. 7G; Cl. 94, dunken, voorkomen-, mi dinke, M. II, 202, mij dunkt, ik zou meenen; mi en dunket des niet, Ov. 13; 191, ik houd mij iel met iets bezig, denk er niet over, geef er niet om, het maakt geen indruk op mij. Vgl. Sp. P, 9, 35, waar hem doelde (= lat. mise-rans) niet in afdochie behoeft veranderd te worden; 111^, 28, 44: âdattem doch te sine scadequot; en ge-dinken, Sp. illquot;, 42, 51. dunne. Zie dinne. dureuaghelen. Zie dorenaghelen. dusdaen. bnw., Ov. 111, -.oodanig, zulk een. dusentichst, telw.. Cl. 104, duixendst. dusentichwerf, telw.., J/. I, 489 var., duixendmaal. dusentvout (-fout), telw.. J/.1,489, duizendmaal, op tallooze wijzen. duve, znw. vr., Cl. 83; 85, duif. Zie Mnl. Wdb. 2, 901. dwaen (dwoech, gedweghen), st. ww. trans., wasschen, reinigen, zuiveren-, M. I, 8, vleien, flikflooien. dweilen, zw. ww. trans., .1/. I, 739, dooi dwalen, bedwelmen, het spoor bijster maken. Vgl. Tijdschr. 16, 5 vlg., en het gewone mnl. bed wellen. dwinen (dween), st. ww. intr., Disp. 335, wegkwijnen, vervallen. dwinghen, st. ww. trans., .Â¥.1,395 var.; Cl. 04, bedwingen, beheerschen, overweldigen. echt, bijw., M. I, 452; VM. 86, daarna; M. 1, 85, weder, in tegenstelling met eene andere werking |
quot;WOORDE XIjTJST .
248
|
of toestar.fl (lat. rursvs); vgl. Wdh. 2, 510, 3). echte, zmv. vr., M. I, 844 (lis. J), han, vogelvry ver klaring. Vgl. Mnl. Wdb. op achte en echte. Misschien evenwel staat echte voor hechte; z. alcl. edelheit, znw. vr., .V. I, 67; 72; 98 var.; 552; 55G; 577; VM. 15, adel, edele afkomst-, ,V. I, 89; 95: 501; 582, adeldom van karakter, edele aard. edelike, bijw. Disp. 303, op eene . kostbare wijze, kostbaar, heerlijk. eenwerven. Zie ene werf. eenrehande (eerehancle), bnw., .1/. Ill, 159, eene soort van, een zekere. oei* (ere), bijw., eerder, vroeger-, als znw. gebr., JU, 144, het verledene; VM. 77, liever. eerachtich (e r-), bnw., 31. I, â¢r)(j4, deugdzaam, zich op deugd en eer toeleggende. eerande. Zie eenrehande. cerlijo, bnw., ,1/. I, 273, beroemd, met roem bedekt. Misschien ook moet eerlike als bijw. opgevat en met striken verbonden worden, oeschen. Zie ei se hen. eigen (e i g i n, e i g ij n), bnw., .1/. I, 294, toebehoorende aan, zijnde van (vgl. de aant. en Kil. eyghen, sijns selfs (1. eyghen sijns sell's), suns, sui inris); 473, e. e. onvrij, lijfeigen. eigendoem (-dom), znw. o., M. I, 511; 523, lijfeigenschap, slavernij. *eischen, zw. ww. intr. OHW. 44 var., is wellicht een met such ten en ver sik en zinverwant ww. bedoeld. Vgl. Mnl. ]Vdb.o\) hisscen, iesscen en gisscen; mhd. hëschen, Juschen. el, bnw., ander-, wat el, .1/. I, 121, â wat anders-, iet el. Disp. 31C, iets anders-, â bijw. ,1/. I, 289; III, 434, anders. elc, vnw., Disp. 554, ieder van beiden. Vgl. bij welc. elcinan, vnw., Cl. 355, ieder, iedereen. elcsins, bijw., Disp. 49, op allerlei wijze. |
ellende (ellinde, allende, alin-d e), znw. vr. en o., M. 1, 357 en var., Disp. 389; KCl. 232; 22G, ballingschap, ook de ballingschap of vreemdelingschap op aarde-, bij uitbreiding rampzalige toestand, ellende. Vgl. allinde. els, bijw., .1/. I, 346; Disp. 254; 266, anders; .1/. U, 207 , ergens anders, elders, emmervoort, bijw., M. I, 174, altijd door. Hd. immerfort. ende, voegw., en-, M. J, 364, maar; in de bet. van als, indien, M. I, 658; in den zin van terwijl, M. I, 185; 714. Vgl. Mnl. Wdb. op ende. enewerf, ene werven, bijw. J/. I, 948 (zie de aant.); 180, éénmaal. engten, znw. o., bi heiligen en-giene, .1/. I, 799, uit heilige liefde tot het goede. Zie Mnl. Wdb. 2, 660. enten (geïnt, gehint), zw. ww. trans., Disp. 520, enten-, in figuurlijke toepassing, .1/. I, 440, in tronwen goïnt, rast of onveranderlijk in zijne trouw, vgl. Lsp. I, 31, 52: ,.ghcint in erenquot;, en Verk. M. 88: âin eren ghehcchtquot;. entronwen, bijw., Disp. 165, in 'waarheid (verouderd in trouwe], ongetwijfeld , voorzeker. erdsch. Zie ertsch. ere, bijw. Zie eer. eren, zw. ww. trans., eeren. Ook met den 2den nv. van een als een vrouwelijken waardigheidsnaam beschouwd appellatief, M. I, 855. erre, bnw., M. I, 493, kwaad, hoos, vertoornd-, vgl. ndl. âin arren moedequot;. ertsch (erdsch), bnw., aardsch; ertsche ween. Cl. 411; e. dal, .1/. I, 876; UI, 442; e. goet, -1/. 1, 366; 797. erve, a r v e, znw. o. en vr., Disp. 296; 365; erfdeel, erfgoed-, die hog he erve, Vr. 53, het hemelsche erfgoed, de hemel. ervelijcheit, znw. vr. Disp. 341, erfgoed. evel, bnw., slecht, kwaad-, J/. 1,801 var., UI, 373, kwaad, hoos. toornig. evel, znw. o., M. I, 673; Cl. 292, euvel, kwaal, ziekte. evelmoet, znw. ui., M. I, 891; UI, 373 var., toorn, gramschap. |
woordenlijst.
249
|
even, bijw., fj:en; even here, waarin here, als bnw. moet worden opgevat, .1/. III, 313, even verheven (vgl. here); KCl. 122, altijd even zeer, of ook in hoocje mate. Zie de aant. evenglielijc, bnw., .1/. III, 213, ye-Jteel gelijk, rol maakt gelijk. Zie Mnl. Wdb. 2, 751. evengheweldich, bnw., ook met don 3den nv., .1/. I, 808; III, 212; 313; even machtig [als), gelijkmachtig {met). faelgeron (-ieren), zw. ww. intr.. Ou. 110, zijne kracht veiiiexcn, [iemand) hegeven-, missen, te kort schieten: sonder f., zonder missen, zonder in gebreke te tdij ven, zonder inankeeren, ongetwijfeld. feeste, znw. vr., feest] M. III, 420, vreugde, reden tot blijdschap. fel, bnw., boos, wreed, kwaadaardig, passim; M. I, 503, vreeseljk, verschrikkelijk. fi (tt'i), tusschenw., .1/. 1, 47 5 var. (t. spi), foei! bah! uitroep van de diepste verachting. fier, bnw., .1/. II, 29G; Disp. 258; 291; Or. 162; e. e., trotsch; fiere moet, Disp. 225, trotschheid; tieren moet tonen op, KCl. 05, trotsch zijn op, mooi weer spelen van. figure, znw. vr., figuur, gedaante, gestalte; Cl. 40, beeld, ook een beeld waardoor eene gedachte uitgedrukt ivordl, bij uitbr. wijze. fijn, znw. m., .1/. 1, 290, einde, voleinding ; e n e s f ij n maken, K( 'l. 78, iemands rekening sluiten of vereffenen en hem daardoor bevrijden van verdere verplichtingen, hetz. als enen guiten. fijn (fine), bnw., .1/. I, 502; 615; III, 422; Cl. 287; 386, voldoende aan de eischen zijner natuur, voortreffelijk, volmaakt-, ook schoon, edel, rein. f leen wen. Zie bij vleen. fonteine, znw. vr., O//II'. 61; 68; Cl. 29; 250, bron, springbron-, dei-hellen f., Ov. 233, omschrijving voor de hel-, .1/. II[, 432; Cl. 229, bron, oorsprong. fray (fraey), bnw.. Cl. 21; 528, schoon. Vgl. Mnl. Wdb. 2, 845 vlgg. Wapcne Marlijn e. a. Gcd. |
frnut, znw. vr., Gr. 156, collect., vruchten-, .1/. F, 667, vrucht, heilrijk gevolg. Zie Mnl. Wdb. 2, 856. fntselare, znw. ra., .1/. 1, 429, heu-zelaar, tijdverknoeier. gaderen, zw. ww. trans., .1/ I, 772 var., KCL 159, vergaderen. gadergout, bnw., M 1,112, schraapzuchtig, inhalig, op den penning. Eene samenstelling als vraagal, doeniet, dwingeland, spilpenning, stokebrand, brekespel enz. gadsat. Zie god sat. gaen, st. ww. intr., Disp. 522 e. e., gaan-, ter redenen gaen, Disp. 514, met het verstand te rade gaan, laten gaen, M. II, 57, laten hopen-, laten gaen int ghemene, .1/. 1, 641, voor iedereen beschikbaar stellen (vgl. bij ghemeen). gaer, znw. m., M. I, 333; 759, begeerte. gaerde, znw-. vr.. Cl. 235, tak, rijsje-, vgl. ndl. gard-, eng. yard. galle, znw. vr., gal; Cl. 87, nijd, boosheid, afgunst. Vgl. Mnl. Wdb. 2, 901. gans, bnw., Disp. 556, goed in vijne soort, gezond, betrouwbaar. gansen, zw. ww. trans.. Cl. 9, gezond maken, heelen, genezen-, ook goedmaken, uitwisschen (eene zonde), gapen, zw. ww. intr., gapen; gapen o m m e, Ov. 27 , snakken, hijgen naar, belust zijn op. gast, znw. m., .1/. 111,119; Cl. 279, vreemdeling-, Disp. 82 gezegd van Christus, die uit den hemel was nedergedaald. gat, znw. o., .1/. 1, 407, gat, opening-, die hant sonder gat hebben, .1/. I, 791; KCL 162, gierig zijn. Vgl. Sp. Illquot;, 17, 28: »die hant int cromme houdenquot;, en het tegenovergestelde, UI7, 8, 26: âeen gat in die hant hebbenquot;; zie Tuinman , Spreekw. 1, 93; door tselve gat cru pon, Disp. 180, iemands moeilijk pad hem natreden, hem navolgen-, .1/. II, 128; OllW. 72; 79; 85; 93, wond-, .1/. I, 245, deur, poort: vgl. eng. gede. glieanien. Over een mogelijk ww. 17 |
quot;WOORDENLIJST.
250
|
van dozen vorm met Je bot peilen, doorgronden, zie do aunt, op .1/. IJ 1, GO. gliebieden, st. w\v. trans., .1/, 11, 106, ivillen, verlangen: als elliptische nitdr., waaronder men te levene moet verstaan, M. 1, 340, scheppen, in het aanzijn roepen. ghebijt, znw. o., Cl. 271, het verscheuren van iemand, bij uitbr. ge-pijnig, gemartel, van de lielsche folteringen. glieboort, znw. vr., Fr. 21, geboorte. Zie Mnl. Wdb. op geboorte, ghebreken, st. ww. intr. met den 3den nv., Cl. 102, ontbreken. gliebringhen, zw. ww. trans., M. 11, 335, brengen. Vgl. bij dit en de volgende samenstellingen met ge-, Mnl. Wdb. op ge-. gheburen (g he beu ren, g he boren), zw. ww. intr. met den 3den nv., M. II, 299, geheuren, ie beurt vallen. gliecessen. Zie ghe sees sen. ghede, znw. vr., Cl. 504, helijdc- uis (?). Vgl. de aant. ghederen, zw. ww. intr. met den 3den nv., .1/. III, 174, kwaaddoen, henadeelcn, schaden. ghediën, st. ww. intr., .1/. 1,19; III, 248; VM. 25, gedijen, roorspoedig zijn, vooruitkomen. gliediet, znw. o., M. I, 958 var., volk, geslacht. ghedochte, znw. o. en vr., ,1/. 1, 103; Vr. 44, zin; soms ook hetzelfde als ndl. gedachten. ghedoghen, zw. ww. trans., M. I, 237; Oc. 206, lijden, dulden, verduren-, intr., M. I, 39, de lijdelijke rol spelen bij eene samenspraak, dus antwoorden. Zoo ook Sp. Is, 36,147 (»swijch ende ghe do ochquot;). In denzelfden zin M. I, 457 , 464 ver-draghen. Vgl. hiermede de in het Mnl. Wdb. vermelde bet. eene lijdelijke rol spelen in een tweekamp, een vijand afweren. ghedoghen, znw. o., J/. I, 747, het spelen ran eene lijdelijke rol, het zich moeten onderwerpen aan den wil ran een ander. gliedooch, znw. o., Disp. 494, lijden, pijn. smart. |
gheduron, zw. ww. intr., M. 1, 90, blij ren; II, 289 , duren, stand houden, in ivezen blijren. ghedwas, znw. o., ,1/. I, 108, iets dal niets betrekent. een hersenschim, een niet. glieel, bnw., Vr. 51, geheel, mei lichaam en ziel. ghegade, znw. m., hetzelfde als genoot; KCl. 140, genoot, gezel: sou der g., Cl. 332. hetzelfde als sou der ghenoot, zonder wedergade , iveergaloos, onvergelijkelijk. ghegare. znw. o., Cl. 357, kleeding, gewaad, dos. ghegripen, st. ww. trans., Or. 77, vastgrijpen, omklemmen. ghegronden, zw. ww. trans., M. I, 182; 250; 261 ; III. 143; Disp. 403; Cl. 445; 530, doorgronden, peilen. A'gl. gronden en gr on doren, ghegronderen, zw. ww. trans., .1/. 111. 143, doorgronden. ghehumen, zw. ww. trans., M. III, 60, be ratten, hegrijpen. Zie JVap. M. bl. 117, doch ook de aant. hier op .1/. III, 60. gheharmen (ghe her men) zw. ww. intr., rusten] laten g., KCl. 153, met rust laten, tol rust laten komen. ghehat, bnw., M. I, 410; II, 288, gehaat hij. Zie de aant. in de varianten op de laatste plaats, en vgl. liefgetal van (Mnl. Wdb. 4, 54), leet van (4, 294). Vgl. ook hat, liaat, en god sat (bl. 254). ghehelpen (gelpen), st. ww. trans., M. I, 670 en var.; II, 114, helpen. ghehende, ghe hinde, biiw., Cl. 207 ; 441 , nabij. ghehengeu (g h e hi n g e n), zw. ww. trans., M. 1, 163; II, 113, jehen-gen, gedoogen, toelaten. ghehenc. Zie ghehinc. ghehinde. Zie ghehende. ghehinghe, bnw., M. III, 23 vair. z. Mnl. Wdb. 2, 1134 op gehenge. ghehinc (ghehenc), znw. o., M. III, 21, vergunning, wil, toestemming. ghehint (gheïnt). Zie enten, ghehitten. Zie bij hitten, glieclach. znw. o., Disp. 106; Ou. 217, geweeklaag, gejammer, beklag. |
WOORDENLIJST.
251
|
gheclaghen, zw. ww. intr., .1/. III, 10G var., klagen. ghecleet. Zie cl eden. ghecnu', znw. o., .1/. F, 712, lawaai, leven. Zie Mnl. Wdh. 2, 1174. ghccri, znw. o., ,1/. I, 478, lof, toejuiching, eig. geroep, roep die er van iemand uitgaat. gliecriglien, st. ww. trans., Ov. 122, verkrijgen. ghelaet, znw. o., Disp. 291 , houding, wjze van zich toor Ie doen, uiterlijk, manieren. ghelaten (hem â), st. ww. wodork. met den 2den nv. der zaak, Dixp. 536; zie de aant. en vgl. Troyen 6G5(i. ghelden (gaut of gout, ghegou-den), st. ww. trans., M. I, 303, betalen, vergelden\ Disp. 101; 217; 383, betalen, boeten. glielede. Zie gheleide. gholeet (il/. I, 200). Zie leiden, gheleide (g hele de) znw. o., M. I, 740, leiding, voorgang, bestuur-,' geleide, bescherming-, in eens gheleide sijn, Cl. 450, iemand begeleiden , beschermen, in zijne h.ncde nemen-, vgl. eene soortgelijke uitdr. bij gevaerde. glieleiden (gheleden), zw. ww. trans., Disp. 310, leiden, voeren, brengen. glieles. bnw., M. II, 258, zeker, overtuigd. ghelesen, st. ww. trans.. Cl. 103, verhalen, zeggen, mededeelen. gheliden. st. ww. trans., M.l, 91G, lijden, verdragen, uitstaan. gheliden. st. ww. intr., M. I, 42G var., voorbijgaan, overgaan, te niet gaan-, varr. glijt, waarmede gheljt op deze plaats als identisch moet beschouwd worden. glielijc, bnw. met den 3den nv., ge-' lijk; als znw. o., M. 1, 2CC, gelijke , gelijksoortige, overeenkomstige zaken; ook meermalen zoo geconstrueerd als ghelijc eig. vergelijkend voegwoord is, .1/. 1, 195; Ov. 85; 87. Zie Mnl. Wdb. 2, 1246. glielike, bijw.. .1/. I. 734, gelijkelijk, op (lelijke wijze, in gelijke mate. ghelof, znw. o., .1/. 1, 3 varr., lof, eer. Vgl. bij lof en zie Mnl. Wdb. |
2, 1272: of is ghe'ove, geloof, bedoeld ? ghelpen. Zie g he help en. gheloven. zw. ww. trans.. KCl. 203, beloven. ghelt. znw. o., Disp. 36i), vergelding, betaling, loon-, in dezen zin nergens anders gevonden. glienianc, bijw., M. UI, 207, te zamen, ook kan men liet vertalen door al voor het vnw. dat (u-at)-vgl. .)////. Wdb. 2, 1324 vlg. glienianc, bnw., Ov. 234, gemengd, bestaande uit. gliematen, zw. ww. trans., matigen; ook als wederk., KCl. 123, zich matigen, zich in toom houden. ghemeen (ghemene), bnw., .1/. I, 618 ; 627 , gemeen {goed), gemeen-schappelijk {eigendom); â als znw., int ghemene laten gaen, .1/. I, 642, gemeenschappelijk eigendom laten zijn, vgl. den term communisme; ,1/, 1, 315, algemeen, algemeen bekend, alom gebruikelijk- als znw., int ghemene, KCl. 7, in het algemeen, in het wilde-, met den 2den nv., OH (F. 119, deel uitmakende van, hehoorende tot. ghemene (ghemeine), bijw.. Cl. 39; 225; 253; 408, te zamen, bij elkaar-, Disp. 84, in zijn geheel (het woord kan hier ook als bnw. bedoeld zijn met de bet. (/eforf). Vgl. alghern e n o. ghemeren, zw. ww. intr.. .1/. 1,373 var., vermeerderen, toenemen. ghemerken, zw. ww. trans., M. III, 79 var., opmerken. glieminnen. zw. ww. trans., .1/. II. 190 var., minnen, liefhebben. ghemoet. znw. o., KCL 58, ontmoeting , vijandige bejegening. ghemoeten. zw. ww. intr. met den 3den nv., M. 11, 244, vijandig ontmoeten, tegenstreven, zich verzetten. ghemoghen. praet.-praes., .1/. ill, 9 var., mogen. ghenade. znw. vr., genade-, ghe-n a d e bidden an. Cl. 335, : ich verwonnen verklaren door, er roor wijken of onderdoen: enen g. doen, KCl. 146, iemand goedertierenheid be wij \ en. |
WOORDENLIJST.
252
|
glipiiarticheit. znw. vr., Cl. 229; 295; 445, qenade. ghenaken, z\v. ww. intr., met don 3den nv., .1/. III, 160, hi de na-hijheid komen van, naderen, bereiken. fïlieneiulcn (hem â), zw. w\v. wc-derk., .1/. II, 45, iich verstouten tot iets, het wagen. gheneren (liom â), zw. ww. -vve-derk., .1/. Ill, 179; IJisji. 377, zich roeden, zich onderhoud en. ghenesen, st. ww. intr., M. 1, 114; 299; II, 254; Cl. 97, in het leren of behouden blijven, ergens ongedeerd afkomen-, .1/. Ill, 251, bevallen- Cl. 188. gene-.en, herstellen-, sender g., OinV. 104, ongeneeslijk. â trans., .1/. 1, 957, heden, ook herstellen , goedmaken, de schadelijke gevolgen ran iets wegnemen. ghenietcn, st. ww. trans., Disp. 164, smaken, onderrinden; M. 11, 192, lijden, te verduren hebben', in de uitdr. den ban g.; vgl. deaant. ghepeinsen, zw. \v\v. trans., .1/. I, ü70 var., Cl.ü, bedenken, uitdenken. glieplet, deohv. bnw. van pletten, KGl. 208, pl'if-, rechtuit uitgestrekt, van een doode. glie|»i'ijs, znw. o., M. II, 09 var., lof, achting, pnjs. glieprinden. st. ww. trans., M. Ill, 338 var., wegnemen, ontroeren. glieraden. st. \v\v, trans., KCl. 34, raden, met raad bijstaan-, ten weg he g., op den rechten iveg brengen. gheraken, zw. ww. trans., KCl. 81, raken, treffen-, .1/. 111. 101; Cl. 21, ten uitvoer brengen. tot stand brengen. gheriuiien, zw. ww. trans., .1/. 111, 00 var., beramen, ontwerpen. glierat. bnw., Disp. 171, fink, degelijk, voortreffelijk. Zie Mnl. Wdh. 2, 1492, douh ook Anz. 8, 101. Daar glierat een voor Christus niet zeer passend epitheton is, zal het hier als bij w. moeten worden opgevat in de bet. snel, of liever n/et ijver, met aandrang. gliere, znw. in.. Cl. 221, begeerte. gherecht, bnw.. Cl. 117, ivaartoe men gerechtigd is. gegrond, waarop ] men recht heeft. |
glierede. bijw., terstond, dadelijk-, bij begrippen van w eten, zeker, zonder zich te bedenken, Cl. 440. Vgl. g her eet, bijw. glioreet (g he re it), bnw., -1/. II, 28, bereid, gereed-, Disp. 242, bereid willig, .onder tegenzin-, zoo ook M. II, 310, doch daar kan men het woord ook als bijw. opvatten in de bet. gaarne-, ge reet te, 077 IF. 108; Cl 301, geneigd tot, bereid om te; â bijw., M. III, 109, onmiddellijk (vgl. gh e r e d e), doch hier kan men het woord ook als bnw. opvatten in de bet. voorhanden, aanwezig. gheregneren, zw. ww. intr., Disp. 377 , regeeren, een hoog regeerings-ambt bekleeclen. gheren. zw. ww. trans., ook met den 2den nv., OI1W. 114, begeren, verlangen naar. glierisen. st. ww. intr., J17. I, 542, rij-.en, stijgen. gherocn, zw. ww. intr., J/. I, 371; II, 49; 229,rusten; laten geroen, met rust laten. gheroven, zw. ww. trans., M. I, 554, beroovcn. glierusten. zw. ww. intr., .17. II, 255, rusten, rustig zijn, in eene kalme stemming :.ijn. gliescadcn. zw. ww. intr. met den 3den nv., J7. I, 719, schaden, be-nadeelen. ghescal, znw. o., .17. I, 872; 950; Disp. Ill; 158, rumoer, leven, lawaai, ophef. Vgl. ghecrac. gliest'lieet (ghoscheit), znw. o., M. I, 731 var., uitwijzing, beslissing, vonnis, uitspraak, of wellicht oordeel, overleg, verstand-, dat vruehtelike g.. Cl. 449, het vreeset ijk oordeel, het jongste gericht. gliesclioppen , st. ww. trans., .17. III, 208; 470 var., scheppen. gliescesscn (ghecessen), zw. ww. intr., .17.11, 255 var., tot rust komen. gheschien, zw. ww. intr. met den 3den nv.. Or. 1; .1/. II, 108; Cl. 385, overkomen. ghescoot. Zie se oen. ww. ghescouwen. zw. ww. trans., M. I, 448 var., waarnemen, iets merken. glieset, deelw. bnw., KCl. 136, |
WOORDENLIJST.
253
|
glioset op, gebeten op, gekant tegen. Vgl. hel. aufsüssig (aufscitzig). Geset op heeft ook do tegonoverge-stolclo bet., nl. op iets gesteld. gliesiiule, znw. o., Cl. 442, gezin, omgeving, kring van volgelingen, de .â¢.ijnen. Vgl. meisniede. gliesonde, znw. vr., OHIV. 04, gezondheid. ghespan. znw. o., .If. I, 59; H, 193; VM. 57, samenspanning, verhond of overeenkomst, meestal met oene slechte bedoeling (vgl. ndl. eedgespan)-, Disp. 420, menigte volks, een hoop menschen, eig. troep, hende. Argl. convent. glicspien. z\v. w\v. intr. spieden. loeren-, als znw., J/. 1, 74G var., geloer, gelonk. ghespin, znw. o., J/. 11, 206, spinsel, weefsel. ghestade, bnw., .1/. II, GS; 204; III, 192, standvastig, bestendig, gestadig-, Cl. 333, rustig, zacht stralend (van oogen gezegd). gliestaen, st. ww. intr., Disp. 37, blijven staan. stand houden. ghesterken. zw. ww. trans., ,1/. III, 253 var.. sterken, bevestigen. gliestoten. deelw. bnw., .1/. 11. 23 var., hetzelfde als s to tol; z. aid. en vgl. ndl. geheten op, geslagen vijand, mnl. dootslaghen viant. Vgl. Westerwoldsch Landr. 29, 3: »van eon stotene bullequot; (opschrift; in hot art. stoteseh). glietaken, zw. ww. intr.. M. 11,150 var., raken aan. zich in de onmiddellijke nabijheid van iets bevinden. Zie Mnl. Wdh. 2. 1727. glietal, znw. o., M I, 281, getal, som; sondor g., M. 1. 882; 954; II, 131; 137; Disp. 1G1; OUW. 6, ontelbaar, onmetelijk, eindeloos, zonder einde-, ook gebruikt van niet telbare zelfstandigheden. Zio Mnt. Wdh. 2, 1730. ghetel. znw. o., hetzelfde als gho- t a 1, Disp. 323. ghetessen, zw. ww. intr., M. 11, 255, zich voegen, zich schikken, zich rustig houden. Vgl. Strojih. GedX bl. 147 vlgg.; Tjdschr. G, 300 vlgg. glietoglien, zw. ww. trans., .1/. !, 85, toonen, vertoonen, doen schijnen. |
glietonen, zw. ww. trans., M 1, 85 var., toonen, vertoonen, *glietrac, znw. o., verkeerde lezing voor gecrac, Wap, .1/. i, 712 var.; zoo ook Rein. H, 1958. glietrecken, st. en zw. ww. trans., .1/. I, 12G, te dale glietrecken, naar heneden halen, ten val brengen, glietrooston (homâ), zw. ww. we-derk.. Cl, 141, hoop kunnen hebben op, moed of vertrouwen hebben in of op. glievaerde, znw. vr., reisgezelschap, geleide; i n ones ghevaerde s ii n, Cl, 245, iemand in zijne bescherming nemen, Vgl. bij gheleide. glieval, znw. o., M. I, 738, toeval (vgl. deaant.); Ill, 77, toeral, wissel-valligheid; 111, 438, geluk, voorspoed. glievallen (ghevel), st. ww. intr. met don 3den nv., Disp. 322, gebeuren , overkomen. gheveinst. Zie ghevenst. gheven, st. ww. trans., geven-, den slach gheven, OHW. 117, zie bij slach; â als intr., KCl. 21, moghen gheven. rijk zijn. gheveiiijnt, deelw. bnw., 67. 1SG, vergiftigd, ghevenst (gheveinst), deelw. bnw. van ven sen, ,1/. 1, 146, verzonnen-, gheven sde(gheveinsde)sprake, de romantiek. Vgl. ven sen. glieviseren (-i ere n), zw. ww. trans.. Cl. 74; 347, uitdenken, verzinnen, bedenken. glievoecli, znw. o., Disp. '255, nooddruft, behoefte-, na sijn g,. Or. 204, naar ; ijn welbehagen , naar -. ijn wil, zooals hem lust. ghevreest. Zie vre sen. glievroedpii, zw. ww. intr.. il/. I, 757, begrip hebben, verstand hebben-, â hem ghevroeden, J/. I, 779, begrijpen-, inzicht, begrip hebben. gliewaghcn, zw. ww. trans., .1/. 1, 463 var., wagen, ondernemen. Vgl. Mnl. Wdh. 2, 1856; mhd. gewagen. gliewaghen (ghewoech, ghewa-ghen), st. ww. trans, en intr., .1/. f, 207; Ov. 228, uitkomen voor, eig. gewag of melding maken van (Cl. 106). gliewant, znw. o., KCL 'â )') . gewaad, kleedij. |
WOORDENLIJST.
254
|
gliewat, ghewade, znw. vr. en o., J/. I, 893, gevaarlijke plaats in het water, jilaats met een sterken stroom, diepte. Zie 71/«/. Wdh. 2, 1870, 3 en vgl. on ghewade. gliewepen, zw. ww., Ov. C8, öf trans., hehoeden, beschermen, of intr., haten, helpen. Vgl. Mnl. Wdh. 2, 1887. gliewerke, znw. o.. .1/. UI. 72; 80, iemands gezamenlijke werken, het werk zijner handen. Vgl. hantglie-w e r k e en eng. handywork. jyliowoten, praet.-praes., Disp. 233, weien. gliewin, znw. o., Cl. 898, icinst, nut, roordecl; J/i Ill, 142, o m g h e e n g h e w i n, al kon men er ook nog zooveel men winnen-, J/. III, 7G, voordeel, voorspoed-, gliewin e n d e g h e v a 1, voor- en tegenspoed, de wisselvalligheid van het aardsche; M. III, 231, boven g h e w i n n e, meer dan alle. andere denkbare voor-deelen. glicwont, znw. vr. en o., Disp. 125, macht-, Disp. 576, kracht, geweld-, .1/. I, 246, geweld, strengheid-, bi Gods ghewoude, Cl. 200, door Gods macht. gliien. zw. ww. trans, met den 2den nv., .1/. I, 141; 752; 902; II, 115; 270; III, 221; 416; Z)^). 213; 268; KOL 118, bekennen, erkennen-, ane enen gien, JA II, 175; Cl. 70, iemand (iets) belijden. Vgl. liën, waarmede ghien ook verbonden voorkomt, M. I, 752. gliier, znw. m., Ov. 159, het als znw. gebruikte bnw. ghier, heh-zuchtig, inhalig, schraapzwhtig. Het woord valt samen met het overdrachtelijk gebruikte znw. gier, roofvogel. Misschien ook aldus te lezen KCl. 37. ghierich, bnw., KCl. 39; 52; 98; hebzuchtig, inhalig, schraapzuchtig; g. o mme, KCl. 69; 190, begerig naar-, als znw. gebruikt, KCl. 37. Vgl. bij ghier. gliiericlieit, znw. vr., M. I, 622; |
631; Ov. 116, 1 ichzucht, inhaligheid. {â â Iiicten, st. ww. trans., Ov. 180, gieten, vergieten, storten, vgl. storten, vs. 179, en sceiden, vs. 7; â intr. zich storten, vgl. ingieten, naar binnen stroomen, Ov. 63. fi'liinji'lio, bnw., M. III, 23, gangbaar, deugdelijk, algemeen erkend of aangenomen. Zie Mnl. Wdh. op gen ge. ghissen, zw. ww. intr., gissen fissen op, OHW. 113, verlangend uitzien naar, reikhalzen naar. In het Mnl. Wdh. wordt geene plaats vermeld, die geheel met deze overeenstemt en ook het praeteritum is vreemd. De vraag is, of hier niet wellicht het praes. van een ww. gisten bedoeld is. Dit zou zeer goed identisch kunnen zijn niet mnl. gis-schen, d. i. eig. slokken, snakken, naar adem hijgen. Ndl. snakken naar wordt juist gebruikt in de hier ver-eischte bet. Een ww. *gisten indezen zin is weliswaar nog nergens gevonden , doch het kan zeer goed bestaan hebben; vgl. ook ndl. gisten. quot;gisten. Zie het vorig art. fïlidon, st. ww. intr., M. 1, 426 var., wegzinken, wegzakken, verdwijnen {t. tegliden, var. gheliden). Vgl. Mnl. Wdb. op gliden, 3). glint, znw. o., M. II, 72 var., schatting, borstwering, doch de lezing is de ware niet. Zie Mnl. Wdb. op g e 1 e n t. Kloet (ook gloede), znw. vr., M. I, 168; 310; 766; OHW. 11; Ov. 166; KCl. 152, gloed. godsat (gadsat), znw. m., eig. Gods hat, d. i. Gods vervolging, straf, wraak, in de gewone verwen-sching Godsat hebdi! bij uitbr. vloek, smaad, hoon, M. I, 814 on var. goede, znw. vr., M. I, 162 var., goedheid-, vgl. de aant. goet, bnw., goed, Disp. 553. Vgl. voor de constructie Mnl. Wdh. 2, 2040; â als znw., .1/. I, 162 (vgl. de aant.); Disp. 222, zegen, zegening. Kdiinon. praet.-praes., uit geonnen; Cl. 328, gunnen, verleenen. Vgl. onnen. goutdract, znw. m.. Cl. 326, gouddraad. Vgl. Lane. Ill, 8825; »haer hare, dat soo scone was ende soo claer, datmen die goutdrade ende |
WOOÃDENUJST.
255
|
flat liaer mot pincn mochte onderkinnen.quot; graet, znw. m., graad-, van grade te graden, M. I, 282, van stukje tot beetje, tol in de kleinste bijzonderheden, tol het laatste toe. graf, znw. o., graf; der herten graf, .1/. Ill, 39, het diepste van hel gemoed, zonder het bijdenkbeeld van verplichte geheimhouding, gram, bnw., M. II[, 351, vertoornd, verstoord. gram, znw. m., .1/. 1, 943 var., toorn, gramschap-, hd. gram. gramavien, znw. m., .1/. II, 2G1, taalkundige, redekundige, vooral niet hot bijbegrip van de kennis der Rhe-torica. Zie A.sy;. Gloss. De vormen op -ien (fra. -ien, lat. -ianus) komen naast die op -ij n (lat. -inus) voor. grau, bnw., KCl. 10G, grijs, van ouderdom. Vgl. grijs. greine, znw. vr., Cl. 232-, Of. 280, scharlakenkleur, bloed. grijs, bnw., Disp. 595, grijs, oud. Vgl. grau. grincn, st. ww. intr., J/. I, 95, grimlachen , grijnslachen; Bisp. 335, schreien, een ongelukkig leven hebben. Vgl. Mnl. Wdb. 2, 2144 vlg. groete, znw. vr., groet: die hoge groete OHW. 77, de hemelsche gelukzaligheid. Misschien eene verkeerde vertaling van lat. suprema salus [Stroph. (?«/.!â Gloss. 208; Mnl. Wdb. 2, 2158), doch eerder nog zal aan de uitdr. een door ons nog niet lierkend denkbeeld ten grondslag liggen. grongeren (-ieren), zw. ww. intr.. Cl. 77, brullen, woedend tieren, ha. grogner. gront, znw. m., einde-, van be-ghinne te gronde, M. 1, 598, van het begin tol hel einde, van A tot Z, nauwkeurig. gruwen, zw. ww. onpers.; mi gru-wet van. Or. 24ö, ik gruw van, ik heb een doodelijken schrik voor. guere, gure, znw. vr., M. III,413; OHW. 38, geur. guiselike, bijw., Of. 105, gulzig, gretig. Van guls, bnw., gulzig. |
haen, st. ww. intr., Disp. 33, hangen. Zie Mnl. Wdb. 3, 9. haerde. Zie horde. liae. znw. m., den hac werpen op, .1/. I, 713, iemand verwijten doen. Vgl. ndl. hakken op iem. en de)i pik ojj iemand hebben. Misschien is de eenigszins vreemde uitdrukking te verklaren uit de samensmelting van eenen hac oji enen hebben, en enen lac up enen werpen. haken, zw. ww. intr., M. Ill, 1C7, haken, vurig verlangen naar. Vgl. Mnl. Wdb. 3, 32. hale, znw. vr., M. Ill, 30G, verborgenheid; in stilre hale, Cl. 277, in het geheim, in stilte, inhei verborgen, ongemerkt. Iials. znw. m., Cl. 352; enen te hal se riden, Ov. 37, iemand op den nek zitten. Zie Mnl. Wdb. 3, 53. handelen, zw. ww. trans., M. Ill, 15, handelen orer, spreken orer (een onderwerp), behandelen. hanghen, st. ww. intr., hangen-, han-g hen in, J/. 1, 397, zweren op, liggen op {de tong, met het bijdenkbeeld dat het gesproken woord niet uit het hart komt). hantghcslach, znw. o., Disp. 20G, rouwmisbaar, handenwringen (Disp. 11; 134); ook roiw, beklagenswaardige toestand. hare, bijw.. Cl. 233, hierheen. haren, van haren. Cl. 515, wel te lezen van II haren, in de verte niet, op verre na niet. Zie de aant. hartvanc, znw. m. benauwdheid: die leste h., Vr. 59, de laatste benauwdheid, de benauwdheid des doods. hate, znw. vr., OHW. 89, haal, vijandschap, nl. van God. Vgl. g o d s-h a t. have, znw. vr. Eig. roerend goed; bij uitbr., .1/. I, 3G2, goed, 'bezitting, ook van onstoffelijke goederen, hechte, znw. vr., J/. I, 844 (lezing van alle hss. behalve A, die verzuimd is op te geven), hechtenis, gecangenschap. lieerde. Zie her de. heet, bnw., heel; als znw., OHW. 105; Disjj. 301, hitte; enen heet, M. I, 200, op ionand vertoornd. |
WOORDENLIJST.
2óü
|
rerJdtterd; Dis p. 244, hartstochtelijk, met het denkbeeld van vijandschap; il/. II, 304, vurig, innig, met het bijdenkbeeld van gehechtheid, vereering. licffen, zw. ww. trans., J/. TI, 184 var.; VM. 54, verheffen; â intr., .1/. II, 184, zich verheffen (varr. verheffen). heide, znw. vr., Cl. 139, veld. lieiligheest, znw. m., uit lieilighe gheest. Cl. 242. Vgl. liewouw, vlaamsch voor Here vrouw] gri. idolatrie voor idololatrie. lieisclicn (heesclien, hiesch), st. ww. trans., Or. 131, eischen, rorder en. lieldou, zw. ww. intr., ,1/. 1, 151, orerhellen. Vgl. boort. liolon. st. ww. trans., ,1/. I, 283 (vgl. de aant.); Disp. 112, rerhergen, verhelen, r er hor gen houden. liellegront, znw. m. en vr., Disp. 190, de grond, hodem, diepte der hel. helsch, bnw., hclsch, der hel, âuter hellenquot;; helsche coninginne (cle trotschheid), M. II, 285; h. viant, J/. II, 280; III, 328 var.; 360; h. viande, Disp. 41G; h. here. Cl. 64; h. drake, -1/. Ill, 481; h. liont, Vr. 36; h. were. Cl. 217; h. convent, M. I, 843; â h. gloet, gloede, .1/. I, 168; OT1W. 11; Ov. 166; h. brant, M. II, 283 var. (t. der hellen brant); h. vier, J/. 1, 936; III, 486; h. b ij t, J/. 1, 005; h. ij s, Disp. 596; h. coude, Cl. 101; h. cout, M. I, 972; h. wal, Disp. 108; h. dal, Disp. 108 var.; .1/. I, 960; 876 var.; h. pit, M. I, 13; h. muur, Disp. 142; h. holen, Disp. 182; h. s t a n c, Disp. 256; h. e I e n d e, Dis]i. 389; h. scent, .1/. I, 843 var.; h. vat, .1/. I, 414; h. tempeest, .1/. III, 130; h. ween, vgl. Disp. 501 aant.; h. moort, M. III, 481. helson, zw. ww. trans., Disp. 535, omhelzen. hemelsch, bnw., hemelsch; h. broo t [Christus), M. I, 342 (vgl. broot en spise); h. broot, hemelsche spijs, onsterfelijkheid, gelukzaligheid, |
M. II, 317; Disp. 411; dat h. b. n u 11 e n, de onsterfelijkheid genieten; h. 1 a m, Christus, j/. 1, 941; III, 350; h. d e 1 ij t, M. 1, 603; h. poort, .1/. Ili, 230; h. blo men (vgl. bloeme), .1/. III, 284; h. pi-laer. Cl. 517. henen, bijw., van hier; OHW. 76, vanhier, hieruit. Zie de aant. lienof, bijw., vanhier, hieruit, vandaar. Zie de aant. in de varr. op OHW. 76. lier, znw. m., Cl. 33; 53, heer (her Adaems; her Adaem, daarnaast 42: den here Adamo). Vgl. Mnl. Wdb. op here. herde, heerde, haerde, znw. m., .1/. I, 789; Disp. 367; 382; KCl. 11 ; 49; 53; 224, herder: mhd.hirle, got. hairdeis. here, znw. m., J/. 6; 58; 59; 71; 107; 119; VM. 2; 6; 13; 19 enz., heer, groot heer, aanzienlijke, gebieder; vgl. lantshere; .1/. I, 125 heer, tegenover knecht; .1/. Ill, 92, van God; Disp. 575, 588, van Christus: als bnw. gebruikt, .1/. III. 313, rerheven. Zie ook bij her. hereinite (eremite), znw. m., Cl. 268, kluizenaar. heresie, znw. vr., .1/. 11, 272, ketterij. herken, zw. ww. intr., M. III, 82, luisteren; eng. hark. Vgl. raiü. horken en Tijdsein'. 16, 181. herte, znw. o. en vr., M. I, 655 vlgg. passim, hart; dat herte breect, Cl. 484, uitdrukking ter aanduiding van hel sterven; vgl. Mnl. Wdb. op breken; met herten, KCL 81, van harte, met het geheele hart, hartelijk, innig; .1/. 1, 507, uit den grond van hel hart, met vollt overtuiging. het. aankondiger van het onderwerp, als hd. es. Zie Disp. 502, en Mnl. Wdb. op het. hier, bijw., hier. Nu hier, nu d a e r, nu in deze, dan in eene andere richting, nu zus dan zoo, dus zonder beginselen, M. I, 70; Ov. 242, hier, hier oji aarde. hierneder, bijw., M. I, 350, hier heneden, ojj aarde: ,1/. I, 343, naar |
WOORDENLIJST.
257
|
hier henrdrn, «lïr»- cle aarde. Vgl. daernede r. hinderwaert, bijw., achteruit-, li inde rwaert varen, M. II, 98, naar den duivel gaan, ten verderve gaa)i. Vgi. de aant. hitten, zw. ww. intr., .1/. I, 21; VM. 20; te poon te hitten, juist treffen of raken, slagen, vooruitkomen,; eng. to hit. Ghehit kan hier ook een vorm van g h e h i 11 e n zijn. Vgl. Mnl. Wdb. op hitten. hoede, znw. vr., .1/. I, 109; Cl. 470, hoede, bewaking, bescherming â , en es hoede hebben, Cl. 19U, zorg dragen voor iemand; KCl. 1S5, o//-zicht, heerschapjjij. hoeden (hueden), zw. ww. trans., hoeden, bewaken, rerxorgen; wederk. hem hoeden, ojt zich zelf passen; hem hoeden vore, KCl. 181, \ich wachten voor. Vgl. hu eden. hoedei', znw. m., OIIW. 110, ic-waker, behoeder, verzorger-, var. behoeder. hoglie, bijw., Dis/i. 4S7, hoog. in de hoogte; hoghe vraghen, Jf. Hl, 27, eene diepzinnige vraag doen, rragen naar iets dat ver boren het verstand gaat. hol, znw. o., hol; die helse he hole, Disp. 182, de diepten der hel. hone, znw. vr., Cl. 117, bedrog, misleiding-, sender h., .1/. 111, 210; 394, zonder bedrog, 'waarachtig. hout, znw. m., .1/. 1, 259; :)59; 594; Disp. 52; OIIW. 95, scheldwoord, ellendeling, verachtelijk wezen-, die h e 1 s che h o n t, Vr. 30, de duivel; mv. helse he honden. Cl. 530, duivelen. hooch, bnw., hoog; KCl. 68, van paarden, hoog dravend; dat hoghe, KCL 85, de hoogte; van den hemel gezegd, h. erve, M. I, 945; Fr. 53; h. groete, OIIW. 77 (vgl. groete); h. r i k e, Ov. 187 ; h. troon, .1/. Ill, 401; h. celle, .1/. Ill, 505; â verheven; h. stat, M. I, 411; h. name [van God), M. 111, 57. lioocheit, znw. vr., CL 444; 4G2, hoogte; KCl. 1GG; Ov. 130, hoogheid, hooge rang; Ov. 130 van den toestand na den dood, hel herncl-Wapcne Marlijn c. a. Cal. |
burgerschap. Vgl. Or. 187; dat hoghe rike. hoop, znw. m., Ov. 108, hoop; te hope, Oi'. 163, op een hoop, bijeen. horen, zw. ww. trans., ,1/. 1, 286, verhooren. Vgl. ook de aant. op -1/. I, i. houde, znw. vr., .1/. I, 695; Disp. 104, genegenheid, gunst, liefde Vgl. h u 1 d e. houden , st. ww. trans., .1/. 1, 246, hoeden, beu-aren. hout. bnw., .1/. 1, 903; II, 324, gunstig gezind, genegen; hd. hold, mil. hou{w) en trouw. hoven, zw. ww. intr., KCl. 199, feestvieren, horeeren. hoverde (hovaerde), znw. vr., .1/. U, 284: 296; 111, 202; Ov. 62, hoovaardj, trotschheid. hueden (KCL 181). Zie hoeden, hulde, znw. vr., .1/. I, 80)!, gunst, genegenheid, genade. Vgl. houde. idel, bnw., KCL 150, ledig. ie (ye), bijw., ,1/. I, 340 var.; III, 457 enz., ooit, immer; oit ende ie. .1/. Ill, 155 var., altijd en immer, steeds; ie lane so mere, .1/. 1, 74 var., VM. 58; CL 381, hoe langer zoo meer (vgl. bij in). iet, vnw., iels, .1/. Ill, 157 e. e. â⢠als bijw. ecnigs â¢. ins, eenigermate; iet lange, .1/. I, 2, nogal lang, nog lang; niet al se vele al se iet, Disp. 102, zooveel als niets, niets hoegenaamd, volstrekt niet; ,1/. 11, 73, met de ontkenning niet gelijkstaande; vgl. de aant. ijs, znw. o., ijs: helsehe ijs, Disp. 590, hel eeuwige ijs der hel-, vgl. L. o. II. 3949 vlgg. in. bijw., in lane so mere, hoe langer -.oo meer, .1/. I, 74. Vgl. Mnl. Wdb. 3, 815. Lane is in deze uitdr. een oude comparatief, z\q Mnl. Wdb. 4, 93 vlg. indoen, onr. ww. trans., M. I, 914, inzwelgen, drinken. ingaen, onr. ww. intr., M. UI, 136, aanvangen, beginnen. inganc, znw. tu.. Ov. 01, bres, opening. ingieten, st. ww. intr., Ov. 63, |
â¢18
WOORDENLIJST.
naar binnen stroomen. Gieten komt jonc, bmv., in den superl. laatst. Zie
meer, en goysen uitsluitend als bij lest.
intr. voor. jonnen. Zie onnen envgl. gonnen.
inliebben, zw. ww. trans., M. II, Josaphat, znw. m.; dat dal Jo-
2, hebben, bexitten, n\. een verinogen,\ sap hat, Cl. 498, de plaats waar eene geestesgave-, .1/. II, 199, in Maria begraven werd. Zie de aant. bezit hebben, in zich opgenomen ju, bezitt. vnw., Vr. 52 (hs.); Or. hebben; Vr. 19, in zich hehhen, | 193 (hs.), uw.
gevoelen-, Cl. 392, in xich hebben,
'bevatten. caf. znw. o., 31. 11,, 142 var., kaf,
inne, znw. vr., slechts in bep. uitdr.: stroo ran koren-, M. Ill, 437, een in (an) inne maken, .1/. 1, 659 ;| strootje, kaf je-, niet een caf, M. Ill, 225: 447, doen weten, bekend III, 35, geen zier, hoegenaamd niet.
maken-, in (an) inne worden. Cl. camere, znw. vr., kamer. Voor OHW. 394, overtuigd ''.ijn, zeker zijn van 111 zie sac riste en sale.
iets. Zie .1/«/. IVdb. 3, 898 vlg. canosie, znw. vr., Or. 145, kanun-
inscijn, .1/. 1, 505 var. Zie anscijn. nikdij, kapittel van kanunniken-, oir-A.
instruniont, znw. o., M. I, 323, werk- canoisie. Zie Mnl. 11'db. op canesie.
ti/ig, ook middel (nl. van (lod, om care, znw. m., M. Ill, 35G: 465,
dc menschen te redden, Mnl. Wdb. dierbare, vriend. Van ca er, bnw.,
3, 935). dierbaar.
inten. Zie enten. cant, znw. m., M. II, 150, kant, ypocrisie, znw. vr., M.l, 231, hui- zijde. Vgl. de aant.
chelarij. caproen, znw. m., kap. muts-, den ypocrite, znw. m., Dis/i. 158, hui- c. afsteken (var. af striken), M.
rhelaar. II, 46, de muis afnemen, teeken
van onderdanigheid, niet van be-
ja. bijw.; als znw., ja omme noen leefdheid.
wisselen, VM. 37, vragen en ant- caritate, znw. vr., jl/. I, 829; 353;
woorden, een gesprek voeren. hoogste liefde, liefde tot Go I, chris-jaghen, zw. ww. intr., jagen, zich telijke liefde-, III, 444; Disp. 539,
snel bewegen-, als znw., M. lil, 109, liefde ran God, ran Christus.
snelle beweging-, jaghen om, Disp. carmen (kennen), zw. ww. intr.,
529, jagen, streven naar. KCl. 145, kermen, klagen, weeklagen.
jane. bijw., samenkoppeling van ja carnel, znw. o., KCl. 42, kern, pit-,
on het ontkennende en, M.l, 342, eng. kemel. Vgl. Mnl. Wdb. op
immers. Zie Mnl. Wdb. 3, 977 vlg. carnel.
en vgl. jdne, jane, jan (Lexer castiën, zw. ww. trans., VM. 19;
1, 1465). Disp. 298, berispen, vermanen, te-
jeji'lien. voorz., M. III, 438; Disp. rechtwijzen.
128, in vergelijking ran: Or. 177, keer, kere, znw. m., .1/1, 78; Cl.
roor, tol ontvangst ran: Vr. 14, 255, terugkeer; telken kere, 382;
tegen, in strijd met: Of. 214, tegen- telkens-, in neg hen en kere, CL
over, met (bij verzoenen). 396, in geen opzicht; in allen
joghet, znw. vr., Vr. 34,jonkvrouw, koren, M. III, 95, in elk opzicht-,
maagd. buten kere, M. Ill, 265, buiten
joye, znw. vr., Cl. 398: 432, vreugde, zich zalven, het spoor bijsier.
jolijt, znw. o., M. 1, 420 var., 603 keitijf (katijf), znw. m., M. III,
var., rreugde, genoegen. 342; Disp. 552; Vr. 67; CL 80;
jongelinc, znw. m., M. 1,394,./oh# 464; 483; KCl. 227, rampzalige,
)nensch van beide geslachten. ellendige-, M. III, 10, dwaas, on-
jonghere, znw., eig. comp. van jonc; waardige-, spot van keytiven,
als znw. gebruikt, KCL 18, leev- iels daar dwazen om lachen kunnen,
ling. keinpe, znw. m., M. I, 273; Disp.
258
WOORDENLIJST.
259
|
100, leem per, kampvechter, kam-jdoen. kennon, kinnen (praet. kende, can cl e, kin de), zw. ww. trans., kennen: Cl. 152 (met eene ontkenning), ui cis weten ran, geen hinder hehben van] KCl. 223, willen kennen , willen weten ran, belang stellen in; Cl. 438, erkennen. keren, zvv. w\v. trans., keer en, wenden-, J/. Ill, 1S6; 187, verkeer en, veranderen-, keren te, J/. I, 572, veranderen in, maken tot-, KCl. 214, te keer gaan, afwenden-, o o t m o e t keren ane. Cl. 25, genade bewijzen aan-, hem keren ane, Disp. 317; Cl. 425, zich wenden tot-, M. I, 786, zich storen aan, zich leden gelegen zijn aan-, â intr., Disp. 74; 130, â wederkeeren, terugkeeren. kerse, znw. vr., kaars. Enen doden kersen setten, KCl. 207. Zie de aant. kerstijn, kersten, znw. ra.. Cl. 425; Of. 1G; 07, christen; als bnw., Ov. 1; 57. kerstijnheit, -liede, znw. vr. en o., Disp. 198; Ov. 73; 113, christenheid , de christenen-, Ov. 201, 228, christelijk geloof. keselsteen, znw. m., VM. 31, kiezel.-, and. kies, znw. m., keus; den kies liebben, M. I, 134, het maar voor het kiezen of zeggen hebben, alles krijgen wat men maar wenscht, volop voorspoed genieten. kimniiju, znw. o., Ov. 236, gebit, stang. Zie de aant. in Stroph. GedA Gloss. kin, znw. m., II, 11; 205; Claus. 340, kin. kinnen. Zie kennen. kint, znw. o., Dis]t. 171; 144; 157; 535, kind-, 1/. II, 152, dat. plur. kinden; Cl. 346, waar het lis. kint heeft, leze men Am; J he sus kint van Nazarene, Ov. 24, hoogst-waarschijnlijk te lezen J he sus Kerst van N.; elders wordt wel »kint van Bethlehemquot;gevonden, nl. Franc. 5662; Gods kint, M. III, 302, Christus; â als bnw. gebruikt, M. I, 434, dom, onnoozel. |
kintschelike, bijw., Disp. 526, kinderlijk, als een kind. kiven , st. ww. intr., .1/. III, 349, strijden, zich verzetten. claer, bnw., J/. I, 75; 428, helder, duidelijk-, Disjgt;. 4; Cl. 534. helder, van het daglicht; Cl. 315, zuiver, onbesmet, schitterend, heerlijk. claerheit, znw. vr., M. 111, 151, glans. Unster, afschijnsel. claersen, zw. ww. trans., M. 1, 490 var.; 646 var.; Ill, 254 var. Hetzelfde als claren; z. aid. claghen, zw. ww. intr.. Or. 173, klagen, weeklagen; c 1 a g li e n op, Disp. 197, klagen over-, ââ trans, met den 4den nv., .1/. II, 112, kla-gen over, bejammeren-, enen iet claghen. Cl. 111, iemand iets klagen, met berouw belijden-, met den 4den of 2den nv. der zaak en don 3den van den pers., M. 1, 689. zich over iets beklacjen hij-, â als znw., KCl. 209, klacht. clappen. Zie voortclappen. claren, zw. ww. trans., .1/. I, 490; 646; III, 254, reinigen, zuiveren. clausule, znw. vr., titel van een dei-gedichten, eig. sluitregel cener strophe-, bij uitbreiding strophe van een gedicht en gedicht in strophen. Vgl. Mnl. JVdb. 3, 1491. (â leden , zw. ww. trans., Disji. 300; KCl. 84, van kleederen voorzien (men kan gecleet op beide plaatsen ook opvatten als een deelw. bnw., afgeleid van het znw. cleet, Mnl. Wdb. 2, 1169); M. I, 206 var.; II, 25, inkleeden. Vgl. ongecleet. eleiiie (clene), bnw.; Cl. 410, als klein kind, vgl. de aant.; KCl. 146, gering, weinig-, M. I, 318; Cl. 259, gering, onbeduidend; met de ontkenning, heel groot, heel belangrijk; â bijw., Disp. 91; 4:28, weinig-, cleine no groot. Cl. 51, in het geheel niet. cleinmen (dimmen), st. ww. intr., M. I, 73; 560; III, 395; VM 32; Vr. 39; KCl. 85; 137, klimmen, stijgen. Vgl. Rincl. 852 ; Franc. 5904, en vooral Bijmb. 13107: »daer hi {Christus) clam an die crucequot; {aan het kruis genageld werd) met KCl. 85 en de aant. aid. Vgl. ook .1/. I, 825. |
WOORDENLIJST.
|
clone. Zie cleine. clergië, znw. vr., Disp. 293, geestelijkheid \ II, 109; Or. 153, geleerdheid , wetenschap. clerc, znw. m., geestelijke: Jl. Ill, 85, geleerde. eleven, st. ww. intr., M. III, 302, verbonden zijn met iets, er hij be-hooren; Disp. 48!, gehecht zijn, genageld zijn. clove, znw. vr., M 1, \2, Idem, knip om vogels te rmigen, eig. een gespleten hout, van dieven. Vgl. mhd. klohe-. Rein. I, G51 vlgg-. en Franck, Elgin, ll'db. op kloof, cnaken. zw. ww. trans., .V. 111,166 var. {t. craken). Misschien (vgi. de opmerking in de varr.) heeft er een woord van dezen vorm bestaan met de bet. stukbreken met het bijdenkbeeld van geraas. Vgl. ndl. knakken, dial, knieken-, mnd. knal'en (Ijiibben 2 496); mhd. knacken, krachen, knac-ken (Lexer 1, 1642); hd. knacken (zie Khige4 176). Het woord had in het Mnl. Wdh. althans vermeld moeten zijn. cnauwen, zw. ww. trans., M I. 102, kluiven, afkluiven. Vgl. do aant. cneeht. znw. m., knecht. Vgl. de aant. op .1/. I, 444. cnopen (cnochte), zw. ww. trans., kiioojien. Ook als term van een handwerk, knoopen, vlechten. Bij uitbr. viet knoopen verdienen, geit cnopen u t e, M. 1, 100, geld slaan uit] vgl. Mnl. Wdb. i642, 3). Van deze opvatting zijn geeno andere voorbeelden gevonden; men kan dus met Verwijs cnopen ook opvatten als losknoopen, losmaken-, cnopen nte liet. dan eig. uit iets te voorschijn brengen, halen. eoe. znw. vr., koe-, dat. plur. coen, M. II, 43. coenlike, bijw., Cl. 494, koen, houd, onbeschroomd. cokene, znw. vr., KCl. 199, keuken. coiuen, st. ww. intr., komen-, dat comt dat, M. I, 434, dat komt omdat (var. dat doet dat), cnnipaeii, znw. m., M. I, 40; F.1/. 40. gezel, kameraad, makker, vriend. Ygl. Mnl. Wdb. 3, 1741. |
eompaengië, znw. vr., Disp. 299, maatschappij, samenleving. confessoor, znw. m., KCl. 113, oorspronkelijk hetzelfde als mar-telaer (aid. 112), doch later, in tegenstelling daarmede, een vroom christen, wiens leven ééne hclijdems des geloofs was, maar die niet voor ; jn geloof behoefde te lijden of te sterven. Zie Due.2 2, 497a op confessor. const, znw. vr., M. Ill, 164, kunde, het kunnen van den geest, tegenover macht, het kunnen van het lichaam, lichamelijk vermogen-, Cl. 391, const van sinne, kennis, talent. convent (covent), znw. o., hijeen-komst, vergadering, ook schaar, troep, Disp. 457, dat sondigho covent, de menschheid; M. I, 843 , dat helse he convent, de helsche troep, de hel] M. II, 177, overeenkomst, voorwaarde. coppe. znw. vr., KCl. 18, spinue-kop, sjnu. core. Zie cure. coren. zw. ww. trans., M. 1, ^48, onderzoeken, toetsen. Zie curen. eort, bnw., M. III, 198, kort; in c o r t o r t ij d, Gr. 58, voor korten tijd, kort geleden. cont, znw. o., M. I, 778; OllW. 105; Disii. 201, koude. Zie Mnl. Wdh. 3, 2003. Helsche cent, M. 1, 972, helsche koude, de hel. Vgl. helsche con de, vr., Cl. 101. covent. Zie convent. craken, zw. ww. trans., M. ill, 166; eene noot kraken, d. i eene moeilijkheid oplossen-, over KCl. 41 zie de aant. aid. crane, bnw., MA, 3; 725; 111.208, zirak, armzalig, gering, slecht. creature, znw. vr., schepsel, ierend wezen ; Cl. 49; 348, vereerende benaming voor meusch, beminnelijk of aanbiddelijk schepsel-, thans alleen in minachtenden zin in gebruik, crone, znw. vr., krans, kroon-, (die) crone drag hen, ,1/. Ill, 215, de voornaamste rol spelen, de eerste zijn, den palm wegdragen; die crone winnen, M. Ill, 395, den hemel verdienen-, die ewelike crone, |
â WOORDENLIJST.
2(31
|
CL 110, dc eeuwige, gelukzaligheid-in denzelfden zin staat crone alleen, Cl. 141.â Vgl. ook spannen, cronen, zw. ww. intr., M. III, 209, kreunen, klagen. cruce. zmv. o., Disp. titel-, 1-1: 6G; 172; 174; 184; 189; 428: A'd 86; e. e.; vr. wordt het woord gebruikt Disp. 523; vgl. ook de aant. in de varr. op Disji. 551 ; Sj/. III-l, 7, 38 en Mnl. Wdlj. op crue e. erucen (crusen), zw. \v\v. trans., Disp. 129; 229; Cl. 434; Ov. 5, kruisigen, aan het kruis nagelen; enen ane sijn vel crucen, Disp. 315, iemand lichamelijke kwellingen en ontberingen opleggen. crune, znw. vr., KCl. 30; 36, kruin, kale kruin, vooral als kenmerk van den geestelijken stand. cnme, bijw., VM. 18; Gr. 182, nauwelijks, hd. kaum-, cnme iemant (iemen), .1/. I, 247, bijna niemand-, cnme oit, .1/. I, 813,! hijna nooit. cure (core), znw. vr., krus, wensch; ter cure, VM. 91; 67. 340; Or. 204, xooals men het zich slechts wenschen kan, naar wensch, overeenkomstig iemands verlangen. curen (c neren, co ren), zw. ww. trans., J/. 1, 136, keuren, oordeelen, | heoordeelen. Vgl. Mnl. Wdb. op co-ren, 3) cuwen,, zw. ww. intr., kauwen. Vgl. JMnt. Wdb. op ca uwen en c ouwen; ane enen breidel ouwen. Or. 237, eig. op een gebit (nioeten) bijten, d. i. een bittere pil slikken, eene ernstige les ter harte nemen. lachen (loech), st. ww. intr., Disp. 252; Cl. $2, lachen- OIlW.\b,zich gelukkig gevoelen. lachter, znw. m.. Or. 42; 52, scheuule. Vgl. lasteren, waarnaast de gewone mnl. vorm lach te ren is. lachteren. Zie lasteren. lacy, tnsschenw., Or. 9, helaas. laden (loet, geladen), st. ww. trans., ,1/. III, 293; Disp. 435;: KCl. 195, belasten, beladen-, O/quot;. 194, geladen hebben, dragen-, zich belasten met-, KCl. 132, opladen. |
een last op iemand werpen-. Gr. 164, oppakken, meevoeren; KCl. 31, opleggen als schande of smaad. Lifïiie. znw. vr,, KCl. lfc'4, laag, hinderlaag. lalt;gt;'lie (leghe), bnw., comp. legher, lager; dat legher boort, de zijde van het schip die het minst boren het weder uitsteekt-, ant legher (lagher, varr.) boort helden, 1, 151, de laagste zijde kiezen, eene verkeerde meening voorstaan. laghen. zw. ww. trans., KCL 166. verlagen, vernederen. lam, bnw., M. 11, 20; III, 62 (verb, nv. lame), slap, traag, zonder veerkracht of energie. langhe, znw. vr., CL 443, lengte-, aki. 456 lancheit. lanji'hen, zw. ww. onpers. met den 3den nv., Disp. 9, verlangen. lanc, bnw. lang, van ruimte en tijdsbegrippen, CL 854; M. Ill, 198; â van de onsterfelijkheid; dat langhe leven, M. II, 302; Disp. 107; 117; 1. lijf, Disp. 549; I. doot, Disp. 407; 1. ghelt {vergelding), Disp. 360. lanke, znw. vr., Disp. 250, zijde, lende, schoot. lancheit. Zie langhe. lantshere, znw. m., M. I, 107; 114; Ov. 224, vorst, prins-, ook ieder die met wereldlijk gezag is bekleed. lappen, zw. ww. trans., J/. I, 251 var., flappen, klappen, snappen, babbelen. Het woord is in het Mnl. Wdb. niet vermeld; vgl. Kil. labben, Iloll. j. klappen; labberen, Hotl. vana loqui, blaterare. lasteren (lastren), zw. ww. trans., VM. 61 , smaden, schimpen op. Insure, -uur, znw. o., lazuur, eig. benaming van een edelen steen; Gv. 198, lazuur, benaming van hot blauw in de wapenkunde. lat, bnw., M. I, 787; Disp. 283; 440, traag. late, bijw., OIIW. 83, laat. laten, st. ww. trans., M. II, 122, verlaten, in den steek laten-, KCL 129, afstand doen, laten varen-, met den 3don nv., M. 11, 19; VM. 75, laten, toelaten-, trane laten, Gv. 72, tranen storten, thans alleen mot |
WOORDENLIJST.
20-J
|
eene ontkenning gebruikt. Vgl. ook de aant. op M. I, 7. laven. zw. ww. trans., J/. III, 440, laren, verhei leken. lodon. Zie leiden. Iedere (ledre), znw. vr., CV. 105, ladder, leer. ledicheit, znw. vr., M. I, 36, tijd-verknoeien, tjdverbeuzelen, beuzelarij. leen, znw. o., VM. 34; 102; Disp. 504; Or. 11, leen, leengoed, rjoed] Disp. 327, geluksgoederen, genietingen der wereld. leet, bnw., M. I, 199, gehaat-, enen leet hebben, II, 301, iem. haten. legghen (leghede, leeclide), zw. ww. trans., leggen; M. III, 339 var., stellen, brengen, in een zekeren toestand ; Cl. 29G, leggen, vestigen, rerbinden, met eene bep. met ane; den sin leggen ane. Cl. 355, -.ijn verstand of denkvermogen oj) iets richten of spitsen. leiden (leden), zw. ww. trans., {var. geleidt), regelen, bestieren', M. 1, 20(j, té poente leiden, naar het juiste jmnt brengen, iets op de juiste wijze volvoeren of verrichten. leken (lae), st. ww. intr., J/. I, 707, vloeien, dóórdringen. leckev, bnw., ATV. 178, lekker, kieskeurig, aan lekkernijen gewend. lelieblat, znw. o., CV. 330, lelieblad. A'gl. ndl. leliewit-, rahd. liljenwiz; hd. lilienweiss. lere, znw. vr., J\I. Ill, 101; 319, leering, onderricht, ook beginsel-, VM. (54, geleerdheid, kennis, ont-wikkeling. leren, zw. ww. trans.; enen leren, J/. I, 184, iemand onderrichten, onderwijzen, leeren; M. III, 170, rnededeelingen doen of spreken over-, iet leren, iels leeren, ook, J/. I, 04, iets vernemen, van iets onderricht worden-, enen leren van, KCl. 141, iemand lessen uitdeelen over. lesen, st. ww. trans., M. I, 115, kiezen-, .1/. I, 295; II, 257, zeggen-, lesen en de sing hen, M. 111,20, epische formule in den zin van zeggen, spreken (Mnl. Wdb. 4, 397); JI. III, 2, voorlezen; lesen en de spellen, ,1/. III, 498, voorlezen en hardop voor zich zeiven lezen; M. II, 170, lezen. |
lest, bnw. superl., laatst, jongst, met allerlei znw. verbonden ter aanduiding van den dood en het laatste bordeelquot;. Cl. 10; 451, 538; Oy. 245, leste stonde (stout); Cl. 195, I. waghescale; Vr. 11, leste m a e 1; 59 , leste hartvane, de benauwdheid des doods, of ook het benauwende vreeseljke oordeel; Cl. 12, leste stede; 23, leste wrake; 240, leste ure; 208, leste en de; â â zonder znw., in den lesten. Cl. 455; ten lesten, 70: 91. In denzelfden zin jon est; .1/. I, 850, jon es te dach; M. I, 129. joncste mael; â zonder znw., ten joncsten, M. I, 312; 111,351. let. Zie lit. lettel. Zie luttel. lettere. 1 e 11 r e, znw. vr., letter, vklw. letterkijn, J/. 11, 238; ont-wikkeling, kennis, Disp. 352, hetzelfde als elergië. leven, zw. ww. intr., leven; leven do re enen, ,V. II, 312 var., voor (eig. om , ter wille van) iemand leven; doen leven, Disp. 482, het leven geven aan; leven met Gode, Cl. 308, zalig zijn, leven bij God, in den hemel leren. leven, znw. o., leven: dat langhe leven, .1/. I, 822; II, 302; Disp. 107; 117, het eeuwige leven, de hemels chc zaligheid; thout van den l e v e n e, Disp. 471, het kruis, met toespeling op den »boom des levensquot; in het Paradijs; vgl. 495: »boom van levenequot;; des levens edele vrucht, Disp. 470, omschrijving voor het leven, het hoo-gere, het eeuwige leven, of ook de vrucht die hel leven geeft, omschrijving voor Christus. lichte. bijw., KCl. 194, spoedig, licht. lide, znw. vr., gang, tocht; ter lide laten, Ov. 30, laten loopen, laten (gaan, lijdelijk toezien of toelaten. Ilden, st. ww. trans., M. I, 084; 087, voorbijgaan, passeeren; Cl. 278, gaan. |
WOORDENLIJST.
203
|
lipjïhen, st. ww. trans., VM. 23, bedrierjen. li(:n, zw. ww. trans., ook met den 2den nv., M. I, 26; 752; II, 251; 263; III, 251; Disp. 72; 92; 119; 459; Fr. 28; Cl. 209; Ov. 227, bekennen, belijden, verklaren; 1 i ë n op enen, CL 376; 507; Ov. 65, iemand bekennen 1 hchjdca, in hem [jolooven; 1 i ë n met enen, JI. II, 132; 168; III, 56, het met iemand eens zijn, zich aa.i zijne zijde scharen ; 1 iën an iet, VM. 26, zich aan iet*houden] verwonnen liën, M. II, 329, zich overwonnen eer-klaren. lier, znw. o., Cl. 330, wang, koon. liot. znw. o. enm.. J/. I, 251, volk. Vgl. de aant. lijf, znw. o., Disp. 223: 236, lichaam] M. I, 138; 203; 236 (vgl. de aant.); Disp. 509; Cl. 458, le.cen\ opstacn te live, opstaan ten leven, uit het graf verrijzen. Vr. 27 (vander dool te live)] M. III, 339 {wecken van dode te live); dat 1 a n g h e 1 ij f. Disp. 549, het eeuwige leven. lijfnere, znw. vr., Disp. 544, leeftocht , voedsel, ook geestelijke spijs. lit (let), znw. o., lid, van het lichaam, M. 1, 718: Fr. 54; 6'/. 501; Ov. 104; 107; 133; KCl. 153; lid, vleugel (?), Cl. 13; lid van eene ver-eeniging, bep. van de christelijke kerk, Ov. 114; KCl. 143; lid van God of Christus, een volgeling van Christus; J/. I, 858; 829; in het mv. Gods lede(n), de armen, Ov. 157; vgl. Mul. Wdb. 4, 685. lodder, znw. m.. M. I, 397, tafelschuimer , vleier, nietswaardige. loeder, znw. m. en o, ,1/. II, 124, lokaas, aanloksel. loeken, zw. ww. intr., M. Ill, 44, zien, speuren, peinzen; eng. look. lot, znw. o. en m., VM. 3, eer, roem, goede naam] cranke lof, M. 1,3, slechte naam, een toestand waarvan weinig goeds te zeggen is, dus treurige toestand] mv. love, Fr. 62, loftuitingen, eerbewijzen. loy, znw. o. en vr., M. I, 521; 024, ivel. Zie Mnl. Wdb. op loy en de Aant. op M. I, 521. |
loof, znw. o., .1/. I, 158; 228, blad, boomblad. loon, znw. m. en o., M. II, 311; III, 231, loon, belooning] van hogen lone sijn. Cl. 113, groot loon geven: te lone, als gift, ten geschenke ; Cl. 138, t e 1 o n o o n t-f a e n, ontvangen. loop, znw. m., O//IF 79, loop, strooming. De var. loopt, hoewel cene enkele maal voorkomende als znw. {Mul. Wdb. 3, 778), is hier als werkwoordsvorm bedoeld bhj-kens di (niet die). loos, bnw., ,1/. I, 437 var.; 930; III, 91; Disp. 140, valsch, onbetrouwbaar, bedrieglijk. loosheit, znw. vr., M. I, 122 var., valschheid, onbetrouwbaarheid, bedrog. loossen (loessen), zw. ww. trans.. Cl. 297; Ov. 282, verlossen. lossen, zw. ww. trans., M. li, 101 var., verlossen, bevrijden. lovie, znw. vr., M. I, 503, zondvloed. Uit di lovie, gelijk de varr. hebben (d i 1 u v i e, d e 1 o v i e), lat. diluvium. luchter, bnw., OIUV. 49; 85, linker-, ook lufter, eng. left. Zie J/«/. Wdb. 4, 865. luttel (lettel), bijw.. Cl. 239, weinig, litotes voor geenszins] vgl. clene; lettel ie men, KCl. 90, bijna niemand. luxurie, znw. vr., Disp. 291, weelderigheid, wellust, onkuischheid. luxurieus, bnw., Disp. 353, weelderig, wellustig, onkuisch. inaclit, znw./vr., ntaclU; sine macht gedaen hebben, vgl. bij doen. inaecliscap (maescop), znw. vr., M. 1, 589 en var., maagschap, bloed-verwantschap, ook gevoel van verwantschap , familieband. mael, znw. o., ,1/. I, 129; Fr. 11, oordeel, gericht. Zie over hot woord, en over deze plaats, waarin mael ook de bet. tijd, dag hebben kan, Mnl. Wdb. 4, 971 vlg. niaer, bijw., slechts] maer te bet, KCl. 201, slechts te beter, des te beter, vooral niet minder goed] â |
woordenlijst.
2C4
|
voegw., niaer flat, Cl. 154, ware het niet dat, indien niet. Vgl. Mnl. Wdb. op ma er. inaorjihin, znw. m., Dis]). 285 var. {t. smorghons), moryen, ochtend. inaisnicde (raeisniede), znw. vr., J/. I, 9G2, gevolg, iemands gezelschap , partij, de zijnen. iiuiken, zw. ww. trans., M. III, 489; Cl. 533, maken, dichten, schrijven, met eene bep. met van; 71/. I, 149; Disp. 328, voorstellen, nabootsen, zich aanstellen rds; zoo ook Xat. BI. VII, 318. maiiiinorie, znw. vr., Ov. 21, nw-hammcdaansche godsdienst. Vgl. de aant. aid. manen, zw. ww. trans., M. Ill, 1, aanmanen, op het hart drukken. mare, bnw., OHW. 19; Cl. 224, vermaard, beroemdâ¢, mare hebben, it/. 1, 422, achten, in eerc houden, icaardeeren , liefhebben; praedicatief gebruikt (wat zeldzaam is), r/, 224, roemrijk, roemruchtig. Vgl. onmare. mare, znw. vr., Cl. 423, mare, tijding, boodschap. niartélie (martilie), znw. vr., .1/. Ill, 400 var., martelaarschap. Over den klemtoon zie Mnl. Wdb. 4, 1196. masseren, zw. ww. trans., Oc. 242, ophoopen, vergaderen. Vgl. ndl. massa en ofra. masser (Tijdschr. 4, 284, in de fra. vert, van Mart. I, strophe 29). mast, znw. ra., Disp. 79; Cl. 286, hout, kruishout. Vgl. Hji.d. 57, 107 : »scruces raast.:' mat, bnw., M. 1, 157; 238; II, 127; 291; Disp. 284; 439; Ov. 143, verslagen, overwonnen, machteloos, slap, zonder veerkracht-, met den 2den nv. of eene bep. met van, Disp. 173, 284, vermoeid van iets. mate. znw. vr., maat, de juiste maat-, te maten, bijw., Cl. 331 ; 354 lts. (niet mate), in de juiste verhouding. matten, zw. ww. trans., M. I, 386, ten onder brengen. meer, bijw., meer, in hoogere mate; meer no min, noch in meerdere noch in mindere mate, noch meer noch minder-, zie Mnl. Wdb. 4, 1295 vlg.; meer no min dan, M. 11, 4, slechts, alleen, eig. niet dan-, M. |
I, 186, nog eens weer, in het rer-volg : wellicht beteekent het ook hier meer (nl. dan de goeden). meerre, bnw., .1/. 1, 255; Disp. 210; 423, grooter. meester, znw. m., .1/. I, 593, meester , heer; J/. 1, 139, meester der naturen, de heer der natuur. God; II, 246, meester, leermeester. â .1/. 1, 650 var. is de lezing wel bedorven. meien (hem â), zw. ww. wederk., .1/. II, 33; Cl. 136 (vgl. de aant.), zich verlustigen, een bron van genoegen vinden in, zich vermeien (gelijk G heeft op de eerste plaats), meisniede. Zie maisniede. inecken. Zie mieken. menen (meenen), zw. ww. trans., ,1/. Ill, 310; Ov. 17, bedoelen-, M. III, 119, houden voor, beschouwen als. inenestraudie. znw. vr., .1/. 1, 388, hd minnezangersgild. Zie Mnl. Wdb. op het woord, en jonckbloet, Gcsch. d. Mnl. Dichtk. 3, 134â137. mengen. Zie min gen. menichfoude, bnw.. Cl. 102, buitengewoon groot, of ook veelvuldig, veelsoortig. Vgl. Mul. Wdb. 4, 1407 op menie h v o u t. meniehsins, bijw., .1/. I, 492 var., op allerlei wijze. mennen (minnen), zw. ww. intr., mennen-, met val en (nl. per den) mennen, vgl. bij vael. mensclieit, znw. vr. en o., M. III, 244; 306; 310; 316; 326; e. e., mcnschheid, menschelijkheid, men-schel jke natuur; M. 1, 627; Disp. 462, mcnschheid, colleetief. meiischelijcheit, znw. vr., J/. III, 165; 318; 380; Disp. 204, m msche-lijke natuur-, M. Ill, 448, mensch-wording; Disp. 510, mcnschheid, collectief. mere, znw. vr. (gewoonlijk onz.). Cl. 214, zee. meren, zw. ww. trans., M. I, 193; KCl. 176, vastleggen, ketenen, boeien. Vooral van schepen gezegd; zie Mnl. Wdb. 4, 1445 vlgg. meren (me er ren), zw. ww. intr., M. I, 373; III, 177, vermeerderen, grooter worden. |
quot;WOORDENLIJST.
265
|
luerke (marke), znw. m. en vr., J/. Ill, 88 en varr., grenspaal, mark, bij uitbr. gebied', in eiken merke, in alle gebieden of rijken. iiicrken, z\v. ww. trans, (ook schijnbaar intr.), opmerken-, merken bi, VM. 79; M. I, 79, zich (dat.) duidelijk maken door. Vgl. Limb. Serin. 88a: »dat merke een igelic bi der sonnenquot;, en Tekstcr. 89. merre, znw. vr., verwijl, vertoef-, sender m., il/. I, 487, onverwijld, aanstonds. inesbaer, znw. o., Disp. 7, rouwbetoon, gejammer, geweeklaag. mesbaren (mis-), zw. ww. intr., M. I, 177; III, 4(30; Cl. 433, jammeren , weeklagen; â Cl. 16'J, in een ellendigen of treurigen toestand verkeeren, ongelukkig, rampzalig zijn: als znw., Cl. 427 , s o n d e r m e s-baren, zonder pijn of ongemak. Vgl. Disp. 500 »sonder enicli derenquot;, inescomeii, st. ww. intr. met den ijden nv., M. Ill, 512, Ireffen, overkomen, van eene ramp; M. II, 17, mishagen. mesraect, bnw., Disp. 352, het tegenovergestelde van wel gheraect, slecht in zijne soort, ongeschikt voor zijne taak, stom , var. o n t r a e c t. iiicsscliicn, zw. ww. intr., mot den 3den nv., J/.I, 806; 90S; II, 181; 264, slecht met iemand afloopm of, met veranderd ondw., kwaad ondervinden-, Disp. 98, mi messciet, mij overkomt een ongeluk, iets menschel jks, ik misdoe. Vgl. Mnl. Wdh. op misscien, 3). messelijc (mi ssol ij c), bnw., .1/. III, 15, verscheiden, allerlei (var. m enegherh a n d e). mesvaren (misâ), st. ww. intr., M. I, 177 var., kwalijk varen, ongelukkig zijn-, â verkeerd handelen, zich misdragen-, als znw., Cl. 518, zonde, schuld. met, voorz., J/. III, 49; U, 152, met, bij, onder (een getal); ,1/. Ill, 305; 344; CL 308, hij, in tegenwoordigheid van; .!Æ. Ill, 492; Cl. 540(?), met {zich) mede, naar, tot (bij ww. van richting; vgl. bene-ven); hij, bij bnw.; Cl. 119, ver-Wapenc Marlijn c. a. Geel. |
co ren met, geliefd hij of door-, Ol\ 41, onghehoort met, niet in tel hij-, Cl. 55, door middel van, met. Zie over al deze beteekenissen Mnl. Wdh. o]) inet. meten, st. ww. trans., meldt, afmeten ; ook beoordeelen, zie n a u w e; meten en de palen, zie palen, middel, bnw., in het midden gelegen-, J/. I, 863 var. die mid dele wech, de middelweg. iiiiddeuwaert. bijw., in het midden-, da er midden waert, Ov. 96, in het midden. Vgl. mnl. daerneder en ndl. ter neder en Mnl. Wdh. 4, 1557 vlg. mids (mits), voorz., Ov. 116, door, ten gevolge van. miede, znw. vr , Cl. 75, loon. belooning. mieden, zw. ww. intr., Disp. 343, door loon of geschenken op zijne zijde brengen, tot iets overhalen, omkoopen. miekon (meeken), zw. ww. trans., ,1/. III, 438, beoordeelen, beschouwen in verhand met iels anders, vergelijken-, â intr., M. I, 483; 513, zijne gedachten richten op, peinzen over-, m. op iet, Disp. 91, op iets lellen, er om geven. milde, bnw., OllW. 9, mild; Disp. 194, liefderijk, mcedoogend, goedertieren. min. bijw., minder-, te min, Ov. 246, des te minder, omschrijving voor de ontkenning niet] min no mere, Ov. 13, noch minder noch meer, volstrekt niet. mingen (mengen), zw. ww. intr. zich vereenigen, zich vermengen: sonder mingen, M. 11, 110, zonder zich {met hel voorwerp zijner hefde) te kunnen vereenigen-, bij Buk. »non se miscendoquot;. minne, znw. vr., Cl. 397, goede verstandhouding, bep. het herstel er van, verzoening, zoen. minnen. Zie mennen en vael. ininren, zw. ww. intr., M. 111, 177, verpnnderen. mis-. Zie mes-. moeien (moyen), zw. ww. trans., J/. 111, 109, vermoeien, afmatten. |
â¢10
WOOUDF.NLI.TST.
|
moet, znw. ra., Disp. 225; 244; KGl. 6ó, yemoed, hart, zin; si non moet s e 11 e n om, J/. I, Go2, zijne zinnen zetten op, hegeren; enen in den moede brengen, CL 19;!, iemand in de stemming brengen, tot iets overhalen. moet. znw. m., gemoet, in sin en moet, M. 1, 375, hem te gemoet, hem tegen. Bukelare vs. 422 heeft blijkens »animo fluensquot; liet woord als gemoed opgevat, welke meening ook de eerstgenoemde bewerker is toegedaan. moeten, praet.-praes., moeten, passim ; M. II, 335, mogen, het ww. van den optatief. In Zeeland wordt nog heden mogen in beteekenissen van moeten, en moeten in die van mogen gebruikt. Vgl. Mnl. Wdh. op mogen en moeten. mogen, praet.-praes , M. III, 9 {var. gemogen), e. e., kunnen, vermogen-, met eene ontkenning, M. I, 937, er aan doen kunnen, het kunnen helpen-, â behoeren-, zie de aant. op Disp. 302. moghendelike, bijw., 3L. Ill, 90, met macht. niojïhcntlieit, znw. vr., M. III, ISO: 380; Cl. GO, vermogen, macht. moyen. Zie moeien. mont, znw. m., M. III, 145, mond: Ov. 108; n u 11 e n met m o n d e n (var. monde; de vorm met (ten) monden komt ook voor Lane. III, 2940 en Franc. 8420), Zgt;/.sy;. 220, nuüigen met eigen mond. Vgl. de aant. en mnl. met ogen sien, dat vooral in ontkennende en onbepaalde zinnen schijnt gebruikt te worden. moort (mort), znw. ra., J/. I, 104; II, 104, halsmisdaad, schanddaad, gruweldaad-, M. 1, 255, moord-, die helsche moort, M. Ill, 481, de helsche jammer, hellepijn. morglien. Zie maerghin. monde, znw. vr., Cl. 99; 200; M. I, 701, stof, aarde, slijk. |
monwe, znw. vr., vooruitgestoken onderlip. Kil. pulpa, torus; hd. mauwe (Frisch 1, 051); eng. moiré, a wry mouth, a scornful grin; fra. moue in de uitdr. faire la nwue (Dioz 23, 382), waarnaar de mnl. uitdr. die mouwe(n) maken, M. I, 455, scheeve gezichten trekken, den gek steken met iemand, is gevormd. Zie verder Mnl. Wdh. op mouwe, 2de Art. na, bijw., M. I, 915 var., nabij, dicht bij-, te na gaen met den3den nv., M. Ill, 259, te na komen, iem. in het nauw brengen, hem het vuur aan de schenen leggen; â als bnw. gebruikt, na ghebure, naë buren, M. III, 407, van hen die onafschei-delijk verbonden zijn. na, voorz., Disp. 204, naar, overeenkomstig. nachtegale, znw. m., nachtegaal. Ook gebruikt van de H. Maagd, Cl. 284. Vgl. de aant. en Profijt. Liedeb. 210, 5, waar Christus »die fiere nachtegalequot; wordt genoemd. naect, bnw., naakt, KCl. 84; Disp. 281; 299, e. e.; ook van de armen, waarvoor wij bloot gebruiken, KCl. 151; naect van, Disp. 352, ontbloot , verstoken van, zonder. nacldc, znw. vr., naald-, M. I, 900, kompasnaald. naen, znw. m., M. I, 271, dwerg-, lat. namis, fra. nain. naer, bijw., M. I, 915, nabij, dicht bij; â naerdat, voegw., 31. I, 003, voor zoover, indien althans, als ten minstquot;. naer, voorz., M. III, 507, na. naeracliticli. Zie neerachtich. naergaen, st. ww. intr., met den 3den nv., Disp. Aid, achtervolgen, iemand in het nauw brengen, hem het vuur aan de schenen leggen. Vgl. bij na. naersemlen, zw. ww. trans., M. I, 702, toezenden. naertrecken, zw. ea st. ww. intr., met den 3den en 4den nv., achter-naloopen, zoeken, j\I. 1, 09; 332; zoeken, opzoeken, 852 (t. die aerme; varr. den aermen). naertrucken, zw. ww. intr., M. I, 332 var., hetzelfde als naertrecken. Vgl. truc ken. naervolghen, zw. ww. intr., KCl. 115, volgen, 7ialooiien. |
WOORDENLIJST.
naest (neost), bnw., J/. UI, 243; neerigh, neerachtigh. alumnus,
426, incest nabij, naast, in rang ge- alraus, questuosus.
lijk; â bijw., M. Ill, 385, zoo nabij noest. Zie naest.
viogeljk aan dc waarheid, zoo nauw- ncineri, st. vnr. trans., nemen', Fr.
keurig mogelijk. 42, ontvangen.
naest, voorz., naast-. Cl. 506, naast, lUMiiniei'O (ne-, -meer), vnw., niet na, van rangorde, lat. secundum-,' meer, M. I, 305 (varr. nemmer,
bij ww. van richting, evenals met niet meer); 975 {varr. nemineér,
en beneven (z. aid.). Cl. 511, nemmer, niet meer).
naar â toe, tot. nerachtich. Zie neerachtich.
na^'acn, st. \v\v. intr. mot den 3den nose, znw. vr., Cl. 340, neus.
nv., Ov. 16, na aan het hart gaan, net, znw. o., Vr. 60, net, strikken-,
treffen, leed doen. Vgl. Segh. Gloss, int net ghevaen, Disp. 43, ge-op naergaen. : vangen, spreekwoordelijke zegswijze,
naghel, znw. m., .1/. 1, 258; OHW. Zie Mnl. JVdb. op net.
51; 91, nagel, spijker. Vgl. dore- neve, znw. m., kleinzoon en neef,
naghelen. ook bloedverwant in het algemeen,
na|» (nappe), znw. m., VM. 35; Disp. 345. Vgl. het woord nepotisme.
Disp. 305, beker, drinkschaal. ui. bijw., Disp. 23, neen. Vgl. ohd.
nat (verb. nv. nate en natte), bnw., ni, got. nei, en Franck, Etgm. Wdb.
OHW. 63; Disp. 12; 277, nat. op neen.
Vgl. lame, M. III, 62 en Franck § nie (nye), bijw., M. I, 132 var.,
44en98: iiem met enen dranke OHW. 45; Cl. 323, enz., nooit-,
nat maken, Disp. 177, een drank niene, öf (zooals gewoonlijk) uit
drinken, een drinkbeker ledigen. Vgl. niet ne, öf (.1/. 1, 132) uit n i e
ndl. nathals. ne; met hot bevestigende ie, ooit,
Nazarene, znw., de gewone mnl. gelijkstaande, OHW. 57 var.
naam van Nazareth, j/. I, 324 (God niet, znw. niets; om me niet, M. van N.); Ov. 53; 24 (Jhesus v. K), i II, 208, om niet, te vergeefs.
doch eigenlijk beteekent het woord nieuwe (nnwe), bnw., KCl. 213,
ran Nazareth, lat. Nazarenus. Vgl. nieuw, M. I, 240, die nieuwe
bij de aant. op OHW. 33. wet, het nieuwe testament - KCl. 60,
nauwe (nau), bnw., nauw, KCL nieuiverwetsch. nieuwmodisch.
184, fijn -uitgedacht, listig, scherp- niewaer (niewer, niewers, nie-
zinnig. ' weren), bijw., M. I, 289 en varr.
nauwe (nau), bijw., J\[. III, 44, (el niewer, nergens anders)-, Ov. 175,
angstvallig, nauwkeurig-, superl. nergens. Eng. noivhere.
naust, ill, 385 var. (t. naest), met niewet, znw., niets-, in de uitdr. te
de meest mogelijke nauwkeurigheid-, (nie wet e,) nieute, .1/. I, 113
M. I, 247 var., nauwelijks {t. cume); var.; I, 535 var.; III, 468, te niet. nauwkeurig, gestreng-, nauwe me-1 Vgl. Tekstcrit. 63 vlg.
ten, Disp. 234, eig. nauwkeurig nighen, st. ww. intr. met den 3den meten, afmeten, vervolgens ook ge-\ nv., OHW. 26; 44 var.; 56, hingen
streng beoordeelen, vonnissen, straffen, uit eerbied, knielen.
neder, bijw., naar beneden-, vgl. nijt. znw. m., Ov. 28, haat, verbit-
daerneder; wel neder, Ov. 167, terij/g.
geheel naar beneden, in de diepte, nipen, st. ww. trans., nijpen, knij-
Vgl. de aant. _ pen-, int vel nipen, Ov. 74.
nedergaen, st. ww. intr., M. I, 535, noch, bijw., M. I, 127; Disp. 74;
dalen, ondergaan (var. te nieute 141, eens, eenmaal, op een onbe-
gaen). paalden tijd in de toekomst.
neerachtich (ner-, na er-, -ech- nochte, voegw., Disp. 476 enz,, noch.
tich), bnw., M I , 563 en varr., node, bijw., M. II, 21; II, 263 var.;
werkzaam, ijverig, naarstig: Kil. CT. 369; 388; 415; KCl. 137,noode.
267
AVOOnDENXLTST.
2r.R
|
ongaarur, met moeite. Zie het artikel van Th. Nnlen in Feestljiiiiclcl aan Dc Vries 97 vlgg. nocne, znw. vr., Or. 210, nam id-da (j ; lat. {hora) nona, drie uur 's middags ; eng. noon en ndl. noen (zeldzaam) hebben de bet. middag aangenomen. noyacl, bnw., .1/. 1, 053 var., eerlijk, oprecht, trouw, loyaal. Zie Sec/h. Gloss, noot, znw. \r.: nood, behoefte; noot hebben ere dine, Vr. GO: .1/. II, 314; Or. 173, noodig hebben, behoefte hebben aan-, ter noot, Vr. 23; 35, in den nood, waar het noodig is; M. ill, ]S9, gevaar; Disp. 404, treurige toestand. nowedor â no, voegw., Disp. 300, noch â noch] eng. neither â nor, lid. weder (voor neweder) â noch. nu, voegw., nu, Disp. 163. mniioor, bijw., Disp. 173, ran nu voortaan, hd. nunmehr. mit, znw. o., nnt-, als bnw., nuttig, roordeelig, comp. nutter, .1/. 1, 271; VM. 7. ' nutton, zw. ww. trans., .1/. I, 405; 835, benuttigen, besteden , gebruiken', Disp. 297, gebruiken,, verteren. nuwe. Zie nieuwe. ocht, nevenschikkend voegw., KCl. 137, of, hetzelfde als ofte, oft, of, M. \, 34 en varr., e. e. ocht, onderschikkend voegw., KCl. 17; 98, als, indien, hetzelfde als of. of. voegw., Or. 226, als, indien; i4i,o/;. oghenwinc, znw. m., oogwenk, vgl. wine; niet oen oghewinc, .1/. I, 398 var., hetzelfde als niet een twint, niet het minste, niets hoegenaamd. ojïlicscijn (ooch-), bnw., .1/. I, 70 var., duidelijk, daghelder. Vgl. hd. augenscheinlich en (voor den vorm) ndl. oogenschijnlijk. oftiiosicn (ooch-), bnw., .1/. I, 70, duidelijk, daghelder. Vgl. Hiui. Gloss.; Ondom. 5, 399; Sp. 12, 7, 62; III'', 21, 82 (oochsiende al openbare); JVl, 42, 23. Misschien moet ook op onze plaats »oghcsiende openbarequot; gelezen worden. |
oint. Zie oit. oir (oyr), znw. o., M. I, 541; II, 178, kroost, nakroost, erfgenamen, ndl. oor (oir) in de uitdr. mannelijk oor. Eig. hoir {Mul. Wdh. 3, 528), van fra. hoir: lat. heredem. oit, oint, bijw., J/. 1, 456; 519; II, 40; Disp. 386, altijd, steeds; Jf. I, 27 6, ooit, te eeniger tijd. olivo, znw. vr., Cl. 83, olijf, olijfboom; elders oliveboom {Nat. Dl. XII, 303) en olivier {Flor. 2558). om. Zie o m m e. omberen. Zie ontberen, ombinden. Zie ontbinden. omdat, voegw., .1/. III, 268, opdat. oiiniiare. Zie onmare. ommate. Zie on mate. omme (om), voorz,, om, gewoonlijk met den 4den, doch soms met den 3den nv., b.v. .1/. I, 380. omniegaeii. zw. ww. intr., omgaan; o m m e g a e n met, J/. 1, 388, zich ophouden met, iets hanteer en. omnipganc. znw. m., .1/. III, 201, omloop, ook uitgebreidheid, omvang. ominesien, st. ww. trans., Ov. 14Ã, angstrallig nagaan; VM. 44, ergens scherp op letten. omtrent, bijw., rondom; al omtrent, M. I, 322, aan alle kamen, overal; 21S, aan alle kanten, geheel en al. onbehoet, bnw., ,1/, I, 365, onbeschermd, d. i. onzeker, onveilig, onbetrouwbaar. liet tegengestelde van »sonder pine ende vaerquot; (330). De verklaring van Verwijs -^onnadenkend, onbehoedzaam, roekeloosquot;, van hem behoeden, is hier do ware niet. onbekent (-becant), bnw., J/. i, 213 var., als een dier; II, 48, dom, onwetend; Disp. 401, woest, barbaar sch. Vgl. C. en Eleg. Gloss, en Segh. Gloss, op bekent, onbequaine, bnw. KCL 13, ouje- schikt, ondoenlijk. onberaden, bnw., Disp. 441, besluiteloos, of ook niet gestemd, ongezind. Vgl. de verschillende opvattingen van beraden siin. Mul. Wdh. 1, 908 vlg. onbescheiden (-bescheden), bnw., |
WOORDENLIJST.
209
|
M. I. 2!)7. onvcrstandij: '/om. onbeschoft. *onbescel(licli, bnw., .1/. I, 297, verkeerde lozing voor onbesceeclich, hetzelfde als onbesceidon. On-besceedieh leest men ook OvL Lied. c. G. 307, 21C7: »met onhe-sceediehen ovormoedequot;. onbesneden, bnw., M. I, 297 var., onbeschaafd. ruw. Ygl. Mnl. IVdb. op besneden. onbewaert, bnw.. Or. 1 óö, onhe-schermd. ondanc, znw. ra.; tondanke van, Disp. 253, terjen den zin van. onderscheet (-scheit), znw. o., .1/. I, 378, onderscheid-, III, 97 var., verschil, uitzondering: sender enich o., steeds op dezelfde wijze. onderspit, znw. o., in do uitdr. onderspit dolven, .1/. I, 20; zie de aant. aid. ondervinden, st. ww. trans., .1/. I, 597; 075 var., II, 103; 334; III, 385, bevinden, door onderzoek hebboi, leer en kennen, vernemen-, OIUV. 100, door onderzoek te weten komen, peilen, doorgronden. ondiere, bijw., .1/. I, 929, niet duur, goedkoop. Vgl. diere. ondoon. Zie ontdoen. onere (onnere), znw. vr., .1/. I, 533; III, 271; Cl. 20; Or. 12, schande. oneren (onneeren), zw. ww. trans., .1/. I, 193 var., onteeren, te schande maken. ongave (o n gh eve), bnw., .1/. 1, 515 vlg. en var., waaraan iets ontbreekt, niet gaaf, slecht, gebrekkig. ongheboren, bnw., .1/. III, 132, ongeboren, niet op menschelijke wijze geboren-, eng he wonnen en de o., het tegenovergestelde van ndl. gewonnen en geboren. onghedont. znw. o., M. I, 9GG, groote, moeilijk te dragen {onduldbare) droefheid of verdriet-, o. driven, Disp. 580, weeklagen, jammeren. Zie De Vries, Taalz. 127 vlg. ongliedraghen, M. III, 105, niet door iemand gedragen of gesteund, op zich zelf rustende. ongliedweghcn, bnw., 75/.s-y;. 273. |
ongereinigd, onzuiver, onrein. Vgl. d waen. ongheënt, bijw., .1/. I, 213, zonder einde, eindeloos. onghehoort, bnw., ongehoord, niet gehoord; onghehoort s ij n met. Or. 41, niet geacht worden door iemand, iiiet in tel zijn bij hem, hem onverschillig zijn. Vgl. Segh. Gloss, op gehoort. onghecleet, bnw., ongekleed, armoedig in de kleeren, er raar uitziende-, M. II, 307, van eene vreemde soort-, vgl. ook cleden (bl. 259) in de bot. liassen, een goed figuur maken (Mnl. Wdb. 3, 1497) en Anz. 8, 101. onghelove, znw. o., .1/. I, 147, ket-tersche meeningen. Het voorvoegsel on heeft in dit woord dezelfde bet. als b.v. in ndl. ongedierte. ongliolovich. bnw., OHW. 42, on-geloovig, Gode (of Christus) vijandig. ongbeinac, znw. o., Cl. 104; KCl. 70, smart, verdriet, pijn. onglienoeuit (onghenoomt), bnw., .1/ 111, 490, onuitsprekelijk. Vgl. ongetellet, on telbaar. ongherast, bnw., 31. III, 110 , onrustig, verontrust, onveilig. onghereet (onghereit), bnw., M. Ill, 455, niet ten dienste of ter beschikking staande voor iemand, niet te verkrijgen voor of door iemand. onghesont, bnw., ziek-, M. I, 000, gebrekkig. onghespaert, bijw.. Ov. 99, zonder draten (mnl. sender sparen), o/;-rerwijld. onglietellet, bnw., .1/. II, 290, ontelbaar. Vgl. onghometen, onmetelijk; lat. invictus, onoverwinnelijk, onglievallich, bnw., OHW. 42 var., ongelukkig, ellendig, heilloos. Vgl. de aant. in de varr. en Sp. IIP, 10, 70; 1114, 41, 59; Nat. BL IV, 00. onghevraghet, bijw. Cl. 109, ongetwijfeld-, vgl. de aant. onghevreest. bnw., M. III, 403, -.onder gevaar, zeker, veilig, of ook onbevreesd, onbezorgd, onbeschroomd. Vgl. v re sen. onghewade, znw. vr., ,V. I , 893 var., ondoorwaadbare plaats, die/ite. Het woord staat slechts in één hs. en |
WOORDENLIJST.
|
komt nergens elders voor, ook niet in de verwante talen; ook de lezing zelve »in ongewadequot;, zonder lidwoord, is niet boven bedenking, onjjliewonnen. Zie ongheboren. onkcren. Zie ontkeren. onlede, znw. vr., .1/. Ill, 193 var,, arbeid, inspannende bezigheid, drukte. onledicliede. znw. vr., J/. III, 190, moeite, last, kwelling. oninarc (oramare, ommaer), bnw., alleen praedieatief gebruikt, veracht, geminacht. In de nitdr. on ma re hebben, M. I, 73: 231; II, 333; Cl. 542, verachten, minachten, beneden zich achten, verafschuwen-, Disp. 450, weinig compUnienten met iemand maken, niet om iemand geren-. on ma re maken, M. I, 761, veracht maken, in minachting hren-gm. Vgl. mare. oinnate. znw. vr., Cl. 363, ongebondenheid, slechtheid, boosheid. Vgl. o n t u c h t.. onnen (jonnen), praet.-praes., gunnen-, 3de pers. hi an (jan), 31. I, 551; II, 201; conj. hi onne, OIIU'. 58; praet. o n d e, Cl. 1; 524. onnere. onneren. Zie onere, -ren. onrecht, bnw., .1/. 1, 522, onrechtmatig , onrecht raar dig. onrene (onreine), bnw.,Jf. I, 701, onrein, vuil, smerig, vies-, Ov. G2-Vr. GO, als scheldwoord voor personen. onsachte (-sochte), bijw., VM. 104, hard, ijverig, met inspanning. Vgl. sachte. onsaken. Zie ontsaken. onsalicheit, znw. vr., M. 111, 451, onzalig gedrag, zondig gedrag, zonde. ' onseulde (on se uit), znw. vr. Disp. 310, verontschuldiging, een middel om zich aan iets te onttrekken. Zoo ook mnl. onscout en in de 17de eeuw onschuld (Huygens, Koren!gt;1. 1, bl. 444). onsochte. Zie onsachte. ousuveren, zw. ww. trans., Or. 81, schotden, onteeren. Van onsuver; eig. besmet , onzuiver maken. Vgl. de aant. ontaine, bnw., M. I, 481, onbetamelijk, onbehoorlijk, ongepast. |
ontbeiden, zw. ww. intr., .1/. II, 30, wachten. ontbonden. Zie ontbinden., ontberen, st. ww. intr., met den 2den nv., Cl. 388, kunnen missen , het huiten iets stellen (met eene ontkenning), in denzelfden zin niet mogen ontberen, Disp. 584; â M. II, 221, zich onthouden van, iets nalaten; s ij n s willen o., zijn eigen wil op zijde zetten. ontbiden. zw. ww. trans., .1/. I, 418, beleren, rerkeeren in. Vgl. .1/«/. Wdb. op ge bi den. Do vertaling van Bukelare »praestolariquot; {verwachten) geeft de bet. niet juist genoeg weer. ontbieden, st. ww. trans., J/. Ill, 292, laten weten, boodschappen. De tgw. opvatting berust op eene ellips: enen ontbieden dat hi te mi come-, Hein. I, 2257, e. e. staat ontbieden reeds in onze beteekenis. ontbinden (-benden), st. ww. trans., M. I, 640; II, 52; 94; 332; III, 153 (met eene bep. met gt;:an, evenals leren)-, OHW. 101; C/. 301; 528, uitleggen, verklaren, ontron-iven; J/. I, 075; II , 94; 241; 245, oplossen; Cl. 7, verlossen; o. v a n ere d i n c, Cl. 454, vrijmaken, ontlasten van iets. ontbonden, deelw. bnw.. Cl. 454, verlost, vrij. ontdalen, zw. ww. intr., M. I, 910 var., ontzinken. Het woord komt slechts op deze plaats voor. ontdoen (on do en, on toen), onr. ww. trans., .1/. Ill, 138; Disj). 388; 414; 527; OHW. 16; Cl. 360, openen, ontsluiten-, Ov. 30, openen, (/pen maken, een gat maken /Vâ; Ov. 17 G, openen , verwijden; â te niet doen-, M. II. 231, sin en sin ontdoen, z/ijn versland vernietigen, door hartstocht laten overheerschen; Ov. 67, vernietigen, verslaan-, vgl. ndl. ontdaan , d. i. verslagen van geest. onteren (-eeren), zw. ww. trans.. Cl. 65, te schande maken, in het verderf storten, te gronde richten. onterven, zw. ww. trans., Ov. 15, berooven. ontfaen, st. ww. trans., Vr. 11 e. e., |
r
271.
WOORDENLIJST.
|
aannemen, ontvangen; TV. 2 ; 7 e. e., van liet ontvangen eener vrucht, lat. coucipere; ene bede â, M. I, 47 ; Cl. G3, een verzoek inwilligen, een cjehcd verhooren. (tntfallon. Zie ontvallen, ontfanuicli, bnw., barmhartig; ont-f ar mi g he dranc, Dikji. 2(i0, dr drank der genade. ontfariuiclieit (-f aermicheit, -fer-micheit), znw. vr., Disj). 558;' 5G0, ontferming, de goddelijke genade] KCl. 173, erbarming, medelijden, vgl. de in de aant. genoemde plaats uit Maskaroen. ontfermen (-faermen), zw. vvw. intr., M. I, 99, roeren , indruk oji iemand maken, hem belang inboezemenon pers., Ihsp. 391 (zie de aant. aid. in de noot); KCl. 148. ontflicn (ontflo, ontfloon (ont-floen)), st. w\v. intr., ontgaan, onl-vlieden; II, 44, iets ontkomen. boven iets verheven zijn. ontfriën, zw. ww. trans.. Cl. 210, van de vrijheid berooren, overweldigen. ontgaen , st. ww. intr., Vr. 58, ontgaan, ontkomen, vrijkomen-, des ontgaon, .1/. I, 4G var., zich aan iets onttrekken. onthalsen, zw. ww. trans., Ov. 8G, onthalxen, onthoofden. ontijt, znw. vr., ongeschikte of ongelegen tijd (vgl. ndl. ^bij nacht en on tijden'''')-, te en es ontijt, JA I, G02, op een voor iemand ongeschikten tijd, ter kwader ure, dus tot iemands schade, verderf-, tontijt, .1/. II, 12, ter kwader ure. ontkeren (on keren), zw. ww. trans., Ov. 193, met den 3den nv. v. d. persoon, afwenden van, hem onttrekken-, Ãv. 1U7, uit zijn verhand rukken, in de war maken-, vgl. Lsp. II, 3G, 8GG en zie bij keer; â intr., Ov. 117, zich af u-enden, afdwalen. ontcnopen trans., .1/. maken. ontcrupen, st. ww. intr. met den 3den nv., Disp. 826, ontgaan, ontvluchten, met hot bijdenkbeeld van tegenzin. (-cnochte), zw. ww. II, 148, ontknoopen, los- |
ontladen, st. ww. trans.. Cl. 4G0; Disji. 59G, ontlasten, bevrijden, verlossen. Men denke zich Disp. 597 o)is tweemaal. Zie o. a. Franck op Alex. bl. 42G; Tijdschr. G, 69, en het slot der aant. op Ov. 55. ontliven, zw. ww. trans., J/. I, C20; JA. II; 39; III, 11; Cl. 489, ontlijven , ecu gewelddadigen doocl doen sterven. Hoewel ontliven, wat zijne vorming betrelt, ook intr. kan zijn met de bet. sterven, schijnt het Cl. 489, om den volgenden regel, die op een gewelddadigen dood wijst, niet geraden het hier met Verwijs aldus op te vatten. ontoen. Zie ontdoen. ontpecken, zw. ww. trans., J/. I, 48G, ontrooven, eig. ontpikken. Vgl. Velth. I, 31,37: »den lieden thare ontpickenquot;. ontplecken, zw. ww. trans., J/. L, 48G var., ontrooven. Vgl. plecken. ontraect, bnw., Disp. 358, hetzelfde als mesraect; z. aid. ontsaken (onsaken), zw. ww. intr., Disp. 35G; Cl. 24. verzaken, verloochenen , verstooten. ontsegsken, zw. ww. trans.. Cl. 142; Disp. 49, weigeren-, M III, 454; 1G2, deelw. bnw. ontseit, ontzegd, geweigerd, d. i. onmogelijk. ontsien. st. ww. trans.. Cl. 225, vreezen, ontzien. ontsienen, zw. ww. intr. met den 8den nv., Cl. 2G9, er leelijk voor iemand beginnen uit te zien. Van si ene, schoon, mooi. Zie Denkm. 8, 209, 151; Vad. Mus. 5, 320, 7; 10; Lucid. 3282. ontsinnen (hem â), zw. ww. we-derk., J/. II, 233, huiten zijn tinnen geraken, krankzinnig icorden. Vandaar ndl. ontzind. ontspanen, st. ww. trans., .1/. II, 228, verlokken, vervoeren. Vgl. spanen. ontspringen, st. ww. intr., .1/. I, 400; Ov. 71, ontwijken, ontvluchten, M. 111, 17, ontgaan, weggaan van-, OHW. 57, ontspringen, zich openen. ontstaen. st. ww. intr., Ov. 70, bestand zijn, blijven bestaan, in het leven blijven, den dood ontkomen. |
quot;WOOHDKjNXIJST.
|
ontsnghen, st. w\v. trans., Oü. 192. outzuigcn, afpersen-, iemand zijn hartebloed, zijne levenssappen ontnemen. onttekenen (ontekenen), z\\r. w\v. trans., Disp. 385, onkenbaar maken, aan het oog onttrekken. ontticn (ontien), st. ww. trans., .1/. 1, 899 ; II, 242 var., onttrekken, i ontrooven; â intr., .1/. I, 745 var., wegtrekken, vluchten. ontucht, znw. vr., Disp. 472, on-opgevocdheid, bandeloosheid, ongehoorzaamheid. ontvallen, st. ww. intr., VM. 45, door Verwijs verklaard als af rallen, afvallig worden, het over een anderen boeg werpen. Doch er zou dan wel laels staan. Men kan In ei ook als laet het opvatten, en ontvallen vertalen door ontglippen. De zin is dan dat ons dit (het spreken van de waarheid) zachtjes (ongemerkt) ontglippe, d. i. laten wij daar maar kalmpjes mee ophoudenquot;. ontvinden, st. ww. trans., Disp. hl, door een vonnis vrij verklaren, vrijspreken. Zoo ook Jx'jmb. 9569: »Marie, die ... ons verbidt ende ons ontbint {var. ontvint) jeghen haer verbolghen kintquot;. De gewone opvatting in het Mnl. is door een vonnis ontzeggen, ontnemen, lat. aljudicare. Zie de aant. ontwilden, st. ww. intr., Disp. 505, ontgaan, ontsnappen. ontweghen, zw. ww. trans., Disp. 272, van den rechten weg afbrengen, verleiden, vervoeren-, â intr., Disp. 455, van den rechten weg afdwalen, verdolen, slecht terechtkomen. ontwenden, zw. ww. trans., .1/. Ill, 28(j, verwijderen, verdrijven, of ook herooven; vgl. lid. entwenden; â⢠intr., M. II, 51, ontkomen; Disp. 4C3, zich van den rechten teeg afwenden, verdolen, op een dwaalweg zijn. Vgl. Hein. I, 1838. onversaghet, Cl. 114, onbevreesd-, Disp. 533, onbeschroomd, veilig. onverseert, bnw., KCl. 174, ongedeerd. Vgl. verseren. onversien (-voirsien, -vorsien) deelw. bnw., .1/. I, 180, onvoorzien, onrerwacht, of ook (bijw.) onvoorziens , onverwachts. |
onverslonden, bnw., Cl. 532, ongedeerd, behouden-, eig. niet door de »helsche hondenquot;, de duivelen, verteerd. onvervaert, bnw., KCl. 57, onbevreesd, moedig-, onvervaert van, KCl. 191, onbevreesd voor. onverwinlijc, bnw.. Cl. 536, zóó zijnde dat men de moeilijkheden niet te boven kan komen, onbereikbaar, ondoenlijk. onvrede, znw. m., ^[. III, 189; Disp. 207 ; 344; Cl. 56, oneenigheid, tweedracht, twist, vijandschap; JL I, 728, onrust, kwelling, bekommering, onvroet, bnw., KCl. 79, dwaas, onzinnig. onvrome, znw. vr., .1/1 I, 533 vlg. var.; III, 277, nadeel, schade. omvaerde, bijw.. Cl. 434, op eene onwaardige, schandelijke wijze. onwaert (- weert, - w e r t), bnw., .1/. I, 277; 928, waardeloos-, .1/. I, 400, waardeloos of onverdiend of ook van een onwaardige (onwaerde lof, bij Bukelare: »indignam laudemquot;); Disp. 61 , onwaardig, verachtelijk. onwijs, bnw., I, 316, niet wijs, niet verstandig, dom; OHW. 64. onwijs, verdwaasd, zinneloos. onwise, znw. vr., 67.33, zinneloosheid. ooinoedich. Zie bij ootmoedich. oorbaerlijc, oorconde. Zie or-, oort (ort), znw. o., vierde deel [van een stuiver), oort, bij uitbr. kleinigheid; niet een oort, M. I, 154; 254; Disp. 67, geen zier, volstrekt niets; van enen oor de, J/. II, '256, eig. voor de. waarde van een oort, d. i. een zier, het minste of geringste. ootmoedelike (o o ra o e d-), bijw., .1/. I, 812, ootmoedig, nederig. ootmoedich (o o in o e d i c h), Disp. 90, nederig, ootmoedig. ootmoedicheit (o o m o e d-), znw. vr., OHW. 50; Cl. 62; 173. ootmoed, deemoed, nederigheid. ootmoet, znw. m., oorspronkelijk de stemming van den meerdere jegens den mindere, van God tot den |
WOORDENLIJST.
27.4
|
raensch, Cl. 25, genade, goedertierenheid (vgl. ook Mnl. Wdb. op hulde); later de stemming van den mindere jegens don meerdere, OnUr. 30, nederigheid, ootmoed, deemoed. op (up). voorz., op; zie Lsp. Gloss.; Dis p. 432, op voorwaarde van, op hoop van: vgl. .1/. II, 177: up sulc convent, in de hoop hierop. opdat (updat), voegw., .1/. 1, 214; 702; 835; III, 502, indien, ingeval. openbare (openbaer, opombaer), bijw., KCl. 111; Ov. 227, in het openbaar, openlijk; opombaer ende stiilekine. Cl. 294, openlijk en in het geheim of in stilte, d. i. op alle manieren-, stille (intherte) ende openbaer, hetzelfde als 1 u d e ende stille, JJisp. 8, op alle wijzen- Cl. 535, klaarblijkelijk, zonder twijfel. openbaren (opembaren), zw. ww. trans., openbaren, vertoonen; â \vo-derk., Cl. 437, zich openbaren of vertoonen, verschijnen-, â intr., ,1/. I, 351, zich openbaren. opgaen (up-), our. st. ww. intr., Disp. 288, opkomen, voortkomen. ophonden (uphilt), st. ww. trans., .1/. I, 971, opvoeden, opkweeken. opcliven, st. w\v. intr.. Cl. 48C, opklimmen, opstijgen, ten hemel varen. oprennen (up-), praet. up ran de, zw. ww. intr., .1/. 111, 365, opstijgen, ten hemel varen. opsien. st. w\v. intr., naar iets of iemand â den-, als znw., .1/. 1, 898; II, 75, blikken. optien, st. ww. trans., Disp. 345, verheffen, iemand vooruitbrengen. opvaert, znw. vr., Vr. 43; 55; Cl. 469, hemelvaart. orbaerlijc. bnw., Disp. 145, nuttig. ordine, znw. vr., Disp. 313, kloosterorde. ordineren, zw. ww. trans.,Disp. 40, verordenen , bepalen, voorschrijven. orconde, znw. vr., .1/. 111, 151, getuigenis-, of, als znw. m., getuige. orconden. zw. ww. trans., .1/. 1, 049; 111, 387, getuigen, getuigenis afleggen van; Disp. 184; CL 529, verkondigen, rnededeelen, berichten. ort. Zie oort. I Vapcnc. M irljn e. lt;i. Ged. |
oude, znw. vr.. Cl. 93; 203, ouderdom. over, voorz.; houden over, M.\, 122, houden voor. Zoo ook 136; e. e. Zie T. en Letlb. 2, 283. overdaet, znw. vr., .1/. L'I, 288; KCl. 214, euveldaad, schanddaad, wanbedrijf, vgl. fra. forfait. Disp. 287, onmatigheid. overeen, bijw., M. I, 27; VJf. 27, niet elkander, te zamen; overeen-d rag hen, 1/. I, 92; VM. 92, overeenkomen. Vgl. Gloss. 2 304; Lsp. Gloss, en hbü. Wdb. 2, 530. overgaen, onr. st. ww. intr., Ov. 208, voorbijgaan. overlimt, bijw., .1/. I. 671, in het openhaar, openlijk. overwaer, bijw., M. I, 06; Disp. 10; Ov. 97; KCl. 97 (vgl. de aant.), voorwaar, voorzeker, inderdaad. pael. znw. ra., paal, grenspaal-, over die pale gaen, .1/. 111, 479, de grens overschrijden, zich te buiten gaan. paer, znw. o., .1/. 1, 330, de ander van een paar, wederpaar, gade (ml. en vr.). paeschdacli, znw. m., OIIW. 120 var. (vgl. de aant.), Cl. 100. Paaschdag. paiïen, znw. m., .1/. 11, 271, heiden-, lat. paganus, fra. pdien. pais, znw. ra., vrede, fra. paix; pais ende vrede, M. I, 615, volmaakte vrede, zoo ook in de 17de eeuw; en es pais maken, KCl. 87, den quot;.oen voor iemand treffen, zijne schuld betalen. Vgl. fijn. palen, zw. ww. intr., palen, grenspalen zetten-, palen ende meten, Ov. 35, zijne grenzen afbakenen; met verre, uitbreiden. panden, zw. ww. trans., .1/. I, 181, beslag leggen op, in beslag nemen; iet op enen p., Disp. 412; Ov. 51, van iemand verkrijgen. Vgi. üduem. 5, 554. pant, znw. ra. én o.. pand, in de uitdr. des pant setten, Disp. 398, voov iets een pand zetten, er borg voor blijven-, .1/. I, 700; 11, 85, bezitting, schat (vgl. pont); oorspronkelijk het te pand gegevene. Vgl. ndl. »onze dierste panden, ons beste pand'''-, â overlast, schade-, 20 |
woordenlijst.
274
|
pant doen KCI. 9.'gt;, schade toebrengen , orerlrtst aandoen] dor ho-v e r d e n p a n t, .1/. ! 1, 284, die ellendige trolscliheid, eig. die laslpoM van een trotschheid. parlement (parlament), Disp. 4ö6; M. J, 313, var. O., gesprek, rede-iwist. pai'lemcnten, zw. avw. intr., .1/. I, 313, een â »parlementquot; of gesprek honden-, ook '.eggen. passie, zmv. vr., M. I, 861: Disp. 93, e. e. lijden. passicn, zw. ww. trans., Disp. 22$, martelen, folteren. pat, zmv. m,. .1/. 1, 241; 810; Disp. 179, poxl. weg. pciscn, zw. ww. trans., KCI. GG, denken â . van ofra. penser, of van lat. pensare. perc, znw. o., .Â¥. Ill, SG, afdeeling, stuk, onderdeel, eig. besloten ruimte. Vgl. ndl. tijdperk. l»erseiiiare (-mere, -mier), znw. m., .1/. I, 485, woekeraar, van perse-men, woekeren. Kil. perssem, usura; perssemer, usurarius; perssomen j. woeckeren, foene-rari. Vgl. ohd. prasmo, phrasmo. nsura; prasemere, usurarius (Graff 3, 369); onl. prisma, presma (Heyne, Kf. Altnd. Denkm. Gloss.). De oor-sprong van prasma, presma is onbekend. persen, zw. ww. trans., Disj). 148; 152; 156, persen, uitpersen. persone (persoon, zie de aant. op M. III. 472), znw. m., â1/. UI, 210; 392; 472, persoon, ook van de drie personen der Drieëenheid, lat. persona-, vgl. het lat. gedicht op bl. 183. persoor, znw. o., Disp, 146; 154, wijnpers-, fra. pressoir, lat. presso-rium. pilare, znw. m., Cl. 517, pilaar, xnil, van een persoon gebruikt, als ndl. steunpilaar. Vgl. de aant. aan den voet der bladzijde. pine, znw. vr., Disp. 29; Cl. 290, pijn, smart, ongemak-, te pine, Disp. 129, ter pijniging. |
pinen, zw. ww. intr., J/. 1, 68; 123, zich inspannen, zich moeite geren, zwoegen-, pinen om me, M. I, 380 var., moeite doen voor, streven naar. piscine, znw. vr. vijver, ivaterkom. Zie p r o b a t i e a. pit, znw. m., jmi-, helsche pit, helsche put, afgrond der hel. Zoo ook Hild. 106, 116 (»der hellen pitquot;), plade, znw. m., Cl. 329, ahornhout, hout ran den eschdoorn, den »acer pseudoplatanusquot;. Vgl. do uitvoerige aant. in Slroph. Ged. i Gloss., en Lümbex 3, 385 op p 1 a d e r e n ; Hor. Belg. 72, 82; »p lader boom, platanusquot;. Het hout van den boom is zeer hard en glanzend, en werd daarom veel gebezigd tot het vervaardigen van kostbare drinkbekers, die met zilver werden gemonteerd, plaghe, znw. vr.. .1/. 111, 114; Disp. 325; Ot'. 232, onheil, ramp, ellende. plaghen, zw. ww. trans., KCI. 167; 186, kwellen, pijnigen, folteren. plat, znw. m., .1/. 1, 167, slag, smak, het geraas u-aar ran een val vergezeld gaat. Vgl. t o n g h e p 1 a t. pleglien. Zie plien. plein, bnw., openbaar, openlijk, eig. vlak: int p 1 e i n e, Oo. 227 , in het openbaar. pleit, znw. o., J/. 111, 325, rechtsgeding. plecken, zw. ww. trans., M. 1, 485 van-., villen, berooven. Ook I'ose 10809 en 12081 komt plecken als var. van b 1 e c k e n voor. Vgl. ontplecken, en Mnl. Wdb. op af plee ken. pletten. Zie gheplet. plien: ook pleghen, st. ww. intr., J/. I, 748; 904; II, 244; Disp. 477; 481 (omschrijving voor het praesens, ook Oo. 141, zie eleven); Cl. 115; Or. 141, plegen, gewoon zijn; M. I, 748, als znw., gewoonte-, â met den 2den nv., Disp. 261 (plien); 263, (pleghen); 448, zich toeleggeti op, zich bezighouden met, zich overgeven aan. plncken (p 1 o c k e n), zw. ww. trans., plukken, in de uitdr. pl. van den stove, J/. I, 9, iemand van het stof reinigen door het weg te jilnk-ken, van de kleederen a.f te nemen, in figuurlijke toepassing pluimstrij- |
WOORDENLIJST.
|
km 1 rleicn. Zoo ook J'incl. 133S. Zoo zeide men vroeger ook enen striken van den p 1 n m e n (en plunrastriken), hem de pluimen of plnizen van de kleederen afstrijken. Zie 1 IiTjD. Gloss, op plume; Belg. Mus. 9, 19ö. plucker, znw. m.; p. van den stove, VM. 9, jilu imstrjker. l)oent (point, punt), znw. o., punt, mikpunt, doel] te poente, .1/. f. 21; VM 20, juist; vgl. hitten en leiden. poëtrie, znw. vr.. M. II. ir)9, verdichtsel, voortbrengsel der romantiek. poghen, z\v. ww. intr., .1/. Ill, 34, streven, zijn best doen, zijne kraeJiten inspannen-, als znw. gebruikt, KCl. 1 TiÃ, streven, doel-, poghen om, .1/. I, S63 ; KCl. 93, streven naar, trachten naar. point. Zie poent. pont, znw. o., M. f, 657; Ov. 242, als geldswaarde; m i n r e v a n don ponden, M I, 650, minnaar van het geld, vrek] M. I, 181 (vgl. de aant); 361, schat, bezitting, ook van geestelijke goederen. poor (pore), znw. m., ,1/. Ill, 194, wil, streven. Zie de aant. poort. Zie port. poorte. Zie porto. porren, zw. ww. trans., .1/. III. 433, aandrijven, opwekken-, â â-intr., zich in beweging zetten-, als znw., J/.III, 175, beweging, schok. porringhe, znw. vr., .1/. II, 242, aandrift. Zoo ook Sjgt;. Ill3, 12, 24: »porringe van allen zondenquot; (lat. fames peccati). port, znw. vr., Ov. 44. stad] he-melsche port, p., M III, 230, de hemelsche stad, de hemel] helse he poort. III, 481 var., de hel. Het woord komt met veranderd geslacht van lat. portus, haven, en is dus een ander woord dan poorte (porto). porto. znw. vr., Disp. 143; lt;'l. 276; Ov. 54; 59, poort, zoowel van een gebouw als van eene stad. Van lat. porta. portenarc (poortenare), ook portier (poortier) en porter, znw. |
m., .1/. I, 244 en varr., OHW. 22, portier, deurwachter. predicare, znw. m., Ov. 76, predikheer . Dominicaan. preit, znw. o., .1/. II, 37, veld, beemd, weide. Zie over den vorm Salverda do Grave in Tjdschr. 15, 201 en 213 vlgg. prelatië, znw. vr., Disp. 295; Ov. 144, prelaatschap, hoog geestelijk ambt. prence. Zie jirince. prijs, znw. m., .1/. I, 373; 3!)7; Disp. 590; Cl. 305, roem, lof, eer-, â waarde-, van prise, OHW. 62, schoon, voortreffelijk. prince, prence, prinche, znw. m., Disp. 394; Ov. 98; 215, vorst. prindeii (prant), st. ww. trans., .1/. III, 338 var., nemen, grijpen, pakken. Var. gheprinden. prisen, zw. ww. trans., M. I. 546; Cl. 3, loven, prijzen] â waardee-ren; g e p r ij s t s ij n, van waarde zijn, in achting zijn. Vgl. volpri-s e n en p r ij s. probatica piscine, benaming van het badwater, vermeld in Joh. 5, 2; eig. schapenvijver, van gri. probaton , schaap (in onze vertaling »een badwater aan de Schaapspoortquot;). L. v. ./. c. 116 staat alleen ene piscine. proeven, zw. ww. trans., .1/. 1, 248, keuren, I, 649; II, 257; 315, bewijzen ; 1, 327 , onderscheiden (eig. bewijzen aanvoeren voor het bestaan van)] I, 675; II, 287: Disp. 213; 479, opmerken, nagaan, overwegen] M. III, 226, iets inzien, van iets overtuigd :ijn; .1/. III, 415 (hier up proef ende sie) op iets letten, het nagaan (het voorz. up is eigenlijk de regeering van sien; var. » dit proef wolquot;); Ov. 36, op de proef stellen; M. Ill, 327, in verzoeking brengen. propliecië, znw. vr.. Cl. 301, het door prophelen geschrevene. provende. znw. vr., Ov. 170, oj)-brengst uit geestelijke goederen, kerkelijke inkomst, prebende. Zie Kluge op pfrunde; Franck op prove, punt. Zie poent. pure (puur), bnw., '7. 44; 345, rein. zuiver, onbesmet. |
AV00EDENLI.7ST.
276
|
purgereii. zw. avw. trans., .1/. III. 364, reinigen, zuiveren. put. Zie p i t. pntertiere, bnw., oig. qualit. genitief, Ov. 168, verdorven, gemeen, liederlijk. quale, zmv. vr., Disp. 166, lijden, pijn, marteling', lid. qvnl. qualike, bijw., Ov. 101, op eene verkeerde wijze, slecht. queken. zw. avw. trans., Or. 157. upkireeken, verkwikken. quelen (q u a 1), st. ww. trans., Disp. 166, lijden, verduren. quist, in de nitdr. te qniste gaen. .1/. I, 194; Ov. 8, ie gronde gaan, te niet gaan, verloren gaan. qnite (quijt), bnw., Disp. 415, 6c-vrijd . wij', VM. 76, beroofd, zonder ; Cl. 265, quite van, verwijderd van, niet in aanraking komende met. Vgl. V. War. 2 , 853,44: »als tcaf quite es van den keestequot;. quiten, zw. ww. trans.. Cl. 101; 403; 531; 541, verlossen, bevrijden. raot. znw. in.. .1/. I, S90, besluit,plan] 1, 537 (van God); in rade vinden, Cl. 327 , goedvinden, besluiten; â raad; sender r a e t, Ov. 112, zonder bestuur over .icli zelf, zonder zedelijk bewustzijn; KCl. 220, ones r a e t doen, doen wat iemand aanraadt, gehoorzamen; enen te rade gaen, iemand raadplegen-,â Disp. 290, toerusting, voorraad, wat voor hei vleeschelijke leven noodig is (vgl. Anz. 8, 162). raken, zw. ww. intr., geraken-, .1/. III, 486, raken in, terechtkomen in. rasten, zw. ww. intr., M. III, 109 var. (t. rusten); Disp. 85; Cl. 282, rusten, vertoeven. rebel, bnw., KCl. 51, weerspannig. recht, bnw., M. 1, 23, recht vaardig, van een persoon; als znw. gebruikt, die rechte, M. I, 10; Disp. 56, de man van eer, van beginselen: Disp. 40, rechtvaardig, billijk, van de wet; het es recht, Disp. 28; Vr. 28, het is billijk, rechtmatig; Ov. 129, rechtmatig, iemand toekomende, hem in eigendom toebchoo-rende, eigen', M.l, 210, rechtmatig, verdiend, van straffen; â rechtuit-loopende, kort, M. I, 170, die rechtste weeh; â goed in zijne soort, zijnde zooals iets wezen moet, 31. I, 575, rechte (zuivere) waer-heit; Ov. 245, recht ghelove; M 1, 530, rechte telt. |
recht. bijw. Zie rechte. recht. znw. o., recht-, KCL 157, te rechte, naar recht, rechtens-, KCl. 157 , vonnis, het recht ded iemand zal wedervaren-, â- dat ivaarop iemand recht heeft, werking, macht', der sonnen recht, VM. 83. rechte, znw. o.. Cl. 127, dat rechte, de waarheid, het goede, dat wat ons eeuwig heil bevordert. rechte (recht), bijw., KCl. 170; J/. II, 225 (zie de aantt), juist, precies; recht of, M. 1, 13, juist {net) alsof; recht als. Cl. 152, even als; Ov. 204, geheel en al, juist, precies. rede, znw. m., Disp. 351, koorts, ags. hridh (Clarc Hall 185). Vgl. Franck op rillen en de aant. op Disp. 351. redone, znw. vr., Jl/. I, 63, reden, oorzaak; M. I, 500; 625; 660: II, 125; 130; 187; 190; 300; 338; III, 215; 228; Disp. 514; KCl. 130; 131; 134, rede, redelijkheid. Vaak, als in J/. II, tegenover wille, hartstocht. ree, znw. vr., Disp. 332, ree, hinde. reine. Zie rene. reinaerdie, znw. vr., Ov. 151, sluwheid , gemeene streken, de streken van Reinaert den vos. Vgl. Mautin op Hein. I, 203G. ree (recke), znw. o., Disp. 300; KCL 84; 158, kleerenrek, kapstok, kleerkast, garderobe. Vgl. Rose 223. religioen, znw. o., Or. 79, geestelijke stand. Vgl. Melib. 3243; »liode van religioenequot;; Franc. 2466: »inan van religioenequot;. rene (reine), bnw., Disp. 281; o. e., rein, zuiver, onbevlekt. rene, bijw., OHIV. 118, geheel en al; hetzelfde als alrene (.!/«/. Wdb.). rent, znw. o., .1/. I, 212; 842, rund, beest, als zinnebeeld van het lagere. |
woordenlijst.
277
|
dierlijke leven; I, 316, als zinnebeeld van domheid. rente, znw. vr., Disp. 359 ; 308; Ov. 177, geldelijke inkomsten. reren. z\v. w\v. intr., KCl. 177, hndlen, loeien- geld. dial, reren: vgl. eng. roar, hd. röhren, en Vad. Mus. 1, 70, 19. rete. znw. vr., een vreemde bijvorm van rate. Or. 391 (in het rijm), raat, honigraat. ribaiulië, znw. vr., .1/. II, 105, schurkerij, gemeenheid, schelmstuk. ries, bnw., KCl. 122, xot, dwaas, onzinnig', als znw., .1/. 1,137; VM. 17. rijclieit. znw. vr., Jl/. I, 833; 839; 111, 431; 434: 430, rijkdom. rijm. Zie rime. rijphetle, znw. vr., Disp. 513, rijpheid. rijs, znw. o.. Cl. 34, tak, houl;yer-klw. risekijn. Dis//. 38, takje, rijsje, houtje; dercrucenrijs, Disp. 587, kruishout. rike(rijc), bnw., .l/.Iir, 238, sterk, krachtig; rijk, heerlijk: rike vont, JA I, 358, heerlijke gare-, VM. 65, rijk, vermogend. rime, znw. vr., M. I, 446 (vgl. de aant); Cl. 16; 21; 528; gedicht. Misschien ook is rime mcerv. van r ij m, vr. en m., in de bet. versregel (zoo ook mlid.). Vgl. Franck op rijm, en zie Sp. III:!, 28, 19: »pelegrime, die lesen ende singhen rimequot;. In Franc. 131 heeft het woord de tegenwoordige beteekenis. rinc, znw. m.. Disp. 141, ijzeren ring aan eene poort, klopper. rinnen (ran), st. ww. trans., Disp. 369, hopen: Disp. 153; 538; OIIW. 93; Cl. 220, vloeien; M. 1, 550; Disjt. 421, voortkomen, afkomstig zijn-, Disp. 309, wegloopen, heen-loopen. risekijn. Zie rijs. riviere, znw. vr., ORW. 62, rivier, stroom. De eig. bet. van het woord is oeverland, lat. riparia {term). Vgl. hd. revier en mul. in rivieren v a ren, op de valkenjacht gaan. roeder, znw. m., ,1/. II, 129, roer. Vgl. Franck op roeien; Ferg. 3267; Sp. is, 70, 32. |
roekeloos, bnw., OHIV. 34, goddeloos; eng. reckless, hd. ruchlos. roeken (rochte), zw. ww. intr., M. 1, 177, zich nelcommeren : met een onb. wijs, Jï. III, 43, zich er toe i zetten, er naar streven, vgl. Tijdschr. 1, 133 ; â onpers. mot den 3den nv. mi roec(t) (roeket), met eene ontk., M. I, 547; Disp. 369; 372, hel is mij onverschillig, ik geef er niet om, ook er is mij niet aan gelegen, hel gaat mij niet aan. roem. znw. ni., het zich beroemen, zelfverheffing, irotschheid; stout van roe me, Disp. 124, grootsprekend ,. praalziek, roemzuchtig. roeren, zw. ww. intr., ^[. III, 172, bewegen, zich bewegen, roeren; â trans, Disp. 141 var., aanraken, in beweging brengen (t. roeren a n e, met roeren als intr.). rollen, zw. ww. intr., .1/11,438. Zie bane. roof, znw. m.. Disp. 116, roof, het geroofde; Disp. 53, het rooven, roo-verij: roof bestaen, op roof uil-gaan; den roof golden, Disp. 101; spreekw. zegswijze, voor iets boeten. rose, znw. vr., Cl. 335; Oil IV. 32, gezegd van het bloed van Christus, rosine, znw. vr., Disp. 120, druif, thans alleen gedroogde druif. Eig. ra sine; fra. raisin, lat. racemus. roven, zw. ww. trans.. Cl. 105, be-rooren. rudaris. znw. m., M. 1,510 en varr., stommerik, domoor. Van een mlat. rudarius (?). Vgl. notaris, archivaris, dromedaris, en Tijdschr. 16, 280. Rudaris komt ook o. a. voor Sp. 111^, 93, 187; Wap. Rog. 50, en nog bij Houwaert, Hand. d. Am. 240 (rugdaris) in den zin van lomperd (Oudem. 5, 905). rumen, zw. ww. trans., .1/. I, 6; III, 441; KCl. 92, ontruimen, vertalen. runt. bnw., â1/. I, 665; II, 201 vlg., bot, onbeschaafd, ruw. Vgl. ru-d a r i s. ruw, bnw.. Or. 247, ruig, behaard, als benaming van Satan gebruikt. Men denke aan de voorstelling van |
woordenlijst.
|
den duivel met de dierengestalte en do bokspooten. sabel, znw. o., sabelbont, zwcui-hont, Ov. 197, benaming van zwart in de wapenkunde. sachte, sochte, bnw., Vr. 40; Cl. 87, zacht, zachtaardig, van personen; zacht, nicl hard, van zaken. Vgl. Eng. soft, hd. sanft. SiK'hte (saechte, sochte), bijw., VM. 45, zachtjes, stilletjes, onr/e-tnerkt; KCL 195, enen saechte laden, iemand een lichten last opleggen. Vgl. on sachte. saechte. Zie sachte. saen, bijw., M. J, 201 enz., spoedig, weldra, in ecu oogenblik. saet, znw. o., zaadkorrel; niet een 3 a e t, KCl. 25, geen zier, hoege-naamd niets. saot. znw. o., in de nitdr. te sade, .1/. II, 207 (in A en in FOG; 1) re rade, B de stade). Vgl. Kansler, Dcnkm. 3, 670; Kil. jgt;saed, sors, summa s. caput et prima pecunia quae confertur ut inde lucrum fiatquot;; Schuermans en De Bo op zaad, inzet of inleg bij het spel, Woeste op sad. Deze bet. komt evenwel in het Mnl. elders niet voor. Volgens den eerstgenoemden bewerker kan de bet. der nitdr. »sijn ghespin van minnen els draghen to sadoquot; zijn: ;gt;[het weefsel van] zijne minne ergens anders heen dragen als een op rente gezet kapitaalquot;, of »«/« een inleg of inzet, ut inde lucrum fiatquot;. Daalde tweede bewerker zich met deze verklaring niet kan vereenigen, is bij stade eene andere voorgesteld. 3Ien zou nog kunnen vragen , of eene nitdr. »te sadequot; als in do bij De Bo vermelde ygt;te za{de) werken, het land voorgoed omploegen om aanstonds te bezaaienquot; kan zijn bedoeld, give, znw. m., M. I, 170, minachtende term voor lichaam. sacristo, znw. m., O//IF. 110, he-waarder van, den tonpelschat, sa-cristcin. Hier wordt de moederschoot der H. Maagd bij een schatkamer vergeleken. Vgl. sale. |
sacristie, znw. vr., sacristie: bij uitbreiding , Disp. 289, dc kerk. sale, znw. vr., zacd, paleis; Cl. 215; ,1/. Ill, 304, de hemel; der herten sale, J/, III, 479, hart, gemoed, binnenste; M. III, 301 var.; Vr. 17, jnoederschoot, bepaaldelijk van Maria; zoo ook Sp. I7, 30, 11; »die edele zale daer God in lachquot;; Teest. 2833 enz. In denzelfden zin OHW. Ill camera. salieli. bnw., Vr. 16; 17; zedig, gelukzalig; Cl. 136; O UW. 13 var., heilaanbrengend. sant, znw. o. en m., M. I, 229, zand; Disp. 400, strand; .1/. I, 097; II, 153, zandkorrel. sas, znw. m., M. I, 109, Salts; do zuiver ndl. vorm leeft voort in Sas-senheim en dc Sassenstraat te De-ventor, do Sassenjwort te Zwolle. Vgl. do aant. en voeg daaraan toe Hild. 3, 180: »soo ben ic dommer dan een Sas of een Vrioso runt van aerdoquot;, en aid. 125, 174: «dommer dan een Sasquot;. sat, bnw., ook met den 2den nv., Disp. 173, rol van, verzadigd van; Disp. 280, van iemand verzadigd, genoeg van iemand hebbende, afkccrig van. scaden. zw. ww. intr., M. 1, 285; KCl. 135, schade doen, nadeel aanbrengen , in iemands nadeel zijn. scaert, znw. m., Or. 95, schaardc, (dial, schaar), een stuk uit het scherp van een snijwerktuig, scherf; ook de jdaats in een wapen, waar een stuk uitgesprongen is. scale, znw. m., M. I, 529, dienstknecht, slaaf. Nog over in maarschalk, d. i. eig. paardenknecht, en den eigennaam Godschalk. Vandaar M. I, 7 var.; 09; 86; 91 vlg.; 115; 122 enz., deugniet, bedrieger; â als bnw. gebruikt, KCl. 20, bedrieglijk, doortrapt. sealkernië, znw. vr., Ov. 154, slechtheid , bedriegerij, gemeene streek. scalelieit, znw. vr. Ov. 170, boosheid, doortrapte slechtheid; ook als collectief in bot. met de bonzen gelijkstaande. scame, znw. vr., schaamte: hd. scham, |
WOORDENLIJST.
279
|
eng. shame â , Ci. 52, schande: JL I, 477, op een persoon toegepast, schandvlek. scaraelheit, znw. vr., M. I, 421, zedigheid, eerbaarheid. scande, znw. vr., schande, vgl. sehende; socande doen, Cl. 149, onteer en; son der scande, M. III, 375, xonder dat wij te schande of beschaamd gemaakt worden, d. i. zóó dat wij niet verdoemd worden-, vgl. de nitdr. h e 1 s clie s chent (scande), JL 1. 843 var. scare, znw. vr., OIIW. 20, schare (zie de aant.); die blide scare. Cl. 540, de hemelingen, de gelukxa-ligen (var. OIIW. 20 die saliglie scare; vgl. Waj). Rog. 1310: die heleghe scare). scarp, Lnw., Cl. 148, scherp, boosaardig. s«,liei(len. st. ww. trans., M. I, 55; 720, iemand van zich verwijderen-. sijn bloat sceiden, Ov. 7, zijn bloed storten (eig. afscheiden): â intr., scheiden, zich verwijderen ran; van. God of een heilige. Cl. 1%, hem verzaken-, van eene overtuiging, M. II, 13ö; III, 12, haar verzaken, prijs geven. sclielden, st. ww. trans., M. I, 528; 735 var., noemen, zonder minachtende bijbeteekenis; M.l, 71; 732; F.1/. 13; Disp. 357; KCl. 202, he-risjien, iemand op zijne verkeerde handelingen wijzen, bestraffen. sclieiule, znw. vr., Disp. 383, schande, oneer. scliemlon (gescent, gescant), zw. ww. trans., M. I, 210; 3G4; III, 279; Disp. 405; Cl. 204; KCl. 101, in het ongeluk storten, verderven, doen verloren gaan; M. 1, 320, schandvlekken. schenken. Zie schinken. schent, znw. m., M. l, 843, schande. het woord komt hier slechts in A en nergens elders voor. scheren, znw. o., J/. I, 5G5; Cl. 422 , scherts, gekheid; Disp. 243, scherts, spot. Vgl. ook de gewone mnl. uitdr. te scheme driven; dit nes gheen s., 31. III, 422; Disp. 243; Cl. 422. |
scheren, st. ww. trans., scheren, vooral van de tonsuur, KCl. 23. schiere, bijw., .1/. I, 935, schielijk, spoedig, weldra. scliinen, st. ww. intr., M. I, 90; VM. 90, zich rertoonen, zich voordoen] Disp. 149, blijken, of ook ie voorschijn, voor den dag komen. schinken. zw. ww. trans., Disp. 201; KCl. 77, schenken. scoe, znw. m., schoen ; i s c r ij n scoe, M. II, 50, schaats {?). scoen. jongere bijvorm van scoeion, (deelw. gescoet, Franck, J[nl. Gramvt. § 157), zw. ww. trans., 31. I, 029, schoeien. Zoo ook Franc. 16; 6437; 7?. r. Zutf. 75, 95; Stadr. v. Zwolle 135. scone, bnw., schoon, mooi-, A'C/. 97, schoon, rein, zindelijk. scoot, znw. m., schoot-, sinen scoot ontdoen, Ov. 17 6, zijn knieën van elkaar doen om in zijn rok veel te kunnen opvangen-, 31. I, 34)5, schoot, moederschoot. scoren (scuoren, see uren), zw. ww. trans., 31. I, 125 var., OIIW'. 28, scheuren, verscheuren; Ov. 46, te gronde richten, vernietigen-, ââ intr., Vr. 24; Disp. 502, scheuren, splijten, breken. sconde, znw. vr., Disp. 103; Cl. 98; 205, schuld, toedoen; hetzelfde als scout, s c u 11, Disp. 123; e. e.; scout heesschen, boete invorderen, straf eischen. Vgl. scout (scontete, hd. schuldheisx), van scout h e t e n, als benaming vau een mnl. rechterlijk ambtenaar, scouden, zw. ww. trans.. Or. 87, zengen, broeien, met heet water begieten-, eng. scald; ndl. schonden, schouwen (Van Dale). Vgl. Franck op schouw, le Art. scout, scult (schoude, sculde, Franck, 3Inl. Gramm. § 52 en 76), znw. vr., ,1/. 1, 65 en var.; 097; Dis/I. 103; 121; C7. 89; 20ü, schuld, toedoen. scouwen. zw. ww. trans.. Cl. 390, aanschouwen, zien. lat. aspicere; Vr. 41, in aanmerking nemen, letten op; lat. respicere. scriven, st. ww. trans., schrijven, |
avoordexlijst.
280
|
opschrijven', KCl. 224, onder eene bepaalde snort opschrijven, medere-kenen, beschouwen als. scueren (Disp. 502). Zie scoren, scuweu, zw. ww. trans., M. 1, 413; 778; III, 501; VM. 36; iJisp. oS'J; 408, ren)lijden, ontwijken. wede, znw. m., aard, natuur: .1/. IK, 1(J2, van God. scer, znw. o., CL 403, smart, verdriet, leed. Vgl. ndl. hart â .eer, en iem. zeer doen, d. i. hein krenken, grieven. seg hel, znw. o. en ra., zegel; Disp. 371, een met iemands zegel bekrachtigd stuk of akte. Vgl. do in het linl. gewone nitdr. »segliele ende briefquot; {Illoeml. Gloss.). seghelijc. bnw., OUW. 13 var.,zegevierend. seghesalich, bnw., OlUV. 13, zegevierend, eig. rijk aan overwinningen] lat. triumphalis. Vgl. do aant. seil, znw. o., Cl. 2SG, zeil. seilen, zw. ww. trans., Disp. 73, binden, snoeren, van soil, ndl. \cel, lid. seil. Vgl. rand. selen; mlid. seilen (zeer gewoon). Het woord is zeldzaam in het Mnl.; Gloss. Bern. seilen, copulare: Foe. Copiosus en Harlem. Gloss, te gader seylen, jugare. De nitdr. »ane ones boort seilenquot; kan ook beteekenen iemand {eenschip) aanklampen, en in het pass. dus aangeklampt, vastgeklampt worden. seker, bijw., zeker, gewis. Vgl. de aant. op KCl. 15. secte. znw. vr., M. I, 516; KCl. 197, wangeloof, ketterij, mlat. secta (Due. 2 7, 388, 1). self. vnw. zelf-, die solve, ook gevolgd door een bijzin, Disp. 443; 537, hij â die; vgl. Limb. Y, 982; het is het ndl. dezelve, waarover zie Mnl. JVdb. 2, 179; selve dat, .1/. II, 118, hetzelfde. selsiene, bnw., M. I, 796; 949, zeldzaam , schaarsch. Zie Lsp. Gloss.; Anz. 13, 216, en Franck, Etgm. Wdb. op zelden. seriaiit. znw. ra., M. II, 144, krijgsknecht (vgl. ndl. sergeant, en fra. sergent de ville), gewapende dienstknecht-, bij nitbr. kerel, baas. |
sei'inoen, znw. o., M. II, 41; 226, rede, gesprek. setten (gesat), zw. ww. trans., M. I, 244, zetten, aanstellen-, he ra setten in dien, Disp. 267, daarnaar streven, er op uit zijn, zich zoo inrichten. Vgl. ge set en beseften, siden. voegw., M. 1, 92 var., sedert. Vgl. sint. sidewonde (sijt-), znw. vr., Oil IV. 67, tvond in de zijde, bepaaldelijk van de wond, Christus aan het kruis door Longinus met zijne speer toegebracht {Joh. 20, 34). Vgl. de aant. op M. III, 377. slder, bijw., VM. 56, sedert. sië. znw. vr., J/. I, 25, zeef. Teuth. syhe; rand. sihe, sië, sige; hd. seihe; deventerscli zie. Vgl. Kil. op sijghe en zie afsiën, en Meyer, Spreuken 71: »dat vrouwen weten blijft ghe-sloten, gelijc raelc in dsge ghegotenquot;. sien. st.ww. trans., zien-, geb.wijs sich, KCl. 85. Vgl. de aant. op M. I, 7. siën, zw. ww. intr., Ov. 150, zijgen, ziften, scheppen-, een beeld ontleend aan het afroomen van raelk. Vgl. afsiën. sijs, znw. o., de zes op de dobbelsteen , de hoogste worp; al :leze worpen behalve acs werden in het Mnl. niet fransche namen genoemd, dogs, deus-, trog (soms ook an/); quatar; cink, sine; sijs-, zie Ned. Proza 217; Mnl. Wdb. op aes en d e u s a e s. simonië, znw. vr., Ov. 148, simonie , het koopen van geestelijke ambten. Aldus genoemd naar Simon Magus {Act. Apost. 8, 9 vlgg.). Zie Due.-' 7, 491. simpel. bnw.. Cl. 87, eenvoudig, zedig; evenzeer zonder ongunstige bijbeteekenis als b.v. ranl. onnosel. sin, znw. in., M. I, 704; LH, 139, verstand-, bi sinne, M. I, 338; II. 315, met verstand', M. Ill, 462; 255; 348; 62; 66, gemoed-, M. Ill , 469, denkvermogen, bewustheid-, den sin ontdoen, zie ontdoen. Vgl. c 1 c s i n s. singhen, st. ww. trans., zingen; 1 e s e n ende s i n g h e n, zie bij lesen, en de aant. bl. 235. |
WOOKDEXLIJST.
|
si li li on, z\v. ww. trans., M. If, 2;$9, over iels nadenken, hel overwegen. sint dat, voegw., M. I, (;7 : 67. .'iTS, Hcderl {dal); sint, J/. 1, 92 e. e. sitton. st. ww. intr., zilten, .1/. 1, 32; 783; CV. 3r)7, o. e.; slaan, passen, VM. 24. vgl. tV. seoir van lat. sedere. slacli. znw. in., slag; t o r m e n t e n mot s 1 a g h e n, M. 1, 204, mei slagen, met pijnigingen kwellen] den slack gheven, OHV/. 117 var., zwoegen, hijgen, hartslochlelijk bewogen worden, in heftige beweging zijn. Vgl. sla en in de bet. -.woe-gen, op en neer gaan, van de ademhalingsorganen {Rein. I, 875: -holle lief alhrmquot;, vertaalt Martin terecht; Boerden IV, 67). Geven heeft hier de bet. van zieJi geren, lat. edere (Mnl. JVdb. 2, 1797). De tekst heeft gheven, trans.; dan bet. de,uitdr. iemand er.ne zware wond {den eje-nadeslag'?) toebrengen. slacliton, zw. ww. intr., .1/. I, '.112; 11, 210, gelijken op, aarden naar. Vgl. Mnl. Wdb. op aenslacht, slaen . st. ww. trans., .1/. 1, 124; Disp. 54, doodslaan. Vgl. ndl. ge-slagen rijand met mnl. dootslaghen rieml: slaen a n t c r u c e, IJisp. 511, nagelen, hechten-, te samen slaen, .1/. 1, 265, bijeenvoegen, vergelijken; â⢠intr., Cl. 107, zich verheffen, reiken lol: Disp. 531, komen, geraken. sloclit, bnw., Cl. 329, glad, elfen-, .1/quot;. I, 446, eenvoudig (vgl. de aant.); VM. 89, eenvoudiei, oprecht. slijc. znw. o., .1/. Ill, 244, Icon. sliten. st. ww. trans., .1/. I, 312 var., ut kleine stukken rerdeelen of verscheuren, splijten-, vgl. tesliten on versliten; dat liaer sliten, Disp. 11, hel haar uitrukken, bij stukken of bossen uittrekken, toeken van hartstochtelijke smart; â intr., 4/. I, 606, te gronde gaan, te met gaan. sluren, verkeerde lezing voor sinten, OHW. 17 var. Voor sloren, zie de noot bij do aant. op OIIW. 25. smalvOii. zw. ww. trans., M. 1,362; lil, 489 var.; KCl. 90, proeren, genieten-, M. 111, 158, proeven, op-l Vdpanii Marlijn c. a. Geel. |
merken-, M. [, 152, de lach! van iels krijgen, achter iets komen; M. 11, 252; 323; lil, 486, ondervinden., lijden-, â intr.. Cl. 18, inden smaak vallen. Vgl. Theoph. 50. smal, bnw., .1/. I, 280; lil, 74: 435, klein in omvang en beteekenis, gering-, ook klein in aantal, schaarsch, zeldzaam-, vgl. dinno (dnnno); groot e n (1 e smal, Disp. 160, groot en klein: â bnw., van eene vrouw gezegd, .1/. 11!, 301, slank, ook in het alg. als vereerende toevoeging; als znw. smale, Fr. S; Cl. 280, schoone maagd; â als onz. znw., gebruikt, tsmale, .1/. Ill, 476, het kleine. smale. Zie smal. smalen, zw. ww. trans., M. I, 123 var., verkleinen. Aran smal; z. aid. Niet to verwarren met ndl. smalen, intr., van den stam van mnl. smaen, hd. schmahen, ndl. smaad. smeken, zw. ww. intr., VM. 8; 24; 46; Or. 117; KCl. 109, rleien; hd. schineiehlen. smoker, zw. ra., I'M. 34, vleier. smolton. st. ww. intr., .1/. I, 530, afnemen, rerminderen. Vgl. Xat. BI. XII, 552. suiotto. znw. vr., Cl. 48; 125, smet, riek, in zedelijkon zin, vgl. besmet en o n b e s ra e t; Cl. 321 , smel, vlek, gebrek, ten opzichte van het lichaam; Cl. 427 laat beide opvattingen toe. sinolen, zw. ww. intr., Disp. 1.75. smeulen, branden; van wonden, gloeien. smout, znw. o., M. 1, 777, ret. snode. znw. ra. en vr., OHW. 50; Ov. 100, snede. Zie de aant. in do varr. op OHW 50. snoeolat (-clatto)(?), znw. ra., .1/. I, 390, sneeuwklomp, sneeuwbal. Vgl. Mnl. Wdb. op clatto, en zie Franck, Elgin. Wdb. 450. die het woord brengt tot de familie van hd. klatschen, ndl. kletsen. snovon . st. en zw. ww. intr., M. 1, 116; Disp. 474; Cl. 507, vallen, bezwijken, ten val komen, te gronde gaan: als znw., Disp. 1 13, val, ellende; sou der sneven, Cl. .312, zonden- -n |
AVOORDEtn.l.lST.
ogo
|
val of Xcclelijke slrniltclingen, als epitethon van Maria, nnhesmel, mi-hefield, volmaai'l rein; M II, 91 , derven, omkomen. snodel. biwv., VM. 17, zoi. ihcnas,, verachtelijk; als znw., ('.1/. 95; 102, | gek, zot, ook slechtaard. so, bijw., C7. 315, «ccr, uiterst, vgl. de aant. op CL 31;!: een vnw. algemeen makend, JA. III, 191 (li o e so, hoe ook). soch (so ges, so ge), znw. o., M. I, 813; 971 ; Disp. 484, -.og, uwc-dernielk. sochtc. Zie sac lit o, lm\v. en bijw. soe (so),vn\v., I, 971 vlg., enz., zij, eig. deve; got. so, vr. van sa. soeken, sneken (sochte), zoeken, M I, 48 var.; KCi. 42; 111; 190. soene. znw. vr., Or. 213, .orn, verzoen ing. soctc. bnw., M. Ill, 413; 07/11'. 38; r)7; 74; 91 : 92; Cl. 157; 341 e. e., van al wat de zinnen aangenaam aandoet, He fel ijl,., bekoort ijl.-, zoet ran reuk en smaak, hetzelfde als mnl. bcquame; van een lovend â wezen, lief, VM. 89; 0.250; 350; in do aanspraak M. 1, 235. Zie de aant. op rJheoph. 192. som, vnw., sommig, eng. some; inv. some; dat. hem somen, .1/. I, 533, aan sommigen; ace. hem somen, .1/. lil, 280. Vgl. Franck, Mnt. Grarnm. § 237; V. Helton, Mnl. Spraakk., bl. 477. sonrterlinc (-1 a n c , -li n g li o , -langho), .1/. Ill, 2S(J (var. sonde r 1 ij c); I V. 55; J)i*j). 71; lt;'/. 75, hijzonder, huitengewouii. sottie, zmv. vr., M. li. 1G2, zotternij, dwaasheid; minne van sot-tiën, zotte liefde; ofra. so tie, Mie, extravagance. sout, zmv. o., ])is]). 127; 583, soldij, loon. spade, bijw., .1/. I, 89G, laat, het tegenovergestelde van v r o e; het ware spade, Cl. 33f). Zie de aant. aid. en vgl. nog Alex. II, 564; VIII, 1054. S])iieii, znw. o., spaeinder; niet een spaen, .1/. II, 00; VM. 47, geen \ier. |
spanen (spoen), st. ww. trans., JA II, 47; 228 var.; Or. 127, verlokken., verleiden. Vgl. De Jager's Arch. 4, 223 vlgg., en ontspanen en verspanen. spannen, st. ww. trans, binden, vastmaken; e r o n e spannen, M. III, 395 var., met de orerwinnings-kroon versierd ivorden, de orerwin-ning heheden. sparen, zw. ww. trans., M. I, 173, nalaten, ontzien; ('/. 239, ontzien, tegen iets ojr.ien; M. II, 93; KCI. 56, die w a e r h e i t sparen, de iceiarheid ontzien, haar verzwijgen; son d er s p a ren, M. III, 355, zonder te eert ragen, zonder ophouden-, sonder enich sparen, ilf. 111,466, zonder dralen of talmen, zonder zich te bedenken of ook onmiddellijk. spel. znw. o., Disp. 317, rrcugde, genoegen. spelen, zw. ww. intr., spelen; spelen met enen. Cl. 181, met iemand leren naai' ivelbehagcn, met hem. handelen naar luim en ivillekeur. spellen, zw. ww. trans., M. I, 507; 735, verklaren, noemen, duidelijk aemirj:en; lescn ende s., JA III, 498; zie Ie sen. Vgl. Huvd. l'roeve 1, 3()4 vlgg. spi. tusschenw., .1/. 1, 485, foei, ba. Zoo ook Wal. 6216; 6284. spieghel. znw. m., spiegel; OJIW. 30; CL 488; KCI. 105; Vr. 61, voorbeeld; vgl. !/«/. 117/6. op boven voor soortgelijke uitdrquot;. spieghelen, zw. ww. trans., M. II, 109, spiegelen; spieghelen ende s i e n , in den (irater)spiegel zien. Vgl. ,S/;. 14, 43, 59. spien. zw. ww. intr., JA I, 746; 905; Dis]). 215, -spieden, loeren, nauwkeurig opletten. spiet. znw. m., Ov. 11, speer, lans; in liguurlijko toepassing, macht, bedwang. spise. znw. vr., Cl. 122, spijs, voedsel, eten; O//IF. 65, voedsel, toevoer (nl. van zielen dor tot do hellestraf veroordeelden); der e n-g h e 1 e n spise, Cl. 31. vgl. bij broot, en de aant. op bl. 207. spit. znw. o. Zie de aant. op JA I, 20. |
WOORDENLIJST.
|
spletten (splitten), z\v. ww.trans., .1/. I, 824, splijten, doorhoren. Vgl. Taallc. Bijclr. 2, 218 vlg. on liijmh. 5338. spoeden, z\v. \v\v. intr.. Or. 14G, zich spoeden. spoet. znw. vr., M. I, 920; ütsp. 485, voorspoed, een zegen; â spoed', met spoecle. Cl. 47(i; m e 11 e r speet, Disp. 229; 387, met spoed, spoedig. spore, znw. vr. (n;. ?), CV. 148, sjïoor. prikkel; scarp a I s e sporen, scherp, kwetsend, nijdig, hatelijk. sprake, znw. vr., Cl. 20; .1/. 1. 14(1, spraak, taal; Cl. 167 , taal, woorden-, met 1 nder s., KOL 72, luidkeels-, in a1re hande spraken, Disp. 65, op alle manieren, in alle opzichten. springlien. st. w\v. intr., springen, ontspringen, met water als onclw., Cl. 172; vgl. o n t s p r i n g e n en ndl. oorsprong; s p r i n g h e n u t e, .1/. III, 84, zich verwijderen, er ran afgaan. Vgl. afscheiden. stade. znw, vr., plaat* \ juiste plaats, ook juiste tijd, het juiste oogenhlik; in (an, te) sta don staon, Vr. 68. .1/. III, 290: Disj). 442: 591 var.: Cl. 457: KCl. 27. te stade komen, helpen, hjstaan; Cl. 336 (misschien) een buitenkansje, een gelukkig toeral (naar onze gissing; zie de aant. aid.); .1/.. II, 207 var. is de verklaring niet zeker: misschien moet men de woorden met els verbinden, en els te stade opvatten als op eene andere plaats. Doch het bestaan dezer nitdr. is onwaarschijnlijk. Vermoedelijk is in de woorden :gt;sijn ghespin van minnen te stade draghenquot; een technische term gebruikt, dien wij niet begrijpen. Wellicht ook is te stade draghen te vergelijken met ndl. te pas brengen , en bot. de geheele nitdr. zijne strikken der minne elders te pas-brengen, d. i. oj) eene andere plaats vit-.etten. Zie eene andere verklaring-van den regel (met eene andere lezing) voorgesteld bij sa et. staen (stoet en stont, stoede, ghestaen), st. ww. intr., staan. |
ant cruce staen, zie de aant. op Disp. 492 en Sp. Ill, 14, 73 en 87; wale (wel) staen, Ov. 109, goed staan, tot sieraad strekken-, vgl. wei-sta on en Xat. BI. I, 94; â Cl. 192; Disp. 200, staan, gelegen zijn: staen an, Disp. 509, gelegen zijn aan, afhangen ran; staen om, na iet; staan naar iets, er naar streven, .1/. I, 366 vlg. en varr., 379 vlg. en varr.; Disp. 274; ghestaen s ij n, Disp. 521, staan: \g\. gelegen zijn, gezeten s ijn, cn Taal. en Lettb. 4, 188 : â .1/. I, 2i)2; KCl. 103, blijven, vgl. eng. to stag. stake, znw. vr., KCl. 75; Disp. 118, staak, stang, steunpaal. Eene soortgelijke beteekenis heeft stal. staken, zw. ww. trans., Disp. 362, vaststellen, bepalen. Vgl. Vad. Mus. 3, 120: op een gestaecte nrequot;: ZI7, lijdr. 4, 371 »een gestaecte prijsquot; en 7'. eu Lettb. 6, 13. Men kan ghestaect ook verbinden met in il i e helle: dan is de bet. vastleggen, rastbinden (vgl. De Bo op staken, en meren, KCl. 176). stni. znw. m. en o., Disp. 163, stut, staak, eig. iets dat in of op den grond staat. Vgl. hd. gestell, en F ra nek op stal. De bet. rustplaats, standplaats (Stroph. GedA Gloss.; ook Kil.) schijnt hier de ware niet. stanc. znw. m., Disp. 256 (die h e 1 s c h e s t a n k e); Oil 11'. 54, pesticalm, pestlucht. sfat. znw. vr., OIIW. 28, plaats; nu tor stat, Disp. 174, vgl. 201, nu, op dit oogenhlik. Vgl. hd. auf der stelle. stede. znw. vr., plaats; Cl. 489; .1/. I, 581 [plaats in de maatschappij): tallen steden, KCl. 135, overal: nn ter stede, Disp. 201 (vgl. stat); die leste stede, Cl. 12, het jongste gericht: stede kan hier de bet. te hebben van maelstede, gercehtplaats {Mul. Wdb. 4, 983; vgl. mael): doch ook die van plaats in het alg.; alhier ter stede. Cl. 176, hier op aarde: tallen steden, KCl. 135, overal of in alle opzichten: Cl. 289, stad. steon. znw. in., steen: de spreuk |
woordenlijst.
84
|
»aorbeit vint vier in don steenquot; (M. I, 37) ook Doet. II, 2612; van stene, Ov. 15. harder danne steno, Cl. 414, in de hoogste mate ongevoelig, ov redbaar voor goede en heilige indrukken-, M. 1, 630, burcht, kanteel, nog over in plaatsnamen op -steen, -stein. lt;teke. znw. ni., CL 490, slag A stoot. -teken. st. quot;\vw. trans., stouten, steken, werpen, duwen â , in den brant s., .1/. Ill, 485, op den brandstapel werpen-, die hant s., Disp. 895, de hand uitsteken, om iemand te helpen. â itelen. st. ww. intr., .1/. I, 284, misdoen, slecht handelen-, tegenover wol doen, goede u-erken doen. Vgl. mnl. dief, d. i. ook misdadiger. â iteiien. zw. w\v. trans., M. III, 42, steenigen. -terke. bijw., M. \\\, X'.\, slerig. rast. â iterken. zw. ww. trans., .1/. 11, 157, bekrachtigen, bevestigen. stervelijcheit, -hede, znw. vr., sterfelijkheid: dat hout sonder s., Disp. 516, het levengevend hout, de boom des levens (vgl. Disp. 495). stijf. bnw., OIIU'. 51, stijf', hard (van een spijker); .1/. III, 348; Vr. 70, hard, onbuigzaam (\-a.r\ het hart), stille, stillokinc. Zie openbaer. stillen, zw. ww. trans., Disp. 195, xacht stemmen, iemand sussen, zijn toorn tot bedaren brengen. stof. znw. o., stof, verb. nv. stove. Zie pi iieken. sloppen, zw. ww. trans., O UW. 72, heelen, dichten, ook heelen, genezen. storen, zw. ww. trans., boos maken: als wederk. ww., hem storen, KCI. 4; 127, xich boos maken, rer-stoord zijn. storte, znw. vr., Disp. 307, strut, keel-, vgl. de aant. storten, zw. ww. trans., Or. 179; KCI. 55, vergieten, storten ; KCI. 68, uitgieten. stotel, bnw., M. II, 23, slootsch, lot stooten geneigd. Vgl. Gloss. Bern. 69; »stootele, cornnpetaquot;, en gestoten. Voor bnw. op -el vgl. T. en Letlb. 4, 192 en Mnl. Wdb. op -el. |
stoven, zw. ww. intr., KCI. 2Ã0, dampen, zweeten. strael. znw. o., KCI. 80, pijl. stranc, bnw., .1/. Ill, 204, sterk, machtich; OIJ1V. 72, hard, zwaar, moeilijk. Vgl. eng. strong en ndl. streng. strate, znw. vr., OT1W. 82; KCI. 126, weg. strecken. zw. ww. intr., zich uitstrekken ; s. n a, Or. 104, streren naar, belust :.jn op. Vgl. ndl. zich, rekken en strekken naar. striken, st. ww. trans., strijken; VM. 24, pluimstrijken, vleien-, â intr., heengaan (mnl. ook henenstriken, vgl. ook henenscaven); te campe striken, J/. I, 272, ten strijde trekken. stinii' (sture), bnw., (7. 247, grimmig, fel. Vgl. ndl. sluursch en (dial.) stoer. snbt ijl. bnw., M. Ill, 24; 223, fijn. schrander, vernuftig, fijn bedacht. suchten, zw. ww. intr., zuchten-, met den oden nv. enen suchten, OilW. 44 var., aan iemand \ijn nood klagen. sueken. Zie sook en. suglien. st. ww. trans., Disp. 173; 525; 541, zuigen, inzuigen-, van lijden en pijn gezegd, verduren, uitslaan, Disp. 166, eig. tot zich nemen; â⢠intr., Or. 39, zuigen aan iets. sulc. vnw., M. I, 117; 495; 508, deze en gene, menigeen; fra. un tel. Vgl. Oüdeh. 6, 66 en Ikin. I, 722 vlgg. en 1103. sullen (2do pers. tgw. tijd so ut), 21. II, 53, moeten, zullen. sum1, bnw., .1/. 1, 91; OHW. 40, onaangenaam , hraadaardig, gehaat , nijdig-, synon. van mul. leet. bnw.; enen suur worden, CL 435. voor iemand cene oorzaak ren z tele-leed 'worden, eene bron van smart worden: â als znw. o., onaangename toestand, leed, moeite, verdriet, Cl. 240; vgl. ndl. »het zoet en zuur des levensquot;; te sure werden, C7. 50: 349, hetz. als enen suur werden en enen te lede werden, suver, bnw.. Cl. 256, maagdelijk, rein, onbesmet. |
WOORDENLIJST.
285
|
suvcrhoid. -hede, znw. vr., 67. 3; 174; 244: 283, reinheid, smetteloosheid. swaer (sware), bn\v.. Jl/. I, 229, zwaar, moeilijk- Cl. 539, verschrikkelijk, vreeset ijk: J/. 1, 72, lor;, traacj: vgl. de aant. op ,1/. Ill , 4G3; \ivaar, donker (i), zie verswaren; Disp. 2, bedroefd, verslagen. swano. znw. m., Cl. 3r)2; .1/. I, 441., %waan. De »zwarte zwaanquot; is te vergelijken met ndl. witte raafquot;. Dezelfde nitdr. Nat. BI. Ill, 2149 vlg. sweet, znw. o., Dixp. 23G; 577 var., zweet, ook Moed- vgl. mhd. sweix (LEXER 2, 1355); Hild. 141, 227: »daer God om storte zijn heilich zweytquot; en Lm-. 22, 44. *swelteii. st. ww. intr., .1/. I, 531 var., wegsterven, wegkwijnen, eig. van honger. Verg. 7'. en Letth. 5, 49. swere. znw. vr., CL 400, zweer. sweren. st. ww. intr., .1/. III, 141, een eed doen, zweren, vgl. do aant.: vloeken, den naam van God of een heilige mishruiken, Disji. 253; vgl. versweren. swerc, znw. o., .1/. I, 82: III, 89; F.l/, 82, zwerk, wolkendrift. Het woord bet. in het. Mnl. ook iroll: (mv. swerken, O VI. Ged. 3, 125, 109; Hor. Belg. 9, 7, 78; .1/. Ill , 89 var.). Zie Franck op zwerk, s weten. zw. ww. intr., â¢.trecten; Disp. 307, zweeten van inspanning: s we ten om ine, .1/. I, 385, dch inspannen voor, ernstig streven naar. swin, znw o., M. II, 7, waterleiding , heek die het -water afleidt naar eenen meerderen stroom (De Ho), hetzelfde als leve (leide). Mui Wdb. 4, 339. Bepaaldelijk, .1/. II, 7, het '/win, benaming vaneen water in Vlaanderen, ook Sincfal gehee-ten, waaraan de in de middeleeuwen belangrijke haven van Sluis gelegen was. Vgl. V. o. Bergu, Mnl. Ueogr.- 83 vlg.; Hu vu. op Sïoke , dl. 2, bl. 530 en 588. taelinnii. znw. m., Vr. 40, voorspraak, advocaat. tac, M. I. 315 var. (een tac ghe-mene). Bedorven lezing? |
tale. znw. vr., Cl. 191 , gesprek: Cl. 274, verhaal, geschrift-, tale maken, VM. 00, spreken, een tafereel ophangen {ran); tale horen. Cl. 191, hoeren spreken. talen, zw. ww. intr., .1/. I 903. het woord voeren over iets, bepaaldelijk door een eiseher in rechte, ecne he-schnhliging inbrengen. lalie. znw. vr., M. I, 22 var., rechtsgebied, ofra. taille (district, juridlc-tion, territoire d'une ville. Due.2 9, 308); mlat. tallia (Due.). tam, bnw., .1/. I, 947; II. 24, xocht gestemd, goedertieren, zachtmoedig, mak. tanielike, bijw., M. I, 405, hela- mrlijk, naar behooren. tebloiiwen. st. ww. trans., Disp. 109, verslaan', vgl. blouwen. Vgl. over te-, Ferg. Gloss, op tebersten. lebreken. st. ww. trans., .1/. I, 113, rerbreken, in tweeën of in stukken breken. tegaen. zw. ww. intr., M. HI, 4G8 var., rergaan, te niet gaan. tegliden, st. ww. intr., J/. I, 420, vergaan, te niet gaan. teken (te kin, tekijn), znw. o., Disp. 398: 411 , toeken, wapen, het herkenningsteeken op het schild van ren ridder, hier het kruis. Vgl. o n t-t eken en. telcli. znw. m. en o., Disp. 70; 107; Cl. 84, tak, twijij, toot. tellen. zw. ww., trans., .1/. I, 500, vertellen , mededeele/i; M. II. 152: III, 49, rekenen, rangschikken: tellen die scape, Disp. 303, de nan ; ijne zorg toevertrouwde schapen tellen {kijken of ze er alle nog zijn). (elt. znw. m., ,1/, I, 530, rustige, gelijkmatige gang, eig. bepaalde gang ran een paard {een telganger). tempeest, znw. m., M. Ill, 427, storm, onweder, rumoer, leren: die helse he t.. .17. Ill, 130, het helsrhe leven, de hel. tenden (uit te(n) ende(n)), voorz., met den 3den nv., Vr. 08, aan het einde ran. teriten. st. ww. trans., .1/. I, 311, aan stukken scheuren, verscheuren, hd. zerreiszeii. |
woordenlijst.
2S2
|
val of Acdrlijlx â strnilceUnr/en, als1 cpitetlion van .Maria, onbesmet, onbevlekt, volmaakt rein; M. II, 91, sterven, omkomen. snodel, Imw., VJL 17, rot, dwaas,, verachtelijk\ als znw., r.l/. Of); KJ'J, r/rk, zot, ook slechtaard. si», bijw., Cl. 315, «eer, uiterst, vgl. de aant. op CL 31;!; een vnw. algemeen makend, M. III, ti)1 (lioe so, hoe ook). soch (soges, so ge), znw. o., .1/. I, 813; 971; Disp. 4S4, :.o(j, moedermelk. soclitc. Zie saclite, bnw. en bijw. soe (so), vnw., M. I, 971 vlg., en/.., zij, eig. de\e; got. so, vr. van sa. soeken, sue ken (so elite), zoeken, M. I, 48 var.; ATV. 42; 111 ; 19U. s4gt;eiie. znw. vr., Or. 213, â .oru, verzoen ing. soete. bnw., M. Ill, 413: O//II'. 38; .quot;gt;7; 74; 91: 92; CL 157; 341 e. e., van al wat de zinnen aangenaam aandoet, liefelijk, bekoorlijk, zoet ran reuk en smaak, hetzelfde als ninl. bequame; van een levend â wezen, lief, VM. 89: Gl.'l'A'y, 35(1; in de aanspraak J/. 1, 235. Zie de aant. op Theopti. 192. som, vnw., sommig, eng. somr \ inv. some; dat. hem somen, ,1/. I, 533, aan sommigen; aee. h e m s o-men, .1/. III, 28Ã. Vgl.Franck, Mnl. Grarnm. § 231: V. Holten, Mid. S'praakk., bl. 477. sonderlinc (-lane, -linghe, -langhe), .1/. lil, 280 (var. sonde r lij c); Vr. 55; Disp. 11; r/. 75, bijzonder, buitengewoon. sottip, znw. vr., M. II, 102, zotternij, dwaasheid; m i n n e v a n s o t-tiën, zotte liefde; ofra. sotie, folie, extravagance. sout, znw. o., Disp. 127; 583, soldij, loon. spade, bij w., .1/. 1, 896, laat, het tegenovergestelde van vroe; het ware spade, (7/. 33ü. Zie de aant. aid. en vgl. nog Alex. II, 564; VIII, 1054. spaen, znw. o., spaander; niet een spaen, .1/. II, 60; VM. 47, geen zier. |
spanen (spoen), st. ww. trans., .1/. II, 47; 228 var.; Or. 127, verlok-ken, verleiden. Vgl. Uk Jager's Arch. 4, 223 vlgg., en ontspanen en v orspan e n. spannen, st. ww. trans, binden, vastmaken; c r o n e spannen, j\[. III, 395 var., met de orerwinnings-kroon versierd worden, de overwinning behalen. sparen, zw. ww. trans., M. I, 173, nalaten, ontzien'. Cl. 239, ontzien, legen iets opzien; M. 11, 93: KCl. 56, die waerheit sparen, dc waarheid ontzien, haar verzwijgen; son der sparen, M. Ill, 355, zonder ie vertragen, zonder ophouden: sender enich sparen, M. III, 466, zonder dralen of talmen, zonder zich te bedenken of ook onmiddellijk. spel. znw. o., Disp. 317, vreugde, genoegen. spelen, zw. ww. intr., spelen; spelen met enen, ('l. 181, met iemand teren naar ivelbehagen, niet hem handeten naav luim en willekeur. spellen, zw. ww. trans., ,1/. I, 507; 735, vevklaren, noemen, duidelijk aanwijzen; lesen ende s., J/. III, 498; zie lesen. Vgl. Huvd. P'-oeve 1, 364 vlgg. spi. tnsschenw., .1/. I, 485, foei, ba. Zoo ook 11«/. 6216; 6284. spiegliel, znw. m., spiegel; OHW. 30: CL 488; KCl. 105; Vr. 61, voorbeeld; vgl. Mnl. Wdb. op boven voor soortgelijke uitdrquot;. spieglielen, zw. ww. trans.. Al. II, 109, spiegelen; spieghelen ende s i e n, in den (water)spiegel zien. Vgl. S/i. 1', 43, 59. spien. zw. ww. intr., M. I, 746; 905; Disp. 215, -spieden, loeren, nauwkeurig optellen. spiet. znw. m., Ov. 11, speer, tans; in liguurlijke toepassing, macht, bedwang. spise. znw. vr., CL 122, spijs, voedsel, eten; O//IF. 65, voedsel, toevoer (nl. van zielen der tot de hellestraf veroordeelden); der en-g h e 1 e n spise, 6'/. 31, vgl. bij broot, en de aant. op bl. 207. spit, znw. o. Zie do aant. op M. I, 20. |
WOORDENLIJST.
|
sitlctlen (splitten), zw. ww.trans., .1/. I, S24, spijten, doorboren. Vgl. Taalk. Bijclr. 2, 218 vlg. en Rijmh. 5338. spoeden, zw. ww. intr., Or. l-lfi, xich spoeden. spoet. znw. vr,, M. I, 920; Disj). 485, voorspoed, een zegen\ â spoed; met spoerte, Cl. 470; met ter spoet, Disp. 229: 387, niet spoed. spoedig. spore. znw. vr. (n:.. ?), 67. 148, spoor, prikkel: scarp a 1 s e sporen, scherp, kwetsend, nijdig, hatelijk. sprake, znw. vr., Cl. 20; .1/. 1. 140, spraak, taal: Cl. 107 , taal, woorden-, met In der s., ATV. 72, luidkeels ; in a1rehande spraken, Disp. 05, op allr manieren, in alle opxichten. sprin^lien. st. w\v. intr., springen, ontspringen, met water alsondw., Cl. 172; vgl. ontspringen en ndl. oorsprong; s p r i n g h e n u t e, .1/. III, 84, zich verwijderen. ervan afgaan. Vgl. afscheiden. stade, znw, vr., plaats â , juiste plaats, ook juiste tijd, het juiste oogenhlik; in (an, te) staden staen, Fr. 08. .1/. Ui, 290; Disp. 442: 591 var.; Cl. 457 : KC 'l. 27 , te stade komen, helpen, hijslaan' Cl. 330 (misschien) een buitenkansje, een gelukkig toeral (naar onze gissing; zie de aant. aid.); .1/.. II, 207 var. is de verklaring niet zeker: misschien moet men de woorden met els verbinden, en els te stade opvatten als op eene andere plaats. Doch het bestaan dezer nitdr. is onwaarschijnlijk. Vermoedelijk is in de woorden »sijn ghespin van minnen te stade draghenquot; een technische term gebruikt, dien wij niet begrijpen. quot;Wellicht ook is te stade draghen le vergelijken met ndl. te pas brengen , en bet. de geheele uitdr. zijne strikken der minne elders te pas brengen, d. i. op eene andere plaats uitzetten. Zie eene andere verklaring van den regel (met eene andere lezing) voorgesteld bij saet. |
staen (stoet en stont, stoede, ghestaen), st. ww. intr., staan, ant cruce staen, zie do aant. op Disp. 492 en Sp. 1U, 14, 73 en 87 ; wale (wel) staen, Ov. 109, goed slaan. tot sieraad strekken; vgl. wei-sta en en Xat. BI. I, 94; â Cl. 192; Disp. 200, staan, gelegen zijn: staen an, Disp. 509, gelegen zijn aan, afhangen rem.; staen om, na iet; staan naar iels, er naar streven, it/. 1, 306 vlg. en varr., 379 vlg. ei: varr.; Disp. 274; ghestaen sij n, Disp. 521, staan: vgl.gelegen zijn, yexeteu \ ijn, en Taal. en Let tb. 4, 188: â .1/. 1, 202; KCl. 103, hlijren, vgl. eng. to stug. stake, znw. vr., KCl. 75; Disp. 118, staak, stang, steunpaal. Eene soortgelijke beteekenis heeft stal. staken. z\v. ww. trans., Disp. 362, vaststellen, bepalen. Vgl. Vcul. Mus. 3, 120: op een gestaecte urequot;: ZVl. lïijdr. 4, 371 »een gestaecte prijsquot; en T. en Lrttb. 0, 13. Men kan ghestaect ook verbinden met in die helle: dan is de bet. vasl-leggen, vastbinden (vgl. De Bo op staken, en meren, KCl. 170). stal. znw. m. en o., Disp. 103, stut, staak, eig. iets dat in of op den grond slaat. Vgl. hd. ges telt, en Franck op stal. Do het. rustplaats, standplaats (Slroph. Geel A Gloss.; ook Kil.) schijnt hier do ware niet. stanc. znw. m., Disp. 256 (die h e 1 s c h e s t a n k e); 07/ IIr. 54, pesticalm, pestlucht. stat. znw. vr., 07/11'. 28, jdaats-, nu tor stat, Disp. 174, vgl. 201, nu, op dit oogenhlik. Vgl. hd. eaif der stelle. stede. znw. vr., plaats; Cl. 489; .1/. I, 581 {plaats in de maatschappij): tallen steden. Kt 'l. 13 5, o verat: nu ter stede, Disp. 201 (vgl. stat); die loste stede. Cl. 12, het jongste gericht: stede kan hier de bet. te hebben van maelstede, gerechtplaats (Mnl. Wdb. 4, 983; vgl. mael): doch ook die van plaats in het alg.; alhier ter s t e d e. Cl. 170, hier op aarde: tallen steden, KCl. 135, overed of in alle opzichten; Cl. 289, stad. steen. znw. m., steen: de spreuk |
quot;woordenlijst,
284
|
»aerbeit vint vier in den steenquot; (il/. I, 37) ook Doet. 11, 2012; van s t e n e, Ov. 15, li a r cl er da n n e stene, Cl. 41.4, in de hoogste mate ongevoelig, onvatbaar voor goede en heilige indrukken-, .1/. I, C36, burcht, kasteel, nog over in plaatsnamen op -steen, -stein. steke. znw. m., C'l. 490, slag, stoot. steken, st. ww. trans., stooten, steken , werjien, duiven; in den b r a n t s., M. III, 48quot;), op den brandstapel werpen-, dio hant s., Disp. 395,1 de hand' uitsteken, om iemand te helpen. stelen, st. w\v. intr., .1/. I, 284, misdoen, slecht handelen: tegenover wel doen, goede werken doen. Vgl. innl. dief, d. i. ook misdadiger. stenen, z\v. -svw. trans., M. 111. 42, steenigen. sterke, bijw., Jf. Ill, 83, stevig, rast. sterken, zw. ww. trans., .1/. 11, l'iT, bekrachtigen, bevestigen. stervelijclieit. -bede, znw. vr., sterfelijkheid: dat hout sonder s., Disp. 516, het levengevend hout, de boom des levens (vgl. Disp. 495). stijf. bmv., OH1V. 51, stijf, hard (van een spijker); .1/. III, 348: TV. 70, hard, onbuigzaam (van het hart), stille, stillckine. Zie openbaor. stillen, z\v. ww. trans., Disp. 195, zacht stemmen, iemand sussen, zijn toorn tot bedaren brengen. stof. znw. o., stof, verb. nv. stove. Zie plu eken. stoppen, zw. ww. trans., OU\\'.~i2, heden, dichten, ook heelen, genezen. storen, zw. ww. trans., boos malen: als woderk. ww., hem storen, KCl. 4; 127, zich boos maken, verstoord zijn. storte, znw. vr., Disji. 307, strot, keel-, vgl. de aant. storten, zw. ww. trans., Or. 179; KCl. 55, vergieten, storten: KCl. GS, uitgieten. stotel, bnw., J/. II, 23, stootseh, tot stooten geneigd. quot;Vgl. Gloss. Bern. 09: »stootele, cornvipetaquot;, en gestoten. Voor bnw. op -el vgl. 7'. en Lettb. 4, 192 en ~\[nl. Wdb. oj) -el. |
stoven, zw. ww. intr., KCL 2Ã0, dampen, xweeten. s tra el. znw. o., KCl. 80, pijl. stranc, bnw., JI. Ill, 2U4, sterk, machtieh; OI1W. 72, hard, zwaar, moeilijk. Vgl. eng. strong en ndl. streng. strate, znw. vr., OHW. 82; KCL 120, weg. strecken. zw. ww. intr., zich uitstrekken ; s. n a, Ov. 104, streven naar, belust zijn op. Vgl. ndl. zich rekken en strekken naar. striken, st. ww. trans., strijken; VM. 24, pluimstrijken, vleien-, â intr., heengaan (mnl. ook henen striken, vgl. ook henenscaven); te eampe striken, ,1/. I, 272, ten strijde trekken. sin ui' (sture), bnw., CL 247, grim-mig, fel. Vgl. ndl. stuursch en (dial.) stoer. snbtijl. bnw., .1/. Ill, 24; 223, fijn, schrander, vernuftig, fijn bedacht. slichten, zw. ww. intr., zuchten-, met den 3den nv. enen such ten. Oil 11'. 44 var., aan iemand \ijn nood klagen. sueken. Zie so eken. sughen. st. ww. trans., Disp. 17.'i; 525; 541, zuigen,, inzuigen-, van lijden en pijn gezegd, verduren, uitstaan, Disp. 100, eig. tot zich nemen ; â¢â⢠intr., Ov. 39, zuigen aan iets. sulc. vnw., j/. I, 117; 495; 508, deze, en gene, menigeen-, fra. un tel. Vgl. Oudem. 0, 00 en Hein. 1, 722 vlgg. en 1103. snllen (2de pers. tgw. tijd so ut), .1/. II, 53, moeten, zullen. snur, bnw., .1/. 1, 91; OHW. 40, onaangenaam , kivaadaardig, gehaat, nijdig-, synon. van mnl. leet, bnw.; enen suur worden, C/. 435, voor iemand eene oorzaak van ziele-leed worden, eene bron van smart worden-, â als znw. o., onaangename toestand, leed, moeite, verdriet. Cl. 240; vgl. ndl. »het zoet en zuur des levensquot;; te sure werden, C/. 50: 349, hetz. als enen suur werden en enen te lode werden, suver, bnw., ('1. 250, maagdelijk, rein, onbesmet. |
woordenlijst.
|
snverlioid. -liede, znw, vr., Cl. 3; 174; 244; 283. reinheid, firiiciteloos-hcid. swacr (sware), bnw., .1/. I, 229, zwaar, moeilijk \ Cl. 539, verschrikkelijk , vreeselijk; M. I, 72, log, traag; vgl. de aant. op .1/. Jli, 463; \imar, donker (?), zie v e rs w a ren; Bisj). 2, bedroefd, ver sla gen. swano, znw. m,, Cl. 352; .1/. 1, 441, zwaan. De »zwarte zwaanquot; is te vergelijken met ndl. witte raafquot;. Dezelfde uitdr. Nat. BI. 11!, 2149 vlg. sweet, znw. o., Bi-^j). 230; 577 var., zweet, ook hloed-, vgl. mhd. sweiz (Lexeü 2, 1355); Hild. 141, 227: »daer God om storte zijn heilich zweytquot; en Lur. 22, 44. *swelteii. st. ww. intr., .1/. 1, 531 var., wegsterven, wegkwijnen, eig. van honger. Verg. 7'. en Lcllh. 5, 4lt;.gt;. swere. znw. vr., Cl. 400, zweer. sweren. st. ww. intr., .1/. 111, 141, een eed doen, â¢.weren, vgl. do aant.; vloeken, den naam ran God of' een heilige misbruiken, Disji. 253; vgl. vers w eren. swerc, znw. o., .1/. I, S2; lil. 89; VM. 82, zwerk, wolkendrift, liet woord bet. in het Mnl. ook iroll: (tnv. swerken, O VI. Ged. ;i, 125, 109; Hor. Belg. 9, 7, 78; .1/. Ill, 89 var.). Zie Franek op zwerk, «weten, zw. ww. intr., .â¢.weeten-Bisp. 307, x/iceelen van inspanning-, sweten ommc, .1/. 1, 385, ;ich inspannen voor, ernstig streven naar. swin, znw o., M. II, 7, waterleiding , heek die het water afleidt naar eenen meerderen stroom (De Bo), hetzelfde als leve (lelde), MnL Wdb. 4, 339. Bepaaldelijk, .1/. II, 7, het Zwin, benaming van een water in Vlaanderen, ook Sincfal gehee-ten , waaraan de in de middeleeuwen belangrijke haven van Sluis gelegen was. Vgl. V. o. Beug it, Mnl. Geogr.- 83 vlg.; Huyd. op Stoke , dl. 2, bl. 53G en 588. taelman. znw. m., 1V. 40, roor- spraak, advocaat. tae, J/. I, 315 var. (een tac ghe-mene). Bedorven lezing? |
tale. znw. vr., f'l. 191 , gesprek-, Cl. 274, verhaal, geschrift-, tale maken, VM. CO, spreken, een tafereel ophangen (van)-, tale horen, Cl. 191 , hoor en spreken. talen, zw. ww. intr., .1/. I 903, het woord voeren over iets, bepaaldelijk door een eischer in rechte, eene be-schtddigiiig i)dwengen. lal ie. znw. vr., M. 1, 22 var., rechtsgebied, of ra. taille (distriet, juridie-tion, territoire d'une ville, Duo.2 9, 3fis); mlat. iallia (Duo.), tam, bnw., .1/. I, 947 ; II, 24, zocht gest eind. goedertieren, zacht moedig, mak. (ameliUe, bijw., M. I, 405, beta-nielijk, naar behooren. teblonwen. st. ww. trans., Bisp. 1G9, verslaan-, vgl. blonwen. Vgl. over te-, Ferg. Gloss, op tebersten. (cbreken, st. ww. trans., JA I, 113, verbreken, in tweeën of in stukken breken. tegaen. zw. ww. intr., J/. Ill, 4G8 var., vergaan, te niet gaan. tegliden, st. ww. intr., M. I, 42(1, vergaan, te niet gaan. teken (tekin, tekijn), znw. o., Bisp. 398 ; 411, teeken, wapen , hel herkenning steeken op het schild van een ridder, hier het kruis. Vgl. o n t-tek enen. teleli. znw. m. en o., Bisp. 70; 167; Cl. 84, tak, twijg, toot. tellen. zw. ww., trans., M. I, 500, vertellen, mededeelen.; M. U. 152: III, 49, rnkenen, rangschikken: lellen die scape, Bisp. 363, de aan ; ijne zorg toevertrouwde schapen tellen (kijken of ze er alle nog zijn). telt. znw. m., .1/. I, 530, rustige, gelijkmatige gang, eig. bepaalde gang van een paard (een telganger). tempeest, znw. m., .1/. III, 427, storm, onweder, rumoer, leven: die helsche t, M. III, 130, het helsche leven, de het. temlen (uit te(n) ende(n)), voorz., met den 3den nv., Vr. 68, aan het einde van. teriten, st. ww. trans., M. I. 311, aan stukken scheuren, verscheuren , hd. zerreiszen. |
woordenlijst.
28 G
|
teiTC, zmv. o., .1/. 1, -100, /lt;?«â¢; eng. tar. doek hier overdrachtelijk voor vuil, smet in het algemeen. Vgl. Franck O]) teer, Do Ho op terre. tesliten, st. avw. trans., M. 1, ;511 var.; vernielen, ie gronde richten. testoren, v.w. ww. trans., .1/. lil, 140; Cl. 12S; 154: Ov. 47, verwoesten , vernietigen, te gremde richten; hd. zerstoren. tewaven, twaren, .1/. Ill, iiöS; (V. ! (»2; 512, in ivaarheid, waarlijk, \ckrr. tiden (tijt), z\v. ww. intr., .1/. I, GS7; 922; II, 0G; 111, ;gt;)i2, gaan, zich hegeven. Vgl. Taalk. Bijdr. 2, 1G8 vlgg. tleghen. Zio tjoghen. tien (tyet, tooch, ghotoghen), st. ww. trans., .1/. I, 72;!; 74;!; 11, 2G5, trekken, aantrekken, aanhalen-, got. iiiihan, hd. xiehen; hem t. met ere dinc, Dis}]. 205, zich inlaten met iets. tii'n, tyen (teoch, gheteghen), st. ww. trans., .IA I, 70G;740;873; 881; 88G; 898; 111, 258, te laste leggen, aantijgen, hetichtcn; ohd. ithen, got. (ga)trilwn; hd. zeihen, ook in cerzeihen = mnl. vertiën. tienvoiit. bnw., Cl. 514, tienvoudig. tierant (tyrant; zie Fi'anek g 57; V. Heiten, bl. 113 vlg.), znw. m., igran, despoot: ook KCl. 98, iemand die niets roor een ander roeit, nijdigaard ; kon de, hardvochtige egoist. Vgl. Conchy II, 105: tyrant met G;!: de nideghe. tijt, znw. vr. en ni., tijd-, te tide, O UW. S3, op Ijd, bijtijds, op den juisten tijd. tilike, bijw., Cl. 40G, tijdig, rrorg-tijdig. Ijeghen, tieghen, voorz., uit te jog hen [Rein. I, 215), O UW'. 71. tegen. (oebehoren, zw. ww. intr.; als zmv., KCl. 5, wat iemand toekomt, xijn verdiende loon. toebestaen, st. ww. intr. met den 3den nv., Or. 22, toekomen, toebehoor en. toebringhen (-brochte), zw. ww. trans., .1/. I, 220, bijbrengen, aanvoeren. |
toegaen, st. ww. intr. roet den 3den nv., Ov. 25, toekomen. toesinden (-senden), zw. ww. trans., KCl. 231, toezenden, schenken. ::itoetiden. zw. ww. intr., zie do aant. op O//IF. 83, en Hein. II, 390G; 6555. toeverlaet, znw. m., KCl. 217; Disp. 517; 554, steun, iemandu-aaropmen zich verlaten (mnl. hem verlaten to enen) kan. toewassen, st. ww. intr. met den 3den nv., KCl. 125, aangroeien, grooter worden. toglien, zw. ww. trans., .1/. I, G3 e. e., toonen, aantoonen; j\[. I, 975; VM. 39, iels aan iemands aandacht onderwerpen, om inlichtingen te ont-vangen, zinverwant met vraghon. tone. znw. vr., .1/. III, 219 var., waarschijnlijk bedorven lezing; t. bon e. tonglieplat, znw. m., .1/. I, 389; vgl. de aant. toovt (toirt), znw. m., drol, keutel. Vgl. Tjdschr. 2,204; 11, 256; Niet enen toort. .1/. 1, 154 var., niet het minste, geen zier. foren. znw. m.. Cl. 125; 151 e. e., smart, pijn , ongemak, verdriet-, â sp ijl, ergern is; te t o o r n e, OZ/IV. 2G var., ten spijt; OHW. 26, als smaad, als hoon. torinent, znw. o., .1/. I, 210; 319: 843 var., 834; 11, 179; Disp. 41 ; Or. 84, kwelling, pijniging, foltering. tormenten, zw. ww. trans., M. 1, 204, pijnigen, folteren. tormenteren, zw. ww. trans., M. I, SO 1, pijnigen, folteren. traen, znw. m., M. I, 49 (vgl. de aant), 582; VM. 49; Disp. 525, vocht; rijnsche traen, 1.1/. 10, Rijnsche wijn; .1/. III, 452, droj/pel; niet een traen, geen droppel, geen zier, Disp. 34. traglien, zw. ww. intr., traag zijn, nalatig zijn; niet t r a g h o n , Cl. 322, zijn uiterste best doen, de grootste zorg aan iets bestedrji. treden, st. ww. intr., treden, stappen; treden op, OIIW. 58, den roet zetten op iemands nek, hem overweldigen. |
WOORDENLIJST.
287
|
treke, ztnv. m., f'/. 493. Ireek, streek; son dor valse ho treken, in alle oprechtheid. trecken (trocto, ghetrcct), z\v. (en st.) \vw. trans., .1/. I, 488, betrekken , rekenen; onder voet trecken, Kd. 01, onder den voet werpen, vertreden; vgl. 1). War. 2, 35ö, 40, in tmes trecken, op den mesthoop 'werpen,, en aki. 47: (een lijk) in derde trecken on-der die worme: â intr., .1/. I, 519, trecken to, zich wijden aan, streven naar; M. I, 4(.I2. trecken te, er op uil zijn. tri want. Zie truwant. troon, znw. m., .1/. III, 79: 171; 213; 401 ; OHW. 10; Cl. 107; 134, uitspansel, hemel. troosten, zw. ww. trans., .1/. ill, 342; Cl. Só; KCl. 232, bemoedir/en. trouwe, znw. vr., trouw, eerlijkheid, heginselcaslheid, nauwgezetheid ran geweten, .1/. I, 57; 417; 548; 819 var.; II, 293: vgl. de aant. op .1/. I, 417. t ruffe, znw. vr., .1/. II, 159, hen-zelarij; vgl. eng. trifle; oeng. trifle, trufle, ofra. tralie; fra. trujfe. Zie de Wdbb. van E Müllek en Skkat. trucken, zw. ww. trans., .1/. III. 229 var., trekken. truwant (tri want), znw. m., .1/. II, 88; Disp. 309, bedelaar, land-looper, vagebond, fra. traand, eng. truant. tseghen, voorz., .1/. 1, 82 var., tegen. Vgl. tjeghen. tussclien,voorz.; tussclien tween sproken, F.1/. 98. â ich dabhelzin-nig uitdrukken, \óó ded iets voor twee uitleggingen vatbaar is; eig. tussclien twee (beieckcnissen). tusschenkcniien, zw. ww. intr., I'M. 18, naar onze verbetering, kunnen onderscheiden, het onderscheid kennen tussclien. Vgl. do aant. twaren. Zie te waren. twi, bijw., .1/. 1, 134; 204; Disj). 15; 43; 370; Ov. 49; 193; 202, waarom. Uit te wi; wi is een oude naamval (instrumentalis) van wie. twint, znw. m., Een knip met het oog, ook twine; vgl. mhd. zwinken cn zwinzen; â kleinigheid; oen twint, Disp. 145, iets; niet een twint, .1/. 1, 430; 925; Vr. 0, rolstrekl niet, hoegenaamd niet. Vgl. w i n c en o g o n win c. |
twist. znw. m., twist; M. I, 188, tweestrijd; in twiste houden. OilI('. 112, in tweestrijd houden, iemands rust benemen. up en do samenstellingen. Zie op. ure, znw. vr., O/quot;. 208, uur; in ruimeren zin. Cl. 40, tijd. »\Vilen in der eerster urequot; wordt Ttincl. 023 uitgedrukt door eersttijts. ute, in do uitdr. ute en do ute (nut), bijw., .1/. I, 008, op en uit, rolkojneii, in alle opzichten. utesinden (-s e n d e n), zw. ww. trans., Disp. 543, uitzenden, uitreiken. uteslaen, st. ww. trans., VM. 5, rerdrijven, rerbanuen. utetreckcn (uut-), zw. en st. ww. trans., Gr. 00 , uittrekken, met geweld uitrukken. ulevercoren (uut-), deelw. bnw., ]'r. 1,34; Cl. 284, uitgelezen, voor-treffelijk; utevercoren van. Cl. 400, roortreffeljk in, uitmuntende door iets. utewinnen, st. ww. trans., Dis/gt;. 147, uitkrijgen, verkrijgen. vaen (vine, g lie va en), st. ww. trans., M I, 801: III, 329; Disp. 28; Or. 7 0, ratten, gevangen nemen; Or. 108, aanvatten, grijpen; M. I, 204, vangen; vele jaghen en de clone vaen; vgl. vele j a g e n s o n cl o r v a e n ( Hild. Gloss.); â intr., ano enen vaon. Disp. 557, zich tol iemand wenden, zijne toevlucht tot iemand uenieu. vaer. znw. m., M. I, 330; VM. 73; Disp. 5; 443; Cl. 230; 541, vrees; M. II, 330, gevaar. vaert. znw. vr., weg, tocht; sire v a orde v a ren. Cl. 439, â . jus weegs gaan , weggaan, verdwijnen; â vaart, spoed; met ter vaert. Or. 98: 140, hetzelfde als met ter s p o e t, dadelijk. terstond. vaetkijn. Zie vat. |
Â¥
/
WOOüDENU.JRT.
28 S
|
vaglien, z\v. ww. trans., .1/. I, 466; CL 320, afvegen,, schoonvegen: xui-rcrcn, reinigen, ook van onstoffelijke zaken. vaken, zw. ww. onpers., CL 17, slaap lir.hben, slaperig af loom zijn , zir-h niet voor iets inspannen. val, znw. m., val, ook in zedelijken zin, .1/. I, 875 e. e.; enen den val geven, Dis/i. 105, ch' oorxaok zijn ran iemands onheil, hem in het verderf storten-, enen val doen. Cl. 463, een val doen. vallen. Bij de aant. op M. 1, 166, voege men nog Hild. 82, 108: gt; van bovenen comt die hoochste valquot;, en Lsp. Ill, 3, 503 vlg. vale, bnw., vaal, dof: CL 283, vale maken, bezoedelen, herleklen (vgl. de aant. op bl. 215); met valen (nl. perden) mennen, KCl. 222, met vale paarden, mennen; vgl. Tacdg. 4, 121 vlgg., en Mul. Wdb. op mennen, alsmede de aant. hiervoor op bl. 236. vallen, st. ww. intr., vallen-, vallen o p, ()r. 58, komen over. hem treffen; M. 1, 644, eindigen; Ov. 144, openvallen, van betrekkingen gezegd. valsch, bnw., valsch: als znw. m. en vr.. M. 1. 7, valschaard. valsch, znw. o., .1/. III, 47, ralsch-heid, hd. falsch. Vgl. doec. vanden, zw. ww. trans., met den 4den en 2en nv., bezoeken, nog lieden aan de Zaan bekend voor een kraambezoek brengen-, vgl.Franck op vinden; â intr., geb. wijs vant, met een ww. in do onb. wijs verbonden, ter omsclirijving van den imperatief, Oo. 237 ; 240. Vgl. Segh. Gloss, op van don en wanen, varuwen (v a r w en. ver n w o n , verwen), zw. ww. trans., 011IV. 32; CL 337; 232: Or. 230, verren, kleuren. vast, bnw., Disp. 89, krachtig, of ook volhardend-, M. II, 145, stevig, sterk, stijf |
vaste, bijw., CL 276, vast, stevig. vat, znw. o., OIIW. 69, drinkschaal. drinkbeker. nap; verldw., v a e t k ij n, ('I. 131, korfje, mandje, biezen kistje-, M. I 811; Disp. 281 , lichaam, het nieuw-testamen tische Ty.sïio:, met eerbied van het lichaam des Heeren of der H. Maagd; dat h e 1 s c h e vat, .1/. 1. 414, de helsehe bewaarplaats, de hel (beter is de lozing b a t). vechten, st. ww. intr., vechten, strijden; v. op enen, VM. 80, strijden tegen iemand, met hem in strijd ; ijn; v. met enen. VM. 52, nnn iemands zijde strijden, van iemands purtij zijn. Vgl. Mnl. Wdh. op met, 2); oneig. trans, met het obj. camp, Ov. 212; vgl. innl. en ndl. campvechter. vede (veedo), znw. vr., .1/. I, 741: CL 447, twist, reete. vedelen, zw. ww. intr., VM. 12. vedelen, op de viool spelen: spreekw. vedelen v o r die dove, aan een doovemans dear kloppen; vgl. K('/. 206: singhen den doven, vei. znw. o., vel-, cues vel soo-kon, .1/. 1, 125, iemand beet trachten te krijgen, vat op hem krijgen: zie ook eriieen. vellen, zw. ww. trans., .1/. 1. 525 var., rellen, verslaan-, .1/. I, 729, beslechten, vereffenen. venijn, znw. o., .1/. III, 4; 428, vergif, venijn-, M. 1, 62; 504; 609: 62 i; CL 297: Ov. 91, gif der hoosheid, zedelijke ontaarding, ondeugd. vensen (v e i n s e n , v e i s e n), zw. ww. trans., uitdenken, voorwenden-, vgl. g e v e n s t; â wederk. h e m vensen, .1/. I, 895, zich voordoen-, â intr., VM. 30, veinzen, zich anders voordoen dan men is. ver. znw. vr., .1/. I. 5; 55; Disp. 422, vroun-, vóór een eigennaam of een naam bij persoonsverbeelding, verbaren, zw. ww. trans., M. 111. 358, openharen, vertoonen. verbenen, zw. ww. trans., M. III, 52 : 125 var., verlakken, verschalken, voor den gek houden. Vgl. .1//«/. Wdb. op benen; Ndl. Wdh. op b e e n e n. verbidden, st. ww. trans.. Disp. 582; ' V. 344, afbidden (door bidden afwenden, nl. de straf voor iets), vergeving verkrijgen voor iets door het gebed. |
WOORDENLIJST.
289
|
verbieden, st. ww. trans., TJisp. 95,1 ontnemen. verbinden, st. w\v. trans., verhinden, verplichten: M. II , 73 Avederk. gebruikt. verbiten, st. ww. trans., M. I, 312; Oc. 48, doodbijten, met de tanden verscheuren. Vgl. Rein. I, 463. verblinden (-blenden), zw. ww. trans., J/. 1, 354; KCl. 89, ver-hlinden, in zedelijken zin. verboren (v e r b n e r e n, verb u-ren), zw. ww. trans., M. III, 234, verbeuren, het recht op iets verhexen-, Disp. 24; 34 (var. verdienen); 92, verdienen- Oc. 201, voor iels boeten-, mogen verboren, KCl. 10, aansprakelijk, gesteld kunnen worden, voor iets moeten boeten. verebieren (vercieren), zw. ww. trans., Disp. 57; 70, versieren. verdaghen, zw. ww. trans., C'/. 323, te voorschijn brengen, doen verschijnen-, in het pass., verschijnen, hel licht zien. verdine, znw. o., Ov. 213, verxoe-ning; hetzelfde als s o e n d i n c. verdoen, onr. ww. trans., Disp. 381, verteren, opeten (vgl. 370: verteren), of ook verderven; â verteren, verbruiken-, als znw., in de uitdr. te sinen ver do ene. Or. 128, vertering, verbruik, gebruik. Vgl. dezelfde uitdr. Hooft, N. Hist. 154, en nog heden in Zaanl. tongvallen; zie Boekenoogen, Zaansch Idiot. 1120. verdomen (verdoemen), zw. ww. trans., J/. I, 526; 111, 278, veroor-deelen, tot slavernij doemen. verdonkeren, zw. ww. trans., ,1/. III, 362; 463 var., ran glans be-rooven, doen tanen, bezwalken; .1/. I , 86; Til/. 86, den glans benemen, verduisteren, ook in zedelijken zin. quot;Vgl. verswaren. verdoort, deelw. bnw. van v e r d o- r e n; z. aid. verdoren, zw. ww. trans., Disp. 19, verdwazen, gek maken-, âintr., ver-(bcaien, gek of dwaas worden, .1/, 11, 8; Cl. 368; KCl. 43. Vooral in het deelw. verdoort, .1/. I, 144; II, 167 varr.; Disp. 564; Ov. 50, gek, van zijn verstand beroofd-, ook dwaas, dol. Wapene Marlijn e. a. Ged. |
verdouwen, zw. ww. intr., M. I, 454 var., ivegsnielten, wegkwijnen. Vgl. bedouwen. verdraeh, znw. o., het verdragen-, zoo b.v. Lsp. III, 3, 1005; sender v., Disp. 205, onverdraaglijk, niet te verdragen. G-ewoonlijk heeft do uitdr. eene andere bet., nl. zonder ophouden of ook zonder uitstel (Oudem. 7, 290). verdragben, zw. ww. trans., .1/. I, 457 : 464, verschoonen, ten goede houden. verdrinken, st. ww. trans., M. I, 50.3, in hel water doen omkomen. verdriven, st. ww. trans., drijven, jagen-, M. l,877,slands verdriven, verbannen-, âdwingen-, verdreven sijn, M. II, 87, gedwongen zijn, tot de eene of andere handeling gedrongen worden, niet anders kunnen doen-, M. 1, 614, verdrijven, verjagen, of ook vernietigen, wegdoen-, M. II, 38, te gronde richten. Zie T. en Lettb. 1, 243, waar de door Cosi.in voorgestelde verandering on-noodig is, en Versl. en Med. Kon. Acad. 1887, bi. 844vlg.; KCl. 2.30, verderven, uitroeien. verdroghen, zw. ww. intr., Disp. 311, verschroeien van dorst. verduwen, st. ww. trans., Oo. 243, verdrukken of verstooten, ran zich slooten. vereesclien (-heeschen), zw. ww. trans., M. III, 399, vernemen-, M. III, 126; 423, leeren kennen, waarnemen. vergaen (vergeet, verginc, vergangen), st. ww. intr., M. III, 468, vergaan, verslijten, te niet gaan-, Disp. 6; 502 var., schijnbaar verdwijnen, rerduisteren, van hemellichamen, vergheven, zw. ww. trans., 31. I, 84, schenken, ten geschenke geven-, vgl. lat. condonare; M. I, 966; III, 372, vergeven, vergiffenis schenken, iets niet toerekenen-, vgl. fra. pardon-ner en Mnl. Wdb. 2, 744. vergheven, st. ww. trans., M. I, 880, vergiftigen. vergramen, zw. ww. trans.; hem v., M. I, 480; III, 53, kivaad worden , zich boos maken. 22 |
WOORDENLIJST.
verlieosclion. Zio vorceschon. iemand onaaiujmnam worden, of met
verheffen, st. ww. trans.; J/. 1, 825, veranderd onderwerp een tegenzin
in de hoogte heffen; â verheffen; in iets krijgen, het land aan iels
Cl. 305, en es prijs v., zijn roem krijgen, hetzelfde als mul. te lede
verbreiden-, J/. 111, 203, aanheffen] werden. Zie Limb. Gloss,
een beghin v., een aanvang doen verlenen, zw. ww. trans., M. III, 125,
nemen-, in pass. een aanvang nemen, in leen geven-, intr. als znw. leen-
verhit, deelw. bnw. van hem ver- manschaj), leenroerigheid, het onder
hitten, l'.l/! 21, verbitterd, woedend, een ander als leenheer staan, trf-
verhogen, zw. ww. trans., Vr. 32, haulcelijkheid; M. III, 52 var. is de
verheugen, verblijden. lezing onjuist. Omgekeerd is ver-
verkeren, zw. ww. intr., omkeeren, benen verkeerde lezing, M. III, 125.
veranderen-, KCl. 170, rechte ver- verliesen, st. ww. trans., Cl. 374,
keert, juist omgekeerd, j)recies an- van het goede afbrengen, tot het
dersom; -â trans., M. 1, 143, ver- kwade trekken of verlokken, in ze-
anderen. delijk verderf storten. Het tegenover-
verkies, znw. o., KCl. 121, wil, gestelde is beteren, zedelijk beter
wensch, zin- sijn v. setten in, maken-, deelw. verloren. Cl. 121,
zijne zinnen -.ctten op. te gronde gericht, gernïneerd, ver-
verkiesen (vereoren), st. ww. lor en.
trans., 67.150, uitkiezen, verkvzen. verloossen, zw. ww. trans., OHW. Vgl. vereoren. 120 (hier kan de vorm ook van verelaren, zw. ww. trans., ,1/. III, verloosten zijn); Cl 234; 4GG 361; OHW. 34, verhelderen, ver- (ook mogelijk verloos ten), verlichten ; e n e s w a e n verelaren, lossen.
iemands denkbeelden verhelderen, op- vermalediën, zw. ww. trans.. Cl.
scherpen-, CL kW, helder of duidelijk 210, vervloeken-, deelw. vermale-
maken, bekend maken-, (l. 514, in dijt. Or. 34; 55, vervloekt,
helderheid, klaarheid of lichtglans veriiianen, zw. ww. trans., 077JT.
overtreffen-, Cl. 436, toonen, open- 115, op het hart drukken, bezweren,
baren-, sijn verrisen v., toonen vernuiren, zw. ww. trans.. Cl. 244,
dat hij uit de dooden opgestaan was, bekend maken, beroemd maken, van
verschijnen. het wederk. hem vermaren komt
vcrcoren, deelw. bnw. van ver- ndl. vermaard.
kiesen; Cl. 119, in aanzien, ge- vermeien (liem â), zw. ww. we-zien, geliefd; vgl. ntevereoren;! derk., J7. II, 33, zich vermeien,
ver oor en hebben, KCl. 2, hoog- zich verlustigen, een bron van ge-
schatten, eeren, liefhebben-, KCl. 117, nor gen vinden in.
uitverkoren hebben, geroepen hebben vernielioen, bnw., Ov. 200, verrnil-
{tot het 2gt;riesterambt). joen, purperkleurig, bloedrood] »den
verladen, st. ww. trans., in moei- seilt ve rmelioene'', toespeling
hjkheden brengen, belasten, bezwaren] op den marteldood van Christus,
wederk. gebruikt, J/. I, 897; â vermiden, st. ww. intr., met den
deelw., verladen, Bisp. 594 var.; 2den nv., M. I, G81, ontzien, sparen.
M. III, 287 var., bezwaard, gebo- vermoeden, zw. ww. trans., M. I,
gen onder het Icrd, in een treurigen 763 var., wanen, meenen; hem
toestand verkecrende, ellendig, onge- vermoeden, M.l, 763, hetzelfde.
lukkig. vernioenen. Zie vennonen.
verlasten, zw. ww. trans., JI7. III. vermogen, praet.-praes. (2de pers.
107, door een last drukken, bezwaren,] tgw. tijd vermocht), M. III, 64,
verlaten, st. ww. trans., il7. 11, vermogen, in staat zijn-, M. II, 218
verlaten, alleen laten] Bisp. 545, var. (praet. (?) ver macht), over-
vergeven, kwijtschelden. Vgl. aflaet. mogen, de overwinning behalen.
verleden, zw. ww. intr., M. II, 22, vcrinonen (vermoenen), zw. ww.
290
WOORDENLIJST.
291
|
trans., vermanen; o n e n tl c s v., Ov. 119, iemand ernstig ann iets herinneren, iemand iets te zeggen hebben: hem v., Ot'. 89, zich zeiven iets op hel hart hinden, het besluit nemen. Vgl. de Inleiding, hoofdst. VI. *vei,naclit, M. II, 218 var., bedorven lezing; t. ver vacht. verniden, z\v. w\v. intr. met den 2den nv., M. I, 681 var., een afkeer hebben. Het mhd. verniden heeft de bet. door nijd te gronde richten. vernoy, znw. o., M. I, SS2 var., leed, verdriet. verout (v e r o n d e t), bnw., J/, I, 578, verouderd, ran ouder tot ouder in een geslacht aanwezig. verplecliten, zw. ww. trans., M. T, 89; 447 , verbinden, verstrikken. Vgl. IIii/d. Gloss, op verplechten en Lsp. Gloss, op plechten. verplet, deelw. van verpletten; KGl. 133, verpletterd. verraden, st. ww. trans., M- lif, 287 ; Disp. 96; 594; Or. 185, in het verderf storten , te gronde richten. verrisen, st. ww. intr.,. M. I, 298 var., rijzen, opklimmen â , Cl. 100, opstaan uil de dooden, verrijzen-, â als znw., Cl. 436, verrijzenis. versaghen, zw. ww. trans.. Or. 231; Cl. 413; KGl. 215, versagen, bevreesd maken, iemand vrees aanjagen. Vgl. onversaghet. verscheet, znw. o., .1/. III, 97, einde, ondergang; s o n d e r verscheet, I, 205, zonder einde, zonder ophouden. verscheiden (verschiet, verscheden), st. ww. intr., M. III, 409. scheiden, zich verwijderen-, deelw. verscheden, M. II, 16; III, 408, gescheiden, ran elkander verwijderd-, â als znw., Vr. 52, verscheiden, heengaan, uiteinde. verscoven, deelw. bnw. van v e r-s en ven, KCl. 205, in de war, in een treurigen toestand, van iemand die niet weet waaraan zich te houden. Vgl. verscuven. verscruven, st. ww. trans., M. I, 13, rerstooten, rcrwerpen. In bet. gelijk aan verscnven. Vooral gebruikt in het deelw. verser oven (Rein. Gloss.), hetzelfde als verscoven. |
verscnven, st. ww. trans., M. I, 13 var., verstooten, verwerjien. verseren, zw. ww. trans., zeer doen, bedroeven-, deelw. verseert, il/. I, 187, smartelijk gestemd, hitter-, â intr., Disji. 578, smartelijk gestemd zijn, ineenkrimpen, van smart. versetten, zw. ww. trans., O»;. 109, ontsieren, mismaken-, vgl. ha. ent-stellen-, zie de aant. en vgl. nog Oriseldis H 10;-: »sijn versette (= mnl. viismaket) aensichtquot;. *versiken, st. ww. intr., zwaar zuchten, hijgen-, ags. si can. Zie Bloemt. en Segh. Gloss, en Oil W. 44 in de varianten. versinnen (hem â). zw. ww. wederk., Disp. 464, zich, bedenken, met zich zelf te rade gaan. versliten, st. ww. trans., .1/. I, 427, verslijten, doorbrengen; I, 312 var., vernietigen, rerschenren-, Disji. 223 ; M. I, 372, verteren-, vgl. vleesch. versmaden, zw. ww. trans, (deelw. versmaet en, onorg., versmaden), KCL 30; 131; OHIV. 118; Disp. 572; Or. 195, smaden, hoonen, verachten, verwerpen. versmalen, zw. ww. trans., M. I, 123, verkleinen-, van smal, zie aid. versmoren, zw. ww. trans., .1/. I, 158; 700 e. c.; rerstikken, dooden door verstikking. ook van de helsche straf; h e m vers m o ren, M. II, 161, zich zelf dooden -, fi, 6, zich dooden in geestelijken zin, naar den geest ondergaan-, versmoort, deelw. bnw., Ov. 40, verslikt, geheel aan iets overgegeven, versmoort van s i n n e n, Disp. 286, beneveld van verstand. versnellen (hem â), zw. ww. wederk. , J/. lil. 502, ; ich beijveren, zich spoeden. versniden, st. ww. trans., Ov. 97, door snijden stomp vinken, bederven, onbruikbaar maken. Vgl. de aant. versoeken, zw. ww. Irans., J/. I, 48 var., iets aan iemand vragen, ongeveer het tegw. verzoeken. De gewone mnl. bet. is beproeven, onderzoeken. |
WOORDENLIJST.
292
|
versoenen, zw. ww. trans., Disp. 13S, de verzoening bewerken van iemand, hem in genade doen aannemen. verspanen, st. ww. trans., M. T, 435, verlokken, verleiden, vervoeren. Vgl. spanen. verspuwen, zw. ww. trans., Ov. 240, versmaden, afstand doen van. verstaen, st. ww. trans. (gob. wijs verstant), M. II, 235; 274; Disp. 275; Ov. 75, verstaan, heg rij pen, inzien, erkennen; â⢠als zmv., .1/. II, 247, verstand, hegrip. verstalen, zw. ww. trans., M. 1, 909, versterken. versteken, st. ww. trans., il/. I, 55 var., verstooten, van zich verwijderen. verstenen, zw. ww. intr., M. Ill, 127, verharden, onvatbaar worden voor indrukken. verswaren, zw. ww. trans., M. I, 174; II, 101 var., bezwaren, heiaden, heiasten, neerdrukken-,â hem met s o n d e n verswaren, III, 463. Zie cle aant. alcl. versweren, st. ww. trans., Disp. 238, zweren bij, bepaaldelijk ongepast of oneerbiedig zweren of vloeken; J/. II, 13, afzweren, met den 2den nv.; een meineed doen, meestal wederk. hem v.; deelw. versweren, KCl. 20, meiueedig. Zie Bloemt.'1 Gloss, vertaren. Zie verteren. vertellen, zw. ww. trans., M. I, 521, vertellen, inededeelen; III, 499 is de bet. niet zeker; zie de aant. verteren (-taren), zw. ww. trans., M. I, 189, verteren, verbruiken-, I, 179, verslijten, vernielen-, Disp. 370, verteren, verslinden of verderven, te gronde richten. Vgl. vertaren. vertiën, st. ww. intr. met den 2den nv., Cl. 218, verzaken, verloochenen. vertoghen, zw. ww. intr., zich ver-toonen, zich voordoen-, de onb. wijs als znw. gebruikt, M. I, 754. vernwen. Zie varuwen. vervaghen, zw. ww. trans., M. I, 400 var., schoonvegen, zuiveren, reinigen. quot;Vgl. vagen, en Vr. Heim. 1145: »een zwaert dat wel vervaeeM es ende verclaertquot;. |
vervaren, zw. ww. trans., M. I, 847, iemand vrees aanjagen, hem doen heven. vervaren. st. ww. intr., Disp. 502, verduisteren, van hemellichamen. Zie cle aant. op 31. Ill, 4G3. vervechten, st. ww. intr., M. II, 218, de overwinning bevechten, zegepralen. vervoglieden, zw. ww. trans., M. III, 125, onder voogdij stellen-, als znw., voogdij, voogdijschap, eig. (intr.) het onder voogdij staan. Vgl. verlenen. vervreeschen, zw. ww. trans., il/. Ill, 399 var., vernemen-. Ill, 12G var., leeren kennen, waarnemen. verwaren, zw. ww. trans., M. I, 347 var., bewaren, bezorgen, besturen-, hd. verwahren. verwaten, st. ww. trans.. Disp. 545, in den ban doen, uitbannen. verwecken, zw. ww. trans., M. III, 339 var., opwekken, wekken. verweert, bnw., KCl. 11$, verkeerd, verdorven^). Vgl. Tijdschr. 1, 249, en Rincl. 1326: »saen so was hi {de laster)re in {in het liegen) verweertquot;. Welke der mogelijke be-teekenissen is bedoeld: verdorven (van v e r w e r d e n); of vereelt, verhard {Kil. weer, callus, callnni);of beschermd, veilig, bezorgd (Tijdschr. 1, 250; vgl. Anz. 4, 405; Uijmb. 28218 (van verweren); verward, van verwerren, op zich zelf zeer goed denkbaar, zou in strijd zijn met Maerlants taalvormen) is niet uit te maken. verwegen (v e r w o e c h), st. ww. trans., Disp. 258, neerdrukken. verwerren, zw. ww. trans., Disp. 45, verwarren. verwijt, znw. o., Cl. 270, wraak, rechtmatige toorn. Vgl. T. en Lcttb. 5, 40; verwijt doen (naar onze onderstelling), zie de varr. op M. I, 680. verwinnen, st. ww. trans., de overwinning behalen-, M. II, 234 als znw., een middel om {over een heirts-tejcht) te zegevieren. verwoet, bnw., M. I, 895; 921; 01ÃW. 27 ;42, krankzinnig, razend-Disp. 228, dot, van honden. |
WOORDENLIJST.
293
|
vet, bnw., vet; KCl. 198, ruim voor-zian, wedderi(j. of als men cokene opvat in de bet. »eton en drinkenquot;, weelderig klaargemaakt of toebereid, vgl. mager like (M. I, 830); als znw. t v e 11 e; Ov. 150, het vette (van de melk); sappig, saprijk, KCL 139, van druiven. Vgl. Teuth. 2 461: vucht off vett we sen off werden, uvescere, uvere. viant, znw. m., Disp. 19; 257; Fr. 12; OHW. 40; 71, eig. die helse he viant, of die viant ut er hellen, die oude viant, de duivel, de hooze, M. Ill, 328. Vgl. de aant. op bl. 172. vier, znw. o, M. I, 37; Cl. 152. Vgl. Taal- en Letteren 1, 201. vinden, st. w\v. trans., M. I, 093; II, 80; 275, vinden, uitvinden, scheppen-. Cl. 52C, uitdenken, verdichten-, â als znw. gebruikt, II, 155, ivat men uitdenkt of verzint, bedenksel. Vgl. vont en de Aant. op 31. I, 7. virtuut (viertuut), znw. vr., 31.1, 673, kracht, vermogen. visike, znw. vr., OHW. 44 var., geneesmiddel. Eig. p h y s i k e, van gri. Cpv7i:, natuur-, vgl. eng. physician, dokter. Vgl. de aant. in de varr. en Mnl. Wdb. op f i s i k e. vlaen. st. ww. trans., M. 1, 648; villen â Disji. 30, mishandelen. Zie Segh. Gloss. vlaglie, znw. vr., 31. III, 115, vlaag, 'windvlaag, rukwind, schok. Zie Segh. Gloss, op vlag he. ATleon. zw. ww. trans.; ook vleeuwen (fleuwen), 3[. I, 33, vragen, om antwoord verzoeken-, I. 17, smee-ken, hidden -, III, 19; Disp. 505, aanhielden. vleesch, znw. o., Cl. 99 e. e., vleesch; v 1 e e s c h e n d e b 1 o e t, omschrijving voor het lichaam, Disp. 223 (lij f aid. bet. het leve7i), 31. I, 372; 309; v. e. b. versliten, zijn lichaam vernietigen, bederven, aan den ondergang prijsgeven. vleesclielijc, bnw., Disp. 290, rlec- schelijk, zinnelijk. Vgl. de aant. vleeuwen. Zie bij v 1 e e n en vgl. Franck, Etym. Wdb. op vleien. |
vlegglie, znw. vr., gebrek, zoowel zedelijk gebrek (Mnl. fro.gm. 74, 93; Velth. VIII, 12, 24; Rose 7954; Seven Vroeden 1018) dis mankement-, bepaaldelijk in een wapen: scheur, barst, spleet, Ov. 95; ook Elcg. 411; Lane. II, 45059. Nog heden bet. vlegge in het WVlaamsoh »snede in een afgevilden huidquot; (De Bo). vlien, st. ww. intr.. 3L I, 271; 726; 11, 232; Cl. 273, vluchten; voighen ende vlien, J/. I, 726, wijken, zwichten, eene zeer gewone mnl. alliteratie. Vgl. bij vlucht, en de aant. op Alex. VI, 1231; â trans., 31. II, 267, ontvlieden, ontwijken-, Disp. 349 , ontvluchten, zich van iets afmaken. Zie ook bij voighen en weren. vlies, znw. o., vlies, vacht, vel; KCl. 119, van de geschoren kruin gezegd. Vgl. de aant. en Esop. IV, 21; »doe moeste tscaep sijn vlies vercopen, hescoren ende al naect lopen.quot; vlijt, znw. m., vlijt, ijver; met vlite. Cl. 267, ijverig; 31. I, 609, nijd, naijver, ijverzucht, (varr. nijl). vlint, znw. ra. (?), 31. II, 72, steen, kei; vgl. hd. flinte: eig. vlint, vuursteen. Vgl. D. War. VIII, 84, 43; »haor hert is harder dan een vlintquot; en Kluge op flinte. vloet, znw. vr., 31. I, 888, vloed, stroom; Disp. 231, bloedstroom. vloghe, znw. vr. en ra., .1/. III, 28, vlucht, het vliegen; KCl. 80, vlucht, snelheid. Het ndl. vleug(je), opflikkering. vlucht, znw. vr., het achtervolgd worden, het duchten; voighen noch te vlucht, Disp. 470, hetz. als volgen noch te vlien, achtervolgen noch achtervolgd worden, d. i. noch het eene noch het andere van twee tegenovergestelde dingen, niets ter wereld. voeder, znw. m., Cl. 126, hij die voedt of spijzigt, voeder. vocglien, zw. ww. intr., zich schikken , passen, betamen; wel voegen, V31. 24. voet, znw. ra., voet, 31. I, 889 e. o.; onder voet werpen, Disp. 226, onder den roet icerpen, verwerpen, |
WOOHDENLIJST.
294
|
rersviaden; o. v. t r e c k e n, KCl. 01, onder den voet werpen, versmaden ; o. v. ligghen, OHW. 45, ter aarde liggen, in nood verkeer en. voghodie, znw. vr., VM. 16, voogdij, beheer, heerschappij. voghet, znw. m,, Si III, 113, landheer, eigenaar. vol (vu 1). Zie vollen. volen, deelw. van velen, Disp. 339 var., hevelen, opdragen, behalve op deze plaats slechts in het deelw. volen in do verbinding Go de volen en (den) dn vei volen. Vgl. Lsp. Gloss. volfi'lien, zw. ww. intr. met den â¢Ã¯don nv., M. 1, 338; 451, volgen-, II. 250, blij een bij; eig. instemmen met, vgl. Mnl. ÃVdb. op gevolch. Zoo ook Wal. 251; 70S; Ferg. 63; 4465; Limb. Xï, 1Ã03, c. e.; sonde v o 1 g h c n, Disp. 262, zonde na-loopen, zoeken, dienen; v o 1 g h e n noch te vlucht, zie bij vlucht en vgl. vlien. volleest (vulleest), znw. m., M. Dl, 246; 402, hulp, bijstand, genade ; III, 424, volmaaktheid. Zie Lexer 3, 448. volleren, zw. ww. trans.. Cl. 257, ten rolle leeren, volkomen begrijpen of heseffen. vollen, vullen (te â), bijw., .1/. m, 31; 36; Disp. 590, ten volle, -volkomen. volprisen (vul-), zw. en st. w\v. trans., M. I, 341 on var.; Cl. 396, volprijzen, volloven, naar waarde prijzen. volstaen (v u 1 s t o i t naast v u 1-steet), st. ww. intr., -1/. Ill, 390, volharden. vont, znw. ra., M. I, 358; Disp. 193, schat (eig. vondst); Or. 235, vinding; M. 1, 654, list ,kunstgreep. voute, znw. vr., Ov. 19, doopvont. voorders, znw. m. mv., M. Ill, 278, voorouders (var. v or vaders), voort, bijw., Disp. 486, verder, voorts; ook vervolgens, daarna, voorts. voortbringen, onr. zw. ww. trans., .1/. I, 210; VM. 94, voor den dag brengen, bijbrengen, aanroeren. voortgaen, st. ww. intr., Disp. 561, tewerk gaan, handelen, lat. procedere. voortniere (vort-), bijw., AL III, |
271 var., voortaan, in het vervolg. voorttien (vort-), st. ww. trans., Disp. 305, voor den dag halen, op tafel zetten. voorttreden, st. ww. intr., Ov. 199, vooruittreden, zich ten strijde aanbieden. voorttrecken (vort-), st. en zw. ww. intr., Ov. 49, optrekken , ten strijde trekken. vore, znw. vr. Zie vu re. voredeel (vor-), znw. o., KCl. 122, het vooruitkomen, het maken van promotie, bevordering. voreinaels, voormaels (hierââ¢), O o. 216, voorheen, in vroegere tijden. voren, bijw., KOL 116, vooraan; enen leven v., KCl. 44, iemand in een (goed) leven voorgaan; KCl. 41, hetzelfde als het voorz. vore; te voren bringen, Vr. 4, openbaren, mededeelen, verkondigen. Vgl. de aant. op J/. I, 687. vorengaen, st. ww. intr., Disp. 547, voorgaan, de eerste plaats belcleeden. vorenlopen, st. ww. intr., KCl. 18, iemand voorgaan, als voorlooper. vorensetten, zw. ww. trans., M III, 131; KCl. 1, vooropstellen, bovenaan plaatsen. vorespreken (v oor-, v o r-), st. ww. trans., Disp. 139; Ov. 56, voorzeggen , voorspellen. vraet, znw. m., Ov. 111 , vraat, gulzigaard, onmatige, zwelger. vraglien, zw. ww. trans., vragen; geb. wijs vrach, M. I, 463 (vgl. de aant.); son der v., KCl. 192, ongetwijfeld, zonder dat men egt;- naar behoeft te vragen. Vgl. o n g h e-v r a g h e t. vrede, znw. m. en vr., Cl. 177, rust, vrede; enen den vrede bevelen, Disp. 351, zie de aant.; Cl. 292, kalmte, rust, verademing, het ophouden (van iets onaangenaams); in v re den staen, OIIW. 59, niet aangevallen rvorden, niet door den duivel ivorden aangetast. vreesclien, zw. ww. trans., .V. Ill, 126 var.; 423 var., leeren, kennen, waarnemen. |
â WOOEDENLUST.
295
|
vresen, zw. ww. trans., .1/. Ill, 129; 2-tO, hang maken, verschrikken, iemand vrees aanjagen-, vgl. Mnl. Wdb. op g e v r e e s t. vri, bnw., Bisp. 17; Fr. 26, edel, vrij heerlijk, vrijmachtieh-, sijns selves vri, M. Ill, 17S (vgl. de aant. op M. 1, 294). Vgl. ook M. I, 004, Annt. vriën, zw. ww. trans., M. 11, 338; III, 255, bevrijden, verlossen. vriën. zw. ww. intr., Ov. 147 , vleiend smeeken. vro, bnw., Fr. 8; 25; 49, vroolijk, verheugd, blijde, lid. froh. vrocht {KCl. 9). Zie vrucht. vroe (vro), bijw.. J/. II, 201, vroeg-, hd. friih. vroede, znw. vr., M. II, .0)25 var., wijsheid, verstand: got. frodei. vroeden, zw. ww. intr., wijs zijn; als znw., J/. 11, 325, verstand, wijsheid. vrocdom, znw. o., .1/. II, .â )25 var., wijsheid. Vgl. eng. wisdom. vroet, bnw., M. II, 214 (vgl. de aant.); Cl. 129; M. 111, 21G, e. e., wijs, verstandig-, enen vroet maken ere dinc, iemand omtrent iets inlichten, hem iets viededeelen-, als znw. die vroede, J/. 1, 105; vgl. de aant. en Doel. 11, 2774. vroetscap, znw. vr., M. 11, 151, wijsheid, knapheid. Vgl. vroe dom, vroheit. -h e d e, znw. vr., CL 502, vreugde, zaligheid. vrome, bnw., M. I, 385, kloek. krachtig, energiek. vrome, znw. vr., M. I, 30; 532; 887; Disp. 74, haat, voordeel. vromen, zw. ww. intr., M. I, 239 var., balen, helpen; hd. frommen. vromich, bnw., .1/. I, 385, kloek, flink, energiek. Vgl. vrome, bnw. vrone, znw. m., M. Ill, 400, heer, van Ood en Christus. Vgl. de aant. vroude, znw. vr., Fr. 9, 03; Cl. 95; 203; Ov. 202, vreugde, bljdschap; in het mv., Fr. titel, redenen tot vreugde, bepaaldelijk in het leven der H. Maagd. Zoo spreekt men col; van »de VII bliscapen van Mariaquot;, vrouwe, znw. vr., M. I, 714; 710; 737; Disp. 39, meesteres, gebiedster. |
Vgl. Sp. 12, 31, 42; IVl, 40, 141; Franc. 7573; Alex. Vil, 1427. vrucht, znw. vr., Disp. 475, vrees. Vgl. hd. furcht en ndl. godsvrucht. vrucht (vrocht), znw. vr. en m., Disp. 10; 17; 20; G9; 548; 551; OU IV. 5; 7 ; KCl. 9, 'vrucht, ook van geestelijke vruchten of zegeningen. Vgl. f r u u t. vruclitelijc, bnw., Cl. 449, vreeselijk, schrikwekkend; dat vruchtelike ghe scheet, het laatste oordeel. vncht, bnw. Disp. 478, vochtig, nat. vullen (te â). Zie vollen, vulleest. Zie volleest. vure (vuere, veure, vore), znw. vr., Cl. 43, vore, ploegsnede. wach, tusschenw., M. I, 693 var., Disp. 202, wee! ach.' wachten, zw. ww. trans., ook met den 2den nv., KCl. 157, afwachten. waden (woet), st. ww. intr., J/. 111, 377; Disp. 232, vloeien. waen, znw. m., J/. I, 43; 11, 333, meening; d o m m e w a e n, il/. 1, 270; KCl. 104, onjuiste, onvaste rneening, domheid-,ââ twijfel-, Bonder waen, Ov. 73; s o n d e r t w i f e 1 e n d e waen, M. I, 5, waarlijk, waarachtig, ongetwijfeld, veelal bloote be-vestigingsformule: Disp. 524, hoop. waer. bnw., u-aur; als znw. gebruikt, waarheid; ook dat waer (dwaer, dware), M. I. 26; KCl. 95; 109; 229; Disp. 184; wel ende waer segghen, .1/. II, 332; I, 222; 846. Vgl. waersagher. waer. bijw., .1/. I, 145 var.; 111, 475; Disp. 495, maar, slechts. Uit newaer (neware), waarnaast ook n e m a e r (n e ra a re) voorkomt. Vgl. Mul. Wdh. op maer, neraare en n e w a r e. waer. Zie ware. waerachtich (wareftich), bnw., .1/. I, 506 en var., blank oprecht, waarheidlievend. waerde (werde), znw. vr., Cl. 430, waardigheid, eer (subjectief opgevat), vroomheid; .1/. I, 341; KCl. 54, waarde, kostbaarheid. waerheit, znw. vr., waarheid; â M. 1, 573; 638 var.; 11, 326, ver- |
WOORDENLIJST.
29G
|
korting van in w a e r h e i t, en waerheit, ewaerheit (vgl. Lippijn 22 en 75; a w a rijt). Vgl. Blocml. 3-, 215 en Mal. Wdb. 1, 504 vlg. â waersagher, znw. m., VM. 35, hij die de ivaarheit zegt, een waarheidlievend mensch. waert (wert), bnw., M. 1, 344 var.; 399, waardig, edel. Zie Hild. Gloss, waert, znw. m., J/. lil, 113, heer des huizes. waesdom. Zie wasdom. waghe, znw. vr., KOL 216, weegschaal , waagschaal. waghe, znw. vr., M. Ill, 108, gewicht, zwaarte. Zie de aant. waghen, zw. ww. trans., M. I, 4C3; 4(58, wagen, ondernemen. waghescale, znw. vr., weegschaal, [waagschaal, wat den vorm betreft); die leste w., Cl. 195, het laatste oordeel. waken. zw. ww. intr., Disp. 358, waken; KOL 0G, wakker liggen; waken om iet. Cl. 14, zich inspannen op iets, er moeite rooi-doen-, waken op, KCl. 91, letten op-, vgl. ndl. op iets vigileer en. wal, znw. m., diepte, afgrond-, die h e 1 s c h e wal, Dis}). 108, de hcl-sche afgrond, de hel. Zie Lsp. Gloss, wale. Zie wel. wandel, bnw., M. I, 120; 437 ; 626; 654, onbetrouwbaar, ivuft, veranderlijk. wandelbaer, bnw., M. I, 120 var., hetzelfde als wandel; z. aid. wanen, zw. ww. intr., hopen] als znw., M. I, 432, hoop. Vgl. got. wenjan. wanen (waen), Jl£ 1, 97, van waar, waar van daan. wankel, bnw., M. I, 120 var.; 437 var.; 626 var.; 654 var., onbetrouwbaar , veranderlijk. ⢠want, voegw., M. I, 96; 99; 217; 263; 510; 875; Disp. 394; Cl. 401 e. e., omdat, dewijl, meestal met de constructie van den afh. zin; â als bijw., waarom, v-aardoor oi xoo-dat, M. I, 414; vgl. Tijdschr. 5, 93 vlgg. |
wapene (waphene, wapen), tns-schenw., M. T, 1; 690; 693; .1/. III, 423 (hier uitroep niet van smart), wee, eig. te wapen; ook wapene van, M. I, 259, ivee over. Het geroep van den klager voor het gerecht. Zie Geimsi, RA. 634; Noordew., RO. 414. Vgl. mnl. w a p e n g e-r ach te; mhd. waf en [wafend) en wdfengeschrei, hulpgeroep; en fra. alarrne uit « Varme! warande, znw. vr., KCl. 182, afgezet jachtterrein, jachtperk, eigen jacht. Vgl. Franck op warande, ware (waer), znw. vr., borg. In de uitd r. w a e r spreken, Disp. 453, borg spreken, borg staan. Vgl. Hild. Gloss, op waer s e g g hen; ook Enqueste (van 1494), Gloss., bl. 333, en ndl. waarborgen. wasdoem (waesdom, ook Wap. Rog. 1354), znw. m., Disp. 485, groei; M. 1, 96, winst, voordeel. Zoo ook Sp. U, 22, 45; Is, 54, 26. wassen, st. ww. intr., groeien-, die noit en wies, M. 1, 132, (God) die nooit geboren werd, dus de ongeborene, de van eeuwigheid beslaande. wat, in de uitdr. wat of. Zie de aant. op Disp. 94. weclitien, st. ww. trans., J/. 11. 242, ontrukken, vervoeren, eig. wegtrekken. weder en de voort, bijw., 1\L I, 592, eig. terug en vooruit, dus in alle richtingen. aan alle kanten, alom. Vgl. Bloernl.- Gloss, bl. 456. weder, voegw., gevolgd door so of door of, 31. 1, 743; 769, of â of-, â gevolgd door no of noch. Cl. 273, noch â noch, vgl. Mnl. Wdb. op a n t e r en enter, en Flor. 2295 (bij een, Mnl. Wdb. 2, 526). wederspreken, st. ww. tra?is., M. III, 482, weerspreken, opkomen tegen. wederstaen, st. ww. trans., M. I, 78, verhinderen, beletten-, w. ten kere, in den terugkeer belemmerd (in het Mnl. Wdb. (3, 1263) anders en minder juist opgevat), wederstaen. st. ww. trans., M. I, 78; Ov. 178, weerstand bieden aan, afloeren, beletten. wederstoot, znw. m., .1/. II, 319; Vr. 69, tegenstand-, M. Hl, 174, tegenspioed, onheil, treurige toestand-, |
woordenlijst.
297
|
s o n cl o r w., in vreugde, in de hoor/sic gelukzaligheid, M. III, 273. weelde, znw. vr., Disp. 2G1; Or. 40; KOL 50; IliO; 152; 179, weelde, overdaad. Ook in den vorm welde, KOL 89. Zio Franck, Mnl. Grainm. § 16. weeldicli, bnw., M. I, 820; Disp. 283, weelderig, overdadig. weeldicheit, -hode, ook w o 1-dicheit, znw. vr., J/. I, 854; Or. 142, weelde, overdaad, ook de middelen om zich een weelderig leven te veroorloven. ween (wein, wene), znw. m., vr. en o., M. I, 30; 101; 325 en var.; 637; JII, 22; VM. 101; Disp. 88; 329; 425; 501 en var.; Cl. 35; Or. 23; 56; 234, rouw, ellende, droefheid ; die lange ween, M. I, 101; vg-l. lane. Over dat a er t se he wene, Cl. 411. het aardsche tranendal, zie de aant. op Disp. 501, ook over Cl. 228. weerachtich (wer-), bnw., M. I, 566 var., krachtig, dapper, synon. van stont. wein. Zie ween (wene). wecken. Zie bij wreek en. wel (wale), bijw., goed, wel; Cl. 194, e. e., wale honden. Cl. 281. goed in orde honden; rein, zuiver houden; wel e n d e w a e r seg-ghen, zie bij waer; Ov. mi, zeer, in hooge mate. Vgl. mnl. weina, weldaet, znw. vr., J/. f, 278; 302; een goed werk, volgens het kerkelijk begrip; de deugd, J/. I, 571; weldaet deren, de deugd bestrijden, trachten ie henadeelen. welde. weldicheit. Zie weel d e, weeldicheit. weldoen, znw. o., .1/. I, 403, goeddoen, het betrachten van de deugd, het volbrengen van goede werken. welghedaen, bnw., .1/. II, 54; Cl. 359, schoon, bevallig, welgevormd. weina (welnaer), bijw., J/. I, 951, bijna. Zie Tijdschr. 1, 298. welvaren, znw. o., w el raar t, geluk; M. Ill, 454, geestelijk heil. welc, vnw., welk, ook wie; Disp. 489; 496; 504; 505, wie van beiden. Vgl. elc {Mnl. Wdb. 2, 613). Wapenc Marlijn e. a, Ged. |
vvelstaen, znw. o., fatsoen, betamelijkheid, behooren; uit wel staen, passen, betamen, ook goed staan, vgl. Ov. 109, en de aant. aid.; n a den welstane, Cl. 358, zóó dat het goed staat, naar behooren, in de juiste maat. wenden, z\v. ww. intr., M. I, 216 var., een einde nemen. Zoo ook mhd. (Lexer 3, 760). Of terugkeeren, van daan komen. wene. Zio winc. werachticli {M. I, 566 var.). Zie weerachtich. werde, werdicliede. Zie waerde, w a o r d i c h e d e. were, znw. vr., M. III, 98; Or. 9, verdediging, tegenweer; die helse he were. Cl. 217, de helsche tegenweer, bij uitbr. hel hellerot, de hel of het helsche bolwerk, het helsche roofnest. weren, z\v. ww. trans., OHM'. 17, afweren ; â intr. Cl. 273, zich verweren; weder werende no vliende ontga en, op geenerlei wijze ontkomende, noch door zich te verweren noch door te vluchten. Vgl. eene dgl. nitdr. bij volg hen. werken (w r o c h t e (*w r a c h t e), gewrocht, gewracht), zw. ww. intr., M. I, 217, uitwerken, ten gevolge hebben; Of. 45, tot stand brengen , aanrichten; M. II, 215, ver-wekken, voortbrengen. werre, znw. vr., M. I, 494, war, verwarring, ongelegenheid. wers, bijw., oude comparatief, Disp. 47, slechter, minder; eng. worse. wesen, st. ww. intr., Disp. 109, blijven; â bestaan; wesen doen. Oil IF. 33, hef aanzijn schenken; â als znw., M. Ill, 110, wezen. wet, znw. vr., Disp. 40, wet; M. I, 240, testament, het oude en nieuwe verbond; 826, geloof, godsdienst. weten, praet-praes., weten, ,1/. I, 121, over de constructie zie Ferg. Gloss, op weten; ere dinc niet willen weten, Ov. 32, er niet naar hooren willen, er niets van weten willen. wieden, zw. ww. trans., wieden; met eene bep. met van. Cl. 66, reinigen, zuiveren. |
23
quot;woordenlijst.
298
|
wiën, zw. ww. trans., M. III, 254; C. 219, heiligen, wijden. wies, betr. vnw., M. III, 379; 380, zonder onderscheid van geslacht of getal, evenals ndl. waarvan, fra. (lont. Vgl. Seyh. bl. 183; Lucid. 4007; Mul. Wdh. 2, 80 vlg. wijcli, znw. m., M. I, 524; OHW. GO, .strijd, r/evecJil. wijnhrauwe, znw. vr., Cl. 332, wenkbrauw. Zie Franck op wenkbrauw, wijngaert, znw. m., Disp. 144; KCI. 14, wijnstok] KCI. 138; Ov. 155, Gods w ij n g a e r t. wijngaertranke. znw. vr., Disp. 259, wijnrank. Zoo staat in een Farijsch liederhs. ( 1500) f. Gif: »o scone wingaertrank, ghij sijt soe fier; n rueke verdrijft dat felle dierquot;, wijsman, znw. m., O/. 98; 103, ivijxevtan (in de 17de eeuw); de verstandige, knappe man. Aviken, st. ww. intr., icijken; met eene bep. met van (af), M. I, 2G9, van iets afzien. wilen, bijw., Cl. 40; 133; 170; 2G2; 478; Ov. 180, weleer, eertijds. wille, znw. m., M. II, 221; III. 104, wil-, M. II, 129, hartstocht. Avillecome (welcome, -comen), bnw., M. I, 479, welkom. willens, bijw., M. I, 889; 895, vrijwillig, uit 'vrijen wil. wine, znw. m., wenk, knip-, ere oghen wine, M, I, 398, een knip met het oog, bij uitbr. eene kleinigheid-, niet ere oghen winc, hetzelfde als niet een t w int (of twinc), geen zier, niets hoegenaamd-, J/. III, 91; 250, het wankelen, wankeling, afdwaling. winnen, st. ww. trans., M. I, 547; Disp. 120; 219; 255, voortbrengen-, ghesonde winnen, OHW. 94, zijne gezondheid terugkrijgen. wint, znw. ra., wind-, te winde hangen, OHW. 98; vgl. de aant.; een wint, J/. 11, 7G, iets van geene beteekenis. Vgl. Alex. I, 47. wisen, zw. ww. trans., M. I, 56, wijzen-, M. I, 184, onderwijzen, onderrichten-, M. I, 545; 7Gü, veroor-deelen, verwijzen. |
wissel, znw. m., Vr. 53, ruil, ver-wisseling. woekenare (woekerare, woken-nare), -ere, znw. m., M. I, 370, woekeraar. wolf, wolle. Zie wulf, wulle. wonden, zw. ww. trans., M. I, 25G, kwetsen, verminken-. Of. 238, treffen-, ook van eene niet vijandelijke werking, M. I, 35G; van de min, ,1/. I, G52. Zie de aant. op M. I, 855 en Ov. 238. wonderen, zw. ww. onpers., Cl. 384, verwonderen. woort, znw. o., M. 11, 250; 236; III, G; I, 586, woord-, il/. 1,402, de naam van iets, de reputatie] des V a d e r w., het woord des Vaders {Joh. 1, 1), als benaming van Gods Zoon. worm, znw. m.. Cl. 163, worm. Yan oen worm die eene slang (een draak) doodt is niets bekend, liet punt van vergelijking is de geboorte zonder vader. Vgl. de aant. op Cl. 157. wout. 2de pers. praes. van willen, M. 1, 560 , 768. wrake, znw. vr., Cl. 166, wraak, vergelding-, wrake ontfaen van, Cl. 166, gewroken worden op-, die leste wrake. Cl. 23, het laatste oordcel] die ewelike w., J/. 111, 492, de hellepijn, de eeuwige straf. wreet, bnw., M. 1, 19G, hard, onhandelbaar] Go de wreet, M. II, 303, zich tegen God en zijn wil verzettende] Disp. 245, wreet te, hard of vijandig tegen. wreken, st. ww. trans., KCI. 214, wreken, straffen; Ov. 200, wreken, wraak verschaffèn aan (met de a 2den nv. van een vrouwelijken verwantschapsnaam): â intr., CL 487, wraak oefenen, kwaad berokkenen. wrecken, zw. ww. trans., il/. 1, 491 var.. II, 23 var., III, 339 var. (in dent, wecken), wekken, opwekken, aansporen,prikkelen. Zie Hilü. Gloss, op wrecken en v e r w r e c k e n; Oxtdeu. Wdh. op Bred. 491 wulf (wo 1 f), znw. m., Disp. 3G7; 369; 381 en varr. wolf, KCI. 51; 53. wulle, znw. vr., Disp. 348; 379, wol. |
VERBETERINGEN EN TOEVOEGSELEN.
|
lil. 'â¢2, vs. Ii4 var. 1. FDOA antwooi-Jt. BI. 5, vs. 107 varr. De ruimte tusschen = ? en CBFD moet vervallen; C enz. lezen «van dat kntslieren gevenquot;. BI. 8, vs. 105 var. !. B die vroedê. BI. 10, vs. 223 var. 1. .1 O in plaats van AB. BI. 15, vs. 300 var. E 1. cucn in plaats van enen. BI. Bi, vs. 337 var. Vóór «C Als nochquot; moet het versnummer 337 worden bijgevoegd. BI. 21, vs. 448 var. 1. CEFDOG in plaats van DE F DOG. BI. 23, vs. 484 var. 1. O sprekes. BI. 30, vs. 634. Plaats achter menschen-bloet een komma. BI. 31, vs. 053 var. 1. O in plaats van O. BI. 31, vs. 650 var. 1. Maec in plaats van Maer. BI. 3'2, vs. 685 var. 1. »C bistquot; in plaats van nB bistquot;, en »0 maer tesquot; in pl. van ytF maer tesquot;. BI. 35, vs. 740, 1. «ghelede;quot; in plaats van «ghelede.quot;. BI. 30, vs. 833 var. 1. rijkheil. BI. 30, vs. 844 1. hechte. BI. 40, vs. 855 1. oulaer. BI. 4'2, vs. 803 var. 1. »,/â¢'Ægt; intquot;. BI. 40, vs. 04 1. «binnen.quot; in plaats van «binnen,quot;. BI. 55, vs. 221 var. 1. «.4 Sijn FO willens .-1 onlbr.quot; BI. 64, vs. 60 var. nACF ghehamenquot; is overbodig; daarentegen moet ingevoegd worden: «7? gheamenquot;. BI. 65, vs. 08 var. 1. «O a. d. m. gr. eerequot;. BI. 6G. Vgl. met de 0de strophe van .1/. Ill vooral Hadew. Proza 75 vlgg., en o. a. deze woorden: «God es boven al ende onderhaven. God es onder al ende on-verdi uct. God es binnen al ende onghe-sloten. God es buien al ende al ombegrepen.quot; lil. 67, vs. 140 var. 1. «C Ende en laot DE En latet BFGW Ende latet'. |
BI. 70, vs. '186 I. «moghenthede,quot; i.t plaats van «moghenthede quot; BI. 76, vs. 323 I. «sperein plaats van «spere;quot;. BI. 81, vs. 44i var. toe te voegen; CBFDG W alsmen. Hl. 83, vs. 481 var. 1. «O helle poortquot;. 151. 87, vs. 20 noot. Te wijzigen naar Inl. hl. XLVllf. BI. Ill, vs. 54 nool 1. Clans. 501. lil. '114, vs. 27 varr. Be daar bedoelde hl. der Inleiding is XXXVÃ. lil. 115, vs. 44 varr. 1. 43 in plaats van 55 en 54. 131. 117, vs. 76 varr. Voor henof kan nog verwezen worden naar de in het Mnl. VVdb. niet genoemde plaats uit Ann. Em. 3, 123: «ware dat sake dat henof foute were.quot; BI. '124, Claus. 152. Dezelfde fout staat N. Dort. 1527; «doen hi ten bome quana gegaen.quot; Waarschijnlijk is zij voortgekomen uit de schrijfwijze bnme, eene gewone manier, waarop r met eene volgende vocaal geschreven werd. BI. 145, vs. 38â40. Vgl. Rjnib. 25485 vlgg. Omrne ghewin, onnne meesters namen Staet die clergie al te zarnen Ende niet om der zielen bejach: Dies wanic dat naect die doemsdach (vgl. KCl. '17). BI. 146, vs. 60. De var. moet geschrapt worden, als overtollig. BI. 162, vs. 415 aanlt;. De met M.'s woorden overeenkomende bijbelplaats is aangewezen Inl. bl. LXXVI noot. BI. 168, vs. 664 aant. Ook elders komt ffi voor als synon. van vrecmt-, zoo b.v. in de nitdr. «liet bevet mi vriquot;, Belg. Mits. 10, 62, 23. Doch de overgang der bet. moet nog nader worden opgehelderd. |
quot;WOORDEISTLIJST.
298
|
wiën. zw. \vw. trans., M. IIT, 254; G. 219, heiligen, wijden. wies, betr. vnw., M. III, 379; 380, zonder onderscheid van geslacht of getal, evenals ndl. waarvan, fra. dont. Vgl. Segh. 1,1. 183; Lucid. 4007; Mnl. Wdh. 2, 80 vlg. wijcli, znw. m., M. 1, 524; OHW. 60, strijd, gevecht. wijnbrauwe. znw. vr., Cl. 332, wenkbrauw. Zie Franck op wenkbrauw, wijngaert, znw. m., Disp. 144; KOL 14, wijnstok-, ATV. 138; Ov. 155, Gods w ij n g a e r t. wijngaertranke. znw. vr., Disp. 259, wijnrank. Zoo staat in een Parijsch liederhs. ( 1500) f. 64i': »o scone wingaertrank, gliij sijt soa lier: n rueke verdrijft dat felle dierquot;, 'wijsman, znw. m., \'M. 98; 103, wijzeman (in de 17de eeuw); de verstandige, knappe man. wiken, st. ww. intr., wijken-, met eene bep. met van (af), J/. I, 209, vnn iets afzien. Avilen, bijw., Cl. 40; 133; 170; 2G2; 478; Oi\ 180, weleer, eertijds. wille, znw. rn., M. II, 221; III. 104, wil; M. II, 129, hartstocht. Avillecome (welcome, -comen), bnw., M. I, 479, welkom. Avillens, bijw., M.l, 889; 895, vrijwillig , uit vrijen wil. winc, znw. m., wenk, knip-, ere oghen wine, M, I, 398, een knip met het oog, bij uitbr. eene kleinigheid-, niet ere oghen winc, hetzelfde als niet een t w i n t (of twinc), geen zier, niets hoegenaamd-. If. III, 91; 250, hd wankelen, wankeling , afdwaling. winnen, st. ww. trans., .1/. I, 547; Disp. 120; 219; 255, voortbrengen-, ghesonde winnen, OHW. 94, zijne gezondheid terugkrijgen. wint, znw. m., wind-, te winde hangen, OHW. 98; vgl. de aant.; een wint, M. II, 70, iets van geene betcekenis. Vgl. Alex. I, 47. wispn, zw. ww. trans., M. I, 56, ivijzen; M. \, 184, onderwijzen, onderrichten-, M. I, 545; 700, veroor-deelen, verwijzen. |
wissel, znw. m., Vr. 53, ruil, verwisseling. woekenare (woekerare, woken-nare), -ere, znw. m., M. I, 370, woekeraar. wolf, wolle. Zie wulf, wulle. wonden, zw. ww. trans., M. 1, 250, kwetsen, verminken-, Ov. 238, treffen-, ook van eene niet vijandelijke werking, M. 1, 350; van de min, M. I, 052. Zie de aant. op M. I, 355 en Ov. 238. wonderen, zw. ww. onpers., Cl. 384, verwonderen. woort, znw. o., M. II, 250; 230; III, 0: I, 580, woord] J/. 1,402, de naam van iets, de reputatie-, des V a d e r w., het woord des Vaders [Joh. 1, 1), als benaming van Gods Zoon. worm, znw. m.. Cl. 103, worm. Yan een worm die eene slang (een draak) doodt is niets bekend. Het punt van vergelijking is de geboorte zonder vader. Vgl. de aant. op Cl. 157. wout, 2de pers. praes. van willen, M. I, 500 , 708. wrake, znw. vr., Cl. 100, wraak, vergelding-, wrake ontfaen van. Cl. 106, gewroken worden op; die leste wrake. Cl. 23, het laatste oordeel-, die ewelike w., M. III, 492, de hellepijn, de eeuwige siraf. wreet, bnw., M. 1, 196, hard, onhandelbaar-, Go de wreet, M. II, 303, zich tegen God en zijn wil verzettende-, Disp. 245, wreet te, hard of vijandig tegen. wreken, st. ww. trans., KCl. 214, wreken, straffen; Ov. 200, wreken, wraak verschaffen aan (met den 2den nv. van een vrouwelijken verwantschapsnaam); â intr.. Cl. ±87, wraak oefenen, kwaad berokkenen. wreeken, zw. ww. trans., J/. I, 491 var., II, 23 var., III, 339 var. (in dent, wecken), wekken, opwekken, aansporen,prikkelen. Zie Hilu. Gloss, op w r e c k e n en v er wreeken; OrnEir. Wdh. op Bred. 491. wulf (w o 1 f), znw. m., Disp. 307; 309; 381 en varr. icolf, KCl. 51; 53. wulle, znw. vr.. Disp. 348; â 179, wol. |
VERBETERINGEN EN T0EV0E6SELEN,
|
BI. 2, vs. 34 var. 1. FDOA antwoordt. BI. 5, vs. 107 varr. De ruimte tusschen = ? en CBFD moet vervallen; C enz. lezen »van Jat lantsheren gevenquot;. BI. 8, vs. '105 var. 1. B die vroede. BI. 40, vs. 221! var, 1. ,10 in plaats van .4 B. BI. 15, vs. 300 var. E 1. enen in plaats van enen. BI. 16, vs. 337 var. Vóór dB Als nochquot; moet het versnummer 337 worden bijgevoegd. BI. 21, vs. 448 var. 1. CEFDOG in plaats van UEFDOG. BI. 23, vs. 484 var. 1. O sprekes. BI. 30, vs. 034. Plaats achter menxcheti-bloet een komma. BI. 31, vs. 053 var. 1. O in plaats van O. BI. 31, vs. 059 var. l. Maec in plaats van Maer. BI. 32, vs. 085 var. 1. gt;iC bistquot; in plaats van dB bistquot;, en »0 maer tesquot; in pl. van nF maer tesquot;. BI. 35, vs. 740, 1. »ghelede;quot; in plaats van »ghelede.quot;. BI. 39, vs. 833 var. 1. rijkheit. BI. 39, vs. 844 1. hcchte. BI. 40, vs. 855 I. outaer. BI. 42, vs. 893 var. 1. dFD intquot;. BI. 49, vs. 04 1. «binnen.quot; in plaats van ïbinnen,quot;. BI. 55, vs. 221 var. 1. ».4 Sijn FO willens A onlbr.quot; BI. 04, vs. 00 var. dACF ghehamenquot; is overbodig; daarentegen moet ingevoegd worden: dB gheamenquot;. BI. 05, v-. 98 var. I. »0 a. d. m. gr. eerequot;. BI. 00. Vgl. met de 9de strophe van M. 111 vooral Hadew. Proza 75 vlgg., en o. a. deze woorden; »God es boven al ende onderhaven. God es onder al ende on-verdruct. God es binnen al ende onghe-sloten. God es buien al ende al ombegrepen.quot; |
BI. 07, vs. 140 var. 1. dC Ende en laet DE En latet BFG-W Ende latet'. BI. 70, vs. '180 1. smoghenthede,quot; in plaats van smoghenthede.quot; BI. 70, vs. 323 1. sspere,quot; in plaats van »spere BI. 81, vs. 441 var. toe te voegen: CBFDG \V alsmen. Rl. 83, vs. 481 var. I. dO helle poortquot;. BI. 87, vs. 29 nool. Te wijzigen naar Inl. bl. XLY1II. BI. Ill, vs. 54 nool 1. Claus. 501. Bl. 114, vs. 27 varr. De daar bedoelde bl. der Inleiding is XXXVII. lil. 115, vs. 44 varr. I. 43 in plaats van 55 en 54. Bl. 117, vs. 70 varr. Voor henof kan nog verwezen worden naar de in het Mul. Wdb. niet genoemde plaats nit Ann. Em. 3, 123: «ware dat sake dat henof foute were.quot; Bl. 124, Clans. 152. Dezelfde fout staat N. Dort. 1527: «doen hi ten bome quam gegaen.quot; Waarschijnlijk is zij voortgekomen uit de schrijfwijze bquot;rne. eene gewone manier, waarop r met eene volgende vocaal geschreven werd. Bl. 145, vs. 38â40. Vgl. fii/mb. 25485 vlgg. Omme ghewin, omme meesters namen Staet die clergie al te zameu Ende niet om der zielen bejacb: Dies wanic dat naect die doemsdach (vgl. KCl. 17). Bl. 140, vs. 00. De var. moet geschrapt worden, als overtollig. Bl. 102, vs. Ho cuinl. De met M.'s woorden overeenkomende bijbelplaats is aangewezen Tnl. bl. LXXVI noot. Bl. 108, vs. 004 aanl. Ook elders komt vri voor als synon. van vree ril t; zoo b.v. in de uitdr. «het lievet mi vriquot;, Belg. Mus. 10, 62, 23. Doch de overgang der bet. moet nog nader worden opgehelderd. |
300
| tocht tegen Arragon het aangemerkte op bl. TXVl noot.
BI. quot;ITO, vs. 808 aunt. 1. prole.ron vooi-protheron.
BI. 177. vs. 211 aant. Zie ook Lanc. 111, 5023 vlgg., waar Adam, Samson, Salomon en Abscilon in lietzelti-lG \eibaud worden genoemd, alsmede liet in den Proza-Alex. (uiig. d. Hoogstia) bl. 20, voorkomende distichon:
Adam. Sampsonem, Lod, David et [Salomonem
Femina decepit. Quis modo tntus erit. Bl 180, vs. 5.quot;) aant. Vgl. ook Mnl. Wdh. op amen.
Bl. '187, vs. 403 aant. De lezing versware» hebben niet alleen A G maar nok C en II Bl. 189, vs. 499 aant. Vgl. de/n/. bl. XXXI noot 2.
Bl. 193, vs. 94 var. Wat of komt ook elders voor in de bet. van lat. quid si, d. i. cn als dan'-? cn als nu eens'? Zoo b.v. Boë.th. 54b; nWat ofU\ te gnllic vanden deile des goeds ghenomen hebs? j wat of ie van ilij nocli niet al glio-scheiden bem? Ende oft dese selve mijne verandert heit gherechte cause dij es te hopene beters?quot; Lat. aid. liquid si iiberins de bonorum parte sumpsisti? quid si a te non tota discessi? Quid si hec ipsa mei mntabilitas jnsta tibi cansa est sperandi meliora.quot;
Bl. 199, vs. 2 aant. Vgl. nog Parjsch Liederits. 15)-: »doe si dat sprac ootmoe-delike, outline si gode van hemelrikequot;. Bl. 202, vs. 25 aant. lüj nader inzien vonden wij het herdrukken van het bedoelde gedicht overbodig, zoodat voor »het in de Inl. medegedeelde gedichtquot; moet gelezen worden «het Tjdscltr. 14, 97 vlg. medegedeelde gedicht.quot;
Bl. 205, vs. -120 aant. Zie ook L. o. Jl. 3535, waar, in strijd met 4101 vlgg., de Paesdach als de tijd van bet «breken der helquot; wordt opgegeven.
Bl. 222, vs. 498 aant. Over het «dal van Josaphatquot;, zie nog Enq. hss. 3, 413 {Verst, en Med. Kon. Vla. Acad. v. 1897). Bl. 220, vs. 21 aant. Vgl. Inl. bl. LXX1X noot.
Bl. 230, vs. 124 aant. Zie over den kruis- 1
Bl. 230, vs. '143 noot. Vgl. Bottelghier, Summ. Bur. c. 109 tweemaal of des niet, d. i. als dit niet het geval is. Voelde lezing van het hs. zon men kunnen doen pleiten; Gerl. Peters lts. Solilo-quium 5r; «welc beelde is dattet wedei-maect woort, soo enz..quot;, enald.24u; »ïs dat dese troost betiden mijn ghemoede ondercrupetquot;.
Bl. 234. vs. 113 aant. Voeg bij de daar genoemde voorbeelden nog het aan Maer-lant ontleende Bjmh. 5387 ; «of si wijf namen ..., sag hen dat si waren onbesmetquot;. Bl. 203, bij lit. Claus. '13 wordt waarschijnlijk met lit in; «decken onder sine ledequot; arm bedoeld, vgl. Tjdscltr. 10, 28, 118; «Zoo moetstu, here, onzer ontfarmen Ende balen onder dinen armenquot;.
Bl. 208. Oghescijn is geen bnw., maar een znw. Zie later het Mnl. Wdb. op het woord.
Bl. 275. Voor prcit vgl. H ap. Bog. 1474;
«ackers, bosscheu, bomen, preden (;).quot; Bl. 282. Spieghelen ende si en komt ook voor Sp. o. B. 43/'; «ilat watei-vat.... verciert was mit vrouwen spieghelen, opdat si hem selven spieghelen ende sien mochten, die ii den tempel ghingen waren, of si enyghe smet-tinquot;e...an hem hadden.quot;
Bl. 289 bij vergheven I. M. II i. P- v. I.
j Hier mogen nog enkele grammatische bijzonderheden vermeld worden, in de aanteekeningen behandeld.
accusatief cum infinitivo M. I, 800 aant. apocope der vnw. en lidw. M. 1,154 aant. datief in plaats van acc. bij een trans.
ww. i¥. 1, 7 aant.
gebrek aan overeenstemming Vijf Vr. 45
aant.; Disp. 358 aanl.
conjunctief in den bijzin .1/. I, 809 aant.;
III, 499 aant.; Or. 19 aant.
proteron husteron der werkwoordsvormen M. I, 808 aant.; II. 294 aant.; Disp. 431 aant.
instituut
T£ UTRECHT
sooys taal.
voor nedsrl/u\'
rljksmivmksltbir AAN DM